-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

¥

-ocr page 8-

mSÊÊMÊ WÊm

\'t

.

-ocr page 9-

2

KI H IVL E ïl S\'

■7^

Algein eeiie

Kunstwoordentolk

BEVATTENDE

dc Vertaling cn Verklaring van alle Vreemde Woorden en Zegswijzen, die in Geschriften van allerlei aard, in de Taal der Samenleving, in Handel, Bedrijf enz. voorkomen

MET

AANDUIDING VAN DE UITSPRAAK EN DEN KLEMTOON DIER WOORDEN EN NAUWKEURIGE OPGAVE VAN HUNNE AFSTAMMING EN VORMING

NAAR DE BESTE BRONNEN

DOOR

Ti. quot;W. F. ZB O HST TE

n

Loeraar aan cle R, Hoogere Burgerschool en het Progymnasium to Gouda

VIERDE DRUK

GEHEEL HERZIEN EN AANZIENLIJK VERMEERDERD EN VERBETERD

GOUDA (;. B. VAN (;OOR ZONEN

-ocr page 10-

-ocr page 11-

VOORREDE.

Hel werk, waarvan hierbij (,e Viehuk Diu k aan het Nederlandsche publiek wordt aunuebo-don, heeft sedert lang tyn Hief/ gevonden, zoodal ik my ontslagen kan rekenen ran de taak, om breedvoerig hel nul van dergelijk IFoordenboek in hel lieht te stellen. Op uitnoodiging van de Uitgeven heb ik mg mei de herziening belast; ik hoop, dal de aangebrachte verbeteringen en vermeerderingen de bruikbaarheid van het ITerk zullen ver hoog en. Aan de inrichting en het plan van den Kunstwoordenlolk is niets veranderd: alleen heb ik my beijverd daarin alle vreemde woorden op te nemen, die na de verschijning van den vorigen druk in zwang gekomen zijn. De taaiste druk van Heyse\'s FiiEMnwöliTEnnucil, dut KlUJlEns ten grondslag van zyn arbeid genomen had, benevens verscheiden andere Woordenboeken uit den taalsten tyil zyn door my geraadpleegd; naar mijn beste weten heb ik getracht den gulden middelweg te bewandelen lusschen te groolen overvloed, die hel boek al te zeer zou doen uitdijen, en te angstvallige karigheid, welke norzaak zou kunnen zyn, dal hel den gebruiker te dikwijls in den steek liet. Of ik de juiste grens getrokken heb, daarover verblyve het oordeel aan den gebruiker.

Ik heb getracht de meest bekende woorden, die uit onze Oost tot ons overgekomen zyn, by een te verzamelen en op te nemen. Hg de vertaling en verklaring daarvan heb ik veel te danken («in (/en hooggcl. lieer Prof. P. J. Vetii, die my zijne aanteekeningen omtrent dit onderwerp welwillend ten gebruike afstond. Ook heb ik zooveel mogelijk de verkortingen ingelascht, by botanische en andere natuurhistorische benamingen in gebruik voor de geleerden en natuuronderzoekers, van wie deze namen afkomstig zyn.

Omtrent de volgorde der woorden de volgende aanhaling uil Klt.VMElis\' Voorrede by den Kersten Druk. «In zoo verre het de alphabelisrhe volgorde van hel geheel zonder groot ongemak toeliet, zyn de woorden van éenen stam zoodanig byeengeplaalsl, dat het stamwoord, het moge een werkwoord of naamwoord tvezen, aan hel hoofd des artikels staal, waarop dan de afleidingen en samenstellingen naar orde van haar ontslaan volgen. Tol dat einde werden nok vu en dan zoodanige {vooral lalynsehe en grieksche) stamwoorden aan het hoofd van lange artikels geplaatst en verklaard, die wel in hunnen zuiveren vorm in onze taal niet gebruikelijk zyn, maar den etymologischen grondslag voor geheele ryen van gebruikelijke afleidingen en samenstellingen uilmaken. IF aar echter door de by eenplaatsing van geheele woordenfamiliün van de al-phabelische volgorde moest afgeweken worden, is het afzonderlijk woord Op de plaats, die hel toekomt, gezet en op hel artikel verwezen, waarin zyne verklaring is Ie zoeken, zoodal men ieder woord zonder zwarigheid zal kunnen vinden. — Hoe groole voordcelen de schikking der woorden volgens hunne verwantschap heefl boven die van hunne toevallige alphabelisrhe opvolging; hoe door die inrichting de bijzondere leden eener woordenfamilie elkander wederzijds verklaren, en door hel aan hun hoofd geplaatste stamwoord over alle volgende en den organischen samenhang

-ocr page 12-

V O O R R E D K

lt;ler fiansche familie een helder licht verspreid wordt, dut hehoeft voor den zaakkundige ueene opheldering.quot;

De aanduiding der uitspraak, lt;lie ultjjil voor oningewgden moeilijk te geven i.i, is geheel gebleven als in den vorigen druk. Ook thans is ry bg benadering in Nederlandsch schrift uit-gedrukt: de ii is het leeken voor den Franschen neusklank, terwgt als gewoonlijk hel accent is aangewezen deels door het loonteeken (\'), deels door de gebruikelijke leekens {\' en quot;) voor de lengte en kortheid der lettergrepen.

Hiermede geloof ik alles gezegd te hebben, wat den lezer bg het gebruik nuttig kan zijn. Mocht de Tolk in zijn nieuw kleed voldoen aan de behoeften van den tegenwoordigen lijd, dan zou ik den daaraan besteden arbeid ruimschoots beloond achten.

H. W. F. BONTE.

Gouda, September 188G.

-ocr page 13-

Verklaring van de gebezigde Verkortingen.

mij. bcleehenl: adjecllvum.

adv.

adverbium.

afgek.

afgekort.

afgol.

afgeleid.

afk.

afkorting.

alcli. oralchlm.

alchlmlsttseli.

AIk. o/\' Algol).

Algebra,

Anal.

Anatomie,

angels.

«ngelsakslscb.

a ral).

arablscb.

a ra in.

arameeseb.

Arch.

Arebltectura.

Arcliieol.

ArebiTBOIogle.

Arltli.

Arttlimetlea.

Aslr. o/\'Aslron.

Astronomie

l)ai,l) lat.

bnrbDiirscl) latljn, d. 1. kwalgk,

gevormd latUn.

Iiask.

basklseb.

Iiüquot;.

bijnaam.

1)011.

boliccmsch.

Rol.

Botanie,

l)raz. of bra/11,

braziliaansch.

1). V.

bü voorbeeld.

eelt.

celliscb.

chald.

cbaldeeuwscb.

Chom.

Cliemle.

Chr., clir.

Christus, cbrlsteiUk.

Chron.

Chronologie.

comp. of com-

par.

eomparatlvus.

doen.

deenscli.

d. 1.

dat Is.

d. z.

dal z.yn.

cgypt. elg.

egypllscli,

oiirnnliiL

clgcnn.

cifreniUK. eigennaam.

en dgl.

en dergelijke.

Eng., eng.

Engeland, engelseb.

enz.

en zoo voorts.

f., rem.

fomlnlnum.

«g.

tlgnuriyk, oneigenlijk.

Fin.

Flaaiielewezen.

Fort.

Forllllcalle.

fr.

fransch.

frequent.

frequentatlof.

fr.-gr.

fransch-grlckscb.

gael. beleehcnl ■ gaellseb o/\'hoogscholseb.

geb.

» geboren.

gem.

» gemeen of Id de platte taai

gebruikelijk.

gen. «/\'genii.

» genlllvus.

Geom.

» Geometile.

gest.

» gestorven.

gew.

» gewoonlijk.

gotb.

• golblsd).

gr.

» grlekscb.

gr -lat.

» ult grleksch en lalgn samen

gesteld.

Gram,

» Grammatica.

behr.

» bebreeuwsch.

bolt.

» holland-ch.

bong.

» bongaarsch.

Usl,

» (jslandscb.

Ind.

» Indisch.

Ir) \'1 alg.

» in \'t algemeen.

inz.

» Inzonderheid.

Iron.

» Ironisch,

It, of Hal,

• llaliaansrb.

J. C.

» Jezus Chrlslus,

Jar.

» .lurlsprudenlle.

Katb., katl).

» Kalbollek, kalhollsch.

Knit.

» Koopmansterm.

kopt.

» koptisch.

hit.

» latUn.

lal.-gr.

- ult iatyn ea grleksch samen

gesteld.

log.

» logisch.

Log.

• Logica.

m.

» masculinum.

m. el n.

» masculinum en neutrum

mansn.

\' mansnaam.

Mar.

» Marino.

Math.

» Mathesis.

Mod.

» Medicina.

mexlc.

» mexicaansch.

mld.-lat.

quot; mlddeicouwscb-latUn.

Mil.

■■ Militair,

Miner.

» Mineralogie,

M)iz.

» Muziek.

Myth.

quot; ^iylbologlo.

n.

» neutrmi).

li 1

quot;• namelyk.


-ocr page 14-

VERKT.ARING VAN DE GEBF.ZIGDF; VERKORTINGEN.

nederd. beleekcnt - nedordultsch.

r. k beleekunt : roomsch-katbollek.

nederl.

nederlandsch.

rysch.

»

ryschool.

nederl.-fr.

nederlandsch-fraasch.

rem.

romelnsch.

nederl.-lat.

nederlandseh-laHln.

roman.

romaansch.

N. II.

Natuuriyke lllstorlo.

russ.

russlscb.

nw.gr.

»

nieuw grleksch.

saks.

sakslscb.

nw lat.

»

nieuw laiyn d. 1. uit hot latyn

samengest.

samengesteld.

In lateren lijd gevormd, dus

sainengetr.

samengetrokken.

vreemd aan di\' oud-romeln-

sanskr.

sanskrlt.

sche taal.

sell.

»

scilicet, d. 1. nameiyk, aan

noord.

noordscbo.

Ie vullen, enz.

N. T.

gt;

Nieuwe Testament.

serv.

N

servlscb.

o. a.

»

onder anderen.

slng.

»

singularis.

onelg.

»

onelgeniyk.

slav.

»

Slavisch of Slavonisch

ontst.

»

ontslaan.

sp.

spaansch.

oorspr.

»

oorspronkelyk.

spr.

1*

spreek nlt of locs

oost-lnd.

oost-Indisch.

sprw.

»

spreekwoord.

0. T.

»

Oude Testament.

syr.

W

syrlsch.

omld.

M

oud-dultseh.

tart.

n

tartaarseh.

oudfr.

»

oud-franscb.

tegengest.

a

tegengesteld.

oudhoogd.

»

nud-hoogdullsch.

tegenst.

togenstelllng.

oud-lt.

oud-ltallaansch.

turk.

»

turksch.

oudlat.

eud-latynscb.

Typ.

w

Typographic.

oudnedcrl.

»

oud-nederlandsch.

V.

»

van.

oudn.

M

oud-noordscb.

v. a.

volgens andoren.

oudrom.

»

oud-remelnscb.

v. d.

»

van den.

oudsaks.

»

oud-sakslsch.

v. h.

»

van het.

part., partlc.

»

participium nf deelwoord.

venei.

»

venetlaanscb.

perz.

«

perzlseh.

verbast.

»

verbasterd, verbastering.

pcruv.

»

peruvloansch.

verk

»

verkorting.

pharm.

»

pharinaceullscb.

verklw.

w

verkleinwoord.

I\'iiarm.

»

Pbannacle.

vgl.

«

vergciyk.

Phys.

O

Pbyslca.

voorm.

»

voormaals, voormalig.

Physiol.

»

Physlelogle.

voorz.

voorzetsel.

Plet.

»

Plctu\' l.

vr.naam.

«

vrouwennaam.

pl.

plu. alls.

v. s.

»

volgens sommigen.

poet.

»

poëtisch.

waarscb.

«

waarscbyniyk.

Poet.

»

Poëtica

wallach.

I*

wailachlsch.

Pol.

»

Politica.

wend.

wendlscb.

pool.

»

poolscb.

WW.

n

werkwoord.

port.

portugeesch.

z.

zie.

provenc.

provencaalscb.

z. a. oft. aid.

»

zie aldaar.

provlnc.

»

provinciaal, provincialisme.

zeogea.

»

zoogenaamde.

redek.

»

redekunstig.

z. v. a.

quot;

zoo veel als.

R. K. of R.

zw.

N

zweedscb.

Kath.

»

Reomscb-Katholleken.

NIV Een \' beduidt, dat de lotterBroop het accent of den toon heelt.

Een — hoven een vocaal boteekent de lengte der lettergreep.

Een ^ duldt de kortheid der lettergreep aan.

Een = wil zeggen: goiyk aan, geiykheld, inzonderheid ctymologlscho geiykhcld

OOOOjg^OOOO-

I

-ocr page 15-

_A-

_ ji (als oud-rornelnsch uctal), vjlfliondord; — A (als oud-romelnsch «etal), vUf duizend; — A (in do schcikundc), azijnzuur.

A of A0 = anno, In hot Jaar, Ion jaro; —

A. = Are, vierkanlo rocdo; —a.a. = ana, elk evenveel (op recepten); — A. a. a. = amal-(lama (z. a.) — A. a. C. = anno ante Christum, in \'t jaar vóór Christus; — A. aer. vuig. = anno aerae vulgaris, In \'t Jaar der gewone tijdrekening ; — A. A. M. of A. M. = ariïum magister, meester der kunsten; — AA. LL. M. of A. L. M. = art,urn liberalium magister, meester der vr|je kunston; — A. a. u. c. of A. «. c. = anno ah urhe rondt Ui, anno urbis eondftae, in \'t jaar v. de bouwing der stad (Rome); — A. II = ar-tium baccalaureus, lat. baccaluureus (candidnat) dor vr|jo kunsten; — A. b. = aurca bulla, de gouden hul; — a. Igt;. = arenosum balneum, zandbad; — A. C. = anno Christi, in \'tjaar van Ctirlstus, ook Augustana Confessie (z. a.); — Ac., acadmia, hoogeschool; — a. c. = anni cur-réntis, anno currénte, van of in \'t loopendo jaar;

— A. IX — anno Domini, in \'t Jaar onzes llee-ren; — Ad. of ad. (In do muziek) adagio, langzaam; — a. d. — ante diem, vóór den (bepaalden) dag of termijn); a dalo, v. den dag (der uitvaardiging) af; — add. (op recepten), addalur of aride, men voege er by, voeg er lig; — A. K = Archi-Episcópus, aartsbisschop; — a. f. — anni futuri, van liet aanstaande jaar; — a. h. I.

— ad hunc lorum, te dezer plaatse; — A. I. = Altesse im/ifriale. Keizerlijke Hoogheid; — ./. M. = anno mundi, in \'tjaar der wereld; ook ar-tïum magister, meester der (vr|je) kunsten; ook amJca manu, met vriendenhand, met vriend (op adressen v. brieven); — a. m. = al marro, naar het gewicht; — a. m. c. = a mundo rondïto, of a. o. r. — ab. orbe condïto, van de schepping der wereld; — a. n. r. = anno orbis redémli, in \'tjaar na de verlossing der wereld; — A. I\'., Amsterdamscb peil; — A. I\'. nt A° Pquot;, a. p. ola°p° = anno passato, In het afgeloopen Jaar;

— a. pr. = anni preséntis, van bel tegenwoordige of loopende Jaar; — a. pracc., a. praet. = anni praecedéntis of praelenH, van \'t vorige Jaar;

— a. p. II. c. = anno post tlomam rondïtam, in \'t Jaar na Ramos bouwing; — A. II = aca-dcnüae rector, rector der universiteit; ook Altesse royale. Koninklijke Hoogheid; — n. r. = anno regni, in \'tjaar der regeering; — a. r. s. = anno restauratae of recuperatae salülis, in \'t Jaar na de herstelling des hells; — A. S. = Altesse sïrfnissime, Doorluchilge Hoogheid; — a. s., aanslaande; — A. SS. — acta sanctórum,

vierde imuK.

handelingen of geschiedenis der heiligen; a. u. c. — anno urbis comiïtae, In \'tjaar na Romes stichting; — a. u. s. = actum ut supra (z. a.)

«-, gr. de zoogen. alpha privalivum (z. alpha), beeft vóór vele gr. woorden eene ontkennende, opbellende of tegenstellende kracht, geiyk bet nederd. on-, zoo b.v. akratie, apathie, asthenie, atoom enz.; vóór eene klinkletter staal daarvoor an, b.v. anoniem, anorganisch.

a, lal. voorz., z. ab.

a, fr., voor, togen, om, b. v. de el a een gl.

a, Hal. voorz,, by, aan, op, In, over, tegen, na, niet, van, voor, onder, b, v. a capella, z. onder kapel, a conto, z. onder conto.

A. als muntteeken = de eerste stad van een staat, waar do munten geslagen worden, b. v. in Frankrijk: Parys; in Oostenrijk; Wee-nen; in Pruisen en bet Duitsche rijk: Rorlyn.

A, f. Mus. zesde toon van de toonschaal uit C of ut, anders la gebeeten.

A en O (alpha en omega), de eerste en laatste letter van bet gr. alphabet; van daar: begin einde, de eerste en laatste, hot gewichtigste en dierbaarste; toenaam des Hellands. (Oponb. Joh. i, 8.)

Aabam, o. alcbomlstlsche naam van \'1 lood.

Aalbert, Aiberl, iiiansn., verkorting v. \'tonde A del bert, z. ond. Adela.

Aam, voorin, ned, vochimaat: voor fr. wyn = l»5,2i liter of kan ; voor rijn- of moczelwyn = i48,! liter; voor iirandewyn = 222,(\')i liter; voor olie = 148,5 liter.

Aap, m. Mar, oude naam van \'t bezaanstagzeil.

Aarib, z. v. a. Bedoeïenen (z. a.)

Aaron, lieljr. naam (Aharön): de verlichte; — Aaron, Aaronswortel, z. v. a. a ron,

aarts, voorz. by sommige woorden, die eene waardigheid aanduiden, als vader, bisschop, priester enz,, komt af van het gr. arrhein, beginnen, en beleckent zooveel als eerste; hel staat ook liy woorden, die eene zedeiyke boe-dnnlgbeld aanduiden, als aartsguit, aartsketter, enz. Neemt een gr, woord dat archa achlerop, dan gebruikt men dezen uitgang In \'t ned., onder den vorm arch, onvertaald, als monarch, schol arch, patriarch, enz.; — aartsambten, die nmblen, welke de dniische keur-vorsten hy de kroning eens roomschen keizers óf In persoon óf door plaatsvervangers waarnamen : de aartsschenker, aartsspysopdrager, aarlsmaarschalk, aartskamerheer en aarlsscberm-meestor.

Aas, n. voorin, ned, goudgewicht = n,fl\'i8

I


-ocr page 16-

ABAT-JOUR

A AT

2

wichtjes; benaming der éenen op de dobbelen doinino-stcenen cn in hel kaartspel. Aat, in. japnnscho rozeroodo edcisteen. Ab, de llile maand v. h. liaiKeriyke en de 3de van het godsdienstige Jaar der Iraelieten (overeenkomende met een gedeelte van Juli en van Augustus).

ab, (vóór I en lt;/ abs, vóór andere medeklinkers, behalve ft, gewoonlijk a) lal. voorz.: van; in daarmede samengestelde woorden komt het overeen met ons af, ont, weg, enz. b. v. abdiceeren, abjureeren, abslraheeren, avoceeren.

Aba, f. Kml. turksche wollen stof voor mantels, ook Salonika geheeten.

Abab, m. turk. vrye turksche matroos, ababa, f. wilde papaver (fr. coquelicot), Abaca, f. naam eener soort v. banaanboom (Musa text 11 us) en der uit zijne vezels vervaardigde hennip, in a n 111 a-henrilp, op de Phi-llppijnsche eilanden.

Abacissus, Abaeist, z. onder a li a c u s. abacomes, m. (pi. abacomiles) mid. lal. schutsheer van een klooster.

Abacot, n. eng. (spr. ébecol) de staatsmuts In den vorm eener dubbele kroon, hel hoofdsieraad der oude eng. koningen.

Abactie, f. lat. {abactio, vgl. abigeeren) de wegdryving, laz. de veediefstal; — abaciïo partus of fcelus, f. lat. Med. de afdrUving der vrucht; — abactor, in. veedief,

a baciilo ad angülum, lat., eig. van de zijde eens driehoeks tol zijnen hoek (hesluiten), d. i. eene ongerijmde gevolgtrekking maken.

Abacus, n lal., rekentafel hU de Ouden; abacus PylhagorJcus, tafel v. veriiienlgvuldlging in de gedaante eens vierhoeks; Arch, de bovenste vierkante plaat, waarmede hel kapiteel eener znil bedekt is; — abacissus, m. de dunne plaat, die den overgang tusschen den abacus en hel kapiteel uitmaakt; — abaeist, m. nw. lal. rekenmeester.

abada, f. sp. aziatische neushoren m. Abaddön, m. hebr. (v. dbad. te gronde gaan) verderver, vernieler, verwoester; benaming van den engel des afgronds Opciih. Jph. IX, II); afgrond der hel.

Abadieten, m. pi. muzelmansche secle in Arable, land Oman.

Abadsji, abaï, m. de maand Augustus by de Turken, naar den syrlschen almanak.

abaisseeren (spr. abüss—), fr. (abaisser) nederiaten, doen zakken; vernederen.

abaliëneeren, lal. ab-alienarei vgl. aii-ëen, enz.) vreemd maken, ontvreemden, vervreemden, afkeerig, afvallig maken; — abalic-ndndi jus, n. het recht van vervreemding; — abaliënatie (spr. t=ts), f. vervreemding, overgang van eigendom; verslooting.

Aban, m. beschermgeest der yzerniynen In de perz. godenleer; de achlste maand (October) in den perz. en syro-macedoiiischcn kalemler.

Abandon, n. fr. (spr. abahdóii, mid. lat, abandonum, nbnndum, ontslaan uit ad bunnum donuin, d. 1. dalio of missie i/i bunnum, volledige afstand, overgave ia de macht eens anderen); Jur. by zee-assnranlIBn, liet recht van afstand, d. I. het recht des verzekerden om aan den assuradeur schip en goed tegen betaling der verzekerde som over te laten, en hel recht des verzekeraars om door betaling der verzekerde som aan den verassureerde zich van de kosten der redding of vrymakliig van schip en goed Ie bevryden; ook verlaten toestand; nalatigheid, verwaarloozlng; — aban-donneeren, verlaten, opgeven, prysgeven, laten varen, afstand doen; In den zeehandel enz. het aandeel In verzekerde goederen, schepen, enz. aan den assuradeur onder zekere voorwaarden afstaan; in de krygsk. geabandonneerde posten, verlaten, opgegeven posten; — abandonneering, f. verlating, opgeving, afstanddoening, afstand.

Abaned, m. de linnen lyfgonlel der Jood-sche priesters.

Abanga, f. Hot. naam eener palnihooni-vruclil op SI. Thomas.

Abannatie (spr. l=ts) f. mid. lat. (ab-annalio, v. ab en annus) Jur. de verbanning voor een Jaar wegens manslag, om het gebeurde door afwezigheid des daders in vergetelheid te brengen.

Abaptiston, n. gr., z. v, a. trepaan (z. a.)

abarbei, m. perzische munt (circa f I.)

abarceeren, nw.ial. (ab-arccre) Jur. ie-m a a d a b-, iemand uil zyne bezitting verdryven.

Abarnahas, n. alchemistische naam der magnesla.

Abartamen, n. alchenilstlsche naam van hel lood.

Abarticulatie (spr. I = ts), f. nw.ial. (vgl, articulatie) Med. ontwrichting, verrekking, z. v. a. diarthrosls.

(i bas, f, zie bas.

Abas, m. perz. gewicht van J karaat om paarlen Ie wegen = ^ gram; ook eene perzische rekenmunt = i mamoedls (z. a.)

abassaménlo, of liever abbassaménlo, n. II., de daling, verlaging, hel vallen; KmL a. di jirezzn, de daling van den prgs.

Abat-chauvée, f. fr. (spr. aba-sjowi\') Kml. geringe wolsoort in Pollou en omstreken.

Abatellemént, m. (fr. spr. —tell\'mdii) het handelsverbod des franschen consuls in de Levant aan fransche kooplieden, die hunne verplichtingen niet nakomen.

Abatis of abattis, n. (fr. spr. abali) Arch, puin; Mil. eene verhakking; hy Jagers: eene menigte geveld wild; by slagers; afval, huid, talk, enz.; by gieters: de ledematen der standbeelden.

Abat-jour, n. fr. (spr. aba-jóér) een kei-dervensier, licht venster, vallicht, schuin venster, waardoor het licht van hoven invalt, koekoek; — vensterscherm tot afwering der zonnestraleii, zonneblind; — sleriyk uitgesneden papier, dat \'s avonds over den halion van een lamp- of gaslicht een schoon elfect doel.


-ocr page 17-

ABECEDEERKN

ABATON

3

abaton, n. gr. (van abatos, ontocgiinkciyk). Met allerliiMIiKstc, hot door een voorhsmgsel omgeven koor in giieksche kerken.

Abator, a last or m. gr., bestraller van t kwade; naam van Zeus; naam van een der drie |gt;a»rden van I\'lalo (in Boccaccio\'s Gene-aiogie der Goden).

Abator, m. nw.lat. wederrechtelgk iM\'zlt-nemer, overweidiger.

Abattage, f. fr. (spr. —Iduzj\') het liout-veiien, iiakioon; ook: groote iioul of klinknagel ; — abattant, m. (spr. —tan) cen val-of dwarslnik vóór de vensters ot. deuren der koopmansgewelven; — abattement, n. (sjir. aabll\'mdn) de neerslachtigheid, verslagenheid, afmatting, uilputting; — abatteur, m. liout-veller; (tig.)prater, pocher; —abattoir,n. (fr. —loar) (openhaar) slachthuis; — abattu, ge-abattcerd, afgemat, krachteloos, moede, vermoeid, moedeloos.

abatlilta, liever a balluta, it. (spr. —loelu) Mu/.. naar de maat, nauwkeurig afgemeten.

Abat-vent, n. fr. (spr. aba-wdh) een windbord, windschorm, weerdak; dekmat over boomen.

ah nure, lat., geheime raad.

Abavi, Abavo, m. (in sommige afrikaan-sche tongvallen) de hoahah ot apenbroodboom. Abba, abbas, rn., syr., vader; (z. a.);

— abas eximptm, lat. (vgl. ex line eren) een vrU-abi, die niet onder ccnen bisschop staat;

— abbate, it., of abbé, fr. m. een alii; ook een woreidiyk geestelijke, die in Krank rijk en Italië, zonder eene abdy ie behben, zich als een abt kleedt en voordoet; — te Genua heet de eerste raadsheer Abbale del Popoio; te Milaan noemt men de gilde-dekens ook abba/i, en In /. l\'ïanknjk heel de persoon, die de lande-lyke volksvermaken regelt, Alibi! de la jouinem (jeuncs.se).

abbassamenlo, z. abassamenlo.

Abbassi, m. pi^rz. zilvermunt, zoo gehee-len naar den khailf Abbas, vroeger =90 cis., nu lil cis.: — russ. zilvermunt in Georglö, = ■20 kopeken.

abbassamento, n. Hal. het neerslaan dei-hand hij hel maatslaan, neerslag m.; liet zei-ten van de eene hand onder de andere hu hel klavlerspel, zoodat de handen elkander kruisen; daling, f. b. v. a. ili prezzo, daling van den prijs; a. di voce, zakken der slem.

Abbassiden, m. pi. een vorslongesiaclil, afstammende van Muhameds oom, Abbas, in Bagdad on Ugypte, v. Till—liSS; — een vor-stengeslaebt in PerzlB, v. IMO—nili.

abbastioneeren (van buslion), zie onder ba s t ld o.

Abbate, abbé, onder a h li a. Abboena, m. arab. (Ahuna, onze vader) opperste geestelijke der abysslnische kerk.

abbrevieeron, nw. lal. (abbremare, v. brevis, e, kort) afkorten, verkorten; — abbre-vialöres of abbreviators, pi. verkoriers, sehrlftverkoriers; pauseiyke kanselarysehryvers;

— abbreviatuur, f. verkorting, sehriftvcr-korting; verkortingsleeken; korte inhoud.

Abces, zie onder a b s c e s.

Abcis, abcissie, zie onder abscin-d e e r e n.

Abd, arab., in samengestelde eigennamen: knecht; l). v. Abd-allah, knecht (lods; Abd-el-kader, knecht desmaebiigen (Gods); Abd-el-Medsjid, knecht des glorieryken (Gods).

Abdal, m. arab. (eig. pi. van baihl, een plaatsvervanger; een vroom man) een muha-medaansch monnik in Perzie en OostindliS; — dweper, enthousiast, in.

Abderieten, m. pi. gr., inwoners der oude thracische stad Abdéra, wegens hunne onnoo-zelheid vermaard; Hg. onnoozele, dwaze, onverstandige menschen; — abderietenstre-ken, domme zetten, bespolleiyke dwaasheden, kanipersinkjes; — abderiotisch, eenvoudig, onnoozel, zol, belachelijk; abderiseeren of abderologiseeren, zotte, lielacheiyke, ongerymde dingen zeggen, beuzelen; — abde-ritisme, n. het geloof der Abderieten, naar hetwelk b. v. het menscheiyk geslacht op de bereikte hoogte van ontwikkeling eeuwig moet stilstaan.

Abdést, alidiisi, n. perz. (van ab, water, en \'lesl, hand) de handwassching, inz. hel wassehen v. do handen, het gezicht, enz., by de Muhamedanen vóór hel gebed.

Abdicatie (spr. t = Is), f. de vrywillige afstand van eene waardigheid of bediening; afdanking, uiislulling; abdicalio heridilalis, af-stand eener erfenis; abd. juris, afstand v. een recht; abditaméntum, n. het afgelrok-kene, afgedongene v. eene bepaalde som; — abdiceeren, lat. iabdicure) afstand doen, zyne aanspraak op iets lalen varen; afslaan, verwerpen.

Abdis, z. onder abt.

Abditaméntum, z. oud. a b d 1 c e e r e n.

abdomen, n. lal. het onderiyt, de hulk; — abdominaal, adj. nw. lat., wat lot het on-deriyfbehdorl, h. v. abdominale zenuwen, aderen, buikzenuwon, bulkaderen; ahdo-m 1 nale-p 1 el liór a, lal.-gr., volbloedigheid in \'t onderiyt-, — abdomineus, adj. dikbuikig, vet buikig; abdominoskopie, lal.-gr., het onderzoek van \'I onderiyt.

abdorrhaman, m. arab. dienaar des Bannbarllgen.

abduceeren, lal. (abdücere) af- of wegvoeren; Chir. een lid van \'I llcliaam afvoeren, verwijderen; — abdüctie, f. de at- of wegvoering; Chir. het hiiitenwaarls-bewegen van een lid; abdüctor, m. Anal, spier, waardoor een lid v. \'I lichaam buitenwaarts bewogen Hordl, aflrekkende. Iiuilenwaarts-trekkende spier.

Abdust, zie a b d e s I.

abecedeeren (nederl. met vreemden mi-gang) de letters naar volgorde van \'I alphabet opzeggen; Muz. de toonladder naar de letternamen der tonen afzingen; abecedarius.


-ocr page 18-

ABJICIEEREN

ABEDNKGO

4

in. een leerling v. het ABC; een lieglnnnar, aanvanger In zUti vak; — pi. abecedaru, in. spotimnm der wederdoopers, omdat zU aun-vankelUk alle wetenschappen, zelfs lezen on schrUvcn, verwierpen.

Abednêgo, m. (helir. ^iheilneijo) hehr. naam: dienaar des lichts.

Abel, m. hehr. naam (llébel) do verganko-lyke, damp, (j\'lelhold.

abelardiseeren, ontmannen, geiyk men dit den heroemden Ahelard In de lide eeuw, op aansteking van den oom zyner minnares lle-ioïse, deed wedervaren.

Abelianen, abelieten, abilïërs, abeZdïden, abelonieten, m. pl. eene naar Ahel, Adams zoon, honoemde christenseete der vierde eeuw, wier leden zich v. alle echteiyke gemeenschap met hunne vrouwen onthielden, maar, om hun genootschap niet to laten uitsterven, vreemde kinderen aannamen.

Abellagium, a h o 11 a g i u m, n. mid. lat. (van het Ir. nhcille, hy, en dit van \'t lat. npi-ciila, verkiw. van apis) het byeiirecht of het recht eens leenheeren op de hUenzwermen van zUn leenman.

Abelmosch, f. (arah. aboe-el-misk, elg. vader van den moschus, d. 1. voorzien van mo-schus; vgl. moschus) bisam- of muskuskorrels eener plant (Hthlscus a hel moschus) in de helde Indien, de Levant, enz., vooral lol parfumeeren.

Aben, m. arah., z. v. a. ehn, z. aid. Abencerragen, m. pl. een van Ahen-Cerag afstammend machtig geslacht der Moo-ren in Granada, dat door dichters veelvuldig is bezongen.

n béne pldcilo, Hal. (spr. —platsjito), Muz. naar welgevallen; vgl. placilum.

Abeöna, de godin der vertrekkenden, eene guilin, die ile Romeinen hy hun op-rels-gaan aanriepen; vgl. Adeona.

ah epislólis, lat., hriefwisselingvoerder, secretaris.

Aber, m. eelt. de mond eener rivier, de haven, zeehaven, sluiphaven (en vele eng. plaatsnamen, h. v. Aberdeen, Aheravon, Ahernethy, enz.)

Aberdaan, m. (heter dan a h herd a a n, of dan lahherdaan), geiyk men gewooniyk zegt en schrijft (als afkomstig van Aberdeen, scholsche zee- en koopstad), m. tijne soort van kabeljauw, van zoutevlsch (G a d us br o s m e, enz.)

aberreeren, lat. [ab-cnare) afdwalen, af-wyken; dwalen, feilen; — aberratie (spr. I = lx), f. Astron. afdwaling, afwyking, h. v. van hel liclit; schynliare afwijking eener vaste ster. ab espéiin, Hal. uit ervaring.

ub demo, Hal. van eeuwigheid af. Abevacuatie, (spr. I=t.i),t. nw. lat. Med. gedeelteiyke, onvolkomen ontlasting of ontle-diging.

nb exetutinnc, z. ond. executie. Abgregatie, (spr. t=ts), f. nw. lat. afzondering, afscheiding van de kudde ((/re®). (ib /itnc, lat. .lur. van dezen tyd af; ab hoe

et ab hae, of ub hoe et aii har et nb illa, van dezen en dien, van dezen en van dien en van genen, d. I. zander orde, In \'t honderd, in \'t wild ;

— ab hodiérno, van heden af. abhorreeren, lat. (abhorrêre) afschrikken,

verafschuwen, verwerpen; ook versmaden; af-wyken; niet passen; — abhorrent, adj. (lat. abhórrem) afwykend, onpassend; — abhor-rénten (eng. abhórrers), pl. eene parly in Engeland onder Karei II, die de beginselen der oppositie verwierp, In tegenoverstelling met de adreasers of petitlonorsj — abhor-réntie, abhorreseéntie (spr. t=ts), f. nw. lat., de afschuw.

abhorteeren, nw. lat., afraden, ontraden;

— abhortatie, (spr. Iie=tsie), f. afrading. Abib, m. hehr., de maand der aren, eerste

maand van het kerkeiyk jaar der Israëlieten (nl-san), overeenkomende met een gedeelte van Maart en van April.

Abiëtlne, n. (van \'t lat. abies, denneboom) Chem. harsstof uit de straatsburger terpentUn;

— abiëtaat, n. denneliarszuur-zout. Abigail, m. hehr. naam: vader der sterkte.

Ook f. een vrouwennaam: vadervreugde.

abigeeren, lat. (abig/re) wegdryven, vee stelen; — abigeaat of abiqedtus, m. Jur. dief-sial van vee -, —nftijea/or, m. veedief.

Abime, f. fr. (van gr. a priv. en busma, grond, lioilem) grondelooze diepte, afgrond, kolk; lig. veelvraat, nlmmerzat; — abimeeren, fr. (abhner) ie gronde richten, in eenen afgrond storten, doen zinken, verderven; bederven, ver-nietigen; neerslachtig maken, ontmoedigen; — geablmeerd zyn (h. v. in schulden), zich in reddelooze omstandigheden lievimlen.

Abimëlech, m. hehr. naam: vader des konlngs.

ab imn peetore, lat. z. pectus. Abinabad, m. hehr. naam: vader der edelaardigheid, de edelaardige.

ub incunubülis, z. onder i a c u n a b e I e n; — nb initio, z. ond. initlum; — ab instantia, z. ond. Instantie; ■— ub intestato, z. ond. Intestaat.

Abïram, m. hehr. naam: vader des hoog-moeds, ilc trotsche.

abirriteeren, nw lat. (nbirritare), Med, den prikkel verminderen, de te groote organische gevoellgheid wegnemen ; — Abirritatie (spr. tie—tsie), f. vermindering der prikkeling of levenswerkzaamheid (In oenig lichaamsdeel); — abirritant, adj. den prikkel verminderend.

Abltie (spr. t—ts), f. lal. (abitlo) het heengaan, weggaan, vertrek; — abiturieeren, nw. lat. (abitufire, als desidoratlvum afgeleid van abïre, af-, weggaan) op hot punt slaan van do school ie verlaten; — abituriënt, m. van de school of academic afgaand student (in Dnitsch-land); — abituriénts-examen, n. het onderzoek der van do school vertrekkenden, eindexamen.

abjicieeren, lat. (abjieére) wegwerpen, verwerpen, verachten; — abject, adj. lat. ab-


-ocr page 19-

ABJUDICEEREN

ABOKKIINES

5

jéclus, a, urn) laag, laairtiartlg; verachtel(jk, verworpen; — abjéctie (spr. t=ls), f. de wegwerping; minachting, verachting, visrachtciyk-hold, zelfvorlaglng, laaghartigheid.

abjudiceeren, lal. {abjudicare) Jur. ge-icciilelUk onlzeggen; niislilliykcn; — abjudi-catie (spr. l—ts), f. de gerechtelUkc weigering, loochening hij eede; plechtige ontzegging.

abjureeren, lat. (abjurare) afzweren, met eenen eed loochenen; — abjuratie (spr. l=ts), f. de afzwering, loochening onder eede; — ab-juratórisch, adj. afzwerend.

ablacteeren, lat. (ablaclare, vgl. 1 a c t c e-rcn) afmelken, eene manier van enten, door inlating van eenen tak in een ondergeplanten stam; een kind spenen; — ablactatie (spr. tie—lsie), Mcd. het spenen dor kinderen.

Ablaque, f. fr. (spr. ablAk\') Kmt. perziache parelzyde.

Ablata, pl. lat. (van ahlalus a, um, weggenomen, van auferre, wegdragen, enz.) liet weg-genomene, ontvreemde, ontsloiene; — ablatio (spr. t=ls), f, (nw. lat. ahlulto) de wegneming, inz. van een lichaamsdeel; — ablatief, ab-lativus, z. casus.

ablegeeren, lat. {abteaare) wegzenden, wegsturen, verwijderen; voor een Jaar verbannen; — ablegaat, m. {ableqalus) een afgevaardigde, een geesteiUke, dien do paus soms als apostolisch legaat afzendt; ook een gehan-nene; — ablegatie (spr. l=ls), f. eenjarige verhanning, Jaarhan.

Ablepsïe, f. gr. (ablepsin, van u priv. en bUpcin, zien) de iiilndheld, ontbering van \'t gezicht ; lig. lillndhcld van den geest, stompzinnigheid.

abligureeren, lal. (abligurire) verbrassen, verkwisien, door de keel Jagen; — abli-guritie (spr. lt;=lt;«), t. verkwisting, verhrassing.

ablueeren, lat. (ablucre) afwasschen, wegspoelen ; — abluentta, n. pl. afvoeringsmiddelen, vloeibare zuiverende, oplossende en weekmakende geneesmiddelen; — ablütie (spr lt;=lt;s), f. afspoeling, reiniging, zuivering; ook de bandwnssching der priesters in de R. K. kerk; nok dc uitöpoeiing van den miskelk en de daartoe gebezigde wUn; Pharm. deultwasschingeener artseny.

abmah, in. perz. de maand Augustus naar den syrischen kalender.

abnegoeren, lal. [abnegare) ontzeggen, weigeren, afslaan, loochenen; — abnegatie (spr. t=tx), f. de ontzegging, weigering, loochening. Abnelécten, m. alchem. naam v. de aluin. Abner, m. (Abnër) hebr. naam: vader des llchls, de lichtende.

abnet, m. v. abaned.

abnórm, lat. [abnómis, c-, vgl. norm)v. den regel afwykend, oniegolmattg; ook misvormd; Mcd. gebrekkig, legennatuuriyk, zieke-tyk ; —abnormiteit, f, nw. lat. {nbnomVns) onregelmatigheid, misvormdheid, gebrekkigheid, zleketyke, onnatuuriyke locsland, b. v. van een lichaamsdeel.

abnueeren, lat. (abnuire) dooi\'hoofdschudden weigeren, neen wenken.

Aboe, arab. In samengest. eigennamen: vader; b, v. Aboe-Addallah, vader van Abd-allah, vader van den profeet Muliained ; Aboe-bekr, vader der maagd; vgl. abd en a belui os ch.

Aboekélb, m. arab. (v. aboe, vader, en kclb, hond) naam, dien de Egyptenaren den holland. ryksdaalder gaven, dewyi zy den daarop geslagen leeuw voor eenen hond aanzagen; — zilvermunt In Syrië, = I; piaster.

Aboel, arab. in eigennamen, samengetr. uit aboe en til, b. v. Aboelfëda, d. i. varter der verlossing, of verzoening, naam van een beroemd geschledschryver en geograaf.

Aboena, titel van den melropolltuan van Abysslnle, boteekenrte z. v. a. onze vader.

aboloeren, lat. (ubolcre) afschaflen, opheffen, uitdelgen; — abolitio (spr. lt;=lt;s), f. af-schaning eener zaak; vergeving eener misdaad door bel vernietigen der aanklacht; — abo-litie-brief, brief van genade-verleening; — abniilio rrimïnis, Jur. ophclllng, ultdeiging eener misdaad, zoodat er geen onderzoek naar wordt gedaan; «. infaniïae, de ultdeiging der schande, herstelling der eer; — abolitiónist, m. iem., die de afschalling der slavernU begeert en daarvoor ijvert; verdediger der slaven-emanclpatie in Amerika.

Abollagium, z. a b e 11 a g i u m. Aboma, z. v, a. boa (z. a.) Abomasus, m. nw. lat. (van lal. omi/sum, runderdarm, pens) vierde maag der herkauwende dieren, vetmaag.

abomineeren, lat. (abomtnari; v. omen, vgl. dit woord) verfoeien, vervloeken, een afschuw hebben; — abominabel, adj. afschu-wetyk, verfoeieiyk; — abominatie, f. de verfoeiing, verwensching; de afschuweiyke daad.

abondeeren, abondantie, abon-daut, z. a b u n d e e r e n

abonneeren, fr. «hoiiHer .■ mld. lal. abon-nare) zyne deelneming aan eene zaak verzekeren, Inteekenen, toezeggen, vooruitbetalen; — abonnént, fr. abonné, in. inteekenaar, voor-uilbetaler, voorafbesteller; — abonnement, n, fr, de Inteekenlng, voorafbestelllng, vooruitbetaling op het bezit of genot eener zaak; — abonnement simitendu (spr. abonn\'mdii suspaiidü), een opgelieven of niel geldig abonnement.

abordeeren, fr. {abnrder, vgl. boord) aanlanden; enteren, aan boord klampen; aanspreken ; — op het eerste ahord (spr. abór) in den beginne, aanvanketyk, liy het eerste aanspreken; — abordabel,adj. toegan-keiyk, licht te genaken; — abordage, f. (spr. —dadzj\') het aanstoolea; het enteren der schepen ; hel aanspreken.

Aborigines, m. pl. lat., de oorspronketyke Inwoners, eerste bewoners van een land, stamvolken, die van den aanvang af («ft oriaXne) daar gewoond hebben, In tegenoverstelling v. kolonisten.


-ocr page 20-

ABOHINHAWORTKL 6

ABSCES

aborinhawortel, m. konliiKuwortol, wortel eenor hruilltnimsctui plant, welke bi aklnt,\' en ontlasting tiewerkt.

Abórtus, m. Int. (pl. abortus) do miskraam, do ontijdige bevalling; oborlm procuratto, Jm. do opzotlelyko afdrijving eenor menseholijke vrucht; bevordering van eeno ontijdige bevalling; — aborticidium, n. nw. lal. bet doo-don dor vrucht in het lichaam dor moedor; — aborteeren, (lal. abortare) ontijdig baron, oeno miskraam krygon, te vroeg bevniion; — abortïva, n. pi. Mod. middelen tor afdrijving van de vrucht, abortieve of afdryvondo middelen.

aboucheeren (spr. aboesjeeren), fr. (abou-rher, v. bouche, mond) een mondgesprek houden, samensprokon; samonvoogen. Inpassen; — — abouchement, n. (spr. aboesj\'mdii) samenspraak, mondeling onderhoud; samenvoeging, inpassing.

Abouchouchou, n. fr. (spr. abnesjocsjóé) soort van grof laken, in /. Frankryk vervaardigd, en inz. voor de Levant on Egypte bostomd.

a bout, fr. (spr. —boe) op hot uitorste, radeloos; — n boul imrtanl (spr. —porld/i), van zoor naby (I). v. op iemand schieten, zoodat liet einde lboul) van hol wapen hot voorwerp schier raakt).

«ft «oo, enz., z. ond. ovum.

Abra, f. turk. eeno oud-poolsche zilvermunt, ongeveer = so conls.

Abracadabra, n. nietsbeteokenende, zinledige laai; een too verwoord, dat men als amulet ter vrywaring van allerlei kwalen, op een briefje In don vorm eens driehoeks geschreven, by zich droog (vvaarschyniyk verwant mot a 1) r a x a s).

Abraham, in. liebr. naam; eig. vader der hoogte (Alaam); voorts: vader dor menigte of van vele volkoren — abrahamieten, secto dor oostorsctio kerk In de \'Jdo eeuw, die do godheid van .lozus Christus loochendo; zoo genoemd naar haren stichter Abraham van Antlochlc; ook de naam der hobeomscbo deïsten, eeno secto in Bohemen op het einde dor 18de eeuw, die openiyk betydonis dood van hot geloof dos aartsvaders Abrahams vóór zyno besnydenis; — abrahamsschoot, m. (f. moul iidnnnle) Mil. eone schotvrye plaats l)y belogeringen, waar de nieuwsgierigen zonder gevaar bot iiombar-dement kunnen zien; ook iedere plaats, waar men zich veilig, gomakkeiyk en geheel naar gonoogon bevindt. (Hel woord is ontleend aan Luk. XVI. 4i.)

Abrasie, f. nw. lat. (abrasfo, van abradire) Chir. afschaving, afschilforlng.

ri bras ouverts, z. ond. bras.

Abraxas, rn. (waarschyniyk naar do gotalho-tookonis dor gr. letters hot getal IKiS uitdrukkende, waarmede do gnostische secto der Basili-dianon de gezamontyko wereldgeesten aanduidde) geheimzinnige tooverwoordon of teokenen, inz. op gesneden steenon (a b r a x a s s t o o n o n), die als amulottcn (z. aid.) dienen.

abregeeren (spr. a-zj) fr, {abréqer, v. li. lat, abbreviate) verkorten, kort samenvatten; — abrégé, n, fr, (spr. (/=zj) uittroksol, korte Inhoud; — abrégér, pi. ook abstract on gehoeten, de toonstaven of trekkers dor orgelregisters.

abrego, m, sp, zuidwestenwind, abrenunciatie of abrenunciatio, f, lat. lossproking des doopellngs van den duivel en zyno werken,

abreptie, f, lat, schelding, losmaking dor ziel van hot lichaam.

abrevieeren, z., zie abhrevleeren, abri, n, fr, dak om voor weer en wind te besclmlten; — abrivent, n. fr. (spr. —van) windscherm.

Abróah, n. soort van lijn bengaalsch neteldoek (ook a i) r o li a n 1 on m a 11 e m o 11 o go-heeten.

abrogeeren, lat. (abroijare) afschaffen, op-hoffon, voor ongeldig verklaren, bulten werking stellen; Kmt. een gegeven last of oetio commissie terug nomen; —abrogatie, f. (spr. t=ls), de afscballlng, opholllng (v. wetten).

Abröma, Abrome, f. gr. (v. a prlv. en bröma, voedsel, dus niet-voodend, ion opzichte van de vrucht) Kot, do kakao-maluwe, een fraai hloolondeoostindischoon nieuwhollandscho struik, Abrönen, m. |)i. gr. (Abrön en Hubrön, eigenn., eon verwyfd man in Agios, v. \'1 gr. habrós, wooidorlg, woekeiyk) wookoiyko men-schon, wellustelingen,

Abrotónum, abrotanum, n, gr, (elg. habnil juoii) Bot, averuit, eeno alsomsoort (Artemisia abrotanum).

abrupt, lal, {abruplus, n, um, v, abrutn-püre, afbreken) afgobrokon; onsamenhangend, zonder verbinding; — ex nbrilplo, op eonmaai, plotseling, onverwacht, snol; onvoorbereid; in abrüplo necessitatis, in don uitersten nood; — abrüpta, n. pi, iilotselinge invallen, onvoorbereid gezegde, geestige invallen; — abrüp-tie (spr, l=ts), do afbreking; plotselinge ver-stommlng (dor muziek),

Abrus, m, (lat. aftrus prccatorïus) Bot. pn-ternostererwt, eeno peulvrucht in gelukkig Arable, Egypte en IndlB, welker hoogroodo, zwartgevlekte erwten door do vrouwen als halssieraad gedragen worden; te Amsterdam noemt men zo weosboonljes, naar hot kostuum dor weeskinderen aldaar.

abruteeren, fr. (abrutir, van brut, ruw; brute, redeloos dier, = lat. brutus) vordioriyken, tot oen boost maken, gansch verstompen: liu Is ganschoiyk goa brutoord, d. 1. verdlerlUkt, verstompt; — abrutissement, n. (spr. abru-tiess\'mdii) vordioriyking; doinhoid van oen beest, volslagen domheid.

Absalom, absalon, m. liebr. naam (aft-schalöm): vader dos vrodes.

Absces, a b o o s, n. lat. (abscéssus, m, van abs-cedüre, af- of henengaan) ettergezwel, etterbuil, verzwering; abscéssus apértus, open, goedaardig gezwel; a. aquósus, watorzakgozwel; a.


-ocr page 21-

ABSTRAHEKUEN

ABSCINDEEliEN

7

(jannraenósm, kankergezwel; n. laclüus, lym-phat\'icus, mclealus, sanguintu/t, simulatus of s/mrius, ecu melk-, lytnpha-, kern-, hloed-, schijn- el valsch-gozwel.

abscindeeren, lat. ab-uindfre, schelden, afsnijden; — abscissen, f. pl. afsnijdsels; — abscissen-lijn, Math, eene rechte lün, ille In de hoogore meetkunde ter hepallnf; van de eigenschappen eener kromme iyn ef vlakte wordt aangenomen; — abscis, f dal gedoolte der ahsclssen-iyn, \'1 welk tnsschen haar aanvangspunt en dat eener ordinaat (z. a.) IIkI; —ab-scissie, f. de scheiding, lossnydlng, het afsny-den; Riiet. hel afbreken.

absént, lal. (dftsen.v) afwezig, afwezend; verstrooid van gedachten; uhsens rorens, lat., wie afwezig Is, krufjl niets; — absénten, m. pl. afwezigen; — abséntie (spr. I=ts) fr. aft.sciift\', (spr. absahs\') afwezigheid; verstrooidheid; — absentie van geest (fr. absence d\'esprit, spr. — despri) afwezigheid van geest, verstroold-iieid van gedachte; absenlta causa lis, Jur. afwezigheid uit oorzaak, gegronde, ook toevallige afwezigheid; «. extiaordinarxa, buitengewone afwezigheid, verwydering van de gewone verbiyf-plaats; rt. ficta, verdichte afwezigheid; o. ma-liliösa, eene kwaadwillige nfwez.; a. vilupera-bflis, i)erispenswaardlge nfwez.; n. volunlarfa, eene vrywillige, willekeurige afwez.; absen-tiegeld, n. geld ie betalen voor verzuim; som die voor afwezigheid wordt afgetrokken;

— abaenteeren (zich), nw. lat. [nhsen-Inre) zich verwydoren, henongtiun; — absentisme, n. het afwezig zyn van eene plaats, enz., de (verkeerde) gewoonte der iersclie grondeigenaars om buiten Ierland ie wonen. Deze zeiven heeieti absentees (spr. ebsenlies).

Absiden, absiden-lijn, zie upside n.

Absint, n. gr. (apsinlhinn) alsem (lat. ar-themista absinlhium); ook aisemdrank of alsem-jenever of -brandewyn-, — absinthaat, n. Chem. een zout, voortgebracht door de vereeni-glng van aisemznur met eene basis, alsemzuur-zout; — absinthine, f. Chem. de stof, die den alsem bitter maakt; — absinthiet, m. alsemwyn.

absit! lat. (v. nbsum, abessc, verwyderd zyn) dat zy verre! God verhoede \'I! absil omen, moge dit geen voorteeken zyn!

absolumént, adv. fr. (spr. —maii) volstrekt, noodzakeiyk, gebiedend.

absolveeren, lat. (absolvtre) vrijspreken, ontbinden; voleinden; wegzenden; absolvlre a rilalióne, Jur. van de dagvaarding vryspreken; absolvere ab inslanlia, z. onder instantie;

— absoluut, (absnliilus, a. urn) eig. voleindigd, volledig; op zich zeiven, volsireki. uit zy-nen aard (b. v. onmogeiyk, onuitvoerhaar); Imi-ten alle betrekking (in tegenoverstelling met het betrekkeiykeof relatieve); onbepaald, onvermy-deiyk, onveranderiyk, onbeperkt, onafbankeiyk; liet absolute, liet eeuwige, bet goddeiyk ware;

— absoluutheid, f. onbepaaldheid, onbeperktheid; — absolütie (spr. lt;=/s), f. de vry-spreking, het ontslag, de kwytseheidlng van zonden of siraifen, genadeverleening; ook vryspre-king van de zonde na de biecht by K. katholieken ;

— Jur. absolutio ab inslanlia, ontslag van de Instantie, voorloopige vryspraak; a. plenana, volledige vryspraak; — absolutio-daalder, m. fransclie gedenkpenning, In 1895 geslagen, by gelegenheid dat de paus den ban, over Hendrik IV uitgesproken, ophief; — absolutisme, n. nw. lat., z. v. a. pro-dost i na tie; ook onbeperkte alleenheerschappy; het aanhangen van de grondbeginsels daarvan;- absolutist, m. aanhanger van zulk een staatsvorm;

— Jur. absolulorïa senlrnha, f. of absnlulorium, n. een vonnis van vryspraak, eene recbteriyke ophettlng van schuld, verantwoordeiykheid, enz.

absorbeeren, lal. iabsnrbcre) Inzuigen, in zich trekken,opslorpen; verteren, insiokken, verzwelgen ; — absorbeerende of absorp-tieve middelen, of absorbenlia, n. pl. IHed. middelen, die de vochtigheden van andere lichamen in zich trekken, opslorpende middelen; — absórptie (spr. I=s) f. het inzuigen, de opslorping van vochten; vertering,verkwisting,verzwelging ; — absorptiviteit, f. (fr. absorp-tivilé) opsiorpingsverinogen.

ahsiiue, lal., zonder; absque causaecoqniliune, zonder kennis van zaken, zonder vooraf gedaan onderzoek; «. omni exceplióne, z. exceptie ond. e x c i p i e e r e n; u. ulla enndilione, zonder eenlge voorwaarde, onvoorwaardeiyk.

Abstemïus, m. lat. (v. abs en lemelum voor lèmum, oen bedwelmende drank, mede, wyn) een matige, een die de gave der onthouding beeft; een wijnhaier.

Absténti en Abstentie, z. onder a list i n e e re n.

abstergeeren, lat. abstcrqcre) reinigen, afvoeren; — abstergént, adj. (lat. absiïr-oens) afvoerend, zuiverend; — abslergentia, n. pi. Chir. uitwendig afvoerende of zuiverende middelen, wondzulveringsmiddeien; — abstér-sie, f. nw. lat. liet reinigen, zuiveren, uliwas-schen eener wond; — abstersief, adj. afvoerend, reinigend, zuiverend.

abstineeren, lat. (abslinire) zich onthouden ; — atislinendi jus, z. ond. jus;- absti-nént dat. abslinens) adj. onthoudzaam, matig;

— abstinentie (spr. tie=lsie), f. (lal. absli-«eii(ïo) onthouding, inz. van spys en drank; — abstinentie-dagen, dagen van onthouding, vastendagen; —absténti, m. pi. lat., zy, die zich in de eerste christenkerk van de godsdienstoefening moesten onihouden; — absténtie (spr. Iie=lsie), nw. lat. (abslenlïo), Jur. afstand van eene erfenis.

abstraheeren, lat. {abs I ra here) in de gedachte aftrekken, afzonderen; van iets afzien, iets opgeven, laten varen, niet meer daaraan denken; uit eene zaak iets afleiden, daaruit besluiten; — abstract, adj., adv. afgetrokken in de gedachten, afgezonderd, op zich zelf beschouwd, algemeen; onw ezeuiyk, enkel gedacht;

— abstract getal, onbenoemd getal; —


-ocr page 22-

ACCAREZZEVOLE

ABSTRUDEEREN

8

abstracte wetenschappen, zuivere wc-tensclmppen (In tegenst. mei de toegepaste); in abslraclo, lat. in hel afRelrokkene, op zich zeif, in hel aiKemeen hesciiouwd; — abstractum, n., pl. abstracta, liet afgetrokkene, eene af-getrokkene gedachte, begrip of denkbeeld; ah-stractum pro concrilo, lal., hel afgetrokkene of algemeene begrip voor hel hijzondere; — ab-stracten, z. abregés; — abstractheid, f. afgetrokkenheid der begrippen; — abstractie (spr. t=s) t. l) de in gedachte voorgenomen aftrekking of afzondering v, do eigenschap of v. een deel der zaak v. die zaak zelve, begripsscheiding, ook de veraigomeoning van een begrip; 4) de verstrooidheid, de afwezigheid v. aandacht; — abstractie-vermogen, hel vermogen om afgetrokkene, bo-vcnzinneiyke denkbeelden te vormen; — ab-stractief, n. nw. lat. Chem. een aftreksel van geesten of sappen; abslraclilius spiritus, lal. wllngeest, waaraan door distillatie over plantaardige stoffen de geur en de kracht daarvan medegedeeld is.

abstrudeeren, lat. (abs-lrwlUre) elg. weg-stooten, van daar: verbergen, geheim houden;

— abstruus (abslrüsus, a um) diep verhor-gen, donker, zwaar te verstaan, te doorgronden, onilnldelUk, onverstaanbaar.

absumeeren, lal. (ab-sumëre) wegnemen, verminderen, verteren, verbruiken.

absumptie, f. (spr. —psie) wegneming, vertering, verbruik.

absurd, lat. (absürdus, a, um) ongerllmd, zot, onverstandig, onnoozel, bclacheiyk; — lem. ad absunlum brengen of zetten, d. I. züne tegenpartij toonen, dat zyn beweerde ongeryind, belachetyk en geheel onhoudbaar Is; Geom. ah absurdo bewüzen, uil het ongerUmde bewyzen;

— absurditeit, f. [absurdlta.s) eeno ongc-rymdheld, zotheid, strydigheld mol de rede, enz.

absus, m. lal. onbebouwde akker. Abt (later lat. abbas, van \'l syr. en chald. abba, vader), m. een hooge geesteiyke, hoofd van eene abdy of kloosterlijk slift; — abdis (later lal. abbatissa) f. vrouweiyk hoofd van een klooster of geesteiyk stift, z. onder abba. Abuis, z. abusus.

Abulie, f. gr. (van a priv. en büles-thai, willen) willoosheid.

abundeeren, lat. (abmdure, fr. abonder, spr. abohdé) overvloed hebben, overvloeien; overvloedig voorhanden zyn; — abundant, adj., lal. (abündans), abundnnler, abündc, adv. rykeiyk, overvloedig, ruim, In overvloed; — abundantie (spr. t=ts) f. (lal. ahundantia, fr. abondance, spr. abónddiis\') de overvloed, ryk-dom; ex ahundantia cordis os loquitur, uil den overvloed des harten spreekt de mond; waar het hart vol van Is, loopt de mond van over;

— Abundantïa (spr. t-ls) do godin des overvioeds by de Romeinen; — Abundia, f. (mld. lat. Domino. Abundm, oud-fr. Dame lln-honde), de godin des overvioeds In de celtlsche fabelleer.

ah uno disce omnes, z. u n u s.

Abusus, m. lal. (vgl. us us) hel misbruik ; ahüsus non tollil «sum, lat., het inisbruik neemt hel (behooriyk) gebruik niet weg; — abuis, n. de vergissing, de misslag, misrekening; — abuseeren, fr. (abuser) misbruiken; misleiden, bedriegen, foppen, beet hebben; zich abuseeren, zich vergissen, zicli verzinnen; — abusief, of lal. abusive, per abüsum, fr. par alius (spr. parabii), per abuis, by verzinning, by vergissing; strydlg met de taal; be-drlegiyk.

Abyme, m. fr. (spr. abiem\'), en Abys-sus, m. gr., z. abline.

abyssus ahyssum invneat, lal. elg. de afgrond roept den afgrond; (lig.) de eene fout heeft de andere ten gevolge.

Acacia, f. (gr. akakia van aki, spits, punt) Not. de acacia-boom, eene uitbeemscbe plantensoort, meest met twee dorens van onderen aan den bladsteel; Inz. de gomdragende acacia [slcncia gummifera), die de bekende arablsche «om levert; gewoonlijk ook voor de by ons wassende robinia (Robinia pseudacaoia), een tiO tol Sfl voet hooge boom, zoo geheeten naar •ten Franschman Kobin, die hem uil Amerika naar Europa overbracht; — acacia-sap, Chem. een droog extract uit hel sap der groene peulen van den egypt. hablah, een sameiit rekkend geneesmiddel.

Academie, z. akademie; —acajou, z. anacard 1 e en mahagonie; — o copélla, z. ond. kapel; —« capïle ad ca/cem, z. ond. caput; — a capriccio, z. ond. c n p r 1 c e.

Acantses of acanzis, m. pl. lurk. vry-wllllgors bü de turkscho lichte troepen.

Acariden, f. pl., nw. lat. acarides, aca-ridiae, gr. dkari, v. akarês, klein, nietig) N. II. myten-, madensnortcn.

A car nar, z. ach er nar. acoroïdhars, f. gele hars van de Botany-baal (van de Xa n t ho r r h oea arboroa), ook als gele gummi (eng. Vellow-gum) in den handel bekend.

Acartum, n. alchemistische naam van de menie

Acatalectïcus, z. ond. katalekllkos. Acazdir, m. alchemistische naam van het lin,

acc., verkorting van accepi, ik heb ontvangen; ook van accusatief (z. casus.)

accableeren, fr. (accabler) overladen, bezwaren, belasten, nederdrukken; — acca-blant, adj. drukkend, bedroevend, treurig; — accablement, n. (spr. akabl\'mdh) neerslachtigheid, kommer, hartzeer.

academia dcllu crusca, z. crusca. accapareeren, fr. (accaparer), woeker-nchligon opkoop dryven, Inz. van levensmiddelen ; — accapareur, m. opkooper, woekeraar met opgekochte waren; —accaparement, n. (spr. —par\'mdii), woekoraebtige opkoop.

accaretzémle en accarezzewlminte, it. Muz. streelcnd, vleiend, ilcfeiyk.


-ocr page 23-

ACCEDEEREN

ACCIJS

9

accedeeren, lat. (arcedére) bUvallon, toestemmen, Inwilligen; — accëdo. Ik willig In, Ik stem toe; a. neinini, Ik vul niemand bü. Ik kies niemand der genoemden (Inz, liü de verkiezing van een paus).

acoelereeren, lal. (accelcrare) bespoedigen, verbaasten, sneller voortgaan; — accelerando, It. (spr. alsje—) Mnz. spoedig, met toenemende snelheid, aanwassenden spoed; — acceleratie (spr. t—ts) [. lal. de bespoediging, verhaasting, versnelde beweging; — accele-ratief, adj. nw. lat. versnellend, bespoedigend ; — acceleratoren, m. pi. Anal, versnellende spieren; ook eene soort van diligence, in Kngeland uitgevonden.

accendeeren, (lat. accendire) aansteken, doen ontbranden; aanhitsen, prikkelen, tergen;

— accendlbel, accensibel, adj. nw. lal. onl brandbaar; prikkelbaar; — accendibili-teit, f. ontbrandbaarheid; — accensie, t. (spr. —zie) ontbranding.

accénsus, lat. gerechtsdienaar; — a c c e n-s i, pi. ook een soort soldaten bU de Romeinen.

Accént, n. lat. (accéntm, van ad, lol, en canlwt, gezang) Gram. de loon, die bet spraakgeluid vergezelt, de byioon, nadruk op lettergreep of woord, kleinloon; — een toonteeken op eene lettergreep; — de wUze van uitspreken ; accéntm ecclesiasCicus, in. de kerktoon, de kerkelijke stembuiging bU altaargezangen; — accensor, m. voorzanger, toongever; — ao-centueeren, nw. lat. (tr. accen/uer) den toon geven, op eene lettergreep of een woord den nadruk leggen; behoorlijk uitsproken; — met accenten teekenon; — accentuatie (spr. tie—lsie), f. de loonaandulding, klemlegging; — het plaatsen dor toonteekens.

accïipi, hit. (van accipëre) ik heb ontvangen;

— accepisse, n. (eig. ontvangen hebben) het bewgs van ontvang; — accépt, n., z. v. a. acceptatie; z. lager; — accepta, n. pl. ontvangsten; — acceptabel, adj. aannemelijk, aanneembaar, het aannemen waard; — acceptant, m. aannemer, hg, die oenen op hem getrokken wissel door zijne naamteekenlng goedkeurt; — acceptatie (spr. lie—luie), f. nw. lat., de aanneming, het aannemen van een wissel om dien ten gestelden tüde te betalen; acccplalln camb/i, wisselaanneming, belofte der wlsselbetaling; n. donaliönis, altdrukkeiykc aanneming eener (locgedachte) schenking; a. ju-raménii, aanbod om den opgelegden eed te doen; — acceptatie-boek, oen boek, waarin alle geaccepteerde wissels opgeleekend worden; — acceptatie-tijd, de wettelijke lijd, waarop een wissel verUiond en aangenomen moet worden; — accepteeren \'lat, accep-tare, fr. accepter) aannemen, erkennen, goedkeuren ; — acceptibiliteit, f. de aannemelijkheid, ontvankelijkheid; — accéptie (spr. /=/,() f. de aanneming, opneming; de aangenomen beteekenis van een woord; —accepti-latie (spr. Iie=lsie) f. eig. accépti latin, d. I. overbrenging eener betaalde schuld In het rekenboek, een oud-romelnsebe vorm van kwijting; schriftelijke verklaring van de ontvangst eener inderdaad niet ontvangen zaak.

Accés, m. lat. (accéssm, van accedfre, z. accedeeren) de toegang, vergunning lot bü-wonlng van eenige bijeenkomst; de verkiesbaarheid tot hooge kerkelijke waardigheden; ook tr. (spr, aksè) de aanval van eene ziekte, eene koorts; de vergunning om over een meisje te verkeeren; — accessibel, adj. nw. lat. (fr. accessible) toegankelijk,genaakbaar; bekilmbaar; — accessibiliteit, f. toegankelijkheid; minzaamheid; — accéssie, f. lat. (accessio) de loetrede, vermeerdering, hetgeen aan de hoofdzaak nog wordt toegevoegd; de troonsbeklim-ming, aanvang der regeering; — accessio-verdrag, in liet staatsrecht; verdrag van toetreding, waardoor een Slaat deel neemt aan het verbond of verdrag van andere Stalen; — ac-cessist, m. nw. lal.. Iemand, die onbezoldigd, met uitzlelil op werkelijke plaatsing, by eenig college Is aangesteld; ook wie medezitting heeft by eene rechtbank -, — accéssit, n. (eig. hot perfectum van accedërc: \'lis er by gekomen) de tweede of lagere prys, de byprys; — ac-cessorium, n. het toevoegsel, aanhangsel; Piet. bet bywerk, de toegift; — accesannum sequitur suitm principale of accessio sequitur rem principalem, lal., wat recht is In de hoofdzaak, geldt ook van bel daartoe behoorende, ook: wlen do hoofdzaak toekomt, dien behoort ook het bywerk toe; — accessórisch, of fr. accessoir (spr. aksessodr) adj. bykomend, toegevoegd.

acciaccatüra, f. 11. (spr. atsjakaloera) Mnz. hel aanslaan v. naast elkander liggende tonen (van een hulptoon met den hoofdtoon te geiyk, waarby alleen de laatste wordt aangehouden; fr. pincii étaulfé]; ook de verdubbeling dor Inlervallon van bet kwarls-sextenakkoord met de linkerhand, ler-wyi de rechter alleen hel dominant-akkoord aanslaat; als liyw. daarvoor acciaccato.

Accidens, lal. (van accidcre, by-, loc-, voorvallen, gebeuren, enz.) of accidént, n. (fr. spr. aksiddn), leis toevalligs, niet wezenlijk tot de zaak behoorende; een toeval, voorval (doorgaans in kwaden zin); l\'icl. de afbreking der zonnestralen door eene wolk; ook liet liebt, dal niet van hel hoofdlicht voorkomt; — accidentïën, pl. bü-inkomslen, toevulligo anibst voordeelen; — jicr accidens, ot fr. par at-cident, loevallig; — accidenteel, (nw. lat. accidentalis, of fr. accidentel) toevallig, niet onderworpen aan vaste wetten; — acciden-talia, pl., toevalligbeden; — acc/dit in puncto, quad non sperutur in anno, \'I gebeurt (vaak) in een oogenblik, wat men niet hoopt (durft hopen) in \'tjaar; het onverwiiehte grypt dikwijls plaats.

Accijs, accijns, m. (fr. accise, mld. lat. accisia, van \'I lal, accidcre, besnyden, besnoeien, uccisum, besneden, besnoeid, al-of men zclde; eene besnoeiing van de winst; vgl, het zwlt. L a n d - S c li n 11 z voor belasting) 1) oorspron-


-ocr page 24-

ACCOORD

ACCIL

40

kelijk loiloro indirecte helnstiuK, en als zoo-(ianift allUd teuenoverKesteld aan de directe belastingen, die van de grondbezittinB geheven worden; i)ciasling of ini|iosl op ievonsmiiideien, enz., die dadelijk hij den invoer moot iietnald worden; i) do plaats, waar do accys betaald wordt j — accijsbaar, aan den impost of ac-cgs onderhevig; — accijsvrij, vrg van Impost of accüs,

accil, alchemistische naam voor hei lood. Accisme, n. gr. (akkismós) do weigering in schijn, d. i. de spraakwending, waardoor iemand over zaken, die hij gaarne heeft of wenscht, zoodanig zich uitdrukt, alsof er hem nlois aan gelegen ware.

accipïtres, accipitrini, m. pi. lat. (ac-rilt iter, havik) orde der roofvogels, Inz. het val-kengesiaebt.

accisa, t. Paraguay-ihee. acclameeren, lat. (acclamare) toeroepen, toejuichen. Jubelend ontvangen; — acclamatie (spr. 1=1.1) f. toeroeping, toejuiching, vreugdegeroep; luidruchtige goedkeuring; pnr accln-mation fr. (spr. —siöii), of bij acclamatie, met eenparige en luid uitgedrukte toestemming, mei gejuich, zonder hoofdelUke stemming (b. v verkiezen, oen voorslag aannemen).

acclief, adj. lat. {acclivis, e) zacht opsii)-gend; — accliviteit, f. (lat. arclivïlas) de zachte verhooging van den grond, zwakke glooiing.

acclimatiseeren, nw. lat.-gr., van k li-ma, z. aid.) aan de hemelstreek, het klimaat gewennen, inheemsch maken; — acclima-t(at)ie (spr. /=(.?), gew. acclimatlsatie (spr. tie=tsie), acclimatiseering, f. de gewenning aan het klimaat.

acclineeren, lat. (acrlinare) aanleunen, overhellen, neigen.

Accliviteit, z. ond. aeclief. accludeeren, nw. lat. (accludire, van ml en clawllre, sluiien) aansluiten, aanbuigen-,— acclüsum, n. de aansluiting, hyiago.

arcofiliema, f. ital. (spr. akkoljénlta, van ac-cniiliere, fr. accueillir, van \'I lat. ad-colligire) Kmi. do aanneming van eenen wissel.

accöla, m. lat. een aan- of hywoner, volkplanter, bijzitter; — accolaat, n. bet recht lot bijwoning, büzltting.

accoleeren, fr. {nrcoler, van cnl, rou = lal. collum, hals), omhelzen, omarmen; samenvatten,

ompalen; door strikjes ( j ] ) vereenigen; Kmt.

vele posten in een koopmansboek samentrekken ; — accolade, f. de omhelzing, omarming, waarmede in Engeland de nieuwe ridders van de z.yde des konlngs vereerd werden; naam van de haakjes ter verbinding van woorden of regels, of in de IMnz. van eenige noten; ook de ridderslag; — accolage, f. (spr. aknlaazj\') de aanbinding b. v. der wijnstokken of ranken; — accolement, n. fr. (spr. —knlmaii) ruimte tusschen het plaveisel eener straat en do sloot of greppel.

accommodeeren, lal. (accommoilare: fr.

aemmmoder) in orde brengen, aanpassen, bedienen ; een muziekinstrument gemakkeiyk en goed klaarmaken; — zich acc-, een vergeiyk treffen, een geschil bijleggen; nok zich opmaken, kappen; — accommodeering, liet In orde brengen, de schikking; liet opmaken (van het hmir); — accommodabel, adj. nw. lat. (fr. accommodable) aanwendiiaar, voegiyk, dienstig, doelmatig; — accommodage, f. fr. (spr, —iliiazj) de toehoreiding v. spyzen, het opmaken v. baren, enz.; het loon daarvoor; —accom-modant, adj. buigzaam, Inschlkkeiyk, gedienstig ; — accommodatie (spr. lt;=lt;«), f. lat. Uimimmmlalln) de schikking; aanwending; toegevendheid, 1). v. Jegens andere meeningen, buigzaamheid, inschikkelijkheid; — accommodatie-vermogen, n. (der oogen), het vermogen der oogen om op verschillenden afstand te zien; — accommodement, n. (spr. —min) de Inrichting v. een huis, kamer, enz. tot gemak; onthaal, bediening; hyicgging, schikking in der minne, vcrgeiyk.

accompagneeren (spr. akohpanjeeren) fr. {accompagneri vgl. compagnc, enz.) vergezellen, begeleiden (b. v. een speeltuig), mede Instemmen, medespelen, medezingen; — ac-compagnist, m. degene, die met spel of zang begeleidt -, — accompagnemént, n. (fr. spr. —maii) de begoleiding, het gelolde, gevolg; heigeen men met een ander speelt of zingt; nok de sieraden om een wapenschild;

— accnmpagndln, adv. it. (spr. f;n=«j) met accompagnement of begeleiding.

accompleeren (spr. akoii—) fr. Uirrnm-plir, van \'I lat. ad-complëre) vervullen, voleinden, voltrekken, voltooien; — accomplis-semént, m. (fr. spr. —plies\'mdh), de vervulling, volirekking, voltooiing.

Accoord, n. fr. {accord, v. \'t lat. ad en enr, cordis, het hart, volgens anderen van chorda, gr. chordc, de snaar) het samenkllnkon, welluidend samenstemmen v. tonen, v. speeltuigen ; de tonen zeiven; ovcreenslemming, eendracht; oen vergeiyk of verdrag, afspraak, overeenkomst; goedwillige overgave eener vesting; Inz. verdrag, contract, overeenkomst omtrent te verrichten arbeid en hetaling, vergeiyk tusschen schuldelscher en schuldenaar; goedwillige overgave eener vesting aan den belegeraar; — d\'accord (spr. dakór) /.yn, eenstemmig zyn, overeenstemmen, dezelfde meening hebben. Inwilligen;

— accordeón, n. fr. Muz. de handbarmonika, een te Weenen door Damlan (IHift) uitgevonden speeltuig; — accordeeren, welluidend samenkllnken v. tonen; overeenstemmen, zich schikken; bewilligen, toestaan, het eens worden ; een vergclgk trolTen met ecu schuldenaar, die niet kan betalen; vergeiyken (van rekeningen) ; Piet., schaduw en licht goed verdeeien, eenheid en overeenstemming In zgne schilderyen brengen; — geaccordeerd, adj. bedongen; toegestaan; — accordeering, f. beding. Inwilliging, loegeving; — accordfibel, adj. fr. (accordable) vereenigbaar, wat toe Ie stommen


-ocr page 25-

ACCORPORATIE

ACERB

11

is, zich laat ovorcon hrmgen — acconlnméiiln, n. II. Muz, hol snmonstommcn v, speeltuigen en stemmen j — accordoir, m. fr. (spr. —((nnj\') con stemhamer, stemvork, stempüp.

Accorporatie (spr, /=lt;«), (. nw. iat. in-Hjvlni!.

Accostoeren, nw. int. (accostare) naderen, op zyde komen; aanspreken; — accos-tabel, artj. (fr. accoslahle) genaakbaar, lian-delbaar.

Accotement, n. fr. (spr. nkol\'mdn) het zy- of voetpad langs den grooten weg; fHori.] wryvlng der deelen van een uurwerk; — ac-cotoir, m. fr. (spr. —Inar) de zyieuning, 1). v. van een armstoel.

accotoneeren, (laken, stof) opkaardeu, ruig maken.

accoucheeren (spr. akoesj—), fr. imrou-rher, van cnucher, liggen) eeno vrouw in barensnood bUstaan, baar verlossen; la de kraam komen, baren; — accoucheur, m. een vroeii-meester; — accoucheuse, t. eene vroedvrouw; — accouchement, m. (spr. —mrin) ile bevalling, verlossing, bet la de kraam komen ; — ook de verloskunde; — accouchement par force, verlossing door middel van instru-meaten; — accoucheer-huis, buis of ge-stirlil voor kraamvrouwen; — accoucheer-stoel, kraamvrouwestoel.

accoupleeren (fr. spr. «/toe—), fr. (nccou-/tier, van couple, paar) paren, koppelen, samenbinden, samenvoegen.

accoutreeren, fr. (spr. -koe-) toetakelen, opdirken, belacbelük kleeden; — accoutrement, n. (spr. akoetremaii) belacbelUke kleedu, toetakeling.

Accoutumance, f. fr. (spr. akoetumahs\'; vgl. c o u t u m e) verwcndbeld of kwade gewoonte.

accrediteeren, fr. (accrédiler, vgl. cre-(111) bewaarheiden, volinachl geven, In aanzien, vertrouwen brengen; door aanbeveling liU eenen derde vertrouwen doen schenken; — een geaccrediteerd minister, een staatsdienaar, die met een geloofsbrief van z.yn hof naar een ander hof gezonden wordt; — een geaccred 1-teerd scbrijver. een sehryver, die geloof verdient, die \'1 vertrouwen en den hyval van\'t lezend publiek beeft; — by iemand geaccrediteerd z.yn, vertrouwen by Iemand genieten, in aanzien hy hem staan, veel hy hem geiden of vermogen.

accresceeren, lal. (nccrescëre) aanwassen, toenemen, zich vermeerderen; aanbesterven, Ie beurt vallen; — accrescéndi jus, zie jus; — ac-erescéntie (spr. f=/s), fr. nw. lat., locne-mlng, aanwas; — accrêtie (spr. I=t.i), f. lal. inccrelio) vermeerdering, aanbooping, wasdom.

accrimineeren, nieuw-lat. (z. crimen) beschuldigen, aanklagen; — accriminatie, r. (spr. I—Is) beschuldiging aanklacht.

accrocheeren (spr. akrosj—), fr. (nccro-c/ier) eig. aanhaken, aanhangen; verhindering in iels brengen; — zich acc aan leis hangen of liggen, zich aan Iets stooten, haperen.

accroupeeren, fr. (spr. akroe—), fr. (s\'oc-croupir) nederhurken; van dieren; zlcli op de achterpooten zetten.

accueilleeren (spr. akeulj—), fr. (accueil-lir), elg. aan-, op- of verzamelen, van \'t lat. ad-colliglre) ontvangen, aannemen; bejegenen; — accueil, n. (spr. akeulj) do ontvangst, do opneming, bet onthaal, de bejegening; aanneming van een wissel, enz.

accubatie, f. lal. (v. ac-umbeeren) het liggen aan tafel (op de wyze der ouden).

acculeeren, (r. ncculer, Hal. acculare, van \'t lat. culm, fr. rul, achterste) Kijsch. zich te veel op liet kruis van \'t paard zetten.

accumbeeren, lat. accumbüre) in half liggende houding aan tafel zitten (op de wyze dei-oude Romeinen); — accumbéntie, f. nw. lal., hel zitten In liggende of leunende houding.

accumuleeren, lal. {accumuiare: vgl. c u m u I e e r e n) ophoopen, opstapelen, vermeerderen, byeenzamelen; — accumulatie (spr. 1=1«), f. de opeenbonplng, hyeonzamellng; hoop ;

— accumulator, m. krachtopzameiaar, een door W. Armstrong ullgevonden hydraulisch toestel om lasten op Ie heffen, ook hij bydraull-scbe persen; toestel om clectrlciteit op te hoepen voor later gebruik.

accuraat, adj. lat. (accuratm, a, urn, van accurare, verzorgen, met zorgvuldigheid behandelen; vgl. cura) nauwkeurig, zorgvuldig, bedachtzaam, juist, stipt, ordciyk, zonder fout; — accuratésse, f. (van \'t Hal. nccuralezia), de nauwkeurigheid, juistheid, stiptheid, zorgvuldigheid, viyt, liefde tot orde.

accuseeren, lal. (accmare) aanklagen, beklagen, beschuldigen; Kmt. bericht geven, b. v. van de ontvangst eens briefs;— accusabel, adj. {accusab\'ilis, e) aanklaagbaar, te beschuldigen ; — accusatie (spr. I-Is), f. de aanklacht, klacht, beschuldiging; — acrusnlio conlwnaliae, lal. ,lur. iieschuldlglng hy afwezigheid, by verstek; — nccusalor, m. klager, aanklager, beschuldiger; — actusalorie, te laste leggend, beschuldigend, by wyze van aanklacht. — accu-sa lus, m. de aangeklaagde, beschuldigde; — accusatief of accusativus, z. casus.

acéntra, n. pl. lat. organische vormen zonder constant midden.

Acephali of A k e p h a 11, pl. gr. {aké-phaloi, van kepltalc, hoofd, en a priv.) nitsgc-boorlen zonder hoofd; N. II. soorl van weekdieren zonder hoofd; zinnelooze dwepers, die geen opperhoofd willen dulden, zooals de levellers ten lyde van Hendrik I van Engeland;

— acephalisch, hoofdeloos, zonder opperhoofd; (van boeken) zonder begin; defect van voren.

acérb, lal. (acerbus, a, urn) bitter, wrang;

— acerbatie (spr. lt;=lt;«), f. nw. lal., de verbittering, vergalling; — acerbeeren, (lat. acerbitre) bitter, wrang maken; verbitteren, vergallen, verontrusten; — acerbiteit, f. lat. {acerhitas) bllterbeld, hardheid, onvrlendeiykheld.


-ocr page 26-

ACERIDEN

12

ACHOLIE

Aceriden of Akcriden pi. nr. (van o priv. en kêros, was) Med. pleisters of zalven zonder was,

acérisch, adj. nw. lat. (van \'t lat. neer, ahorn) van ahorn; Ghem. acldum acerïcwn, ahorn/.uur.

Acérra, f. lat. wierookklstje, wlcrookdoosje; ook zeker altaar hg do Romeinen om er voor de overledenen op te offeren; — a. hiilorica, uitgelezen verzameling van geschiedenissen; — a. philologtca, van phllologlsche verhandelingen.

acerveeren, lat. {acermre, van acervus, hoo|)) aan-, ophoopen; — acervaiim, hoopswijze, hij hoepen; — acervatie (spr. /=ls), f. op-hooping.

acescent, adj. lal. (acéscens, van acescën, zuur worden) zuurachtig; — acescentia, n. pi. Med. voedlngs- en geneesmiddelen, die licht zuur worden; — acescéntie, f. zuurwording, het zuur; — aceium, n. lat., azgn; — a. cere-oisïae, hlerazyn; — a. medkatum, krulderazün;

— «. satumïnum, loodazyn; — a. vini, wynazyn;

— acetabulum n. azynllesch -, Anat. heup-hoite; — acetaten, n. pl. Chem. azgnzure zouten; — acetifactie, r. (spr. —ksie) az|jn-hereidlng; — acetifleeren, azijnzuur maken;

— acetiflcatie, f. het zuurworden; — acë-tometer, m. azUnmeter ; — acétisch, adj. azynzuur, zuurachtig, rinsch; — acetyl, n. basis van \'t azynzuur; ~ acetylzuur, n. azynzuur; — acetylig zuur, eene uil azynzuur met zwavelzuur en bruinsteen bereid zuur.

Acesie of a k ë s l s f. gr. (van akêisthai, heeien Med., genezing, heeling; weleer eene uit kinderbaren bereide artseny); — acesma of akésma, n. een heel-, geneesmiddel.

Acetaat, acetum, enz., enz., zie onder acescent.

Acheeers, pl. (gr. Achaiol, lat. Jchaei) een oud-grleksche volksstam, oorspronkeiyk in Thes-saliS, later over een groot gedeelte van den Peloponnesus verspreid; by Homerus de collec-tieve naam der Orleken in \'t algemeen.

Achsemëniswortel, m. een tooverwor-tel, dien het bygeloof de kracht toekende om vrees en schrik aan te jagen.

achalandeeren (sp. rh=sj), fr. {achalan-iler), vgl. c h a I a n d) klanten, koopers lokken, beklant maken.

d chnrue, z. ond. c h n r g e.

Acharistie, f. gr. (aclmrislia) de ondankbaarheid, ondank.

acharneeren (spr. ch=sj), fr. {achamer, van lat. (■«/•«, vleesch, fr. chnir, eig. een dier op het vleesch aanhitsen en begeerig maken), verbitteren, vergrammen; — geacbarneerd, verbitterd; sterk gezet, verzot, enz.; — achar-nemént, n. (fr. spr. asjarn\'mdh) de vurige begeerte naar leis, liltle, woede; stryd-, moordlust. Acharya, z. aisjarya.

Achates, m. gr , mansnaam, inz. de naam van den I rouwen vriend en wapenbroeder van Cneas; vandaar In \'I algemeen voor; trouwe gezel, strydgenoot (fidus Mhales).

Achélen, a c h e I e n, (eig. achtel, ach-tendeel), n. eene inhoudsmaat, weleer In sommige nederl. steden in gebruik, — i0,77;i kop.

achemineeren (spr. asj—), fr. [achcmi-ner, v. chemin, weg) den weg banen ; in gang brengen; — acheminemént, n. (fr. spr. asj\'mien\'mén) het middel om tot iets te geraken, de inleiding, padbanlng.

Achérnar, m. (verbasterd v. \'t arib. achir-el-nahr, d. i. bet einde der rivier) Astron. ster van de eerste grootte In den Erydanus (k Eridani).

Acheron, m. gr. Myth, de stroom der smarte, eene der vier hoofdrivieren van de onderwereld ; ook de onderwereld zelve; — flec-It\'re si nequUn suptros, acherónta movèbo, biyft de hemel doof, zoo moge de hel my hoeren, z. P1 u t o.

acherontia, f. doodshoofd (een nachtvlinder).

Acheropita, n. pl (gr. acheiropoiêta, van a priv., cheir, hand, en poiétns, gemaakt) beelden (van den Heiland of de Maagd), die niet door menschenbanden gemaakt zyn, maar die men meent door engelen of gezaligden te zyn voortgebracht.

a cheval, z. onder c h e v a I.

acheveeren (spr. asj—), fr. (achever) voleindigen, afmaken, klaarmaken.

Achïa of a t s c h ï a, f., ook a t s j 1 a r (perz. atsjar, adj. vermengd) de jonge, met kokosno-tenazyn en krulderyen Ingelegde spruiten van den beneden bamboesstam en v, andere groene vruchten in Zuid-Aziü, IndlB, Perzle, enz.; v. mixpicklei.

Achilles, m. (gr. Achüleus) mansnaam: een vergode gr. held uit den trojaanschen oorlog; ook een prachtige surlnaamsche dagvlinder ; Log. valsche sluitrede, volgens welke men bewijst, dat eene langzaam voortgaande schildpad, die een klein eind wegs vooruit is, nimmer door een ander zoo snel als Achilles loopend voorwerp kan Ingehaald worden, omdat de afstand, ofschoon ook tot steeds kleinere gedeelten gebracht, nimmer geheel verdwynen kan; — achillëa, f. of Achilleskruid, Bol. het duizendblad (Achillea millefolium: vgl. millefolium; — achillespees, (lat. ten-do Achilles) Anat. gemeenschappeiyke pees v. de tweebuikige kuit- en zootspier (zoo gebeeten naar de wond, die Achilles daarin kreeg); lig. iemands gevoeligste, lichtst kwetsbare deel.

Achlys, f. gr. {actilys, donkerheid, nevel), Med. verduistering van het gezicht door eene zweer op het hoornvlies van \'t oog, ook die zweer zelve.

achmed, m. arab. eigennaam: de lofwaardige.

Achne, of Achna, r. gr. [achne, schuim, vlok) fijn geschaafd linnen pluksel (c b a r p 1 e); het vlokkig siym der oogleden.

Acholïe, f. gr. (van chólos, gal, en « priv.) galgebrek; niet-gaiachtlge gemoedsgesteldheid; ook z. v. a. c h o I e r n.


-ocr page 27-

ACHOLOE

13

ACRIA

Acholöë, f. sr., ceno dor HarpUen (z. a.)

Achor, in., meestal pr, achores, (ff-Med. hoofdzeer, mclkkorsl liy kinderen.

Achröi, in. pl, gr. (dchrooi, van a priv. en r/irria, kleur) kleurlooze, bleoke menschen, hleek-zuchtlgen; — achromasie, f. en achro-matisme, n. (v. chroma, n. kleur) Opt. weg-•■f* neming der kleuren door de werking van de

tegenovergestelde kleuren van het prismatisch kleurheeld; ook kleurloosheid, ziekelijk, bleek uitzicht; — achromatisch, adj. kleurloos, ongekleurd, b. v. achromatische verreky-kers, waarin het beeld zonder bonte randen en valsche kleuren wordt voorgesteld (door den Kngelschman Dollond In 1757 uitgevonden); — achromatopsie, f. het onvermogen om kleu-j ren te onderschelden.

achrónisch (gr. a-chronos; vgl. chroti lek) tüdeloos, ontijdig; — van sterren: tegenover de zon bU haren op- en ondergang staande; — achrónlsche punten aan den hemel noemt men de belde plaatsen van twee sterren, waarvan de eene opgaat als de andere ondergaat.

acicülae, f. p. lat. (acicula) kleine naald (verklw. van neus, z. aid.) de stekels en doornen van sommige dieren en planten.

Acïdum, n. lal. (van arid us, a, urn, zuur) Chom. een zuur; het zuurzout; een scherp oplossend zout (elg. sal acidum); — acfda, n. pi., zuren; — acidum bnlcticum, zwamzuur; a. ho-russtcum ot hydrocyantcum, prulslsch zwam-, blauwzuur; n. carbonïcum, koolzuur-, «. fulml-nTnim, knalzuur; a. larficuni, melkzuur; n. ma-iïcum, appelzuur; «. muriaïïnim, v. muriaten; «. nilricum, salpeterzuur; n. pyrolignosum, boul-zuur; a. selacicum, vet- of talkzuur; a. t ar tantum, w-ynsteenzuur; - acideeren, nw. lat., zuur maken, verzuren; — acidatie (spr. lt;=lt;■«), f. verzuring, b. v. der spijzen in de maag; — acidificatie (spr. 1=1.1), f. zuurvormlng; — acidifleeren, In oen zuurbad behandelen;

— aciditeit, f. de zuurheid, d. 1. het wezen, do eigenschap der zuren; — acidimeter, m. zuurmetor, een werktuig om de sterkte der zuren le ontdekken, In IK-JD door Descrolzllles uilgevonden; — acidülse, f. pl. lui. (acidulae sell, aquae, van acidülm, a, urn, zuurachtig) vuurbronnen, zuurachtige medicinale wateren;

— aciduleeren, nw. lat. zuur maken.

acies, f. lat. de punt, scherpte, snede; ook:

slagorde.

a commenlarïis, lat. de gescbledschryver van lt;\'011011 vorst.

aciöa, f. sp. Guyaansche amandelboom.

Acinesie, z. aklnesle; — acoluth, z. akoluth; — a condition, z. conditie.

acmelle, f. lat. (acmella) araerlkaansche plantensoort, wier bladeren een bytenden smaak hobbon.

Acómashout, n. een bard, geel hout voor den scheepsbouw, uit Westlndlö.

Aconitum, lat., of afgek. akoniet, n. (van \'t gr. akónïlon, v. acóne, rotsstuk, dewyi

\'t aan steile rotsen groeit) Bot. eene vergiftige plant, wolfswortei, monnikskap, waarvan zekere soort (Aconitum napéllus) ook als sierplant in onze tulnon wordt aangekweekt; — aconi-tine,f. eene in laatslgenoemde plant ontdekte organische zoutbasis; — aconietzuur, n. eigenaardig zuur in die plant.

a conto, z. conto-, —d contre-coeur, z. con-trecoeur; — acopum, z. akopon.

Acor, m. lat. Med. het zuur, de zure smaak, zure oprispingen; de scherpte des bloeds. Acori, m. bet blauwe koraal uit Afrika. Acórus, m. Iat,-gr. Bot. kalmus.

a costi, z. onder casta; — a coup perdu, z. onder coup; — a couvert, z. couvert.

acqumtus conjugalis, m. nw. lat. .lur. gemeen-schappeiyke goedverwervlng dor ochtgenooten.

Acquétta, f. Ital. (verklw. van acqua, water) met water vermengde wyn; ook een giftwater, waarom eertyds de stad l\'orusa in Ca-labrle berucht was.

acquiesceeren, lat. (acquiescére, vgl. (lulesceeren) zich niet iels tevreden stellen. Inwilligen, berusten, toestemmen, goedkeuren; — acquiescéntie, f. (spr. t=ts), nw. lat. de geruststelling, bevrediging.

acquireoren, lat. iacquirörr, van ad en quaerïre, zoeken, streven) kr(jgen, verwerven, aanschallen, zich eigen maken, tot bezit eener zaak geraken, veroveren; modus acquiréndi, m. de wyze van verkrygen; — litulus et modus acquiréndi, begin van bezit en voltooide elgen-domsverkryglng; — acquirént, m. (lat. ac-quirens) de verwerver, verkryger; — acquis, in. fr. (spr aki) de geschiktheid of door oefening verkregene vaardigheid, eene aangeleerde kunstgreep; — acquisitie (spr. /=/s), f. lat. {acquisitio), verwerving, verovering; de koop, aankoop; het verworvene, verkregene; — ac-quisitor, m. do verwerver; — acquisi-tum, ii., pl. acquisïta, het verworvene, verkregen eigendom.

acquitteeren (spr. akit—), fr. {acquitter, van quitte, z. aid.) iels verrichten, tot stand brengen; zich van eene zaak losmaken; zyne schuld afdoen, kwUten, quitantio geven; —qui s\'acquitle, s\'enrichil (fr. spreekw.), wie zyne schulden betaalt, verarmt niet; — acquit, n. fr. (spr. aki) de bevryding van eene schuld, de betaling of ultdelglng daarvan; een kwyt-brief, eene qultantle; by het biljartspel, de eerste sloot, de uitgezette bal; de plaats waar de bal moot staan; — acquit a caution, fr. (spr. aki-ta-kosión) qultantle onder borgtocht; —ac-quit de douane, fr. spr. {—doeddn\') tolbriefje, tolcedel; — pour (spr. poer) acquit, bon pour acquit, voor qultantle, voldaan (onder rekeningen).

Acre, f. fr. (spr. ak\'r) en eng. (spr. éker) (van een colt. woord, dal akker boteekent, ver-want met het lat. aqer) morgen lands, eone oude fransche vlaktemaat, die doorgaans HO ares of (ien halven bunder deed; do eng. acre = 0,504 bunder.

Acria, n. pl. lat. (van acer, arris, acre, spits)


-ocr page 28-

ACTIEF

AC [tO

14

scherpe middelen; — acrifolïum, n. elg. spltsblad, steckblad, of aquifolïum, n. d. I. elg. waterbliul (verkeerd mik agrifolium) deslcck-palm, hulst (llex aquifolïum), een struik met lederachtige, rondom met stekende doornen bezette bladeren; — acrimonie, f. (lat. acri-monia) scherpte, zuur, Inz. der lichaamssappen; — acrimonieus, adj. wrangzuur-,—acre-té, f. fr., de scherpte, wrangheid; de bitterheid, stekeligheid.

Acro , z. a km—; acta, z. Ac ten.

Acte (verkort uit het lat. actus, z. aid.; eng. «(7, fr. arte) in \'t algemeen, handeling, daad, gewrocht der handeling; eene plechtige openbare handeling; li(i schouwspelen een bedrijf; —ad of parliament (spr. ckl of pdrlimenl), besluit van het parlement, parlementsacte; —net of honour, eng. (spr. ekt of (inner), de borgtocht van eerion derde voor een afwezigen vriend, om de weigering der betaling van eenen wissel te verhoeden (interventie-acte, noodadres); —acl af iiulémnity, eng. de jaariyks in bet eng. parlement doorgaande bill, waarbij ontheven wordt van de niet afgelegde gevorderde eeden; —act of infirmity, eng. eene bill in Eng., waarbij allen, die niet tot de bisschoppelijke kerk be-hooren van den staatsdienst werden uitgesloten; -act of settlement, de wet der troonsopvolging van nol (ten voordeele van \'t hannoversche huls).

Acten, actestukken, lat. acta, pl. (v. den sing, actum, verhandeld. Iets dat verhandeld Is, van dfirre, handelen, enz.) strydschiifton; geschriften, van welke men zich als bewijsstukken In rechten bedient; rechtsverhandellngen; stukken door notarissen opgesteld, of door de burgerlijke overheid afgegeven; — iets ad acta leggen, liet bU zulke acten voegen; lig. de zaak voor afgedaan houden, ter zijde zetten; -acta aposlolörum, n. pl. lat., de Handelingen der apostelen; — a. civitia, burgerlijke acten; — a comitiatia, landdags-verhandelingen; -ncri-minalta, strafrechlerUjke acten; — n. domentica, huiselijke papleren en registers; — a. eruiiitu-rum, verhandelingen der geleerden; — «. qe-neratia, hoofdverhandelingen, die het algemeene, het geheel eener zaak betrelfen; — a. inrotu-Uita, Ingelaschte verhandelingen; — a. judicialïa, rechterlijke acten; — «. manualia of privata, onderhandsche acten; — a. puhlica, openbare acten of registers; — «. sanctorum, geschiedenis der heiligen; — a. specialia, bijzondere verhandelingen ; — risis ui tis, na Ingeziene aden, na inzage der bewijsstukken of strijdschriften; — actls testdnlibus, naar uitspraak der bewUssluk-ken; — quad non est in actis, non est in mundo, wat niet In de acten staat, Is niet in de wereld, d. 1. is voor den rechter niet voorhanden.

Acteur, in. fr., schouwspeler, tooneellst, tooneelspeler; — actrice, f. (spr. aktries\') tooneelspeeister.

acli lahores jucündi, z. oud. actum.

Actie 1) r. (spr. dictie), pl. actiën (oorspr. nederd. vorm van \'t lat. actio: fr. en eng. action) bewijs van aandeel, van Inschrijving, b. v.

in den aaideg van een spoorweg, enz.; actiehandel, de handel in zulke aandeelen; (de eng. staatsactiën heeten stocks); — actie-compagnie, f. maatschappij van actten-liezltters lot gemeenschappelijk nul en voordeel; — actie-coupon, f. een dool van eene goheele actie ; — actionair, (fr. octiannaire) of actionist (eng. actionist) m. een actlCn-bezltter, actie-handelaar; Iemand, die geld op actiën schiet.

Actie 4) f. lat, {actio van agëre, handelen), de handeling; een gevocht, eene schermutseling; rechtsvordering; gebarenspraak; de lichaniolljke uitdrukking eens redenaars; — actio ad depre-catiónem et declarationem honoris, z. v. a. proces van tnjurie (z. a.). — a. ad interésse, rechtsvordering tot sciiadeloosstelllng; — a. ad patinodlam, z. p a 11 n o d I o; — «. constitutona, rechtsvordering wogen ( hot niet betalen eener schuld op den gezellen lüd; — «. crediti, rechtsvordering wegens schulden; — «. criminatis, HjfslralToiyke rechtsvordering; — a. de evictione, rechtsvordering wegens borgstelling; — n. dc-sertiónis, rechtsvordering wegens kwaadwillig verlaten; — a. dinorhi, rochtsv. totechlscbel-ding; — o. emti, rechtsv. van den koopor tegen den verkoopor; — a. ex delicto, rechtsv. wegens eene gedane misdaad; — fide jussoria, rechtsv. ter zake van borgtocht; — «. furti, rechtsv. wegens diefstal; — a. hereditaria, rechtsv. ter zake van erfenis; — a. hfjpoihecurta, rochtsv. ter zake van onderzetting of hypotheek; — «. injuriarum, i. proces van Injurle; —«. insottdum, rechtsv. over \'tgeheel; —a.locati, rechtsv. ter zake van huur of pacht; — a. «i«-tui, rechtsv. om teruggave van hol geleende;

— «. nondum nata, nog niet rüpo rechtsv.; — a. personalis, persoonlijke rechtsv.; — a. piq-noratiCfa, rechtsv. wegens pand; — n. (/itdii/i mindris, rechtsv. wegens vermindering van den koopprijs; — a. reatis, zakelijke rechtsv.; — o. vendïti, rechtsv. van den verkoopor tegen don keeper; — o. spotti, rechtsv. tot oogenbllkko-lyko teruggave of vergoeding eener geroofde zaak; — actionem dare, aanleiding geven tol het Instellen eener rechtsvordering; Phys. — actio in dislans, werking op afstand; — actionee-ren, nw. lat,, aanklagen, eene rechtsvordering Instellen, iemand voor \'t gerecht roepen ; — ac-tionator, m. aanklager; makelaar.

actief, adj. lat. {actïvus, a, um) werkzaam, bedrijvig; aangesteld, In dienst; — activum, n. eene uitstaande schuldvordering; Gram. do bedrijvende, handelende vorm; — verbum activum, een bedrijvend, overgankelük werkwoord;

— activa, pl. uitstaande schulden of vorderingen, het te goed; ook haar vermogen; geld, koopwaren, vaste panden; — actieve b a tide I, uitvoerhandel, wanneer eene natie hare eigen voorthrongselen uitvoert en verkoopt; ia tegenoverst. van don passieve n b a n d o I, wanneer een staat zyne behoeften door andere volken mooi laten aanvoeren; — actieve schulden, uitstaande gelden, vorderingen, in tegon-overstelling van passieve s c h u I d e n: die


-ocr page 29-

ADi-EREEREN

ACTING

15

geUlen, we Ike men zelt schulrtlf; is; — act 1 e v e sta a I, werkciyke staat, b. v. van eeno vordering, oen vermogen, een leger, en/..; — actieve troepen, troepen te veld; in tegen-oversl. der garnizoenstroopen;—actlof vermogen, het werkeiyk voorhanden of haar vermogen ; — activeeren, nw. lat., In werkzaamheid, aan den gang brengen; — activiteit, f. werkzaamheid, bedryvigheid; leven, vuur.

actino—, z. u k t i n o.

Actionair, z. ond. actie 1).

actioneeren, actionator, z. ond. a c-tie 2).

Actionist, z. ond. actie 1).

Activa, activeeren, enz. z. ond. actief.

Actor, m. lat., in \'t algemeen verrichter, volbrenger, dader; Jur. elscher in rechten ; ook de door eenen voogd gevolmachtigde pleitbezorger; aclori incümbit probalw, de aanklager moet het hewUs leveren; — actorïum, n. nw. lat., volmacht, aan eenen pleilbezorger gegeven.

Actrice, z. ond acteur.

aclu, z. ond. a c t u s.

Actualiteit, aclualiler, z. ond. a c t u e c 1.

Actuarïus, m. lat., gerechtsschryver, houder der aden en protocollen; by de oude Rom; provlandmoesler der soldaten.

Actuatie (spr. tie—tsie), f. nw. lat. Med. het aan den dag leggen der werkzaamheid van een middel op levende lichamen, werkende kracht.

actueel, adj. fr. (aduelmid. lat. aclualis, ö, van \'I lat. aclu, Inderdaad) werkeiyk, wc-zeniyk, in tegenst. van \'t geen slechts zoo genoemd wordt; tegenwoordig; werkend, dienstdoend (in tegenst. van virtueel en potentieel); — actualiteit, f. nw. lat. ac/ua-iïlas) werkeiykheld, wezeniykbeid, tegenwoordige werkzaamheid; — aeluatiter, adv. lat., of actuellement, fr. (spr. akhUIUmdn) werkeiyk, inderdaad; thans, dadeiyk,tegenwoordig.

Actum, lat. {actus, a, urn, part. van aglre, bandelen, doen) gedaan, verhandeld (gebruike-lyk by rechtshandelingen, met bUvoeging van den tyd, waarop zy geschiedt zyn); — actum in senrïtu, gedaan in den raad; — actum ut supra, gedaan als hoven (gemeld Is); ucli Inboren jucündi, sprw. na gedaan werk Is I goed rusten;

— acta est fnbula, het (looneel)stuk Is uit.

Actus, m. lat., pi. actus (van aglre, handelen; gew. verkort tot acte (z. aid.) handeling, bedryf; bet gebeurde, voorval, de geschiedenis; in de scholen; mondelinge voordracht;

— «rilt, werkeiyk. Inderdaad; — aclu stüdcns, werkeiyk studeerende; — win aclu, in eene (on-afgebrokene) handeling; — aclu corporaH of personali, persooniyk; — actus conlinüus, onafgebroken voortdurende handeling; — actus /i-dei, z. v. a. auto-da-fé (z. aid.); — actus inter vivos, onder levenden gedane handeling;

— a. Judicia lis, cxlrajwticiolis, gerecbteiyke, huitengerechteiyke handeling; — a. juriittcus, rechtszaak; — a. mcrae, [acuUalis, rechlshan-deling, die alleen van de willekeur des bandelenden persoons afhangt (welker uitoefening nooit door verjaring kan verloren gaan); — a. mi-nisteriales, geesteiyke ambtsverrichtingen, als doopen, enz.; — a. oralorïus, oefening In bet redevoeren; — u. privatus, niet openbaar gedane handeling; — a. proximm, op verre na nog niet volvoerde handeling of onderneming;

— «. pubtfeus, openbare handeling; — a. scho-lasiïcus, schoolfeest, schoolplcchtigbeld; — a. simulalm, scbijnbaiidellng; — «. solénnis, plechtige bandeling; — a. voluntarïae jurisdicliönis, handeling van vrywillige rechtspraak.

acueeren, lat. (acuërc) scherpen, spitsen; opwekken; — geacueerde lettergreep, eene lettergreep, die den scherpen toon heeft, gescherpte lettergr.; —- acuut (lat. ucütus, a, um) scherp, splls, sngdend, stekend;—neut e ziekte n, hevige, zich snel ontwikkelende beete ziekten, beete koortsen, gevaarlgke ziekten; — acuturn ingerifum, een helder hoofd; — acu-tangulair, adj. nw. lat. scherphoekig; — acümen, n. lat. de scherpzinnigheid.

Acul of Accul (spr. akü) fr. de achtergrond; het achterdeel; blinde straat, zak; — aculeeren, by \'tpaardryden te ver achterop zitten.

acültus, m. lat. (vgl. acus) stekel, angel;— aculeïfórm, adj. stekelvormlg.

Acumbre, n. eene spaansche vochtmaat van ongeveer 2 kannen.

Acumen, z. ond. acueeren.

« cmabulis, lat. van de wieg af.

actus, f. lat., de naald; — ucus magnettca, de magneetnaald; — a. probalorta, de proef-of probeernaald; — acupunctuur, f. nw. lat. (acupunctüra, van acu pung\'ére, met de naald steken) Chlr. de naaldsteek, eene kunstbewerking, waarby bet lydcnd deel met eene naald wordt doorgestoken; — acupuncteeren, met den naaldsteek behandelen, genezen; — acu le-tigesti (rem), ■/.. ond. res.

Acustiek, z. a kust lek; — acutan-gulair, z. acueeren.

Acuti, z. a g u 1 i.

acuut, z. ond. acueeren.

Acy—, zie aky—.

ad, lat. voorz. lot, aan, naar, tegen, enz.; In samenst. verandert de d gemeeniyk In de naast-volgende consonant, zoodat ad vóór c, f, g, I, n, p, r, s, t overgaat In ac, af, ag, al, an, ap, ar, as, al, b. v. accommodeeren, alllgeeren, enz.

Ada, z. A de la.

ad absurdum zetten of brengen, z. absurd.

ad acta leggen, z. acten.

Adactie (spr. l=s), f. lat. (adacffo, van adigere) het aanhouden, noodzaken, de dwang;

— adaclus, genoodzaakt, gedwongen.

adsequeeren, lat. (ad-aequare) geiykma-

ken, effenen; — adcequaat, adj. gepast, overeenstemmend; volkomen, volledig; — adsequa-tie (spr. /=/«), f. de geiykmaklng, geiykstel-llng, cITenlng.

adsereeren, lat. (ad-acrare, van nd en aes, geuit, aeris, erts, koper, geld) in geld aanslaan


-ocr page 30-

ADDUCEEREN

ADAGE

16

of veranderen, verzilveren; — adeeratie (spr. t—st), f. liet aanslaan in ot tot kcIiI, Inz. bU leendlenslim.

adage, n. fr. (spr. —jj\'p) v. adauium. adagio. It. (spr. ada-iltjio) Muz. langzaam, gematigd, zacht; — adagio, n. oen langzaam en zacht, met gevoel te spreken stuk; — ada-giétto, n. een kort adagio, een minder langzaam te spelen stuk; — adagio nssai en ndaqio di mnllo, zeer langzaam; — adagissimo (spr. —dzjisi—) ook ndagin-ttdauio, uiterst langzaam.

adagium, n. plur. adagia, lal.: spreekwoord, les der ondervinding; —adagiarïus, m. Iemand, die zich gaarne en vaak van spreekwoorden hedlcnt, spreukenman; — adagiolo-gïe, f. lat., -gr., verzameling van spreekwoorden, spreukverzameling; ook spreekwoorden-leer.

adaktylisch, adj. gr. (vgl. daktylus) zonder vingers of tcenen.

Adalbert, /. A d e 1 h e r t en Albert, arf alliora, z. onder alius.

Adam, m. hebr. naam; aardman, mensch; de o u d e A d a m, d. I. de zondige, onverbeterde mensch, in tegenst. met do nieuwe Ada m;

— adamische aarde, het overschot van vergane Hjkeii; de slib, hot bezinksel van In het water verrotte stoffen; adamianen of adamieten, m. pi. spotnaam van cene chrls-tensecte der ide eeuw; eene dweepzieke secte der 13de eeuw, ook Picarden genoemd naar haren stichter, den Franschinnn PI card; — adamieten of na aki Ion pers, uitzinnige secte van wederdonpers In de Kiile eeuw, te Amsterdam; — adamsappel, m. eene d-troenachtlge vrucht, met knobbelige schil, dus genoemd omdat bet bygeloof dien appel hield voor de vrucht des verboden booms, door Adam gegeten; ook Anat. het uitstekend gedeelte van het stroltenhoofd aan de voorzijde van den hals;

— adamsnaald, f., z. y u c c a; — adams-vijgeboom, m., pisang.

ad amüssim, z. amussi.s— ad antmum, z. animus.

Adansonïa, f. Hot. plantensoort, waartoe o. a. de apenbroodboom {Adanmna digitata) behoort (naar den franschen natuurkenner A d a n-son zoo geheeten) de dikste onder alle afri-kaansche hoornen, van 8 lot 10 meters dik en doorgaans niet meer dati 4 met. boog.

ad aperluram lihri, lat. mei open boek, voor de vuist (b. v. oude schryvers expllceeren).

adapteeren, lat. (ad-aplnre) passend maken, aanvoegen, schikken; - adaptabel, adj. nw. lal. passend, aanwendbaar; — adaptatie (spr. lic—tsie), f. (ada/ilalto) aansluiting, aanpassing, In-elkander-voeging.

Adar, m. hebr. de fiile maand van hei bur-gcriyke of de 14de van bet godsdienstige Jaar der Joden, overeenkomende met liet einde van Februari en het begin van Maart, tide maand van \'tjaar der oude Perzen. — üy de Perzen is Adar de Ized van bel vuur, bel liellige vuur zelf, het zichtbare symbool van Ormuzd. ad anua, z. ond. arma.

Adarme, f. klein spaansch gewicht, dat ongeveer twee grammes doet; ook een klein Z. amerlk. gewicht.

Adarticulatie, f. nieuw lat. vlakke gewrichtsverbinding.

Adat, f. arab. (eig. bet gedurig terugkee-rende) gewoonte, gebruik, Inz. gewoonterecht (tegenover saral, goddelijk, op den Koran en de Sonnah steunend recht); (Hg.) de parlementaire adat, de vaste gewoonte in liet parlement.

a data, z. d a t u m; — ad bene esse, z. ond. bene: — ad bene plactlum, z. placitum; — ml calendas graecas, z. cal e n d a e; — ad cap-turn, z. c a p t u s; — ad compütum, z. c o m-p u t e e r e n; — ad concludendum, z. c o n c 1 u-deeren; — ad corpus, z. corpus.

Addatïes, pl. (fr. adatais, adatis) katoenen, moeselienachtige stoffen uit Bengalen.

add. (op recepten) z. v. a. addatur of adde, men voege er by, voeg er by.

addatur, z. ond. andeeren.

ad decretum, z. decreet; — ad deliberandum nemen, z. ond. del I her eeren, — addenda, z. ond. a d d e e r e n.

ad deposttum, z. depone eren. addeeren, lat. (addëre, van ad en dare, geven) of additioneeren (spr. lt;=/«) fr. (orf-ditionner) toevoegen; getallen verzamelen, by-tellen, samentellen, de som van eenige getallen zoeken; — addatur, lat., er worde bijgevoegd, men doe by 1 —adde.\' voeg iiU! — addénda, pl. toevoegsel, byiagen, aanhangsel; — addi-tamént, n. (lat. addilaméntum, pl. addita-menta) een byvoegscl, aanhangsel; eene toegift, toelage (by de bezoldiging); — additie (spr. t=ts), f. (at. additïo) de byvoeglng, toegift; Arllh. de samenstelling; Typ. wat op den kant der bladzyde (in margïne) gedrukt wordt; — additioneel (spr. I=ts), (fr. additionnel) byge-voegd, by wUze van aanhangsel of vollcdlgma-klng, b. v. eene additioneele wet, eene wet ter aanvulling; — additioneele centimes, f. pl. fr. (spr. santiem\') opcenten op de belastingen; — additief, adj. wat by te voegen Is. Math, van grootheden, die door \'taddltle-leeken ( ) verbonden zyn, het tegenst. van subtractief.

Addi, m. de 4de maand van het Indische Jaar, ongeveer onze Juli.

addiceeren, lat. (ad-diclre) gerechteiyk toekennen, overgeven, toevvyzen; — addictie (spr. t=ts) addictïo, f. Jur. de toekenning, toe-wyzing, 1). v. add. bonórum, de toekenning der goederen; — add. hereditatis, de toekenning des erfdeels.

ad diem dictum, ad dies vitae, z. dies. addio, it., z. v. a. adieu, aid. Additament, additie, additioneel, additief, additioneel, zie onder ad-d eere n.

addosseeren, fr., beter a dos se er en, z. aid.; — addres, z. adres.

Addubitatie, f. nieuw lat. (spr. —(sic) twyfel, betwyfellng, bedenking,

adduceeren, lat. (adducUre) aanvoeren.


-ocr page 31-

ADDULCEEREN

ADH^REEREN

17

bUbrongen; nantrekkoii-, — addüctie (spr, lt;=s), (. nw. Int., Chlr. het aanvoeren van een lid, de aanvoerende splerliewegliiK; adductö-res, Atmt. annvoorende Ireksplerai j — adduc-lores firn óris, dyspleren.

addulceeren, nw. lal. (addulcare) verzoeten, zoet maken.

ad duplicamlum, adduplioeeren, /.. onder d u p I u in.

adë, z. v. a. a d i e u, z. aid.

Adéb, n. (aral). rogel, wet) o«ypt. gewicht

— = i pond.

« découvert, fr. z. decouvreoren.

Adela, f. rekenmunt in Suratte = T; „ ropy.

Adëla, Adële, Adeline, ook Adelaide of Adelheide, (verkort Ada) oudd. vr.naam: ite edetgehorene, van een cdol geslacht afstammende; — Adelbert, Aalbrecht, Alhert, door adel of odele afkomst schitterend;

adelbonden, m, pl. (zw. en deen. bonde, landbouwer, oud-noordsch bnndi), aanzleniyko vrUe boeren, in llolsteln; vgl. odelbonden;

Adelgünde, Al de gó tule, vrouwelgke naam; edele krUgshaftige vrouw ; vgl. Kunl-g n n d e.

Adelantado, m. sp. (eig. een bevorderde) voorheen stadhouder eener provincie; ttians eere-titel van eenlge spaanscho familll\'n.

Adelbert, Adelgonde, enz., /.. A d lt;gt; I a.

Adelhelm, in. oudd. mansnaam, edele be-scbermer.

Adeling, m. (angels, aedheling, oudd. adu-line) edele, adellijke, iemand uit do hoogore klassen der vrUen in het Kiicsche, Engcische en Saksische recht der middeleeuwen.

Adelobranchisch, adj. gr. (van ddclos, onbomorkbaar) N. II. met verborgen kieuwen;

— adelodérmisch, adj. met onder de huid verborgen kieuwen; — adelogênisch, adj. van idet erkenbaar geslacht; — adolopneu-mónisch, adj. met verborgen longen; — adelopóden, pl. scliUnbaarvootolooze dieren, voetvorbergers; — adelopódisch, adj. zonder zichtbare voeten,

Adelphie, f. gr. (van adelphós, broeder) eig. verbroedering; Bot. het onderling samen-wassen der meeldraden; — adélphisch, adj. met snmongegroeide meeldraden;- adelphis-me, n. het broederverbond, de verbroedering;

— adelphisten, pl. verbroederaars, ordebroeders in Italië; — adelphixie, f. innig verband tusschen de llchaamsdoolon.

Adelstan, angels, naam; de edelste.

Adelwyn, Alewyn, m. (oudd. Adalwin), mansn.: edele vriend.

ó demi, z. demi.

Ademonie, f. gr. (v. ademon, verdrietig) onlust, verdrietigheid, neerslachtigheid.

adcmïïo, f. lat. (van adimUre, lot zich nemen) Jur. ontvoering, wegneming; — ademlio bono-rum, de goederen-ontvoering; — «. civilalis, de intrekking van het burgerrecht, verbanning uit de stad; — a. legalorum, de onttrekking der legaten of orfmaklngen; — a. liberlatis, beroo-

VIERDE DRUK.

ving van de vrijheid; — adémtum legütum, z. onder logo eren 1).

Adémtor, in. lat. wegncmer, beroover. Adenalgie, f. gr. (van oden, klier) Mod. de kllerpUn, pgnlUk kliergezwel; - adenal-gisch, adj. de kllerpUn lietreftonde; — ade-nomphraxis, f. verstopping der klleron; — adenemphractiBch, adj. door klierverstopping veroorzaakt; - adenitis, t. klleronlste-king; — adenochirapsologie, f de leer om mol de hand kropgezwellen te genezen (een vermogen, dal men den engelschen koningen toeschreef); — adenographie, f. de kilorbe-schryving, verhandeling over de klieren; - ade-nologie, f. de kllerenleer; - adenóncus, hol harde kliergezwel; adenopthalmie, f. ontsteking van de klieren der oogleden ; — adenophyma, n, kliergezwel; — adenosis, f. chronische klieraandoening; — ade-nosklerösis, f, pynlooze kiierverharding;— adenotomie, f. de doorsnyding ontleding der klieren.

Adenos. m. (v. A d e n e of A d a n a, eene stad in Kleln-Azië) zeebooniwol, de fijnste wol uit de Levant.

Adeodatus (van \'I tat. a Den daim) mansnaam: van God gegevene, godsgave, z. v. a. T li e o d o o r.

Adeöna, I. godin deraangekomonen Ie Rome; zy hail geene tempels, zoo min als A b e o n a; (z. a.); — ook eene soort van poliepen.

Adephagie, f. gr. (v. aden, genoeg, en ahagein, eten) Med. overmatige eetlust, vraat-zucht; — adephagus, adephaag, m. een veelvraat.

Adépt, in. lat. (adéplus, eig. wie iets verkregen of bereikt heeft) ingew yde in zoogenaamde geheime kunsten of wetenschappen, wonderman; goudmaker, die zicli beroemt den steon der wy-zen govonden te hebben, alchemist; — adéptie (spr. I=s), f. (lat. adeplïo) de vorkryglng, verwerving.

Ades, z. Hades.

Adespóta, pi. gr. (van «. prlv. en des/iólês, heer) goederen zonder hezilter; werken van onbekende vervaardigers.

ad esse, z. esse.

Adessentia, f. n. n.lnt. (onmiddeiiyke) tegenwoordigheid.

d dessein, z. desse In.

adésso, 11. (uit bet lat. ad ipsum ontstaan) terstond, dadelijk, op \'t oogonbllk.

d dem mains, z. onder main, ad exeipiéndum, enz., z. ond. excipliieren, — ad exémplum, z. ond. exempel; — ndex-trimum, z. extréme; — ad fuluram memnriam, z. f u 1 u r u m.

adhtereeren, lat. (adhaerere) aanhangen, aankleven, zich voor eene zaak verklaren; — adhserént, rn. (lat. adhaerens) een aanhanger, aanklever; — adhseréntie, f. nw. lal., het aanhangen; de aanhang; — adheesie, f. I\'hys. hel aanhangen, aankleven van twee lichamen, wanneer hunne oppervlakten in vele

ï


-ocr page 32-

ADHALEEREN

ADJ1CEEREN

18

punten niet ulkiinder in amiraklnt\' Keltrachl worden, de uunklevingskracM; Med, niinklovlnR van organen-, l\'ol. \'t erkennen en huldigen van een nieuwen meester; — adheesiëf,adj. klevend; udhaesleve pleister, Chirurgisch, kleef-plelster.

adhaleeren, lal. {adhnlare) beademen. ad hastam pubttcam, i. hasla. adheriteeren, lat. tr. (vgl. heriteeren) tut erfgenaam benoemen; — adhoretantio, (spr. tie-tsie) benoeming tot erfgenaam.

adhibeeren, lat. {adhibêre, van ad en habere hebben) gebruiken, aanwenden; toevoegen (b. v. der zake kundige personen; — ad-hibénda, pi. aantewenden hulpmiddelen; — adhibitie (spr. I=ls), t. aanwending, ten-nutle-inaking; — adMbflo leste, nolario, niet lig-stand van een getuige, van een notaris.

ad hoc (sell, negotium) lat., daartoe, tot die zaak (b. v, de commissie ad hoe, do daartoe benoemde commissie); rechtstreeks, bepaald, juist, stellig (b. v. antwoorden).

ad hominem, z. and. homoad honorem, enz., ■/.. ond. honor.

adhorteoren, lat. (adhortari) aanmanen; — adhortatie (spr. tie=fsie), f. de aanmaning — adhortatorium, n. of adhorta-torïa (epislöla), f. nw. lat., vermanlngshrlef.

ad hue sub judtee lis est, z, ond. lis — ad hune locum, z. ond. locus.

a di. It. Knit, op denzelfden dag (namciyk eenen wissel Ie betalen), op zicht.

adiagnöstisch, adj. gr. (vgl. diagnosis, etc.) Med. niet of moeilik te onderschelden.

Adiakritolatrie, f. gr. de verstandelooze vereering.

Adiantum, n. lat. gr. Bot. vrouwenhaar, venushaar (eene waterplant).

adiapbaan, gr. (van « priv. en diapha-nês, z. dlaphaan) ondoorzichtig.

adiaphonon, n. gr. (van a priv. en dia-phtinos, wanluidend) een muzlekinstrnment, dat niet ontstemd kan raken, gelUkende op orgel en piano, te Weenen in 18i0 door Schuster uitgevonden.

Adiaphöra, pi. gr. (van a priv. en dia-phuros, verschillend, dus eig. niet verschillend) onverschillige dingen, dezulken, die men zonder kwetsing des gewetens aannemen of verwerpen kan ; nok w ijnsteengeest zonder reuk; — adia-phorie, f. onverschllllgheld, vgl. Indifferentisme; - adiaphórisch, adj. zedelijk onverschillig; adiaphoristen, lutheranen In de Hide eeuw, die in sommige leerpunten Meianchlons gevoelen onihelsden; onverschilii-gen, vrijdenkers, vrijgeesten, vgl. Indlfferen-list; adiaphoristisch, adj. tot de adia-phorisllston behoorende, I). v. adiaphoristische stryd, die van ISKt af In de sakslsclie prote-stantscho kerk 4« jaar lang gevoerd is over de vraag of eeredlenst en ceremonie onverschillige, dingen (adiaphöra) waren.

Adiapneustie, f. gr. (vgl. dia/moe en pneuma) Med. belemmering van de natuurlijke

uitwaseming; van daar: adiapneustisch, adj. die belemmering betreffende.

Adiarrhoea, f. gr. (van a priv. en d 1 a r-rhoea, z. a.) Med. de verhindering van den stoelgang, gebrek daaraan, verstopping.

Adiastasle, f. gr. (van o priv. en diastasis, z. a.) I\'hll. onmiddelUjke nabijheid der goddelijke werking.

adiathermaan, gr. (van a priv. en dia-thermaan, z. aid.) ondoordringbaar voor warmtestralen.

a die, lat. z. ond. dies.

adieu! fr. (spr. adjéü: ontstaan uit d en Dieu, i. a.) God zij met u! vaarwel! — adieu, n. het afscheid, vaarwel, schelden, b. v. adieu zeggen, afscheid nemen, schelden.

adigeeren, lat. (adigtre) aanhouden, noodzaken, dwingen, drijven.

adimeeren, lat. {adimlre) onttrekken, wegnemen.

adimpleeren, lat. {ad-impterc) vervuilen, volvoeren, voleindigen.

ad inntas reddetus, lat. tot het uiterste, tot den bedelstaf gebracht, schaakmat gezet; ten val gebracht, verleid, ontmaagd.

ad infinitum, z. I n f I n i t u m; — nd infor-mandum, z. i n f o r m e e r e n; — ad instantiam, ■/.. Instantie; — ad inslar, z. 1 n s t a r; — ad interim, z. Inter! m.

adi, z. addio.

adipeus, nw. lal. (v. li, lat. adeps, vet) vei, smerig; — adipide, f. nw. lal. Ghem. de vei-stof; - adipocera, f (van cêra, was) of fr, adipocire, vet was; lykevet.

Adipsa, n. pi. gr. (van a priv. en dipsa, dorst) Med. dorsliesschende middelen; — adip-sïe, f. hel ontbreken van dorst (In heete zieklen). adirdto, li. Muz. toornig, vergramd.

adire, lat. (pnes, adüo) er heen gaan, op aan gaan, toetreden, enz.; — adire heredilatem, Jur. de erfenis aanvaarden; — a. in jus, voor\'t gerecht verschijnen; — aditio hereditatis, f. aanvaarding eener erfenis; — adïtus, m. de toegang, a dirittura. It., z. ond. dirigeeren. d discretion, fr,, z. ond, discreet. Aditi, f, Indische Myih. (.«/«Ar, aditi, van drii, de eerste, het begin) de moeder der goden, gemalin van Kasyapa; ais allegorie Is zij de oorspronkelijke dag, en haar gemaal de oneindige ruimte; — aditjas, pl. (sanskr. mlitja, de zon), de zonen van Aditi, twaalf géniën, personificaties der zon naar haar stand In de l\'2 maanden,

aditio, enz., z, onder adire.

a ditto, it., heter a detto, z. ond. dclto. Adj., afkorting v. adjecti vum, adjunct, adj u d a nt.

adjacént, lal, {adjacens, v. adjaccre, aanliggen) aanliggend, aangrenzend; - adjacent, m, grensnaliuur, bijwoner.

adjiceeren, lat. {adjicSre) bijvoegen, bijdoen; nabedingen; — adjéetumpactum, zie pactum; — adjéetie, f. (lat. adjectto) Jur, de vermeerdering, toevoeging, toelage lig het ge-


-ocr page 33-

ADMIN ISÏ li K K f{ KN

ADH1PATTI

19

hoden geld; — adjectivum lt;if adjectief,

n. Gram. byvooglUk naamwoord, het woord, dat cenn liocdanlglioiil toekent aan het begrip, door een zelfstandig naamwoord uilgedrukl,— adjoctiove kleuren, In de ververij; kleuren, die zich niet op liet doek hechten dan door lusschenkomst van oene of andere zelfstandigheid; — adjective, lat. als liijv. naainw. gebruikt.

Adhipatti, m. Jav. titel van een regent op Java (in rang tusschon I o m m e n g o n g en p a n-gera n).

Adjoint, m. fr. (spr. adzjöaih) z. v. a. adjunct, z. ond. a dj mi gee ren.

adjourning, f. eng. (spr. adtjürning) verdaging. (z. a. adjourneeren, liever ujourneeren, adjudant, adjudantuur, z. ond. a d-j u v e e r e n.

adjudiceeren, lat. (ailjudicare) gerechtelijk toekennen, toewijzen; — adjudicatie (spr. t=l.i), f. de gerechtelijke toekenning van een recht, inz. van een eigendom; — adju-dicatief, adj. nw. lat. toekennend, dat gene waardoor iets toegekend, toegewezen wordt.

Adjumént, n. lal. [adjuméntum, v. ndju-ran\\ i. adjuveeren) hulpmiddel, bijstand.

adjungeeren, lat. (arfjunf/ëre) toevoegen, iemand in zijne bediening een helper en ioe-komstigen opvolger geven; — adjunct of adjünctus, m. helper, toegevoegde amblge-noot; — adjunclm sine .«/ie, «. cum spe, adjunct zonder, met hoop van opvolging;- adjünc-tie (spr. I—Is), t. lat. (adjmetto) toevoeging, vcrccniglng, verbinding; — adjunctuur, f. nw. lal., ambt van zulk een toegevoegden persoon;

— adjünctum, n. lal. bijlage, toevoegsel, adjureeren, lal. (adjurarc) bezweren, be-

eedigen; — adjuratie (spr. I=ls), r. bezwering.

adjurgeeren, nw. lat. (M. jurgare, twis-len, voor \'t gerecht stryden, jurqium, twist) Iwisten, kijven; — adjurgïum, n. iwist, krakeel.

adjusteeren, nw. lal. {ttdjmtarc, z. j u s-leeren) of ajusteeren (spr. nzj\'it—), fr. lajusler) geiyk, elfen, overeenstemmend maken, byieggen, in orde brengen, zicli gereed maken;

— adjusteer-balans, in liet muntwezen eene verelTonings-schaal, muntschaal, evenaar;

adjusteerschroef, f. stelscliroefaan ma-ibematische werktuigen en machines; ajus-tage, f, fr. (spr. azju-sld-zj\') de veretTening der muntspecittii; ook de opgezette huizen, Inz. aan fonteinen; — ajustemónt, n. (spr. azju-st\' man) het lerechtmaken, schikken, aanpassen; de kleeding, opschik, drachl; Kmt. de verelTe-ning, schikking der assurantie-schade; — ajus-teur, m. (spr. azju—) de werkman, die mei de \\ lil aan de munten hel juiste gewicht geeft. ad justificindum, ■/.. ond. juste. adjuveeren, lal. (adjuvure) bystaan, hellion, ondersteunen; — adjudant, in. (van t lal. adjütans, adjulare) een medehelper, inz. een olllcier, die de dienstbestellingen bezorgt;

adjudantuur, f. nw. lal., het ambt van een adjudant; — adjuvant, m. (lal. udju-vans) een helper, Inz. by muziek; — adjumns {medicamenturn) n., pl. adjuvantia, Med. helpende middelen, bevorderings-, ondersteunings-miildelen; — adjuvatie (spr. I=ls), f. nw. lal., de hulp, onder.iteuning; — adjütor, m. lal., een helper, hulp; —adjutörisch, adj. behulpzaam; —adjutorïum, n. lat., hulp, ondersteuning, hulpmiddel; — adjutato-rium, n. nw. lal. Anal, schouderbeen. ad talus, z. onder I a l u s.

adtécli, of altéeti, (v. at-tegUre, bljklezen) de bygekozene, de in een college by verkiezing opgenomenen; by de Komeineii zij, die uit den ridderstand tol senatoren verheven werden; — adléctie of alléctie (spr. t—ts), f. opneming.

adlegatie, f. (spr. t=ts) lal. gezanlscbaps-rechl, toevoeging der gezanten van de kreltsen by die des dultschen keizers.

ad tegéndum, lat. om te lozen, adlenimenta, pi. lal. Med. verzachtende middelen.

Adli, n. eene lengtemaat in Georgië: Kin adli\'s = 147 brabantsche ellen.

ad HhXtum, zie libitum— ad liquiddndum, z. ond. liquide; — ad litteram, z. ond. I li-te ra; — ad mandatum, z. mandaat; — ad manus, /.. ond. manus; — ad marytnem, z. margo.

adm., afkorting van a d m 1 n i si ra 11 e, a d-m I n I s t a t e u r.

ad majorem Dei gtoriam, z. ond. gloria, admasseeren, nw. lal. (fr. omassec) op-hoopen, Ie hoop of lol eene massa brengen; admasseering, ophooping. admatureeren, mld. lal. tol rijpheid brengen, verhaasten.

ad meliorem fortunam, ■/.. ond. for tuna; — ad mensuram, z. mensurn.

adminatie (spr. /=/.«), f. nw. lat. (vgl. in in a tie) Jur. bedreiging (eene symbolische injuiie).

adminicülum, n. lat. (v. ad en manus, hand) hulpmiddel; byzaak; pl. adminicüla; — adminiciilum graCtae, genademiddel; — ad-miniculum prohatianis, hulpmiddel tot hel voeren van een bew ys; — adminiculator, m. in de Kath. kerk de geestelyke beambte, die voor weduwen en weezen te zorgen beeft; adminiculeeren (lal. adminiculare) helpen, ondersteunen, sterken, bystaan, kracht byzellen.

administreeren, lal. {adminislntre, vgl. minister, m 1 nIsl reeren), besturen, waarnemen, handhaven; voor rekening van eenen dorde eene handelszaak besturen; K. k. uit-deelen, toedienen, li. v. do sacramenten; — administratie (spr. I—Is), f. de waarneming, hel beheer van een ambt of posl of handelszaak ; het toedienen der genademiddelen of sa-cramenlon; administratief, adj. waarnemend, besturend, beheerend; — administrateur, fr., of administrator, lal m. waarnemer, bestuurder, opziener, voogd, regent; uitvoerder van den iaatsten wil;—admini-


-ocr page 34-

v»-

ADMIRAAL

ADONIS

\'20

Stratorium, n. schrifleHjke opdraclit lol beheer van eens anders eigendom.

Admiraal, ile\\er Hïïiimtll, m, (arah. ontstaan, met weglattiiK van \'t taaiste woord, uit a in i r - a 1 - b a\' li r, d. i. bevelbobber op zee) de vlootvoogd, de opperbevelhebber ooner vloot het schip van don vlootvoogd; II. N. een der schoonste dagvlinders; - admiraallaken, n. roede, kaslmlrachtlge wollen slof, — ad-miraalschap-zeilen, een Jaariyksch zell-feesl te Amsterdam, welks Instelling reeds zeer oud Is ; - admiraliteit, f. de zeeraad, zee-krijgsraad, de vergadering der gezagvoerders; hel toezicht over het zeewezen, vroeger bier te lande toebetrouwd aan vyr admiraals-col-legiën, welker leden door de sleden werden afgevaardigd; - admiranto, m. de opperbevelhebber Ie water en te land In Spanje.

admireeren, lal. {admirare) bewonderen, vereeren; admirabel, adj. (lat. admiraht-lis, e) bewonderenswaardig; wonderschoon; — admirateur, m. f. oen bewonderaar, aanbidder;- admiratie (spr. l=ls), i. lal. {ad-miraffo) de bewondering, vereering.

admisceeren, lat. [admiscêre) bUmengen. Admissarïus, m. lal. (van admitlëre, zie admitteeren) springbengst, klophengst.

admitteeren, lat. (admitten) toelaten, den toegang vergunnen, inwilligen, talen gelden of geschieden; — admittutur, hij mag toegelaten worden (schnrtelyk getuigenis, dat iem. bekwaam bevonden is om eenen rang of graad te bekomen); — admiliïtur, liet worde toegelaten; admissie, f. (lal. admissto) toelating, toegang, opneming, vergunning; — ad-missie-examen, n. toelatingsexamen; — admissibel, adj. uw. lal. aannemeHjk, geldig toe te laten; admissibiliteit, f. geschiktheid of vatbaarheid om opgenomen, toegelaten te worden.

Admixtie, f. lal. (van ndmisccre, z. ad-mi s c e e r e n) bUmengsel.

admodiëeren, mld. lal. iad modi are), 1) (van modus, maat; ad modum redigére) verminderen, matigen; 2) {tr. amodier, van \'t lat. modim, schepel, dewijl de eigenaar een bepaald deel van \'1 geoogste graan kreeg) een stuk lands in pacht geven, verpachten; — admodiatie (spr. t=ts), f. de pachting en verpachling van de landerijen met alle daartoe beboorende rechten; de aanbesteding van een werk; — ad-modiator, lat., of admodiateur, m. fr. [amodiateur) de pachter en verpachter van een goed.

ad modum, z. onder modus, admoneeren, lat. {admonUre) berinneren, vermanen, waarschuwen, berispen; — admo-niteur, m. een vermaner, waarschuwer; een kloosterling, die den jongeren broederen hunne plichten voorhoudt; — admonitie, f. (lat. ad-moniCio) de berinnering, waarschuwing, vermaning; — admonitief, admonitorisch, adj. vermanend, waarschuwend. Admorticatie, f. (spr. —tsie) nw lal. overgave van landgoederen van de wereldlijke jurisdictie aan de geestelijke.

admoveeren, lat. (admmëre) aanvoeren, bUbrengen; — admotie, f. (spr. t—ts) hg-voeging.

ad multos annus, i. ond. annus; — ad nauseam usque, z. nausea; — ad nonnam, z. n o r m a; — ad nnlam (lal.) nemen, z. ond. nota.

Admurmuratie, f. fr, (spr. t=ls) toe-llulslerlng.

Adnata, 1. lal. Med. (scil. membram) blnd-vlies van hel oog.

adnoteeren of annoteeren, lal. (an-nature) opmerken, aanleekenen, opschrijven;— annotanda, pl. opteekenens- of opmerkenswaardige zaken; - annotata, n. pl. aan- of opmerkingen; — annotatie, (spr. tie=tsie), f. (lal. annotafio) de opmerking, aanleekening;— adnotator, m. opleekenaar.

ad notittam, zie onder notitie, adnubileeren, tal (adnubilare) omwolken, verdonkeren.

ad nut urn, z. nulus; — ad oculum ol ad ocu-los dein o n slre er en, z. dem on sl roeren.

Adoha, f. mid. lat. (ook adoliaménlum, misvormd van het roman, adjudha, lat. adjumén-tim) geldelijke hulp van leenmannen aan hunnen leenheer.

Adolescéntie, f. lal. (adolescenfta) jonge-lingaieeftljd, jeugd; — adolescent, m. jongeling; melkbaard.

Adolph heler Adolf, muiisn. (onlslaan v. s. uit Adel w o I f, v. a. uil het golhlsch A lb a u If), de edele beid, de hoogedele; de hulpvader, pleegvader, voogd, helper ; — Adol-phe, Adolphine, f. de hoogedele; — Adolph-d\'or, m. oen gouden Adolf, zweedscb-poinmersch goudstuk = lt;gt;,30 gl.

Adonsea, f. gr. (Adunuia) de mei Adonis gepaarde (bijnaam van Venus).

Adonai, m. Iielir., mijn Heer (alleen bü do toespraak tot God door de Joden in plaats van Jehovah gebruikt).

Adonis, m. gr. Myth, een zeer schoon cy-prisch jongeling en lieveling van Venus, die door eon wild zwijn verscheurd werd; zijn lyk werd in eene anemoon veranderd, en te zijner gedachlenis feesten, A d o in e n. Ingesteld, die 3 dagen duurden; ook een dultsche blauwkleurige vlinder (Papittn adónis), alsmede eene plan-tensoort, waartoe de adonisbloem of t adonisroosje, vuurroosje [Adonis aulumna-lis) behoort; — zich adoniseeren, (fr. s\'adoniser) zich lot een Adonis maken, zich opschikken, looien; — adonisateur, m. fr. een kapper; — adonis-tuinen nu de oude Grieken ; trek- of broeikasten, of met aarde gevulde vlakke vaten, waarin vlugopschletende gewassen geteeld worden; — adönisch, vers, n. (lal. adonïus versus) n., of adonïcus, m. versmaat, die uil do beide laatsle leden van een hexameter, uit oen daklylus en Irocbams, soms spondeus, beslaat (—— ———), b. v. woordonverklaarder, louwslagershnndwork.


-ocr page 35-

ADONIST

21

ADRES

Adonist, m. fr. planlcnvcnamclaar. Adóntagra, nr. Chlr. oen worklulR om tanden to trokken, door den Eiifrelschman Kooco uitgevonden.

adopteeren, lat. (ndoplare, v. ail en lare, wenachen, kiezen), als kind aannemen; biimkon, aannemen, goedkeuren; zich tocölge-nen, aanmatigen; —een geadopteerd kind, een (als z(ioii of dochter) aangenomen kind; — adoptator, m. dlo Iemand als kind aanneemt; — adoptianen (spr. /=«), pl., eeno chrls-tensecte der 8ste eeuw in Spanje, zoo geliee-ten, omdat zü beweerden, dal Christus naar zijne menschheld slechts een aangenomen (adoptieve) zoon van God was; zU worden ook Fe-licianen genoemd naar den hlsschop Felix van Urgel; — adóptie (spr./=s), r. (lat. udoptto, samengetr. uit adoplatio) de aanneming als kind van een zoodanig persoon, die tot dus verre onder vaderlijk gezag stond; vgl. adrogatle; — adoptieloges, f. pl. zusterloges, byioges hij de vrymetselaars; — adoptief, adj. (lat. ndnp-tivus, a, um) aangenomen, b. v. een adopt Ier kind; — wat tot de aanneming als kind behoort; ook: vreemd; adoptief haar; adoptieve goederen.

adoreeren, lal. (adorare) aanbidden, vereeren, vergoden, hartstochtelijk liefhebben, bnl-digen; —adorabel, adj. aanbiddenswaardig, zeer schoon, voortretleiyk, wonderschoon; — adorateur, m. fr. een aanbidder, vereerder, minnaar; — adoratie (spr. /=lt;«), f. huldiging, deemoedige vereering of aanbidding, inz. voetkus bjj eene audieidle des pausen; de aan den nieuwen paus aangeboden hulde; — adoran-ten, rn. pl. aanbidders, eene party der socinianen (z. aid.), die aan Christus goddeiyke vereering toekenden.

adorneeren, lat. (ad-ornare) versleren, opschikken, opluisteren; — adornement, n. fr. (spr. —mail) versiering.

Ados, in. fr. (spr. «dó, van dos, rug, en bet voorz. d), een afbellend, naar de zon gericht tuinbed; — adossement, n. (spr. —mén) de helling, aanleuning; — adosseeren, (fr. adosur) schuins opwerpen, hellend maken; Mil. den rug dekken: een leger tegen een hosch a il o s-seeren, het door een hosch den rug dekken.

ad oslentalionem, voor het ultertyk vertoon, uit pralery.

adouceeren (spr. adoes—) of adoucis-

seeren (spr. adoesi-s—), fr. (adoucir, van dniw, zoet, zacht) verzachten, verzoeten; matigen, lenigen, stillen; glad maken; Plet. de omtrekken verzachten, verdunnen; vgl. ook t e m p e-r e n; — adouci, n. lichte schets in waterverf; — adoucissage, f. fr. (spr. —snatj\') verzachting, wegsmelting der kleuren; — adou-cissemént, fr. (spr. adoesi-s\'mdii) verzachting, leniging, vertroosting, opbeuring, adovaren, pl. arah. draagbare tenten. Adówlin of ad al me, n. bind. een graan-gewicht te Bombay, = 1 a i\' kilo.

ad palatum, z. palalum .■ — ad par/em, z.

oud. part; — ad patres gaan, ■/.. pater; — ad perpetüam rei memortam, z. memoria.

Adpertinentïën, z, v. a. a p p e r t i n e n-t i ë n (z. a.)

ad pias camas, of ad pios usiis, z. causa. adplumbeeren, z. a p p I o m b e e r e n. tui pondus omnium, /.. oud. pondus,■ — ad posteriora, z. oud. postêrm-, — ad praerlmlén-dam, z. p r ace I n de e ren; — ad producén-dum, z. p r o d u c e e r e n; — ad pro/iléndim ct liquidandum credita, z. end. liquide; — ad proposftum, ■/.. propon eer en; — ad proto-cdllum, z. protocol; — ad pmèfmam, z. p r o x I m u s.

Adquiescentie, z. a c i| u I e s c e n 11 e; adquisita, z. acqulslta. adrameeren, mid. lat. [adrnmïre: niet van het lat. ramus, lak, maar van het oudd. ramo, rand, grens) Jnr. vaststellen, bepalen, bevestigen, toezeggen-, — adramitie (spr. t=ts), f. bepaling, bevestiging.

Adramélech, m. Iiebr. naam eens assy-rischen afgods, z. v. a. heeriyke koning. Adramitie, z. oud. adrameeren. Adrastëa, f. gr. (v. n priv. en draskein, vlieden) de onvermydeiyke, die men nicl kan ontvlieden, bynaam van Nemesis, z. aid.; elg. eene aanduiding van het idee der gerechtigheid, In zoo verre men zich die straifend denkt. De Sloïcynen duidden mei dien naam ook hel noodlot aan.

ad rati/lcdndum, ■/.. ratificeer c n; — ad referendum nemen, ■/.. re to r e e r e n; — ad rem, z. res; —ad replkdiulum, z. rep lice eren.

Adrés, n. (fr. adresse, van d = lat. ad, en dresser, II. drizzarc, diritzare, van 1 lat. diri-Hrre, richten, riebting geven, dus zooveel als ad-directio) de aanwijzing van een persoon volgens zyn naam, stand en verbiyf; hel opschrift van brieven, pakketten, enz., ile hetaalplaats van eenen wissel; eene aanhevellng-, In Engeland: verloog, veizookscbrlft hij eenlg staatslichaam Ingediend; een plechtig schryven van een geringere aan een hoogere, \'t zy verzoek-sebrlfl (smcekadres) of dankbetuigluK (dankadres); —- per of liever par adresse, door aanwyzing of bezorging; — adresse au besoin,?,. besoin-, — adresboek, almanak met aanwyzing van de woonplaatsen- der hedryvlge personen; — adroskantoor, eene inrichting In groote steden, waardoor men huizen huren en verburen, dienstboden bekomen, geld aanvragen of aanbieden kan, enz.; bet eerste werd In de vorige eeuw te Hamburg opgericht -, - adressee-ren, aan iemand richten, het opschrift op brieven, enz. schryven; aanbevelen; — adressant, m. de briefschryver, briefsteller; de Indlenaarvan een verzoekschrift, vertoog, enz.; de persoon, die zich aanbeveelt; — adressaat, in. (fr. met lat. uitgang) de briefontvanger; oen aanbevo-lenc; Kmt. een op den wissel genoemd persoon, aan wlen de houder zich zal te wenden hebben, indien de betrokkene den wissel niet aanneemt.


-ocr page 36-

ADRESSK

ADVENT

22

Adresse, r. fr. de vaardinlioid, liehcndiK-hcid, Kesdiiktheld; beleid, sluwheid.

nd reslituéndwn, zie rest it ueereii; — adrot, ?.. oud. n d r u 11; — ad rhombum, z. ond. r h o in li u s.

Adriaan of Hadriann, lal. (Iladriiinus) mansn.: pi).\', iemand uil Adrlu (tegonwoordlK Atrl in llalle), van waar keizer Hadrian us j?elioortlK was; — Adrianisten, m. pi. eene secle van wederdoopers In de 10de eeuw, naar Adriaan Hainsladl dus genoemd; ook aanhangers van den loovenaar Simon, in de Mand. der A poslelen voorkomende.

n drillm-a, z. ond. dlrlgeoron. adrogeeren, lal. («(/• of arroaare, vrI. arrogceren) Jur. ais kind aannemen; vgl. adoptccren; — adrogatie (spr. lt;=/«), t. (lat. adrogaCio) de aunnemlng lol kind van iem., die niet meer onder vaderlijke macht slaat.

adroit, fr, (spr. adrod), ook adret, ge-schikt, handig, liehendlg, vlug; afgericht, sluw. d droile, fr., z. ond. droit,

adscénsus ütüri, Med. hel ryzon der haar-moeder.

adscisceeren, lat. (adsciscére) toeeigenen, verwerven, aannemen; adscilum tinmen, of ». cognomen, in. een aangenomen naam of toenaam.

adscribeeren, lat. (adxcHMre) toeschry-ven, toeeigenen; — adsaiptus gleltae, een lot den grond of bodem (ulclin) hehoorende lijfeigene. die de plaats van zün oponthoud niet mag veranderen; — adscriptie (spr. lt;=.«), f. lat. (adscripfin) de toeschrijving; — ad-scriptief, adj. hUgeschrevon, overtailig; adscriptor, m. medoondorteekcnaar.

nd secündns nupCias of ad secmda coin, r. omi nupliae.

ad separatum, z. se pareer en; — ad se-retiissimum, z. ond. soronus; —ud speriaffa en ad specfem, z. species.

Adsjak divan, m. perz.,eig. staande divan, zekere raadsvergadering In Constantinopei, hü welke niemand mag zitten.

Adspectus of adspect, z. aspect. Adspersorïum, zie a s p o r s o r 1 u m onder aspergeeren; — adspirant, zie as-pirant.

Adstant, m. lat. (adstans, v. adstare, hy-staan, ter z.yde staan), een helper, bijstander. ad statuin legéndi, z. ond. status. adstipuleeren, lat. {adstiputari) toestemmen, instemmen, byvallen, overeenkomen In gevoelen ; — adstipulatie (spr. t=ls), f. de in-of toestemming, hyval; — adstipulator, m. die instemt, toestemt, evenveel weder belooft.

adstringeeren, lat. (adstringSre) Med. samentrekken, verbinden, stoppi\'n; — adstrin-gens, n., pi. adstringentïa of adstrin-geerende middelen, samentrekkende artsenyen ; — adstringént of adstringee-rend, adj. samentrekkend; — adstrictie, (spr. t=s), f. de samentrekking.

adstrueeren, lat. (adstrutre) byhouwen; beweren, betoogen.

ad summam, z. summa; — ad summum, ■i. s u m in u s.

nd superiórem judïcem, z. ond. judex; — nd tempus, z. tempus.

a due, enz., z. due.

Adüfe, f. (s. adufe, m., arab. ad-du/f, trommel) een oostersch speeltuig, een metalen, met een steel voorziene hoepel of ring, waarover eene huid Is gespannen en waaraan schelletjes hangen; hü de Hebr. T o p h, wolk woord Luther door pauke becfl overgezet.

Adulaar, m. Minor, het witte veldspaatli, maansteen of al hl el (z. aid), verkeerdeiyk zoo gebeelen naar den bergrug A d u I a (Sl.-Golhard) in Zwitserland, alwaar hy niet te vindon is.

aduleeren, (lat. adulari) laag vielen, liet-kozen, tliknooien, naar den mond pralen, pluini-strijken; - adulatie (spr. t—ts), I. de vloiery, plulmstrykerU; - adulateur, m. fr. een lage vleier, flikflooier, pluimstrijker; — adulató-riscb, adj. (lat. adulntonus, a, um) laf vleiend, flikflooiend.

Adulter, m. lat. (gevormd uit ud en alter) eclilbreker; — adultëra, f. ecblbreokster; — adultereeren (lal. adulterare) echtbreken; vervalschen, verdraaien; adulteratie (spr. lt;=/«), f. (lat. ndutteratorfn) de vervalsching, namaking; — adulterator, ih. vervalscher, val-sche munter; — adulterïum, n. echtbreuk; adulterium duplex, dubbele echt breuk; a. siw-ptex, enkele echtbreuk (naar gelang heide de schuldige personen gehuwd zyn, of slechts éen hunner; - adulterinus, m. Iemand in overspel geteeld, een bastaard, keefsklnd. ad uttimum, z. ond. ulterior.

Adültus, ni. lat. een volwassene, mondige; — Adültus en Adülta, bynamen van Jupiter en ,luno, mei welke zg door trouwzuch-tlgen werden aangeroepen.

adumbreeren, lat. (ad-umhrare, van umbra, schaduw) Plet. schaduw maken, schaduwen, ontworpen, schetsen, de eerste grondiy-nen trekken; overschaduwen, verduisteren; ook bewimpelen, vergoeiyken; adumbratie (spr. t=ts), f. de schaduwing, de schets der omtrekken; het ontwerp.

adunceeren, lal. haakvormig krommen. ad mguem, z. ond. unguis— ad mum (om-nes), z. ond. unus.

Adürens, n., pi. adurentïa, lat. (v. adu-rSre, aanbranden) Med. brand- of bytniiddelon; z. v. a. p y r o 11 k a; — adüstie, f. (lat. aius-(io) het branden, byten; ontbranden.

ad usum transfereeren, z. transfereeren; — ad utrumque paralus, z. ond. paraat; — ad valorem, z. ond. valor: — ad valros, z. ond. i\'fl/i\'n.

adv., afk. voor a d v o c a at, a d v e r b 1 u m advenant (naar) of d I\'avenant, adv. fr. (spr. —naii) naar verhouding; naar omstandigheden ; advenant, adj. aangenaam, hupsch.

Advént, m. lat. ad rent us (v. adventre, aankomen) do aankomst, Inz. do toekomst ot geboorte van Christ us; — de advénttijd, do


-ocr page 37-

ADVENTIT1A

/KDITUUS

23

vier voorbereldlngswokcn vóór Korslniis; — arf-véntus spirïlus sancli, de uitstorting van ilen Hi\'IIIkcii Geest.

adventitta bona, z. bom.

Adverbium, n. lat., plur adverbia, Gram, hct Mjwoord; — adverbiaal, mlcer-MnHter, liUwoordclyk,

«rf veritatem, z. ond. Veritas.

advérsus, a, urn, hit. (van ad-vertlre, licen-wenden, tookeoron) tegongcstold; strydlg; — ail-vérsa fortüna, tc(fpnspoL\'lt;l; — adversa pan-, /.. ond. part; — ex advérso, van de tcRenovor-Rostelde zyde; — adversarïus, m. lat., ad-versaire, fr. (spr. adwersèr\') cone tegen party, cen vyand, wcderstrevcr; — adversarïën, (lat. advenarïa) pi. sclirirten of hoeken, die, als ware\'t, voor de oogen opgeslagen liggen, ann-teekenlngen over allerlei, inengelsehrlft; niemo-riehoek, kladhoek; — adverseeren (lat. ad-versaH) weerstreven; adversatief, adj. nw. Int., Gram. tegenstellend; — adversi-teit, f. (lat. adversHas) de wederwaardigheid, het ongeval.

Advertance, f. fr. (spr. admrldns\') aandacht, opmerkzaamheid, oplettendheid, ij. adverteeron (lat. advertére, heenwenden, de opmerkzaamheid op Iets richten) of aver-teeren, fr. [avertir) herlcliten, aankondigen, Inz. door de dagbladen, waarschuwen; — ad-verténtie (spr. tie=lsie), a v e r 11 s s e m é n 1, f. fr. (averlissemenl) aankondiging, bekendmaking, bericht In de nieuwspapieren, waarschuwing.

Advies, advijs, fr. avis (spr. awi), n., aviso. It. m. {avviso, van \'1 lat. ad en visits, gezien; van daar dat avis ook meening, gevoelen, wgzc van zien hediiidt; hel mld. lat advisare, avisare komt echter waarschyniyk van bel ouddultsche wisan, wyzen, en heteekent ge-volgetyk aan wy zen-, van daar avis of advies in de volg. heteekenlssen) bericht, naricht, melding, boodschap; — avis au lecteur (spr. nicijo tekleur), let wel! laat het u niet vergeefs gezegd zyn! eig. bericht aan den lezer;

advies of adviesbrief, aviso-brief, bericht brief, inz. van den trekker eens wissels aan den betrokkene; — adviesjacht, post-schip, cen klein vaartuig ter snelle overbrenging van brieven of berichten;.....advisatie

(spr. l—ls), f. naricht. Inlichtingen; avisafto de perjurio vitdndo, nw. lat., .lur. de waarschuwing voor meineed, de reehteriyke waarschuwing vóór het afleggen van eencn eed; — adviseeren, aviseeren (mld. lat. avisare, it. avvisare, fr. arwcr) melden, bericht geven; raden, aanraden. ad vilam celemam, voor de eeuwigheid. Avitaliteit, f. Advitalitïum, nw. lat. (van \'tlat. vilalis, e, het leven betreffend, onderhoudend, enz.) de levensduur-, .lur. het levenslang gebruik of vruchtgenot eener zaak.

ad vivum resecdre, lat. (de nagels) tot op hel vlcesch afsnyden; onelg. het al te nauw nemen.

Advocaat, m. (lat. advocatus, eig. de ity-geroepene, ter hulp geroepene, v. advocare, by-roepen) voorspraak, verdediger voor bet gerecht, pleiter; — advocatus dei, godsadvocaat, en ad-rncatui diaholi, dulvelsadvoeaat, namen der personen, die hy heiligverklaring In de R. K. Kerk voor en tegen de canonisatie pleiten; — a. fisci, v. fiscaal; — a. ecclesiae, beschermheer, schutsheer der kerk; — advoceeren, lot zich roepen; anderen voor het geroeht vervangen, In rechten dienen, voorspreken; — advocatuur, f. liet ambt eens pleiters, verdedigers, zaakverzorgers, de zaakwaarneming. ad vneem, z. onder vox.

Advoyer, z. a v o y e r.

ady, waarsch. eene verkorting van hel fr. a u J o u r d\' li u i (spr. ozjnerdwi] heden, soms voor de dagteekening van notarieele en andere stukken gvpiaatst.

Ady, naam eener soort van palmboom, die de abanga voortbrengt en uil welks sap men een bedwelmenden wyn bereidt; nog van eene lengtemaat op de kust van Malabar, =

meter.

Adynamïe, f. gr. {adynamia, van a priv. on di/namis, z. aid.), Med. de zwakte, krachteloosheid, het onvermogen; adynamisch, adj. zwak, onvermogend, krachteloos; — ady-natokrasle, f. een te losse samenhang of menging der anorganische deelen.

Adyton, n. gr., of lat. adytum (d. i. eig. ontoegankeiyk, niet te betreden) het allerheiligste, binnenste in tempels, uiteen voor priesters toegankeiyk; eene verborgen plaats, schuilhoek.

iEakus (gr. Jiakós) oud-gr. koning van TEgina; volgens latere fabel werd hy na zynen dood een der drie rechters in de onderwereld; z. Pluto; — iEakïden, liijn van Achilles en l\'yrrhus, kleinzoon en achterkleinzoon van /Eakus.

jEehmalotarch, in. gr. opperste dor joden gedurende de llab\\Ionische iiallingscliap.

jEdeliet, m. minerale zelfstandigheid, die men te yEdeifors In Zweden vindt.

^Idicüla, f. lat. (verklw. v. aedes, huis, tempel) een huisje, kleine tempel, kapel; eene nis om beelden In te zetten; — Eediflcee-ren, lat. (aedificare) bouwon, stichten, een gebouw optrekken; onelg. Iemand stichlen, In \'1 geloof opbouwen, onderwyzen, sterken, geruststellen; — sedificatie (spr. /=lt;«), f. stichting, opbouwing, versterking; • sedïlis, m. lat. {netli-lis: van aedes, huls, tempel) een aanzleniyk overheidspersoon In Rome, wien het opzicht over de gebouwen, tempels, enz., de markt- en straat-polltle, volksvermaken, enz. was opgedragen; naast twee plebejische werden Inz. voor de openbare spelen [ludi Romani) twee patricische (/t\'rfi-les curules) verkozen; — sediliteit, f. (lat. aedifilas) de waardigheid, het ambt der iedllen.

^ldiologie, eig. jEdoeologie, f. gr. (van aiddios, beschaamd; aidvs, schaamte) leer der welvoegiykheld.

ÜSditüus, m. lat. (v. aedes, huis en Inz. tempel) de koster, korkhew aarder; cen romeln-sche deurwachter ; bediende des priesters, by de Uudon met de huiszorg belast.


-ocr page 38-

.EQUINOCTIUM

AEDON

24

Aëdon, f. nr. michtlRaul.

JEgagropilee, t. (fr.-lat. (van \'tgr. nif/a-liros, (teins, ea\' 1 lat. pila, bal) fzomzpiikoKcIs, stcen-kogcls in do maag der klipgeiten; haarbaiion in de maag dor hcrkauwcndo dieren; z. bezoar.

.ffilger of ^lgir, m. noord. Mytb. do god der zee, wiens zetel liet Kattegat was, gebnwd niet Kan of Kami, vader van de 9 golvenmaagden. /.(jne dienaren heetten lildir en Finnafengur.

jEgido, JBgis, f, gr. («iffts, fr. (\'qiile) elg. geitevel ; liet borstschild van Minerva, dus genoemd naar /Eg is, oen fabelachtig monster dor oudheid, door Minerva gedood; in \'talgem. een schild; — iEgidius, mansn.; met een borstschild gewapend, de beschermende; hij ons G i I-1 i s, J i 11 i s.

JEgïlops, m. gr. (nifli/ojK, d. i. eig. geitenoog) Med. eene kleine diepe, celachtige zweer aan den binnenhoek der oogloden; Kol. dolik, windhaver (eene grassoort).

iEgir, z. M g e r.

^gis, Al gis, f. g.. Med. wille vlek of litteeken op liet hoornvlies.

JEgolëthron, n. liever jEgolothroa,

gr. (aig-ólelhros, m.) geitendood, geitenpest; een voor de geiten doodeiyk kruid (Azulai ponlica of Ranunculis flammuln, l.); — segophonie, f. gr. (van (lij, gen. aigös, geit, en phönc, geluid, stem) Med. de geiiestem, de ziekelüko hiaaltoon; — EBgophthalmos, m. d, i. geitenoog, eene basterdsoort van den chalcedoon; — sego-podïum, n. gr. geltevoet, karwij (eene plantensoort).

ffigreaceeren, lal. (leqrescöre) ziek worden, kwijnen; — segroteoron, lat. (wgrolare) ziek zün; wegens zlekle het onderwijs verzuimen ; — segrotant, m. zieke, ziekelijk.

A. E. I. O. IJ,, d. i, Amtriac Kat Imperium Orhis Universi, geheel hel aardryk Is Oosten-rdks onderdaan (de leus vnn verschillende dult-scbe keizers).

Aeiphatie, f. gr. {aeipdthein, v. nei, allUd, en pathos, z, a.) Med. bestendig lyden, voortdurende ziekelUkbeld, het sukkelen.

Aelem, een standaard mei de halve maan, bU de Turken als eene soort van ordeteeken geschonken; — aelemdarïus, m. de drager van zulk een standaard.

iEmilius, JEmilianus, lat. mansn.: de Innemende, bevallige; vr. Emilia en JE miliaria.

eemuleeren, lat. (nemuNm) wedijveren, nastreven; — semulatie (spr. l=ls), f. (lat. aemulatin) de wedijver, nayver.

üünêis, f. bunaam van Venus, naar haren zoon /Eneas; — .ÜEnöia, knelde, Virgi-llus\' heldendlrht van den beroemden trojaanschen held /Enëas, zoon van Ancbises.

Aenigma, n. gr. (ainiqma) een raadsel; duistere zegswyze of vraag; — eenigmatisch, adj. raadselachtig, duister; - senlgmatisee-ren, raadselachtig spreken.

JEÖlus, m. lal. (van het gr. Molos) Myth, de windgod of god der winden, de koning der /Eolische eilanden lusschen Italië en Sicilië; — seolusharp, de windharp, een raam met twee zangbodems en twaalf snaren, die door den wind geluid geven; ook iron.: hei Huilen van non wind;

— seoline, f. een door Escbenbuch uitgevonden speeltuig; — seolipile, f. (lat. aenli-pila, v. pila, liai) Phys. de windkogel, damp-kogel; ook de hermetische blaasbalg; — ^Io-liërs, m. pi. een van de hootdsiammen der oude Grieken; — oeóliseh, adj. winderig, slormachl Ig; — a! o 11 s c h e loon a aid, ilde en 10de kerktoon van a lol a; — n. oen der drie grieksehe hoofddialecten; — seolodïkon of Beolion, n. een door R e 1 c li uitgevonden Instrument, dal als een klavier bespeeld wordl.

jEön, in. gr. (aion) lange Hjdduur, eouw, leefiyd; het wereldbestuur; ook oën kwaaddoend (Demiurgos) en een goeddoend wezen (Christus), naar de leer der gnostieken; — seönen, pi. onmeieiyke tydruimlen, eeuwigheden; hybeisch ook: hel ryk der geesten, — seoniën, pl. of jBönische feesten, eeuwf., jniielfoesten.

jEora, f. gr. looneelmachine om iels zwevend ie houden.

aequa..., z. ond. ncquus.

sequaal, adj. lat. («C(;u«/is, c) gelijk, eN(^-redig, evenzoo; — sequalof?, in. pi. tydgenoo-ten; — sequalia, n. pi. geiyke grootheden;

— sequaliteit, f. (lat. aeqmlttas) de geiyk-beid, biliykheid.

jEoquanimiteit, f. lat. (aequanMUis, van ncquus en animus, i. aid.) de geiykmoo-digbeid; zieierusl.

Equatie, (spr. l—ls), f. lal. (acqmtto, van aequare, geiykmaken, v aequus, z. aid.) do ge-lykmaking, evening; Malh. do vergeiUking; — sequatie-uurwerk, oen uurwerk Ier ho-paling van den waren en middelbaren zonnoiyd;

— sequator, m. de geiykmaker; do evenaar, ovennachlsllnie; — sequatoriaal-projec-tie, z. pro jee He-, — sequatoriaal-sector, m. oone lyii, die den evenaar doorsnydl.

eequeeren, lal. {aequare) geiyk maken, ge-iyk zyn.

sequidistant, adj. lal. [aequi-dis/nns) op geiykon afstand, even ver verwyderd; — 86qui— distante, f. Math., eene lijn, die in allo punten gelijken afsiand van eene andere heeft, z. v. a. p a r a 11 o 1.

iEquilatërum,ii. lal. (v. aequus, en lalus, z. aid.) eene gelijkzijdige figuur, inz. zulk een driehoek; — eequilateraal, adj. geiykz.ydig.

^Jquilibrïum, n. lat. (v. aequus,i. aid., en libra, gewicht, weegschaal) hot evenwicht;

— sequilibrist, m. nw. lal., die het evenwicht weet le houden, een koordedanser ; — uequilibrismo, n. evenwichtsleer;—sequi-libriteit, f. evenwicht.

JSquimanisch, lal. geiykhandlg.

^üquinoctïum (spr. l=s), n., sequi-nox, f. lat. (v. aequus en nnx, i. aid.) de nachtevening, de tijd, waarop dag en nacht even lang zyn; lenle- en herfsl-iequinox; - sequinoc-tiaal, (spr. l—ls), adj. wal tol de dag- en


-ocr page 39-

.KQUIPAUEEREN

25

nsicbtevenlng behoort, b. v. jequinoctlaal-c Ir kei, een cirkel nan sommige uurwerken, ter aaiKluliling van den waren zonneiyd; — icqu I-n o c 11 a a 1-11 n I e, z. v. a. ie q u a t o r; — » q u I-ii ocl la a 1-s t orni en, stormen ten tijde van den a\'qulnox; — a1 q u 1 n » c 11 a a l-z o n n e w ij z e r, een zonnewgzcr, die overal op aarde bruikbaar Is.

sequipareeren, lal. (aequiparare, v. aequi-ljur, volkomen gelijk) gelijkmaken-, — sequi-paratie (sp. /=/.«), f. de gelijkmaking, eITentng.

sequipollént, adj. lat. (aequipóllens, v. uc-qiMs, z. aid., en pollen, vermogen) gelijkgcl-dend, v. gelijke beduldenls, b. v. zulke woorden; — eequipolléntie (spr. t=ls) f. nw. lat., do gelijkgeldendheld, goheele overeenkomst van beteekenls.

JEquipondium, n. lat. \\maequus,z. aid., pomlus, gewicht), het evenwicht, tegenwicht.

^Cquiteit, f. lat. (aequilas; van aequwt, r. a.) de blllijkbelil.

8equivaleeren,nw. lat. (aequi-mlere)even veel gelden, gelijke waarde hebben; — cequi-valént, n. eene gelijke waarde, hetzij aan geld of aan andere zaken; schadeloosstelling, vergoeding; Chem. de getallen, die de gewichtsverhouding van stollen of lichamen uitdrukken; als adjectief: gelijkwaardig; — eequivalén-tie, (spr. l=ls), f. de gelijkwaardigheid; — sequivalentie-pariteit, gelijkheid van de waarde der munten en wisselprijzen tusschen twee handelplaatsen.

sequivók (spr. ekiwók\', fr. équivoque, v. b. lat. acquivocus, a, urn,; v. aequus en vox, z. aid.) dubbelzinnig, twijfelacbttg; verdacht; onzedelijk: als subsi., de dubbelzinnigheid; onzedelijke taal; woordenspel; aequimca qeneralio, voortteling zonder hcvruchling uit onorganische stollen; — BBquivöca, pi. gelijkluidende woorden, woorden van meer dan éene beteekenls; dubbelzinnigheden; sequivocatie, (spr. (=/.(), f. nw. lat., de dubbelzinnigheid.

aeqUo animo, z. onder aequwt.

sequor, n. lat. oppervlakte der zee. acquus, a, urn, lal., gelijk, even, billijk, rechtmatig; — upqua lanx, lat., gelijke schaal; strikte gerechtigheid; — aequa lanre, met gelijke schaal; onpartijdig; — aequo (inïmo, gelijkmoedig, met zlelerust; — aa/uum el honum, recht en billijk; — ex aequo el bono of pro aequo et bono, naar recht en billijkheid.

der, m. lat. en gr., de lucht; — aëraat, n. nw. lat. Chem. koolzuur water; — aër-atie, f. luchtvormlng; — aërdaten, de luchtgeesten van Paracelsus en zijnen aanhang; — aërifórm, adj. nw. lat., luchtvormlg, lucbt-. » aardig; — aërisch, adj. luchtvormlg; — aë-

rifleeren, In lucht veranderen-, — aëro-baat, m. een luchtspringer, koordedanser; haarklover, viller, betweter; — aërobombe, f. homluchtbal, luchtballon met daaraan bevestigde bom; -- aërodiaphonometer, m. lucht-doorzlchtlgheldsmeter; — aërodiaphtho-roskoop, m. Instrument om de zuiverheid der lucht te onderzoeken; — aërodynamika,

f. gr., leer van de kracht, de drukking der luehl;

— aërognosie, f. luchtkunde; — aërogra-phie, f. de luchtbeschrijving; — aërolep-tyntër, en aërotanyster, m. luchtverdun-ner, luchtpomp; — aërolithen, pl. luchl-steenen, uil de lucht gevallen steenen: — aë-rologie, f. de lucblleer, luchtkunde; — aë-romantie, (spr. l—ls), f. de voorspelling of waarzeggerij uil de. gesteldheid der lucht; — aëromechanïca, f. z. v. a. pneumatlka, z. a.; — aëromél, n., z, v. a. manna z. a.;

— aërometer, m. de luchtmeter; — aëro-metrïe, f. de lucbtmeetkunst, luehtmetlng, luchtkunde; —aëronaut, m. een lucbtscbij)-per, luchtvaarder; — aëronautïka, f. de luchtvaartkiinst, do kunst om In en door de lucht te varen; — aërophobie, f. de luchtvrees, luchtschuwheid, de vrees voor de open, koude lucht; — aërophonisch, adj. de lucht doorklinkend; — aërophoor, m. een luchtdrager;

— aërophórisch, adj. luchtbevattend; — aërophyten, pl. in de lucbl verspreide kleine plantenllcbaainpjes door Pasteur ontdekt; — aërösis, f. de luchting, verdunning des bleeds;

— aërosfeer, f. luchlhulsel om den aardbol;

— aëroskopie, f. de lucbl waarneming-, — aërostaat, m. of aërostatische machine, f. een luchtbol, luchtschip; tig, een windbuil; — a e r o s t a 11 s c h e p r o e v e n; proeven om In de lucht te zweven; — aërosta— tïka, f. de teer van het evenwicht, do kunst om In de lucht te zweven; aërostatie, f. bet zweven In de lucht, luchtreis; — aë-rostationist, m. luchlzwever, luchtreiziger;

— aërostiërs, m. pl. fr. (spr. —rosHé), luehl-schlppers, zij, die zich van eenen luchtbol bedienen ; — aërotherm, m. met warme lucbt-verbitte oven of haard; — aërothorax, lucht-onlwlkkellng In de borstholte; - - aërotönon, n. gr.,een wlndboog, schlelwerktuig, mol hetwelk de pijlen door de kracht der lucbl worden voortgedreven -, — aëroxerótës, f. droogheid der luehl; — aërozoïsch, adj. de lucht noodlg hebbende om te leven.

.SSra, lal. aera, f. de Jaar- of lydrekenlng, wijze v. Jaartelling v. een bepaald tijdstip af.

JErarïum, n. lal. (v. «es, gen, aerix, erts, metaal, geld) ile staatskas In hel oude Kome; de schatkamer, de kas van land, stad of kerk;

— aerarisch, adj. wat de schatkist betreft,

aërdaten, aërifórm, aërobaat,enz,,

z, ond. aar.

acre perennius, duurzamer dan brons,

serugo, f. lat. koperroest, greenspaan-, — ar. nobilis, edele roesl, plallna-, aer. plumbi, loodwit; eer. scisstlis, zwavelgroen; — aeru-gineeren, metaal kunstmatig met groenspaan overdekken; — serugineus, adj. kopergroen.

868, gen. eeris, n. lat. erts, brons, geld;

— (Bes alienum, (vreemd geld), schulden;—(bs cahlanum, campanum, klokspijs; — ms (comb)-üsium, gebrand koper, kunstmatig verkregen zwa-velkoper-. — ces confessiun, eene voor bet gerecht erkende schuld; — «s ftavum. galmelko-


-ocr page 40-

yESCHYNANTHUS

26

AFFAHEL

pur; - (Ts hepathon, leverkoper; mspyropum, Riiskoppr; — ws signatum, stuk erts met hot Kewlclitsleoken (In liet oude Rome); ces resiq-nalum, als strafgeld Ingehouden gedeelte der soldi); ces viride, groenspaan.

^Jschynanthus, m. (v. h. gr. aischy-ncin, misvormen, en dnlhos, bloesem, bloem, met zliis|ieling op den zonderlingen vorm der bloemkroon) Bol. een schoon pronkgewas uit Oostlndlë.

(Esoulanus, lat. Homelnscbe god der koperen munten.

JBsculapïus, m. lat., of gr. Asklêpïos, by verk. JEskulaap, Kskulaap, Mytli.de god der geneeskunst, zoon van Apollo; lig. een geneesheer, arts; — Asklepiaden, m. pl. zonen, nakomelingen of priesters van /fis-culaplus.

eesculm, f. lat., de paardenkaslanje; — ces-culine, f. Chom. een In die kastanjes aanwezig plantenzout (alkaloïde).

JEsöpus, m. lat. (gr. Aisópos), een geestige, gebochelde slaaf uit Phryglë, In de 6e eeuw na Chr., dien men voor den schepper der dierenfabelen houdt, welke naar hem oesopische fabelen geheeten worden (vgl. f a b e 1).

JGsthësis, f. (aislnësis, v. aislanesthai, gewaarworden, waarnemen) het gevoel, gevoelvermogen; — BBstherïën, pl. de zintuigen;

— sestheterïum, n. het gevoel-, gewaar-wordings-vermogen; — sesthetiek, eesthe-tika f. (van hel gr. aisthetikós, lol gevoelen geschikt) elg. de leer van het gevoel en den smaak; de wetenschap van het schoone en de kunst, de schoonheidsleer; — transcendentale «est heli ca, de bovenzinnelijke schoonheidsleer, de leer der begrippen van ruimte en tijd;- eesthoticus, m. een leeraar in den goeden smaak; — eesthêtisch, adj. wal tot de leer van gevoel en smaak behoort; smaakvol, schoon;— ffisthótlsch gevoel, kunstzin, schoonheidszin, smaak.

cestimeeren, lat. {aeslimare) schatten, waardeeren, hoogachten;—sestimatie (spr. t—ts), f. de schatting, prUswaardeering; achting;

— sestimator, m. een schatter, waardebe-paler; — aestimator lilis, die de waarde van de rechtszaak bepaalt of schat; — aeslimatoria aclin, f. rechtszaak van schatting of waardebepaling.

iEstivaliën, pi. (mid. lat. aestivaiïa, van het lat. aestivalis, c, tot den zomer liehoorende) zomerschoenen, zomerlaarzcn (later verminkt tot slivalfa en van daar ons s t e v e 1, dultsch stiefel);

— sestivatie (spr. lt;=(«), f. nw. lat. Bot. de knoppentüd; de ligging der bloembladeren voor de ontluiking; seativeeren, den zomer doorbrengen.

iEJstuarïum, m. lal. 1°. teepoel, zeemoeras, ondiepe alleen b|j vloed onderloopende zeeboezem; 4°. Med. eene zweelkast.

ÜEtacisme, z. otaclsine.

aetas, f. lat., de leeftijd, de menschcnouder-dom; — net. ranumra, de voor een kerkelijk ambt verelschte leeftijd; — net. legittma, de door de wet verelschte jaren; — aet. minor, minderjarigheid; — aet. pubeiiatis, de mondigheid; — aet pupillinis, de minderjarigheid; aet. viritis, de mannelUke jaren, de mannelijke lecfiyd; — act. senitis, ouderdom, grijsheid;— aetatis suae, van zijnen leeftijd.

(tlérnus, a, mn, lal., eeuwig; — in iBternum, voor eeuwig, in eeuwigheid; — aelemutn vale, eeuwig vaarwel ; - seterneeren, lal. (aeter-nare) of seterniseeren, fr. (étemiser) vereeuwigen; — seterniteit, f. eeuwigheid.

JEthaljii. vettige massa uil walschot of sper-macell; — ffitalolio, f. vluchtige olie uitadhal.

either, m. lat. (van \'t gr. aithër) de boo-gere, reinere lucht, de bovenlucht; de lichtstof; Chem. oene zeer tljne, doorzichtige, vluchtige vloeistof van hoogst doordringenden reuk en smaak, I), v. v 11 r i o o I-a11 li e r; aether acettms, azljnethcr; aether muriaïïcus, zou tel lier; aether sulphurïcus, zwavelelber; — sethorine, f. w||nollekamfer, een koolwaierstof volgens de voorstelling van eenige scheikundigen de grondstof vim ielher;—fflthérisch, adj. elliorachtlg; lot de bovenlucht liehoorende; bemelscb, zuiver, rein; — setheriseeren, hoelk. dampen van zuivere zwavclasther niet een bijmengsel van ilampkringslucbl laten inzuigen, om de gevoels-zenuwen lijdelijk te verlammen en voor pijn ongevoelig le maken; — setherisatie, f. (spr. —Isie) hot Inzuigen van zwavelelber; — sethyl, n. gr. Chem. de grondstof der etberverblndln-gen of ulkohollsche vloolstoffen.

jKthïops, in. gr. iylithiops, elg. een niensch met verbrand of bruin gezicht, van aithein, verbranden, en öps, gezicht), pl. -ffithiopiërs, mooren, negers, enz., de inboorlingen van /Kl h i-opie in Afrika; ook als pbarm. term; moor, li. v. aetlnnps antimonialis, splesglansmoor; aeth. cupri, kopermoor ; aeth. marlialis, (jzermoor, enz.

^Jthrioskoop, n. gr. (van aithria, heldere hemel, vr()e lucht) een zeer gevoelige warni-lemetor (thermoskoop), die den graad der warmtestraling tegen den helderen hemel of de koude straling daarvan aanduidt.

iEthyl, ■/.. ond. 1 h e r.

Aetianen, m. pl. eene chrlstensoctc, die den Zoon eene geheel andere natuur dan den Vader toekende.

Aëtiet, m. gr. (v. aetris, ni. adelaar) de adelaarsteen, klappersleen, welken de Ouden als behoedmiddel legen vele onheilen droegen; — aëtoom, n. gr. (aetoma) Arch, de gevel.

iEtiologie, f. gr. {aitiotogia, van aitia, oorzaak) de aanwijzing der oorzaak of reden); Med. de loer van de oorzaken der ziekten, z. p a-t h o I o g 1 e.

n faire, fr. le maken, d. 1. Ik neem aan den hal te maken (In \'t hlljarlspol).

Afd., afkorten voor a f d e e 11 n g.

affabel, lal. {affahtlis, v. a/füri, aanspreken) spraakzaam, vriendelijk. Innemend, enz.; — affabtle, It. Muz. liefelijk, aangenaam; — affa-biliteit, f. (lat. affabiKtas) de spraakzaamheid, minzaamhold, innemendheid.


-ocr page 41-

AFFIRMEEHKN

AFFABULATIE

27

affabulatie, (spr. lt;=/.s), f. lut. (van ad «n fahulalio) het hiutste ucilccltc eoner fiihel, \'I welk hiire zodclecr bovat.

affadeeren, fr. (a/fndir, van fade) laf of smakeloos maken, doen tegenstaan.

Affaire, f. fr. (ontstaan uil li faire, te doen: chose iiui cal a faire) de zaak, aangelegenheid; de beziglicld, verrichting, het handeishedryf, de winkelzaak; het voorval, gevecht, de schermutseling; de rechtshandel, het geding; — affaire d\'nmour (spr, — damóér) een liefdehandel, eene minnarU; — a/faire de coeur (spr. —keur), eene zaak van liet hart, iiefdeziiiik; ^ affaire d\'hnn-neur (spr. —doneur) eene zaak van eer, een tweegevecht; — g e a f f a i r e e r d z U n (fr. affairé) druk tiezig zijn; den l)edr(|vlge spelen.

affameeren, fr. (affamer) uithongeren; — affameur, m. die hongersnood sticht, gehrek aan levensmiddelen veroorzaakt; — geaffa-nieerd, ir. (ajfamé) uitgehongerd.

Affaniën, pi. lat. {affanïae) potsen, grillen, üdel gesnap.

affütm, lat., i\'UkeHjk, In overvloed, affatomeeren of affatimeeren, mid. lat. iaffalimire, wnarsch. van duttschen oorsprong, vgi. het angeii. foedhemjan, omvatten, fcedhem, omvatting) door inlildel van handoplegging in hezit nemen (weleer eene rechterlijk symholische verrichting hy overdracht van eigendom); — affatomie, f. deze wyze of vorm van verwerving.

Afféct, n. lal. {afféetus, v. afficere, v.. »f f I-eeeren) eene levendige gemoedsbeweging, opwelling, spanning; hartstocht; soms ook warmte, vuur; ontroering. Innigheid; — affectie, f. (lat. affectto) gemoedsstemming, inz. de genegenheid, gunst, neiging; Med. elke Indruk op hel lichaam, inz. eene ziekelijke gewaarwording; — geaffect ioneerd, nw. lat. (fr. affectionné), welwillend, genegen, gunstig, van harte toegedaan; — affectief, adj. aangrijpend; -affec-tueus, (nw. lat. affecluósux, fr. affectuem) vol neiging ot genegenheid, liefdevol; — affec-tuositeit, (spr. —ti—) f. nw. lat. de liefdevolle neiging, harteiykheid.

affecteeren, lat. affeclare, fr. affecter) zich gekunsteld, gemaakt, gedwongen gedragen; voorgeven, den schyn aannemen, veinzen; — geaffecteerd, gemaakt, gekunsteld; — affectatie, (spr. tie—tsie), f. de gemaaktheid, de gedwongenheid; schyngevoeligheid; — affeciiö-nis prelium, n. een liefdesgeschenkje.

affectueus, affectuositeit, z. ond. affect.

affermeeren, lial. (affermare) z. affirmeer en.

affettuow of con nfféttn, it. Muz. (vgi. affectueus) hartstochteiyk, met gevoel, warmte, aandoening; — affeltuosissimo en affettuosissa-mSnle, hoogst gevoelig, zeer aandoeniyk.

afflbuleeren, nw. lat. {affihulare, van \'t lat. fibula, gesp) aanhechten, vastmaken; — afflbulatie (spr. l—ts), f. de aanhechting, Jiangesping.

affleeeren, lat. (afficgre) aangi-ypen, roeren, bewegen, bedroeven. Indruk maken.

aflticheeren, (spr. ch=sj), fr. (affieher) aanplakken, aanslaan, b. v. eene bekendmaking; lig. met iets pronken, pralen; — affiche, f. fr. (spr. afi-sj\'), of affictie (spr. /=/»), f. nw. lat. aangeplakt bericht of bevel; toegevoegd blad tot naricht; rolverdeeling, programma van een tooneelvoorstelilng of concert; — les pelilcs affiches, een advertentieblad te Parys; —affl-chéür, m. fr. aanplakker.

Affidaat, in. mld. lat. {affldalus, v, affidure, beloven, zich lol Iels verplichten, van het lat. fides, trouw) een beleende, leenman; — affl-datie, (spr. l—ts), f, wederzydsc he verplichting, verdrag; — affidavit, n. eng. (spr. c/p-déril) de gchrlftelUk bezworen verklaring, verzekering onder eede, ia Engeland; — een g e-affideerde, een vertrouweling, iemand die Ie vertrouwen is,

afflgeeren, lat. {alfigére), aanhechten, aanslaan, aanplakken; — alfii/i\'nduiu, lat., aan te slaan, aan te plakken; — affixuin, n. toevoegsel, een hygevoegde uilgang of letter van een woord; ook een aanplakbiljet; — pi. affixa, aanhangsels, toevoegsels; Jur. alles wal aard-, muur-, hand-, spyker- en nagelvast is; — affixin et refij-Ao, f. de aanhechilng en afneming.

afflliëeren, mld. lat. (affiliare, van filius, zoon) als kind aannemen; ais zoon of dochter (geaffilieerd e) van eene orde of een klooster aanzien, opnemen, of de voorrechten eener orde deelachtig maken; g e a t f 111 c e r d e I o g e, eene (vrymetselaars-) loge, die zich by eene grootere aansluit; geaffilieerd egenootschappe n, zustervereenlglngen welke onder gemeenschap-pelyke leiding staan; — affiliatie, (spr. t—ts), f. de aanneming als kind, ook als lid van een genoolschap, van eene orde, van eene vrymet-selaarsloge, zonder de gewone formaliteiten of inwyding.

affiueeren, fr. {alfiner, v. fin. lijn) louteren, fijn maken, zuiveren; afdryven (van metalen) ; — affinage, fr. (spr. -nd-zj\'); loutering, zuivering, afdryving der edele ertsen, zuivering der suiker, enz.; de plaats dier loutering; — affinerie, f, werkplaats waar men yzerdraad trekt of yzer zuivert; opgerold yzer of yzerdraad ter verwerking; de dryfhaard, frlsclihaard,

affingeeren, lat, [affingere, vgi, fingee-ren) verkeerdeiyk toeschryven, aandichten,

affmis, m, lal. zwager; — affiniteit, f. de verwantschap, zwagerschap; maagschap; overeenkomst, samenhang; Chem. keurverwantschap, de aantrekking, die by aanraking van twee verschillende stotTen plaats beeft.

Affion, n. met ambra en saffraan bereid opium, een middel om den moed op te wekken, z. v. a. opium (z. a,),

affirmeeren, lal. {affirmare, vgi. ferm) bevestigen, beamen, beweren, bekrachtigen; — affirmdndo, beamend, toestemmend; — affirmatie, (spr. t—\'ts), f. (lat. affirmaCto) de bevestiging, bekrachtiging; — affirmatief, adj.


-ocr page 42-

AFFIXUM

\'28

AGAPEN

uw. Int., lievcsllgcnil, lioiimend, lioknichtigend;

afflrmative, f. dc bovesltpcnde, toeslcm-monde meening.

alfixum, alïlxa, enz., z, ond. affile crc n. affligeeren, lid. {affliuére) bedroovon, neèr-sliiclilii! makm, kommer aandoen; — afilictie, (spr. /=/«), f. do droefenis, neèrslachtighold, kommer, het lyden, tiarlzoor; — aljlilln, II. (spr. -Ui-la) bedroefd; — co/i afllMóne, It. (spr, z=lt) Muz. weemoedig, smarteiyk,

afflueeren, lal, {aUlufre) toevloeien, loo-slroomen; — afïluéntie (spr. l^ts), f, (lat. ufllucnlfa) de toevloed, toeloop der volksmenigte.

Affodü, asp hod 11, m. gr, (asphédelos) Bot. soort van lelleachtlg gewas met knolvor-mlgen wortel, die sappig, hitler en scherp Is; slaaplello, z. asphodelus (Bliderdyk heeft een züner dichtwerken naar die plant affodll-I o n genoemd); — affodil-lelie, f. slaaplelle, eene lellesoort, welker genr slaperig maakt; — gele afibdil (Asphoduhut lutüus) goiulwortel, goudkruid, de plant, die, volgens de gr. Mythologie (hü Homerus), de velden der onderwereld versierde en voor eene spi)s der dooden werd gehouden,

Afformatie, (spr, lt;=lt;«), f. nw, lat, (van \'t lat, ad en formare, vormen) In de hebr, spraakkunst ; de vorming van de persoonsvormen des werkwoords door aanhanging van de afgekorte voornaamwoorden,

Affrétoment, n, (spr, —»»;«) fi (v. fret = vracht) Kml, do bevrachting; de vracht; het vervoerloon.

a/freMndo, n/fretléso, it. Mnz. met spoed voor te dragen,

affreux, fr, (spr, afreu) of affreus (van het oud-fr. afre, schrik, en dit van \'1 oudd, eivar, eipnr. scherp, bitter) schrlkkelük, afschuweiyk, ontzettend, versehrikkeiyk, looiyk, ongehoord,

affriandeeren, ispr, afriahd—), fr, la/fri-ander, van friand, a,) verwennen, verlekkeren; aanlokken,

aöVioleeren, fr. ialfrinler) lokken, aanlokken, verlekkeren; door mooie praatjes om den tuin leiden,

AflVónt, n, fr. (spr. afrón, van het Int, ad frnnlem, in hot aangezicht) openiyk aangedane hoon, beschimping, beleediging, eerroof; — affronteeren, (fr. affronter) hot hoofd bieden, trotseeren, stout onder de oogen treden; honen, beschimpen, smaden, grof beleedlgen.

Affuit, f. fr. a/ful, v. li. lat. fmtis, stok, knuppel) het onderstel van hot grof geschut, het roopaard, rolpaard; — affutage, (spr.

f. hot alfuitwerk, het stellen van hel gesehui; — affuteeren, (fr, affuter) hot gesehut stellen, op de rolpaarden leggen, hi gereedheid brengen om gelosl Ie kunnen worden, a/filnde/ lat. (v, affundlre, bygieten) op ni-cepten: giet er op of by! — affusie (spr, —zie), f. nw, lal. het opgietsel.

Affutage, affuteeren, z. ond. affuit, d forfait, z, ond, forfait.

afl. afkorting v. aflevering.

afpareeren, ned.-fr, (vergeiyk pa roeren 1) afweren, ter zyde wonden, onschadelijk maken,

afpatrouilleeren, ned.-fr. (spr. -troel-jeeren; vgl, patrouille) eene landstreek, een bosch en dergel. door uitgezonden soldaten doen onderzoeken,

Afrancesados, m. pl, sp, aanhangers van Krankryk in Spanje onder Napoleon I,, z. v, a, J o s e f I n o s.

Afrïcus, (soil, rentits) m, lat,, do zuidwestenwind,

Ag., Chem, vork. v. argentum, zilver, Aga of agha, m, turk, [aqhA, eig, hoofd, overste) by de Turken een hoer, aanvoerder, bevelhebber; — b, v, aga dor Janitsaren; — k 1 s 1 a r-a g a, een vrouwenopziener; a g a-b a li 1-s a ad el, eerste opziener dor odalisken.

Agaat, m, (van \'t gr, achates) een steen, dien men tot de halve edelgesteenten rekent en ook, behalve In Oost-lndlü, In Italië en Dultseh-land wordl gevonden; agatiseeren, (spr, .i=t), de agaalkleur geven,

agaceeren, fr, (agaeer, van \'t oudhoogd. hazjan, aanhitsen) tergen, gaande maken, lokken ; — agacerie, f. de verliefde aanlokking eener vrouw, terging,

Agalaktle (spr, lt;=,«) of agalaxie f. gr, (van a priv, en gala, genil. gdlalctos, melk) Mod. gebrek aan melk in de moederborsten.

Agalma, n. gr. [dualma, sieraad, opschik, beeld) bet afdruksel van een zegel; graftooken; — agalmatolith, m. (van agalma, en Hthos, steen) beeldstoen, eblneesche speksteen, z. v. o. p a ga d I e I.

Agamémnon, gr. mansn.: de zoor standvastige (naam dos konlngs van Mycenio, die de Grieken voor Troje aanvoerde).

Agami, m. een moerasvogel In Zuid-Ame-rlka, om zyn geluid ook I ro mp e I, t r om pet-vogel genoemd,

Agamie, f, gr, (van a priv, en gamêin, huwen) de echteloosheid; Kot. z. v, a. kryp-1 o g a m I e, z. aid.; - - agamisch, echloloos; ook z. v. a. kryptogamiseh; — aga-mist, m. een ongehuwde, een oude vryer.

Aganippe, f. gr. eene bron op den muzenberg Helikon, door den hoefslag van Apollo\'s gevleugeld paard Pegasus ontstaan; — Aga-nippiden, f. pl. een hynaam der A muzen of zanggodinnon.

Agapanthus, m. gr. (van agd/ic, liefde, en dnthos, n. i)loom) do siorlelle, zekere plantensoort; inz. eene soort mot schoono groote bloem-schormon (Agapanthus umtiellatus).

Agapen, f. pl. gr. (agdpai, van agdpë, f. liefde, liefdebetoon) liefdemalen by de eerste christenen tor gedachtenis van Jezus\' laatste avondmaal met zyne discipelen en tot betuiging van de algemeeno broederliefde; — agapee-ten, m, pl, beminden, geliefden, een vrouwen-gezelschap hy de eerste christenen; ook man-netyke geosteiyken, die voorgaven in kuischhold met do vrouwen te leven.


-ocr page 43-

AGGREDIBIEREN

AGAR-AGAR

29

agar-agar, f. mal. Hot. zoodruiven (Gra-eilaria lichenoides of Plncana Candida).

agaricus, m. nieuw lui. (van gr. agarikón) bladpaddonstocl, eono zwamsoorl, waartoe de vergiftige viiegonzwam (A. muscarfus) hehoort;

— agaricia, f. hiadkornal.

Agasch of Agatsch, n. turk. eene turk-sche inlji, z. v. a. h e r r i.

agastrisch, gr. (van a priv. en gdsler, tmik), zonder maag, zonder darmkanaal.

Agatha, gr. (agalhc, van agathós, goed, vrouwenn.: degoode, goedaardige, verk. Aagt, Aagje; agathodsemon, in. gr. een goede geest, in tegenoverst. van kakodiemon, oen kwade geest; agathökles, mansn.: die te goeder faam staat; — agathologie, f. gr. de leer van liet hoogsto goed.

agati-baschi, m. (spr. —sji) perz. opper-hofmoesier.

agatiseeren, z. oud. agaat.

a gauche, z. nauclic.

Agavus, in. gr. (van agams, edel, roemrijk) mansn.: do edele, beroemde; - Agave,f. vrou-wenn.; de edele, beroemde; ook eene naar de aloe gelijkende amerlkaansche plant, die zeldzaam lid ons liloeil, pracht-aloii; de amerikaan-sclie aloti.

ageeren, lat. (agere) handelen, verrichten; zich houden of aanstellen; spelen, voorstellen als tooneelspeler; —togen lom a n d age e-ren, hem gerechtelUk aanklagen, vgl. actie.

Agónde, agénda, f. (van het lat. pl. aiienda, eig. de te verrichten zaken, van agtre, handelen, z. a g e e r e n) het altaar- of kerk-liandlioek, de verzameling van formulieren, gezangen, gebeden by bijzondere plechtigheden; Kmt. een aanteekenboek, zakboek; lyst van tiet-geen te verrichten is in eene vergadering, punten van beschrijving; — agemle annuel, fr. (spr. aijdnd\'—) lUsl van hel voornaamste, dat te Parijs op bepaalde dagen te zien Is; — Agens, het werkende middel, de werkende kracht; — agen-tïën, pl. (lat. agenCia) werkende niiddelen, inz. in de scheikunde; — agént, m. nw. lat., een zaakbezorger, gevolmachtigde; lusschenpersoon by allerlei zaken; Inz, verzender van koopwaren, Iemand wlen de leverantie is opgedragen;

— agent de change, fr. (spr. —sjdinj\') een makelaar In wissels; — agent van politie, gerechtsdienaar, diender; — agentuur of agéntschap, liet ambt of kantoor van eenen agent.

Ageuesïe (spr. s=z), f. gr. (van a priv. en génesis, teling) vrouwoiyke onvruchtbaarheid, ge-brok aan teeldrlfl.

a genoux, i. genau.

agent, z. onder a g e n d o.

age quod agis, lat. (eig. doe wat gy doet) let op hotgeon gy doet.

ager, m. lat. akker, veld; — a. assignatus, aan particulieren overgedragen slants- of gemeentegrond;— a. censualis, cynsakker, pachlakker;

— o. decimanus of decumanus, tiend-akker; — o. emphyleutfcus, erfpaehtakker; — a. limita-nUus, gronsakker; — o. novalis, braakakker; — a. parochialis, parochie-, gemeenteakker; — «. privalus, eigen akker, aan een byzonder persoon toebehoorend veld; — «. pubttcus, gemeente-akker; — a. restibilis, altyd bezaaide akker; — n. vecligalis, eynsbare grond en bodem.

Agerasie (spr. «=?), f. gr. (van a priv. en gêran, verouderen) liet niet verouderen. Jong schynen, een nog frlssche ouderdom; — age-raton, ageratum, n. de lovensbalseni.

Ageusie, f. gr. (van « priv. en geüeslhai, proeven) Med. liet onvermogen om te smaken of te proeven; — agoustie, het vasten, nuchter biyven.

aggereeren, lat. {aggerdre, van agger, hoop, dam, enz.) aan- of ophoopon; - agge-ratio (spr. I=ls), f. (lat. aggeradó) de ophooping, het opgehoopte; — aggerdlim, hoopsge»yze.

Aggéstie, f. lat. (aggestto, v. aggerüre, aan-of bydragen) de aanbrenging, hel ophoopen.

aggiuslaménle, II. (spr. adijocsl—) Muz. zeer nauwkeurig, stipt.

agglomereeren, lat. (agglomerare: vgl. glomus) tot een bal, kluwen, klomp vormen; zich ophoopen, grooter worden; dichter by elkander bouwen (woningen); — agglomeraat, n. product van uitwendige aanzetting of opboo-plng; — agglomeratie (spr. l=ls), f. nw. lat de opwinding als tot een bal of kluwen; de uitwendige aanzetting of opliooping.

agglutineeren, lat. (agglulinare; vgl. gluten) aaniymen, uitwendig verhinden; — agglutinantïa (spr. tia=lsia), n. pi. kieef-mlddelen, verbindende, samenlymende geneesmiddelen ; — agglutinatie (spr. Iie=lsie), f. nw. lal. de aaniymlng, de vereenlglng van de lippen der wonden; aansluiting, verbinding van bulten ; gram. losse toevoeging der vormende deelen aan den worlel van hel woord (In^t tegengestelde van flexie); van daar agglulineeronde talen, dezulke waarin de vorming van woorden door aggiutlnasie geschiedt, b. v. de kaukaslsche.

aggrandeeren of agrandeeren, fr. {agrpidir, van grand, groot) vergrooten: ryker, aanzieniyker worden; aggrandissement, n. (spr. agrandi-x\'indii) de vergrooting.

aggratiëeren (spr. I=li], mid. lal. (ag-graliare, van gratia, z. aid.) genade schenken;

— jus aggratidndi, het recht daartoe; — ag-gratiatie (spr. -Isi-d-lsi) de genadeschenking;

— uggraliado puhiïca, openbare kw ytsclieldlng of verlichting van straf, genadeschenklng van den kanl dos vorsten by verbiydende landszaken.

aggraveeren, lat. (aggnware) verhoogen, vergrooten; strafwaardig maken, verergeren, verzwaren ; — aggravant, adj. fr. verzwarend, verergerend; — aggravatie (spr. t=ls), f. de verhooging, bezwaring, h. v. der straf.

.aggrediëeren, lat. {aggrüdi) aangrypen, aanranden, aanvallen; — aggréssie, f. (lat aggressw) de aanval, aanranding; - aggres-sief, adj. en adv. nw. lal. aangrypend, aanvallend, aanvallenderw ys; — aggréssor, m. lat. de aanrander, aanvallende party.


-ocr page 44-

AGGREGEEREN

AGONARCH

30

aggregeeren, lui. [uuureiiare, v. yrex, kudde, schaiir) onjuist ook agrefioren, by-voeftcn, toevoegen, bytellen, verzamelen, in een gezelschap of eene vereenlgtng opnemen, aan een legercorps toevoegen; — g e a g g r e g e e r d, toegevoegd; soms ook overtollig; — een geaggregeerde, een toegevoegd persoon, toegevoegd ambtenaar, ofllcler, enz.; — aggregaat, n. nvv. lal. liet opgehoopte, de verzameling van gelgksoorlige deelen; Arith. de som van vele getallen; miner, vereeniging van verscheidene mineralen tot een geheel; — aggregaat-vorm of aggregaat-toestand, phys. de wüze van verbinding en verplaalsbaarlieid der deelen, volgens welke do lichamen in vaste, vloeibare en iuchtvormige onderscheiden worden ; — aggregatie (spr. (=lt;«), t. de ophooping, b(jeonbrenging; ook de opneming van iemand in de familie.

Aggréssie, aggressor, z. aggredi-ee r e n.

Agha, z. aga.

Aghirlik, n. turk. (v. aghir, zwaar, kostbaar) bofgeschenken, die een pasja geeft, als by eene turkscbe prinses huwt.

agiamento (spr. udzji—], ital. gemakkelijk, agiel, lat. (agtlis, e, van agére, bewegen, enz., fr. ogi/e, spr. atjieï) behendig, vlug, rad; — agiliteit, f. (lat. agitttas) de vlugheid, behendigheid, enz.; — con anilila, it. (spr, adzjilitd) Muz. met vlugheid.

agila-hout, n. soort aioehout in Nederl.-Indie {Lignum ulMs).

Agio, m., it. aggio (spr. aitdzjiu, vermoe-deiyk van aggiungire = lal. mljungcre, toevoegen, fr. ajnutcr, van daar vroeger agint, z. echter ook al se) het opgeld, de meerdere waarde van bankgeld boven kasgeld, of van betere of meer gewilde boven slechtere muntsoorten, zoo ook van wissels boven contant geld; — sopra dl/ia, buitengewoon opgeld; — agio conto, rekening over winst of verlies uit de omzet-ting van wissels en muntspeclSn; - agiotage, f. fr. (spr. Idazj\') bei spel, dat in alle groote handelssteden gedreven wordt op bet ry-zen of dalen der eiTecten door kapitalisten, die ze koopen of verkoopen uit winstbejag; — kunsl-grepen in den elïecten-handei om de prijzen te doen dalen of ryzen; wisselwoeker, actie-ban-dei; — agioteur, m. een woekeraar met wissels, actie-handelaar; een mensch, niet kiescli in de middelen om geld te winnen; — agio-teeren, wisselwoeker dryven.

a giomo, Hal. (spr. g=dtj) als de dag, zoo helder als de dag, b. v. a uiornn verlichten.

agiteeren, lat. {agitare, fr. agiler, spr. azjilé) bewegen, verontrusten, aandoen; —agi-takel, n. nw. lat. {agtlacülum) een staafje of kolfje tot bet omroeren by chemische pneparaten of by artsenyberciding ; agitatie (spr. lic= tsie), f. (lal. agilaiïo) de onrust, gemoedsbeweging; — agitator, in. dryver eener zaak; ook de opruier; — ngitutu res, lat. dikwyis behandelde of besproken zaak; — agitato, 11. (spr.

atlszjildto) ot con agitazióne (spr. a-dzjita-tzióne) Muz. onrustig, woelig, onstuimig.

Aglaïa, f., z. Gratiën.

Aglossïe en aglossostomie, f. gr. (v. u prlv. en glossa, tong) tongeloosheid, \'I ontbreken der long.

Aglutitie (spr. tie—tsie), f. gr.-lat. (van « prlv. en glutire, slikken) volstrekt onvermogen om te slikken.

Agmen, n. lat. romeinsch leger op niarsch, beertocht.

Agnaten, pl. lat. (ngnati) de naaste bloedverwanten van vaderszyde, de manneiyke af-stammelingen van denzelfden vader in verschillende linien (zwaardzijde) in tegenstelling van cognaten (z. a.); — agnatie (spr. t=ts), f. bloedverwantschap van vaderszyde; — agna-tisch, van de manneiyke zijde verwant, op mannelyke verwantschap gegrond.

Agnes, Agnêta, vr. (van het gr. hagnüs, e, rein, maagdeiyk) de kuische, reine.

Agnis, m. Ind. Myth, (sankr. agni, vuur) de god des vuurs.

Agnitie, z. agnoseeren.

Agnoëeten, agnoïeten, n. pl. gr. (v. a-gnoem, niet erkennen) onwetenden; ketters der Ode eeuw, die aan de alwetendheid van Christus twyfelden; — agnosïe (spr. .v=z), f. onkunde, onwetendheid.

Agnomen, ii. lat. een bynaam, toenaam; — agnominatie (spr. lt;=lt;«), f. lat. (agnomi-natïo), z. a n n o m 1 n a 11 o.

agnosceeren, lat. {agnosclire) erkennen, voor geldig verklaren, b. v. eene oorkonde, on-derteekenlng, enz.; — agnitie (spr. t—ts), f. (lat. agiiitïo) de erkenning.

Agnosie, z. ond. agnofieten.

agnus Dei, in. lat. een godslam; een gewyd stukje was In den vorm eener medaille, met een lam en een vaantje aan de eene en een beiilge aan de andere z.yde; een amulet tegen slorm en onweer en duivelslisten; een lat. gebed hy de katb. mis met den aanvang der woorden in Job. I. 3(i; — uqnus paschalis, paasch-lam; — agnus vastus, lat. Kot. de kulschboom, zekere heester.

Agometer, m. gr. Phys. toestel om door inlasschlng van stukken draad het wederstands-vermogen in den slultboog van een galvani-schen ketting te wy/.lgen en te meten.

Agomphiasis, liever agomphösis, f. gr. (van a prlv. en gomphösis, bevestiging door spykers, enz.) Med. bet waggelen, losstaan dei-tanden.

Agonarch, m. gr. (van ngdn, stryd) een opziener over de olympische kampspelen; — agonie, f. gr. (agdnia, wodstryd, inspanning) do doodstryd, doodsangst, zielsangst, benauwdheid ; — agoniseeren of in agone (lat.) z y n, op sterven liggen, met den dood worstelen; — agonizzanten, pi. it. (Agonizzanti) broeders van den goeden dood, eene nieuwere, oorspron-keiyk spaansche monniksorde; — agonist, in. gr. (agonistes) een kampvechter; — agonis-


-ocr page 45-

AGONIKUETEN

AGRYPNIE

31

tarch, f. m. een opziener iler strijdspelen; — agonistiek, f. de vecht-, worsteikunst; — agonistieken, in. pl. oude christensecte, die met den vorst der duisternis in geïtadigen strijd was; — agonistisch, «dj. strydend, worstelendagonographie, f. de sirUdhesclirü-ving; — agonotheet, m. (agonolMtês) een strUdregelaar, kamprechter bU de olymp. spelen.

Agoniklieten, pi. gr. (van « priv. nóny, knie, en klinö, ik huig) ketters der 7de eeuw, die het knieieti liü het liidden afkeurden. Agonist, enz., ■/.. ond. agonarch. Agora, f. gr. (van ageirein, vergaderen) vergaderplaats des volks; van daar; markt; — ago-ranoom, m. gr. {agoranómos) een marktmeester.

Agrafe of agraffe, t. fr. (van het oudd. kraphn, nu krapfen, voor haak, kram) Arch, een grüphaak, klamp; een sieraad aan het eind van een hoog, vensterraam, enz.; ook een haakje of gesp tot tooisel; oen hoedband der oiücle-ren; ook een chirurgisch instrument. Agrammatist, m. gr. ongeleerde, agrandeeren, z. aggrandeoren. agrarisch, lat. (aqrartus,«, urn, v. ager, akker) landelijk, boersch; — agrarische wetten (lal. agrartae leges) akkerwetien, volgens welke bU de Romeinen alle landerijen ge-Ujkelük moesten verdeeld worden (ook hy de tste fr. revolutie voorgeslagen); - agrariërs, m, pi. eene otdangs in Ouitschland ontstane |)o-litieke party, die voorgeeft den lanilbouw ie beschermen en daartoe den vooruitgang tegenwerkt ; — agrarïum, n. hoevengeld,

Agraviados, in. pl. sp. eig. de heleedig-den, aanhangers der priesterparty tegen Ferdinand VII van Spanje, die in 182(1 door den opstand in Cataloniö de onbeperkte heorschappy der Kerk wilden grondvesten en \'s konings broeder, Don Carlos, op den troon plaatsen.

agreëeren, fr. (agrier, v. gré, wil, believen, = lal. gratum) gunstig aannemen, zich laten welgevallen, believen; bevoegdheid geven; voor goed erkennen; — agreabel (fr. ugréable) adj. aangenaam, lief, aannemeiyk; — agre-mént, n, fr. (spr. agremdn) bevalligheid, aangenaamheid, vergenoegen; goedkeuring; sieraad, versiering aan kleedU; — agréage, I. (spr. -d-tj\') het makelaarsloon, z. v. a. courtage (z. a.)

Agregatie, enz., z. aggregatie. Agrement, z. ond. agreëeren. Agrergographie, r. gr. (agros, akker; érgnn, werk, arbeid) beschryving der akkerbouw-gereedscbappen.

agresseeren, (fr. (agresser, v. \'I lat. ag-grëdi, ugrésswt) aanvallen, twist maken; — agresseur, m. aanvaller, rustverstoorder; — agréssie, f. de eersie aanval, aanranding; — agressief, adj. aanvallend, aangrypend.

agrést, m. lat. (agréslis, e, v. ai/er, akker) landeiyk, boersch, lomp, grof.

agrést, m. Ital. {agréslo, v. agro, zuur) het uit onrype druiven geperste sap, druivemnoes.

agri-chemie, f. gr. scheikunde op don landbouw toegepast.

Agricóla, m. lat. akkerman, laridiiouwer, boer; -- agricultuur, f. (lat. agricullura) de landbouw, akkerbouw; — agriculturisten, m. pl. in Engeland die pariy, welke don bloei van den landbouw boven ile industrie en den handel begunstigt.

Agrifolmm, ■/.. acrlfoiluin.

Agrimensor,!!. lal. (pl. agrimensom) landmeter (de schryvers over landverdeellng en akkergrenzen by de Romeinen).

Agriminist, m. fr. (ugriminislevgl. agrement) verkooper of maker van kleine modewaren, sieraden, enz,

Agrimonïa. f. lal. Rot. leverkruid, boel-kenskruid, zekere plant.

Agrimonie, f. lal. kommer, verdriet, droefheid.

Agrionïa, pi. (van Agrionws, bynaam van Bacchus) een oud gr. baccbusfeest, waarby raadsels werden opgegeven; — agrioniën, eene raadselverzameling, raadselboek.

Agriophaag, m. gr. (van dgrtos, a, on, wild) een wild-eter, een die van bet vleesch der wilde dieren leeft; — agriothymie, f. woeste inborst, woestheid by krankzinnigen, waanzinnige moordlust.

Agrippa, m., en Agrippïna, f. lat. namen, eig. verkeerdgeborene, een kind, dal met de voelen hei eerst Ier wereld komt; (de meest bekende van deze namen zyn: M. Vlpsanius Agrippa, Augusius\' helper en schoonzoon, stichter van het pantheon etc., Agrippïna, zyne dochter); — agrippijnsche geboorte, eene voetgeboorte.

Agromanïe, f, gr. (v. agrds, veld) de land-bouwzucht, overdrevene, bartsiocbieiyke liefde voor den landbouw; — agronometrie, f. waardeberekening van liet bouwland; — agronoom, m. landbouwkundige, welenschappeiyk gevormde landbouwer; — agronomist, in. een welenschappeiyk gevormd landbouwer; agro-nomie, f. de landbouwkunde; - agronó-misch, wal lol den landbouw betrekking heeft.

Agropilen, f. pl. fr. in plaats van asga-g r o p 11 ae, z. aid.

Agrostographie, f. gr. (v. dgrostis, veld-gras) de beschryving der grassoorten; grasbe-schryving; — agrostologle, f. de leer der grassoorten.

agroupeeren, z. g i1 o e p e e r e n.

Agrümen, pl. mid. lal. (agntmen, pl. agru-mïna, ital. agrümi, van hel lal. neer, ital, agro, fr. aigre, zuur) zure vruchten, scherp zuursma-kende vruchten; als citroenen, sinaasappels; lig. naam eener verzameling van llaliaansi\'he volksliederen.

Agrypnie, f. gr. [agrypnia) Med. de slapeloosheid, vooral by baastlge koortsen; — agrypnoköma, n. het waken mei groeten slaaplusl; — agrypnotika, n. pl. genees-midiielen tegen slaapzucht; ook slaapruovende middelen.


-ocr page 46-

AGUADORES

AKADEMIE

32

Aguadores, in. pi. sp. dc walerdranors en •watcrvorkoopors to Madrid.

Aguilles, f. pi. fr. (spr. —(igielj ) Krat. katoenen stolTen van Aleppo.

Agul, in. Kol. een doornstruik, op welks Idaderen men dos ochtends een buikzuiverend manna Inzanuilt, de mannaboom.

Aguti of acuti, n. (amer.-sp. ayuli) N. H. het varkenkonyn, een langnouzig konUn, inz. in Krazilie, enz. (Dasypröda aouli).

Agynie, f, gr. (van a priv. en f/j/në, vrouw) het loven zonder vrouw, de vrouweloosheid ; — agymers, m. pl. eeno soklo der 7de eeuw, die don echt voor geene goddciyko instelling hield, en daarom niet trouwde; — agynus, m. die geheel geene vrouw hoeft; Rot. zonder stampertjes.

Agyrten, m. pi. gr. (ing. agyrlës, eig. een verzamelaar) weleer zwervers, die goddeiyken bijstand voorgaven; thans onkundigegeneeshee-ren, kwakzalvers, landloopers, goochelaars.

Ahab, m. hobr. naam, z. v. a. dos vaders broeder.

Ahasvêms, m. hobr. naam, z. v. a. vorst; ook de naam van den wandelenden jood.

d haulr voix, z. ond. haul.

Ahören, pl. Myth, kindereu, die na hunnen dood niet ontvangen worden in do zalige go-westen, maar aan don Ingang moesten wachten, tot do tijd was verloopon, dien zij hadden moeten uitloven.

Ahrimanes, z. ond. Ormuzd.

Ai, m. (spr. n-i) do luiaard, oen viervoetig dier, in Kraziliö t\'huls, dus genoomd naar het geluid, dat het geeft.

Aide, m. fr. (spr. èd\', van aider, uit het lat. udjutnre, sp. uyudar, helpen) hulp, b(jstand; helper, ondersteuner; in \'t whistspel; medespeler, partner; — aide-de-camp (spr. -kaü) ge-noraal-adjudant; - aide-major (spr.-maj-jór) adjudant; — aide-loi et Ie ciel l\'aidera, Ir. sprw.: help u zolven, en dan zal u ook do he-mol helpen; ook de naam van oen poilllek genootschap voor wettigen tegenstand aan defrnn-sclie regeoring, van IHiS—;)ï.

aigre-doux, adj. fr. (spr. -ègre-dóé) zuurzoet, gemengde smaak van zuur en zoet.

Aigrefln, m. fr. (spr. èg\'rfijn) een sluwerd; looze knaap.

aigreeren (spr. ènr—) fr. {aiyrir, van aigre = lat, arer, zuur, wrang) verbitteren, verzuren; — goal gr oord, verbitterd, gomelUk; — aigreur, fr. zuurheid, scherpte, bitteriieid; verdriet; bitsheid, gomeHjkheid; pl. aigreurs, Mod. znre oprisping, zuur in do maag; bU plaatsnijders, harde plaatsen, te diepe groeven.

Aigrétte, f. (spr. égrètl\'), (ontslaan uit aiglelle, van niulc = lat. aquila, arend, adelaar) de witte reiger, een moerasvogel van /. Europa (Ardra aegrétla), (van wiens vederen men pluimbossen maakt; vandaar ook oen bos reigervede-ren, roigerpluimlios; ook zeker vrouwelijk hoofdsieraad

Aigreur, etc., z. ond. aigreeren.

Aiguade, f. fr. (v. oud-fr. aigue, lat. aqua, water) plaats, waar do schepen versch water innemen.

Aiguillette, f. (spr. ee-gwieljétt\') fr. (van aiguille, naald, on dit van liet lat. acicüla, verkiw. van acus) de veter, nestel; ook een niilitair sieraad, winks.

Ailerons, pl. fr. (spr. èl\'róii) eig. vleugelspitsen (van aile, vleugel) Mil. kleine buitenwerken der vestingen.

aimabel of aimable, fr. (van \'t lal amabilis) bomlmiolijk, beminnenswaardig; als suhst. aimable, m. oen pronker, modegek.

Air, n. fr. (spr. èr) olg. de lucht, de wind (= lat. air); vandaaronelg. 1) het uiterlijk aanzien, hot gelaat, do houding, hot gebaar; de wyzo van zich deftig te gedragen; vandaar zich een air of zich airs geven, zich doflig, grootsch voordoen ; 2) een liod, gezang, een airtje, zie aria.

Aise, f. fr. (spr. ét\', ital. af/io: van \'tgotli azêts, gemakkelijk, licht) genoegen, gemak, welstand, gegoedheid; — d son aise /Ijn, ruime bestaanmiddelen hebben; opgeruimd zijn (waarvoor men vaak boort; in zijn esse zijn); — aisan-ce, f. (spr. èzaiis\') do ongedwongenheid In houding en manieren; gemak, welgesteldheid; voorrechten en heerlijkheden.

Aitiologie, z. /Etlologie.

Aja, ajo, z. Aya.

Ajantiden, m. pi. afstammelingon van Ajax, een aanzienlijk geslacht to Athene, waartoe A lei blad os behoorde.

(i jour, z. ond. jour.

ajourneeren (spr. azjoern—) fr. {ajoumer, van jour, dag) tot op een bepaaldon dag uitstel-ion, verdagen; de aanslaande zllling of vergadering vaststellen; — ajournemént, n. (spr. azjoern\'mdii) het uitstel lot oen bepaalden dag, do verdaging.

« Jóve principium, z. onder Jupiter.

sjusteeren en ajustement, z. adj us-toeren.

Akadémie, f. (gr. akademia, eig. eene naar zekeren A kade mos zoo genoemde plaats in Athene, waar 1\' I a t o onderwees) in Nederland, Duitschland en de noordelijke landen van Europa z. v. a. universiteit (z. aid,), hoogescbool, waar de verschillende faculteiten voreenigd zijn; — naam, dien men aan genootschappen en instellingen van zeer verschillenden aard, aan oefenplaatsen voor eene enkele faculteit, kunst, wetenschap, enz. geeft; zoo hoeft men ukademiBn der wetenschappen, der lettoren, dor kunsten, akado-iiilcn voor geneeskunst, voor godgeleerdheid, voor rechtgeloerdheld, voor muziek, voor schermkunst, enz. Frankrijk heeft li voorn, akademiën, die samen slechts een onkel genootschap uitmaken onderden titel van Instil ut; zij zijn; i académie francaise, l\'ac. des sciences, l\'ac. des inscriptions et belles lettres, l\'ac. des sciences morales et poliliqties en l\'ac. des beaux arts; — académie universitaire is in Frankrijk eeno ad-minlstratiovo afdeellng van de universiteit van Frankrijk, van welke akademiën er even veoi


-ocr page 47-

AKOLUTHEN

AK^ENK

33

zyn als oppergereclitshoven; —academtae rector, lat. rcclor der universiteit; — académie d\'amour, f. (spr. - damóér) een hordeel; — aka-demist, academicus, m. die toUene aka-demle behoort, oon student; — akademisch, wat lot do hoogescliool, tot eeno vcreenlRlnK van Keieerden of kunstenaars liehoort.

Aksene of achseno, gr. lengtemaat van 10 geometrische voeten, ook dodecapode genoemd; Bot. cone amerlkaansche en nleuw-hollandsche plant, bloedkruld.

Akairie, f. gr. (akuiria, v. d-kairos, only-dig) ongelegen tyd, storing; — akairologie, i. ontijdig, ongepast gesnap.

akakie, f. gr. (van d-kakos, niet kwaad) onschuld, onnoozolheld, weerloosheid.

akalis, pi. de onsterfeiyken, eene geestelijke orde hU de Sikhs In Oost-Indte, wlen de opperste leiding van alle wereldlyke en geesteiyke zaken loekomt.

Akampsie, f. gr. (akampsia) onhulgzaam-held; Med, eeno ziekeiyke stytheld der gewrichten; -- akamptisch (gr. d-kamptos, ongebogen) hel licht niet terugwerpend.

Akanthen, z. oud. akant bus.

Akanthikone, z. arendallet.

Akanthobólus, m. gr. (van dkanlha, doorn) de splinter- of graattang der wondartsen ; — akanthologle, f. eene puntdlchlver-zamellng.

Akanthus, f. gr. (akanthos) Bot. berenklauw, een gewas, welks grooto bladeren naar do klauwen van oenen beer geiyken; vandaar In do bouwkunst akanthen, f. pl. de nago-bootste vorm dezer bladeren, een sieraad van loof-w erk aan de korlnlhlsche en romelnscbe zullen.

Akardie, f. gr. (van o prlv. en kar dia, hart) \'t ontbreken van hel hart, de harteloosheid, lafheid.

Akariasis, t. zekere sedert 1870 opgetreden ziekte in de poreboomen.

Akatilektïcus, m. gr. l\'oet., een volledig vers, eene Jambische versmaat van eene letler-greep meer dan de katalekllkus; — aka-talêktisch (gr. akaidlektos, on, vgl. k a t a-lektikos) zonder gebreken, volkomen (Inz. van verzen gebruikeiyk).

Akatalepsïe, f. gr. (vgl. katalepsle) l\'hllos. de onmogelijkheid om eene zaak te weten, de onbegrypciykheid; ook Med. verstands-vorbUstering; — akataleptïkus, m. een twijfelaar; — akatalëptisch, niet erkenbaar, twyfelachllg; onbegrUpeiyk.

Akatapöais, f. gr. (v. a prlv en Itatapösis, z. aid., het slikken) Med. belemmerde sllkklng.

akatastatisch, gr. (a-kaldslatos) onbestendig, wuft; inz. Med. onordeiyk, onregelmatig (van koortsen).

Akatharsie, f. gr. (vgl. katharsis) Med. de onrcinbeid, onzuiverheid in het bloed.

akathistisch, adj. gr. (van a prlv. en kathidzein, nederzltlen) niet zittend (staande en gaande te zingen); akathistos, hymnus akathistus, m. oen lofzang ter eere van de VIERDE DRUK.

maagd Maria, die In de grleksche kerk jaarlyks op zaterdag vóór Judica den geheelen nacht door slaande gezongen wordt.

Akatholïkus, m., pl. akatholieken (vgi. kalhollsch) onroomschen, naam der Protestanten by de B. Katholieken;--akathó-lisch, nlet-kalbollek.

Akedie, f. gr. (akédeia) zorgeloosheid, onbekommerdheid, stompheid, traagheid van geest.

Akeléi, (bedorven uit bet nw. lat. aquile-f/Ta, eene schoon bloelende plantensoort; klok-jesbloem, pantoffeltje.

Akephalen, akephalisch, z. ace-p h a 1 i.

Akidopeirastiek, f. gr. Chir. door Mid-deldorph Ingevoerde methode tot onderzoek van gezwellen door naaldvormige Instrumenten.

Akinesie, (spr. s=ï) f. gr. (a-kinesia, van king in, bewogen) Med. onboweegiykheld, styf-heid van eon of meer leden, zenuwverlamming; stilstand van den pols; — akinetisch,adj. onbeweegiyk, styf.

Akiurgle, f. gr. (kwaiyk gevormd uit bet gr. akè, punt, scherpte, en éryein, werk, arbeid, érdein, doen, verrichten, werken) de leer van de chlrurgischo (bloedige) verrichtingen, z. v. a. chirurgische operatieleer.

akkoord, z. a cc oord.

aklastisch, gr. (van a prlv. en kldein, breken) Phys. stralen doorlatend, niet straalbrekend.

aklinisch, aklinitisch, adj. gr. onbeweegiyk, niet verbuigbaar, voor geene declinatie vatbaar.

akmastisch,adj. gr. volkrachtlg, bloeiend; Med. ontstekend, b.v. akmastischo koorts, ontslokingkoorts.

Akmë, f. gr., eig. de spits, snede; van daar de top, het hoogtepunt, de rypheld, bloeltyd; Med. bot toppunt, de hoogste graad eoner ziekte.

Aknae, f. pl. (gr. dknc) vinnen in \'t gelaat

Akoemeet, m., pl. akcemeeten, gr. (akóimëles, van o prlv. en koiman, inslapen), slapelooze, eene gr. monnikenorde van gestren-gen ordesregel In de Bde eeuw; ook algemeene benaming der monniken, in de gr. kerk.

Akóëmeter, n. gr. (van akoc, gehoor) ge-hoormeter, een werktuig ter bepaling van den graad der doofheid.

Akognosie, f. (spr. S=J) gr. kennis dor (Inz. chirurgische) heelmiddelen.

Akolast, m. gr. {akólastn.i, eig. onbeperkt, zonder tucht) een slemper, lloderiyk monsch;— akolasie, (spr. s=z) f. de onmjitigheld, slem-pery; Mod. slechte vochtmenging des mensche-lyken lichaams, ais ziektetoestand.

Akolei, f. z. a k e i o 1.

Akologie, f. gr. .beter a kool ogle, van dkos, gonit. akëos, heelmiddel) Med. de leer der hoolmlddelen, loer van de uitwendige geneesmiddelen.

Akolüthen, m. pl., gr. (van akóloethos, volgend, begeleidend) natreders, geesleiykon van den laagsten rang ter bediening van don prles-

3


-ocr page 48-

AKUSTIEK

AKONIET

34

ter bg zekere plechtigheden der R. K. kerk; misdienaar, helper.

Akoniet, i. aconitum.

Akópum, Akopon, n. gr. (van « priv. en kópoe, slag, vermoeienis, krachtveriios) Med. versterkingsmiddel, pynstlilende zalf.

Akosmïe, f. gr. (aknsmia, vgl. kosmos) de wanorde, onachtzaamheid; onopgeschiktheid; Med. gelaatsbleekheld, ziekeiyk uilzicht; — akosmisme, n. wereldloosheld, wereidloo-cbenlng, het legengest. van atheïsme.

Akotyledönen, r. pi. gr. (van a priv. en kulylfdon, gaatje, knopje) Bol. planten zonder zaadlobben en kiemblad, die zich door enkelvoudige kiemen voortplanten, daar zy geene bloemen hebben.

Akrasie, (spr. «=?) f. gr. (a-krasia) eig. niet-menging; Med. slechte vochtmenging.

Akratie (spr. t=ls), f. gr. (a-krdleia) Med. onvermogen om zich ie beheerschen «f ook iets Ie verrichten, dus teugelloosheid; zwakte, krach-leloosheid, onmacht.

Akribie, f. gr. (akriheia) de nauwkeurigheid, stiptheid, zorgvuldigheid; — akribolo-gie, f. Juistheid in het spreken, in hel onderzoeken en in het leven over bet algemeen; — akribometer, m. een Juistmeter, werktuig lol het meten van zeer kleine voorwerpen; — akribometrie, f. nauwkeurige meting.

Akridophagen, m. pi. gr. (v. akris, sprinkhaan) sprinkhanen-eters, zekere volken in .Ethiopië en andere oosiersche landen, dio sprinkhanen in hunne spijzen gebruiken.

Akrisïe (spr. «=«), f. gr. {a-krisia-, vgl k r 1 s 1 s), onbeslistheid, gebrek aan oordeel; Med. de onbepaaldheid van den ziektetoestand; gebrek aan onderzoek, oordeel; — akritisch, adj. onbeslist; zonder oordeel, zonder onderzoek, gewoonlijk onkritisch (vgl. kritisch).

Akroama, n. gr. (van akroiïsthai, hooien, ieeren) eig. iels geboords of Ie hooren, eene verlustiging van \'I gehoor, inz. voordracht, voorlezing; ook: eene grondstelling des verslands (als \'tware; quot;iels dal zich laai hoorenquot;); — akroamatisch, hoorbaar, bestemd om gehoord te worden, by wyze van voordracht; op het versland gegrond; geheim, moeliyk ie verslaan, verklaring behoevende; akroamallsche leervorm, eene samenhangende voordrachl, waarhy de leerling aanhoort; — akroasis, f. gr., het loehooren; eene voorlezing, leervoor-dracht; — akroatêrïum, n. (lal. auditorium) gehoorzaal, leerzaal ; — akroatisch, adj. gr., Phll. geheim; de akroallsche boeken (v. Aristoteies) de geheime boeken (die A. niet verklaarde).

Akrobaat, m., pi. Akrobaten, gr. van

akros, o, on, uiterst, opperst, hoogst, en bai-neln, gaan) koordedansers; — akrobystie, t. gr. = akroposthie; — akrocholïe, f. (van chrilos, gal) opwelling des gemoeds, op-loopendheld; — akrochórdon, f. gr. (v. chords, z. aid.) (\'.bir, eene kankerachtige wrat op de uitwendige oppervlakte der oogleden;— akrodynie, f. pyn in de ledematen; — akro-karpisch (van karpós, vrucht) met eene aan \'t eind staande vrucht voorzien; — akrokö-mos, m. (van kóme, haar) een kuifdrager;— akrolitben, pl. (v. lilhos, steen) houten beelden by de Ouden, met marmeren handen en voeten; — akromonogrammatika, of akromonogrammata, of akromono-grammen, n. pl. (vgl. monogram, enz.) Poet. gedichten, welker versregels met de eindletters van den vorlgen regel beginnen; —akro-monosyllabika, pi. verzen, die met de eindlettergreep van hel voorgaande vers beginnen;

— akromphalon, n. gr. (van nmphalós, navel) eig. de navelsplts; de aanvang eener navelbreuk ; — akronyktisch, (van nyx, genil. nyktós, nacht) in \'t begin van den nacht, In hel avonduur, laat; — akropathie, f. vgl. p a-thos) Med. ziekte der uiterstelichaamsdeelen; ziekte van den mond der buannoeder (by H lp-p o k ra I e s); — akrópolis, f. (van pólis, stad) de bovenstad, stadsvesling, stadsburg, inz. van Athene; — akroposthie, f. (van pósthë, voorhuid) Med. do uitwendige rand der voorhuid, die by de besnyding wordt weggenomen;

— akrosophïe, f. (vgl. soph ia) hooge wys-held; — akrostïchon, n. (van sHchos, regel, vers) Poet. een naamdicht of verzen, welker begin- (soms ook eind-)leiters namen of woorden vormen; — akroterïen, pl. (gr. akröteria) de uiterste lichaamsdeelen; uitstekende voetstukken, postementen of pedestaiien aan de gevels, om er heelden of vazen op te plaatsen; — akroteriasis, f. of akroteriasme, n. Chlr. het verlies van ledematen, de afzetting of wegneming der uiterste lichaamsdeelen; — akrotisme, n. hel streven naar het hoogste, zoowel In de erkenning (theoretische a k r.), als in de handeling (prukilsche akr.); ook het uitvorschen van de eerste gronden der dingen.

Aktseon, m. gr. (Aklaion) Myth, een bekwaam Jager, dien Diana, omdat by haar geheel naakt In hei bad had gezien, in een hert veranderde, waarop hy door zijne eigen honden werd verscheurd; ook een amerikaanscho kever {scarabaeus actaenn); — aktseonisee-ren (spr. S=I), horens opzetten, tot horendrager maken.

Akte, z. acte.

Aktimën, pi, gr. (van aklin, straal; eig. straaldleren) zee-anemonen, eene soort van poliepen of koraaldleren, welke naar de gevulde bloesems der asters geiyken; — aktinobo-lisme, n. Phys. het stralenwerpen, de uitstraling; — aktinograaf, f. Ilchtslraalschry-ver, eene uitvinding van Pouillet; — akti-nographie, f. de beschryving of leer der lichtstralen ; — aktinolith, m. gr. de straal-steen; — aktinometer, m. Astron. straat-meter, werktuig tot bepaling der zonnewarmte door opslurping dor zonnestralen door eene donkere vineislof.

Akustiek, f. gr. (van akuein, hooren), do gehoorleer, hoorkunde-, loon- en klankleer; —


-ocr page 49-

AKY ANOBLEPSIE

AI.BAST

35

akustïkon, n. cone hoorbuis, ten dienste van (loovc of hardhoorende personen; — akus-tisch, adj. lot de geluldleer beboerende; ge-luldkundlK; — akustlsche mlddelen (acus-licu) geboormlddelen, middelen lot verbetering ut versterking van bet zwak gehoor; —a k u s-11 se he Instrumenten, geboorwerktulgen.

Akyanoblepsie, f. gr. (van a priv , kyu-nos, blauw, en blépein, zien) een gebrek van het gezicht, waarhij de blauwe kleur rozerood versehUnt; — akyanoblépt, m. die dal gebrek been.

Akyêsis, f. gr. (van « priv. en kyêsis, bet zwanger-z.yn), sterilllell, vrouwelijke onvrueht-haarheid, onvermogen om kinderen te ontvangen en Ie baren.

Akyrie, f. gr. (akyriu, van dkyros, ongcl-ilig, oneigenlijk) oncigeiiiykhcid, onelgeniyk ge-hrulk van een woord; — akyrologie, f. on-cigeniyke, van den zin afwijkende rede.

al, vaak ook wel o 1 en u 1 geschreven, arab. lidwoord; de, bel, b. v. In alkali, alkobol, al-koran, enz.

ala, f. lat. de vleugel (van een vogel, vau een gebouw, van een in slagorde staand leger, hU de Komeinen gevormd uil de hulptroepen der bondgenooten; alarii in tegenst. met leyio-narii of Komelnscbe legioensoldalen.

« la—, fr., op of naar (deze of die manier of wUze), b. v. n la baisse, a la clmse, d la nuerre, enz., z. aid.

alaaf, z. a 1 a f.

d la baisse, z. baisse.

Alabandisme, n. nw. lal. knoeierij, klad-ilei\'ij in de kunst (naar de stad A la ban da In Karië, waar een slechte kunstsmaak beerscble); — alabandisch, adj. zot, dwaas, barbaarsch.

Alabarch, m. gr. (alabarchês, van aldha, kool, roei, inkl) een tolscbrijver, tolontvanger; inz. de hoogste overheid der Joden in Egypte. Alabaster, z. albast.

A la bonne hcure, z. ond. bon.

d l\'abri, z. abri; — d la campagne, z. c a m-p a g n e; — (i la chasse, z. c b a s s e.

Alacriteit, f. lat. (alacrïlas) levendigheid, opgewektheid, wakkerheid.

Aladzjas, f. pi. fijne oostindische, met bloemen doorwerkte talfen.

alaf of alaaf (van \'I eelt: alaf, geluk, ryk-ilom, heerlijkheid), geluk! hoezee! leve de....! enz., een aan den Nederryn gebruikelijke ju-lielkreet en gelukwcnscb by het gezondhelddrln-ken, etiz., b. v. alaf K ö 1 n! bell zil Keulen!

d la fin, z. fin; — d la forlune, z. F o r-luna; — d la frangaise, z. francais: — d la lirecque, z. grec: — n la nuerre, ■/.. nuerre: — d la hdte, z. hAte— d la hausse, z. h a u s s e. alaga, f. spr. ïurksche tarw, maïs, spelt. Alairligamenten, pi. nw. lal. lat. ala, vleugel, vleugelbanden.

Alaktaga, m. H. N. de aardhaas, springhaas, in azlat. Rusland.

Alalie, f. gr. (van de priv. a- en lalëin, spreken) de sprakeloosheid of stomheid.

Alan., arab. de wereld (In samenst. als Schah-Alam).

Alambiek, f. z. alembiek.

Alambrados, m. pi. eene secle In Portugal, eene soort van illuininalen, als de quakers in Engeland.

Alaméda, f. sp. (van dlamn, in. populier) eig. populierlaan; eene met hoornen beplante wandeldreef in de spaansche steden.

Alang-alang, f. Jav. soort van lang rietgras op Java, Sumatra en elders in den Oosl-Indischen Archipel (Imperata arundinacea), ook lol dekrlet der woningen gebezigd.

Alant, m. (lal. inula) itol. een plantengeslacht, waarvan de wortel eener soort {Inula helenlum) als versterkend In siymoplossend geneesmiddel gehrulkl wordt; — alantstof, /.. i n u 11 n e.

(i la ren verse, z. ond. ren ver see ren.

Alarich, Alarik, oudd. naam; de alryke, alvermogende alheerscbcnde.

Alarm, n. fr. (ttlame, van het II. all\'arme, te wapen!) oploop, woest getier; onrust, onl-steltenls, schrik; — alarmeeren, (fr. niar-mer) doen ontstellen of onrust, schrik, aanjagen, opschudding maken; — alarmist, in. een alarmmaker, oploopstiehter, sehrikversprelder.

alart, z. alert.

(i la saison, z. sal son; — d la sourdine, z. ond. sordo

Alastör, m. gr. (van a priv. en lathlin, vergeten) de no ,gt;\'t vergetende wraakgeest, die len gevolge eener begane wandaad een geslacht voortdurend plaagt en vervolgt; nok In \'talgemeen voor: straffende godheid; plaaggeest; huls-duivel, enz.

a la suisse, t. suisse: — a lalërc z. latus; — d la Ifle, z. léle.

Alatie (spr. t=ts), f. nw. lal. (van \'t lal. alatus, gevleugeld) de bevleugeling; — alatiet, m., pi. alatieten, N. II. versteende vleugelslakken.

Alatli, m. Mcxlcaanscbe Ijsvogel.

Alba of albe, z. ond. al bus.

Albamen, n. nieuw lat. urlne-zout (by de alchimisten).

Albanéllo-wijn, m. een siclllaansche, uit de beste en schoonste druiven gewonnen wyn.

Albaneezen, Albaniërs, m. pl. bewoners van AI h a n I ö, eene turksche provincie aan de Ionische en Adrlallsche zee ; — ook eene secle uit de 8sle eeuw, die de erfzonde, de genoegzaamheid der sacramenten en den vryeu wil ontkende; albanitika, I een wilde dans der Albaneezen, met gedwongen, onnatuurlijke houdingen.

Albanagïum, v. Albinagmm.

Albanénzen, m. eeno secle uit de 8ste eeuw, die een oorspronkeiyk goed en kwaad beginsel of wezen aannaam.

Albanitika, z. ond. a 1 b a n e e z e n.

Albanus, Albana, z. end. a 1 h u s.

Albast, alabaster, in. gr. (aldbaslros, een van ons albast verschillende steen, en een


-ocr page 50-

ALCHIMIE

AL BA TIK

36

ilaaruil Kt\'muaU zalfduosj», lat. alabaster, naar do slad en \'l gebergte, Alabastron in Op-per-Egypte benoemd; van daar Kr. alabaslriles, albaststoen, ons albast) eeno witte tljnkorretlKe en harde Rlpssourt, die zoo hard Is, dat zu zich Iaat polijsten en lot allerlei sieraden verwerken.

Albatie, enz., z. ond. albus.

Albatros, m. N H. de stormvogel, oen vier voel groote, witte zwemvogel op de zeeën van bot zuidelgk halfrond (Diomedea emlans).

Albazon, sp. (albazono] donkerkastanje-brutn.

Albo, f. z. onder albus.

Albert, z. Aal bert, — Albértus-

daalder, m. een brabantscbe daalder, zoo genoemd naar den aartshertog A I b e r t, stadhouder der zuldoiljke Nederlanden in de 16de eeuw.

Albertypie, f. pliotographle op gias, waarvan de afdruk met vetten inkt geschiedt.

albesceeren, albificatie, z. ond. albus.

Albigénzen, m. pi. eene secte In de t^de eeuw ontstaan in het landsrhap Albigeots in Frankrijk; zy verwierp het pauselijk gezag en erkende den hUbel alleen als geloofsregel; tol op don tyd dor kerkhervorming noemde men alle latere ketters Albigeiizen ut Walden-zen-, toon kregen zU lu Frankrijk den naam van Huge note n.

Albijn eu Albiua, ■/.. ond. albus.

Albinagïum, beter albanagïum, jus albanai/ü, n. mid. lat. (van albanius, vreemdeling, landverhuizer, v. \'t lat. alibi, elders en fr. droil d\'aubaine) het eertijds in Frankrijk geldende recht, waardoor den vorst de nalatenschap van eenen In zijn land gestorven vreemdeling ten deel viel, vreomdellngsrecht.

Albino, m., pl. Albino\'s, sp. (van hel it. en sp. alba = lat. albus, wit) wittelingen, een blank, zwak menschenras met onnatuurlijk witte huid, witte haren en roode oogen, ook Kakkerlakken, Rlnfards en witte Negers of Moo-ren genoemd; albinisme, n. ziekelijke ontkleuring van de opperhuid, zooals men by de albino\'s waarneemt = leuewne.

Albion, n. Groothrittanje, naar de oude. nu dlcblorlijko benaming (ceitlsch: bergland; v.a. van albus, wit, wegens de krygsgeberglen der kust; oorspronkeiyk alleen het noordelijk gedeelte van het eiland.

albiseeren, z. ond. aibm.

al bisof/nn, z. bisognn.

Albiet, n. nw. lat. eene delfstof, bestaande uil kiezelzure soda en klezelzure aluinaarde, wil veidspaath, z. v. a. adulaar.

albn lapillo nolare dient, lat. een dag met een witten steen aanteekenen, d. I. als gelukkig beschouwen.

Alborak, m. arab. (van baraka, bilksemen, bark, l)llksem) by de Muhamedanen het gevleugeld paard, waarop Muhamed naar den hemel reed.

Albornoz, z. b o e r n o e.

Albrecht, z. v. a. Albert.

Alburnum, n. lat. bet zachte hout onder den bast der boonion.

albus, a, urn, lat., wit; — albus of al-busstuk, in. een blankpenning, eene zilvermunt in Keurhessen, ter waarde van ongeveer S cis.; — alba of albe, f. een wit priestergewaad, koor- of mishemd; — alba-flora-wijn, m. een wille wijn, die op het eiland Minorca wast; — album, n. lat., het witte van eenig ding; onbeschreven boek, inz. een stamboek, gedenkboek, vriendenrol; ook: boek voor eene verzameling bestemd li. v. verzameling van handleekeningen, pbotograpbloën, enz.; album fimecum, elg. grleksch wit. Mod. wille hondsdrek; — album nigrum, elg. wil-zwarl, Med. mutzedrek; — in al his, elg. in witte (bladeren), oningebonden, in losse bladen (van hoeken); ook benaming van den aden Zondag na Paschen; quaslmodogenïtlofwitte zondag, wegens de witte altaar-on priestorbektee-ding by de eerste communie dor kinderen in de R. K. Kerk; — Albanus, Albana, ook Albijn en Albina, mans- eu vrouwenn.: wille, reine; — albatie of albificatie (spr. t—ts), f. nw. lat., hel witten, witmaken; de gewaande verandering van koper in zilver; — albesceeren, lal. [albesclre) wit worden; — albiseeren (spr. s=2), barb. lal. mol een album rondioopon, om inschryvors te winnen;

— albügo, f. lal. eene witte vlek in \'I oog, hei oogwolkje; — albümen, n. lal. eiwit;

— albumine, f. lal. Chem. do eiwitstof; albumineeren, phologr. mot eiwit bestry-ken; — albuminous, adj. eiwitachtig, eiwitstof bevattend; — albuminium, n. lijn vliesje door hel eiwit been, dat iiol In cellen insluit;

— albuminurie, f. Med. de ontlasting oener eiwitstof bevattende urine (morbus Brighlii).

Aleabala of alcavala, f. sp. (van \'t arab. al gahalah) belasting op hel verbruik, inz. de sedert 134» in Castllie Ingevoerde belasting, welke 10 ten ion bedroeg, van alles, wat verkocht of verruild werd.

alcaïsch vers, alcaïcum, n. eene ver-smaal, dus genoemd naar den oud-griekscben dichter Alcajus (gr. Alcains). Zy beeft dezen vorm —— | —_L —— |

Alcalde, a tea de, m. sp. (van het arab. al-qu\'di, de rechter) een magistraatspersoon ten plallen lande In Spanje, dorpsrechter, dorpsschout.

Alcali, z. alkali.

Alcantara-orde, f. eon in de Ho eeuw geslichte on in 1835 opgeheven geesleiyko ridderorde, genoemd naar do sp. slad Alcantara, waar zy haar zetel had.

Alcarraza, f. sp. (van \'tarah. alkurrds) eene waterkruik In den vorm eener flosch van zoor poreuze kiel, om hot water door verdam-plngskoude steeds koel te houden.

Alchatib, m. arab. (v. chalaba, prediken) een prediker in de moskeeën.

Alchimie of alchemie, f. liet (naast v. \'tarah. al-kimid, en dil van \'l gr. chemeia ; vgl. c b e m i e) de goudmakerij, de zoogenaamde kunst om goud te maken, do steen dor wyzen;

— alchimist, m. een goudmaker; — al-


-ocr page 51-

ALEXANDER

37

ALCIDES

chimisch of alchémisch, wat tot (1« nl-

chimle behoort; geheimvol, riiiKlselachtlg.

Alcides, lat. («r. Alkeidës) een hynaam van Hercules, naar zyn Kroot vader AI c e u s.

Alcimad, arab. spiesglans (In tie alchimie).

Alco, m. de Z.amerlk. wilde hond.

Alcohol, z. a I k o h o 1; — alcoran, ■/.. koran; — al corso, ■/.. corso; — alcove, z. a I k o v e.

Alcyone, f. astron. de helderste ster der Pleyaden, waarin of waarhy het middel- en zwaartepunt van het gezamenlUke sterrenstelsel Hk-(jen moet.

Alcyonieten, pl. gr. (van nlkyAnïon, kurk-zwam, een plantendler, dat naar het nesl des (jsvoKi\'ls {nlki/ön] t?eiykl, eene soorl van versteende plantendleren, uileriyk geiykende naar vruchten, als vyRen, peren, appelen, enz.

Aldéa, f. sp. (van \'t arab. al-daiah) hoeve, landhoeve; lundfidcd ; gehuchl; dorp.

Aldebaran, m. (arab. al-dabardn, de volgende, v. dabara, volgen, wegens het volgen op de Plejaden) het ossenoog, eene ster van de eerste grootte In \'t rechter oog van den slier.

Aldegonde, z. A de la.

Aldehyde, n. gr. Chem. de azijnslof, het azynzuur (uil alkohol bereid en lot az.yn bereiding noodzakeiyk); — aldehyd-ammo-niak, m. ammoniak met azynzuur gehalte.

Alderman, m. eng. (spr. Mermen) eig. ouder man, een overheidspersoon in de steden van Engeland; 2« personen Ie Londen, die met den Lord-mayor een kiescollege uitmaken; ook de angelsakslscho rechters.

Aldinen, f. pl. oude drukken van veel waarde uit de boekdrukkerl) van A Id us Ma n ut 1 us en opvolgers Ie Venetië, in de 18de en 18de eeuw.

Aldionen, pi. (mid. lat. aldiones en aldii), longobardische naam van de lyfelgenen der vrye Dultsche grondeigenaars.

Aldschame, Aldsjame, f. arab. (al-dsjdmi\' van dsjamaa\', verzamelen) een groot muhamedaansch bedehuls.

Ale, n. eng. (spr. eel) een engelsch, zwak gehopt, sterk bier.

alen jaela est, z. jaeia est alen.

Aleatico, m. een zoele, kruidige wijn van muskadeldruiven, in Florence en op Elba.

Aleator, m. lat. (van alüa, dobbelsteen) een dobbelaar, speler, liederiyk mensch; — alea-tórisch, adj. hot dobbelspel betreifende; — aleatorïum, n. rustplaats voor spelers by de Komelnen.

alègre en allègre, adj. fr. (spr. alèqr\'; = Ital. allegro) wakker. Hink, opgeruimd.

Alëkto, f. gr. de nimmer rustgevende, eene der 3 Furiën, z. aid.

Alektryomachie, f. gr. (van aleklryön, baan), het hanengevecht; —alektryoman-tie (spr. lie—lsie), f. gr., de hanenwichelary by de Ouden, de voorspelling uil hel wegpikken van op een alphabet gelegde graankorrels door eenen haan; — alektryomórphisch, als een haan gevormd.

Alemannen of Alamannen, pi. (niet

AHem (innen), eig. vreemde mannen (van het oudd. al, el, vreemd, ander, en man, plaats; of v.a. van; alah, tempel, den goden gewyd bosch, dus; lieden van bet godenwoud) oudd. naam van bet voornaamste volk In Z. Duilschland, in tegenoverst. met de heerschende Franken (van daar de fr. naam AI Iemands voor Duitsobers in \'l algemeen); — alemannische taal, alemannisch dialekt, de zwitsersche en bovon-zwabische tongvallen van \'I boogdultsch.

Alembiek, mid. lat. alembirum, n. (fr. alambiC; van \'t arab. al-emHq), en dit van \'tgr. dmbix, beker) een distilleerhelm, kolf, toestel ter overbaiing in de scheikunst.

Alembroth, n. (chald, — sleutel der kunst) by de alchemisten het pbilosophische zout, een alkalisch wonderzout.

Alentours, pl. fr. (spr. nlanlnér ■ ontstaan uit d l\'enlnur) omstreken, omtrek; omringende personen.

Aleph, naam der Isle letter v. h. hebr. aipbabetb.

Alepine, f. fr. (naar de st. AI e p p o zoo genoemd) stof van zijde en wol.

alért, fr. (alerte) wakker, vlug, levendig, Hink, waakzaam, opgewekt, lustig, handig.

a i\'espannolc, z. espaflnol: — a 1\'estompe, t. e s t o in p e.

Alesan, fr. (beter alezan v. arab. al-hasan, schoon paard) vaal, geelroodachtig paard.

Aleseeren, fr. een kanon uithoren of de ziel verwyden; — alesoir, m. (spr. zodr) ge-schut boor.

Aletheia, f. gr. (alctheia, van atcthis, waar) de waarheid, ook persoonlijk gedacht; — ale-thologïe, f. waarheldsleer; — aletholo-gisch, tol de waarheldsleer behoorendo; — alethophilos, m. een vriend der waa icid; — alethoskoop, m. optisch Instrument om voorwerpen getrouw naar de natuur op te nemen.

d l\'élnurdie, ■/.. ond. étourdlsseeren.

Alette, f. (fr. alette) Mar. wlndverlng, ga-lelwolf, verlenging van het boeghout op den achtersteven der levantynsche vaartuigen.

Aleuromantie (spr. t—ts), t. gr. (van dleuron, tarwemeel) de meelwlcheiary, het waarzeggen uit oifermeel; — aleurometer, m. meelmeler, werktuig om de (|uallteU van bet meel voor \'t broodbakken Ie melen.

Alewijn, z. Al win.

Alexander, gr. [Atéxandrns, van nléxein, afweren, verdedigen, en anêr, genii, an dros, man) mansn.; de mannenverdedlger, mannenhelper, menschenredder; — alexandra, f. astron. Asteroïde door Goldsmldt in I8K8 ontdekt; — alexandrina, vrouwenn.; helpster; — alexandrine, f. zydeachlige stof uil linnen en katoen; — alexandrijnen of alexan-drijnsche verzen, rymregels van 14 tot 13 lettergrepen, doorgaans uil H jambische voeten bestaande, b. v. »wy worden en vergaan, de wieg grenst aan het graf\' (de benaming is, naar men wil, afkomstig van een fr. dich-


-ocr page 52-

ALEXIANEN

ALHENNA

38

ter, die 1» do lide eeuw In doze ver-mant een dichtstuk schroot; Alexandre Ie Grand): — alexandrijnsch, adj. hehoorondo tot, ultgnnndo van Alexandni) (cene door Alexander don Gr., 331 vóór Chr., gestichte zeestad in Nodor-Egypto, die in do volgende oouwon vóór en na C.lir. gehoorte een hoofdzotol der grioksche beschaving en letterkunde was); van daar: alexandrynsche hihllotheek, eenc verzameling van 700,000 hoekdeelon of sclirlflrollcn te Alexandrlein Egypte, hovailendo al do schatten van de gr., rom., ind. en egypl. letterkunde, waarvan een gedeelte onder C w s a r en het overige onder Theodos iu s werd verbrand; alexandrynsche codex, een zeer oud afschrift dos hybels in bot brllscb museuiu, dal lot 109S tol de bibliotheek van den pairittrch van Alexandrlö behoorde; alexandrynsche school, de geleerde school te Aioxandrlëdoor de Ptolemeün gesticht, van waar eene nieuwe richting In poBzie en wetenschap uitging, die aan dit tydpork den naam van hot a 1 o x a n-d r y n s c li e deed geven; a I e x a n d r yn s c h o versie of overzetting, z. Septuaginta.

Alexianen, m. pl. eene door paus Slxtus IV. Ingestelde orde, die zich het weldoen ter taak stelde, en haren naam ontleende aan haren beschermheilige Alexius.

Alexiterium, n. nw. lat. (van \'tgr. alexë-terion, van aléxein, afweren, heipon), hulp- of redmiddel, inz. tegengift; — alexitêrisch, gUlafdryvend; — alexikakon, alexi-pharmakon, n. gr. (pl. - ka togengift, redmiddel togen vergift; — alexipharmacie, f. do loer van de tegengiften ; — alexiphar-maceutisch, do bereiding der tegengiften betreffende; — alexipyretïkon, n. een koortsmiddel, geneesmiddel tegen de koorts; — Aléxis en Alexius, mansn.; een helper, hulp, redder; — Alexius-d\'or, m. eene goudmunt, ter waarde van 9 gl., geslagen onder don hertog Alexius van Anbait-Bornburg.

a I\'extérieur, z. extérieur.

Al\'fadur, de oudste der goden In do noord-sche Myth., z. v. a. do vader van allen.

Alf, z. elf.

Alfa, n. z. v. a. sparto-gras.

Alfane, f. span. (alfane) strydros, Arabische merrie.

Alfenide, f. z. Christofle-metaal.

Alfoer, m. Arab, tot de oorspronkoiyke heldenscho bevolking van den Indlscben archipel hehooronde inlander (in tegenstelling met Mabomedanen of Christenen).

Alfonsus, z. Alfonsus.

Alfred, oudd. mansn.; de vredelievende, of liever de goed on vrlendoiyk radende, elg. een elf of alp, oen licht en berggeest in \'I geven van raad.

al fresco, z. fresco.

alg. verk. v. algemeen(e).

Algalie, f. eene sonde, spuit voor do pisbuis.

Algarade, t. fr. (van het sp. ali/arada, het krygsgeschreeuw eener algara, d. I. eenor plunderende ruiterschaar, v. \'t arab. al-ndrah, de strooptocht op vyandoiyk gobled, van gdrn, plunderend afloopen) de krenking, grove helee-diging; streek, pols.

Algaroth (poeder van), n. aldus go-noemd naar V i c t o r A1 g a r o 1 li a, geneesheer to Verona. Hot verwekt braking, stoolgangen zweet.

Algarovilla of Algarobilla, f. de ge-kneusde huizon eener /.amerik. acaciasoort, die in stede van do galnoten lol verven worden gebruikt.

Algébra, f. arab. {al-dsjehr of nl-gebr, elg. verbinding van gescholden deeion, v. alnabarn of gabara, bet geschetdene verbinden, voluit: al-gebrw-al-muqdbalah, vorbinding en vergeiy-king) do stelkunst, vergoiykingsleer, letterreke-nlng; — algebraisch, f. stelkunstig; — algebraist, m. een stolkunstenaar.

Algêma, n. gr., pi. algemata, smart, püii; — algëtisch, smarteiyk; door pyn ontstaan; — algie, f. de zonuwpyn = neuralgie, z. aid.

Algen, pl. lat. [algue, van den slng. ulga) zee- en zoetwatorplanten van moestal groene of roodachtige kleur en draad- of bladvormlgo gedaante, die geen hioosoms dragen en daarom tol do akotyiedonen en kryptogamen behooren; onder do zoetwater-algen zyn de con tér ven, uit do zee-algen de f u c u s-soorten do gewichtigste; — algacieten, f. pl. versteende algen; — algologie, f. de leer van de waterplanten.

Algêuib en Algöl, m. twee sterren in het sterrenbeeld Perseus (algenib is ook eeno ster in Pegasus).

Algérienne, f. fr. mandenwagen, zeker ryiuig.

Algethi, m. (arab. rds-alfiethi, hoofd des knlolondon) de zuidoiykslo ster in Hercules.

Algomeiza, in. arab. (oig. el-gomaisd) de helderste der beide sterren in den Kloineii Hond.

Algesceeren, lat. [atgescere) vorkouden, koud worden.

algëtisch, z. ond. a 1 g o m a; — algie, z. end. a I g e m a; — algologie, z. ond. alge n.

Algorithme, n. (arab. vervorming van hot gr. arilhmós, getal), de 4 iioofdrogelen der rekenkunst: additie, substractle, mulllpllcatle en divisie; in \'I algemeen een aritbmetisch leer-hoek, rekenboek, cyforlinok.

Algospasme, n. gr. pynlüke spierkramp.

Algiersch metaal, n. (fr. métal d\'Alger) mengsel van »\'i,50/0 tin, SJ/0 koper en wat antimonium en bismuth.

Alguacil, m. sp. (spr. —siélvan het arab. al-waAr, die iets behoort) in Spanje een ge-rechtsdionaar, diender; beulsknecht.

Alhambra, f. arah., (oig. keldt-alhamrah = hot roodo huis); iiot palels der moorscbe koningen te Granada.

Alhénna, of henna, Alkannaof Al-kénna, f. arab. (al-hinnd, sp. alcana, al mm, alhenavgl. a I k a n n a) een roodvervende wortel, die in \'toosten door de vrouwen tot blanketsel wordt gebezigd.


-ocr page 53-

ALKARSINE

ALHIDADE

39

Alhidade, n. urah. (al-hadal, ccno soort ■van liniaal, van hmlnj, op den rechten weg leiden) een bewoeglilko liniaal aan de hoeknio-tlngswcrktuigen, dioptor-linlaal, beweegbare vizier-liniaal.

Ali, arab. mansn.: dc verhevene, beersclier, ook een eeretitel, gelijk ons »Hooglieldquot;; — Aline, vr.naam: de verhevene.

alias, lat. anders, bovendien (b. v. geheeten); doorgaans gaat dit woord de bynamen voorop.

a libillis, lal. de kanselier.

ulihi, lat. elders, ergens anders, 1). v. Jur.; de aangeklaagde kan bet alibi bewijzen, d I. zijne tegenwoordigheid op eene andere plaats dan die der misdaad bewijzen.

Alidade, r. fr., z. allildade.

aliëen, lat. aliênus, a, urn) vreemd, aan een ander toebeboorend; niet verwant, onbevriend, enz.; — aliène juris, z. ond. jus; — alienbill, f. eng. (spr. eeljen—] vreemdelingenwet, sedert 1703 eene engelsche wetbepaling, volgens welke iedere buitenlander bü zijne komst op britschen bodem aan een gestreng onderzoek onderworpen en in de macht van den staatssecretaris gesteld wordt; onder Cannings ministerie werd deze wet door eene meer liberale vervangen; — alienbill-offlce, n. (spr. — ólfis) het bureau of kantoor der vreemdelingen;

— aliëneeren, lat. (alienare) vervreemden, afstaan, verkoopen; — aliënabel, nw. lat., vervreemdbaar, verkoopbaar; — aliënatie, (spr. I=l.i), I. lat. (alinalio) de vervreemding, verkoop, ook enkel verpanding; in de staats-tual; afstand van grondgebied, rechten, enz.; ook afwijking van den natuurt, toestand; verstandsverbijstering (lat. ulieimtio mentis).

aligneeren (spr. ali-njeeren) fr. [aligner, van liane = lat. linüa) naar eene richtingslUn plaatsen, afmeten, afsteken; op eene i\'U plaatsen; — alignemént, n. (spr. — man) de afmeting of richting volgens eene rechte lijn, het richtsnoer, inz. (ie richtingslijn eener in slagorde gestelde legerafdecllng.

Aliménten, n. pl. lat. (aliménla, van den slng. aliméntum, v. allre, voeden) voedlngs-, levens-, verzorgingsmiddelen; kostgeld; — ali-mentoeren, nw. lat., ondertiouden, yoeden, verplegen; l)ekostlgen; — alimentarms, m. lal. Jur. iemand, die volgens testament moet verpleegd worden; — alimentatie (spr. lie =tsie), f. de verpleging, het onderhouden, voeden;

— alimentiviteit, f. voedingsinstinct.

a linea, lat., z. linea; vandaar; alinêa, f. het begin van een nieuwen regel na een ge-eindigden volzin; deel van een wetsartikei.

Alipasma, n. gr. Med. zweetpoedcr en zweetzalf.

Alioth en Mizar, m. twee 1)U elkander staande sterren in den dissel van den Wagen (den groeten Beer).

Alipt, m. lat. (alipla, van het gr. aleiplls, van aleiphein, zalven) een zatver; — alipte-rmm, n. (gr. aleiptêrïon) het zalfvertrek, de zalfkamer, inz. bü dc baden dor Ouden; — aliptiek, f. de zalfkunst of zalfkunde; — aliptrum, n. liet zaifdooaje.

Aliquante, f. (van \'I lat. alit/uanlum) een ongeiykdeelend getal, eon onevenmatig ileel, de niet opgaande deeler; — aliquantisoh, on-gelükdeelend; — aliquöte, f. (van\'t lat. n/i-quol/es) een geiykdeelend getal, een evenniatig deel, de juist opgaande deeler; een bepaald deel van een geheel; — aliquötiseh, geiykdeelend.

aliler, lat. anders, op eene andere wijze.

Aliteeren, fr. bedlegerig maken of worden.

Alituur, f. lal. (alilüra, van alüre, voeden), de voeding, het vermogen des tichaams om het verlorene door de uil de levensmiddelen bereide voodingssappen te herstellen.

a livre ouverl, z. ond. livre.

Alius, lat. een andere.

Alizari, n. (sp. alitari, lizari, van \'t zelfde perz.-arab. woord als azuur z. aid.) de meekrapwortel ; — alizarine, f. Chem. de roede verfstof van den meekrapwortel; sedert 1807 op dc wyze van Graibc en Liebermann ook verkregen uit antiiraceen, dat bü destillatie van steenkolenteer verkregen wordt; — alizarine-inkt, m. een In 1850 door Leonhardl te Dresden uitgevonden blauwgroene en op liet papier donkerzwart wordende inktsoort, waarin ook meekrap quot;\'s bestanddeel voorkomt.

Alk, alka, m. ((jsl. en zw. alka, deen. alke) een watervogel uit het geslacht der papegaaiduikers by Groenland, IJsland en Noorwegen, soort van zwarte gans.

Alkahést, n. Chem. een (door Paracelsus zoo benoemd en aangenomen) algemeen oplossingsmiddel der alchimisten.

Alkali, n. arab. (al-i/ali, arab. naam der Sal.mla saliva, L, zekere zeeplant, waaruit men de soda, een der voornaamste alkaliën, trekt) loogzout, zout, dat uil piantenasch door uitloo-gen wordt verkregen; — alkalisch, alka-liniscli, adj. loogzoutachtig, loogzoutig; — alkalisch zout, loogzout;—al\'kalime-ter, m. arab.-gr., een werktuig ter bepaling der hoeveelheid van het in de potasch voorhanden loogzout; — alkalesceeren, arab.-lat., vluchtig alkali ontwikkelen; —alkalescén-tie (spr. I=ls), 1. ontwikkeling van het vluchtig alkali (ammoniak) bU rottende gisting; — alkaliseeren (spr. s=t), tot loogzout branden; — alkalisatie (spr. /=lt;«), f. de loog-zoutberelding; — alkaloïde, n. arab.-gr, or-ganische zoutvatbare basis, plantaardig loogzout; — alkaloïmeter, m. werktuig ter bepaling der hoeveelheid alkaloïden in de planten.

Alkanna of alkannlawsónie, f. (vgi. lawsonla) een altyd groen boompje In Indië en Egypte, waarvan men wil, dat de in de apotheken bekende bruinroode alkanna-wor-tel komt, die tot verving van tincturen en zalven wordt gebezigd (vgl. albenna).

Alkarsine, f. Chem. eene heldere, kwa-lUkrtekende, zeer vergiflige vloeistof, die door droge aftrekking van azynzure potasch en ar-sentgzuur, enz. wordt verkregen.


-ocr page 54-

ALKATIFA

ALLEGRO

40

Alkatifa, f. (arub. al-qalifah, fluweel, utlns, tapUt, sp. alcatifa, alquetifa) een (Iju oostersch InpÜt, waarvan de grond utl wol of z(jde, en het patroon uit goud- en zilverdraad bestaat.

Alkermes, z. kor m e s.

Alkohol, in. arab. {alkohl, hot lijnt\' üplos-«laspoeder, waarmede men de oogen verft (etg. eene In het lljnste poeder veranderde zelfstandigheid ; de hoogst gezuiverde of van water beroofde wijngeest; overgehaalde wijngeest; brandewijn; — alkoholaat, n. vaste scheikundige verbinding van alkohol met een zout; — alkoholisch, adj. alkohol bevattend; — al-koholiseeren (spr. s=t) tot bet lljnste poeder stooten ; tot den sterksten wijngeest overhalen ; — alkolohisatie (spr. za=tsie), f. de wljngeestoverballng; vermenging van alkohol met een ander vocht; het daaruit ontstane mengsel (Inz. wUn met alkohol); — alkoholisme, n. alkobolverglftlglng, door alkohol ontstane ziekelijke toestand, zooals delirium, zwakte, enz; — al\'koholometer, m. een wUngeestmeter, eene glazen huls om de sterkte van den liran-dewUn Ie onderzoeken; — alkoholometrie, f. leer van de onderzoeking van het alkoholgehalte.

Alkoran, z. koran.

Alkóve, alkoof, f. arah. (al-qubhch, een gewelfd vertrek, teid, van (/nWm, welven) een slaapvertrekje, eene afgeschoten plaats In eene kamer tot plaatsing eener legerstede; eene vensteropening In den wand.

Alkuinus, oudd. mansn.: een roemrijk overwinnaar, of liever tempelvrlend, verlatynscht van \'t oud-hoogd. alnhwin, van nlah, tempel, en win, vriend.

alia, It., z. v. a. fr. a la, z. aid.; — alia hreve, z. oud. brevis — alla camera, z. camera — alla campai/na, z. e a m p a g n a; — alla capella, z. kapel; — alla diritla, z. ond. dirlgeeren.

Allabatti, m. pl. Iljne katoenen, meest gestikte stoffen uit Oost-Indlë.

Allah, m. arab. (samengetr. uit hel Udw. al en ilah, de aanblddenswaardlge, God, van alalia, aanbidden), God, de ware, eenlge God; — Allah-aalim. God Is alwetend; — JUah-akbar, God Is groot.

allaiteeren (spr. alèt—), fr. {allailer, van lail, melk) zoogen, de borst geven, stillen; — allaitement, n. (spr. alèt\'maii) de zooging.

alla militare, Muz. krijgshaftig, op de wyzc der militaire marschen (te spelen); — alla mi-nula, enz., z. ond. minus: — alia mora (tjiuo-care), z. mora.

Allantöïs, f. (van \'t gr. alias, genlt. allun-los, worst, dus elg. worstvormlg). [Anal.] pis-vlies, worstvlles (der lichaamsvrucht van zoogdieren); allantoïsch vocht, het vocht tus-schen de allantöïs en het amnlum (z. aid.); — al-lantoine, f. Chem. eene door verdamping uit dit vocht verkregen stof, die naar het plszuur gelijkt.

Allantotoxikon of allantotoxi-cum, n. gr. (van alias, genlt. allantos, worst, en Innkón, z. toxicum) het vergift, dat zich

In bedorven lever- en bloedworst ontwikkelt, worstvergif.

alla pezza, ■/.. p e z z a; — alla poidcca, z. polak; — alla prima, z. ond. primus.

Allarm, z. alarm.

alla siciliana, i. ond. SI c 1118 r; — alla strella, z. xtrctto.

Allata, n. pl. lat. (van allalus, a, urn, partlc. van alferre, aan- of bijbrengen) bet toe- of aangebrachte, t). v. eener vrouw In het huwelijk.

alla tempera, Ital. met waterverf geschilderd.

Allatratie (spr. tie=tsie), f. nw. lat. (van \'1 lat. allalrare, aanblatTen) het aanblaffen, aan-bassen, aankeffen.

alia (urea, z. ond. Turk; — alla toppa, z. zoppo.

Allèchement, n. fr. (spr. alèsj\' manvan allècher, aanlokken, van het lat. allectnre) de aanlokking, verzoeking, het lokaas, de lokspüs, ook lat. allectatie (spr. tie=tsie), f. het nette voeren der graveernaald 1gt;U plaatsnijders.

Allectie, z. ad loc tie.

Allée, f. fr. (van aller, gaan, ontstaan uit hel lat. ambulare) laan, wandelbaan tusschen twee ryen boomen.

Allegaat, allegatie, z. al logee ren.

Allëge, f. fr. (spr. tilèzf ), alleggio, m. (spr. allédzjio) of allégra, r. it. (van \'l fr. al-léger, Hal. alleggiare, mid. lat. alleriare, verlichten, van levu, licht) eene huipbool, een lichter; allege, ook z. v. a. de lender van eene locomotief (zie tender); ook: postkantooor op malllreinen.

allegeereu, lal. (alleiiure) elg. ergens heen zenden; aanhalen, b. v. eene schriftuurplaats, zich daarop beroepen; — allegaat, n. (pl. lat. uUeuuta) eene aangehaalde plaats; beroeping op eene wel; — allegatie (spr. lt;=(.*), f. de aanhaling van eenen schrijver.

Allegiance, f. eng. (spr. ellédzjens, van hel transch allégeance, mid. lal. alleijiantïa, al-legantia, alligantta, van het iatUn alligare, aanbinden, verbinden, verplichten) trouw en gehoor-zaamhetd, trouw der onderdanen; — oalh (spr. oh\'s) of allegiance, eed van trouw (des onderdaans).

Allegorie, f. gr. (allcqoria, van allëgorim, d. 1. elg. Iets anders zeggen of uitdrukken) verbloemde, bedekte, zinnebeeldige voorstelling; eene rhetorische figuur dor poëzie, welsprekendheid en beeldende kunsten; — allegórlsch, adj. zinnebeeldig, verbloemd, oneigenlijk, zinspelend; — allegoriseeren (spr. s—z), zinnebeeldig, verbloemd voordragen of verklaren; — allego-risme, n. kunst of wetenschap der allegorie;\' — allegorist, m. een maker of uitlegger van allegorian.

Allogra, z. allege.

Allègre, z. alègre.

allégro of allegraménte, li. (van bot lal. alacery snel, vlug) Muz. vrooiyk, lustig, vlug, levendig, snel; — bet allégro, oen vrooiyk, vlug te spelen stuk; — allegro assai, allegro di motto of allegrissimo, zeer of zooveel mogeiyk vlug; — allegro con bio, con (unco, con spir t to, zeer le-


-ocr page 55-

aulongf:eren

alleluiarium

41

vemlig, met vuur; — (tileuro con moto, gezwind;

— alleuro maestoso, mallK snel, met waardlR-lield; — allegro ma non tróppo, niet Ic gezwind ; — allegro non tanto, niet zeer gezwind;

— allegro moderato, matig snel; — allegrétto, ccnlgszlns vlug; — con alleurézza, met vrooiyk-held, vlugheid.

AUeluiarium, n. eene verzameling der psalmi alleluialici, d. I. van die 40 psalmen, die \'t woord Hallelujah (z. a.) tot opschrift dragen.

Allemande, f. tr. (spr. alt\'mand\': van alle-mand, e, dultsch; vgl. AI e m a n n e n) een dult-sche of zwablsche dans en danswijs.

allentando en aUentdlo, It. Muz. vertragend, dalend.

allenthésis, f. gr. het aanwezig zijn van vreemde lichamen in het rncnsctu\'iyk organisme en daardoor veroorzaakte ziekte.

alleveeren, nw. lat. (atlevare) verlichten, verzachten.

allez, z. alien s.

Alliage, z. ond. a 111 g e e r e n; — alliantie, z. a 11 i e e r e n.

alliceeren, lat. {allicire) aanlokken.

alliëeren, tr. luUier, van \'t lat. alligdrt) verbinden; zich all-, zich verbinden, vereenigen, een verhond sluiten; — geallieerden, pl. bondgenooten, verbondenen; — alliantie (spr. t—ls) of alliance, fr. (spr. nlUdüs\') ver-hlntenls, verbond, verdrag; echtverbintenis; ook zeker fransch kaartspel, dat door 4, soms ook door 5 of « personen, met M bladen wordt gespeeld ; — belle alliance, liet heilige ver-hond tusschen Rusland, Pruisen en Oostenrijk in hel jaar 1815 , — offensieve en defensieve alliantie, aanvallend, verdedigend ver-hond; — triple, quadruple alliantie, drievoudige, viervoudige verbintenis; — alliantie-wapen, familiewapen, waarin het wapen der vrouw naast dat van den man staat.

Mliénsis dies, m. lat. de dag van de Allia, lig. ongeluksdag, eene zegswijze, ontleend aan den slag hy de Ailla (1187 vóór dir.), waarin de Romeinen door de Galliërs volkomen verslagen werden.

Alligatie, z. end. a 11 i g e e r e n.

Alligator, m. (misvormd uit bet sp. d la-narto, de hagedis, lat. lacerta) of kal m a n, m. ile amerikaansche krokodil, amcrikaansche reuzenhagedis.

alligeeren, lat. (alligare, d. 1. eig. aanbinden) vermengen, z. v. a. lege eren ï) (z. aid.);

— alligatie (spr. l—ts) en alliage (spr. atlid-zj\'), f. de vermenging of smelting der metalen van ongelUke waarde tot éene massa; ook het toevoegsel; — alligatie-regel of -rekening, Arith. de regel van menging, volgens welken de waarde eener gemengde massa gevonden wordt.

Allignement, z. alignement.

Allitteratie (spr. tie=tsie), f. nw. lat. (van het lat. lilt f ra, de letter) hel in samenklank brengen van dezelfde letters, de gelijkheid der iieginletters, b. v. man en muls, bont en blauw; (waardoor woorden die met dezelfde letters beginnen, aati het hoofd of ook aan andere plaatsen der versregels gezet worden), het letterrijm, b. v. In Tollens\' verzen; »En (el en looA en hout en steen, «liegt «er in «uur en ronken heenquot;; — allittereeren, geiljkkiinkend maken of z(jn, letters In samenklank brengen.

Allium, lat. look, knoflook; — allyl, n. (spr. —Hel), lal. gr. het vermoedelijk radicaal van knofloakuiie.

Allobrógen, m. pi. een oud, dapper, ruw volk In hel tegenw. Dauphiné en Savoye, ook Gessatea genoemd, naar hunne werpspiesen, gessa: ook onbeschaafde, ruwe menschen.

Allocatie (spr. t=ts), nw. lat. eig. de aanstelling ; de goedkeuring van een later ingevoeg-den post in eene reeds overgegeven rekening.

all\' occoréma, z. ond. occurreeren.

allochróïsch, adj. gr. (allóchröos, van alias, ander, en chróa, kleur) anders gekleurd, van kleur verwisselend; — allochroisme, n. kleurverscheldenheid, kleurverwlssellng; — al-lochromasie, f. gebrek aan het oog, dat de kleur anders doet zien dan zü Is.

Allocütie (spr. /=lt;«), f. lal. [allocutlo, van alluqui, aanspreken) de aanspraak, Inz. van den paus aan de in consistorie vergaderde kardinalen.

Allodium, n. mid. lat. (van \'t oudd. al-i\'id, d. 1. geheel of volkomen eigendom; van \'I oudd. at, goth. and, goed, eigendom) of allodiaal-goed, n. een eigen, niet als leen ontvangen goed, vrü erfgoed, dat men vervreemden kan; — allodïaal, erfvrU, onleenroerig; — allo-dialiteit, f. leenpllcbtsvryheid, Inz. de vrijheid der duilsche bondsstaten van \'I voorin, keizerlijk en rijks-leenverband; — allodiflceeren, tot een vrij goed maken; — allodiflcatie (spr. I=ts} of allodeering, f. de verandering der leengoederen in eigen goederen.

Allodoxïe, f. gr. {allo-doxia) andere of dw alende meening of leer; vgl. heterodoxie.

Allceopatbie, z. ond. allopathie.

Alloeösis, f. gr. ialloiósi.i, van alloiwn, veranderen) de verandering, inz. Med. de verandering der spijzen hg de vertering; — alloeö-tisch, adj. die verandering bewerkend; — al-loeotika, n. pl. middelen, die den overgang der spijzen teweegbrengen, z. v. a. altera tl va.

Allographum, n. gr. (van ditos, e, on, een ander, en grdphein, schrijven) een ander, een vreemd handschrift.

Allolalie, f. gr. eig. het anders-spreken; het gebrekkig spreken, de kromtaal.

allongeeren of alongeeren (spr. atoh-zjeeren), fr. (atonger, van tong, lang) langer maken, verlengen, uitrekken; — allonge, alonge, f. (spr\' alóhzj\') aangehecht stuk ter verlenging, aanhechtlngspyii of stang; de lange iyn, waaraan men de paarden laat draven; aangehangen papierstrook aan een wissel, welks keer-zyde reeds met endossementen gevuld, maar die nog niet vervallen is; — allonge-pruik, eene lange krulprnik.


-ocr page 56-

ALMANSOH

ALLONIEM

42

alloniem, adj. «r. (van alios, e, on, een ander, en onyma, naam; vgl. a n o n 1 e m) vreemd-namlg, een anderen naam liebliende; een a 11 o-nlem lioek, eon boek, dat onder een anderen naam dan dien des schrljvere wordt uil wreven, allons / fr. (spr. alóii; van aller, gaan) laten we gaan! op! voort; voorwaarts! welaan! b. v. allons, enfants de la pair ie, op! trekken we op! kinderen van \'I vaderland (aanhef van \'t bekende revolutie-lied de Marseillaise, z. a.);

— allez; (spr. nlê] gaat! ga! voorwaarts! allcz-vous-en (spr. —woetiii) voort! weg! pak u weg!

Allooi fr. of aloi, (spr. aloa : van alloyer, oude spellings-variant van allier; v. a. van d loi, naar de wet) het wettig gohalte van goud en zilver, \'t gehalte der muntspeciën, de hoeveelheid van geringer metaal met een heter gemengd ; ook; de hoedanigheid van eene waar in \'1 algemeen, van eenen persoon of van eene zaak.

Allopathie, f. gr. (van alios, c, on, een ander, en pathos, z. aid.) Med. de ovordra-ging der ziekte van eenig lichaamsdeel op een ander; In tegenst. met homoeopathic (z. aid.), de geneeswijze, volgens welke men middelen aanwendt, die eene aan de kwaal tegenovergestelde werking voort brengen (volgens het latUnsche aphorisme contrarïa eonlrarïis curan-lur) allopathische methode, ook al-loeopathie, f. (van allöïos, a, on, veelsoortig); verder: een door vreemden invloed ontstaan lilden ; — allopaath, ni. een voorstander dier genceswgze; ook een andersdenkende, een tegenstander van eene meening.

Allophaan, n. gr. Chem. verbinding van kiezelzure kleiaarde en water.

alloqueeren, lat. allnqui, aanspreken-, — alloqumm, n. de aanspraak; vgl. allocutie.

Allotrïa, n. pi. gr. (van allólrios, a, on, vreemdsoortig) niet ter zake behoorende dingen, bijzaken, vreemdsoortige bezigheden; ook onvoegiUkheden, schelmerijen; — allotrio-dontie (spr. tie—tsie), f. liet Inzetten van vreemde tanden; — allotriologie, f. Inmenging van vreemdsoortige dingen in de rede; — allotri-ophagie, f. gr. Med. de trek naar ongewone, oneetbare spijzen; — allotriurie, f. Med. de afzondering van vreemde stoffen door de pis.

allotropie, f. gr. (van alios, anders, en Mpein) Chem. de eigenschap eener slof, dat zy met wezenlijk verschillende eigenschappen (kristalvorm, speclllek gewicht, enz.) optreedt, zooals b. v. knolstof In diamant en graphiet; ook deze verschillende toestand zelf (allotropi-scbe toestanden).

alïottava, z. octaaf.

alloueeren (spr. ou=oe), fr. iallnuer = eng. allow, van \'t mid. lat. allnrare) toestaan. Inwilligen, laten gelden (Inz. van rekeningen);

— allouabel, adj. (fr. allouable) geldig, toe te staan.

all\'s well, eng. (spr. dis\' oeel), alles is wel, Is tn orde (in den eng. krijgsdienst, inz. hü de marine, het antwoord van den wachtpost op den aanroep des rondgaanden ofliciers).

alloxaan, n. gr. een door in werking van sterk salpeterzuur op piszuur voortgebracht lichaam; eene verwante en op dergelijke wijze voortgebracht lichaam is alloxantine. all right, eng. (spr. al-rail) alles in orde. alludeeren, lat. (aUudere) op Iels zinspelen, doelen, stekelige zinspelingen maken; — allusie, f. de toe- of zinspeling, de wenk; — allusörisch, nw. lat. zinspelend.

allumeeren, fr. (allumer), aansteken; — allumétte, f. zwavelstokje.

all\' unisono, z. unison us.

Allure, f. fr. (van aller, gaan) de gang, pas, tred, de wijze van gaan, stappen, enz. van paarden, en ook van menschen; ook bet spoor van dieren; — allures, pi. gang en houding van een mensch, wijze van doen, gedrag, houding. Allusie, allusörisch, z. a 11 u d e e r e n. Allüvie, f. lat. (alluvïo, van allucre, aanspoelen) de aanspoeling, aanslibbing (Napoleon I noemde bü onze inlijving smadelijk zóo ons land ten opzichte van Klankrijk); — alluvie-recht, het aanspoeiingsrecht, tiet recht om het land, dat door eenen stroom aanslibt, zich toe te eigenen; — alluvium, n. hot aan- en op-gespoelde, de bovenste en jongste lagen der vaste aardkorst; — alluviaal, adj. aan- of opge-spoeld, b. v. alluviale grond.

allyl, n., z. ond. allium.

Alm of alma, f. maat voor vloelslolfen in Constantlnopel.

Almacks, n. pl. eig. (spr. éltneks) modehals der groote wereld in Londen en verder ook op andere eng. plaatsen (zoo geheeten naaiden eersten bezitter van hel huls, waarin zij gehouden werden. Al mack, nu Willis), en nz. op hadplaatsen.

Almade, almadie, f. eng. en fr. (v. arab. ma\'ilijat, een vlol) Mar. soort van vaartuig, In Indie en op de kust van Guinea In gebruik. Almadijn, m. almandijn. Almagést, m. arab.-gr. (van hel arab. al-madschisli = gr. meqisle, de grootste, met het arab. artikel al) eene verzameling van astronomische waarnemingen; eig. de arab. naam van het grieksche, zoogen. grootste werk over de sterrenkunde van Ploiemieus in de ïde eeuw.

Almagra, f. (van \'t arab. al magrat, do roode aarde) spaansche roodaarde, brulnroode okeraarde, als verfstof, als artsenij, enz. gebruikt. alma maler, z. ond. mater.

Almanak, m. arab. (van mand, maat, tyd, noodlot, van manaj, bepalen, vaststellen, hebr. manah, tellen); tijdwijzer, z. kalender; een jaarhoekje met kleine romantische gedichten, opstellen, anekdoten, enz.

almandijn, m. (v. A1 a b a n d a, eene stad in Karle, waar hü vooral gevonden werd) edele granaat.

Almane of a 1 m é n e, oostind. gewicht, omtrent gelijk aan een kilo.

Almansor «f Almanzor, m. arab. naam: de verdediger, de zegevierder, de (door God) beschermde.


-ocr page 57-

ALMA PARENS

ALRAUNKN

43

alma parens, lat. weldoend» moeder (d. i, het vaderland).

al marco, z. mul. m a r k.

Almarïa, r. mid. lat. (oorspronkelUk alma-rfum, ontstaan uit liet lat. armarium, kast) de oorkondenkamer; oorkondenkast of -kist in eene kerk of klooster.

Almaviva, m. vrool(jke kwant, los heertje; ook soort van mantel.

Alme of almeh, f. (arab. lilimeh, fem. v. dlim, onderwezen, geleerd) woord, dal geleerd, bekwaam betcekent, openbare danseressen en zangeressen in Egypte, Perzië en Indie.

Almeidan, perz. (van \'t arab. maidat, eene tafel) de markt, z. bazaar.

Almilla, f. sp. katoenen vest, onder het kamizool (c/iMjra) gedragen.

al minulo, z. ond. minus.

Almohaden en Almoraviden, m. pl. twee mohamodaanscbe secten en dynastlön In Spanje.

Almoraham, ni. arab. de eerste maand van bet jaar In den arabiscben almanak.

Almud, m. sp. (van \'t arab. al-mudd, van maridn, uitbreiden) eene graanmaat = T\\ fanega (z. aid.) j — almud© of (minder goed) al-m o n d e, port. olie- en wUnmaat, die van 5,42 tot l«,tlt; liter doel.

Almukantharat, m. arab. (v. qantara, boogsgewyzo krommen) de hoogtecirkel, een cirkel parallel niet den horizon aan de hemelsfeer getrokken.

al numero, z. ond. numerus.

Aloë, f. gr. (alné) een ultheemsch, veelsoor-tig gewas, vooral In Afrika; ook bet zeer bittere, heilzame sap. dal uil de afgesneden bladeren van vele soorten vloeit; ook voor agave 1.. aid.; — aloëhennep (fr. chanvre d\'aloès, agave, eng. mexican grass, aloe-fibre] geelachtig witte spinstof uit aloöhladeren; — aloëhout, z. c o r d 1 e; ook p a r a d g s h o u t; — aloïne, f. de grondstof der atoe, het aloëbitter.

Aloen-aloen, f. jav. groot vierkant grasplein voor do woning van een vorst of regent op Java.

Alogie, f. gr. (alogia, van a priv. en lógos, verstand, rede, onverstand, ongegrondheid, redeloosheid, ongerUmdbeid, onzin-, — alogisch, adj. onverstandig, ongeëvenredigd; — alogis-tisch, adj. onbezonnen; — alogotrophïe, f. gr. (van dlogns, onverstandig, onevenredig) Med. de ongelijke voeding der licbaamsdeelen, do miswas der ledematen.

Aloi, z. a 11 o o I; — aloïne, z. ond. aloë; — alonge, enz., z. allonge.

Alómtrum, n. nw. lat. het muursalpeter.

Alonzo, z. v. a. \\ 1 p li o n s u s.

Alopekie, f. gr. [alópèkia, van alópêx, vos) de voszlekte, bet uitvallen der baren.

d I\'ordinaire, z. ordinair, ond. orrio.

Aloysius, z. v. a. Lodewyk, z. aid., waarvan het de oudere, by de romaansche volkeren gebruikeiyke vorm is.

Alpaca, n. peruv. een oorspronkelijk op de

Andes (Z.anier.) Inheemsch hergschaap niet voor-trelteiyke wol (Achenia paco).

al pari, z. pari.

Alpen, m. pl. (lat. Alpps; oorspr. celtlsch; iersch en gal. alp, ailp, eene hoog(e) hooge bergen, Inz. In Zwitserland; — alporama, n. gr., zwlls. berggezicht, alptooneel.

al péso,z. ond. peso; — al pizza, z. ond. pezzu.

Alpha, f. de eerste gr. letter; Hg. het begin ; — alpha en oméga, begin en einde, aites in alles, God -, — alpha privativum, de gr. privatieve of beroovings-a (zie fl); — al phabet, n. (lal. alphnbêium, van alpha en bela, de i eerste gr. letters) het AliC, de letters in volgorde; weleer by boekdrukkers46 gedrukte vellen; —alphabet Morse, stelsel om letters door punten en streepjes te vervangen, ten dienste der telegraaf ; — alphabetarius, m. nw. lat. een leerling van \'1 ABC; — alpha-bëtisch, adj. naar volgorde der letters; — alphabetisme, n. stelsel der lelterleekens.

Alphltêdon, n. gr. (elg. op de wyze van gepelde gerst, van dlphilon, gepelde gerst) Chlr. eene beenbreuk met verbryzellng van het been tot gruis; — alphitomantie (spr./ilt;;=lt;«ic), f. eene wlchelary met meel, met gepelde gerst of grutton.

Alphónsus, Alfons, mansn. (oudd. Al-funs. Adalfuns, van funs, bereid, gewillig, genegen) de geheel bereidwillige, welwillende, edel-beretde; — alphonsinische tafelen, astronomische tafels, vervaardigd op hovel en niet medewerking van Alphónsus X, koning van Cnstilië; — alphonsine, f. IChlr.1 kogeltrekker, drleiirmlge kogoltang liy geschoten wonden (door Alphonso Ferri in 1SR2 iiilgevondon.)

Alphus, m. gr. {alplm) Med. eene meelvlek, witleliuldvlok, eene soort van lepra (z. a.)

al piacére of al piaciménlo, z. piarere.

Alpiou, n. fr. (spr. ou—oe.- van \'t Hal. alpiii, elg. al meer, booger op) het teeken, dal men hy het hasselte In de kaart maakt, wanneer men na gewonnen spel den inzet verdubbelt; vgl. p a rol I.

Alporama, z. Alpen.

al pun/o, z. ond. p u n c t u m.

Alquiéra, f. eene port. vochtmaat, te Lissabon van liter.

alquifoux, n. fr. (vim sp. alquifol, voor alcofol, alcohol: voor alkohnl) schoonheidsmiddel der arahlscbe vrouwen om de wimpers en wenkbrauwen zwart te maken, Inz. bestaande uit loodwit.

al rigore di tempo, z. rigor.

Alraunen, alrünen, f. pl. oudd. (alrCtna, van rüria, gefluister, geheim; rüno, rüna, de kundige) vrouwen by de oude Germanen, wie men eene geheime wetenschap toeschreef; (in later boogd. weise Frau, wyze vrouw, verbasterd In weisze Frau, wltle vrouw); wille vrouwen, waarzegsters, wyze vrouwen; ook eene soort van lares of huisgoden; - alruin, alruinwortel, z. mandragora.


-ocr page 58-

ALUMNUS

AL SECCO

44

al secco, i. secco: — al sefino, z, oud. segno;

— al sgralfUo, z. oml. curnlfilo.

Alt, alto, II. f (= lal. alius, Iioor) Muz. do tweede slem, de slem, lt;lle op den sopnmo volgl en vati de kleine f of e lol de twee Re-streepte e loopt; — altist, ru. de altzanger;

— alla ottava. Hal. Muz. een octaaf hooger te spelen.

Altaan, m. (It. allam, van het lat. alius, hooi;) een open uitstek aan een huls, halkoa.

Al taar of altaar, n. (lal, allure, n.) baard, offertafel; kerktafel, de tafel, waaraan de eerste christenen hunne a g a p o n hielden; de toestel, waaraan de mis wordt gelezen; — altaragïum, n. mld. lat., eene aan hel altaar gewydc zaak; — nltare \\mrtabile, n. lat. een draagaltaar, draagbaar altaar; — allare summum, hel hoogaltaar; —altarist, m. een misdienaar, altaarpriester; kerkvader.

alla jurmiictto, z. jurisdictie. Altaragium, altarist, z. altaar. alla ven/lila. It., z. vendlta.

Alta vióla, f. II., ■/.. viola 4) Altéllus, m. nw. lal. een gemeenteklnd, een kind, dal op kosten der gemeente wordt onderhouden.

al tempo, z. tempo.

alter, a, um, lal. de of hel andere; alter ci/o, ander ik, vertrouwd persoon, een plaalsbeklee-der, mederegent; — altera pars, bet andere deel, de tegenpartij; vgl. audiatur en part;

— altëra pars Petri, z. v, a. secmrta Petri, z. secunda; — altérum tantum, n. letterlUk; het andere zooveel, d. I. nog eenmaal zooveel; het dubbele of tweevoud; de renten, aangegroeid tot de grootte des kapitaals.

alterabel, alteratie, enz., z. aite-reeren.

altercatie (spr. tie=tsie), f. lal. (altercnfio) de oneenlgbeld, twist, tweespalt.

altereeren, nw. lat. {alterare, fr. altirer, van \'t lat. alter, z. aid.; doch het fr. altirer in de lieleekenis van dorst veroorzaken, komt van \'t lat. halitare, hygen, een frequent, van halare, ademen) veranderen (veelal ten kwade), verminken, bederven; verschrikken, ontroeren, ontstellen; — alterato, II. Muz. veranderd; — alterabel, adj. fr. {alterable) veranderlijk, voor verandering vatbaar; — alteratie (spr. tie—lsie), f, vervalschlng; ontsteltenis, ergernis, schrik, ontroering; — alterantia, altera-tiva, n. pl. lat. Med. middelen, die, zonder ult-loozlngen te bevorderen, allengs den toestand der vaste en vloeibare deelen des lichaams veranderen en verbeteren; — z. v. a. alloeotika.

allérnus, a, um, lat. de een om den anderen, afwisselend; — altéma raffo, verwisselde verhouding; — altemeeren, lal. {allernare) afwisselen ; — alterneerende koorts, afwisselende koorts; — alterneerende huizen, vorstenhuizen, die in de heerschappij of in zekere voorrechten elkander beurtelings afwisselen ; — alternatie (spr. He—isie), t. (lat. alternaïïo) afwisseling, verandering; — de rangorde, waarin contracteerendo mogendheden in de oorkonde worden opgenoemd, ook het al-ternaat geheeten; — altemdtim, lat., alternative, nw. lat., alternamfnte, altermtivaminte, alterno. It., of alternatief, adj. beurtelings, by afwisseling; — alternatief, n. de gedwongen keuze tusscben twee even moeliyke of bezwarende omstandigheden, de dubbelkeus, iiood-keus, verlegenheid; — alternatief-vuur. Mil. wisselvuur.

alterum tantum, z. alter.

alterüter, lat. {titer, wie van belden; vgl. aller) een van belden.

Altésse, f. fr, (Hal. altizza, van altn = lal. altus, hoog) hooglieid, doorgaans by het aanspreken van vorsten uit kelzeriyke, kenlnkiyke en vorsleiyke hulzen verbondon met impériale, kelzeriyke, royale, koninkiyke, sérénissime, doorluchtige.

Althéa, f. (gr. altlmia, v. althein, genezen) Bol. de heemst, welker wortel een zoetachtig slgrn beval, dat, met arab. gom, suiker en eiwit gemengd, het witte drop geeft.

Altluoniscll,arah.-gr. uit alkohol en zwavel bestaande.

Altimeter, enz., z. ond. altus.

Altin, m. (tart. altyn, goud, goudmunt), i) eene turksche goudmunt = \'i,B0 gl.; —2) eene russ. zilvermunt van 3 kopeken of 5; cent.

Altist, alto, z. ond. alt.

altus, a, um, lat. hoog, diep; — altum si-lenlium, z. silentiumi — altior, alllus, compar. hooger, dieper; — altiöra, pl. hoogere zaken, kundigheden, wetenschappen; — ail altiöra, tot hoogere dingen (overgaan), hooger, verder (gaan);

— per hoe ad altiöra, hierdoor lot hooger; — altióris indaginis, lat. van dieper onderzoek;— al\'timeter, m. lat.-gr. (van \'t gr. mét ran, maat) werktuig tot het meten der hoogte, hoogtemeter; — altimetrie, f. hoogtemeting, hoogtemeet kunst; — altimétrisch, wat tol de hoogtemeting behoort, hoogtemetend; — alti-litilo meridiana, f. lat., de middagshoogte.

Altmichlek, m. turksche zilvermunt van t gl. 10 cis.

Aludél, m. fr. en sp. (waarschyniyk van arab. oorsprong) een suhlimeervat of pot, aarden retort waarin het kwikzilver wordt overgehaald.

Aluin, f, (van het lat. alamen) overzwa-velzure aluinaarde en potasch, een zout, hetwelk sterk samentrekkende krachten bezit; — aluinen crudum, gewone aluin; al. plumosum, pluimaluin; al. ustum, gebrande aluin; — alumia, f. nw. lat., aluinaarde; — aluminaten, pl. verbindingen van aluinaarde, waarin deze aarde zich als zuur voordoet; — aluminiet, n. nw. lat., de bij Halle voorkomende alumlneuse kleiaarde;

— alumineus, adj. lat. {aluminósus, a, um), aluinhoudend; — alumium of aluminium, ii. nw. lat. het metaal der aluinaarde; aluminiumbrons, n. mengsel van »n deelen koper en iU deelen aluminium.

Alumnus, m. lat. (van alére, voeden) een


-ocr page 59-

AMAKANT

ALVARIA

45

voedsterling, kostgniiKer, kweokellng, die kosteloos onderwijs geniet, gevoed en gekleed wordt; — alumna, f. eene pleegdochter, kostgang-ster; — alumnaat o( alumnëum, n. nw. lat. eene kweekschool, waar de leerlingen ook gevoed en gekleed worden; — alumniaat, n. het kweekellngschap op, de toelating tot zulk eene school; — alumnatïcum, n. belasting of bijdrage der pastoors en hezitters van prehenden ten behoeve van het seminarium dei-parochie.

Alvaria, port. woord, waarmede men de koninklijke besluiten van den koning van Portugal aanduidt, die slechts éen jaar kracht hebben en door een der ministers moeten ineile-onderteekend zün.

Alvearïum, n. lat. (van alvéus, holte-, wan, bekken, enz.) de btyenkorf; de oorholte, dat gedeelte van het oor, waar het oorsmeer wordt afgescheiden; — alveólen, pl. (lat. alveóli, van den sing, alveolus, verkl. van al-veus) vakken, afdeelingen by vele schaaldieren; tandkassen; ook b|jencellen, wascellen; zaadhulsjes van sommige planten; — alveolair, adj. de tandkassen betrciTonde.

alvus, I. lat. hot onderlijf, de bulk; — per alvum, door den stoelgang; — alvi ftuxus, lat. de buikloop -, — alvm laxa, open lijf; — a. ah-stnicla, t)ulkverstoptheid.

Alwill, oudd. mansn. (v. wil-, aangenaam; vgl. Wilhelmus): de albeminde, overal welkome.

Alwiii, Alwine, mans-en vr.naam. (van \'t oud-hoogd. wint, vriend, tvinia, vriendin, geliefde) de alvrlend, de algellefde; v. a. verkort van het angels, aethelwin, band des adels.

Alyke, alysis, f., alysma, alysme, n. gr. (van alyein, niet wel bU zinnen zgn), Med. onrust, zielsangst.

Alypïas, m. gr. Med. geneesmiddel tegen lt;le zwartgalligheid, een hevig afvoerend middel.

Alyssum, n. gr. (alysson) schlldzand, tand-draad, steenkruid, vroeger beschouwd als een middel tegen de hondsdolheid.

Aiyta, n. pl. gr. (van a priv. en lyein, losmaken) onoplosbare, onverklaarbare dingen, opgaven.

ahaménlo di mdno, m. ital. (v. alzare, opheffen, lat. altiare, v. alius, hoog) Muz. het opheffen van de hand bU het maatslaan, de opslag.

amabile, amahilménte, amorévole, amoroso, it. Muz. liefelijk, teeder, aanminnig; — amabi-liteit, f. (lat. amabililos) beminnenswaardigheid.

Amadóus, nw. lat. mansn.; Godlief; — Amadeisten, m. pl., eene franclskamer broederschap dor 14de eeuw.

Amadis, m. een romanheld, ridderlijk, minnaar (eig. de held van een ouden fr. roman-. Amadis d e G a u I e); — nauwsluitende hemdsmouw (fr. manche en Amadis), eene soort van handlubben; — amadigauliseeren (spr. s=2), vervelend en langdradig schrijven.

Amalberga, f. oudd. vr.naam (v. amal, bedrijvig) de bedrijvige beschermster.

Amalgama of amalgame, n. arab. (door letterverzetting uit het gr. maluijma, d. 1. verweeking, met voorgevoegde «, waarin \'tarab. lidwoord al ligt) eene metaaloplossing in kwik, eene verbinding van kwik met een ander metaal, kwikverbinding; Hg. een mengsel; — amal-gameeren, nw. lat. metalen met kwikzilver nauw vereenigen; innig verbinden, samensmelten, vermengen; — amalgamatie, (spr. lt;=/.«), (. de verbinding der metalen met kwikzilver;

— Pol. vermengen van natiën, rechten, gevoelens, staatsschulden, enz.

Amalgónde, Amalgünde, oudd. vr. naam. (van amal-, bedrijvig, en ijund, oorlog) de wakkere strijdster; — Amalia, vr.naam: de bedrijvige, wakkere.

Amalthëa, f. gr. (Jmaltheia) Myth, eene nimf, die Jupiter voedde met de melk eener geit; ook die geit zelve. Aan den horen, welke deze geit eens verloor, gaf Jupiter de kracht om alles te verleenen, wat men maar van spijs en drank begecren mocht; vandaar de lioren va n A m a 11 h e a, z. v. a. horen des overvloeds.

Aman, m. arab. (elg. veiligheid, bescherming). Aman roepen of vragen, zich op genade of ongenade aan den overwinnaar overgeven.

a manco (it.) of amanco, n. (van \'t lat. tnancus, z. aid.) Kuil. het ontbrekende, liet debet; de korting op eene som; ook een voorschol.

Amanda, f. lat. (van amare, beminnen) vr.naam.: de beminnenswaardige, liefelijke; — Amandus, mansn.: de beminnenswaardige.

Amandé, n. fr. (spr. amaiidé) drank van amandelmelk; amandes cassées, gepelde amandelen; amandes en coques, pl., amandelen in de schaal.

Amanitine, f. nw. lat. giftslof der paddenstoelen.

Amant, m. fr. (spr. amanvan \'t lat. dmaus, genit. amdntis, beminnend) de minnaar, vrijer;

— aman te, f. (spr. amant\') de minnares, vrijster, geliefde; — amantes, aménles, lal. (pl. v. amans, aniens) verliefden zyn gekken.

Amanuénsis, m. lal. (v. manus, hand) handlanger, laz. by, die oenen ambtsschrijver ten dienste staat.

Amara, n. pl. lat. (van amants, a, urn, bitter) bittere middelen, bitterheden; — ama-resceeren (lat. amarescöre) bitter worden;

— amarézza, it., bitterheid; harteleed; — con amarézia, Muz. met bittere droefheid; — ama-rïne, f. nw. lat. [Cheni.] de bitterstof; — amarulént, adj. lat. bitter; — amaru-lentïe, (spr /=lt;s), f. nw. lat. bitterheid.

Amarant, f. gr. amdrantos, onverwelke-iyk, van a priv. en marainein, verwelken) elg. onvcrwelkeiyk; soort van plant, Inz. In Zuld-Amerlka, welker bloemen gedroogd haar (meestal Ouweelig purperroode) kleur behouden (lat. ama-rantus); — bet amarant, eene purperroode kleur;

— amaranthout, luclithout, vlolethout, purperhout, blauw ebbenhout, soort van West-ln-disch schrijnwerkersbout; — Amarante, vr. naam.: de onverwelkeiyke.


-ocr page 60-

AMBIGrEEHEN

AMARELLE

40

Amarélle, t. (uit hot It. amarello, v. \'t lat. amarw, bitter) de wUnkors, cene soort van groote wUnzure korsen; do herfstgentlaan.

amaresceeren, amarétza, z. ond. a m u r a.

Amaril, n. (fr. éméri of étneril, van hot gr smjris, van smdö, Ik wryf, polUst) Minor, een zeer zware en harde metallische, met veel kwarts vereenlgde steen, van grljzo, roodachtige ot zwarte kleur, die In de Industrie en de kunsten voel gebruikt wordt, om Uzer, staal, spiegels, de hardste stoenen te polgsten, om glas, marmer en edelsteenen (den diamant uitgezonderd) te snijden.

Amarino, z. ond. amara.

amarineeren, fr. {(mariner), aan de zee gewennen.

Amaroe-slang, f. eeno 30 voet lange slang, waaraan de Antls In Peru goddelijke eer bewUzen.

amarulent, amarulentie, z. ond. a in a r a.

Amaryllis, f. gr. eene poëtische herderln-nennaam; — eene lellesoort uit Z.Amerika en Z.Afrika, narcislelie.

Amasêsis, f. gr. (van u priv. en masdo-mai kauwen) Med. het onvermogen om te kauwen.

Amasia, f. lat. de geliefde, minnares; — amasius, m. de minnaar.

amasseeren, fr. (amasser, van masse, z. aid.) ophoopen, verzamelen; — amassétte, f. de spadel, het verfmes der schilders.

Amateur, m. fr. (van \'t lat. amator) de liefhebber, kunstvriend; in het algemeen: iemand die iets rdet ais beroep of bestaansmiddel, maar voor zyn genoegen uitoefent = dilettant;

— amatrice, f. de liefhebster, kunstvriendin;

— Amatus en Amata, (van amare, beminnen) mans- en vr.naam.: de geliefde, beminde;—amatörlsoh, adj. (lat. amatorïus, «, «m) liefdevol, verliefd; amalona febris, f. lat. de liefdekoorts; — amatorïum, n. een liefdemiddel, liefdedrank, z. v. a. p h I i t r u m.

Amathie, f. gr. {umalhiu) onwetendheid, gebrek aan beschaving,

Amathusia, f. gr. en lat. ceu naam van Venus aikomstig van dc stad Amatbus (Ama-thunt) op het eiland Cyprus.

Amaurosis, f. gr, (van amauroen, verdonkeren, amaurös, donker), de verdonkering; volslagen blindheid, zwarte staar; — amau-rotisch, adj. aan de zwarte staar lijdende

Amazirgh, z. KabHen.

Amazone, f. gr. (Amazon; afgeleid van a priv. en mazds, vrouweborst, dus eig. zonder borst), pi. Amazonen, een fabelachtig volk van krijgshafligc vrouwen In Klein-Azië, die men, naar luid der overlevering, In liare jeugd de rechterborst afbrandde, om ongehinderd den boog en pijlkoker te kunnen hanteeren; In \'t algemeen : moedige vrouwen, heldinnen; — Amazonen-rivier, de grootste Z.amerik. stroom, de M a r a n li o n, aan welks oevers Oreliana in 1839 krijgvoerende vrouwen zou ontmoet hebben;

— amazönen-kleed, ook: amazone, een manneiyk vrouwenkleed, vronweiyk rykleed; vrouweiyke dracht, welke naar die der mannen geiyki.

ambabus (sell, ma nil) us) lat. (van ambo, ambae, beide) met belde banden, b. v. eene gelegenheid, een aanbod aangrijpen,

ambages, pi. lat. omwegen, draaieryen; — per ambages, langs omwegen; — ambagieus, (lat. ambagiósus, a, urn), vol omwegen, wydioopig, Ambar, m. russ. (van \'t perz. embdr) stapelplaats van waren, magazyn, pakhuis.

Ambarvalïa, n. pi. lal, Ceresfeest by de Romeinen, veldfeest, pleehtige ommegang, waarby men In de lente aan de godin Ceres veldoffers bracht.

Ambassade, f. (spr. anbassd-d\', hel naast ontleend aan het fransch; oorspronkeiyk echter van het gotb. andbahti, dienst, oudhoogd. ambaht, later ambel, ons ambacht, samengetrokken tot ambt, waarvan in mid. lat. ambaseïa, ambassi-utu, gevormd werd) gezantschap; —ambassadeur, m. gezant, afgezant; — ambassadrice, f. gezantsvrouw.

Ambe, f, ital. (ambc, beide, van het lat. ambo, ambae) twee uitgekomen nommers van de vijf, in zekere loteryen.

Amber, z. ambra.

Ambidéxter, m. mid. lat. (naar liet gr. amphidexios), eig. aan belde zyden recht of rechts: iemand, die do linkerhand even goed en vaardig als de rechter gebruikt, die rechtsch en iinkscb is; lig. een dubbelhartig mensch. Iemand, die met belde partyen heult; — ambidex-teriteit, f. geiyke vaardigheid met iieide banden-, lig. dubbelhartigheid.

ambiëeren, (lat. (amblre, eig. omgaan, van den een tot den anderen gaan) trachten, streven, slaan, 1). v, naar eenen post; — ambiënt, m. (lat. amlnens) een postzoeker, dinger naar een ambt; — ambitus, m. bet omgaan; de omloop, omvang; overdekte omgang by eene kerk; het dingen naar iels, Inz. bet onbehooriyk dingen, b. v. met omkooping en dergeiyke; — ambïtus crimen, z. end. crimen; — ambitie (spr. t=ts), f. (lat. amliitio) oorspronkeiyk: het streven naar een ambt, naar gunst en bevordering; het eergevoel, de oorliefde, eerzucht, eergierigheid; — ambitieus (lat, ambiliösus, a, urn) eerzuchtig, eergierig; — ambitidsum de-crëtum, n. lat. Jur, een partydig, niet oniie-vooroordeeid besluit; — ambitioneeren, nw, lat, (fr, ambitinnner) de eerzucht hebben om Iets te doen, te zyn of te schynen; uit eerzucht naar Iets stroven.

Ambigêen, lat. gr. van twee dingen afstammende, tweeiings....

ambigeeren, lat. (ambigëre) onbesloten zyn, aarzelen, twyfelen; — ambigüum, n. (van \'t lat. ambigüus, a, urn) iets dubbelzinnigs; — in ambiui/n, lat, onzeker, in twyfel; In ne-iciige omstandigheid; — ambigu, fr, (anbigü) dubbelzinnig; alssuhst. ambigu, n. een mengsel van met elkander strydige dingen, Inz. een maal, waarby koude en warme gerechten, fruit


-ocr page 61-

AMBILOGIE

AMEN

47

dn gfibnk te gelUk wonll opgedlscht •, — am-bigu-spel, een kaïirtspel, uit vele spelen samengesteld ; — ambiguiflorisch, adj. met bloemen van dubbfilen vorm-, — ambiguïteit, f. (lat. ambifiuftax) de twUtel, onzekerheid ; dubbelzinnigheid.

Ambilogie, f. lat.-gr. (v. \'t lat. ambo, beide, en gr. logos, rede) de dutilielzinnige rede ut uitdrukking, de dubbfilziniilgbfiid.

Ambitie, enz., z. ond. ambiëeren.

Amble, f. fr. (spr. aiibl\') Ryscb. de telgang, pasgang, drieslag, de gang van een paard, als het de beide beenen van eene züde te geiyk oplicht; — ambleeren, (fr. ambler) den telgang gaan; — ambleur, m. bert dat de ach-terpooten zet voor bet spoor der voorpoolen.

Ambloma, u., enamblösis, f. gr, Med. de miskraam, z. v. a. abortus; — amblo-thridia, amblotika, n. pi. vruchtafdrU-vende middelen; — amblothridion, n. afgedreven misgeboorte; — amblötisch, adj. vruchtafdrUvcnd.

Amblyaphie, f. gr. (v. amblys, stomp) stompheid van gevoel.

Amblygoon, n. gr. (van amblys, stomp, en gönia, hoek) do stompe hoek; de stomphoe-kige driehoek; — amblyopia, f. gr. verzwakking van het gezicht, de kortzichtigheid; — ambl^ops, m. Iemand met een zwak gezicht, een kortzichllge; — amblyterisch, adj. met afgestompte randen en hoeken (van kristallen).

Amboïna-hout, n. fii\'n zeer bard, roodachtig of goudgeel hout van een palmboom op Amboïna (een der Molukken), dat lot lijn schi\'ün-werk wordt gebezigd.

Amboise, f. fr. (sp. aiiboaze) roode boterpeer.

Amboisienne, f. fr. (spr. aiiboatjèn\') eene dichte zydestof, te Amboise in Frankrijk vervaardigd.

Ambon, m. gr. (limbon, v. ambainein, ana-bainein, naar boven gaan), pi. ambonen, lessenaar, spreekgestoelte, kansel in de oude kerken; vandaar ambonoklasten, verbrokers van die zanggestoelten, yveraars legen de kerkmuziek.

ambouteeren (spr. niiboe.—) fr. {ambnulir of embou/ir) eene metaalplaat met den hamer hol ultdryven; onilerleggcn, b. v. met katoen of zyde, by stikwerk.

Ambra, a m b e r, m. (arab. anbar, spr. om-bar) eene grauwe, harsige stof, die om haren ilefeiyken reuk tot oen zoo kostbaar als zeldzaam reukwerk dient; — ambraïne, n. am-bervet; — ambriliquïdum, n. nw. lat. vloeibare amber, z. storax; — gele a m b e r, barnsteen; —witte amber, walschot, z. ond. cachelot; — ambreade, f. fr. onecht barnsteenkoraal, geelroode glasparel; — ambreeren, met amber geurig maken; — ambreaat, n. ambrazuurzout; — ambreïne, f. ambrazoutstof.

Ambrometer, m. gr. sneeuwmeter.

Ambrosia, f. gr, ambrozijn, (v. am-

brösios, onsterfeiyk, goddeiyk) onsterfeiyk makende godenspys, hemelsche spys, bet voedsel der goden volgens de fabelleer; tig. ullstekend smakelyke spys; — ambrósisch, adj. (spr. s=z) goddeiyk, den goden toekomende; hemelsch zoet, van hemelschen geur; — ambrosia-nen, m. pl. Augustynermonnlken en •nonnen in Italië; ook, oude Milaansche gouden en zilveren munten; — ambrosiaansche bibliotheek, beroemde boekverzameling te Milaan; — ambrosiaansche lofzang, z. Te Deum; — Ambrosïus, mansn.: de onsterfeiyke, goddelyke; — ambrozijnen, f. pl. de beste soort der uit Italië In den handel komende amandelen.

Ambubajen, f. pl. syr. (lat. ambubajae) syrlschc llchtfikoolen en zangeressen in het oude Rome (die zich in het circus lieten zien en hooren).

Ambuleeren, lat. (ambulare) heen- en weór gaan, rondwandelen, rondtrekken; — ambulacrum, n. koorgang In kerken-, — ook bu de oude Romeinen; plaats in \'t leger voor marschoefeningen der manschappen; — ambulance,\'f. fr. (spr. aiibuldhz\') het veldla-zareth, veldhospitaal; —ambulant, lat. (am-b it lans) omzwervend, rondtrekkend, heen- en weêrloopend, onrustig; alssubst., een onbevoegd makelaar; — ambulante post, de postdienst op de spoortreinen; — ambulatie (pr. l=ls), f. lat. het rondtrekken, de wandeling;

— ambulator. III. lat. een wandelaar. Iron, een straatsiyper, dhinianlsiyper; — ambula-törisch, adj. (lat. ambulalorïus, a, um), als adv. ook ambulalorfe, rondtrekkend; verander-iyk, verwisselend; — ambulatorische of ambulante kliniek, behandeling van nlet-bedlegerige zieken, die zelf geneeskundige hulp komen halen; — jus volonlatis ambutatoriae, het recht om zyn wil tot aan den dood te veranderen.

Amburbaliën, pl. lat. feesteiyke optocht in de stad Rome.

Ambureeren, lat. (ambwlre) in de rondte verbranden.

Ambuscade, f. fr. (spr. an\'buuskad\') krggsk. hinderlaag, bedfiktfi post, z. ond. em-busqeeren.

ambüsta, n. pl. lat. (v. amburire, rondom aanbranden, verbranden) Med. brandwonden;

— ambüstie, f. (lat. ambusffo) de ombran-dlng, hel rondom-zengen-, de cauterlsalle.

Amédsji (eféndi), m. turk. de kabinetssecretaris van den reis-efendi (z. efendl).

Amelanchier, m. Hot. alpen-mispelboom {Pirus of Mespilus amelanchier).

Amelie, fr., z. v. a. Am alia.

amelioreeren, f. {améliore, van \'tint. meitor, heter) verbeteren, veredelen, verfraaien;

— amelioratie, (pr. (=lt;s), f. de verbetering.

a memoria, lat. de oorkondenscbryver.

Amen, hebr. (amen) bet zy zoo! het geschiede! worde waar! voorzeker! (bet gewone slot der gebeden); vandaar: amen zeggen.


-ocr page 62-

AMENDE

AMICUS

48

eene zaak hcslisscn; lots toostemnien, hevestlgen.

Aménde, f. (spr. amaiid\'), fr. (mid. lat. emenda en amenda, van amendare, fr. amender = lat. emcndare, verboteron, cIr. van fouten zuiveren, van mendum of menda, foul, gebrek) geldstraf, geldboete; — amende honorable, fr. (spr. —onordhl\') In \'t oude fr. recht; eene soort van onteerende straf, die den schuldige veroordeelde om zUne misdaad te bekennen en er vergiffenis voor te vragen; kerkboete tot ontlielllng van den ban; bekentenis van schuld en bede om vergiffenis; — amendement, n. fr. beterschap, verbetering, Inz. de wyzlglng van eene wet, een besluit, b|j de openbare behandeling daarvan In do Kamers; — amend abel, adj. beboetbaar; voor verbetering vatbaar.

Amenie, amenorrhoea, f. gr. (v. a prlv. en min, maand, vgl. menorrboea) het ziekelijk ultbiyven der maandstonden.

a mensa, z. ond, mensa.

Amentaeëse, pi. katjesdragende boomen, zooals; populieren, hazelaars, enz,; — amentum, n. Bol. bloemkatje (zekere bloelwüze).

Amenthes, de onderwereld bü de oude Egyptenaren, de hades der Grieken.

amentia, f. hit. (van a-mens, onzinnig, zinneloos) stompzinnigheid, zinneloosheid, waanzin; a. activa, krankzinnigheid, waanzin; a. occulta, verborgen waanzin; a. partialis, gedeeltelijke, plaatselijke waanzin; a. passiva, stompzinnigheid, stille waanzin; a. senilis, klndschbeld, gees-teszwakte ten gevolge van ouderdom; a. simplex, eenvoudige, algemeene geesteszwakte.

Americaniseeren, Amerikaanscbe vormen, zeden, enz. geven; — americanisme, n. Engelscbe uitdrukking, alleen in Amerika in gebruik; studie van al wat Amerika betreft; eigenaardig kenmerk der Amerlkaansche dingen; — americanist, m. kenner van Amerika, van zijn talen.

Amerij, n. (versnelde uitspraak v. Ave M a r |j, wees gegroet, Maria) een oogenbllk, ommezien (de tijd, dien men behoeft om een A v e-M a r |j te bidden).

o merveille, z. m e r v e 111 e; — H meta, z. meid. o meta. Hal. ter belfte; rontn a meta of c.anto meta, voor halve rekening, voor gemeenscbap-pelljke rekening van twee personen.

Amétobolisch, adj. gr. geene verandering toelatend.

amethódisch, adj. gr. (vgl. methode, enz.) strijdig met eene goede leerwijze; zonder orde, zonder grondstellingen; — amethodist, m. een knoeier, kwakzalver.

Amethist, m. gr. {améthystos, v. a prlv. en melhyein, dronken z|jn) een violetkleurig edelgesteente, in schoonheid en waarde aan den smaragd gelijk geschat (zoo genoemd, omdat men hem hield voor een talisman tegen de dronkenschap) ; — amothysta, n. pl. beschonkenheid voorkomende middelen.

Ametrie, f. gr. (ametria, van n prlv. en métron, maat) de ongelijkmatigheid, onevenredigheid, wanverhouding (het tegendeel van symmetrie);—amétrisch, «dj. wat zich ongelijk verhoudt, onevenredig.

Ametrople, f. gr. afwijking van hot oog van den normalen refractlctoestand; — ame-tropisch, adj. daarop betrekkelijk; a. oog, waarvan hot punt van duidelijk zien ligt bulten het vlak van het netvlies (hetgeen myopie ten gevolge heeft als het naar voren en pres-hylie als het naar achteren ligt).

Ameublement, n. (spr, —man), fr. (v. meuhle, en dit van \'1 lat. mobfle. Iets beweegbaars, vervoerbaars) de stolfeerlng; het huisraad; — ameubleeren (van \'t niet gebruikelijke fr. ameubler) stoffceren, van huisraad voorzien.

Amfloen, n. naam dien men In O.-Inille aan den opium geeft z. oplum; amlloenschuiven = opium kauwen.

Ami, m, fr. (van \'t lat. amicus) vriend ; liefhebber; In \'t quadrille-spel degene, die den geroepen heer heeft; ami de cour (spr. —hoer, hofvrlend, valsche vriend; man ami, m|jn vriend; par ami, door eenen vriend (op adressen van brieven afgek. p. a.)- amie, f. vriendin; — amiabel, adj, vriendschappelijk; adv. a 1\'amiable, in het vriendelijke, In dor minne; — amitié, f. vriendschap; bonne amilié, goede vriendschap, broederschap; par amitié, uit vriendschap.

Amiant, n. gr. (amianlos, d. I. elg, onbevlekt; rein) of asbést, n. gr, (van asbestos, onuitbluschbaar, onvergankelijk) steenvlas, bergvlas, bergwei, vezelsteen, eene steensoort, dlo zich tot onverbrandbare weefsels (asbest-l|jn-waad) laat verwerken; de Kussen noemen ze kamenlsjiik of steenzgde.

amicaal, amicabel, enz., zie onder amicus.

Amicia, f. mid. lat. de monnikskap; — amiceeren, lat. (amicire) bekteeden; — amic-torïum, n. borstbekleeding, halsdoek; — amictus, m. kleeding; tnz. bet priesterlijk schouderdeksel tusschen de albe en de soutane b|j het mislezen.

Amicus, m. lat. vriend , eertijds als Knit, voor handelsvriend, correspondent; — amica, f, vriendin, beminde; — amice, amicissïme, vriend, beste vriend, als opschrift of aanspraak in brieven; — amïca mam, op adressen van brieven afgek, a. m., met vriendenband, door een vriend (te bezorgen); — amicus humani qenüris, de vriend van ledereen, d. 1. van niemand; — amicus Plato, sed maf/is amica Veritas, Plato is ni|j Hef, maar do waarheid nog liever (d. 1. het is niet voldoende dat eene meening door een eerbiedwaardig persoon wordt aanbevolen, z|j moet overeenkomstig de waarheid z|jn); — amicaal en amicabel, adj. (lat. amicalis amicabilis) vriendschappelijk; — amicabflis com-poülio, f. Jur. eene minnelijke schikking; — amicabtli modo, amicabittler, lat. vriendschappelijk, In der minne; — amicabiliteit, f. nw. lat. vriendelijkheid, welwillendheid;—ami-cisten of amicitianen, (spr, t=l.s) m.


-ocr page 63-

AMORCE

49

AMIDA

lil. nw. lat. lodon van do zoogcn. amldstcii of vricndschapsordc, cone studenten-vereciilglng, gevormd naar de vroegere mosellanor-orde der studenten te Jena, in 1771; — amicitïa, lt;spr. t=ts),t. lat. de vriendschap; nok de godin der vrlendscbap; amiciliae causa, uit vriendschap.

Amida, m. Japan, hoogste regeerder dos hemels.

Amidam of amidon, 2. amy ion-, — amidine, f. hoofdhestamldeel van het zetmeel.

Amiraal, z. admiraal, z. ook am mi-raai.

Amirante, m. sp., elg. z. v. a. admiraal, opperbevelhebber der land- en zeemacht.

amissibel (later lat. amissibllis, e, v. amit-Ure, verliezen) verliesbaar; — amissie, f. (lat. «missio) het verliezen, het verlies.

Amitié, z. ond. ami.

Ammann, m. (verb, van ligd. obmumi of wntmann) districts- of gemeentehoofd In verscheiden Zwitsersche kantons Inz. in Grauw-bunderland.

Ammas, f. eene In Frankryk aangebouwde nieuwe tarwesoort.

Ammeraal, m. (waarschUniyk verbasterd van amlraai, admiraal) Mar. eene zelldoeksche slagputs om water te hgschen by \'t schoonschip-maken.

Ammochosie of ammochösis, f. gr.

(v. aminos, zand) Med. de plaatsing van een zieke in wurm zand, Inz. in het door de zon verwarmde zeezand; een zandbad.

Ammoliue, f. (van ammoniak en oleum Kovormd) Ghem. de zoutvatbure basis uit de niet overgehaalde dleriyke olie van Dippel.

Ammon, m. bebr. naam (dmun): de getrouw e; ook de bynaam van den egypt. Jupiter, met eenen ramskop voorgesteld; vandaar ammonieten of ammonshorens, m. pl. posthorens, versteende zeeslakken van den vorm «ens gedraaiden ramshorens.

Ammoniak, m. (gr. ammóniakón, n. lal. sal ammomacus: vandaar salmiak, z. aid.) vloeibare ammonia; — ammonia, f. klcur-looze gasvormige verbinding van waterstof met stikstof; — ammoniakalisch, adj. vluchtig loogzout bevattend; — ammoniak-gom, eene oostersche gomhars; — ammo-niak-zout, een grysw it, glasachtig zout van scherpen, pisachtigen smaak, dat in do urine van den mensch en In de uitwerpselen van al ■de dieren, die zoutbevattende planten eten, voorkomt ; — ammoniaat, n. met ammoniak verbonden metaalkalk; — ammonium, n. Chem. de metalliscbe grondstof van den ammoniak, eene verbinding van stikstof en waterstof.

Ammonieten of Ammonshorens, z. A m m 0 n.

Ammunitie, z. munitie.

Amnesie, f. gr. (van a priv. en amnësis, tierinnering) Med. het verlies van het geheugen of van de herinnering, geheugenzwakte, vergeetachtigheid ; — amnestie, f. gr. (omnes-■leia, van d-mnislos, niet gedachtig), het nlet-VIEItDE DllUK.

gedenken, liet vergeven en vergeten van aangedane beicedlgingen, inz. in den oorlog, kwyt-scheiding van straf, zoen; het bedelven In vergetelheid ; — amnestiek, f. de geschiktheid of de kunst om te vergeten; — amnestieeren, ongestraft laten, verglITenis, genade schenken; — geamnestiiSerd, voor straffeloos verklaard, in de strafonthefling begrepen, begenadigd.

Amnicolist, m. nw. lat. (lat. amnicöla) rlvioroeverbewoncr; - amnicolisch, adj wat zich aan den oever bevindt; amnigenisch, aiij. in rivieren geteeld.

Amnion of amnium, n. gr. (van amnós, lam) Physiol, het lamsvlies, waarin zich de vrucht In \'t moederiyf bevindt; — amniomantie (spr. I=ls), f. voorspelling uit het lamsvlies; — amnitis, f. ontsteking van dit vlies.

Amodiatie, z. admodiatle.

Amoobceisch, adj. gr, {amoibatos, on) afwisselend, h. v. in \'t gezang ; — carmen amoe-baeum, n. lat. een beurtgezang; — a moe ba else be verzen, verzen, waarin do staande en slepende regels met elkander afwisselen.

amoenus, a, urn, adj. lat. aangenaam, bevallig ; — amoBniteit, f. (lat. amoenftas) bevalligheid, innemendheid, liefeiykheid.

Amok, jav. en mal. (elg. dooden) soort van dolle woede of razerny (mania transitoria) der Inlanders In den Ind. archipel; ook de daarbij geuite kreet; — amok maken, in dolle woede gaan moorden.

Amömum, lat. (gr. dmómon) in do oudheid eene Indische speceryplant en een daaruit bereide kostbare balsem; Bot. eene soort van speceryplanten, waartoe de kardamom, de gember, enz. belmoren.

amontal, fr. (van ó mant) elg. bergwaarts. bergop; oostwaarts, oosteiyk.

Amor, m. lat. de liefde; ook z. v. a. gr. Eros, de god der liefde, minnegod, de zoon van Mars en Venus; — amor vindt omrita, de liefde overwint alles-, — con amöre. Hal. met liefde, lust, genoegen, ingenomenheid ; — amo-rétten of amorinen, f, pl. llefdegoodjes; ook liefdestrikken In bet haar; — amourét-ten, f. fr. (spr. amoe—), z. v. a. amorellen; ook voorhygaamle, niet ernstig gemeende min-narUen; ook de beste vieescbslukjes, palersneet-jes; — amouréttenhout, n. een vast geel-roodachlig hout uit VV. Indie voor lijn schryn-werk (van Mimosa ten ui folia en M. tamarindifo-lia); — amour, m. (spr. amóér), pl. amours, liefde; minnary; minnehandel; — amours maken, het hof maken, vr||en; — amour-propre, eigenliefde; ook: eergevoel, zelfach-ting; - amoróso, m. It. een minnaar, verliefde, liefdeheid; — amoureus, adj. fr. {amou-reux) verliefd; — amorévole en amoróso. Mus., z. amabile.

Amorce, f. fr. (van \'1 lat. monlere, fr. mor-dre, byten; vgi. morceau; lat. admnrdire, aan-byten; ttdmorsus,\\\\e[ aanbyten) de lokspys; Mil. het zundkruit; mondgat hy de mynen; — amor-


-ocr page 64-

50 AMPHIKARPISCH

AMORETTEN

ceeren (fr. amercer) door lokspljs zoeken te vimften, aanlokken, verleiden; van zundkrult voorzien; ook Tcchn. eene koperen plant In eene sterke oplossing van goud, platina of zilver dompelen.

Amoretten, amorinen, amoroso,

enz., z, ond. amor.

Amórpha, m. pi. gr. (van a prlv. en mor-phc, gedaante) vormlooze, onregelmatige gedaanten, onvormen; — amorphïo, f. vormeloosheid, wanstaltigheid; — amórph, amór-phisch,adj. misvormd, vormeloos; - amor-phisme, n. gestalteloosheld, Inz. in tegenoverstelling met de krlstalllseerlng.

amortiseeren, barb. lat. (spr. s-z) (fr. amorlir, elg. dood maken; van mort, dood) minder hevig maken, de kracht der werking temperen of mallgen, smoren; uitdelgen, voor ongeldig verklaren, aan de doode hand verknopen; eene leening rentevry maken; — amortisatie (spr. Iie= luie), f. of fr. amortissement (spr. ti-s\'mdii) schuld- of renle-ultdeiglng, vernietiging der openbare schuld door achtereenvolgende aflossingen ; de ongeidigverklaring, inz. van waardehebbende papleren; het overlaten van een stuk gronds aan de d oode ha n d (aan eene gemeente, kerk, enz.); — amortissement ook; Arch, het topsieraad op een gebouw; hel slultsieraad van een of ander gedeelte eens bouwwerks; — amortisa-tie-fonds, amortisatie-kas, het fonds, de kas, die bestemd Is tot do achtereenvolgende ultdelglng der openbare schuld.

Amos of Amoz, hebr. mansn.; de sterke, rustige, moedige.

Amotie, f., z. amove eren.

Amour, amouretten, enz., /.ie onder a m o r.

amoveeren, lat. (amovëre) verwijderen, wegruimen; ontzetten, b. v. van een post of ambt; afbreken; sloopen; — geamoveerd, afgezet; gesloopt, afgebroken; — amovibel, nw. lat. (fr. amorible) afzetbaar-, — amovibi-liteit, f. do afzetbaarheld; — amotie (spr. I=ls), f. (lat. amolln) de wegruiming, slooping; afzetting, ontzetting; — nmala res, lat. Jur. ontvreemde zaken, inz. voorwerpen, die echtgenooten of aanverwanten zich zonder recht toeeigenen.

Ampas, f. jav. en mal. (eig. vast overblijfsel van Iets dal uitgeperst, afgetrokken of uitgekookt is) afval in suiker- en indigofabrieken.

ampel, adj. (fr. ample, lat. amplus, a, urn), zie ond. amplus.

Ampeline, f. gr. (van dmpëlos, f. w ijnstok) eene door overhaling met zwavelzuur en potasch verkregen olie ter gasberelding; — ampelur-gie, f. wynbouwkunde, wynberghearbelding.

amphamphötërodiplopie, f. gr. het dubbelzien (met beide oogen te gelijk en met leder oog afzonderlijk).

ampharisterisch, gr. linksch met belde handen.

amphemórisch, adj. gr. (van amp/ii, z. aid , en Aumft-n, dag) dagelijkscb; dagelijks le-rugkeerend.

amphi, gr. voorz.; om, rondom, van rondom, in samenstellingen ook: van belde zijden, op tweeërlei wijze, tweevoudig.

Axnphiarthrösis, f. gr. (vgl. arthro-s 1 s) Anat. do halfboweeglilkheid of onmerkbaar beweeglijke gewrichtsverbinding van twee beenderen.

Amphibïum, n. gr. {amphibion, van amphi, z. aid., en bios, leven), of amphibie, f., pi. amphibïën, elg. dieren, die op het land en in het water kunnen leven, inz. koudbloedige longdieren, kraakbeendleren, bg ons verkeerdelijk tweeslacbllge dieren goheeten; Hg. Iemand, die beurtelings Iwee geheel verschillende meeningen uil, of die twee strijdige ambten vervult ; — amphibiolith, m pi. amphibi-ollthen, versteeningen van amphiblen of van enkele gedeelten daarv an; — amphibioloog, m. kenner der amphiblen; — amphibiolo-gïe, f. beschrijving der amphiblen, kennis der amphiblen; — amphibisch, adj. in en bulten het water levend; (verkeerdelijk) tweeslachtig.

amphiblestroïde, f. gr. (v. amphible-stron, vlschnet) netvlies In \'t oog; — amphi-blestroditis, ontsteking van dit vlies.

Amphibóle, f. gr. (v. amphibolos, dubbelzinnig, twijfelachtig) hoornblende, uit klezelzaren kalk, leemaarde, enz. beslaande; — amphi-bolie (gr. amphibolia) of amphibilogie, fr, de vatbaarheid voor tweeërlei opvatting, de dubbelzinnigheid; — amphibólisch, am-phibológisch, dubbelzinnig.

Amphibrachys, m. gr. (v. amphi, z. aid. en brachys, korl) eene voetmaat van drie lettergrepen, waarvan alleen de middelste lang Is,

terwijl de belde andere kort zijn ( —--^), b. v.

genadig.

Amphibranchïa, n. pl. gr. (vgl. branch us) Anat. de amandelen en de achterste mondholte.

Amphidêum, n. gr. {amphi-dénn, d. I. elg. ombindend) Anat. do mond der baarmoeder.

Amphidiarthrósis, f. gr. (vgl. dlar-tbrösis) Anat. dubbele inwricbtlng, dubbele gewrichtsverbinding.

amphid-zouten, pi. Chem. verbindingen eener basis met een zuur, die hetzelfde negatief electrlsche bestanddeel hebben (die dus dubbel voorkomt); by de meeste amphid-zouten, de zuur-slofzoulen, Is dit de zuurstof.

amphidiplopie, f. gr. dubbelzien met belde oogen (vgl. d 1 p 1 o p I e).

Amphigurïe, f. (fr. amphigouri, van \'tgr. amphi, i. aid., en gyros, kring, cirkel, al zoo; wat als \'1 ware In een elrkel rondgaat) verwarde taal, ztnnelooze woordenkraam, onsamenhangende woorden; — amphigürisch, adj. verward, onzinnig.

amphikarpisch, gr. [amphikarpos, van karpós, vrucht; ook de handwortel) hoven en onder de aarde vruchtgevend, dubbelvruchtdra-gend ; — amphikarpüum, n. Qilr. een omslag of pleister op den handwortel.


-ocr page 65-

AMPHIKAUSTIS

51

AMSJ1K

Amphikaustis, f. gr. de vrouwolUke schnamdeelon.

Amphiktyónen, Amphiktyons, m.

pl. gr. {amphiktyönes) raad «r gerechtshof van het oude Grlokenland, waarheen alle gr. staten hunne afgevaardigden zonden, de algemeene staten van Griekenland (zoo genoemd, wil men, naar den Insteller Amphlctvon, doch elg. en oorspr. zeggende: de omwonenden).

Amphilogie, f. gr. {amiMlotjia) tegenspraak, twist; — amphilógisch, adj. tie-t wist baar, t wUfelachtIg.

Amphimacer, m. gr. {amphimakros, van amphi, z. aid., en makrós, lang) een versvoet van drie lettergrepen, waarvan de middelste kort Is, terwijl de helde andere lang zyn, ook cretlcus geheeten (--—), h. v. woordenboek.

Amphimetöres, n. pl. gr. (van amphi en mêtër, moedor) kinderen van twee moeders, maar van denzelMen vader.

Amphïon, m. gr. Myth, zoon vafi Jupiter en /V n t i o p e, koning van Thehe, een der oudste toonkunstenaars, die door de tooverkracht zijner lier wilde dieren en steenen, d. i. ruwe menschen, wist Ie treffen.

Amphipatöres, m. |)i. gr. (v. amphi en pater, vader) kinderen van twee vaders, maar van éene moeder.

Amphipneüma, n. gr. (vgl. pneuma) Med. hot mocllUke ademhalen.

amphiprostylon, n. gr. (vgl. prosfy-lon) dubbele zullenlngang, een tempel met vier zuilen aan do voor- en achterzyde.

Amphiscïi, pi. gr. {amphi-skioi, van skld, schaduw) Geogr. tweescbaduwlgen, menschen, wier schaduw In het eene Jaargetijde naar het noorden en in het andere naar bet zuiden valt, en die dus tusscben de keerkringen wonen.

Amphismila, f. gr. (v. amphi, z. aid., en urnile, mes) een tweesnijdend mes, inz. tot anatomisch gebruik.

Amphitheater, n. gr. {amphi-thédtron, vgl. amphi en t li e a t e r) bu de Grieken en Romeinen een rond of ovaal gebouw voor de schouwspelen ; hedendaags eene halfronde, trapswijs of schuin opgaande schouwplaats voor bet tooaeel, elg. h e m 11 h e a t e r; — amphitheatra-lisch, adj. halfrond en trapswijs opgaande, schouwburgsgewys.

amphitomisch, adj. gr. tweesnijdend.

Amphitrïte, f. gr. (elg. lie omgrenzende) Myth, de godin der zee, gemalin van Neptunus; tl, n. eene soort van zeeworm: rolvormige wa-terworm, zandkoker; — do schoot of de rug van Amphitrïte, de zee, het vlak der haren.

amphitropisch, adj. gr. zich naar beide zijden wondend.

Amphitryon, m. gr. Myth, de zoon van Alkieos en gemaal van Aikmene, by welke Zeus, in Ampbitryons afwezigheid, Herakies (Hercules) teelde; daarom ook voor horendrager; ook (naar den hoofdpersoon in een hiyspei van Molière) een gegoed en mild gastheer.

Amphóra, f. lat. (van het gr. amphoreiii) eene hengsetkruik, groote wijnkan-, eene groole wynmaat bü de oude Romeinen (volgens Hudieus maakten 5 amphom hij de Romeinen een fr. okshoofd uit; tiij de Grieken was zu kleiner; i rom. amphora1 stonden getyk met K grieksche, 1 amphora of quadrantal = H congii, of iK sextarii, of tttt hemina\', of l\'.li quartarii, of :iNi acetabula, of 570 cyathi. Volgens den zoogenaamden farnesi-schen conglus In de Dresdensche antleken-verzameling, bevat de amphora) Uiers);

ook eene venetiaansche vochtmaat.

amphoteer, adj. gr. {amphóteros, beide, van heide zyden) Chem. indilferent, noch basisch noch zuur of heide; — amphotcre 11 chain en, zulke lichamen, welke basis en zuren te getyk zyn.

amphoterodiplopie, f. gr. (vgl. d I p l o-

p I o) bel dubbelzien met elk oog afzonderiyk.

amplecteeren, lat. [amplédi) omvatten; ook: voor erkend aannemen, goedkeuren; — amplectief, omvattend, omarmend; — am-pléxus, m. de omvatting, omarming.

amplux, a, urn, lat. vvyd, ruim; aanzieniyk, schitterend, roemrük; vandaar ampel (fr. ample) wydioopig, breedvoerig; - amplissi-mus (superi. van amplux) hoogaanzieniyk, hoogedel;—f. de wydle, omvang; Inz. (amplitudo arcus) de boogwydte, de boog tus-schen den op- en ondergang der zon, fr. am-pHlude, (spr. aiiplilü-d\'); — amplitudo occidüu, f. lat. de ondergangsboog; — a. nrtiva, de op-gaugsboog; — magnetische amplitude, de boog tusscben het oost- of westpunt van het kompas en het op- of ondergangspunt eener ster; — ampliatie (spr. I=ls), f. lat. (van ampliare, wyder maken) de uitbreiding, aanvulling; de verschuiving der uitspraak ia een rechtsgeding; de opheldering; ook bet afschrift eener quitantle, enz., die tol meer zekerheid dubbel gesteld wordt, maar slechts als enkel geldt; — ampliatief of ampliativus, m. nw. lat. de zeer lioogc graad eener eigenschap (in onderscheiding van superlativus, den boogsten graad); — amplifleeeren (lat. amplificare) uitbreiden, vergroeien, breeder uileen zetten; — amplificatie (spr. t=ls), f. de uitbreiding van eene gedachte, of een beeld in de redekunde.

Ampoule, f. fr. (spr. aiipoel\'; van \'1 lat. ampulla) eene tlescb, een vat; — la sainte ampoule (spr. sèiWanpod\'), het miraculeus olie-lleschje te Rhelms, waaruit de fr. koningen gezalfd werden (In 1793 door den volksvertegenwoordiger Ruiil verbryzeid); — ampoules, pl. (spr. ahpoel\') blazen of blaren; ook zouteiooie woordenpraal; — style ampoulé, m. (spr. stiel\'-aiipoulé), gezwdilen, hoogdravende styi.

Ampoulette, f. fr. (spr. anpoeUU\'; vgl. ampoule) bet bouten zundpypje eener hom, de houten zundgatnagel; Mar. ile seheepszandiooper.

amputeeren, lat. (amputare) een lid afzetten, afsnyden; — amputatie (spr. Iie= tsie), f. de afzetting van een lichaamsdeel

Amsjir, m. .turk. de Ode maand van den turkschen kalender.


-ocr page 66-

ANADIPLOSIS

AMULET

52

Amulet, f. (lat. amulitum, van hot arab. hama/a, dragen, of van hamnil, behoedmiddel; v. a. van het lat. amolïri, verwijderen) een voor-betioedmiddi\'t de» liUk\'t\'limfs tegen ziekten, tuo-verU, enz., bestaande uit een plaatje of penning met figuren of spreuken, uit stukjes steen, dier-tanden, vruchtkernen, reliquUin van heiligen, enz., die men lu\'lzij um den hals hangt of hU zich draagt.

Amürca, r. lat. overbiUfsel dor uitgeperste olijven, oliedroesem; Med. hevige afgang.

amusabel, amusant, amusement, enz., z. oud. amuseeren.

amuseeren, fr. (spr. s=z) (van \'t oud-fr. muser, ledig /.(in, musard, eon lodiglooper, verwant met hot boogd. musse, ledige tyd, oud-boogd. muozoii, vr(J van arbeid zün), vermaken, verlustigen, don tijd aangenaam doorbrengen of vordrUven, licuzelen ; ook onnoodig ophouden, om den tuin leiden; — amusabel, (fr. amusable) vermaakbaar, voor vorvrooiyklng vatbaar-, — amusant, (fr. amusant, spr. —ja»), ondor-houdend, vormakeiyk, tUdkorlcnd; — amuse-mént, n., fr. amusement, (spr. amu-z\'maii) veriusting, uitspanning, vermaak; Muz. een klein, aardig muziekstuk; — amusétto, f. speelgoed, kleine uitspanning ook oono soort van oud voldgescbut van klein kaliber.

amüssis, f. lat. bot rlchtsnoor; ad umüssim, naar het richtsnoer of (ion regel, ordelijk, nauwkeurig,

Amygdaline, f. gr. (v, amygiidlê, amandel) Chem. de amandelstof, door KohUiuot en Bou-trons-Chariard In de hittere amandelen gevonden; amygdalinisch, adj. daarop betrekkelijk, met amandelen vermengd; — amygdaline-zuur, n. (lat. acidum amyqdalinicum) amandol-stofzuur; — amygdalith, liever amygda-lolith, m. de amandelsteen; — amygdalo-litis, f. gr. aniandolkliorontsteking.

amyktisch, adj. gr. sterk aangrijpend, opwekkond.

Amnion, gr., of Amyium, lat. n. ook a m i do n on a m i da m, naar \'t fr. amidnn, mld. lat. amidonum, amidum), zetmeolwit, slUfsel; — amylacéa, pi. zetmeeihoudende geneesmiddelen; — amyleen, n. Chem. eene uil foezel-olie van aardappelbrandewUn vorkregen geestrijke vloelslof van slaapwekkende kracht, evenals chloroform; — amyl, n. foezololle, eene grondstof van zetmeel.

amyntisch, adj. gr. (van amynein, afweren, afwonden) beschermend, sterkend; — amyn-terïa, n. pl. verdedingsmlddolen, wapens; Mod. beschermende middelen.

amyxie, f. gr. (v. mykos, slUm) Med. gel)rek aan siym.

an-, gr. in samenstellingen vóór eene vokaai 1) z. v. a. alpha prlvatlvum, zie a-; i) voor a n n, z. aid.

ana, gr. voorz.; aan, op; In samenstellingen, waarbij het vóór eene klinkletter an- wordt: op, opwaarts; Inz. echter herhaling of omvorming, ophefling, terugkeer of terugneming aanduidend, z. v. a. weder-, terug-, om-; — ana (op recepten) evenveel, van hot eene zooveel als van het andere (afgek. a. a.)

ana, pi. (v. \'t lat. ««//U- -anus, n, um), is, als uitgang met een eigennaam verbonden, de titel van verzamelingen van anekdoten, uitspraken, geestige invallen en allerlei berichten, die betrokking hebben tot den vooropgeplaatsten eigennaam, b. v. Scaligerana, Voitairiana, Parisian a, enz.

Anabaptist, m. (vgl. baptist) wedor-dooper, herdooper, i. m e n n o n i o t; — ana-baptistisch, adj. op de wijze der woderdoo-pers; — anabaptisme, n. de leer der wodor-doopers, de herdoopersloor.

Anabasis, f. gr. (van ana-bainein, opwaarts gaan, opstijgen) de opstijging, terugkoerlng (van eene vlakte naar eene hoogere strook of van de zee naar \'t binnenland, Inz. Xenophons verbaal van don veldtocht des jongeren Cyrus tegen z|jn broeder); Mod. het klimmen b. v. dor koorts; ook eene redek. figuur, waardoor men oeno zaak allengs uitbroldl; Muz. oen ry van opklimmende tonen; -- anabatische koorts, eene al-iedaagsche, aanhoudende koorts; — anabaton, n. de verhevenheid vóór liet altaar In de gr. kerken.

Anabëxis, f. gr. (vgl. h e x 1 s) Med, het opbrengen en uitworpen door boesten; — anabole, f. het op-, uitworpen, braken.

anabrochesis, f. gr. opslurping van etter.

Anabrochisme, n. gr. do omstrikking; Chir. do nu niet meer gebrulkelyke handelwyze, volgens welke men door een omgeslagen draad de binnenwaarts gerichte oughaartjes uittrok; de afbinding van een uitwas.

Anabrösis, f. gr. hot wogknagen van een lichaamsdeel door scherpe vochten.

Anacardie-boom, (nw. lat. anacardmm, van \'t gr. and, en kardia, hart, wegens de hartvormige vrucht) of acajou. 111. (spr. akazjné) de ollfantsiuisboom, in Amerika on Oost-lndie. De in de apotheken gebruikte vruchten dezes booms heeten acajou-noten of inlandsche olifantsluizen.

Anacephalaeösis, f gr., z. v. a. recapitulatie, z. aid.

Anachoreet, m. gr. (van anachörëin, te-rugwyken) eig. een teruggetredene; een kluizenaar, heremiet, bosch-, spelonkbewoner; — ana-chorëtisch, adj. als een kluizenaar.

Anachrémpsis, f. gr. Med. hetzelfde als anabexis (z, a.)

Anachronisme, n. gr. (van anachroni-dzein, in een anderen tyd verplaatsen, van chrónos, tyd) ecu misslag tegen de tydrckenlng, tyddwa-tlng, tydverplaatsing; - anachronistisch, adj. togen den tyd zondigend, met deti tyd strydig.

Anacónda, zie an a kon da-, — ana-cycl - , zie anakykl—.

Anadeem, m. gr. (anadema, n., van ana-deïn, op-, ombinden) oen hoofd- of haarband der koninginnen.

Anadiplösis, f. gr. (van una-diplocn, wc-


-ocr page 67-

ANAKYKLEONTEN

ANADOSIS

63

der verdubbelen; \\(fl. rt I p I o s I s) Log. verdub-bellriK, eene liKUiir, waardoor de volRcndc zin heKint peiyk de voorgaande eindigt; ook Med, de verdubbeling der aanvaiien by koortsziekten.

Anadósis, f. gr. Med. de verdeciing inz. der voedingssappen, door liet geheele lichaam, vertering.

anadrómê, f. gr. loop (van pya) van onderen naar boven, opstygen van bloed naar het hoofd.

Anadyoméne, f. gr. (van ana-dj/ein, opduiken) Myth, de uit zee opgestegene, een bUnaam van Venus, met betrekking lot hare geboorte.

Ancedïa, t, gr. (nn-aideia, van aidös, schaamte) schaamteloosheid, onbeschaamdheid.

Aneemïe, f. gr [an-nimia, van hel ontkennende an- en An/mo, bloed, verkeordciyk a memo sis) Med. de bloedeloosheid, hot bloedge-brek; — ansematöse, t. ontbrekende of te zwakke bioedbereiding; — aneematurgie (onjuist ahaematurnie) do leer van de niet-bloe-ilige kunstbewerkingen.

Anserësis, f. gr. {anairësis, van an-aiïêïn, opheffen) Log. de wederlegging van hetgeen de tegen party beeft bewezen.

Anaesthesïe, f. gr. (van an- prlv. en ais-Ihësis, zie rest he sis) de gevoelloosheid.

Ancetia (spr. /=lt;«), f. gr. (an-aitia, v. \'t ontkennende an- en ai/ia, scliuld) de onschuld (als godin).

anagallis, f. gr. Hol. basterdmuur, guichelheil (een veldbloempje).

Anaglyphen of anaglypten, f, pl. gr.

{anaglypha en anaglypta; vgl. glyph, glyptiek, enz.) half verbeven beeldwerk; —ana-glyptiek, f. de kunsl om gedreven iieeidwerk te maken.

Anagnösma, n., pl. anagnösmata,

gr. {am-qimskein, weder erkennen; lezen, voorlezen) stukken ter voorlezing; — anagnostes, m. een voorlezer aan tafel; — anagnösticus, een tragisch dichter, die zyne stukken alleen op voorlezing berekend hoeft.

Anagoge, f. gr. (van an-agein, opwaarts, terugvoeren) het op-of terugkomen; het terugvoeren op iets meer algemeens of geestciyks, inz. de zinnebeeldige byiielverklaring; Med. liet bloedbraken, de bloedhoest; — anagogie,t. de hart-verbetling tol God, lot afgetrokken bespiegeling ; zielsverrukking; - anagögisch, adj. geestverheffend, een hoogeren zin aan de lelteriyke beteekenis gevend; geheimzinnig.

Anagram, n. gr. (andgramm, van anagrd-fthein, opschryven; omscliryven) de letterverzetting, letterkeer, een wisselwoord, b. v. neger en regen, kurk en kruk; ook la \'t algemeen de verplaatsing der letters van een naam of van meer woorden, zoodat zy (\'en of meer nieuwe woorden en gevoigiyk een anderen zin opleveren; zoo b. v. laat men Jezus op de vraag van Pilatus: quitl est Veritas.\' anagrammatisch antwoorden: est vir i/ui adestzoo lieefl men Dévnlution francaise, omgezet tot un Com la finira en la France veul son roi. anagrammatisch, adj. in den vorm, op de wyze van een anagram; — anagrammatist, m. maker van anagrammen; - anagraaf, f. gr. een verkeerdschryver, een werktuig, dat voor den afdruk verkeerd schryfl; — anagraphe, f., z. v. a. recept.

Anagros uf ancgras, m. graanmaat in Spanje, Portugal, Brazilië en de Z.amerlk. vry-staten, ongeveer overeenkomende met .\'IJ liter.

Anakampterïën, f. pl. gr. (van unakdmp-tcin, op-, terug-, ombuigen of -wonden) verbigf-plaatsen voor armen, vervolgden, enz. by de kerken; — anakamptiek, f., z. v. a. kat op-tri e k; ook de leer van de terugkaatsing des gelulds; — anakamptisch, adj. leruggebo-gen, terugkaatsend, terugstraiend (ten deele, z. v. a. katoptrisch); — anakamptos, Muz. een rij van afdalende lonen.

anakara, r gr. keteltrom.

Anakatharsis, f. gr. (vgl. katharsis) Med. de liciiaamszulverlng naar boven, het uil-hoesten, uitbraken; — anakathartische middelen, braakmiddelen.

Anakephalseosis, f. gr., z. a n a c e p h a-1 agt; o s 1 s.

Anaklazo of anaklasis, f. gr. (van una-ktan, terugbreken of bulgen) straalbreking; ombuiging van een lid naar liulten; — anaklas-tiek, z. dl opt riek; — anaklastïsche lijnen, schUnbare krommingen of brekingen der lichamen (zooals van een stok in het water), door de straalbreking teweeggebracht.

Anakleterïën, f. pl. gr. {anakletériu, van ana-kalêtn, oproepen, benoemen) aanslelllngsfoos-ten, inz. de feesteiykheden bij eene Iroonsbesiy-ging of eene kroning.

anaklisis, f. gr. (van klinein, leunen) bet leunen op den rug (de ligging van een zieke).

Anakoinösis, f. gr. (van andkoinoen, me-dedeelen) Log. bet gemeenschappeiyk overleg, de beraadslaging, afspraak.

Anakollêma, n. gr. (van ana-knllan, aan-lymen) Chir. kleefmlddelen op wondon.

Anakoloeth, n. (gr. un-akóloethon, van \'t lat. privatieve an- en akolocthSin, volgen) bet onsameiibangendo; ook z. v. a. anakoloe-thie, f. (gr. an- akoloethia) een onbehooriyko zinbouw, gebrek aan samenhang; — anako-loethisch, adj. onsamenhangend.

Anakonchylisme, n. gr. hel gorgelen.

Anakónda, f. (ceylonsch) de afgodslang, reuzenslang.

anakreóntisch, naar do manier van den gr. lierdli\'liter A n a k r e o n; aanvallig, llefeiyk, loeder, los; — anakreontlschovers in aal,

drie trocliieën (------) met willekeurige

anakroesis.

Anakroesis, f. gr. (van ana- kröcein, op-, terngstooten of slaan) het ophouden, terugstoo-ten; voorslag der voetmaat van sommige vers-soorten; opslag by het aangeven der maat in de muziek.

Anaktësis, f. gr. (anaklèsis) het herkry-gen, inz, der krachten, genezing, aansterking.

Anakykleónten, pi. gr. (v. ana-kykUin,


-ocr page 68-

ANANTH1SCH

ANALD1E

in een krlll|,, omdrgven) kwak/alversana-kyklisch vers, oen vers, ihit inon kan om-kceren en van achteren naar voren lezen.

Analdie, f. gr. (v. dltlein, aldaïnein, laten gedijen of groeien) het wegbiyven van den wasdom, stremmliiK la den groei.

Analékten, n. pi. gr. [aualekla, van «na-léqein, opzamelen, hUeenlezen), of lat. ana-lécta, n. pl. hyeenverzamelde stukken van schrijvers, uittreksels, bloemlezing, uitgelezen fragmenten; — analéctor, m. bloemlezer.

Analémma, n. gr. [nnalëmma, van ana-lambdnein, opnemen, oprichten, enz.) eig. do opheffing, oprichting; voorstelling van den hemelbol op het vlak van den meridiaan, orlhogra-phlscbe projectie; inz. de dierenriem of zodiak op zonnewijzers •, ook eene bijzondere soort van astrotublum; — analemmatisch, adj. den dierenriem hetrelfend; — analëpsis, f. gr. Med. de herstelling der krachten na eene ziekte, de genezing; — analëptisch, adj. herstellend, verkwikkend, versterkend; - analep-tika, n. pl. versterkende, opwekkende middelen.

Analgesie of Analgie, f. g. (analncsia, v. an-algês, pijnloos, van \'t privatieve an- en algnx, pijn) de pynloosheid, ongevoeligheid voor smartelijke indrukken.

analoog of analógisch, adj. (gr. ana-logos, on, v. lógos, rede, verhouding, enz.) eig. overeenkomstig de rede; geiykvormlg, overeenstemmend, evenmatig, passend; - analögon, n. iets overeenkomstigs, de regel der overeenstemming; — analöqon ratiónis, lat. bet met de rede overeenkomstige; — analogie,!, gr. (analogia) overeenkomst, geiykvormigheid; vaak ook geiykvormlgbeldsregel, taaiovcroenstemming enz.; — analogia fidli, lat. de geloofsgeiykvor-mlgheid, de overeenstemming eener stelling met de gronden der H. Schrft; — an. juris, lat. de overeenstemming eener stelling met de gronden van het rechtanalogiseeren, spr. s=t), vergelyken; overeenstemming zoeken of teweegbrengen; — analogisme, n. het ge-lykvormigheldsbewys; de sluitrede uit de leer der overeenstemming; — analogist, m. Kmt. (ilkwyis verkeerd gebezigd voor a n e k 1 o g 1 s t, z. aid.

Analognim, n. mid. lat. (gr. analógion, v. analégein, lezen, voorlezen) de lessenaar, koor-lessenaar, in de gr. kerk.

analogiseeren, analogon-ralionis, z. oud. a n a I o o g.

Analphabëtus. m. gr. (van bel ontkennende an- en alphabet, z. aid.) een onkundige in het lezen en schryven, z. v. a. 11111-t e r a t u s.

Analysis of analyse, f gr. (v. analjjein,

oplossen) de ontbinding, ontleding, uiteenzetting van het geheel in deelen, terugtred van het samengestelde tot het enkele, van de uitwerkingen lot de oorzaken, om het gezochte onbekende te vinden; ontwikkeling van een begrip; — mathematische analysis, de letterrekenlng in den ruimsten zin des vonnis;

— analysis diophantëa, de oplossing van onbepaalde voorstellen in de leer dor grootheden, dus genoemd naar den (Irick Diophantes;

— analysis finilorum, oplossing van het eindige; analysis infinildruin, oplossing v. h. oneindige;

— analyseeren ispr. s=«), (fr. analyser), oplossen, ontbinden, ontwikkelen, ophelderen; — analytisch, adj. oplossend, ontbindend, enz., het tegengestelde van syntbctisch, b. v. a n a I y t i s c h e m e t b o d e, de leerwyze, waar-bü men van de te bewezen slellingen tot de gronden overgaat; — analytiek, f. de ontbindingsleer der verstandswerkingen; — analyticus, n. een oplossend, onibliidend scheikundige, wysgeer, enz., een kenner en uiloefenaar der wiskundige analysis.

Anamartesie (spr. s=«), f. gr. (an-omar-Irsia, van \'t privatieve an- en hamarldnein, feilen, zondigen) de onfeilbaarheid, feilloosheid, de onzondigheid, onschuld, vryheid van dw aling en zonde.

Anamnësis, f. gr. (andmnêsis, v. anamim-nèskein, weder Ie binnen brengen) de berinnering, eene log. Ilguur, door welke men aanvoert, wat men veinst vergeten te bebben; — anam-nestiek, f. de horliinerings- of geheugenkunst;

— anamnëstisch, adj. lol de herinnering behoorde; — a n a in n e s t i s e b e m I d d e I o li, Med. geheugensterkende middelen; — a n a m-nestïscbe teekens, terugwyzende teekens, terugwyzers.

Anamorphöse (spr. s—z), f. gr. [ana-mórphösis vgl. morpbosls) de omvorming, gedaaaieverandering; een drog- of schUnbeeid; de kuiisi om voorwerpen zoo te teekenen, dat zy alleen op eenen afstand gezien hunne ver-elscbte gedaante hebben of zich, hoewel wan-slaltig voor hel oog, in eenen eyilndersplegel regelmatig en overeenstemmend vertoonen; — dioplrische a., die door straalbreking, oiilische o., die door beschouwing onder een schuinen hoek, kaloplrische a., die door spiegeling regelmatig schünen; — anamórphisch en anamor-phötisch, adj. vervormd, verkeerd.

Ananas, f. malelsch (nanus of andnas) koningsappel, eene Z.amerlk. plant en hare voor-trelleiyke vrucht, die ook In Kuropa gedyt.

Anandrie, f. gr. (van hot privatieve an-en anër, geuit, andnis, man.) de onmanneiyk-held, manneloosheld, verwUfdheld, onmanbaar-lield; - anandrisch, adj. Bot. zonder meeldraden.

Ananeösis, f. gr, (ananéosis), vernieuwing, verjonging.

Ananias, hebr. mansn. (gr. Ananias, hebr. Jnanjdh) genadegift des Heeren, Godlof.

Anankophagie, f. gr. (anankophagia, v. andnkë, dwang, en phagëin, eten) dwangspüs, voorgeschreven eten, Inz. der athieten.

Anantapodótón, n. (gr. v. \'t ontkennende an- en anlapodolon, tegenstellende zin of In bet algemeen tegenstelling) redek. eene Ilguur, waarhij de tegenstelling hy den nazin ontbreekt.

ananthisch, gr. (andn-lhcs, van \'t ont-


-ocr page 69-

ANAPyEST 55 ANATASIS

kennende au- en dnthos, bloesem) adj. Kul. Iiloe-semloos, niet Moeiend.

Anapest, m. nr, (ampaislos, elg. teruu-Keslagen, van ana-pakin, terugslaan) de op-sprlnger, wederslag, een versvoet van twee korte cn eene lange lettergreep (-\'——), li. v. begeleid (ook a n t i-d a k t y I u s of omgekeerde daktylus geheeten).

Anapetie, f. gr. (van anapelës, uitgezet, ullgedUd) Med. de vaatverwyding.

Anaphïe, f. gr. (van liet privatieve an-on liaphe, gevoel) Med. gevoelloosheid, verminderde prikkelbaarheid der huid.

Anaphlasme, n. ■/.. Onanie.

Anaphonësis, f. gr. (van ana-phönèin, op-, uitroepen) de uitroep; Med. het schreeuwen, de schreeuwkuur, do oefening en sterking der longen door luid sproken en zingen.

Anaphora, f. gr. (van ana-phércin, opbrengen, ophalen; terugvoeren, enz.) de terugvoering; I,og. de herhaling, waardoor velezin-deelen of versregels met dezelfde woorden beginnen; Med. liet opbrengen, uitwerpen door hoesten of braken; hel aanzetten, aanwassen by ledematen; - anaphoriscus, m. gr. Med. do bloedhoos!, hel bloedspuwon, do bloedspuwer.

Anaphrodisie (spr. s=z), f. gr. (van hot ontkennende an- en Aphrodite, enz. z. aid.) gebrek aan geslaelitsdrlft; — anaphrodiet, in. een (ot de voortteling ongeschikt persoon;

— anaphroditisch, adj. ongeschikt lot voortteling.

Anaplapis, f. gr (van ana-plduein, omvormen), Med. de omvorming, de herzetting van gebroken iedomaten; vastwording, bevestiging eencr beenbreuk; - - anaplastiek, f. de kunst der beondorzetting; — anaplastïsche middelen, daartoe dienende middelen.

Anaplerosis, f. gr. (van am-plèroen, aanvullen) de wederaanvulling, herstelling van ver-lorongegane licliaamsdeelen, b. v. bel aangroeien van het vleesch, de aanzetting van een kunstlid; — anaplorötisch, adj. den aangroei bevorderend; — anaplerotika,, n. pi. aanvullende, vieeschmakende middelen.

Anapleüsis, f. gr. (van ana-plêin, boven dryven; lig. losgaan) Med. het los worden van ylekeiyk aangedane beenderen, tanden.

Anapnëüsis, f. gr. (van ana-pncin, adem-lialen) Med. bet ademhalen; — anapnóïka of anapnólsche middelen, middelen, die liet ademhalen bevorderen.

Anaproseliet(spr. s=i), m. gr. (vgl. proseliet) een wederbekeerde, wedergewonnene.

Anapsyxis, f. gr. (van ana-psyclwin, aan--ademen, verfrlssehen) Med. de afkoeling des 11-chaams; het lichten van het verband.

Anaptjtais, f. gr. (van ana-p/yeiti, uitspuwen) het uitspuwen^ ophoesten.

Anarchie, f. gr. (an-archia, van \'t privatieve an- en arche, heerschappy) de regeerlng-loosheld; wanorde, onbandigheid, wettelooze staat;

— anarchisoh, adj. wetteloos, onbandlg;— anarchist, m. een wettelooze, teugelloozo.

Anaristesis, I. gr. (van \'t privatieve anew arislSn, onlbgten) de onthouding van het ontbyt, het nuchterbiyven.

Anarmonie, f. gr. (v. \'t ontkennende anew harmonia, vgl. harmonie) Muz. do wanklank, de wanluidende verbinding der tonen, z. v. a. d I s h a r m o n 1 e.

Anarrhoea, f. gr. (andrrhoia: van anar-rhêin, op-, terugvloeien) Med. het opstygen der vochten, Inz. des bleeds naar de bovenste deolen.

Anarthros, m. gr. (van bet privatieve anew drlhron, lid) elgeniyk een lid- «f gewrlcht-looze; een mensch, die zoo vet Is, dat nieu de gewrichten niet meer onderkent; — anar-thrisch, adj. gewrichtloos.

Anasarka, n. (v. \'t gr. and en sar®, vleesch) Med. buldwaterzucht.

Anaskéüê, f. gr. (elg. het wegschaflen) Log. het wederleggen der gronden.

Anaspadie, f. (van \'t gr. ana-spïïn, naar boven trekken) Med. opening der pisbuis aan l bovendeel van bet lid; - anaspasis, gr. en anaspasmie, f. bet op- of samentrekken; Med. de samentrekking der maag, maagkramp.

anastaltisch, adj. gr. (van ana-sléllein, terugdrUven, ophouden, stuiten) terugdrgvend, sluitend; samentrekkend, stelpend, opdrogend;

— a n a sta 11 ische middelen, of anastal-tlka, n. pl. bloedstillende middelen.

Anastasis, f. gr. (van anistemi, opstaan) bet opstaan, de opstanding; Med. het opstaan uit den slaap, uit den dood, enz.; de genezing, vgl. reconvalescentie; — anastatisch, adj. afleidend; — anastatische nadruk, de nieuwe uitvinding der beeren Glyn en Appel, volgens welke men een onbepaald getal afdrukken of fac-slmlle\'s kan leveren van elk gedrukt stuk en van de meest Ingewikkelde teekening;

— Anastasia, f. Anastasius, m. gr. vrouwen- fii mansnaam; de wederopgestane, de uil den dood verrezene; — Anastatica, f. Kot. roos van Jerlclio.

Anastoechiösis, f. gr. (v. stoichSion, grondbestanddeel) de oplossing, ontbinding van vaste lichamen In hunne grondstollen.

Anastomosis, f. gr. (van ana-slómoen, tot eenen mond openen of In eenen mond samentrekken, van .stoma, mond) Med. de samen-loopende Inmondlng, vertakking of verbinding en uitstorting der aderen en andere buizen, ook der zenuwen In bet lichaam; ook de zlekeiyke verwydlng van de uiterste deelen dor bloedvaat-wanden; — anastomotika, n. pl. of ana-stomotïsche middelen, middelen ter opening van verstopte monden, oplossende, afvoerende, zweet- en pisdrijvende middelen; — anastomoseeren (spr. s=z), met de openingen samenkomen, ineenloopen, zich met de uiteinden vereenigen.

Anaströphe, f. gr. (van ana-sMphein, omwenden) omkeering der woorden, woordverplaatsing by wyze van dichteriyke vryiield; Med. omkeering der baarmoeder of der plsblaas.

Anatasis, f. gr. (van ana-teinein, uittrek-


-ocr page 70-

ANDAMENTO

ANATHEMA

56

kon, uitzetten) uitstrekklnp, uitzetting, i. v. ii. extensie.

Anathema en anathema or ana-theem, n. (tr. (Vim ana-tilhénai, op- of tentoon-stetten), elg. het tentoonstellen; het tentooiiRe-steldo, Inz. wydlngsgeschenken In tempels; later hghelsch en hU de kerkvaders; Iemand, die openlik aan schande en vloek word prUsgegevcn; de banvloek, kerkban, banbliksem; — anathima esln, hu zg vervloekt; — anathomatiseeren, (spr. s=j) vervloeken, verwensehen, van de kerkgemeenschap uitsluiten, In den ban doen.

Anathrépsis, t. gr. (van am-thrépein, opvoeden, door voeding versterken) Med. de vernieuwde voeding, de herstelling.

Anathymiasis, f. gr. (van am-lhymiSn, opdampen) het verdampen, opdampen, opwellen; — anathymisch, ndj. opdampend, opwellend.

anatiden, pl. lat. (van an«.«, gen. arm/is, eend) eendacht Ige vogels.

Anatocisme, n. gr. (van nna-lokidzein, weder op rente zeilen) de rente- of Interestwoeker, rente van rente; ook de conversie der renten In kapitaal.

Anatolia, gr. (van anatölê, opgang, Inz. der zon) vrouwennaam: de ochlemlzonnlge, de oosterscbe, morgenlandsche; — anatólisch, adj. oostelijk, morgenlandsch.

Anatoom, anatomïcus of anatomist, m. gr. {anatomikós, van ana-lémncin, op-, door-, vaneonsnUden; anatömc, het vnneensnU-den, ontleden), een ontleder, inz. van het men-scheiyk lichaam; een kenner der ontleedkunde; — anatomie, f. de ontleding; de ontleedkunst; de kunst van werktuiglijk de verschillende weefsels vaneen te schelden en af Ie. zonderen; de sludle van de organische levensvoorwaarden; nok het gebouw, waar de ontledingen der lijken plaats hebben, de snijkamer, onlleedkamer; — anato-miseeren (spr. S=J), ontleden, de samenstellende deelen van een lichaam afzonderen; ook een hoek, geschrift, enz. in al zyne deelen onderzoeken, de samenstelling daarvan nauwkeurig nagaan; — anatómisch, adj. ontledend; ont-leedkundtg;—anatomische prteparaten, dierlijke lichamen of lichaamsdeelen, zoodanig toebereid, dat zy niet lot verrotting overgaan en onbedorven bewaard kunnen worden.

Anatopismen, n. pl. gr. (van /njm, oord, plaats) verwisselingen der ruimten of plaatsen.

Anatrësis of anatrëse, f. gr. (van ann-tran, doorboren) Chir. de doorboring, panboring (vgl. trepan at Ie).

Anatripsis, f. gr. (van am-lribein, opwry-ven) Med. het wryven of wasscben der lichaamsdeelen ter opwekking van de gezonken krach-ton; de verbrijzeling van eenen gal-, blaas- of niersteen ; het jeuken der huid; — anatrip-sologio, f.de leer van het Inwryven der geneesmiddelen ; verhandeling over do Inwryvingen ; — anatriptïka, n. pl. of anatrlptische middelen, Inwryfmlddelen.

Anatrópe, f. gr. (van ana-tripein, omkeer.

omwending) I.og. wederlegging door eenvoudige ontkenning; de omkeering van een voorste!; Med.

de omkeering der maag, geweldige braking.

anatta of anotto, n., z. or lean.

Anaudie, f. gr. (nn-audia, van \'t privatieve nn- en nudé, stem) stomheid, stemmeioosheld,

hooge graad van heeschheld. «s»

anceps, lat. dubbel, dubbelzinnig; — sylluha anrep.i, Gram. eene lettergreep, die men zoowel voor kort als lang kan nemen.

Anchilops, gr. (van anc/ii, by naby, en öps, oog) Med. een ooghoekgezwel vóór of ter zyde van den traanzak; gaat dit tol elterlng over,

dan heet het occhllops.

Anchises, m., z. ond. Jïnels.

anch\' io (sono pit/ore), ital. ook Ik (ben een schilder).

Anchöne. f. gr. (anchnnê, van anchein, vernauwen, loesnoeren) Med. keelvernauwlng.

Anchovis, z. ansjovis.

Anehüsa, f. gr. Hol. osselong, een pronk-gewas; — anchusine, f. (\'.hem. ancbusa- of alkannarood, de roode verfslot van Anchusa linctorin.

Anchylosis heter ankylosis, z. aid.

ancien, fr. (spr. aiisièii; mld. lal. anliamis, gevormd van \'t lal. nnte, voor; vandaar In oud-en-gelsch nog anlienl) oud, voormalig, langdurend,

wat sedert lang bestaat of duurt; — meien régime, z. regime onder re ge er en; — an-cienneté of anciënniteit, f. do voorrang -gt;

in jaren, de dienst- of ambtsouderdom, de opvol- f

ging naar de dienstjaren.

ancile, n. lat. heilig (van den hemel gevallen) schild bij de oude Romeinen, onderpand van het bestaan van Rome.

aneóra, it. (= fr. enenre) nog eens, andermaal,

herhaald! z. v. a. da eapn.

Ancrage, f. fr. (spr. ah-krd-zj\') Mar. de ankergrond.

Anctêr of anktër, m. gr. (van nnehein,

vernauwen, loesnoeren) elg. gesp. haak; Chir.

eene hechtpleister tot samentrekking van gapende wonden; — ancteriasme, n hechting, samenvoeging door herhtpleisters; ook z. v. a. Infibulatie.

ancyloceras, 1. gr. (elg. kromboren) eene soort versteende schelpen.

ancyloglosse, z. a nky legios se.

And., afkorting van andante.

Andabaat, m. lat. (nndabüla), pl. anda-baten, bllndvechters eene soort van kampvechters, die te paard met geblinddoekte oogen kampten.

Andalouserie, f. fr. sentimenteel lied (dat _ ,

van spaanscbe ridders en schoenen handelt).

Andalusiet, n. Miner, een kalkachtige kleiklezel in Andaluzië.

andaméntn, m. it. (vananddre, gaan) elg. gang;

Muz. een gedeelte van eene fuge; — andante, elg.

gaande, stapvoets; niet te schleiyk, gematigd; —

andantaménte, onafgebroken, in eens door; — andante cantabile, zangerige of melodleryke andante;

— andantino, eenlgszlns langzaam.


-ocr page 71-

ANEPITHYMIE

ANDARINI

57

Andarini, m. pi. It. langwerpig rondo knoedels, Ier grootte van eene erwt,

Andes of Anden, pl. (v. \'t peruv, anti, het oosten) Oeogr. het hoofdgehergte In /.Amerika, z. v. a. Cordilleras; — andesiet, n. eene steensoon van de groep der veld-spaathsteenen, veelvuldig op de Andes voorkomende.

Andrëas, gr. (van \'t gr. andrëios, manne-Igk), Andries, mansn.; de manneluke, sloule, sterke-, — Andreas-kruis of Sint An-dries-kruis, een kruis met schuin geplaatste halken (y), zoo geheeten naar den vorm, dien, volgens de overlevering, het kruis had, waarop de Apostel Andreas den marteldood Is gestorven;

— Andreas-munten, f. pl. munten met het hoeld van St. Andreas; — Andreas-orde, f. eene russlsche orde. In U08 door Peter den Grooto geslicht.

Andriénne, f. fr. (spr. nhdt—; eig. het meisje van Andros, lltel van een hekend hiyspel van Terenlius, door welks opvoering In Hfli zulke kleederen mode werden) een lang vrouwenkleed, sleepkleed.

Andrieskruis (Sint;-), zie onder v n-dreas.

Androcephaloïde of Androkepha-loïde, m. gr. (van anêr, geuit, andros, man, mensch) een steen van de gedaante eens mans-hoofds of ander lichaamsdeel; — androgen!©, f. monschenschepplng, inz. de schepping van den eersten man; — androgynus, m. een manwUf, tweeslachtig wezen ; een verwijfde man; — androgynie, f. de vorming van hermaphro-dicten (z. a.) — androïdo, f. eene kunstige, beweeglijke menschengostalte, draadpop, ook z. v. a. automaat; — androidisch,adj. naar den man of den mensch gelijkende ; — andro-lepsïe, f. het nemen van gijzelaars als waarborgen; — androlith, m. een versteend men-schengeraamte; — Andromaehus, Andromache, mans- en vr. naam: de met mannen strijdende; — andromanie, f. de ontembare zucht van sommige vrouwen voor de mannen, mansdolheid, z. v. a. nymphomanle.

Andromeda, f. gr. Myth, dochter van koning Cepheus en van Gassiopca, en gemalin van Perseus, die haar verloste van de rots, waaraan zij gehecht was; een noordelijk gesternte; een plantengeslacht.

Androphaag, m. gr. (van anêr, genlt. an-dres, man, mensch, en phaqêin, eten) menschen-eter, z. v. a. anl bropophaag; — andro-phóbisch, adj. schuw voor mannen, mannen-schuw ; — androphobl e, f. de mannenscbuw-held; — androtomie, f. de ontleding van bet menschelljk lichaam, dn menschenonlledlng.

An\'quot;, afkorting van andante.

aneantisseeren, fr. {anéaniir, van néant, niets, en dit van \'t lat. nee ens) tot niets maken, vernietigen, teniet doen, verdelgen, verwoesten;

— anéantissement, n. (spr. anéanti-s\'mdn) de vernietiging.

Anée, f. fr. (van ine, ezel) elg. ezelslast;

eene oude lyonsche wijnmaat; — anerie, f. lompheid, ezelsstreek.

Anegertiek, f. gr. (v. an-enéirein, opwekken, de kunst om schljndooden op te wekken.

Anëgras, i. a na gros.

Aneilëmaen aneilêsis, ook anilëma, f. gr. (van an-eilëïn, opwikkelen) Med. de opstopping van winden in do darmen; buikpijn.

Anekdóta, n. pl. gr. (van \'t priv. an. en dkdotnn, uitgegeven) nog niet of thans voor de eerste maal uitgegeven oude schriften, z. v. a. in \'1 lat. Inedita; — anekdóte, f. (fr. anee-dole) elg. eene nog onbekende, nieuwe, gemeenlijk kleine of korte geschiedenis, gedenkwaardigheid; historische trek, levensbijzonderheid, kort en geestig verteld voorval.

Aneklogist, m. gr. {nn-eklóqistos) hü, die geen rekening behoeft af te leggen.

aneléktrisch, gr. nlel-elektriscb, (z. el ek-t r I sc b.

A\'nemobarometer, m. gr. (van anUmos, wind) m. gr. een windkrachtmeter, werktuig om de kracht van den wind af ie meten, in 1784 door Wiike uilgevonden ; — anemobaat, m. luchtspringer, koordedanser; — anemochórde, f. gr. een van de leoolsharp verschillend windsna-renspel, door Schnell in 1181» uitgevonden;-anemograaf, m. windheschrljvor; — ane-mo(metro)graaf, f. wimiscbrljver, een werktuig, dat zelve de ricbllMg van den wind op een blad aanteekent; — anemographie, f. do windbeschrijving; — anemologie, f. de windleer, windkunde; — a nemometer, m. een windmeter; — anemometrïe, f. de wind-meetkunst; — anemometograaf, f. wind-schryver, een werktuig, dat de verandering des winds zelf aanleekenl; — anemoon,!. Bol. do windroos, windbloem, afkomstig uit de Levant, zoo geheeten omdat zy licht door den wind ontbladerd wordt; — anemonine of ane-monïum, een eigene kamforaehtige planten-slof, in vele soorten der anemonen en Pulsatilla vervat; — anemopathïe, f. de luchlkuur, eene geneeswijze door Inademing van gezuiverde lucht, om den lijder eene groolere hoeveelheid zuurstof toe te voeren; — anemoskoop, in. een windwijzer, weerhaan, een werktuig om de veranderingen des winds waar le nemen en vooruil te zien; — anemothêka, f. de windkast des orgels.

anenérgisch,gr. (van \'I prlv. an-en ener-g 1 sc h, z. aid.) onwerkzaam, onkracblig; — an-energie, f. onwerkzaamheld, krachteloosheid.

anenkephalie, f. gr. herscnloosheld; — anenképhalos, m. misgeboorte zonder hersenen.

Aneple, f. gr. van \'t prlv. an- en ((pos, woord) sprakeloosheid, slombeld.

Anepigrapha, n. pl. gr. (vgl. epI graa f, enz.) schriften zonder titel; — anepigra-phisch, adj. zonder opschritl, liteiloos.

Anepithymie, f. gr. (vgl. epilbymle) gebrek aan eet- en drlnklust en zinnelijke aandrift, uitgedoofd begeervermogen.


-ocr page 72-

ANEPONYMUS

58

ANGDIS

Anepon^mus, m. «r. (v. \'t prlv. a«- en epönymos, byKriiiiatiid) iomnnd, die Keen li)j- of tuennam heoft.

Anerethisïe,f. itr. (vgl. cre t liIsio) Mcd. (iclirck uan prikkelbaarheid; ook do opwekking der gezonken prikkelbaarheid.

Anerie, z. oud. dn (ie. aneröidbarometer, m. gr. (van nerós, nat, en a prlv., dus droge barometer, d. I. zonder vloeibaar kwik) een door Kourbon te Parijs uitgevonden doosvormig werktuig lot het nieten iler lui\'litdriikklng door buren arwlssolenden invloed op eene metalen tins, die verdunde lucht beval.

Anervie, f. uw. lat. (v, a prlv. en nervus, zenuw) Med. do zenuwverlamming.

a nescire ml non esse, 2. nescto.

Anesie, f. (spr. s=z) (van an-iëmi, ophouden) liet ophouden, wegblijven der ziekte.

Anétïka, n. pl. gr. Med. pynstlllendo, lie-darende niiddelen; — anétisch, adj. pijnstillend, bedarend.

Aneurysma, n. gr. {nneürysma, v. itneu-rynein, verwijden) slagaderbreuk, slagadergezwel, uitzetting van eene slagader, ook van hel hurt.

anfractuous, nw. lat. (van \'t lat. anfrac-tus, buiging, kromming) gekromd, gedraald, vol bochten; — anfractuositeit, kromming; inz. Med. hoogte, onellenheld der beenderen.

Angariën, adj. (. pl. lat. (ongarïae, van den sing, angaria, d. I. elg. bodedienst, de dienst van den annartus, gr. dngaros, d. I, rijdende snelhode, een oorspronkelijk perz. woord) leendiensten, hee-rendlensten der onderdanen; ook quatertemper-vastendagen der K. kerk; — angariatie (spr. t=ls), f. verplichting tot vervoer van personen en goederen; beslag op schepen ten dienste van den Staat.

Angekok, m. een toovenaar, waarzegger en priester bij de heldensche Groenlanders.

Angelus, n. lat. (van \'t gr. dnf/elos, hmle, gezant, engel; een gebed in de K. K. kerk,\'dat begint met de woorden: Angelus Domini nun-cinvil Marine (de engel des Heeren bracht Maria de boodschap); de engelengrnele aan de maagd Maria -, ook een leeken met de klok ter herinnering aan gezegd gebed; — angelus lulelaris (Hal. angelus custode), liescliermengel; — Angelica, vr.naam: de engelachtige, hemelsche; ook Bot. engelwortel; Muz. de engelenstem, achtvoetig pijpwerk In bet orgel; ook een eng. lultvormlg speeltuig; — angelolatrle, (. gr. de vereering of aanbidding der engelen; — ange-lologie, t. de engelenleer, leer van de engelen en geesten; — angelophanïe, f. de enge-lenverschijnlng.

Angiëktaale, f. gr. (van dngos, angeim, n. vat, en ektasis, z. aid.) Med. de vaatultzet-ting, vaatverwüding; - angiëmphraxis, f. (vgl. eniphraxls) vaatverstopplng;—angiitis, f. ontsteking der vaten.

angina, f. lat. (v. amfêre, vernauwen, samentrekken) vernauwing der keel; angina ralarrha-Jis, f. lat. Med. keelontsteking; — a. polyposa.

kroep of vliezige keelontsteking; — a. tliphlhe-ritis, z. dlphtherttls.

Angiographic en angiologle, f. gr. (van dngos, angeion, n. vat. Med. de vatenleer, de vaatbescbrljving; — angiohydrogra-phie, f. de beschrijving der opslorpende vaten of zulgaderen; — angiohydrologie, f de vvatervaatleer; — angiohydrotomie, f. de ontleding der watervaten; — angiopathïe, f. bot vaatiyden, benaming van alle ziekten des vaatstelsels ; — angiorrhagle, f. vaatverscheu-ring; — angiospermatisch, adj. gr. vaat-zadlg (van planten, wier zaad In een van den bloemkelk gescheiden val zll); — angiosteno-tika, pl. vaatsamentrekkende middelen, waar door bloedingen gestild worden; — angiosto-sis, f. vaatvorbeenlng; — angiotomïe, f. de vaatontleding.

Angkloeng, f. jav. soort van muziekinstrument, lot de gamelan belioorende.

anglais, anglaise, fr. (spr. aii-glè, an-glèt\') en-gelsch; als subsi. Engelsehman, Engelsche; d l\'anglaise, op zijn engelsch, naar engelschen trant;

— anglaise, f. fr. een engelsche contre-dans; — angliseeren (spr. s=z), de paarden op eene onnatuurlijke, aan de Engelschen ontleende wijze den staart afhouwen en den opgespleten stomp gewennen zich omhoog te bulgen, kortstaarten;

— een geangllseerd paard, een dus gekortstaart paard; — anglicisme, n. nw. lal. (van slngli, do An gel en, een neder-germaansch volk, dat, met de Saksers vereenlgd — vandaar Angelsaksen — In de 5de eeuw Engeland veroverde en aan \'t land dezen naam gaf) een aan de eng. laai eigen taalvorm, eene eng. taalelgen-heid, voor zooverre men die verkeerdeiyk bu andere talen Inmengt; dus engelsch-hollandsch, engelsch-fransch, enz.; — anglicaansche kerk, de engelsche, bisschoppelijke kerk; — anglo-amerikaan, Amerikaan van engel scheafkomst; — anglomanie, f. lat.-gr. de overdreven zucht voor, de vooringenomenheid met al wat engelsch is; — anglomaan, ni. wie die vooringenomenheid heefl; — anglo-phiel, vriend der Engelschen; — anglopho-bie, gr. vrees voor de Engelschen.

Angoeri, f. (nw. lat. en Hal. angüria, van het gr. angoerion) de watermeloen, pompoen (vrucht v. Cucumls cltrullus).

Angöla-hout, n. eene roode houtsoort van de kust van Angola In Afrika.

Angorar-haar en angörisohe geit, z. kemeldler.

angoscióso, angosciosaménle, Ital. (spr. sci—sj) Muz. met de uitdrukking van kommer of angst (voor te dragen).

Angosturabast, z. Angusturabast.

Angrivariërs, m. pl. een duitsche volksstam, tot de Ingievonen belioorende en aan de Wezer woonachtig.

Anguillotten, pl. (spr. angielj—) Hal. {an-guillolti, verklw. van anguilla, aal) Ingezouten en gemarineerde kleine alen In llallii.

unguis in herba, lat., z. onder latent.


-ocr page 73-

ANGULUS

ANIMUS

59

Angülus, m. lat. do hoek; — angulair,

iirtj. (Int. ungularis, e) liocklg; — a n g u I a I r systeem. n. Fort. het stelsel van versterking door tenailles ol tungwerk; — angulariteit «n angulositeit, f. hoekigheid.

Angustatie, angustia, enz. z. ond. an-(juslus.

Angustürabast (v. A n g o s t u r a, hoofdstad van Caraccas In Z.Amerika) een doordringend bittere, kruidige, In afwisselende koortsen zeer hellznmc Imst uit Z.Amerika.

angüslun, a, urn, lat. eng, nauw;—per au-(lüsla ad aui/Ma, door lieknelling tot luister, door onderdrukking lol vrijheid, door leed tot lief, door lUden tol vorhiydcn; — angustatie (spr. Iie= Isie), f. nw. lat. Med. de tegennaluurlgke vernauwing der vaten van het menscheiyk lichaam;— mgusffa, f. lat. engte, nauwte, bekleinmlng, nood; — in anyustfis, in het nauw, in netelige omslan-dlgheld; — anyuslia praecoidiórum, aamhorsllg-held; — a. lermïni of angwilus lermtnus, Jur. een kort uitstel, kleine termijn; — angustme verbö-rum, de woordvitterij, waarhy men de woorden cone te beperkte beteckonis geeft.

Anhoemie, f. v. a nut mie.

Anholatie (spr. I=ls), f. lat. (anhelaiïo) kort, bezwaarlijk ademhalen, aamborstigheid, het bUgen.

Anhima, m. Brazil. II. N. de horendrager, een brazil, roofvogel, ook kanusjy genoemd, grooter dan do zwaan, een moerasvogel In Zuid-Amerika.

Anhinga, m. brazil. N. H. de slangenhals-vogel In Brazliiü, enz., van do grootte eener eend.

Anhydrie, f. gr. (van het prtv. an- en hijdór, water) watorloosheid; — anhydrisch., adj. watervry, Inz.van zouten en oxyden; — an-hydriet, n. watervrye zwavelzure kalk.

Ani, m. brazil. IS. H. de niadenvreter, oen brazil, vogel, die naar den koekoek gelijkt, in W.Indite en Afrika.

Ani-ani, jav. mes of slkkellje om rgsthal-nien af te snijden, padNslkkel.

Anidrösis, f. gr. (van \'1 prlv. an- en hi-drös, zweet) Med. de zwceteloosheld, gebrek aan zweet.

Anijs, m. lat. anisum (gr. anisun) eon bekend gewas (Pimpinella anisum) en het geurig zaad daarvan; — anisétte, f. fr. anijswater; op anys getrokken biandewyn.

Anil, m. (arab. an-n\\l, sp. anil; van het Ind. nila, blauw , indigo) benaming van de Indigo-plant In O. enW.Indle; — aniline, f. Chem. een uit indigo of ook uit koolteer verkregen organische basis, waaruit verschelden fraaie verfstotfen verkregen worden, vandaar aniline-rood {fuch-sine), aniline-paars: ook: aniline-inkl.

anil, lat. {anilis, e, van anus, oude vrouw) oudwyfsch; — aniliteit, f. (lat. anititas) het oude-vrouwendom; oudwyven-geloof.

Anilléros, m. pl. sp. (spr. ani-ljéros, van anille, ring) de gematigde aanhangers van de staatsregeling der Cortes (vgl. Cortes).

anima, f. lat. de ztel; anima mundi, de wereldziel, wereldgeest; a. rhet, rhaharbergeest; — animarum dies, allerzielendag; —con anima, li. Muz. met vuur, hartstochteiyk; — animisme, li. de leer der zielswerkzaamheid, een phlloso-phlsch en physlologlsch stelsel, dal de denkende ziel als beginsel van elke ilchaainsverrichling beschouwt; — animist, m. aanhanger van die leer,

animadverteeren, lat. (animadvertérej opmerken, aanmerken; vermanen; berispen; — animadvérsie, f. lat. (animadversifa) de aanmerking, noot; rechteriyke vermaning, berisping.

animal, n. pl. animal ut, lat. een bezield, levend wezen, een dier; — an una/ dispulas, n. een twistziek mensc|i, twistzoeker, stokebrand, tegenspreker ; — a. scribax, schryfluslig mensch;

— animalcüla, pl. nw. lat. zeer kleine diertjes, Inz. de zoogen. zaaddiertjes (Animalcüla sper-iniiltca)-, — animalculist, m een aanhanger van liet aniiiialculisino, d, 1. de leer, dal de dier-iyke lleliaamsvrucht uit zaaddiertjes ontstaat; — animalïën, n. pl. dleriyke lichaincii; vleescli-spyzen, vgl. vegetabIlieii; — animalisch, adj. dlerlUk, ,uit het dlerenryk ; — animaliseeren (spr. s=z), verdierlijken, aan het dier geiyk maken; — animalisatie (spr. -za-Isie), f. de verdieriyking, dierwording; — ani-malisme, n. de dleriyke natuur, levensverrichtingen van een dier; — animaliteit, f. de dierheid, liet dierenwezen of dleriyk wezen.

Animatie, animalo, ■/.. ond. a n I m o e r e n.

Anime, f. (amerlk. en sp.), anime-gom, vloedhars, een geelachtig, doorschyiiend, aangenaam riekend hars van den anline-hooin In Z.Amerika, ook de naam, dien de Engelschen aan zekere heldere westindlsche kopalsoorten geven.

animeeren, lat. (animare) bezielen; opwekken, aanvuren, bemoedigen; levendigheid by-zetlen; — geanimeerd, bezield, opgewekt, aangevuurd, bemoedigd. Ingenomen; — animatie (spr. l—ls), f. de bezieling; — animalo, 11. IVIuz. levendig.

Animéllen, f. pl. nw. lat. (animellae) Med. oorklleren; lucht- of windkleppen, z. v. a. v e n-Heien; — geanimelleerd, daarmede voorzien.

animeus, lat. (animösus, a, um] eig. bezield, levendig; hartstochteiyk, verbitterd, vertoornd, vyandig; — animóso, 11. Muz. opgewekt, levendig;

— animositeit, f. lat. (animosïlas) de harts-lochleiyke warmte, vergramdheid, verbltlering, vyandschap, haat, wrok.

Animine, f. Chem. basis die men in de dippeische olie gevonden heeft.

Animisme, animist, z. ond. a n I m a.

animus, m. lat. geest, moed, leven; het gemoed, de gezindheid of het oogmerk; — ad ani-mum, ter harte (nemen); — ejc animo, van harte, met opzet; — uno animo, eens van zin, eensgezind, eenslemmlg; — animi causa, ter verheuging van den geest, ter ontspanning; — animus defen-déndi, het oogmerk om te verdedigen; — o. (u-rande, hel oogmerk om te stelen; — a. hoslilis, vyandig opzet; — a. injuridndi, het oogmerk om


-ocr page 74-

I

ANIMOCORDE 60 ANNUEERKN

t« beleedlgen; — «. lucri faciendi, hel oogmerk om winst to doen, baatzuchtig oogmerk; —11. no-cémli, het oogmerk om to schaden; — n. occidéndi, tiet oogmerk om te dooden; — a. possidéndi, het oogmerk om In tiezlt to nemen; — a. sibi habéndi, het oogmerk om Iets voor zich te hezltten; — nnïmo, lat. met het voornemen, met hel oogmerk; — nnïmo dcliberalo, opzettelijk, met voorbedachten rade; — n. injuriandi, met het oogmerk om te beleedlgen; — n. nocéndi, met het oogmerk om te schaden.

Animocórde, Ital. een muziekinstrument, waarvan de snaren door wind geluid geven.

animoso, Ital. Muz. met bezieling, zeer levendig.

Anion, n. gr. (van an-iénai, opgaan) de galvanische slof, die bi) electro-chemische onthindlng aan de posilleve pool der galvanische keten optreedt.

Aniridie, f. gr. (v. iris, regenboog) het ontbreken van het regenboogsvlles in het oog.

Anisette, z. ond. a n y s.

Anistoresie, f. gr. (van \'t prlv. an- en historëïn, nllvorschen) onkunde in de geschiedenis.

Ankeriet, n. een delfstof, waarin koolzuur met kalkaarde, ijzeroxydul en talkaarde verbonden Is.

Ankistron, n. gr. haak; een chir. werktuig tot het uithalen van voorwerpen.

Ankoneeen, pl. gr. (van an/cön, elleboog) do uitstrekkende spieren van den voorarm; — ankonagra, n. jicht In \'t ellelioogsgewrlcht.

Ankteriasme, n. gr., z. v. a. infibulatie.

Ankyloblepharon, n. gr. (van ankylos, f, on, gekromd) Med. de vergroeiing der oogleden; — ankyloglosse, r. gebrekkige kromming en stijfheid der tong-, — ankylomêle, f. Chir. een haakvormig mes tot liet opensnijden der wonden; — ankylosis of anky-löse, f. vergroeiing, gewrlchtsstgfhcld; —an-kylotoom, m. Chir. een mes, waarmede men de vastgegroeide long losmaakt.

Ankyrisma, n, gr. eene vechterskunst-greop, waarbij men de tegenpartij een been zet en doet vallen.

Anna, hebr. vr.naam.: (channdh, aanvalligheid) de aangename, liefelijke, aanminnige.

Anna, m. oostind. rekenmunt = zll-verropü of ongeveer K cents.

Annabassen, f. pl. (fr. annabasse) blauw en wit gestreepte dekens met bloemen, die men te Kouaan en In Kolland vervaardigt.

Annalen, pl. lat. (annate, sell, libri: v. iinnu.1, r.. aid). Jaarboek, jaarboeken, geschiedverhaal der In eenen staat gebeurde zaken naar volgorde der Jaren-, — annaliseeren (spr. s=z) de jaargebeurtenissen opteekenen; — annalist, m. nw. lat. een Jaarboekschrijver.

Annaline, f. parelwit (eng. pearlhanlening) oorspr. het ttjnste gips, dat men gebruikt om het gewicht van het papter te vermeerderen, het eerst vervaardigd op de A n n a m o t e n te

Osterode (vandaar de naam); thans is het algemeen: kunstmatig zwavelzure kalk.

Annaten, f. pi. mid. lat. iannatae, v. annus, z. aid.) Jaargelden, datgene, wat van do inkomsten des eersten Jaars van een geestelijk ambt in de pauselijke schatkist moet gestort worden, sedert paus Johannes XII, In het Jaar 1318 de gezamenlijke Inkomsten van hel eerste jaar; ook jaarlijksche missen In de R. K. kerk.

annecteeren, lat. (anneclire) aanhangen, bijvoegen; — annéx, adj. aanhangend, bijgevoegd, toebehoorend; — annéxie, f. (lat. an-nexlo) of annexatie (spr. tie—tsie), f. nw lat. aanhanging, bijvoeging, verbinding, b. v. van een huid met een anderen Staat; —an-nexionist, m. vriend of verdediger van het vergrooten van een land door annexatie; — annéxum, n. (pl. annexa) het aanhangsel, de bijlage, het bybohooronde; — cum annéxis, met wat er bü behoort.

Anneliden, f. pl. nw lat. (het naast van het fr. anneler, ringvormig maken van \'tiat. annülus, ring) ringwormen, eene soort van gelede, roodhloedige dieren.

nnni, z. ond. annus.

annihileeren, lat. {annihilïrc, van nihil, niets) vernietigen, opheiTen, voor nietig verklaren, omsiooten; —annihilatie (spr. l=ls), f. nw. lat. de vernietiging, opbeltlng, te-nlet-doening.

anniversanum, n., of pl. anniver-sariën, lat. (van annlversanus a, um, Jaar-iijks terugkeerend, v. annus, z. aid., en vertlre, keeren) jaarlijksche viering van geboorte-, sterf-, vrede-, kronlngs- enz. feesten, Jaarlijksche, gedenkdagen; in de K. K. kerk ook zielmissen, die het gansche jaar door dagelijks moeten gelezen worden; — anniversarisch, adj. Jaarlijkscb, jaarlijks te vieren.

annn, enz., z. ond. annus.

annominatie (spr. t=ls), f. lat. Log. do woordgelijkheid, liet bijeenbrengen van gelijkklinkende woorden van verschillende beteokenls, z. v. 0. paronomaslo.

Annona, f. lat. elg. jaaropbrengst; bij de oude Romeinen de van staatswege opgelegde graanvoorraad.

Annonagïum, n. graaneüns mfd. lat.; — — annonarisch, adj. lat. (annonartus, a, um) den graanbouw en \'t vertier van \'t graan betrelTende, b. v. a n n o n a r I s c h e wetten, graanwetten.

annonceeren (spr. anons—), fr. (annoncer, van \'tlat. annunciSre) aankondigen, iwinzeggen, melden; — annonce, f. fr. (spr. amiis\') de aankondiging, het bericht, Inz. z.v.a, advertentie; — annonceur, m. fr. de tooneel-speier, die het eerstvolgend te spelen stuk aankondigt.

Annone, z. a n o n e.

Annotatie en annoteeren, z. ad noteer en.

Annuale, annueel, z. ond. annus. annueeren, lat. (annuüre) toeknikken, toewenken, bewilligen.


-ocr page 75-

ANNUÏTEITEN

61

ANOMAAL

annuïteiten, z. oud. annus.

annulleeren, nw. lat. UinnullSre) vornl«-opheffen, herroepen, voor ongeldig verklaren ; uitdelgen; — annullatie (spr. (=lt;«) of annulleering, f. de vernietiging, omverwerping.

annülus, m. lat. de ring; — annulus hora-rtus, Astron. uurrlng, zonnering; — annulus maf ficus, tooverrlng; — annulus palafti m. de konlnkiyke zegelring; —a. piscalorïus, de vls-si\'herring van den paus, pauseiyke zegelring, op welken Petrus in eene vlschsehult Is afgebeeld;

— a. pront/bus en a. sponsalittus, üe verlovingsring; — a. signalonus, de zegelring, liet signet; — a. salaris of astronoimcus, do zonnering.

annumereeren, lal. (annumerUre, vgl. numerus, enz.) daarhy tellen of rekenen; — annumeratie, (spr. t=ls), f. de bUtelling, hUrekenlng.

Annunciatie (spr. lt;=lt;«), f. lat. (onnun-ciaiïo, v. annunnüre, aankondigen; vgl. nuntius, enz.) de aankondiging, aanzegging, inz. aan Maria; — ammcialio II. M. V. (bealac Mariae virginis), Maria-boodschap; — annun-ciaten, f. pl. nonnen der orde van Maria-boodschap.

annus, m. (pl. anni) lat. hot Jaar; — annus bissexlilis, intercalaris of emholismwus, een schrikkeljaar; n. carendae, een ontberingsjaar; «. climactencus, het trapjaar, hel door 7 en 9 deelbare levensjaar, waaraan het iiügeioof een bg-zonder gewicht hechtte; a. civilis, bet burgerlijk jaar (dut niet 1 Jan. begint en met 31 Dec. eindlgl); a. communis, het gewone jaar (in tegenstelling met het schrikkeljaar; a. currens, hol loopende jaar; a. decretorius, bot beslls-singsjaar; a. deservitus, het jaar van dienst ; 4i. discretiönis, jaar van zelfstandige beslissing, lt;1. i. waarin de mensch bevoogd en in staat Is zelf te kiezen, inz. tusschen de verschillende geloofsbelUdenls van vader en moeder; a. cc-clesiasCfcus, kerkjaar; a. elapsus, verloopen jaar; n. graiïae, genadejaar (voor weduwen en weezen van ambtenaren); a. luctus, rouwjaar; a. lunaris, maanjaar; a. nnrmalis of normativus, het regeljaar; a. saxonïcus, liet sakslsche jaar in rechten (1 jaar li weken en :t dagen); a. solaris, hel zonnejaar of gewone jullaansche jaar; — anni, van het jaar; hujus anni, van dit jaar-, anni curréntis of anno cur rente, van het loopende jaar of in dit jaar; anni ejüsriem, van hetzelfde jaar; a. fulüri, van het volgende jaar; a. praesénlis, van bet tegenwoordige jaar; a. praecedénlis of praelertti, vanh(!t vorige jaar;

— anno, In het jaar; hoc anno, in dit jaar; anno ab urbe condïlo, in hel jaar na de bouwing van Rome (753 v. C.); a. acme vulgaris, in het jaar dor gewone tUdrekoning; a ante Christum, in het jaar vóór Chr. geboorte-, a. Chrisli, In het jaar van Chr. of na Chr. geboorte; a. Domïni, in het jaar des Heeren, d. i. €hr.; a. praesénte, in het tngenw. jaar; a. eldpso, Jn het afgeloopen jaar; a. mundi, In bel jaar der wereld; a. orbis condïti, in hel jaar dor schopping; a. orbis redémli, in hel jaar der wereldverlossing; a. post Itomam rondïtam, in hel jaar na de bouwing van Rome; a. recu-peratae salütis, in het jaar des herboren hells of dor verlossing; a. regm, in \'t jaar der regeering; a. salvatoris nostri, in bet jaaronzes Hcllands; a. urbis conditae, in \'I jaar tia de bouwing der stad (Rome); — ad muitos annos, voor vele jaren, voor langen tüd; — annüus, a, um, jaarlUkscli; — annüae praestatiónes, pl. jaarlUksche verrichtingen, opbrengsten; annui reditus, pl. jaarlUksche inkomsten; — annuale, n. R. K. de een jaar lang Ie lezen zielmis;— annuarïum, n. nw. lat. het jaarhoektje), do kalender; — annueel, adj. (fr. annuel) jaariyksch, een jaar durend; — annuïteiten, f. pl. nw. lat. (eng. annuities) jaarren-ten, jaarlUksche renten, die voor een geleend kapitaal gedurende een bepaalden tüd betaald worden, in welken tijd ook bet kapilaul wordt afgelost; inz. in Engeland eene soort van staatspapieren, welke den geldscbieler zekere jaarlUksche renten afwerpen, hetzU als tUdrenten op bepaalden tyd, zonder terugbetaling van het kapitaal, hetzU als voortdurende rente tot de aflossing van het kapitaal; — annüum, n. eene jaarlUksche bUdrage, een jaargeld.

anoblisseeren, fr. {anoblir, v. noble, ■/.. aid.) in den adelstand verbelTen, adelen; — ano-blissement (spr. -bli-s\'mdh) de verhefllng tot den adelstand; ook veredeling.

Anochilon, n. gr. (van dnü, lioven, en chêïlon, lip) bovenlip, inz. groote bovenlip, dik-mond.

Anode, f. gr. (dnodos, opgang) de positieve pool van de tol chemische analysen aangewende galvanische kelen.

Anodie, f. gr. onsamenhangende, onge-rUmdo spreekwijze.

anodóntisch, adj. gr. (auodóntos) N. H. zonder tanden, tandeloos.

Anodynïe, f. gr. (van \'l priv. an- en odyne, smart) de pUnloosheld, afwezigheid der barens-weeen; — anod^num, n. eene pUnstillende, bedarende artsenU; — liquor anodffnus (mineralis Hoffmanni) Hofmannsdroppelen -, — anodyne necklace, n. eng. (spr. énnodain nék-lees) d. 1. pUnslillende halsband; tandpaarlen uil eeno ivoor- of beenachtige stof, die, aan oen snoer om den hals gedragen, den kinderen bet tandenkrUgen moei verlichten; Iron.; de strop (des beuls).

Anoea, f. gr. {anoia) de verstandszwakte, stompzinnigheid.

anolénisch, adj. gr. (van a priv. en ölénë, arm) N. 11. zonder armen.

anomaal, anomalisch, adj. gr. (andmalos, on, elg. oneilcn, van \'t priv. an- en ho-malós, oven, ellen) onregelmatig, afwUkend, tegen den regel; — anomalie, f. (gr. anomalia) eeno afwUking van den regel, onregelmatigheid, ongelUkvormiglieid, uitzondering; Aslron. de hoekige afstand van de ware of gemiddelde plaats


-ocr page 76-

ANTALGIKA

ANOMIE

02

ccner |ilanect tot het aphelium of iipofioum; — anomalistisch jaar, de ijjil van con schUn-iiuren zonsomloop; — anomalistische

maand, de omloopstijd der maand, perokend van haar perlKOium af, totdat zij weder daarin komt; — anomalologie, f. de leer der on-regelmallKheden en verkeerde uitdrukkingen eener taal — anomalon, n., pi. a noma la, Gram. een onregelmatig werkwoord.

Anomie, f, gr, (a-nomia, vgl. n«nios i), wetteloosheid, tougelloosliold; — anomieten, pl. versteeningen van zekere onregelmatig gevormde schaaldieren.

AnomCBOmerie, f. gr, (van het priv. fin-en homo-omerle, z. aid.) het hestaan uit ongelUksoorllge doelen.

Anomphalos, m. gr. (van \'1 prlv. ««- en omphalós, navel) oen navollooze, zonder navel geborene (zooals Adam en Eva).

Anóne of a n n o n e, f. (uit de taal van Haïti; (mono) do lloschappel, do vrucht van den nesschenhoom.

anoniem, anonymisoh, adj. gr. (van \'t priv. an- en onyma, nnömu, naam) nameloos, ongenoemd; — anonymus, m. een ongenoemde; — anoniomiteit, f. nw. lat. de naams verzwijging ongenoemdheid.

anophonisch, adj. gr. (van rinö, opwaarts, en phönc, geluld) opwaartskllnkend.

Anophthalmïe, f. gr. (van \'t privatieve an- en ophlhalmös, oog) het onthreken der oogen, de oogeloosheld.

Anoplotherïum, n. gr. (van dnnplns, wapenloos, en thêrion, dier) een weerloos, niet met hondstanden voorzien dier, eene diersoort der voorwereld, tot do pachydermen (z. aid.) hehoorende.

Anopsïe, f. gr. I) (van \'t prlv. an- en opsis, i. aid.) hot onthreken des geilchts, de hllnd-held; 2) (van ami, opwaarts) het scheelzien naar hoven.

Anorchle, f. gr. (van \'I priv. an- en orchis, z. aid.) hot ontliroken der zaadhallen; —anórchos, ook anorchödos, een mensch zonder zaadballen, gesnedene.

Anorexie, f. gr. (van het prlv. an- en or ex ie, z. aid.) de tegenzin In spOs, gebrek aan eetlust.

anorganisch, gr. [an-órqunos, on, van \'t prlv. an- en orgiinnn, z. orgaan) onbewerktuigd, onbezield, dood, van levenswerktuigen beroofd (minder goed anorgisch); ook: do 1e-vonlooze natuur betreltondo, b. v. anorganische verbindingen, dezulke die zonder medewerking der levenskracht gevormd zün ; — anorganische chemie, dat doel der scheikunde, die zich met die verbindingen bezighoudt; — anorganis-me, n. de lovenloozc of onbezielde natuur;— anorganogenïe, f. de wordingsleer der le-vonlooze natuur; — anorganognosïe, f. de onderscheidingsleer der levcnlooze wezens, z. v. a. oryk tognosie; — anorgano-graphie, f. boschryving der onbezielde wezens; — anorganologie, f. leer van de

levenloozo lichamen, Inz. van de mineralen.

Anorgïe, f. gr. (an-orgia) bet niet-inge-wijd-zijn; — anorgiastisch, niet ingewijd (in de orgiën, z. a.)

anormaal, abnormaal, gr.-iat. (vgl norm, normaal) onregelmatig, met den regel strijdig.

Anorthoskoop, m. gr. (van\'t prlv. nn-, nrlfid, recht, juist, en skopeïn, zien, küken) een door Plateau uitgevonden werktuig, dat uit twee panillollc schUven bestaat, waarvan de eene van insn(|dlngen is voorzien, terwijl ftP lt;le andere doorschUnonde schljr eene wanstaltlgo tec-kening staat, die, zich regelmatig voordoet, wanneer men onder het omdraaien der belde schijven door de openingen der eerste kijkt,

Anosie, f, gr, (van de prlv, a- en nósos, ziekte) Mod. ziokteloosheld, het vrUzyn van ziekten, gezonde toestand.

Anosmre of anosphrasre, f. gr. (van het prlv. an- en osme, osphrasia reuk) de reu-kelooshold, het gebrek aan reuk.

Ansa, f. lat. (fr. on,w) hengsel, handvat; (dg.) aan- of Inleiding tot handelen.

Ansaren, Ansarïërs, m. pl. arab. {an-sar, pl. v. niSslr, v. nasara, helpen, beschermen, verdedigen) de beschermers, naam van Muhammeds vrienden In Medina, die beloofd haddon hem tegen vervolgingen In bescherming te nemen ; volksstam en secte In \'t noordelUke gedeelte des I.lbanons in Syriü, wier godsver-eerlng ons nog schier een geheim Is (z. v. a. nosairen).

Ansélmus, Anshélmus, oudd. (van ans, ourtn. ds, God, on helm) mansn.: gods-bescherming, de gehelmde krygsman.

Ansjovis, f. (sp. anc/wva, anchoa, van Ibo-riscbon oorsprong; eng. anchnry, fr, anchnis) eene soort van kleine visschen, die Inz, in de Middollandsche zee, maar ook aan de eng, en noorw, kusten gevangen en mot kruldoryen en zout ingemaakt worden, eene kleinere soort van sardel 1 en (z aid.).

anl—, gr. voorzetsel In samenstellingen voor anti, z. aid.

Anta, z. tapir.

Antacïda, n. pl. gr.-lat. (vgl. acidum) zuur-temperende middelen, middelen togen \'t zuur; Inz. van de maag.

Antaërópthöra, n. pl. gr. (v. anti, z. aid., aër, lucht, en phtheirein, bedorven) luchtzuiverende middelen.

Antagonisme, n. gr. (van anl-agónidzes-thai, tegenkampen) de tegenwerking, het tegenstreven; de vyandschap; —antagonist, m. een tegenstrever, tegenwerker, dwarsboomer, vgand, party; ook Anat. de tegenwerkende spier; — antagonistisch, adj. vyamieiyk, togen-workond; — antagoniseeren (spr. s=z), wederstreven, Iegenwerken.

Antal, z. Anthal.

Antalgika, n. pl. gr. (van aloos, pijin Med. pynstillende middelen; — antalgisch, adj. pynsllllond.


-ocr page 77-

ANTEPHIALTIKA

ANTALKALISCH

63

antalkalisch,adj. gr.-arab. do alkaliën (z. a.) tegenwerkend; — antalkalische zelfstandigheden, zuren.

Antallagma, n. gr. ruiling; het voorwerp der ruiling.

Antanagöge, f. gr. (vgl. anagoge) Log. het kunstig overbrengun van de beschuldiging op den besehuldlgcr.

Antanaklasis, r. gr. (vgl. anaklasls) Log. wederkautslng, terugslag, do herhaling van hetzelfde woord In eene andere beteekenis, b. v. ■ Die inensch is geen mensch.quot;

Antaphrodisiacum ot antaphro-ditïcum, n. gr. (vgl. Aphrodite, enz.) Med. middel tot bedaring van de te sterke geslachtsdrift ; ook middel tegen de venuskwaal; — an-taphroditisch, adj. z. v. a. antlvone-rlsch.

Antapodósis, f. gr. (vgl. apo dosis-Log. eene vergelijking, waardoor het vergeleken voorwerp, niet afgescheiden Is van dat, waarmede men het vergelijkt; Med. de terugkeering van de koortsaanvallen.

Antapoplëktisch, adj. (vgl. a p o p I e x l e, enz.) beroertewerend; — antapoplektika, n, pl. gr. middelen tegen de beroerte.

Antares, gr. (met den oorlogsgod Mars, n.1. In kleur, te vergelijken) oen roodfonkeiende ster der eerste grootte In den Schorpioen, ai-leen in Zuid-Europa zichtbaar.

antarktisch; adj. gr., z. pool. antarthntisch, adj. gr. (vgl. ar thrills) tegen de jicht dienend, Jichtwerend; — antarthritlka, n. pl. geneesmiddelen tegen de Jicht.

antasthmatisch, adj. gr. (vgl. asthma) logen de aamborstigheid dienende.

antatróphisch, gr. (vgl. atroph ie) tegen do uittering dienende; — antatröpha, n. pi. of antatrophlsche middelen, middelen tegen de tering.

Antoeus, m. gr. Myth, een reus, welke door aanraking met de aarde, zyne moeder, steeds nieuwe krachten kreeg, doch eindelijk door Hercules, die hom in do lucht ophief, geworgd werd.

ante, lal. voorz.; vóór; b. v. ante dfem, vrtor den dag; in samenstellingen: voor-, vooraf-, TOoraan-, voorop-.

Anteactum, n. pl. anteücta, lat. (van nnle-agfre) voorafgebeurdo handelingen, gobeur-lenisson of voorvallen.

antecedeeren, lat. [antccedlre) voorafgaan, den voorrang hebben; — anteeëdens, m. of n. het voorgaande; het eerste lid eens voorstels; pl. antecedénten, (lal. anteceden-iïa) voorafgegane, vroegere gebeurtenissen of verhoudingen; de verrichtingen, gedragingen, denkwijze, enz. van Iemands verloopen leven; — antecéssor, m. do amblsvoorganger; — m antecéssum, vooruil, op afkorting.

antecelleeren, lat. (nnlerellire) uitblinken, overtrelTen, zich onderschelden.

Antecoanium, n. lat. een maal vóór den hoofdmaaltijd.

Antecursor, m. lat. de voorlooper (Inz. Johannes do Dooper, gr. prodomos).

antedateeren, nw. lat. (vgl. datum, dateeren) Iets onder eene vroegere dagtee-kening zotten, b. v. een brief.

ante diem, z. ond. dies. Antediluviaaen, m. pl. nw. lat. (van \'t lat. diluvium, overstrooming) de voor den zond-vlood levende menschen; — antediluvia-nisch, antedüuviaansch, adj. wat tot het tijdperk vóór den zondvloed behoort.

ante eldpsum lermtnum, z. ond. terminus. Anteflxum, n. lat. (vgl. fix) een boven aan gehouwen vastgemaakt beeldwerk.

Antehomerïca, n. pi. lat. gedichten, die vóór Homerus zijn vervaardigd.

antejustiniaansch recht, de goza-menigko rechtsbepalingen vóór keizer Justinian u s.

Antelogmm, n. lal.-gr. (v. unto, voor, en gr. Itiqos, rede) do voorrede, do proloog.

Anteloqumm, n. lat. (v. loqui, spreken) do voorrede; bevoegdheid v. eerst te sproken. ante tucem, lat., z. lux.

Anteludïum, n. lat. een voorspel; vgl. p neludi um.

ante mare, undae, lal. voor de zee, do wateren, d. I. do oorzaak gaat aan het gevolg vooraf, het geheel bestaat uit de vereenlging der doelen.

Antembasis, f. gr. (van ant-, voor anti, en émbasis, d. 1. elg. hot tusschenkomon) Mod. wisselwerking, wedorzydsche werking, inz. der beenderen op elkander.

ante meridiem, lat., z. meridies; — antemeridiaan, adj. lal. (antemeridianus, a, um) voormiddagsch.

Antemetika, z. a n 11 e m e t i k n. antemundaan, adj. nw. lat. (van mun-dus, wereld) vóórwereldlijk.

Anten, pi. lal. [antae) deurpost of deurpijler, voorzullon tor weerszijden van de huisdeur.

Antenatus, m. Med. lat. (v. \'t lat. ante, voor, en natus, geboren) do eerstgeborene; — antenagium, n. het eerslgeboorterecht.

Antendëixis, f. gr. (vgl. endelxis) Mod. iegenaanwijzing.

Anténne, f. lal. {anténna) de zeilspriet, de ra; pl. antennen, do voelhorens der insecten; — anténniform, adj. naar voelhorens gelijkend.

Antenuptiaal (spr. —psi—), lal. vóór do bruiloft.

Anteoccupatie (spr. t=ls), f. lat. (vgl. oceupeeren) elg. vóorkomende Inbezitneming; Log. de wederlegging van zelfgemaakte tegenwerpingen.

Antependïum, n. mid. lat. (van het lat. pendtre, hangen) een voorhangsel van altaren, ornaten, enz.

Antepenultïma, f. lat. (vgl. pen ultima) do derde lettergreep van achteren, de vóor-vóorlaalste lettergroep eens woords. Antephialtïka, n. pl. gr. (vgl. epbl-


-ocr page 78-

ANTHROPIATRIEK

ANTEPILEPTIKA

64

uit os) Med. middelen legon de maugdrukking of zooKeniianido nachtmorrte.

Antepileptika, / aiitltiplloptika.

anteponeeren, lat. (ante-ponëre) vooraanstellen, vóortrekkcn; — antepositie, (spr. lie=lsic) f. nw.-lat., vooraanstelling, voorop-plaatsing.

Anterëisis, f, gr. (v. éreisis, het steunen) het tegenstellea tot steun, het tegensteunen; — anteridïon, n. stut, schoor, steunpilaar.

Anteriöres, pl. lat. voorvaderen, voorouders ; — anterioriteit, f. nw. lat. z. v. a. prioriteit (z. a.).

Antöros, in. gr. (vgl. Eros) de god der wederliefde; v. u. de god, die versmade liefde wreekt; — anterötïka, pl. ot anteroti-sche middelen, middelen tegen de liefde of de geslachtsdrift.

Antestature, f. fr. (spr. —aht\'statuur\') Mil. In der haast gemaakte verschansing met schanskorven, palissaden, enz., opwerping.

antesteeren, lat. (antestari, samengetrokken uit anle-leslaii, vgl. testeeren) tot getuigen oproepen; betuigen.

ante lerminum, enz., z. terminus.

Anteversie, f. (spr. —zie] lat. Med. do buiging naar voren van de baarmoeder.

Antevolüte, f. nw. lat. (v. \'t gr. ant-voor anti, en evolute, z. aid.) Math, de te-genradlyn, tegenroltrek.

Anthal, m. (hong. antalag en dlatag) eene hongaarsche wymnaat van 74,438 liter.

anthektïsche middelen, z. anti-hok 11 s c li e middelen.

Anthelfa of antheli\'ën, n. pl. gr. (vgl. helios) tegenzonnen, byzonnen.

Anthëlix, f. gr. (vgl. helix) Med. de binnenzoom van het ullwenülg oor.

Anthelminthïka, n. pl. gr. (vgl. helmin t h I sc h) wormmiddelen, middelen tegen do Ingewandswormen; — anthelmintisch, adj. wormafdrijvend.

Anthema, n. gr. (oorspr. bloemenrei, van anthos, bloem) een oud-grieksche dans ; in Engeland kerkelijke beurtzang, z. v. a. ant lp boon.

Anthemis, f. gr. Bol. plantensoort der sumengesteldblnemigcn met kamlllebloeaien.

Anthemïon, n. gr. (van anthos, z. aid.) elg. bloesem, bloem; de spiraal- of slakkelijn aan de Ionische zullen.

Antheren, anthesis, anthobolie, anthalithen, anthologie, enz., z. ond. a n t h o s.

Antholka, pl. gr. (v. hélkein, trekken) tegenwichten.

Anthomologêsis, anthomologie, f.

gr. (van aht-, anti, en homologëin, overeenkomen) wederzUdsch verdrag, wederzydsche belofte.

Anthóra, f. (uit anti-thoru, ontstaan, vgl. thora) eene soort van den w oltsworlcl of de monnikskap (Aconitum ant hora; vgl. akoniet) in de Pyrenetin, welker wortel als tegengift wordt gebruikt.

Anthorismos, m. gr. (v. ante, z. aid..

en horidzein, schelden; bepalen) Log. do tegen-bopallng, tegengestelde verklaring.

Anthos, n. gr. bloem, bloesem; rodetooi; uitslag, inz. in \'t gezicht; — anthobolie, f. het bestrooien met bloemen; — anthooy-aan, n. gr. {kyaneos, blauw) Chem. bloemen-blauw, de blauwe kleurstof der bloemen; — anthodium, n. gr. bloemdek; — antho-koptographiek, f. gr. (v. kóptein, scheiden, en graph lek, z. aid.) de kunst om, door eenlgo sneden met het pennemes In \'t papier, bloemen als doorschynende beelden voort te brengen, ter verslering van do kamervensters, van de lampenballons, enz.; — antholithen of anthotypolithen, m. pl. hloemstoenen met bloemllguren, versteende bloemen of afdruksels van bloemen; — anthologie, f. eene bloemlezing, keurverzameling van kleine gedichteti, van spreuken, gezegden, van muziekstukken,enz.;

— anthologmm, n. het misboek In do gr. kerk— anthomyia, f. bloemvlieg; — an-thosmïas, m. gr. bloemengeur; welriekende wyn; — anthodium, n. gr. de bloemscheede, het bloemhulsel; — anthoxanthine, f. gr. {xanthós, geel) chem. bloemengeei, de gele kleurstof der bloemen; — antheren, f. pl. de stofkolfjes der bloemen, de manneiyke geslachts-deelen der bloemen, die het bloemstof bevatten en op de meeldraden (stamma) zitten; vgl. pistil; — an thesis, f. de bloesem; het bloeien, de bloeityd; — anthesterion, in. de 8ste maand van het atheensche jaar, do at-tlsclie bloeimaand, van \'t midden vati Februari lot het midden van Maart; — anthesteriën, n. pl. (gr. anthestiria) het in deze maand gevierde driedaagscho bacchusfeest.

Anthrax, m. gr. kool; Med. pestkool, pestbuil; — anthraeeen, n. (vroeger p a r a n a p h-taline) eene (In de laatste producten der distillatie van steenkolenteer voorhanden) verbinding van koolstof en waterstof, die men gebruikt ter vervaardiging van alizarine en andere kleurstoffen ; — anthraciet, n. gr. kooiblende, glanskool ; koolstof met aardachtige slolTen vermengd;

— anthrakokali, n. een uil bytend kali en steenkolen bereid geneesmiddel tegen huiduitslag;

— anthrakolith, m. een door kool gekleurde kalksteen; — anthrakometer, m oen kool-slofmeter; — anthrakösis, t. gr. verkoling; Med. ooglldbrand, eene versterving van het oog;

— anthrakotheriën, pl. kooldleren, eene soort van voorwereldiyke dieren, welke zich versteend in steenkolenlagen (ook In zeekalk, enz.) bevinden.

Anthrazöthion-zuur, n. gr -nederd., zwavelblauwzuur, verbinding van blauwzuur met zwavel.

Anthropareskie, f. gr. (van dnthropos, mensch, en aréskein, behagen) de zucht om den menschen aangenaam le zyn (een bybelsch begrip, In tegenstelling met de godsvrucht, t h e o s e I) 1 e).

Anthropiatriek, f. gr. de geneeskunde van den mensch (In legenst. van do veeartsenU-kunde); — anthropisch of anthropi-


-ocr page 79-

ANTIASTHMATISCH

ANTH110P1A TRIEK

65

nisch, mij. den menscli betreffend; — an-thropisme, n. de metiscbheld, het tnenscli-dom; — anthropobóros, in. een menscheii-•eter; — anthropodsemon, m. een vergode menscli, Kodmeii.«cli; ook een booze geest In men-scheiyke gestalte; — anthropochemie, f. \'wetenschap der chemische verschUnselen In t menschctyk llchanni; — anthropodidak-tos, adj. van menschen geleerd; — anthro-poglossa, t. de menschenstem op het orgel;

— anthropognost, m. de menschenkenner;

— anthropognösie, f. de menschkunde, inenschenkennls; — anthropogonie, f. de leer van het ontstaan des menschen; — anthro-pographie, f. bescbrUvlng van den menscli;

— anthropohistorie, f. de geschiedenis der ontwikkeling van bet menscbdom; - anthro-polatrie, t. de menschcnaanblddlng; — an-thropolepsie, f. tiet aanzien des persoons, de partUdlgheld; — anthropolithen, in. pi. versteende menschenllchamen en gedeelten daarvan;

— anthropologeet, m. de verdediger dor menschbcid; — anthropologie, f. de natuurleer van den menscli, do menschkunde, wetenschap van don iiiensch naar /.yne natunrlUke gesteldheid ; — anthropoloog, m. eon mensch-knndlge, een kenner van de natuurleer des menschen; - anthropológisch, adj. menscb-natuurkundlg, hetgeen de leer van \'s menschen lichaam of natuur aangaat; anthropo-mantie (spr. lie=tsie), f. waarzegging nit men-schen-ingewanden; — anthropometrie, r. de leer van de verhouding dor doelen van \'s men-schon lichaam lot elkander; — anthropo-mórphen, in. pi. steenen, dlo naar menschen of nienscbciyke ledematen gciyken; — anthro-pomorphisme, n., of anthropomor-phose, f. de verinoiischeiyklng, de voorslolllng van hel goddeiyk wezen onder eene monschenge-daanlo;- anthropomorphoseeren (spr. ■i=z) vennensclieiyken, aan God menscbeiyko eigenschappen, zwakheden, enz. toekennen; — anthropoiuórphisch,adj.veriiienscheiykl; naar de mensrhengestalte geiykend; — anthro-pomorphistiseh, adj. bet antbropomorphls-me bet rellende, of daarop berustende; — anthro-pomorphist, m. hy, die (lod eene mcnscbc-iijke gestalte geeft; — anthroponomie, f. do leer van de wellen des geheelcn menscbenle-vens; do wetgevende rede van den mensch (In Kants Tugendlolire); — anthropopathie, f. anthropopathisme, n. menscbeiyke liarts-tocbl of gewaarwording; verinenscbeiyklng; voorstelling van God met menscheiyke hartstocliten;

— anthropopathisch, adj. vermenscheiy-kend, voorgesteld als op menscheiyke wyze gevoelende; - anthropophaag, m. een men-scheneter; — anthropophagie, f. liet inen-scheneten; — anthropophobie, f. men-sclienvroes, schuwheid voor menschen; — an-thropophoniek, f. de leer dor mcnscheiyke stemklanken; anthropoplastiek, f. de inensclienvormkimst; — anthroposkopie, f., z. v, a. p h y s I o g n o m I e k; — anth.ro-

VIKUDK lllllIK.

posomatologie, f. leer van bet inensctieiyk lichaam; — anthroposophie, f. de wetenschap der inensclienkennls nnar wysgeerlge beginselen ; — anthropotheisme, n. de men-sclienvergodlng, vergoddeiyklng van hel mensche-lyke; — anthropotheologie, f. de erkentenis van God (zyner vvysbeld, enz.) uit de zede-lyke en geesteiyke begaafdheden der mensclieiyke naluur; — anthropotherapie, f. menschon-beelkunde; — anthropotherie, f. monscben-jaebt, menschenvnngst; — anthropothysie, f. menschenolfering; — anthropotomie, f. mensclienontleedkunst.

Anthydropika, z. antlbydroplka.

Anthypallage, f. gr. (vgl. li v p a 11 a g e) Gram. de wederzydselie omwisseling der naamvallen (casus).

Anthyperidrotikon, n. gr. (van anti, legen, hyper, liovenniatlg, zeer, en htdros, zweet) middel tegen sterk voelzweet.

Anthyphserësis, f. gr. eene wederzydselie heroovlng.

Anthypnotïka, n. pl. gr. (vgl. b y p n o-t i c u in) Med. slaapverdrijvende middelen; — anthypnötisch, adj, slaapverdryvend.

Anthypochondriaka, z. anti li y p o-c b o n d r I a k a.

Aiithypophöra,f. gr. (vgl. b y p o p b n r a) Log. ile aanhaling eener tegenliewysplaals; de aanhaling van do tegenwerpingen, om die te wederleggen.

Anthysterika, n. gr. ot anthysteri-sche middelen, middel tegen vrouwenziekten.

anti, gr. voorz. In samenstellingen voor eene klinkletter of li ook ant-: tegen;- In lat. en fr. woorden ook z. v. a. ante, voor.

Anti-abolitionist, in. (vgl. abolee-ren, enz.) een tegenstander van de afschatling der slavernij.

Antiades, f. pl. gr. (van den slng. antids) do amnndolon, klloren aan den bals; - antia-dóncus, m. de aniandelzwclllng; — antia-dïtis, f. de amandolontstoklng.

Antiadiaphorist, in. gr. (vgl. a d I a p li o-rist) een yveniar tegen zedetyke onverschilligheid.

Antiannexionist, m. tegenstander der annexatie (z. aid.); — antiannexionis-tisch, adj. vyandlg gezind tegen de annoxulle.

Antiar of antiar-oepas, n. oen roodbruin goinbnrs, het sap van den oopasboom, waarmede do Inbonrllngcn van den Indlschen archipel hunne pylon vergiftigen; — antiarine, f. pyi-gift, de giflstof van antiar.

Antiaristokraat, m. een tegenstander van do heerscbappy des ndels (vgl. ar 1sto-k ra 11 e).

Antiarthritisch, adj. tegen do jicht dienstig.

antiasthénisch, gr. (vgl. a s t b e n I s e li) de levonskraclit opwekkend.

antiasthmatisch, zie a n I a s t li in a-

11 s e b.


-ocr page 80-

ANTIBACCHIUS

ANTIEK

66

Antibacohius, r. p a I i m lgt; u c h i u s.

Antiballomëna, n. pl. gr. (van anlihnl-lein, flK. legen-, terugworpen; vergi\'IUken) geneesmiddelen vim overeenkomsllgo werking.

Antibarbarus, m. gr. (vgl. I) ar ba ar, enz.), vijand van onbeschaafdheid en onwetendheid ; een taalznlveraar, vyand van vreemde woorden; nok een boek, waarin de gewone fouten tegen do taalzuiverheid zijn aangewezen.

Antibasis, f. gr. de tegonstund, weerstand.

Antibolbos, m. fr. schoonheidswater om de vetwormpjes In 1 gezicht te verdrijven.

antiboreïsch, adj. lat. {anlihnrêus, vgl. imli en bore as), naar hel noorden gekeerd, noordwaarts.

Antibulla, f. gr. lat. (vgl. lm lie) legen-hul, bul van een tegenpaus.

Anticabinét, n. fr. een voorkamertje.

Anticagliën, f. pl. (spr. -kd-ljen) ilai. (slug, anlieaglia, verkiw. van anlira, antiek, /.ie op a nil qua), z. v. a. an 11 qua I lies.

anticamera, ilai. z. v. a. a n 11 c h a m h r e.

anticancreuse middelen, anti-cancrosa, n. pi. gr.-lat. (vgl. ca nc re us) middelen tegen den kanker.

Anticardium, z. anllkardium.

anticarieusemiddelen, gr.-lat. (vgl. carles, enz.) middelen legen beenbederf.

Antichambre, f. fr. (spr. aiili-itjuiibr\') de voorkamer in de hulzen der groot en; —antichambreeren, zijne gedurige opwachting by de groeten maken.

antichloor, n. gr. tegenchloor, chemische inlddelenonihot chloor uit de daarmede gebleekte stolfen te verwyderen.

antiehoBradïsche middelen, gr. (van choiras, klier, krop) middelen tegen het kropgezwel.

Anticholerika, n. pl. gr. of anticho-lérische middelen, middelen tegen de cholera.

Antichrésis of antichrêse, f. gr. (vgl. ch rests) de verpanding van het vruchtgebruik van een onroerend goed ter ultdelging eener schuld; — anlichrelice of antichrêtisch, adj. piuidsgewljs en wel met bet recht van vruchtgebruik.

An tichrist, m. gr. legen-Christus, een vyand, tegenslnnder van Christus en zyne leer; ook de duivel; — antichristianisme, n. de beslrUding van het christendom.

Antichronisme, n. gr. (van cliroiuis, tyd) eene tydvenettlng, fout legen do tydrekening; Gram. gehrnik van den eenen tyd voor den anderen.

Antichthónen, pl. gr. (van r hl hou, aarde) Geogr. tegenwoners, menschen, die op geiyke gradenhreedie, doch op tegengestelde halfronden wonen.

anticipeeren, lat. (anliciixire) voorultne-inen, -genieten, -beschikken, -doen, enz,; — nn-licipdndn, Int. vooruit, voorschotswyze; — anticipatie (spr. I=ls), f. het vooruitnemen, het by voorraad beschikken over nog te verdienen loon, over de slanlsinkomsten, enz.; de voorultbe-taling, het by voorschot verstrekte; Philos. eene voorbarig genomen algemeene gevolgtrekking.

anticivisch, adj. gr.-lat. (van civis, z. aid.) onburgertyk.

anticonstitutioneel (spr. tio=lsio), gr. nw. lat. (vgl. constitutie, enz) met de staatsregeling sti-ydig; — anticonstitutionist, m. een tegenstander van de staatsregeling; ook van de pauseiykc bulle unigenilus.

anticontagiëus, gr.-lat. (vgl, conta-gle, enz.) legen de aansteking of besmetting dienstig; —anticontagionist, m, een be-stryder van de leer der besmetting; — anti— contagiosa, n, pl, middelen tegen bosmetting.

anticonvulsivisch, gr. nw. lat. (vgl. een vu Isle, enz.) stulpwerend.

anticornlawleague, f. (spr. -Id-lieg\') het Ie Manchester, Inz. door (lobden in 1838 ge-stichte hond tegen de bestnande engelsche koren-wellen, ten einde vryen invoer van koreti Ie ver-krygen.

Anticyra, eene stad op de knsi van IMiocis, waar men het nieskruid (H e 11 e h o r u s) als geneesmiddel tegen den waanzin het best bereidde, vandaar (by Ho rat Ins, enz); quot;iemand moet naar Anticyraquot; d, i. hy Is gek.

Antideemonlst, m. gr. (vgl. diemon) een dnivelsioocbonaar.

Antidakt^los, m. gr. z. v. a. ana piest, antidateeren, z. antedateeren, antidemokratisch, adj. de volksheer-schappy vyandig.

Antidiserësis, f. gr. (vgl. dl ie re sis) de tegen-, onderafdeeling.

Antidiegêsis, f. gr. (vgl. die gesis) te-genverhaal, voorstelling van het verbaal der party op eene andere wyze.

Antidïkos, m. gr. (van dike, recht, rechtsgeding) eene tegen party voor het gerecht; — an-tidikasie, f. rechtsstryd,

Antidinika of antidïnische middelen, gr. (van dinos, werveling, duizeling) duizelingwereiido middelen.

Antidöron, n., pl antidóra, gr. (van dóron, geschenk) een tegengeschenk; vergelding; in de gr. kerk de ultdeellng van het overgebleven gewyde brood na het avondmaal onder de aanwe-zenden.

Antidotum, n., pl. antidota, gr. (anli-dolnn, daartegen gegeven) tegennilddel,tegenglfl, behoedmiddel tegen vergiftiging; — antido-tarïum, n. een boek, dat over tegenin iddelen handelt, In\'t algemeen een artsenyboek, phar-in a k o p ie a.

antidramatisch, adj. gr. (vgl, d r a in a-tiscb) In stryd niet de regels van bet drama,

antidynastisch, adj. den vorst en zyn geslacht vyandig.

Antidysenterïka, n. pi. gr. (vgl. dysenterie) middelen tegen den roeden loop.

antiek, adj, (van \'t lat. anlïquus,?,. aid.), fr, antique, inden geest of smaak der oudheid, overoud; ook ondvaderiyk, ouderwclsch; — an—


-ocr page 81-

ANTI MKTA HOLK

ANTIEMETIKA

67

tieken, r. pi. ouüo kunstwerken, oudheden, (inde gedenkstukken, heelden, enz.

Antiëmetïka, n. pl. er. (vgl. emesls, enz.) middelen tegen hot hraken; — antiëme-tisch, ailj. hot imiken stillendantiëpi-leptïka, n. pl. gr. (vgl. epilepsie, enz.) middelen tegen de vullende ziekte; — antiëpi-léptisch, iidj. togen do vallende ziekte dienstig.

antiëvangélisch,adj. gr. (vgl. evangelisch) vijandig logen \'t evangelie.

antifanatiek, adj. gr.-lal. (vgl. fa na-lick) de goloofsdwepei\'U hestrydend, haar vijandig.

Antifebrilïa, n. pi.gr.-lal, (vgl. fohris) koortsworendo middelen; — antifebrilisch, adj. küortsvordryveiid.

autigallisch, adj. gr.-lal. (vgl. Gal lie, enz.) nlel franschgozlnd, den frunschon vUandlg.

Antiganymêdes, m. gr. een loolUk, misvormd menseli, het tegendeel van Ganyme-des (z. a.)

Antigorïum, n. glazuur voor aardewerk,

enz.

Antigraaf, m. gr. (unlinrapheiis) een te-gonschrUver; — antigraphum, n. (gr. anti-(jraphon) een tegenschrifl, afschrin, afbeelding, afdruk.

Antiheemorrhagisch, gr. tegen hloed-vlociing werkzaam.

Antihsemorrhoidisch, adj. gr. (vgl. li ie m nrrh «ïdisc h) de aamtioion vcrdrüvcnde.

Antihektika, n. pl. gr., of antihékti-sche middelen (vgl. h e k 11 k a), middelen legen de longlering; — antihelmintïka, n. pi., z. a n t li e 1 m 1 n 11 k a; antihydro-pika, n. pi. gr., of antihydropische middelen (vgl. liydropisch), middelen tegen do wal erzucht; — antihypnotïka, z. a n thvpnotika; — antihypochondria-ka, ii. pl. middelen togen de millzuchl, de zwaarmoedigheid (hypochondrie, z. aid.);- an-tihypochondriacus, m. ecu miltzuchlver-drUvor, lachverwokkor, grappenmaker; — an-tihystérisch,adj. wat dovrUslorzioklo (hysterie, z. aid.) hestrydl.

Antiïncrustator, m. gr.-lal. toestel om liet vormen van kotelsteen In stooinkotels tegen ie gaan.

Antimoculist, m. (vgl. in oculist) een Icgcnstander van de pukinenting.

antikachéktisch,adj. (vgl. kaclioxie, enz.) wut de kwaadsappigheid hcslrydl.

Antikardion of antikardïum, n. gr. (van kardia, hart) de hartkuil ; de holle tusschen de sleulelheenen aan t honedendeel van den hals.

Antikatarrhalïa, n. pl. gr. (vgl. k a t a r-rhus) Med. iniddolen legen zinkingachtige aandoeningen, togen hoest en verkoudheid; — anti-katarrhaliseh, adj. daartegen dienstig.

Antikategorie, f. gr. (vgl. kalogorlo) de tegenklacht, tcgenhesehuldiging.

antikathólisch, antikatholiek, adj. Kr. het katholieke geloof vyundig, daarmede -tr(jdig.

Antikausotika, n. pl. gr. (van kuüsos, hrand, linindende koorts) middelen togen de liran-dende koorts.

Antikaustïka, n. pl. gr. (vgl. ka us is, enz.) middelen legen hytende schadeiykliedon;

— antikaustisch, adj. logen hot inhUten dienstig.

Antiklimax, f. gr. (vgl. kliuiiix) l.og. de tegeiiopkilmnilng, de verzwakking der opeenvolgende uitdrukkingen.

Antikolika, n. pi. gr. (vgl. koliek onder koioii) middelen legen liuikkramp.

Antikritiek, f. gr. (vgl. kritiek) de to-geiihooordoellng, wederlegging eener hookheoor-deollng, lie hestryding van hel afkeurend oordeel;

— antikriticus, m. tegonbcoordoelaar; -antikritisch, adj. tegenheoordoclend; Mod. molde (verwachte) krlsis strydig; storend op de krisis werkende.

Antilegomënon, n., pl. antilego-mena, gr. (van (inli-lénein, legrens|irekeii) lie-slreden schriften, zulke, welker schryvors onzeker zuil, in legenoverstolling met tiuinologu-ni e na; — antilogie, f. do tegenspraak, tegenovergestelde meeuing, inz. zulk eene, die legen de eischen der rede Is.

antilethargïsche middelen, gr. (vgl lethargie) middelen tegen de slaapzucht.

Antiliberalisme, n. gr.-nw. lat. (vgl. li-her a al, enz.) onvryzhinigheld.

Antilógie, z. oud. anlllegoineiion.

Antilópe, f. gr. (van anlhóloiis, d. i. hloc-monoog, wegens de schoono oogen van deze dieren) de hertegoll, een fraai gehoornd viervoetig lioreudier van Azic en Afrika, waarloe de gazelle (z. aid.) liohoort.

Antiloquist, in. gr.-lat. (van loqui, spreken) de tegenspreker, wederlegger; antilo-qui\'um, n. mid. lal. de tegenspraak, wederlegging.

Antilyssum, n.,pl. antilyssa, ^r. (van lyssa, z. aid.) middelen legen de hondsdulheid of watervrees.

Antimacassar, in. (vgl. macassaro-lio) gehaakt kleedje over sofakussens, sliilmer-rollen, enz., Ier afwering van haarollevlokkoii.

Antimaechiavél, m. eone wederlegging der grondstolllngen van Macchlavelll (vgl. m a c h 1 li v e 111 s m e) In zyn hoek over den vorst. (F re de rik de groole, Hess, .lakoli e. a. hehhen onder andoren zulk eene «((derlegging heproefd.

antimelanchólisch, adj. gr. vgl. me-I a n c li e 1 i s ch) /.vviiarmoedigheid-verdryveiid, opvrooiykend.

Antimephïtisch, adj. gr. (vgl. meplii-t is, enz.) Iiichtverheterend, luchtzulvcroiid.

Antimerie, f. gr. (van ntéros, deel, rededeel) Log. verwisseling van het eene rededeel mei liet andere; hel noemen van de slof, waaruit een voorwerp is vervaardigd, in plaals van dat voorwerp zelf, h. v. staal voor degen.

Antimetabóle of antimetalêpsis, f. gr. (vgl. mei a hole en melalepsis) l.og.


-ocr page 82-

ANTI PHLEBOTOMIST

ANTI M FIT ATH ES IS

08

lierhuling van dozoltde woorden in omgekeerde plaatsing.

Antimetathësis, t. gr. (vgl. metathesis) herhaiing van dezelfde woorden In tegen-overgestelden zin, I), v.: «Eet om te loven; leet niet om te eten.quot;

aiitiministeriëel, adj. rr. togen de ministers of het ministerie (z. aid.) gericht, gezind, enz.; — antiministeriëelen, nw. lat. de hostrydors van het ministerie.

antimonarchaal, ailj, (vgl. monarch, enz.) togen de alieenlieerschniipy.

Antimonium, n. mld. lat. (van hel gr. anti, tegen, en mónos, enkel, omdat men het nooit alleen, maar steeds gemengd aantreft; v. a. bedorven nil het arab. ul-ilhmUloen) spiesglas of spiesglans; antimonium crudum, ruw spiesglans-, (i. muriattcum, zoutzuur spiesglans; a. sulphu-ratum, zwavelspiesglans ; «. tartarisCiluin, braakwijnsteen ; — antimoniaal, adj. spiesgianzig;

antimoniaka, antimonialiën, pi. gr. Med. spiesglansmiddelen.

antimoralisch, adj. gr.-lat. (vgl. moraal, enz.) sti\'Udig met de zedelijkheid, de goede zeden wegnemend; — antimoralisme, n. de leer, die bet onderscheid tusscben goed en kwaad opheft en alle menscheiijke verrichtingen voor onverschillig verklaart; antimorallst, m. een aanhanger dier leer, bestryder der zedeiykbeld.

Antinarkotïka, ii. pi. gr. (vgl. narko-tlku) Med. middelen tegen narkotlsche vergiftiging.

antinationaal spr. lio=lsio), adj. strydlg met den geest, met de tielangen des volks.

antinephrïtisch, gr. (vgl. n e p h r 111 s c b) nierziektevverend, -bestrydend; — antine-phritïka, n. pl. geneesmiddelen voor de nieren.

Antinomie, f. gr. (anlinomia, van nómos, wet) tegenstrydlgbeld der wellen, bet aandrul-schen van twee wetten tegen elkander; ook de schynbare tegenspraak der rede met zich zelve; — antinomisme, n. tbcol. de schynbare le-genstrydlgbeid tusscben de oud-testamenllsche weten de leer van bet christendom; —anti-nomisten of antinomianen, m. pl. wet-hestrijders, eene secte der Hide eeuw, die de onderhouding der oude joodsche wallen voor ver-eenigbaar met de leer van bel evangelie en als gunstig voor bet pausdom hield; aanhangers eener dweepzieke secte in Brltsch Amerika ten lyde der kolonisatie van dat land.

AntinoUs, m. gr. een uitstekend schoon jongeling (naar een Jongen Kllbynier van dien naam, gunsteling van keizer Madrlanus).

Antiodontalgika, zie a n t o d o n I a I-gïka.

Anti-orangisten, m. pl. (vgl. o r a n g 1 s-

I e n) legcnstanders van \'I vorstenhuis van Oranje.

Antiórgastika, n. pl. gr. (vgl. o r g a s m e) middelen tegen bloedopwelllngcn, legen de Ie groote prikkelbaarheid.

Antipsedobaptist, m. tegenstander van den kinderdoop (wederdooper).

Antipapa, m. gr. (vgl. papa, euz.) een tegenpaus; — antipapisme, n. de pausbe-strydlng, bet tegenpausdom; — antipapistisch, tegenpauseiyk, den paus vyandlg.

antiparallél, adj. gr. (vgl. parallel) de parallellen doorsnydend.

antiparalytisch, adj. gr. (vgl. paralysis) tegen de verlamming dienstig.

Antiparalytika, gr., antiparalyti-sche middelen, pi. middelen tegen verlamming (paralysis).

Antiparasitïka, n. pl. gr. (vgl. parasiet) middelen legen woekerdleren of -planten, die zich op levende wezens bevinden.

Antiparastasis, f. gr. (van parostasis, uiteenzetting, bewys) Kbet. eene figuur, waardoor men beweerl, dat eene daad, die afgekeurd en veroordeeld wordt. Integendeel lofwaardig is; tegenbewys; Jur. eene telastelegglng van den schuldige lotzyn voordeel, wederlegging der party.

Antipasoha, n. gr.-hebr. (vgl. pascha) de zondag nu Paseben In de grleksche kerk (= il nas 1 m o dogen it 1).

Antipasigraphie, f. gr. bewys van de onmogeiykheld der pas I graph ie (z. a.)

Antipathie, f. gr. {anlipdlheia, van pathos, lyden, toestand) een natuurlyke afkeer van Iets, tegengevoel, wederstreving, het tegengestelde van s y m p a t b I e; — antipathisch, adj. afkee-rlg, wederstrevend.

Antipatriót, m. gr. (vgl. patrio t) een tegenstrever der vaderlandsvrienden, vyand des vaderlands; — antipatrióttisch, adj. tegen bet vaderlanil of zgne vrienden.

Antipelargïe, f. gr. (antipelaroia, van peldrnos, ooievaar, als zinnebeeld der liefde tus-schen de leden van een gezin) de wederliefde, beantwoording der ouderliefde, vergelding der weldaden.

Antipendïum, liever antependlum, z. aid.

Antiperiagöge, f. gr. (van periagooe, omdraaiing) de Iweevondige tegengestelde beweging der vaste sterren.

antiperistaltisch, adj. gr. (vgl. peristal 11 s c bj tegendraaiend, wat de wormsgewyze beweging dor Ingewanden wederstreeft, tegen-wormsgew Ijs.

Antiperistasis, f. gr. (van perMasis, elg. het omstaande) de tegenwerking van twee natuur-kraebten, bestendige drukking en tegendrukktng.

Antipernïum, ii. gr.-lat. (vgl. pern ionen) Chir. middel, balsem, zalf tegen wlnterge-zwellen (winterhanden, wintervoeten).

antipestilentiaal ispr. —tsiddl), gr.-lat. peslwerend.

Antipharmacum, n. pl. antiphar-maka, gr. (vgl. pba r ma kon) bet togenvergift.

Antiphasis of antiphasie, f. gr. de tegenspraak, wederlegging.

Antiphérna. n. pl. gr. (van plierné, bel Ingebracbte der vrouw, het uitzet) Jur. tegenge-schenken des tirnidegoms aan z.yne bruid, of des echtgenoots aan zyue vrouw.

Antiphlebotomist, m. gr. (vgl. p h l e-


-ocr page 83-

ANTIREPUBLIKEIN

ANTIPHLOGISTIEK

69

liolomlst, onder phlebcmplirnxis) oen vUand van hel uderlaton.

Antiphlogistiek, f. «r. (vrI. phlogiston, om.) of het antiphlogistisch systeem, de togonhrandstollecr, het nieuwe, tegen het p h 1 o g I s t o n of brandbare beginsel gerichte leerstelsel dor chemie, door Lavoisier in lquot;S!t logen SI ii li I verdedigd; — antiphlogistï-cus, n. een tegenstander der brandstolleer; — antiphlogistisch, adj, tegen de brandstof gericht ; ook ontsloklngwerend, hltte-temperend; — antiphlogistïka, n. pi., of antiphlo-gistïsche middelen, Med. ontsteklngwe-rende, verzwakkende en te gelgk verkoelende mlddolen.

Antiphöna of antiphoniën, f. pl. gr,

(van phónê, geluld, stem) tegenzang, wisselgezang, dat dooréene stem aangeheven, door twee koren beurtelings afgezongen en door het gansche koor herhaald wordt; — antiphohale of an-tiphonarrum, n. liet gezangboek der psalmen, hymnen, beurtzangen der It. K. kerk;— antiphonie, f. de logische slrydlgbeld.

Antiphöra, f. gr. (van anli-phtrein, legen-brengen of -stellen) tegenstelling.

Antiphotisme, n. gr. (van phös, genlt. phólós, licht) het tegenstrulon des lichts.

Antiphrasis of antiphrase, f. gr. (vgl. phrase) Log. do tegenhcnamlng, de benoeming eenerzaak doorbel tegendeel, dat meestal spot-tenderwys geschiedt; zoo b. v. noemden de Grieken de Furiën «Eu men i de n, de wel willendenquot;; de Zwarle zee «Pontus Euxinus, de herbergzame zeequot;; ook eene bevestiging door eene dubbele ontkenning, b. v. »Dat meisje Is niet onbevallig.quot;

Antiphraxis, f. gr. (van unli-phrnmin, tegenversperron) het versperren door een tegenoverstaand voorwerp.

Antiphthiriaka, n. pl. gr. (vgl. p h I h i-riasis) middelen tegen de luiszlekle.

antiphthisisch, adj. gr. (vgl. phthisis) Med. de longtering te keer gaande of genezende, teringwerend; — antiphthisïka, n. pl. middelen tegen de tering.

Antipiraat, m. gr.-tal. (vgl. piraat) een zeeroovenyand; — antipiratisch, adj. legen de zeeroovery gericht, b. v. antiplratl-sche veroeniging, in isli door Sidney Smith togen de zoeroovors der afrlkaansche roofstaten gesticht.

antiplastisch, adj. (vgl. plastisch) Med. de tegenvorming helrelfende, tegenvoi mend.

antiplatönisch,adj. (vgl. platonisch) tegen Plato gericht; a n 11 p I a t o n I s c li e liefde, zlnnoiyke, wellustige liefde.

antipleurïtiseh, adj. gr. (vgl. pleuri-11 s) dienstig tegen het zydewee; antipleu-ritïka, n. pi. middelen tegen het zydewee.

antipneumónisch, beter antipneu-monitisch, adj. gr. (vgl. p n e n m o n 111 s) dienstig legen de longontsteking.

Antipodagnka, n. pl. gr. (vgl. podagra) Med. middelen tegen hel voeteuvel, jicht-

...............iddeien; — antipodagrisch,

adj. tegen liet voeteuvel dienstig.

Antipóde, m. gr. (anlipoes, van poex, genlt. pniliis, voet) Geogr. een tegenvoeter, Iemand, die op tegenovergcstclden merldiaanen parallel woont; ouelg. tegenparty, wederstrever, vyand; —an-tipódisch, adj de tegenvoeters hetrelfende; weerst revend.

Antiporticus, f., doorgaans m., gr.-lal. (vgl. port leus) bel met zuilen voorziene open portaal by kerken.

Antiprotasis, f. gr. (vgl. p rul n sls) Log. de aankondiging eener volgende wederlegging (meest door eene vraag uitgedrukt).

Antipsorika, n. pi. gr., of antipson-sche middelen (vgl. psora) middelen legen jeukenden uitslag, inz. tegen schurft.

Antiptösis, f. gr. (vgl. ptosis) Gram.de verwisseling van den eenen naamval mei den anderen.

Antiputnda, n. pl. gr.-lat. (van pulrïdus, lt;i, khi, verrol) verrottingwerende middelen.

Antipyretlka, n. pl. gr. (vgl. pv rel Ika) middelen tegen de koorts.

Antipyrotïcum, n., pl. antipyrotï-ka, gr. middelen legen brandwonden, brandmiddelen.

(mtiquus, a, um. lal. oud, ouderwetsch (vgl. anti e k); — anliquis mortbus, naar oud gebruik, volgens oudheden en gebruiken; — antiqua, f. Typ. eene hoofdsoort van recht staande lat. drukletters, in tegensl. met cursief, zoowel als met de gollllscho en dultsche letter; .lur. do oude recht sslellingen, die In de lex U\'isiiinlhorum by de wesl-gothische constiliitiën te vinden zijn; — antiquailles, f. pl. fr. (spr. aiilikdlj\') kleine oudheden van weinig waarde, b. v. inunlen uil vroeger tyd ; ook oude vodden, kramery, rommel;

antiquarms, antiquaar, m. lal. een oudheidkenner, -onderzoeker; handelaar in oud-beden ; in Dultschland: handeliiar In oude boeken (In \'l fr. Uouquinisle geheeten); — antiquarisch, adj. lot do oudheid heboorend; — an-tiqueeren (lal. anliquare) bet tiy I oude talen; voor verouderd verklaren; verwerpon, opbellen, afscbatren, li. v. wetten; ook oude geschriften nascbrUven; de snede der boeken met figuren versieren, die met een gloeiend gzer worden opgebrand; antiquiseeren (spr. .*=£) (bnrb. lal.), den smaak der Ouden naboolsen, autleke voorbeelden nabootsen, bel tegengest. van modern Ise ere n;—antiquiteit, f. (lat. nn-liqmlus) de oudheid; een voorwerp uil de oudheid; pi. antiquiteiten, oudheden; gehrui-ken der Ouden of der oudheid.

Antirationalisme (spr. tio~lsio), n. gr.-nw. lat. (vgl. rationalisme) bestrydlug van tiet redegeloof; —antirationalist, m. een vyand van \'I gebruik der rede, Inz. in geloofszaken.

Antirefórmer, m. eng. (vgl. r o f o r m e r) bestryder van elke verandering of nleuvvlglield, zoowel in den Slaat als in de Kerk.

Antirepublikein, m. gr.-lat. (vgl. re-


-ocr page 84-

A NT1R EVELATIONISM E 70

ANTIUNION 1ST

|i u I) I i c k, (Miz.) ci\'ii tegfinslandor van con gc-nuMüiebest, ecu vryiieidsvyanil; — antirepu-blikeinsch, adj. ntct gomoonebostgezlnd, vrij-holdhatend, onvrdburgoiiyk.

Antirevelationisme (spr. tw=tsio), n. gr.-nw. lal. (vgl. rovolooron) hel loochenen iler openbaring.

Antirevolütie (spr. tie=lsie), f. gr.-nw. lal. (vgl. revolnlle) de legenomwenlollng, Ic-genopsiiind; antirevolutioneeren, eene Icgcnomwenlellng maken, eene omwenteling wederstreven; antirevolutionair, adj. wat de legenonivvonlellng betreft, of bevordert, wat do omwenteling wederstreeft, Inz. van eene polllleko partij: legen de beginselen der fiansebo revolutie van ns\'.i gericbi; - de antirevolutionairen, voorstanders van een staatkundig beginsel, dat berust op een recbtzinnlg prolestaniscbc wereldbeschouwing.

antirheumatische middelen, gr. (vgl. rb en ma) middelen legen rbcunialiek of zoogcnaaniile vloeiingen.

Antiroyalisme, n. gr.-fr. (vgl. royalis-mc, enz.) de koningsvyandscbap; antiroyalist, een koningsvyand, legenslander van bet koningscbap-, antiroyalistisch, adj. vijandig legen don koning of hel koningschap gezind.

Antiscabiösa, n. pl. gr. (vgl. scabies) middelen legen de schurft.

Antiscïi, m. pl. gr. (van skid, schaduw) Geogr. legonscliadmvlgen, mensclien op geiyken nfstand aan tegenovergestelde zyden des evenaars, welke iles middags legonovergesioide schaduwen hebben.

antiscirreus,adj. Mod. de kanker heelend.

antiscorbütisch, adj. gr. nw.-lat. (vgl. sco r b u ut) scheurhuikwerend, -genezend.

Antiscripturarïus, m. gr.-lat. (v. scrip-türa,schrift) vyand der Heilige Schrift; anti-scripturisme, n.verloocl.....ingderH. Sohrlfl.

Antiscrophulösa, n. pl. gr. (vgl. scro-phiila) Med. middelen legen de klierziekte.

antisêptisoh, gr. (vgl. sopsis, enz.) be-ilerfwerond; - antiseptïcum, n., pl. an-tiseptika, hedeifworende nildilelon.

Antisialagöga, n. pl. gr. (vgl. slala-goga) Meil. nililiiclcn legen kHüllng, legen speekselvloed.

antisociaal, mij. gr.-lal. (vgl. sociaal) onmaatschappeiyk, ongezellig, legen de burger-lijke orde.

antisolübel, adj. moeilijk op ie lossen.

Antispasis, f. gr. (vgl. spasls.onz.) elg. de tegentrekking; Mod. de alleiding van het bloed of vananden\' vochlen naar een ander deel; ook de tegenprikkeling ; — antispastisch, adj. af-leldernl, voorn 1 door antispastlka, n. pl. hlaar-1 rekkende middelen, antispasmodïka, n. pl. gr. krampstlllendo middelen; antispas-t(us), m. gr. (antisimslns, elg. legengetrokken; wederstrevend) een gr. cn lal. versvoet van vier leltorgrepen, twee lange tusschen twee korte of

een Janibns cn een trochous (—---) b. v.

g e z a g v o e r d e r.

Antispectrologie, f. gr.-lal. (vgl. spec-

I r um) de wetenschappeiyko bestryding van \'I go-loof aan spoken.

Antispiritualisme, n. gr.-nw. \'at. (vgl. spiritualism o) de ontkenning van hei geosto-lijke In den mensch, z. v. a. in atorlallsmo.

Antispodium, n. gr. (anlispödfon, van spodiis, asch) plantenasch.

Antistérnum,n. gr. (vgl. sternum)Med. het tegengestelde van \'I borstbeen, de hovenrug.

Antlstes, m. lat. een oplichter, bestuurder, kerk- of schoolopziener; opperpriester; —an-tistlta, f. eene bestuurster, opzichtster, Inz. eene abdis, stiftopzlensler.

Antistrephon, n. eene onjuiste wijze om een besluit te trokken, uit wier howysgronden zich ook bet tegendeel laat alletden.

Antistróphe, f. gr. {anlislróphê; vgl. strophe) de tegenzang of hot antwoord van \'I koor ter linkerzyde van liet gr. looneel op do strophe van het koor Ier rechterzijde; — anti-stróphon, n. Log. eene onjuiste sluitrede, waaruit zich ook hel logendeel laat bewyzen.

Antisyphilitïka, n. pl. gr. (vgl. syphi-

II s) middelen legen de vemiszlekle; — anti-syphilitisch, adj. legen de venuskwalen dienstig.

Antitasis, f. gr. (vgl. la sis) tegenuitzet-ting hij lieenbrcuken, legenspanning; wederstreving, tegenstand.

Antitéchnos, m. gr. (van Uchm, kunst) een mededinger in eene kimsl.

Antithaumaturgie, f. gr. thauma-1 urg, enz.) de betwyfeiing, loochening dor wonderwerken.

Antithë\'i, m. pl. gr. (anlitheoi, van Iheus, (iod) elg. tegengoden; booze ((eesten.

Antithése of antithèsis, f. gr. (vgl. thesis) Log. de lotterverwissollng; eene tegon-slelllng zoo lu donkboolileii als woorden, z. v. a. antlthclon, doch niel ■/.. v. a. contrast (z. a.)-, ook de wederzydsche opbelling van Iwee oor-doelen ; - antithetïka, I. do tegenoverstelling; het onderzoek naar de schynlmre tegenspraak van de redo met zich zelve;-antithé-tisch, adj. tegcnstellonil; — antithëton, n. het tegengeslelde, de tegenstelling, krachtens welke het tegengestelde wordt samengesteld.

Antitragus, m. gr. (van tmgós, hok) elg tegonhok; Anal, een kraakhcenplaalje aan hot uitwendige oor.

Antitrinitarms, m. gr.-lal. (vgl. triniteit, enz.) een loochonaar van het leerstuk der Drieênheid, z. u n 11 a rln s.

antitropisch, adj. Med. verkeerd liggend (vim de vrucht in liet inoederiyt).

Antitypie, f. gr. (vgl. ly pus) Log. tegenslag, tegenwerking; Rhol. lt;lc hardheid cn wanklank van Iwee op elkander volgende woorden; — antit^pus, m. hel legonheeld; —anti-typisch, adj. oen legonheeld vormend.

Antiunionist, in. tegenstander der ver-eeniging of samensmolling, Inz. In kcrkeiyk opzicht.


-ocr page 85-

ANTIVENERISCH

APANTH1I0PIE

71

antivenérisch, udj. gr.-Int. (vgl. Venus, enz.) logon (l« vonuszloktc dlonsllg.

Antizeloot, tn. gr. (vgl. ze looi) een vyand dor Ijvoniars, een geniallgde.

Antjar, m. Bol. de vorglflliooin ijihonoepas) op Java; ook liel glfligo sap van dien boom, waarmede de Indiërs soms hunne wapenen vergiftigen.

Antlïa, f. gr. {nnllin, eig. liet verwijderen van het zeewater uit hot onderste scheepsruim) oen putworktnig, eene pomp; — antlia pneu-matica, (van pn ouina,/.. aid.), de luchipomp.

Antodontalgïka, pi. gr. (vgl. o d o n t a 1-gie) middelen tegen de tandpün.

Antoeci, pi. gr. {dnt-oikoi, van öJkns, woning) Geogr. tegenwoners, menEclien onder den zelfden meridiaan, maar tegcnovorgcstoiden parallel. (De antieci zijn allijd antiscii, docii de antiscii niet uliüd antuicl).

Antonïus, Antónie, lat. mansn.;: de onscluithare, pryswaardige j vr. Antonïa en Antoinette (spr. aiiloa-); — Antonius-vuur, de roos, eene huidontsteking, pestaar-dige roos, zoo genoemd naar A n I o n i u s van 1\'adua, wiens beenderen In de 11de eeuw gewaande wonderen deden tegen eene hoosaardige reosziekie, \'I welk aanleiding gaf tot de stichling der St. Antonie-orde, wier leden An-tonijnen of Antoniërs heetten-, — An-tonius—kruis, een kruis in de gedaante eener T, waaraan SI. A ut on lus van Egypte in de 4de eeuw moet gekruist zijn.

Antonomasre, f. gr. (anl-nnomasia, van onomAihcin, noomen, ónoma, naam) Log. de. naamwisseling, het In-de-plaats-slellen van een eigen voor een gemeen naamwoord, of ook omgekeerd I), v. Demost heiies of Cicëro in plaats van grool redenaar.

Antophtalmïka, n. pl. of antoph-thalmische middelen, gr. (van nphlimt-mós, oog) middelen tegen oogkwalen, oogmiddelen.

Anübis, n. cggt; pl (eig. anepoe) de gouden; eene oud-egypl. godheid met eenen hondekop, zoon van Osiris en Nephlhys, als grenswachter en beschormer van Egypte beschouwd.

Anune, f. gr. (van « priv. en oer on, pis) Med. het uithiyven der pis.

Anus, m. lal. de aars, het uiteinde van den endeldarm j — per iinuni, Med. door den aars.

Anxiëteit, f. lat. {anxiSlus, van aimus, ii, «m, angstig) de angst, benauwdheid.

Anxis, f. gr. IMcd. de bokiemmlng, samensnoering van een of ander orgaan.

Anydrïa of anydne, r. gr. (van \'i priv. an- en hydör, water) hei walergebrek, de dorheid.

Aoknie, f. gr. (van o priv. en óknos, verzuim) de onverdrotenheid, de vlijt.

Aorasie, f. gr. (van a priv. en hortin, zien) do onzichtbaarheid (der goden); de blindheid.

Aorgesie, f. gr. (van a priv. en orgc, loorn) de loornlooshold; — aorgêtisch, adj. loornioos, niet oploopend, gelaten.

Aoristos of aorist, m. gr. (van a priv.

en horiilzein, begrenzen) in de gr. Gram.: on-begrensdo tUd, inz. de lyiivorm van tiet onbegrensd verledene, onbepaald verleden lijil, de verhalende i(|il; - aoristio, f. gr. aorislia) oniiopanidheid, onheslotenheld, lw(|folende loe-stand van geest of gemoed (inz. der sceptici);

— aoristisch, adj. onbegrensd, onbepaald, inz. de betcekonls van den onbepaald verleden iyd behhendc.

Aórta, Aórte, f. gr. {aorlë, lat. aorta) de grooto pnis- of slagader, hoofdslagader; — aorteurïsma, n. ziekeiyke verwydlug der aorta; — aortitis, f. ontsioking der aoria.

Aosmisch, adj. gr. (van osmé, reuk) reukeloos.

ap-, gr. voorz. in samensi., z. apo.

Apsedeusie, f. of apsedeutisme, n.

gr. (van a priv. en paldeüein, onderrichten) onwetendheid uit gebrek aan onderricht; — apse-dêütisch, adj. ongeleerd, onwetend.

apage, gr. en lat. voort! weg! pak u weg!

— a.Salanas, ga weg (van my). Satan, (Jezus\' woorden tol den duivel, die hem verzocht).

Apagma, n. gr, (van ap-agein, af-, weg-, terugvoeren) Cbii\'. verschuiving van heenderen uil hunne natuuriyke piaals; — apagöge, f. gr. Log. terugvoering op eene ongerymdheid; gevolgtrekking uil hel ongorUmde der tegenw erpingen, die men legen de ie hewyzen stelling kan aanvoeren; een apagogïsch besluit eene gevoiglrekking uil de vnlschheid van het tegendeel. (Zij is nlel aliyd juist, omdat de valschheid eener slolling nog niet de waarheid van liet tegendeel hewysl.)

apaiseeren, (spr. a pit-), fr. (apaiser) bevredigen, stillen, gerustslellen, verzachlen.

Apallage, f. gr. (ap-allagc) Med. de verwijdering, inz. van ilchamciyke kwalen door genezing of dood; verilchling; zachte ontlasting.

Apalto of apalto, m. it. (mod. lat. apal-tus, appiillm, waarseh. van arah. balala, sny-don, doelen) de pachi of vorpaehiing van vor-sleiyke inkomsten: — apaltatóren, m. pl. (mid. lat. afipaltores) «f apaltisten, pachters van vorsletyke inkomsten, van heerenrechten; inz. pachters van ondernomingen by de pauso-lyke rogeering.

Apanage f. liever n. fr. (spr. -d-zj\') mid. lal. apanaglum (van \'I lal. panis, hrood, mid. lal. panagium, levensonderhoud) verzorging der jongere prinsen van een regeerend huis door gold of door de inkomsten en het vruchigebruik van daarioo aangewezen goederen; prinsen-iyf-tocht, geldoiyko toelage uil de staatskas aan niet-rogeerende vorsten, onderscheiden van pa-ragium; ook hetgeen een voorwerp, hotzy ten goede of ten kwade eigen Is; ook aanhangsel;

— apanageeren (spr. !i=tj), boschonken met een apanage.

Apantêsis, f. gr. (van (ip-nnhin, ontnioo-ten) do nnimoeling; liel antwoord, de wederlegging.

Apanthropie, f. gr. {ap-nnthrnpia, van dnlhropos, nienschi do onmensoheiykhold, wreed.


-ocr page 86-

APHILANTHROOP

APARAGEMENT

72

held; ook droefgeestigheid met menschenvrees gepaard.

Aparagement, 11. fr. (spr. —zje—mnit: verg. puraglum) huwelUk met lenmnd van gelijke geboorte.

Aparagoeren (spr. —zjee), gelUkmaken, bemiddelen; aan Iemand van geiyko geboorte ulthuweiyken.

Aparësis, t. gr. Log. wederopvatling, de uiteenzetting van het vroeger slechts aangestipte.

Aparithmësis, f. gr. (van ap-arilhmêtii, af-, optellen) de opsomming der tegenwerpingen.

Aparktias, m. gr. (van arktos, vgl. a r k-tlsch) de noordenwind.

apart, fr. (van \'I lat. « parte, van of op de zijde; ter zyde, voor zlchzelven; afzonderlijk; — aparté, n. ter-zljdo-spraak, datgeno wat een looneelspeler hoorbaar voor do toeschouwers, maar (voorondersteld) niet hoorbaar voor zilne medespelers zegt; — apartement, ii. eeno bijzondere woonkamer, eeno afdeellng inz. van een aanzienlijk huis; de dag van op-wachting, de speeldag aan hoven; ook hel bci-melijk geinnk.

Aparthrösis, f., z. v. a. dlarlhrosls.

Apartïsis, f. gr. (v. arlidzein, ap-aiii-ikein,klaar maken, volloulen) volkomenheid; inz. lichamelijke volkomenheid.

Apastie, f. gr. (apaslia, v. d-paslos, niets gegeten hebbende) nuchterheid, vasten.

Apatêtisch, gr. (van apalan, bedriegen) bedrieglijk, valsch.

Apathie, f. gr. (apdlheia, van a priv. en pal hos, ■/.. aid.) gevoelloosheid, zoo van ziel als lichaam, onverschilligheid, ongovoeiigbeid voor sommige Indrukken, zorgeloosheid; — apathisch, adj. gevoelloos, enz.; — apathist, m. een gevoeiioozo.

Apatiet, n. misleider (van \'t gr. apalan, misleiden, door VV e r n e r dus genoemd, omdat deze steensoort alle mineralogen lang omtrent haren waren aard misleid lieefi) phosphorzure kalksteen.

Apaturïen, f. pi. gr. (apatrma) een Bac-chusfeesl in Athene, dat drie dagen duurde, Ier plechtige opneming der kinderen In dcphratlBn (z. aid.) of Ier verzekering van hun burgerrecht.

Ape, apen, n. eene broodsoort der hindoe\'s.

Apechëma, n. gr. (van ap-cchëin, weerklinken, vgl. echo) de weerklank, naklank; Chlr. de tegenscheur aan een beleedigd been, co n I ra f 1 ss u ra (z. a.); ook de werking van den vul, wanneer de daardoor veroorzaakle p|jn aan de andere zyde gevoeld wordt.

a pedïbus, lat. de lakei.

Apeirokalie, f. gr. (van dpelros, onervaren, en kalós, schoon) onervarenheid In het schoone, smakeloosheid; Log. bet gedwongen streven naar sierlijkheid.

Apelaïnezuur, n. (van gr. apu, van en clainn, olie) Chem. eeno door oalleding van olie-zuur door saipeierzuur gevormd organisch zuur.

.Ipclles post (ah li km, lal. spreekw.; elg. Apel-les achter de schiidory lom \'t oonleel daarover at te luisteren) luisteraar, luistervink.

Apemphasis, f. gr. (van ap-emphawein, onwaarschyniyk, strydlg) zwarigheid in den zin, strydlgheid daarin.

Apepsïe, f. gr. (van n prlv. en pep sis, ■/.. aid.) de nlet-vertering, slechte spijsvertering; onverteerbaarheid; —apéptisch, ailj. onverleerbaar, aan slechte spysvertering lydende; — apépta, n. pi. onverteerbare spyzon of dingen.

Aperantoloog, m. gr. (v. dperanlos, onbegrensd, en légein, spreken) en onophoudeiyk praten of snappen.

Aperceptie, z. a p p e r c e p 11 e.

Apercju, n. fr. (spr. apersii: van aperce-voir, waarnemen) elg. het waargenomeae; korl overzicht, hoofdinhoud, ontwerp.

aperiens, n. pi. aperient ia, lal. (van apcrïre, openen) Med. openende middelen; — aperitief, nw. lat. openend; — apért, lat. (apirtm,

a, urn) open, openbaar, onverholen; — apdrtn tcrmlno, lal. Jur. na geopenden rechtsdag; — upertn tibro, met open boek z. v. a. ad aper-luram Hbri (z. aid.); — apertuur, f. (lat. apertiira) de opening, inz. de openstelling van een leengoed voor den leenheer (flpertüra feudi).

apetalisch, gr. (api\'hilns, on, van o priv. en pHaton, i. aid.) blad of bladerloos.

d peu prés, f. (spr. —pré) b|jna, ongeveer.

Apex, m. (pi. apices) lal. elg. spits, top, enz.; Gram. het tnontoeken op eene lettergreep; ook do muis der kalh. priesters (wegens hare spitstoeioopendo gedaante); — apices juris, spils-vondigheden der rechtsgeleerden, rechtsvonden, advocaten-streken.

Aphceroais, f. gr. (aphairHsis, van aphai-rcin, af-, wegnemen) Gram. afsnydlng, verkorting eens woords van voren, afwerping doorgaans van medeklinkers vooraan het woord,

b. v. lulgen voor getuigen; \'ivoor bel, enz. Chlr. het wegnemen van een overtollig lid.

Aphagie, f. gr. (van a priv. en pUaqcïn, eten) Med. het onvermogen om ie eten, te slikken.

Aphasie, f. gr. {aphasia, v. a priv. en phemi, ik spreek), do sprakeloosheid, het verstommen ; een schrik, die doet verstommen.

Apheleia, f. gr. (v. aphelës, zonder stee-nen, vlak, elfen) Log. het eenvoudige, natuur-lyke, ongedwongene der voorstelling.

Aphelmm, n. gr. (van ap-, apó, en helios, ■/.. aid.) Asiron. de zonsverheld, zonsafstand, het punt, waar eene planeet b|j haren grootsten afstand van de zon zich bevindi; vgl. perl h el I n m.

Aphelxie, f. gr. (van aphélkein, aftrekkon) Med. afgelrokkenheld van hel denkvermogen, verslrooidheid.

Aphësis, t. gr. (v. aphiëmi, ik laat los, ontsla) Med. het afnemen, wegbiyven van ziekten; ook verslapping.

Aphilanthroop, m. gr. (vgl. phiian-I h roop) een liefdeloos mensch, menschenhnter; —• aphilanthropie, f. gebrek aan men-schenliefde; menschenhaat, menschenscbuwbeid.


-ocr page 87-

APOBAAT

APHIS

73

Aphis, r. iiliulluis.

aphlogistisch, adj. sr. (vul. pli In piston. enz.) zonder vlam brandend; — nphln-glstïsche lamp, hot gloeilampje.

Aphobïe, f. ki\'. [aphobia, van a prlv. oii phóbns, vrees) onhevreesdheld, onversehrokken-held.

Aphome, f. gr. (van a prlv. en phönë, geluld, slem) de stommoloosheld, sprakeloosheid, stomheid, liet onvermogen om te spreken of Ie zingen; — aphöniseh, adj. stemmeloos, sprakeloos.

Aphorie, f. gr. (van a prlv. en phércin, (lrag(!n) Mcil. de onvriichthaarheld der vrouw.

Aphorismen, f. pl. gr. (slng. aphoris-mris, van aphoridzein, losscheuren, afzonderen van apn, en hnridzein) korte spreuken stellingen, voorschriften, regels, enz., die schijnbaar geen ouderlingen samenhang hebben; leerspreuken, kernspreuken; aphoristisch, adj. in den vorm van losse spreuken voorgedrageil, kort, afgebroken, onsamenhangend; spreukmatig (b. v. zoodanige siyi).

Aphriet, n. gr. (v. aphrós, schuim) do schuimaarde, schulmkalk.

Aphrisiet, n. (spr. s=z){\\. \'I gr.

(hein, schuimen, omdat deze steen voor de blaaspijp schuiml) Min. eene verscheidenheid of variëteit van den gemeonen schorl, eene soort van tinerts.

Aphrodite, f. gr. (eig. do nil het schuim der zee voorgekomeno, vandaar ook Aphrogenela, de uit schuim geborene). Myth, de godin der schoonheid en liefde, hu de Homeinen Venus; schoonheid, bevalligheid, b. v. iler rede; ook eene soort van zeeworm, zeerups, goudworni; — aphroditisch, adj. wat Venus of de liefde betreft; — aphroditographisch, adj. Ilefdevoorwcrpen schilderende; ook do planeet Venus heschrUvende; — aphrodisïa, n. pl. Venusfeesten; aphrodisiaka, n, pl. middelen ter opwekking tot wellusl, teeldrifl-prikkels; — aphrodisiasmo, n. aphro-disie, f. en aphrodisfa phren/tis, f. Med. ziekelijke, ontembare iiefdedrirt, verliefde waanzinnigheid; — aphrodisius morbus, aphroditischo ziekte, venusziekte.

Aphronatron, n. mineraal koolzuur, mineraal loogzout.

Aphronësis, r, gr, (van « prlv. cnphrn-nësi.i, z. aid.) onverstand, dwaasheid, waanzin.

Aphronltrum, n. gr. (aplirónifron, v. aphrós, schuim, en nitron, i. nltrum) salpeter-schuim, saipeterbioemon, rolssalpeler, muurzuut.

Aphros^ne, f. gr. {uphrosjjnc, van dp/iron, onverstandig) onverstand; Med. de zlnnelons-held, waanzin, hei ijlen in koortsen.

aplilhae, f. pi. gr. (aphlhai, van den slng. aphtha) Med. spruw, kleine witte blaasjes ot /.weertjes In den mond, soms nok in den slokdarm en de geheeie darmhuis; — aphthous, adj. nw. lal. aan spruw lijdende.

aphyllisch, adj. gr. (dphi/llos, on, van a prlv. en plifjlton, blad) bladerloos, zonder kelkblad ; — aphyllanthe, f. de bladerlooze, eene bladerlooze bloem.

a piacere, of piacimento, z. p la cere. Apiarium, z. onder apis (te art.) apices juris, i. onder apex.

Apicïus, m. eig. de eigennaam van eenlgo srnuibroèrs te Home, die hun gansch vermogen verbrast hadden, inz. de vermoedelijke schrijver van \'t voornaamste werk over de ond-rom. kookkunst (Co el lus A piel us); vandaar in \'tal-gemeen een smulbroêr, lekkerbek.

« pied, ■/.. p I e d.

Apiïne, f. chem. eene uit de peterselie (Apium petroselinum) verkregen stof.

Apilagium, n. mid. lat. (van pita, de pilaar) het recht op winkels, omdat de winkels of kramen (tabemae) tegen de pilaren aan stonden en daarnaar betaald werden.

Apirie, f. gr. (apeiria) I) (van a prlv. en peïra, ondervinding) \'I gebrek aan ondervinding, onervarenheid; 2) (van patras of péras, grens) onbegrensdheid, onbepaaldheid; — apirisch, adj. onervaren.

Apis, f. lat. de hU; —apiarium, plaats of buisje waar de bijenkorven staan; — apium, m. (eig. byenkruld), eppe, een hloemschermdra-gende plant.

Apis, m. de heilige stier, eene godheid der oude Kgyptenaren; het levende beeld van den akkerbouw en van Osiris, die den akkerbouw had Ingevoerd; — apisperiode, f. de oude egypl. tijdmaat.

Apistie, f. gr. {apistia, van d-pistos, niet geioovig) ongeloof, ongeloovlgheid, mistrouwen.

aplaneeren, fr. {aplanir, vgl. plan) effenen, gelijk of vlak maken, slechten, uit den weg ruimen; in orde brengen.

aplanêtisch, adj. gr. (van a prlv. en pla-nasi hui, dwalen, vgl. planeet) Astron. niet afwijkend, nlel van plaats veranderend; ook aplanatisch, b. v. apianalïsclie kijkers, eene soort van verrekijkers, waarbij de voorwerpen zich geheel zonder gekleurde randen vertoonen.

Aplestïe, f. gr. (aplcstia, van a prlv. en pimpldnai, vullen) onvulbaarheld, onverzadeiük-heid.

aplomb, n. fr. (spr. aplótï: vgl. n plomb, onder plomb) de loodrechte stand; ook de vastheid van handelen, van karakter, gedrag.

Apneustie of apnoea, t. gr. (apneiistiu en dpnoia, van « prlv. en pneïn, ademen) Med. de ademloosheld, hel zeer zwak ademen; verstikking; apnëüstisch, adj. ademloos; — apnoeasphyxie, f. het uitblijven van den adem en den pols, de schijndood.

apó, gr. voorz. in samenstellingen vóór eene vokaai of eene li enkel ap-: van, af-, weg-, onl-; ook weder-, terug-.

Apobaat, m. gr. {n/mlidtes, v. apobainein, afsiygen, afspringen) de nfsprlnger, kunstrijder, een kampvechter, die al rijdende van den wagen of van \'1 paard afsprong en zich weer op andere wierp.


-ocr page 88-

74 APOKRYPHA

APOBROCHISME

Apobrochisme, n. «r. Mcd. hot nfliin-dcii, liet onderbinden.

Apóche, r. gr. (niioch-, vim ap-échein, afhouden) iifstiind, verwijdering; onthouding; kwü-ling, (|uitsinllo; opochometrie, ook onjuist: apokometrie, t. iifelandsmetlng.

Apochrémpsis, f. gr. (van npo-chrémp-lesthai, ullhoeslen, uitwerpen) tic uitwerping van siym, enz., inz. uit de long.

a poco a porn, z. po co.

a pocülis, lal. de schenker van een vorst.

Apodakrytïka, n. pi. gr. (van apoilo-kryein, tol weenen opwekken) middelen, die den Iranenvlocd hevorderen.

Apodëipna, n. pl. gr. (van iliïpnon, niaai-lyd) gezangen na \'I avondmaal in de gr. kerk.

Apodeixis, ■/.. onder apodikiisch.

Apodemialgie, f. gr. (van apodömia, hel wegreizen, de afwezigheid, en algéïn, smart gevoelen, sinarteiyk verlangen) verlangen naar vreemde landen, reislust, het tegengost. van noslalgie, heimwee; — apodemiek, f, de rels-kunst, de hiindielding of wcgwyzer lot reizen.

Apodie, z. ond. apodlsch.

apodiktisch of apodeiktisch, adj. gr. (upodeiklikós, van apo-deiknynai, aantoonen, hewgzen) l)i\'\\\\ijzend, overtuigend, klaar; volstrekt noodzakciyk, onwedersprokclUk, onweder-leghaar; apodiktisch li c w y s, eig. een he-wyzend hewys; een volkomen klaar en voldingend hewys; apodiktlschc imperallcf, z. v. a. kat ego rise he imperatief (z. n.);

— apodeixis of apodixis, f. (gr. apó-tleixis) openlegging, leutoonslciling, inz. cenc proef of pronkrede; hewysvocrlng, onvvederleg-liaar hewys

Apodiöxis, f. gr. (van apo-diökein, eig. voorljagen) Log. de verwerping met minachting of verontwaardiging van ccnlg voorstel of gevoelen.

apódisch, gr. (d-pnes, genlt. dpodos, van poes, voel) voeteloos, zonder voeten; — apodie, f. (gr. apodia) voeteloosheid.

Apodokimasie, f. gr. (van dokimddzein, onderzoeken) verwerping, afkeuring.

Apodósis, f. gr. (van apo-dirfónoi, af-, teruggeven) eig. de Icruggave; l.og. het 2de gedeelte van een volzin, het nazindeel; vgi. p r o t a s 1 s.

Apogseum, n. gr. (apógaion, vgi. (iiea) Astron. punt, waar eene ster zicli op haren grootslcn afstand van de aarde bevindt, aard-verte (vgi. periga\'um); lig. het toppunt, b.v. van roem.

Apogalaktisme, n. gr. (van ndln, genit. Ildlaklos, melk) Mcd. eig, onlniciking; ontwenning van de moederborst, spcnlng.

Apogoustie, f. gr. (vgi. geust lek) Mcd. een bedorven smaak.

apogönisch, adj. gr. (a-pói/ön, van pdnón, baard) ongebaard, baardeloos.

Apographon of apographum, n., pl. apographa, gr. (van apo-yrdphein, af-schrUveii)afschriften van oen oorspronkeiyk stuk;

— apograaf, r. inslrumcid om Icekeningcn na te maken, coplcermachlnc.

n point, z. ond. point.

Apojovïum, n. gr.-lat. (vgi. Jupiter) Astron. liet punl, waar een van de vier wachters van Jupiter hel verst van die pianeel vervvyderd Is.

Apokalypsis, f. gr. (van apo-knljjptcin, ontbullcn) eig. ontliiiliing, ontdekking; de openbaring van Joh a n nes; — apokalyptisch, adj. tot de openbaring van Johannes bcbooreml, daarnaar geiykend; goheiinzlnnlg, duister, raad-sclacbtlg; — apokalyptïcus, m. iemand, die de openbaring gelooft, baar onderzoekt.

Apokapnisme, n, gr. (van kapnós, rook) Mcd. de berooking als behoedmiddel tegen bc-smetleiyke ziekten z. v. a. s u ffum I gat le.

Apokarterësis, f gr. (v. upo-kavlerctn, zich door onthouding van spys dooden) de vrywillige spysonthouding, de opzelleiykc hongerdood.

Apokatastasis, f. gr. (vgi. k a t a s t a s 1 s) de terugkeer tot de vorige plaats, krlngswyze loop; Inz. Astron. de terugkeer eencr ster tot hetzelfde punt van haren kringloop, dc slerrc-omloop lol aan zyne voleinding (onregelmallg a po ka I ast e ris); Mcd. herstelling genezing.

Apokatharsis, r. gr. (vgi. katharsls) zuivering van bet darmkanaal.

Apokenösis, f. gr. (vgi. ke no sis) Mcd. ontledlglug, overmatige ontiediging der vaten, b. v. door bloedverlies.

Apokeryxis, f. gr. (van apo-kërusscin, uitroepen, door opentykc uitroeping ultslullen) uilstootlng uil dc kerkeiykc gemeenschap.

Apoklasma, n. gr. (van apo-klan, afbreken) Chir de beenbreuk.

Apoklêisis, f. gr. (npókleisis, van apo-kleiein, afsluiten) liel afsluiten, sluiten; Med. dc afkeer van spUzen.

Apoklerösis, f. gr. [apoklcrosis vgi. klems) ile iiltlotlng, verkiezing (der overheid) iloor hel lot.

Apokópe, f. gr. (van apo-kóplein, afhouwen, afsnyden) («ram. afkapping, wcglallng van cenc of meer letters aan bel einde van een woord, dc cindverkorling, b.v. ga voor gade (vgi. a p hie rests); Chir. hot afsnyden of wegnemen van een lid; — apokopeeren, een woord aan het einde afkorlen; in \'t algemeen verkorten.

Apokrïsis, f. gr. 1) (van apo-krincin, afzonderen) Mcd. dc verdryvlng of afzondering van overtollige vochten uit bet lichaam; i) (van apokrinesthai, antwoorden) antwoord, bescheid; — apokrisiarïus, m. (eig. wie taal cn antwoord moet geven) sedert de 4de eeuw de benaming van bisschoppciyke gezanten, inz. der pnuseiyken, aan liet bof in Konstanlinopol; — apokritisch, adj. Med. afzonderend, lot afzondering genogen.

Apokrustïka, n. pi. gr. (van apo-kroeein, terugstoolen) uil- of terugdryvende middelen.

Apokr^pha, n. pi. gr. (van apókrSphos, verborgen, ondergeschoven) of apokryphe (apokryphische) boeken, hybolbookcn, die door do katholieke kerk nlcl tol de elgen-lijke goddciykc oorkonden gerekend of niet In


-ocr page 89-

M\'OI\'LANESIS

APOKYESIS

75

den ki\'i khyiii\'l opKüiionion worden, in tegenslellliiK met de k a non lek e; onechte boeken; ook do schriften van onbekende schrijvers; — apo-krief of apokryphisch, adj. onzeker, verdacht, ondergeschoven.

Apokyësis, f. «r. (vgl. kyesls) de ge-Iiooiie, het baren.

Apolepïsis, f. of apolëpisme, n. (van upo-lépein afschillen) de afschllferlng der huid.

Apolëpsis, f. gr. (van apo-latnbdnein, ophouden, stuiten) Mcd. de staking, stuiting, bel uitbleven, ophouden van den adem, van de spraak, van den pols.

Apolinosis, f. gr. Med. het af- of onderbinden met draden.

Apölis, m. gr. (van n priv. en pólis, slad, staal) iemand, die van z(|ne burger- en staatsrechten beroofd is.

Apolithöse, f. gr. (v. Ut hos, steen), de vorstoening, do verandering in steen.

Apollinaristen, in. pi. eene chrislensecle in de 1de eeuw, door ilen bisscliop A poll I-narls van l.aodicea gesticht.

Apóllo, m. lal. (genii. Apolfinis) of Apol-lön, gr. afgekort Apol, Myth, de lichtende, ile god der zon, der dichl- en toonkunst, ge-neeskunsl, welsprekendheid, enz., zoon van Zeus en I.öto (Jupiter en Latona); IN. 11. de naam van een grooten,schoonen dagvlinder; de Apollo v a n K e I v d é !■ e, het schoonste standbeeld van Apollo, in de ISde eeuw, onder de puinlioopen van Anlium gevonden, thans Ie Rome; — apól-lisch of apollinisch, adj. (lat. ApoUineus) Apollo betreifende; hem Inebeboorend, gewgd, lt;\'nz.; - apollonïkon, n. een groot draaiorgel. dal ook op vyt naast elkander geplaatste klavieren door onderscheidene personen legelgk kan bespeeld worden, iloor Filglit en Kobson in IHn voltooid; — apollonion, n. een speeltuig mei twee klavieren en een pijpwerk, dat door een automaat bespeeld wordt, uitgevonden door Voller te Hessen-Darmstadt.

Apollyon, m. gr. (van ap-ollynai, verderven, te gronde richten), de verderver, doodsengel, hebr. Abaddon (Openb. Joh. IX. II).

Apologëma, n. gr. (van npologéislhai, v.icli door redeneering verdedigen) Jur. een verdedigingspunt ; - apologie, f. verweerschrift, verantwoording, verdediging van zichzelven of anderen legen ingebraeble beschuldigingen; — apologeet en apologist, m. verdediger, beschermer, handhaver, inz. van liet christendom; lofredenaar;- apologetiek, f. de leer, de wetenschap der verdediging, inz. van de waarheid des Christendoms; apologetisch, adj. rechtvaardigend, verdedigend; a po I one li-schc schriflen, schriften Ier verdediging van het christendom; — apologiseeren, (spr. «=«) verdedigen, eene lofrede houden.

Apoloog, m. gr. (apólöqos, vertelling) zin-i\'Uk en leerzaam vertelsel, leerfabei, Inz, waarin menschen, goden en redewezens handelen en spreken

Apol^ais, r gr. (van tipo-lyein, loslaten)

tiet wegzenden der gemeente in de gr. kerk.

Apomëkometer, m. gr. (vgl. me kont et er, enz.) afstandsmeter, werktuig om don afstand van verwijderde voorwerpen Ie meten; — apomekometrie, f. vorlemetlng; ook l\\1il. afstands-, vertemeting iloor midiiel van don pas lier manschappen of de beweging der troepen.

Aponeurosis, f. (van apo-neurücn, In eene pees veranderen) do vliezige uitbreiding eener spier; peesviios; - aponeurogra-phie, f. do peesbeschrUMng; — aponeu-rologie, f. do poeskunde; — aponeurö-tisch, adj. breedpezig.

Aponie, f. gr. {a-ponia, van a prlv. en pónns, moeite) het zundor-mooite-zUn, het verdwijnen of ophouden der pün, hel welbevinden.

Aponogeet, m. nw. lat. {aponogêlon, waarsch. bedorven uit hel gr. polamofieilon, eene waterpiaid, eig. naby de rivier) eene soort van waterplanten: waleriisch, dryver.

Apopemptlkon, n. gr. (van npópemp-los, weggezonden) een afscliclitsgedichl van den vertrekkende aan de blyveaden het tegengestelde van propempt ikon, z. aid.).

Apophasis, f. gr. (van apo-phanai, afzeggen, ontkennen, ook verklaren) ontkenning; raadgeving, zonder den schijn alsof men dien geven wilde; ook eene lyst of opgave van hel vermogen, inventaris.

Apophlegmatisme, n. gr, (vgl. p h l e g-iiia, enz.) Med de afvoering van het slyni; — apophlegmatika, n. |)l. middelen, die de siymafseheldlng bevorderen; apophleg-matisch, adj. siyniafvoorend.

Apophorëta, n. pi. gr. {upophorela, van apophoriïn, wegdragen) geschenken aan eetwaren, die men den gasten na den niaaliyd mede gaf; hy ile oude Romeinen in \'lalgpmoen ge-schenkcii onder vrienden op foosidagen, inz. op de Salurnaiiot.

Apophthégma, n., pi. apophtheg-mata, gr. (van apo-plilliénnesllini, zyne meening uitspreken) eene korie, zlnryke spreuk, kernspreuk; — apophtegmatïsch, adj. spreukmatig, korl en zinryk nltgedrukl.

Apophthöra, f. gr. (van apo-phlheinin, bederven), z. v. a. abortus (z. a.).

Apoph^ge, f. gr. (v. apo-pheiiyein, ontvlieden) Arch, de plaats waar eene zuil uit haar grondstuk opgaat, aanloop.

Apophylliet, n. gr., z. v. a. Ichtliy-o p h thai in a.

Apophysis of apophyse, f, gr. (van upo-phi\'/ein, uitgroeien) Mod. heenuilwas, been-uitsteeksel, boeniilleinde, inz. liet gewrlehteindo der pypbeonderen, dal mol de boenderen door beenslof vereenigd is; vgl. eplphyse; Rol. uitwas, aanzetsel hy sommige niosplanten; Arch, hel dimnerwordeii van de schacht der zuil; apophysen, pi. tak- of wortelvormlge ult-broidingen eener steensoort (li. \\. van graniet) in eene andere (ook ra mi f I ca 11 es)

Apoplanësis, r gr. (van upo-planan, afdwalen, op een dwaalspoor lelden) Log. do


-ocr page 90-

APOSTROPHE

76

APOPLEXIE

afdwaling, afwyklng van (Ugt; hoofdzaak in liot rcdpneerpn, om den toehoorder in do war to hrengen; Med. vcrdwallng der vochten, inz. van de maandeiyksehe zuivering.

Apoplexie, f. gr. (apoplêxia, van ti/w-plëssein, nedersiaan, verdooven) Mod. horocrte, geraakllioid, plotsoiingoveriamming dor hersenen;

— apoplëktisch, adj. door oone horoorle voriaimi, bedwelmd; —aiioploktiseho inid-delen, apoplektlka, n. pi. middelen logon do beroerte

Apopnêüsis, f. gr, (van apo-pneïn, uitademen) hol uitademen.

Apopmxis, f. gr. (van upo-pninein, verslikken) hot verstikken, verstikking.

Apopsychïe, f. gr. (vgl. psyche) ont-zioling; Mod. diepe onmacht.

Aporetine, r. gr. (npn. van, en rhelinê, hars) chom. oene uil don rhaharhenvorlol verkregen stof, die achlerbHlfl, als men phaoo-retino (z. aid.) in wUngoost oplost.

Aporie, f. gr, {uporia, van d-poros, ongebaand, hulp- en radeloos; vgl. po ren) vorto-genheid, radeloosheid, hesluiloloosheid; hulpo-loosheid; — aporëma of aporisma,\' n, een moeilijk op te lossen vraagstuk; — apo-rematisch, adj. twUfolachlig; — apore-ticus, ni. twyfolaar (= see pi leus).

Aporrhoea, f. gr. (aptirrhnia, van apor-rhêin, af-, ullvloeion) Mod, uitvloeiing, afvloeiing; uitdamping.

Aposepedine, f. gr, (van scpedön, verrotting) Chem. rottingslof der kaas, kaasoxyde.

ApOSie, f. gr. (van a priv. en pnsis, drank) hel gemis van dorst, de ongoneigdheid tol drinken.

Aposiopësis, f, gr, (van apn-siöpan, verstommen) Log. do verzwyging, plotselinge af-breklng dor rode, uil verontwaardiging, droefheid, enz., b. v. Ik zal u . , . . !

Apositie spr. l—ls), f, gif npo-silia, van sïlns, spys) Mod. gebrek aan eetlust, tegenzin of iifkeer van spyzen.

Aposkemma, n. of aposkêpsis, f. gs. ivnn apn-shCptein) Mod, verplaatsing oener ziektestof,

Aposkeparnisme, n. gr. (van sUépar-non, liyi Chir. de hyisnode, do verwonding, waarby door oenen houw mot oen snydend werktuig oen stuk des bekkonools wordt afgescheiden.

Aposmilensis, f. gr. Med. hel afhcitolen (b, v. der vingerleden).

Apospasma, n, of liever apospasme, n. gr. (van xpïïó, trokken) oen afgescheurd stuk;

— Chlr. verscheuring van weeke, pezige dooien,

Aposphakelisis, f. aposphakolis-

me, n. gr. (vgl. sphacelus) Med, hel koudvuur by weeke dooien,

Aposphragisma, n, gr. (van nphragis, zegel, een zegoiafdrak.

a posse ad esse, z, oud, posse.

Apostasia or apostasie, f. (spr, s=t) gr. {apo-slasid) afval, geioofsafvaliighoid, broking dor ordesgelofte; ook z, v. a, a lis ces en ine-t as la se (z. a.); — apostasieëren, gr.

apo-statêtn) afvallig zyn; zynegelofte breken; — apostaat, (gr. apostates) m. een afvallige, geloofsvorloochenaar, overiooper; bynaam van keizer Julianus (Julianus A p o s t a t a); — apostatisch, adj. afvallig.

Apóstel, m. gr. [apóstblos, van apo-stéllein, afzenden) een gezant, l)odo, godsbode, leorver-breider, naaai der li Jongeren van Jezir. en verkondigers van hol evangelie; — apostelbroeders, eeno gocstoiyke orde dor lilde eeuw , wier leden geen vnst vorbiyf mochten hebben, maar barrevoets Itailii, Zwitserland en Frank-ryk doortrokken; — apostolaat, n. hot apostelambt, do goddotyko roeping tot het looraars-atnbl; ile blsschopswaardiglioid, do pausoiyke regeering; — apostólisch, adj. van de apostelen komend, met hunne leer ovoroenstemmond;

— apostolische v a d o r s {Patres Apostolici), de oninlddoliyko leerlingen der apostelen (en hun goschriflon, zooals Barnabas, Hennas, 1\' o-lykarpus, Clemens, Ho in an us, Ignatius); — apostolische kamer, do geza-meniyke beheerders van \'s pausen inkomsten to Rome; — apostolische majesteit, titel der koningen van llongaryo oif sedert 1758 der oostenrykscho keizers; — a p o s I o 1 i s c h e s t o e I {sedes aposlotica), de pausoiyke zetel te Rome, als door Petrus gesticht; apostolïschen, in. pi, eeno socle der 3de eeuw, die do gelofte van kalscbhold en armoede dood; ook oene secte der I2ile eeuw, die hot huvvoiyk verwierp, maar vloescheiyke gemeenschap mot vele vrouwen toestond; (In Spanje) aanhangers van onbeperkte kerkelijke lieerschappy en woroldiyke alloenheer-schappy; — apostoliclsme, u. het stelsel der onbegrensde kerkelijke heerschappU; — apostoliciteit, f, ovoreenstemming (dor ware, clir. kerk) mot de zuivere leer dor apostelen;

— apostolicum, n. de gezamoniyko apos-lollsclio geschriften in het Nieuwe Testament, de Handelingen der apostelen, do apostolische brieven en de Openbaring van .lohannos, in tegenstelling mot bet Evangelie.

Apostëma, n. gr. {upó-stëmu, olg, afstand; uitwas) Med. oone zweer, oen ettergezwel, afscheiding door bederf; apostematie (spr, lie—tsie), f. uw. lal. het zweren-, — apos-tema-kruid, z. scablosa.

a posteriori, z. oud, postori.

Apostil, in. on apostllle, f. mld. lal, (apostitlus of upostutm, van \'1 gr. apo-stdllein, i. apostel) een afsohelds-of ontslagbrief; (door verwisseling niet postille en ovenzoo af Ie lolden) hel naschrift, aanhangsol, do kanltoekonliig, aanmerking; — apostilleeren, (spr. ll—ti) kanttcokenlngen, enz. maken; — apostilla-tor, in, maker van kanttoekoniiigen, van glossen.

apostolaat, apostolisch, enz. zie ii p ost el.

Apostróphe, f. gr, (apoströphos, van upo-stréphein, afwonden) het weglatings-, afkapplngs-leeken (\') ; — apostróphe, f, gr. apostrophe, d. 1, olg. afwending; do wending van do zaak lot den persoon) de toespraak; inz. oene leven-


-ocr page 91-

APOSYNAGOGOS

77

APPELLEEREN

OIbo, plechtige of harde toespraak, een bestraf-tlng; ook eene llxiiur waardoor de redenaar het woord tot afweilge personen, zelfs redelooze voorwerpen richt; — apostropheeren, 1) met een afkapplngsteeken voorzien; — 2) levendig of krachtig aanspreken, verwijten doen, hltterheden zeggen; l.og. de voordracht afbreken om een afwezende als tegenwoordig aan te spreken.

Aposynagögos, m. gr. Iemand die uit de kerkelijke gemeenschap verstoeten Is.

Aposyrma, n. gr. (van ajio-syrein, aftrekken, afscheuren) afschaafsolj Med. de afschilfering na voorafgegane huiduitslag.

Apotelésma, n. gr. (van apn-telêïn, voleinden) voleinding, gevolg, werking; Inz. de Invloed der sterren; — apostelesmatisch, adj. gr. tot de voleinding, lot de werking, tot de sterrenwicheiary behoorende; — a p o s t e 1 e s-matische kunst, sterrenwichelarij, z. v. a. a s t r o I o g I (!.

Apothanasïa, r. gr. (vgl. thunatos) de ontftytelhare dood.

Apotheek, f. gr. (van apn-lithénai, af-, nederleggen; elg. bewaarplaats, pakhuis) een artsenij winkel (beter p h a r m a k o p o 11 u m ge-heeten); ook eene kast, kisl, enz. met artse-uUen, i). v. rels-apotheek; — apothéker, m. ile artsenybereider, minder juist kruldmen-ger (vgl. p h a r m a k o p ie u s, p h a r m a k o p o 1 a, enz.).

Apothema, n. gr. (van apo-lithénai, afleggen, verwyderen) Geom. de loodiyn, die uit het middelpunt van een regelmatigen veelhoek op eene zyner zyden valt; Chem. de nederslag, hel bezinksel van piantenafirekseis.

Apotheosis of apotheose, f. gr. (spr. .s=j) (van apo-lheónn, vergoden, van Iheós, God) de vergoding, eene plechtigheid liy de Ouden, waardoor iemand na zyn dood in den rang der goden geplaatst werd; — apotheoseeren, vergoden; — elektrische apotheose, z. heatlttcatle.

Apotherapie, f. gr. (vgl. i h c r a p I o) Med. de volkomen genezing, de nakuur.

Apothèsis, f. gr. (v. a/io-titfu\'iuii, alleggon) Arch de aanloop van de krooniyst der zuil.

Apothraüsis, f. gr. (van apo-tliraüein, afbreken, aan stukken breken) C.lilr. eene been-tireuk, waarby een stuk heen geheel van het heen Is afgebroken.

Apotimêsis, f. gr. (v. apo-timfin, schatten) de schatting, z. v. a. lat. census, z. aid.

n potióri, z. ond. potior.

Apotoom, n. of apotome, f. gr. (a;»i-tomon, van apo-témnein, afsnyden) eig, een af-snydsel; Math, verschil van twee onmeetbare grootheden; overschot; Muz. het verschil tus-schen deti heelen en naasten hnlven looi,.

Apotropeeër, m. gr. (van opo-lrépein, afwenden) afwender; noodhulp; — apotro-peeon, n. (gr. apolröpaion) een afwendend middel, z. v. a. amulet.

Aposêma, n. gr. (van apo-dzéein, afkoken)

Med. een afkooksel van kruiden en wortelen, kruidendrank.

appaiseeren, z, a p pal see ren. Appalto, appaltatore, z. a pa ito. Apparaat, n. lat. (apparatus) toestel, toebereidsel, voorraad van of kistjes met werktuigen, gereedschappen, hulpmiddelen, enz. tot een of ander gebruik; — apparatus muticbris, lat. vrouweiyke gereedschappen, uitrusting, toebe-hooron, hij den uitzet van de hnweiyksglft onderscheiden til meestal uit huisraad, linnengoed, kloederen enz. bestaande.

Appareil, n. fr. (spr. a paré Ij\') prachtige toerusting, praal, aanstaite; Fort. de glooiing aan de wallen voor de kanonnen en wagens;

— Arch, de oprit naar den verhoogden ingang van een palels z. v. a. rampe.

Apparéntie, f. lat. (apparen(ta) of ap-parenee, (. fr. (spi\'. upurans\') oogenschyn-iykheid, waarschgniykheld, schyn, aanzien, uitwendig voorkomen; — apparent (lat. uppü-reus, van apparire, zichtbaar worden, verschijnen) oogenschyniyk, schynhaar, duideiyk, openbaar;

— apparitie, f. apparido, in oud lat. alleen: de bediening, dienst) nw. lat. voorhygaande ver-schyning, I), v. van geesten, spoken; kort verhiyf, oponthoud; — apparitor, m. lat. voorheen een gerechtsdienaar, kerkenraadsbode; pedel, deurwachter.

Apparesseeren, vermoeien, traag maken. Appartemént, z. aparte ment. appassionato, li, (vgl. passie, enz.) Muz. haristochtetyk, gevoelvol.

appauvrisseeren spr. apovri-s—), fr. [appauorir, van pauvre, arm) arm maken.

appelleeren, lat. {appellSre, aanspreken) Jur. zich op eene hoogcre recht bank beroepen; de beslissing van een derde vragen; Mil. door den trommel byeenroepen; een nieuwen inzet wagen om in \'t verloren maar nog voortdurend spel weder mede te doen; aanslaan (van honden) ; — appél, n. fr. Mil. de oproeping, het sein ter verzameling door trommelslag of trom-petgebiaas, de naams\'afroeplng; .tur. beroep op eene hoogere rechtbank; vernieuwde Inzet by het hlljart of een ander spel om andermaal in dezelfde party te mogen medespelen; by het schermen: een korte en sterke pas met den vooruttgezetten voet; het gehoorzamen van honden op den roep; hof van appél, een hoo-ger gerechtshof, waarvoor men zyne zaak van eene lagere rechtbank kan overbrengen; nominaal appel, oprocplnc der namen van de aanwezige leden in eene ve\'gadering; hoofdeiyke stemming hy afroeping der namen , — appel-label, adj. nw. lat. bevoogd om zich op booger gerecht te beroepen; — appellant, m. een beroeper, hy, die zyne zaak voor booger gerechtshof wil behandeld hebben; zyne tegenparty heet appellaat,; appellanten, m. pi. naam, die in \'t begin der vorige eeuw gegeven werd aan eeidge bisschoppen en andere geeste-iyken, die appelleerden tegen do hulle Unige-nitus, waarby een boek van pater Quesnei werd


-ocr page 92-

APPRETEERKN

APPENDIX

78

vcroflrdei\'ld nls hcsinet met do kclti\'iij van ,laii-senlus; de Jansenisten; appellatie (spr. 1=1.1), f. lat. (aiipellufin) hcrooplng op hooRer rechthank; apiicllntto admmibtlis: ecu verifun-haar licroop; «. inudmissibtlis, een verwerpeiyk lierocp; u. desértd, verzuimd beroepfrivóla, nietig beroep; a. nuncupalim, een niondeling ingebracht beroep-, u. scriiitu, een schrifteHjk Ingediend beroep; «. temeraria, ongegrond, onbezonnen beroep; appelUUiónis ileserCfo, ■/.. desertie;— appellativum (n o m e n) n. lat. Gram. een gemeen naamwoord, soort naam, naam. die aan alle voorwerpen van dezelfde soort gemeen is, b. v. huls, boek; appellatief, als soortnaam, de soort aanduidend.

Appéndix, n. aanhangsel, b. v. van een boek, catalogus, enz., loegili, aanvulling; — appendiciën, pi. nw. lat. [npiiendictae) ot appendéntiën, ■/.. v. a. perl in en li en; eene zaak met al bare ap- en dependentiën eene zaak met ai wat er toe behoort; — appendiceeren, aanbangen, byvoegen; — appendicülum, n. liever appendioüla, f. een klein aanhangsel, toevoegsel.

appercipeeren, nw. lal. (van ad- en percipere, z. per cl pee ren) waarnemen met bewustheid; — appercéptie, f. do opvatting, waarneming; hel zelfhcwustzljn, de zelfbeschouwing.

Appertinentiën, pl. lal. {apperlineufta, van appetiinïre, ergens toe bebooren) bybehoo-rende dingen, toebehoor; cum apperlinentfis, met bet bUbehoorende.

Appeténtio, f. lat. lappeteniïu, van ap-pelëre, naar leis streven, begeren) natuurdrift, begeerte, geslachtsdrift; — appotiet, appetijt, m. (lat. (ipprhlus) neiging en begeerte lot iets, cctlusi, honger; appetijtelijk, ook appetissant, adj. fr. (spr. —tisdn) lustwekkend, prikkelend, uil lokkend, lekker, sma-kelUk; — appetitie (spr. Iie=tsie), t. lat. appeliffo) het hegeeren, streven, de lust, aandrift; — appetitief, adj. begeerend, aandrlflmatig.

applaneeren, z. a plane eren.

applaudisseeren, fr. applaudir, lal. ap-ptaudüre, van ad en /ilaiulere, goedkeuren met handgeklap) goedkeuren, toejuichen door handgeklap; grooten byval betuigen, pryzen, l)lliy-ken; — applaudissement, n. fr. (spr. aplodis\'mdii) ot applaus, n. nw. lat. (applau-sus) goedkeuring met handgeklap, byval.

appliceeren, lat. (appticdre) oii Iets leggen, aanleggen, opdrukken; aanwenden (inz. een middel); toeleggen, zich voegen; loepassen; toedienen; — appticcliir, Med. bet worde aangewend, aangelegd; applicabel en appli-catief, adj. wat opgelegd, aangevoerd, toegepast, enz. kan worden; - applicatie (spr. I=l.i, f. de op-, aanlegging; de toediening van uitwendige geneesmiddelen, het verband, leer-viyt, yver, inspanning; toepassing; — appli-caten, pl., ■/.. v. «. ordinaten; — appli-catuur, f. nw. lal. Muz. de vingerzetting.

Applombeeren, tr. en applumbee-ren, lat. (applumbtire) met lood bevestigen, vastsoldeeren; — applombist, in. iemand die apptombeert; — applombatie, f. (spr. =lsie) bevestiging, soldeering met lood.

appoguialo, 11. (spr. appodzjdto) Muz. gesteund, gedragen; — appogniahtra, f. (spr. —toera) Muz. de voorslag, eene kleinere noot, die men vóór eene grootere laat hoeren, hot sleepen, dragen der tonen.

Appoint, n. fr. (spr. apwaiüvan a point, d. 1. op het punt) de kleinere mnnl of pasmunt tot volmaking eener som of rekening; som, die \'I julsle saldo eener rekening uitmaakt; — appoint (fr.) of a panto (II.) trasseerou, z. trasseeren; — appointeeren, (fr. ap-pointer) bezoldigen; de pariyen bescheiden; eene overeenkomst treffen; eene rekening met de boeken vergeiyken; — appointement, n. ifr. apoaiiit\' maii) bezolding, jaarwedde; gerech-teiyk bescheid.

apponeeren, lat. (aiiponHn) tiUplaatsen, bijvoegen, opleggen; — apponalitr, bet worde toegevoegd, hygevoegd; appondnlur aria, men voege er de akten by -, — appositie (spr. l=ls), f. de by voeging; oplegging (b. v. dei-zegels); l\'hys. de ophooping van huilen, de aanzetting van nieuwe decien; Gram. opbulderend of verklarend hyvoegsel, b. v. Osar de roem d e r v v i d h e eren; — appositief, adj. Gram. nw. lal. \'In de betrekking der appositie staande, bysteilend.

apporteeren, fr. (apporter, lat. appor-tare) aanbrengen, brengen, halen; — apporte! (spr. apórt\') zoek op! breng hier! - appor-tage, n. (spr. —Id-zj\'] het breng- of draagloon.

Appositie, appositief, z. end. ap-poneer e n.

Apprecatie, (spr. t=ls), f. nw. lat. (van \'t lat. apprecdii, smeeken) het smeeken, de dringende bede.

appreciëeren, fr (apprifcier) of appre-tieeren, lal. (appretiSre, van pretium) schatten, vvaardeeren, de waarde bepalen; In waarde houden, op prys stellen; appreciateur, m. schatter; — appreciatie, f. schatting, waardeering.

apprehendeeren, lat. (apprehendtre) grypen, vatten, gevangen nemen; bevatten; duchten, vreezen; — apprehénsie, f. gevangenneming; bevatting-, bezorgdheid; het begripsvermogen; — apprehensief, adj. nw. lal. bezorgd, vreesachtig uit Inbeelding.

Appréssie, f. nw. lal. do nandrukklng-, — appressie-pomp, de perspomp.

appreteeren, fr. (apprêter, v. pril, gereed) toebereiden, toelichten, inz. aan lakens, stoffen, enz. eene glanzige oppervlakte geven; gereedmaken; — appreteur, m. toebereider, enz. van stolTen; — appretuur, f. (van \'t fr. appriit, mei lat. uitgang) de loebereiding, de glans, hel schoone ulleriyk aanzien, de slof, die tot bel appreteeren der lakens, enz. dient; Mus. juiste verhouding in de samenstelling van een muzlekinslrument.


-ocr page 93-

APPRETIEER EN

7!)

AQUA

appretiëeren, int. (ummiiarc, van Hum, z. aid.) of appreciëeren, fr. (ap/tré-cier) schatten, waurdooron, op prijs stellen.

approbeeren, lat (approburc) hiliyken, goedkeuren; — approbatie (spr. lt;=lt;«), f. (lat. approhaiïo) do lilllUkln^, noedkeurlni?, bewilliging, ijyvai, de vergunning, Inz. lot het drukken van hoeken, lol het uitvoeren van open-hare werken; — approbatur, het wordt goedgekeurd (do (ormulo van hlsschoppeiUko goedkeuring voor drukwerken); — cum appro-hatione, met goedkeuring; approbatief en approbatorisch, nieuw-lat. goedkeurend.

approcheeren (spr. apro-sjeeren), fr. (a;»-procher) naderen, nahykomen; ook loopgraven maken; — approches, f. pi. fr. (spr. aprósj\') de loopgraven om eeno vesting te naderen.

approfondeeren, fr. (approfondir, van profond, diep) In den grond dringen; nitvor-schen, grondig, nauwkeurig onderzoeken; — approfondissement, n. (spr. —dis\'mdh) grondig onderzoek, uitvorsehing, navorsching.

appropriëeren, lat. (appropian, van proprius, z. aid.) zich toeüigenen, aanmatigen; - appropriatio (spr. .\'=/,«), f. de loeölge-ning, aanmatiging; Cliem. de toestand van tweo lichamen, die zich niet kunnen vereenigen ilau onder medewerking van een derde.

Appropinquatie, f. lat. (van propin-(/mus, nahU) de nadering, het naderen, inz. van een tUdstip of geheurtenis-, — appropin-queeren, naderen, naderhükomen.

approvisioneeren, fr. (spr. s=i) (ap-provisionncr, vgi. provisie) van levensmiddelen voorzien (cone stad of een leger), monden krygsvoorraad hezorgen; ook approvian-deeren z. proviand); approviandeering, f. verzorging met levensmiddelen.

approximeeren, lat. {approximate: vgi. proxlmus) naderen, henadoron, ramen; — approximdndo, door benadering; allengs; — approximatie (spr. t=ts), f. nw. lat. do nadering, benadering; approximatief, adj. geraamd, benaderd; de waarheid nahyko-mend; — approximative, f. liet bennde-rlngspunt.

Appui, n. fr. (spr. apwi; van het oud-fr. ;)Mt=lat. podium, Iels hoogs of uitsprlngends) steunpunt, stut, leuning; — appui-main (spr. —mén) de handsteun, het slokje, waarop ile schilder den arm laai rusten; — appuyeeren (fr. appuyer, mid. lat. nppodiave) op of legen iets leunen, steunen; op iets drukken, hiyven staan, aandringen; (een voorstel) ondersteunen; den nadruk geven (aan een woord of eene ieliergreep.

Appüls, ui. lat. (apptllsus) de aanstoot, beweegkracht; —Astron. het samenkomen van twee punten.

Appunto, u. Hal. z. v. a. appoint, wissel van bepaald bedrag; ook; afsluilingswissel ter verzekering der verschuldigde som; — appun-tamento, n. Hal. (verg. appoinlement) over-eenkomsi, afspraak; ook; plaats van bijeenkomst, rendez-vous.

nprés, fr. (spr. upri\'i na, lilerna, naderhand;

— après coup (spr. koe) to laat, nadat do zaak reeds Is afgeloopen.

Apricatie (spr. t=ts), f. lat. (van apn-cus, zonnig, aan de zon blootgesteld), z. v. a. Insolat lo.

April, m. (lal. Aprïlis, van aperire, openen; lietzy als opening van de lenie, helzy als de maand waarin de aarde zich voor nieuwe vruchtlmarheid opent) do ide maand in het jaar, grasmaand; — aprilboodschap, f. (fr. poisson d\'avrii, eig. aprilvisch) eeno laffe scherts, bestaande in hot uilzonden van een onnoozele op den tston April, om lots ongerymds of dat niet Ie verkrygen Is to halen, welken persoon men dan aprilgek heet. a prima vista, z. prima vista, onder p r I m u s;

— a priori, z. ond. prior, — d proportion, z. ond. proportie; — d propos, ■/.. ond. pro-po neeren.

Apsiden, Absiden, f. gr. (pl. van opsis, of eig. hapsis, d. I. verbinding; ronding, welving) Astron. de belde keerpunten in do haan dor planeten, waarvan het eene het verst, hel andere het dichlst hij do zon Is; — apsidenlijn, f. de grootste as der planetonbaan of de rechte iyn, ille hel a pile Hum met het peri heil um of do beide apsiden verbindt; — apsis of apside, f. Arch, halfronde overwelfde altaarnls.

Apsychie, f. gr. (van « priv. en psyche, z. aldaar) afwezigheid van den geest; onmacht, flauwte.

Aptéra, pl. gr. (van a priv. en ptéron, vleugel) N. II. ongevleugelde Insecten, vieugoilooze gekorven dioren; — apterologie, f. beschrU-ving der vieugeiiooze insecten.

apteeren, lal. (aptaré) aanpassen, van pas maken, schikken; — apteering, de van-pas-making; — aptitude, f. fr. de geschiktheid, aanleg, bekwaamheid.

Aptóta, n. pl. gr. (vgi. plosis) Gram. naamwoorden zonder naamvalsbulging, onver-anderiyke naamwoorden.

a pmta d\'arco, ■/.. pmla ,• — a punto, z. ond. p u n c 1 u m.

Apurement, n. fr, (spr. a-pu-r\'mdn) Fin. het nazien, onderzoek, afsluiten der rekeningen.

apyrënisch, adj. gr, (van a priv. en pyrin, de kern van bel steenoofi) kernloos, zonder pil ;

— apyrenomële, f, (vgi. mele) fibir, do sonde zonder knopje.

apyrétisch,adj. gr. (vgi. py rel Ika, enz.) koortsvry, zonder koorts; — apyrexïe, f, koorlsvrye toestand.

apyrisch, adj, gr, (van a priv. en pflr, vuur) vuurhcslendlg, vuurvast, onbrandbaar.

« quadro, liever a quattro, z, ond. quattro. aqua, f. lal. water; aqua et iqne interdirtus, lat. een vorbannene, wlen water en vnur ontzegd Is; aqua mihi haeret, eig. het water hapert by my; Ik ben In verlegenheid; aqua for/is, f. lat. onzuiver salpeterzuur uit vliriooi en salpeter gemaakt lol scheiding der meialen, enz.; aqua Hi-iielli, bloedstillend water, zoo genoemd naar den uitvinder Hinoili; aqua coholmta, met aethe-


-ocr page 94-

ARAGONAISE

A QUATUE

80

rlsehe oliën beladen water; aqua gregorïüna, KreKorlsch water, zulverlngswater, dat met ascli, /.out en wün vermengd Is, dus genoemd naar iiaus Gregorius IX; aqua reflis, koningswater,eon mengsel van salpeterzuur en zoutzuur ter oplossing van hel goud, den koning der metalen; uqm xalumtna, loodhoudend water; — aqua-Tof-fana, een langzaam doodend giftwater, dus genoemd naar eene Itat. giftmengster Tof fa na; — aqseduct, m. (lat. aquae-duclus) of fr. aqueduc (spr. akedmk) eene waterleiding; oen duiker; Mod. een kanaal in het menschelijk lichaam, 1). v. dat van liet slakkenhuis in \'I gehoororgaan; — aquagium, n. lal. eene watergroef; en aquatïcum, Jur. hel afwate-rlngsreeht, de bevoegdheid om het water van een stuk land, enz. af te leiden; — aquamanile, n. mid, lat. (van \'t lal. aqua, water, en munus, hand) hel watervat, waarin de kalli. priester by \'t mislezen de handen waseht, meest in den vorm van een*dier; — aquamarijn, n. (van hel lat. aqua marina, zeewater) oen zeegroene, doorzichtige edelsteen, ook beryl geheeten; ook eene zeegroene verf of kleur; — aquarél, n. (van \'I Hal. acquerello, van acqua = lat. nqua, water) fr. Piet. doorzichtige waterverf, teekening met waterverf; waterverfkunst, waarby de lichte plaatsen door bet doorschynende witte papier gegeven worden; — aquarelleeren, met waterverf sfbilderen;—aquarellist, m. scbii-der met waterverf; — aquarium, n. lat. (van aquanus, n, urn, lot het water behoorende, enz., van aqua, z. aid.) de bewaarplaats van het water in eene apotheek; Inz. evenwel doorschynend watervat of glazen hak voor aquallilBn in zodlo-glscbi\' tuinen, enz.;— aquarfus, m. de waterman, een der li sterrenbeelden van den dierenriem; (de zon staat sebynbaar in dit teeken in Januari); — aquatiliën, n. pi. (lat. aqualitta) N. II. waterschepsels, waterdieren en waterplanten; — aquatinta, f. (spr. —timta) (lal. acqua linta, (d. 1. eig. gekleurd water) eene soort van waterkleur in de graveerkunst; de kunst die aan te wenden; — aquatische planten, water-of moeraspianten.

d qualm épingles, a qualre mains, z. ond. quatre-. — a quallrn (voci), ond. quattro.

Aquavita, f. lat. (aqua vilae) levenswater, gekruide brandewyn, afgetrokken en verzoete brandewyn.

Aquifolium, z. a er 1 folium.

aquila, f. lat. de arend, adelaar; naam van een sterrenbeeld; Arch, sieraad in de gedaante eens ■arends aan den gevel van een huls; Arcliaeol. een lezenaar in de gedaante van een arend mei ullgesprelde vleugels; aquila ulba, eig. witte arend; in de alchemie; de sleen der wyzen; — aquila non capil muscas, een adelaar vangl geen vliegen, d. i. een groot vorstand behoort kleine quaes! ien beneden zich te achten.

Aquilische wet, een oud-romeinsche wet op het moedwillig toebrengen van schade (van een praeior Aquilius).

Aqullo, m. lat. de noordenwind of, Juister, de noordoostenwind; — aquilönisch, adj. (lat. aquilomus, a, urn) noordetyk.

Aquositeit, f. (lal. aquositas) rykdom aan water, waterigheid.

ara, I. lat. of de het altaar; prn aris el focis, voor altaren en haardsteden, d. 1. vooi\' zyn eigendom, voor \'t vaderland (siryden).

Arabier, m. inboorling en bewoner van liet groote azial. schlereii. Arabië (d. i. dorland, van \'l hebr. areb, woestyn); — arabisch, adj. den Arabieren eigen of toebehoorend; uit Arable afkomstig; de arablscbe taal, eene der se-mitische (z. aid.) talen; — Arabélle, vrouwen; eig. de arablscbe vrouw; — arabéske, f. (11. arabesco, rabesco, m., fr. arabesque) pi. ara lies-k o n, of morésken, arab. Oguren, versieringen van loofwerk, bloemen, planten, enz., aangebracht op de vvyze der Arabieren, wier godsdienst het afbeelden van menscben en dieren verbiedt; arabisclio lieoldhouw-, bouw- en schilderwerk; ook houwsioraden in\'t algemeen; — arabïci, m. pi. eene socle der ;tde eeuw, die leerde, dat do ziel mol het lichaam slierf en weder opstond ;

— arabiciteit, f. nw. hit. het wezen en de kennis van de arablscbe taal; — arabiseeren (spr. s=t) arabisch maken; — arabine, f. Chem. het in water oplosbare deel van verscheiden gumml-soorton, inz. van gummi arabi-cum,- — arabisme, n. eene eigenaardigheid van het arabisch; — arabist, m. een kenner der arablscbe taal; — arabo-tedesco, ara-bisch-duitsch, In acbildor- en beeldhouwkunst een mengsel van den moorschen en gotiilschen styi.

Arachniden of araneiden, f. pl. gr. (van ardchnc, spin, lal. aranla) N. II. dieren van hel spinnengeslacht; — arachnoditis, f. Mod. ontsteking van het spinnewebsvlies der hersenen;

— arachnoide. Anal, hel spinnewebs- of derde hersenvlies; — arachnolithen en arachnieten, spinnesloenen, versteende zee-spinnen, sleenen met spinnewebstiguren; — arachnologie en a r a n e o 1 o g i e, f. de spin-kunde, de kunst om uil de waarneming der spinnen liet weer te voorspellen; — arachneloog en araneoloog, m. een spinkundige, spinken-ner -, — arachnopodion, n. Chir. do spinne-pool, een chirurgisch werkt uig.

Araeometer, m. gr. (van ar aids, d, dn, dun), z. v. a. hydrometer, z. aid.; — arse-ometrie, f. de bepaling van de dichtheid en van het speclflek gewiebt der vloeistolTen; — arseost^lon, Arch, met hier en daar of ver vaneen staande zullen; dunzulllg; — arseo-thérmometer, m. gr. een werktuig, dal de graden van dc zwaarte der vloeisloiren, te geiyk met hare temperatuur aangeeft; arseotïka, n. pl. Med. uitdrogende, mager makende spyzen en artsenyon; — arseótisch, ailj. gr. Mod. zweelbevorderend, de poriën openend, do vochten verdunnend.

Araf, arab. (drdf, pl. van «)•/\', hooge plaats) In de moham. godsdienst eene mlddciplaais lus-schen paradys en bel, eene soort van vagevuur.

Aragonaise, f. aragonisch lied.


-ocr page 95-

AUCHALSMK

ARAGUATA

81

Araguata, f. soort mui brulaap (Simia ursina).

Arain, n. fr. (spr. arèii) Kml. Indisch tre-strecpt en (jcrull taf.

Arak of ar rak, ook rak, ni. (arab. araq, zweel, sap, afgolrokken goestrUk water, van araqa, zwootcn) ryslbrandowUn, een zeer geestrijke drank, die uit ryst, suiker en kokosnolonsap Bestookt wordt.

Aralia, f. (canadaasdi en nw. lat. ara/Ta) Kot. boldragende engelwortel; Inz. eene N.amer. soort (Ai-alia spinósa) met oenen stam van 3 meter hoog en een geneeskrachtlgen wortel,

Araneïden, z. araehniden; — ara-neograaf, m. de spinbesrbnjver; - araneo-graphie, f. de sptnbeschrUvIng; — arane-ologie, enz., z. aracbiiotogle, enz.

Aranzada, f. sp. een morgen lands, vlaktemaat In Spanje, Inz. hü wynbergen = lts tot 411 are (z. aid.)

Aranzini, m. pi. It. (van arancia, oranjeappel; arancino, sinaasappel) kleine gedroogde en gesuikerde oranje-appelen.

Aras of ara, m. N. II een prachtige, lang-slaartlge W.lndlsche papegaal; Inz. de roode ara of Indiaansche raaf; vgl. ook macao.

Arba, f. lurk. (araba, wagen) een oostersch rijtuig mei ■gt; wielen en écu paard, inz. voor vrouwen.

Arbalète, f. fr. (van \'I lat. arcuballisla, eene werpmachine met een boog) samengestelde boog, waarmede men pülen en ander werptuig met meer kracht en juistheid dan met den gewonen boog voortschlet, hand-of voetboog; Arcli. dakschoorbalk In \'1 bovendeel van een fr. dak.

Arbigassi, pl. turk, de opzichters over de hofbedienden des sultans.

Arbiter en arbitrator, m. lat. scheidsman, scheidsrechter in geschilzaken; — arbitrair, adj. (lal. arbitrarius, a, um) willekeurig, eigenmachtig, elgendunkeiyk; arbritaal, adj. (fr. arbitral) Jur. door sebeidslieden beslecht of te beslechten; — arbitrïum. n. lat. de uitspraak van scheidsrechters, machtspreuk; ook de meening, het goedvinden, de vrye keus, willekeur; — orWirtum boni viri, biliyke uitspraak; a. divïnum, het goddeiyk raadsbesluit; a. judtcis, met goedvinden, de uitspraak des rechters; a. libïrum, de wilsvrijheid, vrye keus; — arbitrfo, It. Muz. naar goedvinden (by de maal); — arbi-treeren, lat, (arbilrBri) naar goeddunken of gissing ie werk gaan; Kml. wisselkoersen berekenen; — arbitrage, f. fr. (spr. frd-zj) de raming, benaderende schatting; de beslissing of uitspraak van eenen door pariyen gekozen scheidsman; Kml. de vergelyking der verschillende wisselkoersen, berekening van de loopende waarde van geld en wissels; — arbitratie (spr. tie= \'sic), f. lal. {nrbilrnCfo) het goeddunken; de schatting.

Arbith, n. (van \'l hebr. dreh, avond) hel avondgebed der Joden.

Arbolade, f. fr. perenvlade, taartjes uit meel, melk, boter, suiker en perenmost bereid.

VIKIUIK ItltUK.

arbor, f. lat. de boom; arbor DiSnac, lal. de boom van Diana, z. ond. Diana; nrbor ucne-aloyica, de slamboom; arbor vilae, de levensboom, ibuja; — arboresceeren (lal. arbo-resctire), tol een boom worden; —arbores-cént (lal. arboréscem), als een boom wassend;

— arboreseóntie f. nw. lal. boomvormlge groei; —arboreeren, nw. lat. (fr. arborer) Mil. oprichten, opsteken, b. v. vaandels, alarmseinen, enz.; — arboricultuur, f. nw. lal. boomteell; — arboriform, adj. boomvormlg;

— arborisatie, f. naluurtyke loof- en boom-leekening op steenen, vgl. dendriel; — ar-borist, m. fr. een boomkweoker.

Arbouse, f. fr. (spr. — bot\':\'; van \'I lat. ar-b//tuin) Bol. zandbes, zeekers (Arbutus unedo).

Arbousse, f. fr. (russ. urboex -, oorspr. kar-boes, waarsch. van \'l perz. kherboesch, meloen) Hol. de watermeloen van Astrakan (Cucumis ci-tru/lis).

arc, m. fr. (van \'t lal. arcus, z. aid.) boog;

— arc-boutant, m. (spr. —bocldii) Arcli. steunboog, gewelfpUler; schoor; — arc-bou-teeren (fr. arc-bnuter) door gewelfpyiers steunen, onderschragen, stutten; — Arcade, f. fr. hoogsgewyze opening; Arch, booggewelf, gewelfde gang tusscben zullen.

arcades ambo, lat. \'I zün belde Arcadiërs, d. 1.

I is een bespolleiyk paar, zy zyn belde even belacbeiyk.

Arcanson, n. fr,, z. v. a. kolop bon 1 um.

Arcanum, n., pi. arcana (van ureanus, a, um, geheim) geheimenis, inz. een geneesmiddel, welks beslanddeelen en bereiding geheim gebonden worden; — arcanist, m. nw. lal. de bezitter van geheime middelen of kunsten, ge-helmenlskramor.

arcato, 11. Muz. met den slrykslok gestreken (vgl. ar co).

Arceaux, pl. fr. {spr. arsó, van are = lat. ureus, boog) lioogkrommingen; Arch, saanige-strengelde logen In den vorm van klaverbladeren, als sieraad aan beoldliouwwerk; — arceeren, arceering, z. s c h r a f f e e r e n, s c b r a f f e e-r 1 n g.

arch., afkorling van a r c h i 1 e c t of wet van archipel.

Archeeus of Are heus, m. gr. (van ar-ehïïios, arehetos, oudvaderlUk, van archë, aanvang) volgens Paracelsus; levensstof, vuurslof, de naam van liet vuur, dat men als unlvorseel beginsel inhei midden des aardbals plaatste; wereldgeest, de alles bezielende inneriyke kracht der aarde.

Archaïsme, n. gr. (van arehaios, a, on, oud) Gram. een verouderd woord, verouderd spraakgebruik; — archaistisch, adj. verouderd, ongeliruikeiyk; oudvadeiiyk; — archBB-ographie, f, beschryving van oudheden; — archeeographisch,iidj. die bescbryvlng be-trellende; - archteoloog, m. een oudheidkenner, -vorseher, -onderzoeker; — archseo-logio, f. de oudheidkundo, de kennis van de kunsigewrochteii der Ouden, inz. die der Grieken

fi


-ocr page 96-

ARCHON

ARCHKR

82

on Romeinen; — archeeológisch, adj. oud-heldkumllR,

Archer, ni., pi. archers, fi\'. (spr, arsjé, van an, boog) booKschullers; ook: llclile miters, aanviinkeiyk met bonen Kewapend.

Arches-court, z. v. a. Court nf Arches, n. etiii, (spr. drlsjes-koort. van arches, bogen, en court, z. aid.) het geestelük oppergerechtsliof, op-perconsistorie van den aarlsblsscbop van Canterbury (spr. kinterierri), dus genoemd naar den geweifden toren van de St.- M a r i a - k e r k, waar liet gewooniyk vergaderde.

Arohetypum, n. gr. (van \'t gr. archétg-pos, nn, bet eerst en als model gestagen of gestempeld; vgl. typns) de eerste stempel; bel oorspronkelijk schrift of beeld; de eerste, oudste druk,z. v. a. orIgineol; — pi.archetypen, afdrukken der eerste oplage; — archetypisch, adj. daartoe beboerend; — archi—, gr. (van archein, beginnen, de eerste z||n, becr-schen) overeenkomende met liet ncd. voorvoegsel aarts (z. a.); — archiater, m. gr. (van iS/rds, arts) de eerste arts, opperarts, Hjfarts;— archiboufïbn, m. fr. (spr. arsjiboefóii) een aartspotsenmaker; — archicamerarïus, m. nw. lat. de aartskamerheer; — archicancel-larïus, m. nw. lat., of archichancelier, fr. (spr. arsji-sjanse-lji!) m. aartskanselier ; — ar-chidapifer, m. (vgl. dapifer), de eerste voorsnijder; — archidiakonus, m. gr, (vgl. d i a k e n) de eerste (geestelüke) ambtshelper; — archidiocees, n. (vgl. diocees) hel geestelijk grondgebied van een aartsbisschop; — ar-chidux, m. nw. lat. (vgl. dux) aartshertog.

Archief, n. (lal. archivum, van het gr, ar-chëïon, d. I. raadhuis, overheidshuls) de verzameling, bewaarplaats van oorkonden, aden. Inleven en alle andere staatspapieren; —archi-varius, archivist, in. nw. lal. de bewaarder, opzichter der oorkonden, iiü de Ouden ook are hl o t a genoemd; — archivisch, adj. tot oorkonden hel rekkelijk.

archiëpiskópus, m. gr. (Hal. arcirescovo, vgl. episkopus) aartstiisschop; — archië-piskopaal, adj. aartshlsschoppelük-. - ar-chigymnasium, n. gr. oppergymnaslum, eene hoogere geleerde school; — archihie-rarch, m. (vgl. hiërarch) de aartspriester, hoogeprlester; — archihierarchie, f. gr. het hoogeprlesterschap.

archilóchisch, gr. hutend, vinnig, hevig smalend (van woorden of geschriften), naar eenen gr. dichter Archliöchus van Paros, uitvinder der jambische poözy.

Archimagus, n, (vim archi- en magus, z. aid.) aartstoovenaar, oudperzisch hoofd der m a g 1; — archimagie, f. aartstoovery; goudmakerij ; z. v. a. alchemie; — archimandriet, m. nw. gr. (van mandra, perk, omtul-nlng; klooster) de geesteiyke gezaghebber over een of meer kloosters In de grieksche kerk; — archimimus, ni.de tooneelspeler die by oud-rnmelnscbe lyksiaatsifin den afgestorvene In zijn gebaren, mimiek, enz. moest nabootsen; - ar-chimonasterium, in. (vgl. monasterl-um) het hoofdklooslor; — archicekono-mlst, m. (vgl. ie k o n o ui 1 s t) de beheerder van het kerkvermogen; — arehiofïicia, n. pl.nw. lat. (vgl. officium) aartsamhten; — archi-papa, m. do eerste kerkopziener In de griek-sctie kerk.

archimedisch, adj. op Archimedes, den bekenden w iskunstenaar (gest. \'212 v, C. te Syracuse, zyu vaderstad) betrekking hebbende; — a r-e h lined Isc he grondstelling, de hydrostatische wet, volgens welke leder lichaam In het water zooveel aan gewicht verliest als de daardoor verplaatste watermassa weegt; — arch 1-medische schroef zonder eind, verbinding van een schroef met een kroonrad.

Archipelagus, m. gr. doorgaans verkort lot archipel (eig. hoofdzee, van archi-, z. aid., en iiéluqns, zee) eene eilandenzee, Inz. die lus-scben de kusl van Griekenland en Kleln-Azlü.

Archipope, m. opperpriester, archipapa.

Archipresbyter. m. gr. (vgl. archi- en presbyter) een opperkerkvoogd, aartspriester; — archipresbyteriaat, n. het opperkerkvoogdsambt.

Architékt, m. gr. (architékton, van archi-, z. aid., en téktön, houthewerker, timmerman, enz.) bouwmeester, bouwkundige; — archi-tektoniek, f. de leer der bouwkunst; ook de kunst om een wetenscbappelUk gebouw (systema) op te trekken; — architektónisch, adj. bouwkunstig, naar de regelen der bouwkunde; — architektonograaf, m. een bouwwerkhe-scbryver; — architektonographie, f. ge-houwbeschrijvlng; — architektuur, f. lal. larchilectiira) de bouwkunde, bouwwyzc; de verdeeling en Inrlchling van een gebouw;—orc/ii-Icctiira civilis, de burgeriyke bouwkunde; a. Inj-drauttca, de waterbouwkunde; a. militaris, de krygshouwkunde; a. navalis, de scheepsbouw-kunde.

Architraaf, m. gr.-lat. (van archi-, z. aid., en Irabs, lialk; fr. en 11. architrave) het onderste gedeelte der krooniyst (kornis); een boofdhaik, onder- of bindbalk, de hovendrcmpel.

Architype, liever archetypum, z. aid.

Archivarius, enz., z. oud. archief.

Archivolte, f. fr. (spr. arsjiwólt\') Arch, sleriyk snywerk aan booggewelven.

Arch-Jeréj, m. (van archi en Jeréj) rus-slsche aarlsblsscbop der grieksche orlhodoxe kerk (= gr. archi hiërarch).

Archocële, f. gr. (van archós, de aars) Med. de endeldarmbreuk; archoptöma, n., of archoptösis, f. gr. de uitzakking van den endeldarm; — archorrhagïe,f. hioedviociing nlt den aars; — archostegnösis, f. (vgl. s t e g n o s 1 s) vernauwing van den endeldarm; — archesyrinx, f. de pypzweer of lisiel in den endeldarm.

Archologie, f. gr. (van archè, aanvang) de aanvangs- of grondleer, z. v. a. fundamental e phtlo soph le.

Archon en archont, m., pl. archón-


-ocr page 97-

ARCHOPTOMA

AREOPAGUS

8:}

ten, nr. (van archein, de ccrsle zyn, hoersclien) hoerscher, nanvoenler, in\'I oude Athene de lltol der liOOKste overbeidspersonen na do verdry vlntr der koningen; bestuurders, regunten; — ar-chontïci, in. pi. secte der 2do eeuw, die o. a. de opstanding dor dooden ontkende.

Archoptoma, enz.; archosyrinx, ■/.. ond. archocolo.

Arciere, ■/.. ond. arco.

Arcieten of arcacieten, m.pl. nw. iat. (van\'t lat. arco, kast) versteende boog- at hout-vormige schelpen.

arco, it. (= lal. anus) do boog; Muz. siiijk-stok; het teoken voor don vioolspeler om na een pizzicato weder den sirUksiok te gebruiken; vandaar coll\'arca, met den slrykslok; - arciere, m. (spr. nrlsjiêre: vgl. bet fr. archer) oen boogschutter, iyfwachler; do arcioren-garde (vaak bedorven lol hart se bier, bat-schier, z. aid.) de oudo kolzeriyko lytwncbt te Weenen; — arcitënens, m. lat. het sterren-beold van den Schuilei\'.

Arco en Arcot (spr. arkd) of arcou (spr. arköé) m. fr. metaalschuim, slakkon hij bel metaaismolten.

arctus, a, um, lat. eng, nauw, saamgedrongen; scherp begrensd of bepaald; comp. arctfor, arc-Inm, enger, scherper, enz.; — arctior cilutfo, f. lat. Jur. scherpere dagvaarding; anlius Jus, het nader recht; anlius mandatum, n. een dringender hevel; — arctatie (spr. tie=fsie), nw. lal. (van I lat. arclare, vernauwen) Mod. vernauwing der Ingewanden en daaruit voortspruitende verstopping ; Chir. het samensnoeren van een lichaamsdeel door een verband.

anus, m. lat. do boog, kromming, welving; anus diurnus, Astron. de dagboog; o. noclürnus, de nacbthoog; anus Iriomphdlis, do zegeboog, Irlumfboog; a. visiönis. Opt. do gezlcbtsboog; — arcudlim (van arcudre, boogvormig krommen) boogvormig; — arcuatie (spr. l=ls), f. lat. do kromming, boog- of beenderkromming; — areü-lus, m. een boogje; — anülus senilis, m. lat. ouderdomsring, z. v. a. het gr. gerontotoxon, z. aid.

Ardasse of ar dés se, f. fr. grove zyde, perz. Doretzydo; - ardassine, f. parelzyde, van de schoonste soort.

Ardea, lat. N. H. do reiger.

Ardeb, m. arab. eono graanmaat in Egypte, Syrië en AhyssiniB = 271 lol iHl liters.

Ardelio, m. lal. pi. ardeliönen, bedry-vige iodiggangers, die als ware \'I met yvervuur rondloopon, on tocb elg. niets doen (vgl. poly-pragmosyne).

Ardelle, n. (fr. eau d\'Jrdelle,waiirsch. naar den eigennaam van een persoon, of naar het fran-scho dorp Ardolles zoo geheoiea) nageiwaler, een lijne brandewynull kruidnagelen en muskaat liloc-men gestichl.

ardént, lal. [drdens, van ardere, branden, gloeien) gloeiend, vurig, hevig; — ardente. Hul. Muz. vurig, heftig; — ardor, m. lat. of ar-deur, f. fr. gloed, hitte, warmte, yver; ardor slo-müchi of vcnlricüli, lal. Mcd. hevige maagpyn.

ardito, 11. (= fr. hardt, z. aid,) Muz. stout, koen.

anliiia, «, um, lat. hoog, slell; lig. moeilyk, hacheiyk; — ardua quesCto, eenc moeliyke vraag;

— arduïteit, f. steilheid, moeilijkheid.

Are, f. fr. (van \'i lat. aria, z. aid.) de eenheid dor vlakte- of landmaten in het metrieke stelsel, vlerk. ned. roede = 100 Ucrk. meters of ellen; bet Klde deel daarvan heet declare; het looste deel centiare - de vlerk, ncderl. el; en het toooste dool milliare. De veelvouden heeten: decare, oone maat van 10 arcs; hectare = too ares, onze bunder; kilare = tooo arcs; myriare = 10,000 arcs, onze vlerk. myi.

Aréa, f. lat. eene vrye, ledige plaats; een strijdperk, eenc renbaan; de grondvlakte, plattegrond; Mcd. een hoofdzeer, dat kaalheid verwekt; Bol. kruid-, hloetnhed; areaal-grootheid, f. vlakte-grootheid, vlakte-inhoud, b. v. van een gebouw.

Arob, oost Indische rekenmunl, groot 2S lak roopyen of 2J rnlllioen roepUen.

a reculons, z. ond. r e c u 1.

Aródas, pl. eene soort van lichte oostindl-scbe stof, uil de blinkende vezels van zekere zyde-achllgc planten geweven.

Arefactie, f. nw. lal. (van het lal. are-faefre, drogen) Pharm. droogmaking, uitdrogen;

— arefact, n. een drooggemaakt of uitgedroogd lichaam.

Arek, aréka, f. malabaarsch iareek, sp. en port. areca) of arékapalm, ook pinang. Bol. eene soort van palm in Azie (Areea catechu), uil welks nootvormlge vruchten het zoogen. katsjoe (katcchu) of japansche aarde, een samentrekkend middel in bloedvloeiingon, hij verslapping van het tandvleesch, enz., wordt verkregen; de Indiërs kanwen de pillen met hetélbladen en een weinig kalk.

Arelaat, n. of Arolatisch rijk (naaide stad Are late of Are las, nu Aries, in Z.Frankryk) hel Bourgondische ryk in de 9de en 10de eeuw.

Arena, f. lal. liet zand, de zandhaan, kampplaats in hel ampbllbeater der oudo Romeinen;

arenan\'us,m. kampvechter, gladiator; arenatie, f, nw. lal. = arcnösum balneum, Med. een zandbad.

Aréndal, m. sp. Geogr. naam dor steppen van Nieuw-Kusliliê in Spanje.

Arendaliet, m. (ook a k a n l b 1 k ö n e) Min. een donkerblauw-groene, ondoorzichtige steen, lot de lalksoortcn heboorende, In de yzermynen van A r e n d a 1 ia Noorwegen.

Arendator en arende, z. ond. arren-d a 10 r.

Arénga, f. nieuw lal. suikerpalm (Patina amino).

Areola, f. lat. (vorklw. van area, z. aid.) kleine vlakte, perkje-, gekleurde kring om den borsttepel; Astron. kring om de maan.

Areometer, liever arasoineter, z. aid.

Areopagus of areopaag, m. gr. (,-/;-ci«-


-ocr page 98-

AHEOSTYLON

ARGl\'EEREN

84

pagos, van \' An\'ins, vim J res |z. aid.) gcwyrt, on lianos, lieuvol) pIr. Marsheuvcl; liet oudste on lio-rooindslo gorechtshof to Alliono, dat op eenon aan Ares (Mars) Kcwijdoii heuvel werd geliou-don, on welks loden, zegt men, des niiehts, zonder licht, do iiarlUeii hoorden; llu. eeiie vergaderlns van eerwaardige rechters, regenton, w ijzen, geleerden; areopagiet, m. een rechter van dit geroohtshof.

Areostylon, areothermometer, en/.., z. a l ip o—,

Ares, m. gr. (Arés) Myth.,/.. \\. ii. lat. Mars (z. a.); — areotektoniek, f. gr. de loer van t aanvallen en verdedigen der vestingen.

Aretaloog, in. gr. (areldlóqns, van arflc, deugd), pi. aretalógen,löfrodoiiaurs dor deugd, gewaande wysgeeron tu t oude Rome, die zloti tot tafelschuimers on potsenmakers verlangd hadden .

— aretalogie, r. het snoeven op deugd; i ho-driif van oen potsenmaker;- Aretïne, vrouwennaam : deugdzame, dougdrüko; — areto-logïe, f. gr. de deugdleer, zodeleor.

aretinische syllaben, z. ut, re, mi, enz.

a revoir, z. re voir

Argali, ii. porz. (aif/n/l) of mouflon, m. Ir. (spr. moeflón) het mutTeldlor, wilde stoou-scliaap, Inzoiidorlield in Siherie en noordwosloiyk Amerika.

Argandsche lampen, naam dor door A rga ii d in 17811 te London uitgevonden lampen, met eeno holle rolvormige pit en eeno glazen huls rondom de vlam; vandaar: A rga n dsc h o li r u n-ders (met rondo vlam) voor gasvorlichling.

Argëma of Argëmon, u., ook Argë-mos, m. gr. (van argós, nnjis, wit) Cliir. eone witte oogvlok, een zweertje op het hoornvlies.

Argemone, plantonsoort der papaverach-tlgen, die vooral in Mexico groeien.

arfiéntum, n. lal., argent (spr. anjdii), fr. n. zilver; zilvergeld; nrqénlum fnlinlum, bladzilver; a. fulmfttans, knalzllver; n. inusivum, valsch zilver (wit tin mot liismuth en kwik); a. uivuiii, n, kwikzilver; — arf/enl h/anr, fr. (spr. —W«m) zilvermunt ; — a. complanl (spr. —koiitdh) hanr-geld, gereed geld; a. courant (siir. —koerdii) gangbare munt; n. rn coquille (spr, ati kokielf), schil-dorszllver In schelpen -, a. en feuilte (spr. ahfeulj\'), bladzilver; a. en lames, zilver in bladen; n. en lingots, zilver In staven; a. haché (spr. —hnsjé), eig. lijn gebakt zilver; verzilverd metaal, ook voorwerpen van verzilverd metaal; n. plaqué, geplat-teerd zilver, pleet, pleotzilver (met zilverblad overdekt metaal); a. citreu.i: (spr. —wit reu) glans-zilver, glanserts; — argentaal of argentaan, n. nw. lat. sclijinzilver, kunslzllver, iilouw zilver, eeno metaalvermenging uit koper, nikkel, zink, Uzer en ilii; - argentan\'us, m. lat. een wisselaar b(i de Komoinen; — argenterie, f fr. (spr. anja/il\'rie) zilvergoed, zilverwerk; — argenteeren, fr. (spr.arzjant—) verzilveren;

— argenture, f. fr. (spr. artjaiUuur\') de verzilvering.

Argiliet of argilliet, n. (van het gr. ar-

ffilas, drgillns, lat. argitta, fr. argile, witte klei.

van \'I gr. argós, urges, wit) kiel- of ululnechlefer;

— argilolith, ni. gr. leisteen.

Argiven, in. id. (lal, Argïvi) do bewoners

der gr, prov. Argos of Argolis; bU de lat. dichters voor Grieken in \'I algemeen genomen,

Argo, f, gr. Myth, het oudste, onder Mluer-vi.\'s leiding gebouwde schip; ook als sterrenbeeld aan den zuidelUken hemel,

Argologie, f. gr, (van argós, dn, onwerkzaam, ledig) nlctshcteekend gesnap.

Argonauton, m, pi, gr, (van naüiis, schipper) Jazons reisgozeiicn. Argo-bevanrdcrs, do naam der grlekscbe belden, die Ier verovering van bol guldon vlies op hot schip Argo den lochl naar Colchis doden -, — argonaut, m. nok eone soort vim zeeslak, do papler-nautllis; — argonautïka, n. pl. de geschiedenis van den lochl der Argonauten, door Apollonlus v. Khodus on Valerius Flaccus als heldendicht bewerkt.

Ar gosy of Ar gosie, f. eng. (vgl. hot mld. lal. argis, een vrachtschip, zoo geheeton naar het schip Argo, z. argonauton), do kraak, karak (z. aid.), eone soort van groot koopvaardUschlp.

Argot, n. fr. (spr. argd; van het veelvuldig gebrnikto ergo [z. aid. ] door hen, die latyn, en dus voor niet-geleerden onvorstnanbaar sproken; vandaar ergoier, woordolwisten, en argoier, argali-ser, dieventaal spreken) laai der gauwdieven, land-loopers, hodelaars onder elkander; dieventaal, kooterwaalsch; — argoteeren, argotisee-ren, lirabbellaal, dieventaal spreken; — argotisme, n. barb.-lat. eeno uitdrukking of eigenaardigheid dor dlovenlaal.

Argousin, m. fr. (spr, argoezèh, vvuarsch. bedorven uit bet sp. a 1 guacll, z. aid.) eea opziener der galeislaven, rooimeester.

argueeren, lat. {nrguëre) aantoonen, overtuigen, bowUzeii; - argumént, n. (lat. argu-mtfnlum) de bowysgrond, het bowgs; Lltt. do stof, Inhoud, hoofdinhoud van een geschrift, gedichi, enz.; a r g u m o nt d e r broedt e, Astron. do afstand eenor phineet van baron opgaanden knoop;

— argumentum ah inridfa, een boosaardige schyn-grond; — a. achillêum, eone valsche sluitrede of gevolgtrekking; n. u enntrario, een aan bet tegendeel ontleend bewijs of besluit; o. ad /lomïnem, een algemeen begrUpoiyk, naar de bijzondere vatbaarheid des hoorders geschikt en daardoor duidelijk bewijs; een bewijs, waarbij men Iemand met zijne eigen gronden hestrydl; persooniyko bewijsgrond; a. ad veritatem, een bevvys, dal van algemeen geldige, welenschappelijk erkende beginselen uitgaat; a. a Into, zekorheidsbovvys, geruststellend bowys, een sophistisch bewijs, waarvan Inz. de katholieke prosolletenmakers zich bedienen ; a. bacullnum of a baeulo, een stok- of knnppelbewys; a. cerium, onomslootoiyk bewijs; «. collaterale, hykonistlg bow ys (dat eerst In aanmerking komt, als do hoofdgrond bewezen is); «. credihililatis, bewijs dal iets geloofwaardig is; « e consensu gentium, een bowys, dat zich op de overeenstemming van alle volken en tijden beroofd ; a. c.rtérnum, een bewijsgrond, ontleend aan een bulten hol gosclillpunt liggend voorwerp; «,


-ocr page 99-

ARISCH

ARGUS

85

intirnum, «en In liet omlorwcrp-zelf geleRon lit1-wijsKnind; n. /er/is, do grond dor wet; o. palma-num en a. primartum, eon beslissend liewljs, hoofdhewUs; «. probahile, wiuirschynlUklioidsbe-wys; «. reciprocum, howds lt;l:il Julsl (felirulkt kan worden teRon hem, die or zich van bedient; — argumoriteeren (lal. aryumentnri), een bewijs Roven, govolRtrekkon, bosluiion; — argumentatie (spr. lie—lsie), f. do RevolRlrokkliiR, bewijsvoering; ook de wij/o van belooRon en be-siniien; — argumentator of argumen-tist, hU, dlo\'t bewijs levorl, bewysvoorder; argumenteus, adj. (lat. amumentosm,«, um) ryk aan slof of aan bewysgrnndon.

Argus, in. gr. (Arqos) Myili. een prins van Argos, do bow aker van lo, die door ,1 u n o in oono koe was veranderd; by bad 100 oogen, waarvan 50 beurtelings geopend en gesloten waren; vandaar: een zeer waakzaam, sehorpzicblig oppasser, bediende, spion, oen Jaloorscb ecblgonooi; argus-oogen, aliyd opono, wakkere oogen, waaraan niet licht leis ontgaat.

Argutïën (spr. lt;=(*), f. pi. lal. {arnulfae) spitsvondigheden; — argutiëus, adj. nw. lal. spitsvondig; — argutoeren (lal. arfiulnh), spilsvondig sproken; baarklooven.

Argyraapiden, m. pl.gr. (do mei zilver boschllderdon, van arnSros, zilver) lyfwaehl van Alexander don Grooton, oen deel der macedonisobo phalanx, veteranon die oen zilveren schild droegen; — argyriasis, f. eigenaardlgo zilvorkleu-rlgboid der builenluild, ontslaande na langdurig inwendig gebruik van kleine doses salpelorzuiii\'-zllveroxyde.

Argyride, n. gr. zilvorboudond zwaveiklos; — argyritis, t. zilvererts, zllvorgilt (eig. lood-glil); — argyridisch, adj. zilverboudond; — argjrrodamas, m. kallonzilver; - argy-roïde, f. schynzilver, kunstzllvor, plooi, oen naar zilver gelijkend metaalmengsel; — argy-rokómisch, adj. zilverharig; argyro-kratie (spr. t=ls), f. do geldhoerscliappy, de macht uil rykdom geboren; argyrolith, m. een zilverklouiigo sloon -, — argyromanio, f. do geldwoode, onvorzadoiyke geldzucht; ar-gyronèta, f. gr. (zilverspinsier) waterspin, naar haar zilverglanzlg web; argyrophaan, n. schynzilver, een ziivorachiig melaaltnengsol, In 180» door Wolf ie Dresden uitgevonden; —ar-gyropoea of argyropcoie, f. do gewaande kunsl van zilver Ie maken.

Aria, f. Hal. 1) (= lat. aer) lacht; aria cal-tiva of mala aria, kwaadaardige, koorts verwekkende lucht In Halt#, vooral by de Pontynscho moorassen en in de Maremmen (z. aid.); — \'2) f. (uit tiet II. aria, fr. air, z. aid.) elg. lucht, wind ; dan; wys, lied, gezang, zangstuk, door oono enkele stom uitgevoerd en eone ultstorling dos go-voois behelzondc; n. \'li bravura (stir. u=oe), hra-vour-arla; aria concertaio. Hal. (s|ir. konlscher-talo) concerl-arla; — ariétte, f. fr. eono kleine aria, een liedje zonder muzikale versieringen; — arioso. It. voor den zang geschikt, te zingen; als subsi, arioso, n. oono zoor eenvoudige aria.

waardoor hot langwUligc van het recitatief (z. aid.) In cantaten aangenaam wordt ufgebroken.

Aria, m. mal. adoliyke titel op .lava.

Ariadne, f gr. naam der dochter van Minos. koning van Kreta, die aan Theseus een garenkiuwen gaf, om weder nit liet labyrinth to geraken, waarin hij zich begaf om don Mlnotaurus to verslaan; vandaar: de draad, het kluwen van Ariadne, bol hulpiiildilol om nit oono netelige omstandigheid te geraken, om een ingewikkeld vraagstuk op Ie lossen; Astron. een in IHln door Pogson ontdoklo asteroïde.

Arianismo, n de loer van A r i u s, (priester lo Atoxandrie In de \'ido eeuw) en zyno aanhangers, dlo Jezus voor niets meer dan eenmonsch verklaarden ;- Arianen, m. pl. aanhangers van de leer van Arius.

aride, lat. (arXiius, a, um) droog, dor;-— ariditeit, f. (lat. uridflas) droogheid, dorheid, magerheid, ook Hg. van den don siyi, do rede gebezigdariduur, f. nw. lat. Med. de verdroging, uitlering, wegkwyning.

Arïël, m. oorsjir. iiclir. eigonn. UtrPI, leeuw (lods, d. I. holdhaflige siryder voor God) volgens do demonologle der kabbala, oen watergeest; naar de Myth, der middeleeuwen: een tuchtgeest, beschermgeest der onschuld; —ook een viorvoo-lig dier in Arable, van do grootte eonor gazelle.

Ariërs, pl. do naam dor ;i hoogste kasten der oude Indiërs en l\'orzon. Tegenwoordig pleegt men daaronder hel oorspronkoiyk volk van den Indo-germaanschen stam te verstaan, z. arische talen.

Arïes, m. lal. de ram, ook als oen der 14 sterrenbeelden van den dierenriem; (de zon staat schynbaar in dit leoken ImJ do tonte-nachtovenlng in Maart); ook stormbok, muurbreker, als belego-rlngswerklulg der Ouden.

Ai-iette, z. ond. aria.

Arihmanus, z. Ormuzd.

Arimannon, pl. do vryon by do l.ongobar-den, in togonstetllng met do onvryen of wet mot de overheid; — arimannie, f. de gozameniyko vryen in een landschap\'; ook hun belasting.

Arimaspen, pl. (lat. Arimnspi, gr. Ari-maspoi) oen fabelachtig, waarsch. scytlsch volk in I uiterst noordoosten van do wereld, zooals do Ouden die kenden). Zy worden ons geschilderd als eenoogige, krygshafligo menschen, die met grypvogels ilirypes) om hel liezll van het goud vochten.

Ariolatie, f., z. har lol a tie.

Arion, m. gr. een toonkunstenaar van voel Invloed op zyno hoorders; naar den ouden gr. lierspeler A r i o n, die, op zee In levensgevaar zynde, de dolHjnon door zyn snarenspel bewoog hom Ie redden.

arióso, z. ond. aria i).

Ariovist, m. oud-duitsche mansnaam: ile eervolle, eerwaardige (van oud-hoogduitsch (ra, do eer, angels. (Ir) of do strydbaro, vaste in het lieer (van oud-lioogduttsch ticri, hari, het leger).

Arisch, m. (porz. arisch), oono perz. el = o.mui meter.


-ocr page 100-

ARISCHE TALEN

ARMA

8(5

arische talen (van \'t sanskr. dtja. «e» man van di\'ii Iranlsclien en indischon stam, Inz. oen Uil van den in Imlie heorschondcn stam, die de drie voorniiamstu kasten vormde; vandaar Ann, een landschap van \'I oude Perzltó) oud-perzisclie of traniselie laten, de tulen van den tndo-europee-sctien stam in l\'erzie en Indil\'; in rnlmereti /.in de talen van den indo-europeeschen of indo-Kcrniaan-sclien stam in \'t algemeen (v.. end. I ndl#).

Aristarchus nf Aristarch, m. nr. oen gestreng, maar Mtiyk kunstrechter, zoo geheelen naar Aristarchus van SamothraclB, die Homerus, Pindarus en andere dichters aan eene zeer strenge critiek onderwierp; —■ aristarchisch, adj. streng kunslrechleiyk.

Aristokratie (spr. tie=lsie), f. gr. (arislo-kratfin en arislokralin, cig. heerschappy der besten e» edelsten, van «ri.v/iK, de beste, en kratrin, rogeeren), de regoering der adeliyken en voornamen, der patriciërs, in tegenstelling met demokrat ie; vgi. republiek-, — aristo-kraat, m. aanhanger, vriend van zulk eene regeering; vriend van den adel; aristokrii-tisch, adj. wat lol de heerschappy des adels behoort, haar begunstigt, enz.; — aristokra-tisme, n. het voorstaan der adelregeerlng; grondstellingen en handelwyze van de adelregee-ring; — ari8to-demokratie,f.adel-en\\olk-regeering; - aristo-robino-theokratie, f. gemengde heerschappy van den adel. de gerechtshoven en de geestetykhehl.

Aristolochi\'a,f. gr. (van drislos, het besle, en tochi\'iu, het baren, dus; de geboorte bevorderend) Bot. de haarwortel, zekere plant; aris-tolochica, n. pi. (sell, romedia, ■/.. aid.) Med. middelen, die het baren, en Inz. de kraam-zuiveringen en maandstonden bevorderen; aristolochine, t., A r i s t o 1 o c h 1 a - b 111 e r, n. eene In de wortels van .Msloloehia serpcnlaria gevonden stof; — aristolóchisch, adj. gr. de geboorte, de maandzuivering, de inaandelijk-sche reiniging bevorderend.

aristophanisch, adj. geestig en scherp, op de « yze van den atheenschen biyspeldlchter Aristophanes.

Aristotolicus, m. een aanhanger van den atheenschen w gze A r i s 1 o t e I e s In de 4de eeuw vóór Chr.; — ariatotelisme, n. de leer of wysbegeerte van Arlstotetes.

Arithmetika, f. gr. (van arithmés, getal), de rekenkunst, cyferkunst, de leer of de wetenschap der getallen; — arithmeticus, ni. een rekenmeester; — arithmétisch, adj. rekenkunstig, tot het rekenen behoorendo of daartoe belrekkeiyk; door getallen of berekening bewerkt ; a r 11 h m e 11 s c ho proportie, z. pro-porlie: — arithmologie, f. de leer van geheime, wonderbare eigenschappen der getallen; — arithmoraantie (spr. /ic=l.iie), f. de waar-zeggery uit getallen ; — arithmomantisch, adj. uil getallen waarzeggend; — arithmometer, rekenwerktulg, uitgevonden door den lieer Thomas van Cohnar, en waarmede omslachtige berekeningen \\iiig en juist worden uitgevoerd.

Arkadïërs, m. pl. gr. (eig. bewoners van A r kadi ë, een door herders bewoond bergland io het midden van Morea, w aarvan schilders en dichters een aardsch paradys gemaakt hebben) naam der leden van de arkadische a ka dein le, een geleerd genootschap te Uome, waarby ieder, die iid wordt, den naam van eenen herder uil het oude A r kadi e aanneemt; — arka-disch, adj. herderiyk, landeiyk, onschuldig, na-luuriyk; vgl. idyllisch.

arktisch, adj. gr. (van arktos, heer) elg. wat in de nahyheld van de beide sterrenbeelden des Orooten en kleinen Beers [Una major en minor) aan den noordpool ligt, vandaar la\'t algemeen; uoordeiyk, z. pool; arktoph^lax, ui. de iierenhoeder, het sterrenbeeld Boötes (de ossen-dryver); — arcturus, in. (gr. arkiurns, van «ros,wachter,hoeder, dus ook: berenhoeder) een schoone ster van de eerste grootte met rood licht (arah. Aramech), niet ver van den Beer, in het sterrenheeld Boötes.

Arlecchino, m. it. (spr. arlekkino), arle-quin, Ir (s|ir, arl\'kiu\') een grappen- of potsenmaker, hansworst, ha riek yn (z. aid.); — ar-lequine, f. (spr. —kien\') hansworstendaiis; — arloquinade, z. h a r i e k y n.

Arles-goederen (dus genoemd naar A r-les, gebied en stad In Frankrijk, in de middeleeuwen een zelfstandig ryk, het A r e I a a 1, z. aid.; anderen denken aan eene verbastering van het duitsche urlassqnler of urlosqüler, oorspron-keiyk M\'(|e goederen).

Arlet, m. eng. O.liidische koniyn, inz. van Surate.

arma, a. pi. lat. wapens, geweer; sedert de middeleeuwen ook geslnchtswapen, fr. armes (spr. arm\'); armes parlantes, fr. (spr. —parldiit\') sprekende wapens, d. 1. die den naam van het huls, dal ze voert, geheel of gedeelteiyk uildrukken, h. v. eene wassende maan van hel huis Wassenaar, een rennend paard van de familie van der K e n n e, de liguur amp; voor de familie A n d (In Engeland); — ad nrma, lal., of aux armes, fr. (spr. o tam\') te wapen I te werk! ter zake; in amis, onder de wapens, gewapend; inter arma silent teaes, onder de wapenen zwygen de wellen, d. i. gedurende den kryg gelden de wellen niet; — armada, f. sp. (van armddo, gewapend, loe-gerust) of armade, eene uitrusting, oorlogsvloot, inz. de zoogenaamde onovcrwinnciyke vloot, die Philips II in IB88 tegen de Engelschen en Nederlanders uilzond; - armadil, m. (sp. armadillo) N. H. het sehlidvarken of pantserdter uit Amerika, nok tatoc: — armadilla, sp. of ar-madille, f. fr. (spr. di-lja of di-lje) eene kleine vloot, flotillc; ook een gewapend schip, inz. lolschlp; — armalistenoi armales, m. pl. (van \'I hoog. dnndlis, de adelbrief), adeliyken In Hongarye, die geen grondhezltters z.yn en alleen van wapendiensten leven; — armamentarium, n. het wapenhuis, tuighuis; armandiae jus, mid. lat. ook heermandiae jus, het recht van eenen\'landheer of de overheid om zyne onderdanen ten kryg te roepen en hen al, wat de oor-


-ocr page 101-

ARMAGNAC

ARNOLD

87

Ion vordert, to (loon lovoron; —armarium, n. lat. eeno kast voor wapens on ander gereedschap, tuigkamer; In de middeleeuwen Inz. Iioe-konkast, boekerli, z. v. a. hibllothook; — armariólum, n. een kastje, Imokenkastje; liostlekastjo In de K. K. kerk; — armarius, in. mid. lal. wapensmid; ook een opziener der liookverzameling in eon klooster, blldiolhecaris en voorzanger; — armateur, m. fr. een gewapend koopvaardysclilp; een reeder of eigenaar van schepen; een kaper, zeeroover.

Armagnac, in. fr. (spr. armunjak) een goede wille wyn, die In \'I landschap Armagnac in Z.Frankrük wast; — Armagnacs, pl. legerbenden van den hertog van Armagnac, door Karei VII legen Zwitserland en de Kizas gezonden en in 14i4 door de Zwitsers verslagen.

Armamentarium, Armarium, enz., z. und. a r m a.

Armatólen, in. pl. nw . gr. (armalólós, van armalönö, ik wapen) KI e p h I e n (z. a.), die mol de Porte in onderhandeling Iraden ; —Arma-tólië, f. de landstreken, die de l\'orle den Armatólen ter vestiging aanwees.

Armatuur, f. lat. ((inimlura) hel krygsgo-reedschap,de wapenrusting; wapenlooi, aange-hraehte kiggssieraden en zegeleekens op praalgraven, Irlomfbogen, enz.; ook iiel beslag, de Ijzeren banden, die de doelen eeuer machine, enz. sainenhonden; a r in a 1 u n r v a n d e n ui a g-neet, l\'bys. de kraebtvorhooging van don magneet dooryzerwerk, zUne wapening; — armatuurkamer, de wapen-, geweerkamer; — armatuurschip, een lot kruisen ullioopend gewapend schip.

Armée, f. fr. (van armer, wapenen) krygs-helr, leger; armée volatile, tr. (si)r. —wnldiil\') een vliegend leger; — armée-korps, n. fr. de legerschaiir, bcirbende, verdeeld In divisies en deze weder in briqaden, waarvan de ondernfdeo-llngen zyn: regimenten, bataljons en compagnlön; — armoment, n. fr. (spr. arm\'mah) de bewapening, krygsullrusllng, bemanning van een schip; de manschap zelve; ook een oorlogseskader.

Armeniërs, m. pl. inboorlingen en bewoners van A r me n ie, een bergland In Azie; ook de grootste soort van slachlossen, uil O. Europa, vooral uit Moldavië, ook armenianen gehee-len; — armenische steen (lapis Ameiifus) eene steensoort, beslaande uil kalk of kwarts, gemengd met koper-lazuur, in Armenië en in Tyrol, die gezuiverd ais bergblauw In den handel komt.

armeeren, lal. (armare) uitrusten, w apenen, van wapenen voorzien; sterker maken; Mnz. de voorteekens voor een muziekstuk zeilen; Arch, een balk armeeren, hem van middelen lot versterking zyner draagkracht voorzien; — ar-meerings-ankers, yzeren stangen of ankers ter bevestiging der muren.

armen, pl. fr., z. arma.

Armida, f. eene schoone en machtige loo-veres in Tasso\'s Verlost Jeruzalem; vandaar hg. liet volmaakte model eener verleideiyke vrouw.

Armifer of armïger, m. lat. wapendrager; in de middeleeuwen de schildknaap of page eens ridders.

Armijn, m. en Arminra, f. oudd. namen (het naast vun \'t lat. ArmirXvs, den naam van den beroemden vorst der Cherusken, die Varus versloeg; vgl. liet ondhoogd. Irmine, n. en trmi-na, f.) (Ie voorlreirelyke, uitstekende, krachtige.

Armilla, f lal. een armband, armtoolsèl;

— armillair-sfoer, een beweegbare bol, uil veie ringen samengesteld, om de inrichting des hemels en de beweging der sterren voor te stellen.

Arminianen, m. pi. aanhangers der leer van Jacobus A rm in 1 u s, die in den aanvang der nde eeuw te Amsterdam en Lelden leefde en leerde, en wiens aanhangers later als ebr. kerkgenootschap den naam van K emo nst ra n t en (z. aid.) kregen; - arminianlsme, n. de leer van Arininius en zyne aanhangers.

armipotént, lat. (armipölens) mncblig in de wapenen, krygsbaflig; armipoténtie (spr. lic=lsie),l. (lal. armipolentfa), wapenmacht, wapengeweld.

Armistitlum (spr. tïumlt;^lsïum), n. nw. lal. of armistice, ui. fr. wapenstlisland,schorsing der vyaniloiykheden, bestand.

Armjttk, ni. russ. (spr. arméli) bet korte bovenkleed van den russ. boer en handwerksman.

Armogan, m. fr. Mar. goed weder, gunst ige wind voor de vaart van een schip.

armonioso. Hal. (fr. harmonicux) welluidend, harmonisch.

Armoracia, f. Hol. mierikswortel.

Armoriaal, n. (fr. armorial, nw. lat. dr-moriale, van arma, aid.) een wapenboek;

— armorist, m. een wapenkenner, blazoenkundige.

Armorica, f. het land der aan zee wonenden, kelllsche naam van West-Frankryk, inz. van lirelagne; - armorisch, oud-galllscb.

Armozijn, n. fr. {armoisin) zeer dunne zydestuf lot voering.

Armstrong-kanon, n. een door W. A rm strong te Londen uitgevonden kanon met getrokken loop en achlerladtng.

Arnant,in. eene zomertarwesoort uit Odessa.

Arnauten, m. pl. de turksche naam voor Aihanters uf Albaneezeu.

Arnica, f. nw. lat. (van \'l gr. arnós, lam, schaap, en alzoo eig. schaponkruid, waarsch. om-dal alleen de schapen en geiten hel zonder gevaar eten) eene phintensoort, Inz. de Arnica monlana, liet valkruld, de wolverlei, eene geneeskrachtige plant; — arnicine, f. bittere bars der arnica.

Arnold, oudd. (Aranalt, van urn, geuit. aran, arend, adelaar en —nil uil —wall = waiter, heerscher) mansn.; verkort Arend, Aart: ade-laarvorst; vr. A mold a on Arnoldlnu; — arnoldisten, m. pl. eene socle der tide eeuw, die de goederen der kerken eu priesters als oii-wettlgen eigendom beschouwde, dus genoemd naar Arnoud van Ure sela, een kerkleeraar der lïde eeuw; — Arnolph of Arnulf, oudd. {Arimmlf, Arnolf) mansnaam; arendwolf, sterke adelaar.


-ocr page 102-

88 ARRETINISCHE VATEN

AROIDEN

Aroïden, t. pl. (lal. aroUMae) plunlon met imr- on kolfilragcndo liloemen, zooals kalfsvod, kalmoes, enz.

Aroma, n. gr, (aroma, kruldory) de geurslof der planten en krulden; — aromalith, in. een edelBestoeiitc van de kleur en don geur der mlr-rlie; — aromatika, n. pl. specer(jaclillge middelen, specerijen •, — aromatisch, adj. kruidig, specerijachtig, geurig; — aromatisee-ren (spr. s—z), welriekend, geurig, kruidig maken; — aromatisatie (spr. tie=tsie), f. de geurigmaking van spgzen of artsenijen.

Aron, gr. of a r u m, lat. n. Bot. kalfsvoel, een plantengeslacht, Inz. In Amerika; ge me ene aronskelk (Arum macu/tilum), ilultsclie gem-her, monnikskap.

Arondélle, f. fr. (verklw. van \'t oud-fr. aronde — lat. hirmdo, zwaluw) een licht bezeild vaarluig van middoiinallgo grootte, zooals pinken, hrlganlijiien, enz.

Arpa, f. Hal. de harp; — arpanetta, f kleine harp.

Arpailleur, in. fr. goudwasscher, goudzoeker.

Arpalik, n. lurk. (v. arpa, gerst, dus elg. gerstegeld) een recht sgehied, welks Inkomsten den pasja\'s en anderen hoogeren slaatsbeamhlen als toelage toevloeit.

Arpanétta, f. Ital. (van arpa, harp) de kleine harp, spitsharp; — arpeggeeren (spr. arpedijeeren), elg. op de harp spelen; Muz. de lonen afbreken, achtereonvolgond en snel ol de klanken van een akkoord aanslaan, in plaats van ze allen gelijk te doen hooien; — arpeggio, m. It. (spr. arfédzjlo) het snel achtereenvolgend harp-achtig aanslaan of breken der lonen, de loonbre-klng; — arpeggialo, 11. (spr. —pedzjidlo) gebroken, ontleed; — arpeggialüra, f. it. (spr. -peikjn-toera) eene ry van gebroken tonen.

Arpént, m. fr. (spr. —pan.- lat. arepennis, mid. lal. arapennis, aripennis, arpenliuni, aripen-itium, enz., een celtlsch woord, welks tweede helft een eelt. telwoord bevat) fr. landnioat, een morgen lands, = 51 are, dus Iets meer dan J hectare; — a. de Paris, = 84,2 are; — a. commun, = ia,21 are; — arpentage, f. (spr. -panld-zj\') het landmelen; — arpenteur, m. landmeter.

Arpicórdo, m. (Hal. van arpa, harp) of arpichórde, f., z. v. a. sp I n e I, ook een klavier, dat gelük eene harp klinkt.

arqualtts morbus, Med. geelzucht.

Arquebuse, f. fr. (spr. ark\'bü-z\': oud-fr. harquebuse, sp. arcahuz, van \'t 11. archibugio: v. \'t boil, haakbus) haakbus; vervolgens vuurroer; de donderbus, een oud vuurwapen; — arque-buseeren (spr. s=z), (fr. nrquebuser), doodschieten (als straf hy de soldaten); — arque-busade, f. elg. Iiuksschol; het doodschieten; de schotwonde ; — arquebusado-water, bet schot wondwater; — arquebusier, m. (spr. —zjé) een busschieter, scherpschuller; ook de buksenmaker.

Arr., verkorting van arrondissement (z. aid.)

Arragoniet, n. (v. Ar rag on in Spanje) Min. een grauwwitte of blauwachtige, doorschijnende, In zeszydige zullen gekristalliseerde kalk-steen, arragonlsch kalkspaath.

Arrak, z, arak,

Arrakatsja, f. (sp. anacacha, amer. naam van den manlok-wortel) een tot voedsel dienende wortel uit Z.Amerika (Aracacha esculénta).

arrangeeren (spr. arainj—), fr. (arran-(jer: vgl. rang, ran gee ren) schikken, rangschikken, In orde brengen. Inrichten; een verge-iyk Irellen, eene schikking maken, bijleggen; Muz. een muziekstuk voor eene andere inslrumenlale uitvoering inrichten; — arrangement, n. (spr. aranzj\'-mdii) de rangschikking, ordening. Inrichting, het in orde brengen; bet vergetyk, do mlnneiyke schikking, overeenkomst van oneenlge pariyen; Muz. bewerking. Inrichting; — arrangeur, m. (spr. —zjeur) rangschlkker, in-richter.

Arras, ■/.. aras.

Arratel, m., pl. arrateis, (v. \'t arab. ar-ratt, het pond) een port. poml (= 1quot;)» gram), waarvan 32 eene arroba (z. aid.) en I2S een centenaar uitmaken.

arrendeeren, mid. lat. (arrendare; sp. arrendar, fr, arrenler; van het mld. lal. rondere, fr. rendre — lal. reddcre, waarvan rendila, rente, z. aid.) een goed in pand geven en nemen, pachlen; — arrendator, m. een pachter-, — arrendatïo (spr. l=ls) of arrénde, f. mld. lal, arrenda, arenda) do verpacht Ing, hot pachl-verdrag; in Rusland; een pachtkroongoed, een kroongoed, dal aan verdienslelykc personen voor eene matige pacht gelaten wordt,

Arrcragea (spr. arerd-zj\') m. pl. fr. (van arriére, z. aid,) vertraagde, achtergebleven rentebetaling; bet achterstallige.

Arrést, n. mld. lat. (arrestam, n. van \'t lat. ad en restart, biyven) verzekerde bewaring, in-bechlenlsnemlng van personen; beslaglegging op goederen; — arrest of judgment, n. eng. (spr. dzjudzjment) hel stuiten van hel vonnis dooide beklaagden wegens begane gebreken In den vorm; — arresteeren, mld,-lal. (arrestare) of arreteeren, fr, (arrêler) in hechtenis nemen, aanhouden, vastzeilen, beslag leggen op; doen ophouden; — arrestant, m, (beter ware arreslaal) een aangehouden, In hechtenis genomen persoon, gevangene; Jur, hU, die gerech-tciyk beslag wil opgelegd hebben; — arres-taat, m, .lur. hy, tegen vvlen het \'l beslag wordt opgelegd; — arrestatie (spr. Iie=lsie), f. de Inhechtenisneming, aanhouding, beslaglegging; — arrestatorium (sell, mandatum) bevel lol Inhechtenisneming; — arrestatorium, n. openiyke oproeping der schuldolschers (by een concours); — arrêt, n. fr. (spr. arè) een vonnis, oordeel, rechleriyke uitspraak; nok bevel lol gevangenneming; — arrêts d\'amour, pl. (spr. a-ré-da-moer) uitspraken der minnehoven in de middel-ecuwen; — = arrêté, n, ecu besluit, eene beslissing van eene administratieve autorllell.

Arretinische vaten, noemt men do


-ocr page 103-

AH RH A

ARS

89

overal, waar romeinscho nederzettingen geweest zgn, voorkomende pottenbakkerswaren uit meer of minder rood leem met een glanzig, ultersl dun en koraalkleurig vernis.

Arrha, f. lat. {aniui en nrrhubo, gr. arrhu-buti, oorspr. hebr. of pha\'nle. êrdbón, onderpand, van arah, waarborgen, verpanden) handgeld, aan den verkooper gegeven tot zekerheid van eenon koop; rouwkoop; godspenning; alles wat de eene contractant den andoren tot zekerheid van een gestolen verdrag op hand geeft; arrha nuplialis of sponsalitta, uilzei, huweiyksgifl, morgengave; apwnilenluilis, rouwgeld; — pro arrha, Jur. als inleg of voorschot.

Arrhepsie, f. gr. (v. a priv. eu rhépein, uUgen, doorslaan van de balans), hel niet-schom-meien, uiterlUk of InnerlUk evenwicht, toestand van rust.

ArrhcBa, r. gr. (v. « pi iv. en rhein, vloeien) Med. gebrek aan uitvloeiing.

Arrhostëma, n. of arrhostie, f. gr. (van arrhSslcin, krachteloos zyn) Med. de zwak-beld, verslandszwakte, slompzinnigheld.

Arrhythmus, m. gr. (v. a priv. en rhijth-mós, z. rbyibmus) Med. onregelmatigheid, inz. van den pols, ongelijke polsslag; —arrhyth-mie, f. onregeimallge beweging, gebrekkige ge-Hjkmalighcld.

arrideeren, lat. {arridare) aanlachen, toelachen, uitlokken, gunsilg zijn.

arrière, voorz. fr. (van\'t lal. ad en retro, lerug) in samenstellingen: achter, terug, rugwaarts; en arrière (spr. aii—), ten achteren, achterwaarts; achterstallig; — arrière-ban, m. (spr. —haii; verbasterd uit het oud-fr. urban, heriban, oud-hoogd. hariban, hoogd. heerbann) laatste en algemeene oproeping Ier wapening; landstorm; — arrière-garant,in. (spr.—f/a-rdii) borg van eenon borg, achterborg; —ar-rière-garde, r. Mii.de achterhoede; — ar-rière-investituur, f. achlerbeleening; — arrière-main, f. fr. (siir. —mèh) acblerdeel van het paard; — arriére-neveu, achterneef; — arrière-pensée, f. (spr. —paiisé\') gedachten, die men voor zich behoudt, geheime bedoeling; — arrière-positie (spr. t=ts), achterwaarlsche slelling, noodstelling; — ar-rière-saison, n. (spi-, siznii) najaar, na-herfsl.

arriéro, m., pi. arriéros, sp. (ook har-riero, van harre, arre, voort! marsch! een toeroep der voerlieden aan hunne paarden, van bas-klsch-lberlschen oorsprong) mnildlerdryver, lastdierdry ver In Spanje en Z.Amerika.

arrimeeren, fr. [arrimer, v. \'t oud-hoogd. Hm, ry, getal) Mar. schikken, stapelen, sluwen of stouwen; — arrimage, f. (spr. —»na-i.;quot;) hol geiykmalig schikken der scheepslading, opeenstapeling der stukgoederen, stouwing; — arri-meur, m. de slouwer

Arripagïum, n. nw. lat. (van ad en ripa, oever, vgl. arriveer en) havenrecht, n., Iia-ventol, m.

arripeeren, lat. iarriplre) aangrypen; zich ten nulle maken (met de bybeteokenls van on-reebtmatigheid).

arriseeren, fr. (spr. s=j) [arrisen Mar. de ra\'s, de marszeilen laten zakken, laien loopen.

arriveeren, fr. {arriver, eig. aanlanden, van\'t lal. art [z. aid.] en \'t fr. nee = lat. ripa, oever, in \'i lat. ad-ripare) aankomen; gebeuren, voorvallen, zich ioedragen; — arrivement, m. (fr. spr. —md/i) de aankomst, de aanlanding; de gebeurtenis,

arróba, f. (van \'I arah. ar-roeba, eig. een vierdedeel) In Spiinje en Porl. een gewicht van 25 pond of | centenaar, of ongeveer II.S kilo-, ook eene wyn-en oliemaat in Cadlx; en eeuo perz. graanmaat van ongeveer 1500 kilo.

arrogeeren, lal. (arrnqare) zich aanmatigen, zich laatdunkend aanstellen; ook oenen niet onder vaderiyken macbi staanden persoon als kind aannemen; — arrogant, adj. (lal. «/■-rugans) aanmatigend; laatdunkend, trolsch, vermetel, opgeblazen; — arrogantie (spr. I=ls), f. de aanmatiging, iaatdunkendbeid, trotsch-hoid, overmoed; — arrogatie, zie adro-giïl Ie.

arrondeeren, fr. (spr. arohd—, fr. arnm-dir, van rnnd = lat. rolundux, rond) rond maken, afronden; samenhang brengen in bezittingen, lan-deryen, slaten, enz. door er iiü te voegen; Piet. een beeld door schaduw ing, door Juiste plaatsing van licht en bruin doen vooruitkomen, ronden; Log. eenen volzin vloeiend, welluidend maken; de arrondeering of het arrondissement, n. fr. {arondis\'mdii) de ronding, afronding, aanvulling, en/..; het laalste wo. ;\'d betee-kent ook eene onderafdeeiing van een departement in frankrijk, van eene provincie in Kelgle, Nederland, enz., aan welks hoofd een onderprefect staat; in i\'arys en andere groole steden; stadswijk, kwartier.

arroseeren, fr. (spr. s=s) [arroser, eig. bedauwen, van \'1 lat. ros, fr. rosée, dauw) bevochtigen, besproeien, besprenkelen, begieten; scbuldeiscbers mei kleine sommen op afkorting paaien; nabetalingen op actiën doen.

Arrow-root, n. eng. (spr. drroroel), het zetmeel van den Z.amerlk. pljlwortel {Maranla arundinaefa en indïca), hetwelk zeer lijn, voedzaam en licht ie verleren is.

Ars, m. (arah. \'ars, uiteenzetting) In Turkye; bepaling der voorrechten van een ambtenaar, die. in zyn aansteilingsdiploma zyn omschreven; ook: verzoekschrift.

ars, f. (gen. ar lis), lal. kunst; ook handwerk; wetenschap (theorie); ars angelica of spirituum, toovery, magie; ars rlericalis, mld. lat. de gees-teiyke kunst, d. i. schrijfkunst; ars comhinalorïa, leer der combinatiën; ars lonqa, Vila brevis esl, lal. de kunst is lang, bet leven kort; ars mnemó-nfca, geheugenkunsl, mnemoniek; — ar/es, pi. kunsten, wetenschappen; artes liberties, de zoo-gen. vrye kunsten; arffum liberalium magister, meester der vrye kunsten; ~ artïuin magister, meester der kunsten; — artefact, n. (lat. arte factum] een kunstvoortbrengsel, kunstwerk; —


-ocr page 104-

ARTIKEL

A USA

90

arteperïtus, of artis peritus, m. cen In de kunst bodrcvcnc, zaakkundige.

Arsa, door do Kalinukkcn uit 7.uro melk bereide melkwitte brandewyti; vgl. koemiss.

Arsenaal, n. (tr. arsenal, It. arsenate, ar-tanale, arzana, mid. lal. arsena, vei\'baatorlng van het arab. ilar-sinah, huls dor nyverhold, van dar, buis, en sfnaa/,sinrtaA, kunst, nijverheid; vandaar ook het Hal. darséno, bel blnnengedeelto eener zeehaven on op sommige plaatsen bot arsenaal) oen tuighuis, howaarplaats voor allerlei wapens en krijgsvoorraad; hy do Franscben verstaat men er ook de artlllerlc-werkplaatson onder, die dan constructie-ar sen alen boeten; —zee-ar s e n aal, een gebouw, waarin al het verelscblo ter uitrusting eener vloot voorhanden Is.

Arsénik, arsénicum, n. (gr. arsenikm, d. i. cig. manneiyk, wegens zyne kracht of wellicht van arab, sernik, operment) een enkelvoudig metaal van hoogst vergiftigende eigenschappen, dat veel In yzerkles on kopererls wordt gevonden, by 180° Reaumur vervliegt, oenen sterken knof-lookreuk verspreidt en soortoiyk 84, maal /.waarder Is dan water; rollenkruid (elg. een dor geoxy-deerde verbindingen van bet arsenicum). Mot zwavel vermengd (z w avel -arsenic u m) geeft het eeno goudgele slof lol inbyting dor kleuren on bereiding van hel konlngsgeel, operment (verbasterd van het lat. a u ri p Igm ent um), alsook eene donkere, schoone roode zelfslandlgbeid, veelal real g a r genoemd; — arsenikaal, adj. arsénik bevattend, vergiftig-, arsenik-oxyde, n. vllegonsleen, zeer oneigenaardig kohallerts genoemd ; arseniaat, n. arsenlkzuur zout.

Arsis, f. gr. (van airein, hellen) Poot en Muz. de slem-, loonvorhelllng (bet tegengest. vaü t h esls); ook bet ophefren der hand ter aanduiding van liet begin dor maat.

Arsjine, f. (russ. arsjin, m.,v. turksch-ta-laarschen oorsprong), do t usslsche el, verdoold in I(gt; worsjok, (z. aid.) en = 0,7112 meter; 3 arsjlnen doen con sasjon (z. aid.) en 1500 eene werst (z. aid.)

Art., verk. van artikel.

Artabaduf artabe, m. perz. en egypli-sche graanmaat.

Artefact, z. ond. ars.

Artëmis, f. gr. Myth., z. v. a. lat. Diana (z. aid.)

Artemisia, f. gr. Bot. byvoet; ook een vr.naam, z. mausoleum; — ./. absinthium, alsem, van spreekwoordelijke hllterheld; — Artemisia ahrotonum, i. a h r o t o n u m — A. dra-cunculus, dragon; — A. vulgaris, gemeene byvoet.

Artemonieten, n. pl. eene sccte, dus genoemd naar den ketter Arte m o n, wiens stellingen In 198 te Home veroordeeld werden. Zy loochenden Inz. do godheid van Chrlslus.

Arteperïtus, z. ond. ars.

Arterie, gr. [artériu] slagader, polsader; — arteriaka, n. pi. middelen tegen gebreken van de luchtpyp; — arterialiteit en arterio-siteit, f. nw. lat. slagaderiykhoid, rijkdom aan slagaderen; — arteriëel en arteriëus, adj.

slagaderiyk, de slagaderen betroirend; — arte-riëktasis, f. of arteriëurysma, n. gr. Med. slagaderuitzetling, slagadergezwel; — ar-teriochalasis, f. slagaderhreuk, z. v. a. anourysma; — arteriographie, f. de slagaderheschryving; — arteriölae, f. pl. nw. lat. de kleinste slagaderen; — arteriologïe, f. gr. de slagaderleer; — arteriopalmus, m. het sterke kloppen der slagaderen; — arterior-rhöxis, ook arteriodialysis, f. de slag-adorscheurlng; — arteriotomie, f. kunstmatige slagaderopening; — arteritis of arteri-itis, f. de slagaderonlstoklng.

artes, enz., z. ond. ars.

Artesische putten (fr. puits artésiens, dus gebeeten naar liet graafschap Arlols In Frankrijk, alwaar zy sedert hol begin der vorige eeuw vooral gehoord worden, ofschoon zy roods vroeger in Ooslenryk en Opper-ltallft, quot;en waar-scbyniyk nog vroeger In China in gebruik waren) gehoorde welputten, die het water uit eene diepliggende waterader opbrengen.

Arthralgie, f. gr. (van drthron, lid, gewricht) do gewTichlspün; — arthrembóla of arthrembölus, m. Chlr. een werktuig ter horzoltlng van ontwrichte ledematen; — ar-thrembolêsis, f. Chlr. bet zetlon van ontwrichte leden; — arthritis, f. de Jicht In het algemeen; — arthritisch, ad), jichtig, de Jicht helrelTendo; — arthrocarcinöma, n. de gewrichtskanker; — arthrocele, f. het gewrichtsgezwel; — arthrodynie, f. de ge-wrichtspyn; — arthrokakie of arthro-cace, f. de winddoorn, eene gewrichtsziekte; — arthrokakologie, f. Med. de ontwrich-tlngsleer; — arthróncus, m. harde gewrlchts-zwolllng, styflieid; - arthropathie, f. ge-wrichlsiyden; — arthrophlogosis, f. ontsteking van de gewrlchlsvliezen; — arthro-phyma, n. week gewrichtsgezwel; — ar-throphyösis, f. eene zweer aan of In het gewricht, gcwrlchtsetterlng; — arthroplas-tiek, f. gr. lid- of gewrichlsvorming, inz. de kunstmatige langs chlrurglschen weg; — arthrosis, f. de hewoogiyke beenverbinding, ge-wrichlsvereeniglng; — arthrospóngüs, m. sponsgezwol der gewrichten.

Arthur, nok Artus, mansnaam, Inz. van don oud-engelschen koning (Ode eeuw), stichter van de veolhezongen Ronde tafel (table ronde) en gemaal van Ginevra.

articulus, articuleeren, articolata-mente, z. artikel.

Artifex, m. lal. (van an, z. aid., en facSre, maken) de kunstenaar; — artifleïum, n. een kunststuk; eeno kunstgroep; — artiflciëel (fr. artificiel, lat. artificialis, e) kunstig, kunstmatig, nagemaakt; — artiflciëus, adj. (lat. artificio-sus, a, um, fr. arli/icieux) kunstryk, kunstmatig; ook listig, sluw.

Artikel, n. lal. articulus m., pl. articuli, m. het lid, stuk, de afdeeling, b. v. van eene redevoering, wel, geschrift, van ecu dagblad (cen hoofd- of loading-ar tik el, z. aid.), enz..


-ocr page 105-

ARTILLERIE

91

AS

liooMstcllliiK, liodfdimnl; oeno liopaaldc soort van waron; Gram. liet lidwoord, goslachtswoord (d o, het); In de Roloofsloer: de \'i urtlketcn, de drie hoofdstellingen des geloofs; artikelbrieven, alle verordeningen, welke op do krijgstucht, politie en den ganschon zeedienst op oorlogsvloten lietrek-klng hebben; ook: de statuten en privilegiën van congttile-, articulus additionnlis, lat. een bijgevoegd artikel; a. caplidsus, gevaarlijk, bedenkelijk of nadecllg artikel; «. cnnseculivus, een gevolgtrekking; o. defensionatis, oen verdedigingspunt ; «. elusïvus, een ontwijkend artikel; a, fidH fundamenlalis, een geloofsartikel, hoofdpunt van H geloof; (i. Ulalivwi, gevolgtrekking; a. imper-iïncni:, eene niet geldige stelling; a. irrelïVans, een onbeduidend punt; a. spurfus, eene onechte, ondergeschoven stelling of plaats; — articüli de-monslratiales, m. pi. geluigendo stukken, certificaten; a. inquisitionïïles, punten, waarover de reclitor den gedaagde of beschuldigde ondervraagt; a. prohaloriales, bewijsstukken; a. re-pfobalorifiles, tegenbewUsstukken; — articu-lair, adj. tot het gewriebt heboorende, het gewricht hotrettende; — arliculutim, stuksgewijze, stuk voor stuk; — articuleeren (lat. articu-hm) Anat, (beenderen) samenvoegen; Gram. woorden en lettergrepen duidelijk en bepaald uil-spreken ; ook ; Iels punt voor punt voordragen; — gearticuleerd, adj. geleed; duidelijk uitgesproken;— gearticuleerde lonen, tonen, die door de spraakwerktuigen voortgebracht en ais het ware gele e d zijn; — articulamént, n. nw. lat. bet gewriebt; — articulatie (spr. tie=lsie), f. de geleding, gewrichtsverhinding; do duidelijke en bepaalde uitspraak der woorden en hunne deelen liij hot lezen; Plet. de juiste uitdrukking van allo deelen In eene schilderij; — arti-colataménte, articolato, itai. duidelijk bjj het uitspreken.

Artillerie, f. fr. (van \'1 mid. lat. ars, ar-lellana, arlillarfa, arlillena, f. machine, krijgswerktuig-, fr. artükr, een sclilp met geschut voorzien, eene plaats wapenen, bevestigen) oorspr. alle krijgstuig, thans Inz. het zwaar of grof geschut en al hot daartoe behoorende; de geschutkunde, de vuurwerkkunst; artillerie de ligne, het lichte geschut der linie; artillerie de position, zwaar geschut voor belegeringen, enz.; artillerie volante (spr. wolahV), rijdende (elg. vliegende) artillerie; — artillerie-park, de geschut-plaats, de bewaarplaats voor hol zwaar geschut; ook het daar bewaarde geschut zelf; — artille-rie-trein, gevolg van zwaar geschut met het daartoe behoorende; — artillerist, m. een ge-schulsoldaat; — artillerie-vuur, losbranding van kanonnen.

Artilücco, m. eene kleine zilvermunt to Uagusa, de oude (a. vecchio)=8 grossettl of i\'i cents, de nieuwe (a. n u o v o) = 3 grossettl of ongeveer ft cents.

Artisan, m. fr. (spr. —zdii), van art = lat. ars, z, aid,) een handwerksman; — artist, in. (fr. artiste) een kunstenaar, kunstoefenaar; b|j de Franschen staal bel vaak vóór den naam van liet bedrijf, evenals bij ons het woord meester; ar-lisle vétérinaire, veearts; —artistisch, adj. tot ile kunst behoorend, kunstmatig.

Artisjók, f. (11. articiocco, fr. artichaut, van \'t arab. ar\'di-schaukl, d. I. aarddoorn) een distelachtig, gezond moesgewas mei zeer vieezige, schubvormig gegroeide krop, waarvan de vrucht-bodem en kelkbladeron gekookt gegoten worden {Cynara scolymus)-, ook een voorheen gebruikelijk krijgsgereedschap, bestaande uit oen veelpun-tlg ijzer, dat Inz. dienen moest om de vijandelijke ruiterij In hunne vervolging Ie belemmeren, artist, artistisch, ■/.. end. a r 11 s a n. artfum libcraKum magister, z. ars. Artokarpen, m. pl. gr. (van driés, brood, en karpós, vruclit) hroodvruchlhoonion, brood-boomachtlge gewassen; - artolatne, f. do brooddienst, dienst om brood; ook de aanbidding des broods (der hostie); — artolatrist, m. de broodaanbidder; — artolithen, m. pl. bfood-steenen, steenen, die er als brood uitzien; — ar-tophon\'um, n. brooddrager, de doos tor bewaring van hot gewijde avondmaalsbrood voor zieken, la de grieksche Kerk, vgl. p y x I s; — artotyrieten, m. pi. (van tyrós, kaas) christenen In do 2de eeuw, die kaas bi) het avondmaalsbrood gebruikten en vrouwen tot de priesterschap toelieten.

artuatim, lat. lids- of stuksgewijze; — artueeren, lat. lldsgewijs losmaken, verbrokkelen.

arias, z. arclus.

Arum, z. ar on.

arundeliaansch marmer, een groot stuk marmer, In het begin der nde eeuw op Paros door den graaf van Arundel gevonden, waarop een goed gedeelte dor geschiedenis van Athene is gegrift, en dat ten grondslag verstrekt heeft tol eeae vaste tijdrekening voor de grieksche geschiedenis. Hel heet ook m arm er van Paros, ook van Ox ford, omdat de kleinzoon van Arundel het aan de bibliotheek te Oxford beeft geschonken.

Arundel-maatschappij (ArmM-so-ciely for promoting the knowledge of art), genootschap van engeische kunstvrienden.

Arundinacëen, f. pi. {arundinacëae, van arundo, riet) rietgewassen; verstoeningen van verscheiden rietsoorten; — arundineus, adj. (lat. arundinosus, a, urn) vol riel, met riet bewassen.

Aruspices, z. h a r u s p 1 c e s. Arvalen, pl. lat. {fratres arvSles, v. arvum, veld) veldbroeders, eene priesterschap In het oude Home, wier dienst betrekking had op de vruchtbaarheid der velden.

aryteenoïdë isch, adj. gr. (arytainoeidës, van arytaina, vaatwerk om te putten of scheppen) bekervormig, b. v. Anat. arytaMioïdeïsche k raa kheen dere n (lat. cartilagines arytmoi-deae) de bekervormige kraakbeenderen van hel strottenhoofd.

Arythmus, liever a r r li y l h m u s, z. aid. As, m. lal. (genit, assis) eene oud rem. koper-


-ocr page 106-

ASKAR

A SAB

92

munt, (llo aan do eeno zijde een .lanushoofd on aun de aiulüi\'d con scliecpsslovon vertoonde; het oud rom. pond, houdende \\i unci»!; — ex asse, i\'i!,\'. tot op oen as, d, 1. geheel en al, tot op oen cent, Inz. van erfenissen, vgl. a a s.

Asab, m, turk. (naar een zekeren A sal) door Murad II benoemd) ongeregelde turkscho soldaten, dlo togen vrydom van belasting te veld trokken; ook de manschap der vloot en des arsc-aaals (sedert do tsdo eeuw).

a sacris, lat. dor helllfje zaken.

Asa fcetïda, f. uw. lat. I\'harni. duivelsdrek, het harsige, zeer heilzame sap uit don wortel eener perzlscho plunl (Ferule asa fcelidu)-, — Asa dukis, zoete of welriekende asant, z. v. a. benzoë.

a s«/ro, z. onder salvus.

Asaph, m. muziekmeester uit het geslacht der Levieten, die, naar men zegt, onder koning David het godsdienstig gezang in den tabernakel leidde, terwijl zyne i zonen hoofden van i zang-klassen geweest zouden zyn. Of de aan Asaph toegeschreven psalmen (50, 7;i—S3) van leden dei-van Asaph afstammende familie afkomstig zyn, Is meer dan twyfeiachtlg.

Asaphie, f. gr. (van a-saplus, onduidelgk) de onduldeiyke uitspraak, zwakke, dolfe, lieescho stem of spraak.

Asar, cene gouden munt te Ormus in de golf van PerziB = « gl. quot;0 ct.

Aaarïne, f. een alkaloïde van het europee-sche mansoor [Astirum eurojiaeum).

Asarkie, f. gr. (van u priv. en sora, sarkós, vleesch) de vleezeloosheid, magerheid.

Asbest, z. ainlaut.

Asbolmo, f. v. \'I gr. asbölê, dsbolos, roet) een geel, olieachtig, in water oplosbaar hostand-deel van het roet.

Ascariden, z. askar ld en.

Asceet, etc., z. askeet.

ascendeeren, lat. lascendire of ndscen-ilere, van scandüre, stygen) opklimmen, opsiy-gen; bevorderd worden; - ascendant, n. fr. (spr. assahddn) overwicht, Invloed, gezag, aanzienascéndent, m., pi. ascendénten, verwanten In opklimmende lijn, ouders, groot-ouders, enz. in tegenoverstelling van des eenden ten; — ascendéntie (spr. /=/.«), f. nw. lat. de opklimmende iyn van bloedverwantschap, de verwantschap; — ascenseur, m. fr. (spr. asaiiseur), ook; ascensoir, n. fr. (spr. asan-snar) toestel om menschon naar boven te hyschcn, ten einde het trappen klinimen te vennyden (in hotels, enz.), stygmachtne f.; — ascénsie, f. de opstyglng,opvaart; Astron. rechte of schuinse he a seen si e van ecne ster, de graad of het punt des evenaars, dat zich te geiykertyd met die ster in de rechte of schiilnsebe sfeer bevindt; voorts: de hemelvaart van Christus; ook liet feest daarvan; do Hemelvaartsdag; — ascensio-naaldilferéntie, f. Astron. het klimmings-verschil; — asconsionist, m. opstyger (b. v. aan het koord).

Ascii of Askü, m. pi. (gr. eig. dskioi, van skid, schaduw) Geogr. onscbaduwlgen, schaduw-loozen, de bewoners der heete luchtstreek, dio geen schaduw werpen, als de zon recht boven ben staat.

Ascites of Askites, m. gr. (van askös, een zak) Med. buikwaterzucht; — ascitisch, adj. walerzuchtlg.

Asebie, f. gr. (asébeia) goddeloosheid.

a secrêlis, lat. de gehelmschrUver van eenen vorst.

Asëga-boek, n. (van \'I oud frlesch asifaa, d. i. een door de voiksgemeente aangestelde rechter) oud frlesch rechtsboek der Rustringers, een der friesche landrechten uit de 13de eeuw.

Aseïteit, f. (mld. lat. aseïlas) zelfstandigheid, eene scholastieke uitdrukking om do volstrekte onafhankeiykheld van God aan te dulden; God Is n. I. niet van andoren {uh aliis), maar alleen van zich zeiven (« se) afhankeiyk, en juist daarom ten volle onafhankeiyk, zelfstandig.

Aselënisch, gr. (v. u priv. en selSnë, maan) zonder maan b. v. aselontscho nacht.

Aselgïe, f. gr. uitspatting, wellust.

Asêma, (van \'tgr. dsèmos, on, viin a priv. en séma, teeken) de plotselinge beslissing eener ziekte zonder voorafgaande teekenen; - asë-misch, adj. teekenloos, zonder kenteeken, on-duidelUk; ontydig, ongewoon.

Asen, in. pi., sing As, Ase, (oudn. d.i, pi. iisir: gotii. en oudhoogd. ans) noordscho Myth, het nieuwe godengeslacht, uit 13 goden en 18 godiiinen bestaande, afstammende van Odin; — asgard, hunne woonplaats.

d se perdre, fr. of asperdo, Hal. biljartspel; een spel waarby men moet verloopen.

asêptisch, adj. gr. (van a priv. en sïpein, verrotten) niet verrottend, niet tot bederf overgaande ; — aseptine, f. middel om het zuur-worden der melk te verhinderen (uit hoorzuur bestaande).

Asoxuaal, adj. nw. lat. (asexualis, van a priv. en lat. seams, geslacht) geslachtloos, zonder geslacht.

Asigmatiseh, gram. geen s i g m a (z. aid.) aannemende.

nsfnus, m. lat. de ezel; asïnu.s- ad lyram, lat. (ergens toe geschikt zyn als) do ezel tot het bespelen der lier; — asinus asinum frical, sprw. de eene ezel jeukt den anderen (van twee personen die elkander overdreven lof toezwaaien); — asinarisch en asinïniscb, adj. (lat. asinarïus, asmïnus, a, urn) tot den ezel behoo-rende, den ezel eigen; afkeerwekkend; — asi-niteit of asinerie,f. ezolachtlgheld, domheid.

Asitïe (spr. l=ls), f. gr. (asitia, van a priv. en sitos, spUs) het nlet-eten, vasten; onthouding van voedsel, gebrek aan eetlust.

a six parlies, fr. (spr. si-parti), muziekstuk voor zes stemmen; a six temps, fr. (spr. fa»), in | maat.

Asjani, z. asslani.

Askar of Askur, m. oudnoordsch (askr., elg. eseh) Myth, de eerstgescbapen mensch, dien


-ocr page 107-

ASKARIDEN

ASPHALT

93

Odin uil eun drUvunil stuk hout voortliruclil.

Askariden, r. pi. H. N. aars- of emlel-dnrmworaien, spoolwormen.

Askësis (ir askëse, f. gr. (van askëin, oefenen) oefening, streng vrome levenswyzo, gepaard mei vasten en ontliondlng van alle we-reldsch genot; de zoodanig levenden noemde men in de eerste chr. kerk askëteu of asceten, streng vrome menschon, dengdbeoefc-naars; — asketiok of asketïka, asce-tika, f. de oefening dor godzaligheid, de leer lt;ler deugdbeoefening of strenge vroomhoid; — asketïcus of ascetïcus, m. eon scliryver van slicliteHike werken; — askëtisch of ascetisch, adj. strengvroom, sllchteiük, tot een zedelijk goed gedrag opwekkende, I), v. a s-ketische schriften, sticliletyke schriften; — ascetisme, n. de denk- en leefwijze dor asceten.

Asklepiade, z. oud. yE s c u I a p i u s.

asklepiadisch vers, eeno voetmaat, dus genoemd naar den dichter Asklopiades; zij hegint mot oenen Irocha\'iis of spondeus en sluit mot eenen Jambus, en bestaat óf uit twee (het kleine), uf uit drie chorlamhen het groote as-klepladlsche vers). Het kleine askl. vers iieeft

alzoo deze gedaante: —— |--— |{--

—— | ——; asklepiadische strophe, f. eeno door verbinding van gezegd vers met andore verssoorten gevormde strophe, inz. uit •2 asklepiadische, oen pherokratisch (z. aid.) on quot; quot;• een glykonisch (v.. aid.) vors.

Asklepie, f. (nw. lal. a-sclepias) Bot. zwa-luwwortet, een lalrijk plantengeslaclit, waartoe de syrische z y d e p I a n t en de slinkende gouwe behooren; — asklepion, n. het uit hel melksap der Syrische züdeplant verkregen krislalllsecrbare bars.

Asklepios, z. ond. ^sculapius.

Asmödi, chatd. (eig. aschmodal, fr. Asmodée, d. i. verwoester) een booze geest, demon des satans, die volgens het boek Tobias de 7 mannen van Sara doodde; vandaar, iron, een huweiyksdulvcl, verstoorder der ecbtoiyke eendracht.

asödisch, gr. (asödes, van use, oververzadiging, walging) niet walging, benauwdheid en groote onrust verbonden; — asödes (sell. febris) of asodïsche-koortsen, braakkoortsen, met walging en benauwdheid verbonden.

Asoka, m. een lioom van bullengemeene bloemenpracht (Jonesia Asoka), die by Indische dichters eeno groote rol speell en volgens de sage by aanraking door een meijesvoet bloeit, i« Asomaton, n. gr. (van a prlv. on soma,

lichaam) een onlichainelUk wezen, geest; — asomatisch, adj. oidicbameiyk.

d son aise, z. ai se; a son yout i. notil.

Ascot, m. gr. (asolns, d. 1. eig. onrodbaar, van u prlv. en södzein, redden) een sleinper, brasser; ullspallend menscb; — asotïe, f. hras-•sery, zwelgerU, uitspatting, ongeregeld loven; — asótisch, adj, zwelgend, licderiyk, buitensporig.

Asophie, f. gr. (a-sophia) onwyshoid, dwaasheid.

Asor, ui. muzlokinsirumonl der Hebreeen, langwerpig vierkant, met IA snaren, up de na-bla geiykende.

Asorath, m. Mabomedaanscli godsdlensllg bock, de uitlegging dor godsdienstleer door de Khullfen, enz. behelzende.

Aspalath, m. gr. {aspatalhos, rozenhoul), eeno plantensoort, waartoe de amerlkaansche ebbeboom behoort, welks bout, dat naar aloe riekt lot Inlegwerk gebruikt wordt.

Asparagine, f. gr. (van asimrUgos, asperge) de asperge-stof, hel alkaloïde der asperge; — asparalogith, m aspergesleen, scheipige apallet (z. aid.)

Aspasïa, gr. (spr. s=t) vr.naam: de aangename, welkome, vriendeiyke; ook eene door schoonheid, aanminnigheid en verstandsbeschaving ultstokonde vrouw (naar de athoensche A spa sla, de vriendin en later de gade van P e r ï c I e s.

Aspect, lal. (udspéclus, van adspieüre, aanschouwen) aanblik, voorkomen, uilziilil; vuor-leeken -, pi. aspecten, Astron. de verschillende standen der planeten met opzicht tot elkander; de astrologist tiesiuit uil die asp eet en tot het toekomstig geluk of ongeluk der menschen.

Asper, m. van hot nieuw gr. aspros, wit de kleinste turksche zilvermunl, nu nauwetyks I cent waardig; in Turkye wordt zy alsjeh ol liever aktsjeU genoemd (v. b. turkschof/^c/i, wil).

uspev, asplra, asplrum, lat. ruw, hard, scherp, enz.; nee aspüra lerrenl, ook wederwaardigheden schrikken niet af (leus der oude VV elfen, nog heden in \'I hannoversche wapen); — per aspüra ad aslra, (ioor wederwaardigheden (stygt men) tol de sterren, door lyden lot verbtydon, door leed lot heeriykheid; z. ook onder spiritus; — asperifoliën, f. pi. ruwigt;laderlge

planten; ..... asperiteit, f. (lal. asperttas)

ruwheid, hardheid, scberple; — asperügo, f. Bol. bel kleefkruid, eene plant niet stekelige bladeren.

aspergeeren, lal. (aspcrgHreot adsperglre) besproeien, bevochiigen; — aspergillum of aspersorïum, uw. Int. de wykwast; — aspérsie, f. lal. {aspersto) de besprenglng mei wywater.

Asperifoliën, asperiteit, z. ond. as-per (ie art.).

Aspermasie, f. gr. (van a prlv. en spérma, zaad) Med. zaadgebrek; - aspermatisme, n. gebrekkige uitworping van hel mannetyke zaad; — aspérmisch of aspermatisch, adj. zonder zaad.

asperneeren, lat. (aspernSri) verachten, versmaden, verwerpen.

Aspersie, apersorium, z. onder as-per g e e r e n.

Asperügo, z. ond. asper (ie art.)

Asperula {odorala L.), f. Bot. balmeester.

Asphalt, n. gr. (dsphaltos), aardpek, aardof berghars; steenhars JodenlUm vanJudea; —


-ocr page 108-

ASPHODELUS

94

ASSEREEREN

asphalteen, n. de hoofditmssa van het asphalt, iloor bcliandolltiK mol alcohol, dan mot iiithor on verdainplng dor ajtliorlscho oplossing vorkreuon; — asphalteeren, mot eon mengsel van asphalt en kalk bedekken (daken, vloeren, enz.).

Asphódëlus, m. gr. (elg. do stille plant, In tegonst. met sphódros, sphedams, hevig, het-tlg, stormachtig) eene lelleachtlge plant, (Inz. A sph ode lus Intens, gele alTodll, wier wortelknollen een schraal voedingsmiddel en door de oude grloken, als \'t ware tot voedsel, by de dooden op \'tgraf geplant werden. In Homerus onderwereld wandelen en droomen rocs-ten van helden op eono alTodllweide. Verg. a (to d 11.

asphyktisch, adj. gr. (d-shyklos, van a prlv. en sphydzein, vgl. sphygmlsch) van den polsslag beroofd, onmachtig, schijndood; — asphyxie, f. gr. hoogste graad van onmacht, polsstilstand, sohUndood; — asphyxieeren, onmachtig of schyndood maken, worden ot z(ln.

Aspic, m. fr. (spr. aipiek) Mii. een stuk geschut, twaaifponder; ook eene gelei-spys, koude vleesch- of vlschspyzen met ei\'iic geleiachtige saus.

Aspidïum, z. pol y p o d I u m.

aspireeren, (lat. aspirare of adspiriire) eig. aanademen; Gram. met aanadoming uitspreken, eene h doen hooren, verscherpt uitspreken ; naar iets streven, dingen; — aspi-rata, f. (sell. lUlercB, pl. aspiratee, Gram. aangeademde letters, sierke medeklinkers met opvolgende scherpe ademing verbonden; — aspiratie (spr. l=ls), f. (lat. aspiralio) Gram. de gescherpte uitspraak eener letter, hel uil-dryven des adems vóór klinkletters; ook de zielsverhelllng, hel verlangen naar (lod — aspirant, m. (lal. aspirans) een aanzoeker, dinger, b. v. naar eenen post, oenen graad, enz.; een in \'l geheel niet of gering bezoldigde ambtenaar, die op eene vaste plaats wacht; — as-pirante, f. aanzoekster; In kloosters; novice, die op liet aantrekken van haar kloostergewaad wacht; — aspirator, m. een vat, waarin door afvloeiing van water luchtledigheid vcr-oorzaakt en daardoor verscho lucht opgezogen wordt.

Aspis, f. N. H. eene kleine zeer vergiftige slang, wier beet ongeneesiyk is.

Asport, n. fr. (spr. —pór) de roof, schaking ; — asporteeren, wegvoeren, roovon.

Asprino, m. een goede itai. wgn.

ass., Muz. afkorting voor assai.

Assa foetida, z. asa.

Assagai, ook h assa ga ai en sa gaal, m. eene lange dunne werpspies der Javanen en Maieiers.

assdi, itai. (= fr. ussez, van \'t lat. mlsalis) Muz. genoeg, genoegzaam; het woord dient vaak toi versterking van het volgende; assaï allegro, vry vlug; — assai voce (spr. woolsje), alleen met de stem, zonder accom-pagncmont met het instrument.

Assaisonnemeut, n. fr. (spr. assézom\' mail, v. assaisontier, krulden) de toeherelding, kruiding, saus, enz. van spyzen.

Assdki, liever chasseki, z. aid. Assarium, n. eene rom. zilver- en kopermunt.

Assassijn, m. (fr assassin, itai. assassinn), pl. assassijnen, sluipmoordenaars; oorspr. de naam eener In de 11de eeuw geslichte en door hare wreedheden beruchte arahische secte (arab. hnsjisjin, van hasjisj, eene hennepsoort, uit welke een geestryke drank bereid werd, met welken zy zicli een roes dronken en alsdan, op bevel van hun opperhoofd, den Oude of lieer van den Berg, eiken moord begingen; — as-sassineeren, moorden, met voorhedachten rade dooden, verraderlijk ombrengen •, — as-sassinïum, mld. lat ook assassinaat, n. de sluipmoord;—assassinator, m. Jur. de huurder of hetaler van eenen sluipmoord.

Assatie (spr. t—ls), f. nw. lat. (v. het lat. assure, braden) bet koken der voedsels en geneesmiddelen in hunne eigen sappen, zonder hyvoeging van eenig ander vecht.

Assaut, n. fr. (spr. assó-, oudfr. assault, assail, van \'I lat. ad-saltm d. 1. eig. aansprong) de bestorming, berenning; de aanval by den stryd, by bei tweegevecht; ook eene soort van schermoefoning.

assa voce, z. ond. vox.

assecteeren, lat. {usseclure] aanhangen, volgen, vergezellen; — assoctator, in. een aanhanger, volgeling.

assecureeren, mld. lat. (assecurUre, van \'t lat. ad en sccurus, zeker) verzekeren, borg btyven voor gevaar, z. assure eren; — as-securantie (spr. t=ls), f. de verzekering, borgbiyving, vry waring tegen schade; z. verder onder assureeron.

Assecutie, z. ond. assequeeren. Assef, m. naam der perz. stadhouders, beneden de K h a n s staande.

Assemblee, t. fr. (spr. nssaiibté\': van assembier, mid. lat. assimularc, verzamelen, dat men, evenals ensemble van in si mul, op het lal. simul, ad-simulare terugvoeren kan, doch zich onder den invloed van ons zamelen schijnt gevormd te hebben) eene hyeenkomst ter beraadslaging; een talryk, aanzieniyk gezelschap tot uitspanning, een pniaigezeischap; a. dansante (spr. dansant), dansparty; a. nationale (spr. nationaal), nationale vergadering; — as-sembleeren, vergaderen.

assenteeren, (lat. assentïri) by val schenken, toestemmen, Inwilligen, toestaan; — as-sénsie, f. (lat. assensin) ook assént, n. (lat. assénsus) de toestemming, byval.

assequeeren, lat. {assüqui) bekomen, erlangen; bereiken; inhalen; — assecütie (spr. lt;=lt;s), f. nw. lat. de verwerving, bereiking.

assereeren, lat. {asserSre, elg. iets tol zich nemen, zich aanmatigen) heweren; —as-sértie (spr. t=ts), t. (iat. assertfo) do bewering, het beweerde; — assertórisch, adj. nw. lat. (assertori us, a, urn) bewerend, verze-


-ocr page 109-

ASSERMENTEKRRN

ASSONKERKX

05

kerend (hel houdt het midden tusschen pro-hlomntisch en apodletlsch); — ussertn-num, i. juramentum.

assermenteeren, fr. {assermenler, van sermenl, eed, en dit van \'t lat. sacramentum) den eed afnemen, beeedlgen.

asserveeren, lat. (osseruSre, bewaren;— asservatie (spr. I—Is), f. de bewaring; — asservatum, n. liet bewaarde.

asséssor, m. lal. (van assidère, bijzitten) byzltter, de persoon, die eenen voorzitter, eenen rechter, als naaste helper is toegevoegd; — assessoraat n., otassessuur, f. bet ambt vim zulk eenen bijzitter.

assevereeren, lat. {asseverïïre, v. slve-rus, ernstig) plechtig verzekeren, bezweren; — asseveratie (spr. /=/«), f. de verzekering, bezwering.

assez, tr. (spr, assé, van \'t lal. ad-satü, of wol van \'t celtisch assez, asse, verzadigd) genoeg.

asaibiloeren, lat. {assibilare, bij iets sissen, vgl. slbilus, enz.) Gram. met eenen sisklank begeleiden of verbinden; — assibilatie (spr. l=ls), f. uw. lat. aansisslng, verbinding met eenen sisklank.

assidü, fr. (lal. nssi(/««.v, van «ssii/cre, gezeten zyn, zich houden bü, enz.) aanhoudend vlijllg, volhardend, onafgebroken; — assidui-tiet, f, lat. (assiViuftas) aanhoudende viyt, volharding, onvermoeidheid.

Assiénto, m. sp, {assiento, asienlo) verdrag, bel verdrag der siavenlevering naar Amerika van d(( spaanscbe regeering met eene vreemde natie, waardoor /.y deze den alleenhandel met afri-kaansche negerslaven naar nmerlk. koloniën vergunde ; — assiénto-compagnie, f. maat-schappy tot slavenhandel; — assiénto-trac-taat, n. bet verdrag in 1713 tusschen Spanje en Kngeland gesloten, waarby Eng. het uiisiui-tend recht kreeg om gedurende 30 jaren Negers uit Afrika naar de spaanscbe Z.amerlk. koloniën te voeren, en dal in 1750 werd opgeheven; — assientist, in. medelid dier maat-schappy.

Assiétte, f, fr. (provenc. assieta, vaststelling der opbrengsten, assclar en assetjar, zetten, nederzetten; 11. assellare. Inrichten, in orde brengen, nederzetten, v. b. goth. saljan, zetten) de sland, stelling, houding, vastheid hy bet ryden; lig. de gemoedsstemming, rustigheid; vandaar; in zyn assieite biyven, zyne bedaardheid, kalmte, enz. behouden; — ook; een tafelbord, assieite volante, tr. (spr. —woldnt\') elg. vliegend tafelbord, een hyscbotel, rondgaand bord; tocspys,

assigneeren, lat. (assignare, vgl. signum, signeeren) eene sclirlfieiyko aanwyzing op betaling geven; aanwyzen; — assignant of assignator, nw. lal. m. die eene aanwyzing doel, de aanwijzer, trekker; — assignata-rïus, in. nw. lal. de ontvanger eener aanwyzing tot Invordering hy eenen derde; — assignaat, m. degene, op wien ile aanwyzing Is gesteld, de belrokkene; — assignaten, n. pi. staatspapier tydens de fr. omwenteling, waarvan de betaling was aangewezen op den verkoop of de opbrengst van de nationale goederen; — assignatie (spr. l=(s), f. (lal. assignaCfo) eene aaawyzing of overdracht om Iets te betalen, een aanwyz.ingsbrief.

assimileeren, lat. {assimilSre, beter as-simulBre, van simt/is, e, g(dyk, overeenkomstig), gelijkmaken, vereenzelvigen; in voedingsstof veranderen; — assimiliitie (spr. l—ts), f. de vereenzelviging, de geiykvormigmaking; de verandering der spyzen in de stollen van het dieriyke lichaam, dat ze opgenomen beeft; Gram. de verandering van eenen medeklinker in den daarop volgenden, ter wille van de welluidendheid en het gemak, b. v. offendo voor ob-f e n d o.

Assizen, f. pi. (fr. les assises, van assis, gezeten) elg. zittingen; rechtszittingen op vastgestelde tyden, waarin over lytstraifeiyke zaken word gevonnisd; — cour d\'assises, (spr. koer dassiét\'), bof van lyfstraiTelyke rechlszitting.

assisteeren, lal. (assislamp;e) bilslaan, helpen, ondersteunen; — assistént, in. (lat. as-sistens) helper; ondersteuner; - assistance, f. fr. (spr. mi-sldns\'), ook assisténtie (spr. t=ls), nw. lat., bystand, hulp, hulpbetoon, ondersteuning.

Asslani, of verbasterd, asjani, m. turk. (voluit goeroesj aslani of g. aslani, d. i. lecu-wenplaster, v. goeroesj, piaster, en aslan, do leeuw) leeuwendaalder, eene in Nederland voor Turkye geslagen munt v. ko lot 120 as pers in waarde (vgl. nsper).

associëeren, lal. (associüre; van socirn, z. aid.) zich vereenigen, verbinden b. v, tot ge-meenscbappeiyken handel; Iemand als deelhebber in eene zaak opnemen; — associatie (spr. l—ls), f. nw. lat. do verbinding, voreeni-ging van velen lot een of ander doel, inz. tot handelszaken; a s s o c I a 11 e d e r i d e e ë n (nw. lal. associatlo idearum) de verbinding, aaneenschakeling, samenvoeging der begrippen, voorstellingen, waardoor /.y elkander onwillekeurig verwekken en op elkander werken; — associé, m. fr, genoot, deelhebber, handelsgenoot, medehandelaar, vennoot; associé en commandite, fr, (spr, aii kommaiidiet\') de stille, geheime medehandelaar, die geld tot eene zaak verschaft, zonder overigens werkzaam aandeel te nemen.

assoleeren, fr. {assoler, v. sole, akker-afdeellng, slag, v. \'1 lat. solum, grond, bodem) bouwland in verschillende kampen of slagen verdeden, om er de afwisselende bebouwing [assolement) op toe te passen.

Assomption, tr., z. end. assumeeren.

assoneeren, lat, {assoniïre, van sonus, klank, geluld) eig, aanklinken; geiyk luiden;— assonantie (spr, I—Is), f. nw. lat. Poet. balfrym; onvolkomen rym, b. v, van spits en visch; eene geiykheld van klinkletters, geiyk do allitteratie (z. aid.) van medeklinkers Is, b, v. hy veroordeelt dat voorbeeld. (Zy Is Inzonderheid aan de sp, en port. poëzie


-ocr page 110-

ASSORTEEREN {16 ASTR/EA

clRcn); Muz. golUklield der loonflguren in cpne muzikale gedachte.

assorteeren, fr. {assortir, van sorle, ■/.. aid.) een geheel naar soorten dooimalig indee-len, uitzoeken, schikken (sorteeren); zich assorteeren, of •/,Un winkel ass—, zich met waren volledig voorzien; een wel geassorteerde winkel, zulk een, die met ai de tol eenen handelstak hohoorende voorwerpen is voorzien; — assorteering, f. hei hljeenvoe-gen der voorwerpen van dezelfde soort, hel sorteer e nassortimént, n. (spr. —mail\') een warenvoorraad, eene voorraadplaats; ook al hel lol iels hehoorende, een toestel van hU elkander passende dingen, h. v. een assortiment van pnarloii, diamanten, z. ook sorll-ment.

assoupiëeren (spr. im=oe) fr. {assnupir, van \'I lat. ml en soplre doen Inslapen) slaperig maken; verdooven; stillen, gerusislellen, sussen; — assoupissement, n, (spr. assoepis\'maii) sluimering, verdooving, zorgeloosheid.

assoupleeren (spr. nu=oe) fr. (asmiplir, van souple, z. aid.) hulgzaam, lenig maken.

assourdeeren, assourdisseeren (spr. nu—oe) verdooven, doof maken; Piet. hei licht In de kleine linlen verminderen, doen Ineensmelten, een zaehteren toon geven.

assumeeren, Int. {nsmmlre, van sumtrc, nemen) liijnemen, aannemen, aan-, opvatten, h. v. eene gedachte; Jur. de hoofdgevolglrekklngder party vóór de wederlegging herhalen; — as-sümtie (S|ir. I=ls), f. (lat. as.iumffo) de aan-, opneming; de hUsiellIng van eene sluitrede; de opneming eener /.iel in den hemel, de sterfdag \\iin een heilige; Inz. assumtm bcalue (Mariae) firqinis, lal., of assomption, fr. f. (spr. asoiipsinh), of assunta, f. li. (spr. auólnla), Maria\'s henielvaari, verheeriyking; assumtio l\'lirisli of salmtoris, de homelvaari van Chris-ins of van den Verlosser.

assureeren, fr. {assurer, van sür, z. aid.) verzekeren, bevestigen; Inz. z. v. a. assecureer en, mid. lat. (assecurare, van \'t lat. ail en tecfirus, zeker) waarhorgen, verzekeren voor schade, gevaar; — assurantie (spr. (-Is), f. verzekering; stouiheid, vastheid; hrulaalheid; ook z. v. a. A ssecurani ie en assecura-lie (spr. l—ts), f. verzekering, waarhorging tegen schade van hrand, van zee, enz., door middel van eene overeenkomst of verdrag (polis); ook de hUzonderc personen of maatschappU, voor wier rekening de waarhorging geschiedt; — assurantie-premie, f. dc vastgestelde vergoeding voor hel verzekerde voorwerp; — as-sureur, assuradeur, ass ecu rant, m. de verzekeraar.

Assynenhout, zeer hard turksch eiken-honl.

Astakolith, m. (v. hei gr. astüUos, kraefl) kreeftsteen, versteende kreeft.

Astaróth, f. (ontstaan uit het hUhelsche Aslhorelh, 2 Kon. XXIII, i:gt;) oorspr. eene godheid der Sidoniörs, door de Hehreün tot een dajmon of liooze geest verlaagd; naar de gr lek-sche henaming Astarte, f. als phisnlclBcho godin der liefde, tevens voor de planeet Venus.

Astasie, f. gr. (spr. s=z) (astasia, van a-statos, onbestendig) Med. de rusteloosheid, hei woelen van zware zieken.

Asteisme, n. gr, (astetsmós, van aslêios, sleedsch, aardig, geestig, van asty, stad; vgl. hel lat. urbanus, urbanitas) steedsche w(jze van doen, lijne toon; vernufiige lljne taal of handeling, ook fijne scherts, als men den lof onder den sluier der kleinachtlng of berisping verbergt ; Rhet. de kunstgreep, dat men zich houdt, alsof men Iets wil verzwijgen, hetwelk men desniettemin zegt; plagerij, spotternij.

Aster, f, (van liet gr. aster, m. ster) eene zeer fraaie horfsibloein, uit N.Amerika afkomstig, waarvan men In Europa reeds omstreeks 40 soorten kent, de sterrenbloem; — astëria, f. Min. een schoon veelkleurig geslcenle, eene soort van opaal, sierrensiecn, kaitenoog; — asteriet, m. stervormige versteening, versteende zeester; — astérisch, adj. tot dc sterren hehoorende; stervormig; — asteriscus, m, gr, (aslerikós) een sterretje (\') bil schryversen drukkers; — asterisma, n,, pi, asteris-men, sterrenbeelden; —asterïas, m, N, H. de zeester; — asteriaciet, asteriot of asterolith, in. versteende zeester; — asteroïden, pl. sterretjes, inz. de kleine planeten tusschcn Mars en .lupiler; — asterometer, m, een sierremoter.

Asthenie, f. gr. (a-slhineia) Med. de krachteloosheid, zwakte, Inz. van het vaatstelsel (vgl. s I h e n 1 e); — asthénisch, adj. krachteloos, uit zwakte voortspruitend; eene as then i sche koorts, eene zenuwkoorts; — asthenisee-ren (spr. s=z), verzwakken, do werking der levenskracht verminderen; — asthenologie, f. de leer der levenszwakle; — asthenoma-krobiotiek, f. de aanwyzlng of de kunst om oen zwak loven te onderhouden; — asthe-nopie, f. de zwakzlchtlgheld; — astheno-pyrëtos, m. koortszwakte.

Asthma, n. gr. de aamborsilghcid, het moeiiyk ademhalen; — asthmatisoh, adj. aamborstig, kortademig; — asthmatïcus, m. een aamborstige.

Astic, m. fr. (spr. aslick), llkbeen, by schoenmakers bet heen, waarmede de zolen worden glad gemaakt; Mil. het gereedschap om depa-troontasch blinkend te wryven.

Astigmatisme, n. gr. (van a priv. en stigma, punt) loestand (van het oog) waarin de siralen, die van écu punt uitgaan, zich niet weder in éen punt kunnen vereenigen.

Astomen, m. pl. gr. (van a priv. en stoma, mond) Myth, fabelachtige volken zonder mond.

astraal, ■/.. ond. astruin.

Astrabikon, n. gr. Poet. hel herdersdicht, bucollcnm, ecloge (z. aid.)

Astrsea, f. gr. (Mraia) Mylh. de godin der gcrecbliglicid, inz. van hel eigendomsrecht, dochter van Zeus en Themis (z. aid.); Aslron.


-ocr page 111-

ASTRAÜALOS

07

ASYMMKTRIK

naam cencr klclno planeet ofustorolde {z. aid.), in IKSü door llvnrke ontdekt.

Astragalos, «r., of Astragaal, m. liik-kel, lieentjo; Anat. do onklauw, het kootbeonj (Arch.) rond loofwerk, dat de liasls van het kapiteel vormt en onmiddellUk op de schacht der zuil aangehracht is; Bot. draitant, wervel-kruid, wild basilicum; — astragalisme, n. het hikkelspel; dobbelspel; — astragalo-mantie (spr. tie—lsie), r. de VaarzeRgerU uit of mot dobhelsfflnen, op welke lettors staan, en waarhij nil eiken worp het antwoord op eene voorgelegde vraag wordt opgemaakt.

astralisch, aatraal-goesten, as-traallamp, ■/.. ond. a strum.

Astrapsea, f. gr. (olg. do blik seinende) tot de KUItnerlacceön behoorondo plaat in Oost-IndlB, ()|) Madagascar en hol eiland Bourbon.

Astratie, f. gr. (van slraleia, veldtocht) vrüdom van den krUgsdienst.

astringeeren, astringens, enz., z. adstringeeren.

Astrobolisme, n. gr. (aslrobnlismós, van aslron, n. ster, en balkin, worpen, treilen) cig. het gelrolfon-worden door eene ster, door do hondsstor of door de zon: vandaar: zonnesteek; dood of schijndood door bliksem; heroerle (vgl. sideralie); — astrodicticum, n. gr. {(islrO\'deiklilión) Aslron. oen stcrrenwyzer, werk-iulg om elke ster van de hemelglobe gemakkelijk te kunnen vindon; —aatrognosie, f. de kennis der sterren, voor zoover hare plaatsing ten opzicbie van elkander en de sterrenbeelden betreft; — astrognost, in. de sterrenkundige j — astrograaf, f. gr. verrekijker met een door Steinhcil uilgevonden toestel tot mechanisch teekenen van sterrenkaarlen; — as-trographïe, f. de sterrenbeschrijving; gebruik der astrograaf; — astroiten of astroli-then, m. pl. sterronsteonen, sterkoralen; eene stervormige zecplnntversteening; - astrolabium, n. Aslron. een werktuig, waarop de voornaamste cirkels der hemelglobe op een effen vlak zijn afgebeeld, sterrenhoogtemeter; ook (loom. een hoekmeter; — astrolatrie, f, de sterrenvereerlng, sterrendienst; — astrologie, f. de sterrenwichelarij, sterrenvoorzegkunde, hel waarzeggen uil den stand der sterren; — astrológisch, adj. op die zoogen. wetenschap gegrond, daartoe belrckkciljk; — astrologist, astroloog, in. een sterrenwichelaar, sterren-kijker; — astromantie, f., z. v. a. astrologie;— astrometeorologie. f. de weèr-voorzegkunde nil de sterren; — astrometer, m. een sterrennieter; - astronomie, f. (gr. nstronómns, v. trémcin, verdoelen) de sterrenkunde, de wolonschap van den loop der sterren en de wetten, waarnaar zy zich bewegen; — astronómisch, adj. sterrenkundig; hel a s-Ironomlsche Jaar, de duur van het jaar In dagen, uren, minuten en seconden uitgedrukt; astronomisch uurwerk, /.alk een dal den loop der sterren aanwijst; — astronomlst, astronoom, m. de sterrenkundige; — astro-viehdk imt k.

phiet, m. N. II. de boomvorinige zecsler; — astrophotographie, f. gr. toepassing der photographle om zonnevlekken, eclipsen enz. In beeld te brengen; — astrophotometrie,

f. gr. meting der helderheid der sterren; — astrophysika, f. gr. een tak der astronomie, die bü voorkeur op grond van pbyslsche methoden, de samenstelling en beweging der hemellichamen onderzoekl; - astropodium, n. een steen of eene versteenlng met stervormige leekenlng; astroskoop, m. een slerrenkijker; — astroskopïo, f. de kunst der slerrenbescbouwlng door verrekijkers; — astrosophïe, f. de sterrenwijsheid, z. v. a. astronomie; — astrostatiek, f. de ster-renslandslcer, de leer van den sland en de beweging der sterren; — astrotheologie, de storrengodgcioordhold, de beschouwing iter sterren uit een godsdienstig oogpunl.

astrueeren, lal. (aslmHn of adslruSre), bijhouwen; toevoegen, bljloggen, loeschrijven, beweren, verzekeren.

Astrum, n. lal. (= gr. aslron) een gesternte, sterrenbeeld; pl. aslra, de sterren, sterrenbeelden; sic Uur ad aslra, zoo gaat of komt men tul de sterren, il. i. tol aanzien, eer, enz. — astraal of astralisch, adj. (lat. aslra-lis, e, de sterren lietrelTende, slerrenvormlg; — astraal-geesten, sterrengceslen, wezens, die, naar het volksgeloof der middeleeuwen, tol de slerrenwereld behooren; — astraal-lamp, sterren- of glanslamp, de verbelerdc A rga nd-s c li e lam p (zie aid.).

astutiëus, (spr. ti=lsie), nw. lal. (fr. a/:-lucieux, van \'1 lal. aslutia, sluwheid) arglistig, doorslepen, sluw.

Astygraaf, m. gr. (van dsly, slad) stad-beschrljver, Inz. van Kome; — astygraphie, f. slad- of stedebeschrljvliig; — astygra-phisch, adj. stedelieschrljvend; — asty-noom, m. een (athcensch) regeerlngspersoon, belast met het toezicht over de gebouwen; — astynomie, f. hel loezlchl over de gebouwen.

Astylon, n. gr. (van a prlv. en slglos, zuil) een gebouw zonder zullen.

Astysie, f. gr. (v. a prlv. en slf/sis, op-rlchting) Med. inanneiljk onvermogen.

a suo bene pliïcilo, a sun arbilrfo, a sua cómmödo. Hal. Muz. naar verkiezing.

a sun luofio. Hal. Muz. op zijne plaats (als all ollara Is voorafgegaan).

Asvarna, m. pi. nimmer sluiinerendo gees-ten, een algemeene naam der booze geeslea bü de Indiërs.

Asyl, n. gr. {dsljlnn, elg. onberoofd, ongedeerd, van n prlv. en sylan, berooven, plunderen) lal. asylum, fr. asylr, asile (spr. aziel\') asiel, het toevluchtsoord, de vrijplaats voor personen, die door de wet vervolgd worden; — salle-d\'asyle, f. fr. bewaarschool voor kleine kinderen.

Asymmetrie, f gr. (vgl. s y m m e t r I e) do ongellikheid, wanverhouding, onevenredigheid; — asymmétrisch, adj. ongelijk, onevenredig.


-ocr page 112-

ASYMPATHIE

ATHANASIE

98

Asympathie, f, ^r. (vrI. s y m p a t li i o)

gübrek min deolnemliig, aan mcdogovoeliRhold, aan meewarigheid.

Asymphonïe, f. gr. (vgl. s y ra p h o n I e) Muz. de wanklank, wanlaidomllu\'ld; - asym-phónisch, adj. wanklinkend.

Asymptoot, f. gr. (van a-symptolos, niet samenvallend; vgl. symptoom, enz. Gcom. eene rechte lijn, die eene kromme lUn steeds nadert, zonder haar Immer te raken of Ie sng-den (tevens als heeld voor een oneindig streven, dat nooit zün doel bereikt. Leibnitz noemde den mensch eene asymptoot der godheid.)

Asyndosie, f., or asyndeton, n. gr. (vgl. syndesis) Log. het weglaten der voegwoorden om de rede meer kracht by te zetten, b. v. Ik kwam, ik zag, Ik overwon; In legen-stelllng van polysyndeton; — asyndé-tisch, adj. verbindingloos, zonder samenkoppelende woorden.

Asynesie, t, gr. (vgl. syncsls) bet onverstand, gebrek aan in- en doorzicht.

Asynodie, f. gr. (van a prlv. en xyna-dos, samenkomst; bijslaap) het onvermogen Int den bijslaap.

Asystata, m. pl. gr. (van a-sjsliitos, on, niet bestaande ot samenstaande; vgl. sysln-s I s) onvereenbare dingen, strydlgheden; -asys-tasïe, f. de onvereenbaarheld.

Atacamiet, n. zoutzuur koperzand in de zandwoestyn A t aca ma, tusschen Peru en Chili.

Atagan, z. v. a. ja lagan

Ataktisoh, z. ond. a t a x I e.

Atalante, dochter van Schienens ko-idng van Seyros, vermaard door bare vlugheid in hel loopen, doch die door de list van Hip-po me nes in den wedren werd overwonnen, waardoor hij haar tol gemalin kreeg; ook IS\'. II. eene soort van vlinder, vulcanus of admiraal geheel en.

Atalia, vr.naam (van \'I gr. alalös, kinder-lyk, toeder) de jeugdige, bloelende, teedore.

Ataman, z. v. a. betman.

Atap, mal. dak; Inz. bedekking van stroo en palmbladeren (legenover strap, bedekking mei bouten pannen).

Ataraxie, f. gr. (vgl. taraxls) de onverschrokkenheid, onverzettelykheld, zlelerusl, geiykmocdlgheld.

Atavisme, u. nw. lat. (v. \'t lal. alavus, oudovergrool vaders vader, grootvaders overgrootvader; voorts voorvader In \'I algemeen) de wet der overerving van lichaamsvorming en ver-slandsboedanlghedeii; Inz. geiykenls op den grootvader, het eigenaardige van zoodanige overerving, dat de kleinkinderen meer de eigenschappen hunner grootouders dan hunner ouders hebben.

Ataxie, f. gr. (vgl. taxis) Med. wanorde, nnregelmallgheid met betrekking lot do zlekte-loevallen; 1\'bllos. wanorde In de zedelyke en verslandeiyke vermogens; —ataktisoh, adj. onordeiyk, onregelmatig, b. v. alaktlsche koorts.

A\'të, f. gr. {(ilê, in t algemeen schade, onheil) Myth, de godin des kwaads, der verblinding, eene dochter van Jupiter, die hy In toorn uit den Olympus slingerde en welke sedert op aarde rondzwerft om do meuscben van het roebte spoor af te brengen, en ben legen hun eigen belang le doen handelen.

Atechnie, f. gr. (atechnia, van a prlv. en tichnc, de kunst) de onervarenheid In eene kunst, kunstgebrek; —ateehnisch, gebrekkig uit bet oogpunt der kunst.

Ateknie, f. gr. (alekniu, van a- en téknon, kind) de kinderloosheid; Med. onvruchtbaarheid der vrouw; mannelUk onvermogen.

Atelekstasie, f. gr. (v. atelès, onvolkomen en ekleinein, ull/.etten) onvolkomen ullzel-llng, inz. der longen hy pasgeborenen.

Atelie, f. gr. (atélcia, v. u- en lélos, doel, einde) doelloosheid, ondoelmatigheid, onvolkomenheid; soms beteekent het zooveel als vry-dom van zekere laslen of opbrengslen (omdat talos ook de hoteekenls van census, yermogen-schattlng, beeft) b. v. den ouden pbllosophen werd bier en daar a t e 11 e toegestaan; ook bet vry zyn van zekere ambten of bedloningen.

Atelier of attelier, n. fr. (spr. ule-ljé, oudfr. arlelier, mid. lat. arliliaria, als van \'l lat. artiliarium, v. ars, genlt. ar (is, de kunst) de kunslenaarswerkplaats; ook de gezamoniykc daarin werkcHde personen.

Atellanen, f. pi. (lat. alellanae, sell, fa-hulae) eene soort van oud-ll. kluchtspelen, dus gebeelen naar de campanlscho stad Atella, en vandaar in Home Ingevoerd.

Atelokardie, f. gr. (v. alclis, onvoltooid) Med. de onvolkomen vorming van hel hart; — atelomyelie, n. onvolkomen vorming van \'I ruggemerg.

Atemandület, m. arab. (d. 1. sleun des ryks) de pcrzlsche eersle minister, z. v. a. vizier In TurkUe.

u tempera, 11. z. tempera.

a tempo, a temps, ■/.. ond. tempo.

Ateramnie, f. gr. (v. u prlv. en téram-«os, vast, dicht) Med. de nlel-yerweekbaarlield, de onverteerbaarheid.

ater dies, z. ond. dies.

atermoyeeren, fr. {atermoyer, van termc =lal. terminus, z. aid.) den terniyn van betaling verlengen; de betaling verschuiven; vgl. p r o l o n g e e r en; — atermoiement, n. (spr. —tnoaj\'mdii) de belallngs-verlenglng, ler-myns-verscbulvlng.

Athaïr, m. arab. eene sier dor eerste grootte In het storrenbeold van den Arend.

Athamantine, f. nw. lat. Chem. een In de wortels en het halfrype zaad van de berg-peterselle (Athamanta oreoselinum) ontdekte eigenaardige stof.

Athambïe, f. gr. (van « prlv. en tlidm-hos, verbazing, schrik) onverschrokkenheid, onversaagdheid ; — athambisch, onverschrokken, onversaagd.

Athanasie, f. gr. {alhanasia van a-tha-nutos, onslerfeiyk, vgl. thanatos) de onster-


-ocr page 113-

ATMOLCKilK

ATHANOR

lt;)9

folUkhflld; — Athanasius, n. Athanasia,

f, gr. nunien: de onslcifciykc; - athanasisch credo of symbool, oon, naur het hoot, door don H. Athanasius,\' don patriarch van AloxandrIB, In do lo oouw opgestoldo christo-lilkc Koloofsfonmiller; — athanasiaan, m. aanhanger van don II. Athanasius; — atha-natisme, n. voroouwlulnR, vergoddelUkliiK; doloot aan do onsloiTolijkhold; — athanato-logie, do loer dor onstorfoiykhoid.

Athanor of atanor, m. Chom. oono vroo-cor (toliralkoiyko wlndoven.

Atharvavéda of atharvéda, r. hol vlerdo van de voda\'s (/.. aid.) ofgowydehoo-kon der indltirs, hovattonde do godjteloordheld on liovonnatuurkumllRo wysbogoorlo.

Athaumasio, f. gr. alhuumasia, van o prlv. on Ihauma, wonder) elg. vorwondorlngs-looshold (lat. nil admirari) onvorschllligheld, goHjkmoedlghold tegenover do wereld («omdat wy zo loch nooit hogrUponquot;), do grondstelling dor scopllcl op het gehlod van hol donken, ovenals op zodeiyk gebied; ataraxie (z. aid.).

Atheist, in. gr. {athdos, van a iiriv. on Ihios, God) een godiooehonaar, eig. eon godde-lobze, (zonder god); — atheïsme, n. of atheisterij, f. eig. goddoloosheid; godverzaking, godioochcning; — atheïstisch, adj. goddeloos; godloochenend, godverzakend.

Athelasie, f. of athelasme, n. gr. (vgi. I lie la sis, enz.) Med. het onvermogen om te zingen.

Athene, f. gr. Myth. z. v. a. Minerva liü de Romeinen, /.. Pa lias; — athenseen, pi. (gr, Alhemiia) feesten van Athene, Inz. de panatheniDen, z. aid. ; — athenaeum, ii. (gr. athenaiqn) een tempel van Minerva te Athone, waar dn dichters hUoenkwamen Ier voorlezing van iuinne gedlclilen, enz.; een wijs-lieldsteinpci, eene geleerde of doorluchtige schooi, roiiego of andere Inrichting voor het hooger of academisch onderwys; In nieuworen tijd ook een titel van letterkundige lydsclirlften.

Atheoresie, f. gr. (vgl. theorema en Ihooretisch) de onkunde; — atheorè-tisch, adj. onkundig.

Athermaan, z. ad i ai her maan.

Atheroma, n. gr. (van alherf:, grutten van larwemool, gruttenhrU) Mod. een papgezwel; — atheromatisch, adj. papgezwelachtig.

Athesie, f. gr. (verg. thesis) onbestendigheid, hondhreuk, trouweloosheid.

Athesmie, f. gr. (alhcsmia, van n prlv. en themiis stelling, wet) wetteiooshoid, teugelloosheid, onhandigheid.

Athetëse, f. gr. (athélfsis, van athelêin, afschalTen, de afschalllng, verwerping, verklaring voor ongeldig of onecht.

Athloet, in. gr. (.athletes, van athlos, kamp-stryd) een wedstryder, kampvechter, worstelaar, in \'t algemeen een sterk gespierd man ; — ath-letlka, f. de worstel kunst, de kampoofenin-gen; — athlétisch, adj. naar kampvechters wijze, strydkimdlg; sterk, gespierd, reusaehtig

groot; — athlothéten, m, pl, kamprechters, wetgevers en prysultdeelers Inj do worstelslrUden. ui home, eng. (spr. a-loom] te liuis. Athymïe, r, gr, (allii/mia, van a prlv. en thjjmiis, moed) de moedeloosheid, ne^rslachllg-hold, vertwyfellng; zwaarmoedigheid.

Atihar, m. naam, dien de Inwoners van Congo aan bel goudzand geven, en dien de Franschen verbasterd behhen In 11 h 1 r; goudstof, Atimie, f, gr, (van atimia, van limè, eer) onteering, heseiilmping, eerioosverklaring hg de oude Grieken; — atimeeren, ontoercn, beschimpen, verachten.

Atjar, jav. eene Indische confituur, ilie ingelegd naar Kuropa wordt gezonden, en als maag-versterkend en eetliistwekkend geroemd wordt.

Atlas, m. gr. Myth, een I i 1 a n (z, aid.) die den hemel torst; eene hoogo berg In Afrika aan de Atlantische zee; eene verzameling van landkaarten; Anat, de eersie halswervel, draaier; N. II. do naam van twee scboono surinuain-scbe nachtvlinders; - atlanten, n, pl. Arch, dragers, balk- of geblute-dragers, zuilen in men-schcngostatle, die een gebinte lot steun dienen;

atlantiden, z, l\'ieïaden; - atlan-tisch (int, HttunCxcus, a, urn) reusachtig, groot en sterk, tol bet gebergte Atlas en in ruimeren zin tot W, Afrika behoorende, W,Arrlkannsch; vandaar de A Man Ilse he Zee; — Al I anti s c li e k a h e 1, de door deze zee Ier verbinding van Europa en Amerika gelegde telegraafkabel. Atlas, n. arah. [atlasa, afgewreven, kaal, glad; gladde zyden slof, v. tnlnm, ailwlssctien, uildooM\'U) de naam eeuer hekende voortretfe-lijke zyden slof; — atlasblik, ii,, z. v. a, moiré métalliiiue: atlaserts, n. Min. zy-deMrts, alias-kiezel, een smaragdgroen, naar zyde gelykend kopcrorts, eene soort van malachiet; — atlashout, een kostbaar, ais atlas scbyneiid bout uit W.lndie en /.Amerika.

Atmidiatrie of atmidiatriek, f. gr. (v. atmis, damp en iatrós, arts, ialreia, genezing) genezing door dampen, dampbaden.

Atmologie, f. gr, (v, atmós, damp) leer van de verdamping des waters In den dampkring; — atmometer of atmidometer, ook: atmidoskoop, ni. verdampingsmeler, een kuhlscb vat vol verwarmd water. Ingericht om de hoeveelheid van de verdamping des waters Ie melen; atmospheer of atmosfeer, f, (vgl. spheer) dampkring, de gezameniyke lucht, die een tiemeitichaam omgeeft en waarin de dampen opstygen; - atmospheerdruk, als eenheid van de maat voor de drukking van drupvormige of lucbtvormlge vloelstolfen (I al-mospheerdrukklng = bet gewiciit eener quot;tl cM, liooge kwikzilver, of lo,:t M, tiooge waterkolom = 1,0.111 kilo drukking op 1 cM,1 vlakte); — atmospheriliën, f, pl, stollen, die zich ln den dampkring ophouden; atmosphë-risch, aiij, wat tol den dampkring beboori, daarin is; at mospherlsche lucht, de gewone Uiebl; at mospherlsche drukking, de drukking, die de dampkring uitoefent; een


-ocr page 114-

ATTACCA

100

ATOCHA

stoomwerklulK vim \'20 iitnioaiihoren h. v. Is zulk oen, dat do drukking van 20 dampkringen uls die dor aarde wederstand biedt of verdraagt; a I m o s |i li erts c ti« s |i (i o r w e g, zalk een spoorweg, liU wolken do liielitdrnkklng ats tio-weogkraelit in plaats van den stoom wordt aangewend - atmospherologie, f. de rtanip-kriiigskando, weèrkunito.

Atocha, f. sp. sparto-gras [Stijm lena-cissima).

Atocie of atokie, f. gr. (van n priv. on lókos, geboorte) onvermogen om to iiaron; onvruchtbaarheid!- atoeïa, n. pl. onvruohthaar makonde middolen.

Atol, m. v.. a 11 o 1 o.

Atolmie, f gr. (van « priv. en tolman, wagon) de moodoioosheid, hiftiarUghoid.

atomisme, enz. z. oud. atoom.

Atonie, f. gr. (alonta) eig. do toonloos-lioid; hot gobrek aan spankracht; verslapping, zwakte des licbaams; — atonificatie, f. (spr. /=ts), verslapping, verzwakking, hol in slaap maken; — atónisch, adj. verslapt, verzwakt, mal; — atönon, n. een toonloos, niel geaccontuoord woord, pl. atöna.

Atoom of atóme, u. gr. (alömns, oh, ondoelbaar, vau a prlv. en lome, lönws, snede, stuk, vgl. to in us) lots ondeelbaars, kleinste deolije; eon zouueslofje, oen volstrekt oudool-baar llchaiuolijk beslanddeolljo dor stof (uil wier beweging en verbinding Hpiciirus het ontslaan der wereld zocht te verklaren); atoomgewicht, n. Chem. do kloinsto {relatieve) hoeveelheid gowichts, waarin zich oene grondstof mei andere verbindt; - atoomvolu-men, n. de verhouding van hol aloomgowicht tol to dlciiibotd;—atomisme, n. of ato-mistïka, r. hot atomistische systema, do grondstofleer, naar welke alle liciiainon uil alomeu beslaan, ook corpiiscuiairo phi-losophio geheel en; — atomist, in. oen voorstander dor grondstofloer; — atomistisch, ailj. wat do leer lielrofl; onoig. oplossend of opgelost lu afzondorUjko deeltjes zonder organiscbeii sameuhang; atomologie, f. Cboin. loor van de wodorzijdsdio working der siofdoolljos onder eikandor.

atópisch, gr. in-lnpns, on, vau /(i/ios, plaats) idol op do rechte plaats, niet gepast, oiihohoor-Hjk, onwoivoogHjk; — atopie, f. (gr. alopia) ongepastheid, nuhotameHjkbeld.

d lort el li tranen, z. tort.

Atour, m. fr. (spr. ahiér) de opschik, looi, bel kapsel der voorname vrouwen; vgl. dames d\'al our; atourneereiKfr. alourner) looien, opschikken.

a tout, eon atout, atouteeren, z.

ond. tnul: — d tout hasard, ■/.. hazard; — d litul igt;ri.T, z. p r I x.

Atrabiliteit, f. uw. tal. (van het lal. otra hilis, zwarte gal) Mod. de zwarlgalligheld, galzucht; — atrabilair of atrabiliëus, adj. (fr. nlrahilnire, olrabilieia:) zwarlgallig, gal-zuchlig.

Atrachëlos, m. gr. (van trdchêlos, nek) Mod. eon baizolooze, korthals.

atraméntum, u. lat. (v. afor, zwart) de zwartheid, zwarte kleur, uiz. inkt; a. indtcum, oost-indlsobo lukt; — atramenteus, adj. uw. lal. Inktzwart, inklachltg; - atraméntsteen, lal.-nedord., do inktsloou, die zwavelzuur ijzer beval en waaruit hel meoslo vitriool gokookl wordt.

a Ire, enz., z. ond. tre.

Atrekie, f. gr. {atrékela) workoiükheid, gewlshold, zekorboid; — atrekisch, gewis, zeker, waar.

Atremie,f. gr. (alremia) do onbovreesdhoid, bodaardhoid, standvastigheid; — atromisch, onbevroesd, ruslig; — atremograaf, f. een door l\'rof. Maas lo Beriyu uitgovonden toostel om sciirytkramp lo voorkomen.

Atresie, f. gr. (vau a prlv. eu Iran, doorboren, vgl. trema) Mod. siulling van oen kanaal iles lichaanis, Inz. do vergroeiing van den aars; — atrëtisch, adj. ondoorboord, mol gesloten aars of gesiacblsdooton.

Atrichie, f. gr. (vau a prlv. eu Unix, geuit. trie hós, baar) de oubohaardheld, de haariooshoid.

Atriden, m. pl. liU Homerus do naam vau Agamemnon en Mo nol a Us, naar bumieii vader At reus; elders komen zU echter voor als zonen van dions broeder l\'llslhonos.

Atrium, n. lal. pl., atria of atriën, de voorhof, voorzaal van oen lulls; Med. de boozom, of voorkamer van bel hart (atria eor-ills)— atrium mortis, u. lat. de voorzaal dos doods, de. doodsaanvaug, de vooriiodon des doods.

Atrociteit, f. lal. [atrocttas, van atrox, gruwzaam, wild, enz.) do wreedheid, afschu-wolUkhold, yseiljkboid.

d trois, z. ond. Irois.

Atrophie, f. gr. (van « priv. eu trophc, voeding, triphein, voeden) Mod, do wogkwij-nlng, iiillorliig, verdroging; — atróphisch, adj. slochl gevoed, aan do wogkwUning lijdend, lorlugachilg.

Atropine, f. uw. lal. (v. alroita, wolfkors, van hel gr. dtropos, onafkeerbaar, wegens de doodoiyke working der plani) Chem. eon plan-leuzoul (alkaloïde, z. aid.) dal zich in do wolfkors of belladonna bovindi, en uil koolslof, waterstof, zuurstof ou slikslof beslaat.

Atrópos, f. gr. (van a priv. en trépcin, wonden) de onafwoudbare, onvcrbiddeHjke, eono dor drie Par een, z. aid.

atrox injuria, z. oud. injur ie.

Atsjarja, m. sanskr. (naar eng. schrUf-wUzo acharya) een gooslolük looraar der jonge Brahmieneu In Indiü.

Atsjeh of aktsjeh, z. asper.

Atsjia, z. achla.

allacca, s\'attaeea suhtto, 11. (spr, —soeVito) oig. hang aau, wol aan Ie voegen; Muz. hot volgende oniniddoliyk, zonder afbreking, aau bol vorige ie doou annslullon, h. v. attacea allegro na con adafjio; attdea subito il sequénte, da-dolük hoi volgende sluk lo beginnen.


-ocr page 115-

ATTACHKEREN

ATTOLE

101

attacheeren (spr. —sjeeren) fr. [attacher) iiunbiinRen, annliechton, aankloven; zlch att—, zcer Kcncucii zijn, zich aan lets gewennen, Iels liet krUKon — attachant (spr, —sjdii) aantrekkend, aanlokkenil, bokooriyk; aanhangend, aanhankelijk; — attaché, in. (spr. —sjé) een aanhangellng; oen aangestelde. Inzonderheid hU een gezantschap; — attachement, n. (spr. —sj\'mdii) aanhankelUkheld, genegenheid, gehechtheid.

attahseho schatten, zeer groote, 011-nielelUke schatten, gelgk die eenmaal Altai us, een koning van Pergamus (gest. i;i;i vóór Chr.) bezat; — attahseho conditiën, hoogst voordeellge voorwaarden, dus genoemd, omdat dezelfde A11 a I u s al wat hij kocht zeer duur tietaaldo.

attaqueeren of attakeeren, fr. (al-laquer) aanvallen, aantasten; het paard de sporen geven; — attaque, f. (spr. ulah\') een aanval, h. v. van den vyand, van ile koorts, enz.; uitval hu het schermen; — attaque car-riére, z. carrière attaqueattaque dans les formes, regelmatige aanval van vestingen; attaque en ilébandade, aanval in verstrooide orde; attaque en échelon, laddervormlge aanval der ruiterij (z. d c h e I o n); attaque en muraille, aanval in gesloten gelid.

Atte, mansn. in Friesland (van het frank-dultsch hdtto) vader. (Ook in hot landfrlesch lieteekent heit vader.)

Attelage, f. fr. (spr. —att\'la-zj\'van atteter, aanspannen) de hespanning, het span paarden voor een rytulg, stuk geschut, enz.; hol doelmatig aanwenden der paarden als Irok-dioron.

Attelier, z. atelier, attempereeren, lat (attemperare, aanpassen; oudfr. attemprer, nw.fr. tempérer, li. attemperare, matigen, verzachten, temperen; — attemperator, m. hij de hlerhrouwers eeno Inrichting tot vorhltllng der zwolkuip met stoom.

attemporeeren, nw. lat (van tempus, lyd) zich naar den lyd schikken, naar de nm-slandlgheden voegen.

attendeeren, lat. (attendcre) acht geven, opmerken; — nttendrc, fr. (spr. al land\'r) wachten; en attendant (spr. an allaiitldn), elg. tn hot wachten: ondertusschon, onderwijl; — attént, adj. lat. {altentus, a, um) oplettend, opmerkzaam; — attentie, I. (lat. attentin) de opmerkzaamheid; — attentie! opgelet, acht gegeven!

attendrisseeren, (spr. attahdries—, fr. attendrir, van tendre, loeder, zacht) week maken, roeren, trollen, aandoen, howegen;—at-tendrissement, m. (spr. —maii) lt;le ver-loodorlng, de aandoening.

attent, z. oud. attendee r o n. attenteeren, lat. (attenlare) eonon aanslag maken, In eens anders recht grijpen, strafwaardig handelen;- attentaat, n. lat. {at-tentalum) een aanslag, aanranding van eens anders recht, gewelddadigheid; beproefde, maar mislukte aanval op eens anders leven; — at-tentala crimina, lat. Jur. beproefde, bedoelde, maar niet volvoerde misdaad of aanslag.

Attentie, z. oud alto n d e e r e n.

attenueeren, lat. (alknuure: van tenuis, e, dun) verdunnen, verzwakken, vermageren;— attenuantia, n. pi. lat. verdunnende middelen;-attenuatie, f. de verdunning, vermindering, verzwakking, vermagering.

Attérage, atterrage, f. fr. (spr. - /•«lt;ƒ. van atléj-ir, landen, van lerre, aarde, land) Mar. de plaats, waar men bid land herkent, dal men uil het gezicht had verloren; de nadering der kust, zonder die nog te bemerken; de landingsplaats; het landen; — atterrissement, o. (spr. -ri-s\'mah) oever-vermeerdering door aanslibbing; aangeslibd land.

attermineeren, lal. uilsieilen; — at-terminatie (spr. tie=lsie), f. liet uitstel, tyil-verleenen.

attesteeren, lat. (atteshtri ■. vgl. I est ee-re n) mondeling of schrifteiyk geluigen, verklaren, bekrachtigen; — attést, n. en attestatie (spr. lie—lsie), f. (lat. utteslalto) een sehrlfteiyk getuigenis, getuigschrift.

Attica, f. nw. lat. (van attfeus, «, um, al-tisch, tol Athene hehoorende, daar Inhecmsch, enz.) of attique, t. fr. (spr. alliek\') f. Arch, een altlsch werk, halve verdieping hoven eene hooge verdieping op lage zullen rustende; at-ticisme, n. (gr. atlikismós) het attisebo spraakgebruik, de zuiverste grleksehe tongval; de tijne smaak in denken en spreken, aan de Atheners eigen; attiech, adj. met dien lijnen smaak overeenstemmend, schoon, sierlijk, smaakvol, ver-nuftlg; altlsch zou I, zinryke, vernuftige taal. Iljnescherts; attlseh temperanienl, fijne, levendigo geaardheid.

Attilla, f. een korle, met snoeren hezelte huzarenrok (zoo gebeeten naar A11111 a, den koning der Hunnen).

Attin, m. Mylli. de zeegod of do Neptunus dor Scandinaviors.

Attine, t. eono poolsche ziivermunl = 1!i ct.

Attinentïën, f. pi. lat. (van attincre, toe-hebooron, hetrolTeii), z. v. a. pert I n ent Ifin (z. aid.)

Attique, z. ond. A111 e a.

Attirail, m. fr. (cpr. —rdtj\') loobohooren, goroodsebap, tuig-. Mil. het noodige voor do ar-tillorle, de tros.

Attis, z. Atys.

attisch, enz., z. ond. Allien.

Attitude, f. (onlslaan uit a p 111 u il o, van \'I lal. uptus, gepast, geschikt) de houding dos llchaams In don slaat van rusl, llehaamshoudlng; gebaar; (in \'I hallel) de sland op (\'enen voet.

Atto, m. Hal. (v^l. actus) do handeling, de acte, het hedryf (hy tooneeispelen); — allo di cadenza, it. (spr. —cadéntzu) Muz. hel slullen van een stuk mei eono cadans.

Attoen, z. c h 11| n o.

Attöle of Atólle, f. maleisch (fr. attole, atlnllc, ollolon) (leogr. ring- ot higunonelland.


-ocr page 116-

ATTORNKV

102

AUCTOR

rtiiKvormlg koraulollmul, ilat va» liiniien een hln-nonwutor beval, zooals Ip. v. ilo Malediven.

Attorney, m. ciik. (spr. ellórni: van \'I oud-fr. ullorné, v. attorner, eono zaak of een reclil aan lomand ovordrage») cIk. In\'l algomoen: een plaiilslH\'kleeder.Kovolniachtlgdo.zaakwaairiciiier; Inz. In EiiKeland, z. v. a. procureur en advocaat, die onmiddellijk mot den clIBnt handelt en schrlf-luren voor hem bü hel Koreclil indient (het lenen-(jestelde van barrister, z. aid.); attorney-general, in. ispr. —dtjénnerel) de generaal-llscaal, de advocaat des konliiKS voor alle zaken, die den kunliiK aangaan.

Attouchement, n. fr. (spr. a(ousj\'mdh) aanraking, botastliiK, Inz. voor geneeskundige doeleinden, z. v. a. munt pul alle.

attraheeren, lal. (altrahSrè) aantrekken; attrahontia, n. pl. aantrekkende middelen, trekmiddelen; Med. trekpleislers,b. v. spaan-sche vliegen; attractie, f. (lat. allracCio) de aantrekking, het aantrekken, de aanlrekkings-kraeht; — attractibiliteit, f. aantrekbaar-held; — attractief, adj. uw, lal. aantrekkend; — attraheerend of attractórisch (laler lal. allraclonus, a, urn), adj. aantrekkend; — attrait, ui. fr. (spr. allrè) aanloksel, hekoor-lykheld.

attrapeeren, fr. {allraper, van \'t mid. lal. Irappa, val) In een strik of iu eeue val vangen, vatten; misleiden, bedriegen, beelbebhen; — attrape, f. (spr. alti-dp\') do val, strik, valstrik; do misleiding, bodrlegiyko sehijn; op attrape spelen, het op misleiding gemunt hebben, lom. In ile val zoeken te krijgen.

attribueeren, lat. alMbutre; vgl. trl-bueeren) toeelgenen, loeschrUveu; - attribuut, n. (lat. nllribi/lum) de bUgelegdo eigenschap; het kenteeken,zinnebeeld, oiiderscheldings-teeken, olgenschapsteeken; b. v. by afbeelding der heldensehe goden Is de bliksem het al tribuut van Jupiter, do lier van Apollo, do herauteuslaf van Mercnrins, enz.; — attributie (spr. tie= /sic), f. (lat. ultrihuiïo) het bijleggen, vcrleenea, loedeelen van rechten; de volmaolillginglot rech-lerlUke beslissing; attributief, l)(i vvyze van allrlbullvum, als adjeellef hij bel substantief gebrnikl; attributivum n., pl. attri-butiva, Oram, een kenmerkend woord, zulk oen, dat de onzelfstandige eigenschappen of ver-rlchllngen der voorwerpen aanduldl (hel hyvoeg-1 ijk naamwoord en werkwoord, in tegenoverstelling met liet zelfslandlg nnamwoord).

Attritie (spr. lie=lxic), f. lal. altriCio, van alUrerc, aan-, opwryven) do wryvlng van twee lichamen legen elkander; ook : uitwendig berouw, alleen uit vrees voor straf (het logongesl. van cont rille); attritus, m. lal. Med. hol openrUton of verwonden der huid, h. v. by hol ryden (In plallo laai: een blikaars), z. v. a. Intertrigo.

attroupeeren (spr. ou=ne), fr. (allrouper, van (rouj)/!, troep) te hoop loopeu, samenrollen;

attroupemént, n. (spr. —Imp\'man) do samenscholing, oploop, volkshoop.

Attys, z. alys.

o lutta hriglia, Ital. (spr. brielja), spoorslags; ii litllu camera, met lossen tengel; a lulta possa, naar verinogen; « tiilte conle, op alle snaren; n lullo anilare, iillijil door; « tultu jiasln, onafgo-hrokeu; « lutlo potêre, naar kracht; « hUl\' «om», uit alle rnaebt.

Atychie, f. gr. [alychia ,■ vgl. 1 y c li e) een ongeluk, onheil.

atypisch, adj. gr. (vgl. typisch, oud. t v -pus) Med. elg. ouvourbeeldeiyk; onordeiyk, ou-regelmalig; a t y p 1 sche ziekte n, ongeregelde ziekten, waarvan de aanvallen zonder eenlge re-golniallgheld lerugkeeren; — atypie, f. onro-golmallgheld in \'1 beloop van ziekten.

Atys, Attys of Attis, gr. Myth, een schoon jongeling en lieveling van de godin Cy-boto, die hein, nadut hü zleh in ijlhoofdigheid had ontmand, in eenen pünboom veranderde.

Atzhigadze, in. n. Myth, de dondergod der Laplanders, do boschornier der rendieren.

Aubade, f. fr. (spr. ohand\'.- van aube, mor-genseheinering, proveuc. alba, van\'l lat. albus, a, urn, wil) eeno ochtend- of wekmuzlek, eeue ochlcndbegroellng met nuizlok voor Iemands deur of onder iemands vensters.

Aubaine, f. fr. (spr. obein\': van tiet fr. aiibain, mul. lat. albanmt = alllenus, \\reemi), v. a. itlbinagluin (z. aid.)

Auberge, f. fr. (spr. nbénj\': oudfr. hau-berge, herberge, héberge, f, soldatenlent, soldalen-hut, veldleger, woning; proven^, alhcrga, f., alben, m., II. albergue, m. mld. lat. heriberga, hcri-bergum, van \'1 oudhoogd. heriberga, ondn. her-berql, belr-berging, herberg) de herborg, het lo-gement • de kroeg ; — aubergiste, m. (spr. obenjie.il\') de waard, berhergler, kastelein, loge-menthooder.

nu besoin, z. besoln.

Aubry, m. (spr. nbri) fr. mansnaam, In bel dultseh Alberich, oudhoogd. Alperh\'h, d. l. licht-, luchl- of berggeest belieerseher.

au rmtruire, z. oud. conlrarluni; — au courant, z. oud. courant.

Auctarïum, n. lat. (v. dugcre, z. a u gee-re n) de toegift, toelage, het aanvullingsstuk; — auctie (spr. t=s), f. lat. {aurtw, d. I. elg. vor-ineenlerlng) een openiyke verkooplng aan de meestbiedenden, veiling, opvelllng (van roerende goederen) bU ons ook vendu (spr. waiidü) gebei*-ten; — aacliönix lege, bü openbare velling; — auctie-katalögus, m. do lyst der te ver-koopeu voorwerpen; — auctioneeren (lat. auclinndri, of vorauctioneeren, aan den meestbiedende verknopen, vellen, opveilen; zie ook subbasteeren; — auctionator, m. uw. lat. de opveller, venduineester.

Auctor of autor, in. lat. (auctor, elg. de bevorderaar van bet gedyen of vau den wasdom eener zaak, vau augcre, zie augeeron), fr. auteur (spr. au—o) de dader, werker, oorsprong, stichter, maker, schryver, opsteller; — auctor delicti, rixae, lal. de dader van een inls-dryt, waubedryf; — auteurschap, n. lat.-


-ocr page 117-

AUGUBA

AULA

103

nedord. hi\'t sclirUvorschap, beroep van schr(|vor;

— autoriseeren (fr. auloriser) met liclionr-lijk geing voorzien, gerechllgen, volmachtigen; ook: lilliyken, leclilvaiinllRen, goedvinden; — autorisatie (spr. sulie—zalxie), t. de volmaclil, bekrachtiging, wctteldke goedkeuring; — autoriteit, f. (lat. auriontas, fr. aulorilé) het aanzien, do erkende geloofwaardigheid, het gezag, de wettige macht, het hestuur; verlof, vrijheid; de getuigenis (uit schriften); — do geconstltu-e e r de autoriteit e n, geordende staatsmach-len; de Ingestelde staatsambten, grondwettelijke machthebhers; — auctoiitute, lat. op gezag, met goedkeuring, in naam; — auctorilale curatOris of h. luloris, lat. met voorweten, toestemming of Inwilliging van den voogd.

Aucüba, f. japansch (nw. lat. slwübii ju-pnntca) Bot. eenjapansche struik uil de familie dor rhamnëen, niet geoigeviekte, groote bladeren en kleine bruine bloesems.

audaa, adj. lal. (van awiêre, wagen) sloul, moedig, vermetel; awlace, it. (spr. auddlsje) Muz. sloul, moedig; andacem (of awlüces) forluna ju-rat, lat. sprw.: de fortuin helpt den moedige, den dappere; die waagt, (die) wint; audax Jupeli genus, de stoutmoedige zoon van Japbet, bet menschelljk geslacht, de mensch; — audaei-teit, f. nw. lat. de koenheid, vermetelheid.

Audianen of Audseanen, n. pl. eene syriscbe monnikenorde in do ide eeuw, die an-thropomorphietcii (z. a.) waren, door eenen syrlschen geeslelgke AudaMis geslicht.

audiatur cl allüra pars of audi et attlram partem, lat. (audi, hoor, audiatur, hot worde gehoord, van audire, hooren) hoor ook ile andere partl\' \'noren wederboor, ook; de tegenparlli worde „ehoord; — audiëntie (spr. t—ts), f. lat. (audicnCïa, opmerkzaamheid, gehoor) de ge-boorgoving, hel gehoor verieencn, de toegang; de rechtszitling, handeling des gerechts; — au-dientie-zaal, de gehoorzaal, toegangkamer;

— audiéncia, f. sp. oppcrgerechtshof in \'t voormalig sp. Amerika; ook gorechlslioven In eenige steden van Spanje, geiykende naar de oude pariementon In Frankryk; — audientia episcopa-tis, lat. de bisschoppelijke jurisdictie; — auditeur, fr., of auditor, m. lat. (pl. audltö-res) een toehoorder; bUzltter In onderscbeidone gerechlshoven, enz., een rechtsgeleerde by den krygssland, een ki\'Ugs- of regirnentsrechter, vcld-reebter-, — auditeur-militair, m. ambtenaar van hot openbaar ministerie by een militair gerechtshof; —auditoraat, n. nw. lal. het ambi van krygs- of veidrechler; — auditorium, n. de gehoorzaal, leerzaal; de verzamelde toehoorders van oenen spreker ot leeraar; — auditus, m. lat. hel hooren, gehoor; audftus dif-linlis, do bardhoorigbeid; — lt;lc auditu, van hoo-ren-zeggen,

au fait, enz., 7.. fait;— au fond, z. oud. fond.

Auglas, m. gr. {Aügêias) Myth, een koning van Kils, die eene kudde van 3000 runderen bad, wier siallcii in geen 30 jaren gereinigd waren, een werk, dal Hercules in eenen dag volbracht; vandaar : de stal van Augias of de Augiasstallen moeilijk en hoogst onaangenaam, schier onmogeiyk werk.

augeeren of augmenteeren, lat. (««-gere, augmentSre) vermeerderen, buvoegen, ver-grooten, versterken; — augmént, h. lat. [aug-méntum) het toevoegsel, de vermeerdering; Gram. de voorklank of voorlettergreep by de vervoeging der werkwoorden In de gr. spraakkunst; augmen-tum satarti, toelage, verhooging van Inkomen; — augmentatie (spr./ie=/.vie), f. nw. lal. de vermeerdering, versterking; Muz. de invoering vaneen reeds aangewende muzikale gedachte lo noten van dubbele lydswaarde (in fugen); — aumentdndn, ital. Muz. vermeerderend; — aug-mentativum, n. Gram. vergroolingswoord, het tegengestelde van dlininiitlvuin.

Augiet, m. (van het gr. augê, glans) of k o-I op bon luin-st oen, een groene sterk scbit-lerende steen uil hot kiezelgeslacht.

Augment, enz., z. ond. augeeren.

Augstaurgsehe confessie, z. Augus-tana confessio.

Augur, m. lat., pl. augüren (lat. augü-res, ontstaan uit avi-gur, van avis, vogel, en \'t cell. gür=vir, man; vgl. auspex) vogeiwi-cholaars, waarzeggers uil de vlucht en bot geschreeuw der vogelen by de Komeinen; — au-gureeren iVM.augurari) voorspellen, voorzeggen en waarschuwen; gissen; augurium, n. do vogelwichoiarU; liet voorteeken, voorgevoel.

Augustana confessio, f. lat. afgekort A. de Aagsburgsche geloofsbelijdenis of confessie der Evangellschen, door I, u t b e r in 17 ar-likeien vervat en In ISIIO op den ryksdag te Augs-burgs aan den keizer en bet ryk overhandigd.

Augustus, lat. do beeriyke, verbovene, eerwaardige, eernaam van Cicsars opvolger Oc-tavianus en later titel der romelnschc keizers in bel algemeen, waarmede zich dan ook de zoogenaamde dultscho keizers tooiden: semper Augustus, hetgeen men verkeerdeiyk vertaalde (z. a u-georon): »altyd vermeerderaar des Kyks.quot;— Vandaar de mansn.: August of Augustus vr. Augusta, Augustine); als maand (naar den rem. keizer Augustus genoemd) de oogstmaand, eerl yds in den rnin. almanak sexlilis of de «de maand gobeeten; — august d\'or of gouden augustus, een saksisch vUfdaalder-stuk = ongeveer» gl.; — augustalen, feesten ter eere van keizer Augustus ingesteld ; ook pries-lers, bestemd lol don oeredlenst van Augustus, die na zynen dood door Tiberius werd vergood -, nog do naam van gouden munten van keizer Krede-rik II, in liiti te Napels geslagen; —Augustijn of Augustïnus, m. (lat. August mus) mansnaam, z. v. a. Augustus; — augustijn, f. zekere lel Icrsoorl tusschen groote tekst en cicero; — Augustijnen, in. pl. monniken naar den regel van St. A u g u s 11 n u s, bisschop van Hippone.

Augustura, heler angustura-basl, z. aid.

Aula, f. lat. hof, voorhof; de zaal, ecno


-ocr page 118-

AUL.EUM

AUSPEX

104

Kioote vergaderzaal, luz. aan universiteiten; — aulicus, m. een hoveling; —aulisme, n. Iiuotsehe vleierij.

Aulseum, n., pi. auleea, lat. (gr. aulaia, t.) een gestikt «f gewerkt tapyt, voorhangsel, gor-iiyn, Inz. liet tooneelgurdijn.

au large, z. ond. Inrgus; — au la cis, z, 1 a v I s.

Aule, een kokosblad, dal den Indianen dient om op te schryven; een zoodanig hesehreven tiliul.

Auleet, m. gr. (aulclcs, van aulcin, de llnil blazen, van aulas, m. Huil) een iluitspeler; — aulotiok, (. (gr. auletikè) de lluitspeeikunst; — auletriden, pi. (gr. sing, aulêtris) iluit-speetsters by de Ouden; — aulodie, f. gezang-begeleiding tot de Unit; — aulodion, n. een door de gebroeders K a u f m a n n te Dresden uitgevonden speeltuig, dat piano-forte-. Huil- en thi-geolet-tonen vereenigd.

au marc, i. ond. m ark;— au moment, z, oud. m ö m ent.

aumentamlo, z. ond. augeeren.

Aumönier, m. (spr. omonjé) van aumóne, aalmoes, en dit van bet gr. eleêmosyne, medeiü-den, bannbartlgbcld) aalmoezenier, een priester in den dienst van een groot beer om de mis te lezen en zekere weldaden aan de armen uit te reiken.

a una chorda, ital. op éeae snaar (Ie spelen).

Auno, f. tr. (spr. oon\', van \'I lat. ulna, elleboog, el) de ondfransebe o( parUsche el, = 1,I8S1!gt; meter.

au pair, z. pair: —au paré, z. pavé; — au pis-aller, i. p l s - a 11 (! r; — au pofteur, z. por-t e li r.

aura, f. lat. iueht, zachte wind; geur; — aura populuiis, volksgunst; — aura vilalis, levensadem, levenskracht; — aura cpilepCtca, Mod. kleine krampen; —auWB, pl. lat. luehigoden by de Romeinen, die liet bewind hadden over hitte en koude en alle weersveranderingen; ook de verpersoonlykte lenteluchtjes.

Aurade, f. fr. (spr. oraad\') kamfer van oranjebloesem; —aurantia, f. nw. lat. (spr. I=ls) de oranje; — aurantine, f. kelzergeel, een oranjekleurige verfstof.

Auratur, z. ond. aurum.

Auroa, z. end. aureus.

Aurelïus, lat. (oorspr. Jusdius, misschien van \'t oudlat. ausum=aurum, goml) mansn.; de gouden zoon, vr. Aurëa of Aurelia.

aureus, a, um, lal. (van aurum) gouden, van goud ; — aurëus, in. eene oud-rom. goudmunt, ook solidus geiieeten (z. aid.); — aurta hulla, z. ond. Iiulle; — aura medioerftas, f. de gulden middelmaat; —aureóle, f. nw. lat. {aureola, sell, /ito,- van aureólus,a, um, gouden, ais verkleiningsvorm van ann us) de licht-of siraaikrans, de straalkroon om hel hoofd der heiligen, z. g I o-r i e; — aurate, f. fr. goudpeer, eene kleine sapryke boterpeer; — aurine, f. eene gele verfstof, verkregen door verhitting van phenooi met oxaalzuur en geconcentreerd zwavelzuur.

aures habenl el non audienl, (lat.) zy liebheu noren en liooren niet.

«u repair, fr., z. re voir.

auri, enz., z. ond. aurum.

auricula, f. lal. (verkiw. van auris, oor) elg. bet oortje, de oorlel; Anat. het uitwendige oor; Bot. de sleutelbloem, het lierenoor, eene veredelde soort van Primula veris: — auricu-lair, adj. (lal. auriculanus, a, um) het oor of de ooren betreirende; — auriculaire confés-sie, f. oorhiecht; — auriscalpïum, n. lat. de oorlepel; — aurist, in. linrb. lat. een oorarts.

Auriga, m. lat. de voerman; Astron. een sterrenbeeld aan den noordeiyken hemel, recht boven Or Ion.

Auripigment, n., z. ursenik. Auriscalpïum, aurist, z. ond. auricula. Aurora, f. lat. liet morgenrood; Myth, de godin des dageraads, In hei gr. Kas geiieeten; ook een schoone dagvlinder;-aurora borealis, f. het nooi\'derllcbt; aurora Musis a mica, bot morgenrood is den Muzen gunstig, de morgenstond heeft goud In den mond; auróra sürgens, Alch. de toenemende kracht van den steen der wyzen.

aurum, n. lat. goud; aurum fulnitnans, n. knal-goud, slaggoud, dondergoud; a. palatiile, drink-haargoud (dat ais geneesmiddel gedronken wordt); o. masicum of mosatcum, vaisch goud, met kwik gesublimeerd iin, dal door den daarbij gebruikten hittegraad eene goudkleur heeft verkregen; — auri sacra fames (Virgilius), de verwenschte honger naar goud, de afschuweiyke goudhonger; — auratuur, f. (lat. auralüra, van uurure, vergulden) de vergulding.

ó usance of a uso, ■/.. n s a n c e. Ausbeuten-gulden (Saalfeider-), hgd. zilveren munt van Saksen-Melningcn-Hlidburg-bausen = I gi. 40 el.

ausculteeren, lal. (auscultarc) toehooren, luisteren, acht geven; — auscultant of aus-cultator, m. een aanhoorder, een iiü rechtbanken aangestelde beginnaar, zittingshoorder; — auscultatie (spr./ic=hie), f. (lal. ausculla-iïo) het toehooren, Inisleren; Med. het onderzoek door het gehoor, inz. van eene borstkwaal, hel zij dit onmiddeliyk niet het oor, of wel mlddeliyk met de hoorbuis (stetboskoop) geschiedt.

Ausonïa, oude naam van Halle, nog by de dichters in gebruik (naar do A u sönes, oude bewoners van dat land).

au sillel, fr. (spr. osieljè) op het lastbord der viool (te spelen).

Auspex, m. lat. (nit avi-siicx samengetrokken, van avis, vogel, en spectre, spiccre, beschouwen ; vgl. a n g u r), pl. auspices, vogelwichelaars, ond-rom. priesters, die nit de vlucht der vogelen toekomstige dingen voorzegden, waardoor men zich hy alle gewichtige staalszaken en ondernemingen liet leiden; vandaar ook: leidsman, beschermer, begunstiger; — auspicïum, n., pl. auspicia of auspiciën, elg. vogelbeschon-wing, vnorultzegging der toekomst nit do waarneming der vogelen; voorspellingen, voorteekens, voorgevoelens, vermoedens; ook het toezicht, de


-ocr page 119-

AUTODICIK

AUSTER

105

bescherming, het bestuur van eenen meerdere-, duspicXo tuo, onder uwe bescherming, onder uw toezicht; suft auspiciis, onder bescherming; — auspiciëus, ndj. nw. lat. Iets goeds voorspellend, heilspellend; — auspiciëeren (lat. ««.«-picarl) de vogelvlucht uitleggen, waarzeggen, voorspellen.

Auster, m. lat. de zuidenwind; Myth, de zoon van Eolus en Aurora; — austraal, au-stralisch, adj. zuidelijk; — Australië, n. nw. lal. het zuldland, liet !gt;ile werelddeel, ook Ocean IB en Polyneslë goheeten; — au-straallicht, zulderllcht; — austroman-tïe (spr. tie—tsie), f. lat.-gr. de wlndwaarzeg-gery, voorspelling uil den wind.

austère, fr. (spr. nu—on: van het lat. nusic-rus) streng, hard, onvriendelijk; scherp, wrang; — austeriteit, f. lat. (austerikm) de strengheid, onvriendelijkheid, barschheld, stugge ernst, austraal, z. oud. auster,

Austréga of austregaal-instantie, (oorspr. hoogd. met lat. uitgang, van austraq, beslissing eener rechtszaak door scheidslieden) ge-rechtelijko beslissingen ter eerste Instantie lo Dullschland door zelfgekozen gerlchten, waartoe dultscbc vorsten ter beslechting hunner geschillen het recht hebben.

Justria, f. nw. lat. Oostenrijk; Austriae list Imperare Ocfti Univeno, z. A E I O U; — austriacisme, n. een oostenrijksche taalel-genheld, eigenaardig oostenrijksche spraakwending; — Austr(i)omanie, f. lat. gr. de hartstochtelijke Ingenomenheid met nl wat oostenryksch Is-, — austr(i)ophobie, f. afschuw of vrees voor Oostenrijk,

auf—ouf, lat,, óf — óf; o«lt; Caesar, nut nihil, óf keizer óf niets, alles of niets, op of onder; nut vinccre, nut mor/, óf overwinnen óf sterven, de zege of de dood.

Autan, m. fr (spr. n-td/i: provenc. autan, aula, lat. altanus, omdat hü van zee af, nft nlln, waalt) do zuidenwind In /.Frankrijk, die over de Mlddellandsche zee komt.

Autarchie, f. gr. (van autns, e, «», zelf, en drchcin, heerschen) de zelfheerscliappU, zelflieer-schlng; In polltleken zin zegt men daarvoor liever au tok ra 11 e (z. aid.); - autarch, m. de zelfheorscher; —autarkie (gr, autdrkeia, van arkvin, genoegzaam zijn) de zelfgenoegzaamheid, zelfstandigheidautemesie, f, (vgl. cmcsle) Med. het vrywillig braken, b. v. bij den aanvang der zenuwkoorts en by maagkatarrb; — authadie, f, (gr. authadeia, van hndcin, behagen) adj. de zelfgevalllgheid, zelftevredenheid, aanmatiging; — authemérisch (van hêméra, dag) Med, nog op denzelfden dag gebeurende, werkende; — authemëron, n, oen geneesmiddel, dat op don dag van \'1 gebruik reeds werkt. Auteur, z. end. a u c t o r.

Authentic (spr. tie—tsie), f, gr. {authentia) of authenticiteit, f, nw. lat. de machtsvol-komeaheld; de echtheid, geloofwaardigheid, inz. van geschriften; de rechtsgeldigheid, b. v. van eene oorkonde; — authenticum, n. Jur. het oorspronkeiyk stuk; — authentiek, adj. (gr, authentikns, p, dn) echt, geloofwaardig, rechtsgeldig; — authentieke interpretatie, geen twyfel overlatende uitlegging; authentieke k e r k t o o n a a r d, waarin hel gezang zich bewoog tusschen den grondtoon en zyn octaaf; a ut bont lek slot, Muz. slot doorliet domi-nantakkoord In de tonica,

auto, m, sp. en port, (= lat. nrttts) eene openlijke handeling, voorstelling, enz.; — auto-de-fé, sp., of gcwooniyk auto-da-fé, port. m., doorgaans ii., woordeiyk; daad des geloofs (lal, actus fid/i) het plechtige ketter-of geloofsgericht, de terechtstelling der door de ln(|uisiilc veroordeelde ketters, de ketterveriiranding in Spanje; autn sacramental, m,, pl. au/os sneramentnles, sp, geesteiyke schouwspelen ter viering van den heiligen sacramentsdag; aulns al naeimiinto, (van \'t sp. nacimientn, geboorte, geboorte van Christus) geestetyke schouwspelen ter viering van Christus\' geboorte op het kerstfeest.

Autobiographic, f, gr. (van autós, enz. zelf, en blograpble, z. aid.) de elgenlevens-bescbrUving; — autobiographisch, adj, daarop betrekking hebbende; — autochir, ni, (gr, autócheir, van cheir, hand, dus; eigenhandig) een zelfmoordenaar; — autochirie, f, de zelfmoord, zelfontzieling; = autochthónen, pi, (van den sing, autóchtlion, van chthun. aarde, land) 1° uil de aarde geteelde, d, i, uit do planeet de aarde zelf gesproien menschen (?) In legenstel-llng met de schepping van Adam; 2° de inboorlingen of oorspronkelyke bewoners van een land, z, v, a, aborigines; — autoclave, f. gr.-lal, zelfslulter, een zich zelf sluitende pot, de paplnl-sche pot — autocraat, autocritiek, enz,, zie aut okr.,., enz.

auto-de-fé, auto-da-fé, z. ond. auto. Autodicie of liever autodikie, f. gr. (van nulos, enz., zelf, en dike, z, aid,) de bevoegdheid om zich zeiven ten rechter te zyn; eigen rechtshof; — autodidaktus of autodi-dakt, m. (vgl. d I d a k 11 e k, enz.) een zelfgeleerde, Iemand, die geen anderen leermeester in eene kunst of wetonschap dan zich zeiven gehad heeft; — autodidaxie, f. de zelfgeieerdheld, zolfondenvyzing; — autodynamisch, adj. (vgl. dyniimis, enz.) zelfkrachlig, zelfwerkend; — autognosic. f, (vgl. gnosis) de zelfkennis, eigen onderzoek; —autograaf, f. (van lirdphein, schryven) een zelfschryver, eene copl-öermachlne, een nascbryfwerktuig; auto-graphum, n,, pl, autographa, een eigenhandig schryven, eigen bandschrift; ook de eerste, door don schrijver zeiven uitgegeven (origi-necle) drukken nil vroegere tyden der boekdrukkunst, In tegenstelling met de nadrukken; — autographisch, adj, eigonschrlftelUk, met eigen hand geschreven, eigenhandig ; — auto-graphomanie, f, de overdreven zucht tot handschriften, bet jacht maken op autografen, Inz, van beroemde personen -, — autokephalie, f, (v, kephalc, \\\\ooU\\, dus: eigenhoofdigheid) In het kerkreebt: de zclfslandigheld van een bisschop.


-ocr page 120-

1OG AUTOSOMN AMBT ÏLISME

AUTOMAAT

illc ami ficiMi patriarch, enz. ondBrgosclilkt Is; — autokephalisch, adj. (van kephülc, hoofd) woonlelUk: züquot; «\'Ken hoofd hohhondo; onafhan-kclijk, zplfslnndlR; — autokephalos, m. oon lilssdiop in de grleksche kork, die nl(lt;t onder den putrlarrh slaat; — autokratie (spr, lie=tsie), t. (van kratëln, heerschen) de zelfheerschappü, de staatsvorm, waarliU de regent zelf alleen de hevocgdhetd heeft wetten te geven, behisllngen te helTen, krUgsvolk te Iteliten, kortom naar willekeur zonder medewerking van staten of volksvertegenwoordigers te regeeren, onaflmnkelUke maeht; vgl. autarchie; nok do heersehappij der.redo over de zlnnelükheld, zelfhoheerschtng;

— autokraat, m. zetflieerscher, zclfgehleder, onliepaald regeerder; - autokratisch, adj. zelf- of alleenheerschend, onheperkt; auto-kratisme, n. de denk- en handelwijs van den zelfheerscher; — autokritiek, f. (vgl. k lillek) zetflieoordcellnp, lieoordeellng van züne eigen sehrlften, werken, enz.; — autolatrie, f. zelfvergoding; — autolithitömos, m. Chlr. een zelf-stcensnUder, d. I. een werktuig, dat als van zelf den steen in de pisbiaas stuk snydt; — autologie, t. (vgl. logos) Log. elgenHjke rede of taal, in tegenstelling met de flguuriUko; ook z. v. a. autonomie.

Automaat, m. gr. (autnmütns, on, uit eigen beweging handelend, vrUwillig) by do Ouden al wat zich scbynbaar van zelf beweegt, b. v. een uurwerk; thans een werktuig, dat de bewegingen der bezielde lichamen nabootst, zooals de automaten van Vaucanson. (De automaat beet an-droïde, ais bU ten doei heeft, den mensch en eenlge z.yner verrichtingen na te bootsen); iron, een dom mensch, die als eene machine handelt;

— automatisch, adj. zeifbeweegUlk; a u t o-m a 11 s c b e b e w e g 1 n g, oiiwillekeurige beweging in het menscheiyk lichaam, zooals de bloedsomloop; — automatie (spr. tie=lxie), l. en automatisme, n. zelfbeweging, werktuiglijke beweging, zonder dat de wil er dool aan tieefi; hel vermogen, de leer der zelfheweegiyk-heid;ookde zucht om alles uit zich zeiven te leeren; — Automatïe is nok de hynaam der Fortuin, onder welken Timoleon te Syracuse een tempel voor die godin oprii iille; — automa-topoëtica, f. de kunst van uurwerken Ie maken.

Automachie, f. (van au/os, etc., zelf, en machesthai, twisten, strijden) zeifstryd, tegenspraak met zich zeiven.

automatisch, automatie,enz., z. oud. auto ma a t.

Automedon, m. gr. de wagenmenner van .Vchiiles; (lig.) bekwaam koetsier.

automobiel, adj. zich zelf in beweging iircngende.

Automolith, m. gr. een ais oktaëder gekristalliseerd mineraal, ook gahniot geheeten, ktozeischori, zinkboudond spinel (z. aid.)

autonoom of autonómisch, adj. gr. (au/rinonws, on, van au/ris, enz.., zelf, en nrimos, wel) naar eigen wetten levend, zoifsliindig, onaf-hankoiyk, wilsvrü; — autonomie, f. do zelf-wetgeving, zolfregoering, zelfbestuur; l\'hilos. de zedetyke vrybeid of wilsvryheid, eigenwil ; Jur. de onderwerping aan zelfgekozen, iiy verdrag vastgestelde reebtsbepatingen, Inz. Iiy den adel en de sleden; — autonosographïe, f. gr. (v, nösos, ziekte) beschrUvIng van zyne eigen ziekie; — autonyktobatie (spr. iie=lsie], (vgl. nyktobatie), z. v. a. autosomnam-b u 11 s m o; — autopathie, f. (gr. autopatheia, vgl. |i a I h o s) zelfervaring, eigene gewaarwording; — autophagie, f. zelfvorterlng, vermagering door onthouding; — autophilre, f. (van phili-in, beminnen) zelfliefde, eigenwaan; — autophome, f. (van phi\'mos, moord), z. v. a. au t oc blrie (z. aid.); ook Med. (v. plwnl, geluld) auscultatie door de eigen stem des waarne-mendon arts, als hy z.yn oor op de horst van den patient legt; — autophysiotherapie, f.

\\led. de zelfgenezing door de kracht der natuur;

— autopistie, f (van pillis, geloof) de geloofwaardigheid, welke de heilige Schrift in zich zelve heeft; — autoplastic, f. (vgl. plas m a, enz.) woordetyk: zeifvorming; de herstelling van een verloren lichaamsdeel door autoplastiek, f., (1. i. de kunst om het verniel Igd doel door een ander, aan denzelfden persoon onlieend deel weder te vergoeden; — autopragie, f. (van prdssein, handelen) het bandelen uil eigen aandrift, vrye zelfbepaling; autoprosöpisch (van prósöpon, gezicht, persoon) in eigen persoon, persooniyk; — autopsie, f. gr. {uul-npsia, vgl. opsis) de zelfbeschouwing, eigen waarneming; Med. lykopenlng en lykontteding-, tiet onderzoeken van een ziekeenkei door hem te beschouwen ;

— autópt,m. (gr. (iutriplês) een ooggetuige; — autóptisch, adj. uit of naar eigen aanschouwing, mei eigen oogen.

Autor, autoriseeren, enz., z. a u c t o r.

Autorama, n. gr. (v. hórïïn, zien) soori van optica, waardoor voorwerpen als onder de oogen des beschouwers geiiracht worden.

auto sacramental, z. auto.

Autoschediasma, n., pi. autosche-diasmata, gr. (van aulo-scheiliddzein, onvoorbereid iets doen, enz.) voor de vuist gemaakte op-sietlen; — autoschediast, m. iemand, die voor de vuist spreekt, schryft, dicht of iels anders vervaardigi, z. v. a. i m p ro v Isa t o r; — auto-BChediastisoh, adj. voor do vuist gomaaki, z. v. a. geimprovisoerd.

Autoskopie, t., z. v.a. autopsie.

autós épha, gr. by (Pythagoras) heeft (bet) gezegd, (eene uitdrukking, waarmede de pvlba-gorlsten allen tw ist over eene versciiiliende meening beslechtten).

Autosomnambulisme, n. gr. uw. lat. (van autns, zelf, en s o m n a m hulls m e, z. aid.) het van zelf ontstane magnetisch slaapwandelen;

— autotelie, f. gr. (aulotéleia, van auto-lelrs, d. I. etg. zich zeiven voleindend, in zich zeiven voleindigd, zelfstandig) zelfstandigheid, onafhankelijkheid, onvoorwaardeiykhoid (vgl. a h s o I u u I, enz.); — autotheisme, n. (vgl. t li e i s m e)


-ocr page 121-

AUTRICHIENNE

AVAltlE

107

zolfvcrKodlnu, de loor, dat do godheid éon met het menschelUk wezen Is; — autotherapie, f. zelfgenoziiiK door do natuur; — autotype, f. (jr. (vbI. typ us) oen zelfdruk, oorspronkelUko afdruk.

aulrichienne, n l\'aulrichienne, fr. op oosten-ryksche wüze, op zUn oostonrUksch.

autumnaal, adj. lat. (autumnnlis, e, van aulumnmot auclumnus, herfst) herfslachtln, tot den herfst hehoorendo.

aul vinclre, aul mort, z. ond. nu/. Auvent, n. fr. {spr. owaii -, eln. tegen den wind, nl. boschermond, lat. uit ren/urn, n venlo) gchermduk, schutdak tegen weer en wind, In/., voor winkels.

Auvernat, m. fr, (spr. owernd) oen sterke, roode franselio wUn, auvorgner-w\'Un.

Auvesque, f. fr, (s|ir. owesk\') soort nppol-wUn In NorinandlC,

(uw armen, z. ond. orma.

Auxësis, f. gr. (van auxdncin, vermeerderen) Rtiet. do vorgroollng of overdrUvIng, h. v. oe no zee van tra non; Mod. hot toenemen eoner ziekte; — auxometer, ni. de vergroo-tlngsmeter, oen werktuig om de vergrootIngs-krarht der verrokykors to bepalen.

auxiliair, adj. fr. (Int. auxiliaris, e, van umitfum, hulp) helpend, hulphlodend, wat tot hulp strekt, meestal In het krijgswezen; — auxiliair eskader, n. eskader hestomd om In Ned.-lmlli) dienst Ie doen; - auxiliaire troepen, hulptroepen; - auxiliair woord, hulpwoord.

auxitrophisch, adj. den groet hovorde-rend; — auxiphonisch, de stem versterkend; — auxiphotisch, het licht versterkend. Auxometer, m., z. ond. auxesls. Ava, r. zekere hedwolmonde drank op de Sandwlehsollanden.

Aval, m. fr. (gevormd van het lat. ml va Item, naar hot dal, dalwaart», henoden, onder, omdat men de omlerleokenlng, waarmede men zich tot liorg stelde, onder op den wissel schreef) wissel-horg, medoonderteekenlng als horg op wissels; — avaleeren of avalleeren (fr. avater), 1° Inslikken; i0 van schepen: stroomafwaarts drUven of gaan; li0 Kmt. eonon wissel niedo onderteekenen on daarvoor horg hiyven.

Avalure, f. fr. (spr. —tuur\': v. ami, henoden, omdat zo onder aan den hoef van hot paard zit; vgl. aval) ovorhoof, hoefgozwel dor paarden; overvoeding dor kanarievogels.

avanceeren, fr. {maneer, van nran/, ■/.. aid.) voorwaarts doen gaan, vooruitgaan, verder komen, toenemen, vordorlngen maken, bevorderd worden; van oen uurwerk; te spoedig gaan, voor-loopon; ook geld leenen, voorschieten;—avanceerboom, een hcfhooni om het toruggowe-ken afgevuurd geschut wodcr op z.(|no plaats to brengen; — avance, f. fr. (spr. auxins\'). It. ammo (spr. awdnizo) voordeel, winst; voorschot, vooruitbetaling; ook do eerste schrede, het te gemoet komen; In a va nce z ij n. Iets hij een aador Ie goed hebben of In voorschot zUn; a v a n-c es maken, voorkomend zUn, de eerste schrede doen; ;)«)■ «imHcc, vooruit, hij wijze van voorschotavancemént, in. (fr. spr. auianx -maii) het geraken tot booger posten, do bevordering, vooruitgang, standsverhooglng.

Avame, f. fr. (It. amnio, nw. gr. ahania, afpersing, mlshundollng, belastering, valsche aun-klachl, van \'t arah.-lurk. hawmi, verachting, ver-achteiykheld, en dil van \'t arab. hana, vorach-ton, minachten) eene moedwillige beloodlging en beschimping ; Inz. di^ willekeurige geldhelling der turkscbe pasja\'s en lolheamhten van ilo In hunne koopsteden bandelenilo chrision-kooplicdon; Mar, hot vUandoiUke, voi radorlUke overvallen van een schip; Kmt. hetgono men aan eono zaak minder verdient dan to wachten slond.

Avans, f., z. avance.

arnnt, fr. (spr. awaii: uit hot lat. ah ante ontstaan, dus cig.: van voron) voor, eer dan, vroeger dan ; — amnt ta tettre, ■/.. ond, lel/re: — en avanl (spr. an nii\'dn) naar voren, voorwaarts; — avantage, n. (spr. aumntd-zj) hol voordeel, nut, do verbetering; het voorrecht, do meerderheid, b. v. in den strijd; in avantage zyn, den voorrang bobben; - avantageeren siir, awniilazjeeren) begunstigen, hevoordeolen; voor-uil geven, h.v, hij testament; avantageur, m. fr. (spr. —zjeur) Mil. bevoordeelde, iiogun-stigdo, die In tiet leger op bevordering tot oiticlor dient; — avantageus, adj. (spr. - zjéüs: (fr. avantaficux) voordeoiig, gelukkig, imlllg, gunstig;

— avant-chemin-couvert, in, fr. (spr, awahsjemèii-knewèr) Mil. de bodokte buitenslo weg aan den voel van liet glacis; — avant-corps, n. (spr. awdiikAr) de voorop geplaatste krygshendo; Arch, hel vooruitgebouwde, voorgebouw ; avant-cour, n. (spr. awdiikoer) voorplaats, voorhof ; avant-coureur, in. (spr. awdiikoereur) de voorlooper, voorbode, voor-draver; — avant-fossé, m. do voorgraebt, buitonsto vestinggracht; —avant-garde, f. de voortroopen of de oorslo linie eens legers, de voorhoede, voorwachl; — avant-logis, n. (spr. awaiitozjie) woning In \'I voorhuls; — avant-main, f. (spr. —me//) de voorhand;

— avant-patrouille, f. (spr. awairpatroe/j\') de voorste wnebt; - avant-propos, n. (spr. awaiipropó) de voorrede, het voorbericht van eon boek, voorwoord; — avant-scène, f. (spr. amaiisèn\') het voortoonooi, de voorgrond van oen schouwtooneel tusschon \'I orkest en \'I gordyn.

Avanturino, 11., zie aventnrlno; — avantureeren, avanturier, enz., z, ond. a vent u u r

avdnzo, it., z. avance, ond, avancooren,

Avane, f, fr, (Ital, avaria, hoil. havery, van haven, fr. hAvre, dus eig. havengeld) ook averij, haverij, f. Kmt. de zooschade aan schepen en hunne lading op de reis; gewone a very, allerlei gewone scheepsonkoston: haven-, loods-, haken-, liggeld, enz.; buitongowono avory of a very-gros {(r. avaiie grosse), al wat by gevaar tot behoud van schip en manschap overhoord wordt geworpen, het verlies van ankers,


-ocr page 122-

A VAU L\'EAU

AVIARIUM

108

zeilen, enz,, hot kappen der ankers, het stranden, enz.

a mu l\'euu, Ir. (spr. a wn In) elg, stroomafwaarts; verydeld, tot damp, lot nlels vergaan.

ave of Anre, lat. wees gegroet; nvèto, moge God n hehoeden (als slot gebezigd la hrloven); dec pin anima, vaarwel, vrome ziel (groet aan afgestorvenen); — ave Maria, n. (ook enkel ave) woordelijk: gegroet zyt gy, Maria! de engelengroet aan ile maagd Maria, Lue. I. 48; een klein (ormuller-gebed der K. Kath., hevattende die engelengroet; een ave Maria hidden, het golied opzeggen, dat als formulier door AI-hert van Padua het eerst In gehrulk werd ge-bracht; z. ook a m e r U; (Hal.) het einde van den dag, aangegeven door klokgelui dal tot dll gelied oproept.

adcc, fr. (spr. awék: v. oud-fr. nh = lat. apud en nc = lal. line, dus oorspr. hy of met dit) niet; nticr la letlre, z. orul. leihca vee permission, z. ond. p e r m 1 s s 1 e; avec accompagnement, fr. Muz. met hegeieidliig, met accompagnement.

Avellan0noiavellinen,f. pi.ilal. (slng. aeelldnu, pi. avellane, van \'t lal. nuees AreUanne of Jeellinae, naar A v e 11 a, eene stad In Cam-panle, nu A vol II no) grooto hazelnoten, lam-mertsnoten.

avelleeren, lal. [aeellere) af-of losscheuren.

Ave Maria, ave.

Avëna, f. lat. haver; a. decorticïïla, ha-vorgort.

avenant, fr. (spr. aw\'nnii; van avcnir = lal. advenire, eig. naar toe komen; voorvallen, geheuren, enz.) zich bevallig, goed voordoende; gepast, geschikt; — d 1\'avenant, of naar avenant of advenant, naar verhouding, naar evenredigheid; overoenkomstig; — non avenüs niet geschiedt, ongobeurd; — avenue, f. de loogang tol oene plaats, voorplaats, opryiaan, inz. in engelsche parken; de laan, dienaar het kasteel leidt.

aventureeren, aventurier, aven-tureux, z. ond. a vent u u r.

Aventurien, n. of a v a n I n r I n o, m. (fr, avenlurine, II. avenlurina, van avenlura, geluk, toeval, wegens de toevallige uilvinding zon genoemd) eeno snort van gekleurd glas, waarin men tgdens don gesmolten toestand kleine deeltjes of ioovortjes eener motallischo compositie uit koper en yzer heeft gemengd; oene compositie met goudpoeder, dat men op vernis of gesmolten glas werpt, glimmerstcon; — natuurlijke aventurino, goudglassteen, regenboogsteen; oene variëteit van kwarts of veldspaalh, met kleine schittorende punten bezaaid ; — aventurienverf, f. oen het aventurino naboolsonde, met metaalloovettjes gemengde lak,

Aventuur, n. (fr, aventure, van \'I mid, lat. avenlura, on dll van \'I lal, advenire, fr, avcnir, naartoe komen, gebeuren) of minder goed a v o n t u u r, oen zeldzaam, zonderling, vreemd voorval, eene zonderlinge onlmooiing, gobeurle-nis; bullenkansje; een gewaagde handolsonder-noinlng; — d l\'aventure, fr. (spr. alawahtuür\') op goed geluk af, In den blinde; — aventureeren, a v o n t u r e n, to ver gaan, zich blootstellen. Iets wagen, op het spel zetten; — aventurier, m. (fr. spr. awaiUu-rje) een a v o n t u r 1 e r, geluksridder, waaghals; een par-tygangor, vrybulter, sluikhandelaar, zwendelaar, In \'l algemeen Iemand, die zonderlinge onlmoe-lingon by kwaiyk of niet berekende uitkomsten gehad lieefl of zoekt; — aventureux, adj, (spr, awaiitureu), avonluiiriyk, wonderlijk, vreemd, gewaagd; — avontuurschip, n. een gewapende koopvaardijsmokkelaar.

Avenue, z. ond. a v e n a a t.

« verbis ad verhUra, z. ond. verb u m.

avére il granc/iin nella scarcella. Hal, de kreeft in den geldbuidel hebben, d. 1. gierig zyn, bang zyn om de hand In den zak Ie stoken, alsof er oen kreeft in zal, die n knijpen zou.

Average, f, eng, (spr. cwwcredsj\') Kuil, do schade die een met koopmansgoederen bevracht schip onderweg lydt en de evenredige bydrage der belanghebbenden tot de schadevergoeding,

Avereeren, fr. (avérer, v. lat. verm, a, urn, waar) bewaarheiden, bewyzen.

Avérnus, m. tat. (sell, lacus) het melr van Averno, in de nnbUheid van Cumio in He-nedoii-ltalie, welks verpeste uitwasemingen de daarover vliegende vogels doodde, waarom de Ouden zich don ingang tot de Onderwereld in de nabyheid van dit meer voorstelden; Poel. uok -. do Onderwereld zelve; — avernalisch, adj. helsch; allerpyniykst.

Averrhoë, f. (door Linnens dus genoemd Ier oere van den arab. geneesheer Averrhoft) Bot, oen Indische boom met langwerpig ronde, zuurachtige, smakeiyke vruchten, dioliilimbi hooien,

Avérs, m, (uit het Hal. avvérso = lal. adversus, loogokoeril, pars adversa, de toegekeerde zyde; vgl, adversus), de voorzyde, kop-of boeldzyde van eene munt, in tegenst. met rovers.

Avérsie, f. lat. (nversio, van uvertüre, afwendon, afkeer, tegenzin, afschuw, walging; — aversie-handel (lat. emtio per aversionem, d. i. elg. koop met afwending, zonder nauwkeurige bezichtiging) een koop by den roes, dooreengeslagen, hot oen door het andere ge-rekend; — aversum of aversaalquan-tum, n. de som waarvoor Iemand oen zaak schikt, van Iets afstand doet; som waarvoor men lots by den roos koopl, gemiddelde vergooding,

averteeren, avertissement, z, advert eer en.

aveto, ■/.. ond. ave.

Aveu, in, fr. bekentenis, toosiemming, goedkeuring,

Aviarium, n, lat. (van avis, vogel) vogelhuis; — aviceptologie, f, do leer van bot vogelvangon; — avicinium, n, lat. Muz. vogelgezang, een verouderd orgelregister.


-ocr page 123-

AVIDITEIT

AXUNG1A

109

Aviditeit, f. lat. (avidïlas) de gretigheid, begeerte, hebzucht.

Avignon, f. fr. (naar ile stad A v I g n o n l)enoenid) eeno lichte soort van transcbe taf, voerlngzllde.

avileeren of avilisseeren (fr. avilir, van t)i(=lat. vilis, laag, gemeen) verachtelijk maken, vernederen, schenden, ontecien; — a-vilissement, m. (spr. li-s\'-mdn) de vernedering, de verachtclUke staat.

Avineeren, fr. met wijn bevochtigen. Avis, aviso, aviseeren, z. ond. a d v 1 e s. Avis, eene geestelijke ridderorde In Portugal, Ingesteld in 1147 door Alphonsus 1, dus genoemd naar de stad Avis.

o wsft). It., z. vista.

avitailleeren (spr. aimlutj—) fr. {mi-taillcr, ontstaan uil avictmiller, van victmilk, levensmiddel, van \'I lat. victmlis, vlclualia, vgl. victm, enz.) van levensmiddelen voorzien, spijzigen, z. v. a. p r o v I a n d e e r en;— avitail-lement, n. (spr. —man) ook avitaillee-ring, f. do verzorging van levensmiddelen.

Aviticiteit, f. barb. lat. (v. lat. avitus, a, um grootvaderlijk) hel oude recht van het onveranderlijk familiebezit In Mongarye, volgens welke de goederen slechts In den vorm eener verpachting konden verkocht worden, sedert 18«:) afgeschaft.

avilum bonum, z. bonum.

Aviveeren, fr. helderder, glanzlger niii-ken (geverfde stolTon),

a voce sola, z. voce.

Avoeasserie, f. fr. (v. nvocal, advocaat) rechtsverdraalerU, advocatenstreek.

avoceeren, lat. (avocSre, vgl. voceeren) terugroepen, terugeischon, afvorderen; iirncén-lur acla, de stukken /ijn terug to vorderen; — avocatie, f, (spr. l—ls), de terugroeping, opvordering h. v. der stukken, welke de rechter naar den boogeren recbler zenden moet; — avocatorium, n., pl. avocatoria of avocatorïën, terugroepingshrlof, waarbij een souverein /ijne onderdanen uil bultenlandscben dienst terugroept.

Avogato-boom, m. oen hoogo westln-dlsche boom (La u rus por sea).

avoir, fr. (spr. awoAr, van \'t lat habere. Hal. avére) hebben; het te goed of credit (in fr. koopmansboeken) actieve schulden; avoir-du-pois, n. eng. (spr. eweriljoepnïs; v. fr. avoir du poids, (oud.fr. /wis], het [vastgestelde] ge-wlchl hebbon) hel zware liandelsgewlcht in i\'.n-geland, de centenaar [hundredweight of cenl-weinlit, verk. rwl.) van 112 pond {pound z. aid.) = 80,8024 kilo, In Noord-Amerlka op sommige plaatsen h. v. Ie New-York, alsmede In de stalen Massachusetts, Connecticut, Texas slechls van 100 pond = 4»,31t03 kilo.

Avoisinement, fr. (spr. awoazinemaii), aangrenzen, nahuurschap; — avoisineeren, aangrenzen.

Avontuur, enz., z. a vent ure. Avortement, n. fr. (spr. —mdü) ■/.. v. a.

abortus; — avorteeren, z. v. a. aborteer e n.

Avoué, m. fr. (spr. awoe-d, van \'t lat. advocalus) een ambtenaar, hij rechtbanken en gerechtshoven aangesteld, ten einde de procesvoerende partyen In rechten te vertegenwoordigen en de noodzakelijke acten in den vorm op te maken; onder liet voorin, fr. recht werden zulke personen procureurs geboeten, en dien naam hebben zij hij ons tegenwoordig recht behouden; voorbeen ook een voogd over kerkelijke goederen, z. patroon.

avoueeren (spr. awoe—), fr. (avouer pro-venc. uvoar, lat. advotare, v. ud en votum, gelofte), bekennen, erkennen, belijden, toestemmen.

a vous, fr. (spr. awoe) aan u, uw beurt (bü het spelen); uwe gezondheid, uw welzijn (hij het drinken).

Avoyer, m. fr. (spr. awoujé) ook advo-yer, (lat wellicht advocatarïus, v. ndvocare, aanroepen) -, titel der twee eerste regoeringsper-sonen In ile zwltsersche kantons Bern, Lucern en Solothurn.

a vue, z. ond. vu.

Avulsie, (spr. s=j) f. lal. (avulsio) de af- of losrukking.

Awret-basar, m. turk. (v. perz.-turk. awret, awrat, vrouw en dit van arah. awrat, rima, pudendumvgl. bazaar) de vrouwenmarkt te Conslantlnopel.

Axenië, f. gr. (v. u priv. en xénos, vreemd de vreemde, de gast) ongastvrijheid (/,. v. a. I n h o s p 11 a 111 e 11); — axénisch, ongastvrij.

Axilla, f. lat de okselholte; —axillair, wat op ile oksels betrekking beeft h. v. axll-lalre klieren, okselklicren (lat. axillares).

Axiniet, m. (van hel gr. axinr, bijl Min. de bijlsteen, eene bUlvormig gekristalliseerde steensooi l van bet kiezelgeslacht; — axino-mantie (spr1. l=ls, f. gr. waarzegging uil hijlen, waarby men eenen agaat op eene gloeiende hyi lelde.

Axioma, n. gr. {axioma, van uurioen, daarvoor houden, erkennen) eene erkende, klaarhiy-keiyke, aanschouw eiyke, onbestreden, onloochenbare grondstelling, die geenerlel bewys behoeft; eene eeuwige waarheid; — axiomatisch, ailj. aanschouwelyk, zeker, uil zlcbzelve bewezen, onloochenbaar, eeuwig waar.

Ax\'iometer, m. lal. gr. (v. axis, as) Mar. roermeter, een klein werktuig, dienende om de bewegingen van de roerpen aan te geven. Hot wordt tegenwoordig weinig gebruikt.

Axiopistie, f. gr. (van dxios, a, on, waard, waardig, en pislis, geloof) de geloofwaardigheid, echtheid van een geschrift.

Axoïde, f. gr. de tweede halswervel.

Axónen, pl. gr. {axönes) houlen wettafels In Griekenland, die om eene as draalden en waarop de wetten te lezen waren.

Axonometrie, f. de asmeting in meetkunstige lichamen; — axonomótrisch, daarop betrekking hebbende.

Aximgïa, f. lat. (van axis, as, en un-


-ocr page 124-

AYA

B

110

Hire, zalven, smeren) eij,\'. as- of wagensmeer; Med. tn \'t alBomeen vel, smout.

Aya, r. sp,, aja, (11. (v. imsklsch-lberl-sehon oorsprong) hormeesleres, opzichtster; — ayo, ajo, m. hofmeester, bestuurder.

Ayacuchos, ngt;. pl. sp. (spr. ajakoelsjoos] scheldnaam der vroeger In Spuansch-Amerlka gestreden hobtiende, later in Spanje comman-deercude generaals; ook de door tingeland ondersteunde militaire parlU gedurende het regentschap van Espartero.

Ayema, f. nw.lat. zoo geheeten naar den hertog van Vyen, besehermbeor der botanica), eene plant uit West-indlB, die hij ons In broeikasten wordt geteeld.

Aypnie, f. gr. (van a prlv. ca hypnos, zie aid.) slapeloosheid; — aypnisch,adj. slapeloos.

Ayuntamiénto, m. sp. (spr. ajnent—, v. uymtar, vergaderen) de gemeenteraad cener stad, stadsraad.

Azala, f. eene zoor scboono soort van meekrap In het oosten tot het verven der turkscho garens; — azalo, f. kleurstof in de meekrap.

Azalea, f. nw.lat. (van \'t gr. azaléos, a, on, dor, droog, omdat deze struik een drogen grond verlangt) rotsstruik, eene familie van heideplanten, die meest buiten Europa wast, en waarvan verschelden soorten als pronkgewas-sen In de tuinen gekweekt worden.

Azaróle of azeróle, r. (fr. azarole, me,-rote, Sp. acerola, oudsp. ataralla, van \'t arab. nz-zoeroer, de mispel; ook lazer oio, z. aid.) de mispelpcer, eene kleine roode, zure kern-vrucht, van dc grootte en kleur cener kers, eene der kleinste poersoorten in Z.Europa.

Azem-Oglam, turk. (kinderen der schatting) weleer quot;mi in bel serail tc Constantinopel opgevoede kinderen, die later lot verschillende diensten gebruikt werden.

Aziarch, in. gr. rogeeringspersoon in zekere sleden van Azlö, bekleed met het tiooge-prlesterschap en hel recht van voorzitting bü de gewydc spelen, die door dc gezamenlijke gr. steden van Azic werden gevierd; —aziatisme, n. nw.lat. aziatlsche (oostersche) taalelgenheld cn schrljflrant; gezwollenheid en nuttelooze woordenpraal ccncr rede.

Azimuth, n. arab. (van as-soemoel, dc wegen, pl. van n.i-xami, de weg; vgl. zenith) Astron. de loppuntshoek, dc boek, welke de loodrechte cirkel cener ster met den middagcirkel cener plaats maakt; — azimuthaal, adj nw. lat. toppuntshoekig, wat den toppuntshock betreft, 1). v. azi mu tba al-w Uzer, azimu-t baal-c 1 r k e I, enz.

stzione sacra. Hal. Muz. een drama van gees-teiyk muzikale soort.

Azobenzoïde en azobenzoyl, n.

Chem. twee organische verbindingen door inwerking van ammoniak op ruwe bittere-aman-delollo gevormd

Azoödynamie, f. gr. (vgl. zoüdyna-m i e) Med. de verminderde levenswerkzaamheid, krachtafneming-, — azoögenie, f. de voortbrenging van bet levenlooze en de leer daarvan.

Azóres, pi. dikke, langharige, naar hc-vervellcn gelUkendc stollen uit Hohemen.

Azoth, azoch of azock, n. Alch. de grondstof der metalen, het algemeen geneesmiddel of panaceum van !gt; a ra celsus, welks samenstelling men niet kent; later is die raadselachtige benaming ook toegepast op bet gele koper cn andere metaalverblngcn; hel kwik; dc steen dor w(|zen.

Azötum, n. (uit het gr., van o prlv. en itzau, ilzo, leven, dus: waarin men niel kan leven) do stikstof, dc stiklucht; — azótisch, adj. stikstofhoudend; azotiseeren, (spr. s=i) met stikstof bezwangeren, verzadigen; — azotometer, n. sllkstofmeter, een toestel ter bepaling van bet ammonlakgehalle In de teelaarde. Azraél, m. de doodsengel des Arabieren. Azteken, in. pl. een amerik. volksstam, die bet ten tyde van Cortez bloeiende Mexl-eaansebe rijk gesticht had cn regeerde.

Azumbre, m. sp. (v. \'1 arab. as-soemrot as-suebr, dc rand van een vat, en vandaar een lot den rand gevuld vat, eene kan, eene spaan-sche vochtmaat, ongeveer = 4,11172 liter.

Azuur, n. (fr., provenc. en oudsp. uzur, ii. azzurro, azzuolo, sp. en port. uzul, van \'1 perz, Uidsjuward, de lazuursleen, de blauwe kleur, ladschnumrdi, hemelsblauw); vgl, lazuur) dc blauwe kleur des hemels, hel hemelsblauw; ook kobalt, een half metaal, waaruit men eene schoone donkerblauwe verf bereidt; azuren, adj. naar \'t azuur gelijkend, hoogblauw, hemelsblauw; — azuriet, n. soort blauw-spaath; — blauw koolzuur koper.

azygisch, adj. gr. (van dzyqón, juk) zonder juk; ongepaard; — azygïe, f ongepaardbeld.

Azymon of azymum, n. gr. (van a prlv. en dzymc, zuurdeeg) ongezuurd brood; — Azymieten, m. pi. Christenen, die bü bel avondmaal o n g c z u u r it h r o o d gebruiken. Dus werden de Kalboiieken door de grieksclie Christenen genoemd, die enkel gezuurd brood bezigen. Dc Grieken kregen daarvoor van de Latijnen den naam van Prozymlelen.


B

B (als oud-romelnsch getal), driehonderd; — B (al s oud-roinelnsch getal), driehonderdduizend; - II. of h = bealus of beata, de zalige; — b. (In dc muziek) teeken dat een noot een halven toon verlaagt ; — II. (In de muziek), basso, laagste stem of bas; — II. A. — llachelor of arts, eng. Bac-


-ocr page 125-

B 111 BA BLAH

( uluiii eus der vrge kunsten; up roraclnscho inun-ton en opsclirKten = bonis ampiciis of bonis avi-hus, cl. 1. onder goede voorteekenen; —lee-kun in de muziek, dat oen noot i halve tonen verlaagt; — b. b. — bene, bene, zeer goed; — b. c. of II. C. = basso continuo, doorgaande bas; ook balnüum cimris, een aschhad; — II. c. 1). — bono cum Deo, met den goeden (lod, met (iods genade; — Beo. = bunco, (■/.. aid.); — II. U. -= Bachelor of Divinity, eng. Haccalaureus der godgeleerdheid; — II. 1). I). = bonis diis deabus-i/ue, aan de goede goden en godinnen; H. E.bene est. — B. 1.. = benevule lector, toegenegen of welwillende lezer; — II. M. of b. m. — bealae memoriae, zaliger gedachtenis; o«k = bene mis-ccatur, wel onderoen gemengd (op recepten); nog = balneum maris, een zeehad; —11. P. /■\', (op wissels) = bon pour francs, goed voor (zooveel) franken; — br. m. = brevi manu-, — br. = hroc-der(s) vrijmelselaars, tielüders van een geloof, enz.; — /«o = bruto (z. a.); — b. tr. = bene Irilum, wei gewreven (op recepten); — II. = bcalu virgo, de iieilige maagd; bealae virginis, van de heilige maagd (Maria); ook = balneum va-püris, een dampbad; — b. v. = liij voorbeeld; IV w. = Uurgeriyk Wetboek; — chemische tee-kens z(jii; tl = Borium.- — /(« = Karyim: — Be = Beryllium: — Bi = Blsmulhum; — Br. — Bromium.

B, up munten bet. voor frankrijk de munt van Komuin; voor OustenrUk; Kremnltz; voor Pruisen, vroeger; Breslau, later (en In het Dultscho ryk): llanuver.

Baal, m. hehr. {ba\'al, eig. heer, de machtige) ook Kal, Kei, Be lus, een god der PiKPiilciers en Kananleten, uuk der Hebreen len igde van Manasse, waarsch. de zunnegud, v. a. de planeet Jupiter; Juodscb; de man, echtgenuut; — Baal-Berith, hesciiermgud van Berylus, symbool der winterzon; gud der verhuilden en verdragen ; - Baal-Gad, god van het geluk, der fortuin; —Baal-Peor, godheid der Moabie-ton, ter wier eere de maagden zich prUsgaven;

Baal-Sebub, Beöl-Zebub, die de vliegen verdrijven moest, heer der hooze geesten. Satan;

Baal-Zamen, heer des hemels, de IMkimiI-cische zonnegod; —Baal-Zephon, gud der noordelUke gesternten; — Baals-priester, eig. een priester van den god Baal; een onwaardig, liederlijk, lui geestelijke. (Met Baal zün vele habylunisehe, plKi\'iiicisehe en karibaagsche namen samengesteld, h. v. Hannibal, As druil al, enz.)

Baanderheer, z. bannier.

Bailnieten, pi. manicheesche secte der Ode eeuw.

Baar, m. (van \'t mal. bahdroe, nieuw) Mar. een nieuweling aan huurd, een nog onbevaren matroos; een iiuropetór, die voor het eerst in Oost-lnditi komt, aldus genoemd in tegenstelling met een oud-gast.

Baartse, f. Mar. soort van oorlogschip, ten onzent weleer in gebruik.

Baaras, f. Bot. eene plani uil het dal Ma-cheron in Judea, welke, zegt men, dengene doodt, die haar onvoorzichtig aangrijpt.

Baat, n. een chlneesch gewicht van ongeveer IB ii 1(1 gr.

Bab, arab. deur, puurt, vorstenhof, I). v. bab-el-mandeb, tranenpoort, poort der rouw; — Mylh. perz. vader, z. bilb-secte.

Baba, m. perz.-turk. (bahd) de vader; — baba-khan, de vader des koidngs, inz. als eeretitel van aanzienlijke geosieiUken, b. v. bnba nastbi.

Bab al Zokak, arah. poort der straat, de straat van Gibraltar.

Babax, m. gr. babbelaar, zwetser; schreeuwer.

Babbit-metaal, n. een naar den uitvinder aldus genoemd metaal, bestaande uil dee-len tin, i deeien anilinunium en l),S deel koper.

Babel, n. hehr. (babcl, volgens den bybei, z. v. a. verwarring, maar eig. woning van den Baal) de oude stad Babyion aan den Kuphraal in AziC, die sedert de habyionische gevangen s c h a p dor Joden als oen beeld van goddeloosheid, zedebederf en overmoed werd beschouwd; vandaar in \'I algemeen voor eene groute stad ais zetel van uitspattingen en wanbedrijven; ook voor verwarring (met toespeling op de habyionische s p r a a k v e r w a r r i n g volgens hel hybeisch verhaal); soms ook ultscbot, gebrekkige waar; — babelmannen, onruststokers, oproermakers; — babyloniër, m. in het oude Kome ook sterrenkundige en sterrenwichelaar; — babylonische vellen, In de wapenkunde: hermeiynveiien; — babylonische uren, zulke uren, die van zonnenopgang af geleld worden (in \'t Oosten gebruikelijk).

Babette, f. fr., z. v. a. Barbara.

Babi of babisten, pi., z. b.i b-secl e.

Babiche, f. fr. (spr. habidsj\'; waarsch. vuur barbiche, v. barbe, haard) een klein ruigharig hondje, schuolbondje.

babiileeren (spr. babi-Ij\'—), fr. (babiller) baiibeien, praten, snappen, kakelen; — ba-billard, m. fr. (spr. babi-ljdr) een babbelaar, snapper, kakeiaar; vr. babillarde.

Babinen, pi. russische bruine kallevellen, welke lui pelterij dienen.

Babinïsche republiek, naam van ge-zeischap Ie B a b 1 n e In Puien (l\'nle eeuw), waarin men slechie gewuonlen op allerlei vernuftige wijzen zocht helaclieiyk te maken.

Babiólen, f. fr. (it. bdhbola, kinderspeelgoed, kindergrappen) speelgoed, kinderspel, beuzelarijen, kleinigheden, vndderyen.

Babiroessa, m. mal. (van babi, zvVyn, en roesa, hert, ree, enz.) het zwynherl of hooruzwyn op de Moluksche eilanden {Sus babirussa).

Babka, m. (hnng. Imhka: eig. hot boontje; verkiw. van bab, de hoon) een koperen penning of heller in Hongarye.

Babki, pi. russ. (v. biibka, kootje) een spel van den gemeenen man, hel kootspel.

Bablah, m. (perz. babil, eene soort van mimosa uf zinkruid) de bast of schaal van de in-


-ocr page 126-

BACULUS

112

BABOE

dlsclic nencla (Acacia indica of Mimosa cineraria), die rijk linn looizuur imi üoiii Is, oti In de loolcry, de schilderkunst en ook als geneesmiddel «e-liruikl wordt.

Baboe, in. een Indische tltol, z. v. a. heer, clg. vorst; — baboe, f. jav. on mal. voedster of minne van een kind, oppasster, kindermeid.

Babósjes of ha hoesjes, f. pl. (fr. habou-rhes, van het perz. papoesch, paboek) eeno soort van turksche schoenen, overschoenen, pantoffels met achterstukken.

Bab-secte, f. of babis, pl. een door Mullah Sadlk uit Schiras in IHM geslichte, van den Islam afvallige godsdienstige secte (waarsch. van perz. bdb, vader en vuur, dat door de Magiërs ais de vader aller dingen vereerd werd).

Baby, eng. (spr. bébi) klein kind, pop.

Babylonisch, enz., z. ond. ha hel.

Bac, m. fr. (v. celt.-armor, buk, bag, hark, hak, plat schip) veerpont; teerschult; schouw; vergaarbak voor hronwater.

bacca, f., pl. boccae, lat. hezlen, hessen; — bacciférse, f. pl. hesdragende gewassen; — baccifórm, nw. lal. hesvormlg, hesachlig.

Baccalaureus, m. mid. lat. (daarnaast in oude oorkonden ook bacularius, bacillarius, dus \'t zü afgeleid van hel lat. bacca laurfu, laurierhes, alzoo clg. een gelauwerde; of van ba-cii/os, verklw. bacillum, slokje, staf, als eere-teeken) een geleerde, welke de laagste der academische waardigheden verkregen heeft (In opklimmende volgorde: haccalaurens, llcenllaat, magister, doctor); — baccalaureaat, n. de waardigheid van baccalaureus.

Baccana, f. Ital. (v. Ilacco, Bacchus) ge-meene kroeg of wUnhuls.

Baccarat, n. fr. (spr. —ra) het meest verspreide hazardspel der Kransehen.

Baccharis, f. nw. lal. (v. \'t gr. bdkkaris, bukcharis) hot. een pronkgewas uil Peru met witte schennhioemen.

Bacchettone, f. Hal. (spr. cck=kk) fijnvrome, schlinhelllge, kwezel, femelaar.

Bacchionieten, m. pl. zonderlinge wijs-geeren der oudheid, die de hoogste minachting van de wereidsche goederen leerden.

Bacchus, m. lal. (gr. Bdkchos) Myth, de god des wijns, de wyngod, zoun van Jupiter en Semclê, In \'I gr. ook Jakchos en Dionysos gehee-len; ook de wijn zelf; een grool wgndrinker;— bacchanaal, n. lat., pl. bacchanaliën (lat. llacchanaCfa), feesten aan Hacchus gewijd; drinkgelag, zulppartU; ook drinkliederen;—bac-chanalisch, adj. feest- en drinklustlg; — bac-chanaliseeren (spr. s=z), (v. lat. bdchans, doeiw. v. bacchari, het Itacchusfeesl vieren) zich v(d drinken, uitgelaten feestvieren; — bacchanten en bacchantinnen, priesters en priesteressen, vereerders van Bacchus, hij do viering van zün feest; wijnzuipers, zwelgers; In de tide— Klde eeuw: rondtrekkende studenten, reizende scholleren, Inz. de oudere ruwe studenten op de duitsche universiteiten (het legengesl. van penna al, z. aid.); — bacchantisch, adj. dronken, razend, door den wijn bezeten; — bac-chïën, pl. gr. Med. roode pulsten in het gelaat der dronkaards, wijn-, Jeneverpokken; — bac-chïus, m. gr. (baccheots) oen versvoet van drie

lettergrepen, eene korte en twee lange ( —--),

b. v. ka nonsc hol.

Bacciféra, baccifórm, z. harm.

Bachelier, m. fr. (spr. hasj\'Hé) en bachelor, m. eng. (spr. bétsj\'ler), z. v. a. baccalaureus, z. a.

Bachmatten, pl. (pooisch bacmals) podo-lische paarden met lange manen en zeer harde hoeven.

Bachot, m. fr. (spr. ba-sjó, verklw. van bac) kleine veerpont, schouw; — bachoteur, m. fr. (spr, c/i=sj) veerman.

bachschisch, z. baksjisch.

Bachur of Bacher, behr., in \'tjoodsch Bocher, m. (v. \'i bebr. bachur. Jongeling, eig. de gerijpte, v. bachar, rüp worden) een Joodsch student, die zich op de studie van den talmud toelegt; In \'I algemeen een Joodsch welkenner en leeraar.

bacillum, n. lat. (verklw. van bacülim), pl. bacillen, staafjes, kaarsjes; ook zeevenkel; Pharm. allo toebereidingen van dun, langwerpig ronden of rolronden vorm; — Noporiaan-sche bacillen, Arith., of Neperiaan-sche staafjes, de staafjes, door baron N e-per uitgevonden tor bekorting van de vermenigvuldiging en deeling der getallen; — ba-cillarïën, pl. nw. lat. (bacUlarta) stofdiortjes, draadhacterlen, eene soort van infusie-diertjes; ook de huitossen bij de Hottentotton.

Bacino, Hal. (spr. c—hj) korenmaat op Cor-sika, ----- 8,Ji liter (de slajo of schepel beeft 2 mez-zini van ü baccini).

Backgammon, n. (^ng. (spr. bekgémmên) zeker Iriktrakspei, dat met bet toulc-lahlc dor Franschen overeenkomt.

Backwardation, eng. (spr. bek-ocardéé-sjen) hy den clfcctenhandoi de renten, die de ver-kooper nog moet dragen.

Backwoods, n. pl. (Mig. (spr. békwoeds van back, terug, achterwaarls, en wond, woud, bosch) achterwouden, d. I. de oorspronkeiyke wouden en onbebouwde landeryen, In\'t westen der Vereenlgde Staten van N.Amerika; — backwoodsmen, m. pl. de aldaar wonende blanken, die den grond bebouwbaar maken; vgl. squ att e rs.

Baclage, f. fr. (spr. iie=zj\') haven- of liggeld der schepen; — bacleur, m. havensiuiter.

Baconisme,n. de wysbegeerte van F ra n-c I s B a c o; — baconist, in. een aanhanger dier wysbegeerte.

Bactérium, n. nw. lat. pl. bactériën (v. gr. baklerion, verklw. van baklêria, baktron, = lat. baculum, eig. staafje, stokje, een draadvormige soort van Infusie-diertjes; — bactë-risch, wat op de bacteriën betrekking heeft.

bacillus, m. lal. (oorspr. gewoonl. bacitlum), n. stok, staf-, n baculo ad angiilum besluiten, eig. van den stok of de z.yde (eens driehoeks) tot


-ocr page 127-

BA DAM

113

BAH IA

den hoek beslullen, d. I. eeao ongorOmdo «cvoli?-trokklnK maken-, baculusslal in angulo, ergo pluil, do stok slaat In den hoek, dus het regent (Insjte-lüks als voorbeeld van ongerymde gevolgtrekking); buculus as/ronomïcus, in, de Jacobsslaf, drie ongeveer In rechte lyn staande sterren In don gordel van Orion; h. pustorSlis, de bisschopsstaf, kromstaf, herdersstaf; — bacularisten, in. pi. eene soort van anabaptisten, die geen ander wapen droegen dan eenen slok, stokkedragers; — baculiitie (spr. t=ls), f. afrossing met den stok; — baculometne, f. lat. gr de stok-of staakmeting, de kunst om met staven, meetroeden, enz, zoowel toegankelijke als ontoegankelijke Itynen te melen.

Badam, m. perz. (bailam, amandel) bittere amandelpltten, die in Achtor-Indlii als pasmunt gelden, ongeveer = ^ cent.

Badaud, m. fr. (spr. badri) een onnoozele hals, een bloed, uilskuiken; — taadaudeeren (fr. badouder), aangapen, zich lummelachtig aanstellenbadaudage, f. (spr. badn-dd-zj\') of badauderie, onnoozelheld, malligheid, zotheid, domheid.

Badiaga, f. (i uss. bndjdga) soort van spons in de binnenwateren van Uusland (Siiongitta).

Badian, m. perz. [badjdn, venkei; anijs) do steranijs, een kruidig zaad uit Oost-Indie, China, Siberië, enz., dat don smaak van anys heeft, omgeven door een hulsoi van den vorm eener zovcn-strallge ster, waarschUniyk van de Illicia, oen boomachtige struik met zeer schoon aschgrauw, ais anys riekend hout.

Badigeon, m. fr. (spr. —zjóh) soort van muurpieister uit gips, steenmortel en heeldhou-werslUm; — badigeonneeren, mot dat pleister bestryken.

badineeren, fr. (badiner) schertsen, boer-ten, kortswyion, beuzelen; Iemand voorden gek houden, plagen, beethebben; — en badi-nant (spr. aii badindü) schertsenderwijs, uil joks, uil kortswyi; — badin, m. (spr. badi/\'i) oen spotvogel, grappenmaker, potsenmaker, boertige snaak; vr. badine, beteekenende dit ook een dun wandelrietje, spoelrottlnkje, een ry-zweepje; — badinage, f. (spr. —iid-:j\') vroo-iyke scherts, kortswyi, boertery; — badine-ne, f. zottigheid, malligheid, boertigheid, moedwillige scherts; kluchten, grappen, enz.

Badinguet, scheldnaam van Napoleon III, naar den metselaar, in wiens kleeding hy uit de citadel van Ham ontvluchtte (1810).

Badister, m. (v. gr. bmiidzein, loopon, gaan) loopkever.

Badjoe, mal. opperkleed, rok, huls, kleed, tabbaard, toga, kleedlngstuk, inz. wyd huis van sits, laken of fluweel, in het boil, lot baadje geworden. Op zyn baadje krygen = op zyn tabbaard krygen = hekeven, afgerost worden.

Bados, ui. (spr. badd) eene soort van rooden Bordeaux-wyn.

Badwinge, of liever ba twin je, f. (van I russ. bolwinje, n. en bolwinja, f. en dit van ■botwd, het blad van een beetwortel) eene russl-VIKItDK DIUIK.

sche koude soep uit bladeren van kroten, gezouten augurken en kwas (z. aid.)

Badymetrie, beter Ha thyme trie, z. ond. bathos.

Balfetas of baftas, n. (perz. bnfl, geweven) eene soort van oost-Indisch, meestal wit katoen.

BaiTomet, z. hap hom et.

Bafreur, m. fr. vraat. Iemand die veel eet, vreetzak.

Bag, eng. (spr. it=è) zak, buidel, Inz. een haal katoen — üo kilo.

Bagage, f. fr. (spr. bagd-zj\'; mid. lal. baga-gium, Hal. hagaglia, van \'I oudfr. bague, provenc. bagua, een bundel, pak, mid. lat. bagu, eene kisl, een koffer, zak, vgl. ons pa k, pakken) het ge-zameniyk reisgoed; het veld-, krygs- of ieger-luig, met ulislulling van de wapenen; in hot ge-meoneleven; gepeupel, slecht volk; - bagagewagen, pak wagen.

Bagarre, f. fr. (waarsch. van het oudd. bagan, twisten, kyven; bdga, Iwist) geraas, getier, geweid, geschreeuw; ook het wagengedrang.

Bagatélle, f. fr. (Hal. bagalella, verkiw. van bagaln, kleinigheid) eene kleinigheid, nietigheid, voddery, armzaligheid; ook Muz. een klein gemakkeiyk uil to voeren sluk.

Bagatino of bagattino, m. it. eene venetiaansche pasmunt, ongeveer = 1 cent.

Bagazo, m. sp. (fr. bagasse, begiisse) hetgeen overblijft van uttgepersle planten, inz. v. suikerriet.

Bagdalien, n, katoenen stof met bont patroon, geiykende op de Bagdad-shawls.

Bagijn, z. bogyn.

Bagnette, f. fr. (spr. banjétt\') Bot. eene soort van lulp, die licht onlaardt.

Bagno, n. it. (spr. banjo, sp. baiio, van \'t lal. balneum) elg. bad; de slavengevangenis, de slavenkerker In Turkye, Tunis, enz., zoo ge-heeten, omdat in \'I aanzienlykst gebouw van dien aard in Constaattnopel baden en water-vergailrbakken waren aangelegd; ook dogroote gebouwen, gevangenissen of kazernen, die in de franscbe zeehavens do galeien vervangen hebben, te Hrest, Toulon, Kochefort, Lorlent. (fr. bagne).

Bagnolétte, f. fr. (spr. banjolétt\') mt\\ voormalige vrouwensluier, die het aangezicht slechts ten halve bedekte.

Bagnoleezen, m. pl. eene secte van Ma-nicboBrs dor Sstc eeuw, ontstaan te Bagno Is.

Bagpipe, f. eng. (spr. bèij-ixiip, v. bag, zak, pipe, |gt;yp) doedelzak.

Baguette, f. fr. (sp. bagétf : van \'i mid. lal. baculetta, verkiw. van baculus, slok) een dun stokje, roetje, gaard, spitsroede; de laadstok ; ook de wichelroede.

Bahama-hout, allorhelllgenhout, eene soorl van Brazllle-hout van de Bahania-eiian-den (W.lndlö).

Bahar, in. een oostind. gewicht van ISli a 277 kilo.

Bahïa, f. sp. en port. de baai, bocht; ook eene provincie en stad In Brazilië, en oen vandaar komende lljne tabak.


8

-ocr page 128-

BAHR 144 BALAIS

Bahr of bahri, arab. zee, üioot water li. v. Buhr-el-Akaba, do ptolf aan liel noord-ooslolijk eind van do Koodo zoo.

Baidak, pl. Baidaki, russ. schopen mot ongemeen groole sluurrooron op den Dnieper, Dniester on Bok ; — baidaren, (russ. bai-dara) kleine booten der Tsjoeksjen in Siberlö, uit balein of licht hout vervaardigd en met huiden overtrokken.

Baigneuse, t. fr. (spr. M-njem\' clg. badende vrouw, v. baigner, baden) badmuts; — baignoir, m, (spr. bè-njoar) badplaats In eeno rivier; — baignoire, f. (spr. bè-njoar\') badkuip; in don schouwburg; loges in \'t parterre wegens de zitplaatsen In badkuipvorm (van voren smal en achteren breed).

Baikalith, m. (uit bot gr. verkeerd gevormd, voor baikaln-tilh) Min. do baikalsteen, eene groene, glinsterende talksteen aan hel Bai-kalmelr in Rusland.

Bailli, m. fr., z. baljuw.

Bain-marie, f. fr. (spr. bèii\') lat. balneum Mariae, Chem. een vat mot heet waler gevuld, waarin men eon ander vat tor uitdamping van oenig voorworp plaats, een waterbad.

Bairam, b e I r a in.

Baiser, m., pl. baisers, fr. (spr. bèté) elg. oen kus; een hol, mol schuim gevuld sul-kergebnkje (\'I welk echter de Franschen onder dien naam niet kennen, maar hij ben méringue heet); — baisemain, fr. (spr. bèz-mèn) do handkus, als huldiging eens va/als o.\' als hof-plechtigheid; de nederige dienstbetulging, plichtpleging; — baisement, n. (spr. bès-man; Hal. baciamento) de voetkus (alleen van hot kussen dor pauselüko voelen gebezigd; — bai-sotteeren (spr. bèt~) fr. {bai.toller) gedurig kussen, trekkebekken.

baisse, f. fr. (spr. bèss\') hot dalen, vallen, inz. van de prijzen der eltocten, enz.; a la baisse speculeeren, op hol vallen der eifccion handelsplannen maken; — baissier, m. fr. (spr. bèssjé) een geldhandelaar, die op hot dalen der olTecten wacht en rekent; — baisseeren (fr, baisser) nederlaten; lager of dieper richten (een stuk geschut); zinken, vallen.

Baiva, m. naam van een god des lichts en der warmte hU de Laplanders.

Bajadeeren, pi. van hel porlug. woord bailadéira, danseres) Indische danseressen en zangeressen, die te geiyk veile meisjes zijn, en dooide Indiërs d 0 v a d a s s I s of d e v a 11 i a 1 e n (d. 1. dienaressen of slavinnen der goden) genoemd worden, en van welke er by eiken lempol 8 tot 1-2 aangesteld zUn.

Bajazzo of pajazzo, m. (v. Hal. baja, grap, bajaccla, flauwe grap, pols, of wel verb, uil het it. payliacclo, d. i, elg. slroo, stroozak, wegens zUn wyd, plomp gewaad, dat In vroeger I yd zoo volmaokl op eenen zak geleek, dat men hem zeiven eenen zak noemde = fr. paillasse, slroozak; potsenmaker) een hansworst, grappenmaker by de napolilaanscho volkskluchten, bü do goochelaars, koordedansors, kwakzalvers, enz.

Bajócco, m., pl. bajocchi, it eene kleine pauselyke kopermunt, waarvan er tien een paoio deden, = ongeveer 2J ceni.

Bajoire, f. fr. (spr. batjodr\'; verbasterd uit baisoire, van baiser, kussen), eeno munt niet twee dicht achter elkander slaande koppen, zoodat zy elkadr bgna bedekken.

Bajonét of bajonnét, f. fr. [baïonnelle) geweerdolk, hot driekantig staal, waarmede do geweerloop van boven wordt voorzien, In 1(17« te Bayonne uitgevonden.

Bakhsjisch, n. perz. (bakh-schïseh, ge-scbenk, v. bakhsch, geluk, spr. kh=cli) geschenk, Inz. aan bedienden, fooi in hot Oosten.

Bakka, f. Bot. eene hennopsoort, die men in Indie by vvyze van tabak rookt.

baksen. Mar. bot geschut met handspaken, omzetten of verschuiven; do goederen, enz. van do eeno plaats naar do andere zeulen.

Bal, n. (fr. bal, it ballo, van het mld. lat. ballare. Hal. ballare, sp. bailor, oudfr. balier, dansen; van \'t gr. ballei\',t, werpen of pdllcin, springen) een dansfeest,dansfeest, dansgezelschap; bal en masque (spr. —n« mask\') of bal masqué (spr. —maské) oen momdans, vorkloedingsdans, maskerade-dans; bal paré, een pronkbal, pracht-bal, — ballade, f. fr. (Hal. balldta) elg. oen danslied, dansgezang; een avontuuriyk voorval in den vorm van een lied bewerkt on eertijds al dansend voorgedragen; — balladinen, f. pl. Aziatische tcmpeldionaressen, oen soort van hlerodulon (z. aid.), welke zich tegen betaling prgsgavon aan de bezoekers des tempels (vgl. bajadeeren en baladlne); — bal-lerïno, m. Hal. daasmeoslers, kunstdajisers;

— ballerina, kunstdanseres;—ballët, n. (li. ballé/ln) een tooneoldans, schouwspeldans, die door stomme gebaren menscbeiyke aandoeningen en hartstochten tracht weer te geven;

— balletdanser, looneel-, schouwburgdan-sor; — balletmeester, bestuurder van den looneeldans; — ballet-pantomime, ballet, waarby niet gezongen of gesproken wordt; — ballisme, n. gr., elg. het dansen; Med. oen krampachllg, stuiptrekkend rondspringen of dansen, SI. Volts- of Vitus-dans, (z. aid.).

Baladin. m. fr. (spr. —riih) een loonoel-danser, balletdanser, ook potsenmaker; — ba-ladine, f. toonooldanseres, balletdanseres; — baladinage, f. (spr. na-zj\') flauwe grap, pols.

balaena, f. lat. de walvlsch; — balaenopléra, pl. lat.-gr., eene soort van walvisschen mol slechts éone rugvin.

Balafré, in. fr. (van balafre, eeao schram in \'1 aangezicht, of het daarvan biyvend litlee-ken) oen geschramde, In \'t aangezicht geltttce-kende.

Balagan, m. pl. Balagany; russ. (v. perz. ndldchdiiê, bovenkamer, v. bala, hoog en chaneh, huiskamer) houten stellage, kermistent of -spel, barak, Inz. russ. kermisspel; — ba-laganen, op palen gebouwde zomerwoningen dor Kamschadaien.

Balais, fr. (spr. ba Ié), ook ballas, m.


-ocr page 129-

BALALAIKA

BALLAST

115

een lileeke of rozeroodo rob (In, ilus geheoten naar de oostind. streek Biilasla, waar hij het eerst werd gevonden.

Balalaika, r. russ. (van lutaarschon oorsprong) cene twee of driesnarlgo either, Inz. door de rondzwervende heidens of 91 la 110s (z i(jenner s) bespeetd.

Balam, m. eene horberging, vertoefplaats, voor reizigers In het morgenland of het oosten.

Balans, f. (fr. balance, It. bilancia, v. \'t lat. bilanx, twee weegschalen hebbende) het ovenwicht of de evenaar, de weegschalen, elk werktuig, dat bestemd Is om \'t gewicht der lichamen te bepalen; Mar. de opgave der schippers van de door hen geladen goederen; Kmt. de staat, dien een koopman opmaakt van ontvang en uitgave, van debet en credit, de slot-rekenlng, afsluiting der rekeningen of handels-boeken (by de Kranschea ook b 11 a n, by de Duitscbers b 11 a n z) — balancé, m. de danspas, waarby bet lichaam van den eonen voet op den anderen zich op de maat in evenwicht boudt; — balancement, n. (spr. balaiis\'-md/\'i) de zweving, slingering, het houden van \'tevenwicht; Muz. de trilling; — balancee-ron (fr. balancer), liet evenwicht houden, opwegen, opgaan, sluiten van posten en sommen eener rekening; ook besluiteloos z.yn, wankelen, twyfelachtig, onzeker, bedenkeiyk wegens eene zaak zyn; Plet. do voorwerpen evenredig verdeden, ordenen, schikken; Kmt. eene rekening afsluiten; — balanoeer-machine, een werktuig om het water uit de diepte op te brengen ; — balanceerstok, de stok, waarmede de koordedansers bun evenwicht op do koord behouden; — balancier, m. (spr. balaiisjé), de cvenwichtsbalk, de pompzwengel aan een stoomwerktuig.

Balandina, f. een uit kwik en yzer vervaardigde hoogroode kunststeen.

Balanus, m., pl. balanen, gr. (balu-nos, eikei) zeepokken, zeeelkels, eene soort van schaaldieren, die zich aan de klippen, aan de kiel der schepen of aan bet paalwerk der dyken hechten; — balaniet, m. een zeeBikelsteen, een versteende zeeeikel; - balanitis, f. Med. eikeiontsteking, ontsteking van het roedehoofd; — balanoblennorrhasa, f. Med. eikelvloed; — balanoïdisch, eikelvormig; — balanophaag, m. een eikeleter.

Balasor, n. eene Indische, uil boomschors vervaardigde stof; schorsdoek.

Balata, f. op gutta-percha geiykende slof nil bet melksap van Sapnla Mülleri in Guyana gewonnen.

Balatro, m. int.,pl. balatrönen, schulm-loopers, potsenmakers.

Balbus, in. lat. de stotteraar, stamelaar bynaam van verschelden beroemde Komeinen).

balbutiëeren (spr. Ii=lsi), lat. (ballmlire) stamelen, stotteren; verward spreken; — balbuties, r. nw.iat. Med. het stamelen, stotteren.

Balcon, n. (spr. balkóii) fr. (Ital. balen, balcone, inid.lat. balen, misschien eer van perz.

Ililldclidnè, bovenkamer of hoog huis, dan van \'1 oudd. balcho, oudnoordsch balko, tjalk ofttai. Iialcn, houtwerk, stellage) het uitstek, de biilten-tred voor aan de gevel van een huls doorgaans door zuilen of door consoles gedragen; de eerste galery in de schouwburgen; open of overdekte gaiery aan het achtergedeelte van groots schepen.

Baldachein, Baldakijn, m. (ital. bal-daechino, mid. lat. bahlaehinus, baldcchinus, van de stad IS a I d a ch, d. I. Hagdad in AzlO; daarom oorspr. eene aldaar met goud doorwerkte stof) oen draaghemel, troon-, prachthemel.

Balder of Baldur, m. noord. Myth. Odlns en Frlgga\'s zoon, de god der zon, de schoonste, zachtaardigste en wysste der goden, de noordsche Apollo; by was de derde van lie ID asen (z. a.).

Baldóber of Baldower, m. Joodsch (v. Iiebr. haal, beer en ilabar, woord) eig. heer des woords, een arglistig, bedrieglijk mensch, die zoekt te overreden, zwendelaar ; in de dieventaal: diegene welke gelegenheden om te stelen opspoort

Balduïnus, z. b oude w y n.

Baldus, mansn.: de stoute, de vermetele, de woeste; by ons wordt deze naam, by wyze van eu|)bemisme, meest Se bal dus geschreven.

Bale-balé, Jav. bank, zit- of ligplaats (doorgaans van bamboe); zitplaats voor byzon-dere gelegenheden, paviljoen, galery.

Balein, n. (fr. baleine = lal. balncna, wal-visch) vischbeen.

Baléster, ook balléster, m. (mldd. lat. baleslrum en balextra en baleslarius arcus, ital. baleslra; van \'t lal. ballista, werp- of slinger-machine) oorspr. een slinger; een yzeren handboog, voormalig werptuig, waarmede ook kogels werden voortgestuwd; — balestarius, balistarius, m. een handboogschulter; vgl. b a 111 s t a r I u s.

Balije, f. uil het mid. lal. ballia, ballivia, en dit van bajülus, drager, vgl. baljuw), een riddergebled, ilislrict eener orde z. c 0111 m e n d a.

Baline, f. fr. grof wollen pakdoek.

Balista, z. ballista-, - balistarius, z. ond. b a I e s t e r.

Baljuw, m. verbasterde spelling en uil-spraak van \'I fr. bailli (spr. balji, van \'1 mbl. lat. bajïilus -, bajulüre, dragen, besturen, lelden, regeeren) rechters, door de fr. graven en hertogen, en later ook door de holt. graven in bunne leenen aangesteld; — baljuwschap, n. (fr. baillidf/e) het ambt, hel gebied van eenen baljuw.

Ballade, z. ond. b a I.

Ballanchisme, n. (spr. cii=xj) hel wys-lieke op de erfzonde gegronde wysgeerigsleisei van Kalianche (gesl. 1847).

Ballas, z. balals.

Ballast, 111. waarscb. van Ceitlschen oorsprong van bal, lerscb beal, zand, en laml, lad, last, lading) de scheepsbezwarlng, onderlast van een schip, zand, steenen, blokken yzer, enz., die de schepen, welke geene toereikende lading


-ocr page 130-

BALSEM

BALLEI

116

hebben, ter bewaring van hel evenwicht on den verelschlen dlepgiuiit Innemen; onclü. overlast, hinderlijk voorwerp; slecht geld; — ballastschuitjes, langwerpig vierkante hlokkon Uzcr van omtrent (ia kilo zwaar, ter ballasting van de schepen.

Ballei, f. z. balije.

Ballester, z. h a I o s t c r; — ballet, enz., z. ond. hal.

balhorniseeren, hoogd. {ballliornisiren uf verhalthornisiren) in schijn verbeteren, doch Inderdaad slechter maken, goiyk Johann It a 11-horn, een boekdrukker te Lüheck In de 10de eeuw, zulks deed met een door hem gedrukt ABboek, \'t welk hy meende te verbeteren, door den tot dusverre gespoorden baan op de laatste bladzijde In een ongespoorden te veranderen, en een paar eieren naast hem te leggen.

Baljaron, het dansen der negers Iti Suriname.

Ballisme, z. ond. hal.

Ballista, of baliste, f. lat. (v. h. gr. hnlk\'in, werpen) een slinger- of werptuig, eene belegeringsmachine hy de oude Komelnen, waarmede groote steenen, enz. met geweld voort-geslingerd worden; — ballistarms, m. een soldaat, die genoemd werptuig bestuurde; men onderscheidde hen In manubatistarii, arrobalis-larii en arcubalistarii, — ballistiek, f. gr. de kunst van het werpgeschut; ook: de werpleer, werpkunde, leer van de haan, welke de geworpen voorwerpen In de lucht beschryveii; — ballistische slinger, m. een werktuig om de snelheid van afgeschoten kanonkogels te meten-, - ballistisch probleem, het vraagstuk om de baan van geworpen lichamen In een weerstandbiedend midden (do lucht) te bepalen.

Ballo, n. 11. een bal (z. a.); een muziekstuk tevens voor dans gezet.

Ballon, m. fr, (spr. halniivergrooting van halte, bal, kogel) hol rond lichaam, holle speelbal; Inz. een tot opstygen bestemde luchtbol z. aerostaat; een tamelijk groot kogelvormig vat om zuren te verzenden, om sodawater te maken, enz.; ook ronde lantaren, ronde lamp; hallon d\'essai (spr. dés-si), proefballon, kleine luchtballon om de windrichting waar te nemen; lig. een courantartikel dat er op berekend is om de stemming van het publiek uil te vor-schen.

Ballot, m. fr. (spr. Iia/ii) eene haal koopwaren, een groot pak (= 4i of 14 riem papier).

Ballotade, f. fr. een zekere luchtsprong van een tusschen twee palen bevestigd paard, waarby het de vier poolen In de lucht werpt.

Ballóte, f. (nw. lat. ballóla, ƒ,.) Hot. de zwarte maluwe, de stlnknetel, eene gemeene plant {Marrubium fnelidum).

Ballótte, f. fr. elg. kogeltje (van balie, kogel, bal), Inz, z. v. a. balloteerballetje, het stemballotje, klesballelje; — ballotage (spr. -td-zf), of balloteering, slemmlng of verkiezing by meerderheid van stemmen, uitgebracht dooi\' balletjes, of door witte en zwarte boenen, besloten briefjes, enz.; —In Engeland: geheime stemming (met briefjes) voor de leden van het lagerhuis, ingevoerd in 1872; — balloteeren, met halletjes, boontjes, briefjes, enz. stemmen, verkiezen.

balnlmn, n. lat. een bad, \\)\\. balnüa: —balneum arenae, een zandbad; b. cineris, een asch-bad; b. coenosum, siykbad; b. laconicum, een zweetbad; h. Marïae, een waterbad (z. haln-marie); b. va/ioris, een damp- of stoombad;

— balneographie, f. lat-gr. de hadbe-scbryvlng; — balneographisch, adj. bad-beschryvend— balneologie, f. lat.-gr. de badhereldingskunst, de aanwyzing om kunslha-den te bereiden en aan te wenden; — ook de kunst om baden te bouwen en In Ie richten;

— balneotechniek, f. lat.-gr. de kunst om baden te bereiden, aanwyzing om kunstba-den te bereiden en te gebruiken; ook: de kunst om baden te bouwen en in te richten; — bal-neotherapie, f. lat.-gr. geneeskundige behandeling door baden.

Balnot, m. fr. (spr. —hó) eene soort van bourgonje-wyn.

Balonne, f. gr. danspas, op een been, inz. in de vierde positie uitgevoerd.

Balotte, f. fr. danspas, waarby men eerst op het eene, dan op het andere heen springt.

Balourd, fr. (van onzekere atleiding) m. botterik, lummel (staande rol of masker van \'I ital. tooneel); — balourdise, f. fr. (spr. —diet) de lompheid, onbeschaafdheid.

Balse, f. (sp. en port. balsa) eene soort van groote vlotten der Z. Amerikanen; ook kleine vaartuigen van zeehondevellen of van blezen aan de westetyke kusten van Z. Amerika.

Balsem, m. (lat. balsamum, gr. bdlsamon, uit het arab. balasdn) bet welriekende, dik vloeibare sap, dat sommige harsboomen ultzweeten of door openingen in de schors laten uitvloeien, of dal door verhitting In warm water uit hun hout wordt afgescheiden; eene der beste soorten Is de Mek ka balsem; er zgn echter ook kunstbalsems; onelg. Iroost, verzachting; balsa-mum anodynum, pynstlliende balsem-, b. eordiSIe, hartsterkende balsem; b. hystericum, moederbalsem; b. magtcum, tooverbalsem; b. ophthal-mïcum, oogbalsem; b. verum, echte of iMekka-balsem ; — balsameeren, welriekend zalven, balsemen en daardoor voor bederf behoeden;— balsamiek, adj. balsemachtig, welriekend;

— balsamica, n. pl. balsemachtige middelen; — balsamine, f. fr. (nw. lat. balsu-mtna) bet springkruid, eene plantenfamllle, zoo geheelen, omdat eene soort daarvan tot een w o n d b a I s e m werd gebruikt; eene plant, die tol de familie der geranlacetin behoort; de I u I n-halsamlne {llalsamina horlensi.i of Impalions balsamina) is eene van de schoonste planten onzer tuinen, met reukelooze bloesems; terwyt bosc h ha Isa m I ii e {Impaliens nnli me iuu-Hi-re) scherp en gevaariyk Is, hoewel men hare bladeren, als spinazie bereid, eet.


-ocr page 131-

BALTHAZAR

117

BANDAL

Balthazar, licli. mansn.: voorstander van hel krijgswezen, krUgsraad.

Baltische zee, (nw. lat. mare bulticum, van het lat. balt lux, oudn. belli, zw. ball, deen. bullc, belle, gordel, geiyk de zeeongten genoomd worden, die de eilanden omgeven, li, v. de groote en kleine Belt), de Oostzei\',

Balustrade, f. fr. (van baluslre, leuning-zuiltje, en dit van het gr. bnlauslïon, provone. en sp. balaustia, balauslra. It. balumlra, bloc-scm van don granaatboom, wegens do overeenkomst in vorm met die zuiltjes) eenc op kleine kolommen of styicn rustende borstleunlng, hekwerk, staketselwerk; — balustreeren, met hekwerk omgeven.

Bambalïo, m. lat. naam (van \'t gr. bam-balein, stamelen) een onverstaanbaar sprekende, een stamelaar. Iemand die lispelt, brouwt, bryt;

— een botterik.

Bambino of Bamboccino, in. it. (spr. —bólsjio) ot bamboehe, r. fr. (si)r. baiibósj\'; van \'1 Hal. bambino, fr. banibin, kindje, zuigeling) een kort, dik. Ineengedrongen mensch, dwerg; eene draad of ledepop; Inz. Bambino een als wonderdadig beschouwd wassenbeeld, Christus als bakerkind voorstellende, in de kerk Ara coeli op het kapitool te Koine; — bam-bocciaden, it. (spr. —hnhjinilen) of bam-bochades, fr. (spr. baiibo-sjaad\') pi. onua-tuurlUke schilderyen, wondorlUke afbeeldingen van mcnschengestalten; iaag-grapplge voorstellingen van dorpskroegen. Jaarmarkten, boerendansen, enz. (naar den nedcrl. schilder I\' 1 e t e r van der Laar zoo geheeton (die om zijne wanstaliigheid een b a m b o c cl o werd genoemd);

— bambocheeren, fr. zich aan grove uitspattingen overgeven, zwieren, rinkelrooien.

Banboek, m. (fr. bambóuc) Bot. een boom van Mgrllie, die eene vetstof levert, ba m boe k-b o I e r genoemd.

Bamboes, m. (malelsch bambfi, vandaar bet eng. bamboo) hot bamboosriet, een rietgewas in O. Indie, dat somtyds wel 20 meters hoog en (l decimeters dik is, en in zeer vele behoeften van de Inwoners dor warme landen voorziet (Tlamhusu arundinacea)— bamboo, eng. (spr. no=oe) riet- of strookieurig geverfd aardewerk zonder glazuur In Eng.-IndlB; —-bamboehe, f fr. (spr. ch=sj) een aflegger of spruit van het bamboos als wandeisiokje, ml-linkjo; — bamboesiet, n. (spr. s=z) versteend bamboesrict.

Bamy, m. russ. korte kroningsmantel der Ozaren.

Ban, m. slav. (serv. ban, pool en russ. pan, heer; mld. lat. bannus, pi. banni), 1) slavonisch lieer, eene oude rykswaardlgheld in Hongarye, Dalmatie, enz., overeenkomende met de dultsehe markgraven; — het landschap, waarover zulk een ban of (met lal. uitgang) bamis of landvoogd is aangesteld, heet banaat; thans draagt die laatste naam inzonderheid het banaat van Te mes war, eene landstreek In Hongarye, aan gene zijde der Thelss.

Ban, m. mld. lal. bannum, (z. aid.) I) het rechtsgebied (Jurisdictie) van eene stad of een dorp; — i) de lichting van manschappen voor de schutteryen, landweer, landstorm en meer buitengewone wapeningen; — 3) de uitsluiting van een mensch van ergeriyke levenswyze of van eenen ketter uit de chr. kerkgemeenschap (z. excommunicatie); — !) het vonnis, dat In do middeleeuwen door den keizer en het ryk werd uitgesproken tegen degenen, die zich aan majesteitsschennis of het verbreken van den landvrede hadden schuldig gemaakt, welk vonnis rijksban of ryksacht werd geheeten.

banaal, fr. (van ban — midd. lal. bannum z. aid.) onder eon ban (z. te art.) staande: banale regeering In Dalmatie; — aan dwang onderworpen, dwangmatig, banheeriyk; voor ieder gereed, veil, gemeen, plat, b. v. een ba na al-gel ui ge, een banale borg. Iemand, die mei zyne getuigenis, zyne borgtocht voor ieder klaar staat; een banaal hart of minnaar, een allemeisjesvrlend; — banale phrases, te vaak gebruikte, afgesleten, afgezaagde zegs-wyzen; —banaliteit, f. (fr. banalilé) rectits-ban, dwanggerechtlghcld; gemeenheid, platheid.

Banaan, f. (fr. banune, sp. banunu) de paradysvyg, adamsvijg, pisaiigvrucht, de vrucht van den banaan-pi sa nghoom [Mma pa-rudisiaca) der O. en \\V. Indlfin, geroemd om haren voortreiTetyken geur en smaak; z. pisang.

Banaat, z. ban.

Banagium, z. bannum.

Banausie, f. gr. {banama, gemeen band-werk, van bdnausos, eig. by eenen oven werkend) handwerkmatige bebaadoling van eene kunst of wetenschap, geestelooze arbeid als een loondlenanr (zonder liefde voor een hooger doel) zooais li. v. by artsen; nok de daarmede gepaard gaande lage en baatzuchtige gezindheid; - banaüsisch, adj. handwerkmatig; geldzuchtig; bekrompen, laag van denkwijze.

Banchieri, il. (spr. bankiéri) z. lazaronl.

Banco, m. It., of bank, f. (fr. banque, f., oorspr. dultsch bank, do betaallafel des wisselaars) Kmt. de muntvoet, waarnaar het geld by de b a n k (z. a.) berekend wordt en die doorgaans hooger Is dan die van bet courante geld; — banco intacceeren, it. (van in-laccare, eig. insnydon, kerven) meer in banco op zich laten schryven, dan men te vorderen heeft; — banco-conto, n. het hoek, dat een koopman lol afrekening met eene bank houdt; — banco-geld, bankgeld in tegenoverst. van kasgeld; zwaar, wlchthourtend geld, zooals het in de bank wordt aangenomen ; z. verder bank.

Bandage, f. fr. (spr. baiidd-tj\'. van bande = band) bel chirurgisch verband, windsel, do breukband; — bandageeren (spr. —zjeeren) een verband aanleggen; — bandagist, m. (sp. —tjixl, fr. bandagislc) een brenkbandeuma-ker; een breukverbinder, breukmeester.

Bandal, n. (eng. bandlc, iersch bannlamh, v. bami, eene maat, en lamh, band, arm) eene lerscbe maat, = i eng. voeten of o.iit ned. el.


-ocr page 132-

BANDANAS

148

BANK

Bandanas, f. pi. roodc dookoii met wltle loekcningon, (lie in Iruliv vervnni\'dlgd worden en die de engelscben tegenwoordig weten na te bootsen.

Bande, r. fr. (oorsiir. duitsdi van hinden) een lot kwade oogmerken verbonden gezelscliap, l). v. roevers, eene bende; de rand of band van een biljart; de zijdi1 van een schip; stuk behangsel, zoo lang als de kamer boog is; In de wapenkunde: rechtscho schulnbulk; goudge-wiebt van ongeveer i ons (in Guyana); — ban-deliér, m. of fr. bandoulière, f. (spr. haiidoeijir\') schouderriem, draagband, hangriem, riem, ook de sabelkoppel, de palroontaschkop-pel der soldalen; - bandalótten, f. pl. oorhangers; — bandeeren (fr. tanrfee), verbinden (eene wond); spannen (eenen hoog); In spanning komen of zijn.

Bande noire, f. fr. (zwarte bende) gedurende de Fransche revolutie geheim gezelschap van speculanten, die landgoederen, kas-teelen, kloosters, enz. opkochten en met vandalisme plunderden om ze daarna verbrokkeld Ie verkoopen; thans; gezelschap van uitdragers, die samen afspreken om by aucties alles goedkoop op te koopen.

Bandera, f. muziekinstrument der Afri-kaansche negers (met geltevellen bespannen ko-kosnootschalen).

Banderie, f. (van het mld. lat. handeri-iim, banier, vaan) een vaandel, vendel; Inz. de rijdende dienstmannen, waarmede vroeger bon-gaarsche prelaten en magnaten te volde trokken en b(j de rijksdagen verschenen; — banderilla, f. sp. (spr. —rieijn: verklw. van handera, vaan) een vaantje, Inz. de met een vaantje voorziene werpspies, die bU de stierengevechten naar de stieren wordt geworpen; — banderilléro, m. (spr. //=(ƒ) de met zulk eene werpspies werkende stlcrenbevechter; — banderole, f. fr. (spr. haiiderol\') de scheepswimpel, het mastvaantje; de ruitervaan, lans-vaan-, trompetkwast, het trompelsnoer; de windwijzer; vandaar ook een zeer veranderlijk mensch, een, die met alle winden waalt; Kmt. lijstje, met de prijzen eener waar; strook, kruisband bij postverzendingen; met het douane-stempel voorziene papierstrook om sigarenkisten in Rusland (vandaar gehande rol eer de sigaren = sigaren waarvan de rechten betaald zijn).

Bandiét, m 11. {bandilo, van hundire, uit bet land bannen = bandn, mld. lat. bunnum, r. a.) een gehannene; een landlooper, vagebond, Inz. straatroover, sluipmoordenaar; —bandi-tisch, adj. verraderlijk, op sluipmoordenaars wyze.

Bandjer, Banjer, m. mal en jav. (bandjir) stortvloed, overstrooming, watervloed (ten gevolge van regen).

Bandmannen, pl. (eng. Ribbon Snriely, spr. ribbun maïti) lersche geheime hond der nlet-bezlttende klasse tegen de bezitters.

Bandóla, f. sp. [bandola, bandurria, pan-durria, z. mandoline) een lullvormlg muzlek-instrument met i lot 1« snaren, Inz. In Mexico en N. Amerika, eene pa ndore of ma ndore.

Bandoulière,/.. li a n d e 11 e r ond. band e.

Bandoline, f. baarzalf uit dragant-gom om bet haar glad en glimmend te maken

Bang, f. perz. bedwelmende zelfstandigheid z. v. a. hasjlsch.

Bangea, z. ca nar leb oom.

Bangue, f. fr. of Bangi, m. (v. sp. banfiue, baniie, v. sanskar. bhangga, hennep) eene Indische hennepsoort, die van l\'erzlë tot Java groeit, sterk riekt als tabak en «ene bedwelmende kracht heeft.

Banian, m., pl. Banianen, de tot de handelskaste beboerende Indiërs, die aan de zielsverhuizing gelooven en deswegen geen vleesch eten; Inz. een onderbandelaar en lolk, die tot de handelskaste der Indiërs behoort, \'/.ij zijn onder de Islamieten wat de Joden onder de Christenen zijn, en men zegt In Indlë van Iemand, die bij een koop Ie grof vraagt: \'t Is een Banian, zooals wy zeggen: \'I Is een Jood.

Banian-day, m. eng. (spr. bénjendce) op de engelsche schepen de vastendag, waarop geen vleesch geschaft wordt (zooals maandag, woensdag en vrijdag).

Banianen-boom, m. de lud. vygehoom (Ficus indica) welks takken tot op den grond neèrhangen, daar wortel vatten en nieuwe stammen vormen, die weder andere takken en stammen voortbrengen, enz., zoodat een zoodanige boom een klein bosch van 11100 schreden In omtrek kan vormen. Do banianen (z. bail i a n) kiezen er hun verblijf onder en richten er pagoden en karavanserais op: vandaar de naam; — banians, pl. ebtneesebe en oost-Indische slaaprokken of kamerjaponnen van gewatteerde zijde.

Banier, z. h a n n I e r.

Banjer, of Banjir, z. bandjer.

Banjos, m. pl. overheidspersonen in Japan.

Bank, f. eene Inrichting tot verlevendiging van het geldverkeer, waardoor de verelfenlng van credit en debet gemakkeiyk gemaakt, het aftellen en wegen der muntspeciën vermeden en eene vaste evenredigheid tusscben de munten kan teweeg gebracht worden; de oudste Is die van Venetië, en onder do thans bestaande z.yn de voornaamste: die van Londen, van Amsterdam, van Hamburg, van Heriyn, van Napels, van Stokholm, van Oostenrijk; — hank-li o u d c n, geld- en wisselzaken In hel groot dryven; ook eene speelbank tol kansspelen ophouden ; — de bank doen springen, mei een enkelen zet al het geld winnen, dat de houder eener speelbank (of by, die de kaarten afneemt) vóór zich heeft; — bankactiën, bewijsstukken van het aandeel, dat Iemand In eene handelsbank heefl; — bankactionair, bankactionlst, m. de houder van zulke stukken; — bankagént, een wisselmakelaar; — bankagïo, n. 11. (spr. -a-dzjio) bet bankopgeld, de meerdere waarde van bankgeld boven kasgeld; — bank-assignatiën, pl.


-ocr page 133-

BANKET

140

BAH

aanwijzingen op ceni\' liank, of van de liank oji iemand tot uitbclallnt! eener zekere som; rus-siscli papierengeld; — bankbook, z. l)a n cocon to;—bankgeld, z. banco-geld; — bankier, m. (fr. banquler: It banchiere; sp. hanquero) een wisselaar, wisseikoopman, geld-liandeiaar, wiens l)cdryt voornameiyk in geld-wlssellng en in handel met etrccten bestaat; ook do bankhouder bg kansspelen; — banknoten, bankbiljétten, bankbrieven of aanwijzingen, door eene bank uitgegeven, die van de eene hand in de andere gaan en in plaats van gereed geld dienen; — bankva-luta. It. (spr. valoela, en vgl. valuta) bankgeld als louter verdielito (gefingeerde) rekenmunt.

Banket, z. banquet.

Bankier, z. ond. bank.

Bankist, fr. banquiste (spr. baiikiest\') een kwakzalver.

Bankroet, n. (fr. banqueroute. It. banco rollo: vgl. banco) de bankbreuk, bet staken der betalingen en handelsverrichtingen van een koopman of handelshuis, wegens een (wezenlijk of geveinsd) onvermogen om zyne schulden te betalen; banqueronle maken, bankroet gaan, bankroeteeren, op zoodanige wijze ophouden met betalen; — bankroetiér, (fr. hanquerouUer) by, die zich buiten staat bevindt of verklaart om zyne schulden Ie betalen, een bankbreukige, niet zelden een opzetteiyk bedrieger.

Banlieue, f. fr. grondgebied. Jurisdictie eener stad, stadsgrond.

Bannaat, z. ond. ban.

Banneret, m. fr. (van bannière, banier) voormaals een ridder, die van den koning verlof of bevel kreeg om onder zyne bannier gewapende manschappen te verzamelen; zoo ook kreeg In Oultschland een ridder, die genoegzaam vermogen bezat om ten minste tien gewapende mannen tegen den vyand aan te voeren, een bannier, en men noemde hem dan banner-he e r, waarvan wy baanderhoer, d. I. ban-n I e r b e e r gemaakt hebben.

Bannier, banier, f. dultsch panier (het naast van het fr. bannière, it. bandiera, mid. lat. bandena, banena, en dit van het dultscho bund, d. 1. fladderend lint als vaan) algemeene benaming der vaandels, standaards en andere veldteekens, onder welke hel krygsvolk zich schaart; de vaan van een bannerheer of ond-dultschen ridder, die tien goed gewapende soldaten te veld kon brengen; vgl. banneret.

banntnn, n. mld. lat. (oorspr. dultsch van liannan, bannen, d. i. openiyk afkondigen, ontbieden, dagvaarden, vgl. a b a n d o n) de ban, d. i. bet gebod, opontbod (heirban); de Insluiting binnen bepaalde grenzen, strafdwang (bloedban) inz. de kerkeiyke uitsluiting van de godsdienst- of kerkgemeenschap, de kerkban, banbliksem; — bannïtus, m. Jur. een gebannene, een uit liet land verdrevene; tan-num of bannarmm cerevistee, blerdwang; — bannarfum molendlni of bannum molendartum.

n. de molendwang, molenban; — bannisse-mént, m. fr. (spr. —nis\'mAh) de verbanning, de verdryving uil het land; — z. h a n (Se art.)

Banquet, m. fr. (spr. baiiké) of bankét,

n. (Ital. bancMttn, van bet fr. liane, hnnque, II. banen, en dit van bet dultscho bank, lange min of meer hooge zetel; waarbij echter ook vergeleken mag worden hel oudd. baneken, verlustigen, banekie, verlustiging) een groot, prachtig gastmaal; vrgmelselaars-maaltyd In de loge; groot gastmaal met een politiek doel; b a n k o t, ook een suikergebak; — banquetteeren, banketteeren, smullen, brassen, slempen; een groot feestmaal houden.

Banquette, f. fr. (spr. baiikétt\', verklw. van banc, banque, bank) Mil. de trap of gang achter eene borstwering; aardverhooging aan de binnenzyde des wals; ook een aangehoogd voetpad langs eenen ryweg; eene lange wand-bank in schouwburgzalen; bank boven op een diligence of postwagen, thans Impériale; hy wedrennen: banquette irlandaise, zekere hindernis om in twee tempo\'s over Ie springen (by de steeplc-chase).

Banquier, z. h a n k 1 e r, ond. Igt; a n k.

Bantagan of k a b a u, m. de langnenzige aap op de Soenda-eilanden.

Banteng, Banting, m. mal. wild rund (Bos banteng).

Banu (spr. u=oc), pi. bani, roemanlsche munt van ton op 1 leu (= frank), dus geiyk staande met do fr. centime.

Banus, z. ond. b a n.

Baobab, m. de apenbroodboom, een onl-zagiyk dikke boom met verfrisscbende vruchten in Afrika, Amerika en Australië. Omtrent dezen boom beeft Adanson vele byzonderbeden medegedeeld, waarom by ook adanson ia (z. aid.) genoemd Is.

Baphomet, m. (waarsch. verbasterd uit M u b a m m e d) bel beeld of onbekende hoofd, dal de tempeliers, naar men zegt aangebeden hebben.

baptiseeren (fr. baptiser: van \'l gr. hap-tidzein, dikwijls Indoopen) doopen; — bap-tisma, n. gr. de doop; — Baptist, m. (lat. baptUta, gr. baptistês) mansn.; de dooper, doopende; — baptisten, pl. doopsgezinden, eene chrlslensectc, die den kinderdoop verwerpt en alleen volwassenen door den doop in hunne gemeenschap opnemen; — baptisterium, n. lal. (van \'t gr. baptistërïon, clg. badplaats) de badkuip; de doopplaats, Inz. sedert de ide eeuw de naam van ronde kerkelijke gebouwen, naast de hoofdkerk waarin de doopplechtigheid werd voltrokken, doopkerk.

Baquet, n. fr. (spr. ftato1) een kuipje, tob-betje; by magnetiseurs bet val, waardoor de magnetische vloeistof wordt geleld ; plantenbak, zaadkist; de etskast der kopergraveurs.

Bar., afkorting van baron, baronie; — Bar. of Bart. ook Bt. (eng.) z. v. a. baronet.


-ocr page 134-

BARBON

BAR

120

Bar, m. fr. (van \'1 (ir. barys, zwaar) naam, dti\'n men bg de schepping van \'t metrieke stelsel In ITJi aan IIIOO kilo gat; — op de kust van Coromandel een gewicht van i»n pond mark-gewlcht.

Bar, f. enp. buffel waar dranken en ver-verscbingen te verkrijgen zyn,

Barabisten, pi. geheim genootschap in Napels legen do regeering, In isilt ontdekt en opgeheven.

Barak, t. (fr. baraque, it. baracca, sp. barmen, vlsschershul, van \'I roman, harm, fr. barre, 2. aid.) eeno veld- of legerhut, soidatenhut; ook een slecht huls, krot, nest; — taarakee-ren (fr. baraquer) zulke veldhutten bouwen, of er in wonen.

Baral, m. wijnmaat te Montpelller = ^ muid = 25; liter; als oliemaat = liter.

Barallotten, m. pi. eene secte te Ho-togna, die in gemeenschap van goederen, vrouwen en kinderen leefde.

Barangen of baranken, pl. (poolsch baranki, pl. van buranek, lam, verklw. van bn-ran, ram, russ. bartin) vellen van ongeboren of pasgeboren lammeren, met korte kroeze wol, die uit 1\'oien, de Krim, liucharüe en Perzlc komen en zeer gezocht zün.

Baraquille, f. fr. (spr. barakiélj\' eeti gebak met patrijzen, hoenders en dgl. gevuld, eone palrljzonpastel.

Barat, m, turk. (= beral) een vryhrlef, dien de sultan den patriarch of den bisschoppen lot uitoefening hunner bediening geeft, en ook, door bemiddeling van vreemde gezanten, ter bescherming van christenen en kooplieden van hun volk uitreikt; — barataire, m. turk. fr. houden van een zoodanigen brief.

Barathron, n. gr. een afgrond in Vtiika, waarin men de misdadigers wierp; een hol vol doodeiüke lucht.

Barathrometer, n. gr. instrument om onderzeesche stroomingen te meten.

Baratto, m. lial., of barat (sp. barato, barala, provenc. burnt, ba rata, fr. barat, barule, mid. lat. baratum en barato, handel, ruiling, inzonderheid bedrieglijke; het 11. nw. barattare, spaansch en provenc. baratur, oudfr. baret er, handelen, handelszaken doen; kunstgrepen aanwenden, streken gebruiken) de ruiling van koopwaren, de warenomzetting; — barat-handel, ruilhandel; — barat-rekening, ruilreke-ning; — baratteeren (Hal. barattare), waren legen elkander omzetten of verruilen, ruilhandel drijven ; ook op tijd koopen en Icrsiond voor gereed geld beneden den verkoopprijs verkoopen; — baratterie, f. fr. (mld. lat. barataria, lie-drog; Hal. baratteria, ook ruilhandel) de waren-vervalsching, Inz. hel bedrog der schippers met de koopmanswaren, ieder feil ter benadeeiing van dereedersof de assuradeurs; — baratteur, m. fr., of barratóre. Hal. een bedrieger, wa-renvervalscher.

barha, t. lat. de baard; — In barbam, in den baard of in \'t gezicht (Iels zeggen, enz ); — barba arönls, z. v. a, .■/rum maeulatuin, — Barba-róssa (van \'t It. mm, a, mld. lat. rossus, a, um, rood) roodbaard, do bijnaam van keizer Frederlk 1 en van twee Turken (Horuk en K h a I r- Ë d d I n), stichters van den algorynschen zeerooverslaal, ten tyde van Karet V; — barbe, f. fr. de baardvisch, barbeel, een rl-vlorvlsch, uil hel geslacht der karpers; zeker klein schip zonder masten; een paard uil Barharye; eene slrook van kant of blonden aan den vrouwe-Hjkcn hoofdtooi; — barbets, pl. fr. (spr. barbê) Waldenzen uil de Plemonleesche dalen, dus genoemd naar hunne predikanten, die zy barbes of ouden noemden-, — barbette, f. fr. Mil. de hrlls, slaapbank; de geschut bank, eene aan dc blnnenzydo der borstwering aangebrachte hoogte om bel geschut op te plaatsen en zoo In alle richtingen (ó barbette) te kunnen vuren, hetgeen uit schietgaten zoo niet kan geschieden: ook de baardhond, een ruige, langharige water-bond;—barbier, m. (fr. spr. barbié) baardscheerder; — barbieren, scheren, baardscheren.

Barbaar, m. (gr. barbüros, lal. barbürus) oorspr. by de Grieken en Romeinen leder buitenlander, voor zoo ver by eeno vreemde taal sprak; een vreemde, wilde; thans een ongevoelig, wreed mensch, een woesteling; — barbaren, m. pl. onbeschaafde, ruwe volkeren; — barbaarsch, adj. (gr. barharikós, v, ón) oor-spronkeiyk; bultenlandsch, uilheemsch, vreemd; ruw, onmenscheiyk, wreed; strydlg met de zuiverheid van de taal; — barbaarschheid, wreedheid, onmenscheiykbeld, gebrek aan beschaving, ruwheid In denk- en handehvyze; — Barbara, vr.naam; elg. vreemdeling, bullen-landsche; — Barbarije, n. hel land der Berbers in Noord-Afrika; — barbarésk, wal in Barharlje t huis behoort; — Barbarésken, m. pl. de inwoners der Barbarysche slaton; — barbarisme, n. Gram. eene fout legen de zuiverheid der laai, de laalvervalsching, vreemde woordvorming; in betrekking lot onze taal: eene onnedorlandsche, onhollandsche uitdrukking; — barbariseeren (spr. s=z), ruw en onmen-schciyk maken; de taal verontreinigen; — bar-baroléxis, f. gr. eene wantaal, eeno met vreemde woorden gemengde taal.

Barbacane, f. fr. Mil. schietgat, een met schietgaten voorziene muur; de bruggeschans; de wachttoren; ook eeno muuropening voor hel weg-loopen van het water.

Barbara [Sintel, f. (fr, la Sainte narbe), do konslabels-kamer op oorlogschepen; de kruitkamer; — zie ook ond. barbaar.

barbarésk, barbarésken, onz., z. ond. barb a a r.

Barbarossa, barbe, barbets, barbette, barbier enz., z. ond. barba.

Barbar-pasja, z. berbor-basje.

Barbïton, n. gr. een llervormlg snarenspeel-tuig dor Ouden, ook pol y chord on genaamd.

Barbon, m. fr. (spr. —bón) grijsaard, knorrepot;—barbonnage, f. fr. (spr. -na-zj\';


-ocr page 135-

BARILLAGE

BARBONE

121

van barbon, oude knorrepot) het knorrig, gemeiyk uitzicht, vaak aan oude lieden eigen.

Barbóne, m. eene voorm. zilvermunt In .at hertogdom Lucea, geldende 12 soldi of ongeveer 20 centen.

taarbouilleeren spr. —bodj—), fr. bar-bouiller, oorspr. een baard maken, liet gezicht bezoedelen; dus van barbe = lat. barba, z. aid.; vgl. hel Hal. bnrbuqliare, onverstaanbaar, als in den baard praten) bezoedelen, besmeren, bekladden; slecht schrijven, kladschilderen; ook stotteren, stamelen; - barbouillage, f. (spr. -boeljd-zj\') kladderü, morsery, zoo in het schrijven als schilderen ; ook brabbeltaal, onsamenhangend gesnap; — barbouilleur, m. (spr, —boeljéür) een kladder, slecht schilder, kladschilder, knoeier; ook babbelaar, wawelaar.

Barbure, f, fr. (spr. -buur\') oneilenheld, ruwheid van gegoten waren.

Barcan, z. bercan; — bareane, z. li a r c o n e, ond. b a r c h e 11 a.

Barcarólle, f. fr. (van het Hal. barca, bark; vgl. liet Hal. barcurunlo, bootsman) een liedje der vcnetlaansche gondeliers, ook z. v. a, barque-rolle, f., z. ond, bark,

Barchent, ook parch ent, m, mld, lat. barracdnus, eene soort van kamelot; vgl. bemin) eene katoenen stof, aan de eene zijde ruw, welker ketting linnen is.

Barches, m, hebr. gezegend brood voor den sabbath.

Barchetta, f. it. (spr, —kétta: verklw. van (mm/, bark, z, aid,) Mar. eig. kleine bark, een klein vaartuig, eene boot by de galeien; — bar-cóne, in,, gew, bareane, eig. eene grooto bark; een klein vaartuig lot vervoer van levensmiddelen en dergelijke op de Middelland-sche zee.

Bard, m., pi, barden (cell, bard, banUl, hetzü van har, woede, geestvervoering, of van bar, uitstekend, schitterend, geleerd), zangers en dichters der oude GalliBrs, en, volgens eene heer-schende dwaling, ook de Germanen; z.y bezongen de daden der helden en vuurden do stryders tot dapperheid aan; —bardiet, n. (nw, lal. bar-ihlux, m.; vgl. hei lat. barïtus, het slrydge-schreeuw, slaglied der oude Germanen) een bardenlied, bardenzang, krygszang, slrydlled; een gedicht in den geest der oude bardenzangen (door Klopstock in den smaak gebracht).

Bardaken, pi. arab. (barradal, een waterverkoelend vat, koelvat, van bard, koud, koel) aarden kruiken zonder glazuur, flltreerkruiken, koclkrulken, In welke het water door doorzyging iifkoolt (In Egypte en Nuliië).

Bardale, f, (mld. lat. bardala, bardaea, de leeuwerik, waarscbyniyk als zanger beschouwd; vgl. het gail.-celt, banlail,dichteriyk, cn z. bard) een lied» eene verzameling van volksliederen.

Bardesanisten, m. pi. eene gnostische christensecte der tweede eeuw, gesticht door den Syrlér Bardosanes, die de leer der Valenti-nlanen onderwees.

Bardiet, z. ond. bard.

Bardiglio, m, 11, (spr, —dietjo) eene zeer harde marmersoort in Toscane.

Bardot, m. fr. (spr, —dó. Hal. banlollo) eig. een jonge muilezel, die gewooniyk de andere ezels vooropgaat en den dryver niet de levensmiddelen draagt; lig. een pakezel, zondebok, wrytpaai; ook Typogr. een defect exemplaar; gebrekkig afdruksel van een boek,

Barège, f, fr, (spr. —rèzj\') eene wollen stof, die niet gekeperd is, dienende lol liet maken van shawls, enz,

Baregine, f. fr, (spr. —zjien\') eigenaardige dieriyko slof in het niineraaiwaler van liarèges.

Barême, m, fr. een naar den maker dus genoemd book met uilgoworkto rekeningen van allerlei aard ; vandaar een rekenkneebt, eene ezelsbrug; ook een luiaard.

Barend, z, Bern hard.

Bareszeg, m, (spr. bdresjeg) een In Polen gezochte drank, bestaande uit een afkooksel van gerslemeel, vleeschnat en zure lulngroenlen,

Barét of barrét, n. (fr. bardie of barrette, f., provenc. banelta, berretta, birrel, H, berretln, sp, birrela, mld, Int. barrelum, birrclum, v. \'Hal. bitrus, biirum, soort van stof) eene soort van kleine, ongerando muls of hoed, Inz. der geesle-lyken; een kardinaalshoed, doctorshoed; — ba-rétwinkel, een winkel, waar men hoeden, mutsen, pelten, enz,, alsmede gebreide of geknoopte kleedingslukkcn verkoopt; barét-maker, een mutsen- of pottenmakor, een mutsen- of kousenwerker.

Bargain, (eng.) (spr. baarnhin) handel, koop; — a bargain is a bargain, koop is koop.

Barge, f, fr, (spr. barzj\') een platboomd vaartuig met zeilen en riemen, eene hurk; eene nieuwe soort van volksschullen In Nederland, van gemnkkeiyker en sieriyker inrlchling dan de oude lage trekschuilen, doorgaans barzie of herzie genoemd; in Londen geeft men den naam van barge (spr. bardzj\') aan zekere vaartuigen, die den slaat toobehooren en tot eene byzondere dienst bestemd z.yn,

Barïbal, m. eene soort van kleine beren in N.Amerika, Japan, enz.

Bariga, t. eene soort van oost-ind. z.yde. Bargéllo, m. Hal. (spr. -dzjélln) de hoofdman der sb Ir ren (z, a.) in ilallii; ook de stadsgevangenis te Florence,

Baril, n, fr, (spr. bari: van \'t mld. lat. barilus, vat, van ceUlsehen oorsprong) een vaatje, tonnetje; In Frankryk eene inhoudsmaat van verschillende grootte voor eiken handelstak ; — barillo, m, eene oude toscaan-sche inhoudsmaat voor wyn (b. dn itinoi = iü.SSi liter en voor olie (b. da olio) = 33,429 liter;— barillage, f, (spr. -rieljd-zj\') in de zeehavens: het vaatwerk, het fust; — barillard, m. (spr. -ri-ljdr) de galei-oflicier, die het opzicht heeft over den wyn en het water, de keldermeester op de galeien.

Barilla of barille, f, (spr. rielf), z, s o d a. Barillage, barillard, barillo, z. ond baril.


-ocr page 136-

BARRACAN

BARIN

122

Barin, m. russ. (spr. —ricit) de heer, nign-heer! (als aanspreking der Imllendcn); — ba-rynja, t. (van het verouderde bojarynja, d. i. vrouw van een bojaar) mevrouw; — ba-ryschnja, f (Jonge)JulIrouw, freule.

barioleeren, fr. (barioler, van \'I mv. lat. variolus,«, um, hont) hont beschlldoren, kakelbont verven, bespikkelen; — bariolage, f. fr. (spr. -la-zj\') bonte, kakelbonteschiiderU, ververij.

Barique, z. barrlque.

Barissan, Jav. en mal. troep krygsvolk, inz, ongeregeld korps inlandsche soldaten in Neder-landsch IndiB.

Baritono, m. it., of bariton, m gr. (van barys, zwaar, diep, en lönos, toon) de diepe tenor ofhoogebas; eene soort van basviool, die ook onder den toets snaren beeft; — baritomst, m. do booge baszanger (w elks stem van groot a tot de eensgestreepte fix reiki); — bariton-klarinet, f. klarinet met een stomphoekig verlengstuk om den toon te verlagen, z. v. a. bas-se tboren; —baritonsleutel,m. bet f-lee-ken op de middelste lün van den notenbalk.

Barium of baryum, n. uw. lat. de in isns door Davy ontdekte metallische basis der barytaarde, d. 1. zwaaraarde (van het gr. barys, zwaar), ook lerra ponrierósa, eene alknll-sebe aardsoort, die in verbinding met zwavelzuur In baryt of zwaarspaath, met koolzuur in wit heriet voorkomt; — baryt, n. gr., z. v. a. baryt-aarde; ook zwaarspaath, bo-heemsch spaalh, of zwavelzure zwaaraarde.

Bark, f. (fr. barque, mid. lal.. Hal. en sp. barca) eene boot, schuit, klein schip of vaartuig tot lossing van groote schepen; ook een groot driemastschip (zonder raas aan den achtermast) voor den zeehandel, b a r k s c hip; — barkas, f. (sp. barana) de zwaarste sloep aan boord van een schip; — barquerólle, f. fr., of bar-queróle. Hal. barcherulln), f. (spr. \\mrhe~) een klein lustvaartuig, pleizierschuilje zonder mast; — barkétte, f., z. v. a. barebetta.

Barkan, n., z. herkan.

Bar-keeper, m. eng. (spr. baar-kie-per) bultetbouder, bediende in de kotliekamer, vgi. bar (Sde art.)

Barley, f. eng. (spr. baarli) gerst.

Barnabas, lichr. mans.; zoon der vertroosting, naam des stichters der christengemeente te Antiochiü en naar men beweert eerste bisschop van Milaan; — Barnabieten, m. pi. eene geestelijke orde, die in Milaan In 153i ontstond en haren naam aan de St. Harnabas-kerk aldaar ontleende.

Barnsteen, n. (van banen, bernen, oudere vorm van branden) eene harsachtige zelfstandigheid, die de Ouden ais geneesmiddel en amulet gebruikten, en thans tot het vervaardigen van halskoralen, oorsieraden, reukilescbjes, sigaren-pijpjes, vischjes (fiches), em., lakvernis, barn-steenzuur, -olie en reukwerk wordt aangewend. Men hield bom vroeger voor een mineraal, doch de latere scheikundigen bewezen zün piant-aardigen oorsprong, en hU wordt door ben onder de plantenharsen geteld. Gewreven wordende geeft by een aangenamen reuk, ambergeur. Men noemt hom ook gele amber en k a r a b o.

Baroccio, it. (spr. barólsjo), z. v. a. b a-roucbe (z. aid.)

barók, ailj. (fr. baroque, scheefrond [van paarlen] van \'1 port. barroco, ruwe, ongeiyke parel) onregelmatig, zonderling, grillig, belacbeiyk, verkeerd; scheef, scheefrond (van paarlen); — barokke bouwstijl, verbastering of ontaarding van den renalssance-styi, inz. in de i\'de eeuw.

Barodroom, m. gr. vanzelf rydende wagen.

Baromakrometer, m. gr. (van baros, n. zwaarie, en makrós, lang) een zwaarte- en lengtemeter, een werktuig ter bepaling van de zwaarte en de lengte van een pasgeboren kind; —barometer, ook baroskóóp, m. een zwaar-temeter, gewichtmeter der lucht, of luchtweger, weerglas; hoiosterische barometer, metaal-barometer; — baromoterproef, z. elas-ticiteitswyzer; — barometrie, f. de meetkunst der luebtzwaarte, nok Inz. de kunst om mot barometers om te gaan; — barome-trograaf, f. uurwerk ter zwaartemeting, zeif-registreerende barometer (die de barometerstanden zelf graphisch aanteekent); — baro-thermömeter, ook-, thermobarome-ter of thermohypsometer, m. voor hoogtemetingen bestemde thermometer; — ba-rograaf, f. registreertoestcl voor atmospberl-sche drukking.

Barón, m. (uit het mid. lat. en oudii. barn, man, vasal, sp. varon, man) een vrybeer, banner-beer, baanderheer; — baronés (Hal. baronissa, fr. baronne) vryvrouw; — baronét, m. eng. (spr. banonel) een engelsch edelman, die iti rang het midden houdl tusschcn een baron en ridder (knight) en den titel Sir vóór zyn doopnaam voert (een in Itltt door Jacobus 1 ingestelde rang); — baronie, f. vi-ybeeriykheld, het. land van eenen baron-, — baroniseeren (spr. s=z) lot den vryheersstand verheffen.

Baróne, m. Hal. t). z. v. a. baron; — 2) een schelm, schurk, landloopcr (dewyi in Italië veel vreemde bedrlegiyke reizigers zich voor barons uilgaven).

baroque, z. barok; — baroskoop, z. b a r o m eter-, thans oen byzondere soort weerglas, een cyilndergias, waarin een mei brande-wyn overgoten mengsel van kamfer, salmiak en salpeter door vast bezinksel of viokkigen toestand helder of betrokken weer aanwyst.

Barouche, f. fr. (spr. —róesj\'), tl. baroccio, biroccio, m., mid. lat. barrolium, barrotum, baro-cia, van \'t lat. birotn, en dit van birölus, tweewielig) een ryiuig met twee wielen, eene halve koets.

Barquerólle, z. end. bark. •

Barr., I)y pabeoniologlsche namen afkorting van Joachim Uarrande.

Barra, m. (z. v. a. para, z. aid.) eene kleine turksche munt, = 0,3 et.

Barracan, m. (arab. barrakamp;n; een lang


-ocr page 137-

BARZELLETTE

BARRAGE

123

7.wart gewaad; vgl. berca n) een wit kleed dor Aralileren lit Fei.

Barrage, f, fr. (spr. bard-tf, van barrer, versperren; vgl. harre) Knit, do lieschutllng der vaten door dwarshouten tegen den liodem; ook straatgeld, bruggegeld.

Barragonos, n. eng. (spr. benegoons) dichte gekoperde, smalgestreopte katoenen stof.

Barranca, t. sp. afgrond, diepte, kloof, Inz. in Zuld-Amorlka.

Barranda, f., z. ond. barre.

Barras, n. liet schelbars uil de pynhooinen; de witte wierook (ga III po t); ook paklinnon.

Barratta, n. zwart welriekend hout uit Guyana.

Barratterie, z. ba rat ter ie.

Barre, f. fr. (provenc., sp. en it. barra, eng. bar, van celtiscben oorsprong) eenc stang, staaf, eene goud- of zilverstaaf; nok baarziiver; de boom, slagboom; eene zandbank voor don mond van eenen stroom of den Ingang van eene haven, «ene baar; ook de havonsluilhoom; de balie of het staketsel in de pleitzaal; de kam aan bet klavier en de viool; — barreeren (fr. bnrrer, Ital. barrdre) versperren, toegrendelen, met een boom afsluiten; — barrement, n. fr. (apr. —man) versperring; — barranda, f. sp. de afsluiting bü stierengevechten; — barreau, m. fr. (spr. bard) de trallestang, ijzoren ven-sterspül; de gerechtszaal, pleitzaal, vierschaar; c-, de gezamenlüke rechtsbeambten; — barri

cade, f. fr. (ital. barricata, slagboom) de too-.«Inillng, grendeling, versperring, slraatversper-ring, straatschans; eene valpoort, een schot-balk ; — barricadeeren, den toegang versperren, afgrendelen, verschansen; — barricadeering, f. de versperring, enz.; — barrière, f. fr. In het algemeen alles, wat eenen toegang afsluit, een hok, slagboom, draaiboom, valboom, verhakklng; grensweer, grensvesting; — barrière-steden, grensvestingen, Inz. de steden en vestingen, die bij het barrière-tractaat of grensweer-verdrag in 1715 tus-schen den dultschen keizer en de Staten der Vereenigde Nederlanden als een voormuur tegen Frankryk moesten dienen.

Barrel, n. (vgl. ba ril) engolsche vochtmaat (1 barrel ale = 32, I barrel bier = 36 gallons a i,S531« liter). Een barrel gezouten vleesch = 220 ift, meel = I (Ml \'(j;, enz. in Noord-Amerlka.

barreeren, barricade, barrière,

enz., z. ond. barre.

Barren (spr. baam), schaars met boomen bezette prairie, onvruchtbare landstreek (in Ame-rika).

Barrique, f. fr. (spr. bariék\') een stukvat, groot vat, okshoofd.

Barris, m. (uit de taai van Guinea) de afrl-kaansche hoschmensch, ook sjlmpanse, pon-go, Jocko, een ongeslaarte aap In het binnenland van Angola, Congo, enz.

Barrister, m. eng. (van bnr, balie, gerecht) een aankomend pleitbezorger in Engeland vim de hoogere klasse, die voor de recht-hank pleit.

Barrois, m. fr. (spr. barnd) een fransche w(jn van \'t voorm. graafschap Har (nu een deel der departementen Meurthe, Maas, Moezel).

Barroom, m. eng. (spr. baar-roem) hullet-kaïner, koffiekamer, vgl. har (2ile art.)

Barsac, m. fr. een witte Bordeaux-wijn van het vlek Barsac aan de Garonne.

Barse, f. tinnen bus, waarin de thee uil China komt; ook z. v. a. bar be, een klein schip zonder masten.

Bart., (ook Bar. en Bt.), afkorting voor baronet.

Bartas, m. hoofdsieraad der bongaarsche meisjes.

Bartholomseus, hehr. mansn.; eig. een strijdbare zoon, v. a. verbasterd van bar l\'lo-lema/os, een zoon van Plolemceus— Bar-tholomeeers, m. pi. een genootschap van wereldiyke geestelUken In Beleren, die in gemeenschap leven en zich met de opvoeding en het onderwijs van Jonge Heden bezighouden; nog eene broederschap van ameriknansclie geestelijken, te Genua gevestigd; — Bartholo-mseus-nacht, parysche bloedbruiloft, de moord aan de Protestanten in Frankryk gepleegd op last van Karei IX, den Sisten Augustus 1572.

Baruch, hehr. mansn. (barüc/i, verl. deelw. van barnch, zegenen, afsmeeken): de gezegende, z. v. a. Benedict us.

Barulieten, m. pl. eene christensecle der 12de eeuw, zoo genoemd naar Barulus, die leerde dat Christus geen werkeiyk vleesch en bloed heeft gehad, en dat do zielen reeds vóór de wereldschepping hadden gezondigd.

Barutijn, n. fr. {barutine) eene soort van levantsche zyde.

Barwood, n. eng. (spr. baarwoed) afri-kaansch rood hout.

Barycentrum, gr. lat. (van barys, zwaar) zwaartepunt; — barycentrisch, adj. op het zwaartepunt beirekking hebbende.

Baryekoie, f. gr. (van barys, zwaar) Med. de hardhoorigheid; — baryglossle, f. zwaar-tongigheld; ook z. v. a. barylalie, f. de moel-lyke, zware spraak; — barymetrie, liever harometne (z. aid.); —baryodynïe, f. eenc zware, diepe pyn; — baryphonie, f. Muz. eene diepe stem, basstem; ook eene zware, harde spraak; — baryphönus of bary-phoon, m., z. v. a. bassist (z. aid.); — ba-ryt, m., zie barium; — barythymïe, zwaarmoedigheid, mismoedigheid; — baryton, m., z. barytono; — barytoneeren, gr. (bary/onêïn) Gram. eene lettergreep, inz. de laatste lettergreep van een woord, met den doffen loon uitspreken of zonder klemtoon laten (het tegengest. van oxy t oneere n); — barytó-non, n. een woord, welks laatste lettergreep den klemtoon niet heeft.

Barzellétte, f. Hal. {berzellétta) een vroo-lyk en geestig volkslied in Italië.


-ocr page 138-

BASILICA

BAS

124

bas 1) tr. (spr. ha, itnl. basso, van \'I inid. lal. bassus, Rewooniyk afgeleid van \'t sr. bas-sön, dorischc conipar. van bnlhys, diep; waar-schgnHjk oclilcr reeds oud-rom., daar hol hlor vaak als eigennaam voorkomt; vgl. has hier onder) lang, beneden, onder; zacht; — a bas.\' lor neder, weg! voort! — en bas (spr. n/i—) beneden; — bas empire, n. (spr. bazaiipier, mld. lal. bassum imperium) hot latere oosl-ro-melnschc ryk der byzanlUnseho keizers. (Ook hel tweede keizerrijk, de regeering van Napoleon III Is zoo genoemd, in vergeiyklng met Napoleon I).

Bas, 2) f. 11. basso (d. I. In \'1 algemeen: laag, van \'1 mul. lal. bassus = fr. bas, z. aid.) de diepste, laagste stem, de grondstem, mansstem; ook het speeltuig, waarop men de bas speelt, basviool; — bassleutel, m. de /quot;-sleulel, die aanwijst op welke nolenlUn de kleine /\' moet staan; — bami ollava, plaatsen die een octaaf lager gespeeld moeten worden; — bassn-conli-nun, 11. (spr. -nne-o), of bassus generalis, nvv. lal., of generale bas, de grond- of hoofdbas; — basse-conlre, fr. (spr. bass\' kniilr\') of vlo Ion oontre-bas, de groote of diepe bas; — basse dnuble, fr. de dubbele, groole bas-vlooi ; — fondamentale bas, de grondbas; — basso ripiéno, 11. do volle bas; — basso vio-loncello, II. (spr. —tsjéllo) of de violoncel, de kleine basviool of knieviool; — baskla-rinét of basséthoorn, de bashoorn, kromhoorn, slanglioorn, slangbas;—bassétfluit, de basfluit, eene fluit, die quot;gt; lonen dieper Is dan de all Huil; — bassetaille, f. (spr. —Idlj\') en bassétto, de diepe tenor, do middelslem; ook de zanger van die slem; —bassetaille, nok z. v. a. bas-relief (z. a.); — bassist, m een baszanger of basspeler; — bassón, fr. (spr. —sóii) of fagól, m. de baspUp, de blaasbalg; — bassónblazer of fagottlst, m. een basblazer.

Basalt, n. (lal. basdlles, m., volgens Pllnlus een afrik, woord; selliloplach basal, verwant aan het bebr. barsel, ijzer, en wel Ion opzichte van zijne hardheid) Min. eene blauwachtig grauwe of groen-zwarle steensoort, dio zeer dicht en hard is en lol bouwmateriaal en slraalplnvei-sel, nok Ier loelslng van de zuiverheid des gouds (essayeering) kan gebruikt worden; ook zwart steengoed ; — basaltiet, n. eene naar basalt gelijkende steensoort uit Silezlé en de Palts; zwart porselein door W e d g w o o d en B o n 11 e y uilgevonden, basallglas, z. v. a. hyallet.

Basamént, z. oud. basis.

Basane, f. fr. (spr. s=2) geverfd schape-leder; toebereid schapen- of lamsvel; ook bereid kalfsleder; — basane aluile (spr. lu-d\') aluin-gaar leer; — basane cbippée (spr. sji-pé), op deen-sche wijze toebereid leer; — basane Innnée, loolgaar leer; — basaneeren, op dergeiyke wyze bereblen.

Basaniet, n. (vnn bet gr. bdsanos) de toets- of proefsteen der Ouden; eene harde, zwarte egyplisclie steensoort.

Basar, ?.. b a z a a r.

Basaróéka, f. (port. bataruco, ong. bud-lierook) oost-Indische rekenmunt, inz in Goa, van dezelfde waarde als de oost-Indische reis = Tquot;j goed port. reis =0,18 cent.

Bas-breton, n. fr. (spr. babretóh) wit garen van Morlalx.

Basch, of (met een daarvoor geplaatst woord verbonden) basji, m. lurk. (elg. hoofd) de eerste, overste, een opperhoofd (gewooniyk met andore ambtslltelen samengesteld).

Baschkiren, m. pi. een onder russlsciie heerschappij staande lataarsehe volksstam.

Baschlik of baschlyk, m. turk-tart. een hoofddeksel, een regendicble warme hoofdbedekking, die te geiyk schouders en nek bedekt (oorsp. volksdracht der Kaukaslers, dan uniformstuk der russlsche militairen en onlangs vrouwenmode geworden).

Baschmalik, n. turk. (elg. baschmaklik, van baschmdk, sandaal? panloffelgelden, het pachtgeld der boschovertredingen, een gedeelte van het inkomen der sullanes.

Baschtans, pl. (verbasterd uit perz. bns-tdn, busfan, lain) meloentulnen In Z.Rusland, de Krlm, enz., in welke de zoo gezochte ar-boezen (z. aid.) geteeld worden; — basch-tanik, m. de eigenaar van zulk eenen tuin.

Baschtarden, pl. (turk. bdschtarda, bamp;sch-Ihanla) in Turkye galeien van den kapoedan basja of van don sultan, van 2(1 lot t)U roeibanken.

Bascule, f. fr. (spr. baskuul\') een sluk hout of yzer, op eene as of spil rustende, zoodal het zich vry bewegen en \'t evenwicht zoeken kan; eene balans, \'I zy met geiyke of ongeiyke armen; de wip oener brug; de zwengel aan een waterput; eene wipplank; — hot basculestelsel, Pol. het weifelen, wankelen In de grondslelllngen van het stanlsbestuur; de ml-nlsterlöoie kunslgreep, waardoor het gewicht der uitvoerende macht nu eens In de konink-lyke, dan weder in de parlemenlalre schaal wordt geworpen, naar gelang do eene of andere ryst of daalt.

Bas-de-Bouchon, pl. fr. (spr. badeboe-sjóii) lljne gewerkte fransche kousen van en-gelsche wol; — bas-de-Vic, zeer wille en duurzame gebreide wollen kousen.

Base, basis.

Base-ball, n. eng. (spr. bees-bdl) amerl-kaansch nalionaal spel met een harden met loer iiedekten bal en een houten kolf.

baseeren, enz., z. oud. basis.

Basélla, f., bazélkruld, n. Bot. klimmende nachtschade, een plantengeslacht In Oosl-Indlë, alwaar het als verfstof en als moeskruid wordt gebruikt.

Basilaloog, m. gr. (van basiléus, koning, en agögos, leidsman) elg. een vorstenleldsman, doch doorgaans gebruikt In den zin van vor-stenvorleider.

Basilica, f. gr. {basilikè, van basilikós, c, dn, konlnkiyk) elg. een koninkiyk gebouw: in \'t oude Athene de openbare gerechtszaal, waar


-ocr page 139-

BASIMENT

BASSOTTI

125

lt;lii archon basileus rechtszitting lileld; tc Rome con soort beursiokual, een voor handelsverkeer maar ook voor terechtzittingen bestemd prachtig openbaar gebouw van langwerpig vierkanten vorm met dubbele zuilengangen; sedert Constantyn den Grootcn de kerkelijke gebouwen van den/elfden vorm (basllika-vorm), die over do graven der heiligen werden opgetrokken; later oncigeniyk in \'t algemeen gebruikt voor stifls- of hoofdkerk, domkerk, z. v. a. kathedraal; Anal, (vena basilica), de ellepUps-huldader; — basilica of basilïsche wetten, bet wetboek van keizer Basil!us den Grooten voor het gr, kelzerrük, in \'t Jaar 887 uitgegeven; — basilicum, n. Bot. koningskruid, dat men als specerij aanwendt; Pharm. eene ettermakende zalf; — unguéntum basilicum, hd.-gr. Pharm. pekzalf; — basiliscus, m. (gr. basiliskos) de rabolachtige koningsdraak; het bijgeloof kende don basiliscus hot vermogen toe om mot don blik zijnor oogen to doo-den, vandaar basilIscus-oogon; ecneoude veldslang (geschut), waarmede men achtenveertigponders schoot ; N. H. de koningshagedis, eeno onschadolUke hagedis in Z.Amerika on Azio;— Basilïus en Basilid.es, gr. mansn.; de koninklijke, de verhevene; — Basilidianen, m. pi. eene cliristensecte dor 2de eeuw, door Ba sil 1de us van Alexandrie gesticht.

Basimént, z, ond. basis.

Basin, in. fr. (spr. hazèn) of bazyn, n. iijno en sterke liombazgn, streepjosgood.

Basis, f. gr. (basis, eig. schrede, tred; dan do betreden bodem, enz., vnn bainein, stappen, gaan) basis, alles, waarop een lichaam steunt of rust, do grond, het voot- of onderstel, de grondslag, grondvlakte, grondlijn, grondvest van oen gebouw, do zullenvoet; Chom. elke stof, die zich met de zuren vereenlgt en deze onzijdig maakt, een motaal-oxyde of een alkalisch lichaam, zooals de ammoniak; Math, het grondgetal van een logarllbmenstolsol; do grondlijn dor driehoeken, enz., het grondvlak dor lichamen;—basamént, n. barb. lat. (Hal. basa-mento) Arch, het voetstuk, grondstuk voor heelden en zullen; de grond van eon gebouw In bet algemeen, z. v. a. basis;—baseeren, don grond leggen, vestigen, gronden; — ba-soering, de vestiging; — baseïteit, ba-siciteit, basiteit, f. Chom. het voorhanden zijn eener chemische basis; — baseologie, f. gr. de loor van de grondslagen der lichamen, over het algemeen de grondleer; — basimént, n. barb. lat. of fr. basement, n. (spr. ba-z\' mdii) voetstuk, z. v. a. postament; de grondslag, het fundament;—basische zouten, Chem. zouten, waarin liet motaal-oxydo do overhand beeft.

Basistan, Hover besestan, z. aid.

Basken of V ask en, m. pl. een volk in do W.Hjko Pyreneon, dat van do oude Iberiërs, do oorspr. bowoners van Spanje, afstamt; — baskisch, adj. wat dit volk eigen is, toebehoort (1)ask 1 scbe taal, bask 1 sche provinciën, enz.); — basquina, f. (sp. bas-quina, spr. baskienja, van bnscn, vascn, baskisch, omdat zü uil bet land der Kaskon afkomstig Is; fr. bnsquine) een wijde overrok der spaan-scho vrouwen.

Basklarinet, z. ond. bas 4).

Basoche of bazoche, f. fr. (spr. bnznzj\' ■ waarschijnlijk van lat. baslttca, rechtszaal, het latere basilique; vgl. manche, van manica) hel voormalige gild dor pariomontsschrijvors te Parijs, welks medeleden {frères de la bazoche) ook hot recht hadden, geestelijke tooneelspelen oi) te voeren.

Basrelief, z. relief.

Bassa, z. pasja.

bassa-lega [ari/en/n di], it. (spr. ardzjento—) Kmt. munt van gering gehalte (op de augs-burgsche wissels).

Bassanélli, m. pl. speeltuigen der vorige eeuw, veel overeenkomst hebbende met de sclml-molon.

Bassanéllo, in. it. Muziek eeno hobo {haulbois), uitgevonden door den Venetlaan Hassan o.

Bassaner, m., of bassaner gans,

schotscho gans, witte zeeraaf, eeno soort van pelikaan, inz. op het schotscho eiland Bass.

Bassariden, f. pi. gr. bacclmntinnen, pries-terossen van Bacchus, Bassa reus, misschien naar hare mantels van vossevellen (bas-saran, een vos) dus goheeten.

Basse-lisse, f. fr. (spr. bass\'liéss\', van bus, laag, en lisse, lat. lictum, de schering of ketting van hel weefsel) tapijten of weefsels, met ingewerkte, levendige ilguron; zü staan tegenover die, welke men haute-lissc (spr. hnol\'liess\') noemt, dewijl de ketting bü do laatste te lood op hot getouw staat, terwijl hy by de eerste waterpas ligt.

Bassésse, f. fr. (van bas 1), z. aid.) laagheid, laaghartigheid, gemeene, lage denkwijze, diepe vernedering.

Bassetaille, bassetfluit, -hoorn, z. ond. bas 4).

Bassétje, n. (fr. basset, van bas, laag) hot kleine engelsche dashondje.

Bassétte, f fr. (Hal. bassella) een kaartspel, dat veel naar hot pharo geiykt, oen nu streng verboden hazard-spel.

Bassin, n. fr. (spr. bassèii, It. bacinn, pro-venc. bncin, mld. lat. bacchinus, baccinum, baan its, van bacca, watervat) een hekkon, eeno kom, fontelnkom, watorvergaarplaals; eene veilige ankerplaats In eone liaven, als door de natuur gevormd; — bassin hnuiller (spr.-boel-jee), kolenbekken, dal of door bergen omsloten district met steenkoloniagon.

Bassist, basso, basson, z. ond. bas.

Basso, iial., z. ond. bas i).

basso rilieoo. Hal., z. v. a. basrelief.

Bassorine, f. Chem. hot taaie sap of siym, hot gommlg bestanddeel der basso ra-gom, (waarscbyniyk afkomstig van Acacia lencophaea).

Bassótti, in. pl. it. (van bassötlo, dik on


-ocr page 140-

126 BATH-ORDE

BASSUS

kort, vcrklw. van basso, vgl. bas) cenc soort van macaroni (z. aid.) In Italic.

bassus ijeneralis, 2. ond. bas i).

basta, it. (van basldre, genoeg zün) het is genoeg, genoeg daarvan ! houd op ! halt! — de basta, klaverenaas, de derde In rang, de derde matador In sommige kaartspelen; — bas-tant, adj. (Ital. bastanle) toereikend, voldoende; bekwaam, bedreven, voor iets opgewassen.

Bastaard, basterd, m. (oudfr. en pro-venc. bastard, baslurl, nw. fr. bulard, sp., port. en it. baslardo, mid. lat. baslardus: van \'t oudfr. en provenc. bast, nw. fr. bdt, pakzadel, en den oorspr. dultschen uitgang ard, art, ons aard, aart -, oudfr. fils de bust, zoon des pakzadels, onechte zoon, dewijl zulke kinderen vaak door muilezeldrijvers op pakzadels bulten \'t huwelijk geteeld werden; z. Cervantes, Don Quljote, hfdst. 18) een bulten echt geteeld, onecht kind, keefs-kind, banker!; van planten en dieren: een gemengd geslacht, uit tweeërlei soorten voortgekomen, eene afwijking, ontaarding, spcelsoort;

— ook eene lljne, dichle katoenen stof; — bas-terd-valk, de waterwouw; — basterdvenster, een venster, dat gelijke of niet zooveel hoogte als breedte heeft; — basterdwissel, Kmt. eene eenvoudige schuldbekentenis, een bloot leenbriefje; — basterd-wol, de slechtste wol aan de schapenvachten; —in het algemeen beleekend basterd, als adject, het onechte, valsche, afwijkende, ongewone -, — bastarde. Mar. de groote lurksche admiraal-galei (ook wel basic rd-ga lel); het groote zeil eener galei; — bastardeeren. Bot. zich als gemengde soorten voortplanten.

Bastaga, f. lat. (gr. baslaye, van bastadzein, dragen, bdstagma, lasl) het vervoeren van de reisbagage der latere romelnscho keizers; — bastagani, pi. opziener over de bagage en de lastdieren.

BastaggO, n. in Turkije de naam van de plaatsen, waar de schepen verplicht zgn quarantaine (z. a.) te houden.

Bastant, z. ond. basta.

Bastérne, f, fr. (lat. basterna, gesloten draagstoel) overdekte ladder- of legerwagen.

Bastiaan, afgek. van Sebastlaan, (z. a.)

Bastide, f. fr. (mld. lat. en roman, bastita, bastida, van bastire, fr. bdlir, bouwen) een op zich zelf staand liouten blokhuis; een landhuis, lustslot in het zuiden van Frankrijk; — bastille, f. fr. (spr. —tielj\')-, mirt. lat. bas/ia, bustite, bastilla, versterkt slot) eertijds de algemeene benaming van alle versterkte, met torens voorziene kasteeien; als eigennaam beteekent het inz. de geduchte vesting voor staatsgevangenen in Parys, onder Karei V (1370—83) gebouwd, en onder Lodewyk XVI In 118» door de pa-rüsche burgers bestormd en omvergeworpen;

— bastión, n. (fr, tlt;aslion, f.) het bolwerk eener vesting, een vestingwerk, dat uit twee faces en twee flanken bestaat; — bastioneoren, ah bast ioneere n, met een bolwerk voorzien, verslerken, bevestigen.

bastonneeren (it. bastonare, van bastóne, mid. lat. bnsto = fr. bdlon, stok) stokslagen ult-deelen, afrossen, de huid wasschen; — bastonnade, f. fr. stokslagen, afrossing; de in Turkye gebrulkeiyke slraf, die In slagen op de voetzolen of op den rug met een touw met knoopen of een lederen riem bestaat, bataafsch, z. ond. Batavia. Bataille, f. fr. (spr. batdlj\'; van balt re, slaan, en dit van \'t oud-lat. volkswoord batulre, battulre, slaan, vechten; vandaar in later lat. battmlia, battalia, krygsmans- of vechtersoefeningen ; ital. ballaglia, sp. batallu) een slag, veldslag, stryd, gevecht; — chapeau en bataille, steek, die overdwars of op zy op hel hoofd staat; — bataille-marsch, strydmarsch, stormmarsch; — bataille-paard, strydpaard; — ordre de bataille, z. ordre; — bataillee-ren (fr. bataillcr), twisten en vechten, In \'1 rond slaan, plukharen, borstelen; — bataillon, n. fr. (spr. balaljóii) een bepaald deel (derde of vierde, ook soms de helft) van een regiment voetvolk; eene krygsschaar, strydbende; — ba-taillon-carró, een als vierhoek geschaard bataillon, eene vierhoekige slagorde.

Batarde, f, fr. (van 6dlt;arrf = bastaard, z. aid.) elg. een basterd-rytuig, een lichte overdekte Weener-wagen of koets; — eene soort van nagemaakte Vigognerwol; Mil. een tien voet lange acblponder, oud geschut; ook eene oude fr. schryf-lettersoort, het midden houdende tusschen anli-qua of ronde en cursief of anglaise; — ba-tardeau, m. (spr. —doo) Mil. soort van keer-of kistdam dwars door een vestinggracht om het water op te stuwen; — batardise, r. (spr. —diéz\') onechte geboorte.

Bataten of patiiten, f. pl. (uit de taal van Haiti) meelachtige wortelknollen van den Convolvulus baldtus, eene eenjarige plant; een voedsel voor de volken, die tusschen de keerkringen wonen.

Batavia, f. lat. (z, op B a 10) het land der Bataven of Batavieren, een germaansch volk van den stam der Katten; poet. Holland, de Nederlanden; ook de naam der hoofdstad van Ned.-lndlë op Java; — bataafsch, adj. lot de Batavieren behoorende, die betretTende; poet. hoilandsch, nederlandsch; — bataaf-sche republiek (Nederland, van 1795—1808).

Bachelor, m. eng. (spr. bétsjeler), z. v. a. baccalaureus (z. a.)

Bateleur, m. fr. (van baton, stok. staf, tooverstaf) een goochelaar, potsenmaker, kwakzalver;—batelage, f. fr. (spr. -Id-zj\') goo-cbelary, bedriegery, polsenmakery.

Bath, n. soort postpapier.

Bathengel, f. Bot. soort gamander (Teu-crium chamadrys).

Bath-Köl, hebr.; elg, dochter der stem, openbaringsstem, die van den hemel komt,

Bath-orde, f, {Order of the Bath, d. i. Had-orde, van \'t eng. bath = bad; zoo gehee-ten, omdat de ridders vóór hunne opneming een bad moesten gebruiken, ais zinnebeeld der


-ocr page 141-

BATWINJA

BATHOS

127

gecsteiyke reiniging) cene eng. ridderorde, gesticht door Hendrik IV In 1308, vernieuwd door George I in en inz. bestemd tot lieloo-nlng van uitstekende krygsdlensten.

Bathos, n. gr. de diepte, het verhevene in de poëzie; in nleuweren tyd iron, gebruikt voor het iage, gemeene, liet platte en kruipende in schryt-, dicht- en spreektrant, in tegenoverstelling met pathos; — bathometer, m. gr. een dieptemeter, luz. een werktuig om de groote diepten der zee te moten; — bathometrie of bathymetrie, f. dieptemeting; — batyphoon, f. soort van blaasinstrument met diepe tonen.

Bathrium of bathrum, n. gr. [bdthron, trap, tred, grondslag) Chir. eene ziekenbank; een toestel, waarop chirurgische kunstbewerkingen verricht worden.

batikken, mal. inlandsche wijze van kleedjes of geweven stotfen met verschillende patronen in verschillende kleuren te teekenen (Ned. Indie).

Batiment, n. (spr. —mdii), fr. (van bdlir, bouwen) een gebouw; een schip, vaartuig.

Batist, n. (fr. batiste, oudfr. loile baptisle, óf naar Baptisle Chamhray, naam van den eersten fabrikant dier slof, een linnenwever in Vlaanderen in de 13de eeuw en vandaar ook kamerdoek [loile de Cambray] genoemd, of = doopiynwaad, dewyi men een zeer fijn linnen gebruikte, om kinderen, die pas den doop ontvangen hadden, het hoofd af Ie drogen) het tijnste en diclilste linnen; — batist-mousselien (spr. ou=oe), n. een naar batist geiykend weefsel uit katoen.

Batman, m. perz. een gewicht in het Oosten, inz. in Turkije en Perzië, van zeer verschillende zwaarte lol aan 13,77 kilo; het ge-brulkeiykste is de kleine batman of die van Teheran = •i,ii370 kilo.

Bato, de mythische stamvader der H a t a-vieren, een koning der Katten, die zich, naar luid der overlevering, met de zynen hij Myme-gen nederzette, daar het slot Batenburg bouwde, en het omliggend land Bato\'s auen. Bato\'s velden noemde, waarvan de Romeinen li a t a v i a en de latere bewoners B e t u w e gemaakt hebben.

Batókken of batóggen, pl. (van \'t russ. bológ of baldg, stok, pl. balogi) dunne latten of stokken, waarmede overtreders la de russ. armee en marine geslagen worden; stokslagen in \'t russlsche leger.

Batón, m. fr. (spr. —ló/ï; oudfr. busion, mid. lat. bnsto) de slok, staf, wandelstaf, rot-ling, ronde knuppel; Muz. het rustteeken; de slok of rol, waarmede de maat wordt geslagen ; — lours de bdton, in. pl. (spr. loer—) ongeoorloofde voordeelen, die men op sluwe wyze in t geheim uit een ambt, eene bediening, enz. weet Ie trekken; — bdtons royaux (spr. -mi-joo) pasteitjes met stokvormig boterdeeg van binnen; — bdlon stnislre (spr. sinieslr\') VVapenk. de streep of balk dwars door het wapen, die de onechte geboorte van den eersten ontvanger aanduidt; — batonneeren, met den stok vechten, afrossen (vgl. b a s t o n n e e r e n); — batonnier, m. fr. (spr. —gt;vé) stafdrager van een genootschap of vereeniging, inz. de verkozen voorzitter (deken) der fransche advocaten; — batonnist, m. die zich, zoo tot den aanval als de verdediging, behendig van den stok weel te bedienen; stokvechter.

Batrachii of batrachïërs, m. pi. gr. (van bdlruchos, kikvorsch) de kikvorschachlige dieren; — batrachiet, m. vorsch- of padde-steen, een groene holle steen, waarvan hel midden een oog verbeeldt; kikvorsch-verslee-nlng; — batrachmm, n. of batrachus, rn. gr. Med. kikvorschgezwei onder de long; — batrachograaf, m. kikvorschbeschryver; — batrachomyomachie, f. (van bdtrachos, mffs, muis, en mdcheslhai, vechten) de vorschen-en muizenkrijg, een boertig heldendicht, dat aan Homerus wordt toegeschreven.

Batta, f. de soldy der eng. troepen in O. indlë.

Battarisme, n. gr. (baltarismós, van bnt-taruhein, stotteren) het stotteren, gestotter, stamelen.

Battement, n. fr. (spr. balt\'mdh-, van bul-Irc, slaan, van \'t lal. balui re: vgl. halaiile) hel slaan, kloppen, klappen; in de danskunst: het samensiaan der in de hoogte geheven voeten, kultllikker; in de schermkunst hetzelfde als hat tut a (z. a.); Muz. de dubbele Iriller of iremblant; ook de slagiyst eener vleugel-of scholdeur; de slingerslag aan eene klok; — batteeren (it. bittere, fr. battre, lat. baluüre) in de scbermk. de tegeuparty hel rapier, den degen of de Ocurel uit de hand slaan; —batterij, f. (fr. hatter ie, elg. vechtery), de kanonbedding, geschatwal; het geschut zelf, stormkat, schiet schans; ook het pandeksel van een geweerslot; een heiblok; de stukpoorlon op de schepen; Muz. het aanroeren van verschelden snaren te geiyk; op de gitaar: de trilslag; l\'hys. eene ry llesschen tot electrlsche proeven; ook de melaalzull of de kolomsgewys opeengestapelde metalen platen by het gal vanisme (z. aid.); — batteur, m. Ir. vechtersbaas; — bal-leur d\'or, goudslager; — balleur de paré, straat-styper; — balleur d\'estrade, kondschapper, ruiter ter verkenning; — batteuse, f. dorsch-machine; — battoir, m. (siir. balodr) een stamper, klopper; een palot om te kaatsen; — bat-ture, f. Ir. (spr. ba-I uur\') ondergrond, grondverf om er op Ie vergulden; — battuta, f. it. (spr. balloéla) Muz. de maal-of lactslag, of het voorslaan van de maat; In de schermkunst: de schelslag.

Battologie, f. gr. onnul, niellg gesnap, ydel geklap, noodeiooze omhaal van woorden, zoo geheeten, wil men, naar een slotterenden koning B a 11 o s; — battologiseeren (spr. s=t), onnutte dingen snappen, wauwelen.

Battuta, z. ond. hal tem ent.

Batucca, f. port. soort van negerdans.

Batwinja, f:, z. ba d w I n ge.


-ocr page 142-

BEATUS

BATZE

428

Batze, f. ocne zilvermunt In de zwltser-sclie kiintons, ongeveer = S centen.

Batzner, m. eene oude zilvermunt in som-inige dultsche stilten = i kreuzer, of u ii 7 ets.

Baucis, (, gr. mytli. (z, 1\' li i I e m o n) dikwijls in het algemeen voor een oud, vriendelijk en beweeglijk moedertje.

Baude, t. (boheemsch biimlu, pooisch huila) herders- of houllmkkershut in de bergen van Silezic, Saksen en Hohemen.

Baudrier, m. fr. (spr. bo-drié, van oudhgd. batderich, angels, bell, lat. ballrns, gordel, degen-gordel) draagband, schouderband voor een dogen.

Baume, m. fr. (spr. bnom\') balsem.

Bautasteenen, m. pi. oudnoordsch, her-innerings- of gcdenksleenen, die in Scandinavië tot gedachtenis aan gevallen helden, enz. opgericht worden.

Bavard, m. fr. (spr. bawar, van bare, mid. lat. ba va, kwijl, uitvlooiend speeksel, baver, kwijlen ; waarschUnlgk van eelt. oorsprong) een snapper, wauwelaar, zwetser; — bavardeeren, klappen, wauwelen, onbesuisd en onbedacht spreken; — bavardage, f. (spr. bawarda-zj\') ook bavarderie of bavardise (spr, —diéz\'), f. onverstandig gesnap, ydel gezwels, beuzelpraat.

Bavarïa, f. denw.lat. naam voor Beleren, vandaar ook het kolossale bronzen beeld voor de «K u h meshal iequot; te Munchen, als persoonsverbeelding van Beieren — bavarese, m. bU de Italianen een oude beierscho daalder, ilie S bajochi minder deed dan een scudo = f 2,40 a /■4,60; — bavaroise, f. fr. (spr. bawaroai, v. bavarois, Beier, belersch) warme thee met stroop van capillaire (die men vervaardigt uit de bladen van den Adianlus capillus veneris) slroop-tliee, een belersch e drank; —ook soort van room-Us met vruchten.

Bavélle, f. Ital. (bavélta, verkl. van bava, d. 1. elg. kwijl, uitwerpsel) het uilschol der zyde.

Bavet of bavetje, f. fr. slabbetje, kwül-doekje.

Baviaan, m. (it. babbuino, sp. babuino, fr. babouin, eng. baboon, oud eng. babion, babian, hoogd. pavian, mid, lat. baboynu/:, babovinus, papin) eene soort van kortstaartlge, zeer wilde en geile aap in Afrika; de oude cynocephalus; Mar, de slocpwachtor.

Bavius, lat. de naam van een slechten dichter en Ingebeelden kunstrechter ten tüde van H oral lus, door Virgin us voor de vergetelheid bewaard; vandaar: een smakeloos dichter en vltzlek beoordeelaar.

Bavo, ninnsn, (van het lat. babo, ik blaf) de blaffer, de blaffende; ook Bavius.

Bavóche en bavochüre, f fr. (spr. ch =sj: van luwe, kwyi, enz,) een onzuivere afdruk van eene plaat of eenen lettervorm; misdruk, kladderü; — bavocheeren, onzuiver, onzindelijk afdrukken.

Bavolet, n, fr. (spr. —wolè: ontstaan uit bas en voilcl, verklw. van voile, sluier) een halve sluier, een boerinnenkapsel in Frankrijk, dat alleen hot bovendeel van hel hoofd bedekt.

Bayard, m, eng. (spr. béjard) hel kastanjebruin paard (van bay, bruin, bruinrood); ook een gaper, onbescheiden toeschouwer.

Bayonnet, z, bajonet.

Bazaar of b a z a r, m. perz. bAxnr, in het Oosten de markt of eene ruime, breede straat, waar de kooplieden hunne winkels of kramen hebben, In Perzi# ook mal dan, meldan of almetdan genoemd; er zijn twee soorten van bazaars; de eenen, waar men allerlei soort van leeftocht verkoopt, geiykon volkomen naar onze markten In de open lucht; de anderen züquot; lange overdekte galerijen, waar de handelaars in allerlei klelnoodlen, in kostbare stoffen, enz. hunne winkels houden. In navolging van deze laatste hebben ook w|j aan dergelijke groote winkels eh verkoopplaatsen den naam bazaar gegeven,

Bazac, m, soort tijngesponnen katoen uil Jeruzalem.

Bazalt, z. basalt,

Bazarne, m, fr, een fijne bourgonje-w|jn.

Bazzica, f, ital. (v. hazta, goed geluk) een soorl van kaartspel.

Bchst., in ualuurhistoriscbe werken afkorting voor Bechsteln (Joh. Matheus).

Bdellium, n. gr. (bdéllion, v. bdén, bdéllo, stinken) of bdelliumgom, Kot. eene harsachtige gom uit Arable, Indie, Guinea, enz., van bitteren smaak en leelljken reuk, dus genoemd naar de b d e 11 a, eene soort van op don ollif gelljkenden arablschen boom, uit welken z|j vloeit.

Bdéllometer, m. gr. (van bdélla, bloedzuiger) Clilr. een werktuig, door Sarlandlère in 181» uilgevonden, om de steeds duurder wordende bloedzuigers te vervangen; het bestaat uit een glazen laatkop, voorzien van eene kleine pomp on kleine lancetten; — bdélliBCh, adj. door bloedzuigers ontstaan.

Bear-grease, n. eng. (spr. beerghries, van bear, beer, en urease, vet) borenvet.

Béarnaise, f. fr. (v. Mam) soorl omnibus te Parijs; ook; eiersaus (sauce béarnaise).

Bearskins, pi, (spr. beer—van skin, vel) herevellen, dikke wollen stoffen.

beulus, a, urn, m, lat, (elg, particip. van Mare, gelukkig maken) de gelukkige, zalige; — Beata, f. lat. vr.naam: de gelukkige, de zalige; ook voor; schijnheilige, tijnvrome, hidzuster; — beata virgo, de heilige maagd (Maria); — beatae memoriae, zaliger gedachtenis; — beSti pauperes spiritu, zalig zijn de armen van geest; — bculi possi-déntes, zalig z|jn de bezitters; —beaticum, n, nw, lat, laatste oliesel = v 1 a 11 cu m; — Beatrix, nw. lat., of Beatrice, It. (spr. —trielsje) vr.namen; de gelukmakende; — beatifl-ceeren (lat. beati/icare) zaligspreken; — beatificatie (spr, tie=lsie), f. de zaligspreking, het opnemen door den paus onder het getal der zaligen (Iets minder dun canonisatie); — eIect r 1 eke beatificatie of apotheosis, f. eeae electrleke proef, waarbij om hel hoofd des geBlectrlseerden oen glorie of heiligenkrans gevormd wordl; — beatisme, n, nw. lat, de schgnheillgheid, femelar|j; — beatitudo possessie-


-ocr page 143-

BEAU

129

BEEF

«is, licgunsllglng, IjevoorrcchlltiK door het liezU; — bealihido ve.itra. Uit. uwe helllBlield, titel, waarmede men den piius aanspreekt; — bea-tillos, f, pi. fr. (spr. —liet\') lekkerlieotjes, die men In de pastelen, soepen, enz. doet, zcoals Iruirels, kalfszwezerik, plstuchcs; ook allerlei kleine nonnenarlx\'ld, zooals(if;nu.s, speldenkussens, enz.; — beatulus, m. lat. Iemand, die van vreugde dronken Is, die zielsvergenoegd Is, Inz. iemand, die zich In zinnelijk genot zalig voelt.

beau, fr. (spr. lm: vóór eene vokaal bel, f. belle: van \'I lat. bellus, n, urn, Ital. belln, bella) schoon i als subsi.; een pronker, een modegek, een opgeschikt heertje; — beau mande, f de aanzlcniyke, voorname Heden, de beschaafde, fat-sooniyko standbeau resle (spr. borest\') of |)l. beaux resten, schoone overhiyfscls, b. v. van een middagmaal; ook; sporen van vroegere schoonheid;— beau sexe (spr. —seks\'), f. de schoone kunne, hot schoone geslacht; — beauté, f. de schoonheid, onelg. eene schoone vrouw, een schoon meisje-, — beauté du (liable, dulvelsche schoonheid; die minder In schoone Irckken dan In verleidelijk voorkomen en gebaren bestaat; ook: Jeugdige frlschheld en bevalligheid.

Beavers, n. pl. eng. (spr. biévers: van beu-ver, bever, dus geheoten wegens de overeenkomst met bevervellen) ongelsche katoenen sloffen, die als laken geweven zya, inz. voor wln-lerbroeken dienende; beaverteen, n. (spr. bierertien) geverfd, ruw wollen bombazijn,

bébé, fr. van eng. baby {■/.. aid.), klein kind, zuigeling; pop; als klecdü voor een gemaskerd bal: meisje als klein kind verkleed.

Bec, in. fr. (oorspr cellisch gailo-lal. beccus) vogelmond, snavel, hek; snavelvormlg uilslek, snuit; dal gedeelte van eene lamp, uil hetwelk de pil Ie voorschijn komt, die men aansteekt; In gelijken zin zegt men gasbek (fr. bee-dc-(jaz) om de plaats aan te dulden, die uilgang geefl aan bet lichtgas, of aan de gezamenlijke kringsgewijs geplaatste openlagen, door welke uil de gaspijpen hel gas stroomt, brander; pl. ■fiecs: bec d tiapillons, vlecrmulsbrandev; bé-casse, fr. (van bec, wegens den langen snavel) de snip, houtsnip, een trekvogel; — bécas-aïne, ook beccassine, f. de walersnip, poelsnip, Iels kleiner dan de vorige; — becs-de-cnrbin, m. pl. fr. (spr belt-de-corbèii) do voorm lijfwncbl der koningen van Frankrijk, uil ino edellieden beslaande; dus geheeten naar de kromme hel-lehaarden van dien naam, welke zy bij slale-lijke gelegenheden droegen; — becflgue. f. \'fr. (spr. bekfieqb\': hel naast van \'I II. beccafirn) de gemeene vygeneler, vygeiysler, vygesnlp, een welsmakend vogeltje van hel geslacht der m o-tacillen, dat zich hy voorkeur met vygen en druiven voedt, In Z.Kuropa, inz. op Cyprus.

Bechamel of bechamélle, f. (spr. be-sja- —) in de kookkunst eene uiensaus, eene blanke saus, zoo geheeten naar haren uitvinder, den markies de Hechamel (sauce n la ■Béchamel).

Becher, m. (d. i. beker) eene badensche lu-VIBIUIK imilK.

houdsmaat = 1J deciliter; ook eene graanmaat te Hazel.

Böchika, pl. gr. (van bcx, genit. bcchós, hoest) hoestslillende, borstverzachtende middelen-, middelen, die de uitwerping uit de borsl bevorderen.

Beek, n. eene eng. maat, z. peck.

Beczcestie, biscestie, f. rnss. eene geldboele In Rusland voor den beleediger van een aanzleniyk persoon, wiens lyfeigene hy werd by onvermogen van helaling.

Beczka, f. (spr. bétsjku) poolsche vochtmaat, val, = too liters.

Beda, z. veda.

Bedeat, n. Inrk.-arab. (arab. bida\'al, nieuwigheid, onderdrukking), de havealol In Con-stanlinopel.

Bedeguar of bedegar, m. perz.-arah. [bAd-awdrd of bAd-awamp;rdah, eene soort van ha-gedoorn of distel) hondsrozespons [sponfiia cy-nnbasti) do mos- en monsterachtige uitwassen, welke men op de egelantiers of wilde rozen ziel, waarschyniyk veroorzaakt door den steek van zeker Insect (Cynips rosae); weleer van veel gebruik In de medicijnen.

Bédemund, m. oudd. (liever II e d e m u n t, van ons bede, In den zin van opbrengst, belasting, geldetyke bydrage, en munt) Jur. de boete, die eene lyfeigene, welke zich bullen bel buweiyk liet bezwangeren, aan haren heer moest betalen; ook de prys der vergunning lot het buweiyk der lyfeigenen.

Bëdikah, f. behr. by de Joden het onderzoek of een geslachl dier rein of onrein is.

Bedlamiet, m. (spr, bedlem—) een krankzinnige, een opgeslotene in een dolhuis; een gek, een dolleman. De naam Is ontleend aan een groot hospitaal, In 15SS voor krankzinnigen te Londen geslicht en S. Mary llcthlem geheeten, waarvan Bedlam (spr. bédlem) eene samentrekking is.

Bedoeïenen, Beduïnen, m. pl. (arab. beddwi, In de woesiyn rondzwervend, van bedw, open veld, woesiyn, en dit van bada, in de woesiyn rondzwerven, een nomadisch leven leiden) arabische siroopbenden, rondzwervende Arabieren, die meeslal van den roof der karavanen leven, /.y vormen het zuiverste en best in stand gebleven ras van de arabische volkeren, zyn nooit ten onder gebracht en hebben zich nooit hy hunne veroveringen met andere volkeren vermengd; — bedoeïne of be-duïne, f. een op de arabische dracht geiy-kende damesmantel.

Ih\'-dur of B-dur, II. Muz. de harde toonsoort of harde li, In tegenoverstelling met Be-mal.

Boef, n. eng. (spr. bief) rundvlcescb; — beefeater (spr. bief-ieler), rundvleescbeter, scheldnaam der Kng. lyfwacht; — beefsteak, n., pl. boefsteaks, eng. (spr. bicfsleeks) by ons gew. biefstuk, engelsche rundvleescb-lappen, of dun gesneden, gekrulde en snel gebraden rundvleescbscbyven; — beeftea, f.

fl


-ocr page 144-

BELEMNIET

BEELZEBUB

130

(spr, —lie) nftrcksol van kokend water op ma-Rcrc sneetjes rimdvleosch.

Beëlzebub, in. oorspr. ecu cod der I\'lue-niclers en Syrters (vgl. Boll a I), door de He-brefin tot een diemon of duivel verlaagd en naar hunne opvatting (van \'t hebr. bital, heer, en \'sbüb, vlieg) elg. vliegenvorst, opperduivel; ook de naam van een gestaarten aap, z. sapajoe.

Boermost, m. (van beer, bes, bezie) de most, die nog vóór do perzlng der druiven afdruipt en lol bereiding van den beerwijn dient, welken men voor den besten houdt.

Befana, f. 11. (verbasterd van \'t gr. epi-yihania) in \'1 volksbygeloof eeue zwarte, vorm-looze, spookachtige vrouw, die, door den schoorsteen nederdalende, de ondeugende kinderen bang maakt, do zoete daarentegen met hare gesehen-ken verheugt; vandaar eene bekleede pop of een ledeman, die In sommige Hal. steden op vastenavond in koddige processiën wordt rondgedragen.

BefFroi, fr. (spr. bef-frna-, eng. belfry) wachttoren met een stormklok.

Beg, m. turk., gew. bei of bey, heer, een titel van zekere turksche beambten; — beglerbeg, m. (spr. heilerbei) elg. een heer der heeren, een landrechter, opperstadhouder van een groot landschap In TurkUfi; — beglik of beilik, n. de waardigheid en \'i gebied van een beg; — beg- of bei-zadeh, m. de vorstenzoon.

Begharden, m. pi. eene soort van monniken zonder geiofle, zoo men wil, In 12Ï8 te Antwerpen gestlchl naar den regel der heilige tl•\' gga; wanrschynlUker eehier dus geheelen naar \'I mid.lat. en roman, buna, zak, buldel, vgl. eng, beggar, bedelaar); — Begijnen, beggijnen, ook Bagijnen, Beguïnen, geesleiyke dochters of weduwen, die, zonder eenlge klooslergeiofle af te leggen, gemeenschap-peiyk op zoogenoemde hegynen-hofjes leven-, oneig. lijn zusje, femelaarsier, schynheillge.

Beglik, z. end. heg.

Bêgma, n. gr. (van bêssein, hoesten) Med. hei uitwerpen der longen iiij het hoesten, de ilulmen.

Begonia, f. een naar den Franschman Itegon zoo genoemde planlensoorl, scheefhiad.

Begnarden, begnarten, m. pi. aanhangers eener secle uit de 12de en 13de eeuw in Duilschland en de Nederlanden, welke leerden, dat de mensch reeds hier op aarde den hoogsien graad van zedeiyke TOlkomenheid kan bereiken.

Beguarden, z. F1 a g e 11 a n 1 e n; — Bo-

guinen, K e g y n e n, oud. li e g li a r d e n.

Begueule, f. fr. (wellicht van béér, gapen, den mond opsperren, en nucule, mull) zich preuisch aanstellende schoone, genifecleerde vrouw; lijne zus, femelaarster; — bégueu-lerie, f. preutschheld, Ingebeeldheid; schyn-helllgheld.

Bégum, f. eene Indische vorslin of koningin.

Beha-ud-daulet, m. arab. z. onder da u I el.

Behemóth, m. hebr. van het koptisch P-ehe-mAut l)yigt;els(,iie naam (Jul) XI,, to en volg.) van het grootste landdier, waarscbyniyk den mammoelh der voorwereld; anderen denken aan het nyipaard of den hippopotamus en den olifant; een monster, reusdier.

Béhennoot, ook hen noot, f. (van \'t perz.-arah. helmen, eene soort van wortel, sp. en port, lichen) Hoi. de olieryke vrucht van den I) e h e n n o 1 e h o o m {llyiieranlhSm moringa) In AzlB, enz., In grootte aan de hazelnoot geiyk.

Bei, beilik, z. beg.

Beige, f. fr. (spr. bi-zj\') slof van ongeverfde wol, zwart, bruin, of grys van kleur.

Beierd, m. de aigemeene verzamelplaats In eene herberg, de gelagkamer, waarsch, den met bajert (z. chaos); een verwarde hoop, doorecnioopende menigte.

Beiram of bairam, n. pent.-turk. naam van twee godsdlenslfeesten: hei grooie b., dat drie dagen lang op het einde van den vasten-tyd, en hot vierdaagsche kleine of k urbann-b., of feest der otters dat 70 dagen na het eerste wordt gevierd.

Bek, gasbek, z. end. bec.

bel, belle, fr., ■/.. beau: — bel-ami, m. boezemvriend, verlrouwde; — bel-amour (spr. nu—ne) een minnaar; — bol-esprit, m. fr. (spr. bellespri, pi. beaux esprits, spr. bozespri) een schoone geest, een zinrijk, vernuftig, schrander mensch; - bei-étage, fr. (spr. bellelazj\') Arch, de eerste of voornaamste verdieping of de verlrekken van een gebouw éene, trap hoog; — belle-alliance, f. (spr. bell\'aljdiis\') schoon verbond; de naam der pachthoeve, vermaard geworden door den slag van Waterloo, is .luni isiii; — belle—humeur, goede luim; — belles-lellres, pi. (spr. bell\' lelir\') de zoogenaamde fraaie letteren of schoone wetenschappen, de gezameniyiie kundigheden, die tot de spraakkunst, redekunsl, welsprekendheid, dichtkunst hehooren; — belletrist, m. (gevormd uit belles-lellres) een vriend, een kenner, een beoefenaar der fraaie lelieren; — belle-tristerij, f. de. overdreven, zotte zucht tot alles, wat de fraaie letteren betrefi; — bel-letristiek, f. de kennis en beoefening dei-fraaie ioiteren; — belletristisch, adj. wat tot de fraaie letteren behoort.

Belad, arab. (pi. van blled) district, gebied (komt dikwyis in geographlsche namen voor).

Belander, z. b y I a n d e r,

Belchiet, n. eene soort van spaansche wol, naar de siad Belch He (spr. bellsjile) In Spanje benoemd.

Belelacs, m. eene soori van oostindische zydesiof, bongaalsche taf.

Belemniet, n. gr. (van bdlemnon, schietwerktuig) iinkssteen, pyi- of dondersteen, eene versteenlug eener soort van ultgesiorvon, kegelvormige inktvisschen; — belemnitolo-


-ocr page 145-

BELEN

131

BKNE

gïo, f. do natimrlljko lilslorli; dor 1) oI o m-n t o t o n.

Bélen, m. (v. lat.-cell. BUSnus, waarsch. van beien, melen, blond) een god der Goltcn, vcrwund mei den rom. Apollo.

Bel-esprit, bel-ótage, z. ond. hel.

Bélial, in. oorspr. een god dor l\'luenlclürs en Syrlers, l)U de Hebrotin een duivel: de hellevorst, naar hehr. opvalling (van b\'li, niet, en ja\'al, nut) elg. deugniet, boosaardig, sleclil mensch,

Bella, 7.. ond. hello: — belladónna,

f. 11. elg. schoone vrouw of schoon meisje. Bot. eene In al hare deelen vergiftige, ver verspreide plant van l lol li voet hoogte, met klokvor-mlge bloemen van vullroode kleur en blinkend zwarte, naar kersen geiykende bessen; hare gift slof heel bü ullnemendheld a I r o p Ine: wolf-kers, grootc nachtschade, hesdragend rtoodkruid, dolle hessen (bet sap levert een blanketsel op, dat aanleiding gegeven beeft tol dien naam).

Bellande, ■/.. h (j I a n d r.

Bellatrix, f. lal. (krygsheldln) Astron. een sier in Orion {?.. aid.) verkeerde veriaiing van hol arab. el-nAilschid, do overstijgende d. i. de uitstekende.

Belle-alliance, z. ond. bel.

Belleróphon, m. gr. Myth, zoon van Glancus, moest uil züne vaderstad Korinthe vluchlen, dewyi hij bij ongeluk zynen broeder l\'irrenus op de jacht had gedood; bij vond eerst bescherming bü den koning Pr(Blosvan Argos; docli later zond deze hem naar zynen schoonvader lohates, met eenen brief, waarin hg dezen verzocht, Belierophon l(^ willen van kant heipen; vandaar Bellérophons-brief, z. v. a. Urias-brlef (z. aid.). De hem door lobates opgedragen stryd met de Chimaera hracht hij tot een gelukkig einde met hulp van Peg a s u s, boette evenwel etmlHijk zija overmoed, die hem op dit gevleugeld paard lot aan de woningen der goden voerde, door plotseling naar omlaag te storten (een geiUkenis van den hoogmoed, waarop de val volgt).

belles Icllres, belletrist, enz., z. ond. bel.

Bellevue, z. v. a. belvedere, z. aid.

Bellicosus, m. lat. (v. helium, oorlog) do strydbare, de wakkere iu den kryg, een liil-naam van vorsten; — belligeranten, pi. fi\'. (v. belligérant, oorlogvoerend) de oorlogvoerenden;— ielliqueus, fr. (spr. —keus: elg. bel-lii/ueux, van het lat. bellicosus) krygszacblig, strydliaftig; — bellicosainenle, bellicoso, itai. Muz. krygshaftig.

bellissimn, z. ond. belln.

Bell-Lancastersche methóde, zie L a n c a s t e r s c li e I e e r m o 1 li o d e.

belln, bella. Hal. (van \'t lal, bellus, a, urn) schoon, sieriyk; — bollo, m. een modeheer-Ije, pronker; in Nederland en Dullschland vaak een hondenaam; Bella, of fr. Belle, vr. naam.; de schoone, llellyke; -- bcllissimo, Hal. zeer schoon, overschoen; —M/o nwilo, lal. op goede of aangename wij/e.

bellum, n. lat. (ontstaan uit iluellum) de oorlog; bellum inlernecinum, een verdelgingsoorlog, een kryg op leven en dood; — bellum omnium cnnlru omnes, oorlog van allen tegen allen (volgens de leer van Mobiles de natuuriyke of oor-spronkeiyke toestand van bet menschdom); — bella malribus deleslala, de oorlogen, die schrik der moeders; — Bellona, f. rom. Myth, de krygsgodln; — bellonion, n. een door K a u f-mann in Dresden uitgevonden speeltuig, dal verscheiden veelstemmige, met pauken begeleide tronipotstukken speelt.

Bellyache-root, f. eng. (spr. belly-eek-met) buikpünwortel (v. bellij, huik, ache, pyn en rnnl, wortel) de naar seldery smakende wortel van Anueliea lucida.

Beloega, m. (rus», bjeloega, van bjclyi, wil) de wilvisch, de russ. naam van eene grootc steursoort; — beloega of beloegasteen, de sleursleen, een steenharde klomp, zoo groot ais een hoenderei, dien men soms in de nier der grootc steuren vindt.

Belomantïe (spr. t=ls), f. gr. (van W/os, geschut) de kunst om uil gewyde en met allerlei leekens voorziene pUien of staven waar te zeggen.

Belt, m. (eelt. het water, de zee-, vgl. B a 11 Is che zee) eene zceëngle, b.v. de grootc Belt, lusschenFUhnenenSeeiand,ende Kleine Belt, lusschen Sieeswijk en FUhnen.

Belvedère, 11., of bellevue, f. fr. (spr. bell\'wiï) schoonzicbt, een schoon uitzicht, eene plaats (inz. toren) van welke men een schoen gezicht heeft, h. v. in het Valicaan te Home, waar de Apoilo, de Laokoongroep, en andere meesterstukken der antieke kunst slaan.

Böma, n. gr. (van baiitein, stappen) elg. schrede, tred; verhoogde plaats, spreekgestoelte, rechterstoel, enz.; in de oude kerken de voor de geestelijkheid beslemde omtrallede altaarruimte; inz. de bisschopszetel in die ruimte.

né-mnl of B-mol, it. Muz. de zachle toonsoort, de zachte B, in tegenoverst. van B-du r.

Ben I) hebr.: zoon; vandaar In samenstellingen als Bendavid, Davidszoon; lienja-min, zoon der rechterhand, lievelingskind, troetelkind, gelukskind; 4) (v. \'I eelt. pen, hoofd, top, kruin) schotscb en iersch; bergspils, vandaar in bergnamen, als Ben-A ven, Ben-Lo-mond, enz.

Ben. afkorling voor beneden.

Bon, itai. zeer goed.

Benarde, f. fr. (naar den naam des ull-vinders) bet fransche slot, een slol dal van twee zyden kan geopend en gesloten worden.

Benarés, f. oostindischc zllverslof, zoo genoemd naar de staii van geiyken naam.

Bench, eng. (spr. bensj\') bank, gereohlsliof.

Benda, t. een afrikaansch gewicht = (ii kilo.

Bendak, m. (perz. bnndSk) in Perz. een hoog, niulsvormig boofddeksel der dervisjen.

Bendi, bindi, f. Jav. tweewielig rytuig op Java. •

bene, lal. goed, goedaardig; ad bene esse, lot


-ocr page 146-

HENKFACTIK

BKNEI)

132

wBizgn of tol Konoeglük loven; — benedi-ceeren (Int. benedkti-e, d. I. cli?. rociI of lots goeds zcggon) wüdcn, zogoueii; vatuliiar be-nedijen, pi-yzen, zuligiirgzon, zegenen; — gebenedyd, gezegend, gezaligd; — het be-nedicite (elg. benedicflc: spreek den zegen!) hel lufelgcbcd voor den niaallijd in kloosters; rte zegenspreklng, de zegen; benedicainus Domino, laten wy den Hoer pryzen (eene formule, waarmede de kalh. godsdienst In denvustentUd en op eenlge andere dagen gesloten wordt); — Benedictus, mansn.: de gezegende (vr. Benedicta en Beiaedictme); — Benedictijner, m, een monnik van de orde van SI. Benedictus, de oudste monnikorde der R. K. kerk (In ölS Ie Monle Casino gesticht; een orde van groote verdienste voor de wetenschap, in de middeleeuwen door afschriften, in de 17e en 18e eeuw door geleerde nasporingen en uitgaven der kerkvaders); — benedicten-kruid, elg. liet zegenkraid; de maart-wortel, hel migelkruld {Geum urbanum): ook z. v. a. car do h en e d I cte nkr uid, z. aid.;

— benedicts-penning, eene gewijde munt als amulet of behoedmiddel tegen looverg; — benedictie (spr. /=/.?), f, (lat. benediciïo) de zegen, zegenwenscli, zegenspreklng, inz. z. v. a. benediclio sacerdolalis, de priesterlgke zegen, de Inzegening van den echt; b. a/wslolïca, de algemecne zegen des pausen, door het tee-ken des krnises, driemaal per Jaar gegeven; benedictionale of benedictionarï-um, n. nw. lat. een kerkboek met de fonmi-lleren der inzegening.

Benefactie, f. lat. (benefaclfo, van benc-fncürc weldoen) het weldoen, de weldadigheid;

— benefactor, m. later lat. de weldoener-.

— benefleéntie (spr. t=ts), f. (lat bcncfi-cenlia, van 6e«e/Tcus, weldadig) de weldadigheid; — beneficium, n. (van beneficus) of beneficie, f. pl. beneficia of beneficiën, de weldaad, begunstiging; voordeel, nut, gewin; inz. de rechtsweidaad, juister beneficium juris, z. lager; eene geesteiUke waardigheid met inkomen verbonden, prove, prebende, In \'1 algemeen een ambt, post of voordeel uit gunst verleend, 1). v. in de roomsche hlerarchle eene abdy, een kanonlknat, een proostdg, enz.; — beneficia non nb/rudun/ur, lat. weldaden worden niet opgedrongen d. 1. men kan niemand dwingen weldaden aan te nemen; — benefici, m. pl. Astrol. hellnanbrengers, zegenaars, de naam dor planeten Venus en Jupiter by do sterronkykors; — henefidum juris, lat. de rechtsweidaad, liet voorrecht, b. v. henef. ahslinéndi, het recht der kinderen om van do vadoriyke nalatenschap af te zien; b. appelldndi, hot recht van beroep op eene hoogore rechtbank; li. deri, eene oud-eng. wet, krachtens welke een misdadiger, die voor de eerste maal zich vergrepen had, in geval hij lozen kon, niet met don dood maar met eene geldboete word gestraft; b. cessiuni» bnnorum, de vergunning tot don afstand van goederen (aan schuldelschers); b. com-pelentfae, het kostrecht, do vergunning aan don schuldenaar om zooveel van het zyne te be-houden, als hy noodzakeiyk tot zgn levensonderhoud behoeft; b. cum curd, een met zlele-zorg verbonden korkambt; li. deliberandi, het overwoglngsrecht, vergunning van oenen bodon-kenstyd vóór de aanvaarding eener erfenis; b. ecclesiasdcum, oeno kerketyko prebende; b. emi-graliunis, het recht van naar een ander land te verhuizen; b. excussiunis, de rechtsweidaad van oenen borg, volgons welke hg de voorafgaande rechtsvordering van den hoofdschuldenaar kan verlangen; h. im/iub rum of b. pupi/urum, gorechteiyke bogunstiging der onmondigen; b. invenlarli, bonoftcto van Inventaris, de rechtsweidaad, krachtens welke een erfgenaam, die tydlg eene opgave dor nalatenschap gorech-telgk heeft ingediend, voor de nagelaten schulden alleen in zooverre aansprakeiyk Is, als de nalatenschap toereikt; b. liberalimiis, het recht van ontbinding van den borgtocht, b. mulilbre, gerechteiyke hogunstiging der vrouwen; b. perso-nale, porsoontyke begunstiging of bovoorrochtlng; b. reQUlSre, eene prebende, die aan oenen or-desgeostotyke (In tegenoverst. van oenen wo-reldiyken goesteiyke) ten deel valt; li. reslilu-liönis in integrum, de rechtsweidaad dor her-stolling in den vorigen stamt; I), sine cum, eene prehonde zonder zietezorg; — beneflciaal, adj. nw. lat. lot eene prove behoorendo of die betieiTendo; — beneflciarius on benefi-ciaat, in. lat. hg, die een bonollclum ontvangt, een provenier; ook: hy voor wien een beneliclc-voorsteillng gegeven wordt; — beneficie-representatie (spr. tie-tsie), f. li e n o f I c I e-v o o r s t o 111 n g, de voorstelling van een tooneelstuk ten voordeele van een tooneei-spoler, enz.; — beneficiëeren, eene weldaad bewyzen.

bene merllus, i. ond. merilum; — bene mis-ceatur, z. ond. m 1 s c o e r e n; — bene pladlum, z. v. a. placilum, z. aid.; — bene i/ui laluil, bene vixit, z. ond. latc.nl: — bene vaUle, z. ond. vale.

beneventeeren, nw. lat. (van bene, wel, en venire, komen) verwelkomen, wel ontvangen.

benevulus, o, urn, welwillend, toegenegen;— benevule lector, lat. goedgunstige lezer; — be-nevolént (lat. benevolens), adj. welwillend, gunstig; — benevoléntie (spr. tie=lsie), f. (lat. benevulentta] de welwillendheid, genegenheid, gunst.

Bengalen, n. oen landschap in \'I noorden van Voor-indiö; — vandaar bengaalsche boonen, z. v. a. Ignatius b o o n e n, z. aid.; — bengaalsch vuur, Indisch vuur, een mengsel van zwavel en salpeter, waarby men nog andere stolTon, als antimonium, enz. voegt; de buitengemeen heldere, liyna geheel klour-looze, witte, sterke vlam van dit mengsel maakt hel tot een voornaam deel dor vuurwerken en vooral dor seinvuren.

Boned, by zoologische benamingen afkorting van Pierre Joseph van Honeden, een hel-gisclien zoöloog (gob. IKOtl).


-ocr page 147-

BERGAMOT

BENGALI

Bengali, hy vogolhimdulaars de naam van vorscheldon soorten afrlknanscho on nnstrallscho klolno vogols, die liü ons als slervogols gehouden worden.

Iienignus, a, urn, lat, (tocdlft, vriendetyk, mild;

— Benignus, mansn.: do Koedlge, tnllde;

— benigniteit, f. do Roedhold, goedigheid, minzaamheid, mildheid Med. de li e n I g n 11 e 11 cciu\'r ziekte, d. I. hare goedaardigheid.

Beniamin, z. ond. Ben.

hen marcnln, Hal. met goed uitkomende voordracht, goed gemarkeerd (te spelen).

Benno,oudd. mansn., verkorting van Kern-hard, z. aid.

Bennoot, z. hehonnoot.

Benoiton, tr. persoon uil de tulsoeniyke klasse, die in doen en spreken de demi-monde nadoet (ontleend aan Sardou\'s sluk la familie Penntlon).

Bentnaam, m. de toenaam, dien te Romo het nedertandsch schildergenootschap, 1) e n t ge-hoeten, weleer aan teder van zijne leden gaf; vandaar in het algemeen; hynaam, toenaam.

bentachen, bentsjen, bontsen, Joodsch (verbasterd van het lat. benedieüre) zegenen, den zegen spreken, inz. net gebed, na het eten, opzeggen.

ben leni/lo, itai. Muz. Juist uitgehouden.

Benvenüto, m. hot wolkom; ook ais naam: de weikome.

Benzoë, f. nw. lat. (fr. benjoin, sp. benjul, tl. belzuino, hoogd. benzoïn en benzoë, waarsch. van perz. oorsprong; vgl. handst, terpentynhars) eene brokkelige, blllsamleke gomhars van den benzoBboom {Storax benzoin) op .lava, Sumatra, enz.; — benzoëzuur, n. vroeger ook: benzoëbloemon, het gekristalliseerde geneeskrachtig zuur van de benzot\', dat men ook in de salie, vanieije, kaneel, beukeschors en vele paddenstoelen aantreft; — benzoë-tinctuur, f. oplossing der henzot! In wyn-geest, als In- en uitwoiidig geneesmiddel gebruikt; - benzoyl, n. (van benzol! en hy/e, stof) het vermoodeiyk radicaal van benzoözuur;

benzine, f. of benzol, n. een door verhitting van benzoë met kalk verkregen, nu in grooto hoeveelheid uit steenkolentecr gewonnen, uit kooi- en waterstof bestaande, sterk riekende vloeistof, wegens de oplossing van vette oliën enz. dikwyis ais vlekkenwater gebezigd.

Beotiërs, Bojotïers (spr. ti=lsi),m. pi. gr. (sing. Iloiolns of Itoiollkós) eig. bewoners van het oudgr. landschap HteotlB, die voor traag en dom bekend stonden; vandaar een It eöt 1 er, een traag monscb, een lomperd, domoor, gans;

— beótisch, ad), uit Beo tie; stompzinnig, dom, b. v. een beötisch temperament.

be-quadraat, n. lat., be-quarré, fr. (spr. —karé], be-quadratura (spr. -korn-dralMra) of be-quadro (spr. —kocadro), 11. Muz. do vlerkante B, het herroepings- of horstoilingsteekon, waardoor eene voor de belfl verhoogde of verlaagde noot weder tot hare vorige plaats wordt teruggebracht.

Beracha, n. hebr. een lof- en dankgebed der Joden.

Bérat, m. aanstollingsbrleven der turksche pasja\'s en stadhouders; vgl. harat.

Berber-basji, m. turk. (v. \'t perz. berber, barbier, en het turk. bdsc/i, hoofd, opperhoofd) de opperbarbter des sultans.

Berberije, n. het land der Berbers (d. I. arab. landbewoners, in tegenst. met de mooren als stadbewoners) een van de Arabieren afstammend volk in Noord-Afrika, het noordelijk deel van Afrika, vgl. Bar ha rye.

Berberis, berbérisse, f., berberisstruik, m. (nw.lat. berberis, van \'I arab. berhdrh, barbdrii) de zuurdoorn; vandaar ber-beridéën, f. pi. kruid- of houtachtige planten, welker voornaamste kenmerk beslaat In do aan de helmdraadjes vastgegroeide helmknopjes, die van het voetstuk lot den lop toe open springen ; — berberlne, f. gele verf uit den wortel der berberis.

Berca, f. It. oen klein schee,...kanon in de gedaante eener slang, eene draaibas.

Bercan of berkan, n. (li. barracano, fr. bouracan, sp. (lorroffan, van arab. oorsprong; vgl. b arch ent) zekere uit geitenhaar en wol gewerkte stof.

Berceau, n. fr. (spr. bersu, van bercer, provenc. bursar en bressar, wiegen) elg. eene wieg; een gewelfboog, booggang; een overdekt tuinpad; een prieel; — berceuse, f. wie-gelled; ook; schommelstoel.

Berchta, f. (waaruit later Bertha, z. aid.) In de noordd. volkssage eene soort van vrouweiyke godheid, die \'t opzicht over de spinsters heeft.

Berchtold of Bert hold, oudd. naam., de schitterend heerschende (vgl. Bert ba).

Berecynthia, f. hynaam van C v hele z. aid.

Berendaalder, m. zwtts. zilveren munt, ongeveer = t gl. «:gt;.

Berengarïërs, m. pl. eene geestetyke secte, In de inde eeuw gesticht door Iter enger, die de transsubstantiatie loochende.

Berenice, f. gr. lllereniki, macodon. in plaats van Pherenikc) vr.naam; de zegobreng-sler; naam der gemalin van den egypt. koning l\'toienueos Euergetes In de 3de eeuw vrtor Chr., wier schoon hoofdhaar in den tempel van Aphrodite ais een offerande nedorgelegd en later onder de sterren geplaatst werd; vandaar het haar van Berenice, een sterrenbeeld van zeven sterren by den staart van den leeuw.

Bergamasken, m. pl. inwoners van \'t voorin, landschap Bergamasco by de stad Bergamo in Italië; — bergatnasca, 11., of bergamasque, fr. f. een it. boerendans; — bergamées, f. pl. bergameesche wand-tapyten.

Bergamót, f. li. {bergamollo, m. en jiera berfiamotta, f. van het turk. hefi-armoedi, d. 1. woordeiyk: vorstenpeer, v. ben, \'quot;\'ï. vorst (z. beg| en armoed, pfeer) 1) bergamot-peer, do


-ocr page 148-

BERGARAG

BERIL

134

lieercn- of vorstcnpoor. ouno edele soort van peren, welke, naar men zegt, uit Tui\'k(|o naar Italië verplant en vantlaar tot ons gekomen zUn; 2) z. v. a. de bergamotcitroen, oono peervormige citroensoort (Cilrus medica berga-molla) uit welker versche schillen de beroemde berga mo t-ol le In Italië en Frankrijk gemaakt wordt.

Bergarac, m. fr. (spr. benj\'rdk) een aangename fr. wgn, uil de streek van denzelfden naam aan de Dordogne, ook petit Champagne (spr. pcli sjaiiimnj\') geheeten.

Bergère, f. fr. (spr. bcrzjèr\') elg. eene herderin (van berger, herder, mld.lat. bergarius, ontst. uit berbicarius, van berbix, fr. brebls, schaap, = lat. rervex) een opgevulde, gemak-kelgke ruststoel (die men in een rustbed kan veranderen, chaise longue) ,■ ook een eenvoudig vrouwenkapsel; — bergerétte, f. (spr. benj\'-réll\').. elg. Jonge herderin; een drank van wün en honig; — bergerïe, f. de schaapskooi; ook herderslied, herdersdans.

Berg-regaliën, z. oud. regaal.

Bergst. In zoölogische benamingen afkortingvan J. A. 1(. Bergstraszer (entomoloog; geh. 1732, gest. IS12).

Beriberi, f. (Indisch s c h a a p) eene soorl van slepend rheumaiisme of lendenwee, aldus geheeten, omdat de zieken, welke daardoor zijn aangedaan, b|j het loopen de beweging van het schaap nabootsen; volgens anderen is de beriberi eene ziekle, welke voel overeenkomst heeft met den Vitusdans (z. a.).

Beril, z. beryl.

Berkowetz of Berkowitz, n. (russ. bérkowe:) russisch schippond, = in poed of 400 russ. pond = lti;i,80S kilo.

Berline, f. fr. een beriyner wagen, overdekte reiswagen, die opengeslagen kan worden, in de laatste heifl der llde eeuw uilgevonden door 1\'hlilp de Cblcse, die daarmede van Beriyn naar ParUs reed, hetgeen den Franschcn dit rytulg dezen naam deed geven; — ber-lingot of brelingot, m. fr. (spr. —liiigó) eene berline zonder bok, halve berline.

Berlingózza, t. it. (spr. berliengölsa: vgl. bertingare, voel praten, veel eten, smullen) boerendans; — berlingozzo, m. 11. eene soorl

Berloque, z. brei o i| u e. (van eierkoek.

Berm,m. (fr. berme,- van het dullsche bram, eng. tirlm, rand) in de vestingbouwkunde: een walgang, walrand, een smalle weg tusschen den wal en de gracht; ook in de waterbouwkunde: slreek lands, die vóór of achter eenen waterdijk onaangeroerd blijft, als de aarde tol dam-afschuttlng wordt uitgestoken.

Bern., afkorting voor Claude Bernard (gest. 1878), in natuurwetenschappelijke werken.

Berne, f. fr. een geheschen opgerolde vlag, sjouw; soldeken, deken, waarop een persoon omhoog gewipt en opgevangen wordt.

bernesk. Hal. (bemesco) op de wijze van den Hallaanschen dichter Bernl, d. I. luimig, boertig.

Bernhard, m. oudd. (Penthart, Perinharl, v. pern, hem, angels, beorn, beer, de koning der dieren In den ouden dleren-epos, vandaar held, en v, hart, hard, vast, onverzettelijk), fr. Berna ril, bij ons Bernard us. Barend, mansn.: de heldhufilge; vr. Bernhardine, Bernar-d I n e, B a r e n d I n a; — Berhardij nen, m. pl. geestelijken van de orde van SI. Bernhard van Glalrvaux, In de 12de eeuw; z. v. a. cis ter cl Cu zen, z. aid.

Bernoise, f. fr. (spr. —noaz\') een levendige dans, Berner-dans (naar de zwitsersche slud Bern).

Beronïërs, m. pi. eene secte, door Beron gestichl, die de luoensmelling der belde naturen van Jezus Christus leerde.

Berri, eene lurkscho mijl van 1087 meter.

Bersagliere, pl. Hal. (spr. —saljéri; van bersagtio, doel, schijf) scherpschutters in \'t liali-aansche leger.

Berserker, m. oudn. Myth. (v. ber, naakt, ontbloot, beroofd, en sarkr, hemd, pantserhemd, pantser, dus eig. zonder pantser) een geducht krijgsheld, die ongepantsord ton strijd ging en wiens twaalf zonen allen door dollen moed in hel gevecht uitblonken; In hel algemeen: krijgsman die, door dronkenschap of voorgaande razernij hi woede gebracht, streed; vandaar ber-serkergang, zulk een gevecht; berserker-woede, wilde strijdlust, dolle krijgsmanswoede.

Bert., in natuurwetenschappelijke benamingen afkorting van Antonio Bertoloni (gesi. 18«»).

Berth., in zoölogische benamingen afkorting van Arnold Adolf Bertbold (gest. 1801.)

Bertha, oudd. {Perahta, van perahl, berth, eng. bright, heider, schitterend; vandaar ons p r a e h i; vgl. B e rc h 1 a) vr.naam; de prachtige, schitterende, schoone; — Berthold, z. Berchtold.

Berthe, f. fr. kleine kraag, strookje aan het lijf van darneskleedjes.

Berthieriet, n. (naar den mineraloog B e r-I h 1 e r aldus genoemd) yzerantifnonlumgtans, een metallisch mineraal.

Berthollimeter, m. een door I) e s c r o i-s 11 les voor de bleckers vervaardigd werktuig, om daarmede de hoeveelheid der chloor In wa-Ier te bepalen (later door den chlorometer verbeterd).

Bertinïsche beenderen, n. pi. Anat. de hoorntjes van liet wiggebeen, zoo genoemd naar den franschen geneesheer Berlin.

Bertram, oudd. (Perahtram; van pernht, vgl. Bertlia, en hraban, rham, ram, raaf) mansnaam: glansraaf, schitterende zwarte.

Bertram, m. (waarsch. uit het gr. pyrt-thron, v. pyr, vuur, wegens haren verhlttenden aard) hertramkamllie (Anthemis pyrethra); de b e r 1 r a m w o r t e I, vuurwortei, kwijlwortel (Ita-lt;lix pyrütlirl) van scherpen smaak, en als kwy-ling bevorderend middel In gebruik.

Beryl of beril, m. en n. gr. (beryllos, van \'t arab. battawr, bilawr, perz. boetloer, boelner), z. v. a.nw. lat. aquamarijn, de zeewatersteen,zee-


-ocr page 149-

BERZELIIET

BETTING

435

grocnstoen,ccndoorzidillgc sloen van RediiclillK Kroono of zeegroene kleur (men wil van ilil woord ons bril afgeleid hebben); — taoryllistiek, f. de waarzeggory utl sjilegels; — beryllium ot glycium, ii. Chcm. een nielunl, door AV (i h-ler In 1K2K ontdekl, dal mei zuurstof verbonden de door Vauquelln In 17!!quot; In den beril onldekte liorllaarde of glycine-aarde vornil.

Berzeliïet, n. naar Borzeilus genoemd lioogsl zeldzaam niineraal van l.allgsbanshytta.

Berzeliuslamp, f. eenemel dubbele lucbt-trekklng en Argandsche ronde branders voorziene spirit usiamp.

Bes., In ornitbologisclie namen afkorting voor J. M. (;. Boscke (gesl. 1802),

Bes, m. iiij de oude Homciiicn = S unclte of l as.

besar, besaar,adj. mal. groot, dik, zwaar; — Toewan bcsnr, de Groote Hoor (Gouverneur-Generaal).

Beschli, in. pi. lurk. (v. busclthj, lioofdza-Keiijk, en dit van hüsch, hoofd) eene soori van vrijwilligers le paard.

Beschlik of Keslik, in. In het algemeen het nieuwe lurksche goud- en zilvergeld (sedert 18211), inz. een zilvermunt (ook bejas-besehllk genoemd) van 5 plaslors --- rgt;i cl.

Beschores, z. b\'schor os.

Besdin, n. (liebr. eig. hell,-din, rechthuis) oen joodsch gerechtshof, jodenraad over godsdienstige en ritueele aangelegenheden.

Bésestan, m. (perz. basislan, saamgetrokken uit bassamlun, van \'t arah. hassfts, oen liandelaar of koopman) in Turkye: de openlijke markt (bazar); de plaats der koopmanswln-kels en kramen te Constanllnopel.

besigue, ■/.. hezigue.

Besogne, f. (spr. b\'zonj: li. bisogna, waar-scliijnlijk van dullschcn oorsprong) bezigheid, arbeid, drukte, beslominerlng, omslag; lastig werk; Pol. eene raadpleging van ministers en liooge ambtenaren; — besogneeren, arbel-ben, werkzaam zyn; beraadslagen; —besoin, n. fr. (spr. b\'twdiii, Ital. bisogno) de behoefte, de nooddruft; au besoin (spr. o—), des noods; Kmt. adresse au besoin, nood- of hulpadres, d. I. aanwijzing op eenen derde, In geval de betrokkene de aanneming van den wissel mocht weigeren.

Bessemer-methode, f. een door den Zweed Bessemer le Londen uitgevonden wUze om ruw yzer te ontkolen en le zuiveren door inblazen van lieete lucht; vandaar b esse nier-me taal, bessemer-staal, enz.

Bessi, in. eene kleine venetlaansche munt, ongeveer = | cent; 40 bes si\'s doen een loro of bijna 41 centen.

bestialisch, adj. lat. (betlidlis, c, van bes-Ifa, heest, wild dier) lioestachllg, dierlijk; — bestialiseeren (spr. s=z), barb. lat. tot een beest maken, verdlerlUken; — bestialiteit, f. nw. lal. becslachllghcld, dierlijkheid ; — bes-tiarïi, pi. dlerhevechters In het oude Rome, zoowel gewapende huurlingen als misdadigers.

die men ongewapend voor de wilde dieren wierp ; — bestiarium, n. lat. (fr. besliaire) in de middeleeuwen een werk in proza of verzen over de viervoetige dieren, beestenboek; — béte, f. fr. (oorspr, beste = lal. bes/ia) een beest, dier; onverslandlg monsch, domkop; la bde in het kaartspel: heest, de inzet van den verliezende, de strafzet; de héle trekken, den zet of het spel winnen; de béte maken of zeiten, zyn spel verliezen of beest worden; — béte noire (spr. mar\'), elg. een zwart dier, d. I. iemand, die door iedereen gehaat wordt. Iemand, die men nlel luchlen of zien mag; — ma Mie noire, iemand, die Ik niet kan uitstaanbêtise, f. (spr. —liét\') de domheid, onnoozeiheld; iels doms, een domme sireok.

bet., afkorting voor beteekent.

Bëta, de tweede letter van bel gr. alphabet, de b: onelg. een domkop, uilskuiken.

Betaïne, f. (v. hela, beetwortel) Chem. organische basis door Se hel lil er in 180» In het sa|i der suikerliieten ontdekl.

Betarden, z. baschtarden.

Béte, z. oud. bestialisch.

Betéi, betélpeper, f. (Piper belle, I.., sp. belel, brele, port, belel, belere, malabaarscb bcella-codi, sanskr. Malaya pair a, Malabar-blad, omdat hy In de liergstreken van Malabar groeit) eene slingerplant In Azie met roodsapplge, bittere en welriekende bladeren, die, gemengd met areka, door mannen en vrouwen in O.-Indie, in gouden, zilveren of geringer doosjes en in zakjes hü zich gedragen en gedurig gekauwd worden; vgl. areka.

Bethel, hebr. huls Gods.

Bethësda, plaats der barmharllgheld, oord der genezing. Joh. V.

Bethlehemieten, m. pl. eene augnslü-ner-orde, door paus Innocent lus XI gewUd, en door Pierre de Bethencourt, in IGtlfl te Guatemala gesticht; zy lioudt zich inzonderheid met het verplegen van kranken bezig.

Bêtise, z. oud. bestial Isch.

Betón, n. fr. (v. lal. bitumen, aardhars, pro-vene. belum, sp. beiun) eene uit waterkalk en kiezelzand beslaande massa, die aanvankelijk week, daarna, zelfs onder het water, hard wordt en voor gehouwen lot hechten grondslag dient; vandaar fondamenten op beton, grondslagen op zulke kalk; Med. bet eerste zog eener kraamvrouw, biest.

Betonie, f, (lat. betmüca: oorspr. celllscb) Hol. eene Inlandsche plant met groote donker-roode of vleesclikleurlge bloemen; de wortel der plant werkt braakwekkend en purgeerond; ook de bladeren worden als geneesmiddel gebruikt.

Betsy, Bétty, Bettine, vr. namen, door verkorting nil Elisabeth ontstaan.

Betting, eng. hel wedden; ook in samenstelling uit do taal der wedrennen; betting-book (spr. —boek) boek om de weddenscha p-pen aan le teekenen; — bettingmen, pl. de wedders; — bettingroom (spr. —mem), lokaal voor de wedders.


-ocr page 150-

BETULINE

BIBLIA

Betulïne, f. uw. lat. (van \'t lat. heh/la, boik) Chi\'m. Iiorkeiiknmfcr, cone eigenaardige plantenstof, die men in ile schors dor herkon vindt.

Bourré, m. fr. (v. beurre, m., hoior) do ho-terpoer; - beurró-blanc, m. fr. (spr. —Wd«) Bot. tie wille hoiorpeer-, — beurré-gris, fr, (spr. —flri) do grauwe.

Beurs, f. (fr. bourse, provenc. on it. bnrxu, oudhooi.\'d. bursa, van \'1 mid. lal. bursa, z. aid.) een geldbnidel; oono lurkscho rekenmunt, welker naam ontslaan is uil hel gobrulk om het geld, dal In de schatkist van den grooton heer wordt nedorgolegd, In lederen buidels (kiz e, ktseh, kesor) hij altyd gelüke sommen af Ie passen;,de zilverbeurs bedraagt 500 piastors of goeroe sell = ,li guldon; do gouden hours (hij geschenken van den sultan) bevat 30,000 piasters =/\'3440; — do plaats of het openbare gebouw, waar do kooplieden wegens hunne zaken bijeenkomen.

Bever, ■/.. castor.

Beverage, f. eng. (spr. bèwerulsj) drank, loz. uil appelwijn uf -sap, speceryen en water

Bevernél, f. (hoogd. bibemelle, oudhoogd. blhenella, jiibcticUa, mid. lal. biinnnella, iriiitnella, nw. lui. pimitinella, fr. pimprenelle), naam eenor plant, z. v. a. pimpernel, z. aid.

Bevuo, f. fr. (spr. bcirii: ontstaan uit bes-vue, van \'I roman., oorspr. celilsch bes-, bis, mis, scheef, en vue, z. aid.) eene verzlenlng, eene feil uil onacblzaamheld, misgreep; In gemeenzame laai; een bok, Haler.

Bexis, f. gr. (van bêssein, hoesten) de hoest.

Bey., in paheooioiogische namen afkorting voor H. I\'.. lieyrich (goh. IHili.)

Bey, /.. heg.

bez., afkorling voor hezill logen.

Bezaan, bezaanleer, n.. z. v. a. ba-

sa n e.

Bezaan, f., of bezaanszeil, n. hei achterste galTelzcll aan boord van een driemaslschip; — bezaansmast, m. achterste, kleinste mast op een driemastschip. Men houdi hel woord bezaan voor eene verbastering van het 11. mezznna, vnn mezzo, midden, zoodal bezaans-masl eigeniük mlddelmast zou beteekenen.

Bezette, f, fr. rood blanketsel, spaansch of levantsch floers, sterk mei cochenille geverfd dun Urmen, blanketsel- of verllapjes lot rood-hlankeiten en het kleuren der conflluren, geleien, enz.

Beziers, m. fr. (spr. bezjé) eene soori van witten bordeaux-wijn, naar het ge.yknamig kanton In hel departement Hérault.

Bezigue of besique, n. fr. (spr. bezieg\') fransch kaartspel, soort van marlage met i piketspellen; ook marlage van schoppenboer en raiionvrouw io hetzelfde spel.

Bezöar, m. (fr. béznard, sp. bnoar, bezar, arab. bdzahnr, bddiznhr, van \'1 perz. bddzahr, pMtahr) de bezöarsteen, eig. tegengift, een steonachtig lichaam, dal men in ile maag en het darmkanaal van verscheidene dieren, b. v. de bezoar-anliiope of -gazelle (herle-geil) vindt, en waaraan men weleer eene bui-lengemeene kracht ais geneesmiddel en legen-gift toekende; — bezoardica, n. pl,, nw. lat. tegengiften, geneesmiddelen tegen vergiften.

Bgo., In botanische namen afkorting voor Alexander von Hunge (geh. 1803).

Bhikschoe, m. sanskr. brahmannsche of boeddhistiscbe bedelmonnik.

Bi., chein. teeken voor li i s m u I li 1 u m.

bi-, lal. In samenstellingen, z. bis.

Biais, n. fr. (spr. W-é, It. bieco, van\'t lat. obliquus, schuin, scheef) schuine reep, als sieraad op vrouwenkleederen; — biaisement. n. fr. (spr. biéz\'mdii) of biaiseering, f. het afwyken van de rechie linie, de kromming; de uil weg, omweg, uitvluchi.

Biambónies, f. pl. oosi Indische weefsels uil hoombast, schorsz.yde.

Bianca, f. Ital. vrouwennaam; de wille (fr. niunche)-, —himica nota, Muz. halve noot.

bianco, li. = fr. bianc, z. aid.

Biandr e, f. lal.-gr. (v. \'I lat. bi. voor bis, /. aid., en gr. tinir, gen. undrós, man), de twee-mannery, hel oawelllg geiykiydig gehuwd zyn van eene vrouw met iwee mannen.

Biarch e, f. lal.-gr. (v. \'1 lal. bi voor bis, ■/.. aid., en gr. nnhr, heerschappü) de duhbeiheer-schappü, hei tweemanschap, het geiyktydig re-geeren vim twee heerscbers.

Biarde, f. eene door Biard uilgevonden weefmachine.

Biasse, f. fr. ruwe levantsohe zyde.

biatomisch, lal.-gr. Chem. dubbel zooveel atomen bevattend.

bibasiseh (spr. s=t), lat. Chem. met dubbele basis.

bibëre, lal. drinken; — bibSre ad numfrum, by hel gezondheid-drinken een bepaald gelal bekers ledigen ; — bibëre ad nomen, naar den naam drinken, of b. Graeco mire, 0|) grieksche manier drinken, als men nameiyk op iemands wcizyn zooveel bekers drinkt, als zijn naam loiters telt, of als men hem nog levensjaren ioowenscht;

— bibe\' drink! — bibdmus! laten we drinken! gedronken! — bibax, of verklw. bibacu— lus, m. lal. een drinkebroer, fleppor, zuiper;

— bibaceeren, gaarne een glaasje drinken, floppen; — bibaciteit, f. drinklusi, drank-zuchl, geneigdheid lol drinken; — bibale, n nw. lat. een drinkgelag; pl. bibalien, drinkgelagen; ook drinkgelden, foolijes ; — biberón, m. fr. eene zuigflesch, pUpkannetje; ook z. v. a. b i bnx.

Bibi, m. van \'1 perz. MM, goed, gelukkig, heilig, dame, ais eeretitel der vrouwen) een vrouweohoed mot een knrt scherm; ook oen manshoed mei smallea rand.

Bibit, jav. en mal. jong planijo van ryst, tabak, suikerriet, enz. ter verplanting.

Bibl., afkorling voor Bi hl la, de hybei, de Heilige Schrlfl.

Bibl. of biblioth., afkorling voor bibliotheek.

bibtfa, n pi. gr. (sing, biblos, f., biblion, n.


-ocr page 151-

BIBLOLITHEN

137

BIKN

book) by bel, do McIIIku Scbrlft, de ({odrteiyke boeken, geloofsoorkonden, lat. biblfa sacra— bibliciteit, f. de bybel- of sebrlflmatlgheld in prceken; — bibliognösie, f. de boekenkennis, de minleldliift lol boekenkundo; bibliognost, m. een boekenkonner; — bibliograaf, m, gr, een geleerde boekenkenner, elg. boekbescln yver; bibliographie, f. boek-bescbryvlng, boekenkennis, de in- en uitwendige kennis en besebryving van boeken, oude bandschriften, enz.; — bibliographisch, adj. boekenkundig; boekbeschi\'Uvend; — bibli-olatrie, f. de bybeiaanbidding, byboivergoding; - bibliolithen, m. pi. gr. biaderafdrukken op steen-, ook de door vulkanische uitbarstingen verkoolde hundscbrlflcn; — bibliologie, f. gr. 1° de leer van hel boekenwezen; i0 loer van de overlevering en de boteekenls des by-bels; ook verhandeling over de bijbels; — bi-bliomaan, m. gr. een aiioryvorigst boekver-zamelaar, boekengok; — bibliomanie, f. de boekenzucht, de barlstocbteiyke liefhebberU voor boeken; ~ bibliomantie (spr./=lt;«), f. bet waarzeggen uit toevallig opgeslagen bübelplaat-sen; — bibliophllus, in. gr. een boekenvriend, minnaar van boeken; bibliophi-lie, f. de liefde voor boeken ; bibliopceïe, f. de boekenscbryvery, de kunst om hoeken te maken, te schrijven; —bibliopöla, m. een boekbandelaar; bibliopölisch, adj. den boekhandel betrelfende; — bibliotaaph, m. een boekem i\'raver, iemand, die boeken bezit en niet . • 1 t gebruik daarvan aan anderen vei,. \'i gt; \'Miothook, f. de boeken-zaal, hoekem \', boekenschat, boekverzameling, boekeiy; — bibliothecarms, in. lat. de opziener eener bibliotheek, boekenbewaarder; — biblist, m. mld. lat. {bihlista), een iiybelverklaardor, bybelkenner; ook: een godgeleerde, die zich uiisiulterul aan den bybel houdt, zonder acht te slaan op de traditie; — biblistiek, f. de bybelkunde, kennis van hei-gene den bybel betreft, b. v. zyne verschillende ullgaven en overzeilingen.

Biblollthen, in. pi. gr. (v. biblos, boomschors, liasl) boomscbors-versteonlngen.

Bicamerisme, n. nw. lat. (van bi, z. bis, en camera, kamer) Pol. bet stelsel van twee kamers in de vertegenwoordigende slaatslnrich-tlng; — bieameristen, m. pl. de aanhangers van het Iwee-kamers-stelsel.

bicarbónas cattcus of potassae, Cbem. dubbel-koolzure polascb: b. nalrfcus of soiiae, dubbel-koolzure natron.

Bicarbonaat, n. Ghem. dubbelkoolzuur zout.

Bicephalium, n. lat.-gr. (van bi- en het gr. kephdle, hoofd) Med. elg. een dubbelhoofd; oen groot hoofdgezwel; — bicephalisch, quot;dj. dnbbeihoofdig; — biceps, m. lat. (van bi-cn caput, hoofd) met twee gezichten, een by-naam van Janus; Anal, de tweehoofdige armspier.

Bieêtre, n. fr. (spr. bi-sbtr\') eene gevangenis, een tucht- en dolhuis nabij Parys, oorspr.

een door den bisschop Johannes van WI n-cester gebouwd kasteel, en vandaar de naam.

BIche, f. fr. elg. bertekoe, hinde; meisje van plelzier, galante dame.

Biehet, m. fr. (s|ir. bi-sjè) eene voorm. fran-sche korenmaat, schepel.

bichloralum cupri, lat. Cbem. dubbel chloor-koper.

Bicho, m. sp. (spr. bi-lsjo) en port. een huidworm ; bicho del culo (spi1. —koeln), eene daardoor verwekte ziekte in Peru, Hrazlllii, enz., beslaande In eene hrandige ontsteking van den aars.

Bichon, m. fr. (spr bi-sjnii, liy verkorting voor babiclwn, kleine hond, en dll v. babiche, kleine leef) een klein, langharig hondje, leeuwtje.

Bichromaat, n. Cbem. dubbel chroom-zuur zout.

Bicimum, n. lat. (van bi- en canlre, zingen), pl. biciniën, Muz. oen tweestemmig zangstuk, z. v. a. duet; ook een stuk voor twee trompetten of horens; — bicolor (vgl. color) Hol. tweekleurig; - biconcaaf, adj. nw. hit. dubbel holrond, aan belde zyden holrond; — biconvex, dubbel bolmnd, aan belde zyden bolrond.

bicomposïtum, n. lat. dubbel samengesteld woord.

Bicoque, f. fr. (spr. —fcfift\'. it. bicocca, sp. en mld. lat. bicoca) eene slechte kleine vesting, ellendig sladje, een nesl, gat.

Bicórnen, m. pl. (van \'I lat. bicornis: vgl. conm) tweehoornlge dieren;—bicórnisch, adj. dubbelhoornig; — bicormger, m. twee horens dragend, po tweehoornlge, een bynaam van Bacchus.

bicotyledonisch, adj. Hol. tweelobbig.

bicqueteeren, z. biqueteeron.

Bicycle, f. fr. (spr. bisiekl\': v. lat. bis, tweemaal, en cyclus, cirkel, rad) tweewielige -velocipede.

Bidakttflus, m. lat.-gr. (vgl. daktylus) N. II. een vogel mol twee teenen, geiyk de struisvogel; —bidens, m. lat. (bidens, twee-tandlg) een tweetand, haak met twee tanden; nok eene plant met bloemen, welker rand of limbus twee landen heeft, tweetand.

Bidery, n. wit glanzig mengsel van lil dee-len koper, II deelen zink, ■\' deelen tin en \'i deelen lood, waarvan men in Oost-Indië veel metalen vaatwerk vervaardigt.

Bidet, m. fr. (spr. biilè.- sp. biilcln. Hal. bi-delln, verwant met het celt.-gad. bid-each, klein, bid-ein, klein schepsel) een klein paard, klepper, hit; eene soort van leuningstoel; eeno vrouwenbadkuip; zllbad.

Bidtium, n. lat. (van bi- en dies, dag) eene tijdruimte van twee dagen-, intra bidüum, binnen twee dagen.

Biefstuk, z. beefsteak.

biembryonisch, adj. twee embryo\'s bevattend.

bien, fr. (spr. bjeii, = lat. bene) wel, goed; als subsi., m. bet welzyn, heli; bien public (nfr.


-ocr page 152-

bilboqup:t

biennium

138

—publiek) liet openbaar wolzUn, \'s lands wpi-vaart, liet xemeene licsl; — bienfaisance, f. fr. (spr, bjeiifesans\') wcldadlghcld; — bien-faiteur, m. Tr. (spr. bjeiifèteur) weldoener; — bienséance, r. tr. (spr, bjeiise-diis\') do wel-vocglUkheld; — bienveillance, f. fr. (spr. bjeiiveiljans\') welwillendheid; - bienveillant (spr. bjeiiveiljaii) welwillend; — bienvenu, fr. wei-Kom, aangenaam; — bienvenue, f. de welkomst, liet welkomstmaal.

Biënnium, n. lat. (van bi- en annus, Jaar) eeiie tUdrulmte van 4 jaren; — biënnaal, adj. tweejarlp; — biënnalïën, f. pl. tweejarige planlen.

bien public, bienséance, bienvenu, z. ontl. Men. Biester, z. 1) I s t e r.

biférisoh, adj. lal. {bifer, van bi- en fevre, dragen) tweemaal in \'t jaar vruchtdragend of lilcelend.

Bifllairdynamometer, m. Instrument om de inwerking van eloclrlscho stroomen op elkander te moten; bifllairmagneto-meter, m. toestel om de geringste afwijkingen van hel aardmagnetisme te meten.

biflorisch, adj. (v. fins, gen. floris, hloem) met twee hloemon of bloesems, dubbclblocmlg; — bifolmm, n. nw. lat. (van fottum, blad) het tweeblad; - - bifólisch, adj. twecblade-rlg; - bifórm, lal. (bifonnis, e) van dubbele gedaante, tweevonnig; — biformiteit, f. nw. lat. de dubbelvormighcld.

Bifrons, m. lat. (v. frons, voorhoofd) met dubbel voorhoofd, met dubbel aangezlcbl, bijnaam van Janus.

Bifröst, oudnoord. (v. bifa, beven, sidderen, en r/ist, eind weegs, myi) Myth, naam, dien de E d d a geeft aan eeae driekleurige brug, welke den hemel met de aarde verbindt en eigenlijk de regenboog is; zü Is gloeiend, opdat de booze geesten haar niet zouden overgaan, en zal aan het einde der wereld «orden afgebroken.

Bifurcatie (spr. /=ls), f. nw. lat. (van \'t lat. bffurcus, tweevorklg, v. bi- en furca, vork) de vorks- of iaudsgewijze vcrdeellng of splitsing In twee takken, armen of tanden, b. v. bij aderen, enz.

Biga, f. lal. (samengesteld uit bi-juqa, van jugum, juk, span) een tweespan, een met twee paarden bespannen wagen.

Bigado, n. Hal. gedroogde en gemalen poppen van den zijdeworm, die als vogelvoeder in den handel komen.

Bigamie, f. lat.-gr. (van bi- en \'tgr. gdmos, echt, huwelijk) de dubbele echt, hel huwelijk van rfenen man mei twee vrouwen, of van éeno vrouw met twee mannen te gelijkertUrt; twee-wijvery of tweemannerü— bigamisch, adj. dubbel getrouwd; —bigamist, m. en f. hij of zij, die dubbel gehuwd Is, twee vrouwen of twee mannen te gelijkerlijd heeft.

bigar of bigarré, (van \'t nw. lat. bivn-riSre, van bi-varïus, tweevoudig, verschillend, afstekend; of van \'t roman., oorspr. cell, bes, bis, scheef, en carré (z. aid), vierkant, dus met onregelmatige vlerkanten) bont, veelkleurig, gespikkeld, gemengd; — bigarreeren, bontkleurig, veelvervlg maken, schilderen of opsieren ; — bigarrure, het bontkleurige, veei-vervige; Log. de vermenging van edele en platte woorden en uildrukkingen In het spreken en schrijven; — bigarreau, m. (spr. eott=oo) of bigarélle, f. Bot. de bonte spaan-sche kers.

bigenérisch, adj. lat. (fiigener, van bi- en genus, geslacht) tweeslachtig, tot twee verschillende geslachten behoorende of daarvan afstammende ; basl aardsoort ig.

Biggel, m. N. II. een oostlndisch dier van de grootte eens rendiers met zwarte horens en zwarte gespleten hoeven.

Biglietto, in. Hal. (spr. bieljeltn; vgl. billet) een briefje, ook muni- of bankbiljet, b. v biglielle rfi cinque (fiorini), vUfguidenbriefje.

Bignonia, f. (naar den f\'\'. natuurkenner Bignon) Bot. eene welriekende indisclie plant, de trompetbloem, Indiaansche jasmijn, inz. /li-gmmta calalpa, Japansche trompetboom.

Bigonzio, m. 11. (spr. bigönhio; v. bignn-cia, kuip, bak) eene wijnmaat In Venetie, = 50 Uier.

bigót, fr. (waarsch. ontstaan uit ons bi, b\\j. en God) schijnheilig, schijnvroom, lijn, femelend; een blgol mensch of een bigot, een schijnheilige, schijnvrome, fljnman, femelaar; vr. eeae bigóte; — bigotterie, f. overdreven vroomheid, schijnheiligheid, hnlcbe-larU; — bigotlsme, n. (fr. bigolisme) het gemoedsbestaan en de denkwijze van een schijnvrome; valsche godsdienstigheid, geveinsdheid.

Bijbel, van \'I gr. biblia, z. aid.

Bijlander, belander, hel lande, m. een Iweemastscblp lot goederenvervoer op de rivieren, een binnenlander, lastschip van ongeveer 80 ion; een klein platboomd vaartuig voor de vrachtvaart, bijna als eene snauw getuigd.

Bijou, n., pl. bijoux, fr. (spr. bizjóé: van \'I lal. bi-, bis, en jocus, jncalc, versterking van joy au, z. juweel; of wel van \'t colt.-anno-rlsch bkou, ring, van biz, vinger) kleinood, kosl-baarheld, versiersel, juweel, In \'1 algemeen een klein kostbaar voorwerp lot opschik; ook wel een klein lusthuis, een pronkvertrekje; vandaar mon bijou, naam van vele buitenverblijven of lusthoven; — bijouterie, f. de fabriek van of de handel In juweelen of kostbaarheden; ook sieraden, opschik, kostbare voorwerpen; galante-rlt\'n; - bijoutier, m. (spr. bi-zjoe-tjé) de handelaar in, de maker van klelnoodien, versiersels, enz., de Juwelier, handelaar In galanterlün.

Bilan, z. balance.

bilateraal, nw. lat. (van In- en lalt/s, genet. latrris, zijde) tweezijdig, naar twee tegenovergestelde zijden gericht; bilateraal contract, n. een wederzijds verbindend verdrag.

Bilboquet, n. fr. (spr. bielboki: van bille, z. aid., en \'t oudfr. boquel, bochel, kleine mond, kleine holle, die den bal als ia een beker opvangt)


-ocr page 153-

BINOMINAAL

BILEAM

139

con vangortjo; vaiiBbokcrtJo, balvangortje, zeker kinderspeelgoed; een liekerspe!; een duikelaartje, eon popjo er beeldje, dat all yd, lioe ook geworpen, rechtop rüsl; ook; een verguldslaafje, om liet goud te vatten en op te leggen.

Biléam, in. hchr. naam: volksoverwlnnaur; vcrvlockcr, een door de Moalileten lor vervloeking van Israel geroepen profeet; over hem on /(jiic sprekende ezelin, z. idc boek van Mozes,

en 4».

biliair, adj. (van \'1 lat. bilis, gal) de gal bc-trellende; — biliëus, adj. (lat. biliosus, a, urn, fr. bilicua) gallig, galzuchtig; — alra bilis, lat. zwarte gal, z. v. a. melancholie (vgl. a t rabl 11-t e 11 en m e I a n c b o 111 e); — biliósa, n. pl. Med. galaanzetlende middelen; — bilme, f. Chem. hoofdbeslanddeel der gal; - biliful-vine, f. nw. lat. (v. fulvm, roodgeel) hel gal-geel, de roodgele verfstof der gal; — biliver-dine, f. fr. (v. «mi, groen) galgroen, de groene kleurstof der gal.

Bilimbi, z. avorrhoc.

Biline, biliosa, z. biliair.

bilinguisch, (lal. bilini/uis, lingua, laai, tong) tweetalig, die twee talen spreekt; ook; dubbeltongig.

Biljart, z. hl Hard.

Biljet, ■/.. hl Hel.

Biljóén, n, (fr., provenc. en oudsp. billon, mv.sp. vcllon, 11. biglionc, waarscb. v. \'1 fr. bille, hal, blok, slat, d. 1. alzoo geld van gering metaal, inz. koper In dikke stukken nf klompen) kopergeld, of met slechts weinig zilver vermengd kopergeld; vandaar ook; slechte zilvermunt; gesnoeid geld; - biljoengoud, -zilver, goud of zilver, dal meer dan de helft hümengsel heeft;

biljoeneoren, (fr. billnnner) handel met verboden «f slecht geld drijven; — billonnage, f. fr. (spr. bicljona-zj\') de handel met verboden geld ; de geldsnoeierU ; — billonneur, m. fr, (spr. bi-ljo-néür) die dien handel, dat werk drüft.

Bill, f. eng. (norm.-fr. bille, mid. lal. billa, v. libclla) bel ontwerp of voorslag eener nieuwe wel. In bel eng. parlement, wetsontwerp, dat eerst na In helde hulzen driemaal gelezen en goedgekeurd te z.yn als parlementsacle den koning Ier goedkeuring wordt voorgelegd; In ruimeren zin een klein geschrift, briefje (biljet), wissel, enz.; bill nf complaint (spr. kompléénl) of indictment, schrifleiyke aanklacht; bill of credit, kredietbrief, open wissel; bill of exchange, wisselbrief, wissel; bill of exchequer, z. e x-chequerblll; bill nf lading, vrachtbrief; hill of mortality, acte van overlgden, slerliyst; bill of privilege, hevel lol gevangenneming van ge-rcchlspersonen; bill of rights, engelsche vry-heldoorkonde van hel jaar 1(188.

Bille, f. fr. (spr. bielj\'It. biglia) een knikker, marmel; Inz. de Ivoren speelhal op hel biljart; — Billard, n. fr. (spr. bi-ljdr) b 11-jarl, baltafel, biljartspel (uitgevonden in Frankrijk nde eeuw); — billardeeren, (fr. bil-larder), den bal tweemaal In éenen sloot met de keu aanraken; ook twee hallen te geiyk veortstooten; van paarden: de voorpooten hy bel gaan buitenwaarts werpen.

Billet, n. fr. (spr. bi-ljè, verkiw. van \'l norm.-fr. bille, = eng. bill, z. aid.), blij et een briefje, hand-, uilnoodlglngshriofjo, loegangs-bewüs, spoorwegkaartje, bezoekkaartje, briefje van Inlegering of inkwartiering; Kmt. kwyi-, scbuidhriefje; ook een lol, lotbrlefjo; billet n ordre, een eigen, d. 1. aan den trekker-zelven betaalbare wissel; billet au porleur, een aan den toonder betaalbaar briefje; billet d\'amour (spr. bi-ljè dameer) of billet doux (spr. bi-ljè-dóé) minnebriefje; billet de faveur, een aanhe-velingsbrief; — billeteeren (fr. bi Heter) waren mol prysbrlefjes voorzien; de Inkwartieringsbriefjes voor de soldaten schrijven en bun eene hulsvesting nanwyzen; — billeteur, m. fr. die briefjes ultgeefl, vooral Ier inkwartiering.

Billióén, n. (fr. Ie billion, van \'I lal. bi, bis, tweemaal, naar de analogie van mlIIloon gevormd) duizendmaal duizend millinen of een millloen van den tweeden rang; hu de Fran-schen slechts duizend mllllnenen, z. v. a. m 11-11 a r d.

Billot, n. fr. (spr. biljó; van bilte, bal) rond blok, hakblok; de stang der koppeipaar-den ; knuppel aan den hals van hytzleke bonden.

bimanisch, nw. lat. (bimanus, van bi- en mams, band) tweehandig.

Bimater, m. lal. (v. bi- en maler, moeder) bynaam van Bacchus, beleckenende: die twee moeders gehad heeft.

Bim-basji, m. turk. (elg. bing-basji, v. bing, duizend, en bnsch, hoofdaanvoerder) een aanvoerder van duizend, overste, als mllilalrc graad.

Bimbeloterie, f, fr. (spr. bè/ib--, van bimbetot, speelgoed, een kinderwoord, v. ham-bin, klein kind) speelgoed ; handel In speelgoed, spoelgoedfahriek.

bimémbrisch, lal. (bimémbris, e, v. bi-en membrum, lid) duhbelledig, tweeledig.

Bimensis, m. Biméster, n. lal. (6is-meslre, sell, tempus) een tyd van twee maanden.

binair, binariseh, adj. lat. (hinarius,

a, urn, van bini, twee aan twee, fr. binaire) uit twee eenheden samengesteld, tweedeellg, zich In twee deelen splitsend; —binarïsche rekenkunst, z. v. a. dyadlek (z. a.); — bineeren, nw.lal. R. K. tweemaal op eenen dag mis lezen; - binocülum, n. nw.lal. (vgl. ocitlus), fr. binocle, f. dubbcloogglas,

b. v. lorgnet voor helde oogen; ook z. v. a. binoculair-teleskoop, m. lal.-gr. dub-hele verrekyker, met twee hulzen voor de beide oogen, dnbhelkyker, bet eersl vervaardigd door Llpperseln le Middelburg in Zeeland; tegenwoordig zyn z.y, onder den fr. naam van binocle, enkel als toonoel- en zakkykers In gebruik.

Bindi, z. b e n d 1.

Biniou, m. (spr. bienjóe) fr. doedelzak der Brelagners.

Binominaal (v. bi- en nomen, naam) Iwee-namig.


-ocr page 154-

RINOMISCH

BISCOTIN

140

binómisch, adj. lat.-gr. (vim bi- en nn-moK, némein, no mos i) tweedocllfr, twoclo-dlg; 1). v. zulk eon wortelgclul in do rekenkunde; — binommm, n. eeno tweeledige Relnllengroolheld (door -f- of — verLondon);

— binomiaal theorema, n. de merkwaardige formule, waardoor de algemeene (of «de) macht van een lilnomlum uitgedrukt en ontwikkeld wordt; /.y heet doorgaans hlno-m i u rn v a n N e w I o n, omdat deze eng. geleerde het eerst toonde, dat zy voor alle soor-ten van exponenten geldt ; binomiaal-coëfiflciénten, Zün in de hinomtsche formule de enkel van den exponent afhangende factoren der afzonderiyke leden.

binitbus, m. nw.lat. (van hi- en nubire, trouwen) een tweemaal gehuwde.

Bioarithmétika, f. gr. (v. bins, leven, en arlthmellka, z. aid.) de horekcnlng van den levensduur; — biochemie, f. gr. leer der stofwisseling, In levende Itchamen; bi-odésmus, m. gr. (van desmns, hand) Med. levenshand; — biodynamie of biodyna-mïka, f. (vgl. dynamiku) de leer der algemeene levenswerkzaamheid; biograaf, m. levensheschryver; — biographie, f. le-vensheschryving, levensgeschiedenis, levensloop;

— biographisch, adj. levensheschryvend;

— biographiek, f, de kunst om levensbo-scliryvingen te vervaardigen; - biologie, f. levensleer, levensknnde; men heeft met dien naam ook hestempeld de geheimzinnige kunstbewerking op den mensch, waarhy, als men voorgaf, de wilskracht en de werking der zintuigen van den eenen mensch (den gehlolo-giseerde) zoo \'t schynt geheel en al onder de macht gesteld worden van don verrichter dier bewerker, den biologist; vandaar biologi-seeren (spr. s—j). Iemand die kunstbewerking doen ondergaan; hem van alle wilskracht beroo-ven, geheel lydeiyk maken; betooveren; bio-lychmon, n. de dleriyke warmte, het levensvuur; ook het levensllchtje (cene vloeistof, tot bUgeioovigo oogmerken uit menschenbioed bereid); — biomagnetisme, n., z. v. a. dierlijk magnetisme (z. aid.)-, — bioman-tie (spr. f. do levensvoorspelling, de voornilhepaiing van den duur des levens; — biometrie, levensmeet- en rekenkunst; — bionomie, de leer van de wetten des levens;

— biophoenomenologie, r leer van do vorschynselen des levens; — bioskopie, f onderzoek of leven en levensvatbaarheid voorbanden geweest is en waardoor deze verkort geworden zyn (by kindermoord); — bioso-phïe, f. levenswysheld; — biostatiek, f. de leer van de gezondheid en den waarschyn-lyken levensduur der inenschon onder bepaalde omstandigheden; — biothanatus, m. geweldige dood; — biotomie, f. de leer van de levens-afdeelingen; — ook de ontleding van levende dleriyke lichamen.

Biólca, f. eene voormalige landmaat iu Panna = :io, hi are.

Biondétta, f. Hal. z. v. a. blondine, z. onder blond.

biparteeron, lat. (bi-parltre) in tweeën doeion, halvoeren; — bipartitie (spr. Iie= Isie) f. nw.lat. deeling in tweeen, halveering; z. ook h I s e c 11 e.

Bipóden, in. pi. (lat. sing, bipës, gen. bipfdix) tweevoetige dieren, tweevoeters; — bipédisch, adj. tweevoetig; bipëdaal (lal. bipedatis, e), twee voet lang, breed, enz., tweevoeilg; bipolair, iwee polen hebbende;-—biquadraat, n. (v. bi- en quadra at, z. aid.) Math, do vierde macht van eene grootheid, b. v. 4quot; = 2X2X2x4 = itt, bel dubbel vicrkanl, (x1)\'.

biqueteeren, tr. (spr. v. biquel,

goudschaal) op de goudschaal wegen; valsche munt onder goede mengen of daarvan schelden.

Birago, in. Mil. soorl van lichte veldbrug, naar den uil vinder, den ooslenrykschen brigadier K. ven Uirago aldus genoemd.

Birême, f lat. {birimis, v. bi- en remus, roeiriem) schip met 2 riemen, met 2 roeibanken, tweedekker.

Biribi, n. tr. (Hal. biribisso, verwant mot birillo, kegel; vgl. bet bask, biribilla, rond) een in Italië gehruikeiyk kansspel met lii balletjes, die uil eenen zak gegrepen worden.

Birotine, f. fr. (sp. birolina: waarsch. dus gohoelcn, omdal zij vau lialroet of Helroet, eene aanzleniyke koopstad aan de syrlsche kust, komt) eene soort van levanlscho z.ydo.

Biroucho, f. fr. (sp. biróésj\') een lichte jachtwagen; z. ook barouche.

Birrus, m. later lat. (v. \'1 oud.lal. bitrus, burrus, gr. byirhós, pyrrhós, vuurkleurlg, roodachtig, rood, van \'1 gr. pyr, vuur) een rood overkleed, regenmanlel; in de middeleeuwen algemeen voor overkleed, gewaad.

bis, int. (uit duis ontsl. van dun) Muz. tweemaal, duhhel, nog eens; — bis dat, (fui ciln dal, lat. wie spoedig geeft, geeft dubbel. In samenstelilngotl staat voor bis enkel bi-, vandaar biceps, bicolor, billens, enz., z. aid.

Bisam, n. (oudhoogd. bisamn, bisam, hisem, mid. lal. bisamum, v. \'t hehr. bésem, gourlg-heid, balsemgeur), een sterk en aangenaam riekend sap, dat bü vele dieren, Inz. by het bi-sam- of inuskusdier In eene. beurs aan do aarsslreek voorkomt, en gemeeniyk muskus (z. aid.) wordt geheeton; — bisamrat, z. desman; — bisamzwijn, z. pek art.

Bisbille, f. fr. (spr. bi-sbielj\'; 11. bisbiglio, een klanknabootsend woord) geschil, oneenigheid, gekijf, gehaspel.

Biseayer, m. (van Hlscaye, provincie v. Spanje) eene soort van snaphaan, die zeer ver draagt; ook de naam van kogels, die vaak by het schrootvuur gebruikt worden.

Biscestie, z. b e c z e e s 11 e.

Bisch., in botanische werken afkorilug van G. VV. liisciiolf (gest. I8!H).

Biscotin, n. fr. (spr. biscotèh; it. bis-cotlino, v. biscotin, fr. biscuit) rond, hard en


-ocr page 155-

BISCROMA

141

lilZAH

bros broodje, suikerplnaljc; — Biscuit, n.

fr. (spr. bi-skwi: II. MscoMo, v.\'I lal. Ws, tweemaal, en cactus, II. collo, fr. mil, gekookt, «o-bukken) beschuit tweebak, scbeepsbescbult; Tocb. ruw, ii(i(,r oiiverglaasd porselein; balfRare, niet tul blusscbliiK geschikte stukken bü bet knlkbranden.

Biscröma, f. Hal. Muz. ..v noot.

Bise, I. fr. (spr. biet\'mid. lat. bisa) de noordoostenwind.

Biseau, in. fr. (spr. bitó, v. \'1 fransch biais, z. aid.) schulnsch vlak, scbeeve kant uf baan, afgeslepen rand; lip oener orgelpijp.

Biséctie, t. nw. lat. (vgl. scctïo, onder seceer en) deeling In twee helften; — bi-segmént, n. de belfl oener gedeelde lijn; — bisegmentatie (spr. Iie=lsie), f. de deeling In twee geiyke helften.

Bisette, f. fr. (spr bizéll\') smalle, geringe kant van garen, garen kant, boerenkant.

Bisexueel, nw.ial. de beide geslachten hebbende, hermaphrodilisch, iaz. van planten.

Bisextiel, lat. (bisex/ilis) lol een schrik-kcljaar behoorende, een schrikkeldag bevattend; annus bisexlilis, schrikkeljaar (van 380 dagen) vgl. bissexlum.

Bismóri, m. nw. lal. groot verdriet, ergernis, kommer, bartzoor.

Bismarck, een geeihruine modekleur (naar den l\'ruisischeii rUkskanseiier), vroeger hanne-ton of meikeverkieurlg gehecteu.

Bismuth, n. (hoogd. wlsinul/i, nw. lat. bismulhum, oudd. wesemêl, d. 1. weidezwade, het op eene ry liggende afgemaaide groene gras op eene welde, z. v. a. zwade, waar ronde en witte bloemen uitsteken, want daarmede werd bet door de bergwerkers wegens zyne roodachtig zilverwllte, met groen doormengde kleur vergeleken) Ohem. ascbiin, aschlood, blinkend tin, in den handel ook spiegelliii geheeleu, omdat men bet sedert eenigen lijd lot het ver-foeliëu der spiegels aanwendt; ook parelwit, omdal züne oenigo in gebruik zijnde verbinding (het ondersaipeterzuur idsinulb) onder anderen ter vulling van valsche parels wordt gebezigd; een roodacbiig wil, zeer bros en licht oplosbaar metaal, reeds bekend bü de Ouden, die bet met lood en llu verwarden.

bisrif/na, m. Hal. (spr. sónjo-, = fr. besoin) nood, behoefte; — al bisogno, des uood(s).

Bison, m. (lal. bisnn, van het oudd. w I-sunl, wisant, wisent) de bultige stier, buitos, de buifei of bulfaio der Noord-Amerikanen.

Bisque, f. fr. (spr. biesk\') 1) eene krachtige soep van kreeften, gevogelte, enz. (samen-getr. uit het lat. biscocla, tweemaal gekookt); 2) het voorgeven in hel spel (wellicht verwant met Hal. bisca. openbaar speelhuis).

Bisschop, m. (uit hel gr. eimkoiws, z. aid.) eig. een opzichter; het geestelijk opperhoofd van een kerketyk gebied, bisdom of diocees gehoeton; — f. ook een bekende drank uil warmen ronden wyn, suiker en specerijen tiereid (zoo geheeten naar zyne paarse kleur.

welke ook die van \'t gewaad dor bisschoppen is).

Bissex, m. lat. soorl gitaar met li snaren.

Bisséxtum, n. of bisséetus, m. lal.

(van bis, tweemaal, en sexlus, zesde) de dag, die om de vier jaren nu den Sisten Februari wordt ingevoegd, om bet liurgeriyke jaar met het astronomische jaar te doen overeenstemmen, de schrikkeldag, de ingclaschte dag. (De Ko-meinen telden dan tweemaal den lin dor kalender van Maart.)

Bister, n. (fr. bklre, laagd. blester, donker, ieeiyk; mld. lat. bism, a, um, zwartbruin, fr. en prov. bis, zwart) roetzwart, rnotbruin tot graveeren en wasschen van teekonlngen; — bistreeren, mot roet bruin toekonen.

Bisti, m. (porz. pisli, v. blsl, twinlig) kleine perziscbe zilvormunl = TJn kran — J cent.

Bistoquet, m. fr. (spr. bi-sloké) iiy het biljart eene plalle en aan hel einde afgeronde keu, waarvan men zich vroeger bedlendo om het biliardeoren le vermydon.

Bistouri, m. fr. (spr. bi-sloeri; Hal. bis-lori, bislorino) Chir. een irisnydlngsmes der boel-meesters mot kling die ingeslagen kan worden en beweegbaar hecht; — bistournage, f. (spr. bi-stoema-zj) by veeartsen: eene manier nni de dieren door omdraaiing der zaadvaten, zonder do ballen weg to nemen, te ontinaonon; lubben, ruinen.

Bisülca, pi. lat. (bisulcus, in twee deelen gespleten, van bis, tweemaal on sulcus, voor, spleet) Iweohoevige dieren, herkauwende dieren.

bisulphuralum cii;»ri, lal. Chem. dubbel zwa-velkoper; b. ferri, dubbel zwaveiyzer.

bisylliibisch, adj. lat. (bi-syllubus, a, um, v. bi- en syllnba, lettergreop) Iweolottergrepig.

Bit, n. eng. (eig. beetje, stukje) naam van kleine munten inz. in Cnilfornië en W.lndle.

Bitheisme, n. lal.-gr. (vgl. theïsme) de twecgodery.

Bitumen, n. lal. aardpek, aardhars, bergteer, jodouiym; ook aard- of sieenolio; — bi-tumineeren, nw. lat. met aardhars hestry-ken;—bitumineus, adj. (lal. biluminosus, a, um) aardpekachlig, hars-, judeniljinaclillg.

Bivalent, Chem. van dubbele waarde.

Bivalven, m. pl. nw. lal. (bi cal via, vgl. valra) iN. II. schaaldieren met twee schalen, die ais met een scharnier verbonden zijn,

Bivium, u. lal. (v. bi- en via, weg) dub-boiweg, scheldweg, kruisweg.

Bivouac, m. fr. (spr. biumak, van het oud nodord. bi wake, bywaebt) nachtwacht in \'I leger ouder den biooten hemel; - bivoua-keeren, nachtwacht houden, den nacht om-der de wapens In do open lucht doorbrengen, logeren zonder tenten.

Bizantijn, z. byzantUnon.

bizar, (fr. bizarre. Van bi- tweemaal, en varïus, verschelden; v. a. van iberlschen oor-sprong, bask, bizarra, dr baard; vandaar ile sp. eigennaam l\'izarro, de gebaarde, manne-iyke, vervolgens sp. bizdrro, dapper, moedig; prachtig, beeriyk, grootmoedig; den meer ver-


-ocr page 156-

BLANC

142

B.IKL

lijnden Zuid-I\'ransclien kwamen de Rebimrde, dappere Spanjaarden wendeilgk en grllllR voor, vandaar;) zonderling, wonderlijk, grillig, luimig, mal; - bizarrorie, f. wonderlUkhold, grilligheid, vreemdheid; oen ongerumd, zot gedrag; — bizard spr. bitdr) m., of bizarre, f. Rot. een zonderling, eene anjelier of tulp, dio behalve de grondkieur nog met twee onder-stiieidene kleuren gestreept is; — bizarra-ménte, itai. gt;luz. vreemd, grillig, phanlas-tisth; — bizarria, f. it Muz. hot snel overspringen van de eene toonsoort in do andere.

Bjel..., (Bel..., Bolo..., Bjelo...) he-teekent in siavisehe gcographischc namen: wit, witte.

Bks., hü imtuurwetensch. namen afkorting van Joseph Hanks.

bl., of bladz., afkorting voor hiadzyde. BL, hy hotan. benamingen afkorting voor K. L. von Biumo; iiij zoölogische namen afkorting van M. li. Bioch (gest. 1799).

blauwe maandag, eert yds de maandag voor hel begin dor vasten, dewijl men dan de kerken met blauw placht ie behangen. Aan-vankelgk hielden de werklieden siecliis op dezen maandag rustdag, doch allengs lieten zy op alle maandagen in de vasten en later op alle maandagen in liet Jaar den arbeid na, en do regeering moest eerlang het vieren dier blauwe maandagen door strafwetten beperken.

Blauwkous (hoogd. Blauslrumpf), een spotnaam, in Dultscbland aan verraders, lasteraars, verspieders, verklikkers gegeven, afgeleid van de blauwe kousen, die voorin, de lyfbe-dlenden der grooie boeren, alsook de stadsdienaren droegen. In Engeland duidt men met blauwkous {blue .tlncking, spr. hlnc—) vrouwen aan, die verlooning maken met hare geleerdheid, en hier stamt de benaming af van zekere dame St till ngfi eet, lid van een der geleerde vrouwengonootschappen te Londen, die steeds blauwe kousen droeg.

Blackdrop, n. eng. (spr. blekdróp), zwarie drop, eene in Engeland veel gebrulkle arisenij, welker hoofdbestanddeel opium is; — black-friar, m. eng. (spr. hlék-freïr) eig. zwarie monnik, z. v. a. Do mi n i ka n e r; —black-lead, n. (spr. bléklied) een In Engeland, waar-scbyniyk uil fijngemaakt graphlet vervaardigde oostindische inkl Ier schaduwing van poliood-leekeningen; — black-mail, n. (spr. blék-meel) belasting in Nonrd-Engeland, belaald voor bescherming tegen de movers; - blackwood, n. (spr. blékwned) zwart ebbenhout uil Madagaskar van Dalbergia lalifolia.

blaisus, adj. lal. opwaarts gebogen; lispelend, belemmerd van long; blsesïtas, het iis-peien, de belemmerde spraak.

Blafard, m. fr. (spr. bin far; v. hel dultsch bleichfarb, niulbgii. bleichfaro, bieeke kleur) een bieekert, witte moor, kakkerlak, z, v. a. albinos, (z. aid); — blaffer, blaffert, ook blappert, m. (mid. lal. blaffArdm, ■/.. v. a. albus, z. aiii) eene duilsclie pasmunt in de liynstreken = 4 albus of 3 stuivers.

Blague, f. fr. (spr. blaaoh\') eig. buidel, blaas; opgeblazenheid, opsnydery, pochery; — blagueur, m. opsnyder, pocher, praalhans;

— blagueeren, pochen, opsnyden.

Blain. of Blainv., by natuurwotensch.

namen afk. voor Ducrotay de Blainvlllo.

blameeren, fr. [blamer, vroeger blasmer, uit blasphemare, fr. blasphemer, z. blas-phemoeren; Hal. biasimare, biasmare, oudsp. en provenc. blamar) laken, berispen, in kwaden naam brengen, beschimpen, onleeren, belasteren ; — blamabel, adj. berlspenswaard, laakbaar; — blame, m. fr., blaam, berisping; schimp, schande, kwade naam, eerschennis, achterklap, laster.

blanc (f, blanche) fr , of blank, nederl., v. blinken; sp. blanco, Hal. bianco) wil, blank, helder, rein; onbeschreven; — blanc, m. (spr. blah), eene voorm, fr. zilvermunt van 5 deniers; z. ook blank; — Blanca of Bianoa, Hal., of Blanche, fr. (spr. blaiisj\') vr.naam.; de wille, blanke; — Blancos, m. pi. sp. eig. witten, reinen; aanhangers der onbeperkte al-leenheerschappy in Spanje (het tegengest. van Negros; — blanc-bec, m. fr. (spr. blaii-bek), vlasbaard, melkmuil, wgsneus; — blanc-fixe (spr. fieks\') wil, als verfstof gebruikt poeder, uit nedergeslagen zwavelzuur baryt beslaande; — blanc de perle of d\'Espagne, (spr —desigt;dnj\') parelwit of spaansch wil, hlimulh-wlt, namen van \'t ondersaipeterzure bismuth, dat men gebruikt om de huid blank te maken, wit blanketsel; — blancmanger, n. (spr. blait maiizjé) n. fr. witte gelei van suiker, room, amandelen en hertshoren; — blanc verses, eng. ryinlooze verzen; — carle blanche, fr. blanke kaarl, kaart in de hand zonder figuur; lig. vol-mucht om in eene zaak te bandelen; — in blanko of in bianco (11.) lalen, Kmt. wit, onbeschreven of oningevuld laten, b.v. in het schryven van wissels en volmachten eene plaats open laten, om laler eenen naam, eene som, enz. Ie kunnen invoegen; — bianco staan, eig. in \'i wit staan, d. I. de aanneming des wissels door den betrokkene geweigerd zien;

— in blanco staan beleekent ook; de traites of wissels van een ander accepleeren, zonder daarvoor behooriyk gedekt Ie zyn-, ook voorschot geven, zonder zekerheid of waarborg; — blanco-krediet, open krediet, enkel op per-sooniyk vertrouwen berustend, zonder dat de kredietgever gedekt is -, — blanc-seinq, blan-quet, blankét, n. fr. een blad papier, dal enkel met eene handleekening is voorzien, een volmachtspapier; — blancheeren, blank maken; in keukentaal: vieesch op kolen of in kokend water doen zieden om liet daarna op te vullen; groenten afkoken; by tuinlieden; bladeren van salade, seldery, enz. in zand steken, om ze bleeker te maken; — blanchet, n. (spr. blansjè) Pharm. een witte llltreerdoek. doorzygdoek; blanchissage, f. fr. het wasschen; — blanchisseuse, f. fr. wasch-


-ocr page 157-

BLANCH ARDISTKN 443

BLINI

vrouw; — blanquette, f. fr. (spr. blaii-kétt\') een (.\'crliiBe wille wyn uit Languedoc; ook: hliink (rlcassée (z. aid.) van kalfs- en lamsvleesch.

Blanchardisten, in. pi. aanhangers eener seclo, gesticht door den pastoor BIan chard, die paus Plus VII beschuldigde, dal hü door /.p concordaat met Napoleon den opstand had gewettigd; — blanchardlsme, n. de leer van pastoor B lane h a r d.

btandm, a, urn) lat. vleiend, Innemend, enz.;

— Slandus, m.. Blanda, f mans- en vr. naam.: de vleiende; Blandina, f. de vlelster;

— blandiloquéntie, f. (lat blamliloqueniïa, v. loi/ui, spreken) de vlellcnde rede, vleitaal;

— blanditiën, f. pl. (lat, blandiCfae) vlolo-rüen, llefkoozlngen; — blandiëeren, vleien, flikflooien.

Blank, m. oude ned. zilvermunt en rekenpenning, aan de muntzUdc glad of hinnk, = « duiten of 34 ct.; — blanke wapens, bij het voetvolk de bajonet, by de rulterU de sabel, pallas, lans, in onderscheiding van de vuurwapens.

Blanket, blanquet, blanquette, z. oud. b 1 a n c.

Blappert, z. ond. hl afar d.

Blaquet, m. (spr. blnkè) eene voorin, bra-bantsche zilvermunt, halve sflieliing, = 13,S cent.

Bias., I)U zoolog. namen afk. voor J. II. lilaslus (gest, 1870).

blasé, fr. (spr. blaté: v. blaser, verslompen), geblazeerd, door overmatig zingenot, door uilspatllngen verstompl, uitgeput; in het algemeen slomp, ongevoelig, onversclilllig, zonder deelneming.

Blasïus, (fr. Blaise) mansn.; do zorgelooze; v. a. met meer waarschynlUkheid, door letterverzetting en samentrekking ontstaan uit Basl-lius, en dus de koninkiyke.

Blason, fr. z. li I a z o e n.

blasphemeeren, gr. blaxphemêJn, van blapsls, beschadiging, lienadeeling, en phtmi, ik zeg; lal. blasphemure) beschimpen, lasteren, In kwaden naam brengen, enz., Inz. god lasteren, gndlasteriyk spreken, vloeken; — blas-phómisch, adj. godlasteriyk, onteerend; — blasphemie, f. (gr. blasphemia) godlastering; majesteltshoon; — blasphemïst, m. een lasteraar, godslasteraar.

Blastema, n. gr. de klemstof, de aandrift om Ie groeien.

Blazóón, n, (fr. blason: zoo men wil van blazen, ilcwijl degene, die zich in het stryd-perk der oude tornooien vertoonde, door horen-geblaas werd aangekondigd, waarop de heraut bet wapenschild van den aangekomene luide moest opgeven en verklaren, hetwelk men bia-s o n n e e re n of wel b e I vv a p e n u 11 li I a z e n noemde) de wapenkunde, z. v. a. heraldiek; bet wapen of wapcnschlld, veldteeken; —blazoeneeren, wapens in al hunne beslanddee-len onderzoeken en in de kunsttaai verklaren: ook wapenkunslig schilderen; —blazoenist.

fr. blasonneur, m. een wapenkenner, b I a-zoenkundige, bescbryver van geslachtwapens.

Bleach, eng. (spr. blielsj), bleeken; — bleaching-clay (spr. blielsjingklee), bleek-kiel, d.i. koalin (z. aid.) om katoenen stoffen te appreteeren.

Blechop^ra, f, gr. Med. vroegere naam van do slepende zenuwkoorts.

Blennemésis, f. gr. (van blénna, siym, en emrsis, z. aid.) het siymbraken; — blen-nenterie, f. slUmlge ontlasting, slijmvloed van het onderiyf; — blennochesie, f. de slymvloed van bet darmkanaal; —blennoph-thisis, f siymtering; — blennopsysis, f. de siymultworplng; — blennopt^sis, f. de siymhoest, borslzinking; — blennopyra, f. de siynikoorls; — blennorrhagie, blen-norrhöea, f. do slymvloed, siyinontlasllng; — blennösis, f. do siymziekte; — blen-nothörax, m. de borstversiymlng; — blen-nurle, f. het siymwateren.

Blephariden, pi. gr. (pl. v. blephnris) de oogwimpers; — blepharitis, fr. gr. (v. bh\'phüron, n. ooglid) ooglid-ontsteking;—ble-pharophimösis, f. (vgi. phimosis) aangeboren vernauwing der ongiidspieet; — ble-pharophtalmie, f. ontsteking van het oog en der oogleden-, — blepharophyma, n. ooglidgezwel;—blepharoplastiek, f. de ooglidvorming; — blepharoplegie, f. ooglidverlamming; — blepharoptösis, f. de zakking van het bovenste ooglid; — blepha-ropyorrhcëa, f, ettervloed der oogleden, vooral by pasgeborenen; — blepharospas-me, n. ooglidkramp; — blepharostenö-sis, f. door ziekte ontstane vernauwing der oogspleet.

blesseeren, fr. {blusser, van \'1 gr. blcssein, slaan, v, a. van dultsclien oorsprong) wonden, kwetsen, beschadigen; een g e b I e s s e o r il e, een gewonde, gekwetste; — blessuur, f. (fr. blessure) wonde, kwetsuur, beschadiging.

Blestrisme, n. gr. (van blcslridzein, heen en weer werpen) Med. het woelen, de rusteloosheid van zware zieken.

bleu-mourant, adj. fr. (spr. —moerdii ,-van bleu, blauw, en mourir, sterven) eig. stervend blauw; bleekblauw, mal blauw; — Bleu-Thénard, n. fr. (spr. —teenaar) Thenard-blauw, kobaltblauw of kohaitultramaryn, eene door den franschen chemist T h é n a r d ullge-vnnden, uit kobaitoxyde, kleiaarde en kali bestaande schildersverf.

Blijde of blide, f. oudd. (mld.hoogd. blidc, zw. en mid.lal. blida, waarsch. verwant met het gr. bal Ie in, werpen, billis, genll. bolides, werptuig, ballista, z. aid.) eene werpmacblue In de middeleeuwen by belegeringen, z. v. a. b a I-llsta.

Blindage, f. fr. (spr. blendd-zj\', v. blinder, van het oudd. blindan, verblinden) Mil. de hl In-deer Ing, spaansche wand.

Blini, pl. (russ. blin, pl. blin//, verwanl met gr. pélanos, olferkoek) soorl van pannekoeken in


-ocr page 158-

bockbib:r

144

BLOC

Rusland, gobakkon uit hot fljnsto tarwemeel In lioter en met kaviaar bestreken (Inz. klaargemaakt in de paaschwoek).

btoi\\ in. fr. (van bet oudd. bloc, blnch, blok) een blok; een boop koopwaren — en bloc (spr. aii hink), hy rten lioop, bü den roes (koopen of verkoopen); — blocage, f. (spr. blnka-:j\'), of blocaille, f. (spr. blokdlj\') stukken baksteen tot aanvulling van ledige ruimten In een metselwerk, vuisteenen, stopsicenen, grof puin; — blo-queeren of blokkeeren, fr. (binquer) alle toegangen eener stad met troepen of met oorlogsschepen bezetten, haar omsingelen, afsluiien; op het biljart; eenen bal door een forseben sloot in een hoekzak spelen; blokhuis, o. een vierkant houten gebouw, doorgaans uit dikke of dnbhele balken beslaande, met schieigalen voorzien en bomvrü; - blokkeering, blok-kade ofbloquade, f. (tr.blocus, 11. blnmilu) insluiUng, omsingeling eener vesting.

bloemeeren (nederd. met uilheemscben uitgang) met bloemen opschikken, bebloemen; — bloemist,m.een bloemkwecker, bloemenmin-naar, bloemenverkooper; — bloemistiék, f. do bloenienkweeking, bloemonoppasslng.

blokkeeren, blokkeering, enz., z. oud. b/or.

blond, fr. (mid. lat. blundus, blondus: oor-spr. van hel oudd. blendan, eng. blend, mengen, dus dg. mcngelkleurig) blank van gelaal en geel-achtlg van haren, iiebtkleurig, llcbibarig; — blondin, m. (spr. blniidén), blondine, f. zulk een Jongeling en meisje, een of eeae blonde; — blonde, f lljne zyden kant (zoo ge-heden, omdat zi) vroeger een geelachtlgen glans had).

Blood-horse, n. eng. (spr. blud-hors) volbloed paard.

Blood-hound, m. eng. (spr. blud—) bloed-ol speurhond.

Bloomer-kostuum, n. (spr. bloc—} de door eene amerikaanscbe dame Mistress Bloomer In 1880 voorgeslagen, op die der mannen gelijkende kleederdracht.

Bloquade, bloqueeren, z. oud. bloc.

Blouse, f. fr. (spr. bloez\': weleer in \'t fr. blauile, bliaiid, mld. lal. blialdus, bliaudm: vgl. hel schotsche plnd, iilaid) voermansklel, kiel, do volksdracht der Belgen; in het biljartspel: de zak; — een blouseman, In België sedert den opstand in IHltn, z, v. a. revoiniio-nair; ook wel z. v. a. proletariër; — blouseeren (spr. .«=:), verloopen (in \'1 biljartspel) ; onelg. zich vergissen, een bok schieten.

Blousse, f fr. korte wol, die men niet kan kaarden.

Blue-stocking, f. eng. (spr. blóé—) een(e) blauwkous, z. aid.

Bluétte, f. fr. (van bleu, blauw, om de gewone kleur der afspringende vonkjes) eig. een vonkje, eene geesllge kleinigheid, inz. een klein looneelsink, eene klucbl, vgl. farce.

Bluffs, pl. booge oeversireken langs de Mississippi.

Blunder, m. eng. (oud-eng. blonder, verwant mot to blend, vermengen, dooi\' vermenging verwisselen) eene fout, feil, oen domme zei, bok.

Boa, (nw. lal. boa, bom{conslriclor], v. \'Hal. bos, bnvis, os, wegens do grooilo zoo gebee ten) of abc ma, f. de afgodsslang, konlngs-of reuzenslang, de grootste en sterkste slang, die men kent; ook een pels- of honlwerk voor dames, eene soort van palatine (z. aid.); — bü de ïoengoezon de naam van God.

Boabab, m., z. a dan son la.

Boa oepas, liever bohon oepas of oepasboom, m. (mal. poehn oepas, v. poehn, boom, en oepas, vergift) de fabelachtig grooto vergifthoom, welks ullwaseming, naar men zegt, reeds op een afstand doodt.

Board, ni. eng. (spr. boord: eig. plank, la-fel, boord, z. aid.) de tafel der tereclilz.il-tlng, hel gerecht; — board of trade, n. (spr. treed\') handelsgerechtshof; — boarding-house, n. (spr. boordinfihous\') een kosthuis, eene gaarkeuken; boardingsehool (spr. bónrdinfiskoel), eene kostschool.

Boat, eng. (sjir. boot) hooi; — boatswain, m. (spr. booi\'n) bootsman.

Bobak, in. (kl. russ. bairak, russ. soerók) N. 11. de russiscbe marmot; ook een noord-ainerlkaanseh viervoetig dier, aardhaas.

Boberelle, f. (mid. lat. boborella, bob. bo-borelka, fr. cor/iieret, coquerelle) Bot. de Joden-kers [physallsj.

Bobos, m. IN. H. de boa der IMiillppijnsclie eilanden.

Boeaal, z. bokaal.

Bocage, f. fr. (spr. bokd-zj\': onisiaan uit bosenne, mld. lat. boscagium, van boscus. Hal. bnscn — b o s c h, oudn. huskr) oen hoscbjo, eene belommerde wandelpiaals; gedurende de fran-sche revolutie een gedeelte der oproerige Vendee ; - bocagers, pl. (spr. zjé) beldeschapon in Provence.

Bocassijn, n. (it. bocassino, fr. boucassin) katoenen gedrukte en geglansde doeken uit Armenië en Perziü; katoenen doek tot voering.

Bocca, f. it. (= fr. bouche, van \'t lat. bucca, de wnng) do mond, ingang, de opening, monding; — bocca d\'inférno, li. (spr. —dien—) eig. de mond der bel; eene electrische verhcvcllng In de omsl reken van Bologna, met de hip- of dwaallichtjes overeenkomende; — boccale, m. 11. in \'t algemeen beker, bokaal; eene vroegere wijnmaal, naar de verscbliieiide plaalsen dan eens meer dan eens minder dan I liter.

Boccia, f. 11. (spr. bólsja, knop, blaas, bal) houten ballen om Ie spelen; het spel mol zulke ballen, waarvan er éon als doel wordt opgeworpen, lerwyi men de andere om slryd zoo dicht mogelijk by den eersten tracht te brengen.

Bockbier, n. soort van helersch hier in Maart gebrouwen met meer moiil (30 ii 50 0/0 meer) en minder hop dan bet gewone helersch bier, dus mei meer alcoholgeballe en zoeter van smaak.


-ocr page 159-

BOCOHOUT

145

BOERH.

Bocohout, n. lirazlllaansch patrtjzcnhout

(cnj?. partriilfie-wood).

Boddaert, m. N. H. een Indlsclic vlsch van liet goslaelit go hl si, iliis genuemd Ier eere van don noilerlandschen naturalist Boddaert.

Boddon, m. een kuslineir, een zeearm in de Oostzee.

Bodega, f. sp. kelder, vvgnkelder, wgnhuls; ook de wijnbouw, de opbrengst van den wyn-oogst; in zeehavens: een warenmagazün of winkel; op een schip het gedeelle onder liet verdek.

Bodemerij, f. (van bodem, voor kiel, on-derbodem van \'1 schip; eng. boltomry, hoogd. bodmerci) geldleening op een schip, eeti verdrag lusschen den schipper en eenen goldschloter, die geld op hol schip voorschiet en zeer boogc renten onlvangt by behouden aankomst, doch in geval hel schip vergaat zijne gansche vordering verliest; — bodemerij brief, hel schrideiyk verdrag omtrent eene bodemery gesloten.

Bode, m. oudd. (Polo, llaudn) mansnaam: ■do bode, boodschapper.

Boe Ofitsiboe (d. i. 1 boe) een vóór IH7I gangbare Japansche vierhoekige zilvermunt van Si a !»(gt; cenls; ook een Japansche lenglemaat (z. scb akoe).

Boebal, ni. (gr. boebulos) N. H. een viervoetig atrikaansch dier van bot goslacbt der antilopen, de berlehullel.

Boebastis, f. Mylh. de naam eener egypli-scho godin, die onder de gedaalde eener kat werd voorgesteld en afgebeeld, de dochter van Osiris en Isis; do hoofdzetel barer oorodionst was de stad Boe bas tos.

Boebönen, m. pi. gr. (sing, hoebón) Med. liesbuilen, een verschUnsel der veneriscbe ziekle; pestbuilen; — boebonalgie, f. pijn in de lies-streek ; — boebonoeële, f. eene liesbreuk.

Boeceros, enz., z. buceros, enz

Boeohnook of Boechnak, n. arab. een zalfdoek, eene soort van doek, dien de oosler-sche vrouwen hy \'t zalven van \'t gelaat om liet lioofd doen en onder de kin vaststeken, ten einde hare kieederen niet te bcsmetlen.

Boeddha, Buddha, m. (sanskr. boeddha, wys, van boedh, verslaan) eene Indische god-beid, negende vleeschwording van Vlschnoe (z. aid.), en do inslelller van het boeddhaisme of boeddhisme, een overoude gods-fliensl, door dien van Brahma uit Indië naar Japan, Thibet, China verdrongen; volgens de japansche overlevering heet hy eigeniyk ïsja-kia Moori en is loon jaren vóór J. lt;1. ge-lioren; misschien is hy echter een mythisch persoon; — Boeddhisten, in. pl. aanhangers van de leer van Boeddha.

Boëdromiön, m. gr. eene zomermaand der Al lienors.

boegseeren (nederd. mei uilheemsclien uil-gang) een schip door middel van sloepen of schuilen voorllrekken met eene lijn, dii^ bevestigd is aan don boeg, liet gebogen voorsle gedeelle van bel schip, of wel aan den boegspriet, VIKnilE Ilillik\'.

hot schuins vooruitstekende rondhout van bet schip.

Boei, f. (v. lal. bojn, sp. bojn) een blok, stuk kurk of ledige Ion, die, op het water dryvend, de ligplaats van het anker of gevaariyke plaatsen, klippen, wrakken, enz. aanwyst; — boeier, m. een snelzeilend nedorlandsch binnenvaar-luig met platte kiel; v. s. zoo gehoelen, omdat er de boeien mede gelegd of verlegd werden.

Boeïatrika of Boeïatriek, f. gr. (van boes, rund, en iatrós, arts, enz.) rundvee-arl-sonykunde.

Boekanier, z. hou ca nier.

Boekardiet, m. gr. (v. boes, os, en kardia, hart) oen versteend ossenhart, eene versteende schelp van ronde barigedaante.

Boekcensuur, f. nederd.-lat,, hel toeziclil der goesteiykhcid of dor regeering over den inhoud van de in het licbl verscbynende lioe-ken; — boekformaat, n, nedord,-lat, de gedaante van een boek, afhangende van de wyze waarop en hoeveel malen bet paplervol gevouwen wordt; tot die formaten behooron: folio, quarto, octavo, duodecimo, sede-c I m o, octodecimo, p o s t f o r m a a t, enz. (z. die artikelen),

Boekolisch, enz,, z, bukoiisch, enz,

Boelafo, n, een speeltuig der Negers aan de kust van Guinea.

Boelarchos, z. end. boe ié.

Boelboel, m, perz. een vogel mot zeer welluidende stem, de perzische nachtegaal, die hy het zingen z.yn liefde aan de roos klaagt.

Boelë, f. gr, raadsvergadering, z, v, a, lat, senaat; — boelarchos, m, de voorzitter van den groeten raad in \'t oude Athene; — boeleutenon of boeleutikon, n. bet raadhuis,

Boelijnen, liy zeelieden altyd boeiyns, f, pl. Mar, de razeilstouwen, waarmede do zeilen siyf lig den wind worden gezel; blinde b o o I y n, iron, een einde touw, waarmede op schepen slagen worden (of werden) uitgedeeld, ook dag geheelen.

Boelimos, m,, of boelimle, ook boe-limiasis, f. gr. (v. boes, os, en /Imös, honger) de ossenbongor, eotziekte, vraal zucht, een on-natuuriyk sterke eetlust, met groole zwakte gepaard.

Boolka, f , pl boelki, russ, wittebrood; — boelotschnik, m, de bakker,

Boeloek-basji, m, turk, (v. bulock, troe-pendeel, korps, en basch, z. aid,) een hevel-hebber van \'I voetvolk,

Bceotiërs, z. Beotiërs,

Boephthalmos, m, gr, (v, boes, os, en ophthalmós, oog) Med, ossenoog, een zeer groot oog; boephthalmie, f, ossenoogigbeid, olifanlsoogiglicld, eene ziekte, die hut oog aan-merkciyk vergroei,

Boerbas, Boerbe, Boerber, m, do kleinste rekenmunt in Kgypte, Tiinis, enz, = i asper,

Boerh., by hotanische lienamingen afkor-

10


-ocr page 160-

BOLLANDISTEN

BOERNOES

146

ting voor lierman Bocrlmve (gestorven 1738).

Boernoes of Boernoe, m. (fr. houmous, sp. al-bornoz, v. \'t arab. al-bnernnes), een araM-sohe mantel van witte wollen slof met eeno kap, zooals dien lt;le Mooren In Noord-Afrlkn dragen (vgl. Iialk); eene soort van nleuwer-wetsche vrouwenmantel van soortgelijke snede.

Boers, m. pi. hy sommigen do naam voor do z.ild-afrlkaansche boeren van hollandsche afkomst.

Boestrophêdon, n. gr. {boestrophedón, adquot;, v. boes, rund, en slréphein, wenden) elg. omkeerend of zich heen en weer wendend, als ploegende ossen; hel vorenschrift, afwisselend links en rechts loopend schrift der oude Grieken In den vroegsten tijd.

Boettima, f. een perzlsch gewicht ongeveer = :gt; kilo.

bituj, m. fr. (spr. beuf van \'t lat. bos, genlt. bovis) do os; — boeuf a la mode, m. fr. (spr. beuva—) gestoofd of gesmoord rundvleesch -, — boeuf gras (spr. beugra) vaslenavomlsos, paaschos.

Boffésen, f. pl. eene gebakken tusschen-spijs, beslaande uit wlllehroodskrulin, eierdooier, parmezaankaas, trulfels, enz.

Bog, in. slav. naam van den hoogsten God; In samenst. zooals Cz erne bog, zwarte, boozo god, enz. beteekent het enkele godheden.

Bog, pl. bogs, eng. drasland, moeras, inz. iu Ierland; — bogbutter, wllachtlge, op meerschuim gelijkende vettige slof, die zich door een eigenaardig gistingsproces schijnt te ontwikkelen In de bogs.

Bogdo-Lama, z. Koetoechta.

Bogeslaus of Bogislaus, slav. mansn. (v. Hnfi, God, en s/ama, roem), z. v. a. godslof, godsroem, eeregod; — Bogomilen, m. pl. (naar het hulgaarsch-slav. Hoi; mi loei. God erbarm u, hun aanhoudend gebed) ketters der 12de en inde eeuw in het Oosten, die de kerken dulvelstempelen noemden, de sacramenten verwierpen en God eene menschelUke gedaante toekenden, ook bekend onder de namen van M a r 11 o n 181 e n, M e s s a I i a n e n. Ent li n s i-a s I e n.

Bohea, f. eng. (spr. bohi) of bohea-thee, theeboel, zwarte thee.

Bohème of Bohème, fr. Bohemen -, de Hohemer; ook de zigeuner of helden (z. lager); voorts het eerst door Henrl Murger ge-brulkl Ier aanduiding van avonluurliike en ver-loopen studonten, lellerkundigen en kunstenaars van het pai\'Usche Quaiiier latin: — boheem-sche brooders, eene chr. secte, die iu de ISde eeuw uit de overblijfsels der strenge II us-s ie te ii In Hohemen ontslond; zij verwierp de transsubslanlialle, zochl iu kerklucht en ge-meontebestuur de eerste (\'.Inistenen na le volgen en onderscheidde zich door reinheid van zeden; zy heel en ook Moravische broeders, naar Moravlii; — boheemsche steenen, fljne bergkrislallen, die in glans en schoonheid, doch niet In hardheid, den diamant nabijkomen;- bohemers, m. pl. (fr. bohémiens) naam, dien by de Franschen do zwervende heidens (z. a.) dragen.

Böhm, m. (spr, beum) eene zilvermunt In Si-lezii1, waarvan er dertig in eenen thaler gaan.

Boilade, z. b o J a a r.

Boïna, f. de baskischo muts (baret) het veldtoeken der Carlistlscho troepen in Spanje.

Boisd., hij entomologische namen afkorting voor Bols-Duval (geb. 1S0I).

boiseeren (spr. bom—), fr. (boiser, van bols, hout) met houtwerk bekleeden, beschieten; — boiserie, f. fr., ook boisage, f. (spr. hoaza-zj\') de hekleedlng der wanden cener kamer met planken.

Boisseau, n. fr. (spr. boassö; oudfr. bnis-fenu, van bolste, bolle, z. a.) eene oude franscho Inhoudsmaat, = t3,„ liters.

Bolte, f. fr. (spr. hotW: vroeger boislc, boueslo, v. \'t gr. pyxis, bus, doos, v. pyxos, lat. bmus, buksboom) eene doos, bus, een koker; — boite-toilette, f. kapdoos.

Boitout, m. fr. (spr. boatóé: ontstaan uit bols-lnul, drink alles, v. hoire, drinken) een drink-uit, wippertje, glas zonder voet, dat men dus niet kan neerzetten, zonder het daarin zijnde vocht te storten.

Bojaar, slavonlsch, of boilade, wala-chisch, m. (v. \'t russ. bojdrln, oudslav. boljd-rln en boljdr, voornaam lieer, v. bolil, groot, verheven) oorspronkelijk een krügsmari; legeu-woordig een adellijk grondbezitter, vrijheer, magnaat in vele Slavonische landen; de voormalige titel van de geheimraden der russlscho czaars.

Bojabi, m. N. II. eeno slang van het boa-geslacht, de hondslang.

Bokaal, m. (fr. en sp. hncal,». bnecdle, mid. lat. baucalls, v. \'1 gr. baükalis, baukdllnn, val) de beker, kelk, het dekselglas, een groote drinkbeker.

Bokkenees, m., bokje, ii. eig. Itoegi-neos, volksstam op Celebes; ruw, onbeschaafd mensch, iemand van barbaarsche manieren en voorkomen.

boksen, z. boxen.

Bolduc, n. fr. (spr. —duuk) geverfd bindgaren, gekleurd louw of koord.

Boléro, m. sp. (ook bol dra, naar een danser van dien naam) een met gezang en eas-lagnelten hegelelde spaansche volksdans (in 4 mant).

Boletus, in. lat. (gr. bólllës) een eetbare paddensloel; inz. het geslacht der lioedpadden-sloelen; boletiet, versteende paddenstoel, moiielje- of kampernoeljesleen.

Bolide, f. fr. (gr. bolls, gen. holldos, werp-luig, projeellel) vuurkogel, meleoorsteen.

Bolivar, 11. gezondheidsllanel; — m. mans-hoed met broeden omgeslagen rand.

Boll, n. schotsche Inhoudsmaat van tl bushels = 2,ls hecloliter; ook gewicht voor havermeel van liO eng. ponden = #3,!l kilo.

Bollandisten, m. pl. de naam der ant-werpsche Jezuïeten, die de levens en de daden der heiligen (arlii sanclórum) hebhen ullgege-


-ocr page 161-

BOMBYX

BOLLET

147

ven; dit werk, door Rnswcydus In de lOde eeuw begonnen, werd In de 17de door Joh. Holland en andoren na hem voortgezet en is ook niet kompleet.

Bollét, bollótta, f. It. (ook bultelta: van hnlln, zegel, hnlldre,zegelen, stempelen, vgl. hul) eon lirietje, hewUs, kwUIhriofjo, inz. van eene ot andere helasting; ook eene gezondheidspas.

Bolletriehout, n. zeer vasle en vleesch-kleurige houtsoort uil Suriname.

Bologneezer flesschen, kleine, tame-Hik dikke, peervormige glazen flessehen, die, ofschoon van buiten tegen een sterken slag of sloot bestand, terstond springen, zoodra men ze inwendig aanraakt of krast (door Amadei in 171« uitgevonden en door den Bologneezer Italdl beschreven); — bologneezer hondjes, kleine ruigharige hondjes, zoo genoemd naar de slad Itologna In Italië; — quot;bologneesche spaath of bononlscho steen (van lln-nónfa, de lal. naam van de slad Itologna), in. een uit zwaarspaalli (baryt) en aluinaarde beslaande glinslerende sleen (lapis snlaris), die in de nabijheid van Itologna wordt gevonden en In het donker een pliosphorlsch licht geeft, wanneer hij vooraf in do zon gelegen beeft of verwarmd Is; lichlsleen, llchtzuiger; — bologneesche school, do schilderschool van Caracci, legen het einde der hide eeuw, welke de voortrelfeiyke hoedanigheden der oudere mees-Iers zocht te vereenigen; Bolognino, m. It., z. v. a. bajocco.

Bolus, m. lat. (bulus, hele, v. bei gr. bolns, aardkluit, klomp) iemniscbe aarde, eene zaehie, veilige, doorgaans roodachtige kleiaarde, die in Itohemen, llongarUe, Silezie en elders wordl gevonden; do besle soort is de armenische. Eer-iljds word zü liij bolletjes, beten of brokken in de geneeskunst geliruikt, en, om ver-\\alsching te verhoeden, mei het zegel der plaals, waar men ze gegraven had, voorzien; vandaar ook: zegelaarde {lend xiqilhila); legen-woordig dient zü enkel als verfslot; Med. een arisenüballelje, een brok, die in eens wordt doorgeslikt.

Bolzas, pi. ooslindischo katoenen lijken.

Bom, f. N. M. eene groote slang van Amerika, die al kruipende een zonderling geraas maaki, waarvan zij haren naam oniieenl.

Bom, f. (fr. bnmbe, 11. en sp. bnmba, v. hol sr. bnmhos, lal, bnmbus, dof lirommende loon) een yzeren holle werpkogel, spring-, knal- of vuurkogel, uilgevonden in Ii\'i7 door Pandolpho Maialesla, prins van Kiinlni; ook eene groole, ronde glazen ilescb; eene groole blikkenIrom-mel; de prop van een val; hnmhc a In Sar-tlannimlc, een zeker uilslekend koslbaar gereehl op de latei der groeien, zoo geheelen naar Sa r-danapalus (z, a,); - bomvrij, beveiligd voor do vernielende werking der bommen; bombarde, f, fr, (mid, lat, bnmbarda, sleen-gescbul, oen voorin, krijgstuig om groole slee-nen ver weg te werpen; een kort, dik, zwaar Knallend kanon, sleonmortler; ook bij de orgels; de basbrommer, het zwaarste bromwerk; nog: de mondtroni; — bombardeeren (mld, lat, bombardtire, fr. bombarder) mei bommen beschieten; oneig. Iemand hevig aanvallen, met geweld hy hem aandringen;-bom-bardéérgaljoot, f, oen vaartuig van middelmatige grootte, doorgaans een zeil voerende, en sterk gebouwd lol het dragen der morl leren, waaruit men bommen werpt; bombar-déérkever (brachynus), een gevleugeld insect, dat zijnen vijanden vaak uit zijn achterdeel oen blauwen stinkenden damp met een vrü zwaren pof legenschiel; — bombarde-mént, n, (fr, spr, —mdii) bet bommenwerpen, het beschieten van eene plaats; - bombardier, m. een bommenwerper, kanonnier; — bombardon, in, fr, (spr, —rfó/i) soort bas-bazuin bü nillilalre muziek; — bomketel, z, m o r 11 e r,

Bomaschki, pi, rnss, eig, papiergeld, hank-assignatien van I tot ie roebels,

Bomba, in, een opziener der slaven op de westindischo eilanden,

Bombakijn, n, eene zekere slof uit wot en zijde.

Bombarde, bombardeeren, enz,, z, oud, bom,

Bómbast, m, (ontleend aan \'t eng, bumbast, bombast, d, i. eig, eene met wol of watten gevulde en gestikte stof of deken, van bet gr, en lal, bombyx, z, aid,, mid. lat, bnmbax-, v, a, naar een der voornamen van den vermaarden atcbimist l\'aracelsus (Phillppus Aureotus Theo-pbrasius l\'aracelsus Itomhaslus van llohen-heim), winderige, brommende, opgehlazen uitdrukkingen, hoogdravende siyi, gezwollenbeid;— bombastisch, adjectief, gezwollen, hoogdravend.

Bombax, f. uw. lat. Itol. zydewolhooin. Bombay-hennep,m. (fr. chanvre de /lom-ba//, eng. Ilombay hemp) liennepachilge bastvezels van Hibiscus cannabiims, in Oost-lniile lol touwwerk get)ez,lgd.

Bombazijn, n. (fr, bombasin, van bet lat, bnmbyclnus, zgden, v, het gr, bómbyx, z, aid,) eene soort van elfen of gestreepte voeringslof; eene katoenen slof aan belde zijden ruw, lot voering,

Bombetten, f, pl, lederen zakjes over de deksels der lucbigaien In windbussen,

Bombo, m, in N,Amerika; een kruldon-lirandewyn uil rum, muskaal en suiker.

Bombus, m, gr, (bt\'mbos, vgl, hom) Med, hot oorgesuis, oorgegons,

Bómbyx, m, gr, en lal, de zijdeworm ; ook zyde, zydeachlige slot, boomwol; bomby-cinisch, adj, (lal, bombi/cfnus, n, um) van zyde, zijdeacbllg; ook zydovvormachilg; cn-dr.r bnnibi/rinus, (lal,) oud Imndscbrifl op zyde of kaloenpapler; bombiaat, n, Ciiem, zjj-dezuur zout; - bombykometer, m, garen-tafel, label om uil hel gewicht van een streng (Sin eng, yards lengte) bet nummer van katoengaren ie vinden.


-ocr page 162-

BOLLANDISTEN

BOERNOES

146

tiiiK voor Horman Boerhavo (Bestorven 1738).

Boernoes of Boernoo, m. (fr. bournous, sp. al-bonwz, v. \'t nrab. al-baernoes), oon aralil-scho mantel van witte wollen stof mot eeno klip, zoouls dien de Moeren In Noord-Atrika dragen (vrI. ha Ik); eene soort van nlcuwor-wotscho vrouwenmantel van soorlfteiyke snede.

Boers, m. pl, liy sommigen do naam voor de zuld-afrlkaansehc hoeren van hollanilscho afkomst.

Boestrophëdon, n. gr. (boeslrophêdón, adv. v. boes, rund, en stréphein, wenden) elg. omkeerend of zich hoen en weer wendend, als ploegende ossen; hot vorcnsehrltt, afwisselend links en rechts loopend schrift der oude Grieken in den vroogsten tgd.

Boettima, f een perzisch gewicht ongeveer = 3 kilo.

b(Euf, m. fr. (spr. beuf: van\'t lat. lm, genlt. bnvis) de os; —boeuf a la mode, m. fr. (spr. beuM—) gestoofd of gesmoord rundvleesch;

boeuf gras (spr. beugrd) vastcnavondsos, paaschos.

Boffésen, f. pl. eene gebakken tusschen-spijs, bestaande uit wittehroodskruim, eierdooier, parmezaankaas, truffels, enz.

Bog, m. slav. naam van den lioogsten God; In samenst. zooals Czernehog, zwarte,hooze god, enz. heteekent het enkele godheden.

Bog, pl. bogs, eng. draslnnd, moeras, inz. In Ierland; — bogbutter, witachtige, np meerschuim geHjkendo vettige stof, die zich door een eigenaardig gistingsproces schijnt te ontwikkelen in de hogs.

Bogdo-Lama, /.. Koetoechtn.

Bogeslaus of Bogislaus, sluv. mansn. (v. nnq, God, en slawa, roem), z. v. a. godslof, godsroem, eeregod; — Bogomilen, in. pl. (naar het bulgaarsch-slav. Ilni/ milneï. God er-barm u, hun aanhoudend gebed) ketters der 12de en 13de eeuw In het Oosten, die de kerken dulvclstempelen noemden, de sacrnmenten verwierpen en (iod eene menschcHjke gedaante toekenden, ook hekend onder de namen van M a r 11 o n I s t e n, M e s s a 11 a n e n, I\'. n thus I-asten.

Bohea, f. eng. (spr. bnhi) of bohea-thee,

theeboel, zwarte thee.

Bohème of Bohème, fr. Bohemen; de Bohemer; ook do zigeuner of beiden (z. lager) ; voorts het eerst door Henri Murger gebruikt ter aanduiding van avontuurHike en ver-loopcn studenten, letterkundigen en kunstenaars van het parUsche Quar/ler la/in— boheem-sche broeders, eene dir. secte, die in do löde eeuw uil de overblijfsels der strenge II us-s iet en in Bohemen ontstond; zü verwierp de transsuhstaniiatie, zocht in kerktucht en ge-meentehestiinr de eerste Christenen nn te volgen en onderscheidde zich door reinbeld van zeden; zy heel en ook Moravische h roede rs, naar Moravlti; — bohoemsche steencn, fijne liergkrislalien, die in glims en schoonlicid, doch niet in hardheid, den diamant nabijkomen; — bohemers, m. pl, (fr. bohi-miens) naam, dien hy do Franschen de zwervende heidens (z. a.) dragen.

Böhm, m. (spr. heum) eene zilvermunt In Sl-lezie, waarvan er dertig In eenen thaler gaan.

Boilade, z. bojaar.

Boïna, f. de hasklscbo muts (baret) het veldteoken der Carllstlsche troepen In Spanje.

Boisd., hy entomologische namen afkorting voor Bols-Duval (geb. 18(11).

boiseeren (spr. bnaz—), fr, (boiser, van boix, hout) mot houtwerk bekleeden, beschieten; — boiserie, f. fr., ook boisage, f. (spr. boa:d-:j\') de hekleeding der wanden eener kamer met planken.

Boisseau, n. fr. (spr. boassó,- oudfr, fiois-leau, van boisle, bnlle, z. a.) eene oude fransche Inhoudsmaat, = 13,„on liters.

Boito, f. fr. (spr. boat\': vroeger boisle, bouesle,\\.\'I gr. pyxis, bus, doos, v. ;gt;j/.ros, lat, buxus, buksboom) eene doos, hus, een koker; — bolte-toilette, f, kapdoos.

Boitout, m. fr. (spr. boaloé: ontstaan uit bois-lout, drink alles, v. bnire, drinken) een drink-uit, wippertje, glas zonder voet, dat men dus niet kan neerzetten, zonder het daarin zynde vocht te storten.

Bojaar, slavonlsch, of boilade, wala-chlsch, m. (v. \'t russ. bojdrin, oudslav. boljii-rin en bnljdr, voornaam heer, v. bolii, groot, verheven) oorspronketyk een krygsman; tegenwoordig een adellijk grondbezitter, vryiieer, magnaat In vele slavonische landen; de voormalige titel van de geheimraden der russlsche czaars,

Bojabi, m. N, II. eeno slang van bet boageslacht, do hondslang.

Bokaal, m. (fr. en sp. bocal,\\l. bnccdle, mld. lat. baucalis, v, \'1 gr, bailkalis, baukdlion, vat) de beker, kelk, het dekselglas, een groote drinkbeker.

Bokkenees, m , bokje, u. eig. Boegi-nees, volksstam op Colehes; ruw, onbeschaafd mensch, iemand van barhaarsche manieren en voorkomen.

boksen, z. boxen.

Bolduc, n, fr. (spr. —duuk) geverfd bindgaren, gekleurd touw of koord.

Boléro, m. sp. (ook b oléra, naar een danser van dien naam) een met gezang en cas-tagnolten begeleide spaansche volksdans (in | maat).

Boletus, m. Int. (gr. bölitcs) een eetbare paddenstoel; inz, hel geslacht der hoedpadden-stoelen; boletiet, versteende paddenstoel, morielje- of kampernoeljesteen.

Bolide, f. fr. (gr. bnlis, gen. bolidos, werptuig, projectiel) vuurkogel, meteoorsteen.

Bolivar, n. gezondheldsllanel; — m. mans-hoed mot broeden omgeslagen rand.

Boll, n. schotsche inhoudsmaat van 11 bus-hols = 2,18 hectoliter; ook gewicht voor havermeel van 110 eng. ponden =((3,3 kilo.

Bollandisten, m. pl, de naam der ani-werpsche jezuïeten, die de levens en de daden der heiligen {acla sanclurum) hebhen nllgege-


-ocr page 163-

BOMBVX

BOLLET

147

von; dit werk, iloor Roswcydus In rte Hklc oeuw begonnen, werd Iti de 17do door Joh. Holland en anderen na hom voortgezet en Is nof? idet kompleet.

Bollét, bollétta, f. It. (ook bulletinvan hnllo, zegel, bolldre, zegiden, stempelen, vgl. li n 1) een briefje, bewüs, kwijt briefje, inz. van eene of andere belasting; ook eene gezondheidspas.

Bolletriehout, n. zeer vaste en vleesch-klenrlge houtsoort nil Suriname.

Bologneezer flesschen, kleine, tnme-lük dikke, peervormige glazen tlesscben, die, ofschoon van buiten tegen een sterken slag of sloot bestand, terstond springen, zoodra men ze Inwendig aanraakt of krast (door Amadel in 171« uitgevonden en door den Bologneezer Baldi beschreven); — bologneezer hondjes, kleine ruigharige hondjes, zoo genoemd naar de slad Bologna in Italië; — bologneesche spaath of bononlsche steen (van lln-ndnta, de lat. naam van do stad Bologna), m. een uit zwaarspaalh (baryt) cn aluinaarde beslaande glinsterende steen {Inpis snlaris), die in de nnbyheld van Bologna wordt gevonden en In het donker oen phosphorlsch licht geeft, wanneer hij voorat in de zon gelegen beeft of verwarmd is; lichlstoen, lichlzulger; — bologneesche school, de schildorscbool van Caraeci, logen het einde der Hide eeuw, welke do voortreffelUke hoedanigheden der oudere meesters zocht to vereenigen;-Bolognino, m. it., z. v, a. bajocco.

Bolus, m. lal. {bolus, hole, v. hel gr. hulns:, aardkluit, klomp) iomnischo aarde, eene zaclile, veilige, doorgaans roodachtige kleiaarde, die in Bohemeu, HongarUe, Silezië en elders wordt gevonden; de bosle soorl is de armonlscbe. Ker-Ulds werd zy bi{ bolieljes, beten of brokken in de geneeskunst gebruikt, en, om ver-valsching te verhoeden, mei het zegel der plaats, waar men ze gegraven had, voorzien; vandaar ook: zegelaarde {terra siqillula); tegenwoordig dient zü enkel als verfstof; Mod. een ailsenyballolje, een brok, die ia eens wordt doorgeslikt.

Bolzas, pi. ooslindisclio kaloonen tyken.

Bom, f. iN. II. eene groolo slang van Amerika, die al kruipende een zonderling geraas maakt, waarvan zij haren naam onlloenl.

Bom, f. (fr. bombe, 11. en sp. bnniba, v. hel gr. bómbos, lal. bombus, dof brommende toon) een yzeren lioile werpkogel, spring-, knal- of vuurkogel, ullgevonden in liK7 door Pandolpho Malalesla, iirlns van Bimlnl; ook eene groolo, rondo glazen llesch; eene groolo blikken irom-mel; do prop van een vat; bomhr t\'i la Sar-danapalc, een zeker uilslokend koslhaar goreehl op de tafel dor groolen, zoo goheelon naar S a r-da na pa lus (z. a.); - bomvrij, beveiligd voor de vernielende werking der bommen; bombarde, f. fr. (mid. lat. bomlxirda, sleen-geschul, eon voorin. krUgslnlg om groolo slee-nen ver weg Ie werpen; een korl, dik, zwaar knallend kanon, sleenmorller; ook hij de orgels: de basbrommor, bet zwaarste bromwerk; nog: de mondtrom; bombardoeren (mid. lal. bnmhnrilnre, fr. bombarder) mei bommen beschieten; oneia. Iemand hevic aanvallen, met gewold by hem aandringen; bom-bardéérgaljoot, f. een vaariuig van middelmatige groolte, doorgaans een zeil voerende, en sterk gebouwd lot het dragen der morlioren, waaruit men hommen werpt; bombar-déérkever Ibraclnjnu.t), oen gevleugeld Insect, dal zyuen vyanden vaak uil zijn aehior-deel een blauwen stinkenden damp mol een vry zwaren pof legensehlet; - bombarde-mént, n. (fr. spr. —muit) hel hommenwerpon, het boscliieten van eene plaats; bombardier, m. een bommenwerper, kanonnier; — bombardon, m. fr. (spr. —dóii) soorl lias-bazuin iijj inilllairo muziek . — bomketel, z. m o r t i e r.

Bomaschki, pi. rnss. olg. papiergeld, hank-asslgnatilin van 1 tot in roebels.

Bomba, m. oen opziener der slaven op de wostindiselio eilanden.

Bombakijn, n. eene zekere slof uil wol en zydo.

Bombarde, bombardeeren, enz., z. oud. h o m.

Bómbast, m. (ontleend aan \'I eng. bumbasl, bomhast, d. 1. olg. eene met wol of watten gevulde en geslikte slof of deken, van het gr. en lal. bómbyx, z. aid., mid. lat. bombax-, v. a. naar een der voornamen van den verniaarden alchimist Paracelsus (l\'hilippus Anreolus ïiieo-pliraslus Paracelsus Bombastns van llohen-heim), winderige, hrominende, opgehlazen uil-drukkingen, hoogdravende siyi, gezwollenheld;— bombastisch, adjoclief. gezwollen, hoogdravend.

Bombax, f. nw. lal. Bol. zydewollioom.

Bombay-hennop,ni. (fr. chanvre dc Hom-ban, eng. Ilnmbn!/ hemp) liennepaeblige haslvo-zels van Hibiscus cannabinus, In Oosl-lnille lol touwwerk gebezigd.

Bombazijn, n. (fr. bombasin, van hol lal. bombjicfnus, zydon, v. hel gr. bómbyx, z. aid.) eene soort van effen of gesiroepie voeringsiof; eene katoenen slof aan beide zijden ruw, lol voering.

Bombetten, f. pi. lederen zakjes over de deksels dor luchtgalen in windbusson.

Bombo, in. in N.Amerika; een kruidon-brandewyn uil rum, muskaal en suiker.

Bombus, m. gr. {bómbos, vgl. hom) Mod. hel oorgesuis, oorgegons.

Bómbyx, m. gr. en lal. de zijdeworm; ook zydo, zljdoaehllge slof, boomwol; bomby-cinisch, adj. (lal. bombnnnus, it, urn) van zydo, zljdoachlig; ook zljdowormaehlig; — co-dc.r hombjicinm, (lal.) oud liandscbrifi op zijde of kaloenpaplei\'; bombiaat, n. (\'.hein. zjj-dezuur zoul; — bombykometer, m. garenlatei, tabel om uil hol gewield van een streng (Sill eng. yards lengle) hot nummer van katoengaren Ie vinden.


-ocr page 164-

BONNAT

•148

B( )N

Bon., IjU zoölogische hcnamliiKen afkorllng voor Bonelll (Kost. 1830).

bon, fr., f, bonne (van 1 Int. bonus, onz.) uocil, wol; —(ion yenre (spr. —zjnitr), goeilo soort; (tooile smaak of trant; beschaafd gedrag; — bon uré, mul nré (v. i/rt, wil, helleven = lat. gralum), goedwillig of gedwongen, goed- of kwaadschiks; — bon jour (spr. —zjner), goeden dag! goeden morgen! — bon soir (spr.—soar), goeden avond! —bon voynne (spr. -woaja-zj\'), goede reis! — a la bonne Ueure (spr. —bonn\'eur\'), elg. Ie goeder ure; welaan! het zü zoo! goed! laat het geschieden! —Als snhst. n. heteekent bon eene schrtfletyke goedkeuring of aanwg-zing op iels, welke iemand, met zyne handtee-kenlng en herhaalde opgave dor som (I). v. bon pour 10(10 francs) voorzien, aan een ander geeft; een hcwijs van ontvang, van levering, enz.; pl. bons; bons n rue (spr. boinawü\'), terstond of op zicht hetaalhare aanwijzingen; — bons du Irésor, schatkisthiijetten.

bona (pi.), enz., z. oud. bonus, —bona fide, bonae fidHi, enz., z. oud. fides: — bona ijratla, z. ond. gratia: — bona menie, z, oud. mens: — in bona pace, z. ond. pax; —bona renin, z. venio; — bona officia, pl., z. ond. officium.

Bonap., Iiu natuurwolenschappetyke namen afkorting voor Charles Lucien Ronaparte (gestorven 1857),

Bonapartïsme, n, het gevoelen, het stelsel van de aanhangers van Bonaparte; gehechtheid aan llonaparles geslachl; — Bo-napartisten, m. pl. aanhangers van Bona-partes fainiile of zijn hostuur.

Bonasus, m. lat. en gr. {bónasos) iS\'. II. eene ossensoort mei lange rugmanen, wilde os.

Bonaventüra, it. (buona-venlura, goed fortuin) mansn.; de door de Fortuin begunstigde (Inz. de naam van een vromen en onder de heiligen opgenomen kerkelijk schrijver in de 13de eeuw).

bonavoglia of buonavoijtia, m. it. (spr. bonawó-Ijia) een vrijwilliger; vrUwillige galeiknecht, loonroeier.

Bonazianen, m. pl. ketters uit de 4de eeuw, die leerden, dat Christus slechts Gods aangenomen zoon was.

Bonbon, n. fr. (spr. boiibou) suikergoed, lekkers, koekjes, kleingoed, snoepgoed; — bonbons fondants, pi. gevuld suikerwerk; — bonbonnière, f. het doosje voor zoetigheden of lekkernijen, lekkernUdoosJe, honhondoosje; ook een vrouwenhoofdtooisel; (fig.) elegant, smaakvol gemeubeleerd kamertje; kleine schouw-hurgzaal.

Bon-ohrótien, f. fr. (spr. bon krétjiii, d. i. elg. goede chrislen; door verbastering ontstaan uil liet lat. pira of bona cruslununa, van de sabijnsche stad Cruslumfum, onder wolken naam deze peer ten tijde van Karei VII uit Italië naar Frankrijk kwam), de chrislus-poer, goeüe-chrislus-pcer, apothekerspeer, eene groole, langwerpige, zeer smakelijke suikerpeer. Bond, n. eng. schiildhekentenis, ohligalie.

Bonde, ook h a u s b o n d e, m. laagd. en skand. (deensch en zweedsch bonde, oudn. bóndi, samengetr. uit büandi, wonend, van het oudd. buwan, buwen, bouwen, yslandsch en zweedsch bua, goth. bauan, wonen) in SleeswUk en Hol-steln een hoer, die op zün eigen goed woont, vrije hoer.

Bonétvisch, z. bon let.

Bong, n. bet lampenfeest der Japaneezen.

bon ijenre, z. ond. bon.

bon nré, mal gré, z. ond. bon.

Bonheur, n. fr. (spr. bnnneur: oudfr. honour, uit het lat, bonum augurium ontstaan; later door den nw.franschen vorm bonheur in betrekking gebracht lot heure = lat. hora, uur tyd) geluk, welvaart; een gelukkig voorval, fortuintje, buitenkansje; bonheur du jour, kast voor zilverwerk, snuisterijen enz.

Bonhomme, m. fr. (spr. bonnómm\'; v. homme, mensch, man) een goed, eerlijk mensch, eene goede ziel, een goedhartige vent: een on-noozele hals; ook: wijzer van den kwlkharo-meter; — bonhomie, f. (spr. bonnonue) natuurlijke goedhartigheid, eenvoudigheid, rechtschapenheid.

Boniet, m. (fr, boni te, f,, sp, bnnito, arab, hainil) of bonétvisch, ni. eene soort van makreelen, een sprlngvlsch, die de vliegende vlsschen vervolgl, een zeer smakelijke roofvlsch (Scomber pelamys).

Bonifacius, ui. nw.lal. (v. bonum, goed, en facrre, doen, maken) elg. de weldadige, de weldoener; een bijnaam van VVlnfried, den zoogenaamden apostel der Dultschers in de 8sle eeuw; — bonifaciuspenningen, pl. rtee-len van een versteend plantdier z. e nkrinlet;

— bonifloeeren, nw.lnt. (fr. boni fier) ver-beieren; vergoeden, schadeloosstellen; — bonificatie (spr. I=ls), f. de vergoeding, scha-delonssieiling.

Boniment, n. fr. (spr. —md/\'i) hanswor-stengrap om de toeschouwers te lokken; aanprijzing van wege een kwakzalver; spreekwijzen om Iemand Ie misleiden.

bonis co de er en, z. ond. bonus.

Boniteit, 1, lat. (bonïïas, v. bonus, goed), de goedheid, dengdeiykheld, innerlijke waarde eener zaak, inzonderheid eener uitstaande schuldvordering (In togenoverst. met hare ve r it e 11);

— boniteeren, nw. lat. schatten, waardee-ren, de waarde inz. van een stuk land bepalen;

— bonitoering, f, de schaliing, waardebepaling, waardeering, aanslag; — boniteur, m, fr, een schatter, waardeerder van lande-ryen, enz,

bonjour: z. ond. fto«;- bonjour, m, ook een soort ovorrok.

Bonmot of bon-mot, n, fr. (spr. boinnó) elg. een goed woord; een geestige zet, vernuftige inval, kwinkslag; — bonmotiseeren (spr. s=t), geestige, vernuflige, aardige gezegden doen, kwinkslagen uildeolen.

Bonnat., hij zoologische heiiamingen afk, voor abhé Bomialerre (gesl, I80i).


-ocr page 165-

BONNE

149

BONI\'S

Bonne, f. fr. (fpm. v. bnn) Pig. do goede; (\'cue vrouw, die mei hel toczichl over de kinderen van een huisgezin Is belast, eene loc-zlenster, kindermeid; eene niet met hel onderwijs belaste gouvernante.

bnime amilié, z. a nul lé; — bonne bouche, L. hnuchc.

Bonnefooi, f. verhollandsclite uitspraak van bonne foi, fr.) elg. goede trouw; op de bonnefooi, In goed vertrouwen, op goed geluk af, gewaagd.

bonne fortune, i. fortuna; — bonne f/rare, z. grace; — bonne humeur, z. humeur.

Bonnét, n. (fr. spr. bnnnè: provene. bnneta, oorspr. de naam eener slof, mld.lal. bonnela, oudfr. bonnel, waarseh. van oostersehen oorsprong; oostlnd. banal, wollen slof of doek) do muts, kap; Mar. broodwinner of -winder, hy-zell, eene strook zeildoek, waarmede men de zeilen verlengt, opdat zu meer wind zouden vallen; Mil. eene voorlaag bij verschansingen; ook: de halve maan (hu de Janltzarenmuzlek);

— bonnels mines, pi. (spr. —roezj\') roodimit-sen, spotnaam der fr. JacobUnen;—bonneteeren, do kap, do muts opzetten; diepe hut-gingen maken; — bonnetade, f. bot hoed-afnemon, de diepe buiging gepaard mot afneming van don hoed; — bonnetier, m. (spr. —IJt1), mutsonmaker of -verkooper, die mutsen, kousen en andere wollen waren maakt en verkoopt; ook: lig. aliodaagsch monsch, kruidenier, ploert;

— bonnetene, f. (do handel In) mutsen on kousonwaron; ook het gild dor kousenmakers.

bono modo, z. oud. m n d n s.

bononische steen, z, b o i o g noes e b o s p a a I h.

bonörum cessfo, zie cessio bonorum, onder cessie; — bonorum collalin, zie collatio bonorum, onder collatie; — bonorum commu-nto, zie communie; — bonnrum fiossessïo, z. possessio, onder possedeeren; — bons, z. hon.

Bonpl., bU natuurwelonschappolUke bena-mlngon afk. van Bonpland (gest. ISiitt).

Bonsens, n. fr. (spr. bomaii) goede zin, gezond, natmirUjk monscbonverslnnd (sensus communis) ■, — bon soir, i. oud. bnn: — Bontón, m. fr. do goede toon, do welvoegiykheld, deftigheid, wolgomanlordhold in spreken en han-dolen, do beschaafde, verlijnde manieren, do wereldtoon.

Bontsjoek, n. turk. snoer van biauwe glaskoralen, niet onkel als sieraad maar ook als amulet gedragen.

bonus, a, um, lat. goed ; — Bonus, mansn.: oen goede, deugdzame; eng. hij den otTeclon-handel: de winst, het overschot, hetdividond;

— bnnum el aequum, recht en hiliyk; — bonus avlbus, woordel. met goede vogels (als de door de augurs geraadpleegde vogels oen gelukkigen uitslag van de onderneming verkondigden), d. 1. spreokwoordeiyk; onder goede voortookons, met voorspoed; — bonum vin um loelifical cor hominis, goede wyn verheugt het hart des menscheh; — bonum, n., pi, bona, ais suhst.: het goed, goede; —cui bono/, elg. tot wat good y tot wolk nut of oogmerk; waartoe? bonum anïlum, .lur. elg. groolvaderiyk goed; familie-, erf- of stamgoed; — bonum nalurale, natuurgave; bnnum publicum, hot gomeene best, \'stands Wi Izyn, hol nut van \'lalgemoon; — pro bono publico, voor het algomeone wetzyn;

— bona, n. pi. goederen, have; — bonis cedeer en, zijn ganscho vermogen don schuldel-schers overlaten of afstaan; — in bonis, ia vermogen, b. v. een in a n in bonis, oen vermogend, welgezeten, homiddeld man; — bona acquisila, verworven goederen; — bona aii-venliffa, goederen, die niet uil de vaderlijke ho-zlltliig, maar van elders toegokomon zyn, doorgaans moedortyko nalatenschap; — b. lerarti of camüm, kamergoederen; — b. aliinn, vreemde goederen; — )), allnilialïa, eigen goederen, vgl. allodium; — (i. avïla, nenlilihu, slemmatHa, grootvadoriyko goederen, stamgoederen van grootouders; — b. caduca, overganketyko goederen, de zuikon, die na den dood van den eigenaar aan don hoor van het tand vervatten; li. cas-Irensia, iegergoodoren, In hot veld verworven eigendom; — b. censillca, cynsgoodoren; — b. cioilalis of pubfica, gemeone stadsgoederen; — b. communïa, gemeenschappeiyko goederen; — b. communilalis, gemeentogoederon; —b. con-jugum, goederen der echtolledon; b. dam-nalorum, goederen der veroordeelden; — b. devolüla, toegevallen goederen; b. domaniaha, goederen, die niet tol den hyzondoren eigendom van den vorst beboeren en die hü tot zyue eigen tiulshoudeiyke behoeften of ook tot die van den staat gebruikt; — b. dnlalia, huwo-tyksgooderon, trouwgelden, medogifte, uitzet j-ft. ecclesiaslica, geostelijko of kerkgoedoren; — ft. emphyleulica, erfpachtgoodoren; — b. erep-lifia, (aan onwaardlgon) ontrukte goederen, nalatenschappen, enz., welke \'t lands schatkist ten deel vallen; — ft. feudnfta, leengoederen; — ft. heredilarta, erfgoederen, geërfde goederen; — ft. illala, iiigehrachte goederen; —ft. immobitta, onroerende goederen, landeryen, enz.; — ft. in-divisa, onverdeelde goederen; — ft. indirisibi-ffa, onverdeelharo goederen; —ft. liliaiösa, betwistbare goederen;-ft. locrila, goederen, die verhuurd of verpacht zyn; — ft. marili, \'s mans goederen; — ft. malérna, moederiyko goederen;

— ft. mensatta, tafelgoederen; — ft. minörum, goederen van onmondlgen; — ft. mobi/ta, roerende goederen; — ft. peraphernalfa, goederen, welke do vrouw bulten haar Ingebracht vermogen bezit; ft palérna, vadoriyko goederen; — ft. palrimoniafta, eigen erfgoederen; — bona per leslaménlum alienari prnhibila, goederen, welker verkoop hij testament verboden Is; — ft. pifinoraliCta, verpande of paadgoederen; — ft. pubdca, openbare of landsgoederen; — li. publicnla. Ingetrokken en voor\'s lands rekening verkochte goederen; — ft. rapla, geroofde goederen, roofgoed; — ft. receplitia, splllegcldon, of vrouwelyke goederen, welke de vrouw voor


-ocr page 166-

HON V1VANT

BORGNE

15lt

zich licliouilt en liaren man noch toobrongt, noch ter bohcerlni? goetl; — (i. utcnsiffa, gercod-schupsgocd; I), «juris, goodcron der huisvrouw;

— b. vacanlta, goederen, die geen eigenaar hehhen;

— h. vi rapla, gowolddadig geroofde goederen.

Bonvivant, in. fr. (spr. bouwiwait: van

bon, goed, on vivre, leven) oen vrooiyke lustige broeder, een losbol, oen doorbrenger.

bon voyage, z. ond. bon.

Bonze, in. japansch (mlsvornid uit boem, elg. een vrome) een priester van den godsdienst van l\'O of Koeddlm in Japan en Cbnia; onelg. een bygeloovlg priester.

Boo, in. hot Japansche suikerriet.

Booking-olïlce, n. eng. (spr. boeking-ólfis) bureau voor plaatskaartjes.

Bookmaker, m. eng. (spr. boekmeeker), elg. boekenmaker, prulschryver; In de taal der wedrennen; boekhouder der weddenschappen, speculant die op verschelden paarden weddingschappen aangaat, waarvan aanteekenlng gebonden en bewys afgegeven wordt.

Books, pl. eng. (spr. boeHs) eene soort van doorzichtig, lijn katoenweefsel.

Boor, Borium, Boracium, n. Chem. (v. borax gevormd, z. lager) een niet metallise he grondstof, in tsos door Oav-l.ussac en Thénard en ongeveer gelUktUdig door Davy ont-dekt; — boorzuur of boraxzuur, de verbinding van het boor met de zuurstof; — boraten, pl. boorzuro zouten, b.v. bórax (mid. lat. borax, perz. boerah, v. \'1 arab. boe-»•«(/, salpeter, v. boeraqa, blinken) in den ruwen staat ook tlnkal, In Tibot swaga ge-beeten, de natuurlijk voorkomende verbinding van het boorzuur met natron, een doorzichtig, zoutachtig zout, tut hel smelten der metalen, verfbereiding enz. gebruikt; — boraciet, n. ook sedat ie f-spa a I b, n. Min. natuuriyke boorzure talkaarde, die men In het gips van den kalkberg by LUneburg vindt.

Boord, n. (fr. en dultsch boni, oud-hoogd. borl, borlo, rand, scheepsrand, goth. baurd, plank) de rand, scheepsrand; bet schip-zelf; ook m. voor zoom, oever; manshalskraagje; — bór-dingen, m. pl. lichters, kleine platte vaartuigen in de Oostzee, die de grootere schepen lichten, d. 1. bunnen last verminderen, opdat zy ondiepe plaatsen zouden kunnen bevaren; — bordage, f. fr. (spr. -da-zj\') de scheepsbe-kleedlng, de planken buitenbedekking van het schip, buitenhuid; — bordüre, f. fr. liet raam, de lyst, de zoom, het omzetsel, loof-, sny- en pleisterwerk langs de zyden van gevels, zullen, enz., of op lysten van spiegels; — borduren, eenen zoom, rand, lyst om iets heen leggen; boorden, stikken, bloem- of loofwerk in weefsel naaien; — borduurwerk, n. (fr. broderie) hot stikwerk, het In weefsels genaaide loof- of bloemwerk.

Bootes (spr. bo-u—) m. gr. (van boes, rund, os) elg. ossendryver; Astron. de naam van een aanzleniyk sterrenbeeld des noordeiyken hemels, ook arctophylax geheeten.

Bora of Borra, f. 11. (waarsch. bet naast van \'t slav. Ijnerju, storm; verwant met het lat. horüas) een hevige, scherpo en droge noordoostenwind In de Adriatlsche zee, die dikwyis 8 of u dagen aanhoudt.

Borax, Astron. een der bonden van Acleon; z. verder ond. borium.

Bórbo, m. egypllsche rekenmunt (= J me dl no = , J 0 piaster).

Borborianen, Borborieten, Bor-borlsten, m. pi. (elg. drekmannen, v. \'1 gr. bórboros) spolnaain van verscheidene gnostische secten der eerste eeuw, In de 16de eeuw spot-tenderwyze op de Mennonlelensecte der Waterlanders in IN. Holland overgedragen.

Borborygmus, m. gr. (v. borborjdiein, In den buik rommelen) Med. het gerommel der darmen.

Borda of Bordat, n. arab. een in Egypte vervaardigde gryze wollen stof; Mohameds mantel.

Bordage, z. ond. boord.

Bordeaux-wijnen (spr. —dó—), alle over Itordeaux In Frankryk verzonden wynen, zooals Medoc, Graves, enz.

Bordeel, n (fr. en provenc. hordei. It. bordello, mid. lat. bordéllum, een huisje, verklw. van \'I oudfr. horde, provenc. borda, planken hut, van \'t oudn. hord, goth. baurd, plank, angels. hord, plank, planken huls, hut) een hoerhuis, huls dor ontnchl.

Bordelaise, f, fr. vat van 4-28 liter.

Bordereau, m. fr. (sp. —ró), of borderéi, n. een lystje of ceellje van do munt-soorton eener sommc gelds; een speciebriefje; het uittreksel uit eene rekening; hel rekeningboek.

Bordingen, z. ond. boord.

Bordoyeeren, fr. (spr. hordoaj-) eene doorzlcbiige emallkleur loodkleurig of dof maken.

Bordure, borduren, enz., zie onder b o o rd.

Bore, ind. (vloed, v. harhana, voortschry-den, aangroeien) de vloedgolf die in de monding van den Ganges de Hoegly binnendringt, dikwyis van aanzieniyke grootte en kracht.

Borëas, m. lat. (v. \'t gr. horéas) de noordenwind; — boreaden, pi. gr. Myth, de zonen van Boreas; Kalaïs en Zetes; — bo-realisch, adj. (lat. horeulis, e) noordeiyk, middernacliteiyk.

Borech, z. soda.

Boreh, Jav. soort van zalf of smeersel uil welriekende krulden en bloemen.

Borgian, m. arab. (spr. bórdsja -, z. v. a. M a m e 1 u k, elg. een heerscher uit de dynastie, gesticht door den Clrcasslër B a r k o k, de tweede Mamelukken-dynastle, van 1381—151«.

Borgis, Typ. eene soort van hoogdultsche drukletter, z. bourgeois en drukletters.

Borgne, adj. fr. (spr. bornj\') eenooglg; au royaume des aveuqles les bornnes sonl rois, in het land der blinden Is eenoog koning; van lokalen : donker, somber: cabaret borgne, stille kroeg.


-ocr page 167-

BOTANIKA

151

BORIUM

Borium, Boraat, Boraciet, z. onder 1) u (i r.

borneeren, fr. (bomer, v. home, oudfr. bodne, bonne, mid. lat. bodina, bonna, grens, wmirsch. v. eelt. oorsprong; vgl. \'tarmor, bó-den, ecne boomgroep als grensaanwyzlng, bonn, de grens, waarnaar de stad It o n n als grensstad misschien haren naam draagt) begrenzen, bepalen, beperken; — geborneerd, adj. (fr. hnrné) begrensd, beperkt, inz. In kennis, In verstandsontwikkeling, b. v. een geborneerd verstand, een bekrompen, middelmatig, beperkt verstand.

Borough, m. eng. (spr. bürro — Imrg, fr. bourfi) een vlek, burgvlek, marktvlek in lin-geland, z. rotten boroughs.

Borra, z. hora.

Borrago of borago, f, mid. en nw. lat. lt;van \'I mid. lat., provenc., sp. en It. borra, fr bourre, z. aid.) eene plantensoort met ruige of harige bladeren; vandaar borragie, berna-g i e (dultseh bórrelsch of bóreisch, fr. bourra-che) [llorraqo officinalis], ossetong, een hartsterkend pUnslillend moeskruid.

BorreHsten, m. pi. eena soort van We-derdoopers of Aaabapllsten, die allerlei plech-tlgheden In den godsdienst verwierpen; hun naam Is ontleend van den Zeeuw Adam Borrel.

Borscht of borschtsch, m. russ. gler-stehrU met allerlei krulden, het lievelingsgerecht der Kleinrussen in Rusland.

Bórsdorfer of Bórsdorfer appel, in. (zoo geheeten, omdat hy uit het sakslsche dorp Borsdorf zgn oorsprong neemt) eene appelsoort van vast zoet vleesch, langen duur en uitnemenden smaak.

Borussïa, f. nw. lat. Pruisen; — bo-russomanio, f. lal.-gr. overdreven zucht voor of Ingenomenheid niet al wat prulslscli is; — borussophobie, f. pruisenvrees, vrees voor al wat pruisisch Is.

Bóschli, m. (vgl. he schil) een turksch vrUwllllger te paard.

Bosniaken, m. pl. een slavonische volks-slam in Bosnië; tijdens den IJarigen oorlog by \'t pruls. leger eene afdeeling lichte, met lansen gewapende ruiters.

Bosporus, Bosphörus, m. gr. (volgens de eerste spelling beteekent het woord eene plaats, waardoor een os waden kan [van boes, rund, en poros, doorgang, wed] ossenwedde; volgens de tweede [v. phoréo. Ik draag] ossen-drager) eene zeeöngle, dus genaamd, omdat de door Juno In eene koe herschapen lo dlo overzwom, de Thraclsclie straat, die de zee van Marmora (Propontis) met de Zwarte zee ver-lilndt; ook de zeeüngte, die de laatstgenoemde zee met die van Azof (Palus Mcuolls) verbindt, heet Bosporus, en wel ciniraeriselio Bosporus, in onderscheiding van den vorigen.

Bosquet, n. fr. (spr. —ké) of boskét, (Hal. boscMIto, verklw. v. bosco, en dit van het «udd. busc, hosch, vgl. hoeage) een boschje, eene tot vermaak aangelegde belommerde dreef.

Bosse, f. fr. (van het mid. lal. bossa, Itul. boita, buil, buil) bochel, buil, buil; vlak verbeven beeldwerk In gips, enz., bas relief;

— bossage, f. fr. (spr. -sd-zj\') Arch, de hoogte, hel vooruitkomend gedeelte, helzy aan eenen steen, om er Iets op te beitelen, of aan oenen muur, boog, gewelf, enz.; ook: boersch muurwerk, waaraan men het voorkomen van slurdigheid en ruwheid en tegeiyk van huiten-gewone stevigheid geeft (Hal. rus tl co); — bosseeren, bossëlen, verheven liguren uil was, gips, enz. vervaardigen, boelseeren; — bosselage, f. fr. (spr. Id-zj\') gedreven werk op zilver, goud, enz.; — bosseleeren (fr. bosseler), gedreven werk op goud, zilver, enz. maken.

Bossena, f. eene eigen spys der Macron, bestaande uit gerstegrutten en hoendernat.

Bostallen, pl. zweedsch (d. I. woonsteden) goederen, die den krygsman en ambtenaar ter woning worden aangewezen.

Bostandsji, m. turksch (van het perz, bosldn, tuin) eig. luinwachters; do serallbewa-kers van don turkschen sullan, te geiyk zyne roeiers en scherprechters; — bostandsji-basji, m. de opziener dier mannon, eerste opzichter over de tuinen, het kanaal en de lustsloten.

Boston, n. fr., of bóstonspel, n, (eerst whist bostonien, geheeten, naar de stad B o s-ton in Noord-Amerika) oen kaartspel, dat naar hol w hist gelykt en door 4 personen gespeeld wordt; men speelt hot echter ook hy vermindering van kaarten met 3 personen (tri-boston),

Bostr^chus, m, gr. (v. bvstryx, haarlok) houtkever; — bostrychiden of bostry-chinen, pl. houtkeversoorten, houtvroters, houtctendo kevers; — bostrychiet, m. gr. haarsteen, kroezig bergvlas, een sleen mot liguren, naar vrouwenhaar geiykende.

Boswellia thurifera, f. nw. lat. wie-rookdragende of zaagtandigo bos well Ie, een arablsche struik, die ook in O.Indlb voorkomt. Met schynt zeker te zyn, dat hel deze boom Is, die den wierook oplevert.

Bota, sp., botta, it. f. (mid. lat, bola, bolla-, van \'t gr. boelis, bfflts, bijlinr, pytinc, flesch) ecne lederen wynilesch; eene wynmaat, gemiddeld = 1-2 har III van i3,02S liter inhoud.

Botanika, botaniek, botanie, f, gr. (van bótanè, kruid, gras, enz.) de plant- of kruidkunde, plantenleer; — botanist of botanicus, m. een plant-, kruidkenner, een kruidkundige; — botanisch, adj. plantkundig, tot de kruidkunde hehoorende; een botanische tuin, een plantentuin; — botani-seeren (spr. s=j), planten of kruiden zoeken;

— botanograaf, m. de plantbeschryver;— botanographie, f, de plantbeschryvlng;— botanographisch, adj. plantheschrUvond;

— botanolithen, pl. versteende gewassen, Inz. van landplanten; — botanologie, f. do plantenleer z, v. a, botanIka; — bota-noloog, m. een plantenkenner; een loeraar In de kruidkunde; — botanologie, f, z, v.


-ocr page 168-

BOTARGA

BOUDRY

152

u. botanlok; — botanomantie (spr, tie—tsie), I. ilo waarzegging uil planlon; — botanophaag, m. oen planlenelor; — bo-tanophagiseh, plantelend, zich met planton voedende; — botanophilus, m, een planlennilnnaar, liefhebber van planten; — Bo-tany-bay, f. eng. (spr. Mlennibee) elg. de kruid- of plantenbaal, oeno gowasryke baai aan de oostkust van Nieuw-Holland, door (look in mn onldokt, oeno briisobo strafkolonie.

Botarga, f. sp. (bnlarqn, samengetrokken uit hola larga, lange zak of ilosch, It. ta//arf;a, fr. boulargue) gezouten visebkuit mot azün ingelegd, oeno spüs, die naar kaviaar golükt, en voel aan de knston der Middoll. zee bereid wordt (inz. van Mfigil, Cêphalus, Sciaêna cirrosa etc.)

Bothrium, n. gr. {bothrion, verkiw. van bólhros, groove) Med. eon kioln en diep zweertje op het hoornvlies.

Botryum, n. (van bet gr. bólrys, druif) Mod. hoi drulvenoog; — botryitisch, adj. Arch, druifvormigbotryiëten, f. pl. op versteende druiven geiykende spelingen der natuur; — botryodéndron, n. drulvebooni; — botryogéen, n. rood vitriool, een als druifvormig overtreksel op Ijzerviiriool, gips, om. voorkomend mineraal; — botryolith, botryt, m. Min. do druivestoen, een druifvormig met bet datolytb (z. aid.) verwant mineraal.

Botta, z. beta.

Botte, f. pi. Bottes, fr. (prov. en sp. bola, laars, of ook loeren llescb [z. b o i a]. Hal. bolle, val) laars-, ook Iels op een laars gelü-kond, vandaar bos, bundel; botte-bas de soie, fr. (spr. bolt\' ba de soa), z.ydon kouslaars voor dames; bolles a la hussanle, hon-gaarscho laarzen; — botteleeren, fr. (bnl-leler, van bolle, bundel, In oenen bundel binden, ophossen; — bottier, m, (spr. bnlljé) laarzen, of schoenmaker; — bottines, f. pi. fr. (spr. bollien\') halve laarzen.

Bottéga, f. Hal. (i)rov. bolifja, fr. boutique, v. lat. apolhcca, gr. apolhéki, voorraadskamer, dépót) kraam, winkel, koHlehuis; Inz. evenwei de winkelier of winkeliiediendc; vgi. bodega.

Bottelen (vgi. b o u t e i 11 e) op llesschon of kruiken aftappen; — bottelier, m. (lat. bnlellanus, v. bnlella, z. b o u t e I i 1 e) Mar. de spysverzorger, schaftmeester, bewaarder van don keukonvoorraad op schepen; — bottelarij, f. de spysvoorrandkamer.

Bottier, Bottines, z. onder botte.

Bottiglia, f. lial. (spr. —lilja) (fr. bouleille) flosch; ook: fooi, drinkgeld.

Bottle, f. eng. (spr. bolleh fr. bouleille) Hosch; bollle-screw, (spr. bollelskroe) kurke-trokker.

Botularïus, m. lal. (v. bohïlus, worst) worstmaker, worstverkoopor; vandaar het nieuwgevormd woord: botulisme, n. worstver-gifliging.

Boucanier, m. fr. (spr. boeka-njé, oorspr, benaming dor eerste franscho kolonisten op SI.

Domingo, v. boucan, west-ind. voor gevlochten horde, waarop vleesch en visch wordt gebraden, en de plaats, waar die horde staat, een bulfeljagor, amorikaansche strooper, wilddief, roofjagor; ook z. v. a. fiibustlor (z. a.); — boucaneeren, hot vloescb ronken, geiyk men dat nu ie Hamburg hel bost verslaat; — boucanière, f. fr. (spr. boeka-njèr\') liet geweer van een huiïeijagor.

Boucassine, f. fr. (gew. bnucassin, spr. boekassèit) eone soort van franscho voering of styilinnen; ook oeno soort van grove trioije van geitenhaar.

bouche, f. fr. (spr. boesj\': van \'I lat. bucca, d. i. elg. wang, ital. borca, sp. on provenc. bora, de mond; — bouche close: fr. (S|)r. boesj\'klooz\') mondje toe! don mond gebonden! gezwegen; bouche de dames, f. (elg. vrouwemond) klein rond mot room gevuld taartje; — bouche, que veux-lu / fr. (spr. bnesj\'k\'weu-lu) woordel.: mond, wal wilt gy? iron, voor allerlei lekkere spy-zon; — bonne bouche, kostelijk eten, lokkerny; ook eeu aangename nasmaak; — pour la bonne bouche (spr. poer la bonn boesj\') voor lekkor-bekkon, als een lekkerheelje, iels weismakends.

boucheeren (spr. boesj—) fr (boucher), toestoppen, kurken, dichtmaken; — bouche-trou, m. fr. (spr. boesj\'lroe, van boucher un Iron, een gat toestoppen) een persoon, die onkel dient om hel goial vol Ie maken, een plaats-vullor, een onbeduidend bypersoon of eone iiy-rol in toonooispolen: ook: schryvor van blad-vuiling voor couranten; —bouchon, m. (spr. boesjóii) stop, prop, spon.

Boucherie, f. fr. (spr. boesjeriï-, v. boucher, slager) slachtplaats, slachtbank; lig. bioediiad.

Bouchet, m. fr. (spr. boesjè; vgi. bouche} een kruidendrank uit water, suiker en kaneel, oeno soort van bippokras.

Bouclé, f. fr. (spr. boek\'l: v. \'t lat. buc-cula, gesp, spang; haarlok; —boucleeren, krulion, in krullen zeilen, kroezen.

Boucre, z. ijougre.

boudeeren (spr. boe—), fr. (bonder) pruilen, grommen, knorren — bouderie, f. hot pruilen, knorren; — boudeur, in. pruller, iemand die /.yn lip laat hangen; — boudeuse, f. pruiister; — boudoir, n. (spr. hoedoar) eig. de pruilhoek; een klein sieriyk vertrek of kabinetje, waar inz. de dames zich begeven om alloen te zyn of om enkel vertrouwde personen te ontvangen.

Boudewijn (fr. Itaudouin, oudd. Ftulde-win) mansn.: moedige, koene vriend.

Boudin, m. fr. (spr. boedéii-, v. lat. bn-Iulus, darm, worst; vgi. p u d d i n g) bloedworst, bloodbonling; ook een klein bandvalles ; — bou— dinade, f. (spr. boedinddd\') kleine bloedworst.

Boudoir, z. boudoeron.

Boudot, m. fr. (spr. boedó) eone soort van bourgogne-wyn.

Boudry, m. (spr. boedri) een roode en witte zwitsersche wyn uit het kanton Neufchi\\-tel, zoo genoemd naar de geiykn. stad.


-ocr page 169-

BOUFFEEREN

153

BOUQUET

bouffeeren (spr. bne.f—), fr. {houlfer en bdujfir) gezwollen, opgezet niiiken, hol doen stiian (van kloederen, van mouwen; vandaar bouf-mouwen, hu ons pofmouwen); — bouffant (spr. bocfaigt;), adj. opgezwollen, liol opgezet, inz. van zijden stollen; vandaar bouffante (spr. boefdht\') I. een pofkleed, een Imlstaand kleed, lint, halsdoek, enz.; — bouffétte, f. de lint-strik, kleine kwast.

Bouffón, m. fr. (spr. boefóii) it. buffóne, ook buffo {s|)r. u—oe), (v. \'t fr. hnuffer, hlazen, d(! wangen opblazen, gelgk de potsenmakers dat tot verlustiging der aanschouwers doen; vandaar it. lm//«, iiots, grap) een potsen- of grappenmaker; de grappige of koddige rol in een tooneeispel, de hansworst, hofnar; ook adject.; kluchtig, grappig, snaaksch; — bouffonnee-ren (fr. bou/fonner) grappen maken, voor hansworst spelen; — bouffonnerie, f. het grap-penmaken, de potsen, streken, schalksche woorden of daden, liet hofnars-vernuft; — bul/\'n ca-ricalo, m. 11. het overdreven snaaksche, koddige der ilaiiaansche opera; — opera buffa, z, opera.

Bougie, f, fr. (spr. boezjie; sp. bwjia, pro-venc. bnqni, naar de slad Hugia of Boedsjla, arah. Badsjajat in Afrika, vanwaar deze kaarsen het eerst naar Europa gehracht werden) een waslicht, eene waskaars; Chlr. een werktuig uit eene pleistermassa, of uil was, gom, enz. vervaardigd, en dienende tot liet onderzoeken en venvyden van de vernauwingen der pishuls, ook des endeldarms en der spyskana-ien; bougie a rétoile, lieste steariae-kaars; — bougie grasse, smeerkaars, vetkaars.

Bougre, 111. fr. (spr. bocf/r\', eig. oudfr. voor huigaar; aan eene hulgaarsche kettersche secte n.i. lelde men veel kwaads te last) so-domiet; schoft, rekel, enz.; in \'t algemeen een hoogst heleodigend, onwelvoeglgk woord, dat door velen echter ten onrechte als eene ver-haslering van het lal. puer, knaap, wordt aangezien en als zoodanig in scherts zelfs als liefkoo-zend woordje voor kleine knapen wordt gebruikt!

bouillant, adj. fr. (spr. bncljdn, van bouil-lir, koken, van \'t lat. bullire, opborrelen, enz.) eig. kokend, ziedend; onclg. opvliegend, driflig, opbruisend, onstuimig, heftig; — bouillants pi. (spr. boet\'jdn) warme vleescbpasleitjes (nu pelils-iidlés geheeten); — bouilleur, m. (spr. boel\'jeur, eng. boiler) kookpUp, walerruim, het onderste gedeelte van dubbele stoomkelels; — bouilli, n.* (spr. bnclji) gekookt vleesch; — bouillio, f. pap, brü; — bouillon, m. (spr. bocljóit) vleeschnat, krachtig aftreksel van vleesch; boordsel, opzetsel, opholling aan vrouwenkleederen; ook samengeroid zilver- of gouddraad.

Bouille, f. fr. (spr. bnelj\') de tolstempel, het merk, door fransche tolbedienden op vreemde wollen stoflen gedrukt; ook bet geld, dat voorliet stempelen of plombeeren der slolfen betaald wordt; — bouilleeren (fr. bouiller) van dien stempel voorzien.

Bouilli, bouillie, bouillon, ■/.. oud. b o li 111 a n t.

Bouillótte, f. fr. (spr. boeljótt\') zeker kansspel met kaarten, waarbU de verliezer zUne plaats aan een ander afstaat; ook een geheim speelhuis.

Boulangerie mécanique, f. fr. (spr. boelanzjeric mekaniek\') kneedmachine voor brood.

Boule, f. fr. (spr. boel\'; v. \'I lat. bulla, iets ronds, bult, knop, kogel) kogel, bal, kloot, speelbal; — a la boule, een zeker spel op het biljari; — boulette, f. kleine bal; — bou-lótten, f. pi, vleeschballetjes.

Boule, houtwerk a la Boule, houtwerk met metalen irilegsels, dus geheeten naar den franschen houtsnyder A. Ch. Boule (Klli— n;t2).

Boulevard, m. fr. (siir. boel\'ioar, uit het dultsche bolwerk ontslaan) een bolwerk, wal om eene vesting, inz. tot wandelplaats, zooals de met ryen hoornen en huizen versierde boulevards te Parijs; hij uitbr. breede met een rü hoornen ter weerszyden van den ryweg bezette straat, ook binnen de stad; — boulevardier, m. (spr. boel\'wardjê) iemand, die dage-lyks op de parysche boulevards lianeert, van den Faubourg Montmartre lot hel Oraml-Hötel; berichtgever omtrent het parysche leven, journalist van den iden rang; — boulevardière, f. (spr. boel\'wardjèr\') galante dame, die op de boulevards haar nellen spant;—chronique boulevardière, bericht over het leven op do boulevards; — esprit boulevardier, geeslighold en vernuft der flaneurs op de boulevards.

bouleverseeren (spr. boel\'wers—), fr. bouleverser, d. I. eig. als een bal of kogel omwentelen, van boule, bal, en verser, omwerpen) omverwerpen, liet onderste hoven keeren, verwoesten; — bouleversement, n. fr. (spr. boel\' wers\' mdii) de omkeering, verwoesting, vernieling, omverwerping.

Bouliac, m. (spr. boelidk) eene soort van rooden Bordeaux-wyn.

Boulin, in. fr. (spr. boelèii) broednest.

Bouline, t. fr. (spr. boelién\'; eng. bowline, van bow, boog, en line, lyn, touw) boeiyn, z. Iioel y ne n; — boulineeren (fr. boulin er), met zywinden zeilen; lig. onredeiyk of oneer-lyk handelen, stelen.

Boulingrin, z. bowlinggreen.

Bouloire, f. fr. (spr. boelodr\') eene soort van grof fransch linnen uit hennep en vlas; naaide kleine stad Bouloire in het departement Sartho benoemd.

Boulonaise, (. In het Bols do Boulogne te i\'nrys haar beroep uitoefenend publiek meisje.

Boundary, f., boundaries, pi. eng. grens, b. v. by het croketspel.

Boundschjesch, perz. het boek der eeuwigheid, dat Ormuzd als den bewerker van al het goede, schepper der zuivere wereld, en Abri ma nes als de bron van alle kwaad voorstelt.

Bouquet, n. fr. (spr. boekt, gewooniyk


-ocr page 170-

BOUQUIN

BOUTADE

154

Imkèt: voor bousquel, en ilit voor\'l proveno. on fr. bosquet, o«n hoschjc; vkI. bosquot) een ruiker, bloemruiker; ook do kruldlKO Keur van don wyn, elg. eene olgonaardlgo slot in den wyn, die lol dus verre aan al de nasporingen der schoi-kundigon is ontsnapt; als kunstterm in de seliil-derkunst: do gelukkige on harmonische I)(joon-voeging der kleuren; — bituquel de boi.i (spr. —bod) oen lustbosehje, eene boomengroep; — bouquoterie, f, (spr. boe/telerie) do kunst van het ruikermaken; — bouquetier, m. (spr. boekeljié) ruikermaker; — bouquetière, r. (spr. boekeljère) ruikorinaakster, verkoopstor van ruikers.

Bouquin, m. fr. (spr. boekèit) oude bok (als scheldwoord).

Bouquineur, in. fr. (spr. boekinéür; van bouquin) oen oud, slecht boek, van ons book) een liethebbor en opspoorder van oude boeken, oen boekworm, ook z. v. a. bouquinist, m. (Ir, bouquinisle) oen kooper en verkooper van oude boeken, oen boekonkramor; — bouqui-nerie, f. handel in oude boeken; boekenstalletje.

Bourbon, m. fr. (spr. boerbóii), pi. Bourbons, leden van hol vorstenhuis Bourbon in Spanje regoerende, vroeger ook in Krankrijk, Napels, Toskane, enz,; — bourbonisten, pi. aanhangers van dil vorstenhuis.

Bourdaloue, f. fr, (spr, boerdatóé\') een hoedeband mot eene gesp, hooderiein; elg. en corspronkolük eene soori van gemeen linnen, waarmede de franscho vrouwen zich cenigon t(|il kleedden, nadat de beroemde kanselredenaar Kourdalouo (1632—1704) togen do kloe-dcrweelde bad gepredikt.

Bourdine, f. (spr. boerdien\'), fr. (bourdin, m.) eene groote donkerroode perzik.

Bourdon, m. fr. (spr. boer dón; elg. do hoiu-mol) Muz. de breinbas, de diepste bassnaar; hot orgolrogistor, waarin de grootste, sterkst brommende pijpen zgn; inz. liet 1# of 112 voels-orgelregistor.

Bourgeois, m. fr. (spr, boerzjod, v. bourg, en dit van\'t oudd. bun, burg) do burger; 1)U kunstenaars en loltorkundigon; bekrompen geest, kruidenier, i)loert; in do volkstaal: principaal, patroon, baas; klant, enz.; In don wUnhandol; middelsoort wyn; ook eene soort van boog-duitsche drukletters, duitsch borgisscbrift, z. drukletters;—bourgeoisade, f. in de taal dor kunstenaars en lettorkundlgon: ploerllghoid, plat allodaagscho manier of op-votting; — bourgeoise, f. In de fr. volkstaal: vrouw van den baas; — bourgeoisie, f. lt;spr. boerzjoazie) de burgerij, de (meervermogende) burgerstand als volksklasse, de klasse dor bo-zlttonden, in togonstelling zoowol met de cüoyens of staatsburgers, als met den adel, de boeren, de arbeiders en de proletariërs.

Bourgogne-wijnen (spr. boergdnje—), wijnen, die in de voorm, provincie Ilourgogne, Inz. In het depart. Cóte-d\'or, wassen, en die om hun lijnen, eigenaardlgon on aangenamon smaak zeer gezocht zgn; men onderscheidt zo in wijnen van Oppor- en Noder-Bourgogne, van welke do laatste de hoste zyn.

Bourignonisten, m. pl. eene socle van Protestanten uit de ndo eeuw, wier grondstellingen voel overeenkomst hebben mot die der (ju iet 1st en en Kwakers; zü ontleenden hunnen naam van Antoinette de Bouri-gnon (spr. boeri-njón).

Bournoniet, n. (naar den mineraloog B o u r n o n genoemd) zwart splosglansorts, spies-glansloodorts, een kristalilseerond slaalgrys mineraal.

Bournous, /.. boe moes.

Bourrade, f. fr. (spr. boer—, van bourrer, stooten, Inz. don prop, la bourre, op do lading stool en, voorts ook stooten mot den kolf, rili-bostooton geven; z. bourre) ribbostoot, dof, duw; gevoelige steken mot woorden; scherpe, biltere verwytingon; — bourrage, (. (spr, boera-zj\') Kort. do afslulling oenor geladen myn mot aarde; — bourraaqut\', f, fr. (spr, boerdsk\', 11. burrascavgl. bora) eon plotselinge stormwind, windvlaag, lukwlnd; de losbarsting dor kwade luim, oploopendheld, woeste uitval.

Bourre, f. fr. (spr, boer\': mid. lat,, provenc., it. en sp. borra: waaraan waarsch. plur. burrae, potsen, laife grappen, ten gronde ligt) afval van do wol, scheerwol; vul- of stophaar; — bourre-de-soie (spr. —.vod\') vlokzydo, z. v. a. floret-z y d e; ook eene lichte, naar floers geiykeade zijden stof (In 1818 to Lyon uitgevonden).

Bourrée, f, fr, (spr, boe ré\') oen vrooiyko franscho dans en do daarby behoorende muziek in 4 maat.

Bourrique, f, fr, (spr, boeriék\'-, port, bur-rico, sp, borrico, lat, burricus; sp. en port. burro, ezel) eou ezel; een klein, slecht paard, knol.

Bourse, f. fr. (spr. boers\') hours, geldbuidel ; — boursier, m. (spr. boersjé) beurs- of schatmeester in kloosters; ook een scholier of student, die met geld gesteund wordt, d. i. een beurs geniet, = stip end laat; te Parys ook: beursspeculant;—boursière,f. (spr. boersjèr\') heurshoudster, schatmeesteres in kloosters,

Bourseau, m, fr, (spr. boersö) Arch, dak-lyst, noklysl.

Bousingot, m. fr. (spr. boeze/tgii) de naam van een radicaal tusschen 1830—32, Jonge voorstander der romantische school, In zyn uiter-iyk Ie herkennen aan oen puntlgen hoed met breedo gesp, kort gesneden haar, een vollen baard en een vest a la Robespierre: by uitbr. politieke tinnegieter, bierhuis-politicus, iemand, die druk verkeert in de kroegen dor verloopen genleen, leegloopers, enz.

Boussóle, f. fr. (spr. boes—, it. büssola, v. \'t mid. lat. buxoUi, bwcula, verklw, v. buxis, voor \'t lat, pyxis, bus, vgl. holte) een zeekompas, z, kompas; ook een werktuig met een kompas, waarvan men zich by bet landmeten bedient tot bet meten van hoeken,

boutade, f, fr. (spr, boe—, van hel oudfr, bouter, stooten, worpen, zetten, enz,, provenc.


-ocr page 171-

BRABANgONS

BOUTEILLE

155

on sp. bolar, tt. buttave-, \\an dultschen oor-sprong: oudn. bauta, oudhoogd. pózan, stoo-ten, onz., vgl. bosse) oon snclk\', wondoriyke inval, vreemde kuur of gril, eigenzinnigheid; «ene soort van voor de vuist uitgevoerd lial-let; Muz. oon stukje, uit de ocgcnlillkkelUke luim des spelers voortgovloold, eene fantazle, = capriccio; — imr boutades, naar luim, zooals \'t Invalt, liU sprongen.

Bouteille, f. fr. (spr. boelélj\'; provene. bo-(elha, Ital. bottiglia, mld. lat. bolélla, bnlilïa, bu-ticüla, verklvv. van bulla, vorwant met liet gr. boelis, llescli, en ons oude hot to, hottel) de ilesch; — bouteillago, f. (spr. -jd-zj\') In Engeland de rochten up Inkomonden wijn; — bouteillier or boutillier, m. (spr. —Ijé) do opperschenker aan hoven.

Bouterolle, f. fr. (S|)r. bocl\'röH\') de oor-hand aan de degonselieode; do bajonetscheede; soort van hamer; werktuig om slachtvoo te dooden, slacht masker.

Boute-selle, m. fr. (spr. boct\'séiï, v. bonter, zetten, en selle, zadel) It. hut la sella (spr. hnelta—), Mil. het trompotseln om op te zitten voor do ruiters; ook wel wat voor het voetvolk de reveille is.

Boutique, f. fr. (spr, boetiek\', 11. bottega; ontstaan uil het lat. apothêca, gr. apatheke, voorraadkamer, pakhuis; v. s. van liet dultscho bwle, winkel) de winkel, kraam; de werkplaats der ambachtslieden; ook eene ellendige woning, hut; — boutique ambulante (spr. —anbulant\'), eene reizende kraam, relskraam; — esprit de boutique, kruldonlersgeest, korpsgoost; — bou-tiquier, m. (Siir. boetikjé) oen winkelier, kramer; (lig.) hekrompon alledaagsch mensch, krui-deider, ploert. /

Bouton, in. fr. (spr. boelónprovene. en sp. baton, 11. bottone, v. \'t fr. bout, eind, punt; vgl. houts-rlmés) de knoop; Mil. do mlkknopop oen stuk geschut; druif van \'t bodemstuk eens kanons; — boutons, pl. knopvormlg oorslo-sleraad; — boutonnier, m. (spr. bnelonjé) knoopenmaker; — boutonnière, f. (spr. bce-tonjer\') knoopsgat; — boutonneeren, toe-knoopon; — boutonomantie (spr. lie—lsie), f. fr.-gr. de knoopenwaarzeggerg, het voorspellen of hepalen door het tellen der knoopen aan een kleed.

Bouts-rimés, m. pl. fr. (spr. boerimi ,■ van bout, einde, en rimer, rUmon) voorgeschreven elndrUmoii; ook hot daarnaar gemaakte vers; eene onbeduidende vernuftsspeling, door oenen Franschman Duclos In do laatste helft der nde eeuw in gebruik gebracht.

Bouvière, f. fr. (spr. boevjér\'; van bouvier, ossenhoeder, mld. lat. bumrius, v. lat bos, bonis, rund) koemeid, voomeld; lig. plomp vrouwspersoon.

Bouw, f. (verbasterd uit jav. bahoe) landmaat In Ned.-lndlë ter grootte van 500 vlerk. fUnlandscho roeden.

bov., afkorting voor boven.

Bovarisme, n. (naar Madame Bovary,

roman van Gustavo Flaubert) cynisch realisme.

bnvinu fames, lal. geeuwhonger.

Bovinatie (spr. tie=tsie), f. nw. lat. (van het lal. bos, os) eene osachtlgbeld, groole lompheid, onbeschofte handelwgze.

Bovist, hof 1st, m. dullsch (ontstaan uil bubenfist, d. 1. boevenveest, van \'I laagd. bovc, dullsch bube, ons boef; en v. fist, zacht blazende hulkwlnd, fisten, feislen, veesten, een wind laten) liol. wolfsveost, kampornoolje vol wind (Lycoperdon bovisla).

Bowie-knife, n. eng. (spr. —naif), een bowle-mes, een door den amer. overste James H o wie uitgevonden jachtmes mot kromme punt, 10—irgt; (oude) duim lang en i duim breed, dal Inz. in do Z.W.iüke staten van N.Amerika ais wapen gebruikt wordt.

Bowl, m. eng. (spr. boot) nap, kom, drinkschaal, drinkbeker; — punch-bowl, punsch-nap, punschkom.

Bowlinggreon, n. eng. (spr. bólinggrien van h o w I, bal, kegel, en green, groen) ook b o u 11 n g r i n, fr. (spr boeliiigröii) een grasperk voor hot balspel; Inz. een dicht bewassen en zorgvuldig gemaald of plat gerold zo-denperk In oenen tuin.

Box, f., pl. boxes, eng. afdeellng van een paardenslal, de grootte hebbende oener kamer, welke het paard vrije beweging vergunt.

boxen of boksen, eng. (box) vulstvocbtoii op de ongelscho wyze; — boxer, bokser, m. een engelsch vuistvechter.

Boy, m. eng. (spr. boï) knaap, jongen.

Boyau, m. fr. Mil. leder gedeelte oener loopgraaf, dal in eene rechte lyn loopt en een harer zigzags vormt.

boycotten, boycotteeren (eng. In boycot), van allo verkeer met de buitenwereld afsluiten, voor dood verklaren (eene uitdrukking, ontstaan In Issh naar de handelwyze door de ierscho landllga toegepast op kapitein James Boycot, die rentmeester was over een landgoed in hot westen van Ierland en gewei-gord had met de landllga gemeene zaak te maken of haar te gehoorzamen).

Boyer de P., by zoölogische benamingen afkorting voor Boyer de Foscolombe (enlomo-ioog te Aix).

Boza of boeza, f. perz.-turk. (perz. bósd, bósah) een naar bier gelykende bedwelmende drank der Turken, uit gerst en gierst bereid.

Br., by botanische benamingen afk. voor Alexander Braun (waarvoor ook A. Br.), of voor Kohert Braun (waarvoor dan ook K. Br.); hy zoologische namen afk. voor Brchm (gestorven 18Bi).

Brabancóns, m. pl. fr. Brabanders, soldaten zonder dienst, die In de tide eeuw Frauk-ryk plunderend doortrokken; — Braban-(jonne, f. het patrlolllsch lied der Belgen ty-dons den opstand In 1830, vervaardigd door J o n n e v a 1 en gecomponeerd door C a m p e n-hout; — Brabdnte en Brabantille (spr. —liéljé), vlaamsch linnen van vlasnoppen; —


-ocr page 172-

BRAGEEREN

BRABEUM

156

Brabantsche gouden bulle, ook gouden prlvlloglo, f. do vrüholdsbrlef, door keizer Ka rol IV In IDiil aun hortog Jan III van Brabant verleend; — brabantsche school, z. v I a a m s c li« a c li o o I.

Brabëum, n. sr. {brabèion) do kampprys, eeroprgs; dank; — brabeuten, in. pl. prys-ultdeelors bij de olymplsobo spelen.

Braga, purl., Braza, sp. f,, Braccio,m. (spr. brdlsjo, 11. van hel lal. brachtum, arm, pl. brachia, vgl. brasso), f. eono lengtemaat in Z.Europa, eene oh lo Milaan = 0,5865; te liologno = 0,IU52; lo Lucca = o,o»51; te Modena =fl,#i81; te Regglo = 0,5208; to Panna voor zyde = 0,5il, voor lynwaad = 0,lli38; te Genua = o,58li; lo Florence = 0,5(gt;;i() meters; in Portugal is de el voor den groothandel (v a r a) = 1,003, die voor den kleinhandel (covado) = 0,(178; in Spanje doel de el (vara) ongeveer 0,818 meters.

Braccio, brazzo, in. il. (spr. brdlsjio, brdlzo) eono viool, iets groeier dan do viollne, die bü de snarenspeeilulgen all en tenor maakt.

Bracelétten, soms ook b r a s s o 1 é 11 o n, v. \'t lal. brdchiule, en illl van braclifum, arm) armbanden, als vrouweiyk sieraad.

Bracherium, n. n\\v. lal. Chir. do breukband.

Brachieten, m. pl. eene secle van (laos-tieken uil do 3de eeuw, leerlingen of aanhangers van Manos.

Brachistochrone, z. onder brachy-b lot lek.

braclifum, n. lat. (gr. brachiön) de arm; pl. brachia— brachtum seculiire, n. lal. de we-reldiyko arm, de werelill(jke macht; — br. ecclesiasffcum, de geesieiyke arm, de geeste-lyke overheid of macht; — brachiaal, adj. (lal. brachiSlis, e) wat lol den arm belrekklng heefi; — brachiometer, in. gr. Chir. een armmotor, oen werktuig om don arm Ie meten; — brachióncus, m. con armgezwel; — brachiopóden, pl. lal.-gr. (jwes, gen. po-dós, voet) armvoelers, eene klasso der weekdieren met talryke. Inzonderheid voorwereldlijke soorten,

Brachmanen, z. end. Brahma.

Brachybiotiek, f. gr. (van brachys, kort) de kunst om hel leven lo verkorten (als le-gensteiling van makrobioliek); — bra-chybiótisch, adj. korten lijd levend, van korten duur; — brachychrónisch, adj. korten lyd durend, korlslondlg; — brachy-dactylisch, korlvingorlg; — brachydia-gonaal, f. In een rhombus do kleinste diagonaal In tegenstelling mot de grootsle, d. i. ma-k r o d 1 a g o n a a 1; — brachygraaf, in. gr. een snol- of korlschrUver; — brachygra-phie, f. do verkortende schryfkunst, z. v. a. sten o g r a p h I o; — brachykatalëktisch (vgl. kataieklikos, enz.) Poel, gebrekkig, onvolkomen In metrum of versvoelen : — bra-chykladisch, kortgelakt; — brachylo-gie, f. de kunst om verkort te spreken; — brachylógiach, adj. kori, ineengedrongen, beknopt; — brachyloog, m. Iemand, die zyne mooning kort ulldrukl; — brachypetalisch,

met korte bloembladoren; — brachypnêü-ma, n. gr. Mod. de korte adem; — brachy-pneumatisch, adj. koriadomig; — bra-ohypnoea, f. do aamborstigheid, korlademlg-lieid; - brachypódisch, adj. kortvoolig;

— brachypötus, m. die weinig en mot korte teugen drinki, geiyk do teringiyders; — bra-chyptëra, n. pl. N. II. kortvlougoligen (zooais de hoenderachtige vogels); ook: kortvlougollgo Insecten; — brachyptérisch, kortvleuge-llg; — brachyscü, m. pl. gr. Geogr. kort-scliaduwigon, bewoners der boete luchtstreek, lt;lle de zonnoslralon moor loodrecht ontvangen en daardoor eene kortoro schaduw geven; — brachystochróne, f. (v. brdchislos, s, on, de, hot kortste, superi. van brachys, en van chrónos, tijd) Math, de kromme lyn van don snclsten val, een bynaam der cycloïde (z. a.); — brachysyllabus, m. gr. Poet. een uit korle letlergropon bestaande versvoet.

Braciere en braciera, f. ital. (spr. -Isjié-) kolenhokken, vgl. brasero.

braconneeren, fr. (braconner, v. braque, oudfr. bracon, de brak, speurhond) wilddlevery dryven, stroopen; — braconnage, f. (spr. -nd-zf) wilddlevery, stroopory; — braoon-nier, m. (spr, —njé) een wilddief.

Bracos, m. pi. brazil, (port. braco, eig speurhond) slaven.

Bracteaten, in. pl. (lat., sing, bractealus, sell, nummus, van bractca, blik) bilkmunlen, holle munten van goud- of zilverblik, die op de eene zyde oen verheven stempel bobben, welke zich op de koerzyde verdiept vertoont.

Bradyekoia, f. gr. (van bradf/x, langzaam, bozwaariyk) de bardhooriglieid; — bradyma-sêsis, f. Mod. hol moeliyk kauwen; —bra-dypepsie, f. do irago spUsvortorlng; — bra-dypus, m, N. H. de luiaard, ai; —brady-spormatlsme, n mooiiyko zaadontiastlng;

— bradysurie, f., z. v. a. Strangurie.

Braga 1), n. (russ. brdfia, van tataarschen

oorsprong) een naar bier gelykende drank uit liavormool on hop in Siberie, Wallachye, enz.

Braga 2), Brage, of liever Bragl, m. noord. Myth, do noordscho Apollo, de god der dichtkunst en welsprekendheid, do beschermgod dor dichters, de gemaal van I d u n a, dn zoon van Odin en Froya; naar hem heet de dichtkunst bragur (oudn. hrai/r); — ter gedachtenis der doodon dronk men uit don hem gowydon beker hragaful; — Braga was ook de naam van een vinnig hekelend tyd-schrlft in verzon, dat in 18i3 en I8ii te Utrecht uitkwam en loon te niet ging; — bragiaan— tje, n. (dlcht)stuk uil of In den trant van dat tydschrift.

brageeren, fr. (brat/ucr, zich voriustigen, een woord van Rabelais) oen wulpsch loven lelden, don pronker spelen, zich groolscb voordoen langs do straat.


-ocr page 173-

BRANLEEREN

157

BRA.GGARD

Braggard, m. (hik. (spr. brèoi/herd) poelier, praalhans, opsnüder, zwetser; — braggardis-me, n. pocherU, pralery, /welsery.

Bragget, ong. een in sommige streken van Engeland uit mout en honing bereide gekrulde drank.

Bragi, z. lira ga 2).

Brahma of Brama, m. (sanskr. h ra liman, Nomin. hrahmi) Ind. Myth, het hoogste wezen der Hindoes, de ongeschapen, eeuwige God, ook 1\' a r a h r a m a en A t m a geheeten ; toen hU de Trimourtl (v.. aid.) had voortgebracht, viel uit het midden van deze een druppel, eene kiem op het water, deze werd tot een goudglanzig el, en het opperste wezen zelf werd daaruit geboren; als zoodanig wordt zijn naam met een accent geschreven (Br ah mi); als uitvloeisel van zich zeiven heet hy nog Na ray a na, d. I. die zich over de wateren beweegt; Hiranyagarbha of vrucht der gouden baarmoeder, MAhabhoeta, het groot i.atuurverschynsel; MAhan-atma, de grootc ziel; Sa tl, de waarheid; Mout, de dood; — brahmaisme, n. de godsdienst der Indiërs, dien men voor den oudsten van alle godsdiensten wil gehouden hebben; — brahmmen, brahmanen of brachmanen, ook g y m n o s o-phisten geheeten, de half vergode priesters en wetgevers hy do Indiërs.

Brai of bray, m. fr. (spr. bré; oudfr. Iiroi, siyk, teer, provenc. brac, It. brann, siyk, van \'i oudn. brak, traan) eene soort van teer, bereid van traan, pek, bars, enz., om Ie kalfateren; scheepsteer, harpuls.

Braidisme, n. (naar den eng. chirurg lirald) op llauwte geiykende slaap, ontstaande door te grootc Inspanning der oogzenuwen en te voorschyn geroepen door onafgebroken llxee-ren van een klein blinkend voorwerp.

Braillard, m. fr. (spr. braljdr; v. brai Her, en dit waarschyniyk van braire, balken, luid schreeuwen, Inz. van den ezel) een schreeuwer, bulker.

Bram, f. of bramzeil, n. Mar. het zeil hoven hot marszeil, dat door de bramsteng of de verlenging van den grooten en fokkemast wordt gedragen; — bramzeilskoelte, f. een matige wind, waarby de schepen bramzeil kunnen voeren.

Brama, Brahma, Bramanen, z. oud. It r a h m a.

Bramahpers, f. een naar den uitvinder (den Engelschman Bramah) genoemde hydraulische (d. i. door waterdruk werkende) pers; — bramahslot, n. een naar denzelfden uitvinder genoemd, inz. by brandkaslen aangewend kunstslot, eenigszins overeenkomende met het c h u b bs lot.

Bramarbas, m. (vgl. het sp. en provenc. bramar, fr. bramer, schreeuwen, van \'I oud-hoogd. breman, brullen) naam van eenen grootspreker in een biyspei van Holberg; vandaar een snoever, grootspreker, windhiill, op-snyder; — bramarbaseeren (spr. s=z), pochen, snoeven, opsnyden, den ijzervreter spelen.

Braminen, zie Brahmlnon, onder B r a h m a.

Bramsteng, bramzeil, enz., z. b r a m.

Brancard, m. fr. fspr. Iirunlcnr; v. branche) een draagzetel, draagstoel, draagberrie, draagbed; boom van een rytulg, de dubbele disselboom; — brancard-wagen, m. lastwagen zonder ladders.

Branche, f. fr. (spr. brahsj\'; provenc.. It. en mld. lat. brama, dultsch b ranke, branie, voor klauw, van \'I lat. brachfum, arm, lak, enz.) eig. de lak van eenen boom; onelg. de tak 1). v. van een geslacht, geslachtstak, zy-llnie, of van eene wetenschap (vak), van eene handelszaak, enz.

Branchus, m. gr. (brdnehos) Med. eig. keel; de heeschheid, schorheid, ontsteking van de amandelen;—branchotomie, f. lucblpypsnede, opening der luchtpyp; — branchiën, pi. (gr. sing, brdnehos, n. en doorgaans brdnehion, pl. branchia) de kieuwen iler vlsschen.

Brancos, m. port. (eig. de witten—; van branen = sp. blanco, wit, z. bianc) de lissabon-sche poedersuiker in klsien.

Brandaris, m. Mar. grooto lantaren, die onder de mars van \'t admiraalschip hangt; de vuurtoren.

Brande, f. eene inhoudsmaat voor droge waren In \'t vorstendom NeufchAtol = 31,,,,, s() liters.

Brandebourg, m. fr. (spr. braiid\'boer) eig. Brandenburg; eene soort van borduurwerk of galon rondom de knoopsgaten van zekere kiee-deren; ook een zeker belegsel op damesklee-deren en mantels.

Brandes, pl. onvruchtbare landstreken In hel fr. landschap Bourbonnais, Inz. op de grenzen van Berri, waar byna enkel heidekruid groeit.

Brandëum, lat. doek, dien men op het graf der martelaren legde en dan als aandenken medonam.

Brandon, fr. (spr. —dón) slroofakkel, brandend hout ; stroowisch; — brandonneeren, met stroowisschen merken.

Brandpiquet, n. nederd.-fr. (z. piquet) soldaten met de handhaving der orde by brand belast; Mar. een vaartuig, dat tol veiligheid eener viool do wacht houdt.

Brandy, m. eng. (spr. bréndi, samongetr. uit het oud-eng. brandwine, brandewyn, d. i. gebrande wyn) brandewyn.

brani, adj. jav. en mal. dapper, sloutmoedig.

Branka, f. (verwant met bet russ. branj, oorlog, bramik, krygsman, poolsch branka, de krygsgevangene) do nacliloiyko rekruten-lichting In Rusland en Polen.

branieeren (spr. bran—), fr. (bran/er = brandiller, verklw. van brander, zwaaien) schudden, waggelen, slingeren; aarzelen, in onzekerheid zyn. weifelen; branlo, m. een zekere naar de polonaise geiykende dans, die ten tyde van Lodewyk XIV in gebruik was.


-ocr page 174-

BRELIC-BRELOC

BRANO

458

Brano, m. roodzydon goiiloolrto zondagsrok der vrouwen In Zulil-DiilmnllB,

hras, m. fr. (spr. bravan \'I lal. brachtum) do arm; — bras-dessus, bras-dessous, tr. (spr. lira desü, bra desóé) arm In arm, gearmd; ook z. v. a. ré bras ouverls (spr. abra zoewir), mol open armen, mei veel hoffoHjkheld, vreugde, enz, 1). v. Iemand ontvangen.

Bras, t. jav. en mal. do ontbolsterde en gereinigde rijst (padi = rysl In de nar; aabnh = rysl van stroo ontdaan, maar nog In den liotfler; nasi = gekookte rüst).

braseeren, fr. (spr. s=i) twee stukken staal of koper door middel van soldeersel aan elkander hechten.

Brasóro, m. sp. (v. brasa, fr. braise, gloeiende kool) eene kolenpan, warmpan, zooals men dlo In Zuid-Amerlka hij kouilo In elko kamer vindt.

Braspenning, m. eene nominale munt in hel oude nederl. muntstelsel = ct.; men wil hel woord afgeleid hebben van brassen, slempen, smullen, als kunnende men weleer voor dien prijs een lekkeren maaltijd hebben.

Brasse, f. fr. (proveno. brassa, van \'t lat. brachiu, de [ultgestrckle] armen, pi. van bra-c/iïum, fr, bras, de arm; vgl. brapa) de vadem; ook eene ital. ellemaal, bracclo (z. aid.)

brassen, m. pl. Mar. do beide touwen, waarmedo men de raas en zeilen omhaalt, om die de verlangde stelling te geven, welke verrichting insgelijks brassen beet.

Bratsche, f, hoogd. (spr. brdlsjc: uil hol it. viola di braccin (spr. —brdtsjo) de armviool, altviool; z. viola 2).

Brauer, bij zoologische namen beteekent F. Brauer, entomoloog te Weenen.

Brauniet, n. bard lirninsteen, watervrU mangaan-oxyde.

Brava, n. een bedwelmende drank der Kam-Isjadalen.

bravo, it. (nederl, braaf, hoogd, brav, fr. hrare, provenc. brau, brava, waarscb. van cel-tischon oorsprong) goed, schoon, voortrelteiijk, wakker; ook het woord, waarmede men te gelijk in Italië een looneolspeler toejuicht; geldt die loejulching meer personen, dan zegt men bravi, en Is de toegejuichte eene vrouw, brava; In den superlatief bravissimo, ultmun-mend, opperbest, heerlijk 1 — bravoure, f, fr, (spr. brawoer\') de schuierende dapperheid, onverschrokkenheid, de moed, heldenmoed; bij kunstenaars: bekwaamheid,kunstvaardigheid, zekerheid (In het bebeerschen der uitwendige kunstmiddelen); — bravour-aria, bravour-rol, bravour-stuk, enz., zang, rol, sluk, dlo den kunstenaar golegenheld geven uit te blinken; — bravura, ital. (spr. u=oe) Muz. grooie kunstvaardigbebl in passages; — bravo, m. een dappere, moedige, wakkere strijder; als meester in zijn vak, die van zijn sloot zeker is; in liaiit!: gohmirde sluipmoordenaar; pl, bravi; — bravaccio, 11. (spr. brawdhjo) of bravazzo (spr. brawdlsjn), m. een twislzoeker.

vechtersbaas, kemphaan; — bravache, m. fr. (spr. brawdsj\') een grootspreker, pocher, zwetser, windmaker; — bravacheeren, grootspreken, pochen, zwetsen; — braverie, f. pralerij, pronk; — braveeren, fr. {braver) trotseeren, tarten, boonen, met verachting bejegenen; — bravade, f, opgeblazenheid, trotscb-held, snorkorU, pocherij.

Bray, z. bral.

Braza, z. bra ca.

Braziliaan, m. een edele topaas uit Brazilië ; — braziliehout, z. for n a m b u k; — braziliéthout, valsch of onecht tirazllle-hout; — braziline of brazileïne, f. de

roode kleurstof van het fernamhukbout, fer-na mb u k rood.

Brdt., by zoölogische namen afkorting voor Joh, F, Brandt (gest. IS7(l).

Break, f. eng. (spr. brèk) vierwielig rytuig om paarden af Ie rijden en te dresseeren, brik.

Breakfast, eng. (spr. brekfesl) ontbijt.

Breccie, f, it. (spr. brélsjc: fr. brèche, oor-spronkeiyk van \'t duilsche broeb sn, ons breken) ook brocalella genaamd, eene kalkachtige marmersoort, uil fragmenten van verschillende kleuren gevormd en door een kalk-aardig cement vereenigd; marmer van Arriége, Aix, Andaluzle, enz.

Bröche, z. bres.

bredi-breda, adv. fr. Ier vlugs, in der yi, in overhaasting; als subsi. n. een verward gesnap, mengelmoes.

Bredouille, f. fr. (spr. -dót\'lf) verwarring, ontsteltonis, verlegenheid; de dubbele pariy in hel Iriktrak-, (trictrac) of toccalegii-spei; ook de rekenpenningen, waarmede die party wordt aangeduid; als jachtterm; platzak, niets geschoten hebbende; — bredouilleur, m. stamelaar, stotteraar; — bredouilleeren, stamelen, stelleren.

Breeder, m. eng. (spr. brie—) fokker (Inz. van paarden).

Breeze, in. eng. (spr. briez\') eene frisscho koelte, z. bries.

Brégma, n. gr. (van brèchein, bevochtigen) de kruin van hel hoofd, bel middelste gedeelle van den schedel, aldus genoemd, naar men zegt, omdat dit deel by kinderen altyd vochtig en weck is en bol laatst hard wordl.

Brelan, n. fr. (oudfr. brclenc, berlenc, een bord voor bet dobbelspel, van hel duitsch hrel-Ihi, brellein, of bretling) eon hazard- of kansspel met kaarten; vandaar het werkw. bre-landeeren (fr. brelamler), gedurig hazardspelen dryven.

brelic-brelóc of brelique-brelnque, fr. do loover-formule (zonder zin), welke in tooverkomedien de geesten noodzaakt te vorschynen of te ver-dwynon, dus -. kom en ga hoen, heen en weer: vandaar saamverhomlon: in verwarde haasl, overijld, over bals en kop; — breloque, f. (spr. —Ink\': vgl. bet fr. Inque, lap. Harde, oudn. /«At, iels nfbangends) sierlijke kleinigheden, enz. aan horlogo-keUingen.


-ocr page 175-

BliKM.

159

BRIDE

Brem., liü zoüloKlsche bennmingcn afkor-tlng voor I. G. Bromser (pest. 1S27).

Bremi, hy zoologische benamingen afkor-llng voor l\'.reml-Wüir, entomoloog (gesl. IHiiV).

Brenta, f. (vgl. het diiltsclie brenlo, een houten vat voor melk, gezouten vleesch, enz.) eene wijnmaat In Italië en Zwitserland; In het laatste land = .\'11,!gt; liter.

Brephotrophïum, n. gr. threphntrn-phiïon, van hréphns, lichaamsvrucht, pasgeboren kind, en Iréphcin, voeden) elg. een huls ter voeding van kinderen; oen vondellngshuls;

— brephotrooph, m. vader of toeziener van zoodanig huls.

Bres, f. (fr. brdche. It. brdccia, oorspronkelijk ilullsch, v. breken) Mil. eene geschoten opening In den muur of den wal eener stad; het slorm-gat, do stormopenlng, de muur- of walbreuk, die door do hrosbatteryen bewerkt Is, als het heet, dat zy bres geschoten hebben.

Bréscliith, hebr. (d. 1. In den beginne) bet eerste boek van Mozes, dat met dit woord begint.

Bresciaansch staal, n. eene snort van ruw staal van H res cl a In Opper-ItallB.

Bretagne, f. fr. (spr. —tanje) oen landschap (weleer hertogdom) van N.Frankryk, sedert do 4do eeuw door vluchtende Urltten uit Engeland bevolkt en Britannia minor (KI e 1 n- li r 11-lanje geheeten; vandaar bretagne, f. een oude, deftige fransche dans van twee personenbretagnes, f. pl. eene voortrelfeiyko soort van franscb linnen; — de Inwoners van Bretagne heeten Bretons: vandaar bre-tonne, f. een vrouwenregenmantel; elg. eene kleeding der vrouwen uit Bretagne.

Bretéllen of bretéls, f. pl. fr. (bretelles, verklw. van \'t oudfr. en provenc. brei, vogelstrik, sp. brete, beenklulster, en dit v. \'t oud-hoogd. brellan, slingeren, vlechten) draagbanden, broekdragers, galgen.

Bretons, bretonne, zie onder Bre-t a g n e.

brevis, breve, lal. kort; brcvls, f. Muz. eene noot, die twee geheele maten doet (vgl. seml-brevis — I maat; minima = J; semiminima — 4; fasa = J; semifusa — Tlff; subsemifusa of biscroma = ./j); — in brevi, In \'I kort, In korten lijd, welhaast; — alia breve. Hal. Mnz. In gezwinde maal, elke noot nog eens zoo snel;

— brevi manu, kort en goed, kortaf, zonder omstandigheden, zonder wydlooplgheld; — bre-viteit, f. (lat. brevtlas) do kortheid; — brevild-lis causa, kortheidshalve, om kort Ie zijn; — brctifter, korleiyk, In het kort; — breve, f. 11. (ook briéve, waarvan ons nederl. brief komi) elg. een kort schrUven, inz. een minder vormelijk schrUven van den paus aan siaien, vorsten, enz. wegens zaken van gemeen belang, op do gladde zyde van perkament geschreven en alleen met den visschcrsrlng [an-iiiilus iiiscalöris) In rood was bezegeld; zij onderscheidt zich van de hul (z. aid.) door minder algemeeno belangi\'Ukheld; — brevét, n.

(fr. spr. brewè) een open gescbrifi, waardoor Iemand eene. gunst, een lllel toegestaan, een pensioen, een voorrecht verleend, een post, eene bodlening geschonken wordt, enz. (patent, diploma); — brevel d\'invention (spr. —deiiwahsióii) eene vergunning aan den uil-vinder van eonlgo zaak om gedurende eenlge jaren daarvan alleen, met uitsluiting van anderen, voordeel te trekken, ultvlndings-patent, octrooi; — breveteeron, zulk een octrooi verleenen; — brevarïum, lat. het rechtsboek der Homelncn In het wcst-gothlsche rijk (breviarium Alaricianum)-, 2° ook brevier, n. het gebedenboek der U. kalh. geesteiyken, het gebodenformulierboek, zoo geheeten, omdat het uit korte uittreksels beslaat; ook het bldfor-muller; — brevier, ook Typ, eene soort van drukletters (z. a.); — breviatoren, in. pi. ambtenaars aan het hof van den grlekschon keizer, die brieven schreven en vertaalden; — breviatuur, f. verkorting, kort begrip; — breviloquéntie (spr. —kwéntsie), f. (lat. brcviloquenCta) kortheid In het spreken, karigheid In woorden.

Brewer, m. eng. (spr. hrne—) bierbrouwer; — brewery (spr. i/=i) blerhrouwery.

Breyn, hy zoologische benamingen heleekent ,1. Pb. Hreyn (gest. HOi).

Briangónsch krijt, eene soort van wil-ten, weeken talk-, spek-of zeepsteen van Brian eon in Frankryk, waarvan o. a. de kleermakers zich bedienen om op bet laken de lynen Ie trekken, die den snit aanwyzen; ook maakt men er vetvlekken in wollen en z.yden sloiTen mede uit; nog bedient men zich er van, om aan zekere behangselpapieren een blinkenden paarlemoersehyn te geven.

Briareus, m. Myth, een uit de aarde geboren reus met too armen en Bfl hoofden met vuurbrakendo monden, die do olympische goden lu den siryd legen de Titanen bljslond.

Bric-a-brac, m. fr. (spr. brilnihrak] oude rommel, voddenkraam, oude meubelen, schilde-ryen, enz.

Bric-bat, in. fr. (spr. briekbd) kaas In 11-chel- of hakstecnvorm.

Bricóle, f. fr. (van\'1 mid. lat. bricola, een oud werpgeschut, waarmede men steenen legen de muren, enz. slingerde) bU het lilijarl; de terugsprong, de terugkaatsing, het terugstuiten dos hals van den band af; eenen bal par bricole maken, d. 1. hem door eene af-sluillng van den band in den zak sloolen; vandaar par bricole. Hg. niet reclitult of ronduil, maar door omwegen, van Ier zijde, lange lilj-padon, met draaieryen; bricoleoren, doen terugspringen, door afstuiting van den band maken; onoig. niet eeriyk handelen, kale ull-vluciiten zoeken, draaieryen maken.

Bride, f, eng. (spr. bruid\') bruid; bridegroom, in. (spr. oo=oe) bruidegom; bridecake (spr. —keek) bruiioflsiaart (zeer groot en zwaar, b. v. lot do prys van !i i\'i 10 pond sterl.)


-ocr page 176-

BRIDEEREN

BR1QUE

160

brideeren, fr. (brlder, van bride) kookk. een govogoltc de ponten snmenbinclcn en op-pinnen om te brilden.

Brios, f. (fr. brise, eng. breeze, It. bretza, sp. briza, brixa, brisca ,• wellicht van eelt. oorsprong) oen op zekere tyden waaiende zachte zeewind; een zachte wind, koelte.

Briga, f mid. lat. en itai. (fr. brigue-, vgi. hrigueeren) twist, stryd, oneenlgheid; party, aanhang, rot; - brigade, f. fr. (spr. brtgada, itai. brig dia, lioo|), troep, eig. en oorspr. een strijdende hoop) eonc groote legcrafdeeling, uit verscheidene hatatjons voetvolk en escadrons Tuitery bestaande en waarover een brigadegeneraal of brigadier bevel voert; — brigadier, m. ook de krygsman, wiens rang by de rulterU met dien van korporaal by do infanterie overeenkomt, een wachtmeester; — brigand, m. fr. (spr. brigdii; van \'t itai. bri-gdnte, partijganger, onruststoker) een roover, dief, plunderaar, straat roover; weleer In Frankryk ook een liclitgewapcnd soldaat, die eene bri-gandine, een zeker harnas of malienkolder droeg; - brigandage, f. (spr. -dd-zj\') of brigantaggio, itai. (spr. —ddzjo) de straat-roovery, siruikroovery, afzetterü; — brigan-deeren, fr. (hriflonrfiT) slraatroovery dryven; — brigantijn, m. (fr. brigantin, it. briganliiw, mid. lat. brigaiitinux, oorspr. een roofschip, vgi. brigand) een galcivormig schip met een laag boord, gevoerd door 10 tot 15 paren roeiers, en dat ongeveer 100 man kan voeren, eert yds menigvuldig in de Middellandsche zee tot zee-rooveryen gebruikt; een sneiscbip, een licht vracht- of oorlogsschip met 4 masten.

Brighélla, m. itai. (van briga, z. aid.) een karakter-masker van hei Italiaaasche volkstoo-neel, een sluwen, ingebeeldea burger voorstellende.

Brightsche ziekte (naar den eng. geneesheer Kright (spr. brail] genoemd) eene acute waterzucht met afzondering eenor eiwitstoilige urine.

Brigitta, oudd. vr.naam (lirigida, waarscb. verwant met Bertha, z. aid.) de stralende, prachtige; — Brigitten-orde of o r d e v a n St.-Salvador, eoae geesietyke monniken-en nonnenorde, gesticbi in litis door Brigitta, dochter van Birger, koning van Zweden, die in bet jaar tllili door paus Bonifacius IX onder de heiligen geplaatst of gokanoniseerd werd.

brigueeren (spr. —geeren), fr. {briguer, 11. en mid. lat. brif/arc, twisten; aanhoudenilsmee-kea; yverig streven; vgi. liet noordsebebreka, lilddcn, bedelen, itai. briccone, bedelaar) iets door de gunst van andoren, door inwerking van vrienden, door kulpery zooken ie verkrijgen, yverig aanhouden, najagen; — brigue, f., zie briga; — briguour, in. (spr. —geur) een bekuipor, gunstbojager.

Brik, f. (eng. brig, van \'I fr. barrique, last, dus eig. lastseblp) een lichi vracht- en oorlogsschip, een snelzeilend vaartuig, dal eenen groolen en eenen fokkeinast met stengen en bramstengen, en als oorlogsschip 10 lot :)0 kanonnen voert.

Bril, m. Mil., z. lunette, oud. Iiina; vg!. ook b e r y 1; — brildaalders, m. pl. zekere daalders, in de laatste helft der lilde eeuw geslagen, waarop o. a. een bril slaat met do letters; VV. H. I). A. L. V. B. I). S. S. N. II. V. K. W., zynde do eerste lettors van het versje: Was hilft den Augen Licht und Brill, Ver sic/i selbsl nicht helfen en kennen will, d. I. wat baat voor de oogon iiebt en bril, die zicli zelf niet helpen en kennen wil.

brilleeren (spr. bri-ljeercn), fr. {briller, itai, brigliare, provenc. en sp. brillar ,■ v. \'t lat. beryl-lus, een zeegroene, zeer blinkende en doorzlcli-tige edelsteen, z. beril) briljeoren, scbit-teren, glinsteren, blinken, pronken; — bril-lant, adj. (fr. spr. bri-ljdn), briljant, seliit-torend, giliisierend, lilinkend, uitstekend, voor-trelfeiyk; —briljant, m. la \'t algemeen ieder geslopen edelgesteente, dat den vorm beeft van een dubbelen kogel, van boven sterk en van onderen zwak afgestompt ea aan do zyden in kleine driehoeken of rullen (facetten) verdoold is, inz. de diamant; glinsterend of glanzend odoi-gesteonte; — brillanle, iidv. it. Muz. zeer vurig, levendig; — briljanteeren (fr. brillanler) diamanten lot hriljanion siypen, met glanssteen bezetten; — briljantkever, m. N. H. do Juweel- of diamantkever, ook smiitkever genoemd, een prachtige tor van Brazilië, hebbende do grootte eens moikovors met getande en van oortjes en slippen voorziene dekscbildon, waarop veeivervige goudkleuren pryken; — briljant-vuur, n. eene soort van vuurwerk, dat stralende, bloem- en storvormigo vonken werpt, en uit meelpoeder, yzervyisel en wat zwavel bestaat ; — brillantier, m, fr. (spr. bri-ljantjé) diamantsiypor; — brillantine, f. fr. (spr. bri-ljantién), 1° soort pomade, om aan het baardhaar moer glans te geven; i0 oen dicht geweven wollen stof; — brillolette, fr. (spr. bri-IjnlH\') peervormige diamant mei facetten.

Brimborions, pl. fr. (spr. breiibnrióh, oudfr. ook breborinn, óf misvormd v. \'I lat. bre-viarïum, óf van \'t provonc.-fr. brimber, bedelen) kleinigheden, vodderyon; verliitynscht brim-borïum, n. vodderij, nietigheid (b. v. by Göthe in zyn Knust).

Brmcolo, m., pl. brincoli, li. (spr. brien—) rekenpenningen, spoelmerken, viscbjes (fiches).

Brio, Hal. vuur, levenilighcid; — brioso of con brio, Muz. levendig, vurig.

Brioche, f. fr. oen gebak van meel, eieren, melk en boter, boterkoek, tulband; tig. een domme zei, lompe sireek.

Briolótten, f. pi. drupvormlge briljanten, z. brillolette, end. hriljeeren.

Brión, m. een goede fransclio wyn.

brinso (spr. .v—;), z. ond. brio.

Brique, f. fr. (spr. hriek\') baksteen; — briquet, m. (spr. briltè) of briquette, f. (spr. brikèt\') eig. baksteen; iiy ulilir. iets bak-


-ocr page 177-

BROKK

BRISK

161

sloonvormlgs, Inz. goporsto kolcn In don Imk-sleonvonn, nil stconkolenBruls, aurdachtlKo bruinkolen of houtskool; — briqueteeren (spr.

fr. mot bnkstooncn beleggen, of als bak-steonwei\'k beschilderen; — briquetage, f. (spr. brikela-tj\') geschilderd baksteenwerk.

Brise, f. fr. (spr. biiet\'), z. brles.

Brisolette, f. kookk. een gepaneerd en In boter gebraden schijfvormig gerecht uit gebakt vleesch en bloem.

Briss., hü zoülog. benamingen afk. voor M. J. Brlsson (gest. IKOIt).

Brissotin, m. fr. (spr. bn-soleii) een aanhanger van Brlssol, dien men In de fran-sche revolutie In ntll voor bet hoofd der (II-rondlsten hield; brissotisme, n. hel politieke stelsel van li. en zyno aanhangers.

Bristolpapier, n. (fr. paiiicr lirislol, eng. Ilristot-ixiper) naar de stad Bristol genoemde soort gelümd karton voor teokcnlngen met waterverf of krüt (ook Isahey-pa pier).

Brisure (spr. —zuur\'), fr. (van liriser, breken, provenc. hrisnr, briznr: van eelt. oorsprong: lersch brisim, giet. bris, ik broek) eig. breuk, borst; Mil. de verlenging van do verdedigingslinie, (tienende om do bedekte llank te maken; korte Unie van \\ of quot;gt; vademen tot aan de gordUn en borstwering; in de wapenkunde: bü-teeken iti \'1 wapen van Jongere Union.

Brit, m. (lat. Itrillo, lliilannus, óf naar den wallislschcn slamheld llri/l, /Iri/duin benoemd, óf van \'t wallisisch bri/h, bont, dewijl de oude liritten bun naakt lichaam plachten te beschilderen, weshalve de Caledonlers, een deel der noonlolüke Itrlllon, by do Romeinen 1\'ic/i, d. I. licsebllderden, heeten) een bewoner van Knge-land, een lingelschinan; vandaar Brittan-nië of Britannië, n. (lat. ttriUumia, vgl. Athlon) Hngeland; Groot-Brittannië, Engeland en Schotland; - Brittarmia-mo-taal, n. een in Engeland uitgevonden inetaal-inengsei van tin, messing, antimonium en bis-muth, dat zilvoracblig wit is.

Britinianen «r britinïërs, m. pl eene hyzondero broederschap van augustyner monniken, naar hunne eerste woonplaats Britini in de mark van Ancona, sedert llStgt;.

Britschka or britzka, f. poolsch. soort licht rytuig of open koets.

Brittanje, Brittannië, enz., z. onder 11 rit.

Brizo, f. gr. (vvaarsch. van bridtein, inslapen) Myth, eene op Delos vereerde godin, die door droomen orakelen sprak; vandaar bri-zomant, m. droomulllegger; — brizoman-tie (spr. I=ls), f. de waarzeggery uit droomen, ilroomuitlegkundo.

Brobdingnag, n. eng. in Gullivers reizen hel land der reuzen, evenals l.iiilpnl dat der dwergen.

Brocaat, n , brocade, f. (fr. brocarl, 11. brord/o, van Hal. brnccare, fr. brocher, steken, stikken; vgl. broche, brocheeren) eene met gouden en zilveren bloemen, figuren, enz. viunnE nni\'K.

doorwerkte zware /.yden stuf, zyden goud- en zilverstof; ook in het algemeen: met bloemen doorwerkte zyden slof; — brocaatpapier, metaalpapier, geverfd papier met opgedrukte goudllguren; brocatél of brocardél, f. eene soorlgeiyke, maar geringer stof van katoen of gemeene zyde; Min. eene soort van geel. roodachtig of violetkleurig Hal. marmer.

Brocanteur, m. fr. een kunsttiandelaar, een verkooper van platen, schilderyen, enz.; — brocanteeren, kunstbandei dryven, allerlei kunstvoorwerpen koopen en verkoopon.

Brocardél, z. oud. brocarde.

Brocardeur, m. fr. spotter. Iemand, die Iemand scherpe zetten geeft; brocardee-ren, spotten, stekelig zün.

Brocardicum, broeardïum, n. mld. lat. (waarschyniyk naar de verzameling van kerkwetten: Itrocaiilica, regulae llurchardicae, nagelaten door den bisschop van Worms, Itur-kard, bij de Italianen en Franschen IIrocard geheeten) Jur. eene korte leerspreuk, korte rechtsregel, in \'t algemeen een rechtsspreukje der middeleeuwen, dal niet in de bronnen staat, maar dat dikwyis door de leeraars valscheiljk gemaakt en voor echt uitgegeven is.

Brocatél, z. ond. brocade.

Brocatella, f. It., z. breccle.

Brocc., by natuurwetenschappelijke benamingen afkort, voor Giovanni Hroccbl (gestorven ISili).

Bróccoli of brócoli, m. pl. it. (sing. bröccolo, d. I. eig. spruitje, van brnccn, spruit, kiem) sprullkool, zomerkooi, eene donkerblauwe bloemkool, de meest geliefkoosde groente io Home (Brassica oleracae bnlrytis).

Broche, f. fr. (spr. brósj\'; provenc. en sp broca, 11. brocco, spits, spiets, spitso pin) in \'l algemeen spies; eene groote naald, spil, spit, enz., inz. eene horstnaald der dames; bro-cheeren, fr. (brocher) by boekbinders: innaaien ; ook bloemen en figuren op zyden en wollen stotren werken (vgl. brocaat, broca d e); — brochure, f. een slechts doorgestoken boekje; een vlugschrift, een gesebrlft van weinig omvang; — brochurist, m. (fr. bm-churier) een vlugschrlflschryver.

brodeeren; broderie, fr. (door letterverzetting ontstaan uit hordeeron, omdat de broderies de boorden [bords) of randen der kleederen versieren), z. bo r d u i\' e n, b o i1 d n r e, ond. boord.

Brodequins, m. pl. fr. (spr. brod\'kcfi) zeker schoeisel, halve laarzen; toonecliaarzen (in liet hiyspel); ook eene soort van pynl^lng met planken en wiggen, spaansche laarzen, scheenyzers.

Broderie, z. brodeeren.

Broek, f. Mar. (zw. brok, fr. brauuc) zwaar louw tot bevestiging van verschillende voorwerpen ; zelldoeksche bekleeding, ook broeking geheeten; — Broekstuk, n. dat gedeelte van een kanon, \'twelk zich achter de lappen bevindt.


II

-ocr page 178-

imOVVNIAAN

BROGLIO

162

Broglio, in. It. (spr. bró-ljn: vul. lil au 11-Iccrcn) do vcrwarrint!; opschudillnx, multery, (ipslaiid; ook cone llctito, imngonume lluliiinn-scho wgn.

Broken-down, eng. (spr. —doun) den renpunrdon eticon kreupolffld.

Broker, in. ohk. niakeltinr.

Bromatographie, r. gr. (v. bromu, spys) liescliryviiiR dor vuedsols; — Bromatologie, (. do leer dor voodingsmiddolon, ^pü^- on diiink-loer; — Bromatológisch, mij. die loer he-IrolTend, voodsclknndln; - Brómatometer, m. do spyzomnoter, een werktuig lot arwoglng van do dagoiykscho voeding.

Bromelïa, f. (naar den zwcedsclioa arts en liotanlcus Drom el, overleden l\'Dii, benoemd) coae ultlandscho plantensoort, welke o. a. de ananas bevat.

Bromios, m. gr. (v. bromos, godrulscli) do gollerniaker, bynaam van liacclius, wegens bot getier, dal de bacchanten op zijn feest maakten.

Bromium, n. (v. het gr. bromos, slank) Cliem. een metalloïde, dal In de inethodlscho rangschikking dor elementon tusschen bol chloor en bet sodium staat; bel onlloont zijnen naam vim zyn onaangenameii reuk, beefl een waig-lyken, tiramicnden smaak en is eon der hevlgsl werkende vergitlcn. Het werd door Ha laid in ISili onidekt en bovlndt zicb in zeewater, zeeplanten, zeedieren en In vele minerale wateren, mei bet magnesium en somwijien mei het potassium vereenigd; — vandaar bromium-, hy verkorling broom-zuur, broom-kalium, broom-natrium, enz,

broncheeren (spr. broiisjeeren), fr. (bron-cher. Hal. bronctirc, v. bronco, slain, boomstomp, (indfr. branche, struik) struikelen, een mistred doen, dwalen, hlijven stoken.

Bronchus, m. gr. (brónchos) de keel, lucht-pyp -, - bronchiën of bronchia, n. pi. gr. de luchtpypslakken-, — bronchiaal, adj, de luchlpyp hei rellend; bronchitis, f. Mod. de ontsteking der liicblpypsiakkeii; bron-chocële, f. de luchtpyphrenk; het kropgezwel;

bronchopneumonie, f. longtering; — bronchophonie, r. de piepende slem by heesclibeid; bronchotomïe, r. de lucbl-pypsnede, oeno chirurg, snede In do luchlpyp, waarvan Asdeplades de uitvinder is.

Brons, n. (tr. bronze, 11. bromo, sp. bronce, mid. lal. bromium, en dit óf van \'I it. brunizzo, brunkcio, hrulnaehtig, v brunn, bruin, met ac-eentversehuiving, óf verwant met het ondn. bros, angels, brtls, eng. brass, erls, mossing, koper; vgl. bet slav.-womlisch bron, erls, metaal) eon lirulnachlig melaalmengsel of erls, waarin bel koper en lln \'I voornaamste gedeelte uitmaakt; kloksiiys, klokmolaal, gielerts; bronzen, pl. uit dil melaalmengsel gegoten of vervaardigde voorwerpen; — bronzen (fr. bronzer) eene ertskleur geven, ovoreiisen, mei koperkleur overdekken; zwart verven (van leder); — bronzist, m. (Hal. bronzista, sp. broncisla) bronswerker, roodgieter.

Brontëum, n. gr. (v. branie f., donder) bet donderworktuig op scbouwtooneelen; — bron-tia, n. pi. dondersieenea; — brontologie, f. de donder- of onweersloor; — brontopho-bie, f. de onweersvrees, de vrees voor don don-dor; — brontotheologie, t. de erkenning van God uit de verstandeiyko hoscboiiwlng van het onweder, eig. de donder-godgeleordbeld.

Brook., hy zoolog. Iienamingon afk. voor Kiclinrd Urookes (IKde eeuw).

Broom, n. verkorling voor bromium, z. aid.; — bromaat, n. broomzuur zout.

Broom, z. li r o u g b u m.

Broquart, m. fr. (spr. brakdr) eenjarig bert.

Brorskol (Broderskal), zw. broederschap, intiemo vriendschap.

Brosserie, f. fr. (v. brosse, borstel) borslel-makerswaren, liorsteiwerk; brossüre, f. kleuring van bet leder met den borstel.

Brouétte, f. fr. (spr. broe-éti\'; provenc. bi-rouelte, v. \'t lal. biröla, sell, rheiln, v. birólus, a, urn, tweeraderig, en dit van bi, bis, twee, en rota, rad) weleer een fransche bandwagen met twee raderen, die door éen mensch werd getrokken; nu een klein voertuig met éen wiel, dal men voor zich ullduwt, een kruiwagen.

Brougham, m. eng. i-ytulgvoor twee personen (inz. om visites in de stad Ie makon), naar den naam van den beroemden engelschen slaatsmaii; eig. uiispr. brau\'m, gewooniyk ocli-lor broem uitgesproken en daarom somwyien vcrkeerdeiyk als broom geschreven.

Brouhaha, n. fr. (spr. broe—) een verward gesebreeuw, vreugdegeroep, toejnlehing van eene voiksmenlgle, van aanscbouwers, enz.

brouilleeren (spr. broeljeeren), fr. brouil-ter. Hal. brogliare, woeien, opstoken, aanhitsen) in wanorde of verwarring brengen, door elkander werpen, verwarren; ook onoenig maken of worden, vordeeldbeld, onlust verwekken; m e t iemand gelirouilloerd zyn, mot hem oneens zün, in geeno goede verslandhouding leven, overhoop liggen, in misverstand zyn; — bromllamini, n. verwarring, wanorde, b. v. in een hulsboudeii; l\'harm. eene boluspleister; dok een artsenymengscl; brouillement, n. (spr. broeij mdii) en brouillerie, f. twee# (hachl, oaeenigheid, nilsverstand, twist, stryd, geharrewar; — brouillon, n. (spr. broetjóh), nok brouillard (spr. brodjAr) hel klad, liet eerste ruwe sclirlfleiyk ontwerp; hel kladpapier, kladschrift; de planteekening; Kuil. bet kladboek {slrazza), waarin allerlei zaken siechls voorlooplg ter borinnorlng worden aangeteekond.

Brouss., hy natnurwetenscbappeiyko be-nnmingen afk. voor Broussonel.

Brown., by natnnrwetenschappelUke bena-iningen afk. voor Patrik llrowne.

Browniaan, m. een aanhanger of vriend der pilkkeiings- of opwekkingsleer van den engelschen geneesheer Kr own (gesl. 1188); — brownianisme, n. de prlkkelings- of opwekkingsleer van dien aris.


-ocr page 179-

BROWN IK

BIU\'TUS

Brownie, in. cnit. (spr. Iirauni, wuarsch. \\. brown, hruln, wegens de dimraiin looftBschrc-ven klour) liruintjo, eon pliiiidzlckc liulsgncst (if knhoutor, Inz. In Sdiotlnnd of op di\' Hebrldcn.

Browniaten, m. pi. ««no socio van I\'u-rltolnen {/.. aid.) In liiiBoland, door Hohort It row no in issn gostlcht.

Broyeeren spr. brnaj—) fr. {Iir(ij/er, ondfr. hrayer, prov. brequr -. oudnoordsoh brdka, hro-kon) vermalen, wrijven, lljnwryvon (verfslolTon);

broyon m. (spr. brnaj tin), roorhout om verf te wrijven.

Brucine, f. Cliem. oon vorgltllK alkaloïde, dal /.leli In de liraaknoton (liet zaad van Slryiii-nos nwr vomica), de Ifinalluslioonen en den val-schon angusturalinsl hevindt. (Voor do mooiler-planl van den Inatston lileld men vroeger do llrwea ferruginca, Miooronde Int eene naar den lingelselion reiziger genoemden planlonsoorl; vandaar do naam); bruciet, n. oon nil talkaarde en walor lieslaand mineraal.

Bructëron, m. pi. (lal. Hrnetërl) oen oude dullsclio volksslam, die aan belde /.yden der Kems, noordwaarls lol aan do Friezen, ooslw. lol aan do Wezor, znldw. lol aan de l.lppe en weslw. tot aan ilo Voclil woorde.

brueeren, fr. (bruir), Teeli. de slotTen mol damp of stoom laten doortrekken om zo leniger, zachter Ie maken.

Brug., Ii(j zoölogische namen afkorllng voor Hnigtilères (gest. 1709).

Brugbroodors, m. pi. fr. frèm iion-lifes) oen dir. genootschap van de inde lol de ISdo eeuw In Z.Frankrijk, gosllcht doorhere-zel, dal zich Inz. hezlg hield mol hel aanleggen van bruggen, ovorvaarlen, pleislerplaat-son, enz.

Brugman [Jan], een minderbroeder der lödo eeuw, een rondreizend prediker, die door zijne zonderlinge, barlsiochlelijke preékinanler den volkshoop in de Nederlanden op zijde kreeg, zoo zeer, dat do kracht zijner (juiisl-wcispre-keiidiield bij ons Is overgebleven In liet spreekwoordelijk zoggen; nl knnill f/c «/.« Brugma n pralen.

bruineeren, z. oud. briinel.

Bruit, m. fr. (spr. bru-i-, v. brui re, hrnl-scben, nilscbeii; nild.lat. bruuire, cell, oorsprong) bet godrulscli, geraas, gelier, geniom-pol, gemor, geriicbi; lanl de bruit imur une (iinclclle, sprw. zooveel drukte om een eierkoek gt;1. I. voel drukte om niemendal.

Brumaire, f. fr. (spr. brumir\', \\. \'i lat. bruma, winter) de novolinaaml in den voorin, fr. re|iniillkeliiscbeii almanak, loopende van den •iJsien Octotier tot den 20sten November op in brumaire = tl November ntltl maakte Ito-naparle oon eind aan de fransolio republiek);

brumaal, ailj lal. {brumïïlis, r) wliiler-aciitig, winterscb; brumeus, nevehicbllg, inislig.

Brumata-lijm, f. zekere kleverige massa om schadelijke Insecten op boomen te vangen en te doodon.

Brummer, m. (d. I. Bromtierger) eono in IIromiler g geslagene poolscbe zllvoriniint = :t centen; ook eeno kopermunt van gelijke waarde.

BrUn., bij zoölogische namen afk. voor hrilnnlch (gest. 1827),

Brunehilde of brunhilde (ondlioogd. hruniliitl, v. bruni, brunjtt, pantser, en hilli, krijgsgodin v. hiil, strijd) oiidd. vr.iiaam: de geharnasle k rijgsgodin.

Brunélle, f., z. pru nollen; ook een fraaie lage heester met groote blauwe bloemon, berenoor (jiw.lal. bruncliïn, naar den ital. iio-taiilcus (lalir. Brunelti henoomd).

brunét, fr. (Hal. brunello, v. brum, fr. v. hrm, otidil. brün, liruln) brulnaclitlg, Inz. bruinharig, donkerharig; als subsi.: leinnml met briilne, donkerkleurige haren; vr. brunétte ;

bruineeren (fr. brunir) bruin (d. I lilln-kend, scblitorond) maken, polijsten Inz. de op-pervtakio van tiet ijzer hij geweorloopen; bil boekbinders het glanzen van de snede des books met eenen wolfstaiid.

Bruno, oudd. (v. brün, bruin) niansn.: bruin;\', de door de zon hruln gebrande.

Brunonia, f. nw.lal. liet als vrouw vor-persoonlijklc Brimswijk, dal tii\'t vierspan (i/an-i/rif/n) ment op tiet residentieslot te Hrunswijk.

brusque, adj. fr. (spr. bruusk\': Hal. bruseo, wrang, scherp; ondd. hrullisc, (tonker nitziende, grlniinlg) liarseb. ruw, mof, norscb, haastig, oploopend, driftig, onsliiimig, kort van stof; — bruscdmtnle, ail\\. Hal. Muz. driftig, woest, on-sliilmig; brusqueeren (fr. hrusquer) on-heuscli bejegenen, ruw, barsch, onbosclioft uitvaren, toesnauwen; brusquerie, f. de harsctie, iiiirsctio bejegening, de oploopeiidbeld, het toesnaaweii; bruscembille, n. (spr. bruuskunbicljc) soort van kaartspel.

Brusson, pi. russ. (slug, brus) vierkante, /.oogennainiie engeische halken uit Klga.

brutaal, brutaliseeren, enz., z ond. li rn 1 us.

brüllo, li. (s|ir. brnelo) bruto, (elg. lee-Ujk, onrein, ruw, onhowerkt; v. \'t lat. hrutus, log, zwaar, plomp) Kmt. bet gewicht eoner waar met de liaal, do kist. tiet fust, den omslag, het inpaksel mede gerekend, in tegenst. met n et t o (z. aid. ; bruto-bedrag, hel beloop zonder aftrek der onkosten; bruto-vermo-gen, bet gansobe vermogen met Insluiting der schulden.

brulun, n, urn, lat. (oorsjir. zwaar, log) onverstandig, dom, gevoelloos; bruin forlunu, z. ond. Forliina; bruid /\'K/nn\'nn, z. ond. f n I-inlneereii; Brutus, niansn. de domme, stompe; briltum, n. een tieost; een zeer dom monncli; brutaal, adj. (fr. brutal, Hal. brulale) lieestacbtlg, onbeschoft en dom; onredelijk, onlieschaanid, ongemanierd, grof; brutaliseeren (spr. s=»), onbescboft bejegenen, (iiiwellevenil,l(iiii|i betiamleleii;- brutaliteit, f. een beestachtig, lomp gedrag; woeste drift; onhescbofie lieleediglng, verre-gaamle loiniibi\'td. viegetwerk; brutescee-


-ocr page 180-

BRYGMA

BUL

164

ren (Int. brulcscérc), vvrrtiorlUkcn, tot oon dier worden; — brutifleeoren, nw.lal. tot een tllor maken, verdleriykon.

Brygma, n,, of brygmos, m. Kr. (v. hrychein, knorson) Mod. hot knorson dor tandon, in oono kntnip dor knuwsptoron licstaando.

Bryologie, f. (jr. (v. brjon, mos) do t)0-schrüviiiK, do toor dor mosplanton; — bry-oloog, m. oon konnor dtor planton.

Bryonia, f. lat. (gr. hrynnia van bnjcin, welig groeien), de wilde wyngaard, eene wilde kruipende plant, welker idad naar dal van den wijngaard golykl.

B\'schoresof Beschores, joodseli; arglistig gewin.

Bucanier, ■/.. li o u e a n I o r.

Buccina, Hal. Muz. imzuin.

Buccinator, m. lal. (van hurflna, trompet) eig. tronipetterj Anal, de trompetlorsplor, klnneliakspler, de spier van den mond, die de wangen uitzet liu hel hiazen op do trompet;

buccinieton, m. pi. nw.lal. trompet-of hazuinslakken, eene soort van versteende kinkhorens.

Bucco, m. lat. (v. buccn, wang, dus eig. lomand met opgehlazen wangen) een onnoozele hals, hloed, domkop, lomperl, plomp menseli: N. II. de iiaardvogel.

Bucëros, m. gr. {lm lie rui, ossenhoornlg, van boes, os, en kéras, hoorn) de hoorn- ot rhinoeerosvogoi van Indie en Afrika; — bu-centaurus, m. gr. (vgl. centaurus) Myth, eon monster, half menseli en half slier of ezel; ook bueentoro, II. (spr. boclsjenlórn) het proehtigo schip waarop eertijds de doge van Venetië met de Adriatisclie zee trouwde, hg welke gelegenheid hU eenen gouden ring in het water wierp; de laatste huecntoro werd in lquot;2S gehouwd, en men vertoont nog in Vene-I ié een overhlljfsel dezer rijk vergulde galei;— bucephalus, m. gr., eig. Bukephalos (v. kephalc, hoofd) Ossekop ; liel slrydpaai\'d van Alex a n d e r den (Irooten; leder lievolingspaard, pronk- of staatslepaard; bucephalo-phórisch, adj. een ossekop dragend.

Buchanisten, m. pi. leden eener socle, in de llide eeuw in Schotland geslicht door Klizaheth Huchan.

Buckskin, n. eng.. eig. hokkevel (van /)WCfc=iiok, en skin, vei) sterk, gekeperd wol-lengoed voor hroekon.

bucólisch, enz., z. hukoliscli, enz.

Budget, n. eng. (spr. hüihjcl, of fr. budzjè, van hot oudfr. bnuqellc, loeren hiddel, verkiw. v. bounc, bone, lecren zak, 11. bnlgia, lal. hlilnii, door Koslus als een gallisch woord aangeduid, iersch-gail. hole, boln, halg) een lederen zak, valles, randsel, enz.; in Kngeland kwam hel woord als bnugellc met Will e m den V o r-overaar, werd In hiulgel verspeld en kreeg later de heteekonis van de hrievonlasch, waarin zich de rekening dor slaalhtilshouding hevond; thans in de meesie landen: de hogrooling, de staatskas- of linanclerekening zelve, hel Jaar-lUksch overzicht van de waarschijniyke inkomsten en uitgaven van een rijk, eene stad, enz.

Budléja, f. Bol. een struikgewas met eironde hladeren en oranjekleurige hloesems, naar eenen Engelschman H u d I e v In 1733 benoemd.

Budstock, ui. zw. hodenstok (In allerijl van hofstede lot hofstede gezonden om ter vergadering op te roepen).

Buen-Carlo, m. (spr. «=oc), een spann-sche zoete wyn In Valencia; — Buen-re-tiro, lustslot hy Madrid (en elders).

Buff., Iiü nalnurwetenschappeiyke namen afk. voor liuiïoii (gest. 1788).

Buffa, f it. (spr. u=oc: vgl. hou ff on) eene grap, pots, kluclit.

Buffalo, m. eng. (it. en sp. büfaln, nw.lal. box bubülus) de liuifei, hulTelos, een zwarte dun-harige os met achterwaarts gehogen horens, In Afrika Ie huis liehoorende, en gelemd zynde, als trekdier zeer liruikhanr.

Buffer, m. eng. (v. hi huff, slooten) liet stootkussen, de slootpiaat aan spoorwegwagens.

Buffét, n. (fr. spr. bu[é, Hal. buffctln, sp. bufete, mld. lal. bufelum, oorspr. proiiklafol, z. v. a. het lat. abacus, van \'I oudfr. buffcr= [muffer, opldazen, zwellen, vandaar in oudfr buffni, pronk, pracht) eene schenktafel, aanreclil-tafel; tafelkas, zilverkas; ook: ververschlngs-lokaal, koltleknmer, Inz. restauratie In spoor-wegstations.

buffo, buffóne, komische zanger In de liatiaansche opera, vgl. Iiouffon.

Bufonieten, m. pi. (van het lat. bufn, pad) N. H. paddensteenon, siangenoogen, v«r-sieeude dooien, inz. tanden van vissclien, grUs-hruin van kleur niet ronde vlekken.

Bug, hed hug, m. eng. een scheldnaam der lingeischen In Ierland.

Bugalét, ii. fr. een ki. overdekt vaartuig met twee masten, op de kusten van Finistére.

Buglehorn, m. eng. (spr. hoeqfhorn-. ietleriyk = liuifeilioorn, ossenlioren) jaciilhoron, waldhoren.

Buis, f. nederi. (mid. lat. bussa, busa, oudfr. buse) een holi. vaartuig ter haringvangst.

Bujaro, m. sp. (sjir. boccharo) eene soori van lijne potaarde, waarvan men In Spanje de vazen maakt, die men alcarrazas heel.

Bukardiet, m. gr. (v bus, os en kardéa, hart) versieend nssenhart, eene versteende schelp van ronden liartsvonn.

bukólisch, adj. gr. (v. bukolos, herder-lijk; - bukolische gedichten, buko-lïka, n. pl. herdersrticliien, idyllen, li. v. die van Virgiilus; — bukólisch dichter, of bukolicus een herderdichter; — bu-koliasmos, m. het herderslied.

Bukraniën, pl. gr. (v. bukrïïnioii, run-derscliedel) Arch, sieraden, die den naaklon sclie-del van een olTerdler naliooisen, Inz. in \'I do-rische frii\'s.

Bul, n. hehr. naam van do 8ste maand des liurgeriyken jaars hy do .loden, overeenkomenili\' mei een gedeelte van onzen Ocloher en No-


-ocr page 181-

BULBUS 165 BUREAU

veml»er, zoo s-tIiccIcii iiiiiii\' do zware regenliulcn, die in doze manlid (cliesvun) nodervlolon— zie ook lm 11 o.

Bulbus, m. lal. Bot. do knol oenor plant, hol, bloomhol, bolworlol; do oonhol; - bul-bifórm, adj. nw.lat. bol- of knolvormig; — bulbeus, adj. (lat. bulbasus, a, urn) knol-of bolachtig.

Bulgaar, m., pi. Bulgaren, do Inwoners van ItiilKarUo, oorspr. een tataarsche, later een slavonlscho volksstam; in de iniddcleenwen (lat. BuUjari) do alKenieene lienaming voor ketters (vgl. bougie).

Buil, in. eng. (spr. bad) elg. slier; eene ongerijnidheid, domme streek of zet, betaebeHjke onzin, wartaal (In doze beteekents afgeteld van een koddlgen, zlchzelvon vaak tegensprekenden pleitbezorger tUdens Kendrik VII, Obadlab huil gebeeten), vundanr oenen hnli maken, een hok scbleten, een Hater maken, een donimen, onnoozel-naïeven zet doen; de Kngelscben leggen Inz. den leren bet maken van bulls ten laste;—John Buil (spr. Uzjón—), iron. eig. Jan Hul of Stier; bet verpersnoniykt naltonaal karakter der Kngelscbeii, de vertegenwoordiging van den grooten hoop in zyne nationale eigenheden, eene uildrukklng, het eerst door Swift, die een geboren Ier was, uit nat ionalen haat tegen de Kngelscben in zwang gebracbl.

Bull-dog, in. (spr. hod—) eng. groote engolsche hond, hullebüler.

Bulle, f. lat. (eig. tiullu, iets ronds, hult, knop, walerhel, enz.) elk verheven zegel van was of metaal aan openbare oorkonden, enz.; het zegeidoosje; de oorkonde zelve, die met zulk een zegel is voorzien; Inz. pauseiüke verordening, decreet, voorschrift, enz. (Hal. bulla), op de ruwe zyde van perkament geschreven en van een tonden zegel voorzien, doorgaans benoemd naar de aanvangswoorden, b. v. de hulle unigemlus, in coena ilomïni, enz.; — ook liet bowys of diploma van een akademischen graad; — de gouden hul (aurea bulla), eene bekende duitsche rykswet, door keizer Karei V in rgt;:tlt;i uitgevaardigd; —bullarïum, n. uw. tal. een bullenboek, eene verzameling van pau-seiyke bullen of verordoningen; bulleeron (mid. lat. bullSre), van een zegel voorzien en daardoor bekrachtigen, bezegelen; -doclarbul-liïtus, buldoctor, In Diillschland iemand, die zUne doctorale waardigheid slechts van eenen paltsgraaf ontvangen of gekocht heeft, vandaar soms z. v. a. kwakzalver;—bullist, m. de pau-seiyke hullenschrüver; — bulletin, n. fr. (spr. bulelèn, een verklw. van balie, briefje; il. bulletUno), oen dagbericht, dagorder, inz. otll-cieel legerberlcht; kort verslag van den dage-lijkschen staat eener voor \'t publiek belangryke zaak, h. v. van wege den arts omtrent den toestand van een liooggeplaalsten zieke.

Bulletin, z. ond. huil e.

Bulliet, m. (van \'1 lal. bulla, blaas, walerhel) M. II. versteende blaasslak; bul-litie (spr. l—ls), f. nw.lat. (v. \'1 lat. bulllvc.

waterbellen opwerpen, opborrelen) het opborrelen, koken; bulleus, adj. ...... waterbellen bedekt.

Bullion, n. eng. (spr. bueljun) slaaf of klomp goud of zilver; liet ongemunt goud of zilver; soms ook vreemd, niel gangbaar gold.

Bulleeren, Bullist, z. ond. bulle.

Bulllsten, m. pl. franciskaiier monniken van lt;le orde der O b s e r v a n 1 e n.

Bullock, m. eng. (spr. bnel—) Jonge stier, bul, os.

Bulow of pi rol, m. (waarsch. klanknabootsende woorden) de goudtyster, goudnieerle (Oriolus (jalbula).

Bumper, m. eng. (vervormd v. bumbanl, bombard, een groot drinkvat) een groot drinkglas, bokaal

Bung., iiy natuiirwetenscli. henamingen afk voor Alex, von liniige (geb. I8(i;i).

Bungalo(w), n. eng. (van 1 hengaaisch bdnfild) In üost-lnditó hut of huis van hamlioes-rlet of phinken en matten met een stroodak van voren, als woning voor de Kuropeanen en inz. van de eng. troepen.

Bunk, eng. slaapplaats of bed in een spoorwegcoupé.

Bunol era, f. sp. verkoopster van pannekoeken.

Bunta uf Bunda, f. in Hongarye; een mantel uil geitenhaar of langharige wol, zooals liet landvolk die draagl.

Bunting, n. eng. vlaggedoek; een eng. wollen weefsel, voor vlaggen gehrulkt.

Bviphthalmos, enz., z. boephl halmos........ bupréstis, f. gr. (fr. bupresle-,

v. iirêlhein, doen opzwellen) N. II. elg. ossen-dood; de prachtkever, stlnkwesp, een naar hel vliegend harl gelykend vergiftig diertje In llalle, dal de runderen dikwijls inzwelgen, waardoor zij opzwellen en sterven; [Hot.| een kruid van getyke uitwerking.

Burail, m. fr. (spr. bu-rdlj, vgl. bureau) eene gladde of gekeperde tiaifzyden stof met katoen, wol of geitenhaar; burat, of borat, m. fr. (spr. ra) eene half van llorelzyde, half van wol geweven stof; grove wollen stof, pylaken, grof laken; buratine, f. eene soort van papeline (z. aid.) van lijnere zijde en wol.

Buran, Burana, noordoosleiyke sneeuwstormen In Moord-Azie, Inz. In het Ailalgehergle en in Kaïnschatka.

Burattino, Burattini, pl. ilal. ninri-onetten of ledepoppen.

Burchard, z. li n r k h a r d.

Bureau, n. fr., pl. bureaux (spr. tmrdi van bun, bimil, li. bur aio, grof doek-, vgl. hour re; alzoo eig. eene mei zulk doek overtrokken tafel) eene schryflafcl, schryfkas, schryf-lessenaai\'; oneig. de schrytkamer, liel vertrek voor de aiiihtshezigbeden, het kantoor, bureel; ook; de voorzitters) en secrelaris(sen) eener vergadering; bureau d\'adresse, het adreshuls, de plaats in groote steden, waar men herichten kan


-ocr page 182-

BUSTROPHKDOX

BURET

krüm\'ii «r Iii\'oiikoii van al wal or omgaat; — bureau de commerce, fr. oeno vorzamollng van /ciakkuiiiliKC kooiilliMlen In handclsaantioUTonlK\'-(ltgt;n; — bureau des com/jles (spr. (hi koiil\'), do rokoiikarncr, — bureau d\'espril (spr. —despri), vorznniolliiK van scliramloro gceslon, lottorkun-illg gozclscliap; bureau d\'inlelligeme (spr. —dèiilelli-tjdiis) liol aanwljzliigs- of berlclils-kantoor (In Frankryk zelf bureau des pelilcs n/\'-fiches); - bureaukratie (spr. t=ls), f. fr, nr. (d. I. hoorsdmppU van liol Imroaii of do schryftafel oil) do anibtshoorschappü, willekeurige lieerschappU van ministers on boamblon, do samenlrekklng der macht In do handen dor In-dlvldueelo groole amhlenaren unlnlstersonz.) zonder medewerking der andere modeleden op de beslissing; vandaar heorsihappü der vvlllokenr, ambtsvvlllokour, overwicht der ambleimron; bureaukratisch, adj. wal den Invloed dor beambten hetrefl, wal den hureau-niaimen eigen Is; buroaukratismo, n. misbruik van de maehl der bureau-mannen; bureau-manie, f. de zucht om allo takken van bestuur bureaukratisch te bohoeren; - bureel, n. kantoor enz. z. bureau; bureelist, in, (fr. buralisle), kas- of kanioorhouder (Inz. op spoorwegen).

Burét, \\. H. de purpervisch, zekere scheip-visch, waarvan de Ouden eene purperverf maakten.

Burette, f. fr. Ohem. een van een tuitje voorziene, In gelijke ruimtedeeien verdeelde glazen huls om bepaalde hoeveelheden eener vloei-stol af te meten.

Burghart, z. Hurk hard.

Burghers, m. pi. eng., z. Se ceders.

Burglary, eng. (spr. —i) diefstal mol inbraak.

Burgos, m. de glans, dien men op vele soorten van aardewerk door middel van zwa-velgoud woel aan te brengen.

Buridans ezel, m. oen zinnebeeld der besluiteloosheid, wllleioosbeid, onvermogen om te bandelen, eone benaming, ontleend aan II u-r Ida ii, een scholastiek wijsgeer der tide eeuw, die zyne opinerkzanmbeid bijzonder op den wil richtte; bü leerde, dal geene handeling mogelijk was. Indien de wil door nlels lol handelen bepaald werd; ter opheldering zijner meening placht hy hel voorbeeld van een ezel aan te voeren, die, tusschon twee hoopen hooi geplaatst, van honger zou sterven, zoo hy door bolden even sterk werd aangetrokken, (in zyne werken wordt echter illl voorbeeld niet gevonden).

Burin, in. fr. (spr. burin: II. burino, en bolino, sj). buril, vvaarsch. v. \'1 oudboogd. bom, boor) de graveernaald, graveerslifl, het graveer-yzi^r; burineeren (fr. buriner) graveeren, grllfelen, met de graveernaald werken; wapens graveeren.

Burka, f. russ. (van \'l perz. barak, een kemelsharen kort gewaad) een by alle Kauka-slsche volken gebruikoiUke korte, wollige vilten mantel, met de ruwe zyde naar bulten gedragen.

Burkhard, Kiirgliari of Kiireiiard,

oudd. {Ilurghati, I\'urchaii) inaiisn.; een sterke In den burg, een wel versterkte, krachtige.

burtescaniénle, burU\'seo, burldndo. Hal. Muz. pntsleriyk, grappig, kiuehtlg; burlésk (fr. burlesque: van \'I II. en sp. burin, spot, grap, pots, en dit van \'t inid. lal. burra, grap, pots, als van een verklvv. bürrula) aardig, koddig, boertig, kluchtig; beiacheiyk, wonderiyk, zot; hot burléske beslaat in de lachwekkende voorsielling van liet groole en gewichtige; burlétta, f. (spr. boer- ) II. een klein lilu-of kluclitspel.

Burm. of Burmst., by zoologische namen, afk. van Herin. Kunnelster (geii. INII7).

Burnu of Burnus, ■/.. boe moes.

Burrasca, f. II. (spr. hoer--: = fr. bounds-que, z. aid.) onweersbui, rukwind, plotselinge stormwind; onelg. oploopendheld, hevige uitval.

Bursa, f. mld. lui. (van \'l gr. bip-sa, vei, leder, dus lederen beurs; oudboogd. bursa, bu-rissa, fr. bourse) de beurs, geldbuidel; ook eene samenkomst op gemeenschappelyke kosten (vandaar volgens sommigen ons beurs (■/.. aid.); — bursae museusae, f. pl. mv. lat. Med. siym-beurzeii; — bursarïa, de heursworm; — bursarïus, m. wie op gemeenschappelyke kosten met anderen teert, inz., pl. b u rsa r Itin (bursarïi) voormalige studenten, die (als sllpen-dinten) In eene gemcenschappeiyku liuizinge {bursa) woonden en onderiiouden werden (vandaar hel hoogdultsche liursche); de beheerder van hel kloostervermogea.

Bus, eng. verk. van omnibus.

Busard of liussard, m. (fr. busurl, buse, v. \'t lal. bulco, mld. lal. buledrdus, oudd. hü-sar, büsanl) N. H. de muizenvalk, wouw van Gulana, buizert, eone soort van roofvogel lol het valkengeslacht behoorende, waarvan de vleugels ten minste zoo lang /tjn als de staart.

Busc, n. fr. balein in korsetten.

Buschen, in. lioogd. (spr. bóésjen) eene munt ie Aken geldende daar 4 h e 11 e r = 1 cent.

Bush, eng. siniikgewas, kreupelhout; — bushranger, m. (spr. —reendijer) slruikroo-ver, inz. ontvluchte gedeporteerde in Australe.

Bushel, m. eng. (spr. büsjel; mid. Int. buscel lus, oud.-eng. boussel, van oudfr. boissel, nw.fr. boisseau, •/.. aid.) In Engeland een schepel van 8 gallons of ongeveer = liter; 8 zulke bushels doen een quarter.

Bussa of Busa, f. een gegiste drank der Arabieren en Tataren, uit roggemeel of gerooste gierst bereid.

Bussard, z. busard.

bussare, bussardo, bussale, bussaio, bussnla, Hal. Muz. hard, mei kracht aanslaan.

Buste, f. (fr. Ie buste ■, provenc. busl, brusc, li. buslo, in.) een borslbeeld, borststuk van een beelil, dal enkel bel hoofd, de schouders en de borst van een menscli voorstelt; — busteeren, borslstukken maken, In borslbeeld voorstellen.

Bustrophêdon, ■/.. hoestrophedon.


-ocr page 183-

BUSTUM

C

•167

Busturn, n. Int. (vim burire = urlre, branden) clg. do plimls dor verbnindliiK, do plaats, waar mon In hot oudo Homo do doodon vorbranddo on luinno asch by zotte; do m\'af-stoito, hot graf.

But, n. fr. (spr. bu -, oorspr. = bo ut, mid. hit. bulum, otnd, punt, r. h(inton) mikpurd, wit, dool, ODKmork, voornomon; — ile hul en hlatic (spr. -bu-lau-bldii) olm. roclitult of in rochto lijn naar hot dool (schlolon); lljj. Ioswok, onbedacht, zondor ovorlog; — buteeren, (fr. buler), doolon, bodoolon, oon of andor oog-mork bobbon.

Buticularïus, m. mld.lat. (v. butici/tu, llosch, z. bonto Ulo) do nartssolienkor by do dnltscbo kolzors.

Butler, m. ong. koldormoostor, huttollcr.

Butta sella. It., z. bontosollo.

Buttïma, f. oon porzlsch gewicht, ongeveer = II kilo.

Butts, n. pl. eng. (vgl. bmil, fr. bolle, laars) zoolledor by gehoele hulden.

bulyrum, n. lal. boter; bulyrum anlimonti, splesglansboter, nu chloor-antlmonium; b.cerae, wasbotor; b. sulphiiris, zwavelbotor; — bu-tyrine, Chem., boterstof, zekere zelfstandigheid, door Chovreul In ISIH in de boter ontdekt ; — butyrometer, Instrument om hot vetgehalte der melk te bepalen, laktoskoop, ga-laktoskoop.

Buvard, n. boekje van vloeipapier, vloel-boekje.

Buvette, f. fr. (van boire = lat. bibere, drinken) een drinkvortrokje, golagkamortje, een klein vertrek lol liet gebruiken van vorverschln-gon; inz. op spoorwegen; klein buffel, waar alleen dranken lo krygen zyn; ook een klein vriendengastmaal, een kransje.

Buxus, m. lal. de buksboom, in Azië een hoogstammlge boom van zeer vast hout, bU ons sleebis een heeslor {llujus humilis), die lol rand om tuinbedden gebruikt wordt; — buxinéën, pl. mv.lat. buksboomachtige pinnton; — bu-xine, f. Gbom. organische basis uit de lakken en bladeren van Ihuus sempervirem.

Byjy, m. de Indische Ichneumon (z. aid.).

die de vergiftige slangen verdelgt en deswege als huisdier gehouden wordt.

Byronisme, n. (spr. bai—j het navolgen van den dichttrant van lord Byron;—by-rónisch, adj. In den Irani van Uyron, tol zyno dlcbtschool behoorende.

Byssus, m. gr. (by.ssm, f., hebr. büss) zeker kostbaar lynwaad iiij de Ouden, inzonderheid de Egyptonnron, vervaardigd (zooals men gomoeniyk aanneemt) uit de lljnsto boomwol, v. a. uit een zydeachtlg vlas, of wel nli de zoogen. schelpzyde, geleverd door zekere scholp-dieren (inz. door de pinnm marina), die zich met een vezelig weefsel aan de rotsen hechten; —i) Hot. draadachtige, plantaardige zelfslandlj.\'-beden, door beschlmnieling ontstaanbys-solith, in. de straatsteen, een mineraal-plantaardig voortbrengsel, dat naar zyde geiykt.

Bythometrie, f. gr. (van bylluis, diepte, zeediepte) dieptemeting door het dieplood of door borokening.

Byzantisch of byzantijnsch, hetgeen H y z anti u m (d. i. Constantlnopel) en het grlek-sche of ooslerscbe ryk betreft, eigen is of toe-behoori; byzantijnsche schrijvers, byzantijnen, eene volgreeks van grlekscbe scliryvers gedurende het oostersche ryk, van Constantyn den Oroolen (MS) lot de verovering van Conslaniinopel door de Turken (liSII) die de geschiedenis van hel byzantynsche kelzerryk behandeld hebben; de voornaamste, zoo niet de eenige bronnen voor cU\' geschiedenis van het verval des romeinschen ryks; — byzantijnen hoeien ook de gezamoniyke munten dor beheerscbers van het byzantUnscho rük, Inz. de gouden munten, gemiddeld 7 gl.; de munten, die men in Frankryk, naar den stempel en muntvoet der byzanlijnen, sloeg, heetten daar besants d\'or; ook nog de groole eng. goudmunt, de gouden staaf, op IS pond sterling waarde gerekend; — byzantinisme, n. eene regeering zooals In liet byzantynsche of oostro-meinsche ryk, waar de onbeperkte vorst tegetyk hoofd van don staat en der kerk was en aan geesteiyken en hovelingen invloed vergunde op de gewichtigste staatsaangelegenheden.


C O

C., vóór ondrom. namen = Gajus; als ro-melnsch getal = ccnlum of honderd; C twee honderd enz.; — C honderd duizend; — op ther-mometerscbalen = volgens de tOOvoudige verdeeling, volgens Celslus;—c. = cum, lat. met; c. = cenlime, cenl, honderdste gedeelte van een frank, een gulden of amerlkaanscben doi-iar; — C. A. — Cajsar Augustus; — c. a. = rum annexts, Int. met de bUgevoegde, by-behoorende, toegevoegde, aangehnngene, enz.;

— cn. = circa, lat. ongeveer, omtrent, rondom;

— (V/. = centiare are of vlerk, meter);

— c. a. (I. — c\'esl d dire, fr. (spr. cDladier\') dat is te zeggen, dat beteekent; — C. a. M. = conln a meln, voor halve rekening; — ca;) = capitSlis, lat. b. v. pn-na cd;)., de doodstraf; ook — capul, lat. hoofd, hoofdstuk; — C. (\'. (op recepten) = cornu cervi, hertshoorn; —C\'.


(\'I »lt;■ woorden, dit* nan ln-t Krioknch of nan niet*«iirop«eMrhe (alen #ijn «taan, vindt inrn onder K.

C

-ocr page 184-

CABESTAN

c

168

C. — codices, oude handschriften; — c. r. = conto cunenle, loopenilc rekeniiiK, rekcnlng-eourant; — c. c. = concide, conlümle, of con-cidalur, conlmilu/ur, lii(. snyd In stukken, sloot lijn (op recepten); — f. ex. = cum expensü, met (Ie kosten; — c. f. of conf. = confer of confefSlur, vergclUk, men vcrgelUko; — /•\', = cum flliuris, lal. mei platen; — C. F. = cum fiiiuris aenlis, lat. mot koperen pinten;

— C. /•\'. Lion. = cum figuris lignHis, lat. met houtsnee-platen; — cd = centigram, wichtje; — cl. - centiliter; — cM. = centimeter; — f.UJ. = vlerk, centimeter; — cM*. = kubieke centimeter; — (\'. M. of Cand. Min. — Camlidulus minixlerïi, candldnat van den predikdienst; — M. = Conventions Mtinze, conventie-muni; — jY. = cum notis, lal. met aanteekeningen, aanmerkingen; — Cu. — Cnejus (ondrom. naam);—C. JV. O. = chris-leiük nationaal onderwijs; — ;Y. F. = cum notis variorum, lal. met nanteekenlngon van versclilllenden; — Co., Camp., (\'/gt;., C/iie., of Cie. = compagnie; — (\'. O. = cumple ouvert, open rekening; — Cod. = codex, oorspronkelijk geschrift, liandschrlfl; — Corfd. codïces, pl.;

— Cod. M. S. = Codex manuscriptus, z. aid.;

— Col. — l)rlef van Paulus aan de Ooiossen-sen; — coll. = collntis, gecollationeerd, tia ver-gelüklng; — cons. -- consul; ook consorten, medestanders, medeplichtigen, declgenooten; — Cor. = Corinlhe (brief van Paulus aan); — Coq. (op recepten) = coi/mb, kook het; — corl. (op recepten) = cortex, bast; — Cos. = c o n-sui; pl. Coss. = consults, consuls; — cos. = cosinus: cosec. = consecans; cotg. = cotangens-, — C. = code pénal, strafwetboek; — c. p. = cum privilegie, met bijzonder voorrecht; ook = ceteris paribus, voor \'t overige alles ge-Hjkstaande-, — c. g. = casu quo, lat. in welk geval; — C. II. = civis /iomanus, lal. een ro-meinsch burger; ook = Carolus [Christianus) Hex., koning Karei (Christlaan); — c. s. = cum suis, lat. met de zijnen; —ook = cum sociis, met zijn deel- of lotgenooten; — Ct. = cen I;

— Cl. of Crt. = courant; Ctr. = centenaar; — Cts. = cents, centimes: — c. u. = cum uxore, met vrouw; — curr. — current is (sell, nnni), van hel loopende (jaar) ook = current is {ami of mensis) z. onder currency;— chemische teekens zyn: — c. = carhonicum, koolslof; Ca. - calcium: Cd. = cadmium. Ce. = cerium: Cl. = Chlorum, chloor-. Co. = co-hol turn, kobalt; Cr. — chromium, chroom; Cu = cuprum, koper.

C, als munlleeken: op Pruisische munten vroeger Clevo, later (en In bet Dnltsche ryk): Frankfort a/M, op ooslenrUkscbe: Praag, op Hannoversehe; Clauslhnl, op fransche; SI. I,ó, later Caen.

C., hij nntuurwetenscb. benamingen afkor-ling voor Cuvler.

Cab, f. eng. (spr. keb) eene soort van en-gelsch luiurryiulg, liiMzij vierwielig (voor i personen) of tweewielig (voor 4 personen); de tweewielige cab, een soort cabriolet, wordt gewoonlijk Hansom-cab of korlaf hansom genoemil.

Cabaal, f. fr. (van kabbala, z. aid.; niet, gelijk nog vaak wordt aangenomen, van \'I zoogen. cabal-mlnlsterle van Karei II van Engeland, In 11)70, welks quot;gt; leden Clifford. Arlington, Buckingham, Ashley en Lauderdale In de heglnlellers hunner namen het woord cabal voortbrachten; immers bot woord komt reeds In 1(13« en vroeger voor), of kabaal, een geheim verbond, heimelijke verslandhouding, bedekte verhlnlenls tot eenig kwaad doel; samenspanning, verraderij; llslige slreken, geheime, sluwe legenwerking; — ca-baleeren (fr. cabater, k a h a I e e r e n, arglls-lig, bedeklelUk ie werk gaan, sluw berekende aanslagen smeden; — cabaleur, m. samen-roller, samenspanner tol geheime aanslagen;— cabalist, kaha list, ■/.. kahbnllsl.

Cabake, ka bak.

Cabiil, een faboiacbilg geschledhoek der Turken; z. verder c a v a 1.

cabaleeren, z. ond. cabaal.

Cabalétta, f. 11. (fr. cabaletfa) Muz. juister ca val etta (z. aid.)

Cabaleur, cabalist, z. ond. cabaal.

Cabal, v. ca val; caballéro, sp. (spr. kawatjéro) z. v. a. cavalier, ruller; — ca-balléros, eeno soort van spaansche wol; — caballinus, m de lal. benaming van het grieksche h 1 p p o k r é n e.

Caban, m. fr. (spr. —ban) regenmanlel, schanslooper, regenjas.

Cabane, f. fr. (van cell, oorsprong; wallis. cab, verklw. caban, lersch caban, eng. cabin, bul-, eene hul, siroobui, sluip, armoedige woning; Mar. eene scheepskooi, een stuurmans-verbiyf, ook eene soorl van klein vaariuig met een dek.

Cabaret, n. fr. (spr. —ré) een wyn- of bierhuis, eene herberg, kroeg; een kollle- of Ibeeblad; caharel borgnc (spr. bornj\') eene slecblc kroeg, knip; — cabareteeren, druk In de kroegen loopen; — cabaretier, m. (spr. —retjé) een kaslelein, kroeghouder.

Cabarre, f., z. gabare.

Cabas, m. fr. (spr. Imbamid. lat. cabassio, cabassius, cabacus, cabacelus, waarsch. v. capax, een groot vat, en dll van \'1 lal. capax, ruim, veel inhoudend) een biezen vygenkorfjo; eene platte biezen vrouwenlascb of werkmand.

cabella securil/ilum, f., z. v. a. assurantie-kamer in Itallnansche zeehavens.

Cabbala, z. kabbala.

Cabes, in. eene rekenmnni In Guinea, ongeveer = it gi. «o cl.

Cabestan, m. fr. (spr. ka-b\'stdn: sp. ca-bestranle, v. cabestran, met don balster vastbinden, cabestro, halster, van \'I lal. capislmm, balster, band, muilband; v. a. van \'1 sp. cabrc, bok, ais werkiulg om lasten op te bellen, en stantc, staande) kaapstander, de ankerspil, gangspil, de dikke spil. waar bel kabeltouw om loopt, om de ankers of andere lasten te lichten.


-ocr page 185-

CADENETTK

CABIDA

46»

Cabida, f. de portugoosclie cl.

Cabildo, n. sp. (van \'I hit. rapilülum, z. capIItol) hel dumkaplttel; de stadsraad; hel kapittelhuls, raadhuis (in /uiil-Aincrlkamische Slaton.

Cabinet, enz., ■/.. ka lil net.

Cabiscola, m. lat. voorzanger in K. K. kerken in de middeleeuwen.

Cabo, m. sp. en port. oen voorgolierglo, z. v. a. kaap.

Cabochon, m. fr. (spr. kabo-sjnii, v. ca-hnclie, dik hoofd) elk naar zyn natuuriyken vorm (meestal convex) geslepen, niet gefacetleerd edelgesteente, (Inz. rohün).

caboteeren, fr. (caboler, van \'t sp. raho, kaap, oorspr. van kaap tol kaap varen) de kusten hevaren en daarop handel dry ven; — cabotier, m. (spr. —tji) of cabotière, f. een kustvaarder, een klein vaartuig lol de vaart langs de kusten; het eerste woord ook; een loods; —cabotage, f. (spr. —/ri-zj\') de kust-kennls, de scheepvaart langs de kusten; de kuslhandcl; — eabotin, in. (spr. tiii), ca-botine, f. fr. weleer; rondreizende tooneel-spelor; ~ eabotineoren, als tooneelspeler rondreizen

Cabriole, f. fr., z. v. a. capriole (z. aid.); vandaar cabriolet, n. (fr. spr. —W) elg. een lichl rytulg dal luclilsprongen maakt; een rytulg met twee wielen en met een paard hespannen en voorzien van een voorzlthankje.

Cabuja, f. (spr. u=nii: sp. calnij/a) eene soort v. Z.amerikaanschen hennep.

Cacadoe, z. ka ka toe.

cam du douiihin, n. fr. (spr. —dofèh) eene geelgroene, voorheen geliefde modekleur; — cacatoria, f. {schertscnilerwys gevormd volks-latyn) hulkloop, dlarrhee; — cacalum non est liictum, knoeiwerk (elg. kakkery) Is geen schilderen; — cacazibetto, m. Hal. (v. cacare en zWetln = c 1 v c I, z. aid.) pronker, modeheerlje.

Cacadór, m., pi. ca^adóres, port. (sp. cazailor, v. cazur — fr. chasser, Jagen) Jagers, iiehlgewapend voetvolk.

Cacao, z. kakao.

Caccia, f. Hal. (spr. kalsja) de jacht; Muz. jachlmuziek mol horens, Jachtsluk in maat (z. chasse); — alla caccia, Hal. naar de wyze van Jachtstukken; cacciatore, m. Jager.

Cachalót of cachelót, m. fr. (spr. kasjelót) de polvlsch, (Physeler macrocephatus), eene soort van walvlsschen, In wier grooten kop hel walschot of de witte amber (of het ver-keerdeiyk zoo geheeten sperma celi, lat.), eer»^ veisiuf, die de hersens omgeeft, wordt gevonden. 1)11 walschot wordt in de geneeskunde gebezigd, en met wit was vermengd worden er kaarsen van gemaakt.

cacheeren (spr. kasjeeren), fr. cacherv. \'t lal. coactare, gevormd uil coactus, samenge-ilrongen) of caché-houden, verbergen, versteken, bemantelen, verzwijgen, geheim houden, verheien; hij boekbinders: met papier beplakken of overtrekken; cache-nez, m. (spr.

kas\'jné) neusdekker, een halsdoek, waarmede men zich neus en mond legen de koude bedekt; — cache-pain, m. (spr. kasjepth) deksel voor den broodhak (Ier beschutting voor slof, vliegen, enz.); — cache-pot, m. (spr. kas\'jpót) overtrek over een bloempot; — ca-chét, m. (fr. spr. kasjè) een zegelslempei, briefsluiter, signet, zegel, z. nok 1 e 11 r e; cachet volant (spr. —woldti, elg. vliegend zegel) een brief, voorzien van oen zegel, dal enkel den bovenomslag sluit; — cacheteeren (fr. ca-cheter), verzegelen, toezegelen; — cachót, n. (fr. spr. kasjó) een diepe, duistere kerker, een donker gat of hol voor gevangenen; — ca-choterie, f. fr. (spr. kasjnt\'rie) ongepaste geheimzinnigheid In woorden of daden, geheime samenspraak over nielsbeduideiuie dingen.

cachinnus, m. lat. het luide lachen, schateren; cachinnus convulsïvus, lt;le lachkramp; — cachinnatie (spr. t=ts), f. (lat. cachinnatto) heftig, luid gelach ; — cachinneeren, luid lachen, schaterlachen.

Cacholong, m. (fr. cacholonfi, v (\'ach, eene beek in Bockarye en het Kaimuksch rhn-lonfi, steen) de schoone steen, schoonsteen, eene melkwitte variëteit van opaal.

Cachot,cachoterie,z. oud. c a c h e e ren.

Cachótte, f. fr. (spr. kasjólt\') eene ia-bakspyp zonder hieltje.

Cachou, n. fr. (spr. ka\'sjoe) z. v. a. katsjoe; — ook püp zoethout, drop, angsdrop, enz. ais middel legen hoesten, kwaiykriekenden adem enz.

Cachücha, f. sp. (spr. katsjóétsja) een nieuwe, zeer wulpsche spaansche dans met castagnetten, uit den bolero en fandango samengesteld.

Cacique, m. (sp., uit de taal van Haïti) Ka elke, titel der voorin, vorsten van Mexico, Peru en andere amerik. landen; legenwoordig nog; stamhoofd, vorst by de wilde Indlaansche volksstammen In /.Amerika.

Cacolet, m. fr. (spr. -lit) in de Pyrcneen: een muildier of ezel met twee korven, In ieder van welken een reiziger zil.

Cactus, m. (gr. kdktos), do toorts-of fak-keblistci; eene ia Z.Amerika t huis hehoorendo vieezige en met slekeis voorziene plant; — cactéën, f. pi. caciusachtige gewassen-, cactieten, m. pi. cactusversteeningen.

Cacümen, n. lat. top, pnnt, spits-, -cacumineeren, aanpunten.

Cadaver, n. lat. (v. radfre, vullen) een Hik, een dood lichaam; —cadaverous (lat. cadarerosus, a, um) iykachtlg.

Cade, f. fr. (van lat. cadus, vat of maat voor natte waren) 1000 liter, volgens het fran-sche systeem van ntlS.

Cadeau, n. fr. (spr. kadó); (v. \'tint. c«-tcllus, verkiw. v. catena, keten, een sleriyke, kunslige pennetrek; een klein geschenk, eene gedachtenis-, - cadeleeren, kunstige penne-trekken maken, letters enz. met krullen opsieren,

Cadenette, f. fr. (spr. —nèt\') 18e eeuw-


-ocr page 186-

CA DKXT

C/KSAH

170

scho, Inz, mllltairo liaardracht (met twoo hiiar-vlcchlen die onder het hoofddeksel werden opgebonden).

cadént, adj. lui. (cadens, v. cadSre, vallen) vallend, zinkend; — cailénle (mese cadenle) U. Kml. de vervallen, afKoloopen, vervlogen maand j — cadence, r. fr. (spr. kaïldtis\') It. cadenza (spr. cadénlxa, mld. lat. cadentia, do val, hel vallen) de slot val In de rede- en toonkunst; de stemval, zangmaat, de nette, juiste overeonkomsl, oorslroelende samenvatting van de deelen eener rede; de geiyke gang of maal in liet dansen, de dansmaat (ook hy goed gedresseerde schoolpaarden); — cadenceeren (fr. cadencer) afmeten, h. v. zijne schreden; ronden, afronden, welluidend maken, li. v. eenen volzin.

Cadét, in. fr., of ka d é 1 (oudfr. capdet, mld. lat. cadelus, als ware \'I lal. capilitlum, als ver-klw. v. capul. hoofd, spits, uiterste einde) weleer In Frankrijk de jongere zoon eener adellijkquot; familie, die, dewyi de gansehe oudei\'Hjko hezlttlng op den oudsten zoon overging, eene lijfrente kreeg, of wlen men voordeellge hof-posten, eene geestelijke of mliliaire waardigheid zocht te versclialTen; later werd de naam, ook ten onzent, gebezigd ter aanduiding van een jong mensch, die voor den krygsmanssland wordt opgeteld; tol hunne vorming werden cadét-tenscholen opgericht (die niet met de vroegere militaire scholen verward moeten worden); — cadétte, f. fr. de kortste van de helde lange keuen, waarvan men zich hy het hll-jartspel bedienl, om veraf liggende hallen Ie bereiken; ook een gehouwen steen lot bestraling, v\'.oerlegel; cadetteeren, met vloertegels bestraten.

Cadillac, m. fr. (spr. kadi-ljdk) eene soort van Bordeaux-wyn (naar de fr. stad Cadll-1 a c, In het departement der Gironde).

Cadine-olie, f. (v. fr. en provenc. cade, groole jeneverstruik) soort olie uit jeneverbessen, als geneesmiddel tegen huidziekten.

Cadis, in. fr. (spr. kadi, eng. caddis, oud-eng. caddies, van eelt. oorsprong) eene lijne gekeperde wollen slof.

Cadjoolee, n. (spr. —zjnetie) ooslindisclie variëteit van hel suikerriet.

Cadmia, cadmium, z. k —.

Cado, m. eene Inhoudsmaat voor droge waren in sommige streken van Malie en Griekenland: op de Ionische eilanden = 00,nl)1 liter.

Cadogan of catogan, in. fr. de (naar lord Cadogan zoogenoemde) tot een bundel saamgevlochten en boven op het hoofd bevestigde haren, de liaarvlechlbundel.

Cadran, m. fr. (v. \'I lat. quairans, vgl. qm-dranl) een zonnewyzer; de wyzerplaat van een uurwerk; de deelscbyf voor de orgelrollen.

Cadre, m., doorgaans kader, n., fr. (oudfr. qmdre, v. \'I lat. quadrum, vgl. carré) eig. raam, lyst, omgevende rand ; Mil. al de olllcleren, onder-olllcleren, enz., die lot het tactisch bestuur van alle onderafdeellngen der troepen bobooren; zy vormen de elgeniyke Inslullingsrotten en vandaar ook de naam; voorts lig. hel plan, onl-werp van eenig werk; cadreeren, vierkant maken; passen, voegen; opgaan, doen uil-komen (h. v. eene rekening).

caduc, fr., orcaduuk, adj. (lal. cadocus, v. cadlre, vallen) vervallen, oud en zwak, bouwvallig; broos, vergankeiyk; onbruikbaar, bedorven; ca dunk goed, in hel leenrecht een goed, dat aan den leenheer verviel; ook lan-deryen, die onbebouwd biyven liggen; ca-duciteit, f. de zwakheid, vervallen toestand, bouwvalligheid; Jur. de vervalbaarheid, het vervallen zyn van eene erfenis of oen legaat.

Caducëus, m. lat. de gevleugelde slangenstaf van Mercarius, herautstaf, vredestaf; Caducïfer, m. bynaam van Mercarius, stafdrager.

Cseciliaan en Cseciliun, lal. mansn.; eig. do blinde, kortzicblige; t. C86cilia; — Stquot;. Csecilia, de heschermhelllge der loon-kunst.

CBelator, m. lal. (v. caetSre, In metaal griffelen) een plaalsnyder, dryver, kunstenaar In gedreven werk; — CEBlatuur, f. de plaalsny-kunst; vorm- of slempelsnykunsl.

Cselibaat, z. c ie 11 ba al, ond. ccclebs.

Csesar, Gesar (spr. s=z), lat. mansnaam eener familie van het geslacht der Jullussen, eig. de uit het moederiyf gesnedene (van cae-dëre, cuesus) dewyi de eerste van dien naam uil het iyf zyner moeder gesneden werd, vandaar de keizersnede; waarsch. echter verwant met caccarfcs, hoofdhaar, sanskr. kêca, haar, dewyi hü met haren werd geboren, of wel dik behaard was; vandaar nok de naam Ca es o, d. i. de langharige) Inz. de groole ro-molnsche veldheer en dictator Cajus Julius Caesar (geboren 10«, vermoord ii Jaren vóór Chr.); na hem de titel der romein-sche alieenheerscliers, vandaar ons woord k e I-zer; Caesar non supra grammaftens, d. I. de keizer (gaal) niet boven de spraakkunstenaars of laalkundigen: des keizers bevelen kunnen geene taalregels omverwerpen, of lig. de keizer kan hel recht niet tol onrecht maken. Het spreekwoord is daaruit ontstaan, dat keizer Si-glsmund eens het woord schisma als vrouwe-tyk gebruikte, en toen, om de fout te bedekken, het (vergeefsche) bevel gaf, voorlaan hel woord steeds als vrouweiyk te gebruiken; — caesarca majestas, lal. kelzeriyke majesteit; — caesarfofiapia, f. do inbreuk van de regeering op do rechten en plichten der geesteiykheld; het togenovergestelde daarvan is de papocae-saria, of Inbreuk der geesteiyken op de rechten en plichten der regeering; — csesaré-witsch, m. (russlsch zessaréwilsch), csesa-rewna, f. (russlsch tessarewna), ■/.. czure-w 11 s c li, c z a r e w n a, onder c z a ar; — CBB-sarisch, adj. keizeriyk; csesarisme, n heerschappy ais die van Ciesar, cicsarische regeering, Inz. het napoleontische caisarisme; —


-ocr page 187-

CESIUM

171

CA JOK

csesarisch, iidj. op hol cmsarlsmo holrek-kiiiK hebhondo.

Ceesium, n. Chcm. con in isiifl ontdekt «IgenaardlK liclit metaal.

Cesstus, z. eest us.

Coesuur, r. lat. (spr. s=j; caesura, van caedüre, hakken, snUden) Poet. eene verssnede, de deellnK quot;f Insnedo van eon versregel door het eindigen van oen woord In oenen versvoet; ile stemrust 1)U liet opzeggen van oen veis na een zeker getal lettergrepen.

Cafard, m. fr. (spr. kaf Ar, v. \'t arah. kafür, kafir, kafr, ongoloovlge, en dit v. kafaru, on-geloovlg zyn. God loochenen; vgl. kaffers) een huichelaar; - cafarderie, f. hulcholarU, schUnhelllghold.

Café, f. koiiio (z. a.); ook: kofllohuls; café-chantant, n. (spr. xjimidii) «f café-concert, n. (spr. —koiisèr) kolUohuls of opon-hare plclzlortuln, waar zanguitvoeringen gegeven worden; café-restaurant, n. (spr. —rèstordh) kolllchuls waar men tevens eten kancafeïne, I., z. v. kaffeïne; — ca-feometer, in. kolllometor; cafetier, m. (spr. kalquot; Ijé) een kollloschonkor, kolllehulshon-der; cafetière, f. de kolllekan, koOleketel.

CafHno, in. II. eene llallaansche vochtmaal, op Malta = 20,,, to Palermo = 110 0 „ liter.

Caflla of cafiila, f. weleer eene kleine koopvaardijvloot, diode Portugoezen van de kusten van (luzorato onder gelolde naar Surate zonden; ook eene karavaan, reizend handelsgezelschap In llarhni\'ijo, Perzlë, liiillë.

Cafis, eaflz of cahlz (spr. kafies, knhies) m. sp. (van \'1 arah. qafh, mld. lat. caphitius, caficium, calfirus) eene spaansche korenmaat = «lift liter; een cahlz dool 12 fane gas en een fanega 12 eelemliios; — Cafiso, ni. 11. eene oliemaat in Messina op Sicilië, ongeveer 3,7 liter; ook eene maat te Tripoli, = \'•ft,t\'gt; en te Tunis = S2,N:i Hier.

Cafoesos, m. pi. een gemengde slam van Indianen en Negers in /.Amerika.

Cage, r. fr. (spr. ka-tj\', oig. kool; van \'1 lat. caeea) do raderkas van een uurwerk; ook: c r i-n o 11 a e, hoepelrok (als \'I ware een vrouwen-kool).

Cagots, m. pl. (misschien van \'1 provenc. can of ca Col, d. I. cam\'s Cnthus, gothlsclie hond, wegens de vormooniie afstamming van de West-gothen) overliHjfsels van oen oorspronkelUk volk in \'I 7.\\V. van hrankrUk, dal weleer waarsch. In slavornü heeft geloefd en als onrein van de menschelUke maatschappij werd uilgeslolen, daar men hen voor menscheneters, keilers, melaat-schenen stompzinnige Cretins hield. De om-wentcling van 178« hooft een einde gemaaki aan allo Jegens hen bedreven ongerecbilgbeden, on van de Cagots is nu alleen de naam overgebleven, dien men hooft overgebracht op de schynvromen; - cagot, m. fr. (spr. kaaii) oen huichelaar, geveinsde, lijnman, schUnhcillge;— cagoterie, t. on cagotisme, n. de huiche-lary, schynhoillghclil, geveinsdheid.

Cahier, n.fr. (spr. kujé; oudfr. caïcr, (/««-yer, provenc. qailern, sp. cmderno, v. \'1 mld. lal. quale mus, qualernum, qualemium, qmler-aio, z. i|unlornlo) een hoekje papier, een schrijfhoekje;—ca/iier des charges, opgave der voorwaarden van vorpachtlng, aanhesleding, enz.; op spoorwegen: klachlenboek.

Cahiz, m., z. cafls.

Cahizada, f. eene landmaat in Spanje, — 49,8(17 aros.

Cahoen, in. rekenmunt ia de provincie Bengalon = ; (conipagnle)-ropU = 2ii centen.

Cahórs, m. eene voortreireliiko wijnsoort, zoo geheeten naar de fr. stad Cahors, hoofdplaats van het dopartoment du l.ol.

Caïc of caïque, z. kalk.

Caïncawortel, in. de wortel van eea in Hraziilé in \'1 wild groeiende struik, als geaecs-middol togen slangeheton en bnrslwatorzucht gebruikt (Chinciocca anguifuga en racemnsa); --caïncazuur, a. oen eigenaardig in dien wortel voorhanden zuur.

fffl-tni, fr. (spr. sa ird] dal zal gaan! dat zal lukken; Uidens do eerste fr. revulutie de aanvang van een geliefd, mei dans verhonden Ja-cobynsch volkslied, waarmede men zich lol ge-vaariyke ondernemingen of lol gruweiloiineelen aanmoedigde (voluit luidde \'I begin: ca int, ca tra, les arislocrales a la lanleme! dal zal gaan, (hangt) de arlslokraten aan de lantaren); ook oon toenmalig modespoeltuig.

Cairn, m. in Groot-Brltlanje voorkomende steenen gedenkleekenon uil den coillschen lijd, uil kegelvormige steenen van verschillende grootte bestaande, met oon plallen steen op den top.

caisse, f. fr. (spr. kèss: — Hal. cassa, provenc. cai.vsd, v. \'1 lat. capsa, en dll van \'I gr. kdpsa, koker, doos, enz.) de kast; de kas; — caisse d\'escnmple, fr. (spr. —deskoiil\') eene kas van voorschot of uilwisseling voor staatspapieren, eene disconto-kas; — caisse-forle, de geidkisi;

caissier, m. (sjir. kèssjé) de kasbesl uurder, kassier;--caisson, in. fr. (spr. kèssóii) een klstwagen, legorklst, proviandwagen, kruitwagen; hot kistje onder den hok vaneen ryiuig; Uzeren zinkkaslcn om gecomprimeerde luchl op te nemen by het houwen van hruggen en andere werken, om fundamenten te leggen in ri-vierboddingen; — caissons, m. pi. Arch, kasl-vormige afdeeilngon of vakken, h. v. aan do zoldering; caissnn d\'ambulnnce (spr. -doiiliu-laiis\') een wagen van een veldhospllaal; caissnn d poudre (spr. poedr\') een kruit wagen.

Cajabo, n. sp. mahoniehout (Swilenia ma-hagoni).

Cajetaners, pi. eene kalbolleko socle, die niet voor eigen onderhoud zorgl, maar alles, wat voor \'I loven noodig is als geschenk der Voorzienigheid en dor licfdaillgheid des naasten verwacht.

Cajoe, boter Kajoe, m. mal. Kot. boom of bout; hel komt als samensleliend voorvoegsel by vele gewassen, b. v. caj oe-ba roeda n.


-ocr page 188-

CAJOLEKREN

172

CALCULUS

cajoc-bolia, liul. liooimin, cajoo-Jnpiin, een hoorn op Java, cajoc-hollanrta, enz,

cajoleeron ispr. kazjnteeren), fr. (cajoter) lletkoozoii, slreelen, vielen, nikllooien; ca-jolant, vleiend, lletkoozend; — cajolorie, f, de liefkoozery, vlelerU; — eajoleur, in. llofkoozer, vleier; cajolense, t. vlelster.

Cajus, m, lal. (Jnistor ffesch. Gajus) een uud-rom. voornaam; ook naam van een rom. rechtsgeleerde nlt den lijil van ilailrlanus, die, evenals Sempronlus, een andere reelilsftcleerde, 1gt;Ü Juristen wel eens eeno slrydendc party in het algemeen heteekenl, die men idet nader noemen wil, h. \\. (lajus legen Sempronlus.

Cake, t. eng. ispr. keek] klein, rond, droog koekje; ook lets van dien vorm, Inz. soort van engelsche h 1 s c u 11 s.

Cakingkool, f. eng.-ned. (spr. kee—) huk-koel, steenkool, die hy hel verkolen aaneenlmkt.

Cala, f. 11. sluiphaven, landingsplaats.

Calabas of kalebas (van t sp. caluhaza, fr. c(!labasse,\\. arab. oorsprong) Ue kauwoerrte, welker lleschvormig houtachtig bekleedsel als vat kan dienen, wanneer men tiet liinnenste moes wegneemt; ook het daarvan vervaardigd drinkvat.

Calabreozen, m. pi. it. hewoners van Ca-lainië in Heneden-Unlie; ook de calahrlsche hoeden, ais leus der repuhilkelnen.

Calade of chaiado (spr. sjalnad\'), t. fr. de liellonde grond, dien men een paard In korten draf doel alloopen, om hel te leeren de heupen te huigen en liali le maken, de rij-baaiihelling.

Caladmm, n. nw. lal. (oorspr. ooslIndisch) Bol. eene schoone hroelkasplaid mei schildvor-mipe, in hel midden purperkleurige bladeren.

Calaguala of calagualawortel, m. sp -z.amer. (spr. u=ne) een genceskrachiige wortel uil Pcrn, soort van polypodium.

Calamistrum, n lal. (v. ealimm, z. aid.) hel brandijzer voor het krnllen der haren; on-eig. overladen redelool, smakelooze sieraden.

Calamiteit, f. lat. (calamllas) een onheil, inz. zulk een, dal veie personen Irefl (zooals oorlog, pesl, cholera), algemccne nood, ongeval, ellende, jammer, rampspoed; — calami-teus, adj. ellendig, rampspoedig, ongelukkig; — ca lam lie use polders, polders, die aan zee gelegen, meer bedreigd z.yn dan andere en niet in de kosten hunner walerkeering kunnen voorzien.

calamus, in. lal. (v. \'I gr. kalümos, vgl. ka-lam) riet; kalmoes; — calamieten, m. pi. nw. lat. versteende rietgewassen.

Calander, m. fr. {calandre) een werktuig mei rollen om laken en andere stoifen le glanzen en glad le maken, mangel; ook de korenworm, zeker zwart insect, dal het koren op de zolders verslindt; — calandreeren fr. ca-landrer), mangelen, glanzen, glad maken; — calandrine, f. een liksleen, glanssleen.

caldndn, z. ond. cal eer en.

Calandra, f. groole lial. knineeuwerik, een uitstekende zangvogel , vandaar calandróne, f. Mnz. eene ilnllaunsche schalmei mei twee kleppen.

Calanes, sp. (spr. kalanjes) zlgeunerhood.

Calange, f. ondfr. (spr. kalnhzj\') de boete, de aiinhallng van smokkelwaren; — calan-geeren (fr. calunqer), beboeten, aanhalen.

Calao, m. sp. neushorenvogel {Buceros).

Calascione, f. it. (spr. kalasjóne) een in Keneden-llalll\' gehrnlkeiyk snarenspeellulg, gc-lykende naar eene kleine lull mei langen hals.

Calata, f. 11. (eig. afhelling, val; vgl. calade en ca leeren) een dans mei snel tempo (In 4 maal).

Calcant, m. lal. {cdlcans, geuit, cakdntes, v. calcare, treden) een treder, hlaasbalgtreder, orgellrapper; windmaker; — calcatüür, f. (lal. culcalura) het treden, trappen.

Calcaria, f. (v. \'1 lal. calcanus, a, urn, van mix, kalk) kalkmelaal, kalkaarde, kalk; — cal-Ciden, in. pl. kaikuchllge lichamen; — cal-cilith, m. de kalksteen; calcineeren, nw. lal. verkalken, lol kalk branden; Chem. het blootstellen van lichamen aan de gloelhllle, om hen van beslanddeelen, die door de hitte vluchtig worden, te bevrijden, of om hen door opnolnlng van bestanddeeien, waarmede zy zlcli bu groole hitte verbinden, chemisch le veranderen; Inz. wordt door het calcineeren van vele metalen, onder toegang der lucht, hunne ver-blnding met de zuurstof bewerkstelligd, zij worden geoxydeerd en men noemt hen dan in e t a a I o x y d e n; — calcinabel, adj. verkalkbaar; - ealcinabiliteit, f. de verkalkbaarheid; — calcinatie (spr. I=ls), f. de verkalking, hel verkalken; — calcineus, kalkachtig; - calcium, n. nw. lat. de melalllsche basis der kalkaarde; calcium-oxyde, n. de verbinding van calcium mol zuurstof, d. 1 kalkaarde.

Calceamént of calceaat, n. lal. (van calx, hiel) voelbekleedlng, schoeisel.

Calceolaria, f. lal. Bol. panlolTelbloem, panlolleltje.

Calcio, in. 11. (spr. kallsjioi eig. een voelstoot, schop, v. \'1 lal. ralx, hiel) een halspel, dal in Hall# bij vreugdefeesten en in het car-ncval In zwang is, en waarbü de spelers den bal voorlschoppen.

calcitreeren, lal. IratcilrSre, v. calx, biel) aehterullslann; weerstreven, zich verzetten; — calcitratie (spr. Iie=lsie), f. nw. lat. het achteruitslaan; verzet.

Calcograaf, z. chalcograaf; — cal-cothar, z. col cot har.

Calculus, in. lat. (verklw. van calx, steen, kalksteen) t) de steen; blaas-of niersteen; hel sleeniyden; 2) gelijk calcul, m. fr. (spr. kal-kml) de rekening, berekening, rekenwyze (van het lal. calculus, een steentje om te rekenen); ook hel kieinsle oudromeinsche gewicht (2 calculi = I seliqua of r\\ scrupel); in calcülo, in de lelling of berekening; error in calcülo, foul in de lelling of berekening; pro calcülo, voor


-ocr page 189-

CALDAMÉNTK

173

CALIBER

lt;10 (JuistliRlil iler) rckonlnff, d. w. staal N. N. horK (dnor ilc nir/lmior ccner rokonlng onder pone Juisl liovondcn rckeidnj? Kezct); — calculus Minénme, lat. clK. steentje van Minerva ; de Keiykheld der stemmen ter gunste van eenen sclmldlfne; - calculeeren, rekenen, lieroke-iion, uitrekenen; oen overslag maken; op lian-delsvoordeolen peinzen; — calculabel,adj. lierckcnlmar, telbaar; — calculatie (spr. l=ts), f. de berckerdaK, overslag; — calculator, in. lat., calculateur, fr. m. do re-konaar, liorekenaar, Inz. narekenaar, onderzoeker dor berokenlagon -, — calculatuur, r. ii« rekenkamer; — calculeus, adj. (lal. cultulo-sus, n, um) steent)?, gruizig.

caldaménte, ital. !Mnz. warm, vurig, krachtig.

Caldarisch erts, n. (naar het lat. culdu-rmm aes, erts, dat zicli alleen door hitte laai hewerkon; v. catdarms, tol do warmte lichoo-rende) een door Loos te herlijn uilgevonden, naar goud gelijkend metaalmengsel, uit koper, zink, enz.; — caldarium, n. een vertrek voor warme liaden ; ook: warme kas, broeikas.

Calderari of Calderaï, m. pi. it. eig. ke-lelmakers, keieiiappers, koperslagers; benaming van een uil de carbonari {■/.. aid.) ontstaan geheim politiek genoolscbap in Italië.

Calderilla, f. sp. (spr. —riélja eig. een kleine koperen ketel, verkiw. van culdera) het kopergeld, de koperen munt.

Calebasso, z. ca la bas.

Calèche, f. fr. (spr. /é»jquot;), z. kalos.

Calécoetsche haan, z. c a 11 c o e t s c h e li a a n.

Caleoons, rn. pl.fr. (spr. —.«1«, Hal. cal-toni, broek; v. ca/:», kous, v. \'I lal. calcëus, halve laars, en ilil v. calx, biel) onderbroek.

Caledomë, n. (lal. Calaloiita, f.) oud en dicblerlgk voor SelKdiand; - Caledonïërs, •Scliollen, inz. de eeltisehe Hoogscbollen, Gaeien;

caledónisch, adj. schotsch.

caleeron, 11. {caldre: van \'t gr. chalan, los-lalen, laten zakken, vgl. ealade) nederlalen, doen zakken; de zeilen slryken; Kmt. het ver-elschle gewicht niet hebben; — calando, Muz. afnemend, wegsmeltend

Calefacientïa, n. pl. lal. (van ciilefncgrc, warmmaken, verwarmende middelen ; — cale-factor, m. n\\v. lat. een verwarmer, kamerstoker, bediende; onelg. een oorblazer, verdeeldheidzaaier; — calefactie (spr. f. de verwarming, warmmaking; calefactëren nf kaIfakleren, fam. allerlei aan lt;le hand hebben, zich in eens anders zaken steken.

Calembourg of Calembour, m. Ir. (spr. lialanbóér: de naam komt van een dultsch anecdotenboek, omstreeks isnn verschenen en geliteld; der l\'fu/fe von Kalenhcrfi; v. a. van een wostphaalschen edciiiian v o n (ï a I e m b e r g, die aan het hof van koning Stanislaus van Polen leefde en zóo slechl fransch sprak, dal bü hem telkens lt;le beiaclieiUkste woordverwisselingen Ie voorsehUn kwamen) eene geestige woord- of naamspeling, liggende in den gelü-ken of hyna gelijken klank van verschillende woorden.

Calembredaine, f. fr. uitvlucht, oatwy-kend antwoord.

Calencar of calencas, z. kal ank as.

Caléndse, f. pi. lat., kalenden, de eerste dag van elke maand, naar den afstand van welken de laatste dagen der vorige maand benoemd werden;—«rf calendas Graecas, op den Oriek-sche kalender, d. I. nooll, lo St. Jutmis, dewyi de Grieken geene calendas of romelnsehe benamingen van de eerste dagen der maand hadden (den naam wil men afgeleid hebben v. het gr. kalim, roepen, samenroepen, omdat de opperpriester te Rome op den eersten dag van elke maand de daarin vallende feesten en de nieuwe maan uitriep; calendatïcum, n. mid. lat. geschenken, op nieuwejaarsdag aan do geesteiykheid gegeven; calénder, m. lat. (calendarium, welk woord echter by de Romeinen een schnidboek, belasiiagsregisier, enz. beteekonde) de iydwyzer, de lljsl der dagen, de jaarsindeeling-almanak; calendario-graphie, f. lat.-gr. de calender-bescbryving, de aanw yzing om tydwyzers le maken ; Ca-lenderheeren, m. pl. in de middeleeuwen eene duitsche broederschap van geestelijke en wereldlyke personen, die op den eersten dag der maand by elkander kwamen.

Calendri, pl. rondtrekkende turksche monniken, mohamedaansche Epikurlsien, zoo gehee-ten naar den slichtor Santon Calender.

Calendula, f. nw. lal. Bot. de gouds bloem, eene planlenfamilio van onderschelden soorten.

Calentüra, f. sp. (spr. u=oe: eig. hitte = calór = \\al. calor, z. aid.) eene mei yiboofdlg-lioid gepaarde koorlsziekle van vele zeelieden, die voor het eerst tusscben de keerkringen, vooral naar W.lndlë varen; — calcnlura nino-rilla (spr. —ielja), de gele koorls.

Calepin, m. fr. (spr. ka-rpeii) eene verzameling van woorden, aanteekenlngen, uittreksels tot eigen gemak en gebruik, een allerlei, zoo geheelen naar Ambroslus Calepin, schry-ver van een woordenboek in veie talen (po-iyglolte); thans meestal: zak- of aanleeken-hoekje.

calesceeren, lat. [calcsrSre) warm worden.

Calessaron, m. pl. it. (v.calésm, kalés straatjongens te Napels, jonge ledigloopers, die op de paarden passen, den reizigers hunne diensten aanbieden, enz.

calfacteren, z. calofacteren.

Calfatage, fr. z. v. a. ka I e f a 1 e r I n g, z. end. kalfateren.

Caliatoer-hout, z. sandelhout.

Caliber, n. (fr. calibre, It. calibrn, sp. cali-hrc, calibo, oudfr. qualibre, v. \'I lal. qua libra: van welk gewicht ? boe zwaar? oorspr. het ge-wlcht en dus ook de middeliyn der kogels, die dan do blnnenrnimle of middeliyn van \'I geschal bepalen; men beeft hel ook afgeleid vaa


-ocr page 190-

CALICIFORM 174 CALOR

\'1 ariih, kalib, vorm voor Kusmollon inotaal, gietvorm) de Inncriyko wydlo vun oen sluk }ie-sctiul, de upsclmlwijdli\'; de (froolle en zwaarte eens kanonkogels, de koftelmaat; do vorm en InrU\'hliiiK van een schip, met hel rcIiiI en de zwaarte der stukken geschut, die het voert; ook de doorsnede eener ader; onelj!. de gesteldheid, deuKdeiykhf id, waarde van eenlp voor-werp; - calibreeren (fr. calibrcr), naar de verelschle maal Inrichten; do kogelmaal of ge-schulwüdle met den kallherslok onderzoeken of bepalen.

Caliciform, z. ond. vulix.

Calico, ii., z. c a 11 c o t.

Calicoetsche haan, m. (zoo i schyni naar de stad Callcoet, Kalikoet of Ka-lekoel, elg. Kallkoloe, aan de kust van Malahar, vanwaar hü naar Kuropa zou gebracht zgn, hoewel hu werkeiyk uil N.Amerika afkomstig Is en door de Spanjaarden In 152! uil l\'lorlda hel eersl naar Kuropa werd gevoerd) de larksche haan of kalkoen, bü Vondel kalikoe\' gehoeteii; calicot of callico, n. (eng calico, fr. calicot, v. (lalli\'oel, vanwaar die slof hel eersl werd Ingevoerd) oorspr. ka-loen van Callcoet; ocne lljne linnciiachllge katoenen slof; ook eene nabootsing daarvan in geperst papier; —CaliCO(t)druk, de afzonderlijke, gedeelleiyk ullgevoerde kleurendruk van katoenen en sloiïen.

Caliditeit, 1. mh , lal. (v. calf dus, a, urn, warm) de warmle, hllle; — calidüct, ui. hitte- of verwarmingsbuis by de lucbtvor-warmlng.

Calif, z. k h a 1 i f.

caliga,pl. cafffiue, lal. de voet- of zoolbe-kleedlng der oudroiu. soldaten, die daarom soms ook callgall heelen, sandalen; liahelaar-zen of knoopkousen, die de bisschoppen by den iliensl dragen; — caliqw IlixpaninB, spaansche laarzen, een follerlulg.

CaligO, f. lal. nevel, misl, duisternis; C.blr. eene vlok op \'I hoornvlies; — caligatie, f. spr. Iie=l.iie) verdulslerlng; caligineus, adj. (lal. caliuinosus, a, urn) nevelig, donker, dulsler.

Calijn, n. (fr. en eng. calin) een chlneesch metaalimmgsel, uil lood, lin, koper en zink beslaande, dal In China en .lapan inz. lol dakbedekking aangewend wordl.

cdlix, m., pl. caiïces, lat. beker, kelk; - ca-licifórm, adj. nw. lal. kelkvormlg; Ca-lixtijnen, in. pl. nw. lal. kelkvoorslanders, kelkvrienden, naam der boheomsche Hussieten in de ISde eeuw, omdat zy een kelk in liunno banieren voerden, en vooral, omdal zy den kelk in het avondmaiil ook voor de iceken begeerden ie behouden (om die roden ook ui rail nisten geheeten); ook de annhangers eener socle der llde eeuw, naar Callclas zoo genoemd.

Calla, f. (lal. cal la of calm) slangenkruid, adderkruld. draakworlel, eene bloemplnnl, die lol pronkgewas dient.

Calliditeit, f. lat. (calliitttas, van calttdux, sluw) de sluwheid, geslepenheid.

Callo, z. x 1 p h I a s.

Callus, m. lal. hol eeil; de beenweer, eene slof, welke de gebroken beenderen organisch mol elkander vereeniglj — calleus, adj. (lat. callosus, a, urn) eeltig, voreelt; callosi-teit, f. (lat. callnsflus) de eellacbtlgheid, hoorn-achtigheld, verharding der huid.

Callu-looizuur, n. Chom. eene uit het gomeene heidokruld ((Minna vulgaris) verkregen looizuur, xvaaruil do calluxanthine, f. (v. gr. san!has, geel) oen roodgele verfslot gewonnen wordt.

Calmank, z. k »I a m a n k.

Calmant, calmaln, ■/.. ond. calmeeren.

Calmar, m. fr. (d. i. oig.schryftuig, pennon-kokor, oudfr. calemar, provenc. calamar, ilnl. calamajo, lui. theca calamarta) eene soort van inktviscli of inktworm, een koppoolig weekdier, bit. loligo, f., inz. morkwanrdig wegens een naar inkt gelykend sap, dal in een vleezigen zak in hel lichaam dozer dieren beval is, welke stof door do schilders onder den naam van s e p 1 a gebruikt wordt. De gemeene inktworm of zeekat heeft op den rug eene witte harde schaal (se p 1 a of os se p I as) gowooniyk meerschuim of wit balein gotiooten, welke als poeder door de goudsmeden in plaais van vormzand gehndkl wordl.

calma {con). Hal. Muz. (met) bedaardheid, gerustheid.

calmeeren, fr. (calmer, v. calmc, il. en sp. calma, zeestilte, kalmte, waarsch. van \'1 gr. liauma, hitle, óf omdat er by groote hllle ook wlndslllle heerschl, óf omdat do hllle des dngs ons noodzankl, schaduw en rusl le zoeken) slil-len, bedaren, iiovredigen, geruslslellen; - calmant, adj. bedarend, slliiend; — calmaln, II. Mnz. zacht, bedaard

Calmuk, z. Kalm uk; calmus, z. k a I in o es.

Calo, m. 11. (v. calara, nederlaten, nederdalen, verminderen, z. ca loeren) te-kort, verlies, Inz. van ruw yzer; calo (li peso, le-korl op het verelschle gewield ; calo di iirez:o (spr. —liiél:o), hel dalen in prys, prysdaling.

Calomel, ■/.. kalomel.

Calomnie, enz., fr. = elilnmnle, enz.

Calonière, f. fr. (verhaslenl uit canannière) klapbus voor kinderen.

Calor, m. lat. de warmle ; — con colore. Hal. Mnz. mei warmle, met vuur ; ealoriciteit, f. nw. lat. hel vermogen van de lovende llchii-nien om warmte te ontwikkelen; calores-centie, f. (spr. l—ls) warmteslrallng; calorie,!. nw. lat. de warmleëenheld, d. i. de lioovoelheid warmte, door welke 1 kilo water van 0° tol 1° Celslus verwarmd wordl; eene kleine calorie Is zutk eene, vvaarby slechls I gram water in plaats van t kilo In rekening komt; — caloriek, f. verwarmde lucht ais hewoegkracht gobruikl, als de in de warnile-vcrscbynselen ziiii vertoonende en die kracht


-ocr page 191-

CAMARADERIK

CALOTTE

175

voroomkcndo; — calorifère, m. fr. (d. I. warmtegeloidor, wunnletiiinlH\'ciiRer) grootc kii-i\'hol, illi1 door l)uizun dr wsumto in nllc doe-Ion van oen notionw hrongl; — caloriflca-tie (spr. 1=1.1), t. mv. Int. warmtovorwokklnR, vorwiirmlng; calórimeter, in. liU.-gr. do wiirmtomoter, oon worktntu om door hot smolten van Us of vonvarmlng van water do warmlo-capacttelt of do vorlirandlngswarmlo dor stof-fon to liepalen; - calorimetrie, f. do warm-tomotliiK; — calorimötor, m. nw. lat. een warmtodrUvor, Kiilvanlscli vniirtuli,\'; — calorische machine, r, con door don /.woed Krlcson to Now-V ork nllKovondon dryfwork, waar-hij in plaats van den stoom do verliillo lucht als liowcegkracht werkzaam is, in hoi oorst op lii\'1 schip Krlcson toegepast; vandaar color i scti seh 1 p.

Calótte, f. fr. (vorklw. v. cale, eeno soort mui platte mills) het kapje, do kleine ptatto muts, die doorgaans alloon don schedel hedekt cn die in/., do geestelUkon dragon, lid krnin-mutsjo, priestommtsjc; oneig. do kardtnaats-waardlghold; ook het doksot over do onrust van oen horlogo, oiirusldoksoi; — Arch, rondo wotving asm do zoldering ocnor kamor; Chein. kap van con distillocrvat; - Calottine, f. fr. oen kloln hokoldlcht( spotversje; — calo-tin, m. fr. (spr. —liii) volkssoholdwoord In I\'VankrUk voor do pricstors; - calottisten of fr. calotins, m. pi. (spr. calnlèh) cig. kapdragers, oen gezelschap in Frankryk in hot iie-gin dor isdc eeuw, dat zich door goostigen spot, later door zinneloozo zolhedon vormaakto; had lomnnd oon dommen streek hegaan, dan zond hem hel genootschap oon patent, waarhU hom het dragon van oone calotte word toegestaan ; calottinokratie (spr. Iie=tsie), f. fr.-gr. do papenheersohappy.

Calow, pi. (sing, cal), poolsche duim = Jj stop of voet = ii niM.

Calpo, m. Hal. Sardinisch gewicht van to c a ii t a r o 11 i.

calqueeren (spr. kalk—), fr. {calquer, van I lat. calx, kalk; oorspr. op versche kalk af-drukkon) doorteokonon, d. i. ccnc tookonlng in iiarc omtrokken door oen geolied of doorschy-nend papier natookenon; caique, f. (spr. -kalk\') doortcokonlng, doortrekking; — cal-quier, m. fr. (spr. kalkjé) cenc soort van oostlndlsch taf of alias.

Calumet, m. fr. (spr. kalumé: v. \'I tat. ca-liimus, riot) do vrodepyp, cone groote sieriyke tatiakspUp, die do amcrikaanscho wildon als oon zinnohoold dos vrodes of hy het sluiten van eon verdrag nanbledon.

Calumnie, f. lat. {calmmiia) laster, vaisclio lioschuldlglng, smaadredo, lastortaat, achterklap ;

calumniëeren, (lat. caiumninri) valscii hosciiuldigon, aantygon, smaden, lasteren; — calumniant. calumniator, in. lasteraar, oeiToover, lastertong, nchtorklapper; ca-lumniëus, adj. lasterHik, corroovond.

Calvarië (berg van). Calvarieberg, m. (v. I lal. cnlmi-ta, hoofdsciiedol, hersenpan), anders (i ol go I ha, do sdiodelborg, kruisberg, de schedelplaats, voorin, reclitspiaats hulton, thans hhinon Jornzalems muren, alwaar nu de voornaamste kerk in l\'alesliiia staat. In K. kalholleko landen wordt elke herg of heuvel zoo gehoeton, op weikon oen kruis Is opgericht en worwaarts men in den viistontyd tor iicilovaart gaat; — Calvarie-kruis, n. (fr. ernix haussée of crate de Calvatre) In wapens: oen op trappen staand lat. kruis.

Calvert, eng., z. s h I r 11 a g.

Calville, f. fr. (v. \'I lat. Cfl/ous, kaal, glad) eeno soort van kantigon appel met aanlhozlc-smaak, hij ons kal vyn (doch boter kalvtol), ook rappel geheet cn.

Calvinisme, n. de gereformeerde leer van den hervormer Cal vyn (goli. to Noyon 1.10», gesl. te (ionovo I5«i), van Lutber verschillende in de loer van hel Avondmaal en van de voorhesubikking tol zaligheid; Calvinist, in. een aaahanger van de loer diens hervormers, een gereformeerde; calvijnsch, calvmi(sti)sch, ailj. wat Calvyn iiotreft, z.yn leer toegedaan of daarmodo slrookeado.

Calvitium, n., en calvities, f. lat. of calviteit, f. nw. lal. (v. \'I lal. ralvus, (i, urn, kaal) de kaalheid, kaalhoofdigheid.

Camaches of ga ma eb os, f. pl. fr. (spr. kamdsj\' of gammj\', van \'I oudfr. iidinhr, voor jambe, it. gamlin, been) knoop- of overkousen, slopkousen, knooplaarzen zonder zolen; — de camache-dienst, krygsdienst in vredestyd, Inz. ia zoo verre daarby mot klolngoostlgo ge-streiighoid op nlteriyke zaken wordt gelet.

Camaco, n. op de Ionische eilanden oen lengtoinaat = 8.; ongoisclio yards = 8,029188 meter.

Camahuya, camaïeu, z. ca ma you.

Camail, m. Ir. (spr. kamdlj, v. \'1 it. camu-ijlio, provonc. capmalh, capmall, oorsp. eeno hoofdhesebuttlug en de hals v. \'t paatserbomd, van \'t roman, cap, hoofd, en manlia, malha, malle, pantserringeljo; pantserhemd) oen lils-schopsmantollje; korle vrouwenmantel; bel bolm-dekklced op wapens.

Camaldulónzen, in. pi. kluizenaars eu monniken, beboorondo lol eene bencdictyner orde. door den betllgon Komnaldus In het dal C a m a I (I o i i ia do Apennynea ton Jaro 1014 geslichl on door pans Alexander 111 liovestigd. Zy boslond tot op bet laatst der vorige eeuw, werd toen in Oostenryk afgescliafl, verdween In andere statca en Is tot dos verre aergcas hersteld.

Camaraderie, f. fr. (v. cumamlc, makker, ka moraad, z. aid.) makkorscliap, siiltsiirocder-schap; In rulmoron zin; elke aanoensliiiling van menschen, door welke z.y eikander zoeken ie steunen en te doen gelden, vaak ten nadeelc van hen, die er niet toe liebooren (vgl. cliiiue). Camaréro, m. sp. (z. v. a. it. camerierc) kamerdienaar; kamerheer; camaréra, f. (= II. camcricra) coredame van de koningin;


-ocr page 192-

CAMARGUE-PAARD

CAMERA

176

camerera-mayor, de oorste onder die hntdumos,

Camargue-paard, n. cone kleine halfwilde pniirdonsoort van grijze kleur, op liet Klióne-idland C a in a rg ii e.

Camarilla, f. sp. (spr. ri-lii, vcrklw. van lt;amara = lat. camera, z, aid.) el)!, hel kaniertjo, het kabinet, waarin de kdiiliiR van Spanje zyne xunstcllngon gcmconzanni ontvangt; gidielmhecr-sctiappU aan \'1 spaansilio hof; In \'1 algemeen: de engere gelielnio (kaliliicts-)raad van conon inonarcli, In zoo verre hij de wettige slaatsniaclit en de voiksreehten tegenwerkt; elke etui) van liovellngen, die een scliadelgken Invloed op do staalzaken en den wil van den vorst uitoefent.

Camaroma, camarosis, zie kama-r o in a.

Camauro, in. it. inid. lat. camaurum) do rood tluwceten muts van den paus.

Camayeu, camaïeu, in. fr. (oudfr. ca-maheu, mid. lat. camahotus, v. cumwux, sardonyx, onyx) soort van ciiinéc (?.. aid.); ook oono soort van scliilderwerk, waarin men sloelits éene kleur golirutkl, ook monoclirome en grisaille gelieelen; ook: eonc byzonderc soort van lioulsnedcn, die door de Italianen chiaroscuro, door de Fransclien cumaïeux genoemd worden Zy hoolscn geschilderde teekoningon na, waar de omtrekken met strepen, de hootd-llctiton en schaduwen door gowasschon tinton aangegeven zijn.

Cambaja-steenen, m. pi. (naar de stad en zeehaven Camhaya of lt;1 a in ha y in llin-doslan) oostlnd. granaten; — Cambajen of Cambahaten, pi. katoenen stotfen van Madras, enz.

Cambïo, in. 11. (mid. lat. cambium, v. \'t tal. rambtre, mld. lat. cambiSre, wisselen, ruilen, vandaar \'t fr. changer, enz.) Kmt. de wissel, wisselbrief, eene in den vorm des wissels gestelde schuldbekentenis of scbrifteiyke verzekering eener verschuldigde geldsom; camhio commune, een gewone binnenlandsehe wissel; c. conto, wlsselrekening; c. ili iiolizta, tyst van den wisselkoers ; wisselbrief; c. (li ricórso, een rond-loopende wissel; c. ili rilórnn, een teruggaande wissel; e. marilimo, het bodemery-verdrag; e. redle of mercantile, een bullenlandsche wissel; ■r. secco, elg. een droge wissel; een eigenwissel; — cambiaal-recht, n. het wisselrecht;

cambiëeren, wisselen, wisselzaken doen; — cambiatüra, f. (spr. «=nc), elg. wissel-rekening; verwisseling; een postrytnig, eene soort van Hal. vervoermiddel; — cambist, in. een wisselaar, wisselhandelaar; - camb-sarius, m. mld, lat. een wlsscibeziller, -houder; — cambsor of campsor, m. een wissel-uilgever.

Cambrai, n. (spr. —brd, naar do stad ■(\'.amhral of Kameryk, waar hel vervaardigd werd) uf cambrésine, f. fr., of cambrick, n. eng., pi. cambricks, kamerdoek, lijn linnen van Kameryk, batist;—cambracine, f. fr. lijn egv pt. linnen, naar het vorige gelykende.

Cambreeren, fr. (v. \'I lal. camerare, welven, welfsgevvys maken, v. camera, z. aid.) buigen, krommen, b. v. hel hout.

Cambriolour, m. fr. dief, die overdag lu de woningen Inbreekt, als de bewoners afwezig zyn.

Cameiide, f. fr. wilde zwarte peper, berg-peper.

Camée, f. fr., caméo of camméc, ui. 11. (mld. lat. camwus, camnueus, arbeid, werk, van gr. kdmnein, zich moeite geven) een In relief gesneden gesteente, uit lagen van onderscheidene kleuren beslaande, welks verheven liguur daardoor eene andere kleur dan de grond heeft, en waartoe de Ouden onyxen namen (de beroemdste onyx- c a m é e, do vergoding van Augustus voorstellende, bevindt zich te Pai\'Us; zy heeft de hoogte van llt\'i en de breedte van •2(10 millimeters); zoo de steen slechts twee kleuren heeft, noemt men hem camaïeu.

Camelia, of beter camellia, f. een lu Japan, China en Indië inbeemscho schoone plantensoort, de chineesche of japanei sche roos genoemd, naar Camellus of Kamel, apotheker der moravische broeders op Manila, welke ze In l\'ltt in Europa invoerde; — la dame aux ca-melius, courtisane (z. aid.), naar het stuk van A. Dumas, den zoon.

Camelot, z. kamelot, oud. kameel.

Camelotier, m. fr. (spr. —Ijé) een slulk-handeiaar, smokkelaar lu liet zuiden van Frauk-ryk; ook eene soort van slecht papier.

Camênen, Gamotnen, f. pi. lal. (Ca-mcenea, Cammae of Casmenea, de zingenden en lovenden; vgl. carmen), de Zanggodinnen, Muzen.

camera f. lal. (van I gr. kamara), gewelf, gewelfde zoldering; gewelfd vertrek; kamer; camera clara, f. lat. eene heldere kamer, een opllsch werktuig door Keiulbaier van Augsburg uitgevonden, vvaarhy do voorwerpen niet door de zon behoeven beschenen te worden; zy vertoont cctiter, als de spiegels, rechts wat werkeiyk links is, en omgekeerd; een gebrek, dat vermeden Is lu de camera clara di-optrïca, door den baron Ernst von Leyser uitgevonden; een ander bruikbaar hulpniiddel bij het landschapleekenen Is de camera lu-cida,ook heldere kamer heteekenende, ofschoon het werktuig geene camera, maar een klein vierzydlg prisma Is, naderhand echter gewyzlgd en nu nil een metalen spiegel beslaande; — camera obseüra (fr. c h a m h r e o b s c u r e), donkere kamer, een splegelkaslje, uilgevonden in de lOdo eeuw door den Napolltaan Porta, door welks voorste opening, die met een Uns-vormlg glas Is voorzien, de daarvoor liggende voorwerpen, mits door de zon beschenen, lu hel klein worden afgebeeld en gemakkeiyk knullen uageteekend worden; — later beteokende camera of kamer tnz. een vorsteiyk vertrek lt;if vorsteiyke woonkamer; vandaar: kamerheer, kamerjonker, voornaam bediende van een vorst In de vertrekken van zyn palels;


-ocr page 193-

CAMPÊCHfJ-HOUT

CAMKUKERKN

177

kamerdienaar, it. camoriére, m., kamei-julfer, li. camerióra, f. Boiingor personen lei\' naaste licilleniiiK van vorsteiyko en andere voorname personen; — kamer-muziok, de voor eono kleine ruimte en |je-schaafdo hoorders bestemde mn/.tek met wclntg Instrumenten; kamermusicus, m. voor liet vorsletyk luir aangestelde toonkunstenaar;

kamertoon, nu de gebrulkeiyke toon In de muzikale kapellen, die een toon dieper Is dan de koortoon; It. alla camera ufda camera, in den kamertoon, als kamermuziek; — voorts is camera of kamer in meer heperkten zin: liet vertrek waar de lielieerders der vorstelijke inkomsten vergaderen; «ek die personen zeiven: k a m e r - r a d e n en k a m e r - a s s e 8 s o r o n; — camera im/ierialis, liet keizerlijk kamorgcreclit;

cameralia, n. pi. de wetense,happen, die over het heheer der vorstelijke inkomsten handelen; In ultgehrelder zin de staatswetenschappen In het algemeen; — cameralist, m. die de genoemde wetenschappen verstaat, een kamerheamhte, staathutehoiidkundige; — ca-meralistiek, f. de slaathulahüudkundo, do wetenschap van het limincie-wezon, van het lie-iieer van \'stands inkomslen; oameralis-ticus, in. leeraar In de staathiilshoudkundo; — camerarius, m. de opperste ecner vorstelijke kamer of de eerste hehoerdor van de inkomsten eener stad, enz.; — cameriére, 11., of camerier, fr. (spr. —rjé) de pauselijke opperkamerheer of kamerpresident; — ca-merlóngo, m. Hal. (= kamerling) z. v. a. camerarius; Inz. oen kardinaal, die den pau-seiykcn schal heheert.

camereeren, lal., z. v. a. c a m h r e e-ren, z. aid.; — cameratie (spr. /=lt;s), f. (lat, cameratfn) welving, gewelf. Camerlengo, z. ond. camera. Camerönen of Cameronianen, m. pl. cenc zeer gestrenge schotscho secte, die zich op het einde der t7de eeuw van de Presbyterianen afzonderde en do koninklijke macht in kerkelijke zaken verwierp (zoo gehoelen naar Archibalii O a in e r o n).

Camino, in. sp. (Hal. camminn, fr. chc-min) weg; caminns reales, heerbanen, konink-lijke wegen.

Camis, in. pl. goden van lageren rang, on-dergeschikte goden In Japan; — z. ookkamls.

Camisa (spr. s=z) een doek, waarmede de Karihen, de Negers van Guiana, e. a. hunno naaktheid bedekken; van dit woord hebben dc Spanjaarden volgens sommigen linn camisa voor hemd ontleend; z. ook het volg. art.

Camisia, f. (spr. s=t) mld.lat. (proveuc. en sp. camisa. It. camicia, fr. chemise: van \'I arati. camis, ondergewaad, hemd) een hemd, laz. [camisia alba) een wit hemd, koorhemd, z. v. a. at ba; — camisade (spr. s=z) f. fr. Mil. een onverboedsche aanval des nachts of zeer vroeg in den ochtend, en waarbij de aanvallers hemden (camisns) over hunne kleederen trokken, als berkenningsteekenen in de duisternis;

VIER PK imilK.

— camisarden (spr. s=z) m. pl. de gereformeerde bewoners der Covennes gedurende den opstand van 1702—170«, dewijl zy meest overhemden (camisas) droegen; - - camisool, z. k a m 1 z o o 1.

cammineeren (li. camminïïre, gaan, reizen, v. cammino = fr. chemin, de weg) hü het vechten door achterwaartsche bewegingen den vijand tot een onvoorzichtig bloot-geven zoeken uit te lokken.

Camcenen, z. c a m ë n e n.

Camorra, f. Hal. (v. camorro, hoer, dus hoerenvoreoniging) een misdadig gebolin liond In iSapels; — camorrist, in. lid dezer bende, napoiitaansch brandschat Ier.

Camp, n. fr., z. campus.

Campaan, z. cum pane en ook onder c a m p a g n e.

Campagne, f. fr. (spr. kanpanj, II. cam-panna, mld.lai. campanSu, camparifa, v. \'I lal. campanüus, tot hei veld behoorende, en dit v campus, veld) een landgoed, buitengoed, eene buitenphuils; Mil. een veldtocht, de tyd, gedurende welken de legers te veld zyn; hy metaal-smeiteryen; bet tydsvcrloop tusschen het aanleggen en ulthlusschen van den smeltoven; by: beetworiolsuiker- en andere fabrieken: tyd dal men grondstof beeft om to werken; — ook. het bovenste achterdeel van oen schip, van den bezaanmast tot aan bel achterschip, hoven de kajuit (waar de kampanje vlag waail), dc k a in pa nje (duitsch campan) — Campagna di Roma, de omstreken van Home, het oude Latiuni; —d la campagne, of 11. ulki campagna, op bel laad, landeiyk, boorsch, ongedwongen; ook: als in bet veldleger; - campagnard, m. (spr. kaiipanjdr) een landbouwer, veldeling, landman, boor.

Campane, campaan, f. mul. lat. en it. {campuna, zoo gebeeten, omdat zij in de provincie Campama in Middcn-llalie uitgevonden of althans het eerst tol kerkeiyk gebruik ingevoerd zyn) de klok, kerkklok; ook de klok der luchtpomp; klokvormlge kwast of vlok gemaakt van z.yde of gesponnen goud, ter versiering van een feestzaal, enz.; — campanist, ital. klokspeler, carlllonneur; —campanetta, r. ital. Muz. bet klokkenspel; —campano-logie, f. lat. gr. de klokkenkunde, klokken-ieer; - campanüla, f. lat. gr. liet klokje; eene melkachtige genees- en nioespiani, met klokvormlge bloemen, welke een melkachtig sap bevat, de klokbloem, liet klokje; • campa-nulaceën, f. pi. klokbloemachtlge planten-,

— campanularïa, f. eene soort van klokvormlge koralen.

Camparius, ■/.. ond. campus.

Campeadör, m. sp. (v. campeSr, te veld trekken) een groot kampvechter, stryder, held, een hüuaam van den beroemden Cid (z. aid.)

Campêehe-hout, n. (naar de baal en stad Campêche, eig. San-Franciscn-dc-CampUche, In Jucalan) het hout van eenen aan de mexi-caansche kust wassenden boom (Haemaloxylum

12


-ocr page 194-

CAMPEKREN

CANCAN

178

ttuniiechidnum, L), hu do Kranschon iironiallsclie Inuwerlioom golieotcn, blauwhoul, liloeilhuut; hel levert ooiic schoone roode verfstof op, en wordt ook In do ((eneoskuiide als saineul rokkend mldilol Rebrulkl.

Campeeren, campoment, enz,, z. ond. campus.

Campher, camphine, z. kamfer.

Camphoe, m. ceno soort van lljne chl-noesclio thee.

Camp-mootings, pi. eng. (spr. kemp-min—) door predikers der melbodlston In do open lucht gehouden godsdlenstoofonlngon.

Campo, Hal. on sp. veld, open vlakte, z. ook onder c a m p u s.

Campaaces, eeno Inhoudsniaat zoo voor droge waren als vloelslollon In AzIB, Egypte, .ludea, In hot hehr. cah genoemd; zij houill ■J eh en Ices of H mines, lt;if ruim 2 liters.

Campus, m. lal., het veld, de grond, die door een leger met zijne lonten, enz. lieslagen wordt, de legerpiaals, het kamp; — campus martïus, hot uiarsvold, eene tot wapenoefeningen bestemde plaats bü Rome, die aan Mars was gewijd; ook hel Maartveld, eene bil de oude Franken tot don wapenschouw In Maart bestemde plaats; — campo, m. It., eeno veldmaat In noordol. ItalIB, ongeveer = »,^,3, bunder; ook eene soort van spaansche wol uit Sevilla; — camim-sanlo, li. elg. het herige veld; de begraafplaats, het kerkhof; — camp volant, n, fr. (spr. kan woldii) een vliegend leger, eene kiolne logerafdooling, die den vüand nu iiier dan daar moot bestoken;— campanus, m, uw, lat, veldwachter; — campeerpaal, m. Mil., een standpaal; — campeeren, gelegerd zün, légeren, ie veld liggen, bet kamp betrekken; campemónt, n. (fr. spr. kaiip\'man] de légering, de siellliig van een leger; het oefeningskamp; — cam-péstrisch, adj. lat. (cmnpésler) tot het veld behoorende; elfen, vlak; In \'I veld groeiend.

Camwood, n, eng, (spi\', kémwned: waarsch, afgekort van Campeachy-mnd, campèche-hout) eeno soori van roodhout van eenen boom {Haphia nilidn) aan de kust van Slerra-Leona, dal in de weverij en ook tot messenheebten gebruikt wordl,

Cana, f. Hal, (van \'i lat, canna, ■/.. aid,) eene lengtemaat in Marocco, ongeveer = i meiers, in Spanje = 1,J7 meters,

Cana, f. sp. (spr, kdnja) riet, suikerriet; — zekere geestrijke drank, voorloop van rum (uit suikerriet).

Canada of canhodo, m. port. oliemaat, ongeveer = 1,4 liter.

Canadaris, pi. rood en zwart gestreepte O. Indische stolTen uit boomwol en zijde.

Canador of canhador, m. port. wyn-maat, ongeveer = o,,B Hier.

Canaille, n. fr. (spr. kandij\': d. I. elg. hondenvolk, hondenpak, II. eonafl/t\'o, van \'i lal. ennis, bond; iiU oude friinscho schrijvers vindt men nog chlennaille) gemeen volk, volkshelle, gepeupel, janhagel, straatvoik, het grauw, jan rap en zijn maat; ook een slecht, licht vrouwspersoon ; — en canaille (spr. aii —, gemeen, laag, als het gepeupel doendeencanail-leeren (zich), (fr. s\'encanailler, zich met verachtelijke monschcn gemeenzaam maken; canaillarchïe, f. fc.-gr,, de regeering van hel gemeen, van het kloiupenvolkje; — canail-lenën, f. pi. slechie, gemeene, laagharilge streken; — canailleus, adj. scheimachilg, nietswaardig.

canal, fr. (lat. canalis, van canna, huls) z. kanaal; — canalis lacrymalis, de Iraanbuls;

— canalkiili, m. pl. kleine gootjes, groeven;

— canalieten, m. pl. nw.lat. z. v. a. tu-buileten (z. aid.)

Canapé, f. (fr. canapé, m., mid. lat. cu-napeum, canopeum, lal. conopeum, van \'I gr. konopêion, een bed met gordUnen ter afwering van do muggen, van konnps, mug) een lange leuningzeiel, dieneiule lot sloel en rustbed, eeno rustbank, een rnslsloel, rustbed, kussenbank, slaapstoel.

Canard, m. fr. de eend; — tig. valsche (couranten)berlclit; — canardier, m. (spr. —djé) eendenjager; - canardière, f. (sjir. —rijèr\') geweer voor eenden; hut om eenden ie schielen.

Canarie-boom, in. (nw. lat. canarfum) een olie- en harsacblige boom op de Molukscho eilanden, uit welks nootvormlge vriiciilen men Inz. een zeer smakeiyk ainandelbrood bereldi, dat In O idle bangea heet; — canariesek, m. een zeer zoeie wijn van de Canarische eilanden; canarie-suiker, de lljuste en beste soort van suiker; canarie-vogel, in. (11. canarino, sp. canario, fr. canari) een bekende kleine, gele zangvogel, van het vlnken-geslacht, afkomstig van de Canarische eilanden, alwaar hg t huis behoort; liet canariezaad komt van het canarie-gras [Phalaris ca-nariénsis), en is waarschijnlijk met de vogeltjes naar liuropa gebracht; —canario, Hal. Muz. eenvoudige danswijs In jj of |j maat.

Canasse, f. fr., Ihee-, suiker-of tabakskist.

Canaster of k nas ter, m. korflabak, de beste soort van rooklabak (zoo geheetcn naar het sp. candslro, candsso, canasta, fr. candslre, candsse, de korf of mand van gespleten rlel, waarin iijj verzonden wordt, v. \'i lat. canislrum, gr. kdnaslrnu, en dit v. \'t lat.-gr. canna, riet),-ook bet zakvormig, uit dierenhuiden vervaardigde goed Ier inpakking van koopwaren in Indle; ook wel de tonueklst, waarin de thee uit China wordt aangevoerd.

Cancamum, n. lal.-gr. eene oostersche boombars; ook eene gomhars uit Brazilië.

Cancan, m. fr. een zeer wulpscho dans, sedert eenige jaren in Frankrijk by de laagste klasse der maatschappU, inz. op gemaskerde bals. Ingevoerd, doch nu verboden; ook geraas, opschudding, leven; Inz, praatjes van de men-schen, achterklap, oude-wyvengeklets (van het lat, quamt/uam, alhoewel, ofschoon; de geleerde


-ocr page 195-

CANCÉLLI

17!)

CANEVAS

lUmus n.l. stehlo voor om dit lal . woord, waarin men In do ISdo eouw do qu als k dood hooien, voorlaan als kwumkwam uil li\' spreken, hetgeen veel gehaspel. Ja ernstige oneenlgliedon ten govolgo lind, waardoor dit woord thans 200 veel heteekent als: veel geschreeuw en weinig wol, veel leven om niets); — cancaneur, m., cancaneuse, l. hij of zy die den cancan danst; —cacaneeren, den cancan dansen; ook; kwaadspreken, klelsen, klappolon.

cancélli, lat. of cancóllen, m. pl., hekken, Irallehordco op kanloren, hureanx, enz.; Muz. de smalle laaljes of kanalen, door welke de wind. naar de orgelpijpen geleld wordt; — cancellarms, m., kanselier (■/.. aid.), zcgelhew aai iler; — cancollariaat, n. do kansellerswnardighelil; het werkverlrek der kanselarij;— cancelleeren (lat. canceltare) in hek- of traliewerk heslulten; Irallesgcwüze doorschrappen, ullslrijki\'ii; - cancellatie (spr. 1=1.1), f. ilc inslulllng hlimon hek- of traliewerk ; Jur. hot toeken In do gedaante van eene Iralle (x), vvaannede men een geschrift ofeenen zin, oenen wissel, enz Ion teeken van ongeldigheid doorschrapt; ook de gereehtellike vernietiging van een slok; cancel-ventie-len, pl. Muz. de kleppen voor de cancellen of wlndlaaljes der orgels.

cuncer, m. lal. Aslron. de kreefl, het ido leeken van den dierenriem, waarin zich de zon hevlndt, als voor de bewoners van de N. gewesten der aarde de zomer aanvangl; Med. kanker, kankergezwel; cimilu/i mncri, de kreefls-keorkrlng, z. tropicus; canceratie (spr. /=lt;«), f. nw. lat. hol onlslaan van een kankergezwel; cancoröma, n. lal., een kankergezwel; - cancrinisch, adj. nw. lal., achlerwaarls, rugwaarls, k reeft sgew Ijs; can er 1-n I s e h e verzen, z. k r e e f I d I c h 1 e n; — can-crieten, pl. versleonde zeekreeflen; can-creus, adj. kreeflaardlg; kankerachllg; — cancrologio, f. heschryvlng der kreeflen.

Canciön, f. sp. (spr. «mi = lal. canïïo, fr. chanson) een gezang, lied ; inz. een eigenaardige lyrische vorm van rymvorzen, meesl nil 12 Iro-chielsche verzon hesiaande; - cancionóro, m. sp. en cancionéiro, in, porl. een lleder-hoek, llcderverzameling, inz. nil do lilde eeuw.

canorous, cancrinisch, z. oud. canm.

Cand.., afk. van candiilalus, candldaal, z. ond. can de ur.

Candeeren, fr. (canilir, van \'1 mid. lat. cim-(Inv, wit maken, v. \'1 lal. ranilcre, camlcscfve, hlinkend wil worden, dus oorspr. door indoo-jien in gesmolten suiker hlinkend wil maken) suikeren, ovorsulkeren; ook; suiker In krlslid-lon laten aanschlelen; candooring ut can-disatie (spr. -tu-Mc), f. oversulkering, krlstal-ilseerlng dor suiker; z, kandij.

Candelaber, m. lal. {cunilelabrum, n., van candila, kaars) een groole, doorgaans veelarmlge kandelaar of luchter, kroonliichler ; Arch, eene zeer hooge vaas: candelarïus, m. de kaarsendrager.

Candeur, f. fr. (= lal. candor, elg. wll-lield) de openhartigheid, redelijkheid, oiirerhl-held, ongeveinsdheid, hraafheld; con camlerc. Hal. Muz. met zuiverheid, oprechtheid, eenvoudigheid; — candide, adj. (van \'1 lat. rundnlus, a, mn, elg. klinkend wil; rein, vlekkeloos) op-rechl, openhartig, ongeveinsd; candi, z. ca 11 do en kandU; — cundin, enndidu, candia-menle. Mal. Muz. naïef, onschuldig, eenvoudig (voor lü dragen); candidaat, m. lal. (can-(lidalus, elg. in \'I wit gekleed, dewyi zy, die In \'1 oude Komo naar een amht dongen, In \'I wit gekleed waren) wie naar eenen posl, een amht dlngl of staal, oen amhtzoeker, amhlhoooger, poslhejager; in nauwere heleekenls: wie zyn examen afgelegd heeft en hevoegd Is naar eene uanstelling te dingen; cundidstux rercréndi mi-11 ixleni, z. ond. inlnlsterinni; candi-datuur, r. nw. lal. liet slaan of dingen naar, hel heoogen van een amhl.

Candisatie, zie onder candeeren-, — canditor, z. c 0 n d 11 0 r.

Candle-coal, f. eng. (spr. kéndclkool: van \'I eng. tandie = iat. candclu, kaars, llchl) eene goede soort van steenkool, ille In groole hoeveelheid alleen voorkomt in l.ancashiro (spr. lénk\'sjkr) lo Kngeland, en Ie Kllkennv In Ierland, kaarskool, zoo geheelen, onidal zij met eene lnn|.\'e witte, sehlllerendo vlam hrandt; zy kan zeer fraai gepuiysl en op de draalhank verwelkt worden, zoodal men er velerlei weeldevoorwerpen van niaakl.

Cando of candi, m. lenglemaal In Indlü, inz. te Goa = lit,quot;! meter.

Candorix, m. eene rekenmunt in China, hel Tln van een mas, verdeeld In 10 kasjes of II, loo chore en toon soe, — l cenlen.

Candy, een gewlchl en eene inhondsmaal In O.Indle, als gewicht Ie Homhay = \'.ilill.\'.iKi kilo, als graanmaal — xso,!)iiquot; Uier; als gewlchl Ie Madras = 4211,774 kilo; als graanmaat = 4SI,S7;t Uier; te Pondlchery = 4111,9113 kilo.

Canocou of canezou, m. fr. (spr. kn-n\' .«W, onlslaan uil hel /..fransch ca mi sou, curni-som, een klein hemd; vgl. ca mi si a en kaïn izooi) eene soort van vron«envest, licht en zonder mouwen, ronde spencer.

Canefas, z. c a n e v a s.

Canopin, m. fr. (spr. ka-n\'pèii. oorspr. hoombasl, lindohasl, v. \'I mid. lat. caiwiiinus, 11. cunapinn, hennepen, van idiKipti — lal. cannubis, hennep) de opperhuid van lams- en geltevol-len, waarvan men vrouwenhandschoenen maakl, dun en zacht schape- of gelleleder.

canescoeron, lal. (runcscïra) wllgrys worden; canescónt,adj. (lat. candscims), wll-achlig grUs.

Canovf\'iS, n. (fr. spr. ku-n\'wd: mld. lat. ca-nwasiuin, cdncracïuin, hennepen slof, van \'t lat. cannubis, hennep), of canefas, een linnen of katoenen weefsel mei opllggende siropen; ge-ruil doek, ongehleekl, nelvnnnlg geweven Ujn-waail met vlerkante vakjes, Inz. voor naiddla-pUlwerk (sim ml en); ook lig. eene schels, eer-


-ocr page 196-

CANTATE

CANEZOU

180

sic ontwerp vim eon werk, loekenlng, enz.

Canozou, in. fr., z. cnneeou.

Cange, n. Iml. hol water van dPknokte rysl als drank.

Canhador, z. canador.

Canhodo, z. c a n a lt;1 a.

Caniculaire periode, f. (v. lal. cani-riiln, de hondsslcr, v. ranis, liond) liondssler-perlode, een HjdkrinK van l\'ilin jaar in de ond-epyptlsche IDdrekenlnu.

Canis, m. lat. de hond; — cave rnncnn wacht u voor don hond! — caninus, a, urn, hondsch, den hond el^en, enz.; — (lentes ra-nini, hondstanden; —cnninn litlera, de honds-letter, de H.

Canna, f. it,, en canne, r. fr. (van \'I lat. canna) de rotting, rletstok; de Hal. el (ongeveer i meter); cannelas, m. fr. (spr. kou\'ld) oversnlkerde kaneel, kaneelstokjes; — canne-leereu, fr. (ranneler, van cannelle, goot, groef. It. cannelln, verklw. van \'I lat. canna, riet) groeven, rlhhen, mot groefjes of gootvormlge nlt-hoiiingen voorzien; canneleermachine, f. een werktuig der huksenmakors, om den loop van het geweer te groeven; - eannelüren, f. pl de goolsgewyze groefjes op zuilen, pilasters, en/..; — cannetille, f. fr. (spr. kann\'lii\'lj\') doorgaans cantille, pl. cantilles, gedraaid gonn- of zilverdraad, \'I zij echt of valsch, tot hordunrwerk, epauletten, en dgi.

Cannabis, f. lat. de hennep.

Cannibaal, m. (sp. Canilml, ontstaan uil l\'aribal = (\'arihe, een Karaïhe, eig. = dapper) eig. bewoner der kleine Antillen of Ciiraïhische eilanden, Karihe, menschenoter; vandaar oneig. wild, wreedaardig mensch; cannibalisch, ad), wild, wreed; cannibalisme, n. harh. Int. het gebruik van menschen Ie eten; oiimen-sehetUkheid; Pol. de stelselmatige wreedheid in i bestuur van eenen staat.

cannula, lal. (verklw. van canna) of can-nüle, fr., k a n u ui. f. een huisje, pUpj0;Chlr. wondpypje, buisje van meer of minder lengte, van verscbiilenden diameter, al of niel buigbaar, rechl of krom, aan beide z.yden open, van yzer, lood, zilver, gom-elastlek, enz., dienende lol inspuillngen of lot het openhouden van diepe wonden; inzonderheid de motalen pyp van den trokart (z. aid.), welke het stilet omgeeft; — cannula pulmonis, Anal, de luchtpyp.

Cano, z. ca nol ; — canon, canone, ennones, canonicus, enz., z. kanon, enz.; canopus, z. k a n o p u s.

canoor of eanörisch, adj. lat. {cand-rus, a, um) beider klinkend, welluidend, zangerig; canor, m. lat. Med. de metallieke loon in de borst, met de hoorbuis waar te nemen.

Canot, m. fr. (spr. fcmiri) ook (eng.) canoe (spr. kennM), isp., port, en It. canna, uit de taal der Karaïben: ranana) een schuitje van boomschors, of van een uitgeboldon boomstam, ge-iyk de Indianen gebruiken, bootje, kano.

Cant, n. eng. brabbeltaal, koeterwaalscb. argot (z. aid.); ï0 hulchclary, gepaard met zal-vende woorden en gemaakte eerbaarheid, die aan zekere klassen dor maalscbappy in Knge-land eigen is.

cantabel, adj. lat. ran/ahïle, (van canlarc, zingen) zingliaar, wat zich laai zingen.

Cantaliet, n. en in. een geelachtig groene kwartsstoon (van hel gebergte Cani ai in bel /..oosten van Frankryk).

Cantaloop, f. (Ir. cantaloupe, spr. —loep\'. li. cantahijm, naar 1 kasteel Canlalupo in de mark van Ancona benoemd, wcrwaarls hy bet eerst uil Armenie werd gebracht) een •meloen met niistekendo zijden en knobbels, do knobbel- of wratmelocn.

Cantar, turksch; centenaar, in Griekenland en geheel de l.evani in gebruik, omtrent = til) kilo; — ciintara, f. sp. (v.\'t lal. can-thürus, z. aid.) ecne vocbtmaal van U, li of 10, maar in (lailciti van üli malen; — cantaro, m. in Spanje eene inhoudsmaal = llli\'.i liter; ook oen cenienaarsgewicht en wol in Napels = 80,1038, te Aleppo = 220,7, Ie Tripoli = r.0,TO08, Ie Tunis = 40,8233, te Caïro = 43,1032 kilo; — Ie Palermo doel de zware cantaro 87,3308, de kleine 70,303i kilo; — canta-réllo, m., d. i. kleine cantaro, een sardi-niscb gewicht, ongeveer = 40 kilo.

Cantate, f. I) (11. en mid. lat cantata,\\. \'Mal. canlarc, zingen) een zanggedicht, een op muziek gehraebt dicbistuk, bestaande uit aria\'s, recitatieven, koren en koralen, inz. lol kerkgebruik bostomd; 2) de naam van den vierden zondag na Paschen, naar de lal. aanvangswoorden der mis op dien dag, Ps. 08; cantate Dn-mind, etc., zingt den lieer, enz.; canta-tilla (spr. lUtja) of cantatina, f. it. een klein zangKcdicht, eeno kleine lanlalo; — can-tatorium, u. nw. lat. een kalh. kerkboek, waarnit de cantor of voorzanger bet responsorium afzing!; — cantatore, m., canta-trice, f. 11. (spr. -Iri-tsjd) de zanger, de zangeres; — can tica, f. Hal. (door de liaiianon dikwyis in plaats van canto gohruikt) een zang, Inz. atdceiing van een grooler episch gc-dlcbl, zooals In Dante\'s Goddeiyke Comedie; cdnCtcum, n. lat. oon zangstuk, lied, pl. canttca

— candcum eanticörum, eig. bet lied dor liederen, bet Hooglied van Salomo; — canlerel-lando. Hal. Muz. zachtjes zingend, neuriënd; — canterino, m. Hal. zingende toonkunstenaar .

— cantilene, f. (lat. en it. cantilena) een liedje, deuntje; de zangvvys; ook de bovenstem; — canln, m. it. (van lal. cantus, v. canüre, zingen) het gezang, ook een lied; de discant.

— canln fermo, it., of lal. canlus firmus, de bedaarde, stemmige zangwyze dor Ilallnnen, die bot recitatief nabykoml, kerk-en koraalgezang ;

— canto figuralo (spr. u=ne), II., of nw. lat. cantus figuralis, een kunstig, sicriyk gezang, dal de tonen in veelvoudige afwisseling op enkele lettergrepen heen en weer iaat zweven, fig lira ai of gefigureerd gezang (zie onder fi-


-ocr page 197-

CAPELLA

CANTER

181

a ii u I); — cantor, m. Int. (v. canëre, zliiKen) ccn zanger, voorzanger, zanginocstcr; «uk do ilorpssclioolmcoster, illo to gciyk organist Is ,— ranlores amant huinom, lat. sprw.: do zangers drinken gaarne een lensje; — cantoreeren, n\\v. lat. voorzingen, liet vooi7.angersanilit waarnomen ; — cantoraat, n. de post en woning van een cantor.

Canter, in. eng. korte galop van paarden; proefgalop hij wedrennen.

Canthariden, kant li a r i d e n.

Cantharus, m. lui. (v. I gr. kanlharos) aront drinkvat, kun, liokaal; een waterbekken in \'t voorportaal der oude kerken; ook het inls-kannelje, waarin de w (|n en het water voor het nilsollor den priester wordt aangehoden.

Canthltis, canthoplastiek, z, k a n-t h 111 s, enz.

Cantica, cantilene, z. ond. cantate;

Cantillen, z. e n n n e 111 i e, ond. c a n n a.

Cantine, f. fr. (11. auilina, saniengeir. nil iunovetlina, verklw. \\. canova, mid. lat. canava, kelder, magazijn, or v. u. vnn lal. quintana, plaats in hei ronielnsche kump, waar men van alles verkocht) de veldiloscli; rolskeider; hot hiel- of wlinlinis In vestingen, de niarketeni-storskrauni; de lappei\'U In werk- en verlieler-linizeii; cantinier (spr. —nji) of canti-neur, m. fr. eanllne-lioudor, innrketenler; — cantinière, r. fr. de markotentstor.

canto, ond. can la te.

Cantón, m. fr., kiintön, n. (provenc. en sp. canton, li. canftuii\', uild. Int. fimftmns, hoek. hoeksleeii; dislrict, eeno vergroollng van \'I oudfr. rant, 11., sp. en niiil. lal. canto, kant, hoek, ilns elg. lundhoek; vnn celllsclion oorsprong) eene landstreek, een gehled van zekere uitgestrektheid, een kreits, nord, district; zeker gedeelte eener stad; ook In Dnllschland; een han- of werfkrelts, werfplaats; canton-neeren (fr. cantonner). Mil. de troepen In verscheidene hUeengelegon steden en dorpen verdeden on aldaar legeren, om le gemukkeiyker hun onderhoud le vinden vóór liet openen van oenen veldtocht of lig \'I naderen van den winter; Arch, de hoeken van een geliouw met zuilen, pilasters, hoekstecnen, enz. versieren; — cantonnemént, n. (fr. spr. —inci/i), ofcan-tonneering, f. de inlegering, verdeeling van het krijgsvolk iu onderscheidene plaatsen; de loesiand, de plaats dor dus gecanlonnoerde Iroepen; cantomide, f. de iiilmie van het schouwtooneel adder de coulissen.

Cant., afk. van can lor I).

Cantor, 1) z. ond. e a n t a t e.

Cantor, 2) in Sardinië een gewicht ongeveer = us kilo.

cantus fir mux, z. ond. eau I ale.

Canzone, f. 11. (ramdna, v. \'I lal. cantto, vgl. het sp. cancion) een lied, gezang, ode van hopoalden metrischen vorm, inz. Iiy Hal. en sp. dichters; _ canzonétte, f., it. ranzom\'tta, een liedje.

Caoutchouc of kiioelsjoek, /..amerik.

woord voor elastleke gom (gom-elasllek), eene veerkraehlige gom of hars, elg. eene liü-zondere pliintcnstof, welke men uil hel sap van verschillende hoomen van /.. Amerika en de Indien irekt, en wei hoofdzakelijk uit de Itcrrca guianensis .1 ubt. of Jatraopha clastira, 1,. Deze iijj uilnomondheid veerkrachtige zelfslandlgheld, waarvan men zich vroeger vooral hediende om pol loodst re|icn uit het papier te verdreven en om er chirurgische werktuigen van le maken, heeft een nieuw hclang gekregen en is hel voorwerp van een helangryken handelstak geworden; tot den slaat van vernis gehrachl, heefi men er weefsels waterdiclil mede gemaakt; vervolgens heefi men ze weten te spinnen en le vervoiinon in hretels, gordels, elaslieko kussens, enz.

Cap, ui. fr. (li. ra;»), sp. raho, v. \'I lal. raiial, hoofd, splis, top) een voorgehergle, k a a p ; — de Bonne Kspiraare, fr. (s[gt;v. —bonn\'es/ie-raiis\') de kaaj) de (Joede Hoop; (\'(tj) renl (spr. —wèr), de (Iroene kaap.

Capa, z. cap pa.

capable, fr., of capabel (v. \'I mid. lat. caimbltis, v. \'I lal. capiïre, vallen) valiiaar, he-kwaam, In staat tui Iets, geschiki; capax, adj. lat. omvattend, i\'ulni; - ■ t\'tipiir ingentum, ingenium;- capaciteit, f. (lal. inpantas) elg. de maal van hdgene een hol lichaam kan bevallen, de ruimte, de inboiidsgrooite; hel In-dingsvermogen of de last van schepen; oncig. de vatbaarheid, geschlkiheid, hekwaamheid; — capaciteiten, pl. bekwame menschen;

warmte-capaciteit of specifieke warmte, het vermogen der sloiren om warmle op te nemen, de verhouding der lioeveelheden warmtestof in lichamen van geiyk gewield en geiyke lemperaluur, mei water als eenheid vergeleken.

Capade, m. een zwarte gesnedene bij de Indiërs, ontmande slaaf; f. ook vigogner wol.

Caparra, f. Hal. handgeld als onderpand van eene overeenkomst; vgl. a it ba.

Cape, eng. (spr. Uee\\i) kaap, vgl. cap.

Capeadör (pi. capeadores , m. sp. diegenen, welke bü een sllorengevecht zich mei een mantel of iioncho tegenover den stier slel-len, dien aanhitsen en door vlugge wendingen hem ontwijken (ook cliulo).

Capelan, in. sii. (fr. capetan, caplan, wol-lii\'hl verwanl mei k a h e I j a n w) de k a p I a a n, een klein scbdvlschvormig vlscbje In de Mid-dell. zee, ook aan ile kusten van Newfoundland, waar lid als aas lol het vangen van den kabeljauw dient.

Capeline, f, fr. (uiid. lat. ra/nitina, ra/iel-lux, oudfr. capct, nw.fr. c/mjicau, (z. aid.j, hoed) een strooboed als hescherming legen de zonnc-stralon, zonnehoed; C.hir. de zonnehoed of muts van Mippokrates (een zeker verhand).

Capel, capelleeren, enz., zie kapel, enz.

Capella, f. lat. (elg. eene kleine geil, verklw. v. Aïi/ira, geit) de geil Amallhea, die Jnpi-


-ocr page 198-

CAPETINGEN 182 CAPITTEL

Ier /.noKilc; Astron. do (lell, rcnc ster van do oorslo «ronllo In \'I slorronhoold van don Wa-Koninan, in \'t aiali. Alluijok of Alhajotli.

Capetingon, rn. pi. nniiin dor konliiKon van Krankruk uil hol :ido slamlmls, heglnnonde mol lillen C li pol In IIS7, on In do niannolyko llnio olndlKondc mol ka rol IV in —

capétisch schrift, oono sohrlflsonrl, dio voor diplomalisoho zakon in Frankrijk Kohnii-keiyk was Kodurt\'ndo do hvoo oorslo oonwon van hol oa pol in^lsclio huls.

Caphar, z. kaffar; capi-aga, ca-pigi, /. kapl-aga, enz.

rniiiemli jut, lal. .lur. hot recht om uit oou lostaiuout iels Ie hokoinen.

Capilla, f. sp. (spr. -ielja) kapel (vjfl. ka-pol; — c. tic reyes, koiiiiiKsknpel.

capillair, lat. (caiiilliiri.i, e, van mpillus, haar) tol hot hnnr lichoorondej tuuiraotiliR, haarlijn; — capilhires luhi, in. |il., of capillaire bilizen, f. pl. haarliuisjos, huisjes van don kleinst mogolgkeu diamoter; capillaire vaton, haarvaten, vatou, die het midden houden tussoliou de slagadoroti en aderen, (loon hlood, maar slechts oono vvitaohtlge vloeistof hovallen en tol do voodlupt en afsehoidlng dioaon; go-zamoalijk maken zij hol capillair-stelsel, hel haarvaalstolsel uil; capillariteit, f. nvv.lal. I\'hvs. do uatuur der haarliuisjos, do haar-vorndgheld; hol vermogen dier huisjes om do vloelstoiron op Ie trokken, de haarhuiskraeht, do uanlrekking op haarhuizeu-afsland. of die van twee platen, welke slechts do doorsnede van oen haarhuisjo van elkander voi wijdord zUu; — capillaire stroop (fr. Simp ilv capillnire) vrouwenhaarsiroop, liereirt ail hol sap vau hol vrouwenhaar Capilluit reneris), een varenkruid; — capillatie (spr. l=ls), f. (lal. nipii-l(ilwlt; (\'.hlr. haarhrouk, haarspleot, nauwelUks merkhare spiytlng van de hersenpan; ca-pillous, adj. later lal. rn;)i7/ö.««s, «, urn) harig, sterk hehaard.

Capilotï\'ide, f. fr. (sp. rnpiroliida, 11. rnpi-rnla) oou opsloofsel van roods gekookl on lijn gesneden vloesch, oono soort van ragout.

Capiröte, wilde kannriovogel op de (la-nnrlsohe eilanden.

Capistrum, n. lal. do halster of halfter, oen ohirurglseh verlianil; Mod. do kinnehaks-krauip; capistreeren (lat. capislrare), halsloren, vasthinden; capistratie (sjir. lie=lsie), f. nw.lal , z. v. a. phimosis.

capita, z. caput.

capitaal, capiteel, enz., z. kapitaal, enz.; cnyn/nWe/\', adv. lor dnod, mot don dood, h. v. capi tali ter gestraft, mol don dood gostrafl, ter dood gehraelit.

Capitain, in. (fr. capilainc, 11. capitdno, mid.lal. capitanrus, vaa \'1 lal. ctipul, hoofd), z. k a p i I e i n; cupitaimd\'armen, m. (spr. -il\'ann\') waponkapltolu, opziener van oen liilghiils; — ca-pitanerio, f. fr. kapltoinsohap; capi-tana, f. il en sp. tiet voornaamste schip oenor viool, hol admlraaisrhlp; rapitanSa villa, f.

mid.lal. een aanzioniük landgoed, hoofdgoed;-capittlno, in. it., z. v. a. c a p 11 a I n; inz. ook ilc rol van oenen grootspreker, zwetser op hei Hal. toiiaecl; capoedan, capudan, ni. lurk., z. v. a. capi lain; — capoedan-pasja, m. do opporadmiraal dor turksctie zoomlicht.

Capitatie (spr. tie—lsie), f. lal. (capitutïo, v. caput, hoofd) de hoofdsclmlilng, de hoofdaanslag, do aanslag, waarnaar ieder huisvader of elke hulsmoodor volgens het gotal der personen in hol gezin oono zekere heiasllng, hoofdgeld, moei hetaloii; hij de nieuwere holasllng-siolsels koml dil hoofdgeld, eonigszins gew\'Uzigd, onderdon naam van personeel voor.

capildto, 11. Knil. aangekomen; afgeleverd; — capiteeren (Hal. capildre) aankomen.

Capitel, capitello, z. oud. k a p 11 a a I.

capitis (limiiiutio, z. oud. d i m I n n e o re n.

Capito, m. lal. (v. caput, hoofd) een dik-iioofd, dikkop; oen paunolikkor. selinimloopor.

Capitolïum of afgekort capitool, ka-pil ooi, n. lal. woleer do voorname burg of sterkte en Jupllors lompel lo Kome; Ihans oa m-pidoglio, oen prachilg raadhuis: ook in andere sleden h. v. het huls der afgevaardigden in VVashingioii; — capil otium, wordl spol-Iciulcrwijs ook goliriilkl voor lireinkas, hoofd:

— capitolinisch, adj. lot liet kapilool ho-hoorondo of aldaar voorhanden; Capito-linus en Capitolina, hljuamon, de eerste van Jupiter, wegens zijnen tempel, de tweede van Venns, wegens haar slandheeld op hol kapilool.

Capitoul, m. fr. (spr. -loei) vroegere naam van een rechter of sohepou te Toulouse.

Capittel, ii. (\\au tiet later en mid.lal. ra-pitutum, vorkivv. van caput, hoofd; ilal. capi-toto, sp. rapitutn, fr. chapitre) oou hoofdstuk, enz., z. verder op ka pil lol; - capitula-ris, m. (mid.liit. capitulaflm) oen dom-of silchts-heer, canonicus, die het recht hooft oen kapittel h(| te wonen; capitularisoh, adj. kapll-leimatig; capitularïën, pl. (mid.lal. capi-tutarrn) de wellen en verordeningen der fran-kisclie koningen; ordonnantiën, kapiiteis- of hOOfdstuksgewUs opgesteld over hurgertyko en korkolljko zaken; capituleeren (mid.lal. capitulate, eig. iels naar kapiiteis, hoofdstukken of hoofdpunten indoelen), een verdrag aangaan, een vergelijk tretron; omtrent de overgave oenor plaats handelen, voorwaarden maken, aan een vergelUk werken, zich op verdrag overgeven; ook; zioh tol vrywilligen langeron krygsdlensl vorpiiohion; — capitulant, m. die zitting en stom heeft in een kaplllel, kapitlelhoor; die wegens de overgave eener plaats onderhandelt, krygsondorhandelaar; ook: een soldaai, die zich tol vrijwlliigon langoren krygsdlensl verpilchl;

— capitulatie (spr. tie=tsie), f. hol verge-tyk, verdrag, oene uil versclioldoiie piinlen ho-slaande overoenkonisi tussclieu do lielogeraars eu do bezetting oenor plaats, wegens hare overgave, verdragsvoorwaarden, -onderhandelingen;


-ocr page 199-

CAPTATIE

CAPLAN

-18:5

in liet gemoono loven: verzoenlngsmlrtdelcn om cene toenadering te weeg tc brengen; ook: contract, waardoor een soldaat zich vrywllllg tot langeren krUgsdlonsl veriillcht; — kelzor-I y k e ca p H li I a 11 o tioeten In ile geschiedenis van Dnltschtand de vuorvvaarden, dlc do keurvorsten aan hem, die lot keizer was gekozen, voorstelden, en die hy toekende, alvorens erkend te worden, hel kiesverdrag; — capitulatie-termijn, m. termUn eoner dading of overoenkomst.

Caplan, z. c a p e 1» n.

Capo, in. Hal, liootd; —ca/jo-todo, hoofd der hende, roovertioofdinan; — capo violino, eerste viool; rn/ui il\'opera, meesterstuk.

Capoc, of liever kapok, f. (malelsch lidpok, javaanseti knpuk, zydeaclitige boomwol) eene soort van lljno boomwol, die niet gesponnen kan worden, van een struik nil O.lndlë, Slam en Java {fiombax pcnlandriun of ICrio-demlron anfracluomm).

Capón, in. fr. (v. \'1 lal. cupo, kapoen) oude scheldnaam, dien men den Joden gaf, een hul-clielaar, Inz. een bedrieglijk speler; — ca-ponneeren (fr. raponncr, oorspr. oenen haan kapoenen of snijden) valsch spelen, mei tiet spel bedriegen; eaponnière, f. fr. Mil. de half onderaardsche bedekte gang in de loopgraven eener vesting; ook de scblolkuil, de gegraven dleple in do droge gracht eener vesting, uil welke fuseliers bedekt vuren.

Caporal, m. fr. (van \'1 lal. caput, boofd) korporaal, z. aldaar; Ic petit caporal (spr. —p\'li—) de kleine korporaal: de naam, waarmede de l\'ïanschoii, sedert den slag by Lodl, onder elkander Napoleon I aanduidden.

capores ga a n, gemeenzaam voor te gronde gaan, verderven (van \'I rahhynsch-behr. kappfi-reih, zoenoffer, verzoening, \\. \'1 hebr. kdphar, ontzondigen; — dewijl op den Verzoendag menig Jood zyne zonden aan eenen nlot-Jood wilde opleggen niet de woorden; quot;Wees gy myne kappóreth of myn /.oenoller, d. 1. sterf gij voor my tot mijne ontzondlglng en verzoening met (lod, zoo werd dll allengs lol een vloek en van een algemeen gebruik).

Capót, ni. (fr. spr. kapó: v. \'I mld.lat. capa, een manlelachllg kleed) een regenmantel met cene kap ter bedekking van het hoofd; —capót, adj. fr. (It. niiipollo), ka p ó I, in het kaartspel, b. v. In hel piketten: ca pot maken, alle slagen halen; cupot z y n, niet éen trek maken; —in de gemeenzame laai ook (z. ond. caput) voor gebroken, aan stukken; ook voor beschaamd, verslagen, onlsleld; krachteloos; dood; —capote, f. een vrouwenregenmanlel, mantelkraag of overkleed; een kapje; een soldatenjas; ook een diep in liel gezicht slaande danicsboed; — capote anglaise (spr. -an-dlH\'), z- coiidoni; — capotteeren, nw. lal. doodmaken, nederhouwen, onl hoofden.

Capotage, f. fr. (spr. -ta-tj\') Mar. de kunst om den weg, den afstand te melen, dien een schip In zeker tydsverloop op zee aflegt.

Capotasto, m. It. (oorspr. de kam, van capo, hoofd, en tastan, belasten) de kam der violen, enz.

Capote, z. ond. ca pol.

Capovilla, in. Hal. burgemeester, hoofd eener gemeente in Diilmallo.

Cappa of capa, f. mld.lat. een mantelachtig monnikskleed met wyde mouwen, vaak ook met eene karpoets voorzien.

Caprajo, m. Hal. gellenhoedor.

Caprice, f. (eig. m.) fr. (spr. kapriés-, 11. capriccio, van \'1 lat. capcr, de bok ; elg. de [won-deriyke] bokkesprong) de eigenzinnigheid, gril, luim, siyflioofdiglieid, hardnekkigheid; rare inval ; capriciëus, adj. (fr. capricieux) eigenzinnig, grillig, vol luimen, siyfhoofdlg, koppig;

— capriccio, 11. (spr. kapri-tsjio) Muz. naar willekeur in de melodie; — capriccio, n. een luimig, willekeurig schynend kunstwerk, lielzü dicht-, muziek-, schlldersluk, enz.; vgl. fantazle; — o capriccio, Muz. naar helleven, naar willekeur;

— capricciétto, 11. (spr. kapri-tsjélto) eene kleine, korte fantazle; — capriccioso. Hal. (spr. —tsjmo) Muz. luimig.

Capricórnus, m. lal. (v. capcr, liok, en coma, hoorn) de steenbok; Astron. het Iflde teeken van den dierenriem, waarin zich de zon bevindt, als voor de bewoners der noordeiyke gewesten der aarde met den koristen dag de winter begint; circillus cnpricorni, de sleenboks-keerkrlng; — caprifleeeren, lat. (van capri-ficus, de wilde vygeboom) d(^ wilde vygeboo-men kunstmatig door galwespen hevriichten, de rypwording van de vruchl des lammen vyge-boonis hevorderen door Insecten, uitgebroeid In die van den wilden vygeboom (eene levantsche kunstgreep); -■ capriflcatie (spr. /=/«), f. de kunstmallge bevrucbling van den wilden vygeboom door galwespen; caprifolium, n. nw.lal. (van edper, en foiïum, blad) geltenhlad, kamperfoelie, hoe langer hoe liever; — ca-prifoliacéën, f. pi. kamperfoelleachtlge planten; — capriénzuur, n. (v. \'1 lat. caprinus, tol gelten behoorende, v. capra, geil, naar zyn reuk dus geheeten) een vluchtig vetzuur; — ca-primulgus, m. lal. N. H. geitenmelker, nachtzwaluw;—caprióle, f. It. (caprióla, fr. cabriole) een bokkesprong, luchtsprong van een danser of van een paard.

capsa, f. lal. kisl, kast, doos, verklw. capxnln, f. klslje, doosje; Bot. het droge, doorgaans uit vele deelen gevormde omkleedsel, dat de zaden van zekere planten omvat, het hulsel, de zaaddoos, het vlies, do schil; capsulair, adj. nw.lal. wat overeenkomst heeft met zulk eon plantenhulsel of daartoe behoorl, zaaddoosachtig; - capsulitis of capsitis, Med. onl-steklng van het ooglensvHos; — capsicum, n. nw.lal. do spaanscho of Cayenne-poper (zoo geheelen, omdal zy in oen hulsel begrepen is).

Captain, m. eng. (spr. képlin) kapilcln; vgl. ca p 1 ta i n.

Captatie (spr. lic=tsie), f. lat. (captalïo, van caplarc, vangen) het zoeken, bejagen van


-ocr page 200-

CARACOLE

CAPTEUll

184

eenlB (if oogmerk, inz. door sluw borckonde middelen; fuplalin bcnmolenlme, lal. do liedo om een loegevend gehoor bü den nnnvang oener rede; het verzoek om ccne gunsllge lieoordoe-llng In hel voorlu\'i\'ii\'ht van een hoek, enz.; ook hel giinslliejag, hel zoete-hroodjes-hakken; cop-(Yo rerburum, hel vallen of vangen door woorden; woordverslrlkklng; — captatörisch, adj. (lal. caplalorius, a, um) misleidend, berekend om Iemand te vangen, h. v. eene caplalorische hepaiing in een leslament, door welke men een legendiensl van den hevoordeelde wil uitlokken.

Capteur, m. fr. (v. \'1 oudfr. rapier, vangen, wegnemen, lat. caplare) Mar. de wegne-mer van een schip of eene lading, de vryimi-ter, kaper.

Captjo, f., pl. captiën, lal. {caplin, van rapere, vangen) Log. verkeerde, valsche slnil-redenen, verstrikkingen; — captie (spr. t—ls), f. (lat. capïïo) verstrikking, tegenstribheling; es. pile maken, tegenstribbelen, aanmerkingen maken, uitvluchten, geschil zoeken ;- cap-tiëus, iidj. (lat. raplidsus, a, um) sluw, verstrikkend, arglistig, voor allerlei uitlegging vatbaar; — captiositeit, f. nw.lat. de arglistigheid.

captiveeron, nw.lat. {caplivïïre, fr. capli-rer, v. \'1 lat. caplivus, a, um, gevangen) gevangen nemen, in hechtenis houden; oneig. de gunst winnen of verwerven, door kunst of ilsl iemand aan zich boelen; — captivatie (spr. tie=tsie), f. do gevangenneming, het vangen; capti-viteit, f. lat. (caplivïla.i) do gevangenschap, hechtenis.

Captuur, f. lat. {caplüra, van rap ére, vangen, vallen) de vangst, bult; ook het wegnemen van verboden waren; het inhechtenls-ne-men van oenen schuldenaar op lasl van zijnen schuldelscher; - captus, in. lal. de vatbaarheid, verstandsbekwaamheid; — ad raplum, naar de bevallingskracht, verstaanbaar; — ultra raplum, hoven de vatbaarheid, onverstaanbaar.

Capuce, capuchón (spr. —sjóii), m. fr. (It. cnppurcio, sp. capucho, mid.lat. rapuliuin of eapucium, ook ca pi Hum, van capa, cuppa, mantel, monnikskleed) eene kap, kraag- of man-lelkap; karpuits-, kapoets of karpoetsmals; — Capuciaten, m. pl. eene secte van Wicie-lieten uit de tide eeuw, dlo voor het sacrament hel hoofd niet ontblootten en vandaar hunnen naam kregen; — capucijnen, m. pl. kapmonniken, franclskaner monniken, die den slreng-sten ordesregel onder deze hebben en groote spitse kappen (capuchnns) dragen; hunne orde werd in IMïi door Malen de Hosso ingesteld en In 1835 door paus Paulus lil bevesligd; — ook zekere soort van erwten; — capuci-nade, f. fr. eene capucynerpreek, slechte he-lachiyke redevoering, montiikengewauwel; ca-pucynerstreck.

Capudan, z. capital n e.

caput, n. (genii, cap\'itis, |)l. capita) lal. het hoofd; spreekw.: cupul metanchóticwn est ili-iihuli baliiüum, een droefgeestig hoofd is des duivels had; capita jugata, pi. verhonden hoofden, twee koppen op munten, heizy c. adrersa, met naar elkander toegekeerde, of r. aversa, met van elkaar afgewende gezichten; o capïle [usque] ad calcem, van \'I hoofd lol de voeten, van top tot toen; ex captie, uil hel hoofd, uil hot geheugen; Jur. ter ooi-zake van, wegens, h. v. ex captie uftullerti, delifti, lieriditStis, enz., ter oorzake van ochtbreuk, schuld, erfenis, enz.; ex quocunque captie, uit welken grond of oorzaak \'1 ook zy, om todero reden; in captta, naar de hoofden of naar \'I getal der personen gerekend; In tegenstelling met in stirpes (naaide stammen of famillen gerekend, ten opzichte van de verdeeling oener erfenis); per capita, naar de hoofden of personen; qunt capita, tul sensus, zooveel hoofden, zooveel zinnen (d. i. meeningen, gevoelens); caput morhium, doode-kop;Chem. wat hij hot distilleeren op den ho-dem overbiyfl en waaruil geen vluchtige zelf-staiuligheid meer kan getrokken worden, z. v. a. residuum (z. a.); voorheen ook leder dood overhiyfsei; vandaar ca pol, als adjectief, en capotteeren, z. ond. c a p o t.

Caque, f. fr. (spr. kaak\', oudn. kaqgi, deonsch en zw. kaufie, eng. ran, keg, oen vaatje, inz. tot inpakking van visch) een harlnglonnelje; krull-tonnotje; de talk- of ongelkulp; la caque sent toujours Ie harend, (sprw.) de Ion riekt altijd naar de haring, d. 1. de eerste Indrukken worden nooit ultgewlscht.

Caquet, m. fr. (spr. kakè) gesnap, gewauwel, gekakel; —caquoteeren (fr. caqueter) pralen, snappon, babbelen, kakelen, snateren;

— caqueteur, m. een snapper, babbelaar;

— caquetoire, f. (spr. tnAr\') de praatstoel.

Car, m. eng. (spr. kaar) kar, licht rijtuig.

cara, Hal. het vronweiyk van caro (z. aid.),

ook van cams; — ca™ min, (Hal.) mijn lieve.

Carabanzes, in. pl. (sp. qarbdmo, pl. qar-banzos, hask. qarbamua, elg. droog koren, van qarau, koren, en anzua, droog) sissers, slsser-envlen, dultsche kolile, grauwe erwlen, inz. in Spanje, Portugal, enz. als spys gehrulkeiyk.

Carabiis, m. fr. (sp. karabd\') een gemeenzaam woord voor een groot en oud rijluig, verbasterd van char ii banc (z. aid.); — markies van ca ra bas, iemand, die door de blinde fortuin groole rykdommen beeft verworven en zich daarop veel laat voorslaan.

Carabinieri, pl. Hal. in lialIB, z. v. a. gendarmes (z. aid.), vgi. karabyn, enz.

Caraac, sp., caraque, fr., of ka rak, kraak, z. hel laatste woord.

Caracal, z. k a r a k a I.

caracho, interj. sp. (spr. kariitsjn) als uil-roep : sapperloot, vervloekt!

Caraco, m. eene soort van dames-spencer, mi nlel meer In de mode.

Caracóle, f. fr. (van I sp. caracal, schelpslak, waarsch. van iberlschon oorsprong) de rondwending, snelle wending of zwenking van eenen ruller, het omdraaien van een paard In heele of halve kringen-, caracolooron (fr. ca-


-ocr page 201-

CARACOLI

185

CARCASSK

racoler) het pmird in vollen ren vlugge wendingen doen maken.

Caracóli, n. een metnalmengsel dor nmo-rlkannscho wildon, halfgoud.

Caracten, pi., z v. a. karaktormas-kcrs; - Carasers, z, ca ration.

Carafe, f. fr. (It. cara/fa, sp. garrafa, van \'tarab. garafa, schoppen, opschoppen) karaf, eene kleine llosch, Infolllcsch, krlslalDesch; In Napels eene vochtmnat voor wyn en olie = barile = 0,727 liter; — carafflne, f. Hal. {caralfina, verklw.) klein lafellleschje, iizijn- of ollefleschje; — caraffón, in. een koelbak, groot glazen koelvat, om de drinkglazen koel Ie houden.

Carag of caradsch, z. charadsch.

Caragana, z. ka ra ga na

Caragheen, z. carragheen

Caragoli, m. pi. it. (v. curnqolo, sp. rara-col, sclielpsliik; vgl. caracole) kleine eetbare schelpdieren In do Adriatische zoo, welker weer-schUnende scholpen in Venetië als damessieraad dienen.

Caraïeten, Carseers, in. pi. eene secle onder de Joden, vaak portugecsche .loden genaamd, In tegenstelling met ile Kabhl nieten; zij houden zich slipl aan den tekst on de letter der schriften en verwerpen de rab-binische uilieggingon, de kabi)ala en den talmud.

caramba, inlerj. sp. uilroep van bezwering, van verwondering, enz.

Carambóle, f. fr. de roode bal op hot bil-Jarl; het spol met een rooden en twee witte ballon; — carambolma, f. (gewooniyk verkort; Caroline) de gele bal op het biljart; ook een biljartspel, ilai mei .\'gt; ballen gespeeld wordt; — caramboleeren, meer dan éenen bal met den bal, waarmede men speelt, raken; lig. logen iemand of Iels siooien; — caram-bolage (spr. Id-zj\'), hel troifen van meer dan eonen bal met den gespeeiden.

Caramél, t. fr. (sp. caramelo, v. \'1 mid.lat. cnnnamcUis, canmmeUa, sulkerrlel, suiker, van l lat. eannu, riet, en mei, genii, mcllis, honig) half gebrande en geharde suiker, bruine sniker-kandU, gersicsuiker; ook; bruine gelei uit runden kalfsvleesch; cavamelisatie (spr. -ui-/.Wc), f. de bewerking, die de suiker lot caramel maakt.

Caranna, f. sp. soort van geurig hars in Z.Amerika.

Caraque, z. kraak.

Caravélle, fr., of karveel, f. (sp. cara-vela, carabela, verklw. v. caraba, groot vaartuig, van lal.-gr. rarabus, zeekrab en hooi, ook arabiscli Itdrib, bark) een snelzeilend schip in Spanje en l\'orlugai; een klein, lot de haringvangst dienend vaarluig In Frankryk; In Tur-kye een klein oorlogsschip.

Carbolzuur of phenylhydraat, n. Chcin. een nil leer afgescheiden, aan creosoot verwante slof, die in zuiveren loostand een wit krlsiailinisch poeder, anders echler eene bruine vloeistof vormt en inz. lol verniel iglng van smelsloiïen gebezigd wordt; -- carbolgaas of carbolmull, n. Cbir. zekere verbandslof, beslaande uil ongebleekt gewoon kaloengaas mei toevoeging van hars, paraillnc en krlsiailinisch carbolzuur, gebruikt iilj de anllseplische behandeling van wonden.

Carboon, n. (lal. car lm, de kool) koolslof;

— carboleine, f. (van \'I lal. air lm, de kool, en olëtDu, olie) eene nieuwe, door Wescbniakov te Petersburg uiigevonden verwarmlngssiof voor stoommachines, enz., beslaande in tot poeder ge-hracbl bonis- of sleenkooi, welke, met eene of andere olie vermengd, tol eene vaste massa samengedrukt wordt; carbonade, f. (fr. car-bonmde, verkeerdeiyk carmonade) op kolen geroosi vleesch, aan dunne scbyven gesneden;

— Carbomiro, m. it. (eig. kolenbrander) pl. Carbonari, een ullgebreld geheim pollllek genootschap, tegenover dal der cniderarl staande, Inz. van ISin—1820 In hel knnlnkryk Napels, welks bedoeling was, alle Hal. sinten in een bondgenootschap als vryslaat Ie vereenigen; (li: Carbonari hebben, evenals de Vrijmetselaars, symbolische leekenen, doch overigens niets mei deze gemeen; ook eene eigen manier van hel bostonspel Ie spelen; —carbonari, m. een wyde en lange inansmantol zonder mouwen ; — carbonarisme, n. de gevoelens en grondsieilingon der Carbonari, dlkwyis voor Ja-coblnisme gebrnlkl, omdat men den Carbonari dezelfde oogmerken toesebreef als den voor-mallgen Jacobynen in Frankryk; — car-bonaten, n. pi. Chem. koolzure of koolstofzure zouten, zouten, gevormd door koolstofzuur en eene basis; —carbonétti, m. pl.il, (elg. kleine kolen) eene soort van zwartachtige koralen te l.lvorno; — carbonëum of car-bonïcum, n. nw.lal. de koolsiof, eene grondstof, nu eens zuiver, geiyk In hot diamant, dan weder met andere stollen vereenigd; — car-bonicus, mij. nw.lal. koolzunrlioudend, koolzuur; - carbönisch nf carboneus, adj. koolachtig, koolsioiilg; — carboniseeren (spr. s=j) of carbonosceeren, verkolen, lol kool brengen; earbonisatie (spr. -za-tsie), f. de verkoling.

Carbónkel of karbonkel, m. (v. \'i lal. curbuncülus, kleine kool) een robijn van zeer schoone donkerroode, sterk scbilierende kleur; N. II. eene soort van kolibrie; Med. eene kwaadaardige, onlsioken zweer, de negenoog; - car-buncnlatio, f. (spr. I=ls) brand iti de knoppen der planten.

Carcan, m. fr. (v. \'I nild.lal. carcanum, ceil.-amor. kerchen, kelchen, halsband) bel balsyzer voor misdadigers, de knak; carcan of car-canet, m. vroeger eene soort van vrouwen-halssieraad, haiskolon mei diamanten.

Carcasae, f. fr. (it. cttrcuur, v. \'I lal. ram, vleesch, en capm, kisi, doos, enz., omdat het als de doos of koifer van \'1 lichaam is) de onl-vleesde, maar nog samenhangende beenderen van een dood dier, bel geraamie van een dier-


-ocr page 202-

CARCAVELLO 180 CARGO

lük lichaam; (tok dv romp vim oen schli), van oon lioori; — met zydc omwoiulen koperdraad, karkas; zekere vrouwelijke hoofdtooi; eono langwerplKe bom vol haiHlgranalen, cea brandkogel ; oaelg. een zeer mager monsch, fam. vel en beenen.

Carcavéllo, m. een zoete witte port. wyn, naar \'I getykn. dorp In de prov. listreniadura benoemd.

Carcel-lamp, t. lamp, waarin de olie door een uurwerk opgepompt wordt (naar den uitvinder C.arcel te Parijs, 1800).

Career, in. lat. (vandnai\'ons kerker) eene gevangenis; carcere duro, in. 11. (spr. kdrlsjere doeru, woordelijk: barde kerker) bel stelsel van strenge opsluiting iu de ooslenrük-sche kerkers, gepaard mei afzondering, boeien en slecbt voedsel, dal vaak den dood ten gevolge beeft; earcerarïus, in. de gevangenbewaarder, kerkermeester, elpler; — car-ceratïcum, n. nw.lal. bel geld voor sluiten en ontsluiten; carcereeron, Inkerkeren, gevangen zetten; carceratie (spr. t=ts), f. de inkerkering.

Careharias, z. karebarlas.

Carchêra, f. Hal. (spr. -kee-ra) lederen gordel der Corsicanen voor de patronen.

Careiniet, z. ka rein iet.

Carciofo, m. ital. (s|)r. karlsji—) artisjok (z. aid.)

Cardiaca, cardialgie, v.. k a r—.

cardinaal, kardinaal, lat. {cardinulis, c, van cardo, de duim of har, waar eono deur op draalt, spits, hoofdpunt) nis adject.; bet voor-naimste, eersto in zyne soori, b. v. het car-dinale punt, tiet hoofdpunt, het gewichtigste bii eene zaak; de cardinale deugden, de hoofddeugden (de i boidensebe, volgens Cicero; wysboid, gemaligdbeld, gerccbligbeid en sterkte; de .\'I cbrlsleiyke; geloof, hoop en liefde); cardinale getallen, de hoofd-of grondgelallen; cardinale winden, de hoofdwinden, n.1. de noorden-, oosten-, znidon- en westenwind; — als subsi.; 1) boofdprlesier, een titel der vooruaam-sle geesleiyken na den paus in de K. kalb. kerk, een der 10 geeslelyke vorsten, die slem tn \'1 conclave hebben by de verkiezing van een paus en uit welker midden de nieuwe paus wordl gekozen; i) een drank uil willen wyn, oranjeappelen en suiker; :i) eene appelsoort, z. calville; 4) kardinaalvogel, een scboone vogel met uiterst welluidend gezang van hel geslacht der kernbyters; B) een soort schelpdier (Conus nrdinalis)-, — rnrdinal camcrlénqn, II. kardinaal-kamerling of schatmeester, die de pauselijke inkomsten bebeert of in do apostolische kamer voorzit; cardinuln nnminnli, pl lol de pauselijke waanllgbeld voorgedragen kardinalen; car-(UiKdes iiapabtles, pl. nw.lal. lol paus verkiesbare kardinalen;—cardinalaat, n. de kar-dinaalswaardigbeid; — cardinaal-bloem, f. de purperbloem, een prucbllg, veel jaren durend gewas met eene donker vmirroode bloem (Lobelia cardiiiu/isr. eardinaalshoed, de

roode, scbarlaken hoed of purperhoed der kardinalen, bel teeken der kardinaalswaardiglield. Cardobenedictenkruid of b e n e d l c-

t enk ruld (uil het lat. cardtius bencdiclus, d. i. de gezegende distel, Cenlaurea benedicla, L) hel kruid van de gezegende distel In Z. Europa, dat zeer hitler is en eene oplossende kracht heeft, met samengestelde, pypsgewyze, salfraankleu-rlge bloemen is bezet, terwijl cte bloemkelk mei de nabygelegen bladeren door een spinneweb-blg weefsel vereenigd is; cardóne, f. (it. cardone, fr. cordon, spr. cardo, eig. groote dis-lel) een sp. gewas, eene tutnvruchl, naar de arlisjok gelijkende.

Cardoleum, n. harb.-tnl. (v. [am]cardium en ohum) olieacblig bestanddeel van de oli-fanlsluizen (z. anacardio-boom), waaraan deze haar blaartrekkende eigenschappen Ie danken hebben.

Carême, m. fr. of mid.lal. carina, (. (van \'1 lat. qmdrauesima, d. i. veertIgdaagsehe vasten, II. quarésima, si), quaresma, provenc. ca-rema, mid.lal. carisma) de vaslentyd, vasten (van Aschwoendag tot Pascben).

careeren (l|t. curare) gebrek lyden, niels krygen, vasten, buikslraf lyden; — caréna, f. op de saksiscbe openbare scholen de onthouding van bel middagmaal als slraf voor een leerling; — caréntie (spr. I—Is), f. de ontbering, bel strafvasten; — carentie-jaar, u. ontberingsjaar, waarin aan een provenier of ambtenaar z.yn inkomen onlhouden wordt; canU. bel ontbreekt, mangelt; het teeken, waardoor Iets onlbrekcnds wordt aangeduid.

caresseeren, fr. [caresser-. it. carezzare, dal een lal. cariliare doel onderstellen, v. ca-rus, lief) llefkoozen, streolen, troetelen, minne-koozen, vielen; caressant, adj. Ilefkoo-zend, vleiend, strooiend, enz.; --carésse, f. (mid.lal. carilia) de iiefkoozing, vleierij; hel gevlei, goslroel, gekoos.

card, z. oud. e a r e e r e n, en hel volgende. Carótte of carétschildpad, f. (fr. caret, nw.lal. carctta) eene soort van zeeschildpad, van welker schaal men kammen, enz. maakt, en naar welke hel lljnsle en sehoonsle schildpad den naam van car 01 of ear él Ie draagt {Chelonica imbricala).

Carex, f. Bol. rielgras.

Cargo, m., ook earga, f. sp., of cargai-son, f. fr. (spr. karqèzoii, v. \'t sp. carqar = fr. charger, it. caricare, carcare, beladen, op- of inladen; mid.lal. carricare, van \'1 lal. carrus, wagen) de scheepslading, vracht, de verkoopgoederen; ook de lysl daarvan, de factuur der lading; — carga, f. in Spanje eene wynmaal, = 51,5 lol «11 liters; eene korenmaat aldaar en in de Levani, byna = 273 liters; - carga-of cargo-gewicht, n. de last, dien men op eenen ezel, een muildier of paard kan pakken-, In Spanje een lasl van ongeveer ISO kilo; — cargadoor, ook cargo, m. spaanscb, een scheepsbevrachler, scheepsmakelaar, een opziener over de koopwaren, koopman op een koop-


-ocr page 203-

CARNAUBA-WAS

CARIBEN

187

vaardUschlp, die den verkoop der geliidcn Koe-deren op de plaats liunner liesleinminK hexoivl en den eigenaars rekening daarvan moet alleg-gen. Gaan twee zulke opzieners met het schip mede, zoo heet de eerste super-car go, opperkoopman, en de tweede on der-car go, onderkoopman.

Can hm, z. K a ra i hen.

Cariatiden, z. karyatldon.

Canca, f. Ital. (d. 1. last, tr. charge) voormalig groot gewicht; ook inhoudsmaat op eenige plaatsen in Haiti! (te Venetië 4 centenaars = l\'20.\'i!)2 kilo; Ie iMiliian maat voor haver =

liter, enz.)

canca, f., pi. caricae, lat. {sell, ficus, vüg) oor-spr. cai\'isehe vijgen (uit het landschap Carla in Kieln-Azië) in \'t algemeen gedroogde vijgen;

- caricoiden, pl. lal.-gr. vygesteenen, vyg-vormigo versteoningen.

Caricatuur, f. dikwijls, maar minder goed, carricatuur (ital. caricatüra, v. cancan, heiaden, overladen, overdrijven, fr. charger: vgl. cargo) in de heeldendo en fraaie kunsten: overlading en overdrijving der voorstelling, doorgaans met oogmerk om den inch op te wekken, een ovcrdrljvingsbeeld, -prent, -karakter, eene soort van aanschouwiyke satyre, die met grove trekken in sclulile kleuren afhceldsels vertoont, welker gelijkenis met de origineeien terstond erkend wordt; caricaturist, m. een vervaardiger van zulke carlcaturen, spotprentmaker; carikeeron, overladen, overdrijven;

- carico, in. it. het ladingsgewicht, naar hetwelk in Italië de lasldleren beladen worden ; in Venei ie vroeger een handelsgewicht, z. car ie a (ie art.); - carriceeren, Kmt. met wissels zeer lastig vallen; — earicatóre, m. hevraeh-ler; in llaile ook iemand, die goederen onllandt cn bezorgt.

Carïës, f. lat. Mod. de heeneter, waaronder in een wijderen zin zoowei do beenzweer als de heenversterving verslaan wordt; carieus, adj. (lat. cariüsm, a, um) aangestoken (van heenderen).

Carillon of carrillon, n. fr. (spr. kari-Ijóii: mid.lal. carillon us, oorspr. uil vier klokken bestaande, ais ware \'1 van een lat. woord quadritto, v. qualuor, vier) een klokkenspel ; een daarvoor gezet muziekstuk; zeker pijpwerk in \'I orgel, dat klokjes naboolsl; de klank van glazen bij hel aansloolen; carillonneur, m. klokkenspeler.

Carina, f. lat. scheepskiel, schip; ook in de bot. = kiel.

Carinthijn, n. en in. (van (\'arinlhia, naar welk land Werner dil kiezelgeslacht benoemd heeft) hoornhlende, straaisleen.

Cariole, z. c a r r i o i e.

Carita, ital. liefde, teederbeid; ~cnn carila, met teederheld.

Caritas, f. lat., carila, 11. (van \'t lat. cnrus, lief) do liefde, inz. de chrlsleiyke liefde tol den naaste; een geliefd voorwerp der nieuwere kunsl, waarin zy ais eene liefdevolle moeder, die kinderen verzorgt en liefkoost, wordt voorgesteld ;

caritatief, adj. nw.tat. iniiddadig, mensch-lievend.

Carl, enz., z. Karei, enz.; — Carlino, m. it. (v. Carlo, Karei) eig. een Karelstuk: in hel voormalig koninklijk Napels eene kleine zilvermunt = lit centen; in Sardinië eene voormalige goudmunt = iii lire of -23 gl. i:i centen; — Carlisten, in. pi. in Frankryk; aanhangers van den voorin, koning Karei X; in Spanje; aanhangers van Don Carlos; carlisme, n. hunne politieke gevoelens; Carls d\'or, m. (luitscb-fr., of enkele pistool, f. bruns-wykscbe goudmunt van \'i thaler, ongeveer = II gulden.

Carmagnole, f. fr. (spr. karmanjólc) een voor do vrijheid dwepend volkslied met dans begeleid, tydens de eerste fr. revolutie (zoo ge-heeton naar de Carmagnolen of Savoyaards in l\'arys, die hoofdzakeiyk uil dc stad Oar-niagnoia in l\'lemoni komen).

Carmelieten, z. K a r in e 11 e t e n.

Carmen, n. lal. (sanskr. casman, lotlied, v. cans, loven, prijzen; vgl. cam lenen) een ge-diebt, inz. golegenheldsvers, h. v. Iiruilofts- of lykilichl; pl. carmina, gediclilen ; — carmen seculare, oen eeuwzang; jubelzang; Car-ménta of Carméntis, f. Mylh. eene oud-romeinsehe voorspellende en genezende godin;

carmentalïa, m. pl. bet haar gewyde feest in Januari.

Carmenade, misvorming v. c a r b o n a d e, z. aid.

carminatief, adj. uw.lal. (van carminarc, eig. kaarden, vervolgens zuiveren, v. carmen, do kaarde, v. cartre, kaarden) Med. windbrekend, winilverdryvend; — als subsi, n., middel legen winden, windiirekend middel; afgeirok-keu brandewijn.

Carmozijn, n. (11. carmcsino, cremisinn, fr. cramoisi) hoogrood, z. kermes.

Carn, z. c n i r u.

carnaal, adj. (later lat. carnalis, e -, v. \'I lal. ram, genii, carnis, vleesch) vleescheUjk, lijfelijk;

carnaliteit, f. (rafnaTOas) de vieoschciyk-beid; — carnage, f. fr. (spr. kanui-zj\') een bioediiad, eene slachling, een moorddadig gevecht ; carnalist of carnaliot, m. barb, lal. een vleescbeiyk gezinde, iemand aan vleesche-iyke lusten overgeven; carnatie (spr. I—Is), f. Piet. de voorstelling van bet niensehenvioescb door het coioriel, bet vleeschschllileren; car-neool of sa rdu ssl e e n, in. Min. een kostbaar haifdoorz.ichlig, viecschkleurig of bloedrood edelgesteente van hel kiezelgeslacht (fr. carnal ine).

Carnalliet, n. (naar den mynopziebter von Oarnall) een nil ebloorkalium, chloormagncsluni en water beslaand mineraal in de zoutbeddlng hy Strassfuri.

Carnauba-was of cerea-was, f. wasachtige massa op de bladeren van den brazi-liaanschen palmboom Cnrupha of Coiiernicin cc-rifera, die bij de kaarsenfabricatic gebruikt wordt.


-ocr page 204-

CARNET

CARRÉ

188

Carnét, n. fr, (spr., sumongplr. uit hel romun.-lal, quulcriivllam, vcrklw. v. \'I lal. qua-lemum, \\iil. en hl er) hel koopmiinsboek, koop-mansreishoek, ilal men hij zich voerl lol hel houden van uanleekcnlnKon, lol (lag- en sclmlil-reglsler.

Carneval, n. (van hel tl. carnevule, d. 1. olg. vleeseh, vaarwel!; volgens anderen v. lal. car-nis temmen, v. cara, vleeseh, en levure, wegnemen) de vastenavond, de vrooiyke wlnlerlUri van Driekoningen (« Jan.) lol de vasten (Aseh-woensdag), Inz. de to laatste dagen van die lydriilmte met de daarby hehoorende vastenavondsvreugd, maskeraden, grappen, enz., hel schjlterendst gehouden te Rome-, — carno-valino, in. It. de aa-carneval te Florence, die slechts, nog (\'en dag (Aschwoensdag) aan do vasten onttrekt.

Carnies, z. cornlche.

carmfex, m. lal. (v. cara, genlt. carnis, vleeseh, en /\'«(•lt; re, maken) de scherprcctdor, meester van den scherpen zwaarde, heul; — carni-fleeeren {tal. carnifivure, Ier lt;lood hrengen) kwellen, pynlgen, martelen; nok In vleeseh veranderen; — carniflcatie (spr. l—ls), f. Med. het vleescliaehtlge weokworden der lieenderen; ook vlceschwordlng, overgang lol of verandering in vleeseh, h, v. van de longen; - carnivóra, n. pi. lat. vleeschelende dieren: carnivó-risch, adj. viceschetend; — carneus, adj. lat canwsus, a, urn) vioezig, inz. van tijnere weefsels, die door ziekte In cene dichtere massa zyn veranderd; van planlondecien; vast, dik en sappig; —carnositeit (spr. s=j), f. nw.iai. de vieezigheid; Mod. een vleezlg gezwel.

Caro,liil. (gen. carnis) vleeseh; — cara luxu-rians, wild vleeseh; vgl. car na al, enz.

caro, adj. ital. diorhaar, lief; ook als sahst. caro mia, myn waarde (z. cara, earns); ook als hondennaam gebruikeiyk.

Caro, rn. ital. voormalige wynmaal van ongeveer tfln Hier, vgl. carro

Caroa, f. porl. ananasachilge plant (llro-melia mriegala), welks vezels lot louw en nellen dienen In Hrazllle.

Carócha, beter eornza, z. aid.

Carógne, f. fr. (spr. karónj\'i li. caraqna, provenc. ca ran ha, ndd.lat. carania, v. \'I lat. cara, genlt. carnis, vleeseh) aas; als laag scheldwoord voor eene ondeugende, boosaardige, slechie vrouw, eene oude heks, eene liederlijke deern, enz.

Caröle, f. (it. en mid.lal. caroln, oudfr. ca-rale, als van een lat. chnrülus, chnrula, verkiw. van chorus, koordans, rondedans) weleer oen rondedans, reidans, waarbij door den voordanser een liedje werd gezongen, welks refrein door allen werd herhaald.

Carólus, m. miil.lal. en nw.iai. voor Karei (z. aid.); ook eene eng. gouden munt onder Karei i en Karei 11. gelijk aan eene guinje; — carolus-daalder, daalder met de beeltenis van Karei den Grooten, to Aken geslagen ■zy zyn vry zeldzaam); carolien, caro-lijn, ook fr. charles d\'or, m. fr. (spr. sjdrl\' dór) eene goudmunt In Beioren, Darmstad, Uo-henzollern, Wariomberg, = ruim 14 gulden ; — Carolina, f. de iyfstrallciyko wetgeving ot verordening voor het halsrecht van Karei V (volledig iiectende Constilutis criminalis cara-Una, vandaar afgekort (\',. C. (;.)-, — Caroline, vr.naam, z. ond. Karei; Caroline, f. eene zweedsche zilvermunt, de oude Caroline of i markstuk = IS et., de latere = us et.; z. ook ond. carambole; — carolingen, m. pi. naam der koningen van Frankrijk uit hel 2de stamhuis, beginnendo met Pepyn den Korten in 7S0 (naar wiens zoon Carolus magnus. Karei den Groole, hel genoemd Is) en eindigende met t.odcwyk V in «87. Het heeft li koningen opgeleverd.

Caronade, /.. carronade.

Carosse, z. car rosse, ond. carrière.

Carótte, f. fr. (van \'I lat. cnrula) de gehv woriel of gemeene peen (Dancus caroia)-, Kmt. onlrlbde tabaksbladeren in peen- of langwerpl-gen elvorm op elkander gerold tel hei maken van sauiriabak; — carotteereu, tabak kerven; nok kniezerig spelen.

Caroube, m. fr. (spr. karaeb\') hel Si.-Jansbrood, de vrucbl van den SI.-Jansbroodboom (fr. carouhier, spr. karnebjé).

Caronssel, z. ond. carrière.

carpe diem, (lal.) geniet van bot tegenwoordige (devies van den egoïst en den zorgelooze)

earpeeren, lat. (carpére, etg. plukken, uittrekken) berispen, laken, iels heler willen wet en.

Carpét, n. eng. (spr. kaarpet -, mld.lal. car-pela, carpila, een soort van ruig doek, v. lat. curpr\'re, plukken), karpet, een los vloerkleed, overvloerkleed, voelkieod; pi. Carpets, In tin-geland vervaardigde wollen stof tol vloerkloe-den; — carpótte, f. fr. grof, gestreept pakdoek.

Carpinus, m. Kol. plantensoort, waartoe de hagebeuk ((\'. helula) behoort.

Carpocratianen, m. pl. (spr. t~ls) volgelingen van Oarpocrates in \'1 jaar HO, die de godheid van .1. Ohr. en ile schepping der wereld door God onikenden.

Carptor, in. lat. iiy de Romeinen; slaaf, die de spyzen voorsneed.

Carpus, m. nw.iai. (van \'1 gr. karpós) de voorhand, handwortel, hol vuistgewrichi.

Carraca, sp., z. ond. kraak.

Carrhagêên of caragheen, n. Bot. iersch paretmos, het iersch mosch der apothekers (/\'«ras mucus) In drogen slaat, waarvan hel siymige aftreksel voor borslaandnonlngen wordt gebruikt.

Carrago, f. lal. een wagenburg der Ouden

Carrarisch marmer, z. marmer.

Carré, n. fr. (ontst. uit qunrré, van \'t lal. quadrïïlum) hel vierkant, z. quad raat; als adj.: vierhoekig, met vierkanten geteekend, dob-belsteenig; - carré-machine, f. mechaniek toestel om rechte guillnebeerlngon te maken;

carreau, n. (spr./me»; oudfi1. carrel, quar-


-ocr page 205-

CARREFOUR

489

CARTiLAGO

ri\'l, mid.lnt. qiuulrellus, vorklw. v. quadrum, vierkant) oone ruil, schuin vierkant op de speelkaarten, ruiten; —carrelage, f. het hevloe-ren met vierkante tegels; — carreleeren,

(Ir. carreler) met vierkante tegels bevloeren.

Carrefour, m. fr. (spr. —foer; provenc. carreforc, van \'t later lal. quadrifurcum, vier gaffels vormende) een kruis- of sclieldweg; de hoek van eeno straat.

Carrêta, f. (Hal. carrella, fr. charrclle, v. lat. coïtus, ons kar) kleine koets, slecht, ellendig ryiuig; carretiëre, m. ital., car-retero, sp. karreman, voerman.

Carreur, m. fr. keurig gekleede dief, die inz. edelgesteenten sleelt. ,

carrezzare, Hul. (fr. caresser) vielen, flef-koozon; Mu/.. de tonen zachtjes aangeven en verbinden; — camtzandn, currmevule, .Muz. vleiend, zachtjes aangegeven en verbonden.

Carricatuur, z. carlcatuur.

Carrick, m. eng., rijrok met veel kragen of mantels (naar de stad Carrick In Ierland).

Carrière, f. fr. (It. carriéra, van \'t lat. marrus, wagen) clg. de renbaan voor wagens; de loophaan, renbaan; de levensloop, -weg, -wandel; de ambls- of post bediening; de volle ren van oen paard; ook eene steengroeve (maar dan atgeleld van \'1 mld.lat. quadraria, van quadni-lus, vierkant, omdat de steencn uit de groeven vaak vierkant zün); iemand eene schoone carrière openen, iemand de gelegenheid geven om zijne bekwaamheden te doen uitkomen, om forluln te maken; zijne carrière «In(ligen, sterven; en {pleinc) carrière (spr. lt;iii—), in vollen ren, met lossen teugel; — carrière-attaque, f. Mil. de ruiiersiorm, de stormaanval der ruiterij; — carrióle, f. een licht overdekt rijtuig met twee wielen; - carro, in. it. (= lat. carrus: pl. carri) eig. wagen, kar; eene. inhoudsmaat voor droge en natte waren in sommige doelen van lialli\'; zij Is als voebtmaat het tienvoud der brenta (z. aid.), als voormalige graanmaal te Napels = 2000 liter; ook wijnmaat van verschillenden Inhoud, ongeveer toon liter; — oarroccio, m. ital. (spr. karrótsjo) wagen mot bouten wielen, die In de middeleeuwen de banier der Hal. steden droeg; — carrósse, f. (fr. Ie carrosse-, ii. carrozza, f.) eene pracht- of staatsiekoets, een pracht- of pronkwagen; - earroussel of caroussel, n. (spr. —roes—, ii. earnselln) eene soort van tornooi, bestaande gewoonlijk in ringsleken, doel-Irellen, enz., waarhij men tevens zijne vaardigheid en bedrevenheid In het rijden aan den dag legl; de plaats daartoe; ook een rlngryden op ronddraaiende bouten paarden ol in bakken, de zoogenaamde mallemolen, een bekend klnder-kermlsvermaak.

Carronaden, f. pl. Mil. zwarle, doorgaans ijzeren, stukkeu geschut met korten loop, die men vooral In de hoven-batterU op schepen ge-lirnlkl; zoo genaamd naar de ijzersmelterijen Ie Onrron in Schotland, waar zij het eerst gegoten werden.

Carrosse, earroussel, z. onder c a r -r I è r e.

Carrüca, f. lat. soort prachtige reiswagen bil de latere Komelnen.

Cart, eng. kar, soort rijtuig; z. dog-cart, do nkey-ca rt.

carlo, f. ital. (van \'t lat. charla, papier) de kaart (z. aid.); carta hidnea, it. ot c. bluiica, fr. carle blanche, z. v. a. hlanquet; curlu rif/dlu, patroonpapier; geruil papier; gestreept papier; - carte, I. Ir. de kaart; de spijs-lijst in logementen, aan open tafels; ouk de vertering voor den maaltijd; carle de dircclion (spr. direksjoii) of carle direclrice, de richtingskaart hij metingen; — curie de parlie, kmt. een schriftelijk bevracbiings-verdrag tusseiien den schipper en den koopman, ook e he rt e-pa rt y, z. aid.; - carteggeeren (spr. karledzjee-ren), it. (curlcqqiare) doorbladeren; brieven wisselen; — cartél, n. Ir. (van carle, eig. een beschreven papier) een vergelijk, verdrag, inz. wegens de uitwisseling of het wederzydsch losgeld van krygsgevangenen in oorlogstijd, of ook van deserteurs, misdadigers, enz. iuvredesiyd; de schrlfteiyke uitdaging tot een tweegevecht met vaststelling derstrydhepallngon; ook; aangeplakt geschrift (li. carlello) hv. theaieralllche, paskwil, enz.; — cartélschip, n. een oorlogschip, dat de gevangenen In heelt, die door twee oorlogvoerende mogendheden tegen eikander worden uitgewisseld; carteeren, in een omtrek of teekening brengen; — cartee-ring, f. het omtrekken, de pianlcekenlng; -cartelle, f. fr. perkament om noten op te schrijven; - cartellone, in. het grooteaan-plakhiljet van een schouwburg, dat kennis geeft van de op te voeren opera\'s.

Cartesianen, (spr. s=z), m. pi. de leerlingen en aanhangers van den franschen wys-geer Descartes of Carteslus (gest. 1(130);

— cartesianisme, n. de wysgeerige school, welker hoofd Descartes was, en die in de Ingeschapen denkbeelden bronnen van kennis ziel. welke die der gewaarwording te boven gaan;

— cartesiaansche of cartésische duiveltjes of duikertjes (naar denzelfden wys-geer dus gehecten) kleine glazen mannetjes of popjes, van binnen hol, met eene zeer kleine opening, doorgaans in de gedaante van duivel-Ijes, ook wel engelljes of andere llguren, die wegens hare lichtheid dryven in een vat met water, dal met eene hlaas Is dicht gemaakt, en die, naar gelang men op de hlaas den vinger drukl of hem wegneemt, zinken of boven komen.

Carthamus, m. nw.lat. (van \'t arab. i/uc-lum, qirlim, nw hebr. qarlhami, saflloers, eene plantensoort, waartoe de verfdlstei of de zoogenaamde wilde salfraan {(\'arlhamus linclortus. fr. carlhume) behoort, welks bloemkronen bel saffloers (z. aid.) geven; carthamme, f. eene uit het sallloers verkregen roode verfstof, sattloersrood.

Cartilage, f. lat. (pi. rurlilagïnes) hel


-ocr page 206-

CAHTISANE

CASEL

ItIO

krankbcoii; — cartilagineus, adj. (lat. car-lilaatnosus, a, urn) kraakbecnli?.

Cartisane (spr. s=t), f. fr. (v. carle, II. carta, z. aid.) garen, zijde-, goml- of zilverdraad op uilgi\'siiodcii kaartenblad j{ewoiuleii lot lgt;or-(luarwerk, kantwerk, enz.: carton, n. tr. (spr, karhiu: 11. curlone) bordpapier, zwaar en sterk kaartpupler-, eone mutsen- of llalondoos van zoodaniK papier vervaardigd; Arcli. een iillKCsncden blad bordpapier of blik om profiel? te trekken-, l\'lcl. teekenlngon In het moot op papier, naar welke do schilder zUn fresco mankt of die don tapülworkors lot modellen dienen ; inodelteekonlni.\' op sterk papier, schots voor eene schllderll; Typ. een overgedrukt blail van een jjedrukt boek, ter vervanging van een gebrekkig blad, een verbeterblad; roi de rarlon, fr. schynkoiilng; — carton-pierre (spr. -/gt;jér\'), zeer hard carton, door Or op lus te Heriyn uitgevonden, waarmede men sieraden aanbrengt; — cartonneeren, (fr, carlonner) In bordpapier hinden, een lichten band om een boek maken; — cartonnage, f, (spr. —110-9quot;), bordpapierwerk, kunstvoorwerpen van bordpapier; — cartonnerie, f. de kunst, ook do werkplaats van den bordpapiermaker; — car-tonnier, m. (spr. ~njé) een bordpapiermaker; bordpapierhandelaar; — cartouche, f. fr. (spr. karlóésf), (11, carluccia, f. en carloc-cio, m., van carta, papier) de randversiering, sierlijke lyst of zoom; loofwerk of bUsleraden van beeld- of schilderwerk: clliptiscbe flguien mei hiBioglyphen gevuld op oud-egyplische ge-(lenkteekens; een schlelpairoon of eene kruii-rol; eene kleine patroontascb; ook kardoes, eene bus van bordpapier, hout of iiiik, mot het krult, dal lol eene lading vorelschi wordt, do luis voor kartetsen (z, kartets).

Cartouche, m, (spr, —Itïésj\') een afgerichte gauwdief, dooriraple spitsboef, naar den beruchton Cartouche, die in nil ie Parys werd ter dood gebracht.

Cartuccio, ni. II, (spr. UVtsjo), romeln-sclie maat voor viooistoiren, omtrent = t de-cilltor.

Carünkel, f, lal, (carunc/ila, verklw. van can), vleesch; eig, een siukjo vloesch) (Jhir. een vlooschuitwasje, oen wralachtig lichaanipjo op verscheidene llchaamsdeeien, b. v, de 1 r a a n-earu 11 kei, eene opoonhooping vansmeorkiier-Ijes in den Idnnensten ooghoek.

Carus, z, karos,

carus, adj, lal, lief, dierbaar (verg. caro en cara); in de superlatief h. v, hij het aanspreken (vocatief): caHisimc, mijn liefste etc,

Carvi, m. it, en sp. (arali. karwija, van \'t gr, harm, lal. carüum) Bot. karwij ofkerwy, eone tweejarige zuid-ouropeoscho plant, waarvan hot zaad maagsterkend, worm- en vvind-verdrUvond werkt, veldkomün ((\'.drum carvi).

Cas, f, (s|ir, ka) geval; can foimil (spr. -twi), onvoorzien toeval; en cas, in geval b,v. cn cas tic marl (spr. aii-ka-de-mor), in geval van overiyden; Ie cas iwsé of posé Ie cas.

gesteld het geval dat.,.; z. en-tout-cas.

Casa, (spr. s=z] f. lal. oeno hut, huisje, inz. landhuis; in de middeleeuwen een klooster; It. en sp, hot huls; — casa sanla, II. het heilige huisje van Maria te Lorelto; - casale, (spr, s=z) n. it. gehucht; dorpje.

Casamatte, z, kazomat.

Casaque, f, fr, (spr. kaza-k\': sp, casaca, it. casacca, een lang jak; v. casa, huls) een korte reis- of rUrok met wyde mouwen; soidatonman-tel; — casaquin, n. (spr. kazakeii) een korte overjas, huisjas; iemand op zijn casaque of casaquin geven of komen, hem afrossen; inz. oen vorm van gemakkeiyke vrouwen-ovorkieederen (a la casaquin).

Casatelle (spr, .v=j), f. 11. eene soort van kleine kazen.

Cascade, f, fr, (sp, cascada, 11, cascdla, v, cascdre, vallen) een waterval, water, dat van rots lot rots valt (een zeer groote waterval heet k a t a r a k t); er zgn ook k u n s t c a s c a d 0 n; — cascadélle, f, (fr. cascalelle) oen kleine waterval; — cascadeeren (als ware \'t van een fr, werkwoord cascader), eenen waterval vormen; by tooneelspelers: komische hyvoegsols hy zun rol maken; - cascadeur, m, fr. looneelspoier, die by zyn rol improviseert; grappenmaker.

Cascalho, in. |)uri. (spr. kaskdljo, grof zand, steengruis) in Brazilië; diluviale kiezel-grond, waarin gewooniyk de diamarden gevonden worden.

Cascane, f, fr. Mil. walkelder, bedekte gang om do vyandeiyko werken te ontdokken, luistergang, lulsterput,

Cascarille, f. fr. (spr, —liélj\'; sp, cusca-rilla, d, 1, eig. dunne bast, verklw. van cased™, schaal, bast) IMiarni, wit gryze of groonnchtigo boomschors uit Peru en de bolde Indien, van bitieren speceryaehiigen smaak en liefelijken reuk, als maagversierkend middel aangewend; — cascarilline, f. de eigenaardige hittere slof van den caearille-hast; cascarille-olio, t, aelberlsehe olie nil dien basl.

Casco, m. sp, eig, schedel, scherf; Mar. do romp van hei schip; ook wat do uitrusting van een schip behoort; In het omberspel: hot koopen der noodlge kaarten, wanneer de speler, de beide zwarte azen hebbende, zich op oon idool toeval verlaal en daardoor niet zelden béte wordt; z, 0 b s curl Ié; ook een naar hel solo zweemend kaartspel onder II personen ; — caschino, n, (spr, kaskino) eene wgzl-ging van het casco door koopen van onderen af, terwyi hy hol casco van hoven af den slok of I a 10 n gekocht wordl; casco-assu-rantie (spr. l—ls), f, Kmi. verzekering der lading, mei liel schip daarhy.

Case, f. fr. (spr. ka-z\') ruit op het schaak-hord; negerhut.

Caseïne, f. (v. \'t lal, casrus, kaas) Chem, de kaasslof in de dlerlüke melk, ook in eidooier.

Casél of lat. casüla, f (eig. /iiilje) mei een kruis geteekend priestergewaad of overtrek


-ocr page 207-

CASSETTE

CASEMAT

191

der r. kalh. priesters liij liet opdragen van hel mlsolTer,

Casomat, z. kazemat.

Caserillos, pi, sp. (spr. —rieljo\'s) soort van witgaren hulsllnnen.

Caserne, enz., z. kazerne, enz.;-ca-sernement, n. fr. (spr. katern\'mau), z. k a-zer nee ring; — casernier, m. fr. (spr. kazemjé) die het noodlge tot de kazerneering levert, de kazerne-leverancier.

Cas fortuit, n. fr. (spr. ka fortwi) z. v. a. casus forluitus, z. oml. casus.

cash, eng. cassa, baar of gereed geld, met gereed geld (betalen).

Casimir, z. Ka z lm Ir en kasjemlr.

Casinha, f. port. (spr. kazienja) met stroo bedekt huisje.

Casino, n. (spr. s=z: van cusa, huls) elg. een buisje; een landhuis, buitengoedje, z. v. a. villa; een speel- en gezelschapshuis te Florence, waarin de adel bijeenkomt; eone adel-of joakervereeniglng, eene plaats, waar men tegen eene jaarlijksche bgdrage in geld vergadert om te lezen, Ie praten, te spelen, enz.; een gesloten gezelschap, waar men byeenkomt om de genoegens van den omgang en hel spel Ie smaken; ook, In bet algemeen: socicteit, kolllehuis; een kaartspel, dat tusscben vier, ook drie personen gespeeld wordt; — casimst, m. (spr. s=z) een lid van een casino, d. I. van een besloten gezelschap.

Casleu, n. naam der Ude maand van hel burgerlijke, het Ode van bet godsdienstige jaar der Joden (k les I ev), overeenkomende met een deel van November en December.

Casqnen, m. pl. arslammellngen van Mulatten.

Casquet, a. (spr. kaskéi: fr. kasquette, it, caschello, van \'I fr. casque, 11. casco, helm, van \'I sp. casco, hersenpan,schedel; stormhoed,helm) de helm, de stormhoed, een verdedigingswapen voor hoofd en bals tegen sabelhouwen; ook eene pel.

Cassa, f. II. of kassa (van \'tlat. cupsa, kasl, kist, fr. cuisse, z. aid.) de plaats, waar geld bewaard wordt; bet daar bewaarde geld zelf; geldvoorraad, geld; z. verder kas; —in cassa, In gereed geld voorhanden; per cassa b e-I a 1 e n, in of met gereed geld betalen; — cassa-brouillon, cassa strazze, een hulpboek lot bet dadeiyk opteekenen van ontvangst en uitgaaf, om die later In bet kasboek over Ie brengen; — cassa-conto, z, kasboek; — cassa-deficit, cassa-manco, n, bet te kort komend gereed geld by hel revldeeren der kas en kasboeken, bet kas-defect; —cassa de scfluro, f. sp. (spr. —goero), verzekerings-inrlchllng legen zeegevaren.

Cassade, f. fr. (v. \'I lal. cassus, a, um, ledig, nietig) eene noodleugen, eene onwaarheid uit scherts; by het spel beteekent bet; met slechte kaarten de medespelers overbleden, een bluf maken.

Cassandrino, komische figuur in het Hal.

biyspel (een twlstzoekende, knorrige, gierige grijsaard, met eene nicht of pupil, ISartolo).

Cassdris, fr, cassards, m. pl, bonte katoenen oostlndiscbe zakdoeken, neusdoeken.

Cassatie, caasatorisch, cassatus, z. oud. casseoren.

Cassava, z. manlok.

Casse-cou, m. fr. (spr. —koe] waaghals; baishrekendo plaats.

casseeren (later lat. en II. cassave, sp. casar, fr. casscr, v. \'t lat. cassus, a, um, ledig, nietig, vergeefsch, tevens onder den invloed van \'t lal. quassure, schudden, schokken, breken) vernietigen, voor ongeldig verklaren, b. v. een testament; uil een post of eene bediening zeiten, afzetten; breken; — cassi, gebroken; — gecasseerd, adj. afgezet; door eene ongeregelde levenswys uitgoniergeld, uitgeput, ontzenuwd; cassatie (spr. t=ls), f. lat. de ambts- of dlenstontzegglng, afdanking, afzetting; ook uitdelglng of vernieliging, b. v. van eene schuldbekentenis; — hof van cassatie, n. een booger gerechtshof, dat de hevoegdheid beeft, de vonnissen van andere gerechlsboven op te hellen en te vernieligeri;—cassatieprocés, n. eene rechtshandeling over de onl-zetling van eenen beambte; cassatórisch, adj. Jur. opbellend, vernieligend, van de ver-piicbtlng onlbindend; — cassatus, m. lat. iemand, die van zijnen post, van z.yn ambl onl-zet is, een onlzelte, afgezette; - cassatie, lat. en cassazione, ital. Muz. ontslag, afdanking, slotnninmer van een groot muziekstuk of van eene soiree; ook: avondmuzlek, serenade.

Casse-noisette, r. fr. (spr —mazel\') notenkraker.

Casserólle, of beter casseróle, t. fr., doorgaans kastrol, v. \'t oudfr. casse, 11. caua, pan met een steel, schepnap, van \'I lat. capsa, kist, kasl, mld.lat. cassea, cassia, als ware hel van een verklw. casscnta mot ingeschoven r, provlnc. fr. ook caslrole) een komvormig keukengereedschap, eene sloofpan zonder voet met een sleel; een lepel om glas te schuimen in de glasblazergcn.

Casses, pl. oostlndiscbe zeer lijne katoen-weefsels.

Casse-tête, m. fr. (spr. kastH\'; v. cas-ser, breken en Iflc, hoofd) stok met zwaren knop, doodslager; ook; zware, koppige wyn.

Cassetin, m. fr. (spr. -Ióii) kistje om ro-zynen te verzenden van n lot 18 pond; koker van vuurvaste klei om aardewerk of porselein In Ie branden.

Cassétte, f. fr. (Hal. cassélla, verklw. \\, cassa, z. aid.) een klslje, kolfertje, inz. geldkistje; hyzondere schat des konings; Arch. In-gedleple vakkon in gewelfde zolderingen; cassetteeron, mei zulke vakken voorzien, vak- of doosvormig versleren; - cassettóno, m. it. elg. eene ladekas; Areh. eene uit steeds kleiner wordende vierkanten bestaande Indleping, inz. aan zoldergewelven.


-ocr page 208-

CASTRAMETATIK

CASSKTTO

Cassétto, in. it. eeno vcnitluansclio ko-liennunt, i soldlstuk büna = I cent.

Cassettóne, z. oud. cussotio.

Cassia, f. lal. (Kr. kassia) oeno pliinten-famillo (do cauiaceen), mooptal slmiken on lioo-inen; daartoe liclmort de liiurlerkanool or kas-sleboom op ilc kust van Malalmr mot den cas-sia-bast, do clilnooscho kaneoltiast {Cassia linnamontfa), dio nlot zoo aromatiscti, maar ook niet zoo duur is ais do waro kanoot; - cassia fistula, do wostiiidisciio pUpcassia, wior vrurhtpouton oon lirnin moos hovatton, dal inz. in llalio ais zacht afvoerend middel (;)»/;)« cas-siac) goliruikt wordt; — cassia sonnae, de oKyptiselie somiastruik (levert de tiekendo senne-lt;if seneiiladcren); cassia-olie, f. do door natte distillatie van den tiast dor kanoeikassla \'■orkreKOn aetlieriselie olie.

Cassico, m. itai. oliegovviclit In Messina - tij roltoli.

Cassidieten, m. pi. (v. \'t lat. cassis, helm) versteende kinkhorens.

Cassine, f. fr. de l\'arauuay-thee, de thee-■cassla.

Cassinet, n. fr. (spr. -nè) een wollen stof.

Cassinoide of cassinïsche kromme lijn, f. Math, eeno kromme lün van den Wen graad, waardoor C a s s 1 n I do lieweKlng dor aarde om de zon nauwkeuriger meende te verklaren, dan dil door ile ellips v a n K e p 1 e r geschiedde.

Cassiopea, f. gr. Myth, de moodor van An Iromeda; Astr. ecu schoono groep van igt; in den melkweg liggende sterren aan den noordelijken hemel.

Cassiry, m. maïshrandewgn.

Cassis, m. fr. (spr. -si-) aalhesseullkeur.

Cassock, m. (spr. késsok, v. \'t fr. casaque) •de sinltrok, lyfrok der engclsclie geostolUken ; ook de rnitcrmantel, soldateumaulel.

Cassolétte, f. fr. (verkiw. vau cassole, it. catzuola, rookpan, koienpan, v. casse, cazza, j.. casser o11 e) con reukvat, wierookvat; reukdoosje; ecu tafelstel voor peper, az(ju en olie.

Cassonade, f. fr. (port. cassonada, van casson, groote kist, omdat de Porlugeezen ze daarin naar Kuropa hractiten) meel of keukensuiker, ruwe suiker, poedersuiker, suiker, die tilechts eenmaal gerattlneerd Is, z. v. a. in os-co va de, z. aid.

cast, adj. eng. (spr. kest) gegoten; — cast-iron (spr. —aim), gegoten Uzer; — cast-steal ispr. —stiel) het gegoten staal, gietstaal.

Casta, f. sp. geslacht, af komst, slag, soort.

Castagnétten, pi. (spr. kaslanjétten; fr. castagnettcs, van \'1 sp. {castanetas, van caslaTw, kastanje, wegens de geiykvormlglioid met twee halve kastanjes) spaansche handklappers, klaphouten, dulmkleppers, dauskleppers hU toonoel-dansen.

Castanea, f. lat. z. kastanje.

Castél, n. oudfr. (hoogd. c a s t é 11, van I lat. caslellum, verkiw. van castrum, z. aid.) ikasteel, oene imrg, vesting; Mar. het verdek aan tiet vóór- en achterdeel van hot schip, voordek, achterdek; — castellaan, m. (lat. castellallus, tiurgbewonor, mid. lat. hovelhohber van een vorsteHjken huig) oen tinrgvoogd, siot-liewaardor, kastelein; lu de middeleeuwen oen pooiscli groot-senateur, iiurggraaf; — cas-tellanij, f. de hurgvoogdy, het slotliewaar-derschap; — castellatie (spr. tie=tsic) de verliouwing van een huis lol een versterkt slot.

Castellanes, f. pl. eeno groene prulmen-soort in /.. Frankryk.

Castellano, m. (spr. kasleljdna: eig. een Castiliër, Spanjaard) eeno spaansche goudmunl

— gl, si ets.; als gewicht j1,, mark gouds.

Castes, m. pl. sp. (vau cos/a, soort, slag,

stam; elg. iels reins, zuivers, oiivcrmongds, v. \'t lal. caslus, a, urn, rein, kulseh) Zutd-Ame-rikanon uit gemengd hloed; — Castiezon (van casino, d. I. elg. van echte afkomst, van echt ras, intioorllug) m. pl. afslammollugon van Mesliezen (z. aid.); Portugeozen te Goa ge-horen.

Castificatie, castificeeren, z. oud. c a s t i t o i t.

castigeeren, lal. {castigarc) tuchtigen,

k ast ü den; casliijal riilendo mores, (lat.) zy (n.l. de komedie of het hlUspei) verhetert de zoden al lachende; — castigatie (spr. lie= /sic), f. de luchtlging, kastydiiig; castigatlo patérna, de vaderiyke kastydlng; casti-gatörisch, adj. (lat. castigatonus, «, urn), tuchtigend, op do wgze eoucr luchliglug.

Castimonïa, f. lat. do zuiverheid, rein-held, kuischhold.

Castiteit, f. lat. [castitas, v. caslus, a, urn, kuisch, vroom, enz.) do kuischhold, inge-iogonhoid, reinheid van zodon; — caslilas viola/a, de geschonden, hevlekte kuischhold; — castificeeren, (later lat. caslificare) reinigen, kuisch maken; castificatie (spr. lie=lsie), f. nw.lat. de reiniging.

Castle, n. eng. (spr. toss\'/) kasteel, verg. c a s t c I.

Castor, ui. gr. de liever, z. kastor; — castorëum, (gr. kaslórion) n. Pliarin. het lievcrgeil; in den handel koml het voor als samengedrukte blaasjes, die nahy de tooldeoleii van den gewonen bever gevonden worden, de grootte hebben van een hoenderei en met klotiie vliezen doorweven zyn. liet siberisclie, dat hel beste is, heeft eeno donkere leverkleur, een bedwelmenden reuk en bitteren smaak, en is iu zenuwziekten een zeer werkzaam goucosmiddei;

— castorine, f. fr. eeno soort van liclite, zydcachtige wollen stof; ook Cheni. een byzon-der en nog weinig bekend beginsel, door I! e-zlo uit het castorëum verkregen.

castórolie, f (eng. castor-oil, van cast, uitwerpen, braken) braakolie, in l\'jigeland en Kusland = r iel nu sol ie (z. aid.)

Castos, ui. de jaariykscho uit- en invoer-toi, dien de Europeanen in Japan moeten betalen.

Castrametatie (spr. tie=tsie), f. (vau \'t lal. caslra mclari, eene legerplaats uitmeten


-ocr page 209-

CASTREEREN

CATASTIIUM

19:5

lt;if afslokon) do logcrlngakunst, de kunst om oen leger af te steken.

castreoren, lat. {castrare) ontmannen, liihhen, de teeldeelen wogsnUden; onelg. verminken; — gecastreerde uitgave van een boek = editie, waarin de aanstoot gevende plaatsen weggelaten zUn;- castraat, m. (lat. caslrVlus) een ontmande, een gesnedene; inz. een sopraanzanger in Italië, dewyi dezen, ondanks liet ver-tioil van paus Clemens XIV, doorgaans als kinderen reeds tot castraten gemaakt worden; ook kulschiieidswiicltler in liet Oosten; - castratie (spr. Iie=lsie), castreoring, f. ontmanning, wegneming der teeldeelen hij men-selien en dieren, inz. van liet mannelijk ge-slaeht, eene uitvinding der Oosterlingen, die zulke gesnedenen tot bewakers der vrouwen gebruiken en ben emuchni, eunnchcn, d. 1. bedbewakers noemen; ook in de godsdlenstdwe-prrij beeft de eustratle eene groote rol gespeeld.

caslrum, n. lat. vesting, burg, vaste stad (pi. caslra, bet leger) in de middeleeuwen: adellijke stamzetel, rauillieslot, inz. caslrum notitie, burgzetel der quot;tiesiotenquot; edelliedencasfrum (/o/oris, n. een treurtooneol; smartenleger; toestel van een katafalk (z. aid.) ter eere van vorstelUke personen (= cliapelle urrienle).

Cast-steel, z. cast.

castus, adj. lal. kulscb, verg. a gnus.

cu.iu, casueel, casuïstiek, enz,, z. ond. casus; casuaris, z. kaznaris

Casuëla, f. sp. gerecht dat men voor een onvoorzien geval gemakkelük en snel kan klaarmaken; inz. in Chili: een boen met aardappelen en bybehoorend toevoegsel van spaansche peper.

Casula, ■/.. casel.

Casus, in. bit., pi. casus, een geval, voorval, toeval, eene omstandigheid; Gram. de verschillende betrekking, waarin een naamwoord voorkomt; de uilgangsverandoring, de veiimi-«Ing, naamval,\'t geval; deze casus zyn : no-mlnattvus, de eerste naamval, noemer, onderwerp; genitivus, tweede naamval, teler, bezitter, afhankelijk geval; datlvus, derde naamval, gever, doelgevat; accusativus, vierde naamval, voorwerp, klager; vocall vus, vjjfde geval, roeper, aanspreker, en ahiatt-vns, zesde naamval, nemer (In de nederl. spraakkunst wordt de vijfde naamval thans tot den eersten gebracht, terwyt de zesde steeds door een voorzetsel met den vierden naamval wordt vervangen); behalve deze naamvallen hebben andere talen h.v. tiet Sanskrit nog een 1 list r u m entails on 1 o e a 11 s of 1 o c a 11 e f (z. aid.); — casus recli, m. pl. onafhankoiyko naamvallen (nominativus en vocal ivus); casus nbl/qui, pl. elg. scheevo, d. 1. aftiankeiyke naamvallen; go n 111 vus, da 11 v u8, accusa-livus en In \'t lat. abla 11vus; —/)er casum nhliquum. onelg. op sctieeve wyze, langs kromme of sllnksche wegen ; — casus belli, bet oorlogs-geval, de grond of aanleiding tot een oorlog; casus conscienftae, eene gewetenszaak; c. ila-VIERDE IIIIUK.

bï/is, een gegeven of aangenomen geval; c./a-lalis, een noodlottig, treurig geval; c. foederis, geval, dat een bond (lol gemcenschappo-tyk bandelen) belrefl, bondsgeval; c. forluUus of improvisus, een onvoorzien of niet vooruit te zien geval; c. inevilabïlis, een onverinyde-lyk geval; c. insnïïlus, een ongewoon geval; c. in lemtnis, juist het zelfde geval, eene gelijke ervaring van Iets; c. merus, een louter toeval. Iets, waartoe men geeiierlei aanleiding heefl gegeven, waaruan men geene schuld heeft; c. mixlus, een gedeelleiyk te wyien of toe te schryven geval; c. nccessiliilis, een noodzake-lyk geval, een geval van nood; c. pro amico, een geval, waarhij de vriendschap In aanmerking komt ; c. prnvidcnltae, een voorval, dat men enkel aan de Voorzionlgheid kan locscbry-ven; c. rartor, een zeldzaam geval; c. reser-rulus, een geval van voorliehouding; c.soMus, een gewoon geval; c. Iragicus, een treurig voorval; — casu, casu quo, by geval, toevallig; casu subslralo, In het onderhavig geval; in casu, .lur. in geval, enz.; in hoe casu, in ons geval; in praesénli casu, in het tegenwoordig geval; in casum, In geval, byaidlen; in casum casus, elg. in geval van \'I geval, d. 1. by bet plaatsgrypcn van zekere vooruit geziene omstandigheden; casueel, adj. lat. (fr. casuel) toevallig, by toeval, by gelegenheid, onzeker;— casualia, n. pi. toevnillgheden, toevallige, by gelegenheid voorkomende aiiiiilsverriclilingen; — casualisme, n. nvv.lal. het stelsel of deleer van een bloot toeval als oorsprong en regeling van alle dingen; wie dit aanneemt beet ca-sualist; casualiteit, f. de loevallig-lield; — casualiler, adv. toevalligervvyzo; by voorkomende gelegenheid; casuist, m. (fr. casuisle) een godgeleerde, wiens studie ten doel beeft, de gewetenszaken (casus comcienliae) o\\) te lossen, d. 1. Ie beslissen of eene daad goed of kwaad /.y-, ook een kenner van merkwaardige rechtszaken; — casuistiek, f. do loer of de kunst om gewetensvragen op te lossen, inz. zulke vragen, waarby botsing van pllchton plaats hoeft, de gewetensleer, door Kant genoemd de d I a I e k 11 e k van het geweten; ook de konnis van merkwaardige reclitsgedlngon; In vor-achteiyken zin: de leer dor kunstgrepen, sluwe vonden.

Cat., by natimrwetenschappeluke namen afk. voor Marcus Catesby (gest. 1750).

Catabolum, n. lat. stal voor trekdieren (by de Kom. keizers),

Catacómbe, z. k a I a k o m b e.

Catafalco, z, katafalk.

Catalogus, z. katnlogus.

Catalpa, f. Bot, soort trompotboom {Higno-nia catalpa).

Catamitus, m, lat, (verbasterd uit Ca-n y m o d e s, z, aid.) = p a t h 1 c u s, schandjongen.

Catania, m. een voorlretreiyke slciilaansche vvyn, naar do stad Catania benoemd.

Cataracta, f. lat. do staar, z. ka la ra kt.

Catastrum, z. kadaster.

i:i


-ocr page 210-

CATCHER 104 CAUSA

Catcher, m. ciik. (spr. kitsjer) gi\'Upor, valtor, vunzer.

Catchup, in, eng. (s|ir. kélsjup) pikunto saus van imddc\'iislocicn niz. (ouk ketch up).

Catochiamus, in. z. kutochismu».

Catechu(spr.-sj\'o»)z.katecliu cn aroca.

catena, f. lat. kelen, kelling, pi. calinaci — calinae falrum (if c. ecclesiae, pi. verzamelln-«en van bühelvoiklarlngen uil de sclirlflen dor kerkvaders; catena di Irilto, Hal. Muz. Iriller-kelcn, volgreeks van trillers; catenaria, f. Mutli. do kotllngHjn, oeno kromme lyn zoo-als die door een nan belde zijden opgehangen kelllng door zün eigen gewiehl gevormd wordl; — catenarisch, adj. lal. raU\'iidrfux, a, urn) kelonsgewijze; cateneeron, (lal. catenure) sanienkeleneii, aaneensehakelen; — catena-tie (spr. Iie=lsie), f. (lal. catenaho) de aan-eensoliakellng; - catenipora, pi. lal. kot-Ungkornleii; — catenüla, f. lal. kettinkje.

cateeren, fr. (calir, ondfr. quutir, v. cnac-tare, snnienpersen) dook person, nan eene slof den persglans geven; — catissage, f. fr. (spr. -dtje] lid calooren.

catgut, eng. (spr. kél-) Chlr. met olie geprepareerde darmsnaar van schapedarmen om bloedvaten Ie onderbinden (by Lisiers anllsep-lische melhodc).

Cati, m., z. kat i)

Catinat, n. fr. (spr. -na) gewerkte stof uit katoen en linnengaren.

Catinga, f. sp. ullvvaseming ; ook; boom in Guyana, die iioteri draagt en een welriekende olie geeft; catinga-ree, n. een klein hort in (luyana (Cerew.v simpliciconiis).

Catino, in. ilal. (tal. catinus) een bekken; santn catino, de in Genua bewaarde heilige schaal die voor den Graal (z. aid.) gehouden wordl, een voor smaragd uiigegeven schoon glasvlocd of vioeispaalh.

Catiole, f. fr. soort van muts in llrotagne.

Catlin, in. eng. (spr. kétlin) mes bij am-pulalien om tusschen beenderen Ie snUden.

Cato, m. lat. een ernstige wUze, een streng zodenrecbler (naar den naam van Iwoe mannen uit hot ondo Home, om hunne strenge zeden beroemd); — catoniseeren (spr. s=t) den Calo of den zedenmeesler spelen, strong recht doen, gestreng heoordeelen.

Catogan, z. cadogan.

Catre, m. sp. veldbed; bedgestel mot daarover gespannon zeildoek (In Venezuela).

Cauchemar, m. fr. (spr. ko-sjemdr: van \'1 oudfr. cauiiuemare, tooverkol, van \'1 oudfr. caucher, provenc. cauquer, 11. calcare, treden, drukken, persen, en het duitsche mar in nacht-mar, eng. nightmare, ons nachtmerrie) do nacid menie, een gevoel van verstikking, dat lomand gedurende den slaap overkomt en hom, na het doorslaan van eene onheschrUfolyke benauwdheid, doet ontwaken.

Cauchois, m. fr. (spr. koschod) soort v. groole duif, kapduif (naar Caux in NormandlB aldus genoemd).

Cauda, f. lal. staart (verg. coda); — caudatarius, m. sleepdrager (lu verachte-lyken zin).

cauitex, in. lal. de boomstam; tronk, boomstomp; — caudicifórm, adj. nw.lat. tronk-vormlg.

Caudillo, m. sp. (spr. -ieljo) hoofd, aanvoerder.

caudinisch, adj. op de Samnltlscho stad Caudlum betrekking hohbonde; Inz. de candi-nischo bergpassen {Furcae of t\'urcutue cawli-nae) als plaals eener smadoiyko nederlaag der Romeinen door de Samnioten; — dikwyis in het algemeen gebruikt.

cautis, m. lal. de stengel van kruidachtige planten; — caulescént, adj. nw.lat. sleu-gelvormond, stongollg; — caulifórm, adj. slengelvormig, stengelaclillg.

Caupo, m. lal. waard, herbergier; — cau-pona, f. herberg, kroeg.

causa of caussa, f. lal. oorzaak, reden, bron, oorsprong, grond, aanleiding of gegeven gelegenheid; ook zaak, handeling, redilsliandeling; in causa, Jur. In de rechtszaak; cum nmni causa, mot allen aanhang of loebehooron; de gravi causa, uit gewiebtigen grond, wegens eene gewiehl ige oorzaak; — causa apiiellattlis, eene rechtszaak, in welke men zich op eene hooger rechtbank kan beroepen; c. civ/tis, eene bur-geriyke zaak; c. crimindtis, eene lyfstraireiyke zaak; c. cogmta, eene onderzochte zaak, ook: na het onderzoek der zaak; c. conném, eene samenhangende, niet te schelden zaak; c. ile-béndi, do grond der sehuldvordeiing, de oorzaak, waarnil Iemand Iets schuldig Is geworden; c. (lenequtae justit\'iae, eene aanklacht wegens geweigerde rechlspleglng; c. divertii, eene zaak van echtscheiding; c. ecctesiastica, eene geesleiyke of kerkelgke zaak; c. e/ficiens, de werkende oorzaak; c. exhereditationis, de oorzaak, waarom Iemand onterfd Is; causa fatsa non nocct, eene valsche oorzaak schaadt niet, d. i. eene rechlerlyko handeling, ofschoon ook nit eene verkeerde beweegreden voihracht, biyn nocblans geldig en verbindend, bebalve dan, wanneer er eene wezeniyke dwaling wordt aangetoond; c. l\'eudiilis, eene leenzaak; c. finalis, de eindoorzaak; c. formalis, de formelyke ooizaak; f. impulsiva, de beweeggrond, drytveer; c. incognita, eene nlel onderzoebte zaak, zonder onderzoek; c. inconnéxa, eene onsanienhan-gende, scheidbare zaak; c. justa, eene reebt-malige oorzaak; c. justa titigdndi, eene rechl-nialige reden lot een rechtsgeding, tot proces-voeren; c. tegihma, recht mal ige en wetteiyko oorzaak; c.lucrativa, eene voordeelige, winst-gevende zaak; c. malrimonintis, eeno echt- of huwelUkszaak; c. ininiita, eene onbeduidende rechtszaak; c. morhi, de ziekteoorzaak; c. marlis, de oorzaak des doods; causa peténdi, de grond van aanklacht; pia causa, een vroom, weldadig doel, eene vrome sticbling; ad pias causas of ad pios mus, lot vrome stichtingen of tot milde bedoelingen; b. v. kerken en scho-


-ocr page 211-

(\'ACSKUIK

195

CA VAL

lun Iels geven of vermaken; causa praeunans, drint-\'ctiiU\' oorzaak; c. pruejuilicidlis, eem \\nor-loupig uil tu maken zaak, dlu up do hosllssing dor hoofdzaak Invloed heefl; c. praeparuloria, oene vodrboroldendo zaak, die do hoofdzaak moet voorafgaan; c. prima, grondoorzaak; c. proba-btlis, eene licwijsliarc, geloofciyko oorzaak; c. prolruclae justiliac, eene aanklacht wegons vor-Iraagde rechtspleging; c. proxima, de naaste oorzaak; c. pupillnris, de zaak van eenen onmondige of woes; c remola, eene vnrwyderde oorzaak; c. seculnris, eene weroldiyke zaak; c. separata, eene büzondore, van andere dingen onafhankeiyko zaak; c. sine qua non, do grondoorzaak ; c. suHiaens, een toereikende grond ; — causae, pl. oorzaken; rechtszaken, gescliillen; causae majores of praepollénles, gewlchtlgsto, zwaarst wegende oorzaken of gronden; causae summarfae, pl. rechtszaken, dlc zonder wydloo-plgheld of In het kort zün af te doen; causa-rum palrónus, een plcllhczorger; — causes cd-lèhrcs, f. pl. fr. (spr. koot\' celitbr\'), hcroemde rechtszaken, pleidooien; oausaal, lat. (c«k-salis,e) oorzakelijk, redengevend; causaal-verband, m. verliand dour oorzaak en gevolg, waardoor de vorhonden dingen een schakel van oorzaken en gevolgen vormen; - causaliteit, f. nw. lat. de oorzakelijkheid, oorzaak of aanleiding lol eene zaak, de wijze van werking eener oorzaak, hel verhand, waardoor do eene der verhonden zaken de oorzaak van andere is; causatie (spr. I=ts), f. lat. rausuCio) hel voorwenden eener oorzaak, du ver-ontschnidiging; — causatiof, adj. (later lal. cnusahrus, a, urn), hewerkend, veroorzakend ;

causativum, n., pl. causativa, z v. a. faclitivii, z. aid.; causatoi\', m. de veroorzaker, de aanleider; — cauaeeren (fr. causer) veroorzaken, aanleiding geven.

Causerie, f. (spr. lai-z\'rie), fr. (v. causer = konten, pralen, genieenzaam spreken) gekonl, gepraat, gekeuvel, gesnap, kout, keuveiarU; causeur, m. (spr. kn-zéür) prater, keuvelaar;

CausGuso, f. (s|ir. ko-zeu:\') praatster, snapster; ook een gemakkciyke leuningstoel of sofa, een praatstoel voor tweo personen.

causes célèhres, z. ond. causa.

Causeway, eng. (spr. kó:\'wee) opgehoogde, hestrate weg, trottoir en derg.

caule, lat. (adv. v. caulus, a, um, v. Cavure, z. ca veereu) voorzichtig, heiioedzaam; si nnn caste, caule tarnen, zoo ai niet kuiscii, dan toch voorzichtig; (verg. Shakespeare, Otiicllu, 11, ;i);

caulrla, f. lat. Jur. de lielioedzaaniheld, voorzicht iglieidsregel, heperklug, het voorhehoud •, -oautelaire jurisprudóntie, f. dat gedeelte der practische rechtsgeleerdheid, dal voor-zichtigiieldsmaalregelon ter veriioeding van mogelijke schade leert; - cauteleus, udj. nw. lat. (fr. cauteleus), voorzichtig, sluw, gestepen, arglistig.

Cauterisatie, cauteriseeren, cau-tjrium, ■/.. ond. k a u s I s.

Cautie (spr. /=/«), f. lat. cauhn (van ca-rirc, caveeren) de horg, horglocht, waarborg, borgstelling, zekerheid, verzekering, pand, pandgeld, onderpand, het goedspreken, veranl-woordeiyk lilyven voor zicli zeiven of voor anderen; cauho de dainno infdcla, zekeriieid wegens de te vreezen, maar nog niet voorgevallen schilde; c. de evictione, zekeriieid ten opzichte der borgstelling van den overgedragen eigendom, waarborging legen het mogelijk betwisten eener zaak van den kant eens derden; c. de judicïn sisli, verzekering van Ion allen tyde op verlangen voor liet gerecht toversehij-nen; c. lie lite prosequémla, verzekering wegens de voortzetting van een reclitsgoding; c. de nou amphus injuridndo rel olfendéndn, verzekering van een ander niet meer te beiee-dlgen; c. exlrajwlici ilis, eene imilengereciile-lijk gegeven verzekering of waarborg; c. fiile-jussorfa, iiorgloebt-verzekoring of waarborg van oenen borg; c. indemnilatis, borgtocht voorseha-deloossleiling; c. judicnlKin solri, verzekering van zicii aan de uitspraken of vonnissen te willen onderwerpen ; c. jnilicinlis, een gerechtelijk gegeven waarborg of borgtocht; c. juralnrin, eene verzekering onder cede; c. pinnnratida, zekerlieidsmaalregelen wegens pand ; c. pro e.c-prnsts el reconrenlione, borgtocht of zekerheid voor kosten en verzot c. rati, ratihabitianis of de rato, zekerheid wegens de goedkeuring van den voimachlgever; c. realis, goederenverzekering; e. usufrucluaria, zekeriieidsmaalregelen van den kanl des vrucht bruikers tot de belioor-Hjke uitlevering van het voorwerp des vruclil-geliruiks; cautioneeren (spr. l—ls.nw lal. (fr. caulinnner) iiorg blijven, zich lot borg

Cav., Iiy zoologische benamingen afk. voor i\'iiippo Onvollnl (gest. tsill).

Cava, f. Hal. groeve; kelder, myn, etc.; cara di pictre, steengroeve.

Cavada, f. een zot gebanr, een malie streek

Cavage, f. fr. (spr. kawa-zj\'; v. care, kelder, v. \'t lat. cnria, hoi) hei in-den-kelder-ieg-gen van eene waar, de keiderliig, hel kelderen; bet arbeidsloon voor hel kelderen; de kelderhuur.

Cavagnóle, n. fr. (spr. kawnnjnól\': van 1 li. cavagna, korf; v. a. van \'I 11. carajolu. lafeiiaken, servel) een voormalig hazard- of kansspel, dal veel op bel biriiii (z. abt.) geiykt.

Caval of cabal, m. (van \'i lal. cabdllus, sp. cahallo, 11. cardlln, = fr. cheral, paard) de ridder in het tarokspel ; eavalato, m. eene II. munt van ruim i.\'i cl.; cavalcade, f. een prachlige optoehl Ie paard, slaatsieril, een sehillerende niitertocbl; een sliilige ommegang, by weiken een voornaam persoon wordt rondgereden; ook: een gezelschap ruiters; — cavalerie, f. fr. de niltery; voorheen de ridders en de ridderlrein; in bet tarokspel; de ry van do zoogen. i prenten In dezelfde kleur;— cavalerist, m. een ruller, soldaat te paard;

cavalier, m. fr. (spr. kawa-ljd: it. cara lidre, mld.lat. calmllanus) een ruller, ridder, edelman, beer; in Kngeland; partynaain voor


-ocr page 212-

CKDKEREN

CAVA LLC)

196

ile aaiiliaiiBors van Karol 1 or royaltstoii in te-gensl. mei ile rumlkoppcn of inirltolnen; in \'I schaakspel: hol paard; soorl miii franscli post-papior; Mil. do voorverscliansiiiK, walkant, kal, een bulleiiwiMk; aan lüicn cn nielalon ilakcn; de rondgohogen bilkplatcn, waarmeile do vorston bodokl worden om liet lilnncndringen van \'I water to lielotten; - cavaliére servénle, It., eig. dienende ridder-, de begeleider der vrouwen, de piaalsvervanger des mans, vgi. cl els-beo; cavalièrement, fr. (spr. kn-wal-jir\'mah) ridderigk, ruiterlijk; hollelijk, sierlijk, los en vrU, ongedwongen, lier, inz. op Jonker-achlige wijze over gebruiken en de regels van fatsoen beenslappemle en dus: vlueblig, licht-zinnig; te snel beslissend of bepalend; vrüpos-lig, onbelameiyk, ruw; cavalléro, m. (spr. kawaljèro, thans gewooniyk raballern ge-sdireven) in Spanje een edelman van de laagste klasse; — cavallétta inlnder goed ra-balUila), t. 11. elg krekel; — IVIuz. een aangenaam iiuppelead thema iu de aria of cavatina der Hal. opera\'s-, cavallétto, m. it. elg. paardje; een liouten paard voor \'t voltigeereu; een bouten ezel of hok nis strafwerktuig; in I algemeen een gestel inz. de ezel der schilders; — cavalquet, u. fr. (spr. Imwalkè) een rnilermarsch, Irompelstuk, dat hij het binnenrukken der ruiterU in eene slad wordt geblazen.

Cavallo, m. de kleinste napolitaansche munt; 10 ca va lil doen een grano, en ion granl een nieuwen du ca to van 10 cariini, die omtrent = i gulden Is.

Cavalót, m. fr. (spr. kawaló) oudfransche kopermunt, die onder l.odewijk Kil werd geslagen en de waarde van -2J- centime had . Mil. voormalig walmuskel, dubbelhaak, ka va lol.

Cavaluco, m. soort van groole makreel (Scomber colias).

Cavata of cavate, f. 11. (v. cuuare, uithalen, uitnemen, v. \'Ilat. cm are, uithollen, v. cams, hol) Muz. een klein gezang, naar de aria gelykende; Kmt. waarde eens wissels naar den koers; omzetting van een wissel legen gereed geld; cavatina of cavatine, f. een kort zangstukje zonder de bij de aria gewone herhaling of versieringen.

Cavate, f. (v. t lat. conus, hoi, cavare, uithollen) een gewelf-, een insteekkamerlje; Areh. de gewelfde onderbouw van eene hoog-llggende kerk; — cavatie (spr. «=lt;s,- lat. cavaho) de uitholling; uitgraving van een kelder.

Cavecon of cavesson, m. fr. (spr. kaw\'sóii, it. cavezziine, van cavézza, halster; en dit van \'1 lat. caput, hoofd, gelijk \'1 lat. ca-pistrum, z. aid.) neusnijper, neuspranger, een ijzeren halve ring, dien men den Jongen paarden op den neus zet om hen te temmen en af te richten.

Cavea, f. lat. holte; besloten ruimte; kooi, inz. ruimte voor de toeschouwers in een theater.

cavoeren, lat. (cavcre, zich wachten, beveiligen, enz.) horgbiyven, goedspreken, borgtocht stellen, voor iels aansprakelijk zyn; Kml. wissels ca veer en, wissels lot geld maken of aan den man brengen, verhandelen; in bet schermen: eenen stoot benedenwaarts, langs hel lyt afkeeren, z. v. a. paree ren; ziet; cavoeren, tegen Iets waken, op z.yne hoede zyn, zich in acht nemen; cave nc cadas, lal. pas op dal «lt;! niet valt I caveant consules! laat de consuls waken! (formule, waarbij de rom. senaat in gevaarlyke oogenbilkken de consuls met dictatoriale macht bekleedde); in \'I algemeen : pas op, neem u in acht! cavént, m. (lat. cdvens) een borg, goedspreker.

Cavelin, fr. (spr. -leh), z. kaveling.

Cavérne, f. fr. of lat. cavérna (v. conus, \'o, mi», hol) een hol, eene grol, spelonk ; een kelder; cavernous, adj. (lat. cavernosas, a, urn) vol holen, vol gaten; c a v e r n e u z e respiratie, f. Med. de ademhaling met een geluld als kwame die uit een bol.

Cavésco, m. sp. eene firaanmant, en een gewicht van centenaar.

Cavezzo, m. lengtemaat In eenige streken van Italië, ongeveer = i meter.

Cavia, /.. s c a v 1 a.

Caviaar, z. k a v I a a r.

cavilleeren, lat. (cavUUiri) Iemand bespollen, voor den gek houden, beethebben; spilsvondige drogredenen geipruikeii; — cavil-latie (s|ir. t—ts), f. de bespotting; het betrappen, vangen door sluwe vragen; spitsvondigheid, sopbisiery; — cavilleus, adj. spitsvondig, sluw.

Cavitoit, f. nw.iat. (v. \'l lat. conus, u, urn, hol) de holte, holliglieid, inz. in het men-schetyke lichaam; de drie ca vilei ten: de hoofd-, borst- en huikbolle.

Cavour, m. (spi-, -voer) lange, zwarte toscaansche sigaar (naar den beroemden ital. staatsman, «est. 1801).

Cawney, m. eng. \'spr. spr. kani) Indische landmaat = 25 tnamies

Caxa, f. sp. (spr. kacha) bolle, ruimte, vat-, kas, kassa.

Cayenne, f. (spr. kajènn\') hy zeker whistspel de beste kleur; eene balfzyden gestreepte zomerstof, die men In Fraukryk vervaardigt;

Cayenne-peper, eene sterke, bytende kruldery uit liet rype zand van Capsicum bac-catum (naar Cayenne la Zuid-Aaierlka); — Cayenne-ziekte, eene op Cayenne in-heenische ziekte, die naar de roede uitslagziekte dor Arabieren geiykl.

Cazadór, m. sp. (van cazdr = fr. clms-ser, Jagen -, vergel. clmse) een jager, scherpschutter.

Ceanóthus (amerikaansche), m. gr.

(kedmthos, eene distelsoort) de tascbbloom, de theeslrulk van New-Yersey in N.Amerika.

Cecropia, f. lat. mieren- of trompetboom, een westindlsche boom met groole bladeren, een sieraad onzer broeikassen.

cedeeren, lat. {cedire) afstaan, overlaten, wyken, zwichlen, inz. van een recht afstand


-ocr page 213-

CEDEL ilt;l7 CELLA

doen, z. bonis t\'ede oren; cede mujuri, neef den grootcre, den liooger gopluiitsto toe! wijk voor den machtige; cedunt arma /»(;(«\', de wapenen (d. i. de militaire macht) moet onderdoen voor de toga (d. I. de hurgerlyke overheid); — eedént, m. (lat. cadens) de overlater, afstanil-docner, h. v. van oeno schuld aan eenen andere; cedo nulli, ik w(jk voor geen andere n.I in schoonhotd), de naam van eene der schoonste kegelslakken, de parel-kegelslak, parel-admiraal.

Cedel, ceèl, f. een lijstje, briefje, naam-lijsl, z. cedilla.

Cedent, z. ond. cedeeren.

Ceder, hy zoölogische namen atk. voor Ce-derhjelm (russ. entomoloog).

Ceder, m. (lat. ccdrus, gr. kédros) een boom van het pyntioomen-geslachl in Azië; de eigenlyke ceder, ceder des I,Ihanons iPinus cedrus) herelkt eene hoogte van iO meters en heeft roodachtig, zeer hard hout; de ceder hars is welriekend en hedorfwerend, en werd lig de Ouden tot lUklmlseming geho-zigd; de eede ro 11 e dient tot medisch gebruik. Men noemt ook zoo: den levensboom (Thuja occidenlalis): verschelden soorten jeneverboom, b. v. Juniperus viri/iniana, wquot;lks IkiiiI gebruikt wordt om potlooden in te vatton; ook den met den mahonielioom verwanten Cedrclu odorala, bekend ais materiaal voor sigarenkistjes.

Cedille, f. fr. (spr. sediélj\': uil bel sp. cedilla, d. i. eig. eene kleine c, In het fransch gekomen) oen klein haakje onder de transche c (f), hetwelk beleekent, dat men do c voor ii, o en u als eene s en niet als ft moet uilsproken.

cédola f. 11. (spr. Isje—,- vgl. co du la) een sohuldbektMilenls of krediet brief van de banken loeulurlclitlng t(! Rome, evenals onze banknoten in plaats van gereed gold gangbaar.

cedo nulli, z. ond. codeeron.

Cedraat, m. 11. (cedrutn) eene soort van groote, kruidige, zeer welriekende citroen, welks bast met suiker wordt ingomaakt, do muskus-citroen; ook de boom, die hem draagt.

Cedna, f. lat. cedorhars; c. lerreslris, bergteer;—cedrium, n. lat. hol door Ioor-kokerij uit het cederhout enz. bereide toorwa-ter; — cedrirëët, n. lat. (v. rete, nel) een uil de brandolie van bet cedrium verkregen slof, welks kristallen zicli notsgewgs plaatsen.

Cedro-boom, (nw.lat. cedrcla odorala: sp. cedrn, ceder) de geurige ceder, een hooge boom in N. en /.. Amerika, mei een welriekend, bitter en zeer zacht houl, z ond. ceder.

Cédula, f. sp. (z. v. a. lat. schedüla, z. scheda) cedel, ceèl, briefje, lijstje, bewUs; een küiiinklyke giinslbrief, eene aanstelling; in \'1 algemeen oorkonde ; Inz. voormaals een spaaa-sche vergunningsbrief om op de spaansclie bezittingen In Amerika handel te dryven.

Ceinture, fr. (spr. sèii\'lüüi\': v. ceindre = lat. ringlrc, omgorden) de gordel, lendeband; ook lyst, krans, insluiting.

Cel, z. cel la.

Céladon, in. fr. (sp. Seladón: uil den roman Astree van d\'Urfé) een verliefd beider, sinachtend minnaar; ook groenachlig blauw of blanwaclillg groen, zeegroen, seladon (zoo geheetcn naar de zeegroene kleeding der herders in de fransche lierderspelen der 17de eeuw); ook de naam van een nachtvlinder.

Celaster, m. gr. (kiluslros: lat. celaslrus scandens, klont erende celaster) een struik in N. Amerika mot zeer buigzame en lange stengels, die leder nabüslaand gewas zoodanig omwinden, dal het daardoor ten laatste moet sterven, de booniinoorder.

celatie, z. ond. celeeren.

Celatone, in. It. (spr. Isjé—) groote helm, stormhoed

célèhre, fr. (van \'1 lal. cellier) beroemd, vermaard; z. ook onder causa; colebree-ren, lal, ifcU\'hrnn\') vieren, pieclilig gedenken; feesteiyk pryzen; celebrant, in. lal., elg. een vierende, feestvierder; de niislezer; - celebratie (spr l—ls) en celebreering, f. de viering; —celebriteit, f. (lal. cclebrflas) de feestelijkheid ; de vermaardheid, beroemdheid; een beroemde naam; beroemd persoon.

celeoren, lat. [celSre) verbergen, verhelen, vei\'belnielljki\'ii; celatie (spr. I=ts), f. nw.lat. verlicllng, verberging.

Celemine, f. eene spaansclie Inliondsmaat voor droge waren, = 8,G1)I1 liter (13 ce Ie mines doen een f ene ga).

celere, celeremente. Hal. Muz. snel, sehleiyk, vlug.

Celeri, z. sell er v.

celereeren, lat. [celerare) verhaasten, versnellen; snellen. Ijlen; celerifère, f. fr. (van \'1 lal. celer, snel, en ferre, dragen) een snelwagen, een middel lot spoedig vervoer in Frankryk, op de wyze der eng. slage-coaches-, celeripede, z. velocipede; — cele-riteit, f. lat. {celenlus) de gezwindheid, snelheid, vaarl.

celeste. Hal. en fr. Muz. hemolsch, lang aanhoudende zachte lonen, door de plano- en forle-pedalen geiyktydig op een plano-forle gebruikt, voorlgebraclit; ook een opzettelijk daartoe Ingericlil pedaal.

Celestinus, mansn. (van \'1 lat. celer, snel) de snelle, vlugge; f. Celestina; v. a. van hel lal. coeleslis, liemelsch, z. C®le9tlnus. Celibaat, z. ond. ciciebs.

Cella, verklw. cellüla, f. lal., cel, kamertje, klooslervertrekje; byeneel; cellÜltB, pi. Anal, kleine holten In het celweefsel; Hot. kleine holten der yruchlen, van elkander ge-schelden als zoovele vakken; cellar ion, n. pl. celkoralen; — cellarius, m. lat. ro-meinsche slaaf, die de sleutels van de provl-slekamer en den kelder droeg; — cellepó-ren, pl. lal.-gr. zaadkoralen; - celleporie-ten, m. pl. doorboorde koraalversteenlngen; — cellieten, in. pl. celbewoners, celbroeders en eelzusters, geestelijken, die voor de zieken zor-


-ocr page 214-

CELLO 108 CKNSEEREN

frcri; celluleus, cellulair, adj. Anal, en Bol. uit ci\'llon hesluundo, colvonnlg. In collen atuciicoiii; cellulaire pathologie, t. de

nieuwe rlclilhiK der aluemeene pathnlogU! of zleklenleer, welke het ontstaan on liet wezen der ziekten traelil leiU!{ te brengen op do werkzaamheid der kleinste, voor hel gewapende oog nog als geheel herkenliare doeltjes van hel organisme, de zoogen. cellen; cellulair-stelsel, stelsel, volgens \'1 welk de gevangenen In arzonderiyke eellen of vertrokken alleen opgesloten worden; zulk oene gevangenis heet dan cellulaire gevangenis. In Frankrijk heeft hel cellulaire rütuig, dat in vakken verdeeld is, zoodat de veroordeelden gedurende hun vervoer geen verkeer met elkander kunnen houden, sedert is;n de vroegere keten der galeislaven (rhaine des formats) vervangen; — eelluloïde, f. uil ecne verhlndlng van nitrocellulose en kamfer liestaande slof, waarvan men vele voorwerpen vervaardigt; cellulose, f. Chcin. celachtig gedeelte van de hmit-vezel, Inz. de door koken in sodaloug onder hoogen druk tol papierslof verwerkte vezels der naaldljqomen.

Cello, m. 11. (spr. Isjéllo) afgekort voor v ioloncello (z. aid.); — cellist, m., z. v. a. violoncellist.

cellula, cellulair, celluleus, enz., z. ond. cell a.

Cèlo, m. hulgaarsch dorp.

Celosia, f. Hol. eene plantensoort; (\'closia crislala, hanekam.

Celotomie, z. kelotomle.

Celsiteit, f. uw.lat. (van \'1 lat. celsus, n, um, hoog, verheven) de hoogte, verhevenheid, hoogheid.

Celsius, naam van een zweedsch geleerde Anders Celsius (1101—ITii), van vvlen de centesimale Indeeling der thermomotcrschaai afkomstig Is-, een graad (lelstus (afk. lt;;.) is het honderdste deel van den afstand tusschen vriespunt (0°) en kookpunt (100°).

Celten of Kelten, een ond, uit Azlé gekomen volk, verspreid In \\\\ .Kuropa, Inz. In Gal-118, Spanje en Kritlanje, reeds In de oudheid grootendeels door de Komelnen onder\'t juk ge-hrucht, later door de gormaansche volkeren onderworpen en mei deze vermengd. Slechts weinige overhiijfsels van dezen volksstam hehhen hunne (dgen taal lol heden bewaard: zoodanige c e 11 I sch e lal en zijn: het (iail 1 sch In Moog-seholland, hel lersch in Ierland, het VVal-llscb In Wallis (Wales) en hel Bretonscb In de fransche landstreek Hretagne.

Cembalo, in. 11. (spr. Isjémbalo), z. cl inhaal; vroeger ook hel klavier.

Cemént, n. (Hal. cemenlo, fr. cimenl, van \'t lat. caeme/iluni, hloksteen, mopsteen, van cc-dilre, houwen) een bindmiddel, metselkalk, mortel, tras; cementeeren (fr. cimenler) vereenigen, door metselkalk verbinden; ook gloeien, branden, louteren; — cementatie (spr./ie= Isle), f. of het cementeeren, liet gloeien van een llchnam in gesloten vaten lusschen oen ander tot poeder gebracht lichaam (ce ment eer-poe der), dat door behulp van hot vuur zekere veranderingen in het eerste moet te weeg brengen; ceméntkoper, de koperneder-slag, die uit cementvvater ontstaat (z. lager);

•cementstaal, brandstaal, dat menverkrUgt door staalijzer sterk te verhitten In een mengsel van kool, roet, asch en keukenzout ; -cementwater, klezelloog, een In vele bergwerken zich vormende oplossing van kopervitriool, waaruit het zich door metallisch ijzer als cementkoper nederslaal.

Cöna, f. sp. avondbrood, avondmaal. Cenacho, m. sp. (spr. send(sjo) draagkorf. Conangie, z. kc n a ngie; Cenchrie-ton, z. kenchrloten.

cendré, fr. (spr. sahdré: van ceiulre = lal. cinis, genil. cintris, asch) aschgrauw, aschkleu-rig; blond; cendrillón, f. (spr. sandriel-jón; Hal. cencréntnld) asschepoetsster uil hel he-keade volkssprookje; verwaarloosd, voor de laagste (lieasien gehrnlkl meisje; — ccndres bleues, pi. fr. (spr. sdiidr\'bteu\') minerauihlanw, bremer-blanvv, een mengsel van kalk, zwavelzure kalk en tweedo koper-oxvdehvdraat, dal veel bij hei sclillderen wordt gehezigd.

Conobiet, cenobitisch, cenobium, liever koenohlet, enz., z. aid,; cenosis, z. k e nosis.

Cenotapluum, n. (gr. kenoldplnon, van kenós, ledig, en taphns, graf) een ledig graf, graf-teeken, praalgraf, lonilie, opgericht ter cere van eenen elders hegravene (bli de Ouden veel In gebruik), ook tumulus hnnoranus genoemd.

Consaal, z. sen sa al; — censerie, z. courtage, ond. courtier.

censeeren, lal. (censère) beoordeolen, aan een oordeelkundig onderzoek onderwerpen, vvaar-deeren; berispen; censor, in. by de oude Roincinen een rogeeringspersoon, met do hand-bavlug der goede zeden en openbare orde be-lasi; een booordeelaar, Inz. van boeken, een boe-keiirlc.hler, iioekbescliouwer; een door den Staat aangesteld toeziener op de litteratuur, die liet recht heeft sommige plaatsen te veranderen;— censureeren, fr. (censurer) berispen, wraken, afkeuren, nadeollg beoordeelen ; In den ban doen. uil de kerkelUke gemeenschap sluiten; —censuur, f. (lal. censura) de monstering, heoordee-llng, het onderzoek, de boekbeschouwing, het boekengerlcht of de door den Staal verordende onderzoeking en heoordeellng van nieuwe ge-schilften en de daaruit voortvloeiende bewilli-glng of weigering van de openbare uitgave dooide drukpers (vgl. imjmmalur); censura eccle-siastïca, Jur. de kerkstraf, kerkelijke boete; — censurabel, adj. (fr. censurable) aan onderzoek, beoordeeling, enz. onderworpen; berlspens-waardlg, bestrafhaar, wraakbaar, verwerpetyk; weleer ook; cUnsbaar, schatplichtig; — census, m. de schatting, teiilrig des volks hij de Romeinen; de schatting van bet vermogen der burgers, volgens welke alle burgers in zes klas-


-ocr page 215-

CKNT 199 GENTRI\'.

sen on doze wedor In conturlOn vordceld waren; do danrnlt volKondo lieliislltiK, o|)l)rengst, lt;\' ynsi (hnns; maalslnf naar den helaslln^aanslaK «m do staatsliurgerreclilen (klosroeht) uil tooofo-non; onk do hodondaaKsclio, op hopnaldo lijden plaats helihenile volkslening; census anni/u.i, Ae jaurlykscho lielnstlnj,\'; c. areurum, de grondhe-lastlnjj; r. emigraliönis, liolaslliiK op hol iand-vorlmlzon; c. /icomoW/is, lielaslhiK die, niet Ion bepaalden dage lielaald /.ijnde, mei lederen ver-znlmden da)? vennoerdorl; censila bond, n. pl. eünsbaro, mol rijns lielaslo goederen; —cen-situs, m. de cUnsbaro of sclmtpllclillgo, liii, die belasting moet bolalen; - oensuaal (la-Ier lat. censualis, c) tol liet belastlngslelsol behoorende; belastbaar, cijnsbaar; — censuules, in. pl. cUnspliclittgen, belast Ingscliuldlgen; — consueeren, nw.lal. belasten, oene belasting opleggen.

Cent, 1) van \'I lal. ccnlum, lionderd; woord, dat de vorlioudtng van de wlnsl lol hot kapl-tiial uildrukt, b. v. 5 por conl of !)0/c d. I. van bot kapitaal; eone koperen ninnl, bet bon-derdsto van ilen iieilorlandsebeii gulden ; ook bot bonderdsto gedeelte van den dollar in Amerika (— 2.; nod. rent) en op do lonisclie eilanden; cent jours, pl. fr. (s|ir. saii tjoer) de lionderd dagen van den 2nslen Maart lol den iKsten juni 1KIS, gedurende welke Napoleon na zijne leriigkninst van Klba In Frankrijk regeerde; —céntenaar, ui. (van \'1 lat. cenlenarfus, «, urn. honderd bevattend) een gcwlcbt van 100 pond; centG-narium, n. lal. (fr. centenaire) honderdjarig feest (van hol beslaan van Iels, van Iemands geboorlo, enz.); — centenarms, m. lal. een honderdjarige; — centësima, f. (of cenlcsima pars) het lOOsto doel, Inz. Iiy Inlerestberekenln-gen -, — centesimaal (spr. s=J), adj. In honderd deelen verdeeld; centosimaalre-koning, f. nw.lal -ned. de rekening naar honderdste doelen; - centesimoeren, lal. (ven-lestmarc, van ccnlesiinus, «, urn, de honderdste) den bonderdslen man tiltnomen, afzonderen;— centesimatie (spr. tie=lsk), f. nw.lal. de (iltnomlng van don hoiidordsten man, inz. tor bestratling, tertorechtstellliig; centésimo, in. It. (spr. Isjenléz—) eone kleine pasmunt In \'I koninkrijk Hallo = Tl0 lira = ongeveer I cent; - centi..., voorvoegsel voor niaat-eenbo-den om bel TJÖ deel aan to wijzen; - centiare, f. ^ are, z. are; — cénticeps, lal. (v. nipul, hoofd) honderdlinofdig; cen-tifolie, f. lat. {Ccnlifolïa rosa) de honderdbla-derlge roos; — centifolisch, adj. Iiondord-bladorlg; —centigraad, in. graad van den bondentdeellgen thormomoter (z. Celsius); — centigradisch, adj. nw.lal. honderdgradlg;

centigram, n. (fr. cenlinramme) T; „ gram me, z. gramme; — centiliter, TJ„ liter of TJffiied. kan, z. 111 e r; — centimanen, in. pl. lat. (ccnlimiitii) Myth, honderdhandige reuzen, geiyk Brlareus, Gyges, enz.; — centime (spr. saiiHém\'), z. franc; — centimeter, m. (fr. centimèlre) motor, z. meier; — centipédisch, adj. nw.lal. bonderdvoellg; — centistère, fr., z. ond. störe; cent-weight, n. eng. (spr. séntweet) cenlenaar, z. v. a. hiinderdwotghI.

Cent, -2) of zont (spr. tsenl), hoogd. van \'I niid.iat. centem, dal als overzelting van \'I oudd. hunlari, angels, on eng. hundred, oorspr. een landsgedeelte of dlslrlcl van too hoeven nf dorpen beteekent) by de oude Geriniineii een distrlel, roehtsgobled, tyfstralfelUk rechtsgebied onder eone gemeenschappeiyke overheid slaamlo ;

centgericht, de overheid van zulk een dis-trlcl, iiel lyfstralfeiyk gereehi, de bloedban; centgraaf, de opporrechlor van een centgericht ; —■ centheer, do bezitter van een goed, waaraan lyfslrail\'eiyk reciit Is verbonden.

Centaürus, m. gr. (olg. kentauros, d. 1. óf stlerdnoder, iemand die oorspr. Ie paard op (h^ stlorenjaclil ging, óf enkel slieraandryvor, herder te paard, van Iscntein, sieken, prikkelen. Inz. om aan te drijven, ook nederstoken, en lm/ros, stier) Myth, een paardmonscb, een der fabeinchtige monsters, half nienscli en half paard, gesproten nil Cenlanrus, zoon van Ixlon, dien deze teelde by de wolk, In welke by waande .luiio te omhelzen; ook een sterrenbeeld aan den zuidelijken heniel, dat door eeno tigmir, half nienscli half paard, wordt afgebeeld; centaurëa, f. lat. (gr. ttcnlnuris, of kenlauna, ook krnlaürïnn) hel duizendgul-denkruid, eone geneeskrachtige pliint, van welke de c e n I a u r u s Chiron zich bediende om zich Ie genezen van do wond, die hom door een der pylen van Hercules was loegobracht; (\'en-laureu cymius, blauwe korenbloeiii; benedkla, cardobeiiedtctenkruid.

Centenaar, centenarius, zie onder cent I).

Centerboor, f. lal.-ned. (van cenlrum, z aid.) boor, die groote regelmaiige galen maakt en snel In tiet plankenhout doordringt; centerhoek, Malb. de mlddelpuntslioek, ontslaande door uil liet middelpunl eens rogelma-tigon veelhoeks lynen naar de uileinden van eene zyner zyden te trekken.

centesimaal, centesimeeren, een tesimo, z. ond. cent l); centgericht, centgraaf, z. ond. conl ï); — centiceps, centifolie, enz., z. ond. cent 1).

Cento, m. lat. (pl. ccnlóim), fr. centon, lapwerk, arlekynspak, Inz. een inengelmoes van verzen, uil den samenhang genomen, waarin zy by de dichters te vinden zijn, en tot een nieuw sanieiihangend geheel gemaakt; een inppendeken-vers; Muz. een oratorio of eene opera door verschelden meesters gecomponeerd; ook wel pasticcio (spr. pastidtsjo) of pastiche, fr. (spr. pasliésj\') gebeeten; — centoniseeren, (fr. cenloniser, II. cenlonittare) Muz. eene opera of oratorium uit de composillen van onderscheiden componisten samenstellen.

Centre, m. fr. (spr. saii-tr\': van \'I lat. ren/rum) middelpunt, cenlrum (In de Kamer enz.); c. de conversion, c. d\'action, draaipunt; c. de


-ocr page 216-

CENTHUM

CENTUM

200

liravilalion, imntrekklnKspiinl; c. de gravi/é, zwnarti\'punl; r. il\'équilibn, ovcnwlclitspunt; r, (/c rotation, nmwentolln(!S|iiinl; c. d\'oscillation, sllnperpuiil.

Centrum, n. lal. (gr. kintron, cig. spits, slckel) het middelpunt, li. v. van ecu cirkel, van een lichaam, het vereenlKlngspunl, midden; onelg. de plaats, waar Iemand hehoort, zich als Ie huls, In zijn schik bevindt; Mil. hel middengedeelte van een slagvaardig leger, In te-genoverst. van de helde vleugels; In parlementen\'. de middel party, de gematigden, die het midden van do halfronde zaal plegen in te nomen ; — ccnlrunt iiraifitStis, Phys. hel zwaartepunt ; c. oscillalionix, sllngerpunt; — centraal, adj. (lat. cenlrHlis, c) middelpuntig, hetgoon lol het mlddelpunl van cenlg ding behoort, of het uitmaakt, zich daarin bevindt, daarheen gericht Is, enz.; een centrale sloot is zulk een, welks richtlngsiyn door de zwaartepunten van de bewogen lichamen gaal; centraal-be-stuur, bel van een middelpunt uitgaande be-sluur-, centraal-beweging, do kringvormige beweging of de kromme haan van een bewegend lichaam om een zeker punl, waardoor hei wordt aangelrukken, b. v. de beweging der maan om de aarde; — centraal-bureau, n. (spr. -bun) boofdkanloor; centraal-eclips, f. ringvormige zonsver-duisiering; — centraal-comité, n. hoofdcommissie; — centraal-krachten, de tweederiel krachten of wellen, aan welke de bewegende lichamen hij hunne centraai-bewc-glng gehoorzamen en waardoor zy In hunne haan worden gehouden; deze zyn de centripetale kracht, de mlddelpunl zoekende, naar hel mlddelpunl strevende kracht, en de centrifugale kracht, de middelpuntschuwende kracht, die, waardoor een lichaam zich van het middelpunt zyner eirkelbaan poogt Ie verw-yderen; — centraal-machine, f. een werkluig, waardoor de centraal-beweging In een kring aansehouweiyk wordt voorgesteld; — cen-traal-organen, m. pl. de boofd-ievenswerk-luigen, b. v. hel hart, de longen enz.; - cen-traal-plateau, n. (spr. -ló) hoogvlakte In het binnenland van een land; — centraal-posi-tie, f. (spr. -zi-lxie) Mil. do midden- of hoofdstelling; centraal-pro.jéctie, z. projectie; — centraal-punt, bet middelpunt; centraal-school, kring-, kreils- of hoofdschool, die in het midden van het district ligt, waarvoor /.y bestemd is-, — centraal-sta-tion, n. spoorwegstalion, vanwaar als middel- en aansluitlngspunt de verschillende Irel-nen in verschillende rlchllngen vertrekken; — centrale vergadering of centrale congregatie, lal. hoofdvergadering, eigenl. middelpunlsvergadering, d. i. zulk cone, in welke zich de werkzaamheden van andere vergaderingen als in een middelpunt vereenigen; — cen-traal-vuur, Phys. het reeds by de Ouden onderstelde middelpunts- of kernvuur des aardbeis, in hetwelk men weleer den oorsprong der vulkanen en soorlgeiyke versebynsclen dacht to vinden; thans de warmte, die aan hel binnenste des aardbeis eigen sehynl te zijn on van de verwarming door de zon geheel onafhaake-lyk Is; - centraal-zon, f. volgens de voor-onderslelling der slerrenkundlgen het gemccn-scbappeiyk middel- en zwaartepunt der wereld van de vaste sterren, dal binnen de Plejaden (z. aid.) sehynl Ie liggen; — centralisee-ren (spr. .«=j), (fr. cenlrallser) In een middelpunt vcreenlgen, samentrekken, het vereeiu-gen van \'t gezag, van al de staatsmachten In de banden van de regcering; — centralisatie (spr. -za-lsic), f. (fr. ccnlrulination) de ver-eeniging, samentrekking, vereenvoudiging, de ver-eenlglng van de macht der regeering in een middelpunt, in een hoofdstad enz.; strenge eenheid van den staal by zeer beperkte vryiieid;

— centraliteit, f. de mlddeipuntsoenbcld, middelpuntsvcreeniging; — centralist, m. voorstander van bet cenlraiisatie-stelsel; — centreeren, hel middelpunt zoeken, vinden, aanwyzen; een glas naar het middelpunt bewerken of siypen, il. I. zoodan\'g, ilat hel middelpunt der opening van hel objecllef glas nok dat der grooisle dikte van het glas Is; — centrifuge of centrifugaal-machine, f. toestel om versehiliende sloll\'en (suiker, wol, waschgoed) Ie drogen door de centrifugaal-kracht; — centrifugaal, adj. nw.iat. (v. fuqUre, vlieden) middeipunivliedend, er naar strevend zich van bet middelpunt te vervvyde-ren; centrifugaal-kracht, z. boven;

— centrifugaal-regulator, m. toestel aan de stoommachine, welke door matige sloom-instrooming den regeimatigen gang der machine verzekert; —centripetaal, adj. uw,lal. (v. pet ire, op Iels afgaan) middelpuntzoekend, naar het centrum strevend; centripotaal-kracht, z. boven; — centrisch, adj. z. v. a. eeni raai; centrobanka, f. gr. een regel in de werktuigkunde om den inbond van een vlak of lichaam, dal door omwenle-ling van eene lyn of eene figuur ontstaat, door het zwaartepunt der bewegende lyn of liguur te vinden; de leer van het zwaartepunt; — centrobarisch, adj. gr. bet zwaartepunt hel reilend; centrobarische methode, berekening van vlakken of lichamen met gebruikmaking van den weg, door hel zwaartepunt by eene draaiing om een as afgelegd; — centroskopie, f. gr. de beschouwing der zwaartekracht.

centum, lat. honderd (z. cent I); — cen-tumvir, m. een honderdman, een der cen-tumvïri, honderdmannen of tos (later ISO) rechters in \'I oude Rome, die de geschillen der burgers over eigendom, erfenis, schuld enz. he-sleebtten; — centumviraat, n. het gerecht der honderdmannen, de waardigheid van centum vir; — centünculus, n. lat. (verg. conto) een uit (bonte) lappen samengenaaid kleed; — centüplum, n. nvv.ial. het honderdvoud, honderdvoudige; centuplee-


-ocr page 217-

CKRKMONIK

CEI\'A

\'201

ren, verhonderdvoudigen, met honderd vermenigvuldigen; - centurïe, f. lal. [cenluna] een nanlal van honderd; Inz. ecne krUgsschaar van loo man, oone oudrom. legerofdeellng (compagnie), hel tide deel der cohorte en het looste deel van het legioen; ook eonc afdeellng der rom. hurgers, waarnaar hü volksvergaderingen gestemd werd; — de m a a g d c n h u r g s c h e cent u r I ö n, eeno naar eeuwen Ingedeelde ker-kelUke geschiedenis, op koslen der evangelische vorsten ondernomen en door Klacïus In 1852 begonnen; — centuno, m. lat. een hoofdman, bevelvoerder over 100 man of eene centurïe bij de oude Komelnen.

Cêpa, lat. (ook Allium ceim] de nl.

Cephaleea, of kephaliDa, f. gr. (van kephalc, hoofd) Med. de aanhoudende hevige hoofdpijnoephalagra, n. de hoofdjlcbl;

— cephalalgio, f. de hoofdpijn, het hoofdweecephalalgisch, adj. aan hoofdpijn onderhevig; tot hoofdpijn behoorende; ce-phala\'matoom, n. (vgl. haimalooni) een bloedgezwel van den schedel lig pasgeboren kindoren; - cophalantica, o. pi. hoofd-zulverende middelen; — cophalica, pl. boofd-verslei\'kendo middelen; cephalitis, f. de hoofd- of hersenontsteking; — cephalodes-mion, n, oen hoofdverhand; cophalo-genësis, f. de boofdvorming; — cephalo-logie, f. de hoofdleer, hersenleer; - cepha-loloxie, f. een scheovo hals, scheefhoofilig-held; céphalometer, m. een hoofdmeter, een werktuig om het hoofd van pasgeboren kinderen te meten;- cephalophyma, n. eon uitwendig hoofdgezwel; — cephalo-podo, N. II. kopvoeter, eene orde der weekdieren ; — cephaloponie, f. eoa aanhoudend gevoel van zwaarte in het hoofd; cepha-lopyósis, f. een ettorgezwel in het hoofd;

— cephalotomie, f. de ontleding van het hoofd of het bekkeneel; cephalotribe of cephalotriptor, m. een tangvormig werktuig lol samendrukking van bet hoofd der doode llchaamsvruchl liij moeilijke geboorten, welke cephalotripsie heet.

Cêphëüs, m. naam van een fahelachtlgen koning van Ethioplö, vader van Andromeda; Aslron. een ruitvormige groep van i sterren, dicht hij den Noonlpool.

Cer., [Chem] verkorting van eererium of c e r i u m, z. aid.

Ceraat, n., ■/.. c or alum.

Ceraïne, f. nw.lat. het onverzeepbare gedeelte van cer Ine (z. aid.)

Ceramographie, z. k e r a m o g r a p h I e;

— ceraphyliet, enz., z. keraphyll iet.

Cerasine (spr. s=z), f. nw.lat. (v. \'t lat.

cerüsus, kerseboom) eene stof, in de gom dor kerse- en prulmehoomen vervat.

Cerast, m. gr. (kerastës) de hoornslang ;

— cerasttiim, Bol. de hoornhloem.

Ceratiasis, ceratitis, ceratocele,

enz., ■/.. korat—.

Ceratum of ceraat, n. lat. (van cera, was) Med. eene waszalf, wasplelstor; — ce-ratie (spr. t—ts), f. nw.lat. (van 1 lal. ccriïre, mei was overtrekken) overlrekklag mei was, wasbedekklng; ook de veranlerliig In eene wasachtige slof door oplossing of smelling.

Ceraunia, Ceraunometer, enz., z. k e ra u n -,

Cerbëms, m. lal., of gr. kerb er os. Myth, de helhond, een hond met drie koppen, die den Ingang van den Tai l a rus bewaakte, z. ond. PI ul o; ook een onvriendelijk portier; Aslron. een noordelijk slerrenbeeld naast de Hand van Hercules.

ccrcar del la nota. Hal. Muz. hel zoeken van den loon door voor- of nanemlng.

Cercariën, pl. (v. gr. Mrkos, staart) staartdieiijes, een soort infusledlerljes, die zich door wonderlijke bewegingen doen kennen.

Cercle, in. fr. (van \'I lat. circülus) een kring, een gezelschapskring, sociülell; de voorste kring In schouwburgen, hel parquel; — cercle international (spr. èiilenuisinnaal). sociCleilsgcliouw voor alle volken op de i\'arij-sche wereldliMitoonstelling.

Cercöpen of kerköpen, in. pi. gr. (kér-kópes, van /nfeftos, staarl) N. II. gestaarte apen; in de grieksche mylh. plaagzieke en boosaardige kahouters, die den wandelaar allerlei poetsen speelden; ook: sluwe, argllsllge, leugel-looze menschen; — cercopithêken, m. pl. gr. langsfflirllge apen, meerkalten.

Cei\'daken, z. tsjertaken.

Cerdonisten, ni. pi. ketters der 2de eeuw, aanhangers van Cer do, die een goed en kwaad beginsel als oorzaak van alle dingen loerde.

Cerëa ot ceria, r. nw.lat. (gr. kcrion, \\. kcrós, was) ecne soort van kwaadaardig hoofdzeer, welks kleine zweren niet ongelijk zijn aan honigraat.

cereaal, cerealiën, z. ond. Ceres.

Cerëbrum, n. lal. de hersenen; — cerebellum, n. do kleine hersenen, die onder en achter de groote liggen. cerebraal, adj. w at do liersenen belrefl; cerebraal-affectie, f. aandoening of ziekte der hersenen; — corebraal-systeem, n. dal gedeelte van het zonuwsleisel, hetwelk de hersenen en de vau haar uitgaande zenuwen beval; cerebrospinaal-systeem, n. bet stelsel der horsen- en ruggomergszenuwen; — cerebrine, f. het bersenvet, eene pbospbor-acblige vclsoorl in de hersenen;--cerebrie-ten, pl. op hersenen gelijkende versieeningen eener koranlsoort; — cerebrösis, f. do hersenontsteking met razernij, hersenwoede.

Cërefolium, n. lat. (gr. chaerephyllon, fr. cerfeutl) Bot. do kervel.

Ceremónie, f. lal. (caerlmonia: fr. cérémonie) In hel algemeen een gebruik; eene plichtpleging, gewoonte, gebruik van holfelijk-held, wellevendheid; bof- of kerkgebruik; plech-llgheid;— ceremoniëel, n. het vooraf bepaald en geregeld gebruik bU plechtigheden en feesten; hel gehruikeiyko, door gewoonte of


-ocr page 218-

CERERIUM 202 CERVANTESK

landsgelu\'ulk (tcvordordo Ini dozo of (tpne (jele-Kciiheld; ceromóniomeester, ilo persoon, dlo mot lii\'l regolon der coromonlOn Is lichist, dlo lum conon foostolUkon mualtUd don (.\'inif; dor pllohliiloKhiRon, do toasten enz. ro-rcK ; — ceremoniëus, adj. (fr. cérémnnieux) lilochtlf,\', tooslelUk, wellevend, Inz. vol pliclit-plofjlngon, lastig beleefd, sluf, vormelUk; — ceremoniarius, m. do priester, welke do kerkoluko ooremonien leldl; hij ridderorden de persoon welke de orde daarin bewaart.

Cererïum or cereer, minder juisi cerium of ceer, n. nw.lal. (naar do planeet Ceres benoemd) Min. oen onkelvoudig metaal, van (iioeolaadbruino kleur, in isii:i door lllsln-ger en Borzellus in Zweden ontdekl; — ce— reriet, n., cerinstoen, m. of ceriet, n. eone melalllscbe delfstof, die eer oil u m bevat.

Ceres, lat. of Domelor, gr. f. Mylb. do godin des landbonws en dor veldvrnehlon, doeh-ler van Satnrnus en Itliea; ook de naam der planeet, dlo op I Januari IKllt door l\'la/zl te Palermo lusscbon Mars en Jnpilor werd ontdekt ; Ceres en Bacchus, Poot. bol koren en den vvyn; - ceroaal, adj. (lal. re-reBlis, e), wat Cores, den graanbouw of liet graan belieft; — ceredliën, n. pl. feesten ter oere van Ceres, Cerosfoesten, door do oude Kom. van !t~lS April gevierd; ook balmvrucb-lon of zulke planlen, die holle, mot geledingen voorziene stengels scblelon, lange en smalle bladeren bobben, mol vezelige wortels voorzien zi,in en melige zaden dragen, alzoo tarwe, spelt, rogge, gerst, bavor, maïs en gierst; door som-n.igen wordt er ton onrecblo ook de boekweit toe gerekend.

Ceresine, f. (v. \'t lat. cera, was) do dooi\' eliemlsoho behandeling aan bgonwas geiyk gemaakt ozokerlct (z. aid.)

Cerevisia (spr. s=t), f. lal. (een oorspr. celllscb-galllsob woord) bier-, kruidenbier, waarin bloodzuivorondo krulden zijn getrokken: cerevi-siarum jus, bol brouwreclil.

Ceria, z. coroa.

Ceriet, z. ond. cererinm.

Cerme, f. groonbars, eone bUzondere slof, die men in bel was der b(Jen hooft gevonden;

cerinine, f. op was goiykend beslnnddeol der bruinkolen.

Cerinsteen, cerium, z. onder eoro-r i u m.

Cerinthiërs, m. pi. eone socle van scheurmakers dor oersle eeuw, naar oenen Corinth us benoemd, die leerde, dal C.brlslus bU zijne tweede komst aan z(|n volk vloescheiyko geneugten zou schenken.

Cerium, z. cererinm.

cerneeren, (fr. cerner, v. \'1 lat. cercmare, cirkelrond maken, circinus, cirkel) waarnemen, gadeslaan; inslulloii, omringen, Inz. eono stad, vosllng enz. met troepen.

Cernulatio, f. nw. lat. moeliyk hoesten ; — cernuleeren, hot hoofd lor aarde liulgon.

Cerocensualen, m. pl. nw.lal. (v. cera, was, en census, cyns) zulke personen, die voor gebruik van landoryen of andere voorrocbloii eono jaariykscho holasling In was aan bel al-laar eener kerk mooslon opbrengen; — ce-rographïe, f. z. korographie; — ce-roleine, f. fr. (van \'t lat. cera, was) eone volle, zoor vvoeke en zeer smellbare slof, aan \'1 wille was onlleond. door hol in sterken wyn-goosl to lalon koken; — cerelith, m. lat.-gr. wassleen, eone soort van spoksteen; — ceromantie, z. kor oman tie; — cero-mél, m. nw.lal. eono zalf uit gesmolten was en honig; - ceroplastiek, f. z. koro-lilasllok; — cerosme (spr. s=z). f. harb.-lal. eono vvasachllgo brandstof uit het grys-groene slof, ilal men op den bast van vele soorten van suikerriet vindt; — cerotine, f. in kokendon alkohol onoplosbaar bestanddeel der byenwas; — ceroxylon, n. gr. (d. i. washoul) do boogslo palmsoort op do Andes (ook Irarlea anilicola gobeolon), welks slam oen wasachtige massa ullzwoel; vamhiar: cerox^-line, f. Chom palmboomhars, oen uil hol palmwas verkregen kleurloos, krislalliniscli hars. Cerro, sp. (spr. Ijserro) boogie, borghoogle. oerteeren, lal. (ccrture) slryden, wedyvoren; certamen, n. een slryd, kamp, wed-sti-yd; — certatie (spr. tie=lsie), f. (hit eer-lallo) bet vvodslrydcn, do wedslrijd. Certepartie, z. chorleparty. certiflceeren, nw.lal. {certificare, fr. certifier, van \'I lal. certus, a, urn, gewis, en /\'«■ erre, maken) gewis of zeker maken, verzekeren, bevestigen, goluigon, oen golulgschrifl gevencertificaat, n. eone getuigenis, een getulgscbrlfl; cerlificat d\'orinine, fr. (spr. ser-Hfikd dohtjién\') een hewys of goluigenis van oorsprong, afkomst, inz. voor koopwaren; — certificatie (spr. lie=lsie), f. hot bovostl-gen, verzekeren, voor waarheid verklaren; vor-zekering, waarvorkhiring; certiflcator, nw.lal., of certificateur, fr. in die eono horglocht, een geschrift enz. bevostigt, verzekert, die zich borg slell van oenen borg, do acblorborg; certioreoren (spr. ti=tsi), later lat. (cerliorare, van certfnr, zekerder, com-par. van eer lus) verzekeren, vergewissen ■, — certioratie (spr. li en lie—lsie), f. Jnr. de InllchUng omlrent zekere rechlsvcrboudlngon, welke naar bet voorschrift der rechten somtUds moot gegeven worden aan dezulken, by wie men do eigen hekondbeid daarinedo niet onderstellen mag.

Ceruis, n. (fr. ciruse, lat. ccnissa) lood-wlt, spaansch wil; blanketsel; cerussa .In-ris, linascb; c. naliva of cerussiet, n. na-tuuriyk koolzuur loodoxydo, wil looderts, looil-spaalh.

Cerümen, n. nw.lal. (v. cera, was) oor-was, oorsmeer, oorsmout; — cerumineus, adj. oorsmeer bevattende, oorsmoutachtlg. Cerussa, z. ond. ceruis. cervantésk, cervantisch, adj. 1,111.


-ocr page 219-

GKH VKLA AT WORST

203

CHACOLI

dat naar den siyi, do manier van Cervantes, siiii\'Uver van Don Uuijotn, zweemt.

Cervelaatworst, f. (fr. cervelas, it. eer-vclldla, van cenéllo, lal cerebellum, vcrklw. van cerebrum, lierseiien) i^Ik. hersenworst; ook andere onbekookte vleeschworst; — cervo-laat-marmor, n. donkorrood marnier met vele gi\'Uze en witte aderen.

cervicaal, adj. lal. (van ccreix, f. nek) den nek l)et rellende.

Cervus, m. lal, tiert; córnu rérvi, herts-lioorn; cervicapra, t. lat. hertegolt, eon soort van antilope;--cervinus, udj. lat. op horten liotrekkinp: hehhendo; hertaclilix etc.

cesseoren, lal. {ceuure) ophouden, weg-hiyven, wegvallen, een einde nemen; ccssul, hot houdt op, valt weg; cessdnle causa ccssul c/féclus, mei do oorzaak houdt ook do werking, de uitwerking op; ook wol als tegenstelling: durante causa, dn rul effeclus, hy hel voorldu-ren der oorzaak, duurt ook do uitwerking voorl;

cessatie (spr. /=/.«), r. (lal. cessulto] liet dralen, talmen, vertragen, stilstaan, ophouden.

cessibol, hart), lat. (van \'I lal. cedcre, z. eed eer e u, fi\'. cessible) dal afgestaan kan worden, vervreemdbaar, voor afstand vatlmar; — cossibiliteit, f. de vervreemdhaarheid, de gesehiklheld, iievoegdheid lot afstanddoening; — cossie, f. lat. (cessio) de afstand, overdraelil, overlating van eene zaak of een reeht aan een ander; cessiu bnndrum, de overgave, afstand \\aii züne goederen of have aan de seliuld-eisehers; ccssfn nomïnis, iinamsafsiaiid; Jur. af-sland eener sehuldvorderlng; — cessie-acte, f. eene oorkonde, waardoor aan een ander een reclii wordt afgestaan; - cessionarms,lal., of cessionair, m. (fr. cessinnnaire) de aan-of overnemer, liij, wien door iemand eene zaak, eenig recht enz. wordl afgeslaan; vgi. c e d e n l;

cessus, m. lal. hg, legen wien iels wordt afgestaan, die dus lielaton moet.

c\'csl a dire, fr. (spr. sèl a diér\') dal is ie zeggen, dal wil zeggen, dat is, dal beduidt.

c\'csl la guerre, zoo gaat het nu eenmaal In den oorlog.

c\'csl Inul comme chez mms, fr. (spr. sè loc Imnm\' sjé noe) dat Is juisl zooals by ons; wy zijn in heizelfde geval.

Cestus, m. lal. (v. andere, houwen, hakken, slaan) een slrUdbamischoon, een zware handschoen der romelnsebe vuistvechters; ook een vrouwengordel, inz. die van Venus (van \'I gr. kestós, eig. gestikt); — cestoidisch, adj. rlemvormig, lint- of handvormig. Cesuur, z. c tos uur.

Cetacëa of cetacéën, n. pi. nw.iat. (v. \'t lal. cctus, gr. Helos, walvisch) de groole ia het water levende zoogdieren, de walvisch-soorten; — cetacéuin, n. walschot, sperma-cell; — ceteen, n. Gliem. olieachtige vloeistof, door distillatie vim aelhol met wa-tervry pbospborzuur verkregen; cetine, f. eene vetstof, die de basis van bel walschot nll-maakt; — cetine-zuur, n. paimitine-zuur;

cetographie, cetologie, f. bescbry-ving der wiilviscbsoorien; — cetyl, n. vettige zelfslandlgiieid, vroeger aelhol.

cellrus, a, urn, lat. de of bet overige, andere; cel/tri, ae, pl. de overigen; cellra, n. pl. de overige (zaken), liet overige; el celdra, af-gek. elc., en bet overige, en zoo voort; cel/!-ris paribus, al het overige geiyk gesteld, ol onder overigens geiyke oinstaiullgbeden; celerum censCo, »overigens ben Ik van meenlngquot;, zoo besloot met bel slot; Carllianinem esse delendam, quot;Carthago moei verwoest wordenquot;. Gate de oudere Iedere rede in den senaat; vandaar dal celerum censco beleekent eene eerste en hialste gromislcillng, waarop men on-verbiddeiyk terugkomt.

cetine, cetographie enz., z. end. ee-I ii c e a.

Cetra, f. lat. eon halfrond schildje, met leer, doorgaans olifantsieer, overtrokken; ce-tratus, mot zulk een schild gewapend.

Cetrarino, f. de billero slof van de ys-landscbe mos {Celraria islandica).

Cetylalkohol, m. Chom. een nil wal-scliol verkregen eigenaardig vast lichaam.

Ceurawath, eene seclc van li a n ia n en In Oost-IndlC, die, in het geloof aan de zielsverhuizing, ook niet hel kleinste Insect dooden.

Ceylaniet, m. en n. Miner, een zwarte steen, eene verscheidenheid van spinet.

Chabasiet, n. een aan den zeoltth(z. aid.) verwanl, in weinig verschoven rliomboli-dors krislalliseerend mineraal.

Chabin, m. fr. (spr. sjabéh) de fahelacb-lige haslaard van den geltebok en bel schaap.

Chabir, m. arab. karavaaiigids door de woestyn.

Chablage, m. fr. (spr. sja-bld-zj\') bel loodsen stroomopwaarts door bruggen.

Chablis, m. fr. (spr. sjabli) wyn uit Chablis, een plaats in Frankryk; ook zekere nious-seorende wynsooii.

Chablón, m. (spr. sjahlóii: hoogd. scha-bouc, schablon, vervormd uit hel fr. échanlil-/011, staal, monster, model, vonnpiank der sluk-gloters, eschanleler, aan stukken snyden, v. chant, cant, hoek, stuk), het vormbord, b. v. der klokgieters; een bouwmodel, schlldermodel enz.; vgl. model.

Chabnam, n. Indisch neteldoek.

Chabraque, f. fr. (spr. sjabrak\': v. bel lurkscli tsjaprak) een sieriyk paardedek, scba-h r a k.

Chacara, f. sp. (spr. tjsa—) klein landgoed (In Chili elc.); — chacarero, m., cha-carera, f. boeren, kleine grondeigenaars, tuinlieden.

Chacart, n. fr. (spr. sjakdr) eene soorl van geruit Indisch katoen.

Chacham, m. hebr. de wyze (verg. c b o-cbem) tllel van rabbynen.

Chachóll, in. ross. schehlnaam voor stop-penbowoners.

Chacoli, in. een hiscaysche wyn.


-ocr page 220-

CHACONNE 204 CHALEUR

Chaconne, fr. (spr. sjaköm\') of II. ciac-cóna, sp. chaoóna (spr. Isjaki\'ma) Muz. cenc symplionle, waarop men verzen maakl, iloor-gaans niet oen referein; een voor den dans tie-zel slak in 4 maal, mol matige bewoging en cluidciyk sprekenden tacl.

Chacra, f.. pl. chacras, sp. (spr. tsja-), boerenlmtlen, landwoningen In Z.Amerika.

clKicun d son noil, fr. (spr. sjakuiu a son f/oc) leder naar z,i,|n smaak of welgevallen; cha-cm Ie sien (spr. sjakuiu Ie sjieii), leder hel züno; chacun pour soi. l)ieu pour torn (s|ir. sjakuiu poer soa. dien poer toe), leder voor zk\'li zelf, God voor allen.

Cheerophrostfne, f. gr. (van chairein, verhiyden, en uphrosynv, vorslandalooshold) de krankzinnigheid, waarhy de lyder vrooiyk en opgorulmd Is.

Chafeïoten, pl. aanhangers der leer van den haam Chafoi (een van de 4 orthodoxe sec-ten van den Islam)

Chagrin, t) of chagrain, n. fr. (spr. sjaijn\'H: II. tigrino, van hel turk. saf/H, paar-derng, daar hot leder van den rug der dieren wordt genomen) sagrijn, eene soort van ruw, als met korrels bezet, gelooid leder, doorgaans van muilezels of ezelsvel bereid, sagrynleder, zeekallevel; vlsehhuld, Inz. haalovol; ook eene daarnaar geiykende slof, sagrijntaf, gekeperd laf; ehagrin la rullière, labaksbruln sagrynloor; - chagraineeren, leder lot sagryn maken, het leder korrelen of groeven.

Chagrin, i) n. fr. (spr. sjaqreii: v. cha-l/rin, ruw, korrelig leer; ruwe vlsehhuld, die men tol afwrUven en vyien gobrulkl: vandaar «neig. voor: knagende kommer; andoren den-Ken aan \'I arab. sjakrain, ongelukkig) verdriet, kommer, droefheid, leed;--chagrineeren, spr. sjagr—) bedroeven, verdrloton, kwellen, ergeren, krenken ; chagrinant, adj. krenkend, bedroevend, verdrietig enz.

Chahi, chahee, m. eene kleine porzische munt = IS cl.

Chahut, m. fr. (spr. sjahü) zedoloozo, ult-golalen daas, die door den cancan {?.. aid.) vervangen werd.

Chai, in. fr. (spr. sjé) wynkelder of gewolfd pakhuis (gciykvlocrs (inz. Ie Bordeaux).

Chaine, f. fr. (spr. sjèn\': v. \'1 lal. catena) do kolen, ketting; de keten in de danskunst, do kettingdans; eene voortloopende rij van ull-gezelle poslen, aangestelde werklieden enz.

Chair, f. fr. (spr. sjèr] vloosch; chair a canon, kanonnenvleoseh, soldaat.

Chair, m. eng. (spr. Isjeer) stoel; rocking chair, scboinmeisloei; — chairman, m. eng. (spr. Isjeermen) do voorzitter in eene vergadering (v. chair, stoel).

Chaise, f. fr. (spr. sjèz\') olg. de sloel, de zetel; eene hallkoots, een licht rijtuig met twee wielen, eene sjals nf sjees; chaise a por-leurs, draagstoel; chaise a roulettes, rolstoel ; chaise-canne, sloksloel, draagbare sloel In den vorm van een wandelslok; chaise longue (spr.

—long\'), eene soort van sofa of lounlngslool; — chaise percée, een nachtstool voor natuur-lyke behoelten, een stlllolje. ,

Chujim, hebr. loven.

Chako, sjako, z. czako.

Chaland, m. fr. (spr. sjalaiu nederl. ka-lanl, klant; oorspr. en elg. een soort van vaartuig tot vervoer van waren, waarmede men voorts den kooper, die de waren afhaalde, vergeleek; mld.lal. chclamCium, mld.gr. chcldndinn) hy, die gewoonlijk hy denzelfden koopman koopl;

chalandise, f. (spr. sjalaiuliéz\') klandizie, kal a n dl z I e, de nering, de ruime afzetting van waren, de welhoklantheld.

Chalasis, f. gr. (v. chalün, loslaten, ontspannen) Med. de verslapping der zachte doelen, b. v. van de borsten; — chalastika, n. pl. verslappende, ontspannende middelen; chalastisch, adj. verslappend.

Chalnza, t., of chalazium, n. gr. (v. chdlaika, hagel, hagelkorrel) een klein, rond gezwel aan het ooglid; - chalazse, f. pl. lat. hagelsaoeren, wilachllgo vezels of koordjes over het doolorviios van bet ei, welker samen-looping men hanetreo noemt; Kot. do inwendige kern (amygdala) van eene zaadkorrel; — chalazosis, f. do vorming van zulk een gezwel; — chalazophalkes, m. pl. priesters hy de Ouden, aangesteld om door olfer-anden den hagelslag en de onweders Ie voorkomen.

Chalcedoon, m. gr. eene soort van troebele, doorgaans gowolkle, halfdoorziclitlgo topaas, zoo genoemd naar hot landschap Chalcedo-n I e In Klein-Azlii, alwaar hu vroeger menigvuldig werd gevonden, de nevel- of melksteen, kwarts-agaat; — ehalcedónyx, m. (vgl. onyx) een melksteen met afwisselend bruine, witte en gryze strepen.

chalcidicum, n. lal. eene zaal, aan de smalle z.yde oener basiliek bygebouwd.

Chalciet, m. en n. Min. zwavelzuur koper; oen edelgesteente.

chaldeërs, pi. do priestergeslachten van den hahylonlschon volksgod Bel, laz. als waarzeggers, sterrenwichelaars enz. in do oudheid bekend; —ohaldeeschetaal, een aanhol hebroouwsch verwante, sedert de babylonlscho ballingschap door de joden gesproken taal.

Chaldron, n. eng. (spr. tsjddrm-. van \'t oudfr. chauldron, nu chaudron, 11. calderone, sp. calderon, ketel, v. \'t lat. caldanus, lol de warmte bohoorende, v. calidus, warm; dus olg. een ketelvol) ot chalder (spr. tsjddur), n. de kolenmaat van Kngeland van Ij tot til hocto-lllor; thans een maal voor droge waren In \'t algemeen = 11,(II1IS7 hectoliter.

Chale, in. fr. (spr. sjaal\') z. shawl; c/id/e boileux, sjaal die slechts aan éen eind met palmen versierd is.

Chalef, m. slachtmes dor joden.

Chalet, n. fr. (spr. sjalé) alpenhui, zwit-sersch huis.

Chaleur, fr. (spr. sja—) de warmte, hitte.


-ocr page 221-

Cl IA LI F

CHAMP

205

zoo in elg. nls oneiK. /.in; — chaleureus, adj. licet, hBOt van aard.

Chalif, z. k li a i i f.

Chalkos, in. gr. erls, metaal, in/., kopoi1; cono oudgr. munt, ongeveer 4 cl. (8 clialkol deden I olio lus is eenc drn clime), 00k een oudgr. gewicht nis onderdeel der drachme; — chalkogastrisch, N, 11. met koperkieu-rlgen Imik; — chalkograaf, m. eig. een metaalschrüver; een piaatsnUder; chalko-graphie, f. do piaatsnUkunsl, de graveerkunst;

chalkographisch, adj. de piaatsnUkunsl lietreirende; — chalkollth, 111. Min. iiranium-spaalh, geoxydeerd uranium, /.. uranium;—chalkoptérisch, adj. N. II. met koperkleurige vleugelen; - chalkopygisch, adj. N. II. met koperkleurlgen aars; —chal-kotypie, f. koperdruk, de door Helms te Ber-Ign gedane uitvinding, om eene teekenlng op eenc koperen plaat door eene chemische ver-richtlng in een verheven werk te veranderen, waarvan de drukpers een willekeurig getal afdrukken kan maken; - chalkoxylogra-phie, f. iialioolsing der aqua-tlnlamanier In slaalgravure door eene soort verhinding van e li a I k ei- en x v log ra p h i e.

Challenge, eng. (spr. Isjelléndzj\') uitdaging.

Chalmieten, m. pi. Min. paddesteenen van oogvonnige gedaante.

Chalon, 11. fr. (spr. sjalnii) eene wollen slof lol voering (vermoedeiyk naar Chalons in Frankrijk benoemd).

Chaloupe, f. fr. /.. sloep.

Chalumeau, m. fr. (spr. sjalumó) schalmei (/.. aid.)

Chaly, 11. fr. (spr. sjali) eene lljne wollen stof voor kleederen. ook met Ingeweven zijde voor vesten; oorspr. eene te Angola uit geitenhaar vervaardigde slof.

Chalybographie, f. gr. (van t gr. en lat. chalybs, staal) de staalgraveerkunst, kunst om In staal te grlllelen; — ohalybsónans, n. uw.lal. (van chalybs en som/re, klinken) een door I) ie z uilgevoiiden nieuw speeltuig uit staal en glasstaven.

Chamade, f. fr. (spr. sjamadd\', port. cIki-mmlu, II. chiamata, v. \'I port. chamar, it. chin-mare, lat. clamdre, roepen, alzoo elg. de roep of het geschreeuw der overgave) Mil. hel tee-ken van de trompet of de troimnel (of de wille vanen), dal eene belegerde stad wil onderbandelen ; vandaar de c h a m a d e sla a n, den over-gaafmarsch slaan; nu meer gebruikt voor het marktgeschreeuw eens kwakzalvers.

Chameelëon, z. k a m e I e 0 n; chammleon minerale, lat. oude naam voor mangaanzure kali

Chamare, chamarre, fr. (spr. . sp. camdrru = samaar) een met passement omzette poolsche rok; — chamarreeren (spr. sja—: fr. chamarrer] beleggen, bezetten, met galons omzetten, b.v. kleederen; —cha-marrtire, f. het omzetsel, omboordsel met gouden of zilveren passementen.

Chambellan, fr. (spr. sjaiibelliiii: mid.-lal. cambellanus, camberlunus, v. \'t lal. camera, fr. rhambre) of chamberlain, eng. (spr Isjéémberlin) m. een kiunerbeer.

Chamber, f. eng. (spr. Isjéember) kamer -, chambre of horrors, gruwelkamer; — cham-ber-cloak, ni. eng. (spr. tsjéémber klnok) een wijde, lange huisjas, doorgaans van gebloemde slof.

Chambertin, m. fr. (spr. sjaiibcrtin 1 goede franscbe roodewün, zoo genoemd naar een dorp in Opper-Bourgondlö.

Chambre, f. fr. (spr. sjiinbr\' van \'t lal. camera, z. aid.) kamer, vertrek; — chambre anlenlc (spr. —arddnt\') eig. beele, gloeiende kamer; de naam van twee voormalige rechtbanken in Frankrijk, waarvan de eene over zaken van kettei\'U, de andere over misdaden van vergiftiging vonnis sprak, en wier vergaderzaal geheel met zwart bebangen eu alleen door toortsen verlicht was-, — chambre narme, eene tot verhuren ingericlite, met bnisraad voorziene of gemeubeleerde kamer-, — chambre introuvu-ble (spr. —ènlrourdbl\'), nlel te vinden kamer, spotnaam van de in tstö na de 2ile restauratie saamgeroepen kamer der afgevaardigden in Frankrijk-, chambre syndicale, vakvercenigiiig der franscbe werklieden (sedert ISdS);- cham-bl\'ière, f. fr. (spr. sjniibri-er\') eig. bet kamermeisje; de afrlcbllngs- of dresseerzweep in derUschool; — chambreeren (fr. chamhrer), kamergenoolen zijn, byeemvonen.

Chambre, chambrière, enz., z. oud. c b a m b e 11 a n; chameleon, z. k a m e-leon.

Chamiet, m. (van \'I lat. chama, gr. clumc, de kammossel met twee geopende schalen, v. bet gr. chad, ik hen of sta open) eene ver* steende schelp, die in baren natuurlUken toestand reuzenschelp heet.

Chamis, z. harar.

Chamois, adj. (spr. chtimod: Ie chamois, de gems of klipgeit; it. cnmoscio, sp. ijamuza. v. \'t oudd. ffomf, gems, kamoes) gemsklcurlg, naar de Izabelkleur zweemende, bleekgeel; — chamoiseeren (spr. .lt;=;), tot zeemleder, ka-inuis- of kamoesleder looien; - chamoiseur, m. een looier of bereider van zeemleer.

Chamor, 111. hebr. (pi. chamorim) ezel.

Chamótte, f. (spr. sjamóll\': v. chame, mossel, wegens de scbelpvorm der daaihg gebruikte porseleinen potten) eene tot poeder gebrachte massa, bereid uil de aarden potten, waarin hel porselein gebakken Is, waarvan men cbamot-s teen en vormt en brandt, die, met leem ver-metseld, den sterksten blttegraad ullboudcn.

champ, m. fr. (spr. sjaii: van \'t lal. cam;ras) het veld; — champ de bataille, m. fr. (spr. sja 11 d\'baldlj\') de kampplaats, het slagveld; champ de fédération (spr. -ra-sjnii) hel vor-bondsveld; champ de Mars, het Marsveld te Pnrys; champ Elysées (spr. sjan zélilé) de Elyseesche velden (zie onder Klyslum); ook een wijk van l\'arys.


-ocr page 222-

CHAMPAGNE-VVDN

\'206

CHAOS

Champagne-wijn, champagne, m.

spr, sju/ipdnje—) oeno bokendo wijnsoort nil do provlnclo Champat?no in Frankryk, Inz. en In \'I algcmeon schulmoiulo (moiisseorondt\') wyn mot gebonden koolzuur; - fine champagne, heste soorl hrandewün of cognac; — champagne-bier, een schuimende, meer op wyn dan op bier geiykende drank nil wa-Icr, melissuiker, cllroenolle; ook; gemberbier en dgi.

Champfleurismo, n. fr. lelterkundigo school, waarvan Cbamprieury bot hoofd Is, realisme.

Champignon, in. fr. (spr. sjaiiiH-njvii: v. champ, veid; itni. champinnmlo) kampernoelje, eon eetbaar zwam, veld- of aardzwam, lieoron-/.wam, paddenstoel, duiveislirood (slqaricm ram-lustre) ook de kop of neus aan de brandende pit eener lamp; oneig. iemand, die snel en onverwacht fortuin maakt.

Champion, m. fr. (spr. sjaiipióii. mid.lat. campfo, v. \'l lat. rampus, veld) ka mpioen, een kampvechter, voorvechter eener zaak, Inz. de ridderiyke beschermer van een weerlooze.

Champoreau, m. fr. (spr. sjaiipnrn) kof-tie met melk en rum of absint.

Chamsin, in. (v. \'I arab. chamdn, vyftig, omdat by inz. gedurende do 80 dagen van \'I einde der maand April lol aan \'I begin der overstroomingen des iSyis In Juni waait) In Egypte de uil de woest yn komende heete wind, z. v. a. sa moen, z. aid.

Chamulcus, m. tal. soort oud ItallBanscbe wagen.

Chan, z. klian.

Chancaca, f. (spr. Isjan—) rnwe suiker (In Peru).

Chancade, f. fr. (spr. sjankaad\') zeker trompetstukje bij de opeiscbing van eene belegerde plaats.

Chance, f. fr. (spr. sjaii-i: eig. de val, oudfr. chéance, van rhoir: lat. cadere, vallen, mol betrekking Int het vallen der dobbelsteeneu) een soort van dobbelspel; de daarby geworpen oogen; een waagspel, k a n s, de mogelykheid van gelukken of mislukken; in pl. Inz. goede voor-ultziclilen.

Chancelier, m. fr. (spr. sjnimelji), chancellor, m. eng. (spr. Isjénseler) k a n s e 11 e r (z. aid.)

Chancery, f. eng. (spr. tsjémeri) kans e-lary (z. aid.); (\'hancmj of Court of chancery, handelsgorecbtsbof.

Chancre, m. fr. (spr. sjaiikr\': v. \'t lal. cancer) sjanker, eig. kreeft; eene kankoraebtige, om zich vretende, venerische zweer of gezwel;

chancreus, adj. met zulke gezwellen be-hepl, venerisch (z. aid.)

Chandales, pi. ind. Indiërs, die tot geene kaste behooren, afkomsiig uil het huweiyk van een Soedra en eene Krahmauin.

Chandarma, n. Ind. wit sandelhout

Chandeleur, f. fr. (spr. sjah—) Marla-llchlmis. Vrouwendag.

Chandelier, m. fr. (spr. sjahdcljé) kandelaar.

changeeren (spr. sjaiitj—), fr. {changer, it. camhiare, camjxare -. van \'t lal. cambire, mi l, lat. camblure; vgl. cambio) veranderen, verwisselen, verluiscben; ook veranderd worden, verschieten (van kleuren); - change, m. fr. (spr. sjanzj) de rnli, ruiling, verwisseling, tul-sching; afwisseling, verandering; wisselhandel, wisselbank; — change-conto, n. fr.-it. de rekening, op welke de boekhandelanrs verruilde werken opteekenen; —changeant, fr. (spr. sjaii:jdii) veranderiyk; weorscbynend (van stoffen); verschietend (van kleuren); changeant, m. zekere laf, die van verschillende kleur schynt, omdat do Inslag en ketting van onderscheidene kleuren zyn genomen, weerscbyn-doek; ook een schooue vlinder; — changement, n. fr. (spr. sjamj\'mdii) de verandering, afwisseling; changement de cni/urc, overslappcn (op treinen).

Chanka, f. arab. mabomedanesch klooster.

Chanoine, m. fr. (spr. sjanodn\'), z. v. a. ca no ulcus {■/.. aid.); f. cha nolnesse.

Chanson, f. fr. (spr. sjaiisóii: v. t lat. can-fio een gezang, lied; inz. een wereldsch lied, volkslied; - chansons, f. pi. oneig. latte praat, beuzeiingen; chansonnótte, f. een liedje of deuntje; — chansonnier, m. (spr. —njé\') de lledjosdichter, liederzanger; chanson-nière, f. (spr. —njifr\') liedjeszangeres; — chansonneeren (fr. chahsnnncr), In liedjes bezingen; - - chant, m. (spr. sjdii) gezang, zang; chant guerrier, krygslled; chant patrio-tique, vaderlandslied, volkslied; c/inn/ retifiieiu\', geestelijk lied; chant sur Ie Hm, fr.; cantus super librum, lat. Muz. het zingen van een koraal, waarby slechts de meiodieslem opgegeven is, en de andere drie stemnien onder het zingen moeten worden gevonden; In welke kunst sommige kerkzangers het zeer ver gebracht hadden; — chantage, n. bedrieglijke voorspiegeling, zwendelary om iels af te persen of uit te vorscbeu; inz. bedreiging om Iemand te belasteren of te compromitteeren, indien men niet zekere som gelds betaalt. chanterélle, f. (spr. sjaiit—) Muz. de eerste of dunste snaar van een speeltuig en die den tijnsten toon geeft, de zangsmiar, (|ulnt; — chanteur, m. (spr. sjaii—) zanger; — chanteuse, f. zangeres.

chantourneeren, fr. (spr. sjaiiloern—) uitsnijden naar een model, uil werken, uithollen.

Chanuka, f. hebr. feest der tenipelwydlng (hy de joden).

Chaos, m. gr. eig. ledige, ruimte, afgrond (vgl. chasma); by de oude dichteriyke wys-georen: de oorspronketyke slof der wereld, die men zich als een geheel rnwe, vormlooze en ongeordende klomp dacht, eer de scheppende almacht aan de slof hare tegenwoordige gedaante gaf; de warrel- of niengelklomp, de ba-jert; in \'t algemeen; verwarring, wanorde, een warboel; chaotisch, adj. woesi, verward.


-ocr page 223-

CIIAPAHRO

CHAUGK

\'207

(niRcordond, vormcn(f(l ; — chaomantie (spr. I=ls), f. waarzoggei\'U uit do luiiil on wcervcr-schünsolon.

Chaparro, in. sp. (spr. Isja—) stcenolk.

Chapeau, m. fr. (spr. sja/in), pi. cha-peaux (spr. sjupoos-, mid. hit. cupel lux, van\'t fr. chape, provonc. en sp. cupu. It. en nild.lal. cuppa, een mantel met eene kap, die men over \'1 lumfd sloeg, v. \'t lal. capfrc, vangen, omvatten; vgl. liet nedcrl. kap) de hoed; volgens do mode dor vorige eeuw; oen man, manspersoon, oen lieer, inz. alsgoleldor on lieschermor ccner dame in deze boloekonis zegt men lliiins in \'t fr.: cavalier)-, chupcau il\'honneur, loniand als oero-liegelolder; chapoau bas, adv. (spr. —bd) mot don hood af, met den hood onder den arm; — ehapeau-bonnet (spr. —bunné) muts-hoed, hoofddeksel dal voor muls en hoed Ie gelijk dienst doel, hoedje om oven uit te loo-pen ; — chapeau chinois (sin-, —sjinod) lialvemaaii (hij militiiiro muziek); - chapeau-rouge (spr. —roetj\') de kardinaalshoed; — chapelet, m. fr. (spr. yap\'lé: van \'tondfr. chapcl, krans, als hoofdsieraad) do rozenkrans, palornoslei\'; — chapolgorris, m. pl. sp. (spr. Isjapclfiiiiries), d. 1. eig. roodhoeden, roodmulsen (van liel haskisch chapcla, hoed, on gorria, rood) llchlgowiiponde, oiiregelmatigo liaskische troepen, aaiihangors der Chrislinos in Spanjo (I8M);

chaperón, m. (spr. sjnp\'rÓH) hoofddoksol, kap (hoofddeksel dor Franschen in de iniddel-oouwon); onoig. eene hejaarde, stemmige vrouw, die hot opzicht hiniill over jonge meisjes of vrouwen, eone ooihowaakslor; Chaperon rouge, Kooilkapjo (in \'I volkssprookje); — chaperormoeren, dumos hegoleidon en ho-schormon; vgl. ohapoau.

Chapel, f. eng. (spr, Ixjdppcl) kapel; inz. roomsoho kerk.

clmixille anlentc, f. fr. (spr. sjapell\' arddiit\') olg. vurige, brandende kapol, verlichte loestol, hoizy In eone kerk of kapel, holzU In een iiuls-vorlrek, rondom oen ton loon gestold lijk, ■/,. v. a. cuslrum doloris.

Chapetón, m., pl. chapetónes, sp. (spr. IsjapeUncs, waarsch. van \'I mid.lal. capi-lare, aankomen, it. capilure, vololiiiligen, n.l. de reis, aankomen, v. \'t lat. caput, hoofd, einde) nieuw aangekomen europoesche kolonisten in I voormalig spaansch Amerika (ter onderscheiding van do creolen, die in Amerika zelve gehoron zijn).

Chapitre, n. fr. (spr. xjapiélr\',■ van \'1 lat. capitiilum) ka pil tol, hol hoofdstuk, hoofddeel, de hoek- of sehriflafdoeling, hot puni, voorwerp, de slof van oen gesprok; do vergaderplaats dor doniheoron -, chapitreeren, fr., ka pi 11 o-len, z. aid.

Chaplin, m. eng. (sin-, fsjdplin) groote ko-lonwagon.

Chapon, m. fr. (spr. sjapoii) kapoen; ■— chaponneeren, kapoenen, (hanen) lubben of snydon.

chaptaliseeren (spr. s=«), zuren most door toevoeging van gemalen marmer en suiker ontzure (naar do methode van den fr. chemicus Chaplal, gosl. I«:)a)

Chapter, n. eng. (spr. Isjépter) kapltlel (vgl. chapitre).

Char, I) hoogd. (oudd. chant, rouw, klaclil) in samonsloiilngon, b. v. charwocho, de treurweok, stiilo week, do week voor l\'aschon; — eharfreitag, rouwvrydag, do goede Vry-dag, vrydag voor Paschon.

Char, i) fr. m. (spr. sjdr\': v. \'I lui. carrux) wagon; eone wijnmaal in fransch Zwilsorhiiid = ongeveer «oo liter; — char-a-banc, in. fr. (spr. sjdr d bdh) oen open wagen mot zil-hankon langs do z.ydon; op de franscho on bolglsche spoorwegen -. een wagen van de ide klasse.

churttcler indelebttis, z. c ha ra kt er.

Charade, f. fr. (spr. xjariidd\') oen lotler-grepen- of syllalienraadsel, waarhy oen meer-lottorgropig woord In zijne enkele lettergrepen oiitbondoii en ieder van de dus gevormde woorden bodokloiyk omschreven wordt.

Charadrius, m. lat. N. II. regonvogol, pluvier.

Charadsch, m. turk. (van \'t arnh. dm-rddsch, opiirongst. Inkomen, sliiatsinkomon, bo-lasting, v. chnradsju, iiilgaiin, uilkoinoii, uitvoeren, Invordoron) hoofdgeld; in \'1 algomoon do helasiing, ophrengst, waaraan Christenen en .lo-don in Tarkye oiidonvorpen zijn; - charad-sjis, m. pi. de ontvangers van dal hoofdgeiil;

charüdsji-basji, m. pl. do opzieners over die hoofdgoldeii en rechters In do daarover ontslaande moeiiykhodon.

Charakter, enz., z. k a r a k t o r; character tndelebïlis, lat., in de K. kalh. kerk; eene omiildelgharo eigenschap, oen oniillwischlmar merk, dut iemand vorkrygl door \'I ontvanpon vaneen sacramoni, li. v. van do priestorwyding.

charaschö, intorj. russ. goed!

Charavari, m. pl. hongaarsch (spr. sjara-wdri) overbrook, eone wyde lange broek dor Hongaren, Inz. rybroek.

Charbéndschi, m. turk. muildiordrUver.

Charbon, m. fr. (spr. sjarbnii: van \'I lal. carbo) kool, houtskool; eone bloedzweer, pesi-buil; charbon de Icrre, steenkool; — char-bon-ehandelle, m. (spr. —sjaiiddll\'), z. v. a. c a n d 1 o c o a I.

Charcanas, m. eone zyden slof uit Oosl-Indio.

Charcuterie, f. fr. (spr. sjdrkutcrie) hiin-dol in vloescliwaren, spek- en worsthandei, spek-slagory; — charcutier, m. (spr. sjdrkutjé) vleosch- en worslhundolaar, spekslager.

Chardóns, m. pl. fr. (spr. sjanldii. olg. distoleu; van \'I lat. carduus: vgl.t cardone) yzoren punlon op hokken, muren en dgl.

Charfreitag, z. ond. char t).

Charge, f. fr. (spr. sjdnj\'eig. do lading nf vracht van een wagen; z. cargo) 1) do last, vracht; vandaar: « charge z(|ii, lot last zyn, lastig, bozwaariyk vallen; onoig. do ooreposl.


-ocr page 224-

CHA1UAGE

\'208

CHARON

hel ninlil, dc budlonliiK; 2) do uanvul dor Iroc-pon in den slryd; ook hot lookon lot don nan-viil *, do lading van oen sclilotgowoor; il) over-diyvlng In kiiiistvooi\'slclliiiKcn (ca r leal u u r);

charge-paard, Mil. dlonsliiuard, Inz. tot sohrulk dor otlloieroiichargeeren (spr. sjunj fr. vharner) liolaslon, holuilcn, bezwa-roii; oiidffiron, li. v. cono taak of work, op-loggon; overladen, ovordrijvon, vgl. carlca-tuur, b. v. eeno sclilldory; — oone geoliur-g o o r d o rol, oono rol, dio or op borokond Is om door ovordryving by do voorstolling to werken; ook eon scliiotgoweor laden on duarniedo vureii; aiuivallon, liizonderiioid van do rntlory ;

chargé d\'affaires, in. (spr. sjarzjé doler\') eon zaiikgolastlgde, inz. do plaatsvervanger van oen gownnen gezant aan eonig hof;

chargeering, f. do lastgeving, opdracht; de lading.

Chariage, r. (spr. sjaria-tj\': v. charier, clKiriier, op een wagon vervoeren, v. char, lal. airrus. wagon) hot viachllooii, de vracht, vor-voorprys.

chdns, f. gr. de bovallighold, liofoiykhoid; het gnnstliewys; pl. Chariten (gr. charilas) of Charitinnen, Myth, hevalligbcdoii, z. v. a. (iratiün, z. aid.;- charientisme, n. gr. do verzachte uitdiukklng voor iets leolgks; oene kiosclie scherts; charisma, n , pi. charismata, goscbonk, gave; charisten-um, ii. (gr. charislcrion, toegcnogeiiboid, geschenk) oono iniiile gave ol liolastlng, dio de bisschoppon in dringondon nood van do kor-kon, enz. holton; charist ie, z. o n c li a r i s-t i o; charistikon, of charisticum, n. oen logongoschenk, oono wodervorgoldlng.

Chantas, f., z. caritas; charité, f. fr. (spr. sjarilé) do inlldheid, woldadighoid; do verzorging, vorpioging van zieken; do naam van oon ziokongiisthuis te Boriyn en elders, een hos-pitaai; soeun de /« chariK, harinhartlge zusters, ziokonvorplocgstors; — charitable, adj. tspr. «/«—) liefderijk, milddadig, weldoend, zaclil-inoedig; charitatief of charitativum, n. nw. lal. eeno noodbydrago.

Chariten of charitinnen, zie onder c hart s.

Charity, f. eng. (spr. Isjerrili) liefdadigheid; gift, aalmoes; vrome slichting (b. v. armenhuis, enz.); — charity-school, n. (spr. —skoel) eeno liefdadige schooi, armenschool, kostoloozo school.

Charivari, n. fr. (spr. sjariwdri: oudfr. caribari, chalivari, cativaly, chalivali, provenc. caravil, mid.lat. charimrfum, charavarilum, chu-ravarfa, charavall/um, chalvancum, chalvart-lum) spotmuziek, kolelmuziek, \'geraas van ketels, pollen,ipannen, enz., dat soms gemaakt wordt voor de deur van bejaarde lieden, die hertrouwen; voorts ieder geschreeuw, getier, gejoel, waarmede de volkshoop zgne afkeuring van hetgeen er voorvalt te kennen geeft, eon standje; slechte, oorverscheurende muziek, kattenmuziek ; ook als titel van satlrioko tydschrif-ten; nog In het kaartspel; de vier vrouwen in éenq Band; allorlol kleine voorwerpen als sieraad aan horiogokoltliigon gehangen. — Ook wel z. v. a. c tiara va rl (z. aid.); — cha-rivariseeron (spr. .i=z), iemand door geschreeuw, enz. hoonen.

Charlatan, m. fr. (spr. sjarlaldii: sp. charlatan, it, ciarlaiano, \\u\\\\charlar, ciarlano, zwetsen) oen zwetser, snoever, pocher, snorkor, praalhans, windbuil, grootspreker, opsnydor, inz. een kwakzalver, die zonder grondige konnis der geneeskunde zich door grootspraak in aanzien zoekt te brengen; charlatanerie, f. of charlatanisme, n. de kwakzalvery, do grootspraak, snoovory, snorkory, enz,

Charlemagne, fr. (spr. sj\'aW\'ma/yquot;; van hel lal Carol us ma guns) Karot do Grooto, de tiokende koning van Kninkrijk en keizer van hot Wosloii; van hom schynt de tiy veie spo-len gohruikoiyko zogswUzo ontleend; Charlemagne maken, wanneer een speler, die aan de winnende band is, hot spel ontydig staakt.

Charles, fr. (spr. sjarl\') mansn., z. v. a. K. a-r e 1 (z. aid.); - Charles d\'or, z. C a roll o n;

Charlotte, vr.naani, z. v. a. Carolina (z. ond. Karot); ook oono moolspys van appelen en geroost brood, nauwkeuriger; charlotte de pom in es; — charlotte r uss e, eeno charlotte van geklutston room, omlegd met kleine beschuitjes.

Charlière, f. fr. (spr. sjarlièr\') een mot waterstofgas gevulde luclilboi (waterstofgas is ongeveer ilimaai iichtordan de dainpkringslucht), zoo gehooton naar den naluurkundigo Charles (onderscheiden van M o n t go I fiér e).

Charlotte, z. ond. Charles.

Charmande, in. turk. muiiozeidryvor.

Charme, m. fr. (spr. sjarm\': van \'t lat. carmen, licit; toovorformulior) de wonderbaariyke uitwerking, die tiet bygeloof aan tooverkunst of invloed van hooze geesten toeschryft, een too-vermlddel, loovory, hetoovering; al wat zoor behaagt, gevoelig treft, de bokooriykheid, aan-valliglield, innemendheid, verrukking; — charmeeren (fr. charmer), innomen, bekoren, verliefd maken, verrukken, beloovereii; charmant, adj. bekoortyk, allerliefst, schoon, aanvallig, Innemend, betoovorond; als: subsi, de minnaar; — charmante, f. de geliefde, liefste, minnares.

Charmille, f. fr. (spr. sjanniélf .• v. charme, iiagebeuk, provincial chame-, van \'t lat. carfiïnusï oono lieg van hagobouken.

Charnico, m. een zoete spaanscho wyn.

Charnière, f. fr. (spr. sjarnièr\', by ons gewooniyk uitgesproken en geschreven scha r-ntor; v. a. van \'liat. cardinaria, afgeleid v. cardn, genii, canttnis, duim van een deurhengsel) hel lid, de vereeniging of inoenvattlng van twee stukkon of dooien van eeno doos, kist, enz. dom\' middel van eeno spil, waarop zy draaien.

Charon, m. gr. Myth, do voorman of schipper der onderwereld, die do schiminen der gestorvenen over don Styx on Acheron bracht.


-ocr page 225-

CHASSKLAS

CHARP

\'209

tenon botnllMK vim ooit obölus, dlon do Oudon daarom liiinnoii doodon in don mond stukon-, — charonsboot, f. lit;, do dood, do ovor-gang tot con ander loven.

Charp., iiij entomologische namen afkort, voor Toussiiint von Charpontlor (gest. 18il).

Charpie, f. fr. (spr. ttjarjne, mid. lat. carina, van \'I lal. carpfre, plukken, afpluizen) pluksel, uilgorafeid linnen om op zieke lichaamsdeelen te leggen, wiek.

Charqué of tasajo, n. licht gezoulen rundvloesch, dat men te lluenos-Ayres in de zon droogt, en vervolgens In vry aanzieniyke hoeveelheden naar de koloniën der keerkringslanden verzendt, waar het den Negers tot voedsel dient.

Charre, n. eng. (spr. Isjar) 30 gogotene iiiok-ken lood (als gcwiclit).

Charta, f. lat. (gr. chartcs, m.) eig. papier, lilad, schrift; eene oorkonde, handveste; fr. charte, f. (spr. sjavt\') eng. charter, n. (spr. Isjdrler) in \'t algemeen leder schrift, dat in de stautsarchlevon wordt bewaard; tegenwoordig verslaat men er meer hcpaaldelUk de grondwet of constitutie door, de wetten, waardoor de rechten van volk en vorst worden geregeld ; charta non erubésril, lat. papier bloost niet (over een leugen); per chartam, lat. door of volgens papier, d. i. volgens een schriftelUk bewys, volgens testament, I), v. iets bezitten; — charta magna of magna charta, f. lat. (manna, groot) eng. great charter (spr. nreet tsjdrler), de groote oorkonde, welke de grondwet der engelsche siaatsinrichting bevat en in i2l5 door koning Jan zonder land is gegeven; rharte conslilulinneUe, f. fr. (spr. sjarl\' koiisli-lulinnéllquot;), de oorkonde dor fransche stnalsin-ricbting van ihi\'. en isiio-, charte-par-tie, fr. (spr. sjaii\'—), z. chertopartU; — chartiatïcum, n. nw.ial. papiergeld; ook zegelpapler; Chartisten, m. pi. in Engeland de volkspariij sedert ISH, die door eene nieuwe volks-grondwet de engelsche staatsregeling geheel en al wil veranderd behhen; in l\'ortngai de aanhangers der constitulle, door Don Pedro In ISiil gegeven; — chartisme, n. de grondstellingen en het streven der genoemde eng. party; — chartietgemmen, pi. gemmen-afdrukkeu door persing op wil papier; — chartograaf, m. teekonuar van geo-graphische kaarten; — chartographie, f. kunst van het kaarlleekenen;—chartogra-pheeren, een kaart van iets ontwerpen, teekenen; — chartographisch, op de chartographie betrekking hebbende-, — charto-mantie (spr. Iie=lsie), f. gr. het knartleggen, het waarzeggen uit de speelkaarten; —char-toph^lax, m. gr. een oorkondenbewaarder. de archivaris van den patriarch Ie Constanti-nopel; — chartulariën, f. pi. (mld.lal. char-lularta, van charlula, verklw. v. charta) verzameling van afschriften van oorkonden.

Charter, n. eng., z. onder charta; — charteren (spr. sjarlUren: v. eng. charter, een VIERDE MtlK.

voorreebt verleenen, enz.) een schip (met bemanning) huren of ter uitsluitende bevrachting overnemen.

Chartreux, m. of chartreuse, f. fr.

(spr. sjAr—) eig. kartuizer, kartulzerin; eene fransche likeur, door de monniken van liet kartuizerklooster te Nancy bereid.

Chartschéwna, f. russ. (spr. sch=tsj) gaarkeuken.

Charwoche, enz., z. onder c b a r (Ie ari.)

Charybdis, z. Scyila.

Chasen, m. (hebr. chasan, chassan) de voorbidder in de synagogen.

Chasidseërs, chassidim, m. pi. iiehr. de vromen, eene joodsche secte, die sterk verspreid Is in russ. Polen, Moldavië, Wallacbye en in eenige stroken van Oaiicie en Mongarye, geslicht door Israel uil Podolle, bygenaamd Kaaischem, d. 1. de wonderdadige; zy houdt zich aan den Talmud, hecht weinig waarde aan hel Oude Testament en zoekt door een deugdzaam leven, bidden en kabimiisiisch nadenken over God en zyne geboden de bron des llchls naderbU ie komen;- chasidisme, n. in uii-gehr. zin: het verwaarloozen van oorspronke-lyke geloofsformulieren en kerkgebruiken.

Chasma, n. gr. (van chainein, gapen) eene klove, een afgrond-, Med. de wüd geopende, opgespalkte mond; chasme, m. en chas-modie, f. hel geeuwen, de diepe Inademing met wijd geopenden mond, waardoor de trage bloedsomloop In de longen versneld wordt; — chasmódisch, adj. geeuwend, tol geeuwen geneigd.

Chasse, f. fr. (spr. sjnsx\': provenc. cassa, sp. lt;•«.*«, it. caccia) de jacht; de vlucht; de speelruimte by het kaatsen; gt;liiz. een klein jacht-stnk; (i la chasse, een biljartspel met 18 ballen; chasse mnrte, een verkeerde, mislukte slag io het kaatsen; onelg. verloren moeite; — chasse-chien, m. (spr. —sjeh) de kerke-knecht, hondenslager; chasseeren (spr. sjas—) wegjagen, voorijageii; In de danskunst eene c o 1 o n n e op- en neordansen; — chassé, m. (spr. sjassé) de z.ypas, waarmede de dansfiguur wordt uitgevoerd; chasse-partie, f. (spr. sjasparli) verdeeiingsverdrag over de buil onder zeeroovers; — chasseur, m. (spr. sj—) de jager-, de liefheblier van do jacht; chasseur d cheval (spr. sj\'wal) een jager Ie paard, een rydende jager; chasseur d\'Afrique, afiikaansche jager, lichte cavalerist in \'t fr. leger.

chasseeren, chasseur, zie onder c h a s s e.

Chasséki, of voiuii Chasseki sultana, f. lurk. {chisseki sultan, van chasseh, eigendom, buis des vorsten, van \'t ariib. c/ióss, eigen, den vorst behoorende) de eerste sultane, de moeder van den kroonprins.

Chasselas, m. fr. (spr. sjass\'ld) eene soort van zeer zoele druif; — chasselas blanc (spr. —htdii] petersellewyn (hoogd. ijutedet, spr. goet—).

li


-ocr page 226-

CHASSE-MAUÉE

CHAUVIN

210

Chasse-marée, m. fr. (spr. sjass\'—, v. chmser, Jngon, en marée, zcevlsch) do vlsch-vorvoerdcr, ventjager, do man, die met spoed de versehe zeovisch naar de stad rydt; ook de kar, vlschkar, waarmede dit goschtedt-, zeo-vlschkaar; nok een klein overdekt vrnchtschlp mot twee masten,

Chassopot ot chassepot-geweer, n. (spr. sjaspn—) een naar den uitvinder, don Kransehman Cimssepot, genoemd, in het fr. leger Ingevoerd achterlaadgewoor.

Chassidim, z. Cliasida\'ërs.

Chassin, m. fr. (spr. sjdseii) de windkast in orgels.

Chassis, rn. fr, (spr. sjassi; van \'I lat. capsa, kast, kist; fr. chdsse, rellqulBn-kastJe; inval-ting) een raam, rand, eene lyst-, vensterscherm eens kopergraveurs.

Chate, f. rnss boerenhuis.

Chateau, n. fr. (spr. sjató: oudfr. chaslel, van \'Mat. cmkllum, t. castel) kasteel, slot, hurg; — chateaux en Espagne, pl. (spr. sjalamp;zannespaiij\') elg. spaansehe kasteelen, d. i. Inehtkasteelen; — Chilteau-Lafltte, -la-Rose, -la-Tour, -Margaux, m. fr. (spr. Infii\'l, tarnn:\', lalner, margó) fijne soorten van hordeaux-wyn, naar geiyknamlge kasteelen uf plaatsen zoo geheelen-, — Chatoau-Pre-maux (spr. —immö) eene soort van hourgogne-wyn; chatelain, m. fr. (spr. sjal\'leii) dc iiurgvnogd, k u s t e 11 a a n, kastelein; — chiitelaine, f. elg. de hurgvoogdes; een lint, hand of ketting, door do dames om het lyf gedragen en waaraan sleutels, reuklleschjes en dgl hangenchfttelet, n. fr. (spr. sjat\'li; elg. een klein kasteel) oen voormalig gerechtshof te Parys; ook eene gevangenis aldaar; — gechateleerd, adj. in de wapenkunde; met torens bezet.

Chateaubriand, m. fr. (sigt;r. sjatobridii) zeer dikke biefstuk.

Chatib, m. arab. mahomedaansche kanselredenaar.

Chatkos, rn. eene oudgrieksche munt, ongeveer = I cent.

Chatouille, f. (spr. sjainélje: fr. vorm gegeven aan \'t hoogd. schalulle, mld.lat. srahéla, it. sratola, hoogd. mharhtel, doos) elg een kistje met vakken Ier bewaring van geld, kost haarlieden. gewichtige papleren, enz,; de byzondere kas of goederen van eenen vorst, waarover bij vry beschikken kan en waaraan do Staat geen deel heeft (onderscheiden van de domein-, kroon-of erfgoederen).

chatouilleux, adj. fr, (spr, sjatoeljH ,■ v, rhalomller, kittelen, als ware \'I lat, calulliare, v. caluh\'re, en dit van ralus, kat, omdat dit dier hoogst gevoelig voor kittelen Is) kittelig; netelig, bedenketyk, gevaarlijk,

Chat-sjerif of chatti-sjerif, z h a t-

sjerif,

Chatterton-compound, n, eng, (spr, IJrl—) (\'.hatterlon-composltle, een dik vloeibaar of taal mengsel van guttn-percha, teer en hars

Chattery, n. eng. (spr. tsjéit\'rie) katoenen of linnen stollen (een plat woord).

Chaudeau, m. fr. (spr. sjndó; oudfr, chan-del, als van een mld.lat. calidetlum, verklw. v. ralhlum, warm) warme eierwyn, een warme drank, bereid uit wyn, eidooiers, speceryen, enz,; kandeel; — chaudepisse, f, fr, (spr. sjo-d\'piéis\') een druiper, siymvloed van de pisbuis.

Chauffeurs, m. pi. fr. (spr. sjo-féürs; v. chaulfcr, verhitten, heet maken) roovers en moordenaars in Frankryk, op het einde dor vorige en In \'t begin van deze eeuw, zoo geheelen omdat zU de personen, die zy overvielen, door ben de voetzolen te branden, poogden Ie dwingen tot openbaring van de plaats, waar zy hun geld nf kostbaarheden geborgen hadden; voetscboel-ers; — chaufferette, f, of chauffe-pieds, m. (spr. sjóf\'pjé) stoof, vootenwarmllescb.

Chaumière, f, fr. (spr. sjomièr: v. chaume, dakstroo, halm, v. lat. calamus) stroohut; lan-detyke hut In een park, enz.

Chaussée, f. fr. (spr. sjo-xé\': provcnc. raus-s/ii/a, s[). calzdda, nilil lat, calceata, calciata, via calriala, eig, met kalk gemetselde weg, v. \'l mld.lat. calceare, calciare, met kalk opmetselen, v. \'1 lat. calx, gonit. calcis, kalk) een verhoogde straat, dyk, kade of hooge weg, de straatweg, steenweg, kunststraat; de damweg, dyk.

chausseeren (spr. c/io-s—, fr. chausser, v. chausse, Hal. culza, eene voet- en beenbe kleeding, v. \'t lat. calcCus, schoen, halve laars, en dit v. calx, hiel) 1) schoeien, mot kousen en schoenen bekleeden; i) eenen weg in eene kunststraat veranderen, hem met zand of puin ophoogen en aan do zyden met slooten voorzien, straten, plaveien; — chaussóns, pl, (spr. cho-séii) lichte schoenen van zeer zacht leder om te dansen of te schermen; ook vilt-schoenen, vilten sokken; ook eene soort van iippellaartjes; — Chaussüre, f, het schoeisel, hot voet- of beenbekleedsel,

Chauve-souris, f, fr. (spr. sjo-v\'soeri; d, 1. eene kale naakte muls) eene vleermuis; — Iron, nachtloopster, straathoer; — een maskerkleed, zwarte domino met overgeslagen kap.

Chauvin, m. fr. (spr. sjn-wtii) kaalkop (lat. calvinus, v. calvus, kaal), naam van een ouden pochenden soldaat uil het eerste kolzer-rgk in Scribe\'s Soldal laboureur-, verg. Bra-ma r has, T h ra so; vandaar: oud-soldaat van Napoleon I, die vervuld was van eene gren-zenlooze bewondering voor Napoleon en van oen blinden en fanatlekeu yver voor al wat op den grooten keizer betrekking bad; ook algemeen ; grootspreker, praalhans, pocher, snoever, yzervreter; —chauvinisme, n. zleke-lijke politieke richting in Frankryk, welke den krygsroom van bet eerste keizerryk tol eiken prys zou willen herstellen; by uitbr. gezindheid van iemand die verstokt franschgezlnd Is, In de groote voorlrelfeiykheid der Franschen gelooft en zyn land ten koste der andere landen groot wil maken; In bel algemeen: blinde ingenomenheid met een persoon of zaak, iedere


-ocr page 227-

CHAVA8S

211

CI I KM IK

polttlcko of sociale ({eestdiitt, die nlo( op wo! overwogen (.\'ronden, mnar alleen op gevoel en hartstocht berust; chauvinisten, pl. aanhangers dier richting; — chauvinistisch, daartoe behooronde; — chauvineeren, tol oorlog aanzetten en daartoe de volkshartstochten opzwoopen.

Chavass, m. arab. beschermer, gewapend geleider op reis

Chaveri, m. eone openHjko verkoopplaats, creote winkelzaal In O.Indië.

Chavonis, rn. oene soort van Indisch muus-selien.

Chayaver, ook chavayer, m. eene plant, die In vele streken van O.lndlé In het wild groeit en Inz. op de kust van Coroman-del wordt aangekweekt; de wortel dier plant Is voor de Indiërs wat de meekrap voor ons Is, n.l. de roode verfstof hij uitnemendheid, en Invert het zoogenoémde Indisch rood op

Che, m. eene harp, een speeltuig der Cht-iieezen, ilic met iii snaren Is voorzien.

Chebol, rn. oene oude lengtemaat In tigypte, Judea en andere doelen van Azlö, ongeveer = ;i meter, de groote oostersche vadem.

Check, r. eng. (spr. Isjék) de kasslersaan-wyzing, het kassiersbriefje; de orde aan den kassier om te betalen; ook een geruit weefsel.

Cheder, f. iiehr. (elg. kamer) kleln-kin-dorschool.

Cheer, eng. (spr. tsjier) luid vreugdegeroep, jubel, hoezeegeroep.

Cheose, f. eng. (spr. tsjies) kaas.

Chef, m. fr. (spr. sjèl\': v. \'I lal. (•«;)«/, hoofd) weleer het hoofd van \'I lichaam; een aanvoerder, bevelhebber, opperste, hoofdaanvoerder; — generaal en chéf (spr. — ah sjéf), oen opperbevelhebber; chef-d\'attaque, m. Muz. aanvoerder, hoofd van \'I koor; —chef-d\'orchestre, m. Muz. orkestmeester, orkest-directeur; — chef-d\'oeuvre, n. (spr. sjè ilcuwr\') een meesterstuk, kunststuk, bet voornaamste werk; - chof-d\'esciidre, m. de aanvoerder van eene afdeellng oorlogschepen, de schout-bU-nacht; — chef-president, de eerste voorzitter, opperpresident.

Cheilalgie, f. gr. (van ch ilos,n. de lip) Med. de pijn aan de tippen; — cheilmus, m. N. H. de lipvisch; - cheilitis, f. de lipontsteking; cheilokace, f. Ilpkwaal, Inz. z. v. a. cheiloncus, m. het lipgezwel; — cheilokarcinöma, n. de kanker aan de lippen; —cheilophyma, n. een uitwas aan de lippen-, — cheiloplastiek, f. de iipvormlng, de lipvonnkunst; cheilorrha-gie, f. de bloeding uil de lippen.

Cheiranthus, m. gr. (van cheir, f. de hand, en dnthos, n. bloem; elg. handbloem) Kot. de violier, vlolierplant, eene tuin- en pot-hloem; — cheiriater, m. (van ialrós, arls) wondboeier, chirurgijn; cheirisma, n. hetgeen de wondboeier mot de handon aan oenig beschadigd deel doet; — cheirographum, z. chirograph urn; cheiroskopie, z.

v. a. chiromantie;— oheirosophie, z. v. a. eb iron o mie; — cheirothermm, z. c liirot he riu m; — cheiroton.e, f. af-stommlng door uitstrekking of opbelting der handen.

Chekao, m. Min. een chinooscb spaath, dienende tut de vervaardiging van het porselein.

Cheki, do eenheid der gewichten in Tur-k(|e voor goud en zilver = O.lliHll.lB kilo.

Cholerythrine, f. (v. I gr. chelulonión en eri/lrlim, rook) eene organische plantenba-sls, ontdekt in den wortel en de onrype vrueb-ten van het scbelkruld (Chelidonium miijus\',.

Chelidönium, n. gr. (chelidiinion, v. che-liituii, f. zwaluw) Hol zwaluwworlel, goudwortel, schoikrald, stinkende gouwe, oogenkiaar;

— chelidonine, f. schelkruidstof, een alkaloïde la die plant vervat; chelidomus, m. de zwalnwenwind, een luwe wind lig den aanvang der lente;- chelidoniet, m. zwaluwsteen, een witte of roode steen, dien mixi soms in de maag der zwaluwen vindt; — che-lidoxanthine, f. Chem. een geel kleurend beginsel zonder siiksiof, uil den wortel, de iiia-deren en de bloemen van \'t scbelkruld.

cheliferisch, adj. gr. lal. (v. rh-lc, hlt;d gespletene, de schaar, en (ene, dragen) van scharen of langen voorzien; — chelifórm, adj. gr. lat. schaarvormig.

Chelinque (fr. chelinnue of chalinnue) een platboomd vaartuig, eene Indische boot op de kusl van Coromandel.

Chellos, f. pi. (spr. sjélles) een geruit in-disch kalden.

Chelys, f. gr. 1° de schildpad; 2° haar gewelfd deksel en de (volgens de gr. mythe door Vlercurius daarvan vervaardigde) lier; 3° de borstkas; — chelone, f. en chelydros, m. gr. zocscliildpad; — chelonieten, m. pl. scbiidpadvcrsleeningen; ook: schlidpadsteenen, naar men wil, steenen uil de maag der scliiid-padilen; — chelonietisch, adj. schlidpad-achlig; — chelonophagen, m. pl. schiid-padeters in Klhiople.

Chem., by zoologische benamingen afk. voor .1. II. Qiemnltz (gest. isnii).

Chême of chëma, f. oudgr. vocbimaat, onderscheiden in groote en kleine; de laaisto deed -2 eochlearlen, de andere 1.

Chemie, chimiê of heter chymie, t. gr. chemeia, chymcia, v. chi/mos, vloeistof, sap, v. chf/o, dién, Ik giet, laat vloeien, dewijl de chemie het eerst ondernam, sappen ter genezing van kwalen uil de planten te trekken, en deze ook wel vaak te vermengen ; de leer van de eigenschappen en de natuur der stof, de mengen scheikunde, de weienschap van de wetten en oorzaken der menging en scheiding en van de verschilnsden, die zich daarbij voordoen, doorgaans eenvoudig scheikunde gehoeten ;

— chemicus, chemist, m. een scheikundige; - chemisch, adj. wal tot do scheikunde belrekking heefi, scheikundig; — che-misme, n. de gezamenlijke nalnurverhoudin-


-ocr page 228-

CHEM1N 212 CHETIB

gen en natuurverschUnsols; hel vortnogen (b.v. van liet llclil) om fliemlsclie werkliiKen te veroorzaken ; — chemiatrle, f. ulloefeniiiK der geneeskunst naar cheinlsclie groiiilslugon, onder-sclietden van tatroctiemle; — chomia-ter, m. een arts, die volgens zulke gronden gonezhigen zoekt te hewerken; chemica-lia, n. pi. chemische toebereidingen; —che-migraphie, f. teekenlng door gasachtige ne-derstagen, door rook enz. op papier, steen of andere stollen (eene uitvinding van l\'enzkofer);

— chemigrapheeren, langs cliemlsclien weg teekenlngen, beelden, arabesken enz. voortbrengen (h.\\. cbemlgraphisch gekleurd papier);

— chemitypie, f. de verandering van gestreepte en geelste metaalplaten door chemische middelen in verheven drukstempels, volgens de uitvinding van den Doen PUI.

chemin, ni. fr. (spr. sj\'min: provenc. cdmin, it. cantmino, mld.lat. caminus, van eelt. oorsprong; wallis, caman, weg, ram, schrede, tred, camu, sanski gam, gaan, verwant niet komen) de weg, de straat, de gang; — chemin couvert, in. fr. (spr. kocwir) Mil. een bedekte weg of gang; —chemin de fer, een spoorweg, een ijzerbaan-, ook een bandkolt\'erlje; — chemineeren fr. rhemincr), op een weg voortgaan, wandelen; Mil. kromme gangen of marschen maken, zigzaggen; — chemine-ment, n. (spr. sj\'mi-n\'mdii) hot zigzaggen; de gang der loopgraaf, die eeno belegerde vesting nadert.

chemisch, z. ond. c h e m I e.

Chemise, f fr. (spr. sj\'miés\': mld.lat. ra-mista, z. aid.) het hemd; een vrouwenslaaprok, hemdkleed; Fortlf. zodonbedekking eener borstwering; — chemisétte, (spr. s=«), f. een halfhemd, voor- of kraaghemdje; een kort vestje; — chemisét-speld, f. horst-, doekspeld.

Chemist, chemitypie,z. end. e h e m i e.

Chemösis, f. gr. Med. eene hevige ontsteking van het blndvlles des oogs.

Chemsin, pi. arah. (van rhems, vyf) vijf gebeden, die ile Mohaniedanen dagelijks moeten bidden.

Chenal, m. fr. (spr. sj\'ndl, van \'t lat. ra-na/is, kanaal, eng. channel) een nauw vaarwater tusschen klippen, zandbanken enz.; eene kil.

Chenica, f. Inhoudsmaat voor droge waren in Porzte = t,3t!il liter.

Chenlce of chenix, f. eene oudgriek-sche inhoudsmaat voor granen, iets meer doende dan een liter; vier cotyien deden eene chenix, i8 chenlces een medlinne.

Chenille, f. fr. (spr sj\'niélj\': elg. de rups, van \'t lat. vanicula, hondje, wegens de gelijkvormigheid van vele rupsekoppen met hondekoppen) een boordsel van lluweelzyde, rupsvor-mig snoer of koord als omzetsel, ook wet che-nillette (spr. sj\'niljétl) geheeten; ook eene soort van vrouwenoverrok,

Chenna, f. arah. ulkanna (z. aid.)

Chenopodium, n. gr. (van rhen, gans, en pons, geuit, podns, voet) Bot. ganzevoet, eene plantensoort uit de tide klasse ide orde van het Unésche stelsel.

cheque, z. check.

rher, fr. (spr. sjir f., chère; v. \'t lat. coru.) lief, waard; kostbaar, duur; imm cher, müu waarde; ma chére, mijne lieve; rher ami, waarde vriend; — rhéri, geliefd, barteHjk liemind.

Cherassi, in. porzische goudmunt, ook c h e-vesi genoemd: die van Sjnch-Imam = i gl. r,n et, die van Abui Faiz = 7 gl. 33,» els., die van Koellkan — IK gl. 2!i et.

Charbali, cherbassi, de beste soort van perzische zijde.

rherrhe, fr. (spr. sjérsj\': van rhen\'her, zoeken) zoek op! (toeroep aan honden).

rhéri, z. ond. rher.

Cherconnée. f fr. (spr. sj\'eWt—) eene lo-dlsche stof, half z.yde half katoen.

Cherem, m. hel r. ban, banvloek (verg. a n a t h e m a).

Cherlesker, m. de turksche luitenant-generaal.

Chersonësus, f. gr (van rherros, vastland en nrsos, eiland) schiereiland, b.v. CU. Tau-nra, het taurlsche schiereiland, de Krlm.

Chértepartij, f. (fr. rerleparlie, ontstaan uit rhatie-partic, mld.lat. charta partita of di-visa) Mar. vrachtcontract, scheepsvrachtbrief, acte van overeenkomst, opgemaakt tusschen den vervrachter en de bevrachters, en waarin vermeld worden: de naam en grootte van bet schip, de naam van schipper, vervrachter en ininder, de plaats en t(id tot lossing bepaald, of het schip geheel of gedeeltelijk vervracht wordt, eindeiyk de bedongen schadeloositeliing ter zake van vertraging.

Cherub, in., pi. cherubim, hebr. oorspr. de naam van een gevleugeld wonderdier met een menschengelaat, dat door tiet hebraïsme dikwüis in verband met Jehovah en vooral als drager van zijnen wagentroon wordt voorgesteld, wellicht verwant mei het gr. (injiix, grilDoen, grijpvogel; ook cherubijn, m. In de oude joodsche oorkonde een hemelgeest van den tweeden rang na de Seraphim; vuur-of vlambode, de kunst stelt de cherubim voor als gevleugelde kinderhoofden ; thans meestal = engel.

Cherüsken, m. pl. een germaansche volksstam, die In hel noorden van Duttschland was verspreid.

Chervi, m. fr. Bot. suikerwortel, eene voedzame en geneeskrachtige plant.

Chesnegar-aga, m. turk. de voorproever der spijzen aan hel lurksche bof.

Chester-kaas, f. eng.-nederl. (spr. tsjes--) eene voortrelfelijke kaassoort in Engeland, zoo geheeten naar de stad Chester, die daarin inz. handel drijft.

Chestnut, f. eng. (spr. tjésnul) kastanje.

Chetib, 11. hebr. (spr. rh\'lib) de tekstlees-wyze In den hchreeuwschen hybel; elg. het geschrevene (v kaldh, schrijven).


-ocr page 229-

Cl I IC AN K

CHKTIF

213

chétif, adj. (spr. sjetief), fr. (provcnn. riii-liu. It. catlivo, slecht, ellendig, van \'(lat mit-tious, gevani?on, cn daardoor oiiKelukklR, ellendig, beklagenswaard enz.) gering, ellendig, nn-lieduldend, armzalig.

cheln (uur, rommolo denlro, Ital. kalm van bulten, van binnen vol beweging.

Chetubim, hebr. z. v. a. b agio graph a (z. aid.)

Chov., by zoologische namen afk. voor Chevrolal, enlonmloog te l\'arijs.

Cheval, ni.fr. (spr. sj\'wdl; van \'tlat. co-batlus; vgl. ca val) paard; — cheval de lm-taille (spr. —baldlj\'), oig. strydpaard; Iemands lievelingsonderwerp, lyfslukje, stokpaardje; — a cheval, Ie paard; Mil. aan bolde zydon, b.v. (i cheval oenor rivier, d. i. aan belde oevers derzclve; - chevalene, f. (spr. sj\'wal\'rie) de ridderschap; de graad en waardigheid van ridder; — chevalorósk, adj. (fr. chevale-resque) ridderiyk, den ridder of de ridderschap eigen; — chevalet, ni. (spr. sj\'walè; verg. cavalleUn) ceno pynlmnk voor de vroegere martelaars der kerk; de strafezel voor soldaten; een schildersezel; de kam aan snarenspeeltul-gen; chevalier, in. (spr. sj\'wa-ljé) een ridder; het paard in hel schaakspel; chevalier suns ;«\'«)■ cl suns reproche, ridder zonder vrees «f blaam (eeretitei van verschelden ridders der middeleeuwen, h.v. lierlrand du Guesclin, Louis de Trémouille, Bayard enz.); chevalier d\'honneur (spr. —donéür), een eererldder; begeleider van een vorst of eene vorstin; — chevalier d\'industrie (spr. -ddn-du-slri\'), een geluksridder, geluk- of fortuinzoeker, een rondreizend, geslopen bedrieger; — chevalier d\'or, m. een fransche louis d or met een maltezerkruls; chevau-léger, f. (spr. sj\'wo lezjé) een licht ruiter; chevau-lé-gers, m. pl. lichte ruiters, de lichte ruilery, hel lichtgewapend paardenvolk.

Chèvecier, m. fr. (spr. sjéw\'sjé) in tic kath. kerk de opperste domheer, die hel kerkoraaal bewaart en voor de waskaarsen zorgt.

Chevelüre, fr. (spr. sjew\'lüür\'i II. ca/iel-lnlura, mld.lat. capiUalura, van \'Hal. capillus, hoofdhaar, de lokken; ook voor de stralen of hel haar eener komeet.

chevet, n. fr. (spr. sj\'wé: mld.lat. capi-ffum, van\'t lat. ctt/ju/, hoofd) hoofdkussen; Mil. het blok, de onderlage waarop de broek of de staart van een stuk geschut rust, stelhout, stel-blok.

Chevesi, z. cherassl.

Chevilles, pl. fr. (spr. sjevielj\'] Muz. schroeven voor desnaren op een viool, gitaar enz.

Cheviot, n. eng. (spr. tsj—) bergsehaap der Schotten; van de wol dier schapen gemaakte slof.

chèvre, f. fr. (spr. sjèw\'r) geil; poll de chèvre (spr. pod/—), slof uil kamwollen Inslag en katoenen schering, waarin thans ook wol of zijde gewerkt vvordl; — chevreau, n. fr. (spr. sjevró) geitenhokje; geitenleer.

Chèvrefeuille, f. fr spr. sjéw\'rfeulj\') z. v. a. caprifolium.

Chevron, m., pl. chevrons, fr. (spr. sj\'wrón: proven^, cabrion, cabiron, elg. liok, waarop iets rusl, v. I lat. caper, gellebok, bok) daksparren; .Mil. hel onderschcidlngsteeken van raag op den mouw der onderollicieren; Klas. keper op het wapenschild (hoogd. spaney, ook: levanlljnsch geiienhaar en stof daaruit.

Chevrotin, n. fr. (spr. sj\'wrolïii) leer van jonge reebokken; chevroteeren, (fr. che-vroler), 1° ongeduldig worden, bokkesprongen maken; In \'t zingen: blaten, by het trillermaken een geluid geven als van een bok.

Chewra, f. hebr. genootschap, vereeniglng voor goede werken.

chetsni, fr. (spr. sje\'-sod) thuis; eigen haard.

Chiaje, by zoologische namen bet. Slellano della Chiaje (geb. HOi, gest. ISW te Napels).

Chiamii ta, f. ital. (spr. ksjumdla, v. chia-mare, lat. clamarc, roep het geroep; l3 het terugroepen in den schouwburg, als teeken van den byval van \'1 publiek; ü° een schrifl- of druklceken, dal naar andere plaatsen verwyst; 11° by I schermen: eene geveinsde blootgeving, om ile legenpariy Ie verlokken.

Chianti, in. 11. (spr. kiiinli) eene loskaan-sche wyn.

chi.ira voce, Ital. (spr. kiurawódzj\') Mus. met heldere stem.

Chiarezza, f Hal. (spr. kiaredza) Muz. helderheid der stem.

chiaroscuro, m. ital. (spr. kiaroskóéro) ■/.. e 1 a 1 r - o b s c u r.

Chiasma, n. gr. hel leeken of de llguur eener grieksche / [chi geheelen) of eener la-tynsche \\; Med. de vezeldoorkruising, inz. der zenuwen; chitlsme, n. hel merken met een / of kruis van plaatsen, die voor onecht gehouden worden.

Chiastolith, m. gr. (v. chiddzein, met een / teekeiien, iels kruiswyze leggen (wegens de overeenkomst der krislaldwurssnede met een /) bolspaalli, eene tol de silicaten behoorende sleensoorl.

Chiatto, m. Hal. (spr. kj—) kleine, platte boot.

Chibouque, lurkscb, z tsjiboeke.

Chic, in. fr. (spr. sjiek) Piet. gemakkeiyke vlugge en krachtige behandeling van hel penseel; In \'1 algemeen; geschiktheid, slag, kneep; ook: smaak, sleriykheld, nelheid. — Ook als adj. en adv. net, smaakvol, sieriyk, nuar de laatste mnde.

Chica, f. fr. (spr. sjikd) of sp. chicha (spr. Isji-lsjü: uil de laai van Haïti) een Z.Amerl-kaansi\'he gegiste drank uil maïs of andere vriicb-ten; een zekere negerdans; eene amerlkaanscho verfplanl; roode kleurslof uil de bladeren van de Digntmia chica v. /..Afrika.

Chicane, f. fr. (spr. sjikddn: van I sp. chico, calalonlsch chic, klein, gering, van weinig waarde; vaiidanr hel fr. chiche, karig enz.; van \'1 lal. ciccus, ital. dra, kleinigheid ; dus


-ocr page 230-

CHINAZILVKU

CHICAR

244

floispr. iileliKheld, voildciikiiiiiiorgj do rochlsvor-draniliiK, plcltslroek, arglistige kunslfircoi) om oene zaak in rochton last Ik lo maken ut onder «en verkeerd gezielilspunt te iilaalsoii; haar-klooverU, vltterU; — chicanes, r. pi. loozo streken, liedilogerljen chicaneeron, zonder gegronde reden voor het rccht tietrekken, pleltstreken, reelitsverdrnallngen gebruiken; tiaar-klooven, vitten, heililien; Iemand verdrlol aandoen, het liem lastig maken, hem om den Inin leiden, lieethehhen; — chicanene, f, de looze en Ledrlegiyke streken In rechtszaken, de haarklooverU; — chicaneur, m. een pleitzieke, een pielt- of Iwlslzuehlig mcnsch; rechts-verdraaier; haarkioover, bediller; - chica-nourig, adj. (in de volkstaal sikkeneurig) vllzlek, over kleinigheden vallende, kieskeurig.

Chicar, liebr. een talent gouds = 80,000 gl.; een talent zilver = il2B gi

Chicha, z. eh lea.

Chicharron, m. sp. (spr. Isji\'lsjarnn) In vet gesmoord zvvynevieosch.

Chico, chigo, z. e h I (| u e.

Chicorée, f. fr. (spr. sjikoré\') z. e 1 ehore i.

Chief, m. eng. (spr. Isjief) hoofd, c h e f (z. aid.); hinl chief justice, voorzitter van het oppergereehtshof.

Chien, in. fr. (spr sjièii: v. \'t lat. cants) hond; chien rouchant (spr. koesjdii), slaande hond; chien courant (spr. koerah), hazevvind-homl: enlre chien et louji (lat. inter eanem et liiliinn}, in de schemering, tusschen licid en donker.

Chiesa, f. it. (spr. ki-ëza) kerk; stato delta chiesa, kerkelijke slaat.

chiffonneeren (spr. sjifonéren), (fr. chif-fonner, v. chilfnn, lap, vod) kreuken, frommelen, verfomfaaien, In wanorde brengen, b. v. hel toilet; ontrusten, plagen; onbetamelijk uan-lasten (ecne vrouw); — chiffon, n, eene zachte wollen stof, die niet kreukt; — chiffonnier, m. (spr. sjifonjé) voddenraper, lompenzamolaar; — chiffonnière, f. (spr. sjifonjèr\') voddenraapster: eene bergplaats voor vodden, lappen, kleinigheden; een sink huisraad mei iaden, eene hooge ladetafel.

ChiffVe, n. fr. (spr. sjiefr\') cyfer, z. aid.; en chiffre, In eüferschrift; — chiffreeren, (fr. chijfrer) cijferen; met vooraf bepaalde geheime teekens voorzien of zich daarmede uil-drukken;—chilfreur, m. een cüferaar, geheimschrift maker.

Chignon, in. fr. (spr. sji-njón. z.v.a. chainon ilu col, ring, wervelbeen van den hals, d. 1. nek, van chaine, oudfr. chaïne = lal. catena, keten) de nek ; hel opgestreken nekhaar der vrouwen, de nekvlecht, nekliaarbundel; haardrachl waarbU het haar lo een bundel op den nek ligl.

Chila, ni. Inhoudsmaat, dezelfde als de ca b.

Chilare of kilare, = tnnn ares. z. are.

Chilat, n. arab. een eerekieed, dat de sultan aan hooge ambtenaren na \'t verleenen van gewichtige diensten of na \'1 inkomen van goede tijdingen ten geschenke geeft.

Childebertof II11de bert, oudd. niansn.: een In den sii\'Ud uIlbllnkeiHle; — Childerich of lliiderlch, m. oen vorsl in den stryd.

Chile, m. sp. (spr. tsj—) Indlaansche peper.

Chiler-basji, m. de opporaolienker des sultans.

Chiliiide, f. gr. (ehilias, genii, chitiddos. van chittoi, duizend) eene verzameling of ge-lal van (luizend, een tluizendlal, tnz. duizendtal jaren: chiliarch, in. een overste of be-velhehher over 1000 man by de Grieken ; — chiliasme, n. de leer van een loekomstlg duizendjarig ryk van Christus op aarde, of de verwacliling van Christus op aarde in zichtbare gestalte en heersctiappU, duizend jaren vóór hel einde dor wereld; volgons Kant; liet geloof aan den vooruitgang der nienschen lot het vér-alliggend doel van zedetyko volkomenheid; — chiliast, m. een vriond, aanhanger of verdediger der leer van het duizendjarig ryk; chiliogoon, n. een dulzendhoek; — chi-liómbe, f. een olfer van duizend dieren.

Chiloef, m. lielir. (van chdlaph, wisselen, rullen) wisselbrief by de Joden.

ChüperichotHilperich, oudd. niansn. de iiulpryke, helper, byslandhieder.

Chim, n. chlneescli vogelnest (als gerecht).

Chimaera, f. gr. {chimaira: elg. geil) Myth, een fabelachlig geducht monster met den kop van een leeuw, liet lijf van eene geit en den staart van een draak, dal vuur en vlammen uitwierpen door liellerophon gedood werd; over-draehteiyk noeml men chimtEra of fr. chimère (spr. .yimèr\'), eene geheel ongegronde oniiersteiling, eene hersenschim, een ongerymd verdichtsel, eene inbeelding, droomery, gril; — chimérisch of chimeriek, adj. ingebeeld, grillig, ongerymd, gedrochleiyk.

Chimbador, m. port. en sp. (spr. dsj-] in Chili; lieden die reizigers op groote, In het zwemmen goed afgerichte paarden over diepe wateren geleiden.

Chime, n. eng. (spr. tsjuim) klokkenspel.

Chimie, z. chemie.

Chimney, n. eng. (spr. Isjimni) schoorsteen ; chimneysweeper, (spr. -mie-) schoorsteenveger.

Chimon, m. gr. [cheimón) elg. de winter; Med. lievige koortskoude.

Chimpanzé, z. tiarrls.

China 1) (elg. laptm uil te spreken, de Indische vervorming van den naam der oude dynastie Ta\'in) een groot land en keizerryk in Azië;

Chinees, iniioorlliig van dit land; — chi-neesch, adj. uit China afstammend, afkomstig of daartoe behoorende; — chineesche schimmen, een kinderspel, waarby men achter een doorsciiynend voorwerp uitgeknipte 11-guren vertoont.

China i) of chinabast, z. kina, enz.

Chinampas, pl. (spr. ch=tsj) dryvende tuinen in Mexico.

Chinazilver, n. galvanisch verzilverd ar-gentaan of nieuwzilver.


-ocr page 231-

\'215 CM mOGRAMMATOMA NT1K

CHINCH A

Chincha, t. sp. (spr. Ixjienlsja) hot inner, stinkdier, voskonUnlJc; — chinche, f. sp. (spr. Isiientsje: lat. rimex) wandluis; — chinchilla, f. (spr. tsjienlsjiélja: vcrklw. v. chincha) hot peruvlannsch stinkdier, een rat- of inolaehttg dier In /.Amerika, en het daarvan vervaardlfjdo zoor zachte, \\vilnr(|zo bontwerk.

Chinchóra, m.sp. (spr. (Isjimtsjorn) kleine, netvormige uit plantenvezels gevioeliten haiiK-mattea in /..Amerika.

chineeren (spr. sji—), tr. {chiner: van China, alsof men zcide: gelijk de Chliieezcri doen) Mannf. aan ile ketlinndraden verschillende kleuren geven en ze zoodanig schikken, dal men in de slof eeno leekening hospourt; met vlammen weven, hewerken; — gechlneerde stof-fon, gevlamde mot liguren geweven goederen.

Chinees, enz., z. ond. China l).

Chines, pi. hü de Chineezen pvramidale torens met een afgodsbeeld daarop.

Chinine, f. (| u I n 1 n e.

Chino, m. sp. (spr. Isjinn) clg. de C.bineoS; de afkomeling van een Neger en eene Indlaan-sche In Amerika, z. v. a. /ambo.

Chinois, adj. tr. (spr. sji-nnd) chineesch; coi/fure n la chinnisc, eblneesche haardracht met naar achteren gekamd haar; chinoiseries, f. pl. sieraden, snnisteryen enz. alt China of la chlaeeschen smaak,

Chint, eene Indische katoenen slof.

Chiocadar, m. turk. de kleederdrager, een slaaf, die den sultan steeds een geheel stel klee-dingstukken achterna draagt.

Chiocócca, f. nw.lat. (van \'1 gr. chiön, sneeuw, en kókkns, bezie, tics, wegens de schitterende witheld der bezien van dezon struik) Hot. de sneenwhezie uit Nieuw-Zeeland, hg ons in broeikasten gekweekt.

Chionanthus, n. gr. (v. chion, sneeuw, en linlhos, bloem) Bol. de sneeuwboom, sneeuw-bloem, eene soort van Jasmyaplant, een pronk-gewas.

Chiosk, z. kiosk.

chiostro, n, II. (spr. kjostro = lat. clau-slrum) klooster, tnz. kruisgang.

Chiourme, f. fr. (spr. sjióém\') de geza-meniyke gaieisiavea, galeiboeven In een bagno; ook de roeibank eeaer galei.

chipeeren of chippeeren, fr. (spr. sji—) bet leder op do deenscho wijze toebereiden of looien; chippage, f. fr. (spr. -pd-tj\') de toebereiding der huiden op deensche wUze.

Chipoer, m. een dag van vergiffenis bU de hedendaagsche .loden.

Chipolin, m. fr. (spr. sjipoleih v. \'t tt. cipollino, eene als uien gestreepte marmersoort, v. cipolla, ui) gevernist schilderwerk In (die-verf, waardoor het hout een porseielnachtlg aanzien krügi.

Chique, f. fr. (spr. sjiek\', waarsch. van \'1 catalonisch chic, sp. chico, klein) ook chico, chogo, t sjiek, IS. H. de zandvloo, een zeer klein, lasilg lasect, rood wormpje In Mldden-Amerlka, dat zyne eitjes onder de nagels van \'s inenscben toenen legt, waardoor hevige ontstekingen kunnen ontstaan; het draagt nog de namen van nlgua, ton en al toen; chique, ook een halletje tabak om Ie kauwen, een pruimpje; een knikker; nog de z.yde van onvolkomen, slechte cocons of tonnetjes. — z. ook chic.

chiquét, m. fr. (spr. sji hél, v. \'t sp. chico, klein, gering van waarde) eene slechte soort van zgden stof; — chiquito, m. sp. (spr. Isjikilo: olg. zeer klein, v. chico, klein) eene koningin-sigaar, soort van zeer dunne sigaren voor dames.

Chiragön, m. gr. (van cheir, de hand) de bandvoerder, een middel lot de leiding dor hand by het schrijven der blinden; - chiragra, n., elg. f. Mod. de handjicht, hel handeuvel;

chirapsie, f. bet aanraken mot do banden-, — chiarthrocace, f. de slepende (chronische) onlsleking van liet handgewricht met eene daarop volgende verwoesting daarvan door beenbederf.

chirbet, arab. dorp.

Chiriater, z. cbolrlator.

Chirieten, m. pl. fr. (v. cheir, do hand) naar mcnschenhanden geiykende beeld- of drop-steonen.

Chirimoya, f. sigt;. (spr, Isjirimója: van \'1 peruv. chiri, koud, en moehoe, zaadkorrel) olg. koud zaad, oene zeer kosteiyke amer. vrucht (Annona squamosa).

Chinsis, f. en Chirisme, n. gr. (van cheiriikein, handhaven, en dit v. cheir, de baad) Med. de behandeling of bewerking mot do baad ; vandaar z. v. a. magnetiseeren.

Chirogrammatomantie (spr. tic=isie. van cheir, de hand), de kunsl der bandscbrifl-verklaring, de kunsl of leer om het karakter, de nelgingen, eigenschappen en bekwaamheden der monschen uit hun handschrift op te maken;

— Chirographie, fr. gr. de kunsl om liguren op de hand te teekenon; — chiro-graphum, n. bet bandschrift; ook z. v. a. chirnqruphdna caulïo, z. lager-, — chirogra-pharisch, adj. handsehrlfleiyk, wat op een bandschrlfl berust; chirjif/ra/iharïn acïïo, f. lal. Jur. eene rechtsvordering op handschrift; ch. cauli o, eene schrifleiyko schuldbokentenis, eene belofte by handschrift -, ch. pecunia, op handschrift geleend geld, eene niet door pand verzekerde leaning; — chirographarïm credilor, Jur. Iemand, wiens recht onkel op een bandschrlfl gegroad Is, in tegenst. met den hypotheenrins:

— chir. debflor, een schuldenaar op bandschrift;

— chirologie, f. gr. de handenspraak, vingerspraak, of de kunst om met do banden of vingers z.yne gedachten uit ie drukken; — chi-roloog, m. iemand, die mot do vingors spreekt;

— chiromanie, f. de zelfbevlekking, z. v. a. masturbatie, ma n ust u prat ie, onanie-, — chiromant, m. gr. een handkyker, handwaarzegger-, — chiromantie (spr. I=ls) f. do kunst om uit do hand en bare tynen waar te zeggen, de bandwaarzeggery; — chiro-meter, m. handmeter, handmaat; werktuig om


-ocr page 232-

CHIRONIUM

216

CHOANEN

do Imndpn der aankomende accoucheurs te meten en te versmatten.

Chironium, n. Kr. Mod. eono kwaadaar-itlRe, moeilijk te genezen zwoor, naar men wil zoo genoemd, omdat zij slechts te hooien is door een Chiron (In de gr. Myth, de naam van een der Centauren, die door zijne bekwaamheid In de geneeskunde uitmuntte); — chiroma, f. eene plantensoort, naar Chtron benoemd, meestal nltlandsehe pronkgowossen.

Chironomie, f. gr (v. chcir, de hand) do leer der handbeweging, eene aanleiding tol een behoorlijk bewegen der handen hy het redevoeren; — ohiroplast, m. de handvormor, handlelder, een door Logler ultgovonden middel tot de hobooriyke houding der vingers by bel klavlerspelen; — chiroplastiek, f. do handvormkunst, de kunst om uit weeko stollen, als was, kiel, oaz., beeldwerk te vormen; — chiroptëra, a, pi. N. II. genagelde zoogdieren met ledematen, die niet gescheiden, maar door een vlies in de gedaante van vleugels ver-eenigd zyn, waardoor zy In staat worden gesteld om als de vogels te vliegen, geiyk de vle-dermuizen; vleugelhandigen •, — chirorrhëü-i nn dl chirrhëüma, n. gr. een rheumatisch of vloeiingacbtig gezwel aan do hand; —chi-rothëke, f. de wapenhandschoen, een verband, waarmede hand en vingers worden omwonden; — chirothermm, n. bet honddior, een dier dei voorwereld, dat veel op den kangoeroe ge-lyu; — chirothesie, f. (spr. s=z) genezing door \'t opleggen der handen; —chirotonie, f. de oplegging der handen hy de bevestiging van een leeraar in zyn eersten dienst; — chi-rürgus, chirurgijn, in. (gr. cheirürgós, eig. een handwerker, van r/ieir, hand, en érgin, werken, waarvan énjnn, werk) band- of wond-i ris, heelmeester, wondbecler-, chirurum juni-tus, een beeedlgd wondarts; — ehirurgaat, n. uw.lat. hot beroep van wondheeler; — chirurgie, f. elg. handwerk, handenarbeid; do wondheolkunst, do met bandon uitgeoefende heelkunst; — chirurgisch, adj. lol die kunst behoorende. ,

Chise, m., z. ktsoh.

Chitarra, f. II. (spr. ki-) gitaar.

Chitine, f. Chom. bet boofdbeslamldeel dor vleugeldeksels der kreeften.

Chitön, m. gr. onderkleed, lyfrok, zoowel der mannen als der vrouwen, in \'I algemeen; kleed, deksel, hulsel, schaal; vandaar chitine, f. Chem. (volgens Odler) Insoctenwoof-sel, eene byzondere slof In do vleugeldeksels dor kevers.

Chits, n., z. sits.

chi va piano ra sann, ital. (spr. ki-um-) wie langzaam gaal, gaat zeker.

Chladnïsche proeven, Phys. proeven over de akusllek (z. aid.), zoo geheeten naar den grondlegger dier wetenschap Chladnl van Wittenberg (gest. 18-27).

Chlamys, f. gr. wyd overkleed, mantel der mannen, inz. rijkleed.

Chliasma, n. gr. (v. chliainein, warmen) Mod. een warme, wookmakendo omslag.

Chloasma, n. gr. (van chlodilzein, ult-sprulton, groenen) Med, eene huidvlek, loof- of levervlek, Inz. by zwangere vrouwen.

Chlodwig, z. v. a. Lodewyk.

Chloë, f. gr. vr.naam: de bevruchtende, bloeiende, groenende, een hynaam van Cores, omdat bet kiemend zaad baar werk was en onder bare bescherming stond; ook de gewone naam der herderinnen in berdordichten en romans.

Chloor, n. of f., of chlorine, f. (van \'t gr. chlörós, groengeel) Chem. oververzuurd zoutzuur, oen enkelvoudig, weegbaar, niet metallisch lichaam van geelacbllg groene kleur en vorsllkkenden reuk, dal zich met waterstof lot chloorwatorstof of bet bekende zoutzuur, mot metalen tot zouten verbindt, byna 2,1 maal zwaarder dan dampkringslucht; — chloorkalk, f. hleekkalk, blcekpoodor, oen tot biee-ken en ontsmetten dienende verbinding van on-derebiorigzure kalk en cbloorcalclum, door inleiden van cliloor In kalkliydraat bereid; -chloorsodium, n. eene vorb\'nding, uit pel. iodinm en chlorium beslaande; keukenzout ; — chloral(hydraat), n. Chom. olieacblige stof vorkregen door inwerking van chloor op alkohol.; — chloraten, a. pi. chloorzure zouten; — chloriden, |gt;l. verbindingen van het chloor mot stollen, die geeno zuren zyn; — Chlorinde, vr.naam (zooals do heldin in Tasso\'s Jeruzalem verlost) do bloeiende, groenende; Chlöris, f. gr. Myth, do gemalin van Zephyr us, de godin der bloemen, de Flora dor Knmolnon; ook een ber-(lerlnnenaam; — chloriet, n. Min. een look-groene talksteen met korrelige breuk; chlo-rofórm, f., ook formylchloride, n. gr. lal. eono uit chloor on formyl bestaande olieachtige vloeistof van iBlberochtlgen reuk, als vor-doovlngsmlddol hij chirurgische kiinstliewerkln-gen In plaats van den zwavehetber het eerst door den scholschen arts Simpson In tsn aangewend, ook chloor-üetheride geheeten ; — chloroformeeren of chlorofor-miseeren, door chloroform doen inslapen;

— chlórometer, chloormetor, m. een werktuig tot waarneming van het gehalte aan werkzame (bleekende) chloor In ebloorwater, chloorkalk en andere bleekende chloorverbindingen ; — chlorophaan, n. groen vloelspaath;

— chlorophyl, ii. groene verfstof ia de groene plantdeolen, bladgroen; — chlorosis, f. Med. do bleekzucht, do bleeke gelaatskleur uit teruggebleven maandelUksche zuivering, meisjes-ziekte, do zoogenoemde witte koorts; — chlo-ruur of fr. chlorüre, f. Chem. chloorver-binding, verbinding van bet chloor met soda, tin, yzer enz.

Chlothilde, z. Klot bilde.

Choanen, pi. gr. {chóunoi, sing. chAanos) Med. do achterste of binnenste nousopenlngeiu

— choanorrhagie, f. de bloedvloeiing uil die openingen, do neusbloeding.


-ocr page 233-

CHOOR

CHOC

\'217

Choc, m. fr. (spr. sjok) een sloot, schok, slag, aanval, aanloop, aangreep-, Inz. liet ge-weltllK op elkamler rennen van twee strydonde ruitorlinlön; — choqueeren (spr. sjnkéerm-, fr. chnquer) stooten, aanstootcn, tonen elkunder stooten, aanvallen; aanstooleiyk zijn, tieleedl-gen, mishagen, togen de borst stutten; —choquant, adj. (spr. sjnkdii) tievreeimlend, aan-stootelUk, belecdlgend, in \'I oog loopend.

Chochem, rn. In gemeen Joodsclie uitspraak In plaats van chaeham (z. aid.) een w(|zo, wijsgeer enz.; ook: (In dieventaal) een doortrapte, slimme guit.

Chocolade, f. (spr. ch=sj: sp. chocolate, uit het mexlcaansch, hetzy van cacamll, ka-kao, of van xocoall. een drank van maïs, fr chocolat, 11. cioccolata) een voedzaam deeg, uit vooraf gerooste ca met suiker, vanille, karda-mom, kaneel, nagelen enz. vermengde kakao-booncn bereid; ook de drank daarvan; onlbre-ken de gemeeniyk liygevoegde speeerUen, dan boet zy g e z o n d li e i d s - c h o c o I a d e; worden die speceryen door kina of andere geneeskruiden vervangen, dan is hel medicinale chocolade, of door yslandsch mos. m o s - c h o c o-I a lt;1 e.

Chodabénde, f. perziscbo munt van hii-

joen, ongeveer = IS cent.

chodsja, m. turk. leeraar.

Choenix, z. v. a. c b e n I c e, c h e n 1 x.

Choiras of chceras, f. gr., z. v. a, scrophulls (z. a.)

Choisi, fr. (spr. sjnuzi-, eene soort van halt-porseleln, naar de gelyknamige plaats Cbolsy lat. Causiacum) benoemd.

choisisseeren (spr. sjoasi-s—), fr. (chni-sir; provenc. causir, chausir, óf van \'I goib. kiusan, oudd. chiosan, kiezen, beproeven, óf liever van \'1 goth. AmyVui, beproeven) kiezen, uil-kiezen, uitzoeken, uitlozen.

Chologóga, n. pi. gr. (van chnlos, cholè, gel) Med. galafvoorendo middelen; —chola-gógisch, adj. galafvoerend; — cholas en cholix, f. de gal- en loverstreek.

Chóker, n. engelsch (spr. Isjo-) halsdoek, das.

Cholasma, n. of cholösis, f. gr. (van chólos, lam) de verrekking, verlamming.

Cholecystitis, f. (v. chólos of chute, gal) de galbiaasontsleking; choledochus (scil. iluclus), m. de gemeenschappelyke galbuls, die ontstaat uit de vereeniging van do gal en gal-hiaasbuls en In den twaalfvlngerlgon darm uitkomt ; — choleïne, f. de galslof; — cho-lekchjsis, f. de galuitstorting; — chole-lith, m. do galsteen ; - cholelithiasis, f. de galsteenziekte; — cholelogie, f. de galleer of leer van de gal; — cholemesie, f. (spr. s=z) bet gatbrnken; — cholepoösis, f. do galbereiding; — cholep^ra, f. de galkoorts; — cholera, f. of cholera morbus, of c. orientBlis«nasiaiica, (gr. choléra, galzucht, gal-vloed) Med. do braakloop, hot braakkollek, vroeger nok wel hort of boort genoemd, lnz.de aziatlsche braakloop, die In liuiii\' thuis behoort en met al zijne schrikburenile verschUnsoien en verwoestende gevolgen in de jongste tydon meermalen liuropa bezocht; —cholerine, f. eene goedaardige soort van cholera, die zich io den regel sloclils ais hulkloop voordeel; — cholericus, m, een galzuchtig, opvliegend, ilrif-tig menscb; ook Iemand, die aan de cholera lydt; — cholérisch, adj. galzuchtig, heel-hioodig, lot toorn geneigd, opvliegend; — cholérisch temperament, z. t e m ji e r a-m ent; cholestenne, lictor ehole-stearine, t. Chern. galvet, eene niet ver-zeephare veile stof uil de gal.

Choliambus, m. gr. (van chalos, lam, en ja inluis, z. aid.) i\'oei. eene voetmaat in de gr. en lat. dlcblkunsl, de hinkende jambus of hlpponaktiscbe maai (naar baron uitvinder M lp po na x van Epbésus); ook skazon en skazontlscb vors goheelen, een jambische trimeter of zesvoetig jambisch vers van twee sneden, doch welks laatste voet oen trocbaius of spondeus In plaats van oen jambus beeft

Cholo, m., pi. cholos, sp. (spr. tsjólos) afstamnieiingen van Zambos (z. aid.); ook spannsch sprekende Indianen, die onderdo Europeanen opgewassen zyn.

Cholologie, r. (van chnlos, gal) z. v. a, cboleiogie; — cholorrhagie, f. de gal-vloed, guluilstorling; cholorrhoea, f eene vooridurende gainilsiorting; cholostean-ne of cholosteatme, f. galvet, eene by-zondere vetstof In de gal; z. v. a. choleste-rlne; cholosteatoma, m. een galspek-gezwel, een hard, langzaam aangroeiend gezwel dicht onder de huid.

Cholöma, n. of cholösis, f. gr., z chni a s m a.

Cholop, m. russ. knecht, Hjfeigene.

Chomer, m. eene oostorscho Inboudsmaat, = i;i,Ti hectoliter.

Chondnne, f. gr. (v. chóndrns, m., korrel, kraakbeen) Ohem. do kraakbeeniym; gelelstof uit kraakbeen; — Chondrocöle, f. eene kraaktieenlge vleoschbreuk; chondroge-nësis, f. de ziekeiyke verandering der zachte deelen in eene krnakboenuebtige zeifstnndighoid, kraakbeenvorming; — chondroglössus, m. de kraakheenspler van hel longbeen; — chon-drographie, f. do kraakbeenbeschryvlng; — chondrokrasis, een lyden der kraakbeen-deren, als derde tijdperk van de oostersciie me-laatscbbold; — chondrologie, f. de leer der kraakbeenderen, kraakbeenleor-, - chon-dromalacie, f. de kraaklioenverweeklng;— chondropharyngeus, m. de kraakbeen-spier van bet keelgal; - chondrösis, f. kraakbeenvorming, vorkraakbeening; chon-drosyndésme, n. gewrlchisvcrhlnding door kraakbeen; — chondrotomio, f. de kraakbeenontleding of doorsnijding.

Chonta, f. waspalmbooin.

Choor, z. koor.


-ocr page 234-

CHOU

CHOP

l218

Chop, in. cm!, (spr. Isjop) rlblipljo, eólolel, inz. muitm-chop, schnpocótolot.

Chophouse, n. oiik. (spr. Isjdp-hoiu) cone snort van openbaro collnrlclilliiucn, ordlnarls-son, pnrtlo-lafels onz. to Londen, (lie zeer druk liezochl worden.

Chopino, f. tr. (spr. sjopién\'; mld.lal. ni-pina, van \'I lat. cupa) eene oude fr. wynmaat, pint = 0,i«80! liter, llians lie naam van J liter.

choquant, choqueeren, z. ond. c li o e.

Choquettes, f. pi. Ir. (spr. sjn-kctquot;) pop-pen of spinsel van zleke zydewormen.

Choraal, z. ond. koor; choraag, m. (gr. choragós of chorêqós) de aanvoerder der koren in \'t oude Athene, die liy feesten de kos-len van de ultrusliiiff der koren of de opvoering van een toonoolstuk bestreed; een reivoor-der, voorzanger, voordanser in bet koor, z. v. a. koryphiBUs; — chnraliler, lat. koraalma-tig, op do wijze van oen koraal; —chorau-len, m. pl (gr. choraiilès) fluit blazers In bot koor-, zingende knapen In de voormalige stlft-kerken; — choregie, f. (gr. rhortnia) bot ambt dor cboragen: de uitrusting en opvoering van een koor op eigen koslon; —chorea, f. lat. (gr. choveia) de dans, rei: chorla SI. Vili, de Vilus-dans, tarantula-dans, dansziekte, zekere zonuwziekle, welke zieli door algemeono stuiptrekkingen kenmerkt, waardoor de zeldzaamste iiobaamsbewogingon ontslaan, die dikwijls veel overeenkomst met dansen bobben, ook chorea SI. Jnnnnis of SI. I\'alenhni en tarantlsmo gebeeten; — choregraphie of choreo-graphie, f. gr. do danstookening, dansliescbrü-ving, de afbeelding of aanduiding dor dansfiguren door tookons, geHjk dat voor do muziek met tonen, malen onz. goscbiedt; de kunst om balletten te componecron; — choreomanie, f. de danswoede, de zlokoiyke, ontembare ziiolit tot dansen, ook tarantlsmo; — chore-tide, f. doelnoemstor aan bel grioksobo koor (in looneolstukkon); _ choreutiek, f. de danskunst; — choreus, m., z. v. a. Iro-c b aeu s (z. aid ); — choriambus, m.oone griokscbo en iaHjnsche voetmaat, bestaande uit oen t r o o b ie u s en een Jambus, of oen \\ ler-letlergropigo versvoet, waarin de eerste en laatste ietiorgroop lang, de bolde middelste korl zijn (—^ — —) b. v. Jubelgezang; — chorowod\', m., pi. chorowódy, russ. (spr. kharawód, v. chor, koor, on wmlilj, aanvoeren) oen russ. volksdans, door oen koorleider of voorzanger gelold.

Choras, m. N. II. eene soort van baviaan op Ceylon en in Afrika, ook mormon of maskeraap gebeeten, omdat zgn geziebt als mot eene mom bodekl is.

Chordad sal, m. by de Parson hol hoogste feest, Zoroasters geboortedag

Chordapsus, m. gr. {chórdapsos, van chords, darm, en lidplein, vatten, vasthouden) Med, hot drokhrakon, de darmjicht, door inschuiving of omsnoering dor darmen ontstaande.

Chorda, gr. (chordê) of corde, fr., cordn.

it. f. do darmsnaar, snaar; hot touw dor wipgalg, oen gewoon /strafmiddel dor itallaanscho politie; Math, koorde, pees, eene rechte iyn, die twee punten van don omtrok dos cirkels of do helde eindpunten van een hoog vereenigt; chordae essentiales, do wezontyke snaren of tonen van eene toonsoort, te weten; do grondtoon, terts en quint -, — chórdometer, m oen koordometer, werktuig tor moling van hoo-ken door bepaling hunner koordon bü gegeven straal; instrument om do dikte en sterkte der snaren te meten; chordomelodion, n. eon door K a u f m a n n te Dresden uilgevondon snaronspeoltuig.

chorëa,choregraphie,choreutiek, choreus, z. ond, choraal.

Chörespicopi, pl. (v. gr. clwra, land of choros, vlek, dorp, dus: landblsscboppen) geos-teiyko opzieners dor landeiyke gemeenten (van do ido tot do Ode eeuw).

Chorion, n. gr. {chorion — lat. con urn) vel, leder; Med. liet vaatviles of huitonste vlies, dat de vrucht omhult, — choriödisch, adj. (gr. choridides of choriódes) lodorf chtlg, vliezig ;

chorioïdëa of chorioide, f. het ader-of vaalvlios van het oog- chorioïdeitis, f. de ontsieking van liet vaatviles van hol oog.

Chorist, z. ond. k o o r.

Chorizónten, m. pi. (gr. choridzonles, van choridzein, scholden) grlekscho kunstrecb-tors over Homorus, die van mooning waren, dat do lilas en de Odyssea vorscbiliondo schry-vors behhen en alleon hot eerste dichtstuk voor een werk van Homerus verklaarden.

Chorobates, m. gr. (van chora, chdros, landstreek, ruimte, grond, onz.) een watorpas-inotor In do gedaante eonor T; — chorogra-phie, f. do oordhoschryvlng. do boscbryvliig, afbeelding van landstreken, iaiiden op zichzelf;

— chorogra ph ische kaarten, kaarten van afzonderiyko landstreken, districten, departementen enz.; — chorohydrographie, f. wator-aardboscbryving; — chorolithen, m. pl. iandsohapsloenen, steonen mot dondrletlsche toekenlngen, die geboelo oorden voorstellon;— chorologie, f. gr. nieuwe benaming voor planlen- en dlerongoographlo; — chorome-trie, f. do moling on opneming eonor strook, veldmootkunst.

Choromanie, f., z. v. a. choreomail 1 e, z. ond. chor a a I.

Chose, f. fr. (spr. .ijooï) zaak, ding; chose junée, afgehandelde, besliste (rocbts)zaak; — choses, f. pl. fr. (spr. sjózes) zaken, dingen;

— choses maken,polsen,stroken uitvoeren;

— choses-maker, een potsenmaker, grappenmaker.

Chosjav, n. turk.-perz. (v. \'t perz. chósch-ab, olg. goed water) een drank voor zieken, uit razynen en andere vruchten bereid.

Chótba, f. arah. het gebed voor den oppersten behoerscher der geloovlgon.

Chou, m. (spr. sjöe) eene zeer kleine chi-neoscbo rekenmunt, hot T\'g eonor ca cb e, welke


-ocr page 235-

CHOUAN 219 CHRISTEN

taaiste omtnmt mot onzen halven rent over-conkomt; — fr. (spr. sjoe) kool.

Chouan, m. fr. (spr. sjoedii) levantsclio kannynzaden, groennclilige zaadkorrels van de plant THqonella foenum uraecum, dlo mode lot liereldlnu van tiet karmuti Ki\'liezind worden.

Chouans, in. pl. (spr. sjoedim) de naam van zekere opstandelingen of aanhangers der konlnktyko party in het woston van Fnuik rijk na den dood van Lodewyk XVI; zy droegen dien naam naar haren eersten aanvoerder, een smid, Chouan gehoeten; v. a. naar het hre-tonsch chnwin, rhouant, samengetr. uit chat-huanl, nachtuil, als schimpnaam der smokkelaars, daar hun eerste stam uit smokkelaars en andere huiion do wet lovende personen bestond, of dewyi zy, als dit dier, voornameiyk hy nacht werkzaam waren; v. a. hopaaldoiyk naar de i iiroeders Cottercau, boruchto smokkelaars, die als verzamelselu liij hunne nachtotyko tochten \'I goschreeuw van don uil {chnuetle, in liro-tagne chouan) hadden aangenomen, en dlo la-lor, met andere zwervers vereenigd, op hot denkbeeld kwamen om in naam van Lodewyk XVIII oorlog to voeren.

Chou-king, z. sjoo-klng.

Chowder, n. eng. (spr. Isjnuder) oen in Meuw-Kngeiand gehruikeiyke vischsoop, uitgevonden door de vlsschors op do banken van Newfoundland.

Chrematologie, f. gr. van chrêmata, vermogen, geld, pl. van chrema, zaak) do (Inan-cle-woteiischap — chrematonomie, f. de leer van de aanwending dos rykdoms, de geld-wetenschap; — chrematopceia, f. de leer van de verwerving des rykdoms, van hel geld verkrygen.

Chresis, f. gr. (van chrgslhai, gebruiken, ten nutte maken) liet gebruik, do aanwending; de bevoegdheid lot gebruiken.

Chresmologie, f. gr. (v. chrêmós, orakelspreuk) waarzeggerU; — chresmoloog, in. ccn waarzegger, voorspeller.

Chrestomathie, f. gr. (v. chrHtos, c, ón, bruikbaar, goed, en malheln, loeren, alzoo eig. do aanloerlng van hot hoste, hel wolenswaar-digslo) oenc verzameling, keur, bloemlezing of een uittroksei der beste slnkkon uit verschoi-don schryvers, meest om oene taal te loeren.

Chrie, Chria, f. gr. (chrc-ïa, olg. in \'I algemeen ; voorwerp dor bezigheid, work) Log. oeno stolling, spronk, opgave ter schriftelyko uitwerking of uithroiding; oeno korte redevoering, schoolrede.

Chrisam, liever chrisma, n. gr. (van chriein, overstrykon, zalven) de wy-olle, zalfolie, die in do r. kalh. kerk by den doop, hol vormsel enz. gebruikt wordl; ook de zalving;

chrisis, of nw.lat. chrismatie (spr. I=ls), f. de zalving; — chrismalo, n. een wille dook, die weleer don gedoopte, gevormde enz, na de zalving om het hoofd werd gebonden ; ook een over hot hoofd der gedooplon uitgebreid wit kleed, chrisam hemd, westor-hemd; chrismarium of chrisma-tarïum, n. do krnik mot zalfolie.

christen, m., christin, f. oen boiydor, eene beiyderos van den clirlsloiykon godsdienst van Christus, (gr. Christ ós), d. i. eig. do gezalfde (vgl. Messias), la samenstelling door letterverzetting ook korst, li.v. kerstavond, korstfeost, korstgoscbenk enz., korste-non voor doopen, tot christen luwyden; — ante Christum of ante Christum nalum, lat. vóór Christus\' goboorio; — christe, n. (eig. de vo-cativus van Cbrlslus) het iweode gedeelte oener roomsch katholieke mis; - Christiaan, tnansn.. Iemand, dlo Christus beiydt, christen;

Christina, Christiana, f. vr.uaam. oeno cliristhi; — christiand\'or, m. eene deensche goudmunt, ongeveer = tfl gld.; — christianen, m. pl. loden eouor secte, ontstaan in de Vereenigde Stalen in het begin der 19de eeuw; christianisme, n. bet chrls-teUjk geloof, de cbristeiyko leer, het christendom; de gohoole omvang der godsdienslbegrip-pon, insieilingen en levensvormen, die J. C. aan de menschbold hoeft bekend gemaakt; — christianiseeren (spr. «=*), tot een diris-lon maken, tot hel chrlsiondom hokeeren; rlirislianisstmus, in. lal. de allerchrisleiyksto, oen pausoiyko benaming van do voormalige koningen van l\'rankryk; christianisatie, f. bekoeling lot het chrlsiondom; — chris-tifleatie, f. gehoelo vorming der monscbon tot volledige cbrlsleiykheld; Christine,!, oeno zilverniunl in Zweden = li ct.; zie ook G b r 1 s 11 n a; — Christinos, m. pi. sp. aanhangers der koningin Christina van Spanje gedurende de minderjarigheid van hare dochter Isabella; — Christmas, n. eng. (spr. krismes) kerstfeest; — chrismasday (spr. ■déc) kerstdag; — christodijnen, m. pl. de naam, dien men aanvaakeiyk den (iereformeor-den gaf, omdat zü gedurig den naam van Cbrlslus in den mond hadden; Chris-toffel, mnnsn., vork. van Christophórus, Christusdrager, lomand, die Christus draagt (zoo-als men, volgons do logende, bet eerst oen rous-achllg grooten voorman in Palestina noemde, aan wlon Christus in kindcrgostaito verschoon en dien hy zich op de schouders door de rivier Hoi dragen); onclg. die hem in \'1 hart draagt, hem lief hoeft; hot aarvormlg St. Christoffelskruid, eene wondplant, die als zoor heilzaam logen schurft wordl geroomd; — Christofle-metaal, n. oen naar de fabrikant Christollo (spr. Kricstoffel) te l\'arys genoemde soort van a r g e n t a a n, ook a 1 f o n I d e (naar den uitvinder Atphon genoemd);- chris-tokratie (spr. tie=tsie), f. chrlsteiyko kork-hoerschappU; vgl. hier are blo; — chris-tolatrie, f. cbristeiyke godsdienst; Christus-vereering met achterstelling van de voreering van God; - Christolieten, m. pl. schour-mnkers der «do eeuw, die de godheid van Christus afscheidden van zgne monschhold; — christologie, f. gr. de Mosslasleor, Chrlstusleer -,


-ocr page 236-

CHROOGKNESIE

CHROMA

— christophanie, f. de vorsoliüniiiB van Chtislus; — christophleet, n. oeno zckero likeur uil ponlak, wynneost, kaneel on ilRl. be-relil; christosophie, f. clirlsleHjke wijsheid, wysbegeerte van het chrlstondom; — Christusdaalder, m. verschillende munten en medailles, waarop de gehoorle van Christus Is afgebeeld; - Christus-orde, eene militaire ridderorde, door Daniël I, konlnu van Portugal, In tills opgericht, om den adel tot don slryd legen do Mooren aan te vuren; ook eene In HOquot;) door Albert, bisschop van Kiga, gostlelite orde ter verdediging van de nieuwe Christenen; Christus-palmolie, f. oude naam voor r lel nu sol Ie.

Chroma, n. gr. de kleur, do kieurmonglng; Med. do huidkleur, het uitzicht; — chroma itu-l\'les, Muz. de verliooglng des toons met eene halve noot; — chromaat, n. chroomzuur zout; — chromameter, m. Muz. een werklui,,\' om do piano-forto te stommon; —chromatiek, f. de klourleor, do loer van het ontstaan en de verhoudingen der kleuren, een gedeelte der optlkd; Plet. do kunst der kleurmenging, licht on schaduw; vgl. co lor iet;

— chromatisch, adj. kleurig, gekleurd, vgl. achromatisch; Muz. (naar liai. spraakgebruik) met halve schreden, of in verscbilionde op olkander volgende halve lonen op- of afgaande ; c li r o m a 11 s e h e beweging, voorlschry-dlng In halve tonen; chromatische loonschaal, volgreeks van 12 halve tonen; — chro-matisme, n. de kleuring, Inz. van llclmams-deeion; — chromatologie, f. de klourleor, leer der kleuren, z. v. a. chromatiek; — chromatopseudoblepsie, f. hot vatsch-of vorkoord-zien der kleuren als een gezlchls-gebrek van vele mcnschen; — chromato-techniek of chromurgie, f. do aanwending der scheikunde op de verfbereiding on vor-very; — chromatroop, m. de kieurwlssehiar, eene tot gezellig vermaak beslomdo machine, waarmede mon op oenen willen muur pracli-llge klourwlssellngen voortbrengt; — chroma-typie, f. kleurendruk; — chromolitho-graphie, f. do gekleurde steendruk; - chro-molithographeeren, in kioursteendruk vervaardigen; —chromopsie ook chrupsta, chrupsie (nlot crupsle), f. hot klonren-zlon, wanneer oenen zieke de voorworpen niet in hunne wezoniyko kleuren verscbynon; — chromium, chromïumerts, n. liy afkorting nok chroom, n. oen byna loodgrys, bros en zeer bard molaal, door den franschon scheikundige Vauquolin in lquot;!lquot; onldokl en wegens hol bU uitstek kleurend vermogen van allo zyno verbindingen dus goheolen; het is vuur-iiostendlg, s|iccitiok byna «maal zwaarder dan water-, do smaragd ontleent daaraan zyne sehoono groene, de rohyn zyne roode kleur; het wordt gewooniyk uit den chromium-yzorsloen gewonnen, en vormt twee merkwaardige zuurstofverbindingen; de eerste is het chromium-oxyde, dal uitstekende diensten doel in do porseioinfabriokon, hy hel oinail-scbiideron, enz.;

de andore oen purperkleurig zuur, welks zouten, chromaten, chromiumzure zouten gehoeton, do verscheideasto en schoonste kleuren opleveren.

Chronhyometer, gr , z. v. a. hyetos-koo p.

Chroniek, f. gr. (olg. chronfkd, pi. sell. quot;Vquot;

biblia: van chrnnos, tyd) het tydbook, de kroniek, z. aid.; — rhronique scarulaleuse, fr. (spr.

kroniék\' skundaléilz\') do schandkronyk, schand-gescbiodonis, al de In omloop zijnde kwade ge-ruchien, de zoogenaamde kletspraatjes, li. v. van oeno stad, van een hof, enz.; — chroniqueur, m. fr. (spr. fc/o—) kroniokschryver;

berichtgever van oen dagblad voor stadsaiouw-tjes; — chronisch, adj. gr. {chronikós, è, ón)

langdurig, slepend, b. v. chronische ziekten, langdurige ziekten, hiyvonde of van tyd lot tyd ierugkoeronde zioklon, In iogonoverstel-ling van acute; — chroniciteit, f. nw.lal.

chronisch karakter eener ziekte; — chronist,

m. oen tydrekenaar, een jaarbookschryver; — chronodistichon, n. oen tUddicht, tydvers, een twooregellg gedicht, in \'twelk de letters M. i). C. L. X. V. on I, als romolnscho tal-lelters beschouwd, hy samonstelllng oen jaartal uitmaken; —chronogram(ma) of ch.ro-nostichon, n. cUforlotterschrift, jaartalvers,

getalvers of rym, don of meer versregels, of wol oeno korie krachtige spreuk, waarin de rom. getaliotters tiij samenstelling oen jaartal quot;*■ *

geven; chronograaf, f. gr. lydaangevor,

toestel om de vilogtyd van projocllolen te meten; — chronographie, f. do tydhoschry-ving, de wetonschap om den tyd volgons oen julslen maalslaf Ie bepalen en te vordeelen; — chronologie, f. de tydrekenkundo, tydleer,

konnis van don julslen tyd dor gehourionissen;

chronológisch, adj. tydrokonkundig, overeenkomstig de lydrokening; — chrono-lógische geschiedenis, verhaal dor gebeurtenissen in strenge tydsonle; —chronologische tabellen, tydtafeis; — chronologische orde, 1 y dorde; — chronoloog of chronologist, m. oen tydroken-klindigo, tljdvorschor, tydberekenaar; — chró-nometer of chronoskoop, m. oen werktuig om den tyd nauwkeurig lo bepalen, een tydmeter, zee-uurwerk, dat een geregolden gang houdt, onafiiankoiyk van don Invloed van warmte,

vocht, enz., door George Graham te Londen uitgevonden, hy de Hngelschon timekeeper (spr. Idimkieper) geheoton; ook: Muz. een siln-gorwerktuig, door Davaux uitgevonden, om nauwkeurig de maat in de muziek af te me- »

ten, vgl. m o t r o n o o m; — chronometrie,

f. leer of leerboek der (juiste) tydmeting; — chrónometrisch, adj. tydmetend; - chro-mophoor, in. toestel tor oogenhtikkoiyke te-legraphocring van don lijd eener normaaiklok naar de onderscheiden richtingen.

Chroögenesie, f. (spr. .i=z), gr. (van chros, chroós, kleur) het ontstaan der kleuren.


-ocr page 237-

CHROOM

\'221

CIA NA

do klcurvoortbrenKliiK; chroognosie «f chroölogie, f. do leer van du kleuron der steonsoorton en hare onderscheiding.

Chroom, z. chromium.

Chrupsie, zie c h r o m o p s I o, onder c h r o m a.

Chrysalide. r. gr. (chrymllis, genii, r/irj/-salHdos, van (7/rj/.sri.v, goud) N. H. de goudpop ii( goudkleurige dagvllndcrpop, niet een harde golande hodekklng; — chrysamine-zuur, n. (\'.hem. organisch zuur, ontstaande hy Inwerking van geconcentreerd zwavelzuur op aloü-liars; — chrysanthëmum, n Kot. de gouds-tiloom, ganzonhloem, In \'I algemeen eene plant met goudgele bloemen; chryseen, n. goudkleurig poeder, hot laatste product der distillatie van stoenkolenteer; - chryaelephan-tisch, adj. uit goud en Ivoor gevormd; — chrysiet, n. of m. de goudsteen, toetssteen ; goudglit of iithargyrium; — chrysoberil, chrysolith en chrysopnls, m. namen van goudsteenon of goudgroene edelsteenen, welker kleur tusschen goot en groen zweeft, edelsteenen van niet voel waarde; chryso-bülle, f. eene pauselijke hulie met gouden zegel;—chrysocöma, f. (Hol) hel goudhaar, eene soort van Immortello, oen pronkgowas;— chrysograaf, m. de goudschrUver, goud-schilder, die gouden letters, enz. schrijft of schildert; — chrysographie, r. de goud-schryfkunst, de kunst om met goud te schrijven of letters te vergulden; — chryso-kólla of chrysokól, n. (eig. goudlgm) kopergroen, herggroen; chrysokratie, f. (spr. f—ts) goudheerscliappl), z. v. a. plulo-k r a 11 e; — chrysoline, f. een door de Fran-schen uitgevonden middel ter bemesting, dat men nog boven gips roomt, dewijl de daarmede bestrooide voedorptanten niet schadelijk voor de dieren worden; — chrysologie, f. de leer van den staaisrykdom; — chrysológisch, adj. zeer welsprekend; —Chrysomanie, f, de goudwoede, goudzucht, goudgierigheid, goudhonger, gouddorst; -■ chrysomële, f. N. H. de gouden tor, de goudkever, hot goudhaantje; vandaar: chrysomelienen, f. pi. Idadke-vers, eene talrijke familie van ton en; — chry-somorphisch, adj. goudachtig, goudvormig; — Chrysoot, n. een naar goud gelijkend mo-iaalmeugsel; —chrysophaanzuur, n. (naar de goudgele kleur aldus genoemd), z. v. a. r hall a r b e r I n e; — chrysopcsie, f. de gewaande kunst om goud te maken, goudmakerij, l»\'l vinden van den steen der wyzen; — chryso-praas, m. een door nikkcloxyde appelgroen gekleurde chalcedoon; chrysonne, f een naar goud getykend metaalmengsel uit koper en zink, door R auc hen berger te Munchen uitgevonden; — chrysoplenium, n. Bol. miltkruid, eene soort steenbreek; — chry-sorrhamnine, f. eene schoone lichtgele verfstof, uit onrype vruchten van do Rhamnus ra-Ihartica: — Chrysostömus, mansn. elg. goudmond, guldenmond ; de welbespraakte, welsprekende (inz. de hynaam van een der gr. kerkvaders, Johannes, bisschop van Constanti-nopel In de 4de eeuw); — chrysotyl, n. en in. vezelige sorpentUn, scrpentUn-asbost.

chthonische goden, gr. (van chthon, aarde) Myth, goden der onderwereld; ook lands-godon of -helden; — chthonia, f. de ondoraanl-sche, een byuaam van I) emc t er of Ceres; — chthonïos, m. de onderaardscho, een bü-naam vati verscheidene goden; chthoni-sothérme, r. lijn over de oppervlakte des aardbols getrokken over pnnlen van gelyko Inwendige aardwarndc (ook isogeoi herme).

Chubbslot, n. (spr. tsjuh - ) een door den Engotschman Chubb uitgovonden zeer kunstig slot, soort van comlilnatle-slot.

Chuchoterie, f. fr. (spr. sju-sjo—) gelluister.

Chulo, m. sp. (spr. Isjóello) de stlcraanhlt-ser te voet by de stierengevechten in Spanje, z. c a j) e a d o r.

Chupa, f. sp. (spr. Ixjoeiia, v. \'I arab. djsoeh-bal, een katoenen onderkleed, v. dsjabhu, uli-snyden) een vest mot mouwen.

Chuppa, in. de draaghemel, onder welken liy de Joden de trouwplechtigheid voltrokken wordt.

Church, f. eng. (spr. Isjurlsj) kerk, z. li I g li c h u r c h.

Churros, n. pl. (spr. Isjoerros. v. churm, grove wol) schapen niet grovo, doorgaans zwarte wol, In tegenstelling van merinos.

chut! fr. (spr. sjuul) sill, zwyg, st!

Chylus, m. gr. (chijlns), chijl, r. het melksap, een vocht, dat, uit de spyzen bereid, gedurende de spysvertering door de melkvaten der darmen wordl opgeslorpt; — chyliüca-tie (spr. I~ls), gr.-lat., beter chylopoesis of chylösis, f. gr. de bereiding van dat vocht uil de gebruikte voedingsmiddelen; de chUlbe-reldlng; chyloklópsis, f. het langzame verlies van ehyi; chylologie, f. do leer van decbyi; - ehylophórisch, adj. chyi-voerend; — chylophtharsis, hel bederf der chijl; — chylopoetisch, adj. chülberel-deud, tot chyimaking dienende; — chyllor-rhcea, f. Mod. ziekeiyke chyivloeling, chyi-vlocd; chylotörax, m. uitstorting van chyl in de borstholte; — chylurie, f. hel chyiwateren.

Chym, z. chymus.

Chymie, z. c h e in i e.

Chymus, m. gr. {rhymós, van chi/ó, ik maak vloeibaar), chijm, de spyspap, de liry in de maag, uit de gebruikte spyzen bereid; — chy-mifleutie, f. gr. lal. de omzetting van de voedingsmiddelen In chym of spyspap, chy-morrhcea, f. gr. bed uitvlooien der spyspap uit do dunne darmen, in do buikholte; — chy-mósis, f de zuivering dor spyspap, als tweede spysvertering.

Ciaccona, z. ond. c li a c o n n e.

Ciana, f. Hal. (spr. Isji -) vrouw uil de laagste volksklasse, uit het gemeen.


-ocr page 238-

CIBARIËN

CILICIUM

Cibanën, n, pi. Int. {clbarïa, vim eibus, spilx) spijskiisl; oclwaren, voeilliiKsmkldclon.

Cibëben, m. pi. (II. sIiik. zibibbo: van \'t iintli. zabib) nunm van ilc beste en grootste ra-zynen.

Ciborium, n. pr. (kibórïon, oorspr. het vrucht hulsel der egyptlsche boonen, vervolgens, wellicbt om de gelijkheid van ulteriyke gedaante, een drinkbeker) een drinkvat; In de K. kath. kerk de ouwetkast nf tiet kastje, de vaas, waarin de gewilde tiostlen bewaard worden.

Cibus, int. spüze.

Cicade, f. lat. {ricïïda) N. II. een naar den krekel geiykend Insect, dat door wrUving der vleugels een piependen toon voortbrengt (menigvuldig voorkomende In Griekenland en Italië).

Cicatricantia, of vaak verkeerdeiyk ca-catrisantia, n. pl. Int. (van cicalrirare, III-teekens verwekken, van cicatrix, lltteeken) middelen, die de Utteckenvormlng, de siuliing der wonden bevorderen; — cicatricatie of ci-catrisatio (spr. -kaïsie of —zalsié), f. de sluiting, heeling eener wonde.

cieer, m. lal. de sissererwt, eene soorl van eenigszins spits loeloopende kleine erwten in hel Oosten en in Z.Europa.

Cicëro, t. eene soort van drukletter van 1-2 punten, tiet midden houdende tusschen des-sendlaan en augustyn, dus genoemd naar de uilgave van Cicero\'s brieven te Home In 11(17, die met zulke letter werd gedrukt, mediaan; dubbel cicero, letter van 44 punten ; — eicerom\'aansch, adj. op de wyze van Olrero, Cicero navolgend, sieriyk welsprekend; — ciceroniseeren, (spr. s=j) den stijl en de vormen van Cicero nabootsen.

Cicerone, n. 11. (spr. Isjitsjeróne) de weg-wyzer, leidsman der vreemdelingen, die dezen de merkwaardigheden eener plaats aanwyst en verklaart. Doorgaans leidt men deze benaming, wegens de woordenrykheld dezer gidsen, af van den beroemden rom. redenaar Cicero; doch anderen zien er slechts eene verbastering en versnelde uitspraak In van het Hal. chiacchie-ronc, een babbelaar, praatjesmaker; hel zou dan eene scbertswyze benaming zyn, die mel-teriyd eene edeier beteekenis heeft gekregen.

ciceroniaansch, enz., zie onder Ci-c e r o.

Cichorei, f. lat. (cichorfum, gr. kichórfon, it. cicéria, cicórea) eene bekende plant en haar wortel (Ciehorium intybus), Inz. als surrogaat of plaatsvervangend middel van de koltie gebruikt, by verbastering doorgaans suikery genoemd.

Cicisbéo, m. II. (spr. Isji-ljies-béo: van \'t it. sigisbeo, eig. een Huisleraar) een vrouwen-begeleider, weleer de dagelijksche leidsman, dienst vaardige gezeiscbaphouder en vertrouwde vriend eener gehuwde vrouw van aanzien in Italië, alwaar de goede loon verbood, dat de echtgenoot zelve die betrekking vervulde (= ra-raliere servente)-, een plaatsvervanger des mans.

byman, hulsvriend en begunstigd minnaar; — cicisbeaat, n. hot ambt van zuik een damesgeleider.

Ciconia, f. lal. de ooievaar

Cicüta, f. lal. Bot. de scheerling, geviekle dollekervel, eene bekende giftplant; — cicu-tïne, f. nvv.tat. eene byzondere slof In de scheerling.

Cicvara, f. serv. (spr. sies—) versche kaas in boter gebraden.

Cid, m. sp. (v. \'I arab. sAld, sajjid, vgl. sld 1) heer, vorst, Inz. rul campeador, de bünaani van den beroemden spaanschen krijgsheld der 11de eeuw Don Kodrlgo (of Kuy) Diaz, graaf van Bivar.

Cidaris, f. de perzische koningsmuts; do joodsche boogepriestermuts; een arkadisebe dans.

Cider, m. (fr. culre, 11. cidro, mld.lat. cicZra, van \'t lat. sir era, gr. sikera, een bedwelmende drank; oorspr. ooslersch: hebr. schékdr, arab. sakar, iedere bedwelmende drank) ooftwyn, appeldrank, appel- of perenmost; -- cider-azijn, oofl- of vruchtazyn.

ci-devant, fr. (spr. sidewdii) voor dezen, eertyds, wyien; als subsi, in scheris: ci-de-vants, m. pl. de voormalige adeiiyke en vor-sieiyke personen in Frankryk.

Cidli, vr.naarn (waarscb. van arab. oorsprong, vgl cid): de heerscheres, vorstin.

Cïëgo, m. sp. een blindeman, Inz. blinde zanger.

CiéntOS, m. pi. sp. (van cientn, honderd) eene opbrengst van vier ten honderd van alle verkochte voorwerpen, die nog boven en behalve de al ca bal a (z. aldaar) betaald moet worden.

Cigarro, m., of gew. sigaar, f., pl. ci-garros of sigaren, sp. (eig. de benaming eener tabakssoort op het eiland Cuba) een ta-baksrolletje, dat men met of zonder püpje rookt; de beste soorten levert Havana; cigar-rera, f. sp. (fr. Cif/arière) sigarendraaister; — cigarrero, m. sigarenmaker-, — cigarri-tos, m. pi. sp. of cigarretten, fr. papier-sigaren, iabaksroiletjes In lijn ryststroopapier.

ci-git, fr. (spr. si-zji) bier ligt (begraven).

Cijfer, n. (It. cifra, cifera, f. rhi/fre, z. aid.; v. \'I arab. cafr, cifr, ledig, nul, en vervolgens op de negen andere getalmerken toegepast; vgl. zero) hel getalmerk, de talletter.

Cijns, m. (van \'1 lat. census, z. aid.) do schatting, tol, opbrengst, belasting.

Cilia, ((. pi. lal. de ooghaarljes, wimpers; een cilia-pincet (z. pincet), f, lat.-fr. eeno kleine wondheelers-tang tot het uittrekken van zieke ooghaartjes; — ciliair, adj. nw.tal. met oogwimpers voorzien; wal de ooghaarljes betreft; ciliaire zenuwen, c. arteriën, zenuwen, aders, enz., die naar het regenboogs-vlies loopen; ciliaire krans, de geplooide kring van het aderviies naar hel regenboogsvlies, haarkrans; ciliaire rand, de buitenste rand van het regenboogsviles.

Cilicium, n. lat. (gr. kilikmn, eig. een dek-


-ocr page 239-

CILINDER

CINQ

\'223

kleed van cHielsc lie geitenharen, naar \'t larulscliap (IliU\'ia in Vnor-V/lc) een ruw haren hemd, hoetkleed, boelgnrdel, ruw dook, dat de pelgrims op hel liloote lyr dragen IjU w(jzo van lioctedoenlng.

Cilinder, z, cylinder.

Cimbaal, i. cymhanl.

Cimbren, Klmbren, m. pi., z. v. a. stryders, kampvechters, een ouddnllsehe of ook celtlsche volksstam, die, met de Te ut on en vereenlgd, sedert het jaar 1 l.\'l vóór Chr. op d(^ Romeinen iti vele veldslagen de overwinning behaalde.

Cimeliën, n. pl. nw.lat. (cimctrn, van \'t gr. keimetia, z. aid.) klelnoodll\'n; de kerkschat; — cimeliarch, tn. de kcrkschal meester.

Ciment, enz., z. cement.

Cimeterre, m. tr. kromme turksche sabel.

Cimetière, m. fr. (spr. H-m\'ljer\') kerkhof.

Cimex, m. lal. de weegluis; cimici-dium, n. barb. lat. middel om de weegluizen Ie dooden.

Cimier, m. fr. (spr. si-rnjé) helmsleraad In wapens, enz.

Cimmeriërs, m. pl. lal. {Cimmeni) of KIm m(i r I«r s, gr. {Kimmerioi), oen, naar luid iler overlevering, aan \'I noordoiykste einde van ScytbIB in eeuwige duisternis wonend fabelachtig volk; vandaar; cimmérisch, adj. den Cimmeriërs eigen-, by dichters voor: duister, b. v. cimmerische duisternis, dikke duisternis, stikdonkerheld.

Cimoliet, m. of n. een grauwwitte, deels roodachtige, weeke laaie steen van hot leom-geslacht, zoo genoemd naar bet eiland Cl moils, Ihiins Kimoli of Argentlera, een der Cy-cladlsclie eilanden; cimólische aarde, vollersaardo, volaarde.

Cinfedus, m. gr. [kinaidos) eon schand-Jongen, hedryver van onnaluuriyke zonde; — cineedie, f. die onnaluuriyke ontucht zelve; nok de zelfhesmeltlng; cinsedisch, adj. door onzedeiyke aanraking der leeldeelen met de handen veroorzaakt; —cinsedológisch, adj. (gr. kinaidoliigns) in woorden ontuchtig, on-luclillgo redenen bevattend.

Cinara, f. gr. lat. artisjok.

Cinchóna, f. een zuidamerlkaansch plantengeslacht, welks soorten don echlen kinabast opleveren (zoo genoemd naar de gemalin van don graaf Cl action, onderkoning van l\'ern In de nde eeuw, die door \'I gebruik van dien bast van cone tusschonpoozende koorts be-vryd werd on na haren terugkeer ia Spanje voel tol bot bekendwordoa van den kinabast hyrtroeg); — cinchonine, f. een bijzonder alkaloïde ia den kinabast.

Cincinnatus-orde, f. eone ridderorde voor den krygsmaasstand la de N.amorikaan-sebe vrystnton.

Cinctura, f. lat. (fr. ceintun) gordel.

Ginder, m., pl. einders, eng. (v. \'I fr. cendrc, asch, = lat. cinis, z. aid.) hluschkolen, getdusebte steenkolen.

cinefactie, z. ond. cinis.

Cinèllen, f. pl. (spr. tsjméllen-, Hal. cinétle) bekkens van koper en ander meluul by de turksche veldmuziek.

Cineraria, cineratie, enz., zie onder cinis.

Cingaleezen, z. Singh a loc zen.

Cinglage, f. fr. (spr. seiif/ld-zj\') do weg, dien een schip in i\'t uren allOKt; koers.

Cingulum, n. lat. (vaa rini/i re, gorden, omgorden) een gordel; bruidsgordel; priester-gordel; cingulum pmiicittae, kulschlioldsgordel, een band, dien de Ouden hun vrouwen om hel ondcriyf placblcn Ie winden, om daarmede voor anderen den toegang tot baar schaamdeel af Ie sluiten; ook een verband, waarvan men zich bedient om Jonge lieden voor \'I oaanlsmo Ie bewaren; cinuulum virnmis, inaagdeagordel, gordel, dlea de giieksclie en romclnscho meisjes ter beveiliging van baren maagdoai droegen, en die door den echtgenoot In den brulds-nachl word losgeknoopt; de knoop, die dezen gordel samenhield, werd de knoop van Hercules geheeleii; cinuulum venifris, do venus-gordel, liefdegordel, do gordel, dien Venus om de heupen droeg ea waaraan men \'I vermogen toekende om liefde In te boezemen en harten te veroveren; ook eenc lijn in de band, van welke de oude Cblromantcn voel werks maakten; — cinguliférisch, adj. nw.lat. gordeld ragend.

cinis, m. lat. (genlt. cinfris) asch; cinis anli-mnnfi, spiesglansasch; rinis plumbi, loodasch; cineres clavellali, z. v. a. polasch; — cineraria (vaa \'1 lat. cinerarïus, a, um) tot asch behoorende) het asclikruld, een pronkgewas; — cinerarium, n. eene aschkrtilk, urae, lyk-bus, waarla de Ouden de asch der verbrande lykea bewaarden; — cinerarms, m. een be-dlonde by de Romeinen, die do vrouwen het haar krulde met een In do asch heet gemaakt ijzer; cineratie (spr. l—ls) ea cinoftic-tie (spr. /=/«), f. nw.lat. do verbranding lot asch; cineresceeren (later lat. cineres-er re), tot asch worden.

Cinna, f. lat. Hot. een soort der grassen (g r a m I n e c n).

Cinnaber, n. (lat. cinnahüri.i, f., gr. kinnd-bari, n., fr. cinabre, eng. cinnabar) een uit kwikzilver en zwavel ontstaand rood mineraal, zwa-volkwik, zoowel als natuuriyk mineraal voorkomende, als ook kunstmatig bereid ea In de schllderkunsl gebruikt.

Cinnamét of cinnamöm, n. [kinnd-mómon, lal. einnamömum, helir. kinndmón) do kaneel, eene bultenlandsclie specery, die de oude Grieken door de Pluunlclürs nit Arable kregen; — cinnamyl, n. (\'.hem. liet vermoedeiyk radicaal van de kaneelolle.

cinq, fr. (spr. sènk: Hal. cinque, vaa \'t lal. quinque) vyf; cinq minutes (spr. seii minuut\'), il. 1. elg. \'i minuten; aan dohhelsteenen gesneden vleesch, dat met peper, ansjovis, nlen, enz gekruld en op een heel vuur In !gt; a 7 minuten


-ocr page 240-

CIllCULUS

CION

224

«ekookt is; ci/K; premiers, fr. (spr. sen pre-mjé) In hot omberspel: do !gt; oorsto slnxen of trek-ken des spelers; — cinquecentisten, pl. Hal, {spr. c=lsj) de ilal. sehryvers, schilders, enz., der Hide eeuw, welke in het Hal, oonvou-dlK rinquecenlo (vythomlerd) heel; cinque Ports, pl. de \\ijf havens, sedert Willem den Voroveraur de naam van 3 tegenover Frankrijk llggonde ongelsche havens (Dnver, Sandwich. Komnev, ilvthe en llaslliiKS); Innl warden of the Cinque Ports, aan ong. slaalslleden verleende titel en sinecure; — cinquille, f. tr. (spr. senkiélj\') of (|ulntllle (spr. kenliélj\') eene soort van omberspel met :gt; personen, vijfspel; - einquina, f. (spr. tsjienkwinu, van het Hal. cinque, vgf), z. v. a. (|U In terne In het lotto- en tombola-spel; — cinq-six, m. (spr. sénk-si) wijngeest of alkohol van Hl)\'3 Gay-Lussuc.

Cion of ciönis, f. gr. {kion, il. 1. eig. zuil, pilaar) de huig, de lel aan den Ingang der keel;

— ciónis of cionitis, f. ontsteking van de huig; — cionoptöais, f zakking der buig;

— ciotómus, m. een chirurgisch werktuig lot wegsii(jding van de vergroote buig.

Cipier, m. (van \'t lal. ei;);)us, de stok, hel hout, waarin de voeten der misdadigers werden gesloten) gevangenbewaarder, kerkermeester, stokmeester.

Cipipa-mul, n. In fr. Guyana soort van zetmeel uit de manlokwortei.

Cipo, in. port. liane (z. aid.)

Cipollata, f. ilal. (spr. Isji—) ulenragoüt; kletspraat.

Cipollien, m., it. cipol/ino (spr, Isji—, eig. jonge ule, van ripnlla, ule) ilal. marmer met groole groene of blauwacbtlg grijze aderen, afkomstig van bUgemengd chloriet.

Cippus, m. lal, eene korle zuil, halve zuil hij de Ouden, waarop men verschillende opschriften plaalste; een verheven lyksteen; ook een strafwerktuig, waarin de voeten der overtreders gesloten werden, de slok.

Cipres, z. c\\pres.

Cira, f. slechte, onzuivere soort van mace-donlsch katoen.

Cirage, f. fr. (spr. sird-zjquot;: van cire, = lat. ceru, was) het overtrekken met was, bet Insmeren; het smeersel, seboensmeer; de waskleur, eene schilderij met eene naar was gelijkende gele kleur, In iegenst. met grisaille.

circa, circfler, lat. ongeveer, omstreeks, büna.

Circassienne, f. fr. (spr, sierkassjèn\': waarscbyniyk naar Gircassiê, liet land der Tsjerkessen aan den Kaakasus, zoo geiieelen, ofschoon In Engeland bet eerst vervaardigd) eene lijn gekeperde wollen stof, baltlaken.

Circator,m,,pi, cireatöres,mi(l.lat. (v, clrciire, rondgaan), z. v. a. visitator; inz. rondreizende kloosieropzichter, ook circina-tören (v. circinare — circilare, circare, rondom gaan, vgl. circinus).

Circe, f. lat. van\'I gr. Kirke, Myth, eene vermaarde tooveres. die menscben In dieren veranderde (zie de Odyssea van Homorus); eene verleldeiUkc hoeleerster; ook eene asteroïde, in tHIl.\'l door Ghacornac ontdekt,

ciroénsisch, z, ond. circus.

Circinus, m. lal. (gr. kirkinos) de kring ■ de passer; Mod. de gordelroos; — circinaal, adj., en als adverb, circinnlim, nw.lat. slak- of lokvormig gebogen, opgerold.

Circinatoren, z. oud, circa lor.

circiler, z, circa.

Circonstance, f. fr. (spr. sierkniislaiis\': lal. circumslanlia) oinslandlgheld, gelegenheid; lioésie de circonstance, gelegenheidsgedicht; iiièce de circonstance, gelegenheidsstuk; circonstances allénuanles, Jur. verzachtende omslandigbeden.

Circuit, eng. (spr. sürkjil) rondrelze der eng, rechters om zitting te houden mei de jury\'s.

Circuitie (spr. I=ls), f. lat. (circuitio) bet rondom gaan, omgaan; Log. omweg In het redeneeren, de omschrijving eener zaak; cir-cuitus, m. de omgang, kringloop; — oir-cuitor of circïtor, m. een rondlrekker, marskramer, enz.; rondreizend opziener, inz. kerkelijk opziener.

Circulus, m. lat. (eig. een verklw. van circus, z. aid.), cirkel, Geom. het vlak, besloten door eene kromme l||n, die in zich zelve wederkeert en overal denzelfden afslaml van hel mlddelpuni heeft, het cirkeiviak; Geogr. de omtrek, de kromme grensiyn van bel cirkel-vlak;—f»/ eirculum, eig. aan den cirkel; om rond Ie gaan by de leden of deelnemers; — circulus honorarius, m. de uurcirkel; — circw-lus in (lemonstrdndo of probando, Log. een cirkel, omweg in het verklaren of hetoogen; eene drogrede, waarbij men datgene, wal nog bewezen moet worden, als bewyzend deel opneemt (ook wel genoemd circulus viliusus, eig. gebrekkige cirkel, cirkelredeneering); — c. major, Med. de groote omloop des bloeds door hel lichaam; c. minor, de kleine bloedsomloop door de longen; c. tropicus cancri, de kreeftskeerkring; c. Irop. capricórni, de sleen-bokskeerkring; c. vili isus, z, boven bU c. de-monslrdndo: — circuleeren (bit, circulare) omloopen, rondgaan, zich In eenon kring bewegen; In omloop zyii; Ghem. herhaald dlslll-leeren, doordien de verdichte dampen weder in den distilleerkolf teruggeleid worden; — cir-culeerend medium = geld in omloop; — circuleerkachel, waarin de rook en de warmte door een pyp in allerlei kronkelingen gaat, alvorens in den schoorsteen te treden; — circulaire, f. fr. (nw.lat. circulare, n) een rondgaande brief, hetzelfde bericlit, aan leder der belanghebbenden gezonden; — circulair, adj. (lat. circulSris, e) kringvormig, kringsge-wys, rondgaand, rondioopend; --circulaire credietbrief, credletbrief (z. aid.) gericht aan verschillende op onderscheiden plaatsen wonende personen; — circulair verband, Clilr. een chirurgisch kringvormig verband; circulaire fortificatie (spr. tie=lsie), f.


-ocr page 241-

CIUOMETEH

CI I {CUM

Mil. di1 rlngvorslcikiiiK; circulair vuur, ecu rliiK-of kriiiKvuur; circulaire snedo, Ohlr. di\' krlnt\'snedo lilj dc iimpuliilio; — cir-culair-zaag, cirkelvomiiBC slalcn scliljf mcl jjotiiiid nul; circulariteit,!, nw.liil. dc krhiBVormlKlicld; — circulatie (spr. I=lx), f. (lal. circululfo) dc kriiinlooii, oinioop, li. v. van lid lilocd, van lid geld; Chcm. dc dikvvyis hervatte ovcrlmliriK; circulatie-bank, r. ccne openliarc hank, dli\', In slede van Kcrced Kdd, omleopcinlc imnknolcn nllKccfl; circulatiepapieren, pi. krcdidhrlcfjcs en wissels, die voor ccnlKcn lijd het gereed «eld moden vervuilden, zonder dal liunne lidallng iloor een zeker fonds wordt gedekt; circulator, in. lal. romlvvandelaar, landlnopcr, kwakzalver.

rirewn, lal. voorzetsel, dat In vele samenstcl-llngcn voorkomt: rondom, omheen, hygelegcn, aan alle zijden, omtrent; circum rhra, onitrenl, hynii; - circumccliïn, m. lal. (van cetla, cel) elg. de naam eener soort van dweepzieke moniil-ken, die de (•ellen van anderen alllepeii; In \'I iilgemeen een rondlooper, landloopcr; cir-cumcéntrisch,a(lj. nvv.lat. (vgl. cenlrum atonizydlg, van alle zyden hel middelpunt (im-geveude; circumcisie, f. (spr. s=t), lal. (circumc/sTo) do hcsnydlng; circumcisie-feest, hel feest der hcsnydlng van Christus;

circumdüctie (spr. /=*), f. (lat. riicum-duefto) dc misleiding, hel hcdrog; circumilmlus Immium, .Inr. een door helde partyen verscho-«.-» ven of niet iifgewaclite reclilsdiig; circum-

feróntie, f. (lat. circumfcnnrfa) de omvang, (iintrek, z. peripheric; - circumferón-tor, m. harh.-lal. het astrolahlum, de hoeknie-ler; — circumfléx, in. (lat. circumllcxus, sell, amnlus, dc omgelKigen, d. I. laag gemaakte toon) (Iram. het loonteeken eener verlengde td-tergreep, het verlcngingsleckcn, kapje (\' of gr.quot;); onelg. een houw, ccne schram; circum-fluéntie, f. nw.lal. de omvloellng; — cir-cumgestatie, f. (spr. -(sic) hel ronddragen, inz. der hostie in dc moiistrnns; — circum-gyratie, f. (vgl. minis) de duizeling, de draaiziekte; — circumincéssie, t. nw.lal. lid hestaan der drie goddeiykc personen In elkander;- circumjacent, adj. (lat. rirawi-jd-rciix) oiiillggend, rondomgcicgen circum-ligatuur, f. 1° oinwikkeling; -^z. v. a. paraphimosis (z. aid.); — circumlocütie, r. (lal. ciirimi/oru/ïo) elg. lid er omlioon pralen; vvydiooplgc omschryvliig eener zaak, in plaals vau de eigenlijke, eenvoudige iiltdrnkking er van; z. v. a. pa ra phru se; — circumlu-vie, f. lal. circuiii/iivïo) de omgeving, of\'I omgeven zijn mcl water; — circummeridi-aans-hoogte der slerren, nw.lal. (vgl. nie-i ldlaan) dc hoogte, die de sterren in de na-hyiield des nicridlaans hehhen; circum-navigabel, adj. nw.lal. omvuarhaar, om le varen-, circumnavigiitie (spr. /=/.v), f. dc omvaring;- circumpolaire sterren, nw.lal. (vgl. pool, enz.) dc vaste sterren, die hel naasl hij den pool des anpialors slaan;

VIliRIIK llltl\'K.

circumpositie (spr. ii-hie), f. (later lat. cii-cunijiosifto) de rondomplaatsing, dc kringvormige plaatsing van een voorwerp; - circumpo-tatie ,(spr. lie—Isie), f. lal. (circumiioluiïn) hot In-dc-rnndlc-diinkcn, het rondgaan van deu he-ker; circumscribeeren (lat. cireumscri-btin), omschryven, omgrenzen, hcpalen, beperken, 1). v. iemands macht; vvijdloopig hcschry-vcn of oinsehryvcn; circumscriptie (spr. t—s), f. dc omsehryving, heperking, insluiting lilnnen hepaalde grenzen; omschrijvingmd woorden, ronding der rede, volzinnenbouw ; cir-cumscriptie-bul, f. ccne pansciyke hui ter regeling der aangelegenheden der katholieke kerk in een land ouder nict-kalholieke regeering; circumscriptief, adj. nw.lal. om-

............. circumspiciëeren (lat. nr-

cumspiccre), omzien, rondom zien; circumspect, ad. (lal. ci/cHmv/icc/i/v, n, um) omzichtig, voorzichtig, liehoedzaani, hcdaiddzaani; circumspéctie (spr. /=«), f. (lal. circumspee-ftn) dc omzichtigheid, voorzlchllgheld, hchocd-zanmlield, hcdachlzaamheid, hel rondzien; circumstantie (spr. Iie=lsie), f. (lal. rir-eumnlantia) de omslandigheld, geslcldheld, ge-scluipenheld; eirrutusltmlfii fueli, ccne voorgevallen onislandiglieid; rireums/an/iw rnriini/ rein, omslaiidiglicdcn veranderen de zaak; cir-cumstantiëel (spr. /i =lsi), nvv.lat. onislaa-dig, hreedvoerig heschryvend; circumstan-tieeren, in al zijne hyzonderheden gewag ma-kca; circumvalleeren (lat. cireumval-lure), omwallen, onisciuinsen, Insiuilcu; — cir-OUmvallatie (spr./=/s), f. nvv.lat. de inslul-llng, omwalling, omschanslng, ook z. v. a. cir-cumvallatie-lijn, de schansllnie, omschan-sings- of omvvallingslinie van eene legerplaals;

circumveniöeren, lal. irircumvenire omgaan, omringen ; hedriegen, misleiden; cir-cumvóntie (spr. I—Is), f. (lal. eircumvenfio de misleiding, h(d hcdrog; circumvórsie, f. (lal. rireuinrersm) de omdraaiing, oniwending ,

circumvolutie spr. / -Is), f. nw.lal. (van \'I lal. rireumvnlvilre, oinwikkelcn) dc omwinding; krnlvoimige draaiing om een middelpunt; clrciimvolul len der hersene n, de kronkelingen der hersenmassa aan de oppervlakle.

Circus, m. lal. (= gr. kirltos) in 1 algemeen de kring, cirkel; inz. ceuc ciikcivormlge schonvv-plaals, eene slryd- eu renhaau; een gehouw. dal lol schouwplaals voor ruiters- of rykimslcn dient, kuristrydersscliouwplaats; hij dc oude Uo-mclncn eene groole, langwerpige ronde of ovale schouwplaats (eireus miwimm) voor allerlei opcu-harc schouwspelen, circensische spelen gchceten; fr. rinjue nljjmpiiiiie [spr. sierk\'oleii-piek\'), paardenspel.

Cirkel, z. ond. c I r c u I u s; cirkelkanon, m. (lat. canon iicrlnnos), Muz. een canon, in w(dken elke slem hij hel herhalen van lud tlienia lelkens een inlervul hoogcr hegint, zoo-dal al de twaiitf loonsoorlen van dur of mol worden doorlonpen.

Cl\'rometer, m. een vvdinieler, een werk-

i;i


-ocr page 242-

CIRQUE 226 CITEEREN

tul|! om ilc slw\'kte dor wol In hare afzonrtor-lijkc (Irailcn Ie melen en daardoor hare d«UK-ilclijkhcld In vorlioudliiB lot hare lljnhcld tc lic-oordeolon.

cirque olympique, i. ond. circus.

cirrhochlórisch, !;i-. (van kirrlm, lileck-ueol, cn chlórós, i. c h I o o r) yrljs on sroon; - cirrhogniphisch, liiulnklflurciul; cirrhosis, f. Med. naam, door I. a c n n c c aan eonc korrelaclillKe niilaiirdlni.\' van eeno rooducldli! celc kleur, aan do lever voorkomende, ue^even; do muskaalnoollever.

Cirrocumvilus, in. vederachtige stapel-of lioopnolk (vrI. cirrus).

Cirrus, m. lal. pi. cirri) elu. haarlokken, hiuirhos; oik\'Ir. eene dunne, vlokklRC wolk; ook ranken nan den wijntraanl en andere gewassen; volRcns Howard een der i liootdvonncn der wolken, sihiipcn- of vederwolk; cirragra, u. Med. de panische vlecht, eene ziekte der haren, die in Puien te huls Is.

Cirsakas, m. eene Indische stof uit veel katoen en vvelnlK zyde.

Cirsus, in. Kiquot; (kinds) Med. eene verwUdlng der aderen; — cirsirus, a, um, door eene aderspal vcroorzaakl; cirsocëlo, f. eene ader-hreuk, eene aderspaltige zwelling van de aderen der zaadstreng; cirsomphalus, m. de aderspat lig uitgezette navelader in de na-velslreng; cirsophthalmie, f. eene gc-heele aderspatlige iiltzetling van den ooghol, oogontsleking met adervervvUilIng; cirso-tomie, f. ili\' nllsnydlng of afliinding der adcr-spatten.

r;;;, lat. aan deze /ijilr; het komt In verhin-iling met andorc woorden voor, li. \\. cisju-ranisch, iian deze züde van I Jura-gehergle;

cisieithanië, .............................landen aan

deze z.ydciler l.eitha grensiiviertusschen Dultsch-Oostenryk en llongarUe), de duilsche kroonlanden van Ooslenryk; cisleithanisch, daar-toe liehoorendo; cisrhonanisch of cis-rhonaansch, aan deze zyde des Runs; cis-alpinisch of cisalpi,jnsch, aan deze zijile der Vipeii; cispadiinisch, aan deze zijde van den l\'o; (hü do Konielnen natuuriyk helde van het romelnsche standpunt af, dus zul-detyk).

Cis, f. Mnz. de met een lialven loon verhoogde C.

Cisaliën, pi. (fr. l isailles, spr. sizdlj\', vergroot ingswoord van n.wnwj\', schaar) het afknip-sel van de iniintstiikken, de afval van liet geslagen geld in de munt; muntafval; oiso-leeron (fr. viseler, van riseau, spr. xizó, hei-lel, oudfr. rise/. Hal. resello, v. lal. caedere, snyden, risorium, snljwcrkluig) met de graveer-slifl nf den heilel sieriyk hewerken, iillsteken, heltelen, nllliouwen; zilver dryven; iillsnyden lluweel); ook; gegoten inelalen voorwerpen kiinslig afwerken, opdat de vormnaden en andere ongeiykhcdcn verwijderd worden; - ci-seloor-werk, gedreven werk; ciseleur, in. vervaardiger van gedreven werk.

Cismm, ii. lal. hy de oude Romolnon: liclite, tweewielige onoverdekte, door muilezels getrokken reiswagen.

Cissa en citta, f. gr. (kissa, killa) zlekciykc eelliisl van zwangere vrouwen.

Cissus, m. (gr. kissos, klimop) Bol. klimop, eene plantengestachl, die verschelden genees-krachllge soorten omvat en waartoe ook di\' wilde vvyngaard gorekond wordt; — eissie-ten, ni. pi. versleendo kitmophiaderen; cis-soide, f. Math, enne door Dloklcs uitgevonden kromme lyn van den derden graad, om hare gedaante dus genoemd; hare vergelyking Is x:\' = in—x) y\', in welke n eene gegeven lyn voorslelt.

Cista of cisie, f. lat. (etste, gr. kiste) klsl, kasl, pronkkaslje, laz. een rond klslje van gedreven hrons, dal men in Klrusklsche graven vindl; ook een vierkant sleenen of aarden asch-kislje, versierd met geschilderde of halfverheven figuren.

Cisterciénzen, m. pl. grauw rokken, wille hroedors, eene monnikenorde, geslicht In IMS door den henedietyner aht Kobort te Clteaux (spr. silo) of (] 1 st erciu m In Frankryk; daar noemden z.y zich laler Iter na rd y ne n, iianr Kernard, ahl van Glalrveanx, door wiens yver de orde tot hoogcr hlocl geraakte. Reeds vóór de hervorming geraakte zy in verval en ging later geheel te niet; ~ Cisterciënze-rinnen, eene vrouwelijke orde, naar denzelf-den regel gestlchl in ll\'iil.

Cistérne, f. lal. (cislermi, van rista, kist;, een waterbak, walerkclder, regenpul, inz. in hel Oosten.

Cistocele, liever cystocele of kys-tocelo, z. aid.

Cistophóren, m. pi. gr. [kistophóroi), eig. kistdragers; Arch, vruchtkorfdragers.

Cistus, m. of eist-roos (gr. kislos, kis-Ihos, fr. riste) een tairyk plantengeslacht met roosvormige, schoone bloesems, in Ilallë en Spanje, de veldroos.

Citaat, z. ond. cl loeren.

Citadel, f. fr. (van i Hal. riiladélla, spr. tsji-t , eig sladje, verklw. van rilld, stad) eene naby eene versterkte stad gebouwde kleinere vesting, dienende om do slad Ie beschermen of ook in loom te bonden, eene hyvesling, sladsvestlng, burg; — citadïne, f. fr. eene soort van openhaar ryiuig met een paard, Ie l\'arUs.

Citata, citatie, z. ond. citeer en.

Cité, f. fr. (van \'I lal. ciiitlas) de slad, inz. de oude slad: de burgerschap.

eiteeren, lat. (rilare) oproepen, dagvaarden, voor \'1 gerecht roepen; ook eene plaats nil een bock aanhalen, hyiirengcn, zich daarop beroepen; een en geest cl toe ren, hem laten vcrschyiien; citaat, n., pl. cittita of citïiten, aanhalingen, aanwijzingen (van eene plaats uil eenig gesclirifl); ritalo lom, op de aangehaalde plaats; citatie (spr. //e=(s(e), f. de aanvoering, aanhaling; Jur. de dagvaar-


-ocr page 243-

CITKR10R

\'227

G[V1S

illiiK, oiiiooplng om voor liet jcoioclit (e ver-schyiipii; cilaftn dilatorta, cctic vcrschulflmru ilaKVuanlltig, noiir welke li\'inaiiil om versehiii-\\lng en ultslel van ilcn lennyn kan vragen; c. cdiclalu seu imbtfea, eene openiyke diiKvani\'dlnt; door aariiilakklnK min openbare plaatsen, door de dagbladen, en/..; c. mediulu, oene inlildellijke

dagv.; c. immedinla, .............................dagv.;

r. oralis, verbalis, eene mondelinge dagv. j r. Iiercmlnn», eene bepaalde, idel le vorsclinlven dauvaiirding, die. In geval van nlel-verscliynlng, bet verlies der rechtszaak ten gevolge beeft; c. nalis, itcrsouiilis of iiiluulis, eene dagvnnr-iling met hoflilenls; e. scriplu, eene sclirlfle-tijke dagv.; c. simiilex, eene eenvoudige, onbepaalde, d. i. termijnlooze dagv.; citator, in. de dngvaarder; citatus, do gedaagde, de voor bet gereebt geroepene.

citerior, lal. aan deze zijile, bynaam van landen, {lie aan deze zijde van een gebergte, van eene rivier liggen, in tegenstelling met alienor.

Cithara, lat. (van\'t gr. kilhara), either of citer, f. een snarenspeeltnig der onde Orie-kcii; vandaar do nieuwere gitaar (z a.); —

eitharexylon, n. bot vlooit.....1, een boom

op .Inmaira, welks bout boofdzakeiyk voor mn-ziekinstrunicnten wordt gebruikt; citlia-rist, in. een citer- of gitaarspeler; ci-tharistika, f. gr. de kunst des ( lierspelers; hü de Ouden eene bijzondere, door Am phi on nilgevoiiileii dlcbtsoort, Inz. tot liegeletding der idler; citharoedus, m. een citerspeler en -zanger; citharoediek, f. de kunst \\aii den zang by hel citerspel.

cilo: lat. (op brieven) met spoed, snel, gezwind; — cilissiwe, allerspoedigst, mei groole haast

Citoyen, m. fr. (spr. siloajeii. van eiti, aid.) een hurger, vrye burger van den fran-scben slual (lydens de fr. rovolutio de eenig gpoorloofde tilci en liet aigemeen gebrniketyk woord om iemand aan le spreken, In plaats van monsieur); f. citoyenne.

Citraat, n. lat. (van ril rus, citroenboom) citroenzuur zout; — rilrimm acidum, n. cl-Irociiziiur; citrine, f. een wyngeel bergkristal.

cilra ronxequenliam, lat. zonder gevolg, voor ceiien keer, zonder toepassing op latere gevallen van geiyken aard (fr. smis rnitséqucnce). Citrine, z. oud. citraat.

Citroen, 111. (fr. cilrnn, mld.lat. vitro, van I gr. kilrnn, lat. ritrdum, sell, milium: cilrus meilica, de cilroenlioom) de vrucht van den citroenboom; citronaat, m. de \\ nicht van den citronaatboom, van welks schillen de sukade tot allerlei gebak bereid wordt; nok ingemaakte citroenschillen; citroenhout, n. een zeer vettig, licht brnndbaar boul, in reuk en kleur naar eenen cilroen gelijkende, hel koml echter niet van den cilroenlioom, maar van een anderen boom, die in Amerika, inz. op de l.ewardseilanden wasl; citroen-kruid, ii. sooii melisse mei citroenncbtlgen geor (.Melissa offii iiuilis); citroenmunt, f soori van munt met sterken en lieliyken

geur Mail lm iieniiiis; eitroneeren,......

citroensap doortrokken, bereiden; citron-nól, f. fr. een met cilroerisap gemengde drank, cltnieiihrandewijn; Hol. inellssekruid.

Citrouille, f. fr. spr. silniiitf - van \'t nw. lal. ritreulus, vorklw. \\. rilrrlüii, citroen, wegens de citroengele kleur; vandaar 11. lilriunUi, augurk) de kauwoerde, vvalermeloen, ook an-goerie {(\'iirumis rilrullus).

Citrum, n. hel afrikaansche cederhoui.

citta, gr., z. clssii.

Citta, f. ital. (spr. Isjilhi, \'t hit. rivilas: vgl. rilé) stad; cittadines, pi. (ital. sing. lilliiiliii(i) burgeressen, burgervrouwen en bur-gerdocblers.

City, f. eng. (spr. silli, = fr. riW, z. aid. slad, inz. de oude slad van Londen; city-hall, f. liet stadhuis.

Cilldad, f. sp. (spr. sjoe—, van \'I lal. ci-oïlus) slad, inz. stud van den eersten rang, die haar eigen Jurisdictie heefl, in tegenstelling mei villa

Civet, m. fr. (spr. -rè) hnzenragodl, hazenpeper.

Civet, ii. (dnitsch tibelh, it. zibrllo, mid.gr. tupelinn, nw.gr. zumpeli, fr. rivelle, eng. rirel, van \'I perz. tabdil, arah toebdil, znbbiid] eene wilnehtige, slerk- en welriekende vetstof van de eiveikal, In Z.Azië en \\.Afrika.

riricum, ii, urn, lal. hurgers lielreU\'ende; co-roiiu cirira, iinrgcrkroon; iinarda ririni. Hal. burgerwacht, schnllery.

(\'iris, in. (pi. rires) lal. de burger; riris aca-deinieus, een akadeniie-hurger, slndcnt; -- civiel, adj. lat. rii\'ilis, e) 1) liurgeriyk, b. \\. civiele sland, de hnrgeriyke sland, d. 1. hel kantoor, waar de regisiers der geboorten, hu-welijken, sterfgevallen, enz. gehouden worden; civiele liouwkunsi, liurgertyke bouwkunst, d. i. die naar de behoeflen en oogmerken der burger-samenleving Is berekend; cl v 1 el recti I. het hurgerlUke reclil (lal. j«.v cir/,/e), dal bij de oude Itomeinen legenover liet rechl der volken [jus ijentvm) gesleld was; iegenwoordig staal hel\'tegenover crimineel recht (strafrecht); — civiele lüsl (eng. tiril list, fr. lisle ri-rile) de geldsom, die in veie staten lot onderhond van den vorst en zün huis bestemd is, In onderscheiding van ite eigenluke staatsiiltga-ven; de hofliondingsholioefieii of -kosten; civiele par lij (fr.n\'ef/e), elscher wegens private scliadeioossieiling in strafzaken; - a beleefd, hoiiviyk, welgemanierd; matig, hiliyk in prijs; civilegium, n. nw.lai. een liurgerbrief, bewijs van burgerschap; civi-liaeoren (spr. .v=:), (fr. ririliser) bescliaven, verlijnen, welgeniiinierd maken, ontbolsteren; civilisatie (spr. za-hie), f. de beschaving, veiiijidng, verzaciillng en verbeicring der zeden; zy slaal legenover hel ruwere, insiinci-malige teven in den niituiirstaat; civilist.


-ocr page 244-

CIZOZEMCl 228 CLARIGAT1E

in. oi\'ii liui^ci\'Uik ;iiiililiMiaiii\'; ook: docenl in l liui\'gerlUk rcdil uun iinivcisilcUcii; - civi-listisch, liinwrroi\'lilciyk, sliiiilswelcnscliiippe-lijk ; civiliteit, f. lal. (cirilïlm) do lioircliik-lield, do beloetdhold; —cirihler, adv. hursor-lijk ; civiliIer moiluu.s, liui\'nci\'iyk dood, (I. I voor dood licscliouwd, ofschoon no); lu loven, lovond-dood, cor- on rochloloos; civiloquium, n. nw.lal. hel voorlezen van de icelilon en jillch-lon der liurgoi\'s, dal li. \\. Ie Mlhock viernin-len \'s Jaars (joselilcdl ; civisch, adj. lal. nr/citó, «, inn) den liniwr hel rellende, liur-«eiiijk; civisme, n. nw.lal. de hnr^erzla, lmr)?erdeUKd; liel sevoel van linrfter; — civi-teit, f. lal. fivilas) hel hurfrei\'seliaii, hel lair-tterreelil, ook z. \\. a. c 1 v I s in e.

Cizozemci, |il. holi.de vreemdelingen (nlel-czcclien).

Clabaud, in. fr. (S|ir. Ma-bii. vjil. fr. ulaitir, keilen, hull, klnjipen, mlddelliKd. Iihilfcn, pralen, hahhelen eon keiler, zvvelser; iaz. een soorl Jaelillionden mei liancooren; — clabaudee-ren (fr. (iabaudir) keilen, hlallen, razen, k|j-\\en, (fowold maken over kleinlfihedeii; cla-baudage (spr. -iUi-\'j of clabaudene, f. kolfery, uekef, last!},\', orinul fjeller; - cla-baudeur, m. oen schreenwer, ophefmaker.

Cladonia, f., pi. cladomën, nw.lal. \\. \'I f.rr. kladón, klados) Hol. sprnllje, Iwijü, een soort van korstmos, waarloo hel rendiermos {Cladonia rangiferinu) hehoorl.

Claim, m. eiifi. i*|ir. AVcem), eltt. aanspraak, elseli; hol Iemand loekomond aamlool In oen nomheld (In Oalifornie).

Clair, fr. (spr. Wér).helder leüenovor fonic, donker; ook; prnfil laid i lnir (spr. jirn-fi-lne-lilèi), zuivere wlnsl.

Clairét, m. fr. (spr. hlón\'l, rluir, k laar, helder een llchlo, hleekroode wijn, hleokorl; ook een zoele kmldeinvijn; claret, m. Ollg. spr. klérrel) de eiiKolsche naam voor ronden hordoanv-wyn, en wol voor de lijnere soorlen, die in llessehen worden Initevoerd; clai-rette, f. eeno likeur van hrandewün, sniker, enz.; eene soorl van schulineiiden willen W(|ll;

clair obscur, n. fr. (spr. Iilöy nhskuur), eig. helderdonker of klaardnisler; hij seldidors ilo verileeliiiK, di^ verliondlnu van lichl en schaduw of lirnln, ook chiaroscuro, II. (spr. kiaro skiidro)-, clair-voyant, adj. (spr. klèr-woajdii) lichlorzlend, scherpzlclilis:, als snhsl.: een helderziende, d. I. In do taal dor magne-llsours Iemand, die gezegd wordl mei geopende oogen en slapend heler le zien dan an-dere, die wakker zyn mol geopende oogen vgl. somnainhnlc; clair-voyanco, f. (sjir. klèrmajdiis\') de holderziondhoid, hol k laarzien.

Clairv., hij zoologische namen afkorl. voor .1. do Clalrvillo, onlomoloog in liel hegln dezer eeuw.

dam, lal. holmoiyk, hedekteiyk. lor sluik; dam, ri, aul precario, Jur. hoiineiyk, mol geweld, of snieekouilorwys.

clamabel, nw.lal. (van clamare) «oilor-koophaar, lenig le krygen; clamant, in. de lerugkooper; de hezorgor van den lenig-koop; clamator, in. lal. de roeper, schreon-wor; clamatórisch, adj. schreeuwend; uitroopencl; — clamor, in. geroep, geschreeuw -. clamor hellicm, krygsgeroep, waponkroet; da-mor violentittc,im. noodgeschrei; clameus, adj. (lat. daiuiism, n. urn) luid schreouwend, vol goscliroenw.

Clan, in. (spr. kien) scholseli en lersch, olg. kinderen, afslammellngen, nakoinellngschap; slam. geslachl, inz. hel voorin, vrijwillig leensverlinnd liisschen oenen grondeigenaar (la Ird) en zyne ondiu\'danen lu llnogseholland; clanship, f. ispr. ktfn-xjip) de slaingeiioolscliap, verhin-dlng der slanniien of geslachten onder een aanvoerder; clansman, m. do slamgonool, die tol eenon clan hehoorl.

clandestien, ailj. lal. (claiides:linus,(i, urn van clam, z. aid.) heinielijk, geheim, volgens de wellen verboden; elundesliiiu imsessïo. heliuoiyk aangenialigdo hezllllng; clandesh\'iui siionsalïu, pi. heimelijke verloving of Ironvvlio-loflc; clandcslifnum conjiinium of clandcslinutn malHiiioniuin, n. lieimeiyke echl; clandestine, f. fr Hol. moederkruid, eene plant mol geslolon, eenhladerige hloemeu ; — clandestiniteit, f. lal. de gehelmhondlug, verhorgen en verhollen haudelwyze.

Clapot, in. fr. quot;spr. kln-pó: claiioler, klel-scml aanslaan, h. \\. der golven legen oen schip soorl van wasehiuachiae, uil i of H over elkander liggende rollen heslaaude.

Claque, f. fr. (spr. khik\') een klap, een slag mol de vlakke hand, hel handgeklap; oen honde van gehiiiirde loejuiehers (In een schouwhurg); m. een klaphoed; ook de overschocu; claque-bois, in. (spr. lil (Hi boa) ecu speellulg van li lol Iquot; hoiilen slaven, die met slokjes geslagen worden; claqueur, ui. de gehuurde loe-jnicher in schouw hiirgen, enz.

Clara, Claartje, lal. \\aii clarus, », um, helder, klaar, enz.) vrouweun.; de heldere, reine; ook de horoomilc; clara voce, z. ond. c I a r u s.

Clara-orde of orde der Clarissen,

eene noniienorde, iu 1212 onder toezicht van don h. h\'ninciscii- van Assises door de li. Clara gesll chl; de orde hesloud lol op hel einde der 18de eeuw.

Clarence, f. fr. (spr. kld-raiix\') schoon zonder hak ; ook zeker rytulg.

Clarencieux, m. eng. (spr. klè-rensjóc hvecde wapenkoning of -horanl (In EngoUuid).

Clarot, in., z. clairet.

Clariën, z. ond. c I a r i n s.

clariflceeren, later lal. (clarificdrc) liol-dcr, klaar maken, zuiveren; in \'I licht stollen, liewyzon, opliclderen; clariflcatie (spr. I—Is), f. do zuivering, klaring (eener vloeistof); Jur. de opheldering, hel hevvys.

Clarigatie (spr. I=ls), f. lal. idarinalio) hü de oude Hoinelnen de lerngelsch van hel


-ocr page 245-

CLA KINO

CIA VIS

uci\'onfdc of ilc vmilcrhiK van Kcnoc^ilocriiiii;, wclkü steeds de oorlojïsvcikliiiiiK.\' voDrafeliiB; In \'I alffcinccti de opcniykc lH\'k(Midinaklii){, aan-komll(?liik\', uitroeiiliiR,

CJarino, m. Hal., ot clarine, r. (iini. du-riim, ihiarino, van lal. liamx, heldor, schel) schelklhikcnile Irompel, koeschel;- clurinét of clarinette, f. de schellluil, een hekend hlaasspeellulp, In KHM) Ie Neurenherif uilBUvon-ilen ; clarinettiat, m. de schellluil hlazer.

Clarissa, m naam: di\' sehlllerende, hlln-konde; Clarissen (ordo dor),/.. C.lara-(i r (I e,

clarissimus (sniiorlullet van clanis), zeer he-roomd.

Claritoit, z. ond. c I a r u s.

Clarius, m. lal. (w. Kldrios) liynaam van Vpollii, naar de slad Kin ros In lonle, waar een tempel en orakel \\aii Apollo was; vandaar Clanën, f. pl. In de oudere dnllsche poczliS hij IV Flemmliifr) do Muzen of /.an^odlnncn.

flarus, u, um, lal. helder, klaar-, lieroemd, enz.; (iaru voce, mei heldere stem, luid, dul-doiyk; rlutuni ingeiuum, n. een heldere kop, uitstekend vernuft; clariteit, f. (lal, (7«)/-las) de klaarheid, holdorhoid, duhloHiklicid, hol aanzien, de licrocinilhelil.

Class© of klasse, f. lal. [liassis) de orde, iifdeellnt;, indoelins! \\an personen of zaken, tiet wik, de school; klassonbolasting, ocne inkomsloiOhelaslint!, ten hehoevo waarvan de Inwoners in zekere klassen verdeeld zyu, voIkcus welke de aanslOK verschillend is; classifl-ceeren, nvv.lal. Indeelen, afdeelen, reftoleu, in klassen of vakkon ordenen, splitsen; classificatie spr. I—Is), f. do verdoelliiK iu klassen; -classiflcator, in. veideelor in klassen, clas-sldcoerder; classiok, classiscli, adj. lal. classicus, n, mu, oig. Int de eerste klasse hchoorende) vooi\'lretVotyk, uitstekend, voorheol-dlK In zUne soorl, hetgeen tol model kan dienen, waaraan hiyvend f;ezas loefcekend wordt; olassioke schrijvers of classioken, alKomoen (loedsekeurde selirüvers, hoofd-of mo-itotsehryvers; classieke werken, hoofd- of inodelselirlflen, vorininKSbuoken voor ito leeren-ilen; classieke litteratuur, f. in ongeren zin de tetterkunde der oude Grlokcn on Ko-incinoii; zoo ook classieke oiidheid, enz.;

classiciteit, f h. v. van don styi: hol klasslok aanzlon, tiet vooi\'heoldiKo, op de proef Koed hevondene; — classims, u, inn, lal. classiok (z. hoven); classis, f. lat. in de Nod. herv. kerk: zeker kerkeiyk gelded, een (jedeotle eener provincie (hoslaande uil eentje zoogenoemde ringen).

Classe-notes, m. fr. notitle-hook; Classe-valeurs, m. portefeuille vonr hank-papicr en oltocton.

claudeeren, lal. (cluudcre) stuiten, tooma-kon ; opslnitun; clauilulur, Uul worde gesloten; Claude os, np/iri nculos, sprw. den mond dicht, de oogen open; zwijg en zie! Claudius, m. on Claudia, f. mans- en vr.nnam hij de

Komolneii; Claudine, vr.naam: do hodekl hnndelendo, do gohelmo; cluusii, f. inld.lal. een eng hol; monniken- of horemletonvvonlng, kluis; ook oen hergpas; oene liorg-engle, die tol verdodising is ingorlchl; clausarius, m. mld.lat. kluizenaar; clausule spr. .«=z , f. (lat. cUimüla) de hopaling, de heperkirig, hel hoding, voorhehoml, punt van vtTgclijk; ook aanhang ; Poet en Mnz. hol sluitstuk, hel slot; slotval der oiiderscheldon sleiumon van oen inii-ziekstnk in liet slotaceoord; cldusitlu rassiilo-na, Jur. de ophotlings- of vernli\'liglngshi\'pa-ling; r/. codirillaris, (Ie hopaling, volgons welke oen testament, wanneer hel niet als zoodanig kan geldon, toch nog als codicil van kracht hiyfl; cl. sulviilorïa, hel aan eene recldszaak toegevoegde verzoek aan den rechter om hol vorkoord gestelde of gevraagde terecht te hren-gen; sine cldiisiiln, zonder voortiohoiid; clausulooren, nw.lal. mei allo noodige lic-palingeii, voorwaarden, enz. voorzien; zich lie-volligen, vrijwaren; clausuur, f. ulnusimi de innerlijke opsluiting, de kloosterdwang, de verplichting der hevvonors van vele klooster-om in hunne eelien opgesloten Ie hiyvon; het verhiyf in gesloten vertrekken; hel tieslag, do haken, hot slot, waar mede men weleer de hoeken placid te sluiten; ook hot ezelsoor, do vouw In een hoek; — claustrum, n. oorspronke-lyk: slid, grendel ; afgoslolon plaats; vandaar oen klooster.

Claudiceeren, (lat. chtudicare) hinken ;

claudicatie, f. (lal. claudicufto) het hinken, do lamheid, kreupolheid; onoig. gehrok-kighold, onvolkomenheid.

Claudine, Claudius, clausa, clausule, clausuur, z. ond. claudeoron.

Clavecin, n. fr. (spr. -seii) klavier.

Clavis, f., pl. claves, lat. oen sleutel; Mnz. do toetsen, klavieren der orgels alsof men zoldo sl i\'ii lel, omdat daardoor de windpijpen geopend en gesloten worden); ook de nnten-sleutol, hel toeken, dal den loon der noten ann-duidt; philologische clavis, een sleutel tol taalkennis, oen woordenhoek, inz. lol op-holdering van \'I oude en nieuwe Testament of van oen byzondoren ouden schrijver, h. v, clavis llomcrtca, opheldering dor woorden in Homerus; clavis Sli. I\'clri, oig. de sleutel van don heiligen l\'etrus, de sleutels van hinden en onl-hinden, de kerketyke mnchl; — chiciciila, f. oIm. oen sleiiloiljo; Mod. hel slentolheon; clavi-en hl Salomuais, z. ond. Salomo; clavi-culair, adj. nvv.lal. het slonlolheen hel rellende; — clavicularilis, m. do korkeiyko schat-moester; claviatuur, f. nvv.lal. hel geheel der toetsen, hol toelsenhord; clavier (fr. clavier, de toetsenry) klavier, n. oen tic-kend speeltuig met molalon snaren en eene claviatuur of een toelsenhord, de grondtypus van alle hesnaante c I a v ia 1 u u r -1 nst r n m e n 1 e n, thans door het piano-forte en de pianino schier geheel verdrongen; ook hel toelsenhord, z. v. a. claviatunr; Clavier-Auszug,


-ocr page 246-

CLIQUE

CI,A VI\'S

liooifil. (s|)r. -Ixoem kliivIcrulUrokscl, mpoi\' klii-vlor of imiiio nf\'iimiiiKccrilc iiarlU uil do pur-llluur crniT opciii, cinilale en?,.; clavier-quot;f orgel-harmonika, (•a\'iesiiiui;— clavocin, in. fr. (spr. klap\'seii), clavichord, uw lal. (vul. cli»rile), clavicom-balo, ii. ispr. hiawiisji\'mliitlo), cembalo or clavecimbel iv^l. cl inhaal), alle naar hel kla\\Ier ui\'lüki\'nilc snaicnspcclInlKcn; cla-veoline, f. ccn door C.ai\'l Sclmildl Ie Pivs-liuift nllncMiiKlcn niuzlcklnslnimcnl, of liever enne verlielerhif.\' \\aii Kssc h e n lia e li s Klo-dlcon; clavocln-royal, in. (spr. -ma-Jal een speellunr, «aarliy lioulen liiimerljes de \'onen opgeven, lerwijl door aan^elii\'iielde pedalen liet fielieele sneellnlu als van loon kan veranderen; — clavl-cyllndor, in. een door l)i Ohladnl uIlRuvondcn soort van klavier met een zleh draalonden klankevUnder onderdo snaien; clavigoi\' (v. claris, sleidel en neren, drager), sleuloldriifter (hijnaain \\aii den jiod Janus ; nok; conolorgo, portier; — (v, cltira, knots cn gerere, dniKen) knidsdraner (liynaum van Hercules .

clurus, ni. lal. de uilL\'i\'l, spijker; Med, rhi-rits on/li, de spykorkop in het 00«, eene ull-/.akklUK van het rouehbooKsvlies door eene zweer \\aii hel hoornvlies; In \'I oude Rome eene pur-perstrook op de luiilea der senatoren en ridders, lig de eersten hreed: lalns clurus: hy de laatsien smal: nnnuslus clurus: — tlaruit lie-din, de likdoorn, hel eksteroo),\'; rliinis hysle-rtnif, de Insierische lioofdpyn, welke zich lot een zeer klein gedeelte van tiet iioofd hepnait en een Kevoel verwekt, alsof daar een spijker werd inpedreven.

Clay, n. enf.\'. (spr. ft/cc) kiel, leem.

Clearance, f. ens.\', (spr. kliörcns) hei he-«Us der inkiarliii.\' van koopmansKoed.

clearing, f. en).\', (spr. kik ontgonnen gt;luk land; lieiailiiR en vereirenliKt van vnrde-linp\'U door nliwlsselln^ van vervallen wissels, lliiuldaile, ook clearance, vandaar clearing-house, Ihiuidaliekanlonr, h. te l.oiiden.

Clef, f. fr. (spr. kir, sleutel (z clavis).

clemenx, lat. adj. Ziiiiiliiardlu\'. poedert leren, iankmoedit\'; Clemens, lal. mansn.: de «oeiieriierene, zaciilnioedl^e; Clementine, vr.naam.; de ({oedaardlue, zaehlzlniilve, lank-

moedifie; clementie (spr. I.....Is), t. lal.

rlcmeiilto de goedheid, zaelilmnedluiieid, jioe-derlierenheid van een vorst; clomentl-nen, clementijnen, (lat. riemenlmae), dal jiedeeile mui het rnrimx juris rannniri (z. aid.) dat de door paus Clemens V iiitnu\'cleude en in llllli openhaar uemaakie verzaineiinK van lie-siiiiien iievai; clomentmisch, clo-mentijnsch, adj. lot pans Clemens heirek-kliiK hehhonde.

Clerc, m. fr. \\an i Int. clencus, goesle-lijke; klerk, eeu geestelijke; een selirUver, een kanloorsehr(jver; ook een liedlende der voor-iiiniiKe oosiindiselie fompa^nle; clergé, m.

fr. (spr. ■:]?) euu. clergy spr. -ilzji), z. v. a. klems (z aid.)

clerica, f. lat. I onsuur (z. aid.) der geos-loiykeu.

Clericaal, clericaat, clericus,

ond. kier 11 s.

Clermónt, in. fr. (spr. -mriii) een ronde frnnselie muskaalwiln nil het KOlUknamlg dls-irlei in liet deparlement l\'uy-de-Dnine.

Clerodendron, n jjr. (el),\', prlesterlioom eene slcrplanl uil Japan, meer hekend onder den naam Volkmannla.

Clothra, f. sir. Hot. de eis.

clicheeren (spr. kli-sj -), fr. clirher, een vorm of malrys loodreeht, snel en met kracht In Kesmoilen en afKekoeld metaal doen vallen om er den afdruk van Ie krygen, afkloppen, afgieten, afslampen, eene handeiw ijze, waarvan men zlcli lieiiieni om gomakketyk meialen verdiepte voriiien van veriieven of verdiept gesne-den werk Ie hekomen, eene kiins\', die Ihans hü de z(io(.\'enaanide (.\'eïlliistreerde werken eene zeer uiiiseiireide InepassliiR heefl gekregen, en ook vaak wordt aangewend om vormen en namaaksels van medailles, iiiiinleii, letlersoorten enz. Ie vervaardigen; cliché, n. de afdruk, langs diea weg verkregen, gielafdruk, Inz. van lionisneevormeii; clicheermachine.f.een door l\'fnorr in Darmsladl nllgevnnden werktuig, waarmede de leiterspeele dooreen valwerk in den vorm wordt geperst, en waardoor de slag van de malrys met steeds gelijkmaiige kracht en loodreeht in iiel gunsiigsle oogenlilik kan verricht worden.

Cliént, 111., pl. cliënten, lal. {clicns, pi. rlidnles, eig. de iioorende, la plaats v. clücns, v. cliii;rc. hooren, gr. klijein\'i de hesciicrmeiing, hij, wiens zaak door een plelihezorger wordl gevoerd, die aan een advociiat, proenreur, notaris enz. de verdediging en iiewaring zijner rechten loeverlroiint, la legenst. mei den pa I roo 11;

clientèle, f. (lal. rlienlcla) de liesciier-mlng van een plelihezorger, de hystand, plaais-hekieedlnt.\', voorspraak in rechten; de veriion-dlng van den iiescliermde lol den hesehermer;

clientèle, f. fr. (spr. klióiilèl\') ai de clienien van een advocaat, procureur, nnlarls enz.; ook de gezamenlijke klanieii eens koopmans, lian-delshel rekkingen.

Cliff, n. eng. klip.

Clima, z. klimii; climatis, z. klein a 11 s; climax, z. k i i m a x; clin-caillorie, z. i| 111 n c a 11 i e r I e; clini-cum, clinisch, enz., z. ond. klinisch.

Clinopodium, n. gr. Hni. wild haslii-cuni, onecht koulngskriiid.

Clinquant, m. fr. (spr. kléiikdii} klatergoud, I.Minseii goud, een verguld of verzilverd koperen piaaijc, door het pletyzer gedund; gouddraad; ook valsche glans, ydele pronk, kiink-klank.

clipper, in. eng., z. kilpper(schipi.

Clique, f. fr. (spr. kliek\') de samenheu-ling, hel rol. pak, de hende, spilsiiroederseliap


-ocr page 247-

COALKSCEKHKN

CLIQUOT

com! vcrlilndinu vim velen tol een slecht oon-merk; veelal; eene verlilndlnu van nauw samenhangende medeleden, ilie zich van het groole Kohoel afzonderl en de helaiiKen der kiinggo-nooten hovonal In hel ook houden, die meilele-den op allerlei wijzen, ook ten koste der waarheid en door kuiperij voortrekken, trachten voort te helpen enz.

Cliquot, m. (spr. -Aó) soort van eliam-pa(?ne-wUu (naar de fahrikante Veuve [Wed.] ClKpiot).

Cloacina, z. ond. cloii(|ue.

Cloak, m. euf.\'. (spr. klnnk) de mantel.

Cloaquo, f. fr. (lal. clnuca) hel riool, de moddergooi, stlnkkolk, liet verlaat, de Millnls-zyp; ook 11^. eene morsige plaats; een vuil mensch; cloaca maxima, hel groote riool Ie Home, een nil de eerste lyden van Kome (Tar-ijulnlus l\'rlscus) dagleekenend onderaardsch houwwerk, ilal hel gezanienlijk vuil der stad naar den Tlhcr leidt; cloacina, f. de go-dln van ile helmelUke gemakken, de vullnlsgo-din der oude Komelnen.

Cloison, n. (elg. f.) fr. (spr. kloatón) he-schol, sclieldswand eener kamer; cloison-nago (spr. -a-tj\'), hel optrekken van selieids-vvanden; het heschol; cloisonné, door lie-schotleu verdeeld, In vakken verdeeld.

Cloister, n. eng. klooster.

Cloquette, f. fr. (spr. klokctt\'-, elg. klokje, /,. v. a. clochcttc) hij de fr. Irouhadoiirs z v. a. I a in ho e I\'ll n.

Closot, n. eng. (spr. klot\'il: oudfr. clnscl, verklvv van rte, omsluiting, omliiining; elg. partle. van clnm, siuilen, toe-, onisiniien — van clore, siuilen, van \'1 lal. claud\'re, part. clausKx, enz. een afsluilingsinlddei. toom. inond-slol; ook een kli\'ln afzonderiyk \\erlrek, kald-netje; het heimelijk gemak, hel sekreet ; cloture, f. fr. ile insliiltliig, omtulning (nimir, Induing, liek, gracht); hel slol, de afsluiliiig eener rekening; la het algemeen het einde, liet slot, het sluiten; in parlementen: hel siuilen derde-Imtteu.

Cloth, u. eng. (spr. kt ons\') kleed; slof, laken.

Clou, m. fr. (spr. kim\') spijker; clous de llirollc (spr. kloc-de-tjinip\'), kruidnagelen.

Clove, n. eng. (spr. kloor\') een verouderd vvolgevvlchl = ll.nü kilo.

Clown, m. eng. (spr. kluun, saniengelr. uit colunits, landhouwer, hoer) een hoerenkin-kei, een lummel; in Kngeland de liansworsi, de grappenmaker, karakterrol van een snaak-sclieu vent In de oud-eng. schouvvspeiea en liij Sliakespenre; de potsenmaker ; iu nieuwere lijden : hansworst hij kimslrUders in \'I paardenspel).

Club of kliih f. (eng. cluh: oorspr. dullsch, verwant mei kleven, of wel mei klieven, eng. In clcacc, angels, clcofan, splUien, deeien, alzoo oorspr.: deel, hydrage; dan een gezelschap, waartoe ieder hydraagh gezelschap van lieden, die op liepaaide tyden hyeenkomcil om over slaat s-zaken te spreken; eene gesloten verceniging, lie-stolen gezelseliap; socielell; pollileke vereenlging:

— club-huis, de plaals der hyeenkomst van zulk eene cluh; clubist, een lid eener cluh. Cluniaconsers, pi. nw.ial. een lak der

Benerth\'tynen-orde met strenger regel, in de 10de eeuw te C.lugin geslicht.

clmteus of clipcux, m. lat. een rond schild, een klein sehiidvormig horstheeid; V II. eene soort van schlldvormigen zee-egel; cly-peóla, f. nw.ial. Kol. hel schlidkruid.

Clyssoire, f. fr. (spr. kliso/lr\') lavemeut-spuit om zich zeiven een klysteer toe Ie dienen; in verbeterden vorm: clyssopompe,f.fr. co-, lal. voorzetsel z. v. a. con, z. aid. coacorveeren, lat. (couccnure: acei-kus, hoop, slapel) ophoopen, opstapelen: coacervatie (spr. I-Is), f. de ophooping.

Coactie (spr. I=ls), f. lal. {coucCid) dwang, gewelddadige aanranding; coacdo non cal i\'m-puluhflis, .lur. dwang Is nlid loerekenliaar; coactief of coactïvisch, adj. uw. lal. dwingend, gewelddadig.

Coach, f. eng. (spr. koolsj) koels, rtjlulg. diligence.

coadamioton, pl. verscheiden oorspron-keiyke nienschensoorlen,alsgeiykiyiiig met Adam gedacht.

Coadjutor, m. uw. lat. (v. mijn lor, helper; vgl. adju \\ ee ren) een helper, amhisliulp: inz. de amhlswaarnemer en voornil hepaalde of hevestlgde opvolger van een hlsschop of gees-ieiykcn vorst; coadjutoraat, n. het amhl van den coadjulor.

coaduneeren, lat. ico-adunurc) weder vereenigen; coadunatie spr. lt;=/s), f. de liereeuiging.

coeetanous, adj. lal. geiykiydig; als suhsl. de tijdgenoot, selionlvrlend, makker der jeugd.

CO^ternél, adj. nw.ial. (van aclemus, u, um, eeuwig) mede-eeuwig, geiyk eenwig; coceterniteit, f. mede-eeuwigheid, geiyke eeuwige duur.

COSBVUS, iu. la Ier lal., z. v. a. coa\'I a n eu s. coagmonteeren, lal. (coon men la cc) samenvoegen; coagmentatie, f. spr. /«-/sic) saiiienvoeglug.

coaguleeren, lat. (co-nnulare) stoll.....

sirenunen, verdikken; coaguleerende middelen, zulke, die hel hloed en de wel tol strcmnilng hrengen, slremmlddeleii; coa-gulabel, adj. stol- of slremhaar; coa-gulabiliteit, f. de slremhaarheld; coa-gllliitio (spr./—/.v), f. de stolling, hel stremmen; coagülum, n. liet gerounene; ook hel siremsel, de leh.

Coaita, z. sapajoe.

Coaks, n. pl. eng. (spr. kooks) liever sing, coak of coke waarsch. van cook, koken, lat. enqurre) verkoolde of zoogenaamde ontzwavelde steenkolen, waaraan men zooveel moge-Kik haar waterstof en zuurstof oniirokken heefl.

Coal, f. eng. (spr. kool) kool. steenkool: coalbroker, makelaar in sleenkolen; coaly spr. kooli), koolaehlig, koolhoudend, coalesceeren, lat . ook coa-


-ocr page 248-

COAPTEKREN

COOK

liseeren (spr. «=?), fr. (coaliser) zich vcrccni-«pn, innli; vrrbimlon, vcrurocliMi, versmolten; — gecoaliseerden, in. pi. vorhondenon, boml-K\'onoolen-, — coalescóntie, f. Int. hot vcr-«rooion, ilo InniKc voroonigiiijt; coalitie (spr. I=ls). f. tiet vorbnml, do voreontKliiK, de togen een ander samentioiideiido pnrtü (meestal voor een oegenhllkkeHjk doet en tegenover een gomoon-sctrnppetyken vgnnd); coalitie-minis-térie, O een uit verschillende partUen samengesteld ministerie (h.\\. in lingolnnd nit Whigs en Tories).

coapteeren, later lat. (co-nplare) samenvoegen, aanpassen ; coaptdtie (spr. Iie= /lie), I. de aanpassing.

coarcteeren, lal. ((O-ahinro: vgl. arc-tus) vernauwen, drukken, persen; coarc-tatie spr. lie^lsie), f. do vernauwing, verenging.

coargueeren, lal. (.cnarguUre: vgl. argue eren) overreden, wederleggen.

coarticuUitie (spr. Iic=lsie) r. uw.lat., /.. v. a. synarthrosis (z. aid.)

Coase, f. fr. (spr. ko-ddi\', N. Vmerikaanseh squashe, wnaruil door Unffon die vonnis gemaakt) oen naar den hunslng gelykend dier van liet geslacht der eivetdleren in Virginia enz.

Coassatie of coaxatie (spr. /=/.?), f. lal. {co-assalio, rn-axalio, van assis of axis, plank) eig. hel tieschloten met houlwerk, lio-vloeroii; Jur. do sainonslolling van Iweo van elkander geseheiden stukken eener staalsrego-ting in den \'riieodoslsehen nr.lnliaansehen codex.

Coat, m. eng. (spr. konl) rok, jas; coat of nms, hel geslachtswapen.

Coati, n. (ook r a c k o e n, s e h u p p) de noordamerikaansehe waschheer, mot een hniten-gemeen langen en lieweegiyken snuit; ook de /.amerlk. hunslng.

Coating, eng. (spr. kiilinri: van mal, rok dikke langharige wollen stof, dulTel.

cob, ui. eng. meeuw.

Cob of plata, m. eene munt te («itiral-tar, ter waarde van i realen.

Cobaltum, n. nw.lat., z. kohall.

Cobbler, m. eng. sehoenlapper.

Cobido of porl. eovado, m. (spr. ciibiln, \\an I lal. cubitus, ellehoog, el; vgl. eodo) eono elliMiiaat der Portngeezon voor oosllmli-sclie slolVcu, = 3 palmos — meter.

Cobler, m. ainerlkannsche drank, inz. s h e r r y - c o h 1 e r.

Cobra-cabello, f. port., liever cobra de capello van cnhm — lat. rnlübra, slang, en capelln, hoed, muts) de hoedjesslang, brilslang, eene der vergittigste en gevaarlijkste stangen in ladle, in Z.Afrika hij verbastering koper kap cl geheeten.

Coca, f . de honger- en dorst boom, een pe-ruviaanseh gewas, welks bessen men gedroogd als munt gebruikt, en welks tilt terachtige en welriekende bladeren om hun opwekkend vermogen gekauwd worden {Kruiliinxyloit rnra, /,.)

Cocagna, it. fspr, knkdnj») of cocagne, f. en pays ilc cocanne, n. fr. (spr. péï de —; eig. koekland, van \'1 11. eucca, lekkers, pro-vene. fr. enque, eatalon. rnra, koek, v. \'1 lat. rnqiKvc, koken, dewyi men zieti de hulzen als met koek gedekt voorstelde) luilekkerland, In het hoogd. se lila ra tfe nla n d; — rurrauna, II. (spr. knekdiijii) en mal de rorauiic, fr. (spr. md—) de klininiust, klouterboom, kokanjemast, een gladde of met \\et bestreken mast, van hoven behangen met eetwaren en andere zaken, die bij openbare feesten aan het volk worden prijsgegeven ; ook een volksfeest, waarbij wyn en eetwaren worden ullgedeeid; co-cagno, f. een weede- of pastelkoekje.

Cocarde, f. fr. (van ruq, haan, wegens de goiykvormigheld mei een hanekam) de hoe-donslrlk, een tianit, linl of roos van bepaalde kleur als veld- of partyteeken of als leus eener natie: de nationale cocarde.

Cocas, de schaal der kokosnoot, die In Slain en elders als maat wordt gebruikt.

Coccum, n. lat. (v I gr. kókkns, liezle) setiartakenhezie, z. kermes; vandaar: Coc-cinólla, f. (verg. cochenille) \\. II. onzea-l.iPven-Heers-haantje, de zonnekever, een zeker rood kevertje, waarvan men versetieiden soorten telt, onder welke de met zeven punten geteekende cocci nel ia zich inz. als geneesmiddel legen landpijn beeft dnen kennen; — coccdlus, in. een lot de lauriergewassen behooreml planlengeslaehl; cncciili /«(//ei, kokkelskorrels, roodachtige sleeiivnicliien eener soort daarvan op de Mniiikken ; cooculino, f. de biltere slof der kokkelskomds, ook pl-kroloxlne geheeten.

Coccyx, m. gr. [kókkyr, eig. koekoek) hel staart- of stiitlbecii; coccygëïsch, adj. het stuitbeen hetreiTende.

Cochenille, f, fr. (spr. kcmjenii\'lj\': als kwame \'I van een lat. woord rnrriniilti, cor-rinélla, verkivv. van het lal. rorcum, gr. knk-kos, kern, hes, luz. seharlakonhes) de ameri-kaansclie schildluis, van welke eene scharlakenverf wordt gewonnen; ook deze scharlakenkleur zelve (vgl. opunlio). cochenilline, f. fr. naam, door .lohn aan hel kleurende beginsel der coelienille gegeven, heivvelk tegenwoordig karmijn genoemd wordt.

Cochlearia, f. nvv.ial. (v.\'t lal. rorhlear, lepel) het lepelblad; r. nlflriiialis, lepelblad; c. nmortra, iiilerikwortel, peperworlel.

Cochlieten, in. pl. gr. (v. kórhlos, kneh-lias, tal. rachlra, de slak) versteende slakken;

cochloidisch, adj. nw.lat. slakvormig.

Cochon, m. fr. (spr. knsjnii: oorspr. jong zvvyn, v. cnche, zeug) liet zvvyn, varken; tig. een hoogst onzindelijk mensch; rnrlKin dc lail (spr. kosjóii-dc-lè), speenvarken; cochon d\'Inde, waterzwijn; cochonnerïe, f. de zvvynery, walgtyke morsigheid; vuile laai.

Cochonnet, m, fr. (spr. kosjonnii) een twaalfkantlg tolletje, dal de plaats van twee dobtielsteciien vervangt, ook lotoo geheeten.

Cock, m. eng. haan; — cockpit, ha-


-ocr page 249-

COCK KT 233 COËFFICIËNT

ncngcvoclil (elR. pliiiits voor hol hancnKOvccht); — cocktail (spr. -led: oIr. hiineslaarl) po-llefkoosde nmcrlkaansdio drank, uil een half iloziin ReeslrUkc slolïon bestaande.

Cócket, n. ciib. een Inlliricfjc, liowys van nllvocr in Engeland,

Cockney, tn. ciir. (spr. kókni: ouiI-ciik. cokenuy, van cockeney, cnkayiinii, lullckkorland, vgl. enennna) con vorlroctold kind, liedorven kindje; een londensclic gaper, slraatslijpcr; een spotnaam voor ile Inlioorllngen der elly van i.oiiden { tiet cockney of cockney-dialect, de gemeene I.ondensehe tongval en spreek-nianler.

Cockswain, eng. spr. knlis\'n) hoots-stuannan.

Coco, m. een drank der lage volksklasse te I\'nrijs, uil water en drop bereid.

cocodès, m. fr. spr. —dé: gevormd als maunellik van cocotte. /.. aid.) minnaar eener cocotte, ParUscbe lichtmis, modeheertje.

Cocon, n. fr. (spr. kolmii: verkleinvv. van roque, olerdop; lonnelje eener rups; v. \'I lal. rnnrha, sehelp, slakkenhuis) hel popje of lonnelje des ziideworms, zUileneitje.

Cocotte, f. fr. (in de kinilerlual = kip-poije) fatsoenlijke hoeh\'ersler, \\oornaine lieli-lekoul.

Coctie en COCtuur, f. lal. (coc/To, roe-hm, van enqufn, koken) hel zieden, koken, ile kokerij; de spysverlering; ook de koking iter ziektestof naar de grondstellingen der bu-inoi\'iml-pathologen; — coctum, n. iets ge-kookts, een afgekookte drank enz.

Cocu, m. fr. (ondfr. z. a. coucou, koekoek, van \'t lat. cuculns, nu uilslnilend gezegd van iemand, die eene ontrouwe vrouw heeft; en wel omdat bet inannelje van den koekoek er als \'t ware door bedrogen wordt, dal het wijfje hare eieren in hel nesl van andere vogels legt en ze door deze laat uithroeien), een horendrager, Iemand, wiens vrouw de huwelUkstrouw schendt, haren man horens opzei; cocuago, f. hel borendragerschap.

Coda, f. it. (= Hal. caudn) eig. de staart; Muz. het aanhangsel, toevoegsel, het slot van een muziekstuk.

Code, n. fr. (= tal. codex, •/.. aid.) een welhoek, eene verzameling van wetten en verordeningen ; code civil (spr. knnd\'siwidl), het hurgerlUk welhoek; c./iiliin/, hal strafwetboek; i\'. Naiwléon, hel Nnpoleontisehe welhoek.

Codebïtor, m. nw.lal. een medesehulde-niiar; codecernónt, m. de medehesiis-ser(vgl. decern ent); — codenunciaat, m. de niedeheklaagde (vgl. denu neleeren, enz.)

Codeïne, t. Chcm. eene der zoulvalhare liases van den opium.

Codex, m. lat. oorspr. caudcx, boomstam, stengel, dan een uil houten schrüfhordjes en lilaileren samengesleld hoek, in onderscheiding van rol urnen, z. aid.) In het algemeen een hoek; inz. wetboek, li. v. codex Tlwodosianus, Jas-liilMiièUS, enz., nu gewoonlijk z. v. a. codex maiiuscii/dux, een geschreven hoek, een oud handscbrift; pi. loilTces, of juister codices ma-nusciipli, lal. oude handsehriflen van dassieki\' werken, vóór de uilvlmling der hoekdrukkunst vervaardigd; codex Alexamlrinus, z. .Vlexan-drynsche codex; c. nrnenleus, het zilveren handschrift, een oud afschrift van eene gothi-sebe overzetllng der vier evangelisten, door bisschop I Iphilas in de \'ule eeuw vervaardigd; c. charlaclus, lat. een papierhandschrift, hand-schriftetyk werk op papier; c. diplomaficus, verzanieling van oude oorkonden; c. diploma-deus, eig. reusachtig handschrifl; de duivels-hijhel, een zeer grool folio-boek in ile konink-lyke bibiioibeek Ie Stokholm, met een gekleurd afbeeldsel dos duivels van achteren; c. mem-hrannerus, een perkament-handschrift; e. reseriigt;-lus, een opnieuw beschreven blad, na uildol-glng van het vioeger daarop geschrevene, gr. imlimpsesl: - codicil, n. (lat. codicillus, m., verklw. van codex, alzoo eig. een klein handscbrift, een schriftelijk opstel) een aanhangsel of toevoegsel tol een testament, een teslaments-hijlage; ook eene niet in den lestamenlsvorin vervatte laatste-vvilsheschikking; — codicil-laire clausule, z. clausi/la wdicillaris, onder c la u dee re n; codificatie (spr. I=ls), f. nw.lal. de welhoekvervaanllging, bet hyeenverzamelen der geschreven wellen en het daaruit samenstellen van een wetboek vooreen staal; codiflciitor, m. de vervaardiger van een wetboek.

Codille, f. en n. fr. (spr. kodiélf -, sp. co-ilillo) de ilubhele inzet of hoete bij hel omberspel, wanneer een der legenspelers meer slagen haalt dan de hoofdspelers.

Codiréctie (spr. /=.?), t. nw.lal. (vgl. dirigeer en) meilehesluur; — codiréc/or, m. medebestuurder; codivisie spr. .v=r), f. nw.lal. (vgl. divideoren, enz.) mede- of bü-iadeellng van een en helzelfile geheel nil een ander gezichtspunt.

cod-liveroil, f. eng. levertraan.

Codo, m. sp., eig. de elleboog (= fr. coude, van \'I lal. cubï/uin, cuhflus) eene lengtemaat In Spanje, genddilehl = 0,00 meier.

Coecum, n. ivan roerus, u, unit blind) de blinde darm ; CCDCaal, adj. nw.lal., daartoe behoorend; cceciteit, f. lal. cuscilasj de lillnilheld; CCBCOgraaf, m. onderwijzer der schrytkunst aan blinden; CODCOgra— phie, f. de hijzondere schrijfwijze der blinden.

coelfooren of coilï\'eeren, fr. (spr. lioaf -) van coi/fe, muls, kap. It. cu/fln, oud-hoogd. chupphu, hoofdhand) hel hoofd in orde brengen, het versieren; hel haar opmaken of kappen; coiffeur, ni. kapper, haarkun-slenaar; — coiffeuse, f. (spr.-eu;\') kapster, opmaaksler van hel haar; coiffure, f. hel hoofdsieraad, ile hoofdbedekking, het kapsel, inz. der vrouw.

Coëfficiënt, in. nw.lal. van eflieévc, bewerken) eig. medewerker; Math, de gegeven of slandvasllge factor eener onbekende of veran-


-ocr page 250-

ClKLEBS COFFRE

ilorlgkc {.\'roolhclil; zoo zijn n, b, r, de coclli-cIBnlon van ax, hu, et; 4 is de coi\'iï. van l.i\' enz,; hct\'fl cenc Rrontliciil ^option factor, dan kan men zich ilc eenheid als haren cüiSlllclünt denken; coëfïlcióntie (8|ir. /=/.lt;), r. de inedewoikint;.

Ccelobs, in. lat. (cneleüx of aielebs) een onRetuiwd persoon; coolibnat, ook C86-libaat en celibaat, n lat. ivciihdius) de onKeluiwde staal, het eclitelooze leven, door paos •IreKorlus VII (Hlldebrand) aan ite r. katli. ireestelijkheld opiielend; - cólibataire, in. fr. een oude vrijer, een in den ongohuwden staat levend mun

Coelestinus, Caedestina, enz., z. op Celestlnosj CcBlestina of Coeles-tine, f. de c IH v I e r- en o r e I h a r in o n I k a, een door Zink in 1quot;\'.\') iiilftevonrten muziekinstrument, dat li verschillende spei\'llulgen In zieti vervat en » klavieren heefl, «aarvan het ho-vensie de Frank I Insctie harnionika speelt, het iviiddeistc een pianoforte en het onderste een staartstuk zonder wippertje is; coeles-tijnen, m. pi. eene monnikenorde, gesticht door Peter van Murrhone, die In Hlti onder den naam van Cadesllnus \\ paus werd.

((rliucus, a, nin. lal. (van kniliu, hulkliolte, maas) wat lot de incewandeii helrekkluv heeft ; — Cceliacus, lat., of koliakos, ar. m, een maadUjiler, leniand van zwakke verteriiif;; een lijder aaa hidkloop; cculiaca, f. (ar-liüca passtd of ai\'liacm morbus, de wille huik-loop; — ccelialgie, f. de huikpyn, huikwaterzucht, ook eene onderbuiksziekte in het al-aemeen; coBliitis, f. do liuikontsteklnu ;

OceliocëlG, f. tie huikhrcuk; coelión-CUS, in. een hard (iczwel aan den imik ; coeliophthóë, f. de hulkterliip; cce-liophyma, n. een week «ezwel aan den tiuik ;

ccElyopyösis, f. ellerintt in hel omler-lyf; coeliorrhoea, f. de bnikloop, z. v. a. diarrlHca.

Ccelibaat, z. ond. ea\'lehs. Coelicólen, m pl. tal. (coelkolae, \\. kv-turn, hemel, en rotrre, helKiiiwcu, liewonem lie-meltiewmiers, hemel hursers.

Coelison, n. (van \'t lal. rcplum, liemel, en snnus, klank ei!:, hemelklank; soort van kla-ler van vier octaven, dat hespeeld wordt door het aanstrijken van een dunnen houten horizon-laai lijjRenden stuf, ulttrevonden door M a si o vv-ski te Posen.

Coeloma,ccBlomotrie,z. k o i I o m a, enz. Coeineterium, n. \\ quot;l «r. twimelannn, van /coimnii, in slaap maken, passlv. Inslapen) de rustplaats, slaapplaats, hof des vredes, de hcKraafpiaats, het kerkhof.

Coëmtio spr. lt;=.v), f. lal. locmtio: vul. emtïoi de medekoop, Kemeenschappemke koop; ook een ond-rom. vorm van hel huwelijk aan te Kaan, in een schUnharen koop iiestaande.

rwmi, f. lal. het avondmaal, de tioofilmaai-tyd der oude Komcinen; rivnu iloiiitni, het avondmaal des lleeren, het lieilii.\' avond- of nachtmaal; imxl ciemim shibis, seu pusmx mille meu-bis, lal. sprvv. na den maaliyd moet j-\'ij staan, of een duizend schreden gaan; c. lyniiii, armoe-ill(?, eenvoudlK maal; r. niqiliaHs, hruiloftsmaal. — iwiiaiiilum, n. de eetzaal, het spijsvertrek, inz. in de kloosters, z. v. a. refectorium; ook het laatste avondmaal van Christus en de voorstelling daarvan op de beroemde sehilderij van Leonardo da Vinei (11. cenarulo).

CoBnoesthësis, f. (tr. (van knimix, uemeen, en aisllüsis, z. a) 8 the sis) het altremeen se-voel, de alftemepne bevinding.

Coéndoo of cuandoe, eene soort van stekchticren in Oulnna en Brazilië. Coonobium, enz., z. kienoliinm. Cconologie, z. koinoloifle. Coepiskopus, in. lat.ur. de medehlsschop, z. \\. a. co a dj u I or.

coërceeren, lat. (iv-einrc) in toom houden, lemmen, betoomen, aan banilen leunen; coërceerendo middelen, iiwatuimidde-len; coërcibel, adj. nw lat. hedwinubaar, tembaar; coërcibiliteit, f. de heilvvinu-tiaarheld, betoombaarheid; coërcitio (spr. /=/.«), f. lat. (rocirilto) de beperking, bedwtn-uinu, dvvanu; coërcitief, adj. nw.lal. bedwingend, een dwanurechl bevattende; coël\'-citieve kracht, f. de kracht, die de helde magnetische vloeistolfen wederstaat.

Coësséntie (spr. /=/.*, coëssentiali-teit, f. nw.lal. (vul. essentie) uelukwezen-held, uelijKIlelil des wezens in de drie uodde-Uike personen; coëssentiöel, adj. uc-Hjkwezlu, van i: cl ijk wezen.

coëtanëus, z. ..........us; coë-

terniteit, z. coa\'t ernite 11.

Cootus, m. lal. eene verzamellnu, vereeni-ulnu, Inz. van scholieren of toelioorders, eene menlule, een hoop volks.

Coeur, m. fr. (spr. keur: van \'I lat. ror het hart ; de hartvormlue tluuur op de speel-kaarten; Coeur lie lion. Leeuwenhart ihijnaam van koninu Klchanl I van Knueland; de bon meur, van jfoeder harte, van harle uaarne, vrij-wllllu; Snert! roeur, quot;liet heltlffe Hartquot;, naam van weldadiubeidsinslellinuen.

coëxisteoren, nw.lal. (vul. exlstee-re n) te uetyk z(in of bestaan, mede aanwezlu of voorhanden zijn; — coëxistentie (spr. /ic=/.tie) f. het mede-aanwezlu-, teucHik-aan-wezlu- nf voorhanden-zijn, hel medebestaan.

coëxtensie, f. lal. de evcnuroole ultuc-strcktheld; eoöxtensief, adj. zich even ver uitstrekkend; l\'el ijk van omvanu.

Colféa, f. Hot. kottieiioom; coffeme, z. ond. koffie.

Cofflla, een arahlsch ucwiclit, omtrent = l,ii wichtje of urannne.

Coffre, m. fr., koffer (provcne. en sp. cafre, II. rófann, kisl, kasl, kolTer, van \'I lat.-ur. rojilifnus, korf) de kist, de reiskist ; COfifres, m. pl. Mil. de onhedekle, van boven open caponnlércs (z. aid.), die aanucleud worden tol dekklou van den overtocht van ves-


-ocr page 251-

COHfJE

C0F1A

liiiUKiiu hlcii, om dusdociiili\' zon liuiff riiOKiilUk ijl volllge Bomeciisclmi) met de bullpiiwcrken In biyven; — colFer, puk., ook smak, een cngclsch werkluie tor vonilidlnu viui sclicpon, sprliiKklst, viiurklsl; eolfreeren, ullhol-1«»; opsluiten; coffrage, f, (spr. kolfrii-tj\' de ultholliiif; en hetlmmerlng vnn mUnen of iiard-s-Toeven.

Cofia, f. sp. hoofddeksel, muls (I). v. In (laïro).

Cofldejussor, m. nw.lnt. de medehorK, iiok wel cogarant «elieeten

Cofradia, f. sp. luwdersehap (inz. jtods-dlcnsllfte),

cogeniaal, ndj, nw.lal. (vgl. genie) ver-wunl miiii\' den geest of liet vetnufl.

cogeeron, lat. (coiirre) samenluengei], vei-z.amelen, dwingen; cogentia, f. de dwingende kraeht; liet «ewcdd; cogént, adj. dwingend, werkzaam; gewichtIg.

Cogida, t. sp. aanval (des stieienbeveeli-tors) op den stiel\',

cogiteoron, lal. {iniiitarc, samengeti\'. uit cu-uiiilare, eig. in den geest iets heen en weer hewegen) denken, overwegen; cof/ïïo, enjo sum, ik denk, alzoo lien ik (de philosoplilsche lioofdslelllng van (iarteslus of Deseartes); cogitabel, adj. (lat. iw;i7((/jï7i.s, e, denkhaar; - cogitanten, m. pi. (leuker, vrijdenker, een soort van godsdienstige secte, die alleen de rosHltaten van liet denken erkennen; co-gitatie (spr. lic—lxic), f. (lal. lOflilalw) het nadenken; de overweging, overdenking.

Cogmoria, f, eene zeer iljne hnliselie moessclieneii slof.

Cognaat, m. (lal. muiit/lus, pi. rnijiutli letlerUjk een niedegehorene in \'I algemeen een hloedvenvanl, inz. een aanverwanie door \\riin-welijke arstauiining, d. 1. met welke de ver-vvanlsrliap door een vrouweiyk persoon heeft plaats gehad (spilzyde), vgl. agnaleii; roynali c.r haiilismo, door den doop verwanh personen (In liel r. katll. kerkreehl ; de ver-vvantsehap lussehen zulke personen heet rm/mi-Uii spiriliKdis, geesleiyke verwanlsehap; ■ (Dfinali e.r Irun\'rso, zyverwanlen; cogna-tie (spr. I=lxi, f. (lal. nifinalïo, de verwantschap door vroiiweiykc afstamming; in \'1 alg. -lam- of hiocdvcrwanlschap.

Cognac, in. fr. (spr. kunjuk) oorspr. een voorlrelTeiyki\' llordcaiix-w (jn uil de slad Oignac; llmns; elke zuivere fraiische hraiidewijn of uil wgo gel rokken alkohol.

cognatie, /.. ond. cognaiii; cognitie, enz., z. ond. eognosceereu, enz.

Cognomen, n. lal. de liynaain, loenaam . hij de Komelnen: de familienaam, de toenaam, welke nog hü den geslaelilsnaam (mimen f/cn-liliriuini gevoegd werd, zooals Circiv hij Tul-

liux, sripid hy Cnnirlius: cognominee-ren, \'lal. roiinniniii.ire] een iiijnaam. loenaam geven; oognominatie (spr. i =/.s), r de aanduiding mei een tnenaam, liet hyiiaam-geven. cognosceoron, lal. [wiiiwnrtlre} erkennen ; gereehleiyk miderzoekeii, in hel verhoor nemen; cognitie, (spr. (—1»), f. (mi/m-/T«) de kennisiieinliig, het onderzoek; cniinitxn causae, hel onderzoek, de overweging vóór de gereehtetyke uilspraak; c. cxhaordiiiarta, liui-tengewoon gerechtelijk onderzoek; — ninniHn inlutlu, l\'hllos. liet aansehouwetyk kenvermogen; e. si/mbnftra, liet li^iinrlijk kenvermogen (z. figuurlijk); absque rausae couniltune, zonder voorafgegaan onderzoek der zaak; -cognitionaal, adj. (lat. lt;nqiiilioii(/lis, e, tot liet jrori\'chlolUk omhMv.ock hchooretKh*; -connilinndtflcr, vcrhoorsifcwys, voljrcns vciiuior; — cognoscemént, n., /. oud. conn als-sa II cc.

Cogónho, m. port. soort van boom (//e.r parafiuayensis).

cohabitGeren, lat. {rohahilttre) samenwonen; cohabitant, m. de medebewoner, ook cohabïtor; cohabitatie (spr. (ie=lsici, f. de samenwoning.

cohajreeren, lal. {enhnenre) samenhangen, aaneenkleven, samenlioudeii; cohoe-ront, adj. lat. mhfurens) samenhangend ;-coheeréntie spr. l-ls) of kracht van coha3Sie, f. de kracht van samenhang, blnd-kracht; cohöesie (spr. s—t) IMiys. de samenhang, de kracht, waardoor de samenstellende deeltjes van de lichamen worden aaneen Schonden; oncljf. ook de samenhang oener ri.i van denkbeelden enz. (In den laatsten zin zept men echter liever con next telt of enkel nexus); cohsesief, adj. samenham; bewerkend (»f aan den daj; legend.

vo lit res, of rohacres, m. lat. (vffl. he res een mede-erfgenaam (pl. coheredes).

Cohi, m. Inhoudsmaat in Stam voiu\' granen, = \'ili liters.

cohiboeren, lat. {vohibire) terughouden, maligen, beperken; — cohibitie (spr. f. de terughouding.

Cohier, in. (verbastering van cahier, z. aid. de scliattingsiyst, het schattingsboek.

CohinG of coliyne, f. Hot. een ameri-kaansche boom van I kalabasgeslachl, waarvan de schors lot het maken \\an vaatwerk wordt gebrnikt.

cohobeeren, mid.lat. {vohobdvc, Ir. roho-her\' (\'.hem. herhaaldelijk distilleeren, hetgeen men doel door op het overhlijfsel opnieuw In t overgehaalde vocht te gieten; cohobatio (spr. /=/vi, f. de herbaalde distillatie van vloei-stoiren.

Cohorte, f. lal. [cohórs) eene krygsbende, schaar, een rol, bü de Uomeinen het 10de doel van een legioen, «lus MO man; ook lyfwachl, gevolg.

cohorteeren, lal. [cohort a re \\ vermanen, aansporen; cohortatie (spr. Iii;=lsir\\ f. (lat. vohorlniïn) de vermaning.

Cohóspes, m. later lat. (vgl. hospes een medegast.

Cohras, pl. oost Indische zakdoeken.

Cohüe, f. fr. (mid.lat. cnhua, eene markthal.


-ocr page 252-

COIFFEEREN 236 COLIFICHET

I amur.-coll. kochu, kar hui, kochi) llians iiok; de iiaum van hol lokaal dor stalea-voruailo-riiiK van \\ crscv; Kowoonlük: 00110 razomlo, licromlc, verward door (•Ikaiuler schroeiivvondo nienlKlo.

coiffoeren, coitfeur, coiffure, ■/.. coëffooren, enz.

coih, ni. fr. (spr. provenr. co nu, cunh,

il. conio, van Mal. run^us, beilel) hook; de stempel, muntstempel; liet stukje lood, dat aan Uc stolTen wordt bevestigd.

coïncideeron, nw.lat. (\\«i. lucldee-ren) In elkander vallen, samentrefïen, te p:eiyk aankomen; hu elkander passen, elkander dek-kon; coincident, adj. Inoenvallcml; — coïncidéntie ^pr f. hol sanienlreiïoa,

samenvallen.

coin/lïcans, nw.lat. (vjfl. In dlceere n) Med. mede-aanwyzend; coïndicantia spr./=/.lt;) n. pi. verschyuseleu, die in overeenstemming met elkander de aanwendinji van het eene of andere {jeneesmlddel aanwgzeii; coïndica-tie (spr. /=/.s\'), f. de mede- of byaanwyziiiK.

coïnspiceeren, nw.lat. v^i. inspicoe-ren) hel mede-opzicht liehben, luede-toezleht houden;- coïnspector, in. de mede-toeziener, mcde-opzlebter; coïnspectoraat, n. de po-it van luede-toezicner.

coïnvesteeren, nw.lat. (vgi. in \\ est ee-ren) medeheleenen; rniinrs/i/i, u). i)\\. mede-beleenden; coïnvestituur, f. de mede-beleeninff.

Coïon, m. fr. spr. kojuii: van quot;t provene. en fr. roillon, it. cofilinnc, hal- of klootzak, en dit van \'1 lat. rnltlus, verwant met cal rus, zak) gewoonlijk koejon, een nietswaardig luenseh, deugniet, rekel, schurk; een lafaard; — coïon-neeren, I^ew. koejon nee ren, smadelijk behandelen, gemeen bejegenen; zonder reden, uit moedwil plagen, lastigvallen, drillen; —

coïonnaden, r pi. ............den, coïon-

nerio, f. oone neineene, siiiadol(|ke lieje^erdn^, een schtdrnen-, linevenslreek.

Coitio (.lt;|ir. I=ls), 1. lal. [roitio, van rn-irc, saniongaiin, zich voroeaiR(!n, paron) hel samon-komea, do samoakotnsl; vereealKinR, vennon-Klag, hyslaap; Kew. coïtus, ni. de liijslaap, vleoschciyke vermenging; coitus nnlicipulus, oen Ie vrnoR of voor hel Imwelijk gonolen bUslaap; lOilus dumniilus of illinlm, een verhoilon, ongeoorloofde hyslaap, inz. lusschon hlnedvervv anion, Idoedsehande (.lor. onoelllc kinderen e cridu dnmnalo, d. 1. uil eelilhrenk of Idoeilsrlinndo go-horono); cofluin exereëre, don hyslaap nlloofo-non, oeno vrouw beslnpon.

Cojóte, m. van I spaanseh-inexlkaansch loyótc, (lidioomseli) de aniorlkaansohe prnlrle-wolf, oon iniddehvezon Inssclien vos, wolf en hond.

Coke, de afgozvvaveldo sloenkolen, zie e, o a k s.

vnl-, lal. voorzelsel, z. run ■ — col, ilal. voor con il, mei doti of hel, h. v. Mnz. ml sordino, mei den demper; f. co!ld, mol do, li. \\. collu desiru of sinislra, en and. Ie zoeken onder hel I vvoodo woord.

Col, m. fr. (van\'I lal. allium) olg. lt;le hals; slropdas, gospdas; (leogr. hergpas, pas, smalle doorgang lusschon Ivvoe hergen, Inzonderhold In de Alpen.

cola, z. ond. ooi oor on.

colaphiseeren (spr. s=z), fr. [colu\\gt;Mser. v. I gr. kólaphos, oorvyg) oorvygen of mullporon geven (nfkoinsllg van oen gohrnlk, dal In de middeleeuwen le Toulouse heslond, om op 1\'aasch-dag eiken Jood oen slag om hot hoofd lo go-von, uil weerwraak voor dien, wolken .1. hij den hoogeprieslor had onlvaugen).

Colascióne, li. ( pr. kolusk—), cola-chon, m. fr. (spr. knlasjóii) Muz. oeno ilal. lull mol zeer langen sloel.

Colatie, colatuur, enz., z. onder 0 0-i e o r o n.

col canto, Ilal. Mnz. mei zang. Colchicum, n. lat. (nvv.lal. colclücum iiulumnulc) de herfsliyioos, oeno glflplaid ; colchicine, (ihem, do daarin vo/valle eigenaardige zdiil hilsls.

Colcothar, m. colcutliür ritriuli, oen door l\'aracolsus ingevoerd woord, vvaarselnjnlijk uil hol arah.) ongolsoh rood, hel roode yzoroxvde, ilal men hij de heroiding van hel zwavelzuur door disllllalle van hol yzervilriool als ovor-Idijfsel holioudl, als sohlldorsvorf gohrulkl.

cold, eng. (spr. kootd] koud; cold-croam, n. eng. S|ir. koold-kricm), olg koude room: oeno in Kngeland uilgevonden verkoelende wille zalf logen nilwondlgo onlsleking, enz.

Coleïtis, coleoptera, enz., z. koioï-I i s, enz.

Colère, f. fr. .spr. fco/ér\'. van \'I gr. chölox. gal, o ndat de tourn inderdaad do gal aandoel. en inenschoii van galaelilig leniporamenl zeer prikkelhaar zijnl loorn, gramschap, oploopend-held; coloriek, ailj. fr. eolérique) haaslis. oplonpend; zie vorder ond. chol

coloeren, lal. (coturc) doorzijgen; colli. Mod. z.yg donr (op reoeplon); colatie (spr l—ts) of colatimr (afgekort col. of colul.), f. de doorzyglng, lillroering; ook do doorgezogen vloeistof; -- colatormm, oen zijgdoek, door-zijgdoek, fill rum; colatoriën van hel mensclieiyk lichaam, organen, door welke do nil Ie werpen slolfon horeld en uil hol lichaam afgevoerd worden.

coleriek, /.. ond. colore.

Colöta, f. sp. haarluis, inz. die op den nek dos lorero\'s afhangende, waaraan de moiin he-vostlgd is.

Colibri, z. k o I i h r I o.

Colica, colicodynie, colicoplegie, coliok, z. ond. k o I o n.

Coliflchet, in. fr. (spr. kotiflsjit ■ van rol, rou, hals, en fichcr, vaslmakon, vaslsleken; dus olg. haislool) allerlei voorwerpen van opschik, heiizelingon, snorropyperij, sieraden van geringe waarde, valsche sieraden (in tuin-, houw- on rodekiinsl).


-ocr page 253-

COLLÉCTK

COL IS K HM

\'2:57

Coliseum (if colossêum, n. lui. (iiiiiii-ildii lo Rome door Nero opgcrlchlon kolossus zoo Keuocmd; vkI. kolossus), coliséo, 11. to Rome hel overlilijfsel vnu hel «rooisic um-l)hllheulcr der wereld, door keizer Vespa-sliïnus RCliouwd, die er 14000 aevuntfen .loden unu Hel werken; hel was oen wezcniyk amphlllieiiter, d. i. nelieel ronde schouwplaals, mei minde \\oor liooo uanschouwers, en Is nu de liidrukwekkendsle ruïne van Rome {dum Colosseum slahil, Horna .ilahil; dum Homo slabil, iimnilus slahil, «zoolanj.\' hel colossêum slaal, zal Rome slaan-, /.oolnu},\' Rome slaal, zal de wereld hcslaanquot;, spreuk van Itcda lu de 8c lt;^\'11»\'); In laleren lijd dc licnamlnK van Kroole pracliljrebouwen lol openhaar vermaak lu ttroole sleden.

collu, Hal., vgl. col.

Colla, f, lal. (sr. kólla) dc lijm; klccfslof, als voornaamsle voedluRsslof In hel meel.

collabeeren, lal. (rol/aOi) Invallen, samen-valleu, h. v. van gezwellen ; zinken, dalen, h. v. van de kraehlen; collabesceereu (lal. collabescrre), vvaftKclen, houw vallij worden; — collabescónt, adj. bouwvalllu, zwak. collabescentio (spr. l=/s), r, uw.lal. de liouwvalllKlield-, collapsus, m. uw.lal. hel zinken der kraehlen, Inz. hij den naderenden (lood.

collaboreereu, lal. (rollahonire: vul. la-hor c c r e n) medehcarbclden, semcensehappclijk werken; collaborator, in. mld.lal. een medehevverker, helper; collaboratuur, f. dc posl van medehearhelder, helper.

Collactanéus, m. lal. (v. lac, melk, rcuII. luclis) dc melk- of zoojjhroeder; collacta-nëa, f. de melk- of zooKZiisler.

colla deslru, II., /.. ond. dexler. Collana, r. II. (colldna, collo, hals) de halskelllng, ordekeleu.

colla jiarle. Hal. Muz. mei dc hoofdslcin mede le gaan, zich daarnaar Ie richten.

Collapsus, ■/.. ond. colla heer en.

colla imnla dril\' aren. Hal. Muz. met de punt van den strykslok.

coll\' hit», II., z. ond. ar co.

Collare, n. lal. (van collum, hals) een hals-liand, halskraag; luz. een donkerkleurige halshand met wille slrooken of kant, een kenmerk van R. kalli. geesleiyken.

Collas-manier, f. een door den Frausch-inau A. Col las In ls:i0 uitgevonden handelwijs, om door middel van eeuc machine aa-maaksel van verheven voorwerpen in kopergravure voorl le hrcugen.

collateraal,adj. nw.lat. (van eon- en latus. «cnlt. laléris, zijde) liclgcen van Ier zyde met iels anders in verhand staal, zydcllugscli, zij-waarlsch, eene zijwaarlschc plaatsing hehhende-.

collateraal, n. recht van successie, he-lastlng op hi\'t aanvaarden van eene nalatenschap of een legaat; — collaterale erfgenamen, ervende zyvcrwanlcn; collaterale erfenis, eoll. successie, f. eene erfenis, welke aan ceuen zijverwant dos geslor-venen overgaal; — collaterale linie, r. dc zijlinie, zyvervvanlschap; - collaterale verwanten, collateralen of collalerules, zij-verwanlen, dezulkon, die vun broeders of zus-Iers afstammen; zy slaan tegenover de verwanten in dc rechle op-of afdalende linie, d. 1. tegen de a «ce nden I c n en il c see n de n 1 e u ;

collaterale werken, dc hy werken eener vesting in heirekking lol andere, die zoo zijn aangelegd, dal zy elkander wederzijds kunnen verdedigen, li. v. hel ravctyn len opzichte der helde hijliggende has lions, en omgekeerd; collatereeren, eene zekere wijze van hoornen le enten.

Collatie (spr, t=ls) I), f. lat. (eollntio, elg. liet sameudragen, van confém, hijeeadrageu. vergelyken, overdragen, verleenen, enz.) de ver-geiykiug of het legen elkander houden, inz. van geschriflen; ook z. v. a. Ir. collation, f. (spr. kola-sjoii: mld.lal. cnlluïïn en eonferlmn, van conferee dapes, d. 1. spijzen opdragen) een lichte of geringe maaliyd, een half- of tusschenmaal; een licht avondeten, luz. een maaliyd van koml vieesch, gehak en andere vervorschlugcn, In onderscheiding van een gewoon warm maal; -ook z. v. a. collatuur, f. nvv.lal. het recht om eencn post, inz. eene predikants- of oiidcr-wyzersplaats te hegeven, le doen hezellon; -collator, in. de verleener van of henoemer lol eeuig amhl, inz. Ilt;d een predik- of school-amht; ook: vergeiyker van verschillende hand-schrlflen en — enllalw honurum, lal. Jur. luhreng van goederen, il. 1. de welsliepallug, die de erfgenamen verplicht, om dc onder dc levenden geschonken goederen van den crilater hij de hoedclschciding in te hrengen; eollatio dolis, Inhreng van Imvvelijksnllzct; colla-tioneeren, nw.lat. (fr. collalionner) een af-schrifl mei tiet oorspronkeiyk sink vergelyken; ook een ongebonden boek tdad voor tdad door-loopen of overtellen, om le welen of het kom-pleel is; In orde brengen; ververschingen gebruiken, ecu tiissclienmaal nemen; colla-tioneering, 1. hei doorzien, nazien der hoeken by boekbinders en boekhandelaars.

Collaudatie, f. lal. (coHaudattn) lofver-helling; eeuc eenstemmige, gcmccuschappciyke loflulllng.

colló, adj. fr. (v. collcr, lyinen, plakken ; vgl. colla), dg. gcplakl, gelijmd; in \'I blijarlspel. diehi legen den hand liggend; collé-bal, m. een onder den hand liggende hal; collé-stoot, m. een handstool, stool van onder den band.

Collécte, f. lui. (collértu, van cnlli{tgt;!re, liij-eenzamelcu) eene inzameling van belastingen of schaltinxcn, geld-, gifleulnzaineling; hel Ingezamelde geld; in de R. kalh. kerk: oen altaargebed, eene korte spreuk of een tekst, dien de gei\'steiyke aan hei allaar afzingt of leest; ook de verkoop der siaalsloiery-lolcn; collectanea rf collectanéën, u. pl. verzamelde aanmerkingen, herichlen, gedachten idt boeken.


-ocr page 254-

COLLKGA

COLL1EU

U\'osvrui\'lilt\'ii; L\'nn ultlrfksolbock; eollectio gt;|ii\'. I=s), (. (Int. collecffo) dc vcrzuini\'llnn, hot aantiil, do mentgto; — collecteeren, nw.lnl. hizameloii, hUoenhionuon, uiiluilon voor ilo nr-mon of noodlUilondon, —collectant, m. 0011 Inziimelanr, Inz. vim Ravon or aalmoozun; — collectiitie (s|ir. lie—lsic), f. Iiot liizamoleu, helTon van (jddoiykc hgdra^on; — collecta-tie-recht lal. juscol/erlanili), hot Inzainol-, holllnnsiochl; hevoouhold om (.\'old In to zamo-lon; — collectief, adj. lat. ivllechnui, «, um, als adv. i\'nllilir!\' Ncrzaniolcnd, volo dlniron van oono soort samonvattond; (.\'omoonschaiipoiyk. In aliromoon o|izlohl; collectief-glas, oon voroonlKlnKsslas, vorzamol^las lol vorslorkliif! van oon brandglas;- collectieve nota, f «o-nioonsi\'linpiiolijk dlploniallok schryvon van vor-schoidon rofioorlntron; collectief vonnis, n. ftozaniotdUk vonnis ovor vorscholdon porso-non; ro/M/im, lui. kort, samonvaltcnd, sum-marlsoli; collection,fr., ro//«;ionc, f. Hal. Muz. vorzanioltrKr van mnzlokslukkoii; collectivum of collectief, n.. z. nonion;

colléctor, ni. I\'hys. d« cloclrlollolts-voiza-inolaar aan do oloolrlsoorniaohlno, looste! om kloino hoovoelhodon cloclrlcllolt to vorzamolon on trooiakkciykiT lo knnnon aanloonoii; vrI. oondonsator; — collecteur, in. fr. oon verzamelaar; do door hot ryk aanKOsloldo vor-koopor van lolory-lotcn.

Collega, in. lat. oen amhlüonool, anihsl-liroedor; inodearlioldor, modolooraar, niodeon-dornijzer; - collogaschap, hi\'l amhluenoot-schap; collegium, lal., collegie of college spr. —yquot;) n., pi. collegia, -ovv. col-legies of colleges, leder lol oen bepaald dool voroenlttd jiozolsohap, aiiiblsaezelsebap,-ver-oonlijhi)!, -vcrKadorlnu; do vergaderplaats zelve; ook oiioIk. de lessen der professoren aan dB hoo-gosi holen en alheiiioen; In Frankrgk en Itelulë collége, n. (spr. liollè-tj\') openbare school, hooaesohool, gymiiasluni ilnz. (foniooiilolijko ; In Knceland college (s|ir. kallidtj\') oene soort van hystloblliitren dor liooKesebolen, waarvan ilo studonlon {fellows) mot do loermeeslors en ro-Konlon {tutors) in afzonderUike «ohouvvoii bij elkander wonen; — rollcijmm illüstve, lal. oene hooRCsehool voor jonjie edellieden; c. meiltcum, de raad der tiozondlielil, uozondbeldsraad: r. musirum, weleer; cone biillencewono orkost-repelltle van reeds pokende slukkon; r. imhli-rum, oene openbare voorlezing of los, die om-iilot door don loeraar wordt Kehoudeii; r. pri-iilitum, oene byzomlore les, die door do loo-boorders betaald vvordl; r. prirutiuhnum, les, die enkel voor óenen of voor weinlïen wordt uehondoii; r. surrum (II. surro lolleqto), de bei-lllfe vergadering, n.l. der kardinalen te Kome;

flnancio-collogie, ile raad van boboer, het lichaam, dal mei liet hcslmir van de slaats-imishoiKilii^ helasl is; collegiaal, or als adverb, rollefiidhlcr, nw.lal. amhlsbroederiyk, eenslemmijr lit liedlenln^: (leven, handelen, enz.); In vergadering van al de ambtsbroeders; met

bnnno toesionimlng; -- collegiaal-systeem,

n. in hol staatsbestuur: do Inrlcbling, volgons welke oene handeling dor rogeerlng, oen openbaar bevel, besluit, enz. niet van een enkelen slaatsainbtenaar, maar ton minste van drie slem-voerende medeledon moot uitgaan (in tegenstelling met huroaukra11o); In bel korkoiykc reebl: het stolsel, dat de kerk, onafbankeiyk *

van den slaat, uit oene voroonlglng van vryo mcdoleden bestaat, die bunne aangelegoiihedon door genoolsebapsheslnllen bopalon (In logonsl.

met hel territoriaal en e pi sko pa a l-s vs-1 e e m); - collegialiteit, f. bot amblgenool -schap, do aniblsbroederiykhoid; Collégi-anten, ook Rijnsburgers, m. pl. oon gezelschap of gonoolsehap, na HUI) Ion gevolge der nilshandollngon, waaraan de Romonslrantoii in Holland toen ten doel stondon, opgerlclil door do drie gebroeders van der Cod de Ie Warmond, later verlegd naar Kynsburg; de vergaderingen, die ook elders op hun voetspoor ontstonden, noonide men collegiiin; geono Ityzondere leerslollingen, maar liefde en ver-draagzaainbold, vry van allen seciegoost, was bun kenniork; legen hel einde dor isde eeuw geraakte hun gonoolsehap In verval; — col—

legiaat, m. oen sliflslld, slichlshoer; ook n.

hot siifi zelf; - collegiaat-kerk, oen.......

dersliflskerk; oone dom-of silohtskork, die gee-nen bisschop, maar enkel oenen proost of deken aan haar hoofd hoofl; collogiatuur, f. op univorsltolton een gebouw, waarin slu- c?

(loerenden onder opziohl van leeraars bU clk-ander wonen, eerst lo i\'arys, later ook op dull-sebe unlversitciicn opgerlchl; medelid van een akadomisch gonoolsehap, ilal de inkoniston van de aan de akademie beliooronde gebouwen (col-iogialuren) gentel.

Collegatarïus, in. lat. (vgl. I o g a Ian n s, oud logooren 1), een deolbehhor aan oene vermaking of lesiameiilshescbikking, mode-erfgenaam.

Collegia, colleg(i)e, collegianten,

enz., z. oud. collega.

rol h\'Ono, z. log no.

Collerétte, f. fr. (van col, rou = lat. iol-lum, bals) een kleine doek of shawl, vvuarmeile de vrouwen zich soms den hals en do schouders bedekken, oen halskraagje; —collet, n (s|ir. kolé, 11. collétto) een rUbuis, rnilorvesl, oon ryvvamhnis, kolder; lomand by zyn co 11 el grypen, d. i. hom bü den kraag nemen, hem gevangen nemen.

Collesis, colletica, z. kolles is, enz.

Colli, z. collo.

collideeren, lal. {collidfre) op elkander m\\

slooten, samonlrelfon, elkander onlmoeion, liol-son; ook mot elkander Ivvislen, slrijdon, In aanraking komen;—collisie (spr. s—:), f. (lal.

coltisto) hot op-olkander-slooton, do bolsing, hol legen-olkander-lvvislen of -druischen van krach-Ion, wellen, plichten, enz.; do beklomdiioid.

vorlegonbold, nood.

Collier, n. fr. (spr. ko/jV,- lal. cotlurr, z. aid..


-ocr page 255-

COLLIGEEREN 239 COLOMNE

van allium, fr. col, cou, hals) de halslinnd, lid halssnoer, de halsketen.

colligeeren, lal. (colligare) zamelen, Inzamelen, verzamelen, KevolKlrekklngen maken; verhinden, hinden; zich herstellen.

collimeoren, lat. (collimare) een minmerk hehhon, hedoelen, zün uitzicht op leis vestluen ; — collimiitie of collimatie-lijn (spr. /=/.«), f. Astron. de Kezlchtslün, de rechte lyn, In welke hel oüj: met een Inslrumont op een Ie moten voorwerp Is (jerlcht «f vlseeri, h. v. iiij de verrekijkers de lijn, die door het middelpunt der helde Klazen Kaat, de zoogenaamde optische as des kijkers, dewUI men in die as ziel en meel.

oollinet, Muz. door zacht, nauweiyks voel-liaac aanraken dor snaar voortgehracht (vul. flageolot).

Colliquatie en colliquescéntie (spr. /=/s), f. nw.lat. (van cnlliquescire, vervloeien, smelten) Med. de samensmelllng, versmelting, smelting, vcrmlnderiiK; der vaste deelen met overvloedige uitscheiding en verminderden samenhang der vochten; colliquatie-koorts, de rotkoorts; colliquatiof, adj. smeltend, samensmeltend, vervloeiend; — col-liquatief zweet, m. een hevig, afmattend zweel; colliquescént, adj. vervloeiend, smeltend.

Collitigant, m. nw.lat. (vgl. Uil gee ren, enz.) een medesiryder.

Collisie, z. col lideeren.

Collo, m., pi. colli, it. (v. \'i lal. rnllum, hals, mid.lal. een hundel, die aan den hals werd gedragen; vgl. c oi p o rt eere n) Kml. eeno kisi, een val, fust, sink, eene haal koopwaren, h. v. ik heli li colli (kisten, vaten, halen) onivangen.

colloeeeren, lal. (collocure, \\gl. locus, enz.) sieilen, plaats aanwijzen; collocatie (spr. l=ls), f. destelling, plaaising; .lui\', de ningschikking der schuldeischers, de vaststelling der orde, waarin zij helaaid zuilen worden; - collocatie-vonnis, de heslissing van de volgorde der schuldeischers in het con-conrs-proces.

Collocutie, z. end. coil o q u e e r e n. Collodmm, n. nw.lat. (van \'I gr. kollsdes, lUmachlig, kleverig, van kólla, lyiu) eene slof, die men heeft verkregen door oplossing van hot schieikaloen iu zwavel-a\'lhcr en ille als chirurgisch kieefmiddei, ook in de plioiographic wordt gehruikt; — colloïde, f. (v. kólla en i\'xlos, siKirl) Med. een in hel lichaam onislaand geioinciilig weefsel; ook ieder oploshaar, maar niet kiislaillseorhaar middel, zooais dexlrlne, siroop, eiwil en kaasslof, iym, enz.

colloqueeren, lat. (cnlluqui: van loqui, spreken) samenspreken, een mondgesprek honden, afspreken; een onderzoek doen; — colloquium, ii. uf collocutie (spr. l—ts), f. de samenspraak, hel gesprek, Inz. echter hei onderzoek, waaraan de protostanlsche geeste-lyken vóór hunne hevorderlng liij vvyze van gesprek mei een of meer leden hunner geesie-lyke overheid zich moeien onderwerpen; col-/fif/iiïuni caritahruin, een gesprek in der minne, een verzoenings-onderhoiid.

coll\' oltava. Hal. Muz. (hy verk. col s\'quot;) mei hel ociaaf.

collucteeren, iiil_ (colluclari) siryden, worstelen; colluctatie (spr. (ie—luie), f. de slryd, kamp, worslellng, doodsslrijd ; col-luctator, m. de kampvechler, slryder.

colludeeren, lat. (cnllud \'re, van hui \'re, spelen) elg. samenspelen; Jur. in geheime ver-staiidhuudlng zün, onder éene deken steken, zich mei zyne party ten nadeele van eenen derde verstaan; collüsie (spr. s=z), f. (lat. coüu-ulo), colludium, n. eene geheime, hedrleg-lijke verslandhouding, doorgestoken kaarl; collusórisch, adj. helmeiyk afgesproken, doorgesloken, geknoeid.

Collum, n. lal. hals.

collustreeren, lal. (colluxlrare) in hel volle lichl stellen, van alle zijden toelichten, nauwkeurig heschonwen.

Collutorïum, n. nw.lal. (v. colluüre, uitspoelen, samenspoeien) Med. de moudspoeling; — colluvies, f. of collüvie, f. hel sanien-vloeien, inz. de samenvloed van onreinheden; colluncK uaslricu, Med. de veronirelniging der spyswegen.

Collyben, enz., collyrium, /.. koll—.

Colma, f. 11. (v. colmare, overvloeien) de sprliig\\lued Iu de Adrlaiische zee; col— miitie, f. de iandverhooglng, de manier, volgens welke men hel mei sliii heiaden water der rivieren op eene vinkte Iniaal, het door dyken afsluit en na iiezinking der aarddeelen weder afiapi, welke bewerking herhaald wordi, loidat de grond de tol hehouwlng vereischte hoogle heefi gekregen; colmateeren, een landstreek door kunstmaiige overslroomingen op-hoogen.

Colmar of colmart, f. eene soort van groole, zeer groene en duurzame peren.

Colocasie (spr. s=r), f. (lal. colocuma, gr. knfoliasia) Kol. de egypllsche nf groolhladerige aronskelk, egypllsche hoon, kalfsvoet, eene eei-hare phini In de Morgenlanden.

Colocynthine, f. nw.lal. de iu hel merg der kolokwini (z. aid.) voorkoniende biltere slof.

Coloegli, m. de zoon van een Inrkschen soldaal en eene algerynsche vrouw.

colombien of colombien-kleurig, z. ond. coiumha r 1 nin; — colonibine, i. de minnares van bariekijn, eene slaande rol of masker op liet Hal. looneel (hel lol een eigennaam geworden columbina, duifje, waarmede harlekyn zijn liefje doorgaans aanspreekt); ooi, dulvendrek, eene goede mest; nog; Hot. akelei, zekere planl.

Colombier, n. fr. (spr. knloii-bjé) franscb paiilerforniaal (881- 1)00 niM. breed, 1120 inM. boog).

Colomne, f. sp. colunnrto, li. colonnalo een zuildaalder, plaster in hel voormalige sp.


-ocr page 256-

COLON

COLT1

\'240

\\im\'i\'lkii, «p welker ciMU\' /ijili\' de koI oin mo ti of zuili\'ii vim Hercules sliiun arcolieelil.

Colon, z. k o I it ii - colonaat, colo-nie, enz., z. oud co Ion us.

Colonne, f. fr. (provone. en 11. culonnu — Int. rnliiiniKi, vjfl. kul ii m) elt;. eene zull, pl-limr, kolom; Mil. eon godoelle van een op-Irekkend leger,eene lielrliende, lanne slrijilsclumr; lolonne cnujufc, fr. (s|ir. —hnepé\') eene dubbele ut koppelschnur; colnnue pleine, eene gesloten of ineengedrongen selimir; colonnG-marsch, bet optrekken lig scharen of colonneii; CO-lonne-wegen, wegen, wanrop men met alle soort van wapens kan niarclieercii, zy worden daar, waar de eigenlijke weg niet deugt, over de velden aangelegd vu door opgestoken slroo-wisscben (jalom) aangeduid; colonnado, f. eene zuilenreeks of -rg. een op zullen rus-tend geiiouw; slaan de zullen in den voorgevel van een gebouw, dun hooien zi.i portiek; statui zij er rondom, dan noemt men die eo-lunniide perlslylum; staan /.y dubbel, po-lyslyluin; — oolonato, m. it. 1° zuilen-werk, z. v. a. colonnade; i\' zuiidaiirdor, z. v. a. eol ii nine; colonél, m. fr. (in plaats van col on nel, d. i. eig. aanvoerder eener colonne) kolonel, de overste, een opperijllicier, die een regiment aanvoorl; bü boekdrukkers eene teller, die bel midden lioiidt iusgeben hrevier en nonparcl; — colo-nel-général spr. —yViicra/), bevel voerend gononiiil; colonel-lioutenant (spr. -Ijeut\' nii/i], z. \\. li. oversle-lliilenanl, lui teil a n -k ui o ne 1.

Colomis, m., iii. coloni, lat. veldbou-vvers, land- of akkerlleiien; inz. de tiewouer of bruiker van een colonaiit; colonaat, n. lat. (colniuilun, in.) pacblgoed, eene imuwerij. die den beer Jaarlijks eenen cijns of eene scbailliig heeft te betalen;- colonaticum, ii. nvv.iat. de dienst, dien de bruiker verplicht is aan den grondeigenaar te bewijzen; CO-lönie, f. lal. (cnlnma) eene iiiaiiting, volkplan-iing, aiinhoiiwing, een plantstiial; In \'I algemeen alle gezamenlijk uittrekkende mensclieii, om zich bulten den eigen grond neder te zeilen, om \'1 even of do stam van dien nieuwen tak een ganseben staat, een landschap of eene enkele gemeente zü; nok een bijenzwerm; -coloniaal, mij. uw.lal. wal eene volkplanting nf aiiuhouvvlng betreft, van haar afkomt, enz.; coloniale handel, de liandel, die met volkplauliiigen worill gedreven; coloniale waron, waren uit vreemde pianistalen, vooral uil de Indien, li. v. kolde, suiker, thee, krul-derijeii, speceryen, rijsl, kaloen, verfhoul, enz.;

coloniseeren (spr. *=:), eene voikpiau-ling of colonic opiichleii; colonisatie spr. s—i), f. iiel heenlrekken naar, nederzellen in. aiiniiouwen van een ander oord; colonist, in. een aanboiiwer, pliinter. burger van eene Milkplanliiig.

Colophonium, z. k o 1 o p b- ; colo-quinth, z koloi|uliil b.

nilor, in. lal. de kleur; de schgii, bel voorkomen, voorwendsel; sub colore juris, onder schijn, voorwendsel van recht; — coloree-ron (lat. colorSre) kleuren, verven, met kleuren of verven dekkenj ook eonen schyu geven, verschoonen, veronlschiildigen, iiomanlelen, verbloemencoloraménto, in. 11. de manier van plaatsing, rangschikking van schiideryen, enz.; — coloratie (spr. t—ls), f. nvv.lal. de kleuring, verving; kleurspeling, kieurvvisseiing;

coloratuur, f nvv.lal. Muz. eene kunstige slemweuding, slembuiging, een sprong of loop, bet sleepen der tooiien ter versiering van hel gezang; coloriet, n. 11. [colorito, fr. coloris do kieiirmengliig, hel kunstig inengen der verven iim voorwerpen in bunno natuuriyke kleur voor Ie slelleii; do iialuiiriyko, frissche schoone kleur; ook de scbyn, bel voorkomen; bü gc-scbrifieu: de wyze van voorstelling; colorimeter, m. vverktuig lol het moten der slerkle eener kleur; colorimetrie, f. hel iiielon dor klourslorkle; Chem. hepaling dor slerkle eener oplossing naar de kleur; CO-lóris, m. pl. halfiurken, nienscbon, die uil de vermenging van Turken met Negerinnen of Mooiiniieu zyn geteeld; — colorist, m. (fr. colorisle) een klonrgovor,verfiiereider; een goed colorist is oen scliilder, die de kleuren zuiver en juist, op zich zelf en in eene schoone verhouding lol elkander weet op te dragen.

Coloradö-kover, ni. (naar het noord-ameiikaansclie lorriloiium Colorado genoemil aardaiipolkever (CUr\\isomcla decemlineula) oen sedert tsj:; in Amerika bekend geworden en in ISquot;quot; naar Duitschland ingevoordo, den aardappels vyandigo hladkovei\'.

Colos,colossus, z. kolos; Colosseum, z. coliseum.

Colóstrum, n. lal. de eerste mooderinelk na de bevalling, biest; -— colostratie (spr. lie=lsie), f. de zogziekte; — colostraat, m en f. een zogzlek kind.

Colour, f. eng. (spr. Inil-lur) kleur; coloured, gekleurd; rolouml wph, kleurlingon.

Colpack, ■/.. kaliuik.

Colpalgie, colpitis, colpocelo, enz., z. k o 1 p— .

colporteeren, fr. {colimrlcr, •eig. [waren aan don lials dragon, van col, bals, en porlcr, dragen; vgl. collo) met eene marskraam rond-loopon, waren langs de deuren veulen, Ie ko(i|i bieden; colportage,!, (spr. M-:jquot;)de mars-kramory; het verkoopcii van hoeken en brochures op den openharen weg; — colporteur, in. oen marskramer, straalkoopman, |iak-driiger, die gaianlorlën, geneesuiiddelen, hoeken, gravures, enz. aan de huizon Ie koop biedt; inz. verbrelder van boeken en drukwerken. Iemand die Inteekenaron of aboiiiiemenleii voor iels zoekt.

Coltellaten, m. pi. 11. (van colléllo, mes; van \'i tat. culler, verkl. cullvllus), eig. messteken; scherpe zeilen, vinnige aauinerklngon.

Colti of coltis, ii. fr. een I.....kkabluel.


-ocr page 257-

COMJilJRKKRKN

C0LUBR1NE

\'241

uitstek, ecu kluin ultslokond vertrok uan hct olndo van ecu gebouw; — voorplecht op ecnc schuit, luizenplecht.

Colubrine, f. (mid. lat. en it. colubrina, eif?. adder, slang, fr. couleuvrine: van \'t lat. ml liber, cene kleine slang) eene veldslang, cen slangstuk, een zeer lang stuk geschut uit de 18de en lilde eeuw.

Colum, n. lal. (vgl. coleeren) een door-zUgvat, tilt rum, inz. voor den allaarwUn In de K. kath. kerk.

Columbarium, n., pi. columban\'ën, lat. (van columba, duif) een duivenslag; ook; oud-romeinsch grafgewelf, waarvan de inwendige bouw (met vele kleine nissen voor de aschkruiken) doel denken aan een duivenslag; een urnenhuis; — columbien (lat. columhi-nus, «, tun) of columbien-rood, adj. dui-venhaiskleurig, uit donkerrood cn hiauw he-stnande.

Columbatzer mug, ecu voor het vee zeer schadeiyk tweevieiigelig insect, inz. in Ze-venhergen (Transsylvaide).

Columbella, f. (eig. duifje) soorl pur-perslak.

columbien, z. end. coin m li a r i n m; — columbine, z. ond. columho-wortel.

Columbium, n een enkelvoudig metaal, ouk lantaliuiu geheeten, door II atchcl en Ekeherg in isni en ISO\'2 ontdekt. Met werd gevonden in een sluk erts, dat uit Massachusetts, een der staten van de N.amerikaansche 1 nie, word overgezonden. Vandaar de naam, dien het ontving ter cere van Christophdrus C (i I u in li ii s.

Columbo-wortel, de zeer speccrUach-lig riekende, hitter smakende wortel van eene op Ceylon, in de omstreken der stad Colo mho groeiende plant {Mcnispermum paimalum), die eene uitmuntende artsenü is tegen het zuur, zwakke ingewanden, en/..; columbine, f. een hiitersmakend kristuiliseerhaar piantenzout of alkaloïde uit dien wortel.

Colümbus, m. gr. N. 11. de duiker, cen watervogel.

Columéllen, f. pl. lat. {columollae, slag. columella, verkiw. van columna) eig. pilaartjes, zuiltjes; rolronde versteeningen; — cnlumellares denies, f. pl. de hoektanden.

Columna, f. lat. znii; Columnae Hérculis, zuilen van Hercules (de straat van Gihrallar); c. ilineraria of miliSHs, mülznil, mgipaai; c. rerlebralis, wervelkolom, rnggegraat.

Coluren, z. koluren.

com—, lal. voorz., z. con.

Com., 1)0 natuurwetensch. namen afk. voor 1\'h. Oommerson (gesl. m;t).

Coma, f. lat. hel hoofdhaar; coma caesarfa, Med. pooische vlocht (eene haarziekte).

Comb, coom of coomb, n. (spr. knnm, koem) eene eng. korenmaat van i hushels of schepels = US,395 liter.

combabiseeron, combabuseeren, (spr. s=z) iron, zich zeif onlmannen, geiyk Cotn-VIEHDE Uit IK.

h a h u s, een Syriër, deed, om zich hü den koning, wiens gemalin SI ra to mee hü hegeiel-den moest, van alle verdenking te zuiveren; — combiïbisch, adj. ontmand, gesneden.

Combat, n. (eig. in.) fr. (spr. konbd] do strijd, kamp, het gevecht, treilen; — com-batteeren (fr. combative), vechten, kampen, stryden; — combattanten, m. pi. (fr. com-baltanls), stryders, kampvecliters, weerhare mannen.

combibeeren, lat. .....I eikander drinken;

zwelgen; — combïbo, m. de mededrinkor, drinkebroer.

combineeren, lal. {comhinure) eig. paars-gewys verbinden (van bini, twee aan twee, bis, tweemaal) voreenigen, samenslollon; het ge-combi neerde leger, het (uit troepen van verschillende natiën) samengestelde leger; ook vergeiyken en berekenen; comhiiidmlo, door legen elkander honden of vergoiyking der rekening, enz.; — combinabel, adj. uw.lat. (fr. comiinable) vereenighaar, te vei hindeii; — com-bintitor, m. de verhinder, sameavooger; de luchtverzameiplaats aan hiaashaigen; — combinatie (spr. I=ts) en combineering, f. (mid.lal. combinaffo), eig. verbinding van twee dingen (bina)-, in \'1 algemeen; verhlnding van velerlei dingen, voorstellingen, begrippen, enz.; koppeling, paring, vergelyking en berekening van verschillende dingen; vandaar ook: vermoeden ; Math, de verhlnding van eenige dingen uit vele gegevene, zonder acht te slaan op hare opeenvolging of orde; de verhonden dingen heeten e i e m e n I e n; — combinatievermogen, n vermogen om Ie verbinden en te vergelijken, de vaardigheid van het versland om door verhlnding van verschillende waarnemingen en de daaruit getrokken hesluiten de waarheid te vinden-, combinatie-leer, f. (ars combinalorta) de wetenschap van de wetten der samenstelling van gegeven dingen; — combinatie-slot, n. kunstig slot, dat alleen geopend kan worden door bekend te z.yn met het in-verband-brengen van zekere he-weegiüke deelen • combinatie-toon, m. l\'hys. de iiy gciykiydigen aanslag van twee tonen gelioorde (door interferentie ontslaande) derde toon, ook dit teren tie-toon geheeten; combinatorisch, adj. samenhoudend, verbindend, saamvnegender- en vergeiy-kenderwys.

combieeren (spr. koiibl—), fr. [combler, van t lat. cumu/rtre) opeenboopen, vullon, overladen.

Combourg, a. (spr. —boer) grof hennep-linnen uil Bretagne (naar eea vlok aldaar),

combureeren, lal. (comburSre) verbranden, vorbranding verwekken, ontsteken; - combustibel, adj. n«.lat. brandbaar, wat zich laat verbranden, wat vuur kan vatten; — com-bustibiliën, n. pl. brandbare stolTen, lirand-sloiren ; - combustibiliteit, f. Iiraadiiaar-heid, verbraridhaarheid; - comi)üstie, f. de verbranding, hel verbranden, ook de brandschade;

Ui


-ocr page 258-

CO M M A N DEER EN

\'242

COME

combustfo spontunfu, do zelfonthranrtlng des men-schelUkon Ucliaams, waarliy het lichaam geheel tot asch wordt Rcbracht door oen vuur, dal zich van zelf ontwikkelt; eon verschynsol, door vele Konoeshooren toogoselireven aan het misbruik van geestryko dranken; combus-tor, m. vorhranilliiKsonderhoudor (zoo heet In de chemlo oen «rondstof, dlo zich mot oen andere grondstof onder ontwlkkolln)? van licht on warmte llchloiyk vorhindt, zooals Inz. de zuurstof en vorvolgens 7 andere oleraonton).

rome, Hal. Muz, als, zooals; mme prima, z\'ioals In hot bogln; mme sopra, zooals boven; rome s/a, zooals hot er staat, zonder willekeurige versieringen.

Oomecia, z. ond. comes.

Comédie, z. komedie;— fomWie ó li-roir, fr. (spr. komedi\' a lirodr) oen looneolstuk, waarvan de toonoolon, ofsohoon iloor eono on dezelfde plaats verbonden, geen samonlmng mot elkander hebben, oen schullladestuk; — CO-médio franqaise, r. do schouwburg lo I\'a-rUs, waar de stukkon uit don classloken tijd worden opgovoord.

Comödo, m. lat. oen vreter, vraat, stomper; pi. comedones, Mod. medoölers, kleine zwartachtige, vorboven puntjes in do huid, welke daaruit gedrukt kunnen worden, on or dan uilzien aU dradon of kleine wormen, en uil verharde lympba, mot vuil vermengd, bestaan. Comeet, z. komeet.

rome prima, rome sla, z. ond. como. comes, m., pl. comités, lal. gezel, be-geioldtM\', gezelscbaphoudor; Muz. de herhaling van hel hoofdthema dor fugo In eono andere stom; laz. hol gevolg dor latere rom. keizers; vandaar de titel van verscheiden bof- on staatsbeambten-. in do middeleeuwen z. v. a. graaf (vandaar bot franscbo com te, 11. mnle, sp. ronde); comes palahnus, een paltsgraaf; CO-mecia, liever cometi\'a of comitia ispr. I~ls), f. mid.lal. oen graafschap, do rechtsban van eenen graaf.

comestibel, adj. nw.lat. (fr. comestible; van \'I lal. romedfre, opeten) eetbaar, genietbaar; nok: marrhand (spr. —sjdii) de romesli-bics, fr. handelaar in (lijne) eetwaren; — CO-mestibiliën, n. pl. eetwaren;- comes-tibiliteit, f. de eet baarheid.

Cómfort, n. eng. (olg. versterking, hulp, troost, fr. ronforl, van \'I lal. rnnforltirc, sterken) gemak, genoegen, rust, wclbohagon, te-vredeidiold, al wat Int een ongosloord en vreedzaam genot van het leven dleid; -comfortable, adj. (spr. k(imforlilil), bohaagiyk, go-noegiyk, gemakkelijk, verkwikkelijk, genotryk, enz.; in bet algemeen; wal strekt om zich, wat hot uileriyk loven betreft, bohaagiyk lo gevoelen; oómfortor, m. (%. trooster; een regenmantel. (enz.

comiek, comique, enz., zie komiek, Cominella, f. sp. komijn.

Comisaria, f. sp., z. v. a. commissa-r 1 a a I.

Comissatie, f. lat. [romissaCto) vrooiyko wandeling van uitgelaten jongelui na oen gasl-maal.

Comitaat, z. ond. comlteeron.

Comité, n. fr. (eng. committee: van \'1 lat. rommiUSre, opdragen, aanvorlrouwen) eeno verzameling van boraadslagondc personen of gecommitteerden, eeno vergadering van onderzoekers; bol onderscheidt zich van de commissie meestal In zoo verre, dal bot niet een onkel geval in beraadslaging noemt, maar do eigenschap dor duurzaamheid in zich stuit; co-mi Ié secret, fr. (spr. —sekrè), In Frankryk elke zitting der kamers, dlo mot gesloten deuren plaats beeft; rommillee general, eng. (spr. knm-miltie dzjénnerel) In Kngeland het gezamoniyk boogor- en lagerhuis, wanneer de gewone vorm dor discussie voor eono vryeron wordt verwisseld, en oen lid meermalen hot woord kan nemen; hy ons: in romité ot comité-ncneraat vergaderen, vergaderen met gesloten deuren.

comiteeren, lat. (comilari) begeleiden, uitgeleide doen; comitaat, n. bet gelelde, gevolg, do vorgezelling; bij de oude Dultschers; waponbroodorscbap; ook een krelts, ban of district In Hongarye.

Comitïa, f. lat., of comitiën (spr. Ii= tsi), pl. (van don slng. comitïum, het oord dor beraadslaging) volksvorgnderingen by do oude Komelnen; ryks- of volksvergaderingen, ryks-dagon; romilialis morbus, m. lat. vallende ziekte (daar oen epileplischo toeval by do comition voor oen sieebt voorteoken gehouden word on dadoiyk ophoillng dor beraadslaging ten gevolge bad).

Comitief, n. nw.lat. (van co mos, z. a.) eono sehrlfteiyk opgedragen bevoogdverklaring, volmaebtiging, volmacht; inz. sedert do lido eeuw do bevoegdheid der paltsgraven van bet koizeriyke bof om zekere ambten, waardigheden en rechten uit te dooien.

Comma, z. komma.

commandooren fr. commander, it. cn-mandare, provenc. romandar, van \'t lat. rom-mendnre, overdragen, Inoverlrouwon, van man-darr, opdragen, bevolen) bevolen, gebieden, aanvoeren, bobeerscben; bol omliggende overzien, bostrijkon; commandant, m. do opperbevelhebber eenor vesting, de stadsbevelbob-bor, slads- of pinalsovorste, opporkapitoin; commandantuur, f. do woning of vvaar-dlgbeid van don bovolhobbor dor plaals; commande, f. Mil. oen bywork liu vestingen; - commandemént, n. (fr. spr. -man) bot bevel, gebod; de macht om over een leger te gebieden; de hoogte, het ovorzicbtspuut by vestingen; -- commanderie, f. gebied oener ridderorde, vgl. com me nde;--Commandeur, m. do bovolbobber, aanvoerder oener Iroeponafdeoling; ook do opperste ooner ridderorde, of een ridder nil eono der boogore ordosklassen; commandeur- of com-modóre-schip (vgl. commodore), hol schip, waarop zich do boveiliobber van bol


-ocr page 259-

COMMANDITE 24:} COMMENTHUR

smaldeel lievliidt; hi) koopviuinHlvlolen hot voor-aitnzeiicnde schip eiiR.), dat de

andere voert en samenlioudt, en deswege een licht op den grooten mast heeft; — commando, n. (It. en sp. comnndo) hel hevel, hevelwoord; de hoogsle macht, hel recht om Ie hevelen; ook een afgezonden troep of bende soldalen; Kml. de last, do bestelling; — öom-mando-fluit, eeno metalen llnlt, waarvan men zich op zeeschepen tot hel byeenroepen der matrozen hedlent; commando-staf, de staf des veldheers, het teeken zyner opperste waardigheid; — commando-woord, het bevolwoord, op hetwelk eene handgreep of eene beweging moet gemaakt worden.

Commandite, f. (It. commdndila, fr. commandite, of sociité cu commandite (spr. —n/i komaiidiél\') Knit, cone handelsvercentgliig, een stil gezelschap van handelaars, welker medeleden alleen ban geldeiyk aandeel toebrengen, zonder werkelijk doel aan de zaken te nemen, terwijl éen of meer verantwoordelüke handelaar» (Ingetyks commandite of comple-ni e n t a l r, fr. associé nérant of complémentaire, genoemd) de werkzaamheden verrichten; ook een bytiandel, door een handelshuis In eene andere plaats opgerleht; associé en commandite, z. associé; — commanditair, m. (fr. commanditaire) een medelid van een com-mandltc-handel, de grondlegger, het hoofd van een handelshuis, dat door eenen gevolmachtigde wordt bestuurd; commandiet of com-manditist, m. hy, die voor zyne eigen rekening aan een ander waren bestelt.

Commando, z. ond. lom man dee ren. Commare, f. It., z. v. a. commóre. Commassatie, f. (spr. l=ts) nw.tat. by-eenbrenglng van goederen.

commedia dell\' arte, 11., z. komedie. comme il faut, fr. (spr. kumm\'ielfó) getyk bet behoort of past, naar bohooren, in orde, best, netjes, voorbeeldig, enz.

Commeline, f nw.tat. (commeUna) eene plant In Amerika en Japan, nil welker liloem-bladeren men eene soort van iiltramaryn-verf liereldl (zoo geheeten naar den ned. kruidkenner Joannes Co in in el In In de nde eeuw, die den amsterdamscben hortus mcd\'tcus aangelegd en eene historia iitantarum daarvan geschreven heeft.

commemoreoren, lat. (commemordre) zich bezinnen, bedonken; vermelden, verhalen, gedenken; commemorabel, adj. (lat. commemorabflis, e) gedenkwaardig; com-memoratie (spr. t=ts), f. lat. commemora-lio) de güdachtenis, herinnering, vermelding; het gedenken der gestorvenen door het lezen van missen en gebeden voor hun zlelehell; de aanroeping der heiligen in \'1 gebed; commemo-ratio omnïuin fidetfum, hel feest aller zielen; c omnium sanctorum, het geilachliMilsfeost aller heiligen.

Commondabel, cnmmendaimis, com-mendatie, z. onil. commendeeren.

Commónde, commenderie, t. (mid.-lat. commenda, van \'t lal. commendare, aanvertrouwen, opdragen; tr. commanderie) oorspr.de vdorlooplge overdracht van eene opengevallen prebende aan eenen geestelijke tol aan hare wedervervulling; vervolgens In I algemeen de prove, ordesprebende; het gebied eens orderidders; — commendator, mld.lat., of commendataire, m. fr. een provenier, een abt, prior, enz., die de Inkomsten van een gees-teiyk goed geniet, bezitter eener prebende Is; — commenthür of komthur, m. boogd. ispr. ii—oe: mld.lat. commendanus, fr. commandeur) een ordes-provenier, de bevelhebber eener orde.

commendeeren, lat. [commendare) aanbevelen; commendiimus, wij bevelen hem aan, het formulier, waarmede de blsschoppeiyke of pauselijke Inwilliging tol de keus van eenen candldaat gegeven wordt; — commenda-bel, intj. (lal. rommcndabïlis, e) aanbevelenswaardig; — commenda tie \'spr. /=/*gt;, f. de aanbeveling, aanpryzlng; bet gebed vooreenen gestorvene; commendatoriën, f. pl. later lat. (commendatariae lillürae) aanbevelings-hrleven, Inz. van eenen bisschop voor reizende geestelijken.

Commensalis of commensaal, m. nw.tat. (van mensa, de lafel) de dlschgenoot; kostganger.

commensurabel, nw.tat. (vgl. mensuur, enz.) hetgeen zulk eene verhouding tot een ander ding heeft, dal men hel eene met het andere of belde met dezelfde maat kan meten; meetbaar, onderling meetbaar, geiyk-meelhaar nf -idt meet baar; - COtnmensu-rabiliteit, f. de meethaarheld, getyk- of sa-menmeet baarheid, de geschlklbeld om met eene zidfde maat gemeten Ie worden.

comment, ad\\. fr. spr. liomdii. v. comme, lat. quomudn, hoe, niet den adverblalen uitgang ment, II. mente, oorspr. de ahlat. mens, genii, mentis, geest, gemoed) hoe, op wat wijze, waarom .\' comment eons portet-rous(spr. ko-maii-woe-iiortéwoc) hoe vaart gij .\' (In Duitsch-land wordt illl woord als subsi. m. gebruikt In de beteekculs van; gewoonte, gebruik, manier, heerschende toon onder de studenten.)

Commentaar, m., pl. commentanen, lal. {cnmmentarfm, pl. —rji, sell, libcr, boek, oorspr. een aanteekenboek, gedenkboek, dagboek, van commeiittri, overdenken, eene overdachte zaak opteekenen, verklaren) de verklaring. ulllegglng, opheldering van een ge-schrlfl, reeks van doorloopende aanmerkingen op een schrijver; commontoeren (lat. rommeii/rtii), verklaren, nphelderen, met uitleggingen voorzien, b. v een boek; commen-tatie (spr. tie=tsie), t. lat. commentatio) verklaring. opheldering; geleerde verhandeling ter verklaring van een onderwerp; commentator, in. een uil legger, verklaarder, schrijver van verklaringen, aanmerkingen, enz.

Commenthür, z. c o m m e n d e.


-ocr page 260-

COMMITTKKUKN

COMMÉNTMM

\'244

Comméntum, n. lat. (v. comniHiisd. ull-vindon, verdichten) eene vordlchtliiK, onwaarheid, leuKen; commenlilia emtio, i. ernlw com-mentilia.

Commérage, /.. ond. com mé re.

Commercium, n. tut. (van con- en merx, koopwaar) or commércie, commérce, fr. de liandel, koopliandel, het liandelsverkeer, de koopmanschap, nering; de omgang, tiet verkeer, de gemeenschap; de wederzydsche verhouding; commercium am mi el corporis, do wederkeerlge verhouding (de wisselwerking) tus-schen ziel en lichaam; commercïwu epistolicum, lat. do hrlefwisseling; — commérce, n. oen zeker kaartspel, waarhy kaarten geruild worden en dat met een willekeurig getal personen kan gespeeld worden, een gezelschapsspel; — commerceeren, fr. (commercer) handelen, handel dryven; - commerqable, adj. fr. (spr. —sdbl\') verkoopbaar, lol omzetting in den handel geschikt; toegankeiyk, gedienstig, hupsch in den umgang; — commercie-tractaat, n. een handelsverdrag; — commerciëel, adj. tr, wat tol den handel hehoori, h. v. commerciëele profijten, handelsvoor-decleii, enz.; commerciellement, fr. (spr. -mdü) op koopmanswyze, naar koopmansstijl ; -- commerciëel systeem, n. slaathuishoudkundig stelsel om den handel voor alle undero hodrU-ven, inz. vóór don landbouw te hegunstlgen.

Commère, f fr. (van ron- en móre, moeder) de peetinoet, doophefster; eene babbelaarster, klappel; — commérage, f. (spr. -rd-zf) hol geklap, de sladspraatjes, oudwyvensprookjos.

Ccmmettant, commies, enz., z. ond. c o m m i 11 o e r e n.

commigreeren, lal. [commigrare) met al de zijnon ultlandlg gaan, verhuizen om zich go-zameniyk In een ander land Ie vestigen; — commigratie (spr. lt;=?.«), f. (lat. commiqra-tio) de landvorliulzing.

Commilitönen, rn. pi. lal. (commihlo, pl. commiltlóties), eig. inedestrüders, wapenbroeders; schoolgenooten, medesludenten, inz. aan hooge-scholen.

commineeren, lal. (commiiwri) dreigen, bedreigen; comminatie (spr. l=l.t), f. de bedreiging, waarschuwing; rum romminalione, met bedreiging; comminator, m. de bedreiger, waarschuwer;- comminatórisch, adj. bedreigend, waarschuwend.

Commimster, m. nw.lat. (vgl. minister), eig. een medobedienaar; In Zweden z. v. a. diakonus; ook de lilei der bisschoppen mui wegc den paus.

comminueeren, lal. (cnmmiimSre) verbrokkelen, verminderen, verzwakken; - com-minütie (spr. /=/.«), f. hot lijnslooton.

commisceeren, lat. {commiscsre) vermengen; commiscibel, adj. vermengbaar; — commixtie en commixtuur, f. de vermenging.

commisereeren, lat. (commiserari) mo-deiyden hebben, beklagen, zich ontfermen; — commiseratie (spr. lt;=/.«), f. lal. {commise-ratio) de ontferming, het erbarmen, niedeiy-don; — commiserabel, adj. nw.lat. mede-lydens-, beklagenswaard; commiserator, in. do erbarmer.

Cómmissariaat, commissaris, commissie, enz., z. ond. comuiitteoren.

Commissuur, f. lat. {commissüra, van commilttre, samenvoegen, verbinden) bel punt of de plaats, waar twee doelen zich vereenigen, do naad, voeg; zoo noemt men com-m 1 s s u u r der oogleden, der lippen, enz. do hoeken, welke zy ter plaatse hunner vereenl-glng vormen.

Committee, n. (spr. —lie) eng., z. ond. c o in 11 (!

committeeren, lal. (committSre) last geven, aanvertrouwen, volmacht geven ; — com-mittént, of fr. committant, m. do last -gever, liy, die aan een ander iets opdraagt, volmacht geeft, inz. de kiezers in tegenstelling met de afgevaardigden; gecommitteerde, m. de lasthebber, by, wien de verrlchiing eenor zaak op lasi of op rekening van andoren is opgedragen; — committief, n. nw. lat. een lasllirlcf, eene gesclireven volmacht; — commies, m. fr. (rommis) een zaakbezorger; een handelsbediende, kantoorschryver, fac toor; ecu lands- of stadsbeainhte, die legen smokkelary moet waken, een accyns- of ini-poslwachler, gem. verklikker; nog wordt hel woord commies gebruikt in samenstellingen, en wel van dingen, welker vervaardiging en levering aan anderen by menigle wordt opgedragen, b.v. commiesbrood, soldatenbrood, veldhrood; commis-voyageur, m. fr. (spr. komi-woaja-ijeur) een reizend liandelsbe-dlende; commissaris, m. (nw.lat. com-missarïm, fr. commismire) een gelastigde, vol-machtbelibende; de bestuurder van eene ver-ceniging, socletelt, club, enz.; opzichter, bezorger, aanleekenaar van lirieven, goederen, enz. aan de veren; commissaris des ko-nings, titel in Nederland van de voormalige gouverneurs of hoofden van bel binnenlandse li hestuur der provinciën; — commissarfus perpetuus, een voorldnrend aanblyvend zaakvoerder, gevolmarbligde, enz.; commissariaat, n. het amlil, hel kantoor van oenen commissaris; de duur van zynen dlensttyd; — commissie, f. (fr. commission) de aan een ander opgedragen last, taak, bestelling, boodschap; inz. hel bezorgen van zaken voor een ander, h. v. in den boekliandel (vandaan in commissie geven. Iemand don verkoop van een artikel opdragen); de personen, die in last hebben zekere zaak gemeenscbappeiyk uit te voeren, te onderzoeken (vgl. comité); ook hetgeen een koopman voor de bezorging eener zaak aan zynen lastgever In rekening brengt; (sj- commissidne, krachtens den versterkten last; commissio frudi, de verbeurte van\'t leengoed; -commissie-boek, n. Kmi. bet iiesiei-boek, waarin do bestelllngon of commlssien wor-


-ocr page 261-

COM MITT I MUS

245

COMMUN

den opKetoekend; commissie-brief, in. de hrlof, waarin lie uitvoering van cencn last wordt opftedrapon; commissie-bureau, n. oone inriclitlng, een kantoor, alwaar tegen zekere betaling lusten, liestelllngen of commls-slen worden aangenomen en bezorgd; oom-missie-goed, n. waren, boeken, die een koopman, een boekhandelaar voor rekening des eigenaars of uitgevers verkoopt; - commissie-handel, m. do handelstak, die hoofdza-kelUk bestaat in het bezorgen van zaken voor rekening van anderen tegen goBvenredigde percenten; — commissio(n)nair, m, (fr. com-missionnaire, mld.lat. commission nar tus) een lasthebber, zaakvoerder, inz. In bepaalde gevallen, vooral van koophandel; hU, die de coinmissien ot bestellingen voor een handelshuls, eene fabriek, enz. opzoekt, aanneemt, bezorgt; ook wel Iemand, die men tot het doen van hood-sehappen gelinilkl; commissionnaire d\'urhul (spr. -da-sjd) in- of opkooper voor rekening van een ander; mm mission iwirc de rente (spr. —d\'wahl\'), die voor rekening van een ander verkoopt; — commissoriaal, adj. belast, opgedragen, aan eene commissie In onderzoek gegeven; commissorïum of commissoriale, n. nw.lat. opdraetd, volmachtsbrief van staatswege voor oen bepaalde zaak.

Committimus, n. onder de republiek der Vereonigde Nederlanden eene landstreek In Staats-Vlaanderen, die, met l.ilto en l.iefkens-hoek, onder het bestuur van de staten van Zeeland of hunne gecoinmitteerdo raden stond.

Commixtie, commixtuur, z. ond.

co minisc eere n.

commoda, commodans, commodatie, commode, z. ond. cnmmndus.

Commodóre, m. eng. (spr. kommndóór. waarsch. misvormd uil hot sp. romendador, of het 11. ramandalore, mld.lnt. rnmmendalor, bevelhebber, overste) Mar. titel, dien men In Engeland en Amerika aan lederen scheepskapitein of ander\' zeeolllcier geeft, die, zonder admiraal te zyn, over een vloot of eskader gezag voert; — commodore-schip,z. v. a. comman-deursch 1 p, z. aid.

rommödus, n, um, adj. lat. gepast, geschikt, gemakkelijk, nuttig: vandaar commndum, n.,pl. römmorfo, voordeel, nut, gemak; rommödum possessiónis, .lur. het voordeel, dat aan het bezit eener zaak in rechten verbonden is; com-mödum publicum, n. het algemeene, openbare nut, hot gemeene best; c. rei vendilae, het vnichtgebrulk eener verkochte zaak; — com-móde, adj. fr. gemakkelijk, gepast, geschikt, passend, gemakiievend; — cómode, comodaménle of romodétlo, It. Muz. in gemakkeHjke beweging; - commóde, f. fr. eene ladekast, schulf-ladekast, latafel; commoditeit, f. (lat. rnmmoditas, fr. cnmmndilé) het gemak; de ge-makkeiykheld, goede gelegenheid; — com-modités, f. pl fr. het geheime gemak, sekreet; ook allerlei kleinigheden tot gemak In eene hnisboudlng; commodeeren (lat.

commodrïre), verstrekken, verschalten, leenen; — commodans en comnwdiilor, m. .lur. de verstrekker, verschalTor, leener; — cnmmodnlarius, in. de leener, ontieener, borger; commoda-turn of commodaat, n. het om niet verschaffen of leenen eener zaak; een leenverdrag; — commodatie (spr. f=fc), f. de leening, ver-schatting.

commoneeren, lal. (commonere) herinneren, aanmanen; commonitie (spr. l—ls), f de herinnering, aanmaning; commoni-ton\'um, n. een herlnnerings-, aanmanlngsschry-ven, een maanbrief.

Cómmoners, m. pi. eng. (van common — fr. commun, lat. comm«nfs, gemeen) burgerlijke Heden, niet adeliyke personen, studeerenden van den aden rang lt;ip de engelsche hoogesebolen; ook z. v. a. cómmons, m. pl. de medeleden van het lagerhuis in Engeland; House of commons, lagerhuis; cómmon-hall (spr. —hdl) de gemeentezaal, liet stadhuis; - common-law, hel gemeene recht, bet door verjaring tot wet geworden gebruik, \'I gewoonterecht; landrecht In Hngoland; commonplace (spr. jdees), gemeenplaats, een algemeen hekend gezegde, afgezaagde uildrukking;

common-prayer, n. (spr. -pree-vr) liet algemeene kerkgebed, de aangenomen lilurgie der bisschoppeiUke engelsche kerk; com-mon-prayer-book (spr. -hoeft) algemeen gebedenboek, liet liturgie-hoek der episcopale kerk; common-time (spr. -luim), Muz. gewoon tempo, vierkwartsmaat.

Commonitie, commonitorium, z. ond. commoneeren.

Commons, z. commoners.

commoreeren, lat. (commorari) zich op eene plaats ophouden, toeven, verwijlen; — commoratie (sin- I—Is), f. (lat. commoralto) hel oponlhoud, vertoef.

commoso. Hal. Muz. bewogen, ontroerd, aangedaan.

commoveeren, lat. {commovire) bewegen, roeren, aandoen, IrelTen; - commotie (spr. I=ls), f. de beweging, gemoedsbeweging, aandoening, ontstellenls; Med. schudding, b. v. van de hersenen, hel lichaam, de borst; — commotioner, m. eng. (spr. kommó-sjSnUr) oproerkraaier, aanhitser, roervink.

Commun, fr. (spr. komuin, van \'1 lat. cdiimiiinis, e) gemeen, laag, slecht; gemeen-scliappeiyk; als subsi, het gemeene volk, de gemeene man; in cnmmiïni, lat. in gemeenschap, gemeensehappeiyk; — commune, f. fr. de gemeente van stad of dorp; gemoensehappeHlk bezit of aandeel In lamleryen, bosschen, water, enz.; communaal, adj. (fr. cnmnnmal, nw.lat. cnmmuniilis, e) gemeenteiyk, tot de gemeente behoorende of haar betrelfende; — communalïën, n. pl. gemeentezaken, gemeentegoederen; communard, pl. communards, fr. parUsche sociaal-demoeralen van 1871, z. \\ a. eommunlst en; - commu-néros, m. pl. sp. (coinunamp;os) oproermakers


-ocr page 262-

COM M UN -2W COMPAGNON

in OiislllHl oniler Kniel V; ook negros nf zo-ii (Mi villi 1*111111 In, in. |il. naiihangors dor vrUo staiitsreKCliii({ In Spanjo, i\'cii In ISiO ontstaan stcliolm Konootscliap; coiiimunibux /oris, int. goiniiUleld; communiceeren (lat com municare) ineileiloolon; KemccnscliappoHjk liol II. iivonilmaal golirulken, lift naclitniaal vlorcn (ook wel communieeren); In vor-liiinil staan, samcnlmiigon, li. v. rommunt-cOoroiiito bulzen, buizen, die met elkander In verband staan; rommunicilur jiiirli ndvei-sae in COP\'quot;, tat. Jur. aan de togonpartU tiü af-scbrlft mede te doelen; communicabel, adj. nvv.lal. mededeelbaar; voroenbaar; com-municabiliteit, f. de mededeelbaarliold -, communicant, m. een deelnemer, Inz. aan \'s Hoeren avondmaal, een avoiidiniialgangor;— communicatum of communicaat, n. een medegedeeld geschrift; eone scbriftelüke me-dedeetlng van eene initorllelt; communicatie (spr. l=ls),(. (lat. rommumcalio) de me dedeellng, deelacbtlgmakliig, kennisgeving: Mil. de vryo toegang of vorlilndlng van vcrscblllendo pimton, de onboleiiimerdo gemeenschap; in \'1 algoineen een verbindingsweg of gang, Arcb. z. \\. a. corridor; inmmunualïo idiomalum, Tbeoi. z. id too ni; — communicatie-brug, f. vertiiiidlngsbrug; communicatie-lijn^. verbliidings-, gomeenscbapsHln; communicatie-pijp of -buis, f. oene klankbuis, eene cylindriscbe püp om uil eeni\' kamer bevelen naar de verschillende vertrekken \'au een gebouw Ie geven; communicatief, adj. nw.lal. mededeelzaam, zicb go-makkelük en gaarne modedeelend, tot mededee-ling geneigd, of gewoon zich mede te deelen ; — communicatonën, n. pi. (communira-Inruie littlrne) modedeellngsbrioven, bokend-makingsbrioveii, inz. dezulke, door welke een bisschop kennis krygt van de keuze eens nieuwen blsschops of van de synodale besluiten; — commünie, f. (lat. rnininunto) 1) de gemeenschap, bet gemeenscbiippelUk bezit, gemeenschap-peiyk leven; vandaar b. v. coinmunio bonórum, gemeenschap van goederen; 2) hel II. avondmaal, de viering der kerkgemeenschap ; vandaar communie-boek, het bieclitboek, voorbe-roidingshoek lot het avondmaal; — commu-nie-tafel, de tafel, die den hervormden In plaats van altaar dient; — communiqué, fr. (spr. -te\'; pari. v. commiinlquer, meiledee-len) medegedeeld; als subsi, een communiqué, n. eene mededeeling h. v. in dagbladen, iaz. namens de regeering ; communisme, n. nw.iat.dc leer van de gemeenschap der goederen of geiykbeid van bezit, die, uitgaande van den eiseb lol blliyke verdeeling van bet loon van den arbeid, leidi tot gewelddadige beroo-vlng der heziitemlen In het algemeen; eene onzinnige uitbreiding van de slelliag van de volkomen geiykheld van rechten aller mensehen lot de geiykheid van hnn eigendom; —communist, m. de aanhanger van die leer; — communistisch, adj. wat de leer van liet communisme betreft, daarin gegrond is, b. v. communistische vereenlglngen, grondstellingen, enz.; — communiteit, f. lat. (commmttas) bel gemeensibappeiyk hezll, dt\' gemeenscbap-peiyke doetnemlng; ook het gemeene goed; op veie oude hoogescholen een gebouw, waarin een deel der leermeeslers en studenten gemeenschap-peiyk kosl en Inwoning ontvingen; — commu-niter, lat. gemeenschappeiyk.

commuteeren, lal. (commutare) verrullen, verwisselen; —commutabel, adj. (lat. rnmnnUubtlis, e) verrullbaar, overgankeiyk, ver-anderiyk; — commutabiliteit, f. nw.lal. de verruilhaarheld, veraaderiykhcid; commu— tatie (spr. lie—lsic: lat. commulatio), f. de verruiling, ruil; de verandering, verwisseling, h. v. van slraf; libel, de omwending, eene llguitr, bestaande in do omkeerlng van een aangenomen stelregel, b. v. belofte maakt sc lm ld; schuld maakt belofte; —com-mutatie-hoek, m. Aslron. oen hoek in bet middelpunt der zon, gevormd lusschen de plaats der aarde en die van eene planeet, lot de ekilp-tika overgebracht; commutator, m. I\'hys. eone inricliting, dienende om aan den electrl-schen stroom in oenen draad de tegenovergestelde richting Ie geven.

Comnênen, m. pl. een uilgeslorvon geslacht van beheerscbers van bel byzaniynsche keizerryk (van I0S7 tol litti).

Comoedie, z. komedie.

rninmto, cnmnilninénle, coinnilélto, zie onder c o in m o d u s.

Compaan, compang, m. oene Indische zilvermnnl, ongeveer = ii cenien.

compacisceeren, lat. (compacim: vgl. paclsceeren) met elkander een vergelijk Ireiten, hel in eene zaak eens worden, aan het vredewerk deelnemen; compaciscént, m. Iemand, die lol eone schikking, een vergelijk toetreedt. Inwilligt, een verdrag- of vrede-stuitor; — compactum, compact of compactaat, n. bol vergeiyk, verdrag, de overeenkomst; pl. compacten, vergeiykings-punieii.

compact, lat. (loiii/mr/wi, part, van com-/nngi\'re, samenvoegen of -pakken) dicht, vast inceiigodrongen, in een kort bestek byeengo-voegd; l\'bil. een begrip, dat veie kenmerken heeft, een veelomvallend begrip; — com-pactiel, adj. dicht samengevoegd, kort en dik;

compactie (spr. I=ls), f. (lal. romiiarlïo) de samenbrenging, verdichting.

Compactum, compactaat, compacten, z. ond. conipaclscoercn. Compaginatie, f. lat. samenhang. Compagnon, m. fr. (spr. koiiiianjó») oud-lyds kompaan (11. rompaqno, sp. roiiipanern: uil bet mid.lat. cninpanfum, gezelschap, eig. broodgeaoolschap, van \'I lat. rum- en panis, lirood) een genoot, makker, metgezel, medehelper, deelnemer, deeiheiibor, medearbeider, hulp, deelgenoot, handelsgenoot, vennoot; vgl. associé; compagne, f. fr. (spr. knnpmj\')


-ocr page 263-

OOMPANG \'247 COMPELLEEREN

do gezeUchaphoudstor, gozellln, Kcnoot; modo-hulp, speelnoot, vriendin, ochlgonoot, gude; — compagnie, f. (spr. haiiiianji: Ital. com-imgnia) hel gezelschap, do gemeenschap, ver-hlndhig, vereenlglng, makkerschap, oudl. kom-p a a n s c h a p; samen Imndeldry vendo personen, «ene maalschappü van kooplieden, vennootscliap, handclmaalschappU (afgok. Com;)., Cp., Cpie of (\'ie); Mil. eene afdeeling soldaten onder het bevel van eenen kapitein, met de onderofllcle-ren van 100 lot jon man slerk, eertyds een hopmanschap, vaandel, vendel; hy dc rultery een geringer getal onder een ritmeester; do oost- en westindischo compagnie, handelmaaischappUon, die in onderscheiden landen van liuropa sedert ile nde eouw ontstonden en van de regeering het uitsluitend recht verkregen om in Azië en Amerika volkplantingen aan te leggen, handelsverdragen mei de inhoorlingon te sluiten en zelfs veroveringen te maken (de noderl. oostlnd. comp. werd in liioj, de westind. in Klil opgericht; belde gingen in hot laatst der 18de eeuw Ie niet); — com-pagnie-biljétten, n. pl. schuldhekenienis-sen van eene hnndelniaatschappy bj opneming van kapitalen, ilie als gereed geld in omloop komen; —compagnie-conto, n. Kmt. de afzonderiyke rekening van cenen deelgenoot in het grootboek eenor vennootschap; — com-pagnonnage, f. (spr. nd-zj\') de leerjaren; vereenlglng der ambachtsgezellen.

Compang, z. com pa an. compareeren, i) lal. (romparure) ver-geiyken; comparabel, adj. lat. (com^dra-bilis, c) of comparable, fr. vorgeiykbaar;

comparabiliteit, f. uw. lat. de vergeiyk-haarhold; comparatie (spr. l=ls), f. (lal. comparatin), fr. comparaisnn, f. (spr. koiiparè-zóii) de vorgeiyking, gelykenis; Gram. de ver-geiyklng van vele begrippen ten opzichte van eene hun gemeene eigenschnp en ile uiidruk-klng van hunne verhouding door de vergeiy-klngslrappen der liyvoegiyke naamwoorden; romparalio til/erarum, lal. .Inr. de vergelijking van bet geschreven schrift, van de hand, van de schrifllrekkeii; en comparaison, fr. (spr. oh knhparézóh) in vergeiyking; saus comparnvtnn, fr. (spr. so«—) zonder vergeiyking; zonder misbruik der vergeiyking, zonder verdere of nadere toepassing of gevolglrokking; compara-tivus (sell, tjradm) of comparatief, m. lal. Gram. de vergeiykende trap, de tweede of middeltrap, z. graad; — comparatief, adj. (lat. comparaltvm, a, urn) vergeiykend, vergeiykenderwyze; ook z. v. a. specifiek;

comparator, m. een werktuig tot meling van het kleinste onderscheid tusscben twee uitgebreidheden.

compareeren, 4) lat. (romparure) ver-schynen, zich Ier aangewezen plaatse luien vinden ; — comparént, m. ,lur. de verscbyneiuie, de voor de rechtbank aanwezige; - compa-remïni, n. bet gebod ter inhechtenisneming door een geestetyken rechter aan een wereid-lijken legen eenen in den ban gedanen persoon ;

— comparéntie of comparitie (spr. /= Is), f. de verscbyning voor bet gerecht; ook eene byeenkoinst ter beraadslaging wegens zaken, by welke alle verscbynenden belang hebben; - Comparse, f. fr. (van \'I it. comparsa, eig. hel verscbynen, bel optreden, v. romparso, pari. van comparire, verschUnon) hel Inryden der ridders by quad rillen (z. aid.) tot bet caroussel; — comparaen, f. pl. fr. op hel tooneel de stomme personen, doorgaans geene tooneelspelers, z. v. a. f 1 g u r a a t e n, stalls-ten; — comparserie, f de inrichting van den tooneeltoeslel, de schikking der iooneelen.

comparteeren (mid.lat. en it, comparlire) afdeelen; compartimént, n., pl. com-partiménten (mid.lat. compartimentuin, it. comparliménld, fr. cnmparlimenl) regelmailg af-gedeelde vakken of volden; — compartitie (spr. Iie=tsie), f. (mid.lat comparliUo) de afdeeling.

Compas, z. kompas.

Compascüum, n. lat. Jur. de gemeene weide; rompascui jus, i. jus.

compassibel, compassie, enz., z. ond. com pateeren.

Compastor, m. nw.lat. (vgi. pastoor) een medeprediker, medepastoor, by- of bulp-prediker.

compateeren, lat. (rompüli, fr. rompatir) medegevoel of medeiyden hebben; ook: toe-geeliyk zyn; samenstemmen; by elkander passen, wel overeenkomen, zich wel verdragen; — compatissant, adj. fr. medoiydend, deelnemend, meewarig; — compatibel, adj. (fr. compatible) vereenbaar, verdraagiyk, samenpas-send, doeniyk, geschikt, gevoegiyk; — compatibiliteit, f. do vereenbaarheid, b. v. van twee openbare ambtsbedieningen in éenen persoon; overeenkomst van twee dingen, geiyk-vormlgheid, geschiktheid; — compassie, f. lat. (compassio) bel medeiydcn, mededoogen, de meewarigheid; — compassibel, adj. (la-ler lal. compassiMlis) medelUdend, deelnemend;

— compassibiliteit,f. nw.lat.gemeenschap van lyden, wederzydsche gevoeligheid, meeiy-digheld.

Compaterniteit, f. nw.lat. (vgi. p a t e r-

n 11 e 11), eig. medevaderschap -, gevaderschap, geesl eiyke verwanlscbap.

Compatissant, compatibel, enz., z. ond. compateeren.

Compatriót, m. nw.lat. (vgi. patriot) een landsman, landgenoot, medevaderlander.

Compeditus, m. lal. (v. cnmpedire, boeien, v. rom/ies, voelbooi, pes, voel) Jur. een geboeide, inz. een die voolboelen aan beeft, in den stok is gesloten.

compelleeren, lat (rompeUére) aandry-ven, aanhouden, dwingen; bel compólle (lal. Imperallvus rompelle, noodzaak, dwang) lid aan-sporlngs- of dwangmiddel, de prikkel, spoorslag; compelle inlrare, dwingl hen binnen te komen, de byheipiaals (Luc. XVI, 1.1), waarmede de


-ocr page 264-

COMPLECTEERKN

COMPENDIUM

248

iirifllsllge proselietenmakery (z. aid.) zich zoekt Ie (lekken.

Compendium, n., pi. compendia of compendiën, lat. afkorllng, verkorting, uil-sparing; een kort begrip, handboek, leiddraad, leerboek, zakeiyke Inhoud of ulltreksol van den hoofdinhoud eener wetenschap, enz.; com-pendiëus (lat. coinpemlinsus, a, ion) kort, afgekort, saumgeval, ineengedrongen; geniakko-IUk; — compendiair, nw.lal. by wijze van uittreksel, vgl. summarlsch.

compenseeren, lui. (compensare, eig. logen eikander opwegen; vgl. pensum) vergoeden, verelTenen, tegen elkander opwegen, elke der partgen hare kosten laten dragen; Kuit. door legenrekening afmaken, uildeigen, vereltenen; compmsalis compensdndis, na verelTening van wat Ie verelTenen valt; compemUtis expénsis, met wederzydsche verelTening der kosten; — compensabel, adj. nw.lal. verelTenbaar, ver-goedhaar; compensatie (spr. t=ls), f. lat. (compensalio) de vergoeding eener zaak door eene andere, de afrekening, verelTening, tegenreke-nlng, wederzydsche ophclDng van de eene schuld door de andere, vergoeding, kostenvergoeding; l\'iiys. de verelTening van de uitwerking eener kracht, b. v. de door warmte bewerkte verlenging der silngerstang door middel van mechanische toestellen; compensatie-uurwerk, n. uurwerk met een compensator of verelTenaar, gelykmaker; — compensatieslinger, m. geiykmakende slinger, zulk een, die door de wyze van zyne samenstelling niet van lengte veranderen kan.

Compère, m. fr. (spr. konpèr\') de gevader, doophelTer, peet; tam. slimme gast, vrooiUke snaak; ook; medestander, helper in \'t bedriegen; — compérage, f. (spr. -rd-zf) het gevaderschap, peetschap; de geesteiyke maagschap of verwantschap, z. v. a. c om pale r-n 11elt; ook: medeplichtigheid, verstandhouding met bedriegiyk oogmerk, knoelery.

comperendineeren, lat. (comperendi-nare, van perendie. overmorgen), oig. op den derden dag verschuiven; In \'I algemeen; verschuiven, Inz. In een rechterlijken termUn; — comperendinatie (spr. t=ls), f. (lat. com-perendinatio) verschuiving lot op den derden dag; Jur. de wederzydsche vermaning aan partijen om op den derden dag voor het gerecht te verschynen; de herbaalde opvatting eener rechtszaak; — comperendinator,m. hy, die, om een uitstel teweeg te brengen, wat nieuws Ie berde brengt.

rompérle, lal. van goeder hand, zeker, competeeren, lal. (compelire) rechtmatig toekomen; betamen; passen, behooren, mededingen, mede naar iets staan; — compe-tént, adj. (lat. compftcns) bevoegd of gerechtigd (van den bandelenden persoon). Inz. bevoegd om vonnis te veilen (van den rechter); hehooriyk, rechtsgeldig (van handelingen); fn-rum romp/flens, n. eene rechtmatige, lievoegde of geldige rechilmnk, vóór welke men verplicht is te verschynen; jute romp/lens of com-peténte rechter, een bevoegd rechter-, — competént, m. een mededinger; medeaan-zoeker naar een ambt; — competentïa (spr. tia=lsia), m. pi. toetestane rechten, voordeelen, enz.; - competéntie (spr. He=lsie), f. (mid.-lal., ook lat., maar in eene andere beteekenis; compelenlta) (li1 bevoegdheid, gerechtigdheid, hel reeht, b. v. om over Iels te oordeelen; bot medeaanzoek, de mededinging, bet wedyverend sireven van versciieiden personen naar een ge-meenschappeiyk dool, b. v. naar amblen, enz.; ook datgene, wat eenen schuldenaar lot zyn levensonderhoud wordt toegelegd; — compe-téntie-recht (lal. beneficium competentiae), bel recht van eenen schuldenaar, die zyn geheel vermogen aan zyne schuldeischers afstaat, om daarvan het volstrekt noodlge lot zyn levensonderhoud af te zonderen; - competitie, f. (spr. —Isle) later lat. (competitin) het mededingen naar een ambt; — competitor, in., z. v. a. competent.

compiarevole, adv. It. (spr. —Isjéum\'.e ■. vgl. pi-acere, enz.) Muz. bevallig, aangenaam, llefeiyk voor Ie dragen.

compileeren, Int. (rompilare, samenpersen als In eenen vyzel, piln) bet vereenigen, samenbrengen, verzamelen van hetgeen in andere hoeken staal tol een nieuw geheel; — compilatie (spr. /=lt;s), f. het samengeraapte, bel uit allerlei sebryvers byeengebrachte en samengevoegde, het verzamelwerk; — compilator, m. een verzamelaar, byeenbrenger, af-schrUver, een boekenmaker.

compingeeren, lat. {compingëre) samenbinden, -hechten, -voegen.

complaisant, fr. (spr. koriplézdii; van complaire, gevalllg of Inscbikkeiyk zyn) gedlen-sllg, gerlefclUk, dlensiwiilig, dienstvaardig, aangenaam, inscbikkeiyk, toegevend, holToiyk, beleefd; als subsi.; een oogendienaar, kruiper, plasdankbejager; complaisance, f. (spr. kniiplizdiis\') de gedienstigheid, dienstwilligheid, beleefdheid, een vriendeiyk, holToiyk, wellevend gedrag; par complaisance, uil welwillendheid, geriefeiyklield.

complaneeren, lat. (complanare) eITenen, geiyk, vlak maken; siypen; complana-bel, adj. nw.lal. verelTenbaar; compla-natio (spr. t=ts), f. lal. {romplanalio) de effening; siyping; Goom. di\' Inhoudsbepaling van gebogen oppervlakten, of de vergeiyking van den inhoud van een krom vlak mei een eITen.

complecteeren, lal. (cnmplécH) samenvallen, bevallen, In zich besluiten; ook begry-pen, verslaan, met het verstand bevatten; — compléx, adj. {compléxus, a, urn) samenge-sleld, onderscbeidon dingen In zich bevattend; Ingewikkeld, verward; — compléxus, m. de omvang, samenvatting; — compléxie, f. (lat. cnmplexin) de omvaltlng, samenvatting; Math, de samenstelling, rangschikking van veie samenstellende elementen; ook lichaamsgesteldheid, gezondheidsaanleg, gestel; gemoedsgesteld-


-ocr page 265-

COMPLEMÉNTUM

COMPONEERKN

249

held. Icmperanicnlde KOluatskleur, tuit uitzicht.

Compleméntum of complemént, n.

lal. (van romplère, vullen, vnl uiiikcn) de iiau-vulltng, voltooiing, het imiivulsel; Geom. dat-(tene, wal een scherpen of stompen hoek lot een rechten maakt, b. v. 2!gt;° is het complement van (i50; Astr. de afstand eener ster van het zenith; — arithmétisch-comple-ment, oen «etal, dat ten opzichte van een under Beta! ontstaat, wanneer men elk cyfer van li en het laatste aan de rechterhand van to aftrekt, h. v. van 137.1 is het arllhm. compl. 8MS; — complementair, adj. aanvullend; — complementair of complementa-rïus, in. nw.iat. een plaalshekieeder, bestuurder, beheerder of gevolmachtiRde van een handelshuls (vrI. commandite); — complementaire (ook harmonische) kleuren, aanvullingskieuren, die elkander tot wit aanvullen, b. v. rood en sroen; — complementaire dag, de aanvuilliiKsdap: In Februari van een schrikkeljaar, zijnde de jttsle dier maand (vgl. hlssextuin); — compleet, adj. lat. [compliilm, a, urn) volledig, volkomen, geheel, vol, voltallig, Inz. van boeken, waaraan geen deelen, binden of platen ontbreken; — com-pleteeren, nw.iat. (fr. compléter) volledig, voltallig, vol maken, aanvullen, tol een geheel brengen; — completeering, f, de aanvulling, volmaking;- compléte, f. het laatste dageiyksche biduur in de kloosters, het slot van den dageiUkschen godsdienst by K. katholieken; — completormm, n,, z. v. a, compléte; — ook een aanvuilings-, voltool-Ingsschrlfl.

complex, complexie, complexus,

/. ond. complecteeren.

compliceeren, lat. (complkare) ergens mede verwikkelen, vermengen, verwarren; — gecompliceerd, adj. ingewikkeld; samengesteld, moeiiyk, bezwanriyk; een gecompliceerd procés, eene verwikkelde, zeer samengestelde rechtszaak; — g c c o m p I i c e e r d e misdaden, znike, by welke verschillende soorten van misdaden te geiyk gepleegd zyn, b. v. diefstal met moord; — gecompliceerde ziekten, dezulke, welker verscbynselen met elkander in geen behooriyk verband staan; — complicatie (spr. 1=1.1), f, de Ingewikkeldheid, Ineenvlechting, samenloop van verschelden dingen van verschillenden aard; — com-pttces delicti, lat. (van den slng. complex, mede verwikkeld) of complicen (fr. complices) m. pl. medeschuldigen, medeplichtigen, medeboosdoeners;—compliciteit, f. nw.iat de verwikkeling; deelneming aan eene misdaad, me-deplichtigheid.

Complimént, n. fr. (van \'t oudfr. en pro-vent;. complir, vervullen, b. v. een plicht, een dlensthewys, eene beleefdheid, enz.) eene bul-ging, neiging, een knik; de aanbeveling, verklaring van achting, hoogachting, eerbied; de begroeting, groet; ook iets vleiends, aangenaams, verplichtends, aardigs in woorden, de welievendbeldsbetulglngen, de woordenlof, de plichtplegingen, h. v. by maakt veel complimenten, d. 1. plichtplegingen, overtollige beleefdheden, woordenkraam, vleiende belulgln-gen; complimenteeren (fr, complimentei\'), begroeten, verwelkomen, beleefdheid bewezen, leis aardigs, verplichtends zeggen; — complimentarïus, barb.-lat., of com-plimenteur, m. fr. (spr. koiiplimaiiléür) een buigingmnker, vleier, overbeleefd mensch, fam. strykvoet, knipmes.

complimentair, beter complementair, z. ond. com pl eme n 1 nin

comploreeren, lat. (complorare) elg. met of gemeenschappeiyk weenen, heweenen, beklagen; - comploratie (spr. lt;=lt;«), f. (lal. com-ploraiïo) het beweenen, het beklag.

Complót, n. fr. (voor romp/oiV, vun\'t lal. compHcïtum = compHcuiio, verwikkeling, deelneming; vgl. com p 1 ice e ren) eene geheime verbintenis lot eene strafbare onderneming, samenzwering, samenrot ling, sluipverbond, bende, rol; — comploteeren (fr. comploler) zich In \'t geheim tot iels kwaads verbinden, samenrotten, eenen aanslag smeden. Iets helmeiyk bron-wen-, — comploteur, in. een samenrotter, aanslagmaker, kwaadbrouwer.

complutensische bijbeluitgave, eene beroemde polyglottische editie, welke kardinaal Xlmenes In lüli te Compluliim, d. i. Aicaia de Hennres, in Spanje uitgaf.

componeeren, lat. (compondrc)samenstellen, vereenigen ; Muz. opstellen, op noten brengen, toondlchten; componénde, t. li, de som, die men aan I hof van Kome betaalt om eene dispensatie of de aanstelllngs-brleven lot eenlg geestetyk ambt te verkrygen; — componist, m, nw.iat. (fr, compositeur) Muz. een toonzetter, toondichter. Iemand, die dichtstukken op muziek brengt; componaster, m. een slecht toonzetter, erbarmeiyk componist; — componïum, n. lat. (verkeerd gevormd) een door Winkel te Amsterdam In INii vervaardigde zeer kunstige speelklok, die zelve scheen te componeeren, doordien zy de voorgedragen muzlekslukken wiiiekeiirlg veranderde; — composita, pi. samengestelde woorden, middelen, enz., z, lager co niposlI uin; — com-positao, pl, eene talryke plantenfainilie met samengeslelde bloemen; — compositie (spr. -zi-tsie), f. (lal, composit/o) de samenslelling, de vermenging van metalen; hel metaalmengsel; het uitgewerkt stuk; hel opslel, het verstandsvoortbrengsel; de ordening van eene schil-dery; Muz. de toonzetting, de kunst om woorden op gepaste muziek te zetten; een muziekstuk; ,lur. een vergeigk, verdrag; compo-sitio amicahilis, f. eene minneiyke schikking; composite, lat. In goede orde; — compositeur, m. fr. samensteller, inz. een letterzetter en componist; • compositie-waren, samengestelde of uil verscheiden stollen bestaande waren, Inz. chemische voortbrengselen; — compositum, n. composita, pl. iels samenge-


-ocr page 266-

COMPORTKKREN

COMPTK

250

slolds, con mongsol; Gram, eon samengesteld woord {verhum compositum)-, — ex comtwsïto, lat. .lur. naar afspraak of ovoreenkomat; — composteur, m, fr. do zcltorshuak, do haak, die liü hot lolterzollon wordt Rolirulkt; — com-lgt;nslü, it. Mnz. rozcI, godlclit; — composi-tuur, f. (spr. s=t) lat. (composihira) de .samenvoeging, fugo.

comporteeren, fr, (se comporlcr) zich ge-dragon ; schikking maken, het samen eens worden; eomportable,adj. vordraaglük, schlk-kelUk; — comportemént, a. fr. (spr. •man) de wijze van handelen, gedragen, het gedrag, de levenswijze.

compos, lat. oener zake machtig; compos men-lis, zijns verstands machtig.

Compositum, compositie, z. onder c o m p o n e e r e n.

Composséssie, f. nw.lat. {vgi. posse-deereti) hot medebezit, de inodebezittlng; — composséssor, in. de inedobezitter.

Compóst, n. (uit liet lat. composïluin saam-getrokken, vgi. com p one or en) een middel van bemesting, mengsel van aarde en mergel-soorton mot straatvull en den afval van dieren en planten, gemengde niest.

Composteur, composto, i. ond. c o m 11 o-n o e r e n.

Compotatie (spr. tie=lsie), f, lal. {compo-laftn) drinkgezelschap, drinkgelag.

Compote, f. fr. (spr. koiipól), gew. com-pót, n. (fr. compote, voor campótc, 11. composta, van \'I lat. compositum, d, i. Iels samengostolds. een mengsel) ooftmoes, appelmoes, mot suiker ingemaakte en gestoofde vruchten; com-potière, f. (spr. -Ijèr\'), elg. compotier, ni. (spr. - tjé) oen fruilschaal, waarin ingemaakt ooft op tafel wordt gezel.

Compound-machine, f. (v. eng. compound, samengesteld; fr. machine a deux cy-lindres, eng. compound-ennine, double cylinder engine) sioommaclilae mot twee cylinders, hii welke de In den kleineren (hoogdrnk-cyllndor) reeds godeolloHjk geëxpandeerde sloom op den weg naar den grootcron (iaagdruk-cylinder) een lusschon-rosorvoir doorgaat.

Compradör, m. sp. eig. een kooper (van comprar, koopen, van \'I lal. comparare, aanschaffen) een zaakwaarnemer hij de ncderlandsche factorijen.

comprehendeeren, lat. (comprehendUre) samenvatten, bevallen, hegrypoii; compre-hensibel, adj. (spr. s=z) (lat. compreliensibh lis, e) begrilpoiyk, hovattelUk, verstaanbaar; — comprehensibiliteit, f. nw.lat. de bogrü-peiUkboid, vatbaarheid; — comprehénsie, f. (lat. comprehenslo) het vermogen om te begrijpen, het begrip, de bevatting, Je bevattlngs-kraebt; - comprehensief, adj. nw.lat. sa-menvattond, begrilpenil.

comprimeeren, lal. {Cimprimrre: van premère, drukken) samendrukken, samenpersen; onolg. bedwingen, in toom houden; beklemmen, b. v. het hart; — comprés, adj. (lat. com-prés sus, a, um), elg. dicht, samengedrukt, ineengedrongen; hg loUerzotters; zonder inteiil-nien tusseben de regels, zeer dicht ineen gezet werk; — compresse, f. fr., noderl. kom-pres, n. een samengevouwen hijije op eene wonde, drukdoekje; - compressibel, adj. nw.lat. sAniendriikbaar; compressibili-toit, f. do samendrukbaarheid, pershaarbold der lichamen; — compréssie, f. lal. (compressw) het saniendrukken, porsen, de verdichting (der luchi, enz.); - compressie-machine, f, oen verdichtingsworktuig, oone Inrichting (doorgaans eene luebtpomp), die lot samenpersing of verdichting van veerkracblige, inz. luchtvormigo stotfen dient; — compressie-pomp, r. perspomp; — compressief, adj. nw.lat. samendrukkend, -persend; compressieve kracht, druk- of perskracht; compres-soi\'ium, n. nw.lat. Chir. hel drukverband.

comprobeeren, lal. (comprobure) mede-hiliykon, goedkeuren; comprobatie (spr. (=lt;s), f. de medehlIHIking, goedkeuring.

compromitteeren, lat. (comprnmittëiv, fr. compromettre), eig. elkander eene weder-zydscho lielofte doen; .lui\', iemand int seheids-rechtor kiezen; hem (dooi\' het noemen van zUn naam) in hel geval brengen, dal hij in eene zaak verwikkeld wordl; iiunand mede ver-antwoordeiyk maken, hem In hol spel, de he-sloniniorlng trokken, hem aan eene veranlwoor-ding, verlegenheid, netelige omstandigheid hlnot-stollon; zgne rust, züne eer, enz. com-pr o ml 11 oe re n, die op hel spel zetten, blool-geven, aan bonadeellng wagen, in gevaar bron-gen; — compromittént, m. iemand, die by eene hetwisto handelszaak zyne tegenparty toe-staal, haar aan do uitspraak des rechters te onderwerpen;- compromis, n. lat. (com promissum), eig. wederzydsclie belofte, ovor-eenkonist, Inz. Jur. hel boroep op hel oordeel en de uitspraak eens scheidsrechters, of de overeenkomst lusschen geschllvoerendc personen, um de beslissing van hun geschil, buiten vorm van rechten, aan oen dorde op te dragen; — compromissaris, nw.lat., com-promissaire, fr. m. zulk een scheidsrechter;

compromissor, m. een medeborg, by, die met een ander voor Iemand goed spreokl; — compromissórisch, adj. scheidsrocb-teriyk.

Compromotionalis, m. nw lat. (vgi. p r o in o v o e r e n, enz.) oen modebevorderde, ge-lyktydlg bevorderde; — gecompromo-veerd, modobftiprderd, enz.

Compte, m. fr. (spr. kont\', van compter, lollen, rekenen, uit bet lat. compuiure: it. conto, vgi. dat woord) rekening, betaling, rekenschap; cnniptc de nuin et de perte, rekening van winst on verlies; compte rendu (spr. raiidü) rekenschap; afgelegde rekening; ook: verslag (eener vergadering, enz.); — comptable, adj. (spr. koiitabf) verantwoordoiyk, lol allogging van rekenschap verplicht ; — comptabiliteit of comptabilité, f. de mogoiykheid van do


-ocr page 267-

CONCEDKERKN

COM PI\'LSI K

251

liorckcniiiK oener zaak; ilc pliclit oni rokenlns af leggen, veraiitwoordelükheld; — comp-tant (spr. kmildii} «f contant, n. goreed, liaar ««Id; lietaliiiK in goreed geld, klinkende munt; tegen comptant, ii co in pi ant o( gew. lege n c o n I n n t e li e t a I i n g k o o p o a, d. I. voor gereod-gold, logon dadclUk\'e lielallng; z. liet adj. contunt. ond. c o n t o; — comp-teur, m. (spr. kontéür) de rekenaar, teller; uitbetaler; — coiniiteur li\'expériencc (spr. -dek-speridiis\'] de rekenaar uil ervaring; eene soort van gasmotor, waardoor hel gasverbruik eener vlam en dff deugdelükbeld van hel gas wordt aangewezen; rnmpleur pnur usines (spr. —poer uzién\') de gasmeter voor tahrlekon, die aangeetl, hoeveel gas er in leder kwartier uurs Is voortgebracht ; — comptoir, n. (spr. kontodr), hU ons verbasterd in kantoor, etg. eene belaal-of rekentafel In hel winkel- of schrijfver! rek van oenen koopman, bankier, fabrikant, enz.; inz. dal vertrek zelf, de schrUfkamor der kooplieden, beamblen, enz.; ook een handelshuis;

comptorist, kantorlst, m. een In hel sebryfvertrek werkzaam koopmansbedlendo, boekhouder, klerk, kantoorbediende.

Compülsie en compulsatie (spr. -zie en -zd-tsie), f. lalor lat. {compulsio, compulsatto, van cnmpell/lrc, cmnimlsare, aamlrijvcn, dringen) de aandrgvlng; drang, dwang; — compül-sor, m. de dryver, heller eener belallng, belasting, enz.; In kloosters de aanzegger van de hora) of bid- en zangurca; — compulsö-risch, adj. (spr s=z) nw.lal. aandrUvend, aanmanend; compulsonum, n. of lillcrae compulsoriales, f. pl. elg. een dwangbrief, aanmaningsbevel; dringend schryven van oen boo-ger gerechlsbof aan een lager om eene zaak Ie bespoedigen, enz.

Compünctie, f. nw.lal. (y»n cornpmgére, stoken, krenken) de verbryzeling, vermurwing des harten. Innig, bil Ier berouw over bedreven zonden.

Compurgatöres, m. pl. lal. (vgl. purge er en, enz.) medezuiveraars, personen, die de waarhoid van penen eed, door oen ander gedaan, met eener» eed bevestigen.

computeeren, lal. (compulan) een overslag maken, ullrekenen, byeenrekonen ; com-putabel, adj. (lat. compulabi/is, e) berekenbaar;—computabiliteit, f. nw.lal. de berekenbaarheid ; — computatie (spr. Iie=lsie) f. lal. (cotnpulafio) do overslag, de uitrekening, berekening, bUeenrekenlng; Jur. de berekening der verwanlschapsgraden naar romeinsch (civiele) of pauseiyk recht (kanonleko computallo); - computist, in. nw.lal. een Jaarherekeaaar van den kerkelyken almanak; — ml cnmpi/lum, lat. op rekening, In rekening.

Comte, m. fr. (spr. knul\', van \'I lat. comes, ■/.. aid) oen graaf; — comtesse (spr. kou-léss\') eene gravin, graveadochler.

Comthur, z. com ment hur, ond. com-m e n d e.

Comtoir, liever comptoir, z. dat woord ond. c o m p I e.

Comuneros, z. ond. c o m m u n. Comus, z. co mos.

com-, vóór de lipletters h, p en in com-, vèor / col-: voor r. cor-i vóór eene klinkletter of li enkel co-, lal. voorz z. v. a. cum, met; illkwyis heeft hel ook vorslerkendo kracht of drukt volledigheid, volkomenheid uil.

con, Hal. (= lal. cum) niet; — co» alféllo, z. n/feltuósd : — con aljlizióne, 7. ond. a ff li-go er en; — con ayiUta, z. ond. agiel; con agitazióne, z. ond. aglleeren; — con allearézza, z. ond. allegro, - con amóre, z. ond. a mor; — con anima, z. ond. anima.

Conatus, m. lal. (van coniiri, wagen, beproeven) de proef, de beproeving, onderneming, drang; conaius delinguéndi, de opzellelyke poging lol het bedryven eener misdaad.

con brio, z. ond. brioso.

concaaf, adj. (fr. concave, lal. concdrux, v. con- [z. aid. | en cdvus, bol, dus ten volle bol, ganscli ea al bul) bolrond, ullgebold, hul. Ingebogen, vlakverdlept; concaaf-glazen, holle glazen, holle lenzen, kringvormige glazen, die óf op eene óf op beide zyden eene holle kromming hebben; In hel eerste geval heet zulk een glas plan-concaaf, efTenhol, vlak-hol; in het tweede concaaf-concaaf, duh-belhol; — concaaf-spiegel, een holle spiegel, brandspiegel; —■ concaveeren (lat. con-cavare), uithollen, holronden; — concavi-teit, f. de holronding, bolle, ronde ullbolllng; concaafconvex-glas, z. convex. Concameratiën, f. pl. lal. (slng. conca-meratto, elg. liet gewelf, van concamerure, om-welven; vgl. camira) vakken, afdeellngen, kamers; — concameracieten, m. pl. lal. versteende schelpdieren met dwarse afscheiding.

concasseeren, fr. {concasser, van \'1 lat. conquass\'ire, verbryzelen) grof slukstooten, kneuzen, breken, stampen; concassiitie (spr. I—Is), f. nw.lal. de kneuzing, stukslootlng.

Concatenatio ispr. lie-lsic), f, lal. [con-calenafio, vgl. catena) de aaneeaschakellng, verbinding, samenknoopiag.

concaveeren, concaviteit, z. onder c 0 n c a a f.

concedeeren, lal. (concedère) Inwilligen, toegeven, toeslaan, veroorloven, bewilligen, ver-leenen; concêdo. Ik geef toe, liowllllg, ben tevreden; conccssum, heigeen toegegeven Is; ar-gumenlum ex coneessis, bewys uil bet loege-gevene; posilo, scd non concesso, gesteld maar niet toegegeven geval; concessibel, adj. nw.lal. vergunbaar, toestaanbiiar; concessie, f. lat. (concessïo) de vergunning, goedkeuring, hel verlof, de hewilllgliig, tociatlug, vry-lieldgevlng, enz. der regeering om b. v. eene fabriek, oenen spoorweg, enz. aun te leggen, een beroep uil Ie oefenen, enz.; verleening van een voorrecht en hel voorrecht zelve; ook eene log. figuur; de toegeving. Inwilliging; — pl. concessies, loegeoliykbehl met betrekking lol eene quaestle; elkander concessies doen, elkander wederzijds Iels toegeven, zich naar


-ocr page 268-

rOXCKLEBHEKHKN

CO NCI ÉRGE

clkiindcr sclilkkcn, elkander (eKemoetkomen; — concessionair «f concessionaris, m. nw.lal. een lii\'nunsllnde, hem, wlen Iels is lic-wllllRd, loepestaan, verleend iieworden ; — con-cessioneeren, goedkeuren, liovoorrechlen, verleonen; — Keconcessioneerd, met ver-punnlnp der regoerlni; voorzien, veroorloofd; — concessief «f concossionaal, adj in-vililgeiid, toegevend, vergunnend.

concelebreeren, lal. {concelehrair ,■ vel, c«\' I e li r e e r e n) medevieren, gemeenschappelUk of in menigte vieren.

eoncentreeren (fr. concentrer, v. centre, lat. centrum, middelpunt) in éen purit samendringen, vereenigen, samentrekken. In éen brandpunt verzamelen; ook dichter maken, verdichten, versterken; concentralisatie (spr. -za-lsie), f. de centralisatie (z. aid.) van de zaken eens lands; de vereenlglng in dezelfde plaats van al de hulpmiddelen der heschnving;

— concentrateur, m. fr. (spr. koti.ian—) concentreerder, toestel lid de suikerfabrlcatie om het gezuiverde heeiworteisap door verdamping Ie concent reeren; concentratie (spr. Iie=lsie) of concentreering, f. de vereenlglng in éen punt, het dringen naar het middelpunt, de insluiting, vernauwing, verdichting, samendringing, krachtverhlnding, krachtverhoo-ging of versterking; 1». v. Chem. de verhooging der kracht eener vloeistof door vervluchtiging van waterige ileelen; Pol. de vereenlglng van al hel gezag In handen van éen of vati weinige personen; ook beperking, hezuiniging, bekrimping; concéntrisch, concen-triek, ook homocéntrisch, adj. eenmid-deipuntlg, een gemeenschappelijk middelpunt bebhende, uil hetzelfde middelpunt getrokken;

— concéntrische aanval, Mil. een aanval nil eene halfcirkelvormige stelling naar hel middelpunt gerichl; — concentrische cirkels, cirkels, die een en hetzelfde middelpunt hebben; concentrische retraite, Mil. terugtocht, die uit eene verstrooide stelling ge-scblcdl naar éen punt; — concentriciteit, f. de mlddelpunlsgemeenschap, de eenheid van middelpunt.

Concéntus, m. lat. (van ennrlnUre), eig. samen of eenstemmig zingen, van canëre: zingen) de samensiemming, hel samenkilnken, de éénklank; — in cnncénlu, .lor. In samensiemming, eenstemmig.

concept, concept, enz., z. onder conci-p leer e n.

concerneeren, fr. (concenter) helrelfen, aangaan.

concerpeeren, lal. (cnncerpüre) verscheuren, uil elkander plukken.

Concért, n. (fr. concert, li. concerto: van 1 lat. concerto re, eig. sameiisliijden, wedijveren, en vandaar Hal. samen afspreken, overeenkomen door met elkander woorden te wisselen) samenspel van verscbelden toonkunstenaars; een door zulk een gezelschap iiilgevoerdc muzikale voordracht, beslaande uil eene ry van muziekstukken; eene soort van grootere muziekstukken, waarin aan een enkel speeltuig, of aan twee (dub bei-concert), de hoofdslem is toebedeeld, welke de overige begeleiden (b. v. een vlooi-. Huil-, clavlerconcert, enz.); ook samen-stemming, overeenstemming, goede verslandhouding ; — tie concert (spr. d\'ko/ixér) eenstemmig, eenparig, met gemeen overleg, met wederzljdsch goedvinden en medewerking; — concert spiri-tuél, fr. eene geesleHjke-muzlek-voordracbt met ultsiuiling van wcreidscbe muziek; — concer-tato, m. it. Muz. eene voordracht, bü welke ieder speeltuig of elke stem zich van tyd tot tüd boven de andere laat hooien; — concertante, Hal. (fr. concertant) concertstuk, in hei-welk de obligaat-passages door Iwee of meer instrumentalisten bü beurten of te geiyk voorgedragen worden; — concertina, f. soort accordion of trekharmonica; - concertino, in. It. (spr. kontsjert—) een klein concert; — concerteeren (fr. concerter -, 11. concertare) Muz. wedspelen, wedzingen, wedyveren, beurtelings de hoofdstem voordragen; afspreken, beramen, wegens Iets overeenkomen; — con— certeerend, of concertdndo, II. (spr. kon-tsjert—) Muz. wedspelend, wcdyvercnd In \'t spelen, zingen, de hoofdstem voordragend; concertant of concertist, m. een wedspeler, -zanger, die op concerten speelt of zingt; Inz. z. v. a. s o I o-z a n g e r; concértmeester, m. (bgd. concertmeister) de bestuurder van een gezelschap toonkunstenaars, Inz. de Illel des voorspelers, die de eerste viool speelt; —con-cértzaal, de zaal der toonkunstvergaderingen.

concessibel, concessie, enz. z. ond concedeere n.

Concetti, m. pi. 11. (spr. knntsjètti, van den sing, concétto, uil hei lat. concéptum, aldus eig. ontwerp, inval, enz.; vgl. concipiëeren) een door zyn vorm trelTende en op hel treffen berekende gedachte of stelling; dlkwyis in on-gunsllgen zin; schynbaar geestige invallen of zeilen, schynvernufl, valsch vernuft, gekunstelde, schitterende gedachten, wapraan Juistheid faalt, vergezochte melaphoren, valscheoverdreven llguren, klatergoud der rede; — concettis-ten, pl. (Hal. concettisti) dlcbterschool iirz. in Italië tide eeuw, die veel van concetti houdt; Marlnl, enz.

concevabel, adj. fr. concernhte, van con-ceroir, en dit van \'I lat. concip/re, begrypen) hegrljpciyk, verstaanbaar.

conchn, f. pi. conctme, lat. (= gr. kónchc) Iweescbaiige schelpen; mosselschelpen; ook een schelpvormig val, napje, enz.; concluB pritpo-ral(e. f. pl. Med. toebereide en lol poeder gewreven oesterschalen; — conchifórm, adj. nw.lal. schelpvormig; -\'conchoïde, con-chyliën, enz. z. konch .

Conciërge, m. fr. (spr. kohsjénj\' ,• mid. lal. concergius, van con- en cergia, cerclna, circa, toezicht, bewaking door rondgaan, ook de wacht, de ronde zelve, v. circare, rondgaan om te doorzoeken, vandaar Hal. cercare, fr. chercher, door-


-ocr page 269-

CONCLUDEEREN

CONCILIE

\'253

7(ieken, zoeken) de huisvoogd, liurgvoogd, deurwachter; gevangenhewaurdcr, kerkermeester, cipier ; - conciergerie, f. eene liurgvoogdU, het burgvoogdUschaii, het amlil en de woning van eenen burgvoogd; ook eene gevangenis, een kerker; de woning van den kerkermeester, de clpicrswonlng.

Concilie, n. lat. (conciftwn, \\ concirc, cmcicre, bUoearoepon; verg. concio) eene vergadering, bernadslagende sameakoniBt Inz. eene kerkvergadering (= synode) Ier vaststeiling van geloofsregeien, veroordeeiing en wering van ketterij, handhaving der kerkeiyke tucht, enz.; men onderscheidt ze in aigemeene (oekume-iiisc he) en byzondere; het gerechtstiof eener hoogeschooi, een schooigereclit; concilium me-dtcum, eene byeenkomst en beraadsiaging van artsen, samenspraak van eenige artsen over eene gevaariyke ziekte, consult; c. mrosdnclum, eene allerhoiilgste kerkvergadeiing; c. wcume-nïcum, (verg. «■ k n m e n i sc li), aigemeene kerkvergadering, wier besluiten (als c a n o n e s) liin-dende kracht hetiben voor de katholieke christenheid en waarvan men er sedert dat van Mciea (1125), tegen de Arianen gehouden, tol op hel Conc. Tridenticum (151S—03 te Trente) IS telt; — conciliürisch, adj. uw. lal. eene kerkvergadering betreltcnde, daarvan uitgaande;

conciliëeren, lal. (conri/iiire) vereenigen, b. \\. verschillende meeningen, bemiddelen, verzoenen, bevredigen; concilia tie, (spr. l. (lat. conciliiilio) vereeniging, verzoening; conciliant, conciliatörisch, adj. verzoenend; vereenigend, iiyeenbrengend ; - con-ciliabülum, n. lal. verzamelplaats, marktplaats, marktvlek; heimeiyke, verdachte samenkomst ; inz. eene geheime, onrecblmalige, on-vvetlige kerkvergadering, eene byeenkomst van dwaalleeraars.

concinereeren, lal. (v. cinis, gen. cineris, asch) met asch bestrooien, beasschen.

concinms, a, um, lat. passend, geschikt, af-gemeten, nel, sleriyk; concinniteit, f. (lat. concinntlas) do aangemetenheid, gepastheid, sieriykheid, inz. de kunstige, evenmatige ver-liinding der woorden en zindeelen tol volzinnen of perioden, zoodat deze net afgerond, liefelijk vloeiend zyn; concinnator, m. een aan-rechter, optooier, toebereider, stolleerder, vervaardiger; ook wel z. v. a. chicaneur.

concio, f. lat. (v. concirc, conciëre, samenroepen; vgl. concilie) eene volksvergadering; openbare rede; predikatie; — concionaal, adj. (lat. concionalis, e) tot eene vergadering be-hoorende, haar betreirende; — concionator, in. (van cnncionari, voor eene vergadering spreken) een volksredenaar, prediker.

concipiëeren, (lat. ronciiifve) onlvangen, opnemen, zwanger worden, by dieren: drachtig worden; gedachlen ontvangen en ontwerpen, opstellen, maken, schryven; — concipiént, m. (lat. conciinvns) of concipist, barb. lal. de ontwerper, vervaardiger, schryver, neder-schryver, 1). v. eener verhandeling; — concepi.

ik lieli het opgesteld, ontworpen, gemaakt; als subst n.: zyn concépl onder iets zetten, d. i. zich als schryver (van een stuk In rechten) onderteekenen;—conce^if, hy beeft het ontworpen, opgesteld, gemaakt (achter den naam des vervaardigers); — concépt, n. (conréjitum) hel eerste sclirifleiyk ontwerp eener zaak, hel plan, de schets, de ruwe omtrekken, het me-morle-blad; het ontwerp van een verdrag, z. v. a. p u n c t a t i e: ook het begrip, denkbeeld; Iemands concept in de war brengen, de orde zyner gedachten sloren; zyn oogmerk ver-ydelen; — concépt-blad, het ontwerp- of planpapler of -blad, grover papier tot ontwerpen, schetsen; — conceptibel, nw. lat. be-grypetyk; — concéptie (spr. I—s) f. (lat. conceptio) 1° de lichameiyke ontvangenis In het moedertyf, bevruchting; 2° liet vermogen om iels te begrypen, de bevatting; het begrip, de gedachte; 3° de korte samenvatting van een geschrift; — concept in immaculala, onbevlekte ontvangenis (der H. maagd); — concepta-cülum, n. eene ruimte, waarin iets bevat, besloten, bewaard kan worden.

concis, lat. (concisus, a, um, van conci-dSre, aan stukken snydea, afkorten) bondig, kort, sailmgetrokken, ineengedrongen, beknopt ; -con-cisa, op recepten: klein gesneden; — con-Cisie, f. (spr. s=z) de klelnsnyding, verdee-llng; de bondigheid, beknoptheid, ineengedron-geniieid.

conciteeren, lal. (concitare) aanzetten, aanhitsen, opruien; — concitamént, n. (lal. condlamcnlutn) een opwekkend, prikkelend miil-del; concitatie (spr. He = (.sic) f. (lal. concilaho) het opruien, de aanhilslng; — con-eitator, m. de opruier.

conclamatum est, lal. (van conclamare, lulil roepen, uitroepen; dus eigeniyk: quot;het is uitgeroepenquot;, met betrekking lot hel oud-rom. gebruik om eenen overledene verscheidene dagen aehlereen tot aan zyne begrafenis lulde by zy-nen naam le roepen en Ie beweenen), het Is volbracht, voleindigd, alt; — conclamalus, m. de \'beweende, slervende of gestorvene; con-clamatie (spr. I=ls) f. (lat. conclamaCfo) de samenroeping; hel gemeenscbappeiyk luid geroep.

Conclave, n. lat. (van con- en ctavls, sleutel) in \'I algemeen een afsluitbaar vertrek, b.v. waarin de examinandus opgesloten is om zyn proefwerk te maken; inz. de plaats, waar de kardinalen vergaderen en opgesloten hiyven om een nieuwen paus te verkiezen (hyna zonder uitzondering wordl daartoe een gedeelte van hel Valicaan gebruikt); ook de vergadering zelve, tot dat einde byeengekomen; — conclavist, in. een dus opgesloten kardinaal, Inz. echter de hofmeester en zyne ondergescbiklen, die de kardinalen gedurende dien lyd bedienen en ins-gelyks bel conclave niet mogen verlaten voordal de pauselyke verkiezing is afgeioopen.

concludeeren, lal. (concluilére, van clau-dcre, sluiten) eene gevolglrekking maken, oor-deelen, hesluiten, heslissen; — ad condudimlum.


-ocr page 270-

CONCRESCEEREN

CONCOCTIE

\'254

Jur, om een besluit te nemen; — conclmUndo, ten slotte, om te besluiten; —oonclüsum, li., pl. conclüsa, liet besloteno, tieslult, slot, besctielit; conrlmum imperti, ryksbeslult; con-clüsum in Sendtu, besloten in den raad, by de overheid, enz.; conclüsie, f. (spr, s=z) (lat. conclusio) bet slot, einde, b. v. eenerrede; bel besluit, de gevolgtrekking; conclu-sief, adj. nw.lat. besluitend, gevolgtrekkend.

Concóctie (spr. t—s) f. int, {concoctio, van concoi/utre) de vertering der spy/.en, spgs-verterlng.

concomiteeren, lat. {concomilari, vgl. c o .1111 e e r e n) begeleiden, medewerken, de lianil bieden; e o n e o m i t e e r e n d e s y m p t o m a t a, Med. onwezeniyke by-verscbynselen in ziekten; - concomitant, adj. begeleidend, medewerkend; — concomitantie, (spr. Iie= luie) mld.lal. de ongescheldenlield des llcbaams en bloei? In bet avondmaal, volgens de r. kath. stelling, ten gevolge waarvan bet gebruik van wyn by het brood als nlei nooiizakeiyk geldt;

concomitance, r. fr. (spr. koiikomilutis\') de begeleiding, vergezelling, medewerking, gemeenschap, samengang.

Concommissari(u)s, m. nw.lat. een medeiast hebber, medegevoimaehtlgde.

Concordia, f. lat. (van (vincon\', eendrachtig, van con- en cor, hart, gezindheid) de eendracht, eenheid, eensgezindheid, eeiislemmigheid, overeenstemming; ook de godin der eendracht in \'t oude Home; de naam oener asteroïde in I8B0 door Luiber ontdekt; enncordia resparvae crescmt (disennlia maximae dilabuntur), door eendracht groeien kleine of geringe zaken aan, eendracht maakt macht (door tweedracht vervalt hel grootste); — concordïën, r. pl. by bloemisten; anjelieren met twee nauw aan eikander grenzende kleuren, waarvan de eene de grondkleur en de andere de afzetkieur uitmaakt;

concordiën-boek, (formulae concor-(fiae), bel vereenigingsboek, een van de zoogenaamde symbolische boeken der l\'rolestanlen, In ISüO op last van keurvorst August van Saksen uitgegeven, om de in de prolestantsche kerk gerezen gesebiilen ity te leggen; —Con-cordeeron, lal. ronrordnre) overeenstemmen, sainenstemmen, samentrelTen; — concordat, bet stemt overeen; concordat cum orii/inrili, bet stemt met het oorspronkeiyke stuk overeen (van afschiKten; concordabel, ailj. (concor-dabflis, e) overeen te brengen; concordant, (lat. concórdan/i), overeenstemmend; als subsi. Muz. de mlddelslem tusschen den boogen en lagen tenor; concordanten, m. pl. de samenstemmonde claves van een orgel, die een aceoord uitmaken; concordantie, (spr. /=/.«) (mld.lal. concordantia) de overeenstemming, inz. der gewyde schryvers; oen bij-bel-register, een boek, waarin ai de woorden en spreuken des hyhels alpbaiioliscb voorkomen, met aanwyzlng van de piaais, waar zy staan (de nederi. Concordantie van .V li r a bam Tro m-inlus verscheen in IIISB te Amsterdam); — concordaat, n. de overeenkomst, overeenstemming, een vergeiyk of verdrag van worehi-iyke vorsten met den paus omtrent kerkelijke zaken, Inz. omtrent liet begeven van geesteiyke ambten; in Zwitseriaud ook; de overeenkomst van enkele kantons over byzondere takken van wetgeving; — concordisten, m. pl, eene voormalige orde op duitsche hoogescholen.

concorporeeren, lat. (concorpofSre, van corpus, z aid.) medeveroenlgen; iniyven; — concorporatie, (spr. t=ts) f. de medever-eenlgiug, medeopneming, iniyving.

Concorrénte, m. it,, z. v. a, concurrent, z, oud, concur ree ren.

Concours, z, oud, concur re eren,

Concreditor, m,, pl, concreditöres, nw,lat, (vgl. creditor) medescbuldelscher;— concrediteeren, mede-aanvertrouwen.

Concrematie (spr, t-ls), i lat, ver-hranding.

concresceeren, lal, iconcrcscerc, van crescfre, wassen, groeien) samengroeien, inoen-wassen, by elkander iniyven, vereenigen, by-leggen-. Gram. een byvoegiyk naamwoord door eene of meer aangehangen letters met een zelfstandig naamwoord in onmiddeiiyke verbintenis stellen of daarmede éen maken, ii v. boo ge-priester; — concremént, n. nw, lat, een samengroeisel of vast lichaam, dat zich door aaneeuheciiting en biyvende vereeniging van af-zonderiyke deeien vormt (zooals steen In de pis-biaas); - concreacéntie (spr, l=ls), f, lat, de samengroeiing, vereenzelviging, hot verwassen;—concrescibel, adj, nw.lat. vereenig-haar; samenwassend; — concrescibiliteit, f. de vereenbaarheid, geneigdheid tol vereeniging; — concreet, adj. lal, (concretes, a, uin, eig. samengewassen) ingeiyfd, vereenigd; verwezentykt; verdikt, geronnen, gestold; — een concreet begrip, zulk oen, dat de eigenschap met hot onderwerp vereenigd en daardoor verwezenlykl voorstelt, hel tegengest, van abstract (z. aid,); concreet substantief, concretum, n, voorwerpsnaam, naam van een afzonderiyk voorworp, van eene wer-keiijk voorhanden zaak, b, v. mensch, dier, boom enz, (in tegenst. met a b si r act s u hs t a n 11 e f, begripsnaam, naam van iets, dal in of aan de voorwerpen wordt waargenomen, en dus slechts ais zelfstandig voorwerp gedacht wordt); — in concrcto, in een bepaald, werkeiyk geval, in de wezeniykheld, b. v. iets in concrcto hesebouwen, d. i. zich zekere eigenschappen of bepalingen ais aan een voorwerp verhonden, daarmede sa-menverknoebt, geiyk hei In de naluur verscliUni, voorstolien; denkt men zich die van het voor-werp afgezonderd, dan beschouwt men ze In abstraclo; concret, n, eng. z, v, a, beton; concrêtie (spr, lt;=■lt;«), f, (lat, concrltio) eig, liet samengroeien, de verwassing. Ineenwassing; oneig, de iniyving; i\'hys. do stolling, verdikking, vordlchllng, verharding, bel bevriezen van een vloeistof; Med, de vorming van vreemde sloffen in het lichaam b. v. de


-ocr page 271-

CONDKSCENDEKREN

CONCUBKKRKN

255

hliuisstcon enz ; Gram. de samenvatllnp: van het liyvna\'luk mei liet zelfslandlff naamwoord door een liü liet eerste Kcvoegden ultRang (conere-tie-teeken); concretianen, m. pi. nw. lat., psyeholoRCn, die aannemen, dal do ziel met hel lichaam lot écu Is samciiKcwasgcn

concubeeren of concumbeeren, lat. conrubure of concumböre) bijslapen, he.slapen, hyeonwonen; — concubine, t. {loncubina) de li(|slaap, hyzll, liocl, hel hywyr, (oudiyds) keefswyt; — concubinarï(u)s, m. nw.lat. een hyslaper, hoel, (oudiyds) keefsman; — concubinaat, ii. (conruhimlus) eenc echlolooze, wettelooze verhlntenls, samenliulzliiK, hel liijzil-schap, de natuuriyko echt, hoerery; — con-cubitus, m. de hyslaap; concubilm imliri-linlus, lal. Jnr. een te vrocgtydlR gehouden hyslaap van verloofden.

Concupiscéntie ^spr. I=ls), t. lal. {con-cuplscenha) de hegeerlijkheid, zondige hegeorte, \\leescheiyke lust; concupiscibiliteit, f. nw. lal. de hegeerUjkheld, hegeerte.

Concurator, m. lat. (vgl. c u r a I o r) een medevoogd, medeverzorger.

concurreeren, lat. (concurrire) elg. sa-menloopen, samenlrellen of -komen: medewerken, mede-bydragen (h. v. hy een geldinzameling voor een hepaald doel); aan iels deel heh-hen, een geiyk doel hejagen, mededingen, wed-yveren, h.v. naareenen prys; concurrént, m. een mededinger; concurréntie, f. mid. lal. concurrenlta, fr. concurrence) de mededinging, wedyver, wedstryd; Jur. hel samenlrellen van verschillende heschuldlglngen of misdaden, z. heneden conrursus delictonm: ook hel tegendeel van praeforentle: In geval van hankroet worden van de schuldvorderaars, die men in pr®(crente en concurrente onderscheidt, de eerste, zoo mogelijk, eerst ten volle betaald, en de laatste krijgen por-eentsgewys slechts oen deel hunner vordering; — concours, n. Ir. (lat. cmwünus) het sa-menloopcn; het wedyveren, streven van twee of meer personen naar een ambt, met onderzoek naar hunne geschiktheid; een wedslrud lusschen kiinstoetenaars; Inz. z. v. a. lat. con-cursux crcditorum, de toetreding of vcreeniglng van verschillende schnldeischers om het vermogen eens schuldenaars, dat Ie hunner volkomen bevrediging niet toereikend is, naar verhouding hunner vorderingen gerechleiyk Ie deelcn; — coneours-odict, n. de openharo oproeping der schuideischcrs van oenen schuldenaar; — concours-recht, n. de overeenkomst van verschillende staten of steden omtrent de ge-iiiksleliing van de seiiuidelschers op hel wedor-zydscb grondgohied; — enncursm actianum, lat. bel sainenloopen van onderscbelilen aanklarhtcn of rechtsvorderingen in (\'en persoon; concunus deliclonm of criminum, samenloop van verschillende overtredingen ol misdaden, door oenen persoon begaan; concursifex, m. nw. lal. ,Iur. iemand, die tot het heialen zyner ver-scliilienile seiiuidelschers hullen staat is en over

wiens vermogen een concours Is geopend.

Concüssie, t. lal. (concussio, van conca-tere, schudden, enz.) het samenstooten, de botsing ; oneig. de afpersing, geldafpersing, kneve-lary; crimen concussiónis, de niisdaad van geldafpersing of knevelary door ambtenaars, wanneer zy meer geld vorderen, dan de wet hun veroorlooft ; — concüssor, in. een knevelaar, afzetter, geidafperser.

Condage, z. k a u r 1 s.

Conde, m. sp. graaf (z. comes); con-dësa, f. gravin.

Condebitor, m. pi. condebitören, m. nw.lat. (vgl. do bi tor) .lur. inedeschuldenaar.

condecoreeren, nw. lat. (vgl. de co-roe ren) opsieren, tooien, schoon voordoen. con delicaletta. Hal. tljngcvoeilg. condemneeren, lat. {condemnnre, van damnare, venloeiiten) veroordeelen, verdoemen;

— condemnabel, adj. (lat. condemmbilis, e) veroordeelenawaiird, verdoemelijk; — con-demnabiliteit, f. nw. lal. de voroordeel-haarheid, verdoemeiykhcid; condemnaat, m. (lat. {\'(indannafus) de veroordeelde; — con-demniitie (spr. l=/s) f. (lal. condemnaho) de veroordeeling, afkeuring, verdoeming, hel vonnis; — condemnator, m. lat. de veroor-deelaar; — condemnatörisch, adj. nw.lal. (condemna/orius, a, urn) afkeurend, veroordee-lend, b. v. een c o n d o m n a t ö r 1 s c h vonnis (nw.lat. sententia condemnatoria) f. eene veroordeeling, die den beklaagde datgene oplegt, wat de klager verlangd heeft.

Condenseeren, lal. {enndensare, vgl. den-seeren) verdlciiten, dichter maken, verdikken, samendringen in eene kleinere ruimte; — con-densabel, adj. nw.lal. verdichlbaar, samen-persbaar; - condensabiliteit, f. de ver-diehltiaarheid; condénsans, n., pi. con-donsantia, lal. verdichtende, verdikkende middelen; — condensatie (spr. I=l.i: lat. condensaliO) of condenseering. f. de verdikking, verdichting, b. v. van dampen tot drulp-bare vloeistotfen door drukking of afkoeling;— condonsatie-machine, eene soorl van stoomwerktuig met verdiciiting van den stoom;

— condensatief, adj. nw.lat. verdichtend; condensator, m. nw.lat. de vordichter,

vordikker, vereoniger, verzamelaar, oen electrl-citelts- en wariiileverzamelaar, een werktuig in de natuurkunde tol vereentging der verstrooide electrieke slof (ook mikroUiektrometer, m 1 krolil ekt roskoop genoemd), lol ineen-dringing der vuurdoelen of der warmte; hij stoomwerktuigen bel met water gevulde val, waarin de dampen verdicht worden; zoo ook hy smeltovens een toestel om vervluchtigde sloffen te verdichten, verdichtingskamer; con-densiteit, f. nw.lal. de dichtheid. Condesa, f. sp. z. onder conde. oondescondeeren, nw. lat. zich laten welgevallen, zich geneigd hetoonen, toegeven, tnschikkelijklieid hebben, toegevendheid gebruiken; mcde-afstanimen; condescendónt,


-ocr page 272-

CON DKVOZIONE 25(5 CONDORMANTEN

«ilj. Inscliikki\'Hjk, toegevend; condescen-déntie (spr. /=/.«), f. ito inwilliging, inscliik-keiykhciil, tocgccliyklieid, hel door ilo vingers zien, zeemnnscluii) gi\'hruiken; ook de inedeuf-slamming.

con (levotiune, ilni. aniidacliilg, ernstig, eondiceeren, ial. {comlircre, van dirire, zeggen) afspreken, aankondigen, lieioven; ge-rei\'hlclgk aanklagen of terugvorderen; - con-dlctie (spr. /=/«), f. (tat. ivmluiio) de afspraak; aankondiging; lieiotle; Jnr. de terugvordering mui eene ons loekoinende zaak ut van een recht; elke pcrsooniUke rechtsvordering, inzonderheid die, welke nit eene eenzijdige bron voortvloeit en ovenlrachl van eigondoin ten doel heeft; condiclio causa ila/a, cuma non sec\'ula, terug-vordoring van iets, dat aan iemnnd wegens eene later weggevallen oorzaak was overgedragen; lt;•. cerli, terugvordering van een bepaald voorwerp; c. ejc chirogruplio, eisch, die op een iiand-siiirifi berust; c. ex muhin, terugvordering van \'t geioendi\'; c. ex. stipulato, eisch wegens naleving van gedane belofte; e. furtim, terugvor-iloring van den gestolen eigendom; c. imlebfti, terugvonlering van eene uit vergissing gedane, niet verschuldigde betaling; c. liherationis, eisch of verzoek om vrUsteiiing van eene verpiiciiling; c. oh turiiem causum, terugvordering van datgene, wat een ander op onwelilgen grond ontvangen heeft; c. sine causa, terugvordering eener zaak, die zonder rechtsgrond in Iemands bezit is gekomen.

Condigniteit, f. nw.lat. (van I lat. con-ilignus, geheet waardig) de geiykwaaniigheid. con diligema, z. ond. diligence. Condimént, n. lat. (condiménlum, van condire, kruhien, inmaken) de kruidery, specery, hi\'t smaakgeviiid of smaakverhoogend toevoegsel by spys of drank; — fames est optimum condiménlum, lat. honger is de beste saus; — conditor, m. een suikerbakker, een inlegger van vruchten, enz.; — conditum, n. I\'harm. iels dal in suiker ingemaakt is; — conditum forporum, het balsemen van lijken.

Condiréctie, f. nw.lat. (vgl. directie, ond. dirigeer en) liet medebestuur, medeop-ziebt; — condiréctor, m. (vgl. director) een modeopzichter, medebestuurder; con-directorïum, n. tiet gezameniyk medebestuur, luedeopzicht.

Condiscipol, m. lat. (comliscipulus, vgl. discipel) een medescholier, si\'hooigenooi, medeleerling.

con discretione, z ond. discreet. Conditio (spr. l—ts), f. lat. (conditio: v. condire, samendoen, samenvoegen, fr. condition) ile voorwaarde, bet beding; de toestand, ge-sieldbeld, eigenschap, aard; de voorslag, de bediening, pliiais, post, dienst, staiiil, slaat, b.v. in conditie treden, eene dienstbetrekking aanvaanlen met wederzydsche vei piicblingcn en voorwaarden; pi. conditiónes, voorwaarden, punten van overeenkomstsu6 conditione, onder voorwaarde; — absque utta conditione, zonder eenige voorwaarde; conditio sine qua non (woor-deiyk; voorwaarden zonder welke niet) eene on-vermydeiyke voorwaarde; — conditionalis, m, lal. (fr. conditionnet) Gram. voorwaardelUke wys of vorm eens werkwoords; conditioneel, adj. lat. voorwaardetyk, li. v. eene voorwaardeiyke belofte; — conditionatiter, adv. nw.lat. ook d condition, fr. (spr. kondisjóii) onder beding of voorwaarde; - conditionee-ren, uw. ial. bedingen, voorwaarden maken; dienen, in dienst staan, zicli In dienst begeven; de behooriyke gesleldbeid of deugdeiykhoid geven, b. v. aan wynen, boeken, lakens, enz.; — geconditioneerd, gesield, b.v. dit boek is nog wél geconditioneerd, Is nog in goeden staat, is belioorlijk bewaard gebleven; Iron, die man is goed gecondi 1 lo neerd, die man Is mooi bezorgd, ducbiig beneveld, zat.

Condïtor, 111. lat. (van condëre, stichton, opbouwen) de stichter, groiidvester.

Condïtor, conditum corpurum, z. onder c n n d i in e n t.

Condivlsie, f. (spr. s=z), nw.lat. (vgl. diviileeren, enz.) de by-indeeilng, onderverdeeling.

con dolcezta, z. dotce.

condoleeren, lal. {condotére, v. dote re, smart gevoelen) beklagen, betreuren, rouwbeklag doen, deelneming in een verlies betuigen;

condoleantie, f., of condoléntie (spr. t=ts), nw.lat. (11. condolema, condogtiema, fr. condoléance) het rouwbeklag, de betuiging van smartetyk medegevoel.

con dotore, z. ond. dolente.

Condom, m. een zeer dun overtreksel, foedraal of scheede om zich voor de venerisclie besmetting te vrüwaren (nok wei capote a n-glaiso of redingote genoemd).

Condomïnus, m. nw. lat. (van \'l lal. dominus, z. aid.) de mede-eigenaar, medeheer, medebezitter; condominium, n. de mede-eigendom, de medeheersibappü; — condo-minaat, n. in \'t staatsrecht: de gezameniyko beerschappy in gebiedsdeeien van duitsche vorsten; — condomimaal, adj. wat op de gezamenlyke heerschapiiy betrekking beeft.

condoneeren, lat (condonarc) schenken, kwyiscbelden, te goede houden, vergeven; — condonatie (sjir. t=ts), f. Jnr. de afstand, kwytscbeiding.

Condor, m. (spr. condor, van \'t peruvi-aanseb c u n t u r) een vogel, dien men voorna-meiyk in het Andesgeborgte vindt ou dlo veel overeenkomst beeft met don zwiisorsclien lammergier; \'tis de grootste vogel, dien men kent, daar by 3J lol 4 meters vlucht heeft, de gryp-gler, grypvogel (Vuttur gryphus, L.)

Condorin of Candorin, ook Can-darin, n. eene Chlneescbe rekenmunt -, ook een Chlneesch gewicht; verg. i 1 a n g en I a n.

Condormanten, condormiénten, m. pi. nw.lat. byslapers, eene secle der lilde eeuw, zoo gebeeten, omilat zy allen, mannen en vrouwen, jong en oud, by elkander sliepen;


-ocr page 273-

CONDOTTA

257

CONFKSSIK

— oondormltie (s|)r. t=ls), f. nw.lat. de echtciyke byslaup.

Condótta, f 11. (= sp. condtuia, z. c o n-ducoeren) do leiding, hel gelelde; Kml. do verzending dor goederen; vgl. expeditie on transport; ook vracht, voerloon; — per con-(lotla, onder \'1 gelolde of vervoer van dezen of genen voerman; condottiére, m., pl. condottiéri, bendehoofdman, aanvoerder van geworven soldglroepen In do vroegere Ital. stalen, die op hol olnde dor middeleeuwen, hU de elndelooze oorlogen van dien tyd, die party diendon, welke hen konde en wlldo hetalon.

conduceeren, lat. (conduclre) lelden, voeren, begeleiden; huren, pachten; — con-ducilael, adj, bovorderlük, nulllg, dienstig;

conducibiliteit, f. nw. lat. do hevor-dnriykheld, dienstigheid; — conduct, n. nw. lal. {condxktus) de begeleiding, hel gelelde, Inz. hij liJkstaatsUin; — condücta, f. sp. (spr. u=oe) eeno onder krygsmansgelelde bewerkte verzonding van edele meialen uil de spaanscho koloniën naar het moederland; conducteur, m. fr. een geleider, leidsman, opziener, lt;,iiz. -, de persoon, die op dliigcncos, spoorwagons, stoombooten voor lt;len gerogelden dienst en het gemak en de veiligheid van personen en goederen zorgt; - condüctie (spr. t=s), I lal. {condudio) de huur, pacht; — conductor, m. Jur. oen pachter, huurder; Phys. oon geleider dor olectrlciiolt aan olectrlseer-machiues, oon holle gepoiyslo metalen cylinder, die op oen kleinen afstand van do machine slaat on door een glazen voetstuk geïsoleerd Is; ook een bliksomailelder aan gehouwen; ook een chirurgisch werktuig om een ander in te brengen, oene holle sonde enz.; — conduc-tibel, adj. nw. lat. leldbaar; conduc-tibiliteit, f. goioldbaarheld, geschiktheid om geleld to worden, b. v. van do warmtestof, de electrieke vloeistof.

conduiseeren (spr. lamdwi—) van \'l fr. ennduire, on dll van \'t lat. conduore) zich gedragen, handelen; conduite, f. fr. het gedrag, de loef- en handolwys; hel opzicht, do leiding, hel bestuur; — conduite-lijst, f de lysl, waarop aanteekenliig van \'t gedrag wordt gehouden.

rnn dunln, z. ond. dolenle. condupliceeren, lal. vordubheieu; — conduplicabel, adj. vorduhbeibaar; — conduplicatie (spr. /=(.«), f. Rhoi. do vor-dubheling, bestaande in de herhaling van oen woord aan \'I begin of einde van oenen zin.

Conduri, pi. erwtjes, als goud- en zilvergewicht dienende by de Maleiers en Javanen; vyt doen ecu grein.

Condylus, condylom, enz., z. kon-

lt;1 y 1 u s.

Conepatl, n. mexlcaansch (ook enkel epatl) hel stinkdier, dat tol de wezolsoorlen behoort (z. vlverre).

con e senza violino, 11. Muz. met en zonder vlooi.

VI Kil UK IIRUK.

con espressione, z. espressivo. confabuleeren, lal. {confabuluri) mot elkander praten, zich vertrouweiyk onderbonden, sprookjes vertellen, keuvelen; — confa-bulatie (spr. het vertrouweiyk gesprek, gekeuvel, praatje; —confabulator, m, de prater, snapper, kouvelaar, praatvaar.

confamuleeren, nw.ial. (van famulari, dienen) samen dienen, In denzolfdon dienst zyn.

Confarreatio, f. lal. een oud-romelnsche plechtige vorm om oen huwoiyk le sluiten In logenwoordigheld van priesters en 10 getuigen, waarby een kook {farreum) gegeten werd.

Confóct, n. (II. confello: mid.lal. confectum, oorspr. hel parllc. van \'I lal. conficdre, bereiden, voleinden; confectto, loeberoiding, In mld. lal. loeberelde arlsonyon en dgi.) suikergebak, suikergoed; — conféctie, f. lal. {confectto) Jur. do voleinding, voiiooiing, voltrekking; In don modehandol: vervaardiging van geheeie cos-tumes, zooals die In de magazgnon van gemaakte kieederon verkryghaarzyn; ook: do handel daarin; in apolheken: loehcrelding van geneesmiddelen; confectto inrcnlnni, hel opmaken van de boe-deliysi, den invenlaris eener nalatenschap.

confedereeren, confederatie, z. co n f«\' (I er oero n.

confereeron, lat. {conférre, fr. conférer) tegen elkander houden, vergeiyken; gemeen-schappoiyk overleggen, boraadslagon, onderhandelen; opdragen, overdragen, vorloonen, I). v. een ambt; confer, lat. vergeiyk! con/mifur, hol worde vergeleken, men vergoiyke! hy verkorllng gemeenlijk cf. geschreven; conferénda, pl. lal. Jur. hel van den erllaler vooruit ont-vangene, dat do erfgenamen weder aan de na-lalengohai) moeien loevoogen: conférence, f. (spr. -rd/is\') fr. voordracht, lezing, z. verder conferenl ie; — conferéntie (spr. /=/.?), f. (mid.lai. confercnlia, fr. conférence) dosamen-komsl en beraadslaging over zaken; do byeon-komst van ministers of gozanlen om slrydlgo slaalsbelangen ie veroironen, b. v. do London-sche conferenlio in IHlin over de afscheiding van Itelgio van ons Kijk

Confermentatie (spr. He=lsie),(. nw.lat. (vgl. (formenloorcn) de medeglsllng. con fermezza, ■/.. ond. ferm. Conferruminatie (spr. t=ts), t. nw.lat. (vgl. f e r r u m 1 n a 11 e) hel samensoldeeren.

Conférve, f. (v. confervère, samenkokon, aaneonhecien, zoo goheelon wegens hare samen-Irekkende geneeskracht) oene soort van planten, hehoorendo lot de famiilo dor wieren, welke in zool water groeien, watermos.

Confessie, f. lal. (confessfo, \\an confiteri, hokonnen, boiyden) de bokenlenls, beiydonis; do geioofsbeiydenis (confessio fid!i): de goloofspariy, die Iemand is toegedaan; ook de blechl; in oude kerken de grafstede van don heilige der kerk; confessie-verwanten, geloofs-gonooten; confessio Auguslnnn z. Auflusluna confesstoi confessio judlcialis, Jur. oene bekentenis voor hel gerecht; c. exlrajiidiclalis, oene

17


-ocr page 274-

CON FKST1VITA

CONFITEEREN

258

bulten-gercchlolljko bckcntonls; c. legittma, cone in rcchton gcldlgo bekentenis; r. intra, eene ronde, onvoorwuardolüke bekentenis; c. iimili-firala, eene voorwuiirdelUke bekentenis; c. spon-lanfa, eene vrUwIlllge bekentenis; c. viexlórla, eene door geweld afgeperste bekentenis; — confessionalisme, n. de leer der theologen, die den godsdienst van eene bepaalde gc-loofsbeUldenis athankeHik maakt; — confes-sionaris, m. nw.iat. de biechtvader, blecht-afnemer, confessioneel, adj. de geloofs-tielUdenis betreilendc, daarop gegrond; ook ais subsi, theoloog die den godsdienst van eene bepaalde geioofsbeiydcnis afluinkelUk maakt, vgl. confessionalisme; — confessionist, in. een kerkgenoot; vroeger een aanhanger der Augsbnrgsche confessie, Protestant; in confesso, erkend, toegegeven; — conféssor, m. lat. oen fcelUder van \'1 christendom; een biechteling, biechtende; rnnféssus, m. lat. een misdadiger, die bekend heeft; confessun et conviclus, die niet alleen bekend heeft, maar ook overtuigd Is geworden; iemand pro confesso cl conviclo houden, hem als beleden hebbende en overtuigd zynde aanzien.

con feslivild, ond. feslief.

Confetti, pi. (van confétto) it., z. v. a. confecl, dragées, z. aid.; ook kleine glps-bolleljes (Juister confe/facci, d. i slecht of valsch confect genaamd), waarmede de maskers bu hel oarneval in llailü elkander plegen te worpen. Conflanee, z. end. c o n f 1 d e e r e n. conflceeren, lat. (conficgre) voleindigen, lot stand brengen.

Confldejüssor, m. lat. (vgl. fidejus-soi, ond. fides) Jur. een medeborg.

confldeeren, lat. (con/idlre) en eonfl-ëeren, fr. (confier) vertrouwen, aanvertrouwen, toeverl rouwen, zich op iets of Iemand verlaten; — conflanee, f. fr. (spr. koiifiaiis\') het vertrouwen, de loeveriaat; — confldént (spr. kohfidaii) of confié, een vertrouwde, vertrouweling, boezenivTiend; confldente, f. (spr. kniifiilaiil\') verlrouwellnge; - confi-dentianus, (spr. /i=/si), m. nw.lal. degene die (op ongeoorloofde wijze) de Inkomsten trekt van een kerkainlit, prove of prebende, welke liü aan een ander vcrschafl heeft; — confl-dentiëel (spr. Ii=lsi), adj. veilrouweiyk, met verirouwen, gul, rond; —confldéntie (spr. l—ls), f. int. [ronfuientia) of confidence, f. fr. (spr. kon/iilnns\') de vertrouweiükheld, liet verlrouwen; de vrlimoedlgheld, driesiheid, de verlrouwelUke inededeeiing, aanvertrouwing van een geheim; vandaar confidenties maken, in verlrouwen Iels medodeelen — en confulcnre, (spr. nil—) in vertrouwen.

con fill acta, ■/.. ond. fides.

confiëoren, z. confldeeren. con ficrezM, z. ond. fier.

configeeren, lat. (.configrrc) samenliecb-len of -binden, aaaspUkeren, aanplakken,

configureeren, lat. {confiiiurare, vgl. figuur, enz.) eene gednante geven, vormen;

— configuratie (spr. l=ls), t de vorming, het ontslaan van gelijkvormige gedaanten, zoo als bU de kristaliiseerlng der zouten en het bevriezen des waters; Astrun. de wederzgdsche stand of het aspect, de conjunctie der planeten; werktulgiüke afbeelding der gedaanten, die de wachters van Jupiter en Saturnus by hunne verduisteringen aannemen.

Confines, pi. lat. (van finis, grens) grens-of veldburen, aangrenzers; — conflnïum, n. de grens, grenssteen; — conflniën, pi. grenzen, grenslanden; — confineeren, nvv. lal. aangrenzen, Insluiten, grenswacht houden; gevangen zetten, arrest geven, opsluiten binnen bepaalde grenzen; naar de grens vervvUzen, verbannenconfinatie (spr. I-Is), f., con-finemént, n. nw.lal. Jur. hel huls- of stadsarrest, de huiselijke opsluiting; de verbanning aan eene bepaalde plaats; — confiniteit, f. de grensnabuurschap.

confingeeren, lat. (confinqSre. vgl. fin-ge eren) verdichten, verzinnen.

confirmeeren, lat. [confirmart; vgl. ferm, enz ) bevestigen, bekrachtigen, vast en zeker maken; door onderleekening verzekeren; bevestigen in den godsdienst, inzegenen ; bet sacrament des vormsels toedienen;—confirmandus, confirmanda, by de U. Kath. hij of zy, die belUdenls des geioofs allegt, die lot de eerste avondmaalsviering, cominunle, wordt toegelaten, oen vormkind; confirmatie (spr. l=ls), f. lat. (confirmafto) de bevestiging, bekrachtiging des doops, inzegening, inwydlng of opneming onder de leden der kerk; confirmaCfo juiliciSlis, Jur. gerechteiyke bevestiging; cum confirmalione judiciali, Jur. mei gereclilelyke bevestiging; — confirmatief, adj. lievesllgend, Lekracliti-gend; — confirmator, m. de bevestiger;

— confirmatörisch, adj. bevestigend; — confirmiteit, f. lal. (confirmilas), balsslar-riglield.

conflseeeren, lal. {confiscare, van fiscus, z. aid.) of confisqueeren, fr. {confisquer) gerechteiyk intrekken, aan de schatkist ten deel doen vallen; vervallen verklaren, in beslag nemen, aanhalen, wegnemen, I), v smokkelwaren; geconfiskeerd, ingetrokken, verbeurd verklaard; — confiscaat, n. het ingetrokkene, vveggenomene, verbeurdverklaarde; — confiscabel, adj. nw.lal. verbeurdverklaarbaar, intrekbaar; wat aangeslagen of aangetast kan worden; — confiscatie (spr. l=ls), f. lat. [confiscatio) de Intrekking van een goed ten voor-deele der schalkisl, de vervallen-, verbeurdverklaring, de aanliallng van smokkelwaren.

Confiseur, z. ond. confituren.

confiteeren, lal. (confiücri van fahri, beiyden) bekennen, biechten; vgl. confessie;

— confiltor, ik beken, beiyd (Deo omnipolenli etc., den aimachligen God, enz.) die door den geesteiyke knielend uilgesproken zondenbeiyde-nls bij den aanvang der Kath. mis; hei con-fitëor, de zondenbelUdenls der gemeente hy de Kath. mis; de openbare prieslerbiecht In


-ocr page 275-

CONFUNDEEREN

CONFITUREN

259

do Kath, kerk; — confltént, in, (lat. cm-ft tens), een biechteling, lileehlklml; — con-fessus, oud. confessie.

Confituren, f. pl. (inlil lat. confeclura, van \'t lat conficere, toebereiden, Ir. conftre. Inmaken) Ingemaakte dingen, b. v. vruebton, suikergoed, suikerwerk; — confiséur, (spr. koii/it—) of confiturier (spr konfilu-rjé), fr., confitëro, sp. m. een banketbakker iemand die Ingelegde voorwerpen bereid, verkoopt; — confiserie, f. suikerbakkerij.

confiagiteeron, nw.ial. (van tlmjitare, vorderen) ernstig verlangen.

confiagreeren, lal. [cmflaqran) verbranden, tot ascli vergaan; - conflagnïtie (spr. lt;=fs), f. lat. {cnnHagratïo) algemoeae brand, groote brand, inz. volgens bet bUgeloof der middeleeuwen: de ondergang der wereld In bel vuur van bet Jongste gericbl.

Confiatie (spr. l=ls), f. lat. {conflatio, v. cnnftarc, samenbluzen, opblazen, aanblazen; smelten) het aanstoken, oppoken; de smelting der metalen.

confiecteeren, lal. (conflectën) samen-buigen.

confiigeeren, lat. [mnflWre) tegen elkander stoolen, botsen, met elkander In slryd zün; — conflict, n. (conflklus, m.) de botsing, stryd, stoot, aanval, tweespalt, tegenspraak, werking en tegenwerking, inz. op het gebied van niensebeHike bedoelingen en handelingen; b. v, tragisch conflict: een stryd van wetten of plichten, waarin een menscbenleven te gronde gaat; conflict van jurisdictie, Jur. hel verschil van meening omtrent de bevoegdheid van uitspraak te doen.

confiueeren, lal. (rnnHm\'rc, van ftuüre, vloeien) Ineenvloeien, samenstroomen; — con-fluént (lat. conftiiens) samenvloeiend (coh/Ih-ens «f pl. confluentes heet de plaats, waar twee rivieren ineenvloeien; vandaar het dullsche (lo-blenz aan de samenvloeiing van Rgn en Moezel);

confiuéntie, f., confluvium, n., of confivixus, m. de samenvloeiing; — cdii/lu-xus homfnum, de samenloop, toeloop, oploop van menscben;— confluxibel, adj. nw.lat. vereenigbaar.

confocaal, adj. nw.lat. (van focus, z. aid.) een gemeenscbappeiyk brandpunl hebbende)con-f o ca Ie lijnen).

confoodereeren (zich), lat. (confmle-rarc: van fwilus, genlt. fwd \'ris, verbond) zich verbinden; goconfosdereerden, verbondenen, bondgenoolen; confoaderatie (spr. I—Is), f. een verbond, bondgenootschap, Inz. tusschen onafhankeiyke staten; de lielve-tische confcedoralle, bel zwitsorsch ver-hond, eedgenootschap; n oord a in erlkaa nscb e co n f d! derail e, het hond der zutdetyke legen de noordeiyke slalen; confosdoratka, f. poolscho muls met bonton rund.

confórm, adj. lat. {rnnfómis. c, van (onna, gedaante, vorm) geiykvormlg, overeenkomend, overeenstemniend, eenstemmig, In orde; con-fórmfirs, eng, of conformisten, in. pl. In Engeland de aannemers der unlfonnilelts-aclc van 1!gt;((2, de overeenstemmenden, aanhangers der beerscbendo blsscboppeiyke leer of angll-caansche kerk; vgl. dlssénlers; — conformiteit, f. nw. lal. de geiykvormlgbeld, overeenstemming, geiykheid, eenstemmigheid; — conformeeren, lal. (cnnfonnüre) gidgkvor-mig maken, naar Iets inrichten; overeenkomen overeenstemmen, schikken, voegen; — con-formatie (spr. (=ls), f. (lal. ennformalin) de hehooriyko inrichting, geiykvormlgmaklng, de schikking of inrichting der deelen van een lichaam, overeenkomsl, schikking, toestemming, Confort, z. ond conforteeren. conforteeren, inter lat. {am fort ure.: fr. confortcr) sterken, troosten; — confort, n. fr. (spr. konfór) de versterking, hulp, bysiand, troost; — confortantia, pl. nw.lat. Med. versterkende middelen; —confortatie (spr. lie=tsie), f. do versterking; Jur, de vereenl-glng van leengoederen met een mansleen; — confortatief, n, (confnrlalivum) eene versterkende arlseny, een versterkingsmiddel.

Confortemain, n. fr. (spr. —méii) In hel leenrecht: de volmacht om onderleenen in te trekken.

con forta, Hal. krachtig.

confrageua, adj. lal. hobbelig, moeliyk, verward, nelelig.

Confrater, m. nw.lat. (vgl. fraler) fr. confrère) een medebroeder, anihlshroeder, ambtgenoot, ordesgezel; - confraterniseeren (s|)r. n—z), verbroederen; — confraterni-teit, f. de verbroedering, hel mcdehroederschap, Inz. hel ambtsbroederschap, ambtgenootschap; — confralernitas, f. Jur de erven-verecnlglng, de verbroedering der erfgenamen; confra-ternita of confrérie, f, fr. vrome broederschap, gezelschap van leeken, die tol godsdienstoefeningen bUeenkomen.

con fretta, z. f r e 11 a. confronteeren,mld lal, (cnnfrontlt;ire,\\i\\i) 1 lal, frons, voorhoofd) de uitspraak van twee personen voor hot gerecht vergotyken, hen in elkanders gezicht verhooren, legen over elkander slellen, wederzijds verhoeren, vergeiyken;

confrontatie (spr. tie—tsie) f, de tegen elkander- of tegenoverstelling, inz, ronfrnnlalia feslium, Jur. d(^ gelulgenvergeiyklng, het tegenoverstellen der getuigen, om de waarheid des te gemakkeiyker en zekerder te vernemen.

Confucius, eig. Kong-fu-tse, een in China nog algemeen en hoog vereerd zedeleeraar, weigever en hervormer, Ier wiens eer tempels gebouwd zyn; hij leefde omslreeks BOO Jaren vóór Chr.

confugiëeron, nw.ial, (van /\'«(/«, vluchl) vlieden, vluchten, de loevluchl, de wyk nemen ; confviga, m. ile vlucldellng. de ontvluchte; confugium, n. hel loevluchlsoord, de wykplaats, wijk.

confundeeren, lal. (confundfre, elg. sa-menglelen, van fumlire, glelen) vermengen.


-ocr page 276-

CONG R KG KKRKN

CON FUOCO

\'2(i0

verwisselen, verwarren; verward, verlagen o[ sctuianirooil maken, verbluiron; — confuus,

adj. (lat. confusus, a, urn), verward, ondereen-gemengd, onordelUk, duister; verlegen, Ijeschaamd, bedeesd, verbluft; cnnfusum rhaos, een warboél, eeno verwarde, niet le ontwarren zaak; — confusie (spr. s=z), f. (confusio) de verwarring, vernienglng, wanorde; de verlegenheid, be-schaamdbeid, bedeesdheid; verstrooiing; Jur. liet samenvloellen van rechten en plichten, van verordeningen en diensten, actieve en passieve rechten in tien persoon, het geen de ultdelglng, optientng dier rechten en pllcbleii ten gevolge heeft; annus confusionis, jaar der verwarring, d, 1, het Jaar iquot;) v. Clir,, dat Cajsar, om don kalender in orde le tirengen, met »0 dagen verlengde; - confusionarius, m. nw.lat. een onordciyke, een wanordestichter; een verstrooide van gedachten.

con fuoco, v.. f u o c o s o.

confuteeren, lat. {confuture) wederleggen; - confutabel, adj. nw.lat. wederleg-haar; — confutatie (spr. lie—/.tie) I. (con-futnt/0) de wederlegging, overluiglng, het bewijs van de valschheld eener stelling; - confu-tator, m. later Int. de wederiegger, tegenpartU. confuus, z. ond. confundeeren. Confusie, enz., z. ond. confundeeren. con a a r bo, z. ga r li o.

Congé, n. (eig. in ) fr. (spr. koinjé-, oud.fr. rongel, Hal. congedo, prov. comjat, van lat. com-meatus, het verlof) het ontslag b.v. uit een dienst; het afscheid; van daar op visitekaartjes p. i». c. dat is; jidur prendre conné (spr. igt;ocr prandr\'—) om afscheid te nemen; — eongediëeren, (spr. konzj\'—; fr. congédier) afscheid geven, ontstaan, wegzenden, bedanken.

ccngeleeren, lal. (congelare, versterking van gelare) bevriezen, stollen, sirommen, dik worden; — congelatie (spr. I=ls), f. (lat. congelaho) het bevriezen, stremmen, stollen, de verdikking, verstijving door koude; ook z. v. a. katalepsis; — congelatie der tanden {congelulio denlimi) het stompworden der tanden.

congenérisch, adj. lal. (congener, van gemis, z. aid.) gelUkslachtlg, gelUksoortig.

congeniaal of congenialisch, adj. nw. lat. (vgi, genius, enz.) naar den geest verwant, gelUksoortig of overeenkomstig in geest, in vernuft, In genie; congeniale naturen, gelijkbesnaarde zielen, tweelingsgeesien; — congenialiteit, f de geest-, vernuft-, genleverwantscbap.

congenitaal, nw.lat. (congenilus) aangeboren.

congereeren, lat. (congerire) samendra-gen, opboopen;- congeries, f. ongeordende hoop; opeenliooping van woorden; — con-géstie, t. (lat. cnngeslio) eene tegennatuurlUke ophooping, een aandrang h. v. van hel bloed naar het hoofd: (congesiïo sannuinis; — cnngeslio tyiupliütïra of serosa, aandrang van hel bloedwater; congestief, adj. nw lat. zulk een aandrang opwekkend of daaruit voortkomend.

Congi\'us, in. eene oud-romelnsche maat van H sext arte ii, het J eener amphora, = ongeveer 15 liter (zoodat de umplwra ongeveer (iflo liter inhoudt); — congianum, m. lat eig. een geschenk van olie of wyn ter tioe-veelbeld van een congius; allerlei giften, tnz. van levensnilddelen, door de romeinsche keizers aan het volk.

Conglaciatie (spr. I=ls) f. nw.lat, (van \'I lat. cnnglaciure, van qlacies, (js) tot Us worden, bevriezen,

con g/i strumenli. Hal. Muz. met do Instrumenten.

conglobeeren, lal. (conglobare; vgl. globus) aanboopen, ballon, ronden; — gecon-globeerde klieren, f. pi. saniengeroide klieren, watervaatklleren; conglobatie (spr. l=ls), f. eig. de samonronding of boivor-ming; Log. de opeenliooping der liewijzen.

conglomereeren, lat. (conglomerdre: vgl. glomus) tot een bal of kluwen vereenigen, samenhoopen; gecon glom oreer de klieren, korrelige klieren, speekselklieren; — conglomeraat, n. het opgehoopte, balvormlg saAmgepakte; Min. eene ophooping vim verschillende delfstoiren, zandsteenen, puinsteenen; — conglomeriitie (spr. I=ls), f. de samen-booping; vereenlging van verschillende stoiïen.

conglutineeren, (lat. congluliniire ■. vgl. gluten, enz.) sanienlümen, aaneenkleven, aan elkander voegen; taal, kleverig, slijmig maken, verslUmen, verdikken ; conglutinaat, n. iets saniengeHinids, verdikts; Inz. een door de een of andere massa samengelümd, niel-kris-laliinisch gesteente;—conglutinatie (spr. tie=hie) f. het samenlUmen, aaneenkleven de verdikking, versiyming; conglutinant, adj. sanienlijmend of klevend; — congluti-nantia, n. pl., z. v. a. kolletlku. Congo-thee. f., z. v. a. camphoe. con grandezza, z. ond. grand, congratuleeren, congratulant, congratulatie, z. v. a. g ra lui eer en, enz.; - ron grarild, z. ond. gravis; — con grazia, z. ond. gratie.

congreëeron, nw. lat. (congreure) overeenstemmen.

congregeeren, lat. (congregare, van grex, genii, gregis, kudde) verzamelen, vereenigen, verbroederen; — congregaat, verzameld, dicht, vast; als subsi. n. I\'bys. nlel-kristalilsclie sleenen, die zonder iilndiiilddel sleclits zwak samenhangen; congreganist, m. bet me-deild eener geesletyke broederschap; — con-gregantinen, f. pl. nonnen van de orde der congregatie van Mot re-Da me; — congregatie (spr. l=ls), f. (lat. coniiregatto) de verzameling; vereenlging, verbinlenls, Inz. eene geestelUko vereenlging, ordesverbinding of -verbroedering; vereenlging van verschelden kloosters ter opvolging van dezelfde regelen; ook de raadsvergiiderlngen der kardimilen; eene commissie uil de kiirdlnulen lot het besturen van zekere werkzaamheden, inz. de amgregaiïn de


-ocr page 277-

CONGRES 261 CONJUNGEEREN

propaganda liilc of de propaganda, do door den paus in Hlii vorordcado raadsverRaderlng lor uitlirciding van hel r. kath. geloof, de raad van geloofsverbreldlng, het bekeorlngsgenoot-schnp; connregaUn sanrli officii, de inquisitie {■/.. aid.); c. iniiïris, ■/.. ond. index; — congro-Kationlsten, m. pi. medeleden eener congregatie, inz. der Jezuïotische; — congrega-tionalisten, m. pi. In Kngeland een kerke-lijk genootschap, dat de hoogere hlsschoppeiyke leiding verwerpt; eene soort van Independenten, tusschen de Preshyterlanon en Brownisten; — congregazione, f. li. z. congregatie.

Congrés, n. lat. ennqréssus, van ronqrUdi, samenkomen) samenkomst, vereeniging; Pol. eene vergadering van gevolmaciitigde personen om te raadplegen over vereiTening van politieke geschillen, over oorlog enz., staatsvergadering en beraadslaging van gezanten (hel onderscheidt zich van eene conferentie door hoogere be-langrükheid en wordt soms door de vorsten zei-ven bügewoond); In Noord-Amerlka: de wetgevende vergadering dor afgevaardigden; in nienweren tijd ook: (periodieke) samenkomsten van geleerden en vukgenooten van allerlei aard; — congréssie, f. (lat. congrmfn, het samenkomen, de sameiikomsl; — congreszuil, f 7.011 Ie Brussel opgerichl Ier gedachtenis aan het nationaal congres, aldaar In In:io en IKlt gehouden.

Congréve-druk, m. eene soort van druk, waarby men door middel van eenen in elkander passenden vorm (con gr eve plaat) onderscheiden kleuren te geiyk kan drukken, veelkleurige druk (zoo geheelen naar den beroemden eng. werkluigkundige William Congreve Igcst. 1S28], die deze manier van drukken uitvond), — congrevische raketten of vuurpijlen, f. pi. eene door denzelfde uilgevonden soort van hrandraketlen van grade draagwydte, mei eene moeilyk te blusschen brandsiof.

connr jus, n, wn, lat. overeenstemmend, passend; — roiir/nii jus, z, jus; — de conijrun, naar hillükheid; congrüa, n. pi. ,lur. het noodige, toereikende onderhoud, welteiyke vastgestelde ambtsinkomsien; — congruarius, m. uw.lat. de priester, die een vasl, bepaald inkomen heeft; congrueeren, lat. (rnn-firulro) overeenkomen, gelyk zyn, samenpassen; (ieom. geiyk en gelijkvormig zyn, elkander geheel bedekken; — congruént, adj. (lat. con-lirüens) overeenstemmend, passend, voegzaam; (leom. gelyk en geiykvormlg; congruentie (spi1. I=ts), f. [ronnruenCta) het overeenkomen, samenpassen, de overeenstemming; de gelyk- en geiykvormlgheld, identiteit van twee (Iguren; — congruisme, n. iiarli. lal., de leer aangaande de overeenstemming van den goddelykeu en den menscheiyken wil, waardoor de Anll-Molinislen de werking der genade beperkten; - congrmst, m. een aanhanger van die leer; — congruïteit, f. de over-eensteniming, volkomen gelijkheid.

con fimtn, z. end. gu si us.

Coniferee, z. oud. k o n u s.

Conüne, Conine, f., ■/.. kon Inc. con impelo, z. ond. Impetus. Coniglobium, conisch, conisec-tor, ■/.. ond. kon us.

conium, z. cicuta.

con ira, Hal. toornig.

conjiceoren, lal. (cnnjicfre), elg. samen-werpen, hijeenwerpen, vereenigen) bu gissing oordeclen over waarschUnlykheden, vermoeden, raden, gissen, hij gissing verklaren of verbeteren, vermoedelijke lezingen aan de hand doen;

conjectanëa, n. pi. (elg, bel samenge-worpene) oene verzameling van gissingen, invallen, opmerkingen, enz.; - conjéctor, m. de rader; uillegger; conjéctrix, f. de drooinulllegsler, waarzegster; conjectuur, f. (conjcctiira) een vermoedelijk oordeel, gegrond op bewyzen, die slechis een zekeren grand van waarscbyniyklieid hebben, vermoeden, gissing; de vermoedelykc lezing van de geschi lflen der ouden; — conjocturaal, adj. vermoedeiyk, op waarschynlgkc gissingen, sluitredenen, enz. berustende; conjeeturalo critiek, de kritiek, welke zich met de beoorducling\\an de vermoedeiyke lezing der Ouden bezighoudt, en de regels aangeeft, naar welke In dringende gevallen eene verandering mag aangenomen worden ; - conjecturale politiek, eene inz. by hel beslnren van de hinnonlandsehe zaken op vermoedens, gevolglrekkingen uil slallstieke getallen en derg, zich grondende sluatkunde;

conjectureeren, nw. lal. vermoeden, gissen, raden.

conjugaal, z. oud. eonjugluin. Conjugatie (spr. /=/«), f. lui. cnrjuyatto, sunienvoeging, verbinding) (iram. norspr. eene vereeniging van de werkwoorden, die op dezelfde wijze veranderen, eene vervoeglngskhisse; thans gewoonlijk de vervoeging zelve, de verandering, die een werkwoord In de verschillende wy/.en, lyden, personen en gelallen omlergaat, de lUdvoeging; - conjugeeren {rnnjunure, elg. verbinden), werkwoorden In al hunne veranderingen ordciyk doorioopen, vervoegen, iyd-voegen; conjugium, n, lal. hel luiwe-ly\'i, de eehlverbinlenis, de echl; conjugaal, adj. (lal. (onjuiialis, c) echleiyk; — conju-giita, f. (nam. /inen ennjuqata) Anat. de kleine iniddeliyn van liel bekken of der verhouden hek-konbeenderen; conjugiciduim, n. nw. lat. (van \'I conjux, genii, cnnjiinis, gade, echt-genool, en cacildre, doodslaan, vermoorden) de gademoord.

conjungeeren, lat. (cmiiunaere) verec-nlgen; — conjünclix rinbus, met vereenigde krachten;—cpjy\'ilmV/m, samen, ge/ameniijk. |n gemeenschap of verbinding, vereetdgd, met vereende machl; conjunctie (spr. /=s), f. (lal. conjunctto) de vereeniging, verbinding; (Iram. het voegwoord, verbindingswoord; Aslmn. de stand van eene planeel en de zon in oene rechte lijn mei de aarde, de samenkomsl van twee


-ocr page 278-

CONQUEREEREN

262

CONJUREERKN

plnnoten In hotzcltilo punt van oon homoUooken; conjuncdo caMsa/is, ümm. con redongovond voegwoord ; conj. condUionalis, oen voorwaardelUk vooKwoord; — conjunctief, adj. (lat. con-junclivus, o, urn) eonc vorblndini? Iiotrollendo, of daarop BORrond; — conjunctivus of conjunctief, in , z. modus; —conjunctiva, f. Anat. Iiot lilndvllos van liet ook; —conjunc-tlviach, adj. voorwaardciyk, afliankoHlk, tot do aanvoogciido w(is of (ten conjunctivus botioo-rondf ; — conjunctivitis, f. uw. lat. ont-stokliiK: van hot blndvlios; —conjunctuur, f. do samenloop, do verwikkeling van zekere oinstumligtiedcn, waardoor 1). v. in don handel do verhouding van vraag on aanbod by eene koopwaar, dus don prys daarvan bepaald en veranderd wordt; in hot algomeen: do tydsge-steldhi\'id, tiet Hldsgowricht, de omstandighoid in hol algomeen.

conjureeren, lat. {conjurdrc: yanjumre, zweren) sainenzworcn, eene samonzworiiig ma-kon; - conjurant, ook conjuraat, m. (lal. conj unit us) eon saamgozworono, eedgenoot; — conjuratie (spr. I=ls), f. (lat. conjuraffn) do samenzwering, een aanslag togen den vorst of den staat.

con z. leiiqiere: enn mono ilestra,

ital. mot de rochtorliand; rnn minw sinistra, ital. mot do linkerhand; ron morbidezza, ital. mol zachlmoedlglield; con mulo, z. ond, motus.

con nolta passione, Ital. zeer hartstoehtotyk; con motto expressione, II. mol voel uitdrukking of gevoel.

con motto snitimcnto. It. met veol gevoel. Connaissance, f. fr. (spr. konnèssdiis\', van connaitre = lat. rounoseüre, kennen) de konnis, bekendheid; — connaissabel (spr. —ndssdbt), adj. kenbaar, kennelijk; con-naissement, n. (spr. —nèss\'mdn) hot er-kenningsbowUs, de zeevrachtbrief, de tadings-of vraclilbrlof dos sclilppers, dien de kapitein van een koopvaanlgsehip in triplo, voor zieti zeiven, don inladcr on den onivangor dor aan tioont genomen waren opmaakt, hol cognossement, connossement (eng. hilt of ta/lini/}; - connaisseur, m. een konnor, kunstkenner; r connaissouse, (spr. —seuz\') kenstor, kunslkenster.

Connaat, adj. lat, (connatus, v. connascor) medegehoren, aangeboren, vergroeid,

Connaturaliteit, f. nw.lat, (v, conna-turatis, modegedeeld, by do geboorte ontstaan) de naluuriyko vorhimilng, natuurvorwantsetiap, connecteoren, lal, (connccterc: van nee-t\'re, knoojien; vgl. nexus) verbinden, samen-knoopen; ook verhonden zyu, samenhangen; — connéx, adj. (cónnéxus, «, um), verbonden, verknocht, samenhangend; connéxa, n. pi. verhonden dingen; connéxie, f. (lal. conncxio) ook connéxus, m. de samenhang, verbinding, hel verhand, de gemeenschap; connéxiën, f pl. verbindingen; inz. invloedhebbende kennissen of betrekkingen; - con-noxiteit, f. nw.lat. do verhouding van wo-dcrz.ydsebon samenhang; — ron next tas causarum, Jur. do wodorzydsetie Invloed van veto oi) zich zelvon gescheiden strijdige rechtszaken op elkander; — connexief, adj. (lat. connextvus) verbindend.

Connetable, m. fr. (It. contestdbile: van onzekere afkomst, waarsetiyntyk van lat. comes slabüli, stalgraaf) oorspr. do opziener van de vorstelyke stootery of paardenstallen, opperstalmeester; opporryksmaarschalk en veldheer dor kroon in Frankryk, eoae waardlghotd, door Lo-dowyk XIII in 1«47 opgoheven, later door Napoleon lierstold, doch met do restauratie weder verdwenen; ook oen eeretltel.

connex, connexie, enz., z. ond. con-nocteeron.

conniveeren, lat. [connivere, stuiten, Inz. de oogon) een oog toedoen, oogluiken, door de vingers zien, toogconykheid gebruiken, toegeven, over hot hoofd zien, laten voorbygann; — connivéndo, adv. uil loogootiyklieid, inschik-kciykbeld, mei toelating of oogluikend; — con-nivéntie, f (spr. t=s) (later lat. conniventïa) do loegeotiykhoid, hegunsiiging, oogluiking, hel door de vingers zien, toelaten.

con nobitita, it. edel, verheven. Connossement, n., z. v. a. connais-soment {■/.. aid.).

Connotatie (spr. tie—tsie), f. nw.lat. (van con- en notare-, vgl. notoeren) de medebo-toekoiilng, modeaanwyzlng; connotatietermijn, m. Jur. de termyn of vastgestelde dag ter opgave van de gozameniyke schulden of vorderingen by een concours.

Connu, fr. (eig. bekend, pari. van connaitre) dat is oud nieuws! dal is iets uit den Knk-huizer almanak; dat is ai zoo afgezaagd!

Connubium, n. lal. (van nubtre, trouwen) z. v. a. conjugiiim; ook hel huwe-lyksroehl, bet recht onder verschillende standen, volksstammen, enz. om met elkander te trouwen; connubiaal, adj. ecliteiyk.

connumereeren, later lal. (con nu inert/re, niedoteiion) samentellen; — connu-meratie (spr. t=/s), f. de samentelling, hy-elkander-tolling.

Conoïde, z. konoïde, ond. konus. con nsservanza, z. ond. oh serveeren; — con passione, z. ond. passie; — con porta-mén In di voce, it. (spr. —wotsjo), z. v. a. ap-poimialo .- vgl. port a m eat.

conquadreeren, lat. (conquadrare) vierkant maken; passen, zleli schikken, overeenstemmen.

conquasseeren, lal. [conquassare, van quassare, een Intensief, v. quattre, schudden) sterk schudden, verbryzolon, verbreken, aan stukkon stooten, vermalen; — conquassatie (spr, t=ls), f. de schudding, vorbryzeling, ver-morseting, het vermalen, stukstooteii; Mod. de volslagen krachlullpiiltlng hij barenden.

conquereeren, fr, (conquérir, van \'t lat, conquirtre, vgl. connuiroeron) veroveren; conquórant, in, fr, (spr. kokker A it) of


-ocr page 279-

CON QUIËSC EE R EN

CONSENTES(Dll)

conquestor, m. mid. lat. eon veroveraar; — conquest, n. Jur. anngowonncn uocd; criR. z. v. a. conquête, f. fr. (spr. knhkH\') de verovering.

conquiësceeren, lat. {conquiescöre ,■ vgl. qulëscecren) berusten, zijne rust houden, verblijven.

conquireeren, lat. [conquirlre, van \'t lat. quaerrrc, zoeken) samenzoüken; met viyt nasporen, navorschcii; — conquisitie (spr. -zi-lsie), f. do naspeuring, het nauwkeurig onderzoek.

Conquista, f. sp, (spr. lt;/«=/() verovering; de tud der eerste ontdekkingen ia Amerika; — conquistadóres, m. pi. sp. in de voormalige spaansche bczittingon van Amerika, de eerste veroveraars des lands en hunne nakomelingen.

con rabbin, H. niet woede.

Conrad, z, Koen raad.

Conréctor, in. nw.iai. (vgl. rector) de medebestuurder; hij. die de tweede plaats onder de leeraars eoner geleerde school bekleedt, die den rector ter zyde slaat, op hem volgt;

conrectoraat, n. het ambt van zulk een tweeden leermeester; ook wel, elders, zyno woning. (doffe stem.

enn men vnee (spr. -wn-lsje), it. Muz. met Consacramentaal, m. nw. lat. (vgl. sacramentaal) een medezwerendo, eedgenoot = conpurgaior of coadjurator. consacreeren, /.. con secree ren. consanguinisch, adj. lal. (conxanf/ui-neus, a, urn ■. van sanguis, liet bloed) vermaagschapt, in bloedverwantschap staande; — con-sanguiniteit, f. (lat. consanyumlas) de bloedverwantschap, maagsciiap.

conacendooren, lat. (cnnscendrre, van scamlëre, siygen) besiygen, beklimmen; — con-scénsie, f. de beklimming, bestyging; con-sccnsw thnlümi, f. .lur. de beklimming van het huwelyksbed.

Consciëntie (spr. I=ls), f. lal. {conscien-fia, v. conscm, medeweten, zich liewiist zyn) elg. medewetensciiap; het bewustzyn, geweten, de zelfoveriuigiag; conscicnlta salva, een vry, zuiver geweten; — conscience-money, n. eng. (spr. kónsjensmnnni) elg. gewetensgeld, d. i. anotdem by ile rogeering ingezonden geldsommen, die men onrechtmatig aan de staatskas had ontlrokken; —consciëntieus, adj, nw.iai. nauwgezet, gemocdeiyk; - conscien-teeren, kennis dragen, ergens van weten, van iels bewnsi z.yn; — conscius, 111. lat. een medeweter, kennisdrager.

conscindeeren, lat. (conscimlfre) aan stukken sayden, vaneenryien, in vele stukken breken; — eonscissie, f. de vaneenryting. Conscius, z. end. con sclent io. conscribeeren, lat. {comn-ibüre) samen-schryven, opschryven, manschappen lichten voor den oorlog; — conscribént, m. (conscri-hens) een opscbryver; geconseribeerde, conscript, lat. conscrit, fr. (spr. kniiskri) in. een opgeschrevene; dienst pliciitige, en voor dea krygsdlenst opgesclirevene, een loteling; — conscriptie (s|)r. l=s), r. (lat. ronscripiïo) de opsciiryvlag, lichting, loting der Jongelieden tot den krygsdlenst, (na de staatsoniwonteiing in Frankrijk en later ook In de landen, die voor de fransche overhoorschlng moesten bukken. ingevoerd); — conscriptor, m. lal. een beschryver; nw.iai. een reclilsconsulenl.

consecreeren, lat. (consecrare, van .sn-crtire, vgl. sacreer en) wyden, Inwyden, Inzegenen, heiligen; consecrant, m. (con-sccrans) de Inwyder, inzegenaar; - consecratie (spr. f. (consecralto) do inwyding, inzegening, inz. de zegening van het brood en dea wyn by hel heilig avondmaal in de evan-gelische kerk [consecrado dcclarativa): de verandering van hel brood en den wyn in het lichaam en bloed van Chrislus by het misolTer der r. kath. kerk (consccrufio elfcchm).- ook sedert de 4de eeuw de gebrulkeiyke Inwijding (dedicatie) van nieuwe kerken en allaren, alsmede de plochilge ordening (ordinalie) van oenen bisschop of aartsbisschop.

consecteeren, lat. (cnnsectuH) najagen, vervolgen;- consectarïum, n. Math, eene stelling, korie gevolgtrekking, die onmlddeliyk uil eene andere kan afgeleid worden, z. v. a. c o r o 11 a r 1 a m en p oris in a; — consecta-risch, adj. volgens juiste gevolgtrekking; — consoctatie (spr. lie—tsie), f. hot Iraclilen, sireven naar leis.

Consecütie (spr. I—Is), f. lal. (cnnsccuïïo, vaa consequi, volgen; z. consei|n eere n) het gevolg, navolgende; conscrufto lemporum, lat. Gram. de opvolging der tyden in de spraakkunst, de wet der tydsopvoiging in de zinsver-lilnding; — consecutief, adj. nw.iai. naar dea iyd op eikander volgend; consecutieve conjuncties, voegwoorden, welke leis op-volgends in den lyd beteokeneii; consecutieve ziekten, opvolgende ziekten; consecutieve werking, nawerking, latere werking als gevolg der voorgaande.

Conseil, m. fr. (spr. kniisèlj; van \'1 lal. concilium) de raad, raadsvergadering; staatsraad, geheime rand; conscil il\'ital (spr. -di\'la) de slaalsraad; conseil de cabinel (spr —nè), kablnelsraad, zllling van het kabinet; conseil municipal, sledelyke raad; présidenl du conseil, kabinelspresldenl, eerste minisler; conseil per-mancnl (spr. —na/;), voortdurende, aanbiyvende raad •, - conseiller, m. (spr. koiiseljé) een raadgever, raad, raadsheer; ennsciller d\'élal, staatsraad, lid van den slaalsraad.

consenesceeren, lat. (conscnescrrc; vgl, se li esc e n t i e) oud worden, verouderen; — consemor, in. nw.iai. (vgl. senior) mede-ondste; consenioraat, n. hei ainbi, de waardigheid van medeoudsle.

Consentes(dii), pi. de 12 opperste goden der Oude Uomeinen, (1 nianneiyke en (i vrouweiyke, die onder voorzilling van Japlier den groolen godenraad uiiniaaklen.


-ocr page 280-

CONSl DEREEREN

CONSENTEEREN

\'264

consonteeren, lal. (ronsenlire, van sent/re, voolen, gowiiarwordcn, dus eltt. mede- of goiykgevoolcn) ovcreenstemincn, toestonimcn, In-wllllgeti, Koedkourcn; consentement, n, fr. (spr. koiimiil\'mdn) of consenteering, f. de toestenmiliiK, IiiwHIIkImi;, goedkeurlni?; — consénsus, m, lal. of consént, n. do overeenslommlnK, Inwilliging, goedkeuring, loo-slemnilng, hot verlof, de vergunning, het ver-gunnlngsbewUs of -briefje; consensus codetus, afgedwongen Inwilliging; consénsus matrimoni-dlis, ochleHjke overeonkomsl; consénsus nevd-nm. Vied, de medegevoeligheid der zenuwen; ook de samenwerking der zenuwen; e. omnium, de toestemming van allen, aller goedkeuring; c. porffum, de modeiydigheid der doelen; c. prindpis, de Inwilliging van den vorst; per ennsénsum, door medeiüdiglieid, enz.; - con-sensueel, adj. nw. lat. Incdeiydig, medegevoelend; — consensuëel-contract, n. oen verdrag, waarlilj de verplichtingen der eon-tracteeronde pari (jen onkel op do overeenstemming van hunnen wil berusten.

con senlimenlo, z. ond. sentiment, consequeoren, lal. (cons,\'qui) volgen, ten gevolg hebben; — cons, (juens, bet volgende of navolgende; Gram. bet afhankelijke, uil hel voorgaande (anlecédens) afgeleide zindeel; — consequént, adj. belgeen overeenkomstig is met of getrouw hiytl aan de eenmaal gelogde grondbeginsels of regels, aan de vroeger uitgedrukte gevoelens, meeningen, opvaltingen, enz.; met zich zelf overeenstemmend, ziebzei-ven gelijk; eonsequéntie (lal. cnnsei/uen-fta), of consequénce, fr. (spr. konsekdiis\') f. gevolg, gevolgtrekking, besluit; het getrouw-blijvcn aan, bel eenstemmig-biyven met zijne beginselen; ook gewicbl, belangrükbeld eener zaak in hare gevolgen; par conséquence, fr., of per consequenluim, lal. by gevolg, gevolgiyk; sum conséquence, (lomand) zonder bcleokenls; ook: zonder overleg; (eene handeling) waaruit geen regel voor de toekomst volgt; vgl. cilra enntéquentiam (op bladzyde i-ll)-, u posse, ml esse non valei consequenlia, lat. men mag niet van de mogeiykbeld lol de werkeiykbeld besluiten; — consequentiën, pi. gevolgtrekkingen; — consequentie-maker, een govolgtrekker, inz. by, die uil de gesprekken of daden van anderen lol bun nadeel verkeerde of overdreven gevolgtrekkingen maakt.

consereeren, lat. {con-serere) samenvoegen, verbinden; — consertie, f. (spr. /=/.?) later lal. consertio) de samenvoeging, verbinding.

conserveeren, lal. (conserviire) bewaren, behouden, In acht nemen, bcscherinon, beschutten; zich conserveeren, zich in acht nemen, zich goed houden, sterk, vlug, gezond biy-ven bij klimmende jaren; geconserveerd, bewaard, behouden; wel In acht genomen, van friscb, gezond, krachtig voorkomen of ultzicbl;

conserve, f. fr. (barb. lat. consérva, pl. ennservae, conserven) 1° Inz. in Hal. con-serra: bergplaats, bewaarplaals, waar Iets voor bederf bewaard wordt; spyskamer, waterbak, yskclder, enz.; 4° geconserveerde d. 1. in suiker ingemaakte vruchten; Pharm. de kruider-suiker; met suiker toebereide saprijke planten; consort; (de naam van conserf is aan deze bereiding gegeven, omdat daarby de suiker inderdaad tot goedbouding van de dunne bry, waartoe de planten gewreven zyn, dlenl); H° Mar. eene scheepsbedekking, velligbeldsvloot, gelel-deschip; i0 Mil. een buitenwerk voor vestingen en bastions; ï° pl. conserves, z. v. a. con-servatlebril; — conservabel, adj. (la-Ier lal. consereabilis, e), wat zich laat bewaren of goedhouden; — conservant, adj. (lal. ennsénmns) bewarend, goodboudend; — conservatie (spr. l—ts), f. (lal. conservatfo, de bewaring, bcboudlng, beveiliging, bet behoud; conservatiebril, oen bril ter hcwarlng van hel gezicht, eeti beboudlngshril van groeten braudpuntsafsland, doorgaans van groen glas; — conservatiehuis of conservatorium (z. lager), soort plantenkas om planten voor de winterkoude te beschutten, winterbuis: — conservatief, adj. nw.lat. behoudend, bewarend, inz. streng vasthoudend aan de lang bestaande hurgeriyke toestanden en staatsvormen; de conservatieven, m. pl. I\'ol. de stytbootdigo aanhangers van bel oude, de voorstanders van het stelsel van behoud; in/., in Engeland de voreeniging of samenwerking van den streng nristokratischen adel lol behoud van het beslaande; — conservativisme, n. nw.lat. de verkleefdheid, het vasthouden aan de bestaande hurgeriyke toestanden en staatsvormen; — conservator, lal., conservateur, fr. m. behouder, bewaarder, toeziener, opziener; conservateur des forêls (spr. —dé (oré) de oji-perboulvester; — conservatorium, nw.lat. conservatorio, n., of conservatoire, fr. (spr. koiisecwaioAr\') n. eene groote muziekschool, eene openbare inrichting lot onderwys In de muziek, lot verspreiding en bevordering dier kunst en tol instamlbouding van den goeden, zuiveren smaak, h. v. te Brussel, Parys, Rome, Napels, Venclie, enz., waarin jongelieden van beiderlei kunne onderwys ontvangen en waaruit de meeste der beroemde componisten zyn voortgekomen; eene bewaarplaats voor zeldzaamheden van natuur en kunsl; eene openbare kunstzaal; ook z. v. a. conservatiehuis (z. boven).

Conséssus, m. lat. de samenzittlng, ver-eeniging, vergadering, zitting; — in conséssu, in de zitting, vergadering; in conséssu senatus, in de raadsvergadering.

consiöereeron, lat. (considerure) beschouwen, overleggen, overwogen, in aanmerking nemen, bebarllgen, in \'toog houden, bedenken; schallen, achlcn, boogscbatten, hoogachten, in waarde houden ; — considerabel, adj. nw. lat. aanmerkelijk, aanzleniyk, gowlch-lig, acblbaar of achtenswaardig; — consi-derandum n., considerans, f. de in-leldlng welke de gronden lot eene uitspraak


-ocr page 281-

CONSOLIDEKKEN

CONSIGLIO

\'265

(oenfi wol, oiiz.) bevat; consideratie (spr. I lat, (consideratto) ile beschou

wing, overweging, hot overleg; de Inschikkelijkheid, loegevondheld; do achting, hoogachting, het aanzien.

Consiglio, tn, Ital. (spr. iiU=lj) de raad, de beraadslaging; — consigliére, m. Hal. de raadsheer.

consigneeren, lat. (cnnsiunare, vgl. signum, enz.) teekonen, opteekenen, opschrUvon; verzegelen, bozegelen, lor bewaring gcrocbtoiyk ncderleggen; Kmt. waren toezonden, mot voorschrift hoe daarmede to handelen, waren ten verkoop zenden; Mil. een last, oone order, aanwijzing geven; een schildwacht consigneer on, hom do order, bet voorschrift van zijnen post modedoelon; een bntalljon inde kazerne consigneeren, bot verbieden de kazerne to verlaten, kwartier-arrest geven; — consignatie (spr. t=ls), f. (lat, cmwiunattn) de beteekoning, opteekening, vorzogeling, do opgave, iyst; de gerochteiyke toevorirouwing van eeno geldsom of andor voorworp In de derde hand; Kmt. do toezending van waren voor rekening van don afzender, mot voorschrift aan den ontvanger boe daarmede to bandelen, synoniem mot c o m m i ss 1 o, ilocli het eerste wordt moer bepaald door don eigenaar en vorzondor, hot laatste door don ontvanger en mot don verkoop belaste gebruikt; vandaar c o n s i g n a 11 o-goederen, goeonslgnoo rd o waron, goederen in commissio; — cnnsiqnatio bonnrum, gerechtelijke opscbryvlng dor goederen, h, v. lilj orflatlngen, vorkoopingon, by do vlucht eens misdadigers; — consignatans, lal., of consignataire, fr. (spr. coiisienjalèr\') m. een mecloonderlookenaar, Inz. van geinigenisson; Kmt. do ontvanger vau consignatie-waren; Jur. de bewaarder van oen ncdorgeiogd, gedeponeerd goed; — consignant, m. do afzonder en eigenaar van consignatie-waren; — consigne, n. fr. (spr. kniisiénj\') Mil. hei ios-woord, parool, de order li. v. aan oenen wachtpost gegeven en die deze woordoiyk aan don allossondon post modedeolt; hot bevel aan eonen portier Ion opzichte dor in- on uitgaaadon; ook een boek, waarin voerlieden de ontvangen vrachtgoodoren en geleibrieven opteekenon.

Consigniflcatie, f, (spr. 1=1.1), de dub-lielo beteekenis.

Consilium, n. lal. de beraadslaging, raadsvergadering; bet raadslieslult; eene raadgeving, een raad; voorslag; ronsiffum abeilmli, de raad om hoon ie gaan of zich spoedig van oene plaats te vorwyderen; do sllllo verwydering of wegzending van hoogescbolen, om geen opzien te baren; r. erolesiasttcum, kerkoiyko raad; r. medirum, de raad of meening der genoosboe-ron; consllin manuiiue, met raad en daad (eig, hand); consiliarius, m. oen raad, raadsheer; raadgever; —consiliëeren, (lat. ron-silinri) beraadslagen; raadgeven, raden; wegzonden van hoogescbolen.

comimiftler, lal. op geiyke wyze.

consisteeren, lat. (cnnslstmt) bestaan, stil- of vaststaan; consistént, adj. dicht, vast, duurzaam, stevig, bestand; — consis-téntie (spr He=/sle), f. nw.lal. (ronsislenlïa, 11. consistema, fr. consislance) l\'hys. graad van toenadering of verbinding van do samonstellendo doeltjes van een lichaam, welke maakt, dat dit laatste meer of minder wederstand biedt aan andere lichamen, die er op Inwerken, dichtheid, vastheid, dikte van oen vochl, lyvighoid; duurzaamheid, bestendigheid; — oonsistormm, consistórie, n. lat. (van comislfre, voor samentredon, samenkomen om te spreken (oor-spr. de vergaderplaats; in \'I algemeen vergadering; vandaar b. v. de vergadering der kardinalen om do toespraken van den paus ie bon-ren; inz. de kerkoraad, geestelijke raad, een goosteiyk toeziend lichaam over korkeiyke aangelegenheden, enz.; consistoriaal, adj. daartoe hoboorondo; — consistoriiilis of consistoriale raad, een medelid van oene consistorie, oen kerkeraadslid.

co/i sman ia, li. innig, vurig, hartstochtoiyk. comobrini, m. pi. lal. (sing, consobrinus) zns-iorskindoren, kinderen uit 1 wee zusters geboren.

consociëeren, lat. (cmsociare: vgl. so-cïus, enz.) verbinden, voroonigen; — cori\' sociatie (spi-. l=ls), f. (lat. consnciallo) do verooniging, vorigt;indlng.

consolabel, consolant, consola-tie, z. ond. consolooren.

Console, f. fr. (van mlc = lat. snlla, drempel, onderlaag; of samengetr. uil hot lat. rnu-soïïda, v. consolldus, zeer sterk, sterk bevestigd) Arch, oen uitspringend sieraad of uitstekende steen, kraagsteen, aan oenen muur in do hoogte aangebracht om een balcon, vaas, borstbeeld, enz. Ie dragen; console-tafeltje of onkel console, een wand- of pilaarlafeitje, spio-geitafeltjo.

consoleeren, lal. (conmltirl) troosten, vertroosten, geruststellen, opbeuren; consolabel, adj. (cnnsolabïlis, c) troostbaar, troostoiyk;

consolant {consolans) of consolatief, adj. nw.lal. troostend, troostryk, troostoiyk, geruststellend, opbeurend; consolante. Hal. Muz. vorlrooslend, met eeno voordracht van eeno zachte indringende uitdrukking; consolii-tie (spr. I=ls), f. (consoldCfo) de troost, vertroosting, gorustslelling, opbeuring; — con-solator, m. de Irooslor.

consolideeren, lat. [cnnsolidure, van .m-tïdiui, z. solide) gronden, vesten, grondvesten, vast, hecbi en duurzaam maken; Jur. voroonigen wal lot oenen rechtstoestand buhoorl, Inz. wanneer de vrucht bruiker oener zaak haren eigendom er hü krygt; fondsen aanwyzen om de betaling b. v. van opetibare renien ie dekken; — consolidantia (spr. n. pl. Chlr. midilolen, geschikt om do genezing te bevorderen by wonden, verzweringen, verbrandingen, enz., Iicelmlddelen; consolidatie (spr. 1=1.1: lal. Cimsoliildffo) of consolideo-ring, f. de vaslmaking bevosliging, vaslslolllng.


-ocr page 282-

constant

266

consommf;

vasto voreenlglng; bovolllglng, dekking van ingelogde gelden; Clilr. heeling of sluiting eener wond; de con solid coring c o n e r b e o n-derbrouk, hel vastwordon dor beonwoor, dlo de uiteinden der gebroken beenderen verbindt;

consols, pl, eng. afkorting voor consoli-dalcd slocks (spi\'. —iéted—), fr. comnlidés, d. I. geconsolideerde schulden of fondsen, in Engeland zulke fondsen, voor welker renlc-bodrag zekere staatsinkomsten /(jn aangewezen, dus gedekte of belegde schulden, en de staatspapieren dienaangaande; geconsolideerde a n n u ï I e 11 e n, f. pl. rentebetalingen van staatsschulden, die door belastingen zyn gedekt.

Consommé, ni. fr. (oorspr. partlc. van ennsommer, voleindigen, lang koken, uitkoken) krachtig vleeschnat, sterke bouillon.

consoneeren, lat. [consonnre van sonare, klinken) medekllnken, samenkllnken, gelüklulden, overeenstemmen; — consonant, ad], eenstemmig, overeenstemmend; als subsi. f. (lat. consanans, f., sell. lillSra) Gram. een medeklinker, eene klankwijziging, de letter, die het dolle gerulsch voorstelt, dat aan hel begin of aan hol einde van een klinker wordt gehoord, b. v. ii, (/, f, enz. (in togenst. met vocaal); — consonance, fr. en consonanza, ital. Muz. twee of meer te zamen klinkende lonen, die voor hoi oor aangenaam zi|n -, — conso-nante getuigen, f. .lur. overeenstemmende getuigen; — consonante, f. een speeltuig, dal hot klaver en de harp als hot ware ver-eonlgl, cone stand- of spitsharp; — conso-nare, ital. en consonner, fr. Muz. wol-luidend samenkllnken; consonantiën, f. pl nw.iat., of consoneerende tonen, Muz. do overeenstemming van verscheiden tonen, de gelijk- of samenkiinking, welluidendheid; Poet. hot rüm; — consonantisme, n. hei consonantenstelsel, hot aantal on de aard der medeklinkers eener taal.

consopiëeren, lal. (romop/rc, vgl. sopor, enz.) doen Insluimeren; bevredigen, stillen, sussen; ook In vorgotelheid, In het vergeetboek brengen; — consopiatie (spr. lt;=(.?), f. barb, lat. (consnpiaCio, voor ronsojntto) het in slaap maken; het bevredigen; hel In vergetelheid brengen.

rnn sordino, ■/.. sordino, ond. sordo.

con solennita, II. pleciilig, staiig.

Consórten, m. pl. lat. {consorles, van cönsors, deelnemend, deelachtig) medestanders, makkers, deelgonooten, deelnemers, samenwor-kers; geiykgezlnden (in ongunsilgen zin), medeaanklagers; modebeklaagden; consorles lilis, .lur. strydgenooten, allen die hetzelfde recht ge-meonschappelgk by \'I gerecht zoeken le ver-krygen; — consortium (spr. Ii=lsi), n. het deolgenootsctiap, de gemeenschap; inz. handels-of nyverhcldsgenooiscbap; ook hel huwoiyk; — consorteria, f. Ital. genootschap, verbinding.

consperqe, lat. Mcd. (Imperat. v. compergfre), doorgaans afgekort consp., bestrooi (n.l. do pillen), op recepten.

conspiciëeren, lat. [conspicére) waarnemen, bespeuren, aanschouwen; — conspéc-tus, of verkort conspéct, n. het overzicht, de beschouwing; ook de lysl, opgave; — con-spectiibel, ailj. nw.iat. zichtbaar, ultsickond; — conspicabel, lat. zichtbaar; bezienswaard; — conspicuïteit, f. nw. tut. (van \'t lal. conspicüus, a, um, zictitbaur, aanscbou-wetyk, enz.) de helderheid, klaarheid, aanschou-weiykbeid.

conspireeren, lat. (conspirare, van spi-rare, ademen) samenstommen; zich in geest en wil met elkander verbinden, vereenigen; samenkomen; samenrotten, eene samenzwering of mul-lory maken, ontwerpen -, — conspirant, m. (consp/rans), saamgezworono, muller; - conspiratie (spr. /=/«), f. (ronspirafio) samenzwering, multerg, verradory.

con spirilo, z. spirituoso ond. spiritus. Conspissiitie, t. lat. de verdikking. Conspónsor, m. lat. (vgl. s p o n d e e r e n, enz.) Jur. een medeberg, medeschuldenaar.

conspueeren, lat. (cnnspuöre) bespuwen; verachten.

Constabel, m (van \'t mld.lat. constabu-Inrïus, van comes slabiili, vgl. connélable-, v.a. cons/abularius = stal- of iontgenooi, dus medesoldaat, kameraad) oorspr. een opporstalmees-ier; dan een legerhoofd, kroonveldheer; (Mil.) stukmeester of gezagvoerder over een stuk gesehut, eene soort van artillerie-bediende, inz. op schepen, konstabel; — constable, in. eng. (spr. kónslecb\'l) een gerechtspersoon, belast met de handhaving der orde by volksverzaine-lingen, het herstellon der gestoorde rust, en?.., poiitle-dienaar.

constabileeren, lat. {conslnbihre; vgl. stabiel, onz.) medebevesllgen, vastmaken, o|) vaste gronden stellen.

constant, adj. lat. {ainslans, van conslare, bestaan) bestendig, standvastig, volhardend; zeker, gewis, erkend (een feit); heerschend (eene gewoonte); vau geiykbiyvende werking (b. v. galvanische ketens); ouveranderiyk, b. v. constante grootheid, z. v. a. constante; — in consldnli, eig. in \'t bestaande (tydpnnt), op \'1 oogenbllk, oogonblikkoiyk; — constante, f. Gcom. onveranderiyke, standvastige grootheid ; constantia of constantie (spr. li, tic =lsi, luie), f. de siandvastlgheid, besten-dighoid, onveranderiykhold, volharding, ziols-kracht, vasthouding; eene rom. godin, wie men die eigenschappen loekendo; — Constantia-wijn, kaapwyn, de besie wyn aan de kaap de Goede Hoop, zoo gelieeten naar hei landgoed Constantia; — constantmus of afgekort Constantijn, mansn.-. de standvastige; inz. Gonstantyn de Grooie, de eerste ro-mcinsche keizer, die zich lol het christendom bekeerde (HOli n. dir.); ConstantUnsboog, zijn nog te Rome bestaande triomfboog; Constant ij n ssl a g, de beroemde schllderü van lUipbaül In hei Vatlcaan, die do zege van Con-slantyn op den tegenkelzer Maxentlus voorstelt;


-ocr page 283-

CONSTRUEEREN

CONSTATEEREN

267

— Constantine of Constantïa (spr. —/si) de bestendige; — conslal, het staat vast, Is liekend, Is uitgemaakt of zonneklaar; ook het kost, het komt Ie staan op . . .; mi hi conslal, hU mij staat vast.

constateeren, fr. {comlater, van \'t lat. constat, het Is ultgemiiakt, klaar) klaar of zeker maken, howyien, lievestlgen, liekrachtlgen, door overtuigende hewUzen slaven; eene zaak door eene plechtig opgemaakte acte opteeke-nen, staven, aan de vergetelheid ontrukken, vereeuwigen; — constateering, f. de he-vestlglng, bekrachtiging, het hcwijs.

Constellatie (spr. tie=tsie), f. lal. (van steüa, ster) de samenstelling van verschelden sterren lol sterrenbeelden; de samensland der sterren, het sterrenbeeld, hemelleeken, gesternte; de plaats der sterren ten opzichte van elkander en haren vermeenden Invloed op de lotgevallen der menschen; vgl. nat I vil eII, onder nat lef.

consterneeren, lat. (constemare) In verlegenheid brengen, doen onlstellen, verbaasd staan; — geconsterneord, adj. diep ge-trolfen, ontroerd, geschokt; - consternatie (spr. tie—tsie), f. (lat. conslernalw) de verbazing met neerslachtigheid gepaard, verslagenheid, ontsteltenis, schrik.

constipeeren, lal [constiixire, samendringen) versloppen; geconstipeerd, adj. verstopt, hardllivig; constipantia (spr, --Isia), n. pi. Med. den doorloop stremmende of verstoppende middelen; — constipatie (spr. tie=lsie), f. de verstopping, hardlijvigheid.

constitueeren, lat. {constituüre, inrichten, van slalMre, z. statueeren) lol een geheel vormen; vaststellen, verordenen, benoemen, b. v. een pleitbezorger; zich verbinden, beloven; ook Iemand tot verantwoording roepen; uitdagen; de constitueerende vergadering (fr. assemblée constituante), ook enkel de constituante, f. de vergadering, lol het ontwerpen eener grond- of staatswet byeenge-komen; Inz. de nationale vergadering die Inde fr. revolutie In 171)1 de nieuwe grondwet ontwierp; constituant, m. fr. een medelid van zulk eene vergadering; — de vergadering heefl zich geconstitueerd, d. 1. heeft zich voor wettig en voltnlllg verklaard; — geconstitueerde autoriteiten of mach 1 en, grondwetleiyke machthebbers of staatsbeambten;

— termmus liquuli constiluéndi, lat. ,lur. een lot de volvoering der schuldherekenlng bepaalde rechtsdag; — constitüens, n. Med. de artsenij, welke aan een voorgeschreven geneesmiddel z.yne bepaalde gedaante geefl; — consti-tuént, m. (lal. constitüens) een volmachtgever, z. mandant; In Engeland: de kiezer voor het parlement; constitütie (s|ir. tie=tsie), f, (lat. constitutïo) de schikking. Inrichting, bepaling, verordening, die aan eene zaak eene bepaalde, vaste gedaante of gesteldheid geeft; Med. de lichaamsgesleldheid van den mensch, de lichaamsbouw, het gestel; — roiislitutin aimptec-tien, aanleg tot beroerte; — Chem. do Inner-luke gesteldheid der chemische verbindingen, de wijze van verhonden zyn; — Pol. de staatsregeling, staatswet, grondwet, waardoor ile verhouding tusschen vorst en volk geregeld en het aandeel van het laatste aan de voornaamste landsbelangen vastgesteld wordt; in het burgerlijke recht: Iedere verordening of vaststelling In bet algemeen; ook de naam van sommige pauselijke bullen; constitutïo feudi, lat. .lur. de oprichting van een leen; c. liqufdi, de schuldberekening, schuldbepaling; constituCióncs eccle-siasticae, pl. kerkelyke verordeningen; f. imperii! te.i of impeni, rijkswetten, rUkslnsteiilngen; — constitutief, adj. wezeniyk bepalend of uitmakend; vaststellend, de staatswet uitmakend, daartoe behoorende; — constitutie-water, n. Chem. hoeveelheid water, noodlg om het zuur den vloeibaren toestand Ie doen aannemen; — constitutionairen of constitutionis-ten, m. pl. ile voorm. aanhangers der hulle of const 11 ul ie uninenftus in Frankryk; ook, Jur. de vaslstellers eener rente; — consti-tutionalisnie, n. het stelsel van den grond-wettlgen of constltutloneelen slaalsvorm en het vasthouden daaraan; — constitutionali-teit, r de grondweiiigheid; — constitutioneel, adj. nw.lat. (fr. constilulionnel) grond-welleiyk, met de staatsregeling overeenkomstig; ook in bet lichaamsgestel gegrond, daar zynen oorsprong hebbende, vandaar h. v. constitutïo n e e I e ziekten; — constllutloneele monarchie, eene eenhoofdige regeerlng, die door eene grondwet beperkt wordl; con-stitutioneelen, m. pl. de aanhangers van den grondwelleiyken slaalsvorm; — constitutor, m. lat. een vaststelier, verordenaar; — constitütum, n. Iels vaslgeslolds, veror-dends, bepaalds, Inz. een herhaald verdrag; ron-stitutum possessor/um, n. Jur. de verdragswyze bepaling van den kant des bezitters van eenlg goed, dat hy hel voorlaan enkel wil bezitten voor een ander, dien by daardoor tol den eigenlijken bezitter verklaart ; — constitütus, m. een plaalsbekleeder.

constringeeren, lat. (constringr re) samentrekken, hinden, dwingen; — constrin-geerend of constrictief, adj. samentrekkend; — constringentfa, n. pl. Med. samentrekkende middelen; constrictie, f, {constrictio) de samentrekking, samensnooring van llchaainsdeelen; de beperking; — constrictor, m. nw.lat. Anal, samensnoerende spier, sluitspier, waardoor de nalnuiiyke openingen van \'s menschen lichaam gesloten worden ; — lion constrictor, z. b o a.

construeeren, lat. (construére) oprichten, opbouwen, aanleggen, opwerpen, vervaardigen (een gebouw, een machine); ontwerpen (het plan, de teekoning daarvan); samenstellen, b. v. eene mathematische figuur; consequent uit een grondbegrip ontwikkelen (eene welen-schap); — Gram. de leden of deelen van eenen volzin, van eene rede, naar het gebruik en de


-ocr page 284-

CONSTUPHKKRKN

CONSUMEERKN

\'208

repels iler taal samenvoegen, lt;le woordvoeging regelen; — constructeur, in. tr. (spr. knn-slruuk\'—) Arch, een houwmeester, Inz. sclioeps-lgt;ouwmccster; — constructie (spr. lt;=s), t. lat. (conslrucffo) de bouw, honwordc, siunon-stelllng. Inrichting of schikking der deelen van een geheel j hchoorlljke ontwikkeling; Gram. ile woordvoeging, woordschikking; Math, de sa-menstoiling eener ilguur, het vereischte werk om oen vraagstuk, oonc vergolUking door liniaal en passer op ie lossen; — construction, eng. (spr. konslrüksj\'n) z. v. a. constructie h. v. construction-train (spr. —Ireen), goederentrein, die materieel voor den aanleg van een spoorweg vervoert; - constructief, adj. nw. lat., inrichtend, schikkend, ordenend, hehooriük ontwikkelend.

conetupreeren, lat comluprare: vgi. si u pru m) onteeren, schenden, verkrachten; — constupratie (spr. tie=lsie) f. de ontcering, schending, verkrachting van eene vrouw; — constuprator, m. de onteerder, schender, verkrachter, verleider.

consuadeeren, lat. (consmdëre), raden, raad geven, dringend raden.

consualiën, pi. lat. oud-romeinsche (eesten met wedrennen, ter eerc van den paar-denteler Neptunus (Census) door Komulus Ingevoerd.

consubstantiëel (spr. ti-lsi), adj. nw. lat. (vgi. substantie) Theol. van geiyk wezen, gelüke natuur, of geiUkwezig, mede- of gelük-hestaande; — consubstantialiteit, (. eenheid en eenzelvigheid (identiteit) van wezen in de leer der Drieeenheid; — con-substantialist, m. hU, die aan de consub-stantiaiiteil gelooft; consubstantiatie (spr. -tsi-a-lsie), f. de medetegenwoordigheid, d. I. hel werkelijk aanwezig zijn van hel lichaam en idoed van Chrisius in het h. Avondmaal, consudeeren, lat. (consudare) zweden. consuelüdo, f. lat. de gewoonte; — coniue-hulïnes, pl. lat. de gewoonten, rechten, die uit gewoonten en gebruiken voortvloeien of daaraan oniieend zijn, daarop steunen; — coiisuehido altera nalura, de gewoonte is een tweede natuur; — rnnsuelwln imperfi, de gewoonten en gebruiken des rüks, de rijksherkomsien; de voor-vaderlüke gebruiken; — consuetudinair, adj. gewoonlijk.

Cónsul, m. lat., pl. consiiles, consuls, (van den slam rnnsn: vgi. consilium) do hoogste regeeringspersoon in do oude romeln-scbo (van BOfl—31 voor Chr.) en In de nieuwere franscho republiek (van n»!)—tsni); een gevolmachtigd agent of commissaris van oenen Staat, die In vreemde handelsplaatsen zyn verbluf houdt, om er de handelsbelangen zUnor natie voor ie staan, do handoisgoschiilen te beslechten, enz., oen handeisopzichter en rechter In eone vreemde koopstad; manislerronsülum, ook proconsul, het hoofd van den staatsraad of der stodoiyke regeoring, do latere burgemeester;—consulaat, n. (Int. consululus) liet ambt en do waardigheid eens consuls; ook do werkkring van oenen handels-consul; — consulado, m. sp. het wost-liidisch handels-college ie Cadix; — consulair of con-sularisch, adj. tot do waardigheid, hot ambt eens consuls behooronde, daartoe betrokkelUk, daarmede In verband staande: in samenstellingen als consu lalre garde, consulaire regeoring, enz.; een consulair persoon, een oud-consul, eene consulaire familie, oen geslacht, dal éen of meer consuls onder zilne loden hoefi geteld; consulaire munten {nummi consuluris) de gozameniüko mm. munten, die tijdons hot bestaan dor rom. ropu-bilek geslagen zgn; consulaire m e d a 111 e s, deter core van Bonaparte, Cambacér6s en Lebrun, als consuls der franscho repu-b 11 e k, goslagon godenkponnlngon.

consuleeren, (lat. consul ire: vgi. consilium) mode to rade gaan, om raad vragen, raadplegen, boraadslngoii; consulént, m. oen raadgovor, inz. in gorochioiyko aangelegenheden, oea reohtsgeleerde, advocaat; In de nod. herv. kerk: de predikant eoner nabygelogon gemeente, welke, hg vacature, do korkeraadsvorgadoringon eoner gemeente leidt en In iiionigoriel opzicht do belangen dor gemeente boliartigea moot; — consulta, f li. on sp. do beraadslaging; — staatsconsulta, f. (li. consulta di stato), slaaisraad, benaming van staatsvergaderingen en gerechtshoven In llalie en Spanje; —consiilte, lal. bodachizaam, voorzichtig, mot overleg; — consülto, mot opzet, mol voorhodacht, opzetie-lijk; — consültum, n. hot besluit-, raads-iiosluli; senutus consul tuin, n. het raadsbesluit, vonnis, decreet; jurisconsult us, m. een rechts-goloordo, advocaat; — consulteeren, lat. (consulture, oen intensief van consuli-re) ovor-loggen, horaadslagen, (mot iemand) te rade gaan, om raad vragen, raadplegen; consult, n. of consultatie (spr. He=tsie), f. (lat. con-sultatio) do beraadslaging, rimdpicging, Inz. do in hedonkoiyko omslandigheden gehouden raadpleging van twee of moer aan hei krankbod geroepen geneeshooren; de raadgeving van eoiion advocaat; - consultatief, adj. nw.lat. iio-raadslagond; — consultator, m. do raadvrager, raadzoekor; — consullissfmus, zoor hoog geleerdo, een lliel van grooto rechtsgcieordon.

consumeeren, lat. (consum re) verteren, vorbnilken; — consumabel, adj. verloer-baar; als subsi, het consumabel, spyzon en dranken in een kolllohuls, sociëteit, enz.; — consument, m de vorbruikor, vorteerder;

consume, n. It., do aftrok, hot vertier, hot debiel eoner waar; ook z. v. a. consumtïo of consumtie (spr. I=s), f. do vertering, liet voriiruik van de noodwondighodon des levens, als voedsel, kiooding, brandstof, enz.; ook Mod. tering (eng. consumption . spr. konsümsjun); — consumptieve middelen, de bolas-tingon, waarmede de Staat de levonsnoodwon-digheden hezwaari; consumtibiliën, n. pl. nw. lal. voorwerpen van verbruik, levens-


-ocr page 285-

1

UONSUMMKERKN

CONTÉNTUM

269

inlddolon; — consumtor, m. lui. z. v. a. co nsu men I.

consunameoren, lal. consummate,- v. summa, ■/.. aid.) bUconrokenen; volbrongcn, voleindigen, volloolen; — consummate)» c.vlt;, het Is vulbraclit (liet laatste woord van Christus aan bet kruis, volg. Joh. 19, 30); soms misbruikt voor; alles is uit, op of weg; — consummatie (spr. t—ts), f. (consummatto) de sa-menrekenlng; voleinding, voltrekking, h.v. van een verdrag, van eene misdaad, vgl. delictum consummalum.

consumo, consumptie, consumptieve middelen, ond. consumoeren.

consurgeeren, lat. (consurgcre) zich opbellen; opstaan, optreden.

Contabescéntie (spr. lie=tsie), t. nw. lat. (vgi. tabes, enz.) de tering, uiltering; — contabescént, adj. door de tering aangetast.

contabuleeren, lat. {conlabutare, v. la-bula, ■/.. aid.) zolderen, mot planken bekleeden, een planken vloer leggen; — contabulatie (spr. tie=tsie), f. de zoldering, houten vloer; beplanking.

Contactus, m. of afgekort contact, n.

(van contingüre, aanraken; vgl. tact) n. de aanraking, betasting; de samenkomst, raking van twee lichamen; — contact-electriciteit, f. aanraklngsolectrlcitoit b. v. door aanraking van koper en zink te voorschijn geroepen, vgl. gal van isme; contact-goniometer, m. de hoekmeter die aangelegd werd, vroeger hU het meten van kristallen gebezigd; — con-tagie, f. (lal. contogfo) de aansteking; be-smetteiyke ziekte, pest; - contagious, adj. (lat. contagiüsm) aanstekend, besmetlelük; — contagïum, n., pi. contagia, n. pi. aanstekende, besmotteHjke stoiten, giflstollen, die zich door mlddoiiyke of onmiddcliUke aanraking voortplanten (onderschelden van miasma, z aid.); — contagiositeit, f. (spr. s=j) nw. lat., de hesinetteiykheid, het aanstekend vermogen of ite bcsinettelUke aard eener ziekte; — contagionisten, m. |il. zg, die don aanstekenden aard van eene ziekte beweren.

Contadini, pl. Hal. {tonladino, de boer) ilaliaanscho landlieden; — contadinesca poesia, f. Hal. liefdeliederen in boerschen tongval.

Contailles, f. pi. fr. (spr. konlalj\') zeer slechte zyden stof, vlokzijde; afval van de zijde.

contamineeren, lat. (contaminare) bevlekken, verontreinigen, bezoedelen; — con-taminabel, adj. bevlekbaar; — conta-^ minatie (spr. tic—txie), f. de verontreiniging,

bezoedeling, bevlekking.

Cóntano, ital. Muz. ze tu tellen, d. 1. pauseeren (staal in de partituur hij de partijen, welke eerst later invallen).

contant, 11. contante, z. ond. conto. Conté, mi. fr. (spr. kimt\') vertelling, sprookje; Ital. graaf z. comes.

Contéctie, t. nw. lat. (contirtus, bedekt,

van contegëre, bedekken) de bedekking, overdekking, bekieeding.

contemneeren, lat. (contemnere) verachten, geringschatten, versmaden;— contémtie (spr. tie=sie), f. (lal. contemtio) de verachting, geringschatting; — contemtibel, adj. (lal. contemtibttis, e), verachtelijk; — contemti-biliteit, f. (contemptibitifftas) de veraebte-

lykhold.

contempleeren, lat. (contemptari), opmerkzaam bezien, beschouwen; belrachten, nadenken, overpeinzen; — contemplatie (spr. tie—tsie) f. de heschouwing, betrachting, overpeinzing, bespiegeling; Theoi. hel verdiept of verzonken zijn in Ood; - contemplatief, adj. beschouwend, beschouweiyk, diepzinnig, bespiegelend, In zicli zelvon gekeerd; bet c o n-t e m p I a 1 i o v e ie v e n, In tegenstelling met hel hedryvige, naar ballen werkende leven, Is de slille en berustende richting van hel van de zlnneiyke wereld afgekeerd gemoed, terwijl de geest zich wendt naar het bovenzinnelijke en eeuwige (hieruit ontstond het monniksleven);

— contemplatioven, m. pl. eene secte der lade eeuw, tegenover de scholastieken slaande.

Contemporanëus, lat., of contemporain, (spr. koiitniiporén} m. een tydgonoot;

— contemporair, adj. nw.lal. geiykiydig, tot denzelfden tyd behoorende; contem-poraneïteit, f. nw.lal. (fr. ronlemporanéité het tydgenootschap, de geiykiydigbeld; — con-temporeeren, geiyktydig zyn; contem-poriseeren (spr. »=«), geiyktydig maken.

contemtibel, contemtibiliteit, contémtie, z, ond. contemneeren.

Contenance, f. fr. (spr. kniitenrihx\' .■ lal contineiilïii, v. cimtincre, vgl. contlnooren) de houding; matiging, betooming; tegenwoor-illghelil van geest, bedaardheid, terughouding. con tenerézza, z. tenere.

contént, adj. lal. {conténtus, a, urn, d.i. eig. zich inhoudend, onthoudend, van conlinère, z. co nil neer en), of fr. (spr. kontaii) tevreden, vergenoegd, voldaan; contént, non contént, eng. tevreden, niet tevreden (hy het hoofdeiyk stemmen voor of tegen een voorstel in het eng. parlemenl); contentemént, n. fr. (spr. kontant\'maii) de tevredenheid, het vergenoegen; ook wel, wanneer Iemand niest, gebezigd in plaats van: wel hekome hel u, (lodzegeneu! [grand bien vous fasse /)— ook een warme drank uil gestoolen amandelen met kokende melk, kaneel, cltroenscbllten, suiker en eieren liereili; contentoeren, fr. (contenter) bevredigen, tevreden stellen, voldoen; betalen

Contentie (spr. tie=tsie), f. lat. conten-tin, van contendere, zich inspannen, slryden) de inspanning; de twist, stryd, oneenigbeld;— contentieus, adj. (lat. conten/iosus) slryd-zuchlig, twistziek, kyfachtig; hetwlstbaar; twistzaken betretVende.

Conténtum, n., pl. conténta, lal. (van continêre, in zich bevallen) de inhoud of de


-ocr page 286-

CONTERFEITSEL

CONTO

270

bestancldeolcn, b. v. van een (,\'eschrlft; Anat. wat In oon liolte des Uchaams vourhanden is, 1), v. do liiKewanden of de inhoud daarvan; — contenten, pi. in zeesteden de iUsten der aungekoinen waren met aanduiding van schippers en ontvangers.

Conterfeitsel, conterfeit, conter-fei, n. uit het fr. conlrefaü, nagemaakt) het afbeeidsel, heeid, vgi. portrait; — con-terfeiten, conterfeien, afbectden, uit-schilderen.

Conterie, f. fr. grof vonetlaansch gias-werk, glazen speclwaren, speelgoed van glas, glaskoralen.

contertnineeren, lat. aangrenzen; — conterminatie, f. (spr. —tsie) lat. aan-grenzing.

Contessa, t. ital. gravin vgi, conté.

contesteeren, (lat. conleslari, fr. con-tester: vgi. testeeren) betuigen, verzekeren, bezweren; betwisten, bestrijden; — contes-tabel, adj. nw.lat, betwistbaar, te bestrijden;

— contestatie (spr. He=tsie), f. [contesla-ho) de betuiging, de bevestiging door getuigen; de twist, bestrUding; litis conleslatio, z. lis.

Contéxt, m. lal. contéxtus (van contexére, samenweven, samenvoegen; vgi. text) de re-deverbintiing, liel verband, de samenhang der gedachten; mo conlexlu, in eenen samenhang, onafgebroken; —contextliur, f. nw.lat. bet samenweefsel, de aaneenschakeling, schikking der declen, het verband, de samenhang.

Conti, pi. van conto, z. aid.

Contignatie, f. lat. (conlignado, v. tii;-nwn, de balk) het gezamenlijke boni lot steuning of schraging, balk- of sparrewerk, de betimmering.

Contiguiteit, f. nw.lat. (van conliqüus, aanrakend) hel aan-elkander-raken, -liggen of -grenzen, de aanpaling, aangrenzing, gemeenschap van grenzen.

contineeren, lat. (conlinére) zich onibou-den, inhouden, matigen; samenhangen, aangrenzen ; vandaar continént, n. (fr. en eng. rnn-linenl, d. I. conCtnens, sell, terra, samenhangend land, In tegenoverst. van eiland) het vasteland; inz. dat van liuropa;- continentaal, adj. nw.ial. wal tot het vasteland behoort, b. v. continentale vrede, de vrede op bel vasteland; continentale mogendheden, de staten op het vasteland van liuropa, vasleland-mogendheden (In tegenst. met Engeland); con-tinentale troepen, zulke troepen, die alleen tot den dienst op het vasteland zijn bestemd; continentaal system a of stelsel, de maatregel van Napoleon (begonnen met het de-creet uit lïerlijn 21 Nov. 1800), om Engeland van alle gemeenschap met het vasteiand van Europa uit Ie sluiten en overal den invoer van eng. goederen en voortbrengselen te beletten;

— cx of in continénli, lat. terstond, oogenblik-keiyk, onverwijld; continentie (spr. He —tsie), f, (lal. continenffa) de matiging, onthouding, inz. van den bijslaap; — continent ia causarum, verband of samenhang der zaken;— continénter, adv. lat. in eens door, in oenen adem voort.

contingeeren, lat. [contingUre, v. tan-glre, z. tangeeron); (zeldzaam, zooals in lat. en ital.): aanraken, trelfen, betrellen; voorvallen, zich toedragen; bijdragen, zijn aandeel opbrengen; — contingens, n. iels toevalligs; - contingént, n. nw.lat. en fr. liet deel, dat ieder moet bijbrengen, plichtmatig aandeel, het verschuldigde b. v, in bet leveren van krijgsvolk, in het dragen van oorlogslasten, enz.; het aandeel der provinciën in de algemeene las-ten van den Slaat; — contingéntie (spr, tie—tsie), f. de mogelykheid, dat eeno zaak al of niet gebeure, de toevalligheid, onzekerheid; — naar contingéntie van zaken, naar ile wending, den keer, dien de omstandlgbedcn zuilen nemen.

con tinto, it. met schakcering.

Continüum, n. lat. (van continüus, a, um, samenhangend) Iets onafgebrokens, uanhou-dends, voortdurends; — enntinüa, 11. (spr. u=oe) Muz. aanhoudend, voortdurend; — continual, pl. Gram. aanhoudende klanken, waartoe de h, do sisletters, de klinkers, de halfklinkers en vloeiende letters behooren; — continueel, adj. fr. (continuet) voortdurend, gestadig, bestendig, onophoudelijk; hasso continuo, z. oml. has\'); - continuïteit, f. lat. (continuitas) de voortgaande duur, het onafgebroken verband dor doelen, de samenhang, ongcscheidcnheid, het aaneenhangen; de bestendige duur, bet onafgebroken aanhouden; de beslendlgheld; vandaar tex continuitütis of continüi, de wet der bestendigheid; — continueeren, lat. (conti-nuiire) voortzetten, voortvaren; voortduren, duren; aanhouden, niet allaten; — continuet of continuctur (nfgek. ent., entr.) Med. de zieke ga met het gebruik der geneesmiddelen voort;

continuate, Ital. Muz. vaar voort, ga voort, vervolg; —continuatie(spr. He—tsie), f. de voortzetting, voortduring, het vervolg; — liro continmtiöne, lol voortzetting; — con-tinuatief, nw.lat. voortzettend, eene volgreeks uitdrukkend; Gram. continuatieve conjuncties, voorzettende voegwoorden b.v. voorts, verder, dan etc.; — continuator, in. een voorzetter.

Cónto, n. It., pl. conti (z, v. a. het fr. compte, v. \'t lat. computus, berekening, v. com-111/tare, byeenrekenen, berekenen) Kml. de rekening; iemand conto geven, d.i. hem in het grootboek eene rekening openen, hem cre-diet geven; —conto nemen, zich van dal credlet bedienen, d. I. borgen; — een goed conto maken, zijne rekening bü Iets vinden, eene goede koopmanschap doen, winst of voordeel trekken; — conto reguleeren, eene rekening onderzoeken en sluilen; — conto saldeeren, eene rekening afsliillen en In som trekken; u conto, op rekening, of afkoriing; n conto stellen of schrijven, eene ontvangen betaling op de loopende rekening zetten;


-ocr page 287-

CONTRA FAClftNT

CONTORNO

\'271

conto a mcla, rekening Ier held, halve rekening, d. 1. voor «elljke winst en verlies; c. corrénle, eene looponde rekening, rekenlng-eouranl; c. ili compaynia, gezelschapsrekening; conto da reis, ook wel enkel conto, port. rekenmunt — t mlllloon reis of Kiofl m 11 r e I s, ongeveer = S8S0 gl.; c. (li stampa, eene rekening van wisselzegels; c. di tempo, eene rekening op tyd, hU welke de waren op eenen bepaalden IUd geborgd worden; c. /into (spr. —fiento] eene verdichte, vermoedolUke rekening, waarschynlijke herekeidng van haten en schaden (om den koup-prys eener plaats aan te toonen); r. lom, hunne—,

c. mio, myne—, c. nostra, onze rekening; c. nuova (spr. —miuo), afgek. C. N. of N. C. nieuwe rekening; c. per divérsi, rekening voor allerlei, voor allerhande kleinigheden; c. pro errata, rekening tot verellenlng van plaats gehad hebbende misslagen of dwalingen; c. saldo, do betaalde rekening; ook liet nog te betalen overschot na aftrek van het in betaling of in mindering ontvangene; c. separate, eeneafzon-deriyke rekening; c. sun (spr. u=nc) of sua conto, op zyne of eigen rekening; r. vecchio (s|)r. wekkio), de oude rekening; c. eostrn of vostro conto, afgekort V. (1. uwe rekening; — contant, adj. (11. contante, v. enntdre rekenen, tellen), gereed om te betalen, baar; een contant man, Kmt. iemand, ille altijd gereed betaalt; togen contante betaling koopen,

d. 1. voor gereed geld, tegen dadelijke betaling koopen; in contante, in gereed geld, baar; per of pro contante, tegen gereed geld, voor da-deiyke betaling; - contanten, n. pl. gereed geld, klinkende munt of specie.

Contórno, it., de omtrek, ■/.. v. a. fr. contour; pl. contorni, do omstreken; de omtrek, schets der omtrekken; — contor-niaatmunten of contorniati, uit de \'ui-eeuw, koperen rom. medailles niet verhoogden rand (contour, co ut or no), welke aan toe-gangspeunlngen voor schouwspelen enz. dienden.

contorqueeren, lat. {contorqurre; vgl. torque eren) verdraaien, verwringen, krommen, bulgen; — contórsie, f. (lal. contortin) eene gewelddadige verdraaiing, verstuiking, onvolkomen ontwrichllng; vertrekking van het gelaat, overdreven en onbehaagiyk gebaar, grimassen .

Contour, m. fr. (spr. koiilnér, vgl. 1 o u r) de omtrek, omvang, randtrekken eener figuur of teekenlng; — contoureeren of con-tourneeren (fr. contourner), eenen omtrek maken, omtrekken; eene liguur den verelschten omtrek geven, ronden, afronden; ge con tournee rd, adj. geteekend, ontworpen; ook verdraaid, krom, scheef, vcrkunsleld; — contorniati, z. oud. contorno.

contra, lat. tegen, een voorzelsel, dat In vele sninenstelllngen voorkomt; geschryf /»■» en contra, voor en tegen; contra vim non valei jus, macht gaat boven rechl.

Contra A, B, C (üiz., Muz. de noten of lonen van hel onderste octaaf.

Contra-apertuur, f. nw.iat. (ihir. de tegenupenlng, Inz. lig veretteringen, om den etter een vrijeren weg te banen.

Contrabande, ■/.. contrebandc.

Contrabas, Contrabasso, z. contrei) a s.

Cóntrabazuin, f. lat -ried. (van \'t lal. contra en het oudd. pusme, bosune, oud. fr. buisinc: verminkt van het lat. buccina, buclna, gr. bykdnc) eene bazuinstem van 34 voet toon in het orgel.

Contraboek,lal.-iied. tegenboek, het boek, waarin de contróle der rekeningen wordt ge-houden; ook het boek, waarin hy collecteurs der lolery aanteekening van de getrokken pry-zen en nieten wordt gehouden.

Contracambio, m. 11. een tegenwlssel, herwissel.

Contract, enz., z. ond. contraheeren.

Contrada, f. it. de straat; het oord.

Contradanza, f. 11. z. contredans.

contradiceeren, lat. {conlradicCre) tegenspreken, beantwoorden; - contradicént, m. (contradicens) Jur. de tegenparty, party, tegenspreker;— contradictie, (spr. lie=sie), f. [contradictio) de tegenspraak, tegenstrydlg-held; contradict/o in adjéeto, lat. Giam. eene tegenstrydigheid in liet bygevoegdo, in het ad-jectivum of byvoeglyk naamw., b. v. hoekige kogel; soms als rliel. figuur aangewend, li. v. droog water, wit roet (voor sneeuw ge-iiruikl by IIuygens), een levend geraam-t e, een allermagerst mensch; contradictio symp-tnmutum, Med. tegenstrydiglield der zlektetee-kenen (vgl. s y m p t o o m); - contradictor, m. de door de rechl bank aangestelde personen tol onderzoek en bestrijding van de vorderingen, door de schuldeiscliers opgegeven. contra-dictörisch, adj. nw.lal. tegensprekend, stry-dig; contradiclorische begrippen, oordeel en, enz., d. 1. elkander geheel legen-sprekende of wederzyds oplielTende, vernietigende, b. v. licht en duisternis; in contradictor Kt, op eene wyze waarby beide partyen zich kouden lalen booreu, de tegenparty gehoord.

contradistingeeren, uw. lal. onderscheiden, doen uil komen; contradistinct, adj. door legenovergoslelde eigenschappen on-dersehelden; — contradistinctie, f. de onderscheiding door tegenovergestelde eigenschappen; contradistinctief, adj. eene te-gcnslelling aanduidend.

Cóntrados, f. nw.lal., contradóte, II. ,lur.,elg. tegenuitzet (■/,. dos le art.), tegenerfma-king, welke de man aan de gedoteerde vrouw toekent en die zy nu zynen dood ontvangt.

Contra-extensie, f, nw lal. (vgl. extensie) Ohir. de legenrekklng liy het zetten van beenlireuken en oiitwriclitingen.

Contrafaciënt, m. nw.lal. (van eontra-facüre, legendoeii; In \'1 mld.lal. ook namaken, fr. enntrefaire) de overtreder eener verordening; — contrafi\'ict, n. of contrafilctie (spr. lie=sie), f. hel namaaksel, de navolging; de


-ocr page 288-

CONTRAPONEEHKN

CONTRA-FAGOT

\'272

nadruk van eon liock; — contrafactie »f contrafactuur, r. do nauwkeurlse numa-kln(?; plaatwerk, schlldory.

Contra-fagot, t. Muz. ecu octaaf lager liggende fagot (z. aid.)

Contraflssuur, contrafractuur, f. mv.lal. Chlr. eenc Icgensclieur, tcgenbreuk, wanneer er eene beenbreuk of bcensplgtlng ontstaat niet ter plaatse, waarop de gewclddadighold on-inlddcligk heeft gewerkt, maar op eene vcrwy-derde plaats. De meeste tegenscbcuren komen aun de bekkeneelsbeenderen voor.

Contrafuge, f. nw. lat. Muz., z. con-t r e f u g e.

contraheeren, lal. (conlrahtre, van trn-hfre, trekken) of contracteeren, samentrekken, verzamelen, vercenlgen; een verdrag, eene overeenkomst sluiten, bet eens worden, overeenkomen; schulden con tra cl cor on, schulden maken; — contrahént,contractant, m. een verdragsluiter, een deelgenoot;

contrahentia (spr. ti=lsi), pl. Med. sa-mentrekkende middelen; —contract, n., lal. contractus, een verdrag, eene geschreven overeenkomst, vrijwillige verbintenis lot vervulling van wcderzydsche plichten; ook een speelmerk voor (\'en of meer dozijnen of tientallen rekenpenningen of vlsebjes (flebes); — contract-boek, Kmt. een hulpboek ter woordelijke Inschrijving van de gezamenlijke gesloten contracten; ronlractus accessorïm, een bü-verdrag; r. assecuralionii, een verzeker|ngs- of assurantie-verdrag; c. bitatcrSlis, een twee- of wederzgdsch, belderzljdsch verdrag; c. hnnac fiiri, een verdrag te goeder trouw; c. censi-Hcus, een cynsvordrag; c. chirographarius, een bandschrifteiyk verdrag; r. rlaudïcam, een gebrekkig gemaakt verdrag; r. emli ct vendili, een koop- en verkoopverdrag; c. fewlalis, een leenverdrag; r. lilleralis, een schrifteiyk verdrag ; f. lillerBrum, een verdrag by de Romeinen, dat onomstooteiyke zekerheid had en on-schendhare verplichtingen oplelde; c. lorn li el cnndücli, een huur en pachtverdrag; r, nap-lialis, een huwelyksverdrag; c. permulaliönis, een ruilverdrag; c. piffnoralilim, een pandver-drag; r. principalis, een boofdverdrag; c. re-Irovenditionis, een verdrag omtrent vergunning van den wederverkoop; c. simulalus, eensebyn-verdrag; c. slricli juris, een verdrag, dat let-leriyk moet nageleefd worden; c. unilalerulis, een eenerzydsch verdrag; r. usurarius, een vvoe-kerachtig verdrag, een verdrag over Interest; r. verbalis, een mondeling verdrag; — contract, als adjec. (lat. cnntraclus) tegennatuurlijk samengetrokken, verlamd, lam; — con-tractatie (spr. lie=lsie), f. nw.lat. het ban-dclsgerccbl, de kamer van koophandel in Spanje;

contractatie-huis, bet handelshuis, koophuis; — contractie, f. (lat. innlracho) de samentrekking, verkorting; («ram. desamen-trekking van twee klinkletters of lettergrepen lot den, b. v. daftn of daèn voor daden;

contractibel of contractiel, adj. nw.

lat. samentrekbaar, verkortbaar; contrac-tibiliteit of contractiliteit, f. de sa-

mentrekbaarheld, krimpbaarheld, de geschiktheid van een lichaam om zich samen te trekken; — contractief, adj. nw. lat. samentrekkend; contractlcve k racht, samentrekkingskraebt (het tegengest. van expansieve kracht; — contractuur, f. de spleroptrekking, een staat van samentrekking en stramheid, waartoe de spieren, gewooniyk eerst allengs, ten gevolge van rheumaUsme, zenuwpynen, stulpen geraken ; kromniing der gewrichten.

contraignabel, z. contralnte. contra-indiceeren, nw. lat. (vgl. Indiceer en, ond. Index) tegen-aanwyzen, bet tegendeel aantoonen; conlra-indicans, n. Med. eene tegenaanwyzliig tegen de aanwending van een middel; pl. ron/ra-im/icaii/in; — contraindicatie (spr. Iie=--lsi(t), f. de tegenaanwyzliig.

contrainte,f. fr. [koidreid\') geweld, dwang, dwangmiddel; — contraignabel, adj. (spr. kohtrénjdbel) aan reebtsdwang onderworpen. conlraire, z. contrarlus. Contra-jagen, n. lat.-ned. bij jagers het tegenjagen, eene dryfjachl, waarby het wild van twee kanten togen elkander in wordt gedreven.

ronlra jus in thesi, z. ond. jus; — conlra leges, z. ond. lex.

contraliciteeren, nw. lat. (vgl. Helleer en) overhledcn, meer bieden, in den koop treden of vallen.

rnnlrallisla. Hul. Muz. altzanger, altzangeres. contralto, of conlr\'allo,m. il., ot haute contre, fr. (spr. hooi\' kóiitr\') Muz. de all, de tweede stem, de diepe vrouwenstem; ook de altist, altzanger, vgl. alt.

contramandeeren, z. c o n t r e m—; contramineeren, z. contrem—.

contra manifésta jura et veritatem, z. ond. jus; — contra natnram, z. ond. n a t u u r. Contramarca, li,, z. contre marque. Contraniténtie (spr. tie=tsie) f. nw.lat. de tcgendrukking, tegenwerking.

con Iranquilkzza, ital. met bedaardheid, rustig, contra-octavo, li. Muz. hel laagste octaaf in den algcheelen omvang.

Contra-operatie (spr. tie—lsie), f. nw. lat. de tegengestelde werking, tegenwerking.

Contrapéndenza, f. ital. dwars door de sneeuw gebaande weg.

contraponeeren, lal. (contraponcre, van poncre, zetten) tegenstellen; Log. een oordeel omzeilen, d. 1. het zonder verandering des In-houds een anderen vorm geven, zoodal uit oen bevestigend gezegde een ontkennend ontstaat, of omgekeerd; Kmt. afschryven, posten in liet boek In orde brengen; — contrapositie (spr. ii-tsie), f. de tegenstelling; Log. omzetting van oen voorstel door tegenstelling, mei verwisseling van het logisch karakter, b. v. alle geiykzydlge drlehooken zyn ge-lykhoekig, — geen driehoek van on-geiyke hoeken Is geiykzydlg; vgl. conversie; Kmt. dekking eenerwisselschuld;


-ocr page 289-

CONTRA-VIOLON

CONTRA

273

herstelllnK van ecu missing in t Imckcn; — oóntrapost, m. do tegenstelling in de lieel-dende kunsten, z. v. a. a n 111 h o 81 s in do redo; Kmt. tegenpost, waardoor een misplaatste post wordt hersteld, opgewogen,

contra principia neudnlem dispuldri non potest, tegen den ontkenner der grondbeginselen (volgens welke de twistvraag heslist moet worden) kan men niet redetwisten.

Cóntra-protest, n. nw.lat. tegenvoor-hehoud, de gerechtelijk opgemaakte acte ter waarborging voor schade van den houder eens geprotesteerden wissel (zie ouder pro testeer en).

Cóntrapunt, n. nw.iat,, cóntrapun-

to, It. (spr. —poento, fr. rontrcpoint, m.) n. Muz. eig. liet tegenpunt, dew(jl men eertgds punten in plaats van noten schreef; de kunst der toonzetting, de kunst om by (\'one stem andere Ie zetten, of onderscheiden stemmen regelmatig mot elkander to verbinden (eenvoudig contrapunt); inz. de kunst der stem-afwisseiing, d, I. het Inrichten der partyen op zoodanige wyzo, dat zy zonder fout in de har-monié, enz. verwisseld, d. i. lagere tot hoogere gemaakt kunnen worden (dubbel of veel-v o u d I g c o n t r a p u n t); — contrapunteeren, de regels van liet contrapunt toepassen; — contrapuntist, m. die de regels van bet contrapunt verstaal, toonzetter die zich stipt houdt aan de regels van liet contrapunt; — contrapmlo alh\' menie, Muz. contrapunt voor de vuist weg, zonder studio.

contra ratióncm, z. ond. ratio. Contrarco, m. Hal. streek met den slryk-stok tegen den regel.

Contra-regulariteit, t. nw.lat. de onregelmatigheid.

Qontra-remonstranten, pl„ z. v. a, Ooma risten (z. aid,).

Contra-revolutie, f, (S|ir, —tsie) tegenomwenteling, z, co ul re-re vol n t ie,

contrarius, a, urn, lat, contrair, (fr. contraire), contrarie, tegen, tegengesteld, tegen-strydig, ongunstig, rampspoedig, afkeerwekkend; contraire begrippen, meeningen, elkander bestrydonde, tegenstrydige of (positief) tegenovergestelde begrippen, enz., b. v. deugd en ondeugd; au contraire (spr, o koiitrèrquot;) of e contrari o, lat. integendeel, omgekeerd, daarentegen, veeleer-, — contrarïum, n. lat, het tegendeel; in contrarïum, Integendeel; pl. contraria, tegenstellingen; — contraria con-trariis curantur, het tegengestelde wordt door tiet tegengestelde genezen (grondstelling der a I-lo pa tb ie, z. aid.); — contrariëeren, fr. (contrarier) legen zyn, tegenwerken, wederstreven, dwarsboomen; — contrariant, adj. hinderiyk, twistziek, tegensprekend, kibbelzuch-tig; — contrariëteit, f. lat, (contrariMas) de oneenstemmigheid; de strydigheid, legen-spraak ; de wederwaardigheid, onaangenaamheid, belemmering, hinderpaal. Contra-schepen, lat.-ued. de schepen,

VIERDE IIHIIK.

die tusschen buiten-europeescho staten lieen en weder varen.

contra sextim, z. ond. sextos. contrasigneeren, nw.lat, (vgi, s 1 guee-ren) tegenteekeuen, mede-onderteekenen om een geschrift meer kracht, vertrouwen by te zetten (b. v. een konlukiyk besluit door een verant-woordeiyk minister); — contrasignatuur, f. of fr. contreseign (spr. kontr\'sen), n, de mede-onderteekenlng.

Contrast, u. (fr, contrasle, 11, contrast o, v, mid.lat. contrastare, tegenoverstaan, stryden) de tegeusteiling, het over-elkander-stellen of in aanraking brengen van strydige, afstekende voorwerpen (die niet volstrekt uitersten behoeven te zyn), afstek; Log. liet tegenover-elkander-stellen van twee voorwerpen, om die daardoor des te sterker van elkander te onderscheiden, terwyi de In de antitliesis (z, aid,) de voorwerpen büeengebrneht worden, om ze te vergelijken; do laatste werkt meer op het vorstand, bot contrast daarentegen op het gevoel;

— contrasteeren, fr, (contraster) tegen elkander afsteken; doen afsteken, in afstek plaatsen, tegenover elkander zetten, afzetten.

Contra-stimulus, m. nw.lat, (vgl. stl-m u I u s) Med. do tegenprikkel, do voorbedacb-teiyko (pyii)opwekklug van een lichaamsdeel, om een prikkel van een ander dool af te leiden ; — contra-stimulisme, n. de loer van den tegenprikkel, oen door Kasori in Italië bedacht stolsel dor geneeskunde; — contra-stimulist, m. aanhanger van dat stelsel.

Cóntra-subject, n. nw.lat. Muz, do tegenstelling of tweede ondergeschikte zetting in de fugo.

Contrat, m. fr. (spr. twu-trd) contract (z, aid,), Inz, contrat social, maatschappeiyk verdrag, een stllzwygende overeenkomst, die ais grondslag dor hurgeriyko samenleving geldt of gehouden wordt.

Cóntra-tempo, z. contretemps. Cóntra-tonen, de diepste bastonen onder de groot o

contravaleeren,nw.lat. evenveel gelden, Contravallatie, z. contrevallatie. contraveniëeren, nw.lat, (van ventre, komen) legonliandelon, overtreden; strydig met wet of verdrag bandelen; — contraveniént, contravénter, m. oen overtreder, by, die togen eene verordening dor regeering handelt;

— contrav eniéntie of contravéntie (spr. t—ts), f. de overtreding, hot strydig, onwettig handelen, de schending van oeu verdrag, enz..; in casu of casum conlraventiönis, lat, in geval van overtreding.

Contraventiel, n. legenklop in een orgel, om don wind Ie keoron of af te sluiten,

contra vim non ratel jus, lat. tegen het gewold geldt geen recht, macht gaat boven recht.

Contravindicatie, f. lat, do verklaring van dongene, die van schending van eigendom boklaagd Is, dat by de ware eigenaar is. Contra-violon, z. c o n t r e bas.

IK


-ocr page 290-

CONTREFINESSE

CONTRAVISITE

274

Contravisite, f. tegenbezoek, z. con-t re-v Is) t e.

contravoteeren, barb. lat. (van volum, v o 1 e e r e n) tegenstemmen.

Contrayérba of contrayérva, f. sii. (elg. tegenkruld, van ijerba = lal. herba, kruid; nw, lat. radix contrayervae) tegenglftlge dorste-nle, oenc amerlkaansehe plant, door den En-gelschman Drake In tüSfl overgebracht; de wortel dier plant, tegengiftwortel, ook Drake-wortel genoemd, Is van bullen ros van kleur, heeft eeu scherpen, bitteren smaak en een spe-ceryuchtlgen geur. Men schreef hem vroeger glftwerende eigenschappen toe. liy werkt prikkelend en zweetdryvend.

contre, fr. (spr. kontr\'t = lat. enn/ra) legen, een voorzetsel, dat In vele samenslelllngen voorkomt.

Cóntre-admiraal, m. de tegenadmlraal, de derde zeebevelhebber, die op den admiraal en vlce-admlraal volgt, de ondervlootvoogd, schout-bU-nacbt.

Contro-allée, f. fr. zyiaim.

Cóntre-approches, f. pl. fr. (spr. /tnü/r\'-apprósj\') Ml), de tegenloopgraven, werken der belegerden om de loopgraven der belegeraars tegen te gaan.

Contrebalance, f. fr. (spr. —balans\') het tegenwicht; — contre-balanceeren, het tegenwicht of evenwicht houden of maken, opwegen.

Contrebande, f. fr. (spr. kniilr\'bdnd\'; II. conlrabbando) waren, die cnnlra bannum (z. aid.), d. 1. legen een verbod uil- of Ingevoerd worden, dus verboden waren, slulkgoederen, smokkelwaar; sluikhandel, smokkelhandel; — contrebandeeren, sluikhandel, smokkelhandel drgven, verboden waren uil- of invoeren, smokkelen; — contrebandier, m. (spr. koiitr\'bandje) een sluikhandelaar, slulkcr, smokkelaar.

Cóntrebas, f. (fr. contrebasse, 11. contrab-basse) of cóntreviolon, m. Muz. de legen-bas, groote bas, groole basviool.

Contrebatterie, f. fr. de tcgenbaltcrU, legengeschulbeddlng, legengeschutwal; onelg. de legenaanslag, tegenwerking.

Contrebazuin, ■/.. contra—

Contrebille, f. fr. (spr, knhlfbiélj\') de legenhal, die bU het terugstuiten van den rand des biljarts den bal des medespelers raakt.

Contrebillet, n, fr. (spr. konlr\'-bi-ljè, gewoonlijk —bxljit) een tegenhriofje, tegenbewUs, dal hel vroeger afgegevene krachteloos maakt.

contrecalqueeren, van eene teekenlng een tegenafdruk door middel van oalqueering vervaardigen.

contrecarreeren, fr. (conlrecamr, van carrer, vierhoekig maken, fig. zich breed maken) (Iemand) tegenwerken, weerstreven, legen of hinderlijk zUu; (leis) verhinderen, dwarsboo-men, doen mislukken.

Contre-chango, c o n t r e-é c h a n g e; — contre-changemónt, n. fr. (spr kohtr\' sjaiizfmdn) hel omkeeren of zwenken In een rechten hoek by bet draalen.

Contrechant, m. fr. (spr. koiitr\'sjdii), z. v. a. contrapunt (z. aid.)

Contrechassis, n. fr. (spr. knhlr\'sjassi) te-genvenster, voorvenster, wlnterraam of -venster.

ContrecoBUr, n. fr. (spr. kohtr\'kéür) eene yzeren plaat In het mlilden van eenen schoor-steemnuur om dien Ie beveiligen en de warmte af te kaatsen, staande haardplaat; a enntrecmu-, mei tegenzin, weerzin, ongaarne.

Contre-couleur, f. fr. tegenkleur (nam. in hel kaartspel).

Contrecoup, m. fr. (spr. koiitr\'kof) een legensloot, tegeaslag, terugslag, weerkaatsing, afsluiting; onelg. een ongeval, ongeluk, tegenspoed, wederwaardigheid; onderneming om Iemands doel te verydelen.

Contre-couteau, n. (elg. in.) fr. (ook lame femelle, eng. ledgerblade, spr, ledzjurbleed) tegenmos, ligger, het vastliggende mes der scbeermachlne (iiü de lakenfabrlcatle).

Contre-creuse, f, fr. gracht, wier aarde, bulteawaarts legen de vesting geworpen, de borstwering vormt.

contrecteeren, lat. {contrccidre, v. trar-tdre) elg. belaslen, bevoelen, aangrypen; Jur. onrechtmatig onlnemen, ontvreemden; — con-trectatie (spr. tie=lsie), f. ontroovlng, onl-vreemdlng.

Contredans, m. (van \'l eng. country-danse) een veld- of reidans, landelijke dans; ook (van fr. contre-danse) levendige en vroo-lyke dans, die met l of meer paren (in even aantal) wordt uitgevoerd; ook muziek voor dien dans.

Contredeclaratie (spr. tie=tsie), f. lal. de legenovergestelrtc verklaring, die legen eene voorgaande slrydt.

Contre-échange of contre-change, f. fr. (spr. koiitr\'sjdhzj\') tegenrniilng, inwisseling, herwisseling,

contre-omailleeren, fr. (spr. koiitr\'-emdtj\'—) aan de blnnenzyde met email of brand-verf overtrekken; — contre-email, n. (spr. koiitr\'emdtj\') bel email op de blnnenzyde van eene wUzerplaal.

Contre-opaulette, f. fr. (spr. koiitr\'epo-létt\') Mil. epaulet zonder kwasten of troetels.

Contro-óprouvo, f, fr. legenproef, tegendruk; in de leekenkunst enz.: de van een ver-sche teekenlng door eene pers verkregen afdruk, die ze zoo verlooul, als ze In den spiegel of op de koperen plaat Is.

Contre-oscarpo, ■/,. eontrescarpe.

Controfait, n, fr, (spr, koiitr\'fé), z. con-l e r f e 11 s e I, — contrefaqon, contrefac-tie, z. v. a. contrafactie.

Contrefou, n. (elg. m.) fr, (spr. koiitr\'feu) vuurscherm.

Contreflche, f, fr, (spr. koidr\'fiesj\') kruisband, stut, schoor.

Contreflnesse, f. fr. (spr. koidr\'finéss\') de tegenlisl.


-ocr page 291-

CONTRESIGNAL

CONTUKFORT

\'275

Contrefort, n. (clg. m.) fr. (spr. koiilr\'fór) Mil. oen stounmuur, steunpllaur; «ene legenlaag, een lieer.

Contrefüga, fr.-it., ut contrefuge, f.

Mu/,. eenc togenfuge, dulilielfuge (z. fuge).

Contregarde, f. fr. (spr. koiilr\'gdrd\') Mil. eene versterking vóór een «f unilor werk, een bescherm wnl.

Contreguerilla, f. (spr. —uerielja) legen-stanilors, tegenpariy der guerilla\'s.

Contrehachures, pi. fr. (spr. kniitr\'hn-sjilür\') de krulsslrepen op eenc koperen plaat.

Contrei, contreie, f. fr. (cnntrée) streek, omstreken.

Contrejour, m. fr. (spr. koiilr\'zjoer) het tegenlicht, zijlicht, de terugkaatsing van het licht.

Contrelettre, f. fr. (spr. kniUfléllr\') de legenhrief, hel tegenbewUs, eene geheime acte, waardoor men erkent, dal eene eerste openbare acte in haar geheel of gedceltelQk niet ernstig gemeend was; z. v. a. revers.

Contre-maltre, m. fr. (spr. —mèlr\') 1° bootsman; 4° in fahiiekcn: meesterknecht, werkbaas.

contremandeeren, fr, (si)r. koiilr\'-mand—) tegenbevelen geven, afbevelen, afzeggen, herroepen, terugnemen; — contreman-daat, contremandement, n. het legen-bevel.

Contremanoeuvre, f. fr. (spr. kotW-maneuwr\') Mil. eene plotselinge verandering van slagorde, tegenbeweging.

Contremarque, fr. (spr, koiilr\'mdvk\'; vgl. marque, eontramarca, li, f. een tegenlee-ken, bUmerk op koopgoederen, fabriekwaren, enz.; een merk op goud- en zilverwerk; een tweede briefje of kaartje, dal men na afgifte van het eerste in schouwburgen, enz. ontvangt om weder binnengelaten Ie worden, wanneer men In de tusschenbedrtjven uilgaat; con-tremarquoeren, tegenleekenen, bUmerken, een tweede merk geven; van paarden: valsche kenleekens hebben, valsch I eekenen .

Cóntromarsch, m. (fr. rnnlremarc/ie) Mil. tegentocht, rugwaartsche tochl, terugmarsch; eene zwenking, waardoor eene colonne volle face miiiikl.

Contremine, f, fr. (spr. kohlr\'miin\') Mil. de tegenmün, een onderaardsch werk om ile uitwerking van \'s viands mUnen Ie beletten; oncig. de tegeniisl, tegenaanslagen; Kml. speculatie op daling (in den elloclenhandel); ook: de gezamenlijke baissiers (/.. aid.);—con-tremineeren, legenmUnen maken-, legen-werken, wederstreven, tegeniisl gebruiken; Kml, op daling (der eHecten) speculoeren; - con-treminour, m, een tegenmynwerker; een tegenwerker, dwarsboomer; Kml, iemand, die de daling der staatspapieren of publieke fondsen zoekt te bewerken, die daarop loeri en\'re-kent; speculant op daling (hg het beursspel), z. v. a. baissier (z. aid.)

Contre-oppositie (spr, zi-Me), f. fr.-lat.

eene pariy, die zich aan de oppositie (z, aid.) houdl, maar van andere grondstellingen uitgaat.

Contre-ordre, doorgaans contra-or-der, f. fr. (spr. kniilr\'órdr\') hel tegenbevel.

contrepareeron, f. (vgi. pareeren) afweren-, — contreparade, f. fr. de afwering In de schermkunst.

Contrepart, m. fr.-nw.iat. (vgl. part) de tegenpariy, wederslrever-, het tegendeel; — contrepartie, f. fr. Muz. de legenslem; Kml, hel legenboek.

Contrepas, m. fr. (spr. koiitr\'pa) de legen-schrede, oen verkeerde danspas.

Contrepassatie,f. fr. (spr. kniitr\'—) Kml. wederafsland eens wissels aan den persoon, die hem had uitgegeven.

Contrepente, f. fr. (spr. koiitr\'pa hl\') te-genbeiling: een omgekeerd glacis (z. aid.)

Contrepetterie, f. fr. een woordenspel, dat beslaat in het verplaatsen van de voorletters der woorden.

Contrepied, n. fr. (spr. konlr\'pji\') legen-spoor, valsch spoor (een jachlterm, als de hond op het spoor van het wild teruggaal of daarheen loopt vanwaar het kwam); hel tegendeel, liet omgekeerde van eene zaak.

Contrepilaster, m. (fr. contrcpilaslre: vgl. pilaster) legen- of zypilaar.

Contrepoids, n. fr. (spr. kniilr\'pnd: 11. conlruppesso) legenwichl, de balanceer- of even-wichlslok der koorddansers.

Contrepoil, n, fr. (spr. knntr\'pndt) de le-genstreek van hel haar; lt;i contrepoil, legen den streek, legen de vleug; verkeerd.

Contrepoint, z. c o n I r a p u n I; — con-trepointeeron, bestikken, doornaaien.

Contrerevolütie (spr. He=lsie), f. fr. de legenomwentciing, wederomverwerping van een oil revolulie voortgekomen grondwelligen toestand (meest In aan het volk vyandigen zin);

eontrerevolutionair, adj. legenomwen-lelingsgezlnd, der nieuwe slaalslnrlchllng nlel toegedaan, daarvan afkeerig.

Contrerondo, f, fr, (spr, kontr\'róiid\') Mil, de legenronde, de tweede ronde of palrouille om de eerste gade Ie slaan, om te zien of de schlldwachlen op imnnen posl zijn, enz.

Contreruse, f. (spr. koiilr\'rimz\') tegeniisl,

Contresalut, n. fr, (spr. konlr\'salü; vgl. sa lui) de tegengroel mei kanonnen.

Contrescarpo, f, fr. (spr. knhtr\'sknrp\', vgi. escarpe) Mil. de tegenvoorwal, hel le-genbolwerk, de uilersle grachlmuur, de schuine vlakte of helling van de graclil eener vesling naar licl veld loc, de iiullenwerken , de bedekle weg in het glacis,

Contre-sens, m. fr, (spr, knnlr\'sdh) slry-dige zin, onzin; de valsche, onecble kanl eener stof.

Contresignal, fr. (spr. koiitr\'sicnjdl, vgi signaal) gew. cóntrosignaal of cóntre-sein, n. een legenleeken, anlwoord op een gegeven signaal, len iicwyze, dal men hel eersle


-ocr page 292-

CONTRETEMPS

\'27(5

CONTUMELIE

verslaan heeft;- contresignaleeren, een

tegenleeken Keven; — eontresigne, n. (spr. koiilrsiénj\') liet ilubliel herkennlnssteeken, lie veldleus;- contresigneeren, z. eontra-s In nee re ii.

Contretemps, tr. (spr. kniilr\'tdii) of contratempo, it. n. (vr1. tempo) een on-tljdiK voorvnl. eene wederwimnllRhelil, ongeval, onverwachte verhlnderlnR, hindernis; In het dansen; zekere pas, waarbU men, terwyi de neertezolleii voet is opuelieven, op den anderen springt, alvorens den eersten neder te zeilen; In liet schennen: het gelUkiydlK nllvallen der helde vechtenden; In de rykiinsl; de plotselinge en onverwachle overKang van hot paard van rusl lot beweging; Muz. eene vertraging, verbreking van de maat.

Contre-terras, n. tr. Mil. een aardwal of terras, tegen een ander steunende of daarboven opgeworpen, een tegenterras.

Contretranchóe,f. fr. (spr.koiilr\'lraiisjé) Mil. eene legenloopgiaaf, loopgraaf tegen de belegeraars.

Contrevallatie, fr., of contrevalla-tielijn (spr. tie=tsie), nw.lal., f. IVIII. eene le-genomwalllng, tegenverschanslng, legenschans om de ullvallen der belegerden te beletten.

eontreveniëeren, zie contravenI-eeren.

Contrevent, m. fr. (spr. kontr\'wdii) windscherm, winddeur (van buiten).

Contreviolon, z. contrebas.

Contrevisite (spr. wiziéf), f. fr. (in welke taal het echter eene tweede bezichtiging, een tweede onderzoek beduidt) hel tegenbezoek.

contribueeren, lat. (conlrltuere, fr. con-Iribuer, vgl. tribucre) eene büdrage geven, zgn aandeel in ile lasten of opbrengsten betalen, opbrengen; bydragen, bUpassen; medewerken, bevorderen, behulpzaam zyn; contribua-bel, adj. fr. [conlribmble] schatplichtig, belastingschuldig, aan lasten onderworpen; als subsi, belasllngschuidige; — contribuént, m. lat. (contribuem) een schalplichtige, bijdrager; — contribütie (spr. Iie=lsie), f. {ronlribuiïo) de gemeenschappeHjke hydrage, opbrengst, de som, die ieder schatplichtige aan land of slail, leder lid van eene socliilcit, een genootschap, enz. moet betalen; de oorlogslasten, brandschatting; in contributie stellen, brandschatten; — contributiepond, voormalige ooslenrük-schc rekenmunt van til gl. 48 kreutzers rUnsch, = 14 gi. 4» cl.; contributief,ailj. nw.lat. (fr. conlributif) in de belasting betalend, belastbaar; bijdragend, medewerkend.

rnn Iristétza, z. ond. I riste.

Contritie (spr. Iw=tsie), f. lat. (conlridn, van conlerüre, stukwryven) de verbryzeiing des harten, het Innig gevoeld berouw (vgl. a 11 r 111 e).

Contróle, f. (fr. ronlróle, m., ontstaan uit conlre-róle, van rt\'ile, lijsl, register, II. róloln, radje, mld.lal. rol, verklw. v. lat. rnla, rad) het dubbele register van alle verrichtingen in rechtbanken, op kantoren, enz., de tegenrekening.

liet legenreglsler; tegenrekening of narekening ter vermijding zoowel van vergissing als van bedrog; het tegenopzlcht van eenen ambtenaar over don anderen; ook In liet algemeei,: toezicht; het ambt van contróleur; — contró-leeren, tegenrekening of toezicht houden, narekenen ; In het tegenboek brengen; — iemand contróleeren, toezicht over hem houden, hem gadeslaan, op hem passen; hem berispen, doorhalen; — contróleering, f. toezicht; — contróleur, m. een tegenschrüver, tegenre-kenaar of toeziener, een ambtenaar, belast met hel toezicht, het houden van bet tegenboek der belastingkantoren, enz.; aannemer of ophaler van blljellen en kaarten op sporen, In schouwburgen, enz.; werktuig om te contróleeren; Hg. een bediller, zedenmeester, zedenpreker.

Controvérs of controvérse, f. lat. (conlroversm) een geleerde slryd of Iwlst, eene Iwlslzaak; twistrede over vraagstukken of gevoelens, die van weerszyden kunnen verdedigd worden, inz. over godsdienstzaken, vooral tus-schen R. katholieke en andere (Ihrlslenen; sla-lux mnlrouérsiac, stand van den slryd met uil-eenzeltliig der elgeniyke punlen van verschil; rontroversfa verbörum, Jur. een woordenstryd; — controversist of controvertist, m. nw.lat. een beslryder, Inz. een geloofsstryder, kampredenaar, twlslschryver; — controverseeren (lal. rnnlroversari) strUden, twisten, Iwislsehrlften wisselen.

Contrumide, f. (v. fr. mnlre en humide, vocht) een uil nlel poreuze massa\'s bestaande door Feichtlnger te I.onden uitgevonden bekleeding der tanden om vochtigheid te weren.

Contubernium, n. lat. (van labéna, hut) het samenwonen, samenleven, hot kamergenootschap;—contubernalis, m. lat. eig. tent-genoot; kamergenoot, Inz. samenwonend student;—contubernalen, m. pl. elg. tentge-nooten; samenwoners, kamergenooten, zij, die dezelfde kamer bewonen-, oudtyds de slaaf en slavin, door hunnen meester aan elkander gehuwd ; - contubernaliteit, f. hel kamergenootschap.

rnntiïmaw, lat. hardnekkig, weerspannig; als subsi. Jur. Iemand, die uit weerspannigheid op gedane dagvaarding niet verschynt, eene opgelegde handeling nalaat, enz.; — ronlumacHer, adv. ongehoorzaam, weerspannig, lialslarrlg;— contumacie, f (lat. contumacïa) de weerspannigheid, weerbarstigheid, ongehoorzaamheid tegen gerechteiyke bevelen, het hardnekkig weg-biyven op de dagvaarding, verstek; ook z. v. a. q ii a r a n t a 1 n e; contumatie houden, z. i|uarantalne houden; - contumacie-cordon, n. eene afsiuitingskelen, uitgezelte posten Ier beveiliging eener slreek voor aanstekende ziekte; —in contumaciam, lat. wegens ongehoorzaamheid, h. v. weghiyven op gedane dagvaarding; contumaciëeren, nw.lat. (fr. contumaccr) Iemand wegens weerspannigheid aanklagen, mik veroordeelen.

Contumelie, f. lat. {rnnlumetfa) besclilin-


-ocr page 293-

GONTUNDEEREN

CONVERSEEREN

liinn, hoon, grove Wecdlglntr; — contume-liëus, mij. (lal. cnnlumeli/sus, a, urn) beschimpend, smadend, hoonond.

contundeeren, lal. (cnnlundire) kneuzen, kwelsen-, — contundatur, te kneuzen, lijn le stoolen! (op recepten); — contüsie (spr. s=z), t. lal. [conhmn) eone kneuzing, kwetsing, lichte wond.

conturbeeren, lat. {conturbüre), vgl. t u r-b eer on) verwarren, verontrusten; — con-turbatie (spr. Ile=lsie), I. verwarring, imi-stellents.

Contus, m. lat. wapen der romeinsche rui-lerU, als lans en als werpspies gebruikt. Contusie, z. oud. contundeeren. Contutor, rn. lat. (vgl. tutor), Jur. do medevoogd.

Conuco, m. sp. groenteveld (In Z. Amerika). con mi dito, It. Muz. met een vinger. Conus, in. lat. (gr. konos) Geom. een kegel, eone ronde pyramlde; N. H. de kegelschelp, kinkhoren; - cónisch, adj. kegelvormig; — conische refractie, oplossing van oen licht -slraal in een kegelvormlgen bundel; conische spiegels, kegelspiegels, dezulken, die de voorwerpen In een geheel andere gedaante dan hunne wezenlüke vortoonen; — coni-fërae of coniferen, r. pl. lat. Bot. kegel-dragers, eone planlenramllle uil de klasse der Iwoezaadlohblgon van Jussleu, waarvan de vruchten kegels /.(jn en die altijd groene lila-deren hebben; coniglobïum, n. een sler-renkegel, eone halve hemelsfeer, ook conische globe geheelon, die de helfl des hemels met do sterren vertoont; conilïthen, m. pl. kegelsteenon; coniséctor, m. do kegelsnyder, een werktuig tol kegelsneden; — conoïde, t. een kegelvormig lichaam, onechte kegel, door omwenteling van zekere kromme Ujnen om haar as onlstaan (b. v. een parabo-loïde); — conoïdisch, op een kegel gelü-kende; — conophthillmus, in. Med. hot kegelachtig druifgezwel op het hoornvlies.

convalesceeren, lat. {convaleuërc, van valere, gezond /(jn) genezen, gezond worden, aan de beterhand zijn, herstellen , gecon-valesceerden, m. pl. genezonen, herstelden; — convalescént, m. een genezende. Iemand, die aan de belerhand Is; --convalescén-tie (spr. tie=(sie), I. hel genezen, de genezing, herstelling, beterschap.

Convallana, f nw.lnl. (van hel lal. ran-vallis, het dal) Kol. eene planlensoorl, lol de familie der aspergeachligen {Atparuf/i) behoo-rende.

enn variazwni, ■/.. oud. v a r I a; convenabel, z. ond. ciiii v on i8 ere n.

Convenatie (spr. t=ls), f. (van \'I lat. ec-nari. jagen, veimffo, jacht) de koppeljaehl.

conveniëeren, lat. (ronvenfre) overeenkomen; aanslaan, passen; helamcii, gepast, wel-voegiyk, geschikl zijn; convenabel, adj. (fr. convenable) gepasi, geschikt, behoorUik, raadzaam, welvoegiyk, botamend, betamelijk ;

conveniéntie (spr. lie=Me), lal. (ronvenien-Ha) of convenance, fr. (spr. konwenans\'), f. eene plaatsgrgpende overeenkomst (c o n v (S n-tio) aangaande het gedrag In bepaalde gevallen, en welke op een stiizwUgend verdrag berust, het letten op hetgeen samenpast mei in-achlneming der omstandigheden, rang, vermogen, enz. (b. v. moHof/c de convenance)-, de gepastheid, weivoegiykheid, belameHjkheld, enz.; — convént, n. lat. (cnncéntus) de voreenlglng, samenkomst, vergadering, li. v. nat Ion a ai-convent (fr. convention nationale), volks- of ryksvergadering, naam, dien de nationale vergadering gedurende de fr. revolutie na 10 Aug. 1792 aannam, ook enkel het convent gehee-ten; de vergadering der klooslermonnlken; hel klooster zelf, het stlchl; — convéntbier, eig. klooslerbler, hier der con vent u alen of kloosterbroeders, In onderscheiding van het sterke bier, dal de paters dronken; half-, klein-of dun bier-, — conventuaal, m. nw.lat. {conven-liialis) een kloosterheei\', klooster- of stichts-iiroeder; — conventualen, m. pl. klooster-personen, kloosterlingen, leden van het klooster-convent; ook In legenst. met de observanten, de zytakken van veie orden, die een zach-teren regel volgen, b. v. de Carmolleten, die zich, tegen den strengen regel van hel oosten, schoeiden; — conventikel, n. (lal. conventi-ciilum) eene helmoiyke samenkomst, verboden vergadering, sluipvergadering, Inz. de geheime hyeenkoinslcn der zich afscheidende godsdienst-secten; convéntie (spr. (=?.«), f. (lal. con-ven/ïo) de overeenkomst, het overeenkomen, eens-worden, het verdrag, vergelijk; convén-tie-geld of convéntie-munt (hoogd. conventions-Milme, spr. konrentsidóns muuntse) overeenkomstgeld, dat ten gevolge der geslolen overeenkomst sedert de Lelpziger conventie van nnil door verschillende ryksstanden naar den VVeener muntvoet Is geslagen, waarby men de mark lijn zilver op 20 gulden of n; thaler schatte; vandaar ook con veni Ie-daalders, geldende ongeveer 25 gld.); - conventioneel, adj. (spr. I—Is), (lat. convenlionalis, fr. cnnventinnnel) waaromtrent men overeengekomen Is, overeenkomend, overeenkomstig, verdrags-wyze; conventioneele straf, eene slraf of betaling, tot welke men zich vcrpllcht, In geval men hel beloofde niet mocht nakomen.

convergeeren, nw.lat. (van hel lal. ver-Hitre, zich huigen) lol elkander neigen, naderen of toenaderen, eenstemmig zyn; hel samenloo-pon van Ujnen, wanneer zy verlengd worden; Algeh. het kleiner worden der achtereenvolgende termen eener oneindige reeks; vgl. dl-v e r g e e r en;- convergént, elkander naderend of naar elkander neigend, samenloopend (van lynen, stralen); onelg. overoenslemmond;

convergéntie (spr. /=/s), f. de loenade-rlng of helling van Iwee lynen lot elkander. Conversa, z. ond. converleeren. converseeren, lat. {conversari, met lem. omgaan) verkeeren, omgaan, onderhoud met elk-


-ocr page 294-

CONVKKTEEREN

\'278

CON VOI

ander helibcn •, - conversabel, hiirb. int. (fr. convenuble) Kczullljf, spiaakzuinii; — conversatie ,n|ir. —:u-lsie), I. iiel gesprek, oiulorhoui), verkeer, de omRaiiK, Terkeering; Inz. lydkor-tiiiK door nesprek In gezelschap, d. I. in beschaafd. fatsoeniyk gezelschap; de conver-satie-taal, (. de laal van hel dageiyksch verkeer -, de conversatie-toon, in. de toon van het dageiyksch gesprek, de omgangstoon;

convorsatie-zaal, zaal voor gezellig verkeer (In Imdhulzen, hotels, enz.); con-versatie-stuk, n. hiyspel, dat zich in den kring van het gewone leven beweegt en in den regel in den nieuwen tyd (fransche kleederdracht) speelt; conversations-lexicon, n. hoogd. gr (spr. —sa-tsióóns—) het woordenboek der samenleving, algemeen zaakwoordenboek, dal de zaakkennis bevat, die tot een beschaafden omgang wordt gevorderd (het eerste van dien naam werd door Lübel begonnen en in 1S11 door Brockbans voltooid); - con-versatonum, n eene kamer of verceniglng tot gezellig onderhoud, oen praatgezelschap.

converteeren, lat. (converlin) veranderen, verwisselen; bekeeren; den rentevoet van staatsscliulden veranderen; — convertibel, adj. nw.lat. verwisselbaar; voor omkeering of bekeering vatbaar; - convérsie, f. lat. (coh-versfo) de verandering, omwisseling, omzetting, omkeering ; omsmeltlng, verstempeiing der munten; verandering, verlaging van de renten dor staatsschulden, verwisseling van oude schuldbrieven legen nieuwe; l.og. de omkeering van een voorstel, waarhg de doelen hun logisch karakter verwisselen, d. i. het onderwerp in prate-dicaat, en omgekeerd, verandert, b. v. alle ge-lykzydlge driehoeken zyn geiykhoe-klgo driehoeken; alle gelyk hoekige driehoeken zyn geiykzydlge driehoeken; vgl. e o n t r n • p o s 11 i e en i n v e r s i e; Poet. en Rhet. z. v. a. commutatie (z. a.); Theoi. bekeering, iuz. de overgang uit oen pro-testantsch kerkgenootschap tol do r. kath. kerk; Jur. de verandering van eene acte of pleidooi in eene andere; — conversionist, m. de aanhanger, voorstander der rontc-convorsie; — convérsus, lat., ook converti, fr. m. Icm., die tot eene anderen godsdienst is overgegaan, een bekeerde, nlenwbekeorde; — convérsa of convertie, f. eene bekeerde; — conver-tendus, m. Iemand, die bekeerd moet worden.

convex, lat. {ronvéxus, u, urn) bolrond, verheven, gewelf, buikig, lensvormig. Eene kromme lyn heet convex gebogen op die zyde, aan welke de door hare eindpunten getrokken tangenten elkander snyden; op de andere zijde heet zy concaaf gebogen (vgl. concaaf); zoo hebben ook gebogen vlakken eene convex- en e o n c a a f-z U d e; convex-glazen, bolle glazen, lenzen, die of op éene of op beide zy-den eene holverhoven kromming hebben; in het laatste geval zyu het ware convex-glazen en heeten convex-convex of ook bi-convex, in het eerste (waarbU de keerzyde vlak is) heeten zy planconvex; Is het glas op de eene zyde hol en op de andere hol, dau noemt men het concaaf-convex, hoiver-beven, of een meniscus, maan. In de meetkunde heet een hoek convex, als hy meer, — concaaf, als hy minder dan 180° bedraagt; convex-spiegol, eon bolle spiegel, verbeven spiegel; convexiteit, f. (lat. convert-tan) de rondverbevenheid. holheid, lensvormig-beld, uitwendige welving of kromming, hoogvlakte.

Conviciniteit, f. lat. do nabuurschap, buurschap.

Convicium, n. lat de smaad, tiet schelden, de lastering; pl. ronvicia of oonvicïën, smaadredenen, schimpwoorden; — convici-eeren (lat. conviriOri) smaden, schimpen.

Convict, n. lat. {conviclus, het sameneton, gastmaal; vgl. victus) do vrye tafel aan dull-sche lioogescholen; ook de plaats, waar die tafel gehouden wordt; — convictoriium, n. nw.lat. eetzaal, eetkamer voor velen, ook z. \\. a. convict; convictorist, m. een discb-genoot aan de vrye tafel; — convivator, m. lat. de gastheer, gastmaalgever; — convi-vialiteit, f. nw.lat. do gezelligheid, gezellige omgang, vrooiykheld aan tafel; —convivee-ren, lat. sameneten, smullen;— convivïum, n. lat. een gastmaal, smulpartU, gelag; — convive, m. fr. (spr. knüwiév\'), conviva, lat. de gast; — convié, m. fr. (spr. kniiwjé) de genoo-dlgde gast.

Convict, convictie, z. ond. convince e r o n; — convié, z. ond. convict; — con viguore, z. ond. v 1 g »r.

convinceeren, lat. (convinctre) overtuigen, overreden, ook bepraten;—conviotus, eng. cónvict, overtuigd (z. confessus) -, — convict, m. eng. (spr. kónwikt) veroordeeld misdadiger; — convictie (spr. /=lt;■lt;), f. de overluiging, overreding, het onwederlegbaar be-wys van eene waarheid of een feit; de uilwer-klng van een klaarbiykeiyk liewys op den geest.

Convivator, z. ond. convict; con viva-ri/a, 11. levendig, opgewekt; con vivezta, it., z. ond. vigor.- — convivïum, convive, z. ond. convict.

convoceeren, lat. (convocareI vgl. voce c r (! n) samenroepen, byeenroepen; — con-vócant, m. (lat. convocans) een samenroeper, inz. Jur. die zyne schuldeiscbers hyeenroept of ter opkoming uitnoodlgt; convocatie (spr. I=ls), f. de samenroeping, inz. in Engeland do opgeroepen vergadering der tot de staatskerk heboorende geesteiykheld, om over goesteiyko belangen te beraadslagen.

con eocc rauca, Hal. (spr. wfilsje) met eene beescbe stem.

Convoi, m. fr. (spr. kninvoa, van convoyer, begcloiden; It. convoglio) of konvooi, n. de begeleiding, bedekking, boachorming, het geleide, inz. hel gewapend of krUgsgoleide; Mar. een of meer oorlogsschepen, geleischepen, ter bedekking of bescherming van koopvaardysehepen;


-ocr page 295-

CONVOITEEREN

COPAIITITIK

279

Mil. hulp van troopon, krygsvoorrmul, dlon men in ecn« plaats werpt; — convooi-briefjo

«f -biljet, het gülolhiiofjü, waarmede de waren van de eene plaats naar de andere mogen vervoerd worden; — convooi-loopers, de atgevers der uil- en invoorblljetten te Amsterdam; — convoyeeren (fr. convoyer, mtd.lat. conviare, van con = rum, niet, en twic = lat. via, weg) begeleiden of geleiden, bedekken, lie-fictiermen; — convoy er, m. eng. (v. convoy — fr. convoyer) of convooier, een gelelschip.

convoiteeren, fr. (spr. koiiwoat—) iets sterk hegeeren, op Iets belust /.p; — con-voitise, f. (spr. komiwaliéz\': voor covoilise, It. cupidif/ia, provonc. cobilicia, als ware \'I lat. cu-pidicia, v. cupidus, gierig) de hegeeriyklield, belustheid, groote graagte.

Convolatilisatie (spr. -za-lsie), f. nw. lat. (vgl. volatiel, enz.) Chein. de medevor-vluchtlglng, hel medevlucbllg worden.

eonvoleeren, lat. samenvllegen; convo-tare ad secündas nupltas, lal. Jur. lot een tweede huweiyk spoedig overgaan.

Convoluut, n. lat. {convolülum, van con-volëre, samenrollen of -wikkelen) een pak, liun-del, een rol papier, schriften; een kluwen, enz.;

— convolute, f. nw.lat. Arch, wrong, rolneut aan het Ionische kapiteel; — convolütie (spr. /=/«), f. nw.lat. de samenwlkkeling, oprolling;

— convolvulacéën, f. pl. Bol. de familie der winden (de klokvormlgen van LIn neus);

— convolvulus, m. de winde, welker meeste soorten een purgeerend vocht bevatten, waarvan In de geneeskunde wordt gebruik gemaakt; Med. de Inschuiving, Inwendige samensnoering. Ineenkronkeling der darmen; convolvu-line, f. Chem. in ictber onoplosbaar bestanddeel van Jalappe-hnrs.

Convooi, enz., z. convol.

Convülsie, f. (spr. s=t), lat. (convulsio, van convcllére, uitrukken, schudden) de onwillekeurige krampachtige samentrekking der spieren, stuiptrekking, stuip; — convulsibili-teit, f. stulpacbtlgheld, geneigdheid tot stulpen;

— convulsief, adj. nw.lat. stuiptrekkend; krampachtig; — convulsionair, m. een met stulpen, kramptrekkingen behepl persoon-, — Convulsionairen, m. pi. de naam eener dweepzieke Jansenlslen-partU, die zich vormde toen de vervolging der Appellanten (z. uilige nit us) In n;tO algemeen werd; ook wel Mctbodlsicn en Kwakers; allen dus genoemd, omdat z.U In liunne godsdienstige geestvervoering soms convuislCn kregen.

con tela, z. zeloso.

Conzo of liever conglo, m. (van \'tint. congius, z. aid.) eene venetlaansche vochtmaat, ongeveer = is liters.

Cook, in. eng. (spr. knek) kok.

Cooler, eng. (spr. koc-l\'r) koelvat, b. v. wine-cooler, wUnkoelcr; huüer-cooler, liolerk oe-icr, enz.

Coom of coomb, z. comb.

coöpereeren, nw lat. (vgl. opereeren) medearbelden, medewerken, medehelpen; — coöperant, adj. medewerkend, behulpzaam; — coöperator, lat., of coöperateur,

fr. m. oen medewerker, medearbeider, medehelper, ambtshelper; —coöperatrice, f. fr. medewerkster, enz.; — coöperatie (spr. I— ts), f. lat. de medewerking, samenwerking; — coöperatief, adj. zich tot gemeenscbappe-IUk werken verbindend en door zulke verbinding werkende, b. v. coöperatieve vereen 1 ging, coöperatief stelsel, enz.; — coöperative stores, pi. eng. (spr. —Ilv\'—) magazijnen en winkels der vei brulksvereenlgln-gen, li. v. der civil service supply association (winkolveroenigliig voor civiele ambtenaren).

coöpteeren, lat. (cnoplure) uitkiezen, aan-nemen;—coöptatie (spr. lie=sie), t. [coop-talïo) de opneming of ultklczlng van medeleden door de overige leden van een gezelschap of genootschap.

coördineeren, nw.lat. (van \'I lat. ordi-nurc, ordenen, regelen) geiykstellen, ligplaatsen, samen rangschikken, coördinaten, m. pl., fr. coördonnées, f. pl. Mnth. gemeensclmp-peiyke benaming eener abscls en daarby liehoo-rende ordinaten; — coöl\'donatie (spr. t=ls), f. de byplaatslng, geiykstelllng, verbinding; go-lykheld van rang.

Copaiva of copahu-boom, m. (port. en sp. copuiha, braz. cupaiiba) een boom van lirazilli\', met illkkcn stam en groote, lanxwer-pige, donkorgroene bladeren {Copaïfera, Inz. C. olficintilis)-, liet roode en zeer harde hout wordt tot schrynwerk en verfstof gebruikt; de witte balsemboom; — copaiva-balsem, de hars of gom van den genoemden liooni, die men door Insnydingen verkrugt, ofschoon men die, welke de stam van zelf uilzweel, voor de beste houdt; men gebruikt dien als zweet- en pls-afdrUvend middel.

Copal, in. (mexic. kopalli) een hars, hoofd-zakeiyk uit twee boomsoorten gewonnen, .n.1. llhus copallinum In W.lndlé en ICUvncarpus copalifer In O.Indie. De copalgom komt uit O.Indie; zy Is droog, zeer hard, lichl. door-schynond, meer nf minder geel, koud zynde byna zonder reuk, oplosbaar In aitber en vlugge ollBn, maar onoplosbaar In lynolie. De meeste copalgom Is uil Amerika afkomstig en wordt gewonnen van den Hlnis copallinum, \\.. Men gebruikt de beide soorten tegenwoordig alleen tol vernis.

Copalchi-bast, m. Hot. bittere mexl-caanscbe bast, die koortsverdrUvende eigenschappen bezit.

Copang, m. eene japansche goudmunt, de oude = 4i gld. 70 cl,, de nieuwe = li gld. iü et.

Copanificiïtie (spr. l=ls), f, nw.lat. de verandering van gemengde stoffen In brood.

Copartitie (spr. lic—lsie), f, nw.lai. (vgl. partltle ond. parteeren) bydeellng, vor-deeling van hetzelfde geheel naar een anderen maatstaf.


-ocr page 296-

COPÉLLO

280

COQUKT

Copóllo, in. «cup itiillaansclic gruunmnut, liet -j1,, van eon sac co, ongeveer = ^ liter.

copermuteeren, uw.lat. eene geestelijke bediening of eene provo tegen eenc andere verruilen ; — copermutant, m de provevorwls-selaur; — eopermutatie (spr. tie—sie), t. de verruiling; de verwisseling, ruiling eener prebende.

Copernicaansch systëma, n. de leer van Copernicus aangaande liet zonnestelsel.

copérlo, It. Muz. gedekt of bedekt (van gedempte ketellronimen).

Copet, m. fr. (spr. ko-pè) een voormalige vruchtenmaat In NeufchAtel en Waadtland, van 15,434 liter.

Copie, f. lat. (cnpta, elg. menigte, voorraad ; In mld.lat. boekenafsclirift, dewijl daardoor de voorraad van exemplaren vermeerderd werd), kopte, het afschrift, de nateekenlng, naetslng, nadruk; het handschrift, waarnaar de letterzetter werkt (dan meestal kopij); — copfa, lat. voor afsehrlfl; Jur. copia auscullata, een afschrift, dat door voorlezen, terwijl een ander hel naleest, voor nauwkeurig Is verklaard; co-pln vidima/a of gevidimeerde copïe, een nagezien, nauwkeurig bevonden afschrift;

— copiëer-boek, een hoek voor afschriften ; — copiëer-machine, f. een draagbaar werktuig, om geschriften langs mectianischen weg te verveelvoudigen, uitgevonden door den Engelschman Wall, die op doorschijnend papier afdrukken levert; — copiëer-pers, f. pers, om geschreven schrift Ie copiüeren, waarhij men zich voor de copie bedient van zoogenaamd coplëerpapier (meeslal ongelijmd postpapier) of van byzonderen zoogenaamden co-p leer In kt; — eopialïën, n. pl. (cnpialia) kosten voor liet afschrijven; — copie-recht, het recht lot het ter perse leggen en iillgeven van een hoek; ■ copiëeren (fr ropier), afschrijven, nateekenen, navormen, nabootsen; — copüst, copist, in. oen afschrijver, schrijver, nateekenaar, nabootser.

copiëus, lal. (copiosus, a, urn) rijkelijk, In menigte voorhanden, talrijk, overvloedig, menigvuldig; copieuze stijl, woordenrijke schrijfwijze; — copióse, in menigte, rijkelijk, enz.;

— copiositeit, f. (spr. .1=Z) de overvloedigheid, menigte; de wydlooplgheld.

Copjen, pl, russ. de zes voet lange lansen der Kozakken.

Coppa, f. It. (elg. beker, provenc. copa, fr. roupe, v. Int. cupa, val) eene oude Hal. graanmaat ; — coppo, m. (elg. kruik) oud gewicht in Lucca, om olijfolie te wegen = i(ii pond van gram.

Copperhead, eng. (spr. -hèdd) elg. ko-perkop; kopersiang (Trigonocephalus concortrix)-, ook als partijnaam voor de secesslonlsten (z. aid.) In de noordelijke staten van iNoord-Amerika.

Coprolieten, m. pi. dreksteenen, versleen-de drek van voorwereldlijke dieren;—copro-logie, f. bemestingsleer.

Copropriëtair, m. nw.lat. (vgl. proprtus, enz.) de medeelgenaar, h. v. van een huls; — copropriëteit, f. de mede-eigendom.

Copüla, f. lat. de hand, het verband; Gram. het verbindingsbegrip, bet koppelwoord (Is, zijn, enz.), waardoor het pnedlcaat of gezegde aan het onderwerp wordt toegevoegd; copüla camalis, Jur. vleescheiyke vermenging; — co-puleeren (lal. coputare), verbinden-, twee personen trouwen, door het huwelijk verbinden. Inzegenen, puren, koppelen; bü tuinlieden: een wilden boom met een edel takje nauwkeurig samenvoegen of paren; copulatie (spr. l=ts), f. (lat. copulalio) de echtverbinding, de echl, hel huwelijk, de paring; eene manier van veredeling der vruchtboomen, die liovcn de enting hel voordeel heeft, dat zy In den herfst en winter kan aangewend worden en de stam minder te lyden heeft; Log. z. v. a. ploce (z. aid.); — copulatief, adj. vereenlgend, verbindend; coputatteve conjuncties,Gram. verbindondo voegwoorden; — copulator, in. verbinder; geesteiyke, die \'1 huweiyk sluit; — copulatrix, f. de koppelaarster.

copy, f. eng. (spr. kóppi), z. v, a. copie; exemplaar van een hoek, enz.; — copy-holders, m. pl. eng. (spr. kóppi-hoolders) cynspach-ters, erfpachters in Engeland; — copy-right, n. (spr. kóppi-rail) kopyrecht, het recht tot de uitgave van een boek; — copyright-edition (spr. —idisjm), editie, die met toestemming van den eigenaar van het kopyrecht wordt uitgegeven; -copyright-bill of law (spr. ld), wet op het kopyrecht.

coq a l\'dne, fr. (spr. kok n laan\'), elg. haan op den ezel; verbinding van ongelijke, strydlge zaken, ongerymde redenen; faire des coqs a l\'ane, (spr. fèr\' di\'—) van den os op den ezel, van den huk op den tak springen; enq du village. (spr. —wiehiazj\'), elg. dorpshaan; de meest Invloedryke man op eene plaals, enz.

Coquard, m. fr. (spr, knkdr) de basterd-fazant, de vrucht van den fazant en hot gewone hoen; ook een galante grysaard, oude meisjesgek.

toque, lat, kook! (op recepten), afgek. coq. coquelicot, m, fr. (spr. kok\'likó -, elg. de klaproos, kollebloem, v. cnquelicol, coquelicoq, hanengekraai, en ais provlnc. haan; zoo gehee-len wegens den roeden kam des baans) klaproos; ook: hoogrood, hanekamrood.

Coqueluche, f. fr. (spr. knk\'lü-sj\': mid,lal. coqueluca, coqusia, verwant met lat. cucullus, kap aan bet kleed) 1° de monnikskap; onelg.de lieveling der dames; 11° Med. de kinkhoest.

coquerelles, pl, fr. (spr. kok\'rell\', v. roque, note-of eierschaal, en dal v. lat. concha, schelp) in de wapenkunde: hazelnoten of eikels in hunne doppen of schalen.

coquet, fr. (spr. koMI: van coq, haan, dus elg. hanig, haanachllg) behaagziek, veroverings-zuchtig, verlokkend, verliefd makend; lichtvaardig, boeleerend, manzuchtlg, manziek (alle woorden, die de eigenlijke beleekenls slechts hy na-


-ocr page 297-

COQUILLES

CORDE

281

during uitdrukken); — coquétte, f. ucne bc-luiagzuchtlge, behaiiKzioko, hartenvanKstcr, aan-lokslur, verleidster, hoclücrstcr; — coquet-teeren, allerlei middelen aanwenden en lie-koorlljklieden ten loon spreiden, om personen van het andere geslacht aan te lukken en up zich verliefd te maken, een spel met de liefde dryven, behaagziek, enz. zyn, boeleeren; — co-quetterie, f. de laakbare behaagzucht, do hart-veroverlngszucht of -kunst, mlnnaarsjacht, llefde-verstrlkklng, verlljnde boeleerkunst.

Coquilles, f. pl. fr. (spr. kokUlj\', verklw. v. coQuc, schaal; vgl. coqucrelles) schaaldieren, schelpdieren, Inz. mosselen en oesters (z. c o n-chylien); — coquille, f. schelp, slakkenhuisje; de pan aan mortieren en kanonnen; de gegoten (jzcren vorm, waarvan men zich bedient bil herstelling van hard gegoten ijz^r; — coquillage, f. (spr. Ijd-tj\') schelpwerk, als versierselen aan muren, enz

Coquin, m. fr. (spr. knkéii, waarsch. van \'I mld.lat. cotjiunus, een zeer geringe keuken-Jongen, de minste der huisbedienden) een schelm, schurk, schoft; — coquine, f. liederlijke deern, lichtekooi, veile meld, boer; coquinaille, f. (spr. kokindlj\') het gepeupel, boovengoed; — coquinerie, f schurkerü, boevenstreek.

cor, lal. voorz. voor woorden, die met r beginnen, = con, z. aid.

Cor, n. eng. eene wijnmaat in Engeland en Schol land van ruim ii liter -, ook eene oud-oos-tersche graanmaat van ruim t;i liters.

cor, n. (genii, cordis), lat. hel hart; cordis uficx of c. mucro, de top of splls van \'I hart; cordis atria, bartehoezoms; cordis 6«sis, grondvlakte van bot hart; cordis conus, de bart-punt; cordis venlriculi, de hartkamers, hartholten.

Cor, m. fr. Muz. hoorn; cor a pistons, een van zuigers voorziene hoorn; cor de chassc. Jachthoorn, waldhoorn.

Coraal, corale, II. z. koraal; —co-ralliet, m. de versteende koraal, do koraal-versteenlng; eoralliférisch, adj. nw.lat. koraaldragend; — corallifórm, adj. koraal-vormig; — coralligénisch, adj. koraalvormend; — coraline, f. uit plantenvezels verkregen surrogaat van balein; coralliniet, m. een gelakte versteende poliep; corallio-graphie, f. gr. koiaalbeschrüvlng.

Coraces, pl. lal. (slng. cornx, raaf) raaf- of kraalachtlge vogels; — coracieten, pl., z. v. a. be lem nieten (z. aid.); — coracijn, adj. ravenzwart; — coracobrachialis (SC. musculus), m. nw.lal Anal, de ravebeks-arm-splor; — coracoïdëus (sell, procéssus), in. het ravebeks-ullsleeksel van het schouderblad.

Coralliet, coralliferisch, enz., zie coraal.

coram, lat. voor Iemands oogon of In legen-woordlgbold; Iemand coram nemen, in de stu-denlenlaal ook wel corameeron, hem Ie rede stellen, doorhalen, uitschelden; coram no-larïo et teslïbus, lat. voor notaris en getuigen;

coram populo, voor het volk, openlyk; coram sendtu, voor den raad; coram vobis, voor u, In uwe tegenwoordigheid, In uw bljzyn.

Corax, m. lal. raaf.

Corba, f. Hal. (elg. korf, lat. corhis) eene Ital. maal voor droge en natte waren; te Ko-logne Is zy voor granen en wyn = 78,815 liter;

corbeille, f. fr. (spr, korbélj\') een korf, eene mand zonder hengsel; Mil. schanskorf met aarde gevuld; hrulioftsgeschonk van den bruigom aan de bruid, nil sieraden, kleedoren, enz bestaande; afgesloten plaats voor de beeedlgde ellectenmakolaars op de beurs le l\'arys; — oorbillard, m. fr. (spr. hi-IJdr) een groote reiswagen, van achterun met eene snort van korf, kamerwagen; ook eene soort van groote lykkoels; — corbillon, m. fr. (spr. korbi-ljóii) elg. hel korfje; een fr. gezelschapsspel, waarby men verplicht Is om op corbillon le rymen; — corbula, f. oude sardlnlsche korenmaat, ongeveer = 45 liter.

Corear, z. c u d b e a r d.

Corculum, n. lat. (verklw. v. cor) hartje: de binnenste kern, die de klem der planten ullmaakl.

Cord, n. eng. koord, louw; als houtmaat: vadem; naam van wollen stollen.

Corda, f. II. de snaar, z. chorde; Muz. una corda, (\'ene snaar (als op de plano door het versebuivings- (of linkerpedaal slechls éene snaar aangaslagen wordt); tutte cor de, alle snaren, als hel verschuivingspedaal niet gebruikt wordt; a due corde, op twee snaren.

cordaat, lal. {corddtus, u, um, v. cor, hel hart) harteiyk, rond, ongekunsteld, gemoedelijk, oprecht; vertrouweiyk, vertrouwd; - cordiaal, adj. lal. harleiyk of liarlig, vertrouweiyk; hartsterkend, verkwikkend; — cordia-liteit, f. de hartelijkheid, verlrouweiykheid, ongekunsteldheid, oprechlhold, rondheid, Irouwhartigheid, gemoedelijkheid; - Cordélia en Córdula, vr.naam: harlje, de gemoedeiyke, harlelgke; — cordicölae, pl. harlaanbldders, eene katholieke socle dor nde eeuw, die aan bet harl van Jezus en Maria eene byzomlere vereering wijdde; cordifolïum, n. nw.lal. een harlvormig blad; een gewas met harlvor-mlge bladeren; — cordifórm, adj. (cnrdifór-mis, e) harlvormig.

Corde, 1. fr. snaar; louw-, danseur de corde, koordedanser-, koorde (van een boog, ook (leom.) vgl. chorde; Muz. corde d Jour, corde a ride, de open of ledige snaar, als zy door geen vinger nedorgedrnkl Is; een vadem, eene franscbe houtmaal; cordelat, n. fr. (spr. kord\'td: sp. cordettate ■. fr. ook cordillat) grove wollen slof nil Languedoc en Spanje; — cordeleeren (fr. cordeler), vlechlen, twy-nen; - cordelier, in. (spr. kord\'ljé) een franciscaner monnik of -minderbroeder, elg. koordof louwmonnik, wegens het touw {cordon), waarmede zy zich omgordden-, ook, lydons de franscbe slaalsomwenlellng, een medelid van eene parysche club, die In een voormalig franclsca-


-ocr page 298-

CORDIAAL

CORNER

\'282

nor klooster vergaderdu; — cordelière, f. een knoopstrik, oon geknoopte vrouwenhitlsband, gordelband

cordiaal, cordialiteit, t., zie onder cordaat.

Cordïë, f. nw.lat. {conlfa, naar den liotn-nieus Contus in de lti(te eeuw benoemd) een plantengostacht, waartoe als soorten bchooren: de prutm-cordtü of de se best en boom, zwarte-borstbezloboom tn Syrië, Egypte, enz.; — cyperhout-cordte op Jamaica en de Cartblsctie eilanden, die door schrynwerkers tot kunstwerk wordt verbruikt. De sebesten-cordiü in O.lndie beeft een zwart- en Uzer-kleurig bout, dat om zyn sterken en verkwik-kenden geur in Indie tol reukwerk dient en in de apotheken onder den naam van alofihout voorkomt.

Cordifolïum, cordiform, zie onder cordaat.

CordUlas, n. fr. (spr. —diélja) het grofste tynwaad, pakllnnen; eene zeer grove wollen stof.

Cordilléras, pl. sp. (spr. kordieljéras: v. \'t oudsp. cordilla, cordiella, provene. en it. Cordelia, fr. cordelle, touwtje, strikje, snoertje, ver-khv. van \'1 11. cnnln, touw, koord) het keten-gebergte. inz. bel hoofdgebergte van Z.Amerika, ook Andes of Anden in \'I sp. altyd Cordillera de los Andes geheeteii; ook de by-naam van verscheiden andere gebergten.

cordis filiex, enz., z. oud. cor.

Cordon, n. fr. (spr. kordóii, van corde, z. chorde) een snoer, band, b. v. 1°waaraan de portier trekt, om de huisdeur te openen; Le cordon, s\'il roux plait, doe asjeblieft open, portier! 4° boedebaml; 11° in Frankrijk inz. ordelint; Arch, de steenring of de band van eenen ves-stingmuur, eene ry van vooruitstekende ronde steenplaten ter afwering van vochtigheid; muurband, muurkrans; Mil. eene onafgebroken linie van troepen om een land legen vyandeiyke invallen of besmcllelUke ziekten te behoeden, grensketen, verweerlinie, grensbezetting, grens-afstuiting; cordon bleu, hel ordelinl en ook de orde van den Heiligen Geest; cordonnoir (spr. —noAr) de orde van St. Michael; cordon rouac (spr. —roezj\'), de orde van SI. I.odewyk; —-cor-donist, m. oen grensbezetter, grenssoldaat.

Cords, pl. eng. elg. snoeren; Kml. zware katoenen of manchesterachtige stollen van on-derschelden soort.

Corduaan of córdovan, n. (fr. cor-douan, sp. cnrdobdn) eene zachte ledersoort uit bokke- of geilevellen, naar de spaansche stad Córdova, Córdua, benoemd, alwaar bel \'l eerst door de Moorcn gemaakt werd, spaansch leder.

Cordula, z. oud. cordaat.

Cordyline,f. Bol. eene met de asphe-dolos verwante plantensoort.

Coregónt, m. nw.lat. de mederegent.

Corgo, n. eng. (spr. kordzj\') In veie slre-ken van O.lndie hoeveelheid van 20 stuks geweven sloffen; op Sumatra io korven tabak.

Coriago, f. lat. de verharding der rugge-hutd by hel rundvee.

Coriander, z. koriander.

Coriarla, f lat. (v. corïum, leder) de looiers-struik, tooiersmyrte, smak, welker bladoren veel looistof bevatten.

Corifeo, it., z. koryplweus.

Corindon, z. corundum.

Corine of Corinne, f. fr. (It. carina, nw. lot. Jnlilope corinna, non den Senegal, corin) eene soort van afrik, gazelle.

Cormm, n. lat. lederhuld.

Cormoran, m. fr. (eng. camoranl, tautologisch samengesteld uit bel lal. conus, raaf, en hel neder-brelonsche mfirvran, d. 1. zeeraaf, provene. corp-mari: men leidt liet ook af van \'I sp. ctiervo marino) de zee- of waterraaf, scholverd of schollevaar, zwarte pelikaan (Pha-lacrocorax).

Corn, n. eng. koren; in Amerika uitslui-tend maïs; corn-law, korenwei; vgl, anti-c ornlawleague.

Cornac of kornak, m. de leider van een olifant.

Cornacchine, f. it. (spr. —kiéna), Phorm. oen buikzuiverend iioeder uil spiesglans, scam-monie en wUnsteon.

Cornada, f. sp. stool met de horens (by \'1 stierengevecht).

Cornado, in. (samengetrokken van coro-nddo, gekroond), omdat er eene kroon op stond ; eene oude spaansche munt, van ongeveer T\\ cent waarde.

Cornalijn of corneool, z, k o r n e o o l.

Cornamusa, f. It., z. cornemuse.

Cornard, m. fr. (spr. - nir: van enrne, hoorn, = lal. cornu) de hoorndrager, de man, wiens vrouw zich aan een ander man prys geeft;

— eene spotmunt op I.odewyk XVI van Frank-ryk, dlc daarop gehoornd Is afgebeeld ; — cor-nardise (spr. —diéz\'), f. bet boorndragorschaii.

cnrnga, f. lal. {y. cornu, hoorn) hel eerste der ooghekleedselen, het hoornvlies; — cornei-tis, z. keratitis.

Cornelius, Cornélis, Cornelia, lal. mans- en vronwenn.; (de afleiding is onzeker), verkort: Kees, Krelis,Knelis; Keetje;

— cornélboom, m. (tl. corninlo, fr. cor-nouille, mld.lal. comolium, van \'t hit. comus, verwant met cornu, hoorn, wegens hel harde hoornachtige iiout) do kornooljeboom, tol de familie der kamperfoellen behoorende.

Cornemuse, fr., cornamusa, tl. (sa-mengesl. uil prov. coma, hoorn, en musa, pup, dus hoornpdp, omdat zy oorspronkotyk voorzien was van een bokskop of twee hoornen, waarvan ite eene de ingeblozen lucht opneemt, die uil den anderen ols flulltoon gehoord wordt), f. de doedelzak, zakpyp, een landeiyk speeltuig; voorheen ook een houten blaasinstrument met gaten.

Corner, m. (Mig. hoek; inz. ook; wedren-beurs te Londen aan de zuidwesthoek van lly-depark, z. v. a. la lier sa II (z. aid.)


-ocr page 299-

CORN ÉT 28:{ CORONA

Cornét, kor nét, m. (eng. cornel, fr. Ie comelte, v. la rnmelle, z. nld.) ccn vaandrig by de ruiterij, rultorvaandrig, slandduarddrager, vlaggejnnker-, ook naam van fr. papiersoorten; grand en petit cornet; — cornétte, f. fr. (ver-kiw. van corne, hoorn, iets dat in eene punt uitloop!; oorspr. een lang stuk taf, dat duliljel aan de spits ooner lans was vastgemaakt) eene ruitervaan of een standaard; eene witte scheepsvlag-, eene vrouwenmuts, een kornetje.

CornetUst, cornetto, enz., zie onder corno.

Corniche, t. fr. (spr. komiésj\'; it. cornice, van \'t lat. corónis, gr. korónis, een krultrek aan \'t einde van een hoek of van eene afdeellng) de kroonlijst, kornis, het hovensic uitstekende gedeelte aan hut kroonwerk van eene zuil of eenen balk, de lystkrans.

Cornichons, m. pi. fr. (spr. —sjóh), elg. hoorntje; ingemaakte kleine groene komkommers, augurkjes.

Cornicülum, z. oud. cornu.

Cornière, f. fr. de dakgoot, de waterleiding tusschcn twee dakhellingen.

Cornine, f. Cheni. een in den worlelhast van den ainerikaanschen komooljoboom (Cnrnus flnrida) ontdekte hittere krislallinische slof.

corno, m. Hal. (= lat. cornu) do horen, hoorn-,

— corno di caccia, li. (spr. —kdtsja), cor de chasse, fr. in. do woudhoorn. Jachthoorn; ook de muts van den voormallgon doge van Vene-liö; — corno inglese (spr. —iengléze) do engel-schc Iioorn, eon groote hauthois of hobo, hytm gekromd in do gedaante van twee halve cirkels; — cornetto, m. 11. en cornet, m. fr. (spr. karnt) een hoorntje, kromhoorn-, oen Jachthoorn; posthoorn; cornet a piston, kleine klepboorn; — cornettist, m. do horenhlazer; — cornetlino, m. II. een kleine kromhoorn.

comu, n. lat. do boren, hoorn; pi. corn 1/a:

— cornu cervi, n. lat. hertshoorn; — cornu cervi sine igne praepariitum, ongebrand hertshoorn;

— cornu cervi uslum, gebrand hertshoorn; — cornu copïae, de hoorn des overvloeds; — car-niculum, n. een hoorntje-, — cornulieten, m. pl. nw.lal. hoornsteenen, eene plantdlervor-steenlng, — cornuut, m. lal. Ifornütus) een gehoornde of hoorndrager; voormaals in Dnltsch-land by de boekdrukkers een leerjongen, die wel door zijnen meester lot knecht of gezel was verhoogd, doch die door deze niet onder bun gelal werd opgenomen, alvorens by gepostuleerd had, d. i. eene belooning voor het hem als leerling gegeven onderricht had betaald. Hü dit gebruik (postu laai) werd den postuleerende oenen bood met hoornen op het hoofd gezet en afgeslagen: vandaar hel woord;

cornütus, in. (syltogimus cornutus) een hoornbeslult, oen dubbele sluitrede, gevolgtrekking van twee stellingen, welke ieder In \'t by-zonder de tegenparty vangen en wederleggen, 7.. v. a. dMe 111 ma.

Cornus, f. lat. Bot. de kornoelje-, keelkruid, eene talrijke plnntenfamllie.

Cornuta, f. lat., of cornue, f. fr. een

dlsllllecrkolf of retort met een rechten korten en een langen krommen hals in den vorm van een hoorn.

Cornuut, cornutus, z. ond. cornu.

Cornwalliet, 11. soort minoraal, verhin-dlng van koperoxyde en arsenik.

Coro, ni.,cori, pi. it. koor.

Corólla, f. lat. (verklw. van corona, krans) een kransje, eene bloemkroon;—corollair, adj. ton overvloede bygevoegd; — corolla-rïurn, n. (sell, donum) elg. kransje als geschenk ; dan leder geschenk boven het verschuldigde loon, eene toelage; vandaar onelg. een aanhangsel, eene toegift, opheldering; Goom. een gevolg, eene loegevoegde stelling, gevolgtrekking en aanhangsel by een gevoerd bewys; ook consectarïum; — corollist, m. oen kruidkundige, die de planion naar hare bloemkronen indeell; — corollitisch, adj nw.lal. Arch, met bladeren en bloemen omgeven, met loofwerk versierd, bekranst.

Corona, f. lat. (= gr. koronc) de kroon, krans (b.v. corona civica, burgerkroon, oen eiken-krans, welke een Komein ontving als belooning voor hel redden van hel leven eens medeburgers); 1° vrouwelyke doopnaam; 4quot; de stralenkrans, welke hy totale zonnecllpsen verscbynt en voor de verlichte zonatmosfeer gehouden wordt; de omgevende kring van tooschouwers of toehoorders; 4° de omsingeling van eene belegerde plaats; —corono clericalis, z. v. a. tonsuur, ■/.. aid.; vandaar prlesteriyke waardigheid corona solis, de zonnebloem; — corona Ventris, Med. venuskroon, venushloesem, eene soort van svphilitischen uitslag op het voorhoofd; — coronaal, adj. uw.lat. kransvormig; — coronariën, pl (lat. coronariae) Kot kroonbloemen, een uitgebreide plantenfainilie, waartoe de lellen behooreii; — eoronatie (spr. t—ts), f. nw.lal. (v. \'t lat. coromire, bekransen, bekronen) de kroning, bekraiisliig, inz. de opzetting van den bruidskrans by do inzegening van een huweiyk in de gr. kerk; — coronation check, n. eng. (spr. —neesjen tsjck) de kronlngsslof, eene gernlle katoenen stof; —Coroner, 111. eng. (spr. kórroner) elg. kroonhoanihle; een gerechtspersoon in Knge-land, wiens laak inz. Is 0111, onder toevoeging van li gezworenen, in naam des konings de lyken van hen, die een gewelddadlgon dood zyn gestorven, te bezichtigen of te schouwen; by zelfmoorden heeft hij te onderzoeken, of zy het gevolg van verstandsverbysterlng waren, dan wel of zy als misdaden {felonia de se ipso] moeten beschouwd worden. Alle goederen van den zelfmoordenaar en al, wal den dood van oen inonsch veroorzaakt, vervalt als deodand (z. aid.) aan den koning; coroner\'s ini/Mes/, tyk-schouwing; coroner\'s jury (spr. —dzjóeri), lyk-schouwings-jury; - coroneeren, int. kronen, bekransen; coronilla, f. (spr. niflja) elg. kleine kroon: de spaansche goudplasler of gouddaalder, ook escudillo d\'oro genoemd, van


-ocr page 300-

COROZA

CORPUS

\'284

i gld. iH et. waarde; — coronix, r mld.lat. z. v. a. corniche (z. aid.)

Coróza, f. sp. (spr. koróssa, porl. carocha, fr, caroche) dc spllse muts, puntmuts, welke hun, die dc in(|iilsltl« In Spanje lot het auto-da - ( li heeft veroordeeld, wordt op het hoofd gezet.

Coroza, coroso, n. plantaardig elpenheen (tr. ivoire i\'égélal).

Corporaal, m. (verbasterd van het fr. ca-/inral, II. cniiorale, een aanvoerder, van capo, hoofd, van \'I lal. caput, dus elg. hoofdman), korporaal, een rotmeester, hy, die een korporaalschap, een kleinen troep of een rot van li tot in man aanvoert.

corporaal, adj. lat. {corporalis, e, v. corpus, z. aid.) of corporeel (fr. corporel), II-chamelUk, lUfeiyk; corporcele straffen, lyfstrairen-, — corporale, n. de altaardoek, gewUde misdoek In de r. kath. kerken, een met figuren gestikt lynwaad, waarop de hostie-schotel en de kelk worden gezet; — corporali-teit, f. (later lat. corpnrafflas) de lichamciyk-held; —corporatie (spr. I=ls), (lat. cnrpo-ratio, llchamelükheld), f. mid.lal. de gezamenlyke leden van een gezelschap; gewettigde vereenl-glng, wier leden aan algemeene regelen en tucht zgn onderworpen, een gild; «ene gemeente; — corporations-acte, f., z. v. a. test-acte (z ond. lest); — corporiflceeren, nw.iat., ot corporiseeren (spr. s=z), harh.lat. verdichten, In een vast lichaam veranderen, verll-chameiUken; ■ corporiücatie of corpo-risatie (spr. -za-lsie), f. Chem. de verandering eener vloeistof in een vast lichaam door hy-menglng van andere heslanddeelen, verlichame-lyking, verlicliamlng.

Corps, n. fr. (spr. kór, van i volgende lat. corpus) Phys. de slof in tegenstelling met den geest; een gedeelte der slof, dat een op zich zelve staande en onderscheidend geheel vormt, een lichaam; de vereeniging van veie personen onder hetzelfde hoofd, onder dezelfde wetten, h v. Mil. eene legerafdeeiing, helrhende, legerbende (in dezen zin ook als korps geschreven en uitgesproken); — corps a corps, man tegen man; — corps d\'armée, n. het hoofdleger, de heermacht, de kracht des legers; - corps de bataille (spr. —bnldlj\'), het hoofdcorps, dat tusschen de belde vleugels in linie staat; — corps de garde, eene uitgezette wacht, de wachtmanschap; het wachthuis en de daarin zynde manschappen; — corps de genie (spr. —zjenie), ook I n g e n 1 e u r-c o r p s, de gezamenlyke krUgsbouwkundlgen; — corps délié, fr. eig. ontbonden (ongebonden) lichaam, een caiem-bourg van hel woord cordeliers (z. aid.), om daarmede dc te weinig geeslelüke of losse zeden dier minderbroeders aan te dulden; — corps de logis (spr. ~lo:ji), liet midden-of hoofdgebouw, in tegenstelling met de daarmede verhonden vleugels, zUgebouwen, enz.; — corps de place, de hoofdwal, het door den iioofdwal omsloten inwendige gedeelle eener vesting; — corps de réserve (spr. —zèrw\') of reserve-korps, dc terug- of achtergehouden legerafdeeiing, de spaarbenden, het ondersteuningsheer, noodcorps; — corps deta-chó (spr. —lasjé), gedetacheerd korps, eene afgezonderde helrhende; — corps diplomatique (spr. —tiék), de gezamenlyke gezanten, de gezanten aan een vreemd hof; — corps législatif (spr. —lezjieslaliéf), het wetgevend lichaam, de gezamenlijke wetgevers; — corps volant (spr. —woldii), een vliegend leger, d. I. zulk eene helrhende, die tot bijzondere einden, inz. tot kleine ondernemingen, overrompelingen, enz. bestemd Is en uit lichte, vlugge troepen bestaat.

corpus, n. lat. (geuit, corporis, pl. corpora) het lichaam, lijf, het gezameniUke, een geheel; een gezelschap, college; verschillende deden tot een geheel verbonden; liy boekdrukkers eene lettersoort van 10 punten, zoo genoemd naar het corpus juris (z. lager), dat gewooniyk daarmede gedrukt werd, gar mond; orf corpus, In het algemeen, In eens, in overslag, hy de roes, z. v. a. per aversionem (z. aversie); — in corpore, gezameniyk, allen te zamen; — experiment um in corpore vtli, z. ond. vilis— corpus cnttiolicórum, de gezaineniyke r. kath. ryks-standen in Duitschland, In tegenst. met het corpus evangelicorwn.- — cnrpus-Chrisli-dag, de heilige sacramentsdag (tl Juni); corpus delicti, eig. liet lichaam van het misdryf, d. i. het voorwerp, waaraan of waarmede hot begaan is, de zekerheid eener begane misdaad, nu eens aanschou-weiyk (het zichtbare voorwerp der misdaad), dan eens door kunstmatig hewUs geleverd; — corpus donifni, hel lichaam des Hecren (Jezus Christus), de volgens de kalh. leer hel lichaam van Christus in zich bevallende avondmaals-hostie; ook de ter vereering daarvan ingestelde heilige sacramentsdag (sedert hel jaar litli, ten gevolge van hel wonder te Kolsena, toen hy liet mlsolTer bloed vloeide uit de gewijde hostie); — corpus erangelicorum, de gezamenlyke gevolmachtigden van de protestantsche ryksstan-den in Duitschland;—c. juris, eig. het rechts-tichaam, hel boek, waarin allo romeinsche wetten zijn vervat, de door keizer Justlnianus in de tide eeuw verordende wetverzaineiing, welke echter eerst In de tilde eeuw dien naam kreeg; zy bevat de instituten, dc pandecten of digest en, den codex, de novellen en een aanhangsel over hel lecnrecht; — c. juris ca-nonïci, de verzameling van het gecsteiyke of paustUke recht, hel kerkelijk welhoek; — c. ju-ris cinitis, het hurgeriyke wetboek: — corpus quadralum, lat. een vierkant lichaam; een gezel, breedgeschouderd, zwaar geleed mensch, een vierkante kerel; — corpulént, adj. (lat. corpuléntus, a, urn) lijvig, dik, gezel van lichaam, zwaariyvig; corpuléntie (spr. t~ Is), f. (lat. corpulentta) de zwaariyvigheid, ge-zelheid ; corpuscülum, n., pi. corpus-cüla, lichaampjes, lichto onzichibare lichaampjes, die, naar sommiger gevoelen, reeds nu de


-ocr page 301-

COIIRADIATIK 285

CORRIGEERKN

ziel oniKCVun cn de grondstof tol het lljner setherlürh lichaam na ilen dood In zich bevatten; ook z, v. a. atomen (rnrpuscüta primi-hvay, — corpusculaire philosophie, f. do loer der oompronkelgke lichamen, het leerstelsel, waarin men door het aannemen van eerste o( Krondllchaampjes (atomen) veel meent te kunnen verklaren, ook atomistiek; — corpusculair philosoof of corpus-culariër, m. aanhanger dezer leer, z. v. a. atomist; — corpusculaire theorie, f. z. emana11c-leer.

Corradiatie (spr. lt;=/«), f. nw.lat. (vgl. radiatie, onder rad lus) Phys. de vereenl-ging der stralen In éen punt.

Corral, m. sp. omheinde ruimte, hof, plaats, werf, stal, enz.; vgl. kraal.

coma, correaal, z. onder c o r r o u s; — correct, correctie, z. ond. corrlgeeren.

correfereeren, nw.lat. (vgl. rcferee-ron) medeberlchten; — correferént, m. een inedeberlchtgever. Iemand, die den elgeniyken referent Is toegevoegd; — correferéntie (spr. l=ts), f. het mcdeherlcht, z. v. a. correlatie.

Corregidór, in. (spr. —rhidnnr, elg. tem. die verbeterd of terecht wyst, van \'t sp. corre-qir = lat. corrigère, z. corrlgeeren; port. corregedór, spr. f/- als dtj) een stads- of politierechter In Portugal en Spanje.

conei, pi. van correus, z. aid.

Correlaat, n., pi. correlata, nw.lat. wederzijds betrekkelijke dingen, zaken, die in wederzljdsche cn noodzakelijke betrekking, in wissolbetrekking staan, b. v. vader en zoon, oud en Jong, recht en plicht, rechts en links, enz.; — correlatief, adj. wederzijds bet rek-kelUk; ook; lot het bericht van den corre-fcrent bebooreiide; — correlatie (spr. f= fa), f. de wederzljdsche betrekking; ook de voorslag of het bericht van den correferent (z. aid.); — correlativiteit, f. wederzUdscbe betrekkelijkheid.

Corrénda, f. Ital. (van córrere = lat. rur-rüre, loopen), z. v. a. currende en circulaire, z. aid.; — rnrrénlc, corrénl, loopend, gangbaar, z. v. a. current, courant, z. aldaar.

correpeteeren, nw.lat. (vgl. repetoeren) medeherhaien, doen of helpen herhalen; — correpetitor, m. ceti medoherhaler, her-hallngsopzlener, Inz. op schouw burgtooneelen. Corréptie, z. ond. corrlplBeren. correspondeeren, nw.lat. (van respon-dêre, antwoorden, overeenkomen, in verband slaan, betrekking hebben, verbonden zUn, op elkander ultloopen, gemeenschap bobben; — correspondeerende hoogten, f. pl. Astron. de gelijk hoogo bemelstand van cene ster op verschillende tüden, b. v. van de zon in den vóór- en namiddag, waardoor men een middel heeft om den tüil van den waren middag te bepalen; — correspondént, m. een briefwisselaar. Iemand met wien men briclwis-seling onderboudl, een medehandelaar; de bediende, die op een kantoor voor do beantwoording der inkomende brieven zorgt; h(j, die artikels voor daghladen en tijdschriften inzendt; ook de naam van enkele couranten; — cor-respondéntie (spr. l=ts), f. de briefwisseling, de omgang door brieven, bel verkeer in handels- en wisselzaken; het verband tusscben personen en zaken, de betrekking; correspondentie-kaart,!. briefkaart; — cor-responsaal, een verouderde handelsterm, z. v. a. acceptant; — corresponsief,adj. overeenstemmend.

vnrrüus, m. lat. (van con- en reus, z. aid.) ,lur. ecu medeschuldige; c. debéndi, een mede-schuldonaar; c. credéndi, een medescbuideischer; — corrla, f. eene medeschuldige, heler; — cor-ni, m. pl. medeschuldigen; — correaal, adj. nw.lat. medeschuldig; uit denzelfden grond herkomstig en op vele personen gelijkmatig van toepassing; correale obligatie (spr. I—Is), f. eene uit dezelfde oorzaak spruitende vordering of verplichting, die velen evenzeer aangaat.

Corridór,m. tr. (11. corridóre, sp. corredor, van correre, -- lat. currCre, loopen; dus elg. loopgang) een voorgang, tusschongang, een smalle, gedekte gang of galery vóór éene ry of tusschen twee rijen kamers, op welken gang elk vertrek eene afzonderlijke deur heeft; in schouwburgen de gang, waarop de deuren der loges uitkomen; —corriéra, f. 11. een postvaartuig in llatlC; - corriére,!)!., z. v. a. courier, rijpost, rijdende post.

corrigeeren, lat. [corngfre, v. con- en regcre; vgl. regeer en) verbeteren, van fouten zuiveren, nazien, zuiveren, herstellen, weder goed maken; tcrechtwUzen, berispen, laken; straiten; - corrigénda, n. pl. verbeteringen, Inz. op drukproeven, te verbeteren zetfouten;- corrigentia, n. pl. Med. verbeterende, onschadelUk makende bymengselen, ver-beterings-toevoegseis; ook middelen ter verbetering der lichaamssappen; — corrigibel, adj. nw.lat. verbeteriyk; te wyzlgea; — cor-rigiuncüla, f. in kloosters het klokje, waarmede het teeken lot de geesellng {discipline) gegeven wordt; — corréct, adj. lat. icorréc-lus, a, urn) nauwkeurig. Juist, zuiver, van fouten vrü, naar do regels, regelmatig, inz. taai-zuiver, taalkundig Juist; nauwkeurig van druk; naar al de eischen der kunst; — de cor-réctheid, het vry-zyn van fouten, de ge-brekkeloosbeld, stiptheid tot in dc minste doelen, juistheid, taal-, druk-, kunstzulverlield, netheid van toekening, enz; — corréctie (spr. lt;=s), f. (lat. correciïo) de verbetering, terecht-brenglng, verhelping; eene rbet. figuur, waarby de redenaar zieh zeiven als terecht wyst; on-elg. de kastijding, bostraiting, tuchtiging; — corréctie-huis, huis van corréctie, f. tucht- of verbeterhuis, spinhuis; — correctie-middelen, n. pl. middelen ter verbetering; - correctioneel, adj. (fr. cnrreclion-


-ocr page 302-

CORRIPIËEREN

CORTEJO

286

nel), verbeterend, tuchtigend; — correctio-neele Straffen, straiten voor llchterc tnls-dryven, om den dader te verbeteren; — cor-roctionair, m. nw.lat., of correctioner, eng. (spr. korriksjëner) de tuchtellng, de opgeslotene in een verbeterbuis; — correctio-naliseeren, fr. {s|)r. s=z) Jur. eene zaak geschikt maken ter behandeling voor de correc-tloneele rechtbank (door aan eene misdaad den naam van wanbedryt te geven en aldus den beklaagde vrU te maken van de gestrengere, onteerende straO; — correctionalisatie, t, (spr. -za-tsk) geschiktmaklng voor de correctlo-neete rechtbank (door verandering van de qua-llflcatie van liet misdryt); — correctief, adj, verbeterend, terechtwyzend; — correctief, n. het verbeterings- of verzacht Ingsmld-del; ook een straf- of tuchtmiddel; — cor-réctor, m. lat. een verbeteraar, Inz. van druk-prooven; — correctormm, n. nw.lat. de kiooslerstrnliyst; eene strafkamer, een boelver-trek ; — correctuur, f. de verbetering, terecht brenging, inz. van drukproeven; — cor-rectuur-blad, n. bel verbeterblad.

corripiëeren, lat. (compere; van con-en rapen\', rapen) aangrypen, vatten; eenen klank, eene lettergreep kort uitspreken;- corrép-tie (spr. /=.?), f. de aangrQplng; bel kort uitspreken, de verkorting; ook de berisping, het verwyt.

Corrivalis, m. later lat. (vgl. rival) een mededinger, medeminnaar; — corrivali-teit, f. nw.lat. de mededinging, medemlnnary.

Corrivatie (spr. I=h), f. lat. (corrivufto, van corrivure, water samenlelden, rivus, tieek) samenleiding, vereeniging van verscheiden wateren.

oorroboreeren, lal. Icnrrnhnrare, vgl, roll o r e e r e n) versterken, kracht geven, sterk maken ; oneig. bekrachtigen, b. v. eene stelling door bewyzen; — corroboratie (spr, t=ls),t.Ae versterking, krachtgevlng; — corroboratief of corroburans, n, Med, een versterkend middel, pl, corroborantïa (spr, ti—tsi), versterkingsmiddelen.

corrodeeren, lal. [cnrrndcre) byten, weg-ot uitbyten, wegknagen; — corrodentia (spr. ti=lsl), n. pl. hyt- of etsmiddeleii; — corrodibel of corroaibel, adj. uitiiyt-baar, elsbaar; — corrosie (spr. s=z), f. nw. lat. de hyting, oplossing door bljtmiddeion; — corrosief, ailj. lat. (corrosïvm, a, urn) hy-tend, etsend, Invretend, wegvretend; — corrosief, n. een ets- of bytmiddel, oplossingsmiddel; — pl. corrosïm, bytmiddeien, opiosslngs-nilddolen; scherpe, bijtende vergiften; — cor-rosiviteit, f, de etskracht, het bijtvermogen,

corrugeeren, lat. (corrugiïre, van ruga, rimpel) rimpelig maken, fronsen; — corru-gatie (spr, lt;=(s), f, nw.lat, do rimpeling, fron-sing; — corrugator, m. een voorhoofdfron-ser, neusoplrekker, ziiurkyker; ook Anat. ror-rugStor supercitfi, de fronsspier der wenkbrauwen.

corrumpeeren, lat. (corrumpere) bederven, erger maken, vervalschen, verleiden door omkooplng, omkoopen; — corrupt, adj. (lat. corrilptus, a, urn) bedorven, vervalscht, verergerd ; slecht, zedeloos, Uederiyk; — corruptêla, f. het bederf, de verleiding, omkooplng; — corruptibel, adj. (corruplibïlis, e) aan bederf of verrotting onderworpen, verderfeiyk, ver-gankeiyk, broos; ook omkoopbaar, veil; — cor-ruptibiliteit, f. de liederfeiykheld, vergan-keiykheld, broosheid; ook omkoopbaarheid, veilheid; — corruptie (spr./=s), f. (lal. corrup-(fo) het bederf, de bedorvenheid, verdorvenheid, b. v. der zeden; de aanstekelykbeid, besmet-teiykheid, b. v. der lucht; verergering, verrotting; de omkooplng, verleiding; ook de verval-schlng, b. v. van eene oorkonde, van maat, gewicht, enz.

Corsa, f. it. (van córrere, loopen; vgl. corso) het wedrennen der paarden, zonder ruiter.

Corsage,n. fr. (spr. saatj\'i vgl, corsel) lyfje, het gedeelte der vrouwenkleeding, dat den boezem bedekt,

Corsaire, in, fr, (tl, corsare, conale, pro-venc, corsari, sp, corsdrlo, mid,lal, corsarfm, van \'I lat, cursus, loop, rurrüre, loopen, vanwaar het sp, corso, het kruisen van een schip op zee, corsear, kruisen, kapeu) een rondkrui-send zeeroover of roofscbipper, kaper; ook een roofschip,

Corsét, n, fr, (In plaats van corpse/, van corps, lichaam — lat, corpus) een lyfje, ryg-tyfje; — corselet, n. (apr, kors\'lè) eene soort van eenlgszins gestyfd rggiytje; ook een borstharnas; het borstschild der Insecten.

Córsini, m. it. eene voorin, rom. goudmunt van paus Clemens Xil, ongeveer 1 gld.

Corso, m. 11. (van \'t lat. cursus, loop) de omloopsprys; de prys van hel geldof der wissels; vgl. cours; ook de renbaan, eene straat te Rome en in andere Hal. steden, waar men paardenwedloopen houdt, enz.; voorts z. v. a. corso-rit, een plelzier- en siaatsietocht In ry-lulg, die naar itai. gebruik in groote steden op bepaalde dagen van do lente of den zomer gehouden wordt; — al corso. Knit, naar den tegenwoordlgen, loopenden prys van geld of wissels,

Corta, f, eene oliemaat op Majorca en Minorca, ongeveer ~= i liter; — cortan, m,, of cortana, f, sp, eene spaansche vochtmaat, = 8,; nier; — cortarine, f, eene sp. wynmaat, = } cortana.

Cortéjo, m. sp. (spr. korlérhn: v, corte, hof; corlejar. Iemand zyn hof maken) zorgvuldige bediening, oppassing; ook de hofmaker, opwachter, begeleider, een spaansche c 1 c 1 s-beo (z, aid.); vandaar cortège, n, fr, (spr, korlétj\') liet gelelde, eergeleide, de stoet, lid staatsiegevolg van een groot heer; — córtes, pi. sp. (van corte, hof, hofstaat, gerechtshof; vgl. cour, v. lat. curia) de plechtsiatlge ver-


-ocr page 303-

COSTUME

\'287

CORTEX

gaderlnR dcr slcnilcn met den koning, de vcr-logenwoordlgors der natte In Spanje en Portugal ; — cortise, adj. II (spr. s=t) liolltdgk, beleefd, aardig.

Cortex, m. lal. do liast, boomschors-, ook de schil van planten, vruchten, wortels; pl. rorltres; — cnrlex chinae, de kina- of koorts-bast; — cortex permtianus, do peruaansche bast, koortsbast, kinabast-, — corticaal, adj. uw. lat. (corllcalis) lol den bast of do schors be-hoorendc; den bast vormende, oppervlakkig; Med. naar bast gelijkende, bastlg (van de buitenste gi-ysroodachtlge laag der horsenen: cor-11 c a a l-s u b s t a n 11 e); — corticine, f. eene byzondoro slof, In de schors ontdekt, baststof.

Oortigiano, in. II. (spr. —dzjdno) de hoveling; de gorechts-assessor.

Cortina, l) f. lat., elg. ketel; de zetel der voorspellende Pythla (z. aid.), de drievoet; — 4) of cortme, it., z. v. a, cour-tïne, z. aid.

Corundum, aw.lal., of corindon, fr. n. een meestal appelgroene steen, een aluml-alum-oxyde, dlamantspaath In Chlaa en Coro-mandel, na den diamant de hardste en meest gezochte edelsteen.

corusceeren, lal. {coruscdréi trillen, nikkeren, fonkelen; — coruscant, adj. (rarws-canl) blinkend, fonkelend, blikkerend; — co-ruscatie (spr. /=/.?), f. (lat. coruscaiïo) de lllkkerlug, schittering, het vlammen, fonkelen, weerlichten, de lichtglans; Chem. het blikkeren van \'I zilver.

Corvée, f. fr. (spr. knnné\', mld.lal. corvada, corroala, corrogala, v. \'I lal. comaure, verzoekend byeenbreagen, dus elg. opoulbod) de leen-mansdienst, leendienst, de dienst, die de vazallen om niet moeten doen; Mil. zekere werkzaamheden, welke beurlellngs door de manschappen eener compagnie verrlclil worden; on-elg. leder werk, dat men zonder vrucht en doorgaans met weerzin doet, vergeefsche moeite, een ondankbaar werk, karwei.

Corvétte, f. fr. (weleer corbetle, sp. cnrbcla, van \'I lal. corbila, een vrachtschip, v. corbis, korf) korvet, een landsoorlogsehlp, dat in rang lusschen \'I fregat en de brik slaat.

Corvus, m. lat., elg. de raaf; zekere tang der wondheelers.

Corybanten. corydalis, corydon, corymbus, coryphseus, coryza, z. k o r—.

Corylus, in. gr. Bol. hazelnoleslrulk.

Cos, f. of r egel c o s, weieer voor algebra, letterrekenlng, naar \'til. regola delta com (van com, zaak, hoofdzaak; wortel of onbekend gelal eener vergeiyklng; - cos, ook eene wegmaat ia Indle, waarvan er omstreeks \'il in een graad gaan, = 3003,10» meters; cos-sist, m. de algebraist.

Cosa, f. it. zaak, ding; ook In de rekenkunst de onbekende, te vinden grootheid: ver-gelyk cos.

Cosaccia, f. it. Muz. kozakkendans, dans van eenvoudige wys, maar gemarkeerden rylh-mus In 4 maat.

Cosaquerie, f. fr, (spr. kozak\'rie) de plotselinge overvalling, verrassing, overrompeling.

Cosario, in. sp. paarden- en rytulgver-huurder.

Cósecant of cósecans, f. nw.iat. (oni-slaan uit de afkorting co. secans, voor ample-menli secans), Geom. de by-snyiyn of de secans (z. aid.) van het complement of den aan-vullingshoek, die met den hoofdhoek een rechten hoek maakt; — cósinus, m. (ontstaan uit de afkorting co. sinus, voor complementi sinus) de by-hoekpuntsiyn of de sinus (z. aid.) van den aanvulllngslioek.

Cosmetiek, cosmos, enz., z. kosm—.

cospétto di bacco! II. (d. 1. eig. aangezicht van Bacchus) verduiveld! sakkerloot! el de drommel!

Cossart, n. eene roode of roodbruine katoenen stof uil Irulle.

Cossas, n. fr. eene zeer lljne en gladde moessellenen slof uil Indle.

Cossiat, z. oud. cos.

roste, II. (v. lat. eccum [d. 1. ecce pum] islac) Kml. hier; — cósti of a cosli (v. \'t lat. eccum islic) daar, by u, op uwe plaats, aan uwe nuirkl, op de plaats, waarheen de brief gericht Is,— vandaar in \'thoogd.: cóstige waaren, de waren, die zich op uwe markt, In uwe stad, in uw land, enz. bevinden.

coste, f. lat. tie rib, zijde; — costaal, adj. nw.lat. de ribben betreffende; - costalgie, f. lat.-gr. Med. de rlbbenpyn, het rlblienwee; — costalgisch, adj. de ribbenpün betreffende.

Costermonger, m. eng. slraatkoopman.

cosli, z. ond. co sla.

Costie, f. bet kind van een blanke en van eene fustic (z. aid.)

Costonlichten,pl. roode,groene en wille signaailichlen, welke in verscbliiende kleurcom-binaliën bepaalde gelallen beleekenen en op oorlogsschepen gebruikt worden.

Costume, n. fr., of costüüm (van \'I it. costume, m., provenc. coslum, m., en costuma, f. gewoonte, gebruik, mld.lal. costuma, coslu-mia, cosduna, enz., uit hel lat. consuetudo, of een lateien byvorm consueti/men ontslaan) hel naar den tyd gebruikeiyke in gewoonten, klce-dlng, modes, enz., hel tydsgebruik, de dracht-manier; de amblskleedlng, hel plechtgewaad, de eigenaardige volksdracht; de iooneelklee-dlag; ook volgens de tegenwoordige mode: volledige (dames)kleeding van dene of van overeenstemmende stof; — en costume (spr. aii kos-tüum), in buitongewono en byzondere amhts-, feest-, balkleedlng, enz. j — costumeeren (fr. coslumer), naar het lydsgebruik kleeden, inrichten; — gecoslu ineerd, naar den lijd Ingericht, gekleed, enz.-, — costumier, m. fr. (spr. —mji) aan het tooneel: de regelaar en bezorger van de kleeding, die voor den tyd der optevoeren stukken past; soms ook z. v. a. k I e e r m a k e r.


-ocr page 304-

COTTON

COSTUS

288

Costus, m. lal. (.Radix rnsti), kost wortel, in. een struik In Inille en Brazilië met een KeneeskraclitIgen wnrtel.

Cótangent of cótangens, f. nw.lat.

(ontstaan nlt ilc afkorting co. tangens, voor complemen/i tangens) Ocom. de bU-raakl|jn, de tangens (z. aid.) van den complementshoek of -boog, d. 1. die lioek of hoog, welke den hoek of hoog, welken men beschouwt, tot oen rechten hoek maakt.

C6te, f. fr. (spr. /too/, oudfr. cosle, v. \'1 lat. casta, rlh, zyde) de rib; do helling, heuvel — cöte rótie. f. eene heuvelry aan den Rhone, en ook (m.) een aldaar wassende fr. roode wgn; — cöte-wijnen, m. pi. franscbe wUnen, die aan de kalkheuvels in \'t \'/. O. van Frankryk, Inz. In het depart. Cóte d\'or (goudheuvel, wegens den vruchtharen bodem) wassen; — cöte-satinè, n. fr. zware dubbel gekeperde zjjden stof.

cAté. m. fr. (oudfr. costet, provenc. costal. It. costato, mtd.lat. costatus, costatwn, v. \'t lat. casta, rib, zUde) de zyde; cfité droit en cóté qauche (spr. —droa, —goasj\'), de rechter- en linker-zyde, benaming der tieide partyen in de franscbe kamer der gedeputeerden, die van de inzichten der inlnisteriöeie iiarty, welke in het centrum hare zitplaatsen heeft, meer of min af-wyken. De liberale oppositie heeft zich steeds op de linkerzyde gehouden en kreeg wegens de hoogerstaande banken aldaar den naam van berg, terwyt de meer gematigde en de aanhangers der regeering, die hunne plaatsen In hel voorste en laagste gedeelte der zaal kozen, het dal of moeras genoemd werden. Eene soortgeiyke verhouding heeft er ook plaats in de kamers van sommige andere natiün; — c/ité cour {cóté jardin), In schouwburgen; de coulisses aan de rechter(llnker)zyde van den toeschouwer.

Cotelétte, f, pi. coteletten, fr. (verkiw. van cóté, lat. costa, rib) een ribbestukje, inz. van een kalt; op den rooster gebraden ribbetjes; ook (wegens de overeenkomst in vorm): breede bakkebaarden; — cótelettes « la minute (spr. —minuut), snel gebraden coteletten.

Coteline, f. fr. eene stof, half uil garen en half uit katoen bestaande.

Cotepalis of cotpalis, m. eene lichte stof van zyde en geitenhaar.

coteeren, fr. {coter: vgl. quoteeren, ond. q u o t a) teekenen, merken, met letters en cyfcrs voorzien, Inz van het merken of pagi-neeren der bladzyden van een koopmansboek.

Coterie, f. fr. (v. cote, provenc. co/a, It. quota, een Ieders bydrage lot eene gemeen-schappeiyke uitgave, v. \'t lat. quota, sell, pars, het zooveelste gedeelte, v. quatus, a, um, de zooveelste) eene gezelschappelijke vereeniging tot uitspanning, besloten gezelschap, kransje, habheiclub; vaak ook gebezigd voor eene kleine politieke of letterkundige party, of voor eene vereeniging of een gezelschap, waar men samenspant om eenen persoon of eene zaak in aanzien en naam of wel In opspraak en blaam te brengen.

Cóte-rótie, cöte-wijnen, zie onder

cAle.

Cothurne, in. fr., z. kot burn.

Cotillon, m. fr. (spr. koti-tjón: v.\'t oudfr. cote, provonc. cotu, cot. It. cotta, mtd.lat. colta, enttus, lang bovenkleed), eig. een onderrok; een franscbe gezelschapsdans; Muz. vlugge, haastige dans in |j maat.

Cotinga, f. nw.lat. en sp. N. H. de zyde-staart, oen vogelsoort; Inz. eene prachtig gevederde soort daarvan In ürazlliü.

cotiseeren (spr. s=z), (fr. cotiser, v. \'t lat. quotas: vgl. quote, quotiseeren) een overslag maken, schatten wat ieder naar zyn aandeel zal betalen; zyn aandeel bydragen, samenbrengen; — cotisatie (spr. -za-tsie), f. de overslag, schatting, verdeeling eener hü-drage, aandeclsbepallng, z. v. a. quotisatie.

Cotón, m. fr. (sp. al-godon, v. \'t arab. qoton, boomwol, onveranderd In de uitspraak van het eng. cotton) katoenen stof, boomwollen stof (afkomstig uit de zaadhulsels van een oorspr. ara-hischen, In O. Inille byna hoomvormigen struik) katoen (z. aid.); — cotonêra, t. boomwoldistrict (op Malta); — cotonis, n. fr. (spr. ko-toni) liiillscli taf; — cotonnade, t. katoen-linnen ; — cotonnée, f. eene lichtbruine balt katoenen stof; — cotonnerie, f. eene katoen-wevery-, — cotonneeren, met katoen voeren of opvullen; — cotonnétte, f. eene katoenen stof; — cotonnine, f. grof doek van katoen en hennep, dat tot zeildoek, inz. voor de galeien, wordt gebruikt.

cotoyeeren (spr. kotoaj—, fr. cótoyer, van cóte, kust; vgl. cöte) langs de kust of den oever varen, ryden of marcheeren; Iemand ter zyde gaan, hem als zyne schaduw vergezellen; de ilank dekken.

Cotta, cod da, f. eene Inhoudsmaat van 1200 kauri, als maat (niet als munt) he-achouwd.

rolta. It. terra cotta, z. ond. terra.

Cottage, f. eng. (spr. kóttedzj\': v. col, hut, een oorspr. celtlsch woord) hut; eenvoudig, landetyk buis; — cottage-systeem, n. In-richting, volgens welke een arbeldgever een deel van het loon niet In geld uitbetaait, maar den arbeider daarvoor een huis verzekert.

Cotte, f. tr. de vrouwenrok, onderrok; — cotle d armes (spr —d\'arm), een wapenrok, een oud militair kieeillngstuk, dat over liet harnas getrokken werd;—ro//e de mailles (spr. —malj\'), pantserrok, pantserhemd, maliënkolder, eene soort van bemd of harnas, uit mallen of kleine yze-ren ringen gemaakt; — rotte morte, Jur. de nalatenschap van een kloostergeesteiyke.

Cottier, m. eng. hutbewoner.

Cóttimo, in. II. (eig. een bedongen werk) de schatting, die do ouropeesche koopvaardy-vaarders aan hunne consuls in de Levant betalen.

Cotton, n. eng. boomwol, katoen; katoen-struik, vgl. cuton.


-ocr page 305-

COTTON-VOGEL

COUP

Cotton-vogel, con vogollje van Polen on Lltllmuon, (hil zijn Ijoursvornilu nest aan liet einde van oenen tak Imngt, ile bulilolinoos.

Cotünni of Cotügno (vocht van), in. do doorscliUnomlo vloeistof, die al do linl-ten van liet inwendige oov vult; zoo KOlieeten naar den ontioedkundigo Coin g n o.

Cotyledonen, z. kotylodonen.

Cou, m. fr. (spr. koe) hals; vgl. col (laatste art.)

couche, fr. (spr. koexj\'; van coucher, noder-liggen, liggen, van \'I lat. cnllncun, mU\\M. cul-rare, provene. cnlcur) tot honden gezegd: lig stil! zwyg! — zwgg! — ook als snhst. f. 1° Led, Inz. kraambed; fausse couche, miskraam; \'2° laag (in mijnen); — coucheeren, doen liggen; InschrUvon, te hoek stellen.

Coudóe, f. fr. (spr. koeilé\': v. coucle = lat. cubtlus, do ellehoog) de lengte van den elie-hoog tol aan de vingertoppen; vandaar eene oude fr. lengtemaat van | el.

Coujon en coujonneoren, z. co ion,

Coulage, f. fr. (spr. knela-zj\', van router, vloeien, doorzijgen, v. \'I lal. colure, doorzijgen, van colum, doorslag) Kmt. het uitvloeien, het verlies aan vloeistoffen door uitloopen; vgl. lekkage; — coulant (spr, koeldii, gew. Itoe-lant) vloeiend, h. v. een coulante styi; toegevend, gedienstig, licht te behandelen; ook; (in zaken) fatsoonl|jk, ferm, idei kniezerig, zeurig of krenterig; door geene zwarigheden te maken of die uit den weg Ie ruimen liet gemakkelijk tolstandkomen cn den aliooji van zaken bevorderende; als adverb, coulamment (spr. koelamaii), vlug, vlot, vloeiend, Inz, van het spreken cener vreemde taai; - coulance, f. fr, het coulant zijn van een man van zaken-, — coulant, m. een verschulfhaar of beweeglijk sieraad, kleinood, edelgesteente aan vrouwenhalssnoeren; de slultring cener para-pluie; — COUlé, m. (spr, kadé) Muz. het slee-pen der noten; ook een sleepcndc pas in hot dansen; coulée, f. fr, (spr, knelé\') hol schuine schrift, cursief-schrifi.

Couleur, f, fr. (spr. koe—, van 1 lat. color) do kleur, verf; de troefkleur in het kaartspel; de livrei; oneig. hel voorwendsel, aanzien, do schijn, schijngrond; en couleur (spr. aii—), in de beste of fijne (spelen); — couleur de préférence (spr. preferdiis\') of favorite, f. in bel kaartspel de kleur, die den voorrang boven de andere heeft, ook de fijne, de beste genoemd; — couleur du jour, modekleur;

couleur de puce, vlookleur, vlooikleur, z, kermes; — couleur de rose, rooskleurig (ook tig,)

Coulevrine, f. fr. (spr, koe\'lwridnoor-spr. couleuvrine, van couleuvre, slang, = lat. coluber, cnliibra). Mil. eene veldslang, eene vroegere soort van lang goschut, dat zeer ver droeg.

Coulis (spr. koeli) 1), n, fr, (van couler, vloeien, doorzijgen, — lal, co!ure, mld.lat, co-ladicium: provonc. coladilz, vloeiend) doorge-vikhiii: nnUK,

zegen afkooksel van boenders, kalfsvloosch, kreeften, enz,, gefiltreerde bouillon; ook dunne gips-morlel; i) een chineescbe lastdrager, koelie.

Coulisse, f fr, (spr, koeliéss\': oudfr, colaïse, colise, valhek ; van couler, vloeien, glijden, schuiven; vgl, coulage, coulant), 1° groef of geul, waarin iels op- of neerscbulft; vandaar: de schuifwand, bot toonoolscberm, een beweegbare zijwand op het looneel, waarvan de uitvinding en invoering den llalianen der lilde eeuw toekomt; i0 gangpad oji de parUsche beurs, dat de beurspolille openhoudt van den Ingang tot de corbel lie (z, aid.) en onelg. de daarlangs slaande onbcüedlgde makelaars of beunhazen in effecten; coulissiers, m, pl, (spr, koeli-sjé) onwettige beursmakelaars In Parijs, beunhazen in ollocten; bU ultbr, beursspeculant ; ook zü, die steeds achter do tooneel-schenncn slaan.

Couloir, in. fr. (spr. koelodr) verbindingsgang tusschcn twee vertrokken, z, v. a. cor-r i il o r.

Council, in, eng, (spr, kóunsil) raadsvergadering, raad, - cabinet council, kabinetsraad, de gezamenlijke eng, inlnistors; — Privy Council (sjir. praiwi —), geheime raad, do engolsche Hand van Slate; legislative c. (spr, ledstjisl(licv\'), wetgevende vergadering (in eng. Auslrallö); — councillor, m. (siir, knunsillSr) raadslid.

Count, m. eng, (spr, komt] graaf; vgl. c o m I c; — countess, f, (spr. kóuntes) gravin;

— county, ii. eng. (spr. kAmli: = fr, comlé) clg. graafschap; vervolgens kreits, district, landstreek In Engeland cn N.Amerika (= angels. shire, waarvan Engeland er 40, Wales li. Schol-land :io lelt).

Counterpane, f. eng, (spr, kouniêrpeen) gestlkle deken,

count-out, eng, (spr. kounl-óut) hel lellen der leden cener vergadering, lm:, van hel parlement, om te zien of hot voor een wettig besliiil vereischte getal (quorum) aanwezig is.

Country, n. eng. (spr. kilnlri) land (pl, cou iiI rles); — country-dance, landeiyke dans; vgl. conlre-danso); — countryman, landman, liulleninan.

County, z, ond. count.

Coup, ui. fr, (spr. koe: provonc. cnlji, II. colpo, van \'I lal, colaphus, nild,lal. colapus, colopus, colpus, gr, kólaphos, v. kolaplein, op Iets slaan) slag, klap, schop, stool, douw, bak, steek, snede, worp, veeg, streek, schot, greep, trek, leug, dronk, boet, windvlaag, enz., in \'1 algemeen de Indruk, dien hel eene lichaam op bel andere maakt door bel Ie raken, te treffen, te verdeelen, enz.; — coup d\'archel (spr, —darsjè) Muz, streek met den slrykslok; — coup d\'assurance, z, se me nee; — coupd\'éclal (spr, —dekld), een meesterzet; — coup d\'essai (spr. —dessé), eene proefneming, een proefslool;

— coup d\'élul (spr, —dcld), een staatsgreep, eene stoute handeling of maclitsuiling, die eene gewichtige, Iwyfelachllge zaak op eens beslist;

1!)


-ocr page 306-

COUPABEL

COURAGE

\'290

Imltengowone, doorgimns gewolddudlgo inaatre-gel, wuarloo oeno regoorlng de toevlucht noemt, als do vclllglicld van den Staat tiaar tocsctiynt In gevaar te verkeeron; — c. de force, oeno daad van geweld, eon proefstuk van kracht; — c. de fortune, eon buitenkansje; — o. de grdce, een genadeslag, -stoot, -houw, enz.; — r. de hasard (spr. —hazAr), oen gewaagde zet, een gewaagde stoot, een waagstuk; — c. de main (spr. —nie«),eene handstrook; Mil. eeno overrompeling, verrassing, het onvortioedsch wegnomen van eenen post, enz; — c. de maitre (spr. —mètr\'), een meestertyke zet, een moes-terstroek; — c. de Ihédtre, z. theater-coup;

— c. manf/ué (spr. —mnhké) of fuux coup (spr. fo koe), oen misstoot, misslag, misschot, enz.; — c. d\'oeil (spr. duilj\'), een hllk van \'t nog, oogopslag, wenk; het snelle overzicht; uitzicht; — d couigt; perdu, op gooit geluk af; —d coup sür (spr. —suur), ongetwyfeld, gewis; — d lous coups (spr. a toe koe), elk oogenbllk, telkens;

— apris coup (spr. apri koe), ontydlg, te laat, achter \'tnot; — pour te coup, voor dit maal.

coupabel, ailj. (spr. koe—: fr. coupable ,■ van \'t lal. cutpabttis, i. culpa, enz.) schuldig, strafbaar.

Coupage, coupe, coupé, enz., z. ond. coupeeron; — covipelleeren, z. eupo 1-i o o r o n.

coupeeren (spr. ou=oe), fr. [couper, oud-sp. colpur. It. colpire, mld.lat. coppare, v. coup, colpo, colaphus, z. coup) bouwen, afhouwen; afsnijden, b. v don weg, doorsnijden; (een paard) kortstanrton, ook ruinen; by het kaartspel: afnemen; nuk troef Inloggen, bannen; Muz. de tonen afstooten; by hel schermen; over do kling zyns tegenstanders hoen stoeten; — versnUden (den wyn), d. I. verschillende soorten ondereen-mengen; — coupage, f. (spr. koepa-zj\') hel versnyden van den wyn; — coupe, f. (spr. koep\') de snede, doorsnede; hol afnemen der kaarten; drinkbeker, schaal, kelk; coupe-gorge (spr. koep\' oónj\'), een moordhol; on-cdg. elke plaats, waar men bestolen, bedrogen, gesneden wordt; —coupe-töte, n. (spr. koep\'tlit\') haasjo-over, bokslavast, een kinderspel; — coupé of gecoupeerd, adj. doorsneden, b. v. met sloolen, grachten, enz.; gesneden, gerulnd (van paarden), ook gekortstaart; In het kaartspel; afgenomen, afgelrannen; Muz. afgestooten; - coupé, m. een danspas, waarbU do knie gebogen wordt, de bulgpas; ook eene korte, halve open wagen zonder link, eene half-koets; de voorste afdeollng In diligences, ook wel cabriolet geheeten; elke afdeellng of afgezonderde ruimte van een spoorweg-wag-gon voor een bepaald getal personen; — cou-pez! (spr. koepé), by bet kaartspel: neem af!

— coupis, m. fr. (spr. koepi) geruite cotonade of oostlnillsch kaloonllnnen.

Couperose, f. fr. (spr. koep\' rózIt. cop-puma, sp. en port. caparrom, mld.lat. cup-rosa, cuperosa, coporosa, oudd. koper-rootte, v.

\'t lat. cupri rosa, z. v. a. bot gr. ehdlkantlm, d. I. koperbloem, eng. copperas, nederl. k o p e r-rood) kopervitriool, zwavelzuur koper; Med. koperultslag, roode vlek of pulst, vooral In \'I aangezicht.

coupez, coupis, z. ond. coupeeren.

Couplet, n. fr. (v. coupler = lat. copulare, koppel e n, verbinden) een versafdeellng, strophe (z. aid.) van een lied, lledafdeellng, vers; Inz. oen spotliedje, geesllg gedichtje op sociale of politieke tydsomslandlghoden, moest voorkomende In kluchten, vaudevilles, enz.; — coupleteeren (fr. coupteter), In verzen doorhalen, bespotten, ten loon stellen.

coupleeren (spr. koe—), fr. (coupler = lal. copulare, verbinden, enz.) paren, koppelen, verbinden; — couplet, n. fr. (spr. koepte) een der gelykregellge afdeellngen van een gedicht, Inz. wanneer dit gezongen kan worden; vgl. slanzo en strophe; — coupleteeren (fr. coupteter). Iemand In verzen de les lezen, doorhalen.

Coupole, f., z. koe pol.

Coupon, m. fr., pl. coupons (spr. koe-póii, van couper, snyden) een afsnydsel, Inz. do renlebrlefjes, Intorestblljellen by de obllgatten of etleclen, waarvan liy elke ultbelallug of ver-vallermyn één wordt afgesneden, om daarop belallng te krygen of bel als gereed gold oil le geven; ook In algemeener zin: coupon van een postwissel, strook die afgesneden mag worden; ook een overschietende lap van oliegoed; een lap, snipper; — couponbelasting, f. byzondere helling van de schuldeischors van den Slaat door aftrek van do renten; — coupure, f. (spr. koepüür\') eene snede, Insnede; insnijding, geul (tol atloop van water); Mil. eene soort van verschansing, eene gracht, sloot, enz. om den vyand voet voor voet de aangevallen werken te betwisten.

Cour, f. fr. (spr. koer: vroeger court, pro-venc. corl. It. en sp. corte, van \'t lal. cohors of cnrs, geuit, cortis, de hofrulmte, plaats, enz., waarvan in mid.lal. cortis, curtis, vorsleiyk bof) hel hof, gerochlsbof; de opwachting, do boof-sche eerbied en oplellendheld, die men Iemand toebrengt; vandaar iemand, Inz. eene dame, cour maken, naar bare gunst streven, haar llefdebewyzen geven, z.yn bof maken; — cour d\'amour (spr. —damóér), een minnehof, eene Uefdevlerscbaar In do middeleeuwen, in Frank-ryk op hel einde der 11de eeuw onlstaan ter beslissing van zekere galante geschillen; —four d\'assises, z. ond. assises; — cour de cassation, bof van cassatie (by ons de Hooge raad);

— cour parée, staatslebof, oeno plechtige opwacht lug ten hove; — cour pténière, algemeene bofverzamollng; — z. ook oud. cólé.

Courage, f. fr. (spr. koerd-zj\'. provenc. coratge, II. coragoio, van \'l lat. cor, hart, fr. cneur) de dapperheid, kloekmoedigheid, moed;

— courage! boud moed! moed gehouden !

— courageux, adj. moedig, dapper, onverschrokken ; — courant (spr. koe—, van courir


-ocr page 307-

CUURTIER

COUIiBK

= lat. currëre, loopen) loopond, omloopcnd, gangbaar, Keldli?; — nis adv. couramment (spr. koemmmdii), vloeiend, vlug ; — courant, ii. In omloop zynde of gangharo munten, Inz. grot zilvergeld, in tegenst. met klein geld; — courant, t. lid nieuwsblad, dagblad; gewoon-tyk uitgesproken als krant en ook aldus gespeld. De Franscben, uit wier taal wy illt woord bobben, gebruiken bet In deze betookcnls ecbter niet; zij zeggen daarvoor ga zot to, J our na I, (z. aid.); courant-bank, f. eene openbare bank, die bare betalingen in gereed geld doet; — courante schulden, klolne scbut-den zonder zekerboid of onderpand; courante waren, licht verkoopbare of af te zeiten koopgoederen; — «u courant (spr. o Iwe-rdii), togen don loopenden prijs; au courant zij a, mot den tyd en zijne nieuwste verscliijn-sels voorigaan, gelijken tred houden; den sa-menbang eonor zaak begrijpen, op do hoogte zyn ; — courante, f. (spr. koerdnt\') eeno soort van verouderde fr. tooneeldans, loopdans; ook oen daartoe behoorend muziekstuk In ij of f maat; — courantier, m. (spr. koe—) de nieuwsbladscbrijver, -uitgever, -drukker; cou-rantin, m. (spr. koeraiitèu) ocne soort van vuurpijl, dio langs een gespannon louw loopi lot bei aansteken der vuurwerken.

Courbe, f. fr. (spr. koerb\', van courbe, krom = lat. curvus) Arch, kromhout; Geom. eene kromme lijn, ■/.. v. a, curve; ook een gezwel achter de knioscbijven der paarden, spat; — courbeeren (fr. cour her), krommen, buigen; — courbure, f. kromming, bocht; — courbature, f. fr. Siyfheld (der paarden); — courbétte, f. (spr. koer—) oen lichte boog-of kromsprong van een paard, oen korte galop; ook eene buiging, oen strykvoel; - cour-betteeren, kromme sprongen maken, mei iich-te sprongen ryden, waarby hei paard de belde voorpooten goiyk oplicht en terstond gebogen nedersiaat.

Coureur, in. fr (spr. koe—: v. courir, = lat. cum;re, loopon) oen looper, sneihodo; snel-loopend paard, harddraver; eigenaar van renpaarden en liefhebber van wedrennen; ook llchlgewapend ruller, die op kondschap of verkenning wordt uitgezonden; Iemand, die iets najaagt, h. v. coureur ile noucclte.s, nieuwtjesjager, berichtgever aan kranten, enz.; cour-rier, m. fr. (spr. koerjó) koerier, oen ren-iiode, postlooper, postryder, inz. in staatsaan-gelegenheden; een staatsliode (cablnetskoo-rler); — courierschip, een snelzeiler, posi-schlp, een vaartuig tot overbrenging van gewichtige bevelen.

Couris, z kaurl.

Couronne, fr. (spr. nu=oe. — lat. corona) de kroon; - couronne d\'or, gouden kroon, eene oude fransche goudmunt met eene kroon en een kruis in den stempel, omtrent — « gld.; — couronnement, n. fr. (spr. koe-ronn\'mah) Mil.de bekroning of \'t logement van den bedekten weg, de loopgraaf met bare bedekkende schanskorven, waarmede de belego-rlngswerken voltooid en in welke de bres en contre-batteryen aangelegd worden; cou-roneeren, met eeno hekronlng dekken.

Cours, in. fr. (spr. kners: van \'i lat. cursus) koers, de loop, inz. de geldsomloop, gangbaarheid eener muntsoort (b. v. «buiten koers stellenquot;); de loopende geidprys, d. i. de afwisselende waarde, weike naar de algeineene ban-deisverhoudingen het geld van hei eene land (of plaats) in het andere lieefl; wisselwaarde, wisselkoers, de prijs, naar wolken de waarde van een wissel in \'i geld van de plaals der betaling berekend wordt; koers der effecten, de verauderiyke prys der staatspapieren; nok do straat, weg, b. v. post koers, postweg; de loop van een schip, scheepsloop of scheepsricb-ting; vandaar koers houden, den rechten weg vervolgen; den koers kwijl zyn, van den rechten weg afgedwaald zyn; ook In zyne redeneeringen verward raken; koers si ellen, Mar. do rlcbllng, de streek bepalen, op weike de man aan bet roer moei aanleggen;

koersrekoning, f. de prysberekening dei-wissels, wanneer er van de eene plaats op Ie andere getrokken wordt; koerslijsten, overzicht van de verandeiingen, die er In geiden wisselhandel plaats grijpen ; coursen, koersen, den koers richten; schatten, ramen; ook voibrengen. Ion nii voorbrengen; cour-sooren, omloopen, In omloop of gangbaar zyn; coursibel, adj. gangbuar; — coursier, m. fr. (spr. koenjé) een renpaard, harddraver; strijdros.

Course, f. eng. (spr. kun), fr. (spr. koers\') wedren, wedloop, harddravery; of courso, eng. (spr. ov\'kürs) natuuriyk, dat spreekt van zelf.

Court, n. eng. (spr. knort; vgl. cour) een gereebtsbof; ook eene veroenigliig van engei-sche kooplieden te Hamburg; court journal (spr. —dzjurnit), olllcleelc hofcourant In Kn-gelanit; court martial (spr. madrsjnt), een krygs-rattd, krygsgereclil; c. of rhanreru (spr. -tsjéns-rie), bel kanselary-gererhi; c. of common i)lcas (spr. —pties), het civiele gereebtsbof, het gerechtshof voor burgeriyke zaken; c. of equity (spr. —ékwitie), ren blliykbeldsgerccht, een ban-deisgerecbl, kamer van koophandel in F.uge-land, die niet naar de strengheid der wei, maar naar biiiykiieid vonnis spreekt; c. of exchequer (spr. —ekstsjékker), het schal kamer-gerecht; c. of kinifs of queens\' bench (spr. -kwiens bentsj), bel opperhofgereebt; c. of recórd (spr. -rikonl ), gerechtshof met schrifteHjke procesvoering, de rechtbank voor verscbiilen hoven de in shillings; c. of non record of c. nol of record, nc-rechtsbof met niei-sehriftciyke procesvoering.

Courtage, z. ond. c o 11 r i 1 r.

Courtaud, m. fr. (spr koertó, v. court, kort) een paard met afgesneden ooren en staart;

courtaudeeren, een paard kortstaarten, angl iseeren.

Courtier, m. fr. (spr. koertjé weleer ook cnuretier, courrelier, v. courir, oudiyds courrc.


-ocr page 308-

COURTIGE

292

COXAGRA

luopon, onuliil zijn work In rundlnniicn beslaal) oon makclniir, onderlmnilolaar, lioniiddolaar van koopoii on vorkoopon; courtier inlerprUe (spr. —ehterprH\'), in FrankrUk oon boüedlgd Imn-dolslolk; — courtage, f. (spr. koertd-zj\'), «ok conscrlo, f. (spr. sn/Vsri\') hot work oons ma-kolanrs, de makelarij, hel makelaarschap; (iok hel niakolaarsluon; — courtago-boek, courtage-conto, n. liét rokoniau-hoek dor hoëedlgdo makeliiars.

Courtige, f. fr. (spr. knertiéz}\') Kml. hol-geca cr aan do voorgescliroven longlo van oon slak stof Ie kort komt.

Courtine, f. fr, (spr. koertién\'; mld.lal. on It. corlina, lal. corlina, ronding, kring, verwant met cors, z. cour). Mil. do middolwal, tus-schenwal, gordyn tusschen twee holworkon, die de zijden of llaaken veroenigt.

Courtisan, m. fr. (spr. koertitdii: sp. rnr-lesano, 11. cnrliuimo, mid.lal. corltsanus, van \'I fr. courtois, provenc. en sp. corks, it. enr-lese, als kwame \'I van oen lat. woord cnrlcn-sis, hot hof holrellonde, iiolfoiyk) oen hoveling-, - courtisane, f. eig. oeno hofdame-, oono vrouw van ongcrogoldo zeden, maar onderscheiden door zekeren zwier van manieren, on die hare gunsten op prijs stolt, oene voorname of zoogenaamde falsoenlUke booleerster-, cour-tiseeren (spr. s=i). Iemand gezel zün hof maken of opwachton, uil haalzucht vleien, inz. eene vrouw;—courtoisie, f. fr. (spr. koer-Inazie) de hof- of riddermanieren, ridderlijke liof-feiykheld, holecfdlield. dicnslvaardighold jegens het andere geslaclil, ridderlijke vrouwenhulde; ook hrloven- of schrUfheleefdhoid in do lilu-latuur.

comix jours, m. pi. fr. (spr. koer zjoer) eig. korte dagen; Kml. korte termijn, spoedig ver-scliijnendo vervaldag (van wissels), kort zicht.

Cousin, in. fr. (spr. koeten . provenc. cosin, It. cugino, mid.lat. cosinus, cusinus, samongetr. van \'I lal. consobnnus, broeders- of zusiorskind, neef, v. sobrinus, hetwelk uil sororinus, van soroi\', zuster, ontslaan is) de neef; f. cousine (spr. knezién\'), do nicht; cousin Is ook do naam, dien do koningen van Klankrijk (en in navolging ook wei anilero version) aan de prinsen van den bloede, aan vreemde vorslen en groo-ten des rijks gavon; — cousinage, f. (eig. m.) fr (spr. —naazj\') neefschap; — cousi-nlsme, n. do nevenbegunstiging, z. v. a. nepotisme (z. aid.)

Cousinétten, cousinotten, f. pi. fr. (spr. koezi—van \'1 fr. coussin, kussen) rozenappels van iiljzondcr zacht vloosch en fijne schil.

Cousso, z. kousso.

Couteau, n. fr. (spr. koeló; weleer coutel, provenc. cnlicl, II. cntlello, van \'1 lal. cullcllus, verkiw. van culler) in \'I algemeen mos, Inz. z. v. a. couteau de chasse (spr. — sjd.vs), oen hartsvanger, jacht houwer, kort zUdgewoor; — cou-telas, m. (spr. koel\'ld) korte en broedo sabel, kling, kort olas.

Couteline, f. fr. (sjir. ou=oe) cc no soort van wlito of blauwe grove katoenen stof uit indlö, Inz. uil Surale.

coamp;te que coüle, fr. (spr. koel\' ke koel\') hot kosie wal hol wil, lol eiken prijs, volstrekt.

coüteus, adj. fr. (coüleux) kostbaar, duur, hoog In prys.

Coutil, m. fr. (spr. koeti: van \'I lat. culctlo, kussen, mairas) tyk, beddetyk.

Coutume, f fr. (spr. koelüüm\': vroegor couslume, vgl. cosiume) gewoonte, gebruik, lands-, stadsrcchi, lands- of stadsgebrulk-, in Frankrijk ook provinciale wetten.

Couvade, f. fr. (spr. koewaad\'; v. couver, iiroeden) do op vele plaatsen hoorschonde ge-woonlo, volgens welke in plaats van do bevallen vrouw haar ochtgonooi het kraambed houdi; — couveuse, f. (spr. kne-weuz\') eig. broed-ben; broedmachine, toestel lol kunstmatige ult-brooding van eieren.

Couvert, n fr. (spr. koewèr, gewoonl. koe-rért, van couvrir, bedekken, van \'I lal. coope-rïre, 11. coprire) een omslag, briovenomsiag, oeno sclioodo, hulsel, bedokKlng; hot veroischte iafeigereedschap voor (^en persoon; — n couvert, beschut, hovelllgd, geborgen; —per couvert, voor hol maal van (ion persoon, b. v. I gid. jier couvert: — par concert (afgek. p. c.), ingesloien, onder omslag (op brieven); — cou-vertement (spr. koewert\'mdii), lioimoiyk; —COU-verteeren, bedekken, omslaan, insluiloii; — couverture, f. deksel, bedekking-, beddede-kon; omslag; couvrechef, m. fr. (spr. koewr\'sjéf), Chir. een wondheelorsverband of windsel om hoi hoofd; - couvreface, f. (spr. koewr fdas\') Mil. bolwerkboscliulting, z. v. a. contregard o; — couvre-feu, n. eig. vuurdoksoi; hraiidschcrm; de avondklok, de klok, die in sommige oorden dos avonds het teeken geeft tol uiloongaan, lol scheiden, de laptoe; - couvreoren, bedekken, verbergen; bosprliigon, dokken (oener merrie).

Covado, m. oene iengtemaat in Portugal voor slolfoii, verdeeld in II palmos, = 0,00 motor, z. cob ld o.

Covenant, n. eng. (spr. kóvv\'nent: oni-staan uit hel oudfr. covenant, convendnl, van \'I lal. coni\'enrt\'c, samenkomen, overeenkomen) In \'I algemeen oon verdrag, verbond, Inz. het verhond der schotsche Protestanten, ter bescherming der nieuwe loer in ISSO gesloten, en in i03S vorniouwd;— covenanter, m. verbondene, lid van hot scliolscho geloofsbond.

Covent, z. convent.

Covert, ii. eng. (spr. kowwirt) struikgewas, hosch, kroupelhoul.

Coviéllo, m. 11. pocher, praler, ijzorvrcier, op het Hal. volkstheater.

Cow-catcher, m. eng. (spr. koukitsjer) ioesiel aan (amerlkaanscho) locomotieven, om hindernissen uil do weg te ruimen.

Cowries, z. v. a. kauri (z. aid.)

Coxagra, n. lal.-gr. (van \'I lal. coxa, heup, en \'l gr. agrêtn, nemen, vallen, naar do analogie van rhiraqra, potlaqra) Med. de boupjiclil;


-ocr page 309-

CRATICULKEREN

COYAN

— coxalgio, r. cltt. hcuppUn; heuiivorlam-mln/,\', onlstoklnR en vorzworltiK van hel lieup-gewiichl, hel zoogenaamd vrywlllig hinken, ook coxarthrocace; — coxitis, f. ontslcking van \'l heupgowrlchl.

Coyan, n. vruchtmaal en handelsgewlelil in Achler-Indlfi.

Coyon, z, coïon.

Crachat, in. fr. (spr, ftmsjovan cracker, uitspuwen) elg. uitgeworpen speeksel of siym; onelg. (In do volkstaal) eene orde-ster of verscheidene op de horst gedragen ordeteekens; — craeheerGn, spuwen, uitwerpen; — cra-choir, m. (spr. krasjoAr) een spuwhakje, kwispedoor; -- crachoteeren (fr. cracholer), dik-wills spuwen.

Cracovienne, t. fr. (v. Cracovie, Krakau) pooische nationale dans; — (iracoviers, m. pi. fr. (spr. kmknwjé) kleine, met een ragout gevulde en In boter gebakken eierkoeken.

Craig, m. seiioiscii (spr. kreq\') rots, klip.

craintif, adj. fr. (spr. kreiUiéf: van crain-dre, vreezen) vreesachtig, schroomvallig, beschroomd, hloodo, schuchter.

Crambamboeli, z. kr—.

crambe Ms coda, r. recócta, r. repetita, bil. opgewarmde kool, opgewarmde kost; vervelende en nuttelooze herhaling.

Cramini, rn. do oostind. stadsrechter.

cramoisi, fr, (spr. knimmKi) karrnoz(jnrood, z. k e i\' m e s.

Grampus, m. nw.lat. (mid.lai. cramim, fr. crampe, v. ons kramp, oudhoogd. chrnmplw) kramp in enkele spieren, vooral van de lede-maten, 1). v. In di\' kuil.

Cran, m. fr. (spr. kraii) de signatuur aan do drukletters, de kerf, het groefje, dut bare bo-ven- of onderzijde en de soort, waartoe zij be-hooren, aanduidt.

Cranono, f. fr. een dolle streek, oen uitzinnig gedrag.

cranium, craniognomiok, z. k r a-n I o n; —crania, f. nw.lat. de schedelspier.

Cranky, n. eng. (spr. krénki) het geruite lijnwaad.

Crannoges, pl. soort lersche paalwoningen.

Crap,n. eng. de windhaver; boekweit; eene stof voor vrouwenmantels.

Crapaud, in. fr. (spr. krapózoo men wil van \'I lat. crepare, bersten, omdat zij zich tot berstens toe opblaast; waarschijnlijk van re-pere, kruipen) de pad, padde; een zaclit gezwel aan den hoef van het paard; crapawls du marais (spr. krapóilumarè), «moeraspaddenquot;, scheldnaam door de hergpariU gegeven aan de glrondUnen gedurende de eerste fr. revolutie; — crapaudine, f., of bufoniet, m. fr. een paddosteen; eene plaal met de spil, waarop eene groote deur of poort draalt; eene blikken of looden plaat met gaatjes, een rooster van (jzerdraad voor de opening eener waterhuis.

crapüUt, f. lal. (gr. kraipdlï) de roes, en de hoofdpijn na eenen roes, katlerigheld; — cra-püle, f. fr. liederUjkbeid, zwelgerij, vul Ir overdaad; gemeen volk, gepeupel, janhagel, grauw; — crapulous, adj. (fr. crapuleus) dronken, zat, bezopen.

Craque, f. fr. (spr. krak\') een plat, maar verzachtend woord voor longen; — craqueur, m. fr. (spr. krakeur: v. craqwer, kraken, enz.; liegen, pralen) een pralor, pocher, leugenaar, windmaker; — craquorie, f. pralerij, pocherij, leugen.

Craquelée, f. fr. (olg. goharsten, gesprongen) glasversiering, Inz. aan punchhowis, beslaande uit kleine barsten, verkregen door liet dompelen van het halfgehlazen glas In koud water.

eras, lal. (missus, u, urn) dik, sterk, grof, plomp; onelg. ongclouierd, grofzinnolljk, ruw, b. v. c r a ss e li e g r i p p e n; — crassamén-tum, i). lat. elg. droesem, grondsap; iiel stolbare gedeelle des bloods, de bloedkoek; — crassane, f. (Ilerqainntte crussanc) fr. eene soort van kruidige peer, die In vorm en kleur naar de bergamot geiijkl; — crasseeren, lat. dik maken, dicht maken; — crasses-ceeren, dik, vet worden; — crassioau-disch, adj. nw.lat. dlkstaartlg; — crassi-caulisch, adj. dlkstengelig; — crassicól-lisch, adj. dlkhalzlg; - crassicórnisch, adj. met dikke hoornen, dikke voelsprieten; — crassicóstisch, adj. dikrihhlg; cras-sidóntisch, adj. diklandig; crassifl-ceeren, lal. iiik, (iicbi maken-, — crassi-fólisch, adj. nw.lat. dikhladerig; crassi-Unguisch, adj. diktonglK; - crassiló-bisch, adj. dikiobhig; — crassinérvisch, adj. met dikke hladrlliben; — crassipédisch, adj. dikbeenlg; — crassipénnisch, adj. dik-vleugellg; — crassipetalisch, adj. mei dikke hloemhiaderen; - crassiróstrisch, adj. dik-snavolig; — crassispinisch, adj. met dikke stekels; - erassiquMmisch, adj. (Ilkschub-Idg; - crassiscüleisch, adj. met lireede voren, breedgegroefd; crassiteit, f. later lat. [crasstlas) de dikte, dlchiheid; crassi-venisch, adj. nw.ial. dikaderig; — cras-SÜla, f. nw.lat. Hol. dikhlad, vetiilad; cras-sulacéën, dikbladerige planten, zekere pian-tenfamiile, waartoe het hulsiook, het daklook, het dikblad, hel navclkrulrt, enz. behooren.

crus, lat morgen; — crastinatie (spr. lie =lsie), f. nw.lat. het verscbulven lot morgen, het uiistelien; — crastineeron, uilsiellen, verschuiven.

Crassane, crassi , crassula, enz., z. ond. eras.

Crasse, (. fr. (spr. kras\') smeer, vuil; cham-hre ii crasse, vuilniskamer van het chasscpot-geweer.

Crastinatie, crastineoren, z. onder

eras.

craticuleeren, nw.lat. (v. cralicfila, eene kleine horde) vierkante ruilen op eene leeke-ning, plaat of schilderU brongen, om ze verkleind na te leekenen, overirallen; — crati-


-ocr page 310-

CUAVACHK

CREDO

ciila, r. hot imtookoimcloraticulair,

ailj. net vonulK, tniUovonnlB; — craticula-tio (s|ir. lie—Me), f. itc overdokkliiK oonor teo-kenliiu, on/., uii\'t h\'illlowci\'k of kruislijnen.

Cravacho, f. tr. (s|)r. krawdsj ) hot rU-zwcopjo, ile k a r w a I s.

Cravate, r. fr. (s|ir. krawal -, naar nion wll afftoield van ile Cioalon, vroeger cravales (fenoeiiKl (eravale heel iiok in \'I fransch eoa croatlsch paanl), van wie ileze draehl In lUllii, hi) ucletri\'iiheld van de oorlOKen der Franschon leiton Dullschland naar Frankiyk zou Kekomon zijn; vandaal\' oud-11. civulla, In plaats van hel tui ill it-\'i\' criifttllu), de halsdoek, das.

Crawfish, crayfish, cni,\'. (spr. kreefiesj\') kreeft ; als vverkvv. (en subsi, het c — inu) In Noord-Vnieilka: het verlaten eener pariy en harer lieulnselen (zooals rallinij In Kngeland).

Cray, f. ong. {spr. kree) een klein driemast selitp.

Crayon, m. fr. (spr. kréjóii. van craie = lui. crela, krijt) eeno tcekenslift, verfslift, eon pijpje teekenkrül; rood kriil; een potlood; f.rrif-fel; ook eene itaarinode goniaakto teekenlnu; sehets, eerste ontwerp; crayonneoren, met potlooil, rood kryi, enz. teekenen, schetsen of ontwerpen; crayounour, m. een stlftteekeniiar.

Crazia. crazie, f, II. eene zilvermunl In Florence en elders, van 4 ii ;l ct.

Crea, f. sp. eene soort van s|i. duhhellUn-waad. lederiyiiwaail.

Creaght, n. is|ir. kriel) oud-iersclie gewoonte om als nomaden het vee van de eene weideplaats naar de andere Ie drijven.

Cream, n. oiik. (spr. kriem) room; cream of tartar, wynstoenroom; cream-cheeseispr.—/.yfes), roomkaas;- cream-coloured, roomkionrif?; — creamtart, een roomtaartje; — z. ook ond. cold.

Créanco, f. fr. (spr. kre-aits\'. mld.lal. ere-denffa, provene. credensa, 11. crclt;lemu,\\. \'I lat. cvedrre, irelooven; vgl. er cd lel) liet geloof, vertrouwen; de horgtocht; nllstaanile schuld, scl\'uldvorilerlng; — creanciëei\'on, liorg staan, horg hiyven; creancier, in. (spr. kre(insj(\') een sclmldclschcr, z v. a. cr odll e u r; — creantatio (spr. Henluie), f Jur. de ull-relklng eener gereclitetyke oorkonde, acte, enz.

Creas, m., ook créos, f. pi. fr. eene soort van hennopdoek, dnliheldoek van wit garen.

Creatie (spr. I=ls), r. lat (creatfo, v. m-are, scheppen; kiezen, heiioenien) de schepping, teling, voorthrenging; verkiezing, henoemlng, aanstelling; creatianisme (spr. li—tsi), n. nw.lat de reeds door Aristolcles opgeworpen en door de kerkvaders verdedigile mconlng, dal (iod de nienschciyke zielen In den tyd schept en haar hy hel tetlngswcrk, of ook ill dagen na de onlvaiigeiils, met de llcliamen ver-hlndl; — creatiaan, m. een aanhanger van die leer; — creatine, creatinine, f. Ghom. krlstalllseorende zelfstandigheid, ille men uit hel vleosch der gewervelde dieren verkrijgt, vieescli-

stof; — creator, lal., createur, fr. m. do

schepper; —creatuur, f. (lat. crealura) oen schepsel; minachtend: een gunsteling ot aftian-ketyk wezen van hom, aan wien hy zyr.e fortuin ie danken lieeft; ook wel oen slecht^vrouwspersoon, wonderiyk monsch; — creatürisch, adj. uw. lat. met do olgonschappon van eon schepsel.

crehro, adv. lat. dlkwgls, menigmaal; —cre-bresceoren, menigvuldig worden, zich uit-hrelden;— crebricóstisch,adj. nw.lat. diclit-ribhig; crebreeren, lat. menigvuldig maken ; dicht maken; — crebrisülcisch, adj. nw.lat. dicht gegroefd; — crebriteit, f, lal. de menigvuldigheid; iliclitheld.

Crèche, f. fr. (spr. kritsf: eig. krih, provonc. erepia, crepchu, it. greppia, v. het ouddultsch krippa, dultsch kiippc, ons krih) de voorhek, de uil gemetselde punt van oen hrugpyier, lirugge-zuli; een yshreker In de rivieren, — ook (van de krlii van het kind .lezus ontleend) inriehllng voor onverzorgde kinderen, de ktoin-kinderhe-waarplaats, hewaarplaals voor zuigelingen.

credo, lat. Ik geloof; hol credo, de geioofs-lieiydenis der apusteicn, de geloofsartikelen;quot;— ereilo quia ahsurdum. Ik geloof het, omdat het ongorymd is (waarmede ie kennen gegeven wordt, dal het geloof Jalst datgene ais waar Iiescliouwl, wal de rede weigert te erkennen); — credrre, lat. en 11. gelooven; vandaar: ere-diil .ludaeus Apilla, lal. eig. dal geioove de jood Apolla (een hygeloovige jood in Koine Ion lyde van llorailus), dal geioove leder ander dan ik! dal moge een ander gelooven, maar ik niel! — del ered re staan, 11. Kmt. voor iets goed spreken, linrglilijven; — credénda, ii. pi. lal. de geioofsarlikeioii; — oredentia-les (litlerae), z. lillerae rredenlinles: — cre-denzen, hoogd. (spr. kredénlsen, van het It. eredemare, van eredéma, geloof) het voorproeven, naar \'1 voorin, gchruik aan de hoven om de spyzen en dranken vooraf Ie proeven, eer men ze een ander aanhiedt, ten liewyze van liunne onschadeiykheid; — vandaar credén-zer, in. een voorproever; credénztel-ler, m. een prcsenieerhlad; credénztafel, f eene schenklafel, aanreciitkasl; — credi-bel, adj. lat. (eredibïlis, e) geiooliyk, geloofwaardig; credibiliteit, f. nwlat. de ge-ioofwaardighelil; — crediet, n. (fr. crédil, 11. erédiln, v. \'I lal. rredllum, het geleende, van credrre, icenen) Kml. trouw en geloof, handels-vertrouwen of aanzien, de goede naam, waarin Iemand staal als nauwkeurig lietalcr, als gegoed of solide persoon; de gegeven iyd van hetating, het horgen, li. v. iets op crediet nomen of koopon, iels horgen; een jaar-I ijk sch crediel li oh b e n, een jaar lyd-ruimio van betaling belihen; crediet-bank, crediet-instelling, f oeno ge-wooniyk door niaatsc.happyen gcstlchte inrichting lol bet voorschieten van geld legen voldoende zekerheid en liehooriyko vergoeding, bei-welk de maalschappU door bydragen by eikan-


-ocr page 311-

CRKOOL

CREKKS

\'295

der lircnüt of zuil togon ondorpand opneomt, inz. tot bevordering vim handel en Industrie; li. v. crédit agrlcole, n. tr. (spr. krédi-tagri-knl\') lundbouwercdlet, een credletbank tot bevordering van den landbouw; crédit fonder, n. (tr. krédi fonsjé) grondcrodlct, credletinstelllng, die credlet verleent op grondelgendonimen; crédit mobilier (spr. —mobieljé), crodletbiink, die credlet verleent op roerend goed, koopwaren, effecten, enz.; — credietbiljetten, n. pl. scliuldbekenteniSsen voor ontvangen waren, met aanduiding van den tgd der betaling;- cre-dietbrioven, m. pl. aanliovollrigs- of borg-tochlsbrloven, waarin een derde verzocht wordt lt;len daarin beteekende met gelil. voorspraak, enz. te ondersteunen (reizigers plegen zich zulke brieven te verschaffen, wanneer /.y het noodlge geld niet In klinkende muni willen medenemen); geven zulke brieven een onbepaald credlet, dan heeten zü open credlet brieven; z. voorts over bet woord In polltleken zin litterae ere-dentiales onder littera, credietkas, eene zoodanige kas, waarby rnon op de haar overgegeven waren tegen interest voorschotten kan krUgen; — crediet-systeom, n. liet slelsel van geld opnemen en uiiieenen als staatsinrichting (door (inancleele en handels-autoilteiton);

credietveroeniging, f vereeniging tot het verschatten van voorschot aan haar leden, gewoontyk door eene credletbank (z. aid,);

creditabel, adj. eerzaam, eerbaar, wel-voeglök; credit, (dg. de derde persoon, v. credire, credit, hy gelooft, vertrouwt loe, leent) liet hebben, liet tegoed, In de koopinansboe-ken tegenover het debet geplaatst; cre-ditoeren (fr. crédiler), op vertrouwen of geloof geven, borgen of leenen; iemand vertrouwen hewUzen of schenken; vertrouwen, toevertrouwen; — creditor, lat. (pi. créditom), créditeur, fr. m. een schuideisciicr, iemand, die geld te vorderen beeft, uitgeleend heeft; vgi. debitor; creditor antichrcltcus, een schuld-eiscber, wien hel vruchtgebruik van een oniler-pand In plaats van interesten is aangewezen; cr. chironrofiharfus, een schuideischer op band-schrifl; cr. hyimtliecanus, een schuideischer, die door een vasi onderpand is gewaarborgd; cr. pi(inorati(tus, een schuideischer, die door roerend pand is gedekt; — creditrix, f. de schuldeischeres; credïtum, n. liel aanvertrouwde, bet geleende geld; — creditzijde, f. de zijde van hot te goed in bandeisboeken, (te rechterzijde in rekening-couranten, enz.; — creduliteit, f. (lat. credutitas) de iicbtge-loovigtieid; creduliteits-eed, m. de verzekering onder eede, dat de eedailegger iets voor waar of onwaar houdt, \'tweik hU niet door eigen waarneming weet.

Creeks, n. pi. eng. (spr. krieks: mid.lal. erica, angels, crecca, nederl. kreek) kleine zeeboezems of golven, bochten, baaien, Inhammen, havenpiaatsen aan ite engelsche kusten; kana-ten In Suriname, vgi. crique; — creeks en crees, m. pl. (spr. krieks, kries) twee in-diaansche volksstammen In N. Amerika, das genoemd naar de menigvuldige kleine wateren hunner landstreek.

creëeren, lat. [creBre) scheppen; kiezen, verkiezen, benoemen, aanstellen; oprichten, stichten; — gecreëerd, adj. verkozen, verkoren, aangesteid, benoemd; opgericht, gemaakt.

Cremaillères, f. pi. fr. (spr. —maljèr) Mil. zaagtanden, driehoekige met vlechtwerk be-kieede insnijdingen aan de Inwendige glooiing van de borstwering eener veidschans, om den verdedigers gelegenheid te geven, iinn geweervuur naar drie verschillende züden te richten; tiaar uitvinder was de fr. legenleur Clalrac; — cremaillerie, f. (spr. —maljerie) land- of kerfwerk; •— cremailleeren, kerven, getand maken.

Crémant, m. fr. (spr. cremdii) eene soort van champagne-wyn, op welken een licht, wil, naar room gelykend schuim komi.

Crematie (spr. t—ts), f. lat. (crematto, v. cremare, verbranden) de verbranding, Inz. H|k-verhranding.

Crembalum, n. iat.Muz. bromyzer, mond-trom.

Crème, f. fr. (spr. krèm: provenc.. It. en sp. crema, mid.lat. voor cremor, z. aid ) eig. de room van de melk (lat. cremor laciis)-, ook een schuimend gerecht uit eieren, melk, suiker, amandelen, enz.; onelg. het tiesie van eene zaak, de room, liet puik, liet neusje van den zalm; inz. de voornaamste kringen (la crème de la société); — crème auj: amandes (spr. ■0!a-mdnd), amandelmelk of -pap; — crème d\'orge (spr. —dórzj\'), gcrsteslenip; — crime fouettée (spr. —foedtté\'), geklutste, lot schuim geklopte room, onetg. mooie woorden, schijnvernnfi, enz. zonder grondigheid; — crémometer, m. roommeter, een door Chevalier uitgevonden werktuig om melk te onderzoeken.

Cromoner viool, f. eene voortrclleiyke soort van violen uil Gremóna In Italië.

cremor, m. tal, room; cremor tarturi, cre-mortart, m. room van wynsteen, gezuiverde wynsteen {tartarus deimratus, vgi. i aria rus).

erena,!, lat. de insnede, kerf, groef; ere-neau, m., |ii. creneaux, fr, (spr. krenó) iVlil. getande openingen in de muren der vestingen, om er den tromp van \'I geweer door te steken en op den vyand te vuren, schietgaten; — creneleeren (fr. creneler), kerven, uiltandcn; met schietgaten voorzien; randen, b.v. munten; — crenelage, f. (spr. -la-zj\') het randwerk der munten; — crenicóllisch, adj. nw.iat. met gekerfden hals; — crenifé-risch, adj. getand, gekerfd; — crenirós-trisch, adj. met gekerfden snavel.

creneeren, nw.iat. in lettergieier(|en: de letters afsnyden, tiaar van de scherpe kanten ontdoen; — crénene, f. liet wegnemen van den scherpen kant van \'I oog der drukletter.

Creool, m., creole, f., pi. croólen, (v. het sp. crinllo, d. i. eig. opgewassen, geteeld, Inz. door van buiten gekomen ouders in het


-ocr page 312-

CREOSOOT

CRKTONS

200

land (feteeld, inlHiulsch, sumongctr. uit criadillo, vcrklw. v. criadn, part. v. criar, telen, opkwee-ken) de in Amerika uit ouropcescho ouders ge-iioren monschen.

Creosoot, z. kroosoot.

Crêpe, (r., of krip, ook crêpon, n. (spr. krèpóii; van cn\'per, lat. crispare, krullen, van crispus, kroes, gekruld) iloers, eene doorgaans licht kroezige stof van lljne wol of ruwe zyde; ook eene soort van gekruld kapsel; — crêpe de Chine (spr. —sjien\'), chineesch Iloers; — crêpe double (spr. —doehl\'), duliliel floers; — crêpe lisse (spr. —Hess\'), glad floers; — crepi, n. fr. de pleisterkalk, waarmede het muurwerk wordt volgeraapt ; cropine, f. kwast werk, eene soort van franje, van boven breed en open gewerkt met lange afhangende draden; — crepon, n. fr. (spr. —;«)«) eene naar floers gelijkende, kroeze stof, doorgaans van wol.

crepeeren,lat. (crepure) eig. kraken; bersten, springen van yzcren hollen kogels; onelg. van dieren (en dan nog gemeen) sterven, omkomen, verrekken; ook ergeren, verdrieten; — orepiteeren (lat. crepilSre), kraken, b. v. van gebroken beenderen; — crepitatie (spr. Iic= tsie), f. het kraken, knetteren, knappen, b. v. van een vlammend vuur; Chlr. het knersen van gebroken beenderen, ook het knappen der gewrichten; — creiiilnfio vesiculuris, bet knetterend geratel, dat hU het ademhalen in de long gehoord wordt; — crepitus renins, eene hoorbare wlndloozlng.

Crepïda, f. lat. (gr. krëpis, genlt. krepidos) voetbekleeding der oude Grieken, halve schoen, pantolTel; — ne sutor ultra (of supra) rrepfdam sprw.: schoenmaker, hiyf bü uwe leest! eig. ga nlei boven den panioitei uil, d. I. oordeel niet over dingen, die gü niet verstaat; — crepidanus, m. de panloffelmaker; — cre-pidolith, m. de pantofTelschelp, eene ver-steenlng.

Crepine, crêpon, z. ond. crêpe.

crepi toeren, crepitatie, enz., z. ond. crepeeren.

Crepundia, n. pl. lal. (v. crepara, knapperen, knetteren; vgl. crepeeren) kinderspeelgoed, kinderachtige dingen; ook de ken-teekens, waarmede men oudtijds de vondelingen merkte, opdat zy later door hun geslaeht konden herkend worden; Muz. al de klepper-instrumenten te znmen genomen.

crcpuscütum, n. lat. de schemering, by de Ouden doorgaans do avondschemering; — cre-pusculair, adj, nw.lat. lot de schemering be-boorende; — crepuscularïën, n. pi. IN. H. avondvllnders.

Crès, m. fr. lynwaad van Morlalx, z. v. a. c r e a s.

crescêndn, it. (spr kresjéndo, van \'t lat. cres-clre, groeien), Muz. toenemend, stygend In sterkte der tonen, de trapsgewyze overgang van piano tot forle en fortissimo; men duldt het aan door het teeken lt; of door de verkorting cresc. (vgl. decrescrendo)-, ook de naam van een in mi door Bauer Ie Beriyn ull-gevonden speeltuig, dat als klavier behandeld wordt en Smaal van loon kan veranderen; — crescent, adj. (lat. créscens) wassend, toenemend; — crescéntie (spr l=ts), f. (lat. crescenffa) het wassen, de wasdom, \'t gewas, inz. het wyngewas; — Crescentïa (spr. t—ls), vrouwenimam: de groeiende, toenemende.

Creseau, in. fr. (spr. krezó) dikke gekeperde wollen stof of serge met i en vers of ruwe zyden.

Creta, f. lal. (van hel eiland Greta; eig. crellsche aarde) bet kryt; creta alba, wit kryt; creta nigra, zwart kryt.

Crête, f. fr. (van \'t lat. crista) kam, graal, bergrug, zoom, rand; kuif of pluimbos; helm-spits; Fort. kam of kroon der borstwering.

Cretensers, pl. Inwoners van het eiland Creta of Candia.

Crethi en Plethi, z. Krethl, enz.; — creticus, z. a m p h 1 m a c e r.

Cretin, m., pl. cretins, fr, (spr. kreten) of cretinen (voor creslin, van \'I provene. creslar, craslar, onlmannen, lubben, verminken, berooven, v. \'t lat. castrare, afsnyden, (uimannen; verzwakken, dus oorspr. een naar den geest en\'t lichaam verzwakt misvormd mensch; anderen hebben \'I woord afgeleid van \'t fr. cre-tine, aanspoeling, aangezien de kwaal aan de moerassen wordt toegeschreven, ook wel van \'t romanlsch creliro, d. I. creatuur, een ellendig schepsel, dus eig. cretlren; nog anderen houden \'I woord voor eene samentrekking van chrilien, voor christen by uitnemendheid, omdat men deze inenschen, als hebbende geener-lel bewustheid van \'tgeen z.y doen, bulten slaat rekent van Ie zondigen) eene soort van inenschen, ille zich door zwakheid van geest en wanstaltigheid des lichaam van anderen onderscheiden en meest in de alpendalen van Zwitserland, Savoye en Piemont, maar ook in andere deelen der Alpen, in de Pyreneen, hier en daar in M.Dultschland, ook bulten Europa gevonden worden en overal verscbliiende namen dragen, liet kenmerkende der eig. cretins bestaat vaak In grooto kropgezwellen (vanwaar men ze ook krop mensch en heel), gepaard met dikke, platte hoofden, slappe spieren en lange armen; vallende ziekte, stuiptrekkingen en krankzinnigheid komen niet zelden by hen voor; - cretinisme, n. de kwaal, die de lichaams- en daarby tevens de verslands-onlwikkeiing dier mensehen belet of haar zulk eene verkeerde richling geeft; stompzinnigheid, zwakte van geest.

Cretïo, f. lat. (v. cernire, besluiten, inz. lot het aanvaarden eener erfenis) de gorechteiyke wilsverklaring omtrent liet aanvaarden der erfenis.

Cretons, pl. fr. kanon, pl.; pain de cretons, kanenbrood voor jachlhonden, enz.; — cre-tonnier, m. (spr. kretonnjé) vet- of reuzel-smelter.


-ocr page 313-

CRETONN K

UIUMKN

\'297

Cretónne, f. fr. wit normiindlsch lynwiiiid, dus naar den corslen vervaardiger;

sterke katoenen slof, die, meestal met firoote patronen bedrukt, voor siordpen en meubelbe-kleedlng gebruikt wordt.

Crevasse, f. fr. barst, spleet, kloof, Inz. In do gletschers.

Crève-coeur, n. fr. (spr. krèv\'keur -, van crever, borsten, breken, en coeur, hart) barte-loed, kommer, ergernis, gevoelig verdriet.

Crevée, f. fr. een soort rijglijfjo.

Crevéllen, f. pl. Kmt. de kleine olifantstanden van Guinea.

Crevette, f. fr. (spr. krc-wèl\') garnaal.

Cri, m. fr. elg. roep, geschreeuw, kreet; aan de zyde erl geven, beteekent; baar zoo zwavelen, dat z.y op bet aanvoelen rulscbt, knettert; men noemt ook crl bet geluld, dat bet tin geeft hij bet bulgen; bet geknetter, ge-knapper; — criant, adj. fr. (spr. kridh: ge-woonlyk krinnt) schreeuwend, om wraak roepend, hemelschreiend (h. v. van ongerechtigheden).

Criarde, f. fr. eene gegomde stof, die op aanwryving ruischt, ruiseblinnen.

Cribbage, u. eng. (spr. kribbidzj\') een en-golsch kaartspel.

Cribonnettes, f. pl eene vleeschspüs van rauw kalfsvleesch mot kruideryen,. citroenschillen, en/.., in meel omgewcnleld en in boter gc-hraden (ook trnncnn tic. veau).

cribreeren, lat. (van cribrum, zeef, verwant met cernlre, afscheiden, afzonderen) zeven, doorzeven; — cribleus, adj. fr., eri-breus, nw.lat. zeefvormig, vol gaatjes; — cribrosus. Hot. zeefacblig; — eriblure, f. fr. het weggezeefde; — cribratie (spr. /=?.«), f. nw.lat. de afscheiding door zeven; — cribrum, n. lat. zeef of grondplank in het deksel der orgelcancellen; ook smalle houtslrook-jos ter invattlng der springers in de klavieren.

Cricket, n. eng. krekel; het engelsche nationale balspel, waarin men elkander do ballen toeslaat.

Crichthoniet, n. een uit ijzer en llla-nlum bestaand mineraal.

Crida, f. mld.lat. elg. openiyke uitroeping, samonroeping der scbuldeischcrs (provenc. crida, it. grida, van \'I provenc. cridar, It. gridare, fr. crier, lat. quirilare, schreeuwen, uitroepen), z. v. a. concours liy de schuldvordering; vandaar cridarius, m. een schuldenaar van velen. Iemand, die onvermogend is om te betalen.

Crime, fr. (spr. kriem\'), eng. (spr. kruim\'), z. v. a. crimen.

Crimen, n., pi. crhnïna, lat. (samengotr. uit cernimen, v. cernerc, gerechtelgk beslissen, dus oorspr. de rcchteriyke beslissing, dan het voorwerp der rechteriyke beslissing, de aanklacht, het mlsdryf) de misdaad, euveldaad; doodzonde; crimen ablgealus, de misdaad van veedlevcry; crimen aMrlus, de misdaad der vrucbtafdryvlng; cr, adulterfi, de misdaad van overspel; cr. ambflus, de misdaad van omkoo-plng, van ambtshandel; cr. «. secularis, wereldlijke ambtshandel; cr. burenlnrftie, do misdaad van bcdrlegiyke toeöieoning; cr. capitule, eene hoofdmisdaad, eene misdaad bedreigd met doodstraf; cr. cnncusxiönis, (Ui misdaad van door bedreiging iemand iels af to persen; cr. cor-rup/iónix olfiriutium, do misdaad van omkoo-plng der ambtenaren; cr. de residüis, z. cr. residuicr. eccte.iiaxlïcum, eene kerkelyke misdaad; cr. e/fracli curcrri.t, de misdaad van ontsnapping uit den kerker door braak; cr. expi-lalae heredilalis, do misdaad van \'t berooven eener erfenis; cr. falme monetae, de misdaad van valsche munt te maken en Ie verspreiden; cr. falsi, de misdaad van vervalsching; cr. fta-gratis, eene misdaad, waarliy dc schuldige op heeterdaad gegrepen wordt; cr. fraclae pacis pulilfcue, misdaad van het breken van den landvrede; cr. fraudsiae annonac, do misdaad van het duurmaken van graan door opkoopon. koorn-woeker; cr. furli, do misdaad van diefstal ; cr. /inmiciilïi, do misdaad van moord; cr. incendïi, de misdaad van brandstichting; cr. laesac ma-jeslatis, de misdaad van gokwotsto majostell, hoogverraad; cr. legl/ïmum, misdaad, waarop eene bü lt;le wet bepaalde straf staat; cr. nc-cxlltum, eene verholen of flodokto misdaad; cr. parricittti, de misdaad van vadermoord; cr. pc-culatus, ambtsmisdaad door verduistering van lands- of gemeentegelden; cr. perduellionis, de misdaad van hoogverraad; cr. pejeralionis, de misdaad van meineed, ook cr. perjurti; cr. plagfi, misdaad van dievery, ietterdievery; cr. rapïnae, de misdaad van gewelddadlgen roof; cr. raptus, do misdaad van maagdenroof, schaking; cr. repetundamp;rum, de misdaad van om-kooping, van kneveiary, van een overheidspersoon, die zich door geschenken laat omkoopen of knevelaryen oefent; cr. residui of cr. de residüis, ile misdaad van \'I onderslaan der openbare gelden; cr. sacrileffii, de misdaad van heiligschennis, van kerkroof; cr. stcllionatus, de misdaad van bedrog, van argilsiig voordeellrek-ken, de misdaad van onvry goed als vry, en vreemd eigendom als eigen Ie verkoopen; cr. stupri violénti, de misdaad van gewelddadige verkrachting; cr. lennfni moti, de misdaad van verzetting of wegneming van grenspalen; — crimineel, adj. (fr. criminel, lat. criminulis, e) misdadig, iyfslralTeiyk, iyf en leven betreffende, b. v. de crimlnoele rcchlbank, de lijfstralteiyke rechlbank, liet hals- of bloedge-recht; crl ml nee le justitie, lyfstratreiyke rechtspleging; crimineel recht, strafrecht; crimlnoele rechter, strafrechter, de rechter tot onderzoek cn bostralllng der misdaden; crimlnoele zaak, lyfslraiïeiyko zaak; crimineel o statistiek, de wctenscbappeiyko uiteenzetting van bet verloop der slrafrechter-lyke rechtspleging in een land gedurende een zeker lydsverloop; crimlnoele straf, straf aan lyf en leden; crlmlneele wellen, strafwetten, lyfslraltelyke wetten; — criminali-


-ocr page 314-

CRINIS gt;298 CROISKEREN

seeren (spr. s=j), (fr. cHminaliser) lol eono strafzaak maken ; — criminalist, rn. Imrli.-lat. een leeraar o( kenner van het lytstralTeiyk i-oclit; - criminaliteit, f. het misdadige, do slrafhaarlieid, de stratrechteriykheld; — ni-mimtlter, adv. lat. lyfslralTelijk, op lyf en leven; — crimineeren (lat. criminUri), ho-scliuldlgen, Inz. valsch aanklagen; — crimi-natie (spr. I=ts), r. (lat. mminatlo) de heschuldlging, aanklacht; laster; — crimi-nator, m. de aanklager, liesehnldlger; las-1 eraar.

Crinis, m. tal. het haar; — erin, n. fr. (spr. kreii) paardenhaar, lang dleronhaar; — erin vógétal, n. plantaardig surrogaat voor pnarderdiaar, liestaande nil allerlei vezels; — crinaal, adj. tot de haren hehoorendo; — crinale, n. nw.lat. Clilr. oen voormalig wond-heeterswerktulg lot samendrukklng van ile traan-tistel, aldus genoemd, omdal hel aan zijn uiteinde van een haren kussentje was voorzien; — crineus, adj. nw.lat. hehaard, harig; — erinieórniseh, adj. nw.lat, N. II. met in haren nilloopemle voelsprieten; — crinifé-risch, adj. met manen voorzien; — erini-flonsch, adj. Bol. mei haarvormig uitloo-pende iiioenikroon; — erinifórm, adj. haarvormig ; — crinigérisch, adj. harig; — cri-nitarsisch, adj. N\'. II. met haren aan het aehlerdeel; — crinilm, Hol. hehaard; niaan-aohlig; — crinoïdeeën, pl. haarslcrren, zee-palmen, versteeningen, meerendecls van uilge-slorven diersoorten, meestal van planlaardigon vonii; — crinoidisch, nw.lat. haarvormig; gr. lolieachlig; crinoline, fr. eene slof van paardenhaar gemaakt, haardoek; een vrouwenrok van deze (of ook van eene andere) stof vervaardigd, die door stalen voeren wijduit gehouden wordt (uitgevonden door Kriek, te Parus:; ook: de kool van staaldraad voor der-geiyken rok; erinositeit, f. (spr. s=«) nw.lat. de harlgheid.

Crique, f fr. (spr. kriek) eene kleine na-tuuriyke zeehaven, kreek, eene landingsplaats, sluiphaven, z. creek; Mil. eene graeht, dwarskracht rondom eene vesting, om het werk der loopgraven te hemoetiyken; — ook het metaal, waarmede men de holten of gebreken van een geweerloop vuil.

Crisis, z. k r i s i s.

crispoeren, lal. (crispure) krullen, vgl. friseeren; Chir. aderen crlspeeren, afgesneden aderen met een pincet omdraaien om de hloedlng te stillen; ook het samentrekken dor haarvaten, ten gevolge der prikkeling, veroorzaakt door ile aanraking der lui lil met eene wond; — crispatie (spr. /=/.?), f. nw.lal. hel krullen, de krulling; kronkeling, samenkrimping; crispatie der spieren, zigzagswyze Inkrimping der spierbundels; — crispatie der zenuwen, de krampachtige toestand, welke zich nu en dan hy zenuwachlige, hysterische personen opdoet; crispatuur, f. eig. de krulling, kronkeling, inz. een samengekruld snl-kergoiiak; — ni.ipus, «, nm, Bol. gefanzeld of gekruld, li. v. de bladeren van Malva crispa.

Crispijn, m. (fr. Crisjiin, v. \'t lal. C.iispi -nus, d. i. de kroesharige, van irispus, kroes) een sluwe, onhandige bediende, eene komische tooneelrol, in llillll in Frankryk door Kalmon l\'olssoa Ingevoerd; — crispinaden, f pl. geschenken op eens anders kosten, zoo gehee-ten naar den hekenden romelnschen schoenmaker Crispin us (Crlspyn), in de 3de eeuw, die bet leder stal, althans niet betaalde, en de daarvan gemaakte schoenen den armen schonk; — crispine, f. fr. een vrouwenmanteltje.

Cristacieten, m. pl. nw.lat. (van \'i lal. crista, kam) versteende hanekammen, getande oesterschelpen; — crislalus, a, um, adj. Bot. gekamd; kamvormlg; wal eene kamvormlge uitbreiding heeft.

Cristinos, naar de nieuwe sp. spelling voor Chrislinos, z. aid.

Criterium, critiek, enz., z. krit—.

Cl\'izot, n. fr. (spr. kri-zó) soort van lom-bak (z. aid.), waaruit men vroeger horloge-kasten vervaardigde.

Crocëa, rnid.lat., of croccia, II. (spr. królsja), f. de roode kardinaaiskleeding; — cm-ceus, a, um, adj. Bol. safraangeel.

crocheeren (spr. krosj—), fr. {crocher, v. cror, haak, van \'I ondnoordsch krdkr, oudd. chrarhn, walliscb croq, haak) krommen, baken; met het graveerstift de slaarlen der noten Irek-ken; croelie, f. fr. achlsto noot (it. crooi a); crochet, n. (spr. krosjè) een haakje; Chir. de lang of haak by hel sleensnyden; kromyzer, baaksleulel, keizer; ook draaghout, rnglioul der pakdragers; eng. kwartnoot; pl. crochets, de zyiokken der vrouwen; de haakjes in druk en schrift om eene lusschenvoeging (pnrenl hesis) in Ie slulieii; — croche-teeren, met eenen haak of kromyzer een slot opensteken; crocheteur, m. een pakdrager, kruier.

Crociata, f. It. (spr. ri—lsj) kruistocht; geld, dal men belaalile lupiaats van aan een kruislocbl deel te nemen; betaling voor vry-stelllng van kerkelyke feestdagen, inz. in Spanje; — crociati, pi. kruisvaarders, deelnemers aan een kruistocht.

Crocidisme, n. lat. (gr. krokydismós, van krokys, vlok) Med. het muggenvangen of plukken aan de dekens, by waanzinnigen en iy-ders aan ijlende koortsen, z. v. a. ka r photo g I e.

Crocióne, m. tl. (spr. krotsjime) eene mila-neesche zllvermuul, = 11. gld. 28 cl.

Crock, z. grog; crocket, n. eng. zeker spel, Inz. gespeeld op kort afgemaaide gras-viaklen mei bouten ballen en hamers, waarby de ballen door een reeks van bogen geslagen moeten worden (niet te verwarren met cricket); crocus, z. krokus.

Crocüte, f. lal. gevlekte hyena.

croiseeren (spr. kronz—), fr. (croiser, van


-ocr page 315-

CROISSANT

CRUCIATfE

29!»

croix = lat. crux, kruis) kruisen, heen en weer trekken; Mil. een kruisvuur maken; — croi-sade, t. (spr. kroazaad\') kruistocht, Inz. ter zee; kaapvaart; krulssloot by \'t schermcii;

— croisé, n. (spr. kroazé) eln. gekruist; de naam van onderschelden wollen en zijden sloffen, inz. lot voerliiB (eiiR. tweel of twill); ook: een eigenaardig gekruiste danspas; — croisée, f. krulsvensler, raamkruls.

Croissant, m. fr. (spr. kroa-sdii) wassende maan, wassenaar; i0 turkscho halvemaan,

Croma, f. li. (het gr. chroma, kleur) Muz. 1° do verhooging of verlaging eencr nool mei een halvon toon (naar men zegl, aldus genoemd, omdat men de halve tonen met anderen Inkl tcekonde; waarschUnlUkcr, omdal men ze slechts als nuances der hoofdtonen hcschouw-de; vgi. chromatisch); 20cene achtste noot

Cromlech, m. cell.-waillsisch (van from, kring, en llech, platte steen, iersch cromleac) een celliscli steonen altaar, z. v. a. dolmen.

Cromórne, f. fr de hasson; een daarnaar geiykend orgelregister In de lias.

Crone, f. zilvermunt in Denemarken, = I gid. S8 cis.

Crops, n. pi. eng. (van crop, d. I. eig. oogsl) Kmt. groole tabaksvalen in N.Amerika.

croqueeren (spr. qu=k), fr. {croquer) lus-schen de tanden kraken, knappen of knarsen; FiCt. eene vluchtige schets met crayon maken, ruw ontwerpen; hei plan eener plaats volgens oogmaat leekenen; vandaar; croquïa, m. (spr. kroki) de eerste gedachte of het ruwe ontwerp van eene schitdery, enz.; eene naar de oogmaat ontworpen leekening van een oord; — croquenote of croque-sol, m. Muz. eig. een notenkraker; oen muzikant zonder talent, zonder smaak in de uitvoering, maar die vlug de muziek leest; eroquant, m. (spr. At«-kdn) een schoft, slecht mensch, slrooper; — croquants, pl. scheldnaam der oproerige lioe-ren onder Hendrik IV en Lodewyk XIII; — croquante, f. knapkoek, kraaktaartje, een gehak, dat tusschen de tanden kraakt of knapt;

— croquet, m. (spr. kroki) dunne en harde peperkoek; — croquette, f. 1° soort lioren-vormig gebak met geklopte room, enz.; 2° tus-schengerecht uit frlcassöe of ragout-achlige ingrediënten, In den vorm van worstjes gebakken; - croqueur, m. een schalk, snoeper, kaper, listige bedrieger.

Crore, z. krore.

Cross, n. eng, kruis-, — cross-readings, pl, eng, (spr. krós-riedinns) het dwars doorlezen der kolommen van eene courant, een boek, enz., waaruit soms de belaehelijkste zinnen ontstaan.

Crosse, f. fr. (provenc. crossa, it croccia, als kwame\'tvan een lat. woord crueïus, u, vin, v. rru.r, het kruis) een herdersstaf, bisschopsstaf; de geweerkolf; de speeikolf; do staart van \'t atTult (crosse d\'a/ful).

Crotalen, crotalarïa, z. krot a ten

Crotoniati, z. end. c o n I o r n o.

Croup, f, eng. (spr, kroep; van \'1 duitsch kropf, nederi, krop, do vloezigo zak aan den bals der graiinetende vogels en een daarnaar geiykend gezwel der haisklioren) do kroep, de vliezige keolontsteklng, eene ziekte der lucht-pyp, welke vooral kinderen aantast en iioogst gevaartyk is; — croupaal, adj. de croup konmerkende.

Croupe, f. fr. (spr. kroep\': piovene, cropa, van duilsch-cellisclion oorsprong; vgl. hot ned. krop, duitsch kropf, waliisch kropa, rroppu, krop, en \'t noordsch kryppu, bult, liociit) liet kruis of dat gedeelte van oen paard of ander iasldler, hetwelk zicli van de lendestreek tot don oorsprong van don staart uitslrekl; — croupade, f. oen luchtsprong van een gedresseerd paard (hoogor dan de courbotte), waarby het ile achloriiooloii en het kruis intrekt; — croupier, m. (spr. kroepjé), eig. een achleropzitter; helper, medestander in het spel, de beiper van don bankhouder by hazardspelen; ook een helnietyko hulp, ongenoemde deelbebber in eene liandeiszaak of een liedryf.

Croustade, f. fr. (spr. krocstaad\') op cro-qnetten (z, aid,) geiykend gerecht met ragoutvulling,

CroÜte, f, fr. (spr. kroel\'-, v. lat. crusta, korst) korst; Inz. oude, berooklo en by uitbr. ook sleclite schildcry; — crouton, m, fr. (spr, kroelóii) een broodkorstje; pl. croutons, in boter hard gehukken sneetjes brood.

Crow, f eng. (spr, kro) kraal,

Crown, in, eng. (spr. krom) kroon, eene eng. zitveniiunt, verdeeld in 5 shillings, de oude crown = 2 gtd. 90 cl., de latere =igld. Hl cl.; crownglass, n. kroonglas, loodvry, ccnlgszlns groen glas van de schoonste hoeda-nigbeid, dat in lingeiand gewoontyk lot vensterruiten wordt gebezigd; het wordt in achro-malisebe verrekykers gebruikt voir de lens, die bel dielitst liij liet oog staat, omdat de slraal-breking er van die van het flintglas (z. aid.) in de voorwerplens weder opheft,

croyabel, fr. (rroyublc, v. croire, gelooven) golooliyk, geloofbaar.

Cru, m. fr. (v. crollre, groeien) wasdom, gewas (inz. van wyn); — cru, adj, fr. (vgl. criidlteil) ruw, onomwonden, scherp.

Crubeki, n, eene turksche secte, die het geloof aan de noodzakeiykheld der bodevaart naar Mekka niet deelt,

Cruciatie (spr. /=/.lt;), f, nw.iat, (van cru-eiiïrc, kruisigen, van crux, genii, cruris, bel kruis) de kruisiging; — crucialus, o, urn, adj. Bol. krulsgewys, legenover eikander staande dat zy vereentgd een kruis vormen; — crucifer, m, de kruisdragende, kruisdrager; — cruci-fërse, f, pi, nw.tat. Hol, ki\'ulshioemige planten;—cruciférisch, adj, krulsdragend; — crucifigeeren, lat, kruisigen; - crucifix, ii. (nild.lal. crucifixum, eig. iets dat aan \'I kruis is gebeebt, fr. crucifix) een kruisbeeld, liet heilige kruis, bet beeld van Christus aan het kruis; — crucifixie, f. nw.iat. de kruisiging; —


-ocr page 316-

CRUDELITKIT

CÜCH1LLO

300

cmcifórm, ndj. kruisvormig; — crucigéri,

m. pi. kruisdragers, naam van vcrscholdon gees-tdUkc Kenootschappcn; — crucigérisch, ad), kruisdragend; — cruciróstrisch, adj. N. H. mei krulsvormlgen snavel.

Crudeliteit, r. lat. (mukiïla.i, v. crudelis,

e, wreed) de wreedheid, onbarmharllgheld. Cruditeit, f. lal. (cnutttas, v. crudus, a,

mi», rauw) de rauwheid, onverteerbaarheid; Iels onverteerhaars In do maag.

Crudo-zilver, hel zilver, alvorens liet Ier verwerking gezuiverd en met koper geallieerd Is.

cruél, Tr. (v. \'t lat. crudelis, e) wreed, hardvochtig, onmenscheiyk, onliarmliarllg; ontzettend, versehrlkkelljk, vreeselük.

Crüor, m, lat. het geronnen bloed; ook bet bloedrood, de roode kleurstof van bet bloed; — eruentatie (spr. Hc=ts\\e), f later lal. {cru-enlnffo, van \'t lat. cruentare, bloedig maken) het hloedlg-maken, do bloedbevlekktng; - cru-entus, n, urn, adj. Hot. bloedrood, bloederig.

cruraal, adj. lal. (crurSHs, v. cms, dl), pl. cmrn) tol de dü behoorend; — cruraalspier,

f. dijspier.

Crusade, r. (spr. kroezade), z. cruzado. crusca, f. 11. (spr. «=oc,- v. \'t oudhoogd. rnisc, mld.duitseh qrusch,iirüsch, kri\'mh) de zemelen; vandaar accadémia della crusca {Ac. furfwnln-rum) In Florence, elg. zemelocademle, eene ver-eenlglng van geleerden lol zuivering der Hal. taal (geiyk men bet meel van de zemelen zuivert), Inz. ook door samenstelling van een woordenboek; — cruscanten, m. pl. onvoorwaardelijke aanhangers dezer academie, spraakzul-veraars, puristen.

Crus galli. Bot. banespoor.

crusla, f. lat. korst, bast; crusta denlium, het email der tanden; cruslra pelrosa, steenachtig cement, dat by vele plantotendo zoogdieren de landwortels omkleedt; cruslra inftammalorfa, Med. onlsteklngskorst; crusla lactfa, f. de melk-korsl; crusla xerpifiinosa, voortvretendo aange-zlehtsworm; — crustacéën, n. pl. N. II. (lat. cruslacra) schaaldieren; — crustaceologïe, f. nw.lat. de leer der schaaldieren; — crus-tacieten, m. pl. versteende schaaldieren; — crustarïus, m. mld.lat. een metaalarbeider, melaaldryver, een maker van gedreven werk, bosselwerker; — orustatie (spr. Iie=lsle), f. nw.lat. de omkorstlng-, — crusteeren, (lal. cruslt/re) bekorsten, met een bast, ook met verheven beeldwerk overtrekken; — crusteus, adj. (lat. cruslósus, a, um) korstig, bastlg; — crustodérmen, m. pl. lat.-gr. N. H. scbub-belooze vlsschen, vlsscben met harde huid, b.v. de pantservlsch.

crustuleeren, nw.lat. (v. crustülum, klein gebak, verklw. v. cruslum, bakwerk, en dit van crusla, z. aid.) Iets vooraf eten, Inz. voor het middageten.

crur, f. lat. het kruis; crux qeslalnria, bet draagkruls, dat voor een patriarch, Inz. als eere-teeken uit gedragen wordt; onelg. voor marteling, kwelling, ongemak (b. v. deze plaats Is een crux inlerprilum of crilicórum, d. i. een kruis voor de ullleggers of beoordeelaars; e.c-perimenlum cruris, proef door een godsoordeel (aan het kruis); vandaar; beslissende proef, enz.; cruris (n. I. dies), do dag des krulses of der krulsverbooglng; de tide September, de derde quatertemper.

Cruzado, in. sp. en port. (spr. kroetadn -, (dg. de met een kruis geteekende) portugee-sche rekenmunt, met een kruis in den stempel, de oude van 10(1 reis = 1 gld. 15 cl., de nieuwe van iSO reis = I gld. il7 cl.; ais zilvermunt Is de oude cruzado = 1 gld. 57 cl., de nieuwe van 111(19 = I gld. (11 cl., die van 1718 en 1198 = 1 gld. ;n cl., die van IS(I9 = 1 gld. ifl cl.; In Brazilië geldt de oude cruzado I gld. 15 cl., de nieuwe 1 gld. in cl.; ook in Spanje eene goudmunt van :i gld. tot -2 gld. «9 «f 79 cl.

Crypta, crypto, enz., z. kryp—; — crystal, z. kristal.

Csardas, in. hong. (spr. Isjardasj; van csdrdu, kroeg) een bong, volksdans.

Csikós, m. hong. (spr. Isjikoosj; van csikn, veulen) paardenherder.

euandoe, z. c o e n d o e.

Cuarteron, in. (spr. koear—) eene sp. inhoudsmaat.

Cuartillo, m. sp. (spr. koearliéljn) eene sp. inhoudsmaat.

Cuba-hout, n. geelhoul, van de ververs-mocrhezleboom up hel eiland Cuba.

Cubatie, cubatuur, z. oud. kubus.

Cubebe, cubebe-peper, f. (nw.lat. en sp. cuheha, 11. cubebe, v. \'1 arab. kabdbaf, perz. kabdbuli) staartpeper, de vrucht van den slaart-peperstrulk, een oosiindischen heester, die in de geneeskunde gebruikt wordt; ook de groolste soort rozynen, beter c 1 h e b e n geheelen, z. aid.

cubeeren, z. ond. k u b u s.

Cubérta, f. poel. dek; scheepsdek; ook; vaartuig met dek (dus geen open vaartuig).

Cubicülum, n. lat. (v. cub ure, liggen, slapen) de kamer, het vertrek, inz. het slaapvertrek; cubicula locanda, quot;kamers te buurquot; (op bordjes In academiesteden); — cubicularius, m. by de oude Romeinen de slaaf, die het op-ziebt over de kamers had; in de middeleeuwen z. v. a. kamerheer; kamerdienaar, Inz. by den paus.

cubiek, cubisch, z. kubus.

Cubitus, m. lat. de elleboog, voorarm; ook de ei; Bot. de lengte van een voorarm hebbende; 17 rynl. duim;—cubitaal, adj. (lat. cubitatis, e) den voorarm betrelTende.

Cubras, m. pi. In Z. Amerika menschen, die uit de vermenging van Mulatten met Negers zyn gesproten.

Cubus, z. kubus.

Cuccagna, f. It. (spr. —kanju), z. v. a. cocagna (z. aid.)

Cuchillo, m. sp. (spr. knelsjieljo) punilg mes; in Brazilië: kleine berg.


-ocr page 317-

CUCULLK

.\'301

CULOÏ

Cuculle, f. (lal. cucüllus, m., later lal. ru-rullu) oeiH\' kap, Inz. relskap, kaproon, lioofd-liedokklng, Inz. als die aim liet gewaad licvos-ligd Is; ook; dergelijk monnikskleed, monnikskap; cuculus non facit monaclium, de kap maakt niet den monnik; - cucullaris, m. Anat. do monnlkkapsspior, eene spier In don nok, die de gedaante eoner afliungende monnikskap heeft; — curullulus, a, um, adj. Hot. kapvormlg.

Cucurbita, f. lat. (fr. cucurbite) do kau-woerdo, kalelias-, Chir. de laatkop; Chem. oen katobasvormtgo distilleerkolf mot langen hals;

cucurbitacéën, f. pl. Hot. kaleiiasvormlge planton; — cucurbitatie (spr. Ue=lsie), f. (lal. cururbilatin) Chlr. hot koppenzetten; mld. lal. Jiir. eene soort van leons-ontromv (felonie), wanneer oen leenman met de naaste liloed-vorwanton van zijnen leenheer vlooschoiyken omgang houdt.

Cucuyo, m. (nil de taal van Haïti) de llcht-gevendo springkever In Amerika.

Cudbear, n. eng. (spr. küdher, verbasterd van den naam iles uilvinilers Or. Cuthiiert Oor do ii) ook perst» en ronde Indigo, m. eene donkerroode verf, eene soorl van orseille, Inz. lot verving dor wol oa zijde, die mot slappen hyienden ammoniak bereid wordt uit hel vvynslecnacliilg mos, of mos dor Canari-sche eilanden, en als poeder gedroogd wordt verzonden, lu Scliotland heet zjj ook c, or car (van \'1 celt.-gicl. corrur, het hoogrood, scharlaken).

Cuerda, f. sp. (eig. sirlk = lat. chorda) eene lengtemaai In Valencia, van ruim iO,n meiers.

cui Ijoiw.\' lal. tol wat einde? waartoe dienstig? wal zal \'1 baton?

cuique suum, lat. leder bet zyne Cuiras, z. kuras.

Cuisinière, f. fr. (spr. kwizi-njèr; van cuisine, keuken, it. cucina, lal. coquina) olg. de keukenmeid; een evlindervormlge blikken braadloo-stel op i poolen.

Cuissage, f. fr. (spr. kwi-sd-tj\'; van cuisse, dy, en dit. van \'1 lal. cora) hel recht, dat zich de boeren In de liarbaarsctie lijden van \'1 leenrecht hadden aangematigd, om In hol bed der pasgetrouwden een been en eene dy te leggen. \'I Was eene synibolische voorstelling van \'I nog oudere recbl van cnlage, z. aid.; — cuis-sière, f. (spr, kwi-s—) de ledorbedekklng des Irommelslagcrs over de linkerknie.

Cuisse-madame, f. fr. (spr. /times—; eig. dames- of vrouwendy, fr. cuisse, li. cnscia, dy, van lal. coxa, heup) eene soort van langwerpige peer.

Cuivre poli, n. fr. (spr. Hun—) fijne waren van geslepen of gepoiyst geel koper (messing) cujus reqio, ejus relioio, lat. die het land regeert, bebeerselil ook don godsdienst.

cut, m. fr. (spr. ku: van \'1 lal. cuius) het ach-terdeol, de sluit; — cul de Paris (spr, ku d\'pari) of cul postiche (spr. —posHesJ\'), (■en valscb of aangezet achterdeel, een kort rokje of ander opvulsel om de japonnen der dames van aciiteren te doen uitstaan; — cul de jatte, m, (spr, ku dzjall\') een menscli zonder boenen, die enkel In een bak (J a 11 e) zich kan voortsloepen; — cul de lampo, in, (spr, ku d\'laii])\') by boekdrukkers; bet sieraad of vignet aan bei einde van een hoofdstuk of boek;

— cul de sac (spr. hu d\'sdk) een zak, keer-weer, eene straat zonder uitgang, eene dood-loopende of blinde straat; — culage, f. (spr. kuld-zj\'), of prioiibatto, jus primae noclis, lat., jus cunnHgi, inld,lal, onder \'1 leenstelsel bet reclil, dal de Jonggehuwde verplichlle om den eersten bruidsnacht bij den landheer door te brengen; het recht der voorproef (laler kon dit recht afgekocht worden, en de afkoopsprys beolie schorlegeld); —culasse, f hel achterste gedeelte van een kanon, geweer, pistool, de kamer, staartschroef; ook hol ondervlak van een gezellen diamanl; — culbas, m, (spr, kuba) een kaarlspel, waarby men zich vooral van /.yne kaarlen poogt te ontdoen; — cul-buteeren (fr. culhuier, v. cul en oudfr. bu-ter, boller, sloolen, omverwerpen) tiullolon, lul-melen, over \'1 hoofd omdraaien; doen vallen, in \'1 verderf storten; overhoop werpen (den vy-and); — culbüte, f, (spr. kuulbüiit\') do luiile-ling, val over \'I hoofd,

Cülcita, f, hit. kussen, holster. Culdees, m. pl. eng. (spr. küldies), of cul-dóërs (ontstaan uil hel lat. cullöres Dei, gods-vereerders) scliotsche en lorsehe geesleiyken, kluizenaars en monniken, die biddend en predikend In bel land rondtrokken tol omstreeks de IKde eeuw.

Culëbra, f. sp, (lal, coluber, colubra) slang, Culëus, m, lat, eig. lederen zak; Med, vliezige zak, vliezig bekleedsel, scheede; ook de groolsle ond-rom. vochtmaat, = 2(1 amphora of liter.

cute, m. |il cuftces, lal. N, II. sleokinuggen;

— culiciden, pl, mugacbllge dieren, Culilaban, of culilawan, m. Hot, do

zeer aromallsche imsl van een boom der Mo-luksche eilanden, door Linnens onder de familie der laurieren gerangschikt.

culinair, adj. lal. [culinarfus, a. um, van cuiinu, keuken) wat tot de keuken, de spysbe-retdlng heboorl.

culmineeren, nw.lal, (van ruimen, lop, kruin) Astron. door den meridiaan gaan en ge-volgiyk de grootste hoogte, den boogslen graad, het loppunl bereiken; — culminatie (spr. l=ls), f. de doorgang der slerren door den meridiaan; in liet algemeen; de hoogste trap, het loppunl; culminatie- of culmineer-punt, hel punl, waar eene sier door den meridiaan gaal, haar boogslen sland aan don hemel bereikt, het toppunt; de hoogsie trap of graad.

culmus, m. lat. de halm; stengel der grasplanten; — culmieten, m. pl. nw.lal. versteeningen van planlcnstengels.

Culot, m. fr. (spr. kuln, van cul, z. aid.) hel


-ocr page 318-

CULPA MO\'i CUMULEEREN

laatst ultkoinund kuiken van con tirooilsol, ncsl-kuiken; hot laatstgoboren kind, do Jonustc of laatslaanuonomeno in con (fezolsctiap; hot onderste deel van lets on wilt zloh daar verzamelt; Arch, een stcnttolvnrinlg sieraad aan het korlnthlsch kapiteel, waaruit «ehladcrto komt;

— culótte, I. fr. eeno broek, oon mansklee-dlngstuk, dat van de middel tot do knloea reikt, korto hroek (vrI. pantalon); ook hot vlam-ml),\' doorgerookte ondorgodeelle van oon pU-pekop.

culiiii, f. lat. oeno rochtschondende handeling, de schuld, hot vorgrUp, do tout; in culpa, In schuld, strafbanr; extra cul/iam, hulton schuld; mea cul/ia (als uitroep), mijne schuld! culpa lala, eeno breorto, d. I. eeno grove, zware schuld; culpa levis, eeno llcblo, geringe schuld; culpa levissima, zoor llcblo of geringe sohuid; — cul-pam prwstoeren, borg blUven voor schade, die door achteloosheid is veroorzaakt; schado-vorgoodlng geven; — culpabel,adj. (lat. cul-pabflis, e) schuldig, strafbaar; — culpabi-liteit, f nw.lat. Strafbaarheid;—culpeus, artj. nw.lat. door onaclitznambold sotmlddragonrt;

— culpeeron (lat. culpdre) hoschuldlgon;— culpiteeren, z. v. n. oulpooren.

Cultellatie (spr. lie—luie), f. nw.lat. (van cullellrire, landmeten) heli stukswijze moton dor hoogten.

Cultellus, m. lat. klein mos; — culter,

n. mes; ploegschaar, kouter.

Culteranismo, m. sp., z. v. a. gongo-r i s m o; — culteranist of culteronist, in., z. v. a. gongorlst.

cultiveeren, enz., z. oud. cultuur.

Cultoristen, m. pi. Lilt. spaanscho dichters, die al de verdionslon der poozio aan do vormen van den stüi toekennen; — culto-l\'isme, n. het stelsel dor cultoristen.

Cultrarius, m. lal. (v culler, mes) offer-slachter; — cuUralus, a,um, adj. Bot. en N. H. mesvormig; Cyprinus cuUralus, moskarper.

Cultriróstres, n. pi. lat. (van culler, mes, on rostrum, snavel) mossnavels, oeno vogolfa-inlllo, tot de stoltloopors bohoorondo, met een zeer langen, van snydende randen voorzlenon bok, zooals relgors, ooievaars, kraanvogels, enz.

Cultuur, f. lat. {cuHura, van collre, verzorgen, verplegen, hoarboiden; voreoron, enz.) de bouw, aanbouw, veldbouw, hot ontginnen, bearbeiden, plegen dor velden, planton, enz., b. v. boomcultuur, do boomteelt; onelg. do aankwoeking, vorming, beschaving, veredeling, verfijning, ontwikkeling, oefening of scherping van den geest, van de vermogens van vorstand on hart; cultuur der kunsten, enz., viy-tige beoefening daarvan; — cultuurplanten, f. pl. kweekplanton (in tegenoverstoliing met In \'I wild wassende planten); — cultuurstelsel, n. bet door graaf Van den Bosch In Ned.-Indlö ingovoordo stelsel van grondarheld;

— cultus, m. lal. (fr. culte, spr. kuull\': eig. benrboldlng, vorpioging; dan: verooring, enz.) de eoredlenst, do openbare, uitwendige gods-veroering; ook do korkeiyko gebruikou;—cultiveeren, mld.lut. (cuHivare, fr. culliver) bouwen, aanbouvvon, bearbeiden, ontginnen; \'rokken (van planten); aankwooken, aanfokken; on-eig. ontbolstoren, vormen, beschaven, voriieto-ron; oefenen, b. v. bot vorstand; beoefenen, b.v. do kunsten, wetenschappon; aankweekon, voortzetten, onderhouden, b. v. iemands vriendschap, enz.; oeno gecultiveerde natie, oen beschaafd volk; — cultiveerbaar, adj. bebouwbaar, vatbaar voor beschaving, vorodoling, enz ; — cultivateur, m. fr. (spr. kuulliv—) een akkerman, landbouwer, boer; — cultivator, in. nw.lat. oon samongosteld akkerwerk-tuig van eng. vinding, waarmede, onder groolo uitsparing van lüd en kracht, de oppervlakte van bouwland wordt omgewerkt, bestrooid, go-lijkmatlg gemengd en van onkruid en wortels bevrijd; tot dat werktuig behooren do oxslir-pator, scarificator, roerbaak, eg go, enz.; — cultivatie (spr. Iie=tsie), of cultiveering, do aaidiouw, bebouwing; do oefening, vorodoling.

Culullus, m. lat. otVerscbaai.

cum, lat. met; cum anuéxo petito, z. peti-tum-, — cum appertinendis, z. apportinen-1 ion; — cum upprobatiöne, z. ond. appro-booren; — cum beneficto invenlarïi, z. ond. beneficium; — cum bona vema, z. oen ia— cum cnmminalionc, z. ond. comminooron;

— cum confirmalióne judicali, z. onder confirm o e r e n; — cum (acullale ordinarïl, z. o r-dlnanus; — cum grano salts, z. oud. t/ra-numi — cum impciu, z. impetus;—rum in-famia, z. ond. Infaam; — cum licenfta su-periörum, z. ond. licet: - rum nolis variorum, z. ond. nota; — cum omni causa, z. onder causa: — cum privilegïo, z. ond. p r I v 11 ogl u m;

— rum proteslaliuiie, z. ond. protestoeron;

— cum refusidne sumtüum, z. ond. re fund core n;—cum reservatiöne, z. ond reservee-ron; — cum sessionc et vntn, z. ond. sessli^;

— cum spe succeiUndi, z. ond. spes.

Cumana, f. Bot. (ie Indische moorbezle-

boom.

Cumarine, f. Chom. eeno knmferncbiige stof, die in de lonkaboonen, het storlovcrkruld, de stoenklaver en eonlgo andere planten voorkomt.

Cümbre, f. sp. top, hoogte, bergpas.

Cumidine of cyanidine, f. Chom. twee op aniline gelijkende In stoonkolenteer aanwezige bases.

cuminum, n. int. (gr. kymmon, van ooster-schen oorsprong: arab. Hammoen, hobr. hnm-món) Bol. de komUn, luinkomijn; cumini semen, hel tulnkomünzaad, een geneesmiddel.

cumuleeren, lal. (cumulare: van cumulus, hoop) ophoopon, te gelijk aanbrengen; ook verscheiden ambten le goitjk bekloeden en de daaraan verhonden voordeeion trokken; vandaar cumuleering der Inkomsten; — cumulatie (spr. lt;=lt;s), f. nw.lat. de ophooplng, opstapeling; Rbot. eene figuur, waardoor men


-ocr page 319-

CUM UÏUICULO

CURA

vorscliplden tlüiikbeeldon achter elkander voorstelt en als \'1 ware opcenslapolt, in togenst. mot distrlhutlo; cumulatie van ambten, hot Roiyktydtg waarnemen van verschelden betrekkingen door (Sen persoon; cumulutio adiö-num, Jur. do ophoopliiK der rechtsvorderingen, do samenvoeging van velerlei aanklachten In hetzelfde stuk; —cumulatief, adj. aan- ot ophoopend; — cumulostratus, m, gestreepte stapelwolk; — cumulus, m. hoop; inz. ook: stapelwolk.

cum utriculo, Bot. met een blaasje; cum uxore, lat., /. nx o r; — rum Denün, z. venlii; — cum volo ittlmituto, ■/.. velum.

ouncteeren, lat. (cunclari) toeven, dralen, lalmen; — cunctatie (spr. lie—lsie), f. (cunc-tatin) bet verwijl, toeven, do draling, vertraging; — ounctator, m. een talmer, draler, schoorvoeter, uitsteller, sammelaar, wlkker en weger (In de rom. geschiedenis bynaam van den dictator Fablua Maxlmus, die door dralen Hannibal In zijne overwinningen stuitte).

Cundurangoplant, f. volgens sommigen tot do familie der apocyneeün beboerende, v. a. do als tegengift tegen slangenhelen gebruikte guacoplant in Z. Amerika, naar men zegt oen geneesmiddel togen kanker.

cuneaal, cuneiform, enz., z. onder cuneus.

Cunétte, ook cuvette, f. fr. Mil. eene atleidingsgracht in het midden van eene droge vestinggracht, om hel regenwater of ander vocht af te lelden; aan don binnenkant Is zij soms met palissaden of met ere ne leer werk voorzien.

cmüus, m. lat. de wig, keg, kegge; cuneus cuneum Iruilit, lal. sprw. de eene wig drytl de andere uit; wie eon ander dryft, staat zelf niet slll;—cuneaal, cuneair, cuneiformtis), adj. wigvormig; — cunealus, a, urn, adj. Bot. wigvormig, h. v. de bladeren, die, aan den top breed zynde, naar de basis in den vorm eener wig tefflopen; — cunealo-atlenualum, Rot. klel-vormlg versmald; — cunoïfolius, ouneï-fólisch, adj. Bol. met wigvormige bladeren; cuneïróstrisch, adj. N. II. wlgbekklg. Cunicülus, m. lat. eig. bet konyntje; Mil. een onderaardsclie gang, eene myn; Bot. honlg-bulsjo-, — cunicularïus, m. de mUnwerker.

Cupól, f. (fr. cnupelle, van \'t lat. cupella, vaatje, verklw. v. cujin, knip) 1° kapel, kuip of val, vervaardigd uit gecalcineerde beenderen, tot poeder gebracht en vervolgens met water tot pap gemaakt, waarvan men zich lot het kupelleeren bedient; 2° ketolvormlg, meest »11 yzer vervaardigd vat, waarin op een onderlaag van zand retorten verbit worden; — cupel-leeren, kupelieeren, sclieikunsiigc bewerking, door middel van welke men bel zilver van do andere metalen, waarmede het gemengd Is, afscheidt; het zilver afdryven; — cupel-latie (spr. l=ls), f. afdryvlng van hot zilver, do op de kapel bewerkte schelding van bet zilver en het lood.

Cupiditeit, f. lat. {cuitidilas, van cujiidits, begeerlg, cuptre, begeeren) de hegeeriykheld, gretigheid, happigheid, het watertanden ;— Cupido, m. Int. (eig. begeerte, minverlangen) zoon van Venus, gew. afgebeeld als een knaapje met boog en pylkoker, somt yds ook met eene toorts in de band; vaak verwisseld met den god der liefde, den minnegod, A m o r, hy de Grieken Eros; ook; N. II. het heldehoen (Tetran cupula).

Cupool-oven of koepel-oven (v. fr. coupole of it. cupola, koepel, v. lat. cupu, vat, kuip) een yzer- of mynoven, een ter omsmelting van het ruwyzor gebezigde oven, die op een vasten grondslag rust, in tegenoverstellliig van storlovens, die vry hangen en om hunne as gedraaid kunnen worden; — cupool-ijzer, het ruwyzer, door omsmelting gezuiverd.

cuprum, n. lat. koper; cupri /lores, f. pl. Chem. koperbloemen, gesublimeerd koper-oxyde; cuprum us/urn, gebrand koper; — cupreus, adj. Bot. koperkleurig, koperrood; met koperglans.

cur, lat. waarom?

cura, f. lat. de zorg, verzorging, voorzorg, bemoeiing, oppassing, verpleging; kuur (z. aid.); ook Cura, de godin der zorg en onrust; Cu-rse, f. pl. ile wraakgodinnen, die haren zetel aan den Ingang der hel hadden; — cura abséntis, de zorg voor het vermogen eens afwezigen; c. ani-murum, de zlelezorg; c. bonörum, bet goederen- of vermogenbeheer; c. exlraordinarta, een buitengewoon goedcrenbebeer voor meerderjarigen, die onbevoegd tot eigen beheer verklaard worden; f. generalis, beheer van het geheele vermogen; c. leqitima, eene naar wetteiyke verplichting aanvaarde voogdyschap; c. posterior, laatste, latere of geringer zorg; c. proiligörum, goederenbebeer voor verkwisters; c. realis, beheer van \'t vermogen eens persoons; c. sexus, voogdUschap over eene vrouw; c. speriiilis, voorzorg voor eene hyzondere rechtsverhouding; c. leslamenlaria, de by testament bepaalde voogdyschap-, c. ventris, bet beheer van bet vermogen eens nog ongeboren kind van een gestorvene; jiro cura, voor gedane moeite of bezorging; — cureeren (lat. curare, eig. zorgen, verzorgen) in ziekte over Iemand gaan; genezen, herstellen; — curabol, adj. nw.lat. ge-neeslijk, geneesbaar, wat genezen kan worden; — curabiliteit, f. de goneeshaarheid; — curandus, m., curanda, f. lat. by of zy, die onder een curator (z. lager) staal; — cu-raat, m. nw.lat. (It. curuto, eng. curate, spr. kjnereet) een gcestetyke, pastoor of zielverzorger, inz. kapelaan; curata ecclesia, parochiekerk; — curateele (nw.lat. curalela), het ambt eens curators, de voogdyschap, momberschap; — curatie (spr. t=ls), f. (lal. cu-ralïn) de genezing; - curatief, adj. nw.lat. genezend; — curator, m. lat. een voogd, rechts-verdedlger, beschermer, verzorger, raadsman; toeziener of plaatsbekleeder van een persoon, die wel niet onmondig, maar bullen slaat is


-ocr page 320-

CUIUJKNCV

CUHAgAO

zUiio olgcn zakon to behooieti; liy, die lielnsl Is met liet bestuur van onbeheerde of verlaten zaken; ook een selioolvoogd, opziener eener In-rlchtlnu van booger onderwijs; curator ubsén-lis, de voogd des afwezigen, wiens verbluf niet bekend Is; c. Iionorum, do raadsman of voogd In bet vermogen vun schuldenaars, die niet kunnen betalen; c. dut/rus, de door de overheid aangestelde voogd; c. furiosi, do voogd eens krankzhmlgen; c. hereditutis, de beheerder eener erfenis; r. hom mix mentc cupli, de voogd eens zwakboofdlgen, onnoozelen; r. litis of ad tiles, een concours-bestuurder, die In oen concours door de overheid Is aangesteld om de schuid-olschers te woord te staan, z. v. a. contradictor; c. massae, de bebeerdar van \'I geza-menlUk vermogen; c. prodi\'/i, de voogd eens doorbrengers; c. se.nis, voogd eener vrouw; c. ventris, de beheerder van 1 vermogen eens nog ongeboren klnrls van een overledene; curatono jiomTnp, nvv.lat. In naam dos voogds, of als benoemd curaior; — curatorium, n. hel voog-dyschap, toezienerschap; het aanstellen eens voogds of toezieners, verdedigers, enz. door de regeering: de gezameniyko toezieners eener geleerde school.

Curacao of curassao, f. eene likeur uit orunjeschilien, zoo geheeten naar het westind. eiland van dien naam-, — curacao-spin, z. o ra n Je-spin.

curantur contn\'iria enntrariis, hel togonge-stelde wordl door bel tegengestelde genezen {vgl. a 11 o p a I h 1 e en h o ui cc p a t h t e)

Curar, curare, n. bei plantenvergift, waarmede de volkssiammen aan don Orenoco hunne pyien vergiftigen; —curarïne, f. een alkali uil de plant, die deze giftstof levert.

Curas, curassier, z. kuras, enz.; — curassao, z. curacao; - curasso, z. hoek o; — curateeio, curatio, curator, enz., z. ond. euro

Curculïo, n. lal, de snuitkever (oorspr. houlworm; vandaar in een btyspel van IMau-lus; parasiet).

Curcüma, f. nw.lal. (van \'1 arab. koer-koem, kar kam, hetir. karkfim) de geelvvortel, in-dische saffraan (.Curcuma tmiua), waarvan de wortel eene gele verfstof oplevert; — cur-cuma-papior, n. papier, dat met die verfstof gekleurd is en door de scheikundigen vaak ais proefmiddel wordl gebezigd ter herkenning \\ari loogzouien; — curcumlne, f. de daaruit hereble verfstof.

curcyf, z. cursief, ond. ctirrende. Curé, m. fr. (11. curato, van \'1 lat. curatus, ■/.. cu ra at, ond. rura) een priester, pastoor; ook een pelsmantel, peisrok.

Cure-dents, m. fr. (spr. kuur\'-dait: van rurer, i\'elnlgen, en dent, land) tandenstoker; — cure-oreilles, m. (spr. kurorètj\') oorlepel.

Curée, fr. (ondfr. curée, courée, corfe, pro-vonc. en ondsp. corada, it. rorata, curata, de het hart omgevende deden, hart, long en lever, liet Ingewand, van \'1 lat. cor, hart) by jagers: het Jachtrecht, d, i. wat den tienden van \'t neergelegd wild wordt voorgeworpen; ou-rée maken, do honden door oefening van bet Jachtrecht op de Jacht verhit maken.

cureeren, z. ond. euro.

Curer, m. eng. (spr. kjoc—) Iemand die voor iets zorgt ; inz. inzouter der baring.

Curétte, f. fr. (van curer, reinigen, ontruimen ; van \'I lat. curare, verzorgen, rein houden) C.lilr, de steenlepel, een heelmeesters-werkluig, dienende om vreemde lichamen of kleine steenen uit de blaas te verwyderen, na vooraf In dit Ingewand eene genoegzaam groote insnyding gemaakt Ie hebben, blaasrulmer.

Curfew, n. eng. (spr. kurfjóé), z. v. a. cou-v re-feu (z. aid.)

curia, lal., of curie, f. by de oude Romeinen eene volksafdeeling of wyk, waarvan Romulus er 30 Instelde; het vergaderhuls eener curie, ook bot vergaderbuis des senaats; vandaar ia \'t algemeen hel raadhuis; de raadsvergadering, raad; het gerechtshof; ook eene stichts-woning, een domhuis; in curia, op liet raadhuis; curia feudatis, z. ond. feudum; — roomsche curie [curia romana), thans: alle pauselyke beambten en gerechtslioven ter uitoefening van het algemeen kerkrecht; ook in het algemeen de pauselyke regeering of liet hof van den paus; — curiaal, adj. lat. cu-riatis, e) in den stadhuis-of kanselar(jstyi, vor-meiyk; — curialiën, n. pi. (curiatia) formaliteiten van den bureau- of stadhuissiyi, eerbenamingen In titels; — curiaal-stijl of stilus cunae, de gereebtelyke of bureau-scbryfstyi;— curialisten, m. pl. nvv.lat. zulke R. Katholieken, welke den paus eene onbeperkte macht In de kerk toekennen, z. v. a. ui tra men tanen en in legenstelling met de E piskopalis ten (z. aid.); — curiOtim, lat. naar curien, volgens wyken; —curiaat-stem, z. onder v o t u m; — curïo, m., pl. curiönen, de hoofden der oud-romeinsclie curien, die Ie geluk priesters waren.

curiëus, adj. (lal. curiasus, eig. zorgvuldig, van cara ■, fr. curieux) nieuwsgierig, weetgierig ; ook zeldzaam, zonderling; — curiositeit (spr. s=t), f. (lal. curiositas) de nieuwsgierigheid, weetgierigheid; zeldzaamheid; ook: als zeldzaams of byzonders; — curiositeiten, f. pl, of lat. curiosa, n. pl. zeldzaamheden, merkwaardigheden; bezienswaardigheden; — curiositatis causa, fr. par curiosité, om de zeldzaamheid, uit nieuwsgierigheid.

Currency, n. eng. (van \'t lat. currürc, loepen) het omloopsmiddcl, liet In omloop zynde geld, inz. papleren geld; — currency-school, f. engelsche llnanciëele schooi, welke volledige dekking van bankpapier door munt-materieel verlangt; — curréndo, f. (spr. u= oe) loopkoor, koor van arme studenten, die in Dultschland langs de straten zingen; wandelend zangkoor; - currendanen, m. pl. loopzangers, straatzangers, arme scholieren, die van huis tot buis gaan zingen; — currént, adj.


-ocr page 321-

t

CURRY 305 CUSTOS

(lal. cürrens; part. v. currm, i. v. a. cou-r ii ii t; — a/mi cutrénlis, afgokorl n. c., van liot loopondo, (1. i. hot togcnwoordlgü Juin\'; memis currénlis, van dc loopondc maand; currenle ca-Inmo, met loopondc pon, d. 1. vIiik en zonilor nadcnkon (schryven); — curréntschrift, f. Iioofjil (spr. koerréntsjrieft) de Rewono dultsche soliryiloUeis; — curriculum, n. lat. loop, looplman; hot oonmaal lumlluopen der renliaan; currictilum vi/ac, n. lat. de levensloop, levensgeschiedenis ; — curricle, eng. (spr. kürrikel) een licht rytulg met twee wielen; z. v. a. car-rlole; — curriculus, m. wagon; luz. r. tri-umphalis, triomfwilgen; — curseur, m. fr. de looper op eene schroot; ook de howoegharo draad In een mlkrometor, om don schynharon diameter eener ster te meten; — cursief of cursiefletter, f. nw. lat. eene scheefliggende lt;if schulnsche drukletter, hij do I\'ranschen 1 tali que gohceteii; vgl. drukletters; — cur-sim, adv. Int. vluchlig, oppervlukklg; — cursor, m. een looper, renbode; — cursores, pl. IS. H. het geslacht dor loopvogels;- cursorisch, cursortc, mij. en adv. achtereen voortloopend, h. v. Iets lezen; eene cursorische lezing, eene onufgehroken of voort-loopende lezing, in tegenst. met do stiiliiri-scho, d. i. dc stannde of vertoovende; — cursus, m. lat. de loop; inz. de leergang, d. i. sa-inenhangende voordracht of behandeling van alle doelen eener wetenschap In hun natuurlijke volgorde; ook de leerbaan of de gnnsclie samen-hangendo reeks der weionscliappen, die op hoo-goscholen In een hepniildon tijii voor een bepaald vak geleerd moeten worden; — cur-soeren, z. c o u r s c e r e n.

Curry of curry-powder, n. (spr. -;)»«-der), eng. (hlndost khura, d. 1. elg. genietbaar) eene oostlndlsche kruidery, die uit do tol poeder gehruciite hinderen van vorsciielden aroma-tlscho planten hesliiat, kerrie; In samenslei-llngen: spijzen, die daarmede gekruld zijn; — curricd, adj. daannode gekruld.

Curseur, cursief, cursor, enz., z. «ml. c u r r o n c y.

Curt., bij zoologlscbc benamingen afk. van J, M. Cnrlls (schilder en entomoloog ie Londen).

Curtane, f. het engclsche koningszwaard zonder punt, dat hy de kroning voor den koning uit werd gedragen.

Curtatie (s|ir. Hc-lsic) of curteering, lt;van \'1 lat. curldre, verkorten) Astron, de verkorting, verkorte afstand, do afstand, die eene planeet van de zon zou hebhon, nis hare baiin met het vlak van dc ecliptica overeenkwam.

curlifolius, a, urn, adj. Hot. korlhladerlg.

Curücu of curucüru (spr. u=ne. brazil. curucui) de zydekockoek, oen naar de krimi gciykcndc vogel In (luiana, enz.

Curucucu (spr. u=oe), m. eene brazlilaan-sche, zeer venynlge slnng, van :t lot (gt; voet lengte; de door haren beet veroorznnkle zlekle.

curulisch, mij. (int. cunilis, e),de curu-lische stoel («■//« vurulis), dj eerczclei of

VIERDE hlU!K

troon iler oud-rom. koningen, later die der drie opperste staatswaardlgheden, nameiyk der consuls, pnetors en icdllen, welke laatsten deswege aedtles curules heetten.

Curve, f. lat. {curva, sell, linta, van curvus, a, um, krom) Geom. eene kromme lyn, inz deel van een cirkel; — curmlus, a, um, Kot. gekromd; — curvatuur, f. de kromming; — curveeren, krommen; — curvicau-disch, adj. N. 11. nw.lat. kromslaarllg; — curvicaulisch, udj. Bot. met krommen stengel; — curvicólliseh, adj. IN. H. kromhal-zig; — curvicóstisch, adj. kromrlhblg; — curvidéntisch, adj. kromtandig; — cur-viflörisch, adj. liot. met gekromde bloemkroon; — curvifolius, curvifólisch, adj. met gekromde bladeren; - curvigraaf, m. een werktuig, om kromme lynen te trekken;— curvilineair, adj. kromiynlg; — curvi-nervus, curvinórvisch, adj. Bot. met kromme biadribhen; — curvipédisch, adj. N. H. kromheenlg; - curvirostres,pi. N. II. kromsnavellge vogels; — curviróstrisch, mij. IS. 11. kromsnaveiig; — curvisétisch, adj. met kromme borstels of riighiircn; — cur-vispinisch, adj. met kromme stekels; — cur-viteit, f. do kromheid, kromte.

Cuscuta, f. Int. liot. viaszyde.

Cusir, n. (spr. kne—) uil ruwe cocondraden gemaakte naaizyde (fr. soie a coudrc, eng. sew-inn-silk).

Cusirino, n. it. in Italic vervaardigde tij-ner en fraaier soort van zydegaren voor knnt-werk en weefsels.

cuspidalii.i, a, um, adj. liot. lijn gespitst, lang gespitst, b. v. oen blad dal aan don lop plotseling In een vry lange, spitse piinl eindigt.

Custard, n. eng. eierkoek, eierkaas, vlade, een geliefd eng. gerecht uit eieren, room en suiker.

Custodiaat, custodie, enz., z. ond. c u s t o s.

Custom, n. eng. (elg. gewoonte, gebruik; vgl. cost urne) tol, belasting, inkomend recht; — custom-house (spr. kiistum-hous), het tol-iiuis, kantoor der Inkomende rechten; —custom-law, f. tariefwet op de Inkomende rechten; — custom-penny, inkomend rechl voor bultenlandsche waren In Engeland; ook de leiugbelaaide lot by vvederuitvooring van biiltenlandscbe waren.

Custos, m., pl. custodes, lat. een bewaker, hoeder, opziener, b. v. vim eene bibliotheek, een kabinet van zeldzaamheden, penningen, enz.: do kosier, kerkwachter; by de boekdrukkers; de aan den voel eener hiadzyde afzonderiijk geplaatste eerste lettergreep van de volgende hiadzyde (nu byna niet meer In gebruik), de lilad-wachter, hei steekwoord; Muz. het lecken, \'Iwelk aantoont, dut de noten eener slem op de volgende hiadzyde in denzclfden sleutel voortgaan; — custodiaat, n. uw.lat. bet wach-lerschap; de post van custos; de vvaardigheid van kroonwnebter in llongaryo; — custo-

20


-ocr page 322-

CYKLOOP

CUT

306

die, f. (lat. cuslodfa) de hechtenis, Rovango-nls, hcwaklng; — custódiëeren, bewaken, bewaren.

Cut, in. eng. sneile, snit; de vorm die lets heeft, zijn stempel, enz.

Cutis, f. iat. do huid, inz. do cigoniyko huid of Icderhuid (onder de epidermis of opiicr-huid); cutis aiisenna, de ganzenhuid; cutis ca/-losu, do vereeite huid, eelt-, cutis densa, verharding van liet coiwoefsei; — euticula, f. huidje; Bot. de huidvormlge bedekking van ver-scbeiden pimitdeelen; — outitis, f. nw.iat. do huidontsteking.

Cutlass, n. eng. (fr. coulelas) breed zwaard;

— cutler, m. (fr. coulelier) messenmaker; — cutlery, f. snüwerktuigen.

Cutter, eng., z. kotter.

Cuv., bU natuurwetonscliappetyke benamingen afk. voor Cuvier (George); P. Cuv. voor Cuvier (Fré(iéric).

Cuvétte, f. fr. (van rum = lat. cu/ia, kuip, prov. ruim) een kuipje, een klein wascbvat, een vat voor spoelwater; ook voor regenwater van de daken; een buk onder een bloeinpoi; ook z. v. a. cu net ie; in horloges: het liluncn-deksel van het uurwerk, dat van twee openingen voor bet opwinden en geljjkzeiten voorzien is.

Cwierc, m. eene pooische inhoudsmaat, = 11*2 liter.

Cyabnna, m. soort mier in Braziilö, gehouden voor den verdelger der trekniieren of innajura\'s.

Cyan of cyanogenïum, n. gr. (van kyanrns, donkerblauw) de blauwstof, blauw-zuurstof, eene verbinding van stikstof en koolstof, de basis van bet blauwzuur, door Gay-Lussac In isiö ontiiekt, ilai In verbinding met waterstof tiet zeer vergiftige blauwzuur, met Uzer bet beriynsfb-bluuw, met kalium het cy-aiikaliuni, een sterk vergift, met kalium en Uzer bot bloedloogzoui, enz. vormt; — cya-naten, n. pi. zouten, gevormd door de verbindingen van het blauwzuur; — cyane, f. (gr, kf/unoï) de blauwe korenbloem; — cyanide, n. verbinding van cyaan, inz. met metalen; — eyanélla, f. nw.iat. de kaaplelio, kaapsche affodii; — cyanicórdisch, adj. N. H. gr. met blauvvo voelsprieten; — cynniet, n. Miner, blauwe schorl, eene talksteensoort; — cyaneus, adj. Bot. korenblauw; - cyani-pédisch, adj. N. li. nw.iat. blauwvoetig;— cyanipénnisch, ailj blauwvleugolig; —cy-aniróstrisch, adj. met blauwen snavel; — eyanocarpisch, adj. Bot. gr met blauwe vrucblen; - cyanocephalisch, udj. N. II. blauwboofdig; cyanocóllisch, adj. N. II. nw.iat. blauwbalzlg; — cyanoférrum, n. Chein. het blauwzuurhoudend üzer; — cyano-gastrisch, adj. N. II. nw.lai. blauwbulkig; — cyanogynisch, adj. Bol. gr. met tilauwo styiijos;- cyanoidisch, adj. komibloemach-tig; — cyanoleukisch, adj. blauw en wil;

— cyanometer, m. I\'hys. een door I) e S n u s-sure in 17(10 uitgevonden werktuig tot meting of bepaling van den graad der blauwe kleur van den iieniot en daardoor te gelUk van de zuiverheid der lucht; bet bestaat uit eene in BI velden gedeelde plaat, welker kleuren van het iiebtsto tot het donkorsto blauw afwisselen;

— cyanopathie of cyanosis, t. Med do blauwzucht; — cyanophlyktisch, adj. blnuwgevlekt; — cyanophthalmisch, adj. N. II. blauwoogig; cyanopódisch, adj. blauwvoetig; — cyanoptérisch, adj. blauw-vleugellg; — cyanopygisch, mot een blauwen aars; — cyanopyrrhisch, adj. blauw en roodgeel; — cyanoróstrisch, adj. N. H. nw.iat. met blauwen snavel; — cyanötisch, adj. gr. Mod. blauwzuchtlg; N. H. hlauwoorlg;

— cyanovóntrisch, adj. N.II. nw.iat. blauwbulkig; — cyanürisch, adj. gr. blauwstaar-tig; — cyanuraten, n. pl. Cbein. verbindingen van cyanogenïum met enkelvoudige lichamen.

Cyathus, m. lat. (v. \'Igr. kijathns) een beker; Chir.de laatkop; ook eene maal der Ouden = 51 „ eener a m p hora; — cyathëa, f. Bot. de bokervaren; — cyatheiten, pl. ver-stooningen van varenkruiden in steenkolenlagen;

— cyathifórm(is) of cyathödisch, adj. nw.lai. bekervormig.

Cybële of cybëbe, f. gr. (K y héle of Kybcbe) Myth, do alkoningin, alvoedster, de verpersoonHlkie natuur, liet symbool en de godin dor vruchtbare aarde, eene oorspronkeiyk phrygische godin, later mol Rhca vereenzelvigd, vandaar do moeder der goden, de goede moeder {mater (ledrum, alma maler] genoemd; ook een asteroïde, in isiii door Tempel ontdekt.

Cybomantie (spr. l—ts), f. gr. (van kybos, teerling; vgl. cub us) waarzeggerij uil dobbel-steenen; — cybomant, m. iemand, die uit dolibelsteenen waarzegt.

Cycas, f. nw.iat. Bot. sagopalm, sagoboom, ooslindische broodboom.

Cyclamen, n. nw.iat. (lal. cycldminos, van \'l gr. kykldminns, kykldmïnon, kyklamis) varkensbrood, eene plantensoort met vleezlgen knolwortel en welriekende lilooinen; cycla-mme of artanitme, f. Chem. eene In de wortels dezer plant ontdekte slof.

Cyclus, cycloon, cycloop, z. cy-kius, cyk 1 oon, cyk 1 oop.

Cydonïa, f. gr. (kydonia) en lat., de kweeboom; ook z. v. a. cydonïum, n. de kweepeer (naar de stad Cydon op Kreta).

Cyëma, n. gr., z. v. a. embryo, fnjtus.

Cygnus, m. lat. zwaan, b. v. ais sterrenbeeld.

Cykloop, m. (gr. Kyklups, lal. Cyclops) Mytb. d. i. rondoog, bU Homerus een reusachtige volksslam op Sicilië; iu de later® Myth, do reusachtige knechten van Vulcanus, met éen rond oog lu het midden des voorhoofds; ook eene soort van scbaaldleren mei zwemvliezen;

— cyklopëa, f, een rom. dans, waarbü de cykloop l\'olyphemus werd voorgesteld; — cy-


-ocr page 323-

CYKLOPyEDIK

CYNANCHE

307

klopie, f. conooglghcld; — cyklopische

muren, pl. rousaclillgo muren der omlste ty-den in Griekenland en llallii, uil geweldige, veelhoekige rotsblokken vasl samengevoegd, wier houw reuzenkrachten (vandaar de naam) sch(|nt le hehben geëlseht.

Cyklopsedie, somlüds gehruikt voor e n-cyklopaidlo (z. aid.)

Cyklopea, cyklopie, z. c y k 1 o o p.

CyklllS, m. gr. {kyklos) een kring, omloop, omvang; tydkring, tjjdring, een zeker aantal Jaren, na welker verloop dezelfde vcrschgnselen weder In dezelfde orde plaats hohben, Inz. in de matheniatlsche chronologie gebruikelijk; — zonne-cyklus (cyclus soluris), eeti zonnecirkel, een zonnekring of tydring van -28 Jaren; — maan-cyklus, maankrlng, maanclrkel, een iyd van l\'.i Jurcii; - indictio-cyklus, schattingscirkel, eene reeks van 15 Jaren; -ook beteekent cyklus, eene reeks van samenhangende dingen, die een gomeensclmppeiyk middelpunt hebben, eene reeks van volksoverleveringen of historische verdichtingen, vandaar cy-klische dichters, gr. epische dichters na Homerus, wier gedichten de voornaamste dee-len der oudgricksche goden- en heldensage behandelden en met du Momerlscbe (lilas en Od\\s-sea), welke zy aanvulden en voorlzetteden, in eene samenbangende voigrU gerangscbikl waren ; — Cykladen of Cykladisehe eilanden, n. pi. de kring- of eirkelcllanden in den gr. archipel of de ylCgieïscbe zee (Delos, l\'aros, Naxos, Scyros, Cea, enz.), zoo gebeden, dewyi zy als in oen cyklus of cirkel liggen;

eykloïde, f. Math, de radiyn, roltrek, eene kromme lyn, die door een punt In den omtrek van een rad, dat op eene rechte lyn omwentelt, wordt beschreven; — cykloïdaal, adj. radlijnig; — cykloïmbus, m. holgebogen kring, eene kromme lyn (curve) van dubbele kromming, op de oppervlakte eens (\'vlinders met cirkelvormige basis beschreven; — cy-klometrio, f. de clrkelmellng, de gezamen-lyke formulen, die tusschen den cirkelboog cn zyne sinussen, cosinussen, tangenten, enz. beslaan; - cykloon, m, wervelstorm,kringslorm, draaiende storm, hevige stormwind met kringvormige draaiing der lucht; zy wentelen zich in een ultgebreiden kring rondom eene loodrechte as, torwyi deze as tevens voorlsebrydt langs een bepaalden weg, dien men stormbaan noemt; — cyklorama, n. rondomzicht, panorama, een scblldery, die den aanschouwer een geheelen horizon of ook de achlereenvolgende gebeurtenissen van een zeker tydvak te zien geeft; — cykloskoop, m. kring- of cirkelmeter, toestel om spoorwegkrommingen af le bakenen.

Cylinder, m. gr. [kylindros: van kylimlein, rollen) cylinder, eene ronde zuil, eene rol, een lichaam, begrepen Insscben twee gelyke evenwijdige cirkels; in\'t algemeen leder rolvormig (rond en langwerpig) lichaam; in uurwerken; byzonder soort van pal {échappement) aan bet gangrad, in tegenst. mei a n k e r, een andere vorm van pal; — cylinder-machine of kalander, een muchlne om geweven sloffen glad te maken; — cylindcr-spiegel,

m. een metalen of slalen cylinder met sterk ge-poiyste oppervlakte, waarin de voorwerpen zich zeer verlengd en versmald vertonnen; cy-lindreeren, z.. v. a. k a 1 a n d e r en-, — cy-lindrisch, adj. rolrond, zuilvormig; — c y 11 n-d r l se li e voel, een rolvoet; — cylindrie-ten, in. pl. rolscholpdieren; cylindroco-nisch, adj. rolkegclvormig; — cylindroco-nischeprojectielen, spiise kogels; — cy-lindroide, f. oen rolvormig lichaam, waarvan de omtrekken van hel grond-en bovenvlak geene cirkels, maar andere kromme lynen zyn;—cy-lindrus horndicdcus, eene uurzuil, een zonne-wyzer in do gedaante van een cylinder; c. py-rolecliriïcus, eene stuinirol, een stormblok, een met humlgranatcn gevulde cylinder.

Cylistiek, f. de bullelkunst, de kunst om op het hoofd te slaan en met de handen le loopen, enz.

Cylix, f. gr. soort beker (vgl. cal lx).

Cyllosis, z. k y 11 o s 1 s.

Cyma, f. Bol. de bloem- of bloeltop; eene meestul in IweoBn gedeelde bloelvvyze, waarby zich de bloempjes van onderen of In \'t midden onlwikkelen; eene zoogenaamde ccntrlfugalquot; bloelwUze.

Cymbaal of cymbel, f. (van \'I lal. cym-bulmn, gr. kyinbalon) een klankbekken; hak-bord, ook een orgelregister van samenslem-mende klokjes-, -- cymbalist, m. do cymbaai-speicr; - cymbaloidisch, adj. gr. bekken-vonnig, klokvormlg; — cymbel-regaal, zekere orgelregisters van klein, scherp toongevend pypwerk.

Cynancho, f. gr. {kynnmiic, d.i, eig. bonds-keeiontsleking, van kynn, hond, en anclwin, worgen) Med. eene soort van keelontsteking, by welke de zieken de long nil den mond lalen hangen, evenals de hijgende honden; — cy-nanchum, n. nw.lal. Bol. ezelsmelk, vliegenvanger, eene vergiftige plantsoort, hy ons als pronkgewas voorkomend; cynanthropio, f. de vvatorvreos van een door een dollen bond gehelen menscb, de hondswoede; ook oeno soort van melancholie of manie, liy welke de zieke zich verbeeldt in eenen hond te zijn veranderd; — cynara, f. Hot de arilsjok; — cynege-tiek, f. (gr. kyncyelike: v. kyncyétcs, d. I. eig. hondenleider, jager) de jachlkunst. Jacht; cy-niatrie, f. (van ialrós, arts) de hondenarlse-nyknnsl; cynicus, m. (v. kynikós, hondscb) een hondsche wijsgeer, d(^ spolnaam van eene door Anlislhenes in (iriekenland gestichte socle, die geene zwarigheid maaklo om alle na-luuriyke verrlcbtingen, die wy onwelvoeglyk noemen, openiyk le doen; een schaamteloos, zedeloos menscb; — cynisch, adj. hondscb; schaamteloos, onbeschaamd, vuil, zwynaebllg; haveloos; onluchlig; cynisme, n. een cynisch, onwelvoeglyk of schaamleloos gedrag; — cynocëphalus, m. «hoiidekop \' als naam van


-ocr page 324-

CYNTHIUS

CZEBER

308

aapsoortoii, havlmm, enz.-, cynoglóssum, n. gr. Bot. ilii hoiidslond, Bono plant; - cyno-graphie, f. ito liundi\'iibosclirUvlnR; cyno-lyssa, f. ilc watervrees, liondsdolliold; — cy-nomach.e, f. de liomlenstryd, hondcnkrUg; — cynomoruim, n. Hot. Iiondsrocde,eeneplantsoort ; cynomórph, ailj. naar eenea hond uelgkeade; — cynophile, in. Iiondenvrlend, liefhebher van honden; — cynophor.e, f. het hoadedrajien, eene voormalige straf; —cy-norexio, f. (vgl. oroxle) de hondshonner,

wolfsl......... cynorrhódon, n. Bot. do

hondsroos, oude naam van den egelantier of wilden rozehoom; — synosüre, f. gr. {kynos-oer»), eig. hondestaart, eene grassoort; Myth, ile naam eener voedster van Jupiter, die haar uit erkentenis onder de sterren plaatste; vandaar: Astron. de kleine beer; de poolster, aaar welke zich de zeelieden weleer voormimetyk richtten; daarom ook oneig.: leiddraad, richtsnoer; aangenomen gebruik; doel; — cyno-surus, ui. Bot. kamgras.

Cynthms, m., en Cynthia, f. lal. (gr. Aj/»//iTo.v, enz.) hUnamen van Apollo en Diana (z. aid.), naar den berg O vut bus op het eil. Delos, waar /.(j geboren waren.

Cyophorie, cyotrophie, z. k \\ o—.

Cypellomachie, f. hekerkamp, wedstrUd in liet drinken.

Cyper, m. de beste soort van hoomzyilc of boomzUdestof; ook f. eene kleine prulmen-soort; — cyporkat, cypersche kat, f. eene soort van groote grlisgestreepte katten, van \'1 eiland Cyprus.

Cyperacéën, f. pl. Bot. (v. \'I gr. kyiieim) cypergras, eene grasfamilie, waarvan vooral eene soort; het eetbare of zoete cypergras of di\' aardaniandel als de beste plaatsvervanger van de kotlle, enz. bekend is; (\'yixrus papgrus (gr. byblos), hel pa pier-cypergras of papierriet in tigypte en Slcl-ilii leverde den Ouden de slof voor hun papier.

Cyperhout-cordie, zie cord ie; -cyporpooder, n. slof van verrot pUnboom-bout, in Venetle in plaats van poeder aaa-gewend.

Cyporwijn, in. een zeer verhittende zoete wyn van \'I eil. Cyprus.

Cyphoom, cyphoma, n. gr. rugge-graatsverkromming, bochel.

Cyproea, f. iiw.lat. (vgl. cupria.iupiis) N.ll. de porseleinslak.

Cyprés, f. (lat. cupréssus, van \'I gr. kijpd-rissos) een welbekende groenl)iyvende boom, bet zinnebeeld van den rouw.

Cypria of Cypris, f. lal. (v. \'tgr. Kypris) bynaarn van Venus, naar het eiland Cyprus (lal. Cyprus, gr. h\'fjpins), waar z.y het yverigst vereerd werd; — oypripedmm, n. nw.lat. Bot. do venusschoea, vrouwenschoen, mariaschoen, een pronkgewas.

Cyrenaïekon, m. pi., cyrenaische school, f. eene ouil-gr. philosophiscbe secte, door Aristippus van Cyrene gesticht; z.y was liet tegendeel van de cynische school, en leerde, dal het hoogste goed in weelde eti wellust (gr. hid one) bestond, waarom zy ook II e d o n i k e n genoemd werden.

Cyrille, f. nw.lat. {cyrilln, naar den ital. arts Doniiaico Cirillo |gest. n«9] genoemd) Bot. eene scboone kamerplant met eironde bladeren en scbarlakenroode Idoemen.

cyrillische letters (siavonisch kynlita, boh. kynlice) eene oude lettersoort der Slavonische taal, naar baren uitvinder, den bisschop Cyril lus, in de tide eeuw benoemd.

Cyriologie, z. k y r i o l o g i e.

Cyropoedie, f gr. de opvoeding van Cyrus (van i\'erzië), tilel van een pollllekeii roman van Xenephoii, die aanloont hoe een goed vorst moet z.yn en hoe by dat wordt; een vorstenspiegel.

Cystoma, z k y s t o m a; cystalgie, cystes, cystitis, enz., z. kystis.

Cythcre en Cytherêa, f. gr. {Kylhcreia hynamen van Venus, naar bel eil. Cythêra. nu C e r i g o, in de .-Egfflïsche zee.

Cytinus, m. (C. hyporislis) Bot. een woekerplant, welker sap (bypoclstsap) voor geneeskrachtig gehouden wordt.

Cytïsus, m. gr. {kyltsos) Bot. vuilboom gouden-regen; cytisine, f. Chem. eene uil de vruchten daarvan getrokken bittere slof, d|i braking verwekt.

Cytoblasteem, n. (v. gr. Hytos, holte, cel, en bldslema, klem) geleiachtige slof, waarnll zieli het celweefsel der planten ontwikkelt.

Czaar of czar, m. (spr. tsaar) en czarin f. (oudpool. rzur, czar:, nu car, spr. Izaar, krent. czar, czeszar, russ. zarj, bong, czdszdr, evenal-ons keizer ontstaan uit bet lat. Caesar, gr. KSi-sar) de voorinallge en by hel volk nog gebrul-keiyke titel van den beheerscher des russischen ryks en die zyner gemalin, keizer, keizerin; — czaréwitsch, nu tzesaréwitsch, m. de zoon des russ. keizers, grootvorst (voormalige tilel, thans niet meer gebruikeiUk; vgl. W e-lik ij knjas); — czaréwna, f. de dochter des keizers, kclzeriyke prinses (thans We li-ka ja K nasb na); — czarünska, f. de russi-sche grootvorstin.

Czaikisten, m. pi. (spr. Isjnï—) soldaten van de oostenryksche pontonnier-bataljons, die de grenzen bewaken.

Czakau, m. slav. (spr. Isj—), stoklinit 2U strydliaaier der beidukken.

Czako, in. hongaarsch [csdkó-, spr. Isja-hó) Mil. eene veldmuis, soidatenlioed, sjako, ch a k o.

Czapka, f. poolsch (spr. tsjapku) eig. de vierkante muts der poolsche ublanea; de pool-sche nutloaale hoofdbedekking.

Czar, z. C 7. a a r.

Czardake, f. Illyriscb (spr. Isjar—) wacht-huis op de oostenryksche nillllaire grenzen.

Czardas, z. c sard as.

Czeber, m. (spr. tsjéber; hong. cscber, csii-blir) eene hong. vochtmaat, = Si,!i8l) liter


-ocr page 325-

DADUCHOS

CZKCHEN

309

Czéchon, pl. (spr. (sjech-en) ccn slavonl-sche volksstam, dlo in \'Ie tldd eeuw naar Ho-hemen kwam, de Bohemers; de czechische taal, het Boheerasch.

Czernebog, ■/.. hog.

Czotwert, m. luss. (spr. Isjétweii), tsch et wert.


ID

d, afkorting van da of delur, lat. geef of het worde gegeven (op recepten); ook voor dosis, h. v. d. I. d. = da tales doses, geef zulke giften of hoeveelheden; —d. — denarius en vandaar onk = penning en eng. penny: — d. c. of I). C.

— da rapo [i. aid.); — d. d., afkorting van de dulo {■/.. aid.); — d. d. d. of /). I). /)., het afgekorte opdrachtsfornniller; do, dieo, dedfeo, lat. ik geef, wyd toe, draag op; of dat, dicat, de-dïral, hu geeft, wydl toe, draagt op; — /), als romolnsch taiteeken = SflO; /) = vyfhonderd duizend;— D., afkorting van /gt;011 en Dom en het eng. Dean (/.. aid.); ook van Deeimu.i, Deeius, Igt;i vns, rom. voornamen; soimvyien ook voor Deus, Decurio, Uominus, D w. Die, Diuesta ,■ — /). of /))■. afkorting van doctor, h. v. /). U. = doctor juris utriüsiiue, doctor in de heide rechten; Dr. med. — doctor medieïnae, doctor In do geneeskunde; Dr. iihit. = iloctor phitosoplifae, doctor in de wyshegeorte; Dr. th. = doctor theotogfae, doctor in de godgeleerdheid; — D. of Ds. = dominius, heer, predikant; — D. of diu. = heilige, h. v. 1). A. = dims Augustus: — Dan. = Daniel ( t hoek van don profeet); — D. C. = da eapo [■/.. aid.); — D. C. 1.., eng. = Doctor of Civit Law, doctor in hel hurg. recht; — /). D., eng., afkorting van Doctor «/ divinity, doctor der godgeleerdheid; dd., ddt.= dedi of deiil, lat., ik hel), hij heeft gegeven, hetaald; (/. d. — de dato, van den dag, van den zooveel-sten der maand; — Deut. — Deuteronoinium (Sde hoek Mozes); — lgt;. (!. — Dei firaCfu, door Gods genade of = Deo uraliat, dank aan (lod; Dd. = decagram of lood; dil. — decigram, gram of korrel; — t). //. = Doorluchtige Hoogheid; d. h. = das hciszt, dat Is, dat wil zeggen; — d. f. = dat is; —rii». = (((bus, heilige; — /)/,. = decaliter, 10 liter of schepel; dL. — deciliter,

liter of maatje; dl. = deel; — D. I,. C. D. ./. = de la compaqnie de Jisus, lid der sociëteit van Jezus, Jezuïet; — DM. = decameter of roede; dM. = decimeter of palm; d. m. — dextra manu (z. segno)-, dM\' = vierkante decimeler of □ palm; (/.M:l = kul)ieke decimelcr of kuh. palm;

7). O. M. = Den nptimo maj imo, aan don hes-ten en hoogsten God (gewyd); — d. s. — da, signa, geef en lonken (op recepten); - D. S. of d. s = dal segno (z. aid.); — dat. = datum, dag; dat. = datum, -a, -um, gegeven, uitgevaardigd, ook /lat. = dntinus, ■/.. casus;- del. — delea-tur, men delge nil of schrappe door; ilel. of delin. = delineavit (z. aid.); — do. = dito of del lo (z. aid); — Dint., z. pen n yw eight;

— /)., als chemisch teeken: Didymium (z. a.);

/»., ais muntteeken, Inz. voor 1\'rankrUk: I.yon; voor Pruisen: Aiirlch, sedert 181(1: Uusseldorf; voor Oostenryk: Griilz; in hel Dultsche ryk; Munchon.

du, 1° lat. geef! (op recepten); i0 it. v. (fr. de), h. v. da capo, z. lager; dacinque, z. aid.; da sC) vanzelf, zelf, zonder vrceindc linlji of aansporing.

Daalder, m. (hoogd. Ihaler, deensch en zweedsch daler, eng. dollar , dus genoemd naar Joachimsthal in Bohemen) eene zilveren munt in onderschelden landen: in de Nederlanden volgens den ouden muntslag = 1 gl. SO cl. courant; in Zweden (h a n k d a a I d e r, speel e-daalder) verdeeld in 18 lt;kllling\'. In Noorwegen (spec ieda a I d e r) verdeeld In 120 skill, species; In Denemarken (rijksdaalder, specie - r y ks d aa ld e r), de oude verdeeld In 18 skill, species, de nieuwe in lili skill, luhsch, alle geldende van 2 gl. 00 tot 2 gl. 10 ct. (z. vorder thaler, dollar, r y k s dna 1 d e r, lala ro, scudo, esc u d 111 o).

d\'ahord, fr. (spr. dalu\'ir) eerst, aanvankoiyk; dadeiyk, terstond, oogenldikkeiyk.

Dabouis, n. fr. (spr. dahoe-i) Indisch katoen, zoo geheeten naar de stad Da hou Is.

Daburi, Bot.de ameiikaansche naam van do vrucht des gemoenen orl eau hoorns (/lixa Dorellana, L.)

da capo. It. (v. capo, hoofd, begin) hy afkorting /). C\'. of il. c.. Muz. van voren, van hot begin af, nog eens; als suhst.: een dacapo, n. eene herhaling.

d\'accord, fr., of d\'aeenrdn, it., z. onder ac-c o r d.

Dacha, f. in Z Afrika de wilde hennep, die door Kalfers, llolienlotlen, enz. met of zonder lahak gerookt wordt.

Diichi, in Siherié: pels uil getto- en paar-devcllen, mot het haar naar hullen.

Daoinque, m. il. (spr. da-lsjien-kwe) vyf-soldl-sluk, eene plemoideesche zilvermunt.

Dacridium, n. gr. Bot. guniml-den, een o|i den cypres getykende laxlshoom op de /.uid-zee-eilanden.

Dactyli, pl. gr. (eig. vinger) Bol. de dadels; — daotylis, f. vingerkruid, hondsgras.

Dactylus, enz., z. dakiylus.

Diidap, m. oen hoorn op Java (Krythrina indica), inz. ook als schaduwhoom In kollle-plantagos en vandaar hel daaronder gewonnen product.

Dadüchos, m. en f. gr. fakkeldrager, hy-naani van .Vrtemls; dadyl, n. (uls I ware


-ocr page 326-

DAEDALUS

mo

DAIRY

van das, fukkol, cn hyle, sl(gt;f) Clicm. ilcnno-stnf, con bestanddeel van terpcniynollc.

Daedalus, in, trr. iliaiilulns) oen beroemd Kr. beeldhouwer en bouwmeester uit don fabel-rykea vonrtyil, die bet eerst aan zijne beelden, door de voeten vaneen te scbclden en de ledematen van bet llcbnam tos te maken, oene lossere boudlng en liet voorkomen van beweging gaf. In bet vermaarde labyrintb op Kreta met zijnen zoon Icarus (z, aid.) opgesloten zijnde, vervaardigde bü voor ben beiden vleugels, waarmede zy ontkwamen; vandaar betee-kent een Daulaius, oen vernuftig menscb, scbrandcr werktuigkundige; — ook gebruikt men \'I woord voor: doolhof, hoogst Ingewikkelde, moeilijk Ie ontwarren zaak; — Bol. verward; wanneer een deel aan den rand of het uiteinde onregelmatig en verward gekronkeld is; — dsedalisch, adj. (gr. daidaieos) knnslig, vindingrijk, schrander uitgedacht, nok kunstig door-eengeslingerd; zeer ingewikkeld; vgl. labyrintisch; - dsedalëa, f. Bot. een boom-zwam van veranderlijke kleur; — dsodaloum, n. eene uit twee roteerende cylinders bestaand toestel, om door den duur van den llchlindruk verscheiden in verschillende standen geleekende voorwerpen als in beweging zijnde te ver toonon.

Dsemogórgon, in. gr. Myth, de genius der aarde, de verpersoonlijkte natuur, v. a. de vader van Pan en de l\'arcen.

Dsemon, m. gr. (daimon) Myth, een geest; middelwezen tusschen God en de mensehen, by de Ouden zoowel als goede {(i(iallin-) en als kwade wezens {kako-daimnnoi) voorkomende; hy ons Inz. een kwelgeesl, hooze geest; - dcomo-narch, m. de vorst der geesten of (hvinons;

— doemoniacus, m. de bezel ene (door een boozen geest), een waanzinnige, zenuwkranke en dgl.; —doemonikolisch, adj. booze geesten vereerend; - dsemónisch, adj. door een boozen geest bezeten; waanzinnig, dol en razend; onelg: wat oene geheimzinnige, tooverachlige kracht of werking beval of aan den dag legt;

— dBemomsme, n. bel geloof aan (hemons, aan geesten; — deemomst, m. wie aan geesten gelooft; dsBmonograaf, m. een schry-ver over de geestenwereld; daemonola-trie, f. de vereering der geesten, aanbidding des duivels, duivelsdienst; — dBemonologie, f. de geestenleer; vermenscheiykende voorslel-ling van het hoogste wezen; daemono-magio, f. de geestentooverij; - dsemono-inaziie, f. waanzinnigheid, waarby de zieken zich verbeelden door geesten geplaagd le worden, ook do vrees voor spoken, hel geloof aan spoken; — deemonomantie (spr. I=ls), f. hel waarzeggen door een inwonenden diemon;

daemonomelancholie, f. waanzin of melancholie van Iemand, die meent In de macht van bonzo geesten te zyn.

Daf, m. een Indisch snarenspeellulg.

Dag, f noderl. endje dag, eind louw, waarmede de seheepsprevoost de schuldige matrozen placht le kastijden; - dag, f. (v. eelt. oorspr.; mld.lat. dnfma, fr. dnque, eng. dan, giet. (/«(/) een dolk, ponjaard; —ook (eng.) een zakpistool.

dnncsch fork, a.\' bebr. Gram. bet punt ter versterking of verdubbeling van oenen medeklinker; d. Ifne, bet punt tot verzachting van een geasplroerden medeklinker.

Dagget, daggot, m. rass. berkenteer, gebruikt Ier bereiding van juchtleer.

Dagh, m. kaukaslsch: borg, In samensl. zoo ïomlrdagb, O.atyrdagh; vandaar daghestan, hel kaukaslsche bergland.

Dagoba, f. eene heilige zuil der Boeddhisten.

Dagóbert, oudd. mansn.: daghelder -, schuierend als de dag.

Dagon, m. bebr. {ddf/ón, van dai/, vlsch) een afgod der Phlllstynen, wiens beeld half vlsch half menscb was.

Dagop, n. hel naar eene waterblaas ge-lykende heiligdom in de Boeddha-tempels der Indiërs.

Daguerreotype, f. fr.-gr. (spr. ilnqèrrn-liep) de door den franschman Daguorre in IHitH uilgevonden handelwijze, om het beeld, dat door de enkele werking van bet llehl op eene chemisch toebereide metaalplaat wordt voortgebracht, blijvend te maken (z. plio 1 ograpblo); ook een op die wyze voorlgebracht lichtbeeld, z. phototype; — daguerreotypïe, f. de kunst om zulke lichtbeelden voort te brengen op jodlumzliver door middel van kwikzilver; — daguorreotypeeren, op genoemde manier een afbeeldsel voortbrengen.

Dahabieh of Dahbieh, f, arab. eene soort van smalle, liebto schuiten met i zetten, op den iNyi,

Dahleb, m, arab. jakhals met zwarten rug.

Dahlia, f. eene plantensoort met samengestelde bloemen, zoo goheeten naar den zweed-schen kruidkenner Da bi (gest. 1780), z. v. a, georglne, z. aid.; — dahlïne, f. Cbem. bet zetmeel in de wortelhollen der Dahlia.

Dahna, f, arab. do (roode) woestyn,

daliiirica, adj. lat. Bot, van het Taurlsche gebergte, Daurlsche,

Daily-News, eng. (spr. deeli-njoes) dage-lyksch nieuws (titel van eene eng. courant).

Daïmio\'s, pl. de adellijke kaste, de groote grondbezitters, vorsten In Japan.

Daina, f., pi. dainös, lltthauwach we-reldiyk of volkslied (tegenover bel kerkelijk lied).

Dainties, m. pi. eng. (spr. ddénties) lekkers, lekkernijen, lekkerbeeljes.

Daire, f. (arab. damp;ireh, kring, v. dAra, roml-gaan) lurk, eene soort van kleine halve trom met schellen, z, v. a, tambourln,

Dairo, ni, (van \'1 japansch dairi, daili, van binnen, de binnen \'1 palels wonende) de japan-sche opperpriester of paus.

Dairy, f, eng. (spr. dceri) melkery (fr, Mi-lerie).


-ocr page 327-

D AKRY A DEN A LGIE 314 DAME

Dakryadenalgie, f. (;r. (van ddkrj/on, traan) Med. zlokle dor traankllor; — dakry-adenitis, r. ilc traankllerontsteklnK; — da-kryoblennorrhoea, f. ilc siymvlocd dor traanwegen; — dakryohcemorrhysis, f de bleeding ult do traanwegen; — dakryo-kystis, f. de traanzak; — dakryokystal-gie, f. iiUquot; in den traanzak; — dakryokys-titis, f. de traanzakontstcking; — dakryó-disch, adj. tranend, weenend; — dakryoi-disch, adj. traanaciitig, peervormig; — da-kryolith, m. Miner, do traansteen; — da-kryolithiasis, f. Med. traansieonvorming, liet ontstaan van steenachtige uitwassen in do traanwerktuigen; — dakr^ops, in. oig. hot traanoog; eon gezwoi der traanwegen; — da-kryopyorrhoea, f. de traanettorvloed; — dakryorrhysis of dakryorhcoa, f. do tranenvloed, ie sterke traanafschelding; — da-kryostagon, n. hd traandruipon; — da-kryosyrinx, do innmllslel; ook eone spult, die by traaniisteis wordt aangewend.

Daktylioglyphiek en daktyliogra-phiok, f. (van het gr. dtiklylios, vingerring) do kunst em rlngsteenen to sngden; — dak-tylioglyphos of daktyliograaf, m. de sieensnijilei; —daktyliographio, r. do ring-beschrUving; — daktyliomantle, f. (spr. —Isie) do ringwaarzeggerU; waarzeggerU door tooverringon; — daktyliotheek, f. eone verzameling van gosneden steenen, zooals cameiin, gommen en rlngsteenen; ook do afdrukken of afgietsels van zulke gesneden steenen der Ouden; een ring- of Juweelkastje.

Daktyius, in. (gr. ddltlj/lns, \'dg. do vinger) cone oud-gr. lengtemaat = I oude duim; Poet, de vingervoet, vlngeiflag, een versvoet van drie lettergrepen, waarvan do eerste lang Is, terwgl de beide andere kort zün —— —, b. v. kinderen, bédelen; — daktylisch, adj. uil zulke versvoeien bestaande; gevingerd; — dak-tylen, pl. (Darlyli Idcei) In de gr. Myth. Klein-Dulmpjes, overoude berggeesten en erlsberelders (op onze kalioutormannetjes gelijkende) in dienst van Khe Kvbele op Kreta en in I\'lirygle (Goelhe\'s Kaust, 2); — daktylïon, n. de vinger- of bandleider iiij hel onderwijs op de piano-forie, een door Herz uitgevonden werkiuig; — dakty-lieten, pi. versteende dadels (vgl daclyli), d, i. rolvormige stekels van e c h i n I e t e n; — dak-tylitis, f. Med. de füt, vlngeronlsleklng; — daktylograaf, m. een klavier om door middel van het gevoel de teekens der spraak mede Ie deelen; — daktylographie, f. de vingerteekenspraak; — dakt^ion, n. eene gr. lengtemaat, ongeveer een oude dulni; — dak-tylologie, f. vingerspraak, de kunst om z(|ne gedaehlen door de vingers uit Ie drukken; — daktylomantie (spr. Iie=hie), f. hel waarzoggen uil de vingers, ook uit tooverringen; — daktylonomie, f. de vingerrekenkunst, do kunst om op de vingers te rekenen; —dak-tylosmtleusis, f. de afzetiing der vingers en teenen; — daktylothëka, f. een wond-heeierswerkluig tol het uitgestrekt houden der vingers.

Dalai-lama, m. liet godsdienstig vereerde opperboofil der geestelijke en wereldlijke niachi in Tibet; vgl. koetoechta.

Dalaisten, m. pi. eene door David Dale in de 18de eeuw gestichte secte van Dissidenten In Schotland.

Dalekarliërs, Dalekarlen, m. pl. bewoners van het landschap Dale kar UB of De-la me, d. i. dalland, in noord. Zweden; zweed-sche bergbewoners.

Daler, m. eone voormalige zweedsche zilvermunt, zoowel In zilver als in koper.

Dalila, hebr. vrouwenn.: de arme, magere, uitgeputte.

Dalk, delk, in. een lurksche reiswagen; klei van een derwlsch.

Dalles, in. hebr. armoede.

Dalmatica, f. mld.lal., provenc. en it. pries-teriyk overkleed, misgewaad, een oorspronkeiyk in D a I m a t i é gehrulkeiyk, later als ambisdracht voor de diakenen der r. kath. kerk algemeen ingevoerd lang wil overhemd, dat ook door de dulische keizers en fr. koningen liy de kroning werd gedragen.

dal segno, z. segno.

Daltonisme, n., z. v. a. chromopsle, ongevoeligheid voor sommige kleuren, een aangeboren gebrek van vele oogen, zooals by den engelsehen natuurkenner Dalton, die slechts drie kleuren zag.

damasceeren (fr. damasquincr), yzer- of staaiwerk met goud- of zilver inleggen, vlam-mlg etsen, staairepen van verscliiliende hardheid aaneensmeden en daardoor gevlamd maken, gelgk men dat te Damascus in Syrië hel eerst deed; vandaar gedamasceerd werk;

— gedamasceerd, met Ineengevlochten loofwerk versierd; (van stoffen) gebloemd, met Ingewerkte bloemen en loof (vgl. damast); — een damascéner-degen of een da-mascéner (lat. dumaseïnus), vlamdegen, een uit strooken staal van verschillende hardheid saamgesmede en daardoor gevlamde degen, hei eerst Ie Damascus gemaakt; — damas-céner pruim, eene vroegrijpe violette, prnim-soori, vooral In Krankryk; — damaschetto, m. it., of damasquette, f. fr. eene stof met gouden, zilveren of z.yden bloemen uil Venetië en de Levant, da mask él; — damasquin, m. in de Levant een gewicht van two drachmen; — damast, n. (11. damasco, damaslo, fr. damas, van de stad Da m a sc us) gebloemde zyden, wollen of linnen slof; — damassin, m. fr. (spr. —seii) geringe soorl van damast;

— damasseeren (fr. damasser), damastvor-mlg weven.

Dame, f. fr. (oorspr. de vrouw eens ridders of adeliyken; 11. dama, donna, van \'t lal. domina, gebiedster) eene vrouw van rang; in bel kaartspel de vrouw, In het schaakspel de koningin, In het damspel de dam; -- dames d\'alour (spr. —dalocr), kamerdames In Frank-


-ocr page 328-

DAMENISATIE

DANAERS

lyk, ille de vorslln en do prinsessen loolon; — dames de comiiannie (spr. kniipanjie) gezclschaps-dnrnes, gezelschaphoudsters; — lt;/. d\'honneur spr. donéür), oeredames; — d. de In halle, i. Iinllo; — (/. du imluts, (spr. —lè), palcis- of hofdames; — d. du sacré meur (pr. —keur), dames van \'1 helllgo hart van Jezus, eene In 179« gesllchle vrouwelijke franscho orde, dlo zleh hoofdzakelijk hezlghoudt met hel onderwys van Jonge meisjes uil de hoogero standen; — damoiseau (spr. damoazó) weleer; edelknaap, jonker; thans: een julterknccllt, saletjonker.

Damenisatie (spr. -za-lsie), f. Muz. de kunst der solmlsatto (z. aid.), waarin men, in plaats van de gewone namen der noten, de door (Iraun gekozene lettergrepen da, me, 11/, po, tu ife), la, be zlngl.

Damesvredo, de vrede, die In i:gt;2!t te Kameryk gesloten werd lussehen M a r g a r e t li a, hertogin van Savoye, landvoogdes der Nederlanden, en l.oulza, hertogin van Angouléme, moeder van Frans I., en iiij welken liourgogne aan Frankryk kwam.

Damïa, f. een feest hy de Grieken en Ko-melnen, dat door vrouwen ter eere der Bona Dea, of de goede godin werd gevierd.

Damianus, mansn., v. s. van het vorige Damla, en dan heteekenende; priester of vereerder van C y h e I e -1) a m I a; v. a. overwinnaar, bedwinger, temmer.

Damlooper, m. klein nederl. vaartuig, geschikt om over dammen, dgken en overloo-men getrokken Ie worden.

Dammer, dammara, dammar-hars, f. (lal. resïua dammar) het harsige voortbrengsel der planten dammara en xylopla in de Indien, inz. op de Molnkken; — dam-mar-vornis, een vernis uil de dammarhars hereid, ter overdekking van olie-sehllderyen.

damn, eng. (spr. demstaat voor damn me, spr. démmi), verdoeme mij, een vloek van den gemeenen man in lingeland.

dammibel, ailj. (later lat. ddmnalïflis, e, van damnare, verdoemen), verdnemingswaardig, verdoemelijk, afschuwelijk; — damnatie (spr. I—Is), f. (lat. damnaCto) de verdoeming, veroor-deeling; d. memoriae, .lur. de uitdelging of he-schimping der nagedachtenis door openigke, sma-ileiyke uitdelging van den naam, het heeld, wapen; — damnat arisch, adj. (lal. damnalonus, a, um), veroordeelend, lot de veroordeeling he-hoorende; — damnalur, het worde verworpen de formule van den hoekencensor, waardoor hy Ie kennen gooft, dal een hoek, of eene plaats daarin, niel gedrukt mag worden; — damnatus, m. een veroordeelde; d. repetundarum, iemand, die wegens onderslagen gelden of amhtshedrog is veroordeeld; d. vöti, een tot nakoming eener gelofte veroordeelde; — coitus damnatus, z. ond. coïtie; — damneeren (lal. damnare), verdoemen, veroordeelen.

damnum, n. lat. schade, verlies, nadeel; d. commune, eene gemeenschappeiyke schade, d. datum, eene voorgevallen schade; d. dolo datum.

eene hoosaardig of opzetteiyk toegebrachte schade ; d. emérgem, eene onmlddeliyke schade, het verlies van een reeds bezeten voordeel; d, for-luïlum of casu fortmto datum, eene toevallige schade; d. it latum, eene toegevoegde schade; d. infictum, eene te vreezen schade, h. v. de Instorting van een houwvaiilg buis; 1/. injuria datum, eene vvederrechlciyk toegevoegde schade; (/. in mora, eene schade door uitstel; d. irre-paralitle, eeno onherstelbare schade; d. neces-sarfum, eene onvermydeiyke schade; d. pecu-nianum, verlies van vermogen, van geld; d. Iiriratïvum, eene voordeelsherooving, z. lucrum cessans: damni praeslalm of restitutio,?., praes-latio damni onder pricsteeren); — dam-nifleeeren, nw.lal., schade toebrengen, he-nadeeleii; damnifleant, m. een bescha-diger, benndoelaar; damnificaat, 111. de beschadigde, benadeelde; — damnificatie (spr. I=ls). f. de beschadiging.

Damoiseau, ■/.. ond. dame.

Damókles, een hoveling die den tyran Dionysius van Syracuse zyn geluk benydde; om hem van zulk een geluk eene voorstelling Ie geven, liet hem Dionysius aan een pracldig fecsl-maal als een koning bedienen, terwyi boven zyn hoofd oen zwaard aan een paardenhaar hing; vandaar: het zwaard van Damocles, een altyd dreigend groot gevaar Ie midden des voor-spoeds.

Damon en Pythias iof beter Phin-tias), gr. inansnainen, twee beroemde trouwe vrienden to Syracuse, die den tyran Dionysius door hunne onkreukbare trouw tot het ootmoedig verzoek brachten, hem als dorde in hun vriendschapsverbond op te nemen: een beeld van trouwe vriendschap; —Damon, nok oen zeer gewone herdersnaam In herdersdichten; nog de naam van een zekeren dagvlinder.

Dan, hehr. mansn.: rocbler; — ook een chineeschc korenmaal, iets moer dan een schepel.

Danacë, f. eene kleine pasmunt der Ouden, die zy hunnen dooden onder de tong leiden, om daarmodo aan Charon (z. aid.) hol veergeld Ie betalen.

Danaë, eene dochter van koning Akrisius van Argos, en moeder van l\'érseus, dien Jupiter in de gedaante van oen gouden regen hy haar verwekte.

Danaers, pi. (lat. Danai) dichteriyko naam der Grieken, inz. voor Trojo, naar den uit Egypte stammenden Dauaos, den slicbier van Argos; — Danaergoschonk, n. een gevaariyk geschenk uil de handen des vyands, zooals het met soldaten gevulde houien paard, dal de Grieken In hei kamp achterlieten en dat de Trojanen de stnd binnenhaalden (vgl. Virgilius\': Timi\'ó Danaós et dóna feréntes, d. i. de vyand Is ie vreezen, ook als hij Iels schenkt); — Danaidon, f. pi. gr Myth, de !gt;fl dochters van Dan.ios. /ij vermoordden (met uilzon-dering van Mypermnestra) op bevel baars vaders bare mannen in den bruidsnacht en moesten, tof. straf daarvoor, ia de onderwereld in


-ocr page 329-

DANARO

313

DA IJK

pon doorboonl val bostonrtlg water (fleton; vandaar het vat der Danaïden vullen, d. I. ceti vcrKeefschen, zwaren arbelil doen.

Danaro, z. donaro.

Dandin, m. fr. (spr. daiideii) oorspr. de spotnaam van een onwetenden rechter lijj Rabelais; liU Molière een ryke hoer, dieeone ndellUke vrouw neomt en daardoor In elndoloozo onaangenaamheden geraakt, zoodat hy gestadig uitroept; Tu l\'as voulu, Cenruc Dandinf gu hebt hel gewild, G. I)., wolk zeggen tot een spr. Is geworden by verdriet of lyden, dat men zlcli zolvon Ie wyten heeft; vandaar ook een zotskap, ounoozel monsch.

Dandineeren (fr. dan diner), de beenen al zittend hoen en weèr slingeren, waggelen, schommelen ; ook: onder het gaan heen en weer wiegelen en schommelon.

Dandy, m. eng. (spr. déndi; waarscbyn-lyk verwant met het (luilscho tan d, tit ndeln, enz., beuzelary, beuzelen, enz.) eon saletjonker, modegek, lomand, die het ongewone en in \'I oog Iffljpeiule in kleeding, houding, manieren, enz. uilvliidl en navolgt (de beaux der 17de, de pellts-maitros der isde, de elegants, m u s c a d 1 n s ine r o y a b 1 o s, fashionable s, lions, ga ml lus, pelits-crevés en gom-meux onzer eeuw ia Fraakryk); despolnaam der Kngolschon la Amerika; — dandysme, ii. de zucht om voor dandy Ie spelen, man-neiyke coquclterlo of bobaagzuchl.

Danobrogs- of Dannebrogs-ordo, f. eene ridderorde, de tweede la rang in l)o-nemarkeii; ilns genoemd naar eone voor heilig gehouden vaan Dannebrog (d. i. Denenvaan, van broq, doek, vaan), ia 1219 door Waldemar li gesiiciii; — Danowerk of Danvirke, ii. een oude door do Denen op het schiereiland Jutland lot afwering der Dultschers opgeworpen grenswal.

dander, m. fr. (spr. dniizjé), gevaar; - dan-gereus, adj. (spr. daii:j—, fr. dangemix) gevaarlijk,

Daniël, helir. mansn.: de rechter (iods, de goddelijke rechter, de door God verkoren ridder.

Danime of danima, eene perz.-tnrksche rekenmunt (ongeveer j- cent) waarvan de 10 een ma moed I, de 1000 een to man doen.

Danischmend, m. (perz. geleerd, van ildnisch, wetenschap, ddnislan, weten) in Turkye een studeerende, een ondergeesleiyke.

Daniseeren, tot Denen maken, deensch maken.

Dankert, Dankred of Tankrod,

mansn.; een denkraad, iemand van denkenden raad, een krachtige donker.

danno, m. it. (=lat. damnum) Kml. schade, verlies.

dnn.ie, f. fr. de daas; dan.ie des morls (spr. dans\' di mór) of dame macabre (z. macaber), doodondans; — dansant, adj. (fr. daiisdn) dansend, met dans verbonden, waarby gedanst wordt; — thé dansant, z ond. thee; —

danseur, m. danseuse, f. danser, danseres; danseur de enrde, koordedanscr. Danske, m. Deensch, een Deen. Dantes, onregelmalig woord voor tantes, z. ond. tantum.

Danza, f. It. dans; — danzante, II. Muz. scherp te kadanceeren volgens den rytb-mus van den conl re-dans.

Daphne, f. gr. elg. de laurierboom; Mytb. de dochter van den stroomgod l\'eneus, door Jupiter in een laurierboom veranderd, loen Apollo haar vervolgde; ook liot. het peperboompje, waarvan de meeste in Europa voorkomende soorten een scherp en bytend sap bezilten, lerwyi de bast, op de huid aangelegd, blaren verwekt als die eenor spaansche-vliegplelster; Daph-ncea, f. de gelauwerde, hyiiaam van Diana; — daphnephoor, m. lauwerdrager In de daphnephonen, pl. Apollo-feesten en dansen, by welke men lauwerkransen droeg; — daphnieten, m. pl. versteende lauwerbladen; - daphnino, f. Chem. eene krlslalll-seerbare, liillere en onzijdige slof, In den bast van Daphne mezereum; — daphnis, m. gr. Mvlh. eene schoono herder op Sicilië, door de dichters als meester in hel herderslied geprezen; daphno disoh, adj. lauiiervormig;

daphnomantio (spr. l=ls), f. waarzeg-gery door middel van een in \'1 vuur geworpen lauwertak.

Dapifor, ni. uw.lal. (van \'I lat. daps, genii. dapis, maal, spys, en ferre, dragen) de spysop-drager; onder Karei den Grooto was dapifer de opperhofmaarschalk; dapiferaat, n. het ambt van spysopdrager.

dappeoren, z. lapeoren.

dar, arab. huls; in Nulde; land, gebied, darbisten of darby-christonen, pi. een naar haar stichter J. N. Darby genoemde, in 1S1» in fr. Zwilserland ontslune ehilinstische secle, welke de voorspellingen van bet O. en N\'. Testament let tori uk opvat;—darbisme, n. de leer en do gezamenlijke meenlngen der darbisten; darbistisch, adj. die leer betreffend of haar aanhangend.

dard, m. fr. (spr. ildr) werpspiels. Dardanariaat, n. mid.lal. Jnr. elk bedrog, Iedere slulkerlj in maat, gewicht, enz., byzonder echter de korenwoeker, het opkoopen van het koren, zoo genoemd, zegt men, naar een l\'lioeniciscben toovenaar Dardanus, die het koren door magische knnsl in zyne schuren verzamelde en dal eerst hü de grootste duurte weder verkocht; — dardanarïus, in. een korenopkooper, korenwoekeraar.

Dardanéllen, pl. twee knsteelen aan belde zyden van den Hellespont (z.ald), naar de oude door Da r da no s geslielile slad Dardavïa In Azie zoo genoemd; vandaar ook die zeeiingie zelve.

dare, lal. geven, /.. v. a. debet of schnldlg, In het boekhouden; —- dilur, het worde gegeven; delur copm (sell, tirnlocólli) Jnr. er worde afscbrifi van \'t verhandelde gegeven.


-ocr page 330-

DAREIKEN

■3iA

DATUM

Daroiken of dariken, pi. Kr., sImr dareikós, in. naar con oud-perz. konlngsnaam Dn rei os ot Darius) oud-perzlsclie goudmunten mol het beeld van oenen seliutter, üiiko-veer = 7^ gulden.

Darham, m. lurksclio munt z. dor hom.

dark, adj. eng. (spr. ilaark) donker; dark horse, donker paard; luj wedrennen: een lot dusver onbekend paard.

Darkey, ra. eng. (spr. ddar-ki), kleine zwarte, negerkind.

Darling, in. eng. (spr. ddarling) Hoveling.

darn, eng. (spr. danrn) (kousen enz.) stoppen; daming-col Ion, stopkatoon.

Darsëna, f. 11. binnondool oonor zoebaven vgl. a r s o li a a I.

Darsis, f. gr. (van dérein, ontvellen, villen) Chir. de ontvelling, bet verlies der opperhuid;

— dartos, m. eone dichte roodnehtigo, zeer vaatryke en samentrek hare eelweetsellaag, welke zich aan de inwendige vlakte der uitwendige huid van don balzak bevindt.

Dartre, f. fr. Mod. haarworm; ringworm, tmiduitslag, zweer aan bet kruis, don bals ot kop der paarden; — dartreus, adj. daarmede behept.

Darw. iiy natuurwetenscb. namen atk. voor Charles Robert Darwin (gest. 188-2).

Darwinisme, n. nw.lat. de leer van don eng. natuuronderzoeker Charles Darwin van hel ontstaan der dier- en plantensoorten door natuurlijke voortteling, ontwlkkolingsleor, leer der natuurkeus, ook selectle-thoorio gobeotonj darwinist, aanhanger dier leer.

Dasyma, n. of dasytes, f. gr. (van dasys, dicht, ruij!, ruw), Med. de ruwheid dor haren, Inz. do ruwheid van de Inwendige oppervlakte iter oogleden; — dasyantisoh, adj. Hol. mot bebaarde liloesems; — dasy gastrisch, adj. N. II. met bebaarden hulk; — dasykar-pisch, adj. Hut. bebaarde vruchten dragende;

— dasykaulisch, adj. met bobaarden stengel; — dasykophalisch, adj. N. H. met behaardon kop; — dasymeter, of m a n o-moter, m. gr. een werktuig om de dichtheid van do luchtlagen des dampkrings te meten, door den Maagdenburgsclien burgemeester Otto von Guerlcke uitgevonden, daarom ook wel ma-mmStrum Guerickiunum genoemd (Fouchy en Gerst nor hebben het werktuig verbeterd); — dasyphyllisch, adj. Hot. met behaarde bloesems; — dasypleurisch, adj N. H. aan do zijden behaard; - dasypróktiseh, adj. met behaarde billen; — das^rpus, m. gr. (woordelijk ruwvoet) het gordeldler; — dasy-stachyisch, adj. Hot. met lange baarden aan de aren; — dasystemónisch, adj. met behaarde meeldraden; — dasystylisch, met behaard stijltje; — dasy tes, z. dasyma; — dasyürisoh, adj. IN.II. met behaardon staart;

— dasyürus, in. (woordelijk rulgstaarl) hot buideldier.

dat, lat. hij enz. geefl (v. dare) b. v. dat Calinus npés, dal Jüslinianus honöres, pauper

Aiistotelés cögilur ire pedes, Galenus (do geneeskunst) geeft schatten, Jusilnianns (de rechtsgeleerdheid) oereposton, de arme Arlstotolos (de wUsbegeerte) moot te voet gaan; — dat venidm conns, vexdl censiira colümbas, do critiek verschoont den strijdvaardige, maar valt weorloo-zon en vredolievenden aan.

Data, dataria, dalio, enz. z. end. d a t u m.

Datagra, f. (gr. odontügra) do tandpijn; hot tandtrekkon.

Datisca, f. Bot. eone sierplant met gele bloemen; — datiscine en datiscetine, f. Chem. eone uil de bollen daarvan verkregen gele verfstof.

Datisme, n. gr. (dalismös) eone uitdrukking In don trant van don liü Marathon bevelvoerenden perzisclion satraap Da lis, ulo bel grleksch gebrekkig sprak; in \'t algemeen eone fout, door iemand gemaakt, die eone vroemde taal spreekt.

Datolith, m. gr. (kwalgk gevormd van daléömai, deolen, verbrokkelen, wegens do korrelige afscheiding dezer steensoort) eone delfstof uit hol kalkgeslacht, die uit kalkaarde borax-zuur en kiezelaarde bestaal.

Datsja, pi. russ. (oorspr. eone door den vorst verleende gifl, van dalj, geven) landhuizen, zomerwoningen In de omgeving oenor slad in Rusland.

datum (pi. dalu) lat. (v. dare, geven) eig. gegeven, uitgegeven; — dewyi eertyds dit woord in gerechtolUko stukken vóór de opgave van don dag werd gezet, zoo noemde men den dag zei-ven den datum, de tyd en plaatsaanduiding, den dag van hot opstellen, sebryven of verzenden eens briefs; datum ut retro, dezelfde tyd en plaatsopgavo, als op de koorzyde staat; datum ut supra, tyd en plaats als hoven; —rfa(o, it. Kmt. boden; a dato, ook: na dato, en enkel datn, van heden af, van den dag der on-derleekening of opstelling af, Inz. bg bepaling van den vervaliyd der wissels, vandaar dato-wissels, dezulke, welker vorvaltyd van den dag dor opstelling af wordt gerekend; — de dato, van den dag des schryvens of der opstelling af; — dateeren (fr. daler), dagleekonen. tyd en plaats vermelden; — data, n. pl. hel gegovene, do gegeven Inhoud, do slof; do gegevens, opgaven, aangegeven feiten, enz.; — data et accepta, uitgaaf en ontvangst; - dataria, f. 11. do piiuselgke prebenden-kamer, waarvan de verleening voor kerkeiyke prebenden, ook de dispensatie van huwoiyksbeletseien, enz. afhangt; dus goheeten naar bet gewone formulier, dat men onder de builen stelt (Datum apud S. Petrum)— datario m. it. of da-tan\'us, m. lal. de voorzitter van die kamer; — dalw de manu, f. lat. Jur. bet ontslag of do vryiatlng uil do dienstbaarheid; dalio in soh/turn, afstand, overgave In plaats van betaling; datto curalorïus of tuldrls, de aanstelling van oenen voogd door de rechtbank; — da-tivus, m. In de middeleeuwen: opperrechter in Rome en hel gehoole exarebaat; — datief.


-ocr page 331-

DATURA .\'315 D EBA LLOTEEREN

m. {dalivus casus) z. casus; — per dolivum, iloor don datlvus, d. I. door omkooplng of ne-schonkon, b. v. lot een ambt of eon waardigheid geraken.

Datüra, f. (van \'t perz.-arab. latürah) de gemcone doornappel [Datura slrammonium, L.), eeno vergiftige plant, waarvan men In de geneeskunde gebruik maakt-, — daturine, f. Chem, een bijzonder alkaloïde uit liet zaad van deze plant.

Daub, by natuurwetenscbappeiyke benamingen afk. voor Daubenton (gest. tl»!)).

Daucus, m. lat. (gr. dSukos) wortel of poen, daucus of surcus dauci inspissïïlus, Mod. Ingedikt wortel- of peensap.

Daud. bij natuurwetenscbappeHjke benamingen afk. voor Daudin (gest. 1801).

Daulet, n. arab. liet rijk; dikwijls in samenstellingen als oostersche eereiiiel, b. v. HchA-ud-l)aulel, m. kostbaarheid des rijks, een eore-titel van den tegenwoordigen beboerscber van Kasjgar; ~ Nizam-ud-Daulot, m. orde-of vredesticbter dos ryks.

Daumont, m. fr. (spr. do-móii) soort ry-tuig; ó la Daumont, vierspan met een voorryder.

Dauphin, m. fr. (spr. dófcii) eig. z. v. a. dolfijn (z. aid.), sedert nil), toen llinnbort II. aan Karei van Vaiois de provincie Daupbiné {Delphinatus) vermaakte, tot ISllfl de titel van den kroonprins van Frankrijk; — dauphine, f. ile gemalin des dauphins; nok eene bonte wollen en zijden stof.

Daviaan, f. de veiligheidslamp, eene lamp voor de mijnwerkers, die hen voor de noodiot-iige werking van hei mijngas of grisou bevel-ilgl; dus geheoten naar baren uitvinder, den nn-sterfoiykenscheikundige Sir 11 umplirey Davy

David, hehr. (l)Avid) mansn.; de geliefde; inz. van den koning van Israel, don zoon van Isai enz. Davldische psalmen, Davids harp, enz.);

— Davids, m. pi. by zeelieden; yzeren standers aan de zyden van het achterschip, dienende om er lichte vaartuigen aan te hangen;

— Diividsharp, f. de spitsharp.

Davier, m. fr. (spr. dnwjé) bij kuipers,

schrynwerkers: een stuk gereedschap om de stukken, die men bewerkt, byeen te houden, hoeptang, bandliaak, klauw; de voegbank; by tandmeesters eene zekere kleine tang, p e I i k a a n (z. aid.).

Davon\'ën, pi. (serv. (lawörfje) illyrlsche krygsiiederen.

Davus, m. lat. een gewone slavennaam in do rom. hyspolon; Davus sum, non OEdipus, lat. sprw. by Tereatius; ik ben Davus, niet OEdipus (z. aid), d. i. geen beksenmeestor In \'i raden.

Davy\'s veiligheidslamp, f. (spr. den-wies) een door den eng. chemist 11. Davy uitgevonden lamp voor mijnwerkers, waarby de vlam, door oea nauwinazig draadaet omgeven is, om de ontbranding van bei myngas te voorkomen, vgi. daviaan; — davyum, n. een evenzoo naar II. Davy genoemd in 1877 door

Serge Kern in de platina-groop ontdekt eigenaardig metaal.

Day, z. dey.

days of humiliation, pi. eng. (spr. dees of joemieljéesjun) dagen der vorootmoodiging, de holde boetedagen In Engeland, n.l. :t0 Januari (onthoofding van Karei I in UUtl) en i September (brand van Londen in ItiliU).

de, lat. en fr. voorz.; van, uit; ais voorzetsel In samenstellingen komt het mei het noderl. ont, ver, af, mis, enz. overeen; de grace en derg. verbindingen z. bet tweede woord af-zonderiyk of hieronder.

dead, adj. (spr. dêd) eig. dood; — dead-heat, eng. (spr. ded-hici) by wedrennon; wedloop die voor ongeldig verklaard wordt, omdat twee of meer paarden zoo dlcbi by elkander aankomen, dat liet onmogelijk was den winner aan te wüzon; — deadmoat-shop, m. eng. (spr. déd-miet sjop) eene soort van openbare oothuizon, open iafels of portie-tafols te Londen, waarschyniyk zoo geheoten naar den reuk van vorscb goslacht vleesch, die zulken inrichtingen eigen Is.

Dealbatie (spr. t=ls), f. nw.lat. (van \'t lat. dealbare) het witmaken der metalen.

deambuleeren, lat. (deambulare) wandelen, kuieren;—deambulatie (spr. /=/.v), f. de wandeling, liet wandelen.

Dean, in. eng. (spr. dien) deken (vgi. de-canus); — deanery, f. (spr. dienen) dekenschap, decanaat.

dear, eng. (spr. dier) waard, lief, dierbaar; ra)/ dear (spr. mai dier), myne lieve, beste;»?!(/ deur Sir, Mijnheer, WeiEd. lieer, in \'t opsebrift van brieven, enz.; dear me\' lieve hemel; — als superiaiief: dearest, llefsle.

dearticuleeren, nw.lat. (vgi. articuleer en) ontwrichten; - dearticuliitie(spr. tie—tsie), f. de verrekking, ontwrleliting; ook z. v. a. d I a r i h r o s 1 s.

de audïtu, z. ond. audiëntie. Deauratie (spr. t=ls), f. nw.lat. (van \'I lat. deaurare, verguiden) de vergulding.

debacleeren, fr. (déhicler, van bdclcr, versperren eig. mot een slok of dwarsstang; inld.lat. baculnre, v. \'t lat. baculus, slok) eeae haven ontruimen, d. I. de ontladen schepen, of het ys, vlothout, enz. nil de haven brengen, opdat do geladen schepen aan wal kunnen komen; — debaclage, f (spr. Md-zj\') Mar. de bavenrulming, het verwyderon van de ontladen goederen, schepen, ys, enz.; — deba-cleur, m. de havenmeester, -ruimer.

debadineeren, fr. de gewonnen streepjes of punten uitvegen (by \'I imperiaal spel).

deballeeren, fr. (déhalter) waren uit ili^ balen doen, ontpakken, uitpakken; —debal-lage, f. (spr. -fó-ijquot;), de uitpakking, ontpakking.

deballoteeren (vgi. ballot e e r e n), eig. do stemming verydelen of te niet doen; by stemming afkeuren, verwerpen, niet aan- of opnemen; deballotage, f. (spr. ~ld-:j\') de afkeurende stemming.


-ocr page 332-

DEBANDEEREN

DEBÉNT

316

debandeeren (spr. debaml—), fr. (Inm-iler: vgl. lianile) ultoengann, zich verstrooien, vDiloopen, uit elkamler loopon; ontspannen, de spanning, de styflicld verliezen, slap worden;

— dobandado, f. Mil. de onlscliarlag, liet (imirdeiyk uit elkander loopen der soldalen, liet loopen niet gebroken gelederen, ook déban-demént, n. (spr. debaml\'man)-, — n la dé-bandade, onordelijk, In liet wild, ongebonden.

debanquoeron, debankeeren, fr. [débanquer) den bankboudor alles afwinnen, de bank doen springen, b. v. In het farospel.

debaptisooren (spr. s=z), nw.lal. (vgl. bapt iseeren) van de voordeelen des doops berooven; ook verdoopen, herdoopen.

debarbariseeren (spr. s=z), nw. lat. (vgl. barbaar, enz.) de harhaarschheld ontnemen, ontbolsteren, beschaven.

debardoeren, fr. (débarder) iels, inz. hout, uil het schip lossen, aan land brengen;

— debardage, f. fr. (spr. dd-zj\') de uil- of ontlading van een vaartuig, inz. van eene lading brandhout; — débardeur, m. débar-douse, f. (eig. houtiader of -losser) gebrnl-keiyke maskers in liel houldragers-costuum (wijde pantalon van atlas door een gordel opgehouden en een pellend manshemd van batist).

debarqueeren (spr. —keeren), debar-keeren, fr. {débarquer: vgl. bark) onlsche-pen, landen, aanlanden, aan wal zetten, lossen;

debarquemént, n. (spr. debark\'mdii) de landing, het landen; de ontscheping, ontlading, hel lossen der waren; — débarcadère, f. (spr. -ka-dèr) aanlegplaats, steiger; los- en laadplaats (aan de spoorwcgslallons).

debarrasseeren, fr. {ddbarrasser, van barre, z. aid. en vgl. emharrasseeren) ontwarren; wegruimen; losmaken, onlwikkelen; uit de ongelegenheid helpen; zich van den hals werpen ; — dobarrassemént, n. (spr. —maii) de opruiming, wegruiming der hindernissen ; losmaking, bevrijding.

Debatten, pi. (van hel fr. Ie débat, het geschil, de woordenslnjd) Iwislrcdenen, twistgesprekken, woordenwisseling, beredoneerlngen van het voor en tegen eener zaak, inz. mondelinge politieke verhandeling; debater, m. eng, (spr. debéclcr) meester in het debat; — debatingclub (spr. -bee-) genootschap tot oefening in hel dehalleeren; — debatteeren fr. débatlre), strijden, kampen met woorden, redclwlsien, voor en togen eene zaak spreken.

Debauche, f. fr. (spr. dcbnmj\') do uil-spattlng, bullensporigheid, ongebondenheid, losbandigheid, losse levenswijs, onlucbl, liederlijkheid; — debauché, m. (spr. debo-sjé) ook debauchant (spr. debosjdii) een zwelger, doorbrenger, wellusteling, losbol, lichlmis; — debauchant, adj. uilspattend, liederlijk, verleidend; debauchoeren (spr. debosj—) {débaucher van \'t oudfr. bauche, leger van \'t wilde zwijn en werkplaats alzoo eig. uil den winkel halen, van \'I werk aftrekken, en voorts van den plicht afbrengen) aan hel tafelgenot overgegeven zijn, zwelgen, lichlmissen, uitspatten, los en liederlijk leven, zwieren; Iemand d e b a u c b e e r e n, hem verleiden, tot grove bul-tensporlgheden overhalen, hem van zijn werk aftrekken of afkoorig maken; —debaucheur, m. verleider, koppelaar

débaveeren (fr. débaver) de cocons der zijdewormen van losse zijde ontdoen.

debelleeren, lat. (debellare, v. helium, oorlog) den oorlog eindigen, bedwingen, overwinnen ;—debellatie (spr. I=ls), f. nw.lal. de bedwinging, overwinning; — debellator, m. lal. zegevierder, overwinnaar.

Debént, m. (van \'1 lat. debens, v. debère, schuldig zijn) een schuldenaar; — dêbent, 3de pers. pi. van den sing, debet, z. iager; — debentuur, f. (eng. debenture, fr. débenlur, voorheen eene quitantie, kwijting; oorspr. wel hol lat. debéntur, als ilde persoon pi. van de-bcri) de kosten of don lol, dien men terugkrijgt; bot bewijs van den terugbetaalden tol; — debet, n. (van \'tlat. debet, lij is schuldig) Kml. de schuld, die Iemand nog betalen moet, of, met belrekklng lot den vorkooper, wat hij nog le ontvangen beeft, vgl. credit; de heer IS. debet, d. I. is schuldig; de heeron N. en Comp. debent, d. I. zijn schuldig; debetzijde, de linkerzijde van het grootboek des koopmans, waarop bet debet van den aan hel hoofd genoemde wordt aangeteekond; — rfc-bita portio, f, het verplichte aandeel, z. lepi-tima: — debit urn, n. lat. de schuld; pl. ilebïla, schulden; — ilebilum rambiale, de wisselschuld ; d. ccrtutn, eene zekere, veilige, dooi\' den schuldenaar belaalbare schuld; d. conjugale, de hu-welijkspllcht; (/. exigibile, eene invorderbare schuld; d. feudale, de leenplicht; (/. illiquidum, eene onbewezen, niet erkende schuld; d. incér-tum, eene onzekere schuld; d. inexiqibïle, enne niet in le vorderen, bet vermogen van den schuldenaar te boven gaande schuld; d. legis, eene welleiijke schuld; d. liquiduni, eene klare, bewezen of onloochenbare schuld; d. naturae, üo naluurschuld, de noodwendigheid van te sterven; d. passivum, eene le betalen schuld; d. periietüum, eene allijddurende of onaflosbare schuld; i/. publicum, ome openbare,nan do slaats-kast le betalen schuld; — d. verum, eene ware, niet tegen te spreken schuld; — debila activa, pl. .uitstaande schulden, vorderingen; d. consen-suali\'a, met gerechtelijke toestemming gemaakte schulden; d. feudatta, leenschulden. leonplleb-len; d. hereditaria, erfschulden, schulden der nalatenschap; il pass/va, le belalen schulden; — debito, m. 11. de schuld, hel schuldige ; — debit-massa, z. v. a. concoursmassa (z. aid.); — debiteur, m. fr. (lat. debitor, pl. debitóres) schuldenaar, in tegenst. met crediteur; — debitrix, f. lat. de schuldonares; — debtlor assinnUlus, een aangewezen schuldenaar, dien men zijnen schuldenaars aanwijst, om zich van hem le doen betalen; d. cambialis, een wisselscbuldenaar, wiens schuld men aan een ander afslaat; d cessus, een afgestane schul-


-ocr page 333-

DEBUCHEEREN

DEBIEL

•Ml

dcnanr (wiens schuld ik asm oen ander afsta); lt;1. chirographarfm, oen schuldenaar op handschrift, dlo don schuldelschor umtront zijiic schuld con schrlftolUk liowijs hoeft gegoven; d. communis, eon gomeonschappoHjk schuldenaar, le-gon wlon do gozameiiiyke schuldelschors In rechten optredon-, d. ile (uqa suspérlus, een van vlucht verdachte, eon onzekere schuldenaar; d. fuQiUvus, een voortvluchtig schuldenaar; d. he-reditartus, iomand, dlo aan oene nalatenschap iels schuldig is; d. hyimlhecanus, oen schuldenaar op pand, op hypotheek; d. in solidum, oon modoschuldcnaar onder do vorpilchtlng van desnoods do gohoolo schuld te helalen; d. mo-rosus, een in gohroko gohievon schuldenaar; (/. obaeralus, die meer schuld dan vormogon heeft, diop In schulden steekt; d. pignoraliCius, een schuldenaar, die zynon schutdoischer tot zo-korheld een pand heeft gegeven; d. piinripu-li.s\', do hoofdschuldenaar; lt;1. /(«ft/Tcus, oen opon-liaro of staatsschuldenaar; d. put ah kus, een vermeende schuldenaar; d. usunirms, oene ren-toschuldonaar.

debiél, adj. lat. {deVilis, e) zwak, maclito-toos; — debiliteit, f. do zwakte, krachteloosheid ; — debittlas animi, f. do vorslands- of goes-loszwakle; — debiliteeren ilat. debitilare), verzwakken, krachteloos maken, ontzenuwen; — debilitatie (spr. lie=tsie], f. de verzwakking, ontzenuwing.

Debiét, n. fr, {ddbil, oorspr. wol z. v. a. d e 1) o t of (1 o I) i I u m, dus elg. schuld of uitstaande Uotaling voor verkochte waren) de aftrek, verkoop, aflevering, hot vertier van waren; - debiteeren (fr. déhiler), afzeilen, vor-koopon, allovoren; onoig. vorsprclden, uitstrooien, in omloop, onder do monschon brongen, b. v. eeno Hiding; ook lois op do schuldrekening, in liet debet (z. aid.) brengen, of als schuld aan-scbryvon, aanrekenen, belasten; — debitant, m. oon warenafzoller, slyter, kleinhandelaar, kramer; ook do verkooper van loterijbriefjes voor dea collecteur.

debiliteit, debiliteeren, enz., z. ond. d e b 1 o 1.

Debitor, debitum, enz., z. ond. do-beat.

deblayeeren, fr. (spr. deblèjdren. fr. dé-blayer, samongelr. uit débalayer, van batayer, uitvegen, schoonmaken) opruimen, puin, enz. wegruimen; do loopgraven na ophelling der belegering weder volwerpon; — déblai, n. do wegruiming van uitgegraven aarde, enz , de opruiming.

debloqueeren, deblokkeeren, fr.

{débloquer; vgl. bloqueoren, ond. bloc) Mil. ontzetten, de insluiting of versperringeener plaats, haven, enz. opbellen, do versperde toegangen openen; by letterzetters: de tydeiyk ingevoegde lettors (gekeerde, by de Dullschers vil ego-kop pen geboolon) uitnemen, d. 1. de letters die men by hot te kort sclilclen der gevorderde loiters voorlooplg heeft ingozel, weder ultlich-tea en door do ware vervangen; — deblo-quement, n. (spr. deblnkk\'man) Mil. do op-helling oener b I o k k a d e, z. aid.

de bon coeur, z. c o o u r.

débonnaire, in. fr. (spr. —nór\'; ontst. uil de bon air, prov. de bon aire: vgl. a 1 r) zaclil ■ zinnig en goed, weldadig en toegeeliyk, onuit-liutloiyk goed; als subsi.; de zachtmoedige, geduldige, toegevende, goedaardige.

de bonne grace, z. grace.

Deböra, hobr. (Debórdh, v. duhar, vatten, grüpen) vr.naam: oig. do bij, wesp, itiz. de naam cener profetes en heldin in Israel (Kicht. 4), welke Barak aanzette tol don slryd tegen do Kaaailnlelen.

debordeeren, fr. {di\'border: vgl. boord; den rand of zoom wegnemen, ontboorden, af-raaden; afkanlen; ovorslroomon, alt de oovors treden, overloopen (van rivieren); Mil. overvleugelen; ook oaeig. te ver gaan, aitspatten, b.v een gedebordeerd mcnsch, een hulton-sporig mensch; debordemént, a fr, (spr. —maw) hot bullen de oevers treden, overvloeien oener rivier, de overslroomlng, vloed: ook onoig. do overloop van gal; altspalllng, bullen-sporlgheid.

debotteeren, fr. (débolter, van botte, laars) do laarzen ulltrokken, ontlaarzon, ontschoeien.

déboucheeren (spr. —boesj—), fr. (débou-cher, van boucher, toestoppen, bnuche, mond, opening) olg. wal verstopt Is openen; Mil. uil eeno engte, een bergpas oprukken; Knit, gelo-gonheld tul eon good vertier of aftrek van waren vinden; — dobouché (spr. deboesjé) of debouchemént (spr. —sj\'maii), n. do uitgang, allwog uil oene engte, défilé of bergpas; Kmt. de aftrek, hel verlier dor waren; weg of middel om do waren af Ie zeilen.

debourseeren (spr. deboers—), fr. {dt1-bnurser, van bourse, beurs, buldel) nllbetalen, voorschieten, verschieten; gold uit den zak balen; debours (spr. deboer), deboursé (spr. deboersée) en deboursemónt (spr. de-boers\'mén), n. do ullbctallng, do onkoslen, hel ullschol, voorscbol, verschol.

debrailleeren, fr. (spr. —bratj—) den boezem te veel ontbloolen, den hals en de borsten onwelvoegiyk bloot dragen.

Debris, m. pl. fr. (spr. debri, van briser, broken) de puinhoop, hot wrak, de stukken, de ovorbiyfsols, h. v. van troepen, de overgebleven manschap.

debrouilleeren (spr. debroetj—), fr. {dé-brouitter: vgl. bron 1 Mee re n) Iets verwards weder la orde brengen, nlleonzollen, ontwikkelen, onhvarron, ophelderen ; - debrouille-mént, n. (spr. debroetj\'mdii) de ontwikkeling, onlwarring, uiteenzetting.

debrutaliseeren ispr. s=z), fr. de ruw heid, lompheid, den bolster (van Iemand) afnemen, lol zaehlero zeden brengen.

debruteeren, fr. [débrulcr) nfsiypen, iio-lyslen.

debucheeren (spr. (7i=sj), fr. {débuetier.


-ocr page 334-

DEBUSQUEEREN

318

DECANUS

Jagersterm: opJiiRen, opstooten; het leger verlaten (van wild sprekende); zijnen stand verlaten.

debuaquoeron (spr. debu-skeeren), de-buskoeren, fr. {(télnisquer: afleiding als \'t vorige di\'hucher) MM. uit het bosch, uil eene voor-deolige stelling dryven, verjagen-, onelg. den voet lichten; — debusquemént, n. (spr. —mdii) \'t verdrijven van den vijand uit zijne stelling.

Dobuskoop, m. oen naar den uitvinder Dehus genoemde kaieidoskoop (z. aid.) met gepolijst zilveren platen In plaats van spiegels.

Debut, fr. (spr. ilebü) meestal gesproken en geschreven: debuut, n. (elg. do eerste stool of worp In het spel, van bul, doel, wit) de aanvang, het begin, het eerste optreden, verschijnen, h. v. van eenen tooneelspeler, de eerste rol, de Inleiding, openingsrede, het eerste pleidooi eens advocaats; — debuteeren (fr. dé-buler), aanvangen, beginnen, voor do eerste maal opireden, verschUnen of zich laten hoo-ren; zijne eerste rol spelen; zijne inireérede houden; — debutant, m., debutante, f. Iemand, die voor hot eerst openlijk optreedt, inz. op het looneol; een beginner, oen schrijver, schrUfsier, die zijn of haar eerste werk in t licht geeft, enz.

de bul en blanc, z. oud. hul.

Dec. of ook De C., hg naiuurwetonschap-peiyko lienamingen afk. voor De C.andolle (gestorven 1811).

decacheteeren, fr. (spr. deimf—, vgi. cacheteeren) ontzegelen, openen.

deca, z de ka.

Decade, f. (fr. décade: uil hel gr. dékas, tien) een iicnial, tien stuks, b. v. van Jaren, van boeken (zooals in Livius\' romeinscbe geschiedenis), van dagen, zooals in den franschen repubiikeinschen kalender (décadrier, spr. —dril\', die in ISOU weder afgeschaft werd), eene week van 10 dagen, waarvan er drie in eene maand en :it\'i in bet Jaar gingen, dat met il Sept. aanving. De afzonderiyke dagen der decade heetten in volgorde: prim ld 1, duo dl, tridi, quartldl, qiilntldl, sexiidi, septldl, o c 11 d 1, n o n 1 d 1 en decadi, de deeadldag, welke Inalsie aan de rusl gewyd was; —decadi was ook in den revolulle-tyd de naam van een poiiliek weienscbappeiijk weekblad, dal van \'tjaar II (HOI) Ie l\'arys verscheen, in bel Jaar XIII den iliei van Kevue aannam en in isn met den Mo reu re werd saamgesmolten; — decadïca, f. hel tientallig stelsel, deci-m a a l-stclscl, bet algemeen gehrulkeiyk laisiel-sel, waarnaar de gelalien in klassen van Hen eenheden verdeeld zün, en Hen eenbeden eener klasse eene eenheid der naasl boogero klasse uitmaken.

Decadence, fr. (spr. —ddiis\': vgl. cadence) of decadéntie (spr. I—Is), f. bet trapsgewijs verval, de afneming, verergering, versiimmering, val.

Decadrier, z. ond. decade; — deca-goon, /,. dekagoon.

decagramme, n. fr. to grammos, z. gramme.

decaisaeeren (spr. —kèss—; fr. décaisser, v. caisse, z. aid.) uitpakken, ledigen.

Decalcomame, f. fr. (v. déealquer, z. aid.) de kunst, om oii porselein, Ivoor, albast, hout, z.yde, enz. plaatjes (overdruksels) over te brengen, die daarvoor opzolleiyk gemaakt en ingericht zyn.

decaleeren (van \'I It. caldre, zinken, afnemen), Kmt. in gewicht afnemen door uitdrogen, lekken, enz.; — decalo, n. de gewichts-vermlnderlng eener waar; vgl. dechet.

Decaliter, m. (fr. décalilre) 1« liters (z. liter).

Decalogus, z. de ka log us.

decalqueeren of dekalkeeren; vgl. c a I q u o) eenen weerdruk, omdruk, logenafdruk maken, eene plaat op hout en dgl. overdragen ; vgl. x y I o g r a p h 1 ü e r e n; — vgl. d e c a 1-c o m a n i e.

Décameróne, f. 11. (v. gr. déku, tien, en heméra, dag) Iti dagen, een geschiedenis in 10 dagen, titel eener bekende verzameling van nn-veiion des italiaanschen dichters lioccaccio (spr. —kalsjo).

Decameter, m. (fr. décumèlre) 1« meiers (z. m 1 e r).

decampeeren, fr. {déramper, van cam/), leger) de legering, hel kamp opbreken of opheffen; opbreken; oneig. aftrekken, de vlucht nemen; zich uil de voelen maken, wegpakken; — decampemónt, n. (spr. —man) hol opbreken van eon leger, de ontlogering.

Decanaat, z. ond. de can us.

Decandria, z. d e k a n d r 1 a.

Decanie, decaniseeren, z. ond. de-c a n u s.

decanoniseeren (spr. s=z), nw.iat. (vgl. canoniseeren) van de lysi der heiligen uitschrappen.

decanteeren, lat. {decunhire) elg. afzingen; uilroepon, pryzen; eene bezonken vloeistof langzaam afgieten, klaren; — decanta-tie (spr. (ie=lsie), f. (fr. décanlalion) het afzingen, uilroepen; hel voorzichiig afgieten van bet boidere vochl, bel klaren.

Decanus, m. lal. (van decern, tien; fr. dnyen) elg. een aanvoerder van een lont of con-lubernium, dal 10 soldaten lelde hy de rom. legers, en in de kloosters oen opziener over 10 monniken; deken, hoofd of overslo der (voormalige) gilden; in een domkapillel de tweede der hooge dignitarissen, die bel toezicht hoofl over do Inwendige aangelegenheden van bet slifi of college; de oudste der kardinaai-bisscboppon in bel college der kardinalen; de opziener van een prolesianisch geesleiyk dlslrtcl, ook de-chant gebeeten; op dultscbe hoofflcholen; de hoofden van do afzonderiyke faculleiteii, een doken-, in Ilallé ook; de oudste bediende des huizes (bij vorsten, kardinalen, enz.); — decanaat, n. de waardigheid van deken, het dekenschap; - decanie of decanlj, r. degoe-


-ocr page 335-

DECAPEEREN

319

DECHARGE

deren en gebouwen tol onderhoud van eenen deken, zyn kerkelijk gebied, ook zijne woning; — decaniseeren (spr. s=z), den post van deken vervullen.

decapeeren, fr. (tlécaper, van cape, kap, bedekking) Chem. reinigen, scboommiken, b. v. den roest or het oxyde, waarmede een metaal bedekt Is, wegnemen.

decapiteeren, nw.lat. {van \'tiat. caput, hoofd, fr. (UcapHer) onthoofden, onthalzen; — decapitatie (spr. tic=tsie), f. de onthoofding, onthalzing.

decarboniseeren (spr. .?=?), nw.iat. (van \'t lat. carbo, kool) ontkolen, van koolstof ontdoen, bevryden; — decarbonisatie (spr. -za-lsic), f. de nntkoling, bevryding van koolstof. Decare, m. fr. 10 ares (z. are), decarneleoren, nw.lat. (van cam, genit. carnis, vleesch) tot in het gezonde vleesch snyden.

Decastère, m. fr. to stères (z. stère), deeateeren, decatiseeren, fr. (ih\'rn-tir: vgl. ca te er on) do in Frankryk in 1822 uilgevonden, nu algemeen gevolgde handelwyze om het geheel bereide en geperste laken aan de werking van waterdampen bloot te stellen, waardoor het, na nog eens geperst te zyn, een duurzamer glans dan den vroegeren persgians (fr. Ie cal) krygt en niet meer krimpt, ontglan-zen; — dócatissage, l. (spr. —/i-ot-cjquot;) de wegneming van den persglans door damp of stoom, bet krimpen der lakens, ontglanzlng.

decatoniseeren (spr. s=z), nw.lat. (van Cato, z. aid.), den ernst benemen, bet voorhoofd doen ontfronsen (een door Scarron gesmeed woord).

decedeeren, lat. (decedüre) weggaan; wü-ken; overiydon; decéssie, f. (lat. decessto) het weggaan, de verwijdering; het aftreden;— decéssor, m. de aftredende, de ambtsvoorganger; — decéssus, m. de aftreding; de dood, het overlyden.

deceleoren, fr. (déceler-, vgl. celeeren) ontdekken, aan den dag brengen.

decern, lat. lien; decern, m. de tiende; tiend, het tiende gedeeile van iets ais opbrengst aan geestelyken, ambtsheeren, enz.; decern primi, eig. de eerstellen, naam in het oude\'Rome en veie Hal. steden voor een commissie uit den senaat voor büzondere zaken; — decémber, m. lat. de wintermaand, eig. de tode maand naar den oud-rom. kalender, die van Maart af werd geteld (vgi. s e p t e m b e r); — decem-bristen, pi. decembermunnen, de tianbangers van Louis Napoleon en de ondersteuners van den zoogenaamden staatsgreep op 2 December I8;il; in Rusland (ook dekabristen de adellijke samenzweerders van IS2S, wier opstand in December (russ. Oekaber) uil brak; —decem-dóntisch, adj. nw.lat. N. 11. tientandig; — decomfidisch, adj. in tien deeien gespleten;— decomfidus, lal. Hot. tienspletig; — docemloculair, adj. met tien vlakken of af-deelingen; — decempëda, f. eene meetroede, meetstang van tn voet of tets meer dan .\'t meter, — decempedator, m. de landmeter; — decempédisch, adj. tienvoctig;-~docóm-plex, lat. tienvoudig; -- decémvir, een tienman, lid eener uit 10 mannen bestaande overheid ; hel meest bekend zyn in de rom. geschiedenis de Decemviri legibus scribemiis of wetgevende tienmannen, die de wetgeving in 12 tafelen opstelden; — docemviraal, adj. wal de tienmannen betreft; —decemviraat, n. (in lat. m.) het tienmanschap, de waardigheid van tienman; —decendium, n. nw.iat. een dagentlenlal, een tyd van 10 dagen; — decennium, n. lat. een jarentlental, eene tyd-ruimte van 10 jaren; — decennaal, adj. (lat. decennalis, e) tienjarig.

decént, lat. {dicens, van deccre, betamen) geschikt, welvoegiyk, gepast; hetameiyk, eerbaar, zedig; —decénsie, f. (lat. decentïa, fr. décence, spr. desdiis\') de weivoegiykhoid, eerbaarheid, gepastheid, zedigheid.

Decentralisatie (spr. -za-lsie), f. nw.iat. de losmaking van een pollliok lichaam, waardoor aan de leden eene groolere zelfstandigheid verleend wordt, zwak staatsverband, de opheffing der eentralisatle, z. aid.

Decéptie, deceptor, z. ond. d eet pi-eer e n.

decerneeren, lal. (decemlrc; vgl. cer-nee ren) gereehteluk besluiten, toekennen, beslissen, een oordeel of vonnis veilen (vgl. deer e o I); — decernént, m. (lat. decérnens) Jur. de rechtserkenner, beslisser, vonnisspreker.

decerpeeren, lal. {decerpdre: vgl. car-peer en) afplukken, losrukken, wegnemen; — decérptie (spr. /=s), f. nw.iat. de afneming, vermindering.

decerteeren, lal. {deccrtare; vgl. eer-te er en) een besilssenden slryd voeren; — de-certatie (spr. lie—lsie), f. beslissende slryd, strydbeslissing.

Decessie, decessor, ■/.. onder decode e r e n.

déchagrineeren (spr. ch=sj), fr. (dicha-qrincrvgl. chagrin) van kommer of verdriet bevryden.

dechaineeren, fr. (spr. desjén—, van chaine, keten) eig. ontketenen; losbreken, uitvaren, woeden, razen; — dochainemént, n. fr. (spr. —ma/;) bet losbarsten der verbittering, het woeden, razen, tieren.

dechalandeeren (spr. desjalahd—), fr. (déchatnnder; vgl. c hal and) iemand van zyne kalanlen berooven; ook eenen kooper of ka-lant door onvriendeiyklieid en dgl. doen weg-biyven.

Deohant, z. ond. decanus.

Dechai\'ge, f, fr. (spr. de-sjdnj\': vergel. charge) 1° het ontladen, lossen der scbopen; 2° de ontlasting, het ontslag, de verliehling, bevryding, vrijspreking van eene schuld of verplichting en de daarvan opgemaakte oorkonde, hewys van den alloop eener zaak (iemand dé-ebarge geven of verieenen); S0 Mil. de ont-


-ocr page 336-

DECHARMEKREN

DECIMAAL

320

luilliiK, hel ufvurcii, losbranden, Inz. van ver-scheldon vuunnondon togelUk, het salvo; 4° kruisband, sluilbooR; 5° rommelkamer; —de-chargoeren (Ir. décUargev) ontladen, atladen; ontbinden, viljspreken, ontslaan, kwytscbeldcn; uitdelgen, doordoen, b.v. eenea post, eene schuld; eoiic rekening als voldaan teekenen; afvuren, lossen, losbranden van geschal of geweer, een salvo geven.

deeharmoeren (spr. r/i—y), fr. (déchar-mar: vgl. charme, enz.) onttoovoron

decharneeren (spr. ch=sj), fr. (décharner, van chair = lal. cam, geuit, canii\'s, vloesch) ont-vleezen, mager maken, uitteren.

doch\'iusaeeron (spr. de-sjoss—), fr. (dé-chausscr .• vgl. ebausseoren) elg. de voel bekleeding allcggeu, ontschoeien; eenen tand de-c hausseeren, hem vóór hel uittrekken van hot tandvleesch ontblooten; — dóchanssoir, m. (spr. de-sjossodr) bet taudmoeslcrs-werkluig, waarmede dal laatste gedaan wordt.

Déchéance, f. fr. (spr. desjcaiis\'■. van di1-c/ioir, vervallen) Jur. bet verlies van een recht, vervallenverklaring.

Decher, m., dechent of dechend, n. boogd. (van \'I lat. decurta en dectma, mld.lat. dcci\'na, eene afdeellng van lien, een lleude, v. \'t lat. decern, tien; vgl. decurle) Kmt. 10 sluks vellen of hulden; bij de russlsche rookwaren 40 stuks.

Dechet, m. fr. (spr. desjè; van déchoir, afvallen, afnemen, v. choir, cheoir, vallen; vgl. chance) Kmt. de gewiebtsvermtndering, bet waardeverlies, de afneming eeaer waar door afzondering van de daarbü zilnile onzuiverheden, stof, zaad, enz., aismede door indrogen, lekkage, enz. (vgl. deealo).

dechilfroeren (spr. dé-sji-fr—), fr. (dé-chi/frer: vgl. cbiffre, ecz.) oatcUferen, ontraadselen, ophelderen, onlbuilen, oplossen; een gebelmscbrlft in gewoon scinlft overbrengen; — déchitfreoring of fi. déchiffrement, m. (spr. —mail) ontcijfering; déchiffra-ble, adj. onicUferhaar, oplosbaar; déchif-freur, een ontcyferaar, verklaarder van geheimschrift.

Dochirage, f. fr. (spr. de-sjird-zj\'.- van dé-c/i/m\', verscheuren) werkhoat, oude planken, enz. van onbruikbaar geworden en daarom gesloopte vaartuigen, brandboui.

dechristianiseoren (spr. s=z), barb.-lat. onicbrlstonen, van \'1 chrlslendoin afkeerig maken.

deci, lat. (vóór de benaming van eene maat of eea gewicht uit het metrieke stelsel staande, beteekeat:) hel liende deel van die maat of dat gewicht (vgl. de ka).

Decinre, T\\ are, z. are.

Decidéntie (spr. l=ls), f. nw.iat. (van \'I lat. dendijre, afvallen, v. cadüre, vallea) de afneming, afval, hel verval, de vermindering van foriuin en vermogen, z. v. a. decadence; — deciduus, lal. Hoi. afvallend.

decidoeren, lat. (decidlre, elg. afsnijden.

v. caedrre, hakken, snijden; fr. décider) beslissen, beslechten, eene uitspraak doen; bescheid, uitslag, uilslullsol geven; hesluilen; — decidendi ratiunes, f. pi, lat. recbtertyke besllsslngsgron-deii; — gedecideerd, bepaald, beslist; ook vastberaden, niet van zgne beginselen afwy-kend; — decideerend, adj. beslissend, siei-lig, bepaald; — decisie, f. (spr. s=t), (lat. decisto) beslissing; Jur. ook docisum, n. eene rechteriyke uitspraak, het vonnis, de beslissing;

— decisief,adj. nw.iat. beslissend) — decisieve slem, z. v. a. votum deriviswn, z. no-lum. decisivemónt, fr (spr. desiti-v\'mdii) op beslissende wyze, hesilst, stellig, ultdrukke-iijk; docisor, in. nvv.ial.de beslisser,scheids-rechter.

Decigram, TV gram, z. gram; —deciliter, liter, z. liter.

decimaal, adj. nw.iat. (van \'I lat. decern, tien; lienmus, a, urn, de of bei tiende) tien-deellg, wat uil tlendedeelen beslaat, tol tienden behoort, lienialiig, h. v. decimale breuk, eene tlendeollge breuk, zulk eene, welker noemer een der getallen 10, 100, t(HUI. 10,000, enz., in \'i algemeen 10 of eene macht van to is; decimaal-maat, eene maatorde, naar welke iedere boogere aiaalsoori bet tienvoud der naastvoorgaande Is, I). v. de duim 10 strepen, do palm 10 duimen, do ei 10 palmen, enz.; de-cimaal-rekening, de rekening met ilen-deeiige breuken, tiendeellge of ilentailige rekening; — decimaal-stelsel, de gewone wyze van hy lieneii ie teilen, d. i. vvaarby de waarde der opvolgende cyfers van een gelat in tienvoudige orde van de rechter-naar de linkerz.yde opklimt; — decimaal-teeken, decimaal-punt, n. hel |iunt of de komma, dal de geheeien van de tiendeeiige breuk scbeldl; decimale weegschaal, f. (fr. balance décimale, eng. decimal balance) brughalans of iiascuie, iiij welke bel tienvoud der gebezigde gewichten bet gewicht van den gewogen last aangeeft; — decline, f. Muz. de tiende toon van den grondtoon afgerekend; Poet. eene lieinegeilge strophe van sp. oorsprong; — decime, in. eene fr. inunl, waarvan er 10 op 1 frank gaan; z. franc;

— decimeter (fr. décimèlre), r\\ meter, z. meter;\' — decimeeren, lat. {decimure) tienden, de tienden ontvangen, inzamelen; ver-tienden, do tienden geven; Mil. den tienden man uitlaten inz. ter doodstraf, als allen oven schuldig z.yn (eene oud-romeinsche handeiwyze by oproer van een legioen enz.); lig. »een bevolking wordt gedecimeerdquot; door besmeiteiyke ziekten, enz.; — decimabel, adj. nw.lai. liend-plichtig, aan de tiende onderworpen; — de-cimatie (s|ir. I=l.i), f. lat. de vertiending, bet tiendrecht, de inzameling of opbrengst der tienden; ook de loting om den llenden man, de uillichting van den liende; —decimator, m. nw.iat. de tiendheer, de tot invordering der tienden gerechtigde persoon; — décimóle, f. ii. Muz. eene notenliguur, waardoor aan eene groep van Hl lonen de tydmaat van s van iiaar


-ocr page 337-

DKCINTRKERKN

DECOCT

loeken gegeven worill; — decimoséxto, n. hel formaat eens boeks, waarby leder vel :ii bladzijden beetl; men drukl liet uil door 111°.

decintreeren (spr. de-se ill Ir. (dérintrer, van cinlre, boog, gewelf, lat. cindura, gordel) Arch, de stellage, waarop eon gewelf Is gebouwd, wegnemen.

decipiëeren, lat. (decipérc, van rupUre, nemen, vatton) misleiden, bedriegen, om ilen tuin lelden; mundus full deeipi, sprw. de wereld wil bedrogen zgn; decipimur specie recti, wy worden door don scbyn van het goede bedrogen ; — decéptie (spr. l—s), f. (deceplio) de misleiding, het bedrog; — deceptibiliteit, f. nw.lat. do hedrlegbaarheld; — decéptor, m. een bedrieger, misleider; — doceptrix, f bedriegster; - docoptórisch of deeep-tïvisch, adj. nw.lat. bedrieglUk.

Decisie, decisief, enz., z. oml. decideer en.

Decistère, T\'e stère, z. stère. Deckhand, in. eng. (spr. dek-hend\') elg. een »op hel dek bezige bandquot;; oen matroos.

declameeren, lat. (deelamvrc, luid spreken) kunstmatig lezen of spreken, naar de regels van goede uitspraak, houding en gebaren voordragen, naar het gevoel spreken; ook op redenaarstoon van onheduidende dingen spreken, in woordenpraal vervallen; ook nog schreeuwen, uitvaren, lostrokken, razen, schimpen; — de-clamdndu, 11. Mnz. in een declameerenden styi, meer sprekende dan zingende voor te dragen; — declamatie (spr. /=/.«), r. lat. [declamalïo) de kunslmatige mondelinge voordracht van eene redevoering of een dichtstuk, de kunst om schoon te lezen of voor Ie dragen, de voordraciilskiinst, voordracht, het kunstlozen; ook de redekunstige inkleeding ; de pronkrede, redetool, enz.; afkeurend: de overdrgving, woordenpraal, gezwollen voordracht, windhrekery-, — declamator, m. een kunslmallg spreker, geoefend redenaar; woordenpraler, hoogdraver; — declamato-nca, f. nw.lat. de kunst, de leer eener schoone voordracht, de redevoeringkunst; — declamatorisch, adj. wat de uileriyke voordracht betreft, daartoe behoorl, sleriyk voordragend; hoogdravend; declamatonum, n. eene kunst voordracht, redenaarsoefening, kunstvoorlezing; Muz. vers dal met afwisselende begeleiding van muziek wordt opgezegd; decla-mazione, f. it. z, v. a. declamatie.

declareeren, lat. (declarare, v. clarus, klaar, helder) verklaren, ophelderen, uiiicggen, zijn besluit openleggen, bekend maken; waren of goederen voor de belasting aangeven; - declaratie (spr. l=ls), f. (lat. dedarntfn) de verklaring, bekendmaking, openlegging, aanwy-zlng; Log. de voorioopige aanduiding der kenmerken van een begrip, om dan tol de clgeniyke definitie over te gaan; Kml. de aangifie van koopwaren of goederen aan lolkanloren, enz.; het bewijs dier aangifie; di\'clarnlion d\'amour, fr. (spr. delilurnsjnii ilamoer) de licfilesverkia-rlug; declaration of riuhts, eng. (spr. deklce-ViKIIDE DRUK.

réésj\'n ow raits) de aanwyzing der rechten, de verklaring van het eng. parlement in liet jaar l(gt;8(t omtrent de grondbeginselen der eng, grondwet; — declamlin honöris, lat., of diclaralion d\'honneur, fr. (spr. —doneur) f. de eerverklaring; déelaraho sentenliae, lal. de verklaring of bekendmaking van een vonnis; decla-ratief, adj. (later lal, decluraticus, a, urn en declaratörisch, adj. nw.lat. verklarend, ophelderend; — déclaratoir, n. fr. (spr. —todr) verklaring (inz. door een genees- of heelkundige afgegeven); — declaratorla sentenlta, f. lal. het oordeel, waarby degene, die uiispraak doet, zyn vroeger oordeel nader verklaart, hel ophelderend oordeel.

declasseeren, nw. lal. uil eene klasse schrappen of verwijderen; - déclassé, m, fr. in stand en rang achteruitgegaan persoon, vorloopen sujet; — déclassée, f. gevallen vrouw.

declineeren, lat. (declinUre) afwyken. zich afwenden; afwyzen, van de hand wyzen; niet erkennen h. v. een rechtbank; Oram, een woord verbuigen, al zijne veranderingen dooide naamvallen en getallen opnoemen; — de-clinabel, adj. buigbaar, buigzaam, verbuigbaar, veranderlijk; — declinabiliteit, 1 de vatbaarheid om verbogen ie kunnen worden, verbuigbaarheid; — declinatie (spr. t—ls). f. lat. iderlinulio) Phys. de afwijking, inz. der magneelnaald van de middagiyn (by zeelleden: iniswyzing) Aslrou. de hoek, dien de gezichts-lijn, langs welke men een hemellichaam ziel, mei hel vlak van de evennachtsiyn maakt, anders: de afstand van eene sier tol denequaior of de evennachtsiyn -, vandaar z o n s- en m a a n s-declinatie, ook der sierren van denequaior; Med. verrekking; ook: hel afnemen eener ziekie : Gram. de woordbuiging, veriiuiging, verandering van den uitgang der naamwoorden door de verschillende naamvallen; Pol. de afwyz.ing of verwerping van een verzoek; declinator, m., declinatormm, u, uw.lal. een afwij-kingswljzer, een kompas of werktuig, dal dc mlswyzlng dor magneelnaald aantoont; de-clinatörisch, adj. afwijkend, afw ijzend, van de bami wyzend, weigerend; — declinalus, a. urn, lal. Bot. neergebogen.

decliviteit, f. lal. {declirflas, v. decllvis. aflKdiende, van clicus, zachl glooiende hoogte de afhelling, het trapsgewijze lager worden, b. v. van den grond.

Docóct, n, lal. (decóclum, van decoqucre. afkoken, ook verleren, verdoen), l\'harm. een afkooksel. Wil men uit eene ariseny het daarin voorhanden ietherisch beginsel door water uittrekken, dan geschiedi dil door aflrekking of infusie. Verbindi men die lieide verrichtingen, zoodal men een bereid decoct nog licet over eene slof uilglei, welker vluehlige beslanddee-len men mei het waler wil verbinden, dan onl-slaai hel zoogenaamde deeocto-infüsnm, n, liet afkooksel-aftreksel . decóctie spr /=•«), f, lat. (decoclfo) de afkoking, hel afkoel


-ocr page 338-

DECOLLEEREN :m DECOUPEERKN

koiij decóclor boiwrum, m. een verkwister van zijn vermogen; il. dolosus, eon bedrlegiyk door-hrenger van olgen en (teleend vermogon.

decolleeren, lat. {(ieroltare, van rollwn, de hals) onthoofden; op het biljart: een hal van den hand afspelen; Chem. den hals van een kolf met een brandenden zwavoldraad of (iloelenden draad doen afspringen; — decol-latie (spr. I—Is), f de onthalzing, onthoofding ; gedecolleteerd, fr. [décolleté) met htooten hals of boezem, met laag onthlooten hals, mot den boezem, do horsten btoot.

decoloreeren, lat. (decolorttre, van color, kleur) ontkleuren, verbleeken, verschieten; — gedocoloreerd, adj. verkleurd, verschoten;

decolor. Hot. ongekleurd; — decoloriitie spr. l=ls), f do ontkleuring, het verschieten der kleuren; decolórimeter, m. nw.lat. do ontkleuringsmcter, een werktuig, dienende om nf do ontkleurende kracht van zekere zelfstandigheden, óf den graad van ontkleuring, dlon de zelfstandigheden ondergaan hebben, te meten.

decombineeren, nw.lat. (vgl. combl-ueeren) schelden.

de commode el incommode, lat. van bet voordeel en het nadeel.

decomponeeren, nw.lat. (vgl. compo-neeren) uit elkander nemen, ontbinden, verdeden, ontleden, oplossen, out mengen de-componlbel, ad], ontleedbaar, ontbindlmar, oplosbaar; decompositie (spr. -ti-lsie), f. de onthlndlag, scheiding, verdeeling, ontmenging, oplossing eens Uchaams In zUne eerste bostand-deolen; — decomposilus, a, urn, lat. Kot. dubbel samengesteld (b. v. een samengesteld blad, waarvan de onderdeelen op hunne beurt hU herhaling samengesleld zUn); decomposïtum, n. een in z.yn bestanddeelen ontleed of ontmengd lichaam; ook (met bet voorvoegsel de In den zin van versterking) Mod een uit verscheiden stollen samengesteld geneesmiddel; Gram. een uit meer dan twee woorden samengesteld woord, li. v. opperveld maarschalk, zee man s-ha ndboek.

decomprimeeren, lat. (vgl. com prime er en) Phys. de drukking wegnemen; — decompressie, f. wegneming der drukking.

Decompte, n. fr. (spr. dekó/il\'; vgl. co nip te) Kmt. de korting, aftrek van cene rekening, legenrokening; — decompteeren fr. décomiiler), aftrokken, korten; afrekenen; Muz. van den eenen loon lol den anderen door alle lusscbenlonen of Intervallen overgaan.

deconcepteeren, barb.lnl. (vgl. con-c e pi) verward maken,uit den samenhang brengen. de concerl, z. ond. concert, deconcerteeren, fr. {déconcerler) elg. de spelers In do war brengen (vgl. concert); verlegen maken, van zyn sluk brengen of geraken. verwarren, een voornemen verijdelen, dwarsboomen; - deconcert, n, {fr. m.) (spr. tleekonsir) misverstand.

Deconfóssiis, m. uw. lat. Iemand, die niet gebleebl beefl.

Deconfiture, f. fr. (v déconfire, geheel verslaan, In de pan hakken, oudfr. desconfire, II. sconfigaere, v. \'t mid. lat. dis-configi/re, van dis- (z. aid.] en conficëre, voleinden, vernietigen) de volkomen nederlaag; het volslagen onvermogen om te betalen.

de congrüo, z. ond. congrua. deconsidereeren, nw. lal. de achting benemen; — deconsideratie (spr. l—ls), f. tiet verlies van of gebrek aan achting.

deconstrueeren, nw.lat. Gram. de doelen van eenen volzin uiteenleggen, ontleden, ontbinden; —deconstructie (spr. lie=sic), f. de onlblndlng, ontleding, uiteenzetting.

decontenanceeren, fr. (déconlenancer. vgl. contenance) Iemand verlogen maken, van zyn stuk brengen; ge de co n t o na nc e er d, verward, bedremmeld, verblufl; — deconte-nantie (spr. lic=/sie), f. (fr. déconlenance), verlegenheid, verbluftheid.

deconvenabel, adj. fr. (déconvenablc) ongelegen, ongepast.

decoratie, enz., decoreeren, z. ond. d e c o i\' u m.

decor t, z. do court,

decorticeeren, lat. {decorlicare, v. cortex, bast, schors) den bast of de schors afdoen, schillen; - decorticatie (spr. Iie=lsie), f. de afschilling van de schors of den bast.

Decorum, n. (van \'1 lat. decuras, «, um, welvoeglyk, belamelUk, v. dlcor, welstand, sieraad, v. deeëre, betamen, imssen), de wolvoeg-lykheld, het botamotyke, passende, fatsoentyke, gebrulkeiyke; het decorum bewaren, zijn fatsoen houden ; — derore, adv. mot gepastheid, weivoegiykheid, fatsoen; decoreeren (lat. dccorare), versleren, tooien, opschikken, verfraaien; met eene orde, een ordelint, enz. beschenken; een gedecoreerde, iemand, die een ordelint, eerekruls draagt; — decorateur, m. fr., of decoratieschilder, een schilder van sieraden, kaïnerversierder, inz. looneelscblider; — decoratie (spr. l=t.s), f. de versiering, Inz. de tooneelverslerlng, de schermen, de iooneelheschiidorlUK of-bekleeding; hel eereleeken, de orde; — decoratief, adj. nw. lal. tot sieraad of oplooiing dienende; in do bouwkunst hel tegengestelde van constructief; Plet. wat slechls streeft naar uiteriyk kleureneffect, zonder streng te letten op vorm of heleekenls; decors, pl. verplaatsbare looneelversieringen [coulisses mobiles).

decouleeren (spr. delwei—), fr. découler vgl. eon lage) afvloeien, druipen; — decou-lant (spr. decocldn), afvloeiend, druipend; —\' decoulement, n. (spr. —mÓH),de afvloeiing, bet druipen.

decoupeeren (spr. -~lwe—),tt. [dérouper, vgl. coupoeren) In stukken snyden; ultsny-den, getand maken; voorsnijden, b. v. een bout; ullknlppen (b. v. prenten uil papier); — de-coupeerzaag, f. zaagmacliine om leekenin-geu voor lidegwerk in forneerblailen enz. uil Ie zagen (fr. scie ii dérouper, scie a pédule.


-ocr page 339-

DECOURAGEEREN

DECRESCEEREN

323

cnK. intaying-saw-machine) ,■ — decoupé, m. oen tuin, die in liloumlioddcn van onderscheidene gedaanten Is verdeeld.

decourageeren (spr. -koera-tj\'—), fr. (ilécourager: vrI. co u rape) moedeloos maken, afschrikken, ontmoedigen, versaagd, kleinmoedig of schuw maken, den lusi benemen; — de-courageant, adj. (spr. —zjaii) ontmoedigend, moodbenemend; — gedocourageord, adj. ontmoedigd, kleinmoedig, neerslachtig; — do-couragement, n. (spr. dekoerd-zj\'mdh) de ontmoediging, moedeloosheid, versaagdheid, kleinmoedigheid.

decouronneeren (spr. ou=oe), fr. [dé-rouronner) ontkronen, van de kroon berooven.

Deeourt, fr. (spr. dekoer) of decort, a. (v. fr. court. It. corln, lat. curtus, verkori, kort) Kinl. korting op iiel bedrag eener rekening of faeimir; — decourteeren, korten, aftrekken, afdingen, in/., wegens de slechte gesteldheid dor waren of wegens lokortkomlng van gewicht.

Découseuse, f. fr. (8|)r. dé-koe-zeuz\') draadsteek-losmaker (aan naaimachines).

décousu, adj. fr. (spr. - kne-zu) onsamen-hangond.

Découvorte, z. oad. decouvreeren. decouverteeren (spr. ou—oe), v. \'l fr. couvert) den omslag van deli brief openen en wegnemen.

decouvreeren (spr. ou—oe), fr. {ilécnu-vrir) onlbiootcn, ontdekken, openbaren, aan den dag brengen, te kennen geven; — d découvert (spr. —koewèr) onbedekt, onbeschut; — dé-couvert, n. liet detleil; — découverte, f. de ontdekking, uitvinding.

decrasseeren, fr. (décrasser, van mme, vuiligheid) schoonmaken, reinigen.

decrediteeren, fr. (décréditcr) iemand van zijn ere diet, vertrouwen, aan/.len of achting berooven, zyn goeden naam benadeelen, krenken, verzwakken, in kwaden reuk iirengeii; de dougdelykheid eener waar verkleinen, verlagen (minder sterk dan dlscredlteercn).

Decreet, n. lat. (decrêlum, besloten, lie-sluli, van decernüre, vgl. decerneeren; pl. (lecrctn) eene verordening, bepaling, beschikking der overheid; oen rechtsiiesiuit, raadshesluil of -bevel op eenzijdig aanzoek dor partUen, In tegenstelling mei de beslissing na rechterHik verhoor dor helde partyen (het vonnis); decritum in Sen (Vu, besloten in den raad; at! decritum, naar de verordoning, naar de rechterlyke uitspraak; — decrita, pl., inz. de besluiten en uitspraken der pausen en kerkvergaderingen; (Iccrclum absolutum, het otivoorwaardeHjk raadsbesluit (Gods); decritum admissitnim, een besluit omtrent liet toelaten van een rochtsinid-dol; (I. alienindi, een vervreomdingsiiesiuit; een verlof der overheid om ecnlg goeil te vervreemden; d. amhitiusum, eene partydige beslissing; d. autfeum, z. v. a. ka bin el s-or dor (z. aid.); (I. cnmminutorfum: een bosluit met bedreiging van slraf; d. commissoriale, iiesluit van eene commissie van onderzoek ; d. commi/ne, een ge-meenschappeiyk bescheid; d. concessivum, eene uitspraak, waarby een verzoek wordt toegestaan; d. confinmtorïum, een bevestigend besluit, d. Dei, het goddetyk raadsbesluit; d. de solvéndo, het verlof der overheid tot uitbetaling van zekere geiden; d. Crutiani, eene pauseiyke wet-tenverzaineiing uit de 12e eeuw, die het eerste deel van het kanonieke recht uitmaakt (z. oud. de ere tal en); d. interimisttcum, eenevoorloo-pige bepaling der overheid; d. marginale, eene op den rand bUgesciireven bepaling; d. ullenus, verdere, laatste bepaling; — dccretales {litlerae) of decretalen, f. pi pauseiyke besluilen oji gedane aanvragen der lilsschoppen in kerkelijke zaken, en do onderscheiden verzamelingen daarvan; inz. die door Gregorlus IX verordende, welke als kanonlek welhoek het tweede deel van liet kerkrecht {cori). juris canonici) uitmaakt; decreteeren, mid.lal. (decretdre) gerechte-iyk liesluiten, bepalen, vaststellen, bevelen; — gedecreteerd, adj. besloten, vastgesteld,enz.; - decreteorkunst, de kunst om oen decreet op te stellen; — decretist, m. een leeraar van het kerkclyk recht, leeraar en schry-ver van hel kanonlek recht, in tegenstelling met de legist en, de leeraren en schry vers van hei i-om. recht; — deeretörisch, adj. beslissend, uitspraak bevattend, vaststellend, dec retorische of beslissende dag [dies decrelortus) was by den Weslphaaischen vrede de I Jan. 1624 voor de op dien dag reeds van kracht zynde secularisaties.

Decremént, n. lat. (decreménlum, van decresclre, afnemen, vgl. descresceeren) de afneming, vermindering, hel verval; — de-creménten, n. pl. Algeb. de verschillen der termen eener dalende of afnemende reeks.

Decrepitude, f. fr. (vgl. crepeeren), de afgeleefdheid, de booge ouderdom, zeer liooge jaren; bouwvalligheid, verval; decrepï-tus, m. lat, een afgeleefd, stokoud man; — decrepiet, adj. afgeleefd, stokoud ; bouwvallig, den ondergang naby.

decrepiteeren, nw. lal. (van crepilüre. knelteren. Intensief \\un crepure, vgl, crepeeren) aan stukken knappen, met een knal of plof ulteenspringen, geiyk het keukenzout op het vuur; — decrepitatie (spr, lic=lsie), f. Oliem. de kneitering, welke zekere zouten, die een weinig kristalwater bevatten, doen hoo-ren, wanneer men ze op gloeiende kolen werpt en het ingesioien waier by tiet springen der kristallen onlwyki.

decresceeron, lat. {decrescfre: vgl. crescendo) afnemen, verminderen, kwynen; decrescént (lat. decréscens) afnemend, ver-niindcrend; ~ decrescéndn, li. (spr. dekresjfndo] Muz. afnemend, allengs overgaande van het (orte tot piano en pianissimo, \'t welk men door iiel ieeken gt; aanduidt; — decrescenle-pinnatus, lal Bot. afnemend gevind , docreacéntie (spr. l---s), f. lal. {dccrescentïa) de afneming, \\er-kieining.


-ocr page 340-

DEDUCEEREN

DECRKTA

:m

decreta, decretum, decreteeren,

cnz., z. ond. docrcet,

decrotteeren, fr. {décrotter, van crolte, vuiligheid, slük) van vuil relnlgon, schoonmaken, afhorstelen, poetsen, zuiveren ; decrot-teur, in. een schoenpoelser; — decrottoir, m. (spr. -lodr) een schraapyzor, een werktuig lot reiniging dor schoenen en laarzen vóór de deuren ; — decrottoire, f. (spr. —todr\') een schoenhorstel.

decrusteeren, nw.lat. (van crusta, korst) ontschorsen, den hast wegnemen, afschillen; reinigen.

Decubitus, m. nw. lal. (vgl. deeum-heeron) Med. hot doorliggen der zieken.

decuivreeren, fr. (riéruivrer) onl koperen, van koper ontdoen.

decumanus, lal. Bot. tlendeelig. decumatische akkers, m. pi. (lat. de-runtales agri), tiendpllchllg land, het land ten nosleti van ilen Kijn en len noorden van ilen Donau, dat iu de eerste eeuw van Chr. door ile duitsche stammen ontruimd, door de Komei-nen in iiezii genomen en tegen opbrengst van tienden aan Galliërs en rom. veteranen werd overgelaten. Tegen het vrüe Germanic word dit land verdedigd door oenen muur, die den naam van duivelsmuur droeg.

documbeeren, lat. (decumhere) zich te hed of (naar rom. gebruik) aan tafel leggen, zich nedorleggen; decumbént, adj. (lat. tlecümbcns), nederllggond (Bol. van stengels);— decumbéntie (spr. lt;=(,?), f. het liggen; -decumbituur, f. nw.tnt. de hodlcgerighold.

decupelleeren, nw.lat. (vgl. c u p e 11 e e-ren) afglelen, afklareri; — decupellatie (spr 1=1.1), f. de afgieting, klaring.

Decüplum, n. nw. lat. (van iecem) hel tienvoud, tienvoudige, tienmaal grootero; de-cupleoren, vertienvoudigen; — decurie, f. lat. Idccurfa) een aantal nf oene afdoeiing van tien, een tiental; onderafdeollng; doeurio, m. een aanvoerder van to man, rotmeester; een tienman, landdrost of landrechter in de rom. volkplantingen.

decurreeren, lat. {decurrdre) atloopen, afwaarts vloeien; deeürsie, f. {dcrunw) de afvloeiing, het afwaartsloopen; — decur-sief, adj. nw.lat. afwaarlsioopend; — dccumns, Bol alloopcnd; decurréntie (spr. l=ls), f. het atloopen; decursus, m. het verloop h.v. eener ziekte; — denmivc-itinnnlus, «, um, Bot. afloopend gevind; - decunivus, «, um. Bol. voortloopend.

decussoeren, lal. (deemsnre, v. decussis, \'I gelal in en \'I rom. getalmerk X) knilswijzc verdoelen, doorkruisen; — rfentwa/fm, adv. lat. in den vorm van een SI. Andrles-kruls of ro-■nelnsche Hen (X), overdwars, krinswjjs; — decussatie (spr. /=7»), f. (lat. decmsaHo) de ontmoeting van lünen en stralen, die elkander kruisen, de snyding der lUnen; — rfecussa-/iM, n, um, Bol. krulswys geplaatst; wanneer Iwee paren tegenover elkander slaande liladeren elkander regelmatig onder een rechten hoek kruisen, zoadat z(|, wanneer men den stengel geheel In het verkort ziet, een kruis vormen.

Decussorium, n. nw.lat. (v. decussum, decutere, nederstooten) Chlr. een werktuig tol nederdrukking van hel harde hersenvlies l)(j de schedelboring of trepanatie.

dedaigneeren, dédain, z. ond. de-d i g n e e r e n.

de dalo, z. ond. it a I u m.

dedecoreeren, lat. {dedecornre vgl. de-c o r ii in) onteoren, schonden; — dedecoriitie (spr. I—Is), f. (later lat. dedecorahn) de ont-eoring, schending.

dedeoren, z. ond. dod 11.

dediceeren, lal. (dcdicare, van dieure. verkondigen, wijden) toeeigenen, toewijden, opdragen ti. v. een boek aan iemand; — dedicatie (sp. lt;=/s), f. (dedicaiïo) de toeBigening, toowydlng, opdracht; — dedicdlo, adj. It. toegeëigend, opgedragen; — dedicator, m. luier lat. de toewyder, opdrager, — dedicatö-risch, adj. nw.lat. opdragend, toewydend.

dedigneeren, lat. {dedignuri) of dedaigneeren, (spr. dedènj—), fr. {dédaigner niet verwaardigen, tier verachten, versniiiden: beneden zyne waardigheid of zijner onwaardig rekenen, geringschallen; - dedigniitie (spr. /=/.«), f. lat. (dediqnahn) of dédain, n. fr. (spr. dedèii) trotsche veraciiling, mlnachiing, versmading, gerlngselialtlng, een hnonend, trotscli gedrag of voorkomen;—dédaigneux, adj (spr. iledehjeus) veraohtetyk, geringschattend.

dcdil, lat. (van dare, geven) afgekort ddl.. hy lieeft gegeven of betaald; — dedeeren, dediteeren, of zijn dedii bijschrijven, Knil. Iels als belaald aanmerken, eene schuld uitdelgen, doordoen.

Deditie (spr. /=/«), f. lat. (dedHïo, van dedlfre, overgeven) de overgave, overlevering.

Dedo, m. oudd. mansnaain, nederd. vorm voor Dieto, frank. Theodo, afk. der mei Diel, Theod, d. 1. volk, samengestelde namen.

Dedo, m. sp. en porl . vinger ; ook als lengtemaat (= t.Ti cM.)

dedommageeren (spr. dedomatjéeren) fr (dédommager, van dnmmage, schade oudfr. rta-mage, lat. damnum) schadeloosstellen, de schade vergoeden; schadeloos houden-, dedom-magemént, n. (spr. -ma-zj\'mdii) de scliade-loossleliing, schadevergoeding, schadelooslioudinu dedoubleeren (spr. nu-oe), fr. (dédou-hier, vgl. double, enz.) Mil. een regiment tol op de helft verminderen; by den marsch in halve pelotons afbreken; als lechnische term; In de lengte klooven; sterken wyn met water verdunnen.

doduceeren, lat. {deduetre) afleiden, be-toogen, liewyzen, uil andere reeds bewezen zaken of rechten een bewijs afleiden; ook; verklaren, openleggen; — dedilelis dedueéndis, na aftrek van hetgeen afgetrokken moet worden, na be-hooriyke of veroisclite aftrekking; ook na bewijs van hel te hwljmne-, — dedüclus impénsis.


-ocr page 341-

DEFENDEKIIEN

DEKR

325

tia afgetrokken kosten of na aftrek der kosten; iloductn aere alieno, na aftrek der schulden; — dedüctie (spr. lt;=s), f. de aftrekkln),\', aftrok van eene som; elk hewUs, Inz. eene uitvoerige ontwikkeling van de gronden eene.r zaak; Log. de afleiding eener bewering uit eene andere, samenhangende ontwikkeling of bowljsvoorlng; ,)ur, afleiding dor rechtsaanspraken met de grondstellingen van het recht, rechtshewUs, schrlfte-Hjke uiteenzetting van een rechtspunt; de de-ductlBn zün dcductiones facti, in zoo verre zij de waarheid eener daadzaak tot voorwerp hebben, deductiones juris, als zy de aanwezigheid van een recht betreffen; dedurtw ad absürdum, een liewgs, uit do valscliheld, ongerijmdheid van het tegendeel ontleend; d. innoceniïae, hel liewUs van onschuld; d rationis, het licwijs des aanklagers of beklaagden; — deductio, f. lat, Muz. volgreeks van klimmende diatonische tonen; oplossing van een dissonant in een consonant.

Deer, n. eng. (spr. dier) hy Jagers; dier, d. 1. Jachtdier, Inz. wyfjeshert, hinde; — deerstalking (spr. —std-king), hot heiienschleten, de hertenjacht.

deftBceeron, lat. {defuecare) van lielfe, droesem, moèr (faeces) reinigen, zuiveren, louteren; — defseeatie (spr. t=ts), t. de reiniging van heire, loutering; ook: ontiediging dei-eerste wegen in de geneeskunde; Chem. de zuivering eener vioeislof door de nederploitlng van de doelen, die haar iroebel maakten; — de-fEecatio-kalk, f. een in gasfabrieken gewonnen, met zwavelwaterstof doorlrokken kalk, ille als mest gebruikt wordt.

defailleeren (spr. defalj-), fr. (défaillir vgl. falleeren) in gebreke biyven, te kort schieten, den gesteldon termyn verzuimen; — defaillilnce, f. de tekortkoming; — do-faillant, m. .lui\', hy, die In civiele zaken niet verschynt en zich hy defaut laat vonnissen.

Defaite, f. fr. (spr. defèl\': v. défaire, het gemaakte te niet doen) de nederlaag, vernietiging of ulieendryving van een leger.

defalceeren, doorgaans defalkeeren, nw.iat. (van /\'nte, genii, fatcis, sikkel) elg. afmaaien, mei de sikkei, zeis of zicht wegnemen; Jur. vooraf korten, aftrekken, li. v. een aandeel in de erfenis; — defalcatie (spr. I—Is), f. de afmaaiing; Jur. het aftrekken, vooraf korten; --dofalco, n. 11. do korting, aflrek van eene som.

defameeren, liever diffameeren, lat. (diffamure ■. vgl. fa ma) van don goeden naam herooven, onteeren; - defamatie (spr. /=/.?), f, de eerroof, lastering; defamous, adj. oerroovend, lasteriyk.

defaneeren, uw. lat. (van fanum, heilige plaats) ontheiligen, inz. van gehouwen gebezigd defatigeeren, lat. {dcfaliiiUre) vermoeien, afmaiten, moede maken; — defatigatie (spr. Ile=liie), f. de vermoeienis, afmatting.

Defaulter, m. eng. (vgl. defaut) plicht-vergeten mensch, woordbreker.

Defaut, m. fr. (spr. defa: 11. diffalla, v. \'t lal. dis- en faintare, berhaiingswoord, van failure, ontgaan, ontbreken; vgl. talieeren) gebrek, fuut; Jur het niet verscbynen voor \'I gerecht; een vonnis bij defaut, een vonnis legen hem, die noch in persoon noch door een zaakvoerder op den bepaalden tijd voor de rechtbank is verschenen.

Defaveur, f. fr. (vgl. faveur) de ongunst, ongenade; afkeerigheld; Kml. een ongunstige, geringe prys; — defavorabel, adj. ongunstig, afkeerig.

defeoeeren, defecatie, z. defascee-ren, enz.

Deféct, n. lat. (deféclus, van iU\'fictre, ontbreken ; vgl. de/icil) een gebrek, feit, mangel, tekort, b. v. aan eene kas, aan een boek, enz., ook opening of gat; —defecten, pi. hy lel-tergieters: gebroken letters; in deféclu pec-ceeren, in eene zaak te weinig doen -, défec-tus anlmi, Med. de onmacht; — oh deféclum, wegens gebrek, uit gebrek; deféct (ais adject.), gebrekkig, onvolledig, onvoilailig; dofecteeren, nw.iat. rekenfouten opzoeken en aanwyzen; — defecteering, de aanwy-zing lt;ler gebreken; — defecïïo, lal. de afval, afvalligheid; ook: afneming, vervallen der krachten ; — defectief, adj. (lal. defectivus, u, urn), gebrekkig, hescbadigd. onvolledig; verba defecliva, n. pi. (Iram. gebrekkige werkwoorden z. v o r h u m; defectieve kerken, hy katholieke schryvers: afvallige kerken, alle nlet-kalholleke kerken; — defectiviteit, of defectuositeit (spr. s=t), t. nw. lat. de gebrekkigheid, onvolledigheid.

defendeeren, lat. (defendfre) verdedigen;

— defendéndus, m. de misdadiger of beklaagde, die verdedigd moei worden; — defendén-dum, n. hel verdedigen: se defendéndo, zich verdedigend, defensief optredend; — dofen-dent, z. v. a. defensor, z. lager; —defenders, in. pi. eng., of vereenlgde leren, benaming der deinokratische gezelschappen, die zich In HOI tot een geheel verbonden iiebben, Ier bandbaving en verkrijging van vryheid in hel staatkundige en godsdienstige; — defensie, f. lal. [defensw), verdediging, tegenweer; verdedigingsschrift, verweerschrlfl; defensie-hoek, Mil. de strykhoek, hestrUkingsiioek;

— defensto conscienliae, de slaving van helgene men bezweren moet door andere bewUsmlddclen, de gewetensverwering; il. illu fla, ongeoorloofde verdediging; d. linla, geoorloofde, verdediging; d. necessarfti, noodweer; d. ullerïor, verdere verdediging; defensief, adj. beschermend, verdedigenderwys; defensive, f. de verdediging, de veriionding als verdediger, In legensl. met o f f e n s I v e; — defensieve alliantie, f. een verdedigend verbond; defensieve en ofiensieve alliantie, een verdedigend en aanvallend verbond; defensieve middelen, afwendings-, verdedigings-, behoedmiddelen; Med. [defensicum) uitwendig beiioednilddel tegen schadciyke invloeden; defensieve


-ocr page 342-

DEFINIËEREN

DEFEREEREN

326

oorlog, con verdcdlglttKsoorlog; — defensieve positie, stolling waarin men den aanval dos vUands atwaciii; - defensieve wapens, wapens ter verdediging; defensieve werken, heschuttlngswcrken; — de-fensionaal, adj. nvv.lal., i. v. a. defensief, — defemionales, pl. verdodlglngsschrlfton, ligzon-dorhodon dor verdediging; — defonsionale getuigen, getalgen Ier ontlasting, ton lie-w(jzo dor onschuld; defénsor, ni. lat. een verdediger, beschuttor, bescliormer, voorvechter, zaakgelasllgdo, zankhohartlger, ploilhezorger, advocaat ; defensor fidili, heschormor dos goloofs, titel dor eng. koningen sedert Hendrik VIII, die hem van Paus Leo K in Iö\'i2 kroeg als belooning voor z(jn hoek togen l.uthor; d. iwcessunus, oen gorechtelUk aangeslelde verdediger of advocaat ; d. volunlarfus, vrijwillige verdediger of zaakvoerder; — defensórisch, adj. verdedigend, vordedigoaderwyze.

defereeren (fr. déférer -, v. \'t lat. defene), aangeven, aantoonon; vorloonen, opdragen, toekennen, I). v vvaardighoden; een eed opleggen, op oen eed vorderen; ook hewllllgen. Inwilligen, den voorrang geven (uit eerbied); genoegen nomen, toegeven, toestemmen, I). v. een verzoek; zich onderworpen (aan iemands oor-dool) ; deferént, m. de afvordoraar van oenen eed, by, die oen ander op oenen eed vordert; ook oen aangever; op munten: bot toeken van de plaats der stempollng of des munt-moostors; Astroa. oudiyds do loopbaan eonor pianool; deferéntie (spr. /=f«), nvv.lal., of déférence, fr. (spr. —rans\') f. inschlkke-lykheld, toegevendheid, goedwHllgbold, goboor-zaaniheld (uit achting en ontzag); do aanbrenging, berichtgeving, melding.

defervesceeren, lat. {defenesclre: vgi. forvesceoron) afkoelen, koud worden; — defervescéntie (spr. l=l.i), f. uw.lat. hot langzamerhand koud worden.

Defi, n. fr. de uitdaging tot een twoego-vochl, een vootohrlof; deflëeren (fr. déficr. It. disfiddre, sfidare, van \'1 lat. dis- en fides, vertrouwen, trouw, dus eig. het vertrouwen of de trouw opzeggen, mistrouwen) Iemand niet vertrouwen, hem mistrouwen, wantrouwen; uitdagen, trotseeren, bel boofd bieden, tarten; — defiance, f (spr. defidiis\') bet mistrouwen, wantrouwen, de argwaan; — defiant, adj. wantrouwend, argwanend.

Dofibreur, m. tr. (v fibre, vezel) toestel om houtvezels lijn te maken (by papier-fabrlcatle).

defibrineeren, nw.lat. van fihrino (■/.. aid.) of vezelstof vry maken h. v. transfusie van gedIf 1 hrlneerd bloed.

deficit, lat. (van deficlre, ontbrokon, v. de en factre, maken) hot ontbreekt, Is er niet; qui próficil in Htteris (of drlihm) el deficit in moribus, plus deficit qmm proficit, die weten-schappeiyk vooruit-, maar zedoiyk achteruitgaat, gaat meer acbterult dan vooruit; — een deficit, n. oen Ie kort op eeno som, bot ontbrokondo,

enz. In eene rekening; Inz. In do staatshuishouding: som, mot welke do uitgaven de inkomsten te hoven gaan; — deficiënt, m. een tekort komende, oen afvallige; een schuldenaar;

Invalide, dour ouderdom verzwakte (Inz. van geesleiyken); deficiéndo, It. Muz. wegstervend, deficiëntie (spr. t=ts, f. nw.lat. de lo-kortkomlng; het tekort, ontbrekende; — defi-ciens hyperbola, m. lat.-gr. Math, eeno kromme lyn van de 3de orde mot slechts eeno a s y m p-tote; deficiens numerus, een getal, waarvan de som dor deelors, zoo enkelvoudige als samen-gestolde, minder dan dat golal bedraagt.

defiëeren, z. ond. defi.

defigureeren, nw.lat. (vgl. figuur, enz.)

wanstaltig maken, misvormen, mismaken, verminkon; — defiguratie (spr l=ts), f, de misvorming, mismaking, verminking; wanstaltigheid.

defileeren, fr. {iléfiler, van file, ry; Int.

fila, pi. v. filum, draad) Mil. in smalle gelederen of met een klein front in parade optrekken: achter elkander door oeno engte trekken;

een schans de fileer en, ze zoo ophoogen, dal do vyand er nlot over hoon kan zien; - défilé,

n. een nauwe doorgang, smalle weg, pas, bergpas;

Iedere plaats, welke de troepen alleen mot smal front kunnen doortrekken, zoo als bergkloven,

dicht bewassen hosscbon, dyken tusscben poelen en moerassen, bruggen over breode rivieren, dorpen, die niet om te trekken zyn, enz.:

ook: bet voorbytrekken «f detllocron; — defilement, n. (spr. —mdii) bot hoveiligon van oen of ander werk voor bel bestrykon van het geschut; het voorbytrekken in colonnes.

definiëeren, lal. (definire, eig. begrenzen, v. finis, grens) den Inhoud van een begrip scherp begrenzen, bet onderscheid verklaren,

doordal men zyno voornaamslo kenmerken opgeeft: Phys. van mlkroskopon: de hooiden scherp begrensd vorloonen; — dófini, adj. fr. bepaald h. v, article difini, bepalend lidwoord,

parfait difini, de aan den gr. aorlst beantwoordende lyd ia de fr. grammatica; defini-tum, n. een nauwkeurig bepaald begrip; bet voorworp, dat nauwkeurig bepaald moot worden; — definite, adv. ultdrukkoiyk, duldeiyk; — definitie (spr. t-ts), f. (lal. definitw) de bepaling, begripsbepaling, verklaring, duldetyke omschryvlng; definitio nenehca, oorsprongs- of ontstaansverklarlng; dcf. noniinatis, naamsverklaring; ttef. realis, zaakverklaring; ilef. verbalis, woordverklaring; — definitief, adj.

(defimiticus, «, urn) als adverb, ook definitive.

beslissend, bepaald, onveranderiyk, onherroope-lyk: definitief tractaat, n. een eindver- 4» drag, slot verdrag; definitieve vrede, de ten volle gesloten vrede, volkomen vrede, olmi-vredo; definitief vonnis, definihva sen-tentia, hot eindvonnis; - definitivum, n.

iets dothiltlefs, onherroepelijke verklaring of verdragsbepaling; het tegengestelde van provisor! urn; — definitor, m, eig. de bepaler; oen oppor-ordesgoogieiyke, medeopziener


-ocr page 343-

DKFLAGREEREN

DEGAGEKHEN

3\'2 7

eons kloostorsj ile in rang op ilon deken van een kapittel vullende geestelijke In diocesen der katli. kerk; — deflnitonum, n. uw.lat. eonc vcreenlglnx van monniken, nlt eene orde gekozen om hot hoofd In de aangelegenheden der orde hy te staan; de voreenlglng der eerste geestelijken van een land tot onderzoek en keuze der aantestellen leeraars; — iU/inilus, a, urn, hepaatd.

deflagreeren, (lal. (lellaumrc) af-ofult-hranden, door vuur reinigen; deflagratie (spr. t=ts), f. Chem. de ontplottlng, scheikundig verschijnsel, hetwelk bestaat In eene snelle verbranding, mot eene levendige vlam, groote hitte en meer of minder doch dikwijls herhaald gerulsch gepaard; men gebruikt deze uitdrukking hoofdzakeiyk, wanneer er sprake Is van zeer brandbare stollen, h. v. deflagratie van den phosphorus, van het buskruit; — deflagnïtor, m. een galvanische toestel van hultengemeene working Icn opzichte van de daarmede verbonden llchtsonlwikkeling.

deflecteeren, lat. {(lefteclsrc, vgl. flecteer en) afwijken, afwenden; dofléxie, f. (lat. deftexio) de afwending, afwijking; — deflect ie van het licht, de bulging van het licht of do afwijking der lichtstralen van hun rechten weg-, — do floxuur, f. nw. zU-dellngscbe afwending, afwijking.

dofloreoren, nw.lut. {dejlorare, elg. van den bloesem berooven, v. /los, z, aid.) onteeren, schenden, ontmaagden, een meisje haren maagdom ontnemen, haar van de maagdelijke hloein berooven; doflorata, f. eene onlhloemde, onteerde, geschondene, een meisje, dal haren maagdom kwijl is, enz.; defloratie (spr. lt;=lt;«), f. de ontbloeming, het wegnemen van den bloesem; onelg de onteering, verkrachting, schending eener maagd, maagdeschennis, ontmaagding; — doflorator, m. een maagdeschender, de verkrachter van een meisje; — delloralus, «, urn, Hol. uitgebloeid.

doflueeren, lat. (deflutfre) afvloelea, af-loopen; afvallen, ophouden, verdwynen; — ilc-lluviuiu mitillurum, n. lat. z. v. a. alopecle (z. aid.); — deflüxie, f. (laler lat. deftwrio) de afvloed, alloop, diarrhee; Med. z, v. a. katarrhus; — dcflvao lermino ediclale, Jur. na alloop van den dagvaardlngslennyn; — do-fluxo, m. porl. slulpkoorts hy de Indianen aan de Amazonen-rivier.

defcederaliseeren (spr. s=t), nw. lat. (vgl, feeder al Iseeren) van een verbond aftrekken.

defoliatie (siir. /=lt;«), f. nw.lat. {del\'olialio, van fniïuin, blail) de ontbladering van hoornen en struiken.

defórm, adj. lal. {defónnis, e) wanstaltig, misvormd, leeiyk; — doformiteit, f. {de-formilas) de wanstalligheid, mlsvormdheld; — deformooren {deformnre), misvormen, lee-lyk maken, verminken; - deformatie (spr. l—ts), f. de misvorming, verminking.

Defr., by natuurwetensclmppeiyke benamingen afk. van Defiance (gest IfiiiO).

Defrai, z. defrayoeren. defraudeeren, lat. (de.frawidve; v. (mui vgl, fraudeeren) helmeiyk bedriegen, smokkelen, de belastingen, tollen en accijnzen ontduiken, land of stad te kort doen; — defrau-dant of defraudator, m, een smokkelaar, sluikhandelaar, belastlagontdulker ; defrau-datie (spr. t—ls), f. het verborgen bedrog, de sluikhandel, smokkelai-y, de benadeeling van \'s lands kas,

defrayeeren (spr. defrèjéeren), fr, (défray er, v. frats, ■/.. aid), vryhouden. Iemands gelag, vertering, reiskosten, enz betalen; —defrai. in. (spr. de-frè) het vryhouden, vrydom van ko^-ten; dofrayour, m. de vryhouder, gelag-betaler.

defriceeren, lat. [de(ricare) afwryven schuren.

defrieheeren (spr defri-sjeeren) fr. (dr [richer, van friche, onbebouwd braaklanden dat van lat. l\'racliUum, gebroken, door den ploe:, doorsneden land, v, fractum, franu\'re, breken büiiwltaar maken, ontginnen, braakland door be-arbeldlng in bouwland veranderen; — défri-chement, n, (spr. defrisj\'man) ontginning,

defrigesceoren, lat. (defrinesctre) afkoelen. koud maken.

defringooren, lat. {defrimiUre) breken, In stukken breken

defriseeren (spr. .lt;=:), de frisuur (z. aid.) in de war brengen, losmaken, enz. de front, z. ond. front.

defrüctus, n, nw.lat. datgene, wat hy, by wien een maaliyd op gezamenlyke kosten (pique-nique) gehouden wordt, daar nog byvoegt.

defrugeeren, lal. (defrwtnre-, van fruqes, veldvruchten) een veld uitputten, uitmergelen; — defrugatie, f. (spr. t—tx) uitmergeling.

Defruut, n. lat, (defrUturn) uitgekookte most, most sap.

Defter, perz. (= het gr. diphlhéra, vel perkament) boek, register, inz, over de staathuis houding; — défterdar, lurk, minister van tinanclèn, boekhouder, turksche groot-schatmeester; zyne kanselary heet defterchaneh (perz. rliAneh, kliAnnh, het huls); — defte-remini, in, de rgksareblvarlus.

defunctnne, adv. lal. (van defiingi, zich van een werk afmaken. Iets voleindigen, afdoen) oppervlakkig, in \'I voorbygaan, onachtzaam, zon der er acht op te slaan;- defünctus, m elg, wie voleindigd heeft; een gestorvene, overledene; — defüncta, f, eene overledene; — dofunetie, f, (spr, /=.«) hel alleven, de dood, degageeren (sjir, degazj—), fr. (dégager, van gttge, z. aid., het tegengestelde van engager, z, engageeren) ontslaan, onlbinden, be-vryden, vry- of losmaken; zün woord lerugne-men; ook Integendeel; z.yn woord (als een gegeven pand) lossen, doordien men de belofte vervult; In eene woning een geheimen uitweg (z, degagemenl) aanbrengen; In de schermkunst : snel uil den eenen stoot In den anderen overgaan; — degagó (spr, degazjé) of ge-


-ocr page 344-

BEGANTEEREN

328

DEHORS

(IcRiiKOcnl vry, dwiuigcloos, ongeilwongcn, los, vlug en bulgzunm; openhartig, vrymoodlg, rond; — degagemént, m. (spr, dena-zj\'mail) de ongedwongenheid, losheid, dwangoloosheld, enz.; hot terugnemen van zyne helofto; smalle gang of corridor, waardoor men uil hel eene deol van een gebouw In een ander komen kan {escalier de déoagemenl), een geheime uitweg; bü houtsneden; zuiverheid on scherpheid der omtrekken In de duldeiyk uitkomende tiguren.

deganteeren (zich), fr. (se déuanter) zyne handschoenen uittrekken.

degarneeron, fr. (dégamir, vgl. ga rnee-ren) onthlooten, het boordsel, versiersel van Iets afnemen, hel liulsraad wegnemen; Mil. eene vesting de ga me e ren, haar van manschap, geschut en krygsvoorraad ontbloOten.

degat, n. fr. isiir. detja) hot onnoodig ver-brulk; de verwoesting.

dêglner, m. lat. (van neiuis, geslacht, soort) de onlaarde, verbasterde, van de deugd of het bloed zyner voorvaderen afgewekeno; — dogene-reeren idencnerare), ontaarden, verbasteren, slechter worden, verwilderen; — degeneros-cént, adj. nw.lal. ontaardend; - degeneratie (spr. i=ts), lat., of degenerescón-tie (spr. /=/.s), f. nw.lal. de ontaarding, verbastering.

deglubeeren, lat. (deglubSre) ontschorsen, van bast of schors ontdoen, afstroopen, villen.

degluteeren, nw.lat. (van glutire) doorslikken, doorzwelgen; - deglutitie (spr. tie —/sic), f. de doorzwelging, hel slikken; — de-(lluliCfn impcdila, de belommerde doorzwelging.

Degoe, m. soort hamster In Z.Amerlka, inz. In Chili.

degommeeren (fr. dégommer), dc zyde ontdoen van het op gom gelijkend bekleedsel, ontgommen.

degorgoeren ispr. degorzj—), fr. (dégor-i/er; vgl. gorge) reinigen, opruimen, eene verstopping wegnemen, doorspoelen, doorsteken, ruimen; - gedegorgeerd, adj. met diep uitgesneden kleederen.

Degoüt, in. fr. (spr. dcgoc: = it. disgus to, z. aid.) de afkeer, tegenzin, afschuw, walging, bet afgryzen, verdriet; -- degouteeren tr. dégnütcr. z. disguste eren) tegenzin, afschuw, walging, enz. inboezemen of verwekken, afkee-rig maken, afschrikken; walgen; verdrietig worden; dégoutant (sim-, dégnutdii), waigiyk, wansmakend, onuitstaanbaar, hoogst oniiehaag-lyk, verdrietig.

dc grdce, ■/.. gr Ac o.

degradeeren, nw.lut. (deurndare, fr. dé-gruder: van gradus, grand) veriagen, van een ambt of eene waardigheid ontzetten, een lager rang of grand geven; schenden, onleeren, bederven ; god eg ra d ee rd, adj. in rang verlaagd, ontzet; geschonden, onteerd; - degradatie spr. I—Is), f de verlaging van een hooger ambtsgrand tot een lageren, als straf (inz. in het leger en iiij de kalli. geesteiykheld); ontzetting van eene waardigheid, eene plaats, enz., vernedering; vermindering, bederf; Plet. trapsgewyze verzwakking van de kleuren, het licht.

degraisseeren (spr. dcgrès—),(r. (dégrais-ser, van graisse, vet; vgl. gralsseeren) ontvelten, van de vet- of smcerdoolen bevryden, reinigen, smeervlekken uitmaken.

Dégras, n. ledersmoer, uil oliezuur of visch-traan bereide emulsie om loer In to smoren.

degraveeren, lat. (degraiutre, van gravis, z. aid.) bezwaariyk vallen, lastig zyn, drukken.

dc qravi causa, z. ond. causa.

Degré, m. fr., v. \'t lat. de, en grndus, schrede, trap) de graad, de grondslag van alle fran-sche lengtematen, het honderdste deel van \'t quadrant des noordelykon meridiaans der aarde, = T»n graad van de oudere verdeeling van \'t quadrant in flfl graden, = 100,000 meters, vgl. m e t o r.

degreeren, fr. {di\'gréer) Mar. onttakelen, aftakelen.

degrosseeren, fr. (dégrossir en digrosser-, vgl. gros) uit den ruwe behouwen of bewerken; dunt rekken, uitrekken of pletten (zilver, staal, enz.)

deguiseeren spr. degi-z—), fr. {ddguiscr, v. fr. (itiise, it. gutsn, wyz.e, v. hgd. en ned. w y z e) verkleeden, vermommen; verborgen, vor-heelen, ontveinzen, verbloemen; —deguise-mónt, n. (spr. -gi-z\'mdn) de vermomming, verkleeding; ontveinzing, bomnnteiing; de mom, schyn, dekmantel.

deglileeren, lat. (dcguiare, van gulu, keel, strot) door de keel, den gorgel jagen; verworgen ; — degulator, m. een brasser, siemper. degummeeren, z. d e g o m meer e n. degusteeren, lat. {dcgustarc: vgl. gus-tus) proeven; ultvorschen; oppervlakkig aanraken ; — degustatie (spr. lie-tsie), f. later lat. (degnslndn) liet proeven, beproeven.

dc gusfibus non est dispulandum, z. onder gust u s.

Dehesa, f. sp. welde voor vee. dehibeeren (ais \'1 ware dehibere, een in t lat. ontbrekend en naast prohibcrc, inhihcrc onnoodig woord, ofschoon julsl gevormd en in later tijd dikwyis gebruikt voor;) af- of tegen-iiouden, verbieden.

dehisceeren, lal. [dehiseïre) openbarsten, opspiyien, openspringen; — dehiscent,adj. (lat. dchiscens) openspringend (van zaadhulsels);

dehiscéntie (spr. l=ls), f. nw.lat. het openspringen van zaadhulsels.

tic hndicmo dilt, z. ond. dies. dehonesteeren, lal. (dehonestare, van Iwneslus, n, um eeriyk, oerbaar, enz.) onteeren, beschimpen; — dehonestatie (spr. tie=tsle), f. de onteerlng, hoschimplng.

Dehors, pl. fr. (spr. dchnrvan dehors, bullen, nilwendig, van \'1 lat. deforis: vgl. hors) de buitenzydo, buitenkant, do uiteriyke schyn, hel voorkomen; de naast omgevende voorwer-


-ocr page 345-

DEHORTEEREN :{\'2lt;) DEKACHORDE

pen van ccn standpunt; Mil. do buitenwerken van eene vestinR,

dehorteeren, lat. {dehorlari)afraden, ontraden ; — dehortatie (spr. tie—lsic), f. de at-radlng, ontrading; — dehortator, m. afrader, ontrader; — dehortatörisch, adj. (la-Ier lal. (lehnrlalorfus, u, um) afmanend, afradend ; — dehortatorïum, n. nw.lat. een afradend schryvcn.

dehydrogen(i)ëeren) van waterslof (h y d r o g e n I u m) vrymaken, ontwaterstoffen. Dei, ■/.. dev.

Deïcidium, n. lat. (v. Deus, God) ïlieol. de godsmoord, de terdoodlirengtng van J. C. door de Joden; — deïcöla, m. een vrome, godgewyde; — deïcölisch, adj. nw.lat. een eentgen (;od aanldddend; — deïfleeeren, deïflëeren, nw.lat. vergoden, goddeiyke eer hewyzen; boven alles verhellen; — deïficatie (spr. /=lt;«), f. d(* vergoding, vergoddeiy-ktng; - deïformiteit, f. nw.lat. de geiyk-vormtgbeld met God; — dei gratia, v.. onder De ii s.

deiktisch, gr. (deiktikns) terugwijzend, op voorbeelden gegrond.

deïnclinant, adj. nw.lat. (vgt. I nclt n e-ren) afwykend,

de induslna, z. oud. 1 n d u s t r I e. Deinösis, f. gr. (van deinós, vreeseiyk, geweldig, enz.) Log. vergrooting, overdryvlng; — deinothermm, n. het reuzendler, een ont-zagiyk groot zoogdier der voorwereld, In fossiele overbtyfsels gevonden.

dc inttgro, lat., z. ond. integer, deïntegreeren, lat. (deïnteqrare, v. de,, van, en inleger, ongerept, geheel) van bet geheel afnemen, verminderen, kleiner maken.

Deïpara, f. nw.lat. Theot. do godharende, de moeder Gods.

Deipnon, n. gr. de hoofdmaaltyd der Grieken, die doorgaans logen zonsondergang werd gehouden en waarvan visch, vleeseb en eene melkspys de hoofdbestanddeelen uitmaakten; — deipnoaophist, m. gr. een dtscbredonaar, lafelspreker, iemand, die by hel eten geleerde gesprokken voert.

Deïra, f. arah. {ddïrah, elg. een kring, van ddra, rondomgaan) het krygsgevolg, z. v. a. s in a I a, z. aid

Deisidsemonie, f. gr. (deisidaimonia, van deidein, vreezen, en daiiwn, z. daim on) ontzag en vrees voor de goden, voor de dicmons; bygeloof, gewetensangst, heilige vrees.

Deïsme, n. nw.lat. (van Deus, God) het godgeloof, geloof aan een God boven en hutten de wereld, bet tegengestelde van pa nth ets-in o; in engeron zin: godsgeloof, onafbankeiyk van eene hovennaluuriyke openbaring; — deïst, m. (nw.lat. deisla, fr. (kiste) een beiyder van God In dozen geesl; vgi. theïst; — deïsten of vrijdenkers, In de nde en t8de eeuiv eene ry van mannen, meest Engelschen, die o|i den grond van vry onderzoek den natuur-lyken godsdienst wilden verhellen en daardoor de voorloopers van het rat iona 11 sme waren; — deïstisch, adj. het deïsme betrelTende, ilal toegedaan; deïteit, f. (later tal. deflas) de godheid, bet wezen dor godheid; — deïviriel, adj. nw.lat. godmenschelyk.

Dejanira, f. Myth, gemalin van Hercules (vgi. Nes sus).

Dejectie, dejeetus, enz., z. ond. de-j 1 c 1 e e r e n.

dejereeren of dejureeren, lat. [deje-rüre) niet een eed hekrachtlgen, zweren, bezweren; — dejeratie (spr. t—ts), (. (dejeratto, de-juraCto) do bezwering.

Dejeuner of dejeuné, n. fr. (sp--. de-zji\'uné, fr. déjeuner, ontbyten, oudfr. desjeuner, als ware \'t lal. dis-jejunare, hel vasten opheffen, ontnuchteren, van dis- en jcjfinus, nuchter) een onthyt, ochlendetcn; ook een onthyt-servles, oen stel koppen, schoteltjes, enz. om oen onthyt voor te dienen; déjeüner d la four-rhette (spr. —foersjélt\'), een vork-ontliyt, koud voormlddagelen, waarby vleesch, vlsch, enz. wordt opgodlscht; déjeüner-diner (spr. -dine) of déjeuner dinaloire (spr. —lodr\'), een groot ontbijt, dal ile plaats van middagmaal moet vervangen, middag-onthyt; déjeuner-dansmt, ontbijt niet dans; déjeuner de solcil, WcM verschietende slof; — dejeuneeren, onlbyten, ochtendmalen.

dejiciëeren, lal. (dejiefre, v. jaeëre, werpen) nederwerpen, uil de bezitting dryven, ult-stooten, verwyderen; dejéetus, m. een uil-gedrevene, verslootene; dejectie (spr. lt;=s), f. (lat. dejecCfo) Jur de uilslooting, verstooting; Mod. de ioozlng der drekstolfen; in hel meervoud noemt men de drekstolfen zelven dejec-tien; dejeclw anïmi, neerslachtigheid; —de-jectörisch, adj. nw.lat. afvoerend; — de-jectormm, n. nw.lal. Med. een afvoerend middel; z. laxatief, ond. lax.

de jure, z. jure, ond. jus.

deka, gr. (voor de benaming van eene maat of een gewicht uit het metrieke stelsel staande, beteekent:) bet tienvoud van die munt of dal gewicht (vgi. deel).

Dekabristen, z. docembr 1 st en. Dekachórde, n. gr. een naar de harp gc-tykend speeltuig met 10 snaren, by de Ouden;

dekade of gr. dekas, f., z. decade-, — dekadiok, f. de llenlalllge rekening, tientallig stelsel; — dekadisch, adj. tiendeeilg; tiendaagsch; dokaêder, n. hel ttenzydig lichaam; dekaêdrisch, adj. ttenzydig; dekafldisch, adj. gr.-lat. met lien spleten;

dekagoon, n. gr. een tlenliock, eene tiguur van lo z.yden; dekagonaal getallen, de getallen 1, 10, 27, Sü, Si. 14«, 17«, «l», 497, enz., welker tweede verschillen 8 zyn; men ver-krygl die getallen door een geheel getal met zyn viervoud min II te vermenigvuldigen, h. v. Ui = i v (8-3); -27 = 3 v (12-3), enz.; — dekagram, meer gehr. decagram, n. gewicht van 10 gram (z. aid.); — dokaliter, meer gebr. decaliter, m. maat van 10 Miers (z


-ocr page 346-

DELEGEEREN

DEKEN

330

uld.); — dokalogiiB of dokaloog, m. de

Hen geboden; dekamëron, n. (It. elg decameróne, van \'I gr. ileku, Hen, en hèméra, ilac) lil (lanen, een llemlaagsche gescliledonls, do lltol van een bekend werk van den dichter Boccaccio (spr. —kdlsjo), dus gcliee-len, omdat daarin door li) personen, die op in verschlllendo dagen bUeenkomen, telkens eene geschiedenis verleid wordt; dekaraeter, meer gebrulkelUk decameter, m. longteinaat van 10 meter {■/.. aid.); — dekandria, n. pl. Bot. tlenhelmlgen, planten mot in vrye meeldraden In eene tweeslachtlgo bloem, do Hide klasse In het stelsel van l.lnnous; — de-kanische talen, z. d r a v I d I s c h o talen;

dekanthérisch, ailj. met Hen helmknopjes voorzien; dokaoktyl, dekapen-tyl, dekatetryl, n. Chem. v.. v. a. naph-1 al Ine en haar govvyzlgdo vormen; deka-petalisob, adj. met Hen bloembludoren; — dekaphylliseh, adj. ilcnbladorlg; - de-kapóde, in. eene maat van 1» voet; de-kapóden. III. pl. N. H. schaaldieren met tien poolen, tlenpootlgon; - dekapódisch, adj. Ilonpootig; — dekapólis, f. do vereenlglng van 10 steden, hol llensledonvorbond; — de-kapoliet, m. de burger oener dokapolls; — dekapterygisch, adj. N. H. tlenvlnnlg; mol tien vinnen; — dekare, liever decare, f. vlaktemaat van 10 uren (z. aid.); — dekar-gyron, n. eene kelzorlijko grlokscho munt, ook major Ine genaamd; dekastichon, n. een gedicht of oone slropho van 10 verzon; — dekastylon, n. Arch, een tempel of oen achtergebouw mot Hen kolommen van voren;

dekastylisch, adj. Honzulllg; — deka-syllabisch, adj. HonloUergropig.

Deken, m., v. \'l lat. decanus, z. aid.

Delabrement, n. fr. (spr —hr\'man -, van \'tint. lambrrBre, In flarden scheuren) do vervallen, verwaarloosde, bedorven toestand, het verval; - delabreeren (tr. délnhrer), verderven. verwaarloozon, vervallen; — ge detail roer d, adj. vervnllon, bedorven, In slechten staat.

Delacrimatie (siir. t=ls), r. lat. de tranenvloed; Mod. hol druipoog, traanoog.

Delactatie (spr. We=fs(c), f. nvv.lat. (van \'1 lal. lac, molk) hel spenen van oenen zuigeling.

Delai, n. Ir. (spr. —W. van \'I lal. ilild-lus, vorschovon; dilaftn, z. d Mat Ie) hot uitstel, vervvyi, de opschorllng, vertraging; ,lnr. de termyn, de bepaalde lyd tor verrichting van Iets.

Dolaissement, n. fr. (spr. -lèss\'mdii: van délaisser, verlaten, overlaten, v. laisser, lalen, on dll van \'t lat. laxure, slapmaken, nalaten, taxus, slap) ,lur. do ovorlallng, afstand, h. v. van een pand wegens eene hypotheek; hulpeloosheid, verlaten toestand.

delamenteeren, lat. {delnmentari: vgl. la ment oer en) boweonon, beklagen, bejammeren.

de Idiia raitnnu, z. I a n a.

Delantëra, f. sp. de voorzijde, do eerste i\'Ü (der toeschouwers hy stlerongevecb\'en).

dolapideeren, lal. {dclajiidiire: van lapis, steen) van steenon zuiveren, ontstoenen.

Delapsie, f. nw.lat. de uitzakking van de baarmoeder; — delapsus, in. hot afnemen, wegzinken der krachten.

delardeeren, fr. \\rch. den benedenkant van oenen steen schuin afstooten, afronden, schorpon.

delasseeren, fr. (délasser, van lasser, vermoeien; van \'I lat. lassus, moede) uitrusten van de vermoeienis, zich ontspannen, uitspannen, verkwikken; - delaasement, n. (spr. -ma//) de verademing, verkwikking, ontspanning, hot uitrusten.

Delatie (spr. t=ls), t. lat. (delaCtovan de-ferre, z. do for oor en) do aangifte, aanbrenging, aanwijzing, by do overheid, vorkllkkery; Jur. ook: overdracht, toewijzing, h. v. delatto, heredilalis, de rechteriyko toewyzlng ot overdracht der nnlalonschap aan den naast daarop rochtbebbendo; d. juraménli, oplegging van een eed; — delator, fr. dólateur, m. oen aanbrenger, aangever, verklikker, gohoime aanklager; — delatörisch, adj. verklikkend, verra-doriyk ; ook lasterlijk, valsch beschuldigend ; -delatuur, f. (later lal. dclatura) bet aangeven, verraden, uitbrengen; — delatus, m. verklikte aangebrachte, beschuldigde.

delaveeren, fr. (délaver; vgl. la vee ren de kleuren ie zeer verzwakken, vorvvasschen.

— gedelavoord, adj. te bleek van kleur (bij schilders en juweliers).

delayeeron, fr. (spr. deléjéeren) vloeibaar maken, door water, enz. verdunnen, Inroeren. beslaan.

del continuo, Hal. (spr. —noeö) in eens dooide/ eredüre, z. ond. c r e d o.

dele, lat. van delire, uitdelgen, vernietigen delg uil! wlscb uit! deleutur, men delgo uit. neme weg (lettors en woorden), Inz. op do drukproeven (wordende dit woord dan lot dr. verkort); — deleator, n. hot wcglatlngsteoken;

— delendus, a, um, lat. wat verwoest moot worden; delénda Carthauo, «Carlbago moet verwoest wordenquot;, oneig zaak, waarop men steeds terugkomt; z. ond. ceterns; — deleterium, n. nw.lat. Med. eene leven vernietigende, vor-glftlgo stof; — delêtërisch, adj. verwoestend, vernietigend, vorglfiig; — deletie (spr. lt;=/«), f. (lat. deletto) do uitdelging, vernloiiging.

Delób, m. arab. soort palmboom [Borassus Aethiopium).

delecteeren, lat. (deledure) vermaken, verlustigen, verheugen, pret hebben; — de-lectabel, adj. (lat. delerlabYlis, e) vermakelijk, aangenaam; — deleetatie (spr. lie—lsie), f. (delerlulto) de verlustiging, verkwikking, uitspanning.

Deléctus, m., of deléctie (spr. (—s), r. lat. (van delinifre) do keur, uillozing.

delegeeren, lat. (delegare) afzenden, ut-


-ocr page 347-

DELENIMENT

331

DELICTUM

vaardlKCii; overdragen, afstaan, ovorwyzen, h.v. een recht, oene schuld, enz.; — delegado, m. sp. dele gaat (z. laRer); ilelegados del fn-ménlo, afgevaardigden van \'t ministerie van hln-nenlandsche zaken, in Spanje de burgerlUke stadhouders voor \'I gezamenlUke polltlebeheer,die onder de generaal-kapltelns staan; — delegdnt, m. (delegms) de opdrager van een werk, ecne taak; ook de aanwijzende schuldenaar, die zy-nen schuldelscher voor eene schuldvordering naar eenen derde venvyst; — delegatan\'s, m. uw. lat. de schuldelscher, die door zijnen schuldenaar naar oenen derde wordt verwezen; — delegatus, delegaat of g e d o I e g e e r d e, m. lat. een afgevaardigde; ook do verwezen schuldenaar; In den voonnaligen KerkelUken Staat de pauselijke stadhouder eener provincie = I e-gaat; ook ile titel van den hevelhebher van eene der i5 militaire divisies, waarin Frankryk in Ihoii verdeeld was; gedelegeerden, |)l. Jur. rechters, die Ier beoordeeling van eene zaak hyzonder z.yn aangewezen; - delegatus judex, gedelegeerde rechter, z. Judex; delegatie (spr. t=ts), f. (lat. delenuhn) de afzending, afvaardiging; do aangewezen personen om Iets te onderzoeken; Jur. de overwyzlng der schuld, afstand eener schuldvordering, aan-wyzing van betaling eens schuldenaars op een anderen schuldenaar met inwilliging van den laatste; ook: eene pauselgke provincie = legatie.

Delenimónt, n. lat. {dekniménlum) een middel lol verzachting, slilliiig; vleiende woorden, liefkoozingen; — deleneeren, lat. (dcle-mrc, v. li-nis, e, zacht) verzachten, stillen, llef-koozen.

deleeren, lat. (deh.-rc: vgi. dele) uitvegen, ultwisschen, uitdelgen wat geschreven was.

delesteeren, fr. (délexler, van lest, ballast) den hallast uitladen, ultscldeten; — de-lestage, fr. (spr. -td-zj\') het uitladen van den hallast uit een schip; ook hetgeen voor de vergunning daartoe moet betaald worden.

Deleterium, deleterisch, delatie, z. ond. dele.

Deli, tn., pi. doliler, turk. (elg. vermetel, dapper, moedig, als subst. held, enz.) de lyf-wacht van een turksch opperbevelhebber, meestal uit vormeteie waaghalzen bestaande; oorspron-keiyk een sloot krygsman van do turkscbe lichtc rultery; — deli-taasji, de aanvoerder dier rultery.

Delia, r. bynaam van Diana (z. aid.), naar bel eiland De los.

Delibal, m. turk. (v. deli, dol, en bal, honig) dolie-honig, een vergiftige of bedwelmende honig, welke il(! bgen aan de Zwarte zee verzamelen van de Duiihne pontica, bet l\'onttsche peperboompje.

deliabel, adj. nw.lat. ontbindbaar, oplosbaar ; atlosbaar.

Delibatie (spr. t=ts), f. (lat. delibaifo, van delibiire, een weinig van Iets afnemen) de wegneming, vermindering; — detibafio hereditatis.

Jur. de vermindering eener nalatenschap; delibeeren, lat. {delibare) even proeven, sip-perllppen.

delibereeren, lal. (deliherare) raadslagen, beraadslagen, overleggen, overwegen, In beraad nemen; ad deliberandum nemen, iels in overweging nemen; deliberandi spatfum, z spa-tium; deliberato. Muz. vast besloten, krachtig, mannelijk = r 1 s o I u t o;—deliberatie (spr. t=ts), f. (lal. deliberaffo) de beraadsiaginf;. overweging, het bedenken; het genomen besluit ; — deliberatief, adj. (lat. deliberativw.. a, am) lot de lieraadslaging beboerend, overleggend, beraadslagend.

delibreeren, lat. (detibrare, van de, en liber, bast) van den bast berooven, onischor-sen, schillen.

delicaat, adj. lal. {delicatus, a, urn) feeder, lijn, net, lief en aardig; gevoelig, prikkelbaar, weekeiyk, omzlcblig te behandelen, kieseh, tee-der van ooren, lijn gevoelend; welsmakend, lekker, heerlijk van smaak, ook bedenkeiyk, moei-lyk, hacheiyk; een delicaat mensch, een weekeiing, kieinzeerig mensch, wlttobroodskind; eene delicate zaak, eene omzichtig te behandelen, eene tcedere, netelige zaak; delkdtn, delirntaininte, it. Muz. Iljngevoellg, feeder, smaakvol (voor te dragen); — delicatülus, m. een lekkerbek, verwyfde; dolieatésse, f. fr. de teederheld, iijnheid; kieschheid, fijne inschik-keiykheid; de teergevoeligheid; ook de lekkerny, het lekkerhoelje; do netheid, sleriykheld; de zwakheid, weekeiykheid, overgevoeligheid, ver-troeteidheid; - delicatessen, pi. ligd. fijne eetwaren; — deliraletza, 11. lijngevoeligheid, teederheld, smaak; (/c/iraWssTme,aiierlijnst, -ilefsl. -lekkerst, enz.; — delice, f. fr. (van \'t lat. de-licfa, deliifae) iets kosteiyks, liefelijks, aangenaams, heerlijks; de wellust, geneugte, het vermaak, de vreugde, verhisiiging, lieeriykheid; de-lieiae qenéris Uumani, de wellust (lieveling) van hel mensehdom (was ile eernaam van den rom keizer \'ritus); - delicieus, adj. (lat. delieiu-sus, fr. délieieux) kosteiyk, welsmakend, liefe-lijk, hoogst aangenaam, aanvallig.

Delictum, o , |d. delicta, lat. (van de-HnquVre, feilen, iels verzien) een vergrüp, wan bedrgf, eene overtreding van wetten, eene euveldaad, misdaad; corpus delicti,\'/., ond. corpus; delicta concurrentla, n. |ii. verbonden, samenvallende misdaden, b. v. roof mei moord; delictus atrox, eene zware, afschuwelyke misdaad; d. carnis of d. contra sexlum, de misdaad der on-tucht of de overtreding van het zesde gebod, d. commissirniis of mmmissivum. een misdaaii. die in daden beslaat; d. consummirlum, een geheel volvoerde misdaad; d. criminate, een; grove, lyfslraiTeiyke misdaad; d. culpusum, eenr door achleloosbeld begane overlreding; d dn-losum, eene met kwaad opzei gedane wandaad d. ecctesiastfcum, een geestelyk of kerkeiyk ver-gryp, d. I. welks onderzoek voor de kerkeiyke overheid behoorl; tl. evtraordinarium, eene buitengewone overtreding, zulk eene, welker be-


-ocr page 348-

DELOGEEREN

DELIGEERKN

stralllnif aan hot goodvlndon des rechters Is overgelaten; lt;/. facli permanénlis, oen misdrUf van btyvende ttovolgon; il. facli Iranseilnlis, een misdaad van voorbUgaando werking; rf. in-nominatum, een hg do wet niet gonoomd wan-hedryf; (/. leve, een licht vorgrUp-, d. nomina-turn, een in do wet gonoomd wanhedrgt; d. Holorïum, oen openlgk hogaan wanhedrgt; d. oecüllum, een hciinclgk, vorhorgon wanhedrgf; (I. nmissiönis of omissivum, oen vorgryp uit verzuim, eono zonde uit nalatigheid; d. ordi-narium, oen vergrijp, waarop in rechten oeno vasthepaahle straf is gestold; d. privatum, een vergrgp, dal met eono privaatstraf is bedreigd, d, I. met zulk eene, die do benadeelde lot zgn eigen voordeel kan oischen; d. privilegiatum, een vergrgp, dat wegens bijzondere omstandigheden zachter wordt bestraft dan andere van dezelfde soort; d. propfiunt, oen wanhedrgt, dat slechts zekere personen kunnen begaan; d. publicum, eene met openlijke straf bedreigde overtreding, d. i. met eene straf, die de Staat den misdadiger ten beste van het geheel oplegl; d. qualificatum, een vergrgp, dat wegens hyom-standigheden barder hestrafi wordt dan andere van dezefde soort; d. reïleralum of repelUum, een hy herhaling gepleegd wanhedrgf; d. seru-lure, een door den woreldigken recliter te straffen wanhedrgf; d. successiijpn, een voor- en na gepleegd of voortgezet wanhedrgf; d. uni-versiliilis, een misdrijf, door een genootschap of door de gezamenigke leden van eene ver-eeniging gepleegd; d. verum, een waar, d. i. opzetteiük misdryt; - delïctor, in. de misdadiger, overtreder.

deligeeren, lat, (deliudre) verbinden, aanbinden; later ook; afbindea; — doligatie (spr. t—h), f. nw.lal. Chir. de afbinding, onderbinding; ook het verband, de omzwachie-ling; — deligatuur, f. het af- en onderhin-den, het verband.

Delila (ook Dëlllai, f. bebr. {dclildh) vrouwennaam: Slmsons verraderiyke geliefde; naar de heteekenis; do teedere, zwakke; smachtende.

Delimiïtie (spr. I=ls),t. nw.iat. (van dcli-mare, afvglen, lima, de vijl) de afvyiing.

delimiteeren, nw.iat. (vgl. limiet, enz.) afgrenzen, de grenzen bepalen; - delimita-tie (spr. He—tsie), f. de grensbepaling.

deliniëeren, lat. (AeUneare, v. Hnfa, iyn) teekenen, ontwerpen, schelsen; — delineavit (afgek. del.), lig heeft het geteekend (op tee-keningen en plaatwerk); — delineant, m. een teekenaar, de ontwerp- of schetsmakerj — delineatie (spr. I=ls), f. de leekening, afteekenlng, het ontwerp, de schels, grondtee-kenlng.

Deliniment, liever dele n 1 men I, z. aid.

delinqueeren, lal. (delinquere: vgl. delictum) overtreden, eene misdaad begaan; — delinquent, in. (lat. delinquens) een in hechtenis genomen overtreder, hoosdoener, misdadiger, arme zondaar.

deliquosceeren, lal. (deliquesctre, v. li-quesclire, vloeibaar worden, het inchoativum v. liquëre, vloeibaar zyn-, vgl. liquel) Chem. vervloeien, door de vochtigheid der lucht vloeibaar worden; — deliquescént, adj. {deli-quéscens) vervloeiend, wegsmeltend; — deli-quescéntie (spr. I—Is), f. de eigenschap van zekere lichamen, h. v, van zouten, om le ver-vlooien ; per deliquium of afgek. p. d. Chem. door vervloeiing in de lucht versmolten;-dc-liquïum uni mi, onmachl.

dilireeren, lat. (delirnre, waarsch. van gr. h\'rein, glen, bazelen) verward spreken, verstandeloos, waanzinnig zgn, yien, raaskallen; — delirant, m, (lal. delIraus) een yiende, waanzinnige; deliratie (spr. I=ls), f. {deliratio) of delirium, n. do waanzin, waanzinnigheid, geestverwarring, het raaskallen, glen; delirium Irémens, Med. de yihoofdighetd met beving (van zuipers), de zuiperswaanzin.

Delisch problema, n. (detidcum pro-blima, zoo geheeten naar het eiland De los, nu 1)111) het in de gr. oudheid beroemde geom. vraagstuk; de zgde van ecnen teerling te vinden, welks Inhoud tweemaal grooler Is dan een andere gegeven leerling of cubus; het kreeg dien naam in l\'ialo\'s lijd by eene pest, die hel eiland Deios teisterde, en die, volgens uitspraak van \'t geraadpleegde orakel, zoude ophouden, als men Apollo\'s altaar, dat de gedaante van eenen cubus had, verdubbelde; de oplossing van dit vraagstuk door meelkunsllge constructie (in de oudheid vergeefs beproefd) beeft veel tot de uitbreiding van liet gebied der meetkunde bg-gedragen. Is de zgde eens teerlings «, dan is die eens dubbel zoo groolen = 1,280221... a.

Délit, n. fr. (spr. —li) misdaad, delict, z. delictum; en flanrant délit (spr. —grdti—), op heeterdaad.

Delitescentie, f. nw.lal. (van \'tlat.de-lilescilre, zich verbergen, v. late scire, het in-choativum v. latere, verborgen zgn) Med. de te • rugtreding van ongezonde vloelstotren; bid gan-schelgk verdwgnen van gezwellen, uilslag, enz., zonder eenig spoor of gevolg na te laten (in tegenstelling met metastasis).

Delïto, m. sp. misdaad; vgl. délit. delivrecren, fr. (ilélivrer, lal. als \'I ware de-liberare, v. tiberare, liber, vry) bevrijden, verlossen, uitredden, uitleveren; over-, afleveren ; — delivraison, fr. (spr. —wrézó/i) do levering, terhandsleiliiig; delivranoe, f. do hevryding, verlossing; uitlevering, overlevering.

delizia, 11. aanminnigheid, bevalligheid. Delk, z. dalk.

Dellal, m. turk. makelaar.

Delhi, rn. arab. woestynglds.

Delling, m. noordsch Mylh. scbemcring. delogeeron, (spr. 9=:j), fr. [düoqer, vgl. logeeren) uittrokken, aftrekken, de plaats ruimen, opbreken (van krijgsvolk); verhuizen; verdringen, verdryven, verjagen, b. v. iemand uil eene woning, den vgand van zgnen post, enz.; delogement, n. (spr. —zj\'mah) of delo-


-ocr page 349-

DELOYAAL 33:$ DEMARQUEEREN

geering, f, het uit-, aftrekkon, de aftocht, 1). v. van troepen; het verdringen, uitdreven; verhulling

deloyaal, udj. (fr. iléloyal, vgl. loyaal) iineorlUk, onrechtmatig, onredoiyk, trouweloos, woordbreiiklg, arglistig) — deloyaliteit, f. (tr. (Icloiiuulé) onredeiykhold, Irouvveloosheld,

Delphijn, m. lat. {dolphin en lielphlnus; gr. (lelphin) dolf ij n, een walvlschachtlg zoogdier, dat In de helde kaken tanden heeft, en in vele soorten In alle zecfln, doorgaans troeps-gowUzo, gevonden wordt; de hekendsle /.yn de gewone of tulmeldolfljn (Delphinus delphis) en de hruinvlsch (Delphinus phocaena). De eerste Is de eigenlijke d e I p h I n n s der Ouden, waarvan z.y allerlei sprookjes vertelden (onder anderen waren zü de boden en dienaars van Nep-tunus); Astron. een sterrenbeeld aan den noor-deiyken boinol, naby den adelaar; — detphtnus, lat., z. v. a. dauphin (z. aid.)

Delphinium, n. nw.lat. (van \'1 gr. del-phinfon) de ridderspoor, eene plantensoort; luls-of staverzaad (Delphinium slnphisagrta, L.);delphinine of delphlne, f. Chem een hyzonder alkaloïde, In de zaden van ille plant beval, waarvan { gram den sterksten hond hln-nen weinige uren doodl.

Delphinus, m. doiiljn, z. delphyn; de fr. d a u p h I n (■/.. aid.); in usum delphtni, z. ond. usus.

Delphisch orakel, n. eene godspraak (z. orakel) te Delphi In Oud-Griekenland, die In hoog aanzien stond en lang den naam van onfeilbaar had; vandaar oneig. een geleerde, wiens oordeelvellingen, uitspraken, enz. veel invloed hebben en voor velen als richtsnoer en regel gelden; zoo wordt Hugo de Grool soms het delphisch orakel gebeeten, waarvan men, om zyne geboortestad Delft, wel eens hel Delftsch orakel heeft gemaakt; z. ook pytliisch.

Delpiiys, f. gr. Anal, de baarmoeder.

Delta, f. de grleksche D (//); hel driehoekig of dcilavormig eiland, dat door de armen des !Nyis in Neder-Kgypte gevormd wordl; van-ilaar in hel algemeen; een zoodanig door rivierarmen gevormd eiland-, — deltoidisch, adj. (gr. deltoeidcs) of deltavormig, driehoekig, de gedaante van een delta hebbende; — deltodes of deltoïdëus, m. Anal, de dclla-splcr, driehoekige armspier.

Delübrum, n. lat. een tempel der goden, een heiligdom.

deludeeren, lal. (deludUre) bespotten, voor den gek houden, den draak steken, bedotten, misleiden; — deludabel, adj. nw.lat. aan misleiding onderworpen; - delüsie, 1. (spr. s=z) (lat. delusfo) bespolting;- delusief of de-lusorisch, adj. nw.lat. misleidend; hedriegiyk.

delueeren, lal. [deluVre) afspoelen; af-wasschen.

Deluge, in. fr. (spr. deluuzj\': van \'1 lal. diluvium) de overstrooming, vloed, zondvloed; -nprès nous Ie déluge, sprw. na ons de zondvloed, d.l. na ons moge er gebeuren wat er wil.

delüsie, delusief, enz., z. ond. deludeeren.

Delvauxiet, n. waterhoudend, phosphor-houdeiid en zwavelzuur yzeroxyde.

demacadamiseeren (spr. »=?), fr. een mac-adamweg opbreken, hel inac-adam wegnemen; vgl. macadamIsoeren.

Demagoog, m. gr. (van demos, volk, en df/ein, leiden) een volksleider, volksmenner, aanvoerder van eene volksparty ; met het bijbegrip van verachtelijkheid: volksverleider, oproerstoker, aiindrgvcr tol omkeering der gevestigde orde van zaken; — demagogie, f. de volksleiding; voiksvericlding; het streven naar liecrscbappy in eene volkspa riü; — demagogisch, adj. volks-leldend, volksverlcidend, enz.; — demagogis me, n. de grondsieillngen en baiidelwUzen de; demagogen.

demain, fr. (spr. d\'meii) morgen; — li demaiii. tot morgen; — demain malin (spr. —mnleii), morgen vroeg; — demain au soir (spr. —o soar . morgenavond.

demancheeren (spr. —maiisj—), tr. (dé-mancher, van Ie manche, de steel, liet beclil de vioolhals; van \'I mid.ial. manïcum, greep bandvatsel, v. manus, de hand, z. v. a. manu-brïum) den steel of hel hecht afdoen; Muz.de linkerhand aan de vlooi uil do naluurlyke plaatsing brengen; mei de hand over de greep reiken om scherper lonen voor! Ie brengen; de-manchoment, n. (apr.demaiisj\'mdii) Muz. het overgrypen der linkerhand.

demandeeren,lal. (demandnre: vgl. ma n-d am us) overdragen, opdragen, loeverlrouwen aanbevolen; — domandabel, adj. nvv.lut vorderbaar; — demandant, m. nw lat. de klager, elschcr; demandatie (spr. 1=1 s . f. de opdracht, last; demande, f, fr. (spr. mand\') de vraag, hel verzoek, de bede. Demang, m. jav. Iltel van hel hoofd van eenlge dorpen op .lava, gewoonlijk lager In rang dan de wed o no.

domanteleeren, fr. {démanleler, v. nmn-lenu, mantol, 11. manlello, lal manléllwn, man-Itlmn onthullen, openen, doen springen, de ringmuren eener vesting afbreken, slochlen. Demarcatie, z. ond. dcma rqnee ren. Demarch, m gr. [dcmairhos. van demos. volk, on airhein, lieerschen) hoofd van een de-mos of gemeenle In hel oude Athene, burgemeester; — demarchie, f. hot ambt en de waardiglield van zulk een volkshoofd.

Demarche, f. fr (spr. demanj\' .• vgl marsch, enz.) do gang, vvyze van gaan; han-dolwyzo, gedrag, wandel; - demarches, l pi. maalregeloii; demarches doen, slappen doen, maatregelen nemen.

demarqueeren (hot naast van l fr. dé-marquer, doch dit oorspr. van hot dultsch ■ merk, mark) lookens of nierkon zeilen, gren?-Hlnen trokken, afpalen, afperken, afbakenen:-demarcatie (spr. I=ls), f. do begrenzing, afperking, afpaling, afbakening; Mar. de bopallnu


-ocr page 350-

DEMASQUEKREN

DEMI

1334

of berekening der iilaals, waar een schip zich in open zee bevindt, het bestek; - demarcatie-cordon, li. (ie grens- of scheiiiings-keten; — demarcatie-lijn. Mil. de door twee of meer strydende partijen vastgestelde grensiUn, die gedurende een bepaaiden tgd, b.v. een wapenstilstand, niet mag overschreden worden; ook (ie grensiUn, door paus Alexander VI over den oceaan getrokken, om de heerschappij der l\'ortugeezen en Spanjaarden hare bepaalde grenzen aan te wyzen; Med. de iifscheldings-lyn, waar koudvuur hiyft staan; demarcatie-troepen, grenstroepen, grenssoldaten.

demasqueeren of demaskeeren, fr. (ilémasquer. vgi. masker) ontmaskeren, de mom afnemen; ontsluleron, tenioonstelien; Mil. onthiooten, b.v. eene battery domusquee-ron, hare bedekking wegnemen en baar zoo in staat slollen om te vuren.

dematerialiseeren (spr. s=z), nw.iat. (vgi. ma teriai isee ren) vergeesligen, van het in a t er ili 1 Ism e afiirengen.

Demdit, m. turk. hioedcyns. Demogorie, r, gr. (van demos, volk, en \'igorêiiein, op de markt of in \'t openbaar spreken) volks- of staaisrede, rede in eene volksvergadering.

Demêlé, n. fr. (van mé/er, mengen; vgi. meieeren) een kleine twist, geschil, stryd, eene oneenigbeiil, tweedracht, verwikkeling; — demêleeren (fr. tlémMer), verwarde zaken uiteendoen, uiizoeken, scheiden, ontwikkelen, ontwarren; mot iemand wat te demêleeren hebben, lets met hem uilstaande hebben, een geschil met hem af te maken heb-hen; - demêloir, m. fr. (spr. —Indr) haspel; werktuig om kamwol te bewerken, bestaande nit een kaarde of kam en een knmroi.

demembreeren, mid.lat. (ilemembrare, \\. membrum, lid) ontleden, in stukken breken, verdoelen; — demembrement, n. fr. (spr. dema/ibr\'mdii) de verdeeling, verbrokkeling, uiteenneming.

Demon, pi., demos, demenageeren (spr. f/=zj), fr. {déména-licr. vgi. menage) verhulzen, aflrekken; — demenagement, n. fr. (spr. -nd-zj\'mdn) de verhuizing, hel ontruimen, aftrekken.

demeneeren (zich), fr. (se démener: vgi. me nee) zich lievig bewegen, wilde gebaren maken.

Domens, m. lat. (van mens, z. aid.) een onzinnige, krankzinnige-, dementia (spr. /=/.?), f. (fr. itimencc) de onzinnigheid, krankzinnigheid, waanzin.

domenteeren (spr. dcmahl—), fr. (dé-nienlir, van mcnlir, liegen) de onwaarheid aan-toonen, logensirairen, wederleggen, legenspreken, dementi, n. (s|)r. demuiili) de beschuldiging van eene leugen, de logenslralting; de legenspraak mei zlchzelven, de iiesciiaming over eene mislukte, haar doel nlel liereikende daad; oen dementi stellen, iegenover beweringen gorucbien, ze voor onwaar verklaren;

iemand een dementi geven, hem de

onwaarheid aantoonen, hem logenstralfen, tegenspreken ; zich zeiven een dementi geven, zich tegenspreken, met zicb-zelven stry-dig spreken of handelen; z.yn woord terugnemen of niet houden.

demephitiseeren (spr. s=t), nw. lat. (vgi. m e p h 1 i i s e e r e n) van schadeiyke uitdampingen of van stiklucht en stank reinigen; ~ demephitsatie, f. (spr. -za-lsie) nw. lat. reiniging van stiklucht.

demerary, n. eng. (spr. —nri) graafschap in Guyana en vandaar; soort van katoen.

demereeren, lat. (demerêri) zich verdlen-steiyk maken, verdienen; — demerént, m. (demfrens) een verdiensteiyke, by, die zich ver-diensieiyk maakt.

Demerite, f. fr. (vgi. merite) het wangedrag, hot strafbare in eene daad; - deme-riton-huis, n. in de kath. kerk; huls van correctie of straiinrlchting voor misdadige gees-teiyken; — demeriteeren (fr. démériler), zich schuldig maken, misdoen.

Demérsie, f. later lat. {demersto, v. de-meriti\'re, verzinken) de verzinking, onderduiking; het verzinken.

Demëter, f. gr. Myth, de godin van don landbouw, bij de Romeinen Ceres {■/.. aid.); — demotrium, /,. v. a. cererïum (z. aid.).

demeubleoren, fr. démeubler ,• vgi. m e n-blo) het huisraad wegnemen, ontruimen; — demeublemónt, n. (spr. —mdü) hel onl-rulmen eener woning van huisraad.

demeureeren, fr. (dmeurer) idyven, vertoeven.

dëmeuri, arab. bloedsteen, d. i. iiioedstel-pende steen.

demi, fr. (spr. d\'mi, v. lal. demidJus, d. i. dis- en medlus) half; d demi, Ier heitte; — demi-air, m. fr. (spr.—ér), z. demivolte;

— demi-amplexicaulisch, ook se mien heml-amploxlcauiisch (z. het inatste);

— demi-bastion, n. fr. Mil. half bastion, half bolwerk (eene face en een flank); — demi-baton, m. fr. Muz. J maat rusltee-ken-, — demi-cotons, pl (spr. —tnii) sterke halt katoenen stollen; — demi-coupo, r. fr. (spr. —koep) danspas, waarhy de heide knieën gebogen en by bet oprichten de achterste voel verzot wordt; — demi-drap, n (spr. —dm) half laken; —demi-fortune, f. fr. dg. een hiilf-tortuintje; een vierwielig rytulg met een paard, eenspan; - domi-hollande, f. liaif holiandsch linnen, eene lijne soort van lUnvvaad, dat in i\'icardie wordi gemaakt; — demi-jeu, m. (spr. —zjeu) Muz. halfspel, haliluid spel, tus-schen zacht en sterk in; — demi-john, ind. eng (spr. dimmidzjon, fr. dame-jeanne) groote liescli In manden om vloeibare chemicaliën te vervoeren; — domi-lüne, t. Mil. eene halve maan, een buiionwerk, waarvan de keel naar eene halve maan gelykl of korte afgestompte flanken beefl; z. v. a. ravelyn; - demi-


-ocr page 351-

ÜEMONSTli KEUEN

DEMINUT1E

335

mesure, f. (spr. .i=z) hiilvo maatregel; — demi-monde, f. (elg. m.) (spr. —mónd\') i\'li?. halve wereld; de hair-voornume kringen der lljne boeleerslers, spelers cn andere avonturiers Ie Parijs, die uitwendig de zeden der voorname wereld nabootsen (naar een hiyspel van Dumas (ils aldus genoemd); — demi-parallèle, f. Mil. dal gedeelte der loopgraaf, dal parallel loopt mot hel front van den iianval;—demi-re-lief, n. (vgl. relief) half verheven werk; — demi-sappe, f. ceno halve loopgraaf; vgl. sappe; — demi—soupir, in. (spr. —sneiriér) Muz. een achtste rust; — demi-teinte, f. spr. léiil\') de halfschaduw hu plaatsnyders; IMcl. middelkleur, halftinl (metzo linlo, It.); —demi-ton, m. Muz. halve toon; — demi-tour, in. (spr. —Iner), Mil. eone halve wending, halve omdraaiing van liet iyf, zoo als li. v. hij hel rechts om! links om! — demi-volte, r of demi-air, m. eene der zeven hewegingen van het paard, halve zwenking.

Deminutie, deminutief, z. d i m i n—. Demi-parallèle, demi-queue, enz., z. ond. demi.

demissus, lat. (van demillrre, ncderlaten) lie-schelden, ootmoedig, kleinmoedig, nedergesiagen;

demissie, f. {dcmissïo) vrierideHikiield joyeus geringoren; hescheidenheid, ootmoed; ook; ontslag, ontzetting, afdanking; z. v. a. dimis-gt; I e (z. aid.); — demissionair, adj. die zyn ontslag genomen heeft, li. v. een demissionair kah in et of minister, z. d i missionair;—demissionair, m. (fr. démission-uaire) de ontvanger van afgestane goederen, hü, lot wiens voordeel men iets afstaat.

Demité, f. gekeperde zijden stof, die inz. op het eiland Scio wordt vervaardigd.

demiteinte, demitour, enz. z. onder d cm i.

Demiurg, m. gr. (demioergós, v. demns, volk, en éroein, werken, doen, waarvan érgón, werk; eig. wie hot volk aan nuttig werk zet) eon werkmeester, kunslenaar, arcli11ekt; oen volksregent, de hoogste overheidspersoon in verscheidene gr. slaton; ook naar de loer dor gnos-Iloken: opperhouwmecstor des heelals, wereld-schepper, niet God, maar een der Aeon en, welke nil de van den hoglnne nansl God lie-staande slof, den grond van al het kwade, de wereld en eene dor twee zielen van den mensrh, zyne zinnelijke, geschapen heeft.

demobiliseeren(spr.s=i) barb. lal. (vgl. mohiel, enz.) Mil. ontwapenen, op don voel van vrede slelleii; Jur. roerende goederen voor onroerende verklaren; demibolisatie (spr.

zn-lsie) of demobiliseering, f. Mil. de ontwapening.

Demogerónten, m. pi. gr., de oudsten des volks, senaloren in hei tegenwoordige Grie-kenittild.

Demographie, demologie, /.. onder d e m o s.

Demoiselle, f. fr. (spr. dmnaz—. vroeger damoisclle, verkiw. van dame, gelUk hel it.

donzella, van donna: mid. lal. dóminicella, du-micella |z. aid.| van domina) juifrouw, julfer, Jongodochter; demoiselle du comploir, Juifrouw die geld ontvangt en do kas houdt; — ook de naam van een insect: walerjuifer; hot handblok of stamper der straatmakers; In orgels: z. v. a. a b r é ges.

Demokratie of democratie (spr. I-Is), f. gr. (van dn mos, volk en kralcin, heer-schen) de volksheersehappü, voiksregeering, een rcgeerlngsvorm, waarbij hot volk, d. 1. de ge-zameniyke burgers, zoowel de weigevende als uitvoerende macht hoeft hotzy oniniddeilUk (absolute democratie) hetzy door verkozen vortegenwoordigers representatieve d.); in tegenst. met a ristok ra t io; z. ook republiek; — demokraat, m. een burger en aanhanger van zulk eenen staatsvorm; een volksvriend, vrytiarger, vryheldsvrlend; — demo-kratisch, adj. vryburgeriyk, tot de voiksregeering bohoorende; demokratiseeren (spr. s=z), vryburgeriyke gezindheden koesteren en uiten; een staal in eene demokrailo veranderen ; — demokratisme, n. do vrybur-gerzin; hel aankleven der voiksregeering.

Demokntus, een oud-gr. wysgoer, de schepper van het atomen-stelsel. Volgens een dor veie sprookjes, omtrent hem in omloop gebleven, zou hy bestendig over de dwaasheden der mensehen hebben gelachen, geiyk He ra k 111 n s, een ander oud-gr. wysgoer, steeds daarover weende; vandaar beteekent oen demo-krlet een lacher, iemand, die de wereld inz. van hare laehwekkende zyde beschouwt, een vriend der gezellige vreugde, enz.; — demo-kritisch, mij. soms; satiriek, spottend.

demoliëeren (fr. démolir, van t lal demohri, wegruimen), sleeblen, omverwerpen, afbreken, sloopen; demolitie (spr. 1=1.1,. of demoliseering (spr. s=:), f. de slechting, sloopliig, nederlialing, omverwerping van een wal, een huis; demohtiesysteem, n. Mil. het stolsel, volgens het welk reeds iiij den bouw der vestingwerken de noodige inrich-lingen tol vernieling daarvan gomaakl worden: de tot dat doei aangelegde mynen beeten dein o 11 tle-m y n en.

demonetiseeren (spr. s=z), fr. {démo-ndliser, van hei lal. monita, mnnt) eene munl of een papier zyne waarde ontnemen, hullen omloop brengen; demonetisatie (spr -zu-lsie), f. de waardeheneming, hel huiten-omloop-brengen van munten of papieren.

demonstreeren, lal. Idemnnslrare) too-nen, bewyzen, lietoogen, vooroogen leggen, oni-iedeii; ijiiod eml demonHfdndum, afgekort i). H. I)., ilat te bewyzen was; oil ociilum of ad nculos demonstreeren, aanschoiiweiyk maken, helder, klaarhiykeiyk, zonneklaar bewyzen, demonstrabel, adj. (later lat. demon-strnliïlis, e), hewyshaar, iielongbnar; de-monstrabiliteit, f. nw.lal. de bewijsbaar-lieid; demonstratie (spr. Iie=lsie). lal ilemonslraHo) een overluigend, zonneklaar lie-


-ocr page 352-

DEMONTKEREN

DENDRAGAAT

Wüs, ilul do omlorstcllliiK van lioj togeiiduol nlot toolaat (golgk li. v. do mat ho mat isclio domen st rat !Bn), betoog, ontwlkkoltiiR; Anat. hot onderricht in do ontleedkunde, mot helmlp van prisparaton; .lor. oene aanwijzing, ontvouwing, oen minder vermeiyk howüs (In suminiore rechtszaken); Mil. oene bedreiging, houding van aanval, dreigende houding, liet te-kennen-govon van een zeker oogmerk door gemaakte bewegingen, om daardoor don vüand to misleiden; in het algemeen; de openlUke heloonlng of bekendmaking van eone nioening of gozindlield Inz. van staatkundigen aard), in Zuid-Nederland: betooging; demonslralïo ilirérla, hot onniiddel-Hjke, rcehtstrcoksche bewijs; lt;/. indirecla, hel middeiiyke, zljdeliiigscho bewys; -- demonstratief, adj. hit. (iemonslrahvus, a, um), aanwijzend; bewijzend, overtuigend, bewijsbaar; bondig; demonstrativum, n. pi. de-monstrativa, (Irani, aanwijzende voornaamwoorden, h. v. deze, die, gene, enz.; — demonstrator, in. aanwijzer, vortooner, hewljsvoerder.

demonteeren, fr. {démanler, vgl. m o n-t eeron) Mil. van bet paard afzetten, uit den zadel lichten; weerloos, onbruikbaar maken, buiten staat van verdediging stellen, b. v. oene batterij; een stuk geschut demonteeren, het airuil of rolpaard aan stukkon schleton of op oene andere wijze bederven; ook tot zwijgen hrengen.

demoraliseeren (spr. s=«), fr. {démo-raliser. vgl. moraal, enz.) onzedelijk, zedeloos maken, de zeden verbasteren; bederven, van ze-detyko waarde berooven; Inz. iemand hel gevoel van eigenwaarde doen verliezen; volgens Napoleons spraakgebruik: (een leger) ontmoedigen; — demoralisatie (spr. -za-tsie), f. do ze-denverbastering, hel zedenbederf, de zedelijke verwildering; ontmoediging.

(te morluis nil nisi /«-ne, z. end. morluus. Dëmos, in. gr. het volk; in het democra-lischo Athene: een gomeonlodistriet, ondoraf-deeling, der l\'bylo (z. aid.); pl. dêmen;-demographie, f. volksbeschrijving, de weienschap, welke de schlldeiing der maatschappelijke en staatkundige eigenschappen en ver-inogcns des volks, inz. der staten ten deel heeft; v. a. Historische statlsliek; demologie, f. de leer van bet volk, de leer van het ontstaan, bet innerlijk individueel wezen en do verandering der staten; - demotisch, gr. {de-molikós) tot bet volk bebooreiide, volksmatig; volksgezind; volks...; - demotisch schrift der oude Egyptonaren, d. 1. volksschrifl, hot gewone egyptische letterschrirt, In legensl.mot het h I era t Ische (z. uld.)

Demosthenes, m. een beroemd oud-gr. redenaar in Athene; vandaar in het algemeen: een uitmuntend redenaar, een by uitstek welsprekend mensch; demosthénische welsprekendheid, cone wegsleeponde, bul-tengewone welsprekendhold, naar het voorbeeld van dien («riek.

demoveeren, lat. (demovcre: vgl. mo-vêre) wegruimen, afzetten.

demlis ilemenilis, lat. (van demSre, wegnemen) na wognoinlng van hetgeno weggenomen moet worden.

demulceeren, lat. (dmulcire) strooien, itefkoozen, sussen, stillen; — demulceerend, adj. Mod. verzachtend, bodarend; omwikkoiend (van artsenyen).

Denarïus, m. lat. (van denunus, d. 1. tien bevattend) oene oud-rom. zilvermunt, die oor-spr. to, tater 1(gt; asses of 4 sestertlBn deed, omtrent = 30 centen, In de middeleeuwen van verschillende waarde; ook oene silozlscho ko-pormunt, ongeveer = ^ cent; denarïus l\'elri, de Sitit-l\'leters-penning, eone zekere opbrengst aan den paus; lerïïus denarïus, de denlo pen-nliiK; in hot duitsche recht: hot lagere gerechtshof, devvyi het hoofd daarvan ; van de ge-reebtskoston genoot; — denaro of danaro, m. Ital. 1° ceno koperen munt van verschillende waarde; i0 het aandeel van jonen koopman in een schip of zgne lading; 11° een zude- en goudgewicht, ongeveer 1 grein.

denationaliseeren (spr. s=z),barh.-bit. (vgl. natie, enz.) hot nationaal karakter ont-nemon, van den volksaard (nat to na lit e it berooven; niet meer ais tot eone zekere natie behoorende erkeuiion, het hurgorrocht wegnemen; — denationalisatie (spr. —:a-lsiel of denationaliseering, f. berooving van de nationiilltoll, ontburgoring.

denaturaliseeren (spr. s=t), barb.-lat. (vgl. naturallsoeren) de toegestane landrechten weder introkken, bet burgerrecht onl-nemon; weder verwerpen, uitwerpen, li. v. een vroeger opgenomen woord uit do taai.

denatureeren (fr. dénaturer) ontaarden, verbasteren ; do natuur, den aard der zaak veranderen; onbruikbaar maken (b. v. steen- en keukenzout voor gebruik In spijzen door toevoegset van hertshoornolie, petroleum enz., wanneer men vrydom van belasting erlangen wil ten einde hot voor induslrleele doeleinden to gebruiken).

deniïtm,a, um, nw.lat. (v.\'l lal. de en natus, go-boron, part. v. nasci, geboren worden) gestorven.

Dendragaat, m. gr. (van dtfndron, boom boomagaat, ook moka-steen; eeno variëteit van den gomoenon cb al co do on met den-driolisctie of boomvormlge toekoningen; -dendrieten, m. pl. boomstoenen, d. i. stuh-kon kalk en mergel, op wier oppervlak zich getakte beelden van bruinstoon, hruinyzerstoen, enz. gevormd hebben; dendrietisch of dendroïdisch, adj. boomvormlg; den-drobatisch, adj. N. H. op hoornen klimmend ; — dendrodrómisch, adj. op hoornen loopend; — dendrographie, r. do boom-boschryving; — dendrographisch, adj. dendrolithen m. pl versteeningen van boomen en hunne doelen, die in alle stroken der aarde, In de zoogenaamde secundaire vormingen, voorkomen en overblijfsels eener onder-


-ocr page 353-

DENKH

:)37

DENT

gogano scliopping zün; — dendrologie, f. dc boomkundo; — dondroloog, m. eon boomkonnor, lioomkundlKe; — déndrome-ter, n. oon l)ooinmotor, oon werktuig uitgevonden door I) u n c o in It e on W li 111 e I s, om de hooglo van oenen boom, de doorsnede van zuncn stam on züno houtmassn Ie mcton (men liopaalt er ook vry nauwkeurig do hoogte en den afstand van borgen, torens, enz. mede); »-dendrometrie, f. do boommoetkunst; — dendromórphisch, adj. boomvormlg; — dendrophagisch, ndj. boutvretond; — dendrophilus, m. een lleflieblier van boo-men; — dendrophilen, pi. (dendrophilae) op boomen lovende hagedissen ; — dendrö-phis, t. de boomadder.

Deneb, m. arab. (olg. staart, n.1. van den zwaan) do buitenste en helderste ster in het sterronbeold van don zwaan, die met S andere een groot kruis vormt.

denegeeren, lal. denegare; vgl. negeo-ren) weigeren, afslaan; — denegatie (spr. t=ls), f. nw.lat. de weigering; ook loochening voor het gerecht; ilenefiulw audienlm, Jur. weigering van gehoor op oen Ingebracht verzoek; lt;U\'ne(j(üU) debtli cojyuf/f/Hs, weigering van den huweUlkspltcht; — denegator, m. lal. de loochenaar, verloocbenaar.

Dénesehka, dénga, z. don use h ka. dengi, pl. russ. (slng. ilenqa, zllvenmnit) gold. Denier, m. fr. (spr. de-njé; van \'t lat. de-■nanus, z. aid.) eone kleine koperen munt In verschelden landen, geldende van | lol ; cent;

— denierbalans, f. balans om den graad van fijnheid der zyde te bepalen.

denigreeren, lal. (denignire: van nif/er, zwart) /.wart of verachtelUk maken, belasteren;

— denigrant, adj. (lat. tknigrans, fr. déni-grant) zwartmakend, uantygond, lasterlUk; — denigratie (spr. t=ls), f. lat., en deni-gremént (spr. ma;gt;), m. fr. de zwartmaking, belastering, vernedering, verachting; hot schonden van den goeden naam.

Dénitriflcateur, m. iiü do zwavolzuur-hereiding; de oorslo voorkamer, waarin het in bot zwavelzuur voorbanden salpeterzuur ontleed wordt.

Denizon of denison, m. eng. (spr. dén-niz\'n) een vry burger, oen vroomdeling, die hol burgerrecht lieefl verkregen (van bet lal. donuiïn, oudfr. donazon, donatson afgeleid, dewyi bom ex den al lone regis bot burgorrocbl is go-schonken); - denizeeren (eng. /n denhen liet burgerrecht schenken; vrymaken; — denization, f. (spr. dennizéésjen) In Engeland vrymaking, do verleening van liet burgerrecht.

denomadiseeren (spr. s—z), hel noma-lt;lenleven doen afleggen, aan vaste woonplaatsen gewennen.

denobiliteeren, nw.lat. (vgl. nobiil-teeren) ontadelen, van don adeldomberoovon of vervallen vorklaren.

denomineeren lat. (denominare; vgl. nomen, enz.) noemen, benoemen, aanstellen; viEnim imiiK.

— denominatie (spr. /=lt;«), f. de noomlng, benoeming; aanwyzlng, aankondiging; denomi-naltn lesffum, de benoeming der getuigen; — denominativum, n. nw. lat. Gram. een naamwoord, dal onmiddeliyk van oen ander afgeleid is-, — denominator, m. Aritb. do noemer van eene breuk; denominator ralionis, de reden- of vorboudings-aanwyzer, z. v. a. quotient, z. aid.

Denoncé, m. z. v. a. donunciaat. denonceeren, fr., z. v. a. denun-c I o o r e n.

de nnn /irejudicando, z. oud. p ra\'J u dlc lum. donoteeren, lal. (denotarc) betcokonon, te kennen geven, aanwyzen; — denotatie (sjir. lie=tsie), f. de beteekening, aanwyzlng door teekenon.

denoueeren, fr. (spr. ou=oe. van nouer, = lat. nodare, knoopon) ontknoopen, oplossen, ontwarren; — denounbol, adj. oplosbaar;

— denouement, n. fr. (spr. denoe\'mdii\'), de ontknooping. ontwikkeling; oplossing, beslissing, afloop.

de novo, /.. oud. novum.

Denrée, f., pl. denrées, fr. (spr. daüré\': provenc. denairada, mld. lat. denariata, elg. en oorspr. de som, bel bedrag of de waarde van een denarius; z. denarius, de hoeveelheid waren, die men voor eon denarius, fr. denier, kroeg; men zeide oudiyds deniérée), levensmiddelen, iedere eetwaar.

denseeren, lat. (densare, v. densus, dicht) dichl maken, verdichten, b v. waterdamp; — donsabel, adj. verdlchlbaar; — densatie (spr. t=ts), f. de verdichting; — densifló-risch, adj. nw.lat. (densiftorus) met dicht by-eenslaande bloemen; — densifólisch, adj. dichl hebladerd; — densimeter, m. I\'hys. dichtheidsmeter, werktuig om den graad der dichlheld eener vloeistof te bepalen; — den-siröstriseh, adj. met harden en vasten snaveldensiteit, f. {densflas) de dichtheid.

Dent, m. (beter f.) fr. (spr. dan: v. lat. dens, tand) In fr. Zwitserland en in Savoye oen kegelvorinlge bergtop, die in dultsch-Zwltsorland born heel, b. v. de Den! du Midi in Savoye; deuls postiches, pl. (spr. dan pnstiesj\') valsche of ingezette landen; — dentagra, n. Iat.gr. Med. do landpyn, klespyn, beter gr. odonta-gra; — dentaal-letters, f. pl. Gram. lat. nod., tandletters, zulke letters, hy welker uitspraak do tong de landen raakt, zoo als d, I, enz.; — dentaliën, m. pl. lat.-gr. zeelanden, eone vorsteonlng; — dentalium, n. de zeeland, tot hol geslacht der pypscholpen hehoo-rende; — denlaria, f. nw.lat. (v. lal. dentarius, tot den tand heboorende) tandkruld; — den-t(h)arpaag, m. een tandentrekker, leder werktuig lot het ulttrokkon der landen, koevoet, engelsche sleutel, enz.; — dentatiën (spr. ti=tsi), f. pl. nw.lal. ulltandlngen, tand-vormlge spierhoofden; — denlalus, a, um, adj. Hol. getand; —denticórnisch, adj. N, II. nw. lal. met gelande voelsprieten; — denliriili, pl.

22


-ocr page 354-

DEPECULEEREN

3:i8

DKNTSCHl\'K

lal. Arch, een sieraad, uit kleine vierkant bewerkte stukjes bestaande, tandsneden, kalfslan-den aan eene kornis; — dentrifleium, n. lat. or dentifrice («pr. ilaiilifHes), n. tr. tandmiddel, tandpoeder; — denliculalus, u, urn, adj. Bot. Iljnfteliind; — dentiróstres, m. pl. N. H. (andbekken, eene vofielfamille, lol de orde der muscliachllpen behoorende; - dentirós-trisch, «dj. met gelanden snavel; — den-tiacalpium, n. een tandenstoker, een werktuig om do landen schoon Ie maken en nf te schrappen; — dentist, m. nvv.lal., dentiste, fr. (spr. iluiiliésl\') een tandmeester; — don-titie (s|ir. tie=tsic), f, lat. ((Icnliiïo) hel tan-denkrUgen, het doorbreken der tanden by kinderen; — dentuur, f. nvv.lal. (tr. denture, daarentegen it. den lat urn) het landwerk, liet gebit, de gezamenlijke landen en kiezen; do gesteldheid daarvan; — denteleeren, (spr. daiil—), fr. idenlelcr) landen, uitlanden, getand maken; — dontelle, f. (spr. daiiléll\') kant, een hekend opengewerkt weefsel van garen, zijde, enz.; — dentelüre, f. tr. (spr. daiileluur\') uilgeland of getand werk; — dentolabialon, f. pl. gr. Gram. landlipictters, zulke lipletters, die lusschen de landen en de onderlip gevormd worden (B en f).

Déntschuk, m. russ. soldaat wlen de bediening van een olllcler is opgedragen, oppasser.

denudeeren, lat. {denwlnre: vgl. nudus) Chir. ontblooteii, b. v. een been hü breuken;

— denudatie (spr. l—lx), f. do onl bloot ing, blootlegging; — denwlalm, n, um, adj. Bot. ontbloot, van bladeren ontdaan.

denunciëeren, lat. (denuncirlre: vgl. nunc lus, enz.), voor het gerecht aangeven, aanklagen; cone fout berispen, wraken; — denunciant of denunciator, m. een aangever, aanbrenger, aanklager, verklikker; — denunciaat, m. de aangeklaagde, aangege-vene; - denunciatie (spr. Iie=lsie), (de-nunciaCto) de aangifie van eene overtreding bil de overheid, de aanwgzing, bekendinaking; ontdekking, verklikkerU; — denunciniïo litis, aankondiging van een rechtsgeding aan oenen dorde, mei ullnoodiging lot gerechleiyke verdediging; denunclalfo mulrimonfi, de huwelijksafkondiging.

Denuschka of liever deneschkla, (vcrklw. van denga, f. russ. dénjga, perz. lengeh, eene munl, geld, napol. denrijn, van \'1 lal. denarius, z. aid.) eene russ. koperen munt, = J kopeke of bijna 1 cenl.

deobstrueeren, nw. lal. (vgl. obstru-oeren) Med. eene verstopping wegnemen, openen; — deobstruént, adj. verstopping wegnemend.

Deodaat (van \'1 lat. n Deo dolus, van CiOd gegeven), mansn., z. v. a. Theodorus;

— deodand, n. eng. (spr. dindénd. v. lal. deo dandum, leis dat aan (lod gegeven worden moet) iti het eng. recht; alles wal als aanleiding lot den dood van een mensch aan den Staat verviel, Ihans aan den schadelljdende wordt toegekend.

Deo finnuenle enz., Deo dicalus en Deo gra-tius, z. oud. Deus.

deonereeren, lat. (de oner are, v. onus, z. aid.) ontlasten, onlladon; ledigen.

Deontologie, f. gr. (van déon, dal wat wezen moet, het noodigo, plichtmatige, de plicht, van (Ui, men moet, \'lis noodig) de pilchlen-leer, zedenleer (oen woord, door don eng. wijsgeer Bentham gebezigd).

deopteeren, lat. (deoplare) kiezen, bij eene keus zyno nieening uitspreken, stemmen. deo rnlenle, z. ond. Deus. depaqueteeren (spr. qu=li), fr. déim-queler) uitpakken, ontpakken.

deparalyseeren (spr. s=z), lat. gr. (vgl. paralysis, enz.) de verlamming wegnemen.

departeeren, fr. (départir, van \'1 lat. parfire, partiri, dooien) afdeelen, uit elkander zeilen, scheiden; - departement, n. (fr. spr. —man: gewooniyk als nederl. —ment) do verdeeling, ulldeeilng van zekere bezlgho-don onder veie personen In een collegej do ambts- of werkkring, het quot;ak, bedi\'Uf, beheer, al wat lot Iemands bevoegdheid behoort; dat Is niet van mijn departement, dat behoort by my, in mijn vak, op mün bureau, enz. niet te huis, daartoe ben Ik niet bevoegd, dat gaat my niet aan; de verschillende afdee-lingen van do staatszaken, onder do ministers verdeeld, 1). v. departement van oorlog, van financiën, enz.; de hoofdafdeeiingen van het inwendig beheer in een land, b. v. In Krank-ryk, de landsafdoeling, krells, landvoogdij; ook de afdeeiingen van een genootschap, van eene maatschappij h. v. de afdeeiingen der maal-schappU Tol Nul van \'1 Algemeen; Arch, de gezamenlyke, tot hel zelfde gebruik besiemde vertrekken In een gebouw z. v. a. apparto-m ent; — departementaal, adj. wat do departementen betreft; — departitie (spr. lie=tsie), f. nw.lat. de verdeeling.

depasceeren, fr. (depeiscüre) afweiden, af-of kaalvreten.

depasseeren, lat. (dépasser) voorbijl rekken, overgaan, te bulten gaan. voorbysireven.

depaupereeren, nvv.lal. (v. \'liat. pauper, arm) verarmen, arm maken; — depau-peratie (spr. lie—lsie), f. bel arm maken; de verarming.

depecheoren (spr. ch=sj), fr. (dép fr her, oudfr. despescher, it. dispacciare, als van een lal. dis-pneliUre, van dis- en paelum, pang f re, bevesllgen) verhaasten, liespoedigen. snel afzenden, met spoed afvaardigen;—zich depe-cheeren, zich spoeden, haasten; — depêche, r, pl. depêches, fr. (spr. depisj i ii. disparrio) ambtsberichl, meeslal door koeriers overgebrachl, staalsbrlovon, brieven lusschen hel ministerie van Imlieniandsche zaken en de daarvan afhankelijke dlplomatlsclio agenten, voor-schriflen omtrent het te houden gedrag; Inliet algemeen: een op \'I spoedigst verzonden berlchl, spoedbericht, h. v. een telegram.

depeculoeren, lat. (ileperulari) eene open-


-ocr page 355-

DEPELLEEUKN IKiO DEPOLARISEERKN

Imro kas hostclcii; — depoculatio (spr. l=ts), f. kasdlofstal, do dlcfsliil aan do kas goplccüd; — depoculütor, m. kasdlof, de Itoslcler oencr oponharo kas.

depelleoren, lat. (depellerc) vcrwUdoren, vordryven, afwonden, verstouten.

dependeoren, lat. (deimulere) afhangen van lomand, hom onderworpen zyn; — dó-pendens, adj. lat. liot. iinngend; — do-pendént, adj. {ilepéndens) afhankoiyk, on-dorKoschlkt, onzolfstanillr:; — dopondéntie (spr. l=ts), f. nw. lal. de afhankeHjkhold, oa-derworpeahold, ondergeschikt held; depen-dontiën, f. pi. Jar. z. v. a. port laoat llia, al hol I lij - en toehohoorea eener zaak.

deponneeren, mv.lat. (v. \'I lal. penna, veder, pen) Kmt. rekeningen in liet kladboek doorhalea; oenen last teragnoinen.

Depense, f. fr. (spr. deiidns\', van \'l lat. (lispmdëre, afwogen, altdoeloa, hesteden, waarvan dispendtum, altgaaf) do allgavo, onkosten, vertering, verkwisting; ook (naar it. dispenm) de spijs- of voorraadkamer; doponseeron (fr. dipensev), ullgoven, bestoden, vertoren, verdoen, doorbrengen, verkwisten; dopenseur (spr. dcpdiis—), een verkwister, doorbrenger; dit woord is in \'I fr. niet in gobraik, men zegt er dépensior (spr. depunsje\'), hetwelk echter moor (= it. dispensiere) don beheerder vaa do voorraadskamer, de schalier, spysmeester iie-teokent.

doperdoeren, lal. (deperdüre) verliezeii; verderven, te gronde richten; — deporditie (spr. l—ls), f. liet verlies, do vormindeling; de verderving; depordioton, n. pi. (mid.lat. depeniïta, pi. van depcrtlïtum, het verlorene) bet voriies, do schade, labnollng, In llongai\'Ue bet verschil llisschen den prys der levensmid-deion, waarvoor de burgers en hoeren de kei-zeiiUko inllUalMi moeten proviandeoren, i\'n tas-sclion de markt prüzon.

depouploGron, fr. {di\'pcupler, van peuple, volk) ontvolken, de bewoners uitrooien, ver-dryven, helzy de monscbcn uit een land, de vissollen uit oen water, do vogelen uit een tiosch, enz.

dophlogmatiseeren (spr. s=z), ook dephlegmoeron, lat.-gr. {yul.phlegma, enz.) (üiom. ontwateren, eenc vloeistof door afdam-plng of overhallnR van het overtollig watergehalte bevrydon en haar zóo zuiveren en ver-sterkon; — dophlegmatio (spr. i-(s) of dephlegmoering, f. lat.-gr. (vgt. phtog-ma) de ontwatering, verdrijving of wogaeniliig der wateraelitlge deolea uit de geestrijke vioei-stoffon; vgi. rectificatie.

dephlogistisch, adj. lat.-gr. (vgt. |itito-giston, enz.) niet ontbrandbaar, onvorbrand-tmar; dophlogistisooron (spr. «=:), van onltirandtngsstof herooven, onvorbraadtiaar maken;— ge do p h I o g i s t i s e er d, adj. van do ontliranilingsslof beroofd; god e p b 1 o g i s 1 i-seorde lucht, lovonsluctit, zuivere liiobt, zuurstof.

dopileoron, lat. (dcpilare, van pilus, tiaar) ontharen, van haren herooven; — lig. iemand van hot zyne herooven; — dopilatio (spr. l=ls), f. nvv.lat. de ontharing, kaalheid; — do-pilatiof, nw.tat. ontharend, van liet haar be-roovend; — dopilatoriura, n. Mod. een ont-haringsniiddel, een middel, dat do baren iloet uitvallen.

depingoeron, lal. {dcpinn/rc) afmalen, sciilideren, besciiryvon.

Dopit, ii. fr. (spr. rfep/oudfr. despil, It. rfi-spello, v. \'t lat. despectm, eig. verachting) verdriet met opwelling van ongeduld en zelfs van toorn, de toorn der onmacht, spyt, ergernis; spytiglioid, trots; en dépit (spr. «h—), in spijt, ten spyt, in weerwil van...; pnr dépit, uit verdriet, ergernis.

deplaceeren, fr. (déplucer: vgi. place, enz.) lomand uit zyne plaats zetten, verplaatsen, vordryven, afzetten, hem zijne plaats ontnemen; — gedoplaceerd zyn, op de verkeerde plaats staan, niet op zyne plaats zijn; ook ton ontyde geschieden, kwatyk aangehraolit zijn; deplacoment, n. (spr. - do verplaatsing, het van-de-plaat s-brongen.

Doplaisanco, f. fr, (spr. deplètniis\': vgi. plaisanco, enz.) do afkeer, het intshagon, do weerzin; bel ongenoegen, verdriet; — deplai-sant, adj. (spr. —iilè:dii) onaangenaam, verdrietig; doplaisir, n. (spr. —plèziér) hel verdriet, mishagen, misnoegen; do kommer.

deplanoeren, lat. [dcplanare) vlak maken, ellen en.

de plano, z. ond. p 1 a n.

doplantGGren, lat. UkpUmtarc. vgt. pia atoeren) verplanten, verzetten, uttneinon -, — deplantiïtie (spr. tie—lsie),t nvv.lat. de verplanting.

Doplëtie (spr. I=ls), f. nw.tat, {depleltn, van \'t lat. depUre, ledigen) Mod. de lediging; depletief, adj. ledigend,

deploreoron, lat. (deplnrare) tieweenen, liojnmineren, betreuren, beklagen; — deplorabel, adj. nvv.lat. (fr. déplorable) bevveenons-waard, jammeriyk, erhanneiyk ; — doplora-tie (spr. 1=18), f. lat. (deplaratfn) tiet hejam-moren, beweenon, ticking.

doployooron (spr. —plnuj—), fr. {déploycr, vgi, ployeeren) uiteenslaan, ontvouwen, ont-wikkolon, iiiltiroldcn; ook uitkramen, aanwenden, vorloonen, in \'1 werk stellen, b, v. al zyne vvelsprekeudlield; de colonne deployoe-ron. Mil, van do orde in gestolen colonne lot de slagorde overgaan; zich oiilvvikkeleii; — deployoorpas, Mil. do snelpas by do ontwikkeling van eene gesloten tiende; — do-ploiemont, n. (spr deplna\'mah) de ontwik-koling, de opmarsob

depUimooron, nw.lat. (van phma, veder) ontvoderen, plukken.

depolarisooren (spr. *••.»), iiarb,lat, l\'iivs. van do poinrlteit (z. aid.) herooven; — do-polarisatie (spr. —:a-/.iie), f. de opliotring der pfltaritelt.


-ocr page 356-

DEP0L1SSEEKEN

DEPIiyKDEERKN

depolisseeren, fr. vgl. p n: i »-

scoren, p«1 Ijslpn) do j-\'ladhciil wegmaken, weder ilo fnuiken, vim glans berooven.

deponeeren, lat. (deponëre) afleggen, ne-derleggen, in bewaring geven, aanvertrouwen; gorechteHjk getuigen; ook (weleer op dultsche universiteiten) een nieuw student ontgroonen, bem van \'t pennallsme (z. aid.) vrijspreken en onder de oudere studenten opnemen (zoo gebeeten, omdat hü als \'t ware do horens moest afleggen, die bu droeg als Boanus [vosj, welke als perm cain/ii [rundvee) werd aangezien); — deponens (sell, verbum), n. lat. Oram, een woord, dat den vorm van een lydeml en do beteekenls van oen bedrUvond of onzUdig werkwoord beeft, en dus als \'1 ware zyne oorspronkelijke beteekenls beeft afgelegd; — deponent, m. (deponens) Jur. een nederlegger, In-bowaringgever, toevertrouwor, z. v. a. il e p o-sltor; een getuige; depositum, n., pl. deposita (spr. s=j), een toevertrouwd, In bewaring gelegd goed, een onderpand; ook; bezinksel, aanslibbing; art depositmn geven, ne-m e n, in bewaring geven, nemen of nederleg-gen; i)i deposito, in bewiiring; — deposïto-bank, f. oene bewaarbank, eene inrlebtlng, die kapitalen tegen matige Interesten aanneemt, om ze tol boogore interesten weder uit te geven ; - deposito-gelden, n. pl. zulke gelden, die lot uitbreiding van oenen handel legen Interest worden opgenomen; - deposito-kas, f. de nederleggings- of bowaarkas; — deposito-wissel, m. zulk oenen, die voor de deposito-gelden opgemaakt en in banden van eenen notaris nedergelegd wordt; — depositie (spr. t—l.i), f. (lat. deposilïo) de afzelling; de noderlegging van voorwerpen om die te bewaren; ook de getuigenis; depnsitio debfti, Jur. de nederiegging eener scliuld; depositto testfum, de verklaring der gelulgen;— depositaris, lal., ot depositaire, fr. m. de bewaarder; opnemer van een depót, een verlrouwd persoon, by wlen iets Ier bewaring wordt gelegd; — depositor, lat., depositeur, fr. (spr. s=j), ook deponent, m. een toovertrouwer, iem., die geld of goed nederlegt, in bewaring geeft;

— depositorium, n. nw.lat. do inrichting tot gercchteiykc bewaring, z. v. a. archief;

— depOt, n. fr. (spr. depó) liet in-bcwaring gelegde; eene bewaarplaats, stapel- of verzamelplaats van koopmansgoed, magazijn; hel bezinksel of zetsel, dat zich in de afgescheiden voch-tcn, zooals de urine, of In chemische oplossingen door de rust, hei koudworden of de verdamping vormt; ook hetzelfde beteekenende als absccs; Mil. de aanvullingsmanschappen; bet aanvullingsmagazijn, de bewaarplaats van allerlei krggshehoeflen, wapens, kleeding, enz.; en depM geven, In bewaring geven of neder-1 eggen.

depopulariseeren (spr. s=j), barb.lat. (vgl. populair, enz.) aan \'I volksgebruik onttrekken, builen omloop brengen; van de volksgunst berooven.

depopuleeren, lal. (depoputare), z. v. a. d e p e u p I e e r en; — dopopulatie (spr. t= ts), f. (depnpulnlio) de ontvolking.

Deport, ii. fr. Kmt. In algemeenen zin: verschil lusscben den hoogeren dagkoers van een eiïeet tegen contante heiaiing en den leve-rlngskoers van helzclfde papier op tijd; inz. de vergoeding, die blanco-verkoopers betalen aan degenen, die hun de stukken hij liquidatie leveren (vgl. report).

deporteeren, lat. (deportare) elg. wegbrengen, wegdragen, vervoeren; verbannen, uil bet land drijven, naar oen strafkolonie brengen;

deportatie (spr. tie=tsie), f. {deporUilio) de uitbanning, de vervoering naar eene strafkolonie of naar een ander land; do levenslange verbanning naar een aangewezen afgelegen oord, verbonden met de vervoering daarheen, b. v. van een Kus naar Siberië; van een Fransch-mnn naar Cayenne of Nieuw-Caiedonië; - de-portatus, m. of een gedeporteerde, een verbannene, dus uil hel land gedrevene.

Depórtus, m. lat. do iiiikeerlng ; jus ile-portuum, iiel recht eens hlsscbops om van de door hem verleende prehenden de helft van de opbrengst van \'I eerste jaar to hellen.

Depositair, depositie, depositum, z. ond. deponeeren.

depossedeeren, fr. (Mposséder, van pos-séder — lat. possidêre, bezitten) Jur. Iemand uit het liezll eener zaak zetten, verdrijven, ver-siooien-, — gedepossedeerde vorsten, van den troon gestooton en uit hun land verdreven vorsien; dopossessie, f. de onlzeiiing uit hot hezii, veistooting.

depossibiliteeren, iiarh.lat. onmogelijk maken.

deposteeren, fr. (vgl. post) Mil. verdringen, van eenen post verdrijven.

depostulooren, lat. {depostulare) ernstig verzoeken, vorderen, elsciien; — depostula-tor, m. do elscher, vorderaar.

Depöt, z. ond. deponeeren. depotentiëeron (spr. li=lsi), nw.lat. (vgl. p o 1 o n 11 e, ond. pole n t) verzwakken, de kraclit benemen.

depouilleeren (spr. depoclj—), fr. [dé-pnuilter, oudfr. despoil Ier, van \'t lat. de-spn-Hare: vgl. spoilüeren) berooven, uitkleeden, ontblooten, ultscliudden, plunderen; — do-pouillement, n. fr. (spr. —poelj\'mdii) uitschudding, berooving van eigendom; de tolling der stemmen, de opneming van \'t gelai der stembriefjes, der steinhalleljes, hel openen en ledigen der stembus; hel uittreksel, beknopt over-zlcht van een rekening, een Invenlaris, protocol, enz.; - depouille, f. (spr. depnetj\') de roof, buit; liet niltreksei uit eene rekening, uil een protocol.

deproedeeren, lat. (depraedarivgl p raid a I o r) lierooven, plunderen, vernielen, ver-woesten; deprsediitie (spr. lt;=/s), f. (lat. depraednlio) de heroovlng, plundering; depredator, in. de pluncieraar, heroover.


-ocr page 357-

DKPRvEOCCUPEEREN 341 DEPÖTEEREN

deprseoccupeeren, nw.lal., deproe-veniëeren, lal. van voorliiBüiioinenhcId hc-vrUdon.

depraveeren, lal, (depravare, v. pravus, krom, verkeerd, slecht) bederven, verslochlen; in \'t lal. alleen slechter maken, volgens het nieuwer gebruik ook: slechter worden; — depravatie (spr. /=lt;.«), f. (depmmho) het liederf, de verdorvenheid, do versllmmerlng, ü.v. der zeden, dor lichaamsvochten.

depreceeren, lat. (ilepmari, van preeüri, hidden) verbidden, afbidden, afwonden, onttrekken; — deprecatio (s|)r. f. (dcprecatio) 1° de afblddlnii, verbidding; 2° de afwijzing, veronlschuldlglng; H0 eene plochllge verwen-schlng (onder aanroeping van hel goddelijk go-richt), de vloek; 4° ook: voorbede; do-precatuur, f. mid.lat. [depreculftra) bot recht om van de aan kloosters on kerken geschonken stukken gronds nog levenslang de inkomsten te trekken; ook eene lot In hel derde go-lid durende erfpacht.

depreciëeren, depreciatie (spr. l= Is), ■/.. depretleeren.

deprehondoeren, lat. (deprehemtëre: vgl. prehensle) betnippen, vatten, grijpen;

deprehensie, f. {(Icinrlicn.no) de betrapping, het aanhouden, gevangennemen (inz. van een misdadiger op beeterdaad).

Depressie, f. lal. ((ie/ims/o, v. depremtre) hot ncdordrukken, indrukken; de nedcrdrukklng, onderdrukking, verdrukking, druk; Chir. nedcrdrukklng, Indrukking vooral van de beenderen van hel hoofd; de nederdrukking van de staar, eene kunstbewerking, wanrby men do lens in den bodem van het glasachtig llcliaam drukt; de deuk, indioping; afmaltlng, verslapping, ontspanning van lichaam of geest; het zinken, Inz. van den scbljnharen horizon beneden den waren (voor den waarnemer, die zich op een schip in zee bevindt); In de meteorologie; (gebied van) geringe lucbldrukking of lagen barometerstand; in do aardrijkskunde: landstreek, die lager ligt dan de oppervlakte der zee; l\'bys. lager stand der vloeistoHen in haarhuizen, vergeleken met het niveau der vloeistof, waarin die bulzen gedompeld zijn; depressie-hoek, m. Geom. de hellingslioek; depres-sie-sehot, n, schot met sterk nederwaarts hellende as van den gescluitloop; depres-seeren, nw.lat. Kmt. een geschut lager ricii-len; Iets uit de pers nemen (fr. depmsery,— depressonum, n. nw.lal. een werktuig, waarvan men zich na de panborlng bedient, om bet harde hersenvlies neder le drukken; — depressus, u, um, adj. Bol. nedorgedrnkt, wat van boven naar onderen min of meer platgedrukt schijnt.

depretiöeren, lal. (depre/inre, van prc-ïïum, z. aid.; fr. déprécier) vernederen, verlagen, le gering schallen; depretiatie (spr. -tsia-tsie), f. nw.lal. de vernedering, gerlng-schalllng, waardeverlaglng

Depri, m. fr. (v. déprier, afzeggen; builen \'s lands gaande waren aangeven; vgl. depre-cleeren) hg een helastingkardoor; eene schrlf-leiyke opgave der belastbare waren, die men builen \'s lands verkoopt of doorvoert.

deprimeeren, lal. (deprimeren, premêre, drukken) nederdrukken, onderdrukken. Indrukken; mismoedig stemmen, Ier neder slaan -, Chir. bij de grauwe staarde lens nederdrukken; ontspannen, verslappen, verzwakken; een gedeprimeerde pols, een gedrukle, d. 1. zwakke pols, die gebrek aan kracht aanwijst; Phys. de lagere stand van hel kwikzilver in nauwe buizen dan in omgevende wgdcro vaten.

deprisonneeren, fr. (spr, s=t) uit de gevangenis bevryden.

depriveeren, nw.lat. (vgl. priveeren) berooven; - deprivatie (spr. l—ls), f. de be-roovlng; ontzetting, inz. onlzetting van een geestelijke uit z(jne prebende,

de jirofundis, z. ond. profmdis. deprohibeeren, nw.lal. (vgl. pro hl-beer en) van hol verbod bevrijden, het verbod opbellendeprohibitie (spr. l=ls), f. do ophclllng des verbods.

dopuoeleeron, fr. (vgl. pucolle) ontmaagden, den maagdom ontnemen; dopu-celage, f. (spr. -In-zj\') de ontmaagding; — depiicollement, n. (spr, -man deonimaag-ding; hel ontmaagdingsrecbl; vgl, culage.

depuroeren, nw.lal. (fr. dépurer: vgl. puur, luiz.) zuiveren; — dopurantia (spr. I=ls), n. pl. lal. Mod. zuiverende middelen; — depuratie (spr. l=ls), f. de zuivering, reiniging-, depuratiof, adj. (fr. dépuralif) reinigend, Inz. bloedzuiverend; — depura-torium, n. hel zuiveringsvat.

dep ur geer en (lal, dcimrfinre: vgl. purge eren) reinigen, zuiveren; —dopurgatie (spr. t=ls), f, nw,lal. de zuivering, loulering, reiniging; depurgatiefdal. depuriialivm, ii, um) of depurgatorisch, adj, nw.lat. reinigend, afvoerend.

deputeeren, later lal. (depuhire, aanwijzen, lol iels bestemmen) afvaardigen, afzenden ;

deputatus, m, (pi. dcpulali), deputaat «f een gedeputeerde, een afgevaardigde, afgezanl van gemeenten aan vorsten of aulori-teiten; Inz. een door de volkskeuze aangewezen vertogenwoordlgor en woordvoerder des volks, lid van een slalenvergadering of kamer van gedeputeerden, van liel huis van afgevaardigden, enz.; - gedeputeerde staten, in Nederland een uitvoerend college, door de provinciale stalen uit hun midden verkozen; het beslaat in elke provincie uil (i leden, behalve in Drente, waar het slechts i leden telt; — deputaat, n. [ilepulalum) bepaald Inkomen by wjjze van bezoldiging; datgene, wal iemand lieven zijn jaarlyksch Iraclemenl in sommige dingen, b. v. hout, vruchten, enz. als een deel zy-ner bezoldiging ontvangl; - deputatist, in. Iemand, die zondanig Inkomen beefi; deputatie (spr. lic—lsie), f. de afvaardiging, afzending van eenige uil een college of uil eene


-ocr page 358-

DEQUAL1FICEEREN 342 DERMATISCH

voiKudoriiiK verkozpii personen met eenon zekeren last ut opilraclil, h. v. aan eenen verst; ook ile uezameniyke afKovaardlgden zeiven, ile hczcniiiiiK; gekozen commissie van afgevaardigden om een zaak voor Ie bereiden; afdeellng eener nil verscheiden personen beslaand college.

dequaliflcoeron, nw.iat. (vgi. (inallfl-ceer e n) de bevoegdiieid ontnemen; — dequa-lificötie spr. t=ts), f, hel verlies der be-voeglt;lhcid.

Derac, m. de oud-egyplischo eilemaal. doracineoron, nw.lat. (van racine = lal. rmlix, worlel) onlworlelon, uilroelen.

Doradelphie, f. gr. bel samengogroeid-zün van Iwee Ueliamon niel hals en hoofd;

deradelphiën, f. pi. dusdanige misge-booiicn.

Doradenitis, f. gr. (v. deradén. nil dérë, hals, en ailin, klier) Med. halskiloronlsleking;

derailleeren (spr. dcraljécren), fr. (dérail-/(\')■, v. rail, z. aid.) ontsporen, uil de rails of spoorschenen raken (van spoorwagens sprekende); - doraillomont, n. bel loopen uil de spoorschenen of rails, ontsporing.

Doraison, f. fr. (spr. derèióh. vgl. ra I se n) onverstand; deraisonnabol, adj. fr. (spr. —ré:—; vgl. raisonnabel) onrodelUk, onverstandig; onbiiiyk; — deraisonnooren ifr. deraisnnner), onverslandig spreken, verkeerd, on-gcrUmd redoneeren of oordeelen, onbezonnen snappen, raaskallen; — deraisonnomént, n. (spr. —man) onverslamlige praal, verkeerde, scheeve oordeelvelling.

derangooren (spr. vgl. ran-

geeren) in wanorde brengen, verwarren, sloren; — gederangeerd zgn, ontsteld (van hersenen) zgn, verbgslenl zijn; in bedenkeHjke forluinsotnslandigbeden verkeeren, veel schulden hebben; — dorangoment, n. (spr. ilerainj\'-mdii) de wanorde, verwarring, veronlrustlag, sloornis.

i/c raio, z. ond. ratum.

Dérbend, m. perz. (v. der, dar, deur, poorl, en hend, band, hand; lurk. rfenoe/»/) eeno enge poorl, een nauwe pas, vandaar ile naam van eeae stad en liaar gebied aan de westkust der Kaspische zee.

Dérby, naam van een graafschap en slad In Engeland; ook persoonsnaam en daarnaar; Dorby, dorby-race (spr. -rees), derby-wodron, de voornaamsle eng. wedrennen door een graaf Derby in l~so ingesleld en gehouden op \\\\ oensdag voor l\'inksleren iDoi\'by-day, spr. dcc) le Epsom in bel graafschap Surrey.

derdest, lark, voorloopig; — derdosti-jot, ii. lirman van voorloopig bezll.

derelinqueeren, lal. {derelinquSrc: vgl. rei ie la) iels verlalen, het bezll eener zaak en hel rechl van eigendom opgeven, lalen varen; dorolicta, ii. lil. verlalen, onbeheerde goederen, zulke, welker eigenaar zijn eigeiidoins-rechl beeft opgegeven; doi\'elictie (spr. /=.?), f. [dcrcliiiw) de verlallng, hel opgeven.

h v. van zünen eigendom, waardoor illl aan den oorslen bczitneiiier vervuil (m dcHcla re-dit primo occuimnli).

Doroneophalus, n. gr. eene inlsgehoorle mei zeer kleine, door de balswerveien onigeven horseneii; — derencephalïe, f. de toesland van zulk eene misgeboorte; - dorencopha-lisch, adj. zonder ruggemerg in don hals.

Dorhem, darhem of dirhem, in. eene kleine perz. en lurk. munt, = 5 aspers; een voormalig perz. medicinaal gevviclil, ongeveer 7 gram.

Deribands, in. pl. Kml. soort van wil kaloendoek uil O.lndie.

derideoron, lal. {deridcre, van ridêrc, laehon) uillacbeii, bespolleii; — derisïbel (spr. s=z), adj. nvv.lal. iielacbenswaard, hespol-lelijk; — dorisio (spr. s=z), f. lal. (deri.tio) de bespolling, hel uillacheii; dorisörisch, adj. (fr. dérisoire) bespoilend, beschimpend.

ilc rii/urc juris, lal. aaar do gestrengheid des rechl s.

Dorimhor, m. een groole tempel dei-Perzen.

Dorisio, z. deride er en.

dorivooreu, fr. (dérivcr, v. rive — lal. ri/gt;a, oever) Mar. afdrijven, wraken, door slroom of wind medegevoerd worden; — dorivamo— ter, in. Mar. afdrUvingsmeler, werkUiig om de hoogrooliieid van de afdrUving der schepen te bepalen.

doriveoren, lal. (dcrivare, rivm, beok) alleldeii; afslammen, de alleldlug, afkomst, den oorsprong aanvvyz.eu; dorivantïa (spr./= (s), of doriveorende middelen, n. pl. Med. alleidende middelen ; dorivatum, n. (pl. dorivata) (Irani, een afgeleid woord; in iegensl, mei primllivum (z. aid.); — derivatie (spr. /=/s), f. (drrirn/ïn) de alleldlng, af-slainmlng, b.v. van een woord, de woordallel-ding; - derivatie-rekening, f. Malh.de alleldings-rekcning, een gedeeile der vviskunslige analysis, die de fiincllen van vele grootbcden In gemakkeiyk overzienhare reeksen leert ontwikkelen; — derivatief, adj. nw.lat. allei-deud; door alleldlng onlslaan; — derivati-vum, ii., z. v. a. derlvalum.

dermatisch, adj. gr. (van derma, n. huid. vei) wal lol de huid iieboorl; v liezig; — dor-matiatne, f de genezing der biildzleklon; genezing van zlekleu door op de huid aange-brachle middelen; dormatine, n. een opaai-achlig mineraal als viicsachllg bekleedsel op ser-penlijn en kalkspaalh; dermatitis, f. de bnidoulsleking; dermatographio, f. de huidbeschrijving; - dermatologie of der-mologie, 1. de biildleer, de leer van de al-gemeene bekleedselea des llchaams; dor— mopathio, f. eene buidziekle; — dorma-topathologio, f. de leer van de huidzlek-len; — dermatopódon, m. pl. vilespooli-gen, vogels, wier leenen mei vliezen verhonden zUn ; - dermatöson, pl. (spr. s^z) buid-ziekleii; dormatotylus of dormoty-


-ocr page 359-

DESAPPROUATIE

DEROBEEREN

lus, m. hel Imliluolt; — dermitis, f. de liulüonlstokln),\'j --dormolysie, f. de ongo-voelluheld der indd; — dormoplastiek, f.

de kunst om dieren door opvulling der huid na te bootsen, dleropzetkunsl; — dormoptéra, n. pl. vllosvinnlgen j vllosvleuRellBen; vliedende niakl\'s (eene apensoort); — dormotomie, f, de liuidontledlnf;.

derobeeren, fr. (dérobor, It. dirubure., ru-liare, elg. ontkleeden; vgl. robe) ontvreemden, helinetyk wegnemen; ztcli derobeeren, /.leb onttrekken of verbergen, wegsluipen; — dó-robé, adj. fr. geheim; inz. Areh. escalior dorobé (spr. èsha-IJé—), geheime trap (vgl. degagement), trap waarlangs men ongezien ergens komen kan; corridor dérobó, getielme gang; porte dérobée, geheime deur.

derogoeren, Int. (derof/are) afbreuk doen, te kort doen, krenken, benadeelen; ook afsetiaf-fen, opheireu, bulten werking stellen, b. v. eene wet, enz.; — derogatie (spr. lt;=lt;s), f. (dero-Hiilio) de afbreuk. Inbreuk, krenking, hel nadeel, dat men zich b. v. door een contract berokkent ; de ophetling, afsetiatling eener verordening;— degoratief, adj. nvv.lat. krenkend, bonadeelend, opheirend.

Deróncus, m. gr. (van dérr, hals, en (incus, z. aid.) Med. een halsgezwel, krop; — derospasmus, m. halskramp.

derougoeren, fr. (spr. —roe—) de roede kleur of den tilos benemen; die verliezen, ver-Ideeken.

Derouto, f. fr. (spr. dcrutW: vul route) elg. liet terugkomen of het afraken van den weg; verval en vernieling; Mil. de wanorde, ultofijfdi\'yving, verwarde, onordetüke vlucht van oen geslagen leger, het overhoopwerpen, de nederlaag; deroutooren (fr. déroulcr), van den redden weg afbrengen, op een dwaalspoor brengen, In de war maken, iemands oogmerk verijdelen; uit elkander slaan, verstrooien.

Derpiah, m. (van hlndost. der, deur, poort, en iiinh, geliefd, dierbaar) hij de Mohamedanen in Hindoslan: hof, deur ; grafstede der heiligen.

Derrick, m. eng. houten stellage boven de plaats waar (olle)bronnen gehoord worden.

Derrie, f. fr. eene minder goede veenseort, dicht onder de oppervlakte van don grond.

Derrière, n. fr. (spr. derjèr\') achterste, dat gedeelte des lichaams, waarop men zit, de billen.

Dórrina, f. russ. doornbosch.

Dórry, n. eng. eene soort van grof lersch linnen.

Dérsi, m. turk. kleermaker, snUder.

Dertiend\'half, m. een zilveren muntstuk nil het oude ned. muntslelsol = 4, ryks-dnalder of Oi; cl.

Dórvendsji-pasja, m. de groelopzlener der openbare wegen In Turkye.

Derwisch, dervisch, m. perz. [der-ivésch, arm, elg. deur-, drempeltreder of bedelaar) een arme mohainedaansche monnik, wiens voornaamste plichten bestaan In gebed en boetedoening (arab. fakir).

dés—, fr. eene lettergreep (lat. dis-), welke vele fransche woorden vooropnemen, in betee-kenis veelal met het ned. ent overeenkomt en opheltlng of ontkenning van hel hoofdbegrip uitdrukt.

desabuseoren (spr. de-zabuteeren), fr. (désabuser: vgl. a hu see ren) (Iemand) eene dwaling benemen, hem beter onderrichten, terecht-, uit den droom helpen; desabusago, f. (spr. -zd-ij\') en desabusemént, n. (spr. hu-z\'mdu) de terechtwUzing, inlichting; de aflegging, wegneming eener dwaling.

desaecordeeren (spr. detukor-), fr. (dés-accorder; vgl. accoord) niet overeenstemmen, van sti\'Udige gevoelens zijn; Muz ontstemmen.

desaccoutumeeron (spr. dezaknc—), fr. (désaccoulumer, v. accoulumer, gewennen; vgl. accoutumance en coutume) ontwennen, afwennen; desaceoutiimance, f. (spr. —md/is) de ontwenning, afwenning.

desaohalandeeren (spr. dd-za-yala/idee-ren),(r. [désachalander: vgl. c hal and) iemand zUne klanten oninemen; — desachalan-dage, f. (spr. dc\'-znsjalanda-zj\') ontneming, verlies der klandizie.

desacidificatie, f. fr. (spr. -ka-lzie) ontzuring.

DesafTóctie, f. fr. (disaffectionvgl. af feci, enz.) de ongenegenheid, afkeer; — ge-desaffect ion neerd, adj. ongenegen, ongunstig jegens iemand gezind.

desagreëeren, fr. (désagréer.■ vgl. agre-eoron) misvallen, mishagen, ongevallig zyn; ook misblityken, verwerpen; — desagreabel, adj. (fr. désaurtahle) onaangenaam, ongevallig, verdrietig; — desagremónt, n. (spr. —man) de onaangenaamheid, verdrleteiykheld.

desalliëeren (zich), fr. (se désallier) beneden /ijiicn stand trouwen.

desaltereoren, fr. (dhaliirer) den dorst lesschen.

desanimeeron, f. fr. (vgl. animo eren) ophouden met te ani moeren of ie bezielen; ontmoedigen, afraden.

desappointeeren (spr. dnapwaiiil—), fr. (désapitoinler: vgl. appointee ren) iem. van hel voordeel berooven, dat steunde op iets, dat voor hem was vastgesteld of hem verzekerd was (vgl. appo 1 ntement); inz. vaneen bezoldigde het salaris Inirekken, oen soldaat op de rol doorhalen; vandaar: de verwachting of lioop vergdelen, teleurstellen; in verlegenheid brengen; — dosappointomónl;, n. (spr. —nu\'üi) de afsetiatling, afdanking, doorhaling op de rol; vorydeling, verydelde hoop, teleurstelling, onverwachte mislukking (eng. d 1 s a p p o 1 n l-ment, II. dlsnppunto).

Desapprobatie (spr. /=lt;s), f. fr. (vgl. upprebeeren) de misliiliyking, afkeuring, mis-pryzing; verloochening; desappi\'oboe-ron of liever desapprouveoren (spr, de-


-ocr page 360-

ü ESA PPROPRIËER EN 344 DESENNUYEEREN

zaproew—, fr. désapprouver) mlsbillgken, afkeuren, wraken.

desappropriëeren (zich), fr. {se dés-approprieri vgl. uppropriöcren) vrijwillig eon elKCiulom vaarwelzeggcn, laten varen; — desappropriatie (spr. l=ts), f. fr. afstanddoening van olgondom.

Desargentatie, f. (spr. -la-lsie) wegneming van liet zilver, ontzilvering.

desarmeeren, fr. (spr. s=z, fr. désarmer; vgl. a r in e e rc n) ontwapenen, weerloos maken, afdanken; onttakelen; — gedesa rmee rd, ontwapend, weerloos-, — desarmomént, n. (spr. —muii) of desarmeering, f. do ontwapening, afdanking.

Desassimilatie, f. nw.lal. de afzondering der zleh met liet lichaam niet assimlieerende stollen, ten einde die daaruit af te scheidon.

desassorteeren, fr. (spr. dezass—, fr. désassorlir; vgl. assorteoren) saambehoo-rende dingen vaneenscheiden, allerlei ondereen-mengen.

Desastre, fr., of desaster, n. (spr. dez-, sp. desastro, li. disaslro, van \'t lal. dis- en antrum, gr. astron, sier, gesternte) kwaad ge-sternie, rampspoed, ongeval, onheil, ongeluk. Slag; — desastreus, adj. (fr. désaslreuw), ongelukkig, rampspoedig, verderfelijk.

Desatir, pi. perz. (eig. de op arablsehe wjjze gevormde pi. van bot perz. dneslncr, voorbeeld, model, regel, voorschrifi, aanteekenhook, enz.) voorschriften, eene naar men wil overoude, onlangs weder ontdekte verzameling van IB heilige schriften dor IS oud-perziscbe profeten, met een boek van Zoroaster.

Desavantage, n. fr. (spr. dezawaiild-zj\'-, vgl. a van lage) het nadeel, de schade, het verlies, inz. verlies in het spel; — desavan-tageus, adj. (spr. —tazjeus: fr. désavantaijeux) onvoordoolig, nadeeiig, ongunslig; — des-avantageeren (fr. désavanluner), verkorten, benadeelen, liet voordeel benemen.

desavoueeren (s|ir. dezawoe-éeren, fr. désavouer: vgl. avoueeren) loochenen, herroepen, niet erkennen, iets niet als het züne erkennen, zeggen dat men iels niet gezegd of gedaan beeft, een betrekking op den persoon of de handeling van een ander afwijzen; — desaveu, n. verloochening, nlet-erkennlng, afwijzing.

Desnyüno, n. sp. (spr. dezajoeno) onthul, z. dejeuner.

Desazotatie, f. (spr. -la-lsie) onttrekking van de stikstof, slikslofvry maken.

descabellar, sp. iiü silcrengevecblen: den stier door een steek in den nek ineen doen storten.

Descamisados, m. pl. sp. (spr. sa-za: van camisa, hemd; vgl. ca mis ia) hemdeloo-zen, eene overspannen demagogische party in Spanje.

Descemetiseh vlies, n. Med. een inwendig bedeksei van bet hoornvlies van het oog, door Descemet ontdekt.

descendeeren, lat. (de-scendtre, v. scan-dere, stygen) afstygen, afklimmen, afkomen, dalen, van boven naar beneden gaan; afstammen, afkomstig zyn; — descendéndo. It. (spr. desjen—) Muz., z. v. a. decrescendo (z. aid.); — de-scendens, lat. Bol. nederwaarlsgaande, nederdalend; — descendént, m. lal. (descén-dens) een afkomeling, afslammeling, spruit, telg, nakomeling, pl. descendénten, afstammelingen, kinderen en kindskindoren, achterkinds-kimleren en alle afstammelingen in de dalende linie, in tegensl. met de ascendenten; — descendéntie (spr. I—Is), f. nw.lal. de afstamming of afkomst; de nakomelingschap; — descendentie-theorie, f. de afslammings-leer, z. v. a. transmutatie-theorio (z. aid.); — descendibiliteit, f. nw.iat. de overerfbaarheid; descénsie, f. lal. {descen-sfo) de nederdaling, afdaling; Astron. daling, die boog van de evennachtsiyn, met welken een teeken van den dierenriem of eene ster tege-lykertyd onder den horizon gaat; — descen-sionaal-differéntie, f. Aslron. verschil der recble en schulnsche daling; — descente, f. fr. (spr. desa kV) de afdaling, afslyging; de landing van oen schip; de vyandeiyke inval in oen land; ook een bedekte gang, sluipgang by eene vesting, die in de gracht of naar de mynen voort; een kunstmatig, veilig middel tot overgang van de vestinggracht, om met de storm-colonnes tol de bres to kunnen komen; eene afhelling; eene belasting op schepen, ook op wynen, zout, enz. in Frankrijk.

descisseeren, lat. (desciscire, v. de en sciscSre, iets zoeken Ie vernemen, goedkeuren, voor iels stemmen) van Iemand afvallen; af-wyken, ontaarden.

describeeren, lal. {descrWUre) boschry-ven; — describabel, adj. nw.lal. beschryf-baar; - descriptie (spr. /=.?), f. (lat. descrip-(fn) de beschryving, schildering; — descriptief, adj. nw.iat. bescliryvcnd.

desemballeeren (spr. Uezanbaléeren), fr. {désemballer: vgl. em ha 11 eer en) uil pakken, ontpakken, b. v. koopmansvvaren: — desemballage, f. (spr. -Id-zj\') de iiilpakking, onl-pakking.

desembarqueeren (spr. dezaiihark—), fr {déscmbarquer; vgl. ombarqnoeren) weder ontschepen; - desembarquemént, m. (spr. —mdii) do woderontscbeping.

deseinprisonneeren(spr. dezaiiprizon-) fr. [désemprisnnner: vgl. emprlsonneeren) uit ile gevangenis ontslaan.

desenchanteeren (spr. dezaiisjdnt—), fr. {lUsenchanter: vgl. oncbanteoren) ontloovo-ren, van een hovlgen harlslocbt genezen.

desengageeren (siir. dezaiigazj—), fr. (désengaqervgl. en ga ge er en) losmaken, be-vryden.

desennuyeeren (spr. dezaniajéercn), fr. {désennuyer: vgl. en nu vee ren) de verveling verdryven, opvrooiyken, in goede luim, in lie-lore stemming brengen.


-ocr page 361-

DESENROLEEKEN

DESIGNEERKN

desenroleeren (spr. dezaii—), fr. [dés-enróler; vgl. cnrolooroti) van de rol schrappen (van soldaten), afscheid geven, ontslaan.

desequipeeren, fr. (spr. vgl,

equlpeeron) onltatielen (van schepen).

desereeren, lat. (tleserlre) vertalen, aftrekken, afvallig worden; —desért (lat. desértus, a, um), verlaten, ledig, woest, oahowoond, 011-behonwd j — deserteeren (spr. s=j fr. dé-serter, mtd.lat. desertSre), verlaten, vvegtoopen, overtoopea, zgn vaandel verlaten, voortvluchtig worden, zich wegpakken; — deserteur, in, fr. (spr. s=t) een weglooper, overlooper, vluchteling, afvaltlgo; desérlor matiliönus, m. tat. eon kwaadwillig vertaler, inz. van zUne vrouw; de-serlrix malitiosa, I. kwaadwillige vertaalster; — desertie (spr. dczérlsie), f. lat. {desertio) de verlating, het weg-, overtoopen; Jur. het verzuim ocnor verrlchtlug l)U een proces, h. v. de-sertto appellaliónis, het verzuim van den lud lot appel of heroep op hooger rechttiank; des. conjugalis of ronjiïqis, de verlating dos eclit-genoots; il. documentórmn, liet verzuim van het voorleggen dor hewUsstukkon; d. juramenli, verzuim van oen af to toggor. eed; d. malitiosa, kwnadwiliigo verlating van cchtgenooten; lt;/. pro-haliónis, hot verzuim in tiet indienen van tiet hewUs gedurende den gezotton tyd; d. remediï, hot verzuim van don tgd tot aanwending of voortzetting van een rechtsmiddel; d. /eslïuia, verzuim van hot t)ew(js dor gotuigou; do-sértie-proces, de rechtsvordering wegens kwaadwillige vertaling van een dor ochtgonoo-ten, door de onschuldige partll tngostoid om eene scheiding te heworkon-, desertum, n. woostyn; cox clamdnlis in desMo, z. onder v o x.

deserveeren, lat. (desemre . vgl. sor-veeron) dienst doen, dienen; oppassen, verzorgen, verplegen; ook wel voor desservoeren (z. aid.); — god es er v o e r d, voor goda-non dienst hetaald; deservitum, n., pi. deservita of deservioten, hot toon eens zaakvoerders of pleitbezorgers; vgl. honora-r i u m, end. honor: — deservietenjaar, n, (tat. annus deservilus) het genadejaar, goduren-de hetwelk de verdiende, maar uog niet ontvangen vruchten van het laatste Jaar nog aan do erfgenamen van don daarin overleden gees-telüko toekomen.

desespereeren, ■/.. despereeron; — desespoir, n. fr. (spr. dezespndr, v. dés- en espoir, hoop; tal. sperare, tiopen) do wanhoop, vertwUfoling.

desexcommuniceeren, fr. (vgl. ex-comm u n t co ore n) van den han vrijsproken, den han opholTon.

Desflladëro, m. sp. engte, bergpas. Desgarretador, m. sp. hij do stiorengo-vechten; iomand, die mot oen werptuig de achittospcos van den stier doorsnydl en hom zoo verlamt.

Desh., hij nutnurwctcnschappelUke tiona-mingen vork. voor Deshuyes (gost. 1815).

deshabilleeren (spr. detabi-ljé-), fr. [déshabiller: vgl. hahitiooron) ontkloedon, ultklooden; — deshabillé, n. (spr. dezahi-Ijé) het nachtkleed, ochtendgowaad, ook huisgewaad ; en déshabillé (spr. aii -), in huis-kleoding.

derheriteeron,fr. {déshériter; vgl. hori-1 e o re ui onterven; — desheritance, f. (spr. —laiis\') onterving.

Deshonneur, n. fr. (spr. dezon—\\ vgl. honneur) do oneer, schande; — deshon-nét, adj. (fr. déshonnêle: vgi. li o n u e t), on-eertuk, oerioos, schandolUk, onfalsooniyk; — deshonorabol, adj. ontoerond, smadelijk;

— deshonoroeren (fr. dishonorer: vgi. honoreer en), onteeron, schande aandoen, schenden.

deshydrogeneoren, fr. (déshydronéner vgi. hydrogenium, enz.) Chein. van waterstof hovrydon; deshydrogenatio (spr. lt;=/.«), f. de hovryding van waterstof.

desiecabel, adj. nw.tat. (van \'1 lat. desie-care, uitdrogen; vgi. sieeanffa) opdrooghaar;

— dosiccatie (spr. I=ls), f. de uitdroging, hot opdrogen; desiccantia, u. pi. opdrogende middoion; - desiccatief, adj. op-drogemt.

Dosiderium, n., pi. desiderïa of de-sidenën, tal. de wensch, hot verlangen, do hogoerto ; de vordering, eisch; desutenumpium, n. een vrome wenseti; |)i. pia desidena, vromo, wotgemoendo wcnschon (die gewooniyk niet vervuld worden); - Desiderïus, Desiderïa, mans- en vr.naum; de gewonschte, voriangdo;

— desidereeren (lat. desidenire). verlangen, wenschon; desiderabel, adj. [desi-derabitis, e) voriangons- of wenschenswaard;— desideratum of desideraat, n. iets dat gowenscht wordt, (tus iets dat unthreokt, oen voreischte, een gehrek, eene gaping; pi. desiderata, dingen die men mist on gaarne hehhon zou, h. v. voor eene verzamoiing; — desideratie (spr. l=ls), r. (tal. desiderallo) wonsch, verlangen; — desideratief, adj. (lat. desiderativus, a, urn) een verlangen uitdrukkend ; verba desideraliva, zie ouiler v e r-ti u in.

Desidia, f. lal. elg. tiet tango zittoii; do werkotoostield, traagheid; desidiëus,adj. (desidiosus, a, urn) werkeloos, traag, ledig.

Design, n. eng. (spr. disdin), z. dl zat no.

dosigneeren, lat. {desinnare: vgl. sl g n o e-ren en signum) hotoekonen, aanwyzon, kou-netyk maken, aantoonon; ook Iomand tot iets honoomen, tiy voorraad hepalcn; — ilesiqnalas, in. oen tot een amhl honoemd persoon, die nog nlot aangostold of iu fanctie getreden is, ii. v. consul desifinulns, de aanstaande consul; — desigmibel, adj. nw tal. ondersehetdhaar, te ondorkennon; heaoemliaar; designateur, m. fr. (spr. desi-nj-) een ptaatsaanwyzor; cerc-niontemeosler; — designatie (spr. I=ls), f. (tat. desiqnalio) do hetookentng; iiopating, kon-tmarmaking; ook do voorioopige tionoeming; —


-ocr page 362-

DESINCRUSTATIE

DESOLVEEREN

dosignatief, mij. iiw.lut. lictcokcnond, aan-wyzeiid.

Dosincrustatie, f. (spr. -la-lsie) wog-ncmlnK van don kotclslocn (In sloomkotols).

desinóntie (s|ir. I=ts), f. nw. lal. (tr. (Usinente; van \'t lal, desinUre, oplioudon, eln-dlKcn) Gram. do ultganK vaa oen woord, woord-ullgang; — desinil in piscem, lat. olg. quot;liet eindigt mol don staart van oen vlscliquot; d. 1. hot einde beantwoordt niet aan hot hogln.

desinflciëoren, tr.-lat. (van \'I tr. voorvoegsel (Us- en liet lat. in/irvrc, z. laflc I Core n) ot desinfecteeren, fr. {désinfecter) do smetstof of liet aanstokend vermogen wegnemen, onliesmotleiyk maken, zuiveren, h. v. de lucht, oen ziekenhuis, enz.; desinféctie (spr. t=s), f. de reiniging van smetstof, wegneming van stank, zuivering der lucht; — des-inféetor, m. oen zuiveraar, wognomer dor smetstof.

Desintegrator, m. fr. lal. (dés en inle-grare, getieol maken) een door Thomas Carr te Monlpelilor uilgovondon tooslel om velerlei nict-vezelachllge sloiron klein ie maken.

desintoresseeren (spr. dez—), fr. {des-inleresser ■ vgl. In 1 er est, enz.) schadeloos houden, iemand voor zün aandeel lovreden stollen; — g o d es I n 1 o r esseo r d, adj. lieiangoloos, ontlaat zucht ig, onparl üdlg.

desinviteeren, fr. eeno ultnoodlging weder afzeggen.

desinvoltura, z. disinvoltura. desipiëeren, lat. (desipïrc; van sap ere, verstandig zyn) zot zijn, zich mal aanstellen, ook z. v. a. dellrlëoren; — desiprre in Ineo, te rcchlor lyd en plaats mal, d. i. uitgelaten, vrooiük zijn; - desipiéntie (spr. l=ts), f. (lat. desipienfla) de onzin, zotheid, malligheid, oanoozelheld.

désir, m. fr. (spr. deziér) hel verlangen, de wonseh, licgoorlo; — desirabel, adj. (fr. desirable) wenschenswaard; — desirous, adj. (fr. desireux) hegoerlg.

desisteeren, lal. [dcststlre. vgl. sisl core n) afstaan, allalon van Iels, ophouden, iels opgeven, laten varen, er van afzien.

Desl., hü naUmrwotenschapp. Iionamingen afk. voor Deslongchamps, een l.aiksch zoüloog.

Dosm., hy naliiurwolonschappoiyko hena-mlngen afk. voor Oesmarest (vader en zoon) en voor Dcsmoullns, een analoom uil Bordeaux. Désmal, m. perz. zakdoek.

Desman, in. (fr. desman, zweodsch, des-

O

mansralla, van desman, hlsam of muskus, uil hot laplandsch), wychoochol in Rusland, ondatra in N. Amerika (huronsch); de muskusral; ook hovorral, eeno grooto spitsmuis mot muskusaclillge klieren In cone hours nahy don aars.

Desmalgle, f. gr. (van désma of desmós, hanil, van (/Co, talur, dêsó, ik hind) Med. pyn In de gowrlchlshanden; - desmitis, fr. gr. de ontsteking dor handen en pezen; — des-mochaunösis, f. do zwelling en woekwor-dlng dor handen; desmodynie, f. pijn in do bandon; - desmographie, f. do bo-

schrgving der banden en pezen; — desmo-logie (moer gobr. syndesmologie), f. de

leer dor banden, enz.; desmopathie, f. lydon of ziekte der banden; — desmopa-thologie, f. do leer van do ziekte der banden ; desmophlogie en desmophlo-gösis, f. de ontstoking dor bandon; —des-morrhöxis, f. de scheuring der govvrlclils-banden; desmotomie, do banddoorsny-dlng, ontleding dor banden; — desmurgie, f. genezing door banden, inwikkeling, chirurgische verbandleer (omdat desmós ook van bot chlrurgiscb verband gebruikt wordt).

desobodiëeren, nw. lal. (van obedire, gehoorzamon) ongehoorzaam zyn, niet gehoorzamen; — desobediént, adj. ongehoorzaam; — desobediéntie (spr. t=ts), of lï. do-sobeissance, f. (spr. dnobeï-sdiis\') de on-gehoorzaamlioid, vveCrspannlghold.

desobligeeren (spr. detoblhj—), fr. (rfC-soblii/er-, vgl. oh II geer en) onvrlendciyk bejegenen, Iemand ondlenst doen, oenen trok spelen, voor \'1 hoofd stooten; desobligeance, f. (spr. —zjdiis\') de onvriondeiykheid, onhonseli-hoid, norschheid; — desobligeant, adj. (spr. —ijfirt), onvrion(leiyk,onholeefd, (inhousch, norsch;

désobligeante, f. (spr. —zjaiit\') een onboloofde, onheusche vrouw; ook; een smal ryiulg voor Óen persoon.

desobstrueeren (spr. c/ct—), fr. (dés-obs/ruer: vgl. ohstrueoren) Med. de verstopping wegnomen; dosobstructie (spr. lie =sie), f. de wegneming der verstopping; — desobstruotief, n. hel middel logen de vorslopping; als adj.: do verstopping logon-gaando of wegnemende; — desobstruetiva, pi. middelen tegen verstopping of obstructic.

Desoccupatie, f. (spr. —Isie) gebrek aan bozigheid.

desodoriseeren (spr. s=z), tr. lat. reukeloos maken; desodoriseering ofde-sodorisatie, f. roukcloosmaklng.

DescBiivrement, n. fr. (spr. dezeuwr\' maii) ledigheid, werkeloosheid; — gedesoeu-vreord, ledig, werkeloos.

desoleeren, lal. (desohire, olg. eenzaam lalen, verlaten, van solus, alleen) verwoesten, vernielen, ook Iroosleloos maken, innig bedroeven, gevoelig krenken; — gedesoleord, adj. verwoest, vernield; Iroosleloos; — desolant, adj. fr. (spr. dezoldh: meeslal dezolanl) he-droevoad, treurig; lasllg, hoogst vervelend; — desolaat, lal. (desolalus, a, um) verlaten, eenzaam; bedorven, verwoest, vernield; treurig, troosteloos, mlsmoodlg; — desolate-boe-delkamer, f. woloor: kamer voor onbeheerde nalateaschappon; - desolatie (spr. l—/s), f. later lat. (desolalw) de vonvoosllng, vondeling; grooto droefbeld, kommer, Iroostolooslield.

desolveeron, lal. (desolvere) afbetalen, betalen.


-ocr page 363-

DESOPILEEREN :i47 DESSERVEEREN

desopileeren (spr. dn—) rr. (van \'tlal. opilure, sluiten) do verslopplng opliolton, opcnuti;

— desopildtie (s|)r. lt;=(.*), f. do ophonins dor verstopping, openlni?; — dosopilatiof, aüj. oponond.

Desordro, in. doorgaans f. tr. (spr. tlcznrdr\': vgl. ordre) de wanorde, verwarring; de bul-tensporlghoid, zedeloosheid; oneenigheid.

dosorganiseeren (spr. dezorganizceren), fr. désorganiser: vgl. orgaan, enz.) ontbinden, oplossen, verwoesten, In wanorde hrongon, ontstemmen, lieroercn, tweodraclit zaaien; met tie-trekklng lot liet magnellseoren: van de zinnen hurooveii; — dosorganisatio (s|ir. -za-lsie) f. de vorwoestlng, ontiiinding, ontaarding, li. v. van een deel des menscheiyken tlctiaams, de oplielllng, oplossing, h. v. aller staalsmaclitcn; de verandering, algelieele omstommlng der zintuigen door het magncttseeren.

desorientaliseeren (spr. helde s=z), fr. van liet oosterscti karakter, do oostorsche zeden ontdoen; dosorientalisatio, f. (spr. -za-tsic), liet desorientaliseeren.

dosorienteeren (spr. s=i), fr. ddsorien-Ier; vgl, orIl1 nteeren; eig. destreek van \'t oosten doen verliezen; iemand van den reclilen weg allcidcn, in do war hrengen, van zün stuk helpen, verlegen maken; — gedesoriün 1 eerd zyn, de hemelstreek niet kennen; onzeker, In de war, verlogen, verhyslerd zyn.

desossooren, fr. (v. os, been) van beenderen ontdoen, de beenderen, graten enz. wegnemen.

desoxydoeren, dosoxygeniseoron

(spr. s=t), fr.-gr. (vgl. oxyde) Ghem. do zuurstof wegnemen, van zuurstof berooven = re-du cc eren; desoxydatie, dosoxy-gcnütie (spr. t=ts), f. nw.tat., de bevrydlng van zuurstof.

Dospaoho, in. sp. (spr. ch=tsj) afvaardiging, zending (vgl. depêche, dlspaccio); plaats waar iels verzonden of verkocht wordt li. v. (I. de vino, wynhuis.

Dospéct, m. ot dospeetie (spr. (=s), f. lal. (de.iiiérlus, despectio, van dcspicUre, ne-derzlen) het smadeiyk noderzicn, do veraclitlng, onteorlng, smaad; - dospecteeren {desper-tare), voraciiteii, gerlngschatlen; — despec-toerlijk, adj. veraciiteiyk, onteerend; — dospóotor, m. de verachter; — dospec-tueus, adj. voraclitoUjk, achlingloos,

Despëjo, m. sp. (spr. —rhn) ontrulining, Inz. der arena enz. voor hel sllerengeveetit.

desporeeron, lat. (de-sperare, v. sper are, hopen) of dosesperoeron (spr. dezer.—), tr. {désexpérer) wanhopen, vertwUfelen, alle hoop opgeven; — desperaat, adj. lal. (desperuhis, o, Km] wanhopig, hopeloos, vertwyfeld, radeloos; — desperado, m. sp. de waagiiais;

- desperatie (spr. l-ls), f. de hopeloos-lieid, vertw yfeling, radeloosheid; despera-tiekuur, eene genezing op leven of dood; In hel gemeene leven: eene paardenkuur; — desporatie-coup of -tour, m. lal.-fr.

(spr. ou—ne) eene wanhopige daad, hoogst vermetele, uiterst gewaagde zet of streek.

despoliëeren, lat. (despoliure: vgl. spo-llum, enz.) Iierooven, plundenMi; — despo-liatie (spr. I=l.i), f. de berooving; des-poliator, m. de beroover, plunderaar.

despondeeren, lat. {despondcre, vgl, spondeeron) beloven, toezeggen, verloven;

— desponsata, f. lal. (van desponsure, verloven) de verloofde, ondertrouwde, de toegezegde bruid; — desponsatus, m. do verloofde bruidegom; — desponsatie (spr. lt;=lt;»■), f-de plechtige verloving, ondertrouw.

Despoot, m. gr. (despótês, boer, gehicder; verwant met bel oudslnv. gospodin, heer) een onbepaald gebieder, willekeurig, elgondunkeiyk opperiuachtig vorst, zelfhecrscher; een dwingeland, tiran; de lilei der grleksche bisschoppen In Turkye; — despotaten, m. pl. (mililes despolati) naam, eertyds aan de soldaten gegeven, wier werk hel was do gewonden van hot slagveld weg te dragen; despotie (spr. /=/.*), f. do willekeurige beerschappU, een ryk der willekeur, een staat waarin do wel voor allen ligt In den wil van een man; — despotisch, adj. onheporkl, onbepaald, willekeurig en eigonmachlig gebiedend, llrannlscb; — despotisme, n. do onbcperkle macht, eigendunkelijke heerschappy; dwingelandy; — des-potiseeren (spr. s-—z), w illekeurig rogeeren, den dwingeland spelen, eigendunkelijk zyn.

despumeeren, lal. {despumare, v. xpumu, schuim) bot scliulm afnemen, afschuimen; -despumatie (spr. /=lt;«), f. de afschuiming.

desquameeren, lat. [desquamiire, van squama, schub) afschilferen; l\'harm het wegnemen van de scliuhbetjes, die zekere bolvor-mlgo wortels bedekken; — dosquamatie (spr. I=ls), f. de afschilfering der opperhuid na huidziekten, het afschllforoii dor beenderen. Dessa, r. jav. dorp op Java. Dessseterik, m. russ. (van déstnlj, tien), een russ. gowlcht van 10 pond — 4,01)3 kilo;

— dessretine, f. russ. (desjalina, dg. een tiende dool) eene landmaat van ongeveer 2100 Q sasjen of 10«}. are.

Dessein, n. fr. (spr. deseh: Hal. disegno, van \'llal. designarc, aanduiden, bepalen, enz. hel oogmerk, voornemen, doel. plan. opzei; hel ontwerp, do schots van oen dichtstuk, loonoel-spel, schlldory, enz.; a dessein, opzetteiyk, mei opzet, voorhodaclitelyk.

Dessendiaan, f. eene soort van drukletter van 10 punten, die het midden boinll tus-schon mediaan en garmond (hy\'de Fran-schen pb 1 losopli 1 e, by de Duit schors lire-vier of rhe In lil nd er, hy de lingelschen smaII pica).

Dessert, z. oud. desserveeren. desserveeren, fr. (dessernirvgl. serveer en) 1° den dlensl volledig verrichten, b. den kerkdionsl inz. als plnatslioklooder; vandaar; desserviint, in. fr. (spr. —waii) een waarnemend geestelyke, eon gecsleiyk plaatsbekloo-


-ocr page 364-

DESSICCABEL 348 DETACH EEREN

ilcr, kapelnan; in KrankrUk; door den bisschop zonder medewerking van den slnat henoemd onderpastoor; 2° (als tegongestelde van serveeren, opgedragen) de spijzen van den dlscli nemen, de tafel afnemen; vandaar dessért, n. (spr. tlesir, meestal iléscrt] het nagerecht, hot laatste tafelgerecht met fruit, gebak, enz., het toe- of slolmaal, alles, wat na hot etg. maal lot streeling van gehemelte en oogen wordt opgedragen-, — dossort-bord, n. een frnlt-bord, een bord voor\'t nagerecht; —dessertwijnen, m. pl. Iljne zoete of byzonder sterke wynen by het nagerecht.

dessiceabel, dessicoatie, enz., z. deslccabel, enz.

Dessin, m. fr. (spr. deseii ■, Hal. disegno, naar afslaininlng = dèsseln, z. aid.) de voorstelling van een voorwerp door crayon of pen, de schels; het ontwerp, de teekenlng; het monster of staal, model; — dessineeren (fr. dessiner; Hal. disegnOre, van \'t lal. desig-nurc) door nfteekening voorstellen, teekenen, ontwerpen; — dessinateur, m. een leeke-naar, modelteekenaar; — dessiné, adj. geteekend.

dessoufreeren (s|)r. lt;iu=ne), fr. (dessou-frer: vgl. soufre, enz.) ontzwavelen, van zwavel ontdoen; — dessoufrage,f. (spr. -frd-tj) de ontzwaveling.

dessous, fr. (spr. desne) er onder, onderop; — dessous, n. het onderste, de onderkant, de keerzijde; — drssous ties carles (spr. de-sne-dè-kdrt\'), de by \'t geven enz. bedekte zyde; vandaar lig.; geheime bedoeling.

dessus, fr. (desü: van \'I lal. de en susum, sursum, bovenop, boven) op, bovenop, daarboven; dessus, n. hel bovenste deel, bovendeel; hel opschrifl; Muz. z. v. a. discant.

destilleeren, lal. (desliliare, v. sintare, druppelen, slilla, de druppel) afdrnppcien, door-zygen, doorzypelcn; de vinchtige en vloeibare deelen van een lichaam door de hilte in gesloten vaten druppelend afscheiden, stoken, overhalen; — gedestilleerd, adj. overgehaald; als subsi. n. sterke dranken, gebrande walc-ren; — destillateur of destilleerder, m. een bereider van gebrande wnleren, brander, slerkedranksloker; destillatie (spr. lie=lsie), f. lat. (deslellatfo) het overhalen, stoken ; de doorzypeling, afdruppeling; d ro g e d es-111 lal Ie, het verhitten van organische lichamen (b. v. hout, beenderen, enz.) in gesloten vaten, om er vloeibare of gasvormige produc-len uit Ie verkrygen; — destillatie-apparaat, n. een toestel om over te halen, te stoken, Ie branden.

destineeren, lat. (deslinare, van den stam stun, sla, sanskr. slhd, staan) bestemmen, wijden, lol leis bepalen, verordenen; — dosti-natie (spr. Iie=lsie), f. (deslinalin] de beslemming, het doel, de verordening; de plaats, waarheen iemand of Iels bestemd is; — destin, n. fr. (spr. deslen), ook destinée, f het lol, ile goddelyke beschikking, besturing, hel uood-lot, de onveranderlyke Inoii der zaken, de nood-zakelyke aaneenschakeling van de gebeurtenissen met hare oorzaken; — destinatair, m. fr. (nw.lal. deslimtarïus) degene, aan wien de schipper ingevolge het cognossement do waren moei allevcren, ook c o n si g na I a I r genoemd.

destitueeren, lat. (desliluére, verlaten; vgl. slat ueeren) afzetten, van eenen post of een ambt ontzetten ; — destituabel, adj. nw.lal. afzetbaar, onlzotbaar; — destitütie (spr. lie—lsie), f. lat. (deslllullo) de afzetting, ontzeiling van eene bediening, het ontslag. Destoer, m. perz. priester dor l\'arzen. des/ra, i. ond. dexter.

destrueeren, lat. (de-strugre, het tegendeel van bouwen; vgl. structuur) afbreken, omverhalen, verwoesten, vernielen; — de-structibel, adj. (destrurlibïlü, e) verniei-baar-, — destructibiliteit, f. nw.lal. de vendel baarheid; — destructief, adj. afbrekend, verwoestend, vernielend, omverwerpend; b. v. destructief amendemenl, verbetering In een wetsontwerp, die met hel voorstel strydt en eigeniyk de niet tot slandkomlng bedoelt; — destructie (spr. lle=sie), f. lal. (deslructin) de verwoesting, vernieling, liet geheel verval, de ondergang; — destructor, m. de vernieler, verwoester.

desudeeren, lal. (desmlurc: vgl. suda-mina) zweden; hel uiibreken van kleine, op gersikorrels geiykende puistjes by kinderen (een gewoon gevolg van onzindelijkheid); — desu-datie, f. (spr. l=ls) bel sterke zweeten.

dosuoscoeren, lat. (desuesclre, v. de en suesclre, suère, gewonnen, gewoon zyn) ontwennen, afwennon; buiten gebruik geraken.

Desulfuratie, f. (spr. l=ts) ontzwaveling, verwydcring der zwavel.

desultörisch, adj. lal. [desultnrïus, a, um, v. desullare, afspringen) eig. op- en afspringend, geiyk een rnm. desn 1 tor, die bij den wedren van hel eene paard op hel andere sprong; niet by de zaak blijvend, wankelmoedig, vluchtig, oppervlakkig.

desumeeren, lal. [desumtre: vgl. sum-II e) afnemen, onlnemen; ontleenen; — de-sümtie (spr. /=.?), f. nw.lal. de afneming, wegneming; onlleoning.

desuniëeren, fr. {désunir; vgl unieeren) oneens maken, verdoelen, schelden;— gedosuniliord, adj. gescheiden, oneenig, afgezonderd, b. v. gedesu nieerde Grieken, Orieken, welke de opperheerschappij van den paus niet erkend hebben; — dosunion, f. (spr. dezHninii)(\\B oneenlgheid, tweedracht, tweespalt; scheiding, verdeeling, twist.

detacheeren (spr. ilelasj—), fr. (détacher; het legengesl. van atlaeher, vgl. atlachoe-ren) afzonderen en afzenden; wegzenden-, losmaken ; — iiière délachée, fr. loonoelsluk zonder samenhang, schuilladensluk [pièee d liroir); — air détaché, Muz. losse aria, die lot geen opera, oraloriuin of caniate behoort; — gedetacheerd, adj. afgezonden, afgevaardigd; ook afgezonderd, losgemaakl, vrUllggend, b. v. van


-ocr page 365-

DETONEERKN

DETAIL

349

liuitenworkon ooner vcstlutt (b. v. gcdotacheord fort), van flguron, die zlch van \'t void ooner schildcry als lid ware afzonderen, van do af-gesloolon lonen {steralt;o) in de muziekdetachement, n. (tr, spr. —mangcwoonHjk —men/) oono afscheiding; eon van liol imofd-corps afgesohoiden, afgezonden troop of com-mando soldalon.

Detail, n, tr. (spr, deldlj\': van délniller, eig. in stukken snüdon; vgt. tallioeren) pi. details, hot tiUzondoro of omstandige, uitvoerige, de bljzondore of nauwkeurige omstandig-hcdeii van oono zaak, liyomstandlglioden, de enkele doelen van oen groot gelteol, hgznndcr-hodon, kleinigheden; Kml. do handel in\'t klein, het verkoopon tiü \'isink; detailhandel, m. kleinhandel, kramer!), stukhandel, ultvon-terU, siyterü; — en MuU (spr. aii—), in \'I klein, stuksgewijs, hy de el, de maat, enz.; omstandig, uitvoerig; — detailleeren, ontleden, stuksgowys optellen, nlteenzetlon, omstandig of uitvoerig verhalen, heschryven; in kleine, af-zonderiykedoelen splitsen; — gedetaliloerd, adj. en adv. omstandig, met alle hyzouderhe-den; stuksgowys, hy afzonderlyke dcelen; — detailleering, f. omslandige uiteenzelling;

detailleur, ook detaillist, m., een detailhandelaar, een kleiidiandeiaar, stuk-handelaar, kramer, uilsnyder.

Detaxatio, f. nw.iat., z. v. a. taxatie, de sehalting, waardoering.

de Ie fnbula narrdtur,\\ul. van u is er sprake in dat verhaal.

detegeeren, lat. {iletegëre: vgl. tegee-ren) ontdekken, openleggen, hlootloggen, bloot-maken, onlhulien, openbaren; — detéetie (spr. /ie—tie), f. (later lat. delcc/to) de ontdekking, blootlegging; — detéetive, in. eng. (spr. —Hm\') beambte, die ter ontdekking van mis-dryvon wordt gebezigd, opspoorder, geheim po-lilie-agent; - detéetor, m. de ontdekker, verklikker, een toestel iu Chubhs kunstsloten, die pogingen van onbevoegden om ze te openen aan den dag brengt.

de tempore, z. oud. tempus, deteneeren, fr. {de/enir) of detinee-ren, lal. (de/in(re, van iencre, houden) afhouden, terughouden -, gevangenbouden; detentie (spr. /ie=/sie), f. (delenffn) de terughouding, onthouding; vasthouding, opsluiting; de gevangenhouding, hochtents; .lur. het in bezit hebben, het bezit, b. v. van huurders of pachters, heigeen versehill van eige n d om. — detentie-huis, huis van detentie (fr. mai-■mn de de/en/ion, eng. house of delen/ion, spr. —ditémjm), huls van opsluiling, gevangenis;

detentor, m liy, die leis in zyn macht of onder zyn berusllng lieefi, de onroclitmatige bezitter, b. v. van eene erfenis.

detergeeren, lat. (de/erqüre, v. /ergere, wlsschen, afwisschen) afwlsseben, reinigen, znl-voren, b. v. eene wond; — detergentia (spr. /=/■1), n. pi. zuiveringsmiddelen, inz. wondzuive-rende middelen; detérsie, f. nw.iat. do reiniging, zuivering; dotersief, n. (ook de-tersonum) relidgingsmlddei.

de/ertor, de/erf tin, lat. slecbler, geringer; de-terioris comli/iunis, in ergeren toestand of staal; video meliora prohöqw de/eriora sequór, ik zie bet betere en keur hot goed, maar volg bet sleeblere; — deterioreeren (later lal. en lial. deterinrure, fr. dé/ériorer) slecbler maken, bedorven; verergeren, verslimmoren, bederven, vervallen door verzuim; — deterioratie (spr. tie^/sic), f. nw.iat. de vorslimmering, versleeh-ting, het verval, do verergerde toestand eener zaak.

determineeren, tal. (determinare: van terminus, ■/.. aid.) afgrenzen, bepalen, heslissen, vaststellen; — gedetermineerd, besloten, bepaald; vasiberaden, — determinabel, adj. nw.iat. bepaalbaar; — determinabi-liteit, f. de bepaaihiiarbeid; — determinanten, pl. zekere hy de oplossing van lineaire algebraïsche vergelijkingen voorkomende verbindingen van grooihodea der coülllelënlen ervan; determinatie (spr. tie—tsie), f. lal. {(te/erminatio) de bepaling, verordening, beschikking, het besluit; — de/erminato, 11. Muz. moedig, stout, lier; — determinatief, adj. nw.iat. bepalend; — pronomma determina/im, z. oml. pronomen; — determinisme, n. do leer der noodwendigheid of voorbesehikking, naar welke men gclootl, dal allo veranderingen in de wereld, ook de handelingen van vrye wezens, vooraf bepnuld zyn en onvermydeiyk plaats moeten hebben;- determinist, m. een aanhanger of verdediger van die leer.

deterreeren, l) fr. (dé/errer, v. terre = lal. terra, aarde) opgraven, uitgraven, opdelven; opsporen, onldekken, uitvorsciien, opbel spoor komen.

deterreeren, 2) lat. {deterrère: vgl. ter-reeren) afschrikken, een schrik aanjagen, doen schrikken; deterritie ispr. tie=/sie), f. nw.iat. de afschrikking van iiel kwade door middel van straf.

Detersie, detersief, z. oud. detergeeren.

detesteeren, lal. {de/es/ari) verwenschen, verfoeien, verafschuwen; — detestabel, adj (lat. (tetestabftis, e) vloekwaardig, afsebuwiyk. verwensebenswaard, verfoeliyk, gruwelijk; — detestabiliteit, f. de verfoellykheld; — detestatie (spr. tic=tsie), t. (detestatio) de verfoeiing, vorwenschlng, de afschuw, gruwel, hel afgryzen.

dethroniseeren) spr. s=t), lal.-gr. onttronen, van den troon stooten; - dethroni-satie (spr. -za-tsie), f. de onttroning, verdry-ving, ontzetting van den troon.

detineer en, z. deteneeren.

Detlev of Dietlieb; Dotmar iThied-man, m. oud-nedeidullsche mansnamen: volksvriend (v. del — ondd. diet, din/, volk).

detoneeren, 1) nw.iat. (fr. déloner, van Ion, toon) Muz. afwykon van de Jnisie toons-boogie, den toon te hoog of te diep nemen, valsch


-ocr page 366-

DETONSIE

DEUS

350

zingen (ook dlslonoeron); i) lal, (deloniire, van Innure, (londoroii; fr. délonner) clg. nf-of nltdomlei\'on, (lonilercnd woorgalmon; Chein. onlplolTon; dotonooring of detonatie (spr. Ite—IMe), f. I) Muz. hot valschzlngen, nlt don loon gornken; i) Chotn. do onlplolllng, do mol een knal vergezelde plotselinge ultzelllng van een ontvlammend lichaam.

Detónsie, [. nw.lal. (van \'I lal. detondcre, afschoren; vgl. tonsuur) do afschering van liet hoofdhaar (liU monniken).

detorqueeren, lat. {delorquirc, vgl. tor-(lueoreii) afwenden, afwerpen, b. v. de schuld op een ander; ook verdraaien, eon anderen, gewrongen zin geven, li. v. aan eono schrlfluur-plaats; — detórsie, f. nw.lal. de afwending; verdraaiing.

Detour, m. fr. (spr. dclóérvgl. 1 o u r) de omweg, omgang; de kromming, kromte, bocht, hoek; ook Üllvlncht, listig voorwendsel, draaierü; — detourneeren (fr. détourner), afwenden, alleidon, afwijken, omdraalon.

detrahoeren, lal. {dclralu-re, v. de en haltere, trekken) afkorten, onttrekken; lasteren, een blaam werpen; — delraclis delrahéndis, na attrek van het aftelrekkene; delraclis expénsis, na aftrek der kosten; — detract, n. Jur. datgene, wat er van een nil lands gaand vermogen wordt afgetrokken; — detractor, lat., of detracteur, fr. m. een achterklapper, lasteraar, schendlong; — detnictie (spr. tie —sie), f, (lat. delraclia) de aftrekking, aftrek; onttrekking (b. v. van bloed door aderlating); wegneming; verlaging, verkleining; lastering, achterklap; jus delraclionis, het afirekkings-recht; delraclionis census, tlelrarlus emigraliu-nis, z, v. a. detract; delrnclm personalis, belasting of aftrek van bet vermogen van een landverhuizer, z. v. a. gahella emigratiönisde-Iraclus reBlis, heiasling op eene erfenis, z. v. a. gabella heredilaria.

detransponeoren (vgl. transponee-ren) en detransporteeren (vgl. transpor tee ren), verplaatste of verschoven bladen sclirlfl of druk weder in orde leggen; - de-transpositie spr. -zi-lsie) of detrans-portatie (spr. —Isie), f. liet In orde brengen van verschoven hiaden.

detrecteeren, lat. (delreclüre, van de en Iraclare, met geweld trekken; vgl. tractoeren) verkleinen, benadeelen, afbreuk doen; — detrectatie, f Idelreclaho) de verkleining, henadeollng.

Detrempe, f. fr. spr. delrahp -. van frem-per, bevochtigen, besproeien, voor lemprer, v. \'I lat. lemperare, matigen, verzaciilen) de waterverf; het schilderen mot waterverf; vgl. g o u a c li e.

Detrósse, f. fr. (oudfr. delresse, lat. dis-Iriclio, v. dislringrre, uiteentrokken of spannen, folleren, dus; angsllge spanning) de nood, angst, boniiuwilheld, kommer, verlegen beid.

tie Iri, z. regel do tri, ond. tri. Detriment, n. lal. (delriménlum, v. dcle-rlre, afwryven) hel nadoel, verlies, de schade; — detrimenteus, ndj. (lal. delrimenlosus, a, urn) schadeiyk, nadeellg; — detritie (spr. lie=lsie), f. (detriho) het afwi\'Uven; Med. een door wrUving bezeerde plek detritus, m. tijiigewroven gesteenten, samonhoopsei van allerlei sleen, die In water worden medegevoerd.

detripleeren, fr. (délripler) MM. drie gelederen tot twee hrengen, het derde golld In de belde eerste doen treden.

de Iripude diclum, z. ond. tripode. Detroit, m. fr. (spr. de-h-nd: ondfr. deslroit, v. lat. dislriclus. Ingespannen, aan Iwee zijden gelmeid) zeeengle, nauw, straat.

detrompeeren, fr. (délrnmper, van Irom-per, bedriegen) de dwaling benemen, beter on-derrlchlen, uit den droom, den dut helpon, ontgoochelen; ook beduiden, aan l verstand liren-gen; — gedetrompeerd, adj. heter Ingelicht, uil ilen droom geholpen; — detrompement, in. (spr. -mdii) de beueinlng van de dwaling; hetere onderrichting, ontgoophellng.

detroneeren, fr. [delrdner), z. v. a. d e-t lironlseer en.

detrudeeren, lat. {delrudüre vgl. Iru-sie) afwaarls, naar beneden stooten; wegdringen, verdringen; — detrusorïum, n. nw.lal, een chirurgisch werktuig tot hel noderduwen van lichamen, die In den strot zijn hli.lven steken, de sponsbaieln.

Detruncatie spr. He=/sie), f, lat. {Mrun-calto, van delruncure, afhouwen, verminken, Iruncus, boomslam) bet afbouwen, afkappen, snoeien van planten; de schelding des romps van het hoofd, wanneer dit laatste In de liaar-mocder Is toruggoblevon.

Detrusorïum, ond, de tin deer en, tlello, 11, (van \'I lat, diclum) juister, maar nlel zoo gebruikelijk als oud-lt. dillo of onjuist dito, hot gezegde, hetzelfde, vroeger gcuoomde, of desgelijks, eveneens, b. v, (i pond kolllo, O pond delta of van dezelfde waar; — a ilello, Kmt. van denzelfden dag.

detumesceeren, lat. [delumesccrevgl, tumor, enz,) ophouden te zwellen, slinken; — detumescéntie (spr. tie=lsie), f. nw.lal. Chlr. de oplossing, bet slinken van gezwellen delur, z. ond. dare.

Deuil, m. fr. (spr. tluilj) rouw, Deukalïon, m, gr, een fabeiaclitig koning in Thcssaiie, die met zijne gemalin Pyrrha gered werd uil een groeien watervloed (deukali sche vloed), welken het gansche overige menschengeslacht verdelgde. Door op bevel van Themls de beenderen hunner groolmoeder (aardkluiten, steenen) achter zich te werpen, gaven zy heide het aanzijn aan een nieuw menschengeslacht.

Deus, m. lat, (gr, IMos, sanskr, déwa, tlêwas, eig, de blinkende, lichtende, van den wortel diw, blinken, lichten) God; pl, lgt;ii, goden; i/twil Deus bene verlat (of vnrtut)! afgek, Q. I). II. V. \'twelk (iod len beste doe koeren! — tltitid ruit Deus, wat God wil, n.l. moge ge-


-ocr page 367-

DEUTERAGONIST

DKVENEREEREN

351

scliloden! — Deus iledit. Deus abslulil, de lieer lieert gegeven, do Heer heeft genomen (woorden Viin Job); — Deus ex machina, elg, een god uit de maelilne, d. 1. nil liet imiclilnewerk op het schouwtooneel; het onverwaclit |) I o t s e 11 ii g o p I r e d c n van een persoon, die aan oeno Ingewikkelde ot netelige zaak eene gelukkige wending geeft, tegenwoordig doorgaans enkel In Iron, zin gebezigd en soms op den roman en de plotselinge gebeurtenissen in \'t gewone leven toegepast; — Deus meliora of Dii meliora (sell, del of dent). God beter\'bet!

— Deus omen nvérlal. God wende bet voorteeken af! God moge, het verhoeden! — Dei urn-lui, door Gods genade (sedert Karei den Groo-len gewone formule In vorsteiyke oorkonden, brieven, en/,.); — omnia ad Dei glorlam, ook afgek. U. A. D. i:., alles Ier eere van God! — Deo annuénle of favenle of juvatile, mei Gods zegen en hulp; — Deo dicatus, m. een aan God gewijde, vandaar een monnik ; — Deo dicuta, f. eene aan God gewgde, vandaar eene non; — Deo gralias. God z(j gedankt! — Deo volénle, zoo \'tGod behaagt; — solt Deo gloria! God alleen zy de eer! — omnïa cum Deo.\' alles met God; — Dii majörum gentium of magni, pl. oppergoden (die den raad van Jupiter uilmaken); voornamere personen; — Dii minörum gentium of minor es, lagere goden (onder de goden geplaatste heroën, halfgoden); geringere lieden; — DHs mam bus sacrum, aan de ver-heeriykte zielen gewijd (vgl. manen); — si [His placet, zoo bel den Goden behaagt, zoo God wil (dikwijls iron.; zoo de goden zulke dwaasheid toelaten).

Doutoragonist, m. gr. (v. déutSros, de tweede, en agonistvs, stryder) de (dooi- Eschy-lus ingevoerde) tweede looneelspeler op het gr. looneel, die de rollen van den tweeden rang speelde.

Deuterie, f. gr. (van deutSros, de tweede, volgende) naam door Vogel gegeven aan de toevallen, door het lerugblijven van de nage-boorle veroorzaakt; — deterogamie, f. tweede eebt of buweiyk; — deuterokanö-nisch, ailj. naderhand gekanonlseerd, liellig gesproken, voor iieilig verklaard; — doute-rokanonische boekon des bijbels, kano-nieke (z. aid.) boeken van den tweeden graad, die eerst later In den kanon opgenomen zijn;

— deuteronomie, f. tweede wetgeving, met betrekking lot eene vroegere; douterolo-gie, r. de leer der nageboorle; - deuto-ronomïon, gr. of deutoronomium, lat. n. bet vyfde boek van Mozes; elg. de tweede wel, tweede welgevlng, welsberhallng; dou-toropathie, f. gr. eene naziekte, opvolgende ziek,); — deuteropathisch, adj. als het gevolg eener vroegere ziekle oplredend; opvolgend;—deutorösis, f. gr. de herhaling ; - -deuteroson (spr. s=z) dor Jodon, overleveringen en daarnaar bepaalde gebruiken; verklaringen en aanvullingen der gesehreven wet;

— doutoroskopio, f. gr,, ma. second sight (spr, sékkund soit), elg, het tweede gezicht, do gave van bel vooruitzien van toekomstige gebeurtenissen, enz., eene werking van gestoorde of overspannen zenuwwerkzaamheid, die geiykt op geeslenzlenery; — douteroskoop, m. ziener, geestenziener van die soort (Inz. In Moog-Scbolland); — doutoroxydo, nlel; deutoxydo, Chem. tweede oxyde, tweede benaming van een brandbaar lichaam in den staat van oxyde (z. aid.), vatbaar om zich in verschillende evenredigheden met de zuurstof te verbinden; zoo li, v. verbindt zich het lood in ;t verscbliiende verhoudingen met de zuurstof; de niliist verzuurde verbinding heet p r o 1 o x y d o van lood, de daarop volgende deutoxyde of tweede loodoxyde, en de laatste tril oxyde of peroxyde; — doutoxylo, f, Chem, de naslof, die door verdere ontwikkelliig ontstaat uit de voorstof (proteïne).

(/e«,r, fr. (S|ir, deu) twee; deux a deux (spr. deuzaileu), twee om twee, twee geiyk (by bet biljart en andere spelen).

devaliseeron (spr. ,?=:), fr, {dévaliser, van valise, valles, Hal. valigia, mld.lat, rul-legla, van onzekeren oorsprong: door Dlez afgeleid van vidulilla, valies) den manlelzak of het valles afnemen; plunderen, uitschudden, be-rooven.

devalvooren, ook dovalueeron, nw.-lat. (vgl. valveeren, end. vaieeren) afzeilen; verlagen, verminderen in waarde, Inz. munten; devalvatio of devaluatie (spr. l—ts), f. de verlaging, vermindering eener munt in hare waarde; ook de gebcele In-onliriiikstel-llng, bet ongangbaarmaken van oeno munt.

devanceeron (spr. dewaiis—), fr. (devan-ccr. v. devanl, voor) vooruitgaan, vooruit z.yn; voorbystreven, overtrolTen, den voorrang hebben; — dovancier, m. (spr. detoansjé) de voorganger; — devantièro, f. een dames-ryrok.

devaporatie, f, (spr. t-is), nw.lal. (van vaimr, damp) elg. afdamping; de verandering van dampen in water.

denaricalus, a, um, lat. Hol. wyd uitgespreid, devasteeren, lal. (devastare, v. raslus, woest) verwoesten, vernielen;- devastatie (spr. tie—tsie), f. nw.lat. de verwoesting, vernieling.

developpeeren, fr. (dévelo/i/wr, het le-gengest. van envclopper, z. enveloppe) omwikkelen, ontvouwen, onlliullen, verklaren, ophelderen, oplossen; — dovoloppabol, adj. ontwlkkelbaar, ontvouwbaar, b. v. van gebogen vlakken in do meetkunde, die zich zonder breuk of plooi in een vlak lalen ullhroiden of onl-vouwen, zoo als cylinder- en kegcivlakken; — dovoloppomént, n. (spr. —ma//) di\' oni-wikkeling, ontvouwing, li. v. van een legcrafdee-ling; Arch, de voorstelling van een gebouw in teekenlng, volgens al zyne byzondere doelen.

devenereoron, lal. {derenertiri: vgl. v e-nerecron) vereeren, eerbied helihen, mei eerbied biyvon.


-ocr page 368-

DE VERBIS

DE WA

352

de verbis ad verblra, de verbo ud verbum, z. ond. verbum.

Devergentio, r. (spr. I=ls) lat. ilo nc-— devergeeren (lat. devergSre) zich nodcrbulgcn; - dovergondage, r. fr. (spr. daazj\') ontuchligliotrt, scliiiamtelooslield, verwildering, zedenbederf der niniitscluippU.

Devérra, f. de godin der krmunvrouwen, die door lt;le Romeinen vereerd werd; zü liad ook hel toezicht over het sclioomniiken.

deverseeren, fr. (déverser; van \'t lat. deversus, afgewend, part. van (levertere, afwenden) van de richt Ing afwgken, sclieef slaan.

Deversormm, n. lat. (van devérti, zich ergens heen wenden, ingaan) herberg, lappery.

dovesteoren, lal. (deveslire, v. vest ire, kleoden, vestis, hol kleed) ontklecden, van de priesterlijke kleeding of blsscboppeiyke beieetdng berooven (het legcngestoldovan 1 n vestoeren);

devestituur, f de berooving, intrekking van hel leen, van de waardigheid.

dovex, lat. (devéxus, a, urn, v. dcvchcre, afwaarts voeren) nederwaarts gekromd, afwaarts gaande; — devexiteit, f. (lat. devexttas) de helling, glooiing.

deviëeren, later lal. {deviare, van via, weg) van den rechten weg afgaan, iifwijken; — deviatie (spr. /=/.«), f. nw.lal. de afwyking van een lichaam van den rechten weg, van z.yne baan of richting; do afdwaling; Mar. afwyking der magneetnaald aan boord ; de verzelling van een schip; Aslron. do schynhare, door de onvastheid van de aardas (vgi. nulatio) ontslaande beweging dor vaste sterren; — de-viatief, adj. afwijkend.

Devies, f. (fr. devise: mid-lat. en sp. de-visa, II. divisa, konteokon, ondersclicldingstee-ken, v. \'1 lal. divïsum, dividüre, dooien, onderschelden, kenmerken) een zinnebeeld, inz. als dit met eeno hygevoegde spreuk verbonden is (hel eerste heet hot lichaam, do tweede de woorden of bel motto van \'tdevies); do doorgaans bcrymde spreuken by de ulevellen; eene zin-, gedenk-, bechlsprouk, lyfspreuk; Kmt. een wissel op eeno huitenlandscbe wisselplaats.

Devil, m. eng. (spr. dé-wil) duivel (vgi dia blo); ook: machine met yzeren landen om wol en katoen te scheuren en Ie reinigen; — the devil may rare (spr. mee hfr) de duivel moge er om geven (ik niet).

devirgineeren, lat. (devirginare: van virgo, maagd) ontmaagden, van den maagdom berooven; - devirginiitie (spr. 1=1.1), f. de ontmaagding, verkrachting.

deviriliseeren (spr. s=?), nw.lal. (van vir, man) ontmannon, do eigenschap van man ontnemen; verwytd maken.

Devisa, f. sp. z. devies.

de visu, lat. omdat men hot zelf gezien heeft.

devitrifleeeren, lat. (v. de, van, onl-, vilrum, glas en faeere maken) ontglazen, glas door sterke vcrbilting in een porseleinachtig, ondoorzichtig llehaam (Réaumurs porselein) veranderen; — devitrificatie f. (spr. Iie= Isie) ontgiazing.

devoileeren (spr. dcwoal—), fr. [d\'lvnilcr, van voile, lat. velum, sluier) ontsluleron, onthullen, openharen, b. v. een geheim.

Devoir, n. fr. (spr. —d\'wodn van I lat. debëre) de plicbl, schuldigheid.

devolveeren, lat. (devolvëre-, vgt. volvoeren) olg. afrollen, afwentelen; op een ander vervallen, brengen of overerven; — devolutie (spr. lt;=lt;«), f. nw.lal. Jur. de aan-bovailing, overgang, overerving van een reclil of goed; de door een gebezigd rechtsmiddel bewerkte overbrenging eener rechtszaak van een lager gereebtsbof voor een booger-, —devo-lutie-recht, [jus devolutionis), het vroeger op vele plaatsen geldende recht, waardoor by den dood van een der echtgonooten al zyn vermogen op do kinderen verviel, on de overbiy-vondo man of vrouw daarvan enkel het vruchl-gebruik had; naar dit reclil werd de oorlog van Lodcwyk XIV met Spanje In 1(101 dovo-lutle-oorlog geheoten-, — devolutie-middel, n. een rechtsmiddel waardoor oen proces vati een lageren roebtor naar een hoo-geren wordt overgebracht; — devoluut, n. de geesteiyke bodlening, door den paus wegens ongeschiktheid des bezltlers aan eea ander overgedragen.

dovomeeren, lat. [demmire; vgi. vomeer en) wegspuwen, weder uitbraken.

Devonische formatie, f. in do geog-nosie; (naar het eng. graafschap Devonshire genoemd, waar deze steengroep hol meest voorkomt) de bovenste afdeeiing van bot ovorgangs-of grauwnkgobergle, boven do silurlsche for m alle.

devoot, adj. lat. (devötus, a, um, d. i. toegewijd, van devovêre, wyden) vroom, godvrucb-tig; eerbiedig, vol godsdienstige aandacht; ootmoedig; ook mol verachting gebezigd: schyn-beilig: eene devote, eeno scbynheilige, bid-zuster, lijne zus; de devoten, de lijnen, overrechtzinnigen, schynheillgen, pliaarbyters, femelaars; — devolamenle, II. Muz. Innig, aandachtig; — devotie (spr. I=ts), f. (lot. devnCio) oorspr. by de oude Romeinen de wydlng, de vrywilllgo overgave des levens als zoenolTer aan de onderaardsche goden; thans: vroomheid, god-vruchtighoid; eerbied; volkomen overgave, vor-kleefdhcid; in hel fr. ook devoueraent, n. (spr. dewoe\'mdii): devolfo domestira, huiseiyke godsdienst; — devozione, f. It. Muz. aandacht, Innigheid, diep gevoel.

devoreeren, lat. (devordre-, vgi. vora-citeil) verslinden; doorzwelgen; — devo-ratie (spr. t=ls), f. (later lat. devoraffo) het verslinden, doorzwelgen; — devorator, m. de vraat.

Devornik, ■/.. dwornik. devouement, devotie, z. onder devoot.

Dêw, m. porz. Iioozc geest, dtemon. Dewa, m. sanskrlt. (vgi. Deus) God; inz.


-ocr page 369-

DIACYDONIUM

Dl\'WÉDSCHI

353

«Ie nanm dor 3 ftroolo Indische goden: Hrsihma, Wlschtioo cn SJIwu; — dowadasi, f. (snnskr. diUi. dionnros, slavin), oono lonipoldlonaros; ook oeno lioeloerstor; — dewanagari, n. (olf!. Kodonschrlfl) liet sanskiKschrlfl; — dewar-sjis, m. |il. (sanskr. risji, mot vokaalvorstcr-klnji arsji, wys, heilig) de vergode wezens of heiligen in Indlfij — dewatas, pi. (van \'t sanskr. (Kwnla, godheid) alle goede wezens dor geestenwereld In den hemel, volgons den Indl-schen godsdienst, In tegenst. met de vijandige machten: de asoeras, daktyrs, enz. Dewédschi, m. lurk. kameeldryver. déwr, turk. dlstrlctshelastlng. Doxiocardie, f. gr. (van dexiós, rechts) de ligging van het hart in de rechterzijde der horst; — dexiographie, f het schrijven van de linker- naar de rechterhand; — dexi-ographisch, adj. van de linker- naar de rechterhand geschreven.

ilr.rlcr, a, urn, lat. rechts, rechtzydig of recht-handsch; ook handig, vaardig, bedreven; dostra, f. itai. (lat. dexlra) do rechierhand; (•«//« destra, of lal. dexlra menu, Muz. met de rechierhand; — dexteriteit, f. lal. {dexle-rllas) de vlugheid, gauwheid, bciiendigheid, vaardigheid; — dextraal, aan de rechterhand, rechts; — dextrale, n. (pi. ikxlralia) lat armhand, manchet; - doxtraliteit, f. nw. lal. de ligging ter rechterhand; dextratie (spr. Iic=lsie), f. do omdraaiing van de rechier-miar de linkerzijde; dextrine, r. Cliem. (zoo geheeten, oindal de oplossing daarvan een gepolariseerden lichtstraal sterk naar de rechterzijde\'doet afwijken) zetmeelgoin, kleefstof In zelmeel (ook in hier aanwezig); —dextrose, f. (Ihein. drulvensuiker, z. v. a. glucose.

Dey of dei, m. (van arah. ddi, roepen, samenroepen; vandaar eig. een oproeper der muzeimansche geloovigen tol den heiligen oorlog) eertijds de naam van liet rijksopperhoofd of de heheerscher van Algiers, die zich later pacha noemden (in Tunis en Tripoli He v of Heg).

Dhlb., hij mituurweienschappelijke liena-mingen afk. voor Dahliiorn.

Dhadsja, f. ind. grove, ronde iullmnd. dhobi, ind. man die voor het wasschen ■van hei linnengoed zorgt.

Dhole, m. ind. soort wilde hond.

di-, gr. en lat. voorvoegsel, z. dis.

dia-, gr. voorvoegsel in vele samenstellingen, lieteekenende door, doorheen, door elkander, uit elkander.

diababoel-hout, n. (van \'t hindoesch dijn, lamp, en halmet, eene soort van acacia) een ooslindisch hruinrood, zeer hard en zwaar hout, van de Acacia arahïca.

Diabasis of diabase, f. gr. (v. dialmi-vein, door-, overgaan) de doorgang, overgang; — diabase, f. fr. Miner, een lot do groen-steonen hehoorende steensoort; — diabetes, m. gr. een hevel; een heker, die ledig loopt, wanneer men hem geheel vol glei, piaagheker; Med. de pisvloed; dinbelc.i insiptdus, de pisvloed vikiuie niirK zonder suikerstof, smakeiooze, vaische pisvloed; diabetes mellïtus, de suikerhoudende pisvloed, suikerziekte; — diabötisch, adj. pisvloed-acht Ig.

Diable, m. fr. (van \'t lat. diabolus, gr. diabólos, d. i. eig. de tweedraciilstoker, inz. door lasteren, naar de gewone heteekenis van diabdltein, dooriialen, lasteren) duivel; Mil. een rolwagen ter vervoering van hei geschut; N. II. een met stekels of pennen bezel zeedier, de stekelrog, zeeduivel; wolkammacliine met yze-ren tanden z. v. a. devil; — diablerie, f. duivelai-y, heksery, toovery, een duiveisstreek, duivelswerk, in de middeleeuwen een looneel-spel, waarin duivels optraden; — diablésse, f. eene duivelin, dulvelsch wyf, helleveeg; — diablifliceeren, nw.lat. tol een duivel maken, verduivelen; — diablotin, m. fr. (spr. —léii), m. een duiveltje; een oversuikerd cho-coiaadpiaatje of koekje-, — diaboletto, m. 11. duiveltje; — diabólisch, adj. (uit liet gr.), dulvelsch ; — diaboliseeren (spr. s=z), duivelen, razen, tieren; beduiveien; diabo-lisme, n. de bezetenheid; — diabolokra-tie, f, (spr. t=ts), regeering des duivels; — diabolologie, f. de duivelleer, de leer aangaande den duivel; — diaböle, f. gr. de laster, vaische beschuldiging; Khel. hescbiiidlKing der legenparty, met opgave der te wachten straf.

Diabotamim, n. nr. (v. \'tgr. [hi/daslmij dia bntanan, [pleister] uit krulden) Mod. geneesmiddel uit krulden bereid; eene zeer samengestelde pleister, tot welker samensleliing eene menigte krulden werd gebezigd en welke tot oplossing, rUpmaking en smelting dienen moest.

Diabrösis, f. gr. (v. diabibróskein, doorvreten) Med. de doorvreting, wegvreting of weg-byiinn door scherpe vochten; — diabrötisch, adj. wegvretend.

diachemaan, gr. l\'iiys. doorgang verlee-nend aan de ehenilscb werkende lichtstralen; — diachemansie, f. de elgensidiap van een licliaain om cheniisch werkende iiciitstraien door te laten.

diachalasis, f. lt (v. diachalan, mede-geven, uiteengaan) Med. de oplossing, de schelding van den samenhang, het ulteenwyken der naden (van de hekkeneelsbeenderen).

Diachorësis, f. gr. (v. diachorein, doorgaan) Med. de ontlasting der drokstolTen, do stoelgang; diachorêtisch,jidJ. den sioel-gang lievordcrond; diachoretisehe organen, ontlasliiigswerktuigen.

Diachylon, n. gr. (van dia chytön, d. 1. met plantensappeii bereid; vgl. c b y 1 u s) Chir. eene weekmakende pleister, loodglilzalf met boomolie; — diachylisch, adj. oplossend, verdeelend.

Diacinema, n. gr. {diakinëma, van dia-kinêin, door en door bewegen) Med. het uil-elkander wyken der beenderen.

Diacodium, m., z. diakodlon.

Diaconie, etc. z. ond. diakonus.

Diacydonmm, n. nw.lat. (v. \'tgr. dia

ï.t


-ocr page 370-

DIAGRAMMA

354

DIADEEM

kyilonión, d, i. uit\' kwccün; vgl. cydontn) kwoosap en di! daaruit boroldo maagsterkende artsenij.

Diadeem, m. gr. (didiUma, van diailein, üintilndon) de konlnkiyke wrong «f voorhoofd-hand, het hoofdsiersel der perz. en egypt. koningen en iler latere rom. keizers, hestaande uit een sailmgevouwen en om liet hoofd gewonden sluier, daarom ook wel hij de Grieken kalyplra, d. 1. sluier, genoemd; thans het zinnebeeld iler konlnkiyke waariilgheld, hei dich-teriyke woord voor kroon, heerschappU, regeering; ook een vrouwelijk liaariooisei; — diadeem-spin, f. N. II. de kruisspin.

diadélphisch, «dj. gr. (van dis, in sa-menst. ook di, tweemaal, dubbel, en mlelphns, broeder) Hoi. iweebroederig; — diadelphïa, n. pi. tweebroederige planten, planten met twoe-slachtlgc bloemen, wier meeldraden in twee bundels zijn saitiengegroelil, de nde klasse in het stelsel van I..

Diadexis en diadóchë, f. gr. (v. dia-dérheslhai, elkander opnemen, op elkander volgen), de opvolging; Med. lie overgang of verandering der eene ziekie in de andere, de verandering van het algemeen ziektekarakter; — diadóchen, m. pi. (sing, diddor/ios) navolgers, opvolgers, iroon-, erfopvolgers, inz. de opvolgers van Alexander den (\'.rooien In de verschillende deelen van zijn rijk.

Diadosis, f. gr. (v. diadidönai, zich verdeden) Med. do verdeeiing van \'I voedsel in het lichaam; het nalaten of ophouden cenerziekie.

Diadromus, m. Muz. iriillng der snaren.

Diaduménos, m. gr. (vgl. diadeem) ile zich bekransende, met de zegekroon, een beroemd standbeeld van Poiycieius.

Dioerësis, gr. {diairisis, v di-airëïn, uil elkander nemen, doelen) Gram. de oplossing van oenen tweeklank in twee enkele klinkers, of de verandering der j en v in de verwante vocalen, b. v. Orpheus in Orpheils, sliva in silua, Troja in Troïa, de afscheiding der op elkander volgende klinkers In een woord, 1). v. poëet; Med. de scheiding, scheuring door uitwendig geweld, inz. van bloedvaten; — puncto dtaereséns, pi. scbeidingspunten (trema), die boven een der op elkander volgende klinkers geplaatst worden, opiial men mei dezen eene nieuwe leiiergreep zoude aanvangen, b.v. po eet. Gratie n.

Diseta, f. lat. (van hol gr. diaita, loven, levenswijs, woonplaats) dieet (z. a.); ook de zittingsiyd der gezamenlijke afgevaardigiien op den duitschen land- of ryksdag, de vergadering der ryksstenden; — dieeten, pi., liever diëten, z. omi. dies. — dieetêten, pl. schelds-rochtors in het oudo Ailiene, welke door de sirydende pariyen zelf gekozen werden;—di-setetika, f. (gr. diailelikc, sell, léclme, kunst) de gezondheidsleer, de kunst om hel leven te onderhouden; — disetëticus, m. beoefenaar der gezondheidsleer, vriend van eene geregelde, matige levcnswyze; — dieetetisch, adj. matig, met do gezondheidsleer overeenstemmend; — dicetötische regelen, gezondhelilsregoien.

diaglyphisch, adj. gr. (van diaglyphein, door-, insnijden) verdiept gesneden, gebeiteld, of gegrlireid; diaglypten, pi. in een vlak gesneden of verdiept bewerkte iiguren, in te-gensteliing met anaglypten.

Diagnosis of diagnose (spr. s=z), f. gr. (v. diaginöskein, nauwkeurig onderscheiden en onderkennen) Mod. de beliooriyke onderscheiding en daarop berustende onderkenning der ziekten; Log. de onderscheiding van geiykvor-mige of verwante begrippen; — diagnostika, f. de leer van do onderkenning der ziekten, inz. de kunst om twee met elkander overeenkomende ziekten bebooriyk van elkander te onderschelden;—diagnostisch, adj. de onderkenning stavend, aanwyzend, tot kenteeken eener ziekie dienende; — diagnoseeren (spr. s=ï), de kenteekenen eener ziekte aangeven; eene ziekte onderkennen.

Diagometer, n. gr. (van di-anein, doorvoeren, lelden) een door llousseau ullgevon-den werktuig, om liet geleidend vermogen der lichamen voor de olectrlcltelt te viniien.

diagonaal, adj. lat. (diagonalis: van het gr. diagóntos, van gónia, hoek) schuin, overdwars, dwarsioopend; — diagonaallijn of diagonaal, t. Geom. de hoekpuntsiyn, elke rechte Ign, die twee hoekpunten van een vier-of veelhoek vereenlgt, zonder eene der zyden van die liguur ie wezen; —diagonaalma-chiue, f. een werktuig dat de wet van het p a ra 11 elo gra m der k ra elite n (z. ald.)aan-schouweiyk maakt; — diagonaalmarsch, f. Mil. de dwarse of schulnsche marsch; — diagonaalpas, m. de dwarspas; — dia-gonaalvlak, Geom. een vlak, dat een regelmatig lichaam in twee geiyke deelen verdeelt; — diagonals, pi. wollen gekeperde weefsels met schuins loopende iljne strepen.

Diagramma of diagram, n. gr (van dia-graphein, mei lyaen omtrekken, afteekenen) Geom. eene figuur, zoo ais zy tot iiel lievvijs eener stelling of lot do oplossing van een werkstuk geteokend wordt; een ontwerp, plan, eene schets; eene gewooniyk veelvuldig gekromde Uja, welke, door iiyzondere Instrumenten gedurende den gang van machines enz. op een papierstrook geteekend, de onregelmatigheden aanschouweiyk maakt, welke door ongelyken stroomdruk, de beweging van zekere deelen der machine enz. ontslaan zyn; — Muz. de vyilynige toonladder; ook de pa ril tuur (z. aid.); by de gnostische wysgeeren; twee in elkander geplaatste ilrlehoe-ken met een myslieken naam van God daarin, als amulet ilienendc; diagramma llippdrchi, Ais teekening van den betrckkeiyken stand der zon, maan en aarde by de verduisteringen, met ile daartoe behoorende Hjnen; — diagraaf, m. gr. de voorteekenaar, ontwerper, een werktuig om perspectieven naar de natuur mechanisch Ie teekenen; — diagraphiek, f. de kunst van het ontwerpen of voorteekenon.


-ocr page 371-

DIAHEXAPLON 355 WALLAGE

Diahexaplon, n. «r hU veeartsen; een uit xes hestaiKlilcelcn samcnKestelUe Rcneesdrank voor paarden.

Diakadmie, f. Kr. I\'liarm. eeno pleister, waarvan kalamyn de hasls Is.

Diakanthum, n. nr. Kot. eene plantensoort met samengestelde bloemen; — dia-kantisch, adj. met twee stekels voorzien.

Diakarcinum, n. gr. Pharm. een tegengift tegen den dollehondsbeet.

Diakarthamus, m. gr. Pharm. de sat-lloersplelster; eene liulkzulverende sllkartseny, uit sallloers bereid.

Diakatholikon, n. Pbarm. een zoogenaamd algemeen geneesmiddel, als sllkartseny toegediend.

Diakaüsis, r. gr. (van iliakatein, doorbranden) bel doorbranden; lievige bitte, verblt-tlng; — diakaustiok ot diakaustisoho lijn, f. In de optlka de brandiyn by bet breken van liet llcbt, d. I. de opeenvolging der snypunten, die ontstaan, wanneer van een licb-tend punt lichtstralen op eene doorziclitigo kromme lijn vullen, en, door deze gebroken, zich twee aan twee in een of ander punt snyden. Wanneer de kromme lyn de stralen niet breekt, maar terugkaatst, dan ontstaat door de snypnnien lt;ler teruggekaatste stralen de katataustlek of katataustlsche Iyn.

Diakon, z. diaken us.

Diakinöraa, z. diac—.

Diakliisis, f. gr. (van diaktdein, doorbreken) bet doorbreken; l\'hys de breking van het licht; — diaklastisch, adj. door breking ontstaan, daartoe hehoorende.

Diaklerösia,f gr. {\\.iliaklcróeiit, verloten, kliros, bet lot) de verloting; de keus door\'t lot.

Diaklysis, f. gr. (van ilinklyilzein, uil-spoelen) het uitspoelen; spoelwater; — diaklysma, n. gr. Med. een mond- of gorgelwater, eene mondspoeling.

Diakodium lal., of diakodion, gr. n. (v. \'t gr. din luiliun, nil slaapbollen, kudia, slaapbol) Pharm. een iiorstverzacbtend middel, slaapbollenslroop.

Diakonus, m. (van \'1 gr. didkunos, ilie-naar) diaken, de titel, ilie oorspronkelijk in den apostolischen tyd aan beheerders der gemeentegoederen werd gegeven; later kerkedie-naar en helpers bij de godsdienstoefening; meer bepaald zulke geesteiyke ambtsbekleeders, In do evangelische kerk, ilie enkel met de Inzameling en verdeeling der aalmoezen en de verpleging der armen en kranken belast waren; by de protestantsche kerkgenootschappen een armvor-zorger; elders ook een hulpprediker, kapelaan, tweede predikant; — diakonaat, n. later lat. liet ambt, de waardigheid en de woning eens evangellscben diakens; de zesde der zeven wydlngen van r. katli. priesters; — diako-nie, t. werkzaamheid van een diaken; kerke-iyk armbestuur, kerkelyke armverzorging; — diakonïkon of diakonicum, n. een kort gebed, dat de diakonus der gr. kerk voorzingt;

— diakonesse, f. eeno kerkedlenares, In de oudste Christel, kerk bejaarde vrouwen, die den diakens ter zyde stonden In de armen- en kran-kenverpleging en bet toezicht hadden over de vrouweiyke leden der gemeente; nu In de duit-sche evangelische kerk en ook hier te lande; ziekenverpleegsters welke in byzondere dia konessen hui zen opgeleid worden; iu kloosters: do zusters, welke het altaar bedienen.

Diakópe, f. gr. (van doorsny-

den) Cliir. de wegsnyding van een/.lekeiyk deel; schuinsche gehouwen wond der hersenpan; de overlangs gaande breuk van een heen.

Diakrïsis of diakrise, f. gr. (v. dia-kriniiin, scheiden, onderscheiden) Med. de beoordeeling en onderscheiding, Inz. van zlekte-toesianden; — diakritisch, adj. wal die beoordeeling en onderscheiding ruggesteunt, b.v. dia kritische te eken en, ondersclieidings-teekenen voor de juiste uitspraak der letters en woorden, inz. in hel bebr.

Diaktinisme, n. Phys. de doordrlngbaar-lield der lichamen voor cbcinlscb werkende (ak-tinische) lichtslralon.

Diaküstiek, f. gr. (van di-ak itein, doorboren ; vgl. a kust lek) de leer van den weerklank, van de terugkaalsing des geinids, weèr-klankkunde.

diakydonium, n., z. diacydonium.

Dialcipsis, f. gr. van diti-lnfK\'i/i, gescheiden of verwyderd z.yn) de afbreking, lusschen-rulmte, z. v. a. intermissie.

Dialeipyra, f. gr. Med. de tusschenpoo-zende koorls.

Dialoet of dialókt, n. gr. (duilcldm, f., d. I. elg. gesprek, onderhond, van dialégeslhai, een gesprek voeren) de tongval, spreekmanier, gewesleiyke eigenaardigheid eener gesproken hoofdtaal in de verscblilende deelen van land en volk; — dialektiek, f. (gr. dialeklikö, sell, léchnc-, kunst) elg. geleerde strüdkunsl, dis-putoerkunst, dikwyis met bel bijdenkbeeld van spitsvondigheid, in strenger zin: leer der beweging van bel denken (zooals l.og. leer van de denkvormen); —dialektlCUS, m. oen Iwlsl-redekundlge; een geleerde kampvechter; — dia-lóktisch, adj. lot de diaiekliek hehoorende, dikwyis: spitsvondig; ook aan een byzondoren longval eigen; —dialektoloog, m. een onderzoeker en kenner der byzondere longvaiieii;

— dialektologie, f. de leer der tongvallen, verzameling van opmerkingen over de long-vallen eener laai.

Dialémma, n. gr. (van didleimma, van difi/ei/iein, eene lusschenrulmte of eentusschen-lijd laten; vgl. dlalelpsls) uitlating, afbreking, gaping, lusschentüd; Med. de ziekloloestand. Inz. de koortsvrye toesland, de koorlsvrye tyd tnsschen Iwee aanvallen.

Dialipsis, f., z. dlalelpsls.

Diallago, f. gr. (elg. verandering, verwisseling; van di-allassein, veranderen, verruilen) Min. de slraalsleen, weerschynende spaathsleen, aan het augiet verwanl.


-ocr page 372-

DIALLELE

L)1AN(EA

350

Diallöle, t. ut diallëlos, m. gr. (van ilia allclnn, door olkunder) Log. een cirkel In \'t redenceren, oen clrkelbewUs (waarby men hel voorwerp, dat men omscliryven zal, unmlddel-Iijk of mlddelHik noeinl, ot uil eene nog te he-wyzen stolling eene andere wil hewy/.en).

Dialoog, m. gr. {dialogos; fr. dialogue. It. dialogo vgl. d 1 a 1 e k 1) liet onderhoud, gesprek, de samenspraak (in het drama hel tegengest. van monoloog); de vorm van gesprek; — dialogoeren, verschelden personen sprekend invoeren; dialogisch, adj. gespreksgewys, hij wyze van samenspraak; dialogiseo-ren (spr. s=i), in gesprekken inkleoden, ge-sprekswyzo voorslellen; — dialogismo, n. de kunsl der samenspraak, Inz. de sehrltteiyko; hel gehrulk van ilon dlaloglschon vorm.

Dialuur-zuur, n. Chem. een door inwerking van zwavelwaterstof op alloxunline gevormd zuur.

Dialysis of dialyse, f. gr. (van ilia-lyein, oplossen) Mod. de oplossing; het verval, de uitpuiling der kraehleii; Phys. de schelding van siymige sioltea van krlstaiilnische door osmose (z. aid.); Gram. en redek ; z. v. a. dlieresls en asyndeton; — dialysator, toestel om dialyse te maken; —dialysoeren, oplossen, door dialyse scheiden; dialytisch, adj. oplossend, onlhindend, vernietigend; — dialy-tische kijker, een verrekijker die de kleuren ophetl, oen soort achromatische (z. aid.) verrekyker.

Diamagnetisme, n. gr. de (aan do aan-trekkingskrachl tegengestelde, dus;) atslootende werking van den magneet (volgens Faraday); — diamagnetischo lichamen, zulke die door den magneet afgestooten worden, h. v. bismuth.

Diamant, m. (hoogd. ook demanl, fr. dia-manl, van \'1 lal. adümas, en dit v. \'I gr. add-mas adamantos, d. i. eig. onbedwingbaar, zeer hard ; voorts; hel hardste yzer, het staal; laler: de diamant) de hardsto, dichtste, doorzichtigsle, schitterendste en kostbaarste edelsleen, die In allerlei kleuren voorkomt en enkel met zyn eigen poeder kan geslepen worden (lot het slijpen van andere sleenon gebruikt men bij voorkeur de zwarte, ondoorzichlige diamant); de geslepen diamant krygl den naam van briljanl, nis hy van boven een vlak (tafel) heeft, van vele schnln-sche vlakken omgeven; by beet roos, als bet bovendeel pyramidaaivormig is; ook de kleinste soort van drukleller; diamantbrood, n. (fr. égrisée), liet poeder van den diamnnt, waarmede liu op eene scbyf van zacht staal wordt geslepen, en waartoe men die diamanten gobrulkl, welke niel geslepen kunnen worden; — diamantine, f eene gekeperde wolion slof met iiguren; diamant-spaath, z. corn n d u m.

Diamastigösis, f. gr. (v. maslix, gen. masligos, geesei) de geesellng der sparlaiinsche jonge lieden, om hen daardoor togen lichaams-smart Ie harden.

Diameter, m. gr. {diamëtros, doormetend) Goom. do doorsnede, middeliyn, de rechte iyn, die in oenen cirkel door hel middelpunl gaal en den omtrek aan weérszyden raakt (de verhouding, die de middeliyn tul den omtrek heefl en welke niel dan by benadering kan uitgedrukt worden, als zijnde helde mei belrekking lol elkander onmeetbare gruulheden, Is volgens Archimedes als 1 tul ii, volgens Melius als Uil: 33lgt;, volgens I.. v. Keulen als t: 3,li 1894« enz.);

— diametraal-getallen, zulke golallen, die uil twee factoren bestaan, van welke de som der (|uadraten opnieuw een qimdraalgelal geeft, b. v. 12, welks factoren II en 4, tol de ■2de machl verheven zynde en Int eene som vergaard, het quadriuit i\'i geven (llï:iI=2S);

— diametrale, f. de lijn van doorsnede; — diamétrisch, diametraal, lot den dla-nioter behourende, reciitduur ook z. v. a. e diametro, lal. regolrecbl, lijnrecht (b. v. tegenuver-gesleld zyn).

Diamorphösis, f. gr. (v. moriihc, ge-daanle) de verwerking tot om bepaalden vurin; de gedaanlegevlng.

Diamörum, n. (van hel gr. dia mórön, uil moorbezliin, mórön, moerbezie) moerbezie-siroop met honig bereid.

Diana, lal., uf Arlemis, gr. f. Myth, de godin der jacht, ook der maan Selene, Luna), de maangudin; ook de besebermsler van den maagdom der meisjes en van de geboorte; nog heet zy 1\'lui! be, Cynlliia, Delia, Lu cl na, enz.; Astr. een asteroïde, in 13113 door Luther onldekt; N. II. een aardige aap van hel geslacht iler meerkatten in Afrika; by de alchimisten vroeger zooveel als Lu na, het zilver, dat met bel leeken der maan {([) wordt aangeduid; vandaar de boom van Diana, de zilverboom, een piantvormige nederslag van bel zilver uil z.yne oplossing in salpeterzuur, door kwik te weeg gebracht.

Dianassologie, f. gr. (van dia-ndssein, opvullen) de leer van liet opzetten der dieriyke lichamen; de opvulllngskunsl.

diandrta, n. pl. gr. (van lt;/(-, tweemaal, en anör, gen. andrós, man) Iweebelmige planten, mei twee meeldraden in eene duhbelslach-llge bloem (zooals de oiyt, de nachtschade), de 2de klasse In bel stelsel van L; ook (slng.) eene misgeboorte met dubbele manneiyke gesiachts-deelon; — diandrisch, adj. tweebeimlg, mei twee meeldraden voorzien.

Didne, f. (fr. didne, van het sp. diana, van dia, ile dag, of wel van Diana, de godin der jacht, omdat In den vroegslen morgen bel sein tot de jachl wordt gegeven) de wektrommel, z. v. a. reveille; de dagwacht van i—8 uur \'s morgens; het morgenschol In zeehavens, als sein om de havenkelens te openen.

Dianooa, f. gr. (didnoia) de denkkracht, het denkvermogen, versland;- dianceogo-nie, f. de leer van den oorsprong onzer begrippen; — dianooologie, f. de dcnkleer.


-ocr page 373-

DIANTHUS

DIAPTOSE

Dianthus, m. uw. lat. (\\iLii \'t gr. tlian-thïs, Iwoe hlocsenis hehlxMidc, lykelük of stork tiloolcnilo) Bot. do nURolbloem, nnjcr; anjctlci\'; — diathéën, f. pi. anjcttcrsoortcn; — dian-thóren, f. |il. iilantcn md twee tielinknopjcs op olkon mecldruart.

Diantre, tr. (spr didnlr\' cone cuplicinla-tlschc of vorzaclitoiido vervorming van illablo) duivel! voor den duivel! voor den duivel! wal duivel!

Dianucum, n. gr.-tut. (van \'t (.t. dia, »11, en \'I lat. mui:, gcnlt. nuris, noot) l\'harin. noten-conserf, uil notensap en lionld bereid; —dia-palma, diapalm, r. elg. palnisap; «ew. een saineiitrckkondo zalf uit boomolie, lood en zink.

Diapilsma, n. gr. (v. dta/idssein, lusschon-stroolen, bestrooien) welriekend slroolpoeder, kruldenpoeder.

Diapason, n. (spr. s=«) (tr. (clg. door allo, n. 1. snaren of tonen, van pSs, al) Muz. by de (trieken z. v. a. het octaaf-, tbans: de omvang van eene stem of oen speeltuig; bg de Frunsoben ook de stemvork; disdiapason, n. een Interval van twee octaven.

Diapedësis, f. (spr. t) gr. (van din-pgdSn, doorspringen, doordringen) Meil. tiet door-zweoten dos bloeds door de vuatrokken, bet bloedzweet, eene ziekte, die men vooral onder do rondzwervende wilden op de Cordilleras aantreft en die hij ben onder den naam van Malblazali-nat bekend Is; moor bijzonder verstaat men onder dll woord eene bloeding uil de huid.

Diapónte, f. gr. (v. pente, vyf) Muz. door vijf tonen gaande, de zuivere cpiinl; — dia-pontisare, lat. (fr. i/itin/cr) het voortschry-den door de qulnt.

Diaper, f. (sp. diapréa, fr. diaprée, van diapré, veelkleurig, bont, diapre, diaspre, jnspls, ook eene soort v. bonte stuf als Jaspis gekleurd, provene. diaspre, diuspe, sp. (tinspni, diuspero, 11. diaspre, mld. lal. diasprus, van \'1 lat. jas/lis, Jaspis, z. aid.) eene zeer welsmakende hartvormige spaanscbe pruim; —diaper, n. eng. (spr. ddi-eeper) gebloemd linnen, tafeldrll.

diaphaan, adj. gr. [diaphams, van dia-phainein, laten doorschynen) doorschUnend, doorzichtig; - diaphaneïteit, f. nw.lat. de doorzichtigheid; — diaphanipénnisch, adj. N. II. met doorzichtIge vleugelen; — diaphano-génisch, adj. gr. doorzlchllg makend; — di-aphanometer, m. I»hys. een doorzichtigheidsmeter, een werktuig om don graad van doorzichtigheid der lucht te bepalen; - dia^ phanometne, f. de kunst om de doorzichtigheid dor lucht te meten; — diaphano-rama, n. eene doorschUnende schlidery.

Diaphoonicum, n. nw.lat. (van \'t gr. dia, uit, en phoinix, dadel) l\'harm. eene sitk-artseny, waarvan dadels de tiasls uitmaken.

Diaphonêsis en diaphoma, f. gr. (v. dia-phunmn, uit elkander klinken) liy de (quot;.rieken oorspr.: de wanklank, valscbe toon, niet-eenstemmlglield, z. v. a. dissonance; on-eig. de oneenigheld, kwade verstandiiouding; In do nieuwere Muz. dlkwyis verwisseld mot dlpbonle, tweesteinmig stuk; — diapho-niek, fr.. z. v. a. diakustlok (z. aid.);— diaphönisch, adj. wanklanklg, wanluidend.

Diaphóra, f gr. (van dia-phérein, uil elkander dragen, -brengen; uitdragen, verschelden zyn) het onderscheid, de verscheidenheid; oneenigheld, twist; Log. de herhaling van hetzelfde woord, In denzelfden zin, in verschillende beteekonis; — diaphoresis, f. (v. diaphnrein, verspreiden, verdoelen) bet doorz.ypelen, door-zweelen; Mod. verdeeling, zvveetdryvlug, eene iiuiduitwaseming door zweet; — diaphore-tïcum, n., |il. diaphoretica, zweetdry-vendo geneosmlddelon; — dïaphorëtiseh, adj. uil waseming bevorderend, verdeelend, zweet-dryvend.

Diaphragma, n. gr., In \'t algemeen tus-schcn- of scheidsmuur (v. p/irdssein, omtuinen, versperren, afsluiten), luz. liet middelrif als schcldswand tnsschen longen, lever en de overige Ingewanden in het menschelijk lichaam; Bot. het middelschol in eene zaaddoos; ook hot blikken of bordpapieren tusschenschot In L-rooto verrokUkers om het overtollig licht af te weren ; — diaphragmalgie, f de mlddelrlfs-pyn; diaphragmatisch, adj. tot het middelrif liehooreiidc; diaphragmatitia of diaphragmitis, f. de middcirifsontsteking; — diaphragmatocéle, f. do middelrifs-breuk.

Diaphthöra, f. gr. (v. din-phlheirein, bederven) Med. het bederf, b. v. van de s|iys In de maag; het afsterven, de verrotting; — di-apthoroskophim, n. een werktuig lot onderzoek van het lucht bederf.

Diaphya en diaphysis, f. of dia-phyma, n. gr. (v. diaphyein, door- of tus-scliengroelen) Med. elg. het tusscbengroelen; b.v. van knoopen In den riethalm; de tusschenlaag in aardlagen; hel middelstuk van langere pyp-heendoren.

Diapldsis, f. gr., elg. vorming (v. plassein, vormen, de gedaante geven) Cbir. de herzet-iing van een ontwricht of gebroken lid; — diaplasma, n een papomslag (vgl. kataplas-m a); de zalving, Insmering, stoving van het ganschc iicbaiim.

Diapnóë, f. gr. (v. dia-pneïn, doorwaaien, ultdunipeii; vgl. pneuma) Med. de onmerkbare uitwaseming, vooral der long, vandaar ook het uitademen; licht zweet; diapnoika, n. pl. tiltwasenilng bevorderende, zachte zwcct-dryvende middelen.

Diaporësis, r. gr. (v. diaponm, in grooto verlegenheid zyn; vgl. aporie, enz.) verlegenheid, onheradeiiheld, twyfel, luz. als redekunstige tlguur.

Diapsalma, n. gr. tusscliengeznng, waarmede bei koor in de liturgie in het gezang van den geestelyke Invalt.

Diaptóse, f. gr {diuplusis, van diapiplein, doorvalleii; vgl. ptosis) Mod. een tussclien-


-ocr page 374-

DIAPYEMA 358 DIASTREMMA

val; Muz. tussclicnvnl, oon klelno vul op oone elndnool, hel horliulen der slolnool.

Diapyëma, n. of diapycsis, f. «r. (van liyf/n, door- of uiUMleren; vkI. pycsls) Mod. cenc vcrcllerlaK, inz. der loagen, de elterliorst; diapyëtisch, adj. ettorbevordorend.

Diarchie, f. gr. (v. i/i-, dulihel, en dnhein, heorselien) de rcKBoring van twee personen, de dulilielheerschappü; - diarch, m. een Iwce-heersolier.

Diarmm, n. lui. (van dies, das) elg. hel dugelüliselic (liü de Ouden de dagelUksche kost, inz. voor ile hulsliedienden); thans; een dag-hoek; kladhock, lid klad;--diana, f. (sell. febris) Med. eene dageiyksche koorts.

Diarrhódon, n. gr. (v. dia, uit, en rhódon, roos) l\'harni. roïokoekjes, eene toeliereiding, waarin roode rozen gehrulkt worden.

Diarrhoea, f. gr. (didrrhoia, v. diurrhein, doorvloeien), diarrhée, f. fr de buikloop, menigvuldige en vloeihare huikonllasling.

Diarthrösis of diarthróse, r. gr. ontleding (van dia arlhrorn, ontleden; het eene lid met hel andere verhinden, v. arlhron, lid) Anal, de tieweeglgke voreeniging van twee heenderen, het volkomen beweegbare gewricht; — diarthrotisch, adj. een gewricht vormend of daartoe hehoorend.

Diaschisis, f. of diaschisma, n. gr. (v. ilin-schidzein, splüten) Med. splutlng, schelding; Muz. interval, dat door de deeling van andere intervallen ontslaat.

Diasénna, n. gr.-arah. (v, \'t gr. dia, uil, en \'I nw.iat.-aruh. senna, vgl. serine) Med. een afdrijvend middel van senehladeren.

Diaskëüe, f. gr. (diaskme; diaskeuddzein, in orde brengen, schikken) schikking, bewerking; diaskeuast, m. kritlsclie omwerker van een geschrift, inz. van de gedichten van Homerus.

Diasöstiek, f. gr. (van diasoihein, redden) Med. de kunst om de gezondheid te bewaren, de gezondheldsbewarlng; — diasostika, n.pl. helioediniddeien, voorzorgen; diasöstisch, adj. behoedend, vóorkomend, reddend, z. p r a1-8 c r v a 11 e f.

Diaspasma, n. gr. (van dia-spdein, uit elkander trekken) de schelding, de pauze tusscben ■2 verzen van een gezang.

Diasphendonesis, f. gr. bel vaneenscheuren van oen misdadiger door twee met geweld bUoongehogen en vervolgens losgelaten boomen.

Diaspora of verkort diaspor, f. gr. (v.

dia-speirein, verstrooien) de verstrooiing; verschillende woonplaats, Inz. In \'l IN. T. do buiten Judeu verstrooide Jodon en Jodengenooten; In de hroedergetnecnle; verstrooid wonende leden; — diaspoor, n. een uil kleiaarde en water bestaand mineraal; — diaspórome-ter, m. een vverkluig om de verstrooiing der llehlslralen te bepalen, een liclitverstroolings-meter.

diastaltisch, adj. gr. (van dia-sléUein, vgl.

diastole) uttoongaand, scheidend; zich uit-breidend of verbreedend.

Diastasis, f. gr. (van di-isldnni, uiteen-staan; vgl. stasis) in \'1 algemeen het uiteenslaan, de scheiding; inz. Med. bel legenna-tuurijjk uiteenweken van onbeweegiyk mol elkander verbonden beenderen; - diastase, f. (naar fransche benaming) een in goklomdo gerst ontdekte stof, die de omzetting van hel zetmeel in dextrine en suiker bewerkt; - diastoma, li. do lusschenruimte, afstand; Muz., z. v. a. Interval; — diastomatisch, adj. Muz. lang aanhoudend, met tusschenrnlmle; — diaste-matolytne, f. de legennaluurUlke splitsing der vrouwelüke seheede in twee doelen; — di-astematie, f. de gespletenheid; — diaste-mateukophalio, f. de tegennatuurluke spiy-ling der hersenen; diastimeter, n. (een onjuist gevormit woord) een afslands- of vcr-beidsmeter, verteiuaat, uitgevonden door dr. Rommersiiausen, bestaande uit een met draden doortrokken verrekijker; - diastemato-choilie, f. de spiytiugder lippen; - diasto-matokaulie, f. Hol. de onnatuurlüke over-langsche spiyiing van oon stam; diaste-inatokramo, f. de legennaluurUlke splijling des schedels in het midden; — diastema-tokystie, f. de logennaluuriyko spiyiing der blaas; — diastematogastrje, f. de spiyiing iler liuikwandoii In het middoii; — dias-tematognathio, f de tegennatuuriyko spiyiing der kaken; diastematometne, f. de spiyiing der baarmoeder; — diastoma-tomyelïe, f. do spiyiing van het ruggemerg; — diastematopyelie, f. de tegennatuuriyke spiyiing van het bokken; — diastemato-rachie, f. do tegennatuuriyke spiyiing van de ruggograat; diastematorhinie, f. de le-gennaluuriyke spiyiing van den neus-, — di-astemastotaphelie, f. de logennaluuriyko spiyiing van de huig; diastematoster-nie, f. de tegeniiatunrlijke spiyiing van het borstbeen; — diastementerie, f. do tegennatuuriyke spiyiing van bet spysverterings-kanaal.

Diastole, f. gr. (van dia-sléllein, uiteentrek-ken, verdeelen) I) de uitrekking, verlenging van iets, Inz. Poöl. do verlenging van eene korio leltorgrocp tot eene lange, het omgekoerde der systole; 2) gr. Gram. hel toeken (\'), dal tol scheiding van onkllliscli sainenliangonde woordjes dient, opdat zy niet met andere gotyklui-dende verwisseld kunnen worden; 3) de uitzetting van liet hart en do bloedvaten om het lu-slroomende iiloed te ontvangen; z.y wisselt go-durendo het leven olk oogenblik met de samen-Irekking (systole) der deelon af; — dias-toliek, f. Muz. de leer van de lusnydlngen en verbindingon der muzikale periodon.

Diastrómma, n. en dias. róphe, f. gr. (van ilia-slré/ihein, verdraaien) de verdraaiing, verstuiking, verrekking; Inz. Med. de vertrekking der verlamde aangezichtssptercn naar de gezonde zijde.


-ocr page 375-

UICHOPH YIE

DIASTYLON

359

Diastylon of diastyle, n. nr. (van dia, door, uIIdoii, cn slfflos, zuil) Arch. Iiü de Ouden cene zoodmilRC pliiatslnft der zullen, dat deze driemaal verder van elkander stonden, dan de dlkle van Iedere zuil bedroeg.

Diasyrm, tn. nr. [diasymós, v. dia-symn, ulteenlialen, doorhalen) hel doorhalen, hespollen, hoonen, Inz. eene rhetor. Ilguur, die In de overmatlgo verkleining van een voorwerp he-staat, het tegendeel van de hyper hole; — diasyrtisch, adj. bespottend, smalend, hoo-nend.

Diatessaron, n. gr. (elg. [de samenstem-mlng] door vier, n.l. tonen; v. Ussares, vier) Muz. de zuivere quart (z. aid ); — diates-sonare, lat. (fr. quarter) Muz. In quarten voort-schrUden.

Diatheke, f. gr. (van diatilhémi, schikken) het verhond, het (oude en nieuwe) testament.

Diathesis of diathése, f. gr. in \'tal-gemeen Inrichting, toestand, Inz. Med. de Inrichting, gesteldheid, stemming des llchaams, ziokte-aanleg; vgl. dis pos II Ie en constitutie; — diatheses, f. pl. de zoogenaamde grotuizlekten, of de oorsprong, grond en aanleg \\an en tot do ziekten.

diathermaan, gr. (v. dia, door, en Hier-mainein, warmen) I\'hys. warmtestralen doorlatende (vgl. a therm a an); — diatherma-niteit of diathermatie (spr. Iie=tsie), f. de eigenschap der lichamen om warmtestralen in hel algemeen door te laten; — diather-mantio (spr. lie—lxic), f. de eigenschap om slechts zekere soort van warmtestralen door te laten, v. a. the rm oc h rose (z. aid.)

Diatiet, n. soort kleefdeeg of stopmiddel uil gomlak en lijn klezelzuur.

diatónisch, gr. {didtonos, zoowel doorklinkend als verschillend klinkend) doorklinkend, volgens de toonladder (In geheele lonen); ge-hoelc lonen belrelTeud; - de diatónische ladder of schaal, de voor hel toonstelsel aangenomen klankladder van li heele en 2 halve tonen lu een octaaf.

diatoom, adj. gr. {ilidlómos, doorgesneden) Min. naar eene zijde heen gemakkelijk deelhaar; ook twee aloomgewichlea bevallende.

Diatrêsis, f. gr. (v. dialitran, doorhoren) Med. doorboring, doorboordheld.

Diatribe, f. gr. (diatnhë, van dia-tribein, elg. Iljnwriiven; den tyd verdryven, zich met Iels bezighouden) de vertoevlng; de wüdlooplge geleerde uiteenzetting, sclioolscbe verhandeling, Inz. crltlscli strydschrlft; cene biltere, lievige crillok, betjj mondeling of In geschrifte; — diatribeeren, scherp hekelen, eene ullvoe-rige geleerde verhandeling schrijven; — dia-trimma, n. Med. ontvelling, Inz. der huid hy hot gaan, hot paanlrUden, de blikaars.

diatriteeisch, adj. gr. driedaagsch; — diatritariërs, m. pl. arisen, die door driedaagsch dieet alle ziekten willen genezen; — diatrite, f. bet driedaagsch dieet; — dia-tritos, f. de wederkeerlng der koorts op den derden dag.

Diatypösis, f. gr. (v. dia-lypoen, vormen; vgl. I\\pus) de verzinnelijking, het aanschouw-lijk maken door afbeeldingen, door (IguurlUke voorstelling, door voorbeelden.

Diaulus, m. gr, de ruimte van twee stadiën; Muz. de dubbellluit.

Diavolo, m. 11. (siir. —«\'«—) de duivel, een geliefkoosd vloekwoord der llallanen; — dia-volótti of diavolini, pl. Ital. (elg. duiveltjes, verklw. van diavolo) gekrulde koekjes, die eene wellustwekkende kracht hebben; gesuikerde anüskorrels.

Diaz, m. een spaansche geslachtsnaam of patronymlcum; zoon van Dlego.

Dib, m. arab. arahlsche wolfshond.

Diba, m. lurk. njke, met goud en zilver geslikte stof.

Dibaphon, n. gr. tweemaal geverfd purper.

Dibaptisten, m. pl. gr. (v. di-, tweemaal, en baptisten, dooper) eene tweemaal doopende secte der 9de eeuw in de Grleksche kerk.

Dibbelmachine, f. eng. (van dibble, Indompelen, galen maken, met den poolslok planten) zaaimachlne, welke gaten in den grond maakl cn de zaadkorrels daarin laat vallen.

Dibidibi, z. dividivi.

Dibrachys, m. gr. (van di-, tweemaal, en brachys, kort), z. v. a. pyrrblchlus (z. aid.)

dibranchisch,adj. gr. (vgl. bra n cb I en) N. II. met dubbele kieuwen.

Dicaciteit, f. (lat. diracïta.s, v. dicax, met bespolting sprekend) bijlend vernuft, scherpe zet; ook praatachtlgheld; spitsvondige redeneering.

Dicasterium, n., z. dlkasterlum.

die, cur hie? lal. zeg, waarom zijl gy hier; z. v. a. mensch, gedenk aan uwe beslemming!

Dicentarfus, m. mld.lal. (van \'1 lal. di-rSre, zeggen, spreken) een babbolaar, woordenrijk mensch; — dicentene, f of dicen-tiön, f pl. onnut gesnap, nleisbeduldende woorden.

dicephalisch, adj. gr. (van di-, tweemaal, en kephalc, hoofd) tweehoofdig; — di-eephalium, n. eene tweehoofdige misge-l)oo rie.

Dicérium, n tweearmige kandelaar in de gr. kerk, die do dubbele naluur van Christus moet aanduiden; — dicóriseh, adj. gr. (van di-, tweemaal, en kdras, hoorn) N. 11. met twee horens of voelsprieten.

Dichalcon, n. eene kleine oud-grleksche munt = ^ o h o 1 u s.

dichelypsopódisch, adj. gr. N. II. mei lange sterke voelen en gescheiden leenen.

Dichogamte, f. gr. (v. dieha, tweevoudig, en fidmos, paring, echl) elg. de dubbele echt; Bol. soorl van bevrucbling der planten, waarbij de gesiachtsdeelen zich na elkander ontwikkelen ; — dichogamisch, ndj. mei gescheiden geslacht sdeelen.

Dichophyie, f. gr. (v. dieha, tweevou-


-ocr page 376-

dichoptekisch

didekaKder

360

dig, gedoeld, en phycin, worden) elg. liet dub-lielworden-, vundiuir Med. de liaarsplUllng, eeno kwaal, waarhy de huren aan de iniiil vorks-wyzc gespleten zgn.

dichoptérisch, adj. gr. (van dicha, tweevoudig, on plerón, vleugel) met gespleten vleugels.

Dichordium, dichord, n. gr. (v. rfi-, tweemaal, en chordc, l. aid.) een twoesnarlg speeltuig, oen speeltuig, dat niet moor dan twee snaren heeft.

Dichoreus, m. gr., z. v. a. d11 roclueus (z. aid. en vgl. chorous).

Dichotomie, f. gr. (van dicha, tweevoudig, en témncin, snyden) de verdeeling in tweoon, vgl. dualisme; do half verlichte maanschijfs do gaffelvormige verdeeling der lakken; — di-chotömisch, adj. tweedeelig; galfelsgewUze verdeeld; half zichthaar; — dkhotomus, a, um, lat. Hot. gegaffeld.

Dichroisme, n. gr. (van di-chröos, tweekleurig) tweekleurighold, tweevoudige kleurwls-sellng; — dichroïet, n prismatisch kwarts, watersalller, eon minoraal, dat hy het door-heenzien in verschillende richting verschillende kleuren toont, z. v. a, pelioom; — dichró-\'iach, adj. tweekleurig, tusschen twee kleuren zwevende; — dichromatisch, adj. tweekleurig, wat hy geiyke chemische gesteldheid en vorm onder verschillende omstandigheden twee verschillende kleuren toonl; — dichros-kopische loep, f. door Haidinger uitgevonden vergroei glas om de verschynselen van het dlchroïsme zichtbaar le maken.

dicibel, adj. nw.iat. (v. \'tiat. dtcüre, zeggen) zegbaar, uitspreekbaar; — dicibüla, n. pi. lat. sprookjes; — rfids causa of rfids i/raïïa, lat. om Iets te zeggen, om er maar af te z.yn, kwansuis, welstaanshalve; — dioitor, m. nw. lat. de spreker, redenaar.

Diclinie, enz., z. dlkl—.

dicta, z. ond. did us.

Dictamnus, m. lat. (gr. diklamnos) es-schenkruld, een gewas, dat vele soorten lelt; inz. een pün- en bloedstillend geneeskruid.

dicteeren, lat. (dictarc, elg. herhaaldeiyk zeggen, frequentatief van diccre, zeggen) in de pen zeggen, voorzeggen om na te schryven; voorschryven; loewyzen, opleggen, b. v Iemand eene straf dicteeren; — dictamen, n. nw.lal. de Inneriyke aandryving; — dicldndn, door voorspreken, vóórzeggend, In de pen gevend; — dictaat of dictatum, n., pl. dictata, het tol naschryving voorgezegde, de op het hooien nageschreven stukken; — dictatio (spr. lie—/.tie), f. (later lat. diciatïo, het In de pen zeggen, het voorzeggen ter naschryving), gew. het dicteeren; — dictator, m., fr dic-tateur, de opperste regeeringspersoon, die by dringende oinslandlgheden in den oud-rom. staat werd benoemd; onbepaald gezaghebber In dagen van gevaar;—dictatörisch, adj. gebiedend, als machlliebbend, op bevelenden toon; — dictatuur, f. (lat. dictalüra) de macht en waardigheid des dictators, des oppermachlbeb-bers; in hel dullsche ryk: de wyze, waarop eene zaak wetteiyk Ier kennis van den ryks-dag gebracht en zy een voorwerp der beraadslaging werd.

die lux, m. lat. {did us, deelwoord van dictre, zeggen, benoemen, verklaren) de genoemde, gezegde, bovengenoemde; — dicla sponsa, f. de verloofde, toegezegde bruid; — dicli mint, In het gezegde jaar; — diclo die, op den genoemden dag; — dictum, factum, zoo gezegd, zoo gedaan; — diclu, te zeggen, b. v. horribile dictu, verschrlkkeiyk om le zeggen; — dictum, n., pl. dicta, eene spreuk, uitspraak, eene plaats uil een geschrift; dictum biblïcum, eene bybelplaats; d. classïcum, eene hoofdspreuk\' hoofdstelling; d. de omni et nulla, gevolgtrekking uit het algemeene lol het byzondere; d. probans, eene bewysplaals (pl. dictu probanda)-, dicta séptem sapiéntum, de spreuk der zeven wyzen; -diclu testfum, pl. de ullspraken der getuigen; — dicterium, n. een schimpwoord, stekelige rede, bytende scherts, spotrede; — dicteriën, pl. geestige gezegden of invallen; — dictie (spr. lt;=s). f. (lat. dictto) de byzondere wyze van ulldrukking van eenen schryver; de byzondere wyze van voorsleliing in woorden door de rede; de wyze van uitdrukking, de uitdrukking; — dictionnaire, m. fr. (spr. di-ksjnnér\': nw.lal. dictionartum) een woordenboek, verzameling van ai de woorden eencr taal, eener kunst, welenschap, enz., In alphabetlsche orde gerangschikt; dictionnaire de poche, fr. (spr. —pósj) een zakwoordenboek; — dic-tionnarist, m. uw.lal. eeu woordenhoek-schryver.

Didacus m. mld.lat. (It. IHdaco), z. v. a. I) I ego.

Didaktiek, f. gr. (van didaktikós, c, (in, lot het onderwys behoorend, loerend, v. didn-skein, loeren, onderrichten) de leerkunst, onder-wyskunst, d. I. leer van de Inrichting en leiding van het onderwys als middel lot ontwikkeling van den geesl; — didaktïcus, m. een onderwyskundlge-, een leerdlchler-, — didak-tisch, adj. leerend, onderrlchlend; — didak-tische poëzie, do poüzle, die wetenscbap-peiyke of afgetrokken onderwerpen behandell, het leerdicht; — didaktrum of didak-tron, n. leergeld, leerloon; — didaakalia, f. gr. (didaskatia) leering, onderwyzlng; pl. didaskaliën, leeringen, onderrlciilingen, ophelderingen, kenmerken, leekens, bewyzeu; by de Grieken: opvoeringen van tooneelstukken en de te Athene daarover gehouden aanleekenin-gen; — didaskalisch, adj. leerend, onderrichtend; bewyzend, ouwederleghaar, z. v. a. ap od I k 11 sch.

didakt^lisch, adj. gr. (van rfi-, tweemaal, en daktj/lns, vinger) N. II. tweeteenlg (van dieren, welke twee teenen aan eiken poot hebben, tot deze afdeeling behooren b. v. de tweehoevige of herkauwende dieren, de os, het schaap, de geil, enz.)

Didekaëder, n. gr. het dubbel llenvlak.


-ocr page 377-

DIDftLPHYS

364

D1KTKHIS

liiz. als kristalvorm; — didekaedrisch, iidj. dubboltlenvlakklg.

Didelphys, f. nr. (vgl. dolphys) Mod. dubliclc Imarmoedor; N. H. Iict liuldeldlcr; — didólphisch, adj. met dubliclc haarmoeder.

Didodekoëder, n. gr. hol dahhel Iwaalf-vlak; — didodekaëdrisch, adj. dubbol-twaaUvlnkklg.

Didóron, n. gr. oone maal vaa twoo hand-broodtcn.

Didraehme, f. gr. ecno duhbolo dra clinic (z. aid.)

didueeoron, lal. (tli-ducgre) uit olkandor trokken, vordooloii, scheiden; — didüctie (spr. (=s), f. (iat. diductfo) dc uitrokking, schelding, afïondoring dor deelen.

Didymalgio, f. gr. pUn in do toelhailon.

did^rnisch, adj. gr. (didj/mos) dubbel fje-paard; — didymokarpisch, adj. N. M. mot gepaarde vruchten ; did^mos of didy-mus, m. de tweeling, de tweolingbrooder; pl. didymi, ook de holde teolhalien; hot. tweo verboaden zaadlobben; — didymium, n. twooiingsmotaal, oen door Mosandor in het co-rlol oiddekt metaal, van cerium on lanthanium bUna niet Ie onderscheiden.

didynamisch,adj. gr. {vgl. d y n a m isc h) dubbel- of twoomachtig; — didynamia, n. pl. Bot. tweomachtlgc planten, met vier meeldraden in eene twooslachtige bloem, waarvan twee langer zyn; do tide klasse In het stelsel van L.

Dioderik, Diderik, z. Dirk.

Diëot, n. (van \'t gr. diaila, leven, levenswijs, ook woonplaats, lat. diutia) do levensre-gollng, levenswijze, gezondheidsverzorging, do niaathoudlng In spils en drank, in slapen en waken, In beweging en rusl, zoo in licliame-Uik als geosteiyk opzicht; inz. de door den geneesheer voorgeschreven lovenswyze, vandaar ook zlekekosl, magere spys; —diëtetisten, m. pl. oeno klasse van goneesboeron, welke by de bohandellng der zieken alleen o|i don leefregel acht govon;— z. ook dia?la, enz.

Diegësis, t. gr. (van di-eqêislhai, vertellen) liet verbaal, do samenhangonde verlol-llng; — diegötiach, adj. verhalend, ontwikkelend.

Diégo, m. sp. mansnaam, ontslaan uit Sunl Vago, bollige Jacobus.

dies, m. en f. (pl. dies) lat. de dag; Jur. de rechtsdag of termyn, do dagvaarding; rft\'es(iim dorel, de eene dag Is de leermoostor van den anderen, of: komt tyd komt raad; — diem per-didi, lal. Ik heb myn dag verloren (gezegde van Tltus, als hy oen dag had laten voorby-gaan zonder wol te doen); — dill hodiérno, op den dag van beden, op don huldigen dag; de hodiérno die, van of op den huldigen dag; sub hodiérno die, onder den dag of datum van boden; ii die (insinualionis, recepli), van den dag (dor Indloning, der ontvangst) af; mi diem dictum, Jur. op den bepaalden of vastgostelden dag; ante diem, vóór den dag, vóór don tyd;

— ad dies vitae, levenslang, voor het gansche loven; dies ahsolutiönis, de goede Vrydag (als dak\' dor vrysproking van kerkelijke straiïen); dies aler, cIk. een zwarte dag, d. I. een ongeluksdag; dies cunieulares, de hondsdagen; dies redens, Jur. het tydstip, waarop voor ons een recht ontslaat; dies renïrum [sarrörum], Kath. aschdag, asebwoonsdag; dies compelendum, do witte Donderdag, als do dag van liet onderzoek der catechuinon (com p etenles); — dies ron-serra/i, aan God gewijde dagen, Inz. do kersl-dagen; dies criCtrus, Mod. een beslissende, gewichtige dag, Inz. In ziekten, b. v. do 7de, Ode, tide, IKde en ilsle dag; dies deposiliunis, de begrafenis- en sterfdag van eenon martelaar; dies faslus, eig. een dag, waarop gesproken mocht worden; vandaar; een rechlsdag; dies faustus, een gelukkige dac, «oluksdan; dies indulgeiiïïae, do wille Donderdag (als dat\' der wederopneming van de boetedoenors in do kerkgemeenschap); dies inlerralSris, een Ingolaschle dag, schrikkeldag; dies irae, dies illa, d. 1. dag des toorns, die dag: denaam van oeno der scboon-sle clir. hymnen, welke een deel van bet re-qu lom (z. aid.) uitmaakt, das geheeten naar de eerste woorden van dat gezang, dat het laatste oordooi schildert; dies lequlis, de burger-lyke dag van Si uren; d. lucis, do dag des lichts, Paschen; ilies nutalix, geboortedag, sticli-timisdag (van boogescboien, enz.); dies nnlurü-lis, de naluurdag, van den op- tot den ondergang der zon; dies nefdslus, een dag, waarop geene rechtszitting mocht gehouden worden; ook: een ongeluksdag; diesrelifiiusus, een rouwdag, oen treurige herdenkdag; een dag van kwade voorspelling; d. salularis, de dag des hells, z. v. a. goede Vrydag; dies sancli, heilige dagen, de gansche vasientyd; dies saxonfeus, saksischo termyn van iü dagen; dies solutionis, Jur. ile vervaldag van eenen wissel, betaaldag; dies ve-nfens, Jur. bot tydstip, waarop een recht geldend kan gemaakt worden; dies viridfum, do wille Donderdag; — diëten, pl. mid.ial. (diela, dagloon) daggelden, teergelden; jaargelden, die een ambtenaar in stede van elgoniyke vaste bezoldiging, of als kostenvergoeding, schadeloosstelling voor huilengewone verrlciilingen ontvangl; ook de vergaderingen van afgevaardigden, enz. (z. dia\'ia); — diëtarms of diëtist, m. inid.lat. een daggeldtrekker, een bediende of beambte, die daggeiden trekt; Inder. kalh kerk: een geesteiyke dienaar, die den morgendienst verricht.

Diesis, f. gr. (van di-iénai, doorlaten, week-maken) Muz. bet verschil lussclien den groeten en den kleinen halvon toon, oen vierde loon; in\'t algemeen: iedere geringe toonveranderlng; ook (fr. dièse, m.) het kruisje vóór eene noot

(#) om haar een halven toon te verhoogen.

Diëten, diëtarius, z. oud. dies.

Diëtëris, f. gr. {dielèris; van rfi- en étns, Jaar) een tyd van i jaren; — diëtêrisch, adj. tweejarig, bieanaal.


-ocr page 378-

DIFFRACTIE

DIËTIST

Diëtist, z.. onrt. dl os.

Dieu, m. fr. (spr. iljeu, vnn\'tlal. Deus) (lod; tuon Uieu: niijn (lod! lieve hemel! ;)«;• Dieu, hij God! Dieu el mon droit, fr. (spr. Djeu e nmii drod), Clud en myn recht (de spreuk der cnp. kroon); l\'/inmme /irnpoxr el Dien dispose (spr. lóm prnpooz\' i\' djeu dies/ioot\'), de menscll wlkl en (gt;od liosehlkl.

di fnllo, II. Inderduad; op hccterdimd.

Diffa, f iirah. nicialtüd lol onlhaal van aan-komende caslen.

Diffalco, in. II. (v. di/falcare, fulcare, fr. dé-falquer, aflrckken, afkorten, mui \'I oiidhootfd. fdlqan, heroovon, aftrekkon) Kmt. de aftrek, het raliat van de hoofdsom; — dilfalcatie (spr. I=ls), f. de aflrekkliiu, rahattcerlnR.

diffameeren, lat. {diffamare, van dis- en (uma, z. aid.) in opspraak hrenffen, lielasteren, schundvlekken, schenden, eerrooven, zwart of verdacht maken; — gediffameerd, adj. geschandvlekt, In opspraak (.\'eliraclit; — difia-maat, in. (lat. diflimalus) een helasterde, «e-schandvlekU\'; — diffamant, adj. en adv. las-teriyk, eciTOovend; diffamatie (spr. I=ls), f. iiw.lat. de eerroof, smaadrede, laster; - dif-famator, lal. of diffamateur, fr. m. een lasteraar, schender, eerdief, eerroovcr; — dif-famatorisch, adj. eerroovend, lasterend; — diffamie, f. de eerkwetslnc, hesclilniping.

differeeren (van \'l lal. dijfirre, elft. uil elkander hrenucn, fr. différer), verschillend z(|n, afwykeii; uitstellen, verschuiven; differend, n. fr. (spr. (/i/wri/i) stryd, twist, geschil, onoenlK-held; de betwiste zaak; — differént, m., z. v. a. deferent (z. aid.); als adj. lat. (dijfr-rens) verschillend, onderschelden, ongeiyk; — differéntie (spr. /=lt;«), f. (lat. di/ferenffa, fr. différence) liet onderscheid, verschil, de on-(teiykheid, afwykinn, versciieldenhcid; differentie-handel, m. een liandel met ell\'ec-len, waarhy deze niet werkelijk geleverd worden, maar alleen de gerezen of gedaalde waarde daarvan ontvangen of vergoed wordt; — dif— feréntie-botaling, f. de ultholaling over i lieloop der gedaalde waarde van eiTectcn; — differentiaal (spr. /i=/si), n. nw.iat. Math, het oneindig kleine deel, de oneindig kleine aangroeiing van eone eindige, veranderiyke grootheid ; dilferentiaal-lamp, f. (fr. Inmpe di/ferenlielle, eng. differenliui lump) electrische lamp, waarhy de regeling van den lichihoog door de dilTercntiiiaiwerking van twee stroom-lakken verkregen wordl, welke onislaan door verdceling van den eleclrischen stroom; — differentiaal-rekening, een tak der wiskundige analysis, door Leihnltz uilgevonden, he-slaande In liet nagaan van de hetrekking der aangroelingen van twee veranderiyke en van elkander afhangende grootheden, op liet oogen-hlik, dat de aangroeiing verdwijnt of geiyk nul wordt; — differentiaal-tarief, n. liet stelsel in de herekening der spoorwegtarieven, volgens hetwelk, hij vervoer van groote hoeveelheden (koren, hout, steenkolen, enz.) hy toene-menden afsiand de tarieven proporiioneei steeds kleiner worden; — differentiaal-thermometer, m. een duhiiel gokromdn glazen huis, die In twee met lucht gevulde hollen eindigt en waarin gekleurd zwavelzuur, hy gering wiirmteverschil der heide glazen hollen, naaide eene of andere zyde gedreven wordl; — differentiëeren (spr. li=lsi), dat oneindig kleine deel eener oneindige veranderiyke grootheid vinden of berekenen; — differéntio-meter (spr. ti=tsi), n. een werktuig om den diepgang van een schip te meten; - diffe-rentlame, n., z. v. a. determinisme (z. aid.);- differentist, ?.. de term luist. Diffessie, z. ond. diffitceren. difficiel, adj. (lat. dilficilis, e, van dis-, z. aid., en /ïict/is, gemakkeiyk, fr. difficUe) moel-lyk, lastig, zwarigheden innken, h. v. een difficiel mensch; hezwaariyk, gestreng, knorrig, eigenzinnig, wonderlgk ; (liffici/e esl salïram nou scribere, lat. \'t valt moeilijk |hy \'t bomer-kon van deze of gene groote dwaasheid] niet eene satire daarop te schrijven, zgiieii spotlust te onderdrukken; — difflculteit, f. (lal, dif/i-rul/as) de zwarigheid, liedenkiijkheid, moeliyk-heid, hindernis; — een difflculteitenma-kor, een man, die alierioi zwarigheden op-werpt; — difïlculteeren, uw.lal. zwarlgiieid maken, bemoeilyken, allerlei liedonkingen opperen ; - difflculteus, adj. (it. di/ficolloso, fr. di/ficuUueua:) vol zwarigliedeii.

diffldeeren, lal. (di/fidére) mislrouwon, wanlrouwen, twijfelen; — difïidéntie {s|ir. l=/s), f. het wanlrouwen, mistrouwen; — dénier, adv. met mistrouwen; — diffldatie (spr. lie=tsie), f. uild.lal. (II, disfida of sfidu) de aankondiging dor veelo, uildaging.

difflndeeren, lal, [diflindere) spiyien; Jur. een proces afbreken en lot den volgenden dag uiistellen; — difflssie, f. (lat. dilfisfo) de spiy-tlng; Jur. hel ulisiel.

dililteeren, lal. (dilfitêri; van dis- ou falcri, heiyden) niet willen loeslemmen, oni-kennen, loochenen; — difféssie,f. nw.iai. de loochening, ontkenning; Jur. de gerecbleiyke verklaring van de ougeidighcid of onechiheid eener oorkonde, enz.; — dilfessie-eed, m, (dijfesslo jurala of juramenlum diffessorlum ■. vgl. Ju ra ment) de loochening van een feil onder code, inz. de ontkenning van een liand-schrlfl of enkel van de onderteekening, dat is van de eebtbeid der sciiryileiiers,

difflueeren, lat. idifHaére) vervloeien, zich oplossen; — difïluént, adj. (lal. diflluens) vervloeiend ; opgelost; — diffluéntie (spr. I=ls), f. nw.iai. bet vervloeien, de oplossing.

diffórm, adj. nw.iai. (fr. di/forme) wan-stailig, mismaakt, leeiyk; difformeeren, misvormen, onkenbaar maken; difformi-teit, f. de wanstaltigheid, lulsvormdheld, mismaaktheid.

Diffractie (spr. l—s), f. uw. lat. (vgl. fractie) de straalbreking, Imiging des iicliis, of de afwyking der iiciilstralcn vaa haren rech-


-ocr page 379-

DIFFRINGEEREN 363 D1GYNIE

ton W(% uls hut In lt;lc nuliyiicld van oen ilon-kor Iti\'lmam komt (ecne wiiarnomliiB van (Irl-maldl).

dififringeeren, lal. [dilfrinqSn) uit elkander broken; — difltHngént, adj. (lat. di/frin-liens) ulloenbrokond.

diffugGGi\'en, lat. (dilfuqvre) nit elkander vluchten, vorloopon, verdwijnen; — diffugl-um, ii. de vlucht naar alle zijden.

difFimdoeren, lat. (.diffundere ■. van dh-lt;»11 fundere, gieten) uitgieten, uitzetten, ulthrel-den, verbreiden, wUdioopijr zijn; verkwisten, vorsplllon (h. v. geld en goed); ook don wijn in vaten doen; — dilTusamente, il. Muz. verward, met verandering van maat, langzamer en broeder voor ie dragon; — diffuus,adj. (dilfiism, n, urn) wUdioopig; verstrooid; — dif-fusus, n, urn, lat. hoi. wijd uitgespreid; — diffusibel (spr. S=J), nw.lal. snel, maar vluchtig workzaani; — diffusie, f. lat. {ilif-fusto) de iiilgielliig, uitbroiding, vordeeiing; do wUdloopiglieid in spreken en schrUvon; de we-(lerziidscho iloorrtringing en vermenging van verscheiden gassen en vioeistoiren -, — diffusie-procédé, n. een In IKii\'i door Hobort by de sulkerfabrlcalie ingevoerde, op de osmose (z. old.) berustende wijze om sap Ie winnen uil zeer dunne sneeijes beetwortel; diffusio-moter, m. lat.-gr. een toestel, bestaande nit dunne vilesjes eaoulcbouc, om door middel daarvan de doordriiigingssnelheid der gassoorten te meten, uiigevonilen door dr. Mitcheli te New-York.

Digamie, f. gr, (v. ndmos, echt) de tweede echt, iiol Iwocdo huweiijk na den dood van den eersten ochtgenooi.

Digamraa, n. gr. (d. i. dubbelgamma, volgens zijn vorm F) eeno leller in hot oudste gr. alphabet, die ais w werd uitgesproken.

digdstrisch, adj. gr. (van unster, huik) Anal, tweebuikig, van spieren gebezigd, die als bet ware twee buiken hebben.

Digonie, f. gr. de voortbrenging door paring. Digoniet, n. soort van kopererts. digereeren, lal. (ili-qcrere) eig. uileendra-gen, scheiden, Indeelen, ordenen; verdoelen, oplossen, verteren; Chem. eeno zelfstandigheid onder den invloed van warmte, die niet het kook-punt bereikt, verdunnen, verdoelen, om er de oplosbare boslmiddcelen nit af ie schelden; verleren (liet voedsel); verkroppen, h. v. oene be-leediglng-, — digoreer-iiiachine, f. (fr. machine a dtgérer), z. \\. a. pa pin ina n sche pol (z. aid.); - digerentia (spr. 1=1.1), n. pi. Med. verdeelende middelen; —digésta of digósten, n. pi. een in afzonderlijke afdee-lingon gesplitsle verzameling van geschriflen; de in hoeken, liiels en paragrafen ingedeelde groote verzameling van fragnienien nil de ge-schrlften van oudere rom. rechtsgeleerden, ook pandecten genoemd, welke op last van keizer .tusiinianiis in orde is gebracht, z. corpus juris; digestibel, adj. (later lat. digeali-lïtlis, e) verleerbaar; - digéstie, f. (lal. di-gesCto) de spljsvorterlng, oplossing; Chlr. de bevordering van de ettoring; Choni. de verweeking of nitzetling van eene met vocht overgoten slof onder Inwerking van eene zachte liltle in eenen digereeroven; - digostiéf, n. nw.lal. een verleringsmiddei, een middel, dat de spUsvertering bevorderi; ook een middel, dal de ottering bevorderi; — digestief zout, z. sa/ digesdvus; digéstor, m. Chem. een pa-piaiaansebe pol tor bereiding van lieender-ge-lei; — digestorium, n. nw.lal. in cliemlsche fabrieken, laboratoriums, enz. een door heel water of gewooniyk door stoom verwarmd kook-toestel.

Digger, m. eng. (v. dig, graven) graver, inz. goudzoeker In Australia, enz.; — digging, f. gouddeiving, goudveld.

digitaal, adj. M. (digildlis, e, van digitus, vinger) de vingers en teencn betreifonde; — digitalis, f. nw.lat. Hoi. liet vingerboeds-kruid, eene geneeskrachlige plani; — digita-line, f. Chem. hot alkaloïde, verval in iiei vingerhoedskruid; — digitaria, f. vingergras;

— digilatus, a, urn, lal. Bol. gevingerd (b.v. de bladeren der kastanje); digitata, |ii. gevingerde dieren, d. i. zoogdieren mei vrüe 1 eenen aan de poolen (volgens Klumonbach); — digitus, m. vinger; — digitatie (spr. (ie=lt;sie), f. nw.lal. vinger- of landsgewyz.e uaniiechiing;

— digitifólisch, adj. Hol. mol gevingerde bladeren; digitigraden, m. |)i. N.ll. teen-tmlers, dieren, die op de toppen der teenen ionpen; —digitium (spr. ti—M), 11. nw.lal. Med. eene vingerzwoer, de fyt.

Diglyphe, diglyph, m. gr (vgl. g I y p h) Arcb. eene duliiiolkloof, een sieraad in de gedaante van steunsol der kornis legen de dori-sciie fries, met twee Inspiyiingen.

Digniteit, f. lat. {dignfta/t, van dignus, a, urn, waardig) de waardigheid, hoogheid; het eerambl; z. ook potentie, ond. polent; — dignitaris, m. een waardlgheiilsbekiecder, de boziiler van een hoog staats- of bofamiit, van oeae geesielijke waardigheid.

dignus est intntrc, lal. by is waardig binnen te komen (ontleond uit de klucliligo ceremonie in Mollére\'s Malade imaginaire en spottend gebruikt iiy lie ioelaling van iemand in een cor-poratie, enz.)

digönisch, gr. (van di-, duiibei, en ttunia, hoek) tweeiioekig.

digr0deeren,iai. idigrPdi, v. (lis-Cl) grudi, slappen, gaan) uiteengaan, heengaan, afwyken, Inz. in de rede; - digréssie, f. (lal. digres-sto) eene uil weiding, afwijking van de hoofdzaak; l.og. een uitstap of omweg; Aslron. (nok eio nga lie), de grootste afwyking van eene der beide beneden-pianelon Venus en Mercurius ten opzicble van de zon, of de grootste hoek, waaronder zy ten aanzien der zon gezien worden; nok uitspatting, buitensporigheid; lus-schenspei,

Digynie, f. gr. (van gync, vrouw) twee wyvery; Hoi. orde van planten met iwee stam-


-ocr page 380-

DIHEPTA PODISCH 364

DILATIE

perljcs, twccslUltgo ijinntoii; — digynisch, ikIJ. IwcewyvlK, twee vrouwon hobbond; met twee stampertjes voorzien.

diheptapódisch, iulj. ftr. vocrtlenvoetlg;

— dihexaëder, n. dubbel-zesvlnk, inz. als kristalvorm; - dihexaëdrisch, ailj. dubbol-zesvlakklR-, — dihydrisch, adj. dubbel-wa-terstoltlg.

Dihkiin, m. perz. vrye grondeigenaar, lid van den (rrondbezlttenden perzlschen adel. Dii, Diis, enz., z. ond. Deus. Dijambus, m. gr. (vgl. jambus) Poet. een dubbeljambus, eene voetmaat van vier lettergrepen, uit twee jambon bestaande ( ——

--), b. v. verga do rz a a I.

dijudiceeron, lal. {dyudirare) [beoordoe-lend] beslissen, uitspraak doen;dijudica-tie (spr. I=ls), r. (lal. ilgiulicaCfo) de beslissing, uitspraak; dijudicator, m. nw.lal. de beslisser, beoordoelaar.

dikarpisch, adj. gr. Hol. mei dubbele vrucbtcn.

Dike, f. gr. {dike) recbl, gerechtigheid; Myth, de godin der gerecht igheid; z. ond. The mis;

— dikcearchie of dikreokratie (spr. /= Is), f. de heerschappU van \'1 recht, de reebts-staat (het tegengest. van despotic); — di-kseologio, f. (van dikaios, rechtvaardig) de rechtsleer-, — dikseopolitiek, f. rechtvaardige staatkunde; — dikastermm, n. (gr. di-knslirion, v, dikddzein, rechtspreken), pl. di-kasteriën, een hoog gerechtshof, rechtbank, vierschaar; — dikasteriaal-tafel, f. in Hongarije een gerechlshof, waarop van de co-mitalen geappeleerd wordt.

Dikerion, z. dicerium diki, adj. russ. wild; diki kom, «wilde geilenquot;, herten; diki loschadi, wilde paarden.

Dikir, jav. soort van godsvereering in den hul. archipel, daarin bestaande, dat mannen en vrouwen zich vereenigen en onder het aanhoudend slaan op een Inlandsche trom en het aanhoudend geroep van «er is geen God dan Allahquot; het lichaam gedurig heen en weer schudden, totdat sommigen in een staat van vervoering geraken en, na allerlei sprongen en kronkelingen, onder hevige stuiptrekkingen bewusteloos nederzügen.

Diklinïe, f. gr. Bot. eene klasse van planten met gescheiden geslachlsdeelen, de vijfliende of iaalste klasse in het stelsel van Jussieu; — diklinisch, adj. met gescheiden geslachten;

diklinoedrisch, adj. met twee stompe en een rechten hoek (van kristallen).

Diklis, f. eig. dubbele deur (van klinein, aanleunen); vandaar; klapvlies, va 1 vu la (z. aid.)

dikokkisch, gr. (rftftofcfcos) met dubbele kern.

Dikölon, n. gr. (vgl. k o I o n) of diko-liach gedicht, n. een gedlehl, dat uit twee-eriet verssoorten bestaat; —dikölisch, adj. uit tweeërlei verssoorten bestaande.

Dikotyledólien, pi. gr. (van kolyledón, holte, hol knopje) Hot. eene plant met tweelobbig zaad; — dikotyledónisch, adj. zulke planten bel rellende, daartoe behoorende; dubhel-of 1 weelobbig.

dikrótisch, gr. (van krolc-in, kloppen) Mod. dubhelslaande (van den pols), de onregelmatige beweging der slagader, waarbU twee slagen snel op elkander volgen.

Diktyitis, f. gr. (van diktyon, nel) Med. ontsteking van het netvlies van het oog; — diktyódisch, adj. netvormig; — diktyo-karpisch, adj. Hol. met netvormig overto-gen vruchten; — diktyophóren, m. pi. notvechters, eene soort van kampvechters bü de Ouden; — diktyoptëra, n. pl. H. IN. de netvleugellgen; — diktyorhizisch, adj. Hol. met netvormig overdekten wortel.

Dikpenningen, m. pi. de aan weerszijde gemunte geldstukken, die in de middeleeuwen in zwang kwamen, zoo genoemd In tegenstelling mei debracteaten (z. aid.). Later werden van vele munten stukken van drie- of viervoudige waarde geslagen, die men ook door het voorvoegsel dik onderscheidde, b. v. dikdaalders of dubbele daalders, enz.

Diktynna, f. Myth, de godin der jacht. Diana.

dilacereeren, lat. {di-kicerare, vgl. Iace-ree ren) Ghtr. verscheuren, met geweld scheiden; — dilaceratie (spr. l=ts), f. de van-eenscheuring; gewelddadige scheiding.

dilapideeren, lal. (di-lapidare ■ van lapis, steen; eig. als steenen uil elkander werpen of verstrooien) doorbrengen, verkwisten, verdoen-, — dilapidiltie (spr. I=ls), f. de verkwisting, onnoodlge vertering, verspilling; — dila-pidator, m. nw.lal. een verkwister.

Dilapsie, f. lat. (dilapsto) verval, verwering, dilateeren, lat. [dilalare, v. latus, breed) uilbrelden, uitzetten, verwijden; — dilatabel, adj. nw.lal. ullzetbaar, rekbaar; — dilata-biliteit, f. de ultzethaarheld, rekbaarheid; — dilatant, n. het verwijdingsmiddel; — dilatatie (spr. lie=lsie), f. de uittrekking, ull-hrelding, verwijding; — dilatatorium, n of dilatator, m. Chir. een werktuig om de lippen van wonden te scheiden, openingen le verwijden, enz., een verwUdingswerktuIg; — dilatometer, m. uitzettingsmeter, een toestel om de uitzetting van vloeistoffen bü verwarming te bepalen; dilatalus, o, urn, lal. Bot. verbreed, in verhouding zeer breed.

dilatie (spr. l=ls), f. lal. (dilaffo, v. dif-ferre, uiteendragen, scheiden, verschuiven) Jur. de verschuiving, vertraging, het uitstel, de ter-myn, de verlengde tyd; dilalfo ad exciiiiéndum, de tijd, binnen welken de klachten moeten ingediend worden; d. dilalona, de tijd van de dagvaarding lot aan den lermlln; d. convenlio-nalis, dooi- overeenkomst der pariyen verleend uitstel; d. definilorfa, besllsslngslermyn; d. di-judicalorïa, de Igd tot nakoming van bet hu vonnis opgelegde; d. dilalnrfa, onnoodlg uitstel; lt;/. judicidlis, door den rechter bepaalde lerniyn; d. legalis, door de wet zelve gezette lermyn;


-ocr page 381-

D1LÉCTIE 305 D1MICATIE

lt;/. peremtorfa, do laatste lerinyn, liet laatste uitstel; cl. praeparalona, de voorliercldlngstyd, do tyd, waarin men zich tol eone verdediging kan voorbereiden; d. probatorta, de tyd tot be-wyzen gestold; — dilator, in. een uitsteller, vortrager; — dilatorïum, n. oen bevol tot uitstel; — dilatörisch, adj. (fr. dilutoire), vertragend, uitstellend, verschuivend, wat uil-stel len doel heett; eene dilatonsche oxcéptie, f. eene vertragingsultvluchl, die eenlge voorloopige punten vóór de hoofdzaak wil behandeld hebben; in tegenst. met de peremptorlsclie, z. exceptie oud. ex-c 1 p IB e r o n.

Dilóctie, f. (spr. lt;=.s) daler lal. dilecffn, v. diligere, beminnen) de liefde, toegonegonhcid.

Dilemma, n. gr. (v. di-, dubbel, en Icim-bdnein, nomen, vallen) Log. eene iweoiedige sluitrede van disjunctieven vorm, een dubbel-bewys, wlsselslullrede, een uit twee stellingen getrokken besluit, waarvan elk In hel byzoador de tegenparty vangt en wederlegi; men noemt het ook gehoornde sluitrode [coriu/lus syllogis-mus), omdat hel de party als \'I ware tusschen de hoornen van het dilemma neeuil (een zuiver dilemma vindt men Joh. H, vs. ill); ook wordt dilemma gebruikt voor: netelige toestand, beklemdheid, onaangename keus; — dilemma-tisch, adj. een dubbel- of wlsselbewys vormende, moeliyk, netelig

diletteoron, Hal. (dilelinre, v. \'t lat. de-leclarc) vermaken, verlustigen; zich vermaaks-(if ultspannlngshaive mot een kunst hezighou-den; — dilettant, m. (It. dilelldnle, eig. hot part. prass. van dilelinre] een kunstliefhebber, kunstvriend, liefhebber, In tegonst. mol den eigen-lykon kunstenaar en den kenner eener kunst; — dilettante, (. kunslllefbebster; — di-lettantenconcert, -komedie enz., concert, tooneelvoorsteiling enz. door liefhebbers;

dilettantisme, n. de kunslllefhobbory.

Diligóntie (spr. I=ls), f. lat. diliaenÏÏa, zorgvuldigheid, opmerkzaamheid, viyt; Jur. het zorgvuldige vonnyden van onachtzaamheid, waartoe men jegens iemand verplicht is; diliqenCta ilmm quis in suis (sell, ddhibet), zooveel op-inerkzaaniheid, als men voor zyn eigen vermogen iianwendt; — diligent, adj. (diliqens) werkzaam, viytlg; leniand diligenl verklaren = iemand hy voortduring den lasi opdragen om tol een zeker doei werkzaam te zyn; diligence, f. fr. (spr. —zjaiis) eig. z, v. a. diligent la; een openbaar suelrydend rytuig, dal op bepaalde dagen en uren vertrekt en aankomt, een snel-wagen, postwagen; — diligencia, f. sp. z. v. a. diligence; — con diliqemu, li. (spr. —dzjénlza), Muz. met nauwkeurigheid, stipt.

Dilogie, f. gr. [diloiiia, vgl./of;os) de dub-helzinnigheid, valbaarheld voor Iweederlei uil-legging of opvatting; — dilógisch, adj. dubbelzinnig.

dilucida inlenalla, z. I nier va I; — dilu-cideeren, lat. {dilucidarevgl. lux, genii. Juris) verklaren, ophelderen; — dilueidatie (spr. I=ls), f. nw.iat. Jur. de opheldering, verklaring.

Diloglan, m. turk. leerling-tolk.

Diluculum, n. lal. de ochtondschemorlng.

Diludium, n. lat. (van ludus, spel) tus-schenspel; tusschontyd der vertooningen In den schouwburg.

dihieeren, lal. (diluëre, van luüre, was-schen) afspoelen, afwasschen, verzwakken, verdunnen, h.v. wyn met water; wegnomen, ull-delgen, h.v. eene verdenking; van zich afschuiven b. v. eene schuld; diluentïa (s|]r. I—Is), pi. Mod. verdunnende middelen; — di-luéndn. It. Muz. wegsmeltend, zich oplossend, met trapswyze afneming des toons lol op hel verdwynen; — dilütie (spr. I—lx,, f. aw.lat. vervloeiing; verdunning.

Diluvium, u. lat. (vgl. dllueoren) eig. een wegspoelen der aarde; vandaar de ovcrsl rooming, Inz. ile zondvloed; het aangeslibde, door hezlnking ontstane land; diluviaansch of diluviaal, adj. (lat. diluvinlis) daartoe bohoorend, aangeslibd; - diluviale grond, do bodem van het aangeslibde land; — diluviale formatïën, minerale gewrochten, onl-staan ten gevolge der laatste groote aardver-vonulng door overstrooming.

Dilychnis, f. gr. lamp met twee vlammen.

Dimach£eren, m. pl. gr., zwaardvechters, die met dolk en degen legeiyk vochten; — dimachen, m. pl. te paard en to voel strydende kampvechters.

dimakrostemónisch, adj. gr. Hot. met twee lange en twee kortere meeldraden.

Dimanche, m. fr. (spr. —mans/gt; zondag vgl. dominica.

Dime, m. eng. (spr. duim, — fr. dime, v. \'t lat. dcama, sell, purs, bet tiende deel), eene noord-amer. rekenmunt, = J,, dollar of i5 centen.

Diménsie, f. (lat. dimensio, v. dimetiri, ullmelen) de afmeting, richting, iiltgehreldheld eens lichaams volgens longie, breedte en dikte, welke men de drie dlmensien noemi; de maat, afstand, ruimte, verte; Algol), de fado-ren, waaruit een product Is samongostold; — dimetiens, m. de doorsnede, mlddeliyn, z. v. a. d I a m e t o r.

Dimoriden, m. pi. gr. (van di-, dubbel, en méros, deel) N. II. beenlge huikvinvisschcn met volmaakte kieuwen, wier borstvinnen eenzame, niel vercenigde slralen bezitten; di-mórisch, adj. uil tweo deelen bestaaiuic; — dimorosomatisch, adj. mot een In twee deelon gedeeld lichaam.

Dimeter, m. lat. (vim \'t gr. di-mi;tros: vgl. metrum) een dubbelmeter, een vors, dal uil Iwee voelen, of uil twee versmalen bestaat, b. v. eon viervoetig jambisch vers, ook (|ua-ternanus, lal. viervoeter.

Dimetiens, z. oud. dimensie

Dimi, m. turk. goudstof.

Dimicatie (spr. I=ls), f. lal. (riimicatto, v. dimicUre, stryden) de kamp, bet gevocht, de slryd; inz. de gevaarlyke stryd, de kamp met


-ocr page 382-

DEMIDIUM

306

DIODON

levensgevaar; de onoeniKhcld, twist, woordenstrijd.

(limultum, n. of dimidta purs, lal. (v. dis-, di-, en mcdïus; vgl. niedlum) de helft; — demidio inveslilïira, f. tie halve boleenlng; — ullru dimidium, over de helft (I). v. henadeeld of verkort zUn);- dimidiëeren (lat. (fimi-iliare], halveercn; — dimidiatie (spr. (=lt;s), f. (later lat. dimidiaCfo) de halveeiin(?; — di-midiatus, a, um, lal. Kot. half.

diminueeren, lat. (diminuüre of liever deminuire, van minuirc, minderen, van minus, ■/.. aid.) verminderen, verkleinen, afnemen, verzwakken, afbreken; ~ diminuéndo, It. Muz. verminderend, allengs afnemend In de sterkte der tonen; — diminütie (spr. l=ls), f. lat. (liever deminuiïn) de vermindering, afneming, verkleining, verdunning; de mindering, aflrek van eene som; — diminufio cajiflis of caiittis diminulio •tur. burgerlijke dood; — diminutief, adj. verminderend, verkleinend; — diminutivum of diminutief, liever diminutivum, n. een verkleinwoord, I). v. huisje, tuintje, li I o e m p j e, J o n g s k e, m a a g d e iy n ; — di-minutor, m. de verkleiner, vermlnderaar, z. v. a. suktrahendus, z. oud. suhtra-h e e r e n.

dimitteeren, lat. {di-mitttre] afscheid geven, ontslaan, afdanken, wegzenden, tuten gaan;

— dimissie, f. het ontslag, de afdanking van een amhtonaar-, — dimissionair, m. nw. lat. een goederenontvanger (daar h|j de waren nederiegt); Iemand, die zijnen post nederlegt, zyn ontslag neemt; — dimissorialen, n. of dimissoriales (sell, lillerae) pl., ook di-missorium, n. pi. dimissorïen, oen ontslagbrief, schrlfteiyk verlof, hel bewUs van vergunning, b. v. aan een bruidspaar, om in eene andere gemeente te trouwen; of by R. Kath. het verlof aan eenen geesleiyke om zich door een anderen bisschop Ie laten ordineeren.

Dimity of dimitty, m. eng. (spr. dim-mitti, van \'t gr. di-mtto.i, dubheidradig, twee-draadsch) eene gekeperde katoenen slof, diemei. dimolto, it. Muz. veel, zeer veel. dimórph, gr. {di-morphos, van morphc, vorm) dubbelvormlg, van twee gedaanten; — dimorphisme, n. do dubbelvormigheld, de eigenschap van veie kristalliseerende lichamen om, 1)U volkomen geiyke gesteldheid der menging, toch wezeniyk verschillende kristalvormen aan te nemen vgi. allotrople.

dimoveeren, lat. (di-movcre) verwyderen, wegruimen ; —dimötie (spr. lt;=fs), f. nw.lat. de opruiming, verwgilering.

Din, n. hehr. gerecht, recht.

Dina, hehr. vrouwenn.; de vrygesprokene, onschuldige; naam der dochter van Jakob.

Dinandene, f. fr. allerlei geelkoperwaren (naar de stad Dinant In Kelgie zoo gc-heeten).

Dinar, m. (van \'I lat. denarius) eene perz. goudmunt, ongeveer eenen dukaat in waarde.

— dindarnólo, m. it. spaarpot (van het kinderwoord dindo, geld).

Dinatoire, z. oud. diner.

Dindon, m. fr. (spr. diiidóii) kalkoen.

Dindymêne, f. hynaam van Cybele, die op het gebergte Dindj-mus ia Myslë een tempel had.

Diner (spr. diné) of diné, n. de hoofd-maaliyd, een middagmaal, hel middageten, Inz. een grool, aanzleniyk, voornaam middagmaal; — dineeren (fr. diner, oudfr. disner. It. disi-nare, desinare, mld.iat. disnare, als ware \'tsa-mengetr. van een lat. woord disjejunare, vgl. dejeuner) het middagmaal houden, middagmalen; — dinatoire, adj. (spr. —Mr) wat het middagmaal betreft, wat het vervangt, z. d é J e u n e r.

Dinéro, m. (van het lat. demrfwt) eene kleine spaansehe rekenmunt, = y\'j sueldo of omtrent J cl.; — dinhéiro, m. (spr. nh=nj) eene kleine porlugeesche rekenmunt, een penning.

Dingo, m. de warragal of austraiische hond (Cam\'s dingo).

Dinsdag, de derde dag der week, by do Komeinen dies Marlis, dag van Mars gehee-ten (waarvan de Frangchen Mardi hebben), was by do Germanen gewyd aan bunnen (iod \'[\'lus, oudnoordsch Tyr, oudd. Zlo, waarvan de nedor-landsclie, hoogdultsche (dienslan) en engelscbe [luesday) benaming afkomstig Is.

Dinos, m. gr. {dinos, elg. dwarreling, werveling) Med. duizeling; —dinika, n. pl. Mcd. middelen tegen de duizeling z. antldlnlka.

Diningroom, m. eng. (spr. dainingroem) eetkamer, eetzaal.

Dinner, n. eng. (hoofd)maaltyd z. v. a. d i n er.

Dinotherïum, z. delnotherlum.

dinumereeren, lat. (dinumerare), tellen, overlcllen; — dinumeratie (spr. l-ls), f. (lat. dinumeratto) de overtelllng, hertelling, optelling.

Dio, Hal. (=lat. Deus) God! — per Dio: by God!

Diobólon, n. gr. een atheensch gewicht en eene munt van twee obolen; een apothekers gewicht z. v. a. scrupel.

Dioecëse, f. gr. {dioikèsis, buishouding, v. uikns, buis; vervolgens: adminislralie en administratief district; na Constantyns Indeeling van het rom. ruk In 2i diocezen: stadhouderschup; nu overgedragen op het kerkeiyk beheer), of diocees (fr. diocèse], een hlsschoppeiyk gebied, kerspel; ook eene parochie, gemeente; — dioecesaan, diocesaan, (spr. s=z) wie tot eene diocees behoort; ook de prelaat of bisschop daarvan.

dioecisch, adj. gr. (v. di, dubbel, en ólkns, buis; lal. dioicus, u, um) tweehulzlg; — di-cecïa. n. pi. Itol. tweebuizige planten, zulke, die geene tweesiacblige bloemen, maar manne-iyke en vrouweiyke bloesems op verschillende stammen dragen, de 44sle klasse In bet stelsel van I.. Daartoe bchooren h. v. de hennep, de hop, de wilg, enz.

diodön, gr. dubbeltand, tweetand = lat.


-ocr page 383-

DIPHTHONGUS

307

DIOGENKS

bidens, scliepsol met tweo rUcn lumlen; cink: ilo zeeüKel.

Diogënes, m. gr. Dio-uénes, v. /.eus, genll. ittós, eti géneiti, tor wereld hrongen, pass, gei-néslhai, geboren worden) iminsn.; de van Zeus afslntninoiulo; In/., oen oud-jir. wereldverachtor of cynisch wysgeer, vermaard wegens zyne hoogst eenvoudige, streng onthoudende, maar onwel-vocgiyke levenswys; zyne woning waseeneton. Kens ging Diogenes op klaarlichten dag met een hrandende lantaren door de straten van Athene en zocht naar »menschcuquot; (elg. wellicht quot;mannenquot;); vandaar spreekwoonleiyk; een Dlogc-neslantaren dragen, d. 1. In ontevreden yver, van de werkelijkheid menschen on dingen zoo verlangen als zy zyn moesten; — dio-geniseeren (spr. .t=z), van alle schaamte herooven; zich onbeschaamd gedragen, den c y-nlcus spelen; vandaar ook: diogenes-kreeft, eene soort van slakkreeft In O. Imllë met kalen staart, die ledige slakkenhuizen he-woont, de kluizenaar, soldaat.

Dioggot, m. tr. (spr. il\\o(j(jn) z. dagget.

Dioktaëder, n. dubhel-achtvlak; — di-oktaödrisch, adj. dubhel-achtvlakkig.

Diomedéa, t. II. N. de albatros, zekere zwemvogel.

Dionsea, f. gr. (dionnia) een hynaam van Venus, naar hare moeder Diöne; ook Bot. de vliegenknlp of vliegenvanger, eene hy uitstek gevoelige plant in IS. Amerika, met eironde, sappige bladeren, die hy de minste aanraking, h. v. van eene vlieg, oogenbiikkeiyk toeslaan en het insect als in eene val vangen.

Dionysische tijdrekening, de door Oionysius den kleinen (/). exiguus), een geleerde der tie eeuw, Ingevoerde tydrekening na Oiir. geboorte, welke laatste hy stelde op 751 na den bouw van Home.

Dionysos of Dionys, m., z. Bacchus; — dionysïën, pl. (spr. s=z) (gr. Dionjsia, sell, hierd, godsdienst, feest van hieros, heilig) Bacchusfeestcn, drinkgelagen, zulppartyen.

Diópter, f. gr. (dioplra, van dia, door, en óp/vin, zien) Geom. de kykspleel, het vizier, Inz. aan mathematische werklulgen; — diop-ter-lineaal, f. een koperen linoaal, waarop twee met gaatjes of kykspleteu voorziene dunne metaaipiaaljes loodrecht bevestigd zyn; - di-optne, f. het vlseeren, hoogtemeten, nivcl-leeren; — dioptriek, ook anaklastlek, f. de doorzlchtkunde, kennis der straalbreking, de leer van de lichtbreking en het zien door gebroken lichtstralen, Inz. door water, glazen enz., ook anaklastlek; — dióptrisch, adj. daartoe hehoorende; dloptrlscbe kleuren, door lichtbreking ontstaande kleuren.

Diorama, n. gr. (van di-nrBn, doorzien) eene sciilldery of een tafereel, waarbij de veranderingen der verlicbting, die de verschillende getyden van don dag, bet toe-of afnemend daglicht op de voorwerpen, landstreken, enz. teweegbrengen, kunstig worden nagebootst, een rond doorschynend kunstlafereel.

Diorchiet, m. versteening in den vorm van een klootzak met twee teelballen.

Dioriet, n. het gr. (v. doriilzein, afgrenzen, door grenzen, hegalen, onderscheiden). Min. groensteen, een uit hoornblende en dicht veldspaat h gemengde rotssteen uit bet Oerallsch gebergte; — diorisme, n. gr. (diorimós) onderscheiding, begripsbepaling; verklaring; de bepaling of een voorstel kan opgelost worden, hoe dit geschieden kan en op hoe veel verschillende wyzen aan de opgave beantwoord kan worden; —dioristisch, adj. bepalend, verklarend

Diorrexine, f. een uit pikrinezuur, boutskool, zaagsel, salpeter en zwavel gemengd knalpoeder (zie ook he ra cl ine).

Diorthösis, f. gr. (v. di-orlhóen, recht-maken, van orlhós, recht) Cblr. bel zetten, weder op hunne plaats brengen van ontwrichte beenderen, de herstelling van tegennatuuriyke verkronimingeu van de ruggegrant en van de ledematen; — diorthota, m. een werktuig tot uitstrekking; — diorthotisch, adj. tot het rechtmaken of zetten behoorend.

Dies, m. sp. God; I). In pSga, God loon\' het.

Diosküren, m. pl. (d. I. zonen van /eus, van \'t gr. Zeus, geuit. Dins, en koiros, kuros, knaap, zoon) z. Castor en Pollux; — di-oskuri\'ën, f. feesten, die ten tyde van den wynoogst ter eere der Diosküren te Cyrene en Sparta gevierd werden.

Diósma, f. gr. (v. diomós, doordringende geur) de boekoeplant, die de hottentottenthee opleven; — diosmoso, f. gr. het doordringen van poreuze wanden en de daardoor bewerkte vereffening van de verschillen tusscben vloeistolTcn van verschillende samenstelling of dichtheid.

Diospyros, m. gr. Bot. de dadelpruhne-mehoom, onder welk geslacht de pruim behoort, die hel ebbenhout oplevert.

Diostösis, f, gr. (van nsléon, l)een) de beenuilwyking, beenverschuiving

Dioxia, f gr. Muz. de quint.

diperanthisch, gr. (van di-, dubbel, pen, rondom, en anlhos, bloem) twee bloemdeksels hebbende.

dipetalisch, gr. (v. dl-, duhbel, en jw1-/rr/oii, blad) Bol. twee bloembladeren hebbende.

Diphïlus, m. een bouwmeester der oudheid, zóo langzaam in liet volvoeren van zyne werken, dal by ten spreekwoord word, en men van een zeer traag mensch zeide; by Is nog trager dan Diphilus (Diphilo lardinr).

Diphonmm, n. Diphonia, f. gr. (v. di-, dubbel-, en phoni, slem) Muz. een stuk, gezel voor twee stemmen.

Diphthéra, f. gr. (diphthéra) toebereide dierenhuid, pergamenl; boekbekleedsel; boek, oorkonde; - diphtheritis, f. Med. eene eigenaardige by den mensch voorkomende siym-vliesontsteking van de luchtpypen en het strottenhoofd.

Diphthóngus of diphthóng, m. gr.


-ocr page 384-

D1PHYIETEN

368

DIPSACUS

(v. (li-, (liililicl, on phlhóngos, klank) een tweeklank, Komeiflrao klank, waarin duideiyk twee versclillleiide klinkletters gehoord worden, b.v. el, au, aal, enz.: — diphthóngisch, adj. (lubbclklanki^, eon twooKlank vormende.

diphyieten, pi. (v. «r. diphyes, dubbel-soortlg, tweevornilg) versteeningen van schaaldieren.

diphyllisch, gr. (van di-, dahhei, en plii/l-lon, blad; lat. diphyllus) Hot. tweeldaderlg.

Dipla, f, gr. de liggende V, als aanduiding van aangehaalde byhelplaatsen.

Diplantidionno, f. fr. (spr. diplaiilidjèn\') Opt. een verdubbeilngsbrli, waardoor men twee heelden van hetzelfde voorwerp ziet, het eeno recht, het andere verkeerd.

Diplasiasme, n. gr. (v. dipldsïos, tweevoudig) (Irani, de verdubbeling eens medeklinkers, om eene op zich zelve korte lettergreep te verlengen; diplasion, n. dubbele pianoforte, met twee claviaturen, die tegenover elkander staan en elk hare eigen snaren hebben; ook v 1 s-a-v 1 s genoemd.

Diple, f, gr. crltisch teeken lor aanduiding van verkeerde lezingen, ook moeityke passages in dichters (inz. In het drama, om den tooncel-speier voor feiten in de voordracht te waarschuwen).

Diploidoskoop, m. gr. (v. dipldos, dubbel, ndos, beeld, en skopèm, beschouwen) do dubbeibeeidkUker, een astronoinlsch werktuig, door het welk men van de zon twee beelden verkrijgt, en dat tot bepaling van den tyd dient.

diplekolóbisch, adj. gr. Hot. mei tweemaal gevouwen zaadlobben.

dipleurobranchisch, adj. N. li. mot kieuwen op lii\'ide zyden.

Diplóë, t. gr. (eig. verdubbeling, vouw) Anat. tusschoniaag, celachtige laag, welke zich tusschen de platen der platte beenderen bevindt, inz. der schedelbeenderen, het scliedelbeenmerg, ook Bot. de binnenste celmassa der bladeren en vruchihulseis.

Diplogonosis, f. gr. de nil twee kiemen ontstaande nilsgoboorlen; diplogënisch, adj. van tvvcevoudlgen oorsprong.

Diplolópis, f. zeker vllesvleugelig insect, welks steek die uitwassen aan de schorsende bladen van den verf-eik voortbrengt, welke galnoten genoemd worden.

Diploma, n. gr. (eig. iels, dat dubbel is gevouwen, een toegevouwen blad, v. diplucn, dubhelleggen, -vouwen) eene onderteekende en gezegelde oorkonde, waariiy eene waardigheid, een voorrecht, enz. verleend wordt, oen benoo-mlngs-, aanstcllings-, vryiieids- of genadebrief;

diplomaat, m. uw. lat. een staatsman, die de onderlinge betrekkingen en do weder-zydscho belangen der sinten en vorsten kont; die zich ter bereiking van zekere oogmerken, ter volvoering van lasten aan een vreemd hof ophoudt, staaisonderhandelaar, gezant; — di-plomatarium, n. eene verzameling van oorkonden-. diplomaticus, een oorkonden-kenner; — diplomatie (spr. l—ts: ook als fr. I=s], f. de kunst dor slaatsonderhandelln-gen, der staatszaken; de gezantscliapskunst, de wetensciiap der uitwendige vorhoudlngon van den staat, of dor openbare en geheime liande-lingen der hoven en hunner gevolmachtigden; zoo geheeten omdat de kennis en \'t gebruik der oorkonden vroeger een hoofdgedeelte van die wetenschap uitmaakte; ook de gezameniyke stand der staatsoTKlerhandelaars; het vak der diplomaten ; diplomatiek, f, (fr. diplomaUque) de oorkondenieer of de wetenschap om oude oorkonden behoorlyk te lezen, te onderschelden on te gebruiken; ook wel eens z. v. a. diplo-m a 11 (!; — diplomatisch, adj. uil oorkonden bewezen of bewUshaar, volgens oorkonden; ook do slaat sonderhandellngen betreltonde, tot de kunst der staatsonderhandeling of het gezant-schapswerk bohoorende; vergelUkenderwys (naar de manieren dier hoeren); voorzichtig In het gesprek, hoifeiyk, aangenaam van vormen, geslepen enz.; het diplomatisohe lichaam, z. e o r p s dipt o m a 111| u e; — diplomati-seeren (spr. s—z), mot vreemde hoven onderhandelen; oneig. onder holfeiyke vormen zyne meening en iiedoellngen verbergen enz.

diploneurisch, adj. gr. (v. neuron, pees, zenuw) met dubbel zenuwstolsel.

diplonömisch, adj. gr. (v. nomas, wet) twee wetten gehoorzamende.

Diplöpïe, f. gr. (van dipldos, dubbel, en ups, genii. o/iós, het oog) Med. bet dubbelzien.

diploptërisch, adj. gr. li. N. v. pterón, vleugel) met dulibelo of gevouwen vleugels).

diplosanthörisch, adj. gr. Hol. met tweemaal zoo veel helmknopjes als indeollngen dor bloemkronen.

Diplösis, f. gr. (van diplüèn, verdubbelen) de verdubboilng van ziekten.

diplostemónisch, adj. gr. Hot. met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren.

dipneumónisch, adj. gr. (v. pneümon, long) niet dubbele long.

Dipnosophist, ■/.. deipn—.

Dipodie, f. gr. (v. di-, dubbel, en poes, genii, podós, voet) l\'oet. de tweevoetIghold, een dubhelvoot, de sainenzettlng van twee voeten, ook syzygio; ook het ultmoten en lezen der verzen naar twee voeten;—dipódisch, adj. duhbelvoetig, in- of naar dubbelvoeten.

dipolykotylodónisch, adj. gr. Hot. met twee vooidoellgo zaadlobben.

Dippel-olie, f. (oleum Dippelii, oleum animale foelidum) stinkende dierlyke olie (verkregen iiy droge distillatie van dloriyko stollen en als byproduct bij vervaardiging van been-derkool).

diprotophyllisch, adj. Hot. met twee zaadlobbetjes.

Dipsacus, m. gr. {dipsukns, v. dipsa, dorst) Med. de lievige, onleschbare dorst, die met den pisvloed gepaard gaat, do dorstztekte; de pisvloed (diabetes); ook Hol. de vvevorsdistei, welker kelken natuurlijke kaarden opleveren.


-ocr page 385-

DIRHYNCHISCH

D1PTAM

369

wuurtnodo mon Rovoldc wollen sloltoii kaardl; — dipsas, f. do dorslndder, dc adder, do slang, wlor heot, naar do mooning dor grioksclio go-noosheoren, dc liovongonoomdo zlokto voroor-zaakle; — dipsacéën, in. pi. kaardohollon, cone nlot zoer talryke plantonfamllle, samongo-stold nil do gcslachton kaardobol, fcliurftkruld on knantla; — dipsetisch of dipsódisch, adj. dorst verwekkend; — dipsomanie, f. do drinkzucht; delirium tremens of zulperswaanzln.

Diptam, m. (mld.lat. diptümus, hedorven uil hel gr. diklamnos, lal. diclamnus, diclam-num, diclamum) ossclienkruld, luz. eon pijn- on Idoedallllend geneeskruid.

Diptera, rn. pi. gr. (van di-, dubbel, on pternn, vleugel) dubbelvlcugellge Insocton, met twee onbedekte vleugels, 1). v. vliegen, borzois, enz.; Hot. (lat. diplerus) tweevlougellg, met tweo vleugels; — diptëros, m Arch, een tempel mot oeno dubbele zullenrU omgeven; — dipterygisch, adj. twoevlnnlg.

Diptöton, n. gr. (vgl. ptosis) Gram, een woord, dat slechts twee naamvallen (casus) heeft.

Dipt^chon, n., pi. diptycha, gr. (van di-pti/clm, dubbel gevouwen) do looden. Ivoren of houten schrijflafelljes dor Orlokon on Itiimei-nen, die met oogjes aan elkander gehecht waren; ook in de eerste chrlatonkork bad men diptjcha, waarop de namen der gedoopten stonden aangeleokond, welke laatste aanleiding gaven lot bet aanleggen van doopregisters, doopboeken, die daarom ook diptycha goboeton werden.

Dipus, N. II. de spiingral, zekere mulzen-soorl met hullengemeen korlo voorpoolen, welke, daar zü niet loopen kunnen, springen, en holen onder don grond graven, waaruit zy niet dan des nachts Ie voorschün komen.

dipyrenisch, gr. (lal. dipyraenus, van pyren, kern) Hol. dubbelkernig, met dubbele kern.

dipyrisch (van pyra, vuur) Iweemaal gebrand.

Dipyrrhichïus, m. gr. Poet. een dub-bolle pyrrhichlus (z. aid.), een versvoet van vier korlo lettergrepen, z. v. a. proce-1 e u s m a 11 c u s.

dir I\'oration delta beriucofa, it. sprw. «oen apengebed opzeggenquot;, onverslaanbare woorden prevelen.

Diradiatie (spr. I=ls), f. nw.lai. (van di-radian; vgl. radius) het ult-elkandcr-stralen, de straling in ulteenloopendo rlcbllng.

Dirca, f. Bol. de lederlioom, welks schors dient lot hel vervaardigen van louw.

direct, enz., z. ond. dirigeer en.

Directariaat, n. later lat. (v. directarïm, wie In ceno kamer sluipt om te slelen) de diefstal door middel van binnensiniping en braak in eons anders woidng.

Diron, f. pi. lal. (dirae, eig. de verscbrlkke-Igken), z. v. a. FurlCn (z. aid.)

Diréptie (spr. I=s), r. lat. {direplfo, van VIKIlbE DitrK.

diriptre, uiteenscbeuren) plundering, berooving.

Dirhem, z. dor hem.

dirigeeren, lal, (diriaêre: van di-, dis-, en regëre, z. regeer en) lelden, richien, voeren, schikken, besturen, onder opzicht hebben;

— dirïgons, n. Med. een voermiddel, d. 1. een middel, dat do werking naar den zetel der ziekle moot voeren; — dirigént, m., z. v. a. d i re c-tor, z. benedon;—diréct, adj. en adv. (lal. direclus, a, urn, of als adverb ook diréeie, rechttoe, regelrecht, rechtstreeks, onmiddellijk, zonder omwegen; dadelijk, lerslond, uit do eerste band; per dirécluoi, langs den rechlen weg, rechttoe; oratio direcla, ■/.. obllquus; directe bol as-tin gen, rechlstrcekscho holastingon, die on-middellUk op de personen gelogd zün en door hen voldaan moeten worden, zooals die op den grond, het beroep, enz., In togonsl. mei do indirecte belastingen; — directe handel, betrekking of onlbieding der waren uil de eersie hand, van de bron; directe linie, de opklimmende en nederdalende linie in dc vermaagscliapping; directiangulisch, adj. rechthoekig;—diréetie (spr. /=.*), f. de rlcbllng, leiding, liet opzichl, bestuur, beheer, het oppertooziclil, de uilvoerende macht, regeo-ling; — directie-linie, f. (loom. de rechte iyn, langs welke do beweging van oeno andere rechte lün of van oen vlak plaats heefl; — directie-hoek, m. de richtingshock; — di-rectilmisch, adj. rccbtlünig;—directoire, n. fr. (spr. -todr\') in Frankrijk na nsn eon staats-college van !gt; personen, bij wie de uilvoerende macht berustte; ook dergelijke collegil\'n in Zwii-serland, Nederland en elders, als navolgingen van het eerste; het hollandsche directoire, het staatsbewind dor baiaafsche republiek, door Daendels in IT.ts uiteengejaagd; — director, nw.lal., directeur, fr., of dirigént, lat. (dirïf/eiix), m. een bestuurder, op-pertoezienor, bewindsman; bewindhebber (der voorm. ooslind. compagnie); — directrice, f. fr. do oppertoozienster, hesluursler, enz.; - directoraat, n. nw.lal. het amlil van bestuurder; ook zyne woning;- directorium, n. de leiding, besturing, richting; ook hel opzle-nersami)l, bet college van oppertoezicht; di-reclorïum divini nffini, de kerkelijke kalender in de r. kalii. kerk; directoriaal, adj. wal tot den diredor of bet directorium betrekking heefl; I), v. directorial o beslui ton, enz.-,

— directory, n. eng., z. v. a. directorium; ook: adresboek; — dirittn, f. llai. de loonschaal, toonladder; a/la dhilla, li. Muz. naar de looniaddor, trapswijze van den oenen loon op den andoren; — direttore, m. li., z. v. a. directeur; inz. Muz. aanvoerder van het orkest; —direzzione, f. n., z. v. a. directie; Muz. aanvoering of leiding van een orkest; — a diritlura of a dritti/ra (spr. u=oe), Kmi. rechlslroeks, onmiddellijk, langs den naasten weg, zonder om- of overlading h. v. Iels verzenden.

dirhynchisch, gr. (v. rhynchos, snuil,

4\'.


-ocr page 386-

DIRIMEEREN

:}70

DISCIPEL

snavel) IN. II. met twee snavels of ziilgsprleten.

dirimeeren, lat. (dirimfre, v dis- en ime-re voor emére, elR. uit elkander nemen) uiteenzetten, verRoiyken; beslissend eindigen; — dirimentïen, pi, (dirimeniia) Jur. huwoiyks-beletselen, waardoor oen In weerwil daarvan aangegaan liuweiyk ongeldig gemaakt wordt;

dirimatie (spr. I=ls), liever dirémtie (spr. t=s), f. (lal. diremlïo) de afzondering, schelding, uiteenzetting; beslissing, afloop. ilirilla, diritlura, z. oud. dlrlgeeren. Dirk, I) mansn., verkorllngvan Diederik (hoogd. Die/rich, oudboogd. IMolrih, Thiotmih, gotb. Thiwlureiks, mld.lal. \'l\'fieodornns, van \'t mid.hoogd. (tiet, oudboogd. diol, gotb. thiuda, volk, In \'I mid.hoogd. rich, oudboogd HA, gotb. reiks, lieerscber, vorst, overste, verwant met het lal. rex, genlt. reyis. koning, en reqëre, besturen, regcoren) volksheerscber, volksverst, maeblige in volk, volkrijke.

Dirk, i) m. eng. (spr. durk, uil het ierscb-gaellscb duin of durr, waarvan ons dolk af-staml) de dolk der Hoogscbotten: — dirk, f. (oorsprong onbekend) Mar. een louw tol aantrekking van het uiterste einde eener gaffel, looper van de gattel, zeilbooms-loppenant. Dirlik, m. turk. levensonderhoud, dirueeren, lat. tiliruire, v. dis- en ruüre, omverwerpen) verwoesten, vernielen; — dirü-tie (spr. /=/«), f. {dinilïn) de verwoesting.

Dis, m. lal. (elg. de ryke, als zynde by de Komelnen een oudere vorm van dives), ■/.. v. a. IMuto (z. aid.); ook hy de Grieken een vroegere vorm voor den naam \'/. e u s.

dis, Muz. de met een balven loon verhoogde tweede trap der diatonische toonladder, de tus-schen d en e liggende halve toon.

dis- of di-, gr., in vele samenstellingen: tweemaal, dubbel.

dis- of di- (voor eene f: dif-) lat. voorlet-lergreep, komt overeen met het nederlandsche on/, nu, ver, enz., en beleekent uit elkander, gescheiden, enz. of drukt do ontkenning, het tegendeel van hel daarmede verhonden stamwoord uit.

disaccordeeren. Hal. {disaccordare), i. desacco rd ee ren.

Disafféctie (spr. t—s), f. nw.lat. (vgl. affect ie) de ongenegenheid, ongunst, afkeer.

Disagio, n. Kmt. (tegenstelling van agio, z. aid.) de hy bel wisselen van minder waarde hebbende munlen of papleren plaatsgrypende korting.

disapprobeeren, harh.iat (it. disapiiro-vare: vgl. approbeeren), z. v. a. desap-prouveeren, z. desapprobatie.

disbórso, n. 11. (elg. het nemen van \'i geld uit do heurs) Kml. bet voorschol, de nltleg; in disborso staan, te goed hebben voor uilgeschoten gelden.

Discalcoaten, m. pl. lat. (van calctm, schoen; it. sralti) ongoscboeiden, barrevoeters, eene monnikenorde.

discaleoren, fr. {dismier; vgl. c a I e e r e n)

Kmt. afnemen, lichter worden; — discalee-ring, f. de afneming, in/., aan gewicht.

Discant, in. mld.lat. disedntus, van dis-en canlus, gezang, oorspr. de valsche of gedwongen hooge stem, falset of faussct, oudfr. deschant, nw.fr. déchnnl, discant) de hoogste stem of bovenstem (van kinderen en vrouwen), eerste zangstem, z. v. a. soprano; — discantist, m. die deze stem zingt; — discant- of sopraansleutel, m. die aan-wyzlng van de toonhoogte, waarby e op de eerste iyn komt.

discedeeren, lat. (discedifre) uiteengaan, scheiden, zleb ontbinden; — discéssie, f. (discessie) de scheiding, het heengaan, aftrekken; de afstemming door groepenvorming; — discés of discéssus, m. de aftocht, bet afscheid.

discepteeren, lat. (disceptare) een woor-denstryd voeren, onderzoeken, nagaan; —dis-ceptabel, twyfelacblig, betwist haar; — dis-ceptatie (spr. tie=tsie), f. een redetwist over eene In onderzoek staande vraag, eene navor-sctiing, opsporing; disceptator, m. een scheidsrechter, beslisser.

discerneeren, lal. ((/iwmit\'re,- vgl. cer-ace ren) onderscheiden, afzonderen, beoordee-len, erkennen, gewaarworden; — discerni-bel, adj. (later lat. disceriiihilis, e) onderscheidbaar, erkenbaar, zichtbaar, merkeiyk; — dis-cernibiliteit, f. nw.lat. de onderscheidbaar-beid;- discernement, n. fr. (spr. di-sern\' mri/V) de onderscheiding, ondorscbeidings- of he-oordcellngskracht, de scherpzinnigheid, het welwikkend oordeel.

Discéssie, z. ond. disco deer on.

Discidïum, n. lat. (v. di-scindrre, vaneenscheuren, verdeelen) do scheiding, splitsing, inz. de echtscheiding.

Discieten, z. ond. discus.

Discipel, m. lat. {discipulus, van discire, leeren) een scholier, leerling, schoolganger; — discipline, f. (Int. disciidina) de lucht (d. 1. de opleiding tot hot gehoorzamen of de onderwerping van den natuuriyken wil aan eene wet als uitdrukking van op verstand gegronden wil), zedonvorming; inz. scboolluchl, krUgstucht, ker-keiyke tucht; kloostertyke geesellng of ook de geesel zelf {disciplina flagélli)-, ook (zooals In hel woord opgesloten ligt en nog In bet spraakgebruik der geleerden): leer, leervak, weienschap of kunst, disciplina arcana, geheimleer, eene leer der r. katb. theologanten om den ouderdom en de echtheid van zekere leerstukken en Instellingen ten minste waarschUniyk te maken; disciplina ecclesiaslica, kerketyke tucht, kerk-lucbt; — disciplineeren, nw.lat. Mil. aan krygstucht gewennen, in tucht en orde houden; g ed 1 s c 1 pl 1 ne e r d e tree pe n, geoefende, wel-opgelelde, aan lucbl gewende soldalen; — dis-ciplinabel, adj. voor afiicbiing vatbaar, leerzaam; disciplinair, adj. de tucht betreffende; disciplinaire macht, de bevoegdheid om ondergeschikten door strengheid


-ocr page 387-

DISCLAMKKREN

371

UISCKKPKKHKN

hg hunnen plicht lo houden en te strullon; — disciplinaire straf, hyzoiulcrc strat eeti ambtenaar door hoven hem gostcldo machten na onderzoek zijner dudon opselogd.

disclameeren, nw.lat. verloochenen, niet erkennen; — disclamatie (spr. (=(.«), r. de loochening, verzaking, nlct-erkennlng; Jur. he-drloglUke loochening van een leonsvorhund.

disclüsie (spr. .v=z), f. lal. [disclmio, van iliseludlrc, schelden, afzonderen) de afzondering; nw.lat. de uttstroomlng.

discolor, adj. lat. van verschelden kleuren, hontklourlg, hont; verschelden; — discolo-ratie (spr. I—lx), t. nw.lat. de ontkleuring, verkleuring, het verschieten; — discoloreeren, ontkleuren, van kleur herooven, verkleuren, vorschleton.

Discómfort, n. eng. gehrek aan c o m fort z. aid.); onhehaagiykheld, ongezelligheid, troosteloosheid.

discommendeeren, nw.lal. (van \'1 lat. commendare, z. co mm endeer en) berispen, laken, misprijzen; — discommondabel, adj. herispeiyk, laakbaar; — discommen-datie (spr. l=ls), f. de berisping.

discontabel, discontant, z. end. dis-(! o n 1 e e r e n.

disconteeren (van \'I It. rnnln, rekening), in \'I algemeen aftrekken, afrekenen, afkorten; inz. eenen wissel, die nog niet vervallen is, voor den vervaillid met aftrek van zekere percenten togen gereede betaling koopen of ook aan een ander verkoopen; — disconteer-bare, discontübole wissels, zulke, die op zoodanige le goeder faam staande handelshuizen getrokken zyn, dal men niet aan hunne bebooriyke belaling mag Iwyfelen; — discontant of discónto-nemer, m. hij, die een wissel vóór z(iii vervnltyd met contant geld be-laalt; discónto, n. It. (fr. décomple, es-compti\', van \'1 later lat. discompiilus, afrekening, aftrekking; vgl. conto en compte) de afrekening, do aftrek der renten hy betaling van nog niet vervallen wissels; de vergoeding.

discontént, nw.lat. (vgl. content) on-levreden, misnoegd.

Discontinuïteit, f. nw.lat. (vgl. continuïteit) het gebrek aan verbinding, aan samenhang, de afgebrokenheid, gaping; — dis-continueerlijk, adj. en adv. al wat niet naar de wellen van onafgebroken geiykmatigen voortgang samenhangt.

disconveniëeren, lat. (dis-cammire) niei overeenstemmen, niet passen; van een ander gevoelen zijn, eene andere meening aankleven;

disconveniént, adj. nw.lat. ongepast; Tiicl ovoreenslemmcnd; disconvenién-tie (spr. I=ls), lat., of disconvenance, fr. (spr. di-sknnw\'ndhs\') f. do nlot-ovoreen-stemmlng, ongeiykhold, hol verschil, de wan-verhouding.

Discordia, f. Int. (van discors, oneenig, van dis-, z. aid., en cor, hart) oneenlgheld, tweespalt; Myth, de godin der tweodrachl, vgl.

Kris; — discordeoren (lal. discord ure), oneens zyn, niet met elkander overweg kunnen, kwaiyk byeenpassen; Muz. valsch klinken, d. 1. van ilen waren loon afwyken, niet stemmen en ook; met andere tonen niet samen-slemmen, oneens zyn; — discordant, adj. idiscórdans) niet stoinmond, ontstemd, valsch, wanklinkend; oneenig, niet eensgezind, nlel overeenstemmend; discordantie (spr. /= Is) of discordance, t. fr. (spr. di-sknrddiis\') de wanklank, wanluidendheid, ontstomdheld; de oneensgezindheid, hel misversland, de twist.

discoureeren, discours, y. discur-roeren.

Discrediet, n. nw.lat. (fr. discrédil) gehrek aan credlet (z. aid.), de kwade naam; — discreditfibel, adj. onteerond, smadelijk; - discrediteeren (fr. di.irrdditer), van achting of vertrouwen herooven, in kwaden naam brengen; — gediscrediteerd, adj. te kwader faam staande.

discreet, lal. {discnlus, u, um, van discer-ncre, scheiden, onderscheiden), t) In zich zeiven onderscheiden of gedeeld, b. v. discrete gro ot bed en, zulke veranderiyke gelallen-groot-heden, die uit afgezonderde, niet samenhangende deelen zyn samengesteld, In tegensl. met con-tlnueoriyke grootheden; — discrete! vloeistoffen, zulke veerkrachtige vloeistoffen, welker deeltjes van elkander gescheiden zyn, z. v. a. elastische of expanslbele vloeistoffen;—d Iscro te pokken, zulke, waarvan de puistjes op zich zeiven staan en niet samenvloeien; — 2) hodachtzaam, onderscheidend, voorzichtig en bescheiden, omzlchlig, bedachtzaam; behoedzaam, torughoudend; disrrélo «f run disrre:i()ne, it. (spr. diskrc-lsióne) Muz. voorzichtig, met omzichtigheid en zorgvuldigheid, naar den zin van den componist; — discretie (spr. I=ls), f. nw.lal. (fr. discrétion) lt;le onderscheidende beoordeeling, bescheidenheid en voorzichtigheid in spreken en handelen; wyze terughouding, slllzwygendheld, ingetogenheid; de wil, willekenr, hel goedvinden; de grootmoedigheid, odelmoediglieid, genade en ongenade, b. v. zich op discretie, op genade of ongenade, overgeven; — d discrétion, fr. (spr. di-skrc-siiin) naar belleven, naar willekeur, op genade of ongenade; - discretie-dagen, z. respect-dagen; - discretie-jaren, jaren van verstandsrypliold, van onderscheid, van mondigheid; discretionair (spr. 1= Is), adj. aan het (rechteriyk) goeddunken overgelaten, willekeurig, aan de heoordeeling overgegeven, Ier beschikking gesteld; diaere-tionaire macht, de bevoegdheid van het gerecht, Inz. van den voorziller om hy processen naai1 eigen goeddunken de doelmatig voorkomende middelen te kiezen; discreto-num, ii. in kloosters: college van oversten en haar zittingzaal.

discrepeeron, \\ni. {discrepure: elg. ver schillend klinken) afwyken, verschillend zyn, strijdig zyn; discrepant, adj. (discrrjians)


-ocr page 388-

IJISCRETIK

DISJÉCT

37\'2

atwükend, oncenlR, slrUilond; - discrepantie (spr. /=(.«), f. {(tiscrepanCta) de verschillendheid, het misverstand, gesclill.

Discretie, discretionair, ■/.. end. d i s-creel.

Discrïmen, n. lal. (snincngetr. uit dis-cemfmen, v. discernére: vgl. discerneeren) iets afscheldcnds; eone tusschenruimle, een afstand ; een onderscheid, cene verscheidenheid; het hesiissende punt, de gevnnriyke toestand, het hoogste gevaar (vgl. krisls); Chir. dat verhand, hetwelk hU ecne laling op de voor-hootdsader wordt aangelegd (dus genoemd, omdat het, langs de pijlnaad heengaande, hel hoofd in twee geiyke deelen verdeelt); — discri-minabel, adj. nvv.lat. ondersclicldhaar; — discriminatie (spr. I=l.t). f. de afscheiding, onderscheiding; hol onderscheid; — discri-mineeren, lal. {dismmintirc) scheiden, onderscheiden; — discrimineus, nw.lat. gevaarlijk, netelig, niisselük.

discruciëeren, lat. (disaticiair, v. cru-ridre, martelen, van crux, hot kruis) martelen, kwellen

disculpeeren, nw.lat. (v. cuiim, schuld) (intsuhuldlgen, rechtvaardigen; - disculpa-tie (spr. /=/•lt;), f. de rechtvaardiging, ontsehul-diging.

discurreeren (lal. dis-rurn\'re, elg. nil elkander loopen, heen en weder loopon) of discoureeren (spr. di-sknerécrcn , fr. itiscnuiir) met elkander spreken, een gesprek voeren, elkander onderhouden; - discours, n. fr. (spr. di-skóér, lat. discursus) gesprek, woordenwisseling, onderhoud; rede, redevoering, voorlezing, voordracht; discursus praeliminüris, een voor-lierlchl, de voorrede; - discursief, adj., of als adverh ook discursive, nw.lat. gcsprckswUze, in \'I gesprek, in 1 voorhijgaan, als hy manier van spreken.

Discus, lat., of diskos, gr. m. (verwant met ons it I s li) de werpschijf, ecne ronde, eenigszins holle sleenon of meialen schijf, doorgaans met een gat in liet midden en tamelijk zwaar, om daarmede te werpen hü de wedspelen der Ouden; ook de zon-en inaanschyf; Hol. hlnnenstc schijf der samengestelde liloemen. zooals van de zonnehloem; Mcd. de ei-«f klem-schijf {discus pnlinêrus of oliphërus)-, In \'1 algemeen een tatelhord of tafelhordvormlg gedeelte; schotel, inz. de kelkschotel hij de r. kath. mis, z. v. a. pal ene; — discie-ten, m. pl. schyfschelpen, gladde versteende schelpen.

discuteeren of discutiëeren (spr. li—tsi), lal. {discuhln., clg. uil elkander slaan nauwkeurig onderzoeken, navorschon, doorgronden, uil pluizen, ecne zaak door woordenwisseling wikken en wegen; discutabel, adj. nw.lal. nnderzoekhaar, geschikt om hesproken, om gewikt en gewogen te worden; dis-cutiëntv\'a (s|ir. li-lsi), n. pl. lal. Med. ver-deelende middelen; — discussie, f. {discus-sta) hel onderzoek, de uiteenzelling, overweging.

het i\'üp onderzoek; de geleerde welonschnppe-lyke geschilvoering; discussief, adj. nw. lat. verdeelend, oplossend; onderzoekend, doorgrondend.

Disdiaklasis, f. gr. (vgl. diaklasis de duhhelhreklng, dnhhele straalbreking; — dis-diaklastisch, adj. duhhcle straalhreking ver-toonend.

Disdiapason, n., z. diapason, disért, adj. lat. (disérlus, a, urn, van dis-sercre, uit elkander zotten) hehooriyk uiteengezet, duideiyk, klaar, helder; hehooriyk uil-eenzeltend, welsprekend, welhespraakt, woor-donryk.

disestimeeren, nw.lat. (vgl. estlmee ren) geringschatten; disestimatie (spr t=ls), f. de geringschatting, kleinaciiting.

Disétte, f. fr. (spr. s=:. van \'t lat. deséclu. iets afgesnedens, do afgesnedenheld, van de-sccare, afsnyden) gebrek, hehoefle, ellende, hongersnood.

disflgureoren, nw lat. (vgl. figuur)misvormen, leeiyk maken; —disflguratie (spr. I=ls), f. de misvorming.

Disgin, m. turk. teugel.

Disgiri, pl. il. (spr. didszjiri) afval van zij-dedraden.

Disgrace, f. fr. (spr. di-sgraas\'; vgl. g r a c e1 of disgratie (spr. —Isie), ongenade, ongnnsl (eng. spr. disqrées, schande); — disgraci-ëeren (fr. disgracicr), iemand zyne gunst onttrekken, eene ongenade op hem werpen; — disgraciëus, adj. (fr. disi/ractem), onaangenaam, verdriclig, leeiyk.

disgregeeremlaler lat. disijnijure, van f/rcj\', kudde; vgl. (irenulim) van de kudde afzonderen, eene schaar verdeolen, scheiden, verstrooien; disgregatie (spr. t=ls), f. nw. lal. ile verstrooiing, inz. der lichtslralea.

Disgüsto, m. II. (spr. di-sgóéslo; vgl. gus-I u s, enz.) walging, afkeer, verdriet; — dis-gusteeren dial, disgus/are), doen walgen, afschrikken, verdriet, afkeer of mishagen veroorzaken; beleedlgen, voor bet hoofd stooton Disharmonie, f. lal.-gr. (vgl. harmonie) de wanklank, wantoon, het wangeluid, de ontstomdheld; oneenigheid, tweespalt, twist; — disharmónisch, adj. wanklinkend, onl-stemd; oneenig, in kwade verstandhouding; -disharmoniëeren, oneens zyn, niet eenstemmig zyn, nlot byeenpassen.

disheriteeren, nw.lat., z. desheri-t eeren.

dishonorabel, adj. nw.lal. (vgl honorabel, enz.) onteerend, schandoiyk.

dishydrateeren, Ohem. bel hydraalwater onttrekken.

disinvolto, it. Muz. ongedwongen, los; disinvoltüra, f. It. (v. lal. involvSre, Inwikkelen, Inhullen) de ongedwongenheid, losheid, vrymoedigheid, onomwondonheld.

disjóct, lat. {disjéclus, a, urn, van dlsji-erre) uil elkander geworpen, verstrooid; dis-jecli inenibrn poctuc, de versi rooide leden iles


-ocr page 389-

ÜiSI\'KUGKKHKN

D1SJUNGEKREN

(llchlors, cl. i. ilo in proza ovorgcbraclite iioczic.

disjungeeren, iM.idisjunuére, ontlilnrton, lii\'t tCKOiigosloldo van c o n j u n goo r c n) uil clk-iindor brengon, scliolden, atzondorcn, verdoelen, splitsen; — disjunctie (spr. I=ls), f. (disjunc-lïo) do afzondering, scheiding, verdeeling; — disjunctiof, adj. afzonderend, scheldend; on-vereenighaar, elkander uitsluitend, h. v. dis-Ju net leve conJunctiUn, Gram. afzonderende of verdeeiende, elkander wedorzUds uitsluitende voegwoorden; oen disjunctiof oordeel, I,og. z.uik een oordeel, waarin tegengestelde hegrippen door de woordjes «/\'—o/\' verhouden zlin; disjunctiflörisch, adj. nw. lat. Bol. met vanoenstaando bloesems— disjunctive, adv. lat. afgezonderd.

Diskos,gr.,■/.. discas-, diskobolie, f. het schijfwcrpen; — diskobólos, m. een werper met do werpschijf lgt;Ü de Ouden; inz. twee standhooldon iti het Vaticaan; disko-bólen, in. pi. N. II. vissehen mot scliyfvormige imikvinneii; — diskoïdaal, diskoïdisch, adj. Bol. schür-uf tafeiliordvorinig; — disko-lithen, m. pi. gr. lensstoonon, penning- of vruohtsteenen, oono soort van lensvormige versteende scheipdioron; - diskophoor, m. de schyfdrager; diskophörisch, adj. schyf-drageiul; — diskosömisch, adj. N. II. met schyfvornilg iicliaain; — diskosürisch, adj. met sciiyfvoruilgen staart.

disloceeren, nw. lat. (vgi. loc eer on) of disloqueoren, fr. (disloquer) verzotten, verleggen; wegtrekken; verzwikken, ontwrichtendislocatie (spr. t=ls), f. de verzetting, verplaatsing, hot weg-, uittrokken; van troepen: verdeeling; do onlwriciitlug, verzwikking, van een lid.

dismombreeren, nw.ial. (v. membrwn, lid) in stukkon doelen, vanoeiiryten, untloden; — dismembratie (spr. I=ls). t. de onile-dlng, veriirokkellng, verdoeling van hyeenbohoo-rende goederen en gronden; ook de afsciieidlug oenor gomoonte van haar vorig verband met eeno parochie.

Disopïnie, f. nw. lat. (vgi. opinie) de verscheidenlield van moening.

disórdei\'ly, adj. eng. (spr. —lie) onfal-soeniyk, slecht, iledoriyk; — disorderly houses, slechte huizon, krotten. (ren.

disorganiseeren, zie dosorganlsee-Dispache, f. fr. (spr. rfi-s/wisjquot;), of sp. despacho, it. dispaccio, m. (spr. rfi-spdlsjo: v. \'til. dispacciare, losiiiaken, afvaardigen, uitzenden; vgi. depociieoren) eig. afvaardiging; horekenlng van zeeschade, of ver-elfeiiing eonor geleden zeeschade tussclien de daarin betrokken personen, den reeder en den assuradeur; vgi. a var ie; — dispacheur, m. fr. (spr. di-s/m-sjéür) oen verelfouaar ol scholdsrechter, strandrechter, die lot dat werk wordt benoemd; dispacheeron, deavery of de zeeschade berokenon, opniakoii of dekken.

dispandoeren, lal. {.dii-imndere) uitspannen, uilhreidon.

disparaat, lal. (van disiiinUre, scheiden, tegenoverstellen) niet by elkander passend, on-geiykslachtlg, ongeiyksoortig, met elkander stry-dlg, onvereonigbaar, ongorymd, b.v. disparat o li e g r 1 |i p e n, o o r d o e 1 e n.

Disparagium, n. mid. lal. (vgi. para-gium) hot ongoiyke huweiyk lusschen vorsto-lyke personen (vgi, mesalliance).

Dispariteit, f. nw.ial. (v. \'tiat. dispar, ongoiyk) de ongoiykheld, ougoiyksoortigbeld, ver-scheideuheid; disparius, Bol. ouparig.

dispasceeren of liever disposcoeron (lat. dis-pescSre, scholden) aan verschil onderhevige geldsommen, Inz. by zeeschaden, ouder de pariyon verdeolon (vgi. dis pa olie).

Dispasto, f. fr. dubbele katrol, dubbel blok.

Dispatch-vessel, n. eng. (spr. despulsj\') adviesschip z. avis o.

Dispathie, f. lat.-gr. (vgi. pathos) de vorscheidonhold of ongelijkheid der gevoelens en gewaarwordingen.

dispecteeren, lat. (v. spectre, zien) bo-schouwon, hodenken, onderzoeken; - dispóc-tie (spr. /=.«), f. do hescliouwinff, hot onderzoek; — dispéetor, m. de beschouwer, onderzoeker.

dispondiëus, adj. lat. {dis-pendiusus, u, um, van dispemlfum, kosten) kostbaar, duur, met groide kosten gepaard; schadoiyk, nadeelig.

dispenseeron, lat. (dis-pensure, fr. dispenser .• vgi. pensum) uiihetalen, uitdooion, verdoelen; in apotheken: arlsenljen bereiden en uitgeven; vergunning of vryiioid geven; vrgspre-ken, bevryden, ontbinden, onlhelTen, vorschoo-nen, h. v. van eene moeite, enz.; — dispensa on dispensiero, it. z. oud. de po use; — disponsabel, adj. uw.lat. vry te spreken, vergunhaar, onlhefbaar; dispensary, n. (spr. dispénseri) in Kugolaiid oono iurichling, waar armen om niet artsenyen kuuueii hoko-mou; — dispensatie (spr. I=ls), f. lal. (dispensatto, fr. dispense) de iilideeiing; de vry-spreking, vergunning, verschooiiliig, het ophelTen van oen verbod In een byzonder geval of de vryslolliug van het opvolgen eens anders alge-moenen regels, h. v. in de r. kath kerk de vergiinning lol hel gohruik van vloosch in de vasten, lol het voltrekken van eeu anders verboden huweiyk, enz.: dispensatie-golden, u. pi. de golden, die voor zulk eene vrystoiling of vergunning worden beiaaid; -dispensator, m. de uitgever, ultdeeler, beheerder, schal meesier, schalier, Inz. in kioos-iers; — disponsatormm, n. nw.ial. een arlsenyiioek, receptenboek, |i h arm a c o p uea, volgens hot welk de geueesmiddoleii door de apotbokers niooton tooiioreld worden.

disperato, -la, -lamenle, 11. (vgi. desespereeren) Muz. wanhopig.

disperatione (con), 11. Muz. (met) wanhoop, vertvvyfeling.

disporgeoron, lal. (di-speruére; spar-{tere, strooien) verstrooien; dispérsio, f.


-ocr page 390-

DISPKUMATISCH

374

DISREGARD

nw. hit. du vurstrHOlliiR, lid iiiloonlORKOii; In/.. Opt. de verstroollni; van het licht.

dispermatisch, adj «r. (van sperma, zaad) Hot. (lat. dix/iermus) twceziiillg, slechts twee zaadkorrels hobbcnde.

dispertiëeren (spr. (=lt;«), lat. (dispertire, van parlire, deelon) verrteolen, nltdoolen. dispescoeren, ■/.. dis pa see eren. displanteeren, nw.lat. (vul. plan toeren), verplante», verzetten; displantatie (spr. Iie=lsie), f de verplaatshiR, verzetting.

displiceoron lat. Ulisiilicere, van placcre, hchagen) misvallen, mlshafsen-, displieén-tie (spr. t. {(iisplicentta) de onhehaag-

lljkheld; displicenttdc paclmn, Jur. een rouw-koopverdrag, dat is een hUverdrag, waarlil) een der beide partyen iiedlngt, weder van het hoofdverdrag te mogen afgaan.

displodiëeren, lal. (disploili) harsten, uit elkander slaan, aan slakken springen; — displösie, f. (spr. nw.lat. de ontploffing, knal.

dispoliëeren, lal. (dispoliare: vgl. spo-liöer en) heroovcn, plunderen; - dispoiia-tie (spr. I—Is), f. do plnndering, herooving.

Dispondëus, in. gr. (vgl. spondeus) l\'oél. eene grleksche en laUjnsche versmaat van vier lettergrepen, uit twee spondeen, d. i. uil

i lange lettergrepen, hestaande (--— —),

h. v. s c h roe fsto om hooi d ie n si.

disponeeren, lal. (dispnnfre, v. ponüre, stellen, zetten, enz.) eig. uiteenzetten, -plaatsen, enz.; schikken, ontwerpen, inrichten, indeelen, h.v. eene leerrede; beschikken, heheeren, h.v. geld, vermogen, enz.; ook Iemand ergens toe overhalen, bewegen-, goed of slecht gedisponeerd zijn, wel of kwal ijk gehumeurd, geluimd, gemutst z(jn; disponénda, n. pi. by hoekverkoopers: de door ennen boekhandelaar ten verkoop overgenomen, maar niet afgezeito, en daarom weder ter beschikking van den uitgever gestolde boekwerken; — disponent, rn. {dispünem) een beschikker, regelaar, bestuurder, beheerder, een niet volmacht voorzien zaakgelastigde; disponibel, adj. uw. lat. (fr. dispnnihle) bescblkhaar, ter beschikking staande, waarover men vry mag beschikken;— disponibiliteit, f. de besrlilkhaarheld; by militairen dc toestand tussclien actieven dienst en ontslag, met toekenning van een wachtgeld; — dispositie (spr. —zi-lsie), f. lat. (dispo-sifïn) de schikking, aanleg, inrichting, hel plan, ontwerp, b. v. lot een gevecht; eene schets, b. v. eene predikschcts; gebod, bevel, beschikking, hel recht der vrye beschikking over Iels; de llchameiyko iianleg, zlekteaanleg; de stemming, gemoedsstemming; geneigdheid, neiging, geschiktheid of vatbaarheid (om Ie leeren, enz.); beschikking hij uitersten wil, testament; Ier dispositie (gesteld), te hesehikking, voorsbands huilen werkelyken dienst, maar ter toekomstige beschikking gesteld; dispositief, adj. nw. lat. beschikkingen of inrichtingen he-tretfende, voorbereidend, ontwerpend.

dispossedeeren, nw. lal. (It. disposses-sare-, vgl. po ss cd eer en) uit het bezit verdry ven; — disposséssie, f. de verdryvlng uit hel bezit.

disposteeren, barb. lal. (vgl. |i os leeren), Mil. In afzonderiyke posten of troepen verdeelen.

disprivilegiëeren, nw. lat. (vgl. privilegie, enz.) van het geschonken voorrechl heroovcn.

Dispropórtie (spr. /=/.«), f. nw.lat. (vgl. proportie) de onevenredigheid, ongeiykheid, wanverhouding, liet gebrek aan behooriyke verhouding; — gedispro portion eer d, adj. onevenredig, in slechte verhouding slaande, on-gelgk, ongeiykinatig; - disproportiona-liteit, f. nw.lat. de wanverhouding.

dispungeeren, lat. {dispungSre) nauwkeurig doorioopen (eene rekening); — dis-pünctie (spr. /=.?; lat. dispuncCto), f. het nauwkeurig doorioopen, h. v. eener rekening; — dispünctor, m. de onderzoeker (eener rekening).

disputeeren, lal. (dispulare) wetenschap-petyk woordenlwlslen, twistredenen houden; een openiyk twistgesprek honden; — disputubel, adj. [disputubflis, e) betwistbaar, hestrUdhaar, waarover nog voor en tegen te zeggen valt; — disputatie (spr. Iie=l.ile), f. (dispulatfo) eene geleerde iwistrede, redestryd, Inz. een openbare, plechtige redestryd aan hoogescholen by bevordering tol eene akademlscho waardigheid, een geleerd spiegelgevecht; ook een geleerd stryd-of twistgeschrlfl, dal iiij eene plechtige twistrede ten grondslag wordt gelegd; — dispu-tator of disputant, m. (dispülans) een woordontwlsler, voerder van twistredenen; — disputatorïum, n. nw.iai., disputeer-college, f. eene strydoefening, eene opleiding tot geleerden woordenstryd; — dispulax, adj. strydzuchtig; dispulax animal, n. een twistziek schepsel, een aartstwlsler; - dispuut, n. (fr dispute, f.) eene woordenwisseling, een woordenstryd, twist, krakeel, twistgesprek, eene klh-boipariy.

disqualiliceeren, barb.lal. (vgl. qua-liticecren, enz.) ongeschikt of onhniikhaar maken ; — disqualifleatie (spr. I=ls), f. de ondeugdelykheld, ongeschiktheid.

disquieteeren, nw.lat. (van quiescirc, z. nulesceoren) verontrusten.

disquireeren, lat. {disquirtre, v. quae-rtlre, zoeken) nauwkeurig onderzoeken, doorgronden; disquisitie (spr. -zi-lsie), f. (dis-quisido) het onderzoek, de uilvorsching, navor-sching, doorgronding.

disrecomraandeeren, lal -fr. (vgl. re-commando eren) kwaiyk of sieciil aanbevelen; — disrecommandatie (spr. lt;=lt;«), f. eene ongunstige getuigenis, slechte aanbeveling.

Disrefórm(e), f. lat.-fr. de verkeerde vervorming, slechto verandering, schynverhelerlng Disregard, n. nw.lat. (vgl. regard, oud.


-ocr page 391-

DISRKNOMMF.KHEN

375

DISSOL VEEIIEN

rcgnrrtooron) de gorliiKSchiittlng, voronncht-zumlng.

disrenommeeren, lat.-fr. (vgl. rononline oren) in kwaden imam of roep brengen, iioruclit maken; —disrenommée of disreputatie, f. (vgl. rep ula lie) de kwade naam, de oneer, schande, veraolitliiK.

Dissatisfactie, f, nw.lat. (vgl. satisfactie) de oiilcvredenlield ; - dissatisfac-tórisch, adj, onbevredlgond.

disseceeren,lat. {dissecare, vgl. secee-ren) of dissequeeren, fr. (disséquer) ontleden, openen, opensnijden (tyken); - disse-catie (spr. l=lx), liever disséetie (spr. l=s), f. do ontleding, opensnijding van een lichaam, de lUkopentng; — disséetor, m. do ontleder.

dissemineeren, tut. {disseminure, van senten, v.. aid.) uitzaaien, uitstrooien; (een gerucht) verhreldon, Inz. valsche leerlngen, als \'t ware als zaden van onkruid, onder hot volk verspreiden; —disseminatie (spr. (=/.?), f. eig. uitzaaiing, uitstroollng, h. v. van hot zaad der levende wezens In de lucht; ook de leer daarvan j de verhrelding van een gerucht.

dissentiëeren, lat. {dis.tenhre, van sen-lire, gevoelen, het tegongest. van consentlre) in de meening, liet gevoelen afwijken, van andere meening zijn, anders denken; — dissénsie, f. (disseimo), dissénsus, m. de verscheidenheid of tegenstrljdiglieid der rneeningeii, de tweespalt der gevoelens, twist, oneeniglield, tweedracht, misverstand; dissentimént, n. fr. (spr. disaiilimdii) het tegenovcrgestelil gevoelen, de strijdige meening; - dissénters, m. pl. eng. andersdenkenden of afwijkenden, in lin-geiand alle l\'rotestariten, die nlel tol de episcopale kerk hehooren; ook non conform 1st en, p r e s h y t o r 1 a n e n, I n d e p e n d e n I e n geliee-ten; — dissentiént (spr. Ii=isi), nw.lat. van verschillende meening.

dissequeeren, z. diss cc eer en. dissereeren of disserteeren, lat. (dis-serlre en dissertare) grondig en geleerd over iets redeneeren, Iets vertiandelen; dissertatie (spr. Iie=lsie), f. (disserhiïïo) een geleerde verhandeling of twlstgosclirift, ophelderingsge-scluift (vgl. disputatie); proefsciirift van een op zijn promotie staand student; — disser-tator, Int., of dissertateur, fr. m. een verhandelaar, hy, die eene geleerde verhandeling schrijft; ook een langwljiig, vervelend ver-handelaar of spreker.

disserveeren, nw.lat. (van servïre, dienen) ondienst doen, henaileeien, schade toe-hrongen.

dissideeren, lat. {dissidcre, eig. van elkander gescheiden zitten; van sedère, zitten) vandaar, omdat dikwijls, zooais In parlementen, de keus van een plaats gelijkstaat met eene ge-loofsiiekenteiits; niet vau hetzelfde geloof zijn, van andere of ongelijke meening zijn, anders denken, van elkander afwijken; — dissidént, m. (dissfdens) eig. een eendrachlsvljiind; pi. dissidénten, andorsdenkemlen, afwijkende geloofsgenooten, weleer do iiiet-katliolieken in Polen (met uitzondering van do wederdoopors, socinianen en kwakers); — dissidéntie (spr. t=ls), f. [dissidenttn) de scheiding, splitsliig, scheuring, klove (in godsdienstige inzichten); — dissidium, n. de scheiding, oneeniglield In meenlngen, tweedracht.

dissimilair, adj. Iiarb.lat. (vgl. si ml lis, enz.; fr. disslmilaire) ongelijk, ongelijksoortig;

— dissimilariteit, f ongeiUkheld, ongelük-soortigheid; — dissimilatie (spr. I=ls), f. nw.lat. (v. dissimilis, ongelijk) do verandering van een van twee gelijke consonanten in een andere, inz. der aspirala In de overeenkomstige tenuis, li. v. Hac-chus In plaats van Bach-chus, Sap-pho in plaats van Saph-pho, enz.; vgl. assimilatie.

dissimuleeren, lat. (dissimulure, vgl. slmuleeren) veinzen, ontveinzen, liulcholeii, zich vermommen, zyne elgeniyke meenlng ver-hergen ; — dissimulatie (spr. lt;=/s), f. {dis-simuldttn) de veinzery, vermomming, huichelary ;

— dissimulator, m. de ontvelnzer, huichelaar.

dissipeeren, lat. (dissipUre en dissupare, van het oude sipare, supare, it. sciupare, wegwerpen) verstrooien, uiteonjagen; verteren, door-hrongen, verspillen, verkwisten; dissipatie (spr. l—ls), f. (dissipaCto) de verkwisting, ver-spiliing, dwaze, onhedaclilzamo vertering; de verstrooiing (der gedactiten), onoplettendheid; liet verdampen, vervliegen (van nevel, rook);

— dissipator, m. later lat. een verkwister, doorbrenger.

dissitiflörisch, adj. nw.lat. Bol. met van eikander verwyderde hioesems; dissiti-valvisch, adj. Anal, met vele gescheiden klapvliezen.

dissociëeren, lat. {dissociSre: vgl. so-cius) schelden, verdeeien, eene verhinlenis op-hellen ; — dissociabel, adj. (lal. dissocialiflis, e) ongezellig, onvereenlghaar; dissociabi-liteit, f. nw.lat. de ongezelligheid, onvereen-haarheid; - dissociatie (spr. I=ls), f. lat. (dlssoriafto) de sclieliling, onthindlng van een deetgonootschap, gezelschap.

dissolveeren, lal. (rfisso/oere, van solvfre, oplossen) oplossen, smelten, verdeeien; opheffen, doen uiteengaan, onlhinden; — dissol-ventia (spr. l—s), pt. {dissolvens) Med. oplossende, weekmakende of verdeelende middelen; dissolving views, pi. eng. (spr. —wjoes) nevelheelden, zich oplossende en elkander vervangende gezichten, waarhy het eene lieelil ongeiiierkt ia een ander overgaat (door twee toovcrlantarens voortgehracht); — disso-lübel, adj. (lal. dissoluVtlis, c) nw.lat. oplos-haar, sineltliaar; — dissolubiliteit, f. uw. lal. de oploshaarheid, smellhaaiiield; dis-soluut, adj. lal. (dissolulus, a, um) opgelost; teugelloos, ultspaliend, ongeregeld, lieder-lyk, ongelionden, wild; dissolutie (spr. t—ts), f. (dissoluCfo) de oplossing, schelding, ontbinding eens liclmams; de opiieiling, ontbinding.


-ocr page 392-

D1SS0NEEREN 376 DISTRIBUEEREN

hel uiteengaan, liet ophouden van oene verbintenis, oen genootschap, enz.; ook ongebondenheid, ongeregeldheid, uitspatting-, — disso-lutief, adj. nw.lat. oplossend, oplossing bewerkend.

dissoneeren, lal. (dissonare, van sonare, klinken) wankllnken, kwalyk lulden, niet over-eensteinmen-, — dissoneerende tonen of dissonanten, in. pl. wanklanken, valsche tonen; dissonantie (spr. /=lt;s), later lat. (dissonantia), f. de wanklank, het wangeluid, de verkeerde, valsche toon; oneenlgbeid, misverstand; Muz. de samenklank van tonen, welker verbinding, zonder Juist nog strijdig te zyn, toch cene lievredlgende oplossing door eene nieuwe loonverbindlng vordert.

dissuadeeren, lat. (dissuuilcre, van sua-dêre, aanraden, overreden) Iemand Iets afraden, ontraden, uil bet hoofd praten; -dissuasie (spr. s=J), f. (dissunsin) de atradlng, ontrading, net uit bet hoofd praten-, — dissuasörisch (spr. .vo—;o), adj. nw. lat. afradend, ontradend.

Dissyllatmm, n. lat. (van \'t gr. rfi- of dis-sullabon: vgl. syllabe) een tweelettergrepig woord-, — dissyllabisch, adj. tweelettergrepig.

distachyisch, adj. gr. Bot. met twee aren voorzien, tweearlg.

distaccate, II. Muz. maak los (het harp-pedaal).

Distalf, in. eng. het spinrokken, spinnewiel; onelg. het vrouwelijke geslacht.

Distance, fr. (spr. dislaiis\') of distantie (spr. lie=Me: lat. distant m, van dist ure, uiteenslaan), f. de verwijdering, afgelegenheid, afstand, tusschenrulmte, verte; distantie houden, Mil. bij den marscb den behoorlijken afstand houden; — distantiemeter, m. werk-lulg tot bepaling van den afstand eens voor-werps; — distantiëeren, op (bebooriyken) afstand houden; — distantius, lat. Bot. verwijderd staande.

distemönisch, gr. (v. slemon, meeldraad) Bot. van twee meeldraden voorzien.

distendeeren, lat. [distendcre, van ten-dére, spannen) (jhlr. met geweld uittrekken, uitspannen-, — disténsie of distóntie (spr. tle=tsii!; lat. distentio), f. de uitzetting, uitspanning, spanning; de omvang.

distermineeren, lat. (dis-teminarc) afzonderen, scheiden, iiegrenzen.

Distheen, n. gr. Min. een mineraal uit klezelzure kleiaarde.

Distichie, f. gr. (van slichos, rU, vers) Mod. eene dubbele ry, Inz. van ooghaartjes; — dis-tichiasis, f. de vorming van zulk eene dubbele rU, als ziekte; — distichon, n. (pl. disticha) gr. een koppelvers, tweeregelig vers, inz. het elegische distichon, een hexameter met eenen pentameter; — distichophyl-lisch, adj. Bot. met twee bladryen; — distich us, a, urn. Bot. tweerytg, tweez.ydlg; wanneer do deden naar twee zyden gericht zyn.

b. v. do bladeren van don gewonen Cypres of Taxodium distichum.

distilleeren, fr. {distiller, lat. destitlare), z. destllleeron, enz.

distingeeren, lal. {di-stinguëre -, elg. door punten afzonderen, van den stam slinguëre, sti-gare, steken) afzonderen, onderscheiden, met by-zondero achting behandelen, den voorrang geven; — zich distingeeren, uitblinken, zich voordeollg doen kennen; dislinfio, Ik onderschold (veel gebruikt In scholastieke redeneeringen); distinituéndum est inter—el inter, men moet een onderscheid maken tusscben dezen en genen;

— distinct {di-stinclus, u, um), afgedeeld, onderscheiden, afgezonderd; duldeiyk, verstaanbaar; — distinctief, adj. nw.lat. onderscheidend, kenbaarmakend; —distinctie (spr. tie =sie), f. lat. (distinctio) de onderscheiding door eer en aanzien, voortreffeiykheld, verdienste, voorrecht, rang, stand; een persoon van distinctie, il. I. van hoogen stand of aanzien, een voornaam persoon -, — distinctus, a, um, Bot. afgescheiden.

Distokïe, f. gr. (v. dis- en tiktcin, baren) Med. de dubbel- of Iwectingspeboorle.

Dis torna, n. gr. (van sh\'ima, mond) N. II. dubbelmond, de ogelworm, een iilalte Ingewandsworm, welke In de lever en gal gevonden wordt en twee mondopeningen heeft; distómisch, adj. tweemondlg, die twee monden heeft.

distoneeren, il. (distonure) Muz. wankllnken of uil den rechten toon wyken, eenen toon te hoog of te laag aangeven.

distorqueeren, lat. {distorquere: vgl. torqueeren) verdraaien, verrekken, verstuiken; — distorsie, f. (lat. distorsio) de ver-draaling, verstuiking, onvolkomen ontwrichting.

distraheeren, lat. (distrahire, van tra-li ére, trekken) elg. uit elkander trekken; verstrooien, verwarren, aftrekken, b. v. de aandacht van eene zaak-, — distractie (spr. tie =sie), f. [distraclio) de verstrooiing, afgetrokkenheid, onachtzaamheid, gemoedsverwarring, stoornis; Jur.de vervreemding, het verkoopen; dislractin anïini, vorstrooidbeld van geest; dis-tractïo /lif/nóris, de pandvervreemdlng;—distractor, m. de verkooper; — distrait, adj. fr. (spr. dislrè) verstrooid, verward, onopmork-zaam.

Distress, n. eng. ongeluk, ramp.

distribueeren, lat. (dis-tribune) verdoelen, Indeelen, ultdeelon; by lotterzelters: de tot den druk gebruikte lettors leder In haar eigen vak loggen, afleggen; — distribuént, lat. (distribüens) of distributeur, fr. m. de ull-deeler; — distributrice, f de uitdeelster;

— distributie (spr. tie=sie), f. lal. (distrihu-tïo) do verdeeling, indeeling, rangschikking; uil-deellng; by letterzetters: het uit elkander nemen der afgedrukte vormen; l.og. de oplossing van een begrip in andere gelyksoorllge begrippen; — distributief, adj. nw.lat. toedeelend;


-ocr page 393-

DIST lilCHIA SIS

377

DIVAN

ndcerbia dixtribut/va, Gram. vordcolcndo of In-ileolendo bijwoorden, b. v, deels, deels; nu een s, dan eo ns.

Districhiasis, f. fir. (vgl, trlcblnsls), z. v. n. dist leb las Is (z. aid.)

District, ii. (mld. lat. dishiclus, bet reebts-jicbted, de oppermacht op elnen (frondKebled, van \'t lat. di-slringVrc, ulleenspaniien) elf;, de landstreek, waarin lemund voor bet gerecht he-trokken wordt of gehouden Is te verschijnen; eene landstreek, dreef, een gebied; eene atdee-llng van een departement.

Disti\'ix, ii. nr. de dunharlgheld. Distróphon, n. gr. een uil twee stro-phen (z. aid.) bestaand gedicht.

disturbeeren, lat. (dis-lurbdre: vgl. tu r-lieeren) storen, afbreken, verhinderen, belemmeren, verwarren; — disturbatie (spr. tie= tsie), f. (dislurbalio) de afbreking, stoornis, belemmering; verwarring, verwoesting.

distylisch, adj. gr. (v. stylos, stül) Bot. IweestUiig, twee biocmslijlljes hebbende, disuniëeren, z. des mi leer en. disvalueoren, nw.lat. (vgl. valueeren) verlagen, van waarde verminileren; — disva-luatie (spr. f. ite waardebeneming, vermindering, verlaging.

disvosteeron, nw.lat. (van \'I lal. vest ire, kleeden) ontkieeden; ontzetten, afzetten, Inz. geestelijke personen.

Dit, n. fr. (spr. di) spreuk; ook: klein ge-dichtje, lied;- ditier, m. (spr. diljé) maker van middeleeuwsclio liederen.

Ditotraëdor, n. gr. (vgl. tetraëder) een ilubbcl-vlervlak; — ditetraëdisch, adj. dubbel-viervlakklg.

Ditetryl, n. gr. (v. dis, dubbel, tclra, vier en hylc, stof, basis) Cliem. de door Faraday ontdekte vloeibare kootwaterstof.

Dithelsmo, n. gr. (van theós. God) het geloof aan twee goden, IvveegoderU; — di-theist, m. die aan twee goden gelooft, twee-godendienaar.

Dithyrambus, m. of dithyrambe, f. gr. bijnaam van liiiccbus (van onzekere atlel-(iing of verwant met gr. thriambos, triomflied of terug te brengen tol ithys en rhabdos, als \'t ware z. v. a. mei hoogverbeven thyrsusstat) vurige, stormachtige lofzang op liaccbus, later ook op andere godheden en belden; een vurig lied, vol dlchterigkc verrukking, doorgaans ongeregeld in maat en stanzen; — dithyrambisch, adj. bezield, vurig; overdreven, wild, razend.

Ditie (spr. t—ts), f. lat. [ditïo en dicm, v. dief re, zeggen, eig. dal, waar Iemand te spreken, Ie gebieden heeft, tiet recht om te spreken en let gebieden) de macht, heerschappij, bet recht van over anderen te gebieden.

dito, z. detlo.

Ditomie, f. gr. (vgl. t o in u s) de verdce-llng In tweeën, balveering; — ditömisch, adj. in twee doelen gespleten,

Ditónus, m. gr. {ditónns) Muz een uil twee geboele groote tonen bestaand interval, de groote terts.

Ditridaktyius, in. gr. N. II. steltlooper, vogel met twee of drie voorteenen zonder ach-terteenen; — di tridak tyiisch, adj. twee-of drleteenlg.

Ditriglyph, m. gr. Arch, de ruimte tus-scben twee trlglypben (z. aid.) aan de do-rtsche zuilen.

Ditrocharns, m. gr. Poet. een dubbele Irochieus {■/.. aid.), ook chorus genaamd, een versvoet van vier lettergrepen, waarvan de eerste en derde lang, de andere kort zijn (_ u — o ), b, v. Godsvoreering.

ditta. It. (vgl. detto) Kmt. het onderschrift der brieven of wissels van eonon koopman, de naam, onder welken een handel gedreven wordt, z. v. a. firma.

Dittanaklasis, f. gr. (v. dittos, dubbel, en andklasis, de ombuiging van\'1 licht en\'t geluid; vgl. a n a k I ii s 1 s) of dittalleloklan-gë, t. gr. (van dittos, dubbel, attötón, weder-züdscb, on klanfic, klank, toon) oen iloor Muller te VVeenen in 18(1« uitgevonden rechtopstaand plano-forle mot perpendiculair gespannen snaren.

ditto, liever lt;letto, z. aid.

Dittographie, f. gr. dubbelscbrliving, herhaling (ten gevolge van vergissing) b(i bet schryven.

Dittopie, f. gr. (v. dittos, dubbel), z. v. a. d 1 p I o p i e.

Ditty, ii. eng. (spr. —ti) lied; vgl. dil. dfu, lat. hü dag; lang.

Diurësis, f. gr. (van diocrêm, door- of uil wateren) Med. afvoering of afscholding van pis; — diuretïoum, n. een pisdrijvend middel; — diurotiaoh, adj. pisdrijvend.

Diurnaal, n. nw.lat. {diurnale, v. diür-nus, a, urn, ilagelUksch) een (lageiljkscli gebedenboek der r. kath. geesteiyken, oen uittreksel uit het brevier; diurnalist of di-urnist, m. oen dagloonscbryver. Iemand die voor daggeld werkt.

Diuturniteit, f. lat. (diuturmtas, v. diu-türnus, langdurig, en dit v. tCtu, lang) de lang-wyilgheid, langdurigheid.

Div of diw, m. (ook f.) perz. (dêw) Myth, een (meestal iiooze) geest, dannon, die verborgen schatten bewaakt; eene fee.

diva, dime, enz., z. end. dims divageeren, lat. (rfi-rasinn; vgl. va goeie n) af- of ronddolen; — divagatie (spr. l=ls), f. de afdwaling; bet ronddolen.

Divan of diwan, m. perz. (dtmdn, arab. daiwdn, fr. en sp. divan, li. divano, hetwelk een arab. geloerde verklaart = diwan, perz. pl. van dêut: de duivels) hel hoogste staatscollege by de oliomiinscbe porto, de lurkscho slauts-raad, de geheime raadsvergadering des turk-schen keizers; bet tolkantoor; ook eene lage, met koslbare lapyten en vele geborduurde kussens voorziene sop ba in het Oosten, ook mz. zulk eene, die tegelijk als bed kan gebruikt


-ocr page 394-

Dl VA NO

^78

DIVIN

worden (slaap-dlvan); eenu vcrzuinellng van j?e-schrlften of opslellon, In/., gedichten (zooals Goolhe\'s Wesl-öslllclior Divan); — divan-begoeï, m. de oppei toezlener eenor rechtbank In Perzlë, aan wlon de klians üiiderwor|ieii /.yn;

— divan-kiasiblari, m. pi. de schryvers In don divan; — divani, n. turksch kanselary-Koschrlft.

Divano, m. eone rekenmunt te Masocah, waarvan er IH In oen pataca gaan.

Divaricatie (spr. I=ts), f. nw.lat. (van divaricare, uil elkander spalken) Med. takswUze verdeellns eenor ader; ilivaricatio maxillnrum, de moiidklem; — divarimlu.t, a, um, Hol. sterk ultgeslrekl; wat wyd uil elkander staat,

divelleeren, lal. (diveltérc) ulteensclieu-ren, In slukken scheuren.

divergeeren, nw.hil. (tr. diverger, 11. en ondersteld lat. iliverglre, v. di=rfis, uiteen, en verg ere, zich neljjen, richten) uiteengaan, afwy-ken, afdwalen, zich meer en moor van elkander verwUderen; van eene andere meenlng z||ii;

— divergént (di vér flens), of divergee-rend, ailj. ulleonloopend, h. v. dl vergeerend e lijnen, zulke, die nlel parallel zlin, die dus, na elkander gesneden le hehlien, zich steeds verder van elkander verwijderen; in de analysis heet eone oneindige reeks dl ver ge erend, als hare leden sleeds grooter worden, hoo vorder zij zich van den aanvang verwijderen (vgi. convergoercn); — divergéntie (spr. 1= Is), f. (fr. divergence, it. divergénza) het ultoen-loopen, de verwijdering van twee lijnen In de meetkunde; divorginérvisch, diver-givenisch, adj. Kot. met uit elkander gaande rlhlien, aderen.

Diversie, enz., z. ond. diverteer en;

— diversonum, n., z. v. a. deversn-r 1 u m.

diverteeren, lal. (di-vertfre) schelden, afwenden, verwijderen; vandaar fr. diverllr, olg. aftrekken, allelden) Iemand of zich zeiven vermaken, verlustigen, genoegen geven; - divérs, adj. (lat. divdrsus, n, um) verscheiden, menigerlei, h. v. diverse waren; — rfiumo sed una, verscheidenheid doch eenheid, de zinspreuk van een geloerd genootschap te Dordrecht, opgericht in isui; — diversicölor, adj. van verschillende kleur; — diversiflorisch, adj. nw.lat. Kot. verschillende hloemen dragende; - diver-sifólisch, mot verschillende hladcren; di-versifórm, van afwisselende gedaante, onge-lUkvormig; - divorsisporisch, zaden van verschillenden vorm hevattende; — diversificatie (spr. t—l.i), f. de verschlllendmaking, verandering, verscheidenheid; diversifi-eeren, afwisselen, verscheidenheid In Iels hren-gen, op versohlliende wyzen voorstellen, maken, loehereldcn, enz.; - diversiteit, f. (lat. dt-versilas) do verscheidenheid, ongelijkheid, menigvuldigheiddivérsie, f nw.lat. de afleiding, andere wending, veranderde richting: Mil. eon onverwachte zydclingsche of rugwaiirlsche aftnval, oen dwarsaanvul; onverwachte wending.

veranderde richting, verijdeling van zekere oogmerken; ook verstrooiing, godachten-allclding, zorgonverdryving, allelding; Med. de vordeoling der vochten; —divertiménto. Tl. It. Muz. een tydkortend, aangenaam muziekstuk, eone soort van lichtgezetto potpourri, een sink tot ontspanning, vermaak, vorlusllging; in Krank-ryk de muziekstukken tusschen de afzonderlijke hedrgven op het toonool, ook ontre-actos geheeten; — divertissant, adj. fr. (spr. -li-sdii) verlustigend, vermakelijk, aangenaam, tydkortend; — divertissement, n. fr. (spr. -li-s\'mdii) de verlustiging, uilspanning, hel vermaak, tydverdryf; vroeger de op elkander volgende dansnommers In eene opera; nu een klein hal-lel, waarin de afzonderiyke dansstukken zonder eigenlijken samenhang op elkander volgen; Muz. z. v. a. d 1 v e r 11 in é n I o; ook vervreemding, verduistering van goederen, enz.

divideeren, lat. (dloidt rc) doelen, verdoelen. indeelen; Arilh. onderzeekon hoe menigmaal een getal (divisor) i:i een ander (dividend) begrepen Is, of well, gedeelte het eene gelal van een ander Is; dividiitur, het worde gedeeld; — divtde el imptra, verdeel en beersch! verbreek de eendracht uwer tegenparty, om zoo des te gomakkeiyker Ie zegepralen (eene grondstelling van inaccblavelllsllscbe slaalkunde); divide in paries nequnles, afgek. rftti. in pari. acq., op recepten; verdeel hel In geiyke doelen ; dividóndus, of afgek. dividend, m. Arilh. bet Ie doelen getal, bet deeltal; — de dividénde, of het dividend, Kml. de Ie doelen winst, bet aandeel, dal aan eiken deelhebber In eene maalscbappU naar verhouding zyner acllün of inlagen op bepaalde tyden van de winst wordl uilgedeeld; — dividüum, n. hel deelbare; - dividualiteit, f. nw.lal de deelbaarheid; — divisibel (spr. s=z), adj. deelbaar; - divisibiliteit, f. de deelbaarheid; — divisie, f. lat. (divisfo) de deeling, In-deeling, inz. Arilh. de deeling dor getallen, eone deri rekenkimsllge hnofdhowerkingen; Mil. eene uil -2 of II brigades beslaande logerafdeellng, bij de Franscben ongeveer 10,000 man; — divi-sie-generaal, m. onderhevolbebber, luitenant-generaal, aan wien de brigade-generaal (generaai-majoor) ondergeschikt is; — divistn imrenlum inler lihlfros, Jur. een nlel aan bepaalden vorm gebonden soort van laalste-wlls-beschlkking dor ouders onder de kinderen; — divisor, m. Arilh. de dooier, dat getal, waardoor een ander gedeeld wordt; — divisorium, n. nw.lat. een doelingswerktulg, de verdoellngs-schyf der uurwerkmakers; hy lellerzetters; de nüper, een workluig ter vaslboudlng van de kopie en ter aanduiding van den telkens te zetten regel.

Dividivi, pl. Bot. de peulen van oenen boom (Poindana of Cacsalpinia coriarïa) in W.lndie, die lot het zwarlverven en looien van bet leder gebruikt wordl.

divin, adj. fr. (spr. diii\'iii: lat. divinus, ». um, v. divus, z, aid.) goddeiyk, bemelsch, voor-


-ocr page 395-

DIVINEEKEN

379

DOCEEREN

irciieiuii, overhoorlUk; — diviniseeren (spr. s=z), linrk.lat. (fr. diviniser) goddolUko eor lic-wyzcn, als (lort vereeren, vergoden; — divi-niteit, t. lat. (ilivinïlas) de godheld, goddelijk-held; —divinity, f eng. (spr. —H), i. v. a. dl vin Ito 11; godgeleerdheid; Doctor of IMvi-nity (afk. I). I).), doctor In do godgeleerdheid.

divineeren, lal. (divinari, d. 1. elg. door goddelijke Ingeving waarnemen) raden, voorzeggen, voorgevoelen, waarzeggen; — divinatie (spr. /=lt;s), f. (divina/to) het voorgevoel, vooruitzien, hot waarzeggen, voorspolllngsvormogen, dlvlnatle-vermogen; — divinutor, m., divinatrix, f. later lat. de waarzegger, waarzegster; — divinatorisch, adj. waarzeggend, voorspellend.

Diviniteit, z. ond. dl vin.

Divino of divano, m. een rekenmunt In Ahysslnle, van gelijke heteekenls als egypt. para (z. aid.)

divisibel, divisie, divisor, enz., ond. d 1 v 1 d e e r o n.

Divórtie (spr. lt;=lt;s), n. Int. (dinotiïum, (livertüre, vgl. divert eer en) de schelding, echtscheiding; — divorteeren, nw.lat. of divorceeren (fr. divorcer), uit elkander gaan, schelden (van echlgenooten); ged I vort eerd, adj. gescholden.

divolaménte, II. (van dicótn — lat. devolm, z. de voot) aandachtig en eerbiedig, met plechtigheid en waardigheid.

divulgeeren, lat. {divulqüre, v. vulgus, volk) bekend maken; —divulgatie (spr. I— Is), f. de ruchlhaarmaklng, ultstroollng, verhrel-dlng, hekemlmaklng; divulgiitor, in., di-Vlllgatrix, f. de verhreldor, verhreldsler.

Divülsie, f. later lal. (dirulsTo, van divel-I Vc, vaneenschouren; vgl. d 1 v o 11 e e r e n) de verscheuring; —divulsief, adj. uw.lal. verscheurend, losrukkend.

divus, «, «m, lal. (met aeöllsch dlgamma |z. aid.] = gr. dio.i, goddelijk; van O/ós, gen. v, /eus) goddelijk;- divus, in. (In den rom. keizertijd: eoretllel der na hun dood vergode keizers) de goddelijke, vergode, zalige; ~ diva, f. do goddelijke; hU II. dichters ook: de geliefde; voorts: gevierde zangeres; — rfteae memoriae, goddelijker of zaliger gedachlenls. Diwan, z. divan.

dix, fr. (spr. die of dies) tien; - dixhui-tain (spr. dhwileii), franscho lakens, waarvan de ketting 1800 draden heeft; — dixiöme, f. (spr. diz~) Muz. een Inlorval van negen lonen of van een octaaf en torts; — dizain (spr. dizeii) Poel, een gedlchl van tien verzen, een dichtstuk uil tlonregellge slanzen of strophen hostaande; — dizaine, f. fr. (spr. di-zèn\') de vierkanten, waarin patrnonpapler verdeeld Is (eng. design).

dixi, lat. (v. dieüre, zeggen) Ik hel) hot gezegd; Ik hoh (mijne rede) geëindigd, hen klaar; dixi el nmmam salvïïvi, Ik lieh hel gezegd of heieden en mijne ziel gered (of mijn geweien gerustgesteld).

Djagoeng, djagong, f. jav. en mal. maïs, lurksche tarw.

Djak, m. russ. schrijver, secretaris.

D.jaksa, mal. en soendanoesch. openbare aanklager, olllclor van Justitie (in Ned.-lndlö).

Djati-hout, n. jav. en mal. Ilmmerhoul op Java voor den scheepsbouw goschlkt, z. v. a. t e a k - h o u t.

Djaur, m., ■/.. glaur.

Djëta, f. albaneesch hoofddorp.

Djoekong, f. vaartuig op Borneo uit oen langen ultgeholden boomstam, boot, kanoe.

Do, f. 11. Muz. de eerste toon In hel octaaf, soms In plaats van ul gebezigd.

do, lal. Ik geef (van dare, geven); do ul des, .lur. ik geef, opdal gij gevel; dn ul facias, ik geef, opdal gij doet.

Doalmm of doarïum, n, mld,lal, (fr, douaire) Jur. het weduwbozlt, z. v. a. dota-llum, dotalitlum of dotarlum.

Dobléro, m. sp. (van doljle, dubbel) eene kleine rekenmunt op Majorca = bijna i; ct.;

— doblón, m, sp, (il. doblone, dohhlone, fr, doublon) eene spaansche goadmunt, dubbelstuk, dubbelplaslor, geldende omstreeks 40 gld. naar don ouden muntslag (z. ook piaster).

Dobra, eene porl. goudmunl, vroeger 15000 Ibans lliimo reis = li gld.; - dobnio (spr. dobranii) eene goudmunt In Porlugal, vroeger 24000 reis, sedert 1847 = SOOOO reis = 84,S gl.

Dobrówik, m. russ. Iels, dal Ir) zijn soorl Hink en stevig Is, b, v, een groot kanon.

doceeren, lal. (docere) leeren, onderwijzen ; eene loervoordracht houden; ilncdndo dis-cfmas, al loerende leert men, of door anderen te onderwijzen, oefent men zich zelve)); do-cendïtm, het onderwijzen; facullas docéndi, bevoegdheid O))) onderwijs te geven; — do-cént, ))). (dóccns) een leermeester, Inz. aan gymnaslen en hoogeseholen; dociel, adj (lal. docllis, e) leerzaam, valbaar, begrijpelijk; gedwee, buigzaam;—dociliteit, f. (dociftlas leerzaan)beid, val baarheid, gedweeheid; — doctor, m. elg. een leeraar; de tllel van den hoog-slen acadcmlscben graad h) de godgeleerdheid, wijsbegeerte, rechlsgeleerdheid, lelteren, enz., I))z. voor doctor der geneeskunde, een met die waardigheid bekleed arts; — doctor bullatus, z, ond. builo; doctor in ulroquc, doclor In de beide (rechlen); — doctors-diploma, n. de oorkonde, hel bewijsstuk van bel doctorschap;—doctoraat, n. nw.lal. de waardigheid van doctor;—doctorandus, m. die op bel punl staat van doclor Ie worden; — doctoreeren, doclor worden, den graad van doclor verkrijgen; ook de geneeskunde uitoefenen;

— doctrina, fr. doctrine, f de geleerdheid; de leer, weienschap, kunsl; eene leerstelling, die de werkelijkheid voorbijziet of daar-medo geene rekening houdt; in kerkeiyken zin (fr. la doctrine, it. la dotlrina) onderricht in den chr. godsdlensl, z. v. a. kalecbisalle of k a l e c h 1 s in)) s; — doclrind cl amicitfd, voor geleerdheid en vriendschap, de zinspreuk van


-ocr page 396-

DOCH MUIS

;380

DODOLA

een ailiizleniük gonootschai) to Amsterdam, op-Kcriciit in nss; — doctrinaal of doctrinair, ailj. nw.lat. geleerd, wotenschappoiyk (dlkwyis met liet liljbogilp van liet pedante); — doctrinair, doctrinairen, pl, fr. aanhanger on verdediger van een bepaald loerbo-grip in de tlioologio, phllosophle of poiitiok; inz. eono politieke pmiij in liet nieuwere Krank-i(jk, die den Staat naar welenschappeiyke tlie-orién ingericht, on monarchie en democratie ineengesmolten wil lichhen. zooals Koyer-Collard, (luizot, enz.; — doclus, u, urn, geleerd, bekwaam voor eene zaak; — docti male pingunt, ile geleerden schrijven eene slechte hand; — ihtrlus cum lihrn, geleerd met het boek (lt;l. 1. geleerd met geleende veeren, pronkende mot de denkbeelden van anderen).

Dochmius, in. gr. (van dóchmios, dwars gaande) of dochmische versvoet. Poet. een vyilettergrepige versvoet, waarvan de eerste en de vierde lettergreep kort, de overige lang zijn -----), b. v. gedenkwaardig li ei d.

dociel, dociliteit, z. ond. doceeren.

Docimasie (spr. s=z), f. gr. (van linkimd-ilzein, beproeven) de toetsing, inz. dor metalen; docimasia pulmonum, de longenproef; dn-cimasia medicamenlorum el i-cnenörum, de beproeving van arlsenyen en vergiften; —doci-masiologie of dociraastiok, f. de toets-of prootkundo, de kunst om den aard en de evenredigheid der elementen te bepalen, die een erts uitmaken ; - docimastïkon, n. een on-derzoekingsgeschrift, tootssciirift; - docimiis-tisch, adj. beproevend, loetsend.

Dock, dockyard, z. dok.

Docket, n. eng. (eig. uiltreksel, v. doek, afkorten) warcnhrief; wareniyst, pryscourant.

Doctor, doctoraat, enz., z. ond. doceeren.

Document, n. lal. {documénlum, pi. dncu-menta, van dovere, loeren; eig. wat tol leering dient) de oorkonde, hel bewijsstuk, sink; dn-cumenhim alicnum, n. een vreoind bewUsstuk, dat nlel onderteekend is door dengene, omtrent wien het bewyzen moet; d. dixrrchtm, een stuk, dat den byzonderen grond der verplichting beval; (I. indiscrèlum, oen stuk, dat enkel de verplichting, zonder den grond daartoe, bevat; d. insinwiliönis, het sink der dagvaarding; d. Itrivalum, eene oorkonde, welke door een niet gerechleiyk persoon is opgesteld; tl. pubftcxm, eene openiyke, van de overheid komende ooi-koude; (/. f/wn.v/ pubticum, eene zoo goed als openiyke oorkonde, d. i. die door eenen notaris vervaardigd en door drie getuigen onder-leckend is; d. re f erena, eene oorkonde, die op eene andere betrekking heeft, of waarin eene andere aangehaald, daarop verwezen wordt; d. relulum, de aangehaalde oorkonde; documentu nnviler repMa, nleuweiings ontdekte oorkonden of bowysslukken; — documentair, adj. oorkondeiyk, volgons eclilo, «cldi^c slukken; — documonteeron, nw.lat. met oorkonden staven, in rechten geldig bewyzen, iets met he-wysstukken voorzien; — gedocumenteerd, adj. met bewysstukken gestaafd.

Dodane, m., z. dos d\'ane; — doda-rium, z. dolarlum, ond. dos.

Dodekadiek, f. gr. (van dödëka, twaalf) of dodekadisch systeem, n. Arilh. het twaalftallig stelsel (van Lelbnllz); — dode-kadaktylon, n., z. duodenum; — do-dekadéltos, f. (van diltns, tafel, schrytta-fel) de wet der li tafelen hy de oude Romeinen; — dodekaëdron, of dodekaë-der, n. gr. (v. hüdra, zetel, grondvlak) Geom. een Iwaatfviak; - pentagonaal dode-kaëder, een door 14 regelmatige vgfhoekon ingesloten lichaam met 20 boeken, :in kanten en ton diagonalen; — rhomboïdaal do-dekaëder, een door li vierhoeken ingesloten lichaam ; — triangulair of pyrami-daal dodekaëder, eene dubbel zeszydige pyramide, een door 12 driehoeken begrensd lichaam; — dodekaëdraal-getallen, die pnlygonaal-getallen (z. aid.), welker derde verschillen gelijk 27 zyn, als: I, 20, Si, 220, 458, 81(1, enz., en welke men verkrygl door van hel Ovoudig (juadraal eens getals het Ovoud des wortels af te trekken, by de rest 2 te voegen en de som met de helft des wortels te vermenigvuldigen, b. v. 20 = [(2\' X II) — (2 X 0) -f- 2] X t; SI = 1(3» Y ») - (3 X ») 2) X IJ, enz.;

— dodekafïdisch, ml), gr.-lal. in twaalven of twaalfvoudig gespleten; — dodekagoon, m. gr. een twaalfhoek; — dodekagonaal-getallen, die polygoiiaai-gotailen, weikerlwee-de verschillen geiyk 10 zyn, als: 1. 12, 33, Oi, lOli, liiti, enz., en welke men verkrygl als men een geheel getal met z.yn Bvoud min i vermenigvuldigt, b. v. 12 = 2 X (10-4); 33 = 3y (15-4), enz.; dodekagynïa, f. Itnt, twaalf-styilgen, eene orde van de tide klasse van L.;

— dodekagynisch, adj. Iwaalfsiyilg; — dodekandrïa, n pl. twaalfbelmigen, planten met meer dan 10 en minder dan 20 meeldraden in eene tweeslachtige bloem, de 11de klasse in het stelsel van 1,; — dodekan-drisch, adj. daartoe belioorendo; — dode-kapetalisch, adj. twaalf bloembladeren hebbende; — dodekapólis, f. gr. het twaalfste-denhond; dodekarchie, f. de heerschappU der twaalf; -dodekarchen, m pl. de twaalfmannen, de leden van den raad der twaalfheer-schers; — dodekatemorion, n. het I2deel van eenen cirkel; in de astrologie: een der 12 hemelsehe buizen, hel 12deel van den dierenriem;—dodekathëon, n. hel afgodskruid, hetwelk onder do primulaceiin behoort; — do-dichëdron, n. eene llgunr met twaalf zyden en twaalf hoeken.

Dodo, z. dronle.

Dódola, f., pl. dódole of dodólen, in

Servlc meisjes, die des zomers dansend en zingend van huis tot huis gaan, terwyi zij haar naakte lyf enkel met hloemen en loof gesierd hebben.


-ocr page 397-

DODON/KISCH

381

DOIGT

dodonasïsch, dodönisch (ki-, ilntln-naïos, a, on), hol dodonseïsch orakel, hot oudste (naar men wil p e I a s k I s c h e) ur. orakel in op» overouiloii loinpol van /eus le Dodöna in Epirus.

Dodrans, in. oen oud-roin. gewiclit van li nnoln); of als vochtmaat = 4 soxtarlusj in \'1 algemeen drlo vleide deden.

Doear, m. (dóewurat, van doetoar, rund), nrab., In N. Afrika do tontenkring dor arabisclie horden, In wier nahyiield zich de kudden he-vlnden.

Doeasji, m. pl. turk. personen, die bijzon-dor met do zorg zün holast om voor don sultan te hidden.

Doebelang, doeblang, m. mal. inland-sche soldaal, Inlandsche agonl van pollllo (op Sumatra).

Doeehoborzy of doechoborzen, m.

pl. (van don sing, dnechobórez) russ. (v. doech, goesl, on bnrolsja, worstelen, kampen) eig. strijders dos geestos, oeno gr. ohrlslolgko secto in Rusland (hoofdzakoiyk In do vruchthare steppen van do Krlm), dlo de drloücnhold verwerpt, geono kerken of priesters hooft, en don eed zoowel als don krijgsdknsl voor ongeoorloofd liondt.

Doedoe, z. dront e.

Doegong of doegoeng, in. (nialolsch doeyunu, javaansoh doeyoenq) do zookoe, oen lot de walvlschsoorlon hohoorond zoogdier in don Indischen oceaan, dat waarsch. tot do fa-hol van do sirenen on meormlnncn aanleiding lioefl gogovon.

Doem, in. arah. (daum, alloosdurond) soort palmboom in Opper-Egypte, welke de doom-vruchlon oplevert.

Doema, f. russ. (v doematj, donken) de raad, raadsvergadering; hel stadhuis, raadhuisj

doema eener orde, z. v. a. ordos-kapittel.

Doenalma of liever doenanma, n. lurk. {docndnma, looboroldsel, vermaak, feesleiykhold, van danAn-mak, passiv. van (lündl-mak, uitrus-ion, in orde brengen) oon lurkscll volksfeest, «lal 1 dagen en nachten openiyk door vorma-kelgkhedon wordl govlord na oeno grooto overwinning, do geboorto van oenen prins, den eersten intocht eens sultans in do siad, enz.

Doerak, m. russ. (spr. doerak: v. dóérenj, onnoozel) zotskap, grappenmaker; ook als scheldwoord: domkop, dwaas.

Doerbar of da rhar, n. (porz. darbamp;r, woning, vorstelijk hof, gehoorzaal) do ochtond-op-wachtlng bü een Indischen vorst; do slaalsraad.

Doerian, m. mal. eone iioornsoort in Nod -indle {Darin tibclhinus).

Doerra, f. arah. (doeraw) ceno soort van glorst, kaffer- of nogorkoron (Sorghum vulgare), waaruit brood wordl gebakken in Arabic en IV. Afrika.

Doery, m. ongebleekt oostimi. kaloon; — doeryagra, in. blauw en wil geslreopt oost-ind. kaloon.

Doesack of doessek (slav. toesak), m. een vroeger gobruikoiyk korl, broed, krom zwaard, met oeno opening in plaats van gevost tol handvatsol.

Doeskin, n. eng. (spr. ilooskin) dunne, llchto buckskins (z. aid.)

Dog, m. (v. eng. dog) een groole ongelsclie hond; — dog-cart, eng. llchto Jachtwagen.

Dogana, f. it., z. v. a. douane.

Dogandsji-basji of dogand, do groot -valkenier dos turkscben keizers.

Doge, m. it. (spr. dó-dzje; van \'t lat. dux, genii, dmis, aanvoerder) do heervoerder, hertog, een titel van hot voormalig opperhoofd dor regoering te Venetië en te (lonua -, — dogaat, n. het ambt of de waardigheid van oenen doge; — dogale, m. een slaalslekleed der venetiaan-sche edelen; — dogata, f. \'I paleis van den doge le Veneilo; dogéssa, f. gemalin van oen doge.

Dogger, dogboot of doggerboot, f.

een vaartuig voor de vischvangst op do Dog-gorsbank.

Dógma, n. (pl. dogmata of dogma\'s:

gr. eig. mooning (v. doknn, moonen, gelooven) oeno leermeening, loer; eone ioorstolling, oon leerpunl, leerstuk, oen Ibeologlsch dogma, eone geloofsslolllng, oen leorsluk dos geloofs, ge-loorsartlkel; —dogmatiek, f. do leerkunst, het loorslelsol eener wgsgeerige school of godsdienstschool of pari Ij, inz. de stolsoimatige of welenschappolUke kennis dor chrislelUke geloofsleer, mot ultslulllng van de loer dor plichten of do moraal; — dogmaticus, in. een leeraar der geloofsleer; oorspronkelük inliet algomeeii: aaidiangor van oen streng wolonschappoiykon, van beginselen ultgaanden leervorm In deze ol gene welonschap: zoo droeg b. v. In do genoos-kundo vroeger den naam van dogmatici die socio, welke door redonooring het wezen-zolf der ziokle en hare vorborgoii oorzaken tracblte op te sporen (In logonsl. met empirici); ~ dogmatisch, adj. loormallg, in den ondor-wysloon; leerstellig; inz.de chrislelUke geloofsleer bolroirondo; — dogmatiseoren (spr. s=t), leerslellingen, geloofsartikels voordragon, ook op beslissendcn loon sproken; valsche of gevaarlyko loorslukkenopwerpen; — dogmaticisme of dogmatisme, n. ia \'I algemeen do streng wotonschappeiyke leerwijze of voordracht; inz. oeno iets als waar en zeker stellende loorwyzo in do wysbegoorlo, in to-gensl. mot hel k ril Iels me en sko pil els-me; — dogmatist, m. een aaidiangor van het dogmalisino; in \'I algemeen oen sloui lie-weerder; - dogmatolatrïe, f. blinde ge-bechlbeld aan oen bepaalden Ibeol. of philosopii. leervorm; dogmatologie, f. de loer dor geloofsstellingen; — dogmatopcete, f. hol uilvinden of vormen van leerslellingen.

Doigt, m. fr. (spr. doa : v. lal. digilus) vinger; jusqu\'au boul des doiuls (spr. zjuusko boe di dnd), lol in do toppen der vingers; doigter, fr (spr. dod-lé) Muz. do vingerzol-


-ocr page 398-

DOM

DOK

382

Iiiif! voor do piano-forte, enz. met cUfers boven de noten aundutdon.

Dok, n. (eng. dork, deonsch docke, zwcodsch docha : oorspronK onbekend) eene door knnsl ge-nmukte, met deuren afgesloten waterkom, tot opneming van schepen. (Men heeft natteen droge dokken; de eerste bokloeden de plaats eener haven en veilige ligplaats; do tweede, uil welke het by den vloed Ingelaten water óf met de ebbe wegvloeit óf uitgepompt wordt, dienen tot liet onderzoeken en kalfateron dor schepen); - dockyard, n. eig, het zeemagazijn by een haven of aan een scheepstimmerwerf.

dokötisch, adj gr. (v. dokèin, schünen, meenen, wanen) op schyn, meening of waan berustend of daarop gegrond; — dokëten, m. pl. chrlsten-secten der eerste eeuwen, die Christus gedurende zyn leven op aarde niets dan een scliynllchaam toescbreven.

Dokimasio, z. doei muslo.

Dolabra, f. lal. (van ilolSrc, bohouwen) eig. byi, schaaf; Chlr. het kruiswyzo verhand de naam is ontleend van de spiraalswyze gangen, welke met de opgerolde schaafkrul overeenkomen); — dnlabralus, n, urn, (ook dolabri-formix) Bot. sabelachllg; houweelvormlg.

dolce, It. (spr. dóllsje; = lat. dulcis, e), dol-ceménle en dolcidln (spr. —tsjalo), ook ron dol-cézzu, ron dolce maniére, Muz. liefeiyk, zoetvloeiend, zacht, teeder, aanvallig;—(/o/dssimo, zeer zacht; — het dolce far niénte, het zoete nietsdoen, bet ledig-zyn, ledig-loopen; — dolce-fluit, eene verouderde dwarsfluit; eene Huilstem der orgels; — dolciaan, z. dulclaan.

Dolchen of dölchlein, n. hoogd. de naam eener oude lotharlngsche zilvermunt, zoo geheeten naar den stempel, die een uit de wolken komende dolk voorstelt.

Doleancen, f. pl. fr. (doléanres, v. I lal. dolcre, smart gevoelen, klagen) klaagliederen, weeklachten; bezwaren; — dolénle, dolenleménle, dolorosaménle, doloróse, of doloróso, ook con ilolórc of con duóln (spr. dólo), It. Muz. smar-teiyk, weemoedig, klagend, treurig; — doleo-ren, zyne klachten Inbrengen b. v. tegen te hoogen aanslag In de belasting.

Doloriot, n. (van \'t gr. dolerós, bedrleg-lijk; vgl. apatiet) Min. de vlotgroensteen, eene delfstof uit veldspauth, nuglet en magneet-yzer samengesteld.

Dolfijn, z. dolphyn.

dolichocërisch, adj. N. H. gr. (v. do-li hós, lang) met lange voelsprieten; — doli-chodörisch, adj. met langen hals; — do-lichopódisch, adj. langvoetlg.

Dolïchos, in. gr. (d. 1. lang) Hot. iedere lange peulvruchl.

Doliman, z. dollman.

Dolium, m. oen poolseh gewicht van ruim 11^ centenaar; eene maat voor natte waren = (13,7 liter; ook bil. eene ton; doliölum, ii. een vaatje, tonnetje; - dolioidisch,adj. naar een tonnetje geiykende, vatvormlg.

Dollar, in. eng. (van daalder, thaler) een

daalder, verdeeld in ton centen, ongeveer — ij gl.

Dollman of doliman, in. uil het bong. {dohndny, turk. dóldmdn, ddlAmah, dhöldmah, bob. doloman, fr. doliman) nauwsluitende, door een gordel vastgemaakte rok met afhangende mouwe gt;, onder den pels der huzaren; vandaar het met snoeren bezette wambuis der huzaren.

Dóllondsche verrokijker, ook kori-weg dollond genoemd, m. een achromatlsclie (kleurloozo) verrekyker, die gemaakt Is óf door den Engelschen John Dollond, (gesl. tllitj, don uitvinder der uit crown- en Itintglas samengestelde achromatlsehc kykers, óf door diens zoon, of wel door anderen volgens de door hen uitgevonden en verbeterde Inrichting.

Dólmen, m. (van t armor, dol voor töl, tafel, ea men, steen) een coUlsch steenaltaar, opgerichte steenen of rotsblokken, in horlzon-lale ligging op voetstukken van dezelfde stof geplaatst, welker oprichting men aan de Druïden tooschryft, z. v. a. cromlech.

dólmetschen, hoogd (spr. —sjen: bel naast van slav. oorsprong, z. beneden) uit eene vreemde taal in eene bekende, inz. mondeling, overzetten, vertolken; — dólmetscher of dólmetsch, m. (russ. lolmalsch, iioolsch llu-marz, hong, lolmdcs, tataarsch loelmasch, turk. perz.-arab. lardsjamdn, lardsjoemdn, loerdsjoc-mdn, v. \'t arab. tardsjama, overzetten, vertolken) een overzelter, vertolker, tolk.

Dolomiet, n. Min. bltterkalk, brulnkalk, eene uil koolzuur, kalk- en kalkaarde bestaande kalksteensoort, zoo geboeten naar den franscben geognost Dolomieu (gesl. IS(ll).

dMor, m. lal. (van dolcre, smart gevoelen) smart; dolures, pl. smarten, weeün; — dolorea partus of parturient mm, barensweeën; — do-lores ad par turn, de weeën die de geboorte on-mlddeliyk voorafgaan; — dolores post par turn, de naweeën; — dolorosa, z. maler dolorosa: — dolnrose z. dotente.

Dolphij n, z. dolphyn.

dolus, m. lal. hel bedrog, de list; inz. bet oogmerk om Iemand te bonadeelen, opzolleiyke beleedlglng; dolus bonus, Jur. eene goede, d. 1. veroorloofde, onschuldige, welgemeende list; d. ex proposito, een opzelleiyk bedrog; d. malus, eene slechte, scliadelyko list, argllstiglield; dolo malo, argllstlger wys; dolus maniféstus, oen liandlasleiyk, klaarbiykeiyk bedrog; d. praesüm-tus, een ondersteld, vermoed bedrog; — dolose, bedrlegiyk, arglistig, opzetteiyk benadcelend. Dom, port., z. v. a. dou (z. aid.) Dom, in. (mid.lat. dnma, en fr. dómc, koepel, koepeldak, it. duomo, hoofdkerk, van\'1 lat. domus, buis, by verkorllng voor domus dei of domini, huls Gods of des Heeren), z. v. a. domkerk, eene hoofdkerk van een aartsbis-sehop, bisschop of kapittel, in /.. Dultscliland ook münsler geheet en; de hoofdkerk eener stad; inz. eene kerk met een koepeldak, en In ruimer boteekenis leder koepelvormig dak, en groot gebouw met zulk een dak; - domkapittel, ii. het kaplltel of college der kannn-


-ocr page 399-

DOMEIN ÜOMINtJS

nlken, kapittel-, sticlils- ot domhecron nan ccne hlsschoppolUko of nartsbl88ClloppelUk« kerk; — dómseholen, ot stichtsscholon, t. pi. In de middeleeuwen die scholen, welke hü de domstlchten ot kathedraalkerken hestonden en door geestelijken bestuurd werden; z(i dastce-kenen hoordzakelük van Karei den (Irooten; In ille scholen werd gewoonlijk alleen het trivia in (z, aid.), zeldzamer al de zeven vr(jo kunsten onderwezen.

Domein, n. (fr. Ic ilomuinc; van \'t mld. lat. domanfum, oud-lat. ilominïum, heerschappj), van iomfnus, heer) het erfgoed, kroon- of kamergoed; do eigendom van den vorst of den staal, waaruit zekere Inkomsten getrokken worden, die soms tot hepaalde oogmerken hestemd zyn; zy zijn deels vervroomdbaar of kunnen verpacht worden, h. v. jarht en visschorlj, beide-en dulagrond, enz., deels onvervreemdbaar, zoo als paleizen, luinon, kroonjuweelon, enz.; — domein-inspecteur, in. de opziener over zulke goederen; — domaniaal, adj. de domeinen betrellende; - domanialiseeren (spr. .«=z), tol domeinen maken.

Domen, pi. (eng. doom, z aid.) oud-friesche wetten of regiemeiden.

Domesdaybook, z. doomsdayhook.

donmiïrwi, n, urn, lal. (van domus, huls) hui-seiljk, lol hel huls of de familie behoorendo; inheemseb, Inlandsch; nnimulia domislica, huisdieren; Bnns bóschas doméslica, tamme eend; canis familiaris domesticus, huishond; — domes-iïcn caufïo, f. handschrift; d. persona, f. een huisgenoot; d. jura, pl. de Inlnndscho rechten, Inndsgehruiken; fesles dnmesttci, lat. de hulse-lüko of hulsgeluigen; furlum domesdrum, m. een huisdiefstal;- domestiek, m, fr. domesti-que, pl. dome8tieken,hulshedlcii(l(in, dlenst-hoden, knechts en melden; ook hulsgenoolen;

domestique, n. een soort gekeperde ka-loenen slof; — domestieeeren, nw. Int., vcrbnlselliken; hulseiyk of lol huisdier maken; — domesticatie (spr. /=/»), f. do verandering van wilde in tamme of huisdieren, lemming, lamaiaklng, verandering van een wild dier in een huisdier; — domesticiteit, f. huis-gcnoolschnp.

Domicólla, f. mld. lat. (verklw. van het lal. iloiiünn, geidedster, vrouw) eene stiftsdame, stlftsjniïor; domicéllus, m., pi. domi-colli (verklw. van dominus, lieer) een Jonge dom- of stiftsheer, die nog geene zitting of stom in het kupitlel beeft; — domicéllus, do micella, eert yds ook de tllels van prinsen en prinsessen.

Domicilium of domicilie, n. lal. (v. domus, buis) de woning, behuizing, woonplaats, hulsvesllng, hel verblijf; Kml. do plaats, waar een wissel Ier betaling Is aangewezen; domicilie kiezen, eene pliinls en woning aamvy-zen, waar men te besproken, te dngvanrden Is, enz.; (i. cildndi et execuldndi, di\' vaste woonplaats, die, waar men zyn beroep nitoefent; ilomicilium habilatiünis, do woonpinais; d. ori-gXnis, ile goboorteplnnts; d. necessartum, bet gedwongen verblyf; d. volmtarfum, de vrgwll-iige verbiyfpiaats; - domiciliëeren, nw.-lat., woonachtig, gezeten zyn; ook oenen wissel, die betaalbaar Is op eene plaats, waar geen wisselhandel plaats beeft of waar de acceptant geene fondsen heeft, ter betaling op eene wisselplaats aanwyzen; de wissel zelf heet dan ge-domicilieerde wissel; — g o d o in 1 c 111-Bord adj. woonachllg, metterwoon gezeten; — domiciliaat, m. do aangewezen betaler van een gedomlcllieerden wissel; — domiciliair, adj. nw.iat. het huls of de woning betrellende;

domiciliair bezoek, do huiszoeking; — domiccenium, n. lal. de maaltyd te huls; - domifleatie (spr. l=ls), f. nw.iat. de verdeeling des hemels In twnalf hulzen (bij slerrenwlcheiaars); — domifleeeren, in huizen verdeeien.

Domina, domine, domineeren, domino, z. omi. dominus.

Dominicaan, m. monnik van de orde van Dominicus de Guzman, gesticht in lilii te Toulouse, ook (l\'ratres) prmdicalores of predikbee-ren genoemd.

Dominoterie, f. fr. (van domino, boni, gemarmerd papier) de handel In gemarmerd en ander gekleurd papier, in behangsel, enz.; — dominotier, ni. (spr. —(jé) een handelaar In bont- of ander behnngselpapler, prontenkramer.

dominus, m. lat. (van domus, huls) elg. buiseigenaar, huisheer; in t algemeen: de beer, eigenaar, het hoofd des huizes; dominus direr-lus, de erfgrondheei■; d. fcudi, de leenheer; il. hercdilartus, ile erfheer, erfeiyke heer; d. juridirlionis, gorechlsbeer; d. proprielalis, de eigenaar; d. secundarius, de acblerleenbeer;— (/. usufruct nan us of utilis, de vruchtbruiker; dominus robiscum, (de Heer zy met u) groet des priesters aan hel volk hy \'1 begin van den altaardienst, waarop koor en gemeente antwoorden: et cum s/iirito luo: onlieend aan Kuth IV, vs. i2):- domine {vocativus van dommus). Mynheer, beer, delilel (gewooniyk dominee) dien men in de wandeling aan de proleslanl-sche geesleiyken in Nederland geeft; domina, f. ile gebiedster, de vrouw des huizes; abdis; —domino, m. it. elg. beer; inz. een geesleiyke; de winterkleedlng van een geeste-lyke, die hoofd en gezicht bedekt, vandaar een maskerkleed, maskermantel, vermoimnlngskieed; ook een spel, heslnande uit langwerpig vierkante stukken van Ivoor of been, doorgaans steenen genoemd, die op éene zyde met oogen of punten zyn geteekend (zoo geboeten, omdal ieder speler er naar streeft om domino, heer of moesier te worden, d. i. zyne sleenen bet eerst af lo zetten); domino maken, domino zijn, dat spel winnen, den laatslon steen aanzetten; - dominica, f. lat. {dnmi-nica, sell, dies, van dominicus, n, um, den lieer betrelTend, hem loebehoorend) de dag des Moeren, zondag; ook (sell, domus) eene (hlsschop-peiyke) boerenwoning; — dominica in albis


-ocr page 400-

DOMITIANA

:J84

DON EC

(s/o/is), do witte zondag, eerste zondag nu l\'n-schen, /. v. ». quasimudoKenitl; domtntco mediSna, de zondag Judlca (z. aid.) in \'t midden der vasten; dom. olivdrum of ixilmUrum, de palmzondag; — dominicale, n. de witte uvondmaaisduek, die in de r. katli. kerken den communicanten wordt ondergehouden; domini-caies lectiones of dominicalien, ■/.. v. a. perikopen (z. aid.); ook een oudlioofdlmlsel der vrouwen, waarmede zij ten li. avondmaal gingen; —dominicaal, adj. (mld.lal domi-iiieales) grondiieeren en geesteiykea iietrcirende;

dominicale belasting, de belasting welke de grondiieeren en geestelgkoa van liunne inkomsten moeten lietalen, 1». v. in Keieren; inz. de op grondheeriyke renten gelegde geringer lielasting In verlioudlng tot de hooger belasting van andere grondeigenaars; vandaar pas-gevormd ; dominicalist, m. iemand die dergelijke belasling hetaalt; — dominïoum, n. hel kerkvermogen, de schal der kerk; weleer ook de kerk; de avondmaalsviering of mis;— domineeren, lat. (dominnri) heerschen, tie-heerschen, gebieden, den lieer spelen; bet wordt ook gebezigd van verheven piaaisen, van welke men eene zekere uitgestrektheid lands overziet, of die de lager liggende in bedwang houden; uilsteken, overzien, belieersehen, hestrgken, knn-nen heschleten; — dominant, adj. (dnminuns) heerscliend, sterker, de overhand liehbende; — dominante, f. Muz. de heerscliende toon, d. i. (ie vyfde of quint van den toon, waaruit een stuk gezet is; dominant-accoord, n. Muz. drie- of vierklank die de quint tot grondtoon heeft; — dominatie (spr. f. (rfomi-nalio) de beheerschliig, lieerschappy, overniaciit, geweld; — dominator, m. de heerscber, be-heerscher; f dominatrix, beheerschercs; — dominium, n. de heerschappij, \'Ie macht over iets, het recht van beheer of eigendom; de eigendom-zelf, eene vrije hezliting, het gebied, riddergoed; dominium analoifirum, een beperkt eigendomsrecht; d. civile, burgertyk eigendom; d. diréetum, opperelgendom (zonder recht van vruchtgebruik); d. divïnum, goddelijk eigendoni; d. emmens, opperelgendonisroclil van den staat, hot reclit van onteigening van gronden, het afbreken van huizen, enz. lol welzp van het algemeen; ei. ^dum, gewaand, nis voorhanden aangenomen eigendom; il. humnnum, menscheiyk eigendom; d. irrevocabïle, onber-roepeiyk eigendom; d. libürum, vry eigendom; d. minus plenum, onvolkomen, beperkt eigendom; d. nalurale, nalunriyk eigendom, uit liet volksrecht voortvloeiende; d. plenum,\\o\\\\e eigendom ; d. pubtfeum, openbaar eigendom; d. restric-lum, v. a lt;/. minus plenum: d. revocabtle, herroepeiyk eigendom; d. suballérnum, een on-dergescbikl eigendom; d. superius, ■/.. v. a. d. dircclum; d. lemjioi-ule, weroldiykc mncht; d. ulile, tiet recht van vnichigebrulk, in tegenstelling mei il. dircclum . d. verum, waar eigendom.

Domitiana qufestio, f. lat eene Do-mitiaansche vraag, d. 1 eene tielaclieiyke, on-noozele vraag, zoo genoemd naar den romein-sclie rechtgeleerde Domilius l.abeo, die aan Jubeutua Celsus de holacheiyke vraag voorlegde, of degene, die lot het neerschryven van een testament geroepen zynde dit na bet opschry-ven ook onderteekend heeft, voor oen getuige kun gehouden worden.

Don, sp., of dom, port. m. (uit het lat dominus) lieer, een lllel voor mannen van rang en aanzien in Spanje en Portugal, alsmede van prinsen, prinsenzonen en de gcesteiyken in Rome en Napels, geiyk donna, port., doaa, sp. (spr. dónja) die voor aanzieniyke vrouwen Is-, bolde tilels staan enkel hy de voornamen; b. v. Don l\'edro. Dom Miguel, dona Chrls-11 n a; voor de enkele geslachtsnamen gebruik! men senbor, senor, senhora, sonora(z. illc woorden); donna. It. (van \'1 lat. do-mma, vrouw, meesteres, gehledsler, geliefde, minnares.

do na, donans, enz. z. oud. do num.

Donaat, afkorting v. Do nat us, z. aid.

Donacieten, z. ond. donax.

Dónar, m. oudd. (oudsaks. ï\'/iunui\', angels. Thunor, ouda. Thürr), de Dondergod vgl. Thor.

Donarium, m., pl. donaria, of do-nariën, oirerglfieii, gescbenken, vereeringen.

donatair, donatie, donatief, ■/.. ond. d o n u m.

Donatus, m. eene lat. spraakkunst vooi du scholen, zoo gehceten naar K1 i us 1) o na I us. een beroemd rom. taaiieeraur der 4de eeuw; tol in de lïide eeuw de benaming van iedere luiynsche spraakleer voor eerslbeginnendon; — donatisten, m. pl. eene zeer yverige en onverdraagzunie ehr. secte in de 4de eeuw door bisschop Donatus Magnus te Cartlmgo gesticht, inz. door den lieil. August inus bestreden.

Donax, m. gr. (eig. riet, pyt) de driehoeks-doeidet, eene driehoekige schelp; liot. tulnrlel, cypriscli riet; — donacia, n. pl. rielkevers, welke op wuierplaiden en voornameiyk op riet leven; — donacieten, m. pi. versteende drlehoeksdoebletten.

Dónderdag, m. (dultscb donnerslau, eng. Ilmrsday, zweedsch llwndag, deensch lliorsdani, do vyfde dag der week, zoo geiioeten tor cere van den dullsehen God Do nar of Thor (z. aid.), die over wolken en regen gebood, en zich door bliksem en donder aankondigde; de (fr. benaming jeudl [spr. J=ijj is gevormd uit hel iaiyn jovis dies, do dag van Jupiter;) witte Donderdag, by de K. K. de Donderdag vóór PbscIicii (by de Dultscliers groene, bij de 1\'ranscben heilige Donderdag geheeten);— vette Donderdag (jeudi (/ras), de Donderdag na aschdag; — donder-machine, f. fr. een werktuig tot nabootsing des donders op liet tooneel.

Dondo, m. z. v. a. albino.

done, eng. (spr. dunn\': part. v. ito) gedaan ; (van vleescli:) gebraden; much (spr. mulsj) done or little done, sterk of zwak gebraden.

donee oris felia (mullos nmnerabis umicos).


-ocr page 401-

DONEEREN

385

DORISME

lat. zoolang Rij gelukkig zyi (zult gc voel vrienden hclihen).

doneeron, don gratuit, z. under d o n u m.

Don Juan, in. sp. (gew. naar de fr. uitspraak Aon-zjmh -, vgl. J ua n) algemeune soortnaam voor een vermetel vrouwenverleider, zooals volgens de oudo sp. overlevering Don Juan Tenorto was, een woesteling van Sevllla, die eindelUk ter helle varen moest. Mozarts opera, Hyron en andoro dichters hebben hom als held van het zingenot populair gemaakt.

Donjon, m. fr. (spr, domjón) slottoren, vestingtoren; kerker.

Dónkey, m. eng. (spr. —ki) ezel; ook; machlno om water lu don ketel to pompen; — donkey-cart, ezelwagen.

Donna, z. ond. don.

Don Quixote, naar de beilendaagsche spelling Don QuIJote, m. sp. (spr. —kichote) ot don Quichotte, fr. (spr. don kisjóW), eig. do eigennaam dos dolenden ridders van la Mancha In den beroemden satirlschen roman dos spaiinschen dichters Cervantes; vandaar in het algemeen: avontuurlijk dweper, die, in de wereld zgner droomen levende, de werke-lykheid voorbyzlet; (spottend:) balve-gek; — donquixotiaden (spr. li=lsi), of don-quichotenën, f. pi. avontuurlijke, dwaze ondernemingen; — donquichotisme, n. de gckkelüke zucht naar avonturen.

dnnwn, n., pl. dona, lat. (van ilo, ik goef, dare, geven) een geschenk, eene gift, gave; ctonum ionlinentfae, de gave der onthouding, de kulschheld; dontm docéndi, de gaaf van te onderwijzen; donutn uratullum, n. lat., don gratuit, n. fr. (spr. don nra-lwi) eene vrijwillige gifl of opbrengst; dona pumphernatia. n. pi. hruids- of huwelUksgoschenken; — do-neeren (lat. dona re), schonken, beschenken; — dönans, m. de schenker, gever; —do-natair of donataris, m. nw. lat. de geschenkaannemer, begiftigde; — donatie (spr. t=ls), f. (lat. donutw) schenking, gift, Inz. eene gerechtelijke gedane gift of schenking; donatio ad pias causas, eene schenking tot weldadige stichtingen; d. condilionala, eene voorwaardelijke schenking; d. honoris causa, een eerge-

I schenk; schenk; d. illiclta, ongeoorloofde schonking; d.

impropria, een onoigcniyk, niet onkel uit mildheid voortvloeiend geschenk; d. innlJiciosa, eene met den plicht strijdigo schenking, d. 1. zulk eene, waarbij de gever zijnen plicht jegens zijne erven te kort doet; d. inter virum el uxorum, eene schenking tusschen man en vrouw; d. inter vivos, eene schenking bU levenden lijve; d. mortis causa, schenking in geval van over-lyden (die echter, wanneer de dood niet volgt, altijd kan herroepen worden); d. oncrosa, eeno met opollering verkregen schenking; d. propter nujttias, eene met de dos (z. aid.) van mans-zyde overeenkomstige huwoiyksgift, tegenscben-klng aan de vrouw ingeval van zijn dood; li. pura, eeno onvoorwaardelijke schenking; d.re-VIEDDE DlltlK.

cipruca, een woderzydsch geschenk; d. retata, eene op verplichting gegronde schenking; d. remmeraloria, eene vergeldende, uit dankbaarheid voortvloeiende schenking; d. sub modo, schenking tol een bepaald doel; — donatief, n. (lat. donativum) of donatief-gelden, z. v. a. donum uratuitum (z. aid.); — dona-tor, m. de schenker, die Iets schenkt, vermaakt of (h. v. in kerken) sticht; — donatrix, f. do schenkster.

Donzelle, f. fr. (spr. don-zèlt\') lichtzinnig meisje, vrouwspersoon.

Doom, n. eng. (spr. doemgoth. doms, verwant met ons verdoemen, lat. damnare) do uitspraak, het vonnis; — doomsday, m. (spr. doemsdee) de gerechtsdag; — dooms-day-book, n. eng. (spr. -boek) het groote engelsche leen- of grondboek, vervaardigd onder Willem den Veroveraar.

Dóppia, f. 11. (d. 1. eig. dubbele), eene voormalige Hal. goudmunt van verschillende waarde, ook pistool gebeeten (tusschen/\'8,85 en f 10,20); — doppiétta of doubletta, f. eene vroegere goudmunt In Sardinië, van = | carllno of f 4,73; — dóppio, Muz. dubbel; doppio uso, Kmt. dubbele vervaltyd; — dop-pióne, m. it. groote cocon, waarin twee zydewormen zich ingesponnen hebben.

Dora, vrouwennaam afk. van Durotbeo of Theodura.

Dörak, m. suurt aarden llesch (In Egypte).

Dordillo, m. sp. (spr. —dieljo) soort vaal paard.

doreoren, fr. (dorer-, v. \'t lat. deaurUre, van aurum, fr. or, guild) vergulden; by hoedenmakers het vilt van ecnen hoeil met lijn haar overtrekken; onelg. bemantelen; vergoe-lyken; — dorade, f. de goudkarper, een prachtig schoune visch in de Atlantische zee; — dorage, f. (spr. -rn-zj\') ofdoroering, f. de vergulding; by hoedenmakers: hel overtrekken van \'t vilt met lijner haren; — do-rüre, f. het verguldsel.

doré, adj. fr, (vgl. dereeren) verguld; jeunesse dorei, voorname jongelieden, die alleen voor hun vermaak leven.

Doreloterie, f. (vgl. het oudfr. dnretot, lieveling, waarsch. van \'t angels, deórling, eng. darling, lieveling, van dear, lief, dierbaar) allerlei band- en lintwaren en franjes van garen en zyde.

Dor-emoel, n. het oostindisch gebloemd neteldoek.

Doris, gr. vrouwenn.: de rykbegaafde; ryke begiftlgster of geefster; Myth, eene zeegodin, de moeder der nereiden of doriden, dlkwyis als naam van herderinnen (verkleind Donlis) in it. en fr. liederen; Astron. een asteroïde in 185quot; door Goldschmldt ontdekt; — doriden, pl. soort weekdieren in zee.

Dorisme, n. de krachtige, harde en ruwe uitspraak (dorlsch dialect) en volksclgen-iiardlghuld der Duriers, een oud-gr. volksstam; In tegenst. met bet at tic Isme en Ion Isme;

25


-ocr page 402-

UOSSEEREN

DOHKAS

386

— dorisch, adj. den Doriers clgon; —do-rische bouworde, de oudste en eenvoudigste gr. bouworde, naar denzelfden volksstam benoemd; zy heeft nagenoeg het karakter dor toskaanscho, maar verschilt daarvan In proportie en versiering.

Dórkas, f. gr. de gazelle (Antilope ilorcas). dorlotteeren, fr. (dorloler) vertroetelen, dormant, fr. (spr. dorman, van domir, lat. dormire, slapen) slapend, rustend; —dormant, m. een pronkgorecht, versierde schotel, die tot op het einde van den maaltyd op tatel bluft; — dormeuse (spr. «=«), f. eene slaap-of nachtmuts; een slaapwagen, rijwagen Ingericht om In te slapen; — dormitief, n. nw. lat. een slaapmiddel; — dormitorium, n. lal. de slaapzaal, Inz. In kloosters; de begraafplaats, doodenakker.

dorobantsen, pl. slav. eene soort nilll-tlesoldaten of landweer in KoeinenUt.

Dorophaag, in. gr. (van duron, geschenk, en phagiin, eten; een door Kabelais gesmeed woord), een geschenkenvreler. Iemand, die enkel van geschenken leeft.

Dorothéa, gr. vr.naam: geschenk Gods (vgl. Theodoor); ook eene soort van waternimf.

Dorsetteen, n. eng. (spr, tien) eene soort wollen slof met zyden inslag.

Dorstenia, f. Hot. eene notelplant van zweetdrijvende kracht, zoo geheeten naar den dultschcn geneesheer Dorsten.

dorsum, n. lal. de rug; bergrug; de rugge-of keerzyde; in dorso, of in lergo (z. torgum), op do keerzyde (b. v. van een wissel enz.); — dorsaal, adj. nw.lat. boter dorsuaal (later lat. donuSlis, e) wat tot den rug betrekking heeft, b. v. dorsale displicine, dorsale tucht, ruggetucht, goesollng; — dorsale wervelen, Anat. ruggewervolcn; — dor-sale, n. mid.lat. een met goniynen of lakens omhangen plaats in vele kerken zonder koorstoelen, waar do geestelyken hunne daggetyden bidden; pi. dorsalia; — dorsibran-chisch, adj. lat.-gr. N. H. kieuwen op den rug hebbende; — dorsiparisch, adj. nw.lat. de jongen op den rug barende; — dorsipé-disch, adj. de voeten op den rug hebbende.

Dortmannïa, f. Bol. eene soort van klok bloem.

Dorure, z. ond. doreeron.

dos, f. (gen. dótis\\ van do. Ik geef, dare, geven) lat. ,lur. naar bet rom. recht: hot lui-weiyksgoed, uitzet, de bruidsgift, bruidschat; naar het dultsche recht: de door den man aan do vrouw gegeven lyflocht, weduwgoed, weduwgift; dos adventitla, Jur. het huwelyksgoed, dat uit het vermogen van andere personen dan dat des vaders en vaderlyke bloedverwanten in rechte opklimmende linie komt; d. aeslimala, bruidschat, welks waarde door schatting bepaald Is; (/. rau/n, d. confessala of d. conslitf/ta, een bedongen of toegezegde, maar nog niet gegeven bruidschat; d. ecclesiae, het grondkapltaal eener kerk; d. inaestimata, een niet door schatting bepaalde bruidschat; d. inolficiósa, een onpilchl-matlg uitzet, d. i. onevenredig, dat do andere erven des gevers benadeelt; d. necessaria, een noodwendige, pllchtmatigo of wetteiyke bruidschat ; d. praelegula, een voorultgemaakte bruidschat; d. profec/ilïa, uitzet uit liet vermogen des vaders of vaderlyke ascendenten; d. pro-missa, beloofde, toegezegde bruidschat; tl. pn-lahva, een vermeende bruidschat; d. receptida, een uitzet, bruidschat, dio na ontbinding dos huwelyks tot den gever terugkeert; — dotaal, adj. (lat. dolalis, e) bet huwelyksgoed betreffende, daartoe heboorende; dolales, m. pi. aan de kerk of den pastoor ttondpilchtlgen; — do-taha pacta, |gt;l. buweiyksverdragen, gesloten overeenkomsten omtrent bet uitzet; — dotaal-systeem, n. lat. recht omtrent de ecbtetyke goederen, waarin de romeinsche dos met baar gevolgen bel hoofdbestanddeel uitmaakt, In tegenstelling met de gemeenschap van goederen; — dotalium of dotalitium, n. nw.lat. de lyflocht, hel huwelyksgoed, weduwgoed; — dotanum, n. de tegengift, tegonuitzet voor de vrouw van den kant haars mans; — doteeren, lat. {dot/ire) begiftigen, een uitzet geven, ten huweiyk medegevon; ook met zekere inkomsten voorzien, b.v. eene kerk, schooi, enz.; gedoleerd, begiftigd, nitgorust; eene dotatie hebbende; — dotatie (spr. tie= tsie) nw.lat., of doteering, f. do begiftiging, medegift, uitrusting; schenking, inz. van lando-ryen of goederen aan verdienslelgko staalsdlo-naars, veidheoren, enz.

dos, m. fr. (spr. do: van het lal. dorsum, mid.lat. dossum) de rug; —dos d dos, fr. (sp. dozadó) een danstorm: rug aan rug, of met de ruggen naar elkander gekeerd; ook vyandlg gezind, In kwade verstandhouding; — dos d\'dne, m. (spr dodadn\') Arch, een ezelrug, een gewelfboog in den vorm van oen ezelsrug, van boven spits toeioopond, enz., een zadeldak.

Dosehfeest, n. feest In Kgypte en inz. te Kaïro Ier viering van den geboortedag van den profeet Mahomed.

Dosis, f. gr. (spr. dri-jisdosis, v. didónai, geven), ook dose, f. do gift, Inz. do artse-nUgift, artsenymaat, d. I. zooveel op eenmaal Ingenomen en gegeven wordt; oneig. aandeel, deel, hoeveelheid, b. v. hy heeft een goede dosis verwaandheid, jaloezie, enz.; — dosio-logie (spr. s=z), f. de leer van de artsenygiften.

Dosónes, m. pl. (spr. s=z) veeibelovers en weiniggevers, zoo geheeten naar Do son, een bynaam van Antigonus, die gewoon was, mild in zyne belofte, maar karig In de nakoming daarvan lo zyn; — dosónisch, adj. veel belovend en weinig of niets nakomend.

Dossière, f. fr. (spr. dossjèr) dlsselriem, draagriem aan het paardentuig.

dosseeren (van \'t fr. dos, rug, dossier, leuning), schuins doen alloopen, hellend, glooiend maken, b. v. eencn dyk; — dosseering, f. de helling, glooiing b. v. van eonen wal, oover.


-ocr page 403-

DOWLAS

387

DOT

onz.; — dosseerplank, f. een gloollngsme-ter, eon» helllnKsmuiit.

dot, eiiR. Muz. punt, stip minst de noot, tor vermeorderlng der waarde voor de heltt; itotled nok\' (spr. noot) noot met een stip of punt er nnast.

dotaal, dotatie, dotalium, dota-rium, doteeren, enz., z. oiul. ilns.

Dothiëen ot dothioon, m. gr. Med. eene bloedzweer; — dothinentene of do-thinontentis, f. (viiu \'t gr. ilolhun, puist, bloedzweer, en enteren, Ingewand) de ouder-bulkszenuwkoorts, dus geheeten, omdat zü met een eigenaardig pulstacbtig uitslag van het laatste derde gedeelte van den kronkeldarm gepaard gaat.

clolrantaUs, c, adj. Bot. negendnimlg.

Dottóre, m. it. z. v. a. doctor; ook als komlscho rol In bet it volkstheater; vandaar dottorello, (spotachtig verkleinwoord), doc-tortje, doktertje, kleine of slechte doctor; den dottorello uithangen, zich geleerd voordoen.

Douairière, f. fr. (spr. doedrjirvan ilou-aire, provene. doari, mld.lut. dotanum, doarium, weduwgoed; vgl. doallum) eene aanzienlijke weduwe, de bezitster van een weduwgoed, iüf-tocht of douarie.

Douano, f. fr. (spr. doeddnprovene donna, it. dondnu, sp. a-duunu, waarsch. van \'t perz.-arab. diwdn, staatsraad, raad der belastingen en tollen; vgl. divan) do tol, het iolbnis, tolkantoor, waar de in- on uitgaande rechten betaald worden; de gozamonHjke tolwachters en tolbeambten; — douanenlinie,de tolgrens; — douanier (spr. doednjé), oen tolbeambte tollenaar.

double, fr. (spr. doehl\'; van \'t lat. duplus, en dit v. duplex) dubbel; — doublage, f. (spr. doe-bld-zj\') het dubbelen, voeren, de dub-boiing; de tweede piankonbckloedlng van een schip, de dubbelhuld; bij letterzetters: het hij vergissing dul)bel zetten van een of meer woorden of van een geheelen regel; het sainondraaien, twijnen of tweernen der zijde; — doublé, m. op het biljart: een overhaaistoot, een stoot waarin men den lial op oen band stoot en laat terugstuiten; — doubles, fr. [doebl\') Muz. variatiën; ook dubbele bezetting cener rol of zangpartij; — doublet, m. een worp met dobbelsteenen, waarbij men twee azen, twee tweeën, enz. werpt; — doublette, f. iets dubbels, een dubbolstuk, b.v. oen dubbelboek, dubbelmunt, d. i. een boek, eene munt, die tweemaal voorhanden is; ook een valsch edelgesteente van kristal, tusschon welks beide helften oen gekleurd blaadje foelie ligi; eene lintbloom, zulk eene, die behalve de grondkleur, eene enkele iifzetkleur en breede, lintvormige stropen beeft; orgelregister, dal eene octaaf hooger staat dan het principaal; een d o u h I e 11 e maken, met een dubbelloop twee dieren achter elkander schieten; — doubleeren (fr. doubter), verdubbelen, dubbel of tweemaal nomen; voeren, met voering voorzien; Mar. omzeilen, omvaren, b.v.

eene kaap; in \'t biljartspel: den bal overhalen, tegen den overstaanden band of in oen der zakken; — doubleering, f. de verdubbeling;

— doubleorpas, m. versnelde pas, snelpas;

— doublings, pl. eng. (spr. dübblinqs) de kruis- en dwarswegen van het vervolgde haas (op de Jacht); — doublon, z. dob Ion; — doublure, f de voering ; opslag aan suldalen-kleederen; behangers- of tapijtllnnen; in scbouw-burgen: plaatsvervanger van den hoofdtooneol-speler In tiet een of ander vak; bij uitbreiding: gatstopper.

doueement, douceur, z. ond. doux.

Douche, f. fr. (spr. dnesj\': Hal. dorcla, waterhuls, stortbad, van docciare, vloeien, druipen, als 1 ware lal. ductiare, v. ductum, du-een, lelden [het water]) of douche-bad, n. Med. een drop-, sproei- of gietbad; ook de ioozingsbuis van eene waterkom; -electri-sche douche. Mod. uitstroomlng van eloc-triciteit uit verschillende spitsen tegen een lijdend deel; — douoheeron, besproeien, bedruipen, begieten, mot een gietbad besproeien.

Doucine, f. fr. (spr. doe-nien) koellijsl; Hjstschaaf, ojlefschaaf.

Douelle, f. fr. (spr. doc-el\') de binnenste (concave) vlakie van een gewelf, z. v. a. Intrados (het togengest. van extrados).

Douillétte, f. fr. (spr. doeljétt\', v. douitlet, weekeiyk, verklw. van dnux) een zijden gewatteerd kleed, een gevulde vrouwenmantel, dien men des winters over do andere kleederen trekt;

— douilletteeren, inhulien, omslaan, Inwikkelen.

douteux, fr. (spr. doeléüvan douler = lal. dubilare, twijfelen) twijfelachtig, onzeker; dubbelzinnig; onbetrouwbaar, verdacht.

doux, fr. (spr. doe: van \'t lal. duleis, e) zoet, liefelijk, aangenaam, teeder, week, goedig, zachtmoedig, vriendelijk, stil; als adv. dou-coment (spr. does\'mdii), zoetjes, zachtjes, zonder gedruisch; als uitroep: zacht wat! hou! bedaard aan! — doucereus, adj. (fr. doure-reux), zoetachtig, maar niet smakelijk, llanw-zoet, laf; — douceur, f. zoetigheid, liefelijkheid; aanminnigheid, zachtheid, innemondheid, vleierij; een geschenk, drinkgeld, kleine erken-lenis of vereering; douceurs, pl. lieve woordjes, complimenten, vleierijen; Ironisch: harde woorden, scheldwoorden.

Douzain, m. fr. (spr. doezèn) een gedicht van 14 verzen; ook eene oude fr. munt van 12 deniers; — douzaine, f. fr. (spr. doe-zèn\') dozijn.

Douze-et-le-va, z. pa roll.

Dówager, f. eng. (spr. dnütaedzjer), z. v. a. douairière.

Dower(i)-poedor, n. (lat. pulvis ipeca-ruanhnc opiatus of Doweri) oen mengsel van 1 deel opium, t deel Ipecacuanha-poeder en K dee-len zwavelzure kali; gebruikt tegen buikloop, en als slaap- en zweetmiddel.

dowlas, pl. eng. naam voor ieder- of dubbellinnen z. ere as.


-ocr page 404-

DOWN

388

DRAIN

down, adv. ciik. (spr. iloun) neder; Inz. «;gt; ami down (spr. uppendoun), op en neer; uok als subst. de up and downs, liet op en iicergatm, de wlsselviilllntield (b. v. of fortune [spr. fórtsjen], dor (oriuiii); — down-cast, ncdorgeworpen, gebogen enz.; - down-town (spr. loan), bet luge gedeelte der stad; - down-train (spr. treen) van London komende trein;

— downs, pi. duinen.

Doxale, n. inld.lat. In katb. kerken; bet trallebeli of do balustrade luascben bet booge koor on bet boofdscblp.

Doxologio. f. gr. (v. doxa, meening, faam, eer, onz.) do lofpryzlug van (lod, bet vorboer-Hjklngsforinuller aan bet slot van bet Onze-Va-der; ook do Engelen-zang; quot;(Uoria in excelsis Deoquot; of quot;liero zy God In do hoogte;quot; — do-xológisch, adj. lofprüzend, lofverliollond;— doxomanie, f. de roomzuclit, eerglerlgbeld;

— doxosophie, f. de waanwüsbeld, elgon-wgsbeld.

Doyen, m. fr. (spr. dnajeit: v. \'t lat. de-ciinus) de oudste-, de deken eener faculteit; doyen d\'Age (spr. da-zj\') voorzitter als oudste In jaren.

Draaibas, f. stoensluk, oone soort van Hebt gescbut op oorlogsscbopon, dal, op oen staander of mik geplaatst, naar allo rlcbtlngen kan draalen, doorgaans alleen In de naliUbold des vgands gebruikt en met schroot en kartetsen geladen wordt.

Draak, m. (gr. drakón, lat. draco) een phan-tastlsch dier der oudheid, waaraan men de vree-seiykslo slangengestalto, oeno lengte van 15—50 meters, ontzettende kracht, oen allorscberpst gezicht, onz. toekende (zgu tvpus was mlsscblon do boa constrictor); In de middeleeuwen een viervoetig monster mot langen slangeslaart on twee vleugels, hetwelk de geharnaste ridders gingen bestrijden (waarschijnlijk aan don krokodil ontleend); Astron. een storrenboeld aan den noordel. hemel tusschen do Lier en den kleinen lieer, naar luid der fabel weleer de wachter der gouden appelon lu den tuin der Hesporldon, door Hercules gedood en door Jupiter aan bet uitspansel geplaatst; N. H. eono soort van kleine hagedissen van don Indlschen archipel, dlo op hoornen onkel van Insoclon loven, on aan do Ouden onbokond waren; onolg. een stuursch, toornig, ook wel misvormd menscb;

— draakpenningen, m. pi. holle penningen met hol booid van oonon draak.

Dracsena, f. lat. Bot. de dnikcn(ldoed)-hoom.

Drachme, n. gr. (drachme, van drosses-thai, grijpen, vatten, dus elg. zoo veel als men mot drie vingers grijpen kan, eeno vingergreep, prise) oen apothekersgewicht, = | lood troolsch gewicht of 3,845 gram, vordeeld lu II scrupels of (io greinen on op recepten uitgedrukt door ^j; — eeno munt dor oude Grieken en Joden, ongeveer = ifl centen; ook eeno nleuw-gr. zilvermunt = loo lepta = 18 centen; — didrach-mo, dubbele, tridrachme, drievoudige.

en tetradrachme, viervoudige drachme.

Draco, z. drakon; — dracocepha-lum, draconieten, z. drakonieten, enz. — draconarms, m. lat. (van draco, draak, slang, ook als veldteeken op vanen), pl. dra-conard; draakdragors, do soldaten, die in do middeleouwen by openiyko procession het drakon beeld, dat toen don duivel moest voor-stollen, op eeno lans droegen; ook de dragors dor d ra k o n v a a u by do rem. keizers; — dra-cunoiilus, m. lat. hot slangonkruld, z. dragon; Med. de draadworm, zenuwworm of bel gulnooscbe draakje (Gordius of l\'ena medinén-sis), dat in\'s monschen bulil nestelt on de lengte van oonlgo voeten kan verkrygen; ook do zoogenaamde modeöters, z. comedones.

Draft, m. eng. (v. drauflh, trokken) ti alto, wissel.

Dragant, z. traganth.

Dragée, f. fr. (spr. drazjé\': It. Irawiea, v. \'1 gr. trdgêma, snoepgoed, v. Iraqi in, tru-gein, knabbelen, eten) klein suikergebak, suikererwten, muisjes, oversulkerde kruidoryen, b. v. anys, komyn, amandelen, enz.; ook lljno go-weerbagol, musschonstof.

Dragoman, drogman, m. (fr. dragoman, drogman en trucheman, van bet arab. tardsjoemdn, loerdsjnemdn, volk, van tardsjama, vertolken, cbald. targêm, verklaren, vertalen) oen tolk by de Turken; — dragomannen, vertolken.

Dragón, f. (lat. dracmcülus, d. I. kleine draak, drakonkruld) slangonkruld, kolzorsalade {Artemisia dracunculus), een gewas, dat In Sl-herlo en Tataryo Inhoemsch Is, en waarvan do Jonge bladeren als toekruld by de salade en als specory gebruikt worden.

Dragónders, (it. dragóne, fr. dragons, waarscbyniyk van den drakokop aan de groep van hun pistool of van den draak als legervaan) lichte ruiters, die dos noods ook te voet vechten; oorspronkoiyk by de Franscben voetsoldaten, die enkel tot spoediger voortkomen zich van paarden bedienden; — drago-nade of dragonnade, f. fr. eone dwang-bekoerlng door dragonders, dus geheoton naar de gewelddadigheden, dlo Lodowyk XIV In 188i tegen do Protestanten deed uitoefenen, om hen te noodzaken tol de r. kath. kerk terug te keo-ron; in hol algemeen soldatongewold, grove soldatonhebandoling; elke door militaire overmacht uitgevoerde maatregel der regeerlng; — dragónne, f. fr. de dogenkwast; ook do dra-gondermarsch.

Dragoniet, n., z. v. a. bergkristal.

drailleeren (spr. dratj—, een op de fran-scho wjj/.e gevormd woord van bot dullscho drall, gedraald, rond, styf), draden vast Ineon-draalen, tweernen.

Drain, n., pl. drains, eng. (spr. dreen, dreens) wateralleldlng, alloldlngsbuls, ondoraard-sche leemen pypen tol drooglegging en vrucht-baarmaking van vochtige of moerassige akkers; — draineeren (eng. Io drain), door zulke


-ocr page 405-

DRA1SINE

389

DRAY

wnterafloldlncon hct land van water nntdorn;

— draineering of ciik. drainage, f, (spr. ilrénidzj\'), de ontwatering van den grond door onderaurdsclii! alluldingsbuizon.

Draisino (spr. ■i=z), (. (rr. draisienne, wamionet de lournée, eng. dandy-horse, trolly) de loop- of stoelwugen, een loopmncliine met twee wielen lichter elkander, tiiBsclien welke men als te paard zit en met versnelden gang, door hel beurtelings aanraken van den grond met buide voeten, kan loopen; uitgevonden in 1817 door den baron von Drais te Miinnheim; lliana ook een op hetzelfde beginsel berustende en door inonschen voortbewogen kleine, lichte, vierwielige wagen op spoorwegen, Inz. gebezigd om de rails te inspectoeren; vgl. ook v e-1 o c 1 p ó d e.

Drakon of Draco, m. een atlieenscli wetgever In de 7de eeuw vóór Chrislus, wiens wellen, uithoofde van hare overmatige strengheid, geen stand konden houden; vandaar draconisch, adj. al te streng, overgostreng; — drake was nok de chein. benaming van hel kwik, liij sommigen ook van bet salpeter.

Drakonieten, m. pi, (van \'1 gr. drakon, draak) drakesteenen, versleenlngen met stervormige teekonlngen; — drakokephalon of dracocephalum, n. drakekopskruid, de turkscho melisse, eono welriekende plant; — drakenbloed (Sanfiuis draednum) is eene bioedroode, bU hot onthrnnden welriekende hars, welke tot verlakken en schilderen en ook in de geneeskunde gebruikt wordt; men wint tiaar uit verschillende gewassen, inzonderheid uit den dra-kenbioedboom {Dracaena draco) en uit de vruchten van den rotang, den zoogonaamden bind-rotting {Calamus rotang)-, — drakonine, f. een eigenaardig alkaloïde, door Melandri in bel drakenbloed gevonden.

Driima, n. gr. (van drun, doen, handelen) elg, do handeling; dlchleriyke voorslciling eener handeling als tegenwoordig In hare ontwikkeling en haar verloop: een schouwspel, tonneet-spel; — dramatisch, adj. tooneeikunslig, de tooneelkunde betrefTendo; — de dramatiek of dramatische kunst, de looneetknnst;

— dramatiseeren (spr. s=«), tooneeikunslig inrichten, voorstellen, behandelen, Inkleeden; — dramaturg, m. (v. érnein, maken, elg. en oorspr. vervaardiger van een toonecistuk) kenner en beoordeeiaar van tooneelstukken, die do regelen van het tooneeispei ontwikkelt en teert gebruiken; — dramaturgie, r. de looneel-spelkunde, de Iboorle van do toonooidichlkunst, ook dramaturgiek; - dramaturgisch, adj. wat haar betreft, b. v. zulke sciirlftcn; — dramatomanie, f. de overdreven liefde voor het tooneel, de tooneelwoede, scbouwspcirazcrnü;

— dramatopooie, f. de ontwerping en uitvoering van tooneeispeien; dramolet, n. fr. (spr. —li) een klein tooneeispei.

Drami, nw.-gr., z. v. a. drachme (z. aid.); - dramm, (vgl. derheni) een turksch gewicht = »,4 gram.

dramma per miislca,lt. opera; vgl. drama.

Drap., bij nalnurwclenscb. benamingen afk. voor Draparnaud (gesl. ISdSj.

Drap, n. fr. (spr. dra,- van \'t mid.lal. drup-pus, It. drappo, provenc. drap, oorspr. eene stijve, vaste stof, verwant met het duilscb derb, vast, styf, stevig, dicht, oudboogd. derp, derap) laken, geweven slof; — drap d\'Abbeville (spr. —dahb\' wtel\') licht frnnscb laken uit de slad Abbeville; — drap d\'argent, n. (spr. -dar-zjaii) zilverstof, zilverlaken; - drap d\'or, goudlaken; ook eene soort van appelen; — drap de dames (spr. dra d\' dddm\'), vrouwenlaken, licht, lijn halllaken, doorgaans zwart geverfde stof tol rouwgewaad; — drap de soie (spr. —d\'sod), züdestof; — drap-plume, n. (spr. —pluum\') vodorlaken, met gezuiverde ve-dervezels henaaidc stof; — drapeau, m. (spr. —po) vaandel; d. blanc, de witte vlag mei de lellen, bet partUteoken der Itonrhons; d. rouge, het vaandel der mode repuliliek, drapee-ren (fr. draper), hekleeden, met doek of laken behangen, overtrekken; de door penseel of beitel voortgebrachte beelden kiceden, de kiec-ding kunstmatig nabootsen; — draperie of drapeering, f. de voorstelling van de kleeding der geschilderde of gebeitelde (Iguren, do artistieke plooiing der gewaden; de schikking en plooiing der stoffen, waarmede de ledikanten, glasramen, alkoven, enz. versierd, omhangen of bekleed zijn; — drapier, m. (spr. dra-pjd) lakenfabrikant, lakenkooper.

drastisch, adj. gr. {ArasliUós, van dran, handelen) sterk en snel werkend, hevig ingrijpend, aantastend; (lig.) aangrijpend, trettond (dikwijls met bet bdbegrip der overdrijving); inz. sterk komisch werkende; — drastïka, n. pi. Mcd. sterk afvoerende middelen, zooals aloe, kolokwint, scammonlum, vele metaalzou-ten, enz.

Draught, eng., z. drafl.

Dravidische talon of dekanlsche talon, f pi. talon, die door de voor-sanskri-tisebe volkeren in zuidelijk Oosl-Inilic {Dekan, sanskr. drdvida) gesproken werden, en waartoe hel tamocllsch, hot toioegoo, hel canareesch, hel malavaiam, enz. behooren.

Draw-back, n. eng. (spr. drd-bek: van draw, trekken, en back, terug) eene teruggave van betaalde rechten op zekere goederen aan de kooplieden en fabrikanten In Engeland; ook hot rabat bü goreode betaling.

Drawing-room, n. eng. (spr. drding-roemonzeker of het oorspr. Is de schiidcry-zaal, v drawing, toekening; of do zaal, waarin zich na den maaitijd liet gezelschap begeeft of terugtrekt, van drawing, afgekort voor withdrawing, van withdraw, zich ternglrekken) gezelschapskamer, gezelschapszaal, met eenegroole rondo tafel, waarop de nieuwste voort brengse-lon der lilterntuur in geïilnstreerdo uiigaven ter bezichtiging liggen; groot gezelschap, Inz. aan \'t hof, receptie, hofgezelschap, holTeest.

Dray, f. eng. (spr. dree) kar, bierwagen, enz.


-ocr page 406-

DREDGE

DROST

:!90

Dredge, n. (mik, (spr. drèdtj\') mengkoreiij — sleepnot, lieuRclnot.

Drépanon, n. gr. eon sikkel, een krom mes.

Dress, m. kleedlng, costuum; — dressing-room, ii. ong. (spr. —roem van /0 dress, aankleeden, opsclilkken, van \'t fr. dresser, in orde brengen, opmaken; vgl. dressoeren) de kleedkamer; — dress-cirole, n. de eerste rang In eng. schouwburgen, omdat de bezoekers in full dress (d. I. geheel gekleed) ver-schünen.

dresseeren, fr. {dresser: van \'t llal. diriz-zare, dritzdre, als kwame \'t van een lat. woord direct tare, v. directum, van\'t lat. dirigëre, recht-maken; ergens heen richten) oefenen, tot zeker werk geschikt maken, africhten (eenen hond, een paard); ook in orde brengen, opzetten, opmaken, b. v.de haren; — gedresseerd, adj. afgericht, geleerd, geoefend; — dressoir (spr. dressodr), m. de aanrechttafei, aanrechtiiank; — dresseering, of Imrb.lat. dressuur, f. de afrlcbling, oefening, drilling, inz. van paarden en honden.

Driedekker, m. Mar. naam der vroegere groote oorlogsschepen, omdat zy, behalve het ruim, nog drie met geschut bezette verdiepingen of dekken hebben; zu voerden doorgaans van 100—120 kanonnon en 1000—1200 man (thans door gepantserde fregatten vervangen); ook 011-clg. een stout en slerk mensch, die ruw te werk gaal.

drillen, eng. (van drilt, groef, vore) In ryen zaaien; — dril-cultuur, f. deze wgze van zaaien en grondbearbeldliig.

Drimyphagie, f. gr. (v. drimys, doordringend, scherp) Med. hel elen van scherpe, zure spijzen als dieet.

Drink, m. eng. (van In drink, drinken) dronk.

Drittel, m. ecne zilvermunt In Pruisen, = J that er of «0 centen.

drittura, z. dirittura, end. dirigeer en.

Driver, in. eng. (spr. drai—) dry ver; voerman, koetsier.

Drogman, z. dragoman.

Droguerie, f. en drogues, f. pi. fr. (spr. dróg\'rie, dróg\'; it. droqa, eng. drug, van angels dryg, (/rif/, ons droog, dus elg. droge kruiden, planten of waren) ruwe arlsenü- en verlslotfen, gedroogde wortels, krulden, zaden, gommen, artsenUen, specerUen, balsems, enz., droger yen-, — drogist, m. een handelaar in artseny- en verfwaren, krutderUen, enz.

Droguet, n. fr. (spr. drngè), drogét, ecne wollen slof, waarvan de Inslag doorgaans garen Is, halfwollen goed tot rouwgewaad.

droit, droile, fr. (spr. drnd, drodt\'i v. \'t lat. diréetus) recht; rechts; — drnit, n. het recht (ook In den zin van het verschuldigde als belasting); — d drnite, rechts, ter rechterzyde;— droit coutumier (spr. —koelmmjé), gewoonterecht (In tegensl. met droit écrit [spr. —eekH] geschreven recht); — droit d\'aubaine, n. (spr. —dohèn\'), z. alblnaglum; — droit de cut\'s-sage, enz., z. culago; — droit d\'épave, hot strandrecht; in \'t algemeen het recht eens land-heers om zich voorwerpen, die geen eigenaar hebben, toe te eigenen; — drnit d\'étape, het stapelrecht; —droit de sauvement, z. sauve-ment; — droit de seigneumge (spr. senjeuraazj\'), heeriyk recht; — droits réunis, pl. (spr. —relini) vereenlgdo rechten, ecne indirecte belasting op dranken, zout, tabak, enz.; — droiture, f. (spr. droalüiir\') de oprechtheid, rechtschapenheid, eeriykheld, rondborstigheid, rondheid.

Dröle, m. fr. (oorspr. duitsch; zw. trnll, spookgeest, kabouter) een schalk, guit, doorslepen vent; een spotvogel, snaak, drollig mensch; — drolerie, f. snakery, koddigheid, drulligheid; eene pots, een snanksche streek.

Dromedaris, m. (lal. dramas, sell, came-lus, v. \'1 gr. dromds, loopend; later lat. dro-inedarïus) de gemeene eenbultlge kameel, welke hier en daar in Azië nog wild gevonden wordt, doch meestendeels tam, en het nuttigste dier uit het oosten is.

Dronte of doedoe, m. een, thans uitgestorven, zeer /.waarlyvige vogel van de grootte eoner zwaan op Ile-de-Frnnce en Bourbon, ook w a I g v 0 g 01 (Didus ineptus).

Dropax, m. gr. (van drépö, Ik ruk uil) eene pekpleister; — dropacisme, n. Med. het uittrekken van het haar door middel van eene pekpleister.

Drops, pl. eng. (elg. druppels) in drnpvorm gegoten en veelal gekleurde suikerklontjes; ook soort van machines lot het laden van schepen.

Droschke, f. (russ. drosjki, verkiw. van drogi, eene soort van voertuig, elg. pl. v. drngn, dissel) een licht, onbedekt russlsch rytulg met lage wielen; in Dultschland In \'t algemeen een licht huurryiuig, meestal met (!en paard, gelgk die op de stralen ten gebruike gereed staan, vigilante.

Drósëra, f. gr. (de bedauwde, v. drósos, dauw) Kot. een woudbloempje (ook Ros soil\'s, zonnedauw genoemd) met romle bladeren, aan welker baartjes de dauw blütt hangen; men houdt het voor geneeskrachtig en diende in de middeleeuwen Ier bereiding van oen wonderdadig goudwaler (vgl. rosoglio).

Drósometer, m. gr. (van drósos, dauw) een dauwmeter, eene balans, aan wier eenen arm eene plaat hangt, die den dauw goed aanneemt, terwyt do andere een tegenwicht draagt, dat door den dauw niet aangedaan wordt; — drosometrie, f. de duuwmeting.

Drost, dróssaard, m. (uit middelned. drnssdle, hgd. truchsess, nederd. droste, oorspr. spysopdrager; later stadhouder, baljuw) voorm. olllcler van justitie, hoofdofltlcler; een schout, landvoogd In sommige streken van N.-Dultschland, landdrost geheelen, wanneer by vele districten onder zijn toezicht vereenlgt; In Hannover Is landdrost de titel voor adel-lyke personen; sedert 1822 aldaar ook de ambtstitel voor de presidenten der B landdros-


-ocr page 407-

DSJERII)

391

DRUÜ

teiën of KOuvcrncmcnlcn; ook het koninkrijk Holhiml h»d onder l.oilcwijk Nupolcon I an d-(1 rosten, die vervolgens door de prefecten, later door de gouverneurs der provinciën, nu commissarissen des konlngs vervangen werden.

Drud, in. (misschien van ceitisclicn oorsprong; vgl. Druïde) een heksenmeester, hooze geest, kabouter, nachtmerrie; — drude, f. oeno heks, tooverkoi, waarzegster; — dru-denvoet, z. pentagram ma.

Druïden, m. pi. (lat.-colt. ilruides, angels. dry, armor, druz, verwant met gr. drys, elk, die walllsch dar, pi, dertv luidt, waarvan der-wydd, de oikenziener, druïde) priesters van den lieliigcn eik iiy de oude Celten In Gallic, Brit-tannlë, enz., die, gelijk de Itrahminen in Indic, eene lgt;Uzondere kaste uitmaakten, wetgevers, geleerden en dichters waren en grooten invloed uitoefenden; IjU de ScandinaviBrs werden z.y drollen gehceten; zü waren verdeeld in ovalen, die de oilers verrichtten en de toekomst voorspelden; eu ha gen, die de zieken verpleegden-, ca us ld leen, die de wetten verklaarden en recht spraken; harden (hy de Scandina-viörs skalden genaamd), die do groote daden der hurgers en krUgslieden bezongen en die weder onderverdeeld waren in heldhs, min-streeien en datgeinlads; — druïdis-me, n. de leer, het geloof der Druïden.

Drukletters, f pi. de volledige verza-niollng van al de letters, cijfers, tcekens, enz., die tol de voorstolling van de laai door don druk vcreischl worden; In de kindsheid der boekdrukkunst waren dit lioulen vormen, later werden zü gegoten van een gemengd metaal, letterspecie of 1 otterspUs genaamd. De verschillende soorten van druklellers, die ieder haar romein (anltqua) en cursief {ilalique) liehben, dragon, volgens afnemende grootte gerangschikt, de volgende namen: 1) imperiaal, fr. gros double canon: 2) dubbele kanon, fr. double canon, hoogd. real, eng. eiyhl lines pica: 3) missaal, Ir. gros canon, eng. french canon: 4) groote kanon of sa bon, fr. Irimigesle, eng. Iwo lines double pica; S) kleine kanon, fr. ileiw points de gros ro-main, eng. two lines ureal primer: 0) dubbele augustijn, fr. pelil canon, eng. Iwo tines english, hoogd. roman of doppelmillel: 7) dubbele mediaan, (r. deux points de cicéro of Palestine, eng. two lines pica, hoogd. doppet cicero: 8) dubbele dessend ia an, fr. gros parangon, eng, double pica, hoogd. text of se-rmdatl) paragon, fr. petit parangon, hgd. paragon: 10) tekst, tr.gros romoin, eng. great primer, hoogd. tertio : 11) au gust |j n, fr. sain( auquslin, eng. english, hoogd. millet: li) me-dliinn, fr. cicéro, eng. pica, hoogd. cicero-, 13) dessemllaan, fr. phitosophie, eng. smal pica, hoogd. brevier of rheinlander: li) gar mond, fr. petit romain, eng. long primer, hoogd, corpus of gamond: 18) gaijard, fr. gaillarde, eng. burgeois, hoogd. burgis; Iti) brevier, fr.

petit texte, hoogd. petit of jungfer: 17) colo-n e 1, fr. mignonne, eng. minon; 18) ti o n p a-roll; 19) parel, fr. parisienne ol sédanoise, eng. pearl, hoogd. perl: iO) robijn en dla-in a n t. Aan de lettersoorten, nog kleiner dan dc laatste, geeft men den aigomeenen naam van mikroskoptscho letters.

Drupa, f. lat. Hot. de steenvrucht, dat is, eene vleezigo vrucht, die van binnen eene kern, pit of noot bevat, zooals de kers, de okkernoot, omgeven van haren bolster; — drupa-céën, pl. zulke hoornen, wier vrucht eene drupa is, zooais dc pruim-, dc amandelboom.

Druschina, f. (pl. drusehinen) sia.v. vrijwilligerskorps, landweer, inzonderheid in Bulgarije.

Druzen, m. pl. een krijgshaftige volksstam in Syrië, die een arab. tongval spreekt, en welks godsdienst een mengsel van heldendom, mulia-medlsme en christendom ts.

dry, adj. eng. (spr. drai) droog; dry docks, droog dok, z. dok; van wijnen; scherp en droog van smaak; dry madeim of madera dry, ra. uit gedroogde druiven bereide madera.

Dryade, f. gr. (dryas, van drys, eik, boom) eene boom- of woudnimf (zie nymph); — dryieten, m.pl. versteende stukken eikenhout.

Dsiggetai ot dsjiggetai, in. N. H. de langoor, de haifezel, een lj|j uitstek schichlig en schuw dier uit het paardengeslacht in zuidelijk Siberië.

Dsileng, m. eene eetbare zeeplant aan dc russisch-chlnoesclie grenzen.

Dsjabi, m. turk. de gaarder van de In-komsien ecner moskee,

Dsjahelijah, n. arab. eig. onwetendheid; h(| de Arabieren de t|jd vóór Mahomed.

Dsjamie, f. arab. clg. vergaderhuls (van djamda, vergaderen) een groot turksch l)ede-huls, eene liaslllek, waarin de kliothab gebeden wordt. De kleinere bedehulzen hectcn moskee (z. aid.)

Dsjatab, m. arab. tahakspUp.

Dsjebedsji-aga, in. lurk. (v. dsjebelidsji, dc wapensmid, van \'t pcrz.-turk. dsjebeh, de wapenrusting, liet harnas) de bevelhebber van dc 7000 wapensmeden.

Dsjëbel, m. arab. berg.

Dsjema, f. een arablsch dorp.

Dsjemadi, m. arab. (dsjocmdda, d. 1. vorst-maand, van dsjamada, bevriezen) naam der 5de en 6de maand in den mohamed. kalender, die door de bijvoeging van el-awwel (de eerste) en el-acher (dc tweede) onderscheiden worden.

Dsjemel, m. arab. kameel.

Dsjemsjid, m. In de perziscbo heldensage de grondlegger der perz. beschaving.

Dsjerad, arab. sprinkhaan.

Dsjeri, n. arab. het arabische oorkonden-schrift.

Dsjerid of onrcgelm. dsjirid, m. arab. (clg. een palmhoomtak) eene soort van lichte werpspies van veerkrachtig palmboomhout, dienende tot het dsjerid-spel of dsjerid-


-ocr page 408-

DSJIGGETAI

DUÉL

392

werpen, een te paard gehouden kampspel in TurkUe.

Dsjiggetai, z, dslggetiil.

Dsjin of djin, m. arnb. (vgl. lat. genius) een daemon, kwelgeest hy do Arabieren.

Dsjoeïns, m. pi. secte van Hindoos, merkwaardig om hunne hoogst huitensporlge denkbeelden van tydrokenlng; hunne gewyde boeken spreken van 200,000,0(10,000,000 sa ra ga s of oceanen van Jaren; een sa ra ga doet 1000,000,000,000,000 paIIas, en een palia bevat de tydruimte, die er zou verelscht worden om een zeer diepen, met menschenharen gevulden put te ledigen, als men er elke honderd jaar een haartje uitnam.

Dsjonke of dsjoenke, z. jonk.

Dsjungel, m. ind. (eng. jungle, v. \'1 oostind. dsjamjal, ledig, woest, sanskr dsjanqqal, woest) eene door woud en moeras afgebroken en met bamboesriet, gras en struikgewas bedekte steppe of belde in Voor-Indle, rietbosch, moeraswoud.

Dsoe-\'l-kade, arab. (lt;hoe, de bezitter of begaafd met iets) de tide, en dsoe-\'l-hedsje, m. de 14de maand in den mobamed. kalender (de eerste eig. de [maand] des zittens [qa\'deh of qa\'dal], dewyi men daarin niet op reis ging, maar te huis bleef; de laatste, de [maand] dor bedevaart [hidsjdsjeh] naar Mekka).

Dualine, f. een door Dittmar in IH0S uitgevonden ootplolfond materiaal, beslaande uit nitroglycerine (z. aid.) met zaagsel of houtslof (lichter en kraehtlgcr dan dynamiet).

Dualis, n. lat. (v. duo, twee) gr. Gram. het tweevoud, tweevoudig getal, een eigen gr. taalvorm voor twee voreenigde dingen; —dualisme, n. nw.Iat. l\'hiios. do tweelecr, ieder leerstelsel, dat twee ongeiyksoortlge, oorspron-keiyke en niet van elkander af te leiden beginselen aanneemt; inz. de leer van Zoroaster, welke In de wereldorde den voortdurenden stryd aanneemt van twee eerste of grond-wezens, een goed [Ormuzd) en een kwaad (Ahriman)-, evenzoo de veronderstelling van een dubbel (gees-letyk en zlnneiyk) beginsel in de menscheiyke natuur; ook de leer, naar welke eenlge uitverkorenen zalig, ai de overige verdoemd worden; In politieken zin: de splitsing eener natie In twee elkander tegenwerkende krachten, zooals voorheen de tegenstelling der belde groote mogendheden Pruisen en üoslenryk in het Dult-sche Bond; of de spillsing van een staat in zelfstandige deelen, zooals de Duitscho en de niet-Duitsche kroonlanden van Ooslenryk; — dualist, m. een aanhanger en verdediger van het dualisme; Phys. aanhanger eener theorie, volgens welke er twee aan elkander tegenovergestelde electrlsche vloeistoiTen bestaan; — dualistisch, adj. deze leer betrelfende of daarop gegrond; — dualiteit, f. do tweeheid.

Dubek, m. turk. de gewone turksche tabak.

dubïum, n. lat. de twyfel; pi. dubïa, twyfe-lingen; In duhïo, in twyfel, In twyfelachtig geval;—dubiëus, adj. (lat. dubiösus, ii, um) onzeker, ongewis-, — dubiteeren (dubitare), twgfelen, onzeker zyn, dobberen; — quod du-bftas, ne feeëris, waar gy aan twyfelt, doe dat niet; — dubitatie (spr. Iie=tsie), f. [dubitado) de twyfellng, twyfel, onzekerheid.

Dublette, z. oud. d o u b I e; — dublone, z. d o b I o n.

Due, fr. (spr. duuk), düca, 11. (spr. dneka) m. (van \'I lat. dux, aanvoerder) de hertog; — due, m. victoria (zeker ryiulg); — duehé, n. fr. (spr. du-sjé) hei hertogdom; —duehesse, f. fr. (tt. duchessa) (spr. ilu-sjéss\') de hertogin.

Dueaat, dukaat, m. (mid.lat. ducatus, it. ducato) eene wydverspreide goudmunt (van ongeveer !i{ gulden), het eerst In Halte geslagen, en zoo geheeten, dewyi een hertog (diwo) van Ferrara die bet eerst in de (ide eeuw liet slaan, of volgens anderen naar het omschrift: «Sil libi, Chrtste, dalus. Quern lu reqis, isle Ducatusquot;, dat op de munten dezer soort, dlo koning Kogler II van Sicilië (11(11—1451) als hertog van Apulie deed vervaardigen, om het Christusbeeld stond; — dueato, m., pi. du-eati (spr. doe—) voormalige reken- en zilvermunten van verschillende waarde in Italië en Spanje; — dueatón, dukatón, m. fr. eene zilvermunt van den ouden muntslag in Nederland en België, = 3 gld. 18 cl. courant; ook weleer in Frankryk = 4 gld. «0 et.

Due d\'Alven, m. pi. fr., of dukdalven, zwaar aaneengeklonken paalwerk, dat ter vastlegging van de schepen op verschlilendo punten der havens en rivieren is ingeheid (zoo men wil dus geheeten naar hun uitvinder of invoerder, den hertog van Alva ]fr. due d\'Albe]).

dure et auspice, z. oud. dux.

Duehé en duehesse, z. ond. duo.

Duchobórzy of duehoborzen, pi., z. do och o—.

duetiel, adj. lat. {ducttlis, e, van dueüre, lelden, trekken) trekbaar, rekbaar, taal, buigzaam, lenig, smedig, b. v. metalen, die men met smeden, met den hamer bewerken kan;.

— duetiliteit, f. de taaiheid, rekbaarheid, smeedbaarheid; — ductus, m. eig. de leiding; de gang, weg; een trek, schryfirek, pennetrek;

— ductus aquösi, m. pl. waterbuisjes; — d. pan-creaCtcus, de huis der aivieeschklier; — due-tie (spr. lt;=s), f. (lat. ducffn) het voeren, leiden, de leiding, besturing.

Dudaïm, pi. hehr. een welriekend gewas, dat gezegd wordt de vruchtbaarheid der vrouwen te bevorderen, alruin, mandragore.

due (spr. does), iial. (= lat. duo) twee; due volle, Muz. tweemaal; — a due of a due voci (spr. —wolsji), voor twee stommen, tweestemmig; — a due corde, op twee snaren.

Duegna, z. duiSna.

Duél, n. (fr. duel, van\'t lat. duéllum, oudere vorm van bellum, oorlog, van duo, twee) een tweegevecht; — duelleeren, een tweegevecht met Iemand hebben; — duellant of duellist, m. by, die een tweegevecht aangaat; een vechtersbaas, vechter van beroep.


-ocr page 409-

DUMOSUS

DUËNA

393

Duëna, t. sp. (spr. doe-énja: It. duenna, tv. duèijne, het Int. domina: vkI. donna) meesteres; eene bejaarde op/.lchtster over jonfte Juffers; kulschheldsbewuakslcr, eerelioedster; Inz. op de slavenmarkten In het Oosten; onderzoekster van den maagdom, kulschheldsonderzoek-sler; — duëno, m, (spr. dne-énjo) heer, eigenaar.

Duérne, f. mld.lat. (v. duo, twee) hU hoek-drukkers twee In elkander gesloken bladen papier in folio, helde met dezelfde letter van het alphabet goteekend; — duët, n. it. ditto, duo, m. Muz. een dubbel* of tweespel, muziek, die gezet is om door i stemmen gezongen of door 2 speeltuigen uitgevoerd te worden; ook een bailetdans van 2 personen.

due votte, z. due.

Duffel, z. coating.

Duim, m. eene ned. lengtemaat uit hel oude stelsel, een onderdeel van den voet (z. aid.); ook het honderdste deel van de ned. cl, contlmeter.

Duin, m., pi. duinen (it. en sp. rfuna, fr. dune, eng. down, angels, din, friesch, dune; van eelt. oorsprong; ierscb-giel. dün, heuvel, hoop) zandheuvels aan de zeekust, door de zee zelve opgeworpen; — Duins (eng. Downs), een gedeelte der kust langs het Kanaal.

Duit, m. (van noordscbcn oorsprong) eene koperen munt uil bet voorm. nederl. muntstelsel, = J cent, of « duiten = I stuiver = 5 centen; by was verdeeld in 2 penningen.

Duivekater, liever deuvekater, in. (van onzekeren oorsprong) in sommige plaatsen van Nederland oen zeker tarwebrood; ook eene soort van koek, die men elkaar op feestdagen ten geschenke placht te zenden; de geldswaarde van zulk een koek, of eenige andere gift; kermisgift, dienst hodentool; duivekater, m. de benaming van bet hooze wezen of den duivel, waarschijniyk z. v a. duivelsche kater, de duivel in een kaler veranderd; haaljc de duivekater!

Duivelsadvoeaat, z. admentus diaboli, ond. advocaat; — duivelsbijbel, ■/.. codex giganteus, ond. codex; — duivelsmuur, z. decumaliscbe akkers.

Duj., bü natuurwetensch. namen afk. voor Felix Dujardin (gest. 1800).

Dukaat, z. du ca at.

Dukaton, z. ond. ducaat.

Dukdalven, z. due d\'Aiven

Duke, m. eng. (spr. djoek) de hertog; vgl. d u c.

Dulbend, z. tulband; in Gonstanlinopel geweven moessellen.

dulcis, e, lat. zoet, zacht; — dulre est de-sipSre in Ineo, lat. \'1 is zool (aangenaam) om op den rcchlen iUd mal (vroolijk, uitgolttlen) Ie zün;— dulee el decorum est pro palria mdri, zoet en eervol Is het, voor hel vaderland te slerven (Horallus); — dulcacide, adj. lal. (v. dulcis, zoel, zacht, en acidus, zuur) zuurachtig zoet, zuurzoet; —dulcamtlre, f. nw.lat. (v.

dulcis, en nmarus, biller) Kot. klimmende nacbi-schade, bitterzoet {Solanum dulcamara), een voortdurende, beesterachlige, rankcnscbletende inlandsche struik aan heggen en kreupelhos-schen, waarvan de stengels in de geneeskunde gebruikt worden; — dulciaan, m. nw.lat., ook dolciaan (it. dolcidno), een verouderd bouten blaasinstrument, uit welks verbetering onze fagot ontstaan is; ook een register In oude orgelwerken; — Dulcïa of Dulci-bélla, vr.naam: de zoete, lieiiyke, schoone;— dulciférisch, adj. zoetigheid bevallend;— dulciflceeren, nw.lat. verzoeten; —dul-cifloatie (spr. tie=tsie), f. do verzoeting; — dulcinea, f. de beminde, bel liefje, meestal Iron, gebezigd ; elg. de riiiam van Don Quixotes minnares, eene plompe boerenmeid.

Dulcinlsten, rn. pi. eene door D u I c i n u s in het begin der tide eeuw gestichte secle, welke gemeenschap van goederen wilde.

dulcoreeren, later lat. [dulrorare, van \'l lat. dulcis, zoet) zoetmaken, verzoeten; — dulooratie (spr. t—s), de verzoeting, zoet-maklng.

Dulcose, f. zekere slof, overeenkomende met de gewone suiker.

Dul-er, m. turk., z. ond. er. Dulianers, m. pl. eene door Du 1 lus in de ide eeuw te Alexandria gesllcblc ariaan-scbe secle.

Dulie, f. gr. (dulcïa, dienstbaarheid) de ver-eerlng, aanbidding der heiligen; — dulisch, adj. slaafsch; — dulooratie (spr. t=ts), f. de beerschappü van bel gepeupel

Duit, in. (spr. doelt) in Opper-Dultschland, z. v. a. Jaarmarkt, mis, kennis (waarsch. verkort uit indult (z. aid.), dus een dag, waarop kerkeiyke Indulgentie of aflaat werd gegeven, waarmede dan eene jaarmarkt verbonden werd; vgl. mis.

Dum., hü naluurwelenscb. benamingen afk. voor André Dumérll (gest. 1800).

dum, conj. lat. totdal, terwijl; dum moliün-lur, dim comüntur, annus est, lol zü (de vrouwen) zich in beweging stellen, lol zy haar toilet gemaakt hebben, gaat een jaar voorby (Te-rentlus); duin llrima deliberat, Sngünlum perit, sprw. terwyi Rome beraadslaagt, gaat Sagun-lum Ie gronde.

Dum, m., z. doem.

dumb, adj. eng. (spr. dum) stom-, dum jockey (spr. —dzjókki), »stommo Jockeyquot;, een houten pop, die men het paard by \'i dresseeren op den rug zet; dumb waiter (spr.—wee/er), «stomme knechtquot;, elevalor voor eetkamers.

dumicólisch, adj. lal. (van dumus, hage-doorn) in doornbosschon wonende; — dumi-teus, adj. nw.lat. met doorngewas bedekt, met kreupelhout bewassen.

Dummy, m. eng. (spr. dümmi) doode, liliu-de (by \'t whistspel).

Dumort., hy naluurwelenscb. benamingen afk. voor Dumoriier (gesl. 1878).

dumosus, n, um. Bot. met doornen bezet.


-ocr page 410-

DUMPLERS

394

DURUS

Dumpiers, m. pl. eng. oeno sccto, welke de erfzonde en de hel verwierp.

duni spiro, spero, lat. zoolang Ik adem haal, hoop Ik; zoolang er leven in Is, Is er hoop; (vgl. dum).

Dunce, m. eng. (spr. duns; van dultschen oorsprong) een domkop, opgeblazen holterlk (waarsch. oorspr. een spotnaam, dien de leerlingen van Thomas van Aquino aan dien van Duns Scotus |gest. 1308] gaven); — dun-ciade, f. olg. Mod van do domkoppen; de titel van een komisch heldendicht van Pope (ook bestaat er eene dunclado van Pallssot op de Ir. encylopeiisten en philosophen, en eene hoogd. van Schirach).

Dundars, m. pl. lurk. de achterhoede van het turksche leger.

Dundreary, m. eng. (spr. dundréri) bU de Kngelschcn eene soort baarddracht, waarby alleen do bakkebaarden blijven staan en de rest glad weggeschoren Is.

Dung, m. een perzisch gewicht van i grein; ook oene perzische zilvermunt, omtrent 4,; cl.

Dunk., by natuurwetensch. benamingen afk. voor VV. Dunker (professor te Marburg).

duo, lat. twee; si dun idem faciunt, non exl \'dem, als twee hetzelfde doen, Is hel niet hetzelfde; e duobus mulis minimum etifléndum est, van twee kwade moot men het beste kiezen;

— duo, n. een dubbelspel, duhbelstuk, muziekstuk voor twee personen; vgl. du ét; — duodecimo, f. (v. \'t lat. duodicim, twaalf) Muz. de twaalfde loon van den grondtoon af gerekend, of een interval, welks belde tonen twaalf diatonische trappen van elkander staan;

— duodecimo, een boekformaat, waarbg bet vel In twaalf gedeelten verdeeld wordt en 4i bladzyden op een vel komen, gewooniyk uilge-drukt door 14°; — duodecimaal, adj. twaalf-deelig, twaalftallig; — duodecimaal-rekening, de rekening met eenheden, die In 14 dcelen en leder van deze weder in 14 onderdeden verdeeld z.yn. geiyk by de rynlandscbe maat, daarom ook duodecimale maat ge-lieeten; — duodecimaal-systeem, het twaalftallig slelsel; — duodeoimfidisch, adj. nw.lat. twaalfspietig; — duodecimlö-bisch, adj. twaaiiiobbig; — duodecimöle, f. Muz. eene figuur van 14 noten, die slechts voor 8 van gewone tydswaarde gelden.

Duodenum, hit. (v. duodtni, by twaalven) of duodekadaktyion, gr. n. Anat. de twaalfvingerige darm; — duodonaal, adj. dien darm betreffende, daartoe behoorondo; — duodenitis, f. ontsteking van den twaalf-vingcrlgen darm.

Duodi, z. decade; — duodrama, z. ond. melodrama.

duotrigesimaal, adj. nw.lat. tweeCnder-llgzydig (van kristallen).

Dupe, f. fr. (v. \'1 provinc. fr. dupe, duppc, een onnoozelc, licht te vangen vogel) een bedrogene, om den tuin gelelde, gefopte, een bloed.

sukkel, onnoozeie ziel, zwakhoofd, die zich licht laat beethebben; ook een kaartspel; — dupeeren (fr. duper) bedriegen, beethebben, foppen, by den neus lelden, voor den gek houden, teleurstellen; — duperie, f. bedrlegerU, misleiding, foppery.

Duplum, n. lat. bet dubbele, tweevoudige;

— duydi j)ceiw, de straf van het dubbele; iets in duplo doen, opmaken, iets dubbel of in iweevoudig afschrift vervaardigen; — duplee-ren (lat. duplare), verdubbelen; — duplex, z. dupllcalus; — dupliek, f. nw.lat. het tweede beantwoordlngs- of verweerschrift, of bet tegenantwoord des beklaagden op de repliek des klagers, wederantwoord; — duplicee-ren, lat. {duplicure, van duplex, tweevoudig) ook addupliceeren, verdubbelen; .lur. een tweede antwoord geven, o|i de repliek antwoorden, een wederantwoord Indienen; — ad dupli-candum, ter beantwoording van de repliek des klagers; — duplicatie (spr t=ls) of du-plicatuur, f. de verdubbeling; — duplicatie des teerlings, zie deliscli pro-hl e ma; — duplicatiel, nw.lat. wat zich dwars laat vouwen; — duplicalus, a, urn, lat. Bot. dubbel -, duplicato-rrenalum. Bot. dubbelgekerfd; duplicato-serratum, Itol. dubbelgezaagd; — du-plicatum of duplicaat, n. lat. Iets dubbels; een dubbel afschrift van eene acte, enz.;

— duplicaat-zout, n. oude naam voor zwavelzure kali; — dupliciteit, f. do dubbelheid, het tweevoudig zyn van eene zaak; Phil, het vervallen In strydlgheden, ook de tegenstelling van Iwee krachten, b. v. het tegenwerken van de afstootende en aantrekkende kracht, on-eig. de dubbeihnrligbeid, onoprechtheid, valsch-held; — duplicidéntisch, adj. nw.lat. met dubbele tanden; — duplicipénnisch, adj. met overlangs gevouwen vleugels; — duplo-kónisch, adj. uit twee kegels over elkander bestaande.

Dupondius, m. eene oud-rom. munt van 4 asses; ook iron, een aankomend student.

durante rausa dural effedus, lat., z. onder cesseeren.

Durbar, z. do er bar.

durus, a, um, lal. hard; dura maler, f. Anat. het harde hersenvlies; dura lex, sed lex, de wet is hard, maar \'t Is de wet; in durïus of in pejus vonnissen, Jur. een beschuldigde In het volgende vonnis grooter straffen opleggen dan in het vorige; — dur, n. fr. (spr. duur; van \'1 lat. durus, a, u?ii, bard) Muz. de harde toonsoort, In welker toonladder en accoorden de groote terts ligt; de Italianen noemen die maggi or, de Franscben majeur; — duriteit (lat. durilas), dureté, f. fr. de hardheid, ongevoeligheid, bardvochtigheid, ruwheid, wreedheid; beleediging; — duranle, lat. (v. durare, elg. harden; verder: duren, voortduren) gedurende, b. v. duranle lile, gedurende het rechtsgeding of den stryd; duranle malrimonio, gedurende het huweiyk; — durabel, adj. (lat. durnbilis, e) duurzaam, biyvend, sterk; — durabili-


-ocr page 411-

DUST

395

UYS-

telt, f. do duurzaamheid; — duratie (spr. l=ls), f. nw.lat. Med. de verharding; — du-resceeren (lat. durescére], hard worden-,— duricordia, f. lat. de hardvochtigheid, on-hulRzaamheld; — duricórisch, adj. hard van huid; — durivéntrisch, adj. nw.lat. hardbulklg.

Dust, n. (nodord., eng., angels., oudfrlesch on oudnoordsch) slot, opveegsol.

dutch, adj. eng. (spr. dulsj) liollandsch; ook verachtciyk z. v. a. dultseh ((/ermfin); — Dutchman, Hollander; the Dutch, de Hollanders; dutch courage (spr. konidzj\'), Jenevermoed.

Duumvir, in., pi. duumviri, lat. (van duo, twee, en vir, man) twee mannen, twee personen, die als amhtgenooten een overlields-amht gemeenschnppelljk waarnemen; — duümviraat, n. [duumviratus) hot tweemanschap, de waardigheid van tweeman; die staatsiarlch-tlng, waarhU twee Ie gelük regeoron.

Duvet, n. fr. (spr. duwè) dons; het melk-of vlashaar; het wollige, de wol aan planten en vruchten.

dutr, m. (genlt. duels) lat. de aanvoerder; hertog; Muz. de leider, hot thema of de hootd-zettlng In eone fuge; — duce cl auspice, onder leiding en bijstand (vgl. auspex).

dwell, eng. wonen.

Dwor, m. russ. hof, plaats, binnenplaats;

— dwornik, m. russ. deurwachter, portier. Dyarchen, m. pl. gr. (van dyo, twee) twee

koningen, die Ie geiyk denzelfden Iroon hoklee-den, tweevorslen of lialfvorslen; —dyarchie, t. do twce-heerschappy, de regeering van Iwee vorsten op denzelfdon troon; — dyarchisch, adj. wat lot de dyarchie behoort; — dyas, f. tweeheid, het tweetal, paar; — dyadiek, f. of dyadisch talstelsel, n. het tweelalllg stelsel, de door Lellinllz voorgestelde eenvoudigste verdeeling der golallen In klassen, waarbl) men niet meer dan twee cyfers (1 en 0) noo-dlg heeft; het jaar 1883 wordt in dat talstelsel uitgedrukt door lllOlOltini.

dyed, adj. (spr. dai-ed ,■ van In dye, verven) geverfd; dyed cottons, geverfd katoen.

Dynameter, m. (uit hel gr. onjuist gevormd, beter dynamometer, z. aid.) ver-groolingsmeler, een werktuig om de vergroo-tingskracht der verrekykers te melen.

Dynactinometer, m. gr. toestel ter nauwkeurige bepaling van den tyd, gedurende welken het licht heeft gewerkt hy de vervaardiging van pliotographleën.

Dynamis, f gr. kracht, werkend vermogen ; - dynamïka, f. de kraclitlecr, leer van de heweging, de wetenschap der bewegende krachten, een deel der hoogere werkiuigkunde; vgl. hydrodynamika; — dynamisch, adj. veel vermogend, veel werkend, zelfkrach-lig of -werkzaam, door inwendig levende kracht werkend, vrywerkend, in tegensl. mei mechanisch, ook de leer der krachten hetreiTendo;

— dynamisch stelsel or dynamistï-ka, f. die leer, volgens welke men de slof als oorspronkeiyk bewegendekracht beschouwt ca do naluurverschynsels liet naast uit inwendige krachten of het levens-principe alleidt; — dynamicus, dynamist, m. een aanhanger dier leer, hel tegengestelde van atomist;

— dynamiet, n. een door vermenging van nitro-glycerine (z. aid.) met een andere veer-krachtige, poreuze, maar niet explosieve slof (gewooniyk klezelgoer) vervaardigde ontplofbare slof, inz. om gesleenten In mijnen te laten springen ; neemt men in plaats van klezelgoer tot poeder gebrachte, zwak gebrande houtskool, dan heet bet mengsel cellulose-dynamiet; — dynamieter, m. (fr. dynamitard) iemand (inz. socialist) die van dynamiet gebruik maakt als wapen In den slryd tegen de gevestigde orde van zaken; — dynamologie, f. de krachtenleer, de leer der afzonderlyke natiiurkrach-ton; — dynamometer, m. de krachtmeter, een werktuig om door middel van de elasllcl-lelt eener stalen veer druk- en trekkrachten te nieten, inz. der spieren van menschen en dieren; Astron. vergrootingsmeler; vgl. hel onjuiste d y n a m eter; — dynamometrie, f. de krachtmeting; — dynamométrisch, adj. tot de krachtmeling bchoorende; — dyna-mus, dynamödus, m. de kraclil om loon kilo\'s een meter hoog te iichten.

Dynast, m. gr. {dynastes, van dynnmai. Ik kan; vgl. dynamis) een machthebber, heer-schor of beheerder van eonen slaat; in de middeleeuwen: bezitter eener heeriykheld of van oen riddergoed; — dynastie, f. (gr. dynasteia) eenc lieerschappy, oppermacht; eene volgrg van regeerende vorsten uil betzelfde geslacht, vorstengeslacht ; — dynastisch, adj. lot eene vorslenfamllie bchoorende, of die aanhangende.

Dyophysieten, m. pl. gr. (van dyo, twee, en physls, natuur) eene secte van christenen, die twee naturen In Christus aannam; in tegensl. met de Monophysloten,

dys-, gr. voorletlergreep, beleekent, Inz. in uitdrukkingen lol de geneeskunde bchoorende; het kwade, verkeerde, gebrekkige (het tegendeel van hel voorvoegsel cu), overeenkomende met liet nederd. in 1 s, w a n, o n, vandaar dyse-mie of dyshoemie, f. (van luiima, bloed) de ziekeiyke gesleldheld van hel bloed; — dys-Gesthêsis, f. ongevoeligheid, slonipzinnlgheid; Med. de afwijkingen in de gevoeligheid der zenuwen ; — dysoesthetenen, f pl. de ziekeiyke, aandoeningen der zinswerkluigon; — dys-anagogie, f. de moeiiyke iiraking; — dysarthrias, f. Med. de onregelmallge Jlebi; — dysarthrosis, bel tcgcnnaiuuriyk gewricht;

— dysblennie, f. de gebrekkige menging of ziekeiyke hoedanigheid van bel siym; — dys-chesïe, f. de hezwaarde, pyniyke stoelgang;

— dyscholie, f. de slechte hoedanigheid der gal; — dyschroee, f. de afwykingen van de kleur der huid; — dyschylie, f. de ziekeiyke hoedanigheid der chyi; — dyschymie, de ziekeiyke toestand der spyspap In de maag, der vocblen In hel algemeen; — dyscinesie, z.


-ocr page 412-

DYSIS

390

E

(lysklneslo; — dysdakrïa, f. de zickclgko hoeduniRhcid der Ininen; — dysdakryósis, f. de Kebrekklfte traiiiiiifscheldliiK; — dysdy-namie, f. ziekelijk anngedaiie levenswerkzaamheid, ziekte; —dysekoia, f. de hardhoorlg-lield; — dyselkie, (. (v. hèlkos, zweer) moel-lüke RenezliiK van zweren-, — dysenterie, f. (van éntüron, darm, Ingewand) de persloop, roode loop; — dysentérisch, ailj. door den loop ontslaan, daaraan lUdendo, daarnaar zwee-mende; — dysepülosis, f. (v. ule, lltteeken); — dysepulötïka, pl. moeilijk dlclilRaando wonden; hardnekkige zweren — dyserethi-sie, f. die zlekelüke afwijking van de levens-kracht, welke moeilijke prikkelbaarheid wordt genoemd; — dysgalaktie, f. slechte hoedanigheid van \'t zog; — dysgenesie, t. het zlekeiyk teelvermogen; de ziekelijke of tegen-natnuriyko verrichting der teeldeelen; — dys-geusie, f. de verkeerde smaak; — dysgeus-thie, f. de ontaarde smaak; — dyshsemio, z. dysicmle; — dyshsemorrhöïs, f. de onderdrukte of moellgk vloelende aambeien; — dyshaphïe, f. het zlekelUk gevoel; —dys-hidrie, f. (v. hidros, zweet) het ziekelijk, Inz. inoeliyk volgend zweeten; — dyshorasie, f, het moeliyk zien, slecht gezicht; — dys-ialie, f. de Zlekeiyke hoedanigheid van het speeksel.

Dysis, f. gr. (v. dyein, ondergaan) het onderduiken, ondergaan.

Dyskatabrosis, f. gr. (vgl. dijs-), z. v. a. dysphagle, z. aid.; — dyskinesie, f. de stytheld, moellyke beweegbaarheid; — dys-koelie, f. een hebbeiyk lyden van den onderbuik, b. v. hebhelyke verstopping, versiymlng, enz.; — dyskólus, m Iemand, die van eene algemeen heerschende meening afgaat, een zonderling; — dyskoprie, f. de Zlekeiyke toestand der uitwerpselen; — dyskrasie, f. slechte vochtmenging, zwaar- of dikhloedlgheid; vgl. eukrasle; —dy8kratiseh,adj. kwaadsappig, zwaar- of dikbloedig; — dyslalie, f. de zwaarheid, belemmering van spraak; — dys-lochie, f. moellyke of onderdrukte kraamzul-verlng; — dysmasësis, dysmastësis, f. het moeliyk kauwen; — dysmenie of dys-menorrhoea, f. de moellyke maandeiykscbe zuivering; —dysmnësie, f. zwakte van het geheugen; — dysmorphie, f. de wanvormig-beld, wangeslalte; — dismorph, adj. wanstaltig ; — dysodmie of dysosmie, t. de

walgryke reuk, uit neus, mond, maag, okselholten, voeten, vrouwelyke teeldeelen komende;

— dysodontiasis, f. het moellyke tanden-krygen; — dysopie of dysopsie, f. de zwak-zlchtlgheid; — dysorexie, f. de verminderde eetlust; — dysosmie, f. do verminderde reuk;

— dysosphrasie, f. bel gebrekkig reukvermogen ; — dysostosis, f. moellyke boendervorming, beenderziekte; — dyspathie, f. het ongeduld der zieken, met klagen verbonden; — dyspepsie, f. de slechte spysverterlng; — dyspepsodinie, f. de maagpyn, door slechte spysverterlng veroorzaakt; — dyspéptisch, adj. zwaarverterend; — dysphagie, f, de moellyke doorzwelging; — dysphonio, f., z. v, a. dyslal ie; — dysphoria, f. bet kwa-lyk bekomen van een geneesmiddel of van eene kuur; de onrust, het kwalyk bevinden; — dys-pionie, f. de Zlekeiyke hoedanigheid van het vet; — dyspnóë, f. de kortademigheid, aamborstigheid, moellyke ademhaling; — dyspo-tisme, n. het moeliyk drinken; — dyssialie, f. de moellyke speekselbereiding; — dyssitê-sis, f. do moeliykheid om voedsel Ie gebruiken-, — dysspermasie, f., dyssperma-tisme, n. het onvermogen om hel zaad te ontlasten; — dysspermie, f. de zlekeiyke toestand van bet zaad; — dyssynusie, f. het onvermogen der vrouw tot den byslaap; — dysthelasie, f. de ongeschiktheid om te zuigen ; - dystherapeuta, n. pi. hardnekkige ziekten; — dystherapie, f. moellyke genezing; — dysthesie, f. de rusteloosheid der zieken; — dysthymie, f. de zwaarmoedigheid, droefgeestigheid; — dystocia of dys-tokie, f. de moellyke verlossing; — dysto-kologïa, f. de leer van de moellyke geboorten ; — dystonia, f. de afwyking In de spankracht eener spier; — dystrophia, f. slechte, gebrekkige voeding; — dystychie, f. ongeval, ongeluk; — dysuresie, f. slechte hoedanigheid van do pis; — dysuria, f. (van urrm, pissen) do met moeliykheden verbonden waterloozing.

Dziénnik, m. poolsch. (v. itzien, dag) het dagblad, de courant

Dziggtai of dziggatai, m. het tataar-sche paard, de wilde ezel.


E O

E. in de natuurkunde = oloctrlclleit; als chemisch toeken = erbium ,- ais oud-romelnsch getal = 4il0; B (als oud-rem. getal) = ïSOduizend.

E. — ereril, lat. hy heeft oiigericht; = cj««, van hem, zyn; = c.«/, fr., east, eng. het oosten (op kompassen, kaarten); = éminence, fr., eminentie-, = eri/n, bygevolg, dus, derhalve; = excellence, fr., excellentie; = expressum, bijzondere (bode); — e. a. = en andoren; — e. dhr. = ex abruplo, plotseling, onverwacht; —


Cl ■gt;« wnnrilfn. di«gt; mvn ver|;et\'fM «ip «lece 7.o«k«t men op /K of 4K.

Irtlvr mocht zoekrn, / onn I •gt; odilii, e p o n o m i r»

-ocr page 413-

KBIONIETEN

E

397

e. an. = ex animo, van hurto, opztslleHjk; — e. c. = exempli causa: ook = ex commissiöne (z. aid.); e. c. (of e. cap.) = ex capile, uit hot hoofd; e. c. of e. cuth. = ex cathedra, op mecs-terachtlgen loon; — K. of lid. = edel; E. A. = edelachtbaar; E. G.A. = edelRroolhaar; E.G. M. = edelgrootmogende; E. Geslr. — edelge-strenge; E. M. = odolmogenden; E.E. M.M. H. II. = edoltnogonde heeron; — Ed. = editlo, lat. uitgave; ed. — cdidii, hü heelt uitgegeven ; edd. = edidirunt, zy bobben uitgegeven;

— e. dgl = en dcrgeiyke; — e. (j. — exempli gratia, z. exempel; — ej. of ejusd. = ejus-lt;lum, z. aid.; — E. K. (In almanakken) = eerste kwartier; e. k. = eerstkomende; — El.— elector; — e. n. = ex officio, ambtshalve; — eod. — eodem, z. aid.; — Ep. = epistola of episcopus; — e. p. = en personne, fr. In persoon (op visitekaartjes); — e. p. of e. prof. = ex professo, beroeps- of ambtshalve; e. p. = ex post, achteraan, naderhand; — Eq. of eq. = eques; — Esq. = Esquire, z. aid.; —e. I. of e. temp. = ex tempore, voor de vuist, onvoorbereid ; — etc. = et cetera, en zoo voorts; — el s. p. = et sic porro, cn zoo verder; — e. u. = ex usu, bulten gebruik, In onbruik; — e. v. = ex voto, naar wensch, krachtens eene gelofte; — Ew. = eerwaarde; — Exc. = excellentie; — exc. = excipe, z. onder e x c I p 1-eeren; of = excudit: — excl. = exclusive, ultslultenderwUze, met uitsluiting; — Exod. = exodus; — ex S. I). = ex senutus decrcto, volgens besluit van don raad; — Exlr. = e x-tract; ook = extraordinarius, z. aid.;

— e. z. v = en zoo verder.

E. op munten beteekent voor Pruisen de muntplaats Koningsbergen; In bet Dultscheryk: Dresden; voor Oostenryk: Karishurg; voor Frankrijk: Tours.

e, lat. voorz., z. ex.

Eagle, m. eng. (spr. ier/\'l; van \'I fr. aiqle, lat. aquila) elg. adelaar, arend; eeae nooril-amerlk. goudmunt van 10 dollars, sedert I Augustus 1834 = i5 gl. 1-2 cl. inncri. waarde; de vroegere zya t; gl. meer waard.

Earl, m. eng. (spr. ert-, angels, eorl, zw. en gsl. jarl) graaf (do derde in rang dor adellijke titels, tusschon marquis en viscount; de hoogste titel is duke, z. aid.)

Earth, f. eng. (spr. èrth) de aarde; — earthen, aarden, h. v. earthen ware, aardonwerk, pottengoed.

Eastno, Easter, Ostne, eene godin der oude Saksors, wier feest in April viel, vanwaar die maand by hen cast heette; la hot eng. wordt het paaschfeest easter (spr. iester) genoemd.

eau, f. fr. (spr. öo,- van \'t lat. aqua) water; eau admirable, wonderbaar water, een vergift der giftmengster de markiezin de Brinvilliers; eau alhénienne, athoensch water, een zuiveringsmiddel voor de hoofdhuid; eau cosmélique, n. (spr. —tiék\') schoonholdswater, blanketselwater; eau d\'anf/e (spr. danzj\'), engelenwater; eau d\'arquebusade (spr. —dark\'huzddd\'), schotwater, wondwater ; eau d\'Atirona, eene HJne vloeibare schoonheldszeop; eau de beauté (spr. —botd), schoonheidswater; eau de bouquet (spr.-ftoeW), bioemruikerwaler; eau de cannette, kaneelwater; eau de Curmes, z. v. a. karmelieten-water; eau de cerises, korsenwater, kirsch; eau de Cologne, keulscb water, bet beroemde door J. i\\l. Farina vervaardigde geestryk reukwater; eau de Cologne double, dubbel keulscb water, uil andere keulscbe fabrieken, wordt la korte dikke flesschen verzonden; eau de fteurs de tilleuls (spr. —tieljeul), llndebloesemwater; eau de fteurs d\'orange (spr. fteur d\'ordmj\'), oranjebloesemwater; eau de la reine, koninginnewater; eau de Javelte, hieekwaler, vlekkenwater, chloorwator, dat tot verdryving der vlekken uit hot lynwaad dient, waarvan het hoofdbestanddeel ondorchlorlgzuur kali is (zoo geheeten naar den Franschman Javelle); eau de lacande, lavendelwater; eau de Luce, vloeiende brandig dloriyke Imrnstoonzuro ammonia, loogzoutwater, oen sterkriekend water, zoo genoemd naar zy-nen uitvinder, oen apotheker; eau de menthe poivrée (spr. maül\' poavré), pepermuntwater; eau de mille fteurs (spr. mie/\' fleur), duizend-bloemenwater; eau de muscat (spr. -mu-skd), muskaatwater; eau de noyaux (spr. —noajó), gebrand water uit notepltton; eau de Perse, per/.lsch water; eau rosmarin (spr. -romaren), rosmarynwator; eau de Sellz, seltserwator; eau de senteur (spr. -saiilew), reukwater, welriekend water; eau de vie, z. aqua vilae: eau d\'or, goudwater; eau forte, sterkwater; eau gazeuse, koolzuurwator; eau régale, i. aqua re-gis: eau seconde, sterkwater uit verdund salpeterzuur (om gouden waren in te koken).

Eaux et forêts, pl. fr. (spr. oo-zé-forè) wateren en bosscben, in Frankrijk het departement, dat de Jacht en de vlsscherü bevat, hel jachtwezen, boutvesterschap.

Ebauche, f. fr. (spr. ebonsj\', v. \'1 oudfr. bauche, wandplelsterwerk) het eerste ontwerp, de eerste aanleg van eene schildery, teekenlng of een geleerd opstel, de schets (It. abbozzo); — ebaucheeren (fr. éhaucher), vluchtig of oppervlakkig ontwerpen, uit don ruwe hearhoiden.

Ebbenhout (lat. ebünus, gr. ébtnos, van \'t hehr. ében, steen) elg. steenhout, het zwarte, zeer vaste cn zware kernhout van Diospffros ebünum, een oostlndlschen en afiikaanschen boom-, — ebeneeren, nw. lat. met ebbenhout inleggen, opleggen; In \'t algemeen Inleggen on zwart uithyten; — ebenist, m. (fr. ébéniste) hy, die In ebbenhout werkt of in- en opgelegd werk maakt; een schrynwerker; — ébénisterie, f. fr. schrijnwerk.

Ebedmélech, hobr. mansn.; elg. dienaar der konlngs.

ebenaceen, pi. ebbenboutacbtlge booinen.

ebeneeren, ebenist, z. oud. eb ben-li o u t.

Ebionieten, m. pl. (van \'t hebr. ebjonim, d. 1. de armen, oorspr. de Joodsche benaming


-ocr page 414-

ECHAEAUD

398

EBLANINE

der Christenen In \'tulgomoen; oene In de ide eeuw In Palestina ontstane chrlsten-secte, die tevens de Mozaïsche wet volgde en aan do godheid van Christus twijfelde.

Eblanine r. of eblaniet, n. een gelo krlstalllseerbaro In ruwen houtgeest aanwezige kleurstof z. v. a. pyroxanthine.

Eblis, miani, dien de Arabieren aan den vorst der diemons geven (eene verbastering van het gr, dia hól os).

eblouisseeren, fr. (spr. e-bloe-i-séren), verblinden; verhazen, verhinlten; verleiden; weg-sleepen-, — eblouissement, m. (spr. —i-s\'maii) vorhllndlng, schemering voor do oogen; verrassing, verleiding; — eblouissant (spr e-bloe-i-sdii), verblindend, schitterend.

Ebu, arab. (ebn, ibn: vgl. Alien) de zoon (vóór een anderen naam b. v. Ebn Ail; ius-schen twee namen schrijft men Ben b. v. Mahomed Ken Mustafa).

Ebony (spr. —t), eng. ebbenhout, (wit. eborinus, a, urn, lat. Bot. Ivoorwit, geelachtig-ebracleatus, u, urn, lat. Bot. door geene schutblaadjes ondersteund.

ebrancheeren, fr. (spr rft =.«/,■ vgl. branch e) snoeien, kappen, van takken ontdoen.

ebranleeren (spr. ebrau—), fr. ébrnnler van branler, wankelen, waggelen; vgl. branie oren) schokken, doen waggelen, schudden; ontmoedigen, besluiteloos maken; — ebran-lemént, n. (spr. —ma«) de schokking, schok, schudding, stoot; ontmoediging.

Ebriëteit, f. lat. {ebrlatas, van ebrïus, a, urn, dronken) de dronkenschap; roes; — ebriens, adj. aan den drank verslaafd; — ebriositeit, f. (spr. s=ï) (lat. ebriosltas) do neiging tot dronkenschap.

Ebrillade, f. fr, (spr. e-bri-ljdad\': van \'t oudfr. bridel, nw.fr. bride, It, briglia, van \'t hoogd. britil, ons breidel, toom, teugel) In de rgkunst: een forsche ruk met den teugel, wanneer het paard niet wil wenden.

Ebullitie (spr. t=ls), f, nw.iat. van (ebul-Ure, opborrelen, enz,, van bulla, waterbei) het koken, opwellen, opborrelen eener vloeistof door de hitte; Med. een uitslag van kleine blaartjes over het lichaam, door oene verhittende behandeling of sterke gemoedsaandoening ontstaande; cbulliiïn stomachi, f. Med. het koken der maag, het zuur; — ebullioskoop, m, lat. gr. een door Brossard-Vidal gevonden instrument om het alkohoigehalte van wijngeestachtigo vioelstoiTon te bepalen door waarneming van haar kookpunt.

cbur, n. lat. (v. \'t oud-egypt, ebur, olifant, lersch boir, sanskr. ibha) hot ivoor, elpenbeen; ebur fossïle, versteende mammoethstanden; ebur uslum, gebrand ivoor; beenzwart; in het algemeen: lot poeder gebrachte beenderkool om zwart te verven.

Eburonen, m. pi. een volksstam van het oude België, die In het tegenwoordige Luiker-land woonde.

Ecache, eacache, f. fr. (spr. ekdsj\'), een langwerpig rond of ovaal paardeblt.

Ecaille-werk (spr. ekdlj\'—, van het fr. écaille. It. scaglia, schub, en dit van \'t oudd. scala, schaal) schubvormlg schilderwerk op porselein en tapijten; ook schildpadschalen tol inlegging van sieraden.

ecalcaratm, a, urn, lat. Bot, ongespoord. Ecarlate, n, fr. (provenc. escarlat, van \'t perz. sakarldt, bedorven uit het sanskr. soe-rakla, donker gekleurd, hoogrood, scharlaken, scharlakenrood, scharlakenkleur.

ecarteeren, fr. (écarler, oorspr, escarler, = It. scartdre, van carta, kaart) eig in \'t kaartspel eenige kaarten aileggen of ter zydo werpen om daarvoor andere In de plaats te nemen of te koopen; In het algemeen; verwijderen, afzonderen, ter zijde leggen, uitschieten; uitweiden, van de hoofdzaak afgaan; — ècart, n. (spr. ékadr) de weggeworpen en daarvoor ingekochte kaarten; — écarté, n. zeker kaartspel, dat door 4 personen met \'M kaarten wordt gespeeld.

erawlalus, a, um, lat. Bot. zonder staart. ecbolia, z. e k b o 11 a.

ecco homo, lat. zie, welk een mensch! (volgens do statenvertaling in Joh. 1!1, 5: »zle den menschquot;) als subsi, een OCCOllóniO, n. Plet. een beeld van den lijdenden Jezus inden toestand, waarin l\'iialus hom met die woorden aan de Joden voorstelde; eene buste met de doornenkroon.

Eccentriciteit, z, excentriciteit Ecchelysis, ecchoresis, enz., z. e k c li—,

ecclesia, f. lat. (eig. volksverzameling, v. \'t gr, ekklêsia) de kerk; e. calhedralis, hisschop-pelgke kerk-, e. filialis, dochterkerk; e. mater, moederkerk; e. metropolitana, hoofdkerk, aartsbisschoppelijke kerk; e. mifflans, de strUdendo kerk; e. pressa, de onderdrukte kerk, de kerk in druk; e. régnans, de heerschende kerk; e. triümphans, de zegepralende kerk; e. vagans, eene dolende, zwervende gemeente; e. viduata, de ledlgstaaade, niet bediend wordende kerk; — ecclesiarch, m. gr, een kerkvoogd; do opziener over de kerken en de regeling van den godsdienst In de grieksche kerk; — ecclesi-archie, f, de kerkelijke heerschappü, het kerkelijk toezicht; — ecclesiast, ecclesias-tes of eeclesiasticus, m. een geestelijke of kerkdienaar; ook Salomo\'s boek de Prediker (z, kobeleth); — ecclesiastisch, ec-clesiastiek, adj. tol de kerk behoorende, kerkelijk, geestelijk; — ecclesiasUca, n. pi., kerkzaken ; — ecclesiastiek, f, de kerkleer; — ecclesiastical titles act I. eng. (spr. ekkleziusti-kel tail\'Is ekt) wet op de geestelijke titels. In ISM tegen de Invoering der katholieke bisschoppen in Engeland uitgevaardigd.

Ecclisis, z. ek kil sis.

eccn.\' It. (= lal. ecce) zie, ziedaar! Eccope, enz., eccrisis, enz., ekk—. Echafaud, n. fr, (spr, e-sjafó), z, schavot; — echafaudage, f, (spr. -dd-zj\') het opslaan van eene stellage of een steiger; Fort.


-ocr page 415-

ECHALASSEEREN

399

ECHINUS

ilo slelllnjj of steiger nchtor «lu vestliiKwiillcn «in met het klein geweer door de schietgaten te kunnen vuren.

echalasseeren (spr. chsj) fr. {echalas-ser, van échalas, paal, wüngaardstaak, gr. cha-raks, do puntpaal, met palen voorzien, de staken zetten (hij de wynstokken).

Echalótte, fr. (spr. ch=sj) of s J a 1 o 11 e (z. aid.). Kot. eene holplant, die In reuk en smaak naar het knotlook gelgkt, schalonje, saus-look (Allium uscalnnicum): — een trillend koperen plaatje bü orgelpUpen.

echampeeren (spr. ch=.ij), fr. (écham-per of échampir) 1\'lct. door licht en schaduw van den grond doen uitkomen, losmaken.

echancreeren (spr. e-sjank—), fr. [échan-crer, van \'t lat. cancer, kanker, mld.lat. tang, schaar, hoog, boogvormige kromming) uithollen, boogvormig uitsnijden; — echanerüre, f rond ultsnUdsel, uitholling, halvemaansgewyzo uitsnede.

echangeeren (spr. e-sjditzj\'—), fr. (échun-ner; vgl. changeeron) rullen, wisselen, uitwisselenechange, m. (spr. e-sjainj\') de ruiling, uitwisseling, wissel j Ie libre échange, dc vrye handel.

Echanson, m. fr. (spr. esjaiison) dc schenker (bü vorsten).

Echantillon, n. fr. (spr e-sjaiili-tjóu ■: v. \'I oudfr. chant, cant, hoek, stuk, verktw. chanlel, canlel, en dit van ons kant, rand, scherpe züde, een oorspr. ceitisch woord) het staaltje, do proef, het monster, b. v. van een stuk laken.

echappeeren, fr. (échapper, spr. c/i=s/; waarsch. van \'toudd. chainpf, kamp, dus elg. den strüd ontloopen; it. scappare, scampare) weg-loopen, ontloopen, doorgaan, do vlucht nemen, uitbreken, ontspringen, ontsnappen, ontkomen; — echappade, f. eene valsche snede of haal hU graveurs, wanneer de graveerstift uitgiydt; in \'t algemeen; eene ontsnapte fout, overzlening, overyiing; — echappatoire, f. (spr. —tnar\'), eene uitvlucht, een voorwendsel; — echappé, m. oen ontsnapte; een paard, geteeld uit een builenlandschen hengst en eene Inlandsche merrie, In \'t algemeen een paard van gemengd, gekruist ras-, — echappemént, n. (spr. —mdii) het ontsnappen, doorgaan, ontvluchten; by ra-deruurwerken; pal, lichter d. i. dat deel, hetwelk de slingeringen van den regulateur (slinger of onrust) telt en aldus den tyd afmeet.

Echarpe, f. fr. (spr. esjdrp\': oudfr. escharpe, escherpe, eschierpc, sjerp, de zak aan den hals des pelgrims hangende, v. \'t oudboogd. scAarpe, scherbe, zak, reiszak) de sjerp, lijfgordel, ambts-of eeregordel; draagband; eon dwarshouw; een smalle shawl van floers of soortgelyke stof; Mil. en écharpc beschieten, In scheeve richting beschieten; — echarpeeren (fr. écharper) schuins beschieten, dwarshouwen, zywaarts aan-grypen.

Echaudé, n. fr. (spr. esjodév. chaud, warm) een klein l\'arljsch gebak, windbuil, echauffeeren (spr. e-sjof—), fr. (échauf-fer, |)rovcnc cscalfar, van het lat. calefacüre) verwarmen, warm, heet maken, verhitten; toornig of ongeduldig maken, het hoofd warm maken; — geöchauffeerd, adj. verhit, zeer warm; - echauffant, adj. verhittend; — echaufiement, n. (spr. —mdii) do verhitting; — échaufïourée, f. fr. overyide, on-overlegde, planlooze onderneming; Inz. dergeiyke opstand.

Echéance, f. fr. (spr. e-sje-diis\': mld.lat. excadenCfai vgl. cliance) het vervallen, de ver-valtyd van eenen wissel.

échec, n. fr. (spr. esjék), schaak (z. aid.); ook stoot, slag, nadeel, verlies, schade; — echecs, pl. het schaakspel; de daartoe vercischte stukken; en échec houden (spr. oh—) Mil. den vyand aliüd in de klem of In vrees, In besluiteloosheid of werkeloosheid houden, zoodat hij tot geen eigen plan komen kan; — échiquier, m. (spr. e-sji-kjé) het schaakbord; Mil. de schaak-bordvormlgo stelling der troepen; — en échiquier, schaakbordsgewys, krulsgewys, b. v. optrekken, aftrekken.

échelle, f. fr. (spr. e-sjéll\'; oudfr. esc/iefc, pro-venc. escale, van \'t lat. scala) de ladder, toonladder; ook dc maatstaf, waarnaar eene tee-kenlng, eene kaart ontworpen Is, de schaal; échelles, pl. de hoofd- handel- en stapelplaatsen In de Levant {échelles du Levant)-, en échelon (spr. aii e-sjettiii) Mil. laddervonnlg, sportsgewys, d. 1. in kleine op elkander volgende afdeelln-gen, zoo als vele sporten eener ladder, mar-cheeren of oprukken; — echelonneeron (fr. échelonner) do troepen In echelons stellen.

Echemythie, f. gr. (van échein, hebben, houden, voor zich houden, en mjjthns, de rede) de stllzwygendheld, de kunst of gave van het hooren en zwygen.

Echeveau (spr. ésj\'wn) of echet (spr. ésjè), m. fr. de streng, eene fr. garenmaat (= toon meter); — echevette f. fr. (spr. ésj\'-wét\') het bosje = too meter.

Echidna, f. gr. Myth, een roofziek monster, half maagd, half slang, do moeder van Cerberus, Scylla, Chimaera en hndere ondieren.

Echinus, m. gr. {echinos) de egel ; zeeegel; Arch, hel el aan de Ionische zullen, een eivormig sieraad, vervat In eenen dop, welke naar dien der kastanje geiykt; — echinan-thieten, m. pl. versteende rozenegels; — echinatus, a, urn, lat. Bot. ogolharig; egelste-kellg, met naar alle zyde gerichte stekels b.v. de vruchten der tamme kastanje; — echiniet, m. een versteende zeeCgel, egelsteen, padde-steen, slangenel, zeeappel, enz.; — echino-CÓCCUS, m. blaasworm, eene soort van Ingewandsworm, een voorvorm van den lintworm; — echinodérmen, m. pl. stekelhulden, zekere dierklasse, aldus om hunne stekelachtige huid genoemd; — echinoformis, lat. Bot. egelvonnlg, stekelvormlg; — ochinoidon, pl. zeeëgels, met stekels bezette en door eene kalkachtige schaal omgeven, meest appelvormige zeedieren; — echinophthalmie, f.


-ocr page 416-

ÉCHIQUIER

ECOUTE

400

Med. cIr. i\'BelooglRlieiil; de verouderde naam voor de oneflenbeden der oogleden, die zich liü vele ooglldonlstekliiKon vormen; — echinops, t. Bot. kogeldistel — echinorhynchus, m. de stokelsnultworm, eene soort van ronde Ingewandsworm; — echinospheBrieten, pl. kogelvormige zeeegelstcenen.

échiquier, m., z. ond. echcc.

Echium, n. gr. {échion, v. échis, adder) Bot. de slangekop, een plantengeslacht van de familie der bernageachtigen of ruwhladtgen.

Echo, f. gr. {.echo, in \'t algemeen klank, geluld) Myth, eene nimf uit het gevolg van Juno, eene dochter van de lucht en de aarde, die wegens versmade liefde zoodanig van droefheid verteerde, dat er niets van haar overbleef dan do stem; de weerklank, terugkaatsing van bet geluld, na- of wcèrgalm; Poet. een dichtstukje, waarbg eene of meer der laatste lettergrepen van eenen versregel bullen de maat herhaald worden; Muz. (It. eco) weergalm, verzwakte of flauwe herhaling van een of meer noten, In nabootsing van de natuurlijke echo; — echo-meter, m. een klankmeter, een werktuig, door Souveur In not uitgevonden, om don duur van het geluld te bepalen; — echometrie, f. de klank- of weèrgalmmetlng, bet voortbrengen van kunstmatige echo\'s van klankgewelven; — echönisch, liever echodisch, adj. (gr. echödes) teruggahnend, weerkaatsend; — echo-skope, f. Med. z. v. a. auscultatie; echoskopium, n., z. v. a. stetoskoop.

Échoppe, f. fr (spr. ésjop\') winkel onder een afdak tegen een muur, kraam, pothuis.

Eckhard of Eckard, oudd. mansn. (van ecke, weleer voor snede, zwaard) de zwaard-sterkte, de moedige met het zwaard; d e t r o u w e Eckhard, in. de oudd. heldensage: een kameraad van Diedrik van Bern, sprw. een oude beproefde vriend die voor gevaar waarschuwt.

eclabousseeren, fr. (éclabousser) met slük of modder bespatten.

eelairceeren gew eclaireisseeren (spr. e-klèr—, e-klèrsi-s—), fr. [eclaircir; van clair, lat. clarus, klaar) helder maken, opklaren, verlichten; ophelderen. Inlichting geven, terechtwijzen; — eclaircissement, n. (spr. e-klèrsi-s\'mdii) de Inlichting, verklaring van eene duistere zaak, opheldering, terechtwijzing; — eclaireeren (spr. éclairer, lat. exdarare), licht verspreiden, verlichten; — eclaireurs, pl. (spr. e-klèreur) Mil. een lichte troep, die bet leger vooruit trekt om te ontdekken of zich vijanden in de bosschen, enz. ophouden, scherpschutters.

Eclampsie, z. eklampsie.

Eclat, m. fr. (spr. e-kla: v. \'t gr. kldein, breken; klasmn, breuk, stuk, enz.; vandaar elg. breuk, splinter, enz.) de losbarsting; knal, slag, geraas; het opzien, geruisch, de ruchtbaarheid; de glans; eene opzienbarende handeling-, — eclateeren (fr. éclahr, elg. splijten, in stukken springen, bersten), bekend of ruclitbaar worden, aan den dag komen, uitkomen, uitbreken;

— eclatant, adj. schitterend, uitstekend, in \'toog vallend; opzienbarend, openlijk, wereldkundig; — éclatante, f. vuurpijl met biil-jant-vuur.

Eclecticus, enz., z. e kiek tic us, enz.

Eclips, ecloge, enz. z. ekl—.

école, f. fr. (van \'tlat. srhola) school; école d\'application (spr. daplikasjó/i), ambachtschool, Industrieschool; — érole de droit (spr. drod), rechtsschool; école des beaux-ttrts (spr. bozdri, kunstacademie; école des Charles (spr. sjdrl\'), school voor de studio van handschriften; école de médecine, artsenijschool; école des mines (spr. mien) of école des mineurs, mijimcademlo, berg-school; école militaire, krygsschool; école mixte (spr. miekst\'), schooi voor wetenschappen en letteren, bgd. realgymnaslum; érole mu-tuelle, sciiool van wederkoorlg onderricht, z. v. a. Lancaster-school, z. ald.j «co/e nomaie, normaalschool, modelschool; école polytechniquc, school voor de kweekellngen dor artillerie, geide, enz., de algemeone kunst en beroepsschool te Parijs; vgl. Polytechnisch; écote pratique des hautes études (spr. hoot-zetuud\'), sciiool ter practlsche oefening in de exacte wetenschappen naast hot theoretisch onderwijs; école primaire, lagere school, school voor het eerste onderricht; école secondaire, de school, die op do primaire, elementaire of lagere volgt, de mlil-delbarc schooi; école spéciale militaire de St.-Cyr, krijgsschool te St. Cyr; école vétérinaire, eene veeartsenijschool.

Economie, enz. z. oko—.

Economy, n. eng. (spr. ekénomie) z. oe ko-n o m i e.

e of ex continénti, z. ond. continoeren;

— e contrario, z. v. a. au contraire, z. ond. conlrarius,

ecorcheeren (spr. e-korsj—), fr. [écorcher-, sp. escorchar, it scorticdre, den bast of do huid aftrekken, mld.lat. excorticare, v. \'tlat. cortex, do schors) villen, afstroopen; ontschorsen, schillen; overvragen, een onredelijkon prijs vorderen; snijden, afzetten; ook gewelddadig behandelen, mishandelen, radbraken, b. v. eene taal; — écorché, m. bU schilders en beeldhouwers; eene liguur zonder huid, welker spieren men ziet.

ecorneeren, fr. (écomer -, v. come, hoorn) onthoornen, de hoornen afstooten ; afkorten, bn-snoelen, beperken, verminderen.

Ecossaise, f. fr. (spr. ekossèz\', v. Kcos-sais, aise, schotsch, v. Ecosse, Schotland) oen schotsche dans; — ecossaisewals, in. een snelle wals In ^ maat.

ecostatus, a, um, lat. Bot. ongerlbd.

ecouleeren (spr. ou=oe), fr. (écouler) af-, uit-, wegvloeien; — ecoulement, m. (spr. ekoel\'mdii) do af-, uit-, wegvloellng; het vervliegen b. v. van geestige deelen; Kmt. de verkoop, afzetting, bet debiet der waren.

Ecoute, f. fr. (spr. e-koel\'; van écouler. luisteren, van \'t lat. auscultare, Ital. ascottdre) Mil. eene galerij om do werken der vijanden te ontdekken, lulstergang; een luchtgat In de


-ocr page 417-

ECl\'Il R A CTISCH

401

EDI !• [ANT

kazomutloii; in de kloosters eene iloor tnille-werk of Jnloezll\'n afgesloten plaats, het hoor-verlrek, de tratlesloel; nu.r ironies zijn (spr. o-zekóél\'), op de loer staan, lielmeiyk liilstoren, luistervinken; — écoulez (spr. ekoelé), hoor eens! luister! — ecoutille, f. (spr. ekoetiélj\') hol luik, luikgat iu het verdek van een schip.

ecphractisch, ecphronia, ecphy-ma, enz., z. ekph—.

ecraseeren (spr. .ï=j),fr. ((eraser, v. \'t oud-noordseh krassa, tljn wryven, zvv. krasa, platdrukken, aan stukken slaan) verpletten, platdrukken, verbrUzelen, vertreden, verniellnen; — écrasé, 111. (spr. s=t) danspas, vvaarhy de lieenen ver vaneen gehracht worden; dcrasez I\'ttifdme (sell, suiwrslillon of église), weg met het sehandeiyk liijpelOdf of de kerk (een la Voltaire\'s hrleven menlifvuidlR voorkomende uitdrukking).

ecreteeren, fr. (écrtkr-, van erfle, z. aid.); Mil. eig. onlkammen, het hovensle gedeelte, h. v. van eenen wal, een bolwerk, eene palissade, wegschlelen.

Ecritoire, f., fr. (spr. ekritoér: van écrire — lal. scribSre, schrijven) een inktkoker, schrijfhak mot pen, inkt, lak, ouwels, pen-nomes, enz.; — ecritures, pi. geschriften, schrlfluren; — ecrivailleur, m. (spr. -mil-jéürvan éerivailler, veel en slecht sehryven) een slecht veeischryver, kladder, hroodschryver, liroddelaar.

ócru, adj. onontgomd (van zyde); ook; uit zulke zyde vervaardigd-, ongebleekt, ruw.

Ecrythmus, ocsarcoma, ecstasis, enz., z. ekr—, eks, enz.

Ecu, m. fr. (eig. een scliilddaaider, van het lal. senium, schild, il. sruilo) een fransche daalder van 3 livres of 1 gl. c., zoo gebeden, omdat er hel fr. wapenschild op stond; OCU tolanc = a gi. 40 et.; — ecu d\'or, z. v. a. Iouls d\'or, ecu neuf, li livres-sluk, = 2 gl. 8;gt; et.; ecu patagon, geneofsche rekenmunl, ongeveer = I gl. M et.

Ecueil, m. fr. (spr. ekuilj) klip, rif.

Ecumeur, m. fr. (vanéeumer, afschuimen; éeume, van \'I oudhoogd. seim, schuim) elg. een afscliiiimcr; een scluiiniiooper, pannelikker, tafeihroiV; een plundernnr van geschriften, denk-liceldendief; een zeeroover, vryiiuiler, zeeschuimer {ieumeur de nier).

Ecurie, f. fr. (verwant aan het nederi. schuur) een paardenstal; de gezameniyke tot eene sloetei\'U hehoorende personen; de woning dier personen.

Ecusson, m. fr. (spr. eku-són: v. senium vgl. e c ii) liet wapenschild; — ecuyer, m. (spr. e-kwi-jé: It. snuliero), een schild-en wapendrager, scliildknaap; stalmeester, een voornaam hegoiolder ie paard.

Edax, in. lat. (van edlre, eten) een vraat, vreetzak; — edaciteit, f. (lal. eiiatflas) de vnialziiclit, overmatige eetlust.

Edda, f. yslandscli (d. i. elg. stammoeder; zoo geheeten door den wedervinder, den hisschop Hrynjulf Svendsen, in \'tjaar Kil;)) de titel der viKiuiK DRUK.

bolde verzamelingen van yslandsche dichtwerken, waarin de gansche schat van scandlnavl-sche inythen Is weggelegd, de oudste scandin. oorkonde, die de iioordsche goden- en helden-geschiedenis lievat; men onderscheidt de beide verzamelingen In de oudere (poëtische) en in de Jongere (grootendeels prozaïsche) Kdda. ede, bide, Inde, lat. eet, drink, speel! Edellne, vr.naam; de edelgezinde, edele. Eden, n. bebr. liet paradys, de lusthof; eig. het vreugdegenot.

edenlnlns, a, urn, lat. Bol. uilgeland. Edentata, n. pl. lat. (v. dens, tand) lan-deiooze zoogdieren, naineiyk dezulke, die noch boek- noch snytanden belilien. Zij liewonen Afrika, Amerika en Nieuw-llolland.

edeeren, lat. (edürc) ullgeven, liekend maken; uitleveren; —ëdidit, pl. êdidërunt, beeft of hebben uitgegeven (op boektitels met den naam des of der uitgevers); — editie (spr. t=ts), (ediho) de uitgave, druk, oplage van een boek; Jur. de gerechleiyke voorlegging en mededoeling, b. v. ediffn doenmenlorum, de voorlegging der oorkonden tot kennisneming van de legenparty; eil. prinreps, de eerste uitgave, do eerste afdruk van oude schrgvers sedert de ullvinding der boekdrukkunst; ook: voornanniste uitgave, lieste, voorlrelt\'eiyksle uitgave; — editor, in., fr. editeur, de uitgever.

Edgar, m. angels, maiisnaam (angels, edd, bezilting en qnr, werpspies; vgl. Kdniund) werpspies of bescliermer der bezilting.

Edhemieten, m. pl. imiliamedaansche predikmonniken, die deels In kloosters leven, deels zich in de woestyn ophouden (zoo geheeten naar bunnen slicbler Ibraliliii Kdhem e diamllro, ■/.. diameter.

Edict, n. lat. (ed iel urn, v. (\'die Pre, bekend maken) by de oude Komelnen: de openiyke afkondiging of aanslag van den praMor ointrenl de beginselen, naar welke hy zyn amlil in bel volgend jaar zou waarnemen; «het praelo-rtsch edictquot;, eene der beroemdste bronnen, waaruit bel rom. rechl is voort gevloeid; in \'l algemeen eene iandsverordenliig, oponimar bevel, vorstetyk bevelscbrlfl; edirlum nediliïïnm. een edict der /Kdlien (z. aid.) te Rome over marklzaken en daartoe beboorende rechtspun-ten; edirlum dnnolileirfum, n. een gebod lol nederwerping of afbreking; ed. fieremlnrfum, een terstond op te volgen gebod; cd. peritrluiïm, een altyddurend, immorgeldend gehoii, dat zicli in keizers lladrianus tyd uil de vroeger elk Jaar veranderende edicten langzamerhand gevormd bad en sedert vaststaande werd; ed. restiluln-rtum, een hersteliliigs- of vergoediligsbevei; cd. sucrcssnrïum, eene wel van erfopvolging; cd. Icmpnrale, eene lydeiyk, slechts voor een lie-paalden tyd geldend bevel; edictale citatie, f., of ediclalcs {lillcrne) f. pl. eene ge-rechteiyke openiyke dagvaarding; per cdirliili.s, Jur. door openiyke dagvaarding; — cdirlnli/cr cl tee ren, openiyk, gereciiielgk ilagvanrden. ediflant, adj. fr. (spr. —au: van édificr


-ocr page 418-

KFFILKEREN

402

EDI Ü IT

= lal. (Bdificare, opbouwen, slichten) sllctiloiyk, ophuuwoiul In \'I uoloof.

Edidit, editeur, editie, zlo onder

e (1 e e r e n.

Editha, f. vrouweiinunm; ook een slof voor wintermantels.

Edmund, angels, (ent?. Etlmund, angels. ICadmund, v. ead, oudhnogil. dl, golh. aud, ryk-ilom, vermogen, en munil, beschermer, voogd inansn.; beschermer ot beschutier van hel vermogen;- Eduard, Edward, angels, (eng. Kdwanl, angels, h\'adweard, v. weard, wachter) mansn. wachter ot bewaker van het vermogen.

edueeeren, lat. (educare) opvoeden; — educatie (spr. l=ls), f. (lat. eduruiïo, fr. éducatinn) de opvoeding; maison d\'éducalion, kostschool, opvoodlngsgesllcbl; - - educational, adj. eng. (spr. edjnekésjonal] op opvoeding, lieschavlng etiz. berustende, daarop betrekking hebbende li. v. e. franchise (spr. frenlsjes), op opvoeding steunend privilege 1gt;. v. stemrecht; c. collections (spr. knllcksjens), verzameling op opvoeding betrekking hebbende; — educator, m. do opvoeder.

Edüct, n. lat. (edüdum, v. edueüre, uitvoeren, naar buiten trekken), het uilscheldsel, it. 1. een zuiver uitgescheiden bestanddeel van een samengesteld lichaam, in tegenstelling met product. Zoo b. v. is het uit kryt door zwavelzuur verkregen koolzuur een educt, het hy de reductie van een metaaloxyde door kool ontwijkende een product.

edulcoreeren, mid.lat. (van \'t lat. dulcis, zoel) Chem. verzoeten door bUvoeging van zekere hoeveelheid suiker, honig of siroop; — edulcoratie (spr. I=ls), f. de verzoeting, ontzuring, ontzouting.

eduliën, pi. lat. («(u/Ta, v. cdrre, eten) eetwaren, eetbare dingen.

eduli.i, lal. Bot. eetbaar.

c duobus mails minïmum eligéndum est, ?.. oud. malum.

Edw., liü natuurwetcnscliappelUke benamingen afk. voor Henri Milne—Edward.

Eféndi, m. turk. (ontstaan uit het gr. aulhéntcs, onbeperkt heer, gebieder, in \'I nw. gr. uitgesproken awféntis) boer, de titel van een lurkschen staatsdienaar en geleenie, inz. rechlsgeieeiile of wetverklaarder; — hekem-efendi, m. de eerste lUfarts des sullans; imam-efendi, in. de geesleiyke van \'1 serail; — reis-efendi, m. (van \'t arab. reyis, reïs, hoofd, opperhoofd, de eerste) de turksche ryks-kanseller en minister van buiteniandscbe zaken.

effaceeren, fr. (effacer, eig. het gezicht, gelaat ontstollen, onkenbaar maken, van \'1 fr. /are, lal. facies, gelaat), uitwisschen, uitdelgen, uitvegen, doordoen, doorhalen.

effareeren, fr. {elfarcr, van \'1 lat. ferus, w ild) doen ontstellen, ontzetten, verbluft maken, buiten zicb-zeiven brengen ; g e »f f a r e e r d, adj. ontsteld, verschrikt, onthulsl, verbluft.

effaroncheeren, fr. ufarnuchcr) schuw maken; zich effaroucheeren, schuwen.

Efféct, n. lat. (elféetus, v. etficêre, liewer ken) de werking, uitwerking, het gevolg; —in e/fectu, of fr. en elfet (spr. annefè) Inderdaad, werkelijk; — effecten, n. pl. (fr. e/fets) goederen, vermogen, have; Kmt. wissels, ook ■/.. v. a. staatsoffocten, staatspapieren, lands-schuldbrieven; — effecten-conto, n. de rekening van een staatspapier of obligalle-arli-kel in het grootboek; — effectenkoers, z. cours; — effectensocieteit, f. vereeni-glng (te Amsterdam) voor den eilectenhandel, soort van particuliere beurs; — effectief, adj. (lat. effectivus, «, urn), als adverb, ook effective, of fr. e/fectivement (spr. —tiw\'mdh), werkelijk, inderdaad, wezenlijk; — effectu-eeren (fr. e/fectuer), verwezenlijken, bewerken, bewerkstelligen, voltrokken, volvoeren, tot stand brengen; — effectueering, f. de bewerkstelliging, de voltrekking of volvoering van oenen iasl, enz.

effemineeren, lat. {etfeminare, v. femïnn, vrouw) verwyfd of weekelUk maken, verwijven; — effeminatie (spr. \'=ls), f. do verwee-keiyking, verwUving; de verwijfdheid, onman-nelijkheid; — effeminatamente, it. Muz. verwijfd, zwak. Hauw; — effeminatezza, f. 11. zachtheid, flauwheid.

Effendi, z. efendl.

effervesceeren, lat. (elfereescüre, van fenire, limi-en, enz.) opbruisen, opwellen, opborrelen; — effervescént, adj. (lal. effer-véscens), opbruisend; effervescentia (spr. l=ts), n. pi. opbruisende sloiTon; — effer-vescéntie (spr /=/.*), f. nw.iat het opbruisen, teweeg gebracht door de ontwikkeling van het eene of andere gas uit een vocht, h. v. hij do vermenging van alkaliën mei zuren; onoig. hot vuur, de drift.

Effestucatie (spr. I=ts), f. mid.lat. (v. \'t lat. festüca, halm) in bet duitscho recht: eene zinnebeeldige overgave van een onroerend goed door overrelking van ecu afgesneden lak, een boutspaan, enz.

Effet, n. fr. (spr. èfé) z. effect, effeuilleeren, fr. (spr. efuUj—, van feuilte = lat f otium, blad) afbladeren, ontbladeren, van loof ontdoen; ook spiyten, vanecnwyken (van karlon, kaartenblad); — effeuillement, n (spr. efuitj\'mdii) de toestand der boomenen planten, ontdaan van hun gebladerte, do bia-derloosbeld.

efflciëeren, lal. (efflclre), bewerken; — efficiënt, adj. {elfidens) werkzaam; efficfens causa, z. causa: — efficiëntie (spr. t=ls), f (e/ftcienïïa) do werkzaamheid; — efficaci-teit, f. (ef/iraeïtas) de krachtwerking, werkzaamheid, nadruk.

elfiifies, f. lal. (van efJiniiUre, naar \'t levon afmalen; vgl. flngeeren) de beeitonis, b. v. iemand in fffi\'/Te, d. 1. In beeltenis, verbranden, ophangen, enz.

effileeren, fr. (e/filer, mn fit = lat. filum, draad) uitrafelen, de draden uittrekken; — effilé, n. garenfranje, franjeachtig uilgorafeld


-ocr page 419-

EFFLAGITEEREN

KGKUKKUKN

rouwgoed; —elïllCire, f. hol ullgoiiitcUle sian een sluk slof.

ottlagitooren, nw.lat. (vt?!. (la git core n) mot ernst vorderen, mot aandrang afsmee-kon, artroggelen.

Efïlatie (gpr. /=/.«), f. nw.lat. (v. clflarc, nitklazon) hot oprispen uit do maag.

effieurooren, fr (effleurer, clg. het bovenste of de oppervlakte wegnemen, v. /teur, do bloem, het bovenste gedeelte van vele voorwerpen, b. v. de schimmel of kaam op den wün, ilo ha!iiv.yde van eeno huid) alleen de oppervlakte Hebt aanraken, wegnomen, afschaven b. v. liet vel-, onelg. oppervlakkig behandelen, licht over eeno zaak heen loopen, maar niet grondig behandelen.

effloresceeren, offloreeren, lat. {ef-florescire, v. flonscëre, bloeien, opbloeien, uitslaan (op de huid); beslaan, verweeron; — efflorescéntie (spr. t=h), f, nw. lat. de bloeltyd, het bloeien, In bloei staan; Med. huiduitslag; Chem. verandering eener vaste zelfstandigheid In eene poederachtigo slof door hare blootslelling aan de open lucht, helzü dit door aantrekking van hel vocht uil den dampkring en overgang In een hydrant, of door hot verlies van haar kristalwater, of door verbinding zoowel met hel water als met de zuurstof van de lucht geschiedt; verweering, aanzetting van bloomon, het te-voorscblju-treden van zoutkris-lallen.

efïlueeren, lat. {e/lluSre) ullsiroomen, vervlieten, verdwijnen; effluvia, n. pl. (van den sing, elfluvfum) de uitvloeiingen, uildani-pingeii; — efflüxie, f. nw. lat. uitvloeiing, uitvlood.

elToceeron, lat. (elfucare, van faux, pl. I\'auces, keel) verstikken, verworgen.

elïodoeron, lal. {c/fodSre) uitgraven; -elïóssie, f. (c/fossTo) de uilgraving.

elïorceoren (zich), fr. s\'efforcer; van force, kracht, geweid, zich beijveren, zyn best doen, trachlen, al zyne krachten Inspannen, zich weren; — effort, n. (spr. cfiir) de poging, inspanning, bemoeiing, kracbtsbeproevlng, nadruk, het streven,

Effractio (spr. l=ls), of efflractuur, f. later lat. (elfraclnra, van e/fringgre, openbreken; frangëre, breken) de braak, openbreking; Mod. de gewelddadige beleediging van den schedel; effraclfo cairüris, ,lur. openbreking der gevangenis, wederrecldelyke bevrijding van een gevangene; — effractor, fr. effractour, m. een misdadiger, die een diefstal met braak hooft gepleegd, een inbreker.

effirayeoren (spr. efréj—), fr. etfrayer; pro-venc. esfreidar, als ware \'t lat. exfrigidure, doen rillen; van frigidus, koud) verschrikken, angst of vrees aanjagon; — offrayant, adj. (spr. efréjah) verschrikkeiyk, ontzoltond, vreeselgk.

Effrenatie (spr. /=/.«), f. lat. [effrenaCio van e/frenarc, onlteugelen; frenum, teugel) de teugellooslieid; — geeffreneerd, adj. teugelloos uitgelaten, onhandig.

effronté, fr. (spr. efroiilé: v. /\'roni, voorhoofd) of geOffronteerd, mij. onbeschaamd, schaamteloos, driest; — eöronterio, f. onbeschaamdheid, driestheid, een stalen voorhoofd.

effroyable, adj. (spr. efmtjabl\' vgl. ef-frayeeren) en als adverb, effroyable-ment (spr. —mdh), fr. onizottend, verschrikkeiyk, afscbuwoiyk, ysetyk, vreeseiyk, sehuweiyk.

effugeeren, lat (elfuyiire) ontvluchlon, ontvlieden, ontgaan.

Effulgurtitie (spr. /=lt;s), f. nw.lnt. (vun fulgurüre, bliksemen, fulyur, bliksem) hot op-bllkkeren, opbllksemen; de opheldering, verlichting.

eöundeeren, lat. (effundSre) ullsiroomen, uitgieten; uitbreken; — effüsie (spr. s=j , f. {elfusio) de ultstorllng, uilgieling, het nit-siroomen, li v. van hel licht; liet uitbreken van een hartstocht, enz.; e/fuswi, u, urn. Bol. uitgestort.

egaal, fr. [dnul, v. \'I lat. aequalis) geiyk, goiykvormlg, geiykniatig, even, elfen; eeneriel, onverschillig; overeenkomend; - egaleeren, geiyken, passen; —egaliseeren (spr. s—t), geiykmaken, veretienen; — egalisatie (spr. -za-tsie) of egaliseering (spr. s=z), f. de verelfenlng, geiykmaklng; — egaliseur, m. een geiykmaker, verellenaar; — egalist, m. een voorslander van de gelyke verdeeling der goederen of bezittingen; — egalitaires, pi. fr. soclallston, die het liegrlp der geiykheld van allen in den slaat, het zoogenaamde egalitarisme huldigen; — egaliteit en egalité, f. ge-lykheld, geiykvormlgheld, Inz. In polltleken zin. waarom ook iibertrt (vi\'Uheid) en ógnllló tot dc leus der fransche republiek werd, en do hertog van Orleans, vader van den laatslen fr. koning l.odewyk Philips, den naam Hgallté aannam (vgl. eommunlsmo).

Egard, n. fi\'. (spr. er/dr; van qarder, bewaken, behoeden, oudhoogd. tmrlfn, nw.hoogil. imrlm) het aanzien, de achting, hoogachting; inschikkeiykheid, toegeeliyklndd; n l\'égard, en égard, met opzicht, met betrekking, len aanzien.

egareeren, fr. (égarer, nlel in nclil nemen, doen verdwalen, v. garer, provene. garar, acht slaan, oudhoogd. wari\'in, bewaren, In acht nemen) doen verdwalen, verwarren, van den weg brengen; zich egareeren, zich verwarren, verdolen, van den weg raken; — g e B g a r e e r d, verward, verstrooid, niet wei by zinnen; — egarement, n. (spr. eg Ar\' man) de afdwaling, dwaling, hel wangedrag; de verstrooidheid, verwarring; afwezigheid van den geest; yihoofdighold, byslerzlnnlglield.

egayeeren (spr. egèj—), fi1. égayer, van liai, vrooiyk ; vgl. ftajn) vervrooiyken, verblyden, vrooiyk of bigde maken, verlustigen, opbeuren.

Egbert of Eckbert, oudd. mansn. (van egge, ecke, d. I. snede, zwaard, oudhoogd. ekka): de door het zwaard beroemde, schitterende.

egereeren, lal. (egererc, vgl. gereeren) uitvoeren, afvoeren; —egest, n. (lat. egestus) uitvloeisel, hetgeen afgevoerd wordt; —eges-


-ocr page 420-

KJ UR EEREN

EG ÉR IA

tie, f. (lut. egestio) du ontlastliig, atvooilug dour dun slonlgniiB.

Egéria, f. naam ooiiur uud.-lt. lirutiniinr of camêno, volgens wlor Ingovlngon Numa, du tweede koning \\aii Rome, zgne wetten uilvimi\'-dlgd; vandaar: onutg. de vertrouwde raadgeefster \\aii een vorst; Astron, een asteroïde, In IKKll door 1). Gasparls ontdekt.

egermineeren, lat. {egeminare, vgl. gennlneeren) ontkiemen, uitspruiten. Egest, egestie, v. e geroer en. egestus, fr. lat. nouddrnfl, armoede, by rum. dlcliler dikwijls gepersonllleerd als sehrlk-gestalte aan den Ingang der onderwereld.

ogg-shells, pi. eng. (spr. —sjèls) elg. eler-seliaten: een soort van zeer dun en doorzichtig elilneoseli porselein.

Egido, z. Kglde.

Eginhard, Eginhart of Einhard,

oudd. [Eiiinharl, Aijinharl) munsn.: de proef-lioudende In trouw (?).

Eggisóma, juister engisöma, n. gr. (cggidzomu, de over-elktinder-seliulvlng van de lieenderen dos schedels).

eglandeeren, nw. lal. (van glans, eikel, verklw. glamlüla, klier) eene klier ultsilUden.

Eglantine, f. fr. (ontstaan uit aiglanlinc, v. aiguille, als ware \'t lat. acuculenlus, steke-llgi Bol. de wilde roos, oghutllerbloeni (/(».«« canina).

Eglise, f. fr. (van gr. ecclesia, z. aldaar) de kerk.

Eglogue, f. fr,, z. ekloge.

Egmond of Egmont, nederl. mansn. (vgl. Eghert en Kdmund) do hcscliutter door het zwaard.

etjo, lal. Ik; aller ego, ander ik (Inz. voor echtgenoot, vrlendenz.; ook; plaatsheklee-der, stadhouder); — egocentrisch, adj. nw.lal. hel Ik (den mensch) tol middelpunt dei-wereld makende; —egoisme, n. nw.lat. de Ik- of zelfzucht, ik- of zeltllefde, overdreven eigenliefde, zelfgevallen, haatzuctdlge denkwijze of gevoelens; — egoïseeren (spr. s=t), te veel, te uitsluitend aan zich-zelven denken, van zich-zelven spreken, enz., zelfzuchtig zyn; — egoïst, ui. (fr. égoisle) een zelfzuchtige, Imat-zuclitlge, elgenheiungzoeker, die gedurig alleen op zich zeiven en zyn eigen voordeel ziet en al hel andere voor onheduldend en gering houdt;

egoistisch, adj. zelfzuchtig, elgenhatig; — egoïteit, f de ikheid, zelfheid; ego-theisme, n. lat.-gr. vergoding van het Ik, zelfvergoding (zooals In hot wgsgeerlg stelsel van Fichte).

egorgeeren (spr. e-gonj—), fr. (egorger, van gorge, keel, v. \'I lat. gurges, draaikolk) de keel afsnijden, kelen, slachten, vermoorden, verworgen, omlirengen; te gronde brengen.

Egout, m. fr. (spr. e-goe) een riool, goot, of kanaal om hel water en de onreinheden eener stad Ie doen wegvloeien; — egoutier, m. (spr. Iji\') rloolrulinur.

Égrappoir, m. (s|)r. —nar) toestel om de druiven af te risten; inz. een draadzeef die daarvoor dient.

Egreneeren, n. (fr. egremge eng. ginning) hewerking die de ruwe lioomwol ondergaat om ze van de zaadkorrels te ontdoen.

Egrés, m. lat. (cgréssux, van egrldi, uitgaan) de uitgang, voortgang; egres nomen, voortgaan.

Éguillette, f. fr. (spr. e-guïljel\': verlms-tering van uiguillellc) vangsnoeren, ncstelsnoer ais schoudersioraad op uniformen en livreien.

Egyptienne, f. fr. (spr. c-zji-psièm\') eene hljzoudore soort van dikke drukletter niet oven dikke op- ais nmTlialon; een soort zijden stof met atlasstrepen.

Eh., hij natuurwotonsch. honamingen afk. voor (;. (i. Elirmiberg (gest. Itnil).

eh Men.\' fr. (spr. e-hjeii) welaan! welnu!

Ehrh., hU hotanisclie henamlngen afk. voor F. lihrliardt (gest. lquot;!(i)).

Eicêten, m. pi. eene secto der 1de eeuw, die (jod door zang en dans wilde geeerd hehhen.

Eiei\'dons, a. de zaclite, kosthare horstvederen van de eidergans (Somaten\'a mol-lissïma, L.) een zwemvogel van IJsland en Groenland.

Eidograaf, f. gr. (van èiilos, heetd, en grdphein, selirUven, teekenen) de heeldleekenaar, eene door prof. Wallace Ie lidinlmrgh in 1S01 uitgevonden coplöer-machine.

Eidolon, n. gr., z. v. a. idole (z. aid)

Eigir, m. skand. Myth, de god der zee.

Eilort, oudd. mansn., samengetrokken uil Eilhart, Egilhart, de krachtige, sterke.

Einhériar of Einhériën, m. pt. oudn. Mvlh. de in den slrüd gevallen heiden, die Odin in VVallialla onllmttU.

Eir, f. de üuildultsohc godin der tioeikunsi.

Eirêne, z. Irene.

Ei\'rometer, m. gr. (v. ëïros, de wol) de wolmeier.

Eisagöge, t. gr., z. v. a. Isa gogo (z. aldaar).

Eisanthëma, n. gr. (van anlhcm, hloolen, en eis, blnnon) z. v. a. onanthorna.

Eispnoë, f. gr. (van eis, In, en pnoë. Ik haal adem) de inademing.

ejaculeeren, lat. {ejaculari) uitwerpen, met kractit uil zich werpen; — ejaculatie (spr. l=ts), f. nw.lat. de uitwerping; uitspuiting van aderen of andere vaten; ook een kort schletgohed.

Ejalét, n. arah. (ejdlel of ydlnl, regeering, hecrschappü, provincie, v. anti, regceren) turksch stadhouderschap,uit vele sandsjaks liestaan-de en dooreenen heg Ier heg van2of3paar-(tcstaarten hestuard.

ejiciëeren, lat. (ejicere,\\. jaeüre, worpen elg. uitworpen; uit het hezlt stooten, utldrli-ven; ejóetie (spr. /=.*), f. (ejeciïo) gewelddadige verwijdering, hel uitworpen, verdrijven uil eene bezitting.

ejureeren, lat. (ejurare) eene zaak onder cede of vormelijk laten varen; afzweren.


-ocr page 421-

EKPH liAKTLSCH

EJUS DEM

405

ejilsdem (mcnsis of unni), lal. (gonll. van idem, dozelfdo) van dezelfde maand, hetzelfde Jaar-, ejusdem farinae, van hetzelfde meel (d.l. dezelfde (jehreken enz. Iiolibondo).

ek (if OX, een gr. voorzetsel In veto samenstellingen, z. v. a. uit, van.

Ekblépharon, n. gr. een kunstoog.

Ekblöma, n. gr. hel nitgeworpene, vandaar de hij eene miskraam uitgedreven vrucht.

Ekböle, f. gr. (ekboU\\ van ck-bdttein, nll-werpen) elg. de uttwerpiiig, het uitwerpsel; Mod. volledige verrekking; misgeboorte; — ekbo-lia of ekbolika, n. pi. gr. Med. middelen, die lo moeiHike verlossingen geinulkt worden; ook vrnciitafdrüvende mlddeicn, z v. a. ahor-tivn.

Ekbnisma, n. gr. (van ek-hrddzein, er uit koken) Med. een onregelmatig, plotseling ontstaande uitsiag, inz. aan den mond.

Ekchüysia, f. gr. de tluimloozlng.

Ekchoréais, f. gr. de stoelgang.

Ekchylöma, n. gr. (v. chylós, het sap) een verdikt uittreksel of extract uit planten of andere lichamen, z. v. a. extract.

Ekchymöma, n. gr. van r/ij/mós, sap, vloeistof) Med. eene hioedzwoer, bloedvlek; — ekchymösis of ecchymoso, f. uitstorting van bloed uit do vaten in liet celweefsel, waardoor blauwe huidvlekken geboren worden.

Ekchysis, f. gr. (v. rhyd, chéö. Ik giet) uitstorting van sappen.

Ekdarsis, f. gr. (v. darsis, het afvellen, v. ildrcin, afvellen) Med. de ontvelling.

Ekdomiomanie, f., ekdemionösos, m. gr. (van ekdemin, f. liet uitgaan, reizen, en mania, z. manie) de zucht om te reizen of naar vreemde landen te gaan, reisziekte, een gebrek, waaraan ryke Engeischen en arme Duit-schers somtUds lyden.

Ekkanthis, f. gr. M(gt;it een gezwel in den luwendigen ooghoek, ontstaan door ontsteking van don traanheuvel.

Ekkatharsis, f. gr. (vgl. k a t li a rs 1 s) de reiniging, afvoering; - ekkathartïka, n.pl. zuiverende, ontlastende middelen; door de huid werkende zuiveringsmiddelen.

Ekklosia, gr., z. ecclesia.

Ekklisis, f. gr. (v. ktisis, buiging, klinein, bulgen) Chir. de ontwrichting; het vaneenwU-ken der einden van gebroken tieonderen.

Ekkópe, f, gr. (ckkopc, het uithouwen) kwetsing van een heen, inz. van den schedel.

Ekkoprösis, f. gr. (v. kipros, drek) de drekontlasting; — ekkoprotïcum, n. een zacht afvoerend middel; ekkoprotisch, afvoerend.

Ekkrinokritika, n. pl. gr. Mod. ken-teekenen, aan de naiuurtyke uitwerpselen ontleend.

Ekkrïsis, f. gr. (vgl. kris is) de afzondering, nilscheiding, uildryving der ziektestof door zweet, pis, enz.; okkrisiologie, f. de leer van do uitwerpselen des mcnschetUken iiehaanis;

— ekkrisioschösis, f. terughouding van critische ontiastingen-, — okkrltisch, adj. wat de uitschelding of afzondering bewerkt of tiaar betreft.

Ekkyösis, f. gr. zwangerschap bulten do baarmoeder.

Ekkyklëma, n. gr. (van ekkuklem, uitrot-ien) een toestel op het oud-grioksche tooneet, waardoor er verandering van tooneet plaats had en het binnenste eener woning plotseling zichtbaar werd.

Eklampsis of eklampsie, f. gr. (van ek-tdmjiein) Med. over \'t gansche llciiaam verbreide stuiptrekkingen, inz. by kleine kinderen, kinderk rampen.

Eklögma, n. gr. lékleitjma, v. ekleichein, uitlekkon) z. v. a. elektuarluni, z. aid.

Eklokticus, m. gr. (v. ekléuein, uitkiezen) een uitkiezer, onderzoekend en schiftend wys-geer, die, zonder zich aan een bepaald stelsel te houden, uit alle philosoplilsclie scholen overneemt wat hem het beste voorkomt; In de kunstgeschiedenis; de leerlingen van Oarncci of aanhangers der Uologneesche schilderschool, in tegenst. met de natoiallsten; — oklekticis-mo, n. het streven om uil vele zaken het beste te kiezen, Inz. nit eon wysgeerig oogpunt; — ekléktisch, adj. uitkiezend, schiftond, onderzoekend.

Eklepisis, f. gr. (v. ek-lepidzein, afschillen; /epfs, scbiih, schaal) Med. de afschllfeiing der beenderen.

Eklips, f. gr. (ék-leipsis, het ullbiyvon, ver-dwynen, van clc-lcipcin, uit-, allaten) de verduistering van een hemolllchiiam door de tus-schonkomst van een ander; — zon-eklips, zonsverduistering(olg.aardverduisteiing); maa n-eklips, maansverduistering; — eklips (sell, nnimi), f. Med. Ilauwto mei verlies van he-wuslz.yn verbonden; — eklipsorïon, n. oen werktuig om hel versebynsel van zon- en maan-ekltpsen aanschouwotyk te maken; - eklip-seeren (fr. Mipser), verduisteren, verdonkeren; vcrdwynen, wegsluipen, zich uil do voeten maken; — okliptika, f. do zonneweg, dierenriem, ile haan, die de zon jaariyks schijnt te doorloopon (dus geheelen, omdat In de na-byhetd van dezen cirkel de verduisteringen voorvallen); .schuinte of scheefheid dereklip-tika, de boek van illj graad, onder welke de zonneweg op twee punten, de aecpilnoctien (In don Kam en de Weegschaal) den verlengden aardaequalor doorsnydt.

Eklóge, f. gr. (ekluqi, v. ekléuein, uitkiezen) elg. een uitgekozen, uitgelezen stuk, Inz. ge-dlcht; herderszang, veldlied, landelük nedichl. Idylle (dewüi de idyllen van Virgilius onder dezen titel verschenen).

Eklysis, f. gr. [ek-lijein, uit-, oplossen) Med. elg. oplossing; zwakte, onmacht, hel wegzinken der krachten.

Ekphonësis of ekphonëse, f. gr. (v. phonê, klank, toon, stom) l.og. een uitroep.

okphraktisch, gr. (v. ek-igt;lirdssein, ver-


-ocr page 422-

EKPHRONIA 406 EL

sloplo wegen openen, v. phrdssein, sluiten) Mod. niienenil, vorslopplngen oplossciul-, — ekphrak-tika, n, pl. oplossende, verdunnende middelen, lot liet openen van verslople wegen geschikt; — ekphraxis, f. do doorliroklng, de opening van oen verstopt deel door genoosinlddelen; de verdunning van verstopte sappen in licl II-chaam.

Ekphronïa of ekphronïe, r. gr. (van (\'k-phron, zinneloos) zinneloosheid, waanzinnigheid.

Ekphyma, n. of ekph^sis, f. gr. (vgl. phyma) hel uitwas, de huil.

Ekpièsis, f. gr. (van ek-piédtein, uitdrukken) hel uitpersen van plantensnppen; samendrukking van den schedel — ekpiésma, n. een verdlkl ulllreksel of extract; eene heen-hreuk van den schedel, hij welke de naai\' hlnnen gedreven heenslukken de hersenvliezen drukken.

Ekplexie, f. gr. (van ek-plcssein, er int slaan, door een plotsellngen schrik geheel hullen zich zeiven brengen, v. plëssein, slaan) de verdoovlng, plotselinge versiyvlng van schrik, de onlzetllng.

Ekpnëüsis of ekpnöo, f, gr. (vgl. pneuma, euz.) de ullademlng, z. v. a. expl-r a 11 e.

Ekptoma, n. en ekptosis, f. (van ck-piptein, ullvallen) elg. ullvalllng; Chlr. de ontwrichting.

Ekpyêma, n. gr. (v. ek-pygin, ultctteren) Mod. oen veretterd doel, eene verzwering, el-terhorst; — ekpyësis, f. do veretlerlng, het volkomen veretteren.

Ekpyrösis of ekpyröse, f. gr. (van ek-pyroen, ullhranden) verbranding, ondergang der wereld door vuur.

Ekrhythmus, m. gr. (vgl. rliythmus] de onregehnallge pols.

Eksarköma, n. gr. (van sar®, genlt. mr-kón, vleesch) een vlooschultwas, wild vleesch In wonden.

Ekstasis of ekstase, f. gr. (fr. extase, elg. verwijdering van de plaats; vgl. stasis) de verrukking, geestvervoering, opgewondenheid, de hoogc opgetogenheid van den geest (als hel gevolg van eene overspannen verheeldlngskracht), die soms lot zlnsverhUsterlng en bewusteloosheid gaat; dr hoogste graad der vreugde; hU de nieuwe plalonlslen; ile aanschouwing van het absolute; — ekstasiëeren (spr, s=ï), verrukken; — geBkslaslBerd of en extase (lal. in extasi) zijn. fr. in verrukking, bulten zich zelven zijn; - -ekstatisch, adj. verrukkend, zlnverheffend, geestvervoerend; ook verrukt, begeesterd; — ekstaticus, in. een opgetogen, begeesterd priester, profeet.

Ekstasis, f. gr. (van ek-leinein, uittrekken) uitrekking, verlenging, b, v. van lettergrepen; Med. verwijding

Ekthësis, f. gr. (v. ek-tilhénai) uitlegging, verklaring, opheldering.

Ekthetotrophêum, n. gr. (v. cklhelns, blootgelegd, en tropheion, verpleeghuis) vondelinghuis.

Ekthlimma, n. gr. (v. thlibein, dnkken, persen) eene oppervlakkige beschadiging der huid, door drukking voortgobraclit; — 9k-thiipsis of ekthlipse, f. elg. uit-of weg-drukking; Gram. uitdrijving van éene of men-letters ; vgl. elisie.

Ekthyma, n. gr. (vgl. ihyina) Med. Iedere huiduitslag, die zich als puistjes voordoet, etterpuist, etierende haarworm; — ok-thymösis, f. blocdopweillng.

Ektilloticum, n. gr. (v. ek-tillein, uitrukken) een middel lol wegneming van hel haar, ontbaringsmlddel.

Ektomias of ektómos, m. gr. (van ek-témnein, uilsnyden, besn(jdon), z. v. a. cas-1 r a al.

Ektopie, f, gr. (v. lópns, plaats) elg. verplaatsing; Mod. ontwrichting, ziekelijk veranderde plaatsing van een lichaamsdeel, z. v. a. ektopismo, n. en ektopi\'sis, f.

Ektrimma, n. gr. (van ek-tribein, op-, opeuwrUven) Med. het openwryven; eene afgeschaafde plek der huid.

Ektroma, n., ektrósis, f. of ektrös-mus, m. gr. (v. ek-titrdskein, oniydlg bevallen, v. litröskfin, wonden, kwetsen) eene ontijdige geboorte, z. v. a. a h o r t u s; — ektrotïka, n.pi. vruchtafdrUvende middelen, z. v. a. abort Iva,

Ektropmm, n. gr. (van ek-Mpein, afwenden) Med. de bultenwaartsche omkeoring, Inz. van ihf oogleden.

Ektrósis, ektrotika, zie onder ek-1 rom a.

Ektylotïka, n. pl. gr. (vgl, t y I o m a) Med. middelen tegen vereelt Ing, likdorens of okster-oogen, enz.

Ekt^puin of ektype, n. gr. (cktypon vgl. typus, pl. ektjjpn of ektjpen) afdrukken van gesneden sleenon; nok verhoven kunstwerk In hout, steen, marmer, enz.; -- ektypogra-phie, f. verheven metaalsnywerk; ook z. v, a rellef-druk, een verheven druk voor blinden, een letterdruk, die, tengevolge der verheven opgebrachte letters, op liet gevoel kan gelezen worden.

Ekzéme of ekzésma, n. gr. (vgl. zemai elg. wal door bllte Is uitgedreven Med. puistjes van de grootte eener gerstkorrel, die by warm weder op de huid ontslaan, zoogenaamde hlilepuistjes.

el, nrab. en sp. lidwoord, z. al en vgl. oi dor a do.

El, f. (eng. uil, deensch alen, zw. aln, fr. nunc, een germaansch woord, elg. voorarm, onderarm) eene handels-lengtoniant in zeer vele landen. De nederl. el of meter, de grondslag van het metrieke stelsel, dezelfde als de fr. (ook helg. en nienw-grloksche) meter (fr. mi-Ire) is een veert igmillloonste deel van oenen meridiaan dor aarde; zy verhoudt zich lot eonige andere vroeger of nog gebrulkoiyke ellemaien als volgt.:


-ocr page 423-

ELABEEREN

407

EL A TI KT

I,is;i8s Amstordnmsclio cl.

I,ii043 Huagscho el.

I,ii7i4 Brugsche lt;\'l te Amstcrduni. II fl.tiiin ParUsche el (aune).

t 0,81489 Lonücnsche el.

I 1,10087 Bolersclio el.

b J 0,83333 l\'allssclie el.

f \' 1,8^703 Frankfortsclio (U/M) el. ^ Hesson-DarnisUidtsclie el.

f l,i8370 Oosleiiryksclio el.

- I,7ilö7 Oldooburgsche el.

1,40803 l\'rulslsclio cl.

1 1,4051« Russische el.

1,70078 Saksische el.

elabeeren, lat. (e/dbl) wegsluipen, ontsnap-pen -, vergaan, vervloeien ; — cldpso lermfno, na verloopen tormUn of uitstel.

elaboreeren, lat. (elahorare) afwerken, voltooien, vervaardigen, hearhelden; — elabo-ratie (spr. Iie=lsie), f. [elaborutio) de afwerking, bearholdlng; Med. do hercldlng door geheime verrichtingen der natuur, h. v. van de chUl; — hel e la hor a tie-hoek der apothekers, het hereldlngshoek, de lysl van zelfhe-relde geneesmiddelen.

Elaïdino, f. eigenaardige stof, die ontslaat hy de Inwerking van salpetcrlg zuur 0|) de olaïne van vette, niet opdrogende ollcn; — Olaïdine-zuur, n. een eigenaardig organisch zuur, dal zich dour verwarming vormt uil elaïdine; — elaïne, elaeine of oleïne, f. (v. \'I gr. élaion, olie) de ollestof, eene der helde hestanddeclen, waaruit alle vette oliën der planten en alle vetstolfen van het dlerenrük bestaan (hel andere Is stearine, z. aid.); — elaiometor, m. olicmeter, een werktuig om de dichtheid der olie te melen. In 1S12 door Duqucsnc ullgevonden; — elaeagnifolius, a, «in, lat. Bot. oiyfboombladorig; oiyfwiigblade-rig; vgl. e league en.

Elseodóriseh was, (van \'1 gr. élaion, olie) met eene lljne olieverf gemengd was, dat In de oudheid lol schilderen werd gebezigd (vgl. p u n I s c li w a s en c n k a u s 11 e k); — oloeo-graphisch, adj. mot olie geschilderd; — elseollth, m. de oliesteen, vetsteen, een groene steen uil hot leemgeslachl; — elaeosaccha-rum, n. oliesiiiker, suiker, hy welke eene iclhe-rische olie gevoegd wordt.

Eleeis, f. gr. Bot. do palmlethoom, waar-uil de palmolie verkregen wordt.

Elan, m. fr. (spr. elan) sprong, aanloop, zet; hooge vlucht, geestdrift, vurige yver; — elanceeren, fr. (élancer, van \'t lat. Uimea, lans) snol voorwaarts bewegen, uitschieten, toeschieten, op-. Inspringen; — geelanceerd, adj. slank, duniyvlg (van paarden); ook afgewerkt; hoog en dunstammlg (van hoomen); Iron, (van menschen): rank en mager; een geelanceerd niensch, oen magere spiering, langlendo.

elanguesceeren of elangueeren,

lat. (elanguescUre, v. langucscëre, moede worden, langucre, moede z.yn) afgemat, moede worden.

Elaphebólion, m. gr. een lentemaand dor oude Atheners, waarin het feest van Artemis (de Klaphebolia, d. I. hertonjoebt) viel.

Elaphle, f. gr. do zoog maamdo hertenzlokte, welker toevallen zyn: verharding der huid, hartkloppingen en verdraaiingen der oogen (zuü ge-heoten naar éUiphos, bert, ais zyndo de kwaal aan dat dier |en het paardj eigen).

elapso lermino, z. oud. elabeeren. elargeeren (spr. elanj—), fr. (élargir, van laiye, breed = lat. (argus) vorwyden, uilstrek-ken, uithreldon, wyder of breeder maken. Elasma, n. gr. plaat (van metaal, enz.) olastisch of elastiek, adj. (nw.iat. elas-neus, fr. élastique, van \'1 gr. elan, elnünein, dryven) veerkrachtig, wat veer-, spring- of spankracht beeft, d. I. wat do eigenschap bezit om, wanneer liet door eene van bulten werkende kracht In een veranderden toestand is gohracht, zich weder in zyn vorigon staat te herstellen, zoodra die kracht opboudl le werken; elastic k e go m, z. g u m m 1; — e I a st I e k e stee n, eenlgszlns buigzaam, geelwit zandmarmer by den St.-Golhard In Zwitserland, dat, in het duister geslagen, phospborlscb licht afgeefl; ook een buigzame zandsteen in Brazilië; - elasticiteit, f. (fr. élaslicilé) de veerkracht, span- of springkiacht, de eigenschap der lichamen om hunne door eene krachtsinwerking verplaatste deelen weder In den vroegeren stand terug te dry ven; — elasticiteits-coëfficient, m. het getal, aanwyzende met wolk gedeelte een lichaam in de lengte grooter gemaakt wordt door do gewichtseenheid; — elasticiteits-grens, f. do kracht boven wier werking eene hiyvende vormverandering piaatsgrypt; — elas-ticitoitsmeter of elatërometer, m. een dampmeter, spankrachtmeter der dampen, een door Smeaton ullgevonden werktuig om de volstrekte clasllciicll van gassen en dampen te bepalen; — elasticiteits-wijzer, m. of harometorproef, f. een aan de luchtpomp aangebrachte barometer, die aantoont, hou groot de volstrekte veerkracht Is van de lucht, die zich nog onder do geledigde klok bevindt; — elasticus, a, urn, Bot. rekbaar; veerkrachtig.

Elater, m. gr. {elalêr, eig. de dryver, van elan, dryven) de springvedor, drijfveer; N. H. de springkevor; — elaterine, f. een wit kris-talliseerbaar beginsel, door Morrus In het extract van den wilden komkommer gevonden; — elatenum, n. plmrmaceutlscben naam van den wildon of ezels-komkommer {Momnnhen elatenum, L.) Deze naam Is ook gogoven aan bet sap van de vrucht dezer plant, lot de dikte van een extract uitgedampt, hetwelk een sterk drastisch purgeermiddel is; — elatórome-ter, z. c I a s 11 c 11 e 11 s m e t e r; — elate-riet, n. veerkrachtig jodoniym of aardpek.

Elatie (spr. l=ts), f. lal. (elalin, v. e/férrc, eldlum, uitdragen, naar boven dragen) vcrbeltlng, hoogmoed, opgeblazenheid, Irols.

Elatiet, n. gr. (v. elalê, den) versteend dennenhout.


-ocr page 424-

ELEKTRICITEIT

ELATUS

elutus, a, urn, lut. hol. tiun^

Elaylgas, ii. Clicm. ollcvormond sas, licht-gas.

elderly, adj. cnfr (spr. —li) oudachllg; elderly nenlleman (apr. ilzjenll\'mcn) oudaclitlg heer.

Eldert of Elderik, mansii, eene vorspel-liiiK van AI r I k, hel angels. A t h e I r I c h: adelryk.

Éldojat, in. turk. hrulloflsnoodlger.

Eldorado, n. sp. (elg. el Dorado, d. I. het vergulde, van \'I sp. lidwoord cl, en dorado, verguld) een fahclaclilig land In Zuld-Amerlka, waar goud en edelgesteenten langs de wegen liggen. Orellana, luitenant van l\'lzarro, beweerde zulk een land ontdekt te hebben, en een Kngelsclimnn gaf er op het einde der tOde eeuw eene hoschryving van, met eene kaart er hy; een land, waar leder In overvloed en weelde leeft; een goudland, zooals Calirornle, Meuw-Zuid-Wallis.

Eleagnéën, f. pl. gr. Bot. heesters met meestal afwisselend geplaatste bladen, waarvan liet bloemdek naar eene uitgewerkte huls ge-lykt en regelmatig In twee of vyf lobben gesplitst Is; — eleagnus, m. gr. Bot. de oiyt-wllg of boheemsehe oiyiiioom.

Eleazar, hebr. mansn. (verbasterd v. lil lezer, z. aid.) (iodhelp. God helpt.

Eleaten, pl., eleatïsche philoso-phie of school, eene oud-grleksche wys-geerlge seete, die het zyn of bestaan voor een en onveranderiyk, veelheid en verandering voor sehyn hield (zoo geheeten naar de stad KI ca In Beneden-Italie,alwaar haar stichter, Xeno-pha nes uit Kolophon, leefde en Parmenidcs en Zeno geboren waren).

Eléctie (spr. t=s), f. lal. [clccCto, v. eli-f/irc, uitkiezen) de kens, verkiezing, keur; elec-Ito canonica, de kanonlsebe, d. 1. kerkwetteiyke verkiezing; — electief, adj nw.lat. door keuze geschiedend, met keuze; — eléetor, lat. of electeur, fr. m. een kiezer; ook keurvorst;

— electrice, fr. eene klesster; keurvorstin;

— electorale wol, f. de keurvorsteiyke (kcur-saksische) veredelde sciuipenwol; — electoraat, n. nw.lat. het keurvorstendom, de keur-vorsieiyke waardigheid; — elóetus, m., pl. eléeti, een uitverkorene.

Electriciteit, enz., z. olcktriclieit.

Electuarmm,n. mid.Int. (vgl. ekiegma) l\'harm. eene slikartscny, een likkepot.

Eleemosynanus, m. gr. een uitdeeier van aalmoezen, aalmoezenier; hy geesieiyke stiften ook; beheerder van liet vermogen = b u r sa ri u s.

elegant, adj. lat. {ellgans, elg. die wél kiezen kan, die smaak heeft, ook eligans, geschreven, ecu byvorni van eligens, part. van eligüre, kiezen) uitgelezen, sieriyk, net, schoon, smaakvol, aardig, lief, hupsch, opgetooid, aanvallig;

— elegant, m. fr. een modegek, pronker; — elegante, elegtmleménle, con elegdma (spr. —Isa), 11. Muz. met sieriykiieid, aanvuliigheid; — elegantie (spr. l=ls), f. (lat. eleganCfu) sieriykiieid, netheid, aanvalligheid, hekooiiykheid, tooi.

Elegie, f. gr. {elegeiu, f. en elrgos, m.) oor-spr. een treur- of klaagdicht, klaaglied, treurzang; in ruimeren zin een beschouwend (cou-tempiatief) of gevoelvol dichtstuk, waarin zachte liartstochteiykiieid of een uit weemoed en vreugde gemengd gevoel heerscht; vooral zulk een gedicht in elegische versmaat (z. onder); — elé-gisch, adj. weemoedig, treurig, klagend, zacht aandoeniyk; beschouwend, gevoelvol; de eic-gisclie versinant, die versmaat, welke uil afwisselende li e x a m eters en p e u I a m eters bestaat; — elegisch gedicht, leder in die maat vervat dichtstuk.

eleison! gr. (elg. cleêxon, gebiedende wys v. cleëin, medeiyden of ontferming hebben) erbarm u! onlfenn u!

Elektriciteit, f. nw.lat. (v. \'t gr. elektron, tmrnsleen) barnsteenkracht, bliksem- of wrijf-vuurkraebt, Irilkrachl, eene in verschliiondo slollen op onderschelden wyze (door wryving, b. v. hij den barnsteen, door aanraking, verwarming, enz.) ie voorschyn geroepen kracht, welker werking zich in aantrekking en afstooting en ouder velerlei andere vormen vertoont; het vermogen van lichamen, b. v. van den barnsteen, om ten gevolge der wryving, zekere lichtere licimmcn aan te trekken en hy aannade-ring van andere eene knetterende vonk voort te brengen; —positieve en negatieve quot;f plus- en minus-elektriciteit, of korter -f- E en — E, I e geno verges! e 1 d e elektriciteiten of aantrekkende en lerug-stootende eieklriciteit; — atmosphrerische elektriciteit, lucht-elektriciteit, de elektriciteit der gewone lucht; — dierlijke elektriciteit, z. g a I v a n i s me; — medische elektriciteit, de aanwending der elektriciteit tot genezing van sommige ziekten; — elektriciteitswijzer, m. eene Inrichting tol waarneming van de eieklriciteit der damp-kringshiciit; oléktrisch, elektriek, (fr. élerlrique) elekirlciteit bezittende en vertoo-nende, bliksemend, lichtend, barnsleenkrachlig; eleklrische 11 c li a m e n, zulke, welker wryving legen andere een aanmerkeiyken grand van elektriciteit opwekt; zy heelen ook idioeiék-trlsch, op zich zeiven elektrisch of niel-ge-ielders, b. v. glas, hars, harnsleen, zwavel, enz., omdat zy de opgewekte eieklrlciieit op hunne oppervlakte behouden; n iet-eIektrische lichamen zyn geleiders, h. v. alle inetaieu, water, vochtig hooi, enz.; — elektriseeren (spr. s=J), (fr. élcctriser) elekirlciteit opwekken of mededeeien; ouelg. doordringen, schokken (van vreugde, hoop, enz.); vrooiyk verrassen, bezielen, ontvianimen, aanvuren; — elektriseermachine, f. een toestel tol opwekken en verzamelen van wryvingselektrlclleit door wryving van glas legen geamalgameerd leder; wryfvuurwerklulg, een samenstel, waardoor de oorspronkelyke eieklrlciieit van een elektrisch lichaam opgewokl en aan andere lichamen medegedeeld wordt; — elektrochemisme, n


-ocr page 425-

ELEKTRICITEIT 409 ELEMENT

do loer «f mconliiK van Herzellus, dat de clie-mtsche vcrwantsehup gevolgen zyn van de elektriciteit, die door do aanraking der lichamen opgewekt of werkzaam wordt; - elektro-cultuur, t. do knnslmatige toepassing van do elektriciteit op den akkerbouw; — elektrode, f. (v. odns. do weg) eloklrlschc pool; — elek-trodiagnostiek, f. toepassing dor eloktrl-ettolt met ooa dlagnosllsch doel, inz. lot onderkenning van zenuw- en ruggomergszlekton: — eIektro-diamagnetisine,n. het ontstaan van dlamagnoton door galvanische stroomon, zonder tusschonkomst van oen oloktromagneot;

— elektro-dynamica of elektrody-namiek, f. do loer van do wetten der olek-liicltolt in den toestand der howoglng, of van de werking dor elektrische stroomen op elkanderelektrogenïum, n. do lillksomslof, do olektrloko vloeistof, do oorzaak, die de olok-Irlsche werkingen voortbrengt; — elektro-lysis, f. do ontleding van samongostelde lichamen door middel van di\'n galvanlschen stroom;

— elektrolyt, m. eeno vloeistof, onderworpen aan do ontleding door don galvanlschen stroom; — elektro-magnetisme, n. de In de jongste tyden ontdekte san onhang der elektrische en magnetlscbo verscbllnsolon en de loer der wodorzijdsche werking van do cloklricitelt en hot magnetisme op elkander; — elektromagnetische telegraaf, f, oen langs draden door elektrische en magnetlscbo kracht In gebracht toestel om In de verle letters op te teekonon of aan te wijzen; — elektro-me-tallurgie, f. toepassing van do chomlscho werking der elektriciteit tot bet afscbeldon van molalen uit hunne ertsen; — elektrome-teören, n. pl. (vgl. motooor) elektrlscho lucbtversc.hynsolon; — eléktrometer, m., elektroskoop, n. eiektrlcitoitsmetor, wrijf-vuurmoter, oen werktuig om do sterkte der cloklricitelt bU een llcbaum te bepalen; — lucht-elektrometer of atmosphaerische elektrometer, m, oen werktuig om do luchtgesteldheid en sterkte dor gewone lucbt-clok-Irlcllolt waar te nemen, waartoe ooi. de zoogenaamde elektrische vliegers en olek-t r 1 c 11 o 11 s w y z o r s bobooron; — elektromotor, in. gr.-lat. oloktrlclloltsopwokkor, wryf-vuuropwekkor; — elektron, n. by do oude Grieken van afwisselende betookcnls; nu eens barnsteen, dan een mengsel van goud en zilver; soms In tiet algemeen; glanzend odelgo-stoonto; — elektro-negatief, adj. negatief olcktrlsch, z. hoven o Iek t r Icl toi t; elek-trophoor, een wryfvuurdragor, oen door Volta In nquot;!i bekend gemaakt Instrument, om door slaan op een barskook mot een pels elektriciteit op te wokken en langen tyd te bewaren;

— elektropositief, adj. poslllof elektrisch, z. boven elektriciteit; — elektropune-tuur, f. gr.-lat. do elektrische naaldsteek, eeno soort van acupunctuur (z. aid.), waarby de ingestoken naaiden mot eeno kleine Vollascho kolom in verband gebracht worden; — elek-trostatlka, f. do loer van de wetten dor olektrlcllell in don looslaml van rust; —elektrotechniek, f. degozainoniyk tecbnlscbo locpassingen der elektriciteit; — elektrotherapie, f. (vgl. therapie) do behandeling van zieken door elektriciteit; —elektrotónisch, adj. zich in eioklriscbo spanning bevindende; — elektrotypeeren, letlors, stercol lepplaten, houtsneden, enz. langs galvanoplastlsclion weg vervaardigen; — elektrotypie, f. dorgeiyko vervaardiging; elektrovegótometer, m. een planlon-elekIrlcHeltsmetcr, oen werktuig om don Invloed der elektriciteit op don wasdom der planton Ie bewyzon.

Element, n. lat. {eleméntum) do hoofd- of grondstof, do oorspronkelijke of grondhostand-doolen dor lichamen. Door do vier elementen verstonden do Ouden vuur, lucht, nardo en walor, als zyndo do vier vorschilleiido vormen, waaronder do stof zich voordoet; ook wy bedoelen er hetzelfde mede In het gomeene loven, doch in wolonschappoiykon zin verslaat men door elementen noch vuur, noch lucht, noch aarde, noch waler, maar alleen do enkelvoudige, niet ontleed ba re beslanddoclen der stof, van welke de nieuworo scheikunde er Ibans «3 kont; onclg. do elementen oen er taal, do grondklanken, loiters, het a b c; de elementen ocnor wetenschap of kunst, de eerste grunden daarvan; l.og. do el om en Ion van oen bow Us, de kentoekenen der begrippon; de elementen van oen getal, van een gedicht, de cyfers, do verzen; in do hoogore Geom. zyn e 1 o m e n t o n de oneindig kleine grootheden of dlll\'crcnllallen; Astron. do eigenschappen van do hanen der planeten en kometen, waardoor zy zich wezeniyk van elkander onderscheiden; — ook levensslof, levensvoorwaarde: »llet spel, de wijn, enz. Is zyn elementquot;, Is zyne levensvoorwaarde, levensstof, d. I. hij kan zonder die niet leven; quot;bij Is in zyn elementquot;, d. i. in oen levenskring, die met zijn natuur en neiging overeenkomt; — elementair, adj. (lat. e/emen/arius) tot do olemonlon beboorondo, grondstolTciyk; wat do eerste gronden betreft, naar do beginselen; — elementaire analyse, f. cbomlsclio ontbinding van een lichaam In grondslolTon, Inz. van een organisch lichaam In zuurstof, waterstof, stikstof en koolslof; — elementaire boeken, boeken, die do eerste gronden of bo-glnsolon eener weloiischap of kunsl behelzen; — elementaire functiën, do grondwerkzaamheden (der ziel); — elementaire geesten, ile geesten of diomonlsebc wezens, dlo naar bet volksgeloof der middeleeuwen In do vier elementen boorscbon: gnomen In de aarde, on dl non In het water, sylphon In dolucbt, salamanders in hot vuur; — elementaire scholen, f. pi., elementair onderwijs, n. lagere scholen; het eerste onderricht In do volksscholen in \'t algemeen; — elementair-steen, oen edele opaal, dlo vier verschillende kleuren vertoont; — ele-


-ocr page 426-

ELIDKEKEN

ELEM1

410

mentair vuur, do wurmtosiof; — ele-menteeren, bnrb.lal. oun woord in zyno klanken ontblndon ea duiiruit wedor siitnon-vookoi).

Elemi, elemi-hars of gummi-ele-

mi, n. liars van den enemi-struik (.■imy-rls elemifera) In O.lndle, Z.Amerlka, enz.; zy wordt, wegens hare prikkelende kracht, lol woud-zalven, als ook door de schilders lot vernissen gebruikt.

Elónchus, m. gr. [élenchos) eene wederlegging, wraking; berisping; ook: inlioudswy-zer, register; in het kcrkelgk recht: elenchus nominal is, de aan den prediker verboden berisping met het noemen vim namen togen aanwezigen of bekende en nog levende personen; — elenktika, f. do overlulgliigs- of we-deriegglngskunst, kerkelUke strgdieer, polemiek.

eleodorisch was, zie elajodorlsch w a s.

Eleonöre (provene. Elionnr, ilclimwr, óf v. \'I gr. Mens, orbarnien, óf moor waarsch. mls-vormd van \'1 gr. Hêliodöra) vr.naam: de erbarmende, niedoiüdonde.

Elëphant, m. (gr. en lat. ehlphas, Int. ook elephdntus) olifant, het grootste 1111 levende landdier; elephantiasis, f. gr. Med. de knobbelachtlge melaatschheld, olifantsziekte, le-prozie, de hoogste graad van melaatschheld, door de kruisvaarders naar Knropa overgebracht, waarbU de beenen en voelen met oen naar oil-fiinlsliuid gelUkend bekleedsel overtrokken worden ; — elephantomachen, m. pl. ollfanl-bestryders; — elephantophagen, m. pl. ollfanteters; — elephantópus, 111. Med. de olifanlsvoel; —elephants-orde, eeao hooge deensche ridderorde (met de afbeelding van een witten olifant, die oen rooden toren draagt en hel hljschrUI: Maananimi ]gt;n\'liuin, tiet loon der grootmoedigheid); — elephants- of olifantspapier, ii. zeer groot hollandscli papier, Inz. gebruikt voor tabellen en gravures.

Elétto, m. (pl elélli) II. gekozene, afgevaardigde.

Eleusimën (spr s=z) of eleusini-sche mysteriën, f. pl. gr. de geheimzinnige feesten van Ceres of Demeter, de oudste en eerwaardigste mysterlün in Griekenland, zoo ge-lieeten naar de attisehe stad lileusis, thans Lossina; zü waren in groote en kleine verdeeld (vgl. mysterie n).

Eleuthenën, f. pl. gr. (v. eleuthlros, vrü, eleulheria, vrybeid) oud-grieksclie feesten, die om de 5 jaren te 1\'laUea gevierd werden ter gedachtenis van de daar op de Perzen behaalde overwinning; - eleutheriologie, f. de vryheldsleer, leer van de vryiield des mensche-lüken wils; — eleutheriomanie, f. vrü-heidswoedo, overdreven, kwallik begrepen zucht lot vrüheld; eleutherionomie, f de wetgeving van den vrijen wil, zedeiyke wetgeving.

eleveeren, lat. (elevUre) verheffen, verhoo-geii-, het protest oio voeren, Kml. oenen afgewezen (goprotesteorden) wissel met den eersten post laten terugloopen; — elevatia (spr. l—ls), f. do vorhelllng, verhooglng; hoogte (de poolshoogte); de opheltlng of liet verhoogen der hostie In de r. kath. Kerk; Mil. de hoogte-rlehtlng, die men een sink geeft, de hoek, dien de as der ziel van een sluk geschut maakt met den horizon; in bet algemeen: do verhevenheid, grootheid, rang; Arcli. opstand, schets van den opstand van een gebouw; — elevator, m. hefspier; ook: (eng. ellewéler) een stooiiih(|schtoestel lot gemakkelijk verkeer tus-schon de onderscheiden verdiepingen van groote hólels (vgl. a sc o li se ur on holst); — ele-vatorïum, n. nw.lat. een bofmlddel, hefwerktuig, heftang, inz. een heelmeesterswerk-tulg om ingcdrukle plaatsen van de hersenpan weder op te heffon; — elève, m. en f. fr. (v. élever, opvoeden) een kweekeling, pleegzoon, pleegdochter; leerling, scholier, b. v. vaneenen kunstenaar.

Elf, in. en Elfe, f., doorgaans pl. Elfen (eng. elf, angels, alf, oudnoordsch alfr, zw. elf, deensch elv, oorspr. waarsch. berggeest = al p; vervolgens vloed- cf walergeesl) in de noord. Mvlli. kleine rondzwevende natuurgeesten, die óf als goede en schoone wezens (liós-alfar) In don hemel (Alfheim), óf als kwade en leeiykc (ddk-dlfar) onder de aarde wonen.

Elf-en-dertig, Iets op zün elf-en-der llgst verlangen, zeer nioeliljk In zync vorderingen te voldoen zijn, al te kieskeurig zyn. (De zonderlinge uitdrukking Is ontleend aan do oude friosclie slaathulsliouding, by welke lol hel nemen van beiangrykc boslulien de eenparigheid van stemmen der elf sleden en dertig grielenyen word gevorderd).

Elgeuze, m. {ulfteuze), elg. el-dschauzd, arab. naam zoowel voor de beide Tweolings-sterron (Castor en Pollux) als voor Orion (vgl. Orion en Jakobsstaf).

Elgin marbles, pl. eng. (spr. eldtjin mArbl\'s) de marmerbeelden van lord Elgin (de beroemde, thans mei hel Hrilsch museum vcr-eenlgde verzameling van oud-gr. beeldliouwwor-ken, Inz. van het fries van liet athceiischo Parthenon, die graaf Thomas Bruce of Klgln in Griekenland byoonbracht).

eli! liebr. niyn God! b. v. eli, eli, lama asahlhani, niijn God, myn God, waarom hebl gg my verlaten? (Matth. XXVII: 40).

Elias, hehr. (Klijdh) mansn., elg. Jehova Is myn God, godvereerder; — Elias-vuur, z. v. a. elmusvuur (z. aid.)

eliceeren, lat. {elietre, van lacSre, lokken) nillokkcn, te voorscbyn lokken, opwekken, aanleiding geven.

elideeren, lat. (didSre, v. laedére, stooten) ultstooten, wegwerpen, uitlaten, b. v. eene letter tor wille van de welluidendheid of omdat de versmaat hot vordert; — elisie (spr. s=z], f. (lal. elism) de wegwerping, ultlutlng of hel uitwerpen, verzwyging van eene letter, inz. van


-ocr page 427-

ELOCUTIE

ELlftZER

41-1

oono klinklottor vóór eono kllnkletlor, lor vur-mijduif; van ilcn hiatus (z. aid.); — elisief, adj. nw.Iiil. wegwerpend, weglatend, ultsloolend; — elisievo artikelen, n. pi. zulke stellingen van het tpgenliewys, waardoor juist het tegendeel wordt geslaafd van datgene, hetwelk liet andere gedeelte hewUzen wil.

Eliézer (vul. Eleazar), hebr. mansn.; elg. (lods hulp.

eligeeren, lat. elintlrc, v. tenrre, lezen) uitkiezen, uitzoeken, uitlezen-, — eliqéwlum, het uitkiezen; jm eligéndi, het recht van verkiezing; — eliglbel, adj. nw.lat. of elidible, fr. (spr. eli-zj—) kiesbaar, verkiesbaar, bevoegd om gekozen te worden; — eligibiliteit, f. (fr. élifiibililé) de verkiesbaarheid; — Eligms, mansn. de uitverkorene.

elimineeren, lat. (eliminare, elg. over den drempel treden, uit hel huls werpen, van li-men, de drempel) ultdryven, verbannen; doen verdwijnen, uitdelgen, uitwisseben; —eliminatie (spr. (=lt;»), f. nw.lat. de uitslooting, verlmnnlng; ultdeiglng, verwijdering; Inz. in de algebra: hot verdrijven van eene In onderscheiden vorgelUklngen voorkomende grootheid; Chir. de afstoollng van verstorven deelen; de door-schrapping uit Igslen, Inz. van de bezoldigden of verbannenen.

eliqueeren,lat. {eliqwtre) vloeibaar maken, smelten; louteren; — eliquatie (spr. t—ts), f. (eliqualw) de smelting het vloeibaar maken; de iouterliiB.

Elisabeth en afgek. Elise (spr. s=j), hebr. (gr. Elisabél, hebr. eli-scheha\', wiens of wier eed God is, die hij God zweerl, d. i die God vereert, de Godvereerende) vr.naam: de Godvereerende, de Godgewijde.

elisie, elisief, z. el ld eer en.

Elite, f. fr. (v. élire = lal. eligire, uitkiezen) de keur, kern, bloem, het uitgelezen gedeelte, h. v. van een leger; — oliten, m. pl. uitgelezen soldaten, keursoldaten, eene keurbende.

Elixatie (spr. t=ts), f. nw.lat. (v. \'t lat. elixüre, uitkoken, elixus, uitgekookt, van lix, loog, asch) het langzame uitkoken, hel koken by zeer matig vuur; do woekmaklng door koken; — elixivatie (spr. (=lt;s), f. nw.lat. de uliiooglng.

Elixir, n.arah. [el-iksir = q uin tossen tie, fijnst extract eener stof; ook: de steen dor w(j-zen; vgl. alchymle) eene oplossing van verschillende zelfstandigheden in alkobol, eene sa-mengestelde alkohollsche tinctuur, kookdrank, kracblarlscnii; nu een geneesmiddel In eenigs-zins verdikten vorm, dat druppelsgewijs wordt toegediend; tot do bekendste elixirs bebooren HofTmanns en Stoughtons maag-elixir en Mailers zuur-elixir.

Elizabeth, z. Elisabeth el jen! (spr. faljen] bong, uiiroop: hy leve! hoezee!

Elktsjis, m. lurk. gezant. Elleriaansche of Konsdorfer sec te, f. oen aanhang van dwepers, die de hurgomoes-ter Ellas Klier te Konsdorf in hel groothertogdom Berg sedert niii om zich verzamelde; zij noemden zich Slo nieten; Ellei heette SI o n s v a d e r, zyne vrouw Slons m o e-der, en de zoon, dien de laatste in \\T.li baarde, werd de zone Gods betiteld. Deze secte, die gevaarlyke leden lolde, word na HBO door de regeoring uiteengedreven.

Ellips of ellipsis, f. gr. (lat. ellipsis, van \'l gr. élleipsis, van elleijiéin, uitlaten, ontbreken) Gram. de weglating of uitlating van een woord, dat tot de spraakkunstige volledigheid van den zin er by gedacht moet worden, het tegendeel van pleonasme; Geom een langwerpig rond, de dwarssnede, eene der drie kegelsneden, die ontstaat, als men eenen kegel schuins doorsnijdt, zoodanig dat het verlengde der doorsnede bel grondvlak ontmoet; Muz. hei overslaan van de oplossing eener dissonan-11 o, door terstond oen ander accoord te doen volgen; — ellipsimber, m. Geom. eene holgebogen ellips, eeno kromme lyn van dubbele kromming, In welke zich, wanneer een loodrechte cylinder met cirkelvormig grondvlak door oenen bol gaat. zonder dat de as des cylinders door het middelpunt des bols loopi, deze beide vlakken snyden; — ellipsograaf, f. een werktuig ter beschryvinB oener ellips; ■—ellipsoïde, f. een lichaam, dat door de omwenteling eener ellips om hare as wordt voortgebracht (julsier zegt men elliptische spiueroïde);

— elliptisch, adj. by wyze van uitlating; langwerpig rond; — elliptische b y p o t li és e, f. de onderstelling von de heweging der planeten in ellipsen; — ellipticiteit, f. Geom. de vierkantswortel uil bei verschil der quadraten van de halve assen eener ellips of ellipsoïde; Astron. de verhouding van dit verschil tot de halvegrooteas dor ellips; ellipticiteit dei-aarde, de zoogenaamde afplatting der aarde;

— ellipUcus, a, urn, lat. Bol. elliptisch, wat den vorm eener ellips heefi.

Elly, f. eng., z. v. a. Elisabeth.

Ellychni\'um, n. gr. (ellijrhnwn, van lych-nos, lamp) eene pit in lampen.

Elmire, z. El wire.

Elmusvuur of Elmsvuur (St.-), fr. feu SI. Mme (ontslaan uit IIeleensvuur; vgl. Castor en Pollux) een elektrisch ver-schynsel in de gedaante van ruischende vlam-meljes, die men hy zware onweersluebt soms aan hooge, inz. spitse voorwerpen, I). v. scheops-masion, torenspiisen, enz. bespeurt.

Eloah, m., on pl. Elohim, God, Heer, de hebr. naam van God.

eloceeren, lat. (elorUre, v. Inrnre, plaatsen, verhuren) verhuren, verpachten; een uitzet geven-, — elocatie (spr. t=ls), f. de verhuring, verpachting; bet uitzet eener dochter.

Elocutie (spr. l=ts), f. lal. (elncufio, van clöqui, uitspreken, in woorden uitdrukken) de uitdrukking, uiisprnak, voordracht des redenaars, de uitvoering der gedachten; welbespraaktheid, welsprekendheid.


-ocr page 428-

ELODES 412 EMACEREEREN

Elödes, (tr. Mod. (van élos, moeras) do Ouden verstonden onder dezen naam eene zeor zware nanhoudonde koorts, van den beginne at met sterk zweet verbonden, zweetkoorts.

elofffum, n. lat. (van loqus, gr. logos, rede) eiR. de uitspraak; het opsebrlft, I). v. op graf-teekens; doorgaans ■/.. v. a. hot fr. eloge (spr. elozj\'), f. de lofrede, lofspraak, loftuiting, het lofschrift, de lof: elogiast, m. nw.lnt. een lofredenaar; een ovordr(|vend lofversplller, vleier.

Elohim, z. KIoah.

elongoeren, uw.lal. (van Innyus, a, urn, lang) verlengen, langer maken, uitrekken; — elongiitie (spr. lt;=fs), f. de verlenging, uitrekking; Astron. do ultwyklng, do afstandshook, de scliljiibnar vorst mogeiyko afstand eener planeet van de zon; l\'hys. de grootste afstand vim een in beweging zijnden slinger van den even-wlohlsstand, de hoek, onder welken men don afstand eener planeet van de zon ziet, overgebracht tot het vlak der ekllpllka; — Wonf/d/Ms, «, urn, Hot. verlengd, wal bijzonder In do lengte ontwikkeld is.

eloquént, lal. (ef\'H/uens, van elóqui, vgl. elocutie) en fr. (spr. elokdii) welbespraakt, welsprekend; — eloquentia (spr. I=ls), f. (fr. éloquence; spr. elokaiis\') do welsprekendheid.

Elpenbeen, n. (oudd. helphantesbeln) do slof der lange slagtanden van den olifant, waarvan de besto uit O. Indlö komen, het Ivoor. Ook do tanden van andere dieren, b. v. van den walrus of de opgedolven overblUfsels van den mammooth en andere groolere dieren komen in den handel onder dien naam voor. Door het elpenbeen in eene gesloten ruimte te verkolen, verkrygt men het zoogenaamde gebrand elpenbeen, dat reeds door Apelles als verfstof werd aangewend en nu onder don naam van keulseh zwart bekend Is, maar uil andere beenderen wordt bereid. Verknolt men het elpenbeen in open vaten, dan verkrygt men n 11-gobrand elpenbeen, dat tot het glanzen dor metalen gebruikt wordt.

Elpistici of Elpistische philoso-phen, m. pi. gr. (van elplslikós, hoopvoe-dend, van élpis, de hoop) grloksche wUsgeo-ren, die do hoop beschouwden als datgene, wat hot meest Ier onderhouding van het loven by-d raagt.

elucideeren, nw.lat. (van lucfilus,a, urn, helder, van lux, gen. luci.i, licld) ophelderen, verklaren, toelichten; — elucidatio (spr. /—/■t), f. de toelichting, verklaring, opheldering.

elucubreeren, lat. {clucubrilrc: vgl. in-cubreoren) by lamp- of kaarstiebt bearbeiden, des nachts hewerkeji; — elucubratie (spr. I=ls), f. eene geleerde (deels nachteiyke) bearbeiding, een nachtwerk.

eludeoren, lat. (eludlre, v. Iwlfre, spelen) eig. spelend of behendig afwenden, ontwijken, verUdelen, ontgaan, ontduiken, krachteloos maken; ook misleiden, foppen; — olusio (spr.

s=f), f. nw.lat. de verUdellng, ultwyklng; het om den luln lelden, de uitvlucht, misleiding, streek of trek; — elusief, adj. vorydelend, ontwykend, verdraaiend; — elusörisch, adj. hodrlegiyk, vorgeofsch, vruchteloos.

Elul, m. Iiebr. (v. dial. Inzamelen, inoogsten) old. oogst, vandaar do iyd van don oogst, de oogstmaand, drulvenmaand, de Ode maand van \'I burgertyke, do Hde van \'t godsdienstige jaar der joden, ongeveer mol onzen September overeenkomende.

Ehisie, elusief, enz., zlo onder elude e r e n.

Elutie of elutriatie (spr. tie=lsie), f. nw.lat. (v. etulriBre = cluïre, datum, afwas-schen; vgl. bel gr. lulrón, het wasschen, af-wasschen) Chem. do uitwassching, afspoeling van aardachtige doelen.

Eluxatie (spr. /=As), f. nw.lat. (van lat. hu-arc, verrokken) do verrekking.

Blwan, m. turk. handschoen.

Elwin, z. Al win.

Elwire, Elmire (sp. Elvira, wellicht v. \'larab. al-amiruh, de vorstin) vr.naam: de verhevene.

Elysiüm, n. gr. (elf/sion) of de elysee-sche (beter elysische) volden (spr. «=:), naar do beschryving der oudste dichters hel land of het verbiyf der zaligon, do hemel der Ouden; onelg. oen land, een oord vol genlo-ling, verrakkeiyk verbiyf; elysooscbe velde n {champs élysées of élysiens) is ook de naam van eene geliefkoosde wandelplaals te Parys;

— elysée (Bourbon) naam van een paleis lo Parijs, waarin Napoleon lil ais president der republiek zgn verbiyf hield; vandaar hel ely-seesch kabinet, do toenmalige fr. rogee-ring (lSl!t-!gt;l); — elysisch, adj. bekooriyk, heoriyk, vreugderyk, bemelsch.

Elytretësia, f. gr. (van elj/trón, hulsel, scheede; Mod. mooderscheede) Mod. het ontbreken van de opening der scheede of van de schaamspleet; — elytrïtis, f. ontsteking der scheede; — elytroblennorrhoea, f. siym-vloed uil do scheede; — elytrocêle, f. de scheedebreuk ; — elytróncus, m. de zwelling der scheede, het scheedegezwel; — elytro-phyma, n. een vleeschuitwas der scheede;

— elytroptösis, f. de uitzakking der scheede;

— elytrorrhagie, f. de bloedvliet uil de scheede.

Elzeviers of Klzeviriana, pl. benaming van zeer schoone voortbrengselen der drukpers van Elzevier (oen beroemd Amsterdnmsch en Leldsch boekdrukkersgeslacht (ter Hde eeuw), grootomteols klassieke werken, die door geheel Europa zeer gezocht waren en liet hier en daar nog zijn.

cm-, gr. on fr. voorzetsel in samenstellingen (zooals em ba Mo oren, emblema, enz.) In de plaats van en, z. aid.

emacereeren, lat. (emacerare: vgl. ma-cereeren) uitmergelen, afmatten, uithongeren; — emaceratie (spr. I=ls), f. de ver-


-ocr page 429-

EMAIL \\

nnixei\'liiK, uittoring, ultnicrgclliiK, urinattiiig.

Email, 11. fr. (spr. emdlj, ouilfi-. email, il smallo, v. smolten, hoogd. schmetzen, ouii-hoogd. smelzi) «las of oonc in hol vuur licht vloclbiii\'o klozolzuro vorlilndlng, illo door byvoo-Kiiif: van (in on lood ondoorschynend jjomaakl cn door smolllnf! op porselein, metaal, enz. wordt aaiiBobrttclit, smolt (smult, smout), smeltglas, lirandverf, glazuur; ook een blankotsel voor ij dole vrouwen; onelj?. vorsoholdonlioid van liioc-mon, van kleuren; — emailleeren (siir. 11= Ij: tr, émailier), met omail overdek ken, versleren, brandschilderen, mei minerale kleuren belegden j - emailleur, m een smelt werker; — emaillure, r. smeltwerk.

Emanatie, z. ond. o maneer cn.

emancipeeren, lal. {emuncipore: vgl. mancipfum) vrymaken, vryialen, van tyfeigen-scbap, voogdyscbap, vadertyko macht vryspre-ken, voor mondig verklaren; gelyke rechten geven ; van de burgerlykc of korkeiyko beperkingen onlbelfen; zich omancipooron, zlcli van alle beperkingen of belemmeringen der vry-lieid ontdoen, zich Ie veel veroorloven, zich vermeten ; — emancipatie (spr. l=ls), f. (eman-cipalw) hnndllclitlng, de vryiatlng, liet ontslag der slaven uit de lytelgenschap, en der kinderen uit do macht des vaders of dos voogds; do rnondlgvorklaring-, vryiatlng, bevryding, hot vor-leenen van geiyke rechten, goiyksteiilng; — eumnciiialio saxonica, sakslsche «f dultsehe emancipatie, lt;1. i. vryiatlng dor kinderen uit de macht dos vaders, krachlens bot inrichten van oen eigen huishouding; — emancipationist, m. een tegenstander van de slaverny der negers; — emancipator, m. bovrydor, verlosser.

emaneeren, lat. {emanare, van manure, vloeion) uitvloeien, uitgaan; afkomslig zyn; doen uilgaan; — emanatie (spr. I=ls), f (einanalïo) de uitvloeiing, het uitstroomen, b. v. van zeer lljne, van de lichamen afgezonderde deeltjes, zooals reukdoolljes, enz.; Theol. do uitgang des Woords van don Vader; ,lur. het afkondigen, bekendmaken, b. v. van eenc verordening; — liet emanatie- of emissie-systeem, ook emanatisme, n. de uitvioeilngsioer, de leer van de uitvloeiing aller dingen uil oen boog-slo eerste Wezen, naar het Indisch, perzlsch en egyptlsch godsdlonslslclsel; do emanatie-leer, in de clir. dogmatiek; do leer, naar welke de Zoon en do II. Goest uitvloeisels van don Vader zyn; l\'liys. de licbluitslroonilngsleer van Newton, volgons welke do lichtstralen uil-vloeiende deelljes van lichtende llcliamen zyn (ook corpuscu I aire thoorto).

Emansor, n. later lat. (van e-manire, uilidyven) Jur. de over zynen verlofiyd ull-biyvende.

Emanuël, Emmanuel, (vgl. Immali u«l) bebr. inansn.: (led mot ons.

emargineeren, lat. (v. emarijinBrc, vgl. margo) ullranden; geBmarglnoord, adj. lal. (emurqinalus, a, um), Bol. ultgerand, met eone

3 |EMBAUCHEEHEN

insnydlng aan den top, waardoor twee korte, stompe slippen ontstaan.

emballeeren (spr. ««()—), fr. {emballer, v. balie, baal) pakken, inpakken, omwikkelen, ia halen doen; — omballeering, f. do inpakking, omwikkeling; emballage, f. (spr. auhald-zj\') het inpakken dor waren; datgene wat tol inpakking dient, do verpakking, pakdoek; ook hel pak- of bindloon; — ombal-leur, m. de inpakker, pakker.

Embarcadero, m. sp., embarca-dère, f. fr. eene kleine zeehaven of landingplaats, die lot haven dient van eone dieper landwaarts liggende liandelslud; — embar-cadère, en dé ba read óre, f. aanlogplaats, hoofd, steiger; ook de plaats, waar do spoor-Irolnen passagiers en goederen opnemen en a(-zolten, statie n.

Embardar-basji, m. perz. de eerste opzichter over de konlnkiyke voorraadscliuren in l\'erzle.

Embargo, n. sp. (provonc. embarr, van embaniar, hinderen, versporren, v. \'l sp. provonc., it. en mld.iat. bami, fr. barre, slaaf, spyi, slulllioom, een oorspr. eelt. woord) liet beslag of arrest op do In eene haven liggende schepen, do havenversperring of het sluiten der haven.

embarilleeren (spr. anbari-lj—}, fr. (cm-buriller: vgl. barll) In fust, In vaten pakken; — embarillage, f. (spr. -ri-ljdzj\') liet pakken van buskruit ca kogels in vaten.

embarqueeren, fr. (emban/ucr, spr. a«-bark—: vgl. bark) iiischopeii, schoep brengen, laden, aan boord brengen; — embarque-ment, n. (spr. aiibark\'ind\'i) de Inscheping, lading der waren; — embarquiano, m. sp. (spr. f/u=ft) loods; gids, wogwyzor.

Embarras, n. fr. (spr. aiibara: v. barre, slaaf, slagboom; vgl. embargo) de verwarring, zwarigheid, verlegenheid, lieklemdheid, be-lonimering, hel gedrang, de hindernis; cmftiomv il\'ubondance of ile richesse (spr. — i\'i-.yVs.v\'), ver-logonheid uit overvloed; — erabarrassee-ren (fr. embarrasser) verwarren, in verlegen-held brongen, verlegen maken, ophouden, verhinderen; — embarrassant, adj. lastig, bozwaariyk, lilnderiyk, belommerond, In verlegenheid brengend.

Embarren, pl (turk. embar, nw.gr. am-pari, pakhuis, niagazyn, van \'I arab. anbdr, als pi. van nibr, pakzoldcr, en dil van nabara, ophoopoh) in i\'elorsburg zekere voorrnadhui-zen, in/., voor liennep.

Embatenen, n. pi. gr. {embalïria, van den sing, embatèrion, niarscli-muzlek, v. embai-nein, instappen, marelieoren) marsch-liederen, krygstlodcren der oude Spartanen in anapa\'sii-sclie maat.

embaucheeren (spr. aiibn-sj—) fr. (em-haurher; vgl. dobauclieeren) oen knecht mot list in dienst of te werk stollen; iemand mol list aanwerven of soldaat maken-, ■ em-baucheur, m. oen listig werver, zielver-kooper, ronselaar.


-ocr page 430-

EMBEGUINKKREN

EMENDEEREN

414

embeguineeren ispr. ahbeui-), tr. (cm-béguiner, v, béguin, kltidermutsje, oorspr. hoofd-doek of hult cenor non; v^\'l. hocU ») hut lioufd omwikkelen; iemand leis In het hoofd brengen, voor Iets gelieel Innemen; eene dwaze liefde doen opvatten.

embellisseeren (spr aiihelli-s—), fr. (embellir, van beau, helle, schoon) verfraaien, opsieren, schooner maken; — embellisse-ment, n. {spr. a/ibelli-s\'maü), de verfraaiing, versiering, optooiing; pl. Muz. versieringen der melodletonen door hytonen, grupettl, enz.

Embergans, f. (eng. embergoose, ook op de Faioer-ellanden imbrim) elg. aschgans (naar hare kleur zoo geheeten), eene soort van wilde ganzen op de schotsche eilanden (Colymbus immer),

Emberizee, f. pl. iS. H. eene vogelsoort lot de familie der kegelhekken hehoorende.

Emblema, n. gr. (van embdllein, Inwerpen, Inleggen, enz.) elg. Ingelegd werk, sieraad; kenteeken (h. v. de uil Is het emlilema van Minerva) een zinnebeeld; — emblematisch, adj. zinnebeeldig; — emblematiseeran (spr. s=z), door zinnebeelden voorstellen.

emboiteeren (spr. aiiboat—i, fr. (emholler, van boile, doos) ineenschuiven, In elkander doen vatten; — emboitement, n. fr. (spr. uiiboat\'mdn) de Ineenschuiving, Ineikander-pas--ing; Log. de ingewikkeldheid van den st(jl, waarhü de eene zin als ware \'I In den andoren is geschoven.

Embollsme, n. gr., z. v. a. Intercalatie (z. aid.)

Embolus, m gr. (eiuholos, v. embdllein, vgl. e m h 1 c in a) de kolf of stempel (in spuiten en luchtpompen); de zijgang in de oude gr. kerken; — ombólisch of embolifórm, adj. kolf- of stempelvormig.

Embonpoint, n. fr. (spr. aiiboiipwaiii, ontstaan uit en bon point, In goed punt. d. I. in goeden toestand) staat des lichaams van nien-schen of dieren, lig welke de hoeveelheid vet geBvenredigd is aan den omvang en de gestalte, de Uivigheid, gezetheid, gevuldheid des lichaams, liet voorkomen van gezondheid en kracht. Embossment, n. eng. verheven werk. Embothrium, n. gr. Bot. de pracbtstruik. Embouchement, n. fr. (spr. ahboesj\'-mdn) of embouchure, f. (spr. aiiboesjüür: van bnurhe, mond) de mond, uit- en instroo-mingsplaats van eene rivier; do mond van een kanon; Muz. het toongeven op de lluit; ook: liet mondstuk, blaasgat van eene lluit, een waldhoorn, enz.; de uitgang van een hollen weg, enz,; eene goede embouchure hebben, een lilaasliistrument wél weten aan den mond Ie zetten, zuiver en llefeiyk blazen.

embourseeren (spr. aiiboers—), fr. (em-hourser, vim bourse, beurs) In de beurs of den zak steken, zakken

embraneheeren (spr. ahbraimj—), fr. [embrancher, van branche, tak) verlakken, in-eenvlecbten; verschelden straten of wegen ver-centgen; Arch, bulken en sparren In elkander laten, inkepen; — embranchemént, n.

(spr. aïibransj\' mdiij de vertakking, dooi\'vlech-tlng; de zijweg, zUstraat; vertakking, tak van een spoorweg; Arch, de verbinding der balken en sparren.

embraseeren (spr. aiibruzeeren), fr. (em-braser, van braise, kolengloed, vgl. brasero) aansteken, In brand steken; — embrasure, f. het schietgat In een vestingmuur; de schuhi-sche uitwerking eener deur- of vensteropening, vengterindleping.

embrasseeren (spr. aiibrass—), fr. (em-brasser, van bras, arm) omarmen, omhelzen, omvatten, omvangen; In \'t fr. Inz. voor kussen, eenen kus geven (welvoegiyker dan baiser), Mil. tusschcn twee vuren brengen; — em-brassade, f. of embrassemént, n. (spr. aiibras\'mdii] de omarming, omhelzing,

Embrégma, n., embrócha, f. gr,, of embrocatie, f, nw. lat. (van \'1 gr. embn-chein, hevochtigon) Med. het druipbad; de In-wrUving eener artsenl).

embrocheeren (spr. aubrosj—), fr. {em-irocher, vgl, li roc he) aan het spit steken; aan den degen rügen, doorhoren, doorsteken, embrouilleeren (spr. anhroelj—), fr. [embrouiller: vgl. brouilioeren) verwarren, in wanorde of verwarring brengen; — geiim-hroullleerd, verward, ingewikkeld; — em-brouillement, n. (spr, uiibroelj\'mdn) de verwarring.

embruneeren (spr, «;/—), fr, {embrmir, van brun, bruin) Piet. bruinon, donker houden, met donkere verf overdekken; metiertyd zwart worden.

Embryo, n, gr, (cmhryon, v, b rye in, ontspringen, kleinen) eene dier- of menschonkleni, eene nog onrüpe lichaamsvrucht, do vrucht In de baarmoeder gedurende de vier eerste maanden der zwangerschap; z, v, a. het lat. f ie lus; klem der planlen; —embryogenie, f, het ontstaan der llchaainsvrucht; — embryo-graphie of embryologie, f. de heschrU-vlug of de leer der lichaamsvruchl; — em-bryoktonie, f, bel dooden der lichaamsvrucht;—embryothlasis (vgl. tblasts), het iijndrukken of verbrokkelen van de vruclil in den moederbuik (bü moeilijke verlossingen);

— embryothlast, m. werktuig, om het hoofd van de doode vrucht in de baarmoeder Ineen te drukken; — embryotomie, f. het sluksnyden, de verdeeling of verbreking der vrucht; — embryulkie, f, de leer van de te-voorschyn brenging der vrucht, do geboorte-hulp;—embryülkus, m. het daartoe dienende Instrument.

embusqueeren (zich), (spr. a/i-bu-sk—), fr. (s\'embwiquer; gevormd van het dull-scbe hosch, huscb, vgl, bosqml) zich in eene liliiderlaag leggen om op den vyand te loeren;

— embuscade, f. de hinderlaag, emendeeren, lal. [emendare, van men-

duin, fout) verbeteren, terechtbrengen; —


-ocr page 431-

ÉMERALD

415

KM IK

emondanda, pi. wat In ccn gcschrlft le verholoron is, verlielerlngcii; — emendatie

(spr. t=ls), f. {eiiienilulïo) de vorliotorlng van gDsclirltten, schrlttvcrhotcrlnir, toroclitbreiiKlnK van bUzondero plaatsen In (ueschrlflen; —emen-dator, in, de In-ordo-lircnRer, vcrhcteraar; — eménde, f. mld.lat. (eménda) eene neldlioeto, wegens eene liegane wedcrrechtclUko handeling lietaaid ler vermgdlng van grooler nadeel. Émerald, m. eng. smaragd (z. aid.). Emerentra, f. lat. vr.nuam: de verdien-stetyke.

emereeren, lat. (emercri) uitdienen; zich vcrdlenstelUk maken; — emeritus, m. een uitgediende, van den dienst ontslagene; een oud-ambtennar, rustend amhtcnaar of predikant met hohoud der Jaarwedde; — emeritenhuis, a. lulls of gesticht, waar geesteiyken, die door ouderdom of ziekte voor hun ambt ongeschikt zyn geworden, verzorgd en verpleegd worden; — iemand emeriteeren (uw. lat.) or pro emerï/o verklaren, hem voor uiigedlend, voor iler amlilsrust waardig verklaren, van verderen amlitsarlicid ontslaan.

emergeeren, lal. Icmergtre) opduiken, opkomen; lieroemd worden, zich onderscheiden; luclor et emeroo, z. luctoeren; — emér-gens, n. iets dal zich opdoet, dat plaats grypt, Iets voorvallends; eméroens novum, n. Jur. eene zich voordoende nieuwe omstandigheid; — emergóntie (spr. t^ls), f. nw.lal. het opduiken. opstygen, hel hovenkomen alt het water-, het beroemd-worden; — emérsie, f. Vslron. het IcvoiirschUntrcden eener planeet uit de schaduw eener andere, het oogenhiik, waarop die uitgang plaats heeft; ook het zichtbaar worden eener ster; emersichoek, de hoek waaronder een schuin togen water enz. geworpen lichaam daarvan terugspringt of-stuit emersus, a, urn, Bot. uit liet water stekend. Emeritus, emeriteeren, zie onder e mereeren.

Emersie, emmits, z. oud. emergeeren. emerveilleeren (spr. -we/j-}, fr. (énmr-oei/Ier: vgl. m e r v e 111 e) verwonderen, verhazen; — geBmervcilieerd, adj. verwonderd, verbaasd, verstomd.

Emésis, f gr. (v. mem, uilhrakcn) Med. liet braken; — emesie, f. dc nclgieg lot braken; — emésma, n. het uitgebraakte; — emetatrophie, f. de uitlcrlng, door aanhoudend braken ontstaan; —emeticum, n., pi. emetika, een braakmiddei; — emetine, f. een plantaardig alkali, door Pel lel ler In den braakwortel [Ipecacuanha) ontdekt, waaraan deze zUne hrakingwekkende eigenschap to danken heeft;—emétisch, adj. braking verwekkend, om te braken; emetokathar-sis, f. de onilnsting naar boven en heneden, braken en purgeeren te goHjk; — emeto-kathartika, n. pi. middelen, die le geiyk braken en purgeeren bevorderen; emeto-logie, f. do leer der braakmiddelen ; — eme-tomanie, f de te groote zucht tot het bezigen van braakmiddelen; — emetophobie, f. vrees voor braakmiddelen.

Emeu, m. de nleuwhoilandscho kazuaris

(z. aid )

Emeute, f. fr. (als ware \'t lat. emovtla voor emolu, v. emovire, ultdrgven, v. movére, liewogen, mnlus, beweging, opstand) de oploop, opstand, dreigende volksbeweging, het oproer, de muiterU.

Emga(l)lo, m. het aUhiopIsche zwgn (Sus aethiopfcus).

Emicatie (spr. I=ls), f lat. {emicalw, v. emicSre) het uitspringen, uitsteken; het vonken-worpen, met een plof wegspringen of vervliegen.

emigreeren, lal. (emlf/rSre, fr. emigre:: vgl. mlgreeron) naar elders trekken, het land verlaten, uitwijken; — emigrant, m. (lat. envurans) een naar elders trekkende, viuclitendo, z. v. a. emigré, fr., pi. émigrés, oen uitgewekene, vluchteling, een landverhuizer, die vrUwlliig zyn vaderland verlaat om vervolging of onderdrukking te ontgaan ; in/., de gedurende de fransche revoluiie naar Duilschland en elders uitgeweken aanhangers van het koningschap; — emigratie (spr. l=ls), f. de ultwyklng, landverhuizing, verlating van het vaderland; mi qratto codcla, geboden, gedwongen ultwyklng; cm. volunlana, vrywillige ultwyklng.

Emiliaan, n. eene aardsoort, la tiitci door Dröse te (loiha ontdekt, en die de eigenschap van porselein on aardewerk heeft.

Emilius (fr. limile, van t lat. Aimitius, verwant met het gr. haimylos, liairnjjlios, vleiend, liefkoozend) mansn., de vleiende, gedienstige; innemende; — Emilia, f. (fr. liinilie, lat. /Kmilia), do vleiende, enz.

Emin, m. turk. opziener, Intendant.

Émincée, f. fr. (spr. eméiisé) gerecht uit dunne kalfsscligfjos.

Emine, f. (v. \'t lat. en gr. hem/nu, een half mud, v. hemisys, half) graanmaat In Ple-mont en Fransch Zwitserland; = I sacco = •ilt liter.

emineeren, lat. (emlnére) uitsteken, ho venult steken; — eminént, adj. ultslekond, uitkomend; voorlreiteiyk, uitmuntend, onder schelden; — eminéntie (spr. I=ls), I. (lat. eminenlïa) de verhevenheid of het uitsteken b. v. van een heen; voortroffeiykheld, verhevenheid, sedert de 7ile eeuw een titel der bisschoppen, en sedert de 17de die der kardinalen; ook de titel dor geesteiyke keurvorsten.

Emir of Emier, m. arah. (emir, iiinlr, d. 1. de hevelende, van amara, hevelen) een arahlsch vorst, krygsbevclliehher en stadhouder In eene veroverde provincie; in Turkye een eoretitei, dien Muhameds afstammelingen voeren; ook dragon sommige amblenaren dien titol; emir-aehor, de opperstalmeester des sultans; — emir-alem, dc ryksvaandrager-, — emir-bazar, do opziener over de markten; — emir-al-moemenin, vorst der geloo-vigen, een titel dor Kallfen, dien Kallf Omar het eerst aannam; — emir-ai-moeslemin.


-ocr page 432-

EMITTEEREN

446

EMPHASIS

Ijohccrsclier der geloovlgcn, cun tllol dor Al-moravldenj vkI. Almoliiidon; - emir-al-omra of al-oomara, bcvclheliljer der l)o-volliehliers, een lllel van den eersten mlnlsler liy do klmlifs on de Indische niouols; de (Hol van sominlRe stadhouders van provlneion InTurkyoj omir-hadsji, m. de aanvoerder dor pelgrims naar Mokka uf dor inekkascho karavanen.

omitteoron, tal. (cmillifre) uitzonden, doen ullu\'aan, in omloop brengen; cmissa manu, 3m. mot tooRorotkto hand, mot handslagemit-tént, m. (lat. emillens) do uitzonder, verzender; — emissarïs, of fr. omissairo (spr. emi-sèr\'), m, oen nfgozondone, zondoling, kond-sctiapper, golioiino bode; ook z. v. a. omis-sarium, n. een alleldingskanaal, oeno inrichting lot ontlustlng eeuor besloten watermassa; emissarla sanlorini, Med. kleine (naar don ont-dokker genoemde) bloedaderen, die door hgzon-dere openingen in de schedelbeonderen de bui-tensie hoofdiiloedadercn met de bloodielders van het tiarde hersenvlies verbinden; emissio, f. (lal. emissw) do uitzending; uitvloeiing; — emissie-bank, f. bank die papieren geld uitgeeti; — omissie-vermogen, n. I\'hys. uitstroomingsvermogen, het vermogen van oen lichaam om oone zekere hoeveelheid warmte uit te stralen; — emissie-systeem, n. z. v. a. e m a n a t i e s y s t e e m.

Emma (oudd. ook I m m a, wellicht van i m m o, oeno tiü) en Smmelina, vr. naam: de vlUiige, bedrijvige, hulsoHike; — Emmerik, mansn.; de werkzame, vlUiigo.

emmagasineeren (spr. amagazi—), fr. {emmagasiner) in een magazyn of pakhuis brengen, opzolderen, bewaren; — ommagasi-nago, f. (spr. —nazj\') de bewaring In hel magazyn; het borgloon, leggeld of de pakhuishuur; — emmagasineur, m. de voorraadverza-molaar, opzolderaar.

Emmanchement, n. fr. (spr. amaiisj\' ma/i) eig. het zetten van een helt of steel aan een werktuig; Piet. het aanvoegen dor leden aan den romp.

Emmanuel, z. Emanuel;—Emme-lina, Emmerik, z. E m m a.

Emmoniën, pi. gr. {emmènia, van cm-mrntos, maandelykscll) maandeiyks gevierde feesten; Med. de mnnndeiykscbe reiniging der vrouwen, de mnaiidstonden; — emmenia-góga, doorgaans, maar niet zoo goed, em-nienngfiga, n. pi. middelen Ier bevordering van de maandelijksclie zuivering; — emmo-nialogio, f. de leer der maandeiykwhe zuivering.

emmeubleeron, fr. (spr. ameu—s vgi. m o u h e I) van huisraad voorzien; — emmeu-blement, n. (s|)r. man) het kamergoreed-sehap, huisraad, beter ameublomont.

Emmótum, n. gr. {émmotnn, v. mölón, pluksel) eene op pluksel gestreken wondzalf.

Emoisin, n. fr. (spr. emoazeii) eene pu-piersoorl (lexleonformaat).

emolliëeren, lat. (mollire: vgi mollis) zacht maken, week maken, verzachten; emnl-hens, n. iets weekmakends, verzachtends; pi, emollientia, weekmakende middelen; — cmol-Hens, Hot. verwelkend.

Emolumént, n. lal. (emolumcntum) het voordeel, gewin, baat; ambtsvoordeel; hezoldl-ging, traktement; toevallig voordeel boven hel bepaalde dienstloon, by inkomsten, of voordee-len, liultenkansjes.

Emotie, /.. oud. e moveeren. Emouchette, pi. fr. (spr. moesj—, van émoucher, de vliegen afweren, v. mnurhe, vlieg vliegennet over paaiden; — emouchoir, m. (si»\', emoesjodr), vliegenwuaier.

emoveeren, lal. (emovc-re) naar Imilen bewegen of brengen, wegdoen; ontvoeren; — omotie (spr. I=ls), f. nw.lat. hevige gemoedsbeweging, aandoening, ontroering, opwelling, opbruislng; ook volksopstand, gisllng.

empailleeren (spr. niipaij—), fr, (cm-pailler, v. paille, stroo) niet slroo omwikkelen of opvullen, opzetten; met stroo inpakken.

Empaistika, f. gr. (empaislikë, sell. léchns, kunsi, van empaiein) de kunst om gedreven werk te maken.

ompaleeren (spr. aiip—), fr. [empaler, v. pul, paal) eenen paal insteken; splelsen.

empaqueteeren (spr. aiipak\'—), fr. (cm-pai/ucler; vgi, paquel) Inpakken, samenpakken, omwikkelen.

Empasma, n. gr, (v. empdssein, Inslroolen) Med. slrooipoeder.

Empatement, n. fr. (spr. aiipat\'maii) of lm pas teering (z. a.) Piet. hel lijvige of vette opdragen der verven; by graveurs: do zachte Inoensmelling der siropen en punten; — empater les tons (spr. aiipaté 16 loii), fr. Muz, do tonen in elkander doen vloeien, juist en zuiver voortbrengen.

empêcheeren (spr. aiipésj\'—), fr, (cm-pêchcr-, it, cmpacciarc, ais kwame dit van een lat, impaclSre, van impingüre, aanslaan. Iemand leis aanhangen; het tegengestelde v, dépêcher, vgi. d e p è c h e er e n) verhinderen, holetten, ophouden ; — empêchemént, n. (spr. —man) het beletsel, de verhindering, hindernis, het ophouden.

Empecinade (el), sp. eig. de hepikte, bUnaam van den moedigen verdediger der (lories, Juan Martin, die zich In t8(is aan het hoofd ooner bende Guerillas sleide, later veldmaarschalk word en In 182K werd opgehangen.

Empepaladöra, f. sp. in sigarenfabrle-ken: arheidster, die de sigaren tot pakken maakt, emperador, m, sp, keizer vgi. impc-r a t o r.

empereur, m, fr. (spr. aiipcrcur) keizer (vgi. lm po ree ren) vivc 1\'empereur, leve de keizer!

Empetrum, n, gr. (v. pelra, steen, rots) Hol. de rulsehbezio, mosheidebes; — cmpclri-folius, a, urn, mosholdebesactillg.

Emphasis of emphase, f, gr, (v. cm-phainein, aantoonen, aanschouweiyk maken) eig.


-ocr page 433-

EMI\'HRAKTISCH

EMPORIUM

/1-17

tiHtischuuwolükü vooi\'stollliiK; Log. de nadruk in lid spreken of lezen, bijzondere klem op sommige woorden en plaatsen; Mnz. rlnforzando of klomtoon op een noot, ille niet volgens de maat geaccentueerd Is-, — emphatisch, adj. nadrukkelijk, klemmend, krachtig.

emphraktisch, adj. gr. (van emplirds-sein, verstoppen) Mod. verstoppend; — om-phrakticum, n. een verstoppend middel;

— emphraxis, f. de verstopping der vaten, der Ingewanden.

Emphysema, n. gr. (vgl. pliysa, enz.) Med. het wind- of luchtgezwel, splütlng der longcellon en opliooplng van lucht onder de huid (aamhorstlgheld); hel opzwollen eener wond; — omphysematisch of omphysoma-teus, adj. nw. lat. opgehlazen, trotsch; — mphysemattcae variolae, pl. lal. de windpokken.

Emphyteusis of emphyteuse, r. gr. (v. emphyleiiein. Inplanten) Jur. eeno soort van erfpacht, waardoor iemand liet vruchtgebruik van oen stuk gronds hootl, met bet recht dal te vervreemden en te vermaken tegen oono jaar-Hjksche opbrengst aan den eigenaar; ook de he-voogdvcrklaring tot het vruchtgebruik van een sink gronds; — emphyteutisch contract, n. zulk een erfpachtvordrag; — em-phyteuta, m. de errpachler.

Empirance, f. fr. (spr. aiipirans\', van empirer, verergeren, van pin, lat. pejor, ergor) do afneming, het slecbler-worden der waren, de waardevermindering der munten; de scheeps-seliade.

Empire, n. fr. (spr. aiipier\') hcorschappU, regeering, enz.; inz. keizerschap, keizerrijk vgl. I m poroere n.

Empirie, f. gr. (empeiria) do ervaring, de ondervinding, bet welen en kennen uil waargenomen feilen, do ervaringswetoiipobap; empiricus, m. een ervarlngsgeleerde; inz. een ervaringsaris, d. I. zulk een. die, uil gebrek aan tbeoretlscbe medisebo kennis, slechts middelen voorschryft, welke bel volksgeloof of eenzijdige waarneming tegen deze en gene kwalen als heilzaam aanw(|st; — empirisch, adj. op ervaring gegrond, van de ondervinding afhangend; omplnscho wetenschappen, zulke weienschappen, die hoofdzakelijk op do waarneming en verzameling van liet werkelijk gebeurde, het waargenomene berusten, h. v. geschiedenis, natuurkunde, enz.; — empirische psychologie, de ervaiiagszlelkunde;

— empirisme, n. eeno enkel op ondervinding gegronde kennis, eone wijze van denken, van bandelen, die alleen de ervaring tot lichtsnoer noemt, die den grondslag van alle weten in de ervaring zoekt; —empirist, m. In de philosoplile: Iemand die aan do ervaring gelooft, oen leeraar, die bet empirisme voorstaat, die alle kennis slechts uit de zinnolUko ervaring (n posferioH) afleidt.

emplaceeron (spr. niiplas—), fr. (emplu-eer: vgl. placeeren) aanstellen, aanwenden;

emplacement, n. (spr. —man) de aan-

VlEUDE DIU\'K.

stelling ; do plaats, bouwgrond, geschikte plaats voor een gebouw, een tuin, enz.

emplastisch, adj. gr. (van emplauein, insmeren; vgl. plasma, enz.) Med. verslop-pend, toesmerend; — emplasticum, n. een sniceriniddei, verstoppingsmidilel; — emplas-trum, n. lat. (van \'t gr. émplnslron, liever, émpldslon) eone pleister, wondplelsler; — ent-plaslrum adhaesïvuin, eeno hecbtplelster; — e. anolicSnum, cngoiscbo pleister, vlschiymplels-ter; — e. allraclivum, eone trekpleister; — c. ccphudcum, eene hoofdpleister; — e. consolidam, eone hecht-, heelplelster; — e. rfc/insiuwm, eene verdeelende pleister; — e. diachjjlon simplex, eenvoudige loodglilpleister; — e. epispasllrwu of vesicalortum, eeno blaarplelstor; — e. mer-curiSIe, eeno kwlkplelslor; — e. suturnlnxim, eene loodplelsler; -- e. slonmchtcum, eeno maagpleister; — emplastreeren, lat. {empln-slrare) giilfelen, enten, oculoeren (z. aid.); — emplastratie (spr. lie=lsie), r. de grif-fcling, ocuialie mol een schlldvornilg stukje liasl. Emplóo, n. sp. z. v. a. e m p 1 o 1. Emplette, f. fr. (spr. aiipléll-, oudfr. em-plnile, v. emplniler, provenc. empleilar, v. \'1 lal. implicilüre, versterking, v. implicare, vgl. e m p 1 o y e e r en) de koop, inkoop eener waar; bel Ingekochte;—\'emplettes maken, ia-kuopen.

Empleürum, n. gr. (d. 1. met volle zijden) Bol. eene tot do dlosineün hoboorende plantensoort ; van een soort daarvan komen de gc-neeskrachtigo bucco-bladen.

employeeren (siir. uiiploaj—. van lal. implic3re, dus elg. In iels vouwen, wikkoion) aanwenden, lid Iets besteden, aanleggen; ook; beleggen, nitzelleii, plaatsen (h. v. zijn geld ; aanstellen, verzorgen; — een employé pf geëmployeerde, m. een aangestelde, ambtenaar; — emploi, n. fr (spr. aiiplod) hot gebruik, de aanwending; vandaar hel ultzetlon, beleggen eener geldsom; (ook emplooi) de aanslelling, dienst, verzorging, post, bediening, het ambt; de rol in hel schouwspel.

emplumeeren (spr. niipl—), fr. (emplu-mer, van plume, veder) van vederen ot pennen voorzien (een klavier).

empneumatösis, l. gr. (vgl. p n e u m a, enz.) z. v. a. emphysemn; ook inblazing dor luchl.

ompocheeren (spr. ahposj—), fr. (em-pocher, v. poche, zak) In den zak steken, zakken.

Empois, m. fr. (spr. niipnav. empoisser, poisser, pikken, teren, v. \'tlat. pix, genit. picis, pik, teer; fr. empeser) styfsoi, siyfselpap.

Empolokratie (spr. /=(.?), f. gr. (van empole, koopwaren; bandelsgewln) de handels-heheersching, bandelsbeerscbappü, Inz. Ion aanzien van den inkoop der waren.

Emporium, n. lal. (van \'I gr. empórion) eene handelplaats, stapelplaats, marktplaats; — jus emporïi, z. jus; — emporeticus, adj.

voor kooplieden dienstig, koopmans..... inz.

emporetica (sell, charla), pakpapier.


-ocr page 434-

EMPORPHYRISCH 418

EN

emporphyrisch, iulj. gr. lots purperkleurigs; mei purper bekleed.

emportoeren (spr. uiip—), fr. (emporler) Mil. In- of wegnemen, veroveren; —z 1 cli cm-portecron, zich drlfllg mukon, ullvnren, opvliegen; — geëmporteerd, adj. drlfllg, In toorn ontstoken; — emportement, n. (spr. uiijioiimdii) het opbruisen, uitvaren, de drift, toorn, vervoering, baastlgheld, onstulmlgbeUl, opvliegendheid; emporteering, f. de Inneming, verovering.

empótisch, adj. gr. (émpotos) drinkbaar. Empouille, f. fr. (spr. aiipoelj\') nog te veld slaande of aan den boom hangende vruchten.

empraktisch, adj. gr. (émpraktos) werkzaam. krachllg afdoend.

Empreinte, f. fr. (spr. ah-preid\'-, van empreindre, lal. imprimïre, In-, opdrukken) do stempel, afdruk. Indruk.

Emprësis, f. gr. (v. emprclhein, onlste-kon) het ontsteken, verbranden; — emprës-momanie, f. de brandwoede, vuurmanie, de misdadige zoekt om brand Ie stlcliton, als zle-keiyke natuurdrift.

empresseeren (zich), fr. (spr. om—) zieh heyveren, haasten, zyn best doen, streven, voiyverig zUn; — geëmprosseerd, adj. vol-yvorig, bedryvig, vol baast, druk bezig; — em-pressement, n. (spr. unpms\'maii) de yver, aandrang, hedrgvigiieid, werkzaamheid, dlenst-yvor, opniorkzaamheld.

emprisonneeren (spr. anpriz—),lt;{■. (em-prisnnner: vgl. prison) In hechtonis nomen, gevangen zetten; — emprisonnemont, n. (spr. —man) de gevangenzelling, hechtenis.

empróstisch, adj. gr. (émproslhen) voor, van voren, vooraan zich bevindende; — em-prosthokystösis, r, de uitzakking van het borstbeen of der ruggegraat; — emprostho-tonie, f. of emprosthotónus, m. do krampachllge samentrekking des licbaams naar voren (van émproslhen, van voren, en teinein, spannen).

Emprunt, n. fr. (s|ir. aiipruinvan em-pranter, lecnen, onlleenen; 11. imprnnlSre, van lal. in promplu) een geleend voorworp, eeno leening; - emprunt forcé, eeno gedwongen leening; emprunteeren, leenen, eeno leening sluiten.

Empsychösis, f. gr. (vgl. psychosis) elg. bezieling; de vermeende zielsverhuizing;— empsychisch, adj. bezield.

Empsyxis, f. gr. (vgl. psyklor, enz.) de afkoeling, verfrlsschlng.

Empüsa, Empuse of Lamïa, f. gr. Myth, een door Hekate gezonden nachtspook, met een ezelspoot en oogen, die het naar welgevallen uitnam en weer inzette.

Empyöma, n. gr. (v. pflon, oiler), Mod. eeno inwendige etterlng, Inz de elterborst, horst-verzwering, iongverettoring; — ompyesis, f, de vorming van oen ettergezwel; — empyesis oruli, lal. hot etteroog; — empyêtisch, adj. aan Inwendige etterlng, inz. aan Iongverettoring lydende; — ompyocêle, f. gr. eeno etterbreuk, eeno verettering in den balzak; — empyomphalos, m. oen ettergezwel aan den navel.

Empyreum, n. (van \'t gr. émpiiros, In vlam slaand, brandend; v. pgr, vuur) de vuurhemel, de verblyfplaals der gelukzaligen; — empyroïsch, adj. homelseh; — empy-reuma, n. de brandlgo reuk of smaak, do aangebrande smaak van spyzen, liet brandlgo, de brandigheid; — empyreumatisch, adj. brandlg, brandlg riekend; — empyrïe, f. bet waarzeggen uil hol oiTervunr (émpyrnn); — em-pyrösis, f. do brand, verbranding.

em(p)iïo, f. lat. (van em/lrc, koopon) Jur. de koop, aankoop; — emtio commentiha of e. ima-(linarïa, een scbynkoop; — e. spei of in spem, ecu koop op goede verwachting, b. v. van halmen en hoornen vóór de ryphoid der vrucht; e. per aversiónem, een gezamenlijke koop, oen koop by den roes; — e. reslrictiva, een bepaalde of afgemeten koop, waarby het te veel den verkooper, het te kort den kooper te goed komt; e. el venililïo in en sine scriplis, koop en verkoop met en zonder schrlfleiyk verdrag; emlionis jure, naar het kooprecht; —emliönis /cf/e, naar de koopvoorwaarde; — emtor (emptor), do kooper; emtor bonne fiilfi, een kooper Ie goeder trouw, In vertrouwen op de eeriykbeld of bet rechlmatlg bezit des verkoopers; — em-trix (emptrix), f. do koopstor.

Emulatie, z. asmulatlo.

Emulsie (spr. s—i), f. nw.lat. {emulsio, van emulgere, uit- of afmolken) plantenmelk, zaadmelk, melkachligo verbinding van olieachtige en siymlgo stolfen met water, b.v. amandelmelk, als koeldrank; — emulsine, f. of synaptas, n. eeno In de zoele en hittere amandelen aanwezige eiwitachtige slof, die gisting kan opwekken; vgl. amygdallno.

Emunctorïa, n. pl. nw.lat. (van \'t later lat. emunclorïum, snulter, van emungUre, uil-snullen) Med. afvoerende vaten, reinigende organen, b. v. de neusgaten.

emundeeren, lat. {emundare; vgl. ni u n-dum, enz.) reinigen; — emundantia (spr. t=ts), n. pl. Med. uitwendige, tot reiniging van wonden en verzweringen dienende middelen; — emundatie (spr. t-ls), f do reiniging.

emumtas, f. mld.lat. (v. lat. munus, dienst, pllebt) nw. lat., bevrydlng, ontslag, voorrecht, enz. der geesleiyken, z. v. a. immuniteit; emunïlas regia, een koninkiyko vrUbrlof.

Emuscatie, f. lat. het wegnemen vim het mos aan de hoornen; — emusceeren, van mos reinigen.

Emys, f. gr. {êmys, gen. ümyos) de zoet-walerschildpad; — emydosaurisch, adj. schildpad- en hagedisachtig.

én- of (vóór lipletters) cm-, gr. z. v. a. het fr. en, em (spr. aii) een voorzetsel in vele samenstellingen, betoekenonde in het algemeen 1 n, 1 n w a a r t s.

en, fr. voorzetsel: In; z. en arrihre, enz.


-ocr page 435-

ENCHAIN KEREN

419

ENACT

Enact, n. nw.lal. do vorordonini?, hot lic-~liiil; — enactief, adj. verordend, bepnnld; verordenend; — enactor, in. dg vorordenaar, verrichter.

Encemon, n. (énaimon, van haimu, bloed) Mod. een middel legen bloedingen, bloedstelpend middel; — ensBmisch, adj. bloedig; met bloed voorzien, bloedstelpend.

enaërisch, adj. gr. (vgl. ner) lucbtvor-ndg, lucbtkiourlg.

E nseoröma, n. gr. (enaidrëma, bet daarin zwevende, v. uiürein, zwevend bewegen) Med. een urien-wolkje, een In de pis drUvend wolkje.

Enakskinderen, menseben van reus-acbtlge gestalte, zoo gebeeten naar de kinderen van Knak, die in de boeken van Mozes en Jozna vermeld wordon.

Enallago, f. gr, (v. en-alldssein, verruilen, verwisselen) Gram. de verwisseling van bot eene woord met het andere, Inz. de verwisseling van rededeolon derzeltde soort ten opzichte van hunne afstamming of bunnen vorm, b. v. van het abstracte substantief met liet concrete, van den eigennaam met don soortnaam, enz.; ook wel de verandering van bet eene rededeel In bet andere, li. v. van oen zelfstandig In een büvoeglUk woord; — enallisch, adj veranderd, omgekeerd, verwisseld; — enallosté-gisch, adj. met om vele punten gelegen af-dcelingen.

Enamorado, in. sp. de verliefde, minnaar.

Enanthëma, enantheom, n. gr. (vgl. antbos, enz.) Inwendige buldullslag, inz. de slilmbnid van bet darmkanaal.

Enantiodromie en onantiotröpie, f. gr. (van enanlios, tegenover) bet te-ge-moet-loopen, de tegenwerking, bet voortdurend te-gen-elkander-werken der dingen, waardoor het eene ontstaat, lenvyi bet andore vergaat; — enantiologlo, t. de tegenspraak, tegenrede;

— enantiopathie, f. z. v. a. allopatble (z. aid.); enantiophame, f. scbUnbaro tegenspraak; — onantiósis, f. de tegenstelling, tegenspraak, tegenstrUdlgbeld (waarin, volgens Pythagoras, de grondwet van alle leven ligt).

Enargio, f. gr. [endrueia) de oogensciiün-lykheld, duidelijkheid, klaarheid, z. v. a. evidentie (z. aid.); — enargisch, adj. (gr. enarges), duhleiyk, in het oog loopend, aan-scliouwoiyk, Hjfeiyk.

enarmonico, it. Muz. z. enharmonise h.

enarreoren, lat. [emirrare) verhalen, ver-iellen, verklaren ; — enarriibel, adj. verhaalbaar, verklaarbaar; — enarratie (spr. l=ts), f. de vertelling, het vertiaal, de verklaring

en arrière, z. arrière.

Enarthron, n. gr. (van drlhron, lid, gewricht) een vreemd lichaam in een gewricht;

— enarthrösis, f. gr. Mod. de Invoeging of tntatlng van een beonderboofd in zyne botte of zyn bekken; de diepe beweeglyke geleding.

emistrisch, adj. gr. (van aster, ster) gestemd; aan den Invloed der gesternten blootgesteld.

enatmisch, adj. gr. (van almé, damp) dampig, vol dampen.

en utlendanl, z. oud. attendee ren. enaudisch, gr. (van auilc, geluld, stom) stemhebbend, sprekend.

en uvanl, z. umnt; — en bas, z. bas; — en Wane, z. ond. li I n n c; — en bloc, z. bloc.

Encablure f. fr. (spr. (ink—) eene maat van 200 meter op zee.

encadreoren (spr. ank—), fr. [encadrer; vgl. cadre) In eene lysl zetten b. v. oene scblldery; ook Insluiten, in r(i en gelid plaatsen; — encadremént, n. (siir. —man) de invattlng, lijst, rand, lid raam.

oncageoron (spr. ankazj—), fr. (encaijer, van rane, kooi) in eene kooi opsluiten.

Encan, n. fr. (spr. aiikdii) verknoping bij opbod, auctie.

en canaille en oncanailleeren, z. c a-n a 111 e.

en carrière, z. carrier e.

Encanthis, encathisma, encau-stiek, enz., z. enk—.

Enceinte, f. fr. (spr. ««.«—,• van encem-dre, omgorden. Insluiten, lat. incinnêre) Mil. do wallen met of zonder de buitenvesten, de ge-zamonlUke liultenwerken eener vesting; bü Jagers: de omsluiting van tiet wild; ook de besloten plaats, omheining, oniwalilng, ringmuur.

Enceladus, m. gr. Myth, een geduchte reus, door Jupiter b(j de bestorming van den Olympus overwonnen, op bet eiland Sicilië ne-dergeworpen en daar met den Kt na bedekt. De uitbarstingen van dien vulkaan en de aardbevingen op Sicilië getuigen van den benauwden toestand, waarin liil zich daar lievindt.

Encensoir, n, fr. (spr. uüsaiisodr) wierookvat vgl. incensorluni.

Encephalos, m. of encephalum, n. gr. {enképhalos, d. 1. wat in bel hoofd is; van kephalc, hoofd) bet lioofdmerg, de hersenen ; — encephalalgle, f. bet bersenlUden, eene ziekelyke aandoening der hersenen; — encephalitis, f. de ontsteking der hersenen; — encephalocêlo, f. de bersonbreuk; en-cophalodynio, f. hersenpUn, boofdpyn; -oncephalognomiek, de hersenkunde; schedelleer; — encephalolith, m. hersen-steen, steenachtige massa in de hersenen; — oncophalotithyasis, f. eig. hersenver-steening; gedeelleiyke verharding der hersenen, vorming van steenen daarin; — encepha-lologie, f. de liersenleor; - encephalo-malaxis, of —malacie, f. de horsenver-weeking; encephalopathie, f. een her-senlUdcn; — encephalophyma, n. het hersengezwel, uitwas der hersenen; — ence-phaloskopie, f. onderzoek der hersenen; ook z. v. a. kranloskopie; — encepha-lotomie, f. borsensnede; ontleding der hersenen.

enchainooren (spr. aimjén—), fr. (en-


-ocr page 436-

ENCHANTEERKN 420 ENCVKL1SCH

chuiner, vfil. c lm Ine) mol elkander verbinden, imneenseliiikelen, aan elkander ketenen; — on-chainement, n. (spr, niisjénmaii) de aan-eenscliakelliiK, samenlmtiK; de reeks,

enehanteeren (spr. aiisjant—, fr. en-chanter: van \'t lal. incanlBre) belooveren; verrukken, Innenieri; — ReBnclianteenl, adj. lielooverd, verrukt; — enchantement, n. (spr. ansjmil\'man) de betooverlng, verrukking, opKctegenlield; — enchanteur, m. eon loo-venaar, lietoovenaar; onchanteresso, f. toovonaros.

Encharaxis, f. gr. (van en-chardmin, Inkorven, krassen; vgl. karakter) Chlr. de inkerving der huid, het koppen (scariflcatle);— encharaktisch, adj. lol hot koppen lio-hooronde.

enehasseeren ispr. ahsjass—), fi-. (en-ckAsser, van chassis, ■/.. aid.) vatton, invatten, zetten; — enchassüro, f. de Invalling, zelling van paarien en edeigestoenten.

en chef, z. ond. chef.

Encheiresis, r. gr. (van encheirem, haiul aanleggen, van cheir, de hand) i)eiiaiideling, hand-groep, inz. iiij hel opereoren;- encheiridion of enchiridion, n. een handiioekje, eou iic-knopt ieerhoekje van deze of gene wetenschap.

Enchélys, f. gr. do aai; — onchely-oïden, pl. dieren met rolvormig lichaam; — oncholoidisch, adj. aalvormig; — enche-lysömisch, adj. met aalvormig lichaam.

Enchénte, f. port. (spr. enlsjente) vlood (hol togengesl. van vasanle, oh).

Enchère, f. fr. (spr. aiisjér-, v. dier, duur) hel ophod, overhod, hooger hod; — enche-roeren, encherisseeren fr. cnrhérir) over-hieden, den prijs verhoogen, duurder maken.

en clti/fres, fr. (spr. aii sjielfr) in cgfors, in geiioimsciirift.

Enchiridion, z. ond. onchelrésls.

Encholirium, n. gr. (van enthos, spies, zwaard en leirion, lelie) Hot. de stoonleile.

Echondróma, n. gr. een Inwendig kraak-heongezwei.

enchórisch schrift der Egyptenaron (van hel gr. enchurios, Inlandsch, inheerusch) z. v. a. demotiscli schrifi (z. aid.)

Enchrisis, f. gr., vgi. (chrisma, enz.) de inzalving; — enchrysma, n. zalf.

Enchymöma, n. of onchymösis, f. gr. (vgl. e h y m o s en e h e m 1 e) Med. de uitstorting van sappen in ilcliaamsdcelon; — en-chyta, pl. inspultmiddolon.

Encierro, m. sp. iiü hei stierengevecht de Intocht der stieren In het circus, waar z.y In do stallen opgesloten worden.

Enclave, f. fr. (spr. ahklaav\'-, van enda-ver, z. lager) gebied, rechtsgohied, inz. een door vreemd gehied ingesloten land, in vreemde lauden liggende heziltingon, ingosiolen grond, ook enclavure; enclaveeren, fr. (enda-ver, v. \'1 mid.iat. inelavare, insluiten, v. \'t lat. claris, sloutei) Insluiten, met vreemd gebied omgeven.

Enclitica, enz. z enki .

Encloture, l. (spr ankloluur\') fr. (en-rltilure, van enclore, lat. includSre, Insluiteni omiieining, Inluining, insluiting.

Enccelialgio, f. gr. (van enkoitta, de ingewanden) Med. hulk-of IngewandspUn; — en-coeliltis, f. ih^ ontsteking der hulksingcwan-den, darmonlsleking.

Encolpinm, z. en kol pion. Encombrement, n. fr. (spr. aiikou-br\'indii, van enenmbrer, it. ingombrare, door puin versporren, v. \'1 lal. cumulus, hoop, porl. eombrn, aardhoop) de versperring door puin. heleminering, verstopping, hindernis, vordrlele-

lykheid.

Encomium, z. e n k o m ï o n; — en com-paraison, z. ond. com pa ree ren; — en con-finnce, z. ond. confideeren.

encore, fr. (spr. aiikdr), z. v. a. het II. (in-cnra, v. \'I lal. ml hanc horam, lol dit uur, nog oens, da capo!

en corps, fr. (spr. aiikór), z. In corpore. en cost unie, fr. z. onder costume. en couleur, z. couleur, oncourageeren, fr. (spr. aulioera-zj—, vgl. courage) hemoedlgen, moed inspreken, aanmoedigen, opwekken, aansporen, aandi\'Uven, aanvuren, aanwakkeren, aanzeilen; — encou-i\'ageant, adj. (spr. aiikoernzjaii), opwekkend, homoedlgend, enz.; encouragement (spr. -ra-tj\'mdii), hemoediging, opwekking, aundrij-ving, aanwakkering.

Encratiten, Encriniet, z. enkr—. en croupe, fr. (spr. au kroep\') achterop (hel paard), op hel kruis.

Encyanthus, m. Bol. de prachlkiok, uil de familie der erlcarien of hoideplanlen.

oncyklisch, adj. gr. (enkijkttos, om vgl, cyclus) in eenen kring omloopetul; —enoy-ciium, n,, of encyclica, f, (scil, epislola gewoonlijk encycliek, f een encykilsclie h r i e f, rondgaande hrief, circulaire; inz, een aanschrijving of mandement van don paus aan do aarlshlsschoppcn en hisschoppen; — en-cyklopaedio, f (gr. enkyklopaideia, liever enki/klios pmleia: paideia, opvoeding, onderwUs de kring of omvang der lot eene omvallende wetenschappeHjke vorming lieiioorende kundigheden, en liet kort hogrip of ieergehied der we-ionschappen in het algemeen, of der lol een hyzonder vak hehoorende (li. v. phiiosophi-sciie, theologische enz. encykl.), inz. de groote fr. eneykiopiedie, door I)ideroi In de 18de eeuw ontworpen en door veie lie-roenide mannen (iiulTon, Kaynal, d\'Aiemberl, Condlilac, lleivotlus, Mahly en andoren) hear-held, In welker philosophische ariikois men eene voorname aanleiding tol de revolutie van 17N\'.i vindt; alpha li et Isch e en cy klo paid ie, of encyklopaidisch woordenboek, een woordenboek voor zaakkennis, woordenboek der samenleving, der conversatie; — eney-klopsedisch, adj. algemeen wetenschappeigk een algemeen overzicht der wolenschappen, he-


-ocr page 437-

EN EFI\' ET

EN DAS Kil

hulzondo of gnvendo — encyclopedisten,

in. pi. «Is,\', de Jioarholdoi\'s der groolo fr. oncy-klopuiillo In do vorlgo eeuw; liopualr iiji» vormtaal men onder dien naam hare iiIIkovois i) I-derot en Alombort, en die mannen, wolke zich In letterkundig opzicht om die helde mannen, en In maatscliappoiyk opzicht vooral om den haron Holbach, schaiiiden-, encyklo-pasdisme, n. de cncyklopiedlgcho leervorm, inz. de wUsgoerlgo grondslclllngen on mot de aangenomen godsdienst hegrlppon deels slrljdlgn meonlngen der fr. encyklopaïdlsten ; — ency-kloposie (spr. s—z), f. hot ronddrlnken, hot rondgaan van don hekor.

Endaseh (endazoh, hendilzé, en-désoh, pik endaseh), m. de vroeger ge-hrulkolüke kleine of korte cl In \'i\'urkyo en (Griekenland = «18 of «53 niM.; In WallachUe nog thans gohrulkellik voor katoenen, linnen- en hen-nepweefsels en = «11 mM. (vgl. hAlehl).

Endécha, f. pl. ondeohas (spr. emlél-jus: v. \'I lat. indicia, als \'I ware: hel daarlo-gen gezegde) sp. klaagliederen, Hjkzangen, uit vierregelige stanzes hoslaande

Endéixis, f. gr. (v. en-deiknytwi, daaraan loonen, aanwijzen), z. v. a. Inillcalle, z. aid.

Endekagoon, en endekasyllabum, z. hendekagoon, enz.

Endomio, f gr. (v. éndemos, Inhoemsch, van dêmos, volk) Mod. oene hoerschende lands-zlekte, hiheeinsclie plaatselUke, uil lucht en lo-venswys voorkomendo /.lekte, onderscholden van epidemie (z. aid.); — ondêmisch, ailj. (van ziekten), aan een land of oen volk eigen; Inhoemsch, Inlandsch. phiatseiyk.

en dépif, z. d o p 11; — en dciml, z. onder il e po nce ren.

endermatisch, endértnisch, adj. gr. (van (tónna, huid) Med. In de liuld liggende; op de huid, inz. de ondorhuld aangewend, h.v. endorniallsche middelen = endormatica,

n. pl.; — endermatisme, n. do..........

dlng van geneesmiddelen op de van opperhuid ontldoote onderhuid.

Énderoen, n. porz. liet quot;lilniieiisloquot; ver-Irek z. v. a. harom.

en dhhabiHf, z. (1 os ha Ij 1116; — c» détail, detail.

endetteeren (spr, aiidelleeren), fr. {en-delter, v. delle, v. \'I lat. debfla, pl. v. debflum, schuld) In schulden slekeii; — goünde11oord, aiij. met schulden holndon of heiast. Endiadys, z. hendiadys. Endiometer, n. gr. (van éndius, op den middag) een moridiaannieler.

End.joo, m. ahyss. dwerghokje.

Endl., hü hotanlscho henamlngen afk. voor S 1,. Endlichci\' (gesl. 18111).

Endogeen, endogénisch, gr. (van éndon. Inwendig) Inwendig ultgroeiond; endogene rotsen, rotsen die In een weoken of half vicclharen toestand hl) eene uitharsting zyn opgerezen; — endokardmm, n. Mod. de Inwendige vlakte van liol harl; — endokar-dïtis, f. onlsteking daarvun; — endokar-pium, ii. Hol. het Inwendig vruclithuisel; ontsteking dor haarmoeder; — endoperikar-ditis, f. ontsteking der in- en uitwondigo vlakte van liet hart: — endopleura, f. hol Inwen-digo zaadvlles der planton.

endommageeren (spr. andnmmazjéeren), fr. {endommaner, van dommune, schade; vgl. dodommagoeron) hoschadigen, nadeel of schade toebrengen.

Endoparasiet, m. gr. (vgl. parasiet) woekerdier dat in gesloten holton van een ander dier leeft.

Endorrhizon, n. gr. (v. éndon, inwendig, en rhidza, wortel) Dot. een gewas, dat den worlel uil den kiem scliiol.

Endósis, f. gr. (v. en-didóna, aangeven, toegeven) Mod. liet vormindoreii, afnemen eener ziekte.

Endoskoop, m. cliirurglsch Instruinenl ter bezichtiging van nauwe kanalen en hollen in/., der pishuis en -blaas, bestaande uit oen Invoel bals en voriichlingstoostei.

Endosmöse, f. gr. (mislukte woordallel-ding uil endon. Inwendig en den verkeerden vorm osmósis, in plaals van osmêsis, liet ruiken in den zin van inhaling eener uitwaseming), de In-of opzuiging eener minder (lichte vloeistof door oene dichtere, door middel van een daartusschen geplaalslcn poreuzen wand (vlies, gebrand leem), hel tegongesioldo v. e xos mose; — endós-mometer, m. een werktuig om die inziil-ging Ie meten en te onderzoeken.

endo.yionnirus, a, uw, lat. Bol. klemwil-houdend.

endosseeren (spr. aiid—), fr. (endosser), of indosseeren, li. (indassürc, van \'1 Hal. dosso, fr. dos, rug, lal. dorsum] oenen wissel door een opschrift aan /ijnc keerzijde aan een ander overdragen of afslaan; — endossant (spr. uiidossan) of endosaenr, ook indossant, m. de overdrager van een wissel, hij, die den wissel endosseert; indossaat, m. de persoon, aan wlen de wissel is overgedragen; — endossement, fr. (spr. uiidoss\'mdii), indossement of indósso, li. n. liet over-drngen van oenen wissel op een ander (door op den rug te sclirijven).

endowed, adj. eng. (spr. —daud\') begiftigd, beschonken, b. v. endowed schools (spr. skoels), met een fonds begiftigde scholen. Endroit, m. fr. (spr. ahdvoa) plaats, plek. Endymion, m. gr. Myth, een schoone herder, vermaard om de liefde, die hij, »do /.os-ter vau do zon,quot; Diana, inboezemde, welke godin lol hom afdaalde lerwyi hij In slaap lag, om hem le kussen; een jonge langslaper.

en écharpe, z, e c li a r p e; — en échec en en éclii(iulcr, z. échec ,■ — en échelon, z. oud. échcllc.

Enechêma, n. gr. {enichima, van em-chUin, inklinken) Mod. hel oorgesuis; — ene-chêsis, f. hel ontstaan daarvan.

en effet, z. onder effect; — en égard, z. ega rd.


-ocr page 438-

ENGHIL

ENEMA

422

Euoma, n. nr. (v. eniemi, ik hint of worp In) Mod. hot Inspultoii of hot liiKospolone, hoi klystcor; enemata, n. pi. mhldolen, dlo door don aars in hol lichaam govoord wordoii.

Energie, f. gr. (cn-injeia) workzaunihold, con hoogor ot slorkor grand van wcrkkrachl, nadruk, vunr, klem; — energico, enerqim, cncrqi-cumente of can cnergia (spr. !i=ilzj), II. Muz. met krachl, nadrukkolUk, krachtig; — enér-gisch, adj. (gr. cnernas, van érgon, work, daad), werkzaam, krachtvol, nadrukkoiyk, krachtig, vurig; — energiseeren (spr. s=z), krachtig ot werkzaam maken; — energumeen, m. gr. (energumSnos, van energsiti: olg. oen ho-workto, n.l. door een boozon geest) oen liezo-tono, dwepor, waanzinnige; — energumé-nisch, adj. dwepend, waanzinnig.

enerveeren, lat. {cncrvSn1 .■ vgl. nervus) ontzenuwen, krachteloos maken; verzwakken, uilmergolon; — enervatie (spr. l=ls), f do ontzenuwing, verzwakking, uilputting, uitmergeling.

enervus, «, urn, lat. Bot. zonder norven of rihhon.

en escarpins, z. oscar pi ns;—en espagnol, z. espagnol; — en espalier, z. espalier;

— en espèces, z ond. espèce; — en élal, z. ei at; — en éven tail, ■/.. éven tall;— en extase, z. ond. ok stasis; — en face, z. faco;

— en familie, i. ond. familie.

enfant, n. fr. (spr. aiifaii, kind; — on-fants de Prance, «kinderen van Frankrijkquot;, vroeger de titel der wettige kinderen en kleinkinderen, alsmede dor hroedcrsklnderen dos ko-nings van frankrijk (de verdere hloedverwanten heetten princes du sang, prinsen van den liloede);

— enfants de troupe (spr. troep\'), op slaatskoslon In de kazernes opgevoede zonen van ondoronicleren en soldaten (in Frankrijk); — enfants perdus, pi. (spr. imfah perdu, olg. verloren kinderen; Mil.oertUds lichte voorlroepen, die hot eerst moosten aanvallen, storm loopen, enz.; In gevaar verkeorondo voorposten; waaghalzen; — enfants sans souci, (spr. sun-soesi), tooneelspolersgozelschap te Parijs In de 15e en llio eeuw (eig. quot;kinderen zonder zorgenquot;); — enfant terrible (spr. terribet), olg. quot;Schriklljk kindquot;) praatachtig kind, dat door het oververtellen van gehoorde of geziene dingen verlegenheid doel ontstaan; lid van oen gezelschap dat de andoren compromitteert, of in angst iloet zitten; — enfant trouvé, (spr. troeml) vondeling; — enfance, f. (spr. ahfahs\') de kindsheid; — enfantillage, f, (spr. -li-IJaazj\') kinderachtigheid; — enfantin (spr. aitfaiiléii), kinderaclitig.

enfutico, enfalicaménte, it. Muz. mot nadruk, nadrukkelijk; vgl. omphatlsch.

en faveur, ■/.. f a v e » r.

enfileeren (spr. au—), fr. {enfilerv. fil, draad = lat. filum) olg. eenon draad insteken, aanrijgen, h. v. paaiien; (iemand in een onderneming of gevaar) verstrikken, Inwikkelen , MM. overlangs hestrljkon, met kanon beschieten; ook ovorlellen (by liet whistspel); — enfilade, fr. (spr. au/ilaud\') eeno volgrll, h. v. van kamers; ook z. v. a. enflleraent, n. (spr. aii/lel\'mdii) de bestrijking mot geschut, bot beschieten van tor zijde, inz. hij verschansingen.

enfin, fr. (spr. aiifeit) eindeiyk, ten slotte, in het kort, met Óen woord.

enflammeeren (spr. ahflaméeren), fr. (en-llammer, v. /lamme, vlam) ontstoken, aansteken, doen ontvlammen.

Enfleurage, f. fr. (spr. aiifleuraazj) iiel verkrijgen door middel van een vet (zonder hitte) van de vluchtige ollOn en reukstolfen der bloemen.

enfonceeren (spr. oiifons—), fr. [enfon-eer: v. fond, grond, dioplo) in den grond dryven, den bodem inslaan, doorbroken, inbreken, doorboren; verzinken. Inzinken; — enfonce-ment, n. (S|)r. anfons\'mdii) de Indieping, verdieping, do donkere zijde, achtergrond van eeno schilderij.

enforceeren (spr. au fors—), fr. {enforcer: vgl. force) versterken, sterker maken. en front, z. front.

enfumeeren (spr. ah—), fr. {enfumer, van fumie, rook) rookon, berookon, doorrooken, be-smoken (inz. met tabak).

engageeren (spr. angazj—), fr. [engager, olg. verpanden, van gage, pand) verbindend of verplichtend maken, verpllchlon, In dienst nemen, aannemen, aanwerven, overreden, overhalen of bepraten, bewogen, noodigon; zich lol iels verbinden, zyn woord geven, zyne eer verpanden; Mil. oen gevecht beginnen; — geOn-gagoerd, adj. verplichl, verbonden, enz.; beloofd, verloofd, verzegd; Mil. In een siryd gewikkeld; engageant (spr. augazjaii), in-nomond, verpllchlend, ulllokkend, aantrekkeiyk; — engagement, n. (spr. —md/n meestal als nederl. —ment) do vorplichling, vorhinle-nis, verloving; verpanding, dionstaannoming, aanstelling, dienst, hot ambl, de bediening; ook een gevecht.

en gala, z. gala; — en garcon,/.. gar con. Engano, m. sp. (spr. —ganjo) bedrog. Engareb, n. arab. oone soort van rustbed of sopha In \'t Oosten, bestaande uil een raam van slevig hout met een daarover gespannen vcerkracbiig nel uil strooken van ossenhuid, o|i hetwelk een lapijl ullgospreld is.

Engastriloog of engastrimyth, m. gr. (van gaster, buik) oen buikspreker, z. v. a. ventriloquist; — engastrlmantis, m., pi. engastrimanteis ofengastriman-ten, iiulkwaarzeggers; buiksprekers als profeten; - engastrimantie (spr. tie=tsie), f bulkwaarzeggery, voorspelling door middel van \'I buikspreken; - engastromythisme, n de buiksprekerskunst.

Engels, ii. oen onderdeel van bet oude pond trooisch gewicht = ons of l,rgt;;is(ii gram. en géneral, z. generaal.

Enghil, m. turk. In den koran; bet nieuwe testament, ovenais laural (wel) hel oude.


-ocr page 439-

ENGINE /t\'23 ENKOPE

Engine, n. of r. (iiik. (spr. endtjin) inii-chlno; — engineer (spr. emlzjinier), ingd-nleur {■/.. aid.)

english, adj. ong. (spr. inglisj) onf?ol8Ch;

— Englishman (s|)r. iniilisjmcn), Engolscli-man; — the English, do Engolsclion.

engliseeren, z. a n r 11 s o e r o n.

englouteeren (spr. aiialuel—), fr. (englou-tir.- vgl. glouton) doorslikken, verslliulon, door-brongon.

Engonaden, in. pi. gr. (van ui\'my, knlo) egyptlscho llguren, die op dc knlcfin rusten.

engourdeeren, engourdisseeren,

fr. (enoourdir: spr. aiiuoerd—) vorstyven, siyf of gevoelloos maken, verslappen, verdooven, loom of slaperig worden of maken; — engour-dissement, n. (spr. —dis\'mdii) liel versty-ven, slapen der ledomalen, de verdoovlng.

Engraisserie, f. fr. (spr. aiigrèss—, van engraisser, vetmaken, van graisse, vel) eene la-rlelillng lol volmaken, meslerU; — engrais-seur, m. een inesler, vetmaker (van vogels, enz.)

en grande tenue, ■/.. oud. grand.

Engrêlure, f. fr. (spr. angrèlüür\': v. grêle, hagel) een gelande rand, randversieringen met afgeronde punten (aan borduurwerk, kanl, enz.)

en (/ros, z. gros.

En gymeter, n. gr. (van engys, nahU) een werktuig lot meting van geringer afslanden;

— engyskoop, m. een naliykyker, vergrootglas, loep.

en haie, ■/.. li a 1 e.

enhardeeren, enhardisseeren, fr.

(enhardir: spr. ahliard--, v. hardi, koen, sloul) verstouten, stout, moedig, vrypostlg, vermetel maken.

enharmóniseh, adj. gr. (vgl. li a r m o-

nle) Muz. elg. In de liarmonle liggende en daaraan gebonden-, geschikt, gepast; e n har mollis e he tonen z.yn die, welke eene dubbele rol spelen, al naardat ze tol de eene of de andere tonenreeks behooren, waardoor /.y met hun stemming of klourschakeerlng tegeiyk van naam veranderen, zooals els of des, gis of as; o n h a r m o n 1 s c li e l o o n s o o r ten, dezulke, waartoe dezelfde loon onder verschillende benamingen behoort, zooals dis-mol of es-mol; hy de Grieken heette de bun eigen toonladder onharmonisch, waarin de helde eerste Intervallen kleiner dan halve tonen waren.

en haat, z. haul.

Enhérion, m. (vgl. elnherlar) in de oudd. godenleer: de verzameling der belden in den hemel of VY a 1 h a 11 a.

Enh^dris, f. gr. (v. hijdór, water) de wa-terslung; — enhydriet, m. eene soort van chaleedoon (z. aid.), die somiyds waterdruppels In zlcb besluit.

Enigma, enigmatisch, enigmati-seeren, z. ajnlgma, enz.

Enimba, f. een groole west-afrlkaansche palmbocm.

eniteeren, lat. (enitêre) beroemd worden, uitblinken.

enivreeren (spr. aniw—), fr. (enivrer, van turf) dronken of beschonken maken, eenen roes aanzetten; bedwelmen, verblinden.

Enjambée, f. fr. (spr. amjaiM : van en-jamber, overscliryden, van jambe, been, sp. en 11. gamba, van celtlscben oorsprong) schrede met wydullgeslrekte voeten; enjambe-mént, n. fr. (spr. aiizjaiib\'mdii) Po6t. bet overstappen, overspringen, de oversprong, de onafgebroken voortgang van den zin des eenen versregels In den anderen.

enjortado, adj. sp. (spr. ench—) door enting of oculalle veredeld (ook enxertado;,

Enjeu, in. fr. (spr. ainjeu -, van jeu, spel) do Inzet In \'tspel

enjouó, adj. fr. (spr. ainjoe-é) vrooiyk, lustig, opgeruimd; — enjouement, m. (spr. aiijoe\'mdii) vrooiykheld, opgeruimdheid.

Enkanthis, f. gr. (van kanlhh, ooghoek Mod. hel Iraankllergezwel; enkanthis inflamma-toria, de ontstoken traanhenvel; enkanthis scir-rhosa, hel knoeslgezwellelje van den traanhenvel ; enkanthis carcinomatösa, de kanker van den traanhenvel.

Enkathisma, n gr. (van en-kathdzein. Inzeilen) Mod. een bad, waarin men lol aan den navel In het water zll, het halve had, zil-dampbad.

Enkaüma, in. gr. (v. kauma, brand, kaiein, branden) Med. elg. bet Ingebrande; eene diepe brandende zweer van hel hoornvlies; — en-kausis, r. het inbranden; — enkaustisch, adj. Ingebrand; — enkaustiek, f. of enkaustisch schilderwerk, Ingehrand schilderwerk met wasverven (in plaats van olieverven), het wasschilderen, waarby hel bind-middel in het onderliggende vlak Ingebrand werd. De Ouden kenden :i soorten van dit procédé, dal In de middeleeuwen verloren ging (vgl. pu-nlsch was).

Enklisis, f. gr. (elg. de aanlenulng, over-bulglng, van en-ktinein, aanleunen) In de grlek-sche taal hel lerugwerpen van hel accent eens woords op bet voorgaande woord; — enkli-tika, f. of onklitisch, adj. heel een woord, dat zyn accent op hel voorgaande woord terugwerpt.

Enkolpion, n. gr. (van kóljm, boezem) elg. Iels, dal zleb aan den boezem bevindt; vandaar een aan den bals gedragen doosje mei reUqulen; ook hel borstkruis der bisschoppen

— enkolpisme, n. Med. het Inbrengen of Inspullen van geneesmiddelen In de vrouwelyke scheede.

Enkomïum of gr. enkomïon, n. (van kömns, feestelUke viering) de lofrede, hel lof-schrift; — enkomiast, m. de lofredenaar;

— enkomiastiek, f. de lofredekunst ; — enkomiastïkon, n bet lofdicht; — en-komiastisch, adj. op de wyze des lofredenaars, lovend, pryzend.

Enkópe, f. gr. (enkojia, v. cn-kóptein, In-snyden) eene Insnede, spleet; Med. eene sny-of bouwwond, tnz. In de hersenpan.


-ocr page 440-

ENQUÊTE

ENKRATIE

424

Enkratïo (siir. lt;=/.«), t. ttr. {enkrdleia, v. kraUin, sterk zUn, hoheorsclicn) do Kiive der ontlioudliij!, zolflielioorschliiK; — enkratie-ten, in. |il. oiilhoudznmon, miitlKcn, imam cener (inosllsche socle, die /li\'li van liet liuwoiyk on liet golirulk van vleesch en wyn nnlhleld; nuk tat I a n i s t e n, aid.

Enkranioten, m. pl. Kr. (v. krinon, lette) loltesteonen, do vorsteenin(f eener voorvvoreld-lyke plantdieronsoort; de afzonderlUke dooien van don sleet hooien troch leien en on-1 roe hiel on, rmlersteenen, honiraclus-penntn-gen, enz.

enlaideoron, enlaidisseeren (spr. unlétl—), fr. ienlaidir, v. luid, loetgk) loeiyk ma-kon, intsvormon.

Enlevage, r. fr. (spr. aiil\'waazj\'i van cnlc-ivc, wepnomon) hol wegbyten, wognomen; ets-druk, oen oiilklonrond, roods voorhanden klou-ron vorniottgend middel (hy \'1 verven on ka-loondrukken); — enlovooron, opltchton, wegnemen, wegdoen.

en tigne, i. tig n e.

enlumineeron, fr. (eulumincr; van tal. hmen, licht) met kleuren afzeilen, dokken; kleuren.

en main, z. main— e» maitre, ■/.. onder mallro; — en masque, z. ond. masker; — en médaillon, z. m e (I a 111 o n; — en miniature, z. miniatuur.

Enneatéris, f. gr. (v. ennéa, negon, on i\'lm, jaar) een negental Jaren; oen lydrnlmlo van of otg. s Jaren, hy do oude (Irleken een cyklus voor zekere foeslen, dlo In hot negende jaar terngkoerdon; - ennata, n. pl. In de oudheid: ollors op don «don dag na de hografouls; In do gr. kerk; goheden voor oenen overledene op don Oden dag na zynen dood; — enne-achórdisch, adj. negensnartg; — ennea-daktylisch, met negen teenen; — ennon-de, f. een getal van negen-, — ennoado-kaëtëris, f. nogentlenjarlge cyklus der maan-portoden; - ennoagoon, m. een negenhoek; — enneagynio. f. de ptantonklasse met negen siijtijes; — ennoahexaëdrisch, adj. \\iorenvyflig-lioekig;-onneakontaedrisch, adj. negenltonhoektg; onnoandria, n, pl, zulke planten, welker Iweostachtlgo hloemon negen vryo meeldraden hehlien, do 9de klasse In hel stelsel van I,.; — onneanthérisch, adj. met negen stampertjes; — enneapetalisch, adj. mei negen htoomhladercn; — enneaphar-macum, n. een geneesmiddel uil negen lie-slanddeelen; enneaphylliach, adj. met uit negen blaadjes heslaande hladeren; — en-neapterygisch, adj. met negen vinnon; — enneaspórmisch, adj. negen zaadkorrels hevallende.

ennobleoren, ennoblisseeren, fr.

{ennnblir), z, v. a. anohloeron {■/.. aid.)

ennoëmatisch, adj. gr. in den geosl zot-ven gevormd.

EnnosigtBOS en ennosichton, m. gr.

(v. énnnsis, énn.tis, beweging, schokking, on f/aïa,

gi, do aarde) de schokker der aarde, oon llo-inerlscho bUnaam van ISeptunus.

Ennui, m. fr. (spr. aiiwi: II. noja, v. \'I lal. in odio, in baat) de verveling, hel verdrtol, ongenoegen; — ennuyeeren (spr. aiiwi-jéeren), verveling veroorzaken, vervelen; lastig worden;

— ennuyant of ennuyeux, adj. vervelend, iangwytlg, verdrielig, lastig.

enodeoren, lat. (enodare-, v. nndus, knoop) onlknoopen, ontwikkolen, oplossen; — ono-datie (spr. I=ls), f. {emdatto) de ontknooping, ontvvikkoling, optossing.

enodis, lal. Kot. ongoknobbold.

enódisch, adj. gr. (enndios, van en- en hn-dós, weg) tot den weg behoorende, onderweg gebrulkolük.

enódmisch, adj. gr. (énodmos, van en- en odmë, reuk) riekend, geurig, frisch.

enoediach, adj. gr. (enodés, van en- en odns\' gezwel) gezwollen.

enólmisch, adj. gr. {énnlmos, van en- en hólmos) op den driovool zillonde, vooispeliend, profeteerend.

Enomotie (spr. t—ts), f. gr. (enomólUi, van en ómolos, wie gezworen beeft) in \'I algemeen eene schaar van beeedlgde krygslleden; inz. by de oude Spartanen eene bende van 23 tol man; — enomotarch.es of eno-motarch, m. de aanvoerder van zulk eene schaar.

Enoptromantie (spr. tie=lsie), f. gr. (v. énoplron, spiegel) de splegehvaarzeggery, wicbe-larü door spiegelkyken; — onoptromant, in. de spiegolwaarzoggor.

en ordre, enz., z. ond. ordre.

enórm, adj. lat. (enónnis, e, van e, ra, uil, en norma, regel, rlcblsnoor) uil do maal, on-malig, overmalig, overdreven, bullongemoeii, ge-drocbleiijk, ongehoord, afscbuwiyk; enónnis lae-sw, z. laesio, ond. he de eren; — enormiteit, f. (lal. enormïlas) de iiultenmatlgbeld, do liuitengemeene of gedrochteiyke grootte,afschuw-tykbeld.

Enórmón, n. gr. (van en-oman, In-, aan-dryven) de luneriyke levenswerkzaamheid, levens-krachl.

Enostösis, f. gr. (vgl. ostosls) Med. een Inwendig beengezwel.

en particulier, z. ond. par 11 cu 1 a ; — en parure, z. parure; — en passant,!, passee-ren;— en pastel, z. pastel, ond. paste; — en peine, ■/.. peine;— en profil,\'/., profil; — en carré of carré, z. quarré; — en (juatrecou-leun, fr. (spr. ah kalr\' koeleur) in vier kleuren;

fi question, z. quieslie.

Enquête, f. fr. (spr. ankèt\': ouilfi\'. enquesie, provenc. enquesta, als ware \'1 lal. inquaesita = inquisitio) gerechteiyk onderzoek In burgcriyke of civiele zaken; in hel algemeen: eene amb-1 olijk of oincleel onderzoek; pa rie menial re enquête, onderzoek door eene commissie uil een der helde kamers der voiksvoiiegenwoordi-ging; — enquêteur, m. do onderzoeker, rechter van onderzoek.


-ocr page 441-

425 ENTERADENOGRAPHlE

I\'NRAGEEREN

enrageoren (sin-, aiiratj—), fr. (cnnmcr ■, vul. rako) razend, dol worden-, vertoornen, vergramd, woedend maken; — onragé, in. (spr. aurazjé) een razende, dolleman, ullzinnlK menseli; hartslochlelUk aaidianger van cono iiolilieke pariy.

en regard, z. r egard, ond. r c g a r d e e r e n. enregistreeren (spr. ahrezji-st-), tr. (mrenislrer: vgl. register) Insclirijvcn, Inbrengen In \'I register; — enregistroment, n. (spr. aiiretji-slr\'maii) de tnschrgvlng, boeking, plaatsing op \'t register.

en retraite, z. ond. retraheoren. enrhumé, fr. (s|ir. aiirumé) verkouden, met verkoudheid (r/iumc, gr. rheuma) bevangen.

enrhythmisch, adj. gr. [énrhuUwm, nn) In den rliytbmus (z. aid.) vervat, evenmatig, geregeld.

enriehoevon, enrichisseeren (spr. aiirisj—), k, (enrichir) verrijken, opsieren, tooien.

enroleoron nr onrolleoron (spr. ««)•-), tr. {enróler) op de rol (fr. rule) of lysl schrijven, voor den krygsdlenst Inschrijven, aannemen, aanwerven;— een getinroleerde, een Ingeschrevene, aangeworvene; — onrole-ment, n, (s|ir. anrdl\'mdii) en enroleoring, (. de Inschrijving tol den krügsdlenst, aanwerving; enróleur, m. do werver. en roturicr, ■/.. ond. rot ure. enrouilleeren, fr. (spr. aitroeljéeren: van enrouiller) roestig maken, doen roesten.

enroueeren, fr. (spr. aiiroeeeren: lat. als \'I ware inraucare, v. raucus, heesch) beesch of schor maken; — geënroueerd (fr. enroué), heesch, schor.

ens, n. lal. (v. sum, esse, z-Un) een ding, wezen (vgl. non-ens); ens ruliönis, een redewezen, Iels, dal enkel In de voorstelling, In de gedachte aanwezig of voorhanden Is; — entiteit, f. Iiarb.lat. de wezenlijkheid, het wer-keiyk heslaan, hel zyn of aanzijn van een ding.

Ensomblo, n. fr. (spr. uiisdiibl\': van lat. insumul, Ie zamen) een uit het bebooriyk In elkander sluiten van de afzonderiyke doelen ontslaand geheel, iels vereenigds; hel gezamenlUke, de samenhang der doelen; de eensleinmigbeid; ook z. v. a. ensemble-spel, bel samenspelen van verschelden looneelspelors in een loo-neel, hel tegengest. van solo-spel; een goed ensemble, de nauwkeurige overeenstemming van alle instrumenten en stemmen hy hel ull-voeren van een sink; — ensemble-stuk-ken, Muz, de meer dan vierstemmige zangstukken der opera\'s.

ensioaudisch, nw.lat. (van \'t lal. ensis, zwaard) met zwaardvormigen staart; — ensi-fer, adj. lal. zwaarddragend; — ensifólisch, adj. nw.lat. niet zwaardvormige bladeren; — ensifórm, adj. lal. (ensifnrmis) zwaardvormig;

ensigérisch, adj. lal. een zwaard voerend; — ensipónnisch, adj. uw.lal. met zwaardvormige slagvederen; — ensirostrisch, adj. met zwaardvormigen snavel.

Ensooph, m. gr. (énsnphos, v. sophós, wys) hel goddeiyk wezen in de kabbalistische vvys-begeorle.

en suite, z. ond. suite.

Entablemént, n. fi-, (spr. aiilahl maii van taille, tafel, plank) Arch, bet bovenste van eenen muur, waarop de daksparren rusten, de rollaag; ook de architraaf, fries en kornis samengenomen.

entameeren (spr. uiit—), fr. {entamer, provenc. enlumenar) eig. aansnyden; oneig. aanvangen, openen, op ile haan brengen, b. v. oene onderhandeling.

Entasis, f. gr. (van en-teinein, aanspannen) elg. aanspanning; Arch, welving of baikswyze romling der zuilen.

entasseeren (spr. oh—), fi-. (entasser, van las, hoop) ophoopen, op olkandei\' dringen-, — entassement, n. (spr. uiiluss\'mdii) de ophooping.

Entelochie, f. gr. {entetécheia v. en tétci échein, In volkomonlield hebben of zyn) de onafgebroken, onvermoeide werkzaamheid, inz. van geest; ook vverkeiykheld; hy Arlsloteles: de hoogere, zich zelf bewuste energie of de v r y e werkzaamheid, die het doel In zich zelve heefl.

Entendeur, m. fr. (spr. aiitaiideur, van entendre) hoorder, d. I. Iemand, die heorl mei oordeel en verstand; d bon entendeur peu de paroles, sprw.; een goed verstaander beeft maar een half woord aoodlg.

Entente, f. (spr. aH/ó/iC), fr. (van entendre, vernemen, verstaan, lal. intendere) de zin van een woord; verslandbiiudlng; — entente cordiale, harleiyke vorst andhouding, goede gezindheid, Inz. in de staatkunde tusscben Engeland en l\'rank-ryk onder Louis Philippe.

Entëradenographie, f. gr, (v. éntïron, darm. Ingewand) de beschryving van do darm-klieren ; entëradcnologio, f. de leer der darmklieren; — enteralgio, f. hel koliek, de darmjichl; • entorangiemphraxis, f. de verstopping van de bloodvaleii des darmkanaals -,

— enterelkösis, f. de voretterlng, verzwering der darmen; enteremphraxis, f. de verharding, verstopping der darmen; 6n-terenoh yta, m. de danuspuit, klysleorspuit;

— entei\'opiplocêle, f. eene darmnellireuk ;

— enteropiplomphalocelo, f. de navelbreuk, waarin een sink van den darai en van het net gesloten is-, — entérisch, adj. gr. [enterikós, c, nn) de Ingmvanden hetrelfende of daarvan komende; — enteritis, f. do darni-ontsteklng; enterocele, f. de darmbreuk;

— enterocystocële, l. de darm-en plsblaas-brenk ; entorocystoscheocêle, f. de balzakhreuk, In welke een stuk van den darm en van do pisblaas verval Is; — entorodar-sis, f. de ontvelling der darmen; - entero-dynïe, f. de darmpyn; — enterogastro-cele, f. de buikdarmbreuk; — enterogra-phïe, f. de Ingewandheschrijving ; — entero-hydrocële, z. e a I e r y d r o e ê 1 o; — enterolith, ui. een darmsleen; — enteroli-


-ocr page 442-

ENTÊTEEREN 426 ENTOURS

thidsis, [. do sleonvorming In ilo (Inrinen u[ IhkowuikIüii; de pU» duiirdoor vcrourziiukl; — enterologio, f. do loer van de Ingowunden;

— enteromalacie of onteromalaxis, r. vorwoekliiK vim liet darmkuimal; — entoro-merocöle, r. de dumidUbreuk; — enterom-phalus, in. de iiuveibrouk; — enteropa-thïe, f. het daniiiydeii; —enteroperistóle, f. de lieklemde darmlireuk; — enterophlo-gie, f., z, v. a. ent erlt is; — onterop^ra, f. koorts mot darnityden; — enterorrhagie, f. de tiloodlng uit de darmen, uit den aars; — enterorrhaphïej. eene darmnaad, do tiont-werkorsnaad (ter vereenlgtiiK van gewonde darmen), ttians bulleu getirulk; — onterosar-kocele, f do vloosctibrouk in vereenlglng mol eene darmtireuk; — entoroscheocêle, f. de tiaizakiireuk ; - entorotomiG, f. de darmsnU-dtng; — enterozöon of entozöon, n., pi. enterozoa, oen Ingewiindsdlor »f -worm;— entorydrocêle, f. eene darm-en waterbreuk.

entêteeren (zich), (spr. aiilèl—), fr. (s\'enléler, v. IMc, iiuofii) zieti Iets in hot hoofd zetten, eigenzinnig tets bcgeoren, er op staan;

— g o ü n t (M e e r d, mij. hoofdig, koppig, eigenzinnig. stijfzinnig; — entêtement, n. (spr. aiih\'l\'miiii) de eigonzinnigbeld, styfhoofdighetd, ioppigbeld.

Entheomanie, r. gr. (v. énlheos-, vgl. en-t b u s I a s in e) godsdienstwaanzin, krankzinnige geioofswoede.

Enthlasis, f. gr. (van en-lhlan, Indrukken) Med. de Indrukking van don schedel, holeedi-ging of hreuk der hersenpan.

Enthronistïcum, n. gr. (van cnfhroni-dzein, op den troon of zetel verhellen) een In-troggeld liü de overneming eener prebende.

Enthusiasme, n. gr. (v. énllines, siimon-getr. uit énlhSos, van (lod vorvuld, van thoós, (lod) de geestverrukking, geestvervoering, geestdrift, ontvtamde verbeelding, dichterlUke vlucht; geestdryvery, zinsvervoering, dwepoi\'U, Inz. het levendig ingenomen zün mot Iets; — enthu-siasmooron, in geestdrift doen ontsteken, ontvlammen, in vuur «f gloed zetten, verrukken, vervoeren; — enthusiast, m. iemand vol gcostdrltt, een verrukte, een hartstocbteiyk bewonderaar of vereerder; een dweper, opbruisend hoofd; — enthusiastisch, adj. vol geestdrift, tiooggevoeiig, onlviamd van zinnen, dweepziek.

Enthymëma, n. gr. (v. enlhymïisthni, ter harte nemen, zich aantrekken; van thymós, gemoed) dg. liet bebiirtigde of te bebiirttgen, de lietracbling; Log. eene onvolkomen, afgekorte sluitrede, die slechts uil twee doelen, namciyk een voorzindeel, of een der pnemlssen, en eene gevolgtrekking bestaat; — enthymema-tisch, adj. in een afgekort slot hestaando; — enthymemisme, n. verrassende gevolgtrekking uit kort voriiondon voorzimleeion of pnemlssen.

Entiteit, z. ond. cm.

Entoilage, f. fr. (spr. antoala-zj\'; van loile

— lat. tela, weefsel, linnen) lijn kantwoefsol, geweven kant, gefaconneerd dundoek met kanl-achtige dessins.

Entómon, n., pl. entoma, gr. (v. •Inlo-mos, Ingesneden, entémnein, Insnyden) gekorven dieren. Insecten (z. aid.); — entómisoh, adj. de insecten botrotTonde; — entomofü-gisch, adj. wormenverdryvend; — ontomo-génisch, adj. op doode Insecten ontstaande;

— entomograaf, m. oon kerfdier- of Insec-tenbeschryver; — entomographie, f. de korfdlerbescbryvliig; —entomographisch, adj. tot de insectenbescbryving behoorendo; — entomolith, m. een verstcond Insect; — entomoloog, entomologist, m. een insec-teiikenner; — entomologie, f. do loer van de Insecten, de kerfdierenieer; — üiitoiuo-lógisch, adj. tot die leer behoorendo; in die teer bedreven; — entomophaag, m. een In-sectenetor, gelijk Johannes do Doopcr; —en-tomophilus, entomophiel, m. een lief-hebber van insecten; — entomophórisch, adj. insecten dragend; — entomorhizisch, adj. op Insecten wortelend en wassend;—en-tomostracieten, m. pl. versteende kreeftachtige dieren; — ontomozoölogie, f. de naUiurgoschiedenis der insecten; — entomo-zoölógisch, adj. tot dc natuurgeschiedenis der insecten boiioorende; — entomozoölo-gist, m. oen kenner dier wotenschap.

Entonie, f. gr. (van cn-tcinein, aanspannen) Med. spanning. Inspanning; — entónisch,adj. gespannen, overspannen, door to sterke inspanning van ziel of lichaam ontstaan.

Entonnoir, m. fr. (spr. ahtonnodr; van entonner, in een vat [lonneau] doen) de trechter; de trechtervormige kuil van eene gesprongen mün; aftapplngshuis van oenen stroom, eene sluis, Inz. in Zwitserland.

Entophthalmie, f. gr. (v. enlós, binnen, en o p h t ba I m ie, z. aid.) Mod. do ontsteking van bel inwendig gedeelte van hot oog.

Entophyton, n. gr. (van enlós, hlnnen, en phylnn, gewas) eene wookerpiant, eene plant, die op cone andore en te baron koste leeft.

entópisch, adj. gr. (eninpios, v. en, in, aan, on tópas, oord) aan een oord aanwezig, in-beemsch, plaalsoiyk.

entóptisch, adj. gr. (van enlns, iiineriyk; vgl. optisch) tot Inzien diende, daardoor ontstaan, b. v. ontoptischo verschynselen, die by het inzien (In oenen spiegel, enz.) waar-geilOmen worden;—ontoptischo kleuren, de gewone klcnrverscbynselen, ter onderscheiding van de dioptrlsctlo.

entortilleei\'en (spr. aiilorlielj—), fr. (en-lorliller) omwikkelen, omstrikken, omslingeren; verwarren, verwikkelen.

Entostösis, f. gr. (v. enlós, binnen, en os-tosis, z. aid.) heendergezwel naar binnen.

Entours, m. pi. fr. (spr. aidour-, vgl. 1 ou r) de omstreken, bet omliggende oord; — en-toureeren (fr. entnurer), omgeven, omringen, Insluiten; — entourage, f. (spr. a«-


-ocr page 443-

ENTHKTAILLK

EN TOUT

427

toerd-zj\') do omgovliiK, omhulling, omzoltliit.\', inz. hij vrouwentooi

en tout, ?.. ond. tout.

Entoutcas or en-tout-cas, m. fr. (spr. nu-toe-kd, d. 1. voor allo Rovallon) oon mlddol-soort scherm, dal als paraplulo en parasol dienst kan doen; ook Iemand, die voor alles te (,\'(•-lgt;rulken is.

Entoxisme of liever entoxicisme, n.

(vgl. toxicum) verKlfllglng.

Entozoön, ■/.. enterozoön, ond. ente-radenologle; — entozöisch, adj. In Ingewanden levende; — ontozoogonesis, f. de voortbrenging dor Ingewandswormen; — on-tozoögenótisch, lot die voortbrenging be-boorende; — entozoölogie, f. de natuurge-scbledenls der Ingewandsdleren; — entozoö-logist, in. de kenner dier wotonschap.

éntra, II. en sp binnen! kom binnen! (pl. it. en tra to).

Entr\'acte, f. fr. (spr. aiilr\'dkt\') eene tus-scbonbandeling, een lusscbonbedrUf, tusscben-spel der muziek tusscben de afdeelingen van oen tooneelspel (z acte); ook soort van kleine sigaar.

en train, z. train; — entraineeren (spr. aiilrèn—), fr. {entrainer) voort-, medesieepen, wegvoeren, lol zich trekken.

entraineeren, n-. (v. eng. train: spr. trcen) voor wedrennen, enz. (bel zoogenoemde sport) opvoeden, verplegen en daarvoor bruikbaar maken, tra in co ren.

Entrata, z. in trade.

entre, fr. (spr. aiitr\' = lat. inter) tusscben, onder, In bei midden (in samensiellingcn als en-I reeoio n no, e n i rodeu x).

Entrebandes en entrebattes, pl. fr. (spr. aiitr\'liaiid en aiitr\'batt\') bet begin en einde van eene wollen slot, de zelfkanten.

Entrechat, m. fr. (spr. ahtr\'sjdv. \'t Hal. intrecciato, sell, salto, ineengevlocbien of met dooreengeslingorde voelen gemaakte sprong) een kunstige danssprong, kruissprong, luebtsprong, kuitnikker.

entre chien et loup, fr. (spr. antr\'njeh e Ine), r.. v. a. lal. inter conem et lupum, z. aid.

Entrecolonne, f. fr. (spr. uiitr\'kol—, vgl. colonne) Arcb. de zuilenafstand of ruimte tusscben twee pilaren.

Entredeux, m. fi\' (spr. ahtr\'deu-, eig. tusscben twee) bet middoisluk, mlddolding; de sebeidsmuur, tusscbcnwand, de lussebenrulmto; ook een regensdicrm voor ■gt; personen; als adverb.: lusscbonbeide, tamoiyk, middelmatig.

Entrée, f. fr. (spr. aiitré\'; v. outreoron) de intrede, Intree, Ingang, toegang van eeu huls, enz.; de Intreèkamer, voorzaal: de toegang bij groote boeren; de voorspijs, eerste schotel, het voorgerecht bu een gastmaal; hei intreegeld, de toegangsprUs; de inkomende rechten; Muz. hot Invallen oener slem; de inleiding, bet ope-ningssiuk by opera\'s, enz.; de wyze om iiln-nen Ie komen en zich voor Ie doen, Inz. by tooneelspolors; In hel omberspel: de vraag; — entrée-biljet, het toegangsbriefje, inlreé-kaarlje; — entreeren (spr. «nlt;—), fr. (entrer = lat. intrare) Ingaan, binnentreden; een ambl aanvaarden, beginnen, wagen, undernemeu.

Entre-cOte, f. fr. (spr. antr\'koot) tusschon-rlhhonsluk.

Entrefilet, n. fr. (spr. antr\'filé ■, van filet, dunne draad, net) een in de rede ingevlochten zachte toespeling, tnodedeeiing, die men lus-schen do regels lezen moet; ook: kort artikel, kleine mededeellng In oen courant (van do redactie afkomsilg; zoo geheeten naar de sireep-jes of filets, die de couraulenberichlen van elkander scholden).

Entrefins, pi. fr. (spr. anlr\'feh) mlddellljne lakens, middelsoort sloiten.

Entregent, n. fr. (spr. antr\'zjdn) de welgemanierdheid in gezelschap, aanvalligheid en ongedwongenheid in iemands doen, inz. omlreni dames.

Entrelacs, pi. fr. (spr. antr\'ld: vgl. lac.i) Arcb. dooreengevlochlen of gestrengeld loofwerk; dooreengelrokken letlers, strlklelters.

Entreligne, f. fr. (spr. —lienj\') ruimte lus-schen twee regels.

Entremës, u. sp., z. v. a. intermezzo.

Entremets, u. fr. (spr. antr\'mi: van mets, gerecht, spys, 11. messo, lat. missum, gezel, opgedragen) een tusschengerecht, eene hyspys, een tusscbenschotel.

Entremetteur, m. fr. (spr. antr\'—) de onderhandelaar, heinlddelaar; — entremise (spr, s=z), f. de bemiddeling, tusschenkomst.

entre nous, fr. (spr. anlr\'noe) tusscben ons, in vertrouwen.

Entrepas, in. fr. (spr. ontr\'iid , vgl. pas) in de rykunst: de liaive of gebroken pasgang, middelpas, halve draf.

Entrepilastre, m. fr. (spr. antr\'—} de zullenafsland, piiaarwydle.

Entrepont, n. fr. (spr. antr\'poii) een lus-schenverdek op schepen.

Entrepöt, n. fr. spr. antr\'pd: van \'I lal interposflam) eene plaals, waar doorvoer- en andere goederen worden gelost, opgeslagen of overgeladen, een pakhuis, magaz.yu; eene stapelplaats, slapelstad; - entreposeur, m. (spr. antr\'pot—) de opzichter van een entre p ó I.

entrepreneeren (spr. antr\'—), fr. (entre-prendre) iels ondernemen, bestaan, op zich nemen; — entreprenant, adj. (spr. —ndii) ondernemend, brutaal, stout; — entrepreneur, m. de ondernemer, aannemer (van gebouwen, enz.); — entreprise, f. (spr. —priez\') de onderneming, hel heslaan, voornemen.

Entresol, n. fr. (spr. antr\'—, eig. de lus-schenbodem, van sol, bodem, grond, lal. solum) eeue half- of lusschenverdieping tusscben iwee groolere verdiepingen, inz. tusscben hel benedenhuis en de eerste verdieping; een opkamertje.

Entretaille, f. fr. (spr. anlr\'ldlj: v. taille, snede, snit) by plaalsnyders: de lijnere lus-


-ocr page 444-

KNT HETEN EK R EN

428

EOC(EN

schonslrcpon; in hol ilansen; een pils, wniulig de ooiio voel op ile iiliiiils van don uniloion gozol en ilozo voorwiuuls In do hoogte celiou-den wordt.

ontrotonooron (spr. milr\'—), tr. {enlre-lenir) endei-houdcn, enderslounon, vorzorgon; mei gesprek ondoi\'lioudon, ondorlioud verschaffen; entretien, n. (spr. anlr\'ljeii) do on-(li\'i\'houdlng, verzorging, hel gesprok, ondorlioud; entretonue, f. eene gokumorde,

IlijZlI.

Entrevue, f. fr. (spr. unlr\'wii\') do samon-komsl, hUeenkoinsl, hol gesprek, ondorlioud. entroz! fr. (spr. anlré) binnen! Entrichöma, n. gr. (vgl. trichoma) Mod. de hunrrand der oogloden.

en tricol, z. ond. tricot. Entripsologie, f. gr. (van éntripsis, In-hrijving; vgl. trlpsls) Med. do inwryvings-leer, do leer der Inwryvlng van ondorscliclden genoosmiddelon.

Entrochiot, in. gr., pl. ontrochieten, ivan Irorhós, kring, rad) radersloencn, rolstee-non, z. onkrl n lot.

Entropïum, n. gr. (v. en-lrépein, naar holleden- of inwendon) Mod. de Inwaartskooring der oogleden.

Entychieten, m. pl. gr. do aanhangers van Simon den loovonaar (Handelingen VIII).

enucleëeren, lal. (cnuc/eilre, van narIIas, de kern) elg. uilkornoii; ontwikkoien, vorklaron, ophelderen; — eniicleatio (spr. f=/.«), f. oig. de ullkornlng; Mod. de verwüdeiing van oen lid uit het gewricht; do uilpoiling van oen heursgezwel; ontwikkeling, opheldering, verklaring.

enudeeren, lat. [enudun, v. niulm, z. aid.) onthloolen, onlhulloii; enudiïtie (spr. /=/»), f. do onthulling, onthlootlng.

Enüla, n. pl. gr. (v. nelon, landvloesch) Mod. de hinnenzydo van het tandvleesch.

enumoreoron, lat. (enurncrüre: vgl. inline rus) optellen, opsommen, stuk voor stuk opnoemen, overrokenon, herekonen; — enu-meratie (spr. /=/.«), f. {enwnemCto) do optelling, opsomming.

enunceeren, liever onuneieeren, lal. (enunciSrc: vgl. nunc lus) uitspreken, uitdrukken, verklaren, verkondigen; — enunciatum, n. oone uitspraak, rcciiteriyke heslissing; — enuncüitie (spr. (=/«), f. (enmclalïo) de uitdrukking, uitspraak; de verklaring, verkondiging, hokendinaking, de moenliig, de woorden van een ander; — enunciatief, adj. verklarend, uitdrukkend; Jur. hel logengostelde van dispositief.

Enuresis, f. gr. (v. e/t-ocrcfn,- vgl. urea) Med. do pisvloed, het onverniogon om de jils lilj zich te houden.

enutreoren, lal. (enulrire) voeden, oii-kwooken, opvoeden.

Enveloppe, f. fr. (spr. anio\'lópp\') de omslag, liet hulsel of do bedekking; een vrouwenmantel, omwerpmantel; ook Vlii. een lage wal.

oen smal hiiltenwork; — enveloppeeren

(fr. envelopper), Inwikkelen, omliulieii, liislaan, omgeven. Insluiten; vorwikkelon; ook zich In kwade zaken verstrikken.

en vérilé, z. end. verilas.

Envers, n. fr. (spr. anwir: v. \'t lat. inversus, a, urn, omgekeerd) do koorzijde, de llnker-of verkeerde zyde; — a reuvers, vorkoord; — enversins, m. pl. fr. (spr. anwerzeii) grove wollen serge (z. aid.)

en ei, m. fr. (spr. anwi: wor envie, nyd, lie-goorto, lust, v. \'t lal. ineiilïa: alleen gehriilU in;) a t\'envi, om stryd, om hel zoorst (oudfr. nog a 1\'envie run de I\'autre).

environ, fr. (spr. unmirón. prov. viron, kring ; als \'t ware van \'I lat. in in/rum, In den kring, rondom, met de heleekenls vim It. in dira,-vgl. liet fr. virer, draaien) omtrent, ongeveer, ten naaslenhy; —environs, m. pl. fr. (spr. an-wirniis) de omstreken, hot omliggende oord van oone stad; hel omgelegen huid, do In do na-hyheld gelegen plaatson.

en vofiue zyn, z. v o gut.

Envoi, m. fr. (spr. anwoa; v. envnyer: mie, weg) oone zonding, verzending, overmaking; — envoyeei\'en (spr. untuoaj—, fr. envoyer van \'tmld.lat. en Hal. eiwiare, sp. enviar, v. \'I lal via, weg, fr. voie) zonden, iemand ergens heen zenden; —envoyé, in. (spr. nnwoajé) oen af govaardlgde gozanl; Inz. oen gezant van don tweeden rang, zaakgelasligde.

enxertiido, z. enjorlado.

Enyo, f. gr. Myth, de krygsgodin, twee-draclitsliclitster, zuster van Mars, z. v. n. Belli) na; — enyalios, m. de krygshaflige, lig-naam van Mars.

Enypnion, n. gr, een droom; — eny-pniódisch, adj. drooniachtig, weinig lietoe-kenend.

Enypostasis, f. gr. (v. en en hypóstasis, het wezen) de aanwezigheid der menscheiyke natuur van Christus in do goddelyke.

Enystron, n. gr. (cnystron, v. anyein, voleindigen) do vierde maag der herkauwende dieren, de lehmaag, waarin de vertoring voleindigd wordt.

Enzoötie (spr. I=ts), f. gr. (v. dzonn, hot dier; vgl. zo öciiemie) Iniandsche veeziekte; — enzoötisch, adj. zulk oone veeziekte ho-trolt\'ende of daartoe behoorende.

co animo, z. ond. animus.

eocoen of eoceon, gr. (v. ius, morgenrood, en kainós, nieuw) wordt de oudere Ier-tlalre formalle genoemd, omdat zich in haar vorsleenliigoii, waarvan slochts zeer enkele op thans levende soorten holrekking hobhon, als \'t ware het eerste morgenrood der nieuwe schopping vertoont. Op do eocene volgt (mot toe-neinond gelal van nieuwe soorten) do oligo-eiquot;ne (v. olifjos, weinig) lertliiiro formatie; daarop do m loc éne (v. melon, minder, nl. In vergeiyklng mei de volgende) en eindelijk de pliocene (v. pleion, moor) of nieuwere tertiaire formatie mot hel groot-


-ocr page 445-

EODEM

.429

KI\'AVK

stc aanlal van nieuwe soorten onder haar ver-steenlngen. Deze adj. worden ook als suhst. gebruikt, I). v. liet oIIgoceen = olIgocêne t o r m alle.

eodem (sell die), lal. (van idem, z. aid.) op denzelfden dal\'.

en ipso, lat. Juist daardoor, daannode tcgeUlk.

Eortologie, z. Iioo r tol ogle.

Eos, f. gr., z. v. a. Aurora (z. aid.)

eo sensu, z. ond. sensus.

op-, gr. voorzetsel In samenstellingen, z. ep I.

epsenétisch, adj. gr. (eiminelikm) tot den lofredenaar, de lofrede belioorende, loftuiting bevattende, lofgezind.

Epagneul, m. fr. (spr. qmnjéuh oiidfr. espaaneul, bijnaam van Espaiinol, spaanscb, Spanjaard, als kwame \'I van een lal. Ilispaniulm, verkhv. vini llisimnus) de spaansclic patrijsboml.

Epagöge, f. gr. (epauóne, v. ep-aijein, hij-, aanvoeren) dn aanlokking, verleiding; Log. de aanvoering van bewUzen, een liewijs door het aanvoeren van gelüksoortlge voorbe|Men (indue lie); — epagogisch, adj. aanlokkend, verleidelijk.

epagomenisch, adj. gr toegevoegd, bü-gevoogd; e p a g o m e n i s c li e dage n, de (i dagen, die by het egyptlsebe jaar gevoegd werden, dal uil H maanden, elk van illi dagen, beslond, aanvullingsdagen.

Epakme, f. gr. (v. ep-, epi, ■/.. aki., en akme, z. aid.) Med. de toeneming, wasdom iler Ziekte; quot; epakmastika, f. eene steeds sler-ker wordende koorts-, epakmastisch, adj. toenemend, stijgend, klinmieiui.

Epakten, pl. gr. (v. ep-aklns, toegebracht, bijgevoegd) Iniaschdagon, overschictondo dagen van de laatste nieuwe maan dos Jaars lol op den tsten Januari van bet volgende, do inaans-ouderdom bij bet begin des jaars, of bet on-dorscbeid van een gewoon zonnejaar en een maanjaar, namelijk tl dagen.

Epanadiplösis, r. gr. (vgi. anadiplo-sis) Log. de verdubbeling, herbaling van het begin, door welke een volzin met hetzelfde woord sluit, waarmede hij is begonnen; Med. berhaaide terugkeer der koortsaanvallen; overgang van eene enkelvoudige ziekte In eene samengestelde.

Epanakh\'sis, f. gr. (v. ep-ana-klinein,i\\an-leunen, terugbuigen) Mil. rugwaarlsgaande zwenking naar de linkerzyde.

Epanalëpsis, f. gr. (vgi. anastrophe) Log. de wederopneming; 1° als een reeds gezegd woord na een langoren tusscbenzin herhaald wordt, dikwyis met meer nadruk; a0als hetzelfde woord, dat eenen zin of een vers sluit, den volgenden zin of versregel weder begint; 3\' kettingrym.

Epanaphóra, f. gr. Log., z. v. a. anaphora, z. aid.

Epanastema, n., pi. epanastemata, gr. (v. apanislaslhai, in de boogie staan) Med. kleine vlecscbuitwassen en gezwciletjes van bel iiindviies en hoornvlies.

Epanastrophe, z. v. a. anastrophe.

epancheeren, fr. (spr. epaiisj—) uitgieten, uilstorten; zich uitlaten, uil boezemen, zonder terughouding spreken; - opanchement, n. (spr. cpanxj\'mdii) de uitstorting; de ontboezeming, uilstorllng dos harten.

Epanódos, f. gr. (v. epi en dnödos, terugweg) de terugkeer lol hel boofdvoorwei-p na eene uitweiding of afwyking; Log. de herhaling van woorden in omgekeorde orde, b. \\, wie niet kan, wat hy wil, wille wat hy kan (Leonardo da Vinei).

Epanorthösis of epanorthoso, f. gr. (van ep-anortlwen, weder oprichten, bcrslellen) herstelling, terugbrenging in den vorigen loe-sland, verbetering; Log. de zelfverbeiering in bol spreken, verbetering van hel gezegde, door eene meer zeggende of juisler bepalende uil-drukking;— onk de vermaning lol bel goede-,

epanorthotikon, n. wal tol verhetering behoort en geschikt is; — opanorthötisch, adj. lol liet goede vermanend, opwekkend, stlch-teiyk.

opanouooron, epanouisseeren, fr.

(spr. ou=oe) zich openen, ontvouwen, onipioolen, opengaan, ontluiken, opbloeien; opvrooiyken, ver-ruimen van harte; — opanoiiisHomont, m. (spr. epunocïes\'mdii) opluiking, opbloeiing; de uilstorllng des harten; viooiykheid.

Epanthëma, n., z. cxanthoma.

Epaphaerësis, f. gr. (vgi. a p ba\'res is i Med. herbaalde wegneming of afneming, inz. van bet bloed.

Epaphrodisie, f. gr. (vgi. Apbrodite) de heminneiykheld, aanvalllgbeid; opa-phroditisch, adj. door Venus bemind, ge-liefd.

Eparch, m. gr. [ép-archns, v. archê, lieer-schappy) een sladbouder, landvoogd; • epar-chie, f. (eparchia) bel stadbonderschap; hel gebied eens bisscliops in do gr. kerk.

epargnoeron (spr. eparnj-), fr. (i\'pm--finer. Hal. spnragndre, xpnrminre, van hel dullscb sparen) sparen, uilsparen, overleggen, uitzuinigen; - epargne, f. (spr. epdrnf) de zuinig-beid, spaarzaainbeid; de spaarpenning, bet bezuinigde, de spaarpot.

Eparma, n gr. (van ép-nirein, verbeiren) eene verbooging; Med. ontsteking van de oor-klier; by (lalenus ieder hoven de huid verhevene uitslag.

Epaulette, gewooniyk epaulet, r. fr. (spr. cpoléll\': van épnule, schouder, provenc. e.ipatla, van \'I lal. spalhuta, verkiw. v. spalha, gr. spdlhë, de breode ribben, hel schouderblad) schouderband, -lint, -kwast, het belegsel .)f galon op eiken schouder eens krygsmans; ook schoudernaad; —epauleeren. Mil. do llan-ken door water, moeras en dgl. gedekl houden;—epaulement, n. (spr. epnl\'mnii) de verschansing, borslwering van opgeworpen aarde, zandzakken, schanskorven, enz.

Epave, f. fr. (v. \'t lat. expavus, voor c.r;w-vldus, schuw gemaakt of geworden, 11. sparen-


-ocr page 446-

EPIBOLE

EPÉE

430

Into) een (jocrt zonder elgemmr, een dier, slaaf, enz. zonder meester; strandgoed, dat de zee aanspoelt (vgl. droit iVépave).

Epée, f. fr. degen; vgl. espada, noli I esse, por te-B pee.

Ependyma, n. gr. (v. ep-endyein, daarover aantrekken) het lljnc vlies, dat de hersenholten overdekt.

Epenthesis, t. gr. (v. epi en énlhësis, In-zettlng) Gram. do Inlasschtng, Inschuiving van eene letter of lettergreep in oen woord, h. v. ordenteiyk In plaats van \'ordolUk; de 9 in gehelen, in In klelntffheld; de woordverlenging, woorduitrekking in do oude dichtmaat, 1). v. twalef, vollek, voor twaalf, volk; — epenthéntisch,ailj. ingeschoven, Ingelascht.

epordü, adj. fr. (oudfr. esperdu) ontsteld, onthutst, verbluft, bulten zich zeiven; — epor-dument, adv. (spr. —maii) lievig, buitensporig, razend, smooriyk (verliefd).

Epernay, m. fr. (spr. —né) eene soort van champngne-wyn, naar de stad van dien naam goheeten.

Eperon, m. fr. (provenc. espen), It. sperone, v. liet boogdultsch sporn, nederl. spoor, oud-boogd. sporn, accus. sporon) de spoor; Arch, een steenen beer; oen Usbreker; Mil. klein bolwerk uit een ultspringenden hoek.

Epexogësis of opexegêso, r. gr. (vgl. exegese) Gram. de verklaring, opheldering, een toelichlond bijvoegsel; vgl. a|ipositie.

eph-, gr. voorzetsel in samonstellingen, z. epi.

Epha, 111 eene hobr. korenmaat, bevattende ongeveer iS kilo -, — ephata, m. eene oude vochtmaat, omtrent = lil liter.

Ephebe, m. gr. {éphebns, v. hrlte, manbaarheid, jeugd) een manbaar jongeling; —ephe-béum, bü de Komelnen eene gymnastische school; ook een bordeel; — ephobio, f de manbare jongeiliigsleeftyd; — ephêbisch, adj. tol den jongeling behoorende.

Ephekticus, n. gr. (epheklikós ■, van ep-échein, terughouden) een terughouder van z(iii gevoelen en zijne goedkeuring, een bijnaam der sceptici; — ephéktiseh, adj. aan zich houdend, lerughoudend.

Epheh\'dos, f. pi. gr. (sing, ephelis) Mod. zomervlekken, zonne- of zomersproeten; ook levervlekken.

ephemoer of ephemórisch, adj. gr.

(v. hêmera, ilag, eph cm cros, op den dag, éenen dag durend) wat slechts éenen dag duurt, éen-daagsch, voorbügaand, kortstondig, vluchtig; — ephemera of ephemére, f. Med. voorheen Iedere kortdurende, aanhoudende koorts; tegenwoordig een zacht koortsje, welks oorzaken spoedig verdwijnen, en slechts een dag (of twee dagen, ephemera prnlonuala) aanhoudt; ephemera uier ma, de moederkoorts, zogkoorts; — ephêmëron, n. de lyioos, eene plant; do dagvlieg, het oeveraas, haft, een dagdiertje, een Insect, dat in zynen volkomen slaat slechts weinige uren leeft; —ephemeriden, pl. dagboeken, dagbladen, nieuwsbladen, couranten; In het algemeen; geschrift, dat de gebeurtenissen naar den datum opteekent; astronomische jaarboeken of tafels (waarin do veranderingen in den stand der hemellichamen by voorbaat berekend zyn, zooals het eerst door .loh. Ke-gioinonlanus voor een tUdvak van 30 jaar geschiedde).

Ephéten, m. pl. gr. (ephélai, van ephiénai, toezenden, overdragen) zekere rechters te Athene, ten getale van SI, Ingesteld door Uemophoon; zy oordeelden over burgeriyke rechtszaken, wordende do moer gewichtige voor den areopa-k 11 s betrokken.

Ephialtes, m. gr. (elg. de opsprlnger) do nachtmerrie, een beangstigend, schier verstikkend gevoel van drukking in den slaap (by de Dultschers alp geheeton).

Ephidrösis, f. gr. (van hidroen, zweeten) Med. bet zweet, het uitbreken van het zweet, Inz. uit de bovenste licliaamsdoelen, een sterk, zlekeiyk zweel.

Ephippium, 11. gr. (ephippwn, wat op het paard ligt, van hippos, paard) liet paardedek, schabrak; de zadel; ook Anal, do turksche zadel (van hot wiggebeen).

Ephod, m. hebr. de lyfrok der joodsche priesters.

Ephödus, m., liever f., gr. {éplwdns, elg. toegang, van hodns, weg) ile voorinnemende inleiding der rede.

Ephorus, m. gr. {éphoros, v. ephorïïn, beschouwen) oen opziener, toeziener, inz. een kerken schoolopziener; in \'tnude Spuria: de hoogste overheidspersoon, die de macht der beide koningen mailgde en in evenwicht hield; — ephoraat, n. bet opzienersambt; — epho-rie, f. de werkkring, het district eens kerk- of schoolopzieners.

Ephraïm, hebr. (van pdrdh, voortbrengen, vruchtbaar zijn) mansn.; de vruchtbaro, wassende; — ephi\'aïmieten, m. pi. benaming der munten van gering gehalte, die Frederik II van Pruisen in don zevenjarigen oorlog sedert 1751) door de joden Epiiraim, Itzig en Comp. te Leipzig liet slaan.

Ephydriaden, f. pl. gr. (van lijdor, water) waternimfen, godinnen dor fonteinen en bronnen.

ëpi-, voor klinklettors ep-, voor do h of den spiritus asper eph-, gr. voorzetsel in vele samensiellingeii, beteekent In \'t algemeen bg, daarby-, ook op, aan, over, daarover, enz.

Epiala, f. gr. r-pialos, m.) Med. eene boosaardige koorts; koortsliiiiverlng met weinig of nlel ie bespeuren liltte.

Epibathron, 11. gr. val-, stormbrug.

Epiblëma, n., pi. epiblemata, gr. (v. epi-bdllein, liy- of overwerpen, -leggen, enz.) overdekkingen, dekens, kleederen; toevoegsols, aanhangsels, hywerken.

Epibolê, f. gr. (van epi-bdllein, opwerpen, drukken) do nachtmerrie, z. v. a. ephl-al t e s.


-ocr page 447-

EPIBOMIUM

431

KPIGLOSSIS

Epibomium, n. (?r. een llod, ihtt bi) liol allaiir {bumus) Bczongon wordt.

Epicarpium, ■/.. oplkurplum.

Epicedion, n. (v. \'t nr. epi-këdeios, d. I. tol den rouw [fccdos] bohoorondo) een lUkgo-illohl, treurzang, grullled, eono lijkrede.

Epicentrum, n. middelpunt vim den kring, binnen welken oen mirdbovlng gewoed heeft, d, I. het punt, gelegen boven bet In de diepte liggende uitgangspunt van eone centrale aardbeving.

Epicerastïka, n. pl. gr. (eiii-kerustikd, eig. bijmengend) Med. verdunnende, verzachtende middelen.

Epicerie, f. tr. kruiderij (z. v. a. specerij, z. aid.); een winkelhandel in kruiderijen of specerijen j — épicier, m. (siir, episjé) een kruidenier, handelaar in kruiderijen.

Epicheirema, n. gr. (v. epicheircin, eig. de band aanleggen, ondernemen; In de Log. besluiten, bewijzen) de opgeiioopte sluitrede, waarin bü leder voorafgaand voorstel ie geiyk zijn bewijs Is opgenomen; — epicheiresis of epichirosis, f. de hnndanniegging; het aanvatten, ondernemen.

opiohólisch, adj, gr. (epicholos) gaizucb-Hg; de gal aankwookond; opvliegend, drlfllg.

epichörisch, adj. gr. (epichurios, v. chöra, oord, land, inheemsch) naar landsgebruik, z. v. a. endemisch.

Epichrösia, f, gr. (vgi. chroma, enz.), buidkleuring, gekleurde huiduitslag.

epici, z. ond. e p o s.

EpicoBnum, n. gr. {epikninnn, gemeenschappelijk) (Irani, een woord, dat beide de natuurlijke geslachlen door hetzelfde spraakkunstig geslacht moet aanduiden; vgl. genus epicamum.

Epicranium, z, epikraniuin.

Epicurist, z. eplkurisl.

Epicyklus, m. gr. (vgl. cyklus) Aslron. een bijcirkel, welks middelpunt zich in den om-trek van een anderen cirkel beweegt; epi-cyklisch, adj. tot den bijcirkel beboorende;

epicycloido, f. eene kromme lijn, die beschreven wordt door een punt in den omtrek eens cirkels, die op den omtrek eens anderen cirkels omwentelt.

Epidoixis, f, gr. (van epi-deiknynai, op-, aanwijzen), hot ten-toon-stellon; het proefstuk, gegeven bewijs, pronkslnk; epideiktisch, adj. tentoonstellend, pronkend; epidelktische rede, pronk- of kunslrede.

Epidemie, f. (van het gr. épuleinïos, In-landsch, onder \'t volk of In \'I land verspreid, van ilcmos, volk) ziekte die In een streek gelijktijdig velen aantast, do in een oord heer-schende ziekte, de lands- of stadszlekle, volkskwaal; In engeren zin; eene van bulten aangekomen, voor oen zekeren tyd heerschcnde, doch aan het land niet eigen ziekte (onderscbei-den van endemic); — epidemisch, adj. In een land heerschcnd, rondgaande; — epidemiologie, f. de leer van de landszlekte;

— epidemiologisch, adj. deze leer be-trelfende.

Epidéndron, n. gr. (van diwlron, boom) eene op hoornen groeiende woekerplant; — epi-déndrisch, adj. op hoornen groeiend.

Epidérmis, f. gr. (van dérma, huid) de opper- of bovenbuid? — epidérmisch, adj. tot de opperhuid heboorend; — epidermoide, f. liet opperbuldsweefsel.

Epidösis of epidése, f. gr. (van epi-déein, verhinden) Chir. de onderbinding van oen toevallig of opzettelijk doorgesneden bloedvat;

— epidósma, of epidósme, n. een bindsel ter vasthouding van bet onderliggend verband; oen aanhangsel.

Epididymis, f., pi. epididymides, gr. (vgl. didynil) de bijbal, door de ontleed-kundigen in hot hoofd (caput) en den staart (mudii) verdeeld; — epididymitis, f. ontsteking der bijballen.

epidiktisch, z. epldeiktiseb.

Epiditonus, m. gr, Muz. de boventerts.

Epidösis, f. gr. (vgl. dosis) eig. toegift; Med. de toeneming van ziekten; ongewone vergrooting van een licbaamsdeel; — epidoot, n. een uil kiczclzuro leem- en kalkaarde benevens ijzer- en mangaanoxyde bestaand eigenaardig mineraal.

Epidróme, f. gr. (van epi-dramêin, cpi-Iréchcin, toeloopen) Med. de aandrang der vochten, Inz. van het bloed, naar eenlg doel; z. v. a. c o n g e s 11 e.

Bpierreur, m. fr. (spr. épjircur) toestel om graan van de meestal daarin voorkomende steenen te zuiveren.

Epigamie, f. gr. (van gamcin, trouwen) natrouw, tweede huwelijk; wederzijdsch liuwe-lyksrecbl tusscben de burgers van twee grlek-sche stalen of steden; ook bet trouwen uil den oenen stand In den andoren.

Epigastrium, n. gr. (epifidslrion, van gaster, litilk) Med. de opperbnlksireek, do ruimte tussehen don hartkuil en do navelstreek;

— epigastralgie, f. de pijn in do opper-huikstrcek; — epigastrisch, adj. lot den opperhnik beboorende; — epigastrocêle, f. de breuk van de opperbnlksireek.

Epigenemu of epigennëma, n. gr. (van cpi-iiigncslhui, nog daarbij komen, daarna geboren worden) Iels bijgekomens, Inz. eene ziekte, die nog bij eene vroegere ziekie komt;

— epigenósis, t. wasdom, ontstaan door iels dal toelreedt; bet trapsgewijze, acbtorvol-gende ontstaan en ontwikkelen van bewerkluigdo wezens; — epigenie, f. do verandering der chemische natuur van een kristal; —epigé-nisch, adj. Hot. op de bovenzijde der bladen groeiend.

Epiginomëna of epiginöma, n. gr.

Med. de toevallige kentcekenen eener ziekte, do oorzaken der loovallen in den loop der ziekie ontstaande.

epiglossis, gr. Muz. longen aan de tangenten der klavieren, enz.


-ocr page 448-

EPIGLOTTIS 4:J2 EPIMETHEUS

Epiglóttis, f, gr. (vkI. klol Us) do slrot-klcp, IkM knol- of luohlpUli\'loksol, ilo lap In don hals, dio do sloinsploot lid hoi sllkkon slull; — epiglottitis, f. do ontstoklnn dor slrolklep.

Epigónon, rn. pi. nr. (einuonoi, v. cpigo-nos) daunici Kowordon, naKohoron) nakoinollngon, luz. do overgelilovon zonon dor la (Ion oorslon oorlog logon Tliohc Bcvallca gr. hoorvoordors of koningen, zooals Dioinodos, Alkma\'on oaz., wolko tlon Jaar later don dood huimor vadors wreekten on Thetio verwoestten; nok kinderen nil hel tweede liiiwotyk; la t algemoen hot nagoslaeht; tnz. do nakomenden van een groot tydvak, van cone klassieke kunstperiode, on dan z. v. a. navolgers.

Epigram, n. gr {eiiigramma, v. epifird-pheln, op lets sehrUven) eon opschrift, tasehrltl; eene korte zinrijke spronk, eeae zinrUko, dieh-terluk ingekleode gedachte, inz. oon pnnldlchl, kort hekel- of scliimpdlchl; opigrainma-tisch, adj. naar do wijze van eon epigram, kort en zinrijk, scherp, stekelig; een ©pi-grammatisch dichter, opigramma-ticus, epigrammatist, m. een puntdichter; opigrammatologie, f. eene verzameling van opschriften, — van punidlchten; «ok de leer van liet puntdicht;—epigraaf, n. het opschrift van een gebouw, een hoek; eene zinspreuk, kernspreuk, z. mot t o ; opi-graphika, f. di^ opschriftkundo; — epigra-phisch, adj. die kunde hetrelfeade; ook mot tellers of schrift voorzien, h. v. de opt graph isc he zyde eener munt, d. I. de letter-of schriftzyde.

Epikanthus, m. gr. hel wegtrekken van het ooglid naar de ooghoeken toe.

Epikarpium, n. gr. (van kar/m, voorhand) r.hlr. eene polspleister; een verhand om ilea handwortel.

Epikaüma, n. gr. (eig. hel aangehraade, van epl-kaiein, aan de oppervlakte aanbranden) Med. een brandblaar; eene knagende zweer op hel hoornvlies.

epikölisch, adj. gr. Mod. tot don karteldarm beboorende; zich boven den blinden darm bevindende.

Epikranium, n gr. (z. kram on) de peesachtige uitbreiding, dio den schedel bekleedt, de peeskalot.

Epikrasis of epikrase, f. gr. (vgl. kras is) eig. bijmenging; Med. de genezing door zachte ontlastingen, waardoor de scherpte der vochten verbeterd wordt.

Epikrisis of epikrise, f. gr. (vgl. krtsts), Med. de welonsehappciyke beoordee-ling, Inz. van ziekten; ook: eindbeslissing.

Epikroesis, f. gr. (vaa epi-kroeeln, er op slaan) Med. het slaan van een llchaamsdoel met roeden, totdat er roodiieid en zwelling volgt (als uitwendig opwekkingsmiddel).

Epikurlst, m. gr. eig. een aanhanger van de wyshegeerle van Kplkiirus, een beroemd wijsgeer te Athene In de \'ulo eeuw vóór dir., die bet hoogste goed gelegen achtte in de vry-heid der ziel van onrust en smart, doch wiens teerlingen z.yno grondstellingen misbruikten en zich meer aan het zianeiyke genot overgaven; vandaar gemeeniyk: een zinneiyk monsch, wellusteling, zwelgor; Kpicuri de nrcf/e porcum, «zwijn van de kudde van Epikurasquot;, iemand geheel vervuld van hel stolTeiyko en het grove zingenot; — opikurisch, adj. weelderig, ztnnotyk, wutpscb, wellustig, zwelgend; - epi-kurisme, n. de leer en levenswyze van Epi-karus of veeleer van zyae aanhangers; de neiging lot zinneiykheld on wellust.

Epikyöma, n. gr. (vgl. kyesls) Med. eig. eene tweede of hykomende lichaamsvrucht, een vleescbklomp, een maan- of laoederkalf liij eeae iichaamsvrucht.

Epilance, f. fr. (spr. —lans\') dc vallende ziekte der valken.

Bpilarehie, f. gr. (e/jilarchia) eene dubbele ruiterbende van lis man-, liet tievol daarover; — epilarch, in. de aanvoerder van zulk eene bende.

épilaloire (spr. —loar\'), tr. (v. \'t lat. c-, aren pllus, haar) tiaurwcgnemend, ontharend.

Epilémma, n. gr. (vgl. lemma) Log. de zeifi ogen werping, die de redenaar zicli zeiven maakt en heantwoordt.

Epilêno, f. gr. (van /cnris, wynpors) een wyngaardenierslted, wijnperslied.

Epilepsie, f. gr. {epilepsia, eig. de aangreep, aanval, v. epi-lambdnein, aanvallen, aangrijpen) de vallende ztekle; — epileptisch, adj. met de vallende ziekte behept; — epi— leptlka, n. pl. geneesmiddelen legen de vallende ziekte.

Epiloog, m. gr. {epi-ldgosvgl. logos fr. épilogue, f. de narede, slotrede, het nawoord; inz. op het looneel eene slotrede aan de toeschouwers op hel einde van helsluk;—-epilogisme, n. het verder besluiten, de gevolgtrekking van bekende omslaiidlghoden tol nog onbekende; ook de ultvluchlen en verontschuldigingen dor geneesheeren liü kwatyk gelukte behandeling, in \'i algemeen iillvlucht, vor-onlsclinldlglng.

epilytisch, adj. gr. (van epi-ljein, oplossen) oplossend, verklarend.

Epimachie, f. gr. (epimarhia) een verbond tol wederzydsche verdediging.

epimelëten, pl. gr. eig. bezorgers; In Athene; mol de leiding van de een of andere olllcloele zaak belaste.

Epimenidos, m. gr. Myth, een lieveling der goden op Kreta ten tyde der zeven wyzen, die in een hoi in jaar sliep en met propheli-sctie gaven weder ontwaakte.

epimeniën, pi. gr. (epimeuïa, v. epi en men, do maand) maandeiykschc olferfeesten •. ook ■/.. v. a. menstrua lie (z. aid.)

Epimerisme, n. gr. Log. eene lierbaling, oon terugblik midden in do rede.

Epimêtheus, m. gr. Myth, de zoon van Japet, broeder van Pro met hens (z. aid.); hg nam, legen de waarschuwing z.yus broeders


-ocr page 449-

EPIMETRISCHE VERZEN 433

EPIPLOON1

Pnndoi\'ii (z. aid.) tot vrouw, eene onbezonnenheid, die liet mensclldem duur Ie slaan kwam; onolK. eon inensch, die allijil Ie laat bedenkt, dlo nlel dan door schade wil leeren.

opimetnsche vorzen, n. gr. zulke verzen, die niet z.yn Ingericht om gezongen te worden.

Epimëtrum nf epimëtron, n. gr. (vgl. metrum) eene overmaat, toeglfl; — epime-traal, adj. tot de toeglfl hehoorende.

Epimóne, f. gr. (eitimnnc, v. epiménein, vertoeven) het verwijlen; Log. het verwijlen hij een voorwerp om het verder inleen te zetten; ook de onmiddellijke herhaling van een woord.

epimylion, n. gr. een molenaarslied.

Epimythmm, n. gr. {eiii-myllnon, van mythes, z. aid.) oen aanhangsel tot een verdichtsel or spreukje, de toepassing of uitlegging daarvan, de moraal na eene fabel.

Epinette, f. fr. z. v. a. spinet.

opineux, adj. fr. (spr. e/nneu, doorgaans epineus, van eplne = lat. s/iina, doorn) doornig, stekelig; hedenkeiyk, moeleiyk, netelig, gevaarlijk; — epinositeit (spr. s=i), r. barb, lat. de netelige omstandigiieid, zwarigheid.

épinijlc, f. eene speld; a qunlrc epini/les (spr. « kalr\' epèngl\'), zeer netjes, keurig, als een popje (gekleed); al Ie gemaakt, gezocht, sierlijk (van eene redevoering); — épingleg, pi. speldengeld.

Epinicium, n. gr. (epi-nikion, van nikc, zege, overwinning), pl. epinici\'a of opini-kïa, ook opinicien, 1° zegefeesten, -f zo-geliederen, zegezangen, zooals Slmonldes en Pindarus gedicht liebben.

epinocheeron, fr. (spr. —nosj—) langzaam en zonder honger eten, kieskauwen.

Epinómis, f. gr. (van nnmos, wet) een toevoegsel tot de wet; In \'1 algemeen eene toegift.

Epinositeit, z. onder o p I n e u x.

Epinötmm, n. gr. (van nolos, de rug) Med. het schouderblad.

Epinyktidos, pl. gr. (van nyx, gen. nyk-lós, de nacht) Med. de nacht puisten, in den nacht iiitlirekende, pyrdijke pniston (by ons zeldzaam, doch in Syrië menigvuldig voorkomende).

Epiornis, m. gr. uitgestorven reuzenvogel op Madagascar.

Epiparoxysme, n. gr. (vgl. paroxys-me) Med. een versterkte koortsaanval.

Epipaston, n. gr. (van dpi-jidxseln, op-strooien) Med. strooipoeder.

Epipedologie, f. gr. (van epipedon, vlak) of opipedometne, r. de meetkunst der vlakken, do vlaktemeting(z.v.a. planImet rte).

opipetalisch, aitj. gr. (van petaion, z. aid.), met opzittende bloembladeren.

Epiphcenomoon, n. pl. epiphseno-monen of epiphDenomëna, gr. (vgl. plnenomeen) een later zich opdoend of hy-komend ziekteverschijnsel.

Epiphania, f. gr. (cpiphdnela, van epi-phaineslhat, verschijnen) de verschijning, Inz. de verschyning eens Gods en de gedachtenisviering vmnilE IIIIIIK.

daarvan; sedert de Sde eeuw in de gr. kerk de verschijning, d. 1 de geboorte van Chr.; later (met zinspeling op de verscbyning der ster) bet feest der aankomst van de drie zoogenaamde koningen bü het Chrisius-kind, Driekoningenfeest, ook het groote of hooge nleuwejaar (ti Januari); — epiphanïa\'s-zondagon, zondagen na het Drie-koningenfeest; -- epipha-nes (epiphancs), de doorluchtige, bijnaam van Jupiter, ook van sommige oostersche vorston, opvolgers van Alexander den Grooten.

Epiphlogisma, n. gr. (vgl. phlogiston, enz.) Med. eene ontstoken bnidpiek; — epiphlogisme, n. gr, de brandende lilttc;

epiphlogösis, f. eene middeimaiige ontsteking.

Epiphonêma, n. gr. (van epi-phóncin, toeroepen) de loeroep, uitroep; de hy eene schildering of voorstelling gevoegde spreuk; Log. eene nadrukketyke slotgedachte, eindspreuk, slotspreuk eener rode.

Epiphóra, f. gr. (van cpi-phérein, hy-, toedragen) Log. eene figuur, waardoor hel laatste woord van een voorstel met nadruk wordt herhaald, dc herhaling; hel eindigen van verscheiden zinnen mei dezelfde woorden; Med. de tranenvloed, oogtraning, bet oogdruipen

Epiphyllospérmoe, f pl. gr. (v. epi, phyllon, blad, en spéma, zaad) Bot. planten, welker bloesems (eig. zand) zich op de bladeren bevinden; — epiphyllum, n. het vleu-geihiad.

Epiphysis of epiphyse, f. gr. (van epi-phyein, er aan of bij groeten) de aanwas, bywas, het aangroeisel van een heen, dat enkel door hel beenvlies en door kraakbeen mei hol hoofdbeen vereenigd is; door verheening van dit kraakbeen wordt bot eene apophyse (z. aid.); — opiphyton, n. gr. Hot. de woekerplant.

Epipigma, n. gr. Chir. een werktuig om een ontwrichten arm te zetten.

Epiplasma, n. gr. (van epi-pldssein, opsmeren) Chir. een bry- of papomslag.

Epiplerösis, f. gr. (vgl. plerosis) zie-keiyke volbloeillgheld, overmatige opvulling of overvulling der polsaderen.

Epiplëxis, f. gr. (van epi-phmin, eig. er op slaan, luchtlgen) berisping, verwyt, straf;

epiplexie, f. gr. [epiplfxia = cmpWxia) Med. de eenzijdige verlamming door beroerte.

Epiploko, f. gr. Log. eene figuur, die de Irapswgze opvolging van denkbeelden of ver-rlehlingen ultdruki, doorgaans z. v. a. kil max.

Epiploon, n. gr. het darmnet; opi-plocêle, f. Chir. eene netbreuk; epi-plokomist£E, m. pi. smeerbuiken, zij, die een dikken, vetten buik hebben; — opiplo-cystoschocële, f. de halzakhreuk, waarin een sink net en plsblaas bevat Is; opi-ploëmphraxis, f. de vorstomiing van het nel; epiploöntoroschocële r. eene halzakhreuk, waarin liet net en een ilarmllgt;

opiploïtis, f. de onisieking van liet nel;


-ocr page 450-

EP1P0IESIS 434 EPISTAXIS

— epiplomphalum, ii. pono nolbreuk door ili\'n navel.

Epipoiosis, r. nr. (v. epi-iJoicin, liljvoc-uon) iels overvloedigs, oen toevoonsel.

epipompoutïca, pl. gr. llederon hij lilechlItH\' oiiloflilen.

Epiporöma, n. en opiporösis, r. trr. vel. por oma, enz.) Med. eeno oppervlakkige verharding, eell; een beonderullwas.

Epirrhëma, n. gr. toegevoegd woord, narede; in hot oude gr. hiyspel oon versgroep nis aanhangsel eener parabasis (z. aid.); In de grammatica ook; hywoord (ahvorhlum).

epirhizisch, adj. gr. Bot., op wortels groeiend.

Epirographie, f. gr. {ook goïstlek) do konnis van hel vasteland dor aarde (in tegonst. met hydrograpiilo); — epirograaf, m. kenner en beschrijver van het vasteland der aarde; — epirographisch, adj. tot die kennis beiioorende.

Epirrhoë, f gr. (v. epirvht m. toevloeien) Med. een toevloed van vochten; opir-rhoeolog;e, t. do leer van den invloed van uitwendige agentia op organische wezens.

Episarcidium, n. gr (van mrx, genit. sarkóx, vleesch) Med. eeno algemeeno iiuidwa-terzucht.

Episcenium, n. gr. (vgl. se ene) het bovengedeelte van hel tonneel.

episch, z. ond. epos.

Epischésis, f. gr. (spr. s-clmis) (van ep-irhein, terug-, aanhouden) Med. de zlekeiyke toestand eener oniiodiging, b. v. der pis; do onderdrukking of iernghouding der nrscheidlngen.

Epischïum, n. gr. (van isrhinn, heup, lende) het schanmheon.

episcopaal, episcopaat, episco-pus, enz., z. episkopns, enz.

Episcy nmm, n. gr. {cimkijnion) do huid, waarop de wenkbrauwen slaan; oncig. de trotseb-held, de liarlslochl, die zich kenbaar maakt door beweging der wenkbrauwen.

Episomasie, f. gr. (van epi-sénmiiiein. beteekenen) Med. voorieekenen van ziokien;-episemeiosis, r. opleekening, kort ontwerp. Inhoudsopgave van een boek

episepiilisch, adj. gr. Bot. op de kelk-spieei slaande.

Episiocêlo, f. gr. (v. e/nseion, de schaamstreek) (;hlr. eene schaamlippenbreuk; epi-sióncus, m. gezwel der schaamlippen; opisiophyraa, n. schaamlippenbuil; epi-siorrhagie, f. de idoedlng der schaamlippen.

Episkopns, m. gr. (e;)is/to/)os, d. i. eig. opzlehter, van epi-sknpein, naar of op iets zien) een bisschop, z. aid.; — cpisropux in partfhus [infidenum) een bisschop in \'t land der ongo-loovigen (Turken of Heidenen, enz.; vgl. infl-deoi); episkopaal, adj. bisschoppeHik; — episkopaal-systêma, n. het stelsel, volgens hetwelk door do reformntio de hisschop-poiyke macht in Duitschland op de evangell scho vorsten zou overgegaan en deze alzoo do hoofden hunner landskork zouden geworden zyn, in onderscheiding van het torrltoriaili- en coiieginal-systoma; — de opiskopa-lon, de blsschoppeiykeii, leden der hisstiioppe-iyke kerk in Kngeland; — episkopalisoe-ring (spr. s=z), f. do Invoering der bisschops-waardigheid en der hisschoppeiyko macht; — opiskopaUaton, m. pi. zulke R. Kaihoiie-ken, die niet in den paus alleen, maar in do op oen algemeen concilie vergaderde bisschoppen do veriegenwoordiging der kerk aanschouwen (vgl. c u r I a 11 s t e n); — episkopaat, n. het bisdom; do bisscboppoiyko waardigheid, hot ambl eens hlsscbops; — episkophobïe, f. de blsschopsvreos, vrees voor do bisschoppen, zoo als die zich by de Noderl. Protestanten in issit openbaarde; — episkopiani, m. pi. goestetykon in de gr. kerk, die de uilspraken en besluiten van den bisschop moesten beoor-deelen; episkopokratie (spr. l=ts), f. do heerscbappU der idsschoppen en In \'1 algemeen van de geestoiykheld in oenen staat.

Episóde, f. (gr. ep-e x-iiilïon. n., d. 1. eig. van buiten inkomend) hot ingoiaseide, ingescho-vono, tusschengovoogde; de Inweving, inviech-ling van oen sink, dat niet noodzakoiyk lot hot hoofdondorwerp van oon gedicht, verbaai, enz. bohoorl; bywork, tusschensiuk; de tusschon-of bUheliandeling, liel tusschenionnoei, byvcrdichl-sel, de lusscbenfabel; episodisch, adj. ingevlooliten, ingeiasebt, ingescboven, lot hol bywork behoorendo; episodisch go zang, bü-of iusschonzang enz.

Epispadie, f. gr. (v. epi-xpdein, toetrekken, aantrekken, enz.; val. spa do (Med. de opening van de pisbuis op den rug van \'i man-neiyk lid, eene aangeboren misvorming; — epispadiosus, m. een mot dil geiirek he-bept persoon; — epispasmo, n. liet voor-waartsirokken der besneden voorhuid, om do joodschc afkomsl Ie verioociienon, zooais in den romeinschen keizeriyd soms geschiedde door ontaarde joden; vandaar: epispast, m. ver-loochenaar van hel jodendom door middel van epispasmo; epispastisch, adj. (vgl. spasis, enz.) Med. trekkend, blaar- of ottor-trokkend, b. v. zulk eeno pleister; — epis-pasticum, n. een trekmiddoi, trokpieisier, Inz. om vreemde lichamcn, ais splinters, uit to trekken.

Episphaerie, f. gr. Anal, de kronkelingen van de oppervlakte der horsenen.

Epistaat, m. gr. voorzitter, leider, bestuurder.

Epistalma, n gr. (van epi-sléllcin: vgl. episiei) eene opdracht, een bevel, beschcld.

epistaminaal, adj. gr. Bol. zich op de meeldraden onlwikkelend.

Epistasis, f. gr. (vgl. slasls) Med. al wal op de oppervlakte der geloosde pis dryfl, In tegonst. van hvposlasis.

Epistaxis, f. gr. (van sldikein, druppelen) bel herhaald druppelen; Mod. do hevige neusbloeding.


-ocr page 451-

EPISTEL 435 EP1ZEÜXIS

Epistel, f. (lal. epislöla, vun \'t gr. e/tislole, zending, van qnslélldn, toezvndon, heslellon) een zendlirlef, brlet; in/. In liet nieuwe testamenl: brief der apostelen, upnstollsche hiief; onelg. eene strafproillkalle, oen verwijl; poëtisch e [il stel, een gedicht in hrlefvorm. zendbrief in verzen; — epislolae obscurorum virorum, brieven van onbekende mannen, oono verzarne-ling van brieven, waarin de scliolasliei en innn-niken met onharinliurtigen spot worden doorgestreken; — epistoliiren, m. pl. lagere geesteiyken, die in do r. kalh. kerk de episte-len zingen; In de middeleeuwen de schryvers, die de keizeriyko bevolen uitvaardigden; — epistólisch fr. opistolaire, adj. wnt tot de brieven bebooil, b. v. de eplstolairo vorm, de briefvorm; opistolarium, n. nw.lat. een boek, waarin de bijhelscho epistels slaan opgeteekond; epistolograaf, m. gr. een briefscbryvci\', bilefstelier; Gpisto-lographio, f. de kunsl om brieven te scliry-ven; opistolium, n. oen briefje.

epistemónisch, adj. gr. (van episUmo, wetenschap) lot de welcnsehap behoorende, we-tenscliappeiyk; - opistemónarch, m. do kerkelyke censor of geloofsopzlener, een gees-loiyko In de ondo gr. kerk, die voor de zuiverheid der leer en van hel geloof moest zorgen.

Epistomium, n. gr. {eiiislómion, v. shhna, mond), Chir. oen stop, prop; de kraan, sponde; de windklep of hel venliel aan een orgel; — opistomïa, n. pl. do ullorslo mondjes der vaten.

Epistróphe, f. gr. (elg. epislruphe, van epi-slréphein, omkeeren) Med. do omwonding, omdraaiing, de terugkeer van ziekte; Kliel. eene liguur, die door cone krachtige herhaling van dezelfde woorden de meening des sprekers met moor nadruk doel gevoelen (zie II Cor. X.1: ü), de slotherlmling; — epistropheus, m. Vnal. de tweodo halswervel, draaier.

Epistyl, n. gr. (van slylos, zuil) het bovendeel nf de krans cener zuil, z. v. a. a r-c h 11 r a a f.

Episyllogïsmo, n. gr. (vgl. syllogisme) eene naulullrcde als gevolg eener andere; eene reeks van sluitredenen.

Episynthetiti, m. pl. gr. (v. einxynli-themi, nog steeds byvoegen), z. v. a. eklektlcl.

Epitaphium, u. gr. (ujiilaiihum, v. Idphos, graf) het grafscbrlfl; de grafsleeu, graftombe; epitaphïst, m. een giafschilftmaker.

Epitasis, f. gr. (v. ciii-Utiimn, aanspannen) hij de oud-gr. Ireurspeldicbters bel ide deel van een tooneelsluk, waarin de handeling van hel eerslo (protase) voortgezet wordt, om ze In bel derde deel (kalastase) te voleindigen: hel leggen van den knoop, de spanning in een looneelsluk; Mod. vermeerdering, hevigheid en hitte eener ziekle.

Epithalammm, n. pi. -mi a of-mien, gr. (van thdlumns, bruidsverlrok, omdat het ge-woouiyk voor de deur van het brulloflsverlrek gezongen werd) een liruiloflsgedlcht, hrulliifls-lled (vgl. h y meiiieus); een bnweiykslafereel, -schlldery, zoon de zoogen. »Aldobrandlnlsche bruiloftquot; op bel Valleaan.

Epithelium, n. gr. (van llule, moeder-borst, lepel) hel teedere oppervlles van hel slijmvlies, b. v. op de lippen, de lepels, enz.

Epithöma, u. gr. (elg. het daaropgezetle of -gelegde; vgl. thema, thesis, enz.) Med, een omslag met een lauwwarm vochl, eene maagpleister; — epithösis of epithése, f. gr. een loevoogsei, bijzin by een hoofdzin;

epitheton, epitheet, n. pl. epitheta, epitheton, een hyvoegiyk nanniwoonl, hel woord, dat de elgeiiBChap, de hoedaniglieid uil-drukt, b.v. de v mme vrouw. Karei de S lou l e; een bijnaam, toenaam; epitheton ornans, lat. een als sieraad aangewend hyvoegiyk woord; -epithetiseoron (spr. s=j), hynainen geven.

Epithymie, f. gr (epithymia, v. thymns, ziel, gemoed) de begeerte, hei hevig verlangen, ile helustheid naar zekere spijzen in de zwangerschap.

Epitimion, n. gr. eene boele, Inz. geld-hoelo; in de gr. kerk hetzelfde wat de pie-nlteiille in de r. kalh. kerk Is.

Epitogium, n. gr.-lal. (van \'I lat. toga, z. aid.) een overmanlel; (Ibir. een schouder-verband.

Epitome, f. gr. (epitome, elg. hel afsny-den of hesnyilen, van epitétniiein) een kort nil-treksel of begrip; — epitomiseeren (spr.

(lal. cpitomare) nlllreksels maken, in hel kort sainenvalleii, Ineendringen; epitoma-tor, in. nw.lat. de ulttrekselmaker

Epitomën, f. pl. gr. (v. epi-teinein, aanspannen) de snarensllften, snaarnagels; - epi-tonieten, m. pl. gr. scbroefsleenen, eene ver-sleening.

Epitrachêlion, n. gr. quot;halsstukquot; b. v. als deel van hel ornaat der gr. geesteiyken.

Epitriet of epitritus, ni. gr. (elg. een geheel en nog een derde daarboven, d. 1. vier derde bevallende, van i\'l\'i en tritos, de derde) Poel. de drieslag, een versvoet met eene korie

en drie lange lellergrepen, b. v, (—----—)

li e v o e r o o r deel d, of (— —---) s 1 a a 1 s-

geh olm raad, of (---\'—) kunsl woorden tolk, of (—-----■) sta a 1 shu Ish ou-

d I n g.

Epitroch lsme, n. gr. van (cpitrochd-d:cin) elg. het overheen-ioopen, oppervlakkig aanraken; Log. de opliooping van vele denkbeelden in eene periode.

Epitrópe, f. gr. (epitropc, v. epitrépein, toevoegen, aanveri rouwen) elg. hel loeverlrou-wen, de overgave op genade en ongenade; l.og de sehynliewllilging, de voorwaardeiyke loostem-mlng van iels, dal men zou kunnen ontkennen.

Epixenagie, f. gr. eene phalanx-afdee-llng van 4(118 man; epixonaag, m. de bevelhebber over zulk eene afdeeling.

epixylisch, adj. gr. (v. vuton, iioui) op boni wassend.

Epizeuxis, f. gr. (v. epi-ilzeugnömii, aan-


-ocr page 452-

KPIZOISCII

436

EPULUM

knoopon, liyvoegon) olu. de iiunoonknoopliiK; Lob. ile liorhiillMK, vordubhelltiK van écn of meer dor oorsto woorden met nudnik (Jolian. XVI, 23), hot tegengosl. der oplphorn.

epizöisch, adj. gr. wut zlcli hoven die aardlagen hevlndt, welke organlsciio llchamon bevatten.

Epizöon of opizöum, n. pi. opizoa,

gr. (van dzöon, dier), woekerdloron op de liul-tenste huid, het logengest. van ontozoon (z. aid.); — opizoonosologie, f. (vgl. nosologie) de leer dor veeziektenepizootie (spr. I=h), f. de veeziekte, storflo onder het vee; — opizoótisch, adj. lol do veeziekte hohoorendo.

epochant, /.. epoque.

Epöde, f. gr. (epailós.■ vgl. ode) Poet. de nazang, slotzang na de strophe en an list roplio in de oud-gr. koorzangen; ook eono soort van lierzangen van Horatius, waarin mocstal oen korter vers {versus epödus) mot een langer afwisseli; - epödisch, adj. nazingend, mot een migezang voorzien; — Gpodus, ni. gr., oen (door epadui, d. i. tooverzangon of fonnu-lioron) hetoovorde of genezeno; door misverstand ook; oono magnetische slaper (daar veeleer den magnetiseur dien naam toekomt).

Epomadion, n. van de schouders afhangende hand aan hel ornaat der gr. geesteiUken vgl. humorale.

Epömis, f. gr. (epómis, v. ömos, schouder) hot hovendool dor schouders, de nek.

Epomphalion, n. gr. (van omphalós, navel) Med. eene navelpleister, wat op den Ie hoogen navel gelegd word om hom terug te hrengen; ook de navelstrook.

Eponymus, m. gr. (epöni/mos, h(|ge-naamd, een toenaam gevend, v. tinyma, ónoma, naam) die aan eene zaak den naam geeft, zooals I). v. In Athene de archont, naar wien het loopende Jaar genoemd werd; — opony-inisch, adj. liij- of toegenaamd; i0 naar oen fijner gr. spraakgohrulk ook; waarhenoeind, van met de waarheid ovoroenkomende hetooke-nis, als de zin van den naam met hel karakter of hot lot des naamdragers overoonstemt.

Epopée, opopooa, z. epos.

Epopsio, f. gr. (vgl. opsis) de eigene beschouwing, hel overzicht; —epópt, m. (gr. epóples), pi. opópten, iinnschouwors, ingewijden in den lioogston graad der eleusinlsche mysterltin, die alles mede mochlen aanschouwen; ook dwepers, zieners; —epoptika, f. doleer van de kleurspeling op doorzichtlgo bladeren (oen gedeelte der kleurenleer); epóptisch, adj. daartoe bohoorende.

Epoque, f. fr. (van hel gr. epoche, het stll-standpunt, van ep-échein, stilhouden) een merkwaardig lydpunt, tUdhcrekeningspunt, waarvan men eene reeks van Jaren begint te tellen, de grens dor Jaarrekening, Igdsnede, godenktyd; vandaar epoque maken, een nieuw belang-rijk lydperk openen, zich-zelven of den lijd, waarin men leefl, merkwaardig maken, groot opzien verwekken, gedenkwaardig z.yn; — epochant, m. harh.-lat., de gedenkwaardige, hg, die een nieuw tgdvak opent.

Epos, n. gr. (elg. woord, rede, verhaal, van eipëin, zeggen, spreken, wortel ep) ook epopoea (gr. epo-poiin, d. i. elg. vervaardiging van een epos), of fr. épopée, f. een heldendlchl, holdonzang, een groot verhalend, doorgaans op sagen en myllien berustend dlchl-sluk van eenigo ullgebreldheld, waarin groole en gowlchllgo gebeurtenissen behandeld worden; episch, adj. tot hot heldendicht he-hoorende of dal betrellendo; — epische poëzie of heldenpoezlo, In ruimeren zin in het algemeen do verhalende illehlsoort, eene dei-drie iioofdafdoeiingon der poezio, nevens do I y r I s e h o en d r a m a 11 s c h e; —- epische dichters of epici, heldendichters; — epische verssoort, do versmaat van het heldendicht, do daktyllscho hexameter.

Epostratisme, n. gr. het spel, waarhij men scherven zoodanig op hel watervlak werpt, dal /ij daarvan opspringen, bel kollen, kelldoron.

Epoulardage, f. fr. (spr. epoelarrid-zj\') hot uitschieten, of afzonderen der beschimmelde bladeren van do tabak.

Epouseur, m. fr. (van dpouser, huwen die naar Iemands hand dingt, vr(|er.

epouvantabel, adj. (spr. epocwati—), fr. (épouvnnlable, van i\'pouvanler, verschrikken) ontzettend, vorschrlkkeHjk.

eppur si muove, 11. »on toch bewoegt zy zlcliquot; n.1. de aarde (woorden die Oallloï, naar men zegt, uilgesprokon heeft, loon hy gedwongen werd do loer van Copernicus af te zweren).

Epreuve, f. fr. (oudfr. esprove, v. \'I fr. éprnuver, oudfr. espröver, v. \'t lat. als \'t ware exprobare: vgl. pro beo ren) de proef, proefaf-druk i épreuves d\'arlisle (spr. —epreuv\' darliést\' , knnslenaarsproofdrukkcn, de eerste en beste afdrukken van koperen platen, zonder onderschrift; épreuves avant la letlre, z. ond. let-tro; eprouveeren (spr. n«=oe) beproeven, op de proef stellen, prohoereii; ervaren, ondervindon, gewaarworden, gevoelen, ondergaan; — eprouvette, f. oen kruilproe-vor, een werktuig om do hoedanigheid en de kracht van hot krult Ie kennen; eene wond-heclers-sonde; een ykkeltlng, -staf, de proellepel der tlnneglolors, ook der zeepzieders.

e profündis, lat. uit do diepte, z. profund. Epsomzout, n. engelsch zout (van Epsom), zwavelzure magnesia of biltorzout,

Epülis, f. gr. (van oelon, tandvleosch) zwamachllg uitwas aan liet tandvleosch. epulonen, z. ond. epuluin. Epulösis, f. gr. (van oele, llttoeken) Med. de lltleekonvormliig; epulotikon of epu-loticum, n. pi. opulotika, oen litleeken-vormend, vieeschvoortbrengend geneesmiddel; samenhokkend en verdrogend middel.

Epüluin, o. lat. een gaslmaal, eene smul-party; - cpulatie (spr. l—ls), f. gastmaalhouding; opulönen, m. pl. smulhrooders.


-ocr page 453-

KPÜUKKREN

K li KM HOT

slcmpors, brassers; ook zckoro olVcrprleslers liü de Homelnen, die den goilenniauliyd bereidden en hU de openbare spelen do «oode orde hand-haarden.

epureeren, nw. lat. (van puru.i, a, urn, rein) reinigen, zuiveren, louteren, lilliezen; — epurateur, m. fr. reiniger, relnlglngsinaeblne hy de katoenspinnerij; epuratie (spr. /=lt;■?), de reiniging, uitwerping van bet sieebte, loutering; — epuratief, adj. louterend, reinigend. e pur si muove, It. ■/.. eppur.

Equerre, f. tr. (spr. é-kir) winkelhaak (der tlinmertieden, enz.)

Eques, m., pl. equites, lat. (v. equus, paard) ruiters, ridders; in de rom. republiek, sedert den t yd der Graceben, een tussehen senaat en volk staande vermogende middelklasse; eijuéslris slatüa, z. ond. statu e.

Equilibro, equilibrist, enz., fr., ■/.. v. a. asq ui librium, enz. (z. aid.) Equinox, z. lequlnoct Iurn. equipeeren (S|)r. efci—), fr, équiper, oudtr. esqulper, van hel oudn. en gotii. s/iij) = scb 1 p, oudn. skipa, uitrusten, dus oorspr. op scheeps-uiirusiing doelende) uitrusten, toerusten, klee-den, zich met reisbehoeften en met al bel verder noodwendige voorzien; verzorgen, bemannen, I). v. een schip; — equipage, r. (spr. ekipd-tj\') de relstoestel, de daartoe benoodigde bedienden, paarden, rytuigen, reisheboeften ; inz. koels en paarden, ai wal tot de pracht, den stoel, het gemak eens groeien behoort; nok de krygsnilrusltng van eenen olltcier; In bet zeewezen; het scheepsvolk, de scheepsbemanning, gezameniyke manschap; — equipement, m, (spr. dti-ji\'mdii) de uitrusting, inz. van een schip; — equipeur, m. (sp. eki-p—) de werkman, die de afzonderiyke door anderen vervaardigde deelen van een geweer lol een geheel vereenigt, de samensteller.

iquipollent, fr., z. a\'q u i pol ten t. equiria, pl. lat. feestspelen ter eere van Mars.

Equisetum, n. lal. (van cquus, paard, en srld, sterk haar) Itol. de paardestaart, iiel schaafgras, eene waterplant met paardestaarl-achllge haren.

Equitatie (spr. lie=lsie), f. lat. (equilatto, van ciimis, paard) de rykunst, liet ryden. Equity, f eng. biliykheid, vgl. a; qui tolt. equivoque, fr. (spr. ekiwók\', van \'i lal. uiquiitucus, z. aiquivoque) dubbelzinnig, twy-feiachlig, verdacht, onbepaald; inz. onkiescb, min of meer plat of onkulsch; — équivoque, f. de dubbelzinnigheid, het woordenspel; bedekte onkiesche of wulpsche laat.

ër, m. lurk. man; dul- of doel-er, weduwnaar.

Er., hij naluurwetcnscb. benamingen afk. voor VV. F. lirlchson (entomoloog, gestorven ISi8) Eradiatie (spr. /=/,«), f. nw.lat. (vgl. radiatie, onder radius) de uilstraling, straal-werping.

eradiceeren, lal. (ernilicare) ontwortelen.

met den wortel uittrekken, uitroeien; — ei\'a-dicötie (spr. /=lt;«), f. de uitroeiing met den wortel, onlworteling,

eradeeren, lal. (cradSre, vgl. radeeren) uitkrabben, uit- of afschaven, ullblusscben, vernietigen, vernielen, uitdelgen.

Eranos, m. gr. (waarsch. v. crUn, beminnen) een gezelschap In \'1 oude Griekenland tot onderling genoegen of lol nuttige einden; inz. een maaliyd, waartoe Iedere gast hel zgne aan spys of aan geld toebracht, een pieken lek (fr. pique-nique); — eranóum, n. een voor-schol aan een beboefllge, om het eenmaal In heter omstandigheden zonder rente terug te geven.

Eranthis, f. nw.lal. (v. gr. ër, lente en unlhiis, idoem, dus lentebloem) de winlerwolfs-worlcl, eene zeer vroeg In \'I voorjaar, soms logen kerstmis bloeiende bloem, vandaar als sler-plant gekweekt.

Erasine, f. soort welriekende terpentijn uit Callfurnië om vlekken weg te maken.

Erasmus, mansn. (van \'t gr. eran, beminnen, erdsmlos, iieminnenswaardig); de beminnenswaardige; erasmiaansch, adj. van Erasmus (liin—1830) afkomstig of daarop betrekking hebbende; — erast, liefhebber.

Erato, f. eene der Muzen (z. aid.); — eratomanie, f. liefderazernU, vgl. nyin pboni a n I e.

Erbab, m. araii. plaatseiyk rechter In Afrika,

Erbium, n, bet metallische radicaal der erbine-aarde, die Mosander In isi;i vond in de ytteraarde

erdö, magyaarsch. bosch, woud,

e re, e re nala, z. end. res.

Erebus, m. gr, (ICrSbos) Myth, de godheid der duisternis, de zoon van den Chaos en de broeder van den Nacht; de onderwereld, het doodenryk, de hoi; - erébisch, adj, onder-wereldiyk, donker, akelig, helsch; erebo-diphónten, m, pl, onderzoekers der duisternis, duisternisdoorzoekers.

Erectie, erectis digitis, zie onder eri-geeren,

Eréchtheus, in, een overoud koning van Altlka, die het eerst daar den dienst van Athene (Minerva) invoerde. Naar hem Is genoemd-. hel erechtheum, een tempel op den hurg te Athene, die den heiligen oiytliooni en de zoul-bron hevalto, de geschenken van Athene en Poseidon; -- erochthiden, pi. de Aiiieners als nakumeilngou van Erechlheus.

Eremiet, heromlel, in. (lal. enmila, gr. eremites, van érimns, eenzaam) een kluizenaar, woudbroeder; ook de kinizenaarskreeft, die in eene schelp afgezonderd leoft; — ere-mitage, here ml la ge, f, de klnls, kluizenaarswoning, hul; naam van een keizerlijk winterpaleis Ie Potersburg; ook m, een edele fran-sclie wyn z, hermitage; — eremitisme, n, bel kinlzenaarsieven; oromodiouun, n, (van érimns, verluien, en dike, rechtszaak)


-ocr page 454-

EREPT1E 438 EHOUEERKN

■lur.ht\'l verzuimen of laten heruslcn ooncr rechts-zank vim lie zgde dos iinnkliiKors; oono vooi\'hot ntel-ln-roohten-vorsoliyncn opifolCKdo slrnf.

Eroptie, z. ond. er 11) I Boron.

êres, m. Iioln . eeder.

Erothisio, r. en erethisme, n. ri-. (v. erdhidzcin, ertlhein, prikkelen) Mod. do zioke-lyk verlioottdo iirikkolliniirheid; orétisch, udj. {.\'oprikkohl, opuewekl, mot prlkkeihniirlioid vcrliondon.

Eretrïsche aarde, oono graiiwo on ook witto soort van kleiaarde, zoo goheoton naar Krol rinm (Negropont); In do gonposkunst wordt nlloon do wille gebruikt.

Erouxis, r. gr. (v. (vciif/es/Ani, uitspuwen, oprispen), z. v. a. hot lal. er u el allo.

orfG, arali. kaneel, kanoelwalor, oen wanne drank.

erna, lat. togen; erna srhcdam, zie onder icheihi.

Ergasterion of ergastorium, n. gr.

(van criindteslhai, artieidon) de werkplaats, hol lahoralorlum; ook voor werk- of luclilhuis; klooster (ais werkplaats voor geestelijke oefening ou liehamelilken ariieid);- orgastiok, f. de arheids-of vvorkzaainheldsleor; orgastisch, adj. lot arholdon gesciilkt, hohoorond;

— ergastüliim, n. lal. hol werkhuis, tnehl-huls, de stavengevangonis; uw. lal. de work-plants in iten plianniueullsclien oven

enjo, lal. gevolglijk, vandaar, dus, daarom, iilzoo; - ergoteeron, fr. (ergolcr) allijd met dus en b{j ficvolfi in do weer zyn, over elke kleinigheid iwision, haiirklooven; - ergotis-mo, ii. hiirh.tal. de zuriil lot redotvviston, tol geHjkholiheii; ergotist, m oen Iwlsler, lioloogziiohtigo, geiykhohhor.

Ergot, m. fr. \'spr. crniïi de hrantl in \'i koren, lirandig koren; orgotine, f. hel werkzaam liestauiideol van den roggeliraud, in ls:il door VViggors onldokl.

erhard, orhart, oudd. mansnaam: de eervolle, de geëerde.

Eri, n. nrah. hemd.

Erica, f. lal. (v. \'I gr. ereikc, holde, hoi-dokrnid; pl. ci\'icsD, oricéën, heidopianlen;

— ericieten, m. pl. oono soort van den-d riot e n, welker leekouing sleehls afzoniierlUko iioonipjes met slam en takken voorsloll; — oricoïdes, liot. heldeplanliichllg.

Erich, Erik, ondd. niansn.: de oorryko.

Eridanus, m. lat. (gr. liridanós, do my-Ihtsche en dichiertyko naam van ilo rivier de I\'d of l\'adus in llaile) oeu groot slerronhoeld aan ilon zuldoiykeii hemel van lil) sterren vvanr-oudor do aearnnr (z. aid.) ais ster dor eerste groolle.

erielensis, Hol. van hot meer lirio.

origooron, lal. (erin/lre) opriehlen, optrekken, ophouwen, groiidvosten, stiohtoii, overeind zotten; —eriglbol, adj. uw.lat. opriehliiaar, wat zleli overeind laai zotten; oréetio (spr. /=«), f. de oprlchling, hol overolndstnnii; do ophoiiwing, grondvesling, houw; — oroctus, opgericht, reehtstaudlg; ereclis digilis, mot opgestoken vingers.

Erih (latiilisch eig. arii, d. i. koning, hoofd, adellijke; op doSaudwichs-oliandena/ff), doedel op de Gezoischapséiiandon.

Erin (ierseh Ermn, Erend), de ouito (eel-liseho) naam vau Ierland; vandaar: erigëna, m. oen uil Ierland gehoortigo (tiijnaam vau .loli Sootus); — eriniot, n. oono soort van ko-perorts uit Ierland.

Erinnys f., pi. Erinn^on, gr. (vau erinnijein, vergrammen) Myth, de wraakgodinnen, z. Furiën.

erinus, gr. (eruwx) de leverhalsom, oen sierplant.

eriocarpium, lal. liot. ruigvruchtig.

Eriometer, m. gr. (van erton, wol) een wolmoler, oen door \\ ou ng ultgovondon optisch werktuig om do lijnhold der wol Ie meten.

eripiëoron, lal. (eripüre) ontrukken, ont-irekkoii; eripuil rwlo fulmen sceptrumque /;/-rannis, lat. hü hoefl don hliksom aan den lio-mel en don scepter aan do .yrannen ontrukt (opsclirifi op hot standlieold vau Franklin); — eréptie (spr. l=s), f. (lat. ereptto) do ont-rukking, roof.

Eris, f. gr., in \'1 algemeen twist, stryd, krakeel; oono lid strijd aanzeilende krygsgodin, later in \'1 algemeen do Iwlstgodln, do godin van twist en tweedracht, zuster van Mars; — Eristika, Eristiok, f. do twist- of sirijd-kunst; — eristici, in. pl. strydziichtigon, Iwisi-zieken, oono oud-gr. pfflosophische school: de meg arische school; — oristisch, adj. twistziek, sirydzui\'hllg; onk te hoslrijdon, iie-I wist haar.

Erithalis, f. gr. (v. eri, zoor en llidllein, hiooien) oene pinni, wier gooi linul voor lijn schrynwerk wordt gehruikl.

erilis sieul Deus, sciénles hnnum cl milium. lal. gil zuil ais (lod zyn on weien wat goed en kwaad is (Genesis 3, S).

Eriviet, n. zeker mineraal, oono veriilndliig van koporoxyde on arsonik.

Érkian, lurk. rgk, staat h. v. erkiani deuilél, steun des rijks.

Erlangor blauw, oono uil soda van .Micanlo en con dorde doel zuiver root gcmaakle verfsiof, zoo gehooton naar do lieyerscho stad F. r 1 a u g o n.

Ermin, m. een tol, die in do ieviiiitsche handolplaalsen van in- en uitgaande schepen moet liotaald worden.

Ermïta, f. sp. (vgi. cromiel) kiulzeuary, kluis; kapel.

Brnob, m. aral). haas

Ernostine, vr.naam (van hol inanneiyko F.rust); de ornsligo, overleggende, welheradono, vast heslot ene.

erodoeren, tal. (erodüre) afknagen, weg-hyten, wogvroleu; — erodontia (spr. I=ls), pl., z. v. a. caiistica; — erosie (spr. .i=z], f. lat. (eroslii) wegknaging, doorvroling; erosus, a, um, Hol. uitgokniiagd, uitgevreten, gokiirleld.


-ocr page 455-

EROGEEREN A\'M ERYTHREMA

erogeoron, lal. {emuare) uitdeden, bo-iluolen, ultüovon; erogiitie (spr. l—ls),f. {croyaiïo) .lur. do ultmive, uillieliillntt; verdco-linu; — erogator, m. do ullgever; do vol-trokkor van do liiiilslo-wilsbopiilliinoii.

eróïco, eroïcaménte. It. Muz. (z. v. a. h o-roïsch) holdliaftlK, lier, sloul.

Eros, in. i?i\'. (éros), de liefde, liefdebod, z. A mor; — eroton, m. |il. Ilofdogodon; — erotisch, adj. do llofdo bol rolronde, verliefd;

— orollsclio kedlclitoii, llofdogediolilen, iiiliinedlohlen, losse on liovalllfjo dlclilslukjes, waarvan do llofdo hol ondorwerii uil maakt of aan do hand geeft; — erotica, f. de kunst om to hominneii; do nilniiodlihtkunsl; - erotica, pi. nilnnolloderon, erol Ischo godlcliteii;

— erotïcus, m, oen llofdodlolitor, mliinodioh-tor, schrijvor over do zlnnoiyke llofile; eroti-dïën, pl. gr. toosten tor ooro van Amor; - erotomanie, f. do inlnnewoedo, llofdo-razorng;

— erotopeegnie, f. verliefde heuzelaiy. Erosie, z. o rodeo ren.

Erotöma, n. gr. (v. erulun, vragen) Khot.

do vraag, oiidorvraglng, oene llguur, waardoor een voorstel vragoiiderwys dMvvikkeld wordl; — erotematika, f. do vraagkunst; — orote-matisch, mij. vraagswyze, li. v zulk eon onderwys, vvaarliy do eonc vraagt, do ainlero antvvourdt.

Eroticus, erotisch, erotomanie, erotopaegnie, z. ond. li ros.

Erpetologie, erpetoloog, liever her-potologlo, enz. (z. aid.).

ernire humunum est, lat., dwalen is moii-schoiyk, dwalen is den monseli eigen; — errant, adj. (lal. érnms), dolend, zwervend, ronddwalend; — juif errunl (spr. zjwicf errau) de vvandolondo Jood (Ahasvoros); - erratum, n., pl. errata, foul, feil, dwaling, verzien, Inz. drukfout; — erratisch, adj. (lal. crraCtcm) afdwalend, omdolend, versehovon; e r r .ills c li e ro t shl ok kon, zulke allengs voortgeschoven steenklompen, die men ver van hunne oorspron-keiyke plaats op den aarhol vindt (door don fr. mineraloog lirognlarl dus geheoten); er ral I-scho ziekten, z. atypische; — error, in., fr. erreiir, de dwaling, vergissing, misslag, fout, hot verzien; error fucli, oene felloiyko dwaling; e. in catcfilo of c. ralei/H, eene rekenfout, vergissing in \'1 rekenen; e. juris, eene reehlsfout; e. Justus, eene versehoonliare dwaling; e. loei, eene de plaats helrelfende dwaling; Mod. tegennatuuriyke uilstoiilng der voeh-ten In lieliaanisdeelen, waarin z.y niet liehooreii; error non est impulabilis, de dwaling Is nlei toerekonhaar; errure ebrio, in den roes der dronkenschap, in de hodwelmlng van den roes; salvo errure rate it li, z. ond. satvus.

Errhina, n. pi. gr. (van en, In, en rhin, neus, derhalve eig. alles wat men In den neus steekt) Mod. een niesmiddel, nieskruid,

Errhysis, f, gr, Med, eene niet hevige hloeding uil eenig deel, in legenst, eener sterke hloedvllet (lilt;e m o rr h a g I e).

erubesceeren, lat, (erubesct\'re) blozen, schaaini\'ood werden, zich schamen; chdrta non eruhdscil of lilterae non erushésrunt, i. onder charta; - erubescent, adj, (lat. eruOés-cens), blozend, schiianirood wordend; eru-bescéntie (spr, t—ls), f, (later lal. eruhes-cenCtu) bel roodworden, blozen, hot sehaanirooü, de scliiiamachtlghold.

emeu, f. hit., de rups -, erucieten, lil. pl. uw.lal. i\'upssleeneii, zoogenaamdo versteende rupsen.

eructeeren, lal. (eruetdre) oprispen; -eructitie (spr. He—luie), f. {erurtaho) de oprisping der maag, liet opgeven van winden door den mond.

erudi\'Jeren, lal. (ermhre, v c, z. aid., en rut/is, ruw, ongevormd, dus als ware het nil den ruwen toestand brengen), onderrichten, leeren; — erudiet, adj. (lat. eruditus, u, uni, geleerd; — eruditie (spr. t=ls), f. (erudilMi de geleerdheid, ervarenheid, kunde.

erueeren, lal. (erit\'re) liltvorschen, doorgronden, nauwkeurig onderzoekeu.

erumpeeren, lat. (erumpcre) uitbreken, doorbreken, uilbarsleii, doorzakken; —eruptie (spr. t=s), r. (erupCfo) de uitbarsting, h, \\. van eenen vulkaan; Med, iedere plotselinge en overvloedige tevoorschynlredlng, b,v, van vlekken, puisten, etter, enz,; uitslag, uitwas; — eruptief, adj, door ophelllng uit hel binnenste dor aarde gevormd b, v, eruptieve gest cent e n = pl u to n ische formaties, Ervalenta, z, r oval o n I a.

Erve, f. (lat, ervum, n,) de linze, eene planl tot de familie der peuldragers behoorende; ook fazantenkruld.

Erwin, m. oudd. inansnaam: of do legervriend of de vriend van hel erts.

Erxl., bij naluurwetcnsch, henamlngen afk, voor J, (\',, llrxlelien (gest, 1717).

Erycina, f. lal. bUnaani van Venus, naar den berg Er lx in Sicilië.

Erysipelas, n. gr. (v. erythrós, rood, en pHla, huid) Med. de roos, eene oppervlakkige bleekroode ontsteking der huid; - erysipe-lateus, adj., nw.lal., roosachlig.

Erythréma en erythöma, n. gr. (v. erythrós, rood) Med. roos zonder koorts, ziekelijke roodheid der huid; erythriasis, f. de rooillield van pasgeboren kinderen; —ery-thrine-zuur, n. Chem. roodzuur, uil de orsellle gowonnon, levert een schoon violet, het fransche purper; erythrocephalisch, adj. met rood hoofd; erythrocérisch, mij. mei roode voelsprieten; erythl\'O-dakt^lisch, adj. met roode leeneu; — ory-throgastrisch, adj. roodiuilkig; — ery-throgrammisch, adj. met roode strepen;

erythroïdiach, adj. roodachtig- ery-throkarpisch, adj. (lal. erytlnoeurpus) met roode vrnchteii; erythroknomisch, adj. met roode beenen; — erythroleukisch, rood en wit; — erythrolóphisch, adj. met roode kuif; — erythronötisch, adj.


-ocr page 456-

ESCOMPTE

KSA1AS

440

met roodon run ; - erythrophytoskoop,

rn. (ir. (phylim, plant, stopt/», zien) een door von Lummel te ErlanRen uitgevonden toestel, wnurdoor men de bladeren der plimton purperrood ziel; — erythrópisch, adj. roodvoe-tlg; — erythrophille, f. naam door Herzei lus aan de roode kleurstof dor bladeren gegeven; — erythrophthalmisch, adj. met roode oogen; - erythrophyllisch, (lat. erythrophyllus) met roode bladeren; — erythroptërisch, adj. met roode vinnen;

— erythropygisch, adj. met rooden slull;

— orythrorhamphisch, adj. met roeden snavel; — erythrorhizisch, adj. met rooden wortel; erythrorhynchisch, met roodon snavel; — erythrösis of erythrffi-mio, t. te rUkelUke bloedbereidlng In de longen; — erythrosömisch, adj. met rood lyf; ■— erythrospérmisch, adj. mot roode zaadkorrels; — erythrostómisch, adj. met rooden muil of roode opening; — erythro-tisch, adj. met roode ooien; — orythro-xylisch, adj. met rood bout; — erythrü-risch, adj. met rooden staart.

Esaias, z. v. a. Jesalas.

Esan, ii. arub. oproeping tol bel gebed, die de turk. geestelijken van de minarets afzingen.

Esaphus, m. gr. Med, bet onderzoek met den Ingestoken vinger.

Esau, bebr. mansn.: de met baren bedekte, de behaarde, batige.

Esbouquet, z. essbouquet.

Escabelon of escablon, n. fr. (van \'I lat. scabellum, voetbankje, verklw. v. scam-niim) bet kegelvormig voetstuk van een sland-beeld.

Escadre, f. fr, it. squadrn, sp. escuadva, eig. een In I vierkant geplaatste hoop, als ware l lal. esquadra v. quadra, vierhoek), eskader, n. de scheepsafdeeling, het smaldeel; — escadrille, f. (spr. —drielj\') een klein eskader; — escadron, n. (it. sqmdróne sp. escmdron) eene rullersehaar van ongeveer 120 paarden, een rultervaandel, eene compagnie rui-lerij onder een rilmeesier; — escadrons-chef, m. een rilmeesier, ruiterhoofdman; — escadronneeren (fr. escadronner), ruiters scharen, een escadron vormen.

Escalade, f. fr. (v. \'I lat. scala, ladder) Mil. de beklimming, besHjging, beladdering, bestorming met siorndadders; — escaladee-ren (fr. escalader), beladderen, met slormlad-ders beklimmen, liesiormeii, lierennen, overkilm-men, overklouteren.

Escalier, m. fr. (spr. eskaljé) trap; escalier dirobé, i. ond. d c r o be e r e n ; esprit d\'escalier, z. ond. esp ril.

Escalin, m. (spr. —léii, het nederiandsche schel ling) eene brabanischo rekenmunt, on-geveer = ;t(i cl.

Escalope, f. fr. eigenaardig toebereide kalfs-schyfjes.

escamoteeren, fr. {escamoler, van \'t sp.

camodar, verrullen, camodador, gooclielnar; waarsch. Ilgl het lat. commutSre len grond) goocbelaarsstrekeri doen; ontfutselen, wegmoffelen, kapen, uit den zak rollen; — escamo-tage, f. (spr. («hijquot;) goocbelarii; spitsboeven-streek, onifutseiing, listig bedrog; — escamote, f. goocbelaarsbal; — oscamoteur, tn. een goochelaar; zakkenroller, slimme dief, spitsboef; een valsche speler.

escampeeren, fr. {escamper) Mil. weg-loopen, doorgaan, zicii uit bet stof, uit de voeten maken, vluchten.

Escapade, f. fr., z. v. a. échaiipte, vgl. echuppeeren) in de rijschool; do valsche sprong van oen paard; oneig. een onoverlegde, moedwillige streek, malie kuur, jongensstreek.

Escarballe, f. fr. (spr. —bdl\') een olifanis-tnnd van hl kilo en daar beneden.

Escarotïcum, n. nw.ial. oen bytmlddel, etsmiddel.

Escarpe, f. fr., ook sc.irpe (sp, escarpa, it. Scarpa; fr. escarper, looiuoclit iifsnUdeu, steil makeu; cscarpé, slell, helleiid, van ons scherp, hoogd. scharf, oudlioogd, scarp) Mil, de Inwendige glooiing, binnenwaarlsche benedenheiling van de walgracht; — escarpeeren (lal. escarper), steil maken, glooiend maken; — es-carpement, n. (spr.—p\'móH) de stelle glooiing of helling.

Escarpine, f, fr, eene soorl van baakge-sciint op de galeien.

Escarpins, m. pi. fr, (spr. eskarpen -, II, Scarpa, schoen, scarpino, sciioentje; van \'t ouil-hoogd, scarp, scherp, naar den scherp of spits toeloopenden hak benoemd) lichte schoenen, dans-schoenen;— en escarpins (spr, an—), Held en sierlUk gcschoeld.

Escart, m. (spr. eskdr) eene ledersoort uit Aicxandrlli.

escatiel, adj. lat. (v. esca, spijs) eetbaar.

Esch., b(| uatuurwetenscbappeiyko benn-mingen afk. voor J. I\'\'. lischscholtz (gest. ISlll),

Eschiïra, f, gr. (spr. es-ch—) elg. de stookplaats, vuurhaard; Med. de roof eener zweer, brandroof; escharotika, n. pi. els-of byt-middelen, zulke middelen, die eene korst of roof vormen; — escharieten, m. pl. koraaiver-steeningen met gaatjes, ook reteporieten.

Eschatologie, f. gr. (spr. es-ch—, van éschdtnn, het uiterste, laatsle) de leer van de laalste dingen: dood, onsterfoiykheid, oordeel, wereldondergang, zaligheid, verdoemenis

Esclavage, f, fr. (spr, —waatj\'i vgl, slaven) de slaverny, knechtschap, dienstbaarheid; — een recht, dat de Kranseben botaalden voor het wegvoeren van zekere waren, welker verkoop aan engolsche kooplieden behoorde; ook een balfeirkeivormig halssnoer van diamanten.

escobardeeren, fr. [escnbarder) zich van lijno leugens, van ilsllge dubbelzinrdgheid bedienen (op de wyze van den spaanschen Jezuïet Escobar, gesi. Kiiüt); — oscobarde-rie, f, lljne leugen, dubbelzinnige rede.

Escompto, n. fr. (spr. eskóiil\') z, v, a. dis-


-ocr page 457-

ESCOPKTTKIUK

441

KSPKRKEUEN

cdnto; — escompteeren (fr. escompler, mld.lal. ex-compulSre; vtfl. conipto), z. v. a. (118 c o n t o c r o n.

Eseopettene, f. fr. (van escopelte, ecu korl vuurroer, ilal men eertyds In den bandelier drocji) klein geweervuur, salvo uil klein geweer; ook hel krakend onlbranden van vele vuurwerken Ie Kciyk; — escopëta, r. sp. Beweer, links-, — oscopëtero, m. sp. seliuller, fusilier.

Escórto, f. fr. (ilal. scoria, van scornere, waarnemen, voeren, geleiden, lat. ais \'l ware excorriySre, lerechlwUzen) de liedekkinn, liege-ieldliui, hel geleide, gevolg; — oscorteeren (fr. escnrler), begeleiden, geleiden, bedekken, dekken, bescbormen.

Escouado, f. Ir. (s|ir. eskoeddd\') een korpo-raalscbap, een rot soldaten onder aanvoering van eenen korporaal.

Escrime, f. fr. (spr. è-sln-iem\') scberuikunst; mallre d\'escrime, sebermmeesler.

Escróc, m. fr. (spr. é-skro, waarsóttU\'ilük evenals II. scrocco, panlikker, iemand, die op eens anders kosten leerl, v. \'t ondboogd. scurqo, scbark) de gauwdief. Heli, lislige bedrieger; - escroquerio, f. (spr. —k\'rie) neltery, lislige bedriegerij, aflroggeling; - escroquee-ren (spr. —Merenfr. escrnquer) door lisl zicb bevoordeelen, bedriegen, aftroggelen, afzeilen.

Escudo, ui. sp. (spr. u=oe -. elg. scblld, wa-penscblid, dan: scbifflaalder, van l lal. scutum : vgl. bet It. scuilo, fr, écu) eene vroegere sp. rekenmunt = J peso (z. aid.), gemiddeld f 1,3(1 waard; van ISM—lKquot;(i — ia miles = ion cenlimos = f 1.20; — escudillo de oro, z. coronlila; — escvidéro, m. elg. een schildknaap; oen edelman van lagen rang, z. v. a. esquire, eng., pi. escudéros.

Escuela, f. sp. (vgl, éeole) school.

esculent, adj. lal. {esculénlus, «, urn. van esca, spijs, en dit van et!ire, eten) eetbaar; — esculénta, u. pl. eetbare dingen, spijzen.

Esouriaal, liever escoriaal, n. sp. (elg. een verlaten bergwerk, van escoria, lal. scoria, melaaiscbuim, meiaaislakken) een koninklijk lust-stol iii.i Madrid; — escuriaalwol, f. lljne spaansche wol.

Esempio, n. it. (v. lat. enémplum, voorbeeld) een voorbeeld, een toonoelspei met bepaalde toepassclUkbeid op het werkelijke leven.

e sempre bene! it. bet gaat alioos goed (zinspreuk der optimisloii).

Esercizi, pl. ii., ■/.. v. a. ex er tl ces.

Esfto, m. it. (van het lal. exflus) uitvoer, uitgang; — esito-waren, uitvoerwaren;— esito-tol, uitgangsioi, uilgaande reclilen.

Eskader, enz., z. escadre.

Esmeralda, f. Muz. levendige dans in i maat.

Esnafti, m. turk. (v. arab. esimf, verschelden soorten, pl. van snu/\', deel, soort) kramer, koopman iu een kraam.

Esóche, of liever esóchas, f. gr. Med.

een ziekelijk gezwel, aainbeien-knobbei in den aars.

esotórisch, gr. (v. éso, in, binnen, csntëros, bet binnenste) Inwendig, geheim, enkel voor In-gewyden bestemd; wetensebappeiyk geleerd; vgl. exoterisch; - osotericus, m. Iemand, die met de geheimen van een genootschap of met het innerlijke eener wetenschap vertrouwd is, een ingewyde.

Esox, m. lat. saoek; esoceus, m. snoekacli-tlge vlsch.

Esp., by natuarwotonscliappelyke benamingen afk. voor E. J. C. Espor (gest. ISIO).

Espace, f. fr. (spr. èspdas) Muz. de ruimte tusselien de vijf lynen van den nolenbalk.

Espadilla, f. sp. (spr. -di-lja; verklw. van espada, degen, it. spada, v. \'t lat. spalha, gr. spathê, breed zwaard, verwant aan het dull-sche spaten, ons spade; vgl. spadille) een kleine degen; espadón, m. sp en fr. een groote degen, houwdegen, tweesnUdend slagzwaard; espadonneeren, met zulk een wapen vechten

Espagne, z. chit eau.

Espagnol, fr. (spr. espanjóU d. 1. In \'tal-gemeen Spanjaard) gem. spanjool, m. spaansche snuiftabak; — en espagnol (spr. an—), als Spanjaard, In spaansche dracht — a l\'espugnole, op zijn spnansch, naar spaansch gebruik; — espagnolade, f. grootsprekery, blulfery, grootspraak, snoevery, snorkerü; - espagnó-

le, f.......spaansche dans; — espagnolétte,

f. spanjolet: eene lljne wollenslof, lijn sa-tun; lijn of zacht llancl; ook: oen draaigren-dei, een yzeren grendelslang aan vensters, enz.; — espagnoliseeren (spr. s=z), lot Spanjaard en spaansch maken.

Espillda, f. sp. schouder.

Espalier, fr. (spr. espaljé) spalier, m. (II. spalliéra, d. 1. elg. scboudersteen, v. \'l mid. lat. spaihila, 11. spalla, fr. épaule, schoiider) het latwerk of staketsel, waartegen een boom geleid wordt; eene ry vruchtiioomen, die langs eenen muur of eene heining tegen latwerk iu den vorm van ecu 0|ieugeslagea waaier zijn vastgebonden, een leiboom, waaierboom; — en espalier, waaier vorm Ig tegen latwerk gebonden.

Espalma, f. eene soort van mastikvernis, dat men over harde voorwerpen slryki.

Esparsótte of liever espareótte, f. fr. (sp. esparcela, esparrilla, misschien v. esparcir, provenc, esparser, uitstrooien, uitspreiden) Hol. de iianekammeijes {OnohrycMs saliva), een voedergewas voor de dieren.

espdrlo, m. sp. Hol. (Slipa lenacissima) spar-1 o gras.

Espèce, f. fr. (vaa \'1 lat. species) soort, slag, geslaclil; de munt- of geldsoort, klinkende munt, specio; — en espèces (spr. an espess\'), in klinkeade munt, In baar of gereed geld

espereeren, fr. (pspérer, v. \'t lat. sperure) hopen; espérance, f. (spr. esperdiis\': mld. lal. sperantta) de hoop; cap de Bonne


-ocr page 458-

KSI\'KRTO

ESSE

Espéranco, de kiiaii de Goede Hoop, de Kaap.

Espél\'to, m. II. (= lal. exiiérliU) een ervarene, onderrielile, zaakkundige; ook: IntfewDde In de itelieitnen van een politiek Renoolselmp.

Esphlasis, f. KI\'. Glilr. de Indi iikklnR der schedclhoendoren, door ultwondlgo beleedlKliiKen veroorzankl.

Espièglo, in. fr. (oudfr. ulesiriegle, Revormd van Uilenspiegel, den welbekenden soholk-sehen nar der lldo eeuw) een inoedwllll):, jie-slepen menseh, kuII, dengnlel; ospiöglorie, f. een ullensplegelslreek, gnltcrü, klnderaelUlKe moodwll.

Esping, in. zw., een klein zweedsch vaar-lulg op de Oostzee, dat naar een jacht getukt, eene scheepshoot.

Espingole of espignole, f. fr. (wellicht oorspr. It. sjiinfiola, spinacre, voortstoo-ton, drüven) voorlieon eeno soort \\aii musketten met kegelvormige vcrwüdlng des loops naar voren; ook een samengesteld oorlogsvunrlnlg mot drie geweorloopen, uil welke men, na eens geladen te heliben, verscliolden kogels achter elkander kan schieten.

Espion, m. fr. {spr. esjilón), z. v. a. spion (!. aid.)-, — ospionnage, f. (spr. —naatj\') he-spledery, verspieding, begluring.

espiramln, It. Muz. ulladeniend, wegstervend.

Esplanade, f. fr. (sp. ej-plunadn, II. siiia-iinla, v. \'I lat. planus, elfen, vlak) eene vrUe, vlakke planls, voorplaats of voorplein voor groote gebouwen en vestingen; wandelpleln, exerceerplein; ook de sehuinsche of dosseerende borstwering aan den zoogenaamden bedekten weg, z. |i a i\' a pet.

Esponton, m. fr., z. v. a. spon ton (z. aid.)

espressivo, it, (z. v, a. expressief, z. ex-prtmeeron) Muz. vol uitdrukking, met nadruk, ook ron espressióne.

Esprit, m. fr, (spr, espri: provenc, csperil, van \'t lal, spiritus) geest, versland; vernuft, scherpzimiigheid, inzichl, verboeldingskraeht; ook do geest. Inhoud, bet gehalte, wezenUikst bestanddeel, b. v. van een geschrift, enz.; hel door overhailng (dislillalio) verkregen lijiisie vloeibare bestanddeel eener slof; — esprits, pl. parfumerlen, oplossingen van aelherlsche oiiên in aikohol; — bel esprit, m, een fraai vernuft, scboone geest, vernuftig geleerde; — es-pril horné, een beperkt, liekrompen verstand, kleingeestig, oppervlakkig menseh; — esprit de rdimelle, kaneelgeest, kaneelwater; e. de cerises, kersengeest, kersenwater; e. de carps (spr, -ItAr) gitdegeest, de Ingenomenheid, het vervuld zyn niet den goest, de denklieelden, do belangen van eene vereeniging, een gild, enz,; e. d\'es-calier (spr, dèskatjé), trappenvernuft, een geestig gezegde, dal Iemand eerst op de trap invult, terwijl hU hel in de kamer bad moeten le berde hrengen; c. des lois (spr. —dd Ina), de geest der wetten; e. de »ie, levensgeest; e. de violelle, vloolljesgoest; e. fort (spr, -rfir).

sterke geest, een vrügeest, vrijdenker; e public (spr. -publiek), volksgeest, algemeene denkwys.

Espuérta, f. sp. korf.

Esquilon, m. sp. klokje, schel.

Esquire, in, eng, (spr, eskwair: of afgekort skwair, oud-eng, esquier, ontstaan uil bel fr, écuyer, oudfr, escuyervgl, e c u y e r) eig, ecu schllddiager, schildknaap; iu lingoland de tilel van eeu adellijke van lagen rang, volgende op den knighl of ridder; ihans algemeene li-lei van een aanzienlijk burger, die geen liedrijf uitoefent, maar van züne renten leeft, z, v, a. Weledel Heer (liet wordt doorgaans achter den naam door f;\'»/, uitgedrukt).

Esquisse, f. fr, (spr, eskiéss\': van het it, schitzn, m„ pl. schitti, z. abt.) schets, eene vlucblig daarneder geworpen, niet uitgevoerde leekentng, de omtrek, het eersie vluclitig oui-werp, de grond- of iioofdlrekken eener zaak;

— esquissoeren, eene schels maken, schetsen, ontwerpen.

Essteers of Essëners, m, pi, belir. (gr, EssBini en lissênni, naar men wil eig. artsen, chald. Asaya, van den bebr. woriel «.lt;«, hee-len, genezen; v. a. van bebr. chasidim, de vromen, onder welken naam zy in den talmud voorkomen) eene secle onder de oude Joden, die minder waarde hechtte aan opentyken godsdienst, offeranden, enz., dan wel aan de slille oefeningen van godsvrucht, strengheid van zeden, enz., ook 1 li e r a p e u t e n geheelen.

Essai, n. (eig. m.) fr. (spr. essè: provenc, en eng, essay, Hal. safigio, v. \'I later lal. cxaglum = examen) de proef, het onderzoek, de toets; het staal, monster, proefje; verbamlellug, opstel, proeve, naam, dien een schryver vaak aan zyu werk geefl, betzy uit zedigheid of omdat iiü niet diep In zyn onderwerp is doorgedrongen;

— coup il\'essai, /. coup; — essayoeren (spr, cssijéeren), hepioeven, ergens de proéji van nemen, probeeren, aanpassen, aantrekken (een kleed, enz); het gelialte van edele metalen onderzoeken, toetsen; proeven (van wijnen); — essayeur, m. de beproever, toetser, enz,;— essayist, m, eng. wie proeven neemt of verhandelingen schryfl; ook z, v, a, puiilielst;

— essayistisch, adj, by vv-yze van verhandeling, op de vvyze der zoogenoemde essais,

Essbouquet of esbouquet, n, fr, (spr, öshoekö, gewoonlijk —kil: samengesl, uil fr, essence de bouquet) bloeinengeesl, een lijn reuk-waler van engelselie vinding,

esse, lal, zyn-, als subsi, hei zyn, wezen; — ad esse, tol bei beslaan, lol bel leven, tot onderhoud; — in esse, in den toestand of staat, als te voren; — in zyn esse zijn, beter: in zyn als e z y n, z, also; — essentie (spr. l=ls), f. (lat. essentia, v, esse; fr, essence, spr, essdiis\') het wezen, de wezentykheid, geesl, datgene, wat de natuur van eenlg ding uitmaakt; hel geestige, tijnste bestanddeel, de arnmatlsebe olie door dislillatle verkregen uil vruebten, kruiden, enz,, geest, spiritus; essenffu a mam, till-


-ocr page 459-

ESSEN ERS 443 ESTOMI\' K

lore rcosI; c. dulcis, zoele geest j — essentieel, iiilj. (nw.lnl. essenlialls, fr. esscnliel, spr. essaiisjél) wezenlgk, lol hel wezen eonoi\' zank liclioorcnd en zonder hel welk Iels niet he-slimn kan, volstrekt noodwonilli?, hoogst lielang-rük; in essenfiali, In hel wezen der zaak, In hoofdzaak; — essontialïën (essenliaiïa), pi. wezenlijke deelen, bestanddeelen, de hoofdzaken; essenUaïïa rnmlilulïm, de samenstellende deelen; — essentialiteit, f. de wezenlijkheidessentificeeren, nw.lal. tot essentie maken.

Esseners, z. EssaiPrs.

Essito, z. esIIo.

Estacade, f. fr. (sp. eslacada, II. sleceala, van ons slaak, hoogd. stuken, eng. stake) het paalwerk, staketsel, om eene haven, rivier, enz. af Ie sluiten, te versperren.

Estado, m. sp. (= lal. status, elg. eene manslengle) ook braza of toëza (vadem, vaam) genoemd eene voormalige castillaansche lengtemaat = 2 va ras (z. aid.) = ongeveer 1,08 a 1,70 meter.

Estafette, f. (It. sta/feta, v. sla/fa, siygheu-gel, v. \'I oudhoogd. staph, staphn, stapf, slap, tred, schrede, step!tan, stappen) een rijdende postbode, een koerier, die de Inleven slechts van den oenen posl naar den anderen brengt; ook de bijzondere renbode voor eene spoedver-elschende zaak.

Estaménto, m. sp. (mld.lat. staméntum, v. \'I lat. stare, slaan) elg. de stand; de rfoks-of stendenvergaderlng, pl. estaméntos, do belde kamers der volksvertegenwoordigers In Spanje.

Estaminet, n. fr. (spr. —né : elg. de standplaats, hel oord van oponlbnnd. verklw. van \'I provenc. stamen, stand, toestand, van \'I lal. stare, slaan) labakskamer, rookvertrek, herberg, gelagkamer.

Estarnpe, f. fr. (spr. Csldiip\': II. stampa, v. \'i fr. estamper, II. stampare, stempelen, afdrukken, v. hel dullsch stampfen, ons stampen, stempelen; een stempel,enz.) eene koperen plaat, een koperafdruk; ook een werktuig van smeden, horlogemakers e. a. om galen Ie slaan.

Estancia, f. sp. (v. estnr, zün, zich ophouden) In \'I algemeen; woning, verblijf; Inz. eene hoeve of boerderij In Z.Amerika.

estatütn real, m. sp (spr. H=ne) koninklijke grondwet, de door het ministerie Martinez de la Kosa, In IS:)] op aandringen van de regen-les Christina gegeven, waardoor eene beperkte conslltutloneele stnntsregellng met twee kamers Ingesteld werd.

Estensione, r. li. Muz. liet ulirekkeu dei-vingers b(j hel spelen.

Estorlin, n. fr. (s|ir. —liii.- vgl. s 1 e r I i n g) een oudfr. goudsmidsgewicht van 2s; grein, tJjp mark; ook eene oude fr. zilveren munt; — esterling, rn. een beiglscb gewlcbi = in ons.

est, est, est, lal. de naam des muskadelwijns van Monletlascoue, outleend aan de volgende overlevering: de iilsschop Johatmes van logger op reis zijnde In liaile, beval zijnen bediende voor bom uil Ie reizen en op elke herberg, waar b|i goeden wijn vond, Ie schrijven: Est\' [bU is er]. Te Montetiascone vond iiij den lies-ten, waarom h|j daar schreef; ICst, est, est\' Toen zijn beer aldaar was aangekomen, dronk hy /.leb aan dien besten wyn dood, en zyn iie-diende bezorgde hem dit grafsciirifi: l\'-sl, est, est, propter nimium est hie Joannes tie t\'ai/ner, dominus meus, mortuus est, d. 1. ■■bü is er, Is er, is er, wegens het Ie veie is er, is bier Johannes van fiigger, uiyn meester, overledenquot;, welk grafscbrlfl nog in do kerk San Flaviano aldaar ie zien is.

Esthen, m. pi een volksstam In Ksthland en noordelijk l.yitand, ruim een half millioen sterk, de eigenlijk oorspronkelijke bewoners dier landen; de Ksiyers van Tacitus, die deze echter verkeerdeiyk voor Germanen hield, waarsch. = oosliandi)ewoners.

Esther, (bebr. Kstér, gr. ICsthcr, van \'1 perz. silnrch = gr. a-ster, eene sier) vr.naam; ile ster; Inz. de gemalin van koning Aiiasve-ros of Xerxes, die vroeger Hadassah of myrte beolie.

Estilo, in. sp. siyi

estimeeren, fr. (estimer) z. a\'s I i m e e-i\'eii;- estime, f. (spr. estiém) achllng, hoog-achling, waardeering; Mar. de raming of schalling van den weg, dien een schip heefi afgelegd, hel gegisl licstek; — estimable, adj. schal baar, achtenswaardig.

estinguere, estingnondo, II. Muz. (fr. dteindre) ailengskons van toon verminderen, uil-binsseben, wegsl erven.

Estive, f. fr. (spr. estieigt;\\ turk. astif) bel evenwicht van een schip, de evenwichtigheid, zoodal de eene zyde even zooveel weegt als de andere; — estiveeren (fr. estirer, sp. estirar, v. \'I lal. stipare, slappen, samenpersen) op heide zijden even zwaar beladen; ook : de lading In elkander persen.

est modus in rehus, z. oud. modus

Esto, m. eene lengtemaal op Sumatra = j eng. yard = o,i!gt;quot; meter.

Estoeade, f fr. elg. eene soori van lange slootdegen (11. stoeeata, v. slocco, estoc, stokdegen. slok) een dringend aanzoek om leerling of voorscbol, voorname hedelary, liedeibrlef, hrandiirief.

Estomihi, m. lal. de Znndag voor de vasten, als wanneer de lal. kerkmis begint mei de woorden: esto mihi in Ileum prntectorum, wees myn beschermgod, enz.; I\'s. ;il, :t.

Estompe, f. fr. (spr. estóiip\') i\'iel. een doezelaar, een samengeroid slokje papier of zeem, om daarmede droge verven uit Ie wryveu; — a l\'esiomjie, met den doezelaar gemaaki, gedoezeld; — estompeeron (fr. estomper, waarsch. v. hel duitsch slumiifen, slompen, afslompen, oudhoogd. stumphan) op eene toe-kening de verven dik opdragen om dan door hel verwryven daarvan licht en schaduw voort


-ocr page 460-

KST0P1LLA

ETAPE

to brengen, üoozolun; — dessin cstompé, oono gcdoezoldo (eokcnlng.

Estopilla, t. sp. (spr. -iH-lju: vorklw. vnn eslopa, work, grof lynwand = lal. stuppu) oen sluierdoek.

estoqueeron (spr. eslnk—),(r. [estnqwr-, vgl. es I o ca do) den geweerloop stulkon, om licm de noodlgo lengte te geven.

Estrade, f. fi\'. (weleer de slraal, heerweg, zooals il. slrada, v. lal. via strata, d. 1. uitgebreide, gebaande weg; vandaar ook ons slraal) eene veibevenbeld of verhoogde plaats van den vloer ecner kamer, een oplred, eene hoogte voor een praalbed, Iroon, en/..; ook uitstek; bet verhoogde gedeelte van de sluls-kniner of van do ruimte tusscbeu Iwee sluisdeuren.

Estragon, m. fr. dragon, een bekend welriekend inoeskrnld by salade, kelzerskruid, kel-zersalade (Artemisia dracunculus).

Estrapade, f. fr. (sp. estrapadc. Hal. strap-imta, van stroppare, met geweld voortrukken) de wipgalg; de wlpsprong of -zwaai der kunst-springers of koordedansers, waarbij zij hel gan-sche lichaam tusscbeu hunne armen en de koord doen doorgaan; In de rykunsl; het geiykiydlg slolgercn ea uilslaan der paarden; - estra-padeeren (fr. eslrapader) wippen, de straf dor wipgalg doen ondergaan; steigeren en uilslaan (van paarden).

Estratto, in. It. (= lat. extrdclus, fr. e.v-trail) een uittrek, eenvoudige lollowinsi.

estropiëoren, fr. (estropier, il. strnppiare, slorpiare: waarsch. v. lat. lurpis, leolijk, ais \'I ware exturpiare, ieeiyk maken, misvormen) kreupel maken, verminken, verlammen; oneig. by schilders en beeldhouwers: misvormen, ver-hanselen, de verhoudingen niet in acht nemen;

— geösl roplöerd, adj verminkt, verlamd;

— estropié, in. een verminkte, kreupele.

cl, lat. en fr., en.

Et, turk. vleosch.

el ah hoste docêri, lal. sprw. ook van den vijand aioet men leeren.

Etablage, f. fr, (spr. ~blan:j\': van fr. Hubte = Int. stabulum, stal) het stalgeld; het staan- of marklgeld dor kramers; ook de ruimte tusscbeu de lamoenboomen van een voertuig.

etablisseoren, fr. {établir, v. \'I lat. stabi-lire, vastmaken, bevestigen) vaststellen, grondvesten, grondleggen, aanleggen, opriebton, tot stand brengen, b. v. oen handelshuis, eene fabriek, enz.; zich otablissooron, zich nederzetten, vestigen, metterwoon nederslaan; — etablissomónt, a. (spr. —bli-s\'mdii, gew. als nederl. —ment) de nederzolllng, vaste woonplaats; de verzorging, de oprichting, vestiging van een handelshuis, enz., grondlegging, Inrlcii-ling; siiehiing, gestlclit tot algemeen nut; ook: ecu groot sleriyk geiiouw voor openbare vor-makeiykbedcn, vorvorsclilngslokanl, nllspnnnlngs-plaats, enz.

Etaoismo, a. nw.lat., z. ond. Itacismo.

Etage, f. fr. (spr eta-zj\'; provene. cslalge, it. stanqio, woning, inid.inl. staf/ium, v. stare, staan, dus olg. stand, standplaats) de ruimte tusscbeu twee bevloeringen van een gebouw, do verdieping; in engeren zin: do bovenverdiepingen van een huls, met ultzoadorlng van de geiykvloerscbe verdieping of rez-de-ctiaussée:

— bel étage, de verdieping onmiddeliyk boven de woning goiykvioers (ret-de-chuussée), do eerste verdieping; — d\'étage en étage (spr.-«;\'/-), al hooger ea booger; — etages-gewijs, ver-diepings-, IrapsgcwUs; — etagère, f. (spr. eta-zj èr) eene trapstellage, een nieuwerwetsch stuk huisraad, bestaande uit boven olkaader geplaatste horizontale plankjes, om daarop voorwerpen van dageiyksch gebruik, ook kleine tiguroii en ornamenten te plaatsen; — etageeren (spr. etazj—), verdlepingsgowUsoprichten,stellen.

etaleeren, fr. {étnter, v. Jlal, kraam, vleesch-bank, oudfr. en provene. estut, verwant met ons stellen, stal, enz.) ulleenteggon, uitspreiden, uitkramen; teutoonslcllen, laten zien, uil ydel-heid of pronkzucht verlooaeu; — etalage, f. (spr. etatd-zj\') liet uitleggen, uitzetten, uitkramen en oppoetsen dor waren; de tentoonstelling, vertooamaking, jiralcrij; de Icnloongosleldo, uitgekraamde waren,

Etalon, t) m. de ükmaat, de maat of het gewicht, waarnaar de andere geykt worden, proefmaat, proefgcwiibt, standaard; — eta-lonneeren, yken, oene maal of gewicht wettelijk bepalen; —etalonnage, f. (spr. -na-zj\') de yking, yk, hot gkloon; etalonneur, m. do ijkmeester.

Etalon, -2) m. fr, (It. stal lone, v. stalla, stal, dus als\'t ware stalpaard) een springbengst, dok-hengst,

etameeren, fr, [étamer, v. étain, lin, van lal. stannum) vertinnen, niet tin overdekken;

— etamage, f. (spr. —md-zj\') het vertinnen, de vertinning; — etameur, in. de ver-tinner.

Etamine, f. fr. (It. stamigna, v. \'1 lal. sta-minëus, alt draden bestaande, v. stamen, draad, weefkeltlng, schering), es t eui ij n, zeefdoek, eene dunne woilenstof; eene haren zeef tot teems.

etanconneeren (spr. elans—), fr. (élan-cornier, v. étancon, élunrc, stul, sclioor, lat. als \'t ware stantfa, v. stare, staan) ondorschragen, schoren, stutten,

Etang, m. fr. oorspr, estang, van \'t lat, slagnum, stilstaand water) een vyver; ook,do naam van grooto binnenwateren aan de kusten van Krankryk, die, door kustrlvlerou ontstaan, in do zee uitkomen.

Etape, f. fr, (weleer estape, es tapte, van bet dultscho stapel) de stapel, stapolplants, waar de goederen opgeslagen worden; hot ma-gazün van den ieefiorht der doortrekkende troepen, de marschvoorraad, de marschproviand; de rust- of vorversclilngsptaats; de piaals der overnachting, hot nacblkwaiiler; — droit d\'itape, z. droit; — etapier, m. (spr. —pji) oen pro-


-ocr page 461-

ETIQIMTTK

ETAT

445

vliinilinooslor, Icoflochtbozorgür, paclilor of ho-sluurdor oonor cl ape.

Etat, m. fr. (spr. eldwolDor es tal, van \'tlat. slalus) do staal, stand, toestand, gesteld-lield, Inlichting; H)st, naamrol, register, staat of ovorzicht, I), v. van ontvangst en uitgaaf; do staf (van oen regiment); do voet, waarop lom. leeft; hot ryk, do staat; do verschlllondo orden of rangoii, waaruit oono natlo, een gewest Is sumongostold, do standen, li.v. états van Frank-rgk, de 3 standen, n. I. gcostotykhold, adel on tiers-état (spr. tjeneld) of burgerstand; — états généraux, m. pi. (spr. —zjencró) de algo-nioono of generale slaton, do uit do afgevaardigden des adels, der gcestciykhoid on dos burgerstands saniongestoido iandsstenden in Frankrijk sedert don aanvang dor tide eeuw tot in llll\'i; — i\'étal c\'esl moi (spr. leid sè mod),-de slaat ben ikquot; i)eroonid, naar mon zegt, door Lodowgk \\IV voor hi\'t partomenl van Ki\'ili uitgesproken koningswoord, hetwelk bol lot bol uilcrsto gedreven bewustzUn van absoiule sou-vercino macht uitdrukt; en Mul, In staat, gereed; — état-major, m. (spr. —-mazjór) Mil. do generale staf, samongestoid uil ollicioron, ingenieurs, enz., belast met do onderscheiden diensten.

cl cetera, z. oud. celerus.

Etoignoir, m. fr. (spr. elinjodr: v. étcindre = lat. exslinguSre, uilblusscbon) een domper; kloln trechtervormig workluig om de kaars uil te blusschcn; — chevalier de Céleignoir (spr. sj\'waljé—), ridder van don domper, vijand dor veriiebting, obscuran 1.

Etendard, m. fr. (spr. elaiiddr) standaard, etendeeron (spr. clniid—), fr. (étendre), z.

0 x t o li it e o r c n; - etenduo, f. (spr. eta/idu\') de uitgestrektheid, wijdte, grootte, duur; ruimle; Muz. algohoolo toonomvang van cone stem of oen Instrument.

Etoostichon, n. gr. (v. dlnx, gen. élens, het Jaar) z. v. a. cbroiiostlchon.

Eternal, n. fr. (lat. nelernalis, eouwlgdu-rend, onvergankelijk, dus gehoeion wegens liare duurzaamheid; vgl o v o r I a s I i n g) eone dunno, gevolde, gestroopte wolion stof uit kamwol.

eternél, fr. (van \'I later ial. actcinalis voor aeternus) eeuwig, altijddurend, onvergankelijk, onophoudoiyk; — eternélle, fr. Hol. do niet verwelkende bloem, regen-, winter-, stroohloem,

1 m m o r t e 11 o; — eternisoeren (spr. s--z), (fr. éterniser) voreouwlgon; op do lange baan schuiven.

Etesiën (spr. s=t), pl. gr. {clësiai, van i!lns. Jaar) Jaarlijks waaiende koele winden gedurende do hondsdagen.

Ether, enz., z. ast ber Ethiek, ethika, f. gr. {elhiltc, v. ethos, gewoonte, zeden) de zodenlocr, loer dor deugden; — ethicus, m. een dougd- of zeden-loeraar; — ethisch, adj. lot de zodenioor bo-hoorend, zodotyk, moraliseh; etiko-theologie, f. eene op de zedenleer gegronde godsleer.

ethmoïdalisch of ethmödisch, gr.

(van Cthmns, zeef, doorslag) Mod. zeefvormig of lot hot zeofbeon hehoorendo; — ethmoï-daal boon of othmoïdeuin, n. (v. \'t nw. lat. cltimoïddus, gr. ettmoeides, zoefvormig) bol zeefboon, een schedelboon, welks bovenvlakte vele gaatjes heeft.

Ethnarch, m. gr. (v. élhnos, n. het volk oen volksbohoerscher; rechter en oudste onder de Joden; stadhouder, regent of bevelbebher oener provincie; — ethnarchie, f. hol stadhouderschap; ethnograaf, m. ooa volken-beschryver; — ethnographie, f. do vot-konbeschryving, volkenkunde; — ethnogra-phisch, adj. volksboscbryvond, tot de volkenkunde behoorende ; - ethnographisch museum, n. vorzameling vaa kunstvoortbrengselen, werktuigen, geroodsciiappen, kioo-doren, enz. van vreemde volken; — ethnologic, f. volkenkunde; — othnologisch, adj. tot de volkenkunde behooronde; eth-nisch, adj. boidonscli (dewyi hij do chrislon-sehrijvers dor middeleeuwen allo niel-Ciirisienen en nloi-Jodon by voorkeur (Hhnf, lat. gentes, volkeren, boeten); — cllmtci, pi. hoidenon; — ethnicisme, n. hol iioidondom, hel geloof aan vele elkander gelyke of ook ondergescliikte goddeiyke wezens.

Ethos, n. gr. (slhos) zodeiyko gomocii.-ge-stetdhoid of denkwUzo; vgl. karakter; inz. hy do (irieken do blijvende eigonaardigbeid van een monsch, In i(\'gonst, mot pathos, ilen oogenblikketyken en afwisselenden zieisioesiand;

othognosio, f. (spr. s—z) zedenkunde, zo-denvorsching; — ethographio en ethologie, f. do zedonschiideiing, ile boscbryving of voorstelling der zeden en gewoonton; — ethographisch en ethologisch, adj. zedenschilderend, zedenbeschryvend; — etho-kratie (spr. l=ls), f. zodon- of deugdoniieor-schappy, oono slaalslnricbllng, waarin do zedelijkheid of moralilell de enkele wolgeefster en gebiedslor is; — ethopasio, f. de navolging of schildering van do zeden of hut karakter van oen ander.

etiam si omnes, ego non, lat. wanneer ook allen (bet biliyken), ik (echter iiiiiyk liet) niet.

el in Arcadia egn, lal. ik heb ook in Ar-cadie geleefd! (uiting, die beimwoe naar de goede dagen van weleer Ie kennen geefi).

Étiolement, m. fr. (spr. —ma«) bet wil worden van planten en piantdeeien door onl-trekking aan hol zonlicht; — étioleoren, verkleuren en verarmen door gebrek aan zonlicht (van planton gezegd).

etique, fr. (spr. etiek\'-. ontslaan uit li. etico, in plaals van hecliquc, z. hekiisch) loring-achiig, uitterend.

Etiquette, f. fr. (spr. clikétt\'. in provinc. fr. estiqucle, een toegepunt honlje, v. \'I laagil. stikke, stekel, stift, s 11 k k e n, nw.hoogd. sleeken, ons steken, aantiechton, vastmaken) een aun-hechiiiriofje, prysbriofje, opschrifi, oen aango-hocht strookje papier, waarop de prys, de soort,


-ocr page 462-

KUCHKTKN

ETMAAL

441)

enz. oencr waar wordt vunneldt; hel liriotje aim ai\'lscnyon, veriifflomlü don nchniiki\'i\' en ilo wUzh van «clinilk; hot lioffiohiulk, ilo luif-zodon, hot hof-corcmonieol; hot ftol\'i\'ulk, gohod, voorschrift dor wolvoogHJkhold, holoetdhold, do uingannsvorin; do gohruikiyko howoordlngon in do tiicis lig sinooksclnifton; - etiqiiGttoe-ven (fr. étiquekr) mot opschrifthrlofjes, enz. voorzien.

Etmaal, n (olg. roKolniatif; torugkeerendo tijd, v. maal, d. i. tyd, mot tiot oudo pnellx e! of ed, terug, opnieuw, weder) do tyd van 2i uren, dag en nacht.

Etwék, n. turk. .......I.

Etoffe, f. fr. (spr. dó() stof (voor kioedo-ren); étoffes crniséen, gekeperde stollen.

Etoile, f. fr. (spr. elnal) ster; li la belle élnile (spr. (ilahèh\'tnal), onder den iilobten tiemel.

etonnant, fr. (v. élonner, oudfr. eslnner, ais ware \'I lat. exlnnüre, voor ullonare, aandonde-ren, hedwelmen verwondcriyk, verhazend, won-derhaar, ongemeen.

etouffeeren (s|ir. eloef—), fr. {éloulfer, oorspr estou/fer, v. \'I sp. tufo, damp, stiklucht, gr. If/pltos, rook, damp) verslikken, versmoren, dempen, onderdrukken, uitdooven; — otouf-fant, adj. (spr. elnefaii) verstikkend, versmorend, zwoel; etouffade, f. gesmoord vioesch; — etouffement, m. (spr. etoetf\'mdu) lic-klomdhelil des adonis.

etoupeeren (spr. elnep—), fr. (étnuper, van étoupe = lal. slupixi, werk) met vlas- of lien nepwerk toostoppen, verstoppen; otoupado, f. eene vlaswiek.

otourdissooron (spr. elncrdi-s—), fr. élounlir, It. slortlire) verdoovon, hedwelmen, hedremmeleu, onthutst maken, verldalfen; — otourdi, adj. (spr. eloerdi) onbezomien, on-hesuisd, lomp, onovcriegd; een etonrdi, oen onhezonnen menscli, onhesuisde, piomport, wildzang, losbol; — « l\'élourdle, op onbezonnen wyze, onnadenkend; etourdorie, f. onhe-zonnenheid, onoverlegdo (Iriestheid, een domme streek; etourdissoment, n. (spr. eloerdi-.i\'mdii) verdooving, hedremmellng, outliutsliield.

etrange, fr. (spr etrainj\'■. it. slrann. van I lal. exlmnciis, huiteniandsch) vreemd, zeldzaam, zonderling, wonderlijk, ongewoon; — otrangor, m. (spr. elrdiitjé, II. s/runiero, als ware \'I lal. extranearim) een vreemdeling, hai-tenlandei\'; — etrangère, fr. (spr. —zj\'ér\') vreemdelinge; — Union élrungère, vreemdenlegioen.

Être, n. fr. wezen; — Étre suprème, Opperwezen.

Etrenne, f. fr. (v. \'t lat. slrena) het nieuwjaarsgeschenk; het handgeld, het oerst ontvangen geld.

Étrier, m. fr. (spr. élrjt\') styghougei; d franc i\'lrier, spoorslngü-, Ie coup de l\'élrier, een glaasje op de valreep.

Etl\'óncus, m. gr. (van i/ron, onderiyf; vgl. one as) Mod. een gezwel aan de ondcr-huiksslreek

Etude, f. fr. (v. \'t lat. s/udïum) Plet. oen oefeningsstuk; Muz. oefenlngs- of studiestuk tol verkrijging van vingervaardigbeid; vgl. studiën;— etudiant, m. (spr. —didii) een stu-deerende, student; — etlldiante, f. (spr. —diant\') studoutonliefje, büzil van ecu student; grlsetto uit liet q uur Her lalin te Parys.

Etui, n. fr. (spr. e-twi, sp. esluche, It. sluc-cio, aslurcio, mld.lat. estugium, v. \'I oudboogd. stücha, mouw, voonnouvv) iii. otuis, een koker, foedraal, eene scheodo voor allerlei kleinigheden; een naaldenkoker.

Etymon, n. gr. (eig. liet ware, van élymos, c, on, waar, echt; vandaar de ware, oorspron-kelyke heteekeuis) de atleiding on grondbet eekenis van eeu woord; —etymoloog, ety-mologicus, etymologist, m. eeu woord-vorscber, woordkenner, die dea oorsprong der woorden nagaat, hunne wortels opdelft; ook wel een woordenzifter, p u r i s I ; • etymologie, f. de allelding, afstamming der woorden, woord-vorscbiag, de leer der woordallelding, der woordwortels; onjuist ook voor; vormleer, de leer der grammatisclie vormen; — etymologisch, adj. tot de woordvorscblng behooromle, over-eeukomstig daarmede, alloldend, woordvorscbend;

etymologikon of etymologïcum, n. eeu woordenboek voor de afstammlug of atleiding; —etymologiseereiMspr. «=?) woord-worlels zoeken, woordttfleiden, woordvorscbon.

eu gr. voorzetsel iu vele samenstellingen, z. v. a. wel, goed, beboortyk, lichi, enz.; bel tegengesteldo van dys.

Eueemie of euhoemie, f. gr. (van haima, hloed) Med. goede gesteldheid des bloeds.

Euresthësis, f. gr. (vgl. a\'stliesls) welgezindheid, goede gesteldheid des govoels.

Euanalöpsis, f. gr. (vgl. a n a I e ps i s) ge-makkeiyke of snelle herstelling van ziekten; -euanaleptiseh, adj. gr. wal gemakkeiyk of licht geneest, herstelt.

euanthiseh, gr. (v. anthos, bloem) Hot. schoon bloeiend.

Eubiotiek, f. gr. (v. hincn, leven) goede levenswyze; de kun^t om goed tu leven; z. v. u. dlrototlek (z. aid.)

Eubulie, f. gr. (van bult, raad) eig. wys heraad, omzichtig bandelen; Inzicht, schranderheid.

Eucharistie, f. gr. (v. rhdris, gunst, dank) dankzegging, al. voor de cousecralie van brood en wyn hy bel Avondmaal; vandaar: het heilig Avondmaal of Nacbtnmai, do daukliaro viering van den dood des Heerob; ook; de monstrans met de hostie; — eucharistiek, f. de leer van de nachlmaalsvierhig; — eucharistisch, adj. het heilig Avondmaal betreffende.

Euchelceon, n. «gebedsolloquot; in de gr. kerk, overeenkomende met hel laatste oliesel iu de roomsche kerk.

Euchóten, m. pl. gr. (eiichélni, van den sing, euchélcs) bidders, hidhioeders; Inz. eene dweepzieke sede in de 4de oouw, welke door


-ocr page 463-

EUCHLORINE 447 EULOGIE

ttobed Koililciyko oponbiirlnK ineonde ilcolaclitlR lu wonion; vul, in cssa I ia nc n

Euchlorine, f. uil hel gr. (vul, chloor)

v. n. het chloor-oxyilul ■, — euchlorus, a, wn, Bot. zoor Rroon, fraul groeit.

Elichologïum, ii. gr. (van euchc, gohod) een golioilonhook; ook /. v. a. a ge mie.

Euchroea, f. gr. (eü-c/iroeiaj Med. eene goede gezonde, bloelende gelaatskleur, het gezond iillzlcbl; - enchröïseh, adj. scboon-klourlg.

Euchylie, f. gr. Med. de goede gesteldheid van de ehyl (/.. cliylus).

Euohymie, f. gr. (vgl. chymus en chemie) Med. de gezonde boedanlglioUl der vochten van het monschelUk lichaam, goede vochtmenging; — euchymus, n. liet voedlngssap der planlen.

Eudoemonie, f. gr. (v. m-dnimön, d.i. elg. een goeden diemon liebbende) de geliikzaligbeld, het welbehagen, volkomen welbevinden, wel-zljn; oudsemonismo, n. en oudtemo-nologie, r. de geliikzallgheldsleer, welke do eigen gehikzaligheid des mensclien tot hoofddoel en lot de eerste dryfveor van nl zyne daden maakt; het voortilurond streven naar do volkomenheid van liet mensclieiyk gosiacht; — oudtemouist of oudtemonoloog, m. con geliikzaligheidsloeniar of beiljilcr van de leer der gelukzaligheid; — eudüemomstisch en oudeeinonológisch, adj. die leer belreirend, daarin gegrond.

Eudiapneustie, f. gr. Med. de goede go-steidlicid der uitwaseming.

Eudiobiotiok, f gr. de kunst om wél cn vroolijk Ie leven.

Eudiometer, m. gr. (van eudia, goed, helder weder) een werktuig ter hcpallng van de hoeveelheid zuurstof, die in eene gegeven massa lucht voorhiinden is, lucbtgebiilteineter, door l\'ri est ley In M\'i uitgevonden; het tegenwoordig In gebruik zymle is die van Volta met aanwending vim waterstofgas; - eudi-ometrie, f. do lucblzulvcrlieldmeling; eil-diomótl-isch, adj. die kunst betrettende; eudlometr 1 sche stoffen, llchamon, door welker verwantschap met de zuurstof deze van de overige bestanddeeleu der lucht worden afgezonderd.

Eudöra, f. en Eudörus, m. gr. eigennamen; de sclioongüvendc, de goedgcofsclio.

Eudoxio, f. gr. (van dó-ra, incening, dunk) de goede naam, de goede incening van anderen omtrent ons; Eudoxms of En-doxïa, mans- en vr.naam; do wclberoemdo, geachte.

Eudynamie, f. gr. (van ilynamis, kracht) Med. de goede gesteldheid der krachton; ook z. v. a. enk ra sic.

Euopio, f. gr. (vgl. epos) welluldendlicid in 1 spreken, welbespraakt held, welsprekendheid; Med. hot gezond, bloeiend uitzichi, wol-beviiiden, liet tegendeel van cachexie.

Euorgoot, ui. gr. (euerqétês) ecu weidoener; hynaani van een koning Ptolemeus van Egypte; in het algomeen; weldoener, die zich door zün weldaden jegens de menschen vor-dlensteiyk maakt; pl. euergöton, naam van een naar de Vrümetselary gclykend genootschap in Sllezie, van 1794 lot 17»».

Euexie, f. gr. (v. eu-éi/icin, zich wel bevinden) gezond uitzicht, welbevinden.

Eugomus en Eugenia, gr. (eui/énios en cuiiencs) mans- en vr.-naain: de welgeborene, edele, voorname; eugonia, eene In I8.\'i7 door (loldsmidt ontdekte asteroïde; ook eene (naar prins liugcnins van Savoye benoemde) plantensoort: de anjelier-inyrthe op de Anlii-len; vandaar eugonino, f. nagelkanifer.

Euhat mie, f. gr. Med. (v. hniinu, bloed), z. e u a1 in 1 e.

Euhomerismo, n. de leer van den oud-gr. wijsgeer lui li c ine ros, die de grleksche godheden voor vergode meuschen verklaarde; — euhomorist, m. een aanhanger van die meening; euhomoristisch, adj. op dat gevoelen gegrond, daarinede overeenkomstig.

Eukairie of oukaerie, f. gr. (eukairia, v. kuinis, hel rechte tydpunt) goede of gepaste lijd tot bandelen.

Euklaas, m. gr. een niet don smaragd verwant lilauwachtlg-groen mineraal.

eukliistisch, adj. gr. (eüklaslos) licht breekbaar, broos, bros.

Eukolie, f. gr. vroolijkheld, tevredenheid ; by de stoïcynen het karakter van liun wyze.

Eukrasie, f. gr. (vgl. kras Is) Mod. do goede menging der sappen, de gezonde, naar den ouderdom en hel geslacht geevenredlgde hocdaiiighcid der vaste en vloeibare deelen, het tegendeel van dvskrasie; ook gelukkige ge-moi\'ilssteniniing, lemperauient.

Eukratie (spr. (=ls), f. gr. (van kni-Uin, hccrschen) het goede bestuur, de goede rcgecring.

Enkl\'inie, f. gr. (eukrineia) de klaarheid, duideiyklield ; oukrinisch, adj. klaar, duidelijk.

onkritisch, gr. (vgl. k ril Ise h, enz.) licht te heoordeelen.

Eulabie, f. gr. (euldboia) de belioedzaam-heid, hcdachtzaamheld, angstvalllgheld; — 0U-labisch, adj. behoedzaam, omzichtig.

Euialia, gr. (van Inlem, spreken) vr.naam; de welsprekende, welbespraakte; — eulalisch, adj. welsprekend.

Eulat vakoofs, pl. turk. goederen cn lyf-renten, die aan de lurksclie geestetykhcld of do moskeeën verpanil zijn.

oulönisch, adj. gr. (van lèuns, wol) van goede wol.

oulitisch, adj. gr. (van lilhon, steen) van goeden steen.

Eulogie, f gr. (vgl. logos) verslaudighoid In spreken en handelen; waarscbynHjkbeld; ook lofpryzlng; zegenwensch, zegen; In de gr. kerk de zegen, z. v. a. bene dictie; ook tiet heilig Avondmaal; — oulogiën, pl. gezegende


-ocr page 464-

EUPHRASIE

448

EULYSIE

lirootlon, wWoodcn in de Kr. kerk; — euló-gisch, mij. verstamil},\', (loelmallR; wiiarscliUn-lijk; — etllogisme, I1. liet liiitKlolen naar gronden der waarscliyniykheld lig versclill van meenlng; — eulogistia, f. de liezonnen handeling, hediuiilzaamlieid; - Eulogius, mansnaam; de zegenende, z, v. a. Ilenodlctus.

Eulysie (spr. s=z), f. gr. Cliem. de gemak-kelgke oplosliaarlield; — eulytisch, adj. liiiit «p te lossen.

Eumomdon, f. pl. gr. {KumenUes) Myth, elg. de wclgczlnden; de welwillende, goedaardige godinnen, eene eupheinlsllsclie of vorschoo-nende benaming van do lirlnnyen of Furiën (z. die woorden); — eumenio, f. (gr. (euméneia) welwillendheid, goedheid; oumé-nisch, adj. welwillend, goedig.

eumepodisch, adj. gr. met duidelijk te onderscheiden voeten.

eumétrisch,adj. gr. (vgl. metrum) goed van versmaat.

Eumolpiden, in. pl. gr. de radon in het geesteiyk gerecht te Athene.

Eumolpie, f. gr. hel goede gezang; — eumólpisch, adj. goed zingend.

Eumorphie, f. gr. {eumorphia, v. mnrphe, gestalte) de goede gestalte, houding; —eumór-phisch, adj. welgevormd.

Eumusie (spr. s=z), f, gr. (eumusin: vgl. muze) sclioonlieldsgevoel, kunstzin; — eumu-sisch, adj. vol kunstzin, met kunstzin hegaafd.

Eunae, pl. gr. de steenen, welke de Ouden als anker gebruikten.

Eunoëma, f. gr. eene welbedachte handeling.

Eunomema, f. gr. eene wettige handeling.

Eunomia, f. gr. (v, twnios, wet) eene der Horen, en de wetgodin, z. Tbemis; ook een In IS31 door De Gasparls ontdekte asteroïde; — ennomie, f. de wettelUkheld, wollelUke loe-stand; — eunómisch, adj. wettelijk, welgeordend.

Eunomianen, pl. aanhangers van Euno-mlus, de strenge secte der Arlanen.

Eunuch, ounüchvis, m. gr. (emoec/ios, eig. bedwachter, van cunc, bed, en échein, houden, bewaren), fr. eunüque, een gesnedene, ontmande, luz. als opziener der vrouwen in den harem; in de oudheid ook: kamerling by do azlallsche vorsten; - enüchisch, adj. aan een gesnedene geiyk ; ounuchiseoren (spr. .i=z), ontmannen, lubben.

Euodie, f. gr. (v. ndzein, ruiken) de welriekende geur; euödisch, adj. welriekend

euódmisch, adj. gr. (van orlmè, reuk) welriekend; euodmie, f de welriekendheid.

Eupsedio, f. gr. (eapaUHa) bet bezit van goede kinderen; - eupsedisch, adj. goede kinderen hebbende; ook ryk aan kinderen; — oupsedoutiseh, adj. welopgevoed; — eu-psedeusie (spr. s=z), f. de welopgevoedheid.

Eupathie, f. gr. (vgl. i) a l li o s) hel welbevinden, welbehagen; de goede gemoedsstemming, het geduld In lyden ; oen toeval met weinig gevaar verbonden; — eupathisch, adj. gevoelig.

Eupütor, gr. van een goeden of edelen vader (hynaam van verschelden syrlsche en pon-tlsche vorsten, luz. van Antlochus V en Ml-thrldates VI).

Eupatriden, m. pl. gr. {eupatridai, v. en\' en pater, vader) de van een edelen vader af-stammonden, do adellUken van geboorte In \'I oude Athene; — Gupatridisch, adj. van edele afkomst, adoltyko; eupatridisme, n. bevoorrechting van den adel.

Eupepsie, f. (vgl. pep sis) de goede vertering, sterkte der maag; ook lichte verteer-baarheld; — eupéptisch, adj. Hebt verteerbaar.

Euphemia, gr. (van phimc, reile, naam) vr.naam; de te goeder naam en faam staande, beroemde; Guphomie, f. het verschoonen dooi\' verzachtende uitdrukkingen; — GuphG-mismG, n. eene verzachtende, verseboonende uitdrukking, de benoeming van een onwelvoeg-lljk. onaangenaam, hard of treurig denkbeeld op eene verbloemde of minder aanstooteiyke wyze, b. v. ontslapen voor sterven; ontbln-d 1 ng voor verrotting, kinderziekte voor pokken, eumeniden (z. aid.) voor furiën;

GuphGinistisch, adj. vorschoonend, verzachtend, verbloemend.

EuphlogiG, f. gr. de goedaardige pokziekte, goedaardige ontsteking.

EuphoniG, f. gr. (v. phunc, stem, geluld) de welluldendbeld, schoone klank; — euphoon, m. een door dr. Cbladnl la n»0 uitgevonden speeltuig, uil een aantal horizontaal liggende glazen staven beslaande en naar\'do harmonlka geiykende; — Guphomcon, n. een door Heale amp; Co. Ie Londen uitgevondon piano-forte met vollen klank; — Guphonion, n. muziekinstrument, hestaande uil een aantal door verschillende vulling juisl gestemde glazen, dat door stryken aan den rand der glazen bespeeld wordt; ~ Guphonisch, adj. welklinkend, ver-zaclilend; euphonise he letter, eene ter wille van de welluidendheid Ingevoegde letter.

Euphorbia, f. gr. (euphorbton, n. van phorhe, welde, voeder) Bot. een planlengeslacht, welks soorten alle een scherp, hijlead melksap bevatten; eene daarvan Is de gewone wolfsmelk, bonds- of ezelsmelk ; — Guphorbium, n. een hars, dat zich la vele euphorbla-soorlen hovlndt.

Euphoric, f. gr. {euphoria, van phérein, dragen) elg. bel lichte dragon of verdragen; bet welbevinden; het weibekomen eener art-seny, spys, enz.

ÉuphradiG, f. gr. (v, phradzein, spreken) welbespraakt held, welsprekendheid.

Euphrasio (spr. s=j), f. gr. (v. euphrai-vein) vervrooiykon, verbiyden; — euphro-8^110 (spr. s=j), f. de vreugde, vroolijkheld, biymoedlgbeld; de vrougdogeefster, eene der drie (irattëii; ook een vr.naam; do hiymocdlge;


-ocr page 465-

EUPH IJLST ISCH

449

EUTROPHIE

Astron. con in 18!» door Ferguson onldokto nstoroïdo.

euphuïstisch, juister euphyïstisch,

«dj. gr. (v. cuphyes, welgeliouwd) IjOschnvliiR en wellevendheid lielreirende; - euphuïsme of beter euphyïsme, n. do kunsl om frual te spreken, liet genirectccrdo spreken.

Eupión, ii. gr. (pk en pion, vel) een welriekend vloelbmir product der droge dlsllllalle viin organlsclio stollen.

Euplasticum, n. gr. goiiecsnilddel, dal de nntwikkcllng van hel organisme of van enkele deelen daarvan hevordert.

Eupnoea, r. gr. (eiip/witi, van pnein, ademhalen) Mcd. de goede of llelilo udemhallng.

eupödisch, adj gr. (van pnes, voet) met groote of lange voeten.

Euporie, f. gr. (eu-porw, van cii-pnrns, licht van gang, llchl gaande) do vaardigheid, geschiktheid, vlugheid, tegenwoordigheid van geesl hü mocliyke omstandigheden; ook; wel-gesteldheld.

Eupraxie, f. gr. {eupraxia, van cuprassein, weldoen, zich wel hcvlndcn) het weldoen, gc^-Inkklg leven, welhevlnden.

Eupyrïon, n. gr. (v. pïjr, vuur) een llcht-onlsteker, een clioinisch vuurtuig.

Eureka, z. heureka.

Eurythmie, f. gr. (vgl. rhylhmus) de juiste en schoone verhouding, Inz. In de hcwe-glng, h. v. In den dans, de muziek, poëzie, enz., de welluidende overeonkomst; in \'I algemeen de geHikmatlglield, schoone overeenstemming van ai de deelen eens geheels, Med. de geregelde, liehoorUjke hloedsoinloop; — oury thmus, m. de regeinialige en natimrIUke pols.

Euros, gr. of lal. Eitrus, m. do znldoos-tonwlmi; — euros, Med. het heenhederf.

Eurydïce, f. gr. {curyilikc) vr. naam; Inz. de vrouw van Orpheus (■/.. aid.), die hu na haar dood terugvorlaiigde, waarom hij In den hades afdaalde.

eurykérisch, adj. gr. (van kdras, hoorn) met hreede hoornen.

eurykopidoptënisch,adj. gr. met hrce-den, saholvonnlgcn snavel.

eurypygisch, adj. gr. (van pyue, aars, slnil) met hrecden stuit.

Eurysthous, ra. gr. Mylh. een koning van Mycene, onder hroeder van Hercules, dien h(| op do hekende gevaarlijke ondernemingen uilzond (vgl. Hercules).

eurystómisch, adj. gr. (van slthim, mond) hreedmondlg, niet hrecden muil, hrceden snavel.

Eusarkio, f. gr. (van sar®, genil. sur-kós, vloesch) Mcd. dc lUvIgheld, gezetheid, gc-vleesdheld.

Eusobiö, f. gr. {eusébeia, v. cusebfa, vroom) de vroomheid, godsvruchl, godzaligheid, kinder-iük vrome gezindheid; Eusebïa, vr.naam; de vrome; Ensobius, mansnaam; dc vrome, eerwaardige; — ousebiologie, t de aanwijzing lol oen godvruchtig leven.

Eusemio, f. gr. (euscmeia, van sdma, viKinin nniiu

leeken) Med. goed voorleeken, gunstig ver-schUnsei.

Eusitie (spr. lt;=lt;«), f. gr. (van sïlos, sptjs) Med. goede eeliust.

Eusplanchniö, f. gr. (van spldnchnon, ingewand) Med. goede gesloldhold der Inge-wanden.

Eustachïus en Eustachïa, gr. (van slachys, aar) mans- en vr.naam; de arcnr(jke, vruchlliare; oustachische buis, buis van Eustachius {tuba EuslurMam), dc verhlndlngshuls tussclien de troinmeilioile van hel oor en de keel, zoo geheelen naar den geleerden Itai. geneesheer eu ontleedkundige Ku-slachi (gesl. te Home 1371).

Eustatius en Eustatïa; Eusta-thius eu Eustathia, gr. (van euslalhcs, vaststaand, bestendig) mans- en vr.naam; de gezonde, sterke, vrooiüke, rustige.

Eustochius eu Eustochïa, gr. (van cüstochos, goed Irellend, scherpzinnig) mans- en vr.naam; de vernnfllgo, scherpzinnige.

Eustorgïus en Eustorgïa, gr. (van stórf/cin, heminnen) mans-en vr.naam; de veelgeliefde.

eustylisch, adj. gr. (van slfflos, zuil) met schoone zullen voorzien; — eustylon, n. Arch, een gehouw met schoone zuilen, d. i. welks zullen 2;; zuildlkten van elkander afslaan.

Eutérpo, f. de verheugende, oene der M u-zen (z. aid.); de muze der toonkunst; vandaar ook als naam van muzikale voreenigingen, tyd-schiiflen, enz.; in de Hol. de issara-palm ; Astron. een in IS5:) door Huid ontdekte asteroïde.

Euthalia, gr. (v. Ihdllein, groenen, hloelen) vrouwennaam; de liefeiyk hloelende, schoon groenende.

Euthanasie (spr. s=«), f. gr. (vgl. I ha-nu los) een ilchie, zachte dood, het ontslapen; Med de kunst van den arts om den zieke het sterven zoo zachl mogeiyk Ie maken.

Euthesie (spr. ■lt;=:), f. gr. [eu-lhcsia) Med. een goed, sterk llchuamsgestel.

Euthia, f gr. Muz. de toonopvolging van onderen naar hoven.

Euthymotrio, f. gr. (van fulhys, recht) de meling van reclilHInlge liguren.

Euthymie, f. gr. (van Ihymós, ziel, gemoed) de ziels- ot gemoedsrusl, opgeruimdheid, hiynioediglieid.

Eutocio of eutokïe, f. gr. (van lókos, hel haren) het goede of gemakkeiyke kinderharen.

Eutolmio, f. gr. (van hilma, moed) vasl-heradenhold, moed; Med. hel vast verlrouwen van den zieke op zijne genezing.

Eutonïa, f. gr. (vgl. loon) vr.naam; de welklinkende, kunstmalig sprekende; — outo-nie, f. Med. de krachtigheid, veerkracht.

Eutrapolie, t. gr. {eulrapetia) hekwaani-heid, hedrevenheid, geesligiieid.

Eutrophie, f. gr. (vim Iréphcin, voeden) de weldoorvoedheld iUviglield; ook gezonde en rykeiyke voeding.


■211

-ocr page 466-

EUTllOPIUS

EVENTAIL

450

Eutropius, ur, (van Iróiios, elu. wondlni;; Kiihrulk, ({ozlndliold, cnz.) mansn.; do goodanr-digo, gocdluu\'tlgo.

Eutychïus «n Eutychïa, gr. (v. If/rhc, Uil, goluk) mans- on vr.mmm: do golukklgo; - outychie, r. goluk, golukziillgliold; Eutychianen, ,1 a k o li I o I« n; — euty-chianismo, n. du lour dor Eulyclilanoii.

Euzelie, f. gr. {cmltaliu, van ihclns, ijver, uiiz.) goudn of golnkkigo nayvor, in lugonsloi-llng van ka k ozol to.

Euzoie, r. gr. (van zen, loven) hel goede lovon.

Euzoödynamie, f. gr. (vgl. zoudyna-in I o) Med. de volkomon gezondheid; — eu-zoödynamisch, adj. lot oene volkoinon gezondheid hohooromlu.

Eva, hehr. vr.nnam: (gr. Ktia, Ktia, liohr. Chawwdh, elg. loven) do levongevoade, moedur dor levenden; ook voor vrouw in \'I algemeen, tnz. eone nlouwsglorlgu, zinnelijk hogoerlijke vrouw; — Evelina, verktw. van IC va, moedertje.

evacueeren, lal. (evacunrc: vgl. vacuum) ruimen, ledigen, afvoeren; evaeuant, n. f. IHuz. do vvlndatletder tn liet orgel; - ova-cuantïa, n. pi. Mod. afvoerende, rulmendo mldilelen; evacuatie (spr. l=lx). f. de ontruiming, onlledlglng; afgang; evacuatiecontract, n. hot onlrulmlngsverdrag; eva-cuatief, adj. onllcdlgend, afvoerend.

evadeeren, lal. {cvadëre, ontkomen) ontsnappen, ontwijken, ontkomen; - evasie (spr. s=t), f. nw.lat. (pivj.vTo) do ontwijking, ontkoming, hut ontwijken, onlsnappun, onlvluuhtun, doorgaan; ook nune uitvlucht, een voorwund-sui; —evasief of evasörisch, adj. ontwilkond, ultvluclitun zoekend of makend.

evageeren, lat. {evuuSri .■ vgl. v a gue r e n) uitweiden, afdwalen, rondlladduren; eva-gatie (spr. /=/«), f. [evaqatto) de afzwervtng, afdwaling, verstrooiing.

evaginoeren, lat. (van vai/ïno, scheede) uil du schucde halun.

evalesceeren, lat. (emlcscöre) grooter of sterker worden, toenemen, de overhand krijgen-, tn waarde stügun.

evalueeren, mlil.lat. (fr. évalutr), eval-veeren, mld.lat. (vgl. valveerea) aanslaan, schatten, vvaardeeren, herekenun; — evaluatie, evalvatie (spr. I=h), f, du schatting, waardeering, pryshupaltng, waarde of koers \\aii munten, enz.; du aanslag.

Evan, gr. (eudn) hut juhulgeroop der hau-chanttnnun; ook een hynaam van Hacchus, z. aid.

evanesceoren, lat. (evmwscërc) verdwijnen;—evanescéntie (spr./=/«), f. nw.lat. het verdwijnen, du vurdwiinlng.

Evangelium, n. gr. {cu-niifiélinn, van eu, z. aid., un angelos, hode, annelid, lijding) I) de goedu, htyde tijding of hoodsehap, n. 1. dat tn Juzus de beloofde redder (Messias) verseheaen Is; 4) het Meawe Testament of du verkondiging des hells, de verhtydundu chrlsleiyku leur; ;i) pi. evangeliën, du gedenkwaardigheden uil hut tuven en de leer van .1. - evan-geliën-harmonie of harmonie der evangeliën, f. de vergelijkende samenstelling der vier uvangellun; - evangelist (la-Ier lat. eoangeHtta, gr. euuiKjelishx), m. elg. een Idyde-hoodsehajihrengei\', vreugdehrenger; een schryver der gedenkwaardige voorvallen uil het leven van Jezus, levensheschryvur van J.; een der vier evangelislen; ook; prediker of verkondiger van hul evangelie; — evangélisch, adj. met de leer van J. ovuruunkomstig, uhrls-letyk, laz. hui evangelie als eenigen geloofsgrond erkennende, li.v. e v a ngel 1 seh e e h ristonen, ev. kerk, enz.; vgl. proteslanl; — evangoliseeren (spr. .«=?), eunu htydebood-sciiap verkondigen; du uvangelischu teer en kerk verhielden; vandaar: evangeliseering of evangelisatie (spr. ~~ta-lsie), f. uitlireldlng der evangelische kerk; evangeliarium, evangelicum of evangelistanum, n. in de oude kerk: hel uvangetlënhouk, de verza-moling der uvangetien voor zon-en feestdagen; — evangeliër, m. in de r. kath. kerk; de persoon, die liet evangelie afzingt.

evaporeeren, lat. (ura/mrarc, van vajiar, damp) verdampen, uitdampen, vervilugun, \\er-rooken, zweeten, nliwasemeri; een geëvaporeerd mensch, iemand vol Wdiiduriyke grillen un inbuoidingen; — evaporabel, adj nw.lat. vurdampiiaar, vurvttughaar; • evaporatie (spr. l—ls), f. lat. (emporaCfo) du uil-damping, verdamping, vei rooking, afdamplng, hel doea vervliegen van vluchligo deelen door middel der hittu; —evaporator, m. du afdam-pur, eun werktuig, waardoor de uitdamping van het zoutwater in du zoutpannen hevoi\'derd wordt; — evaporator mm, n. een verdam-pingsmeter.

Evasie, evasief, z. end. evadeurun.

Evéctie (spr. I=s), f. lal. {everCtn, van cuc-hëre, uit-, afvoeren) hel opstygen, opwaartsvaren; Astron. de grootste der ongedykhedon ol schynharu onregelmatigheden, die de loop dei1 maan op hare elliplisehe haan om de aarde toont, en waarvan de grond ligt In den storenden in-vtoud, dien du zon op de maan uitoefent; haar grootste bedrag is 1° til\' 110quot;.

ovelleeren, lat. (evetlSre, v. nelltre, plukken) uitrukkun, uittrekken, uitroeien,ontwortelen.

Evenement, n. fr. (spr. cvèn\'maii: ook ais nedeil. -menl: van \'i lat. evcnirc, zekeren uitstag tiehliun, geheuren) de uitkomst, alloop van eeue zaak of voorval; het voorval, de gehcurtcnis, Inz. eene gewichtige; du toudractit eenur zaak.

Evening, m. ung. (spr. iwenitif/) avond; -evoning-school (spr. -sltocl), avondsehool.

Event, a. eng. (spr. itodnO gelieurtents; un-Inward crenl, ongelukkig toeval.

Eventail, m. fr. (spr. cmaulalj ; van éven-Ier, touwaaiun, van vcnl = lat. venlus, wind) de waaier; en övenltiil, la de gedaante eens waaiers, waaiervormig uitgespruid; — even-


-ocr page 467-

EVENTILEEREN

451

EVOLVEEIIEN

tailloeron, Mil. waalorvorinls opiniirchooren, eventileeren, lat. (eveninare: vgi. v o ii-lilueruii) door luclilli\'ckkiiK,\' of loclil zulvn-mi, luclitun; — eventiliitie (spr. l=ls), f. nw.liit. do luchtliiK, ilv zulvurlriK door luchl-IrckklriK.

evMus, in, lat. (van eoenire: vgl, evo Moment) do ullslau, hot kovoIk, do working; hot tooval, voorval, do gohourtonls; evenlus doei-bil, do nltkomst zal \'I looron -, e. stultorum ma-llisler, siirw.: do nllslag ot do ondorvlndiiik\' Is do loorniooslor(os) dor dwazon; in evenlum, In hol gohonrlüko goval, «vo n tuool; in omnem cvén-lum, In oik goval; eventueel, adj. on adv., als advorli. ook eventmttter, nw.lal. naar hol plaats KrUpoiiilo of mogolyko goval Ingorlchl, voor hot go val, dal dll of dat plaats hcofl, In voor-komond goval, golionrlljk, mogolgk; Inz. In hot orgsto goval; ook hij wyzo van voorzorg, van voorwaarde; - eventualiteit, f. hot plaals-liohhon van oon mogolljk goval.

Evêque, in. fr. (spr. ewèk) hlssohop; vgl. o p i s co p u s.

ever, ong. (spr. ivoer) altyd, Imiiier; for ever, voor altyd; Inz. hy hoozoogoroop, h. v. old ICniiland for ever.\' (spr. oold\' innlend—), lovo oiid-Engoland! vgl. ovorlasllng.

êver, z. ówor.

evergeteeren, fr. (van vernelles, horslol) ultliorstolon; afrossen, (Uichllg doorlialon.

Evergétes of Evergeet, m. gr., z. o u o r g o o I.

Everhard en Everhardine, oudd. mans-on vr.naam; elg. slork als oen ovorzwyn; de kraohllge, kraehlvollo, storko.

Everlasting, n. eng. (spr. émer—, d. I. al-tyddiirend; vgl. etornal) of everlast, n. eene zoor dnnrzamo geribde wollen stof.

Eversm., hij iialUurwotonsi\'happoiyke he-nainlngen afk. voor li. !•\'. livorsinann (gestorven IS(lll).

everteeren, lal. {eveiirre) omwerpen, om-storlen, omstooten, oinkoeron, verwoesten, vernielen;- evérsie (spr. «=2), f. (lal. eversfo) de oiiiverworplng, onikeerlng, vernieling, verwoesting, in- of onistortlng; eversief, nw. lat. adj. omstorlond.

evertueeren (zioh), fr. {s\'éverluer: van verlu — lat. virlus, inannoiykheid, kracht, dap-porhoid, deugd) zich door oefening hokwamen of meer gosehiklheld, vaardigheid verwerven, groot o pogingen doen, zieh lol iels lolfeiyks aansporen, alh\' krachten le werk slellen, zijn bost doen, zich hoyveren.

evestigeeren, lat. (evesliuare, van res-lilitum, voetspoor) opsporen, uitvorsciii\'n; evestigatio (spr, lio=tsio), f, nw.lat, de ult-vorschlng, opsporing.

e vesliyio, z. ond. vosllglën.

evéx, adj. later lat. [euexus, v, evehrre, er nitbroiigon of -dragon) naar hoven loo afgerond, hoogrond,

Eviaden, f. pl. naam dor haochanlinnen, naar livIns, bynaam van liacchns.

Evictie, z. ond, ovlncooron. evident, adj, lal. (evïilen.i, van vide re, zlon) oogensohyniyk, hlykhaar, klaarbiykeiyk; la hol oog vallend, zonneklaar, middagklaar, duldeiyk, openhaar, handtasleiyk, ontegenzeglijk; - evidentie (spr. l=ls), f, (evidenïïnj de oogonscbUniykheld, de openharo, In \'t oog loo-ponde zekerheid, klaarheid, duldoiykheld, hand-tasteiykheld, klaaihlijkolljkheid.

evigileeren, lal. (eviuilBre) waken, onlwaken, zich ergens viyilg en naarstig in gedragen, iels zorgvuldig heurholdeii; evigila-tie (spr. l=ls: later lat. eviijilatto) het waken, ontwaken,

evineeeren, lal, levinare, elg, overwinnen) overtuigen, overreden, hewyzen, slaven; ,lm\'. borgtocht stollen, borghiyveii; ook van het bezit ontzelton, den olsch ontzeggen, afwyzeii;

evincént, m, lat. (evincens) wie langs den weg van een rechtsgeding lomand eene zaak liotwisl; evincibel, adj. nw.lat. hewyshaur, te overtuigen; — evictie (spr, l=s), f, lal, {evicCfo) di^ borgtochl, horgslelllng; scbadovor-goedlng; ook de gorOChteiyke onlzottlng des koopors van eenig uood uil bel hezlt daarvan, de ontzegging; eoictfo expressa, ultdrukkeiyko borgtocht; e. solénnvi, plechtige borgtochl; e. lueila, zwygondc, in den aard der zaak liggende borgtocht; eviclionis iiraeslufio, f. do borgtocht of gohoiulenheid des vorkoopers om don kooper schadevergoeding Ie geven, wanneer hom do gekochte zaak door eene recbtoriyke uitspraak wor.dt ontzegd.

evireeren, lal. [evirüre, van vir, man) onl mannen; evirötie (spr, f. de

onlmaiming.

eviscereeren, lal. (eniscemre, van vis-efra. Ingewand) liet ingewand uitbaten, onl-wyen,

eviteeren, lal. (cuMio\'e) vormyden, ontwy-ken, vlieden; evltabel, adj. (lat. evilnliilis) vormljdhaar; evitatie (spr. (ie—lsie), f. (evilatto) do vormydlng.

eviva, 11., z. v. a. vivat!

evoceeren, lal, {evocare, van voetire, roepen) oproeiion, uitroepen, indagen; bezworen, bannen; evocatie (spr. lt;=lt;«), f, (ciiorafTo) de oproeping. Inroeping, eene ceremonie der Ouden, waardoor zij do legenwoordlghold der goden inriepen; ile Indaging voor eene bullen-landsche, elgeniyk onhovoogde roehlbank; ero-ert/ïo inferörum of morluuruin, hol bezweren of oproepen (cileeron) dor overledenen, do (looilcnbezwering; cvoeatin milltiue, het oproepen dor mniischappen ton oorlog; — evoea-torïum, n. een indagingsscliryven

Evóë, lat. (elg. evce, van \'t gr. euui) do jnbolkreut dor bacehantinnen; vgl. evan.

evolveeren, lal. (cuo/Bcrc,- vgl, volvee-ron) ontwikkelen, ontvouwen, uiteenslaan, zich uil breiden, zich openen; — evolvénte, f. (•oom. (ie afwikkelende lijn, de kromme lijn, die, welke van een punt oenor zich om een cirkel (of eene andere kromme lyn) wentelende


-ocr page 468-

EVOMEEREN 452 EXALLAXIS

rechte lyn boschrevon wordt-, — evolute, r {evolula, sell, llnea) (leom, de nffjewlkkelde of afwikkelliidsiyii, kromme lyn, die vim de eliul-punten van de krommlngsstrHlen eener andere kromme lyn gevormd en zoodanig Is, dal een daarom plegde draad liij zyn nfwikkellnj; de gegeven kromme lyn lieschrytt; evolutie (s|ir. /—Is), I. (ernhi/ïii) de ontwlkkollii}.\', onl-vonwlng; Mil. de liewenliin, zwenking van eenen troep tol oefening of vóór den vyand; de bewegingen eener vloot op zee; Mnz. de omkeering der stemmen In hel duhliele contrapunt;

evolutie-esküder, n. eene vloot, die door vaak veranderde stellingen den vyand nnhy zoekt te komen;- evolutie-marsch, in, een marsch met zwenkingen; evolutietheorie, I l\'livs. de ontwlkkellngsleer, volgens welke men aanneemt, dat de lichamen zich door zich zeiven voortplanten, en dal reeds in de eerste menscheiyke of dierlyke lichamen de kiemen voor al de volgende voorhanden waren; — evolutio(n)nist, m, aanhanger van Huxley\'s evolutieleer.

evomeeren, lat. (women-, vgl. vomoe-ren) uitspuwen, uitliraken; evomitie (spr. lt;=(«), f. nw.lat. de uilspuwing, het uitliraken.

Evovae, n. lat. de zes klinkletlers uit se-culorum amen, nl. e, u, n, u, a, e, de tonen, waarin hij de oude konialmuzlek die slotwoorden gezongen werden.

evulgeeren, Int. (evulyare, vim villous, volk) uilstrooien, ruchlhanr maken, verspreiden, onder de menschen hrengen; evulgatie (spr. l=ls), f. nw.lat. de ruchtliaarmnking, nienwsverspreiding.

Evülsio (spr. s=ï), f. lat. (evulsïo, van erellüre) de iiitrukking.

öwaïl, pi. turk. orlgineele werken, inrich-lingen en auteurs.

Ewald, oiidd. mansn. {t-nxill, van \'I oud-hoogd. (wa, êha, f, de wel) die voor de wet waakt, wet hest uurder.

Ewamir-adalet, lurk. hevelen der jns-lltie.

Ewer of ever, m. nederd. open vaartuig met een mast (aan de Dnltsclie noordzeekusl).

Ewkaf,lurk. vrome siiehllngen; vgl. wa-k oe f.

Ewladi-fatihan, lurk. de (den trein openende) trosknechten, enz.

Ewlïa, pi. lurk. de heiligen ex, gr. voorzetsel vóór klinkletters, z. v. a. ek, z. aid.;—e®, vóór medeklinkers ook enkel f, lat. uit, van, als voorzetsel In samenstellingen overeenkomende met het nederd. uil, op, onl, ver; in latere samenstellingen ook z. v. a. gewezen, voormalig, wyien, h.v. ex mi nis ter, exjeznïel, ex kelzer, enz., voormalig of gewezen mlnisler. Jezuïet, keizer, enz. ex abruplo, z. ahmmpeeren. exacerbeeren, lat. (eomerbare: vgl. aeerh) verliltteren, verergeren; exaoer-batie (spr. I=l.s), f. nw.lat. de vcrhltlerlng; Med. de toeneming, verergering van eene pe-riodische ziekte, het legengesteide van rein Is sip.

Exacervutie (spr. lt;=lt;s), f. nw.lat. (van acervttre, ophoopen) de opliooplng. exacesceeren, lat. zuur worden, exact, adj. lat. (exdetus, n, um, van exigilre, uitdrijven, tot staiul brengen, eindigen) nauwkeurig, zorgvuldig, slipt, puntetyk, nauwgezet, oplettend, juist, overeenstemmend, volkomen; exacte wetenschappen, zulke, die naar nauwkeurig bepaalde en streng hewezen waarheden streven, alzoo Inz. diegene, hy welke de mathesis hare toepiisslng vindt, zooals de werk-lulgkunde, sterrenkunde, natuurkunde, enz.; — exactitude, f. fr. nauwkeurigheid, juistheid, sliptlield, regelmatigheid, zorgvuldigheid, oplettendheid;—exactie (spr. lt;=s), f lat. {exac-Iw) de Invordering, b. v. der belastingen; afpersing, knevelary; — exactor of fr. exac-teur, m. een schuldinvorderaar, geldheHer, onl-vanger der rechten, gaarder, gaarmeester; de houder of verlooner van eenen wissel; een afzetter, knevelaar.

exacueeren, lat. {exaculre: vgl. acu-eeren) scherpen, siypen, spitsen; tergen. ex adverso, z. oud. adversus. Exsemulosis, exsemie, enz., z. exai-m a I o s 1 s, enz.

Exsequatie (spr. t=ls), f. lat. {exaequaltn: vgl. aequus) de geiykinaking, verelTenlng. ex aequo et bono, z. oud. aequus. Exeercsis, z, exatresis, exaestueeron, lat {ex-uesluïïre) opkoken, opbruisen, zich hevig vertoornen.

exaggereeren, lat. (examerare, v. anqer, dam, dyk, wal) fr. exagereeren [exaqérer: spr. ekzazj—), elg. opdiimmen, ophoopen; vandaar; overdryven, vergrooteii; — exaggoriï-tie (spr. t=ls), f. (lat. exanneraCfo) de overdrijving, vergrooling eener zaak; -- exag-geratörisch, adj. nw.iiil. vergroeiend, over-dryvenil.

exagiteeren, lat. (exaqHure; vgl. agiteeren) oritrusteii, plagen, kwellen, tergen, af-mutten; — exagitatie (spr. tie=lsie), f. uw. lat. de veroiilrusling, de terging, kwelling, he-spalllng, plagerij; exagitator, m. de lie-risper, doorbaler.

Exagöge, f. gr. (ewagögc) het uit- of wegvoeren; de uitvoer; het verhuizen, einde, de dood.

Exaimatösis of exsematósis, f gr.

(van Anima, bloed) Med. de hloedborelding; het idoedig-wordeii; — exaimle, f. het bloedge-brek, de bloedeloosheid, verbloeding; — ex— aimön, in. een voihloedige; — exaimos, mij. ledig van bloed, verbloed.

Exairësis of exoerësis, f. gr. (van ex-ai ran, uitnemen) de uittrekking, b. v. van eene» steen, van de staar; de uitneming, h. v. van do Ingewanden.

exalbuminosa. Hot. zonder klemwlt. Exallaxis, f. gr Med. liet bederf, de ont-aurding eener zelfstandigheid.


-ocr page 469-

EX AS.SIlt;;

453

KXAI.MA

Exalma, n. nf oxalsis, f. Rr, (y. ex-alles-Ihui, ullspriiiKOii) M(mI. hel ullsprliiKOn, do plol-sullngo unlwrlclilliig vuil oon Ixu\'ii, In/, vim ecnen

IllKKBWUI\'Vül

oxalteoren, lal. (millare, Ir. exaller, van \'1 lal. alius, Iioür) vorliooRen, ovorpi\'lkkolen, ovorspiinnon, vcrliltlon, verrukken; ceexal-leord, udj. verrukt, ontvlamd, overspannen, in lioone gespannenheid van geest; — oxalté, m., pl. exaltés, fr. heethoofden; — exal-tados, m. pl. sp. eene overspannen polllleke party In Spanje tydens de revolutie van IS2II, In tegenst. met de moderados; — exaltatie (spr. Iie=lsie), f. lat. de verhooging, ver-heltlng; Inz. de gemoeds-, geest verhelllng, geestvervoering, geestdrift; overspanning; — emlla-lus, a, urn. Bot. hoog.

Exambloma, n. gr. do vroeglüdlgo ge-hoorte; — exr mblösis, f. miskraam.

Examen, n., pl. examina, lat. (uil uaij-mm ontslaan, van exaulirc voor exiacre, nildi\'U-ven, onderzoeken) hel onderzoek, de heproevlng, toetsing, ondervraging, het verhoor; inz. het schODlonderzook, de proefneming der gemankte vorderingen; — examen lesiïum, iiel geluigen-verhoor; — ex. rigorósum, si reng onderzoek of verhoor; oxamen-commissie, f. de mei hel onderzoek (van eandldalen) helasle eommis-sle; examineeren (lal. examinare), beproeven, onderzoeken, uilvorsehen, uilvragen, ullhooren, ondervragen, veihooren; nauwkeurig hesehouwen; — examinandus, m., pl. examinandi, die het onderzoek moei ondergnnn;

examinatie (spr. i=is] of examinee-ring, f. het examineeren, hel onderzoek; examinator, m. die het onderzoek doel, de onderzoeker, ondervrager, uitvrager; exa-minatorïum, n. eene vereeidging lol onderzoek; eene voorheproevlng of heproevende on-derwgzlng op hoogescholen.

cx amüsslm, lat. naar het riehlsnoer, nauwkeurig.

Exanastomösis, f. gr. (vgi. a n a s I o m o-sis) Med. eene ziekelUke verwijding, inz. der hluedvateu, mei ontlasting van hioeii.

Exanastróphe, f. gr. Med. de weder-geuezing, herstelling.

Exanïa, f nw.lat. (van anus, aars) Med. de uitzakking van den endeldarm.

exanimeeren, lal. (cxaniinure, v. anima, ziel) ontzielen; den moed henemen, nederslaan, ontmoedigen, beangstigen, afsclirikken; exa-nimiitie (s|)r. lt;=lt;s), f, (exanimafio) de ont-z.leiiag; neerslnehtigiield, moedeloosheid; Med. eene diepe onmacht.

ex anima, z. oud. animus. exantémiseh, adj. nw.lat. zonder voel-sprielen.

Exanthema, n. gr. {exanlhcma, eig. hel onthlocldo; vgi. a ut hos) koorlsigo huiduitslag, vlekken of blaren op de huid; eene outsteking (z. aid.); - exanthematisch, adj. met huiduitslag gepaard, ultslagaurdlg, vlekkig, idarig; exanthematische koorts, eene oid-sleklngskoorls met uitslag, uilslagkoorls; — exan thomatologie, f. de uilsiagieer; - ex-anthematológisch, adj. lol die leer he-booreude; — exanthêsis, f. het uitbreken van een huidullslug.

Exanthropïe, f. gr. (v. dnlhropos, mensch) de inenschenvreos; - exanthröpisch, adj. menschensehuw.

Exantlatie (spr. /=lt;«), f. uw.lal. (van ex-anUure, uitputten) de uitpomping, Iiel uitpompen, ledigpulten.

Exapotheöse, f. gr. (vgi. apotheose) do ontgoding, de wegneming uil den rang der goden.

exaquesceeren, lat. (van a^wi, water) lot water worden.

Exaragma, n. gr. (van ex-ardssein, uitslaan, aan stukken slaan) hel gehrokene, versplinterde; Med. de beonbrouk.

Exaratie (spr. t=ls), f. lat. (exarattn, eig. het nllakkeren, omploegen, van exarare) de schrlflelgke uitwerking, uiteenzetting.

Exarch, m. gr. (ixarchos, d. 1. beginnende, eerste, voornaamste) opperste, hoofd; eertydsde sladimuder der grieksche keizers in Opper-Itallö, die zynen zetel te llavenna bad; ook een hoo-gere uartsblssebop, een oppergeestetyke in de gr, kerk; exarchaat, n. mld.lal. (exar-ehalus, m.) bel gebied, bet amld en de waardigheid van den exarch, sederl 5M de tegenwoordige Komagna, lt;le kuststreek van Rlmini, lol Ancona, de zeestreok om (lenua en geheel Henedeii-Ilalk\' omvallende.

Exarchiater, m. gr. (vgi. a r c li i a I e r) eene onder of tweede iyfarts; ook een gewezen lytaris.

oxardesceeren, lat. (cxardcscgre) ontbranden, hevig worden.

oxareneeren, lat. (exarenSre) van zand reinigen.

oxaresceeron, lat. (exareseüre) uitdrogen, verdrogen.

Exarma, n. gr. (van ex-a trein, verhelfen) Med, een gezwel.

Exarthréma of exarthröma, n., of exarthrösis, f. gr. (van drthrnn, lid, gewricht) ook exarticulatie (spr. lie—/sic), f. nw.ial. (van arliciilus, ■/.. aid.) Chir. de onl-wrlciiilng, de uilzelling van een lid uil zyn ge-wrichi; verrekking; exarticuleeren, eeji lid aan bei gewricht afzetten.

Exar.tsis, f. gr. (v. ex-urüein, uilpullen) de iillpulllng der krachten door ziekie, vochtverlies, enz.

oxasciëeren, lat. ia-asciare) uitbouwen, uil den ruwe bewerken.

exaspereeren, lal. (exasperarevgi. as-Iter) eig. ruw maken; verhitteren, vertoornen, vergrammen, lol toorn ol gramschap prikkelen ; een kwaad verergeren ; —exasporatie (spr. 1=1 s), f. (exasperaCio) de verbitlerlug; boosaardige vergrooting; exasjteraCfo pmtr., Jur. de verzwaring der straf.

ex assc, z. oud. as.


-ocr page 470-

EXATMOSKOPIUM 454 EXCENTRISCH

Exatmoskopïum, n. Rr. (vim almós, damp) oen uUduinplnRsmeloi\', oono vordiim-plngsmaat.

exauctoreeren, lal. {ex-auclnmrc) «ni-zclliMi, van hel openhaar ainlil on nan/lcn lic-rooven; — exauotoratio (spi-, lie=lsie), f. de ohtzelllnu, afzcltlng, opliclllng.

Exaüdi, lal. iU; naam van don ZoiKlaR vóór Plnksloi\'on, naar do plaals van don lal. hljhcl Ps. XXVII, 7, exaudi, Domïne, vocem meam, etc., d. 1. vorlioor, o Hoer, mUae stom onz., wolko op dien daR In do r. kath. kork wordt voorgclozen.

oxauguroeren, lal. (anuf/nrSrc, helle-gongostoldo van Inaugurcoron, z. aid.) do wgdlng ot de holllglield van oen gewyd voorwerp opheiTen; — exauguratie (spr. /=(.«), t. (cj-aupura/ïo) onlvvgdlng, ophelllng of onttrekking der lljllgliold.

cj\' bene plactto, z. ond. plaeïlum. Excalceatio, f. lal. (v. ex-ralccurr, do schoenen ulldoen) do wet van hel uillrokken des schoons (Doul. XXV, «); — excalcea-tus, in., pl. excalceaten, ongoseiioolden, harrovoetors, z. v. a. dlscalconlon.

excandesceeren, lal. {ei-camlescSrc) ontgloeien, zich verhlllen, van loorn onllnan-don; — oxcandescéntio (spr. /=/«), f. (excandescenCfa) hel ontgloeien, de drill, oploo-pendhold.

e.r caiiïle, z. ond. capul. excapituleeren, nvv.lal. (vgl. capiln-looren) nllgodlond holihon, van dlenslplichl ontslagen zijn; ook ontslag zoeken; — exca-pitulant, m. een uitgediende, nlet-dlonsl-pllchtlge, een aanzoeker om ontslag; ox-capitulatie (spr. lic=tsie), f. de ulldlenlng, dlonslontliolllng, hot ontslag.

Excarnatie (spr. f. nw. Int. (van

raro, genll. cumis, vloesch) de onlvloozlng, hel ontdoen der beenderen van het vloesch; liet villen; — excarniflceoron, lat. ie. mimi-ficarc) martelen, folteren, villen, tol den hloede pijnigen, gruwelijk mishandelen, vlerendeelon. ex cnlliüdra, enz., z. onder katheder, excaveoren, lal. {exruviire, van cavus, hol) nittiollen, eene holte maken; — oxca-vatie (spr. f. de uitholling; hel nlt-

ladlen; - excavator, in. lat. (fr. excavaleur) uitgraaf- en liyschloestel, in liirlehting en werking veel o|i een kraan golükoiide (om houw-grouden uil te diepen, graafwerken voor spoorwegaanleg, haggerworken, enz. uit te voeren); — excamlus, a, urn, Hol. uilgehold, waarin eene diepe holte is.

excedoeren, lal. [excedfrc, van redlrc, gaan, voortsclirUden; vgl. eed eer en) overschrijden, Ie hoven, te ver gaan, overtreden, nitspallon; — excedenx. Hot. ullslekende; OX-codént, ui. {excidcns) een liultensporlge, stoornismaker, moedwillige; oxcodont, n. over-schot (op rekeningen), hallg slol ; oxcés, m. (lat. cxcéxsus) de overmaiil, de overtrodlug van de grenzen eener zaak; de tmiloiisporlg-heid, ongeliondeiiheld, ultspalllng; gewelddadigheid, mishandeling; sphicrlsch oxetSs, (loom. helgeen de hoeken eens holvormlgen driehoeks meer dan twee rechte hoeken hedragon, kloulsch overschot ; — excéssm in nindo, oen misslag In de uitvoering of don vorm eener ver-rlcliling; — in excéssu poccoeron, In eene zaak to voet doen, door overmaat zondigen; — excessief, adj. uw. lal. overdreven, hoven-matig; uitspaltend, de grenzen ovorschrljdenil.

oxcelleeren, lat. (exceUëre) vnorireirelük zyn. overtretl\'en, ulthllnkon, uilmunten, zich onderscheiden; - excellént, adj. (excéllem), voortrelfelijk, heeriyk, nngemeen schoon; — ex-celléntio (s|ir. /=/.?), eng. éxcellency, f. (excellenffa) de voorlrolTelUkhold, uitmunlend-helil, heerlijkheid; een litel, eerst van de lon-gohardische, vervolgens van de franklsclie koningen en dullsche keizers, later van de Hal. vorston, die tiem echter voor altozza verwisselden, loen de fraasche gezant te Kome, do hertog van Nevers, dien lilel kreeg, welke van nu af op andere gezanten van don eerslen rang, op hooge hurgertyke en niililaire amhlsliokleo-dors, ja in Dullscliland zelfs op akademlscho docenten en professoren overging; thans enkel de amtilstitel vaa werkelijke ministers, van de hoogste amhtsiiekieeders tiy het hof en tiet leger, van amhassadears en gezanten; — ex-cellentissime, adj. (sp. excclenlmma) al-lervoorlroll\'eiykst, oude Hiel der senaloreu van VenetIO, als zij in togeiiwoordigiiotd vau don doge la college \\orgaderd waren; — pir ex-ccllcnre, fr. (spr. ckscllaiis), hy ulinomendheid.

Exeelsiteit, f. lal. (excehiïlm, van ex-célms, li. urn, verhoogd, verheven) de tioogio, vortielltng, verhevenheid.

excéntrisch, excentriek, adj. nw. lal. (van hel lat. ex, uil, en cenlvum, middelpunt) verscheiden middeipiinlon hehhende, ult-middolpantlg, geen gonioensehappoiyk mlddelpuat hehhende (van in of hy elkander liggende cirkels of cirkelhogen), het legengesl. vaa eon centrisch; van de haan afwykend, walhallen do gewone grenzen Ireedl, ongemeen, overspannen, h. v. een oxeeiilrlsche geest, een hoogvilegond, overdreven, dwepend, plmnlaslisch meascii, wonderiyke kop, woelgeest, liilniolgeesl; e x c e n I r 1 s c h e s c li ij f, welks omdraailngspunl niet In tiet mlildelpuni llgl; ex een 1 rise tie sloot, welks rlchllng niet door hel zwaartepunt der hewogen lichamen gaal; — exccnlricus, n, urn, Hot. huiten tiet nilddolpuiit; — excentrische hoek, m. ...... tiook, gevormd

door twee koorden eens cirkels, die elkander niet In hol iniiidoipunl snijden; excentriciteit, f. de nllniiddelpunllgheld, het afdwalen, (If verw ijdering of afw ijking van hel mlddel-jiunl; Inz. de afstand des hraiidpunts tilj krommo lijnen; de nverspanneiilieid, dweperij, wonder-tykheld, grllllgiield, clgenzinnigheld (eng. cxrni-Iricily, spr. elisenlrmillie)-, excentriek, n. loe.itel aan mactiinos om eene ronddraaiende he weging in eene reehliynlge ie veranderen.


-ocr page 471-

KXCFjÜDKKRKN

EXCFil\'TIK

455

Excoptio, exceptor, z. ondor «xd-p 1B o r o ii

excorneeren, hit. (excernin, v. cernSre, scliolilon, iitzonderoii) nf/.oniloron, uilsloolon, iillworpon, vgl. cxcromonl.

excerpeeren, lul. (excerpcre, vim car-piïre, lillikken) iiiltrekkon, ulllroksols makon, korl sumonvullon, in \'I kort ovcrbrongon; — oxeérpt, n (lal. excérplum, pi. cxcérpla) iiltlrokscl ull ocn book, hot uit oen gesciuift, oono rokoniiiK Rotrokkono, ufscinifl.

Excés, excessief, z. onil. oxcodoo-r 0 II.

Exchange, n. eng. (spr. clts-lsjeemhj) iiiiihig, voi\'wisscling; do hours to London; — hill of exchanqe, oon wissolhrief, wissel.

Exchequer, n. ong. (spr. eksljékker, oudtr. oschcquier, nw. tr. échiquier, oen sclinakboril, óf wegens liel scliaDkiiordvorniig geruit laken, waarmedo de goiillafel ovorirokken is, óf omdat do vloer dor zaal riillsgewys Is Ingelegd) de koninklijke tliosaurie of schat meest er, reken-of limincie-kamor in lingeiiind; — exche-qiierbill, f. oen schatkisthiijei dal gewoou-tyk na I jaar vervalt; - exchequerbond, ii. schatkisi hiijei van langer vervaltijd (gevvoou-iijk S—\'i jaar).

excideeren, 1) lat. {excuMre, v. e.mdn) uitvallen, ontvallen; excidóntie (spr. (= Is), r. nw.lat. Mod. liet uitvallen van een lid.

excideeren, i) lat. (excidfre, cxado) uithouwen, uitsnydon, uitroeien; vandaar: ex-Cisie (spr. s=z), f. (lal. excislo) de uiNnij-dlng; — excisuur, f. nw. lal. do uitsnede.

excipiëeren, lal. (mi/iën\', van cupfre, nemen) uilnemeii, ultzondoren, eeue uitzondering maken; Jur. togcnstellen, eeue uitvlucht, legonwerping maken; by vvyze van verantwoording inbrengen;—t\'xcï/ic\' neem uit! maak eeue uitzondering! e.rcépln en ejréplis, uitgenomen, met uitzondering; — excéplis énipiéiulis, met uitzondering van hel geen uitgezonderd of uitgenomen moet worden; — ml exciiiiifndum of ml i\'xciiiiindum ei resiwniléndum, Jnr. Ier hcanl-woording en wederlegging der aanktaclii; — exceptie (spr. /=.?), f. (lat. c.itc/iiïo) de uitzondering ; Jur. de uitvlucht, tegenspraak, tegenwerping, verantwoording, bet verantwoor-dingssebrift des beklaagden; — h/isi/kc omiii ex-rejilióne, zonder alle uitzondering of tegenwerping; — omni cxcciilione major, boven elke ultzonileriiig of tegenspraak of berisping verbeven, onverwerpeiyk; — e.mpiïo (icrciilildlionin, de uitvtucbl der gedane kwyiing, de tieslry-dlng der geiiourde voldoening; c. caulionis of e. salisduliónis, de tegenwerping wegens nog niet gostelden borgtoclit; — c compcnsttlwnli, de iiestrijding der tegenvordering; —e. rompc-lenlïw, de uitzondering wegens levensondorzoek, dal den scliuldenaar, welke zijn vermogen aan de schuideiscliers beeft afgestaan, zooveel moet worden gelaten ais hij tot tiet aoodzaketyk levensonderhoud noodig heeft; ..... c. deliïli illi-

quldi, de tegenwerping wegens niet bewezen

schuld; — e. deficiénlis fmilaménll agéndi, de legonwerping wegens ontbrekende gronden van aanklacht;—c. ililulorfa, eene vertragende le-genwerplng, waardoor de boklnagde zich slechts voor oenen tyd logen de aanklacht boschut; — c. diüislonis, do tegenwerping eens voor het geheet daarby betrokkenen medeschuldenaars, dat ieder medeschuidouaar voor zyn aandeel moet vervolgd worden; — e. doll mali, tegenwerping wegens list of bedrog; — c. ilolosae persuasiünis, tegenwerping wegens arglistige overreding; — e. fort incompeldnlis of e. in-compcleniïae, de tegenwerping wegens onbevoegdheid der rechlbank of des rechters; —e. non numcralae pecuniae, tegenwerping wegens niet betaald gold; — e. peremlona, vernietigende, te niet doende togenwerping, waardoor do beklaagde den grond zetven der aanklacht poogt te vernietigen en zicli voor altyd van vervolging zoekt te bevrijden; — e. pluris pc-liliónis, de legenwerpleg der te hooge vordering; — c. plurïum {ronslupranlium), de tegenwerping (by liultonechteiyke zwangerschap) dat verscheiden mannen mot het inotsjo te doen gohad hebben; — e. praescriptionis, de tegenwerping wegens verjaring; — c. wrilalis, de tegenwerping der waarheid, welke eerroovonde beschuldigingen door feiten zoekt te bewijzen;

— exceptionabel, adj. nw. lat. strydig, dubbolzimiig, aan tegenspraak onderhevig; — exceptioneel, adj. eene uitzondering bevattend; — exceptief, adj. eene uitzondering bevattend, uitsluitend; als adverb, ook ex-ceplivc, uitsluitend, voorwaardeiyk; — exceptor, in. de nasebryver, sneiscbryver; — excipiént, n. IMiarm. een middel tot vermenging, bindmiddel, b. v. honig.

exciteeren, lat. [excilare, versterkend werkwoord, v. cxcire, naar builen roepen) aanzetten. aanprikkelen, aandryven, aanhitsen, aanvuren, opwekken, aanmoedigen; veroorzaken, doen ontstaan; oproepen; excitabel, adj. uw.lat. opwekbaar, prikkelbaar; - oxcita-biliteit, t. opwekbaarheid, prikkelbaarheid;

excitantïa, n pi. lat. Med. opwekkende, prikkelende middelen; excitaat, m. {ex-citulm) eig. de opgewekte, opgemepene; Jur. de in het concours betrokken medeschuidenaiir;

— excitatie (spr. Iie=lsie), f. (excilaCto) de opwekking, aansporing, aandryving, aanmoediging, spoorslag; iiltnoodlglng, oproeping; — oxcitatief, adj. uw.lal. opwekkend, aandry-veml, aanmoedigend, prikkelend, uitnoodlgend;

excitatorium, n. eene herinnering, ge-reehteiyke aaaniiinlng, een waarschuwingsbrief.

Excisuur, excisie, z. ond. oxcldee-r e n 2).

oxclameeren, lat. (exclamare) uitroepen, schroeuwen; exclamatie (spr. t=ts), f. {exclumaiïo) de uitroep, het geschreouw, geroep;

exclamatie-teeken [exclamalioniit sin-num) dram. bet uitroepingsteeken.

excludeeren, lat. (excludire, van rlau-(itre, sluiten) uitsluiten, uitzonderen, afzonde-


-ocr page 472-

EXEC 11 KEREN

EXCOCTIE

456

ren; — exclüsie (spr, s=i), f. {exrlmito) do ullslulllng, uitzoiidfrliiK; - exclusief nf ex-clusivisch, ailj. als adv. ook exclusive, nw.lal. ullslullond, ullslultondcrwys, mot uitsluiting; oen o x cl us lof gozolscluip, dat allon uitsluit dlo nlot van golüke geboorte zyn; — exclusive, f. liet ultslultlngsrecht, hot reclit der monarchon van Frankrijk, Spanje en Oostonrgk om by de vorklezing van oenen paus togen do keuze van dezen of genen kardinaal te protosteeren; — exclusiviteit, f. do uit-sluitendboid, zuelit naar uitsluiting.

Excóctie (spr. t=s), f. lat. (excoctto, v. excoqulre, uitkoken) de uitkoking.

excogiteeren, lat. {excogitan, vgl. co-giteeron) uitdenken, verzinnen, bodenkon, uitvinden, verdlcbten; excogitatie (spr. tie=tsie), f. (exrogilalto) de uitdenking, verzinning, enz.; — excogitator, m. de verzln-nor, uitvinder.

excoleeren, lat. (exrolUre, v. colSre, oppassen, verplegen) bearbeiden, aanbouwen, verbeteren, volkomoner maken; ook (v. excolare) \'jilzygen, doorzygen ex commissiüne, z. oud. c o m m 11 teer en. excommuniceeren, later lat. [cxcom-municure; vgl. commun, enz.) van de ker-keiyke gemeenscbap ultslullen, in den kerkban doen, uitbannen; — excommunicatie (spr. l=ts), f. (excommmkado) de uitsluiting nit eone gomeonschap of genootschap, ultstoollng; ult-bannlng, de ban, kerkban; — cxcommunicuïïo major, de groolo ban, bestaande In aigebeeie uitsluiting van de gemeenschap der kerk; -e. minor, do kleine ban.

ex composïlo, z. ond. componeoron. ex concéssis, lat. (vgl. concodeoren) krachtens het ingewilligde.

ex tonsénsu, lat. (vgl. consenteeren) volgens toestemming of ovoreenstomming. ex continénli, z. ond. con t ine er en. excoriëeren, nw.lat. (van conum, huid) de huid afhalen, afstroopen; villen, onlvellen;

excoriatie (spr. l=ls), f. (Ie afstrooping der huid, ontvelling, bet villen, het afschaven en openryten der huid; de afpersing, afzotlory, uitzuiging; — excoriator, in. do vilder.

excorticeeren, nw.lat. (v. cortex, genlt. coriïcis, bast) van de schors ontdoen, onlscbor-sen, ontscblllen, onlbuizen, onldoppen; ox-corticatie (spr. Iie=lsie), f. de ontschorsing, ontbulzlng, enz.

Excremént, n. lat. (excrcménlwn, van excemcre, uitwerpen, loozen) de afgang, ontlasting, afgaande onreinheden van het dierlijke lichaam; — excreta, pi. bet uitgescbeidon, de uit bet bloed verwyderde cbemiscbe bo-standdeelen van onbruikbare siolïen; ox-crëtie (spr. l—h), f. nw.lat. de uiiscbeiding, uitwerping, afvoering, hel uitwerpen der na-tuuriyko onreinheden; excreteoren, afzonderen, uitscheiden; excretörisch, aitj. uitscheldend, afzonderend.

excreaceeren, lal. (excrescare: vgl. rre-scéndo) Ie voorscbyn groeien, uitgroeien, uitwassen ; — excrescéntie (spr. l=ts], f. nw. lat. uitwas, bult, liet vleeschgewas, de wrat, enz. Excretie, enz., z. ond. excremont. excrucioeren, lat. {excruciure, van crux, z. aid.) martelen, folteren, kwellen; - excru-ciatie (spr. I=ls), f. (later lat. excruciaïïo) de marteling, foltering, kwelling, i)yn.

Excubatie, f. lat. (v. excubdre, buitenshuis slapen, do wacht houden) bet waken, het nachtwaken.

exeftdit, lat., afgek. exc.(v excudüre, eig. uilsiaan, uilhouwen) op koperen platen: hü heeft het gegraveerd, gegrliïeld.

exculpeeren, nw.lat. (van ru/jio, schuld) huiten schuld stellen, rechtvaardigen, als schuldeloos voorstellen, outschutdigon; — excul-pabel, adj. te rechtvaardigen, schuldeloos; vgl. excusabel; — exculpatie, f. de onlschnidiging, rechtvaardiging, vryspreking; ook scbublbevi\'ydlng, schuldafwyzliig.

Excurréntie (spr. l=l,i), f. nw.lat. (van excurrüre, uitloopen, oenen uitval doen; daar bulten gaan) oen overschot; — excursie, f. (lat. cxcursio) of excursus, m. lal. oen uitloop, uilvtucht, uitstapje, plelzlertochtjo; Mil. uitval; excursus, in boekou: eene hg wyze van aanhangsel toegevoegde uitvoerige nasporing of verhandeling over een hyzonder punt; exeürsor, m. de paitygangor.

excuseeren (spr. lat. (excusure:

van caim, zaak, oorzaak, schuld) verontschuldigen, \\eraidwoorden; inschikkelijkheid iiebhen, vcrschooncn, door de vingers zien; excusabel exnisribttis, e), te veroritschuldigen, verschoonbaar, verantwoordotyk; excusatie (spr. zii- tsie), lat. (excusaïïo) of fr. excuse, f. voroniscbuidiglng, uilvlucht; - excusa-törisch, adj. nw.lat., verontschuldigend.

excuteeren, lat. {exculttre, eig. uitschudden, uildryven) Jur. sebulden gerechleiyk Invorderen, den toestand eens schuldenaars of zijne soliditeit gorcchteiyk onderzoeken; — pro ex-ciisxn, voor aangeklaagd, b. v. te houden; — exeüssus, m. een uitgedrevene, een wegens misdrijf gebannene; exeüssie, f. nw.lal. Jur. de vervolging wegens schulden; ook Med. de schudding of schok, dien de organen door eenen val, slag, enz. geleden Iiebben.

excuus, z. v. a. excusatie of excuse. ex dom, lat. geschenk van (volgt de naam des gevers).

exeat, lat. (van ex-ïre, uil-, weggaan) bij ga uit, trede af! — exeat, n. verlofbewys, dat een geesteiykc uitreikt aan Iemand die lot ziln diocees behoort met betrekking lot eene ambtshandeling, die In eene andere diocees moot plaats hebben.

execreeren, of liever exsecreeren, lat. (exserrare, van sneer, sacrure, z. sacree-ren) verweuschen, vervloeken; execrabel (exxecrabili.i, e), verwenscbenswaard, vloekwaardig, afschnweiyk, afgryseiyk, vervloekt; oxe-cratie (sin\', l—ls), f. (exccrado) vervloeking.


-ocr page 473-

EXECUTIE 457 EXERGASIE

vcrwenschlDB, do ufachuw, vlook; — execra-torisch, mij. vorwonachcnd; — exocrato-rium, ii. nw.lat. hol vorvlooklngsforimillor.

Executie (siir. t=h), f. lal. (executto, oIk. exsecuiïo, van cj-stqui, ullvooron, vnllrokkoii; vul. oxoquooron) de uitvoering, voltrokklnu van oen vonnis; — exccuho senteniiae, de vol-IrekkliiB van eeno llchaamsslrafof van hol doodvonnis, do lerechlstellliiK van oenen mlsdadlKor; rochtsdwanK, gereclilelUke dwanghulp, schnldln-ning of uitwinning van cencn schuldenaar; — ab executione Iels aanvangen, d. 1. de rechtszaak van achteren af, namelük mol don rcchlsdwang (zonder voorafgegaan rechtorlUk verhoor) hoglnnon; --executie-commando, n. een straflroep, oen ullgezonden troep soldaten Ier voltrekking van een vonnis; — executie-commandant, de aanvoerder daarvan ;— executeeren (fr. exéculer), ullvooron, afdoen, verrichten, hewerkstolllgen, een hevel volvoeren, voltrokken, dooï gerochteHJke dwangmiddelen noodzaken; oenen misdadiger torochtstollon; — executief, adj. nw. lat. voltrekkend, volvoerend; h. v. de executieve macht;— executant of lal. oxocutor, of fr. executeur, m. de uitvoerder, voltrekker, dwanghovelvoerder; de iiitvoerder van een leslament of laatsten wil, de executeur t o s t a m o n t a I r (executor tcslaménH), de hoe-delrcdderaar; — ook de schorprechtor, beul; — mandalum executoriale of execuloriiiles {lillerae), voilrokklngsboveion, voimachlshricf; executant, m. fr. Muz. uitvoerder, hü die een imizieksiuk voordraagt; executoir, adj. fr. (spr. Imïr) uilvoorhaar, wat op rccliterlUk gezag kan ten uil voer gelogd worden, invor-derhaar; executörisch, adj. gerechlolük dwingend, door middel van rochlorUjke hulp.

Exedentïa, n. pi. lal (v. ex-edtire, verleren) hyimiddelen, invretendo middelen.

Exëdra, f. gr. (vgl. hedra) eene zitling ter horaadslaglng, lol afspraakmaking; de vergaderzaal; weleer de hisschopszelel in de kerk; ook een zygohouw oonor kerk.

Exegese, f. gr. (exvncsis, v. cxèticritliai, iiltvooron, uitleggen, verklaren) do verklaring, uiliogging inz. in theologisehen zin, schrlfl- of hyhelverklaring; exegeseoren (spr *=?), verklaren, ontwikkelen, uitleggen; — exegeet, in. (gr. exéfirlcs) de verklaarder, schrlfl verklaarder of -uitlegger; exegetiek, f. do uitlegkunde vgl. ho r nieneu 11 ek; exogö-tisch, adj. verklarend, lol hel uitleggen dienend.

exetji mnnuménlum aerc perennfus, een ge-denktooken, duurzamer als hrons, hoh ik voor my opgericht (cilaat uit llorallus\' Oden lll,:ti). I).

Exelkysme, n. gr. (van cx-elkficin, uil-trokken) (quot;.hir, het uittrokken, ophalen, h. v. van een boonsluk.

Exempel, n. lal. (exémplum, pl. exempla) het voorbeeld; model, voorschiifi, de opgave, 1). v. een rokon-exeinpol; een exempel aan iels n e m o n, zich iets tot leering of waarschuwing laten dienen, zich daaraan spiegelen; oen exempel stal uoeron,een waarschuwend, afschrikkend voorbeeld of een slraf-voorbeeld weven; —exempli causa of e. araCfa, fr. par excmple (spr. —eksdiipl\'), lol voorbeeld, b(j voorbeeld; — ad exémplum, lot een voorbeeld, naar het voorbeeld of model; - exémpla sunl odlostt, sprw.: voorbeelden zijn haleiyk, d. 1. men wil, om niemand Ie kwetsen, geen voorbeelden aanhalen; — exemplifleeeren, nw.lat., door voorbeelden hewyzen, ophelderen of staven; — exemplifleatie (spr. I=ls), f. voorheeidgeving, opheldering door voorbeelden; — exemplificalio documénli, een echt af-schrlft eener oorkonde; — exemplaar, n. lat. (exémplar, eig. model) ieder afzonderiyk gelijkvormig voorwerp van een boekwerk, eene plnat, enz., leder enkel voorwerp van golijk-soortlgo gewassen, hoorns, schelpen, enz.; — exemplarisch of exemplair, adj. (lal. exemplaris, e), als adverb, ook exemplarïler, voorbeeldig, voorhooldgevond, afschrikkend, waarschuwend, b. v. eene straf; exemplari-teit, f. nw.lat., do voorbeeldigheid.

exempt of exemt, exemtie, enz. z. oud. exlmeeren.

exentereeren, lal. (exenterdre, gr. exen-leridtein, van intcron, ingewand) de ingewanden uilnomen, onlwijcn ; - exenteri\'sis, f. of exenterisme, n. gr. het uilnomen der Ingewanden, de ontwütng.

exequeeren, lat. (exüqui of juister ex-sëqui, vgl. executie) ullvooron, voltrekkon (een hevel); invorderen (schulden); beslag leggen (op de goederen eens schuldenaars); — exequatur! Jur. men voltrekke! bel worde voltrokken! het exequatur, de looglomming tol voltrekking van het vonnis, het vollrekkings-bevei; de vorstciyke bckracbliging van pause-lyke hullen; ook de erkenning van een bandels-consul door de regeering des lands; exe-quónt, m., z. v. a. ex cc ui or, — exe-quiën, liever exsequïën, iii. (lat. exse-qitiae, eig. de vollrekking) de leraardebestelling, begrafenis, lykslaalsle, lykpleciiiighedoii, de lyk-of doodenkist; in de r. kalh. kerk; de voor oenen overledene te houden zielmissen.

exerceeren, lal. (exerecre, fr. exener), oefenen, zicli eigen maken, inprenlen, Inz. de wapenen leeren hanleeren, krygsoefenlngen doen, drillen; - exercitie (spr. I—Is), f. (lal. exer-cilium, pl. cxcrritla) de oefening, schooi-, spraak-, krUgsoefonlng; een oofenlugsopslei; lichnamsoe-fening, lichaamsbeweging; exerciCfum rellgioiiis, de (vryo)godsdiensloofenlng; cxereiffn spirilualïa, goesieiyke oefeningen, gebeden, enz.; — exer-cice, n. fr. Muz. oen oofenlngsstnk; een opstel Ier vertaling, een thema; exercitatie (spr, lie—lsie), f. lat. (excrcilaiïo) de oefening, het geleerd onderzoek; oxértie, (spr. /=/.«), f. nw.lat. de Inspanning, poging; exereï-tor, m. lal. de ocfenmeesler; exereïtor navis, do reeder, vgl. magister navis.

Exergasie (spr. s=z), f. gr. (v. cx-erga-dzeslhai, uitwerken) do iiilwerklng, voilooiing,


-ocr page 474-

EXISCHION

KXERGUK

458

uitvoering; lUiel. ocuo llfruur, wunrrtoor hetzelfde voorwerp lierlinuMe malen met muloro liewoordliiKcn wonll uitKeilrukl.

Exergue, m. tr. (s|ir. cksirg\'-, van \'I }tr. ex, en érfion, werk, dus eiitoniyk iiuilen- of by-work) ile plaats o|i pene munt voor het Jaartal en hare waarde, liet onderschrin.

Exertie, z. ond, exe ree eren.

e.i: est, nw.lat., \'I is uil, \'I Is voorhü.

ereunl, z ond. c.rit.

oxfoliëoren, lal. {cjfnliare, van folium, hlad) onlhladeren, zich athhideren, afsehllforen, si\'hilferaclitif! hreken of spiyten; exfoliiitio (spr. /=/«), f. uw.lui. [exfolialïo) (Ihlr. do uf-hluderlnj;, afsehilfoririK der heenderon; Kot. Iduds-verdorriuc; - exfoliatief, udj. afhladerond, afschilferend, schilferig spiytend; — exfoliatief, n. een afbluderings- of afschilfeiings-i.iiddel der heenderen; oxfoliatieftre-paan, oen instrument om de dikte van hran-dig geworden beenderen te verminderen, af-scbdftrepaan.

exhaleeren, lat. (ejhalitrc, van halure, ademen) uilademen, uitdampen, uilwasemen, verdampen; exhalantïa, n. pi. de uilwase-mende haarvaten; exhaltïtie (spr. I=ls), f. (exhalalio) de uitademing, uitwaseming, verdamping, hel verdampen; onk de damp, uilwa-seming; - exhalatorium, n. de uttdam-pings-ma chine.

exhauriëeren, lat. {exhaurnr, v. hau-vïre, scheppen, pullen) iiilpullen, vermoeien; exhaustie, f. de uitpuiling; — exhauster, m. mv. lal. de uitschepper, opzuigende ventilator, luebl- of gaszuiger; ook: toestel om beerputIen uil Ie pompen

exherodeeren, lat. ((\'.Wicm/«rc) vgi. /»•-m, enz.) onlerven. van de erfenis uilsluilen;

cxhcredalus, m. de onterfde; exhere-datie spr. ƒ=/*), t. de onterving.

exhibeeron, lal. (exhihere, van habdre, hebben, houden, dus eig. uil- of voorhouden) uilgeven, uitleveren, overgeven, overreiken, overhandigen, verloonen, voor tien dag brengen; -zich exhibeeron, zicli verloonen, uil blinken; exhibónt, m. (cxluhens) .lur. de indiener of overbiindiger van een geschrift, een bewijs, oene oorkonde; — exhibitum, een ingeleverd sehrifteiUk sink, scbriflelijke voor-slelllng, indiening, vertooning, overlegging; exhibitie (spr. I—Is), f. (c.r/i/luï/o) de aan-wijzing, openlegging, uitreiking, voorslelling; exhibition, f. eng. (spr. cktlliiyiin) lenlnon-sleliing van voortbrengselen der uüvcrlndd, inz. wereldtenloonslclllug; z. v. a. exposilie; — exhibitioner, eng. (spr. rkzilHsJfnrr) inzender op een tenloonstelling; ook; stipendiaal in verscbeiden collegos te Oxford.

oxhilareeren, lal. (exUUurarc, v. hiluris, c, vroolyk) opvrooiijken, verliisligen, vermaken;

oxhilaratie (spr l-=ls), t. (later lat. ex-hi la rul ki) de opvroolijklng, verinsliging.

exhorteeren, lal. (uhnrlun-, vgi. hor-Ie er en) vermaken, opwekken, aanprikkelen, toespreken; exhortiïtio (spr. lic—lsie), f. {exhnrldlio) do vermaning, aanmaning, opwekking; — oxhortatief, adj. vermanend, lol opwekking dienend; exhortatonum, n. een vermnningsbrlef; — exhórte, f. nw.lat. eeno korte vermanende of sllchtellike redo.

exhumeeren, nw.lat, (van humure, be-aarden) weder opgraven; aan de vergetelheid onttrokken; exhumatie (spr. I^ls), f. de wederopgraving (van een l(jk).

ex hi/polliësi, z. hypothesis, exigeeren, lal. (exiutrc: van nuire, driven, eig. uildrUvon) vorderen, elschen, verlangen, afvragen, invorderen; exigent, m. {extqens) een invorderanr, eiscber; — exigent, adj. (spr. -zjenl) z. v. a. «xigeant; - exi— géntie (spr. /=(.«), f. nw lal. do beboette, nooddrnfl; het dringend geval, nood; naar exigent ie van zaken, naar olsch van zaken, naar de gang der zaken vorderen zal; —exi— gibel, adj. wal met reoUt gevorderd, enz. kan worden, vorderbaar, in Ie vorderen; exi-gibilitoit, f. de invorderbaarheid; - exi-geant, adj. fr. (spr. eksizjdii) eischend, aanspraak makend, begeerig, veeleischend, onsluhulg.

Exigiius, m. lat. de kleine;- exigui-teit, f. (lal. exifiuildx) de kleinheid, geringheid, onbeduidendheid, arinliartigbeid.

Exiliteit, f. lat. (exililas, v. exills, dun) dunltold, magerheid ; kleinheid, geringheid, zwakheid.

Exilium, lal., exil, fr. n. de verbanning, hallingsebap, ellende; ook de vorbannlngsplaats; in engeren zin: z. v. a. hel babylonisch exilium, de bahvlouisebe gevangenschap der Joden; exileeren, nw. lat. (fr. exiler), verbannen, uil bet land verwijzen; een ge-exileorde, een gehannene, banneling, hailing.

eximeeren, lat. (eximëre) uitnemen, vrij-slellen, versclioonen, hcvrijdcu; -- exómpt of exémt (lal. exémitlus, a, urn) en geëxi-meerd, adj. bevryd, vry, diensl-en scbailing-vry, versehoond, bevoorrecbl; exémptie of exómtie (spr. I=s), f. (lal. exemiilïo) vry-slelling, verscbooning, bevryding, ontbeiling van eene algemeene verplichting of bezwaar.

eximias, a, urn, lal. itcd. uitmuntend, uitnemend.

ex improv/ïo, z. Improvlsus. Exinanitie (spr. I—Is), f. lal (exinanilw, van iiiiinis, ledig) onliediging; Mei! ledigiield der valen len gevolge van groot bloedverlies; overmatige en aanboudende onliediging; de vernedering, do vervreemding der godheid of goddelijke eigenschappen van Jezus Olirislus. ex incuria, z. incuria.

ex infémo, z. ond. Infernaal.

Exiris, f. gr. (van iris, regenboog) Mod. de uitzakking van den regenboog, als gevolg van bet door verellering aangedane hoornvlies.

Exischïon, n. gr. (vgi. ischion) Med, de uilstekende heup; exischios, m. die een ontwrichl dijbeen, eene uitstekende heup beeft.


-ocr page 475-

rcXISTEEREN /i.59 KXOIICISKKHKN

OXisteGren, lal. (exist/Ire, of liever r.rsis-Ifrr., olji. ontstnan, to voorschijn komen) zyn, bestaan, leven, voorliandon zijn-, kunnen loven, heslaiin, zijn loorolkend onderhoud hehhen; existént (lal. cxistc.ns), existentieel (spr. /i—lsi), adj. hestnaade, voorhanden, aanwezig;

oxisténtie (spr. He=lsie), f. nw.lat. [c.vis-lenda, fr. existence), hel aanzijn, heslaan, leven, do wezeniykheid, werkelijkheid; hel onderhoud, bestaan, brood;- existibel, adj. he-staanbaar, mogelijk.

existimeeren, lal. (exhUmare, van anli-mare) daarvoor houden, schallen; existi-mtltie (spr. /=ts), f. (exislimalin) de schalllnR, openhare iiehlinR, meenlnff, de ffoede naam, faam.

exil, lal. (v. ex-ire, uit-, heengaan) hij gaat hoen, treedt af; — exeunt, zij gaan heen, treden af (ulldnikklnKen nchniikelijk op hel eng. looneel); exitiaal, exitïeus (spr. t=--h), adj, (lal. exltialis, e en exitiosus, a, um) verderfelijk, doodelijk; — exitmm (spr. /=/.?), n. de uilgang; alloop; ondergang, liel verderf; exitus, m. do uilgang, hel einde, de alloop. ex jure, /,. oud. jus.

exlex, lal. (v. lex, ■/.. aid.) hullen do wet, wetteloos, zoowol die hoven de wei staal (h v. een alisoluut rogent) als die goene wol acht; ook imilen do wol, roehioloos, vogelvrij.

ex liltris, lal. eig. uil de hoeken-, opsehrifl in hoeken, gevolgd van do naam des eigenaars, als niorkleeken.

ex tiniiua slidln renïunl inrommoila mul In, lal. van eono dwaze long komen veie onheilen voort.

ex maWfilo, ■/.. oud. m a n d a m u s. exmatriculeeren, nw.iai. (vgi. mnM-ruin), van do lijsl sohrappen, inz. uil hei getal dor hurgors, der siudenton verlmtinon.

ex mera gratia, z. oud. qraCfa. exmitteeren, nw.iai. (lal. emillüre) \\iii-worpen, verdrijven, uil hol hozit zeilen; CX-missibol, adj. lol verdrijving of uilzolling goschiki; exmissibiliiteit, f. de ullzei-haarliold; — exmissie, f. do goroeiilolijko oil zelling of verdrijving, uiislooling uil oone hezitling, uilzolling uit eono woning.

cx more, z. oud. mos: — ex nexu, /.. ond. nexus*, — ex nilnlo nihil /it, z. nihil: — ex nunc, lal. van nu aan.

Exóche of liever exochas, f. gr. (van exfahein, uilsleken) Mod. een naar hullen Ire-dend aarsgezwel, woeke anrshuil.

exoehonla, lat. Hol. met de slrong naar huilen, exoculeeren, lal. (exoculnre) van oen nog, van de oogon horooven; — exoculatie (spr. l—ts), f. nw.iai. hel verlies van oen oog, van de oogon.

Exocyste, f. gr. (v. éxn, uil, huUen, en kj/stis, de hiaas), Med. do ullzakklng der pishlaas.

exodoreeren, lal. (v. ex, en mlor, reuk) van ronk onldoen.

exodus, m. [exudos. f. van ex on hndós, weg) eig, de uilgang, uilloeld; hel ide hoek van Mozes, dewijl \'iet inz. den uilloehl der

Israëlieten uil Egypte liesehrüft; In don ruou-vveron Itjd ook: do landverhuizing dor leren hij massa\'s; hel trekken dor zuldafrikaansehe hoeren hulton de eng. koloniën . exodium, n. gr. (exoilwn) do uilgang, alloop, hel slot,einde. Excsdesis, z. exoldosis.

ex offiein, z. officium.

exogeen of exogónisch, adj. gr. (van éxó, hullen) uilwendlg aangroeiend, huilenwaarls groeiend of gegroeid, hot tegengost. van e n-d o ge n 1 s e, h.

Exoidësis of exoodësis, f. (van cxni-ihin, opzwollea) Mod. de opzwelling.

exolesceeren, lat. (ex-oleselt;1re, eig. uil-wassen) verouderen, hullen gehrulk raken; exoleet, adj. (lal. exol dus, a, um), verouderd, h. v. een exoleet woord. ^ [\'Exomëter, m. gr. (vgi. metra) Mod. hel uitlroden der haarmoedor,

Exömis, f. gr. (v. ex en omos, schouder) de ehilon {■/.. aid.) zonder mouwen, welke don reohterarni en reciilorhorst geheel vrij liet voor onhelemmordo hewoglag, de gewone dracht dor werklieden.

Exomologèsis, f. gr. (van homoloi/c/ii, hekonneii, lielljdon) liet helUden, de hieehl.

Exomphalus, in. gr. (v. nmphalös, navel) Med. de navolnilzakking, een navelgezwel.

Exomeirögmos, m. gr. (v. (\'meiros, de slaap) Med. de naohloiijke onwillekeurige zaad-loo/.ing of zelfheviekking.

exonereeren, lat. (exoneriire. vgi. o n u s, enz.) oniiasion, oniladen, onlledigen; exo-neratie (spr. t=ts), f. de ontlasling, ontlading, ontlediging, veiiichling.

Exonköma, n. gr, (vgi, one us) eono hoogte, verhevenheid; Mod. oen hard gezwel; exonkosis, f. eono opgezetheid, zwelling. Exophthalmie, f. gr. (van niihlhnlmós, oog. Mod. de uilzakking, hol onnaluurlijk uli-Iroden van den oogappel uil züne holle; doorgaans een kooienoog, olifanisoog gehoelen.

exopteeren, lal. (ex-niitare) zeer won-schen, vurig verlangen; exoptiïbel, adj. (lal. exoplnbftis, e), wonsohoUjk, gowenschl.

exorabel, exoratie, zie onder exo-r o o r e n.

exorbiteeren, lal. {exorbitare) eig. uit de haan {orhïta) of hot pad wykon, do maal ovorsohrijden, ovorlrodeo; overdrijven; exorbitant, adj. (cjwKVhhs), hulloiimalig, huilen-gewoon, huileaspoiig, ullernmle, overdreven, h. v. een e x o r h 11 a n I e prijs; exorbi-tantie (spr. tie—lsie). f. nw.iai. do overma-lighoid; overdrevoniieid; — exorbitisme, n. ullzakklng van hol oog.

exorciseeren (s|ir. s :), nw.iai. (cxnr-ritnre, van hol gr. exorkidtein) iiooze geesten hezweren, uildiijvon, don duivel lianneii; exorcisme, n. de duivoishozwerlag, de dul-volbannlag uit liel lichaam der zoogenaamde hezelonen; hel hezweiings-formulier der K. Ka-Ihoiiekon en oud-l.ulliersclion iiij den doop; de geesien- of duivellmnaing; — exoi\'cist, cu.


-ocr page 476-

EXPENDEEREN

KXOHDIKKU EN

do (lulvolbozwocrder, gocslenlmnncr: /.1« ook;

0 s 11 a r 1 u s.

exordiëeron, lat. {ca- nriUri) aanviin^rii, inleiden; - exordium, n. hol boglli, do inlpidiiiK oonor rodo; do vooilioroidliiK.

exoreeren, lat, {ex-orare, vorblddon, vor-murwen, ufsmooken; oxorabel, adj. (lat. caorabïtis, e), verliiddoiyk, vermurw hnar; — oxoratio (spr. l=ts), f. hol yerhlddon.

ea- ore parvulorum Veritas, lat. uit dun mond dor kimlcron (koml) de waarheid, d. i. klndo-ron iiuKca nlol.

exorian aliquis noslris cj\' nssibui ullor, lal. oen wrokor zul uil myii stol vorryzou (eltuut uil Virtjiilus Aoneïde

oxorneeren, lui. (ex-ornare; vul. ornoo-ron) versleren, tooien, opschikken; exor-natie (spr. /=(.«), t. (cxernalto) do versiering, optooling.

exorrhizus, gr. (v. riza, wortel) nunkl-wortdiK, met naakten wortel.

exosculoeren, lal. (van kas) kussen, zoenen; howondercn; — exosculatie (spr. f. hot kussen, zoenen.

Exosmöso, l. gr. I\'hvs. het verschijnsel der stroominK van oone dichtere naar cone dun-

1 ere vloeistof, die door oen poreuzen lussclien-wand goschclden zijn, totdat zy belde dezelldo menging of dichtheid hebben (vgi. e n d o s in o s e).

Exostosis of exostoso, f. gr. (v. os/éon, been) Mod. hel hoenuitwas, liet ovorboen; — exostosis funnösa, mergzwam van een boon; e. inlraorbilSiis, vast beengezwel; e. inal/yna, vochtig beenbederf; e. slealomalüdes, beenspekge-zwel; e. vera, echt beengezwel; Hot. bonlach-lige uitwas aan planten; — exostotisch, adj. door oen beengezwel veroorzaakt,

exotérisch, adj. gr. (van énö, builen, exötlros, de buitensto) uileriyk; oningewijd, voor oningewydon bestemd; opentyk. algemeen, onder de algomeene bevatting vallende, volksmatlg; vgi. osoterlsch; — exoterïeus, m. een oningewijde, die onkundig is omtrent do ge-

wichligste gehelinen van oen genootsehap; .....

oxoteromanie of exotikomanie, f. gr. de zueht voor het vreemde, de neiging lol hel nittieemsclio, de voorliefde lot hel bnlleidand-scbe; — oxotichfsmatosis, f. de over-bronglng van vreemd bloed in een lichaam, z. v. a. iransfusic; - oxoticum of oxo-tikon, n. Iels exoliseli ti.v, een uilbeemscho plant i — oxotico-symph^sis, f, gr, de vastgrocling aan een vreemd lichaam; - cxn-Heus, a, nut, lat. Hol. z. e xot i sc li;- exotisch, adj. (gr. exutikós), uillandscb, bulton-landseh, nithecmsch, vreemd, b. v. exollscho planten; exotika, m. pi. builenlandscho voorworpen; exotikudenie, f. vorach-ting ol geringschatling van het ultheemscho; — exotisme, n, zucht voor het builenlandsche en de uitingen daarvan,

ex paeto, enz., z. pactum, expandeeren, lal. (expandlrc, van pan-d\'-rc, uilbreiden) uitzeilen, uitbreiden, uilspannen; — expanslbel, adj. nw.lat. uitzolbaar, uilrekbaar; expansibiliteit, f. de ultrek-baarbold;—expansie (later lal. e.npansio), f, de uilzetting, uiibreiding, vorwyding; — expansief, si dj. uitzeilend; — expansieve kracht, bel ullzellingsvormogen, do spankracht, Inz, den gassen eigen; — ewpansus, o, um, lat. Hol. allgeslrekl.

ex parte, z. ond. pari.

expatriëeren, nw.lat. (van patrta, vaderland) uit bet vaderland verdryvon, in don vreemde jagen; — zich expatriëeren, uitlandig gaan, zyn vaderland verlaten om zich elders Ie vosligou, uittrekken; expatriatie (spr, (ic —tsie), f. do verbanning; hol verlaten des vaderlands, het uitlrekken, de lundvorliuizing.

Expectant, enz., z. exspectant.

expectoreeren, lat, {expeclorare, van pectus, borst) eig. uil de borst verwyderon; Mod. uitworpen, ulthoosteii; (lig.) zteti uitlaten, z.yn barl uitstorten, openlrirtlg spreken; — expectörans, n,, pi.expectorantïa(s|)r. ti=tsi). Mod. horstzulveronde, de uitwerping der siym bevorderende middelen; — expectord-tie (spr. tie=lsie),(. nw.lat. Mod, hel uitwerpen, uilhoeslen, het uitwerpsel, do slijm; do onlboezoniing, ultslorllng des barlen, bartver-lichtlng,

expediëeren, lat. (expedire, v. pes, genii. pedis, voet; clg. den voet uit den strik halen, losmaken, ontwikkelen) uil- of afvaardigen, afzenden, verzenden, bespoedigen, uitvoeren, lol stand brengen; naar de andere wereld zenden, spoedig van kant maken; — expedUHur, bot worde uitgevaardigd I - expedïens, n. (fr. expédient) hel middel, hulp- of redmiddel, de uitvlucht, uitweg; — expediënt of expeditionair, m. nw.lat. (fr. oxpildiHonnaire) lie afzender, uit vaardiger, b. v. van een gesclirlfl, afschrijver, steller; expodiet (lal. cxpeih-lus) of expoditief (fr. expéditif), adj. spoedig, gezwind, vaardig In de afdoening zyner zaken of In het verzenden, voortvarend, ijverig, volvoerend, afdoend; expeditie (spr. t= Is), f, lal, {expediUo) de zaakvolvoering, afzending, verzending, vervoering van waren, bezorging, uitvoering; een tocht, eene reis, inz. een krygstocbl, veldlochl; de gereclilelijke uitvaardiging of het afschrift van eene rechtshande-liug; ook de plaals, waar iels bezorgd wordt;

expediteur, m. fr. de af- of verzender, goederenverzender, bevracbler, vraclilon-dernemor.

expelleeren, lat. (cxpelMre) ulUlryvon, verjagen, verdrUven. uilstoolen, verwerpen, uil-sluiten, onterven; expellentïa, n. pi. Mod. ultdryvende middelen.

expendeeren, lal. (expendcre, eig. afwegen, v. pendrre, wegen) uitbelalen, belnien, bekostigen; — expensae (sell, pecuniae) of OX-pénsen, f. pi. uitgaven, onkosten, inz. ge-rechtskoslen ; expensac retnrdnti procéssus, kosten van den vertraagden rechlsloop; in expen-sas con de in no ere n, lot de rechlskoston ver-


-ocr page 477-

EXPERIÉNTIE 461

EXPLOIT

oordofllnn; — oxpensarïum, n. nw.lat. ile Hlst diM\' kosieii; — exponsilatie (spr. l=ts), f. olj,\'. expénst laffn, d. I. liet InbrcnKcn ceiici-ullKiivo In hel nnkostenhook; dd schijiuiilKUvo; vkI. accoiilllatie; — expénsie, f (laiiT lat. exiiemïn) do uIIIicIuIImk, do uitgave; — expensief, adj. duur, met zware ultRaveu vorbonden

Experiéntie (spr. /=ls). f. lat. (experien-Im, van arperirc, ervaren, lieproeven) de ervaring, ondervladhig; ervarlngswüsheld; e.rpc-rlcuiïa dncel, de oudervitidlnif loert hel; erpe-rienCfa esl nplïma vernm magislra, do ondervinding la de heste leermeesteres; experiment, n. {cxpcrimilntum) de proef, proef-neming, ervarlngs- of kunstproef; een physl-c.Illsch of pliyslsch experiment, eene mituurkimdlge proef; experimenlum rrucis, proef hu hot kruis, een godsoordeel; experimenlum in rorpnre vili, z. onder vllls; — experimentaal, mij. nw.lat. op ervaring gegrond, proefomlervindelUk; proefnemend, door proeven hovestigd, uitoefenend; — experimentale chemie, f. de orvarlngsschelkunde, proefon-dervlndeiyke sclielkundo; experimentale physïca, f. de nalmirkunde la of met proeven, do proefondervlndeiyke iialuurknnde; — experimentalist, m. lem., die zich grondt op experimenten, Inz in de geneeskunde; -experimentator, m. Iemand, die proeven neemt, experimenten doet; — oxperimen-teeren, beproeven, de proef nemen; ex-pért, adj. lat. {expértus, a, um) ervaren, bedreven, zaakkundig, als subsi.: een door de rechtbank of de betrokken pariyen benoemd persoon om iels Ie onderzoeken en daarvan verslag te doen, een zaakkundige, ervarene; gezworene; expérlo erode Hiipdrln, lal. sprw.: geloof den door ervaring geleerden Robert, d. I. geloof een ervaren man; — expertise (spr. .v=j), f. fr. het onderzoek door expert s, door zaakkundige personen; - expertiseoren (spr. s=t), door deskundigen laten onderzoeken.

expiëeren, lal. (expiare) verzoenen, hoeten, ontzondigen; — expiabel, adj. nw.lat. verzoenbaar, wat geboet kan worden; — ex-piiitie (spr. l=ls), f. lal. (expiaïïn) de boete, genoegdoening, verzoening, schuld- of zomlen-uildelging; - oxpiatörisch, adj. verzoenend, genoegdoend, boetend; de exp la 1 o r isebe dood, de zoendood (van Jezus Christus).

expileeren, lat. (expilure, v. pilarc, van \'I baar beroovea, plunderen, v. haar) uitplunderen, beslelen, berooven; cxpilala Acm/Ï-las, f. eene beroofde of geplunderde nalatenschap; - expilatie (spr. lt;=(s), f de beroo-ving, uitplundering, vervreemding van stukken der nalalenscliap; expiln/ïn hercilitiilis, de be-roovlug eener nog ongedeelde nalalenscliap; — oxpilator, m li1 dief van erfgoed; de slraal-roover.

expingeeren, lal. [ex-pinoUre) uilscbiide-ren, beschilderen; schllderacblig, heeldrgk voor-j stellen. \'

expireeren, z. exspiroeren. expisceeren, lat. {expisctiri, van piscari, visschen, piscis, visch) elg. iiitvlsscben; uilvor-sehen, uitvragen.

explaneeren, lat. (explnnnn: vgl. plan) uitleggen, verklaren ; - explanatie (spr. Is), f. (explanaiïn) de opbeldering, verklaring, uil-legging; — explanatlef, adj. nw.lat. uitleggend, verklarend, ophelderend.

expleëeren, lat. {cxplere, v. plsrc, vullen) opvullen, aanvullen, volledig, voltallig maken;

oxplomént, n. (lat. cxpleménlum) een aan-vulllngsmiddel; eea bijvoegsel (In de rede); — explëtie (spr. lt;=/.s), f. (explelto) de aanvulling;

expletief, adj. later lal. {i\'xpietivns, «, um) aanvullend, volmakend; - expletivum, n., pl. oxpletiva, dram. aanvullingswoorden, stopwoorden.

oxpliceeren, lat. {explicare) ontvouwen, ontwikkelen, uitleggen, verklaren, ophelderen, ulloenzellen, duldeiyk maken; ook ton einde brengen, voieindoa; explicit, mid.lat. (oorspr. afkorting voor explintum esl volumen, expUcï-lus est liber, d. 1. elg de rol Is geheel uiteen-gerold of ontvouwd, het boek Is tea einde (aan het slot van boeken, handschrlftea, enz.); — explicabel, adj. lal. verklaarbaar, uitlegbaar ;

— explicatie (spr. l~ls), r. (int. cxplicalio) de ontwikkeling, verklaring, uitlegging; ex-plicatiof, ndj. nw.lat. ophelderend, verklarend;

— explicile, ontwikkeld, duldelUk, klaar, uildrnk-keiyk, bepaald, met duideiyko woorden, bet tegendeel van implieilc.

explodeeren, lal. {explodürc, elg. uiikiii|i-pen, uiljouwen, van plodére, plaudrre, In de handen klappen) losbarsten, knallen, onlplolfeu, met cenea knal aan stukken springen, bersten; ex pl od ee ren de boomwol, schietkatocn ;

— explosie (spr. .*=J), f. (lal. cxplnsfn) de uit-klapptng, ultjoiiwiag) de uit- of losbarsting, ii.v. van iiiiskruit, van eenen vulkaan, ile knal, schok, sloot; — explosief, adj. voor ontplolllag (explosie) vatbaar of dnartoe geneigd; - explo-sivee, f. pl. nw.lat. (\'.ram. ontpinllingsgeluidon, plotseling of oogentilikkeiyk Ie voorschijn komende klanken, waarloe de mulw (z. aid.) belmoren (bel legengesleide van coallnuae).

Exploit, n. fr. (spr. eksplod: v. \'t lat. ex-plieïtum. Iels uitgevoerds, gewonnens, van explicare, ontvouwen, tot stand brengen, uitvoeren; vgl. explic.eere 11) de daad, groolo daad. behlendaad; de dagvaarding (hel exploot) van eenen deurwaarder; exploiteoren (fr. ex-plniler) gebruiken, zich tea nutte maken; bewerken, onlginnen, bebouwen; dagvaarden, be-leekenea; ongeoorloofde voordeelen uit Iemands ariieid, of uil zyne nienwsglerigbi\'lit, zyne llchtge-loovigheld, enz. heblien; exploitabel (fr. explnilable), exploitatief, adj. onlglnbaar, tie-bonwtmar, voor exploitatie vatbaar ; exploi-tént, m. fr. die een reclileriyk bevel te voltrekken, eene dagvaarding te doen heeft, een deurvvaar-ider; een sluw wlnsthejnger; oxploitfltio \'(spr. lie—lsic), f. (fr. cxploilalinn) de onlgliining.


-ocr page 478-

EXPROMITTEEREN

EXPLORKKREN

462

l)obouwlii(,\', lennulto-mnkliiK (van akkers), opdelving (van ertsen); nitoetenlns van eenln In-linslrleel lied rijf; - cxploitouv, m. de ont-üinner, hebouwer, liewerkor, opdelvor; ook lie-Jagor van voordeel of wlnsl; In/., die ongeoorloofde voordeden van eene bediening trekt, die Iemands vertrouwen, zync llclitzirmtgheld, enz. tot /.(in voordeel misbruikt; — ook; deurwaarder (vgl. exploit of exploot).

oxploreeren, lat. [explonire) ultvorselien, navorschen, nauwkeurig ondei zoeken, uitpluizen, ontdekken; exploratie (spr, lt;=(«), f. («-jilorutio) de ultvorscblng, navorselilng, bel onderzoek, de ultplutzlng; Inz. Med. de nauwkeurige ultvorseblng van alles, wat de genees-beer tot grondige beoordeeling oeiior ziekte moet weten; exploratonum, n. nw.lat. I) z. v. a, d o k 1 mas 11 k o n; — i) eene so n d e (z. die woorden);--explorateur, m. fr. een kondscbapper, bespieder; uitvorscbei\', nauwkeurig onderzoeker.

Explosie, z. ond. explode eren.

expoliëeren (van \'I lat. expolire-, vgl. poli, enz.) gladmaken, glanzen, polüsten, opsieren, verfraaien;- expolitie (spr. I Is) of expolitour, r. (spr. ou~oe) de glanzing, po-iijsting, verfraaiing, opsiering; — expolitie (spr. l=/s) Kbet. eene liguur, die door ver-sebiliende sierlijke bewoordingen eene zaak om-scliriift.

exponeeren, lal. (exponHrc) blootstellen; uiteenzetten, uitleggen, verklaren, ophelderen;

zich aan een gevaar exponeeren, zicb blootstellen, prijsgeven, wagen; expo-nént, m, (v. \'t lat. exponens) Maib. de aan-wUzer, een getal of eene grootheid, aanwijzende hoe menigmaal eene andere grootheid, naast welke z.y ter rechterzijde iels booger slaat, als factor gebruikt is, of hoe dikwijls de eenheid mei een gegeven wortel vermenigvuldigd of gedoeld moet worden om eene zekere macht te geven; b. v. in u- is i de exponent en he-toekont « V o of I V « X (t: u ■ heteekent 1v \'/« of 1; a X a = \'/ii\' ; de expo-nerd kan ook eene breuk zUn, b. v. (i1 /:1 = |V a\'; ook nul, b. v. (iquot; = 1; expünens in-iliri.1, de aanwijzer des wortels, b. v. It in |v ii1; Qxponentiale (spr. (i=/si) grootheid, eene grootheid, welker exponent eene veranderlyko grootheid Is, h. v. - expo-nentiale vergelijking, eene vergelijking, waarin exponentiaie grootheden \\oorkomen; — oxponenti\'aal-rekening, de ontwikkeling der exponentiaie grootheden, de rekening met grootheden van veranderlijke exponenten;

exponibel, adj. nw.lat. verklaarbaar, voor uitlegging, opheldering vatbaar; — exposé, n. fr. (spr. «=«) eene uiteenzetting, opentog-ging of voorstelling, b.v. der strydpunten, reebts-grondeu, de betrekkingen, enz.; expositie (spr. -zi-lxie), f. (lat. cxtmiiïo) de tentoonstelling van kunslvoorlhrengselen; de stelling of plaalsing tegen lueh! en zon; uiteenzetting, verklaring, onlwikkeling van een begrip, opbelde ring, uitvoerig verhaal of betoog; op hot too-neel: de vermelding van heigeen er voor de. handeling van bot stuk is voorgevallen; — ex-jxisilïn Sandissïme, de tentoonstelling van het Allerheiligste in de roomsche kerk; - expo-sitief, nw.lat. ulteenzoltend, verklarend.

exporteeron, lat. (exportare) uitvoeren, (goederen) vervoeren; - exportabel, adj. nw.lat. uitvoerbaar, vervoerbaar, geoorloofd uit of huiicnsianils Ie voeren; — Qxporta-teur, soms exporteur, m. (eng. expórler) die waren uitvoert; — exportatie (spr. He =lsie), f. lat. {expoiiatfo) of expórt, n. eng. de uitvoer, goederenultvoer; — expórten, n. pl. nw.lal. uitgaande waren, goederen, die uitgevoerd worden; uitvoerartikelen; - export-bonifleatie (spr. I=ls), f vergoeding van belasting hij uitvoer van waren; — exportbier, n. ultvoerblor, dat oxpressetyk voor uitvoer Is gebrouwen; export-huizen, zulke handelshulzen, die inz. iniandsche goederen naar liel bultculiind zenden.

Exposé, expositie, z. onder oxpo-n e e r o n.

ex post of ex pnsl fado, lat. van achteren, achterna, naderhand; na gebeurde daad, als bel te laat Is

oxpostuleoren, lat. {exposluhln ■. vgl. postuleeren) vorderen, ernstig elsebeii; zyn beklag doen, bezwaren Inbrengen, klagen, twisten, verwyten, hard aanspreken, opelscbon, ter verantwoording roepen-, expostuliitie (spr. tie~lsie)t f. {e.rptisltilatio) het beklag, de twist, woordenwisseling, I gekgf.

exprimeeren, lal. (exprimére, van pre-inëre, drukken) uildrukken, beschrijven, met verven of woorden voorstellen; exprés of fr. exprès (spr. èxpré) (lat. expréssus, u, iim), nlldrukkeiyk, nauwkeurig, juist zoo, voorbedach-telijk, met opzei, willens en wetens; exprésnis eerhis, met ultdrnkkeiyke of duidelijke woorden; een expresse, m. een eigen afgezonden bode, byzonder boodschapper; per expréssum, lal. of pur exprès, lï. afgekort ji. expr., dooi\' een eigen of afzonderlijken bode; —pro expresse posit is, voor nlldrukkeiyk bijgevoegd Ie houden;

— exprestrein, m. snellrein op spoorwegen;

— expréssie, f. (lat. expressio) de uitdrukking; l\'ict. de kleurgevlng, keuze der kleuren, de levendige en natuurlijke voorstelling der handelingen, hartstoebten enz.; uitpersing, uitwringing (van sappen); eon expressiune, it. Muz. met uililrukklng, nadruk; expressief, adj. nw. lal. vol uitdrukking, nadrukkelyk.

exprobreeren, lal. (exprohrare: vgl. pro-li rum) Iemand iets verwyten, voor do voeten werpen, in \'1 aangezicht smyieu, hem scherp berispen, laken, uil schelden; exprobratie (spr. l—h), f. de uilschelding, berisping, hel verwijl, de doorhaling, wraking.

ex professn, ■/.. ond. profos.

oxpromitteeren, lal. [cxpromUDire-. vgl. p r o milt e e r e n) een ander door overneming zijner schuld van de verpllchling onlbell\'en;


-ocr page 479-

EXPROPRIËEREN

463

EXT[NGUEEHEN

expromissie, f, nw.lal. do overnoiniiiK eencr M\'ci\'inili\' suliuld, zuudut ilc vcrpllclilliip dos olf,r(!n-lijken scliuldoimara lol belalliiK ({(dioul oplioudl;

expromissor, m. du ovomoinor ccnci\' vreoindo schuld.

oxpropriëoren, nw.lal. {erpmiiriaie, van lirniirïus, «, um, (dj{en) van hol liczil uf den (ilucndoin borooven, orduigoneii; inz. op hoon Koza^ en t(d oiicnhaar nul Innand, li\'^cn sclia-didousslellitjR, van zyn elKi\'iidoni aan landorycn, fjcdjuuwoa enz. onlzolton (wlijk dll hü het aan-lOBgen van kanalen, spourwegen enz. plaats heeft); — expropriatie (spr, /=lt;s), f. de onl-elKenlng, heroovhiK van hezll, olKondomsordzet-llnK tenen schadeloosstelling, uitkoop; ex-propriatie-wet, de onlelKcnlngsvvel; oxpropriatie-recht, het rcehl lot ont-elgonlng, hetwelk aan bepaalde personen et mautschappüen door den vorst lof de wet) kan verleend worden.

ex propriis, z. pruitrium.

expugnoeren, lal. (cximanare, van im-Iliiare, vechten) bevochten, veroveren, door slrijil of beslormlu}! winnen; oxpiignübol, ailj. (lal. exiiugnubilis, a) veroverhaar, winbaar; — oxpugnatie (spr. I=ls), f. (exmtnalio) de verovering, hesturinluf.\'; - oxpugnator, m. een veroveraar, overwinnaar.

Expulsie (spr. .s\'=t), f. lal. (extmlxio, van cjliellSre) ftewclddiidlgc uildri|ViliK, vcnlrijving, versloidlng; — expulsief, adj. nw.lal ulldry-vend, atvoerend;- oxpulsiva, pl. Med. ull-dryvende middelen.

expungeeron, lal. (exituii(iSre,\\. igt;uniilt;!ir, slekon) uilkrabben, ullstryken, ultwryven, weu-doen, teniet doen; expünotie (spr./=s), f. (later lal. cxpmHïo) de ultdelKinK, wcgwls-schlng, vernletlglnR.

oxpurgeeron, lat. {expuronra: vgl. p u r-geeren) reinigen, zuiveren; lerechlbrengen, h. v. plaatsen in een geschrifl; ree hl vaardigen; verontschuldigen; expurgatie (spr./=lt;«), f. (exiiurflalio) de reiniging, zuivering, afvoering; rechtvaaidlging.

exquirooron, lat. (exquirSre, v. (luaerrrc, zoeken) uitvorschen, navorschen, nazoeken; ook uitzoeken; vandaar exquisiet (spr. x~z) (lal. exi/uistlus, a, um) (if fr. exquis (spr. eltskie), adj uilgezochl, uilgelezen, voorlrelVeiyk, uilimm-tend; exquisitie (spr. - -ti-lsie), f. de uitzoeking, keur; onderzoek, navorsebing. cx i/uocAnque vnintv, z. oud. aiiml. cx rccensiönc, lat. naar de lokslverbetering (van eenen geleerde).

Exrex, in. uw.lat. (ex en rex, koning) gewezen, voormalig koning.

Exrotulatio (spr. l=ls)} f. nw.lal. (vgl. rotulus, enz.) Jnr. de rechteriyke Imndellng, door welke teruggekomen aden, die Ier rechteriyke ullspraak verzonden waren, geopeiid worden.

exscalpeeren, nw.lal. (vgl. scalpeeren) uithollen, uilschalen.

ex schedultt, lal. van hel briefje, de cedel (allezen).

Exscreatio (spr. l=l.i), f. lal. (exsncalïn, van exscreurc) hel uitrochelen, uilspuwon.

exscribooron, lat. {ex-urUiire) ullschry-ven, afschryven.

oxseceoron, lat. (ex-secare) uitsnydon, wegsnijden; exséetie (spr. I—Is), t. (f.nrc-ho) hel uilsnydon; lubben.

exsecrooron, exsecratie, z. exe-creeren, enz.; oxsequiën, z. exe(|u ien.

ex Senalus Üecrélo, lal. volgens (een) besluit van den senaat.

exsiocooron, lal. (ex-siccim) uitdrogen; — exsiccantia (spr. l—ls), n. pi. Med. uitdrogende middelen; exsiccatie (gt;pi\'. t=ls), f. nw.lat.de uitdroging, hel uitdrogen; ox-siccatief, adj. opdrogend; exsiccator, m. loeslel om zonder toepassing van warmte vocht af le dampon, te drogen, enz.

exsolveeren, lat. (exsolvfrc) oplossen; exsolütio {exsnlulïo) en oxsolveering, f. do oplossing.

ex speciali urafia, z. g r a 11 a; — Ci\'s()efia/i\' miinilalu, z. mandaat.

exspecteeren, lat. {ex-siieeldre, elg. in de vcrle uilzien, v. specture, beschouwen) verwach-lon, hopen, wachten, h. v. op een ambt; — ex-spectabel, adj. Ie verwaehlen, vermoedeiyk ;

oxspectant, m [exspéchins) een vvacli-lende, uilziende. Iemand, dio uilziet of verwacii-llug heeft een ambt le krygen; ook een geldinzamelaar hy hel zingen op straat der koorknapen; exspectantio (spr. He=lsie) of oxspectative, f. nw.lal. hel uitzicht op he-vordering of verzorging;- exspectatief, in uilziclil staande, afwachtend; — oxspecti-veoren, hoop geven, vertroosten, uil/.icht of verwachting geven.

oxspireeren, lat. (ex-spirare) den adem ail blazen, den geest geven, overlijden, sterven; vervliegen, ten einde loopen, alloopen, vervallen; g e ë x s p i r e e rd, adj. ontzield; nltgehluscht; afgeloopen; exspiratie (spr./=lt;,?), f. (lal. exxpiraho) de uilademing, de jongsle uilade-mlng, de dood; Jur. liet ten einde loopen of verloop \\aii een bepaalden lijd of lermijn. de vorvaityd.

exspoliëoren, lal. (exxiiolidrc) uil plunderen, berooven; - exspoliatie (spr. f. (exsiwliulio) plundering, beroovlng.

oxspuoeren, lal. (exspuSre) uitspuwen; exspuitie (spr. I-Is), t. de ullspnwlng; hel speeksel; exspuilio sunuuiiiis, de bloedspuwing.

oxstant, adj. lal. (v. exslurc, voorhanden zyn) nog voorhanden.

Exstase, z. ekstasis.

oxsteoren, liever existeeren, z. e \\ ls-1 e e re n.

exstimuleeren, lal. {ex-sliimilare: vgl. sl 1 mul eeren) aanprikkelen, aansporen, opwekken, aanmoedigen; - exstimulator, m. de opwekker, aandryver.

exstingueeren, lal. (exsliiujutie) nil-lilnssclicii; verdelgen, vernietigen, afscbalVen, op-


-ocr page 480-

EXSTIPITATIIS 464 EXTERN

helTon; — oxstinctour, m. fr. (spr. exslènk-leur) viiurhlusscliBr, ewn toostol om spoeillg liriind lo hlussclion; — exstinotie (spr. lie=Me),t. (cxsH/if/ïo) iln ulllilusscliliiK, ulldclglnfi, hel ult-stervon; do iitkoolliiK van lioolo stccnon mol koud water; l\'hys. liet ophouden der lucht([ol-vlnsten, tnz. ten gevotge liarer eliemlsehe werkzaamheid; exstinctief, adj. nw.lal. ult-lilusschend, vernietigend.

cxslipilalus, a, urn, lal. Bol. stronkoloos. e.rslirululus, u, um, tal. Hol. zonder onoclile Idnderen.

exstirpeeron, lal. {exslir/iare, van s/ir/is, de slam) ullroelen, uitrooien, verdelgen, ontwortelen; ultsnUden; uitpeilen; êxstirpa-tio (spr. /ie—/sie), I. (cjs/ir;)«/lt;o) do nllroellng, ultdelglng; C.tilr. hel ullsnUden, uitpeilen; li.v. een exsl Irpalle-mes, een Instrument, waarmede men een schadelijk oog, een zieke vrouwe-horsl, enz. wegneemt; — exstirpiitor, in. uitroeier, verdelger-, een akkergereedschap tot hel zuiveren en losmaken van den grond, de schotlelptoeg.

exstrueeren, lat. (,exs/ruere: vgl. sim c-iuur) optioopen, opstapelen, optrekken, oprleh-len, houwen; oxstrüctie (spr. /ie=/sie), f. (cxslructio) de oprichting, ophouwlng, houw.

exsucceeren, tater lat. (exsuccare) ullzul-gen, van sappen berooven; — ©xsuctie (spr. /—v), f. (essur/ïo) de heroovlng van sappen, de uitzuiging.

exsuccis. Bol. zonder sappen, droog, oxsudeeron, lat. (exmUm■, vgl. sudamt na) ultzweeten, door zwoel uildrUven; — oxsudaat, n. liet uttgezweele, de ultgezwTele vloelende en stremhare slof; — exsudiitio (spr. /—/s), f. nw.lat. uitzweeting In do holten des llchaams.

exsuleeren, z. exuloeren; — ex-sulteeren, z. ex uil eer en.

exsupereeren, lat. {exsuperure■. vgl. supereeren) utlsleken, overtretfon; — GXSU-perabel, adj. ovortrefhaar, overwlnnetyk ;— oxsuperantie (spr. t=ls), f. (lat. exsuperan-/iu) do ultslokendhold.

oxsusciteeren, lal, {exsusci/are; vgl snsclteeren) opwekken, aanmoedigen, aanzetten, annstokoii; — oxsuscitatie (spr. I -/.«), r. (exsuscila/io) de opwekking, aandryving, aansporing, aanstoking.

Exta, pt. n. tal. (ex/a) de Ingowaniten. ex laci/n, z. ond. /lt;ire.

extant, z. ex staat.

Extase, z. ok stasis.

ex tempore, z. tempus; — oxtompo-reeren, nw lat. voor de vuist of onvoorhereid Iets vorrlehlen, h. v. spreken, schrijven, spelen, zingen, eaz,; vgl, impro\\ Iseeren; extemporale, a. lat. iit. oxtemporalia, cone voor de valst of onvoorhereid vervaardigde taal- of seiirUfoefening; extemporaan of extemporair, adj. iiw.ial. wat zonder ovor-teg of vertoef, terstond, oogenhlikkeiyk, voor de vuist geschiedt.

extendeeren,tal. (ex-tendlre) In de lengte en breedte uilspreldea, uilslrekken, uiihreldon, vorwUden; — zich , zlcb uilslrekken, verbreiden, vooriptanton, vergrooten; exten-sibel, adj. nw.lat. ultrekhaar, reklmar; — extonsibiliteit, f. de rekbaarlieid, uilrék-buarheld; — exténsie, f. lat. (ex/enslo) de uil-zetting, uitbreiding, uitrekking; grootte, uiige-streklbeld; Muz het uilslrekken van den pink der linkerhand boven de uppilcaluur hU liet vioolspel; — extensief,adj. (later int. ex/en-sïvus, a, um) als adverb, ook extensive, volgens uitstrekking, uitgestrekt of uitstrekkend; omvatteiid; hel tegengesi. van Inlenslef; —

— exienslevo grootheden, rulmlegrootlie-deii; — extensor, m. Anal, de strekspler; — exténsum, n. Kail, eene uitvoerige aanwy-zing van de oorzaken des bunkroets, niet opgave van de schuhicn en vorderingen (debit en credit); — in exténso, zeer uitvoerig, volledig, geheel en al, in zynn volte «ligebreidhoid.

Extent, in. eng. de met persooaiyke liecb-lenis verbonden executie in de bozltlingen.

extenueeren, lat. (extenuare, vim teniiis, dun) verdunnen; uitniergeieii, uitteren, kraelite-loos maken, verzwakken; veraehteiyk maken, smaden, verkleinen; versciioonen, verziichleii;

— extenuantia (spr. /ie=/sie), n. pt. ver-diinuingsmiddeien; — extenuatie (spr. tie= tsie), f. (exlenmtio) iti^ verdunning; kraclitver-niindering, uitmergeting, ullterltig; afneming, ver-miiiderlng. verkleining, verlaging, verzaebting, verschooning, tiet tegendeel der li y p e r ti o I e.

Exterieur, n. fr. (= lat. exterior, exte-rïus) tiet uileriyk, uilertyk aanzien, hnitenwerk, de buitenzyde, het uitwendige; (i /\'extérieur, uileriyk, naar uiteriyken sciiyn; ais subsi. m. buitenland; ministre de /\'extérieur, minister van huitentundsche zaken; exterioriteit, f. nw.lat. (fr. extériorité) de buitenzyde, hol ulter-tyke, de oppervlakte.

extermineeren, lat, (exterminare) ver-dryven, uit liet tanddryven; uitroeien, verdelgen, uitdelgen, verderven, vernielen; —extermi-niltie (spr, tie=tsie), f. nw. tal. de vordry-ving, verjaging; uitroeiing, verdelging,vernieling,

extérn, lat, (cxlérnus, n, um, van exter, van buiten aanwezig) uiloriyk, uilwendig; uli-lieemseh, vreemd; biiltenwiiarts, van huilen; ariiumentum externum, z. argument; ex-térnen, in. pi. van huilen komenden, loeriln-gen, die de scbool bezoeken zonder er ia gehuisvest te zyn (in tegenst. niet de pension-na ires), daggangers, stads-, dorpsscholieren; ook frunsehe tiiiipartsen, die niel mede in hel iiospilaai wonen; — externaat, n. hot schoolbezoek door scbolleron die huileii de Inricbling gehuisvest zyn; school, waarin enkel daggangers (geene kostgangers) worden opgenomen; externisten, ill. pi. Mod. uitwcinlig beschadigden, aan uiloriyke wonden tydondon; ook zieken, ilie niet in liet gasthuis opgenomen maar toch daar behandeld en van geneesmiddelen worden voorzien.


-ocr page 481-

HXTERHITORIAAL

4G5

KXTRA

exterritoriaal, adj. nw.lat. (vgl. len i-I or I n in) liulten liet geliled van eon land Kf-legun, iillliindscli, lot vroemd gohiod lieliooronde; — exterritorialiteit, t. hct vorliannen-zUn uit hel vadurland; ouk de bevodgdhold van de (.\'szunton on linn govolg uni In yroomdo stalen naar de wellen van linn land te leven, en linniie vrystolllng van alle |iei\'soonlijko staatslasten en oplirengsteii; voorls liet reehl der oorlogssclie-pen In vredestyd in liuitenlandsclio watoron onder de Jnrisdicllo van liun eigen land lo lilü-von; ook de vrydont van lielasting, dien ile paus in Hallo geniet.

Extersteenen, n. pi. loodrechte, lol aan den grond gesclieiirdo rotsen, met nitgeiiouwoii Irappen, vertrekken, enz., gelijk men die In Westplmlen vindt.

extinguoeren, extincteur, extinctie, enz., z. exst ingneeren. i\'jliiiildlnx, extirpeeren, enz. zie exst . Extispicium, n. lat. (v. exlu, pi. ingewanden en s/ieci\'re, spirrre, bezien) de ingo-wandcnsehonw, lieziehliging van de ingewanden der oiferdioren; - extispi\'ces, pl. lal. (sing. ejiispex) wlcliolanrs hij de oude lloinoinoii, die uil de ingewanden der ollerdieren vooispeilin-gon deden.

extolloeren, lal. (exlolliSre) verlieiien, pru-zen, roemen.

extorqueeren, lal. (eilorqucre-, vgl. I or-(luooren) afpersen, ardwingori; — extórsie, nw.lat. do afpersing, afdwinging, het verkrijgen door geweld, door gewelddadigheid, het afpersen-, — extórtor, n. de afperser. Extorquent, z,. extort o r.

extra, lal. (samengelr. uit (uVera, scil./)arlt;e, op do iniitenzijdo; vgl. extern) huiten; lioven-dien, huitemllen; linilengemeeit, huilengewoon; in samenstelling z. v, a. uitstekend, liyzonder; (h, v. ex tra-fijn, zeer lijn, hyzondor lijn); iets extra of extra\'s, iets huilengemeens, liyzonders, niet alledaagsch j — extra-blad, een hyiilad, hnilengewone hyiage lol eene courant, enz., zoo ook extra-geld, oxtra-kosten, extra-verdienste, iiU- of zakgeld, hykoslen, hyverdienste, enz.; de extrapost, liultetigewoiie post, eigene post, in ie-genst. met de gewone post j — extra-trein, in, op spoorwegen; hiiltengevvone trein, huilen de regelmatig volgens den dienst loopende. cxtra-axiltaris, lal. Bol. huilen den oksel. Extract, z. ond. e x t r a h e e r e n.

extra culimm, z. ond. culpa, extradeeren, nw.lat. (van ex en tradcre, vgl. Iradeeron) uitgeven, overhandigen, uilleveren, overgeven; — extraditie (spr. tie= luie), f. de overgaaf, uillevering van een misdadiger of gevangene aan zynen natuuriyken vorst of rechter j ewtradltio acturum, ile uillevering, overgave der aclen.

Extrados, m. fr. (spr. dó; \\. dos, rug) de naar hullen gehogen (convexe) oppervlakte van een gewelf, hei tegengest. van Inlrados (vgl. do u el Ie).

VIEIUIK IHtllK.

extra erelesiam nulta sal us, lal. huiieri de kerk is geen heil (de grondstolllng der alleen-zaligmakende roomsehe kerk).

extraëssentiëel (spr. ti=l.ii), nw. lat. (vgl. essentieel) onwezeniyk.

extraheeren, lal. [extraurre) uittrekken, I). v. Arith. den wortel uil een getal; Chem. liet zout uil eene plant, uit een mineraal; een uittreksel maken; In het kort samenvatten; Jur. een hevel of vonnis llcliien; — exti\'ahént, m. (exlrahlns) een uillrekker; Jur. wie lol de beslissing eener zaak gerechtelijke hulp vraagt en ze daarom moet heialen; — extract, n. I) lat. {exlraclum, pl. exlmclu-, fr. extrait, op recepten afgekort extr.), Iiel uilgetrokkenc, uittreksel, uiigetrokken sap en krachtsloiren uil vleescb, planten, arisenyen, enz.; inz, extractum aquumm, waterig —, e. vinóswn, « Unachlig -, e. sinriluosum, wyngeeslig uittreksel; cxlrdctu comimilu, sauiengeslelde extracten; extracla frifliilc parata, koud liercidc exti\'.; i\'.ïirdi la siia-pticïa, enkelvoudige e\\lr.; 2) (nw.lat. extrdclus, m.), een niilreksei nil schriften, boeken, enz.;

— extract us af tónna, Jur. uittreksel uit de reclitsliandeiingen; extractbook, n. Kml. liet ulltrokselhoek, dat uiltrekscis uil andere koopmanshoeken bevat; — extracteur, m. fr. loestel in verschelden indnstrlCii om bepaalde stolfen uit te trekken; — extractief, adj. nw.lat. uiltrekkend; extractiefstof, de door water en wgngeesl oplosbare en uil te trekken heslanddeelen van organische llcluimen;

— extractie (spr. tie=sle), f. de uittrekking, liet uittrekken; fr. ook voor afkomst, ge-boorte, inz. goede afkomst; vandaar een man van extra cl ie, van goede afkomst, van lie-schaving en opvoeding, een aanzieniyk man; — extractor, m. toestel aan nieuwere geweren om de leege pairoonhulzen aniomaiiscli uil den loop Ie verwyderen, uilwerper (ook ejector geheelen); ook z. v. a. ventilator (z. aid.); - extracts, pi. fr. (spr. extrè) hy parfumeurs: spirllneuze oplossingen van reukstoffen, die door liet heliandeleu van de door en-flenrage (z. aid.) welriekend gemaakte vetten met alkolioi gewonnen worden; ook in liet algemeen; mengsels van welriekende stolfen voor gebruik op zakdoeken, enz.; extrait d\'alistnlhe (spr. ekstré dabseiit\'), aftreksel of geest van alsem, een maagversterkende krniilonbrandewyii

extmfaUaefus, lal. Hol. onder den hiadsleel, huiienhladerig.

extra llunnariam non est vita, (et) si est vita, non est Ha, Int. huilen ilongarye Is er geen leven, en zoo er dll Is, dan Is het loch niet zoo (de leus van de llongaarsclie patrlollen).

extra-judioiaal, adj. nw.lat. (vgl. ju-d I c i u m) liuilengereclileiyk.

extra-liberaal, adj. nw.lat, zeer nilld, zeer vrygevig.

extra lim\'nm, z linea. extra-mundaan, adj. lat. (v. mundus, wereld) hniienwereldiyk.

extra muros, z. ond. murus.

;ifl


-ocr page 482-

EXÜNDEEREN

40G

EXTRANEUS

Extranéus, m. lal. (vun extra, i. nld.) ((Cn builcnUiniier, vrBomdolliiK; ook Iemand dlc aan con gymnasium liet eindexamen alleKt /.onder leerllnu dier Inrleldintt geweest te /yn; — extranoïtoit, f. nw. lat. verbanning naar vreemde oordeti; ook de eigenschap van hetgeen uit verre oorden komt.

eslra ordincm, z. orrfo,- — extraordinair, adj. (lal. extraordinarius, a, «m- vgl. ordinair) liuitengemoen, ongewoon; extraordinarius, m. inz. een buitengewoon hoog-leeraar aan eene hoogeschool.

extra-parochiaal, adj. nw. lat. (vgl. parochie) buiten het kerspel, niet tol het kerspel behoorende.

Extra-post, z. oud. extra: vgl. post. extrarlus, lal. Bot. huilen het kiemwil. extraseculair, adj. nw.lat. (vgl. seculair) meer dan honderdjarig.

extraterritoriaal, z. v. a. exterri-t o r 1 a a I.

extra-uterinaal, adj. (lat. extra-uteri-mis, a, um), op abnormale w(jze zich bevindende of zich vormende bullen den uterus (z aid.) b. v. extra-uterinale zwangerschap.

extravageeren, nw.lat. (uil hel lat. extra en vagari, samengesteld; vgl. va ge er en) uitspanen, bulten de maat, bel spoor gaan; onzin spreken, ongergmde, dolzinnige dingen zeggen en doen, raaskallen; — extravagant, adj. uitspattend, ultsporig, bullenspoiig; overdreven, ongerijmd, gek, onbedachtzaam; — extravaganten of extravagantes, pl. de aan het Corpis juris canonici toegevoegde verzamelingen van decretulen van Johannes XXII en latere pausen; — extravagantie (spr. tie= Isie), f. de uitspatting, overdr(jviug; ongerijmdheid, onbezonnenludd, dwaasheid, gekheid.

extravaseeren (spr. s=z), nw.lat. (van extra en ras vat, pl. rasa] Med. uit de eigenlijke vaten uittreden, uitvloeien, Inz. van bloed; — extravasaat, n. het uitgetreden bloed, de uilstorting vun bloed of andere vloelstotfen in lichamen; - extravasatie (spr.-zd-tsie), t. de uittreding van hel bloed of andere vochten uit hunne vaten; extravasnffo aeris, z.v.a. emphysema; extr. sanguinis, bloeduittreding.

Extraversie f. nw.lat. (vgl. versie) eig. buitenwaartswendlng; Med. uitscheiding van zuren en zouten.

Extréme, adj. fr. (lat. extrêmus, a, um, superl. van exterior: vgl. exterieur), uiterst, laatst, hoogst; bullengowoon; als subsi. n. (lat. extrëmum, hei uiterste; oimlpunl; het hoogste, de top, tinne, hoogste graad; — extrêmes, m. pl. elkander tegenovergestelde dingen; ook overdrijvingen; les extrêmes se touchent, tr. (s|ir. li zekslrèm s\'tnosj\') de uitersten raken elkander, de sirljdigsie dingen vindt men soms bUeen;— ad extrema, lal. op bet uiterste; arf cx/i-fmum, ten laatste, eindelijk; in extremis (sell, monien-lis) In de laatste oogenblikken des levens; — extremiseeren (spr. s=z), nw.lat. het laatste oliesel toedienen; - extremiteit, f. (lat.

extrcmitas) het uiterste, uiterste einde, eindpunt, beslissend punt; do uiterste verlegenheid, nood of gevaar; de laatste toevlucht; extremi-tus cotytedonaris, lat. Hot. zaaillobbig einde; extremitas radicalis, Itol, worteleinde; — extremiteiten, f. pl. de uiiersle llchaamsdee-len, eindleden, einden of toppen aan handen en voeten; ook in \'t algemeen handen en voeten.

extriceeren, lat. {extricUre; vgl. trica) ontwikkeien, ontwarren, niet moeite uitbrengen.

extrinsdcus, lat. (v. extrim, ongeliruikeHlke adverbiale vorm van exlcr, van huiten aanwezig, en serus, anders, in sumenst. zijde) van buiten, uiterlijk, uitwendig, buitenwaarts; — extrinsicaal, adj. nllerlljk.

extrörsum, adv. nw.lat. Bot. naar huilen gericht.

Extrovérsie, f. nw. Int. het zelfde als extraversie

extrudeeren, lat. (extrudSre) ultstooten, wegdryven; — extrüsie (spr. «=«), f. nw. lat. de uitstooting.

extubereeren, lat, {extubemrc, v. tuber, bult, gezwel) opzwellen, oploopen; — extu-beratie (spr tie=lsie), f. (extuberatio) het gezwel, de opzwelling, huil, bult, hot uitwas.

extumesceoren, lal. (extumesctre) opzwellen ; — extumescéntie (spr. tie=tsie), f nw.lat. de opzwelling, het gezwel, de opzetting, b. v. van een been; — extumidiseh, adj. opzwellend, gezwollen, bultig, ongeiyk.

exubereeren, lat. (exuberare, v. uberare, vruchlbaar zgn, uber, vruchtbaar, rykciyk) ever-zwellen, weelderig wassen, In overvloed z.yn; — exuberant, «dj. (exublrans) overvloedig, onnoodlg; rykciyk, weelderig; — exuberantie (spr. I=ts), f. (exuherantia) de onnoodlge overvloed, overmaat, volheid, overtolligheid, b. v. van woorden.

Exudenisme, n. gr. (van ex-udenidzein, voor nlels houden, gering achten, enz., v. udén, niets) de le-nlel-doening, wederlegging door min-achlenden voorbygang of spotnchtige beantwoording der tegenpurty.

exulcereeren, lat. {ex-utcerare: vgl. ulcus) zweren veroorzaken, zweren, tot zweren brengen; ook: openkrabben, opensteken; -exulcertitie (s|ir. t=ls), f. {exulreratio) de ontsteking en verzwering, verettering; zweer.

exuleeren of exsuleeren, lal. (exsu-tare: van exsul, balling) buiten hel vaderland, in ballingschap, ais balling leven; onderscheiden van ex 11 ee r e n (z. aid.); — exulant, m. (exsutans) een verdrevene, verbannene, balling exulteeren, lal. {cxultdre, lt;if elg. exsul-tarc, v. suttcire, huppelen, dansen) van vreugde huppelen of springen, jubelen, juichen; — exul-tatie (spr. tie—Isie), f. [exultaho) het vreug-degchuppei, gejuich; cxultct, een door den 11 Augusllnus vervaardigde hymne, welke daags voor Paschen In de grleksche kerk gezongen wordt (zoo geheoten naar de eerste woorden: exultel jam anflelica lurha, het engelenkoor julehe). exundeeren, lal. (ex-mdare, van undo.


-ocr page 483-

EX UNGUE

407

FABEL

de Kolf) ovorvloolon, overstroomend naar bullen treden; — exundatie (spr. (=ls), f. (ex un dat in) liet uittreden van oeno rivier, enz., de overvloellnK.

ex unf/ue luönem, oud. unguis, Exüstie t. lal. (exustlo, v. ex-urëre, ult-Inanden) Mcd. de verbrnndlng, lirandwond. ex usu, l. u s u s.

Exuton\'um, n. nw.lat. (van emfre, af-«f uittrekken) oiu. uittrokklngsinlddel j Mod. iedere kunstzweer, door garou-lmsl, spaanscho-vliegen, setous, enz. verwekt; — Exuvien, f. pi. lal. (exui\'ïae) uitgetrokken kleederon; aan den vyaud oninomon rusting, wapens, enz.; de afgostroopie huid of liet afgestroopt iuilsei, I). v. der slangen, enz.; exuviae viperrum, slan-genliulden en slaiigehalgen.

ex vnlo, •/.. vol u in.

Eyra, f. noord. Mvtli. de godin, die de goden in iiunne ziekten verpleegden.

öyxi, f. skand. iiiji.

Ez, m. hebr. boom.

Ezan, lurk. de oproeping lol bel g^bed van de ilnne der moskeeën; vgl. nioeezzin.

Ezechiël, hebr. (jechesktl, gr. letekivl) niansn.: de sterkte Gods, do slorkto doortiod ; — Ezochiëllisten, m. pl. de aanhangers van James Brothers, die op liet einde der IKiie eeuw In Kngeland opirad ais de profeet, die geroepen was om do Joden naar Jeruzalem lenig lo voeren.

Ezelsfeest, een kerkeiyk feest nil de middeleeuwen in Duitsclilami on Krankrük, waariiU op kerstnnclU een ezel voor bol altaar gebracht en door do goesteiykon oen gezang gezongen werd, dal liet gebalk van dll dier moest na-bootsen; ezelshoofd, Mar. een halfrond, slerk, dik met (jzor beslagen bout, over don top van don masl gelegd, en aan \'I vooreinde voorzien van oen gal (do hommer), door\'1 welk de steng loopt.

Ezteri, m. de bloodstooii, bioodjaspls.


F

O

f., verkorllng voor fac, lat. maak, factum gedaan, of fiat, hel geschlodo, toegostaan! Muz. = (arte of = ƒ, do vierde toon van den grondtoon c; ook = filius, filia, zoon, dochter; op tiet kompas van engelscho uurwerken = faster, sneller; /■\'. by tliormometrischo waariiomingon = Fahrenheit; /■\'. liy de romeinen een golal-teokon = 40; of T\\ = 40,000; /•\'. voorfu-gitlvus, vluchteling, werd ontvluctilen en weder gevangen slaven op het voortioofd gebrand; /•\'. eng. = fellow (z. aid.);

ais symbool der turners: hgd. frisch, fromm, frah, frei; fr. franc, frais, fier, fort; eng. frank, fresh, frisk, free; ital. franco, fresco, fiero, forte; sp. franco, fresco, firme, fuerte: port. franco, fresco, fero, forte: zw. frisk, from, freiily, fri; /■\' G. .S. = Fellow (of the) Geological Society ■. F. //. s. = /■\'. (of the) HorUculturul S. /•\'. I.. S. = /•\'. {of the) lAnnean S. /•\'. II. S. /■\', (of the) Royal S.: I\\ II. S. IC. = /■\'. (of the) Uoyat S. (al) lidlnhurgh/■\'. 11. .s\'. Sj\' S. = /•\'. (nf the) Hot/al S. (at) London y Kdin-burgh/•\'. S. .1. = /•\'. (of the) S. (of) . Inti-(/uarians: K 11\'. S. = ƒ■\'. (of the) fVernertan S. z. deze alle onder Fell o w; F. = futurum; F. F. of Fr. Fr. — fratres, z. oud. frater;

— /\'. of fee. = fecit; — f. of fem. = femini-num: — /\'. of //. ■ florins, florenen (■/.. aid.);

— f. of fol. ook lquot;. = folium, folio-,— f0. r0. = folio, recto — f. oquot;. = folio verso, z. oml. folium; — //\', afkorting voor pandecten (z. aid.); ook voor feccrunt, lal., zy hebhon liet gemaakt; en voor finissimo (z. aid.); — // of fff, Muz. - fortissimo; — Fase. = fasei kei (z. aid.); Febr. = Februari (z. aid.); Fit. = Filippus, (brief van (■anlus aan do) Filipensen; Fltoni. = (iirief van l\'aulus aan) Filemon; Fl. of Flav. = Flavlus, ond-rom. naam; /\'. t. a., /\'. s. «., F. M., z. ond. fiat: F. Af. = francs-macons, vrymclselaars ; — f. m , z. ond. folium;

— Fr. = frater; Frt. = Fratllein, moJulTi\'ouw, Jonkvrouw; — fr. = franco: fr., frr., fres. = franc, francs-, fung. = fungeereml, waarncmeiKl; ft. = fonando: F. s. = favenle summo numinn, onder bescherniing van het üpperwo-zeii; F. C. O. = finii coronal n;ius, het oindo kroont het werk; chemischo leokens z.yn: F.

- Fluor: Fe — ferrum, yzer; F. ais munl-loekeii: op oudere duilsche munten: Maagdenburg; op oostenrykscho: Hail in Tirol; op fnin-sche: Angers; In bel duiischo ryk: Stuttgarl.

Faam, z. fama.

Faba, f. lal. de 1....... pl. fabae; fabae

albae, IMiann. de witte zaden der gewone en dwergiioonen; f, igt;ichurim, pichurimboonon, oen middel legen hiiikloop; — fabnrii, in. pl. lat. hooiieneters; eertyds iron, iionainlng dor zangers, omdal zij, Ier zuiverbouding iimmer stem, veel lioonou piachlen lo eten.

Fab., bij iialuunveleiiscbappetyko benamingen afk. voor O. Fabricins (gest. IS22).

Fabel, f. lal. (fabiila: van furi, spreken, zeggen) eene verdicble vertelling, inz. de oeso-pisehe of dioron-fabel, eene soort \\aii zinnebeeldige ieerverillciilsois, beslaande In hel verhaal eener verdicble zlnneiyke iiandeling, ilie dieren en andoren voorwerpen wordl toegeschreven, om daardoor zedetyke wauriiodon aanschou-


(\') Aan ( yi\'i•• U*rh itl\' lulijn 11111111 rn.1 o woonlon, liin \\i■ 1 rn ini\'( f nrlirijvrn (\'lt;gt;\'gt; «1« 111■gt;#nlit-. folotjrii-phie, eiix.) /cifkt\' nicn liit\'r op ph.

-ocr page 484-

FACIEL

468

FAHKH

wolUk Ic muki\'n, vcnliclitsel, sprookje, leugen; do fabol van een toonoelspel, dc hls-lorlseho stof ilimrvim; — fabel-opos, in. ecu illoronlioldondlclil, ecu Iron. Iieldondlcht, waar-\\ aii do liandolondo piirsoncii dieren zün; —fabelleer, /.. m v I h OI o «I o; — fable, f fr. fahol ; me fahle roni\'cnuc, eon volRens (stllzwy-jjende) overoenkonist voor waar aangenomen en nltKOBOven fabel;- fabuleeren, (Int. falm-I iri, praten, vertellen) verdichten, leURens vertellen, beuzelen; fabuliint, in. nw. lat. een sprookjesverteller, onbeduidend snapper; — fabulist, in. mv.liit. een fabel- of sprookjes-dlcbter;- fabvileus, adj. (lat. falmlosus, n, ion), fnbelncbllp, naar een sprookje gelijkende, verdlebt, oiiwaarscbyniyk; fabliau, n. fr. (spr. hii=oo), pi. fabliaux, falielaebtlse verdichtselen, Keesllce en naïeve vertelsels uil de kindsheid der fr. letterkunde; fabliers, pl. (spr. fabtjé), de dichters daarvan.

Faber, in. lat. de smid, workman (als mansnaam gebruikt); hij natuurwetensch. benamingen voor !■\'. Faher ((.\'est. IS2S).

fnbrica, f. lal. (werkplaats, kunst, vervaardiging, van faber, een werkman In hout en andere harde stolfen) van katholieke kerken en ueeslelijke gestiehton i do houw, bet onderhoud, de bouwpllcbl, honw/.org; ook do onderhouds-kas ocner kerk, enz.; in fnbrïcam srhntae, tot schoolgelirulk, dat is lol onderhond der sehool-gehouwen, tol bezoldiging der leermeesters, enz.; jiro fabrira, voor do kosten van onderhoud;— fabriek, f. (fr. fabrique) werkplaats, werkbuis, cene inrichting, waarin een zeker getal arbeiders lot hetzelfde doel. bij geregelde verdeeling van den arbeid, werkzaam z(|n, en waar inz. niarhlnes worden aangewend (van ruimer botcekenls dan manufaetunr (z. aid.); — fabriek, m. de stadsbonwinooslcr; fa-briekgoud, met koper gemengd gond, vaak van zeer gering gehalte, ter vervaardiging van allerlei kleinigheden tot sieraad, enz.; ook eene soort van bladgoud tol vergulden; fabriek-planten, zulke gewassen, die óf in fabrieken ais werktuigen gebruikl worden, nf hel male-rlaal lot veelsoortige fahrlekwarcn leveren; — fabricaat, u. ifabriralum) de vervaardigde waar, bol kunst voort hrengsol; — fabricage (spr. H—tj), f. hot stadsbouwmoestorsehap; — fabrikant, m. oen werkmeester, de oprichter, hezittor, hosluurdor oener fabriek; ook de vervaardiger, maker in bel groot van zulke voorwerpen, die door tahrlekon geleverd worden, b. v. oen hoedenniakor, lakenwever, wapensmid, enz.; fabrikeur, m. z. fa brikant; - fabi\'icatie (spr. 1=1.1), of fabricatuur, f. de vervaardiging, hewerking der waren; — fabriceeren, lal. (fabric .ri) vervaardigen, maken, bewerken, hearhelden, voorlbrengon

Pabulant, fabuloeren, enz., /.. ond. fa h el.

Facade, z. ond. face.

Facchino, m. Hal. (spr. (nkUWnn, van \'1 lal, l\'ns, genil. faris, fakkel, oorspr. een bundel bont; vgl. fagot; of voor faschino, van\'t lal. fnsris, fancina, pak, bundel, gelijk het mld.lal. farhinalio, voor fauinalio-, vgl. faquin) een lasidragor; pakdrager.

Face, f. fr. (provene. fair, facia, fassa. fncha, 11. farcin, van \'1 lat. facies), bot aange-zichl, gelaat, gezicht, hol aansehp, de voorzijde, hnilenz.yde; de oppervlakte, hol vlak; de toestand, gesteldheid der dingen; Mil. do voorzijde of gezichtsiyn van eon bolwerk; ook de voorhootdplaal van paarden; scherpe kanl of lysl hy bontwerk; Muz. faces il\'un accord, fr. do verschillonde liggingen dor lonen in ecu ac-coord; —face maken. Mil. hel hoofd bieden, pal slaan, stand bonden; tegenover staan, zich tegenover plaalson; en face (spr. «/(—), van voren, tegenover, in hol volle gezicht; in tegenstelling van en /iJ\'o/j\'/, - ftic^ado, f (spr. fassadit\') een voorgevel, de voorzijde, hel fronl van oen gebouw; Mnz. front of voorzijiio van een orgel; — facciala, f. II. (spr. falsjdla) de voorzüde, b. v. van een bedrukt of beschreven blad; — facetten, f. pl. de kanten, hoekig of ruilswyze geslepen zijden of vlakken aan glaswaren en edelgesloenlen; facetteoren, (fr. faceller) ruilen, veelzijdig, veelhoekig of ruils-gowys snUdon of siypon.

Facenda, z. fa ze ml a.

facesseeren, lal. (facessëre) veel te doen geven, onrust, verdriet aandoen.

Facetiën (spr. /i=lsi), pl. lal. [facetiae. van facelus, lijn, geestig, vornnflig) grappige, luimige invallen, schorls, jokkornij, snaakselie of polsige woorden; facotiëus (spr. Ii=lsgt; . nw.lal. grappig, koddig, snaakscli; — faceio, facela, facetemenie, 11. Mnz. schertsende, op eë|i\' geestige, vroolijke wijze.

Facetten, z. ond. face.

facheeren, fr. (fdcher, spr fasj—, provene. fiuiifjar, sp fastlriiar, yim\'I li\\l. fasliitfuni, afkeer, walging, faslidire, ergons van walgen boos maken, verdrieten, vertoornen; - fa-cherio, f. verdrloteHjkbeid, ergernis, kwelling, ongenougle; -- facheux, adj. (s\\\\r. fasjeus). spytlg, verdrietig, ergertyk.

Fachine, z. fa seinen. Fachingor-water, n. (hy verbaslerliif; ook fachner-water genoemd), een mineraal water, dal oen aangenaam zuuracbllgon, oenigs-zlns zillon en zeer vorfiisschendon smaak hoofl on voel koolzuur bevat. Hol onlsprlngt by bel dorp Kacbingen aan de l.ahn In het her-togdoin Nassau, en wordt van daar, zoo lot geneeskundig gebruik als tol verkoelenden drank, In kruiken allerwegen verzonden.

faciei, (fr. facile, lat. fact lis, e, v. faclre. maken) licht, gomakkeiyk; gewillig, godionstig, wilvaardig; loogevend, verdraagzaam, Inschlk-keiyk ; spraakzaam, vrlendciyk; fncilis descensus Arerna. lat. gomakkeiyk is hel afdalen In de onderwereld (cllaal uit Vlrgilias Aonoldo); — faciliteit, f. lal. {facilï\'as) de gemakkeiyk-heid, licblhoid, vlugheid, liehondighoid; al lo groole loegevendbeld, Inschlkkeiykboid, vrien-


-ocr page 485-

FACTISCll

FACIES

40!)

iluiykliold, Keillenstlgheld, Kcnaakbiiiirliolil-, — facilitoeren, uw. lal. (fr. fncililer) verllch-li\'ii, uemakkoiyk maken; zwurlKhoden optulinen;

facilitatie (spr. Iie=lsie), f. ile verlicli-lins, bovordorhiB.

facïes, f. lat. (van facëre, maken, nis zolde men do makeiy, d. i. do houw, do vorm of (je--lalto dus llclmams) gostalto, uaiiKezlchl, (telnat; in faciem, In \'t gezicht, onhosehroomd; fuciex hilifiocrnCtca, f. Med. oen doodsBOlaat, oeno in het ook vallende vorandorlng vun het gelaat eens slervenden (door II lp po crates hot eerst heschrevon); — faciaal, adj. nw.lat. hol gelaat hol rellende, daartoe hehoorende; — fa-ciaal-linio {linra fuciütis), de aangezlchlsiyn naar (quot;, ampor); - faciaal-zenuw, r de üelaals/.emiw; — furtes leprusn, gezlchtsullslag.

Facilét »r facinót, n. (vun \'1 ilal. faz-zolélln en dit waarsch. van liet dnllscli feiten, feite, nw.hoogd. vette, oorspr. een afgesneden stuk, v. \'t oudlioogd. fetnn, afsnUdoii; vgl. het 11. pezzuoln, lap en neusdoek) in Opper-Dullseh-land gehruikoiyk voor; zakdoek, neusdoek, liand-iloek; - facilet heet ook hel hekken, dat hij hel misolViT m de r. kalli. kerk gekust wordt.

Faciliteit, faciliteoron, enz., ond. fa cl e 1.

fan nuf;, n. lat. (v. fncre, maken, doen) oeno üroole, hullengewone daad, tnz. schanddaad; pl. fdriiföfa, .lur. schanddaden, linevimslukkeii; facinoreus, adj. (lal. facinorusus, «, «/«) misdadig, sclianddadlg.

fucio ui des of facio ut fuefus, lal. .lur. ik doe, opdat gy geeft of doet, een minder hepaalde en verhindendo vorm vun contracl in hel rom. recht; —facit, n. (lal. facit, elg. hel maakt) de som, hel gezochte en gevonden gelul, het hoofdgelal, hedrag; de iiilkdinsl; facit inilii;-naiïn vertuin, de veroiilwaardlglng maak den dichter (elg. hel vers) d. I. geeft aanleiding om als (salyrlsch) dichier op te treilen (cllaal uil .luvenalis\' saliren).

Facon, f. fr. (spr. faxii/i; 11. fntinne. Mill 1 lal. fachii, v. faerre, maken, elg. het maaksel) fatsoen, de wijze, manier; de vorm, gedaante van een kunslgewrochl; de welvoeglijkheid, de wijze van wél Ie leven en zich le gedragen; verlijnde zeden; ook arheldsloon, maakloon, heslede moeite en tijd. pl. fac^ons, plielil-plegingen, omslandigiieden, c o m pl 1 me n 1 e n ; faeon de parler (spr. —ytactó), spreekwijze, zegsmanier, onbeduidonde woorden; smis facons (spr. saii-fasnu), zonder compilinciiten; een sans-facon, een plomp mensch, vlegel; — facon-neoren. (fr. fucnnner), fal soeneeren, vormen, de gedaante geven; de vereischte versiering nanhrengeii; ge fa co n n eerd e sloffen, gegaufreerde, met llguren hedrnkle, gewaterde stoffen; fa co n uer ie, f. het wal eren of gau-freeren der stollen; - faconnour of fa-connier (spr. fasonjé),m. ecu falsoeucer-der, vormer, gehloemde slof- of liulwerker, smaakvol kunstenaar; de niodelteekcuaar in de fahrioken; — fagonnier, in. (spr. fasnhjé)

een coiiipllinent-maker, overliollciijk mensch.

Fac-similo, n. lal. (fuc simile, d. 1. maak gelijk!) de nauwkeurige namaak In plaat- of steendruk, iuz. van liandschriflen en naamlee-keningen, oen schrlft-ovenheeld, handschiiflaf-druk; — facsimileeren, harh.lat. een hanil-teekenlng, enz. nauwkeurig namakeii.

Fact, n. eng. z. v. a. facluni; mutter of /0(7, feit; iiiulter-of-fm:l menschen, zijn dezulke die zich In voldongen feilen schikken, deze alleen erkennen enz

Facta, z. facluni; factago, f. fr. (spr. —iltj\') hel heslellooii; de verpakking; — factice, adj. fr. (spr. fuclies\') nageniaakl; gc-kunsleld; somlijds ook verzonnen, ten onrechte toegekend.

Factio (spr. /=.«), f. lal. (fuctla, hel maken, de verhinding, v. faerre, maken, hel niet iemand houden) oeno partü, een rol, aaiiliang; een po-lllleke vereeniging of samenspanning van geiyk-gezlnden met de kwade hUlieteekenis van harls-lochteHjklield, van het onwelllgc, in onderscheiding van pa ri U; — factionair of factio-nist, in. uw.lal. een partyganger, opruier, muller; factionnaire, m. (spr. fuksjnnnir\') Mil.de schildwacht, wachlluddiende soldaal;— factiëus (lal. farliusus, a, «m. fr. faelieuj) oproerig, imiilziek, woelig, onrustig; — factio-sitoit, f. de oproerige gezindheid, de parlij-geest.

factisch, z. ond. facluni; factitief, adj. nw.lal. liewerkend, in werking slel-lend; factitieve woorden of facti-tiva, pl.Ciiani. argeleide werkwoorden, die eene verrlclithlg heieekeiien, door welke hel voorwerp in de door hel slamwerkwoord aaiigeduide handeling verpiaalst wordl, li. v. drenken, doen drinken, zongen, doen zuigen, vellen, doen vallen, enz. (ook causa 11 va); factor, m. pl. factóren, lal. (elg. wie iels doel, een maker) Vrilli. vermenigvuldigers, samenstellers, zulke getallen, door welker verme-iilgvnidlging een ander getal producl) onlslaal; zoo heel en i en :! de factoren van II; eerste factoren, zulke sanienslellende deelen van een getal, die ondeelhare of eersie getallen z.yn, li. v. van li zijn i en :i de eerste fucloreii; voorts zyn facloren in hel algemeen ■. de werkzame heslanddeelen of kraeh-ten, door welker samenwerking een geheel ais product onlslaal; factoor, m. de opzichter van een handelshuls of eene fahriek, zaakgelastigde, zaakvoerder, hoeklionder, werkmees-ler, hesluurder; ook wei de hiieveiihesleiler (fr fneleur)\', factorage, f. (spr. -m-tj\') hel loon voor de zaakwaarneming, de provisie, hel i\'oniniissie-geld; factorie, faktorij, f. (eng. fdrtory) de post en de woning eens facloors; ook een magazyn of depól van koopwaren; eene Imndelselahllsseiuenl enz. in vreemde werelddeeien; factory-handel, z. v. a. c o m mi ssi e - hu ii d e 1 (z. aldaar); --factoreeren, mei eene vreemde faclorle zaken doen.


-ocr page 486-

FACTOTUM

470

FAIBLE

Factotum, of fac-tnlum, tiw.lal. oIr. oen iloc-al, ecn monsch, die alles In alles Is, die alles geldt, een al-doener; hot drijfrad, do recli-torhand, liet middelpunt in hulselUke of ook openbare zaken.

Factum, n. pi. facta, lat. (van facfre, doen) het gedane, de daad, de daadzaak, handeling, het voorval, gebeurde j factum mljtö-sum, Jur. ecne strafbare daad, zulk oone, waarby den bedrijver een gebrek aan oplettendheid ton laste wordt gelegd; f. doldsuni, ceiw arglistige, boosaardige daad; naturae, een naluuriyk, toevallig voorval, toeval; factum in feet urn figri nequit, sprw.; gedane dingen hebben geen keer; facta commwïfa, pl. Jur. handelingen, die met wederz.Udsche inwilliging des eisehers en dos gedaagden geschieden; facta conctudcnïïa, feilen, nil welke niet logische zekerheid gevolgtrekkingen gemaakt kunnen worden; res factt, f. de gebeurde zaak, het feit; species facti, z. specios; — facto, door do daad; de facto, \\t)\\-gons de daadzaak of werkeHlkbeld, inderdaad; ii|i eigen gezag, eigenmachtig, dadelijk, zonder verdere omstandigheden, zonder aanvraag; do facto et absque jure, op eigen gezag en zonder recht, eigenmachlig en wcderrecblclijk; in fado, Inderdaad, werkeiyk; — factisch, adj. teite-iyk, werkelijk, wezenUjk; op feilen gegrond, door feiten bewezen, uitgemaakt; facti-sche omstandigheden, feiten, invloedhebbende gebeurtenissen.

Factuur, f. lat. {factura, het maken, do vervaardiging. It. fattüra) de lijst der afgeleverde waren met de berekening der pryz.en, de warenrekening, koop-, inkoop- en verkooprekening; — het factuurboek, het hoek der goederenrekening; facturier, m. fr. (spr. fakturjé) de handelsbediende, welke dit boek houdt; — facturooren, nw.lat. over verkochte of ingekochte waren omstandige rekening attcggen.

Faculteit, f. lal. (facültas, samengetrokken uit facHttus, vaardigheid In het doen) de na-tuuriyke kracht, gave, geschiktheid, het vermogen om iets te doen; Med. de kracht, die de verrichtingen In bet levend lichaam bewerkt; ile volmacht, bevoegdheid; op boogescholen; eene der hoofdafdeellngen van de gezameniyke wetenschappen: godgeleerdheid, reebtsgeleeril-beld, geneeskunde, wijsbegeerte en letteren; ook de gezameniyke professoren en doctoren, die tot een hyzonder welenschappeiyk vak beboeren; — facultatief, adj. tot een ambt, bedrijf, enz. bevoegdheid gevend, bevoegdmakend, mach-tigend; aan eigen keuze of eigen oordeel overgelaten; vrygesteld, li. v. sommige leervakken aan zekere scholen ; facultatief burgerlijk huwelijk, waarbij liet don burgers vryslaat het kerkciyk of wol hol burgerlijk huweiyk Ie verlangen, in legenst. met het verplichte hurgeriijk huwelijk; facul-tist, m. een medelid eener faculteit.

Facunditeit, f. lat. {facunitilas, van fn-cündus, n, um, bespraakt, van fari, sproken) de welsprekendheid, de sicriykheld van taal, redenaarsgave; — Facundus, m. en Fa-cunda, f. mans- on vrouwennaam; de welbespraakte.

Fadda, egypt. zilvermunt = de turksche para of ak t sjé = | piaster.

fade, fr. (wanrsch. van \'t lat. fatuus, met uitvalling der u; vgi. fat) onsmakeiyk, laf. Hauw. smakeloos, zouteloos, onbevallig, wanvoegiyk;

— fadeur, f. lafheid, smakeloosheid, ongezou-tenlioid, zouteloosheid; — fadaise, f. (spr. fndèz\') bouzelary, zotterny, nieligtield, wissewasje, lalte taal, platheid, nnnoozele praat.

faeces of feces, f. pl. lal. (v. slng. faex, fex heffe, droesem, drab, grondsop, moér; ook de drek, de uitwerpselen; — feecula, f. Chem. een uil geperste plantensappen op den bodem ncderslaand meel, zetmeel (z. v. a. amylon);

— faseaal, nw.lat. de ullwerpselen I)etrelfende. drek bevallend; faeeale stoffen, drekstof-fen; fcecaliön, pl. dreksloiron, z. v. a. faeces; — fseculént, adj. {faculéntus, a, um drabbig, ilik, troebel; — fceculéntie (spr. t-ts), f. (faecutentia) het ilikko, drnbhlge bezinksel, bet slibblge, onzuivere; — fteculomo-tor, m. (fr. firutomètre) loestel om bet wa-tergchalto van zetmeel Ie bepalen.

Ffigara, f. (van \'1 arab. fauhirah, de naam eener aromatische plant) een nitbeemsch plan-tengeslacht, waarvan eene soort, do viengelfa-gara in /..Amerika, wegens haar ijzerbard houl ook sl aalboom heet, de zadelboom.

F\'agine, f, nw.lat. (van \'1 lat. /«(/us, f. de beuk) Oliem. ecne uil de bouknoten getrokken biltere piantenslof; fagopyrum, n. lal.-gr. dc boekweit.

Fagót, m. en f. fr. (Hal. faqóttn, provenc. fa-uot) I) in. takkenbos, rUsbos, mutserl; 2) f. ecn houten blaasinstrument met vollen, diepen loon. ook bass on (z. aid.); —fagotaille, f. fr. (spr. —tatj\') de afdamming met rUshont of takkenbossen; fagotooren, takkenbossen maken, ryshout binden; onder elkander werpen; bc-lacbiyk kleeden; — fagoteur, m. een takken bosbinder; een broddelaar, knoeier; fagotier, m. (spr. fanotjé) een potsenmaker; - fa-gotin, m. (spr. —ten) een aangekteedo aap-, hansworst; fagottino, m. Hal. eene kleinere soort van fagot, baspijp, ook tenor-fagot;

fagotist of fagottist, m. de bassonhla-zer, fagotspeler.

Fagus, f. lat. Hot. beuk, boukoboom.

Faham, n. theesoort van het eiland liourbon.

Fahlerts, n. bgd. {fahlrn) eene zeer samengestelde zilverhoudende delfstolTeiyke verbinding.

Fahr, m. arab. muis.

faible, adj. fr. (spr. fèhV-, it. ficente, v. lal fletiitis, klaagiyk) zwak; als subsi. n. dc zwakheid, zwakheid of neiging voor iets-, — fai-bleeren, fr. (faiblir) zwak, onmachtig worden ; afnemen, verminderen; — faiblage, f. fr. (spr. fèbtd-zj\') clg. verzwakking; bet te min ia gowichl en gebalte, dal den muntmeesters


-ocr page 487-

FALDAGE

471

FAIENCE

is toogestnnn, do romodlo; — faiblesse, f. (spr. fébtess\') de zwakhotd, zwakte, krachteloosheid; onmacht, lekortkoming; llauwto, ho-zwUmlng.

Faience, z. fayenee.

Faille, f. fr. (spr. futj\') eene zware zyden slof, welke do vlaamsche vrouwen als sluier of sjerp om hoofd en schouders dragen; —fail-leeren, faillite, enz., z. oud. fall loeren.

Faineant, m. fr. (spr. fène-an: van faire, doen en néant, nlels, II. nienle, van \'I lat. ne, niet, en ens, enlis, wezen, ding) een nietsdoener, doeniet, ledlgganger, lantorfanter, slraat-siypor, dagdief, luiaard; — faineantoeren (fr. fainénnler), luieren, ledlggaan, dagdieven;

— faineantise, f. (siir. fine-uiiliéz\') de lediggang, luiheid, liet ledlgloopen, straatstypen, lanterfanten.

fair, adj. eng. (sin-, fèr) schoon, fraai, mooi; fair play (spr. —plee), eerlijk spel; fair fiijhl (spr. —fail), eerlijke stryd; by wedrennen: In orde, naar den regel; In den handel liy de soorten van koopwaar: minder dun lijn en dan nog onderscheiden In fair en unml (spr. f/oerf) fair:

— fair, f. jaarniarkt, nils; z. fancy-fa Ir.

faire, fr. (spr. fèr) maken, doen; faire part

(s|ir, par), mededeelen; lellre de faire pari, kennisgeving.

Fairy, f pi. fairies, eng. (spr. fèri, fi-ries: v. oudfr. faerie, toovery, faer, toovery, \\. fae, fee, z. aid.) de fee.

faisabel, fr, (spr. fezabel, van faire, doen, maken) doeniyk, mogeiyk nil te voeren; raadzaam; faisancen, pl. (spr. fezdiisen) verplichtingen, tieorendlensten, Inz. van eenen pachter hoven zyne te helalen pacht; faisour, m. (spr. —fez—) een maker, verrichter; Inz. onruststoker, opruier; de werkmeester of werk-dadlge uitvoerder (agent) van plannen in liet staatkundig leven, In diplomatieke hetrekklngen, enz. (h. v. de falseurs van een minister, die zgne plannen uitvoeren, enz.); ondernemer van actle-maatschappyeii; faiseur licxprit (spr. dhpri) lomand die gaarne geestigheden dehiteerl; — faiseuse, f. fr. (spr, fezeuz\') een verstandige aanlegster of liestuursler van gelielnie ondernemingen; ook: modenaalster; — fait, n. (spr. (b) oen feit, eene daad, z. v a, \'I lat, faclum;

— fuil accompli, voleindigde daad, eene niel te herroepen gebeurtenis, voldongen feit; — fait van iets maken, gebruik of aanwending van Iets maken, zich met Iets liezighuuden of er al zyne vlijl op aanwenden; Iets dryven; ook zich daarop laten voorstaan, zich daarmede gewicht byzetten; au fail (spr. ofi), eig, by de zaak of daad, by de werkelijke toedracht der zaak; vandaar van Iets au fail zyn, hel ten volle verstaan, wel begrijpen, in eene wetenschap of kennis ingewydzijii; Iemand au fail (van iets) brengen, liem opheldering daarvan geven, aan \'t versland brengen.

Faisanderie, f, fr. (spr. fittaiiderie), ■/.. f a z a n e r 1 e.

Faisserie, f. fr. (spr. /fes—,- v. faisse, lat.

en It. fascia, bundel, band) opengewerkt of doorzichtig mand- of korfwerk.

fail, /.. ond. faisabel.

Faja, f, sp. (spr. fucha; vgl. fascia) hand, sjerp.

Fakirs, pl, arah. (faldr) eig. armen; ino-liamedaansche bedelmonniken (d e r w isc li e n); Indische kluizenaars, die zich zeiven op velerlei wijzen pynigen.

Faktor, faktoor, faktorier, zie fact- ,

Fal, n, perz, hoekorakel, het raadplegen van een openvallend boek of door liet insteken van een speld.

Falak of liever falakah, turk. (v. \'t arah, falali, fihih, spleet, tets opgespletens, v, falaka, sptyten) een hout met eenen strik, waarmede In Turkye de voeten worden vastgesnoerd van zulke overtreders, die de hastonade moeten ontvangen; ook z. v. a. hastonade (z. aid.)

Falarica of -ka, z. phalarlka.

Falbala, f, fr. (oorsprong onbekend) een ruim geplooid boordsel, afhangende versierde zoom aan vrouwenkleederen, gordyneii, enz,

Falcade, f, fr. (vgl. het sp, falcadn, li, fal-caln, sikkelvormig gekromd, van \'I lal, fair, genlt. falcis, sikkel) In de ryschool; het sterke buigen der aciiterpooten van een paard, courbet les voorliet sliibouden, waarby het paard niet snelle bewegingen sehynt Ie gaan zitten; — falkeeren, eene falende maken.

falcatus, «, urn, lal. (vgl, falx) Hot, sikkelvormig,

falcidïa quarta, f, lat, .lur. het vierde ge-deelle eener erfenis, dat de erfgenaam van de door hem uil Ie reiken, te ruim gestelde legaten des erfmakers vooraf kan inhouden (naar den voorsteller dier bepaling, den rora. volkstribuun Ka leid lus la liet jaar il vóór Christus); In de nilddeleeuwen nu eens voor het wettig erfdeel, dan weder voor leder vierdedeel (zonder betrekking op erfenis) genomen,

Falcifëri, pl. lal. (v. falx, falcis, sikkel en fern, ik draag) sikkeldragers; - falcifórm, adj uw.lal. (fr. falciforme) slkkeivorinig, omgeslagen,

Falcöna, f. mid,lat (van hel lat,/»?™, valk fancon, m, fr, (spr. foknii) eene soort van vroeger gebruikeiyk grof geschut, eene veldslang (hgd, /\'(i/Aïiimc); - falconét, n, (verklw, van falrona) eene kleine veldslang, de kleinste soort van veldgoschut.

Falconarius, m, mid,lal. (It, fulconiere, fr faaennnier: v, lat, falen, fr. faucon, de valk valkenjager, valkenier; falconerie, f, (fr, fauconnerie) de valkenjacht, de valkery, vogeljacht met eea afgerlchten valk.

Falconets, m, pl. naiiolllaansche slaats-papieren (certificaten), naar den bankier Falconet In Napels (gest. tsitquot;) benoemd.

Faldage, a. eng. (spr. fdldedzj; mid,lal faldanium, van het angels, en eng. fald, fnld. schaapskool) het dryfreebt In Kngeland; liel recht van opslag van schaapshorden om scha-


-ocr page 488-

FALÜKTTA

47\'2

IWMIMK

lien tp parken; — faldfoe, n. (spr. —lie) ilryfKolil.

Faldétta, f. it. Idiir gewaad dor corsl-kaanscho vrouwen, waarvan liet achtereind over liet hoofd geworpen wordt.

raiding, n. enu. (spr. fól—) een fii of soort laken.

Faldistorium, n. mld.lat. (It. faldislorio, oudfr. faudestueil, nw.tr. fauteuil, v. \'I oudligd. I\'aldsluol, vouwstoel) de hlsschopszelel In de roomsi\'he kerk.

Falérner, in. een hü de oude Koinelnen licroemdo wijn uit het gebied van Kalerno in (\'.ampunle.

Falibonrde, f. fr. (s|ir. —boerd\') een sprookje, eene leugen, fahel.

Falië, n. turk. zundgat.

Faligoterio, f. fr. (spr. —fiol\'rie) gekheden, malle kuren, onnoozele stroken.

falkeeron, z. oud. f a I e a d e.

Fall of rood (spr. fdl of row/), eng. oude maat in Schotland = tl schotsche 01=«!, eng. yards = S,Willi nieter.

Fallacia, lat. (v. faliax, hedrieplijk, en dit van failure, hedrlegoii, inlslelden) het bedrog; l.og. eene hedrleglUke slultrode, een schynbe-wys; fallacfa «itffcu, een geziclits- of oogbedrog, eene oognilsleldlng; - fallacious, adj. (lat fallaciosus) bedrieglijk, misleidend, begoochelend.

falleeron, li. {fallire) of failleeron (sin-falj—), fr. [faillir, eig. feilen, ontlireken, zwak worden, mid lal. fallire, v. \'I lat. (allrre, misleiden, ontgaan; vandaar roinaanseh; ontlire-ken) of falliet itai. falliln) of failliet zijn, buiten zijn schuld niet hi staal /.(In om te be-lalen, zijni\' helalingen moeten staken, zich voor bullen staal ter betaling verklaren; falli-bol of faillible (spr. faljibel), adj. aau de dwaling onderworpen, fellbaai\'; fallibili-teit, f. de mogeiyklieid tot dwalen, teilhaar held; bedrlegiykheid; - fallimént (It. falli-menlo) of faillissoment, n. liever faillito, f. fr. (spr. faljiél\') het nnvcrinogon om te betalen, hel staken der betalingen, de betalings-onmacht, hel (niet frauduleus) bankroet; — een falliet (Hal. fallilo) of failliet, m. een ter betaling onvermogende.

fallopisch, adj. naar den ontleedkundige Gabriel Fallöpla (gesl. IliiiJ) genoemd; b. v. do falloplsche gang of do talloplsche waterleiding in hel slaapbeen d\'alloiiii canal is), de talloplsche eileiders of tronipetten [Fallnjiii lulme).

fallor, lal. ik word bedrogen, ik vergis my; ni fallor, ais ik mg niel vergis.

FalstalT, m. eng. een door Shakespeare (spr. sjieltsiiier) geschapen konilache llgnnr, een grooi sprekend, laf, zedeloos man, maai-vol geosl en humor.

Falaum, n., pi. falsa, lat. (van ftMfre, misleiden, hedrlegen) opzetleiyk bedrog, verval-sching, Inz. sehriflvervalschltig; — falsi-re-

kening, z v. a. rcuulu falsi, z. ond. regel;

— falso bordóne, II. of faux bourdon, fr. (spr. fn boerdóii) Muz. valsche steun of begeleiding (accouipagnemeril), b. v. In soxten-accoordon of als do vorBCliillende stemmen dezelfde nolen hobhen en de bas slochts een octaaf lager gaal;

— falseeren (tl. faisdre) ot falsiliceeren, nw.lat. vervalschon; — falsatie of falsificatie (spr. /=/«), t. vervalsching, schrlftvor-valsclilng; — falsanus, m. lat. een bedrieger, vervalscher, inz. een vervaischer van bandtee-konlngen, oorkonden, enz.; — falsót, n. (11. falsMIn, fr. faussel, spr. fosè) Muz. de discant-of allstem, die door de persing der luchtpyp woi\'dl voortgobraclil en de vrouwenstom nabootst, do faussetstom, valsche slem; fal-settïst, faussettist, m. die mei znlk eene stem zingt; falsiflcütor, m. eon vervalscher, bedrieger; - falsiloquium, n. lal. do valsche, bedrieglijke taal, leugen; fal-simonia, f. hedrlegerü, valschlieid; — fal-siteit, t. (later lat. falstlas) do valschlieid, onwaarboid.

Falx, f. lal. (gen. falcis, pl. falces) sikkel, snoeimes (vgl. falciform); arboraria en viniloria, tuin- en wyngaardi\'nlersmes; falcet murules, slangen niet stkkeivorniig gebogen ijzeren einden om inuron omver Ie halen; falces naralcs, sikkelvormige mossen aan slaken om het touwwerk van vijandelyke schepen door te snydon.

Fama, f. lal. (het gr. jihcnie, v. itbëmi, ik zeg) de mare, hel gerucht, do algemoene nleuws-tyding; do goede ot kwade naam, taani;.MvUi. de godin dor geruchten, do verbroidster van goed en kwaad, jongste dorhler der Aarde; salra faina, mei voorbehoud en zonder nadeel dos goeden naams; fama colul, de faam heetl vleugels -, famous, adj. (lat. faniusus, u. fc-mcu.c) befaamil of vermaard, zoo ton goede ais ten kwade, heroenul, heruchl, wereldkundig; ook wol: al wal uitstekend, in \'I oog vallend is; famosus libéllus, m. lat. oen schand-of schol-schrlfl, fameus lib él; fam sa nclïo, t. eeno aanklaebt, die de oor betreft; famüsus carmen, li. oen scliimpdiehl; fanhisum judictmn, een onteerond vonnis; —famositeit (spr. s=:i, f. (later lal. /VimosWos) de beroeiiidhelil; hot he-ruchl-zyn, de kwade naam; famösa, fa-raeuse (spr. .lt;=t), f. Hid. eene soort van anjelieren, die slochts op bel bovenste gedeelle van liel bloemblad met klourteokoning voorzien, doch van onderen aliyd wit z.yii; — fa-miaan, m. famiane, f. namen; de beroemde, de hekonde.

Fames, f. lat. honger; z. condlmenlum en a u r u m.

Familie, t. lal. {famiha, ooispr. do bedlon-den, v. fum/ihu, bodieiiilo; tr. familie) de liulso-lyke maatschappy (ouders, kinderen, verdere huis-genoolen, bedienden), het bnisgozin; de goza-meniyke, onder oenen huisvader staande verwanten; de maagschap, hel geslacht, huls, do stam; do afkomst, oorsprong; en familie, tr. (spr. aii famielj\') in de familie, in den kring


-ocr page 489-

FA MIS

473

KANT

iles gczlns, met (1« tot hel huls hclioorunilc personen (I). v. eten); — familie-verdrag, n,

overeonkoinsl nf vordraf? tnssclien ilc leilen cenor famlllo; —familiair, adj. (Int. fumiliam, ei nis uilverh. ook [amUiarilér of fr. familière-menl, vertrouwd, vertrouwelUk; Beinnenniiani, (lemoon, otiKCilwonffen, vrü; door gewoonte eigen; ook: al te geineenzaiiin, Indringend, opdringend;

— familiariteit, f. (lat. famUinr/las] de ver-Irouwelljklield, gemeenzame omgang, nauwe kennis-, — zich familiarisoeron (spr. s=z), zich vertrouwd of gemeenzaam maken; zich te voel vrUheld veroorloven; zich met eene zaak nauw hekend maken; familiaron, m. pl. elg. huisvrienden, vertrouwden, hulsdlenaurs, Inz. in do woningen dor hooge geosleiykheid in Spanje; kondschappers, spionnen, dienaars der inquisliu\'; uok iieilienden eener universiteit, enz. In Spanje; familisten, ui. pl. eene gods-dlensl|mrty in Kngeiand en Holland, die zich lot eene familla cnrilalis (lletdefamilie) vereenig-de, omstreeks lins door lleinricli Niklas uil Munster gesticht; — family compact, n. eng. (spr. fèinili knmiKkl) vereenlging van oud-engelsche famiilen in Canada.

Famis, m. fr. pi. Kml. smlrnasciie zijden sloifen, met goud doorwerkt.

Famn, m., pl. famnar, zw. eene zweed-sciie Icngleniaal, de vadem = (1 zw. voel = 1,7811 meter.

Famulus, m. lat. een dienaar, oppasser, helper, inz. de dienaar eens geleerden, eens professors aan de duitsche hoogescholcn, z. v. a. amanuensis; ook ile adsistoni van een arts;

— famula, f. diennres, oppasster, iielpsler; — famuleeren (lat. famulari), dienen, dienst doen als hedlenile of adslstenl, liedlenen, oppassen ; famulant, m. (fnmiilans) een dienstdoende, knaap, dienaar; - famulatuur, f. uw.lal. dlt;\' dienst, oppassing, het hulplieloon.

Fanal, m. fr. (arah. famïr, mlil.lat. fana-nuin, II. fanalc, van \'I gr. phunns, lantaren) eene schoeps-of havenlantaren; vuurtoren, vuurbaak, seinvuur op ile kusten of nan den ingang der havens; oneig. een wegwijzer, gids;- fa-nar, m. de wijk der Grieken In (\'.onslanlino-pel (zoo benoemd naar den daar slaanden \\uur-toren; nvv.gr. fanari)-, — fanarióten, m. pl. meest ryke grleksche faiuillën In (\'.onsianiino-pei, die afsiammen van de griekscbe fanilllcn, die bü de verovering van Conslaniinopel gespaard werden.

Fanam, ook fano, fanon, fanum, m.

(porl. fandn) eene gouden en zilveren munt van verschillende waarde In O. Indlë, van ongeveer li cents.

Fanar, fanarióten, z. oud. fanal.

fanatiek, adj. (lal. fanulicwi, a, um, van fanum, heiligdom, lempel) dweepachtig, dweepziek, vol zotte Inhceldingen, uil zinnig; fanaticus, fanatiek, m. (II. fanalicn, fr. fa-nulka) een dweper, geestdrijver, overdreven ij ver aar in godsdienstzaken, uitzinnige; — fa-natiseeren (spr. s=z), nw.iai. dweepnciiiige gevoelens Inboezemen, fanatiek maken; fanatisme, n. de dweperU, geloofsdwepery, hui-tensporlge Ijver voor geloof en inooningen.

Fanchon, f. fr. (spr. faiisjnii) verkiw. van i\'rancisca; Kransje, als meisjesiuiam; In de mo-dehandel: een licht lioofddeksel voor vrouwen;

— fanchonnétte, f. soorl van lijn gebak.

Fancior, rn. eng. (spr. frinsjer) liefhehher

van iels, li. v. Ilouier-fancier, liefhebber van hloenien.

Fancy, m. eng. (spr. fdnssi; van \'i fr. fan-taisie = pbantasie) inbeeldingskraelit; inbeelding, gril, luim, inval, enz.; vandaar fan-cy-artikolon, modewaren, weeide-voorwer-pen, enz.; fancy-fair (spr. —/eer), markt van modewaren; ienloonslciling en verkooping van vrouwelijke arllkelen tul milddadige oogmerken; fancy-cloth, n. gewerkle, gefa-conneerde slof.

Fandiingo, ui. een spaanscia\' volksdans, ilie in l maat met caslagnetlen godanst wordl.

Fandaróle of farandóle, f. een luch-tige, vlugge provencaalsi\'he dans ia J maal.

faneeren, fr. (/«ncr,- v. lat. fmum, hooi) verwelken, verleppen, vcrllonsen, mal of glansloos worden.

Fanéga, ook hanoga en fanga, f. eene graanmaat in Spanje en Portugal, schepel, ongeveer 55,1 liter; voorts een voormalige sp. akkermaal, ook fanogada genoemd - ;tl,2;w ares.

Fanfare, f. fr. (spr. fahfair\': waarsch. een klanknabonlsend woord) een Irompelsluk, vroo-iijk jachtsluk; liet Iroiapelgesclini by het inhouwen der ruilerij; ook geraas, groote ophef;

— fanfarón, m. eon pocher, grootspreker, snorker, snoever, zwelser, windbuil, ijzervreier, opsnyder; fanfaronnade of fanfaron-nerie, f. poclierU, groolspraak, snoeverij, zwel-serij, enz..; fanfai\'onneeren, opsnijden, pochen, den gebraden liaan spelen.

Fanfrolüche, f. fr. (spr. fniif/hhhf: oudfr fanfelue, 11. (anfiilacn, v. \'1 gr. pomphólii.f, blaas, walerbiaas; vrnnweiyke lioofdlool) beuzoilngen, strikken en kwikken, snorrepypery; eene kleine booze fee of loovergoilin in de fr. sprookjestlt-teratuur der middeleeuwen.

Fanga, f. voormalige porl. koieumaal, z. f a n eg a.

Faniteit, f., z. fanum.

Fankwas, pl. naaai der (europcesclie) vreemdeiingen ia Ohina en Japan.

Fanny, vr.naam: eng. nfkorling van Kraa-c 1 s c a.

Fano, fanon, ■/.. fa n a m.

Fanon, m. fr. (spr. fanóii. elg. lap, zwach-lel, v. oudhgd. funn, golii. (and, een sluk doek) een deel der pauselijke kleeding; Med. met stroo gevoerde spalk bg lieeubreuken.

Fant, m. boogdiillsch (it. fantc, knaap, jongen, inz. de boer In \'i kaartspel, verk. van in-fanlc, van \'1 lal. infuus, kind, waarvan ook hei oudd. fandin, fcnilo, voetganger, voctkuecht; z. infnnlerie) een jong. winderig lllensch, een


-ocr page 490-

FANTAISISME

474

FARNEiSlSCH

lotto, nlotsbeduidendo windbuil; vandaar lid vorklw. fantchon (spr. fenlchen).

Fantaisisme, n. tr. phantastische, van hel onderwerp urdwalcnde sclirgfwUze der niodorno letterkundigen.

Fantasie, beier phantasie (spr. s=i), f. It. [fantasia: vrI. phantiisle) Mnz. een luimig spel voor de vuist, een willekeurig spel, eene soort van muzikale Improvisatie;- fan-taseeren, lictor phantaseeren (spr. .«=«), zonder noten, onkel willekeurig naar zun gevoel en züne Invallen, voor de vuist, spelen; — fantast, z. p li a n I a s l; — fantöme, z. li h a n I (i m o; — fantasmagorie, z. p li a n-I a s m a g o r I e; — fanlaslico, fanlaslka, fantas-licamente, Hal. Muz. wonderlijk, zonderling, luimig, grillig.

Fantoccini, in. pi. (spr. fantolsjini) It. (v. fantncHo, pop, v. funic, kind, knaap; vgl, tan I) een drnagbaar poppenspel, een rnnzobons.

Fanxim, n. (elg. een door woorden ten heiligdom gewijde plaats, v. fari, spreken) eene aan de godheid gewijde ruimte, een heiligdom, tempel; ■/.. ook fanani; — faniteit, f. Inwijding.

Faqnin, in. tr. (spr. faken, v. \'III. facchim, lastdrager, z. aid.) een bouten man of eene pop, naar welke men In \'rülianen met de lans stool; een nlelswaardlge kerel, rekel, sciioti, schobbejak; een onnoozele, ydele gek; — faquine, f. (spr. fakien\') een slechl, gemeen vrouwspersoon, eene siel, enz.; — faquineriën, r. pl. schelm- of scliurkenstreken, laagheden; — fa-quinisme, n. nw.lai. bel karakter, hel beslaan van een lioogmocdlgcn zol.

Far, ii. lal. spell; vgl. farina;—far, II. z. oud. dolce.

fara, li. zal maken of doen, li. v. Italia (ara da sc {?,. aid.)

Fara, m. (uil de talen van den Orinoco, fr. faras, m. of farasse, f.) bel zuid-amerlkaan-sche buideldier, z. opossum.

Faradayisme, farada\'isme of fara-disme, n. de door den engelschon naluurkun-dlge Faraday (spr. fèrèdce) in is:tl onldekle I n d u c 11 e - e i e cl r I c It e 11 (z. aid.); — fara-disatie (spr. -zd-tsie), f. Med. de aanwending daarvan lot geneeskundige docleliideii.

Faramanon, pl. In hel liourgondisclie rijk der eerste middeleeuwen de voornaiiien, zooals de ioniliardisclie a r I m a n e n; vgl. f a r a in u n d.

Faramioten, in. pl. eene mohamedaansche sccte, die de leerstellingen van A11 volgt.

Faramund, oudd. mansn. (van fara, hel geslacht, munt, f. Iieschcrming) beschermer van hel geslacht, famlllescliuls; of hescliermer op reis.

Farandóle, z. fandarole.

Faras, m. arah. het paard (ook in \'t schaakspel).

Faratélla, f. een gewicht op het vasteland van O.IndlB = 0,850« kilo.

Farce, f. fr. (spr. furs\': van \'I lal. farsus, partlc. v. farcire, sloppen, vullen) i) hei vulsel, lijn gehakt, met bescliullskrulm, kruiderij, enz vermengd vleescli lol vulsel; 2) elg. een gemengd stuk, een mcngelstuk; oen kluchtspel, grappig nastukje; malle kuur, snakerU, kiuchi, heiaclilijke streek; — farcaur, m. een grappenmaker, koddige of drollige vent,hansworst; — farceeren (fr. farcir), vullen, met vulsel stoppen •. — gefarceerd, opgevuld, volgestopt, Inz. van wild, vlsch, enz., h. v. een gefarceerde snoek; — farcisseur, m. een paslel-liakker.

Fardage, f. fr. (spr. fanld-zj\') Mar. rijshout, dat ter wering van do voclitiglield In het ruim wordt gelegd; mittelooze, hinderlijke voorwerpen, opperlast.

Fardel, n. hoogd. (It. fardéllo, fr. fardeau) een bundel, pak; ook eene verouderde maat voor ellesloü\'en.

fardeeren, fr. (farder, v. fard, blanketsel, v. \'I eudhoogd. gi-farit, ni-farwit, v. farwjan, verven) blanket!en, opsmukken, een schoon voorkomen geven; een selioonen glans of de appr6-luur aan lakens of sloifen geven; boinantelen, verbergen.

Farding, ■/.. fa rilling.

Farenteit, z. g o r d I u s, ond. g o r d 1 a a n-scli e k ii o op.

farewell, eng. (spr. férwél) vaarwel! adieu! hel afscheid.

farfurae foiïii, pl. (nw.lai. farfarn) in de phnrmacie: de bladeren van het hoefblad (Tus-s(/fl(/o farfara).

Fargard, m. perz. afdeeling, hoofdstuk, ni. van den Vendidad, een gedeelte der Zendavesta.

Fargot, fargo, m. In België en Noord-Frankryk: eene haal koopwaren van ij- een-ienaar.

Faribólen, f. pl. fr. (slug, farihole) sprookjes, gekheden, zotheden, vodderij, wissewasjes, praatjes voor den vaak.

Farina, f. lat. (v. far, koren, grof meel) liet meel; far ma hordii prueparïïla, bereid ger-siemeel, een geneesmiddel; —farineus, adj. lal. {farinösus, a, urn) melig; Piel. te dof, te mal van kleur; farien,farine-suiker, f. gele meel- of poedersuiker, keukensuiker; z. m o s c o v a d e.

Farinélla, f. nw.lai. eene soort van paddenstoel of chainpignon.

Farinét, m. fr. (spr. farinè) de dobbelsteen, die slechts op eene der zes zijden oogen Heeft.

farineus, farinösus, z. ond. fari na.

Faring, z. flerdliig.

Faris, in. turk. ruller.

Farizeër, enz., z. pha rizaeër, enz.

Farm, f, eng. (z. v. a. hot fr. ferme) eene pacbllioeve, boerderij; — farmer, m. een pachter, hoefpachter; In Amerika: een kleine grondeigenaar, oen vrije eigenaar.

Farmassoen, m. turk. (verbasterd uil fr. franc-macon) vrgmetselaar.

farnesisch, it. uit do galerij der villa Farnese te Rome afkomstig, b. v. de Farne-


-ocr page 491-

FAR NIENTE

475

FAT

slsclic stlcr, do f. Horculos, boroeindo boeld-houwworkcn.

far nienle, z. dolce.

Faro, in. It. vuurtoren; vrI. pharos; — faro, n. 1° z. v. a. pharospel; 2° (,\'ollef-Koosd bier tn Belglö van zuren smaak.

farouche, adj. fr. (spr. faróésj\': v. liet lal. ferox) wild, schuw, schuchtor, nionsclionschuw; ruw, gostrong.

Farrago, f. tat. (v. far, ■/.. farina) con mengsel, mengelmoes, lionl iillerlel; —farraginous, adj. nw.lat. verward, gemengd.

Farsang, m. (vgl. parasange) ook agatsj, oene voormalige turksche niyt = .ïnoi motor.

Farthing, m. eng. (angels, feonlhung, als ware \'I eng. fourthing, doellng In vieren, hel vierde dool) de kleinste eng, munt = ^ penny (z. aid.); onclg. Iets onheduldonds, van zeer geringe waarde; —farthing-satin, smal zu-den band, züden boordsel; — farthingdeal (spr. —(/ie/) of onkel farthing, farundel, hot vierde gedeelte van een morgen of acre = 0,10129 bunder.

Farthingale, m, eng. (spr. —f/i\'p/,- »11 het fr. verltuiadc, z. aid.) hoepelrok der boerenvrouwen In Engeland.

Fartor, m. lal. Iemand die ganzen, enz. most en vol maakt.

fas, n. lat. (elg. do goddelijke uitspraak, het goddelijke recht, v. fari, zeggen) recht, tilliyk-held; fas et nefas, recht en onrecht, rcclilina-llgo en onrechtmntlgo middelen; per fas el nefas, met recht en onrecht, op allerlei wegen.

Fasces, pl. lat. (van don stug. faseis, In \'1 algemeen bundel) de strafhundols, een liim-del roedon of stokken, rondom eene uitstekende |iül gebonden, de pUlbundels, die als teokon van gezag door de liet ores vóór de booge ovorbeldspersonoii In het oude Rome gedragen worden.

Fasching, m. (spr. fdsjing) In Opper-Duilschland: vasteiiavond, carnovBl.

fasna, f. lal. een band, windsel, zwachtol; faseia invérsa, f. C.blr. het omgekeerdo of omgeslagen windsel; /\'. Inla, elg. de breedo zwacli-Ul; Anal, de breede (Hischeede, een pezig vlies, dat do spieren van de bovemUi omgeeft; f. slel-lalii, Chlr. hol slerverband; /\'. Iriani/ularis ail ocülns, het driehoekig oogvoiirand; fasci-oeren (lat. fasciure), met zwachtels omwikkelen, ombinden; — faseilltie (spr. /=/.«), f. nw.tnl. de Inbinding of inwikkeling In zwachlels of windsels; — fascialux, n, um. Hot. gezwach-teld; — fasciola, lat. (vorktw. v. fascia) kleine fascia, bandje.

Fascikel, m. hgd. (lat. fascinïlus, verkiw. van faseis) oen biindol, bos, pakje, eoiio verzameling, enz.; — faseieulalus, a, um, Hol. bun-delvormig; fascieuloeren, nw.lal. in bundels of bossen bijeendoen, opbossen, tot pakken tilnden.

fascinoeren, lat. {faseinurc, gr. basknincin) tietooveren, begoochelen, beheksen; vertilinden;

— fascinatie (spr. t=ls), f. (fascinafto) de zoogenaamde beheksing, botoovoring; verblinding, misleiding.

Fascines, f. pi. fr. (11. sing, faseina, van \'I lat. faseina, faseis, bundel) rgshmit, takkenbossen, mutserts, die bij waterwerken, bij den bouw van veldschansen, halloryeii, enz., ook by belegeringen, om de graclilon voor de vesting tol liet stormtoopon te vullen, gebruikt worden.

faseis, m. lal., z. boven hij fasces; faseis HKyor, m. lat. eene baal; faseis minor, oen riem papier.

Faseole, z. phase oio.

fas esl el ah hoste doeêri, lal. hot Is good zich ook door zün vyand le laten loeren (citaat uil Ovldlus\' Melamorphosen).

Fashion, f, eng. (spr. fésjen-, van \'t fr. faeon) dracht, mode, trant, snit, levenswys; rang, stand, staat; — fashionable, adj. (spr. fésjunnüh\'l) naar de mode, modisch; beschaafd, verfijnd, deflig, falsoeniyk, naar de wereld; een fashionable, een man van lljae beschaving, naar de wereld; een modegek, pronkeiije, In de laatste beteekenls ook fashionist.

Fassie, z. end. fateoren.

Faste, m. fr. (van \'t lat. fastus, trots, praal) de pronk, praal, zwier, pracht, lioovaardy-, — fastueus, adj. (fr. fastueux, lal. fastuosus) pralend, pronkend, zwierig, prachllievend, hoo-vaardig, hoogdravend; — fastuosus, lat. hot, scliltterend; trotsch; — fastuoso (spr. —toeózo), fasloso, 11. Muz. prachtig, plechtstatig, verheven.

faster, adv. eng. (comparallef van fast, snel) sneller, h. v. (afk. F) op het kompas van eng. uurwerken.

Fasti of fasten, n. pl. lal. (elg. de lysl der rechlsdagon, dies fasti) kalender of lijdwy-zor, kalender der feesten; jaarboeken, tydhoo-ken-, fasli majures of Capitolini, marmeren tafelen, op liet kapltool te Rome geplaatst, en waarop de namen der consuis, dictators en andere rogeeringsporsonen, gelijk ook de merkwaardigste gebouiienissen worden gegrilfeld; fasli minnres, een feestkalender van de pon-lificos.

fastidious, adj. lal. {faslidiosus, u, um, van faslidfum, trotsche versmading, walging) langwyilg, verdrietig, lastig, walglijk; — fas-tidiositeit (spr. s=:), f. nw.lal. de Here verachting of versmading; fastidiöeren (lal. faslidire), afkeer ondervinden en uilen. Her versmaden.

Fastigium, n. lal. de gevel; —gofas-tigeerd (lal. fastinalus), gevolvormig toege-spllsl; •— fostiflalus, a. «m, lal. Hol. even hoog of getopt; — fastigatie (spr. /=(.«), f. het govelvormige spits toeloopen.

fasloso, fastuous, z. ond. fast e.

Fat, m. fr. (van \'1 lat. faliius, smakeloos) iemand vol ingenomenheid mol zich zeiven, die hy vrouwen veel meent te gelden of wiens opschik uiterst gezocht is, een ingebeelde zot; gekje, pronkertje, lafbek; als adject, (ook wei


-ocr page 492-

FATA 47« FAUNEN

fattig of zelfs fatterigi Rek, tiiRObceld, laf, vol clKPiiwuini; — fatuïteit, f. lat. (falmlas) lafheid, zolholil, migorUinillield als kovoIi? van verwaandheid.

Fata, ii., f. pi. van fiilum (z. aid.) Fata, f. mld.lal. en Hal., z. v. a. foo, z. aid.; — fata-morgana, f. It. opdoeinliiR, alhmospherlschü slraalhrekinff, eene soort van aezlehlsheilroK, waardoor mon In de vorto of aan den hemel als achterftrond, hij holder, warm en slll weder, heelden van allerlei voorworpen, als schepen, torens, kasteelen, enz. hespeurt, die zich toch Inderdaad niet daar hevlnden. maar een jievolu zijn eener hijzondere soort van slraalhreklntf, hij welke een teniperatuur-verschll van dicht op elkander liSRende luchtlagen van veel Invloed schUnl. De KiinsliRO oorden voor die luchtspleKolinp, welke hel hij-(seloof voor het werk der l\'\'ata of looversiodin Morgana houdt, zijn de kusten der slclllaun-sche zeeeiiRle, de liriiote zandvlakten van Per-zlti, Neder-KRS\'pte, enz.

fataal, fatalisme, enz., z. oud. fatum, fateoron, lal. (faleri) hekennen, helgden;

— fassio, f. nw.lal. de bekentenis, aanulfte, Inz. ile aaiiRlfte van vermogen of Inkomsten.

Fiitha, f. arah. zilver.

Fathom, n. (angels, fadhem = draad) de en;*, vadem = \'2 yards = 11 eng. voeten of ongeveer l.s:i meter.

fatigooren, lat. {fuligUir) of fatiguoo-ren, fr. (faliguer) vermoeien, afmatten, uil putton; lastig vallen; uitmergelen (een akker); Piet. \\ Sculp, al Ie gekunsteld, te angstig bewerken, zoodat de losheid en frischheld verloren gaan; In de kookkunst: salade fatl-geeren, de saladebladeren een weinig slap maken door omwenteling in de toebereide pikante saus; - fatigant, adj. vermoeiend, afmattend; langwijiig, vervelend; fatigutio (spr. lie—luie), f. lal. (fnligalto) de vermoeienis;

— fatiguo, f. fr. (spr./\'«//ct;\') de vermoeienis, vermoeidheid, de afmattende inspanning.

Fatiha (ol), arah. (ftilihiil, elg. de aanvang, v. fuiuhn, openen, aanvangen) de eerste so ere In den Koran, het hoofdgebed der Mo-hamedanen.

Fatime of samengetrokken fatme, arah. [fdlitml, van fulama, ontwennen) vr.naam; de kinderspenende; de naam van Mahomeds dochter; vandaar Fatimiden, m. pl. de naam eener reeks van khallfen in Egypte, die van haar en haar gemaal AU zelden af Ie stammen.

fatisceoron, lal. (futi.iri:re) vervallen, ver-weeren.

Fatsoon, z fa con.

fattig, z. oud. fat; — fallura, II., z. v. a. factuur; Fatua, z. Kauna, ond. Fau-nns; — fatuiteit, z. ond. fat.

Fatum, n. lal. (elg. het door de godheid gezegde of bepaalde, de godspraak, v. ffiri. zeggen, spreken) hel noodlot; \\l\\lli. een zoon van den lirebus en de Nacht; de hiindc, onvermy-delüke voorheschikklng der gebeurtenissen zonder grond en doel, het lot, de heslemnilng; pl. fata, lotgevallen sic eunl fntn lionvnuiii, zoo gaan der monschon lolgovallen of zaken; — fataal, adj. (lal. fatuHs, e) door het noodlot beschikt, noodlottig, onheiihrengend, verderfe-Hjk, ouvermydelük; leelük, nelelig, treurig, heilloos, onzalig; walgiyk of oniillstaanhaar; - fa-lulf, n., pl fulatfa, een bepaalde rechtsterinyii, binnen welken Iels verricht moot worden, zal er niet iels nadeoligs uil volgen voor hem, wleu dat uitstel wordt toegestaan; fulale damnum, n. Jur. een onvermijddüke, door geen voorzichtigheid af te wenden schade; — fata-lismo, n. nw.lal. het geloot aan do loer van een onvermijdelijk noodlot, de noodlotsleer, Inz. Theol. de leer van de onhepaalde voorhescliik-klng lol zaligheid of verdoemenis; vgl. pra\'-dostlnatio; — fatalist, m. een aanhanger van die leer, een noodlolsleeraar, vriend der voorhoschikklug; — fatalistisch, adj. op het geloof aan een onvermUdelUk noodlot hotrek-klng hehhonde, daaraan gelooven, h. v. fatalistische we rel dhosch ou w i ng; — fataliteit, f. (later lal. falalilas) het onvermij-delijk noodlot, een ongeluk, eene woderwaar-dlgheld, een rampspoed; noodlottig voorval.

Faublas, m. (spr. fnbld) de held van eeneu in \'I begin dezer eeuw vermaarden zedeloozen fr. roman {«les amours de raublasquot;), van Lou-vet, den hekendon OirondUn.

Faubourg, m. fr. (spr. fobner -, oudfr. \\\'ov-bouro, forsbourn, van \'I ial. fnris, buiten, en bniirii, vlek, mld.lal. burqus) de voorstad; inz. de parUsche voorstad SI. Germain op den lin-keroevor der Seine (h\'aulmuru SI. (iermnin) en ile naar haar zich noeinende oude aristocratie, wier hoofdzetel zü is.

Fauces, pl. lal. smalle doorgang.

Faucheuse, f. fr. (van faurher, maaien; maalmachlne (voor gras).

Faucon, z. f a I c o n a; — fauconnior, m. fr. (spr. /Vj/io/ijV) valkenier; — fauconno-rio, f. vaikerü, z. falconorle; — fauoon-nière, f. (spr. fnknnjèr) valkeiderslasch.

fauflleoren (spr. /\'o—), fi\'. l\'au/ller: v. fam-, valsch en filer, r(|gen) rijgen, met zeer wyde steken naaien; kennissen aauknoopeu, vorbln-tcnlsseu aangaan.

Faujas, bij naluurwelenschappelUkc benamingen voor IV l\'aujasde Salnl-I\'ond (gesl. ISlit).

Faulde, f. fr. (spr. fAld\') plaats waar kolenbranders bun handwerk nlloefenen.

Faunen, m. pl. lat. (stug. I\'amus, pl. Fauni] rom. Myth, veld- of bosebgoden met horens, bokspooten en staart, voorgesteld als laag-zinneHjke, ontuchtige, geile wezens (z.y waren nochtans minder leeiyk dan de satyrs, z. aid.); vandaar: oen zlnnoUjk, ontuchtig, geil man; — fauna, f. de dieren, die In oen iiy-zonder land of oord inheemsch zyn; ook eene beschrijving on lyst daarvan; — faunésk of faunisch, adj. naar een lioschgod geiykCnd, grof, ruw, plomp, zinneiyk, ontuchtig, geil; — faunist, m. dierkundige.


-ocr page 493-

I\'AUSSAIRE

477

FAVOR

Faussaire, m. rr. (spr fo-sèr\') = lat. fa I-s ar lus, t. alil.

Fausse-alarme, f. fr. (spr. fans\'—, van l\'nux, (ausse, valscli) Mil. oon loos of vnlsch alarm, onnoodlRC wapenkreet; — fausse-attaque, fr. (spr. fnos\'alldk\') oon selignaan-val;- fausse-braie, f. (spr. — W) de on-derwal, lienoilenwal; vooikiuikI cif terras van een slot; — fausso-carto, f, (spr fnos\'kdii) kaart zonder waarde, dlo geen punt telt, Inz. eeno kinine kauri, dlo geen troef Is; — fausse-clof, f. (spr. —lilé) de valsche sleutel, loo-per, keizer; faiiase-corde, f. Muz. val-selie, niet zuiver gestemde snaar; ~ fausso-cóte, f. (spr. - knol\') valscho ril); — fausse-couche, f. (spr. —hncsj\') oene miskraam, Ie vroege hevalllng; —fausse-démarche (spr. foos\'-demdnj) of mesure (spr. -m\'zuur), f. valselie stap, verkeerde maairegel; — fausse-fenötre, f. een ijllnd vcnsler; - fausse-óquerre, f. (spr. —cftér\') zwel, houten seiiroef-passcr; — fauase-gorge, f (spr. —\'jnnj\') valsche hoezem, valsche horsten; — fausse-grossesso, r. (spr. —qrossés) valsche, gewaande zwangerschap; fausse-manche, f. (spr. —miuiy\') overmouw, morsmuuw; — fausse-messuro, f. z. f a u s s e-d é m a r c li e; — fausse-monnaie, f. (spr. —né) vnlsch geld; — fausse-page, f. (spr. -im-tf) de voorhandsclie tilei van een ijoek (doorgaans verkeerdelijk de fransche Hiel geheel en); -fausae-porte, r. (spr. poi\') hlinde deur; ook een gewoonlijk niel goliruiki, gesloten deurije; — faiisse-queiie, fr. (spr. —keu) een onzuivere slool, misstoot op hei hlijarl; — fausse-route, f. (spr. —mei) weg, waardoor men zich van hei gesielde dool venvijderi, verkeerde weg; — fausse-sortie, f. op het looneel: schUnafgang, om dadelUk terug te komen.

fausseoron (siir. foos—), fr. (fmmer, van fniw, z. aid.) verhiilgen, krommen, h. v. eene kling; verdraaien, li. v. eeiien sieutol; uil do richting of de rechte lUn geraken.

Fausset, m. fr. (spr. fo-sè), z. v. a. falset, z. aid.

FailSSOté, f. fr. (spr. fooïlé) valschheid.

Faust, Faustijn en Faustinua, int. (van faustus, gelukkig) mansn.; de gelukkige; f. Faustina; — Faust, inz. de naam van een in de volkssage heruclit loovenaar; door (loellie gestempeld lot het type van den gees-leiilk steeds werkzamen mensch, die alle weienschap heproefd heeft en door alles teleur-gesleld en onhovredigd is en dan uit de wereld van de hoeken en hei denken treedt In de wereld van hel genot en de handeling.

Faute, f. fr. (spr. font\'; oudfr. fnullc, 11. falla, v. lal. fa Hire, feilen, onihreken) fout, feil, gehrek, misslag, verzien; fnule d\'nrucnl (spr. dnrfidii), hü gehrek aan geld; fautc. de micux (spr. —mjeu}, iiij gehrek van heter; saus faute (spr. sn«—), zonder foul, ongetwijfeld, voorzeker, vast.

Fauteuil, m. fr. (spr. fo-lmlf: van 1 oud-hoogd. faldsluol; vgl. f a I d Is 1 o r i u m oen armstoel, leuningstoel; de eerezotel, de voorzltiers-stoel; in Frankrijk inz. een der \'i0 zeiels of plaatsen in de academie.

Fautor, m. lal. (van furêre, gunnen), fr. fautour, een hegunstlger, hesehe^mel,, hevor-deraar, schutsheer, patroon; faulor delicti, de hevorderaar of hegunsiiger van een misdrijf.

faiu, fausse, fr. (spr. fa, fooss\'i van \'i lal. falsum, o, um) valsch, onecht, onwaar; — faux-air, n. (spr. fozèr) hedrieglljke gelijkenis; — faux-argont (spr. fa-zanjdii), valsch zilver; faux-bond, m. (spr. fo-bnii) verkeerde terugsprong van den hal; onelg. overtreding of nict-vervuiling van zijn plii lii; — faux-bourdon, z. falsa hardline: — faux-bl\'illant, m. (spr. fn-briljdii) een onechte of valsche edelsieeii; in \'I algemeen valsche glans, hedrieglljke schijn, klaiergoud, schljnverdienste, valsche welsprekendheid, enz.; — faux-COl, m (spr. fn-kól) los boordje om aan hei hemd vast te knoopeii; faux-coup, m. (spr./\'»• kóé) een mlsstooi, misslag; faux-emploi, m. (s|ir. fozuiiploi) valsche rekening, waarin sommen als uilgegeven voorkomen, die het niet zijn; — faux-feu. Mar. hilkvuiir, een nach-ieiijk seheepssein mei iiuskruit; ook het afhran-den van hei pankruli; faux-fourroau, li. (spr. —foera) foedraal, waarin zich eerst hel eigenlijke foedraal hevindl; — faux-frais, pi. (spr. fa-frè) kleine onkosten, hljuilgaveii;— faux-frère, m. (spr fo-frèr\') valsche broeder, verrader; — faux-fuyant, m. (spr./Vi-fiin-jdn) oene uit vlucht, een valsch voorw endsel; — faux-jour, n. (spr. fa-ijoer) valsch liclil, verkeerde iichlgeving aan schilderijen; vallicht; faux-ménage, n. (spr. -dzj\'-onecht huwelijk, samenwoning liulien huwelijk;

— faux-pas, m. (spr. fa-pd) een misslap; — faux-plafond (spr. —foü), faux-plan-cher (s|ir. iilniisjé), n. plafond, zoldering onder ile balklaag tol vermindering der kamer-lioogte; faux-pli, m. vouw op eene plaats, waar er geen heiioori ie zgii; — faux-pont, n. (spr. —jiaii) Mar. do zoogenaamde koebrug, halfdek; - faux-somblant, n (spr. fa-saiildan) valsche schijn, misieiillng, verblinding;

— faux-titre, m. Typ. de verkorle titel op bet blad, dat den waren titel voorafgaat, voor-liandsche Hiel (hij verbastering vaak fransche lltel geheeten).

favi Ie linauis enz. (v. favëre, genegen zlin \'izlji gunsllg mei de longenlquot; uitroep des rom priesiers hij het begin van hei oiler aan de omringende menigte (gr. euphemèile), d. 1. bevorder het olTeren door aandachtige slilie en liet vermijden van alle storende of onheilige woorden; voert vrome redenen, onthoudt n van slechte redenen, bewaakt uwe tongen, zwijgt.

Favola, f. li. fabel.

Favonius, m. lat. (v. favcre, warmen) de wesienwiml, de zephyr der Komelnon.

Favor, m. lal. (van favëre, gunsllg zijn) faveur, f. fr. gunst, genegenheid, gunstheiiii-


-ocr page 494-

FAVUS

478

FECES

King, bPgunstlginR; bescherming, welwillendheid, goedheid, zachtheid, genade, vergeving; heleeW-held; favor defensiónis, lat. Jur. begunstiging der verdediging, d. 1. alle verlichtingen en verzachtingen, die eenen tieklaugde by een crimineel proces ten goede komen; in favorem, Jur. ten Kunsto, ten beste; in faróremprolis of iirotium, ten gunste der kinderen of nakomelingen; a la faveur, tr. onder begunstiging, onder hescherniing, met hulpe van ; en faveur (spr. «;(—), tea gunste, ten behoeve, ten voordeele; in trek, begeerd (van waren, effecten, enz.); par faveur, uit gunst of beleefdheid; — faveurs of faveurtjes, n. pl. gunstbetooningen; ook eene soort van zeer smal zUden lint; — faveur-dagen, Kmt. nazicht-dagen, wisseluitstel, z. respü tdagen; — favorabel, adj. lat. {fa-vorabilis, c) gunstig, genegen, voordeellg; — favoriseeren (spr. s=z), fr. (favoriser) begunstigen, gunstig of genegen zijn; — favoriet, m. (it. favorilo, fr. favori) een gunsteling, lieveling, in samenst. b. v. favoriet-paard, favorie t-sp U s, enz., het geliefdste paard, de llcveiingsspys, enz.; — favori, m. fr. ook bakkebaard; — favorite, f. de gunsteling, begunstigde, geliefde, b. v. sultane f a v o i\' i t e, diegene onder de vrouwen des sultans, wie hg gerekend wordt de meeste liefde toe te dragen en die hem den vermoedelgken erfgenaam des troons heeft gebaard; ook de naam van vele aanzleniyke landhuizen; N. II. het geelsnavellge waterhoen van Cayenne; soorl van omnibus; in bet kaartspel: de kleur of de soort der kaart, die gekeerd is en den voorrang boven de andere beeft, de beste, de kleur; — favorieten, pi. de bakkebaarden; — fa-vorietje, zeker modekrulletje aan den hoofdtooi der dames; — favoritisnae, n. barb.lat. liet stelsel of bet misbruik van het bevorderen der gunstelingen; de zwakheid om zich door lievelingen te laten beheerschen,

Favus, nw.lat.de honigraat; Med. een hoofduitslag mot bonlgacbtigc vochtigheid; — fa-vosieten (spr. S=J), m. pl. nw.lat. eene cel-vormige korualversteenlng; — favosus, a, urn, lat. Bot. celilg; honigraatvonrtig; favosus-tle-hiscens, Bol. met cellen openspringende.

faj\' el lubu, f. lat. elg. fakkel en trompet; de aanvoerder, aanlegger, raddraaier, belhamel, hoofdpersoon.

Fay of faye, f. fr. (spr. fay) een zware fransche (oorspr. vlaamsche) zyden slof; vgl. faille.

Fayal, m. een witte wgn van \'I geiykn. Vzorisch eiland; — fayaliet, n. een op dit eiland voorkomend, uil kiezeizuur eu Uzeroxydul heslaand mineraal.

Fayenee of faience, n. fr. (spr. fajdiis\'; it. faema, porcellana di h\'aemu) eene soorl van plateel-of aardewerk; soorl aardewerk, onecht of half porselein, halfgoed, zo» geheeten naar lie plaals der uitvinding Kalinza (lal. h\'aven-lia) in Italië; v. a. echter naar het vlek l\'ayence by Frejus in Z.Frankryk, alwaar

eene fabriek van fayence Is; vgl. majolica.

Fazant, m. (gr. phasianos, Int. phasia-nus, sell, amis, vogel, naar de rivier 1\'basis In Azië; fr. faisan) een vogel van het hoendergeslacht, welks vleesch zeer geschat wordl, goud- en zllverfazant; — fazanerie, f. een fazantenluin; — fazantstaart, de staart van een geangliseord paard.

Fazénda, f., pl. fazendas, port. (spr. j=s; z. v. a. sp. hacienda) groote landgoederen In Brazilië; — fazonda réal, f. de slaats-schalkist, de schatkamer, nnaucie-kamer in Portugal ; — fazendeiro, m. (spr. —don) de eigenaar van een groot landgoed, heereboer In Brazilië.

Fazzolétto, n. II. zakdoek, halsdoek. Fb., bü natuurwelenschappeiyke benamingen afk. voor J. C. I\'abrlcius (entomoloog, gestorven 1S08).

Féauté, f. fr. (spr. fe-olé; oudfr. féallé, prov. feallal, v. lat. fidelilas) leentrouw, trouw aan den leenheer.

febris, f. lal. (v. fervcre, koken, kokend lieet zgn) de koorts; —f. adynamica, zenuwkoorts; /\'. albu, wille koorts, bleekzucht; — f. ardens, heete koorts; — f. catarrhulis, verkoudhelds-koorls; — f. conlinua, aanhoudende koorts; — car reus, loopende koorts; — f. erelhica, onl-steklngskoorl; — /\'. gaslrica, dannkoorts; — /. heclica, terlngkoorts; — f. intermiltens, tusschen-poozendo of afwisselende koorts; —/\'. maligna, eene kwaadaardige heete koorts; — f. quart una, eene derdendaagscho koorts; — f. quotidiana, alledaagsche koorts; — f. recurrenx, lerugloo-pende koorts (hgd. rürkfallsfieber, eng. relapsing-fever) epidemisch optredende, typhusachtlge be-smotteiyke ziekte, met (0 a 8 daagsche) koorts-vryheld tusschen twee aanvallen; — f. remit-lens, met tgdperken van afneming afwisselende koorts; — f. lerliSna, eene anderdaagsche koorts; — febriciteeren (lat. febricilare), met de koorts behept zgn, de koorts hebben, aan de koorts loepen; — febricitant, m. [febrieilans) een koortsiyder; — febrifu-gium, n. nw.lat. bet afnemen, wyken, ophouden der koorts; — febrifüga, n. pl. koortsver-drgvende, koortsgenozende middelen; — fe-briel of febrilisch, adj. nw.lat. koortsachtig, knortsaardlg; — Febronia, f. vrouwennaam; de koortsachtige.

Febrionianisme, n. nw.lat. dat stelsel der kath. kerk, dat eene zelfstandige bisschop-pelijke nationale kerk In Duitschland ten doel heeft (opgeworpen door don wijbisschop te Trier, v. llontheim, die schreef onder den naam van Justus K e b ro n lus).

Februari, m. lat. {Februariua, van den oud-ltal. god der onderwereld Febriius, aan wlen deze maand, waarin het jaariyksche rei-nigings- of verzoeningsfeest [februa, pi.] der oude Komelnen gevierd werd, waarschynlijk was toogewyd) de tweede maand des jaars, oudtyds: sprokkelmaand.

feces, z. faeces.


-ocr page 495-

FECIALES

FELONIE

Feciales, llevor fctlalos (z. aid.)

fecit, lat. (perfect, van facêre, mukoti. doen) «f afgekort fee., hy heeft het gemaakt (oi) kunstwerken).

feculent, feculentie, feculometer, 2. tfficutcnt, enz., onder faeces.

fecundeeren, fecundatie, enz., /,. f (teil n deer e n.

Pëdawih, m. aral). uitvoerder der hevelen van den Sjeik el dsjehel.

Peddan, m. arah. (v. feihlan, oen Juk ossen, eene ploog) eene akkennaat in Egypte, NuhiiS, enz., ongeveer | morgen = ii kimt (doelen), in hot gewone leven = 59,i»n are, hy de bo-lastinghelllng slechts li,Ml are.

Federaal, federalisme,enz., z. fasde-rnal, enz.

Federal, m. eng. (spr. fédderel: vgl. f le-deraal) een vorhondene, froderallst (z. aid.) li. v. in den noord-amerlkaanscho hurgeroorlog federals, ile unie-mannen of aanhangers der noordelijke slaton, evenals geconforeerdon, de secesslonlsten of aanhangers dor zuldelUke staten; — federalist, m. (spr. fedderellist) In Noord-Amorlka oorspr. de naam voor de partij, welke voor het centrale gezag de grootst mo-KOlijke macht verlangde, later Nat ional Ke-puhl leans en dan Whlgs genoemd, zooals voor de tegenpartU, die voor do rcgoerlngen dor afzonderlijke staten do grootst mogelijke macht verlangden, den naam gold van A nil-federalist, later Democrat of Rcpuhlican, vervolgens Jackson-man, daarop Tory en later Locofoco.

Fee, f. (fr. fée, oudfr. feie, fae, it. fata, v. \'t later lat. fata, eene schikgodin, van fatua, waarzegster; naar liet volksgeloof, Inz. der col-tlscho en romanlscho landen; hovenmonschelUko vrouwelijke wezens, die waarzegsters en toovo-rossen zgn, doch eene beperkte macht liehhen, deels schoon gevormd en goed, deels leelük en hoos z(jn; eene toovergodln; — féerie, f. fr, de tooverkunst, holoovorlng; ook een hallet, waarin de tooverachtlgo veranderingen door de machiniston de hoofdzaak zijn.

fee, li. eng. (spr. fie: z. v. a. feudum, z. aid.) leen, c(jns, heloonlng, fooi.

Feinam, m. eene oudere koperen munt In lirllsch-lndle (In Surato), omtrenl = i cenl.

Feinte, f. fr. (spr. ft!ut\': van fcindre) de veinzerij, Hst, looze streek, vond, uitvlucht; een misleidende stoot hy het schermen, fint (z. aid.)

Foiticeira, f. port. \'spr. fetisern, vgl. fetlseh) tooveres; — feiti9eiro, m. (spr. —êro) toovenaar; — feitigo, in. hetooverlng.

fel, n. lal. de gal; — fel cai\'iiinnum, karper-gal; fel tauri, ossegal; fel vitri, glasgal; — - felline-zuur, f. nw.lat.-nederl. hel gal-zuur; — felleus, adj. (later lat. feltóms, a, urn), gallig, vol gal.

Fölar, n. soort kleedlngstuk der Tsjerkessen. fellco notte, 11. (felicdzje—) goede (elg. gelukkige) nachl; feticissima notte (s|ir. feliedzjissi-ma—) hesto (gelukkigste) nacht.

Felicitas, enz., z. ond. Fel lx.

Felin, fellin of ferlin, m. fr. (spr. —/lt;■« , een voormalig goud- en zllvergewleht te l\'arys en te Brussel, = 0,417 gram.

fêlina, pl. lat. de katachtige roofdieren; —-fells, f. kal. h. v. felis domesttra, hulskiit; felis leo, leeuw enz.

Felippo, z. I\'ll lp po.

Felix, lat. gelukkig;—felix, m. mausn. de gelukkige; — feliater, gelukkig, ook heil u! geluk er meOi! en z. v. a. hravo; — felir-merflis, gelukkig door verdienste, de zinspreuk oener door don handelstand gestichte niaal-schappy van beoefenaars en beminnaars der wetenschappen en kunsten te Amsterdam; — Felicitas, f. de vergode gelukzaligheid hy de oude Romeinen; — Felicitas Julia, f. de rom. naam voor Lissabon-, — feliciteeren, nw.lat. (fr. féliciter) geiukwenschen; jmur feli-cilcr, op visite-kaartje (gew. afgek. p. f.) om geluk te wensclien; — felicitatie (spr. tie= tsie], f. de gelukwensching, hellwensch, zogen-wonscb.

Feil, m. eene voormalige rekenmunt op de Farüer-eliandon, ongeveer = ll eenten.

Félla, m. turk. openbare omroeper; heraut.

Fellah, m. arah. (fattdh, van fulah, spiy-tcn, groeven, ploegen), landbouwer, landhouw-dryvend Arahier, Inz. in ligypte.

felleus, ■/.. ond. fel.

Fellin, z. felln.

Felline-zuur, z. ond. fel.

Felloplastiek, z. pbelloplastlek.

Fellow, in. eng. (spr. féllo: angels, felaw, van feliuean, volgen; ysl. felagi, deensch falie) gezel, genoot, makker, kameraad; ambtgenoot, medelid, inz. medelid van eene Inrichting voor hoogor onderwys, van een college in lingeinnd; l\'ellow of the Ceolonical Society, lid van hel geologisch geiiootschap; /■\'. of the Horticultural Society, lid der niaalschappy van tulnhouw; /•\'. of llie I.innean Society, M van het Linneescb gonoolschap; /•\'. of the Royal Society, lid van de koninklijke maatschappU van wetenschappen te Londen; F. of the Royal Society at Min-huriih, lid der koninklijke maatschappU van wetenschappen Ie lidlnhurgb; /■\'. of the Uoyal S. at Londen and ICdinburgh, lid der belde laatsl-gonoemdc niaatschappyoii; /■\'. of the Society of Anliqiuirians, lid van het oudheidkundig genool-schap; /■\'. of the ll\'ernerian Society, lid van het Wernergcnootschap; — fellowship, n. (spr. —sjip) het lidmaatschap, het aandeel aan eene geleerde stichting; — fellow-chris-tian, in. (spr. kristjen) medo-cbrlstonen; -fellow-student, m. (spr. stjAMent) medestudent.

Felook, I. (fr. felowiue, 11. felüca, felucca. van \'1 arah. felocka, van falaka, varen) een snelschlp, een lichl, lang en smal vaartuig zonder verdek, met zeilen en riemen voor do kustvaart In de niiddellandscbe zee vgl. galei.

Felonie, f. (fr. félonie, mid. lat. fetoniu, van felo, felln, een trouwelooze, opstandeling;


-ocr page 496-

FERMAIL

480

KELOUR

fr. i\'élon, 11. fellone, vun \'l colt. feal, bedrog, verraad) de scliondiaK der Iceapllclitca van oonon vazal Jcküiis zijnen leenheer, of ook omgekeerd, leonmlsdaad, leenpllchlsehondlng; Irouwbreuk j(!geiis de overheid; In Engeland Iedere doodmisdaad.

Felour, eene noord-atrlkaansclie koperen muni, omtrent = 1 cent.

Felp, z. fuli).

female, adj. eng. (spr. /feme/) vrouwelijk, voor het vrouwetyk geslacht bestemd.

femiiirus, a, um, lal. liot. vrouwelijk, slechts met stempel.

femininus, n, um (van femina, vrouw) vron-weiyk; een femininum, n. een vrouwelijk woord; — yenüns feminini, van bet vrouwelijk geslacht; — feminiseeren (spr. s=j), harh.-lat. vrouwelijk of verwijfd maken.

femme de chumbre, f, fr. (spr. faam\' de sjaiihr\') kamenier; — femme de charoe (spr. sjdnj\'), huishoudster; — femme dejournée (spr. zjoernée), werkster in dagloon; — femme de miniuje (spr. mend-zf), bulsbondsler; — femme du monde, femme honnêle (spr. nnnét\'), fatsoenlijke vrouw;

— femme pol-aii-feu (s|)r. polaféü), bnlsbontle-lijke vrouw, huismoeder; — femme enlretenue, z. ent r c 1 cn u e; —/\'emme imhliqm (spi1. —/ih-bliek), publieke vrouw, boer.

femoraal, adj. lat. (van femur, dij) wat het dUheen betreft, tot de beupen behoort.

Fen, ii. chln. z. Hang, tsjl en lan.

Fencibles, pl. eng. (spr. fénsibb\'ls, van fence, boschulten, verdedigen) kustbewaardois, strandverdedlgers.

Fenegriek, u. (lal. fcenum nraecum) elg. grleksch hooi, een sterk riekend medicinaal kruid, dat wel als huismiddel gebruikt wordl.

fenereeren, lal. (fencrari, v. fenus, rente) geld op rente ultleenon, woekeren; — fene-ratie (spr. t—s), f. (fenerulio) het woekeren, de woeker.

fenestratus, «, um, lat. Bot. getralied, ge-vensterd.

Fenotrage, f. fr. (spr. —Irdd:j\'. van fe-ntlre — lal. fenéslra, venster) het veusterwerk, de gezamenlijke vensters van een gebouw.

Fenians, pl. eng. eene, naar men beweerl, reeds In de 3de eeuw bloeiende, het land voor Indringers beschuttende, nu ook in Amerika verbreide lersche geheime broederschap, welke la den laalsten lijd zich len doel steil Ierland van Engeland los Ie maken en eene lersche republiek te stichten; — feniansvuur, n. een vloeibare brandslof, door de fenlans gebruikt om brand te stichten; —fenianisme, n. het politiek stelsel der fenlans; — fenianis-tisch, adj. tot de fenlans of hun systeem be-booremle, daarop betrekking hebbende; — fe-niër, m. bgd. z. v. a. fenlan.

Fenn, n. ijsl. moeras, draslanden, peelland.

feodaal, feodaliteit, enz. fr. voor f c u-daal, enz., z. feu du m.

Féodor, russ. mansn., z. v. a. Theodoor;

— Feodosia, z. v. a. Theodozla; — Fe-

odorowitsj, m. en Feodorówna, f.

russ. eigennamen; zoon, docbler van Keodor.

Fér., bil natuurwctenschapiielUko lienamln-gen afk. voor A. IC. Féressar (gesl. is:it)).

Fera, f. lat. wild dier, roofdier; — feri-nus, adj. den wilden dieren eigen; — feri-teit, f. (lat. fenlas) wildheid, wreedheid.

Fer a eheval, n. fr. (s|)r. fer a sj\'tvdl) elg. boelijzer; Mil. een rond buitenwerk.

Feraciteit, f. lat. {feracilas, van feraa;, vruchtlianr) de vruchlbaarhold.

Fei\'andine, z. Kerrandlne.

fer nut feri, ne feriaris /en\', lal. sprw.; draag of sla, d. I. will ge niet geslagen worden, sla dan zelf.

Ferculum, n. lal. (v. fenc, dragen) baar. herrc-, oen opgedragen gerecbl, een spysscbo-tel; pl. fercula, vroeger ouk: ollerpennln-gen voor geesteiykeu by biiwoiyksplecbtlglieden.

Férdinand, mansn. (gevormd uit bet sp. Fernando, oudsp. Ilemdndo, llerndnd, v. \'1 oud-boogd. Ilerinund, van heri, gotb. harjis, bel beer, leger, en nanllijan, wagen) de stoute In \'t leger, de stoute krygsman.

Feródsje, f. arab. een lurksch overkleed, naar imze kamerjaponnen gelykende.

Feretrum, n. gr. (phérelron, v. phérein, dragen) draagbaar, berrie, baar; een lykklsl.

Fenën, pl. lat. (ferme) feestdagen, vrye dagen, rustdagen, dagen van uitspanning; va-cantle; —ferine ranic/ilarcs, vrije bondsdagen, lioiiilsdageii-rustHiil; ~ feriales libri, de boeken ia de oude christenkerk, waarin de feesten der martelaren opgeteekend waren; — fei\'iaal, adj. de fei len helrelli\'iido; — forldlum tempus, n. de tyd, waarin huwelijken verboden zyn.

Ferik-pasja, tn. turk. (v. \'tarab. ferïh, afdeellng, z. v. a. divisie-generaal; — feriki-bahrieh, z. v. a. admiraal.

Fenc, In de zegswyzeir. iemand in ferio overtuigen, d. I. hem eono diacht slagen toedienen, afrossen (mol Iron, zinspeling op bel lat. ferire, slaan, en ferio, oen verouderd scholastiek woord, dat zekere soort van sluitreden aanduidde).

Ferka, f. arab. afdeellng, sectie, vereenl-ging van verschelden doears (z. aid.) onder t\'en sjeik.

Ferlót, n. een werktuig der papiermakers en boekdrukkers in den vorm eener oni er bel papier mede op te hangen en af te nemen.

Ferlin, z. fel In.

ferm, adj. (fr. ferme en als adv. fermemenl, van I lat. fir mus, «, um] vast, onbeweegiyk, sterk, standvastig, manneiyk, ferm; ferma, ook fermdlu, of fermate, f. II. Mnz. een aanhouder, bot aanhouden of de stilstand van het gezang of spel op (ionen toon-, — fermetó, f. fr. fermeteit, do vastheid, standvastigheid, de-geiykhebl, kracht; — con fermézea. It. Muz. met kracht en stoutheid.

Fermage, z. ond. ferme.

Fermail, n. (spr. fermdlj), fr. (v. fermer, sluiten, v. \'t lat. fir mare, vastmaken, bevesll-


-ocr page 497-

i EirriEL

FERMAN

481

Ken) In de wnponkunde: de Besp; - gefer-mailleerd, adj. (fr. fermaitlé) mot gcspon vourzlen, (tencspl.

Ferman, minder (!ood flrman, in. perz. (fermdn, lieve!) een schrlftelUk bevel des lurk-schon keizers, keizerlijke verlofbrief (palenl); pus, aanstelllriK, enz.; ook in O.lndlë do schrlf-lelijke vorgunnliiB aan vreemde kooplieden om handel Ie drijven, handelspas.

fermale, It, Muz. houdt op, slull, staat stil.

Ferme, f. fr. (van \'I lal. firma, ilevvUl zU aanvankeiyk met muren als hevesllud waren) de hoerdory, paehthoovo, meierU, het landgoed; de pacht, verpachting; — ferme moiièle, model-hoerderü; — fermier, m. (spr. fermjé) een pachter; —fermier général (spr. —zjenerdl), een opperpachter, henaining van hen, dier weleer de inkomsten (femes) des konings van Frankryk in pacht hadden; - fermage, f. (spr. fermn-zj\') liet pachtgeld, de pacht.

Fermént, n. lat. ferméntum, voor fervi-méntum, van fervcre, opbruisen, gisten) het gest- of gistiniddei, de gislstof, hel gisldccg, zuurdeeg, de gist, een stlkstofhoudend middel, dat door z(jne oplossing ook andere organische ■verhindlngen lot oplossing doet overgaan; — ferméntum morbi, n. (Ie ziektestof; /\'. ven/ric/\'tli, liet maagsap; — fermenteeren, dat. fer-men/are) In gisting brengen; gisten, In gisting geraken; — fermentabel, adj. nw.lat. voor glsllng vatbaar; — fermentatie (spr. lie= /.vie), f. de gisting, het gisten; onelg. de groote gemoedsbeweging, de volkswoeling, liet oproer;

— fermentatief, adj. gisting verwekkend, bevorderend.

Ferme-porte, m. (spr. ferm\'porl\') fr. (v. fermer, sluiten en porie, deur) do dourslullor, een Uzoren stang die de deur tooduwt; — fermez la porte (spr. fermé-) sluit ile do deur! (opschrift op deuren, die niet opengelaten mogen worden).

Fermeté, fermeteit, z. ond. ferm;

— fermier, z. ond. ferme.

Fermezza, f. it. vastheid, kracht.

Fermoir, n. fr. (spr. —modr, van fermer,

sluiten) boekenhaak of -slot, z. v. a. c I a u su u r; de slullhaak In plaats van eene gesp ook eenc soort vim heitel.

Fernambük, n. (naar do landstreek en stad Fornambuco of i\'ernambuco In Urazlllo) bruin-bout, eene voortrelToiyke, zware, zoor harde houtsoort uil Krazille In Z. Amerika, van roodachtig gele kleur; zy wordl geraspt Inz. lot verfstof en rooden Inkt gebruikt; ook bra-z 111 e li o u I gehooton.

fernec, it. (spr. feroolsje: van \'I lal. ferox) Muz. wild, onstuimig; ferociteit, f lal. iferocilas) de wildheid, wooslheid, giimmighoid; onmenschiykhold, wreedheid; — co» ferorila, II. mot stoulmoedlghelil, onstnlmlghold, woestheid.

Ferólia, f. hol. oen groote boom van Oulana, die het forofi, gesallnoerd of atlas-hout oplevert, dat eene schoono roode, mot geel go-\'vlamde kleur beeft, do atlasboom.

viKnm: nnuK.

Feronia, f. rom. Milh. eene oud-italiaan-sche, oorspr. sablnlscbe godheid, van duistere botoekenis; men lioudt baar voorde godin der boomvruchtoii, hoomkwookerUen en lustwaranden; v. ii. de godin der vrygolalon slaven; Aslron. een In INiit door Poters ontdekte asteroïde.

ferox, lat. Hot. wreed, slork gewapend; vgl. feroce.

Ferrade, f. fr. brandtoeken, hot merk, dat den stier in de zuideiyke landen mot oen gloeiend yzer wordt opgedrukt.

Ferrador, m. port. smid.

Ferradsje, m. turk. pols met wydo mouwen.

Ferrage, f, fr. (spr. ferra-tj\') bot loon der muntstonipolsnyders; ook dal der lakoniilnm-hoorders; hel boelen der misdadigers; het beslaan dor paarden.

Ferraille, f. fr. (spr. —ca/j. van fer = lat. ferrum, yzer) oud yzer, oud roosl; — fer-railleeren, (fr. ferrailler) elg. mot don (logon kloneren; hevig vechten; — ferrailleur, m. oen vochlorsbaas, voorvechter.

Ferrandine of ferandine, r fr. eene soort van halfzyden slof, welker inslag uil wol. katoen, enz. beslaat (naar den uilvindor Ker-randin benoemd).

Ferreiro, port. (spr. ei—ê) z. v. a. for-r a d o.

Ferrement, n. fr. (spr. ferremnn) yzer-work, hroektulg.

Ferrocyankalium, n. ook kalium-ijzercyanuur of geel cyanijzerka-lium, n. Chem. hloodloogzout of yzorhlauw-zuur kali. gewonnon uil dieriykon afval, potasch en yzer; ferridcyankalium, ook ka-liumijzercyanide of rood cyanijzer-kalium, n. uit bel vorige door chloorgas bereid.

Ferronnière, f. fr. een motalon voor-boofifband, dames-lioofdsleraad van paarlon, edelgesteenten, goud, enz (elg. y zerk oo pst er; zoo gehooton naar do schoono schlldory van Leonardo do Vinei, In belle ferronnière; men zegt ook dat deze naam gebruikt word voor eene maltros van Frans I, do vrouw van ze-koren Forron).

Ferrotypie, f. lal -gr. (v. ferrum, yzer en lf/lilein, slaan, drukken) pholographlo op yzer.

fermgineus, adj. nw.lat. (van fern/qo, yzorroost, v. ferrum, yzer) yzerhoudend. yzor-achtlg; roestkleurig; —ferruginösa, n. pi. yzerhoudonde geneesmiddelen, dlo eene samon-Irekkendo en hloedvonnondo werking bobben-, — ferruginositeit, f. Uzerboudondbold; roostkleurlgheld.

ferrum, n. lal. hot yzer; — ferrt/men, n. hot soldeersel; — ferrumineeren, samensmeden, aaneenwellen; — ferruminatie (spr. /=/.«), f. (ferrumimtto) hot samenwellon van bol yzer; do vorhlndlng van twee stukken molnai zonder oen dorde als soldeersel to gohrulkon.

fertiel, adj. lal. {ferfflis, e, v. ferre, dragon) vruchtbaar, vruchtgevend; — fertiliteit,

:it


-ocr page 498-

FEUDUM

FERTO

482

f. (ferlirtlds) do vruchtbaarheid, wellgheUl; — fertiliseeren (spr. S=J), harh.lat, vruchtbaar makon; bezwangeren.

Ferto, n. lat. (elft. Imperatief van ferre.-ferlo, laat zg wegnemen) dat gedeelte van het vermogen eens kath. priesters, dat hij In zijn uitersten wil aan de kerk moet vermaken.

Ferula, f. lat. het prlemkruld; In \'I algemeen een dun takje, roetje; de tuchtroede, de plak der voormalige schoolmeesters; C.lilr. spalk of scheen by \'t zeilen van gebroken pijp-beenderen.

fervént, adj. lat. {firvens, v. fervëre, bruisen, gloeien) Ijverig, vurig, blakend; hitsig, heet; — fervesceeren, (lal. fervescire) verhitten, ontgloeien, toornig worden, blaken; — ferret opus, lui. het werk gaat Ijverig voort; —fér-vor, m. lal. of ferveur, f. fr. de Uver, inz. bü zaken van godsvrucht, by bel gebed, enz. Innige vrome aandrift; hitte, gloed; —fervi-dor, z. 1 h e r m I d o r; — ferriilo, ferrida, fer-vidaménte, II. Muz. bezield, vurig; — con fer-vore, it. met vuur. Innigheid, ziel.

Fes, z. fez.

Fescenninen, m. pi. of fescennijn-sche gedichten, n. pi. lal. (fesccnnini, sell. versus, naar eene oude stad Fescennia In Elruriê) eene soort van oud-rom. schimp- of spotverzen, vol plompe aardigheden en onzedelijke nlldrnkklngen, die by vvgze van samenspraak door twee personen werden opgezegd; oneig. wuipsche bruiloflsgedlchten.

Fesiod, n. skand. beurs, geldbuidel. Fesse-mathieu, m. fr. (spr. fèsmaljéü) leener op pand, woekeraar.

festu, enz., z. ond. feslum.

festief, ailj. lat. (feshvus, a, urn, v. feslum) feeslelük; — fesliro of con festivila, 11. Muz. feesleiUk. met plechtigheid; - festival, n. fr. mnziekfeesl; —festiviteit, f. (lat. feslivllas) feesleiUkheld, plechllgheld, vreugdefeest; — festiviteiten, f. pl. feeslelUkbeden. Festiloog, z. ond. festnm.

Festin, fr. (spr. feslehvan \'1 lal. feslum) festijn, n. het feest, gastmaal, eeremaal, de vreugdedlsch, smulpartü; — festino, m. 11. een ilai. gemaskerd bal, eene avondvermomming; ook z. v. a. soiree.

festineeren, lat. {feslinare) haasten, spoeden; Iels verhaasten, bespoedigen-, — feslina lenlc.\' lat. haast u langzaam! spoed n met be-daehtzaamheld! — festinatie (spr. Iie=lsie), f, (lal. feslinalïo) de (jlvaardigheid, spoed, gezwindheid.

festino, z. ond. festin.

fesliro, festiviteit, z. ond. festief. feslivole, feslirolmenle, It. opgeruimd, vrnoiyk. Feston, m. fr. (spr. fislóii, II. feslone, v. \'t lal. feslum, feest, dus oorspr. een feesleiyke looi) festoen, een loof- of lofwerk van bloemen, een opgehangen sllngersnoer van loof, vruchten en bloemen, enz.; bloemtw||geu; — festoneeren (fr. feslonner), met bloem- en loofwerk versleren, behangen, omzoomen; kleine

op bloemslingers geiükende bogen slikken.

feslosello, feslosella, feslosamenle, 11. feestelijk, vrooiyk, levendig.

feslum, n. lal. bet feest; pl. fesjl: fcsla chori, koorfeesten, enkel kerkelijke (niet te gelijk bur-geriyke) feesten In de rom. kerk; tgt;nxt feslum, na hel feest, d. i. te laat, mosterd na den maallüd; — festiloog, m. lal.-gr. eene lüst der heiilgen-feesten.

Fête, f. fr. (van \'t lat. feslum) een feesl, feestdag, vierdag, verjaardag, naamdag, gasl-maal, enz.; z. festin; — fete-Dieu, d. i. elg. Godsfeest; de sacramentsdag; — f6toeren (fr. ffter), vieren, feestdag houden-, i e in a n d fêteeren, hem hoogiyk eeren, wel ontvangen, fecslclijk onthalen, vleien.

Fetfah, liever fetwa (z. aid.)

Fëth, perz. verovering.

Fetialis of fetiaal, m., pi. fetiales, prieslers in het oude Rome, die een college van 20 personen uitmaakten en wier voornaamste laak was, den oorlog Ie verklaren, over den vrede Ie onderhandelen, geschillen met of lusscjien de bondgenooten te beslissen, enz., veldprlostors, herauten van vrede en oorlog.

Fetiseh, m. fr. {féliche-, van \'1 port. feilico, toovery, beloovorlng, van \'tlat. faclictus, door kunst voortgebracht, kunstig) do laagste soort van goden, doordien een of ander voorwerp, oen steen, een stuk hout, enz. als god beschouwd en vereerd, maar ook spoedig weder verworpen en met een ander verwisseld wordt, inz. by de Negers in Guinea, enz.; ook een toovermiddei; — fetischisme of fetieis-.mo, n. de fotischdienst, de vereering van zoodanige voorwerpen.

Fetus, z. foetus.

Fetwa, ni. arab. (v fald, loeren, onder-wyzen) eene rocbteriyko uitspraak of een sclnif-leiyk bescheid van den lurk. mufll over eene betwiste zaak-, ook de bekrachtiging van een vonnis door den grootvizier, zonder welke geene misdaad mot den dood kan gestraft worden; — fetwa-emini, m. (van \'I arab. entin, opziener) de ghelmraad of helper van den mufll.

feu, m. fr. vuur; feu tl\'arlifice, knnstvuur, vuurwerk; feu fichanl, z. onder ficheeren; feu snrré, heilig vuur; feu follel (spr. —lè) dwaallichtje; feu volage (spr. mold-zj), Med. een roosachtig uitslag in hel gelaat der kinderen.

Feudlim, n. mid.lat. (ook feodum, óf van \'1 longobard. fiu, oudhoogd. fehu, angels, feoh, goth. faihu, oorspr. goed, bezitting, vermogen, vee-, vervolgens; geld, cyns, met ingeschoven d, óf van \'tzeifde woord en \'t onddnitsch M, d, i. goed, eigendom; vandaar feh-M, elg. cynsgoed, in tegenstelling met (üód, z. allodium) een leen, leengoed; pl. feuda, Inz. de verzameling dor longobardische leenrechten; feudum aedificii, een leen, waarvan het voorwerp een gebouw Is; f. antiquum, een oud stamleen; f. aperlum, een onbezet of opengevallen leen-, f. auttcum, een holleen; f. caslaldïae of «««-slaldïae, ainbachtsioon; f. raslrénse, burgleen;


-ocr page 499-

FEÜDUM

483

FIASCO

/\'. censuale, cytisleen; /\'. collalernle, een leen van zUverwantschnp; f. mmmiine, een gcineen-scbappolük leen; /\'. culinüre, een koukenleen; /\'. datum, een gegeven leen; f. de camfre, een leen of jaarlUksch inkomen nil de kluner ; f. de cavia, leen uit ilen kelder; /\'. devolulum, een vervallen en Ingetrokken leen; f. domeslicwn, een stamleon; /\'. ecclesiaslicum, een gceslelük »t kerkelijk leen; f. extra cortem, een hullen het gebied van den landheer gelegen leen; f. feminmum, een .vrouwenleen; ook: spilleleen of sluierleen; f. francum, een vrijleen, eere-leen; /\'. qenlile, een slamleen; /\'. hahitatidnis, een leen, welks voorwerp een woningsrecht Is; f. heredilarium, een erlleen; f. ignobile ot ple-bijum, een onadeliyk, hurgeriyk of hoerenleen; /\'. intra cortem, een hlnnen het gohled van den landheer gelegen leen; f. masculinum, een man-uelijk of mansleen; /\'. mu-lum, een gemengil leen, waarin hy gehreke van manneiyke erfgenamen ook vrouwen lol de erfopvolging werden toegelaten; nohtte, een adcilUk of rld-derlecn, riddergoed; /\'. noruin, een nieuw leen; f. obltiluin, een leen, door oveidnicht des op-perelgendoins onlsliiiin; /\'. o/prïi, een amhachls-leen; nppignoratum, een verpand leen-, ptebijum, f. iunobile: f. ruxtlciim, een hoerenleen; /\'. seculare, een vorsten- of vaanleen; /\'. urbUnum, een hurgerleen; f. eemittcum, een leenrecht op eene Jacht; f. retus, f. anh-qmm: f. vivum, een lovend leen, d. I. zulk een, waarop de bruiker leven of zieh ophouden moet; — fcudi acquisitto, f. de verwerving van een leen; /. ulienaCfo, f. de vervreemding van een leen; f. amissïo, 1. verlies van een leen; f. priviitio, f, de onlzelting van oen leen; — feudaal, adj. (mld.lai. fewlWis) een leen aangaande, het leenstelsel of bet leenrecht ho-I rellende, leeroerig; curfn feudiilis, een leen-gerecbl, leenhof; feudotis successfo, t. de leen-opvolging; feudale debit urn, eene ieensebuld, een ieenpilcbl; feudale judicium, n. een leen-gerecht; feudatïa, pi. leenzaken; - feudaal-recht, leenrecht; in het algemeen elk recht, waarvan de oorsprong kan worden terngge-liracht tol middeieeuwsebe loeslanden en verhoudingen; feudaalsysteem, n. hel leenstelsel;—feudalen, pi. aanhangers van bet leenrecht en der middeleeuwen in hel algemeen, inz. in zoover de handhaving en verzekering der voorrechten van den adel hclreft; — feu-daliseeren (spr. .«=«), naar hel feudallsine inrichten; — feudalist of feudist, in, een leeraar of kenner van het leenrecbl; — feu-dalismo, n. het leenstelsel en de verkleefdheid daaraan, het voorslaan daarvan;—feu-dalistisch, adj. bet leenstelsel helrelTcndo of in de verkleefdheid daaraan gegrimd; mei voorliefde gehecht aan do middeleeuwen; — feu-daliteit, f. de leenvcrboudlng, dus leenheers recht en des leemnans plicht; feudaster, n. een onecbl leen, eene leenachtigo roehtsver-houding; — fewlalatfus, in, een leenman, he-leende, vazal.

reuille, f. fr. (spr. fuitj\': v. \'I lal. fnllum, pi. folfa) blad; - feuille de route, f. (spr. —d\'roet\') Mil. oen inarsehhrief, de marscb-aan-wyzing, pas; — feuille de placaue (S|ir. idukamj\') fourneerhlad; — feuilte-iumie, adj. hrulngoel, donkergeel als verwelkt loof; — feuillage, f. (heler n.) (spr. fuild-tj\') loof, loofwerk, inz. gesneden of geschilderd loof; feuillaison, f. fr. (spr. fuiljètóii) hlnilschlellng; Ujd waarop de bladeren te voorsehyn komen; feuil— lanten, pi. (fr. feulllants, naar Feuilitns, in Languedoc, hun uilgangspunt) eene voormalige fr. monniken-orde van den strengen regel van SI. Bernard; ook eene club van gemallgde mannen In de fr. revolntle, die hare vergadering in het klooster dier monniken had; vandaar feuillantiatne, n. harh.lat. de gemallgde gezindheid en bandelwyzo van die staatsparty; — feuillantine, f eene non van eene orde die onder den regel van den II Kernard staal; vgl. f e u 111 a n t e n; ook z. v. a. feuille-tage, n. (spr. -ta-tj\') eene soort van gebak, uil bladdeeg; boterkoekjes; — feuilleteeren (fr. feiiilleter), bladeren, doorbladeren, naslaan;

feuilletón, n. een klein blad, een blaadje, vliegend blad; ook een van hel politiek gedeelte afgescheiden gedeelte van een grooler dagblad, hetwelk wetenschappeiyke mededeellngen, cri-liek der letlerkundige werken, der looneelsluk-ken, enz. of wel romanllsche verhalen, novellen en dgl. beval; feuilletonist, in. schryver van een feuillelon; — feuillótte, f. een fr. wijnval, hourgogner val, houdende In den kleinhandel 134,lin nier, in den groothandel (nog Ibans gehrulkeiyk) = I3(1,9T( liter.

Fexen, in. pi. naam der cretins (z. aid.) in hot Salzbnrgsche.

Fez of fes, f. turk. een donkerrood wollen mutsje met blauwen kwasl, sedert ISiti als algemeene mllilalre dracht In Turkije Ingevoerd (naar de slad Fez in Afrika, waar die mutsen oorspr. gemaakt werden).

fi, fr. foei! lij! — fi dnnc (spr. —rió/i), wel foei!

fiaccamente, II. Hauw, zwak, verwytd. Tiacre of flaker, f. fr. een bnnrkoetsier; eene huurkoels, een tweespan, dal op pleinen en siralen van groote sleden In menigte gereed slaat (zoo gebeelen naar den seholscben heilige Fiacre |Fincriusj daar de Fransebman San va ge, die in 1(150 Ie l\'arys bel privilege Ier Invoering van openbare ryinigen kreeg, in oen imis woonde, waar de heilige Fiacre uii-hing).

Piale, f. gr. (vgl. ph looi) Arcii. spils lo-renlje op een pilaar (in den golbischen stijl)

Fialfrass, fialfress, m. Ilni. (elg. rots-of bergbewoner) de veelvraat, bergbeer (l\'rms f/llt;/0).

Fiasco, m. 11. (pl. fiaschi, spr. finski, mld. lal. fiasco) eene lleseh; eene vochtmaat In Florence = j.1, hariie wyn of Hier; ook = y\'j hariie olie of 2,0811 Hier; — fiasco maken, (oorsprong der uildrukking onbekend).


-ocr page 500-

FIDES

FIAT

-484

Rchcel en ui inlslmgen, ullgoflotcn worden (van een looneelstuk, een looneelspelor); onelg. geheel mislukken (vüii ondeniemlngen, enz.)

fiul, lat. (van fieri, worden, gesehleden) liet geschiede! or toegestaan! ticwllligd, verleend! fial applicaCfo, men make de toepassing; fiat insinuaiïo, het worde ingeleverd; fiat justiha et percal mumlus, ile gerechtigheid worde uitgeoefend, al zou ile wereld ilaarhij vergaan! fiat lux \' er zy licht! fiat voluntas lua, uw wil geschiede; fiul leur arlis of /ial secundum ar-tem, ook afgekort; /\' I. a. of /\'. s. a. Med. naar hel voorsciirift der kunst te bereiden; fiat mixfwra, afgekort /•\'. M., de menging geschiede! het worde gemengd.

Fiata, f li. (fr. fois) maal, h. v. unu fiatu, éénmaal; due /kite, 1 weemaal, enz.

Fibel, f. hoogd. (óf als hUvorm van bibel, hyhei, v. \'t lat. bibla voor hiblia; vgl h ij li e 1; óf waarschynHiker v. \'t lat. fibula, hechtnaald, kram, waarmede men het hoek sloot; dus eig. een tioek itat gesloten kon worden) een Ali-hoek.

fibra, f. lat. vezel, inz. spiervezel; — fibrillae, pi. lat. Bot. worlelvezels; — flbrülen, f. pi. nw.lat. Anat. zeer kleine vezeltjes; — flbreus, adj. vezelig; — fibrine, f. Chem. de dieriyke vezelstof (van twee soorten; vieoschtihrine en htocdtiiirine)i — flbroïne, f. Cliem. het hoofd-hestanddeel der zyde, der zoogenaamde lierfst-draden en in hel algemeen van do spinsels dor dieren; — flbrolith, m. lat.gr. de vezelsteen, een witachtig grauwe steen uil kiezolzuur en leemaardo; — fibmsux, a, wm, lal. Hot. vezelig.

Fibula, f. lal. gesp, haak, kram; — libu-latie, f., z. tnflhu la I i e.

Ficélle, f. fr. (als kwamo \'t van een lat. fiticelta, v. filum, draad) het hindgaren; — fl-celleeren (fr. ficetler), mei hindgaren samenbinden, omwinden, omwikkelen, h. v. vuurballen en brandkogels; — flcellist, m. naam eener party in (Jenève.

fleheeren (spr. fi-sj—), fr. ficher, provene. ficur. It. ficcare, als ware \'t lat. fiuicare, van figure, hechten, bevesligen) Mil. boren, inboren. Inheien, inslaan, indryven; — feu fichanl (spr. —fisjdti), inborend vuur, sirykvuur, waarby de kogel de voorzyde van bet naaste bastion treft; — fiche, f. (spr. ficsj\') Mil. een paal ter afsteking der legerplaats; een speelieeken, speelmerk, beentje; bet pennetje, waarmede men zyne winst In het triktrakspel aanleekent; ook fichet, m. (s|ir. fi-sji); — fiche de cnnsola-tinn (spr. —sjóii), kleine vergoeding of schadeloosstelling.

Fichu, n. fr. (spr. fi-sjü, v. lat. fixus, v. fillfre, hechten, bevestigen, aan-, omhangen; vgl. ook fichu, als adj.; nietig, slecht, erhar-metyk) een driehoekig vrouw enhalsdoekje.

Fictie ispr. I—s), f. lat. {fictin-, vgl. fln-geer-en) de verdichting, vinding; hel verdichtsel; de onwaarheid, leugen -, het voorgeven, voorwendsel; Jur. de aanneming van hel niet gebeurde als ware het gebeurd, de onderstelling van oen geval (fictio juris); — fictief, adj. fr. (ficlif) verzonnen, uitgedacht, verdicht. Ingebeeld, enkel In de verbeelding bestaande.

fletiel, adj. lat. {fictitis, e, v. /inqcre, vormen, eene gedaante geven) van aarde of leem, leeinen, aarden; —fictilïën, n. pi. ial. [firliliu) aardewerk, plateelwerk, pottenbakkerswaren; — fictile, n. een potje, inz. by apothekers, vandaar op recepten: del ar cum ficlili, afgekort lt;1. r. fid. tiet worde in een polje gegeven!

ficus, f. lat. de vygeboom, de vyg on de gan-sche daartoe bemorende plantensoort; ook Med. de vügwrat, zeker vleeschacbllg uitwas van ver-schillunde boedanigheid, meestal venerisch van aard (ficus venerffa); — ficus indïca, f. do banaanboom; ficus religiöia, f. de heilige vyge-boom der Indiérs, pagodenboom

Fidalgo, m., pl. fidalgos, porl. of lil-dalgo, pl. hidalgos, sp. (vermoedeiyk samengetrokken uil fijn of hijo [lat. filius] de algo |= ali(iv,o\\, d. 1. zoon van Iemand) edelman, de adcliyko in Portugal en Spanje; — fidalguia, porl of lildaiguia, f. sp. de adel.

fiih\', sed cui, vide.\' lat. sprw.: vertrouw, maar zie too wiea ge vertrouwt! vertrouw, maar schouw!

riddle, eng. vloot; — fiddler, m. violist. Vioolspeler; — flddle-stick, strykstok; --fiddle-string, vioolsnaar.

fides, f. lal. de trouw, liet geloof; ook ver-persoontykl de godin dor trouw, die als zoodanig te Rome veel tempels had; Astma, oen in tsüli door I.utbcr ontdekte asteroïde; fides carbonaria, het kolenbrandersgeloof, d. i. een geloof zonder onderzoek, blind geloof; /\'. dncu-ménti, de geioofwaardigbeid eener oorkonde; graeca en punica, d. 1. eig. grieksche, pn-nische (karttiaagsche) trouw; trouweloosheid, kwade trouw; f. impticita, het onvoorwaarde-tyk, hllnil geloof; f. juridica, de geloofwaardigheid in redden; f. mala, argllstlghoid; pas-Inralis, de geloofwaardigheid des geestetyken; sub fide paslorali, op de ambleiyke verzekering van een geosleiyke; f. publica, de openbare geloofwaardigheid; suh fide remission/s, in vertrouwen op terugzending; f sacerdólalis, geloofwaardigheid ilos priesters, betuiging of verzekering op priesterwoord; /\'. sponsalilia, de trouw, verpllcbtlng der verloofden; — bona fide ha a de ion. ter goeder trouw, eeriyk, oprecht, zonder erg liandolen; — (iomac fidai emtor, een koepor te goeder trouw, dlc den verkooper voor den recbtinatlgcii eigenaar houdt; bonae fidai posséssio, — possessor, z. ond. posse dee ren; — mala fate, ter kwader trouw, trouweloos, arglistig, met boos oogmerk; — malae fidei posséssio, — possessor, ond. posse dee re ii; — in fill em, ter bevestiging, ter waarborging, ii.v. iets attesteeren (vandaar misschien f 1demoeren beter dan videmeeron, z. aid., voor; als echt waarborgen, van het gebrnikeiyke onderschrift «in fidem copine,quot; tot staving der echtheid van het afschrift); fidem declanire, het


-ocr page 501-

FIÜIBUS 485 FIGHT

««loof ullleggon, oen goloofsslellliiK opporfin; — fitleiir hebben, fidem geven, verhouwen hebben, te Roeiler trouw neven; — fide\'i-commis, n. lat. (fiiieïcommissum, oorspr. Iels ilut aan de Koede trouw toevertrouwd wordt) eene erfmaklnn, waarhij don erfgen...... de verplichting wordt opgelegd om het erfgoed of een deel daarvan, na verloop van zekeren IUd of lgt;U het plaatsgrjlpon van zekere omstimdlghe-den, weder aan eenen derde af te staan, goed In vruchtgebruik, onvervreemdhaar stam- of fa-inlilc-crfgoed; fidgicommissum universale, eene algemeene of algelieele erfmaklng van hoven-genoemden aard, In zooverre zy hel ganscho vermogen des testateurs hetreft; /\', parlirulare, eene gedeeltelijke erfmaklng van dien aard, In zooverre zU slechts een gedeelte hetreft; f. lier-liehtum, een aKUddurend nf hestendtg erfgoed, dat allüd hg do familie moet hlijveti; /. familial\' of familie-fldeïcommis, eene farnl-lleverrnaklng, een lldoïcommls, dat voor altijd of voor langen lijd hi de familie moet hlUvcnj fideicommissaris of fideicommissair, m. Iilj, wlen zulk eene erfmaklng ten deel valt en daarvan hel vruchtgohnilk heeft; fiih\'i-cominillens, de Insleller of vermaker van zulk oen erfgoed; — fldejubeeren (lat. fidejubérc), waarborgen, borgtocht stellen, goedsproken; — fidejtisxio, f. do borgtocht; fidejmsin mccednnifa of surrn-lt;1 iild. de aehterhorglncht, borgtocht voor een borgtocht; fiihjmsnr, m. een borg, horgtocht-steller; — fideel, adj. (lat. fidrlis, e) trouw, trouwhartig, getrouw; ook voor vrooiyk, opgeruimd, goedgehumeurd; Joviaal; — tldêlos, m. pl. geloovigen, naam dor Christenen In \'I algemeen-, — fldolissimus, m. allergclrouw-sle, titel der koningen van i\'ortugal; — flde-liteit, f. {fideliliix) de trouw, trouwhartigheid, getrouwheid; ook voor vrooiyko luim, goed humeur; — fidelilas feudaiis, de loenmansirouw;

— fldo, m. It. vertrouwen, z. v. a. crodiot; lldo geven of fldeeren, Kuit. vertrou-won schenken, credlot geven; — fidücie, f (lat. fiducia) verirouwon, verzekerdheid, koen-heid, stoutliartlghold; In de middeleeuwen een gewoon pand; con fidurin, II. (spr. —doelsjn) Muz. met vertrouwen, vasthelil; — fiducialiler, adv. later lat. met vertrouwen, uil goed vertrouwen; — fiduciarïus, m. lat. de tljdeiyke erfgoodhouder. die het toevertrouwde goed weder heeft uit te leveren, do bezitter van een lldeïcommis (z. aid ); — fldücit, n. harh.iat. het vertrouwen, de berusting; In do taal der duitsche studenten liet antwoord op de toege bracbie drlnkgroet of gezondheid (selimollls);

— flduoiteit, f. nw.lat. bet vertrouwen.

Pidibus, m. een gevouwen strookje papier om de tabakspyp aan te slokon. De oorsprong dezer zonderlinge benaming wil men zoeken In fide(libiis falri)bm, lat., d. I. voor vrooiyko broeders: de aanvangswoorden der op eene papierstrook geschreven uitnoodiging tot eene geheime tabaksparty, welke strook later word gehniikt om do pyp aan te stoken; men heeft haar ook afgeleid van fil de bois, fr., il. i. boutvezel, spaanlje.

Fido, fiduciarius, enz., z. end. fidex.

fid us Achates, do trouwe Achates (by Vlr-giliiis de trouwste makker van Aeneas en vandaar gohr. voor: boezemvriend; ook; iemand die een ander als zyn schaduw volgt).

Fief, m. fr. (spr. fjefontstaande uit hot oudfr. ficu, provenc. feu.- vgl. feuduni) een leen, leengoed; — fleftVmt, m. de leonhoer, boieoner; — flelïataire, m. (s|)r. tér) de leenman; — fleffeeren, beleenen; — fieffé, adj. holeend; mot scheldwoorden verbonden: aarts..... h. v. frlpnn fieffé, aartsschelm.

Field, n. eng. veld I). v. (jold-fii\'ld (spr. umdd), goudveld.

lier, adj. fr. (spr. fjirv. lal. ferus, wild) fier, stout, moedig, tier, koen, trolscb; ydel, opgoiilazen, vermetel; fieramdnlr, fitro of con flerizza, it. Muz. hoflig, wild; - flerté, f. (lerheid. trots, trolsche ydolheld, overmoed, ver-metolheld.

Fiéra, f. 11. (provenc. feira, fr. faire, van \'1 lat. ferfn, pl. feriae, feestdagen, feesttijd, de-wyi de jaarmarkten gehouden worden op feestdagen, als wanneer liet ter slaii gaande landvolk liefst zyne Inkoopon placht te maken) Jaarmarkt, mis; — lierant, m. een inisbozookor, koopman, die de Jaarmarki of mis bezoekt, mis-kramor.

fiero, flera, fierawi\'nle, 11 z. onder fier.

Fierding, n. deensch, een vierendeel, een yslandsch gewicht = tfl doonsehe pondon; — lierdingkar, m. (van fierdiiuj en kar, vat) eene korenmaat, In Denemarken = | schepel = j\'j ton of i,HiS liter; ook een doonsehe ak-kermaat = Ion lands (tonde land) = 1,748 are. Fierté, ■/.. ond. fier.

Fierton, t. fr. (spr. fjerlóii) bei proofgo-wiehi, eene ronde metaalplaal, die lot modol of monsler voor de munten dient; — lier-tonneur, m. de nuiniioozlenor.

Fiesta, t. sp. feesl, foestciykhold.

flfre, m. fr. (it. piffero) ilwarspyp, voldpyp, kleine dwarslUilt.

Figale, f. een klein oosiindisch vaartuig, mot éenen mast, dat zoo wel zeilen als riemen voort.

Figaro, m. naam van don doorslepen barbier in Heaumarchais blijspel Ie Barbier de Seville, en de daarna bewerkte opera\'s van Mo-zarl en anderen; vandaar in \'I algemeen; een sluw onderhandelaar en koppelaar in liefdeszaken; vandaar il la ftyaro, in hot biljartspel = « la pyramiile.

flgeeren, lat. ifiiiire, vastmaken, hechten; vgl. fixeoron) oen vloeibaar lichaam door uitdamping, afkoeling of door eonig byvocgsel verdikken of vasl maken, doen stremmon, stollen;

Agentia (spr. I=ts), n. pi. stremmonde middelen.

Fight, n. eng. (spr. fail] gevecht, slryd; prite-fifihl (spr. praïz), wodstryd om prgzen; fair fight, z. fair.


-ocr page 502-

FIGMKNT

FILIA

Figmént, z.. uml. fliiBOorun.

Figuur, f. lal. (figüra, van lingire, voi-mon, eono Kedaunlc goven) de gcdiuinte, gestalte; de aflieeldliiK, afteokenlni,\', liet heold, model, paliooii; In het kaartspel: de heer, vrouwen hoer, een prentje; in liet dansen; de verschillende lUnen, die men ai dansende liesehryfi, de toeren; (leoin. do uitgohreidheid, zoo als 7.y door de oialerllnge ligging van hare grenzon bepaald is; Oram, en l.og., een woordenbeeld, redebeeld, eene redeversiering, eene zinnebeeldige of verbloemde zegswijze tot verfraaiing der rede-, 1\'ict. en Sculp, de voorstelling van een persoon of beeld; Muz. eene ry van snel op eikander volgende, met elkander verbendon, den hoofdtoon als sieraad omschrijvende tonen; — figuur m a k e n, zich (goed of slecht) voordoen; uitblinken, in I oog vallen, zich onderscheiden, opzien baren, eene rol spelen, een groeten staat voeren; wel of kwalijk bil elkander passen of komen; — flguraal, adj, Muz, met tiguren voorzien; — figurale muziek of gefigureerde muziek, zang, enz,, In tegensl. met de eenvoudige koraul-muziek, die geene 11-guren heeft; — figurabel, adj, nw.lat, vorm-vathnnr, onder eene gedaante te brengen; — figurabiliteit, f, l\'hys. de eigenscliap der lichamen om eene zekere gedaante aan te nemen, vormvatbaarheld; — figurant, m, figurante, f, hu of zjj op hel tooneel, in het ballet, enz,, die slechts figuur maakt, eene stomme rot vervult, eene plaats bekleedt, bij-spelers, bijdansers; ook: een onbeduidend ban-deiaar of industrieel; — figuratie(spr, l=lx), f, lat, de vorm- of gedaantegeving, vorm; de verbeelding; het gebruik van beelden in de rede, de vermenging van stemmende en niet-stem-niende accoorden; de verlevendiging eener rede of van een muziekstuk door tiguren; — figuratief, adj. nw. lat. wat de liguur van iels voorstelt, liet zinnebeeld van iels is; —figu-rato, 11. getlgureerd b. v. Mva. cuntn fiquralo, z. onder canto; — figureeren (lal. fiuu-rare), afbeelden, aanschouwelijk, zinnelijk of door een zinnebeeld voorstellen, figuur maken (z. boven); voor figurant (z. hoven) dienen; — gefigureerd, adj. gebloemd, b. v, van stollen met ingeweven figuren; Muz. versierd, z. v. a. flguraal; gefigureerde of figuurlijke getallen, ia de hoogcre Arith, zulke getallen, die gevormd worden door de leden van alle artthmetlsclie reeksen van hoogcre orden, welker eerste lid de eenheid Is, h, v, de triangulair getallen, polygo-na al getallen, enz, (z, aid.); — figurmen, f. pi. hUflgurcn, bybeeldjes, Inz, hij landscbap-pen in \'t verschiet; —figurisme, n Tlieol. de meening van hen, die de gebeurtenissen, in liet O. T. geboekt, als beelden of figuren van die des N. T. beschouwen, z. v. a. t v-pologie; — figurist, m. een aanhanger van die leer; een beeldhouwer, schilder of maker van allerlei tiguren; een danser, die llgureert of slerl(|ke dansen maakt; — figuren, m. sp.

de eerste held op tiet tooneel; — figuurlijk, adj. en adv. een heeld voorstellende, zinnebeeldig, verbloemd, oneigeniyk, in de gedaante van een beeld; figuurlijke getallen, ■/.. gefigureerde getallen; — figuurlijk kenvermogen, l\'hil. het vermogen om door woorden of andere leekens zich een begrip van eene zaak Ie vormen (coqnilid syinbnhca). Fihl of fil, m, arah, afrikaansche olifant, fikfakken (van de verouderde woorden /iliken en frikken, die belde aanraken beteeke-nen) op en neer dreutelen, lanterfanten, beuzelen; — fikfakker, beuzelaar; — fikfakkerij, beuzeiarU.

Filadière, f. fr., een plathoomd vaartuig op de Garonne,

Filagram, n. harb. lat. (v. \'l lat. filum, draad, en \'1 gr, urdmma, schriftteeken, teeke-ning) de koperen draadletters of tiguren, op den papiervorm aangebracht en waarvan de afdruk op hel vel papter zichtbaar is, de teekeniet-ters; de afdruk daarvan, bet watermerk.

Filament, n. nw.lat. (filuménlum, van \'I lat. filum, de draad) de vezel, het vezeltje aan planten en dieren; in bloemen: de belmdraad, die het heimknopje tot ondersteuning dient; — /ilamenlosus, a, urn, lat. Kot. dradig; vezelachtig; — filargnómon, m. nw. lal. gr. de draadzonnewyzer, hij welken het merldlaanvlak, dat door eene kleine opening In eene melaal-plaal gaat, door een afhangenden draad wordt aangewezen; — fllatorïum, n. pi. fiiato-n\'ën (vgi. fileeren), een garen- ofzgdevvin-der, een werkluig tol het afwinden en tweernen der zyde; ook: zydetweernery; — filan-dres, f. pl. fr. (spr. filaiidr\') herfstdraden, lange, wille draden, die op schoone berfstda-gen door de lucht zweven; — filatrice, f. fr. eene soort van lialf-z.yden slof; filet, n, fr, (spr, filé) netwerk, allerlei gemaasde stof, open kant; de trens, een zeker paardenhit; een ais vermicelli langwerpig gesneden gebak; ook een lendestuk, nierstuk, h. v. filet de hneuf, lenden ruggcstuk; pi. filéten. Typ. t\\)lt; getlgu-reerile metalen lijnen lot schelding van hoofdstukken, kolommen, enz,; by hoekbinders: de vergulde, gefigureerde of gebloemde lijnen en lysten op den band van een hoek ; ook de daartoe dienende stempels, streep- of ilraadsteinpels, tilet of tileetyzer,

Fildsjan, m, arah, klein kopje voor kof-He, sorbet enz.

fileeren, fr. (filer, van fil = lat. filum, draad) spinnen; !Muz. eenen toon zoo lang zingend aanhouden, als de slem toelaat; In het kaartspel: bedriegen, eene kaart ondersteken, wegniotl\'elen; ook de kaarten langzaam een voor een open leggen; — gefileerd, adj. gespon-non, netvormig, traiievormlg; — filature, f. fr, de spinkunst; hot spinnen, de spinnery; — filanda, f. Hal. zijdespinnerij; — filure, f de gesponnen draad, het spinsel.

film, f. lat. de dochter; film legiltma, de wettige, d. i. echte dochter; nnluralis, eene


-ocr page 503-

FILIBEY

487

FINAAL

natuurlUko, ü. I. onochto dochter; — filiaal, n. nw. lat. {filiale, van \'t mld.lnt. filialis, kin-«loriyk, in vcrlioudlng van zoon of dochter tol vader en moeder staande) een dochter-Inrichting, eone bij- of onderKOSclilkte Inrichting, Inz. z. v, a. filiaal-kerk, eone dochterkerk, hykerk, in tegenst. met de moeder- of hoofdkerk, hü welke zu is ingelüfd; — filiaal-bank, f. hijhank, succursale; — filiaal-bureau, n, (spr. burn) hykantoor; — filiaal-handel, een hühandelshuls, dat een koopman op eeno andere plaats voert, enz.; — filiaal-magazijn, n. hUwinkel of magazün eener firma In eene andere plaats; — filialist, m. een ge-meentolld eener dochterkerk; ook do geestelijke, die daarin den dienst doet; — filiaster, m. een stiefzoon; — filiatie {spr, l=ts), f. de kinderlijke afhankuiykhelil, verplichting; Jur, vveltlge afstamming; de gehoorzaamheid dor kloostergeestelijken aan hunne overheid.

Filibey, m. Schotsch. schort dor herg-schotton van tartan.

Filibert, oudd. mansn. (v. oudd. fili, veel, zeer; vgl berth a) de zeer glanzende, de zeer horoemdo.

filicaulisch, adj. nw.lat hü. filum, draad) met draadvormlgen stengel.

Filïces, f. pi. (van don sing, filix) varenkruiden; — filiciférisch, adj. nw.lat. met indrukken van varenkruid; — filicieten, pi. nw.lat. versteende varenkruiden.

filicórnisch, adj. nw.lat. (v. \'t lat. filum, draad) met draadvormige voelsprieten; —fili-férisch, flligérisch, adj. nw.lat. met vezels bezet; filiformis, lal. Bot. draadvormig;— filifólisch, adj. (lat. filicifolius) met vezelige bladeren; — filiform, adj. (lat. filiformis, v. filum, draad; fr. filiforme) draadvormig.

Filière, f. fr. (spr. —Ijèr\') treküzer hij het trekken van draad en waskaarsen; reglsterschaat voor orgels.

Filigraan, filigrein, n. (fr. filigrane, v \'t lat. filum, draad, en granum, korrel), lijn, traiievormig draadwerk inz. van goud en zilverdraad; ook dat van den paplervorm voor het watermerk; — filigraniseeren (spr. s—t), llllgraanwork maken.

filipédisch, adj. nw.lat. (v. \'t lal. filum, draad) met lange dunne voeten; — filipén-dula, f. nw. lat. (fr. filipendüle, van \'t lat. filum, draad, en pendulus, u, urn, hangend) Bot. de roode stcenhroke, eene plant met voedzamen wortel, die vroeger ook in de geneeskunde tegen witten vloed werd gebruikt {Spiraea filipen-dula, L).

Filippo of Felippo, m. It. eone onder de sp. koningen Philips III, IV en V geslagen luilaneosche, ook eene oude mantuaansche zilveren munt = 7^ lire correnli of -iij lire van Mantua, In waarde /\' ï,75 a f 4,85.

filiróstrisch, adj. nw. lat. (van \'t lat. filum, draad) met langen dunnen snavel; — filitarsisch, adj. met lange dunne voetwortels; — filitëlisch,adj. wyde netten spinnende.

fiftus, m. lat. do zoon; — f. legittmus, oen wettige, d. I. echte zoon; f. nalurulis, een na-tuuriyke, d. I. onechte zoon.

fitte, f. fr. (spr. fielj\'-. = lat. fiiïa) oen meisje, eene dochter; — fille de boutique (spr. boeliek), wlnkeljutlrouw; —fille de joie, f, fr. (spr. fielj\' ile zjnd\') oen meisje van plelzlor, openbaar, veil meisje, eene hoor; — fille d\'honneur (spr. — donneur), eene eere-damo, hofdame; — fillage, f. (spr. filjdatj\') de melsjosstaat, maagdelyke staat.

Filoche, f. fr. (spr. filn.if, v. fil, draad) cone soort van weefsel; vandaar filnchi, ge-filocheerd, geweven;—Filoselle, f n (spr. s=ï) of filozól, grove zijde of floret.

Filomele, z. p h 11 o m o 1 e.

Filou, m. fr. (spr. filóé: misschien mot (élon verwant; z. ond. félonie; nild.lat. filo, filln, deugniet) een listige hodrlegor, beurzensnyder, gauwdief, spitsboef, fielt, sihurk; — filoute-rie, f. spltshoeverg, lieltery, afzottery, gauwdievenstreken; — filouteeren (fr. filouler), listig stelen of bedriegen, kapen; ook foppen, heel hebben.

Filozel, z. filoselle.

Fils, m. fr. (spr. fi en fies)-, fils de France, z. enfants do Franco, onder enfant; fits ahié de 1\' Kglise, oudste zoon dor kerk, titel der fr. koningen.

Filtrum, n. mld.lat. {filtrum, felirum, itai. fellro, fr. feutre en fitlre: v. \'tangels. en eng. feil = v 11 tj leder voorworp (papier, dook, spons, steen, enz.) geschikt ter doorzyglng, een door-z.yger, zygdoek, zygpapler, zygtrechter, zygvat, kleinsdoek, fljno garen of haren zeef, doorslag (wel te onderscheiden van philtrum z. aid.);

— filtreeron (Hal. filtrare, feltrare, fr. fillrer), doorzygen, door den zyger laten loopen, kleinzen;—fil traat, n. de doorgezegen vloeistof;

— filtratie (spr. Iie=lsie) of filtreering, f. de doorzyglng; — filtreer-machine, f. een werktuig ter zuivering, inz. van het drinkwater; - filtreersteen, m. do zygsteen, een grove zandsteen tot lilireering van hel daarop gegoten water.

filure, ond. flloeren.

Fimbria, f. lat. (alleen pi. fimbriae, verwant mot fibra) het vezelige, de franje; — firn-brialus, a, urn, lat. Bol. van franje voorzien.

fimicólisch, adj. nw.lat. (v. t lat. fimus, mist, en entire, kweeken) op mest groeiend, in mest levend.

fin, f. fr. 1°. (spr. —feu = lat. finis) hel einde;

— d la fin, aan \'t einde, ten slotte; — 4°. als adj. fin, fine, lijn, slim; le fin mnl (spr. nw), de ware beteekenis, het eigeniyke doel; fines herbes (spr. fienetérb\'), lljne groenten of kruiden ; fine lame el belle fnurrhelle, (spr. fien laam\' é bel\' foersjèt\'). Iemand die goed vechten en goed eten kan.

finaal, lat, {finalis, e, v. finis, einde) wat zich aan het eind bevindt, wat om te eindigen, te sluiten dient, eindeiyk, tenslotte; als adverb, ook finafiter, b. v. finale bestuiten eind-


-ocr page 504-

F1NAMKNTK

488

licslullen; ook: het doel liclrcllcnilc of ultilruk-konüc, vandaar finale conjunctiën, r, pl. (Irani. doclaanduUleiulo voegwoordon, h.v. op-dal, om te, enz. i — finaal of finale, n. liet einde, slol, laatste; Muz. finule, het slotstuk, eindstuk van een muziekstuk, van eene opera ot een ballei, de slotzang; de slultloon, slotnoot ; — finaliseeren (spr. .v=2), barb. Int. eindigen, een einde maken, afsluiten; — finaliteit, f. het op-\'l-elnde zün; de doeis-bepaling, doelhegrlp.

finamonte, li. Muz. teergevoelig, lijnge-voelig.

Financiën, f. pi. (mld. lal. fimnda, tr. /inunce, It. finunza, geld. Inkomen van mld.lal. /indre, oudfr. finer, belastingen betalen, II. /2-nnre, (|iillleerpn, kwyten, afmaken; v. lat./ïnis, einde) do staatsinkomsten, openbare geldmiddelen, staatshuishouding, het staatsvermogen, de schatkist; ook do toestand van het vermogen eens privaat persoons, geldvoorraad, gereed geld, klinkende munt; financiën zoeken, allerlei middelen Ie werk stellen om aan geld te komen; — minister van financiën, de hcsluurder van \'s ryks schatkist, ryksrentmees-ter; — ministerie van financiën, de gezamcniyke ambtenaren, die onder den minister \'s lands geldmiddelen beheeren; liet ambt van rüksscbalnieester, zgn bureau; — finan-ciëel, adj. de staatsinkomsten, de geldzaken lielrelfende; — financier, m. fr. een ambtenaar liij de staatshulsiiomlliig, bestuurder van geldmiddelen, rentmeester, bankier; een verstandig geldbeheerder, overleggend hulshouder; Iron, geldschieter, geldbezorger; — financi-ëeren, de staatsinkomsten vermeerderen, den pubileken schal vergroolen; ook hot geldwin-iien verslaan, woekeren.

Finasserie, f. lijne slimheid, sluwe intrigue; — finasseur, m. siuwerd, lijn in-trigant.

Finaster, m. fr. {findtre) eene soort van slechte züde, waarmede de ardasslno soms vervalscht wordt.

fine, 11. (= lat. finis) Muz. einde; — fr. z. fin (2°).

fineeren, Chem. scheiden, li. v. het goud van hel zilver.

Finésse, f. fr. (van fin, lijn) de lljnhetd, teederheid, leerbeid, dunheid; list, loosheid, sluwheid, geslepenheid, doortraptheid; — Fi-nétte, vrouwenn.: de lijne, listige gesiepene, een sluw meisje.

Fingan, m. arab. kopje (voor kollle, enz.)

fingeeren, lat. (finggre) verdichten, verzinnen, voorgeven;--gefingeerd, adj. verdicht, verzonnen; enkel gedacht, en niet wezenlijk voorhanden; li. v. gefingeerde munten, zulke munten, naar welke wel gerekend wordt, maar die niet wezenlijk voorhanden zUn; gefingeerde rekening, z. v. a. conto finlo; — fingibel, adj. (later lat. fiiujibtlis, e) Ingebeeld, schUnbaar, bcdenkliaar; — figmént, n. iels verdichls, eene verillcliting, z. fictie.

Fingerglass, n. eng. kleine glazen schotel om de vinger in te wasscben.

fini, adj. fr. (van fin, spr, fin, einde) geëindigd, nil, af, klaar.

finis, m. lat. het einde, besluit; het doel, einddoel, doelwit; finis primartm, liet hoofddoel; /\'. secundartus, een bydoel; finis corómt ojiiw, lat. spr.: het einde kroont het werk; f. sranlifiral matta, het doel heiligt de middelen; — fimtum, adj. geëindigd, gesloten; — finito, II. Kmt. de sluiting der rekening; — finis-sage, f. fr. (spr. finisddzj\') of finisseering, f. do voleindiging, do voltooiing van een werk, de afwerking inz. van een samengesteld uurwerk ; — finisseur, m. by die een in tee-koning aanwezig werk uitvoert, inz. modelleur, nateekenaar.

finish, eng. (spr. finnisj\'; van lat. finis) eindigen; als transitief; klaarmaken, In orde brengen, appreteeren, montooren.

finissimo. It. afgekort /f., zeer of hoogst lijn, extra lijn.

Finnen, m. pl. (d. i. moerasbewoners, v. het dullsch fenn, moeraslund, oudhoogd. /en»/, fcmui; gotb. fani, slijk) een der vier hoofdlnk-ken van den altaïsehon of toeranischon volks-stam, die don grondslag der bevolking van noor-deiyk Scandinavië en Rusland, van de Oostzee tot aan de oostzUde van \'t Oeralgebergto, vormt, en van welken ook de Hongaren afstammen.

Finochétto, m. it. z. v. a. brighella (z. aid.).

Fint, f. (van \'t it. finld, fr. feinte, v. lat. f inhere, verdichten, valsch voorgeven) voinzerU, streek, list, sluwheid, verschalking; Inz. schorm-list, eene misleidende beweging li(j het schermen.

Fiocchezza, f. it. (spr. fiokedtu) heesch-held, ilauwheid.

Fiocchi, pi. 11. (spr. fiókki, van den slug. fiocro = vlok) de kwasten aan een kardinaalshoed; de met goud en zilver omvlochlen zyden kwasten aan den kop der koetspaarden.

fióco, it. Muz. (v. lat. llaccus, slap, mat, flauw) zacht, zwak.

Fiona, f, colt. naam bij Ossian z. v. a. liet hokooriyko meisje.

Fiool, f. z. plilooi.

Fior de Francia, n. it. (spr. frdntsja) eig, bloem van Frankryk, soort van gobrocheord atlas.

Fiord, z. fjord.

floreggtante (spr. fioredzjianle), fiorïto, 11. Muz. versierd.

Fiorino of fiorlno, m. it. (vgl. florin) eene slclllaanscho rekonmunt, een gulden; ook eene voormalige toskaansche rekenmunt = «ö h 07 conts.

Fiorituur, f. 11. (fioritüru, v. fiere, bloem) Muz. de versiering van \'t gezang.

Fire, eig. (spr. fai\'r) vuur; — firebrand, m. (spr. fai\'rbreml) vuurbrand, bynaam van Lord Paimorslon; — fire-eater, m. (spr. ieter) •■vuurvreterquot; een hartstocliteiyk, overyid handelend mensch; In den noordamerik. burgeroor-


-ocr page 505-

FIUENKI

48!»

FIXE

los;: ile heellioofdlRC aiinvoerders dor ziiiili\'IUkrn ;

— flre-test, ciir. quot;vuurproefquot; de licpullng van rogecrlngswege van de onthraudingsteinpe-raluur van petroleum.

Pirénki, m. pl. turk. {firenk, frenk) d. i. Franken, liü de Turken de gewone naam der Kuropeanen; — flrenki-beg, de vorst der Franken, d. i. de paus; — flrenkistan, n. Frankenland.

Pirk, m. deenselie en z\\v. kopermunt, In Denemarken lot IKlil geldig = J skillinu, ■ 1,15 ned. courant.

Pirkin, n. eng. (spr. fur—) engelsclie hler-maat, vroeger voor ale =8, voor bier (beer) = II hlergallons van \'i.lii liter-, nu = f£ kilderkin = iO,S!l2 liter.

Urm, lat. (v. firmus), ■/.. ferm; —firma, f. It. de titel of benaming van een bandelshuis, de naam, onder welken eeti bandel gedreven wordt, handelsnaam; de liandteekenlng vaneen huis van koophandel; firma geven, eenen koopmansbedlende volmueht geven om In naam des prliiclpnals Ie handelen en Ie omlcrteeke-nen; — firmeeren (ll. firmare), met den handelsnaam omlerteekenen; — flrmamént, n. lat. (firmaménlum) de hemelvesle, hel sehijn-bare hemelgewelf, de sterrenhemel; het uitspansel ; — flrmamentaal, adj. nw.lal. aan den hemel, aan het uitspansel, hemelsch, het lie-melgewelf betrell\'ende; — firmant, m. Iemand die voor de firma onderleekent (Urineert); — firmiteit, f. (lat. fimitas) de vastheid, sterkte, duurzaamheid; volharding, standvastigheid; fir-inHer, lat. (adv. v. firmus) vast, slundvasllg, slUf en strak.

Pirman, liever fennan (z. aid.).

firmeeren, z. ond. firm.

Pirmiaan, Pirmiane; Pirmiliaan, Pirmiliane; Pirmin, Pirmine, eigennamen (van lat. firmus) de sterke, de kraebllge.

Pisch., bU natuurwelenschappelUke benamingen afk. voor (\'.. Fischer von Waldhelm (gest. 185:1).

Piscus, m. lat. {fiscus, elg. een korf, geldmandje) hel staatsvermogen, de openbare sehal, \'s lands Inkomsten, de rentkamer, staatskas, de vorsleiyke schalkamer; ook straf- of boetekas;

— fiseaal, adj. wat den llsous betreft;

— fiscaal, m. nw.lal. {fiscalis) een openbaar aanklager, amhtenaar van het openbaar ministerie, de ambtenaar, die voor de naleving der wetten, luz. voor de rechten van den fiscus waakt en by schending daarvan als elscher In rechten optreedt; ook \'s lands schal bewaarder;

— fiscalaat, n. bet ambt des fiscaals; — flsealisch adj. (lat fisrrllis, e), wat de staatskas (fiscus) of den openbaren elscher (fiscaal) betreft; — fisoalische goederen, zulke, die slrydlg met de wet ingevoerd worden; — fiscaliseeren (spr. s=z), bestralTend onderzoeken, ook beslrallen; - fiscaliteit, f. hel streven om de staatslnkoinslen Ie vermeerderen.

fiselleeren, z. flcelleeren; — fiset-hout, z f u s 11 k h o u t

Pisk, m. deensch (elg. viscli) eene ysland-sche koperen munt, van eene nonilnale waarde van 7 centen, In werkeiykheld slechts IIJ cent.

Pislot, n. voorniallge sebotsche blermuat — ongeveer 52,i liter.

Pisolen, z. p h a s e o I e; — fisoleoren, pl. II. (van fisnle, de duikeend, duiker) kleine snelvarende schuiten of booten te Venetië.

flssiel, adj. lat. (fissilis, e, van findüre, splijten) spiytbaar; — fissidakt^lisoh, adj. lal.-gr., met gespleten, gescheiden teencn; — flssiflórisch, adj. nw. lal. met gespleten bloemkrans; — fissifólisch, adj. met gespleten bladeren; —fissili\'ibrisch, adj. met gespleten lip; — fissiliteit, f lal. spiytbaar-held; — fissinérvisch, adj. nw. lat., met gespleten hiadrlbhen; — fissiparisch, adj. door spiytlnghurende; — flssipéden, pl. (lat. fissipgdes), dieren met gespleten klauwen of hoeven; — fissipénnisch, adj. nw. lal., met overlangs gespleten vleugels; — fissirós-trisch, adj. met gespleten snavel; — fissus, «, urn, lal. Itol gespleten, door liisnydingen in spitse slippen verdeeld; — fissuur, f lal. {fissi/ru) eene reet, spleet, Inz. beenderspleel, of spleetbreuk van een been.

Fistel, f. (v. \'t lat. fistïila) eene huls, pyp; eene nauwe, lange en diepe etterwonde, |iy|i-zweer; een vochlallelder, ellerpljp, etterdrachl In den arm, enz., om scherpe vochten af Ie lelden; fistula ani, lal. eene endeldarmllstel; fistula (lenldlis, landllslel; fistula lacrymalis, traanflslel; Muz. de gedwongen bongo slem, z. falset; vandaar fistuleeren, nw.lal, d. 1. gedwongen hoog zingen; — fistuleus, adj. buis- of pUpvonnlg, pypzweerachllg; — fislulo-sus, a, urn, lal. Itol. hol; buisvormig-, inipiu, pypvornilg, lang en van binnen hol.

Pit, eng. aanval, kuur, leis dat hy vlagen en plotseling koml, z. boutade.

fit, lal. wordt h. v. fit fabricniulo fSher, (olg. al smedende wordt men smid) al doende leert men, oefening maakt den meesler-, nnn fit pni\'.ta, nascitur, men wordt geen dichter (door oefening, enz.), maar wordt als zoodanig geboren.

Pitildsji, in. lurk. lonlenmaker.

Pitre, arah. gift aan de armen op het hel-ramfoest.

Pitter, m. eng. (van fit, pasklaar maken, aanpassen) werkmnn op een gasfabriek, Inz. hy die den aanleg de pypen In elkaar past en legt.

Pitz, mi. eng. (oorspr. normandlsch, van I fr. fits, lat. fifftis), do zoon, inz. onechte zoon, In samonstelllngon, b. v. Fl I z-C I a ren co, F11 z - K o y, F i 1 z - W1111 a m, enz.

Piveshooter, m. eng. (spr. faivsjoeter) een vyfsi-hotor, een revolver met 5 loopen.

fixe, fr. spr. ficks; v. \'I lal. fixus, a, urn, van figcre, hechten, bevestigen) vast, bestendig, vuiu-bestendlg of hostand tegen bet vuur, biyvend, onhoweogiyk; zeker, gewis, bepaald; vandaar prijc fixe, m. (spr. pri fieks\') oen bepaalde, vaslgeslolde, gefixeerde prys; — idee fixe, f. een vaststaand, overboerschcnd


-ocr page 506-

FLAMBOUW

F J ALL

400

donkhodd, cono voorstclllMR, die lict RtMiiood en den wil lielieersclil, dc dolenilc InheelillnK ecns zlelokrankcn; — air fixe, in. (spr. ér fieks\') vaste lucht, koolzuur of koolzuurgas; — fixa sedes, lal. een vaste zetel, huivende woonplaats;

— fixa vimia, aard- en nagelvast; - fixee-ren, nw.lat. vaslinaken, bovesllgen, vastliou-den, Lepalen, vaststellen; zlcli metterwoon nederzetten ; een vast, onwrikbaar lieslull nemen; vestigen, b. v. den blik op Iels; iemand fixeeren, hein stijf en strak aanzien, met de oogen ais ware hot doorboren; ook zooveel als f i g e e r o n (z. aid.); - fixatie en fixeering, f de vestiging, vastzetting, bepaling, bestendiging; aanwijzing van een vast inkomen; — fixatoir, n. fr. (spr. —lodr) een middel om siyt te maken, buardwas, soort pomade; — flxiteit, f. de bepaaldheid, het vaststaan, de «nveranderlgkheid, onbcweeglUkheid; vuurbo-stendighoid; — flxum, n. iets bepaalds, vaststaande, inz. voor fixum salartum, de vaste bezoldiging, het zekere, bepaalde salaris of inkomen.

Fjall, fjeld, n., pi. fjelds, deenscli = void, hoogd. feld, eng. field) hoogvlakten, woeste bergvlakten in Zweden en iNoorwegen.

Fjerdingar, n inhoudsmaat in Zweden = ^ lunna (ton) = I8,3i liter.

Fjord, m. deonsch, oen zooboezom In iNoorwegen.

Flabbe, f. eone voorm. nederlaiidsche zilvermunt = IB cents.

Flabéllum, n. lal. (verklw. van /labrum, het blazen, waaien der winden, van flare, blazen, waaien) een waaier; — flabelleeren lt;later lat. flabellare), waaieren, mot den waaier wuiven; —flabellatie (spr. I=ls), f. nw.lat. het luchten, wuiven niet den waaier; Ohir.de verversching van de lucht onder een gebroken lid; — flahellalus, a, um of flabellifarmis, lat. Bot. waaiervormig; — flabellicórnisch, ad), met waaiervormig uitgespreide bladeren; — fiabellipédisch, adj. mot waaiervormig geplaatste voeten.

flaccesseeren, lat. (flaccessëre, v. flaccus. Hels, slap) slap of verslenst worden; — flac-cescéntie (spr. /=lt;«), f. nw.lat. slapheid; — flarresccntïa pulmdnum, Med. slapheid of verlamming der longen; — fiaccide, adj. (lat. Jlarcfdus, a, um) slap, verwelkt, verslenst; — flaeciditeit, f. nw.lat. (fr. flaccidiU) de slap-liold, verslenstheld; — fiaccus, in. lat. naam; slapour, hangoor, b. v. Horatius.

Flacon, n. fr. (spr flahniivan \'t mid. lal. fiasco, 11. fiasrn) oen floscbje, inz. een renk-lloschje; ook soort wyntlesch.

Flag, f. eng. vlag.

Flagéllum, n. lal. (verklw. van flagrum, zweep) de geeselroede, roede; Bol. uitloopor-,

— flagelleeren (lal. flapellare), geeseien;

— flagelliferus, lal. Bol. worlellol-vormend; — flagellator, in. of flagellant, m. geeso-laars geosehnonniken uf geesclbrooders, eone broederschap van monniken, ingesteld In 1400 door den kluizenaar K a I n o r te i\'origua, die zich voor verplicht hielden, hun lichaam op zekere lijdon oponiyk iluor vinnige gooselslagon te telstoren. I.alor vervolgd wordende, namen zy in Frankrük don naam van Beg narden, in Duitschland dion van Kruisbroeders aan; — flagellatie (spr. t=ls), f. do gee-seling.

Flageolét, f. fr. (spr. flazjolél; van \'t oudfr. flaneol, provonc. fluujol, als ware \'I lat. flauliolus, verklw. van \'lil. flaulo, fluit; vgl. flauto) oeno kleine llull met heldoren, schellen toon, de lijn- of hoogllult; een vogellluitje; ook een register aan orgels; —flageoletist, in. oen flageolet- of hoogiluitblazer; — flageolet- of fluittonen, pi. op siiaarlnstru-monten door zachte aanraking met den vinger lo voorschijn geroepen en i octaaf hoogor dan hun plaats.

flagiteeren, lal. (flaqUare) hevig eischen, dringend manen; — flagitatie (spr. tie=lsie), f. (flanildlïn) de dringende vordering, scherpe aanmaning; — flagitator, m. do scherpe maner.

flaoitium, n. pl. flagitia, lal Jur. eene schanddaad, oen schelnisluk; — flagitious (spr. t=ls), adj. (lal. jlagiliösus) schaiidelgk, schelmachtig.

flagorneeren, fr. laag en aanhoudend vleien, llikilooien, oorblazen, oogdienon; — fla-gornerie, f. do oorblazery, illklloolcry, oogon-(llonory; — flagorneur, m. oen lage vleier, oogondienaar, overgedienstige en valsche aanbrenger.

flagreeren, lal. (flaorare) branden, gloeien, in vlam staan; — flagrant, adj. lal. (/tóf/rans) als brandend, in vlammen slaande, hevig; dul-doiyk in hel oog vailond, openbaar, pas gebeurd ; — crimen flagrans, lat. misdaad waarby men den dader beirapt (zoodat geen loochenen mogoiyk is); — in flagrdnli (sell, delicto), lal. en flagrant détit, fr. (siir. n» flagrdii deli) o|i hooterdaad (b. v. betrapt), toen do misdaad zoooven begaan word; — flagrantie (spr. t=ts) f. hitto, vuur, gloed, heftlgliold.

Flair, m. fr. (spr flèr) scherpe reuk (der jachthonilen); oneig. een goede neus; — flai-reur, m. fr. (v. flair er, ruiken, v. lat. fra-grare, geuren, rieken) speurhond, inz. als scheldnaam voor polltio-agenlen; — flaireur de cuisine, f. de table, tafelschuimer, klapiooper.

flamand, adj fr. (spr. flamdii) vlaamscb, wat tol Vlaanderen bohoori, aan Vlaanderen eigen is; ncderlandsch.

Flambart, in. fr. (spr. flaiibdr) eene vis-schorssloop op de fransche kusten; Mar. hel Sl.-E 1 msv u n r.

Flambouw, m. (fr. flambeau, spr. flahbn. van flamber, vlammen, nikkeren, v. \'I lat. flam-müla, kleine vlam) de fakkel, toorts, de was-fakkol; grooto waskaars; ook een hoogo luchter of blaker; — flambeeren, vlammen; over de vlam houden of laten heengaan, zengen, roosten, bedruipen; onolg. geflambeerd


-ocr page 507-

FLAMBOYANT

m

FLECTEERKN

z y n, wck, verloren, neruïneenl, oen bedorven man zijn.

flamboyant, mij. tr. (spr. fluhhoajah) vlammend, op vlnnimen «eHjkcnd; — style flamboyant, de latere (tolhlschc stül der IKd» en IMde eeuw Iti FrunkrUk, mei vlaiiiachltgc or-nemenllek aan zuilen, vensterbogen, enz.

Flamen, m. lat., pl. flamines, een oud-rom. onerprlcstcr van eene hyzimdere godheid, aanvanketyk slechts ;t in getal, n. I. de flamen Dialis, Martirilis en Quirintilis, de priester van Jupiter, Mars en Uomulus; later tol 15 vermeerderd; — flaminica, f. de vrouw van een flamen ais priesteres eener vroaweiyke godheid, h, v, flaminica Dialis, priesieres van Juno.

Flamingo of fr. flamant (spr./!ama« van \'t lat. flamma, wegens zyne roode kleur) een groote watervogel met eetbaar vleesch aan de kusten der warme landen; hü behoort lot de familie der breedsnaveiige steliloopers en wordt gemakkeiyk aan zUnon in het midden geknakten bek herkend; eeriyds droeg iiy den naam van p h (E n o k o p 1 e r u s, en komi nog onder dien van k o r k ó r r e en I) e e li a r o e voor.

FlamméUe, t. fr. (eig. vlammetje, van flamme, do vlam) Chir. de iaatviym.

flammêus, a, urn, lat. Bot. vuurrood. flammulus, a, um, lat. Kot. gevlamd. Flanoonade, z. ond. flank, flaneeren, nw.fr. (flaner) ledig rondsiente-ren, op zyn gemak rondkykend langs de straal slenteren; zich mei nietigheden ophouden; — flanerie, f. hel ilaneercn; — flaneur, m. een rondslonteraar, gaper, lanlerfanler.

Flanél, n. (soms f.) (fr, /kitielle, it. flancllu, eng. flannel, mid.lat. flancha; van \'1 oudfr. flaine, beddetyk) eene lichte, weinig gevolde stof van strykwol; flanelle de santé, gezondiicidsilanel (om op het bloote iyf ie dragen); flanelle tie Halles (spr.—9«/\'), blauwachtig flanel; flanelle de Saxe (spr. —saks\'), wit flanel.

Flank, f. (fr. en provenc. flanc, m 11. fianco, de weeke zyde des bulks, do lende, waarsch. niet ingeschoven n, van \'1 lat. flaccus, slap, week) de z.yde; Mil. de z.yvlakte, slrykllnie van een vestingwerk; hoi uitersie einde van den legervleugel;—flankeeren (fr. flanquer), van Ier zyde bestryken of dekken, met zywerken voorzien; ook loesmyien, op hel hoofd worpen (b. v. een vocht door bel venster); — flan-queur, in. (spr. flank—) een lichtgewapend ruiter ter herkenning of verontrusting van den vyand, voorlooper, tirailleur; — flanco-nade, f. In \'t schermen: een zystool, z.yhouw. flat, adj. eng. vlak, plat (vgl. f 1 a t te e re n). Flath-innis, n. celtlsche Myth, het pa-radys der oude Galiliirs.

flatteeren, fr. (flatter, oorspr. stryken, d. 1. glad of vlak maken, van \'t oudii. flatr, angels flat, vlak, glad, effen) vielen, llefkoozen, vaische hoop goven, naar don mond pralen; — flalter la cnrde (spr. flalté\' In knrd\') fr. Muz. de snaar slreeien, zacht spelen; — flatterie, f. de vlelerU, liefkoozing, iels vleiends; - flatteur.

m. de vleier; — flatteuse, f. (spr. —eut\'} vieister.

Flatus, m. pl. flatus, lal. (van flare, lila-zen) Mod. winden; — flatulént, adj. nw.lat. aan winden onderhevig; nietig, onbeduidend, ydel; — flatuléntie (spr. tie=lsie), f. de winderigheid, opzetting door winden.

flautn, ui. ii. (v. \'1 lal. flatus, hol blazen, v. flare, blazen) de ilail; liet lluitroglster by Ih^I orgel; — flautn dolce (spr. -dóttsje), z. flülc douce; flautn itdtico, de iluilbas, een orgelregister; — flautn piccolo. It. do kleinste dwarsfluit, hel klein octaaflluilje; — flnuh) trnvérsn of fr. flüie Iraversière, de dwarsfluit, duilsche Huil; — flautandn. Hal. Muz. Ilullend, als ibii-lende; — flautlno, m. de llagooietslein der viool.

flaveseeeren, lal. (flavesdre, van flavus, a, um, goudgeel) geel, goudgeel of blond worden; — flavescónt, adj. (flavéscens) in \'1 gele overgaande, geoiaclilig; — flavicaudisch, adj. nw.lal. geeistaariig; flavicóllisch, adj. geelbaizig; — flavicómisch, adj. lal.

bi...................flavicórniseh, adj. met gele

voelsprieten; — flavifemórisch, adj. mei gele dyen; — flavigastrisch, adj. geeibui-kig; - flavigulair, adj. met gele keel; — flavilabrisch,adj. met gele lippen; —fla-vipédisch, adj. geelvoetig; - flavipén-nisch, flaviptérisch, adj. met gele vleugels ; - flaviróstrisch, adj. met gelen snavel; — flavisquamisch, adj. met gele schubben; — flavivéntrisch, adj. geel-buikig.

Flavét, n. (v. flare, lal. flavus, geel) een dunne, gladde fr. wollen slof.

Flavius, in. Flavia, f. ook Flaviaan, Flaviane, eigennamen (v. lal flavus, geel) de blonde.

flébite, 11. (lal. flebïtis, e, van flère, weenen) Muz. klaagiyk, jammerend, weenond, snieekend.

Flèche, f. fr. (spr. jlèsj\', v. 1 niid.hoogd. vliz, boog, sirydhoog, filtsboog, van \'I oud-lioogd. flizan, slryden, kampen) eig. de pyi; Mil. eene soort van klein pyivormig buitenwerk, pyischans, bestaande uil i ouder een hoek van lift a (Hl0 op elkander uilioopeiide borst weringen.

flecteeron, lal. (flecllre) buigen; inz. Gram. oen woord verbuigen, liet al zyne naamvals-veranderingen doen ondergaan; — fledumux (je-nüa, laat ons de knie buigen; — flectire si nequio Suiitfros, Arhernnta moreba, «ais ik den hemel (de oppergoden) niet vermurwen kan, zal Ik de hei (den Acheron) ia beweging brengenquot; oen sprw. naar Virgilius; - fléxieof flexuur, f. lat. (flexïo, flexfira) de buiging, kromming; woordbuiging, vorbniging; — flexibel, adj. (lat. flexibilis, e) buigzaam, buigbaar, lenig, gedwee, handelbaar; Gram. voor verbuiging vatbaar; — flexibiliteit, f. de liuigzaamheld, gedweeheid, lenigheid; — flexicauliseh, adj. nw.lat. mei gebogen stengel; — flexi-fólisch, adj. met goifswgze bladeren; — flexi-


-ocr page 508-

FLORETZIJDE

FLEGMA

492

pédisch, iulj, met gebogen voelen; — jlexi-lis, e, Int. hot. Imlszuam; — flexor, m. Annl. eene bulgspier; — flexunsus, a, urn, Int. Bol. heen en weer neliofien.

Flegma, i. p li I o r m n.

Plem.,liü iiuliiurwelenschuppeHjke hemunin-pen nik. voor J. Kieming

Flentes, pl. Int. (v. llrre, weenon) do weenenden, de Isle der 1 klassen van hoetelliiRen In de oude kerk; vandaar afgeleid liet Isle lioetslutlon voor de kerkdeur, waar de lioete-linRon de voorbUpangers om voorbede aanspraken.

flenzen, bet spek van de walvlsschen, rob-lien, enz. in kleine stukken (flensstukken) snijden.

Hessibile, 11. buigzaam, lenig (vgl. flexibel).

Flett of flecht-daller, m. eene deensche zilvcrniunt, ongeveer = I gl. quot;ifl ii.; — flett-mark, f. Insgelijks eene deensetie zilvormunt, omtrent = tin cl.

fletrisseeren, fr (JMrir, oudfr. /luistrir, eig. verwelkt maken, v. ilaislre, verwelkt, kleurloos) verwelken; brandmerken, bescbimpeii, onl-eeren; — ge f I e t r 1 s sc e r d, adj. gebrandmerkt, ontcerd; — flétris, pl. fr. (spr. —Irt) sobcld-naain der iegillmisten (z. aid.); — flé-trissure, f. verwelking; bescliimping, hoon, smaad brandmerk.

Fleur., by rmtuurwotenscti. benamingen afk. voor Fleuriau do Bellevue (gest. isiil).

Fleur, f. fr. (lat. /(«.«, genii. floHs) bloem, bloesem; bloei, bloeitijd, de tyd, waarin zekere dingen bare grootste seboonbeid, kraebt, enz. bezitten; in de fleur van het leven, ia bel boste gedeelte, de voile kracht des levens; d fleur de, fr. op hel niveau van b. v. n Ik\'iir d\'eau, geiük met het water, In den waterspiegel, tussclien wind en water; fleur de lis (spr. —ti), lelie, de wapenbloem van bet huls Kourbon; vandaar fleurdelisé (spr. s =z), met lellen bedekt (In de wapenkunde); — fleurét, f. fr. (spr. fleuré. ibis genoemd, wegens liet bloemvormlg knopje aan hel einde) een schermdegen, rapier; ook vlokzijde, lilozel, gew. floretzijde; — fleurétten, pl. fr. [fleurelles: eig. bloempjes, van fleur, liloem) vleierijen, zoete woordjes, mlnnepraal; dikwijls lierliaahle lieveiingsgedachte van een componist ; — fleurig, adj. bloeiend, gezond, vrooiyk van voorkomen; — fleurist, m. ook florist, m. een liloemcnvriend, hloemkenner, hloemkwee-ker, hloomtsl; bloemscbilder; — fleuron, n. ispr. fleutóii) bloemwerk, bioemsieraad, bioemen-tooi, lofwerk van bloemen.

flexibel, flexiiis, flexie, flexuosus, floxuur, z. ond. flecleeren.

Flibustiers, m. pl. eene vereeniging van eng. en fr. zeeroovers en vryiiuiters, die zich np het einde der tilde eeuw op het eiland Sl.-Ciiristollel vestigden en den Spanjaarden in de westindische wateren veel te doen gaven (zoo gebeeten naar het fr. flihnt, sp. Ilibote, eng. flybniU, nederi. vlieboot. d. i. sneiboot.

klein jacht, omdat zy by hunne zeorooveryerf in zulke hooien voeren; \\ a. zou liet woord ontslaan zyn uit het eng. freebooter, vryhuiter) ook houcaaier, z. aid.

Flicker, t. zw. meisje.

Flint, m. eng. vuursteen, spaatbyzersteen;

— flintglas, eene vroeger alleen In linge-land vervaardigde glassoort (van klezelzuur, pot-asch en loodoxyde), loodhoudend kristalglas, dal Int vergrootglazen wordt gebruikt, en in behoorlijke verbinding met crown glas volkomen kleurlooze beelden geeft; vgl. achromatisch en Holton d.

Flip, m. een eng. malrozeadrank uil bier, hrandewyn en suiker; — ook oene snmentr. van den mansn. IMiilippus (z. aid.)

flirteeren, eng. l.flirl) zich uil speelsch-heid verliefd aanstellen, coquetteeren; — flir-tatie, f. (spr. I=ls) speelsche verliefdiieid, co-(juotterle.

floccosus, a, uw, lat. Bot. vlokkig.

Floers, a. (van fr. velours, lluweel) eene iichie, dun geweven slof van /.yde, neteigaren of fljae wol, zwart gaas, krip.

Flokata, f. rok zonder armen der Alba-neezen, enz.

Flor, f. sp. de bloem.

Flora, floreal, enz., z. ond. flns.

Floreen (nw.lat. Horcnun, van flns, bloem), florijn, m. (fr. florin) gulden, bloem- of leliegulden, eene In de tide eeuw door de stad Florence geslagen goudmunt, welker naam men afleidt van de lelie (het wapen der stad), waarmede zij gestempeld was. Uil dezen llo-recn ontstond de goudgulden der middeleeuwen en de gulden der latere tydea, dien men nog tegenwoordig vaak mot fl. aanduidt;

— floreenplichtig, adj. verpilchl om in de grondlasten (thans dyklaslen) hij te dragen (afkomstig van den frieschen goudgulden, waarmede in Friesland hel eerst zekere grondbelasting betaald werd); — floreenstelsel, n. het op de voormalige groadhelasting beruslend stelsel van helling der gelden, noodig tot hei onderhoud van dijken (in Friesland).

Florence, f. fr. (spr. flnrdits\'), floren-tijnsch taf, n. dun licht taf, sterk taf tot voering; — florentijnsch lak, n. eene voorlreffeiyke verf, door een franciskaner monnik Ie Florence uitgevonden, toen hy iiij een mengsel van cochenille en sal larlari toevallig een zuur goot; florentijnsche school, f. de beroemde schilders en beeldhouwers van Florence (lat. h\'lorenlia) sedert de 13de eeuw, toen zich de eerste kunstenaars uit Griekenland ia die slad nederzetten; — florentijnsch werk, n. eene soort van mozaïekwerk van edelgesteenten en marmerstukken; z. verder ond. flos: — florentina, f. hel beroemde handschrift der pandcklen uit Amalfl, vervolgens te Kome; — florentine, (spr. —raiilien\') tlorentynsch atlas, vormsatyn.

Floretzijde, floret, florist, ■/.. ond. II e u r en flos.


-ocr page 509-

FLORIJN 4!)3 FLUNKEY

Florijn, z. flor «en.

/los, m. lat. (pi. flóres) bloesom, bloem, en/,.; — flos afrioanus, m. de lluweelbloem, eene oorspronkeHjk atrlkiiunsohc bloem; - flos cu-culi, koekoeksbloem; — flores, f. pi bloemen, bloesems; onelg. versebelden sloiïen In lijn verdeelden, onsamenban^enden toestand (als sublimaten); jlores anlimonïi, splesKlansbloemen -, /(. cu/iri, koperbloemen; ft. plumbi, loodbloe-men; ft. slanni, tlnbloemen, wit tlnoxyde; ft sulpitfiris, zwavelbloemen; ft. zinci, zlnkbloe-men, witte, lichte vlokken van zlnkoxyde, z. v. a. nihilum allium ftnres sparsi, verstrooide, saanineliracbte bloemen, bloemlezbiK; in ftore en in ftnribus, In bloei, In welstanil; - Flora, f. lal. de bloemgodin; ook al de in een land of oord inbeemsche planten; bet boek, de lyst daarvan, b. v. zweed se he Flora, de be-schrüvin« der in Zweden wassende bloemen; Astron. een in lsi7 door lllml ontdekte asteroïde; — ftoralis, Hot. bloemin; - floreal, m. onder de eerste fransche republiek de bloeimaand, de Nsle maand van hel republikeinsche Jaar, van 20 April tol l!t Mei; — ftorüos, lat. moogl l)loclen! moge het u welgaan; — jlnreat, lat. hy (zy, hel) bloole, gedüe! — Florentinus of Florentijn, en Florentine, nw.lat. mans- en vrouwenn.: de hlocicndc; — floreeron, lat. (florêrc) bloeien, in welstand zyn; gedyen, voorwaarls gaan, In voorspoedige omstandigheden komen, zich ver-lieffen; — florescéntie (spr. /=/.?), r. nw.lat. «Ie bloei, wyze van bloeien, bioesemverbinding, onderlinge stand der bloesems of bloemen; — florét, n. (mid.lat. ftnrïlum) het bovenste, grovere spinsel van den zyworni; ook de afval van goede z.yde; f. ook: schermdegen, z. fien-ret; — floretzijde, ook fleuret, vlokof tlosz.yde, ruwe z.yde, (iiozel;— floretzijdelint, lint van vlokzyde; — florets, pl. glimmende, van teokeningen voorziene eng. stollen; — floretta\'s, pl. franseh lynwaad; engelsche drogets (z. aid.); — florette, f. oude fr. zilveren munt; — flnribnndux, lat. Hot. bloeiryk, bioemryk; - Florian en Floria-ne, mans- en vrouwenn.: de bloelende; — /\'/«-ridus, a, urn, adj. lat. Hot bloemig, bioemryk, bloeiend; — floriditeit, f. nw.lat. de bloeiende toestand; — florifer, f loriférisch, adj. bloemdragend; — florilegïurn, n. eene bloemlezing, verzameling van schoone stukken uit scbry-vers; vgl. a n t h o 1 o g 1 e; — f lorimaan, m. hartstofhteiyk bloemenliefhebber; flori-mame, f. Iat.gr. de overdreven zucht of llef-bebbery voor bloemen; — Fioris, mansn., verkorting van Florentinus; — florissant, adj. fr. (spr. flnri-sdii) bloeiend; — florist, z. f Ie u rist, ond. fleur; — flosmlae (verkhv. van flos) Log. bloempjes, redebloempjes, rede-looi, op sieriykheid jacht makende schrijf- of spreekmanier; — floseuleei\'en, bioemryk schryven of spreken; —flosculeU8,jidj. vol Tedebloempjes; — flosculi, pi. Hol. bloempjes.

Flotte, f. fr. (it. flolla) vloot, Inz. van oorlogsschepen; flotteur, m. luchtledige kast om schepen te lichten; - flotteeren (fr. floller} dryven, dohberen; onzeker zijn, weifelen ; — dette flottante f. fr. (spr. dèi flnlliiiil\') vlottende schuld; flottille, f. fi (spr. flalliélj\'; verklw. van flolle, vloot, Inz. van gewapende schepen) flu 11 eije, smaldeel, kleiu eskader.

flou, fr. (spr. //«o) Piet. Hauw, week, zacht, mat; faire flou, in onduldeiyke, matte omtrekken leekenen of schilderen.

Flouche, f. fr. (spr. floesj\') of floese, fluse, arab. (elg. foeloês, pl. van fels, kleine munt) eene kleine rekenmunt to Hassora en Marokko = ongeveer J . cent.

Flower, f. eng. (spr. flou\'r) bloem. Fluaten, z. fluor.

fluctueeren, lat. {flurluUrei dobberen, weifelen, aarzelen, onzeker, beslulleloos zyn;— fluctuatie (spr. Iie=lsic), f. (flucluafïo) hel golven, kabbelen van Ingesloten vloelslollen en vochten, de vochtgolvlng; hel weitoien bij bet nemen van oen besluit, de wankelmoedigheid, besluiteloosheid, onbeslendigbeld; flue-tueus, adj golfvormig, kabbelend, golvend, woelig, in hevige beweging.

Flügel of flügelpianoforte, t. hgd.

vleugelpiano.

fluide, fr. (lat. fhwlus, a, urn, van fluüre, vloeien) vloeibaar, vlietend; oneig. ongedwongen ; — fluid meal, n. eng. (spr. floeïil miel vloeibaar vleesch, uit mager vleesch door Dariiv vervaardigd praeparaat; — con fluicletza, Muz. met vloeibaarheid, zacblbebl, ineensmelllng, binding; —/quot;/uido, fluida, fluidamenle, 11. vloeiend, ineensmeitend, gebonden; — fluïdum, n. (pl. fluida) een vloeibaar lichaam, iets vloeibaars, eene vloeistof; ook de onderstelde stroom van onweegbare stollen, h. v. van het magnetisme: — fluide impérial (spr. fluied\' imiieriaul keizerswaler, een haarkleursel; fluidifi-catie, f. (sp. l=ls) nw.lat. do vloelbaarma-klng; — fluïditeit, f. nw.lat. de vloeibaarheid; gemakkelijkheid In overgangen, ongedwon-genbehl eener rede; flumen dicéndi, n. lat. de redevloed, de gemakkeiyke, vloeiende voordractit; fluminél, n. vervalscht sallloers. Fluit, f. (fr. flute) 1) lliiilschlp, eene by-zondere soort van driemast-vrachtschepen van hyzonder maaksel, voerende doorgaans »0« lasten (In deze heteekenis, alsmede In die van smal en lang drinkglas, komt het woord van vlieten, vloed); i) (lat. fistula) een hekend blaasinstrument; fluitist, m. de fluitspo-ler; flüte d hec, eene Muil met it galen, waarvan het biaaseinde de gedaante van een vogelhek heeft, snavelllull; flüte il\'amour (spr —ilnmöér) de liefdelluil; fh\'ite douce (spr.-does\') of 11. flauto dolce, eene kleine ilnil; vgl. flauto flüte Imrersière, z. flauto Irnverso.

flumen dicendl, fluminel, z. fluide. Flünkey, m. eng. (spr. ey=ie) bediende, diensthare geest; — flunkeyism, n. de bediendengeest.


-ocr page 510-

KLIIOR 494 FOEZEL

Fluor, m. lat. (van ftuëre, vlooien) olg. hot vloeien; Ghem. eone tot lt;le zont vormende bases gerekende nlet-metalllsclie grondstof, die In verhlndlng met waterslof het tl nor wal er-slofzuvir of vloelspaalh/.uur, mei calcium liet f I n o r c a 1 c 1 u m of vloclspaath vormt; — fluorescentie, f. (spr. I—Is) een gekleurde ont-hlnding van liet licht In sommige doorzlchtlgo lichamen, h. v. vloelspaalh; — flviorescee-ren, die eigenschap vertoonen; — fluoriden en fluoruren, pi. Iluorverhindingen, Inz. liurometaien, de eerste met oxyden, de laatste met o x y d u 1 e n overeenkomende; — fluaten, pi. vioelspaathzure zouten.

riuse, z. f louche; — flüte, z. fluit, fluviaal, adj. lat. (fluvia/ix, e, van fluvius, rivier, siroom) de rivieren of stroomen betreffende, daartoe behoorendo; in rivieren of In water groeiend (van pianlen): — fluviale, liever pluviaie, z. aid.; — fluviometer, m. stroommeter, werktuig om de stroomsnelheid van rivieren te bepalen; — fluxio, f. lal. fliwïn, v. flut-re, vlieten) de vloeiing, slroo-mlng, de vloed, hot vlieten; Med. zinking; hulkloop; Math z. v. a. differentiaal (Newton noemde fluxien, wat Leibnitz door dlffe-renllalen aanduidde); flwcm tilvi of ventris, de doorloop, buikloop; fluxus, m. lal. do vloed, het vloeien; fluxus uurïum, de vloeiing uit de ooren, z. otorlKca; flu.rus nBliucus, m. de melkpersloop, witte loop, chUivloed; /\'/, iKBmorrhnïdalis, de aambelenvioed; /\'/ lochia-rum of Inchialis, de zuivering der kraamvrouwen; fl. tncnslntus, de maandstonden; — fluxionnair, ni. nw.iat. (fr. flm-ionnuire) die aan vloeiingen onderhevig Is.

Fly, f. eng. (spr. flai-, pi. flies) vlieg; ook wel vooriyiende wagen; — flyboat, f. eng. ispr. flaibnnl) snelle hooi, klein jacht, vile-iioot; — flying, adj. vliegend, b. v. flying Dulchmun (spr. dulsj-men), vliegende Hollander; — flyfishing, n. (spr. flniftesjinn) hel vls-schen of hengelen mei een vlieg (of ander insect) aan den angel.

Fo, m. de goddelijk vereerde stidiler van den volksgodsdienst in China en Japan, z. v. a. do Indische Boeddha; — foisme, n. het geloof aan Fo, de fo-dlenst.

focoso, z. tuocoso.

Focus, m. lat. (elg. de haard) het brandpunt by brandglazen en brandspiegels; in den schouwburg; eene voor byzondere standen afgezonderde plaats; — focaal, adj. (fr. fncnl) wat het brandpunt betrefi; — focale distantie (spr. Iie=tsie), f. de brandpuntsafstand, afstand des brandpunts van hei brandglas.

Fodder, n. eng. loodgewlcht van ± 20 centenaar, elk van !t0,8 kilo.

fecundeeren, lal. (fcecundSre of fecun-ilnre, van feeündus) vruchtbaar maken; — foe-cundatie (spr. t—ts), f. de vruchtbnarmaklng, bevrncbling; — fcecunditeit, f. de vrucht-baarheid.

foederaal, adj. nw.iat. (van \'l lal. fcedus, verbond) bet verbond hetreiTende; vgl. federal; foederale methode of foode-rale theologie, f. by (ie nederiamlsche gereformeerden de behandeling der theologie volgens de twee verbonden (der werken en der genade), die God met den mcnsch zou gemaakt hebben; — fCBderalisme, n. (fr. fédéralisme) een verbondstelsel, systeem der vrye verbinding van byecnbelioorende en verwante staten en volksstammen, het tegengestelde van cent ra-lis ine-, de zucht tot verbonden sluiten; — foBderalist, m. een aanhanger van dat stelsel; vgl. federalist; —foederaliseeren (spr. s=ï), (fr. fédimiiser, later lat. fmderüro) verbinden, in een verhond vereenigen; eene bondsgrondwet aannemen; — fesdereeren (lalor lal. fiedcrure) verbinden; —foederatie (spr. I—Is], f. nw.iat. do veriilnding, het iiond-genooischap van verschelden sinten, Inz. lot onderlinge bescherming; —fCBderatief, adj. verbondsmatig, lol het verbond behooronde, verbonden ; een frederatieve staat, een bondstaat, gelijk weleer de zeven Vereenigde ned-Provinciün, en heden do Vereenigde Staten van N. Amerika; — fcsderatiefsysteem, n. ver-bondssielsel, slalenbond; — gefoedereer-den, rn. pi. (fr, fédérés) de verbondenen, tot een bondstaat voreenigden (verschillend van ge-c o n f o\' d e r e e r den).

Foedraal, n. hoogd. fuller al, van fuller, voering, mid.lal. fodrus, fndnrus) de scheede, koker, hei overtreksel, de doos.

Foelie, f. (v. I lat. fntfum, blad) I) leder dun blaadje van metaal, gekleurd papier, enz., dal, onder doorzichtige stoiTen, b. v. edeistee-nen, spiegelglas, enz. gelegd, haren glans ver-boogi, daar bei de licbistraien terugkaatst; zij wordt in alle kleuren, inz. uit tin en bismuth vervaardigd; onelg. ai liet onechte, waaraan iets een hoogcren glans onileoni; i) muskaai-hioein, eene bekende specerij, het netvormig vlies over den eersten liasi van de muskaatnoot ; — foeliën, verfoeliën, met foelie, bladlin beieggen, hekleeden, onderleggen; met foelie, muskaaibioom bestrooien.

Fóémba, f. in Afrika; slaapzak van dubbele maliën van palmbladeren.

Foondoek, arab.-turk. z. fondaco.

Foeniculüm, n. lat. (ook fenicuhïmelg. verkhv. v. flt;enurn, hooi) venkel, een bekende bloeinschermdragende plaid.

fienum qraecum, n. lat. elg. grleksch hooi, fenegriek, eene plantensoort.

FoBrnig, m. een gewicht op IJsland = 10 deensche pondon of ongeveer 5 kilo.

Foeta, f. lurk. schort.

Foetus, m. lat. {feelus of fetus, oorspr. het parilclp. van \'t oud-lat. fco, ik bovrnchi, dus elg. bevrucht) de llchaamsvruchl, z. v. a. embryo (z. aid.); — foetaal, adj. nw.iat. tot de lichaamsvrucht behooronde; — foetatie (spr. Im=lsic), f. de vruchtvorming.

Foezel, f. de slof die aan ongezuiverden spiritus dien eigennardigen hoogst onaangonamen


-ocr page 511-

FOEZOEL

495

EOLL1S

smaak cn reuk geeft; liy ullbreldlaK ook: slechte jenever of brimdewüii; — foezelolie, f. collectieve naam voor eon Kroep vim alkoholen en (iKl. stolfen, die hy Ristint! van geestrUke stoffen ontslaan, Inz. uit ile aardappelen; hel lioofd-hestanddeel is a ni y 1 a I k o h o I

Foezoel, m. lurk. iemand die glad en ge-slepen is, die overal wat weel te verdienen.

Foggy, m. eng. (spr. i/=i) domkop.

Foglietto, m. ll. (spr. fo-ljéllo: verklw. van foolio, blad papier) Muz. de eerste viool-party, waarin de soil der andere partyen aangeduid zyn; - foglietta, r (verklw, van l\'onlia, hoornblad) eene voclitmaat te Kmne en te Hologna van a,:t;lt; lid n,5l liter.

Fohühio, m. eig. hel boek der schoone hloemen; de liyhel der Jopnneezen.

Fohi, m. een ehinecsche heros, die van ilitis lot voor Chr. geleefd zou hobhen, en die voor den uitvinder der wetenschappen cn kunslen cn voor den eersten wetgever wordt gehouden,

Föhn of fóhnwind, m, (spr. fcun—, v. lat. (moms) hevige, zwoele zuidenwind aan de noordoostdyke hellingen der Zwiiserschc Alpen.

Föhrde, f. nederd. (spr. feurile) zeehocht; golf in Sleeswyk-llidslein.

foi, f. fr. (spr. fon) geloof, trouw, woord; ile limine foi, te goeder trouw, oprecht, h. v. iets de honne foi doen (gem. op de bonne fooi doen). Iets in goed verlrouwen, op goed geluk af doen; ma foi\' wnaraclitig! voorwaar! liar ma foi, op myne eer!

Foiblage, Foiblesse, z. faibi-.

Foisme, n. z. v. a. hoeddhaïstne in China.

Fok, f. op groole schepen; bet onderste razeil aan den fokkomast of voormasi; op kleine vaartuigen het driehoekig zeil, dat tus-schen den fokkemast en den boegspriet wordt gebescheii; sprw. de fok opzetten, den bril op (den neus) zeilen (waarhy men dan hoer-tender wyze den neus ais den boeg van \'I aangezicht hesehouwl).

Foküra, m. lurk. arah. (v. arah. fakara, denken) in Boven-Kgyptc. een geleerde, d. i. Iemand die den koran lezen en looverschrift schryven kan.

Fökul, m. zweedscb, een gietscher In het Scandinavisch gehergle.

folAlre, ndj. rr, moedwillig, lichtzinnig, dartel, koriswyiig, vrooiyk; — folatreeren, dartelen, hoerten; - folatrerie, f, kortswyi, grappen, dartelheid.

Foldage, n. eng. (spr. fooldedzj\') horden-recht, recht om schapen te parken.

Foliant, foliïïtie, enz. z. ond. folium.

Folichon, m. fr. (spr. sjóh) snaakje, speel-sche gull.

Folie, f. fr, (v. fot, fou, dwaas; v, eelt. oorsprong) de dwaasheid, zotheid, zinneloosheid; — folie raisonnanle (spr. rézondiil\'), waanzin waarin methode heerschl, waarin men uil val-sche onderstellingen logische gevolgtrekkingen maakt; — folie d\'Ksimgnc (spr. —despdnj\'), d. i. dg, spaanscho dwaasheid; een nu eens sneller, dan langzamer dans in 4 maat; ook de muziek van dien dans.

Folium, n lal. een blad, b. v. in koopmansrekenhoeken; pi. folia; folium Carlesli, Arlth. eig. bet blad van Carteslus, eene door dien wysgeer gevonden kromme lyn; — foliant, m. een hoek In folio/ d. 1, in het formaat, waarhy het vel papier slechts eens wordl toegevouwen en vier bladzijden heeft; — een gek in folio, iron, een zeer groole gek; folïn men, of afgekort f. m., op inyn blad, d. 1. op bet blad myner uitgavo; f^. r0., d. 1. folio recto, op de rechter- of voorbladzijde; f0. e0., d. i. folio verso, op de keerzyde; — foliacüus, 0, urn, lat. Hol. bladachllg, op een blad geiy-kend, bladvormlg; — foliatie (spr. t—ls), f. nw lat. de bladontwikkeling, hel uiiloopen der lioomen In de lente; -- fnlialu.1, a, um, lat. Hoi. met bladeren voorzien, gebladerd; — folia-tuur, f. lal. de vorm of de gedaanie der bladeren; — foliëeren, l) de bladen van een hoek mei cyfers ieekenen (onderscheiden van pagineer en); 2) spiegelglas, enz. met foelie (z. aid.) beleggen; foelll\'n, verfoeiien; — foliëus, adj. lat. (foliosus) bladrijk, vol bladeren; — folioólisch, adj. nw.lal. op bladeren levende of groeiende; — foliiférisch, adj. hinderen dragende; — foliiféroflori-férisch, adj. ie gelijk bladeren en bloemen vooribrengende; — foliiflorisch, adj. met op de bladeren slaande hloemen; - folii-parisch, adj. bladeren voortbrengende; — fnliölue, kleine idaderen, blaadjes; — folio-lons, adj. rijk aan blaadjes; folioférisch, ailj. blaadjes dragend; —foliopédisoh, adj met hladvormige vliezen aan de voelen; — folio-sus. 11, um, lal. Hoi bladerryk, rgk aan bladeren, gebladerd.

Folkething, m. deensch. Volkskamer, ryksdag, bnis der voiksverlegenwoordigers (onze tweede kamer).

Folie, f fr. (van /\'»/, fou) gekken, dwaze vrouw; In folie du logis (spr. lozjie), de ver-beeldingskrachl, de phanlasle; — follet (spr, lè) of esprit follet, plaaggeest, kabouter ; z. ook f e u.

Folli, m. (mid. lat. foltis, mid.gr. fóllis en fólla) eene verouderde lurksche munt, ongeveer = :i gi. (in cl.

Follia, f. II. en sp. dwaasheid (vgl. folie); Muz. vrooiyk spaansch muziekstuk met varlalies.

follis, in. lal. de beurs, buidel, zak, tasch; in folie, door elkander, by den roes, eig. in den zak, (I. i. onbezien, b. v. Iels koopen; —folliculaire, m. fr. (van \'t lal. folHcülus, een zakje, bolletje, windbal, dus eig. een windmaker, opsnijder) een slecht, gaizuchlig dagblad-schryver of journalist; een paplerbekladder;— follicülus, m. lal. (van follis, zak, beurs) hel vlies, waarin bel zaad der bloemen Is besloten, vrucht hulsel; zaadhulsel; ook de galblaas; — folliculitis, f. Med. de galbiaasonisleking.


-ocr page 512-

FOLLOWER 496 FORCE

Fóllowor, m. eng. volger, opvolgor, na-volgor.

Fomént, n. lal. (foménlum, van fovcre, verwannen) een wanne omslag, stoving, een lol ullwonillg gelirulk (llenuiul vloeibaar arlsenUmUl-del, dal door middel van daarin gedompelde en ullgedrukle linnen en flanellen lappen of van eene spons geappllceerd wordt; — [omenta, sp. vervvamilng, ondersteuning; ministéiio del fo-méntn, mlnlslerle van lilnnenlandsclio zaken, vgl. delefiados del (omenta onder de legeeren; -fomenteeren, warmen, stoven, door wanne omslagen versterken; onelg. aanstoken (twist, opstand), In gisting lirengen; — fomentatie (spr. He—tsle), f. de stoving, verwarming door warme omslagen; gisting.

foncé, fr. (spr. foiisé), donker, li. v. rauije foncé (spr. roetj\'—), donkerrood.

Foncót, m tr. (sp. foiisé) de grootste soort der fransehe rivierschuiten; ook de liinnenpluat van een slot.

Fonctionnaire, in. fr. (spr. foiisjonnèr\'), van fonction = functie, z. aid.) een amhle-naar, lieamble; — fonctionomïe, f. do leer van do dierlijke verrichtingen; z. verder fun e I Ie,

Fond, m. fr. (spr. fanv. \'I lal. fundus) de grond, hodem, grondslag; ook de achlergrond van een tooneol; de achterzltplaalsen in een rijtuig; d fond, grondig, door en door (1). v. Iets kennen); au fond (spr. o—) in den grond, wel Ingezien; fond d\'or, goudgrond, een soori hrocaat (z. aid.); — fondatie, fondeeren, z. ond. fundus.

Fonda, f. sp. (v. 1 lat. funda, geldheurs, mid lat. de verzamelplaats der kooplieden, waar hun gemcenschappelUkogeldschal heruslte, hours) een hotel of logement van den eersten raag.

Fondaco, m. it (arah. fondals, fondok, gr. Iiuiidakeian, herberg) koophuis, magazijn, ge-inccnschappeiUko bergplaats van waren van vreemde kooplieden.

fondaménta, m. 11. (= Int. fondamenlum, vgl. fn n d a ni e ii 1) Muz. de grondbas, grondsleni.

Fondant, n. fr. (s|ir. fanddn, v. fandre, smelten) in den mond smeltend suikergoed, gevuld suikergoed.

Fonderie, f. fr. (spr. fahd—, v. fandre, smellen, = lal. fundi-re) eene gieierü, melaal-smelierü, smelthnt; — fondeur, in. gieter, smelter.

Fondjiwnra, m. eerste minister van den mikado (in Japan).

Fonds, n. fr., pl. fondsen, eene min of meer aanzienlgke som gelds tot eenig gebruik bestemd, geldon, geldvoorraad, geldver-mogen, het ter besehlkklng staande kapliaal; bel kapitaal of hoofdgoed, de warenvoorraad; de gezameniyke werken, waarvan een uitgever van hoeken liet koptj-reebt of recht van uitgave beeft; onelg. grondigbeid, grondige kennis, voorraad van wetenschap; — publieke fondsen of enkel fondsen, de staatssebuld-bileven, de waarde der actlBn daarvan, negolia-tie kapiialen, enz., z. ook fund.

Ponduk, in. lurk. (v. \'I perz.-arab. foen-doek, hazelnoot) eene turk. goudinuiit, ongeveer = o gi. ;to cent.

Pontange, f. fr. (spr. fonldiizj\') oen llnl-strlk op den hoofdtooi dor dames, eene soort van boog kapsel (zoo gelieetcn naar de jonge lierlogln de Fontnnges, die lilj hilar optreden unn het fransehe hof in lilquot;1,» het eerst dien hoofdtooi droog).

Fontein, f. (fr. fontaine, v. \'t lat. fontdmt, sell. o(/ilt;«, bronwater, laier lat., provenc., 11. en sp. ook fonluna, als snbslantlef voor fonx, bron) do liron, springbron, wel; — fontanél, f. nw.lal. mid.lat. fanlenella, li. fantaneUa, ver-klw. van fantam) eig. eene kleine bron, een fonteintje; Med. eene kleine kunstzweer, die men verwekt en onderlioudl om eene ziekte te voorkonicn of schadeiyke vochten af te leiden; ook de slechls met weeke kraakbeenslof opgevulde opening In den schedel by pasgeboren kinderen, bij wie de beenderen zich nog nlel vercenigd beliben.

Fontinahën, pl. lal. {fantinatïu, v. fans, genii, fontis, eene bron) bet hronfeest, Ier eere van de bronnimf In het oude Rome, dat den lilden Oclober gevierd werd; - Fontinalis, de brongod.

fooi (op de bonne), z. ond. foi.

fool caps, pl. eng. (spr. foei heps) eig. zois-kiippen, een soori van engelsch scliryfpapicr.

Foot, eng. (spr. fact) pl. feet (spr. fiet), de engelscbo voel = J yard = li inches ((lulni: = 0,305 meier; footman, in. (spr. fóét-men) loopknecht.

Fop, m. eng. (vgl. bet nederl. foppen), een gok, zol, kwast.

forain, adj. fr. vreemd, vgl. foreign.

Foramen, n. lal. (v. farare, boren) eene opening, een gal; pl. foramina; — fora-mineus, adj. (later M. foraminósus,a, um), doorboord, met openingen of gaatjes voorzien.

Forban, m. fr. (spr. fnrbdn) een zeeroover, die zoowei vriend als vüand aantasi, kaper, vry-iiuiior; ook eene soort van kleine vlsscbersbool.

Forbearance, (. eng. (spr. forbvrens) ver-drangzanniheld, het streven om zorgvuldig alles te vermyden wat iemand krenken kan.

Forcat, m. fr. (spr. (orsd) galeislaaf, -boef.

Force, in. fr. (spr. fan\'s van fort = lal. fortis, z. aid.) de slerkte, kracht, macht, liet geweld; de dwang; eene gevangenis te Parys; ri loute faire, (spr, « toer—), niet alle kraehl, met geweid, volslrekl; par farce, met geweid; z, verder parforce; force majeure, fr, (spr, zjeur) of vis major, lal. eig. grootere of iioo-gere inaclit; hinderpalen die men niol overkomen kan, omslandigheden die men niet in zyn macht heefi; maison de farce, tuchthuis; — forceeren (fr. forcer, dwingen), drijven, noodzaken, geweid aandoen, overweldigen, overmannen, met geweld nemen; openbroken, openloo-pen, mei geweld openen, den toegang hanen; bestormen, door storm veroveren; een geforceerde marsch, verlengde en versnelde toclil.


-ocr page 513-

FORCEPS

497

FORMA

vordubbeldo Irod; — forcoeren, in t kaartspel: zUno party ocno kleur aanspelen, die liij niet heeft, en iiem zou noodzaken met troef te bannen; noodzaken om solo te spelen; —co-dille-forcé (spr. kndielj\'—), gedwongen codille, als men genoodzaakt Is op codille te spelen; zonder \'t welk de omber winnen zou;

— spadillo-forcé (spr. spadiélj—), bet spel, waarbl) men genoodzaakt Is te doen spelen zoo dlkwüls men spadille beeft; — forcé par tout (spr. —loe), ■/.. v. a. casco (z. aid.);— mat forcé, In \'t schaakspel; gedwongen mat, wanneer de koning, niet schaak staande, eebter niet van plaats veranderen kan zonder zicb scbank Ie zotten, pat.

Forceps, m. en f. lat. eene verloskundige tang.

Foreest, n. (mid.lat. fnresta, boogd. forst, fr. forêl) een bosch, woud (oorspr. eene omheinde beplante plaats, park).

Foregone, adj. eng. (spr. furuun) voorafgegaan, gereed, uitgemaakt; foreyonn conclusion (spr. konklnésjen), sedert lang uilgemaakte zaak.

Foreign, adj. eng. (spr. fórrin) vreemd, buitenlandscb; v. forensis i); — foreigner, m. vreemdeling; — foreign-office, n. eng. (spr. fórrin ólfls) In Engeland bet ministerie van buitenlandscbe zaken.

Forél, f. een vlsch van de familie der zalmen, die zicb enkel in diepe, heldere en koele bergslroomen, ook wol In zee ophoudt (Salmo fario); de zalmforel [Salmo Irulhi) iiiiisl In de Noordzee en wordt tot hoogstens lü kilo zwaar; forelporselein, n. (fr. porcelaine Iruilée) cblneeseh en Japansch porselein met zeer fijnmazig craquelëe, waarvan de barstjes roodacb-tig zijn.

forénsis, e, t) lat. (van forum, z. aid.) ge-rechteiyk; van daar medicina forénsis, ■/.. ond. medicus; forénsis, *2) m. pl./bmises, mld.iat. (van \'t lal. foris, buiten, uitwendig) Jnr. een buitenlander, vreemdeling, inz. die in het land grondeigendommen heeft; ook kooplieden die zich In een vreemden staat ophouden.

Forestagmm, n. mld.iat. (v. 1 mld.iat. f oresla, fr. forf.t, bosch, van \'t lal. foris, daar bulten, bet builen de omtuining liggende boscb) het hoschgcbrulk, bet recht, dat de houtvester van oenen hoer verplicht was jaariyks als leen-schattlng op Ie brengen.

Forestiere, forastiere, m. it. vreemdeling, buitenlander.

forfait, n. fr. (spr. forfè: mid.iat. forefactum, van foris acere, als zelde men: daar hulton, d. 1. bulten bet recbl, tegen don plicht handelen) mlsdrgf, euveldaad, misdaad, om wraak roepend of hemeltergend vergryp (erger dan crimen)-,

— a forfait, koop of verkoop van waren In eens, by den hoop, by den roes; by aanbesteding, aanneming; tegen een bepaald loon (niet stuks-gewys) b. v. betaald worden); — forfanterie, f. fr (spr. forfaiil\'rïe; v. \'t It. forfante, praler, elg. het particlp. v. \'toud-ll. for fare, misdoen,

VIERDE imUK.

zich vergrypen, fr. en provenc. forfaire, mid. lat. foris faclre) de zwetsery, opsnydei y, wind-brekery, snoevery, snorkery.

foris postti, pl. de huiten zittenden, in de oude kerk de in den ban gedane lieden.

Forlana, f. it. een vroolijke lioercndans, in Venetië (h] j maat).

Forlo, m. egypt. munt = nog geen J cent.

forma, f. lat. vorm, gedaante, gestalte, de schikking der deelen van een lichaam, waardoor het zich van andere meer of min onderscheidt ; de wyze of manier van handelen, spreken, zich gedragen volgens zekere vastgestelde gebruiken; bet voorbeeld, de leest, z. m « del; pro forma, lat. en pour la forme, fr. (spr. poer—) voor den schyn, welstaanshalve; in optima forma, lat. in den besten, den verelschten vorm; in forma consucta, In gewonen of gehruikeiyken vorm; in forma paténte, In aankondigende wyze, door openbare aanplakking; in forma pauperis, als armenzaak, volgens armenrechl; in forma probante, Jur. in bewyzenden vorm; sub ufrw/uc forma, onder de helde gestalten van brood en wgn (bil hol b. avondmaal); —formaal (lat. formalis. e) of formeel (fr. formet), adj. de gedaante of niteriyke gesleldbeld van iets be-Irellende, het tegengest. van materieel; als adverii. formatter, vormelijk, volgens den vorm, in tegenst. van materiattter, zakelijk, volgens den Inhoud; — formeel, adj. en als adverb. formellement (spr. formell\'mail), vormeiyk, In behooriyken vorm; nitdrukkeiyk, duldeiyk; — formaat, n. de vorm, de grootte, of lengte en breedte eens hoeks, afbangende niet zoo zeer van de grootte van liet papiorvel, als van de wyze, waarop bet gevouwen Is; eenmaal gevouwen met i bladzyden beet f o 1 ï o - f o r m a a t; •2 malen met 8 idz. quarto-formaat (4°); Smalen met t(gt; blz. octavo-formaat (8°); wordt J van hot vel, dat 24 blz. beeft, afgesneden, en dit Bmaal gevouwen, dan beet het d u o d e c i m o - f o r m a a 1 (12°); beeft een vel 32 blz., zoo verkrijgt men na vouwing sede-cimo-formaat (1(1°); met ;t(l blz. oete-deel mo (18°); kleinere formaten noemt men In \'I algemeem miniatuur-formaten. Al deze formaten worden nog in groot en klein, soms ook In middel verdeeld, zoo heeft men b. v. groot- en k I e 1 n - o c t a v o - f o r m a a t, en nog een middelformaat, dat post-octavo-for-maat geheelen wordt; — formaatboek, n. een boek, dat de teekenlngon en behande-llngswyzen van alle voorkomende formaten beval ; — formale, n. nw. lat. de vorm, de gedaante van Iels; in tegenst. met het mate-riöele, dat de slof en den Inhoud eens dings aanduidt; — formaliën of doorgaans formaliteiten, pl. de vormeiykheden, de gewoonten, gebruiken, alles wal de beleefdheid vordert, de regels en vormen van rechtspleging, enz.; — formaliseeren (spr. .?=«), de uiter-iyke vormen en regels nauwkeurig in acht nemen; compiimenlen, plichlplegingen maken; — zich formaliseeren (fr. se formaliscr),

112


-ocr page 514-

FORTIFICEEREN

498

FORMA

zync bevrcenwllni? of misnoegen over lets niton, iels kwalijk nemen, aanimirklngcn over Iels maken, zieli beleedlgil achlen; — formalisme, n. hel innchtnemen der ullerlUke vormen (lgt;.v. eener wetenscliap), zonder lol Inhoud on t?eesl door Ie dringen; — ook l\'hllos. hel meliiphy-slsch stelsel, waarhU het heslaan dor slof geloochend en haar onkel de vorm wordt toegekend; — formaUst, m. wie zich uitsluitend aan den vorm, hel ulloriyke houdt; ook een complimentenmaker, plicht pleger, gef onna 11-seerd mensch; —format, n. fr. (spr. formd) formaat (z. aid.); format charpentier (spr. sjdrpaitljé), fr. romanformaat In li0; — formalus, ii, urn, ad), lal. gevormd; In den hesten vorm gesteld; litlerae formulae, z. v. a. epistolae ca-nunicae, blsschoppelUke In leven tot onderhouding der betrekkingen met vreemde gemeenten; — formanus m. formarïa, f. in kloosters-, lt;le monnik of de non, die wegens hun strengen wandel den anderen tot voorbeeld en tol opzieners over ben gesteld worden; — for-meeren, lat. Iformare, fr. former) vormen, gedaante, gestalte geven, maken, vervaardigen, voortbrengen, verrichten, ontworpen; Mil. zich in rij en gelid plaatsen, zich verzamelen; — zich formeeren, zich zeiven opleiden, bekwamen, beschaven;—formatie (spr. I=ls: lat. formaCto, f o r m e e r I n g) f. de vorming, ge-daanlegevlng, schepping; de formatie van een leger, de regeling. Inrichting van een leger; In de geognosle; eene reeks van steenmassa\'s, die naar de opeenvolging der lagen barer versteeningen, enz. als de leden van een in hetzelfde tijdvak gevormd geheel beschouwd worden; — formatiseeren (spr. s=z), lot cenen bepaalden vorm en bepaalde grootte brengen h. v. sleenen met den hamer-, — formior , m. fr. (spr. formjé) een leeslmaker, leestver-koopcr; — formule, f. (lat. formula) voor bijzondere gevallen voorgeschreven of door bet gebruik Ingevoerde woorden, wendingen en spreekwijzen, de zegswijze, woordverbinding, bet voorschrift, de uitdrukking; Math, eene algc-meene letterultdrukklng, de door berekening gevonden algemeene regel, hel rekenvoorscbrlft, de vaste regel; formula juraménti, eedsformulier; formula ronroritfae, f. het concordlcnboek, een der iuthersche geloofsboeken, op lasl van Augustus van Saksen in Itntt samengesteld; formula magistrSlis of exlemporanca, het door den arts voorgeschreven recept, dal onderscheiden, onder elkander Ie mengen artsenijmiddelen beval, in onderscheiding van f. officinalis of dis-pensalorialis, een recept, dat door de phar-m a cop (ca wordt voorgeschreven-, — formu-larisch, adj. nw. lal. vormelijk, voorschrlfl-matig; formuleeren, in een formule of bepaalden vorm van ulldrukking opslellen, vor-molUk uildrukken of redigeeren; — formulier, n. (nw.lat. formulare, fr. formulaire, It. formulnrio) een door hel gebruik Ingevoerde regel, bel woordelijke voorschrift voor eeno handeling, rede of gescbrifl, b. v. eene huurcedel, een testament, voorbeeld van gebeden, brieven, verzoekschriften enz.; — formulierboek, n. verzameling van formulieren voor geestetyke en wereldlUke verrichtingen; — formulist, m de vriend van formulet); styvo aanbanger der vormen of formullteilen.

Fórmand, m. deensch. quot;voormanquot;, aanvoerder Inz. eener bool.

Formica, f. lal. de mier; —formica zuur of formylzuur, n. Chem hel mlc-renzuur (acidum formicicum) een in de mieren voorkomend organisch zuur; — formyl, n. hel vermoedeiyk radicaal daarvan; — for-mylchlorido, n. z c h lo r o for m; — for-micatie (spr, t=ls), f. lat. (formicafto) Med. bet mierenkruipen, een gevoel der huid als liepen er mieren over, bet gekriebel. Jeuken in de huid; — formicieten, m, pl, nw, lal, versteeningen van mieren,

formidabel, adj, lal, (formidabïlis, e, v, formidure, vreezen) vreeseiyk, verschrikkeiyk, geduchl, yzingwekkend.

Formeeren, formule, formulier, enz., z. oud. forma.

Formositeit, f. lat. {formostlax, v, for-mosus, schoon) schoonheid, welgevormdheid, Formyl, z, oud, formica.

Fornax, lal. de roostoven hy de Komcl-nen; — fornacalïën, pl. feest Ier eer van hel korenrooslen.

Forneerhout, z. onder fourneeron. Forneiro, m. port. (spr. ei=ê) een z.ame-rikaansche vogel, die zyn nest uit leem bakt als steen (pedra) In den vorm van een ronden bakoven iforno), ook: pedreiro.

Fornicant, m. later lat. (van fornicare, hoereeren, v. fornix, clg. gewelf; woonplaats der openbare vrouwen) een hoereerder, iemand die eene vrouw bulten huweiyk bezwangert; — fornicana, fornicatrix, f. eene hoer; — fornicarïus, m,, z, v, a, fornicant; — fornicatie (spr. l=ls), f. boerery-, fornica-lus, a, urn, lat. Bot gewelfd.

forsan el haec olim meminisse juvabit, lal. misschien zal het eens een genoegen zyn, ook aan deze dingen te denken (citaat uit Virgilins Aenelde I, -2011).

Forséti, m. noordscho Mylb. Raiders zoon, de God der gerechtigheid, die de pleiters verzoende.

Forsk., by natuurwetenschappelUke benamingen afk. voor 1\'. Forskal (gest. nflll).

Forst., by naluurwelenscbappeiyke beiiii-mingen afkoriing voor J. R. Forsler (gestorven nos).

Fort, n. fr. (spr. för, v. fort, = lat. fortis, sterk, vast, enz,) eene kleine vesllng, schans, by vesting; ook forterésse, f.

forte, forte-piano, enz., z. ond. fortis. fortifleeeren, lal. {forlificare) of for-tiflëeren, fr, {fortifier) sterken, kracht geven, versterken; Mil, verschansen, bevestigen, versterken, vesten-, — fortificatie (spr, tie— Isie), f, hel vestingwerk, de vestingbouw, be-


-ocr page 515-

FOL\'GADE

FORTI N

499

vestiging ut verslorklng eenur plants; de krUgs-bouwkunst, vorschanslngskunst.

Portin, m. t° voor 1871 cetie koruumaal In Conslantliioiiul = i kil» of klllows (d. 1. maat,\'tobbe) = UI liter; S!0. fr. (spr. forlèh), kleine schans, sterresclians, bulpschans.

fortis, e, adj. lat. slerk, dapper; — forles [ortuna (adjuvat), lat. sprw.: de fortuin helpt de moedigen; met moed begonnen Is half gewonnen ; forte, It. Muz. sterk; forleinenl, fr. (spr. fortman] sterk, nadrukkelUk; forle piano, 11. eerst sterk, dan zacht; — forte-piano ot piano-forte, f. elg. het slerk-zachte of zacht-sterku slagspeeltulg, hamerklavier naar aanleiding van hel oude klavier uitgevonden omstreeks 1710 door Cristo Korl; — fortissimo (spr. forties—), zeer slerk, allersterkst, zo» sterk mogeiyk; — forlïler in re, suaviter in modo, vast In de zaak, maar zacht In de wijze van uitvoering; — forttler, lal. adverb, sterk, dapper, inoeilig; — fortitüdo, f. lal. de dapperheid.

Fortuin, z. F o r t u n a.

fnrtmlo, lat. (v. fors, toeval), toevallig, on-verwacht; casus fortüttus, m. een toeval.

Portuna, lal. (v. fors, toeval) de Fortuin, de godin des geluks (gr. Tyche], dochter van Oceanus, hel verpersoonlykte Fatum; for-tuna cui favel, sponsa pelila manet, lal. sprw. die het geluk lieefl, voert de liruid mede, d.1. zonder geluk vaart niemand wel; »»k fortune, fr. (spr. fórtmin] gelukkig voorval, geluk, al wat Iemand goeds of kwaads kan overkomen, lol, lotgeval, ontmoeting, wedervaren; vermogen, bezitting, onislandigheden, slaal; fortuintje, gelukkig voorval, toevallig voordeel, huilen-kansje; — brula fort/ma, lat. blind. (elg. onverstandig, dom) geluk; ad meliorem fortunam, lot beter lol, In beter omstandiglieden (geraken); d la fortune, fr. op goed geluk; d la fortune du pol (spr —po), woordei.: op goed geluk van den pot, d. 1. zoo als do kok schaft, de keuken oplevert, op den dangschon pol (h. v. uitnoodigen); de fortwie, hij toeval; homme de fortune. Iemand die klein is begonnen, maar fortuin gemaakt lieefl; soldat (spr. dd) de fortune, een man van geringen stand maar die in den oorlog lot hoogen rang Is opgeklommen; honne fortune, goed geluk, gunstbewijs der fortuin; Inz. geluk dat een lieer by de dames heeft; hommes d bonnes fortunes, iemand die zeer gewild Is bij de dames; — fortuneteller, m. eng. (spr. förtsj\'n—) waarzegger; — Portunatus en Portunata, mans- en vrouwenn.; de gelukkige, met goederen ruim bedeelde.

Port-vêtu, m. fr. (spr. forwètu), iemand, die boven zijnen stand gekleed is, een burgerije in \'t heerenpak.

Porum, n. lat. de markt, hel marktplein, de verzamelplaats, ook de rechtbank, het gerecht, de rechterstoel, vierschaar (omdat by de Komeinen de rechtszaken op de marktplaats beslecht werden); in fora, voor of in bel gerecht; forum apprehensiónis, de gerechlsplaals waar een misdadiger gegrepen word; forum boanum, de rundermarkt (te i\'ompejl); forum cambiule, het wisselrecht, de rechtbank voor wisselzaken; f. compütens, de bevoegde rechtbank; f. contractus, de rechtbank van de plaats, waar een verdrag of contract is aangegaan; f. delicti commissi, do rechterlgke niacht dei-plaats, waar eene misdaad is begaan; f. ilo-miciffi, de rechtbank der verblijf-of woonplaiiis; f. extémum, liet buiteniandsch gerechtshof; /\'. incompêtcns, eene onbevoegde rechlbank; f. internum, hel Inlandsche gerechtshof; f. oriipnis, de rechtbank der gotioortepiaats; f. privilegiu-tum, een bevoorrecht gerechtshof, zulk een, waaronder Iemand wegens zyn ambl of zyn persoon staal; f. rei sitae, hel gerechlsliof van de plaats, waar de goederen, Inz. de betwiste goederen liggen; f. supremum, het opperste gerechtshof.

forward, adv. eng. veorwaarts.

Porza, f. II. kracht, sterkte; con f., met kracht.

forzando, 11. (van rinfonare, versterken) Muz. versterkend; fonato II. (rinfonato) versterkt.

Possa, f. lat. (elg, gracht, v. fodüre, graven; fr. fosse) Med. eene groef- of goolvormige indieping, een kuiltje; fossa axillaris, okselholte; f. lacrymatis, Iraanhollc; f. poplitea, knieholle; — fossiel, adj. lat (fossilis) uit den grond gedolven, uilgegraven, Inz. ais voor-wereldiyke overbiyfsels, versieend (fossiele planten, heen deren, enz.); — fossiel, n. pi. fossiliën, delfsiolTen, uit de aarde gegraven onbewerktuigde lichamen, m 1 n c rale n ; in engeren zin: versteende organische overblijfsels uil de voorwereld, versloeningen; — fos-silist, m. nw. lal., z. v. a. mineraloog;

fóssor, m. een graver, schansgraver, z. mineur; — fossula, f. lal. kleine fossa.

Posaorier, n. fr. (spr. fossorié) lol in lNr.1 een vlaktemaat In Waadtland = i,S are.

Poster, n. engelsch gewicht voor lood van •2S eng. centenaars = 1122; kilo; vgl. fodder.

Pot, m. een zweedsche voel = 0,4(109 meter.

Pou, m. fr. (spr. foe) de gek, dwaas, nar, een mal monsch; ook de raadsheer of looper in \'I schaakspel.

Poudre, f. fr, (spr. foedr\': van hel lat. fulgur) bliksem; hllkseinslraal, donderslag; — foudroyeeren (spr. foedroaj-). Mil. geweldig beschieten; nederdonderen, vuur spuwen, razen en tieren, schelden en razen; — fou-droyante, f. (spr. foedroajaht\') oen zeker zwaar knallend vuurwerk, springraket, donderstar.

Pouet, m. fr. (spr. foe-t) roede, zweep.

fouets, pl. fr. (spr. foe-è) engelsche rijzweep.

fouetté, adj. gezweept; z. onder crème.

Fougade, of ook wel fougasso, f. fr.

(spr. foe—: van fouijue, hitte, woede, 11. /o;;« voor fuoga, v. \'l lal, focus, vuurhaard, mid.lal.


-ocr page 516-

FOUILLEUR

FOYERquot;

500

vuur) Mil. ceuo kleine myii, noddoniiüquot;; fou-gueux (spi\'. focgeu), ailj. opbruisctiend, ilrlttlg, wild, nploupctul.

rouilleur, m. tr. (spr. foeljéilrv. fouiller, omwoelen, opgraven) Mil. oen schansgraver.

Foul, adj. eng. bedorven, vuil, slecht, onbruikbaar; fout air (spr. ir), bedorven lucht.

Foulard, m. tr. (spr. foetdr: van fouter, vollen) eeno Indische bont gedrukte zijden stof voor shawls, zakdoeken, enz.; inz. zulk een zU-don hals- ot zakdoek.

Foule, t. tr. (spr. foef: 11, fotla) oene menigte menschen, een volkshoop, gedrang, samenloop ; groote hoop; het gros der menschen; en foute (spr. aii foei\'), in menigte, hoopsgewUs, met stroomen

Foundation, l. eng. (spr. foumteesj\'n) z. f u n il a 11 e.

Fourago of fourrage, r. fr. (spr. foerd-tj\' van \'1 oudlioogd. fuatar, voeder) vee- en Inz. paardenvoedor, legervoeder; — fourage-ma-gazijn, n. een voedervoorraadsbuls; — fourageur, in. (spr. foerazjeur), een voederhaler), die op het verkrUgen of in-boslag-neinen van voeder uitgaat; — fourageeren (spr. foe-ratj—, fr. fourrager) voeder of ook levensmiddelen opsporen en halen, leeftoclit zoeken; — fourageerlng, het voedorhalen, hel uitgaan op fourage.

Fourbe, m. fr, (spr. foerb\'-, it. furbo, van \'t fr, fourtiir, it, forbire, schoonmnkcn, poetsen, v, \'I iioogd, furben, poetsen, dus elg. een geslepen man; vgl. fripon) een bedrieger, schelm, schurk; — fourberie, f, de bedriegcrU, arglistigheid, schelmerij, schurkenstreek.

Fourehette, f. fr. (spr, foersjét: verklw. v, fourche, v, lat, furca, galTel, tweotandige vork) vork (om te eten); déjeuner a ta fourehette, z, onder déjeuner; z, ook tin 2); Muz, fourctietle toni que, stemvork.

Fourgon, m. fr. (spr. foergrin v. bet lat. furca, vork, it. forcone) ovenyzer, vorkvormig rakelijzer der bakkers; zeker rijtuig met een galTeldissel; Mil, overdekte legerwagen voor bagage, pakwagen; — fourgonneeren (fr, fourgonner) eig, met liet ovengzor poken, omwoelen,

Fourier of foerier, m, fr. (fomrier, It. furiere, mid. lat. fodrarfits, van fodrum, voeder-, vgl, fourage) eig, wie voor bet onderhoud der troepen enz, zorgt, een onderonicier, belast met het houden der monsterrol eener compagnie, de inlegering der soldaten, enz,, de veld- of krijgsschrijver; ook de naam van een bekenden socialist (gesl. 1837), vandaar fou-rierisme, n, het naar hem genoemde socla-listisclie stelsel; vgl, phalanstèro; — fou-rierist, m, aanhanger van Fourier; — hof-fourier, een liof-otticler, die voor de aankomende gaston zorgt en in liet algemeen de hevelen van dun hofmaarschalk volbrengi,

four in hand, eng, (spr, fdr in hènd\') met de vier (ryden), met een vierspan, fourmilleeren (spr. foermi-tj—), fr, {four-milter, van fourmi, mier) wemelen, krioelen (als mieren); — fourmillemont, n. (spr. foermi-tj\'mdii] z. v. a. formlcatie.

Fourneau, m. fr. (s|ir. foernó) Mil. een In den grond gegraven en met kruit gevuld gat, om eenlg vestingwerk te doen springen, mUnkamer.

fourneeren (spr. ou=oc-. fr. foumir, it. fornire, van \'t oudd. frumjan, bezorgen, enz.) met iets verzorgen, voorzien, bijstaan; ondersteunen; iets leveren, bijdragen, aanscbalTeii, verschaifen, bezorgen; het onthrekendo aanvullen, vólmaken, zijne bijdragen betalen, b. v. voor ecne klasse der loterij, et een lol fourneeren; bü schrijnwerkers (fr plaquer, eng. veneering): met (IJne houtbladen beleggen. Inleggen ; — fourneerwerk, n. Inlegwerk; — fourneer, forneer, fornierhout, fur-nier (fr. plague, feuille de placage), het hout daartoe, inleghout, iljno bouthladen; — for-neermachine, f. (fr. machine a ptaquer, eng. veneering-machine) toestel om voorwerpen van gebogen en ronden vorm te fornoeren; -fournisseur, ook fourniteur, m. de ver-schalfer, leveraar, leverancier; — fournisseur de la cour (spr. koer), hoileverancler; — four-nissement, n. inlage, toelage, het bijvoegen van het nog ontbrekende, de aanzuivering; — fourniture, f. de levering; de noodige voor-raad, behoefte; geld voor de garde-robe aan balletdansers; ook: boutbelegging, bekleedlug met forneerlioui.

Fourpence, in. eng. (spr. fiiórpens) een geldstuk van i pence (z. aid.)

Fourrage, enz., z. fourage.

Fourrüre, f, fr, (van fnurrer, voeren, met voering voorzien, sp, forrar, it, foderare, van \'t 11, fodero, voeder tot voedsel, en voering, binnenbekleedsel; vgl, fourage) pelterij, pelswerk, pels, pelsrok, pelsmantel; heimelijk in-geiaschte, ondergeschoven plaatsen In een geschrift ; ook de binnenhekleeding van een schip; bel hermelijn In de wapenkunde.

Fourth party, f, eng, (spr, foors pArti) eig, vierde partij; fractie der conservatieven in bel eng. parlement onder lord Kandolpb Cliur-cbill (in onderscheiding van de drie bestaande partijen: liberalen, conservatieven en Ieren) uitmuntende door vereering van iieaconstleld en haat tegen Gladstone: de heethoofden der conservatieve party.

Fovëa, f. lat. de groef, b. v. Med. In een been; — fovea nectarifera. Kot. bonlggroefje.

foveeren, lat. (fovlre) koesteren, warm houden; begunstigen; oppassen, verplegen, opvoeden.

Fox, m. eng. vos; — foxhound, m.

jachthond voor vossen; — foxhunting, f. vossenjacht.

Foyer, m. fr. (spr. foajé : provenc. foguier, v. \'t lat. focarfus, deu haard betreffende, van focus, haard) de baard, haardstede; het brandpunt, middeipunl, de zeiel eener kwaal; in schouwburgen en dgl.: de kotile- of verwar-


-ocr page 517-

FR. 501 FRANCATUUK

mlngskamer, de verzamolziml tusschcn cn na do vortooninR.

Pr., Iili natuurwelensclmppeiyke licnamingon üfk. voor J. L. Frlsch (gest. 1143).

Fra, II. iifkorllnu van frale, broeder, orde-liroeder, voor den muim der geringere monniken gelmiikelgk, 1). v. fra Harlolomeo; — fra Diavölo, broeder Duivel, de naam van een In I8(l(gt; Ie Napels opgehangen beruehten roo-ver en voornmligen kloosterbroeder; vandaar onelg. rooverhoofdman.

Fracas, m, fr, (spr. —ftd,- It. fraedsso, v. fraemdre, breken, vernielen) bet gekraak, geraas, gedrulsch, getier, de opschudding, verwarde, lulde twist-, — fracasseeren, verpletten, verbrijzelen.

Fractie (spr. t=s), f. lat. [fraclto, van franiilre, breken) Arlth. eene breuk, een gebroken getal; ook doorsnede; Phys. de breking der lichtstralen; ook een onderafdeellng eener politieke party; in parlementen: een georganiseerd aantal van geHjkgezinden; — fracticól-lisoh, adj. nw.lat. met eene kerf of insnede in hot tialsstuk — fractieórnisch, adj. met schynbaar gebroken voelsprieten; - fracti-pédisch, adj. niet schynbaar gebroken voeten;— fr actus, a, um, lat. gebroken;—crimen fraclae pacis publicae, i. onder crimen; — fractuur, f. (lat. fractüra) Med. eene breuk, beenbreuk; Typ. de naam der dultsche, hoekige of gebroken drukletters; fractureo-ren, nw.int. breken, inz. In vele stukken breken (van beenderen); - fragiel, adj. lat. {fra-llllis, e) breekbaar, bros; vergankeiyk, broos, zwak, gebrekkeiyk; — fragiliteit, f. (lat. fragihlas) de breekbaarheid, brosheid; onelg. gebrckkeiykheid, veranderiykheid, broosheid, bouwvalligheid; — fragmént, n lat. (frau-méntum) een afzonderiyk sink van een geheel, brok, stuk, luz. gedeelleiyko overbiyfsels van oude schriften; — fragmenteeren, verdee-len, In stukken breken; — fragmentarisch, adj. nw.lat. afgebroken, bU gedeelten of stukken, stuksgewys; — fragmentist, in. een schryver of uitgever van fragmenten.

fragiférisch, adj. nw.lat. (v. \'t lat. fraga, aardbeziën) aardbeziedragend; — fragifórm, adj. aurdbezieachtlg.

fragrant, lat. (fragrans, van fragrSre, welriekend z.yn) welriekend, geurig, liefeiyk van reuk; — fragrantie (spr. t=ls), f. (lat. fra-(jranlia) welriekendheid, geurigheld; — frauran-lissima, lat. Bot. zeer sterk riekend.

Fraï of fraïle, z. fray.

Fraicheur, f fr. (spr. frèsj—, van frais, fraiche, frlsch) de aangename koelte; levendigheid, frlschheld van kleur.

frailty, Ihy name is woman: eng. (spr. fréélli, thy neem is wóémen) zwakheid, uw naam is vrouw! (citaat uit Shakspeare\'s Hamlet).

Frais, pi. fr. (spr, fré: v. \'I mid.lat. fredum, fredus, fridus, prys, som, geldstraf, oorspr. wegens vredebreuk, van \'I oudboogd. fridu, do vrede) onkosten, kosten, uitgaven, uitschotten;

— a pea de frais, met geringe kosten, met weinig moeite.

Fraise, f. fr. (spr. frèï-, oudfr. frese, van friser, fraiser, krullen, versieren) de kraag, geplooide halskraag der vrouwen; Fort. de storm-paal, het paalwerk; — fraisétte, f. een halskraagje.

Frak, m, (fr, frac, cn dit van \'t eng, frock; fr, frnc, provenc. /loc, monnikskap; mid.lat. frncus, froccus, /locus, flnccus, v, \'t lat. flnccus, vlok, alzoo oorspr. vlokkige slof en een kleed daaruit) een korte, lichte, dlctitsluitende mansrok, die van voren enkel de borst bedekt en van achteren iwee lange panden heeft.

Fraise, f, zw. (spr. fret—) de vrgdom van belasting; — fralsemann, in. bezllier van een belastlngvry adeiiyk goed; — frillseranta, f. (spr. d=è) cyns welken de boeren aan liun f r a I s i\' m a n n geven; — friilseutlagor, pi. de belastingen, welke de edellieden aan de kroon, de kerk, enz, opbrengen moeten.

Frambcesise, pi, barb.lat. (van framboise, braambezie, oudd. bramberi, bgd. brombeere) Med. uitwassen, wratten of pokken op de huid in de gedaante van moerhezlËn of frambozen, Indische pokken, pokken van do Goudkust, frambozenultslag, yaws (z, aid.), eene huidziekte der heete landen.

Frame, f. eng, (spr, freem) vorm, gestalte; rib, spant van een schip, Inz, by machinebouw; raam, gestel, stellage.

Framëa, f, lat. (uil het oudd.) een kort, naar eene werpspies geiykend stootgeweer der oude Duitschers; In de middeleeuwen; een stokdegen, een dolk.

Frank of franc, m. pl, francs of franken, een fransche munt, de eenheid van het fransche muntstelsel, dal door de zoogenoemde lalynsche inuntconvenllc in hel jaar t8(i;gt; door alle zuld-europeesche staten (Portugal en Tur-kye uitgezonderd), alsmede In België aangenomen werd. Een franc (= sp, peseta van tod centimos, it. lira van Kin centesimi, gr. drachme van 100 lepta, zwits. franke of franc van too rappen of centimes, roem, lêu (leeuw) van too haul of para) = inn centimes (spr. snn-tiem) = n a 18 centen nederl. courant; — 5 centimes = t sou der oude munt, 10 centimes of 4 sous soms di!cl me (spr, desiem) genoemd; — franc d\'argent (spr. danjah), een oudfr, zllvermunl, die onder Hendrik lil bel eerst werd geslagen,

francais, francaise, fr, (spr. fraiisè, frahsèz\') fransch ; als subsi,: een Franschman, eene fransche vrouw of fransch meisje; d la fruncnise, op /.yn fransch; —frantjaise, f. fr, ifransèz\') een vrooiyke dans in jj maat; ook c o n t r o-il a n s,

Franc-archers, pi, fr, (spr, —anjé ■. vgl, archer) In Iii8 opgerichte fr. vryscliuiters-compagnieën met boog, pyi, rusting en degen,

Francatü, n. fr, een groote, bruinroode platte appel,

Francatüur, z, oud, franco.


-ocr page 518-

FRANCESCHINO 502 FRATER

Franceschino, m. it. (spr. —tsjeskino) eene voonmillgo tlorciitljnschc zllvcrmunl, de held vim oen francescone, goldomle ;t; lire of i florinl of quot;i pa oil, tor Innoriyke wiiarde van 1 gld. 115 cl. {/.00 Bclioctcn omdat /Ü \'t eerst onder Frans |lt. Francesco] III (je slagen werd).

francese, adj. it. (spr. —Isjeei) froasch; z. furla.

franchement, fr. (spr. fraiisj\'mdit: advert). van franc = friink; vgl. franco) vr(j, vrijmoedig, openhartig, ronduit, zonder omwegenfranchise, f. (spr. fraiisjiéz\') de vry-held, vrUmoedighold, openhartigheid, rondhor-stigheid; eng. (spr. fréntsjes) vrijdom, voorrecht; Inz. kiesbevoegdheid, kiesrecht, h. v. lodgers\' (spr. Indzjers) franchise, kiesrecht van huurders van kamers; educational franchise, kiesrecht van zoogenaamde capaclloiten; vgl. educational;— post-franchiae, vrUdom van postgeld; actieve d. 1. vr(|stclllng voor brieven, die de daarop rochthchbemlo afzendt; passieve —, voor inieven, die hg ontvangt.

Franchipano, frangipane, f. fr. (spr. fraiisjipdan\' Jraiitj\') eoneschoone sappige horfst-pcer met dikke schil.

Franciade, f. tr. (spr. frahsiaad\') eeno Hjdraimle van i schrikkeljaren in de corslo fr. republiek.

Francin, m. fr. (spr. fransen) francUn, fransUn, volkomen zuiver, heldor, vlekkeloos perkament.

Franciscus, Franeisca, mans- en vrouwenn : de vrije;—Frans, afkorting van Franciscus; — Fransje, verklw. v. Frans, ook voor Franeisca; — franciscanen, m. pl. Minderbroeders of Minorieten, monniken van de orde des heiligen Franciscus van Assist (gesticht in 1210), wier oorsproakeiyke bestemming bedelen ea prediken was; zij splitsten zich later in verscheiden lakken, als: Harrevoet e r s, O b s e r v a a t o a, Cordeliers, Ca-pueünen. Colletton, enz.

franciseeren (spr. s=j), fr. {franciser), een fraaschoti vorm geven (h. v. aan oen woord); tot Franschman maken, vorfranschon; de Fran-schcn nalipen; — francisatie (spr. -za-tsie), f. verfranscblng; franschverklarlng (b. v. van oen vaartuig).

Franc-macon, m. fr. (spr. frnii masriü) een vrijmetselaar; — franc-ma90nn0rie, f. de vrijmetseiitrü.

franco, it. (tr. franc, v. het duilsch-iat. l\'Yancus, frankiscb. Frank; vgl. Franken) vry, postvrij, vrij van kosten, zonder onkosten, vrijgemaakt , — frankeeren, it (franeare) Vi-y-makon, de port of tiet postgeld vooruitbetalen, vrachtvrij maken; - francatuur, f. barb, lat. liet vrijmaken, de vrijmaking, vooruitbetaling van het pert of de vracht voor brieven, pakketten, enz.

francogallisch,adj. nw.lat. merovin-gis ch, tot de eerste dynastie der franktscbe koningen behoorende, daarvan afkomstig.

Francomanïe, f. lat.-gr. z. v. a. gallomanie (z. aid.)

Franctireurs, pl. fr. vrijschutters, vrijwillige met geweer gewapende ongeregelde troepen In don fransch-dulischen oorlog van 1810—71

Frangula, f. lat. Hot. vult- of sporkon-boom

Franje, t. (fr. frange, mid. lat. frangia, oudfr. en eng. fringe, waarsch. van \'1 lat. firn-hria, zoom van een kiood, punten dor haarlokken, enz.) een weefsel, waarvan draden afhangen, die tot sieraad voor kleedoren, meubelen, enz, dienen; hangend, vezelig boordsel; — fran-geeren, fr. (spr. q=zj) mot franjes bezetten.

Frank, m. do algemceno benaming dor Europeanen in de Levant; ook oen muntstuk, z. franc; als adject, on adverb.: vry, ongedwongen, onbevangen; — frank (vrank) en vrij, zonder oonig bodwang, dubbel vry;

— Franken, m. pl. (waarschUniyk de vryen, onafhankeiyken) oene voreenlglng van dultsche volksstammen, welke tiet eerst in de 3do eeuw na Christus aan den Ncderrijn oplreedt; — frankeeren, z. ond. franco.

Franklin, f. snort van open haard.

Frans, z. Franciscus.

Fransijn, z. francin.

Fransquillon, m. (spr. -kieljoii) Fransch-gezinde (d. i. aan de fr. taal en cultuur gehechte) Kelg (door de vlaamsche parlij aldus genoemd).

frappeeren, fr. [frapper, elg slaan) bevreemden, IretTon, verrassen, ontstollen, indruk maken; ook: (wya, enz.) In ys zetten, sterk afkoelen; — frappant, adj. trelTond, verrassend; eeno frappante gelUkonls, oen sprekend geiykend portret.

Frasco, m. (elg. tlesch = mtd.iat. /ïasrn, II. fiasco, fr. flacon, z. aid.) eene vochtmaat in Klo-Janeiro, leis meer dan i Uiers.

Frasqueras, pl. sp. (spr. (;u=S) liosschen-kelders (om tlossclien op reis mede te nomen).

Frater, m. lat. broeder, inz. orde- of kloosterbroeder, pl. fralres: frater cnnsanguinüus, een halve broeder, broeder van vadorsz.yde; frater utennus, een halve brooder, broeder van moederszijde; fralres malruëles, pl. zonen van twee zusters, zusterszonen; fr. minores, z. v. a. minorieten; f. imtruëtes, broederszonen, zonen van twee broeders; fralres calendarii, z. v. a. k a 1 a n ds brood ers, z. ond. kaland;

— fraternél, adj. fr. hroedoriyk; — fra-terniseeren (spr. s-z), (fr. fratemiser) broederlijk of vertrouwetyk met elkander loven, zich verbroederen; — fraternisatie (spr. —za-tsie), fraterniseering, f. do verbroedering; — fraterniteit, lat. {fratemllas) of fraternité, fr. f. de broederschap, verbroedering, broederlijke liefde on vriendschap; broo-dertyke omgang en vorkeer; fralemtlas, f. of fratriagium, n. mld.lat. hot erfdeel van nage-boren broeders; — fratricelli, m. pl. (spr. —tsjélli) dwepers der tide eeuw, die uit do franciscaner-orde ontstonden; — fratricide,


-ocr page 519-

KHEQUKNT

FRAUS

50:]

m. lal ifralricida) ilc liroiMlor- of zustermoor-dcr; — fratricidmm, n. do broeder- of zustormoord.

fraus, f, lat. hol geheim bodrog, argllsllg-hold, do loosheid, doorlraplhold, ontrouw; frau-i njihca, optisch bedrog, z. aid.; in fmiulem credilurum, lot hedroR en schade der scliuld-elschers; in fraudum legis, tot schade dor wet; pia fraus, een vroom, welgemoend hedrog; -fraudeeren (lat. fraud are), bedriegen, mis-loldon, verkorten, slnlkhandol drijven, smokkelenfraudatie (spr. t=lx), f. (frawlatio) benadcellng, hedrlegorU, oplichting; — frau-dator, m. de bedrieger, oplichter; — frau-dulént ot frauduleus {frauduléntus cn fraudulosm, a, urn) adj. iicdrlct\'lijk; — fraudulent! e (spr. t=ts), f. [fraudulentia) do bedrieglijkheid.

Fravardegan, pl. h(j de Purzen: de laatste ld diigen des jaars als elgenlgke feesltUd, waarin de geesten (f ra v as hls of f rob ars) tot liol bezoeken van het huis ullgenoodigd worden.

Fraxinus, f. lat. do osch; — fraxinfus, a, urn, lat. Bol. op een esch gelijkend; — fraxinine, f. nw.lal. Chem. een in den bast van den esch ontdekte krlsiallinlscbe, zeer bittere slof.

Fray (spr. fra-i: van \'1 lal. frater, prov. fraire) of fraïle, ni. sp, de ordebroeder, monnik, ondorschcldon van frey of freïle, in. een orderidder, medelid oener geestelijke ridderorde.

Frazade, f. sp. (spr. z=s) eig eene wollen bedde- of paardedokon; mansmantel der lagere volksklassen in Mexico.

Fredaine, f. fr. (spr. —dén\'; vgl. ondfr. frados, fradous, prov. fraidel, fraidilz, ellendig, schandelijk, goddeloos) een moedwillige, dolle streek, jeugdige dwaasheid.

Fredegonde of Fridegonde, oudd. vronwonn.; de vreedzame, vredelievende.

Fredon. m. fr. (spr. fredaii) eene rolling, sleping of 1 rilling in de stem, een triller; — fredonneeren, fr. (fredmner) Muz. trillen of slepen in het zingen; — fredonnement, n. (spr. —maii) het Irlllen; het gohommel der bijen cn vliegen; het dot gedrulsch van een volkshoop.

Freddezza, f. 11. Muz. koelheid, onverschilligheid; — con f., mol koelheid.

freddo, fredda, frcddamenlc. It. koel, koud, onverschillig.

Frederik of Fredrik, en Frederika (hoogd. I\'ricdrich en Frtederike, oudhoogd. /■Vi-durih, golh. Frilhareiks), mans- en vr.naam; do vredevorst, vredevorslln, de vrederijke, vredelievende.

Fredum, n. (vgl. tra is) in do middeleeuwen: bet in de afstandssom (composllle) mede begrepen bedrag (J), ilai aan don fiscus des konlngs moest betaald worden.

Freedman, m. eng. (spr. friédmen) vrijgelaten slaaf (In Amerika).

Freeholder, m. eng. (spr. frlehoolivr, v. free, vrij en hnhl, houden) do klesgorochtigde landeigenaar; — freesoilers, pl. (van soil = lat. m/um, bodem) vrUgrondmannen; in Noord-Amerlka de parlU, welke kostoiooze verdecllng der staatslanderijon onder werkelijke grondbe-bouwers verlangt, ten einde den woeker mei den bodem logen te gaan; — free-trade, f (spr. frie-treed\') de vrije handel; — freetrader, m. (spr. —treeder) vrijhandelaar, voorstander van den vrijen handel (het tegengesl. van protoctlonisl).

Frees, f. z. fraise.

Fregat, n. (fr. frégatc, 11. freqdta, sp. fra-lldta, welk laatste waarsch. gevormd Is van \'t lat. fabricuta. Iets gellnimerds) oen licht, snelzeilend oorlogsschip mot een of twee verdekken, In rang op do llnloschepon volgende; een snelvliegende zeevogel, met zeer breede en lange vleugels, govorklen staart, zwarte vederen en rood gokromdon hok, fregatvogol (Pe-lecdnusaqumus, L); ook: hot oorlogsschip (Ta-chfipctes aquilus)-, — fregattón, n. (fr. freqa-ton) een klein fregat.

Freia, of liever Freya, f. (oudhoogd. I\'rnuwd) f. noord. Myth.; do godin der liefde en vruchlbaarheld; Aslron. een in 181)2 door d Arrest ontdekte asteroïde;—Freir, Freyr of Freier, m. haar hrocdor, oen goedaardig god, die over regen en zonneschijn en over de vruchlbaarheld dor aarde lioscblkto; het zwijn was hem gewijd.

Freile, z. fray.

Freischütz, in. hoogd. (spr —sjuuts) de vrijschultor, volgens de sago een schutter, die zich door een verhond met den duivel zoogenaamde vrykogols verschafl, waarvan er zes onfeilbaar op eiken afstand IrolTon, do zevende echter den duivel toobohoorl, dio dozen eene richting naar zijn believen goefl; do door VV o-bor gecomponeerde opera van Kind, welke deze sage bebandoll, Is wereldvermaard geworden.

frelateeren, fr. (frelaler) vorvalschen, Inz. den wijn.

Frenesie, t. fr. (spr. .(=?,- vgl. plirene-sle) de hersenwoede, krankzinnigheid, dolheid, razernij; — frenetiek, adj. (fr. frén(lique) krankzinnig, uitzinnig, dol, razend.

frequént, adj. lal. (fréquens) wal dikwijls gebeurt, herhaaldelijk, menigvuldig, b. v. een froquonlo pols, een menigvuldige pols; volkrijk, levendig, druk bezocht; — frequentee-ren (lal. frequentare), vlüllg bezoeken, dikwijls bijwonen; — frequentant, m. Kmt. een regelmatig jaarmarkl bezoeker, oen koopman, die geregeld de duitsclie missen bezoekt; — fre-quentatie (spr. tie=tsie), f. (lat. frequenta-tin) hot menigvuldig gebruik, vorkoor, de gedurige omgang; — frequentatn, 11. Muz. mei do gewone slem; — frequentativum, n., pl. frequentativa, nw.lal. (eig. verbum frequentativum) Gram. een horhallngswoord, een werkwoord, dat een dikwijls herhaald doen uitdrukt, b. v. klapporen, d. 1. toikons klappen;


-ocr page 520-

FRIMAIRE

FRÈRE

504

— frequéntie (spr. I=ls), f. Int. (frequentta) do monlgvuldlRlield, lierlmalde wederkcerlng, ko-durlRe horhallriK; tulrijkc vorgudorliig, menigte veelheid, toeloop, ophooping.

Frère, m. fr. hroedor-, — frère d\'armes (spr. —darm), wapenbroeder; — frère de lait (spr. —W) zoogbroeder s — frère terrible, de broeder In de vrUmetselaarsloge, die de nieuw aan tc nemen leden door schrikken beproefd; — frères ignorantins, pl. (spr. ienjoranleh: v. ignorer, niet weten) broeders der chrlstelUke liefde.

Freronisme, n. de bittere, ongenadige boekbeoordeellng, naar Fr er on, een franseh belletrlst en scherp recensent, Inz. van Volliilre, die hem echter met hot wapen der satyre uit het veld sloeg, zoodal zijn naam later wel eens gebezigd werd om een onbescbaamden criticus of recensent aan tc duiden.

fresco, fresca, frescamenle, 11. (gevormd uit het dultsch fris oh, ons versch) Muz. vroo-iyk, levendig, opgewekt; — fresco, n. of fresco-schilderkunst, de kunst van mot waterverven op natte kalk te schilderen, hel kalkschllderen; — al fresco schilderen, op versche, natte kaik schilderen; — fresco-anecdote, f. een versch of nieuw historietje.

Tresons, pl. fr., z. frison, onder friseer e n.

Fret, 1) m. fr. (spr, fri: van vracht, eng. freighl, ontstaan) de scheepsvrachl, zee-lading; het vrachtgeld; de huur van een schip;

— freteeren (fr. f ré Ier), een scldp verburen; uitrusten, bevrachten; — freteur, m. de reeder, eigenaar van een schip, seheepspatroon;

— fret, ï) n. (mid.lat. furedus, furn, van \'t lat. fur, dief, v. a. van vreten) een klein, slank, geelharlg, viervoetig dier van \'I geslacht der wezels, waarmede de konynen in hunne holen gevangen worden, de fretwezel; — fret, 3) of forét, eene zekere hoor (van \'1 lat. fo-rare, boren).

fretilleeren, fr. {frélitler: spr. —lie,Ij—, als \'t ware v. lat. fricHUare, zich been en weer wrüven, v. frkare, wrijven) onrustig zgn, zich gedurig heen en weer bewegen; — fretillant (spr. freliljdii), onrustig, heen en weer loopend, woelig.

frella, f. It. (v. frellare, vegen, met den bezem keren, van \'t lat. fricare, wrijven) Muz. spoed, haast; — con frella, Muz. met spoed, haastig.

Fretum, n. lat. de zeeëngte; —/re/wm Si-cülum, de straat van Sicilië; — f. GadilSmm, de straat van Gibraltar.

Freule, f. (boogd. fruulein, dus elg. vrouwtje, wijfje) titel van adellijke ongehuwde vrouwen, Jonkvrouw.

Frey, z. fray.

Freya en Freyr, z. ond. Freia.

friabel, adj. lat. (friabïlis, c, v. friare, lijn-wrijven) licht lijn te wrijven, te verbrijzelen, bros; — friabiliteit,f. nw.lat. (fr. friabililé) de wrijfbaarheid, brosheid.

Friand, in. fr. (spr. fridiivan frire, in de pan bakken, braden, = lat. frigUre) een lekkerbek, snoeper, smulbroer; vgl. gourmand; — friandise, f. (spr. friaiidiéz\') de lekkernij, snoeperij, bet lekkerbeetje; lt;le snoepzuebt, smul-graagheid; — fricandeau, m. fr. (spr. -katidn) een gespekt en gesmoord stuk kalfsvleeseh, met wittebrood, kruiderijen, enz.; — fricandel-len, pl. (fr. fricandelles) gebakken vicescb-klonljes; — fricasseeren, fr. (fricasser) stukjes of reepjes vleesch opstoven, frulten; onelg. Iron. In de pan hakken, neersabelen; — fri-cassée, f. een vleeschgerecbt, klein gesneden vleesch met eene saus.

Frictie (spr. lt;=s), f. lat. [fricffo, v. fricare, wrijven) do wrijving, bet wrijven; ook Hg. als belemmering der beweging; — fric-torium, n. lat. de kamer, waar men na bet bad gewreven werd, wrytkamer; — frictievuurtuig, een strijkvuurtulg, lucifer.

Friday, m. eng. (spr. fraidee) Vrijdag; — floot/ (spr. i/oed) friday, goede Vrijdag.

Fridolin, oudd. mansn.: de vreedzame, beschermende; — Fridericiana, f. naam der hoogeschool Ie Malle; — Friedrich, m., z. Frederik; — Friedrichs d\'or, een voormalig prulslsch vyftbalerstuk met de beeltenis des konlngs, gouden Frederik, zoo geheeten, omdat bü \'I eerst In 1713 onder Frederik I geslagen werd.

Friedmar, m. oudd. naam; de vredever-meerder.

Fries, f. (fr. frise, eng. coalinn) eene zekere wollen stof, dikker en langer van haar dan laken, sterk gevold, maar minder genopl en geschoren; Arch, bet middelgedeelte eener boofdlijst, tusschen de kornis en architraaf; de naam van onderscheiden aangebrachte sieraden In houw- en beeldhouwkunst, loofwerk aan geschut, enz.; — friesch paard. Mil. spaan-sche ruiter, een groot sluk bout, met lange ijzeren punten of beslagen palen bezet.

Frigg, f. (oudboogd. Frla) noord. Myth.: de gemalin van den godenkoning Wodan of Odin, dochter van Flörgyn, de beschermster of godin der huwelijken, zü, aan wie liet lot van alle stervelingen bekend is, en naar wie onze V ry dag zynen naam draagt; — frigga, f. Astron. een In 18(gt;2 door I\'elers ontdekte asteroïde.

Friggitóre, m. It. (spr. fridtji—, van frinnëre = lat. friuére, braden) een Ital. pannekoeken- of oiiekoekenbakker.

frifftdus, adj. (v. friuére, van koude versty-ven) koel, koud, laf, flauw, koudhartig, gevoelloos; — frigidar mm, a. do afkoellagskamer In de baden der Ouden; — frigideeren (later lat. friiiidure), afkoelen, koud maken; — frigiditeit, f. nw.lat. de koudhloedlgheld, de koude natuur, harteloosheid, koelzinnigheid; ook: manneiyk onvermogen.

Frimaire, m. fr. (spr. frimèr\'-, v. frimas, ryp, v. het yslandsch hrhn, dcensch rim, eng. rime, nederl. r y tn) de rypmaand; de 3de maand


-ocr page 521-

FRINGEEREN

505

FRONT

In den voorin, fr. ropubllkelnschen kalender, van il Novemlior tot 20 Dccemlier.

fringeeren, [r. (fringuer, oorspr. van het angels, vr In gen, neder!, w ri nge n) sterk uitwringen, uitdraaien, Inz. In ververyen, waar dit geschiedt door een werktuig, frlngeer-y ze r geheeten.

Fringilla, f. lat. de vink, eene soort der zangvogels,

Fripior, m. tr. (spr. fri-pjé ,■ van friper, mld.lal. frepare, afdragen, verfrommelen, bederven, verdoen) een oude kleerkooper, uitdrager; — fripièro, f. eene uitdraagster; — fripe-rie, f. de handel In oude kleederen, de vod-denmarkt, voddenkraam; — fripon, in, fr. (spr. fripóii) een schelm, guit, schurk, splts-liocf, schalk, deugniet, hedrleger; — fripon-neeren ifr. friponner), bedriegen, schelmstukken uitvoeren; — friponnerie, f. de schel-mery, schurkery, gultery, het boevenstuk, schelmsluk.

Frisage, f. fr. (spr. —zauzj\') latwerk, traliewerk.

frischen, hoogd. (spr. friesjen) frlssclien, dat proces of die verrichting der yzerhutten, waardoor ruwyzer In smeedbaar of taal gzer wordt veranderd, louteren, afflneeren.

friseeren (spr. s=t), fr. (/riser, verwant met liet dultsche fries; vgl. f raise) krullen, het haar krullen, opmaken, opkammen; Typ. het dubheleeren, d. 1. dubbel afdrukken der letters, hetzy door haren lossen stand In den vorm of door een gebrek der pers-, Manuf. noppen, kleine knopjes of krulletjes van de haren der slolfen maken; In do danskunst: eenen pas eenlgszlns hoogvornilg maken; in de kookkunst; appelen, rapen, enz. kunstig uitsnyden; —frisé, n. fr, (spr. —zé) hot mot goud of zilver hesponnen gekrulde spinsel, ook door de wevers lot brocheeren gebruikt; — friseur, m. een haarkruller, -opmaker, kapper; — friseuse, f. een haarkrulster, -opmaakster; — ftisuur, f. (fr, frisure) de haarkruillng, haartooi, het kapsel; ook liet kronkelig hezelsel «f opnaalsei aan een vrouwenkleed; bet noppen der lakens, enz.; - frisolétlint, viokzyde-iinl ; — fri-son, n, fr. (spr. frizóh) eene gekrulde wollen slof, fries; — fresons, pi. fr. kleine lokjes, die aan de frisuur vastgemaakt worden.

Friskét, n. (fr. frisqwlte, f.) Typ. (ook verschel) bel raam, dat op het witte blad wordt gelegd, opdat de inkt niet bezoedele wat wit moet til y ven.

Frisolétlint, z. ond. friseer en.

frissonneeren, fr. (frissonner: spr. fri-son—; v. frisson, huivering, rilling, ais \'I ware v. lat. frigiho, v. frigère, van koude versiy-ven) huiveren, rillen, trillen, beven; — fris-sonnemont, n. (spr, fri-sonn\'matïj eene lichte huivering of rilling.

Frisuur, z, ond, friseoren.

Frit of fritte, n. fr. (it. fritla, v, frig-qcrc, bakken, koken, lat. frigëre, frictum, braden, roosten) de glasmassa, glasstof; onvolkomen gesmolten, half verglaasde lichamen, glas-schuim; — friture, f. fr, (van frire, in de pan bakken) in eene pan gebruinde boter, gesmolten boter, vet of olie; ook hel gebakkene, gc-bradene; b. v. een pannekoek, = li. fri-tella, f.

Frith, m. eng. zeeboezem, golf.

Frits, verk. v. K rede rik (z, aid) frivóle, adj. fr. (lat. frivölus, «, urn) ydel, nietig, gering; onbeduidend, armzalig, zonder waarde, kleingeestig, beuzelachtig, lichtzinnig, los; frivola appelluiïo, Jur, een lichtzinnig, ongegrond en derhalve vergeefsch beroep; fr. ex-cepffo, eene kenneiyk nietige uitvlucht of tegenwerping; — frivoliseoren (spr. s=z), lichtzinnig behandelen; — frivoliteit, f, nw, lat, (fr, frivolité) de nietigheid, onbeduidendheid; beuzelary, kleingeestigheid, lichtzinnigheid, ydclheld; — frivolité, f, haakwerk (een dameshandwerk).

Frodine,oudd, (van frM, frunl, vroed, wys, goib. froths, v. frothjan, denken) vrouwennaam : de verstandige, wyze.

Froel., by natuurwetenschappeiyke benamingen afk. voor J, A, v. Früllch (gestorven 1841).

Fröhar, m, z, fravardegan Froideur, f, fr. (spr. froad—, v. froiil = lal. frigtdus, koud) koudheid, koelheid, onverschilligheid,

Fromage, m, fr. (spr. fromddzj\'11, for-maggio, v. lat. forma, dus elg. Iets dat In een vorm geperst Is) de kaas, b. v. fromage de Gruyère (spr. qruïjèr\'), zwitsersche kaas.

Fronde, f, fr. (spr. fróiid\'; elg, een slinger, v. lal, funda, met Ingelaschte r) eene fr, opposltle-party der Tide eeuw, die zich gedurende de minderjarigheid van Lodewyk XIV tegen hel hof en het ministerie van den kardinaal Mazarln verzette (dus geheeten, omdat men het parlement met kinderen, die met slingers spelen, had vergeleken); — frondeeren (spr, froiid—, fr, frnndcr), elg, slingeren; open-iyk en vry legen de regeerlng spreken; berispen, hekelen, beschimpcn, helachen; — fron-deur, m, een onvergenoegde, een luid berisper der regeering,

frondesceeren, lat. (frnndescire, van frons, genit. frondis, loof) uitschieten, bladeren krygen; — frondoscéntie (spr. I=ls), f, nw.lat, (frondescenlia) het ultloopen der hoo-men, bladmaklng; frondeus, adj, lat. ifron-dnsus) sterk hebladerd, bladryk, ioofryk; — frondiférisch, adj. nw.lat. loofdragend;— frondiparisch, adj. bladeren voort brengend; — frondositeit (spr. s=z), f, nw.lat. de blad-rykheid, bel dicbie loof der boomen.

Pront, m, fr, (spr, fróii: van \'I lat, frons, genii, frontis) het voorhoofd, de voorzyde, de voorgevel; Mil, hot voorste gelid; front tegen den vyand maken, hom de spits bieden, hem van voren aangrypen; front (i front (spr. fron ta fróh), recht tegenover elkander, man tegen man; de front, van voren; naast


-ocr page 522-

FROM TIG NAN

506

FUDDEA

elkander; en front (spr. ««—), van voren, in hel voorste gelid j — frontboxes, oiik., frontloges, fr. pi. do loges of afKcslolon zllplautsen In den schouwlmrg tegenover het looneel; — frontaal, adj. nw.lat. tol liet front, de voorzijde, liet voorhoofd hehoorende, Inz. In samenstellingen, h. v. frontaal-artêrie, f. voorhoofdslagader; — frontaal-been, voorhoofdsbeen; — frontaal-marsch, in. do hewoglng eener legerbende In vollo llnle; — frontale, lat. of frontaal, fr. n. een hoofdsieraad, h. v. der paarden; hoofdpranger, een voormalig folterlnig, bestaande In een touw met knoopon, dat om het voorhoofd werd aangetrokken ; Chlr. een voorhoofdverband, een omslag met krulden en dgl.; ook een altaardoek; pl. frontal 16n, de behangsels der hoogaltaren;

— frontaliers, m, pl. {spr. fronla-ljé) grensbewoners van Frankrijk lig de Pyreneën; ook marskramers; — frontieren, f. pl. (fr. frnn-lières) do grenzen van oen land; — fron-tierstad,frontierplaats,eenosiiid, plaats aan de grenzen; — frontispice, n. (spr. froiili-spiés\': mld.lat. frontispiclum, v. lat, spi-rëre, speeëre, zien) de voorgevel, de voornaamste z.yde van een gebouw; inz. bel boven de eerste verdieping uitstekende gedeelte; ook het titelblad of do tltelplaal van een boek; — frontisten, m. pl. waanwyze onderzoekers of uitvorschers; — fronton, n. (spr. fronlóii) Arch, het geveldak, driehoekig of halfctrkel-vormig sieraad boven aan gebouwen, vensters, deuren.

Frontignan, doorgaans frontignac,

m. (spr. frohli-njdk) een fr. muskaatwyn van Front tg nan, eone stad in hot voormalig Languedoc.

frotteeren, fr. ((roller-, van dullschon oorsprong; vgl. bet oudfrieseh frolha, wrUven) wrijven, schuren, boenen, gladmaken, poetsen;

— frotteur, m. de wrüver, hoender, hü, die de vlooren boent, d. I. met was blinkend wrijft;

— frotteuse, f. (spr. S=J) de wryfster in hot bad; — frottement, n. (spr. —maii) het wrUven; — frottoir, m. (spr. —loar) de wrijf-, schuur-, boenlap; wrUfhorstol; hot rolvat der speldenmakers.

fruclus, m. lat. (v. frui, gebruiken, genieten) do vrucht, het voordeel, nut; pl. fruclus: fruclus consümli, pl. verteerde of verbruikte vruchten; fr. incérli, onzekere vruchten; fr. indus-IriBles, nyverheldsvruchten; fr. in herbis, te veld staande, nog niet afgemaaide vruchten, vruchten in of op den halm; fr. pendéntcs, nog aan de hoornen hangende vruchten; fr. per-cépli, ingeoogste, gewonnen vrnchten; fr. per-cipiéndi, Intezamelon vruchten, d. I. zulke, dlo de rechte eigenaar, wanneer by tot het vruchtgebruik der zaak ware gekomen, In nog hoo-gere mate zou Ingewonnen hebben; fr. primi unni, vruchten of Inkomsten van het eerste Jaar (van prebenden); — fructidór, m. fr. (spr. frü-kli—) de vruchtmaand, de 14de maand In den kalender der eerste fr. republiek, van 18

Aug. tot Sept.; — fructificeeren, later lat. (fruclificare), fructiflëeren, fr. vrucht dragen, vrucht opleveren; bevruchten, vruchtbaar maken; — fructiflcatie (spr. lie—hie), f. Bot. (fruclificttlio) bet tydperk der vrucht-draging, vruchtontwikkeling, de beviuchtlng;— fructist, m. een kruidkundige, die de gewassen naar hunne vruchten rangschikt; — fructuarïus, m. Jur. een vruchtbruiker; — fructueus, adj. (lat. frucluösus, a, urn) vruchtbaar, vruchtdragend, voordeellg; — fruc-tuositeit (spr. s=«), f. nw.lat. do vruchtbaar-hoid, weligheid; — fructuösus, m. fruc-tuösa, f. eigennamen: de vruchtrijke.

frugaal, adj. lat. (frugalis, e, van frux, geuit, frugis, vrucht, dus oorspronkelgk vrucht of nut aanhrongendo) hulshoudoiyk, met weinig tevreden, matig, spaarzaam; eenvoudig, karig, beboefilg, sober; —frugaliteit, f. [fruault-las) de tevrodeiibeld mot weinig, do matigheid, eenvoudige levenswyze, onthouding; spaarzaamheid, eenvoudigheid, karigheid, soberheid.

frunes, pl. lat. (van don sing, frux, genit. frufjis) vruebton, inz. veldvruchten; frunes con-sumire null, tot verteren of genieten gohoron monschen, weelderige ledlggangers; — frugï— fer, lat. (v. ferre) vruchten dragend.

Fruit, m. fr. (spr. frui) vrucht, ooft; — fruils de nier, versche eetbare mosselen, oesters en andere schaaldieren; — fruit sec (spr. —sek), gedropen student, mislukt Jongmonsch, iemand dlo het tot niets brengt in de wereld.

frustra, lat. vergeefsch, vruchteloos, om niet;

— frustreeren (lat. fruslrari), verydelen, teleurstellen, misleiden; — frustratie (spr. lie=l.iie), f. (fruslratfo) de verüdellng, teleurstelling, het verydelen.

Frustum, n. lat. een stuk, brok, deel van een geheel; eene bete.

frulescens of frulicosm, lat. Itot. struikachtig; heosterachtlg.

Frutëx, in. lat. Bot. de struik.

Früto, m. sp. (lat. fruclus) vrucht, opbrengst;

— Iiilli frülli (spr. u—oe), allerlei vruchten; ook: allerlei, gemengd gerecht; — frülli di mare, zeevruchten, vlsch enz.

Fuchsia, f, eeno soort van sierplanten met afhangende, meestal donkorroode bloesems (naar den geleerden arts en kruidkenner Leonbard von F u c b s, gestorven te Tubingen In 1805, genoemd) .

Fuchsine, f. prachtige roodo verfsto.quot;, die men verkrijgt door aniline (z. aid.) te ver-hitien met walervry tinchloride.

Fucile, n. it. geweer; vgl. fusii.

Fucus, m. lat. (eig. eene roodkieurende verfplant, vandaar ook blanketsel, gr. phykos) bet wier, zeewier, zeegras, een plantengeslacht, waarvan men de soda bereidt; — fucieton, m.pl. nw.lat. zeewier-versteeningen; —fuco-loog, m. kenner der zeegewassen; — fuco-logie, f. lat.-gr. de leer van de zeegewassen, beschryvlng der zeewieren.

Fuddea, m. eng.-lnd. (spr. fóddie) kope-


-ocr page 523-

FUNCTIE

FUEROS

507

ren pasmunt te Homhay van Sfl op een ropy.

Fueros, m. pl. sp. (spr. u=ne: sIiir, fuern, rechtsverhouding, wel; v. lat. forum, marktplein, gerechtsplaats) voorrechten of vryhedon (prlvlleglCn) van zekere provinciën, Inz. de oude voorrechten der liasklsche provinciën.

fuerte, adj. sp. sterk.

fuga, f. lat. (v. fult;ii!re, vluchten) de vlucht;

— fuflae suspédus, lat. Jur. verdacht wegens vlucht o( ullwyklng; — funa vacul, de afkeer van hot ledige, die men vroeger aan de natuur toeschreef; — fuflax, lat. Kot. vluchtig; vergankelijk; zeer spoedig afvallende; — fugaci-teit, f. nw lat. (van funax, vluchtig) de vluchtigheid, vergankeiykheid, korte duur; — fu-gitief, adj. lat. (fuqilivus, a, urn) vluchtig, voortvluchtig, ontvloden, ontloopen; oppervlakkig.

Puge of 11. fuga (spr. fnena), f. (fr. fugue) Muz. een veelstemmig stuk, waarin een melodisch thema, eene keurige welluidende gedachte heerscht, die afwisselend door de eene stem na de andere op velerlei wijze herhaald wordt; — p\'oa\'o, II. (spr. fnelt;]—) op de wijze der fuge gezel , fugeeron, op de wijze eener fuge zetten of componeeren; — fughet-ta, f. eene kleine fuge.

fuqU irreparabtle tempus, de onhersielhare lijd vervliegt (citaat uit Virgiilus Georgica 111, •284).

fmmus Trons. lat. (v. fui. Ik hen geweest, perf. van esse, /.(jn) sprw.; wij zyn i\'rojanon geweest, d. I. wy zyn weg! \'t is met ons ryk gedaan! —/«if .\' hy (zy, het) Is er geweest,\'t is weg, voorhy!

Fulcrum, n. pi. fulcra, Bot. steunsel;

— fulrralus, n, urn, gesteund.

fulgént, lat. (fultjcns, v. fuUjcrc, hiinken) blinkend, schitterend, glinsterend, oogverhlln-dend; — fulgéntie, f. (spr. lt;=fs) de glans, schittering; — fulgureeren (fulqurari, van fulqur, hllksem) hliksemoji; — fulguraal, adj. den hllksem hetreilende; — fulguratie (spr. I=ls), f. {fulnuraffn) het hllksemen, weerlichten-, Chem. het hilkkeren van goud en zilver in den smeltkroes; — fulgurator, m. lat. een priester, die den hllksem waarneemt, hliksemkyker; — fulguriet, m. nw.lat. een dondersteen; hllksemslnder, door den hllksem half gesmolten, huisvormige ophoopingen van kwartskorrels, die in sommige oorden aan de helling van heuvels menigvuldig loodrecht in hel zand staan.

fuligineus, adj. lat. {fuliqindsus, a, urn, v. fulifio, roet) roetig, roetai\'.htig; — fulifiinHus, a, urn, lat. Bot. roestbruin; — fuliginosi-teit (spr. s=z), f. nw.lat. de roetigheid, roet-achtlgheld.

full, adj. eng. (spr. fnel) vol, volledig; — full dress, n. de volle of geheeie kleedliig, het volledig ambtsgewaad; — fully, adv. (spr. fóéli) volledig, geheel.

fulmineeren, lat. (fulminare, v fulmen, bliksemstraal) donderen, onweeren, vreeseiyk uitvaren, schelden, dreigen, razen, tieren, vloeken; Chem. knallen, bersten, kraken, ontploffen; — hrula futiiunn, forsche woorden zonder kracht; — fulmicoton, n. fr. (spr. —kotóii) schietkatoen;— fulminant, [fulmmnns) hevig dreigend donderend, vreeseiyk razend, tierend; — fulminans aurum, f. argentum, knalgoud, knalzilver; — fulminaten, n. pl. nw. lat. knalzure zouten; — fulminatie (spr. 1= Is), f. lat. (fulminaiïo) het knallen en bliksemen van het slaggoud of knalpoeder; de afkondiging van don pauselyken kerkban, de ban-bliksem.

Pulp, felp, n. (it. vellutn, fclpa, sp, felbn, van \'1 lat, vellur, vlies, vacht) fluweel.

fulvibarbisch, adj. nw.lat. (van \'t lat. fulms, geelrood, goudgeel) mei goelrooden baard;

— fulvicóllisch, adj. met goelrooden hals;

— fulvicórnisch, adj. met geelroode voelsprieten; — fulvicrürisch, adj. met geelroode schenkels; — fulvipénnisch, adj. met geelroode vleugelen; — fulvivéntrisch, adj. mei geelroodon bulk.

Fumarïa, f. nw.lat. [fumanu officinalis, van furnus, rook) de gemeeno aardrook, dui-venkcrvel, hot schurftkruid, eene zeer heilzame zomerplant; — fumaarzuur, n. aardrook-zuur; — fumarium, n. lat. de rookkamer; droogkamer ; ook een rookvat; — fumarólon, f. pi. it. opstygende, waterachtige dampen; — fumot, ra. fr. (spr. fumè) een aangename geur van wynen en vieeschspyzen, eene vluchtig stree-lende kitteling op smaak of reukzenuwen, inz. van wildbraad; — fumifügisch, adj. nw.lat. rookverdryvend; — fumigeeron, lat. (fumi-Hare) rooken, berooken; — fumigatie (spr. 1=1 s), f. nw.lat. Mod. de berooking, het rook-of dampbad; Chem. het doordringen van een metallisch lichaam met de dampen van het cc-incntpoeder; — ftimivóre, n. fr. een loeslel boven eene lamp of vlam, waarin de damp vor-dwynt, rookvang; — fumivórisch, adj. nw. lat. rookverterend.

Fumus, in lat. de rook, damp; — fu-meus, adj. (lat. fumosus) vol rook, dampig;

— fumeeren (fr. fumer), rooken; berooken; bemesten; —fumeur, m. (tabaks)rooker; — fumist, m. rookvordryver, deskundige in hel aanleggen van rookvangen en schoorsteenen;— fumosus, a, um, lat. Bol. rookgrauw.

Fun, m. eng. eone pots, grap, guitenstreek -, een polsenmaker, guit.

Funambulist, m. nw.lat (fr. fummbulc, lat. funamhülus, van funis, louw en ambulare, wandelen) een koordedanser.

Funciön, f. sp. functie, verrichting. Inz. die der slierenbevochlors, het stierengevecht.

Functie (spr. (=s), f. lal. (funclio) de verrichting, werkzaamheid; Inz. de arabtsver-richtlng, de beroepspllchi, het ambt, beroep, de bediening, post; Math, eene veranderiyko grootheid, die van eene andere afhangt; — functioneel, adj. op de functie betrekking hebbende, de verrichting van een orgaan iie-treifendc; — functioneeren, nw. lat. of


-ocr page 524-

FUNDA

508

FURIE

fungeeren, (lat. funoi) den iimhtsplicht uitoefenen, zijn amht waarnemen, verrichten, dienst doen.

Funda, z. funta.

Fundus, m. lat. de grond of bodem; de grootste wydte van eono holte, h. v. van de maag; een grondeigendom en de daaruit komende voordoelen; z. ook fond en fonds; nd fumlum, tot den bodem; fundus ilotalis,een uitzet, bruidschat; f. instnktus, een wellnge-rlcht landgoed, volledige boerderU; ook do kos-tenberamlng voor aanslag, onderhoud en beheer van spoorwegen; — fund, n. eng. In Engeland; grond, stamgeld, kapitaal, fonds; ook: stichting, fundatie; — funds, fr. fonds, pl. gelden of staatsinkomsten tot dekking der staatsschuld; de slaalsschuldbrloven, zie ook fondsen; — fundamént, n. lat. (funda-méntum) de gelogde grond, de grondslag, grondveste; pl. fundaménten, de grondslagen, aanvangsgronden, eerste beginselen, eerste gronden, grondbeginselen, grondbegrippen; funda-méntum aiiéndi, Jur. de grond van den elsch; f. dividéndi, de verdeellngsgrond; /\'. probatiö-nis, een bewijsgrond; — fundamentaal of fundamenteel, adj. tot den grond beboerende of dienstig, wezenlUk, oorspronkelijk; ook de grondbeginselen of eerste gronden betreffende; — fundamentale artikelen, grondartlkels, grondstellingen, hoofdpunten; — fundamentale begrippen, grondbegrippen; — fundamentale wetten, grondwetten, zulke wetten, die den grondslag der staatsinrichting uitmaken; — fundeeren (lat. fundare), gronden, stichten; — gelden fundeeren, gelden beleggen; — gefundeerde schuld, eene op bepaalde Inkomsten aangewezen staatsschuld (z. v. a. geconsolideerde schuld); — fundatie (spr. lt;=/s), f. de gronding, grondlegging, grondvesting, stichting, eerste aanleg; ook: gesticht; beurs, fonds lot zeker doel aangewezen; —fundator, m. de grondlegger, stichter; — fundeering, f. de gezamenlijke fundamenten van een gebouw.

funèbre, adj. fr. (v. \'t lat. fmlbris, van fmus, z. aid.) tot de uitvaart, begrafenis, lykstaatsie behoorende, treurig, somber, naar, akelig.

Funechoregraphie, f. lat.-gr. (v. \'t lat. funis, touw, koord, en cboregraphlo, z. aid.) de beschrijving der koordedanserskunst, de aanleiding daartoe; — funeehoregra-phisch, adj. bet koordeilansen betrellende, daartoe behoorende.

funereeren, funeraliën, funest, z. ond. f u n u s.

fungeeren, z. ond. functie.

fungibel, adj. nw.lat. door verbruik te verteren, uil te putten; — funi/ibiles res, f. pl. lal. verhrulkbare dingen, b. v. levensmiddelen.

Fungus, m. lat. de zwam, aardzwam, kam-pernoelje, paddenstoel, het duivelsbrood; fmf/us arliculorum, Med. sponsgezwel der gewrichten, witte gewrlcbtszwelllng; fungus haemalódes, bloedsponsgezwel; f. meduMHs, mergsponsge-zwel; — fungeus, adj. (lat. fmgosus) sponsachtig; — fungiformis, hu. Bot. schlmmelach-tlg; — fungosus, a, urn, lat. Bot. zwammig; — fungositeit, f. (spr. s=j) nw.lat. het sponsachtig uitwas; — fungine, f. de zwamstof, eene eigenaardige plantenstof In zwammen of paddenstoelen; — fungiot, m. eene koraalspons, eene sponsvormige versteening.

funiculatus, a, urn, lat. Bot. met een navelstreng; vlecht- of strengvormlg.

Funta, funda, f. het russlsche pond, verdeeld In (Mi solo t nik, het ^ van een poed of pud = 0,4119 kilo.

Funus, n. (pl. funria) lat. de begrafenis; ook het lp; — funereeren, (funerSre) begraven, beaarden; — funeraat, m. {fmera-tus) een begravene; — funeratie (spr. lt;=lt;s), f. (funeraiïn) do beaardlng, begrafenis; — funeraliën, f. pl. nw.lat. de toebereidselen ter begrafenis en de begrafeniskosten; de lükstaat-sle; het lijk- of doodmaal; ook: lijkredenen of eene gedrukte verzameling daarvan; — funest, lat. {funéslus, a, urn, en fr. funeste) doodelgk, verderfelijk, verderf- en onheilbrengend; treurig, ongelukkig, heilloos, rampzalig, noodlottig.

funcóso ot focóse (s\\n. fnkózo), ook cón fuocu. It. (spr. fokn) Muz. met vuur, vurig, hartstocb-teiyk, zeer levendig.

fuóra. It. (van \'t lat. foras, fnris, daar buiten) bulten, daar bulten; fuora di hanra, it. Kmt. elg. bulten de bank; In loopend geld, kasgeld.

Fur, m. lat. dief; — furaciteit, f. lat.

(furactlas, van furax, diefachtig, van fururi, stelen) de neiging tot stelen, steelzucht, diefachtige aard.

Furaeano, m. sp. orkaan.

furca, f. lat. vork, gaffel; furcae caudinne, pl. caudijnsche vorken (fr. fourchcs caudines), eene bergengte in llalle tusschen Caudlum en Benevento, alwaar In 32t vóór Chr. de ronieln-sche legioenen door de Samnleten Ingesloten en tot een allorschandeiUkst verdrag genoodzaakt werden; vandaar eene plaats, waar iemands eer, goede naam gevaar loopt; — furcdlus, a, urn, lat. Bot. gevorkt of gegaffeld; — furci-férisch, adj. nw.lat. vorkdragend; — fur-cilabrisch, adj. met gevorkte lippen; — fürcipilisch, adj. met vorkswljze gespleten haren.

Fureur, z. ond. F u r 1 e.

Furfuratie (spr. I=ls), f. nw.lat. (van furfur, zemelen) Med. de zemelachtige haarworm, een uitslag op het hoofd; — furfurius, a, um, furfurnsus, a, urn, lat. Bot. zemel-achtlg.

Furie, f. lat. {furta, v. furtire, razen, woeden) de woede, razernij, onstuimigheid; Myth, eene wraakgodin, plaag- of kweigodln, naam der :i vreeseiyke halfgodlnnen, die de boozen In do onderwereld tuchtigen, in het gr. lirln-n J en en Eumonidon genoemd, n. 1. Ti-siphöne, Me gier a en A lék to, met afschil-


-ocr page 525-

FUSTIEKHOUT

FURLONG

509

weiyko Kczlchlen on slnngonlmron; onelfï. een overmatig toortilR, boosaardig, wraakzuchtig wijt; do hellefurie (furta infemalis), de dolworm, een hy uitstek gevaariyke worm In noordelijk KothnIK, I.yilainl, enz., die een brandend boosaardig huidgezwel veroorzaakt; — furia, f, 11. Muz. onstuimigheid; — con f., met onstuimigheid, kracht en ovorhaustlng; — furia francese, de quot;franscho furie,quot; d. 1. de onstuimigheid der fr. soldaten hy den eersten aanval; — furieus, adj. (lat. furinsu.i, a, um, fr. furieux) woedend, razend, tierend, onzinnig, dol, grimmig, heftig;

— furioso, 11. Muz. hevig, razend, wild, woedend;—furor, m. lat. of fureur, fr. f. do woede, rnzerny, bezetenheid ; blakende zucht, hevige begeerte; furor amalorïus, de mlnnc-woede, llofderazorny; f. poeticus, de diebtor-luke woede, wilde geestvervoering; f. u/erïnm, de ontembare drift naar mannen, mansdolheid;

— furóre, it. eene levendige, luide goedkeuring, of toejuiching; furore maken, luldeu bijval Inoogslcn.

Furlong, n. eng. (van a furrow Inwj, d. I. eene vore lang; angels, furlanq, v. fur, voor en tang, lang) eene lengtemaat = 40 eng. roeden = 220 yards = 201,1602 motor.

Furnace, n. eng. (spr. -néés -, van lal. furnus, oven) bakoven, fornuis.

Furnologie, f, lat.gr. (v. lat. furnus, oven en gr. lófjos, rede) de loer van bet ovenbouwen.

Furólles, f. pl. fr. ontvlamde uitdampingen, dlo zich soms zoo op hel land als op de zee vertoonen, hip- of dwaallichtjes, St.-Elmus-vuur.

Furor, furore, z. ond. Furie.

furtmn, n. (pl. furia) lat. de diefstal; furlum attentntum, een slechts beproefde, niet volbrachte dlefslal; f. domesCfcum, een huisdiefstal door hulsgenooten of leden van het gezin; f. maniféstum, een klaarbiykelijke, betrapte dlefslal; f. nortürnum, een nachlelyke diefstal; f. non-exhibitum, een ontkende diefstal; f. pttri-culusum, een gevaariyke of gewaagde dlefslal; f. primum, de eerste diefstal; f quatifitritum, een nader bepaalde, door de wellen als byzon-der strafbaar aangeduide diefstal, die eene boo-gere straf ten gevolge heeft dan gewone diefstal, h. v. straalroovorU, dlefslal mei braak, met wapens, enz.; f. rei commilnis, de ontvreemding cenor gemeenschappeiyke zaak; f. reïleratum, een herhaalde diefstal; f. simplex, een eenvoudige, door niets byzonders onderschelden dlefslal; — furtief, adj. (lal. fur/i-vus, a, um) helmeiyk, diefachtig, sleelswyze; furtim, adj. tor sluik, sleelsgevvys.

Furünkel, m. lat. [furuncütus) Mod. een bardachtlg, pymyk, blauwrood ontsteklngsge-zwel, eene bloedvin, bloedzweer.

Fusa, f. li. Muz. een achtste noot.

fuscus, a, um, lat. Bol. bruin, lederbruln;

— fuscicóllisch, adj. nw.lat. niet bruinen hals; — fuseicórnisch, adj. mol bruine hoornen; — fuscine, f. de bruine stof uit dleriyke olie; — fuscipédisch, adj. met bruine voeten;—fuscipénnisch, adj. met bruine vleugelen; — fuscivéntriseh, adj. met bruinen bulk.

Fusée, f. fr. (spr. futd: eig. hel om de klos gewondene; mld.lal. fusala, v. \'1 lat. fusus, do spil of klos, provonc. fus, fr. fuseau) d(! krull-loop, lont eener bom; de vaurpyi, rakel (z. aid.); — fusicórnisch, adj. nw.lal. met spll-vormlge hoornen; — fusifórm, adj. (fusifor-mis) spllvormlg; — fusipédiseh, adj. met spllvormlge voeten.

fusibel, adj. fr. {fusible: spr. s=t) saiell-baar; — fusibilitelt,smeltbaarheid; z. verder fusie.

fusicórnisch, fusiform, zie onder fusée.

Fusie (spr. s=z), f. lat. {fusio, v. f undere, gieten) de smelting, het gieten, Inz. van metaal, metaalgletsel; onelg. Ineensmelling, ver-eenlglng of vermenging, b. v. van eigeniyk la hare meeningen verschillende partyen, die een gemeenschappeiyke daad willen uitvoeren; — fusionist, m. voorstander eener fusie; — fusionistisch, adj. lol ineensmelling strekkende, daarop doelende.

Fusil, m. fr. (spr. fmi; = 11. focile, furile, oorspr. vuurstaal, vuurtuig; van fmco, fr. feu, vuur, van \'1 lal. focus, haard, haardstede, mld. lal. vuur) een snaphaan, roer, geweer; — /\'. (i ilcux coups, geweer met dubbelen loop; — fuselier, liever fusilier (spr. s=z), een snaphaandrager, geweervoenler, oen licht voel-soldaal mot een geweer gewapend; — fu-sillette, f. (spr. fuzi-tjétl\') eene kleine vuur-pyl; — fusilleeren (fr. fusil ter), mei hel geweer doodschlelen, als krygsslraf; — fusillade, f. (spr. fuzi-ljadd\') hel klein geweervuur, snaphaanvuur ; liet doodschieten met het geweer.

fusipédiseh, z. ond. fusée.

Fust, n., fustage (spr. —latje), f. (verwant met val) Kmt. vaatwerk, alles waarin koopwaren Ingepakt en verzonden worden; — fusti, n. II. (elg. de plur. van fusie, steel, stengel by rozUnen en dergel. waar) Kmt. de aftrek, al hetgeen voor beschadiging of onzul-verwordlng der waren wordt gerekend; — fusti-rekening, de aftrek- of scbadehe-rekenlng.

Fustanélla, f. (fr. fomtanelle, nw.gr. fus-tani, van \'l oudfr. fuslnine, nw.fr. futaine, 11. fustafpw, bombazyn, zoo gohoeten naar Fostat of t\'ossat, d, 1. Caïro, waar die slof eersl vervaardigd werd) een korl, helder wil onderkleed, een Albaneezer hemd, een gedeelte van de nationale dracht der mannen hy de (irlcken.

Fustein, n. (fr. futaine) zekere slof met linnen schering en katoenen Inslag.

Fusti, enz., z. ond. fust.

Fustian, n. eng. (spr. fustjen: fr. futaine: vgl. fust a nel Ie) bombazijn, z. fustein.

Füstie, f. hel kind van een blanke en van eene m u s 11 e.

Fustiekhout, n. (eng. fustic, sp. fustete.


-ocr page 526-

FUSTIGEEREN

GABÉLLA

510

fusloque, (r. fuslel. mld.lut. fmlctum, ile loolors-uf vervorsboom op Jnmaïca, enz., van \'t lat. (ustis, stuk, knuppel), ook flsethout, fu-stoc, geelhout, geel brazllleliout, van den vert-inoerbezleljooin in Brazilië, Mexico en op do Antillen, dat men tot verfstof en In^eleKd werk gebruikt; ook bongaarsch geelhout, eene verfstof van eenen in Hongarije wild wassenden struik [Rhus cofinus); — fustine, f. het kleurende bestanddeel van \'t fustlekhout.

Fustigeeren, f. mld. lat. (fustigare, van fiistis, knuppel) geeselen, afrossen; — fusti-gatie (spr. tie=lsie), f. de geeseling.

Fustine, z. oud. fustlekhout.

Futaille, f. fr. (spr. fuldlj\', oudfr. fuslaille, van \'I lat. fustis, stok, steel) een groot vat; een vat over een ander vat heen, voervat.

Futaine, f. fr. (spr. fulèn\') z. fust el n.

futiel, adj. lat. (fuiïlis, e) nietswaardig, onbeduidend, armzalig, voddig, nietig; — futiliteit, f. (lal. fuliltlns) nielswaardigheld, nietigheid, erbarmeHjkheld, armzaligheid, niets-beduidende zaak.

futurus, (i, urn, lat. toekomstig; — futurum, n. lat. Gram. de toekomst of tookomendu tyd; futurum exdetum, de voltooide toekomende tyd, tweede of samengestelue toekomende tijd, vgl. tempus; in futurum, of pro futürn, voor de toekomst, voor het vervolg, ad futüram me-morïam, tot toekomstig aandenken of latere gedachtenis-, —. futur, m. fr. (spr. futuur) de aanstaande, verloofde, bruidegom; — futlira, lat. of future, fr. f. de aanstaande, verloofde, bruid; — futuritaile, barb. lat. wat geschied zou zyu onder eene voorwaarde, die niet vervuld wordt; — futuritie (spr. tie—tsie). f, barb. lat. du toekomstigheid, bet toekomend aan-ziin, de wording.

Fuyard, in. fr. (spr. fui-jdrvan fuir, lat. fugëre, vluchten) een vluchteling, vluchtend soldaat.

Fy, f. by veeartsen; zeker huiduitslag Fycösis, f. \\led. de haarworm der oogleden. Fyrk, fyrke, m. tut tsi:i eene deeusche kopermunt van ti penningen of J skiiling of l,i cent nederi. TJ-j deeusche ryksdaaider


Gr

C, (ais romelnsch getal) = iOO; S = 500,000; G = Gajus (oud-rom. voornaam, ook (lajus); in ile heraldiek = goud; Muz. de vyfde toon in de diatonische toonladder; = gram; a. in opscbriflen) = Gallia, Gallie, Krankryk of Gennania, (lermanie, Dullschland; G. verkorting van genius, gem, genus, gratia, gratis, gloria, gummi (zie die woorden); — Ga. chemisch teeken voor gallium; Ga. otllcleele afk. van den noordamerlkaanschen staat Georgia; — Gal.

— Galaten (brief van Paulus); — Geb. = geboren; Geb. of Gebr, = gebroeders; — geh. = gehucht; — Gel. = geleerde; — Gem. = gemeente; — Gen. = Genesis (le bock van Mo-zes); gen. of qenil — genilieus, z. casus; — Gent. = uentleman (z. aid.); — Gengr. = geo-graphie, aardrykskuude; — ucl. = geteekend;

— gew. = gewoon; — gez. = gezusters; Get. of Gz. = Gezang; — G. Gl. = goudgulden;

— gl. = gulden; — G. L. O. of new. lag. ond. = gewoon lager onderwys; — g. m. — geo-graphlsche myi, i; uur gaans; g. ra. of gl. m. of glor. mem. — glnriosac memoriae, (z. aid.)

— gr. = groot (z. aid.); — Gr. — granum, grein; — gran. = granula, korrels; — gr. m. = grosso modo, grof gesneden, gestooten, enz.;

— gtt. = guttae, droppels; — fiyl. — gylieden;

— Ilymn. = gymnasium, iatynscbe school.

G. als muntteeken: op oudere pruisiscbe munten = Stettin; op oostenryksche: Nagybanya; op zwitserscbe; Genéve; op franscho; I\'oltlers; in bet duitsche ryk: Cnrisruhe.

Gaas, n. (van \'t fr. gaze-, uorspr. van de stad Gaza in Syrië) een licht, dun, opengewerkt weefsel van garen, zyde, enz. sluierdoek.

lloersdoek; — gazeeren, omsluieren, met gaas. Meers, enz. overtrekken, overgazen.

G-abah, mal. z. ond. bras, ie art.

Gaban, m. (vgl. liet Hal. gdbbano, eene soori van overkleed) een regenmantel van vilt in Turkye; — gabanltza, f. de kostbare pels van den sultan, des zomers met hermeiyn, des winters met zwarte vosseveiien gevoerd (zulk een pels mag niemand bulten hem dragen).

Gabare of gabarre, f. fr. (van \'t mld. lat. gabbnrus, eene soort van zeekreeft, vgl. caraveile) een klein, breed en plat schip om de rivieren op te varen; een wachtschip lol bel visileeren der In- en uitgaande schepen en bet ontvangen der rechten; een lichter, tut In-en uitladen van gruute, diepgaande schepen; eene modderschuit; een klein slagnet der vis-scbers; — gabarot, m. een kleine lichter.

Gabbatha, f. bebr. de rechlplaats le Jeruzalem (Jub. 10, 13).

Gabbro nf euphotide, n. een uit labrador en dlalluug gemengd kristalllnisch korrelig gesteente.

gabéüa, mld.lat. en It., of gabélle, fr. f. (provenc. en sp. gabéla, belzy van\'l zelfde arab. woord als bet spaanscbe alcabdla, hetzij vati \'I angels, gafol, gafut, etig. gavel, mld.lat. gaha-lum, gabulum, gablum, v. t angels, gifan, gotli. giban, geven), Jur. de indirecte belasting, impost, opbrengst; thans; lol en de plaats, waar die geheven wordt, tolhuis; In Krankryk de zoutbelasllng sedert l\'liilips V in 1S18; ook zoutpakhuis, zoutmagazyn; — gabella cmigraliunis, de optebrengen schatting van \'t vermogen eens ultlandlg gaanden, aftocblgeld; g. hereditatis


-ocr page 527-

GA LAKTAKRATIE

511

GABIANOLIK

ol hereditaria, de opbrenKst van ecne orfenlp.

Gabianolio, t. (fr. hui Ie de Cabian) con soort steenollo, dlo van con rots in de naliU-lidd van Gabian by Bezlers In KrankrUk afdruipt.

Gabier, m. fr. (spr. gabjé-, v. uahie, mars van den mast. It. nuhhia, 01«. kool, van het lat. nwca) Mar. de marswaebtor, de man op den ultkyk; — gabion, in. fr. Mil. een schanskorf, ecne mand, die men met aarde vult om eene liorstwerlng te maken; — gabionnade, f. eene verschansing van schanskorven.

Gabriel, hebr. mansn.; de man Gods of de sterkte Gods; naar de latere Joodscbe Myth, een der 7 aartsengelen; volgens de rabbynen de doodsengel voor de Israëlieten; naar den Talmud de vorst des vuurs en des donders; — Gabriela, Gabrielle, f. eigennaam: god-deiyke vrouw.

gacheeren (spr. gasj—), fr. (fiarher, van \'t oudhoogd. wasem, wasschen) elg. kalk heslaan; slecht schilderen, kladschilderen; beneden den prys, de markt verkoopen; — gacheur, in. een kladder, kladschilder; een pryshederver.

Gachupines, pl. sp. (spr. Iialsjne—), z v. a. chap el o nes, z. aid.

Gada, f. arab. hoogvlakte In de Sahara.

Gadacz, m. slav. (spr. —dalsj) waarzegger.

Gadar, m. turk. een soort korte sahel, dal onder den buikriem van hel paard vaslge-gespt wordt.

Gadoliniet, z. ytterlet.

Giids(c)ho, m. quot;blankequot;, by de heidens of zigeuners de naam voor de nlel-heldens.

Gadus, m. nw.lat. ecne vlscbsoort, bevallende; de dorsch, schelvlsch, kabeljauw, enz.

Gsea of gea, f. gr. (oaia, ui) de aarde; Myth, de godin der aarde, moeder en gemalin van Uranus, in het Latijn Tellus gehoeten; — gseistiek, f. de aardkunde, natuurleer der aarde.

Gaels, Gaelon, m. pl. (oen andere vorm van den volksnaam Keilen, Celten) de overbiyf-sels van eenen weleer wyd verbreiden volksstam de Cellen) In de westeiyko doelen van Europa, in het franscho Klein-Hretugno, In Hoog-Schol-land. Wallis, het eiland Man en In Ierland; — gaeliseh, gaolsch, n. de taal, welke door dien volksstam gesproken wordt, een tongval van het colllsch, onderverdeeld In erslsch, de taal der lersche boeren, en caledonlsch, ilie der scholscho bergbewoners of lloogschollen.

Gagaat, gagaath, m. of gagaath-kool, (gr. en lat. qagéles, van Gagas, eeno rivier en stad In Lycie, waar men hem Inz. vond), zwarte barnsteen, slakklg aardpek, pek-kool, oene soort van steenkolen, die lot sieraden wordt verwerkt.

Gage, f. fr. (spr. ijnazj\'; it. nagaio, van \'1 mid.lal. gadium, vadium — lal. vadimnnïum, borgtocht, pand, van \'t golb. vadi, oudhoogil. welll, pand, handgeld, loon, wedde) het onderpand of pand; Inz. het loon. dienstloon, de bezoldiging; van soldaten: soldy, gage; qage (l\'amitié, een vrlendschapspand, geschenk der vriendschap; (jage d\'amour (spr. —dnmóér), minnepand, geschenk der liefde; — gageeren, bezoldigen; ook wedden, eene weddingschap aangaan; — gageering, f. (spr. ga-j—) de bezoldiging; — gageüre, f. (spr. gazjüür\') de weddingschap; — gagist, m. (spr. gatjisl] een bezoldigde, in eens anders soldy slaande, zonder eig. zyn dienaar te zyn.

Gagliarde, z. galIIarde.

ganné, fr. (spr. ganjé ,■ van gagner, winnen, oudfr. gaigner, provenc. gazanhar voor gadan-har. It. guadagnare, v. \'t oudd. weidanin, Jagen, bejagen, wolden) gewonnen; — gagne-petit, m. (spr. (laiije-peli) rondreizend scha-rensiyper; — gagneur, m. de winner.

Gahniet, z. a u t o in o 111 li.

gai, adj. fr. (spr. ghè) vrooiyk; Muz. z. v. a. allegro (It. g a Jo); — gaiemeut of gaï-ment, adv. (spr. ghèmdü) vrooiyk; — gaieté of galté, f. vrooiykbeld, lustigheid, ullgelaten-hold; de gaieté de eneur (spr. keur), moedwillig.

Gaïe, f. serv. zyden zondagscbe broek.

Gaillard, m. fr. (spr. gnljdr; provenc. gat-hart, sp. gattanlo, 11. gagtiardo: vgl. gala en \'t angels, gagnt, geagte, dartel, moedwillig) 1) oen vroolyke broeder, rare snaak, slimme vogel; i) hel kasteel, de schans of het verhoogde gedeelte van hot scheepsdek; II) eene kleine soort van drukletter (van x punten) tusschen garmond en brevier (zie dru kletlers);

— gaillardo, fr., of gagliarde, it. f. (spr. gatjérde) een boertig, vrooiyk volkslied In de Itlc eeuw; een voorin, vroolyke llallaansche dans, ook romaneske geheelen, als zynde oorspr. uil Koine; — gaillardise, f. (spr. gatjurdiéz\') vrooiykbeld, moedwil, snakery.

gajo, 11. en gaimenl, (spr. gémnh), fr. adj (provenc en fr. gai, v. \'t oudhoogd. gdht, nw. hoogd. jutie, rasch, krachtig, hevig) Muz. vrooiyk, lustig, hiygoeslig.

Gaitan, m. turk. soldatenjas met snoeren.

gajoela, arab. dameszadel In Marocco.

Gala, f. sp. (van onzekeren oorsprong, wanr-schyniyk v. \'1 arab. hetzy dschata, v. hatj, haldt, (vrouweiyke) looi of khita, eerekleed vandaar nok gal an, galant, enz.) de hofstaalsie, hel bolleest; de staatslekleedlng, feestelyke opschik;

— en gala, fr. (spr. «;gt; gala) of in gala, in hof-, pronk- of staatsiekleed, In \'tbeste pak; groot gala houden, een feest met zang, dans, prachtlgen inaaliyd, enz. vieren, bankcl-leereii; ook In samenst. gala-corso, gala-dl-ner, gala-opera, enz. vgl. het tweede lid.

Galago, in. langpootaap.

Galaktakratïe (spr. tie-tsie), f. gr. (v. gdta, genlt. gdlaklos, melk, en a krat ie, z. aid.) Med. de zogvloed, eene ziekte der borsten, waarby de molk van zelve uitvloeit; — galaktiet, m. de melksteen, molkjaspls, delf-bare maansteen; — galaktischesis, f. de onderdrukking dor zogafsclieiding; — galak-todendron, m. Kot. melkboom, koeboom In Z. Amerika (aldaar pato de vara geheelen), waarvan stam en lakken een zeker melkachtig en.


-ocr page 528-

GALAM-BOTER

512

GALEI

voedzaam vocht bevatten; — galaktogra-phie, f bescliryvlng van liet zojt; — ga-laktologïe, r. tie teer van hot zobj — ga-latometastasis, f. do zogvcrplaatstng; — galaktomotor, in. melkinctor, een werktuig om het gehalte of do vorvalsching der melk naar graden te hepaloii; vgl.lactoskoop;— galaktophaag, in. een nielketer, papeter;

— galaktophagie, t. de melkvoeding; — galaktophöra ot galaktophorische middelen, pi. melkaanbrengende of melkup-wekkende middelen; — galaktophórisch, adj. melkbrengond, molkdryvend; — galak-topiometer, m. melkvetmotor, roommeter, werktuig om hel botergohalte der melk Ie bepalen; galaktoplanie, t. do ullslorllng van het zog In hel celweefsel of In eenlge holle;

— galaktoplerosis, f. de overvloed van het zog; — galaktopoiêsis, f. de zogbe-relülng, zogafscheldlng; — galaktoposie (spr. .v=i), f. de melkkuur, bet melkdrlnken lot herstelling; — galaktopoot, m. de melk-drlnker; — galak top .f ra, t. of galakto-pyrotos, m. do zogkoorts; — galaktor-rhoea, f. dezogvioeiing;- galaktoschë-sis, z. galaktlschésls; — galaktösis, f. de overgang lot, verandering In melk of zog;

— galaktoskoop, m. melkmeter, waardoor na het melken het roomgelialte der melk aangegeven wordt; galaktostasis, f. melk-opbooplng; - galaktotrophie, f. de voeding dor melk; — galaktozemie, f. het zogvorlles; — galakturie, f. het melkwa-teren; — galaxle, f. de melkweg aan den hemel.

Galam-boter, f. (naar hel afrik, rgk Galam in S ene gamble) een boterachtig smakciyk plantenvot uit de vruchten van een afrik, boom, ook bamboek- of bnmbarra-b o I e r gebeeten.

Galan, m. sp. (vgl. aula), fr. galant, m. een minnaar, vrüer, verliefde; — galant, adj. fr. (11. en sp, galanle; vgl. gnla) smaakvol gekleed, getooid, net en sierlijk; aardig, hoflolUk, beleefd, wellevend, gedienstig, voorkomend, inz. Jegens liet vrouweiyk geslacht; verliefd, min-neziek; galante stul, Muz. z. v. a. wereld-igke styl, in tegonst. met den geestetyken of kerkciyken; galante ziekte, z. v. a. ga-lantcrie-zlekte (z. lager); — galanterie, f. I) opschik of sieraden, vandaar ga 1 a liter ie-waren, voorworpen, koo|igoederen lol looi, opschik, genoegen; galanterie-kramer, een koopman lu zulke goederen; 2) hof-feiykbeld, beleefdheid, klesche vrouwenvereering, dienstvaardigheid, voorkomendheid omtrent vrouwen; ook een geschenk uit beleefdheid; 3) minnehandel, booleerlng; llederiykheldj vandaar gala n 1 e r 1 e - z o n d e n, galan tori e-ziekten of venerische ziekten; — galants, pi. fr. (spr. —tdii) lintstrookon als sieraad; ook gewonden en oversuikerde oranje- en citroonscliilleljes; — galant-homme, m. (spr. nataülómm\') een man van eer, een braaf, edeldenkcnd man; ook een falsoeniyk, oen lijn beschaafd man, man naar de wereld. Iemand van geregelde en beschaafde ievenswyze; — Ré-galantuomo, 11. de koning—man van eer, de odeldenkende, rldderiyko koning, bynaam van den koning Victor Emanuel van Italië sedert ira; — homme galant, m. (spr. omm\'galdii) een Jegens vrouwen voorkomend man; — galan tin (spr. (/«-lantèii), modepop, fat, saletjonker; —galan-tiseeren (spr. S=J), don verliefde, den oot-moedlgon vrouwendienaar spelen; — galantine, f. een tusschengerecht van gespekt hoen-dcrvleesoli; ook een mot boendorvleescb gefarceerde kalfskop; — galantisme, n. barb.lat. de schynkunde, oppervlakkige wetenschap, die alleen berekend is op flguurmakon.

Galanga, f., z. v. a. galgant, z. aid.

Galant, galanterie, galantuomo, enz., z. oud. galan.

galan thus, Hot. sneeuwklokje.

Galatea, f gr. Myth, eene Nereïdo, die den herder Acts beminde, maar den cycloop Polyphemus versmaadde; Astron. een in 18«2 door Tempel ontdekte asteroïde.

Galatine, z. v. a. gelatine (z. aid.)

Galaxie, z. ond. galaktokratie.

Galbanum, n. (lat. (lalbanum, gr. chal-banc, helir. chelb\'ndh, waarscb. v. chaldh, vel zgn, of van chelbón, Aleppo, en dit v. rhólcb, vellighelil, vruchtbaarheid) moederhars, eene liarsachtige, genees- en heelkracbtige gom, die door insnyding uit eene scliormdragende plant in Afrika en PerzlB wordt verkregen.

Galbulus, m. lat. Bot. kogelbes.

Galeankon, m. gr. (v, naléc, wezel, kal, en ankun, de arm) Mod. de katten- of wezel-arm, zekere wanstaltigheld van den arm, uil eene onrogelniatlgheld van het scboudergewrichl ontstaan; — galeanthropie, f. de kallen-zucht, de waan van cencn menscli, dat by in eene kat Is veranderd.

Galeas, z. ond. galei.

galealus, a, urn, lat. Kot. helmvormig.

galeStum exordium, n. of galeBtus prolöfim, m. lat., ■/.. prolnum lt;ial~.

Galei, f. (II. en oudsp. ualea, provenc. nnlea, lialé, galeya, fr. galère, sp. en it. galéra, boogd. galeen, mid. lat. ualea, galeida: vgl. \'t arab. chalijah, liyenkorf en groot schip; oen roeischip ■nel laag boonl on i maslen, -20 i\'i -ij vadem lang en 3 breed, reeds in do oudheid tiekend en de eenlge soort van oorlogschepen In de middeleeuwen; — galei is ook de naam van hel bouten plankje, waarop de lelterzelter de regels uit den zethaak overbrengt; alsmede die van een langwerpig deslllleerfornuis, eene soort van reverbereeroven; — galeislaven, de roeiers der galeien, waartoe de Turken en bar-harysche roofstaten meest gevangen Christenen, de staten aan de Middollandsche zee, Inz. frankrijk en Italië, misdadigers gebruikten; — galeistraf, eene der zwaarste In Krankryk on andere zeoslaten, die den misdadigers vroeger den galoldiensl oplegden, maar hen thans, na af-


-ocr page 529-

GALLATA

GALKNA

513

schafllng dor galoieti, tot vcstlngliouw, havon-arliold, enz. veroordeolcn; — galoi\'is, galjas, f. (II. nnleuzza, fr. galénsue, yaléace) oono grooto galei, een drlomastroelschlp, do grootste soort van oorlogsvaartuigen der repnlillek Ve-notle tydens haren hoogsten bloei; ook de naam van kleine, In de Oostzee gelmilkelüke vaartuigen; — galeïde, f. eene kleine galei; — galjoen, n. (sp. galeon, m., II. ualeone, tr. galion, mld.lut. anten, galio) elg. eene groote galei; een spaansch zllverschlp, groot koop-vaardij- en oorlogschip, Inz. om het zilver, enz. uit Amerika Ie halen; ook hel voorste gedeelte van het schip, waar matrozen en soldaten hun verhlüf hehhon; — galionellen, pl. schip-of schulldlertjes, een soort Infusorlen; galjoen ist, m. die handel drijft door inlddel van galjoenen, In tegenst. met den tlottist; — galjoot, f. (sp. galeole, fr. galiol, II. i/n/enlln) de roeier op eene galei; ook (11. naleolla, fr. galinle) een vaartuig met éenen mast, klein roeischip, halve galei; ook eea vrachtschip van Sn tot 300 tonnen; z. ook homha rdeerga IJoot ond. hom.

Galëna, f. Chem. zwavellood, loodglans, glazuurerts.

Galemst, m. Med. een aanhanger van Gal én us, een heroemden oud-griekschen arts; ook werd eene party der nederl. Doopsgezinden, naar haren leeraar Oaleaus de Ka en. Gal enisle n geheolen; — galönlsche aderlating, eene lol Hauw wordens toe gedreven aderlating; — galënische medicamenten, galenfcu (remedïa), n, pl. eenvoudige, of eenvoudig herolile geneesmiddelen; - galenisme, n. de grondstellingen en ge-neeswllze van den oud-griekschen artsGaienns.

Galenok, rass, (v. \'I eng. gallnn gevormd) eene russisclie wgnmaat = jj wedro of emmer, hevallende l,S3ü liter.

Galeomachie, f. gr. (v. gnldè, kal) de kattenoorlog; - galeomyomachïe, f. de katten- en muizenkrijg, een gr. komisch heldendicht van Theodorus i\'rodrömus, eene navolging van de ha 1 ra c li o m v oma c h Ie, (z. aid.)

Galéra, f. sp. eigenlijk eene galei (z. aid.); ook eene soort van met linnen hedekte, van voren open reiswagen In Spanje.

Galerij, f. (mid. lal. qulerin, it. galleria, fr. (inlcrie, overdekte gang, mirt. lat. qaleria, sierlijk gehouw, ingesloten plaats, hof, oorspr. feestzaal, o\\idfr. vreugdefeest, van qale, pronk, praal; vgl. gala); de overdekte gang In een gehouw, tralie- of hekkengang; zuilengang; de gang, door welke de verschillende vertrekken gemeenschap hebben, z. v. a. corridor; — de schllderyzaal of -gang; vorstelijke verzameling van schilderyen; onelg. eene geschiedenis, een verhaal, enz., waarin veel portretten voorkomen, heeldengalery; Mil. een lange, smalle gang naar do buitenwerken, mungang-, ook een onderaardsehe gang der bergwerkers; Mar. het uitstek of open balcon aan het achterschip; in schouwburgen: de plaats boven de loges; de VIEnilK IIIU\'K.

toeschouwers aldaar; ook wel de wereld, de menschen voor zoo verre zy de daden hunner medernenschen beoordeelen; galerie nnble (spr. nobl\') de ryen zitplantsen of loges van den eersten rang; galerij van Rubens, schilderyen, waarin llubens de geschiedenis van Maria van Medicls heeft voorgesteld.

Galérne, f. fr. (provenc. galerna, sp. f/«-lerno, v. ceitiseben oorsprong; vgl. het lersch gal, eene windvlaag) een koude noordwesten-wlmi In \'1 N. VV. van Krankryk,

Galeropie, f. gr. (van qalerós, verlicht, en njilein, zien) Med. het ziekelijke helderzlen, waarby ai de voorwerpen als In eene heldere en deels luislerryke verlichting omdryven, zoodal men hy zwak Held heter ziel dan hij helder.

Galét, in. fr. (spr. galè] steenen van allerlei gedaante en aard, strandkelen, kittelsleenen, die door de zee worden aangespoeld; hel kelstrand zelf; ook galets, pl. eene soort glasparels of glaskoralen.

Galétte, fr.. of galótta, II. f. (provenc. galela, sp. gallela) elg. een broodkoek, een ronde en platte koek, sciieepsbrood, scheepshescbuit; slechte vlokzijde, ongesponnen zydeafval.

Gnlgant, m. (in \'1 later gr. en lal. galanga, v. \'I arab. chdlamlsjdn, perz. chnelandsjdn, chd-valimlsjdn, v. \'I arab. chalandsj, perz. rhoelamlsj, een boom, waaruit vaatwerk gemaakt wordt eene ooslindische plant en haar aromatische wortel, die een voortrelleiyk middel der spys-veriering is-, vandaar galgantolie, een a\'ihe-rlsche olie.

Galimafrée, f. fr. gebakt vleesch met pepersaus, eene soort van fricassée; verwarde rede, wartaal.

Galimatias, fr. of gallimatthias, m. (ontslaan uil een in \'t laiyn gevoerd pleidooi over eenen haan, waarby een der advokalen, Inplaals van gallus Mallhine (de haan van Mai-thias), telkens zeide gnlli Mallhias (de Matthias van den haan) derhalve, woordverspreking, wirwar van woorden, onverstaaniiaar, verward gesnap, onzin, brabbellaai, kramerlatyn.

Galióndsji-aga, m. lurk. de opziener of bevelhebber der mairozen.

Galionist of gayoenist, z. ond. galeI.

Galipot, n. fr. door verbiilen van terpen-lyn verkregen wit hars of pik der straadnaald-booinen.

Galitzensteen, in. witte vitriool of zinkvitriool, zwavelzuur zink

Galivaten, pi. oostindischc vrachtschepen.

gal jetkolen, pl. (fr. (jaillrUe. galielle) stukken steenkool van middelmatige grootte.

Galjoen, galjoot, enz., ■/.. ond. galei.

Galla, z. gala-, — gallaten, z. onder g a 11 u s z u u r.

Gallas, pl. (v. gnlla, aanvallen) een ver verspreid negervolk In Afrika.

Gallata, 11. hel halen van al de slagen in het trizot spel, door twee. der drie spelers;—gallatóne, in de party, waarby al de trekken door een speler gemaakt worden.

;i:i


-ocr page 530-

GALLKÜO

GALON

514

Gallego, m. sp. (spr. uuljéno) con (iiilll-i\'lcr ; vundsmr; de viin (ïnlliclë nfwaulonilo noordwestenwind, wanne avondwind.

Gallen, f. pl. kleine gezwollen o( blaren aan de alterslo leden der paarden; de uitwassen aan hoornen en planten (Inz. van den eikenboom), die hun ontstaan aan Insecten verschuldigd zijn; de onRovulde plaatsen in gegoten metaal; — gallen, in ververijen: door een afkooksel van g a I n o t e n halen, een galnoten-had geven.

Gallerij, z. gal erg.

Galliambus, m. gr. (vgl. jambus), pl. galliamben of galliambïscho verzen, liederen, welke de Gall 1, priesters van Cybele, hy hunne otters zongen lu cene vers-maal. dlc uit een anapiestus en trihnchys bestond (— —--— —:onbegrUpeH|kor).

Gallicinmm, n. lal. (v. nullus, de haan, en canëre, zingen) het hanengeroep, de inorgen-scheinering, de dageraad.

Gallicola, t. uw.lat. de galwesp (als wonende In de galnolon).

l/ullicus, a, urn, lal Bot. galilsch; frausch.

Gallië, n. (lal. Gallia, f.) Frankrijk; — Galliër, (lat. Gallus, pi. (lalli: fv. Gaulois), clg. de naam der oudste (cellische) bewoners van Frankrijk ; voorts in \'t algemeen Frnnscti-man, oude en nieuwe Franken; — galli-caanach, adj. frausch, (alleen van de kalh. kerk van Frankrijk gcbrnikeHjk, anders; galilsch); de ga I lika a use he kerk, die zich van de moederkerk alleen door de grootore onafhankelijkheid van den pauseiyken stoel onderscheidt (in tegensl. met de u 11 ramo n I a a u-s c h e); gallicus morbus, m. lat. do Franscbe ziekte, de venuskwaal, venerische ziekte, syphilis; unllicum [return, n. (z. fro t um) het nauw van Calais; nullicus sinus, m. de golf van Marseille; — gallicisme, n. een frausch taaleigen, eigenaardige fr. woordenscbikking of uitdrukking; de gebrekkige navolging van zulke zegswgz.en lu ecne andere taal; — gallicis-ten, pl. aanhanger der franscbe litteratuur in Spanje, in tegensl. met de go ngor ist en;— gallicomanie of gallomanie, lat.-gr. de zucht of overdreven liefde voor ai wat fransch is; — gallomaan, m. een overdrijvend he-wonderaar van al het franscbe-, — gallo-ba-taafsch, adj. Fransch-Nederlandsch; — gal-lophilus, m. een Franschen-vriend, vriend der franschen; — gallophoob, m. iemand die cene overdreven vrees voor Frankryks macht koestert; — gallophobie, f. overdreven vrees voor Frankryk.

Gallieten, z. ond. g a i i n s z u u r.

Gallimatthias, ■/.. galimatias.

Gallinacéën, pl. lat. (uallinaceue, van (lallinaci us, a, um, hoenderachtig, ijalhna, hoen, beu) hoenderachtige vogels.

gallionisme, n. onverschilligheid omtrent onderscheid in godsdienst (zoo gebeeten naar den rom. proconsul (laiilo, die den apostel Pauius tegen de Joden in bescherming nam, dewyi men uil Handelingen X.V1II 14 voigg. verkeerdciljk opmaakl, dal by tiein heldendom en jodendom evenveel golden) z v. a. 1 nd i f fe rent Isme; — gallionist, m. een onverschillige omtrent godsdlonslgeloof, indifforentist; ook z. v. a. gal Joon 1st (z. ond. galei).

Galliseeren (spr. s=z), (volgens de uil-vinding van l)r. Ludwig (lail te Trier) geringe soorten van druivonmost of wyu door toevoeging van suiker en water verbeteren en het zuurgelmlte met 5 tot ^ pet. verminderen.

Gallisme, n. de hersenschedelleer van Dr. F. J. Gail (gest. 1828), volgens welke de ver-standsaanieg en gemoedsneiging van den mensch uil de gesteldheid van zynen schedel wordt opgemaakt.

Gallitypie, f. een door Galli te Milaan uitgevonden bandelwyze om voor het boekdrukken te graveeron op met kryt eu styfscl overtrokken bouten platen.

Gallitziniet, n. Min. geoxydoord yzer-houdend t i t a n 1 u m, op den Spessart ontdekt door prins Gallitzin.

Gallo, m. sp. liaan; coliseo de (/alios, slrijd-perk voor Imnengevecbten.

Gallomaan, gallomanie, zie onder lt;iaII ie.

Gallon, m. eug. (spr. nhéllun) (v. t\' oudfr. (lalon, jalon, mld.lat. fl\'ilo, nalnna) eene engci-sclio Inhoudsiuant, voor droge en natte waren = i,81361 liter; zy Is verdeeld In i quarters en 8 pinls; oen peck lieefl i, een bushel 8 gallons.

Gallophilus, gallophoob, ?.. onder Ga 11 ie.

Galloway ketel, m. (spr. ghellowé—) door Galloway te Manchester vervaardigde sloomke-tel bij welken de viarnpyp door konischo pUpeu (Gallowaypüpen), die ze doorkruisen, versterkt en hot door het vuur aangeraakte vlak vergroot is.

Gallus-zuur, n. nw.lat.-nederl. (v. \'t lat. nalla, galappel) een in de galappels vervat zuur; — gallaten, pl. gallaszure zouten-, —gallieten, |ii. versteende galappels.

Gallus, in. lat. haan, ook Gallier; (lallinScHus, hulshaan.

galmaces, pl. stolfen die op londres en domi-iondres gelijken.

Galmei, in., z. knlamyn.

Galnoten, f. pi. kleine knobbels, ais uii-wasscn inz. op veie elkonsdorten, ontstaan door een insect (cynips quercus fotti), en waarvan men zich lot zwart en bruin verven, alsook tot bel maken van den gewonen schryflnkt bedient.

Galoche, f. fr. (spr. qaUsj\'t it. f/aloscïa, sp. nalnrha, mld.lat. nalorhin, v. \'t lal. aallica, sell, sol.- u of crepïda, galilsch scboelsel) oorspr. bouten schoenen, klompen; gew. overschoenen.

Galon, n. fr. (11. galone, v. nala, i. aid.) een linlvormig weefsel van goud of zilverboordsel, eene tres; een gekleurde streep aan de bui-lensle broeknaiid; — galoneeren, (fr. »«-lomier, it. nalonnare) met boordsels lioleggen, omzoomen.


-ocr page 531-

GAMKHNIA

GALOP

515

Galóp, m. ((r. ualO)), It. f/a/o/ipo,-wuarsch. ourspr. dultscli van loopen, guth. unliliiupnn) de sprliiKloup, snelrlt, snelste ren van een paard; — galopoeren, (fr. uatoper, it. ualuppare, prov. yalaupar) met sprutiKen loopen of ryden, rennen, voortjagen, — galopado, r. een zeer snelle dans In | maat, springdans; — galo-pin, m. (spr. —iieii) 1° een loop-, keuken-, postjongen, boodschapper Ie paard; ook voorheen z. v. a. ordonnans-ofllcier l)U eenen generaal ; -2° pl. (oalopins) de helde laatste paarden eener troika (z. aid.); 3° een oude fr. maat = J- se tier (z. aid.)

Galoubet, m. fr. (spr. —nehè) kleine, schelklinkende Hult, i octaaf liooger dan de dwarsllult.

Galoötha, f. hehr. de hallingschap; de In de (hahylonische) halllngschap lovende Joden.

Galvanisme, n. de door professor Galvani in llttl te Hologna ontilekte (iloor liein quot;dler-liike clectrlcitcitquot; genoemde) aanrakings-eieclri-cltelt, die door hloole aanraking van twee on geiyksoortige zelfstandigheden (h. v. platen van zink en koper of van metalen niet zuren) opgewekt wordt; — galvanisch, adj. liet galvanisme betreffende of daardoor veroorzaakt; — galvanisch vernis, by yzer legen hel roesten aangewend, beslaande uil met gepulveriseerd zink aangemengd lynollevernis; — galvanische batterij of Volta\'sche kolom, een door prof. Volta hel eerst vervaardigde uit lagen bestaande zuil, waarin zich de verschillende metalen en vloeislollen in regelmatige opvolging herhalen, waardoor men een sterken galvanisch en stroom verkrygl; — galvanisch licht, bel zeer Intensieve licht, dal door den stroom eener krachtige Volla\'sehe kolom tegen twee dlchl by elkander staande koolspitsen ontstaat; - galvaniseoren (spr. .v=;), metaalprlkkels aanwenden d. i. den elee-trlschen stroom eener galvanische battery als geneesmiddel gebruiken; ook door middel van een gloeienden draad dien als byi- of elsmlddel gebruiken; of ook tol liet door een boven hel smeltpunt verhit zlnkbad met zink overlrekken van yzer, dal eerst in eene salmlnkoplosslng gedompeld en weder gedroogd Is; - galva-noglyphie, f. eene door v. Ommegunck le Hrussel uilgevonden, het eerst in IH.Ki toegepaste methode, om door chemische middelen met behulp van galvanisme op eene metalen plaat tee-keningen of kopergravures en relief le vervaardigen ; galvanographie, f. de door K. von Kobell le iMilnclien uitgevonden melhode, om eene op eene zilveren plaat opgedragen lee-keulng In ile kopervltrlooloplosslng en onder eene galvanische strooming le brengen, waardoor hel koper zich op de zilveren plaat en het schilderwerk nederslaat en langzamerhand een koperen plaat vormt, waarin de teekenlng verdiept voorhanden en voor afdrukken geschikt Is; — galvanographisch, adj. op die wyze onl-staan; — galvanographisoeren, door galvanisme prenten en afbeeldingen vervaardigen; — galvanokaustiok, f. de toepassing van den galvanlschen stroom door middel van een gloeienden draad als elsmlddel voor geradeerde koperen platen enz.; — galva-nomagnetisme, n. v. a. electromagnet 1 s m e;—galvanometer, m. of gal-vanoskoop, m. een werktuig om de kracht van den galvanlschen stroom te nieten; — gal-vanometallurgie, f. een door Hecquerel voorgeslagen handelwijze om langs galvanlschen weg metalen In \'I groot te verkrygen; - gal-vanoplastiek, f. eene door JacobllePe-lersburg In isits ullgevonden handelwys, om o|i den galvanlschen weg metalen afdrukken of vormen van eenig voorwerp te verkrygen, door ontblndiiig van eene kopervltrlooloplosslng door middel van een galvanlschen stroom; ook wel Ier vergulding, verzilvering enz.; — galva-nopunctuur, f. aanwending van hel galvanisme in verbinding mei de a e u p u n c I u u r (z. aid.); galvanostegie, f. de aanwending van den galvanlschen slroom lot hel neerslaan dor metalen np een lichaam, waarop die nederslag blijft, geiyk b. v. by verguldingen.

Gam, eene per/., lengtemaat van :i schreden.

Gamaches, z. cam aches.

Gamaliel, hebr. mansn.; Gods vergeliler.

Gamander, in. (nild.hoogd. fiainamtrf, fr. (lermnndrée, 11. culamandrca, sp. ramedrin, van \'I lat. chamaetlrys, gr. chamuidrys. d. I. elg. aardelk) een plantengeslacht i\'l\'eucrium) waar-loe hel ainberkriild, de bathengel, tiet water-look, enz. bchooren.

Gambade, f. fr. (van \'I 11. gamba = fr. jambe, been, oudsp. camba, van \'I eelt. ram, camb, gebogen, gekromd, gr. kampe, kromnilng, liulglng) een luchtsprong, vreugdesprong, kin-dersprong, bokkensprong, kromme sprong; riisch besluit; uilvlucbl; gambadeeren (fr. Iiambader) kromme sprongen maken; allerlei dolle streken uitvoeren; — gambarón, m. Iemand, die ilikke, geheel ronde heenen heeft; bynaam van Koberl, hertog van Normandye;

gambe, f. ll. (viola di gamba) de knieviool, de basviool, die men met de knieën vasl-houill, z. v. a. violoncel; ook een zacht en liefeiyk orgelregister; — gambist, m. een gamhespeler; gambétte, f. een naar den kievit getykende (langbeenlge) vogel van Europa en Afrika (Tringa iiambelhi); — gambit, m. fr. (waarscb. van i It. dare il gambelln, d. I. iemand een beentje zeilen, arglistig mei hem le werk gaan) een misleidende zet in hel schaakspel door middel van een voor den raadsheer slaanden looper of pion, den gambltlooper.

Gambir, n. mal. op calechoe getykend plantenextract dal gebruikt wordt by hel leer-loolen en verven (van Nauclea ol üncaria gambir op Sumatra.

Gambrinus, m. een tol den iyd der sagen behoorende nederdultsche of vlaamsche koning, aan wlen de uitvinding van hel hier wordt toegeschreven

Gamehnia, gaminahoeja, ook ga-


-ocr page 532-

GAMELAN

GA HA

mahé, gamahou, honaimngen, onder wdko ceiii\' soort van spoksleon (ook do onyx) voor-koml, die, mol llKuren besnodon, lgt;ij du Indianen tol amulet diende (de woorden cumaïeu, camée (z. aid.) zgn van deze afgeleid).

Gamelan, r. mal. Javaanscli orkest, volledig stol Javaanse lie niuzleklnstruinenten.

Garaelion, m. gr. (v. qamëm, trouwen), de 7ilo maand van liet oude attlscho Jaar van lil Jan. tot (1 Kolir., waarin de meeste linwo-Hjkon gesloten worden; men riep dan Inz. J u-plter on Juno onder don naam van Ga moll us en Gamolia, als tmwoHlksstlcliters aan.

Gamin, in. fr. (spr. aameu) loopjongen, keukenjongen; straaljoiigon.

Gamma, f. gr. naam dor G (\' , benaining van hot oude toonstelsel van Guldo, omdat hot mot G begon; vandaar gamme, f. fr. Muz. do toonschaal, toonladder, z. scala; ook IN. II. oen nacblvIlrKlor mot cone gouden griokscho G op eiken liovenvleugol; — gam-modion, n. gr. eeno stuf met tlguren, die i gamma\'s of een kruis vormen; ook hot go-waad van grieksche blsschoppon.

Gammarolïth, m. (gr. kdmmaros, lat. camnmrus, uammarus, inld. lal. gambarus, sp. Iiambaro, 11. ijumbero, kreeft) de krocftsteeii; — gammarologio, f. do kreeft kundo, loer van de kreeflen on In hol algoineon van do schaaldieren.

Gamme, z. ond. gamma, gamogastrisch, adj. gr. (van uémos, bruiloft, huwelük) II. met volo samonhan-gondo eierstokken; — gamologie, r, gr. eeno verhandeling over het buvvoHik; — gamono-mio, f. do konnis der linwolyks- of brnitofts-wetton; — gamopetaliseh, adj. Hot. mot samenhangonde hloombliideren; — gamoso-palisch, adj. mot voolvoudige siyiljes,

Ganache, f. Ir. (spr. ganasj\', ü.gamscia: vorgrooling van \'l lal. uena, wang) hot ondorsto kukoboen van oen paard; ook een domkop; — gauachie, f. en ganachisme, n do domheid, slompzinnlghoid.

gandavensis, lal. Bol. Gontsch, van Gent afkomstig.

Gandin, in. fr. (spr. gaiideii, v. boulevard de Hnnd, don voornaamslen wandelweg dor boulevards of van een porsonnago Paul Gandin, uit Barrlóro\'s Parisiem de la décadence) fat, pronker, modegek, dandy (later ook potil-crevé en goniineux gohoeton).

Gandoera, f. soort dalmalica ais dracht van afrikaansclie vrouwen.

Gandsoer, n. hol godsdienstboek der Boeddhisten (vgl. Boeddha, enz.).

ganeeren, z. gam.

Ganeónen, pi. lat. {ganeónes, van don slng. ganüo) zwolgors, brassers, doorbrengers.

Ganésa, in. Ind. Myth, do god der wüs-lieid, zoon van SJiva on I\'Ar va tl; hU wordt voorgesteld als een kort dik man mol eon oii-fantshoofd on vier bandon Ganf, m. z. gannef.

Ganglion, n. gr., pl. gangliën, Anat. peesknoop; Clilr. een hard punloos gozwol van do grootle eenor hazelnoot-, ovorbeon, kraak-beenlg uitwas; ganglia lymphaiïca, walervaat-kiloron, watorvaatknoopen; ganglia nervosa, poesknoopon; — ganglütis, of ganglionitis, f. peesknooponlstoking.

Gangrsena, f. gr. (udngraina) Mod. hot koudvuur, eeno onvolkomen of godooitotyko versterving; — gangreenescéntie (spr. l=s), f. nw.lat. de overgang tot koudvuur; — gan-grEEneeren, door koudvuur uangolast worden; - gangraeneus, adj. koudvuurachtig.

Ganivet, n. fr. (spr. ganiwè-, proveno. canivel, vorktw. van \'t fr. canif, pennoinos, v. \'t ijst. knifr, angels, cnif, nvv. hoogd. kneif, kneip: nodorl. knyf); hol snymosjo dor wond-heelors.

Ganjawas, pl. kleino turksche vaartuigen.

Gannef, m. (pl. gannefen of gdnnüven) Joodsch-noderl. (v. Iiebr gdnnbh) dief; Inz, als scheldwoord; onoig. on cnpiiomistisch; guit, loozo vos, slimmerd; gannefen of ganneven, stolen; onoig. op bohondige wyze lots wegkapen.

gano, fr. (oorspr. inisschien hot sp. gann. Ik win, ganar, winnon, vgl. gntjnè) in \'1 omberspel: taal don slag loepen; — ganeeren, den slag laten loopon.

Gant, f. boogd. (v. \'t lat. guanli, hoe hoog, hoo duur? fr. encunl, encan, m., 11. incanlo, mid.lat. incanlum, voor incantatio, wegens hol luid opbieden on afmynon) de openbare verkoop aan den meestidodondo, verkooping liij opbod, voiling inz. iiy onvonnogen van botaling eens schuldenaars (canrnurs), z. v. a. auctlo; — ganten, opentiaar by optiod verkoopeu, vollen.

Gantang, n. Indisch gewicht en maal voor ryst van zeer vorschiliende waarde b. v. in Macassar = S,llü kilo (by do Inlanders sloohts » daarvan); op Java oen gewicht van li!J oude pondon = ii,lS2 kilo; — ganta, op do Plil-lippynon een inhoudsinaat van :i ii l liter.

Gantelet, m. fr. (spr. gaiil\'lè: v. ganl, handschoen, 11. gunnlo, mid. lat. wanlus, zw. ou doensch vanle, nodorl. want) oen pantsor-liandsoboen, yzoren handschoen; Gbir. con zwachtel, die do gansche hand omwikkelt, pantserhandschoen; — ganterie, f. liandschoenwa-ron; handschoonwlnkel; do liandschoenmakory, handschoonfabrlkatle; — ganteeren, van handschoenen voorzien; geel gegantoerde handen, mol golo handschoenen aan.

Ganymédes of Ganymeed, m. gr. Myth, eon zoon van Tros, koning van Trojo, oen zeer schoon Jongeling, door /eus of Jupltor In do gedaanlo van oenen adelaar ontvoerd, en diens lieveling on schenker; een scliandjongon.

Ganza, m. eeno rekenmunt in l\'egu van tin en koper, omtrent = 1« centen.

Ganzo, m. en ganza, f. Hal. minnaar, vryer; minnares, liefste.

Gaol, m. eng. (spr. dzjeel) gevangenis; — gaoler (spr. dzjeeler), kerkernioester, cipier.

Gara of Ghara, m. arab. wollen zak


-ocr page 533-

GA HAM ANTI KT

517

GARGOERANS

urn de ledoren wiilerzukken In Ie pliiiitscn, ten einde verdamping legen te Kiiun.

O-aramantiet, m. de oude nnam van den iiRaat.

Garamond, z. garmond.

garancage, f. fr. (spr. gamitsuazj\': van uarance, meekrap, mid.lal. t/arantia, sp. f/rama) liet verven mot meekrap; garanceux, m., of garancée, f. de andermaal lirnlkhare verfstof, die men uil de reeds lot verven gebruikte krap lieeft getrokken; — garancine, f. een uit den meekrapwortel getrokken priü-paraat, dat de verfstof In zuiveren vorm bevat;—garanceeren, met meekrap verven, krappen.

G-arant, m. fr. {spr. f/ard/ioorspr. guaranl, provenc. guarun, flulren, It. nmrento, mld.lat. warm, oudhoogd. werénl, oudfrleseli tverund, warend, waarborg v. \'t oudboogd. werén, waarborgen) de borg, waarborg, goedspreker, die zii\'li verantwoordelijk stelt voor de daad van een ander of van zlcb zeiven; — garantio (spr. l=ls), f. do waarborg, borgstelling, borgtocht, verzekering, goedspreking, vrijwaring; — garanteeren (fr. namntir), doorgaans ga-randeeren, borg biyven, borgtocht stelien, waarborgen, voor Iets instaan, goedspreken.

Garas, garras, (uil bet duitscb oroschen ontstaan) bongaarsch, voor gr o se hen, groot (eene munt) = ti cents; in Oost-lndiü; sterke katoenen stof.

Garavélen, pi. z. v. a. ca ra veilen (z. aid.)

Garbanzo, m. sp. sisser-erwt.

fiarbato, uarbala, garbalamenlo, It. Muz. bevallig, aanminnig, gracieus, liefeigk; con f/ur-bateiza, met bovaillgiieid, met gratie; con garbn, met sieriUkheid, elegance, bevalligheid.

Garbelage, f. fr. (spr. —lanzj\') Kmt. in KrankrUk eene belasting op koopwaren, Inz. op goederen, die uit Marseille naar de Levant worden gezonden.

Garbo, m. it.ensp. (van \'t oudboogd (;«-rawi, garwi, sieraad, tooi, v. garawan, bereiden, tooien) aanvalligheid, sieriUkheid; con garbo, Muz. bevallig, slerlük.

Garce, f. fr. (spr. gdn\'-, mid.lat. garcia, oorspr. meisje, dienstmeisje) eene liederiyke deern, hoer; ook eene maat en gewicht, z. garsa-, — garcon, m. (spr. gnrsnii: mid.lal. garcio. Jongen) een vrijgezel, ongehuwd man, vryer, knaap, Jongen; ook oppasser, bediende In een kolllehuls, logement enz., Jan; gorcon ite boutiiiuc (spr. —boeliék\'), de winkelbediende; en fiarcon (spr. (in --) leven, ongehuwd, als vrygezel leven; — gargonnière, f. (spr. gar-sonjér\') een Jong, lichtzinnig meisje, ailemans-vrlendbi ; — garconneoron, mot schandjon-gens gemeenschap hebben.

Garcy, z. oud. garnez.

Garde, f. fr. (II. en sp. gmrdia, oorspr. nil het oudhoogd. warta, wacht) de wachter; do wachl, inz. de lytwacht van oenen regent; de beroemde lyfwacht van Napoleon, onderschelden In oude en jonge garde, gevormd vóór en na den slag by do Moskwa ; in ruimer beteekenis; uitgelezen manschap van allerlei wapens ais afzonderiyke logerafdeeling; garde d cheval (spr. gard\' a sj\'wal), de ruiterwacht; garde du corps (spr. —kór), de lyfwacht, ge-wooniyk te paard; garde (irancte, iiuitenste wacht, voorpost; narde des- sceaux de France, grootzegelbewaarder van KrankrUk; — corps de garde, z. corps; — gardiaan, z oud. guar dia; — gardist, m. lUfwachter, man van de garde; — gardeeren, fr (gar-der) bewaken, beschutten, beschermen, dekken, hoeden, wachten, bewaren, behouden; prenez garde, wacht u, wees op uwe hoede, wees voorzichtig; gardcz (spr. gardé: prov. guardar, v. oudd. warltn, aciit hebben) pas op! neem In acht, b. v. g. la reine, de koningin! In \'t schaakspel: gardez-vous (spr. —«toe), wacht u! — garde-boutique, r. (spr. boetiek\') winkelwacht, d. 1. verlegen waar; —garde-champêtre, m. (spr. —sjaiipètr\') veldwachter, toeziener op overtredingen van Jacht en visschcry, koddebeier; — garde-chasse, m. (spr. sjdss\') een Jachttoeziener, koddebeier; — garde-eöte, m. een kuslbewaarder, kustwachter;- garde-feu, m. een vuurscherm, IJzeren bek aan den baard; — garde-fou, tn. (spr. foe) leuning aan bruggen, grachten, enz.-, garde-magasin, m. (spr. -maga-zeii) magazijmneester; — garde-manche, m (spr. —mdiisj\') overmouw, morsmouw; — garde-manger, m. (spr. —mainjé) de spys-kamcr, etenskas, spinde; — garde-meuble, f. (spr. —meubl\') kamer tot berging van huisraad, rommelkamer; garde-nappe, m, wat hei tafellaken hevclilgt, een scboieiring, stroobord, enz.; — garde-robe, f. de klcer-kamcr, kleerkast; de gezameniyke kleederen; aan hoven; de kamer der bedienden en der gezameniyke dlensthodon; do kleedkamer hU een tooneoi; kamer om hoeden, overjassen enz. bU partUon en dergei. te bergen; garderobier, m. (spr. —robjé), garderobière, hU of zy, die het opzicht heeft over den kiee-dervoorraad bij tooneelen, enz.; — garde-vue (spr. - iiiii\'), een oogenscherm, lichlschorni.

Garden, m. eng. tuin.

gare\' fr. (spr. gaar\': v. garer, prov. garar, behoeden, oppassen, van oudd. warón, In acht nemen) voor u (gezien!) ruim baan! berg u! buk! enz.; — gare, f. naam der stations op spoorwegen.

Gargalisrae, n. gr. (v. gargalidzein, knielen) Mod. het kittelen, Inz. het togenna-tuuriyko.

gargariseeren (spr. s=e), gr. {gargari-dzein) gorgelen; gargarisma, n. liet gorgelwater;— gargarisme, n. of gargari-satie (spr. —za-lsie), f. Med. de gorgeling, het gorgelen.

Gargoerans of goergoerans, pi. zware oostludischo en chineescbe zUden stolTen (vgi g i n g I r a s).


-ocr page 534-

GARGOTK

518

GAS

Gargóte, f. fr. (spr. uarfiott\'; van \'1 oudfr. liarQoter, koken, zlcrton, bruisen-, nndoron lolden \'I af van hot dultschc garkoch, gaarkok) do Kuarkoukcn, hot spyshuls; ook oon slochte horherg; — gargoteeren, (fr gargoter) in oono gaarkoukon eten; — gargotage, fr, (siir.

iuatj\') de onzlndoiyke pol, slecht looborolde maaltud; poespas; — gargotier, m. (spr. gargnljé) oon gaarkok, gaarkoukonhoudcr; nok: slochte, vullo kok; — gargotière, f. oono onhekwame, onzlndoiyko keukenmeid.

Gargouille, f. fr. (spr. gargnelj ,• van gar-gouiller, plassen, morsen) de waterspuwer, oon karlkaluurkop, die hij fonteinen hot water ult-worpl; do leeuwen- of drakenkop aan dakgo-len; — gargouillade, f. (s|ir. gargoeljaad\') oon danspas mot velerlei wondlngon; — gar-gouillette, f. (spr. —tjèl\') walerkrulk, wa-lofflèsch mot langen hals.

Gargousso, f. fr. (spr. gargoess\') Mil, do kardoes, stukpatroon, do omwikkelde lading krult voor oen kanon.

Gari, n. oono rekenmunt In Delhi = loon ropUen.

Garia, f. arah. slavin.

Garibaldi, m. soort van lagen hoed.

Gariglione, II, (spr, gl=lj, fr, carilhm) klokkenspel.

Garita, f, sp, (fr, guérlte) schilderhuls, wachthuis voor oono vesting.

Garnacha, f. sp. (spr. ch=tsj) een roede, zoele en zware wyn uit Aragon en CalaloniiS.

Garmónd of garamond, n. eene soort van drukletters (van KI punten) tusschen dos-sendlaan en galjard (z. drukletters), zoogohooton naar den lettergieter Claudo Garamond, gesl. Ie Parijs tRUI.

garneeren, fr, (gnrnir, II. guamire, van \'I angels. Barman, zorgdragen, hoeden, oudhgd. warnón, waren, hoeden, beschutten, waarschuwen) voorzien, uitrusten, omzoomen, omzeilen, beleggen; overtrekken, voeren, slolfeeren ; optooien, met het verelsehtc loebebooren opschikken; Mar, den scheepsbodem met ocno onderlaag voorzien; ook optakelen; - garni, adj. fr, bezet; van huisraad voorzien, geheel Inge-rlchl, b. v. rhambre garnie, gemeubeloerde kamer; h/ilel garni, bolel waar men gomeube-leerde kamers huurt voor langoren tgd, maisnn garnie, huls waar men gemeubeleerde kamers verhuurl; — garneering of garnituur, f, fr. (gamilure) al wal dient om Iets volledig te maken en le versleren, op Ie schikken, Ie slolfeeren; het loebebooren, de omzetting; belegsel op vrouwenkleederen g a mil u u r cener kamer: al hare meubelen, kleedon, gordijnen, enz,; garnituur van een bed; matras, peluw, deken, gordgnen enz.; bet beslag, b, v. van een rotting, een degen, enz.; ook een volledig slei van onderscheiden hyeenbehoorende dingen, h. v. van kanten, porselein, diamanten; een doos met messen, vorken enz.; een geiijk-vormig bewerkie, met eeneriel steenen liezelie parure; nok een ry Ingezette tanden; — garnisair, m. fr (spr. garnizér) een soldaat als dwanginlegering by acliiorstallige belastingschuldigen; — garnizoen, n. (fr. garni sou) de hezeliing van troepen, die In eene slad, Inz in eene vesting, gelegerd Is, ook de plaats zelve van bet garnizoen, inz. vestingen; de sland-plaals van I roe pen; —garnizoensdienst, die diensi, welke geen zuiver miillalr doel beefi, maar meer met polllie in verband staat, zooals de wachl- en patrouille-dienst; —garni-zoneeren, In bezetting leggen.

Garnez, m. russ. of garniec, pooisch, pi, garcy of garnitzi, (poolscb garner of garniec, pl. gareg, d, I, eig. kookpot) eene pool-sche en russ. inhoudsmaat = „V tsjelwerl = 3,28; in Polen voorheen 4 liter.

Garomantie, f, gr. het waarzeggen uil flesschen.

Garrochon, m. sp. (spr. garrólsjoon, ver-klw, v, garroc/u, eene soorl van werpspies of lans met een haakje, v. garrn, klauw, provenc. heen, kniehoog, v. \'I cell, gnr, been, schenkel, scheenbeen) kleine lans, die bij slierengevecb-ten gebruikl wordt.

Garróte, sp. of garret, fr. m. (vgi, hel oudfr. garrcl, nw.fv, jamt, kniehoog, haze. It, garrelto, provenc. nana, z, garrochon) een knevel, korie knuppel; ook; strik, Inz, alssiraf-vverkiuig tol verworgen van misdadigers-, nok do doodstraf door verworging; — garrottee-ren, fr, {garrotter) knevelen, sterk binden mei een prop in den mond; op straatroof met kneveling uligaan-, - garrottours, m, pl., eng. garrotters, knevelaars, roevers, die de men-sciien een prop in den mond steken en knevelen.

Garruliteit, f, lal, (garruiïtas, van ga-riilus, a, urn, snapachtig) de snapachiigheld, liabbelzucbt,

Garsa, f de gewichlseenheid in een ge-deeile van O,Indle, te Madras = iS3\'i,4i kilo; ook eene inhoudsmaat voor droge waren, te Madras = 491«,»7 liter, le Poudlchory = 36(1,30 liter.

Gfirt. of G-aert., iiy naluurwetenschappe-lijke benamingen afk, voor J, (Ülrtner (gestorven nni).

Garter-orde, f. de eng, orde van den kouseband (van \'t eng, woord garter, kouseband, fr. jatrelUre, v. jamt, kniehoog, haze-, vgl. garrote).

Garzette, f. fr, (sp, garrcta, verklw, van gana, reiger, v, hask, coana) de kleine witte reiger; z, v, aigrette.

Gas, n. (fr, gm, waarsch, van dultschen oorsprong en verwant met gist, gisting; het eerst door van Helmont |gesl. 1644] geiiezlgd voor den damp, die uil gistende vloel-stolfen opstygt) lucht, luchtsoorl, lucliivormlge vloeistof, Inz. die nok by gewone temperatuur luchtvormlg biyvende stollen (het tegengest. van dampen); — atmosphserisch gas, gewone lucht -, — mephitisch gas, (zie ook m e p h i t i s) eene voor de Inademing ongeschikte,


-ocr page 535-

OASTKHALGIK

GASCON

510

verstikkende, doüdclgkv lucht, stiklucht; — phlogistisch of gephlogistiseerd gas, hedorven, onzuivere lucht, stlkslollucht, stiklucht; — gedephlogistiseerd gas,

van hriindstor hevrjjde lucht, zuivere lucht, levenslucht, zuurstollucht; (jas actdi carbonïci, koolzuurgus, koolzuur als geneesmiddel voor de maag; (/as azuticum, stlkstofKiis; u. hepaftcum, zwavoiwaterstofgas; f/. hydrogenium, waterstofgas; — gazeux, adj. fr. (spr. —xcu) gasach-tig, gashoudend, b. v. limonade gazeuse; — gasflambouw, m. groote luchter voor lichtgasvinminen; - gasgenerator, m. hnrli. lat. gasvormer, eon van hoven gesloten schachtoven, waarin uit steenkolen of andere hrand-stotlen gas gevormd wordt; — gazificatie (spr. t=ls), f. iiarli.iat. luchtvormlng, luehtont-wikkeling; — gazochemie, f. chemische leer van do gassen; — gazofacteur, in. fr. fabriek voor draagbaar gas; — gazolitrum, n. nw.lal.-gr. (fr. naznlilre) de gasmaat, een toestel lot onderzoek der hoeveelheid van hot In een voorwerp vervatte gas; — gazometer, m. barL.gr. eng. luchtmeter ter onderzoek van den ruimle-inhond der gassoorten; gewooniyk; de groote ontvangbak of yzeren kist voor het brandbare gas in de gasfabriek; ook do gasfabriek zelve; — nog verstaal men door gazometer of gasmeter, bepaaldelijk hot toestel, door Oration te Londen uitgevonden, waardoor het verbruik van gas wordt gecontroleerd of aangegeven; het gelijkt van builen veel op een uurwerk en wordt voor de uilstrootningspüp aangebracht (fr. compleur a gat); - gazomoteur of gazomotor, m. gaskraclitmacbine, door gasvlammen in beweging gebrachto machine; — gazopynon, n. een luchtvuurtuig; werktuig om gaste ontwikkelen, z. v. a. lachvpyrlon (z. aid.)

Gascon, in. fr,, pi. Gascons (sp. (Jasro-nes, ll. Cmsconi) of Gasconjers, bewoners der provincie Gascogne in Klankrijk, die voor grootsprekers en praalhanzen doorgaan; vandaar In \'l algemeen voor grootsprekers, pochers, windbuilen; — gascomsme, n. Gram. de verkeerde woordvoeging, ook de eigenaardige uitspraak der Gasconjers; — gascógnisch, gascónisch, adj. groolsprekend, pochend, snorkend; — gasconade, f. grootspraak, windbrekory, snoevery, enz.; — gasconee-ran, snoeven, opsnUden-, liegen; een gascon-Jisclien tongval hebben.

Gaselen, z. ghasel; — gasmeter, enz., z. end. gas.

Gaskino, z. caschino.

Gassa, cene rekenmunt te Gambrnn of Bender-Abassl aan de perz. golf = s c h a li I = TV mamoedi = jJ, kran = T3Ö cent.

Gassatie (spr. I=ls), f. boogd. [qassntion, van oassa, straat) een muziekstuk, inz. voor blaaslnslrumenten, om by nachtmuziek op straat uil te voeren; — gassatim gaan, Iron, uitdrukking der dultsche studenten voor langs straat loepen, rondslenteren.

Gassendisme, n. hel wysgeerig stelsel van Gasséndi in het begin der lilde eeuw.

Gastaldus, m. mid.lal. (11. gaslaldo of caslaldn) in do middeleeuwen: beheerder van koninklüke kroongoederen, rentmeester, huishofmeester.

Gasteralgie of gastralgie, f. gr. (van gaslêr, buik, maag, geuit, gastéros, gewooniyk gaslrósi Med. de maag- en buikpUii; — ga-steranax of gastranax, m. de verte-ringswcrkzuambeld der maag; gasterem-phraxis, f. de overvuliing der maag, verstopping der maagvaten; — gasteropóden, z. gastropoden; — gastrentérisch, adj. (v. gnstêr, maag en entrra. Ingewanden) maug en darmen betretfende; - gastrenteritis, f. maag- en durmontsteking; — gastrepa-tisch, adj. maag en lover te getyk hetrelTen-de; — gastrepatitis, f. maag- en leverontsteking; — gastricisme, n. de geneeskundige stelling, volgens welke de meeste ziekten uit de maag voortspruiten; ook de gastrische koortsen; — gust neus liquor, tiet maagsap-, — gastriloog, m. een buikspreker; -gastrilogie, f. de buiksprekerU; — gastri-marg, m een veelvraat, slemper; — ga-strimargle, f. de vraatzuctil; gastrisch, adj. wat het onderiyf betreft, tot de maag be-hoorl, I). v. eene gaslrische ziekte, eene maag- of onderiyfsilekte, uil onzuiverheden in de eerste wegen geboren, eene maagkwaal; — gastritis, f. de inaagontstcking; — gastro-brósis, f. de doorvreting of doorboring van ile maag; — gastroeële, f. de inaaglireuk; — gastrocölisch, adj. tusschen de maag en den karleldann liggende; — gastoduo-denaal, adj. wal tusschen de maag en den twaaifvingerigen darm ligt, wal die helde betreft;- gastrodynie, f. gr. maag- of bulk-pUn, maagkramp; — gastrohysteroto-mïe, f. de keizersnede; — gastrolater, m. een buikdienaar; — gastrolatrie, f. ook gastromanie, f. de buikdienst, overdreven zorg voor den buik of de llcbaamsverpieging, verlekkerdheid, zwelgerü; gastroliënaal, adj. do maag en de milt betretfende; — ga-strolith, m. een maagsteen; — gastro-lithiasis, f. maagpUn, door steenen In dat ingewand veroorzaakt; maiigsteonziekte; — ga-strologie, f de leer der maag; ook z. v a. gastronomie; — gastromalacie, f de maagverweeking; gastromantie (spr. tie =tsie), f. het buikwaarzeggen, by de oude Grieken eene soort van waarzeggen uit de llguren van wydbniklge, mei water gevulde en door lichten omgeven glazen; — gastromycus, m. alvieesch; — gastronoom, in. een kunstkok, kok voor lekkerbekken; een lekkerbek, smulhroer; — gastronomie, f, de verlijnde kookkunst, de kennis van lekker eten en drinken, lekkerbekkery; — gastropathie, f. het maagiyden; - gastrophilus, m. een buik-vriend, smulpaap, slemper, brasser; — ga-stropódes, pi. iN. II. bulkvoeters, Imlkkrul-


-ocr page 536-

GAZOPHYLACIUM

GAST Kil KEUEN

520

per*, up don huik kruipondo wormen en siym-(iiercn; — gastrorrhagie, f. do mmiKliloo-(iing, bloodbrakiiiB uil do maag; — gastro-rhaphie, (. de chlruiBisciio oporatie van don i)ulknuad; - gaströsis, f. eike maagzloklo;

gastroskopïe, f. do omiorzooklni? van hot ondoriUf: — gastrosophie, t. de kunst «f leer om do tafelvreugden met wgsheid to genieten; - gastrosplenitis, f. de maag-en miltontstokinir; — gastrostenosis, f. do maagvornauwlng; — gastrotomie, f. de huikoponlng, hulksnodo, tiet opensnydon van tiet onderiyt; - gastrozöon, n. pi. gastrozoa, gr. (v. zoon, dier) huikdior, slymdier

gastereeren, nederl. met hastaard-uit-gang: onthalen, een gastmaal geven; eene smui-partü houden, goede sier maken.

Gastonadas, m. sp. de in den handel voorkomondo eassonade-suikor.

G-astri-, gastro—, zie onder gaste-r a 1 g i e.

Gateau, m. fr. (spr, —/«) koek.

Gate-metier, m. fr. (spr. —ijè: van i/dler, bederven, prov. guuslar, oudd, wastjan, eng. waste, verwoesten, on métier, z. aid.) oen hand-werkshodorver, loonhederver, heuniiaus, knoeier.

Gfiteuse, f, fr. (spr. —teut\') lange huisjapon (met pattes van achteren als gordel, volgens hot modei van den fr. militairen mantel, sedert lsquot;;t voor hoeron en dames in de mode).

Gatlingkanon, m. een door den Amerikaan Galling uitgevonden achtoriaadrevolver in grooter proportten, op oen voldaffuit rustende met i, 6 of 10 loopon, die om oene go-moenschappoiyko as draaien en projectioien werpen van its—ilto gram; verwant met do mitrailleuse (z. aid.)

nauche, fr. (spr. qoosj\'; sp. f/auc/io, scheef; men heeft het ook afgeleid v. hot gr. nausós, schuin, scheef) links, schoof; onhandig, verkeerd, ongeschikt; a gauche, links, ter linkerhand; — gaucherie, f. een ilnksch, onhandig, onhe-holpen gedrag, lompheid, ongeschiktheid.

Gauchos, pl. sp. (spr. gd-oe-lsjos: v. ndu-chn, oneffen, scheef, z. qauche) de afstammo-lingon der Spanjaarden in do pampa\'s van /..-Amerika, die zich uitsluitend met de vootoell hozlghoudon, meestal uil mestiezen he-staande.

gaudeeren, lat. (naudêre) zicli verheugen, verlustigen; — gaudeamus, laat ons vrooiyk zijn, hel aanvangswoord en daarom ook do iio-naming van een oud studentenlied: het gaudeamus; — gaudium, n. eene vreugde, verlustiging, pret; — Gaudentius, m. en Gaudentia, f. eigennamen; de vrooiyke.

Gauer, Gaueren, liever Geberen, z. aid.

gaufreeren (spr. nofr—), fr. (gaufer, v. gaufre, wafel) met oen warm uzor of andoren vorm figuren op eene slof drukken; stollen wateren; — gaufreermachine, f. stnfdrukma-chlno-, — gaufrage, f. (spr. gofra-tj\') hol stofdrukken.

gaulois, adj. fr. (spr. (/ntnd) gallisch, oud-fransch.

Gaulthen\'a, f, eeno plantensoort uit do familie der Ericte (z. aid.), uit eene van welke (de Caultheriu procumbens) door overiiaiing eene etherische olie getrokken wordt (zoo geheeten naar (ia uit hier, hotanlcus en geneesheer to Quoheck.

Gausapum, n, lat. (gr. gausaim) oone dikke, ruige wollen stof en oen daarvan vervaardigd kleed, dal do romelnsche vrouwen in den winter droegen.

Gave, m. fr. (v. oudfr. iave — lal. aqua, water) oen hergstroom-, 2° de 1ste, -ide en 3de soort van russlsch jachtleer.

Gavelkind, n. eng. (spr. —kaind) hot (Inz. in Ierland gehrulkiyke) erfrecht, volgons hetwelk het grondhezll des vaders gciykmatlg onder de kinderen verdeeld en verbrokkeld wordt.

Gavétte, f. fr. verguld zilverdraad lot hol gouddraadirokkon.

Gavial, Ui. oostlnd., eene soort van krokodil in ü.lmllö.

Gavótte, f. fr. een kleine vrooiyke dans en de daarhy behoorendo muziek (oorspr. dans der (\'. a v o 1 s, bergbewoners van hel kleine landschap Gap In hel fr. depaiiemenl der Opper-Alpen).

Gaylussiet, n. een naar den fr. chemicus Gay-Lussac genoemd, hy Merlda in Amerika voorkomend mineraal, uit koolzure natron, koolzure kalk en water bestaande.

Gazana, gasava of casava, f. eene oostlndlsche zilveren rekenmunt = I gl. SO cl. courant.

Gazda, m. In Bulgarye: vreemdeling die men herbergt, gast.

Gaze, f. fr. gaas (z. aid.)

Gazélle, f. (fr. gazelle, sp. geteld, 11. gaz-zelta, v. arab. gazdl, wilde geit) eene horlo-golt, oen zoor slank, vlug, naar de ree goiy-kend dier van het geslacht der a ut Hopen, bü de Oosterlingen oen beeld van vrouwoiyke schoonheid.

Gazétte, f. fr. de courant, bel nieuwsblad (11. gaztella, zoo genoemd naar oene voormalige venotlaanscho kopermunt gazet a of gazzetta, verklw. v. \'t lat.-gr.-perz. gaza, schat, vermogen, geldsom, Ier waarde van S centen, als zgndo dit de prgs van een voormalig Hal. nieuwsblad); — ook de leemen omkloedlng of hot foedraal, waarin liet porselein gebrand wordt;

— gazetier, m. fr. (spr. gazetjé] gazetteer, eng. (spr. —tier) de nieuwsbladschryver, cou-rantier; ook nieuwsventer.

Gazi, z. ghazl.

Gaziflcatie, gazochemie, gazofao-teur, gazometer, gazopyrion, enz., z. oud. gas.

Gazon, n. fr. (van bot dultsch wasen, oudd. waso, zode) de zode, graszode, hel grasperk;

— gazo(n)neeren (fr. gazo mier), mol zoden beleggen.

Gazophylacuim, n. gr. (van \'t oorspr.


-ocr page 537-

GEMINEEREN

GAZUA

5\'21

porz. Ildza, f. de koninkiyke schat, en /ihy-Idssein, bewaken; vkI. gazelle) de sclmlka-mer, z. v. a. éorarlum; in de middeleeuwen de bewaarplaats der uhlaliën (z. aid.) in de kerken.

Gazua, I. arab. (port. gatua, gazia, arab. Iiuzd of rquza, v«l. razla) de slavenjacht In de afrlkaansche staten, Inz. die welke van Kgyple uil wordt gedreven.

Ge, je, een lengtemaat in het mongoolsche rgk = ill a 24 meters.

Gea, z. G»a.

Gebiing, m. boomsoort op Java (Corypha uebanfi).

Gebelis, pl, uitgelezen turksche troepen; ook chlneesclie tabak.

Geber, m., pl. Geberen, Gueberen (van \'I perz. uuhr, en dit van \'t arab. kn(r, kafir, een ongeioovige; vgl. cafard en gla-(i u r) ook in het algemeen: vuuraanbidders, aanhangers van de ourt-perzische leer van Zoroaster, par si of parzen; ook priesters der vuuraanbidders, magiërs; hij de Mohamedanen in ruimer zin voor ongeloovlgen, dwaalleerbe-lüders.

Gecko, m. eene zeer vergiflige hagedis In Arablö, Egypte, O, indlö en op de Zuidzee-ellanden.

Gedal, turk. oorlog op den weg Gods, d.i. legen de ongeloovlgen.

Gedang, m. eene oostlndlsebe inhoudsmaat, inz. voor peper, omtrent = i kilo.

Gedékli, m. pl. lurk. des sultans eerewacbl le paard.

Gedidaula-moekatasi, m. turk, de controleur der belastingen in verschelden dee-len van het turksche rijk.

Gedrosïa, pl. groote, geheel onvruchtbare zout- en zandvlakten of steppen in Azie.

Geertrui, Geertruida, zie G e r-t ru ld a.

Geese, pl. v. goose (z. aid.)

Géflon of Géfjon, f. noord Mylli. (elg. de geefster, v \'1 (jsl. uefa, geven) eene strenge, maagdeiyke godin, de Diana der Scamilnaviers, welke alle vrouwen opneemt, die als maagd sterven, en aan wie men Invloed op de vrucht-baarmaklng en bebouwing der aarde toe-schrüft.

Gehenna, n. hehr. {gé hinn/im) oerspr. het aan den Moloch (z. aid.) lot kinderolTers gewijde dal Hinnom hy Jeruzalem; vervolgens in de chrisleiyke kerktaal (gr. géenna, lat. gehenna) de hel, hellepoel, het verhiyf der ver-doemellngen.

Gein., hy natuurwetensch. benamingen afk. voor H. B. Gelnitz.

Geïne, f. gr. (v. gë, aarde) de zwartbruine grondstof der akkcraarde; — geïstïka, f. de aardkunde, natuurleer der aarde, beschrijving van de vaste landmassa\'s der aardoppervlakte. In tegenst. met h yd rograph I e.

Geira, f. port. voor is«« eene landmaat In Portugal = 38,B(il are.

Geisir of geiser, m. ysl. (v. geyse, woeden) beete springbron op IJsland.

Gekko, z. gecko.

Gelander-basji, m. de hevelhobber der Hjfwacht van den koning van l\'erziè.

Gelasinen, pi. gr. (gelasmoi, nw.lat. ge-lasini denies, v. \'I gr. gelan, lachen) lachtan-den, de voorste snytanden, die hy \'t lachen vooral zichtbaar worden; —Gelasms, mans-en vi\'.naam: de vroolyke, lachende; — ge-lasme, n. het lachen, inz. hel kramp- of stuip-achtig lachen, zlekeiyk, sardonisch lachen; — geloskopie, f. het onderzoek en de beschouwing van bel lachen, om daaruit hel karakter op te maken.

Gelatine, f. fr. (spr. Zjelalién\': van geler, lat. i/elare, bevriezen) geleislof, een siymlg vocht, door koking uil celweefsel, hulden, pezen, enz. getrokken, dal by verkoeling eene lillende massa of gelei wordl en hy het droogworden overgaat tot eene harde, brosse, kleur-, reuk- en smaak-looze zelfslandigheld; — gelatinous, adj. (fr. Ilélatiueux) gelelachllg; — gelatiniseeren (spr. s=z), zich tot geleislof laten brengen, gelei worden; — gelée, f. fr. (spr. zjeli1. provene. gelada, 11. geldla), gelei, bel siymig verdikt, gestremd of gestold sap van dleriyke of plan-tenstoiren.

Golbum of gelfum, n. lat. een pyriet, uil Mongarye, eene soort van niarkasslet of bismuth ; ook de steen der wyzen.

Gelée, gelei, z. ond. gelatine.

gelidus, adj. lat. (v. gelu, yskoude) yskoud, ijzig, vriezend; — geliditeit, f. nw.lal. de yskoude, slrenge koude.

Geloskopie, f. z. ond. gelasinen.

Gelsomino, It. (spr. dzjels—) eene karakterrol in de ilal. panlomiine en operabulTa, de karikatuur van een ilal. dandy.

Gemara, z. ond. talmud.

Gematrie of gametne, f. eene kabbalistische, mathematische verklaring van de woorden der II. Schrift, waarby de letters als getallen worden aangenomen; — gematrisch, adj. wat lol die zoogenaamde weienschap behoort.

Gember, f. (mid.hoogd. gingeher, gr. dzinge-hifi, dzingibirts, lal. zingiber, zingiblri, arab. en perz. zemlschebM, uil het Indisch sringa-wéro, d. I. boornvormig, van sringa, hoorn, en wéra, gedaante) de kruidige wortel van een oostind. gewas.

Geméllen, pl. lat. igemélli) tweelingen-, — gemelliflórisch, adj. Bol. met paarswyze staande bloemen; — gemolliparisch, adj. tweelingen barend.

Gemelliones, pi. lal. de metalen vaten ter handwasschlng der priesters In de kath. kerk.

gemineeren, lal. (geminUre) verdubbelen, tweevoudig maken; — geminatie (spr. I=ls), f. de verdubbeling; — geminaltis, a, urn, lat. Bot. gepaard, twee aan twee geplaatst; — geminiflórisch, adj. z. v. a. gem el II-f I o r 1 s c h.


-ocr page 538-

gknkui:kui:n

GEMMKN

522

Gemmen, f. pi. lat. (vun gemma, elg. knop, utthotsel; in nw.lat. sleonzout) cdolgosloenten, inz. gesneden steenon met diepe of verheven figuren (vgl. ciimec en Intaglio), ringstee-nen; — gemmasceeren, knoppen ki-ygen; — gommutie (spr. l=ls), r. nw.liit. (van gemmare, uitholten, knoppen ki\'ügeii) Kot. het uitloopen der knoppen, liet knoppen der gewassen; de tgd daarvan-, — gemmescee-ren, tot een edelsteen worden; — gemmi-férisch, adj. edelsteenea bevattende; — gem-mificatie (spr. /=(«), f. de ontwikkeling der knoppen; — gemmiflórisch, adj. met in knoppen hesloten liloeinen; — gemmiparle, f. voorthrenging door knoppen.

gênant, z. ond. gêne.

Gendarme, in., pi. gendarmes, ook gens d\'armes, fr. (spr. zjaitddrm ,■ v. uens, lieden; en armes, wapens) eig. wapeninanneii; gewapende landruiters ter haiidhuving van de openbare veiligheid, politlc-soidiiteii; — gendarmerie, f. de veiligheids-ruiterU, politiewacht, de bende der gendarmes.

Gendre, in. fr. (spr. zjaiidr\') schoonzoon.

Gêne, r. tr. (spr. g=zj uil hel hebr. gehenm, v.. aid.; oud fr. geéne, hei, voorts püniglng), eig. de pun, marteling, foltering, kwelling; gemeenlijk: de dwang, de bclcmmeiing der maatschap-pciykc welvoeglijkheid; sans gêne (spr. saw), zonder dwang of belemmering, ongedwongen, ongegeneerd; — geneeren, (fr. gêner) dwingen, bezwaren, lastig vallen, drukken, persen, spannen, beperken of insluiten; — zich geneeren, zich dwang aandoen, zich een klein ongemak opleggen, getroosten; — geneer je niet, doe of ge \'t huis waart, ook Iron tot iemand, die zich te vrypostig gedraagt; — gênant, adj. belemmerend, hinderiük, lastig, hezwarend, moeielUk, de vrüe of ongedwongen beweging belemmerend of hinderend. (Als ne-derl. subsi, heteekent gênant naamgenoot, die denzelfden voor- en doopnaam draagt).

Genealogie, f. gr. (van genéu, geboorte, geslacht, nakomelingschap) de leer, wetenschap der geslachten, der geslachtsopvolging, geslacht-kunde, geslachtrekenkunde, stamregister, afstamming, geslachlsaileiding, stainlioom; —genealoog, genealogist, m. oen geslachtkundige, goslachtvorscher, geslacht lieschrüver, stamboommaker; — genealógisch, adj. geslachtrekenkundig, naar den staniboom; —genealogische lijst, geslachtsHjst; — ge-neanomie, f. leer van de natuurwetten, die zich in hel wezen derstam-en gosiaciitgenooten openbaren, loer van het overerven van eigenschappen des llchaams en des geestes; — genearch, m. liet hoofd van eenen stam, de stamvader.

generaal, adj. lat. {generalis, van genus, geslacht) het geslacht hetrelTende of bevattende (in tegenst. van speel a a I), algemeen, algemeen geldig, hoofdzakelUk; wat alles bevat, of zich lt;iver allen of een groot getal nitslrekt; in samenstellingen; opper- of houfil- enz. b. v. geil eraa 1-1 nIendant, auditeur-generaa 1, enz.; en général, fr. (sp. nu zjenerdl) in liet algemeen, over \'t geheel: zoo ook généralemenl (spr. tjeneraal\'mah), of lat. generalïler en ge-nerïïtim ,■ — generaal, m. fr. {général) in \'t algemeen een opperhoofd, bevelvoerder, b. v. het hoofd of de superieur eoner geesteiyke orde; inz. een bevelvoerder over het leger, oen veldheer, heervoerder; b. v. generaal der infanterie, der cavalerie enz.; général en chef, fr. (spr. sjèf) opperbevelhobber ; — generaal-agent, hoofdgevolmachllgde eener zaak, hoofdagent; — generale bas, m. de hoofd- of grondbas, de grondstem van een muziekstuk met de reeksen van al de aceoorden, waaruit de harmonie van het stuk bestaat; in het algemeen de harmonieleer; — generale kaart, f. de kaart van een geheel werelddeel, algemeene kaart,

— generale marsch, m. liet opbreken en optrekken van een geheel leger, b. v. tot een veldslag; — generale pachters, eertyds in Frankryk do leden eener vereeniglng, die zekere rechten, h. v. het zout- en tabaksmo-nopolie, voor eigen rekening inden en den staat daarvoor oone jaariyksche som betaalden; — generaal pardon, n. de door den staat uitgesproken algemeene kwytschelding van straf wegens een zeker vcrgryp; — generale staf, m. de hoogero bevelvoerende olllcieren van een regiment; — generaal-vican\'s, m. de plaatsvervanger van een bisschop; — generalaat, n. nw.lat., de veidheerswaardigheld, bel opperbevelholiberschap, het opperbevel; de waardigheid van een geesteiyk ordehoofd; — generaliseeren (spr. s=t), nw. lat. algemeen maken; — generalisatie (spr. —:a-Isie), f. ite algemeenmaking; — generalisa-tor, m. iemand die generaliseert; — generalissimus, m. (nw.lat. superlatief van generalis) de eerste bevelhebber der armee, beervorst ; — generalissime, f. by bloemisten; eene variëteit van de hyacint; — génera-listen, m. pl. Chrlslenen, die tot geene der bestaande godsdienstpart yen willen gerekend worden; — generaliteit, f. (later lat. ge-neralflas) I) de algemeenheid, eigenschap des geslachts, in tegenst. van sp e c ia 111 e 11; 2) de gezamoniyke heervoerders, de raad der veld-lieeren; 3) de algemeene staten van een land;

— generaliteitslanden, pi. weleer; landschappen die niet aan een hyzondere provincie, maar aan de geheele republiek der Vereenigde Nederlanden ondorhoorig waren (h. v. Staats-Vlaandoron, de Meiery van den Bosch, de baronie Breda enz.).

Generalife, n. sp. (van arab. dschennat al arif, tuin des bouwmeesters) Moorsch zomerpaleis te Granada in Spanje.

genereeren, lat. {generare) telen, voortbrengen, verwekken, maken; — generatie (spr. t=ts), f. {generalw) de teling, voortteling, voortbrenging, hel ontstaan; de afstamming, de stam, het geslacht, menscbengeslacht, de nakomelingschap; de geiykiydlg levende menscben.


-ocr page 539-

GENEREUS 52:3 GENITALIA

monschonlccnyil, do dooreen gonomen oudordom, dien de incnschen licrolkcn on die op ;io lot 33 jaren gesclial wordt; Theol. de wijze, waarop de Zoon van deti Vader uitgaat; — uenerafto aequivöca, f. of fr. fténéralion sponlanie, eig. eene duhbelzlnntge voortteling; N. M. de voortplanting zonder zaad of vrucldklem; — generatief, adj. nw.lal. telend, voortbrengend; — generator, in. lal de teler, voortlirenger, vader; — de stoommaker, een ketel hg stoommachines.

genereus (spr. fr. (généreux, van

\'1 lat. oenerósus, a, «m, oorspr. van goede, edele geboorte, v. genus, z. aid.) edelmoedig, edel-denkend, grootmoedig, mild; — generositeit (spr. s=z), of fr. generosité, f. de edelmoedigheid, grootmoedigheid, milddadigheid, groothartigheid, onbaatzuchtigheid; — generóso, II. (spr. (hjenernzn) Muz. edel, defilg voor Ie dragen.

Generiflcatie (spr. l=l.i), f. nw.lal. (v. \'I lat. genus, aid.) vorming van nieuwe ge-slachtshegrlppen; terugvoering van soorten op geslachten.

gentris communis, enz., z. ond. genus; — genérisch, generiek, adj. nw.lal. tot het geslacht hehoorende, aan oen geslacht eigen, b. v. het generisch onderscheid, ge-slachtsonderscheld.

Genésis, t. gr. (v. gineslhai, worden, ontstaan) hel ontstaan, de wording, voortbrenging; bet eerste boek van Mozes; de scheppingsgeschiedenis; — genesimantie (spr. l=ls), f. gebooriewicheiarg, d. 1. de voorspelling der lotgevallen van eenen mcnsch uil bUzondere omstandigheden hij zgne geboorte; genesio-logie, f. de voortbrengingsieer; — gené-sisch, adj. de voortteling betrelTeiide; — genetisch, adj. bet ontstaan of den oorsprong en de ontwikkeling van iets belreifende, opsporende of verklarende, wording- of oorsprong verklarende; — genétische methode, f. die manier, welke den gang der vorming en ontwikkeling van eene zaak aangeeft en Inzicht verleent omtrent haar ontstaan; — genétische verklaring, zulk eene, die niet enkel de kenmerken eener zaak, maar ook haar ontstaan leert kennen.

Genet, n. fr. (spr. zje—) een kleine, wel geëveniedigde hengst, spaansch paardje, klepper.

Genethliakon of genethliacum, n. gr. (v. genéthlios, lol de geboorte hehoorende, geboortedag, v. genélhtê, gehoorie) een gedicht op den geboortedag, wiegezang; - geneth-liacus of genethlioloog, m. een waarzegger uit het gehoorteuur; — genethlio-logie, f. de voorspelling; waarzeggerij uil hel geboorteuur, bet planeet lezen, horoskoop trekken.

genetisch, z. ond. genesis.

Genetrix, z. onder genitalia.

Genétte, l) f. fr. (spr. zjenélt\': port. genela, ginela, sp. ginela, nw. lat. genella, misschien van genél, lat. genista, brem, een heestergewas, in welks nabyheld het dier zich gaarne ophoudt) of genétkat, een naar den bunsing gelijkend dier, uit bet geslacht der stinkdieren in het Oosten.

Genette, 4) f. fr. (spr. zjmett\': sp. uinela, een zoogenaamd turksch paardengebit, met eenen ring in plaats van kinketting; d la genelle ry-d e n, met zeer korte stggheugeis, op zijn spaansch rgden.

Genèvre of genièvre, fr. (spr. «=:) II. ginepro, uit het lat. junipêrus) jeneverbes; brandewyu uit jeneverbessen (eng. gin by verkorting); genevrétte, f. jeneverbessen, -wgn.

geniaal, z. ond. genius.

Geniales, f. pi. (van \'111. geniBles, ver-makeiyk, vrooiyk) Myth, godheden, die de vermaken bestuurden, iustgodlnnoii.

Genialiteit, z. ond genius.

Geniculatie, f. later lat. z. v. a. genu flexie, z. ond. genua al.

genirulum, n. pi. geniculi, lat. (eig hnie) Kol. geleding.

Genie, n. (S|ir. zjenic, uit het fransch te génie, van \'1 lat. genius, beschermgeest, geest; ingenfum, aangeiiorcn begaafdheid; vgl. genius) hel eigenaardige of de nutuur van eene zaak of eenen persoon, de geest b. v. eener laai, gew. d e g e n 1 u s d e r i a a 1, taalgeesl; de natuuriyke aanleg of vatbaarheid, natuurgave, verstandshe-kwaamheid, aangeboren geestvermogens, natuurlijk verstand, schranderheid, vernuft, vindingryk verstand, oorspronkeiykbeld; naar (iotbe\'shi1-pallng; «de kracht iles menschen, welke door bandelen en doen wetten en regels geefieen vindingrijke, sciieppende geest, hg, die iets oor-spronkeiyks en tevens voorbeeldigs levert, die denki en handelt, geiyk nog niemand voor hem gedacht en gehandeld heeft, Inz. in hel gebied der scboone kunsten (geenszins liet zelfde met tale n t); ook genie, f. de ingenieurs- of krggs-bouwkunst, die ile versterking, den aanval, de verdediging van plaatsen, van een kamp, enz. bevat (vgl. ingenieur); — genie-corps, z. c o r p s d e g é n 1 e.

Geniën, z. ond. genius.

Genièvre, z. genèvre.

genioglóssus, m. gr. (van géneion, de baard, ook de kin, met zinspeling op hel daaraan zich eerst vertoonend haar, als teeken van het beginnend voortleiingsvermogen), Mcd. de kaakbeens-iongspler; — geniohyoides of geniohyoideus, m. de kaak-tongbeensspier; — geniopharyngéus, m. de kaakheens-strotspier.

Geniographie, z. ond. genius.

Genista, f. lal. Bot. een struik met geel gespikkelde bloemen, het priemkruld; de brein, ook ginst geheeten; — genista tinctona, het verfkruld, kleine dullsche brem, dienende lot geel verven.

Genisten, m. pi. eene secte van Joden, die voorgaven in rechte linie van Abraham af te stammen.

Genitalia of genitaliën, pi. lat. (v.

genlre, gignSrc, telen; gentium, geteeld) de teel-


-ocr page 540-

GKNTLKMAN

GKNIl\'S

524

doelen, schaumdeelen; Mylh. de godheden, die liU den Belioortoslond over den mensch gesteld waren; — genitivus of genitief, in., z. onder casus; per nenilivum, door den teler (genitivus), d. I. door huweiyk of echtverbintenis (lets verkrijgen, tot een amid geraken, enz.); — genitocruraal, adj. nw.lat., lot do dUi\'ii en teeldeelen hehoorend; - genito-urinair, adj. tot do geslaehtsdoelcn en watervaten behoorondo; — genitor, in. lat. de teler, vader; — genitores, pl. de ouders, do telers; — genïtrix, f. de voortbrengster; moeder-, Mytb. bynaain van Venus; —geni-tuur, f. (genihira) de teling, voortbrenging, het bevruchtend zaad, ook de lotsvoorspelllng uil den stand der sterren by don goboortestond, z. v. a. nutlvitelt.

Genius, m. lal. (v. umere, uiipilre, telen) oorspronkeiyk do Ingeschapen aard, de ingeboren geest; inz. !) liy de Ouden een geesl of diemon, die den monsch gedurende zyn leven hybleef, of die eeno stad, oenen slaat, eeno kunst, enz. bescbcrmdo, de beschermgeest, be-scbermengel, schuls- of beschermgeest; een genius in de schoone kunsten, oen hooger wezen In de gestalte van een gevleugeld kind, gewiekte geest; pl. geniën (wel ie onderscheiden van gen 18en, z. genie), of gemus-sen, lat. uerifi, bescbermgeoston, vleugelgoes-len; 2) het eigen en kenmerkend karakter, de geest oenor zaak, b. v. do genius des tyds (of (jcnftis seculi), do geest dor eeuw, de tyd-goost; de genius der laai (vgl. genie); — geniaal (lal. geniBUs, e, \'1 welk echter 1) de toling belrelfond, echteiyk, 4) inld.lat. en nw.lat. zyn Ingeboren geest [genius] volgende, vgi. genie) 3) sterkgeestlg, schoppend, vin-dlngryk, vernuftig; — genialiteit, f. deoor-spronketyke, aangeboren geestkracbl, het scheppend vermogen, bet vernuft in het uitvinden, enz. (vgl. genie); — geniographie, f. lal.-gr., de geestenbeschrUvIng, leer van do he-schermgoeston.

Gennah, n. arab. (spr. ikjenna; eig. oen Inz. met palmen on booinon beplante Inin, v. dsjanna, bedekt zyn) het parndys der Moha-medanon.

Genoise, f. fr. (spr. tjcnoai\'; v. tjfnois, genueosch, v. Gtnes, het fr. woord voor Genua) eone pastel; als rekenmunt z. v. a. ge no v Inn z. aid.

Iicnnu, m. fr, (spr. tj\'noe-, = lal. ijenu) de knie; pl. uenoux: — a genom, op de knieën, geknield; - genouillère, f. fr. (spr. zj\'noel-jèr\') bet kniestuk van een harnas; kniescheen; ook de knieriem van sommige amhachtslledon; Mil. het henedondool eener baltory lol aan do schietgaten, de kniehoogte.

Genovine, of nuova tlóppia, f. it., eeno voormalige rekenmunt te Oenna, in de Jaren 1783—88 van 100 lires = li gi. 11 cl., die, van 17«2-9S van % lires - 37 gl. 73} ct. inneriyke waarde; van bolde zyn halven en kwarten.

Genre, z. ond. genus.

Gens, f. t) lat. het geslacht, de stam, b. v. Gens Cornelia, Julia, enz., een stam die denzelfdcn geslachtsnaam voort, van donzelfden stamvader zyn afkomst rekent en In verscheldon famlllën gesplitst Is.

i) Gens, pi. fr. (spr. zjmi) lieden; fjen.v (iépée, krygsileden, militairen; gens de lettres, iellerkundigoii; gens de robe, advocaten, rechters, en gemdannes, z. g e n d n r m e.

Gonseeli, eeno gouden rekenmunt in Egypte.

Genserik, m. oudd. naam: de woudryke. Génte, f. sp. (spr. jenle) volk, lieden vgl. gens 2).

Genteel, adj. eng. (spr. dzeniiél) edel, fatsoontyk.

Gentiaan (spr. ti=lsi), f. lat. (genliann ,■ naar don tllyrlscben koning Gentius benoemd) een blyvend genoeskrachtig tuingewas; — gen-tianine, f. nw.lat. een eigen alkaloïde In den gontlaanwortei, gontlaanbltter.

gentil, mij. fr. (spr. zjakti of zjahtiel, van \'I lat. gentiUs, c, tot eeno familie [sens] bohooronde; dus eig. van [goede] familie) aardig, lief, netjes, mooi, beleefd, wellevend, hupscb, bevallig; — gontillesse, f. (spr. zjaiiti-ljéss\') aardigheid, netheid, vriendeiykheid, wellovend-boid, bevalligheid; — gentilhomme, m. (spr. zjaiiti-ljómm\'), li. gentil\'uomo, oen edelman, adeliyk persoon; — gentils, pi. (spr. zjantiels) gezochte l\'.izasser wynen.

gentiles, pl. lat., eig. aan vreemde volkoren {grnles) bohooronde: vandaar hy christenscbrij-vers: heidenen (vgl. ethnlsch); — genti-lisme, n. bet heidendom; — gentilicisch, adj. (lat. genlilicfus) wat don gen tl Ie n of modeleden van een geslacht behoort b. v. gen-til i c i s c h e naam; g e n 1111 c 1 s c h r e t r a c t, n. recht van voorkoop, hetwelk aan de fomlile des vroegeron bezitters, wegens de verwantschap, toekomt

Gentleman, m. eng. (spr. dzjénl\'lmen: van gentle = fr. gentil) oen beschaafd man, man van stand, van opvoeding; leder, die in Engeland tussOhen don hoogen adel en de werkende volksklasse slaat; ook; naam van eer, rechtschapen man; — gentleman born ami bred, gontloman van geboorte en opvoeding; in hot meervoud géntlemen, als titel, waarmede men aanspreekt, z. v. a. Myne Hoeren, Weledele Heeren! — gentleman-cómmo-ners, studenten op eng. unlvorsltoiten, die van eigen vermogen loven; — gentleman-pén-sioners, koninkiyke trawanten; — gentieman-like (spr. —laik) den man van eer, van fatsoen gelyk, hem hetamende, zyner waardig; — genl-lemen-at-arms, pi. ontcleron der koninkiyke iyf-wacht in Engeland; — gentlemen nf Hie king\'s bedchamber (spr. bedtjseember), kamorhoeron;— gentry, f. (spr. dzjéntri) in Engeland de lagere of kleine adel, ter onderscheiding van den hoogeren of de n o b 1111 y; tol de gentry he-hooren knights, esquires, de jongere zonen


-ocr page 541-

GEOBIÜLOGIE

GENTOO\'S

525

dor lords, ilc oudste zonon dor baronets zoolang do vader leetl, en die gontlomon, welke door stand en rijkdom den adel op zyde streven; liUzondere voorrechten zijn met de gentry niet verbonden.

Gentoo\'s, z. Hindoes.

genuaal, adj. lal. (v. ijcnu, knie) de knie hetrelTcmle; — gonufléxie of geniculatie (spr. l=ls), f. nw. lat., de kniebuiging; vereering door voetval; qeniculalus, a, «m, lat Bot. geknikt, met een boek, als gebroken; — ge-geniculeerd, adj. knlevormig gebogen; met gewrlcbten.

Genueze, genuine, z. v. a. g c n o v i n «.

genuien, adj. lat. {genuinm, a, um) aangeboren, natuurlijk; oebt, onvervalscbt, onvermengd, zuiver, rein ; — genuïniteit, f. nw. lut., de echlbeld, onvervalschlbelil.

Genus, n. lal. (pl. genSra; oorspr. geboorte, van genüre, gianlre, baren) bet geslaclil, van ruimer omvatting dan species, (He soort) Inz. Gram. de geslachtsvorm der «oorden, n.l. mannol Uk (masculinum) of vrouwelijk (femini-«um), beide met het lidwoord do, of onzijdig, gesiachloloos (neutrum), mei het lidwoord bet; generis masmlmi, feminmi, neulnus, van hel mannel., vrouwel., onzijdige gesiaclil; geniris communis, gemeenslachtig, d. I. zoo wel mannelijk als vrouwelijk (b. v. lal. civis, de burger en de burgeres; en In \'t nederl. erfgenaam, boeteling, echtgenoot); generis epiexni, geiyk- of zolfslachtig, zoodal helde natuurgeslachten door een der belde overeenkomstige taalgeslachten worden voorgesteld (b. arend, muis); generis omnis, van eik geslacht; genus irrilabile mlum, liet prikkelbare ras der dichters (citaat uil lloralius\' brieven);

— in gen f re, In \'I algemeen, over \'1 geheel; — genre, n. fr. (spr. zjanr\'); bot geslacht, de soort; lous les genres sonl bons, hors Ie genre ennuyeujc (spr. loe lè zjaiir\' son boii or Ie zjaiir\' annuïeiï), elk genre Is goed behalve het vervelende, — genre-tafereel, genreschilderij, eene schilderij, die een tooneel, eene handeling, enz. uil bet dagclijksch leven voorstelt, Ier onderscheiding van de historische voorstelling, die haar voorwerp aan de geschiedenis ontleent.

Genyantralgie, f. gr. (v. génys, kaak, anlron, bolle, en atgos, pijn), Med. pijn in de bolle der bovenkaak.

Geobiologie, f. gr. (v. «t\'n, samengetr. gr, de aarde, en biologie, z. aid.) do leer van het leven der aarde; — geoblasten, pl. (v. blnslós, klem, bldstanein, kiemen) Bol. aardkiemers, planten, die de zaadbollen bij bet kiemen onder den grond laten, onderscheiden in rhlzo hl asten, wortelhebbenden, en arrhl-z o b I a s t e n, wortelloozen; — geocéntrisch, wat lot het middelpunt der aarde betrekking beefl; uit bet middelpunt der aarde beschouwd ;

— geochosie (spr. .?=«), (van thonnf/nai, overstorton) f. Med. een aardbad, overstorting met aarde; — geócisch, adj. op de aarde levend, In de aarde wonend; — geocyklisch, de omwenteling der aarde voorstellende; — geocycliek, f., goocyklon, n. of ge-ocyklische machine, f. een werktuig om aanschouwelijk te maken, boe de afwisseling der jaargetijden, bet lengen en korten der dagen, enz. veroorzaakt wordt, door dal de as der aarde onder oenen hoek van (llij0 op bel vlak der ecliptica belt; — geodtesie, f. (v. daiein, doelen) de kunst der lanil of veldver-deeling, de aurdmeting, landmeting; — geodeet, m. een landmeter; — geöde, f. Min. de adolaarsleen, arendsteen, klappersteen (aeliel): — geodynamika, (vgl. dy na mi ka) leer van de werkende krachten der aarde; — ge-ognosie en goognostika, f. de kennis der aardlagen of aardschlchten, de bergkunde, leer van de sainenstelling, den bouw der vaste aardkorst; goognöst, m. een kenner dier leer; - geognostisch, adj. daartoe beboerende; aard- en bergkundig; - geogonia of geogonie, f. do leer van hel ontslaan en de vorming des aardbeis; • googonist, in. een onderzoeker of kenner der uardwordlng, der aardvorming; — geograaf, m. (van grdphein, schrijver) een uardryksiieschrijver, aardrykskun-ilige; — geographie, f. de aardrykshescbry-ving, aardryks- of landenkundo; de ma I hemail sc be, pbyslsche en polilischo geo-graphie, de wiskundige, natuurkundige en staalkundige aunlryksbeschrijving, of de beschry-ving der aarde met betrekking tot de meetbare, de natuuriyke en de burgerlyke of staatkundige verhoudingen van bare oppervlakte; — geo-graphisch, adj. aardryksbeschryvend, tot de aardrykskunde boboorende; de geographi-sche breedte of de poolshoogte eener plaats op aarde, de afstand der plaats van den evenaar naar bol noorden of zuiden, van daar noorder- en zulderbreedlo; de geogra-phlsche lengte eener plaats, haar afstand van een zekeren meridiaan of middagcirkel; — gee graph Ische myi, z. oml. m y 1; — geo-hydrograaf, m een aard- en waterbescbry-ver; — goohydrographïe, f. de aard- en waterbeschryvlng; — geologie, f. de leer van \'t aardllchaam, welker doelen ile googno-sie en geogonie (z. aid.) zün; Inz. z. v.a. geogonie, leer van de vorming der aarde;— geoloog, m. een aardkenner, aardondorzoe-ker, inz. een kenner van de aardvorming; — geológisch, adj. de aardleer en inz. de kennis der aardvorming belrellende of daartoe be-boerende; — geomant, in. een aard- of zand-waarzegger; — goomantie (spr. I=ls), r de aard- of zandwaarzeggery, de punteerkunst, die verborgen zaken door middel van punten in bel zand en dgl. zoekt uil te vorschen; — geo-mantisch, adj. lot die kunst behoorende; — geomechanika, f. mecbanika der vaste lichamen; — geometer, in. de aardmeter; de meetkundige, meelkunslenaar; — geometrie, t. de aardmellng, de meetkunde, leer der rulmtc-ultgebreldbeld; geométrisch, adj.


-ocr page 542-

GEOBIOLOGIE

526

G Kil DA

tut de meetkunde liehooremle, moelkunsllg; eone (jcometrlscho schrede, = 8 fr. voeten ot t.Oili meter-, — geomontographie, f. de kunst om In velerlei kleuren Bedrukte rollef-kanrten uit eene geperste papiermassa te vervaardigen (door Itauerkelter ullgcvonden); — geómys, m. (v. mffs, de muls) de aurdmuls, huideliiiuls; — goonóóm, m. kenner dor aardsoorten en dor nnrdhouwkunde; — geo-nomie, f. de kennis der aardsoorten en tiaar cebrulk, de aardtiouwkuiule; - goophagon, in. pl. aardeters; -geophagie, f. tiet aardof kleleten; — geophysïca, f. de leer van de pliyslschc versctiynselen In \'t lilnnonste der aarde, waartoe de eigen warmte des aard-Itchaams, zijne dicht tiold, het aardmagnetisme, en de tellurische verschgnsels der lucht hehoo-ren; — gooplastiek, f. de kennis van do verhelUngen en dallngon en de daardoor veroorzaakte gedaante der aardoppervlakte; — geoponïe, f. de nardbearbeldlng, land- of vcldliouw; — geoponika, n. pl. verzameling van grloksche geschriften over den landbouw; — georama, n. een aardtafereel, een naar alle zgden overzicht gevend tafereel van de aarde (vgl. panorama); — Georg, gr. georgós, van uf, aarde, en ér non, werk, arbeid) en Georgine, f. In platdultsch Joris en Jur-rlaan, mansn.: landbouwer, boer, akkerman, landeigenaar; landbouwster, boerin, enz.; — George-daalder s, S t. - J o r I s d a a 1 d e r s, algemeone benaming voor de daalders die St.-Jorls in strüd met den lintworm of draak voorstellen en waaraan men vroeger de kracht van amuletten toekende; — Georgd\'or, m. een gouden Georg, een bannoversch vyfthalerstuk, ongeveer = in gl, courant; er z.yn dubbele en halve van; — Georgenobel, eene onder Hendrik VIII geslagen eng gouilmunt met liet beeld van SI.-Joris, geldende ongeveer lO.M gulden ; — George-orde, f. de orde van den kousoband, naar de ridderketen met het beeld van St.-Joris; — Georgiumsidus, n. de planeet Uranus, door Herschel In nsl ontdekt en door hem naar George IV zoo geheeten;— Georgia-augusta, f. lat. de hoogeschool te Göltingen, naar haren stichter, den keurvorst Georg August (of koning Georg II) zoo geheeten; — georgica of georgïka, n, pl. gr. het landelijk gedicht, de gezangen van Vir-gilius, nok van De li He, over den landbouw, velddichten; — georgine, f. hot. eene schoone bultenlandsche eenjarige tuinbioem, oorspr. in Mexico inheemsch (In \'t begin dezer eeuw door den botanicus Wildcnow te Iterlün dus benoemd Ier eere van den natuurkenner Gcorgi te Petersburg, by ons te lande meer dahlia (z. aid.) geheeten; — georgophïlos of ge-orgophiel, een vriend van den akkerbouw, liefhebber van het landleven; — geoskoop, in. een aardbeschouwer; — geoskopie, f. de aardbeschouwing, inz. met betrekking tol dc weèrkunde; — goostatika, f. de leer van het evenwicht der aarde, van het evenwicht der vaste lichamen; — geostereophas-tiek, f. rellef-voorstelling van doelen dor aardoppervlakte; — geostrategïe, f. de land-krygskunst ; — geotektoniek, f, gr. de leer van de structuurverhoudingen der gebergten en van do storingen in den oorspronkoiyken bouw der aardkorst; — geothórmometer, m. een aardwarmtemeter, een thermometer ter bepaling van do temperatuur in groote diepten der aarde; — gootomïo, f. de aarddeotlng, verdeeling der narde; — geotropisme, n. vermogen van sommige plantdeelen om zich door den groei te stollen in een bepaalden hoek met de richting waarin do zwaartekracht werkt;— geotropisch, noemt men do plantdeelen, die dit vermogen bezitten; — geotropische krommingen, de krommingen die daarvan het gevolg zün.

Gooff., by nntuurwotensch. benamingen afk. voor li. GeolTroy St.-Hllalro (gest ISii).

Gepard, m. (fr. nuApard) de Jachtluipaanl, een roofdier van het kattengeslacht, dat tot de jacht wordt afgericht, in O. Indië, enz. (h\'eüs jubata).

Gephyrisme, n. gr. spotrede.

Ger., by nutuurwolonsch. benamingen afk. voor E. F. Gormar (gest. 1853).

Gera, hobr. (ufrdh, d. 1. eig. boon) hel kleinste gowichl der llebnecrs, ongeveer = j\'j gram; ook eene hebr. munt, die liet sl„ van eonen sikkel bedroeg, omtrent = ij cl.

Gerada of gerilde, f. mid.ial. (van \'t dultsche qeralh, ge raad, raad) Jur. het huisraad en kastgoed, dat der vrouw volgens het dultsche recht na den dood dos mans ten deel valt.

Geranium, n. gr. (van qéranns, kraanvogel: kraan) een talryk plantengeslacht, welks zaad by sommige soorten naar een kraanvogel-of ooievaarssnavel geiykt; ook eeno kraan, werktuig ter ontlading van schepen; —gerania-céën, f. pl. do geraniumsoorten; — gera-nieten, m. pl. naar kraanoogen geiykende versleenlngcn.

Gerant, m. fr. (spr. tjeraii-, vgl. geroe-r e n) Kmt. oen zaakvoerder, zaakwaarnemer, beheerder; Inz. de verantwoordetyko uitgever of bosluurder der redactie van een tydschrifl.

Gerard, Gerhard, oudd. mansn. (van lier, d. 1. speer) de speerstryder, dappere, moedige; ook Ger ril. Ge rd. Geurt; vr. Ge-rarda, Gerardine, Gerhardine.

Gerboa, z. jerboa.

Gerbe, f. fr. (spr. zjèrb\') clg. do korenschoof; de stralenbundel in den vorm eener schoof (by vuurwerken).

gerbuleeren (it. uerbulare, ziften, zeven) uit droge waren het onreine uitzoeken; — gérbeluur, f. het uit de waar gezochte vuil; aftrek voor onreinheid der waar.

Gerda «f Gordur, f. noord. Myth, een schoon meisje van het reuzongeslacht; zy word de gemalin van Frelr en de godin der schoonheid.


-ocr page 543-

GKKKKUKN

527

GESTAT1K

gereeren, lat. (uerlre) voeren, lelden, he-sturenj — zich gereeren, zich godrugen, houden, voor Iels uitgeven.

Gergo, n. It. (spr. dzjérfio = Jargon) de dieventaal In llallü.

Geridon, z. gucrldon.

Gerlind, Gerlinde, f. oudd. vrouwen-naam (oudd. Gtrlint, v. lint, slang, basilisk; vgl. Gerard) do speerslang, de door haar speer geduchte strijdster.

Germanen, m. pi. de oude Dultsehers (volgens de naamgeving der oude Galliërs en Komelnen, lat. Germdni, heteekenende In de celtlsche taal do nahuren Inamciyk der Gal-llürsl); — fjermanicus, a, um, lal. Hol. dultsch; — Germanië (lat. Germaiifa, f.) n. het oude Dultsehland; — germaansche talen, talon van dullschon stam: de golhlsche, hoog- en laagdultsche, nodorlandsche, angolsakslscho en de noordscho of seandlnavlsche talon; — ger-maniseeron (spr. s=j), dultseh maken, vor-dullschen; — germamame, n. een dultsch taaleigen, eono eigenaardigheid in nlldrukklng of In de woordvoeging der dullscho taal; — germanist, m. een kenner en leeraar van het dullscho recht, ook der dullscho taal en geschiedenis; — germania, f. (spr. tjermdnia) sp. do dieventaal In Spanje; — germano-maan, m. lomand die met de Uultschers on het Dultscho dweept; — germanomanie, f. voorliefde voor do Dultsehers; — germa-phoob, m. lnt.gr. Iemand die een overdreven vrees heeft voor do Duitschors; — germa-nophobie, f. overdreven vrees voor de Dull-schers; — german silver, n. eng. (spr. (hjérmm silwer) elg. dultsch zilver; nieuw zilver, z. v. a. argentaan.

Germani, pi. lat.toermanus, a, um, lyfeiyk, echt) volle broeders en zusters; — germa-niteit, f. (lat. germantlas) de verwantschap van hroedors en zusters.

germineeren, lal. {qerminare, van (jer-men, klom, spruit) kiemen, ontkiemen, holton, uitspruiten, uitschieten, ullloopen; — germi-natie (spr. /=/.«), f. {(lerminaCfo) hel kiemen, uitspruiten, enz.; de klemlud; — germina-tief, adj. nw.lat. klemend, ontklomond; — germinal, m. fr. (spr. zjer—) de klem-, spruit- of hloelmaand, do 7de maand of eerste lentemaand In den kalender der eerste fr. re-pnhllok, van 21 Maart tot til April; — ger-miniparie, f. Bol. de voortplanting door spruiten.

Germsöëd, m. turk. zwaar damast; vgl. go r m usol s.

Germusots, pl halfzyden slolfon met hont patroon In do Levant

Gerokomie en gerokomika, f. gr. (v. qiras, de ouderdom, grysheld, en komquot;in, verplegen, verzorgen) IHed. do doelmatige leefregel voor oude llodea, do kunst om den ouderdom te verplegen; Inz. de verjonging van af-goloofdo, oude grysaards door de onmlddoliyko nahyhold van jeugdige personen; — górondif, m. fr. Gram. (lat. gerundlvus) hot tegenwoordig deelwoord met voorafgaand en;— gerónt, m. (gr. qéron, pl. (jéronles) een oudste; raadsheer, raadslid = senator; — gerontismo, n. do zwakheid van den geest In den ouderdom; ook de politiek der grysaards; — go-rontokomïum of gorokomïum, n. een verploglngshuls voor gryzon, oude-rnannen- of vrouwenhuis; - gerontokratïe (spr. /ie= /.vie), f. do rogeerlng van eenon raad der oudsten; — gerontóson of liever geronto-tóxon, n. Med. de halvemaanvormige verduistering aan den ondersten rand van het hoornvlies, die hy oude lieden vaak wordt waargenomen, lat. urculus senilis, de grysaardshoog; — gerusie, f. (gr. gerusia) de raad der oudsten (z. v. a. senaat); nleuwgrloksche staatsraad.

Gerold, Gerald, m. oudd. mansnaam (oudd. Cêrnll, Gérwalt, fr. Giraud, Guirauli, vgl. Ger(h)ard) de speorhoudendo of -dragende.

Gerra, f. sp. (spr. cherra) ook jarra (fr. jam, de kruik) vóór IHöii eono vochtmaat op Minorca, lets nicer dan 12 liters.

Gerridon, z. guórldon.

Gerrit, z. G e r a r d,

Gersj, m. aral). pl. goeroesj of groesj de turksche piaster, In waarde = ongeveer 11 ccnlon.

Gertruida, Geertrui, oudd. vr.naam (oudhoogd. Cirdrül: vgl. Gerhard en drud) de speormaagd, do spoersterke, dappere-, vork. Geertje, Trui.

Gerundium, n. lat. (van gerêre-, vgl. gestie) Gram. het vorrlehtlngswoord, doelwoord, een vorm van hel werkwoord, die aantoont, dat Iels moet gedaan worden; — gerundivum of gerundivus modus, m hol verrlchllngswoord In passloven zin, z. v. a. imrliiiiiium fuluri passivi.

Gerusie, z. ond. gerokomie.

Ger^on, m. gr. Myth, een driehoofdige reus met drie lichamen, die In Spanje regeerde en sehoone kudden bezat; door Hercules werd hy verslagen; van hem komt de zegswyze; ■•als ik Geryon ware,quot; d. 1. als Ik zes bandon bezat.

Gesandar-aga, m. de grootsclmtmeestor in Turkyo.

Gescheld, n. hoogd. (spr. —sjeid) oene korenmaat In Oostenryk, ook a c li t e 1 gehee-ten = J meizo of 7,«8Ti liter.

Gêschem, m. hebr. do regen; ook; gebed daarom.

fleste Hmmmrum, pl. lal. (v. qertre, ver-rlchlon, doen, geslus, a, um, verrlchl, gedaan, en Homani, gen. Romanorum, de Komelnen) de daden der Komelnen, de naam oener verzameling van vertellingen uit den iyd der Komeln-sche keizers, wier wordlngstyd editor In de de lido of lilde eeuw valt.

Gestatie (spr. lie=tsie), f. {geslaCfo, van gesture, by zich dragon, enz.) hel dragen, omdragen, of zich laten ronddragen; de houding,


-ocr page 544-

GESTEN

528

Gil) KON

hut Kcdrag; ilo tgil dor ürachl, der zwangerschap.

Gesten, pi. z. gostus, ond. goatlo; — gesticuleeren, lat. {geslinlari, v. i/e.sliru-lus, verklw. v. geslus, i. aid.) haiidboweghigen of goharen maken; — gesticulatie (spr. —Isie), f. [geslkulaiïo) do gcharenspruak, hand-lieweglng, hand- en gebarenspel; — gesticu-lator, m. een gebarenmaker, oen redenaar, die veel gebaren maakt; uok een goochelaar.

Gréstie, f. lat. {gcslïo, van gerlre, dragen, doen, verrichten, enz.) het doen, de verrichting, de beroepsvolvoering, het bestuur; f/cx/To prn hertde, de stllzwygeade aanvaarding oener erfenis; — gestor, m. de drager, bestuurder, verrichter; — nestor feudi, m. de leenbeheer-dcr; ij. tici/n/ioritm, een zaakwaurnemer, zaakvoerder; — gestus, ai., ook pi. gestus ol gesten, eig. de wgze hoe men zich houdt of gedraagt; de lichaamshouding, -beweging of gebaren eens redenaars, inz. de liandboweglng, de uitdrukking der banden.

Gesu, m. It. (spr. dtjétu) Jezus.

Getah-lahoe, plantaardig was op Sumatra (v. Firas cen\'/lua); - getah-pertjah, z. gutta-percha.

Gettatore, m. it. (spr. dtj—) z. mal-o c c li l o.

Gétto, z. ghetto.

Gëum, n. lal. Bot. benedictcnkruid, nagel-kruid (G. urbanum, enz.)

Goumatiek of geustiek, f. gr. (van geüeslhai, proeven) de leer van betgene ztch laat proeven; — geusis, f. het proeven; — geusiodysphorïe, f. de onaangename gewaarwording door (slecht) smakende spijzen voortgebracht; — geustisch, adj. wal het proeven of den smaak betreft; — geusto-nusi, in. pt. ziekten van de werktuigen des smaaks.

Geus, m geuzen (van het fr. gueux, bedelaars) naam, die In TM, onder de land-voogdy der hertogin van l\'arma, aan de verhonden nederl. edelen tig wijze van verachting werd gegeven, en die later een scheldnaam voor de Gereformeerden van de zydo der R. Katholieken werd; — geus of geusje, is ook de naam eener kleine vlag, die van de boegsteng afwaait (dus genoemd naar de Watergeuzen, die nameiyk aldaar hun standaard beschen met de kleuren des prinsen van Oranje, en er alzoo hunne verscbynlng mede aankondigden) ; — geuzenpenning, een in irgt;(i(i geslagen gouden en zilveren penning, verloo-nende aan de ecne z.yde het borstbeeld van IMiillps II en aan de keerzyde de woorden: fiilèles au roi jusqua\'d a la besace, d. 1. den koning getrouw tot aan den bedelzak.

Geustiek, enz,, z, ond. gcumatiek.

Ghamar of schamar, m. arab {char, wijn, In het algemeen bedwelmende drank, v. chamara, gisten) roode wyn in \'t Oosten (vgl. s a h b a).

Ghasél of ghazél, n., pl. ghasélen, arab. (eig. minnediclit en in \'I algemeen minnekout, van nhuzila, verliefde gesprekken houden) eene soort van arablsche lyrische gedichten van eigenaardig kunstigen vorm, meestal van erotiscben inhoud, niet moraal en satire doorweven en bestaande uit tweeregelige stro-phen, die door een geiyk rym van den tweeden regel met elkaar verbonden z.yn.

Ghazi, m. arab. {hIkizi) een held, een krygsman, Inz. zulk een, die de ongoloovlgen bestrydt; — ghazidsjah, m. de heilige oorlog of veldiocht togen de ongoloovlgen.

Gheriah of gherri, m. do oostindische lengtemaat, inz. in Hengalen = T\'n gos = S7,IS mM.

Ghetto, n. it. ilu Jodenwijk of jodenstraat te Rome en in andere groote Hal. en ooster-ste steden.

Ghiaur, z. gtaur.

Ghilams, pi. clilneoscho zyden stolTon.

Ghiriblzzi, pl. it. (sing, uhmbizzo, in \'t algemeen gril. Inval) wonderiyke invallen, willekeurige, verrassende sprongen en overgangen in ile muziek.

Ghun, turk., naam der looden noodmunten, die soms in Turkye geslagen worden.

Giallo, 11. (spr. ilzjalln\'! het geel; giallo anlico, oud geel; eene geelachtige marmersoort, die onkel aan gedenkteekens van oude bouwkunst wordt gevonden; giulln sanlo, eene gele plantverf voor mlnlatuurscbllders; — giallo-rino, z. na pel sell geel.

Giangürgulo, m. it. (spr. dzjangoer-goelo, d. 1. eig. Jan Gorgel) karakterrol van een lompen vlerkanlen boer op hel italiaan-sche tooneel.

Giant, m. eng. (spr. dzjai\'nl) reus; — giantpowder, n. (spr. —poud\'r) dynamiet.

Giardinaria, f. 11. (spr. dzjar—) de loge der tuiniersters bij de Carbonari.

Giaur of Ghiaur, m. turk. (z. v. a. ge-her, z. aid.) een ongeloovige, ketter, scheldwoord voor alle nlet-Mobamedanon.

Gibbon, golok of gibeo, m. de langarm, oen aap met zoor lange armen, eene soort van orang-oetang in O.Indlë.

gibbeus, adj. (lat. gibbósm, a, urn, van iiihlm, hult, bochel) hiiltig, gebult; — gibbi-férisch, adj. nw.lat. eonen iiult dragend; — gibbiüórisch, adj. met gebulte bloomblade-ren; — gibbipénnisch, adj. met hobbelige vleugeldeksels; — gibbiróstrisch, adj. met gebuiten snavel; — gibbosus, u, urn of gibbus, a, urn, adj. Rot. bulllg of bokkig; gebult; — gibbositeit, f. het gebult- of vergroeid-zyn; de bochel, bult.

Gibellineu, z. ond. Guolfen.

Gibelótte, f. tl\', (spr. zjieb -) eene f r i-cassce van jonge hoenders, eig. van wildbraad {gibier).

Gibus, m. fr. (spr. zjibuus) cyllnderhoed, die plat gemaakt kan worden, klaphoed, reishoed.

Gideon, hebr. mansn.: verbreker, verhry-zelaar.


-ocr page 545-

GINSENG

GIKI3

529

Grieb., liij tmUiurwotenscli. benamingen afk. voor C. G. A. Glehel (f?est. 1881).

Gig, f. ent;. (In \'I nlgomeon iels lliiit 1)C-weegiyks, spelends; vandaar eon dryrtol, eono liool, viool, enz.; vgl. ook het fr. glguo, liol (lullsch gelge) een open dissel- of lamoenwagen mot twee raderen; eono llelite boot van plaaiy/.er voor ile kunaalschecpvaiirt.

Gigant, m,, pi. Giganten, (gr. gigas, pi. gigantes, d. l. uil de aarde geboren, van ge-lyke beteekenls met gègencs) gr. Mylb. reuzen met drakenvoeten, van Ga;a (of de aardo), ull bet bloed dos ontmandon IJ ran os\' geboren, die aan /.eus bet bezit des troons betwistten cn den Olympus bestormden, maar door Zeus lt;\'11 de andere goden overwonnen werden (onderscheiden van de Titans, z. aid.), in \'tal-gemeen voor reuzen, kolossale monschen; — lliganlüus, a, urn, adj. nw.lat. Bot. reusachtig;

— gigantiflorm, a, um, lat. Hol. reushloomig, zeer grootbioointg; — gigantisch of gi-gantésk, adj. (it. giganlésco, fr. gigantésque) reusachtig, sterk, groot als een reus, kolossaal;

— gigantographie, f. beschrUving of geschiedenis der reuzen; gigantomachie, f. de reuzenstrijd in de Mylh.; — giganto-logie, f. de loer van de reuzen; gigan-tosteologie, f. de leer van de reuzenbeen-lt;lei\'en.

Gigliato, m. it. (spr. ihiljalo; v. giglio, lelie) eig. zocchino gigliato, een lloren-Hinsche rekenmunt, een dukaat of ongeveer f !),(j0.

Gigot, m. fr. (spr. zjigó: v. giguc, z. aid., ■wegens de gelUkenis op oen viool) bout (van een schaap, enz.); ook do van boven zeer wijd wordende mouwen aan vrouwenkleederen; pl. g 1 g o_t s.

Gigue, f. fr. (spr. zjieg\'; provenc. en it. gigii, van \'I mid.boogd. glgu, nw.boogd. geige, viool) een klein vroolgk muzleksluk ter begeleiding van zekeren dans; die franscbe dans zelf.

Gilbert, oudd. mansn. (helzy van oudd. geil, geil, krachtig, welig of v. gein, geel, en llcratit, berhl, schitterend, beroemd) de krachtig of geel blinkende, roemvolle; ook de naam eener maat voor brandhout te Frankfort.

Gildo of gild, n. (nederdullsch gilde, eng. guild; oorspr. toebrenging, oiTer, oirennaal, de Jiy \'t oltermaul vergaderde genoolen, verwant met geld, gelden) in \'t algemeen een gesloten gezelschap, vroeger, Inz. zulk een, dat op gemeene kosten al en dronk; een tot ge-moenschappeiyke oogmerken verbonden, bevoorrechte vereeniging, broederschap, b. v. van do gezameniyke uitoefenaars van een bedryf of ambaebl.

Gilet, n. fr. (spr. tjilènaar men wil van zekeren goochelaar, genaamd Gil Ie, d i Kgl-dius; dan: een hansworst Ineen wanibnis gekleed) een vesl, Hifje, buis zonder mouwen; mansborstrok; — gild hydroslalique (spr. \'jild ■iilmslatiiikquot;), een zwembuis, scaphander. VIEIIDE nntiK.

Gill, n. eng. kwartpint, kwartiertje, eng. inhoudsmaat voor droge en natte waren = 0,142 liter (vgl. quarter en t un).

Gillie, m. eng. (spr. dtjUH] sebotsclie knecht, inz. jager of ryknecht.

Gillis, Jillis, z. ond. /Kgide.

Gilstein, m. Min. oene soort van tufsteen, oene variëteit van den talksteen In Zwitserland en elders.

gilvicephélisch, adj. lat.-gr. (van \'I lat. gitvm, u, um, geelacblig, grauw, vaal, en gr. kqihalc, hoofd) met geelachtig of grys hoofd;

gilvicóllisoh, adj. vaalhalzlg; — gilvi-pédisch, adj. nw.lat. grysvoelig.

Gimel, de derde letter in bet bebr. alphabet, met de g overeenkomende, als lalleeken drie beteokenend.

Gimians, m. pl. groote kamerlapyten uil Klein-Azie.

Gin, m. eng. (spr. dzjin: afkorting va n \'I fr genivre) Jenever, korenbranilewyn.

Gin, ook kin. yin of ketti, chineesch gewicht, een pond van ongeveer 000 gram.

Gine, m. fr., liever dsjin, arab. m. (vgl. bel lat. genius) een da\'mon by de Arabieren.

Ginêta, f. sp. (spr. chi -) stierengevecliteii en ridderspelen.

Ginöte, m. sp. lichte ruller.

Gingals, pl. eng. de wal-inuskelleii der Hindoes iu O.InrtlB, met lonlslolen voorzien.

Gingang, n. javaanscli (ginggang, gestreept of eng. gingham (spr. ginqm: fr. guingan (spr. gengdii), eene ooslindische slof van ka-loon, soms met schors gemengd; inz. liet lijn eng. namaaksel daarvan; ginghaméts, pl. gestreepte en gebloemde kaloenen weefsels.

Gingerbeer, n. eng. (spr. dziiuhjerhier: v. ginger, gember, fr. gingembre, sp. gengibre, lat. zingiber, zingibcri, gr. zingiberis) gember-bier, een verfrlsscliende, monssecrende drank, bestaande uit een met toevoeging van gemberwortel In gisting gebrachte suikeroplossing.

Gingibrachmm, n. nw.lal. (kwaiyk gevormd uit hel lal. f/iiif/Tvn, tandvioescb) de scheurbuik aan de armen; — gingipedium, de sclieurbnik aan de voelen.

Gingiras, pl. ooslindische zyden stollen.

Gingl^mus, m. gr. {ginglymos) Anal, scharnlergewrlchl, waarby de beenderen zoodanig vereenlgd zyn, dal buiging en ullstrek-king mogelijk is; — ginglymödisch of ginglymoïdiilisch, adj. wederzyds inpassend of Ingevoegd, Ingewrichl.

Gin(k)go, m. soorl japansche boom (Sa-lisburia).

Ginnistan, n. (spr. dsjin—, vgl. gine) perz. Mylh. de woestyn der geesten of diemons.

Ginnus, m. (lal. ginnus en liinnus, gr. hiniios en hynnos) bastaard van muildier en merrie.

Ginseng, m. (spr. dzjinséng) de kracht-wortel (Panax), een wortel van krnldlgen smaak en zenuwprlkkelende kracht, die door de C.lii-neezen byna tegen goud wordt opgewogen.

:rgt;


-ocr page 546-

GIUNTA

GINST

530

Ginst, f. (it. ginéstra, v. \'I lat. genista),

7.. genista.

Ginungagap, noord. Myth, do chaos, do Riipondo dlepto, die or, volgons do Edda, bestond, oor nog aarde en hemel was voort-goljraclit.

giocomlaménle, ginconilóso, ginconilévole, cnn giocnmlézta, It. (siir. tl:jo—, v. lat. jucundus) Mn/, aangenaam, bovaillg, llcfoHlk, Innemend; — giocóso, giocosaménle, giojóso, giojosétlo, Muz. (spr. ilzjn— on s=t) schertsend, los weg.

Gior., hij naUiurwetcnschappelUke benamingen atk. voor Glonm (gest. 180!»).

Giorgino (spr. dtjordtjino), een oude zilveren rekenmunt In Genua en Modena.

Giornata, r. 11. (spr. dijornata: v. giomo, de dag) het dagwerk, oeno voormalige Hal. vlaktemaat van too tavolen = 38,01 are.

Giovine Italia, r. 11. (spr. dtjówine—) hel jonge Italië (naam eenor politieke party van den vooruitgang); ook een Jong niensch.

Gips, n. gr. (gypsos, lal. ggpsum) waler-houdende, zwavelzure kalk, oen mineraal, dat inz. lot stukadoorwerk, afgietsels van standbeelden, vazen, enz., lot vervaardiging van kunst-marmer en pasleiverf gebruikt wordt

Gipsy, m. eng. (spr. dtjipsie) een helden, Bohemer, lid van oen omzwervonden stam (z. II oldens).

Gique, f. fr. (spr. zjiek\') een klein muziekstuk om te dansen, In J of maat.

Giraat, z. oud. giro.

Giraffe, f. (fr. girafe, 11. oirafa, van \'I arab. tlriifah, iordfeh, egypt. sor-aphé, d. I. langhals) de kameolpardel In Afrika [Camclopardalin gi-ralfa)-, ook eeno soori van dameskapsol, waarby het achterhaar In groole vlochten op den schedel wordt vaslgostoken; ook een reciitopslaando forte-piano, klavierharp; Aslron. een sterrenbeeld van den noordpool;- giraffe-forte-piano, f. eeno rechtopstaande forte plano.

Giralda, f. sp. (spr. chi—) weerhaan; een toren in Sevlila.

Girande, f. fr. (spr. zjirdnd\'; van \'I lat. gyrus, kring, gyriire, II glrure, In een kring draaien) eone springfoniein met vele bulzen of pypon, uit welke waterstralen In de hoogte springen, die wegens de daarin besloten lucht een hevig gebruis veroorzaken; ook een vuurwerk, dal eeno meulgle raketten op eens naar allo rlchlingen opwaarts werpl, eone vuurschoof, oen vuurrad; girandole (spr. zjiraiidaot ), II. girandola (spr. dzji—), f. een staande armblaker met verschelden armen -, een vuurrad, vuurkrans by vuurwerken, Inz. hel boroomde vuurwerk op don l\'.ugolenberg ie Koine, waarby innn rakelten op eens opstygen; ook een sieraad van diamanten.

Girant, z. oud. giro.

Girasole, II. (spr. dzjirasóle, van girare, zich draaien, en snlc, zon), girasol, fr. (spr. zjirasól) m. de zonnesteen, iiiaanstecn, eone vor-scheldoniioid van liet edele veidspaalb; ook een 11. paddenstoel.

Giravólta, f. itai. (spr. dzj—) kringloop, winding, kronkeling.

gireeren, z. oud. giro.

Girib, eone lenglomaa! In Perzlö = 1,0(1(1 perz. ellen.

Girl, f. eng. meisje; — young girl, jong meisje.

Giro, 1) m. It. (spr. dzjiro; van hel lal. gyrus, gr. gj/rns, kring) de omloop, Inz. do goldomloop; het omschryven, ondossooren of scbrlfteiyk overdragen eens wissels van den oenen bezitter op den andoren; ook een vergaderhuls dor kooplieden tol afsluiting van zaken, omtrent z. v. a. beurs; — girobank, f. oeno aanwyzlngs- of overscbryvingshank, deposito-bank, waarby geldsommen door onkel aan- en afschryvon van den een op den ander worden overgedragen; — giro in bianca, ook blanco-giro, overdracht van een wissel door hloote onderteekenlng, als op den wissel do som niet genoemd Is; — girogeld, n. giro-valuta (siir. u—nc), f. de gobruikoiyko belaalkoers by do bepaling van zekere wlssel-pryzen; — gireeren (spr. dzji—, 11. girare) oenen wissel of eeno vordering op een ander scbriftoiyk overdragen; — girant, m. (spr. dzjirdnl) de aanwijzer, overdrager, overschry-vor eens wissels; — giraat, m. (spr. dzji—) degene, op wlen oen wissel wordt overgedragen, ile wlsselovernomor.

Giro, 2) m. It. (8|ir. dzjiro) oen sterke, zoete, roodachtige wyn van \'t eiland Sardinië.

Gironde, f. fr. (spr. zjiróud\') oeno gematigde ropnbllkolnscho parly In de oorsie fr. revolutie (zoo goheoten, dewyi do hoofden daarvan uil bel departement der Gironde waren); —gi-rondisten, girondijnen, pl. (fr. tiimn-dins) aanhangers dier party.

Girouette, 1. fr. (spr. zjiroc-élt i voor gi-rolelle, vgl. bet it. girotla, vaan, van \'1 lal. gyrare. It. girare, draalen) de windwyzer, weerhaan; Mar. do vleugel, topstaander; onolg. oen veranderiyk, onbeslendlg, wispelturig niensch.

Gisela, f. oudd. vrouwennaam (v. gisal, gyzelaar) de gyzelaarster.

Gitaar, z. guitar r e.

Gitano, m. (spr. childnoi elg. een Kgyp-tenaar, van \'1 lat. /Egyplianus; vandaar ook bet eng. gipsy In goiyke helookcnis) een omzwervend Helden, Bohemer; — gitana, eone Heldin (z. Heidens); ook; beldinnondans, zigeunerdans

Githith, hebr. een woord, dat In het opschrift van vele psalmen voorkomt; waarscbyn-lyk een speeltuig tor begeleiding van die gezangen (Psalm 8, 1, enz.)

giubilaso, II. (spr. dzjoebiliizo) Muz. jubelend, vrooiyk.

Gmlio, m. It. (spr. dzjöélio) de .luller, een voormalige zilvermunt le Rome en te Florence = yV scudo = Ï5 centen.

Giunta, f. 11. (spr. dzjódnla) verbinding, verbond; In hel oude VonetHi: de raadshooren aan don staatsraad toegevoegd, junta.


-ocr page 547-

GIUSTO

GLKN

531

(liusto, adj. It. (spr. dtjóésto; van \'t lal. Justus, lt;i, um) Julst, f!(\'|)iist, overoenstommond; — diuslo lemiio, do julslc tydrnaat. |ald.)

Grivodan, ■/.. v. a. ()din of Wo da n (z.

Grlabelle, r. nw lat. (ylabella, v. alabcllm, vorklw. van ulabei-, glad, kaal) dc rulmto tus-schen do lieldo xvenkhrauwon; — glabrifó-lisch, adj. met Kladde Idaderon; — glabri-teit, f. (tladhold, kanlhcld.

Ijlabcr, —bra, —brum, lat. Bot. kaal, onljo-liaard; zonder liaren of soortuciyke organen; — lllaberrimus, zeer kaal; — glabratus, a, um, van haren ontdaan, geschoren; — ylabrescens, kaulwordend, wat met den tijd de haarheklce-dtng verliest.

Grlaco, r. fr. (spr. filaas\'; van \'I lat. ulacfes, ys) kunslmatlg bereid, eetbaar Us; roomys; ook; gegoten suiker op gebakken; spiegelglas, eon spiegel; — ulnce d\'arqenl (spr. —darzjuh) zware wit zyden stof niet ingewerkte zllverbloemen; — glacerie, f. (spr. ulaas\'rie) de kunst om spiegelglas te maken; do spicgelgietery; gla-cière, f. een yskelder; eene ysgroeve; — gla-ceeren, doen bevriezen of verstijven; tot eene gelet laten verkoken; oversuikeren; ook zekere voorwerpen, als linten, bandschoenen, enz. blinkend maken; hen glanzen, oen spiegelenden glans geven; glacé-handschoonen, enz., geglansde handschoenen, enz.; glacé, n. met goud of zilver besponnen zijde.

Glacialist, in. fr. (v nlacier, spr. filaiisjé, de gletscber) een gictseherkenner.

Q-lacis, n. fr. (spr, (;/««\'.• van \'1 mid lal. ula-liu, vlakte, eig. vlakmaking, etTening, van tiet dultscbc nldll, glad) de veldborstwering, ver-weerhelling, de zachte en elfen helling of glooiing, die van de kruin des bedekten wegs begint en in het veld uitloopt; h(j do suikeiTa-brlcatie; eene trechtervormige verwyding van den ketelrand, waarom de overgekookte suiker terugloopt.

GrltluOll, m. fr. (spr. (jlusiin: vgl. g I a c e) de ysschol; Arch, oen sieraad aan de randen der waterkommon, fonteinen, enz., In den vorm van Usschollen, yskegels, enz.

Gladakker, m. (v. jav. ijalmUiii, (ilnilan, liy Kuropeanen uliKlak, trangportdienst, vervoermiddel) slecht oud paard, kind (op Java).

Gladhoim, n. noord. Myth, het paradys der Cellen.

Gladiator, m. lat. (v. qladim, zwaard) een zwaardvechter, kampvechter by de openiyke schouwspelen der oude Komeinen; de stervende gladiator, zeker ineestersluk van oude beeldhouwkunst; gladiatórisch,adj. op zwaardvecbtcrswyze; — ff/at/Ti jus cl jiolds-tas, n. Jur. het zwaardrecht of het hooge iyf-stratfelijke recht;— uladli poena, do doodstraf door zwaard of byi.

glagolitischo taal (v. \'t slav. (//«»»/, woord, iilnnnldli, spreken) de oude, heilige sla-vonische taal; glagolitischo lettors, glagolisch alphabet, een eigen oudsta-vontsch alpliabet.

glaireus, adj. fr. (ijluireux, spr. ijltreu) siymlg.

glandula, lat., pl. {ilandiilae; eig. verklw. v. ijlans, eikel) klier, klieren, half vaste, half weeke doelen, meestal rond van gedaante, die groo-tendects uil vaten zyn samengesteld en uil bet bloed een vocht bereiden en afscheiden, dal van het bloed zelve verschilt; ylandutae enn-(llomeratae, pl. korrelige klieren; ui. lacryma-les, traanklieren; ui mammarfae, borst-of hoe-zernklieren; i/l. mesenteni, darmsclieikiieren; yl. neclariferae. Hol. honlgkltertjes; ui. paruhdes, oorklteren; lt;//. piluilunae, siymkliereii; — glan-dulous, adj. (lat. iilandulösus, u, um) klierachtig, kllerigj - glandulositeit (spr. i), f. iiw.lat. de kttcrachtigheld; glandifórm, adj. eiketvormtg.

Glans, f. lat de eikel; vgl. glandula.

Glauboriet, n. (naar den geneesheer en scheikundige (Haulier, gest. HillS, benoemd) een uit zwavelzuur natron (z aid.) en kalk beslaand mineraal, ook b rong n la r 1 let gehee-ten; glauberzout, n. (sul mirabile Cluu-bëri) zwavelzure soda, veelvuldig als purgeermiddel aangewend; bet wordt door vele bronnen In l.otbaringeri opgeleverd.

Glaueëdo, f. nw. lal., z. v. a. glau-k o m a.

Hluucus, a, um, lat zeegroen; blauwgroen; grauwgroen-, nluucesiens, lat. zeegroenachtlg;— glaucus, m. gr. (Glaukos; eig. de blauwachtig glanzende) iVlyth. een zeegod, wien men de gave der propbctle toekende.

Glaukóma, n. gr. (v. Iilnuktis, grijsblauw) Mod, de groene staar, die haren zetel la bel glasacblig lichaam der oogen heefl; bedrog, goochelwerk, ooginislcidhig; glaukomateus, nw. lal. of glaukomatisch, adj. met de groene staar behept; glaukophyllisch, adj. met grysgroene bladeren; — glatlko-pódisch, adj. met grysgroene voeten; — glaukoptérisch, adj. met grysgroene vleugelen ; glaukösis, f. gr. de vorming of liet ontstaan van de groene staar, de verduistering van het glasachtig lichaam.

Glavsï, f. slav. hoofd; —glavar, in. familiehoofd ; — glavnitza, r. hoofdgeld, hoof-deiyke belasting.

Glaymore, n. eng. (spr. ulecmóor) hel breede scliotsche zwaard.

Glazuren (van glas, mei lal. uitgang) met glazuur overdekken, glanzend maken; glazuur, f. de verglazing, overglazing, bet verglaassel, de glazige slof, waarmede aarden vaatwerk wordt overtogen; l\'lct. eene overdekking mol lichle, blinkende kleuren; hel glad en blinkend bekleedsel der landen.

Iih\'liu, f. lal. eene aardkluit; een stuk, brok, klomp; - glehac adscriplus, z, adscriplm, oud. adscriheeren; — glebous, adj. (lat. ulc-bösus, u, um) vol kluiten, klonterig.

Glee, n. eng. (spr. (/\'quot;\') soort oud eng liederen.

Glon, n. galil. kloof, dal, gewoonlijk zon-


-ocr page 548-

GLOSSE

GLENE

532

dor planlcngrool (hot logengost. van strath, breed, heliouwd dal).

Glêue, f. Kr. do oogappel; Mod. oeno on-dtopo gowrlchtsvlaklo, vlakke indloplng; - gle-nitis, r. lonsontstoklng in\'t oog; — glenoï-disch, adj. vlak uitgehold.

glenuarry rap, I. ong. (spr. kap) do muls van het scholsche nationale kostuum.

Gletscher, m. hoogd. (spr. nlétsjcr; fr. glacier, het naast van glare, lat. glacïes, Us; of van g I a d, gly d n, hoogd. glitschen) een groot (jsveld ol eeno (jsmassa In de hooge dalen der Alpen.

G-léükometer, gr. (van gleükos, most, ongegiste zoete wUn), of glykometer (van glykys, zoel) m. een zoetigheids- of mostmeter, oen werktuig tot toetsing der wynon, Inz. met hetrekklng tot hun suikergehalte, ullgovonden door Chevalier te Parys, In ISIO.

Gliadïne, f. (van het gr. glia, lym) Chem. een eigen heslanddoel van de klcofslof.

Glires, pi. lat. (van gtis, borgrat) knaagdieren.

Glissade, f. fr. (spr. glies—, van glisser, glyden) hel giyden, uitgiydenj de sleep-of giypas In iiel dansen; hel uitglyden van de degenkling by het seliermen; — glissiint, adj. glihherig; bedenkelijk, neioiig, misseiyk ; ~ f/lissdmln, glis-siedto, it. (spr. glies—) Muz. giydend, zaclit, gesleept of sleepend.

Glit, n. (fr. gletle, hoogd. gl(lllc), loodoxyde of mnstlcot, in kleine loovertjes gekrlslaiilseerd, 111 h a r g y r I u m.

Globe, f. (lal. globus) de kogel, i)ol, klooi, inz. een kunstmatige aardbol [globus lenéslris), of hemelbol {globus riel(slis)\\ — globus hi/sle-rtrus, Med. cene piaalselyke krampachtige pün by de hysterie, het zoogen. opstygen der baarmoeder; globus imperialis, do ryksappel; globe lt;le compression, m. fr. (spr. glnnb\' de knii-pressjóii) Mil. eene soort van sterk geladen my-nen, door Bei id or in 172:gt; ullgovonden; — globaal, adj. el adv. over \'t geheel genomen, by wyzo van overslag of raming; - glo-bi\'ceps, adj. iiw.lal. mei kogelronden kop;— globicórnisch, adj. mei kogeltjes aan de voelsprieten; — globiférisch, adj. met holronde verhevenheden; — globiflórisch, adj. mei bolronde bloesems; — globipórisch, adj. mei ronde zweetgaatjes; — globeus, lat. {glnhosus, a, urn) en globuleus, nw.lat. adj. kogelvormig, bolvormig, uit kogeltjes, iioi-ieljes bestaande; - globosioten, m. pl. nw.lat., ronde, ais gedraaide schcipversteenin-gen; — globositeit (spr. s=z), r. lal. {glo-bosflas) de kogelvorm; —globulus, m. lal. een kogellje, holletje; globüli marttSles of frr-ruginosi, pl. Mod. yzerkogeltjes, nil wynsteen en Uzer bereid; gl. snnguTnis, liioedbolieljes; — globulairo taktiok, f. nw.lat.-gr. de vuur-krygskunst; globularïa, f. nw.lat. Hot. de kogelbioem; — globularis, nw.lal. Hot. ko-geldragend; — globulieten, m. pi. IN. II. kevers met bol- of knotsvormlge voelsprieten;

— globuline, f. nw. lat. volgens Berzellus het hoofdbestanddeel der bloedtiolleljes.

Globe-oil, n. ong. (spr. glo-boV) Ameri-kaanscli smeer uit petroleumbezlnksel.

Globoïne, f. z. v. a. nitro-glycerine (z. aid.).

Gloire, f. fr. (spr. glóar\') roem vgl. gloria.

Glomus, n. lat. (geuit, glomiris: verwant met globus, z. globe) een kluwen-, (llilr. een wondstopsel, wiek van pluksel; — glomerulus, a, urn, lal. kogel-, bal- of kluwenvormlg; — glomeriden, pl. uw. lal. N. H. kogeldle-ren; — glomeriflórisch, adj. met samen-goboopte bloemen; — glomerikarpisch, adj. met samengehoopte vruchten; glomerulus, m. nw.lat. Bot. bolletje of kluwen.

Gloria, lat of glórie, f. de roem, eer, heeriykheid, hoogheid, glans; de straalkrans om hel hoofd eens heiligen; eene scblldery van den open hemel met zyne bewoners, een hemelstuk; hy vuurwerken: eene groote staande zon; hei gloria, een lofzang, naar den lofzang der engelen by Jezus geboorte, I.ue. II, 14: gloria in exrélsis Den, cere zy God In de hoogte! gloria matris, eig. oere der moeder, cene zeer scboone zeeschelp; gloria mundt, eig. roem der wereld, en gloria rubrörum, eig. roem der roo-den. Bol. Iwee sehoone tulpsoorten; gloria patri, filio el spiritui santin in secula seculurum, eere zy God den Vader, den Zoon en den heil. Geest in alle eeuwigheid; in majorem Dei gloriam, tot grooter roem van God; sic transit gloria mundi, zoo vergaat de heeriykheid der wereld;

— gloria, r. fr. kieiae kop sterke kollie mei (over suiker afgehranden) eogaac; — glorieeren (lat. gloriari), zieli-zeiven roemen, pia-ien; - glorificatie (spr. t-ls), f. Theol. de verhelling van het schepsel lol de eeuwige heeriykheid, de verheeriyking; — gloriflcee-ren (later lat. glorificure), verbeertyken; -glorióle, t. fr. (lal. gtoriuta) armhartige roem, ijdele, nielige praai; — gloriëus, adj. (lat. glnriusus, a, am), roemryk, prys- of roemwaardig; beeriyk, verbeeriykt, schitterend; ook grootsprekend, pochend, groolseh; gtoriusae memo-rïae, afgek. gl. m. of i/tor. mem., roemryker gedachtenis; gloriösa, f. Bot. de pracbl-lelie, een pronkgewas.

Glossaret, m. eng. een wollen, haifzyden slof uit Norwich (spr. norritsj) In Engeland.

Glosse, f. (van bet gr. glossa of glotta, tong, spraak) Oram, oorspr. een duister, verklaring behoevend woord; gew. de uitlegging, verklaring, opheldering, woordverklaring, aanmerking (beter glossêma): randglosse, de randverklaring, kanttoekening, aanmerking; — glosse. Poet. de naam van cene poëtische kunstgreep, die eene gedachte, in een zoogen. thema aangegeven, zoodanig In oven zoo veel slrophen, gew. declinen (z. aid.) ontwikkelt, als het thema verzen bevat, zoo dat op hel einde van elke strophe een vers van het thema staat; glossarium, n. lal. een woorden-boek ter verklaring Inz. van verouderde, ordie-


-ocr page 549-

GLOTTIS

533

GLYPHE

kond gowordon woorden; filossartum etymoln-litcum, oen ullcldond woordenboek, zulk een, waarin de afstamming dor woorden wordt aan-gegoven, cene taulhron; —glosseeren, nw. lat. glossen, aanmerkingen, liu. berispende aanmerkingen maken; uitleggen, ophelderen; — glossator, m. oen uitlegger, woordverklaarder, kantteokonaar; inz. In do middeleeuwen; do verklaarders van bet corpus juris ei vil is te Bologna; —glossagra, n. gr. Med. do jlcb-tlge tongpijn; — glossalgïe, f. de tongpijn;

— glossanthrax, m. peslkool aan de tong, kwaadaardige tongblaren; glossopiglót-tisch, adj. tong en strotkiep betreirendo; — glossitis, f. de tongontsteking, tongbrand;

— glossocöle, f. de tongbreuk, liet kramp-nehtlg uitsteken dor tong; — glossodósmus, m. de tongriem; — glossograaf, m. een kantteokonaar, glossensclirUver; — glosso-graphie, f. de tongbeschryvlng; ook het schrijven van kantteckoningon; — glossola-lie, z. g lot to la lie; — glossologie, f. de tongleer; loer van de talen, de taalleer z. glottologio; — glossoloog, m. oon taalkundige; — glossol^sis, f. de longverlamming met verslapping; glossomanie, f. /.. g lotto manie; — glossoman tie (spr. I=ls), f. de tongwaarzeggerij, de kunst om uit den staat dor tong tot eene reeds aanwezige of zich pas ontwikkelende ziekte te besluiten;

— glossóneus, in. een longgezwel; glos-sonomie, t. leer der taalwetten (gramma-I ica); - glossopalatinisch, adj. long en verhemelte hel rellende; — glossopétren, pl. longsteenen, slangetongen, versteende haale-tamlen;--glossopharyngisch, adj. tong en keel betreirend; — glossoplogio, f. de tongveriamming zonder verslapping; — glos-soptösis, r. de ullzakking der tong; glos-sorrhagie, f, bloedvloeiing uit deiongvaion;

— glossosclrrhus, m. een knoestgezwel van de tong, tongkanker; - glossoskopio, f. het bezien, onderzoek dor tong; — glos-sospasmo, n. de tongkrnmp; — glosso-staphylinisch, adj. long en huig betreffende;—glossotomie, f. de tongontleding.

Glottis, f. gr. de stemspleet, luchtpyp-spieet; — glottolalie, t. of glossolalie, f. (vgl. glosse) het spreken in vreemde talen; in den Hybel (handel, der Apostelen) het spreken in longen of In vreemde talen der Apostelen door een wonder op den Pinksterdag; — glottologio, f. de taalleer, wetenschap, geschiedenis der talen; — glottomanie, f. de overdreven zucht om vreemde talen te sproken.

Glouton, m. fr. (spr. (itnttóii, van \'t lal. Itluln, gonlt. glulunis, een versllndor; nlutire, verslinden) een veelvraat, slokop; — glou-tonneno, f. do gulzigheid, vraalzuchl.

gluant, adj. fr. (spr. nlmh) kleverig.

Glucino, glucose, z. end. glyceria.

Gluckismo, n. Muz. de voorliefde lot de muziek van (liuck (gest. ns7); — gluckist, m. de aanhanger, voorstander van (ilueks muziek (in tegensl. met die van l\'iccinl, de zoogenaamde p icc 1 nis t en).

yluma, uluméllu, f. lal. Bot. tiet kaf der grassoorten; nlunui colycina, kelkkafje; ui. corollina, kroonkafje; «/. corollina mivalvis, eenkleppig kroonkafje; ulumacSus, a, um. Hol. kafachtig. kafbladachtlg; ylumella uf nluinellula, f. lal. ho-nigsfhubjo.

Gluteeën, pl. gr. (van ylutus, het vat). Anal, do vaaispioren.

Gluten, n. lat. Chem. de Hjmstof, pian-tonlijm, een glikstofhoudend, vliezig, week, zeer voèrkrachlig, kleverig bestanddeel, inz. in hel zetmeel der graangewassen en peulvruchten vervat; ook hel kleverige vocht van dierlUko lichamen; — glutinous, adj. (i/lulindsus, a, um) kleverig en lymig; — glutinantïa (spr. Iiu=lsia), pl. (van uluiïimns, lijmend, ululinan\', lijnicn) lt;üilr, HJm-, bind- of kleefmiddelen; —-glutinatio (s|)r, lic=lsio), f. {ijlulinado), f. de samenlijming, het aaneenkleven; - gluti-natief, adj. lUmond, verbindend, satnonhoelend;

— glutine, f. Cheni. beenderigm, osseine; lllulinosus, u, um, lat. Bot. kleverig, lymig.

Glycerïa, gr. (van ulukerós, ulyky*. zoel) vr.naam; de zoele, aangename; — glycerine, f. ollezoet, eene zoetachtig smakende stol, die uil de verzeeping der vellen ontslanl, welke op verschelden wüze wordt gebruikl, b.v. om liet bevriezen van water te voorkomen, voedingsmiddelen versch Ie houden, de huid lenig Ie maken (g 1 ycerlne-zeep) enz.; — glycine of glucine, f. Bot. eeue amerlkaanscho planl mot peulvruchten; ook Min. de zoel-a a r d e ol glycine-aarde, een metaal-oxyde, in mts door Vau(|ueliii het eerst in den beryl en smaragd ontdekt; — glycium of h e r y 111 u m, n. de melalllsche basis der gly-clneaarde; — glycïon of glykion, n. zoethout ; — glycocolle, f. lymzoel, lUmsuiker, een zoetsmakend ontledlngsproducl van lym, door verhitting daarvan met vloeibare polasch gevormd; — glycose of glucose, f. drui-vensuiker, zei meelsuiker; — glycyloxyde, n. de chemische basis van alle vellen en oliën;

— glycyphagie, f. hel zoelelen, \'1 veelvuldig genot van zoetigheden; — glycy-phaag, rn. een zooletor, snoeper, zoetekauw;

— glycypïkron, n. hitlcrzuet; — gly-cyrrhiza, f. zoethoul, zoeiworlel; — gly-cyrrhizino, n. zoelboulsulker, hel eigen sui-kerachtlg beginsel alt don zoel hout worl el; — glykometer, m., z. gloukometer; — glykyskoop, m. een werklulgiot onderzoek van het sulkergchalle eener slof.

glykönische verzen, eene oud gr. lyrische verssoort (zoo men wil dus genoemd naar haren vinder, den overigens onbekenden dichter Oiykon), bestaande uit oenen lioclueus of spondeus, eenen daktyius en oenen ampid-macer of daktyius (.i_ — _ — / -i. — — •

Glyphe, Glyph, m. gr. (glyphis, f. v. (lll/plii\'in, inktM\'vcn, insnyden) Arch, cene insnede, kerf, ^roefslreep, als sieraad aangebraclil; -


-ocr page 550-

GNATHALGiK

GODRON

534

glyphanon, n. oon «nivccrijzcr, lieilol; -r-glyphiek of glyptiek, r. do sny-, kcrr-of Bruvoerkunst, do stocnsnUkunsl; do hocld-houwkunsl, hooldsnydory; — glyphisch, adj. gesnodon, gouiavoerd; — glyphogène, f. fr. oen to PlU\'iJs door den sclielkuncllgo Dolose ha m ps uitgevonden hUtmlddel voor do staalgravure; glyphographie, f. do kunst om verheven typen of platen langs galvanlschon weg te vervaardigen, om deze als houtsneden te drukken, een deel der ga I va n op las t lek; nieuw uitgevonden manier om koperplaten tot de heteekening en deu galvanisetien druk voor te bereiden; — glypten, pl. figuren lu metaal of steen gegrilTold of geheiteld; gesneden steenen-, glyptognosie (spr. s=2), f. de kennis der gesneden steenen; —glyptogra-phie, f de beschrgvlng daarvan; — gly-ptospermaten, pi. Hot. veelvoudig gekorfde zaadkornen; — glyptotheek, f. eene verzameling van gesneden steenen, ook in \'I algemeen van beeidiiouwwork, zooals de gronte verzameling van beeldhouwwerken te Munchon.

Gnathalgie, f. gr. (v, unalhns, kinnebak, wang) de wangpp-, — gnathorrhagio, f. sterke bloeding uit de uitwendige oppervlakte der wangen; — gnathospasme, n. kinnebakskramp.

Gnathon, m. gr. een parasiet.

Gnidia, f. gr. bijnaam van Venus, naaide stad (in id us in Karië, waar zij oen tempel had.

Gnooco, pl. gnocchi (spr. —Ai) meel-klont; soort meelspüs.

Gnoe, gnoedier, z. gnu.

Gnomen, pi. (fr. unnme, it. en sp. ammo) 1) aard- of liorggeesten, in de aarde wonende en schatten bewakende e i e m e u t a I r-g ee s t e n (z. aid.), waarsch. van gelijken oorsprong niet hot volgende woord, dus eig. kundige geesten; S) gr. (van nnumc, inzicht, kennis, oordeel, spreuk) gedenk- of leerspreuken; gnomï-CUS, m. een vervaardiger van gedenkspreuken, ieerspreukdicbier;- gnomisch, adj. in spreuken vervat, sproukvormlg; — gnomisehe dichters, spreukdichters; — gnomologie, f. een sprenkenboek, eene verzameling van gedenkspreuken.

Gnomon, in. gr. (eig. in \'t algemeen een kenner, aanwijzer, v. f/nónai, infin. aorlstl van gidnoskein, kennen, erkennen) het richtsnoer, de hoekmeter, winkelhaak, een zonnewijzer, astronomische wijzer; vgi. filargnomon; Arith. een getal, dal, gevoegd iiij een quadraalgetal, opnieuw een (juiidraatgetal geeft; Oeom. de figuur, ilie van een parallelogram overblijft, wanneer een kleiner parallelogram, welks diagonaal geheel in ile diagonaal van hel grooto ligt, daaruit wordt genomen-, do tand, waaraan men den ouderdom der paarden kent; — gnomonïka, f. de zonnewijzerskunst.

Gnosis, f. gr. (v. r/nonai: vgl. g n o m o n) de kennis; Inz. het hooger inzicht, de diepere, geheime kennis der chr. godsdienstleer, de gods-dlenstphilosophie der eerste chr. eeuwen; — gnoseologie, f. do kennisleer, z. v. a. me-t a p h y slok; gnosimachen, m. pl. eene christelijke secte In do quot;de eeuw, die alle leerstelsels verwierp; —gnostieken, m. pi. ge-helmkenners, zongen, godswijzen, door gewaande goddelijke openbaringen hoog verlichte christen-wysgeoren in do eerste chr. kerk-, — gnosticisme, n. do leer der gnostieken; — gnostisch, adj. geheimkundig; — gnostologie, f. alwetery.

Gnu (hottenlotsch gnoe of njoe, holi. gnu, fr. nnou of niott, eng. f/iiu of nnoo), gnoe of gnoedier, eene soort van antilopen In Afrika, het wilde beest der /aid-Afrikanen [Cato-blepas, inz. C. r/nu).

go, eng. gaan; ga, gaat, enz.; —f/o ahead: (spr. —ehèd\') ga voort, aityd door!

Gobelet,m. fr. (spr. nol)\'16: mid.lat. (jobel-lus, gobellctus, beker, provenc. cubel, cuba, kuip, klein vat, co/ia, beker, v. \'t lat. cupa, cuppa. kuip, vat) een beker, dobbelbeker der goochelaars; een drinkbeker, kop; —joueuf (spr. zjoc-) lt;le gobelels, goochelaar; — gobelétte, f. fr. Mar. een klein vaartuig met masten en vierhoekig zeil.

Gobelins, m. pl. fr. (spr. gob\'leii) fransehe bclmngsellapyten met ingewerkte figuren uit de in IBin door Colbert voor den slaat aangekochte tapytfabriek te l\'arys, welke nog eene van de merkwaarheden dier hoofdstad Is. De naam komt van de familie van Jean Gobelin, een wolverver in het midden der fiide eeuw, die den grond tot do fabriek legde.

Gobemouches, m. fr. (spr. gob\'moesj\'. van gnber, ophappen, verslinden, een woord van eelt. oorsprong) eig. een vliegenvanger; vandaar eene soort van vogels, hagedissen en planten, die zeer bedreven in hel vliegenvan-gen z.yn; oneig. een iichtgeioovige, nieuwsgierige; een Jabroer.

Gobernacion, f. sp. regeering-, regee-ringsgebouw.

God-dam, eng. (eig. Coil damn, spr. gód-dem) God verdoomo (mij)! ook scheldnaam der Kngeisehen; de goddams.

gochem of goochem, hebr. wys, ervaren, verstandig, slim.

Godet, m. fr. (spr. godè; v. arab. kadah, beker; volgens anderen van \'I lat. gullus, een nauvvbalzig vat, waaruit de vloeistof by druppels valt, van gulla, de druppel) de trechteropening, door welke \'t gesmolten metaal in den vorm vloeit.

Godfried, Godovaart, Govert, mansn. (oudd. (Inlafrll, golh. (iulhafriths) die vrede met God heefl, do met God verbondene.

Godiveau, n. fr. (spr. godiwóó) pasteitjes van gehakt viooseh, vvorstpasteitjes.

Godmiché, n. fr. (spr. —misjé) een door wellustlge vrouwen gebruikt instrument van gummi.

Godron, n. fr. (spr. godróh) eene ronde, holle plooi of vouw; «en langwerpig eivormig


-ocr page 551-

GOMPMIASIS

535

GODS

sloraml aan zilveren vaatwerk, enz., aan Hjslen van gebouwen, clcrUjstj — godronnoeren (tr. qodromer), bol plooien of vouwen, enz.

Gods, |)l. eiiR. (van God, God) de goden, (gchertsende benaming voor de toescliouwers op hoogste plaatsen (den engelenbak) In de eng. schouwburgen, omdat zij In hoogere sferen zich bevinden).

Cnd save (spr. seev) the kinn of queen (spr. kutien), God behoede den koning of de ko-nlngin. de aanvang en naam van een bekend eng. volkslied,

Goëet, m. gr. [góc/t, pi. góètes) toovenaar, bezweerder; — goetie (spr. I=ls), f. vermeende toovory door aanroeping van booze geesten, geestenbezwering-, goëtisch, adj. betoove-rend, bedrieglgk, tooveraebllg.

Goël, in licbr. (goil. het deelwoord van (/(id/, terugvorderen, lossen) een bioedwreker lii) de Joden, de naaste bloedverwant eens vermoorden, die weleer hel recht had den moordenaar op te zoeken om hem te dooden.

Goela, f. hong. kudde die des zomers flacht en dag in de open tucht hiyft; vandaar; goe-lasch, goeiasvieesch, z. golascii.

Goëlack, goelak of koelak, n. een pepergewicht op Sumatra = IJ (oud) pond; In Palembang van 1| katl = ^quot;n gram; op Java een rystgewlcllt van 7| kali = i,i«fl kilo.

Goelasch, z. golasch.

Goëlette, f. fr. Mar. een vaartuig met 4 masten van !gt;ii tot ton tonnen, schooner.

Goelistan, z. guiistan.

Goom, z. g o u m.

Goena, z. guua.

Goeni, z. gonje.

Goer, ■/.. gu r; — Goeracs, z. guracs.

Goergoerans, z. g a r g o e r a n s, g u r-

g u r a n s.

Goeroesch, m. turk. of gooroesj, z.

gersj. _

Goëtie, enz., z. oud. go tiet.

Goilb, in. II. (als adject.: onhandig, plomp; fr. qoffe, heiersch qn/f, een domkop) een domkop, lummel, eene karakterrol der Hal. Inter-in e z z I.

Gog en Magog, hebr. een gevaariyke, verwoestende vyand. (Naar den profeet Eze-chiüi Is Gog de vorst van hel volk Magog, die uit tiet noorden in IsraBI viel en de nederlaag leed. Bij Mozes Is Magog een zoon van Japbct).

Gogaille, f. fr. (spr. qogólj\': van se unquer, lustig, vroniyk zijn) een vrootyke maaltyd, luld-rnchtlge party.

Goguettes, pi. fr. potsen, grappen, vroo-lyk gezang; naam van parysche znngvereeni-gingen.

Góhles, n. hebr. ballingschap.

Goinfre, m. (spr. qotinfr\') een vraat, smul-ier, brasser; — goinfrade, f. fr. smulparty, siempery.

Gojim, pi. hebr. (slng. f/oï, d. i. eig. volk, inz. een bultcnlandscli, vyandig volk) niet-Joden,

Heidenen en Christenen; — schabbes-goï of sjabbes-goï, christenen, die voor de Joden de op Zaterdag verboden diensten verrichten.

Gola, f. it. Mnz. de keelstem.

Golasch of goelasch, m. een hoiigaarsch vleeschgerecht, uil schape- en rundvleosch met paprika (z. aid.) gekruld, vgl. goela.

Gold, n. eng. en hgd. (spr. qnntd) goud; — goldfleld, n. eng. goudveld.

Golem, m. hebr. (v. qalam, samenvouwen) eig. het onontwikkelde, de tot us; naar de Joodsche tradliio: een aarden voorwerp, dat door vurig gebed van een rabbi levend gemaakt moet worden.

Golêta, f. sp. z. v. a. goeie tie.

Golf, m. (fr. qotfe, provene. en It. qolfn: waarscbyniyk van liet gr. kólpos, eig. boezem, schoot, vervolgens zeeboezem) een zoeboezem, een aanzleniyk gedeelte der zee, dat landwaarts Inloopt.

Golgas, m. turksch, flanel, lichte wollen slof.

Gólgotha, n. chald. (gr. qolgolhs, bebr. qulunlln, v. qulq/ilelh, scliedol) de schedelplaats, de gerechtsplaats by Jeruzalem.

Góliath, m. de reusachtige aanvoerder der Piiiilstynen, dien David met zgn slinger doodde; daarom In \'t algemeen een reus, reusachtig mcnsch.

Golkónda, n. stad en ryk in Indle, beroemd als vindplaats van diamanten; lig. b. v. alle rykdommon van Golkonda.

Golok, z. gibbon.

Golubez, m. russ. een russlsche volksdans hg muziek van lier en horen gedanst of op de melodie van een volkslied.

Gom, enz., z. gummi.

Gomaristen, m. pi. eene secte der hervormde kerk, de bestryders van de leer van Arminlus (z. Arminianen), zoo genoemd naar F. Go ma rus, die in hel begin der nde eeuw hoogleeraar te Leiden was; ook Con t ra-remonstranten.

Gomer, m. eene heb. korenmaat, omtrent = i,ii liter.

Gomgom, n. een muzleklnstrumeut der Hottentotlen.

Gommeux, m. fr. (spr. —men) toongevend modelieertje, elegant, fat; dikwyis in slechten zin: modegek (de qomtneux Is In teruggaande volgorde de opvolger van den pelil crevé, den qandin, don fashinnnble, den /(on, den dandy, den freluquel, den memilleux, den incroyable, den muscadin, don pelil-maUre).

Gomórrha, n. hebr. eene stad in Palestina, welke wegens haar zonden tegeiyk met Sodom door zwavel en pek verbrand werd; vandaar lig. eene zondige stad.

Gomphiasls, f. of gomphiasme, n. gr. (v. qómithos, tand, blok, wig) bet voelbaar-of stompworden der tanden door zuren; kles-pgn; — gomphösis, f. de onbeweegiyke vereeniging der beenderen door inpinnllng, inz.


-ocr page 552-

GOMPHRÈNE

536

GORGO

der tundcn in ile tanilkassoni ook z, v. a. Kom-p li 1 a s 1 s.

Gomphrène, f. fr. (misvormd van \'t lal, gromiihasna, (lulzcntlschoon) ook a ma ra rit h I-ii c, r. Fr. ilu kogolamaraat, oon zeer sclioon zomergewas uit O.Indli).

Gonagra, n. (jr. (van nóny, knie) kniejicht; — gonalgie of gonatalgie, r. knicpüquot;.

Gonakrasie, f. sr. (van unnc, zaad) zaadvloed.

Gonda of goenda, f, oeno kleine rekenmunt in Bongalen = coinpagnieropU = 0,7 cent.

Gondel, f. (van \'I it. qondola, verkl. van flómla: vgl. later lat. qandeia, een soort schepen, gr. kómly, een drinkvat, zooals fr. gondnle) een plat overdekt vaartuig in de grachten van Venetië, pieiziervuartiilg; ook eene fransehe boot in de Middellandsche zee; —gondelier, fr. (spr. goml\'ljé), (jomloliére, li. m. een gon-delschipper, gondelvoerder; gondoliéra, f. een schipperslied der gondelvoerders te Venetië, van statig kiagenden of heroïscheiuiard.

Gonedi, m. een munt in Tripolls = I cent.

Gonfalón, fr. of gonfalóne, it. m. oudfr, en prov. qonfannn, van \'t oudd. tiuml-fano, krggsvaan, v. gmd, kryg, stryd en funn, doek, vaan) de kleine vaan aan de lans; ook de kerkhanler-, — gonfalonier, fr. (spr. (loiifalonjé) gorifuloniére, il. m. de vaan-of hanierdrager, haanderheor; het opperhoofd der ital. republiek San-Marino; ook een poii-tie-beamble in de provinciën van den Kerkeiij-ken Staat.

Gong of gonggong, f. maieisch muziekinstrument, bestaande uil twee klankbekkens, die aan een slaand rak zyn opgehangen en waarop met een houten klepel wordt geslagen.

Gongorismo, n. do gezochte duistere en gezwollen styl, ook cstilo rulln, beschaafde of sieriyke styi genoemd, in den trant des spaan-schen dichters Gongora (liitil—1(127); — gongoriston, m. pi. leerlingen en aanhangers van Gongora, die zijnen scbryftranl navolgden.

Góngros, m. gr. eig. een rond uitwas, dal zich op den stam der boomen vormt; Med. «en rond, kraakbeenig uitwas; —gongröne, f. naam door llippokrates aan hel kropgezwel gegeven; ook hel krampgezwel der slagaderen.

Gong^lus, m. gr, (v. uonnijlos, rond) Bol. het ronde lichaampje in den bast van vrouwe-lyke planten vervat, de kiemkorrel; — gon-gylon of gongyliën, f. pi. kleine ronde balleljes, pillen.

Góniometer, m. gr. (v. qunin, hoek) oen hoekmeter; - goniometrie, f. de hoekmeot-kunsl, de leer der hoekmeting.

Gonje, goeni, soort van grove zakken tot verpakking van sommige handelswaren (vervaardigd van vezels van Cnrchorus)-, — gonje-tapijt, uit dergelijke vezelstof vervaardigd lapyi.

Gonne, f. fr. Mar. fust voor wUn, sterken drank, gezouten vlsch; ook teervat.

Gonocêle, f. gr. (van »oac, zaad) Med. zaadbreuk, zaaduitstorting in het celweefsel van \'t perineum; — gonopoea, pi. zaadverwek-kendo middelen; — gonorrhoea of gonor-rhée, f. de onwillekeurige zaadvloed (niet te verwarren met biennorrha-a); — gonose-mïe, f. veelvuldig zaadverlies.

Gonyagra, n. gr. (v. f/óiij/, knie) z. v. a. gonagra; — gonyalgie, f. z. v. a. gonalgie; — gonyankon, m. Med. zlekeiyke kromming der knie;- gonyóncus, m. kniegezwel.

good, iidj. eng. (spr. f/oci\') goed; ook subsi, het goed, de waar, b. v. fancy-goods, ga-lanteriOn, luxe-artikelen.

Goolette, f. eng. (spr. (jodel\') een boot voor de kabeljauwvangst in Noord-Amerika,

Goose, f, eng, (spr, goeï) pi, geese (spr. gin\') gans.

Goph, volgens de KabbUnen het verblyt der zielen lol op het tydstlp van hare omkiee-dlng met lichamen.

Gordiaansche knoop (lat. «oi/hs gnr-dfim), m. de kunstig ineengestrengoide knoop aan den wagendissel van den phrygischon koning Gord lus, die niemand vermoclit te ont-knnopen, maar die door Alexander den Grooten met hel zwaard werd doorgehouwen; vandaar in \'t algemeen een zeer Ingewikkeld vraagstuk, eene hoogst inoeliyk te ontwarren, to beslissen zaak, eene omstandigheid, waarin goede raad duur is, een allerneleligst geval; den gordiaanse hen knoop doorhakken, door een besiissenden stap, een stoute daad, enz. eene zwarigheid uil den weg ruimengordïën, pi. iiw.iat. draadwormen, b. v. do zenuwworm, farenteit of het guineescho draakje in Oost- en West-IndiC, enz., dal soms t meter lang is, gaarne onder de huid der menschen kruipt en pyniyke hullen, enz. veroorzaakt.

Gorge, f. fr. (spr. gonj\'; provenc. en 11. gorga, strot, gorgel, it. aorgn, provenc. nnrc, fr. finrl, unrd, gour, draaikolk, van \'l lat, uur-ges, draaikolk) de keel, gorgel; hals en borsl, boezem; Arch, holrond loofwerk, holiysl; een nauwe bergpas; de Ingang of keel van een bastion of buitenwerk; — norge do pigeon (spr. —pizjóii) duiveniialskleur, d(^ weerseliyn In zekere zyden slolTon; — gorgerot, m. (s|ir. gor-zjerè) de wegwyzer, een goolvormig heelmees-lerswerklulg, hy het steensnyden in gebruik.

Gorghegghio, It. Muz. studio of oefening voor den zanger tot vorming zyner stem (fr. vocalise).

Górgo of gorgóne, f. gr. Myth, een spookachtig vrouwelijk schrikbeeld of monster; pi. gorgónen, drie zusiers; St he no, K u-ryaia en Medusa, dochters van l\'borkys en Keto, met slangenharen, ontzagiyke tanden en metalen klauwen, wier aanblik versteende; vgl Medusa; ook een bynaam van Minerva,


-ocr page 553-

GORILLA ölil GOUVERNKEREN

omdnt zy liet hoofd van Medusa op haar schild had; — gorgónisch, adj. cIk. vrccsclijk, schrikwekkend, Useiyk; steenatzettend, verstce-uond, met eeno sleenkorsl overtrekkend, «ver-korstend, gol|jk dit 1). v. de liron to Karlsbad doet.

Grorilla, m. do groolste afrlkaansche hoscli-aap, dioden mensch het naast staal, niet recht-opstaanden gang, vroeger ook hoschmensch genoemd.

Goris, oene kleine bengaalsche rekenmunt, ongeveer een halve cent.

Goróch, m. russ. erwt.

Gorodnitschij, m. russ. (v. norod, stad) pollttelioofd, stadsschout in russ. hoofdplaatsen; — gorodowöi, stedeiüke politle-ngcnl, poli-ticsoldnal.

Gorsji, m. pl. perzlsclie lichte ruiters, die hestendig in het veld legeren; — gorsji-basji, hun aanvoerder.

Gos, gooz ut gaz, m. (hind, kös) oene Indische lengtemaat = I eng. yard = 0,914 meter; ook in PorzlB en AruhIB en in verschillende grootten.

Goson, gosi, m. pi. russische hof-facto-ren of kooplieden, die enkel voor liet hof handelen.

Gossudarj, m. russ. (ontslaan uit gos-podarj, vgl. hospodar) de keizer, koning; hu het aanspreken: liwe Majesteit; — gossudarj imperator, /,. M. de keizer; — gossudarynja, f. de keizerin, koningin; hy het aanspreken) liwe Majesteit; — gossudarynja imperatriza, II. M. de keizerin.

Gostinny-dwor, in. russ. (van nostj, vreemdeling, gast; vandaar het adj. finslinny, van den vreemden koopman, en ihror, hof) oorspr. het koophuis der vreemde handelaars; nu in liet algemeen: koophal, koophuls, heurs.

gothisch, adj. den Golhen (een oudd. volk) eigen, h. v. de gothische taal; oneig. voor ouddultsch, uit de llde tot de ISde eeuw, li.v. gothische houw kun si: ook in den stül of smaak dezer houwkunst, met spilshogen, krulsleraden, enz.; vandaar gothische letters, versierd, meest mei krullen overladen monnikenschrift. Do Italianen gehruiken ffó/fco, de Franschen onlhique (spr. notiek\') In In^t algemeen voor ouderwetsch, oudmodisch.

Gottfried, m. z. (iodfrled.

Gottlieb, m. (oudhgd. (inlleiigt;) de van God overgelalene of verschoonde.

Gouache, f. fr. (spr. qnedsj\': II. (iikizzo, van quuzzare, zwemmen, baden; van hel dult-schc waschen, iimche, oudhgd. timscan, umca) het schilderen met dekverven, waarin een weinig gom is opgelost, waarhü de liehle plaatsen door wit of geel afgezet worden; ook dé-trempe; — en gomchc (spr. «« unedsj\') op dergelijke wyzo geschilderd.

Gouden bulle, z. hulle.

Goudron, m. fr. (spr. qoeclrnii) leer, dik vloeibaar overblUfsel bU de lecrdlslliialie.

Goufïre, m. fr. (spr. qnefr\') de afgrond, kolk, poel, draaikolk, maalstroom.

Goulams, m. pl. Mil. perz. corps uil slaven, slavenzonen, renegaten enz. samengesteld; — goulam-agasi, de aanvoerder dier honde.

Goulardseh water (spr. ml—) een verkoelend en Opdrogend water dor wondheelers, dat eene loodoplosslng bevat (naar den wond-heeler Thomas Goulard te Monlpelller, omstreeks nSfl benoemd).

Goulasch of hoog. goulacz, n. z. go-la se li.

Goulu, m. fr. (spr. f/oclii,- als van \'tlat. gululus, voor gulosus, van nula, slrot, keel) een vraat, gulzigaard, slokop; N. II. de veelvraat.

Goum, m. (spr. noem) oorlogscontingent der met de Franschen verbonden slammen in Afrika.

Gourgandine, f. fr (spr. uoernaiidién\') eene hoer, straathoer.

Gourgouran, m. fr. (spr. noergoerdn) v.. v. a. gurguran.

Gourmand, m. fr. (spr. ijnermdii ■, vgl. bet provinc. fr. uourmer, slurpen, (lOunnBcher, on-zindelUk eten, f/oitrme, uil vloeiing van sHiinige vochten door den neus bij paarden en kinderen, oudn. nnrmr, siyk) een gulzigaard, vraat, sterke eler, een smuihroer, lekkerbek; vgl. fri-a n d; - gourmandise, f. fr. (spr. —diéz\') vraalzucht, zwelgerij, hrasserü; lekkerbekkery, belustheid; ook een lekkerbeclje; — gourmet, m. (spr. iiocnnè) een wünkenner, wyn-proever; —gourmette, f. de kinketting aan het stanggoblt der paaiden.

GoÜt, m. fr. (spr. (/oc,- van \'tlat. uuslus) de smaak, het wolgevallen; d .ion uoül, naar zynen smaak; chacun (siir. sjakuin) a son floitl, leder beeft zyn smaak; dernier (spr. dernjé) noi\'U, laatste smaak; —gouteeren, proeven, smaken; een kleinen maaityd houden, eene vooravond-boterham gebruiken; smaak, behagen, welgevallen In Iets vinden, iels mogen iy-den, goedkeuren, blliyken, beamen; gouter of gouté, ii. (spr. (ineté) het vooravondelen; z. v. a. vesperbrood.

Goutte, f. fr. (spr. noett\': van \'tial. gulta, droppel) I) droppel, beetje, weinigje, proefje, slokje; 2) Med. de jichl, oudd. Tropfen, zoo gehecten, omdal men de oorzaak dezer kwaal aan zekere uil de hersens nedervallende droppels loeschreef; — noulte d\'or, fr. (spr. noel\' dor) elg. gouddruppel; een wille bourgogne-wyn.

gouverneeren, fr. (spr. f/oc—; van \'i lal. duherniïre, eig. sturen, het roer houden) besturen, leiden, gebieden, bebeeren, beheerschen, regeeren; — gouverneur, ni. (spr. qoeiv—) stadhouder, bestuurder eener provincie, vesting enz.; plaals-oversle; ook landvoogd; een huis-opvoeder en leermeester, klnderbestuurder; — gouvernante, f. de landvoogdes; de opvoedster, kindervoogdes; aan boven: de opperhof-meesteres; gouvernemént, n. fr. (spr. qoewern\'mdii.- mecslal als nederl. —ment) het


-ocr page 554-

GRAAL

GR.

538

studhotulerschup, het Roblod, do werkkrlnK van een sliidhoudordo lundvoogdU; ook hel staats-lichcor, do regeorliiK on rogeorlriRsvorm; gouvernementaal, gouvernementeel, adj. van do roKOorlng ultgaaiido, dio botroltondo; — governo, m. It, hot boricht, do aanwyzing, do rogol, hot rtctitsiioor, waarnaar b.v. oen commissionair zloh te gedragen heeft; — per qovérno, tol naricht, lol richtsnoer, tot bestuur In de handelwüzo; — per ijralo govlmo, tol richtsnoer naar helleven; — governatore (s|ir. r=«j) Hal. de schout, burgemeester in Hal. plaatsen; — govierno, m. sp. ■/.. v. a. g o u-v o r n o m e n l; — governor, m. eng. regelaar, druk-regulateur, ecu toestel in de boofdbulzen dor gasleidingen, om den druk van het gas te regelen en hot gelUknialig branden der vlammen te bevorderen, uitgevonden door Sam. Clogg in Engeland.

Gr., bü naluurwetensch. benamingen alk. voor Oravenhorst (g(!st. issi).

Graad, m. (lal. nradus, pi. uradus: schrode, trap) do grootte der kracht van eenlg ding (Intensieve kracht); een der evenmatig geiyke doelen, waarin een geheel wordt verdeeld; Math, een gedeelte van den omtrek eens cirkels, het volgens de gewone, bot volgons de nieuwere verdeeling; iedere grand (0) wordt volgens de eerste verdeeiing in (10, volgens do tweede in l(io minuten (\') verdeeld, de minuut In «0 of 100 seconden (quot;), do seconde in (in terzon (quot;\') enz.; (\'enigszins anders is de afdeeling in graden hg physlsche werktuigen; eone waardigheid \\an geleerden, eeregraad ot eerrang op hooge-scholen, b. v. de doctorsgraad; de afstands-botrekking van gemeenschappeiyko stamouders, graad dor bloedverwantschap, afstamming, enz.; (jradus, Gram. vergolUkingstrap (z. pos 111 vus, comparativus en superlai ivus, de stellende, vergrootendo en overtreiTcnde trap); pro liradu disputeeren, tot verkrUging van een academlschen graad eene verhandeling (dissor-latie) of betwistbaro stellingen (theses) openiyk verdedigen; — gradus admoniliuuis, pi. de berispingen en waarschuwingen, die de kerkeiykc stratTen voorafgaan; firadtK ad Pamdssum, eig. eene schrede (of een trap, d. i. do eerste trap) naar den Parnas (z. ald.jj een alpliabctiseh woordonboek mei opgave der quantitclt van ieder woord, de geiykheteekcnde woordon, gepaste byvoeglyke woorden en poetlsche uiidruk-kingen, inz. ten gehrulke der leerlingen hy de oefeningen in liet maken van latijnsche verzen; r;r. cognalionis, de verwantschapsgraad; ffr. p®-nitenlialis, pl. de verschillende trappen der kerkboete; qr. prohibflus, de verboden graad, eene verwantschap, bij welke gcene eclitverbintenis mag plaats hebben; per gradus of gradSlim, adv. trapsgewys, allengs, langzamorband; — gradas, pi. sp. de laatste plaats iu den sp. schouwburg, de galery -, — gradatie (spr. lt;= Is) fr. (lal. grndahn) de trapsgewyze (ijikiim-ming, voortgang; Log. de opklimming, de trapsgewyze overgang van eene zwakkere tot eene sterkere gedachte of uitdrukking; z. climax; Piel. de onmerkbare kleurveiandoring, overgang, ineensmelting der kleuren; — gradatie, f. barli.lat. de indeeling in graden, graadverdee-llng; ook z. v. a. gradeering; — gradins, pi. fr. (spr. gradeii!, gradinen, (11. gradindta, f. pi. gradindle, v. gradino, trap) trapsgewys oplooponde zllbankon in schouwburgen, kermis-lenlon enz.; - gradino, m. II. de onderste trap van eim altaarstuk, z. v. a. pro de 11a;

— gradeeren, nw.lat. louleren, verdeelen, lol oen hoogeren graad van deugdeiykheid brengen, b. v. hot goud gradeeren, hot eene hoogere kleur geven; by do zoutwerken: hel zoutwater door verdamping (gr a dee ring) in zOulheld verhoogen, waarhy men hel eenige malen door opeengestapeld rysliout in zekere pannen (gradeerpannen) laat druipen; zulk eene Inrichting heet een gradeerwerk, gradeerhuis, een lekwerk of verdanipingsliuls;

— grado, 11. Muz. trapsgewyze, als de noten van de eene lyn naar de andere gaan en wel: di grado ascendenle (spr. sc=sj) opklimmend en di grado descendenle, afdalend; — graduale, ii. nw.lat. by de K. Kalh. hel korte tusschcn-gezang (licslaande uit de zoogonaamde gra-duaalpsalmen, d. i. psalm lan—180), dat hy de mis na het voorlezen van den epistel gezongen wordt, terwyi de priester zich op de trappen {gradus) van het altaar bevindt; ook een boek dal die psalmen bevat; — gra-duaal-systëma, n. Jur. do bepaling der erfopvolging volgens den afsland van den ver-wnnlschapsgraad, In tegenst. met het 11 n e a a I-systeniii; — gradueel, adj. on adv. (fr. graduel) trapsgewyze, hy opklimmlag, allengs;

— gradueeren, nw.iat. naar trappen of graden afdeolen; ook met eene academische waardigheid bekleeden, promove oren; — gegradueerd, adj. oenen graad of waardigheid hezlllendo, li. v. een gegradueerd persoon, die eene acadeniisebe waardigheid heeft, ais candidaal, meoster, doctor enz., een ge-pr om o veerde-, — graduatie (spr. l=ls) f. mid.lat. de graadverdoeling, afdeeling in graden; Oram, de plaatsing in de vergeiyklngs-Irappen, z. v. a. com pa ratio; de hokleoding mol eene waardigheid op hoogescholon, ook g r a d u e e r I n g.

Graal, m. (oudfr. graal, gréal, grasal, pro-vene. gr at al, van \'t mid.lat. gradalis, gradale, als ware \'1 lat. cralalis, van crater, cratera, mid.lat. miliis, een mengval) eene kostbare diepe schaal of een schotel, als tafelgereedschap, Inz. dc heilige graal, volgens de sage der mldileleeuwen eene schaal, uit oen lichtenden edelsteen vervaardigd, waarvan Chris-lus zich by hel avondmaal bediend en waarin Joseph van Arimalhen het bloed uil de z.ydc des Gekruisigden opgevangen zou hebben; later als wonderdoend heiligdom door de riddor-schap der lomjilisteii of graalridders bewaard; hot niiddolpunt van verscheiden epische dlchl-slukkea uil de middeleeuwen.


-ocr page 555-

GIIABKAU

GRAM

539

Grabeau, n. fr. (spr. (jruhn -, v. urabeler, zitten, Int. crihellare) de afval, het gruizige van droge waren, z. v. a. tu s 11; — grabelage, f. (spr. ladzj\') hot zitten, zuiveren eener waar, Grabouge (spr. graboezj\') nt grabuge (spr. —buuzj\'), f. fr. (provenc. grabusa, van \'t urmor.-celt. krubisa, krassen. It. garbuglio) elg, liet getwist, gekibbel-, een zeker kunrlspel.

Gracchus, m. romelnsche famlllenaain, \\an \'t Sempronlsch geslacht, uit hetwelk de helde onrustige volkstrlhunen en hrooders, Tl-herlus en Gajus Seinpronius Gracchus, zun voort-gekomon; vandaar: quis luleril Gracchos de seditione querenleswie zou de Gracchussen kunnen dulden, als zü zich over oproer hekla-gen, d. I. wie Is gerechtigd, zich over oproer te heklagen, dat liy zelve verwekt beeft of dat li ij steeds geneigd Is te verwekken.

Grace, f. fr. (spr. grds\', v. hel lat. urtiiïa) de genegenheid, gunst, genade, gratie; llefe-lUkhoid, bevalligheid, bekoorlUklieid, weivoeg-lUkheid, aardigheid, gratie; yrAce a Dicu, (iod z\\i dank! God lof! do grdce, niet verlof, ei lieve! de bouw grdce, met bevalligheid en waardigheid, met innemende manleren; gaarne, gewillig; de mauvaise grdce (spr. d\'mowèt—), ongaarne; par (jrdcc, uit gunsl, uil genade; — co»;) de grdce (spr. koe de gras\'), genadeslag, elg. de slag dien do lieui den veroordeelde geeft om een spoedig einde aan zün lijden temaken;

— jeu des graces (spr. zjeu—), m. naam van een spel, waariiy men eikander door twee slokjes een of doorgaans twee hoepeltjes toeworpt om die op te vangen en terug te werpen -, — gra-ciëus, adj. (fr. gracieux] of gratiëlis (spr. /=/.«), lat. {graliosus, a, urn) bevallig, liefeigk, lieleefd, innemend, goedgunslig, genadig; vgl. gratie; — gratiositeit, z. ond. gratie;

— gracióso. m. sp. dc grappenmaker, komiek op spaansebe toonoolen.

graciel, adj. lat. {gracilis, e) slang, rank, tenger; — gracilïtas, f. rankheid, lenger-held, spichtigheid.

Graciennes, pl. fr. (spr. grunsjèn\') wit-garen, dubbel linnen.

gracieus, gracioso, z. end. grace. Grad, Slav. (russ. gnrod) stad, burg (vgl. Ilelgrad, Wllstad, Wlllenhurg, Slargrad of Star-gard, oudstad, oudeburg, enz.)

gradévnle. It. Muz. aangenaam, bevallig; t/ra-ditaménlc, op llefelUke manier.

Gradivus, m. lat. (v. gradi, slappen) een liijnaam van Mars; de slappende.

Gradonatschalnik, m. russ. (van het veroud. grad, z. v. a. górod, slad en mlschal-nik, opperhoofd, bevelhebber) de sladskomman-dant, gouverneur eener russ. slad.

Gradskoi sakon, russ. hel romelnsche (byzantpsche) recht.

Gradus, graduale, gradueeren, enz., z. ond. graad.

graecus, a, urn, adj. lat. grleksch; graeca fides, gricksche trouw (spreekwoordelijk gebruikt voor woordbreuk, omdat onder de grieken, luz.

de Thessaliers en Lokrlfirs, ook de Lacodomo-niörs meineed zeer gewoon was); graeco more bibere, naar grleksch gebruik drinken d.i. eerst den goden en den vrienden een glas wijden; grueca, n. pl. lal. grleksche geschriften, boeken of werken; graeca sunt, non legünlur, \'t is grleksch en wordt niet gelezen ; onelg. \'1 Is moeilijk, w|j moeten \'t overslaan; — Graecia, f. lal. Griekenland; i:. magna, Groot-Griekenland (bU de romeinen de collectieve naam voor do gr. koloniën in Onder-ltallU en Sicilië; — graecisme, n. nw. lat., ecno eigenaardigheid der gr. taai, ook bol Ion Isme; — grtecisee-ren (spr. .v=r), grleksche taaieigens Inmengen, op griekschen trant sproken, vergrlekschen;— greeciteit, f. (later lat. graectlas) de bijzondere aard van do grleksche laai en gr. zeden; — grsecomame, f lat.-gr., de navolgings-, nailpingszucht van het grleksch; greeco-maan, m. een overdreven bewonderaar en navolger der Grieken.

Grtjeen, f. pl. gr. (Grdtai, elg. de ouden, pl. van (/raid, voor getaid, de oude, de oude vrouw) Myth, by lleslödus de beide dochters van Pliorkys en Keto, Pephredo on llnyo, niet schoone wangen maar grijze baren van haar geboorte af; bU lalero schrijvers zyn er drlo: l\'empëredo of l\'ephrldo, Entoon Jiono; zü hadden met haar ilrleün slechts een oog en (\'enen tand, konden alleen den weg tol de Gorgon en en bewaakten de wapens, waarmede Medusa alleen gedood kon worden.

Graffage, f. fr. (spr. grafidtji het bedrukken eener slof met figuren door middel van beele platen.

Graffito of grafflato, n. It. (v. graf-fiare, krassen, v. grajjio, provenc. grafin, haak, klauw, van \'1 oudhoogd. krapfo, ftrap/io, nw. hoogd. krapfen, haak, kram; vgl. sgraflln en s c li r a f f e e r e n) l\'icl. grys in grijs, het grauwe waterverven op murea, waarbij men oenen vooraf zwarl gemaakten muur met wille kalk bestrykl. en daarin dan eene leekoning zoodanig Inkrast, dat de zwarte grond te voorschyn komt.

Grain, m. fr. (spr. gre/i) en eng. (spr. green) koren; korrel; ook z. v. a. grein (z. aid.); grain d\'orgc (spr. dorzj\') gerstokorrel; ook als naam van weefsels; — grains, pl. eieren van zydewormen; — gegraineerd, z. ond. g ra num.

graines d\'Avignon, pl. fr. (spr. greii dawienjóii) Avignonsche bossen, gele bessen van verschelden Kbamnus-soorten om geel te verven.

graisseeren, (spr. gröss—), fr. graisser, van graissc, vet, smeer; gras, vel, van \'Mat. crossits) met vet Insmeren, snieren; - grais-sage, f. (s|ir. grissddzj\'), het insmeren, smoren.

Grallatöres, m. pl. lal., slellloopers, slcll-dansers op de oud-rom. looneolen.

Gram, n. fr. (gramme, van het gr. gramma) de eenheid van liet decimale of metrieke stelsel van gewichten, het gewicht van I kubiek centlmeler gedestilleerd water in den toestand van zyn grootste dichtheid en in eene


-ocr page 556-

GRAM 1^5

540

GRAND

luchtledige ruimte gewogon, liet ncd. wlelitje 0\' ttutït V!ln hot kllogrnm of ncd. pond, of omtrent T van hot oude of nmsterdnmsche pond; — decagram of fr. decagramme, v. gr. iléka, tien) een gewicht van 1quot; grammes, 1 nod. lood of yjj, pond; — hectogram of fr. hectogramme, (v. gr. he-katón, honderd) oen gewicht van loo grammes, I ncd. ons of TV pond; — kilogram of fr. kilogramme, (v. gr. rhilioi, duizend) een gewicht van lOOO grammes, I nod. pond; — myriagram of fr. myriagramme, (v. gr. myrioi, tienduizend) eon gewicht van 10000 grammes, to nod. ponden (hel heette aanviin-kcliik ook centibar); — decigram of fr. decigramme, (v. Uil. decern, lien) ecu Hondo deel van hot gramme, dc korrel of „J pond; — centigram of fr. centigramme, (v. lat. centum, honderd) eon honderdsle dool van hot gramme, rvvvvv pond; — milligram of fr. milligramme, (v. lat. mille, duizend) oen duizendste doel van het gramme,

pond.

Gramiso, f. lat. taaie slgm der oogleden, oogboter.

G-ramina, n. pl. lat. (van den sing. f;ra-men, n. gras), of graminéën, (lal. urami-nea, van (iraminHus, grazig) grassen, grasplanten, grassoorten; gramindm, «, u/n, Int. Hot. grasaclilig; — gramineus, adj. (lat. grn-mindsux, o, urn,) grazig, grasrük.

Gramma, n. gr. (pl. f/rémmala; v. ara-phein, schryven, tookenen, enz.) een scbrlfttoo-kon, eene loiterschrift, opschrift; ook een gewicht van 2 atllsclie obolen (vgl. gram);— grammatika, f. lat. (gr. ummmatikc), grammaire, f. fr. (spr. qramèr\') de spraakleer, spraakkunst, do vorzamoling dor regelen eener taal; — grammarschools, pl. eng. spr. (/remmer skoels) de inrichtingen lor voorbereiding voor universitair onderwijs In Engo-land (onze gymnasia); — grammaticus, m. (gr. urammatikós) oen spraakkurisienaar, iaalleeraar, taalkundige; nrammatici cerlant, lat. «do spraakkunsligen twistenquot; d. 1. de geleerden zijn hel er niet over eens; — grammaticaster, m. een ellendig, gebrekkig taalkenner; een schoolvos, een letterzifter; — grammaticaal, adj. (lat. qrammalicalis, e), de spraakleer hotroilende, daartoe boboorendo, iaaikundig; — grammatisch, adj. (lat. lirammaHciut) volgens do spraakkunst; gram-in a 11 s c h-j u I s I, taalkundig juist, goed gespeld, uitgesproken, enz.; — grammatisten, m. pi. bü de oude (Iriekon: loormeestors der gram-matistlka, d. i. de kunst om juist te spreken, te lezen en te schrijven; - gramma-tolatrie, f. de lelterdlenst, overdreven ver-eoring van do letter mot achlerstelling van den geest of zin; — grammatologie, f. do grondregels en de aanwyzlng ter vervaardiging eener spraakleer; — grammatológisch, adj. die betroilonde.

Gramme, m. fr. (spr. firam) de eenheid van bet gewicht In Frankrijk veelvouden en onderdeolen z. oud. gram.

Grammiet, m. gr. (van gramma, z. aid.) Min. lettorsteen, roede jaspis of agaat, met witte ieltervormigo stropen geteekend; ook eene soort van varenkruid.

Gramonie, f. fr. Kmt. de aftrok of korting o|i do zydebalen in de Levant, boven de gebniikoiyke tarra.

Gran, m. eene rekenmunt in O. Indië, te Galllpoli ongeveer = I; cent.

Granaat, m. en n. mid.lai. {firniuitus, sell. lapis, steen, van \'t lat. nranmn, korrel, dewyi by doorgaans in den vorm van kleine, korrels wordt gevonden fr. grenal) Min. do bloedsteen, oen gering edelgestoente, Inz. In Uobemen, van verschillende (meestal bloedroode) kleur en door-zichtlgheid; — granaat, f. Bot. de vrucht des granaatbooms (Punica granalum), de granaatapxjel, (lat. nranalum, sell, malum, d. I. oig. mei vele pitten of kernen voorziene appel), in de oudheid bet zinnebeeld dor vrucht-baarbeid; Mil. oen brand- of springkogel, een bolle kogel; die met krult gevuld en geworpen wordt, dus genoemd naar de grootte en gedaante, die men hem vroeger gaf; fr. grenade, vandaar grenadier (vroeger g r a n a 11 e r), m. woleer een granaatwerper, oen soldaat, die granaten wierp; keursoldaat der Infanterie;—ffre-nadier lï checal (spr. urenadjé a sj\'wdl), een stornirulter, grenadier te paard; — grana-tlno, f. 1° do uit do schillen der onrgpe vrucb-len van den granaatboom verkregen krlsialll-seerbare hittore stof; ook: z. v. a. mniiniet (z. aid.); i0 (fr. qrenadine) eene vaste zydesoort, inz. voor de zwarte kant; — granatiet, m. z. si au rol lib; — granatoëder, m. of granaat-dodekaëder, m. z. v. a. rbom-boldale dn dek neder, zlo onder d ode-ka ëd er.

Granatine, granatiet, z. onder gra-n a a t.

Grand, fr. (spr. qruiï; v. \'t lat. qrandis) groot, gowlebilg, voornaam; grand bien vous fasse (spr. graii bjèn me fd-iquot;), wel bekome bet u!; —grand, n. fr. of grando, n. It. een kaartspel, waarby zonder troefkaarten zooveel mogoiyk trokken gemaakt wordt; — gran— daoviteit, r. (lat. gmndcBvftas) do lange levensduur. lovenslongto; Inz. de leeftyd boven 90 jaar; grand-aumönier, m. fr. (spr. grandnmonjé) do groot-aalmoezenier; - grand— barré, n. fr. Muz. bet aanslaan van alle zes do snaren der gitaar mot den wysvinger der llnkerband; — grand-casco, z. casco; — grand-cornet, m. (spr. knrnè) d. i. clg. grooto boren: het grooto kornetregistor van het orgel; — Grand Cross of the Bath, eng. grootkruis van de lialb-ordo (z. aid.); — grand-due, m. (spr. grauduk), grootber-tog, grootvorst; grande-duchesse (spr. grand\'drnjès\') groolbortogin, grootvorstin; — grand-jésus (spr. zjezü), eene papiersoort van groot formaat, groot jozuspapier; — grand


-ocr page 557-

GRANDISON

GRAPPE

541

merci, groeten dunk, wol verplicht — grande misère, fr. (spr. firaiid\'nüzèr) In het l)0sl0n-spel: zeven trekken; — grande misère fnrcée, Jiehl trekken, en (jramk misere nuverle (spr. oewerf) tien trekken; — grand monde, f. de (.\'roote, voorname lieden, de grootc wereld; — grande mode, zeer gelirulkelUk, Kftng-hiiar of in zwang; — grand-seigneur, m. (spr. —sènjeur) een groot, Inz. hoogmoedig heer; de groote heer, turksche keizer; — en grande tenue, In t feesteiyk gewaad, In\'t staatsiekleed;

— grand-teint, m, (spr. —ten) echte of hlyvende kleuren (op lakens, enz.), schoone, heldere kleuren, uil dure krulden hereld; — grand veneur, in. opperjagermeester; - grande, m. sp., elg. In \'1 algemeen een grootc, aan-zleniyke; pl. grandes, de voornaamstcn des adels In Spanje, z. v. a. lords; — grandeur, t. fr. de groolheld, hoogheid, waardigheid, heer-lykheld; een titel der bisschoppen; — gran-dézza, f. it. (sp. grandéza) de waardigheid van een grande: de defllgheld, hooghartigheid, trots, grootschheld; ook hel hoogmoedig, trotsch gedrag; — enn grandézza, It. Muz. met waardigheid, fierheid; — grandidenlalus, a, urn, lat. Rot. groolgeland; — grandiëus fr. grandiose, adj. (it. grandinso) groot, grootseh, verheven; — grandiositeit, f. in de schoone kunsten: de groolsche nianler, verhevenheid, hreedheid van uitvoering; — grandiftórus, a, «m, nw.ial. Bol. groothlocmig, met grootc hloc-men; — grandifotfus, a, um, lat. Kot. groot-Jdaderig.

Grandison, m. eng. een held In deugd, naar den naam van den hoofdpersoon in K1-chardsons roman van dien naam.

Grando, f. lat. de hagel; Med. de hagelkorrel in het oog.

granum, n. lat. een korrel; pi. grand, korrels, zaden, hezICn; — granülum, n. een korreltje, greintje; granum salus, een korreltje zoul, d. 1. een weinig versland of oordcel; cum i/rano sa/is, mei nadenken en welhezonnen oordeel; in gra-nülis, in kleine korrels; — granaliën, pl. uw.lat. de gekorrelde massa van metaal, Inz. het koekvonnlg gaargemaakte koper; — gra-narïus, m. de korenschryver (een amhlsnaam) inz. de kioostergccsleiykc, die toezicht en rekening over het graan houdt; — granulee-ren of greineeren, korrelen, korrelig maken, In korreltjes veranderen; — g e g r e I n e o r d, gegraincerd, gekorreld, gekerfd (van teeke-idngen, waarin lynen en punten korrelachtig z.yu afgezet); — granuleermachine, f. een werktuig ter vervaardiging van melaalkorrels;

— granulatie (spr. l-h), of granuleering, f. de korreilug, of verwerking (van het metaal) tot korrels; Med. ook granulie, f. vorming van vlecschkorreltjes In genezende wonden en liü de tuhcrculosc; — granuleus, adj. uvv.lat, (fr. granuleux) korrelig; — gra-nulositeit, f. de korreligheid; — graniet, n. (fr. gr anil. It. granilo, elg. gekorreld, korrelig, parlic. v. granire, korrelen) korreisleeu.

kernsleon, een gemengde steen van korrelig, krislallUn weefsel, voornameiyk uit kwarts, veld-spaath eu glimmer; het Is zeer verre verspreid en vormt meestal stelle hergen met spitse, gelande kruinen; — granietpapier, n. granietachtig gespikkeld papier; — granitéllo of granitél, n. II. htilfgranlel, grys graniel, dut niet de vorelschte hestanddeelen van het graniet heeft; — granuliet, n. een schilferige soort van graniet; — granito, m. 11. (vgl. graniet) soort citrocuys, citroenwater met stukjes ys; —grano, m. It. korrel; een gewicht z. grein; cene voormalige kleine Hal. rekemuunt, op Malta = tl plee loll of Iels minder dan een halve cent, te Napels = 10 cavaill, yj,, dukaat of omtrent 2 centen, op Sicilië ongeveer I cent.

Granetto, = y\'T grano; — granow, m. poolsch z. v. a. grein pond (funl) = 0,01\'| gram; vandaar granikow, = y1,-granow = «,(108 gram.

Grao, m. porl. (spr. grn/i) korrel, grein.

Graphéion, graphoidion of gra-phidion, n. gr. (van graphein, schryven) eene grllTcl, schryf- of teekenstlfl; — graphiek, f, de schryfkuiist, schilder- of teekenkuust; ook de (liplonialisclio schryf- of schriflkunde; — graphiet, n. pollooderts, zwart leekenkryi, een braiuthnar mineraal, eene vcrselieldenheid der koolslof, vcronlrclnlgd door toevallige lu-mongselon van yzerhoudende aarde; - gra-phietcement, n. soort kleefmlddel of kleefdeeg, Inz. ter verhlndlug van yzerdcclen als water- on gashulzcu, hestnande uil (gt; dcelcn gi\'aphlel, II krljl, u zwaarspaath met l) dcelcn Hinolievernis; - graphisch, adj. schriftctyk, door scliryfteekens voorgesteld of uitgedrukt, door llguren opgelieiderd, heschryveiid, leckc-nend; gra ph Isc he flgn re n, schrgf- of schrift-toekens; — graphiscus, m. een wondlieclers-werkluig om splinters uit wonden te halen-,— graphodrome, m. een snelschrUver; — graphodromte, f. do snelschryfkunsi; — grapholith, m. schryfstcen, iel; — gra-phologie, f. de kunst om de menschen uil liuu liandschrifl ie leeren kennen; —graphomotor, m. elg. schrift- of tcckenlngmeler, he-naming van velschillende matheniatisclie werktuigen, Inz. ecu hoekmeter; — grapho-nyetiometer, in. een werklulg lol hel nnch-leiyk opwerpen der loopgraven voorgeslagen; — graphostiltica, f. de weienschap, welke slatisclie onderzoekingen, in plaals van door hc-rekening, langs den weg der constructie (graph Is cho voorstelling) leert vinden; — graphotypië, f. de kunst om van leekc-ningon vignetleii en relief temaken zonder he-hulp van het giavoerslift en daarmede te drukken (uiigevoudeii door den Engclsehman Clinton Hitclicock).

Grapnel, n. eng. dreg- of hoolsanker; ook een toestel om een onderzeeschen lelegraafka-hel op le vlsschen en op te halen.

Grappe, f. fr. (II. grapiio, grappolo, ver-


-ocr page 558-

GRAYEDO

GRAPPIN

542

want mot tirappa, haak, kram, van oudd. krapfo, haak) de druiventros.

Grappin, m. fr. (spr. orapeii) Muz. eon ankertje mot 4 klauwen of punten, Inz. voor de nalBlen; ankerdreg.

Grapten, m. pl. gr. martelaars, die met letters op hel voorhoofd gebrandmerkt waren.

Graptolithen, m. pl. gr. (van grd/ihein, schrijven, loekenen) steenen met teekeningen, b. v. dendrieten (z. aid.)

gras, iidj. fr. (spr. t/rd) vel; — Jours (spr. tjoer) i/ras, dagen dat hel eten van vleeschspy-zon veroorloofd is (het tegengost. van jours maigres, vastendagen); — mardi-gras, z. aid.; z. ook h a\' n f - g r a s.

Grass-cloth, n. eng. (spr. Ih als eene golisple s) hot grasdoek, ananas-iynwaad, eene nil den bast en de bladeren dor ananasplant mot een toevoegsel van boomwol vervaardigde stof in O.lmlIB en China.

grasseeren, lal. grassiïri, v. gradi, voortgaan, treden) zich allerwegen verspreidon, heer-schen, woeden (van ziekten gobrulkeHlk); — grassatie (spr. I=ls), f. het overhandkrUgen, heerschen, woeden.

grasseyeeren, fr. brouwen, den klank r zonder vibratie der tong, ais verhemelte- of keellettor uilspreken.

Grasus, m. gr. {grusos) de bokkonrouk, stank der okselen.

Gratia, z. gratie.

graticuleeren, fr. (gratieuier, cralkuter, v. eratieule, net, tralie, rooster, van \'t lat era-lieiila, vorkiw. v. crates, vlechtwerk) hg liet loekenen: overtrallBn, door tralie- of netwerk afteekenen, z. crallculoeren.

Gratie (spr. t—ls), f. lal. graCta, v. gratus, aangenaam; it. gratia) genade, gunst, weldaad; ile aanminnigheid, bevalllgheld, enz.;vgl. grAco-,

- gratie, pl. gratiën, lui. uraCfae of cha-ril innen (gr. charts, pi. charftes) Myth, de bevailighoden, naam der :i bekooriyke gezellinnen van Venus, godinnen dor lleflalligheid en beioovorende schoonheid: Ag la Ja, Thai i a en Eupbrosyno; -gralia-Dei, n. Bol. genade-kruid, naam van vele koortswerondo planten;

— gratia grafiam parit, gunst baart gunst, de eene dienst is den anderen waard; gratia jurus-jurdndi, lal. Jur. vrijspreking van den eed; bona gratia, goedwillig; mol grooten dank; ex mera gratia, nil loutere genade; c.e speridti gratia, uil bijzondere gunst of genade; in grafiam, len gunste, ten behoeve, ter wille; mca gratia, my len gevalle, mijneniwege, mynenlbalve; — eon gratia, 11. (spr. —gratsia) Muz. mei bevalligheid; grazinsa (spr. gra-tsióto) bevallig, aangenaam, Innemend; - gratiüile, n. nw.iat. een bowUs van erkenlelijklieid, eene veroering, bo-looning, een klein geschenk; hel tafelgobod; — Gratianus, mansn.; de bevallige, dankbaro; (iratinni decrctum, hel eersie gedeelte van hel corpus juris eannuïci ■ —gratfas \' (eig. de aecus. pl. van gra(la, met uiliaiing van het werkwoord ago: gratias ago. Ik dank) dank! Ik dank! het gratias bidden of zingen, hel dankgebed of danklied, enz.; — gratiflcee-

ren (lat. gratifiruri) genade schenken; begunstigen, vereoron, beloonen, een geschenk geven, vergoeden; — gratificatie (spr. tie=tsie), f. «en gunstgeschenk, eene vereering, bolooning, vergoeding, toelage; — gratiënh, z. gracieus; — gratiusn titüto, z. onder lltel; — gratiositeit, f. (later lat. gratiosilas) de aanminnigheid; de welwliiendheid, de genegenheid; — gratiola, f. nw.iat. Bot. gonadokruid, Gods-genado; — gratis, om niet, kosteloos; uit genegenheid; — gratis-gage (spr. —gaazj\'), f. lut.-fr. vry.soidy, tnaandsoidy des olliclors, gew. hy het begin van oenen veldtocht; — gratist of gratuist, m. nw.iat. een vryscbolier, niet-bolaloml kostganger; — gratuit, adj. fr. (spr. qratwi) vrywillig, onverplicht, I). v. don gratuit, oen vrywillig geschenk, eene onverplichte gift, opbrengst; — gratuita mensa, f. lat. Jur. vrye tafel. vrUe kosi; — gratuïteit, f. nw.iat. (fr. gratuité) de vrywilllgbeld, onverdiondlield; do onverdiende liefde of gomide; — gratus, a, urn, int. aangenaam, lief; — persona grata, aangename persoon. Iemand die gaarne gezien wordt.

Gratin, n. fr. (spr. —ten) afscbrapsei, aanzetsel op den bodem van een pol; leis dat daarop lykl, gebraad, Inz. mot geraspt brood of beschuit bereid; sole au gratin, long mot ge-raspi brood gebakken; —gratineeren, spy-zen, inz. gefarceerde gorechlen of die met ge-raspl brood enz. bosiroold zyn, In zachte oven-warmte bakken, zoodat er onder en boven oen lichte bruine korsl ontstaat.

Grating, f. eng. (spr. a=ee) roosterwerk.

gratuleeren, lal. (gratutari) golukwen-schen; ~ gratulatie (spr. tic=tsie), f. (lal. gratutaCio) de gelukwenscb, hellwensch; — gra-tulant of gratulator, m. nw.iat. de ge-lukwenscher; gratulatörisch, adj. (laler lat. gratulatonus, a, urn) gelukwenschend, oenen gelukwenscb bevattende.

Grauwaeke, f. zeker gestoento, dat uil grootore en kleine brokken kwarts, kiezelscble-fer, klelschlefer en soms ook voidspaalli bestaal, die door een kieischieforacbllg idndiniddel verbonden zyn.

Gravamen, n. lal. (van gravure, bezwaren, gravis, zwaar) eea bezwaar, eene zwarigheid; pl. gravamina, de bezwaren; grara-men conliniium, voortdurend bezwaar, bezwaar mot biyvende oorzaak; gr. de futuro, een bezwaar wegens Iets lookomsligs, leis vermoode-Hjks; gr. imlévans, niet op te heffen of weg te nemen bezwaar; (jr. succcssïvum, bozwaar over telkens nieuwe onheilen; gravami-nooren, nw.iat. zich bezwaren, bezwaren In-brongen.

Gravantia, gravatie, gravatus, z.

end. g ra voeren 2).

gr are, gravemente, z. oud. gravis.

Gravëdo, f. lal. (van gravis, zwaar, z. aid.) olg. zwaarte dor loden; verkoudheid, zinking.


-ocr page 559-

GRAVEEL

543

GRELING

Graveel, n. (fr. qravelle, van qravier, (jruis, zand) Med. nlerweo, eono kwaal veroorzaakt door do vorming van kleine, naar zandkorrels ^clUkende steentjes In de nieren en de plswegen.

graveeren, 1) fr, {graver, oorspr. het dult-sehe (imhen, graven) met eene stlfl llguren of strepen In metaal trekken, etsen, plaatsnijden; — gravure, f. de plaatsnyknnst, ets- of gravoerkunst; de afdruk van het gesneden meiaal, de plaat, prent; — graveur, m. een graveerder, plnatsnyder, etser, vignet-, stempel-snyder, enz.

graveeren, -2) lat. ioravare) bezwaren, drukken, heknellen; onelg. heiasten, lastigvallen, schuldig imiken; — gravantia (spr. I— Is), n. pl. hezwarende of verdachtmakende omstandigheden hy eenen heklaagde-, — grava-tus, m. die zich bezwaard, henadceld of he-lecdlgd vindt; ook die van eene misdaad wordt hesehnldlgd, een beschuldigde, verdachte; — gravatie (spr. lt;=lt;s), f. de bezwarlng, ile beiasiing; — graveerend, graveerlijk, bezwarend, belastend.

Gravelure, f. fr. eene vuile, ontuchtige scherts; bordeelpraat.

graveolént, adj. lat. (urave-utens, v. ura-vis, zwaar en oiire, ruiken) steik en walglijk riekend;—oroiieo/ens. Bol. sterkriekend, b. v. de wynrult (Hutu firaventens).

Graves, m. eene soort van willen en roeden Hordeaux-wyn, naar de landstreek Orave, In hel doporl. Glronde.

Graveur, z. ond. graveeren 1). Gravida, t. tal. (v. uravidus, u, urn, zwaar, gevuld, v. gravis, zwaar, z. aid.) eene zwangere vrouw; — graviditeit, f. (oraviilftas) de zwaarte; zwangerschap; — gravidee-reu (lat. uraviUitre) bezwangeren.

gravis, f/rave, lat. zwaar; gewichtig, ernstig; van tonen: diep; — gravis (sell, accénlus), in. de zware of diepe loon eener lettergreep, In tegensl. met den acutus; — qrave, urave-ménle, 11. Muz ernstig, zeer langzaam, deftig, plechtig, met waardigheid; — (jmm\'sstmo,II. Muz. zeer ernstig; — gravimeter, m. lal,-gr. I\'hys, een zwaartemeter, de vochtweger van Gnylon, ook dienstig voor het wegen van vaste lichamen; — graviteit, f. lat. (qraollas) de zwaarte; ernst, ernslhaftlgheld, deftigheid, he-denkeiykheld, de aangenomen waardigheid, styve plochtstatlgtield, siyfhcld; Muz. diepte; — rou liravili, II. Muz. met waardigheid; - gravi-teeren, nw.lat. zwaar zün, zwaartekracht uilen, door z.yne zwaarte een ander lichaam naderen, daarheen nelgen; gravitatie (spr. lie=lsie), f. de zwaartekracht, de door de aan-Irekklng der lichamen uitgeoefende drukking. Gravure, z. ond. graveeren l). Gravy, n. eng. vleoschnat, bouillon. Iiraziöso, enn gratia, z. ond. gratie. Gré, m. fr. wil, helleven, neiging; — htm gré, mal gré, ■/.. ond. b o u.

Grease, f. eng. (spr. griet\') vel, smeer. great, adj. eng. (spr. greet] groot; — Great

Britain, n. (spr. —brilt\'n) Grool-BrlllanlB; — great charter, n. (spr. greet Isjdrler) do magna etidrta der lingelschen, van 1213 (/,. charta);

— Creat-Kastern, f. (spr. —iestr\'n) de »groote Ooslerschequot;, het grootste schip der engelsehe handelsmarlno.

Grebe, f (fr. grèbc) M. H. do zllverdulker, een watervogel met zilverwitte vederen

gree, grecque, fr. (spr. grèk\') grteksch; a la grecque, op zya grleksch, naar grleksehen trant;

— Grec, m. een Griek; onelg. voor een bedrieger, sluwer! (vgl. /ides grasca, ond. graecus); — gree, valsche speler, kwartjesvinder, boerenbedrieger.

green, adj. eng. (spr. grien) groen; — greenback, ai »groenrugquot;,noord-amerikaan-sche bankbiljetten ;- greenhouse, f. plantenkas; — greenpark, n. (spr. grien—) de groene diergaarde, hel groene park, eene openbare wandelplaats te l.oaden; greenroom, n. (spr. grienroem) elg. de groene kamer-, de gezelschapszaal voor tooneelspelers, dichters, kunstliefhebbers enz. aan hel eng. tooneel, zoo gebeelen, omdat eertyds eene soort van prieel lot dat oogmerk diende.

Greenwich, eng. (spr. qrinilsj) engelsehe stad, waarover de lingelschen (en over het al-gomoen de zeekaarlenteekenaars) den eersten meridiaan trekken, d. 1. de aardrykskundlge lengte berekenen (0° Greenwich = 170;i!t\'3lquot; oosleiyk van Ferro = i0 20\' ft\'\' wesleiyk van Parys).

Greffe, m. fr. griffie (z. aid.); — gref-fler, in. (spr. grèfjé) griffier (z. aid.) greffeeren, fr. igrelfer) griffelen, enten. grequtim, tal. (v. grei\', geall. greqis, de kudde troepsgewys, by hoopen, met rollen, benden, koppels enz.; — gregarine, f. nw.lat. (d. i. troepsgewys zich verloonend dier) een In de baren der mensehen levend woekerdlerlje, laz. voorkomende by de bewoners der Wolga-oevers, waargenomen door Llndemann lo Petersburg.

Gregon\'us, gr. (Greqórios, vaa \'1 gr. gri-gorëln, waken, In \'1 !\\. T., van egregora, ik hen wakker, ported, van egeirein, wekken, opwekken) mansa.; de waakzame, wakkere; — gregoriaansche almanak, z. Juliaan-s c h e kale n il e r, ond. Julius; — grego-riaansch kerkgezang, canlus firnm, het door paus Gregorlus, ia de Ode eeuw, met de zoogenaamde acht kerktonen ingevoerd kerkgezang.

Grein, n. (v. \'1 lat. grunum) elg. een korrel, zaadkorrel, gerstkorrel; een klein gewicht: in de medlcUnen en de aatuurkundo = ^ scrupel, drachme of a,mil gramme; als gewicht voor goud, zilver, panrlen eu edelgesteenten = jij mark of 0,88130 gramme; ook he-

teekenl grein ......e zekere slof van gelten- of

kemelshaar; — groineeren, z. granulee-r e n, ond. g r a n u m,

Greling, m. (fr. grelin, v. grête, proveac. gratie, lal. gracilut, slank, dun) Mar. hel lichtste ankertouw.


-ocr page 560-

GRIMASSEN

GRÈGE

544

grège, ndj. fr. (spr. gré\'zj\') ruw, onlicwerkt; — soie (spr. soa) (jrtge, ruwe zUdc.

Grelot, m. fr. (spr. —/«) schel, belletje; — atlacher (spr. —sjé) Ie unlnt, de kal de liel aanbinden.

Greluchon, ni. fr. (spr. grelu-sjin) de in het (leheim begunsligde nilnnaiir van ecno vrouw.

Gremium, n. lat. do schoot, boezem; on-elt,\'. bet midden, do gemeenschap, vorooniglng, z. v. a. college; — gremiale, n. iiw.lal. de schooidook eens lilssobops, wanneer b(| zittend mis leest;- gremio, m. it. hot gild; sp. ook eene bandeimaatschappU.

Grenache, m. fr. (spr. gr\'ndsj\') oen sterke, donkerroode, dikke Roussillon-wUn.

Grenadier, z. ond. g r 11 n aai; — grenade, f. of grenadin, n. fr. (spr. grenadeii) gevulde en gestoofde vleescblapjos; — grenadin, ook z. v. a. manniet (z. aid.); — grenadine, f. (spr. —dién\') eene franscho zydon stof; een als damast geweven lynwaad.

Grenage, f. fr. (spr. -nmnj\'-. van gr ener, korrelen; vgl. grolneoren, oud. granum) de glanzend korrelige vergulding, inz. van doelen van uurwerken; — grenaille, f (spr. grendlj\') gekorreld metaal; — grenailleeren (fr. gremiller) z. v. a. granuloeren, z. ond. g r a n u m; — grenetis, m. (spr. —li) do go-kartelde rand om munten, het randwerk.

Grenoble, m. fr. (spr. or\'nnb\'h naar de stad Grenoble in Frankrük) Bot. ecno soort van tuin-anjelieren, die op een donkorroodon grond wiito picot-sircpon hebben.

Grev., bU naiuurweteiiscb. hcnaniingon afk. voor K. Kayo Grevilio, een butanlsl.

Grève, f. fr. (oudfr. ijrnve, provonr. urava, cclt.-amor. grué, krui, grim, kn\'m, vandaar In \'t fr. gravier, gravelle, mid.lat. nnweria, f/mvella, grarfa, gruis, kiezelzand) bei vlakke, zandige zeestrand, ook de rivieroever, die nu droog, dan onder water en mol zand en sleonon bedekt Is; — jildce de Grève, eene plaats aan don oever der Seine, alwaar In den lijd der eerste fr. revolutie de meeste terechtstellingen plaats badden en waar later ledlgloopcnd werkvolk zich verzamelde; vandaar faire grève, op bet Oréve-pleln naar werk wachtcn; bü ulibr. samenspannen om niet te werken dan op zekere voorwaarden, om boo-ger loon af te dwingen; verder: grève, f. werkstaking (vgl. str 1 k e); — grevist, in. fr. (grévisle) werkstaker; eng. striker.

Grex, m. lat. (gen. gregis) de kudde, de schaar.

Gribana, f fr. Mar. zeker vaartuig van byzondcr maaksel en tuig op do Somme, van .\'lt;n tot tin tonnen groot.

Griblétte, f. fr. op den rooster gebraden varkcnsvloesch.

gribouilleeren (spr. —boelj—), fr. {gri-houiUer) bekladden, bezoedelen; — gribouil-lage, f. (spr. uriboeljadzj\') hel gekrabbel, knoeiwerk, slocht onleesbaar scbrltt, kladdery.

Grido, m. II. goscbreouw.

Grief, n. fr. (spr. grief, van \'t oudfr. grief, it. (jreve, grieve, zwaar, bard, van \'I lat. gravis) bcnadeoling, verdriet, ergernis; bezwaar, grief.

Griep, f. z. grippe.

Gries, m. hgd. (fr. gruau, eng. grils) gekorreld meel, grulten, gort.

Grietenij, f. (van \'t oude grela, gerecht, grueljen, dagen, dagvaarden) eene der M afdcc-iingon, waarin Friesland sedert do Udo eeuw was verdeeld; legenwoordig worden do friesche grlotenyon gemeenten genoemd; - grietman, greetman, weleer opperrechtor, baljuw of drost eener grlolenl); thans een frlesch ambt van geheel anderen aard, burgemeester.

Griffen, pl. (waarscn. van het sp. grifo, iemand, die kroos, verward hoofdhaar beeft) ufstammellngen van Negers en Mulatten.

Griffie, f. (fr. gre/fe: met verruimde lie-teokonis, v \'I oudfr. grafe, provenc. gra/i, lal. grapliium, gr. graphinn, grapheion, griffel, van grdphein, schryven) do gerecbtsscbrgfkanicr, kan-selary van een rechtbank of een gerechtshof; hol bureau, waar de rechtsacten opgemaakt of bewaard worden; ook de socreinrlo van de provinciale sialou en de kamers dor slalon-gene-raal; —iels tor griffie de poneoren, een stuk tor inzage van do leden nedorleggon; (lig.) hel voorshands laten berusten, op de lange baan scbuiven; —griffier, m. (fr. greffier, mid.lat. grafanus, graffanus, scbryvcr) do bewaarder, opzichter eener grllllo, een gerechtsschryvor, geholmschryvcr.

Griffióén, m. (fr. griffon, eng. griffln, hgd. greif) do grypvogel, oen naar den arend geiy-konde roofvogel; eene tabelachtige vogel der oudheid, ook In de wapenkunde, met \'i poolen en 2 vleugels, hebbende het bovenlyf van den arend, en hot onderlgf van den leeuw.

griffonneeren (spr. grifon—; fr. grif-fonner, van griffe, klauw), krabbelen, knoeien, slecht schryven; - griffonnage, f. (spr. gri-fanduzj\') bot gekrabbel, geknoei; slecht scbnfl; — griffonneur, m. een krabbelaar, kladder, een voolschryvor, slecht schryver (auteur).

Griffth., hij boliinische namen afk. voor W. Orlllith (gest. I8i5).

Grïgri,m. Zuid-Amerlkaansche vogel (Ituin-phaslos araeari).

Grille, f. fr. (spr. grielj\'; van \'t mid.lat. Iirnlicüla, lal. cralicüla, klein vlechlwerk; kleine rooster, verklw. v. crales, vlechtsel) eene tralie; een rooster; — grilleeren, roosteren, roosten, op den rooster braden, zongen; met traliewerk voorzien; (doek of stolfon) ruiten; — grillade, f. geroosterd vleesch; het zengen of branden der katoenen slollen om de vezeltjes te verwydoron; — grillage, fr. (spr. griljddtj) Arch, roosterwerk, traliewerk; Ma-nuf. hel roosten of glad maken der slollen met eene boete rol.

grilliseeren (spr. s=z), (van gril, met een bastaarduiigang) grillen, muizenissen In \'I hoordbobben; drullooron.

Grimassen, f. pl. (van \'tfr. grimace als


-ocr page 561-

GROMATIEK

GRIMEEREN

545

ware \'I lal. grimacéa: van \'t oudn. on angels. l/rSmfl, oudliooRd. crima, masker, sjiook) vreemde looiykc gebaren, de gozlchtsvertrekking, gryns, kuren, grillen, fratsen; ook volnzery, mom, sfihyii; grimace hetoekont ook een dames-tolleldoosje met een speldenkussen daarop; — grimassooron (fr. nrimacer), gezichten trekken, Iceiyke gebaren maken, grUnzen j — gri-macier, m. (spr. grimasjè) een fratsenmaker, grUnzer; bulebelaar, scbUnbeillge.

grimoeren (zich), fr. (se ghmer) op liet tooneel: zich door kunstmiddelen In bet gelaat bet voorkomen van een oud man of oude vrouw geven, zlcb rimpels maken; onelg. zlcb vermommen, zlcb verkleeden.

Grimolin, m. fr. (spr. griem\'leii; vcrklw. v. grime, scbooljongen, vanwaar ook grimaml) eig. een kleine Jongen; een Inhalig speler, kniezer; — grimelinage, f. (spr. —Iddzj\') het kniezerig spelen; geringe winst.

Griótte, f. (afkorting v. agriotle, mid.lat. agriola, van lat. neer, fr, aigre, prov. agre, wrang, zuur) eene grooto, ronde, zwartaebtige morel; ook eene soort rood en bruin gevlekt marmer.

Grip, m. Mar. eene soort van roofschip, naar een brlgantUn gelijkende.

Griphi of griphen, m. pl. gr. {gnithos, eig. een nel, pl. griphni) raadsels, clmraden, logogryphen en dgi. vernuftsspelen.

Grippe, f. fr. (v. gripper, aangrUpen, vandaar ook gril, vreemde kuur of neiging), griep, de epidemische zinkingkoorts, z. influenza, ond. I n f 1 ue cro n; — grippeeren, fr. (grip-per) heimelük wegnemen, kapen.

Grisaille, f. fr. (spr. griidlj\', van gris, grys, grauw) 1\'lct. eene manier van schilderen met twee kleuren, de eene licht, de andere donker, grauw in grauw, een grauwtje; ook «ene vermenging van gryze en witte baren tot pruiken; — grisatre (spr. grizmlr\'), gi-ys-of grauwachtig; — grisétte (spr s=j), f. 1° eene soort van grauwe, met linnen, zyde, «nz. vermengde wollen slof, grizél; een grys huiskleed; 2° een meisje van geringe afkomst. Jong handwerkstertje, een net gekleed, coquet naaistertje of modiste, in Krankryk (zoo genoemd, omdat die eertyds gryze kleederen droegen); inz. Jong lichtzinnig vrouwspersoon, met een student «nz. in tydeiyko gemeenschap lovende.

Griscio, m. eene zilvermunt In ligyple, = iin paras.

gris de (in, n. fr. (spr. grid\'kit), eig. vlas-grauw, van de kleur der vlasbloem, llcbtblauw.

grisetta\'s, pi. sp. ongebleekt, llditgewe-ven, zoogenaamd spaansch linnen.

Grison, m fr. (spr. gritöii) gryskop, grys-liaard; N. II. de sleenmarier van Guiana, van de soort der wezels; ook grauwtje (paard of ezel); een vorkleedo lakei of spion; ook voor gr Is ou (z. aid.); eon bewoner van Grauw-imndorland; — grïsonnade, f. de spraak ■der Grauwimnderlauders, brabbeltaal.

Grisou (spr. grizóé), grizon, ook feu

VIËHDE DHUK.

terrou of brisou (spr. lerroc, brizoe), n. het ontvlambare gas li] de gangen der kolonmynen, uit koolwaterstof met eenig stikstof en koolzuur bestaande, dat dikwyis vorschrlkkeiyke uitliurstliigen veroorzaakt; vgl. da via an.

Griwe, griwna of verklw. griwenka, f. thans slechts nog griwennik, m. russ. een stuk van tien kopeken of roei)el, omtrent = 20 centen.

Groat, m. eng. (spr, groot, ned. grool, bgd, groschen, fr. gros, enz.) eene eng. rekenmunt van 4 pence of omtrent 20 ct.

Grobianisme, n. (hoogd. met lat, uitgang; van grob, grof, grobian, een lompert, vlegel) de lompheid, plompheid, het onbehouwen gedrag.

Grocer, m. eng, kruidenier.

Grod-gerecht, n. poolsch (van grod, kasteel, slot) de reebtsoefening van een pool-schen starost,

Groenianen, m pi. naam, dien men vroeger gaf aan eene party in Nederland, welke de politieke en godsdienstige gevoelens van Mr, Groen van Prinsterer was toegedaan, thans a n 11 - re v o I u I io na 1 r of kuyperiaau (naar Dr. A, Kuyper, ex-predikant, prof. aan de Vrye Univorsllolt te Amsterdam).

Groep, f, (van het fr, groupe, grouppc, 11, gruppo, gropito, d, i, eig, klomp, kluwen, vgl, croupe) de vereeniging van vele enkele voorwerpen tot een, eene samenstelling van afzonderlyke, op zich zeiven een geheel uitmakende dingen, die het oog In eens omvat, by-eengeplaatste en by elkander beboerende beelden, zullen, enz.; bUcenliggende eilanden; ver-zaïneiing, hoop, voiksinenigto; — groepee-ren, vele llguron, beelden, enz, als in eenen hoop, lot een geheel verzamelen, hyeenplaat-sen; eene groep uilmaken, te hoop loopen.

Grog, m. eng. een bekende drank uil rum, suiker en water, ook elke andere met water en suiker aangelengde drank; rum-grog. Jenever-grog, wyn-grog, enz. (De naam koml af van den eng, admiraal Vernon uil het midden der vorige eeuw, die zynen matrozen den vroeger onvermengd gebleven rum verdund met water liet toedienen. Do admiraal droog doorgaans een rok van grogram, ge-wooniyk groggalu (fr. gros-grain) of kortweg grog geheeten, waarom liet volk hem don ouden Grog noemde, en dien naam nu ook gaf aan den aangelengden drank, waaruit tot iiun leedwezen hun oorlam bestond).

grogneeren (spr. gronj—) fr, {grogner, provenc. gronhir, 11, grugnare, grugnire, van \'t lat, grunnlre, knorren) knorren, brommen, morren; — grognard, m, (s|)r, gronjdr) knorrepot, grombaard, brompot; Io Napoleons leger; grenadier der garde; — grogneur, in, (spr, gronj—) een knorrig, morrend inensch, knorrepot,

Gromatiek, f, lat, (van grom», een werktuig lol landmeten) de veldlegerkunst, de kunsl om een veldleger neer Ie slaan of te versterken,

ll!gt;


-ocr page 562-

546 GUACHARO

GROOM

Groom, in. i\'iiit. (spr. uroem) een bodlcndc, oppasser, knoclil, Inz. eon olognnto rUknoclit, pulfronlcr.

Groot, in. (van \'t tr. flros), eene dor oudste nodcrl. munten, zoo Kotieoten, omitat zy Julsl liet gewtcht van een gros of drachme, d. i. T\'j van een ons zilver had; ook eene rekenmunt tn tiet oude nod, muntstelsel = i\'t cent, noj! menlKinalon gehoord in vut groot = 14.; cl.-, — grootken, greugjon, n. een klein niiildelecuwsch gronlngsch muntstuk, tor waarde van oen halven plak; — qros, grosse, f. (spr. gro, gross\': van \'I mld.lat. grossus, o, um) dik, groot, grof; — gros, n. (ned. uttspr). het grootste gedeelte, do menigte, groote hoop, I). v. het gros der menschen; in l\'\'rankrUk (spr. gró) vroeger ook een gewicht van livre (pond) = 3,824 gram (als medicinaal gewicht drachme gelioeten); voor velerlei waren; een getal van 12 dozgn of til -, gros of grosse, .lur. het eerste afschrift van een oorspronketyk sluk, z. v. a. groot geschreven slnk.tn tegonst. met mi n ute (z. aid.); nog is gros (spr. gro) de henamlng van zware zyden stof, zware laf, h. v. gros de Naples (spr. grodenauiW), eene zware zyden slof uit Napels-, gros de Tours (spv. groilelöér), eene sterke zyden slof, die veel in do fr. stad Tours gemaakt wordt; — gros d\'arméc, n. hel lioofdloger, de kern van \'1 heer; grosso modo, nw.lal. ten ruwste, ongeveer; afgek, gr. m. op recepten; grof geslooten of gesneden; — grosse avenlure, f. fr., of grosavontuur-con-tract, o. een zeehandelsvcrdrag tusschen een koopman en oenen schipper; onderselieldcii van hod emery (z. aid.), waarhij alleen schip en lading, hier daarenlegen de coiitractiint persoou-iyk horg htytt; — grossesse, f. fr. (spr. grossès\') zwangerscliap; groshandel, handel en gros (spr. a/V f/r«), de groolhandel, handel In \'t groot, hy centenaars, geheele stukken, enz.; — grosseeren, Jur. eene akte, een contract in \'I net schryven, ultvnardlgoii; ook vergrooten, grootspreken ; —grosserie, f. grove yzerwaren; ook z. v a. groshiindei;

— groschen, m. (spr. grosjen) voonnalige duilsehc imiiit, liet van een thaler = li cenlen; — grossier ook grosslst, m. eon koopman in \'t groot, In \'I gros, een groolhandelaar; - grossièretó, f. fr. (van grossier, grof) ile grofheid, lompheid, onheschaamheld;

— grosso, m. 11. en sp. eene vroeger meer dan llians gehruikeiyke rekenmunt, die oorspr. eene grooler pasnuint lieteekenl in legonstetiing tot eene kleinere, zooals in liologna 1 holog-nino grosso = 12 tiolognini pircnli; de waarde van den grosso wisselt af naar lyd on plaats

— grossétto, in. eene kleine Hal. rekenmunt; het J van een grosso.

Grosch of grosz, m. russ. koperen 1 wee-kopekenstuk = ongeveer i cenlen.

Groseille, f. fr. (spr. van hoogil. kmusbeere, krüusclbeere, krnlsliezie) aallios; gr. verte, krnishes; — ook adj. als kleuriiiiam: aal-heskleurlg.

grossularieefolius, lat. Kot. krnishesbladerlg.

Grot, f. (fr. grnlle. It. grotta, oudfr. crote, oud-it. grupta, van \'t lat. crypta, gr HrypU-, gewelf, groeve, oorspr. f. van kryplcs, verborgen, v. Itryplein, verbolgen) een hol, Inz. een kunsthol, eene schelpspelonk, een vertrekje In lusthoven, opgesierd met schelpen, koralen, enz.; — grottésk, of gew. grotésk, adj. (it. groltesco, fr. grotesque: van grot, dowyi men In de bouwvallen van liet palels van Titus to Rome, welke de grotten licetcn, allerlei vvon-deriyke, plianlastisclie beelden vond) vreemd, zonderling, grillig, wonderiyk, helacheiyk; — grotesken, pl. onnatuuriyke, vreemdsoortige gedaaiiten, wonderiyk beeldwerk, waarin men-scben- en dierengestalten met loof- en bloemwerk, enz. schynhaar zonder regel verbonden z.yn; — grotesk-danser, m. ballotdaiiser die komische sprongen inaakl.

Grouch, in. (rnss. grosch, v. bet dultscb groschen, elg. dikpenning, v. \'t lat. grossus, dik) eene rekeiimunl in Kusliind, Kicin-Azië enz. van verschillende waarde, ongeveer 80 centen.

Grouillement, in. fr. (spr. groetj\'min: v. grouiller, zich bewegen) bet gerommel in de ingewanden.

Ground, in. eng. grond, bodem; eene oost-Indlsche liindmaat van 2400 vlerk. eng. voeten = 2,211 are.

Group, z. g r u p e 11 o.

Grumus, m. lat. dg. oen hoop, heuvel; iels dat saamgeloopen, geklonlerd Is;—gru-meus, adj. nvv.lal. dik, klonterig; — gru-mescóntie (spr. t=ls), f. liet samenloopen, klonteren, stremmeii, stollen; grumelee-ren, fr. {grumeler) klonlortg worden; — tjru-mosus, a, um, lat. l$ot. kruimelig.

Grupótto, in. it. (spr. groei)—) Muz. eene ziingverfraailng, beslaande uit D of !gt; gezwinde, dalende of klimmende noten; Kmt. een met geld bezwaard pakje of brief; oen rolletje specie; in \'1 fr. group (spr. groep).

grutiae jus, z. ond. j u s.

Gruyères, m. (spr. grwl-jèr\') eene soort van goede zwitsersche kaas, naar het getyk-namig dorp in het kanton Freyburg.

Gryllus, m lat. diorenraadsei, eene won-deriyke voorstelling, wuarby op gesneden slec-nen allerlei dieren (haan, ram, paard, slang, konyn enz.) tot eene enkele vreemde liguur vereenlgd zyn; eene iacliwekkenilo, wondoriyke sehlldcry.

Gryphiet, m. (v. \'1 lat. gryphus, gr. gryps, grillloen) versteende sciiclpdiereii van schullvor-niigo gedaante, grlltloenscliolpen.

Gryphösis, liever grypósis, f. gr. (van grgpós, gekromd) Med. eene pyniyke misvorming van den nagel, die zich als eea klauw kromt.

Gua,eene rekenmunt in Guinea = 14 gl. lüel.

Guacharo, m. of guacharaca, f. sp.

(spr. u—oe en ch—tsj) de vetvogel, een lilaiiw-gryze vogel In Nicuw-Anilalusiü, die wegens zyn vel op prys gesleld vvordl.


-ocr page 563-

GUACO

547

GUKT

Guaco, m. sp. oeno plant In Mouw-Orunudu, eon voortroirciyk tegengift voor den lieet der slangon.

Guajakboom, m, guajakhout, n.

{GmjScum olficinale: sp. ijimyaco, uit de laai van llaïll) pokhoulhooni u( lielllgliouthoum, een westlndlsclie en zuliliimerlkaansclie lioom, waarvan hel /eer harde hout tot het maken van onderscheiden voorwerpen wordt gehrulkl. Het geraspte huut, benevens de hast en het hars, wordt tegen de jicht en venusziekte gehrulkl. Hel heet ook linnum sanctum en l. vilae.

Guajavenboom, in. (sp. yuuyubo, fr. Iiouyavler) do Indische perehootn In O liullö en /..Amerika, met naar aardhozlën smakende vruchten.

Gualterus, m. inansn , z. VValther.

Guanako, n. (si), guunaco, uit hel peru-aansch /lunnacu) of guanako-kamool, een In Z.Amerika Inhcemsch wild dier, geheel onderscheiden van liet lama {/.. aid.), waarmede men het dlkwUls heeft verward.

Guano ol huano, m. sp. (van \'t pe-ruaansch huunu, mest) do vog(dmesl, mestaarde, die door lallooze vogelzwermen vooral op de kleine eilanden der Znldzeo aan de peruaan-sche kust tut groole massa\'s Is opgehoopt en waarvan sedert IS40 geheele scheepsladingen naar liuropa zijn overgohrachl.

Guapo, m. sp. fat, modeheer, pronker.

Guaracha, it. of guaracho, f. fr Muz. een (oorspronkeiyk spaansche) napolltaansche dans van ccne matig snelle heweglng in afwisselend ]{ en l maal.

Guarana, f. naar de guanarls, een stam der Indianen aan den Uruguay genoemd, uit het zand der In Z. Amerika inheemsche ruul-linia sorbilis hereid hruin deeg, gebruikt ais geneesmiddel legen migraine en verdund ais op-wekkenden drank (evenals kollle en tiiee); — guaranino, f. hel daarin aanwezige alca-loïde, z. v. a. kaffoïne (z. end. koffie),

Guarapo, m. sp. gegist suikerriet sap, hel liter der Zuld-Amerlknnen.

Guard, m. eng. (spr. ijiuiriV) wachter, opzichter.

Guardia, f. mld.lal. (II. t/uardia, wacht, van hel duilsche wai\'lcn, ons wachten; vgl. garde) de voogdijschap met betrekking tot een beleende; guardiaan of gew. gardiaan, m. mld.lal. (guardinnus, it. ijunr-(liuno) de opziener, opzichler, oppersle van een nionnikenklooster; guardinfante, m. 11. (eig. oen kinderiioeder of -bewaarder) een wyde hoepelrok, eene er Ine line, die de zwangerschap veriiergl.

Guasso, m. naam der landlloden in (\'.hili.

Guastaldia of gastaldia, f. rnid.iat. tiij ite Longobarden hel ambl van een hindsiioofd-man (gastaldus, d. 1. eig. een gestelde of bestelde) met ieonshedeeilng vertioniicn.

Guastallinon, f. pi. li. eene nonnenorde, dooi\' eene gravin van (luastalia in ge-sllchl.

Guazzo, n. It.,z. v. a. liet fr. gouache, z. aid.

Gubornacülum, lat. otgubernakel,

n. bet stuurroer; — guboi\'nator, in. z. v. a.

gouverneur; — gubornmm, n. nw.lal. z. v. a. gouvernement (z. aid.)

Gudda, n. een arab. maal voor natie waren = 7,!gt;7 titer.

Gudók, in. (v. \'l sluv. iiudii, (jusli, oen snartMiitish\'uincntlxjspelcr) eeno russlsclie viool mot drlo snaren.

Gué, in. fr. (spr. fii!: omlfr. nueil, II. qmilo, v. oudd. wal, oudnoordsch ead, ons w a d) doorwaadbare plaats, voort.

Guebor, z. (ie her en.

Guolph, Guolf of Welf, oudd. {Cucl-jihn, Guelf, llwelfn, H\'clfo, v. hwelf, U\'t\'lf, t\'en Jong wild dier) mansn.: Guelfen of Welfon, m. pl. de naam van een beroemd vorstengeslacht, dal In de 11de eeuw uil Kalle naar Duitscb-land verplant werd, eonen tUd lang over vele geweslen van Diillsi\'hliind beersciile en nog in liet hrunswykscbe linis voorlleeft; in Duitsch-land thans; de zoon van den onttroonden koning van Hanover en zyn aanhangers; In ruimeren zin verstaal men door Guolfen de machtige pauseiyke parlij, die zich In de middeleeuwen verzette legen de ondernemingen der keizers en hunner aanhangers, de lt;1 Ibeliynon.

Guomul of Gvomul, m. alt de taal van Ciiill (ook hue mul) een zeer vlug en moedig dier in /.Amerika, naar hel paard en den ezel geiykende.

Guonno, m. eene rekenmunl in Oulnea = is gi. ;in ci.

Guopard, z. gepard.

Guer., liij naluurwelenschappciyke hena-mlngen afkorl. voor (luerln-Ménevllle (geslor-ven IS71).

Guoridón, m. fr. (spr. ueridóii 11. ueri-dóne) een lichtdrager, knaap, eene soort van zoor hoogen kandelaar.

guerre, f. fr. (spr. gèrr\': provenc. en sp. guerm, van \'I oudd, en angels, werru, werre, d. i. gowar, oproer, krgg) de oorlog, krüg; -(i lit guerre, krygsgewys; oorlogspcl, eene soort van blijarlspel, waaraan meer dan i personen deelnemen; guerrillas, m. pl. sp. (spr. ijericljux: sp. guerrilla, cin. kleine oorlog) spaansche liebtgewapende, aan geenc lucbl onderworpen benden, ongeregelde, verstrooide troepen In de gebergten, als \'I ware de kozakken der spaansche legers-, guorrillóro, in. aanvoerder eener bende.

Guot, m. fr. (spr. git) do wacht, nachl-wadil; bel wachtwoord, parool; Muz. een door de trompetiers op de wachlparade ie blazen stukje; guot-apons, n. (spr. gitaiiaii: weleer guel appensé) hinderlaag, arglistige overval, verradory, voorbedacht, overlegd scheiin-siuk ; guotteoron, fr. (gueller, prov. guui-Inr, li. gualare, guullare, oudd. wahlen, de wachl houden) de waelit liouden, sciilidercn; loeren, beloeren.


-ocr page 564-

GU1TARRE

548

GUEULE

Gueule, f. fr. (spr. guil\') muil, bek.

Guoux, m. tr. (spr. ueu) ■/.. gouzon.

Guëze, r. (ook guerzo, guese, guz, goss, ges, zer, ser «f arsjin «oheeten) ilo pcrz. cl voor wollen waren lo Tebrls = l.lü meter; voor perz, stollen en in den klein-handel, Inz. in SJIras en Teheran =

meter,

Gui of guy, in. fr. (spr. i/i) Hot, de mistel- of marentak, eene woekerplant, die op de takken van den appelboom, den eik enz. groeit; de eikenrnistel werd bü do Druïden hoog vereerd en met veel plechtigheid gesneden.

Guichot, in. fr. (spr. gwi-sjé) een klein deurtje In eene groote deur, de deurkiep, deur-schuit; liet rinket der sluisdeuren.

Guide, m. fr. (spr. qied\'. provene. en it. guida, v. \'I provene. quidar, it. guidare, voeren, lelden, van \'I gotti vilan, gadeslaan) een leidsman, begeleider, wegwijzer, gids; ook die man van eenen troep soldaten, naar wien de andere hunne bewegingen inoeton richten; pl. guides, Hifwachten; in BelgiB een soort veld-Jagers; In Saksen z. v. a. ordonnans-officieren; -guide-main, in. fr. (spr. —me») bandleider, een door Kalkbrenner voor bet piano-onderwijs uitgevonden toestel; guidagïum, n. mid.lat. hot geleidegeld, gldslooii; — guidon, n. fr. (spr. gidóiï) de standaard hij de gendarmerie; ook de standjonker, kornet, richt-maii; het mikijzer op een scbiolgeweer; Muz. z. v. a. custos; — G-uido, 11. (mld.lal. Vitus; oudboogd. Il\'ilo, H\'iiln, Velt, v. wilu, hout) mansn.: woudman, woudbewoner.

Guignon, n. fr. (spr. gienjóii. v. guigner, scheelzien, provene. guinhar) een ongeluk, Inz. in het spel; —(/ « du gulgnnn, hü is een ongeluksvogel.

Guildhall, m. eng. (spr. gildhdl-, vgl. gild) eig. do glldezaal, hel gildehuls; liet raad-huls te Londen en in andere groote cngelsche steden.

Guildive, f. fr. (spr. giehliéw\') suikerbrandewijn.

Guill., bij natuurwetenscb. benamingen afk. voor Guillemin.

Guilladors, pl. oostindisclie zakdoeken.

Guillemots, pi. fr. (spr. gieljemè) dubbele komma\'s, die men aan hot begin en het elude eoner aanhaling of ook aan het begin van lederen regel zet, waaruit de aangehaalde plaats hestaut, aanhalingstcekens (») en (quot;).

guillocheeren, fr. (spr. gieljnsj—, zoo men wil naar den uitvinder Gull lot dus ge-noemd) ilooreenvlechten, met in elkander gevlochten lynen, trekken enz. versleren; — guillocheorkunst, de kunst van bet in-snljden of afdrukken van menigvuldig Ineengestrengelde sieraden door de guillocheer-machine; - guillochis, n. (spr. gieljn/tji) een sieraad uit saaingeviochlen veelvormige lü-nen, trekken enz. bestaande, kettlngtrek.

Guillotine, f fr. (spr. gieljolien\') de valbijl, een werktuig om liet hnofil af ie kappen.

op voorslag van den fr. geneesheer Ouiilo-tin (spr. fiieljoteii) In ll\'.l\'i ingevoerd en naar hem genoemd; — guillotineeren, met de gulllotino onthoofden; — guillotine-ridders, spotnaam der JacobUnen na bunnen val; — guillotomanie, f. de hartslocbteHjke zuetii om te guillotlneeren.

Guimbarde, f. fr. (spr. ge/ibdnl\') een lange wagen tot vervoer van koopwaren, goederenwagen, rolwagen, blokwagen; eene mond-barmonika; nog; een kaartspel, ook mar la ge getieeten; een verouderde dans.

Guimberge, f. fr. (spr. geiibénj\') Arch het sluitsteensieraad aan gothlscho gewelven.

Guimpe, f. fr. (spr. geiip\': oudfr. guimplc, v. \'I oudhoogd. wunpal, licht gewaad, sluier, nw.hoogd. en nederl. wimpel, eene smalle, in de lucht fladderende strook stof) eig. horst-sluier der nonnen, ook barbette getieeten; een doorgaans geborduurd lijfje zonder mouwen, dat de dames onder haar kleed dragen-, rnhc m guimpe, f. fr. (spr. nWnii—) een kleedje met plat en zeer hoog lyf.

guindeeren, fr. [guinder, spr. ge/\'id—, v het dultsch winden) opwinden, oph(jscben.

Guinea, eng. (spr. ginnie), fr. guinéo (spr. giné\'), f. een guinje, voormalige eng. goudmunt van it shillings, hebbende gemiddeld eene innerlijke waarde van 12.; gl. De naam is ontleend van bet goudrijke land Gu In ea, dewijl de eerste gulnjes uit liet van daar komend goud gestempeld werden; — guinea of guinee, f. een IS meter lange blauwe katoenen stof uit fr. O.lndie, Inz. In Senegainbië als ruilmiddel gebruikt en op i ii B gld. geschal. ook; katoen Indisch weefsel In het algemeen.

Guingan, m. fr. z. v. a. gingang, z. aid.

Guinguet, m. fr. (svr.geiigé; v. \'t oudfr. guinguel, kort, krap, schraal, zwak) lichte kamelot van Amlens; ook gingét.

Guinguette, f. fr. (spr. geiigUl\'-. van gin-guet of guinguel, slappe slechte w(jn) eene bul-tenberberg, kroeg; een land- of lusthuisje; ook eene soori van buitenkoetsje voor de omstreken van Parijs.

Guinje, z. guinea.

Guipure, f. fr. (spr. gipuur -, van guipev. mei zijde overspinnen) verbeven borduurwerk; het bestikken eener teekenlng met goud- of zilverdraad.

Guirlande, f. fr. (spr. gierldiid\'i it. ghir-Idndn, oudsp. gunrlanda, provene. garlanda.- vgl. het oudboogd. wiara, wiera, krans; mld.hoogd. mieren, omviechtcii; vandaar afgeleid als\'t ware wierelen, en met bel achtervoegsel anda, zooals fr. giranda, van girer) bloemkrans, bloemslinger; snoer van govlorhten bloemen on vruchten, bloemkroon; — guirlandeeren (fr. guir-lander) met hloemsnoeren versieren; - guir-landine, f. engoisch weefsel van vorscbillende kleuren.

Guitarre, f. fr. (spr. gildrr\'; sp. en provene. guilarre. It. rhitarra, van \'1 gr. kilhdru, lat. rilhüra, cither) Muz. gitaar, een speel-


-ocr page 565-

GUTTA-PERCHA

GULA

549

liiiK mot li lui in snaren, ilic met de vingers celokkelil worden, eone spaansche cither; — guitarrist, m. een gitaarspeler; — gui-tarrêro, m. sp. gilaarspeier.

Gula, gulasch, hong. z. goela, go-1 asc h.

Gulianje, f. russ. (v. tjulialj, wandelen) eig. de wandeling, openbare wandelplaats, de promenade; oneig. een In oen openharen stadstuin gevierd groot volksfeest met allerlei ver-makeiUkheden.

Gulch, m. eng. (spr. iiullsj) openliggendo goudmijn.

Gulden, m. elg. gouden penning (z. fio-reen) cene oorspr. duitsche zilvermunt, die uit den goudgulden (z. aid.) ontstond en in de nde eeuw werd ingevoerd; de n e d. g u I d e n, de eenheiil van ons muntstelsel, thans verdeeld in tno centen, ontstond uit don haivon leeuwendaalder; ongeveer geiyke waarde had do i\'Ung u I don In Beyoron, Baden, enz., waar hg in 00 k r eut so rs was verdoold (sedert 18quot;tgt; ver-valion); de Ojstoiirykscho guldon is ongeveer i gld. 20 cents; — gulden-groschen, m. naam der eerste daalders, die in Duitschland gestempeld worden, tiler en daar hot zelfde als gulden, lig do saksischo hergliedon do naam dos I b a I e r s; —guldengetal, Astron. oen go-tal, dat aanwijst hoeveel jaren sedert de laatste voltooiing van den maanclrkol verloopon zgn. Door maanclrkol verstaat men oen tgdvak van I!) jaren. De aanvang van een maanclrkol komt overeen met het te jaar v. (;., zoodal men, hg oen gegeven jaartal 1 tollondo en deze som door III dooiende, het aantal maanclrkels vindt, die sedert hot jaar 1 v. C. vorluopon zgn. Do rest dor doeling is hot g u 1 d o n g 01 a I; — guldenvlies, z. Argonaut en.

Güldenst.,hy natnurwetenschappeiyke benamingen afkorting voor A. .1. van OUldonsliidl (gest. 1781).

Gülistan, góélistan, m. porz. (v. nul, aoel, bloem, inz. roos, on xlan, oord) bioemon-tuin, rozentuin; ook bet work van don dichter Saadl.

Gummi, n. lat. (gr. kómmi) bot kloofsap, droog planteniym, siymlg sap uit do boomen, gom; pl. gummata, siymharsige gewassen, welker uitwasemingen de zenuwen verstorkon; nok gomultwasson aan bot menschoiyk lichaam; gezwollen, inz. aan de gewrichton; gummi arabïcum, do arahlsche gom, bereid uit oeno soort van mimosa (Mimosa nitotica) of naar oeno andore bonanilng acacia, do Acacia vera en arabica, ook als de Acacia sencnal. (Wild); gummi clasttcum, elastieke gom, ook caoulcbouc (z. aid.) golieoten, voorkracb-llgo gom, vederhars, bet taaie, in de lucht verdikte melksap van oen zuidamerlkaanscben hoorn, do Siphnnia elasCtca; — gummigüttaü (v. \'t malolsch gnlah, fiulla, javaanscli ncUih, gom, halsom) geelhars, gilt ego m, van don gninmi-gutlahoom In Slam on op Coylon, een roodachtig. gooi, hard, blinkend gomhars, in do geneeskunde als sterk afvoerend middel, ook tot gele verfstof gebruikt (inz. van Garrinia cam-l/oflia); — gummihars, g o in h a r s, eene barsacbllge gom, tol welker oplossing men beur-lelings oen gooslrgk om waterig oplosiniddol moot bezigen; — gummi-kopal (vgt. kopal), lakhars uit O. IndIO en Amerika, dat oen voor-treltotyk lakvernis geofl; — gummi-tra-ganth, of l raga n tb - go m, z. tragantli;

— gummeeren, go mm eer on, uw. lat., mol opgeloste gom licstrijker, of doorlrekkon;

— gummeus, adj. lat. (uumntusus, «, um) gomachtig, naar gom gelgkorrdo.

Guna, rrr. sarrskr. rle door verschuiving van eorr korte a bewerkte vocaalversterking; — guneeren, op zoodanige wyzo versterken.

Gunda, z. gonda.

Gunny, n. eng. ■/.. gonje.

gun, eng. geweer, vuurwapen; - gunpowder, n. eng. (spr. —pouder) buskruit; ook soort groene thee.

Gunther, orrdd. (Gumlahari, van guml, oorlog, ort hari, hoer, leger) mansn.: het krggs-loger, de krygsman.

Gur, goer, m. Krui. witte oosllntlischo katoenen slof; guracs, goeracs, pl. gekleurd hongaaiscb sits; — gurguran, of goergoeran, rn. zware indlsolro zgdestof.

Guruseh, z. gersj.

Gusli, gussel, eert liggondo harp hg de Kussen.

gussjanki, pl. russ. lange vaarlirlgen, welke op de Oka err Wolga gehruikt worden.

Gustaaf, zw. (nw. lat. OuslBvus, oudn. Gudhslafr, v. gudh, stryd, kamp, err slnfr, staf) mansn.; do krygsstaf, krygsman, beid.

Gustus, m. lat., de srnnak; de gwtlibwt non esl dispuldndum, over don srrraak valt rrlot te twisten; — gusto, m. it. (spr. u=ne) do smaak; Ind zinnoiyk oordeel, vgt. hel fr. gaüt;

— gusteus, adj. nw.lat., smakelgk. smaakvol, rraar den smaak, aangenairm, welgevallig;

— guslósn, con gusto. It. Muz. srrraakvol, mot srrraak;--gusteeren, lat. {(lUstBre) proeven; sminrk Irr lots vindon, hol goedkeuren, mogen lydon; — gustatie (spr. I=ls), f. olg. iret proeven, smaken; eorr voorgorochl, vroegmaal.

gutta, f., pi tpillni\', lat. eorr droppel, drop; eene dropvorrnlgo vlek of purrt; vandrrar Irr nw. lat. voor staar, als oogziekte; gulla caval la-pidem, lat. de druppel holt den steen nil, d. I. volharding voert lot hol doel; — gulla infdn-lum. ruldigo uitslag dor kirrdoren; — guild npaca. Mod. do grauwe staar; gulla rosacea, de zoogenaamde rozerrdrop, wgrrpiristorr, pnlsletr Irr bet gelaat; g. serina, rle zwarte staar; — gullalim, adv. Med. droppolsgewgs; —gullalus, a, um, adj. lat. liet. bedroppeld, gespikkeld, met droppelvlokkon van eert andere kleur,

gutta-percha, f. (spr. —peHsja-, eig. gom van Sumatra, van \'I malolsch gullah irf gnlah, gom, verhard planlensap, err percha, .Sumatra [poeloa percha, hel eiland Sumalra] vgl. gu mrul gir 1 Ite, Iret irr do lucht lot eene lo-


-ocr page 566-

GYN/ECEA

550

GUTTER

(lorachtlRe slof vorluirdc molksap vun don pcr-c h a of t n c li ii ii li o ii in (/sonanrfra nulla) op Muliikkii, lloniiio c. a. Indlsrho «llamlon, sedorl lKi\'2 Iwkend geworden en wogons zgne Inclil-en wiilordlclite Keimrdlield lot veelvuldige einden uaiigewend.

Gutter, in. eng. Imrlngkaker.

Guttegom, f. /.. gunimlgullae.

gutturaal, adj. nw. lal. (van \'I lal. nul-Iur, keel, gorgel) lol de keel lielioorendo; — gutturale letters {qullwules) keellellers, koelklunken.

Guy-Fawkes-dag de In Londen lot herinnering nan (luy Favvkes (spr. nai foSks) on hel huskrultverrand van IlilKi onder allerlei grappen door liet slraalgeineen gevierde Se iNo-vemlier.

Guz, gos.

Guzdës, f. Inrk. eene gemeene favorite miasl de vrouwen uil den luirem In (\'.onslan-tlnopel.

Gyges, in. een falielaelilig koning der Ly-diers, die zieh door middel van eenen ring, welke do eigenseliap liail van onzichtbaar te maken, uil den herdorssland lol den koningstroon wist te verhellen; vandaar hel zeggen; den ring van Gyges heziltcn, d. I. gelukkig zün, al zgne vvenschen vervuld zien.

Gymnasium, n. lal. (van \'I gr. nymnd-«ion, oorspr. de open plaats, waar men naakt llcliaamsoefeningen hield, van uymnns, naakt) eig. eene oefenplaats, een oefenhiils; eene school in Nederland, In Duitschland van voorhorcldend akndeinisi\'h onderwijs, geleerde school (in Ne-derland Ihans mei ÜJnrlgen cursus; een pro-gy in na sin m hoeft de i eerste jaren); — gymnasiarch, m. een opziener over zulk eene school, curalor;- gymnasiast, een leerling aan zulk eene school; gymnastiek, f. (gr. nymnaslikë, v. uymnadzein, naakt oefenen, In \'I algemeen oefenen) het lurneri, de kunst, de leer der lichaamsoefeniiigeii; ook wel de school, waar men zich In \'I springen, kilin-nien en dergel. oefent; — gymnast, m. (gr. fiymnaslës) een leermeester of kenner der gym-nasllek. Iemand die lichaamsoefeningen doel;— gymnastikon, m. een vverkluig om zich in de kamer doelmallge beweging te verschaffen; — gymnastisch, adj. licliaams- of krachloefcnend; lol de lichaamsoefening de lurn-kunst of gymnustiek hehoorende; gymnasti-gcho oefeningen, turnoeteningen, Inriispe-leu; — gymnisch, adj. wal de naakl uil-gevoerde lichaamsoefeningen lib de (irieken betreft; een gymnische wedstrijd, lat. (Ilimnwum cerlamen, n. wedslrijd in iiehaams-oefeningen.

gymnoblastisch, adj. gr. (v. (lymnns, nankt) mei hloolliggendo klem; gymno-branchisch, adj. met hloole kieuwen; — gymnocephalisch, adj. met naakl, kaal boofd; — gymnodérisch, adj, niet nnak-ten hals; — gymnodérmisch, adj. met naukle, knie huid; gymnodispérmiseh.

adj. twee hloole zaadkorrels dragende; - gym-nodóntisch, adj. mot naakte tanden; — gymnogastrisch, adj. naakthulklg; — gymnogénisch, adj. naakt te voorschuil komende, onlstaande; — gymnogómphisch, adj. met lilootllggeiido klnnoliakken; — gym-nogynisch, adj. met hloolstaand, nlcl door eene hioenikrooii omgeven stuitje; — gym-nokarpisch, adj. met naakte vruchten; — gymnokaulisch, adj. met bladerloozen slengel; gymnomonospérmisch, adj. niet eene bloem, die sleclils éene bioolllggende zaadkorrel voorlhrengt; gymnonötisch, adj. mot naakten rug; — gymnopsedie, f. naakte dans der jongelingen in bel oude Sparta;

— gymnoperistomatisch, adj. met lan-deloozen mondrand; gymnophlden, pl. slangen met naakte, gladde en slUmlge huid;— gymnopóden, in. pi. barrevoeter-monnlken;

— gymnopódisch, adj. naaktvoetlg; — gymnoptëra, n. pl. mmktvleugellgen, insecten mei naakte, d I. niet met slof bedekte vleugels; gymnoptérisch, adj. mei naakle vleugelen; gymnorrhizisch, adj. met Idool liggende wortels; — gymnorrhyn-chisch, adj. met naaklen smill; gym-nosómisch, adj. met naakt lyf;—gym-nosophlsten, m. pl. naakle wgzen, oud-indlsclie pliilosophen en godsdienstleeraars, die bijna naakt gingen, zich geheel het gebruik van vleescli ontzeiden, zich geenerlei liehamelgk ge-nol veroorloofden en zieh enkel met de besebon-wlng der natuur bezig hielden; gymno-spermia, n. pl. niiaktzadigen, planten, welker ziiden, ten gelale van 1, bloot of zonder eenlg bekleedsel onder op den bodem van den kelk liggen, de eerste orde der tide klasse van L. {(liilymmla) -, gymnospórisch, adj. met hloolliggende zaadkorrels; — gymnostó-misch, mei naakten muil (zonder aanbang-sels); — gymnostylisch, adj. met naakt styIIje; gymnötisch, adj. met naakl lüf;

— gyinnotetraspérmisch, adj mei eene bloem, die vier hloolliggendo zaadkorrels voort-bmigl; gymnürisch, adj. met naakten staarl.

Gynaoeca of gynsecia, pl. gr. Uiynni-kcia, van (jync. genlt. nynaikós, de vrouw), Med. de maaudelijkselie reiniging, de maandstonden;

— gyncceoum, n. (gr. nymiikr/nn), het vrou-wenvertrek hij de Grieken; gynsecisme, u. verwardheid, oiiniannelgk gedrag; gy-noekokratie (spr. /=(.«), de vrouwenheerschappij; gynrokokratumonos, m. een man, die onder de vrouwenhooi\'schappU, den pan-lolTel slaal; gynoekologie, f. otgynse-ologie, f. de vrouwenknnde, de hescbouwing van de vrouw in haren gezonden en zieken toe-stand, de loer van de natuur en do ziekten van liel vrimvvelUk geslachl; gyncekologisch, gynueológisch, ndj. lol de kennis der vrou-vveiijke natuur belioorende; gynwko-maan, in. een vrouwengek, vrouwziek mail;

gynBekomanie, f. de verzot held op vrou-


-ocr page 567-

GYN-MOERMES

551

HABEAS

wen, ilu ontomlmrc ilrift tiaar het vrouwclUk goslnchl; gynsekomastos, m. Med. een man mot groote horsten als die eonor vrouw;

— gyntekomórphisch, adj. van \'t vrou-weiyk geslacht, vrouwachtig, naar de vrouw gelUkonde; — gynoekomystax, hel haar op de vrouwelyke teeldeelen; gynaeko-noom, m. een vrouwenopzichter, vrouwenhe-waker; — gynaekophaag, in. een vrouweneter (if -vorteerder; — gyneekopho-nisch, adj. eene vrouwelyke slem hehhende;

— gynseológisch, adj. vrouwenkandlg, tot de kennis der vrouwelyke natuur hchoorende;

— gynandna, n. pl. helmstyilgen, planten, welker meeldraden en helmknopjes met de stam-perljes samengegroeid zyn, de 20ste klasse van 1,.; — gynandrie, r. irouwmanneiykheld, dulihelslachtlgheld, waarhy de vrouwelyke ge-slachtsdeelen de overhand hehhen; — gymin-drisch, adj, vrouwmanneiyk, dnhhelslachtlg;

— gynandrus, lat. Hot, helmstyilg; — gy-nanthröpos, m. Med. oen vrouwman, h e r-maphrodlet, die meer van den man dan van do vrouw hoeft; — gynatresie (spr. s=2), (. de sluiting der mooderseheedo.

Gyn-moermes, rn. pl. maunhoschouwers liij de Turken, die het tydstip dor nieuwe maan

II, als oud-romeinsch golaiteekon =200; /7 = 200,000; II. (In opschritton) = hnbel, hy heeft; = honor, eer; =Spanje; IJ. = Heilig, heilige; /1, (hy sterrenkundige bepalingen) = hora, uur; li. = herha en homo (z, aid.); II. afkorting van Hare of Hunne, in vorstentitels; ook van Hoogheid, h. v. II. II. = Hare Hoogheid; II. M. = Hare Majesteit; llll. MM = Hunne Mnjestolten, enz.; — II. A. = hectare, hundor; h. a, h. e., h. /,.- h. m., h. s. en h. I., verkortingen voor hoc anno, hoe est, hoc loeo, hoc mense, hoc sensu, line fem-pore of ook voor hujus annis enz., z. ond. hoe ea hujus II. d. I,. = heil den lezer; — II. IC. (!. of II. IC. Geh. = Hoogodelgeboren; II. IC. f,\'. of II. IC. Geslr. = Hoogedelgestreng; II. IC. A. = Hoogedelgrootaehlliaar; — II. C. = heetoqram, ons; II. lt;:. of II. Ceb. = Hooggeboren; — II. L. — hcetoliter, mud of val;

— II. I,. Q. C., afkorting van hora loedque eon-suêlo, lal, op gewonen lijd en plaats (op aankondigingen van promotien en dgl.); — II. M. = heetomeler, loo el; — II. O. = liooger onder-vvys; - II S. = Heilige Sehrifl; - Hs. = handschrift; llsl — hoofdstuk; — II. li It. = het Heilige Roomsche Hyk;- II. 11\'. C = Hoogwelgeboren;— huj. — hujus, z, aid, —Chemische leekens zyn: II. = hydroficnium, waterstof;

— Hu. = hyilrariiyrum, kwikzilver, — II. als inuatleoken voor Ooslonryk (voorbeen): (Minz-als tydshopallng voor vele feesten, nauwkeurig moeten waarnemen, en daarvoor vrydom van helastlng genieten,

Gynostegium, n, lal. Hol. stompeldek-sol; — gynostemium, n. lat. Hot. slem-polzull.

Gyps, /,. gips.

Gyrus, m. pl, gyri, gr, (f//7™s, lal, nyrus) oen kring, eene hocht, inz, de kringsvvyze wendingen op do oppervlakte der hersenen; - gy-ratie (spr, l—ls), f. nw.lat, Med. de draaiziekte, eene zlekeiyke duizeling, waardoor allo voorwerpen ais in een kring schynen te draalen; — uyralus, a, urn, uyrosm, a, urn, lat. Hot. slakkenhuisgewys gewonden; — gyroma, n. gr. iels tafolhordvormlgs; Hot. de schotelvor-mlgo vruclilhodem hy sommige korstmossen) — gyromantio (spr, /=/.«), f. de kringwaar-zeggery, het waarzeggen door het rondgaan in oenen kring; — gyrophaag, in, een rondgaand tafelschuimer; —gyroskoop, 111, gr, toestel om de wenteling der aarde te hewy-zea; gyrotroop, m, lastruinenl om den gaivanischen stroom te sluiten; — gyreus, adj, nw,lal, krlngswijze geslingerd, gekerfd; — gyrovagus, m. een landlooper, hodeimonnik.

iiurg; voor Krankryk : Kochello: in bet Duilscbe ryk: Darmstadt,

Habarah, m, arah. (v. hibarah, een gestreepte stof, v, habara, fraai of gestreept maken) een groote zyden mantel der voorname vrouwen in Cairo, die bet ganscbe lichaam tot op eene kleine strook van het aangeziobt bedekt,

Habe, m, een lange lyfrok der Araiileren,

Habèas-eorpus-acte, f. eene engel-sche grondwet, die met de lal, woorden habeas eorpus, enz. (d, 1, heb uw lichaam, n,l. vry, enz,, van \'I lal, habere, bobben) aanvangt, de wel der govaagormeming sedert 107!), toen zy onder Karei II werd vastgesteld, terecht als de tweede magna charta en het bolwerk der eng. vryhold beschouwd; volgens deze acte moot een in hoebtonis genomen persoon binnen 24 uren vóór zyn bevoogden redder staan en kan hy na dit lydsverloop, in geval bij van geeno misdaad overtuigd kan wordea, zyae los-laling legen horgslolling vorderen enz,; slecbls in bodonkoiyko tydsgcwricblon kan do wetgevende macht, geiyk dit la 1703, 1701, 1SI7 plaats bad, aan de kroon volmachl geven om die aele oen lyd lang hulton werking te slel-lon; — habüas tibi, lat, heb of holioml bel voor 11, schryf het u zeiven loe; — habiat sihi, hy bohoudo liet voor zich, by moge het zich zelvon toescinyvon.


-ocr page 568-

H^EMACHAAT

HABEMUS

552

habimus, lat. (v. habere, hebben) wy hob-bcn; habemus confilenlem renin, wy helibon een bescbuldlKilc dl» bekent.

Habcna, r, lat. een wondbeelerswerktulg lol samentrekking dor lippen van wonden.

babenl sun fala libelli, lat. boeken hebben hun lolgevallen (cllaiil uil Terenllus).

Haberdasher, m. eng, (spr. sh—sj) bont-verkooper, pelswerker.

habiel, adj. lat. (habÏÏis, e, fr. habile) geschikt, bekwaam, welgeoefend, vaardig, bedreven, handig, dogeiyk; — habiliteit, f geschiktheid, bekwaamheid, handigheid; li a li Mitel t van den getuige, Jur. de wettelgk erkende bevoegdheid van Iemand om eene In rechten geldige getuigenis at te leggen; —zich habiliteeren, mld.iat. (habilitare) zich geschikt, hekwnam enz. maken; zijne geschiktheid lol eene Iceraarspiaals staven, zich daartoe aanbieden en van züne bevoegdheid doen biyken; — habilitatie (spr. tie=tsie), r, de deugdeiykmaklng, bevoegdverklaring; do verkry-ging van het recht om aan boogescholen voorlezingen Ie houden.

habilleeren, fr. (h al» lier ,■ spr. al/ie Ij\'—) elg. kleeden; wild of gevogelte voor de keuken naar elsch klaarmaken; — habillement, n. (spr, abielj\'maii) de kleeding, dracht.

Habit, ■/.. ond. h a b 11 u s.

habiteeren, lat. (/labilare) bewonen; — habitabel, adj. (lat. hahilabflis, e) bewoonbaar; — habitabiliteit, f. bewoonbaarheid;

— habitacülum, n. eene woonplaats; het kompashuisje; — habitant, m. bewoner. Inwoner; — habitatie (spr. tie=lsie), f. (lat. habilaffo) de woning, nederzottlng; hel woon-rccht, recht om in eens anders huls te wonen.

Habitus, m. lat. (v. habere, hebben) de uiteriyke gedaante, de llchaamsstand, de houding; liet uiteriyk gedrag; ook kleeding, dracht; Bot. hel voorkomen der planl in het algemeen; habitus non facit moniichum, de dracht maakt don monnik niet; liet kleed maakt den man niet; per habtlum inffisum, uit eigen aandrift of beweging; — habit, m. fr. (spr. abi) do kioeding, de dracht, kieedingswUzo; liet kleed, gewaad; — habitude, f. fr. do aangenomen gewoonten, vaardigheid, het eigen gewordene;

— habitué, m. fr., pl. habitués, do gewone bezoekers van een kolllehuis, gezelschap, schouwburg enz., stamgast, vaste klanten, almn-nentenhabitueel, adj. (fr. habiluel) gewend, lot gewoonte geworden, eigen geworden, ingeworteld, vertrouwd, gemeenzaam, gemakkelijk; — habituëeren (fr. habiluer), gewennen, Inz. zich hab—, zich aan iets gewennen.

Hableur, m. fr. (van hAbler, opsnUden, pochen, sp. hablar, van \'t lat. fabulari) oen snoever, zwetser, opsnyder, snorker; — ha-blene, f. snoavery, zwetsery, grootspraak.

habrochétisch, habrokómisch, adj. gr. (van habrós, zacht) zacht van haar;

— habrodisetisch, adj lekker, kieskeurig in spijzen.

hacheeren, fr. {hacher-, spr. hasj—\', van liet duitsch hacken, oudd. hakjnn) hakken; ruw maken, kerven, krassen, h. v. om eene slof Ie beter op eene andere te doen bochten; — hachè of hachis, n. (spr. hasji) gehakt, klein gehakt vieesch; — hachure, f. opruiing, kerving, Insnyding; kruisstrepen, arceeringen, schaduw (hy plaalsnyders).

hac (sell, cm) Uur ad aslra, lat. sprwv. langs dezen weg gaat men naar de sterren, d. I. geraakt men lot eere en hoogheid; — hac lege, z. ond. lex.

Haciënda, f. sp. (spr. c=s; provene. fa-cemla, it. faccenda, bezigheid, verrichting, sp. het beheer der goederen, de beheerde goederen, grondeigendom, have, vermogen, v. \'t lat. faciemla, pi. v. faciendum, wal Ie doen of te maken Is, v. faccre, doen, maken) een landgoed, eene hoeve; inz. in Midden-Amerika een groot, vooral lot do veeleell bestemd landgoed, dat in Mexico naar de nieuwste bepalingen i» vierkante leguas (d. 1. uren) omvat; — ha-cendado, m. sp. bezitter eener hacienda

Hackney, in. eng. (spr. hekni) hakkenei (z. aid.)

hüclcnus, lat. tot hiertoe, zoo ver.

Hadar, m. arab. z. v. a. fellah.

Hades, m. gr. de onderwereld, het schimmen- of doodenrUk; vgl. l\'iuto.

Hadidi, m. turk. smid.

Hadsj, m. arab. (van hadsjdsja, gaan, voortgaan) de vorpllcble reis der Mohameda-nen naar Mekka; — had syi of hagi, m. een turksch pelgrim, die zulk eene bedevaart voor zich zeiven of tegen betaiing voor een ander ondernomen heeft; ook een grioksch of arme-nlsch christen, die Ier bedevaart naar het heilige graf Ie Jeruzalem Is gegaan.

Hadsjar, m. arab. steen, b. v. in het schaakspel, d. I. boer of pion; inz. de zoogenaamde zwarte steen, die in de kailba (z. aid.) te Mekka is.

Hadsjib, in. arab. (hel deelwoord van hadsjnba, bedekken, afsluiten) deurwachter, vor-steiyk kamerling; vooriieen de eerste minister by den klialif.

HDemaehaat, m. gr. (van haima, liloed) de bloedagaatsteen, een roodgeaderde agaat; ook eene Indische adder; — hsemadenösis en hsematangiösis, f. elke ziekte der bloedvaten; — heemodostosis, f. elke verhee-nlng der bloedvaten;—heemagöga, n. pl. (v. haima, bloed en nf/o, voeren, dryven) middelen, die liet bloed afdryven, die de maandstonden bevorderen; — hsemagogisch, adj bioedafilrUvend; — heemalöps, in. hel bloedoog, eene bloedullstorling in de voorste on achterste oogkamer; — hoenmnthus, m. de bloedbioem, een pronkgewas; — hsemata-porle, f. (v. haima, gen, haimtilns, bloed en apnria, gebrek) hloodgobrek, te weinig bloed;

— heematapostöma, n. eene bloedzweer;


-ocr page 569-

HtKMODYNAMIKA

I HyEMACHAAT

553

— heematemésis, t. de bloodliraklng, lid liloedopwerpcii uit het spüskanaal, ook ilc zwarte ziekte (morbus niger) Rehoeton; — hsema-tencephalon, n. de uitstorting van bloed In do hersenholte; — hoematepischösis (vgl. eplchosls), zlekelgke hloedvcrhoudlng;

— hsemathidrösis, f, het hloedzweeton;

— hsematiek en hsematologie, t. de hloedleer, tnz. de leer van het ontslaan des hloeds; ook de {voorgewende) kunst om uit hot afgetapte bloed over den toestand des llchaams te oordeelcn; — hcematine, t. de bloedstof, de roodc kleurstof van het tdoeil; ook de kleurstof uit het campéclie, Indisch of blauwhout, In 1810 door Chevreul afgezonderd; — hse-matinon, n. eone vuurroode, ondoorzichtige, harde glasmassa, In de oudheid lot pronkvazen, mozaïeken enz. aangewend, door Max I\' e 11 e n-kofer le MUncben in ISiU weder gevonden en door hem glas por phyr geheeten; — hfe-matisme, n. hot bloeden, Inz. do uitstorting van bloed uit de neusvaten In do keelholte; — hsematiet of hsematïtes, m. de bloedsteen, rood-en brulnUzersteen, rood (jzer-oxvde;

— hoematocële, f. Med. eene bloedbreuk, tegennatuurlijke afscheiding van bloed in don balzak; — hSBmatochesie, f. bloedige sloel-gang; — heematoch^sis, f. bloeding; — hsematochröma, n. het bloedrood; — hoe-matocoelie, f. lilocduitstorting In de buikholte;

— hsematocystis, f. oene bloedblaas, bloeduitstorting In de plsbiaas; — hsematogas-ter, m. bloedultstorllng in de maag; — hce— matographie, f. bloedbescbrüvlng ; — hoe-matoides of hsematodos, adj bloedig, naar bloed gelijkende; — hcematokathar-tika, m. pl., z. v. a. luomokatbart 1 kn; — hgematokólpus, m. bloeduitstorting in de moederscbeede; — hasmatokratie (spr. Iie= tsie), f. bloedhcerschappy, eene heorschappU, die zich enkel door bloedvergieten weet staande te houden; — hsematologie, f, het leerstuk over het bloed; — hcematomantie (spr. tie=tsie), f. voorspelling uit de gesteldheid des bloeds in ziekten; — hsematöma, n. het bloedgezwel aan hot hoofd van pasgeborenen;

— hSPmatomëtra, f. de bloedvloeiing uil de baarmoeder; — hoBmatómma, n. een bloedoog; — htsmatomphalus, m. navel-bloedbreuk;—hsematophilie, f. de bloed-zucht, bloedingziekte, do erfelijke neiging lot doodelgke bloedingen; — hoematophobie, f. de bloedvrees, do afkeer, dien vele menschen van vlooiend bloed hebben; — hocmato-phthalmus, m. of htomatophthalmio, f. hel bloedoog; vgl. li aim a I o p s; — hSBina-toplanösis, f. eig. verdoling van bet bloed; de uitvttting van bet bloed in het celweefsel of in eenig liclmamsholte; — hsematopoö-sis, f. de bloedherciding, tdoedverwekking; — hDematopoêtisch, adj. bloedmakend, bloed-verwekkend; — hcomatöpa, m. een bloed-opgige, roodoogige; — hscmatopsie, f. de bioedigheid van bet oog door eenen val, slag of stoot; — hoematoptysie, f. het bloed-spuwen; — heemathorrhoea of heema-thorrhysis, f. z. v. a. Iiasmorrhooa; — hsematoschëum, n. bloedbreuk van den balzak;—hoematosyne, f. de roode kleurstof uit het bloed; — heematösis, f. de bloed-boreiding, de overgang van bet maagsap tot bloed; — hsematoskopio, f. de bloedbe-schouwing; — hsematospóngus, m. de bioedzwam; — hEematostatiek, f. de leer der bloodbeweging; — hsematostatisch, adj. bloedstillend; — htematostëon, n, de uitvaling van bloed in eene beenderholte; — hsematothoologio, f. de leer van de verzoening Gods door hloedigo olfers; — hsema-tothorax, f. de bloeduitstorting in de borstholte, longbloeding; — heematox^lon, n. bloedhout, blauwhout of canipéchehout; — hse-matoxyline, f. bioedboutrood, de uitgetrokken verfstof van het campèchehont; — hse-maturio of hsematurësis, f. het bloedwateren;—hsematus, n. de uitstorting van bloed in het Inwendig oor; — hsemischë-sis, f. de onderdrukking van natuuriUke of noodzakelijke bloedoniiasting.

Heemodie, f. of heemodiasme, n.gr. (haimotlia) het gevoel van bet stompworden der tanden.

Hsemodynamtka, f. (v. /mima, bloed, en dynamika, z. aid.) de leer van de kracht der bloed beweging; — hsemodynamome-ter, m. de bloedkrachtmeter, een werktuig om de sterkte van den bloedstroom te meten; — hfemoglobino, f. bet buitenste vlies der blocdlicbaampjes; — hsemokathartïka, n. pi. bloedzuiverende middelen; — hsemomo-ter, m. de bloedmeter, een werktuig ter bepaling van de dicbliieid des bloeds; — hffi-mopathologlG, f. do leer van de bloedziekten; - hoemotophthalmio, f. de bloed-uilslorting in de bollen of vliezen van \'loog;

— haemoptysis, hjeraoptysie of hee-moptóe, f. hei bloedhoosten, bioedspuwen, de bloedvliet uil de wegen der ademhaling en vooral uit de longen; heemoptyisch, adj. bioeduitwerpend, bloedspuwend; — hsemor-rhagie of hsemorrhoea, f. de bloedvliet, bloedontlasting; — hffimorrhoïden, pl. (lat. haemorrhofdes, van den sing, haemorrhöis) ook de heemorrhoidale vloed of guldenader vloed, de aambeien, gnldene ader, de bloedvloeiingen uit aderspaltlge uitzettingen des endcidnrms; — htemorrhoidisch, adj. lol die kwaal beboorendc; — hsemorrhoskoop, m. ile nandulder der dagen, die goed moeten zijn lot aderlaten, het zoogen. aderlatingsmannetje in de voormalige almanakken; — hue-morrhoskopio, f. hei onderzoek naar alles, wat lot de bloedvloeiing betrekking beeft; — hsemoskopi o, f. z, v. a. li ai m a t o s k o p i e;

— hsBmostase, f. de bioedsiilllng; slllstand van bet bloed; — hoemostatika, n. pl. of hsemostatische middelen, bloedstelpende middelen.


-ocr page 570-

H.-EREDEEREN

554

HAKIM

hseredeeren, mid. Ii\\l. (haeredSre) in een schip of eono sclioopsroodorU aandoet nomen; — hserediteit, hueres, enz., z. heres, enz.

Hoerësis of hseresie (spr. .?=«), f. «r, {hairSsis, ein. liet uilKokozone, (te schoot, secto, van hainm, nnngrUpen, kiezen) do (twaatioor, tiet (twaaigotoof, do kottorü, afwljkinK van do tieerschendo teer, inz. van tiet kerkelijk leer-liOKrip; — hwresin interna, de innerlijko loocho-nine van oen dogma; li. externa, als dozo ook naar hutten getoond wordt; h. malcriulis, hel verkooron in factischo dwaling zonder etgen schuld; h. formalis, dnarontegen met howust-z.yn van zijne dwaling; - hseresiarch, m. een aarlskottor, ketterhoofd, stichter eenor kel-terü; — hseresioloog, m. oen ketterkennnr en -hoschryvei\'; — hBeresiologïum, n. eono lUst dor kotters, kottorlUst; — heeresiomas-tix, m. eon kotlorvyand of vervolger, eig. ket-tergocsot; —hoereticus, m. oen dwaatieeraar, kettor; — heerétisch, adj. dwaalloorend, dwaalgeloovig, kcttersch.

hoesiteeron, lal. (haesilare, froquonlatlof van haerëre, hangen) haperen, slameten of stameren, talmen, dralen; onzeker, hoslnitoloos, in twijfel zijn, aarzelen, dulihen; zich horaden, hedonken, In heraad nomen; — hsesitatie (spr. tie—tsie), f. (lat. haesilaCin) de haporlng, stameling, draling, hesluttetooslield.

Hafes, m. pl turk. teerttngon, dlo in de godsdienst of don koran onderricht krygen.

Haff, n. oudd. de zoo; oen groot gedeelte daarvan, oen zoohoozem, strandmeer, h. v. hol (Vrooto on Kleine Haff In prulslsch l\'oni-meren, hot Kurt se he Haff, enz.

Hafl, in. arah. (//«/!, Iiarrevools) harrovoe-ter, die geone voetzolen draagt.

Hafls of haflz, in. (v. hifz, geheugen, hafasa, hohouden, tiewaron, van hutten toeren) oerenaam van oen geleerde; olg. wie den koran of beroemde dichtstukken van hullon kont.

Hafne, f. turk. de prlvaatkas dos keizers.

Haft, n. (i:\\iticmern, L.) oevenias, een Insect, dal tot do viiosvlcugeligon I)ehoort, in zyn volkomen staat zeer kort leeft en dan In verha-zendo menigte, aan de oevers, liet aas dor vlsschon wordt.

Hagar, hohr. vr.naam (van \'t ongohruike-lijke hAqnr, arah. hiuhjara, verlaten, vluchlen; vgl. hedsjra) de vluchtende, voortvluclilige.

hagnrd, adj. fr (spr. handr) wild, woest, verwilderd (olg. van oen valk, die corsl in hol wild geleefd hooft en daarna is gevangen on dus moeliyk ie drossooron is); ruw, norsch, harscli; ongozciilg, mensehenschuw.

Haggadah, f. tiehr. verkondiging, sage, eono soort van rahhlnlsclie leeringen en ver-tollingon ter uillegging der oud-testamentlscho (Inz. propholische) gesctuifien; vgl. halacha.

Haggai, hohr. mansn., eig. (Ihaggal (van chdu, feest) de deftige, plechtige.

Hagi, z. hadsjl.

Hagiasme, n. gr. (hauiailmns, v. Imiiin-dzein, heiligen) de hoillgliig, d. I. de werkzaamheid des tl. Geostes, welke hot onoptioudotyk stroven naar tiet goede in de ziet des mon-schen wekt; — hagioglypta of hagio-glypten, pl. (gr. hagius, lielllg) oude heilige heeldhouwworken; - hagiographa, pl. gr. die heilige schriften, welke de Joden van de mozaïsche wel en do profeten onderscheiden, n.1. do Pgahnon, Spreuken, do Prediker on hot Hooglied van Salomo, het boek Itulh, de hoeken der Chronleken, het hoek Esra, Ne-tiemia, Esther, Joii, de Ktnagttederon van Jo-romias en Daniel; hagiograaf en ha-gioloog, m oen levensliescliryvor der lioill-gen, helllgenleeraar; hagiographie, ha-giologie, f. do helllgeiiloor, heschryvtng der heiligen, hunne lovonsheschryving; — hagio-lógisch, adj. wal de lovonsheschryving dor heiligen of den helllgonkalonder, het hagio-logium, het reft; hagiolatrie, f. lielll-gendienst, voreering der heiligen; — hagio-mdchos, m. iemand die de voreering der heiligen hoslrydl; - hagiomachie, f. strijd over do voreering der heiligen; hagio-pneumatiek, f. do loer van den heiligen geest of van de heilige geesten; — hagio-tiek, f. de iiettlgings- of verlielorliigsleer.

Hagnouma, n. gr. (hanneuma, van ha-f/neiiein, kulsch loven) de kulsche levenswyze.

Hiigring, ni. noordscho naam voor fata morgana (z. aid.)

Haha, n. fr. (van den uitroep der verrassing; halm!) eene opening in een muurtuln, om hot gezicht vry te lalon, met eene graclil daar hulton.

Haidut, m. lurk. (ImidiU, eertyds een hon-gaarsch infaiilorist, een oorspr. hong. woord; vgl. held uk) straatroovor, bandiet; — hai-duk, z. hold uk.

Haie, f. (spr. hej\') fr. (van ons haag, heg, oudhoogd. Iinnan) de lieg, haag, omtulntng, tutu; eene dubbele ry krljgsvoik; — en haie, in twee ryen tegenover elknnder geplaatst.

Haïk, m. een groot stuk slof van wol en katoen, dat de Moeren In N.Afrika, als zij uitgaan, omwerpen; hy siectil weder wordt over den haïk nog oen mantel mot eono kap, dlo zo Hi an of hoe moes Meet, gedragen.

Hailoh, eene lengteniaal op Sumatra = 1 eng. yard of 0,011 nieter.

Haiman, m. vrye rondl rokkende herders In Turkije.

Haine, f. fr. (spr. hek\') haal.

Hair, n. eng. (spr. heer) het baar; — hairbin. n. halfzydon op kamelot getykonde stof ; haircloth (sjir. o=oo.- de lh als een gelispte s) en hair-seating, n. (spr. «/= ie) soorten van haardoek; — haircord, n. soort camhrick mol dlclito haarstropen; — hairplush, n. (spr. —plusj) en hair-shag, n. (spr. shèu) wollen pluclie mol kemelshaar.

Haisan of haSsantliee, f. oen soori groene tiioo, in China go beo goheeten.

Hakem, m. porz. gouverneur.

Hakim, m. arah. {hahim, partlc. van hu-


-ocr page 571-

HALOCHKM IK

HAKKEBORD

555

karna, hoersclicn, rlclitoii, welen) oon wijze, een wysgeer; ook de titel van een geneesheer en, mot een nader bepalend toevoegsel, ook van een rechter-,- hakim-basji, in. de opper-arts, hofarts In l\'erzle; - hakim-eféndi, in, de eerste lyfarts des sultans; — hakim-sjeri, een reehterlljk heambto.

Hakkebord, n. een oud snuronspeellulg, In nild.lat. hjmpnnnut Kciioeten-, waursch. om zijnen vorm zoo genoemd.

Hakkenei, r. (fr. haquenée, eng. hackney, waarsch. een klanknabootsond woord) een telpaard, eene telle, een pasganger.

Halablath, r. arab. een witte en gele woesHInbloem, wier rook voor geneeskrachtig gebonden wordt.

Halacha, r. hebr. de pronkrede, de poe-tlsebe styl; de ontwikkeling der wet lot prac-Ilsche resultaten enz.; vgl. haggadah.

Halage, f. (spr. halaazj\': v. haler, sp halar, v. oudd. hal/in, oudn. gt;ilt;ila, trekken, verwant met ons balen) liet voorttrekken der schepen langs den oever met touwen-, het scheepstrek-kersloon.

Halali (fr. haloli, hallali,- vgl. hahali, jubelkreet der jagers) de kreet der jagers by de bertenjaebt, als het hert niet meer voort kan.

Halcyónen, m. pl. gr. [halkuón, f., pl. hal-kyónes) ysvogels; een zinnebeeld van diepe rust, dewyi de zee, tijdens deze vogels hunne nesten bouwen, zonder stormen Is; vandaarhal-cyónisch, adj. slll, rustig; bnlcyonlscbe dagen, de winterdagen omstreeks den koristen dag.

Halden, pl. hoogd. de heuvels van doove ertsstukken en metaalslakken, die zich bij bergwerken en yzerhutlen allengs opboopen.

Halebi of halibi, khalobi, khalibi, m. turk. (elg. pik hAlebi, de el van Aleppo) van ISöi ISquot;i de wettelgke turksebe el = 0,«8S meter; do wallacbische el voor lakens en zy-den stolten, ook cotu geheelen = meier (voor andere weefsels geldl de en da sell (z. aid.)

Halebloeb, f. arab. eene gele hloom, welker zaad voor een geneesmiddel tegen oogziekte der paarden gehouden wordt.

Half-blood, eng. (spr. hiif-blud\') halfbloed; — half-crown, m. eng. (spr. luif-kroun) halve kroon, eene eng. zilvermunt; — half-dollar, m. halve dollar; — half-dress, n. de halve kleeding, hulskleedlng; — half-eagle, m. (spr. ea=ie) halve eagle, lt;1. I. ;i dollars -. half-ponny, in. (spr. penni) een halve penny (z. aid.), eene eng kopermunt; half-quarter-dollar, m. (spr. hdf-kwaiienlnllcr) een halve kwartdollar, J dollar.

Haliëütiek, f. gr. (v. halieiiein, vlssclien) de vischkunst; onelg. de kunst om menschen Ie vangen, ben door overreding enz. te winnen-, - halieutika, pl. een gedicht over de vlscbvangsl; halieutisch, adj. de vischkunst betreiïende.

Haligraphïo, f gr. (v. hals, zout, zee) beschryving van zoutwerken;—haliotlden, pl. (van hals, f. zee, en oes, genlt. nl/i.t, oor) versleenlngen van zeeonren, eene naar het men-schelijk oor gelykende soort van zeeschelpen -, — halipténisch, adj. langs bel vlak der zee vliegende.

Halina, f. slowaklscbe herdcrsmnntel.

Halinthesis, f. gr. soort worstelstrijd, die nog door dengene, die op den grond lag, werd voortgezet.

haliteeren, lat. (halilare, freiiiientatlefvan halSre, uitwasemen) dampen; — haliteus, adj. nw.lal. dampig-, halitus, m. lat. daaip. wasem; h. sanquinix, de uit versch bloed op-stygende eigenaardig ilekende damp.

Hall, m. eng. zaal; verder op eng. universiteiten: school- of unlverslleiisstlcliilng

Hall., iiy natuurwetenscb. namen nfk. voor A. von Maller (gest. 17quot;quot;).

Hallo, f. fr. en hoogd. (v. oudd. halla. voorhof, tempel) eene overdekte plaats, een verwelfde gang, bal; ook winkel, kraam, stal-, vandaar dames lt;U\' la halle, vlschwUven, marktvrouwen, ultstalsters enz.; taal de la halle, gemeene volkstaal, taal van de vlschrnarkt;— hallage, f. (spr, -lad:]\') bet marktgeld, kraamgeld, staangeld van waren, die in eene bal of kraam verkocht worden.

Hallelüjah, hebr. (v. halal, hillfl, prijzen en jdh, afkorting van Jehova) briift den llcerl geloofd zy Oort; bet groote hallelujah, by de Joden de psalmen van den I lilden lot en met den lilden, omdat daarin hyz.onder Gods weldaden jegens het joodsche volk worden verheeriykt.

Hallkarl, in. zvv. knecht van den stations-waard, die tot tank beeft de reizigers van dienst te zyn.

Hallogas, n. zeker draagbaar gas, ter verlichting gebezigd en naar den uitvinder genoemd, bestaande uit een mengsel van alcohol en terpentijnolie.

Hallören, m. pl. (van \'t colt. hallwr, zout-herelder, van hall, een oud woord voor xalz, zout) de arbeiders in de zoutmUnen te Malle aan de Saaie, die in gelaat, drarbt en zodon veel eigenaardigs hebben en meest uitstekende zwemmers en duikers zijn.

Hallub, ui. arab. zwyn.

hallucinooren, lat. {hallucinari of liever alueinaii) verward van geest z.yn, struikelen, feilen-, beuzelen, droomen; hallucinatie (spr. /=/.«), f. (hallucinatfo) verwardheid, feil, misslag, verzien; droomorU; verblinding, oogbedrog, geest verschijning, visioen.

halmatürisch, adj. gr. met behulp van den staart springende.

Halochemio, f. gr. (van hals, zout) de scheikunde der zouten, de geschiedenis der zouten; halochómisch, adj. tot de scheikunde der zouten beboorendc; halödos, n gr. (elg. zoutachlig) de korst die zich uil hel


-ocr page 572-

HALOS

556

HANG

ilodnlruppclpiidc zoute water op de doornen van het gradeerwerk vormt; — halogenuim, n. de zoutstof, zoutvormende stof, z. v. a. c h 1 o o r (z. aid.); — halographie, f. do zoutbeschrü-vlng, beschryvlng der zoutwerken ; — haloï-de, pl. de zoutvonnors, zoutvormende stoffen (chloor, bromium, Jodium, fluor enz.); — ha-loïd-zouten, pi. die uit de verbinding van eene zoutvormende stof met een zout ontstaan (b. v. ebloornatriuin of keukenzout); — halo-logie, f. de zoulleer, zoutkuude; — haloló-gisch, adj. zout kundig; — halomantie spr. /=/.?), de zoutwanrzeggerU, de voorspelling uit hoopjes zout; — halometer, m een zoutmeter; — halometrie, f. eig. de zout-metlng; de bepaling van hel alcoholgehalte in het bier, uit de geschiktheid van die vloeistof om keukenzout op te lossen.

Halos of halon, f. gr. elg. de dorsch-vloer; een kring om zonen maan; ook de kring rondom de tepels of rondom pokkon.

Haloskoop, m. gr. (v. hals, zout) een werktuig om de eigen zwaarte des waters enz. en zijne vermenging met zoutdeeltjes te bepalen ; — halotechnie, halotechmka en halurgie, f. de kennis der zoutwerken, de leer der zoutbereiding; — haloxyline, f. (v. jylnn, bout) buskruit of ontpioltlngsmiddci, uit zaagsel, gedrenkt met ferridcyankallum, uilgevonden door gebr. Fehleisen te Giili; — halürg, m. een zout werker, zoutbereider, zoutziedor.

Halster, m. oude ned. korenmaat, waarvan er te Leuven S in een mud, te Gent ïifl in een last tarwe en :)8 in oen last haver gingen.

Halters, pi. gr. (haltëres, d. 1. eig. springer, v. Imlleslhai, springen) loodmassa\'s, spring-kolven, die men by het springen In de handen hield; ook de evenwichtskogels of-stangen (ba-la n ceerst a nge n).

Haltoe-hoemajor, lurk. een bevel des sultans, dat kracht van wet heeft.

halvemaan, by de Turken tiet teeken, niet het rykswapen) op moskeeën, minarets vaandels, enz.; ook een turk. ridderorde voor uiet-Mohamedanen (de koran verbiedt zgnen volgelingen zulke onderscheldingsteekens); — halve metalen, vroeger benaming van zekere metalen, die slechts in gerlngen graad rekbaar, taal en buigzaam zyn, b, v. antimonium, zink, enz.; — halveoren, nederl. met bastaard-.ultgang: in Iwec helften deeien.

Halwa, n. lurk. boniggebak, suikerwerk;

— halwadsji, m. banketbakker, suikerbakker; — hal wet, n. partytje waarop suikerwerk wordt gepresenteerd.

hama, gr. Med. in eenmaal, te geluk; — hamachromio, f. (vgl. c h r o m a) kleurendruk met verschelden kleuren te geiyk, naar ile uitvinding van den Kranschmaa M on nol ;

— hamadryaden, f. (v. drys, eik, boom) gr. Mvth. boom- of woudnimfen, die met haren boom te geiyk leven en sterven.

Hamac, m. fr. hamaca, f. sp. hangmat.

Hamam (arab. hatnmim, warm bad, van hamma, warmen), turk. openbare badinrichtingenhamandsji-basji, m. de opziener der openbare baden.

Hamans, pi. Kmt. tijne, dichte, witte oost-Indische katoenen stoffen.

Hamansfeest, ■/.. purim.

Hamara, f. In Egypte: een grieksche herberg of kroeg,

Hamartïe, f. gr. (hamartia, v. hamartd-nein, feilen), feil, fout, zonde, zondlgbeid.

Hamasa, f. arab. (elg. dapperheid, van hamasa, standvastig in den godsdienst en dapper in den oorlog zyn) eene verzameling van ara-btsche heldenzangen

hama lus, a, um, lat. Kot. van angels of haken voorzien.

Hamaxa, f. gr. wagen, rytulg. Hamaxcbiërs, m. pl. gr. {hamaxóbini, van hdmuxa, wagen, en bios, leven) volkeren, die op wagens of karren leven en rondtrekken Hamade, hamedis, m. eene bengaal-scho witte katoenen stof.

Hamieten, pl. (v. \'t lat. hamus, de baak) eene soort van siakkenversteenlngen, die naar eenen baak geiyken.

Hamilkar, m. voornamelijk by de Kartlia-gers geliefkoosde eigennaam; z. v. a. G o 1111 e b.

Hamlet, m. naam Inz. van den Deenscben prins In Shakespeare\'s tragoedle van dien naam, type van een melancholisch besluiteloos karakter.

Hamma, n. gr. (van haiilciti, knoopen) een band; Chlr. een breukband; ook eene oud-gr, lengtemaat van io ellen.

hammad, arab. soort van zuring. Hammada, f arab. de «doorgloeidequot;, de naam der woestyn.

Hammal, in. turk. lastdrager. Hammar, m. arab. ezel.

Hammonïa, f. lal. naam voor Hamburg, vandaar ook verscheiden in Hamburg bestaande maatschappyen, enz.

hanwsus. a, um, lat. Hot. z. ha mat us. Hamrah, f. arab. een afrikaansche tropi-sche boom (Ailansmia flit/ila/a) z. A d a n s o n 1 a. Hamsin, z. cluunsln.

Han, of liever kb an, m. (perz. khdn, khd-neh, huis, Inz. herberg) eene turksche openbare herberg, doorgaans lol opneming der karavanen bestemd; — handsji, m. de opzichter, bestuurder van zulk eene herberg.

Hanaken, m. pi. moravisebe landbewoners van slavoniscben oorsprong; —hanakische dans, een dans, by dien volksstam In gebruik.

Hanaper, n. eng. (spr. hénneper; mldlat. hanaperium, groot vat, hampus, beker, v. \'t oud fr. hanap, provenc. enap, van bet duitsch napf ons n a p, angels. Imaep) de schatkamer, staatskas.

Hanbaliet, m. arab. eene orthodoxe secte der sunn lel en, z. aid.

hanr veniam pelimusque damusque vicissim, lat. om deze gunst vragen wy en verleenen ze u terug (citaat uit Horatius\' Ars poëtica)


-ocr page 573-

HARANGUK

HAND

557

(1, i. do eeno dlonst Is ilen underen waard.

Hand, f. ent?, (spr. hend\') hand; ook als maal.

Handicap, m. eng. (spr. hmiUkep) naam van ecu wedren, waarliU liet door de paarden te dragen gewicht naar hun ouderdom en lie-kende kracht door afzonderlgke taxatie wordt vastgesteld; de ruiters worden dus gewogen en naar de kracht der paarden met verschillend gewicht bezwaard; — handicapper, persoon die heiast Is met de functie van het ge-lUkmaken der kansen bU den handicap-wedren.

Handjia, m. de bulgaarscho herbergier.

Handle, in. eng. (spr. hend\'I) handvat, greep, steel.

handsome, adj. eng. (spr. hénmm) mooi.

Hanekaatjes, n. pl uit Oostlndle hier ingevoerde witte neteldoeksche stoiTen.

Hangman, m. eng. (spr. héngmen) beul.

Hania, f. arah. gruote nis in een muur, met kussens voorzien en tol rustbank Ingericht.

hanistieten, pi. aanhangers van Aboo Hanisti, oen der i orthodoxe Imams, wiens leer in ïurküe vooral gevolgd wordt.

Hanjar of handsjar, m. (perz. arah. f.handsjar) een turksche dolk, korte degen.

Hank, m. eng. (spr. henk) of number, «en eng. garenmaat (streng) liU katoen = 8io, hy wol = HOO, hg linnen en hennep = linno, lig getweernde zjjde = \'.VMH yards; de iersclie hank voor linnen garen = 3(100 yards.

Hanneton, m. fr. (spr —Idii) meikever; ook als naam eener geeihruine kleur, ongeveer z. v. a. bis ma rek.

Hannibal (van \'t hehr. channdh, gunst, genade, en bnal, heer. God) phoenicische mansn.; Gods genade; — Hannibal nnle portas, lat. sprw.; eig. ifannilial (Is) voor de poorten (van Kome, d. i. de vyand, bet gevaar is nal)U, bet water Is aan de lippen.

Hanoem, f. turk. yrouw.

Hans, Hansje; verkiw. van .1 o li a n n c s, Johanna; — Hansje in den kelder, de gezondheid (toast), gedronken voor de nog ongeboren vrucht, het wói-afloopen van bet scheepje; de kunstige bokaal, waarmede die gezondheid gedronken wordt.

Hansa of hanse, f. oudd. (oudhoogd. en goth. hansa) de schaar, hot verhond, Inz. bet handelsverbond der steden (hansesteden), die zich sedert 1251 aan Hamburg en Liibeck aansloten om zich zeiven en hunnen handel tegen roovery te beschutten, allen bultcnlandschen handel aan zich te brengen, de van vorsten verkregen rechten en vrijheden te handhaven en uit te breiden, enz.; na een hoogen bloei bereikt te hebben, deden velerlei oorzaken, vooral ook de gevolgen van de ontdekking van Amerika en van den zeeweg naar Indie, deze handel-maatscbappU allengs vervallen, en de laatste hansedag of vergadering van afgevaardigden uil til de vereenigde steden, welke om do drie jaren te l.tlbeck plaats had, werd in Hilio ■gehouden. Opnieuw verbonden zich toen Hamburg, LUbeck en Kremen, welke nu nog wol den naam van Hansesteden dragen; -hanseaten, m. pl. de bewoners en, In en-geren zin, de soldaten der 3 vrge hansesteden Hamburg, LUbeck en Breinen; — hansea-tisch, adj. verbonden, tot de hansa of hanse behooronde; — hansebeker, hansbeker, een groote beker of lierkemeler, die in eens moest geledigd worden.

Hansom of hansomcab, f. eng. (spr. hénsum-keh) de naar den uitvinder genoemde tweewielige eng. cabriolet, soort huurrijtuig in Londen, vgl. cab.

hanteeron (van hand, met den bastaarduitgang e e r e n) een bedrijf uitoefenen, zaken verriciiten; gedurig met Iets omgaan, Iets vlijtig gebruiken, hebandelen; — hanteering, bedrijf, kostwinning; gedurige omgang met of gebruik van Iets (fr. hantise).

Hanuca, m. hehr. een feest der Joden op den iSsten van (losten, tut viering der overwinning van Judas Maccabam

Hao, chin. z. i I a n g.

Hapantisme, n. lat. de geheele vergroeiing van een deel in een ander, b. v. van de aderbuis van Arantius In de lever.

Hapaxlegomënon, n., pi. hapax-legomëna, gr. (v. hapax, eenmaal, en léqein, zoggen) slechts eenmaal gezegde, gebruikte of voorkomende woorden.

Haphtaren, pi. (joodsch Ua-phlorah, van het hehr. pamp;lar, uitbreken, vry worden) afdee-lingen in de propheten, ilie hy de Joden op Suhbatii worden voorgelezen.

Haplösis of Haplöse (spr. «=:), f. gr. (van haploes, eenvoudig) de vereenvoudiging;

— haplotomie, f gr. Cliir. eene eenvoudige snede.

Happelourde, f. fr. (spr. —Inérd\'. van happcr, opsnappen, grypen, vangen, en lourd, zwaar, plomp, dom, alzoo elg. een edelsteen, waarmede de dommen misleid worden), een onecht of valsch edelgesteente; een mensch, een paard, een ding van schoon voorkomen, maar zonder Inneriyke waarde.

haptisch, adj. gr. {haplikns, v. hdpteiii. grypen, vatten, enz.), de aanraking of den tastzin hetrellende; — buptlscho misleiding, de misleiding van het gevoel of den tastzin;

— haptopódisch, adj. met tot aanvatten geschikte voeten.

Haquet, m. fr. (spr. hakè: elg. een klein paard, v. \'I oudfr. haque, klepper) eene kleine kar; een blokwagen.

Harabrik, m. russ. de liinge zweep van den tabu ut schik of paardeniierder.

Haradsch, z. v. a. charadscb.

harai, in Turkge de schatting, die alle niel-inahomedanen aan de moslem botalen moesten.

Harakiri, z. harl-kirl.

Haranen, m. pi. hongaarsclie militie, Inz. croatlsche grenssoldaten; vandaar haran of harand, een woest, harbnarsch mensch.

Harangue, f fr. (spr. hamiiif: van \'t


-ocr page 574-

HARMONIE

558

HARAR

midd. hrinc, ring. kring; vandaar\'I II. «nngo, renbaan; sprcokKOstoolto, voorts, als arinua, oeno openbare rodevoering, provenc. arenf/ua, sp. arenga) eene detllge aanspraak, plechtige redevoering; — harangueeren (fr. huran-Ituer), redevoeren, plechtig aanspreken; het hooge woord voeren; veol woorden over eene kleinigheid vuil maken; — haranguour, m. de woordvoerder, aanspruakhouder, redenaar, lofredenaar; bahholaar.

Harar, tn. eene afdcellng van het turk. leger van 4—14 duizend man, ook chamlss (de vytdeellgc) genaamd, omdat /.ij uit \'i bootd-deelen bestaat, nl. hot centrum, de rechter-en de linkervleugel, de voor- en do achterhoede.

Haras, m. tr, (spr. hard; mid.lal. hara-ciuin, v. \'I arab. furas, punrd, mid.lat. farius equus) eene sloetei\'U, paardenfokkery; de tot bespringing afgezonderde plaats.

haraaseoi\'on, fr. {hurusser) vermoeien, af-mntlen, uitputten; van dieren; afjagen, afdr|)ven.

Hareeeron, z. v. a. arcoeren.

harceleoren, fr. {harceter ■, oudfr. herce-Ier, v. herce, herse, mid.lat. herein, egge) plagen, kwellen, tergen, telkens aanvallen, verontrusten; — harcolour, in. een plaaggeest, kwelduivel.

hard, adj. eng. hard, b. v. hard biscuits, harde beschuit; — hardware, eng. (spr. hard-neeer) kleine waren van ijzer, staal, enz., Ijzerwaren.

Hardary, z. koss.

Harde, f. district of landschap in Denemarken.

Harderie, f. fr. een uit yzervyisel en zwavel bereide yzerkalk tot email- en glasscbii-dcrwerk,

hardes, |)i. fr. (spr. hard\'; van la harde, elg. koppel, bundel) in een bundel samengebonden kleedlngstukken, goedje, plunje, reisbagage.

hardl, fr. (II. urditn, provenc. nnlit, elg het partic. van ardire, ardir, zicii verstouten, van hel duitscbe bard, dal in de oude taal ook sloui, koen beduidde) stout, koon, on-vcrschrokken, manhaftig, driest, moedig; ook vrijpostig, laatdunkend, verwaand; — har-diésse, f. stoutheid, driestheid, koenheid, onverschrokkenheid; ook vermetelheid, onbeschaamdheid, laatdunkendheid, vi-ypostigheld.

Hare n. lurk. weerscbynende zyden stof.

Haröl, m. hebr. altaardak.

Harém, m. arab. (haram, v. harama, verbieden, van iels afhouden; vandaar in \'t algemeen iets verbodens, ongeoorloofds, ontoegan-keiyks, heiligs, b v. de omluinlng van den tempel Ie Mekka), bel inwondlgo van het liuis, bei \\ louwenhuls dor Mobamedanen, do vrouwenhof. het vrouweniImmer, de vrouwenwoning; - haremai, pi. opbrengsten tot onderhoud van den harem des sultans.

Harenk, m. siav. pol.

Harf of il a h a b, m. eene rekenmunt In Vhyssinie = 10 kebir = 140 borjookes of glaspnarlen = ongeveer !l centen.

Hari, f. Australlscho boom (Spondias dulcis) en zyn eetbare vrucht.

Haricot, m. fr. (spr. harikó; elg. hoon, snyhoon, v. Hal. caraco, sp. carucnrillo) ook; haricot de mouton (spr. moelón), een hutspot van schnpevleesch en knollen; Imricols veris (spr. wèr), snyboonon; htilel des haricots, provoost der nationale garde te Parys (in de laatste uitdrukking elg. eene verbastering van Dar-ricau, spr. darikó, kommandant der nationale garde te l\'arys gedurende de 100 dagen.

Hariéro, m. sp. [arriêro) een luiurkoetsler.

Hari-kiri, harikari of harikiri, ook seppoetoe, f. do zelfmoord door opensnyding van den buik, een voorreclil van de ter dood veroordeelde edelen In Japan.

harioleeren, lat. (hariolare) elg. voorspellen; gew. spottenderwys: op goed geluk raden of vermoeden; - hariolatie (spr. t=ts), 1° de bedriegiyke voorspelling der priesters; 2° oen onbezonnen, ongegrond vermoeden.

Harir, n. arab. zyde; — hari nasari, in. opziener der zyde; — hari, in. zydehnn-delaar.

Hari., by ..aluurwelenscbappeiyke bena-niingen afk. voor llichard Harlan Ie Philadelphia.

Harlekijn, in. (fr. arlei/uin, II. arlecchino, v. \'t oudfr. harlequin, hierlekin, hielekin) Pantalons doorslopen bediende, eene der staande iiiaskerrolieii van het Hal. tooneel, welker oorsprong men reeds in de oude mimen (z. aid.) gezocht wil hebben; een potsenmaker, grappenmaker, hansworst; in Dultschland ook pickel-haring, in Frankryk j ean-po I ago (hanssopi, in Engeland jack pudding, In Italië ma colon e gebeelen (z. die woorden); pi. harlequins, ook eene soort van bonte engelsche wollen slof; harlequinade, f. (fr. ar-lequinade) eene pots, een hansworstenstreek; kluchtspel.

Harmala-rood, n. Cliem. eene roode kleurstof uil den wortel van l\'eqanum har mala, een zoogeniuund onkruid, Inz. In de Krim, op liet kustland van de Kaspische zee.

Harmamaxa, f. porz. soort van rytulg, rondom door gordynen afgesloten.

Harmattan, m. een zeer verderfeiyke. heete wind, silkwind, inz. aan de afrikaansclie kust vgl. samoem.

Harmiseara, hariscada, f. eene mld-deleeuwsclie straf bij d(^ Daltsehers voor ontrouw en wetsovertreding, waarby door vryen een bond, door dienstplichtigen en slaven een zadel of een rad moest gedragen worden.

Harmonie, f. gr. {hannonia) samenslem-ming, overecnstemmiiig, de geiykiydlge vorhin-ding der tonen tot een geheel volgens de wetten des goluids, klankineensmelilng, welluidendheid; Arch, en beeldende kunsten: evonreiligheid, schoone verhouding der deeleu van een geheel; eensgezindheid, eendraciil. vredelievendheid, over-eonstcniming van neigingen, van wil, enz.; 0|i vele plaatsen de naam vim een besloten gezelschap of soriOlelt, lot uitspanning en genoegen


-ocr page 575-

HARMONIE

559

HAHPOKN

bestemd; harmoma prueslabilïlu, of keprinsla hl I uerde hiirinonlo. ile vooraflicpuaUle overeenkomst of ovoroonstemmliiK; niuir Leibnitz: de van Ood oors|ironkelUk ultgiiunde sa-meiislommlng van alle dingen en van hare veranderingen tot een doel, waaruit ook do ge-meenschap van ziel en llchuam verklaard wordt;

— harmonie der sphseren, zie onder spbeer; — harmonieleer, f. Muz. wel-luldendshcldsleer, leer van de verhoudlntten der lonen; — harmonie-muziek, r. militaire muziek van koperen, houten en slaglnslrnmen-loii; — harmonicéllo, m. 11. (spr. —tsjètlo) een door JUschoff to Dessau uitgevonden sna-renspeettulg, in den vorm vaneen rechtopslaan-den vleugel mot op de harmonica geiykenden loon; — harmonichórde, n. gr. een door F. Kaufniann In IKON uitgevonden snaren-speellaig; - harmoniek, f. ■/.. harmonieleer;— harmonika, f. eon door F r a n k 11 n uitgevonden (misschien slechts verheterd) speeltuig, dat uil eene rol op een voetstuk hestaat, waaraan glazen halve hollen van geregeld afdalende grootte bevestigd en zoodanig Ineenge-sclioven z|)n, dat de rand van olkon hol uitsteekt; de intonatie wordt door de vingertoppen op die randen, tenvyi de hol door een pedaal omdraait, teweeg gobiacltl; de li a n d-h a r m o n 1 k a, waar-bü do eene band de toetsen bespeelt, terwUI de andere den blaasbalg in werking houdt, Is oen geheel ander speeltuig; — mo n d-h a nn o-nïka, f. een bekend speeltuig, dat met den mond wordt bespeeld; — chemische harmonika, do toon dien oen waterstofgasvlam in een daarboven gehouden glazen tails vuort-brengt; — harmonikon, n. een door M ey e r uitgevonden speeltuig; — harmoniëeren, overeenstemmen, eendracht Ig, vrlendschappeHjk loven, in goedé verstandlioudlng slaan; — har-mónisch, adj. overoeiisieminend, weiktinkeiid, eondraebtig; — harmonische proportie. Math, eene evenredigheid I) tusschea i grootheden a, h, c en lt;/, waarhü het verschil der bolde eerste tot dal der bolde laatste staat, als de eerste grootheid tot de vierde, d. 1. a—b ■ c—d = ii - il: 4) tussclien II grootheden a, b en f, als u-b.- b~c = a .■ c {b heet la dat geval de harmonisch middonevenro-digo); harmonische progressie, f. eene reeks van grootheden, van welke elke drie op elkander volgende eene harmonische ovemedigheid maken; in de meetkunde heet eene lijn harmonisch gedeeld, wanneer zy in drie doelen zoo godeoid is, dal do gau-sehe iyn tol een der uiterste doelen slaat, als bet andere uiterste deel tot het middelste; — harmoniseeren (spr. s=t), fr. {hannonisiir) in overeonstemining brengen, doen barmonloe-ren; — harmonisme, n. hel streven naar overeenstemming In de spelling en scliryfwyzo;

— harmonist, m. Muz. en Plet. een meester der hannonie, die de harmonie in loon- en scliliderkunst gevoelt en uitdrukt; harmó-nomoter, m. een wolluidendlieidsmeler, een werktuig om do harmonische verhoudingen te meten.

Harmonieten, m. pi. eeno secte van dwepers, die zonder echt en eigendom leven, In IHOii door een Wurtenibeiger, K a p p genaamd, te Har m o n y, een vlek van IS. Amerika, gesticht.

Harmóst, m. gr. {harmoslet) een spar-taanscb bevelvoerder, inz. te Athene; - har-mosynen, pi. overheidspersonen te Sparta, belast met het toezicht over de vrouwen.

Harmotómus, m. gr. (van harmós, voeg, en lómos, snede, v lémncin, snyden, omdat de kristallen van dil mineraal zich aan de samenvoegingen der pyramideiivlakken, aan de ver-tikale kanten, laten schelden) krutskristal, een samengestelde kristalachllge steen alt de myn van Andreasberg in don Hartz, kruissteen.

Harnas, n. (mid.lal. hurnascha, fr. hanmis; door sommigen afgeleid van bet cell, haiarn, yzer, door anderen van \'t mld.lat. f/nraiso, eene wapenrusting, 11 quarnuccia, een lang kleed) metalen borst- en rugbekleeding, de strydrok, wapenrok, liet pantsler, pantser.

Haró, n. fr. (v. \'I oudd. hum, hem, herol, bierheen, bcrwaaris! vgl. liet oudhoogd. haren, schreeuwen, roepen) angstgeschel, hulpgeroep; — haro roepen, de hulp der gerechlsdle-naars iloor dien kreet Inroepen, om iemand Ie vatten.

Harp, f. (it. en lal. hurpa, hoogd. harfe, oudhoogd. hiiriiha, oudn. hariiii, angels, hearite) een der oudste smiarlnstrumenten, waarvan Inz. II soorten zün: do thans iiiln gebrulkelyke spitsharp of 11a 1 iaanscho harp, de davlds-harp en de peda al harp; — ook eene koperen zeef tol graanzulverlng.

Harpagmothorium. n. gr. naam, aan een viervoetig dier der voorwereld gegeven.

Harpax of harpagon. m. gr. (bet laatste naar den naam van den gierigaard in Molières biyspel; \\an bel gr. harpiix, roofgierig, schrapend) een gierigaard, vrek, hebzuchtig mensch; — harpagónen pi. eene soort van enterhaken der Ouden.

Harpeggio, n. II. (spr. haritéilzjo; van harpa, harp) Muz. eene harpaclitige toonbreking, t. ariwMiio. harpeggiëeren, barps-gewys spelen; — harpinét, t, eene kleine harp van bgzomler maaksel; — harpieten, m. pl. nw.lat. verslcende sciieipdieron van liarp-vormlge gedaante; — harpist, m. een harpspeler; — harpiste, f. eene harpspeelster.

Harpijen, eig. Harpyiën, f. pi gr. (/lar/ij/ioi, v. har/idilzeiii, wegrukken; vgl. harpax) Mylb. roofzachlige vrouwelyke wezens van afsebuweiyk voorkomen, beeld der onver-zadeiykste, gemeenste roof- en heb/.uehl.

Harpoon, m. (fr. hiirpon, eng. har/won, hoogd. har/iune, mld.lal. harpo, v. \'I provenc. arpa, klauw, haak) eene werpspies met weerhaken lol de walvlscbvangst, omtrenl li palm lang; harpooneeron (fr. harpmner), ilen harpoen (In \'I lijfi werpen-, harpoonago, f. (spr. miatj\') hei liarpoeneeren, het visciisle-


-ocr page 576-

HARPOKRATES

HATSJERIF

560

ken; - harpoenier, m. do hurpoonworper.

Harpokrates, m. nr. (v. \'t oRypl. har-pechrel, d. I. Ilorus liet kind, als hynuain van di\'n Jongen Ilorus, do opKaando zon, naar grlok-scho opvatting do zwUgondo (lod, dewijl In ügvplo oen zalgoling onder \'t lioold van oen zltlond naakt kind, dat doa vinger op don mond houdt, word voorgesteld) Myth, do god dor stllzwUgondlu\'ld, afgebeeld als oen Jongeling dlo don vinger op den mond heeft.

Harpuis, n. gekookt en afgeschuimd hars, doorgaans mol eenlg zwavel vermengd, waarmede inon Inz. do masten en stengen, nok wel den scheepsromp boven water, bestrijkt.

Harr., hU natuurwotonsch. benamingen afk. voor Mozos Harris, eatoinoloog.

Harras, n. (beter arras, fr. verk, ras, van do stad Arras, In Frankrijk) een lichte, losse, wollen stof.

Harry, in. eng. eigennaam, ontslaan uit Henry = Hendrik.

Harsela, f. oen egypt. gewicht voor zUdo = 1,3 kilo.

Harsen, f. en n. pi. eig. brandbare stolTon; by do scheikundigen: vaste, op zich zelvon niet zonder ontleding vluchtige, in do warmte smeltbare, in water onoplosbare, In alcohol of ajther oplosbare plantonstolTen, dlo geen stikstof, maar alleea koolslof, waterslof en zuurstof bevatten. Zij vlooien óf van zelve óf door gemaakte ope-nlngen uit do stammen ca wortels van veie gewassen, en zijn zoo voor do geneeskunde als voor de nyverheid van voel gewicht; — hars-electriciteit, f. z. v. a. mInus-electriet telt (—K) z. oud. olectrlcltelt.

Hart., hu natuurwetenschappelijke benamingen afk. voor J. W. I). Hartmann te SI. Gullen of voor Iquot;. Hartmann te Güpplngen.

Harteboest, n. soorl antilope in Zuld-Afrlka [AnlUope caama).

Hartschier, z. h a t s c h I o r.

Harüpex, m. lat. (waarsch. v. haroqu, harvlga, arviga, Ziarvlx, arvix, een ram als otTerdier, en specere, spiccrc, beschouwen) pl. haruspices, oHorboschouwers of oiterwnar-zeggers, oud-rom. eig. uit Etruriii afkomstige priesters, dlo uit de Ingewanden van geslachte offerdieren voorspellingen deden.

Harv., bU natuurwotonsclmppeHlke benamingen afk. voor VV. 11. Harvey (gesl. IH(j(l).

Harvani, n. een eoroklood of do ambtsdracht van don turkschen kadi.

Hasan of c ha san, in. Joodsch; do voorzanger In de synagoge.

Hasard, z. hazard.

Hascen-boba, m. hot hoofd der turk-sche derwisjen.

Hasdrubal, m. geliefkoosde eigennaam tiü de Karthagers; do door (lod begenadigde.

Hasjisch, n. arab. eeno hennepsoort en oen daaruit bereid afkooksel, dat Inzonderhebi in Kgypte in den vorm van koekjes of gebak als welluslprlkkol gebruikt wordt (vgl. assassün).

Hasna, hasne, f. arab. {chizilneh, cluimeh, schat, van chazana, In oen pakhuis of in eeno schatkamer bewaren) de privaatschat, bijzondere eigen kas des sultans, de kolzerlijko schatkamer te Constaatinopel; — hasnadar, in. (arab.-porz. c/iazandar) do schatmeester des sultans; — hasnadar-basji, m. do opporschat-mcoster; — hasnakiravajasi, m. do ondor-scliatmeester; — hasnaquatib, m. do boekhouder der schatkamer.

Hass., bij natuurwetenschappelijke benamingen afk. voor F. Hassolciuist {gest. 1132).

Hassagai, z. assagai.

Hassas, m. arab. sprookjesverteller.

Hassock, m. eng. eeno blezen mat; een kniekussen in do kerken.

Hast, n. pl. hastar, zw. paard.

Ziasla, f. lat. de spies; Inz.. Jur. eone spies, dlo In \'t oude Rome by openiyke verkoopingen word In don grond gestoken; vandaar ail haslam pu-bl\'tcam, bij openbare gerocbtoiyko vorkooping; — sub hasia verknopen, z. subbasteo-ren; — hastati, pl. niet de worpspies ge-wapenden, speerwerpers, do eerste ry der ro-meinscho slagorde; vgl. principes en tria-riors; — haslalus, a, um, lat. Bot. splos-vormig.

Haszk., by natuurwolensch. benamingen afk. voor J. K. Haszkarl.

Hat, hath, haut, ook cubit, ko-vit, covid of arm genoemd: de normale lengtemaat In ISrltscb-lndlti = J yard = 0,437 meter.

Hat, *2) m. arab.-turk. oen schrijven, een bevelschrift dos sultans; vgl. hatsjerlf.

Hatagan, z. jatagan.

Hate, f. fr. (van bol dultsch hast, ons haast) spoed, haast, gezwindheid; — en hdle (spr. «« haat\'), In dor baast, yiings; — ó la hdle, met baast, met overyilng.

Hatelétten, f. pl. fr. {hdtcletles, oudfr. hasleleltes, van haste, spies = lat. hasla) aan speetjes gebraden spyzon; de speetjes zelve; — hatereaux, pi. (spr. hal\'roo) gebraden le-vnrsebyfjes.

Hati-sjerif, z. hatsjerlf.

Hato, m. pl. hatos, sp. (port. futo, eig, kleeding, bundel kloeron, kudde; oudn. /\'«(, kleeil) groote veetoeldoryen op de Andes in Z. Amerika.

Hatrasch, m. eone lurkscbe oproeping aan de grensvolkon in Groatlü en Hosnii! om ten bepaalden tydo te vorscbynen, of voor eone aanzlentyke som beboet te worden.

Hatschier, liever hartsehier, in. bgd. (bedorven v. \'i ital. arciere, arciero, sp. archero, fr. archer, boogschutter, v. \'t It. «re», lat. areas, hoog) koizoriyko lyftrawanton te voet aan bet Weenor liof.

Hatsjerif of hati-sjerif, ook chatsjerlf, m. turk. (v. \'t arab. chall, schrift, en sjerif, eerwaardig, edel, enz.) bollig of edel geschrift, eone soort van kablnelsordo dos turk. keizers, die oogenldlkkoiyk en zonder tegenspraak moet volbracht worden.


-ocr page 577-

HATTAMOTTO\'S

561

HAZAZEL

hattamotto\'s, pi. kiooIrii van het Jiipun-scho rUk.

Haubert, m. fr. (siir. obèr) hulshcrg, pant-serliemd.

Haugianen, m. pl. ccne door 11 aui;e Rostlchlo secto In Noorwpffen; — hangianis-me, n. hare leer.

haureeren, lat. [haurire) scheppen, putten, vgl. h n u s t u s.

Hausch, n. ariih, (v. hascha, samendry-ven) een landgoed ot pachtlioeve in Algiers.

hausiren (hoogd. met lat. uitgang; spr. s=t), van huls tot huls waren te koop bieden, rondventen; — hausirer, m. rondventer, marskramer.

Hausmaniet, n. harh.lat. een mangiian-erls, manganoxydoxydul naar den mineraloog Hausmann genoemd.

hausmanniseeren (spr. s=j), fr. naar llaussmann, den voormallgen prefect dor Seine onder Napoleon 111) onteigenen, afbreken en fraaier weder opbouwen, zonder op de kosten te letton.

Hausse, f. fr. (spr. linos\': v. haul, hoog, z. aid., hausser, verhoogen) Mil. opzet, onder-legsel, oen werktuig iiü \'l richten van \'1 geschut ; bot sleufje in den stryksiok van eene vlooi; bot i\'Uzen van dc waarde der offocton;

— d la hausse speculeer en, bandelsplannen op bet ryzen der papleren maken; — haus-seeol, m. de ringkraag; — haussier, m. (spr. hosjé) oen geldbandelnar, die op het rllzen der schuldbrieven rekent en daarnaar plannen maakt; bet tegensl. van baissier.

hauslus, m. lat. (v. haurire, putten, drinken) Med. eene teug, bet in eons intenemen drankje.

haul, haute, fr. (spr. hn, hooi\': van \'1 lat. alius, met voorgeplaatste h, ouder invloed van hel dultscbe hoch, boog) boog, verheven, aan-zlenlUk; — d haute mix (spr. —wnd) met lui-dersteni; — ilc haul en bas (spr. il\' hooV aii ha] van boven naar beneden, met mlnacbllng of geringschatting; — en haul, lioven, opwaarls, naar boven; — hautain (spr. holen), trotsch, lioogmoedig; — hautement (spr. hnofmén, v. haul, hoog), koen, rondweg, h. v. iels zeggen of verklaren; uit de boogie, lier; — hau-tesse, f. (spr. holéss\') boogiieid, een lilei waarmede men den turkscben keizer aanspreekt; — hauteur, f. (spr. hotcur) de hoogte, waardigheid, fierheid; ook aanmallglng, overmoed, hoogmoed; — haut-barsac, m. eene soort van willen franscben Hordeaux-wyn; — haut-bois, m. (spr. hnhndv. haul, hoog, en hois, hout), gew. de hobó, f. een helder-en scherp-klinkend boulen hlaaslnstrumenl, de lioogllult;

— hautbois d\'amour, m. (spr. —damoer) eene byzondero soort van hobo met eene loe-gedekto, van ccne opening voorziene klep; — hautboïst, m. een bohoblazer; een leermeester op dat Inslrument; In\'t algemeen veldmuzikant;

— haut-de-chausso, f. (spr. hodesjoos) korte broek; — haut-domaine, f. (spr. hotlemén\') de souvereiniteit der dultsche regen-

VIERDK DRUK.

ten over do gemedlatiseerde vorsten; — haut-gout, m. fr. (spr. hnnne) de hooge smaak, iijno adeiiyke smaak, sterk gekrulde, pikante spys; - haut-Preignac, in. (spr. ho preii-jdk) en haut-Sauterne, m. spr. {ho sotérn\' witte Bordeaux-wUnen uit de geiykmallgc plaal-sen In het departement der (lironde; — haut-relief, ■/.. relief; — haute-contre, I (spr. honl\' knnlr\') de nltslcm, een altzanger;

— haute-cour, t. (spr. hooi\' koer) het op-pergereebtshof; haute-finance, f (spr honl\' finuim\') de groote financiers, bankiers enz..;

— haute-lisse, z. h a s s e-i I s s e; — haute-nouveauté, f. (spr. honl\' noevolé) dc nieuwste nieuwigheid, de laatste smaak ; — haute-saison, f. z. onder salson; — haute volde, f. (spr. hooi\' ntolé ,■ van volée, d. 1. elg. vogelvlucht, vogelzwerm; voorts; stand, rang) hel voornaamste adeiiyk gezelschap, bofgezeiscbap, een uitgelezen kring van adel, de aanzleniyksle bewoners eener stad; ook de voornaamsten in een kring.

Hauwitzor, houwitser, m. (hoogd. hauhitse, vroeger haulfnitz, hnufnitz, v. \'t bob. haafniee, hauffnice, oorspr. een bouten slinger lol bet worpen van slecnen, vervolgens gra-naatgescbul, fr. obus, obusier, II. nbizzo, obire) eene soort van grof geschul, mortier om kleine bommen te werpen; de hom zelve.

Haüyne, f. (benoemd naar den fr. mineraloog Hatly, gest. 1844) eene blauwe of zwari-bruine steensoorl, die sointydstot sieraden wordt geslepen, ook spineilaan geheeten.

have of are, lat. wees gegroet; vaarwel! hare pia anfma, vaarwel, vrome ziel! (opschrift op grafzerken).

Havelock, m. eng. een naar een engelsch generaal (nos—1851) genoemde mantel.

Haverij, z. a verte.

Havildar, m. bul. onderoilicier.

Havresac, m. fr. (spr. hawr\'sak, uil ons haverzak, duitsch habersack, ontstaan) Mil. de ransel, knapzak, reiszak, reisbundel, bij de (iultschers tor nister.

Hawadsji, m. arab. elg. koopman; vandaar de naam voor liuropeanen in Kgypte.

Hazard, hasard, n. fr. (spr. hatdr; li. azzanlo, provenc. aznr, sp. azar, onverwacbl ongeluk, slechte kaart, ongelukkige worp in \'I spel; van arab. oorsprong van sehér, sAr, doi)-belsteen, met bet lidwooril: nsschdr, assdr, blinken, wil zyn) bel geval, toeval; geluk, buitenkans; gevaar; waagstuk; par hasard, by toeval, toevaliiger wys; (i lout hasard (spr. n/ne—), In elk geval, het ga zoo \'I wil, op goed geluk af;

— hazardspel, hasardspel, bel kansspel, geiuksspei; — hazardoeren, hasardee-ren (fr. hasarder), wagen, er op aan laten komen, In gevaar stellen, op bel spel zeilen;

— gehazardeerd, adj. gewaagd, gevaariyk, vermetel.

Hazazel, m. hchr. de zondenhok, dien de boogepriester met de zonden des volks belastte en dan In de woesiyn Jaagde.

:ilgt;


-ocr page 578-

HAZ0DA-BASJ1

HEGEMONIF-

502

Hazoda-basji, m. do opzichter dor lia-zodii of hooRstu klussfl dor ltsjoginn» of kitmorpages van den sultuii.

Hb., I)U natuurwelonschuppelUke lienaniin-f:en a(k. voor V von Humboldt (gest. 18»0); ook voor VN\', Herbert (Rest. tsil).

Hbst., hg natmirwetensch. benamingen iifk. voor J. K. W. Merbst (gcst. 1801); - Hdg. ot Hdwg., afk. voor J. Hedwlg (gesl, ITJU) of diens zoon R. A. Hedwlg (gest. 1800)

Head, n. eng, (spr. hèd\') hoofd; — headmaster, m. (spr. —maasier) directeur eener school; — head-land, n. (spr. leiid\') voorgebergte ; — head-right, n. eng. (spr. hèdiaït) eene door de noordnmerlkaansche regeering ull-gegeven annwyzlng op een gedeelte staatsgrond, meestal als belooning voor bewezen diensten.

health, eng. (spr. liels: de s geadsplroerd) gezondheid; board (spr. boord\') of heallh, gezondheidsraad.

Heap, m. eng. (spr. hiep) hoop, menigte. Hearth, m. eng. (spr. hars: met goad-splreerde s) haard.

hear, (spr. hier) of hear him! eng. hoort! hoort hem! hel geroep In het parlement lol opwekking der aandacht op het gesprokene en In \'I algemeen als leeken van goedkeuring.

Heautognosie, f. gr. (v. heautnn, zich zelve) de zelfkennis; — heautonomie, r. de eigen of zelfwetgeving, doorgaans a u I o-nomlo gebeeten, hel tegengesl. van heteronomie;— heautontimorumenio, r. de zelfpijniging; — heautontimorumënos, m. de zelfpyniger, zelfkweller of -plager.

heaven, eng. (spr. hèv\'n) hemel; — heavenly, adj. (spr. hiv\'nli) hemolsch,

hebdomas, f. gr. en lal. eig. het zevental, vandaar eene week; — hebdomadaal (lal. hebdnmadalis, e) of hebdomadair, fr. adj. tot eene week beboorende, wekelijkscb, dat eenmaal \'s weeks verscbUnl, h. v. een nieuwsblad;

— hebdomadarïs, m. nw.iat. Iemand, die de week beeft, d. 1. verplicht Is de dienstzaken der week te verrichten.

Hebe, f. gr. {hëbc, Jeugd) Myth, eene dochter van Juno, de godin der Jeugd en Jeugdige schoonheid, de schenkster der goden, eer (la-nymedes dien posl kreeg; Anal, de schaamstreek, venusheuvel; Astron, een door Henke In 1857 onldekle asteroïde,

heberarpus, lat. Bol. slompvrucblig. hebeteeren, lat. {hebelare, van hebes, slomp) slomp maken, verslompen, dom maken;

— hebetüdo, lot., of hebetude, fr. f. de slompheid, denibeld, stompzinnigheid; — hebelüdo dentium, lat. de stompheid der landen; hebeiitdo visus, do gezlchlszwakte, korl-zlcbllgheld.

Hebraïcus, m. lal. (van llebraeus, gr. Ilebrdios, hebreer, ebreer, hehr. ibhti, de over-zUdsche, d, 1, de van gene züde des Kupbraals naar Kanoiin of l\'alesllna gekomene, v, i\'bher, hel overzUdsehe, hel aan gene zijde van eene rivier of van de zee gelegen land) een Hebreër, een kenner of leeraar der hebreenwsche taal;

— hebraïciteit, f. uw. lal. de konnis der hebr. taal; bare bijzondere geaardheid; — hebraïsme, n. een hebr. taaleigen; — he-braïseeren (spr. s=t), zulk een hebr. taaleigen gebruiken; bebreeuwsch sludeeron.

Heek., hü naluurwelenscb. benamingen afk. voor .1. J. Heckel (gest. 18,n).

Hectare, z, are; — hectica, hecti-cus, z. h e k 11 k a, enz.; — hectogramme, z. gramme; — hectoliter, z. liter; — hectomètre, z. mét re; — hectostère, z. stère.

hedira, f. lal. de klimop; N. II. eene soort van scbermdragende planten; —hederaeeën, f. pi. (hederaeeae) kllmopachtlgo schermplanten;

— hederine, f. nw. lal. eene grondstof, In \'l zaad van den klimop vervol.

Hedgar, n. turk. heilig gebied.

Hedherï, m. arah. z. v. a. fellah.

Hedonisme, n. gr. (van hedunë, genoegen, lust) de wijsgeorlge leer, die hol genoegen en zingenot voor bet hoogste goed verklaart;

— hedonïci of hedonisten, m. pl. aanhangers van die leer.

Hedra, f. gr. zetel; basis; vandaar ook het lichaamsdeel, waarop men zil, achterste; ontlasting; — hedrisch, a^lj. tol de ontlas-11 ng beboorende;—hedrikosa, n. pl. middelen tegen kwalen van hel achterdeel; — hedroeële, f. eeoo endeldarmshreuk.

Hedsjin, m. orali. rykameci.

Hedsjra of liever hedsjrah, naar vroegere fr. schrijfwijze [hégire) hegira, f. arah. (eig. weggang, nlttocht, vlucht; vgi. Ha gar) de vlucht van Mohamed uit Mekka naar Medina, den I5n .lull fiii na dir., van welken dag de Turken hunne tydrokenlng heginnen; de aanvang der moliamedaaoselie of lurksche Jaorlelllng.

Hedwig, oudd, (lladuwie, v. \'1 oud-hoogd. l/adu, oudn. Illidhr, de god der krjjgskans, en wie, de strijd, dus eig. geluksslryd, krygskamji) vr.naom: de krygshafllge strydster.

Hodychroum, n. gr. (van hêdys, zoel, aangenaam) een geneesmiddel van eene aangename kleur-, - hedypathïe, f. ilefeiyke niymerlug, welbehagen; — hedyphaan, n, een grauwachlig wil mineraal, dal men In den mangaanklezel vindt, beslaande uit chlonrlood, orsenlkzuur, loodoxyde en kalkaarde; — he-dysarum, n. gr. Hol. zoete klaver, een plantengeslacht van velerlei soorten; — hedyama, n. gr. Meii. een verzoetings- of verzachllngs-mlddel, elke zelfstandigheid, waardoor men artsenijen een aangenamer reuk of smaak geefi.

Heemraad, m. (v. heem, heimwee, en raad, verzorger) een ned. aanzioniyke posl, waaraan bol loozlchl over walorkeerlngen, dijken, sloolen, enz. Is opgedragen.

Hegemonie, f. gr. (.hcf/emonla, van he-llcïslhai, vooropgaan, aanvoeren) de heirvoe-rlng, opperheerschappU; de oppormnchl, inz. van een macbllger slaat over zwakkere bondstaten;


-ocr page 579-

HEG l\'JTSCH 56.\'} HELENA

— hegemónisch, iidj. hccrscliond— he-gumènos, m. ftr. de opperslo vim oen (irleksch klooster.

Hegetsch., I)y imtuurwelensch. honamln-üen iifk. voor J. Hegelscliwollcr (gesl. 18;tU).

Hegira, hégire, i. liedsjra.

Heidenen, in. pi. weleer alle nlet-.lodon en nlet-Clirlstonen, dus ook de Turken; tlmns allen, die noch Jodendom, noch christendom, noch Islamisme helUdoii; in enteren zin verstaal men door Heiden, pi. Heidens: ile Tz In Ril ris, oen zwervende, uil Hindustan afkomstige volksstam, die sedert de l!ide eeuw in l\'.uropa by horden rondtrekt. Iluu getal wordt o|i 500,000 geschat, /.(j leven van het vervaardigen en verkuopeo van kleine sunistc-ryen van hout eu metaal en voorts van sclm-rensiypen, ketolluppen, koordedansen, waarzeggen, kaartleggen, enz. Men vindt er eenlge in Duitschland, frankrijk eu Engeland. Soms ver-toonen zich enkelen in Nederland, doch de mecs-teu leven lu ilongarye. Zevenbergen, Moldavië, furkye en Spanje, lu lfrankryk, waar zy In I i 27 uit hobo men kwamen, dragen z.y den naam van üohemors en Egypte naars, In Engeland heet men hen Gipsies, in Schotland lt;;a I r(Is, lu Spanje OI tano s, in Kuslaud 1\'ren ga ui, in Italië, /. ingari, lu Zweden Spa kamig, in Deuemarkeu en Noorwegen Tatars, In Dullscliland Zigeuners, in Ilongarye Tzinga ris en l\'baraoh nepa k.

Heiduk, of liever haiduk, m. (hon-gaarsch hajilü: vgi. hal dut) eig. een lichtgewapend voetsoldaal in Ilongarye; een lange forscho knecbt In hongaarscho dracht, Inz. om den draagstoel te dragen.

hëihat, pl. lurk. de sloppen,

Heimdal, m. oudn. (Ilcinulullr of lleim-ilhiilh-) Myth, een machtig (lod, die als wachter des hemels de hurg itlfrosl (z. aid.) bewaakt.

Heimskringla, r. oudn. (v. heimr, de wereld, en krinfila, de kring) de wereldkroits, de aarde.

Heimwee, n. (van heim, heem, oorspr. omtulnlng, dan ouderiyk huls, geboorteplaats, vaderland; ook dorp, vlek) eene zwaarmoedigheid, droefgeesligbeid, die ook do llchameiyke gezondheid aantast en uil liet oniiovredigd verlangen naar huis en familie wordt geboren; de ziekte is Inz. eigen aan hen, die aan liet eenvoudig natuurleven gewoon zyn.

Heinrich, in. hgd. Ilendrik (z. aid.)

Heinz, m. oudd. mansn.; de wondryke.

Hoiri, m. arab. loopkameel.

Heist., bij nalimrwetensch. nenamlngen nfk. voor I.. Heister (gest, 17118).

Hekate, f. gr. M\\ili. de godin dor maan (Artemis of Diana, z. aid.), de godin der onderwereld, loovergodln.

Hekatómbe, f. gr. (van hekatón, Ikui-derd) een oiler van 100 of althans veel dieren, inz. runderen, die de Ouden by groole piech-ligbeden Ier eere van de goden slachtten; in I algemeen een grool, openiyk olfer; — he-katombffion, m. een zomermaand der Athe-ners; — hekatomphonie, f. het dooden van too vyanden; het daarvoor gebrachte offer;

hekatompólis, met honderd steden (bet eiland Kreta); - hekatompyiisch, adj. (v. itj/le, de poort) mot honderd poorten (The-be in Egypte); hekatonchëïren, pi. ■/.. v. a. cent 1 ma non; — hekatontade, f. een honderdtal, honderd stuks; - heka-tontarch, m. een hoofdman, bevelvoerder over honderd man; hekatostylon, n. eene zaal, of galery met loo zuilen.

Hekim, m. z. v. a. ha kim, z. aid.

Hektare, enz. z. are.

Hekteus, m. gr. (heklêüs) het 0e deel van den medlmnus (z. aid.)

Hektika, f. gr. (van hektikós, d. i. eig. eene eigenschap of een biyvenden toestand lieb-liendo van /icxi.v, houding, toestand, bevinden; vgl. hexls) de tering, uil tering; hekti-kop^ra, f. eene uilteringskoorts: hek-ticus, in. een lerlngaclitig persoon, teringiyder; — hektisch, ailj. leringacblig, ulllerend, ook uilgel eerd.

Hektoëdrisch, ndj. gr. (v. héklns, de zesde, en hedra, zetel, grondslag) zesvlakkig (van krlslallen).

hektogram, z. .....Ier gram: — hek-

toliter, z, liter; hektometer, z. in e t e r.

Hektor, m. gr. (v. ér hein, hebben, liiin-den), inansn. eig. de vaslboiider, liezllter, iieer-scher; een lieroemd trojannsch belil (zoon van Pri.i mus en Hekiihu), wiens gemalin A n-dr o mac he een vnorbeeld van vrouwelyke deugd was.

Hektostère, z. stère.

Hel, Hella, Hellio, f. eene oudnoord, en ondd. godin, de dochter van l.oke en de reuzin Angerhaude, half zwart en half mensch-kleurlg, die diep in den schoot der narde weent en de zielen der menschen, welke door ziekte of ouderdom zyn gestorven, in onlvangsl neemt (later In hel begrip der hel als verbiyfplaals der dooden overgegaan).

helado, adj. sp. bevroren, door ys afgekoeld, gefrappeerd.

Helcydrion, elcydrion, n. gr. verklw. van hdtkns, zweer) Med. oen zweertje, Inz. op bel hoornvlies;--helcysma, n. verellering.

Helcyster, m. gr. (van hétkein, helkycin, trekken) een yzeren baak, waarmede de ie-venlooze vrucht uit de baarmoeder gebaald wordl.

Helena, gr. (Itclénê) vr.naani: de veroveraarsier (v. hclëïn, Intln. aorisl. v. huirdin, nemen, veroveren) v. a. ook de lichlende, lichl-ryke (v. heldnr, hclnnc, fakkel, héle, zonnellchl, helderheid); Inz. de dochler van Jupiler uil l.eda, gemalin van Menelalls, koning van Sparla, de sclioonsle vrouw van haren Ujd, wier schaking door l\'aris de oorzaak werd van den Iro-jaanscben oorlog; eene schoone, maar onlrouwe vrouw ; - helena-vuur, z. v. a. SI. Elmns-


-ocr page 580-

HELKOLOGIE

564

HELENIUM

vuur (z. aid.}; — hélénienne, f. fr. eeno zware eotiklourinc zyilcn slof, met kleine tee-kenliifi; - heieniet, m. de zonnesteen, z. v. a, a il u I a a r.

Helomum, n. lat, (Kr, helénion, z. v, a, alant, z, aid.

Heliaden, heliakisch, heliarisch, helianthus, enz,, z, ond. helios.

Helicieten, helikoïde, enz., z. ond. helix.

Heliasten, in. pl. gr. medeleden dor he-lisea (gr. heliaia), het grootste gerechtshof In t oude Athene, dat over staatsmisdaden uitspraak deed en In de open lucht zijne zittingen hield.

Heli kon, m. gr. (nu Zagara of Za-gorl) de muzenberg, muzenzetel, een lieroemde herg In liirollë, met de bronnen Aganippê en Hippokróne, de woonplaats van Apollo en de !* zanggodinnen of muzen, die vandaar ook helikoniden, helikoniaden hee-ten; — op don top, aan den voet des Hel ikons staan, een goed, een slecht dichter zyn; z. ook ond. helix.

Hèlïos, m. gr. de zon; de zonnegod, z. v. a. het lal. Sol; vgl. Apollo en Phoebus; - heliaden, f. pl. Mylh. de dochters van Helios, v. a. zeven zonen van dien god, die zich mot de scheepvaart bezighielden en hel eerst den dag In uren verdeelden; Astron. een gedeelte van het sterrenheeld de Slier, In de gedaante eencr V; - helianthus, n. de zonnebloem; — helianthëmum, n. de goudroos, hel zonnekruld, eeno pronkbloem; — heliarisch, adj. de zon hetrelTende, zonnig; — heliasis, f, z. v. a. heliosis; — helio-céntrisch, adj. zonnemlddelpuntig, gclükmld-delpuntig mei de zon, wat uit bet middelpunt der zon zoude gezien worden; de heliocentrische breedte en lengte eener planeet Is de plaats, die zij onder de vaste sterren zoude innemen, in geval men haar nil liet middelpunt der zon kende zien; — heliochro-mie, f. photographische voorstelling van gekleurde lichtbeelden; Heliodörus, mansn.: zonnegave, zonnegeschenk; — helignösten of heliognostieken, m. pi. eig. zonnekun-iligen ; zonaanbldders; — heliograaf. f. werk-luig om kleine afbeeldingen der zon te vervaardigen; ook een loeslel voor veidteiegra-phie, door den Engelschman Manco uilgevonden; — heliographie, f, de zonneheschrij-ving; ook z. v. a, phototyple (z, aid,); — heliographisch, adj. door de « erking van het zonnelicht geleekend of voortgehrncht; heliogravure, f. door heliographie vervaardigde gravure; — heliokarpus, m. eeno zuldamerikaansche planl, de zonnevrucht; — heliokoinoot, f. cone lichtznil na zonsondergang, die naar eene komeet gclijkl, zonne-komeet; heliolatrie, f. de aanbidding der zon, zonnedienst; — heliolith, in, een zonnesteen, eene getukte poliepversteening met ronde sterren; —heliometer, m. eig. zonnometer;

een verrekijker met In twee helften verdeeld oli-jectiefglas, tot meting van zeer kleine hoeken aan den hemel, b. v. den schUnharen diameter der planeten; — heliophoob, m. een lichi-schuwe, z. v. a. albino; — heliophobie, f. zonnevrecs, vrees voor \'t zonnelicht; — he-lioplastiek, f. photograpbisciie voorstelling van rcliefbeeiden; — heliosis, f. bet verblijf In den zonneschijn; do zonnesteek; zekere oude geneeskundige behandeling; — helioskoop, m. een zonneglas, zonnekijker, waarachter men het beeld dor zon op een vlak aan eene donkere plaats of ook op een matgeslepen glas opvangt, uitgevonden door den Jezuïet Scbrei-ner te Home, in liitl; — heliostaat, m. oen lichtdrager, licbtwerper, een door een uurwerk voortbewogen spiegel, waardoor de zonnestralen steeds op hetzelfde puni geworpen worden, uitgevonden door landgenoot V a n \'s rave s a n de;- heliotheologisch bewijs, n. bewijs van het bestaan van God uil de zon; — heliothérmometer, m. een zonnewarmtemeler, uitgevonden door Saus-sure; — heliötisch, helisch of heliakisch, adj. duldt den aard van op- en ondergang der sterren aan: eene ster gaat heliötisch op, wanneer zU uit de zonnestralen zoodanig Ie voorschijn treedt, dat zij zichtbaar wordt; zij gaat heliötisch onder, wanneer zy in de zonnestralen verdwijnt; beii-sche opgang, de eerste dag, waarop eene ster, na een lijd lang door den gelUklljdigen opgang met de zon onzichtbaar geweest te zijn, weder voor zonsopgang zichtbaar wordt; — he-liotropium, n. of heliotroop, f. Hoi. de zonnebloem, een gewas met welriekende, naar het zonnelicht gekeerde bloemen; Minor, een Jaspis vhii blauwachtig groene kleur met roede stippen; ook een door Ganss uitgevonden werktuig, bestaande uil twee loodrecht op elkander staande spiegels en een verrekijker, die deze verbindt, waardoor hot zonnelicht naar een ver verwijderd punl wordt overgedragen, lgt;g trigonometrische opmetingen; — helioty-pographie, f. eene soort van pbotographie om handschriften en ilgl. af te drukken, in Amerika uitgevonden; — helispherïsche lijn, de Hjn, die zich op den bol spiraalvormig om den pool draalt en dien steeds nader komt, zonder hem ooll te bereiken.

Hélix, f. gr. de schroeflijn, siakkelljn, slin-gerstreep, spiraal om eene zuil of rol; hel windas; Anal, do buitenste zoom van het oor; — helicieten, m. pi versteende aard- en luln-slakken, penningsteenen; — helicitisch, adj. slak- of schroefvormig; — helikoïde, f. de scbrocllgii; — helikometrie, f. dat gedeelte der boogere meetkunst, \'twelk over de schroef-iijnen of spiralen handelt; — helikosophie, f. de kunst om scbroellUnen te trekken; —helikon, n. een groot gewonden blaasinstrument mei meer dan !gt; octaven.

Helkologie, f. gr. (van hélkns, n, zweer) Med. de leer der zweren; — helköma, u.


-ocr page 581-

HEMERALOPIE

565

HELKTIKA

cene zweoi\', Inz. van het hoornvlies; — hel-kösis, f, de ettering, ver/wering; — hel-kötisch, iidj. zweerachtig; — helkydrion, z. hetcydrIon.

Helktïka, n. pl. gr. (v. hélkein, trekken) trekmiddelen; — helktisch, adj. trekkend; — hélkysmometer, in. oen aanlrokklngs-inoter.

Heil., hU natuurwetensch. benamingen nfk. voor K. B. Heller (te Graz).

Hellanodicse, pi, gr. [heUamdikai) de eerste » rechters In de olympische spelen; In La-cedemonle; de beslissers der oneenlghoden onder de legers der hondgenootcn.

Hellas, f. gr. (Hellas) of gew. n., Oud-Orle-kenland; In cngorcn zin Mldden-drlekenland, thans Uvadle; vandaar Hellenen, in.pl. (gr. Hillenes) Grieken, Oud-Grieken;—hel-lenïca, n. pl. de daden der Hellenen, een geschiedkundig werk van Xcnophon; — zaken, hoekon enz., die de Grieken hetrelTen; — hel-leniseeren (spr. s=z), grleksch maken, do grleksche taal en levenswijze nabootsen; — hellenisme, n. z. v. a. gr®cIsme; — hellenist, m. een kenner der oudgrlokscho taal; ook een gr. Jood, of een Griek, die lot hel christendom Is overgegaan; — hellenistisch, ad), hehreouwsch-grloksch, naar den grlekschen tongval der Joden, die onder Grieken geboren waren, In wolk dialect de K) ver-luiers hel O. T. overgezet en de apostelen de boeken van bet N. T. geschreven hebben; — hellenophiel, m. vriend der Grieken; — hellenensteen, m. eig. grlekensleen; een door den technicus Thiol te Kassei uitgevonden kunstmarmer.

Héllebaard, m. (vroeger helm harde, d. 1. harde of bijl tol (loorhouwing van den helm) de strüdbyi, een der oudste stoot- en houw-wapens der middeleeuwen, zymle eene spies met eene harde of hyi, waarmede zoowel gehouwen als gestoken kon worden; doorgaans echter moer tol pronk, dan tol werkelUk gebruik tegen den vyand hesternd; — hellebar-diér, ni. de sirydbyivoerder.

Hellebörus, m. {helléboros) de nieswortel, bel nieskruid, oudtijds legen krankzinnig-beid onz. als geneesmiddel gebruikt; vgl. a n-11 c y r a; —• helleboreus, adj. behoefte aan nieskruid hebbende, niet wel by zinnon; — helleborisme, n. Mcd. het zuiveren of afvoeren door nieswortel, de nieswortelkuur.

Hellenen, hellenisme, hellenist, enz., z. end. Hellas.

Heller, eig. halier, m. eene voormalige dullscbo kopermunt Ier waarde van pfennig of E\'7„ thaler = T\\ cent ruim. De naam komt van de slad Hall In Zwaben.

Hellespónt, m. gr. (Ilellcsponlos) de zee-ongte of straat der Dardaneiien tusschcn Europa en Azië, eig. de zee van Helle, die, naar luid der oudgr. sage, om den doodeiyken haat van bare stiefmoeder Ino Ie onlgaan, mei baren bl oeder Phrlxos op eencn ram met eene gouden vacht de vlucht nam en in deze zee verdronk.

Heimine, f. vr.naam, verkorting v. Wlibel ml na, z. aid.

Helminthagöga. n. pl. gr. (van hél-mins, worm) Med. wormvordrUvende middelen, wormmiddelen; —helminthen, f. pl. ingewandswormen;—helminthiasis, f. gr. de wormziekte; — helminthika, helmin-thi\'sche middelen, z. v. a. lielmlntha-goga; — helminthochórtos, m. wormmos; — helmintholith, in. een wormsleen, versteende worm; helmintholoog, m. een wormkenner; helminthologie, f. de wormleer; wormbeschryvlug; — helmintho-lógisch, adj. die leer botrctrendo, wormkun-dlg; — helminthopyra. f. de wormkoorts;

— helminthotypolith, m. een steen mei eenen wormafdruk.

Helodes, f. gr. (v. hëlos, moeras) Med. de moeraskoorts, zweetkoorls; helop,fra, f. de moeraskoorts.

Heloise, f. fr. (vgl. Aloysus en Aloy-sla) vr.naam; de beroemde strydsler of over-winnares.

Helos, m. gr. (helos) de nagel of spyker; Med. een uitwas aan de oogen of voeten, likdoorn, eksteroog; - helos oculi, eene uitzakking van den regenboog; — helos jieilis, oen likdoorn, eksteroog.

Helösis, f. gr. (v. hM in, helyein, draalen, keeren) Med. hel draaien, Inz. der oogen; hel scheelzien; — helötis. f. de pooische vlecht.

Heloten, m. pi. gr. (Heilolai) spartaan-scbe slaven (oorspr. de Inwoners van de stad Helos, die wegens opstand legen Sparla lot slaverny veroordeeld waren; of heler v. heilus = hciilös, krygsgevangenen) vandaar helo-tisch. adj. slaafsch; — helotisme. n. de zucht lol onderdrukking, hel slavenmaken.

Helüo, in. lat. een slemper, zwelger, brasser-, — helueeren (heluari), zwelgen, brassen;- heluatio (spr. l—ls), f. (helwilfo) de zwelging, brassery.

Helvetië n. lat. (HelwXlu, f.) de oude naam van Zwitserland; — Helvetïërs. pi. (Ilelvetfi) de oude Zwitsers, een celtlscb volk;

— helvétisch, adj. zwllsersch; — llelvelicu confessio, f. lal. de zwitsersche geloofsbeiyde-nis der gereformeerden, volgens Zwlngll en Oalvyn.

Holvine, f. eene aan den granaat verwante steensoort (door W o r n e r wegens de zonnegele kleur, naar hel gr. helios, zon, benoemd).

Hemeralopïe, f. gr. (van hemérn, f. de dag) Med. de nacblblindheid, de eigenschap van alleen by helder licht, niet of weinig by schemering of half licht Ie kunnen zien; — he-meralópisch, adj. dagzlchllg, nacbtblind;

— hemeralóps, m. (v. ops, gen. opós, ge-zlcbt, gezichtsvermogen, met Ingelaschte /) een dagzlchlige, nacbl blinde, bet legengest. van n y k t a I o p s; — hemerobaptisten, rn. pl.,


-ocr page 582-

HEMEROSIS

566

HEP AR

d. i. dg. dagwasschcrs, oono Joodschc secte, wlor aanhunBors dunolUks ooae vrome wasschlng vcrrlclillen; — hemeróbisch, adj. slechts éenon dag levond; hemerodrömen, m. pl. dagloopors, hilcvonbodoa by ilu oudo Grieken-, — hemerologium, n. een dagwUzer, kalender; homoropathie, f. Med. hel dag-lljden, de dagitokte, eene slechts hü dag ver-schüncnde of toenemende kwaal.

Hemerösis ot hemoröse, f. gr. {he-meroen, teinincn, livmiros, tam) de tammaklng, veredeling (calluur); lietoomlng der hartstochten, zelfbeheorschlng.

hêmi, gr. (= lat. semi) In saniensl. gebrul-kelük; — hemianthroop, m. een balf-menscb; — hemianthropie, r. do toestand van een halfmensch, halve ontnienschlng, een hooge grand van krankzinnigheid, waarin de mensch bijna enkel dier Is-, — hemiazygos, half ongepaard; — homicephalus, m. eene misgeboorte mot een half hoofd; hemice-phalisch, adj. met een half hoofd; —he-micyklus of hemicykel, m. een halve cirkel; halfcirkelvormig gewelf; hemicy-klisch, adj. halfcirkelvormig; — hemië-drisch, noemt men kristallen, die slechts half zooveel vlakken hebben als de geheele; — he-miëlliptïcus, m. do balf-langwerplg ronde holle In den liuitenslen oorgang; — hemiël-Uptisch, adj. iHilf-langwerplg rond; — ho-miglobe, f. gr.-lat. ihcmlfilobus) z. v. a. hein I s p h c er; hemikranïa, r ot hemi-kramum, n. iialtzydlg hoofdwee, een gewoon verschijnsel in de vrijsterziekte; vgl. m 1 gra Ine; heminiorph(isch), adj. balfgevormd; he-mimorphische kristallen, die aan beide einden verschillend gevormd z.yn; — hemio-bolon, n. een halve obolus (z. aid.), eene oudgr. munt = -/.j drachme; —hemiolïon, n. een liebl gr. vaartuig, Inz. een roofschip;

— hemiolie, f. de verhouding van I lot Ij;

— hemiólisch, by de (\'.rieken een rbytb-mus, welks deelen In verhouding van ; staan;

— hemiónisch, adj. (van hemi-onos. d. I. halfezel, muilezel) mullezelaebtlg, traag, vadsig;

— hemiopie of hemiopsio, f. de half-ziebtlgheld, wanneer een zieke de voorwerpen slechls half ziel; — hemiphonïe, f. halve, zwakke slem; - hemiplegie en hemi-plexie, f. de ((onzijdige beroerte, verlamming aan éene z.yde of enkel der ledematen; - he-miptora of hemiptéren, pl. halfvleuge-llgen. Insecten met halve vleugeldekken of schilden ; — hemiptérisch, adj. half gevleugeld;

— homipterologie, f. de leer van de half-vleugellgen; — homispheer, f. een halve bol of klont, de helft des hemel- of aardhols; ook een der belde halfrotidon van de hersenen; — hemisphérisch, adj. (lat. licmi-sphericus) halfliolvormig; — hemistichium of fr. hemistiche, de helft van een (he-roïschen of alexandrUnschen) versregel; —he-mitönïum, n. de halve loon; — homi-triglyph, m. Arch, eene halve driesnede;

— hemitriteeeus, m. Med. de Imlf-derden-daagsche koorls; — hemitrópisch, adj. balfgekeerd, ter helft verschoven, Inz. in de krisialkunde; — hemitropïën, pl. sainenge-wassen kristallen, twcelingskrislallen.

Hémlock, m. eng. scheerling; ook hemlock den, a. {Pinus canadensis)-, — hem-lockoxtract, n. amerlk. looimaterlaal, een tannlno-extract, afkomstig van den bast van den bemlockden; — hemlockleer, n. met dat extract gelooid leer.

Henaden, pl. gr. (van hen, een) z. v. a. monaden (z. aid.)

Hondazé. lurk., z. enduseh.

Hendekagoon, n. gr. (van kénde ka, elf) een elfhoek; - hendekasyllabus, m. een elllettergreplg vers; z. phaliBcisch vers.

Hendiadys, f. gi-. (eig. hen-did-dyom, ii. 1. een door twee) Log. uitdrukking van éene zaak door twee woorden, waarvan hel eene In plaats van den gonttlvus of ook van een adjectivum staat.

Hendrik, mansn. (hgd. Hein rich, oud-hgd. Ileimih, lleimiih, v. heim, huls, en r\'ih, vorst) de vorsl des huizes, de opperste van \'I huls; — hendriksnobel, eng. goudmunl, onder Hendrik VIII geslagen.

Héngki, m. chin, opperrechter.

Henna, z. al hen na.

Henoch, m. hebr. mansn. {chanArh) de lngewy(le1

Henösis. f. gr. (van hennen, vereenigen, van Ach, écu) de vereenlglng; — henotheis-me, n. by Max Mllller: de oorspronkeiyksle vorm van het godsdienstig hewustzyn by de vedische Indiërs, bet geloof en de vereoring van die enkele voorwerpen, waarin de mensch het eerst de tegenwoordigheid van het lioven-zlnneiyke en oneindige bespeurde; — heno-tiek, f de vereenlgings- of verzoeningskunst;

henotïkon, n. een verzoenlngsverzoek of -geschrift; — henötisch, adj. tol eenheid voerend, Inz. In geloofszaken.

Henri, m. fr. (spr. hdiiri) Hendrik; — Henri qmlre (spr. —Halr\'), Hendrik de vierde van Krankryk; ook een korl kneveltje of haarbosje aan de onderlip; — henri d\'or, fr. goudmunl, onder Hendrik li geslagen = I dukaat;

— henriade, f. Vol la Ir es bekend heldendicht op Hendrik IV ; — Henriette, vr.naam van den mansn. Henri, Hendr Ika; — Henri-quinquisten, pl. (spr. hdim-kenkislen) de legltimisliscbc party in Krankryk, die den overleden hertog van Bordeaux (graaf van Cham-bord) onder (l(m naam van Henri quint of Hendrik V als koning beschouwden.

Hens, by de zeelleden verbastering van bet eng. hands (spr. hends), handen, b. v. alle hens aan dek, alles op van omlaag.

Heortologie, f. gr. (v. heortc, feest) de leer van de feestdagen; — heortologïum, n. feestkalender.

Hêpar, n. gr. (gen. hepalns) de lever; Cbem. elke In water oplosbare verbinding van


-ocr page 583-

HEPHyKSTOS

507

HERBA

con nlkall-motual mot zwiivol, naur de lovor-klour vim het zwavelkiiliuin aldus gonooind; — hepar sulfuns calcareum, kalkzwavollovor; — hqmr volatile, zwavol-ainmonlum j — hepa-talgio, f {jr. Med. lovorpyn, lovorkollok; — hepatalgisch, adj. aan lovorkollok lydcnd;

hepatapoatöma, n. oen oltorgozwol In do levor; — hepatemphraxis, r. do lo-vorvorslopplng j — hopathelkösis, f. cone Icvonweer; — hopatïcus, m. eon lovoriy-dor; — hepalicus, a, urn, adj. liol. lovorklou-rlg, leverbruln; — hepatïca n. pi. of he-patische middelon, middelen logon leverziektenhepaticae, pi. Hot. levennos-son ; — hepatisch, adj. (gr. hepalikós) de levor botrolTeiido of daartoe Lolioorondo; aan de lover lUilonde; — hepatisch gas of he-patische luoht, zwavollevorluelit, zwavellucht, zwavclwaterslofgas, cone naar vuile eieren riekende, tot de Inademing geheel ongeschikte, onhrandhare luchtsoort; —hepatiet, m. een leversteen; - hepatisoeren (spr. x=t), In eene leverachtige massa veranderen;

— hepatisatie (spr. -za-lsie), f verandering (der longhestanddeelen) In eene naar lever geiykende massa; — hepatitis, f. de leverontsteking; — hepatooêle, f. leverhrenk;— hepatocystisch, adj. lever en galblaas be-IrolTeiide; — hepatographio, f. de lever-boschryvlng; — hepatolithiasis, f. het ontstaan van galsteenen In de lever; — hepa-tologie, f. do loer van de lever, leverkundo;

— hepatóncus, m. een levergezwel; — he-patophthisis of hepatophthóë, f. do leverlering; — hepatoskopie, f. de lever-beschouwing; — hepatosplenitis, f. leveren millonlsleking; — hepatotomie, f. do leverontleding.

Hephsestos, in. gr. {lUpliaislos) Myth, de god des vuurs, by de Romeinen Vulcan us lt;z. aid.)

hephata, hehr. (van pallia, open zyn) open u!

Hephthemimëris, f. gr. (van Mpla, zeven, hêmi, half, cn mém, deel) Poet. van zeven helften of van vierdehalf voet;lnz, de cas-suur, die in den hexameter na vierdehalf voet of in den vierden voet valt.

Heptachórd, m. gr. (van hépla, zeven) iMuz. de zevensnarlge lier der Ouden; de loon-ladder of het muzikaal stelsel van 1 tonen; ook z. v. a. septime; — heptaëdron, n. eon zevenvlak; — heptaëméron, n. het zevendaagsclie werk, de zevendaagsclie scliep-plngstyd; — heptagoon, in. een zevenhoek;

— heptagonaal getallen, zevenhoeklge getallen (1, 7, is, 34, ns, 81, enz.); - hep-tamëron, m. verleningen, welke op zeven dagen verteld werden, eene navolging van den decameren van Boccaccio; beptameron heet daarom eene verzameling van vertellingen, welke men aan koningin Margaretha van Valeis, de zuster van Frans II van 1\'rankryk loe-schrUft; — héptamëter, m. een zevenvoetig vers; — heptandria, zevenbelmlgen, planten met 7 vrye meeldraden in eene tweeslachtige bloem; de 7de klasse In liet stelsel van L.;

— heptanemisch, adj. met 7 voelspleten;

— heptangulair, adj. zevenhoeklg; — hep-taphylliseh, adj. zcvenbladerlg; — hep-tarchen, m. pl. zevenheerschers; — hep-tarchie, f. do regeering van 7 mannen; inz. de Indeeling van het oude Kngeland In zeven angelsakslsche koninkrijken; — heptarré-nisch, adj. met 7 meeldraden; — hepta-syllabisch, adj. zevenlettergreplg; — hep-tateueh, m. de zeven eerste boeken van het O. T.; heptatómisch, adj. in 7 doelen gedeeld.

Hëra of Hëre, f. gr. Mylh. de godenkoningin, gemalin van / eus, hy de Komeinen Ju no (z. aid.)

Heradero\'s, pl. sp. feesten, waarop te Santiago in Mexico de aangekomen wilde stieren met den naam van hun toekomstlgen heer worden geteekend.

Herakles, z. Hercules; — hera-kléën, pl. gedichten, die het leven van Herakles tot onderwerp hehhen; — Herakli-den, m. pl. gr. afstainmellngon van Hercules; Inz. die afstammelingen van Hercules, welke 80 jaar na de verwoesting van Troje zich In den Peloponnesus vestigden; — heracline, f. een op de dlorrexlne goiykend ontplolllngs-middel.

Heraklitus, heraklieten, z. 1) e m o-critus; — heraklitisch, adj. donker, treurig.

Heraldiek, f. (d. 1. elg. de kunst des herauts, z. aid., als wapenkundig opzichter hy tornooien enz., van \'I nw.lat. heraldicus, a, urn, en dit vim \'t mid.lat. herahlus, heraut, z. aid.) de wapenkunde, wapenleer; — heraldicus, m. een wapenkundige, kenner en leeraar der wiipenkunile; — heraldisch, adj. wapenkundig, lot de wapenkunst hohoo-rende.

Heraut, in. (cell, hemd, mid.lat. herat-dus, harotdus, fr. héraut, hérault, voor héralt, sp. haratdn, heraldn, 11. araldo, hgd. hcrold, van \'1 oudd. haren, roepen) een plechtig verkondiger of uilroeper, die hy tornooien en feesten de wapens moest onderzoeken en uitroepen; krygs- of wapenbode, krygsgezant.

Herb., by naluurwetenscb. benamingen afk. voor \\\\. Herbert (gest. 1817).

herba, f. lat. gras, kruid; herhae, f. pl. kruiden ; —- herbaal, adj. nw.lat. kruiden he-trellendo; — herbarrus, a, um, adj. lat. Itot. kruldacbtlg (In legonslelllng van houtachtig); — herbarisch, adj. lat. grasachlig, grasgroen; krulden bet rellende; — herbarium, n. nw. lat. een krulden- of plantenboek, eene verzameling van gedroogde planten; herbanum in-ruin, ii. een levend of natuuriyk kruidenboek;

— herbariseeren, herboriseeren (spr. s=j) en herbütim gaan, barh.lal. krulden zoeken en verzamelen (hotanlseeren); —her-


-ocr page 584-

HERMELIJN

568

HERCIA

barius, herbarist or herborist, m.

hnrb.lut. eon kruid- of plantkonnerj kruldon-zockcr; kruidonhundoluur; — herbosceeren, lat. (hevbexcüre) lot spruiten worden, uitspruiten-, — herbescént, «dj. (herbéscens) spruitend; krulduchtlK; — herbeus, adj. (lat. herbosus, «, wn) (.\'ras- ot kruldonrUk; — herbiferisch, adj. krulden voorllirongend, rijk In planten; — herbivoren, pl. plautetendo dieren; —her-bivórisch, adj. kruidonetend; — herbo-risatie (spr. -zu-lsie), t. liet planten- of krul-ilenlezon, liet krulden verzamelen; —horbu-lent, adj. nw.lat. krulden Inlioudendo of he-vattende.

Hercia, f. mld.lat. (fr. herse) een drloarmlge in de kerken gelirulkeHjke luchter.

heraculnnische oudheden, oudheden, die sedert de eerste helft der vorige eeuw lot op onzen tyd zijn opgedolven uil de slad HerculiTnuni of juister Kerculanéum, die In het jaar 79 na Clir. door eene ulthurstlng van den Vesuvius onder de lava werd hegraven.

Hercules, lat. of Heraklës, gr. m. Myth, de zoon van Jupiter en Alknirne, de grootste en heroemdste onder alle gr. heroën of vergode helden; In liet algemeen voor een zeer sterk en dapper imin; Hercules maakte zich hovenal vermaard door het volbrengen van li uiterst moelUjke daden, gew. de werken van Hercules goheeten; — de zullen of pilaren van Hercules, do straat van Ol-hrallnr, aan welker helde zyden Hercules twee zullen (de horgen Calpe en Alnla) als grens-steenen en gedenkleekens zyner tochlen naar het westen plaatste; - hercules-kever, de grootste. III ned. duim lange kever In /uiil-Vmerlka; — herculisch, adj. (lat. henulrus, a, urn) tol Hercules hehoorende, heldhaftig, groole kracht en moed verelschende, ullerst moeliyk; herculcus morbus of hcmkléux morbus, de vallende zlekle (wegens hare uiterst moellUke genezing dus gehoeten).

Hercynïa, f. lal. de Harlz, hel Hnrtz-gehergte-, — Hercynio-karpatisch-ge-bergte, de bergen lusschen den Donuu, Rün en Dnieper; — hercynisch. adj. don Hartz betrellende.

Here, z. Hora.

/teres of haeres, m. (pl. heredes) lal. de erfgenaam; heres ub inleslülo, lenittmus, een erfgenaam zonder testament, natuuriyke, naaste erfgenaam volgens wettelijke opvolging; li. ex me «/\' universalis, eenlgo erfgenaam; h. ne-ressanus, noodzakelijk of Hjferfgcnaam; h. prae-cipïens, een bevoordeeld, voorultkrijgeml erfgenaam; h. subslilu/wt, een plaatsvervangend erfgenaam voor Iemand, die geen erfgenaam zijn wil of zyn kan; /1. lestamenlarftis otinslilütus, een erfgenaam door testament; herêdis insti-hilïo, de erfstelling; heredipi ta, m. die om eene erfmuking aanzoek doet, die een legaat aftrog-iieli; — herediteeren, mld.lat. (heredilare) erven; z. ook lueredeeren; hereditair, adj. (lat. heredilartus, 11, um) erfeiyk; — herediteit, (/lereitflas) I. do erfenis, het erfrecht; heredilas fideicommissaria, het aanvertrouwde erfgoed; li. futüra, de toekomstige erfenis; h. jucens, do liggende, onaanvaarde erfenis; ft, paclida, bedongen erfmaklng.

Heremiet, z. eremiet.

Hereotum, z. lierloturn.

Heresie, z. lueresle.

Heriötum of hereotum, n. mid. lal. de wapenrusting, die by den dood eens mans zyn naaste mannelyke erfgenaam voorull kreeg.

Herisson, m. fr. (spr. hcri-sóii; oudfr. ericon, provenc. erisson, sp. erizo, |iort. ericio, ourico, van \'t lat. ericïus = erimcüus) de egel ; de spaansche of vrlesche ruiter, een met spitse tanden of stekels voorziene slagboom voor poorten en bruggen; het kroonrad In uurwerken; — « lu hérisson, met slell opstaande haren.

Herit., by natuurwetenscbappciyke lienn-mingen afk. voor I.. Hérltler de Krutelle.

heriteeren, fr. (hériter, verkort van M-rédiler, van \'1 lat. heres, z. aid.) erven; — heritage, f. (spr. —liidtj\') de erfenis, het erfdeel, erfgoed.

Herkotektoniek, f. gr. (van Mrkos, perk, omlulnlng) Mil. de kunst van bevestigen en versterken.

Herkules, herkulisch, z. Hercules, enz.

Herm., hy natuurwetenschappeiuko benamingen afk. voor J. Hermann (gesl. IHIIO) of voor zyn zoon J. F. Hermann (gesl. 17911).

HermEEon, z. oud. Hermes.

Herman, oudd. {ileriman. Hartman, ver-laiynscht llerimannus, Arimannus, v. heri, hari, leger, heer, en man, man) mansn.: de le-german, d. 1. ile krygsman, dappere.

Hermandad, f. sp. (v. hermdno = lal. Hermanns, broeder) broederschap; santa hermandad, elg. de bollige broederschap-, aanvan-keiyk eene verbroedering der stadsgemeenten In Spanje tegen de macht en de rooveryen des adels, later eene soort van rydonde poliilewacht tot veiligheid der openbare wegen\'.

Hermaphroditus, m. gr. Myth, de zoon van Hermos en Aphrodite; toen hy zich eens baadde, en de bronnimf Sal ma cis, die hem had beloerd, hem vergeefs omvatte en om wederliefde smeekte, werden helder lichamen op bare bede zoodanig verbonden, dat er een duhhelwezon, huif man, half vrouw uit ontstond ; vandaar beteekent hermaphrodiet, iemand die heide geslachten schynl te hebben (doch elg. slechts eene ultorlyke misvorming dor teeldeo-len beeft); ook Hol. eene bloem, voorzien van meeldraadje en stamper; — hermaphrodi-tisch, adj. (hermaphroditus) tweeslaciitig (Bol. wanneer meeldraden en sinmpers in dezelfde bloem aanwezig zyn); — hermaphrodi-tisme of hermaphrodismo, n. de toestand van oen bermaphrodlel.de vorming daarvan.

Hermathene, herme, f., zie onder

Hennes.

Hermelijn, n. (oudd. harmelin, verklw.


-ocr page 585-

hermelindp:

569

heronsbol

v. hamo, hamin, = wozel; [r. hermine, ourtfr erme, ermine, provcnc. ermini, ermin, mld.lat. armelinwt, hermelhm) de noordsclie witte ezel [Mustela erminea)ook hot pelswerk daarvan, dat In de middeleeuwen alleen door vorstelijke personen, aartsbisschoppen en bisschoppen word uedratten; — ook een wit geel paard, met roodachtige manen en staart.

Hermolinde, f. vr.naam oudhoogd. /•gt;-minlimla, Irminlinda, Irminlinl, v. lint, slans, of \'t oudn. tind, liron): de krachtige slang of bron.

Hermen, pi., z. oiul. Hennes.

Hermeneut, m. gr. (henneneutês, van licrmeneüein, uitleggen, vertalen) een uitlegger, verklaarder, tolk; Inz. bybeloverzotter In de oudste chr. kerk; — hermeneutiek, t. de uitlegkunde, de kunst van verklaring, Inz. der bUbelsche schriften; — hermeneutisch, adj. uitleggend, verklarend, naar uitlegkundige beginselen.

Hérmes, m gr. (Hermes) of Hermeias,

elg. de ondersteuner, gr. naam van M k r curl n s (z. aid.); — hermseon, n. gr. (hémaion) een vond, eene gevonden zaak, die men vroeger als oen geschenk van Hennes of Mercurlus beschouwde; — herme, f., pl. hermen, hermeszuilen, standheelden van Mercurlus, Uerhoeklge, naar beneden smaller toeloopende beeldzuilen zonder voeten en armen, die de Olieken aan de deuren der tempels en hulzen, aan kruiswegen, enz. plachten te plaatsen; — Hermathëna, een standbeeld van Athene of Minerva, dat van onderen In eene herme uitloopt, of aan \'t welk de hoofden van Her-mes en van Athene Janusachllg verbonden zyn, of wel de gelaatstrekken dier bolde godheden in een enkel hoofd zyn saAmgesmolten; — Hermes Trismegistus, m. d. i. Hennes de driemaal grootste, gr. naam een van myth, wezen, een egyptlsch wijsgeer, die voor den oorsprong van alle geheime wetenschap en voor den vader der alchymlo (hermclischo vvyshe-geerte) wordt gehouden; vandaarhermetïka, f., z. v. a. alebymie; men schryft hem ook de heilige schriften der Egyptenaars loe, die daarom hermetische schriften heeten; — hermeticus, m. een goudmaker; - her-métisch, z. v. a. alcbemisch of chein i s c li; — hermétisch gesloten of ge-sigilleerd wordt van een val, b, v. eene harometerbnls, gezegd, wanneer hel met zyno eigen stof door middel van het vuur gesloien is, dus; luchtdicht gesloten, wel toegemaakt (dewyi men aan Hennes Trismegistus de kunst toeschreef, door magische zegels schatten en vaten zoo te sluilen, dat zy geheel onloegnnkciyk waren); hermetische keten, de ry van wyze mannen, in welke de wysheid van Hermes Trismegistus ondersteld werd door overlevering voortgeplant te zyn; — hermoglyph, m. Iemand, die hermen maakt; In \'talg. een beeldhouwer, heeldsnyder; — hermogly-phiek, f. de beeldhouwkunst; — hermo-glyphisch, adj. beeldhouw kunstig.

Hermina of Herminïa, vr.naam. (van Her m a n of A r min) de krachtige.

Hermitage, f. fr. (spr. ermitdazj\'j, z. v. a. e r e m 11 a g e; m. een iijne, krachtige fr. roede en witte wyn, die aan \'t gebergte l\'llermitage langs den Khdne wast.

Hermöd, noord. Myth. oudn. Ilermódhr, angels. Ileremód, oudhoogd. Ilerimuot), d. i. de legermoedige, de strydhafiige, een zoon van U d i ii, de bode der goden.

Hermoglyph, enz., z. end. Her mes.

Hernand., by natuurweiensch. benamingen afk. voor Francisco Hernandez (He eeuw).

Hernhutters, m. pi., z. v. n. boheem-sebe of moravische broeders (z. aid.), de christelijke hroedergemoenie draagt dezen naam naar bet dorp Herrnhut in de Saksische Opperiausitz, van waar zy oorspronkeiyk is. \'t Is eene christelijke secle, die In de 15e eeuw uit de overhiyfseis der strenge Hussieteii in Bohemen ontstond, In kerktucht en gemeen-tchestuur de eerste christenen zocht na Ie volgen en zich door reinheid van zeden onderscheidde. Te /eist heeft men een broeder- en zusterhuis der Hernhutters.

Hernia, f. lat. Med. eene breuk, darmbreuk, het uittreden van een ingewand uit zyne holte; heniïa ubdnminatis, eene onderiytshreuk, h. aquosa, eene waterbreuk, z. v. a. hydrocele; h. carnusa, eene vleeschbreuk; //. ce-rtbri, uitzakking der hersens door eene sche-delwond; h. cruraHs, of femoralis, dybreuk; h. diapliraumatfca, eene breuk door het middelrif; h. dorsalis, breuk door do ruggespieren; h. incarcerala, eene beklemde breuk; h. inyui-nalis, liesbreuk; li. inleslinalis, darmbreuk; h. iscliiattfa, breuk door de insnede van het stuil-heen; li. omenlalis, nelhreuk; li renalix, nierbreuk ; /1. srrohtlis, balzakbreuk; li. umbilicalis, navelbreuk; h. ult\'ri, doorzakking der baarmoeder, moederbreuk; li. vlginalis, breuk In de moederscheede; li. mricdsa, eene krampaderbreuk; //. «cnlra/is, buikbreuk; h. venlriculi, maaghreuk; A. vesicae, breuk der pisblaas; — herniographie, f. lal. gr. de beschrijving der breuken; — herniologïe, f. de leer van de breuken; — herniëus, adj. (lal. hernio-sus, ii, urn), gebroken, met eene breuk behept; — herniotoom, m. lal.-gr., een breuksny-der; ook bet werkliilg tot hel hreuksnyden;— herniotomie, f. de breuksnykunsl, het hreuksnyden, de leer daarvan; ook de breuksnede.

Hero, eene priesteres van Venus, de minnares van Leander, die, om baar te bezoeken, eiken nacht over den Heliesponl zwom, waarbij eene fakkel op den toren aan den oever tot wegwyzer diende. Toen hy op een dier toch-len bezweken en zyn lyk aan den voet des tenuis geworpen was, slortle Hero zich wanhopig in den vloed eu stierf, terwyi zy den beminde omklemd hield.

Heroën, heroïde, heroïne, heroï-sis, enz., z. ond. heros.

Héronsbol en Héronsfontein, ze-


-ocr page 586-

HETERARCHIE

HEROS

570

korc rontolncn in \'t klein, die door de drukking van saftniRopersle luclil werken, het eerst door Heron van Alexandrlt! uitgevonden en beschreven.

Hëros, m. gr., pi. heroën, halfgoden, vergode helden der Ouiilieid, h. v. Hercules, (Luslor en l\'ollux, Theseus, enz.; oneig. mannen, die door dapperheid, moed, enz., ook door mlstekende geestvermogens ol hekwaamheden, uitblinken; — hernUo, eroïco, it. hi\'roique, tr. z. v. a. heroïsch; — heroïsch, adj. hehl-hafllg, moedig, hooghartig, verheven, grootsch; de heroïsche I y den, de heidentyd of eeuw, inz. der oude Grieken tydons den trojaansehon oorlog en vroeger; — heroïsche middelen, gewaagde middelen, met gevaar verbonden of zeer krachtig werkende artsenUen (in \'I ilageiyksch leven; paardenmiddelen genoemd);

— heroïsche poëzie, bet heldendicht, z. v. a. epische poëzie, z. epos; — heroïsch vers, de versmaat van hel heldendicht, de dak-tylische hexameter, z. v. a. epische poëzie;

— heroïsme, n. nw.lat. de heldenmoed, heldengeest, beidhaftigheid; — heroïdes «f he-roiden, f. heidenbrioven, gedichten in don vorm van een brief, waarin helden, of heldinnen der Oudheid hunne gewaarwordingen me-dedeeien, b. v. de beroïden van Ovidius;

— heroine, f. gr. lat. hero ma, eeno heldin, halfgodin, heldhaftige vrouw; — heromanie, f. de overdreven zucht naar heldenroem; — heroölogie, f. de leer der halfgoden, de kennis van belden en halfgoden; — heröon, n. een lempel ter eere van heroën of halfgoden; — herotheisme, n. de vergoding der helden.

Herostratus, m. een eerzuchtig dweper, die zijnen naam door hel verbranden van den beroemden lempel van Diana te Epbësus zocht te vereeuwigen; van daar worden zyne dwaze navolgers Hor ostraten genoemd.

Herpes, f. (gr. hirpes, v. hérpein, kruipen, sluipen, zich allengs verspreiden) IHed. de vlecht, haarworm, ringworm ; — herpétisch, adj. zich utlbreldend, om zich vretend; vlecht-aebtig, imarwormachtig; — herpetogra-phïe, f. de heschrUving der vlechten; — herpetologie, f. de leer van de vlechten; eok; de natuurhescbryving der kruipende dieren of in \'1 algemeen der kraakbeendieren; — herpetoloog, m. wie zich daarmede bezig-boudi; — herpographïe, f. de kruipende, lage scbrytwys.

Herra düra. f. sp. (spr. ii=ne) een mot een gloeiend yzer itigebrand toeken inz. op de slieren by liet stierengevecht; boefijzer.

Her.-Schff., by naluurwetensch. benamingen afk. voor Herrlch-Schilffer (gesl. 18quot;\'i).

Herse, f. fr. (spr. hen\'; oudfr. her re, mld. lat. herein, van \'t lat. hirjicx, geuit, hirptcis, egge) Mil. de valdeur, voorpoori, stormegge.

Hersilia, f, lat vr.naam. (vgl. liet gr. Ilersc, gemalin van Danaos en dochter van Cekrops, v. herse, de dauw; ook een jong en loeder dier, oen pas geboren lam) de gemulin van Komulus.

Hertha, f., z. Nerthus.

Herwin of Erwin, m. oudd. mansn. (oudboogd. Ilariwin, Herwin) de legervriend, krUgsvrlend, krygsman.

Hesékiël, z. v. a. Ezechlel.

hesiteeren, z. haisltoereu.

Hespërus, in. gr. (hésperns) de avond; het westen; do avondster, de planeet Venus, als zy na zonsondergang verschUnt; — Hes-perïë, n (llesperta, f.) hel avondland; Italië, ook Spanje; — Hosperia, f. ook een in I8«l door Schiapareill ontdekte asteroïde; — Hes-periden, f. pi. gr. (Hesperides) Myth, god-deiyke nimfen, dochters van den nacht, die aan \'s aardbeis wosteiyken rand oenen tuin mei gouden appelen bewoonden, bewaakt door een vree-seiyken draak, dien Hercules doodde om de appelen aan Erysthous te brengen, die bet recht had gekregen om hem allerlei gewaagde ondernemingen op to dragen; — hesperidine, f. oene reuk- en smakeiooze plantonstof, die men uit het vleezlge gedeelte der oranjeappelen en citroenen verkrygt; — llesperium promnntorium, lat. Hesperlsch voorgebergte, de westpuid van Afrika, thans Kaap Verde.

Hessian, n. mlddelgrove slof uit jule.

Hestia, f. gr. (heslia, d. i. de haard) Myth, z. v. a. de rem. Vest a (z. aid.)

Hesus, m. do krygsgod der oude Galliërs.

Hesychasten of hesychiasten, m. pi. gr. (v. hesychns, rustig, eig. rustenden, stii-zlttonden; eene (lutötlscho secte onder de monniken op den berg Athos In de 1\'ido eeuw.

H. et A., hy natuurwotensch. benamingen afk. voor VV. .1. Hooker (gesl. IKtiS) en G. W. Arnott (gesl. 18118).

Hetoera, f. gr. {helairn, d. i. elg. vriendin, v. helriiros, makker, vriend) eene vrouw, die vrgeren omgang met mannen beeft (vgl. Aspa-sla, 1.ais); eene verirouwde, geliefde, boeleerster, hoer; — hetserie, f. (gr. helaireia) d. 1. deelgeiioolschap, eene polilleke verbintenis der nieuwe Grieken; het8Bristen, m. pl. verbondenen, medeleden der gr. vereenlgingen tegen de Turken.

Hetaika, f. geverfd russ. linnen.

H. et B., by naluurwetensch. benamingen afk. voor Alex. Humboldt (gest. 18!)») en Aliné Koopland (gesl. 181)8).

Heterarchie, f. gr. (van héleros, a, on, de of hot andere, anders gestelde) de vreemde heerscbappy, overbeersching der vreemden; — heterobiographie, f. de levensheschrUvlng, die iemand van een ander maakt; het tegengesl. van a u t o b 1 o g ra p h i e; — heterocèrcus, m. vlsch mol uit twee ongeiyke — zooals ho-mocercus uit twee getyko — helflen gevormde staartvin;— heterochróisch, adj. veelkleurig, bont; — heterochrónisch, adj. an-dersiydlg, vreemdiydlg; — heterodóx, adj. vreemd- of dwaalleerlg, van bet hoerschende leerbegrip in den godsdienst afwykende onrecht -


-ocr page 587-

HETERAHCHIE

571

HEXACHORDE

zlnnljc, andorsgoloovond, vryrteiikend; hel toKon-ficst. vun orthodox; — heterodoxie, f. do onrechtzlnnlgbold, de dwaallcur, nfwijkiiiK van do korkloor; heterodroom, in. oon drukhcfboom (waarbü het steunpunt tusschcn de macht on don last Is, h. v. eene schaar); — heterodynamisch, adj. vroomdkrachtlg;

— heterogamisch, adj. Hot. van golUko nutuur, gelüksoortlg; — heterogeen, adj. on-KeiyksoorllK, vreemdaardlg, niet hy elkander passend, hot tegengest. van homogeen; — heterogenësis, r. de voortteling zonder ouders, z. v. a. gencraCtn equiwca, z. genera 11 c; — heterogeniteit, r. de vreemd-ot ongeiyksoortlgheld, afwykondo gesteldheid of geaardheid; —heterograaf, m. die van do aangenomen spoiling of schryfwyzo afwykl, nieuwigheden in do spelling voorstaat; — hete-rographisch, «dj. ongewoon of vreemd geschreven; - heterokarpiseh, adj. Hol. mol ongelijke vruchten of zaden; —heteroklita, pi. Gram. onregelmatig verhogen woorden-, — heteroklitisoh, adj. onregelmatig verhogen, van den regel afwykond; vreemd, wonderiyk;

— heterokranie, f. de scheelo hoofdpyn, z. v. a. migraine; — heterokrasïe (spr. .lt;=£), f. vreonidsoorlige menging dor vochten-,

heterolalie, f. het onjuist spreken, versproken; — heteromeer, adj. uil vorscliil-lendo hostanddeelen samengesteld; — hetero-morphiet, n. vedororls, plumoslol; — heteromórphisch, adj. anders of verschillend van godaanto; -- heteronomie, f. vreemde wetgeving, de afhankeiykheld van vreemde wetten, de onzeifstandigiiold dor men-scheiyke rode, hot logongest. van autonomie; — heteropathie, f. z. v. a. iiiio-pathie-, ook zlokolijk veranderde prikkoihaar-lioid; — heterophonie, f. ziokoiyk veranderde stem; — heterophthalmie, f. verscheidenheid on wei inz. verscliillonde kleur der holde oogen; — heterophthongie, f. liet anders-spreken, vroomdspreken; het huik-sproken; — heterophyllisch, adj. onge-lljkhladlg; — heteroplasie, f. (spr. .«=£) de vreemdsoortige of ahnormaie organische vorming; heteroplastiseh, adj. uit onge-iUkvormlge cellen bestaande; — heteropo-den, pi. ongeiykvoeters; hoteróptëra, pi. ongoiykvlougoligen, wanzon; heto-roptiek, f. valsche schyn, misioiding, dwaling; — heterorexie, f. (vgl. oroxie) vreemdsoortige, onnaiuuriyko eelinsl, h. v. der zwangere vrouwen; — heter organisch, adj. tot oen ander of verschillend spraakwerktuig behoorendo; — heterorrhythmisch, adj. ongciyk afgemeten, van onregoimatigen gang, li. v. heterorrbythmische pols, oon gedurig afwisselende polsslag; — hete-rorrhythmus, m. afwykondo tydmaal; Mod. ziokeiyk afwykondo pols; ook een nog jong schynend bojaard monsch; — heteroseïï, pi. (gr. heleróskioi, van skid, schaduw) Oeogr. óen-schnduwigen of togenschaduwlgon. bewoners dor gematigde luchtstreken, ilio hunne middagschaduw aliyd slechts naar éene zydo, het noorden of hot zuiden, werpen; — heterotelie, f. onzolfstandigheid, afliankeiykboid, toestand der schepselen, aan welke het doel van hunne werkzaamheid door do nutuur wordt aungowe-zon, In togenst. met a u I o n o m i o; — hetero-thetisch, adj. het zinnoiyko to bovengaande, hovonzinneiyk, z. v. a. I runcendent; — he-terotómisch, adj. Bot. ongoiyk gekorfd; — heterotropus, Bot. schoof; - Heterou-zianen, m. pl. of ACtlanon, aanhangers van Aüilus, die Clir. als van vorscliillend wezen met den Vader boschouwdo; - hetero-zetëse, f. de neiging om paradoxe stollingen op Ie worpen; ook oone strikvraag; — hete-rylisch, adj. eene vreemde zeifslandighoid bevattende.

H. et Gr., hy naluurwotonsch. bonamlngon afk. voor W. J. Hooker (gest. 1805) en K. K. Grevllle.

Hetman, poolsch, of ut am an, russ. m. Uit a in (in; waarsch. van bet dullscb hnuiilmnnn, hoofdman) de aanvoerder, veldheer oenor ko-zukkenhordo; a ta m an vun allo kozak kon-legers, Is de lilel vun den grootvorst-troons-opvolgor in Rusland; — hetman-wielki, groot-betman, de oppervoidboor van het gun-scbo pooischo leger sedert Kgt;81; — hetman-polny, veld-hotman, zyn pluatsvervungor; (do i laatste posten z.yn sedert n\'.ti opgeheven).

Hetta, f. skand. oen soort bovenklood, dal hot ondoriyf dekt,

Heure, f, fr. (spr. eur\') uur; — li l\'heure, per uur (b. v. oen rijtuig por uur te betalen); — a hi limine (spr. bon\') heun\', goed! kom aan! hot zy zoo! mynonlwogo gobeuro hel! Ik stoor my or niol aan! (zoowel om goedkeuring als onverschilligheid uit lo drukken).

heüreka, gr. (v. heuriskeln, vinden) ik bob \'t gevonden! uitroep by do eene of undore gomuuklo ontdekking; oorspr. do uitroep van Archimedes, loon hy \'1 bodrog ontdokto, dut door eenon goudsmid jegens lllero vun Syrucuso was geploegd; heuristiek, heuristika, f. do uilvindingskunsl of do aanwyzing om langs een melhodlscben weg ullvindingon lo iloon. Inz. by wolonschappoiyke navorschingon; heuristisch, adj. ullvlndond, vindlngryk; -heuristische methode, f. de onlwikke-iondo leerwijs, die den leerling de waarheden of ioerslollingon zelve loert vindon.

heureuscmenl, fr. (spr. eureiit\'nian : vgl. ho n-hour) goinkkigonvys, hij geluk.

Heurteloup, m, fr. (spr. eurl\'/ne) kunst-mutlge Idoeilzuigor, een unur don uitvinder, een fr. geneesheer Ie l.ondou, genoemd werktuig om snol hlood af lo nemen, Inz. aangewend bij oogonlstekingon.

Hexachórde, f. gr. (v. hex, zes, in sumen-stclllngon gow. hcj-a-) Muz. z. v. u. soxte; ook oon zossnarlg speollulg; — hexaëdron, n. hot zesvluk of de teerling, cubus; — hexaé-


-ocr page 588-

HIDROA

HEXIS

572

drisch, adj. zosvlakklR; — hexaemëron,

n. een zosduiiRsch werk, do zesdaagscho sclicp-piiiK; — hexagoon, in. oen zeshoek; — hexagonaal-getallen, zeshoekige getallen (l, «, IS, 88,18,««, enz.); — hexagram, n. eeno zesiynlge figuur; — hexagyma, n, |il. zessiyilgon, planten met :i stampertjes; — hexamëron, n. een zesdaagsclie gesehlede-nis, h, v. II. von Kosenhnln door VVIeland; vgl. heptumoron; Muz. verzameling van zes muziekstukken; hexameter, in. een zesvoetig vers, Inzonderh. liet daktyllsch vers van de epische dichtsoort (het schema daarvan Is

— Ó~SJ , — l—l /— u~ö /— u u I—S-); —

hexandna, n. pl. zeshelmlgon, planten welker bloemen li ineeldruden hehheu, de Ude klasse in liet stelsel van L.; -- hexiindrisch, ndj. zeshelmlg, niet zes meeldraden voorzien; — hexangulair, adj. gr.-lat. zeshoekig; — hexapetalisch, ndj. mot li liloomhlnderon;

— hexaphyllisch, adj. zesbiaderig; — hexapla, f. elg. het zesvoudige; de liUhel in ti talen of de zestalenhyhel van den kerkleeraar Orlgenes;— hexapóda, n. pl. zesvoelers, zesvoet Ige dieren; — hexapódisch, zesvoetig; — hexaptëra, n. pl. zesvleugell-gen, zesvleugellge Insecten; — hexaptöton, n. een woord, dat al de (i naamvallen heeft;

— hexarch, m. een zesman, een van zes gemeenschappeiyk heerschenden; — hoxastï-chon, n. een zesregelig gedicht; — hoxa-stylon, n. eene zaal, een portaal van (1 zullen; — hexastylisch, adj. zeszuilig; — hexateuch, in. de 5 hoeken van Mozes (de Pentateuch, z. aid.) henevens het daarhy behoorend boek Jozua.

Hoxis, f. gr. (v. échein, hebben,zich verhouden) Mod. de hlüvendo gesteldheid, do gewone bevinding van het lichaam.

Hezam, m. arab. een sjaal als gordel van den kaftan.

Hfgg., Hfmsgg. of Hgg., by natuur-wetensch. benamingen afk. voor llollmannsegg (gest. ISi9).

Hiaat of hiatus, m. hit. (v. hüSre, gapen, geeuwen) elg. het gapen, opsperren van den mond; Gram. de wanklank, door hel op-eenstulten van twee kllnklettors voortgebracht; in \'I algemeen (dan meest hiaat, n.) eene gaping, een gebrek aan samenhang, een sprong.

Hiabööri, n, In Japan: het levend ver-hraaden (als straf).

Hialmr, m. skand. helm.

Hiawatha, m. Irokeesch (by de noord-amerlk. Indianen) de wyze, de leeraar, de zoon van Moedjekeewls (den westenwind) en van Wenowah.

hibernaal, adj. nw.lat. (lat. Mbérnus, «, um, v. hiems, winter) wintersch, winterachtig;

— hibernatie (spr. lt;=lt;«), f. (v. \'t lat. hi-hernure, overwinteren) de winterslaap van eenlge diersoorten; overwintering.

Hibernia, f. de lat. naam voor Ierland;

— hibernicisme, n. een lersch spraakeigen.

Hibiscus, m. lat. (gew. hibisomt, gr. hi-biskns) Bol. witte heemst, do uurbloem, die op vaste tyden van kleur verwisselt, een pronk-gewas.

Hibnda of hybrïda, m. en f. lat. (waar-schyniyk verwant met het gr. hybris, overmoed, en dus als \'t ware; teugelloos, wetteloos, onnatuuriyk) of hibridisch schepsel, een wezen, dat van twee verschillende soorten afstamt, een bastaard, 1). v. de muilezel ; by de Komelnen ook Iemand, die alt een Inboorling en eene vreemde of uit een vrye en eene slavin was gesproten; — hibridisch, hibrydisch, hibrisch, adj. tweeslachtig, bastaardacbtlg, gemengd, onecht; een hibridisch woord (lat. vox bibnilu) een mengel-woord, een woord, uit twee talen samengesteld, li. v. bigamie, lat.-gr., luchtballon, ne-derl.-fr. enz.; — hibriditeit, f. het bibri-disch zün-, een hibridisch wezen; — hibri-datie óf hybridatie (spr. lt;=/.«), f. (fr. bybrldalion) de voortbrenging van blhrldische wezens, van bastaarddleren, van hastaardplanten.

Mc d nunc, hier en nu, d. I. op staanden voet; — hic haeret aqua, lat. hier stuit het water, d. I. hier ontstaat de zwarigheid, hier ligt de knoop; — hic jacel, hier ligt; — hic jacel lep us, hier ligt de haas, d. I. de nioeliykheid, hier zll de knoop; — hic niger csl (hunc lu, llomanc, cavito!) deze Is zwart, d. 1. een booswicht (wacht u voor hem, o Itomein!) een cl laat uit Horatlus\' satiren; — hic Hhodus, hic salta, hier is Hhodus, dans hier! dus zegt lom. in eene •Ksopische fabel tot een persoon, die zich beroemde, te Hhodus reeds gedanst te hebben, ten einde hem te nopen, de waarheid van z.yn gezegde te hcwyzeii; vandaar spreek-woordeiyk z. v. a. bier moet gy uwe bekwaamheid op staanden voel hewyzen, zoo men u ge-looven zal; — hic situs csl, bier ligt begraven.

Hicksites, m. pl. naam dor kwakers In Philadelphia, die zich in IKJO van hunne ge loofsgenooten hebben afgezonderd.

Hidage, z. oud. b 1 d e.

Hidalgo, hidalguia, z. fidalgo, fill a Ig u I a.

Hide, n. eng. (spr. haid\') eene eng. landmaat, eene hoeve = :i(i morgen; — hidage, f. (spr. haididzj) hot ploeggeld, hoefgeid.

hidcux, adj. fr. (siir. hiddtl) afschuwoiyk, zeer leeiyk, afzlchteiyk.

Hidröa, pl. gr. (van hidrns, zweet) Med. zweet- of bittepuistjes; — hidrokritïka of hidrokrltische teekenen, n. pl. kentee-kenen van het zweden afgeleid; — hidronó-sos, f. zweetzlekto; — hidroplanie, f. do ontlasting van bet zweet door onregelmatige wegen; — hidropoëtïka, n. pl. zweetdry-vende middelen; — hidrop^ra, f. zweetkoorts; — hidroschésis, f. de belette zweet-uitwaseming; — hidrösis, f. het zweeten;— hidrotikon of hidroticum, n., pl. hi-drotika, zwoetnilddel; — hidrötisch, adj. zweetdrijvend.


-ocr page 589-

HILARIEN

HIEMAAL

573

hiömaal, adj. lat. {hiemalis, e, v, /items, f, lt;le winter) wlntorsch, winterachtig; — hie-manten, ni. pl. (v. \'t lat. Memure, winteren, stormachtig zUquot;) lquot; i\'o «\'«Ie chr. kerk: van lt;lcn duivel liozctcncn.

Hieraciet, m. gr. (hicrakitex, van hiérux, liavik, valk) haviks- of valkesteon, een zandsteen met valkeveerachtlge oppervlakte; — hieracmm, n. hit. (gr. hierakion) het Im-vikskruld, ecu pronkgewas.

Hiërarch, in. gr. {hier-drchls, v. hier As, a, dn, heilig) een aanhanger der priesterheer-schappU; ile aartspriester, het geestolUk opperhoofd In de gr. kerk; — hiërarchie, f. de priesterheorschappU, het kerkhewhul; ook de rangorde der eikander ondergeschikte geestelijke machten, kerkelijke regeeringsvorm, kerkregeling; — hiërarchisch, adj. tot de pries-terhcorschappü hehoorendo; — hiëratisch, adj. (gr. hieralikós, c, on), priesterlijk; hlB-ratlsch schrift der oudeEgyptenaars, priesterlijk ietterschritl, in tegenst. met het demo-lische (z. aid.); — hiëraticum, n. het van tiet sclilp giisciieldcn iiooge koor eener kerk; — hiërobotanon, n. het heilige kruiden-Jioek, dat de plantennamen, die in de heil. Schrift voorkomen, verkluart; — hiernclntnlicus, n, urn, adj. lat. Bol. Jericiioosch, van Jerlclio; — hië-rodiacónus, m. een geordende monnik in do gr. kerk; hiërodrama, n. oen geestelijk tooneeispei uit do hghelschegeschiedenis;

hiërodulen, pl. (gr. sing, hierndulos, de godheid dienende) iiU de Grieken: de mannel. en vrouwei, slaven en hodlenden, aan den dienst eener godheid gewijd, tempeldienaars en -dienaressen; de laalstgonoemde In den tempel van Aphrodite tegeiyk publieke meisjes; ook kerk-lieamhten vim lager rang In do gr. kerk; — hiëroglyphen, pi. (vgl. glyphen) heelil-schrift, de heilige, zlimeheeldige letters der oude ligyptenaren, waaronder vele afheeldlngen van menschcn, vogels, planten en gereedschappen voorkomen; ook hertimerlngsteekens; — hië-l\'Oglyphisch, adj. zlnnehoelillg, In geheimschrift vervat, geheimvol, raadselachtig en ver-horgen, donker; een geheim herinnerend; Mn-loglyphlcae nolae, f. pl. de strepen of lijnen, ■door de spierwerking op de hinnenopperviakte dor handen voortgehracht, en wanruit hel hy-geloof de toekomende geheurlenlssen wil voorspellen; — hiëroglyphiek, f. de zinne-heeldkunde, gehcimschriftkunst, heoldspraak; — hiërogramma, n. een heilig schrift, hel geheime priestersclirifl; — hiërogramma-tisch, adj. het gewijde pricsterschrift betreffende, daartoe liehoorende; — hiërogram-raaten, m pi. de egyptlscho priesters, belast met het vervaardigen dor hiëroglyphen; — hië-rogrammatist, in. iemand die het heilige pricsterschrift verstond, schriftgeleerde hy de oude Egyptenaren; — hiërograaf, in. een lieschryver van heiligo dingen; — hiërogra-pha, pl. zlnnehoeldlge voorstellingen van heilige dingen; —hiërographie, f. hel heilig geheimschrift; ook besehryving en verklaring van heilige gebruiken, geschriften en dgl.; — hiërokraat, n. voorstander der priesteriieer-schappU; — hiërokratie (spr. /=/«), f. de priesterheerschappij, kerkeiyke regeeringsvorm;

— hiërologie, f. de besehryving van gees-teiyke dingen; ook geestelijke verrichting, b.\\. de prediking. Inzegening, enz.; — hiëroman-tie (spr. l—ts), f. voorspelling uit de offers;

— hiëromnemon, ni. vertegenwoordiger van een oud-gr. stam hy de bendsvergaderlag der Amphiktyonen; — hiëromonachos, m. in de gr. kerk : een gewyde monnik; — Hië-ronymus, mansn.; die een heiligen naam heeft, de heilige; — Hiëronymieten, in. pl. kluizenaars van de levenswyze des b. Ille-ronymus, in Spanje en Italië; — hiërophant, in. (gr. hieroiihanlës) In \'t algemeen een uitlegger of leeraar der godsdienstgebruiken bij de Grieken en Kgyptenaren; Inz. de opperpriester van Ceres en bestuurder der eleuslnlsche mysteriën; — hiërophylax, in. bewaarder der heiligdommen, kerkwachter of koster In de grlek-sche kerk ; — hiërophylacmm, n., z. v. a. sacristie (z. aid.); — hiëropyr, n. Mod. de gordelrooshiëroskopie, f. beschouwing der offerdieren en verklaring daarvan; heilige waarzeggerij; — hiërotheek, f. eene bewaarplaats voor heiligdommen In de r. kath. kerk. vgl. monstrantle;- hiërothéten, m. pl. regelaars of Invoerders van heilige gebruiken; — hiërotiek, f. de heiligheids- of helligingsleer.

high, adj. eng. (spr. hai) hoog; — high wages (spr. neeedzjes), hoog loun; - high-church, f. eng. (spr. hui Isjurtsj) de booge kerk, z. v. a. de angiikaansche of eplskopale kerk; - high-churchman, m. (spr. men), aanhanger der booge kerk; — high-land, n eng. (spr. hdi-leiul\') hoogland, Inz. bet scbotsclie;

— highlander, m. hooglander; — high-life, n. eng. (spr. Uai-laif) hoog (d. i. voornaam) leven; voorname uf groole wereld; — highness, eng. (spr. hdi-nes) hoogiieid (ais titel); royal highness, koninktyke hoogheid; — high-priest, m. eng. boogeprlesler; — high-sheriff, m. eng. (spr. sjérrif) opper-sherilt (z. sheriff); — high-spirits, pl (spr. spirrils) opgewekte, vroolyke luim; — high-steward, m. eng. (spr. hai-slóéwerd de opperrechter by de eng. unlvorsiteitcn; — high-tory, eig. hoog-tory, volbloed arls-tokraat; - highwaymen, m. pl. eng. (spr. haiweemen) elg. hoog- of straat wegmannen, d. 1. struikroovors in Engeland.

Higuëra, f. sp. vygeboom.

Hija, f. sp. (spr. hicha) dochter.

Hikajeth, f. nrai). verdichte vertelling.

Hilal, m. arab. halvemaan van diamanten als hoofdsieraad dor vrouwen.

Hilanën, pl. lat. [hilana, v. hilüris, e. gr. hilarós, vrooiyk) vreugdefeesten, jubelfeesten;—Hilarius, m. en Hilarïa, f. mans-en vr.naam: de biyde, vroolyke; — hilari-


-ocr page 590-

HILDEBKRT

574

HIPPURIS

teit (lal. hilarttas), f. do vroolljklicld, opgo-ruiindheUl; — hilarodie, f. gr. ecu vtcuk-dezang; — hilarotragcedie, f. gr. een hiy-on Ireurspel, een gemengd sluk.

Hildebert, Childobert.

Hildebrandistne, n. de illldebrands-lieerscliappU, el liet ganscho pauseiyke stelsel der prlesterheorscliappU sedert Gregorlus VII, die vroeger llildobrand heette.

Hildegard ot Hildemond, t. oudd. vr.nauni; (van hilli, strgdgodln, stryd, angels. hill, oudn. hildr) de bescliermcllng der krügs-godln-, — Hildomar ot Hilmar, oudd. mansn.: de door den stryd, door dapperheid heroemdc; — Hilderich, z. Chllderlch.

Hilperich, z. Chllperlch.

Hiltruda, t. oud naam; hel geliefde meisje.

Hilum, ii. lat. elg. vezeltje, Iets zeer kleins: Kot. naveltje; — UUalus, a, itm, adj, nw.lat. Bot. genaveld.

himalaïca, adj. lat. Hol. van hel llima-laya-geborgte.

Himantoma, n., en himantösis, f. gr. (van hiinas, gen. himanlos, riem) elg. hel toebinden-, Med. de verlenging en ontsteking vim liet lelletje in de keel.

Himatïon, r. gr. (eig. naur zyn vorm een verkiw, v. h/ma, hëima, kleed, van liénnflmi, ik kleed) het witte overkleed of gewaad der oud-grleksche vrouwen.

hinc illae laert/mae, lat. sprw.: eig. vandaar die tranen! dat is de reden van die treurigheid 1 daar zit de knoop, daar wringt de schoen! — hinc inde, lal. van hier cn van daar, Inz. van de cene en van de andere zyde of pariy,

Hindawi, n. de taal der moderne dichtkunst in Mldden-Indlü.

Hindoes, of Gen to os, Indiërs, de oor-spr. bewoners van O.lndltt; — Hindoe-stani, n. de lilndoslansche taal, de algemeene laai iles omgangs in Voor-lndle.

Hinna, z. al hen na.

Hinton, m. turk. staatsiekoets.

Hiob, m. hebr. (Ijjob, gr. lob) mansn., z. .1 O I).

Hippagréten, m. pl. gr. (hipimnrélai, v. hipfos, paard) by de Lacedicmoniers: aanvoerders der lino, als iyfwacht van den koning, ull-gekozen hoplieden; — hippanthroop, m. gr. hipp-anlhröpo.i, v. anlhröpns, mensch) een paardnicnsch, z. v. a. cent au rus; — hip-panthropie, f. ziekeiyke verbeelding van een waanzinnige, dat hy een paard is; - hip-parch, m. gr. {hipp-archos, v. hippos, paard) bevciheiiber der ruilery-, hipparchïe, f. diens ambt; ook eone rullerafdeeiing; — hip-pelaph, m. {hipp-élnphns) een paardhert (soort antilope); hippiaden, pl. standbeelden van vrouwen Ie paard, b. v. amazonen; — hippiater, m. cene paardenarts; — hip-piatriek, f. de paardenarlscnykunde; —hip-pobósk, m. eene paardenvlieg; — hippo-centaurus, z. v. a. centaurus; — hip-pódamos, m. paardentemmer; hippo-damisch, adj. de paardentcmmlng betrellende;

— hippodrömos, m. gewooniyk hippodroom, n. het paardreniien; de renbaan, een plaats voor wedrennen; — hippogryph, hippogrief, m. een fabelachtig gevleugeld paard; ook z. v. a, pegasus; — hippo-kamp, in. (gr. hippokdmpê, f.) een fabelacb-lig zeepaard; hippocampi pen, do zeepaardevoet of ummonsboorn; Anat. een gedeelte der hersenen, dat met den voet eens zeepaards ovor-eenkomst heeft; — hippokömos, m. een paardenoppasser; — Hippokrêne, f. de mu-zenbron, dichterbron, eene beroemde bron op den berg Helikon In Ba-otlB, welker water, dat de dichleriyke geestvervoering voortbracht, dooiden hoefslag van Pegasus, het gevleugeld mu-zenpaard, was ontstaan; — hippolith, m. de paardensteeii; — hippoloog, m. een paardenkenner; - hippologie, t. de paarden-kiinde of-leer; — hippologiseh, adj. daarop betrekking bobbende; — hippoiytus, m. gr. Myth, zoon van Theseus, bel voorwerp van de liefdedrift züner schoonmoeder IMia-dra, en oiter van z(|ne deugd-, — hippomachie, f. gevocht Ie paardhippomaan, in, liarts-tocbteiyk llefliehber van paarden; — hippo-manie, f. paardenzncht, overdreven llefheli-bery voor paarden; hippamantie (spr. I—s), f. het waarzeggen uit liet paardengehinnik; hippomólg, m. een paardenmelker, drinker van paardenmelk-, — hippopatho-logle, f. de loer der paardenziekten; — hip-popëra, f. een paardonviilies, ruitor-mantel-zak; — hippophaag, m. een paardevleesch-eler; — hippopódo, m. een paardevoetei\';

— hippopotamos, in. bet rlvierpaard, bel nyipaard in de stroomen van Afrika;—hip-posandalen, pi. lioctijzers zonder nagels, nMir de uitvinding van Kerjou en Gournay;— hippothóros, in. de bespringer, de dekhengst ; — hippotomie, f. de paardontle-ding; — hippotroof, m. paardenfokker;

— hippotrophie, f. de paardenverpleging, paardenfokkery.

Hippokras, liever hypocras (z. aid,).

Hippokratïci, m, pl. artsen, die den beroemden gr. arls Hip pok ra les tot voorbeeld nemen en inz. de ervaring als grondslag van hun welen erkennen -, —hippokratisch, adj. op llippokrates betrekking hohbende of dien aanhangende, volgens diens grondstellingen-, — hippokratisch gezicht, lal. facfes Hip-povratfea, t, het eigenaardig veranderd gelaal van een stervende,

Hippokrene, hippolith, hippoloog, enz,; hippomolg, enz,; z, ond h i p p a g r e ten,

Hipponaktéïsch vers, n naar zynen uilvinder den gr. hokeldicbler lllppönax, z, v. a. choliambus (z, aid.).

Hippopathologlo, enz,; hippotrophie, z ond, h 1 ppagreten,

Hippuris, f, gr. de paardeslaarl, eene plantensoorthippuriet, m. versteend cy-


-ocr page 591-

HIVERNAGE

HIPPUS

575

lindervormig schelpdier; imardeslaartsteen; — hippurïcum-zuur, Chom. een liUzonder zuur, In de pis dor grasetende dieren ontdekt.

Hippus, m. gr. {hipim, elg. paard, voorts eeno springende hewegliiK des oogappels en dei-oogleden) Mod. liet trillen van het regenhoogs-vlles van het oog.

Hirous, in. lat. de hok, geltehok; — hir-cipédisch, adj. nw.lat. met hokkevoelen;— hircine, f. nw.lat. hokkevetzuur, eene uit de schiipelalk afgescheiden grondstof, hokkenreuk, okselslank; — hircinus, «, uw, of hircosus, «, um, iiilj. lal. Bot. bokachtig, van hokken;—hir-cisme, n. de boksreuk; — hircisch, adj. (lat. hircosus) hokachllg, stinkend als een hok;

- hircositeit, f. de hokachtlgheld, hoks-rouk; — hirculatie {spr. lt;=lt;s), f de over-gellheld van den wijnstok, wanneer hij slechts /ijnc ranken voedt.

Hirgili, in. moldavlsch paardenherder

Hirka. f. arah. mantel.

HirquitaEtas, f. harh.lal. (vgl. hlrcus) de boksstem.

Hirsutïa (spr. l=ls), f. lat. (van liirsn-lus, ruig, horstellg) ruigheid, horstellgheid; — hinulus, ii, um, adj. lat. Itot. langharig, ruigharig, met opslaande tameiyk stijve doch niet stekende haren hezet; — hirlus, n, um, adj. lal. ruig; Hot. kortstljfharlg, met korte, styve meestal dicht hljoonstaande haren hezet; — hirticaudisch, adj. (v. hirlus, ruig) nw.lat, ruigstaartig; — hirticóllisch, adj. ruig-halzig; — hirticórnisch. adj. met ruige voelsprieten; — hirtiflórisch, adj. met ruige hlocinen; — hirtimanisch, adj. ruighandig-,

- hirtipédisch, adj. ruigvoetig.

Hirudicultuur, f. uw. lat. (van \'t lat.

hirüdo, bloedzuiger, en cullüra, z. cull u u r) de bloedzulRertecil, de aanteling van hioedzui-gors; — hirudiniform, adj. liloedzuigor-achtig; — hirudinatie (spr. I-Is), t. (fr. himilinttlion), bet aanleggen of aanzeilen van hloedzuigers.

Hirundinacéën, f. pl. nw.lat. (v.\'t lat. hirundo, zwaluw) de zwaiuwsoorten.

Hisingoriet, n. een naar den zweedschon mineraloog W. Ilislnger genoemd Ijzererts, uil klezolzuur, yzeroxydui en kiezerznur ijzcroxyde bestaande.

Hiskia, behr. mansn., eig. Chiskijjah, des Hoeren sterkte.

Hispanië, n. lat. (Ilispanfa, f.) Int.Spanje;

— hispanisoeren (spr. s=z), spaansch maken, naar spaansche zeden inrichten; — hispanisme, n. een spaansch laaieigon; his-pana, f. de echte (zoogen. 1 s 1 d o r 1 s c h e schoon hezwaariyk door Isldoor van Seville opgestelde) verzameling van pausoiyke docretaien en orthodoxe conclliehesluiten (in tegenstelling met do pseu do-isido rise he verzameling, die lus-schen süt en 857 in Krankryk vervaardigd werd);

— hispanfea, lat. Hol. do spaansche.

iiispidwt, u, um, lat. ruig, borstelig; Hot.

styfharig; met lange styve hyna hoi\'steivormige buren hezet, die soms gedeeiteiyk prikken.

hissar, lurk. vast slot, sterkte (dikwyis voorkomende in piauisnamen).

Histiodromle, f. gr. (v. hislion, weefsel, zeil) ile schcepvaarikunst, zeilkunst, de kunst om de zeilen te draaien.

Histoire, f. fr., z. end. historie.

Histogonïe, f. gr. (van hislóf, wevers-hoom, weefsel) de regelmatige ontwikkeling van de weefsels in alle lovende wezens (in dieren zoowel als ia planten); — histographie, f. heschryving dier weefsels in den ontwikkelden staat; — histologie, f. de leer der weefsels van het dierlijk en inenscheiyk liciiaani;

— histologisch, adj. op die weefsels betrekking hebbende; — histonomie, f. de leer van de oorzaken en wetten der ontwikkeling, en van het voortbestaan der weefsels; — histotomie, f. de onlleding van hel organisch weefsel.

Histórie, f. lat. {hislorlu, gr. hisloriu, fr. hisloin) de geschiedenis, geschiedverhaal, geschiedkunde; gescbledbeschryving; geschiedboek; gebeurlenls; hislória nalunilis, lal. na-luuriyke historie; - histórieschilder, schilder, die onderwerpen uit do geschiedenis schildert; — hisloin: scanilaleuse, f. (spr. iestodr\' skandaléi\'a\'), z. chronique scarnl.— historiciteit, f. nw.lat. gescbicdkundigo ecblbeid;

— historiétte, f. fr. eeno kleine geschiedenis, een verhaaiije, vertelseltje, hlslorlelje;— historika, f. de gescbledkunst; — historicus, in. lal. (gr. hislorikós) een geschiedkundige; — historiëeren, in de beeldende kunsten; in de voorstelling streng getrouw aaa de geschiedenis blijven; — historikotheo-logio, f. de bewysvoering van (lods aanzyn uit de geschiedenis; — historiograaf, m gescbiedscbryver; historiographie, f. de gescbledbeschryving; — historioniathio, f. bet aanleereu der geschiedenis; — histó-risch, adj. volgens de geschiedenis, tol haar behoorende, geschiedkundig; — historisch tafereel ef schilderij, zulk een, waarvan het voorwerp een bepaald voorval uit de geschiedenis of de overlevering is; — histori-seeren (spr. .v=j), geschiedkundig opvallen of voorstellen.

Histotomie, z. ond. histogenie.

Histriönen. m. pl. lal. {hislrioncs, van den sing, hislrfo) by de oude Komelnen: too-neelspelers; kluchtspelers, grappeamakers, narren ; goochelaars.

Hitöpdësa, m. oud.-iad. (v. hilu, vriendelijk en uimiUsa, raad, leer) vrlendeiyke on-derwyzing, een soort leerboek voor de jeugd, dat op bevel des konings Sudarsana door wy-zen, geleerden en dlchlers voor /.yn zonen uil de godsdienslige en wysgeerigo goscbriften der Indiërs omslreeks 800 v, (quot;■, byeenverzameld werd.

Hivernage, f, fr. (spr. iwernddzj\', v. hi-vemer, overwinleren; vgl. h 1 b c r n a a i) de over-winiering der schepen; ook de daartoe inge-ricble haven.


-ocr page 592-

HOFFMANNS

576

HOARDS

hoards, pi. eng. rosorvo In kcIiI on immt-mnlerlnul uan Imnkon, welke voorraad liullen clrculaliu Rvlioudon wordl.

Hoax, m. our. {spr. hooks, van \'1 angels. hues, Iiilc, huse, hólt, hóe, bespotting, hoon, ironip, oudhoogd. hnse, hóh, hunh) verdichtingj foppery, pots, streek; hedrog; heurslcugen (Iiouj; als werkw.: (oppen, beetnemen, misleiden).

Hoazin, m. de gekroonde fazant, kullfa-zant in Amerika.

Hobbisme, Hobbesianisme, n. hot polltlsch absolutisme volgens \'t wysgeerlg stelsel van den Engolschinan Thomas Hob bes (1888-1(179); — Hobbist, Hobbesiaan, m. een aanhanger van dat stelsel.

Hobblers, m. pi. eng. (elg. knoeiers. Madders) knstrulters togen den sluikhandel. Hobo, z. hautbols.

hoc anno of hujus anni, lat (van hie, haee, hoe, deze, dit) afgekort h. a., in dit Jaar, dezes Jaars; — hoe erat in volis, dat Is wat Ik ver-wensebte; — hoe esl, afgekort h. e., dat is, dat beduidt, dat wil zeggen; — hoe habet, die (namelijk wond, eulnus) heeft hg, (wanneer eeti romelnsch gladiator eene doodeiyke wond had gekregen; spreekwoordetyk voor:) niet dien Is \'t gedaan, die Is er geweest; — hoe opus, hie. labor esl, dat Is Juist het bezwaar, de moel-lykheld; — h. I., afgek voor hoe loeo, aan deze plaats, en hujus loei, dezer plaats; — hoe mense, afgek., h. m., In deze maand, of hujus mensis, dezer maand; — hoe sensu, afgek. h. s., In dezen zin; — hoe tempore, afgek. h. In dezen tyd, tegenwoordig;—od hoe, tot dit, lt;1. i. tot oen bepaald, afzonderiyk doel.

Hochambt, n, ligd. (fr. grand\'messe, lat. missa snlemnis) hooge mis.

Hochepot, m. fr. (spr. hosj\'/tó; v. oudfr. hoeher, kerven, en fr. pol, pol) klein gehakt gestoofd vleescb met rapen, kastanjes, enz. hutspot.

Hock, 1) n. (fr. hoe, hoea, eng. hoca), een kaartspel, het hokspol; — i) m. eng. voor Hocli-helmer, en in \'t algemeen Rijnwyn.

Hocko of cnrasso, m. een grooto, naaiden kalkoenschen haan geiykende vogel van Middel- en Zuld-Amerlka, boomhoen {Crax aléeinr).

hocktido, eng. (spr. hoklaid\') twee vroo-lijke feestdagen In Kngeland (15 dagen na l\'a-seben).

Hocopóco, m., pl. hocopócos, spotnaam der politieke party van de mannen des aehterultgangs In N. Amerika, In tegenstelling met de demoeralen of locofoeos, z. aid. hoe sensu, hoe tempore, z. oud. hoe anno. hocus-pocus of hokus pokus, n. (misschien verbastering van de door goochelaars misbruikte woorden hoe est eorpus, die in de r. kath. kerk hy het inzegenen der hostie worden uitgesproken; of wellicht, daar \'I vroeger orkes boekes of okes boks werd geschreven, schuilen er de woorden os on bok, als namen van otferdleren, in) goochelary, goochelspel, oogmisleiding.

Hodegêsis of hodegetika, hode-getiek, f. gr, (v. hodlgein, den weg wyzen) de vvegwyzlng tot het methodisch beoefenen eener wetenschap, aanleiding lol hot sludeoren en loven op de hoogescholen; — hodegeet, m. (gr. hodenites) een wegwyzer, leidsman; — hodegëtisch, adj. aanleidend. Inleidend lot voorlezingen.

hoilïe, adv. lat. (ontst. uil hoe die, op dezen dag) beden, van daag; — hoilïe mihi, craslibi\' lal. heden my, morgen u; van daag Is \'I myne beurt, morgen zal \'l de uwe zyn; — hodiérnus, a, urn, adj. van heden; digs linilienius, de dag van heden, de huidige dag (vgl. dies)ah ho-diérno, van heden af.

Hoditologie, f. gr. (v. hoditis, reiziger) de relskunde, leer van het reizen; — hodi-toloog, m. Iemand die leering, aanwijzing voor het reizen geeft.

Hódjet, m. tiewys van eigendom.

Hodograaf, f. gr. (van hodós, weg en grdphein, schrijven) eene door Hamilton aangegeven kromme lyn.

Hódometer, m. gr. eene wegmaat, een wegmeter, pasteller; toestel lol het bepalen van den weg, dien men beeft afgelegd; — hodo-métrisch, adj. wegmetend, volgens den wegmeter; — hodoplanïe, f. de afwijking van den regelrechten weg.

Hödur, Höder, m. noord, [hiidhr; vgl. lied wig) Myth, de Ijllnde, maar sterke krygs-god, ilie geluk en ongeluk blindelings mededeelt; hy werd door een worp mol den mistel (z. g u i de onwillekeurige oorzaak van Baldurs dood, en daarom zelve door den éenen nacht oud zyn-den Wall omgebracht.

Hoed, n, eene vroegere nederl. Inhouds-maat: voor steenkolen = ll,72iiS nederl. mud, voor kalk = »,712 mud; — hoeden en mutsen, naam van twee zweedsche hofpartyen In de 18de eeuw; — hoedjestin, Indisch tin, dat als vierzydige afgeknotte pyramidon, van onderen met een uitstekenden rand, In den handel komt.

Hoeker, m. een breed, vlak, van achteren rond tweemastschip, een groot noordscti vlsschers- en transportvaartuig (waarscb. zo» genoemd omdat zoodaijigc vaartuigen oorspron-keiyk uitgingen om met hoekwant te vlsschen).

Hoekschen en Kabeljauwschen, benaming van Iwee partyschappen In do Nederlanden, omstreeks insn ontstaan en eerst In lilli geëindigd.

heel of hoeli, m. een feest hy de Hindoo\'s, waarop lichtgeloovlgen gefopt en her- en derwaarts gezonden worden, de laatste dag Is het Nleuwejaar, onze le April.

Hoeri, z. bouri.

hoezee! een ned. vreugdekroot, waarscb. beleekenendo hou zee!

Hoffm., by natuurwetonschappetyko benamingen afk. voor H. K. H. Hallman, prof. le Glcssen of I\'\'. (i. Hoifmann (gest. 1828).

Hotïmanns droppelen, een mengsel


-ocr page 593-

HOGSHEAD

577

HOMERUS

van ceiykp declen alkohol en zwaveltethcr, dikwijls (jehrulkl om liczwljmdo llodon wedcr hy to brongen (zoo gclioolen naar den dullscben arts en scheikundige F. Morfmann).

Hogshead, n. eng. (spr. hóys-hed\'; d. 1. elg. zwUnskop), eene w()n- en biermaat, okshoofd = n;t gallons of ruim 280 liter {vgl. lun).

Hoist, m. eng. (spr. huist; van to hoist, hyscbon, optrokken) een opliijscbmachlne of hefwerktuig voor personen en goederen ter ver-inüiling van het trappenkllinmen in groote lu-gemonten, fabrieken, enz.; vgl. ascenseur.

Hokus pokus z. hocus poe us.

holcus, Kot. plantengeslacht waarloe o. a. bet honlggras (//. tamtus) behoort.

Hollander, vliegende Hollander, m. een spookschip, dat zich, naar \'I beweren der zeelieden, In de Indien beneden de Kaap de Goede-Hoop ophoudt en uliyd met volle zeilen tegen den storm instevent; — hollan ■ deeren, fr. (hollander) op boliandsche wys bereiden, Inz. pennen; — hollandiseeren (spr. s=z), boliandsche vormen en zeden geven.

Hollow, adj. eng. (spr. —In) hol.

Holm, in. boogd. (ook eng. eu deensch, 2W. holme, oudn. hölmi) een heuvel, een klein eiland, riviereiland, oen waard; ook eene daarop aangelegde scbeepswerf; — holmgang, m. tweegevecht hy de SkandlnavlBrs dat gewooniyk op kleine eilanden (hol men) ullgevochten werd.

Holobranohien, pl. gr. (van halos, é, on, geheel) visschen met volkomen kieuwen (liranoliIBn, z. aid.); — holoëdrisch,adj. alle om eene as vereenigiiare vlakken hebbende;

— hologniphisch, adj. elg. geheel ullge-scliroveri; eigenhandig geschreven; — holo-graphum, n. eene eigenhandig geschreven oorkonde, b. v. ecu eigenhandige laatste wil;

holokaustura, n. (gr. holókauslon) een brandoirer, dat geiieel veriirand wordt; — Ho-lomerianen (van lidlos, geheel, en méros, deel), die Splrituallstcn (z. aid.), welke beweren, dat de geest In eene rulmle, en wel in \'I geheel en in do bijzondere dceieu der ruimte bestaat; In tegenst. met de Nu 11 lb isle n;— hólometer, z. pa ulo me ter; — holo-photaal-reflector, m. (v. phós, bet licht in reftecltire, terugwerpen) gr.-lat. elg. een gc-hoellicht weerkaaiser, een door Slevensou vervaardigd voorrteellg verlichllngstoestel voor vuurtorens; — holosërisch, adj. geheel van zijde;

— holosericHus, a, urn, luij. lal. Hot. halfzyde-achtlg; lluweelharig; met eene, dlchle, korte, zachte en op het gevoel lluweolachtige baar-bedekklng; - holosidérisch, adj. geheel van yzer; — holostereobarometer, m. (v. hólos, geheel en sterecis, vast) z. v. a. aneroid ha ro me I er; - holosymphysis, f. (vgl. symphysis) Med. gebeele vergroeiing;

— holosymphytisch, adj. volledig vergroeid.

Holothurien, pl. gr. (sing, holottuïrïon) oen soort vap nnar wormen gelijkende straal-dleren, die In China en Japan als lekkernij gc-V1EIU1E iinuK.

geien worden, en gedroogd, onder den naam van tripang of t re pang (ook fr. hfrhe-ile-mer) een aanzieniyk handelsartikel voor China en Japan uitmaken.

Holotonie, f. gr. (van hólos, geiieel, en teinein, spannen, rekken; dus elg. gebeele spanning) Mod. de kramji, rechte tetanos; — ho-lotónisch, adj. krampachtig.

Holsatia, f. lal. naam voor lloistein.

Holwani-kïra, turk. dorpsbelasting in Egypte.

holy, adj. eng. (spr. Ari/i) heilig; — holy-day, (spr. dee) feestdag, vierdag.

Hom., hg rmluunvetensch. benamingen :ifk. Sir Everard Home (gest. 18:12).

Homagïum, n. mld.lat. (v. homo, man, d. 1. vazal, leenman), of hommage, f. (elg. m.) fr. (spr. omadzj\') de huldiging, leenpiichl; de eed der trouw; de eerbiedige onderdanigheid, eerbied; — homagiaal, adj. de huldiging be-treirende of daartoe behoorende.

Homalographisch, udj. z. p r o j e c 11 e.

Hombre (1\'), n. fr. (spr. lonbr, oorspr. sp. van hombre, een monscli, man) liet omberspel, omberen, een kaartspel, dat doorgaans gespeeld wordt tusschen 3 personen (l\'bombro a Irols) (spr. —Iroa), ook tusschen ai\'hombre ii deux), of i (I\'lioinbre a iguatre of quadrille, (spr. katlr\' of kadrielj\') eu 5personen (1\' h o m li r e a c I n (| of c 1 n q u 111 e (spr. —séii of séiikielj\')-, ook de elg. speler, die legen de andere speelt, heet l\'ombre, de omber, ombrisl.

Home, n. eng. (spr. hoorn) hel llmls, de woning, het geboorteland; — homeruier, m. eng. (s|ir. hóómroeler: van home, thuis, woonplaats en rule, regeeren) politieke party in Ierland, die naar zelfregeering (een eigen parlement) streeft; — home-eonsumption, f (spr. knnsumitsjUn) hulseiyk (ook binneni.) verbruik.

Homérus, m. de oudsle en bcroemdsle dichter der gr. oudheid (ook M»onides, naar zynen vader Mieon, gebeeten) de schryver der lilas en Odyssea; — inlérdum bonus dor-mil (tl Homerus, somwyien ilut ook de goede Homerus, d. 1. somlyds heeft ook 11. fouten; onelg. het beste paard struikelt wel eens, dwalen Is mensclieiyk; - Homeriden, m. pl. gr. (Uomèridai, van den sing. Ilomeridës) elg. afsiammeiingeii van Homerus, vervolgens eene familie van zangers op het eiland Chios, die de zangen van Homerus door overlevering voort-planllen of soortgeiyke liederen In gelijken geesl diehtten; ook diegenen, welke do homerische gedichlen voordroegen; daareniegen home-risten, navolgers van Homerus b. v. Virgl-llus enz.; — homerisch, adj. Homerus lie-trciïend, op hein gelykend, van hem afkomslig, enz.; Iioinerlsch gelach, daverend schaterlachen, onweerstaanbaar gelach (geiyk de goden by Homerus); —homeriseeren (spr. .?=«), dlcllteu in den trant van Homerus; - homo-riteit, f. het wezen van Homerus, de ka-raklerlsiieke eigemiardigiieid van Homerus;

31


-ocr page 594-

H O MOC ÉN T RISC H

578

H0M1CID1UM

homerocénto, in. Int. (v(?l. cento), oen uit verzen van Homerus siimeiiKelnpl Kcdlclit;

— homeromastix, m. gr. een scherp lie-ililler van Homerus, hijnaam van ilen grmnmn-tlcus /oïlos, door wieu Momerus op eene klein-geesttgo en boosaardige wyze werd gegispt; in \'t alg. een vinnig en smalend tieoordeelaar.

Homicidium, n. lat. (v. homo, menscli, en caeilere, nodcrhouvven, doodcn) de menschen-moord, moord, doodslag; — liomkidïum casuSle, een toevallige, onopzeUelUke doodslag, manslag; h. culpa sum, de doodslag uil unuchtzaamheld of verwiiarioozing; li. ilolusum, de arglistige moord; h. nccessanum, een noodzakeiyke doodslag, uit noodweer; It. volunlartum, een opzet-teiyke doodslag.

Homilie, f. gr. (homilia, elg. samenkomst, onderhoud) eene kanselvoordracht, eene korte preek over byhelplaatsen, liyhelverklarendo preek: — homiliarmm, n. uw. lat. eene verzameling van homlllën of preeken; — ho-miletika, homilotiek, f. de kansel-, redekunst, predikkunde;—homiletiCUS, een leeraar der kerkelyke welsprekendheid; ook een kanselredenaar; — homilêtisch, adj. wal lot predikkunde en den kansel helrokklng heeft, I), v. hom 11etische styi, kanselstyi.

Hommage, z. hoinaglum.

homo, lat. (genlt. homïnis, pi. homines): — ml hnmmem. lat. menschelyker wyze, naar do hyzondere denkwys, valiiaarheld en gesteldheid van een mensch; ud homtnem disputeeren, de tegenparty met hare eigen wapens heslrü-den; homines intelliQentiae, elg. »monschen van verslandquot; dweepzieke seete in de Nederlanden omstreeks 1112, geslicht door Aeghlius Oantor; homo alicni juris, lat. wie onder andere, Inz. vaderiyko macht, of als slaaf onder do macht van eenen heer staat; In tegensl. met: li. sul Juris, een onafhankeiyk, zelfslandlg mensch; — h. noeis, z. ond. novus-, h. omnïum horiïrum, een mensch van alle uren, d. i. die zich naar alles weet te schikken; li. pro/ioni/. Deus tlis-ponil, de mensch wikt, (lod heschikt, vgl. lager onder hom me; h. proprim, een eigen man, een lyfelgene; — h. sum, humiïni nihil a me aliiinm jtuto, ik hen een mensch en acht niets menscheiyks my vreemd (citaat uit Terentius); h. Irium HtlcrSrum, een mensch van drie letters, (1.1. Iron, een dief il\'tir): — homuneïo, homunciilus, m een menschje, nietig, ellendig mensch, venlje;

— homme, fr. (spr. fimm\') de mensch, de man;

— I\'homme propose. Dien dispose, de mensch wlkl, (lod heschikl, vgl. ond. h o mo; — homme a bonnes fort mes, z. ond. fori u n a; homme d\'affaires, m. fr. (spr. limin\' dnfir\') een zaakvoerder, zaakwaarnemer; liofmeesler In een huls;

homme de cour (spr. koer), een hoveling; homme do fortune, een gelukskind, forluiniyk mensch; homme de lettres, een geleerde, letterkundige; en wel zulk een, die zich voornameiyk niet de litteratuur en ile fraaie letteren hezighoudt; daarentegen: homme lettré, geletterd mau, lit-terarlsch ontwikkeld man: — homme de main (spr. -mén), een vastberaden, stout man; — homme d\'épée, een krygsman;

— homme de qualité (spr. ka—), een man van stand, een voornaam of aanzieaiyk man;

— homme de robe, een rechter, rechtsgeleerde, gelubberde; — l\'homme de Sedan, Napoleon 111; — I\'homme de Mek, Knzalne; — homme d\'esprit (spr. despri), een man van versland, van geesl; homme d\'état (spr. —deld), een slaalsmau; —homme du jour (spr. jjocr), man naar de mode; — homme du monde, man uit den hoogeren, althans beschaafden,fatsoenlijken stand; —homo anemoskópus, m. een door Ouerlcke uilgevonden werktuig, om de verandering In den dampkring aan te tonnen, een wetTmannelJe.

homoeéntrisch, adj. gr (v. homos, e, ón, geiyk, eenerlel) z. v. a. concentrisch (/,. aid.); — homocéntrum, n. hel gemeenschappelijke middelpunt homodroom, m. een hefboom, waarby macht en last aan éene zyde van hel steunpunt zyn, b. v. de vuurtang;

— homoëthnïe, f. (v. ethnos, volk) geiyke afstamming van hetzelfde volk, volks- of slain-geiijkheid; homogamïe, f. de geiyktydigo ontwikkeling der organen van helde geslachten;

homogeen, adj. geiykaardlg, verwant, van eenerlei naluur, In leder deel van dezelfde gesteldheid of vermenging het tegengest. van h e 1 e I\' ogee n; (loom. li o m ogen e g root li e-den, die grootheden, welke door een en do-zelfde eenheid gemeten worden; homogeniteit, f. de goiykaardlgheld; — homograaf, f. gr. oen door den Kranschman Hur-nier iillgovondon Instrument tot perspectief too-konen; — homogram, n. het goiykschrlfl, eenerlel, geiyksoorlig lelterschrifl; iets dat met gelyke letters geschreven is, al Is ook de uil-spraak verschillend; ook: Iets dat door gelyke lynon begrensd is; — homokarpisch, adj. geiykvruchtlg; — homologie, f. overeenstemming, luslemmlng; In do gr. kalb. kerk z. v. a. con fessio, kerkelyke goloofsboiydo-nls; — homoloog of homológisch, adj. overeonstoinmend, goiykluldond, geiyknamlg, Malh. op elkander vallend (homologo punten, tynen, enz).; Chem. in den vorm der samenstelling eene zekere overeonstemming vertoo-nondo; — homologeeren, barb.lat. geroch-toiyk goedkeuren, bekrachtigen; — homologatie (spr. t—ls), f. do gerechtoiyke bovosll-ging van eonig stuk; gorochtelljke toestemming of volmacht lol voltrokking eener handeling;

— homologumenon, n., pi. homolo-gumëna, algemeen voor echt gehouden sclirif-len des IS, Ts; — homomallisch, adj. Bot. eenzijdig, naar éene zyde gekeefd; — homo-mórph(iach), adj. van eenerlel gedaante;

— homoniem of homonymisch, adj. (van tiny mil, ónoma. naam) geiyknamlg; gelijkluidend (van woorden); dubbelzinnig; — homonymie, f. do geiyknamighold, de gelgke klank van woorden van verschillende hoteeke-


-ocr page 595-

HONNEUR

579

HOM (KON

nis; (Mik iluliliolziniiiK\'ticid; — homon^mon, ii., |il. homonyma en homoniemen,

KüHlkluldenüe woorden van vcrschlllcndo lictee-kisnls; — homophaag, /.. omopliaag; — homophoon of homophónisch, adj. (van phum, geluld) gelUkluidend; eenstominlg;

— homophome, f. de geiyke klank, overeenstemming (van twee of meer stommen in de imi/lrk) i — homophyllisch, adj. gelijklila-dlg; homoptëra, n. pi. gelUkvleugellgen, eene soort der lialfvleugeligcn of hemlptcra (z. aid ); — homotónisch, adj. gelükslem-mlg, samenstominend; Med, zlcli gelgklilUvend, met de zelfde kraeht of spanning voortdurend; homoöesie, t. gr. (v. oesïu, het wezen) de geiykheld of eenheid van wezen.

Homceon of homoion, m. gr. (hómoios, a, on, gelUkend) hel gelykende, geHjkvonnlge, de goiykenis; — homooobiotiek, f. gewaande kunst tot genezing door de In leder lichaam nog voorhanden gezonde levenskracht;

— homoeographio, f. gr. (van graiihein, sehrUven) een door Boyer te Nlmes uitgevonden handelwyze om oude teekenlngen en ilruk-ken snel en juist op steen over te hreagen en juist en zeker li^ vermenigvuldigen, de geiyk-sehryvlng; homcBomerïe, f (i. inéros, deel) de geiyksoortlgheld der deelen; de naar de meening der grlekselien wysgeers Anuxago-nis aan di\' massa\'s der afzonderlijke dingen ^e-lyksoortlge eerste bestanddeeleu daarvan; homoeopaath, m. (vgl. pathos, enz.) degene, die zieli In geiyken toestand of dezelfde stemming bevindl, geiykgezlnde, genoot, ami-Imuger dor homoiopathlsehe methode (z. oud.);

homooopathiG, f. Med. geiykiydcndheid of getyksoortig lyden of verhouding, gelyke meening; ook z.v.a. de homoeopathïsche methode (van Dr. Hahnemann,\', iiestaande In hel aanwenden van zulke middelen legen eene kwaal, die hy oenen gezonde julsl die kwaal zouden teweeg brengen, li. v. purgeermiddelen tegen hulkloop, enz.; homoeophóna, pl. (van phunv, geluid) («ram. overeenkomstig klinkende, of klankverwante woorden; homoe-ophonie, f. de klankverwantschap; ook z. v. a. homceophomka, f. eene verzameling van geiyk- en byna geiykluiilciide woorden; — homoeoprophëron, n. het aanvangen met dezelfde letlers van vele achtereenvolgende woorden: b. v. O Tile, luie. Tali libi lanla, lyranne, lulisli, homoeoptóton, n. overeenstemming van naamvalshulglng; homoe-osis, f. (gr. homoiusis) de gelykenis; het on-derwys door geiykenissen; — homoeotelou-ton, n., pl. homoeoteleuta gelyke of gelijkluidende woorduitgangen, rymwoorden; homcüotónisch, adj. in klank ..........Ie;

homoiöesie, f. (van oesia, het wezen) het naar elkander geiyken der wezens; onderscheiden van homooesio, f. de geiykheid der wezens; Homoioosianen, in. pl. In de kerkel. gesehledenis: aanhangers van de meening, dat Jezus niet van gelijk (Iwnwoesfosj, maar slechts van geiykvorinig wezen {fiomoioe-sfos) met (Jod is gewecsl.

Homophagie, f gr. Uomnphania, van homos, rauw, en phagein, eten) het rauw vleesch eten; —homophaag, m. een rauwvleesch-eter.

Homophonie, homotonisch, z. oud. bo m oce nt rise h.

homuncio, homunculus, zie oniler homo-, --homuncionisten, n. pl. aanhangers van l\'hotin, die .lezus voor niet meer dan mensch hielden; — homuncionieten, n. pl. eene secte, die geloofde, dat alleen hel liehaam van den mensch naar Gods beeld Is geschapen.

Hondsdagen, dagen van i\'i .lull lol i\'i Augustus (bij de («rieken opcira), zoo gehee-ten naar de hondsster of Shins, die dan te geiyk mei de zon opkomt (cosmische opgang).

honeslissfmus, lal. (superi. van honéstus, n, um, eerbaar, achlenswaard) hoogst achtbare, (als illei); — honéstus, f de eerbaarheid, achl-bnarheid, waardigheid ; honeslus publico, de openbare eerwaardigheid, do goede naam; — hónest Juqo, eng. »de eerlijke .lagoquot; Ironisch gezegde van Shakespeare van een liooswlchl; ook in dien zin In het algemeen gebruikt; honosteeren (lal. honesldre), eeren, vereeren, mei aanzien bekleeden; honestine, f. In kloosters: hel voorschool.

Hongri, pl. oud-il. Hongaren, noemde men alle dukaten, die niel in llalit! geslagen waren; hongroise, f. fr. (spr. onf/rod?\'; eig. f. van honnrois, liongaarseb) een hongaarsebe dans.

Hong, n. ebln. bet geld der kooplieden, welke met vreemdelingen handel dry ven; — Hongs of Hongkooplieden, m. pl. d. i. zekerheldskooplieden, zulke Chlneezen te Canton, welke met vreemdelingen zaken doen.

Honk, m. skand. haak.

honnét, adj fr. {lionnMe, oudfr. honestc, van \'I lat. honéslus, a, um) eeriyk, rechtschapen, eerbaar, welvoeiriyk, hesehelden, gescblkl, zedig; bolleiyk, beleefd; dienstvaardig, welwillend, goedig, biliyk, redeiyk; honnête homme, m. (spr. onnifl nmm\') een eeriyk, rechtschapen, braaf man; honnoteté, f. (spr. on ) de eeriykheld, eerbaarheid, welvoeg-lykheld, reebtsehapenheid; iieleefdheid, hof-feiykheid, gediensligheid.

Honneur, m. fr. (spr. on—, van \'I lat. honor) de eer; hoogachling; de honnoura, pl. de eerbewyzingen, h. v. de honneurs w a a r n e m e n, de behooriyke eer hewyzen (b. v. aan zyne gaslen), hen verwelkomen, onlhalen, voordienen, onderhouden, begeleiden, enz.; de eer des huizes ophouden; In \'1 kaartspel: de op elkander volgende hoogste troeven; /inr honneur, eershalve;- affaire d\'honneur, z. onder affaire; légion (spr. lézjiuii) d\'honneur, legioen van eer (eene fr. ridderorde) ; - point d\'honneur, z. p o i n i.

reparation (spr. l=ls) d\'honnonr, eerherslelllng; honneur et patrio, »eer


-ocr page 596-

HON NI

580

HORA

en vuderlandquot;, hel devies van hel legioen van eer.

honni soil qui mnl y pense, fr. (spr. onisod hi malipans\'; hel oud fr. honny, gehoond, he-schimpt, van honnir, hoonen, provenc. aitnir. It. onire, stamt van het dnltsche AoAn, hoon, hohnen, hoonen, oudhoogd. hdnjan, goth. Imun-jan) gehoond, getrotseerd zg hy, die er wat kwaads van denkt I wie erg denkt, vaart erg In het hart (devies der door Ëduard III van Engeland In 1:130 gestichte orde van den blauwen ko use hand, nadat hij met die woorden don kousehand, die aan eene schoone danseres was ontvallen, had opgeraapt).

honor of honos, m. lal, (pl. honöres) eero-posl, aanzien, enz.; honos habet onus, sprw. eer hoeft last, een hooge staat brengt zUno bezwaren mede; — honoris causa, eershalvc; ad honórem, ter cere, eershalve; ad honöres, volgons den rang of do waardigheid; in honu-rem, ter core; — honiires mutant mores, spw. waardiglieden of eereposten veranderen de gebruiken, hel gedrag; andere stand, andore zeden; honor di littcra, oud-lt. Kmt, voreorlng van den wissoihrief, zyno aannoming tot betalen; vandaar honor-dagen, z, v, a. respijt dagen (z, aid,); — acceptatie per honor, aanneming der beiaiing (eens wissels) ter ooro des trekkers, d, I. om zijn eerlijken naam te redden; — honoraat, m. (honora-tus) oen geleerde, met een oeropost bekioedo, een gehonoreerde; inz, opper-ordesgeesleiyke; z, ook onder bono rant; honorant, m, iemand die een wissel per honor (/,, boven) accepteert (1 ntervonion 1); tcrwyi hij te wier eer en voor wiens rekening hij ac-coptcort de honoraat heel; — honorarium, lat., of honoraire, fr. n, hel eere-loon, de eeregift, vereering of vergoeding, schrijvers- of auleursioon, betaling der geaoesiieoren, leenneosiers, schrijvers, enz, voor hunne diensten;—honorarïus, lat,, honoraire, fr, m, wie slechts den lilei van een ambt heeft zonder hezoldiging en zonder dionslplichten; — honorair-lid, oerelid, lid van eer; ho-noreeren, lat, (honorSre) eeren, iioogscbat-ten. In cere houden; ook iielaien (wissels, enz,); beioonen, het eereloon geven; Mar. eene klip, eene kaap vermijden; — oenen wissel bono ree ren, hem Inlossen, aannemen en daarop betalen; —honorabel, adj, eerwaardig, eervol, oerbaar, loileiyk, aanzienlijk, defilg, prachtig; — honorant, m. die eenen wissel voor rekening eens anderen annnoemi; — hono-ratióren (spr. Ii=tsi), pi, [honorutióres, comp, van honoruti, de geeerden) de nolabeien, de voorname of aanzienlijke personen eener plaats, menschen uil hoogere sianden; — honoratie (spr, tie=tsie), f. vereering; aanneming en In-losslag eens wissels; — honorifiee (adv, v, honoriftcus, a, um, eervol) op eervolle wijze, roemvol; — Honorms,en Honoria, mans-en vr, naam; de eervolle, geeerdc; honourable, adj, eng, (spr, ónnerabl\') z, v, a, honorabel, inz. als Hiel; edel, gevv, afgek, Hon.

honteux, fr, (spr, hoiiteui v, la honte, de schaamlo, schande, it, onla, provone, anto, onta, van \'I oudd, hónida, hAna, schande, hoon) beschaamd, schaamachtig, verlegen, bloode; schandelUk, onbelameiyk; — portie honteuse, schaamdoeicn, deeion die de schaamlo gebiedt te verbergen,

Honved, m,, pl, Honveds, hong, (v, hon, vaderland en red, bescherming, verdediging) vaderiandsvcrdedlgers, volksmilitie, landweer, in tegenstelling met de voor soldij aangeworven soldaten, in den hong, volksoorlog van ISi8 en ISil),

Hook, m. eng, (spr, hoek) haak.

Hook. fll. of J. Hook., hij nalnurwe-tenscii. benamingen afk, voor J, D, Hooker, directeur van den plantentuin te Kew,

Hookah, hooka, f, eng, (spr, hoeka-, dultsch huka, f,, hitidosi, hoekkuh, eene taliaks-pilp, van 1 perz,-arah, hoekkah, eene kleine ronde doos, ook eene ilesch, door welke de tabaksrook gaat) eene oostlmlische ial)akspyp met zeer lang elastiek roer, waarin de rook door eene Ilesch met water gaat.

Hooker, m, eng, (spr, hóéker: v. nederi, lioe ker, eig, vaartuig dat men hookwant vischt) hollandscb breed en plat, van aebteren rond vaartuig met twee masten, z, hoeker.

Hoornist, in. (nederi. met liasiaarduil-gang), een hoornblazer.

Hop., hij naluurwetenscli, benamingen afk. voor I), II, Hoppe (gest, IK\'iB).

Hope, f, eng, (spr. hoop) de hoop-, forlorn hope, oudtyds z, v, a, enfants perdus (z, aid,).

Hopletiek, hopletika, f. gr, (van hóplon, gereedschap, wapen) de wapen- of wa-peningsieer; — hopliet, m, gr. (hoplitês) een geharnast, zwaar gewapend strijder te voet; — hoplochrisma, n, wapenzalf, waarmede men naar een oud bygeloof de wapens iieslrcck, om de daarmede toegebrachte wondon Ie heelen; — hoplomachus, m. een goharnast slry-der; - hoplomachie, f. de kamp In volle wapenrusting;- hoplomochlion, n. ieder beelkiinstlg werktuig, dal op het ganscbe lichaam kan aangewend worden; —hoplotheek, f. wapenkamer.

Hóploraeter, in. gr. (v. hoplë, hoef) de hoefmaal, hoefmetor, toestel uitgevonden door den fr. veearts Klquot, om den paardenhoef te melen, len einde daarnaar een julsi passend beslag Ie maken; — hoplemetrïe, f, de hoefmeiing, de maatneming lol hel hoefbeslag, Hopp. z, v, a. Hop. Hóppelpoppel, n, rass, een drank uil rum, eidooier en suiker met thee of beet water. Hopperboy. m, eng, (dg, luippeljoogon, v, hopper, huppelaar en boy, jongen) een zicli draaiende hark, die bei te malen koren omkeert om het af te koelen,

Hoqueton, n. fr. (spr, /inWtVriw) de amhis-rok der poiitle-dienaars; een gerechtsdienaar, hora, f. lal, (ook gr, hora, dat echter oorspr.


-ocr page 597-

HORDA

581

HORS

het JaiU(?et(j(lc betcekcnl) hot uur; hora locóque consuêto, iifnek, II. I,. Q. G. op den Kowonon tijd en aim do gobrulkolUko pliiuts (op unlvcr-sltottusinplakblljettcn en In golegonlieldssclirif-ton); — hora ruil, de tüd snelt hoen; —Aorae, pi. zln((- en biduren, uurgozangen of uurgobo-don in de kloosters; vandaar horas zingen;

— horae canontme ot kanonische horen, ook h. reuulares, voorgosehrevon biduren, uiir-gehoden of gezangen, de tol afzingen bepaalde uren in kloosters, enz., weleer daggetijden go-heeten, waarvan er 1 waren; do motte (te middernacht), de prima, de lertia, do soxta, de no nu, de vesper en de complete; — horis subsecivis, in de bUuron; —horarim, u, urn, adj. lat. op de uren betrekking hebhendo;

— annul us horarius, uurring; — Horen, f. pl. gr. [Ilorai, lal. Ilorae) Mylli. do TUdgodln-non, Uurgeleidsters, drie godinnon der Jaar- en daggetyden of dor tydwisselingen in \'t algemeen, ook van orde on regelmaiil, van bet schoono on bom nnenswaardigo; zü z(|n dochters van Ze us en Themis (z. aid.).

Horda. ook orta, f. eeno afdeellng turksch voetvolk, Inz. tilj de voormalige .1 anitzaron.

Horde, f. lat. (mid.lat. horda) eone menigte nomadlsclio tataarsche familliin, een zwervend herdersleger; —ook nod.; een vlechtwerk van teenen of ryshout.

Hordëum, n. lat. do gorst; — hor-deaeeën, f. pl. lat. (hordeuctae) gerstachtige gewassen, eeno soort van grasplanten; — hordeolum, n. (verklw. v. hordëum) Mod. de gerstekorrol aan liet oog.

Horebioten, m. pl. eené party der Hussieten, zoo goheeten naar hare vorgadorplaats, eenen berg in Hohemen, dien zij naar den arab. berg Mo rob (eig. cMreb) noemden.

Horen, |ii. z. ond. hora.

Horismos, m. gr. (/lommds, v. huridzein, begrenzen, héros, grens) de begrenzing, inz. van een begrip, begripsbepaling, z. v. a. definitie;

— horismographie, f. do grensiieschryving van eon land; — horizon, in. (hnridzun, begrenzend) oen begrensde omvang, gezichtskring, gezichtseindor, kim; de begrenzing, heperking. »Dat is of gaat boven z y n horizon,quot; boven zyne bevatting, zijn begrip; horizontaal, adj. (horizonlalis) nw.lat. waterpas; hori-zontale-projoctie,z. projectie; - ho-rizontalo-balans, de waterbalans, het waterpas, een werktuig om eeno waterpasiyn of -vlakte te meten; - horizontaliteit, het waterpas liggen.

Horloge, z. ond. ho rod let.

Horme, f. gr. {hormi) de natunriyke aandrift, het Instinct; de dryfveor, beweegreden;

— hormon, n. het inwonend vermogen, de levenskroclit.

Hormiga, f. sp. mier.

Hornpipe, f. eng. (sp. hórnpaiii) de iloe-delzak, hornopyp; inz. in het prinsdom Wallis, daarnaar ook een matrozendans.

Hornsch., hy natuurwelenschappciyke benamingen afk. voort;. F. Hornschucli(gesl. IS50).

Horodict, m. gr. (vgl. hora) een nurwy-zor, horodicttum meridionale, n. een werktuig om den waren In middelliaren tyd, en omge-koerd, over te brengen; — horographie en horologiographïe, f. de uurlieschryving, de kunst om zonnowyzers te maken, z. gno-monlek;— horologium, u. lat. (v. \'t gr. horolriftion), horologe of (volgens de uilspraak horloge n. (spr. ft=zj) een nurwyzer; oen zakuurwerk; In de gr. kerk oea bock, waaruit men dageiyks de kanonische horen zingt; — horológen, pi. uitroepers der uren (slaven In de oudheid); — hórometer, ni. een uurmeter; — horometrie, f. de uurmotlng, de kunst der uurindeellng; — horoskoop, in. (gr. horoskópos) een uurwaarnemer, planeetlezer, voorspeller van iemands tot uit den stand des sterrenhemels tydens zyn geboorteuur; — horoskoop, n. verk. van horoskopium (gr. horoskorèion) de unraanwyzer of tafel der dag- en nachtlengten voor alle plaatsen en alle tyden; het punt der okliptlku, dat by de geboorte van een monsch in den horizon opgaat; ook z. v. a. horoskopie; — zyn horos-koop t r o k k e n, zich uit dien sterronstund laten waarzeggen, zyne planeet lichten; — ho-roskopre, f. het waarzeggen uit den sterren-stand, planoetlezon, vgl. nattvltelt.

Horóptor, m. gr. (v. hóros, grens, dool, en Older, de beschouwer, kyker, van óplein, beschouwen, zien) het oogdoel, het vluk, waarin alle by bepaalden oogstand enkelvoudig (niet dubbel) geziene punten liggen.

horror, m. lal. (v. horrcre, sidderen, yzen, verschrikken) de huivering, rilling; schrik, onl-zettlng, afschuw; horror mcü), m. Phys. de afkeer van bet ledige, dien men eertyds der natuur toeschreef, om daardoor vele verschyn-selen, li. v. het opstygen van het water In do pompen, te verklaren; — horreur, f. fr. (spr. oir—) de ontzetting, afschuw, yzing, het afgryzon; do afscluiwoiykheid, gruwel; horreurs, pl. afsciinweiykhedon, gruwelen; — horribel, lal. (horrihilis, e), en horrén-disch [horréndus, a, urn), adj. ontzottend, af-schuweiyk, yseiyk, vreeseiyk, vcrvaariyk; hor-riblle diclu, verschrikkeiyk om ie zeggen; hor-ribtU\' vim, verschr. om to zien; — horribi-liteit, f. verschrikkeiykiieid, yseiykheid; afsciin-weiykheid; — horresceoren (lat. horrescire), huiveren; verfoeien, een afgrUzen liehbon; Aor-resco reforms, lal. ik ys alleen by de gedachto daaraan; — horrïdus, adj. verstyvend, ruw; wild, akelig, vreoseiyk; Hot. zeer ruw, van styve stekels of doorns voorzien; - horridi-teit, f. nw.lat., de ruwheid, wildheid, schrik-kolUkhoid, enz.; — horripilatie (spr. t=ts), f. nw.lat. Med. koorlsaclitige huivering.

hors, fr. (spr. hor-, oudfr. fura, provenc. (ors, fóras, v. \'I lat. foris, daar buiten, foras, eruit) hulton; behalve. Hitgenomen; hors de combat (spr. hór dc konbd), builen gevecht, niet In staat om te stryden; hors de la loi {spr.—lod),


-ocr page 598-

HOHSE

582

HOT

hultcn ilc wol, vORelvrU; hors de saison (spr.

— sèzoti) ton onpas; z. ook onder Ronro; — hors d\'oeuvre (spr. —ileuwr\'), oon liijwci k, Iels oiitbcerHiks, overtolligs; ook oen bygorecht, dal mol de soep wordl opfjoillsclit.

Horse, n. erift. (spr. hors\') paard; — horsoguard, f. garde Ie paard; —horseman, m. (spr —men ruller; — horsemanship, I. (spr. —sjip) rykunsl, het rUden; — horse-steak, fr. (spr. {—stek) paardeblef-slnk; — horseway, m. (spr. —ome) piiar-denweg (legensl. met voetpad).

Horsf., hg naluurwetensch. benamingen alk. voor T. Horslleld (gosl. 185«),

Hort., hg plantennamen a(k. voor hortorum, der lulnen of voor hnrtutunorum, der tuiniers, hetwelk beteekent dal de naam der plaid of de bedoelde variëteit In de tuinen ontslaan of door tuiniers Is vastgesteld.

Hortamen, hortatie (spr. lie=tsie), ■/.. oud. borteeren.

Hortensia, f. nw.lat. (van hortus, tuin) vr.naum: de tuinierster, lulnvrlondln; Bol. de Japanscbe roos, een bekend uit China en Japan afkomstig proakgewas (zoo genoemd naar de In nsi gest. sterrenkundige llortense Lapeautc);

— horticultuur, f. de luinbouw, tuinier-kunst, luinderg; horticulturist, m. een tuinbouwer, tuinier; hortoloog, m. lat.-gr., een tuinkundige, tuinvriend, Inz. blocmen-pianter ; hortologie, f. de tuinboiiwkunde;

hortológisch, adj. tuinbouwkundig; — hortus siccus, m. lat., eig. een droge tuin, een kruidenboek; —hortulanus, in. lat. tuinier, tulnopzlener.

horteeren, lat. {hort/lri), vermanen; — hortamen, n., pi. hortamina, vermen-gingsiniddeien, opwekkende, aansporende middelen; — hortiïtie (spr. He=tsie), f. (lat. hnrtafio) f. de vermaning; — hortatief, lat. (Iwrlahvus, a, urn) of hortatörisch, adj. nw.iat., vermanend, opwekkend, tot vermaning dienende.

Hortus, enz. z. onder li o r I e n s ï a.

Horus of Or, m. een ligypl. god, zoon van Osiris en Isis, afgebeeld met een sperwer-hoofd; hij sleil de zon in hare volle zomer-kraelit voor, en werd door de Grieken met Apollo gelijkgesteld (hierogiyphiscb Hor, Har of Her, waarscb. licht beteekenend).

hos, arab. een middel om viscb Ie hedwel-inen, len einde ze geinakkeigk Ie vangen, nok sebr so mek gebeeten.

Hoseas, of Hosêa, bebr. {hdschea, redding, iiuip) mansn., een der zoogen. kleine profeten van \'t O. T.

hosianna, gew. hosanna, bebr.. Meer, help hem! hy leve! eene begroeting gelük het v 1 v a I! hoezee!

Hospes, m. lat. (pl. hospites) In \'I algemeen een vreemdeling; een gast, gastvriend, huisvriend; waard, gaslbeer; pro hosplle, ais gast; — hospice, lager hospitia m; — hospitaal, adj. (lat. hospitalis, e), gastvry.

herbergzaam ; — bel hospitaal, een huls van verpleging, ziekenhuis, gasihuis, lazaret; — hospitaal-koorts, eene kwaadaardige koorts, die gein. in groote ziekenhuizen ontstaat, ook lazarethkooris gebeeten; — hospi-talarius, m. nw.iai., opziebler over een ar-inen- of ziekenhuis; - Hospitaal-ridders, Hospitalieten, do barmhartige broeders, eene orde van goesteiyke ridders, mei en naasl de Tempeliers de macbtlgste geesteiyken In Palestina ten tydo der kruistochten, zoo gebeeten naar de verpleging der zieken, welke zg zich lot taak stelden; — hospitaliet, m. een gaslhuisvcrpicegde, bospilaalzleke; — hos-pitalière, f. fr. in rrankryk; vondeling;

— hospitaliteit, f. lat. {hospitdlltas) gasl-vryiield, berhergzaamheld; hospiteeren (lat. hospituri\'1, gast zUn, by iemand zijn intrek nemen, ie gast gaan; als vreemdeling of gast Iets bijwonen (b. v. voorlezingen); — hos-pitant, m. {hospftans) een iioorgasi, toehoorder door vergunning, liij voorlezingen. Iemand die een les of voorlezing een enkel maal bgwoonl;

— hospiticida, m. een gaslmoorder, iemand, die z.ynen gast vermoordt; — hospitium, of fr. hospice (spr. ospiés\'), n. de herberg, vorbiUfpiaals; Inz. een klein klooster of ordeshuis int berherging van doorroizenden; een drinkgelag der studenten; hospitium publicum, z. v. a. proxenle (z. aid.).

Hospodiir, m. siav. (oudslav. en russ. gosiloparj: vgl. despoot) Meer, een titel der vorsten in IMoidavii! en Wallachye; hos-podoraat, n. diens waardigheid en land.

Host., hg natunrwetenscbappeiyke benamingen afk. voor N. T. Most (gest. IS3i).

Hostagium, n. mld.lat. (van hostis, fr. hóle voor hospes), z. v. a. csinlonnemonl.

Hostenditium, n. mld.lat. (van hostis, voor leger, veidlorht) nok de hostendienst, de door de vazallen aan den leenheer toegebrachte hulp in geld lol bestryding der oorlogskosten.

Hosteria, f. sp., osteria, 11. (v. \'i mld.lat. hostis, provene. hoste, it. oste, gasi, waard, lal. hospes, iierberg, een spysbuis, eethuis, open tafel.

Hóstie, f. lal. [hos(fa) elg. tiet offerdier, slachtolTer; liet avondmaalsbrood, in de r. katli. kerk: de h. ouwel, het hoogwaardige,z. oblaat;

— hostianus, m. z. v. a. osllarlus.

hostiél, adj. lat. (hoshtis, e-, van hostis,

vgand, oorspr. vreemde, vreemdeling), als adv. hostilïtcr, vgandeiyk, vyandig; ~ hoshli animo, vgaadlg gezind; - hostiliteit, f. vyandig-held, vyandoiykhcld; — hostilitium (spr ti=tsi), n. mid.ial., de oorlogsopbrengslen.

hot, adj. eng. heet; — hot-cockles, pi. eng. (eig. heele jonge banen) handjeplak, een eng. nialrozenspel (fr. main-chaude): — hotflue, in. eng. (spr. —jljoe; v. hot, heet en flue, schoorsteenpyp, rookvang) een uit heele hulzen samengesteld droogtoestol voor tijne katoenen stollen (mousseline); — hot-house, n. (spr. hnus) warme pianlenkas.


-ocr page 599-

HOTEL

583

HULK

HÓ tol, n, fr. (spr. nlél, v. \'I ouilfr. hostel, provonc. hostal, ostal, vim \'I mld.lul. hospilate, hospitalis, KiislvrU vorlilijf, (.\'hsIwoiiIiik, paleis; vul. liospltuiil on hospeg) eonc Kioolo vuor-namo liorhorg, mmzloniyk logMncnl; oon palols, Kiool woonhuis, hccronhuls; — HÓtel-Dieu (spr. —iljeu), elg. con Gods-gasthuis; oen groot ziekenhuis of hospitunl Ie Pargs; — hÓtel de ville, f. (spr. —ilwiett\'), hel slml of riuulhuis; hotel nurni, z. garni oiulor gimioeron; — hötelier, in. (spr. oteljé) de wmird; — hö-telière, r. de waardin; — hótellerie, f. de herherg, hel logemonl.

Hotflue, z. onder hol.

Hotspur, m. eng. heetspoor, oorspr. do iiUnaam van den uil Sliakespoai\'o\'s Hendrik IV hekenden drifligen Henry Percy, in liet algemeen; een heethoofd, een driflkop.

Hóttontotten, m. pi. in hunne eigen laai {Quaqua) Inhoorllngen van Afrlka\'s zuidpunt; oneig. ruwe, onheschaafde, domme mensehen; — hottentotade, f. een holtentot-tenlled.

Höttr, in. skanil. hoed.

Houari en houri, n (spr. hoe—) oon open vaartuig met twee masten en hooge, driehoekige sprietzeilen, inz. in Frankryk.

Houlo, f. fr. (spr. hoef) deining van het (zee)waler.

Hound, m. eng. Jachthond; h. v. slag-ii o u n d, hond voor de herlenjaehl; fox h o u n d, hond voor de vossenjaehl.

Hour, f. eng. (spr. our) uur.

Houri (spr. hoeri), pi. Houris, arah. (elg. perz., van \'I arah. hoer, pl. van ahwar, gazei-lenoogig, schoonooglg) verhllndend hlanke para-dysmaagden, de verrukkelijk schoone, altyd jeugdige vrouwen, gezellinnen der zaligen in IMoha-meds paradys; oneig. eeno schoone, aanminnige vrouw of maagd.

House, ii. eng. (spr. hous) huis; — house of detention (spr. diténsjun), huis van arrest;— house of commons, n. eng. het huis der gemeenten, het lagerhuis, de engelsche 2e kamer;—/i. of lords of peers (spr. —piers), het huis der lords, hel hoogerhuls in Engeland, de engelsche le kamer; — house-breaking, f. (spr. (W=ce) Inhraak van dieven -, — household, n. (spr. hoold) Imishoudlng, familie, gezin ; — householder, m. huisvader, iemand, die een eigen haard heeft; — household-suffrage, ii. (spr. suffridzj) siemrecht der huisvaders, huismnnsslemrechl.

Houssard, f. fr. (spr. hoessdr), z. huzaar; — houssarde, hussarde, f. een hongaarsche dans.

Housse, f. fr. (spr. hoes\') dekkleed van paarden; overtrek van meuhelen (stoelen, ka-napoe\'s) enz.; — housse de carrosse, overtrek van oen koets.

Houwitser, z. hauwitzer.

Howadji, m. In ligyple; ecu vreemdeling.

Hpp., hy natuurwetcnsch. houamlngeu afk. voor I). II. Hoppe (gesl. 18i#).

Hrtg., hy natuurwelenseh. henamlngon afk. voor Th. Hartig (gesl. issii).

Hst., hy iialuurwetcnscli. henamlngen afk voor ,1. F. W. Ilerhst (gesl. Ikiiquot;).

Huaca, f., pl. huacas, de grafsteden der oorspr. howouers van Peru, vierhoekige gehouwen van steen of aarde, waarin de overledenen in zlilende houding werden hijgezel.

Huaco, g u a e o; — huano, z. g u a n o.

Hubert, Huibert, Hügibert, of uw. lal. Hubértus, oudd. mansn. (oudd. //«(;«-bert, lludi bert, van hw/u, huni, geest, goth. hup, verstand; vgl. Iterlha); de door zyuen geest heroemde of schitterende; de heilige Hu-herliis, heschermer of patroon der jagers; de Huberts-orde, eene ridderorde ter eere van de jaciii geslielit; Hubertine, Huberta, vr.naani: de door versland heroemde.

Hucker, hukor, m. heogd. (siir. hoe—) hoeker; vgl. hooker en hoeker.

Huds., afk. voor VV. Hudson (gesl. I7!K1

Hueb., afk. voor J. Huehner (gesl. 1K2«).

Huëba, Uiba, Uëba, f. eene vruchl-maal in Tunis = :tl lol 37 liter.

Huérta, f., pl. huertas, sp. (v. i lat. hortus) elg. een tuin; kunstig hesproeide lan-deryen in /.. Spanje.

HUg., hij naluurwetenscli. henandngen afk. voor K. A. A. von HUgei (gesl. 1870).

Hugenoten, m pl. (fr. huuumols) een voormalige spotnaam der Gereformeerden in frankrijk (elg. een verklw. van lluijon, lluiin, en oorspr. de eigennaam van oenen ketter en samenzweerder; v. a. is het woord uil idf/nohs [iduenols, iipwls, egnots, eugenots] d. 1. eedge-noolen, zooals de gereformeerden le (ieuève zich zeiven noemden, omdnt zij tol hel zwilsersch eedgenoolscliap hehoorden, tengevolge waarvan men in Krankryk gereformeerden en eed-genooten voor woorden van dezelfde lieiee-kenis hield); —hugenotïsme, u. de godsdienst der lliigenolen.

Hugo, Huig, oudd. mansn.: verklw. van Huhert, Hugiherl (z. aid.)

Huile, f. fr. (spr. uïel) olie; n t\'huite, in olie h. v. sardines a I\'huilc, sardynen in olie; ook de naam van oliedikke, gekleurde likeur h. v. huile d\'anisette.

Huissier, m. fr. (spr. wicsjé, uit het lal. ostiarius, mid.iat. usliarius, 11. usciere, van \'I oudfr. huis, provenc. uis, us, it. useio, lal ostium, deur) een deurwacliler; gereclilshode en-sclii\'U-ver, deurwaarder.

hujiis, sell, mensis, afgek. huj., lat. (genlt. van hie, haec, hoe, deze, enz.) van deze of van dezelfde, dezer (n.l. maand); huj us unni, dezes jams; huj us loci, dezer plaats.

Huka, z. hooka.

Hlllda, Ho Ida, dullschc vr.naani (ouil-hoogd. Hol da, van hold, goth. hulths, liefeiyk, hovallig); de liefelijke, door zachle hekooriykheid hloelende; de jaclitgodin hy de oude Diiilscliers.

Hulk, f. eng. (oudhoogd. holcho, verwant met hel gr. hol kas, een wacltlschip) de scheeps-


-ocr page 600-

HUMAAN

584

HUMUS

romp; ook ccne soorl van vrachtschip; Inz. een onllakold schip tol opneming van misdadigers.

humaan, adj. lal. {humanus, a, urn, van homo, monscli) mcnscheiyk, menschllevcml, vrien-di\'lijk, gedienstig, goedwillig; — humaniora, n. pi., liever humaniteitsstudiën, of humanistische studiën, r. pi. de schoonc kunsten on wetenschappen, dlc den mensch tot menscli vormen; Inz. de oude zoogen. klassieke talen en de oudgr. en lat. litteratuur en oudheidkunde; taal- of schoolgeleerdheid; vandaar het humanisme, nw. lat., het stelsel van opvoeding en onderricht, dat de hoogere mensch-vormtng liij voorkeur op de aanleerlng der oude talen en hare letterkunde houwt, In tegenst. met phi I a nt ropl nlsme (z. aid.); —humanist, m. een laai- of schoolgeleerde, die de humaniora beoefent en onderwijst, vgl. p hl lol oog; — humaniseeren (spr. s=z), barh.lat. (fr. tm-maniser) mensclieiyk, beschaafd maken, veredelen ; — humaniseering, f de vermonscho-lUklng, beschaving; — humanitarisme, n. fr. {humanitarisme, v. humanitaire, hel gezellig verkeer in z.yn Inrichtingen betreffende) do inwendige inrichting en regeling der menscbeiyko samenleving, eene sedert is:i!i ontwikkelde communistische richting; — humanitair, adj. op humaniteit, op Immanltarlsine betrekking hebbende; — humaniteit, f. lal. {humanftas) de monschheld, het menschdom, de edele men-schennaluur en de daarop berustende nienscben-waardo; menscbeiykheld, menschllevendheld; menschenllefde, vriendeiykheld, goedheid, het mcnscheiyk gevoel, de eigen aard der menseben.

Humatie (spr. l=ts), f. lat. {humaffo, v. humare, beaarden, v. humus, aarde, aardbodem) de beaardlng; — humble, fr. (spr. uihhf van I lat. humt lus, en dit v. humus, aardbodem) laag, gering; bescheiden, nederig, deemoedig, onderdanig.

Humb., by naluurwetensch. benamingen afk. voor A. von Humboldt (gest. 18511).

Humbug, m. eng. een vooral In N. Amerika gebrulkelük woord voor bedrog, misleiding door verdlchllng, bedrog en leugen In een eerbaar kleed, grootsprekery, snorkery (zoo men wil ontstaan alt samentrokking van IInine nf the bog, d. 1. Hume van \'1 moeras, naam van een schotschen edelman tegen \'I einde der 17de eeuw, dlo wegens zyne snoeveryen zoo berucht was. dal men oen lang snorkend gesnap een Hume of the bon noemde; oorspr. stellig een persoon, die misleidt, maar boter van/mm, gonzen, onelg. bedriegen en bun, meikever, spook, boeman).

humocteeren, lat. {humertare, van hu-mectus, vochtig, hum6re, vochtig zyn) bevochtigen; — humectantfa (spr. Ii=tsi), n. pl. Med. bevochtigende geneesmiddelen; — hu-mectatie (spr. (ie—tsie), f. de bevochtiging, natmaking; — humectief, adj. bevochllgend.

humoraal, adj. nw. lal. (van \'I lat. hu-mürus, schouder) den schouder betreirende of daarloo behooronde; — humerale, n. de schouderdoek onder het misgewaad der r. kath. priesters.

Humeur, f. fr. (spr. «meur.- elg. vochtigheid, van \'1 lat. humor: vgl. humor) de gemoedsgesteldheid, -stemming. Inborst, aard, opgeruimdheid, luim, goede luim, b. v. In z ij n humeur zyn; soms ook kwade luim, b. v. die k n aap t o o ti t z y n humour; — bonne humeur (spr. bonnuméur), goede luim; mauvaise humeur (spr. mouiézumeur) kwade luim.

Humicubatie, f. ■/.. onder humus.

humide, adj. fr. (lat. hum/dus, a, urn) vochtig, nat, waterig; — humiditeit, f. de vochtigheid, het vocht, nat.

humifusus, a, urn, lat. Bol. nedergostrekl.

humiliëeren, lat. {humUiare, v. humtlis, e, nederig; vgl. humble] vernederen, verootmoedigen, beschamen; — humiliant, adj. vernederend, verootmoedigend; gevoelig, spytlg; — humiliatie (spr. t=ts), f. {humilialïo) de onderwerping, vernedering, verootmoediging, beschaming; — humilis, lal. Bot. laag; — hu-militeit, f. (lat. humilttas] nederigheid, ootmoed.

Humine, enz., z. onder humus.

Humör, m. lat. 1) de vochtigheid, het vocht, nat; — /i«mor aquëus (nw.lat.), hel waterig vocht, en humor vilrüus, het glasachtig vocht In het oog; humor laarymutis, het tra-nonvocbl; humöres peccanles, pl. zlekeiyke sappen; i) (11. umnre, eng. humor, spr. jóémur, v, lat. humor, vochligiioid; de vroegere artsen leidden nameiyk uit de vermenging der voeh-llge en droge elementen in bet lichaam den toestand van liet llchameiyk en geesieiyk welbevinden af, en zoo kreeg het woord humor dc beteekenls van slem m i n g, goede of slechte luim, en/..) schertsende, vrooiyke luim; luimige, zonderlinge wyze van beschouwing en voorstelling, waarin ernst en scherts, vrooiykheid en weemoed met elkander zyn gemengd, berustende op eene hüzondere geestgesteldheid en wereldbeschouwing; — humoraal systeem, n. of humorale pathologie, f. hel geneeskundig stelsel, de ziektekunde, waarin men de oorzaken van alle ziekten In dc vochten zoekt (in legenst. met solidaire pathologie); — humorale pathologen, m. pl. artsen, die deze leer aanhangen; — humoreske, f luimig geschreven vertelling of vertoog; — humorist, m. een luimig schertsende, een luimig schryver, iemand, die hel midden houdt tusschen den komicus en satyncus; ook een aanhanger van het humoraal systeem (z. boven); — humoristisch, adj. luimig (grillig), welgeluimd; humor hebben; —humo-riseeren (spr. s—t), met luimigheid (humor) schryven en voorstellen.

Humpback, m. eng. (spr. —bek) bochel.

Humus, m. lat., in \'talg. aarde, aardryk, bodem, aardbodem; inz. plantaarde, damaarde, het aardachtig overschot van vergane dleren-en plantenllchamenhumine, f. de zwarte In eene bytende polaschoplosslng niet oplosbare


-ocr page 601-

HUNDRED

585

HYBOMA

slof (ter damaurde; is zy daarin oplossing dan hoot zy humine-zuur, n.-, — humicu-batie, t. (sjir. l=ts), lat. (v. cubare, IlKgen, slapen) hol liggen op den liloolen grond.

Hundred, n. eng. (spr. —derd) elg, lion-derd, hel honderd; gouw, slreek, district, een afdeoling van een eng. graafschap, vroeger wellicht uit honderd landgoederen of dorpen beslaande; — hundredweight, m, (spr. hun-derd-oeeet) z, v. a. cent weig ht, de centenaar = l (juarter (viorendeet) van 2H pound (pond), dus — lt\'2 pond.

Hune, oudd. (mid.hoogd. hünc, hiune, hcune, de reus = oudhoogd. Hüni, Hun, mld.lat. Hunws. Humus, do Hun), een reus, hullengemcen groot sterk mensch; — vandaar hune- of hunnebedden, In \'t algemeen alle uit den hel-denschen voort(jil afkomstige hegraafptaatsen, die men nu eens In groote menigte litjeen, dan weder afzonderlgk op hoogten vindt, uit opgeworpen aardhoopen bestaan en de overblijfsels van verbrande lüken of onverbrande geraamten, niet urnen, vazen, wapens, enz. bevatten; meer bepaald; de langwerpig vlerkante, van rotsblokken gebouwde grafsteden, die men in groote menigte door geheel lingeland. Schotland, Frank-ryk, Nederland (Drente), enz. vindt en meestal onverbrande geraamten bevatten.

Hunt, f. eng. Jacht; — hunter, m. eng. (v. hunt. Jagen) een Jager; oen eng. Jachtpaard, Inz. goed gefokt In Yorkshire en Ierland; — huntsman, m. (spr. —men) Jager, Inz. opzichter der Jachthonden.

huppé, fr. (spr. /1 upé; elg. gekuifd, v. Ziupjie, vogelkulf) van aanzien, voornaam; listig, stiin.

Huractin, m. sp. wervelwind, orkaan op Cuba.

Hurluberlü, adv. fr., onbedacht, over hol en bol, plompverloren; — hurlyburly, n.

eng., geraas, verwarring; oproer, opschudding, oploop.

hurons, pl. door de Franschen In Opper-Canada gebruikte naam voor do wyandots, een indianenstam In Noord-Amertka (wellicht van het Hu run-me er).

hurrah! russ., ook hussah! (spr. ii=oe) een uitroep van vreugde, toejuiching, opwekking, hoezee!

Hussieten, m. pl. boheemsche broeders, do aanhangers en wrekers van den boheenischen godsdienstieeraar Johannes lluss, die zich in het begin der 13de eeuw tegen den pausen de heerschende ondeugden dor geestelUktieid verzette en als een gevolg daarvan door de kerkvergadering te Constanz In 14IS veroordeeld en verbrand werd; — hussitisohj. adj. van de Hussieten afkomstig, tien botrollende.

Hustings, pl. (v. \'t oudfr. hustin, twist, stryd) eig. tiet stadsgerecht; liet spreekgestoelte, waarop bü parlementskeuzen de kandidaten redevoeringen tot (te kiezers houden; ook In 1 algemeen de vergaderplaats bü parlementskeuzen.

Hut, f. 1) Mar. de bovenste verdieping van liet achterschip; 2) liet gebouw en de verdere toestel ter verwerking van de door den niyn-arbcld verkregen delfstolfen.

Huxl. bij natuurwetenscti. honamingen afk. voor ï. II. Huxley.

Huzaar, 111. hong. (huszar, v. husz, twintig, omdat onder koning Matthias I In de ISile eeuw van de \'in hutsgezinnen den man als ruller moest geleverd worden), eig. een hongaarscb ruiter; licht gewapend en licht gekleed ruiter.

Hyacinth, m. gr. (Ilydhinlhns) Myth, een uitstekend schoon grlekscli Jongeling, de lieveling van Apollo, die hem by ongeluk doodde en toen In eene bloem veranderde (welke ecliter niet onze tiyaclnt, maar waurscb. óf de zwaardlelie, óf de ridderspoor is); vandaar la de oudheid een edelgesteente van de kleur dier hya-clnlbloem, waarsch. onze satller; thans een andere edelsteen van roodachtig gele kleur; ook (meest hyacint geschreven) f. oene bekende, uil bet Oosten afkomstige boipiant, 0111 tiare scboonc bloem zeer gezocht, de Maartbloem.

Hyaden, pl. gr. (Ilyades, d. I, de regenenden, van hyein, regenen) de rcgoiisterren, met welker opgang de Ouden het regengetyde verwachtten; eeno heldere sterrengroep in den kop van t sterrenbeeld de Stier met de hoofd-ster Videbaran; Myth, beek- of vyvorntnifen.

Hysena, f. gr. (hyaina, van AJ/s, zwyn, wegens de overeenkomst met een zwyn) 1) de gestreepte: de Indlaansche wolf, avondwolf, het grafdler, tiet wreedste, vraatzuchtigste dier ia Afrika en Azië; 2) de gevlekte; de gevlekte wolf aan de Kaap de Goede-Hoop, ook in Guinea en Elbiopie, groeier dan do vorige.

Hya-hya, in. de melk boom la Guinea, welks melkachtig sap de Inboorlingen In plaats van melk gebruiken (Tabemamnnlana ulilis).

Hyaliet, m. gr. (v. hyalites, tot glas be-hoorende, hydlns, glas, glasachtige steen 1 glasopaal, liazaltglas, lavaglas, Mullersch glas, een witachtig, doorscbijnende soort van opaal; ook eene door den graat Hucquoy uitgevonden blinkend zwarte, glasachtige, oadoorsebgnende massa voor kunstvateii; — hyatinus, n, «m, adj. lat. Bot. doorscbyiiend, glazig; — hyalitis, f. Med. ontsteklag vaa liet glasvocbtvlies in hel oog; — hyalographie, f. een mozaïek, be-staando all barnsteen, doorziclittg bars, glas en kristal; ook z. v. a. hyalotyple, f. de aleaw uitgevonden kanst om teekenlagen op glasplatea te etsen en af le drukkea; — hya-loidisch of hyalödisch, aitj. giasaclitig; — hyaloïdëa, f. liet doorscbyiiend vlies van het glasvocht in het oog; — hyalürg, 111. een glasmaker; — hyalurgio of hyalur-gika, f. de glasberciding, de kunst van den glasmaker, glasmakerskunst, de giaschemie.

Hyanche, f. gr. (eig. de varkenskeelont-stekiag, v. hys, zwyn, anchein, benauwen, ioe-snocren) Med. de ontsteking der amandelen.

Hyböma, n., en hybösis, f, gr. (van hybocn, buitenwaarts kronimoa, bultig maken, v. Iijbos, de kromming naar bulten, de bochel) en bult, bochel.


-ocr page 602-

HYDRAAT

HYBRIDA

580

Hybrida, hybridisch, z. liihriai», li Ibr i il Iscli.

Hydarthrösis of hydarthröse, f.

gr. (v. lijdOr, koiiII. hjdalos, walor) üo lede-waterzucht, z. v, a liyilriirlliron; — hy-datis, f., pl. hydatiden, wiiterblimsjos aan levondo llcliaimm; hlauswornion, togonnatuur-lljkc lilaasvormlKO gowroclilon in hi\'l vleosch, ilu Iktsimipm, oiiz. vuil vele zoogdlorcn; — hy-datidocële, f. Med. een breuk van waterblaasjes onder den balzak of aan de zaadstreng;

— hydatieton, ni, pl. sterkoralen mot golfsgewijze stralen; — hydatina, n. pl. eene soort van Infuslo-dlerljes, waartoe de radordler-tjes beliooreii; — hydatisme, n. Med. liet borrelen of klokken van het water In de borst of In bet onderlUf; — hydatochloreus, adj. watergroonaclitlg; — hydatochróeus, adj. waterkleurlg; -- hydatódes of hyda-tódisch, adj. waterig; — hydatogenë-sis, f. de watervonnlng; — hydatóncus, m. een watergezwel; — hydotophiel, hy-dotophilus, in. watervrlend, aanbanger der koud-watergeneeskunde; — hydatösis, f. de waterzucht; — hydatoskopie, z. b gt; d r o s-kopie; — hydratisch, adj. waterachtig, op water geiykende.

Hydepark, n. eng. (spr. huidpark, gew. echter haijiark, v. hyile, hide, do |iloeg of de hoeve lands) eene koninklijke diergaarde en wan-delplaats te Londen, lol bet gebied van West-minster beboorende.

Hydra, f. gr. (v. hydör, water) eene waterslang, Inz. de hydra van Lorna of Ler-nasche hydra. Myth, een veelhoofdig nion-sler In \'t moeras Lerna, bij hetwelk voor «Ik afgeslagen hoofd twee andere In do plaats kwamen, doch dat door Hercules gedood werd; vandaar lig. een kwaad, dal loeneomt, hoe meer men het zoekt Ie weren; ook de armpollep of voelarm, z. poliep.

Hydraat, n. (v. hydór, water) Chem. eene waterverbinding, chemische verbinding van liet water met een zuur (h. v. zwaveizuurliydraat) of van een basis (b. v. kalkbydraat), waarin bet in het eerste geval do rol van een basis, in bet laatste die van een zuur speelt; — hy-draatwater, n. het op zulke wgze gebonden water; — hydrachne, f. Mod. waterblaasjes op de huid of in den mond; — hy-drachnis, f. waterpokken; — hydracï-dum, n. gr.-lat. een waterstofzuur; — hy-droemie, f. waterige gesteldheid des bloeds;

— hydragóga, n pl. Med. middelen tegen lt;lo waterzucht; — hydragögisch, adj. wa-terafvoerond; — hydralme, f. gr. zoutwater;

— hydrangmm, n.,pl. hydrangia, watervaten, z. v. a. lymphavaten; —hydran-giographie, f. de beschrgvlng der lympha-vaten; — hydrangiologie, f. de leer van do lymphavaten; —hydrant, m. toestel om water uil waterleidingen te verkrijgen, inz. tot het blusschen van brand; —hydrargilliet, ii. gr.-lat. een natuurlijk kielaarde-bydraat, uit kleiaarde en water beslaand mineraal; —hy-drargyriasis of hydrargyrösis, f. de

kwlkzlekte; het laatste ook: de uitwendige aanwending van het kwik; — hydrargyrum, n. kwik, kwikzilver; elg. waterzilverhydrar-thron, n. Med. gewrlcbtswaterzncht, z. v. a. b y-(I a r t h r o s i s; — hydraulika, hydrau-liek, f. de leer van de beweging en den druk dor vlooistollori; waterleidingskunst; —hydraulisch, adj. tot die wetenschap, die kunst beboorende; — hydraulische kalk, een uit tras of tufsteen bereide, voor walerbouwwerkon gebruikte mortel, die In het water hard wordt; vgl. cement; hydraulische pers, /.. v. a. by-drosta I Isch e p ers, ■/.. aid.; h y dra u I Ischc ram (fr. bélier hydroslatii/ue) een door don stoot werkend waterhefwerktuig; — hydrau-licus, m. een waterbouwkundige; — hydrau-Rmm hornloiftum, n. lat. een wateruurwerk; — hydruutfeum ornünwn, n. oen waterorgel; — hydraulikostatika, f. gr. de leer van de luclitdrukklng, ille stroonieiid water op de wanden van een kanaal ulioefent; hydrau-lon, n. z. v. a. tiydmulicum ornanum; — hydrelaeon, n. walerolio, een mengsel van olie en water; — hydromësis, f. Mod. bet waterhraken; waterkollek; — hydrenco-phalïum, n. Iiersenliolle-walerzucht; — hy-drencephalitis, f. bersenwalerzucbt; — hydrencephalus, enz., z. v. a. hyih oce-plialus, enz-, — hydroncophalocële, f. hersonwaterbreuk; — hydrenterocole, f. Med. waterdariiilireuk; — hydrepigastri-um, n. ultwondige oppervlakkige bulkwaler-zuclit; — hydrepiplocële, f. eene waternel breuk; — hydropiplomphalocele, f. een navolwatergezwel, gepaard met eene net-navelbreuk; — Hydriaden, f. pl. (van den sing, hydrid-i) waternimfen; —hydriasis, f. genezing door water-, - hydriasologie, f do leer dor watergenozlng; — hydriatïka, f. de watergoneeskunst; — hydröa, f. z. v. a. h y d a 11 s; — hydrobaat, m. gt;. H. de wator-looper, watertreder, de duikeend; — hydro-blepharon, n. zuebtaclillge zwelling der oogleden; hydrocele, f de walerbrouk, ophooping van water in bet sclioivlies der teelballen ; — hydrocephalus, m. of hydro-cephalon, n hel waterhoofd, de hoofdwaterzucht ; — hydrocephalitis, f. de boete her-sonwalerzucht; — hydrocerama of hy-droceramen, jit. aarden vaten, die vochten snel laton doortrekken en daardoor lot bevrle-zens toe afkoelen; — hydrochesie, f. waterachtige buikloop; — hydrochloorzuur, (Iliem. chloorwaterslofzunr, zoutzuur, eene verbinding van chloor met waterstof; — hydro-cholecystis, f. galblaaswaterzucht; — hy-drocirsocêle, f Mod do met aderspatten voorziene waterbreuk; hydrocoolie, f. bulkvvaterzuebt; — hydrocyaan-zuur, n. blauwzuur; — hydrodórma, n. do algomeono liuidwalorzucht; - hydrodynamiek, f. Phys. de leer der waterkracht, der waterbewe-


-ocr page 603-

HYDRAAT

587

HYDRAAT

Sint!, of do wetonschap vim do wetten der bo-wegliiK van vloolstoffon in \'I algemeen, z. dy-ii a nilck; — hydro-eléktrisch, adj., li. v. hydro-elektrische stroom, de stroom van eene utt inotalen en vloeistof hestaande giilvanlsche keten; — hydro-extracteur, m. gr.-fr. elg. watorulttrekker; toestel om droog te maken, contrtfugalc droogmacliine; — hy-drofuge, adj. fr. (spr. fu-tj\') vochtwerond;

— hydrogaster, m. Mod. de buikwaterzucht, waterzucht vim de maag; — hydrogenium, n. I\'bys. de waterstof; — hydrogenium-pool, m. de negatieve pooi der Voliascho kolom, van welke zich iiU de ontbinding dos waters de waterstof afscheidt; — ge hydro gelieerd, met wiitorstof vorhonden;—hydro-genisatie (spr. -za-lsie), I. iiarii.lat. de verbinding met waterstof; - hydrogeologio, f. gr. do leer van de vorming dor aardoppervlakte door water; — hydrogeoloog, in

v. a. noptunlst; — hydroglóssum, n. eig. watertong; Med, hei zoogon. kikvorsch-gozwel onder de long; — hydrographie, f. de waierhescbrUving; - hydrograaf, m. een wiilerhesciirUver; — hydrographisch, adj. Waterbescliryvend, de waleren voorstellende of afbeeldende; — hyd rog ra |)li Ische k aa r-ten, waterkanrten, rivier- en zceknurieii; — hydrographisch papier, soort papier, waarop men met zuiver waler schi\'Uft, waardoor blauwe of zwarte letters ontstaan (ten gevolge van de chemische bereiding van liet papier); — hydrokardie, f. Med. de water-zucht van het harlzakje; hydrokonion, ii. een waterstiilfhad;— hydrokranium, n. do hersoiiwaterzucht, het wnlerhoofd; — hy-drolëros, m. Med. onrustige kraiikzliinlgbeid;

— hydrolith, m. watersieen, eene soort van wltroodachtlge krisiallcn uil Schoiland en Italië; - hydroloog, m. Iemand, die zich bezighoudt met de chemische boslaiiddeeien dor verschillende bronnen en dgl. waleren; —hydrologie, f. de waterleer, hoschrllvliig der ondersclieiden waleren op aarde ten opziclite van de velerlei vreemde sloiTen, waarmede zij vermengd zijn; — hydrclógisch, adj. wa-terkundig; — hydrologion, gr. of hydro-logium, n. nw.lal. het wateruurwerk; — hy-dromanie, f. de znclil om zich in \'t water te storten, waterwoedo; onlescbharo dorsl; overdreven ingeiiomenheid met de koudwaierme-tbode; — hydromantio (spr. l=/s), f. de walerwaarzeggerU, waterproef; — hydro-mant, m. een water waarzegger; — hydro-meehanisch, adj. walerworkiiiigHik, door waterkniclit gedreven-, hydromél, u. gr.-iat. wateriionig, mode; hydromëlon, n. gr. appel- of kweeperendrank; — hydrorae-teören, pi. waterige luchtverschynseieu, b. v. nevel, mlsi, regen; — hydrometer, m. de watermeter; ook z. v. a. arieometer of hy-droslatiscbo bnlaus,walerbalans.eeii werktuig om do zwaarte van vloelstoiTen te oiider-zoeken (naar zgne byzondero hostcmmlng en inrichting ook biermeter, lira mie w U n m e-ter, enz. gebeeten); hydromotrie, f. de waterinetliig, watermeetkunst, welensciiap der meting van de zwaarte, hoeveellield, snelheid, drukking, enz. van hot water; — hydromë-tra, f. Med. de waterzucht der baarmoeder;

— hydromphalus, m. het navelwalerge-zwel; — hydróncus, m. watergezwel, waterzuchtige zwelling; hydronette, r. inin-spult; hydronike, f gr. (v. nike, de overwinning) eig. de waleroverwinning; een behandelingswijze om allerlei geweven stoifen, vilten en leder waterdicht Ie maken, zonder dal daardoor bot doortrekken van de luebt belet wordt; hydro-oxygeengaslicht, z. v. a. sl-d e r a a l - i i c h i; — hydro-oxygeengas-mikroskoop, m. eene soori van mikroskoop, waarbij bei licbt van oenen ka\'lkcyllndcr, die door eene vermenging van waterstofgas en zuurstofgas (bet zoogeii knalgas) in de sterke witte gloeiblile wordt geliouden, inl heschljning der voorwerpen dient; — liydroparastaten, m. pl. de aanhangers van den gnosticus Talla-iius, die bü liet avondmaal water In plaats van wyn gebrulkleii; — hydropathie of hy-dropatllika, f. de geneeskunst door water, de waiergeneeskunde; — hydropathisch, adj. die iielrelt\'ende; hydropericardium, ii. walerzucht van het hartzakje; — hydro-phaan, m. Min. bot wereldoog (ociilus mundi) eene varlUtelt van den opaal, die water inzuigi en zoo doorzichtiger en kleurspelend wordt; — hydrophiel, m. z. bydropbiins; — hy-drophilieten, m. pl. versteende waterkovers;

— hydrophtlus, m. een watervriend; — hydrophobie, f Med. de watervrees, hondswoede, de versclirlkkeHike ziekte, door den lieel van een dol geworden dier voortgebracht; — hydrophoor, m. een waterdrager, lederen waterhuis; hydrophthalmie, f. of hy-drophthalraus, m. de waterzuchl van hei oog; — hydrophthalmmm, n. blauwe kringen om de oogen met waterachtige opge-hlazenlieid; — hydrophysoeële, f. eene wa-terwindhreuk; — hydropisie, liever hy-dropsie, f. do walerzuclil; hydröpisch, adj. walerzucblig; -hydropneumatisch, adj. waler en iiicbt (gas) betretlende; — hv-dropn eu in a tlsc b apparaat, een toestel om gas onder water op te vangen; — hy-dropneumonie, f. de iongwalerzucbt; — hydroposie, f. het waterdrinken; — hy-dropoot, m. eenwaierdrinker; hydrops, in. een walerziiclitigo; ook z. v. a. li y d ropsie;

— hydroptika, n. pi. middelen legen de walerzneht; — hydropult, m. draagbare brandspuit, eene zuig- en perspomp tot luin-on slraatbosproellng, lol glazen- en rUtuigwas-schen, en inz. ook om een beginneiulen lirand te stuiten; — hydrórchis, vvaierzuchi aan den balzak; — hydrorrhachie, hydror-rhachitis, f. walorzuchi van de ruggegraat;

— hydrosaccharum, n. suikerwater, eene siroop uil water en suiker; — hydrosarka.


-ocr page 604-

HYDRIOOT

HYMNE

588

f, een watorvleoscliKezwol; — hydrosarko-cëlo, (. eene vloeschwnlorbrouk; — hydros-koop, m. ecu wateruurwerk; — hydrosko-pie, f. wanrzegKemle walerliDschouwliiB; — hydrostatika, f. l\'hys. de waterstandsleer, leer van het cvenwicht der drupvormlgo vloei-stollen; — hydrostatisch, adj. die leer lielref-fende; hydrostatische b a I a n s, z. h y d r o-meter-, hydrostatische pers, een door graaf Real uitgevonden, door Komcrshauson verbeterd toestel, door hetwelk door waterdruk Inz. plantaardige stoffen uitgetrokken worden;

— hydrostëon, n. Med. beenwaterhreuk, verwatering van de heonderolndcn en liet merg der pgphoendoren; — hydrosudopathie, f. z. v. a. h y d r o t h e r a p 1 e; — hydrotachy-meter, m. watersnellieldsmetcr; — hydro-techniek, f. de waterbouwkunst; —hydro-téchnisch, adj. waterbouwkundig; — hy-drotékt, m. een waterbouwkundige; hy-drotheologie, f. bewUs van hel bestaan en bet werken van (lod uit tiet water; — hy-drotherapio, f. de behandeling der ziekten door \'t gebruik van koud of warm water, zoo in- als uitwendig; - hydrothïon-gas, n. zwavelwalerstofgas; — hydrothion-zuur, zwavelwaterstof, gezwavelde waterstof; — hy-drothörax, m. Med. borstwaterzucht; - hy-droxaal-zuren, suikerzuren; — hydrü-ren, f. pi. waterstofverbindingen, verbindingen der waterstof niet metalen.

Hydrioot, m. bewoner van hel gr. eiland Hydra.

Hyetographie, f. gr. (v. UySlns, regen, v. hyein, regenen) dg. regenbesciirUving; ge-schrift over de rogenverboudlngen van een land.

Hyetoskoop of hyetometer, ook o m-b rome ter, in. gr. (v. hyllós of ómbros, de regen) de regenmaat of regenmeter, regenwy-zer, een werktuig om de boeveelhcld gevallen regen te bepalen; —hyetometrie, f de regenmeting.

Hygëa, liever Hygiea of Hygiëia, f.

gr. (de gezondheid, v. hyuiês, gezond) de godin der gezondheid, dochter van Esculaap, afgebeeld met eene slang, die 7.y uil eene schaal laai drinken; — hygoïsch, hygiënisch, adj. de gezondheid of gezondheidsleer betreffende;

— hygiëne, hygieine, hy geologie, f. de gezondheidsleer, z. v. a. d liet et lek; — hygeïst, m. bevorderaar der gezondheid; — hygiastika, f. de gezondlieidskunst; Hy-ginus, mansn.: de gezonde; — hygioko-mio, f. de gczondheidsverpleging.

Hygrokollyrium, n. gr. (v. hyftrns, a, dn, vochtig) Med. een vloeibaiir oogmiddel; — hygrobarométer, m. luchtvochligheldsme-ter; — hygröoudiométer, m. meter voor de goede quaiitelt der lucht; — hygrolo-gie, f. de leer van de vochtigheid der lucht;

— hygrológisch, adj. daartoe behoorende of die heiroffende; — hygroma, n. water-heursgezwei; hygrometer, hygros-koop of nét lometer, m, de vochtmaat, vochtigheidsmeier, een werktuig ter waarneming van de vochtigheid dor lucht;—hygrome-trie, f. de vochtigheidsmeetkunst; — hygro-métrisch, adj. daartoe behoorende; — hy-grophobie, f. de vrees voor vloeistoffen, watervrees; — hygrophthalmie, f. de vochtige oogontsteking.

hygroskopisch, adj. water uit de lucht aantrekkende en verdichtend (bUgevolg als by-groskoop te gebruiken).

Hykes, pi. eng. (spr. /milts) vlltacbtlg gevolde beddedekens, welke voornamelUk naar Barbarüe worden uitgevoerd.

Hyksos, pi. Iierderskoningon van semleil-schen oorsprong, omstreeks 9000 v. dhr. naar Egypte gekomen, beerscbten tot ISIH v. Chr.

Hyle, f. gr. (= lal. xy/va) eig. woud, bosch ; hout, houw- en brandstof; in \'1 algemeen stof, eerste of oorspr, slof (inz. voor den zoogen. steen der wUzen); — hylarch, m. do stofhe-heerscher, wereldgeest, wereldziel; — hylo-biërs, m. pl. (gr, hylólitoi) woudbewoners, hoscbmonschen; — hylogenie, hyloge-nesis of hyloplastika, f. de stofvorming; — hylognosie, f. de stofkunde; — hylolo-gie, f. de sloiieer; hylonómisch, adj. (gr. hylonómns) In hosscben grazende of levende; — hylopathisme, n. de leer, die aan de stof, als zoodanig, gevoel en hartstochten toekent; — hylophagen, m. pl. houteters, hout vreters; - hylotheisten, m. pl. zulken, wien de slot of de wereld tol godheid strekt; vgi. pantheïst; — hylozoisme, n. de bezieling der eerste slof of de leer van het stof loven, welke aan de stof een wezenlijk zün en oorspronkelijk, eigen leven toeschrijft; - hy-lozoist, m. een aanhanger van die leer.

Hymen of Hymenaeus, m. (gr. //;/-men, Hyménaios) Myth, de buwelyksgod, afgebeeld als een schoon jongeling met de bruiloftsfakkel in de hand; onelg. de echt, het hu-welijk; - hymonteus, m. ook bruiloftslied; pl. hymenoeën, bruiloftsliederen; brullofis-feeslen.

Hymen, n gr. {hymen, m. weefsel, vlies) Anal, het maagdenvlies, hel vermeende teeken van den maagdom; —hymenitis, f. ontsteking van het teedere vlies der Ingewanden; — hymenódisch, adj. vliesachtig; hyme-nographie, f. de vllesbescbryving; — hy-menoptëra of hymenoptéren, pl. N. M de vliesvleugellgen, insecten met 1 vliezige, doorzichtige en geaderde vleugelen, b. v. wespen, byen, enz.; — hymenopteroloog, m. kenner der vliesvleugellgen; — hymenopte-rologie, f. de leer van de vliesvieugelige Insecten; — hymónotomïe, f. de vliesontleding.

Hyméttischo honig, honig van Hy-m e 11 u s, een gebergte in Attlka, In de oudheid zeer beroemd.

Hymne, f. of hymnus, m. (v. \'t gr.

hymnos, m., fr. hymne, m. en f.) een hooglied, een lofzang, feestlied, Inz. ter eere van de go-


-ocr page 605-

HYPERIDROSIS

HYODISCH

589

den en holden; vandaar ook voor Kooslclijk lied, clir, kerklied; dergolUko hymnes, zooals in de roomsclie en grieksclie kerk In de hnrae canonicae (z. hnrac) gezonBcn worden, lieoton verschillend; h. v. hymni epistolici, omdat men ze In do mis voor hot epistel, hymni cmnyc-lid, omdat men ze vóór het evangelie zingt; de hymnus Jmbrosumus begint met de woorden: Te ileum laudamus, z, aid; de hymnus angelicus met; Gloria in excelsis Den, z. aid.; de hymnus glorificalidnis mot: Gloria imlri, etc.; de hymnus Marianus = magnificat (z. aid.); de hymnus trinilaiis = trlshaglon (z, aid.); — hymnarmm, n. nw.lat. een geestelgk gezanghook; — hymnist, m. lot-zangdlchtor, lofzanger; — hymnograaf, m, een lofzangscliryver of -dichter; — hymnologie, f. het afzingen van lollederen; ook de kennis der chr. kerkgezangen en kerklleddlch-lers; — hymnoloog, m. die zich mot do geschiedenis en litteratuur van het kerkgezang hozighoudt; - hymnológisch, adj. de geschiedenis van het kerkgezang lid rellende.

hyödisch, adj. gr., hyodos of hyoï-des (v. hys, zwyn) zwijnvorinig, varkensachtig, in/. zwUnsnultvormlg; — hyophthal-mos, m. een vaikonsoogige, kieinoogige; — hyoscyamua, tii. elg. zeughoon; zwart lill-zenkrnld; — hyosciamine, f. een nlt het iillzenkruld verkregen alkaloïde.

hyp-, gr. vóorlottergreep, z. hypo.

Hypoethron, n. gr. {hijp-aithron, v. Iiypó, onder, en uilher, «other, z. aid.) eeiic open, onoverdekte ruimte.

Hypaktlka, n. pl. gr. (van hyp-anein, naar henodon afvoeren) Mod. zacht afvoerende middelen.

Hypallage, f. gr. (v. hyp-alldssein, verwisselen, omzetten) f.og. de woordverwisseling, verwisseling van enkele doelen van den zin, li. v. als het begrip van een adjectief In een suhst. veranderd wordt, waarhy hel oigcniyke suhst. in den genitief voorkomt; de pracht dezer hoornen, in plaats van: deze prachllge lioo-men, enz.

Hypamaurösis, f. gr. (v. amauroen, verdonkeren) Med. eene onvolkomen zwarte staar.

Hypante, f. gr. in de gr. kerk: z. v. a. lichtmis (4 Fehr.)

Hypapoplexie, f. gr. Med. een geringe graad van heroerte (apoplexie).

Hypate, f. gr. {hypdte, sell, chords, snaar, v. hypatos, de hoogste, opperste) de bovenste of naar onze wijze van benoeming de onderste of iiiagslo snaar van het oud-gr. toonstelsel.

Hypelseon, n. gr. (v. hypó, beneden, onder en élaion, olie) bezinksel, helTo of droesem-olie.

hyper, gr. (hyp(\'r) over, in samensl. inz. overmatig, overdreven (= lat. super)-, het wordt in dezen zin willekeurig tot nieuwe woordvormen gebruikt, om de een of andere overmaal of overdrevenheid uil te drukken (b. v. byper-arlsiocratisch, liyporrencilonair, hyperloierant.

enz,); — hyperEemie of hypersemosiB,

f. (gr. hyperuimosis, v. haima, bloed) overvul-ling van bloed, bloedvolheid; hypora3Bthë-sis, f. overgevoeligheid, Ie grooto prikkeihaar-hold; — hyperaküsis, f. (v. dkusis, het hoo-ren) oen bovenmate fijn, prikkelbaar, licht pun-lijk gehoor; — hyperaphïe, f. (v. hiptein, vgl. haptisch) overgevooliglieid van \'t gevoelvermogen; — hy perasthenie, f. (vgl. asthenie) hovenmatige krachteloosheid, over-groote zwakte; hyperauxësis, f. Med. bovenmatige vermeerdering, ziekolgko vergrooting, inz. van het regonboogsviios; — hyperbaton, n. (van hyper-bainein, ovcrsciirijden) Gram. eene woordverzetting of plaatsing der wooiden buiten hunne natuurlijke orde, b. v. groot w as de v reugde, voor de vreugde was groot; — hyperbibasme, n. (v. bibddzein, laien gaan) toon- «f accentverplaatsing; letter-, lettergreep- nf woordverzetting;

— hyperbóle of hyperbool, f. (gr. hy-pcrbulë, v. hyper-bdllein, hoven het doel uii-werpen) Log. eene overdrijving, bovenmatige voorstelling van eenig ding, grootspraak ; Geoin. eene dwarse of schuine kegelsnede; hy-perbólisch, adj. overdreven of overdrijvend, vergroeiend door woorden; vergrootenderwUze; Geom. den vorm eener hyperbool bcbiiende; — hyperboliseeren (spr. »=?), ovcrdrUven, mei overdrijving spreken; —hyperborêën, in. (gr. hyperbóreios of —hórens) Myth, over-noordlanders of noordsche volken aan gene zyde van Itoreas, die door vroomheid en gelukkig leven uitblonken; in het algemeen volkeren der koude luchtstreek in \'1 Noorden; iron, zonderlingen In manieren, zeden en gewoonten; — hy-perborëïsch, adj. zeer noordelijk, In \'1 uiterste noorden gelegen; - hyperbulie, f. Iio-venmalig gestegen wilsvermogen; hyper-cinesie, f. Med. bovciimatige beweeglUkheid van eenig doel, ziekellike prikkelbanrlieid; — hyporoultuur, f. gr.-lat. overbeschaving;

— hypereyesis, r gr. (vgl. kyesis) te menigvuldige zwangerschap; hypordriï-ma, n. gr. een lot opvoering niet geschikt, de voorstellingsmiddelen Ie bovengaand drama; — hyperdulie, f bovenmallge verooring, b. v. van Maria en andere heiligen; — hyperdy-namie, f. z. v. a. hy persth e ulo; — hy-peromesie, f. overmaiig inakeu; —hyperenergie, f. bovenmallge kracht, te sterk werkvermogen; hyperenérgisch, adj. hoven-male krachtig; hyperepidósis, f. liovcn-maiige groolto of toeneming van enkele doelen; — hypererethisio, f. /.. v. a. hy-pera\'sl besis; - hypergeusie, f. zieke-Hik verhoogd smaakvermogen.

Hypericum, n. lal. (v. \'1 gr. hyp-ériknn, hyp-énikon, van creikn, erikc, lal. erice, nw. lal. enen, holde, dus elg. hypererleum) Bol. SI -.lans-kruid, een struikgewas van velerlei soorlon.

Hyperidrösis, f. gr. (v. hyper en h \\ d ro-sis, z. aid.) hel overmatig zweelen; — hy-


-ocr page 606-

HYPOCHONDHIUM

HYPERIDKOSIS

590

perion, pow. onjuist hyperion, m. nr. (vol-Kens oentRon v. Iiyiii1!\' Tón, ilc boven ons Uiuuulc, Iti ilc honyli1 wiindelcndu; doch heter snmen-Ketr. nit hi/iierioiiidn, de zoon van Hyperion) de zonnoKod, de zon; — hyperkatalók-tisch, hyporkatalektikos of liever hy-perkatalöktos, «dj. overtnllln, heet een vers, min welks liiatsle voet no); (\'ene letter-trreep is toegevoegd (vgl. kalatek11kos);— hyperkatharsis, f. elg. overrolnlglng; Mod. de hovenniatlKe huikonllaslingen; — hyperkeratosis, f. de kegelvormige uitzetting van het hoornvlies; — hyperkrisis, f. de al te hevige wisseling eenor ziekte, liovoninatlge ziek-tescheidende (kritische) ontlasting; — hyperkritiek, f. al te gestrenge booordeeling of recensie. vittcrU; twiifetzuchi; — hyperkritï-CUS, m. een overstreng kunstrechter, aarlshe-rlsper, -viller; — hypei\'kritisch, adj. overstreng, al te scherp In \'I heoordeeten, vllzlek, Iwytelzlek; — hyperlógisch, adj. overver-standlg, hoven \'1 verstand uitgaande; — hy-permétrisch, adj. [versus Injpermeler] heet een vers met eene de maat te hoven gaande eindlettergreep, die met de eerste lettergreep van het volgend vers hy het lezen moet samenvloeien -, — hypernoea, hypernöia, f. elke ziekte mot hovenmatlg gespannen werkzaamheid van den geest; — hyporóeha, f. itr. hetgeen een verpand voorwerp lil) verkoop meer waard is dan het verschuldigde hedrag;

— hyperorthodoxie, f. de hovenmatlgo rechtzinnigheid In \'t geloof, hel overgeloof; — hyperorthodóx, adj. overrechtzinnlg, stok-styrgeloovtg; — hyperosmie, f. ziekelijk verhoogd reukvermogen; — hyperostosis, f. Med. een groot hcenultwas; — hyperoxydo of superoxide (vgl. oxydo), Chem. over-oxyde, die oxydatlegraad van een metaal, welke meer zuurstof dan de liasts, maar minder dan het zuur van hetzelfde metaal hevat; — ge-hyperoxydeerd of gohyperoxyge-neerd, adj. hoven een hepaaklen graad met zuurstof verbonden; — hyperoxydatie, f. oververzadiging met zuurstof; — hyperpa-thie, f. bovenmatige gevoeligheid of geneigdheid tot Ziekten; - hyperpathisch, adj. overgevoelig; hyperphlegmatisch, adj. bovenmatig traag; — hyperphysiseh,adj overzinnelijk, bovennatuurlUk; — hyperpi-mële, f. overmatige vetheid; —hyperple-rösis, f. ovoropvulllng (h. v. der bloedvaten);

— hypersarköma, n. wild vleesch; vieesch-siezwel; — hypersarkösis, f. elg. overmatige vleezighoid; aanzetting van wild vleesch; het wild vleesch In wonden en zweren; - hy-perskeptieisme, n overdreven twlifelzncbt;

— hypersophie, f. hovenmallge, aanmatigende wUsheld; — hyperspasmie, f. al te hevige spierbeweging; hypersthoen of pailliet, n. een aan bet auglel verwaal, zwart of hruln mineraal niet metaalachllgen parel-moerglans; hyperstheme, f. (vgl. s!heul e) de bovenmatige sterkte van alle levensverrichtingen; zlekeUik verhoogde tevenskracht; — hypersthénisch, adj. overkrachtig, uit te groote sterkte of kracht voortspruitend; — hyperthymie, f. geestesziekte met vermetc-len moed; — hyportome, f. overspanning; — hypertónisch, adj. overspannen; — hypertrichosis, f. hovenmallge, al te sterke haargroei; —hypertrophie, f. de overvoeding, het dikworden (het togongest. van atro-phle); — hypertróphisch, adj. uit overvoeding geboren of daarmede samenhangend.

Hyphtema, n. gr. (van hyiió, onder en hnima, bloed) uitstorting van bloed, Inz. onder het oog; — hypheemisch, adj. met bloed onderloopen.

Hyphen, n. gr. (ontstaan uil hyph\'hen, d. 1. in eens, samen) bel koppelleeken (-) In samengestelde woorden.

Hypnos, m. gr. de slaap, ook als godde-Igk wezen gedacht en als tweelingbroeder van den dood (tliannlos) voorgesteld; — hypno-bates, hypnobaat, m. een slaap- of nachtwandelaar; hypnobatesis, hypno-batgt;e (spr. -ba-lsie), f. hot slaapwandelen;

hypnologie, f do leer van bet slapen;

hypnopathie, f. slaapziekte, ziekeiyke verandering van den slaap; hypnopho-bïe, f. de slaapvrees, bel opschrikken uit den slaap; - hypnopsychie, f. de zleleslaap; — hypnosis, f bet Insluimeren; hypnoticum, n. een slaapverwekkend middel, slaapdrank; — hypnotisch, adj. slaapverwekkend, verdoovond, bedwelmend.

hypo, gr. voorz. {hypó). vóór eenen klinker hyp- (= lal. sub) onder, van onderen, onderaan (In vele samenslellingen, waar het soms onk eene vermenging beleekent, vgl. hy pokras) of Iets ondergeschlkls, een gerlngercn graad (vgl. bypamaurosls, bypospasma, enz.)

Hypobasis, f. gr. (vgl. basis) de onderlaag, grondlaag, het voetstuk.

Hypobiasme, n. gr. (v. biddzein, dwingen, afdwingen) Math, bet terugvoeren of her-lelden van eene vergelijking tot eene andere van lageren graad.

Hypoblepharon, n. gr. (v. blépharon, ooglid) eene zwelling onder bel ooglid; ook een kunstoog.

Hypobólon, n. gr. (v. hypn-ballein, onderwerpen, wegwerpen of -leggen) Jur. hel toevoegsel lot, do aangroei van het door de vrouw ingebraebte hnweiyksgoed; Kbot. bel voorloo-plg antwoord op eene te doene vraag.

Hypoeaustutn, lal. of hypokaun-ton, gr. n. (v. hypn-kmein, van onderen aansteken) een stookvertrek, bij de Ouden eene gewelfde plaats met eenen vuurhaard en bulzen, waardoor de daarboven liggende kamers verwarmd werden; Inz. eene zweetkamer, een zweetbad, badkamer.

Hypochloraat, n. Chem. het onderchloor-zure zoul.

Hypochondrium, n.,pi. hypochon-


-ocr page 607-

HYPOCHORKSfA

591

IIYI\'OI\'HKKT

drien, Kr. {hyiwchóiulria, pi. het onderiyf; v. hyiio, ondor, en chómlros, liet horstkraukbeen) do slrcok imn lielde zljdnn onder do korte rlli-bon, de ondorkraakbeonslreok j — hypochondrie, f. do onderiyrszlokto, inillzuebt, ïwaannoodlgliold, droctKoosllgboldj soms ook Xiilzloktn, gomoiyke luim; — hypochondrist or hypochondriacus, ook hypochón-der, m. een mlltzuchtlKe, zwaurmoodige, gril-zloko, gemelUko knorrppot; — hypochón-drisoh,adJ. mlllzuchtlu, buikzenuwziek; zwaarmoedig, vol luimen en kuren; — hypochon-drialgie, f. hypochondrische pijn.

Hypochorëma, n, hypochorëma-sis, f. slooiBang, lUfsoponinK.

Hypoch.fma, n. ou hypochymis, f. gr. (v. rhéein, wortel, chy, gieten) eig. oudergic-ling, onderlooping-, Med. do grauwe staar.

Hypocranium, n. gr. (v. kraninn, schedel) Mod. eono verzworing ondor do hersenpan.

hypocrateriformis, adj. lat. Hol. trom-potsgewys, bekervormig.

Hypocykloïde, t. gr. (vgl. cyklus, cykloïde) Math, eeno kromme lün, die ann eon punt In don omtrok eens cirkels, welke zich op den binnonomlrok van een anderen cirkel voortwenteil, beschreven wordt; ook opl-c y k I o l d e.

Hypodema, n. do («ouder den voet lo bindenquot;) zooi, de sandaal.

hypodermatiach, adj. gr. (vgl. derma-tlsch) onder de huid aanwezig; — hypo-dérmis, f. do voorhuid van den killelaar, die door de Inwendige schaamlippen wordt ge-maakl.

Hypodësis, f. of hypodésmus, m.

gr. (v. hypo-dein, onderhinden) Clilr. do onderbinding van een bloedvat.

Hypodiakónua, m. gr. (z. dia kon us) een goestoiyk tweede helper.

Hypodiastóle, r. gr. (z. diastole 3), (\'.ram. een klein zindoeltje; eene komma.

Hypodidaakalus, m. gr. (v. didasknlos, leeraar) een onderleermeester.

Hypodroom, m. gr. {hinió-ilrnmns, eig. eene plaats om onder- of in ie loopcn, v. ilni-mos, loop, Iréc/iein, loopen) eene overdekte wandelplaats.

Hypogoeum of hypogoion, n. gr. (v.

ftaiu, f/t;, aarde) eene onderaardscho ruimte; kel-dergewelf, groeve, grafkelder.

Hypogala, n. gr. (v. f/ó/n, melk) Med. hot meikoog, ultslorllng van wit, welachlig vocht in de oogkamers.

Hypogaatnum, u. gr. (v. uaslêr, hulk) het onderiyf, de onderbuikstreek; — hypogastrisch, adj. lol het onderiyf behoorendo; — hypogastrocëlo, f. eene darm- of netbreuk aan het onderiyf; — hypogastror-rhëxis, f. buikhrouk met scheuring van bot huikviios.

Hypogoion, z. hypogajum.

Hypoglossis, f. gr. (vgl. glosse) het kikvorsebgezwol, een gezwel onder de tong; — hypoglössus,m. doondertongzenuw, spraak-zenmv.

Hypogramma, n. gr. het onderschrift, Inz. het opschrift aan den voet van zullen.

hypogynisch, adj. gr. Hol. ondorstandig (vati planlen, waarby de meeldraden onller het vruchlbeginsel slaan).

hypokarpisch, adj. gr. (van karpós, vrucht) Hol. ondor hol vruchlheginsei aanwezig.

Hypokatharsis, f. gr. (z. kat hars is) Med. buikzuivering door don stoelgang, eeno zachte ontlasting. ■

Hypokophösis, f. gr. (vgl. kophosls) liardhoorigheld In matigen graad.

Hypokoriama,o. othypokorismos, in. gr. (v. liyiilt;i-kon(lzeslhai,K\\n. zich als een kind luinsteilon, en vandaar een kiml vleien, siree-lon, v. knros, knaap, kón\', meisje) een vleiend woord; eeno verzachionde uiidrukking; vgl. ou-phemisine; — hypokoriatikon, n. oen ilefkoozeial of lluweeien woordje; verkleinwoord,

v. a. d 1 m 1 n u 11 v u m.

Hypókras, in. (fr. hypocras, van I gr. kerdnnyml, ik meng, krasis, menging) oen mot kruideryen en suikor gemengde wyn, krulderwyn.

Hypokrisie of hypokrisis (spr. .«=:), f. gr. (v. Iijiiiokrinexlhai, antwoorden; ulstooneel-speler taal en antwoord geven, eene rol vervullen; veinzen) voinzory, hulcboiary, schynhol-ligheid. lijnvroombeid; — hypokriot, in. (gr. hypnknlês) een huichelaar, schynbeiilge, pliaar-hijter-, — hypokritisch, adj. huichelachtig, schynhelllg, geveinsd, vaisch.

Hypolampaio, f. gr. {hypn-tampsis, v. Idinpein, lichten, hiinken) flauwe glans, ilikke-ring; Med. lidvertrekking, zwakke kramp.

Hypomio, r. gr. (v. ömos, schouder) de oksel- of schouderholte.

Hypomnöma, n. gr. (v. mimnëskeln, herinneren) eig. eene herinnering; een toevoegsel, naschrifi; ook z. v. a. protokol, |)l. hy-pomnemata, hyvoegsels, borlnnoringen; ook gedenkschriften; — hypomnematograaf, in. een gedenkhoekschryver; ook z. v. a. pro-tokolllst.

Hypomochlium, n. gr. (v. mochlós, de hefboom) het hof-of rustpunt, beweeg-of steunpunt, h. v. van oenen hefboom.

Hypomono, f. gr. (vgl. mor la) een geringe graad van stompzinnigheid of krankzinnigheid.

Hyponoëma, n. gr. (vgl. norma) vooroordeel, waan, vermoeden.

Hyponyohon, n. gr. (van tmyx, nagel) Med. eene uitstorting van bloed of otter onder den nagel.

Hypophasio (spr. s—z), f. gr. {hypnpha-sis, v pliaiiiein, aan \'t llchl brengen, toonen) eig. het balfziehibaar worden der oogen; hel verschuilen van \'t wil in \'1 oog gedurende den slaap; vgl. I ago pli I halm I e.

Hypopheot, m. gr. (hypophilcs) een verkondiger, verklaarder, uitlegger, Inz. van den goddelyken wil, orakelverklarend priester.


-ocr page 608-

H Y POPH LEGMASIE

592

HYPOTHEEK

Hypophlegmasïe (spr. s=z), r. gr. (vrI. ph 1 eKiniisIe) Mrd. eeno zachte uf sluipciKlo ontstoklnK.

Hypophöra, f. gr. (v. hypo-phérein, elg. van onder wegvoeren) Mod. eeno pUpzwoerj Log. eeno tegenwerping.

Hypophthalmïe, t. gr. (van öplUlml-mós, oog) of hypopion, n. (van ups, gezicht) Mod. uitstorting van bloed In hot hlnd-vlles.

hypophyllisch, adj. gr. (van phyllon, blad) onder het blad groeiend; — hypo-phyllokarpisch, adj. met vruchten onder het blad.

Hypoplexie, f. gr. (vgl. apoplexie) een geringe graad van beroerte, een lichte beroerte-aanval.

Hypopodia, n. pl. gr. (v. poes-, gen. poilós, voet) Mod. voetmiddelen, onder de voetzolen gelegde pappen, zuurdeeg, enz.

Hypopsalma, n. gr. (z. psalm) het antwoorden (respondocren) van het koor of de gemeente In do i\'oornsche kerk.

Hypopyon, n. gr. (v. Iiljnn) Med. liet etteroog, verzameling van etter In de oogkamers.

Hyporchëma, n. gr. (van orcheïslhai, dansen) een danslied, een aan Apollo gewyd koorgezang met dans.

Hyporrhinïon, n. gr. (van rhin, neus) de plaats onder den neus, de knevelbaard.

Hyporrhysis, f. gr. (vgl r h y s l s) het langzaam afvloeien.

Hyposarka, f. gr. (van sa ra, gonlt. sar-kós, vleosch) Mod. liuldwntorzucht; eeno wa-torvorzamollng In bot colweefsel op on onder de spieren.

Hyposcenïum, n. gr. (hyposHcnionvgl. see no) elg. bot ondortoonool; het bullenge-deolte van het voortooneel.

Hyposkleriet, n. door Kreltliaupt zoo genoemde groengrgs tot olUfgroon veldspaath van Arondal in Noorwegen, hoogstwaarscbUnlijk ai-blot mot wat auglet vermengd.

Hypospadie of hypospadiasïe (spr. s=z), f. gr. (vgl. spaddn, ontmande, wlen de teel-deelon afgerukt zyn, van spdö, ik trek of ruk nil) Med. eene aangeboren misvorming dor tecl-deelen, waarbU de opening der pisbuis van onderen benoden bol roodohoofd Is, In tegenst. met e pi spa dl o, z. aid. (de artsen bielden dezulken weleer ten onrechte voor onbekwaam tol den bgslaap: vandaar de naam); — hy-pospadiseus, m. iemand, die met dit ge-brok bobept Is.

Hypospasma, n. gr. (z. spas ma) Mod. een geringe graad van kramp, Inz der oogleden.

Hypospathisme, n. gr. (van spathc, de kleine spndel) eeno heelkundige opoiatle der Ouden ter genezing van de leopoogigbeld (lippitudo),

Hyposphagma, n. gr. (v. sphadzein, elg. slacbion, bloedvergieten) Med. uitstorting van Idoed in of onder bet bindviios.

Hypostasis of hypostase, f. gr. elg.

de onderlaag, grondlaag; bot bestaan, do we-zenlgkhold, bet wezen, de voorwerpelgkheld (substantie); Med. hel bezinksel der pis; — hypostaseeren (spr. i:—z). Iets tot voorworp, tot zelfstandigheid, tot suhstanlle maken, het kenteoken eens voorworps zelf als voorwerp beschouwen; — hypostatisch, adj. wezeniyk, voorworpolijk (substantlBel), zelfstandig, porsooniük; — hypostathme, f. gr. vast bezinksel.

Hyposthenie, f. gr. (v. sthénos, kracht, sterkte) het gebrek aan kracht, de krachteloosheid, verzwakking, In tegenstelling met b y p o r-s t h e n 1 e.

Hypóströphe, f. gr. (z. strophe) Mod. het omkeoren, Inz. der baarmoeder; hol Instorten by zieken.

Hypostyion, n. gr. (v slfilos, de zuil) een overdekte zuilengang.

hypotaktisch, adj. gr. (v. luklós, e, ón, geregeld) zich onderschikkend, ondorworpond; volgende.

Hypotenuse, hypotenusa, f. (hypo-teinoesa, sell, pleura, züde, v. hypoteinein, er onder gespannen zyn, zich daaronder ullstrok-ken; vaak onjuist hypotbenuso) Math, de grootste zyde van een rochtbooktgen driehoek, de zyde legenover den rechten hoek; vgl. ka-I h et o n.

Hypotheek, f. gr. (Uypnihcke, d. I. elg. de onderlage, bot onderlegsol, v. hypo-thêimx, onderzetten, enz ) lat. hypolhcca, een gerech-teiyk beschreven onderpand, oen pand- of grondbrief of do zekorbeid op eons anders vermogen als op oen onderpand, kusting, plecht; ook bet pandrecht eens schuideischers; gold op hypotheek schieten, d. 1. togen onderpand, gew. onroerend onderpand leonen; hypotheekbank, r. handelskantoor ter vorkryglng, omzeiling en allossing van hypotheken; — hy-potheekregister, n. bet pandhoek, waarin de verpandingen der goederen en de dienaangaande gesloten verdragen op hoog gezag w orden Ingeschreven; — hypotheekbrief, m. het bewys van onderpand; — hypotheek-verzekeringbank, f. handelszaak tot verzekering van den bypothokalren schuldelscher, dal bij interest en kapitaal op den bepauldon lijil vorkrygt;— hypolhcca conventionalis, ver-dragmatig onderpand; — h. generalis, algomeene verpanding (die het geheel vermogen betreft); h. judicialis, gorecbteiyke verpanding; li. spc-ciUlis, een byzonder of bepaald onderpand; h. turlla of leiialis, een stllzwygend onderpand, stilzwygend ontstaan pandrecht, of eone enkel door de wetten bepaalde verpanding, die niet uitdrukkeiyk behoeft beschrovon te worden; — hypolhecarfus, pl. hypolhecarti of hypothecaire crediteuren, schuldolschors op vast pand; — hypothekarisch, hypothecair, adj. met pandrecht voorzien, pandschrif-toiyk; — hypothekeeren, verhypo-thekeeren. Iets verpanden, als onderpand stellen, doen inscbrUvon.


-ocr page 609-

HYPOTHENAR 59.\'} HYSTERA

Hypothënar, n. rr. (v. Ihénar, do vlakke «f holle lisind) Mod. do nun-011 altrekkende splor van don |ilnk.

_ Hypothésis «f hypothese (spr. s=z), f. sr. (v. hupo-lluinai, ondoizellon) oeno ondoi-laiiR, (.\'lonilsliiR; oono undoislcllInK, Ion jfiond-slan: golofïdo slolllriK, iiaiinoininx, moonliif,\', oono voorwaardolUko slelilnsr, hol als vvaarhold aan-«cnomono, waarvan mon lor vorklarlnj,\' oetior zaak uitgaat, li. v. hij malliomallscho howljzon (if lor vorklarliiK van naliiurvorscliynsols; ex hyfothlsi, ovoreonkoinstlg do iindorslolllng, on-dorslollondorwlis; in Iwjpolhfsi, niet tno|iasslng (ip hot togcnwoordig goval-, hypotheseeren (spr. s=j) ondorstolloM.aannomon, ondorstolllngon wagon; — hypothetisch, adj. aangononion, ondorstold, liolgoon mon, ofschoon nlol howo-zon, voorshands als waar aannooml; — hy-pothëton, n. gr, lots orulorgologds; lols oa-(iorstolds; Mod. oono zot pil.

Hypotracholuun, n. gr. (van Irachclos, hals) Arch, do onderhals, do gladde strook onder den hals eonor zuil.

Ilypotrimma, n. gr. (v. hypo-lrihein, onder elkander wijven) oono kruidensoep, saus.

Hypotrópe, f. on hypotropiasme, n. gr. (v. Irépein, wenden, koeren) Mod. terugkoor, Instorting van zieken; — hypertró-phiseh, adj. loriigkoerond, geniakkoigk of gaarne woderkeerond.

Hypotypösis of hypotypöse, f. gr. (v. hypo-lyponi, afheeidori; vgi. tv pus) l.og. oono iovoudigo voorsloiling In iioeid, aansciion-weiyko voorstelling en vorzliinelUking, korte schets, ontwerp.

Hypoxyde, z. sulioxydo.

Hypozeuxis, r. gr. (vgi. zeugma) l.og. vorhinding van ieder lid der redo met een werkwoord, zoodal do rode uil afzondorlUko kiolno zinnen hostaal.

hypozOïsch, adj. gr. onder de paheozoï-sriie (z. aid.) foriiiatlos liggende.

Hypozöma, n. gr. sterk louw, waarmede de huik van hot schip ondorgord werd, om het ultoonvallen dor piankon Ie voorkomen.

Hypselologie, f. gr. (van hupsclns, hoog, van hypsi, adv. hoog, lijpm, iioogle) eig. hot hooge sproken; grootspraak, praiorU, snorkor(j;

— hypsololoog, m. groolsprekor, praier; — hypsistarïërs, m. pl, oeno christonsecle dor ido eeuw Ie Kappadocio in Klcin-Azle, die den (\'enen God onder don naam van iloogsl e (/i.y/i-sislos) en wol onder \'I beeld des vuurs en des lichts voroordeu, en daarhlj veie joodscho en holdonscho gehrtiiken in acht namen; — hyp-söma of hypsos, n. (eig verhooging, hougie) iels verhevens, verhevenheid; hypsologie, f. de loer van hol verhevene; hypsome-ter, m. hoogtemeter, oen door Uognault uitgevonden werktuig om de hoogte te moten door middel van do lemperalmir van kokend water;

— hypsometno, t de liooglemoling; hoog-lomootkundo; — hypsométrisch, adj. die hotreirondo, h. v. li y psoino 1 rischo tahei-

VIKUDK IIIIIIK.

Ion, lafois voorde hoogtomeling; — hypso-phónos, m. lomand, die oono iioogo stem hooft.

Hyrakothërmm, n. een fossiel, o|i het zwijn gelykond dier.

Hyrax, in. lal. klipdas; — hyracóum, n. dasjospis, surrogaat voor hot hovorgoli, afkomstig van den kaapsehon klipdas (Hyrax ra-pensis).

Hyson of hysson, u. eng. (spr. /missen,-v. \'tehinoosch hi-lxjnen, ii. i. woordoiyk; eerste oogst of Idoeionde lento) oen groene chi-nooscho thee.

Hy(s)sop, f. gr. [hyssopos, lal. hyssopus) hysop, oono zuid-ouropoescho plant van hil-lorachligea, oenlgszius aromatisciion smaak, legen siymigo horslzieklen in gehruik.

Hystera, f. gr. {hysléra, eig. fem. van hyslcros, u, on, dus; hot laatste of onderste Ingewand in hel vrouvvolgk lichaam) Anal, hg do Ouden do haarmoeder met de schoede; thans enkel de haarmoeder; nagehoorto; — hyste-ralgïe, f. pyn In de haarmoeder; — hyste-ratresie, f. de aangohoron sluiling of vergroeiing der scheodo; — hysterelösis, f. omkeering, omsluiplng der haarmoeder; — hy-sterika of hysterie, f. de vrystcrzioklo, moederpiaag, de iiulkzenuwzwakle, oeno ziekte dor vrouwen; hysterisch, adj. lol do haarmoeder hehoorende, uil de vrysterziokte ontslaan, hü de vrouwen z. v. a. iieigeen lig mannen hypochondrisch heel (z. aid.); h y s 1 e r iselle toevallen, de toestand van de vrijslerzleklc;

hystentis, f. de ontsteking der haarmoo-dor-, hysteroeële, f. eeno haarmoeder-hreuk; — hysterodynie, f. de haarmoeder-pyn; hysterolithen, m. pl. venussleenen, sleenkernen eonor soort van 1 er oh rat n lieten (z. aid.); — hysterolithiasis, f de steenvorming in de haarmoeder; — hystero-loxie, f. de oiuiiniging, scheeve plaatsing der zwangere haarmoeder; — hysteromalacie, f. de verweoking der haarmoeder; — hyste-romame, f. do onlemharo zucht naar mannon, mansdolheid; hysteromochlion, n. oen hefhooin der verloskundigen; hyste-róncus, m. oen haarmoodergezwei; hy-steroparal^sis, f. Iiiiarmoedorveriamming;

hysteropathie, f. hot haarmoedoriydon, ook z. v. a. hyslorie; — hysterophoor, m. haarmoederdrager, een luslrument voor vrouwen; — hysterophthisis of hystero-phthóe, f. iiaarinoederlciing; hystero-physöma, n. windgezwel dor haarmoeder;

hystoroplasma, n.,pl. hysteroplas-mata of hysteroplasmen, nahoolsingen van hel seheedegodeelto en van den mond der haarmoeder in was, inz. opzichleiyk de veranderingen in de zwangerschap; — hystero-psophie, t. Irommelzucht der haarmoeder; — hysteroptósis, f. uitzakking van de haarmoeder; hysterorrhagie of hyste-rorrhoca, hloedvilet uil do haarmoeder; hel ido woord ook; wille vlood uil de haarmoeder; hysterorrhexis, f do haarmoeder-

38


-ocr page 610-

HYSTERON

IBERIE

594

verscheuring; — hysteroskopio, t. liet onderzoek der Imarmoeilor mei den spiegel (speculum uteri) tor erkenning en genezing van velerlei kwalen;— hysterotoom, m. hel werktuig lol de keizersnede; — hysterotomie, t. de keizersnede, de opensnijding der liaarmoe-der; — hystorotomotoeïo, f. de geboorte door de keizersnede.

Hystoron, n. gr. {hysterns, a, lt;m, de «f het laatste, achterste, volgende) elg. Iels tater-et achteraankoniends; Meet. de nagehoorle; — hystëron-protëron of hysteropró-ton, n. het achterste voor, eene omkeerlng der uitdrukking, waarhy twee hegrlppen zoodanig verwisseld worden, dat het hintste eerst en hel eerste laatst staat; — hysterergïe, f. nawerking van geneesmlddolen; — hystero-goon, adj. later geboren of ontstaan; — hy-sterologie, f. de vooraanzetllng van \'1 achterste of laatste; — hyateropótmos, ni. een voor dood gehondene, verdwenene, die na lange afwezigheid terugkeert; een weder levend geworden schijndoode, van den dood her-rezene.

Hysteroncus, enz.; — hysterotomo-tocie, z. ond. h ystera.

HJ\'striciasis, f. of hystricisme, n.

gr. (v. hyslrix, het stekelvarken) Med. de ste-kelvarkenszlekte, het stekelvarkcnsuttslag; — hystriciet, m. de stekelvarkenssleen.


I

;, als rom. gelalteeken = t; — /. = impr-rator, keizer; i. = in, In; — ih. of ibid., lat. afkorllng voor ibidem; — IClus = juriscon/tul-tus- id. — idem: — i. e. — id est (z, aid.);

— I. II. S., een opschrift aan de ordeshulzen en andere gehouwen der Jezuïeten, /ijnde de eerste drie letters van den met grlekscho tellers

geschreven naam Jezus: lH2. () T2, , verkeer-

deiyk verklaard door in hor salus, hierin het hell; of Jesus hnnvnum salvatnr, Jezus der inenschen heiland, of Jesus horlalor sanrlorum, Jezus, de vermaner der heiligen; — Imp. = imperium, imperator: ook wel: imperatief: — ine/, of inclwt. — inclusive: — v quot;■ = in nomïne Dei, In den naam des lleeren; — iml. = indicatief: — inf. = infra: of infunde: of infinitief: —Inf. = Infusuni; — inf. aq. ferv. q. s. of .?. (/. = infunde aque ferridae quantum sulficit of sufficientem quantitatem, z. Infunde eren; — /. .v. ,/. = in nomïne Jesu, In den naam van Jezus; — /. .V. /(. / = Jesus SazarcBus Hej\' Judwdrum, Jezus van Nazareth, koning der Joden; —.v. T. = in nomlnae sanclae trinitutis, In den naam der heilige Drie-eenheid ; — inv. = invr iüt, z. aid.; — i. q. = id quod of idem quod, d. I. hetzelfde wat, enz.;

— it. = item (z. aid.) — Ir. chemisch teeken voor iridium. — I, als muntteekea voor Frankrijk: t.lmoges; voor Oostenrijk: Schemnllz in Hongarije; In het Dullsclie ryk: Hamburg.

lakchos, m. gr. de mystieke naam van Kacchus (z. aid.); ook hel jubelgesehreeuw of jubellied op de feesten van Bacchus.

lakoet-aga, in. lurk. de overste der ge-snedenen hij den schat des sullans.

lalómos, ru. gr. een klaaglied, treurlied.

lamatologie, f. gr. (v. i\'/mrt, genezing, geneesmiddel, iusthai, genezen) de teer der geneesmiddelen; iamotechnie, f. de artsenli-hereldingskunst; — iamotóchnisch, adj. de artsenUbereldlngskiinst hel rellende.

Iambus, z. jambus.

lapetos. z. Ja pet.

larl, m. deensch (eng. carl) benaming der deensche graven In de middeleeuwen

latralipt, m. gr. [iatrateiptes, v. iatriis, arts, en aleiphein, zalven) een zalvenarts, een geneesheer, die door Inwrgvlng geneest; — iatraliptika, f. de zalfgeneeskunsl, of de weienschap om zleklen door zalven en andere uitwendige middelen Ie genezen; — iatrar-chio, f. heerschappij der artsen, artsenvermo-gen; — iatrousis, iatrio of iatreia, f. de genezing: do genees- of artsenUkunst; — iatrousiologie, f. de genezingsleer; — ia-trisch, adj. geneeskundig; — iatrochemïe, f. geneeskundige scheikunde, d. 1. dat gcdeelle der chemie, \'iweik het naast met de geneeskunde In verhand slaal; onderscheiden van ch e-miatrle (z. aid.); — iatroehemïcus, m. kenner of leeraar der geneesk. scheikunde; —■ iatrognomika, f. de leer van de herkenning der zleklen, z. v. a. diagnostiek; — iatralogio, f, de leer van de geneeskunsl;

— iatrornantie (spr. tie=tsie), f. geneesk. waarzeggerij; — iatromathematïka of iatromechanika, f. de toepassing van wl--en werkt nigkundlge waarheden op de geneeskunde; - iatromathomatici of iatro-mochamci, m. pl. aanhangers van eene door Ho rel II te i\'lsa In do 17de eeuw gestichte geneesk. school, welke de verrichtingen van hel menschelUk lichaam, als die eener eenvoudige machine, naar werklnlgkunillge wetten wilde

verklaren;.....iatrophysika, f. geneesk. na-

luurleer; — iatrós, m. de geneesheer, de arls;

— iatrosophist, m. een wUsgeerig geneesheer; — iatrotechnika, f. de geneeskunst; inz. ile wondheelkunsl.

Iben\'e, n., gr. en lat. Iberïa, f. Spanje en Portugal, hel oude Hlspama, d. 1. hel gelieele pyreneesebe Schlereilanii; Iberiër, m. (lal. Ihcrus, gr. Ibrr) een lllspanlër of bewoner van het pyreneesebe Schiereiland. De ilieilers (d. i, aan gene zijde wonenden, hel eersl door de Pho\'-


-ocr page 611-

ICHTHYA

IBERIS

595

nlclörs zoo ({olieelen; v(!l. hobraïcus) de oudste curnpecscho natie, t)ewooiidcn liclialvc hel pyieneosclie Sclilciclland ook lii\'l zuiden van Gallii!, en strekten zich In vroogor lijd iiok verder naar \'t zuidoosten uil; hun laatste over-hiyfsel leeft no^ voort In de IJaskeu. til de vereeniiiinK van iberisctie met celtlsclio stain-men ontstonden lt;te Ce 111 he r 1 ür s, die de hoogvlakten van midden-llispanie hewoonden.

Ibëris, f. cr. en lat. Hol. wilde kers, taseh-kers, lioereninostenl.

Ibex, m. lat. de steenhok.

ibidem, lal,, afgek. ibiil. of ii)., ter zelfder plaats, In hetzelfde geschrift, op dezelfde hiadzijde.

Ibis, in. N. II. de nyireiger, een moeras-vogel, ilie naar den ooievaar gelijkt, Inz. In Hgypte Inheemsch Is en iiü de oude ligypte-imren goddelijke eer genoot, daar hy als het zinnebeeld van Thot (z. aid.) werd beschouwd;

ibiocophalisch, adj.-gr. met een ibiskop.

Ibka, f. lurk. Iievestigliigs-ferinan.

Iblis, in. ni\'iib. de duivel by de maliome-danen.

Ibn, m. arah. zoon z. v. a. ben (z. aid.).

Ibné-kelb, in. arab. bondonzoon, spotnaam der mahomedanen voor Joden, christenen, enz.

Ibrahim, arab., z. v, a. Abrahain, z.ald.

ibrik, lurk. giet- of waterkuil; - ibrik-dar-aga, m. turk. elg. de hoor der waier-kannen, hy, die den sultan water over de handen giet.

Ibum, ii. bebr. het huweiyk van eenen .lood met de vrouw zijns kinderloos gestorven broeders.

Ibycus (do kraanvogels of kraaien van), een beeld der soms zonderlinge en onverwachte ontdekking van geheime inlsiladen, dowyt de moord van den oudgr. Ilerdichlcr Ihvcus, naar luid der sage, door kraanvogels werd ultgebraclit; vandaar ook: al zouden de kraaien hel uil brengen.

Icarus, in. Myth, zoon van Daiddlus, den bouwmeester van het vermaarde labyrint te Creta. Met zyn vader daarin gevangen gehouden, ontvluchlte hy met dezen door middel van kunstvleugels, door zyn vader vervaardigd. Tegen hel bevel zyns wyzen vaders te boog vliegende, smolt door de zonnebllte hel was, waarmede de vleugels aan zijne schouders waren gehcchl, en vond hy een ellendlgen dood in de zee, die naar hem later do Icarische werd gc-lieoten. Vandaar is Icarus lig. zlnnebei\'ld van de oiibezonnenbeld der jeugd.

Icllik-agasi-basji, m. de hofmaarschalk aan bel perzlsclie hof.

Ichneumon, m. gr. (van iclmos, spoor, ichncücin, opsporen) elg. de opspoorder; spoor, wezel, spoorrat of pharaonsrat, ook iniingo, m., manguste, f., egypt. noms, een naar den bunslng gciykcnd dier van I geslacht der stinkdieren, Inz. ineiiigvnldig In iigypte, waar het slangen, kikvorscben, muizen, krokodillen-eieren, enz. versllndl rirerra ichncumon, I..);

— ichnognomika, f. de spoorkunst, kunst om de sporen op Ie zoeken; ichnograaf, m. teekonaar, ontwerper van plaliegronden en niachinerlen; — ichnographio, f. elg. de spoorbcscbryvlng; de grondleekenlng of plattegrond van een gebouw; ichnographisch, adj. tol de grondleekenliig iieboorende, onlwerp-inatig.

Ichoglans of itsjoglans, m. pi. turk. (woordel. jongelingen van bi\'l Inwendige, \\aii ilsch, het liiwenillge, en «(//««, jong inensch, enz.) pages van het binnenpaleis of van den (Irooten Heer, die in alle turksche welensebap-pon en liciiaanisoefeningcn onderwezen worden

Ichör, ni. gr. oorspr. hel godenbloed, de naar bloed geiykende vloeistof In de aderen der goden; Med. wond- of bloedwater lat. serum saniiuinis): ook cenc dunne dier, ellcrwaler; - ichörisch, adj. Iiloedwalerig, lymphatisch;

— ichorous, adj. ellerig, ellerachlig; iehorrheemio, f. bloedvergifliglng ....... opneming van brandige, elterwalerlge sloiren in het bloed; iohorrhoeë, f. iiilscheiding van ellcrwaler uil zweren.

IchthYa, f. gr. (v. ichlliijs, de visch) gedroogde visclihuld om Ie vijli\'ii en ulaii Ie maken; een haak der verloskundigen; ich-thyelseum, n. vlscholle, traan; ich-thyitos, in. holle vlscbsleen; ichthyo-centaurus, m., pl. -en (vgl. eentaurus) gr. Mylh. zeegodin mei eenen vischslaari en twee voorpoolen van een paard, eene soort van Tritons (z. aid.); ichthyocolla, zie lehlbyokolla; — ichthyodói\'en, pl. kraaklieenvisscbeii; ichthyodónten, pl. gr. versleendc vischlanden; ichthyoglós-sen, jil. versleendc visciilongen; ichthyo-graphie, f. besclirljving der visschcii; ichthyokólla, f. vlschiyni; ichthyo-lith, in. een vischsleen, versleendc viseh of afdruk van een visch In leisteen; ichthyo-loog, m. een visebkenner, vischkuiidige; ichthyologie, f. de leer van de visschen, viscbkiinde; ichthyomant, in. iemaml die uil visschen waarzegt; ichthyoman-tlO (spr. lic—lsic), f. de waarzeggerij uil de ingewanden van visch; ichthyomorph of ichthyomorphiet, m. een vischafdrnk, vischsleen; ichthyomorphisch, adj. visciivormig; ichthyophiigen, pl. visch-eters, van visschen levende menscheii; ich-thyophagie, f. het viscbeleti; ichthyo-phthalmus, m. vischoOBenslcen, een als visselienoogen hllnkende steen van \'I kiezelgeslacht ; ichthyosaurus, m. visclihage-dis, eene diersoort der voorwereld, die \'I midden houdl liisschen visch en biigcdls en nog vaak in versteende geraamten vvordl aangetroiteii; ichthyosis, f. Med. vlschscbuidienuilslag; -ichthyötisch, daarmede behept, daartoe behoorendc; ichthyospondylïet, m. eene vlscligraatvcrstccning; ichthyothe-ologie, f. bewys voor hel beslaan van God uil hel wezen der visschcii; ichthyotoom,


-ocr page 612-

IDIOKLÉKTRISCH

596

ICI

in. iinaloom mot liotrekkhiR tol vlssclion; — ichthyotoime, r. ile onlli\'din^ (nniiloinlc) der vissollen; ichthyotypolithon, pi. Mscliiifdnikkni op steon; ichthyten, pi.

visclivcisteonliigen.

ici, adv. fr. (spr. (si) hler (In togonsl. niel la, daar).

Icon , Ikoii .

Icosaëder, icosandria, z. Iko—.

Icterus, ■/.. Ik torus.

Ictus, in. tat. (van U\' /\'C, slaan, slooton) eon slimt, lioinv, stook, slug; do nadruk lt;lor stem, loouliotniig, klomtooii; — «no ictu, op eens; -- suh ictu, In gevaar; — klus arteriB-rum, polsaderslag.

Id, ii. lat. (liet r. van Is, ■/.. aid.) illl, dal Ii. v. id est, dat is, dat wil zoggen.

Ida, I) in. eon goliergte hg Trojo; I\'a r I s liesllste tiler hot ploll tiisselien Venus, Juno en Minerva, en Gunyinedos werd van liter door .lupiter gcsehaakt; vandaar idteisch, adj. tot den Ida lielioorende, daar wonende of vereerd, Ii. v. do ida\'isctie Zeus (Jupiter), do idav ïsclie moeder (Idea miller, d. i. Cyhele); een ander goliergte Ida ligt op Kreta; daar werd Jupiter opgevoed, en men plaatst er ook de idaMsche daktylen, wien men de ult-vlnding van het gclirulk des vimrs en hol me-taalsmoiten iDosctiriJft.

Ida, 2) ouilil. vr naam: (oudhoogd. Ida, 7/(1): do goddelijke.

Idalia, f. gr. liUnaani van Venus, naar de stad Idalium, op hol eiland Cyprus.

Idee, f., gow. n., gr. [idéa, v. i(/tt»izion; fr. idéé), pi. idëën, eeno aausehoiiwing, voorstelling, een hogrip, vorsiiindsiiegilp; ook In \'t algemeen eeno gedachte, een ontwerp, plan; idéé fixe, fr. ■/.. onder tlxe; ideën-as-sociatie (spr. I=ls), z. associatie; — ideaal, n. nw.iat., In don ruimstoii zin: het tegendeel van hol realo, roüeie of wezcn-tykc, het enkel voorgestelde, godaclite, oen droomboeld; in ongoron zin als wezeniyk gedacht voorwerp, dal volkomon aan eone Idee, eene voorstelling, een modellieeld iioantwoordl, deukheotdige voorstelling van Iels In den toestand van volkomenheid; ideaal of idea-lisch, adj. slechts in do gedachte of voor (Ie voorstelling liostaande, deiikliecidig, onwezeniyk, tngoboold, enkel gedacht; voorlieeidetUk, voor-iieeldlg; ideaal geli, niet werkoHIk geslagen, enkel gedacht (geilngeei\'d) gold; ideaal recht, naiuurreclil; ideale wereld, bovonzinneHlke wereld-, — ideale waarde, Ingoheolde waarde; — idealisch schoon, adj. overschoon, wonderschoon, itlch-leriyk schoon, zoo seiioon als het ziili maar laat donken; idealiseeren (spr. s=t), tot idee maken; Iels lol liet hoogste voorhoold maken, hoven de wezenlijkheid verhellen, iets van zljii onvoiinnakt heden of gelirokcn ontdoen, veredelen of verfraaien; in de kunst: de voorwerpen uit do natuur door de vorlieeldingskraclil zoo voorstellen, dat /.ij in schooiilieid of vcrho-venheid zich daarlioven vortielfen en het Ideaal er van zooveel mogetyk voiwezenlüken; — idealisme, n. de leer of de wysgeorigo he-scliouwing van de oorspronkelUkhoid en wezenlijkheid der vcrstamlshogrlppen; het tegcngcsl. van realisme; ook: hot streven naar idealen; ahstract Idealisme, de (l\'latonisclie) voorstelling vuil oen zelfstandig hestaan der oor-spronkoiyke tiegrlppou; sub joel tof id elitisme (van Ftchte) do schynleer, volgens hetwelk do uitwendige dingen slechts versohUnsels zyn en alleen het voorstellende of lioschouweiide wezen werkelijk is; ohjoellef, concreet Idealisme (van llegel), volgens hetwelk de vorstandshogrippen in do werkotykiiold zelve verval zyn; —idealist. 111. een aanhanger van het Ideallsine; ook: iemand die steeds Idealen nasi roeit; - idealistisch, mij. liet Idealisme helrelTemte, daarmede ovorcenkonisllg; — idealiteit, f. de hoogste (Ideale) volkomonheld.

idem, lat. dezelfde, hetzelfde, afgek. id.: — idem per idem, getyk met gciyk; eenerlei zin door eenerlei woorden uitgedrukt; — idemist, m. Iiarh.lat., eon jaliroèr; — idemspiratie (spr. I=ls), f. nw.iat., do getykgeztndheid; — idéntisch, adj. (fr. identique, it. idénlico) oenerlei, eenzelvig, een-en-hcl-zelfdo, getykhe-leokenond, goiykgeldend, Malli. getyk- en ge-lykvormlg, eongrüenl; tot denzelfden vorm lierleidhaar; - identiteit, f. de oenzelvtg-lield; eenheid van wezen, volkomen overoon-sieiiiming; het identiteita-systëma, de eonzelvlgheidsleor van Schelling, volgens welke het liloalo en het realo in de Idee van hel ahsolute éen (Identlscli) is; - identifl-ceeren, tot een-en-liot-zelfdo maken, twee dingen onder éen hogrip hrengen; — identificatie (spr. lie—lsie), f. do vereenzelviging, geiykiuaking, ineen- of saniensmolting; idon-tigraphie, f. nw.iat.-gr, sctiriftgeiyklield.

Ideogram, n. (vgl. Idoe) tdeogriiphlscti leekcii; ideograaf, m. Iemand die tiy liet schrijven geen klank- maar hegrlpteekens ge-tiriitki; — ideographie, t. gr. liegripschiifl, dal niet enkele klanken, iiiinir geheelo liegrip-pen door schriftleokons voorsteil, schrift door algemeen verslaanliare hegriptoekens; — ideo-graphika, f. do begrlpschrytkunst, tiet al-gemeene toekensehrift, vgl. pa sigrapli to;-ideokraat. 111. iemand die do lieorscliappij der vei\'slandsliegrlppon voorstiiat; — idookra-tio (s|ir. l—h), f. do lioorschappy der vorslands-hegrlppeii; — ideokratisme, n. het streven om alles naar verstandshegrippen te vormen, togen de hestaaude reclilsverhoudingoii;— ideologie, f. de hegripsleor, welonsclia|i van do gronden der kennis, z. v. a. mot a physlka;

ideoloog, in. wie die wolenscliap heoe-fent of onderwyst; ook droomer, ziener, dweper; — ideologisch, adj. wat tot de lie-gripsleer liohoort.

id e.tl, lat. dal is, afgekort i. e. idioëléktrisch, adj. (van idios, a, on, eigen, eigenaardig), elektricllell; —


-ocr page 613-

IDIOËLÉKTRISCH 597

IGNAMH

idiognomicus, m. lomaml ilh^ zijn clKen-«aidlKO mcenlnsicn hoeft , idiographum (if idioehiron, n cijjcn harulselnlft of on-(lertcekenliiK; idiographisch, ailj (\'iücn-IioihIIb:, zelf gosclirovcn; idiogynio, f. Hot. (jdslachts-afschclilliiK, ito plaatsing va» ito liovfuclitingsdcclon (ter ptanton In afzoiKtcrtytio liloeimm; - idiogynisch, ailj. van ftesctiol-(ten fiesta dit; idiokrasis, f. (vjit. k ra-sis) ctucnaarillue inencin^; do olgcnaardlRliold in do natuur van een niensctietljk of diortUk itchaani; idiokratisch, adj. eluonaardii; (.\'ostetd, oeno oinen goaardhoid tiotilicnito; idioktonie, f, do zelfmoord; idiolatrio, f. do j-elfveroortiiK, zelfvorKodintr; idióma, idioom, n. de oiKenaardiKtKdd (ti. v. Tliool. de afzondortyko eiKonsctiaiipon der (iodtioid en der nienschhoid, weiko zieli In den verlosser als vereenl(!(t vortooiien in do e o in m n n i e a 11 o idiomatum, verooulginü iter eiKOnsetiappcn); inz. mei lietrckkinn tot de taai des lands; landspraak, tonfïvai (dtatoct), spraakmanier, spraak-eigeii; ook elke eiKenaardigc, zelfstandige laat;

idiomatisch, adj. aan eeneu tongval of eene taal eigen; — idiomatographio en idiomatologïG, f. de teer van de verselill-lendo ianits|iraken of loiigvailen; - idiomo-lum, n. gr. een voor zeker feest in het hyzon-der vervaariligd lied; - idioot, m. (gr. iitiu-lês), elg. z. v. h. een partieiitter, inz. een van staatszaken onkundige of daarvan uilgesliiteiie uit de lagere volksklasse; een onwetend inenseh, liotterlk, diiinkop, slompzinnigc, onnoozele; sukkel; - idiopathie, f. Med. de eigeniydig-hcid, piaatsetyke ziekte van een tieliaamsdeot, zonder niedetydigheid dor andere; idiopa-thisch, adj. Med. oniiiiddettyk uit de ziekteoorzaken volgonde li. v. idlopatlilselie hoest, een oorspronketyko hoest, die h. v. het gevolg Is van de prikkeling der longen, In tegensl. van s \\ ui pa-ttielisetion hoost, die h. v. tiet gevolg is van prikkeling der maag; - idiosomnam-bulismo, ii. gr.-lal. het so m n a in li u 11 sine (z. aid.), dat zonder de werking eens magne-tisours ontslaan Is;--idiospiisme, n. Med. de kramp van een hyzonder lleliaainsdeel; idiospastisch, adj. aan zulk eene kramp lijdend of daaruit voortvloeiend; idiosyn-krasio, (vgl. synkrasts) f. d. I. elg. eene eigenaardige menging, n.1. der heslnnddeeleu van hel organisme; al hel eigenaardige van Iemand ten opzictito van zijne wijze van gewaarworden; de eigenaardige vathaarheld voor zekere indrukken, li. v. liet ontstaan van krampen op het zien eener spin, enz.; do Inwonende neiging tot of de aangelioren afkeer van zekere spyzen, dranken, enz.; idiosynkratisch, adj. znlk oen natmirnciglng of afkeer hetretlende, daarin gegrond, van natnre eigen-, idiotie (spr. /—/.v), f. stompzinnigheid; idiotlkon, n. een woorilenhook van eenon tongval (vgl. I dl oma), gewestelijk of landseliaps-woordeu-hoek, hetwelk sleehls de aan de volkstaal. van eene zekere streek eigen woorden heval;

idiotisme, n. eene onregelmatige, gewesle-iyke uitdrukking, plat provineiewoord, eigenaardigheid van eeneu tongval; Med. de stomp-zinniglield; idiotitoit, f. eigenaardigheid, individualiteit; idiotrophus, m. die eene hyzondore soort van voedsel nooitig heeft; — idiotypie, f. de getykvormlgheld In de lig-zondere gedaaule van vele nlet-krlslalllniselie lichamen.

Idokraas, m. eene ütyfgioeue of liruine steensoort, z. v. a. vesuviaan.

Idólo, f. fr. (lat. idolum, v. \'I gr. eidölon, d. i. heeld, seliadnwheeld, v. ciilos, gedaante) liet afgodsheeld, de afgod; idiolator, m. (fr. iilnldlre) een afgodendienaar; een aauliid-der, hewouderaar, vereerder; als adjeet. en advert).; Idolater, meestal idolaat, afgodisch; smoortyk verliefd, tinllensporig liemin-nend, vertroetelend; idololatrie nf gew. idolatrie, f. de afgoderij, afgodendlensl, tieei-dendlensl, heeldenvoreerlug; idologio, l de leer der heelden; ook z. v. a. pinenome-no I ogle (z. aid.); idolopojio, f eig. afgodenmakerü; l.og. hel sprekend Invoeren van een gestorvene.

Idonoïteit, f. laler lat. (v. iiluneus, ge-sehiki, gepast, gelegen) de passende Igd, de gCsehiktheid, de gepastheid, de deugdeiyklieid, Idüna, f. oudn. {Idhunn, elg. de hiyde ar-heldonde, van idhja, arheideu) Myth, ilraga\'s gade, de godin der jeugd en onsterfelijkheid, /ij liezll eenige appelen, waarin de oud wordende geilen sleehls hehoeven Ie iiyteu, om iich dadelijk verjongd Ie zien.

Idus, f. pl. lat., In het ond-roin. maanjaar de dag van de vollemaan, vandaar in den rem. kalender: de Hide dag der maanden Maart, Mei, ,liill en Octoher, in de andere maanden de Ude.

Idylle, f. gr. {cidf/liïon, n. d. 1. eig. een tieeidje, verklw. v. aidos, gestalte, heeld, eene kleine sehllderlng, een tafereel nil het leven van eenvoudige natuurmensehen; Inz. een landelijk gediciii, lierdersdleiil, hekooriyk lafereel van het land- en herdersleven, z. v. a. ime-coilseh god ie hl; idyllisch, adj. lan-deiyk; iierdertyk, eeuvondig en onsehuldig; -idyllisoeren spr. .• , idvlliseh op\\atlen of voorstellen.

leroj, m. russ. priester (= gr. liiera reli), ifing, in. iioorilsclic Mvlli. stroom die do rouzonwereld van Asfjard (de godenwereld) schcidl.

iftichar, lurk. eer, roem.

Igasoer, malelseh, z. v. a. de i^nallus-boon, /.. aid.

Ighirmilk of ighirmischlik, ni. eene turk. rekenmunt van zilver, = ia paras of ongeveer li el. in wamde; bejas-jirmilik (wille twintiger) - 41) piasters = f i.lü. igilur, lat. derhalve, dus iiy gevolg,

iglu, m. sneeiiwhut der eskimo\'s. Igname, f. (fr. igiiumc, porl. inhamc, west-ind. ihaine, vgl. yam; iliosciirla sahva, I,.)


-ocr page 614-

IKOSA.EDRON

IGNATIUS

598

cone pliuit ult wiirme luclitslioki\'ii, met grooto vooiIziiiik! worlds, ill\' lirooilwiirli\'l.

Ignatius, in. (vim 1 lui. iff/iis, vuur) iimnsn.: ilo vurlKO; — Ignatianen, v. a. Jezuïeten (z. nld.);- ignatiusboonen, bllli\'ie, lieilwolmenilo, in afwlsselemle koortsen en vullende ziekte heilziinie pitten iter peorvor-inigo vrueht vim ilen ignii 11 usli oom (Slri/chnos ilinaliu) op ite I\'hilllppUnseho eitimilen, benoemd naar den stleliler der .lezuïetenorde, Ignatius I. o vól a, dew(ji de Jezuïeten het eerst deze hoonen naar Kuropa tiraehteii.

Ignelik, n. lurk. zundgttl.

ignis, in. lat. hel vuur; if/nis Anloiifi, Anton lus-v uur, z. aid.; ignis fuliius, m. een itwaalllcliljo; ignix iienfeus, |ierzlsch vuur, eene k\\vaadaardi(ie ontstekingszwcor; — ignes-cént, adj. (lat. iijnéscens, v. igncscUre, viii-Ik worden), ontlinmdend, üntslekend; if/nriM, «, «m, adj. lat. hol. vuurrooil; ignicóla, m., pi. ignicólse, nw.lal., viiuraanhidders; — ignispicium, n. waar/.iwrij uil hot vuur; ignitie (spr. t—ts), f, uw lat., de verhrauding tol kalk en nsch, eheinisehe verkalking; het ultgloelen, de gloed; igni-vómisch, adj. (later lat. ignirümus, a, urn), vuurspuwend.

Ignöbel, adj lat. (ignobï/ls, c. fr. igiin-ble; vgl. no hel) onedel, sicelit, gemeen, laag, schandelijk; — ignobiliteit,!. de sleehtheld, laagheid, gemoenheid.

Ignominïe, f. lat. (igiitiiiiinïa, elg. heroo-ving van den goeden naam, v. in en nomen, z. aid.) en fr. (spr. injominie) de smaad, seliande, beschimping, oneer; ignominieus, adj. (lat. if/iwininiosus, n, urn), smadelijk, nnteerond, schandelijk, eerloos.

ignoroeren, lat. [ignorftrc), v. igtuims, onkundig, en dit v. \'I ontkennende in en (jna-rus, kundig) onwelend zgn, quot;ld weten, inz. niet willen welen, zich houden alsof men Iets niet weet; — ignoianius, Jur. wij welen niet, \'I is ons niet duidelijk; ignorant, m. een onwetende, weelniel, domkop, stumper; ignorantie (sjir. I=ls), f. (lat. ignnrantfa) de onwetendlield, onkunde, doiiiheld, ongesehlkl-heid; — ignorantm crassa, grove onwotond-heid; i. facli, (inbekendheld mei een feit, met ecu voorval; i. juris of legis, onbekendheid met het recht of do wet; /. supina, Jur. moedwillige onkunde (door nalatlglield, iiilstel, enz.); — ignorantijnen, m. pl. (fr. frères ignnrnnlins) pl. eene monalkenordo, die /Jell met het onderwijs van kinderen bezighoudt.

ignosceoron, lat. {igno.irïrc, elg. niet willen weten of kennen, v. gnoscUre, naseüre, leeren kennen, kennen) niet meer gedenken, vergeven en vergelen, als niet gebeurd lieschou-won; ignoscéntio, f. (ignoscentia) de vergeving; — ignoscibel, adj. (later lal. ignoscibïlis, e), vergeellük; — ignolus, u, um, adj. lat. onbekend;—ignoli nulla cupido, lat. sprw.: naar hel onbekende haakt men niel; wat men niet weet, deert alet.

Ignya, fr. gr. Anal., de kniehoog.

Igra, f. slav. spel, dans; igrüschka,

f. speelgoed.

Iguana, f. sp. eene soort van groote, eetbare hagedis in /. Amerika, z. v. a. leguaan.

Igüman of Igümen, m. russ. de abt,

prior van een klooster (= begum en os); — igumenja, f. russ. abdis, superieure van een klooster.

Ihram, m. arab. (elg. wijding) de potgrlms-niantel der niahomedanen, die naar Mekka gaan.

Ij ar, m. hebr. de Ne maand van den Israel.

kerkoHjken kalender (!i Mei — i Juni).

Ikan-wortol, 111. eene kleine, scherp gekrulde wortel uit China, bloedzuiverend en maagsterkend.

Ikariërs of Ikarische communisten, eene vereeniging van Socialisten (z.

aid.) in Frankrijk, die de gevoelens omhelzen.

door Cahet in zün t\'ogagc en lenrie (reis naar I ka rit\') ontwikkeld, en die In 18i0 door hom tot landverhuizing raar Amerika werden bewogen. ZU noemden zich dus, met toespeling op de iiooge vlucht door hen Ie nemen, naar I k a r o s of Icarus (z. aid.).

Ikbal, f. arab. favorite in den harem.

Iki, lurk. twee; — ikilik, m. turkscho zllvermiiiit van i piasters = 41,K cent.

Ikön, f. gr. (eilton: v. daar \'t lal. icon)

een beeld, evennoeid, afbeeldsel; zlimebeeid,

gelijkenis; — ikonisme, n. de afbeelding, zinnebeeldige voorstelling; het tafereel; — iko-nisch, adj. (gr. cikonikós) gelijkend iiagomaakl of afgebeeld; — ikonisclie statu en, pl.

nageboolsle of geiykvormige slandtieclden, inz. In levensgroolle, in legcnst. met de kolossale; — ikonoborzen, m. pl. gr.-russ., eene sekte van boeldstormers la de russ. Kerk; — iko-nodülen, m. pl. beeldendienaars, lieelden-aanbldders; - ikonodulie, f. de beelden-veróerlng, beeldendienst; ikonograaf, in. een beeldbeschrijver; pniirotscllllder; — iko-nographio, f. de beeldbeschrijving, kennis der beeltenissen, borstbeelden, slandbeelden, inz. der Oudheid; — ikonographisch, adj. beeldbeschrijvend; ikonoklast, m. een beeldverbreker, beeldstormer; ikonoklas-tïe, f. de beeldstormerij; - ikonolater,

m. een beeldaaiilddder; — ikonolatne, f. beeldenvcreorliig, beeidendienst; — ikono-loog, m. een kenner, een uitlegger van zinnebeelden; ikonologie, f. beeldenkennis,

verklaring der zinnebeelden en oude gedenktee-kens; — ikonomachïe, f. de beeldenkrijg,

wegens de vereering en aanbidding der beelden van heiligen; ikonomame, f. overdre- \'f

ven zucht voor beelden, schilderijen, enz.; on-verstaiidige vereering der helllgen-beelden; — ikonostaas, n. ikonostaso, f. de met heiligen-beelden versierde afscheiding tusschen het allerheiligste en liet overige deel der kerk,

heelden wand in de gr. kerk; — ikonostroof,

ni. een heeldomkcerder (zeker glazen prisma)

Ikosaödron of ikosaéder, n. gr. (v.


-ocr page 615-

ILLICITE

500

IKPAL

cikosi, twintig, en héitra, zeUil, uroiidvliik) oon IwlnllKVlak, eon door 20 geiykzUdlso ilricliooken liogrensd llcliaani; — ikositotraöder, n. oon \\lorotilwlnll(,\'vlak; — ikosandrïa, n. pi. Hot. Iwlnllgholmlgon, iilanloti wolkor lilooinon *20 on moor mooldradon IicIjIioii, dlo op don groonon kolkrand zijn vaslgohoohl, do twaalfdo klasso In Mot stolsol van L.; - ikosandrisch, adj. Iwlnllgholmlg.

Ikpal, f. turk. cono vrouw van don twoo-don rang in den Imroin van den sultan vgl. 1 k l)a I.

ikra, f russ. kaviaar.

Iktërus, in. gr. (iklSros) Med. do goelzuoht;

— iktérisch, adj. mot do goolzuolit Lohept;

— iktorocephtilisch, adj. met geel hoofd;

— ikteropódisch, adj. goolvootig; — ik-teröptisch, adj. geoloogig; — ikteropté-risch, adj. mot gele vleugels; — ikteró-tisch, adj. mot gelo uoren.

il, pron. fr. hy, het (pi. ils, zy) I), v. il n\'y a que le premier pus i/ui coAle, alleon do oerslo selircde kost mooito; ils n\'ont rien appris ui rien uuhlii!, zy hebben inots geleerd en niets vergoten.

il—, lat. voorlettorgreep van woorden, die met / tioglnnon, zie i n.

Ilamdbsji, m. turk. tieriehtgover.

il I)unit di si conosce du matlina, il. »oen scboone dag wordt dos morgens gekendquot; d. i. iemands goede elgonscbappon zijn reeds vroeg kenbaar.

lie, f. gr. [ilv, of cilc, een hoop, iels sa-mengobalds) Mod. oen klomp, cone samenballing; ilëon ot ilëum, ilion of ilium, in. lie kromdarm; ook hot darmbeen (os ilfumotild):

— ilëus, m. (gr. eilrns) de darmkronkel; braking van drokstoiïen (z. v, a, miserere); — iléisch of ilüsch, adj. lot den kromdarm boboorendo; — iliokóliaeh, lot don kromdarm on den karteldarm bohoorendo; - ileitis, f. ontsteking van den kromdarm.

11e, f. fr. (spr. iel\') eiland; in oudere schryf-wyzo isle (ook eng. spr. uil, alsmede island, spr. uilend\').

Ilex, f. lat. (genit. ittcis) do steeneik; de steekpaim (Ilex uquifolium); — ilicifulius, u, um, adj. lat. Bot. liuistbladorlg; —• ilioine, f. hot steekpulmblttor, eene brulngolo slof, uil do bladeren van don steekpaim getrokken; — ili-cisch, adj. eiken, van eikonhout.

ilhatil,arab. goddoiyko ingeving of lnl)lazlng.

Iliücos intra muros peccalur el exlra, lat., eig. er wordt binnen en bulten de muren van tlium (Trojo) verkeerd gedaan, d. i. van weirs-zyden, overal gefeild; — Ilias of Iliade, f. het lieldondlctit van Homerus, bezingende don trojaanschoii oorlog; Ilias post llomcrum, olg. eene lilas na Homerus, d. 1. iels ontbooriyks, ovoiiolligs; Ilias malórum, f. eene menigte van rampen on ongevallen.

Ilicine, ilicisch, z. ond. Ilex.

Ilingus, m. gr. (iliiKjus, v. illein, draalen) bet draaien, de draaiziekte, duizeligheid.

iliokolisch, ilion, z. ond. lie,

ilisch, adj. gr. (van Ilium of Troje) trojaanseh.

Ilithyïa, (gr. i:u$t}iyia, als \'I ware eh-UjUnjni, do komende d. 1. do barenden te hulp komende, v. (hjthon, ik kom, elclyllia, ik ben gokonion) f. gr. Mytli. do gebooriegodin, de besebormgoding der barenden, by lie Komelnen Lu cl na (z. aid.).

Ilkhan, m. mongoolsch, aanvoerder in don oorlog; In \'talg.: beersober, vorst.

111., hy natuiirweiensoli. I)enainlngen afk. voor J. K. VV. Iliiger (gosl. 1SI3).

Illacerabel, adj. lat. (illucerahilis, van lacerate, verscheuren) onvorscbeurliaar.

Illacrimatie, f. nw.lat. (v. illucrimare, over iels woenon) Med. do tranenvloed.

illeesibel (spr. s=i), adj. lal. (illaesibtlis, e; vgl. laedoeroii) onkwetsbaar, onsebond-haar; — illsesibiliteit,f. nw.lat., onsciiond-baarbeld, unkwetsbaariiold.

Illapsus, m. lat. (v. illSbi, binnenvallen; vgl. lapsus) het in- nf binnenvallen.

HUila, in. pi. lal. (van inferre, inbrengen) hot ingebraebte, nl. buweiyksgood; — illatie (spr. l—ls), f. (lat. illuliiij de Inbrenglng, bet Ingoiiracliio; de govoigtrokking, bet besluit; — illatief, adj. (lal. illalivus, a, um) eene gevolgtrekking aanwyzend, besluitend.

Illatinist, m. barb. lal. een niol-iatinist. illaudabel, adj. lat. (iiluudabilis, vgl. laudabol) onprysoiyk, onloireiyk.

ille, int. gene (f. ilia, n. illud) b.v. ille ff ril, mi prödcst, diegene heeft het gedaan, de misdaad bedreven, die er voordeel van beeft.

illecebreus, adj. lal. (illecebrusus, a, um, van illecCbra, de aanlokking, v. UUclre, aanlokken) verlokkend, vorloldond, vorleidelyk.

illegaal, adj. mid. lat. (vgl. legaal) on-weiioiyk, wederrocbtoiyk, onrecbtnialig; - il-legaliseeren (spr. s=«), onweltig maken; — illegaliteit, f. de onwettigheid, onreeht-matlgheld.

illegibel, adj. nw.lat. (van legüre, lozen) onieesbiuir.

illegitiem, adj. lat. (vgl. ie gil lom) on-rei\'hinialig, onwettig; ook oneobl, huilen eebt verwekt; — illegitimiteit, f. nw.lal. onrechtmatigheid, ongeldigliold; luiochllioid.

illiberaal, adj. lat. (illiberalis, c, vgl. liberaal) onedel, ongroolmoedig, enghartig, bekrompon, laag, karig; oavryziniilg; — illi-beralisme, n. nw. lal., de onviyzlnniglieid (vgl. liberalisme); — illiberaliteit, f (lal. illiherat(lus) engliariighoid, lage denkwyzo, ongrooinioodigheid, kariglioid, onvryzlnnlgboid.

illiceeren, lat. (illiclre) aanlokken, aanzeilen, aanleiding geven.

Illicie, f. (van \'t lal. illictum, aanlokking, lokmiddel, uil hoofde van don aangonamen reuk) oen booinachlige struik In O. imiie, mol zeer schoon, asebgrauw, als iinys riekend houl; waar-scbyniyk levert deze planl den badian op. illinle, adv. lat. (vgl. licet) Jur. ongeoorloofd.


-ocr page 616-

ILLICO (iOÜ IMAM

vcrliodon; m ilticflu, f. ccnc miKooorlooMo ilaiul.

ilhro, adv. Uil. (ontslaan uil in Inco) dado-iyk, terstond.

illideeren, lal. {Illiiltfrc, van in en laedere) aanslaan, aanstooton; aan stukken slaan, ver-bryzelert; — illisie (spr, s=j), r (later lal. ill is in) het aanslaan, de indrukklns, kneuzing.

illimitó, fr., nf (jeïll 1 m 11 eerd, adj. (vgl. II ml tee ren) nnbeKiensd, onheperkl.

illinoeren, lat. (illuUre. v. linérc, smeren) insmeren. Inwrijven met zalven, enz.; — illinamént, n. wal lüt\' insmeren dient; — illitio (spr. lie—lsie), f. nw.lat. Med. de In-wrUvinji, insmerlntf met olie of zalf, zalviriK.

illiquido, adj. nw.lat. (z. Ilqnide) onklaar, onznlver, no)f niet verelïend, I), v. eene rekening.

Illis, z. ond. i 11 os; — illisie, /.. ond. i II1 deo re n.

IllittGnitus, in. lat. (vrI. lilt era lus) een ongeleerde, ongeiclterde; - illitterata, pi. toonverliindinffen, welke men niet met letters scliryven kan (vgi. Ill te ra), h. v. het huilen, zueliten.

Illitio, z. ond. 1111 neer en.

Illos, m. f?!*. (v. illein, wenlelen, draaien, verdraaien, inz. de oopen) een scheelziende, loensche; — illis, f. eene scheelziende; — il-losis, T. liet scheelzien.

illulis manibus, lat. met ongewassehen handen, d. i. zonder de noodige voorherelding en zorgvuldigheid.

illoyaal, adj. (het tegengest. van loyaal, z. aid.) onwettig, In sir yd met den plicht.

illudeoron lal. (iUmlfm, v. ImMre, s|ie-len; vgl. lm us) eig. met Iets spelen, sehertsen; hooneu, liespolten, voor den gek houden; misleiden; onlwijken, ontduiken, li. v. eene wet; verijdelen, vruchteloos maken; — illusie (spr. .9=z), f. (lat. illusïo, bespotting) misleiding, verblinding, dwaling, valsehe inbeelding, begoocheling, Inz. die, welke door de schoone kunsten Is teweeggcbrachl; het schijnbeeld, zinsbedrog; — illusörisch, adj. nw.lat. (fr. illusoire) misleidend, verblindend, begoochelend; onlwijkend, bedriegiyk, sluw; vruchteloos; een illusörisch verdrag, een sebynverdrag.

illuminoeren, lal. (illuminare, v. lumen, licht) verlichten; met kleuren hedekken, kleuren; Ironisch voor: bedwelmen, dronken maken, een roes aanzetten, benevelen; - illumina-ten, m. pi. verlichten, naam van i onderscheiden genootschappen: dal der Alombrados In Spanje op het einde der Klde eeuw; dat der Guorlnots omstreeks 1834 in Frankryk (dwepers en geestenzieners); in de 2de helft van de ISde eeuw eene vereentging van myslieken in Helgle, en inz. sedert I Mei 177« de iliumi-naten-orde, door VVelsiiaupl Ie Ingolstadt geslicht, doch In 1781 op hoog bevel opgeheven (zy had ten doel godsdienstige en staatkundige verlichting te bevorderen door onder-rnyning van het kerkeiyk leerstellig geloof, door verbreiding van het deïsme of den naluurlyken godsdienst, enz.); — illuminateur, fr., later lal. illuminator, iUumineerdor en illuminist, m. verllchler; kleurder van platen; illuminator, in de middeleeuwen z. v. a. mlnlator; — illuminatie (spr. lt;=lt;s), f. (lat. illuminalto) de verlichting, fees-tetyke verlichting der gebouwen, enz.; kleuring van platen; ook z. v. a. inspiratie (z. aid.)

Illusie, illusörisch, z. onder Hinde er en.

illustro, fr. (spr. iluuslr\'; v. \'1 lal. illüslris, v. luslrare, helder maken, verlichten) schitterend, voortrelfeiyk, heerlijk, aanzleniyk, voornaam. nllstekend beroemd, doorluchtig; — iV-luslrisstmux, lat. doorluchtlgsie, beroemdsle; — illustreeron, lal. (illuslrarc) ophelderen, in \'1 licht stollen, verklaren; beroemd maken, op don voorgrond plaatsen, verheerlyken; ook versieren, opluisleren, inz. boeken met platen, vlgncllen, met tussehen den lekst goplaatslo houtsneellgurcn, enz. (vandaar geïllustreerde uitgaven van dlchlers, enz.); - illustratie (spr. lie—lsie), f. opheldering, verklaring-, de glans, roem, onderscheiding eener familie; ile versiering van een boek mei platen, enz.; ook als lilel en naam van geïllustreerde tydschriften; — illustraties, pi. hout- en steengravures Ier opsiering, platen, vignetten, enz; — illustratief, adj. nw.lat. ophelderend, verklarend, uliieggenderwys; — illustrator, m. een verllchler, ophelderaar; ver-fraaier, oplooler.

Illutiitie (spr. tie=l.lt;:ie), f. nw.lat. (v. lulum, slijk) Med. bestryking met pup, siyk, enz. (Inz. van jichiige ledematen); — illuteeren, met pap of slijk beslryken.

Iloten, z. v. a. Heloten (z. aid.)

Ilse, f. oudd. naam; de kulsche.

it lcmigt;o crescendo (spr. kresjéndo), II. Mu/. de beweging versnellende.

Iltizam, m. turk. vorpachtlng der belas llnghelllng aan den meeslblodende.

im -, lat. voorvoegsel van woorden, die met eene lipletter beginnen, z. I n.

imaginair, adj. fr. (spr. imazjinèr: van \'1 lal. imnniniirfus) Ingebeeld, vermeend;-ima-gineeren, lal (imauinari, van imago, beeld, voorsleiling) zich inbeelden of voorstellen, wanen, gelooven, meonen; uitdenken, verzinnen, bedenken; vandaar Imagina, f. vrouwennaam; de met verbeelding begaafde, de dweepster; — imaginabel, adj. nw.lat. (fr. ima-flinnhle) uitdenklmar, verzinbaar, wat men zich kan voorslellen of verbeelden; — imaginant, m. (van \'I lal. imafiïnans) een mensch vol inbeeldingen, een dweper, grillig wezen; — imaginatie (spr. /=/.«), f. (lal. imaginatïo) de Inbeelding, voorstelling, verzinning, uil vinding, gedachte, Inval; de verbcoldingskraeht.

Imam, m. arab. (imihn, van amma, voor-aangaan) eig. opperste, eerste, Inz. weleer do bobcersclier van Vemén in (lelukkig Arabiti; do vorst van Maskat aan de Perzische golf; do


-ocr page 617-

IMMATERIEEL

IMARETH

601

twaaIt Imams van Irak, do nakomelingen van All, wlor hcorschappU lo Mcillnsi naast liet klialltaal hoslond; vorder (Kowooniyk Iman) eon turksch priester en seliriflL\'elccrile, het hootd cenor moskoe; — imam-efféndi, m, do priester In hot serail j — imamaat, n. hot amht van eersten moskoepriester on goosteiyk rechter.

imaroth of Hover imaret, m. arah. (imural, van (imara, liehonwen, hcwonen) in \'I algomeen gehouw, woidnjr, Inz. openhaar ro-houw; In engeron /.in In TnrkUe eene soort van herberg, waar sohoolgangors en studenten eten, on levensmiddelen aan do armen worden ullgorolkl.

imballeoron, z. om haIIeeron; — im-

bargo, z. om har go.

Imbatto, m. nw.gr. westenwind, zeewind.

imbeciel, adj. fr. (UnbécUe, V. \'I lat. imhe-cillis, imbecillus, zwak van liehaain et geest) onvermogend, /.wak van versland, zwakhoofdig, stompziniilg, onnoozel; imbecilitoit, f. (lal. imbmlttlas) verslandszwakheid, onnoozei-held, sloinpzinnighold.

imbórbiscïh, adj. lat. (imbi\'rhis, e) haarde-loos, ongchaard.

imbibeoren, lal. {imbibgre, v. bibcre, drinken) inzuigen. Intrekken, lui zich nemen; l\'lcl. vochlon, hovoehilgon, doorwcokon, verzadigen; - imbibitio (spr. l=l.i), f. uw.lat. de inzuiging, hovochliging.

Imbondoiro, m. porl. (spr. ei=c) apen-.............

imborsooren, li. {imborsdrc; vgl. hours) Kml. Innen, ontvangen, lieuivn, incassoeron.

Imbrahar-basji, m. (bedorven uit het turkseh mlri-Alilior, gew. cmtcofc/mr, sialmees-ler, en basch, z. aid.) do opperstalmeester dos sultans.

Imbroviatuur, f. uw.lal. (mld.lat. im-brevidhira, v. brevitire, verkorten, brevis, kort; vgl. ahhrev 1 atuur) do korte sanienvalling van behandelde zaken; hel protocol.

Imbrex, m. lal. holle dakpan; — imbricalus, u, kw. Hol. dakpanvorniig, opeonliggend (van dooien die als dakpannen of vlschseluihhen over elkander liggen);— linbrinilivus, «, um, Hol.over elkander liggend.

imbricoeren, lat. (v. imber, zware regen, plasregen) heregonen, hovoehilgon; imbri-fügisch, adj. nw.lal. voor regen ondoordringbaar, rogendichl, watoiproof.

Imbroglio, m. It. (spr. iembrnljo: vgl. em-brouIIloeren en brouilloeren) de verwarring, verwikkeling, warwinkel.

imbueeron, lat. (imbucre) elg. indoopen. Indompelen; luwydon, ondeirichten, hybrongon. Inprenten.

Imbüto, m. Hal. I) inhoudsmaat op het eiland SardinIB = (1,14 liter; i) vlaktemaat aldaar = 218,1) vlerk, meier.

Imir, m. noordsche Myih. de verpensoon-lykle chaos (/.. aid.) en de daaruit ontsproten oudste, twoosiachlige reuzen.

imiteoron, lal. {imitnri, fr. imiter) navolgen, nahoolsen, nailpen; imitabel, adj (lal. imilabflis, e) navolgbaar, namaakhaar; — imitatie (spr. tic—lsie), f. (imi/d/ïo) de ua-voiging, nahootsing; naaperij; ook liet nagevolgde, do copie; imitatïvum, /.. oud. vorhuiu; — imitator, m. een opvolger; imilalorum senum pecus, de kudde of hot heer van slaafsche navolgers, het gelnoed van

immaan, adj. /., immanis. immaoulabel, adj. lalor lal {immucula-bflis,\'e, mueuliirc, hevlekken; vgl. macula) onbevlokkeiyk; immuculalu.t, lal. oubevlekl, zonder zonde; coucciilio iiiimaculnla, do onbe-vlekle ontvangeids uier maagd Maria); — im-macxilaton-ood, m. oidievieklheids-eod, de verzekering hij eede, dat men gelooft aan den onhevleklen maagdom van Maria.

immalleiibol, adj. nw.lal. (vgl. malie-abel) niel haruerhaar, niet door hamerslagen uit Ie sirekken.

immaneeren, later int. (immumre, luhiy-ven, muniic, blijven) er in blyven, inwonen, aankleven; — immanént, adj. (ininianens) inwonend, inneriyk iiybiyveud; aanklevend; in iets biyveud; hel togengesl. van transeunl of I rauseendonI; immanente vorm of met bode der pbliosophie, die mei den in-houd der leer een en daarmede volkomen in overeensleuunlug is; immanentie (siir. /=/.«), f. hot inwonen, hybiyven; het éenzijn van \'I heglusel en den vorm van een plilloso-phlsch stelsel; In de nieuwere Iheoiogio: inz. bel inwonen van den goddeiykeu geest li] de natuur of de slof.

immanifést, adj. lat. (v. maniféslus, openbaar, klaar) niet klaar, niet bolder, niet dul-deiyk.

immanis, e, adj. lal. onmatig groot, monsler-achlig; wild, ruw, onmenseheiyk. wreedaardig; — immaniteit, f. overgroolheid, ontzag-lykheid, yseiyklioid; ounionschoiykbold, wreedheid, gruwzaamheid.

Immanuel of Emanuel, m. hobr. (v. im. mei, i/ini, ons, en lt;\'/. (lod) mansn.; (lod met ons!

immarcescibol, adj. lal. [immnrreseibllis, e, v. mamscm, verwelken, Hels worden) on-verwelkeiyk, ouiiedorfeiyk.

immarineeren, /.. v. n. marl no oren. immartyrologiseeren (spr. s=j), iai.-gr. ouder do marlelaars (z. aid.) plaatsen.

immaterieel, adj. nw.hil. (vgl, ma lerie, enz.) onllehameiyk, onslolïeiyk, geesleiyk; — immaterialiseeren (spr. .«=?), (tr. imma-lérialiser) onllehameiyk of geesteiyk maken, ver-geesteiyken; immaterialiteit, f. de on-lichameiyklieid der ziel; slolfeloosbeid; — im— materialisme, n. de leer van de oulicha-meiykheid der ziel, z. v. a. s p 1 r 11 u a 11 s m e, in legenst. mei mal erialisme; — imma-torialist, in. die ile oidiehameiykheld der ziel aanueeml of beweerl.


-ocr page 618-

IM MATRICULEEREN

IM MUNIS

602

immatriculeeren, uw. lal. inlUvon, in-schryven in de miitrlcula (z, aid.) of in oen regislur, b. v. up iiooKoseliolon; — immatri-culatie (spr. lic^lsie), t. Inschryvlri«, inlU-vlng In cun Rlld.

immatuur, adj. Int. [immnlnrus: vul. ma-turooron) onrlip, oidijdid; • immaturi-teit, t. lat. [immalurtlas) do ontUdlgheld, onrijpheid.

immediaat, udj. nw.iai. (vr!. modiaal, medium, enz.) als adverb, ook immeiliale, ot fr. imméilialemenl (spr. ime-djaat\'maii), onmld-deliljk, zonder iussebcnkomsl eens derden; oogen-idikkeiijk, dadelijk; — immediatiseeron (spr. s—z), onmiddelbaar, d. I. vrij maken; — immodiatief, adj. niet bemiddelend, onmid-dellgk aanduidend, h. v. een werkwoord, dat zonder byvoegiiiK van een zoifstandig naamwoord bet begrip eener bandellng volledig voorstelt, als kampen, gaan, enz.; — imme-diëteit, f. de onmlddeliykbeld, onafliankelijk-beld van eene ondergcscbikte macht, roehtstreek-scbe ondergeschiktheid.

immedicabel, ailj. lat. {ininialicatiilis, e: vgl. me dl ca bel, ond. medicus) ongenoes-iyk, onheelbaar.

immemorïibel, adj. lal. (immemorabï-lis, C; vgl. mem or la, enz.) ongedenkwaardig, niet noemenswaard; — immomoriaal, adj. nw.lal. ondenkbaar, onbengiyk, buiten gebeu-genis.

immens, lat. [imménsus, a, um ,• v. men-s«.?, gemeten, parite, v. mchri, moten) of immense, fr. (spr. imdus\') onmeleiyk, onbegrensd, oneindig, ontelbaar; — immensiteit, f. lat. (.immensilas) onmeleiykheid, enz.;

— immensurabel, «dj. nw.lal. onmeet-liaar; — immensurabiliteit, f. de onmeetbaarheid.

immergeeren, lat. [immergen, v. mer-i/Pre, duiken) indompelen, onderduiken, zinken;

— immergéten, m. pi. nw.lat. de Doopsgezindenimmérsie, f. lat. (immersto) ie Indooping, Indompeling; liet onderduiken, zinken; de inweeking; Astron. de intrede eener planeet in de schaduw eener andere; ook bet onzichtbaar worden eener sier door de zonnestralen; Immers Ie-doop, doop door indompeling; — immersief, adj. door Indompeling bewerkt; — immérsor, m. nw.lat. de iloo-per; — immersus, a, um, adj. Hot. ingedrukt.

immerïlo, lat. (vgl. meri/um) onverdiend, on-blliykerwyze.

immigroeren, lat. (im»ii(/c«jc ,• vgl. mi-greeren) zich In een land neerzetten; —immigrant, m. (immïfirans) wie zich in een land neerzet, landverhuizer met betrekking tot liet land, waar hy zich nederzet (met betrekking tot bet land, dat hy verlaat, beet hy vinl-grant); — immigratie (spr. /=/.*), f. nederzetting in een land.

immineeren, lat. {imminire, bovcnultste-ken, v. \'I zelden voorkomende minire, uilsteken) over het hoofd hangen; dreigen in te storten; — imminént, adj. (immmens) nakend, dreigend, boven \'1 hoofd bnngend (niet te verwisselen met e m Inent); — imminóntie (spr. I=ls), f. {imminenCfa) do dreigende naby-held, liet nakend onheil.

imminueeren, lat. (Imminuüre.■ vgl. minus, enz.) verminderen, verkleinen; afnemen; — imminütie (spr. I=ls), f. (iinininuho) de vermindering, verzwakking, afneming, krenking.

immisceeren, lat. [immisare: vgl. mis-e eer en) inmengen. Indringen;—immisci-bel, adj. nw.lat. onvermengbnar; — immia-cibiliteit, f. onvermenghaarbeld; — im-mixtie (spr. /=.?), f. nw.lat. de inmenging. immilis, e, adj. lal. liol. bard, onryp. immitteeren, lat. (immilttre: vgl. mit-toeren) clg. Inzenden, indoen, inlaten; Jur. gerechteiyk in \'t bezit stellen; — immissie, f. bet inlaten, de Inzetting; Jur. immissio bo-norum, de gerechteiyko toewyzing. Inbezitstelling van eenlg onroerend goed door den rechter; Med. do inlatlng, inspuiting.

Immixtie, z. ond immisceeren. immobiel,adj. lat. (immobflis, e,- vgl. mobiel) onbeweegiyk, onverzelteiyk; Mil. niet toegerust, niet marsrh- of strydvaardig; — im-mobiliën, of immobiffa (sell, bona), n. pi. onbeweeglijke of onroerende goederen, liggende tiave; — immobilair eigendom, grondeigendom, onroerend goed; - immobilisee-ren (spr. s=z), nw.lat. roerend goed tot onroerend maken; — immobiliteit, f. lat. (immobilflas) onbeweegiykheid.

immoderaat, adj. lat. {immodcratus, «, uni: vgl. modcrceren) onmatig; overmatig, overdreven; — immoderatie (spr. lie=lsie), f. (immoderado) do onmatigiield, gebrek aan matiging; de overmaat; —immodést, adj. (lal. immoiléstus, a, um) onbeseheiden, oneerbaar, onweivoegiyk, oabesciiaamd, onzedig, aanmatigend; — immodestie, f. (lat. immodesfla) de onboschoidonheld, enz.; — immodlce, adv. onmatig.

immoleoren, lat. {immohire, v. mola, offermeel, gezouten graankorrels, die lt;len offer-dieren op \'t iioofd gestrooid werden) olleren, opoireren; — immolatie (spr. l=ls), f. (tm-molalio) de olTering, opoffering.

immoraal, lieterimmoreel,adj. nw.lat. (vgl. moraal, enz.) onzedeiyk, zedeloos, tegen do zedewei; — immoraliteit, f. (fr. immo-ralité) onzedeiykhcld, zedeloosiicld.

immortél, adj. fr. (lat. immorlaiis, van mnrlulis, e, sierfeigk; vgl. mortaliteit) on-sterfeiyk, eeuwig, eindeloos; — immortelle, f. Hot. de papierbloem, stroobioem, mei iilin-kende, droge en daarom niet verwelkende l)ioeni-bladeren; — immortaliteit, f (lat. immor-lalilas) de onstcrfeiykhcirt; — immortali-seeren (spr. s=t), (fr. immortallser) onster-feiyk maken, vereeuwigen; — immortali-satie (spr. -tu-tsie), f. imrb.iat. de onsterfe-lykinaklng, vereeuwiging.

immfinis, e, adj. lat. (v. munus, dienst, dienst


-ocr page 619-

IMPEDIËEREN

IMMUTABEL

003

pliclil) vrü vim sluiitsdlctiston of ophiongstoii, bolasllngvi\'U, unbolnstj — immuniteit, f. (lat. immumlas) de vryilom vaii dlonsliillchtoii, lidastingon, enz., onhelasthaarheid.

immutabel, adj. lal. immulabilis, e, van mulSre, veranderen) onveranderHlk •, — im-mutabiliteit, (. (immululnttlas) onverander-lykheld.

immuteeren, lat. (mnmlurc; vrI. ma-locron) veranderen, verwisselen-, — iminula-bIHs, e, adj. lat. onvorandoriyk j — immu-tatie (spr. lie—lsie), f. (immu/alio) de voran-(IcrliiR, verwisseling.

impdccn, m. It. (v. imccn, bundel; vgl. liet nederl. pak, pakken) Kinl. de verpakking;

— per impacco, wol Ingepakt, wel bewaard, impair, adj. fr. (spr. éiipèr: vgl. I m p a r)

oneven; pair «u impair, even of oneven.

impalpabol, adj. mv.lal. (vgl. palpabel) onvoelbaar, zoo lijn, dat men bel niet grgpen kan; - impalpabiliteit, f. de on-voelbaarbeld.

Impanatio (spr. /=(.?), r. nw.lat. (van panis, brood) hij K. Katb. ile verbinding van bet llchnani van C.br. met liet brood In bet li. Avondmaal, naar de leerstellingen van ben, die noeli de tegenwoordigheid van bel llebaam van (3br. loocbenen, noeb de transsubstantlatlo aannemen; vgl. c o n s n h s I a n 11 a 11 o; — im-panatoren, pl. de aanbangers dier leer.

Impanneling, f. eng. (v. pannel, de lyst der gezworenen) liet oproepen en optoekenen der benoemde gezworenen op een perkamentblad. impar, adj. lat. (vgl. par) ongelijk, oneven;

— impiiri Mark (vgl. Mars), elg. met ongelijker! strijd of krUgsgelnk; met ongelijke krarb-len; — imparinérvisch, adj. nw.lat. met oneven ribben of nerven; - imparipón-nisch, adj. met oneven blaadjes;- impa-risyllabisch, adj. In den genltlvus éeno lettergreep meer hebbende dan In den nomina-tlvus; — imparisyllabum, n. lal. een ongelijk leltergreplg woord, d. I. een woord, dal In den eenen naamval meer lettergrepen lieeft dan In den anderen; — impariteit, r. nw. lal. ongelijkheid, verseblllendheld.

imparaat, adj. lal. (vgl. paraat) onbereid, niet klaar.

imparabol, adj. nw.lat. onvergelUkeiyk, voorbecldeloos.

impardonnabel, adj. fr. (impanlonnn-hle; vgl. pardon, enz.; onvergeellyk, onverantwoordelijk.

imparfait, z. ond. lm perfect.

impari Marlc, impariteit, /.. onder Im-p a r.

Imparlance, t. eng. (spr. impadrlens) in bet eng. rechtswezen bet verlof lot eene mln-neiyke schikking gedurende een uitstel.

Imparochatie (spr. t=ls), f. gr.lat. (vgl. parochie) de iniyvlng by een parochie.

impartiaal (spr. 1=1.1), adj. nw.lat. (vgl. partlaal, onder part, enz.) oapartydig, on-z.ydlg, onbevangen, rechtvaardig; — impar-tiales, m. pl. onpartydigen; — impartiali-teit, f. oapariydiglield.

impartibel, adj. nw.lat. (van parhri, declen), en impartabel, fr. {impartable) ondcelhaur; - impartabiliteit, f. ondeei-baarlteid.

Impas of inpas, m. (fi\'. impasse, f. eene stnuil zonder uilgang, een zak) hy het whistspel eon impas maken, impasseeren,

met oon lagen troef bannen In de onderstelling, dal de party geen hoogeren heeft, om zoo eenen slag meer te kunnen maken; gein. snUen.

impassabel,adj. barh.lai. (vgl. passee-ren) onhegaanhaur, oidierydbaar, onoverkllm-liaar, onloegankciyk.

impasseeren, ■/.. ond. I in p a s. impassibel, adj. later lat. (impassibtlis fr. impassible, vgl, p a s s 1 b e 1) ongevoelig, stomp-, voor lydcn niet vatbaar, koelbloedig;

— impassibiliteit, f. (impassibilitas) de onvall)aarheid voor lyden, ongevoeligheid, on-meodoogeinlbeid, koudbloedlgheld.

impasteeren, li. (impasldre, elg. kneden) Arch, deeg of melsoltras nil mortel en fljtige-stooten stecnen enz. maken; i\'lcl. verven dik opdragen; Grav. de punten en strepen behoorlijk vermengen; impastatie («pr. tte=Me) of impasteering, f. de deegwording of deeg-maklng; do dikke, veile kleurgeving; vermenging der punten, strepen, enz. en de daardoor onlslane werking.

impatibel, adj. lat. {imputibtlis, e: vgl. p a 111) e I) oniydeiyk, onverdraagiyk, onduldbaar;

- impatibiliteit, f. nw.lat. de oniydeiyk-helil, onverdraagiykheld; impatientie (spr. —Isjdnlsie), f. lat. (impalienlïa) het ongeduld; — impatienteeren (zich), nw.iai. ongeduldig worden, hel geduld verliezen.

impatroneeren of impatronisee-ren (spr. s=t), nw.lat. (vgl. pairoon) zich tot heer maken, lol beschermer opwerpen, in hezll nemen; zleh in eens anders gunst dringen.

impayabel, adj. fr. (spr. énpij-) onbelaal-baar, onsclialhaar.

impaviiium ferient ruime, lat. de ondergang der wereld zou hem niet van z.yn sink brengen.

imputiema (con), li. Muz. (met) ongeduld, onrast.

Impeachment, n. eng. (spr. impidlsjmcnl: van ligt; impcach, aanklagen, oorspronkeiyk ver-iiinderen, fr. empêcher: vgl. em p(;cbee re n) aaakhielil en gerechteiyke vervolging, luz. tegen stanlslieiunblen.

Iinpeccantie (spr. I=ls), f. later lal. (im-peccanfta: vgl. pecceeren), ook impoc-cabiliteit, f. nw.lat. zondeloosheid, onzondigheid, sehnldeloosbeld.

impediëeren, lat. [impedire, v. pes, genii. pedis, voel; elg. de voeten inwikkelen, verwarren, in tegenstelling met f.rfieilire, z. expedieeren) verbiaderon, bolcilen, helemmoren; — impediment, n. lal. {impciliménlum) de hinderpaal, hel beletsel, de lielemmerlag; — im-


-ocr page 620-

IMPERMANENT

IMPÉGNO

604

pediménlum rannincum of erclesiaslïruni, kci\'ko-lijkc cif kcrki\'cclilulükc vcrliiiidciliif!; imii. civile, hurncrlijko veiliiiiikTliiu; imp. leuilïmum, wcl-ÜKi\' quot;f iceliliiiiiliKC or In do wet KclilllUklo vor-himlorliiK; |)l. iiniiciiiménla, vorliliiclcrlnKon, waar-door liMaands iili\'l-ln-i(!elit(\'n-v(i|\'sc h(|iion voroiil-sc-liuldlRd wordt; — impoditie (spr. I^ls), t. /«i/m/iffo) IicIcIm\'I, oiionlhoud; vorwikkclInK.

Impégno, in. It. (spr. lempénjn: van im-pennure, vcrpandi\'ii, van = lat. itiunus,

pand) do verplichtinR, Welneming aan een ae-lellK werk met voniatwoordciykheld; go-impogneord zijn, verplicht of vernatwoor-dotyk zyn; In iels neteligs gewikkeld zijn.

impendent, adj. lat. (imiiémiens, v. tm-peiuU\'n, overhangen, tiovcn hangen, zweven, dreigen, enz.) dicht op handen, dreigend.

impendeeren, lat. (impendirc) aanwenden, te kosle leggen; — impendiëus, adj. (lal. impendiusus, «, um, van impemttum, kosten) voel kosten harend uf makend, koslhaar, duar; — impénsen, f. pi. (imiiémnc) kosten, onkosten, nitgaven; — impensuc funVbres, iie-grafeniskosten; — i. necessanae, aoodzakclUke kosten; — !. uCtles, nuttige ullgavea; — i. ro-luplmriae, uilgaven voor weehle.

iinpeneti\'abel, adj. lat. {imiicnelrubtlis, evgi. p o n e 1 ro e r e n) ondoontringliaar; on-doorgroadeiyk, onnaspearlmar; walorilielit; — impenetrabiliteit, f. nvv.lat. ondoordring-huarheld; oiuloorgrondolUkheid

Impeniténtie, z. i m p oe n i I e n 11 e; — imponsen, z. ond. impendeeren.

Imperans, imperatief, imperator, enz., z. oml. I in p e ree re n.

imperceptibel, adj. nw.lnl. (vgl. percept i hel, end. per e i pi e ere n) oidiemerk-hanr, niet waar ie nemeniraporeepti-bilitoit, f. ile iininerkhaarheld.

impordibel, adj. nw.lat. (v. jicrdSre, verliezen. verderven; vgl. perila hel) onverlles-haar, onverderfelijk, onverdelglmar;— imper-dibiliteit, f. de onverderfeiykhelil.

impereoren, lal. (impenire, v. parilre, he-reiilen, Inrlchien) heerschcn, hevelen; — imperans, m. de gehleilenile, heersohende; — imperativus of imperatief, in. dram. de gehleilende wijs der werkwoorden, z. modus;- kategorische imperatief, l\'iiii. het onvoorwaardeiyk zeilegehoil, ook in o re e I e, practise h e, o n li e paalde I m p e r a 11 e f ge-heelen ; Iron, de slok als dwanginidilel; imperator, in. vroeger de opperhevelhehher van een leger, de velillieer; heerscher, keizer; — imperatörisch, adj. (lat. imperntnnnx, a, um) gehleilend-, kelzeriyk; iinperatorïa, f. nw.lat. Hol. meesterwortel, eene plaat mot een krniillgen, geiieeskrachilgen wortel; im-peratoriea, f. Iiarh.lat. de heorscheis- of veld-heerkunsl; — imperium, n. lal. ile opper-iioerscliappü, opperiimcht, het opperhevci; ook hol ryk, keizerrijk; imperium in impend, een geliled in een gehieil; imperium Mdnlianum, spreekwoordeiyk voor een gestreng opperhevci.

naar de nm Imnne gestrengheid hekende Ko-meinen Lucius en Torqualu-i Manlius; imperium merum, zuivere siniitsmaelit In regeeringszakeii en In oorlog; i mioium, goinengde staatsinaclit, d. I. met rechtspleging verhoadea hestuur; i. summum, hel overheidsrecht van het zwaard legen misdadigers, het Uifslralleiyk recht; — imperiaal, adj. (lat. imperialis, e) keizerlijk ; slaieiyk, heeriyk; imperiaal papier, papier van hel grootste formaat; imperiaal water, eerie ....... van gedlsiilleenl

water, als schoonheidsmiddel; imperiaal, m. de naam van de grootste drukletter hij de Dultschers (van Hl IJ punt); een sink van 10 rochels, eene russ. goudimint van ongeveer 20 gid. waarde; de halve imperiaal van \'■gt; roehels Ier waarde van ongeveer 10 glil. is de meesi gehruikeiyke russ. muni; imperiaal-dukaat, m. eene russ. gouden munt van :i roehols of i! gid.; — imperiaal, n. een verkoelende drank uil water, suiker, citroenschillen en (Temortart; liet lm perla a I-spc I, een kaartspel, dal veel naar hel plquettea met i personen gelijkt; imperiale, f. fr. (spr. eiip—) het met zll plaatsen voorziene hovendeel van eene reiskoets, diligence, enz.; hel hedver-hemclte; ook eene idoeiii; de keizerskroon; — imperiales, pi. sp. of imperiale schapen, spaaasche merino-scliapen, die van de vorsteiykc fokkeryen afslammen en hyzonder lijne wol geven; viiorls verschelden katoenen en wollen stollen niet allerlei teekeningen; — imperialisme, n. nw.lat. de kelzerheer-schappy, liet kelzerryk; willekeurige onlieperkte hoerschappy, z. v. a. despotisme; — imperialist, in. een keizerlijke; inz. In Frank-ryk = honapartist, in legcnsteillng met de royalisten, z. aid.; — imperious, adj. (lat. imperii/sus, a, um) heersclizuchlig, gehle-dend, hevelend; — imperioso, -«, It. gebiedend, tier, onlzagwekkeml.

imperfect, adj. (imperfér/us, u, um -, vgl. perficieeren, perfect) fr. imparfait (spr. eiiparfè) oiivolelndlgd, onvolkomen, gehrek-kig, onvolledig; — imperféetvim (sell, prae-leritum) of imperfect, n. (\'.ram. do onvolmaakt verleden tyd; - imperféetie (spr. /=.«), f. (later lat. imperfeehn) do onvolkomen-lield, onvolmaaklhcid, hel gehrek; — imper-fectibel, adj. nw.lal. nlel voor volmaking vatliaar; — imperfectibiliteit, f. de on-valhaarheld lol volmaking.

imperfonibel, nw.lal. (vgl. perforee-ren) niet te doorhoren; imperforatie (spr. /=/.?), f. Med. de geslotenheid of vergroeiing van zekere van nature open doelen des II-chaams, laz. van don aars, enz.

imperiaal, imperium, caz., z. ond. i m p e r e e r e n.

imperissable, adj. fr. (spr. ehperisabl\'; v. pórir, vergaan) nnvergankeiyk. Imperitïa, f. hit. onervarenlieid. impermanént, adj. nw.lat. (vgl. perm a-neoren) onheslendig, veranderlijk; imper-


-ocr page 621-

IMPLOREEIIEN

IMPKRMKABKL

605

manéntie (spr. (=/s), f. nw. lal. onkestcmiig-held, voiuiMlcriykliclil.

impermeabol, uilj. nw.lat. (vgl. por-inciitiül), z. v. a. InipcnolraheI; im-permeabiliteit, z. v. a. Impenolraiji-

impermutabol, adj. nw.lat. (vgl. pcr-m ul cc ren, enz.) onverwisselbaar; — imper-mutabiliteit, f. de onvenvlsselhaurlicld.

impersonaal, adj. lat. (impersonnlis, e-, vgl. persöna, enz.) of impersoneel (fr. impersonnel), onpersooniyk; — impersonale (sell, verbum), n., pi. impersonal ia of im-personaliën, lat. Gram. een onpersoonlijk werkwoord, I). v. het regent, het waall, enz.;

impersonaliteit, f. nw.lal. de onper-sooniykiieid; - impersonaal-conto, n. n. de zaakrekening.

Imporspicuïteit, f. nw.lat. (vgl. perspie I i! e r e n, enz.) onduidcliikheld, onheldorlield.

impersuas\'ibel (spr. si=zi), adj. nw.lat. (vgl. persuadoeren, enz.) niet te overreden, stgfhoofdig, halsstarrig, koppig.

impertinent, adj. nw.lat. (vgl. pertinent) onhclioorlUk, onvoegiyk, ongcrymd, ongepast; onhetameiyk, onbescheiden, opdringend; oabesebaanui, onheseliofl, vlegelachtig, grof;— impertinéntie (spr. lie-lsie), nw.lal. of impertinence, fr. (spr. e/tpcvtinaiis\') f. de onhehooriykheid; onhoscheidenlieid, onhesiiiofl-heid, enz.; — impertinentiën (spr. »M-sien), pl. onvoegiyke, oagemanienle dingen, lompheden, groflieden.

impertnrbabel, adj. (iutor lal. impeiiur-hiihilis, (•, fr. imiierlurlmblc) onversloorbaar, niet Ie veroidinsten, niet Ie verwrikken; geiykmoe-dig, hartstocliteioos; — imperturbabili-teit, f. de onverstoorbare gemoedsrust, zieie-kalrnle, hartstoehteioosheid; — impertur-batie (spr. f. lat. de ongestoorde rust,

de gelatenheid.

impesteeren, nw.lat. (v. peslis, iiesi) verpesten; — geïm pest ee rd, adj. verpest.

Impetigo, f. lat.,pi. impetinmes, Med. sie-pende huiduitslag, ruhilghcid; - impetigi-neus, mij. (lal. impelifiinasm) daarmede behept, ruidig; — impetigologie, f. Ial.gr. Med. leer van de slepende iiuiduilslagen.

impetreeren, lat. {impelrürc; eig. in \'t algemeen; tol stand brengen, verkrygen) met verzoeken doordryven, afiddden, afvorderen, verkrygen, bekomen;—impetrabel, adj. (lat. (impelrahilit, e) verkrygiiaar, bereikbaar; — impetrant, m. nw.lat. {impëlrans) Jnr. de aanzoeker, klager, eiscber; — impetnin-tisoh, adj. aanklagend, elsclmnd; impo-traat, m. {impelrnlus) de aangeklaagde, beklaagde; — impetratie (spr. tie—lsie), f. de reehtsverkrijging; hel aanzoek, do aanklacht; - impelnlwn est, het is door gunstige voorteekens verkregen, de voorteokens zyn gunstig; impetnlum (sci\\. imspirlum) gunstig voor-leeken.

Impetus, m. lat (van impetüre, aanvallen) een lievige aanval, b. v. van eene ziekte; — cum impttu, met onstuimigheid, mei liefiiglield, hitle; - impotueus, adj. (impetuusm, n, urn hevig, onstuimig, liausilg; — impetuositeit (spr. s=:), f. heviglieid, onstuimigheid, drift;-impeluóso (spr. iempotoenzo), ran impeln. It. Muz. met onstuimigheid, snel, vurig.

impfe, lal. (adverb, v. impïus, a, um) goddeloos;- impiëtoit, f. (vgl. piëteit) god-delooshelii,godverKeleidield, roekeloostieid, snoodheid.

Impignoratie (spr. /=/.«), f. nw.lat. (vgl. pignus, enz.) de \\erpandlng.

impingeeren, lat. {impinnüre, van pan-\'jSrc, slaan, inslaan, bevestigen) tegen iets aan-stooten; feilen, zieli vergrypen, tegen eene wel zondigen.

Impinguentïa (spr. t=h), n. pi. tat. (v. impimjuen, veimaken; vgl. pinnuis) vetmakende middolon.

impitoyabel, adj. fr. (spr. e,ipi(oaidbl\\ vgl. pilo y a h e I) onbarinhartig, meedoogeidoos.

implicabel, adj. lat. (implucubilis, c: vgl. pi a ca bei) onverzoenlijk, onverabentiaar, on-verblddeiyk, oniiarmliartig; —■ implacabili-teit, r. {implacahililas) onverzoenlijkheid.

implanteeren, nw.lal. (v. plantnre, vgl. p iaat e e r e n) Inplanten, inenten; - implantatie (spr. lir -/wc), f, de inplanling, inenting; liet ingegroeid zyn; ook de genezing van eene ziekte door inenling in eenen boom, enz. (eene vond des bygeloofs).

implausibel (spr. .s=;), adj. aw. lat. (vgl. plausibel) geen by val waardig, onwaar-schyniyk.

impleëeren, lat. {implcrc) aanvullen, voi-inakea; volbrengen, voiiloen; -implemén-tnm of implemént, n. de aanvulling, volmaking; hel hulpmiddel; imptementum contractus, Jur. de voiirekking van het verdrag of de overeenkomst.

impliceeren, lal. (impHcnrc, van pHcBre, vouwen) in eene zaak betrekken, verwikkelen, insluiten, mede Intrekken, invlechien; geïmpliceerd, adj. mede in betrokken, verwikkeld; — mpHcïte, impliciet, mede in betrokken, liij ingesloten, stilzwijgend daaronder begrepen (zonder bepaald te zyn uitgesproken, het tegengest. van explicile)-,- - fides implicila, geloof zonder duldeiyk Inziclil of erkentenis van leder geioofsarlikel la \'i byzonder; — implcxus, a, um, lal. Kol. doorvlochten, omstrengeld; — implicatie (spr. t=ls), f. (lal. impUcntm) de betrokkenheid in eene zaak, de verwikkeling.

imploreeren, lat. {imptorare, v. plnnire, luid weenen) aanroepen, bidden, om liulp smeo-ken, aanzoeken; implorant, m. {implo-rans) Jur. een aanzoeker, hulpvrager by de over-lieid legen een ander, klager; — imploran-tisch, adj. hulpzoekend, aanroepend, klagend;

imploraat, m. nw.lat. (implnratus) de aangeklaagde, beklaagde; - imploratie (spr. t=ts), f. lat. [implnratfa) het aanzoeken, de hnipinroeping.


-ocr page 622-

1MPHJEGN E KR EN

606

IMPLUVIUM

Impluvium, n. lui. (v. imptuëre, Iiiit-Kenen, v. jiluire, perf. iilui en pluvl, rogenon) de i\'üKcnvnnp en In \'I algemeen de onhedekte, open ruimte In hel voorpoitnnl of de voorzaal (het a I r I ii m) der ond-rnm. huizon; hel voorportaal oener kerk, de kerkingang; Med. een regonbud.

impcBnitént, adj. later lal. (iinjiwnileiis; vgl. pirnll t\'ntle) onhoelvaardtg, verstokt; — impoonitentie (spr lie=lsie), f. [imimni-lenhu) de onliaelvaardlglieid, het gehrek aan berouw.

impoli, fr. (spr. cupnli: vgl. potlsseeren, enz.: ongetitrenil, ruw, hobbelig; onbeleefd, grof, ongemanierd; impolitésse, f. de onvvctle-veadheid, grofheid, enz.

imponderabel, adj. nw.ial. (vgl. iwmlus, enz.) onweegbaar; — imponderabiliën, n. pl. (imponderabitfa) l\'liys. onweegbare slolfen, I). v. Ilebl, warmte; imponderabiliteit, f. de onweegbaarbeiit.

imponeoren, lal. (imiionire, v. jimiSre, leggen, zeilen, fr. imposer), elg. opleggen, b.v. het zwygen, enz.; laz Indruk maken, zich doen geiden; achiing, eerbied, getioorzaamlieid, enz. inboezemen, gebieden of vorderen, zieti van do gemoederen meester maken, hen overweldigen;

— imponeerend of imposant (fr. imposant), gewichtig scliynend, achting of eerbied inboezemend, indruk makend; nadrukkeiyk, gebiedend, veeibeteekenend; — imponénie, li. Muz. gebiedend; imposabel, fr. {imposable) i)e-iastbaar, aan schatting onderhevig; — impostlo silenlïo, lal. Jnr. na of met opgelegd zwijgen;

— impositie (spr, -zi-tsie), f. de oplegging, b. v. der handen hy \'I Inzegenen; ook het opleggen van belastingen.

impopulair, adj. nw.lal. (vgl. p o p u I a 1 r) by het volk niet bemind, den volksgeesl ontberend; moeiiyk Ie verstaan, boven de alge-meene bevatting, Ie hoog voor \'t volk lb. v. geschreven, gesproken); — impopulariteit, f. hel gebrek aan voiksbeiieving, de volkson-gunst; onverslaanbaarheld, te liooge vlucht of Ie duistere, Ie geleerde voordracht,

imporeus, adj. uw.lat. niet poreus; — imporositeit (spr. s=«), f. nw.lal. (vgl. poriën) de ondoordrlnglUkiieid, dichtheid; hel gebrek aan poriën of zweetgaaijos.

importeeren, lat. (impnrtare) vreemde waren invoeren (b. v. geïmporteerde waren, uit het buitenland Ingevoerde waren; geïmporteerde sigaren, Ingevoerde, niet in het land zelf vervaardigde sigaren); Iels beteo-kenen; uitmaken, afdoen; van belang zün, aangelegen zün, b. v. hel importeert niet, er Is niets aan gelegen (verkeerdelijk zegt men wel; zich voor iels imporieeren, het moet zgn — emporteeren, d. I. driftig maken, In de bres stollen; - impórt, m. nw.lal. do Invoer; pl. impórten, Invoerwaren-, — importabel, adj. later lal. (Impor/abilis, e) Invoerbaar, veroorloofd In te voeren; — im-portatie (spr. lie=l/iie,, f. nw.lal. de invoering van bultcniandscho waren, goederen-invoer; — importator, m. nw.lat. of meer gobr. importeur, m. fr. (spr. eh—) de Invoerder van waren; — important, adj. (fr. important) gewlchllg, veeibeteokend, aanzlentgk, van belang; — importantie (spr. tie=tsie) of fr. importance, f. (spr. eiiporldiis\') het gewicht, belang, aanzien, de waarde, invloed.

importun, adj. fr. (si)r. eiiportüiiivan het lat. imporlünwi, a, um, van pnrtdre, dragen, dus ais \'I ware; niet to verdragen) ongelegen, lastig, hezwaartyk, opdringend; onstuimig; — importuniteit, f. (lat. importwMas, fr. impni-luHilé) de ongelegenheid, overlast, kwelling; het lastig vallen, overioopen ; — impor-tuneeren, fr. (importmer) lastig vallen, overioopen, ongelegen komen, opdringend z.yn.

impos, lal. (van polis, vermogend, krachtig, machtig) onmacliilg, onvermogend; zwak; — impos anïini, zwak van versland; zich zeiven geen meester.

imposabel, imposant, impositie, impostlo, enz, z. ond. Imponeoren.

impossibel, adj. lal. {impossibilis, c: fr. impossible: vgl. posslbel) onmogetyk, ondoen-iyk; impossibiliteit, f. (later lat. im-possibihlas) onniogeiykheld.

Impost, in. mld.lal. (impnstu.1; oudfr. en provenc. impost, II. imposlo, nvv.lt. imposta,!.) of fr. impót (spr. eiipó; v. \'t lat. impondre, fr. imposer, opleggen; vgl. lm po neer en) de belasting, opbrengst, accijns van waren; Arcli. de voorullstekende rand of lysi, waarop do boog van een gewelf rust (fr. mijms/c).- imposteoren (11. impostnre), belastingen opbrengen, belasten; — impostor, m. nw.lal. (v. im-ponüre, lm pon eeren, in de heteekenis van Indruk op Iemand maken, meosier van zyn gemoed worden) of fr. imposteur (spr. c/i—), de bedrieger, lasteraar, huichelaar; imposlores ilocli, geleerde bedriegers, geleorden die voor-bedaciileiyk gesclirlflen aan anderen hebben toegeschreven, of vaiscli aangehaald of uitgelegd, of dwaaileerlngen verdedigd hebben; — imposture, f. fr. (spr. eii post uur\') hel bedrog, vaiscli voorgeven, de bedrlegery, velazery; de belastering.

Impótens, m. lat. (vgl. pol ent) een onvermogende, luz. die gecne getuigenis mag atleggen; — impotent, adj. lal. (imputens) onvermogend, onmachtig (om vader te worden); verminkt, gebrekkig, lam; impotentie (spr. lie—tsie), f. het maiineiyk onverniogen, de ongeschlkiheid ter vnortlellng; ook: vrouwelijke onvatbaarheid om ie onlvangen ; onbevoegdheid om Ie getuigen; zwakte, krachlcloosheld, verstandszwakte; impoléntia conjuii\'ilis, het onvermogen lot den liyslaap.

impracticabel, adj. nw.lal. (vgl. prac-I yk, enz) ondoeniyk, onuliyoerbaar; ook onlic-gaanhaar, waar nlel door Ie komen Is; nioele-lyk te behandelen; wonderiyk In den omgang, onverdraaglijk.

impreegneeren, nw. lal. (vgl. praj-


-ocr page 623-

IMPR/ESCIENTIE

IMPROVIDENTIK

607

gnant) hczwnngeron, liovruchlnn; Chem. (loor-wcekcn, doarlrckkon, oplossen, verzadigen, eene slof met do atomen, met rte zoutdeeltjes, enz. van een ander lichaam beladen s — imprse-gnatie (spr. I=ts), f. de hezwariKerlng, lie-vruoliliiiK; Chem. de oplossing, verzadiging, h. v, van een vloeistof met een gas, enz.; — impra-fin/itor, m. .Inr. dn iiezwangeraar.

Impreesciéntio (spr. I=ls), i. nw. lat. (vgl. prroseienl 1 e) liet niet-voorafweten.

impreescriptibel,adj.nw.iai. (vgl. pne-scrlheeren) onverjaarhaar; — imprse-scriptibiliteit, f. de onvorjaarlmarlield.

impreceeren, lat. (imprecsri, elg. In \'t alg. Iemand Iels toewenschen, v. prectiri, lild-den, toewenschen) verwenschen, vervloeken; — imprecatie (spr. ;=/.lt;), f. [imprecalïn) de verwensehlng, de vloek; - impreeatorisch, adj. verwenschend, vervloekend.

imprenabel, «dj. fr. {imprenahte: spr. eh—, v, prendre, nemen — lal. prenilüre, pre-Itendüre, vatten, grUpen) onneemhaar, onwln-haar, li. v. eene vesling.

Impresario, m. II. (spr. s=t) (van fm-prémlere, ondi rncnien, imprésa, onderneming) een ondernemer, inz. opera-ondernemer in lialil).

imprescriptible, adj. fr., z. impra)-scrl p 111)01.

Impressie, z. onder lm primeer en. Imprévoyance, f. fr. (spr. eiiprevonjaiis\') gebrek aan voorzorg, onvoorzichilglieid.

imprimeeren, lat. (imprimSre-, v. pre-mfre, drukken) Indrukken, Indruk maken, opdrukken, inprenten, inscherpen; drukken, li. v. een boek, enz,; — imprimulur, elg. bei worde gedruki; als subsi, het imprimatur, do vergunning of de goedkeurende bandteekening van den censor voor den druk van een hoek; ook de op de drukproef geschreven loestem-mlng des correciors tot afdrukken van een blad; — imprimene, f. fr. (spr. en—) de hoek-drukkery, drukkerU; imprimeur, m. een drukker, boekdrukker; — imprimeuse, f. fr. (Irukinachine; - imprimüi\'O, f. fr. (s|a-. éii prim uur\') Plet. het gronden, hel aanleggen der grondkleureri; impréssum, lat., of fr. imprimé, n. (spr. eiiprimé) iels gedrukis, een gedrukt blad, boek, enz.; —impressie, f. (lat. impressi0) de opdrukking, Inpreuling, inwerking; de Indruk, aandoening. Invloed, ook r. v. a. 1 m p r i m u re; — impressibel, udj. nw.iai. vatiiaar voor indrukken; — impres-sibiliteit, r vailiaarheld voor indrukken;— impressief, ndj. (fr. impressif}, imlrnkma-kend, krachilg; impression(n)isme, n. nllra-reallstisclie scbiiderschool, die zich niet bekommerende om teekening, coinposille en harmonie der kleuren, alleen door los neergeworpen verfkiadden den Indruk aanduidt; — im-pressio(n)nist) m. lot die school beboo-rende schilder.

improbabel, adj. lal. (improbalulis, e, vgl. probabel, ond. probeeren) onwaar-sehüidyk, onbewUsiiaar, verwerpeiyk; — im-probabiliteit, f. nw.iai. de onwaarschyn-lykheid.

improbeeren, lat. (improltare, van pro-bare, beproeven, goedkeuren, billijken) misliil-lyken, laken, verwerpen, afkeuren; — im-probatie (spr. lt;=lt;«), f. {improbaho) de mis-blliyking, afkeuring.

Improbiteit, f. lat. (improbilas ■, vgl. pro-bltelt) de oneerlUkhcid, slechtheid, laagheid.

improductible, adj. fr. (spr. chpmluuk-Hbl\') niet voort te brengen;- improductief, adj. uw. lal. (vgl. productief onder p rod u ce eren) niet voortbrengend, onvruehl-baar, schraal; - improductiviteit, f. gebrekkige of ontbrekende teelkracht, onvruchtbaarheid.

Improfitabel, adj. (van bet fr, profilable, vgl. prof ijl), ouvoofdeellg, niel opbrengend.

Impromptu, n, fr. {enpronlü: v. \'1 lat, in promplu, d, I, in gereedheid; vgl, prompl) leis, dal zonder voorbereiding, voor de vuisi is geniaaki, eene snel opgevalle, zinryke gedachte, lijne, schrandere scheris of inval, exte mpo re; soms ook een gelegeiibeldsinval, een onverwachl, onvoorbereid pariyije, feesi, maal, enz. Impropërio, m. 11. verwijl, Impropórtie, r, nw.iai. (vgl. proportie) de wiinveriiouding, onevenrediglield; — geïm proportioneerd, adj. onevenredig.

Impropriatie (spr. f, nw,lal, (vgl. prnpnus, enz.) Jur. elg, toeUlgeuing; beieenlug met kerkelijke goederen; eene door een leek te vergeven prove.

impropnc, adv, lat, (vgl, proprius, enz.) on-eigeniyk, beeldsprakig, verbloemd; — impro-pricteit, f. {improprirlus) de onelgeniykheld, bel oneigeniyke iu uildrukkingen.

Improsperiteit, f, nw,lai, (van prnspe-nlns, geluk, welgedyen) hel ongeluk, de ie-geuspoed.

Improvement, n, eng. (spr. -proe—, v. improve, verbeleren) verbelei\'ing; improving country (spr, —künlri), vooruil-gaand land,

Improvidéntie, f. luier lal, (improvi-dentia, \\gi, providenlie) gebrekkige of nul-brekende voorzorg, ouvoorzlehilgheld; — iinpro-visits, a, urn, lui, (van providcre, vooruiizlen) onverhoeds, nuverwaebt; — ex imprnviso, nn-vonrziens, nnvnrwacbl, onvermoed; im-proviseeren (spr, «=?), ii, (improvisare, fr, imprnviser) onvoorbereid of voor de vuist dichlen of redevoeren; improvisado (spr, s=:); (II. impromsalu) of improvisatie (spr. —ia-luie), f. barb, lal, een nnvoorbereld, voor de vuist gemaakt gedichl, zulk eene redevoering, enz,; ook onverwachte snedige antwoorden; — improvisator, 11, improvisatore, of fr, improvisateur (spr, eiiprowknléür), m een onvoorbereid spreker, zanger, luz, iemand, die voor de vulsl een gegeven onderwerp in dichtmaat bchandolt; f, improvisatrice, fr, (spr, eiiprowizulriés\', en 11. (spr iemprnwi-zalriétsje) eene vrouw, welke die gave bezit;


-ocr page 624-

INADVERTÉNTIK

IMPHODKNT

608

— improviso, u, ini/irovlsamente, 11. onverwnchls, plotseling.

imprudént, mij. lal. {imiinidens: vgl. Iirwlens) onvoorzlchllg, oilbozonnen, onhcilaclil-znani; als advorli. ook mprwlinter ■, — im-pnidóntio (spr. /=lt;s), f. {imiivudenlUi} do onliozoiiuciilicld, zori-\'olooshcld, otmehlznamhold, oiivoorzIchllKliold.

imimblreit, pl. lat. (vkI. pulios, onz.), Jur. oninaiibaron, onlmwliaion, knapen lol volle li, meisjes lol volle H Jaren; —impuberteit, f. nw.lal. ile oimioniilRhelil, onaianliaarliold.

impudent, adj. lat. [iiii/i/iilens, v. piulfre, zich selmmen) oriljosclmuind, schaamteloos; on-zedlf?, onkulsch; — impildéntio (spr. /=/.«), f. de onliescliaamdhoid, sehaamtolooslield; — irapudice, lal. onknisch; — impudici-teit, f. nw.lal. do schaainloloosheld; onkulsch-lield, onluclit.

impugnooron, lal. van ;)«-

(inare, veelden, jiuijna, gevecht) hostrljden, lie-veclilon, bekampen, mol grondoii of liewyzen aantasten; impugnatie (spr. /=/.«), r. de bestrijding, aantasting, wederstreving.

impuiasant, ailj. fr. (spr. ehfwiessah, v. puissant, als \'I ware \\i\\l. pnssens, \\oor pnlens, van posse, kunnen) z. v. a. Impotent; — impuissanco, f (spr. —sdiis\'), z. v. a. Im-p o t o n l i e.

Impuls, m., of impulsie, f. lat, (im-putsus, impulsfo: van impellsre, nandrUvon) de anndrltt, stoot, aandrang, do opwekking, aansporing, beweeggrond; — impulseeren, nw.lal. aandrijven, aanprikkelen, opwekken; — impulsief, adj. aatidryvond, opwekkend; — impulsoria, f. eone door paarden in beweging gebraclito loconiolief; — u/ijiiihui\'ialcs(sell. lillerae) aansporlngs- of opwekklngssclirUven, waarby een honger gerechtshof hij een lager o|i spoed In de behandeling eener rechtszaak aandringt.

impune, adv. lat. (van poena, straf, punire, straiten) ongestraft, stralfeloos; — impuni-teit, f. (lat. impunïlas) ongestraft beid, stratfe-loosheid, bet nllblUven der straf.

Impui\'iteitjimpurisme, impurist, z. oml. lmpnnr.

imputeeren, lal. (imjiulare, v. pulare, rekenen) toerekenen, wijten, de schuld geven, te last leggen, toeschryveii; — imputnbol, adj. nw.lal. toerekenbaar; — imputabili-teit, f. toerekenbaarheid; — imputatie (spr. lie—tsie), f. (later lal. impii/a/ïn) do toerekening, aanrekening, telasllegglng eener misdaad ; de opbelling, veretfenlng van vvederzüd-sche vorderingen; — imputatief, adj. (later lat. impulalii\'iui, «, nut), toerekenend, cone be-schubliglng hovnltend.

imputrescibel, adj. nw. lat. (vgl. pu-t roseeere n) onverrntbaar, \\rij van bederf; — imputrescibiliteit, f. do onvorrotbaarheld.

impuur, lat. (inipi/rm, a, urn . vgl. pn n r), onrein, onzuiver, onkulsch; — impunteit, f. (ira/mrWav) de onreinheid, onziilverlicld, on-kulschbeid; — impuriame, n. nw.lal do taal verontreiniging, taalvermenging, taalverbastering (vgl. purisme);- impurist, m. een taalvorhasteraar, z. purist.

in (waarvoor In samenstellingen vóór / il, voor /), m en p im, vóór r ir slaat) Is 1) eone onscheidbare lal. en roman, ontkennende v oo r 1 o 11 e rgr oep, z. v. a. het ned. on-, drukt gevolglijk ophoIHng of gebrok of iloor-gaans het tegendeel uit van het begrip des woords, waarvoor bet geplanlst is-, b. v. ad-mlsslhol, Inadmlsslbol-. discreet, In-dl sc root; li(|iiido, 1111 (| u) il e; modest, Immodost; posslbol, Imposslliel; ratl-onool, irrationeel, enz. (Mocht men derhalve een woord, met in, il, im of ir beginnende, niet vindon, zoo late men die voor-lettergroep weg, zoeke hot overhuivende woord te zyner plaatse en zotte voor zijne ned. vort. do lettergreep on); —- 2) een lal. en It. voorzetsel, dal in \'t algemeen in, over, op,aan, by, togen, enz. lieloekent, b. v. illldoeren, I m p u g n e e r en, I n c 11 e e r en, I n e 11 n e o r e n, Indnceoren, onz. Geboete zegswyzen niet het voorz. 1 n, b. v. in agone, zün, in defeclu, in duplo, in /idem, in oninem eventum, vindt men in den regel niet onder I n, maar onder het eerste of tweede daarop volgende woord.

inabordabel, adj. fr. [inabordable, vgl. a hoideere n) ontoegankelijk, ongenaakbaar, h. v. eone kust.

inabrupt, adj. lat. {inabruplus: vgl. ab-runipoeren) lo wydlooplg, onafgebroken.

in abniplo necessilulis, Int., z. onder ab-r u m |i e e re n.

Inabstinóntie (spr. tk—tsie), f. nw.lal. (vgl. a b s 11 n e n 11 e) de onontboudzaamheld, het gebrek aan onl houding.

in abstracta, /.. ond. a b s I r a h e e r e n. inacceptabel,adj. nw.lal. (vgl. accepteer en) onaiinnoembaar, onaannomeiyk.

inaccessibel, adj. later lat. (inarcessi-bilis, e: vgl. acces, enz.) onloegankeiyk, ongenaakbaar; I na ccess Ihol e punten, by de landmeting punten, die men van bet Ingenomen standpunt uil niet Ie melen z.yn; — inacees-sibiliteit, f. do ontoeganketykheld.

inaccommodabel, ailj. nw. lal. (vgl. acco m mod eeron) niet by te leggen, onver-elTenhaar.

inaccordabel, adj. fr. (vgl. accoord, enz.) onvoreonlglmiir.

inaccuraat, adj. nw.lal. (vgl. accuraat) onnauwkeurig, slordig.

Inactie (spr. t=s) of inactiviteit, f. nw.lal. (vgl. actie, enz.) de onwerkzaamheid, onbodryvigheid, rust, traagheid, werkeloosheid; — inactief, adj. onwerkzaam, ledig, in rust.

inadffiquaat, adj. nw. lal. (vgl. a d ie i| u e e-ren, enz.) ongelijk, niet passend.

inadmissibel, adj. nw.lat. (vgl. a dm II-teeren) onaannomeiyk; niet ontvnnkeiyk, nlol loc le laten.

Inadverténtie (spr. tic=tsk), f. nw.lal.


-ocr page 625-

INyEQUAAL

609

INCA

(v. advertSre, ergens heen richten, Inz. den geest, opmerken) de ormchtzaiimlieid, achteloosheid, nalatigheid, zorgeloosheid, het verzien.

inoequaal, adj lat. (incequalis, c: vgl. iP(|uaal) ongciyk, onderscheiden, onelTen; — insequaliteit, f. de ongeUlkheldi — inwt/ui-lalerus, a, urn, adj. lat. Hol. ongeiykzUdlg; — inocquinervius, a, urn, Hot. ongetyknervlg; — inaquivalvis. Bot. ongciykklepplg.

inoestimatael, adj. lat. {iiueslimabilis, e: vgl. rast lm core n, enz.) onschathaar; — in-jBstimabiliteit, f. do onschathaarheld. in aelérnum, lat. z. oud. m tern us. inafftibel, adj. nw.lat. (vgl. affahel) onspraakzaam, onvriendelijk, terughoudend, ongezellig; — inaffabilitoit, f. de onspraakzaam-hcld, lerughoudendheld, ongezelligheid.

Inaffectatie (spr. lie-lsie), f. nw.lal. (vgl. af teel eer en, enz.) ongedwongenheid, losheid.

in ngóne, z. oud. agonie; — in albis, z. oud. albus.

inaliënabel, adj. nw.lat. (vgl. allönee-ren, enz.) onvervreemdlmar; — inaliënabi-liteit, f. onvervreomdhaaiheld.

inalliabeL adj. fr. {inalliuble: vgl. a I-lleeren) onvereenlgbaar, onvermenghaar; — inalliabiliteit, f. harh.lal. de onvereenlg-haarheld.

inaltorabel, adj. nw.lat. (vgl. alteree-ren) onveranderlijk; onverderfelgk; — inal-terabiliteit, f. de onveranderlükheld. in ambifiuo, ■/.. ond. amhIgooren. inamabel, adj. lal. (v. amabtlis, hcmln-nonswaardlg) niet hemlnncnswaardlg.

inamicaal, adj. nw.lat. onvrlendschap-peiyk.

inamissibel, adj. lal. (fiinmiss/ftY/is) on-verlleshaar; — inamisamp;ibiliteit, r. nw.lat. oiivcrlleshaarheld.

Inamorato or innamorato, m. 11. (v. amörc — lal. «mor, liefde) de verliefde, minnaar, vryer.

inamovibel,adj. nw.lal. (vgl. amovee-ren) onafzetbaar, onherroepoiyk; — inamo-vibiliteit, f. de onafzelhaarheld van amh-lenaren.

in angusMs, z. ond. anf/uslus. Inanimatie (spr. /=/.?), f. nw.lal. (vgl. anlmeeren) onhezleldheld, levenloosheid; — geïnanimineerd, adj. onhozleld, levenloos, onopgewekl.

in anima vl/i, lat. op een laag wezen (li. v. een proef nomen met verglfl, enz.)

inani.i, c, adj. lat. ledig, ydel; Bot. saploos, mergachtig; — inanitoit, f lat. {inuntlas) ydelhehl, niqllgheid;- inanitie (spr. /=f.«), f. nw.lal. (van \'I lal. inanirc, ledigen) elg. de lediging; de kraclitelooshcld, afgemalheld, uitputting door gebrek aan voedsel; Theol. do toestand der vernedering van Christus; — inanitio-kuur, de hongerkuur.

in annum sequenlum, lat. In hei volgende jaar. in anlecéssum, z. ond. anl er ede er en. inappellabel, adj. nw.lal. (vgl. appel-

VIKHIIK DIU\'K.

leer en, enz.) tot beroep op eene hoogere rechtbank niet geschikt, niet gewichtig genoeg, niet bevoegd.

Inappeténtie (spr. Iie=lsie), f. nw.lat. (vgl. appel en lie) het gebrek aan eetlust, de afkoer.

inapplicabel, adj. nw.lat. (vgl. appil-c eer en) niet aanwendbaar, ontoepasselijk; — inapplicabilitoit, f. de onaanwenilhaar-heid, ontoepasseiykheid; — inapplicatie

(spr. /=/.?), f. de naialigliehl, Iraagheid, het verzuim.

inapprehensibol, adj. later lal. (inap-prchcnsibtlis, e-, vgl. appre hendoor on) on-begrypeiyk, onvatbaar.

inappretiabel (spr. f=f.«), adj. nw.lat. (vgl. appretieoron) of fr. inappreciable, onschathaar.

Inaptitude,f. fr. (vgl. aptitude) onge-scblklheld, onbeholpenheid.

in annis, z. ond. ar ma.

inarticulé, fr. (van \'1 later lal. inarticu-lulus: vgl. artlcuieeren) of ongearticuleerd, adj. idet geleed; onduldoiUk, onverstaanbaar uil gesproken; - inarticulatie (spr. Iic=lsie), f. de gebrekkige geleding of articulatie, onduldeiykheld der ullspraak.

in arliculn morlix, lal. op sterven liggende, inattént, adj. nw.lat. (vgl. at lendeeren, enz.) onoplellend, onaclilzaain, nalatig, zorgeloos; — inatténtie (spr lie=lsie), f. de on-oploltendlield, onachtzaamheid.

inaiidibel, adj. lat. (Inauilibilis, e, van audire, hooien) onhoorbaar; — inaudiet (lal. inaudilus, n, urn) ongehoord; zonder rechlerlgk verhoor (b. v. veroordcolon).

inaugtireeron, lal. {inaui/urarc, elg. met Inachtneming der augurlün, z. aid., lawyden) plechlig inwijden. Instellen, bovesligen;- inaugurale rede, f. inwydingsrede. Intreerede ; — iuauguraal geschrift, inaugurale dissertatie of disputatie (spr. tit\'—lsie), f. een Inwydingsgeschrlft, geleerde verhandeling, welke op hoogescholen diegene moet schryven en verdedigen, die oenen graad wil vorkrygen; — inauguratie (spr. /=/«), f. (innunuraïïo) do Inwyding, plecbligo bevesll-glng in eene waardigheid.

inaureeren, lal. (inaurarc, van aurum, goud) mei goud overdekken, vergulden-, — in-auratie (spr. t=ls) of inauratuur, f. nw. lat. de vergulding; Med. do vergulding der pillen, de overtrekking der pillen mei goudschulm ;

— inaurülus, «, um, adj. verguld; jiihilae in-auriilae, vergulde pillen.

in barbam, z. h a r ba;— in bianco, z. b 1 a n c;

— in bona pare, z. pax.

in borro chiusa non cnlrn iimi mosccB, II. »ln een gesloten mond kwam nooit een vliegquot;, d.l. om wat te krggen, moot men vragen.

in bonis, z. ond. bonus/ in brevi, z. ond. brevis.

Inca, Inka, m. titel der oude koningen van l\'eru en der prinsen van den bloede, eer

:ili


-ocr page 626-

INCESSAMMENT

INCALCULABKL

010

do Spunjuarden dut land veroverden en verdierven.

incalculabel, ndj. nw.lut. (vgl. calculus, enz.) onberekenbimr.

in cah iilo, i. ond. c a 1 c u I n s. incalesceeren, lal. (incalesclre-, vgl. c a-Icsceoren) verwarnien, verhitten-, — inca-lescéntie (spr. t=ts), f. nw.lat. de verwur-mlng, verhllllng.

incamereeren, nw.lat. (vgl. camera) inkameren, bytrekken; met de pauselijke kamergoederen vereenigen, daarby Inlgven — in-camerntie (spr. l—ts), f. de Intrekking, In-lyvlng van een goed met do pauselUko kamergoederen.

incamineoron of liever incammi-nooron, i(. (incammindre, v. cammino, weg, gang; vgl. cbemln) aan den gang maken; aanleggen, op louw zetten; — incammi-natie (spr. /~ts) f. de Inleiding, aanlegging.

incandeseeoren, lat. [incandescire, van condescëve, blinkend wit wonlen, gloeiend worden, van candere, blinkend wit zijn, gloeien) wit worden; gloeiend worden, ontgioeieti; — incandeseéntie (spr. l=ls) f. iiw.hit. het wilgloeicn, de wilgloeiendheid.

in ranone, lat. Muz. In den stijl of trant van oen canon.

incanteoren, lal. (inran/dre, eig. toezingen, v. canlare, zingen, rrociuenlaiief v. candre, zingen) iieioovoren, bezweren; —incantatie (spr. lie=lsie) f. {tncanlalio) do beloovering, iict bezweringsformulier der loovenaars; — incan-tator, m. de toovenaar.

incanus, a, urn, adj. lal. Itol. witgrijs, incapabel,adj. fr. {incapablevgl. capable) onliekwiiam. ongeschlki, onnut; — inrupax, adj. lat. ongeschlki, onvermogend; — inca-pacitoit, f. nw.lat de onbekwaamheid, enz. in capita, z. ond. caput.

incarcereeren, nw.lat. (vgl. carcer) In-kerkeren, opsiuiien, gevangen zeilen. In hechtenis nemen; Chir. inklemmen (van breuken); — incarceraat, m. een gevangene, gekerkerde, opgeslotene; — incarceratie (spr. /=/.«) f. de inkerkerliig, opsluiling; Chir. de inkiemming, b. v. van eene lireuk (incarccra-Cfo hernfae).

incardinatie (spr. t=ls) f. nw.lat, (van inrardinarr) de overdraging van \'I beheer eener kerk aan een vreemden geestelijke; clericus in-cariliniilux, ook de verkiezing tol kardinaal (z. aid.)

incarneeren, nw.lat. (van cam, genit. c«rn(\\, vieesch) met vieescb hekleeden; lot vieesch maken; nieuw vieesch krijgen;—incarnan-tïa (spr. I=l.i) n. pl. Med vleeschmakende middelen, die het groeien van het vieesch bevorderen ; — incarnadin, adj. fr. (spr. en-karnmleii) bleekrood, iels lichter als incar-naat, z. aid.; — incarnaat, adj. vieesch-kleurig, hoogrozerood; by de ververs hoogrood (niet vieesciikleurig); — incarnaat, n. Piel. de kleuring van het vieesch, de vleeschtnon;

— incarnatie (spr. t=ts) f. de vieeschwor-ding, mensebwording van Christus, de aanneming van een menscheiyk lichaam; — incar-natief, adj. Med. vleeschvepwekkend, vleesch-makend.

Incartaden, f. pi. fr. beleedlgendc, moedwillige stroken, opzetleiyke beschimpingen.

Incartation, f. fr. (spr. eiikartasjoii) z. v. a. quartatio, quar toe ring (z. aid.)

incasseeren, ital. (incassdre, v. cassa, kas, insluiting, enz.; vgl. eassa) I) In een raam zetten, omzeilen; i] geld ontvangen, innen; — incasso, n., pl. incassi, Kmt. de inning van gereed geld.

incastelleeren, li. (vgl. ca stel) bevestigen, omwallen; incastellatie (spr.//(!= tsie) f. barb.lat. de omwalling, ommuring; be-vesllging.

Incastratura, f. lal. een klein kastje In de allaarsteonen voor reihiulËn.

in casu, in casum, enz., z. ond. casus; — In casum cont-avenlionis, z. c on tra v en tic;

— in casum necessitatis, z. necessiteit;

— in casum succumbenffae, z. ond. succum-beeren.

in cauda veninum, lat. In den staart zit het vergift.

in causa, z. causa.

incaute, adv. lal. (vgl caute) onbehoodzaam, naiaiig.

incaveeren, lat. {in ca na re] hol maken.

Incendmm, n. lal. (v. incendëre, in brand sleken, aanslekon) brand; oneig. de vlam des oproers; — incondianus, m. een brandstichter; opfoermaker; — incénsie, f. (lal. ineen-sfo) de ontsteking, Invlamzeiling, brand; —m-censïo lunae, lal. »de onisieking der maanquot;, de nieuwe maan; — incenseeren, 11. {incensare, v. incénsn, wierook, en dil v. \'I lat. incensum, iels ontstokens, mid.lai. wierook) berooken met wierook, bewierooken; — g e ï n c e n s e e r d, adj. bewierookt; — incensatie (spr. l=ls) f. barb, lat. hei bewierooken In de r. kath. kerk; — incensarïum of incensorium, n. mid. lal. het wierookvat.

incentiof, adj. lat. {incentivus, a, urn, van incinëre, aanbeiten, v. cantre, zingen) eig. aan-lielTend, den loon aangevend; oneig. prikkelend, opwekkend; — incentief, n. (lal. incent/vum) een prikkelend of aanzettend middel.

Incéptie (spr. t=s) f. lat. {inceptio, van inciptre, aanvangen) de aanvang, het begin, de onderneming; — inceptief, ailj. nw.lai. aanvangend, het begin of den aanvang aanduidend.

incereeren, lat. (incer.irc, v. cera, was) met was overtrekken of vermengen; ince-ratie (spr. /=lt;«) f. nw.lat. het overtrekken met was, de vermenging met was; ook de vermenging eener droge slof mei eene vloeistof, lot aan de dichtheid van was.

incessammenl, adv. fr. (spr. ensessamdii, van cesser, lal. cessdre, ophouden) onophomloiyk; zonder verwyi, dadeiyii.


-ocr page 627-

INCESSIBEL 611 INCLUDEEREN

incessibel, ailj. Imrli.liit. (vul. cessIbol) niet vutbiuir om ufgostmui to wordon; — in-cessibiliteit, r. do omitslaiinljuaiholü.

Incóstus, in. (v. caslus, rein, kulscli) do hloodschando, de vlooscliolüko ((oineeiisclmii met /.oodunlKc! hloodvcrwiinten, mol welke het Im-weiyk wegens den graad der maagscliap ver-hodon Is; — incesteeren, lievlekkon, selion-don; — incestueus, adj. nw.lal. (Pr. inrcs-luetir) hloedscliondlg.

Inch, m. eng, (spr. inlsj: angels, ince, duim, imlsu, ons, v. \'I lat. uncia, een twaulfde dool; vgl. oas) eene lengtemaat = een duim = T\'j eng. voet (fooi) of cM.

inchoatief, adj. lal. (inchoal/vus, «, um, v. inrlmare, aanvangen) uunvangend. Inleidend; verbu inchoativa, z. vorlmm; — inchoative, f. nw.lal. de Inleiding, het liegln, z. v. a. Initially e.

incident, adj. of als adverh. incidénlcr, lat. (van incidire, invallen, opvallen, voorvallen, enz.) toevallig, hü gelegenheid; — inci-dént n. of incidéntie (spr. l-^ls) f. hot voorval, toeval, de liijkomende zaak; de Invalling, aanraking; - incidóntio-hook, (leom. en Opl. do Invalshoek, la logenslelling van re-flexie-hoek (z. aid.); — inndil in Scyllam qui vult int are Clmryhdim, lat. sprw; wie de Cliaryhdls wil vermyden, valt in do Seylla, d.i. van kwaad lol erger komen, nil den regen in den drop geraken (afkomstig van Odysseus\' loi-gevallen in de Siciliaansehe zeeengle); — in-cidontooren, iiarh.lal. (fr. incidenler) hü-zaken inmengen, zwarigheden maken; — in-cidontanus, UI. een zwarigheidmaker, de rechisverlrager, hü die zwarigheden omireni hijzaken opwerpt; — incidontion (spr. f=ls) l) (fr. inndcnls) pi. tusschengevalien, lussclienlian-dollngen, hykomende zaken.

incideniïa of incidontien, 2) pi. lat. (v. incidire, insnijden, verdeelon; vgl. incisie) Mcd. insnijdende middelen, goneesmiddeien iel vloelhaarnuiklng van verdikte vochten.

incinoi\'oeren, nw.lai. (van cinis, genii. Hncris, asch) Choni. tot asch verliranden; — incinoratio (spr. t=ls) f. de verbranding Int asch, ook liet bestrooien met asch als lee-ken van rouw of boetedoening.

incipiëoron, lat. {inciiirrc-, vgl incop-tie) aanvangen;—incipient, m. (inci//ïeiix) een aanvanger, beginner, leerling.

in ein«, nw.lal. ongeveer, omtrent. Incisie (spr. s=t), f. lat. (inrisïo, v. in-cid \'re, en ilii van caedüre, snyden, bouwen) de insnyding, snede;—incisief, adj. nw.lai.ln-snüdend, allengs Invretend, buiend, verdeelend, verdunnend; — incisim, adv. lat. in korte afdeeiingen, zinnen, enz.; — incisöres of in-cisivcn, pi. nw.lai. (ook inrisorii denies of incisive denies) de snytanden; incisonura, n. bet mes lot lykopeningen, ontleedmes; ook de liifel tot hot onlicden; — inrisus, «, urn, lat. Bot. Ingesneden, met diepe insnydingen; — in-Cisum, n. lal. eene insnede; inschulfsel. tus-schenzetsei; — incisuur, f. (lat. incisura) eene gemaakte insnede; Med. nlihoiling aan een boendorrand of aan kraakhoonigo deeien.

inciteeren, lat. {incilare, v. rilure, snel bowegen, dryven, versterkingswoord van lirrc, In beweging zetten) aandrijven, opwekken, aansporen, prikkelen, aanmoedigen, aanvuren; opruien; - incitabel, adj. nw.lal. opwekbaar, prikkelbaar, kitteioorig; incitabiliteit, f. prikkelbaarhoid der levonswerkzaamheld; — incitamént, n. lat. [incilaménlum) de iirik-kol, het opwekkend middel; incitantïa, n. pi. (v. den sing, inalans) Med. opwekkende mlddolon, die de levenswerkzaanibeld verboo-gen; — incitatie (spr lie=lsie) f. (lal, in-eilalw) aanzetting, aansporing, prikkeling; opruiing;—incitatief, adj. nw.lal. aanzeitend, aandryvend, opruiend.

inciviel, adj. lat {incivilis, e: vgl. civiel, end. civis) onbeleefd, onbOlTeiyk, grof, lomp, ruw, onaardig, onbevallig;- inciviliteit, f (i/e wililas) de onbeleefdheld, enz., hel boersch gedrag; incivillsme, n. nw.lai. gebrek aan burgerzin, aan burgerdeugd, onbargeriykheiil.

Inclamatio (spr. I=lx) f. later lat. (incla-iiiuUo, van inclniuure, aanroepen) do aanroep, aanroeping.

Inclangorium, n. mld.iai. klokje, waarmede voor bel uitvinden der uurwerken hei toeken lot don godsdienst gegeven werd.

Inclavatio (spr. I=ls) f. nw.lal. (van \'1 mld.lal. inclavare, van \'I lat. clovus, spyker, nagel; vgl. enela voeren), z. v. a. \'I gr. g o m p h o s 1 s.

inclaveoren, z. ene lave eren.

Incle, n. eng. (spr. iiiA\'i) ongebleekl, grof garen, garenhand, wollenband.

Inclemóntie (spr. I—Is) f. lal. (inde-inenlxi. vgl. clemenlie) ongenade, onvrlon-deiykheid, iiardlieid, ruwheid, gestrengheid.

inelineoren, lat. (inclinare, van clinare, nelgen, gr. klinein) eene neiging tot iels hebben, tol iets genegen z.yii; neigen, overhellen; geïnclineerde zonnewijzer, Is znlk een, waarvan hel uurbord niet loodrecht Is, maar niet een boek naar bel zuiden overboil; — in-clinant, adj. (lal, inrl/mns) zich neigend, overhellend; — inclinanten, m.pl, aanhangers van eene party, Inz. geloofssecio; in-clinütio (spr. I—Is) f. (lal. inriinnfToi de neiging, belling, ook de bellingsboek, b. v. der magneelnaald; de geneigdheid, liefde; hel geliefde voorwerp, de geliefde; inclinato-rium, n. nw.lal een werkiuig om de belling van de magneelnaald te bepalen; de sloel voor oude en gebrekkige geesleiyken in \'I koor der kerk; incliner, m. eng. (spr. inklainer) een zich naar hel zuiden neigende zonnewUzer;

-inclinometer, in. (vgl. meier) een door Gillespie uiigovonden werkiuig om te waterpassen.

includeeren, lal. {incliMrc, v. claiidire, sluiten; vgl. c 1 a u d e e r e n) Inslullen, omgeven. In zich bevallen; includens, lal. Bol. In-


-ocr page 628-

INCOMPLAISANT

IN COENA

612

sluitende; — inclüsie (spr. s=ï), f. (inclusto) ile Insluldng, hel saamgovullo; inclusto uiuus non statim est exclusfo allerfus, Int. de inslui-tlnt! vnn \'t oono l)rongt nlet steeds do uilslul-tlng vnn hel nndoro mede; —inclusief, adj., nis ndv. ook inclusive, nfgek. incl., nw.lnt. Ingesloten, inodegorekentl, meest verbnsterd tot in I11 ii Is; met Insluiting, het tegengest. van exclusief; inclusun, «, urn, lal. Itot. Ingesloten; — inclüsum, n lal. liet Ingesto-tene, nevensgaande, liy- of Inllggende; — in-cluso, f, tr. (spr. eiiktuuz\') tiel tngeslotono, het Inllggende; liar incluse, Ingesloten; in-clusi, in. pi., inclusae, f. pi. tat. (ook reel us 1, roelusae) leden cenor goesteiyke orde, die In de inlddeleeuvvea zich hij steden, dorpen of kloosters In colten opsloten, om in de strengste afzondering zich aan het liescliou-wende leven te wijden.

in riwnii Domini, lat, de naam eoncr pau-seiyke liulte, die den tianliitkseni uitschiet op allen, die do r. kath. kerk niet aankleven; zoo gelieetcn nnar de beginwoorden; In liet avondmaal des llecren.

incoërcibel, adj. uw.lat. (vgl. roërcee-ren) onlcinlmaiquot;, onbedwlngbnar, onhoudbaar, niet op te sluiten, niet samen te drukken; — incoërcibiliën, n. pi. i\'liys. nnopsliillbarc lichamen, h. v. lichtslof, warmtestof; — in-coërbiliteit, r. de onopslultbaarlield, oube-dwlngbaarlield.

incogitant, adj. lat. {inrniffhtns, van rorii-tare, denken; vgl. cogiteeron) onbedachtzaam, onoverlegd; — incogitantie (spr. tic =lsic) f. lilt. (incogitantia) oiibedachlziiamiield, onbczonucnlieid, zorgeloosheid; incogitata, n. pl. toevallen, voorvallen, waaraan niemand gedaebt hooft.

incognito, adv. it. (spr. ienkönjito: v. \'t lal. incognitus) onbekend, heimelijk, onder vreemden naam; ook wel naamvorborgond; — incognito, u. ais subsi, de onbekendheid, de naams- of slandsverberging.

incohcerónt, adj. lat. (vgl. c oh aire eren) onsamenhangend, los, niet hehoorlUk verbonden; — incohaeróntie (spr. t—lx) of incohee-sie, f, gebrek aan samenhang, ouvorbondon-hehl, oone zaak zonder samenhang, verwarde zaak.

Incolaat, n. of incolaatsrecht (tal. incolStus, vim incoldre = incolüre, bewonen, incola. Inwoner) i. v. a. Indigo naai.

incollegiaal, adj. niet collegiaal (z. aid.); — incollegiaiiteit, f. gebrek aan collegialllell (z. aid.)

Incolumiteit, f. Int. (incolumilas, v. inco-Iiimis, columis, gezond, ongedeerd) de volkomen gezondheid, welstand, onverzoordheld, wel-bewaardlield.

incombustibel, adj. nw.lat. (vgl. com-bureeren, enz.) onverhrandhanr; — incom-bustibiliteit, r. do onvcrbraudbaarbeld. Income, n. eng. (spr. inkum) bet inkomen; income-tax, r belasilng op bet Inkomen, Inkomslonbolasllng.

incomestibel, adj. nw.lal. (vgl. comos-libel) nlol eolliaar.

incommensurabel, adj. nw.lal. (vgl. c o in in o n s ii r a b e i) ouderling onmeetbaar, geene gomeono maal bobhondo; incommensu-rabilitoit, f. de onderlinge onmcolbaarbeld.

Incomminatie (spr. l=ls) f. nw.lal. (vgl. c o m m 1 n a 11 o) de bedreiging mol de slrnf des bans.

incommiscibel, adj. later lal. (incom-miscibtlis; vgl. com ml see oren) onvormong-baar.

incommóde, lat. (incommodus, a, «m.- vgl. commmlus) ongemnkkelgk, lastig, bezwaarlUk, onverdraagigk; - incommödum, n. bel nadeel, bezwaar; — incommoditeit, f. (lal. incoinmndtlns) do ongemakkeHjkhold, ongelegenheid, Inst, overlast, hel ongemak; - incom-modeeren (lal. incommndare] lastig zUn of vallen, plagen, binderen, vorontrusten; — zich incommodocron, zich bemoeien, zich moeite of ougolegenbeid anndoen,- incom-modant, adj. lastig, bezwarend.

in commune hnnum of in communem utili-tatem, lat. ten nutte van hol algemeen. in commiini, ■/,. oud. comniun. incommunicabel, adj. nw.lal. (vgl. co m m un ic e e re n, enz.) onmedodeelbaar, wal zich niet laai mededeelen; terughoudend, geheim, stug; - incommunicabiliteit, r. de ouniededeelbaiirbeld.

incommutabel, adj. lat. [incommutalit-lis; vgl. commuloeren) onverandoriyk; — incommvitabilitoit, f. onvcranderiykhold, niel-outzetbaarbold van eouo bezitting.

incomparabol, adj. tal. (incomparabïlis: vgl. comparooren 1) onvorgolUkbaar, onver-geiykoiyk, voortrelteiyk; — incomparabi-liteit, f. onvergeiykhaarbcld, onvorgeiykeiyk-beid; voorlretreiykheid; - incomparabilïa, n. pl. Gram. hijvoegeluke naamwoorden, die de Irappen van vergoiyklng niet aannemen (vgl. c o in p a rati e en e o m p n rati v u s).

incompatibol, adj. fr. {incompatible: vgl. com pale oren) niet overeen te brengen, ou-vorcenigbuar; - incompatibilitoit, f. de oiivcrcenbaarhoid, li v. van twee bedieningen, ambten in (Sen persoon; niet-overeenstomming van karakiors, enz.

incompensabel, adj. nw.lal. (vgl. com-po ii se er en, enz.) onvorgoodbaar-, — incom-pensabiliteit, f. de onvergoodbaarhold.

incompetent, mij. nw.lal. (vgl. compo-leereu, enz.) onbevoegd, ongeldig, onwettig; — incompeténtie (spr. tie-lsic) f. de on-bovoogdhoid; ongoliligheld; nntoeiolkendbold, on-gcscbikibold ; incompetentin termini, ongeschiktheid, onvoegzaamheid, ondoolmallgheld van den bepaalden tyd (b. v. in kerkeiyke of goesteiyke vacantHSn).

incomplaisant, adj. fr. (spr. ciikniiplè-taii: vgl. co m p lalsa ut) ongedlenslig, onwellevend ; incomplaisance, f. (spr. —sdiis\') ongodlenstlgbeld.


-ocr page 629-

INCONÏINI\'-INT

INCOMPLEET

6i;j

incompleot, adj. lat. (inromiUctus, a, urn: vgl. com ploot) onvoltalllK, onvolledig.

incompléx, nw.lal. (z. comp loc toeren, enz.) niet samengestold, enkelvoudli.\'; In-complexe (jrootliedon, Math, zulke; dlo nil goono liyzondero, door samontolllng, aftrekking, enz. vorbonden deelon Ijestaan on door oen onkel teoken, h. v. «, x, enz. aangeduid worden, In tegenst. met c o in p I e x e, dlo door optelling, aftrekking enz. met elkander verhonden zyn.

incomprehensibel, adj. lat. (inrompre-hensibtlis; vgl. com prohendoorcn, enz.) on-hegrüpelUk; — incomprehénsie, f. gehrek aan vathaarheld, aan hovattingsvermogeii; — incomprehensibiliteit, f. nw.lat. onhe-gnjpelUkheid.

incompressibel, adj. nw.lat. (vgl. com-primeoren) onsamenpershaar, niet samen te drukken; — incompressibilitoit, f. onsa-menpershaarheld.

in cnncénlu, lat. Jur. In samonstemming, eenstemmig.

inconceptibel, adj. nw.lat. (vgl. con-c I p I e e r e n) onbegrUpeiyk.

inconcessïbel, adj. nw.lat. (vgl. con-cedeeren, enz.) nnvorgunhaar, niet toe te stemmen.

inconcevable, adj. fr. (spr. eiilwiis\'wubl\': v. concevoir, liegrypon, v. \'t lat. concipSre) nn-liogrUpciyk.

inconeiliabel, adj. nw.lat. (vgl. con-clilecren) onvereordghaar, niet te vereffenen, onverzoenhaar.

Inconcinniteit, f. lat. {inconrinnitas, van inconcinnus, a, um, ongepast, kwaiyk saamge-voegd; vgl. cnncinnus) de ongepastheid, verkeerde samenvoeging, onbehooriykhold, inzon-dorheid der rede.

inconclusief (spr. s=r), adj. nw.lat. (vgl. con cl ndeeren) zonder sluitrede, zonder be-wyskracbl, niet bondig.

inconcóct, adj. nw.lal. (van concaqudre, vorteren, v. enqurre, koken) onverteerd; onelg. onverarbeld, onbewerkt, ruw; inconcóctio (spr. I=s), f. de gebrekkige vertering of verwerking, onrypbeld, ruwheid.

in concreto, z. concreet, ond. concros-cee re n.

mcondonsabel, adj. nw.lat. (vgl. con-denseeren, enz.) on verdicht baar, niet tot kleiner volumen Ie brengen; incondensa-bilitoit, f. de onverdichtbaarheid.

Inconduite, f. fr. (spr. ciilmiidwiil\', vgl. con d n i t e) een onverstandig of ongepast gedrag, wangedrag.

in confesso, lat. Jur. erkend, toegegeven; (vgl. confltoeren en confessie).

inconféssus, m. nw.lat. (vgl. confessie, enz.) Jur. een niet-bekennende.

Inconfidénton, m. pl. nw.lat. (vgl. con-fideeren) Jur. verdachte personen.

inconfórm, adj. nw.lal. (vgl. conform), ongelijkvormig, niel overeensiemmend; - in-conformiteit, f. ongclUkvorinigheid, niet-overeenstemming.

inconfusibel, adj. (vgl. co n fu n d ee-

r e n) onvermenghaar /.. 1 m in 1 s c 1 b e I; — in-confusibiliteit, f. onvermenghaarheid.

incongelabel, adj. lal, [inrnnnelahïlis: vgl. congeleoren) onbevriesbanr.

inconnrüm, «, um, adj. als adverh. incon-lirite, lat. of incongruént (lat. inrmii/ruens) (vgl. oongruus, enz.) niet overeensteinmond, ongepast, ongeschikt, onregelmatig, onvoegzaam; — incongruéntio (spr. *=/.?), (later lat. inronf/ruenlia) of incongruïteit, f. nw.lat., do nlot-ovoreenstemming, ongepastheid, onge-ryimlltold, onhehbeiykhoid; fout, misslag (legen de taal).

inconnéx, adj. later lat. (inronnéjus, a, um; vgl. connocIoeren, enz.) onsamenhangend, onverbonden; — inconnexiteit, f. nw.lat. de gebrekkige samenhang.

inconsequent, adj. lat. (inrons^/itens. vgl. comequens, enz.) zich-zelven ongeiyk, zich-zolven tegensprekend, ongeiyk, ongeregeld, on-gerymd, strydig, wanslultend; — ineonse-quontie (spr. I—Is), f. Slrydigheld met eigen beginselen, gebrek aan geiykheid met zich-zelven, eigen tegenspraak, ongerUindheid, ongeiykheid. in conséssu, z. ond. consessus. inconsiderabel, adj. nw.lal. (vgl. con-sl do ree ren, enz.) onbeduidend, ongcwichtig, onheiaiigryk; —inconsidoraat, lat. {inmn-sideralus, », um) onbedachtzaam, onoverlegd, godacliteloos, onbezonnen; - inconsidera-tie of liever inconsiderantie (spr. l-ls), f. lal. {inennsideranlia) onbedachlzaamheid, on-bozonnenbeid.

inconsistént, adj. nw.lat. (vgl. consis-I oe ro n, enz.) onbestendig, geen stand blindende; onveroenbaar, onsamenliangeml. zicii weersprekend; - inconsisténtie (spr. /ic=/sic), f. onbesteiiillgheid; onvereenbaarbeld.

inconsolabol, adj. lat. {inronsolahilix, e . vgl. consoleeren) ontrooslbaar, troosteloos.

inconstant, adj. lat. (incöns/ans .■ vgl. constant) onbestendig, onstandvastig, veran-deriyk ; — inconstiintio (spr. /ie=lsle), f. (lui. incon.t/anffa) do onheslendigheid, verander-

lykheld.

in constdnti, z. constant, inconstitutioneel (spr. lio=lsin), nw. lat. (vgl. co n st 11 u e ere n, enz.)tegen de grond-wei of staatsregeling, ongrondwettig; — in-constitutionaliteit (s|ir. lio=lsilt;t), f. ongrondwettigheid.

inconsillle, lat. (vgl. con sul eer en, enz.) onhodnehtzaam, onoverlegd.

inconsuraabel, adj. nw.lat. (vgl. con-s ii in e e r e n) overieerbaar.

in con/dnli, z. ond. conto, incontestabel, adj. nw.lat. (vgl, conto si o er e n) ontegenstrydeiyk, onwederspreke-lijk, uitgemaakt.

iii conlinén/i, z. ond. con tineer en. incontinent, lal. {inconttncns, vgl. con-


-ocr page 630-

IN COENA 612 1NCOMPLAISANT

sluitende; —inclusie (spr. .?=«), f. (inrlusto) do InslultlnR, hot snamgevallo j inclusfo unius non slalim esl exclusio alleifus, lat. de inslul-llng van \'I oene brengt nlcl steeds de uilslul-tlng van het andere mede; —inclusief, adj., als adv. ook inclusive, afgek. incl., nw.lat. Ingesloten, aiodegerokcnd, incest vorliastord tot Incluis; met Insluiting, liet tegeiigest. van excluslcf; — inclusus, lt;i, urn, lat. Hot. ingesloten; — inclüsum, n lat. liet Ingeslo-tone, nevensgaande, by- of Inliggende; — in-cluse, f. fr. (spr. eiikluuz\') hot Ingesloteno, hot inliggende; par inclme. Ingesloten; in-clusi, in. pi., inclusae, f. pi. lat. (ook re el li si, rcelusae) leden eener goeslelgko nrde, die in de middeleeuwen zich bU steden, ilorpen of kloosters In colion opsloten, om in do strengste afzomleiing zich aan het beschouwende leven te wyden.

in coena Domini, lal. de naam eener pauselijke hullo, die don banbliksem nilschiet op allen, die de r. kath. kerk niet aankleven; zoo geheeteii naar de beginwoorden: in hot avondmaal des Heoren.

incoërcibel, adj. aw.lat. (vgl. coercee-ron) ontembaar, onbedwingbaar, onboudhaar, niet op te slullen, niet samen te drukken; — incoërcibilïën, n. pi. l\'hys. onopslultharo lichamen, b. v. liclitstof, warmtestof; — in-coërbiliteit. f. de onopshiltbaarhoid, onbo-dwlngbaarbeld.

incogitdnt, ailj. lal. {incnfitlans, van rof/i-tare, denkon; vgl. cog it oer en) onbedacht-zaani, onoverlegd; — incogitantie (spr. lie =lsie) f. lat. (inrnijilanlia) onbedachtzaamheid, onbezonnenheid, zorgeloosheid; incogitata, n. pi. toevallen, voorvallen, wanraun niemand godachl hoeft.

incognito, adv. it. (spr. imkónjito; v. \'t lat. incoqnilus) onbekend, helmeiyk, onder vreemden naam; ook wel naamvorhergend; incognito, n. als subsi, de onhokendheid, de naams- of standsvcrherglng.

incohserént, adj. Int. (vgl. eohagt;rceren) onsamonhangend, los, niet hehooriyk verbonden; — incohseréntie (spr. 1=1.1) of incohge-sie, f. gebrek aan samenhang, onvorhonden-held, eene zaak zender samenhang, verwarde zaak.

Incolaat, n. of incolaatsrecht (lal. incolülus, van incnlare = incnlëre, bewmien, incoln, Inwoner) z. v. a. indigenaat.

incollogiaal, adj. niet collegiaal (z. aid.); — ineollegialiteit, i gebrek aan collegialiteit {■/.. aid.)

Incohimiteit, f. lui Uncolumihm, v. inro-Inmis, coluinis, ;;ezoiid, uttsedflerd) de volkomen gezoridljfild, wolstiwid, oiivorzeerdhold, wei-howaardhfld.

incombUBtlbel, adj. nw.lal. (vgl. com-b ure eren. en? i oiiierbrandhaar; — incom-buatibilUóit, f de onvorbrandhaarlieid. Income, k. eng. (spr. Mum) het inkonieii; incomo-tax, f. belasting op het Inko-nieii, inkoïiüienbetastlng.

incomestlbel, adj. nw.iat. (vgl. comes-11 h o I) niet eetbaar.

incommonsurabel, adj. nw.lal. (vgl.

com me us ura bol)oiider!liigoninootbaar,goeno gemeeno maal lielibende; — incommonsu-rabiliteit, f. de onderlinge onmeetbaarheid.

Incomminatie (spr. l=ls) f. nw.iat. (vgl.

c o m m i n a t i o) de bedreiging mot de straf des bans.

incommiscibel, adj. later lat. (incom-miscibflis: vgl. conimiscoeron) onvermengbaar.

incommódo, lat. (incommodus, n, urn: vgl.

commnilus) ongemakkoiyk, lastig, bezwaariyk. onvordraagiyk; — ineommódum, n. het na-deol, bezwaar; — incommoditeit, f. (lat. incommoMas) de ongeuiakkeiykhold, ongelegenheid, last, ovorlast, bet ongemak; —incom-modeeren dat. incommoilare) lastig zyn of vallen, plagen, hinderen, verontrusten; —zich incommodoGron, zich bemoeien, zich moeite of ongelegenheid aandoen, — incom-modant, utj. lastig, bezwarend.

in commune bnnum of in communem utili-lalem, lat. ton nutte van liet «Igomeon.

in commüni, z. end. conimua.

incommunicabel, adj. nw.lal. (vgl.

comin iiniceeren, enz.) nnmededeelbaar, wat zich niet laat modedeelen; terughoudend, ge-belni, stug; incommunicabiliteit, f. de onmedodeelhaarheld.

incommutabel, adj. lat. (incommulabt- • ■gt;

lis: vgl conimuleeren) onvorandoriyk; — incommutabiliteit, f. enverandortykboid, nlet-ontzethaarlield van eene bezitting.

incomparabel, mij. lat. [incomparabflis:

vgl. co m pa ree ren I) onvergotykbaar, onver-geiykotyk, voortreffeiyk; — incomparabi-litoit, f. niivergoiykbuarhold, onvergetykelijk-hetd; voiirlretTeiykheld; — incomparabilïa, n. pi. Oram, byvoegelyke naamwoorden, die de trappen van vergeiyklng niet aannemen (vgl. ^

c o m p a r a t ie en c o in p a r a 11 v u s).

incompatibel, adj. fr. [incompaliblc; vgl. com pateeren) niet overeen te brengen, on-vereenigbaar; — incompatibiliteit, f. de onvoreenhaarhold, b v. van twee bedieningen,

amhlen in een persoon; niet-ovoreenstemming van karakters, enz.

incompensabel, adj. nw.iat. (vgl. com-penseere n, enz.) onvergocdhaar; — incom-pensabiliteit, f. de onvergoedhaarheld.

incompetent, adj. nw.hit. (vgl. com pete er en, enz.) onbevoegd, ongeldig, onwettig; — incompeténtie (spr. lie=lsie) f. de on-bevoegdbeid; ongeldigheid; onloeroikendheld, ongeschiktheid; incnnijiclenliu lennini, ongescbikl-heid, onvoegwiamboid, oiidoclniallgheld van den bepaaldi\'H lyd (b. v. In kerkelyke of geesteiyke va\'-aniien;

incomplaisant, adj. fr. (spr. ehkoiiplè-tail: vgi, complaisant) ongedionstig, onwcl-le vi nd; incomplaisance, f. (spr. —sdiis\') onsodleiisllgheid.


-ocr page 631-

INCONTINENT

INCOMPLEET

643

incompleet, iidj. lat. (incomiUclus, a, uni: vgl. com ploot) onvoltallig, onvolledig.

incompléx, nw.lat. (z. complectoo-rcn, onz.) niet samenKcsteld, enkelvoudig; In-complexe groot heden, Matli. zulke; die uit geeno hgzondere, door snmenlelllng, aftrekking, enz. verbonden deelen beslaan en door een enkel toeken, h. v. a, x, enz. aangeduid worden, in tegenst. mei complexe, die door optelling, aftrekking enz. mot eikander verbonden zyn.

incomprehensibel, mij. lat. {incompre-hensiliftis: vgl. co m p r ebe n dee re n, enz.) on-begrUpeiük; — incomprehénsio, f gebrek aan vatbaarbeid, aan bevattingsvermogen; — incomprehonsibiliteit, f. nw.lat. onbe-grUpeiykbeid.

incorapressibel, adj. nw.lat. (vgl. com-p r 1 rn e e r e n) onsamenporsbaar, niet samen te drukken; — ineompressibiliteit, f. onsa-menpersbaarbeid.

in concénlu, lat. Jur. In samenstemming, eenstemmig.

inconceptibel, adj, nw.iai. (vgl. con-clpIBerom onbogrypoiyk,

ineoneessibel, adj. nw.lat. (vgl. con-cedeeron, enz.) onvergunbaar, niet toe te stemmen.

inconcevable, adj. fr. (sjtr. ehkniis\'waW; v. concevoir, begrypen, v. \'t lat. concipêrc) on-begrypeiyk.

ineonciliübel, adj. nw.iai. (vgl. con-cliieeren) onvereenigbaar, niet te vereiïenen, onverzoenbaar.

Inconcinniteit, f. lat. {inroncinnilas, van inconcimus, a, um, ongepast, kwaiyk saamge-voegd; vgl. concinnus) de ongepastbcid, verkeerde snmenvoeging, onbebooriykheid. Inzonderheid der rede.

inconclusief (spr. «=«), adj. nw.lat. (vgl. concludeer en) zonder sluitrede, zonder be-wyskracht, niet bondig.

inconcóct, adj. nw.lat. (van concoquirc, verteren, v. coquerc, koken) onverteerd; onelg. onverarbcid, onbewerkt, ruw; inconcóctio (spr. /=.«), f. de gebrekkige vertering of verwerking, onrypbeld, ruwiield.

in concreto, z. concreet, end. concros-ceeren.

ineondonsSbel, adj. nw.lat. (vgl. con-denseoren, enz.) onverdiciitbaar, niet lui kleiner volumen ie brengen; incondensa-biliteit, f. de onverdlclitbaarheid.

Inconduite, f. fr. (spr. ehUomlwiét\'■. vgl. conduite) een onverstandig of ongepast gedrag, wangedrag.

in confesso, lat. Jur. erkend, toegegeven; (vgl. confitoeren en confessie).

inconféssus, m. nw.lat. (vgl. confessie, enz.) Jur. een niet-bekonnendo.

Inconfldénten, m. pl. nw.iai. (vgl. con-fidoeren) Jur. verdachte personen.

inoonfórm, adj. nw.iai. (vgl. conform), ongoiykvormig, niet overeenstemmend; — in-conformiteit, f. ongeiykvormigiicid, niet-overeenstemming.

inconfusibel, adj. (vgl. confundee-ren) onvortnengbaar z. immlseibei; in-confusibiliteit, f, onvermengbaarbeid.

incongeltlbel. adj. lal. {inamuelahilis; vgl. congeleeren) onbevrlesbaar.

inconiirüus, a, um, adj. als adverb, incon-unie, lal. of incongruént (lal. incnnr/rüens) (vgl. congruus, enz.) niel overeenstemmend, ongepast, ongeschikt, unregeiinalig, onvoegzaam; — incongruéntie (spr. t=ls), (later lal. inconqruenliu) of incongruïteit, f. nw.lat., de niel-ovoreenstemming, ongepasiheld, onge-rijindheid, oniielibeiykheld; fout, misslag (legen de taal).

inconnéx, adj. later lat. {inamnéxus, a, um: vgl. con nee I oeron, enz.) onsamerdian-gend, onverbonden; ineonnoxiteit, f. nw.lat. de gebrekkige samenhang.

inconsoquént, adj. lat. {inconsfquen.i: vgl. comequens, enz.) zicb-zelvcn ongeiyk, zicb-zelven tegensprekend, ongeiyk, ongeregeld, on-gerymd, strydig, wansiuitend; — inconsequentie (spr. I—Is), f. sirydigheid niet eigen bcginsoien, gebrek aan geiykbeid met zich-zelvon, eigen tegenspraak, ongerymdbeid, ongeiykheid. in ennséssu, z. ond. consessus. inconsiderabel, adj. nw.lat. (vgl. con-sidereeren, enz.) oidieduidond, ongewlchtlg, onbelangryk; — inoonsideraat, lat. (inron-sideralus, a, um) onbedachtzaam, onoverlegd, Keilacliteioos, oniiezonnen; — inconsidora-tio of liever inconsiderantie (spr. I=l.i), f. lal. [inennsideranlia) onbedaebtzaaniheid, on-bozonnonheid.

inconsistent, adj. nw.lat. (vgl. consis-t oe ren, enz.) onbestendig, geen stand houdende; onvereenbaar, onsamenhangend, zich weêrspre-kend; — inconsisténtie (spr. Iie=lsie), I. onbestendigheid; onvoreenbaarheld.

inconsolabel, adj. lal. {inronsolahilis, e. vgl. consoleeren) ontroostbaar, Iroosteioos.

inconstant, adj. lal. (incómlans. vgl. constanl) onbestendig, onstandvastig, veran-doriyk; inconstantie (spr. lie-lsie), f. (lal. inconslunfïu) de onbeslendigbeid, veranderlijkheid.

in consldnli, z. constant, inconstitutioneel (spr. Iin=lsin), nw. int. (vgl. const 11 u e ere n, enz.) legen de grondwet of staatsregeling, ongrondwettig; — in-constitutionaliteit (spr. tio=lsio), f. ongrondwettigheid.

incoiisülle, lal. (vgl. consul eer en, enz.) onbedachtzaam, onoverlegd.

inconsumabel, adj. nw.lat. (vgl. con-s u m e c r e ti) ovorteerbaar.

in cnnldnli, z. ond. conto, incontestabel, adj. nw.lat. (vgl. con-I e slee ren) ontegenstrydeiyk, onwederspreke-lijk, uitgemaakt.

in conlinénli, z. oud. con tl nee ren. incontinent, lal. (inconffnens; vgl. con-


-ocr page 632-

INCRUSTEEREN

614

IN CONTINUO

tlnooron) onmatlR, nlot ontlioudzuum; in-continéntie (spr. Ile=lsic), I. (incnnlinenda, do onmnlluhclil, lid goinls dor onthoudliiKsgavo; Mod, hot unvormoKon out oune naluurluko lic-hooftc op to lioudoti.

in continuo, end. continuum; — in conlraifum, /.. oud. conlrarius.

incontribuabel, adj. nw.lat. (vul. con-tr 1 liuooron) nlot sclmtpllclitiü, onbolastliaarj — incontribuabiliteit, r. do onsehat-pltchllBtiold, vrydoin van holastliiKcn, onholast-baailield.

Incóntro, m. It. (spr. ten—) ontmoeting, voorval ; Kmt. do (.\'imstltio samenloop van om-standlRhodei), de Kolcgonlioid, b. v. om waron aan don man to broriRon, onz.; — incon-troeren (It. inconlrare, oudtr. encontrer, nvv. fr. nnconlrer, v. \'t lat. contra) aantrolTon; zlcb schikken; gologenhold of middel vinden; roko-nlngen tegen elkander houden, confronloeren; — incontratie of scontratie, f. (spr. —tsie) It. Kmt. wodorzydsche afrekening van verschelden personen, om schulden af te doen. in conlumacïam, i. conlumacia. inconvenabel, fr. (inconvenable) en in-conveniént, adj. lat. (inconvenitns: vgl. convenlëoron, enz. niet passend, ongeschikt, onbehoortyk, ongelogen; als subsi. n. inconvenient, ongelogonheld, zwarigheid, ongerief, ongemak, overlast; — inconveniéntie (spr. I=ts), f. later lat. (Inconvenientïa) ongopasthold, onbohooriykhold, ongoschlklheld.

inconversabol, adj. Imrh.lat. (vgl. con-vorsooren, enz., onspraakzaam, ongezellig.

inconvertibel, adj. later lat. (inconver-titiflis, e, vgl. couvert ooron) ouvorandorUjk van gedaante; onbekeerlük; — inconverti-biliteit, f, nw. lal. Tlieol., do onbokeorlUk-held; ook de olgonschap van Christus, dat goone zyncr belde naturen met do andere verwisseld kan worden.

inconvincibel, adj. nw.lat. (vgl. con-v 1 iiceoren) onovertulgbaar.

Incorporalia, u. pl, lat. (v. rnrpus, cor-poralis, lichaam, lichameiyk) onllcbameiykhe-den, afgetrokken begrippen-, — incorporali-teit, f. do oniicliamoiykheld, onsloireiykheid. in corpire, t. corpus.

ïncorporeeren, lat, (incorporare, van corpus, z, aid,) Inlgvon, voroenlgon, In oen geheel, In een gozolschap of genootschap opno-mon, toevoegen; — incorporatie (spr. I=ts), f. nw.lat., do Iniyvlng, vorooniging, opname in een gonootschap, enz.; de menschwordlng van Christus; l\'hann. de vermenging van droge on vlooiende stoffen tot oene pil- of plolstcrvor-mlge massa; — incorporist, m. een boekbinder.

incorréct, adj. lat. {incorréctm, a, «in vgl. corrigeer en, enz.) onjuist, onnauwkeurig, gebrekkig; — incorréctheid, f. lat.-ned., gebrekkigheid, onnauwkeurigheid; - in-corréctie (spr. lt;=s), f. nw.lat. de nlot-vor-betorlng, nlet-tcrochtvvUzIng; ook z. v. a. incorrectheid; incorrigibol, adj. nw. lat., voor goone verbetering vatbaar, onverbo-toriyk; hopeloos; — incorrigibiliteit, f.

de onverbeteriykliold.

incorrupt, adj. lat. (incorrüptus, a, urn,-vgl. corrumpoeren, enz.) onbedorven, on-vervalscht, rein; — incorruptibel, adj. later lat. (incorruplilnlis, e) oiivorderfoiyk, vry voor bederf of verrolling; onomkoopbaar; — incorruptibiliteit, f. onvorderfeiykhcid; onomkoopbaarheid; incorruptie (spr. lt;=.v), f. (incorrupfïo) de onbodorvonliold.

incoupuble, fr. (spr. é/ihoMpM\'; vgl. In culpa bel en co u pa blo) onschuldig.

incourant, adj. f. (vgl. courant) niet gangbaar, onganijiiaar (van waren en geld).

incrasseeren, lui. (Incrassarc; vgl. cros-sus) verdikken, dik maken, b. v. het te vloeibare bloed, enz.; — incrassantïa (spr. t=ts), n. pl. verdichlings- of vordlkkingsmlddolen van hot bloed en andore vochten; - incrassatie (spr. t=ls), I. nw.-lat, de verdikking of verdichting; — incrassalm, n, um, lat. Bot. verdikt, dikker wordende.

incredibel, adj. lat. (incmlibftis, e; vgl. credo) «ngeloofeiyk; — incredcbile visit, lat. on-gcloofoiyk om te zien, d. I. mon vertrouwt zgn oogen niet; — incredibiliteit, f. ongoloo-foHikheld; — incredülus, m. een ongoioo-vlge; — increduliteit, f. ongeloovigbeid, hardgcloovlghelil, iiot ongeloof, do twyfolzucht. Incromént, z. ond. Increscooren. increpeeren, lat. {increpttre, olg. een go-drulsch logen Iemand maken, vgl. c rep ure, go-drulscli maken, rulschcn, klepperen) laken, verachten, mispryzeu; — increpatie (spr. t—ts), f. (incrcpalïo) bot berispen, scholden.

incresceeren, lal. {incresccre, van crex-cere, groeien, wassen; vgl. crescendo) inwassen, aangroeien, wassen, toenemen; —incremént, n. de aanwas, wasdom, toeneming; — Math, do verandering, die eeno vorandoriyko grootheid ondergaat; do verschillen oonor opkiim-mondo reeks.

incrimineeren, nw.lat. (van crimen, ■/.. aid., criminari, boscbuldigon) van eeno misdaad beschuldigen, als bestralToiyk aanzien; hel go-1 n cri min oord e artikel, tiet artikel, waarop men \'1 byzondor verzien of gemunt hoeft, dat men Iets verkeerds, Iels strafbaars, enz. ton laste logt.

incrociate, it. (spr. ci=tsji) Muz. kruist do handen (by het plano- of harpspel de handen over eikander slaan).

incroyabel of incroyable, adj. fr. (spr. eiikroajdbct: vgl. croyal)el) ongeloofe-lyk; als subsi, een incroyable, olg. een ongoloofeiyke; een modegek, modeiieertje, pronkertje (vgl. gommeux); ook een bovenmatig groide driekante hoed.

inernsteeren, Int. (incrustnre, v. crustu, z. aid.) bokorston, oveikorston, met eeno steenachtige korst ovordekkon, beleggen, bokleodon; ook met mortel of gips voiwerpen; — in-


-ocr page 633-

INDKCLINABKL

G15

INCUBATIK

crustaat, n. oen omkorst lichaam uit hol illoron- of plantonryk, dat mot cono stoeii- of kalkachtlgo korst ovortrokken Is: - incrustatie (s|)r. tie=tsle), of incrusteering, f, do ovorkorstliiK, stoen- of kulkliekloodliiK; do volraplng van oonon muur mot kalk, enz ; hot InloKKon mot steon, marmer, staal, enz.; hot ovortrokken mot noud- of zllvorhlaadjos; — incrustatie-machine,f oeno door d\'lllior uitgevonden machine om zand met most to ovor-trekkon.

Incubatie (spr. (=lt;«), f. lat. (inrubaiïo, van incuhare, ergens liggen, v. cubrire, liggen; vgl. c u h i t u s) hot liggen h. v. van oon zuigeling aan de moederhorst; hel zitten, h. v. van cono hen op de eieren, vandaar ook hot hroo-don; in do oudheid do tempelslaap, d. I. hot gelii\'ulk om in oenen tempel of eeno grot Ie slapen, ten einde een orakel te verworven of van oeno ziekte te genezen; hot onlwikkolings-tydperk coner ziekte; —incubator, m. lat. of incubateur, m. fr hroodloestel (om eieren kunstmatig uil te hroedon); — incübus, m. Mod. de nachtmerrie, nachieHjke hartdrukking; — incüben, pi. eeno soort van diomons, ilio, naar een vroeger volksgeloof, de vrouwen In haren slaap omhelzen en hozwangeren, nacht-duivels.

inculceeren, inculqueeren, lat. (m-culcure, eig. intreden) Inprenten, inscherpen; Inkioppon, inranselen; inculeatie (spr. I=ls), f later lat. (inculcaïïo) de insclierping; in de r. kalh. kerk; de toedeoiing van verschillende wUdingen op éonon dag.

in rulita, 7. culpa.

inculpabel, adj. lat. Vnculpabïlis, e,\\s\\. culpa, enz.) niet Ie heschuldigen, onschuldig, onhestrafhaar, onherlspeiyk; inculpdla lulöla, f de noodweer.

inculpeeren, nw.lat. [inculpare, van in en culpan, hescliuldigen) heschuldigen, aanwrijven, ten laste leggen; —inculpant, m. Jur., de heschuldigor, elsclier; — inculpaat, m. lt;lo hoschuiillgdo, hekiaagde; — inculpatie (spr. i=ts), f. de boschuldiglng, nanklachl.

Inculqueeren, z. inculceeren.

Incultuur, f. nw.lat. (vgl. cultuur) de gebrekkige hehouwing, het gebrek aan beschaving, ontwikkeling, enz.

incumbeeren, lat. (incumbïre, v. cum-bürc, zich nederloggen, v. cubare, liggen) zich op iels toeleggen, al zyne zorg aan Iets wijden, Iets ter harlo nomen ■. — incumbens, lat. Hot. opliggend, naar elkander toenolgendo; — incumbént, adj. (lat. incumbens), ter harte nemend, toeleggend; — incumbent, m. eng. do bezitter eenor goosteHjke prove; — incumbéntie (spr. h=l.t), f. nw.lat. de verplichting, plicht.

Incunabelen, pi. lat. {incunabula, van cunabiila, cunae, de wieg) eig. de windsels; vandaar: do eerste beginselen eoner zaak, Inz. der boekdrukkunst, ile oudslo gedrukte hoeken, van de uitvinding der boekdrukkunst lol don aanvang dor l«o eeuw; — ah incuuabiilis,\\an do wieg, van de eerste kindsheid af.

incurabel, adj. nw.lat. (vgl. curoeren, ond. cura) «ngonoosiyk, onlioelbaar; incu-rabiliteit, f. de ongoneosiykheid.

in curia, z. curia.

Incurïen, f. pl. lal. (sing, incur/a, zorgeloosheid, v, cura, zorg) nalatigheden, achteloosheden; — ex incur/a, uil onachlzaamheid.

Incuriositeit (spr. .«=?), f. later lat. (vgl. curieus) onnleuwsgierlghoid, onweotglo-righeld.

Incürsie, f. lat. {incurs/o, v. incurrSre, inloopon, invallen) een vyaniloiyko Inval, stioop-toelit; — incursus, m. de aanval; do booten dor kloostorrechtbanken.

incurvus, a, um, lat. (v. curvus, krom) Bot. ongekromd.

incurveeren, lat. (incurvnre: vgl. c u r ve) krommen, buigon; — incurvatie (spr. I=ls), f {incur ml in) de kromming, het buigen; — incurralus, u, um, lat. Bot. omgebogen. Incus, f. lat. het aambeeld, indageeren, lat. {indauure) nasporen, opsporen, uitvorscben; — indagabol, adj. voor onderzoek vatbaar; — indagator, m. lat. indigateur, m. fr. opspoorder, navorscher; — indagatie (spr. l—ls), f. {indagallo) uil-vorsching; — res alliüris inil.ii/inis, zaken die een grondiger onderzoek noodig iiohben; — in-dago, f. eig. de insluiting, uiivorsching, nasporing, de stemming om een prelaat te benoemen.

indebile, lat. (vgl. debilum,cm.,onA.iiebent), Jur. niet schuldig; onhevoogd; — indebi-tum, n. oeno opbrengst, betaling, dienst, enz., die men uit dwaling hooft gedaan, of zonder er loo verplicht te z.yn; — indebili condiclio, z, condiclin, onder c 0 n d 1 c 0 e ren; indebili snlulio, z. solui io, ond. sol voeren.

indebolire, mdcbnlendo, indehnlile, —0, —0, ital. Mnz. den loon verminderen, doen verzwakken.

indecent, adj. lat. [indrcen.t: vgl. decent), onwolvoegiyk, onholamoiyk, ongepast, oneerbaar, onkuisch; — indecéntie (spr. I=ls), f, (indeccnlia) onweivoegiyklieid, onheta-meiykhold, enz.

indechiffrable, adj. fr. (spr. eiidesjifrabl\' ,• vgl. dec h 1 ffroere n) nlol-onlcyferbaar, onleesbaar, onverklaarbaar.

indecimabel, adj. (vgl. decimahel, docimoeren, enz. nw.lat., niet decimeorliaar, tiondvry.

indecis, fr. (spr. eiidesi: van \'I nw.lat. imlecisus; vgl. de cl de er en) onhoslist, besluiteloos; res indecisa, z. res,- — indecisie, f. spr. (s==z) onbeslislhoid, hesluilelooshold; — indecisief, adj. niet bosllssoad; — inde-ciso, it. (spr. -Isji-to] Muz. hesiuiteloos, onzeker.

indeclinabel, adj. lat. (iiuleclinabïlis, e. vgl. d oc 11 n eer e 11) (Irani, onverbuigbaar, 011-vatbaar voor naamvalsverandoringon; --inde-


-ocr page 634-

INDECORUM

616

INDEX

clinabiliteit, f. nw.lnt. onvcrbulRlianrhcld, onverinuleriykheUl.

Indeeórum, n. Int. (vgl. do cor urn) hot oiigopasto, onvoeKznmo, do missing tegen den gooden toon dor snmonlevlng.

Indefatigatie, f. (spr. lie=lsie), nw.lnt. (v. faligaiïo, vennoelonls) do onvennooldlield.

indefectlbel, ndj. bnrb. Int. onfelllmnr, gobrokoloos; — indefectibiliteit, r. do gebrekolooshold, onfeilbaarheid; het voortdurend beslaan, 1). v. dor kork.

in deféclu, lat., z. oml. defect, indefensibel, adj. mv.iat. (vgl. defon-d oor on) nlet to verdedigen, onhoudbaar; — indefénsus, lat. Jur. onverdedigd, hulpeloos.

indofinibol, adj. nw.lnt. (vgl. dofinice ren) onbopaalbiiar, onverklaarbaar, raadselachtig; — indéflni, adj. fr. onbepaald; — indeflniet, adj. (inilefinilus) als adverb, ook indefinite, lal. onbepnald, onduldeiyk; onbeperkt.

imlehiscens, lat. Bot. nlot (geheel) openspringende.

inde irae, lat. vandaar de haat (d. i. zgn, hun, haar hnnt).

indclebtlis, e, gewoonlijk indelebiol, adj. lat. (van delêre, uitdelgen, vgl. dele) onuitwlsch-banr, onuitdolgbaar-, character imletebilis, ■/.. oud. ch a rak ter; — indolebiliteit, r. do on-uitwischbaarhcid.

indelicaat, adj. nw.lnt. (vgl. del leant) onklesch, ruw, grof; — indelicatósse, f. fr., onkioschhold, gobrok nnn lijn gevoel.

indemniseeren (spr. s=j), fr. (indem-niser) schadeloosstellen, vergoeden, vryboudon; — indemnisatie (spr. -za-tsie), t. schadeloosstolling, vergoeding; — indemniteit, f. int. {indemnitas, van damnum, schade) do schadeloosheld, scliadcvergoodlng; — hill nf in-demnily, Indemnltolts-b 111, een wetsontwerp of besluit, waarby bot eng. parlement verklaart, dal in oen of ander geval, waarin hot ministerie, op grond van hot wolzijn des Staats, op eigen gezag hoofl gohandold, dut gedrag voor gerechtvaardigd en stralfoloos houdt.

indemonstrabol, adj. lal. {indemon-strabftis, e; vgl. demon st ree roti) nlot be-wysbaar.

Indenization, f. eng. (spr. indennizéésjen) inburgering z. v. a. denization {■/.. aid.)

Indenture, f. eng. (spr. indéntsjur) een wederzyds uitgotnnde oorkonde.

in Deo consilium, Int., by God is raad. independént, adj. nw.lat. (vgl. dopendoe ren) onnfliankeiyk, ongebonden, zeifstnn-dig, vry; — Independénten, m. pl. on-afhankoiyken van do blsschoppeiyk-korkeiyko beorsciiappy, oono op hot eindo dor Hic eeuw in Engeland ontstane protestantsche socle (l\'ros-bytorianen. Puriteinen, Nonconfonnisten, INivo-leurs); scbotsctio on nederl. Dissidenten, dio het gezag dor synoden verworpen; stryders voor do nonrd-nmoriknansche vry beid; —indepen-dentismo, n. do zucht naar onafhankeiyklieid;

— independéntie (spr. t=ls), t. onafhan-koiykhoid, zolfslandighoid. vryhoid.

indeplorabel, adj. barb. lat. (v. deplorare, beklagen) niet boklagonswaardlg.

deposito, z. ond. dop on oor en.

inderai(l)lable, adj. fr. spoorhoudond, voor geen ontsporing vatbaar (van locomotieven, enz.).

indestructibel, adj. nw.lat. (vgl. do-strueeren) onvernieibaar; — indestruc-tibiliteit, f. onvornlelbanrheld, onuilroei-baurheid.

indetorminabel, adj. lal. (indetermina-bilis, e-, vgl. do term Ineeren) onbopaalbaar;

— indeterminabiliteit, f. nw. lal., do onbepaalbaarheld; — indetorminatie (spr. I=ls), f. onbepaaldheid, besluiteloosheid, onzekerheid; — inde terminatief, adj. nlot ho-palend; — indetermina turn, n. lots on-bopnidds; — geindetermineerd, adj. onbepaald, besluiteloos, welfolond; — indetor-minismo, n. Phil, do loer, volgons welke do wllshandellngen van den monsch iloor goono oorzaken en bewoegrodenon te bepalen zijn, of de stelling van do onbeperkte wllsvryheld van den monsch; — indeterminist, m. oen aanhanger van dio loer.

indevoot, adj. lat. {indeeotus, u, urn; vgl. de vool) ongodsdienstig, oneorbledig, lauw, koelzinnig; — indevötie (spr. I—Is), t. {in-deoolio) het gobrok nnn godsdienstzin; oneer-blodigiield, lauwheid.

Index, in. (genii, indicis), pl. indices, lat., eig. do wyzer; de aanwyzer, bladwyzer van een lioek; het register, do inhoudsopgave; ook de wysvinger; index librorumpro/iibilarum, do lyst der boeken, die door do r. kath. kork, wegens daarin vervatte dwaalbegrippen of vnl-schc leerslelllngon, verboden zgn; ook kortweg de Index golioeten; index li brórum ex/mrgan-dórum of index expurnatorius, do lijst van zulke schriften, die, nn uitwerping of verandering van zekere nanstooloiyko plaatsen, gelezen mogen worden; — index-congregatie, f. do mot liet toezicht op en hot onderzoeken van do lotlerknndige werken belaste goostoiyke antorltell, een door Slxlns V Ingestelde eom-tnissio van kardinnlon, onder byzitting van oenigo doniinikanen; — indicülus, in. een lystje, klein register, ook een schriftelijk bevel; — indicium, n., pl. indicia of indiciën, aanduidingen, konteekenen (symptomon); vor-donkingwekkendo omstandigheden, gronden tot vermoeden; indicia fucti, pl. aanwyzlngen of ken-teekonen conor geploegde daad ; indicia remutu, verwyderde konleekens; — indiceeren, in-diqueeren (lat indicare, en indicCre, van diclre, zoggen, dicare, verkondigeti) aanwyzen, aanduiden, ais kenleeken dienen; aanzeggen, aankondigen; toowyzon; — indicans, n. Mod. eene aanwyzlng; indicaat, n. hot aangewezene; — indicatie (spr. t=ls), f. (indicalin, v. indicare) de aanwyzlng, de vordenklngsgrond; inz. het kenteekon eener ziekte, de ziokto-aan-


-ocr page 635-

INDEXTERITK1T

617

INDIGITEEREN

wgzliiK; — indicatief, adj. [imiicatwus) nun-wUzend, aanduldcml; — indicativus of indicatief, m. (Irani., z. modus; — indi-CBtor, m. nw.lat., do strekspler van don wgs-vlngor; ook: oen Inslruinonl om diagrammen omtrent do veranderingen In de sloomdrukklng gedurende den gang van stoommaclilnes; — indicaleur de pression, m. fr. (siji1. e«—) de drukklngwljzor, ecu toestel welke den stand van de drukking van een gas In een gasfabriek aanwijst; — indicaleur de I\'aiguille, wijzer van oen spoorwlsael; — indicaleur de chemin de [er, dlenslbiljet, reiswijzer voor de spoorwegen; — indicatörisch, adj. aanwUzend, doende Wijken; — indicatuur, f. do aanduiding der waarde, schatiing; — indictie, f. lat. (spr. t=s; indiclin, van indieüre) do aankondiging, beseiirU-vlng of samonroeplng van eene kerkvergadering; de kerkeiyke oproeping; ook z. v. a. indictiecirkel of romeinsche indictie, eone periode van l\'i jaren, eene jaarieiilng, tot welke het aanzeggen of do In diet Ie van zekere opbrengsten of hoofdgelden, aan ile Homeincn onder Conslanfjn den (Iroolen opgelegd, en die driemalen in de l\'i jaren moesten aangezuiverd worden, aanleiding gaf. Om de jaren na Chr. geboorte volgens Indictien te berekenen moet men bü het jaartal II voegen en die som door 13 doelen, als wanneer de rest de indictie Is: zoo is 1). v. voor hel jaar 1SS5 do indictie l:t en er zgn sederl Chr. geboorte li li indictien

verloopen, want \'j-i-i? = 123, rest lit.

Indexteriteit, f. nw.lat. (fr. indexlirité: vgl. doxterltelt), de ongeschiktheid, ordian-dlghold.

Indiculus, indicium, indicatief,

enz., z. ond. Index.

indicia causa, onverhoorder zake, zonder ter verdediging toegelaten te zijn.

Indië, n. (gr. en lal. India, f., v. Indus, de bekende groote rivier In indie, sanskr. Sin-dime, perz. hindoe) een groot land In Z. Azië, verdeeld in Indil! aan deze en aan gene zijde van den Ganges of in Voor- en A elite r-Indlë, veelal Oost-lndl# geheeien, ter onderscheiding van West-Indie of de eilanden In den Mexlcaanschen zeelioezem, die men sedert de ontdekking van Amerika zoo noemde, dewijl men aanvankelijk geloofde, dat liet nieuw ontdekte land met Indie samenhing; — indian, adj. eng. (spr. indiün) z. v. a. Indisch; — indian liquor (spr. likker), door toevoeging van water, peper, tabak enz. vervalschte brandewijn, zooals die aan de Indianen verkocht wordt; — indicus, a, um, lat. hot. Indisch; — Indiërs, inboorlingen van O. Indie, Hindoes; — indisch, adj. lol dat land of volk behoorende, enz.; — indisch vuur, z. bongaalsch vuur; — Indianen, inboorlingen van W. Indlë, en in ruimer beleekenis de oorspronkeiyke bevolking van Amerika; — indiaansch, adj. aan de amerikaansche volksstammen eigen, enz.; — indianiet, n. naar zyn aanwezigheid in Oost-indie aldus genoemd a north iet (z. aid.); — Indianist, m. (fr. indianisle), een geleerde, die zich bezig houdt met de beoefening der Indische talen en letteren inz. der oudere (hot sanskrit, enz.); — India-rubber of Indian-rubber, n. eng. (spr. indie of indien, eng. indisch wrUfluig) vederhars, leder-hars, gummi elasticum; - indienne, f. fr. (spr. endjeii\'), oost-indisehe katoenen stof, lijn gedrukt katoen, sits; indienneur, m. fr., een kaloenfabrikant; - indicum, n. lal. (reeds bü Pilnius) de indigo, z. aid.; — indicum in labiilis. Indigo l i koekjes of plaatjes; - Indogermanen, indogermaan-sche of indo-europeesche volkeren en talen, do lol liet Kaukaslsch ras behoorende volks- en iaalstam, die over een groot gedeelte van Azlö en bijna over geheel Kuropa verspreid is en waartoe de Indiërs, Perzen, Grieken, Komeinen, Germanen, Slavonen en Celten behooren.

indifferent, adj. lal. (indifferens-, vgl. d 1 f f 0 r e e r e 11) niet ondersclielden, oenorlei, on-verschlliig; ook: niet deelnemend, koudbloedig, lauw, lauwgeloovig; — indifferentisme, n. nw.lat., de onverschilligheid, lauwgeloovig-held, koelheid, Inz. in geloofszaken, godsdienst-onverschilligheid, ook z. v. a. indeterml-nisnie; — indifferentist, 111. een onver-schilllge, niet-deelnemende, lauwgeloovigo; — indiffbréntie (spr. l=ls), (lat. indilferenlia) of indifference, fr. (spr. eiidiferaiis\') f. do onversclillllgheid, ongevoeligheid, koeizinnlgiieid, lauwheid; - indifferéntie-punt, n. I\'hys. het punl tussclien twee tegenovergestelde polen, waar zü elkander wederzijds te niet doen, b. v. ma g n el i se li 1 nd 1 tTorent l e - pu nt, het lus-schen den noord- en zuidpool van oenen magneet liggende punt; — [con) indi/ferema, 11. Muz. (met) koelheid, onversehilllgheid (Ie zingen of ie spelen).

indiginus, a, um, lat. Hoi. inlandsch, in-heemsch; — indigëna, 111. pi. indigence, lal., een Inboorling, inlander, oorspr. of eerste bewoner; — indigenaat of indigenaat-recht of Incolaal, n. liet recht der Inboor-lingen, het burgerrecht, voorrecht der ingezetenen.

indigónt, adj. lat. {indifiens, partic. vau indifjere, behoeven, gebrek hebben, v. in du = in en egt re, beboefllg /.(jn) behoettlg, nooddruftig, arm; — indigéntie, f. [indigenlia, do bohoeftighcld, hel gebrek, de behoefte, armoede.

indigést, adj. lal. {indigéslus, a, «m. vgl. (digereeren) onverteerd; niet doordacht, niet uitgewerkt; indigestibel, adj. later lal. {iniliuesliliïlis, e) onverleerbaar; — indigestie, f. (imligesCïo) onverteerUjkheld, gebrek aan of zwakheid van vertering, kwade maag

Indigötes, pi. lal. (vgl. indigo na) of indigéten, pi. rom. Mvth. ingeboren beschermgoden, schutsgoden van het land, na hun dood vergode helden.

indigiteeren, nw lat. {indigilare, van di-


-ocr page 636-

INDIGN KEREN

018

INDOCII\'lL

gilus, vinger) iianwUzcn, mot den vinger aanduiden ; — indigitatie (spr. tie—lsie) f de aanduiding-, elg. vingorannwgzing, vingerwUzing.

indigneeren, lat. (iiulinnaii, ii. i. elg. Iets voor onwaardig of onlielameiyk houden, daarover misnoegd zgn; vgi. digniteit) verontwaardigen, ontevreden, hoos, wrevelig maken;

— geïndigneerd, ndj. verontwaardigd, iioos, misnoegd, heieedigd; inz. onwaardig heiamdeid;

— indignatio (spr. I=l.t) f. (lal. indignaCxo) de vcrontwaurdiging, liet misnoegen, verdriet;

— indignitoit, f. lat. (indif/nï/as) do onwaar-digiieid, onwclvoegiUkiieid; sehandeiykiieid, niels-waanligiieid, iieieediglng, iiosclUmping.

Indigo, m. sp. (oudsp. Mico, it. indaco, fr. indigo en inde, provene. indi, endi, v. \'I lat. indtcum [z. ond. imiiej, inriïcus color, Indisclio kleur) eene liekende selioone blauwe verfslot uil do bladeron van ondersclieldon soorlen der anil- en indigo-piaiiien (Indiuoffra) In Oost- en West-lndie; roode indigo, z. cudboard; — indigoterle, f. eene indigo-plantage; ook de plaats, waar de indigo wordi toeiiereid; indigotine, f. of gereduceerde indigo, indigo-wit.

Indiligéntie (spr. /=/,«) f. (int. indili-qenffa .■ vgi. d I i 1 g e n 11 e) gebrekkigo zorgvul-digiieid, nniaiiglield.

indiréct, adj. lal. (indir^clus, a, um: vgi. dirt gee ren, enz.) of ais adv. indirécle, ook per indiréclum, door omwegen, niet reciittoe, iniddellük, door een derde, op bedekte w(ize, slinkscli; — indirecte belastingen, d. i. niiddeliUke beiasiingen, die niet rceliislreeks den personen opgelegd, maar door middel van eenen op zekere waren enz. gelegden cijns gelieven worden.

indiscernibel,ndj. iiw.iat. (vgi. discer-ii eer en) niet ondersclieldiianr, niet waarneem-iiaar, onbemerkbaar, niet bespeurbaar.

Indiscipline, f. nw.lal. (vgi. discipline) liet gebrek aan tucbt, tuclitoioosiield, leugelioosbeid, oiibaiidiglieid, ongoregeldheid; — indisciplinabel, adj, onbestuuriiaar, on-bandig, ontembaar, niet aan tucht, aan orde te gewennen; — g eïndiselp 11 no e r d, adj. zonder lucht, onbeteugeld; Mil. niet geoefend, onbedreven.

indiscreet, adj. lal. {indi.icrlt;Hus, «, um, elg. onbescheiden, niet onderscheiden; vgi. discreet, enz.) onbescheiden, onvoorziclilig, on-bezonnen, onbedachtzaam, praatziek, niet ge-heimiiondend, opdringend, onbeleefd; — indiscretie (spr. /=/x) f. nw.lal. de nnbeschelden-beid enz., praatzuciit, opdringendheid.

Indiscriminatie (spr. l=/s: vgi. dis-crimen, enz.) de niet-ondersciieiding, liet niet onderscheiden zün

indispensabel, adj. nw.lal. (vgi. dispons eer en) onvermijdeiyk, volstrekt noodza-ketyk; — indispensabiliteit, f. de onver-mydolUklietd.

indisponibel, adj. nw.lal. (vgi. dispo-neeren, enz) onbeschikbaar, waarover men niei kan beschikken, onvervreeindliaar; — in-disponibiliteit, f. onbesclilkiiaarheld, onvervreemdbaarheid ; — indisponeeren, misnoegd, wrevelig of boos innkoii, vertoornon, in kwade luim brongen;— geïndis poneerd, adj. ongenegen, afkeorig, onwillig, wrevelig, onlslomd, kwal Uk gemutst; onpasseiyk, ongesteld; — in— disposé, adj. fr. ■/.. v. a. g e in d Ispo n O e r d ; — indispositie (spr. -zi-lsle) de ongenelgd-heid, afkeerlghoid, kwaadliiiniigbeid, verdrietig-hold; onpasseiykheld.

indisputabel, adj. nw.lal. (vgi. dispu-teeron) onbesirydbaar, onbetwistimar; — in-disputabiliteit, f. de onhetwislbaarlield.

indissolübel, lat (iiidUsolutiilis, e: vgi. dissel v ee re n) onoplosbaar, onsciieidbaur, op hel nauwst verbonden; — indisaolubili-teit, f. nw.iat. de onoplosliaarliold, onafschei-doiykiieid, ononiIdiidbaarhoid.

indistinct, adj. lat. (indislinctm, a, um . vgl. d 1st i nga ee ren) onduidoiyk, onbepaald, verward; indistlnctie (spr. tie=sie) f. de niet onderscheiding, onbepaaldheid, onduide-lykheid.

Indium, n. een in IHia door F. Kelch en Th. Kiciiter ontdekte meliiliischo grondsiof, die liij de spectraal-analyse eene iadigo-iilauwo lijn verioont.

Individüum, lat., individu, fr. n., iii. individüën, lat. (vgi. divideeren, enz.) elg. oen ondeelbaar of onsclioidbaar geheel; een enkel, afzonderiyk, op zich zeiven iiescliouwd wezen; een persoon; — individueel, nw.lal. afzonderiyk, op zich zeiven; eigen, eigenaardig, aan een enkel voorwerp eigen, sloclits op éen persoon passende, persooniyk; — indivi-dualiseeren (spr. s=i) op een enkel, afzonderiyk voorwerp overdragen «f ais een op zich zelve slaand iels beschouwen en behandc-len; individualisatie (spr. -za-lsie) of individualiseering, ook individuatie (spr. I—Is) f. de verenkeling, beschouwing op zich zelve In \'I bUzonder; beperking tot een enkel wezen; individualiteit, f. de gez.amenlyke kenmerken, waardiuir een voorwerp zich van een ander derzelfde soort onderscheldl; de olgciiaardlglieid, byzonderlield, persooniykheid; — individuiteit, f. de eigen aard byzonderlield; het ik (do Ik-lield); — in-divisus, (i, um, lal. Bot. onverdeeld; — indi-sibol (spr. .s=j) adj. ondeelbaar; — indi-visibilia, n. pi. Malli. ondeeiiiare grootheden, d. I. zulke, die in vcrgeiyking mei andere ais niels te acliien zyn {infinite puma of infi-nilissima)-, — indivisibiliteit, f. de oiidool-baarlieid, onafscheldeiykheiil.

Indocehiatüra, f. li. (spr. iemlokkialoera) do ooghetoovering, het boozo oog, do wonder-krachl, die hel hygeioof in llallti en elders aan den strak gevesiigdeii Idik op liet aangestaarde voorwerp tooschryfl

indociel, adj. lat. (indoatis, e,- vgl dociel, ond. docooron) onieerzaani, Iraag van iievatllng; ongedwee; - indociliteit, f. de


-ocr page 637-

INDO-GERMANEN

INDUSTRIE

61 lt;)

onlcerzniiniliold, slugliddj — indoctus, lal. ungoloord: indocli discant el nminl meminisse periti, Ier loorliiK voor iilot-Koloordon, lor aan-(tonamo lioriiinorlnK voor do kiindlgen.

Indo-gormanen, indo-germaan-sche, enz., ond. Indlö.

indolént, adj. mv.lnt. (van dolere, pijn hebben) elp. pUnloos, oiipUiilUk; onverschillig, zorgeloos, gemakkeiyk, traag, slap; — indo-léntie (spr. (=/s) f. lal. (indolenlia) pünloos-hold, flnpUniykbeld; ongevoeligheid, onvorscbll-llgheld, zorgeloosheid, sloinpzlnnlgheld, slaperigheid, slapheid, traagliold.

Indoles, f. lal.aangeboren eigensebap,aard, aanleg, nuluurgave; — inilotcs unimi, gemoeds-loestand; —indoles morbl, de nuluur, de aard dor ziekte.

indomabol, adj. lui. (itnlomaliïlis, vun do-nitire, lommen) unlembaui\', onbedwingbuur.

in dorso, z. ond. dorsum. indorsement, n. eng. z. v. u. indossemenl; hel rugge-schritl eener oorkonde.

Indossant indosseoren, enz. z. endosseer e ii.

In-douze, fr. zeker iioekformuul, z. v. a. lt;1 uodoclm o.

Indra, m. Indisch (helzy v. \'I sanskr. ind, hoerschen, helzij vun inilh, viamenen, lieblen) Myth, de god dor lucht en des weders, de bliksemvoerder en dondoraur, do hoogste god by de oude Indiërs, later do vorst der lagere goden, d. I. der gezumeniyke goden bohulvo li rail ma, Vlsebnoe en Si va.

in dubio, z. ond. dubium. indubitabel, adj. lal. (iniluhilatïilis, e: vgl. (lublleeren) onhvyfeibaar, zeker.

induceeren, lui. (inducire, oig. invoeren; vgl. d u c 11 o I) verleiden, misleiden, overreden, bepraten; gevolgtrekken, aileldon, besluiten; — inductibel, adj. nw.lat. licht te verleiden of te misleiden; inductie (spr. I—s) f. lal. {inilurlio) oig. Inbrenging, invoering; inz. do invoering der ziel in hel lichaam by de ontvun-gonls, naar de mooning dor uunlmngers van het Induclio-systcem, volgens welke do ziel aanwezig Is voor hot llchuam; aunlelding of verleiding lol Iels; gevolgtrekking, sluitrede, besluit vun hel byzondore lot bel ulgemeene, d.l. do oplelling van byzoniiero gevallen om eene stelling daaruit te bewyzen; do geleiding, over-leiding; vunduur; In ductl o-elect ricl tol I, ontdekt door Karaduy, die opwekking of verandering der elecliicilell, welke in oen geleider plaatsgrypt, ais z.yn afstand vun een electrlsch llchuam groeier of kleiner wordt, of wanneer In het uigemecu de olcctriscbo loeslanden der nabygetegen llchanien veruudoreu; ;»\')• inducli-onem een liewys voeren of d o o r I n d u c 11 e liewyzen, d. I. door eene reeks van voorbeelden of daudzakon bowyzen, het legeugesl. van: per dedwtionem, z. onder doduceeren; — inductief, udj. nw.lal. uitlokkend, verleidend; uil enkele gevallen ufgololil of alloidond; Inductieve w et e use hu p pen noemt men die, welke boofdzukeiyk berusten op de methode der luducilo; — inductorisch, udj. op inductie gegrond (n. 1. de methode).

induciae, f. pl. lat. oig. wapenstilstand; Jur uitstel, lermyn voor schulden, die Iemand zich niet Ie vvyten heeft.

in duld jubilo, z. ond. jubel, indulgeeron, lat. (inilulijere, inilullum, v. dulcis, zoel, aangenaam, zacht ; dus zacht ol toegevend z.yn) toegeven, vorschoouen, laten doorgaan, door de vingers zien; — indulgént, adj. {indülgens) toegevend, loegeeliyk, vorschoo-nend; — indulgéntie (spr. I-s) f (imlul-l/enlia) de loegevendlioid, verschooning; zacht-zinnlgbeid; de strafonthetllng, allaal; — indul-f/enlin plenarïa, volle atlaat; — indult, n. (later lal. indüllus, m. en indüllum, n.) een vergund uilslol van betaling, rospyi; de pau-seiyke vergunning lot eene zaak, die anders In den regel niel geoorloofd Is; een genadebrief; vrybrlef van de regeering, van een bisschop;

— indülto, m. sp., oig. strafonlboillug; verlof of bewilliging; de tol van amerlk. waren In Amerika.

in duplo, z. du plum

Induméntum, n. lat. kloody, gewaad;

— indumónla episcopiilia, Idsscliopsgewaden. indurabel, adj. nw.lal. (vgl. du ra bei

niet duurzaam.

Induratie (spr. I=ls) f. nw.lal, (indura-lio, v. indurarc, harden; vgl. durus enz.) de verharding, vorsloklboid, onboelvaardighold; — induralio cordis, Med. eene vorbardlug van \'Iharl; ind. hepdlis, ievervorharding; ind. li-(nis, mill verharding; — induresceoren, lal. {indureccrre) hard worden, vorbarden; — in-durescént, adj. (induréscens) hard wordend, verhardend.

indiisium, n. lat. Hol. bet omhulsel. Industrie, f, fr. (van \'l lat. induslria,\\. induslrius, zeer werkzaam, bedrUMg) de vlijl. bedryvigbeid, kunslhedryviglieid, nyverlield, werkzaamheid, kunshiyi, in den rulmslen zin alle gezameniyke pogingen om do massa der voorbanden rykdominen Ie verineorderen of, met andere woorden, om die te verdienen; In engere beleokeuls; de door leclinlsche bewerkingen te weeg gebraeble waardoverhooglng der naluur-produclen, vandaar bedryis-, handworks-, f a b r I e k s-i n d u s 1 r 1 e; industrie-kantoor, n. eene stapelplaats of oen depót van kunslvoorlbrengselen, een kantoor van luland-sche viyt; — industrie-planten, die planten, welke In de nüverhoid op uilgobrelde schaal verwerkt worden, b. v. jute, de katoenplant, hennep, vlas, suikerriet, do tabaksplant enz.;

industrie-school, voorbereidende scbool voor de nyverlield, inz. voor de elemcntniro vorming van aanstaande loonarbeiders op Industrieel gebied, vakschool, practlsche bedryfs-of handwerkschooi; — industrie-systeem, n. bet slaalshulsboudeiyk leerstelsel van den Schot Adam Smith, volgens hetwelk vlyt, arbeid en spaarzaamheid de eerste bronnon van


-ocr page 638-

IN EXSTINGUIBEL

INEBRIATIE

020

allo aanwinst en lie/it van goedoron, Rcvolgiyk ook do laatste voorwaarde van volkswelvaart on volksrijkdom zü\'igt; cn\'waaruit drie rechtmatige lielastlngon, n. I. die op grond, hedryt cn kapitalen, voortvloeien; vgl. mercantiel en p li y sI o k ra 11 sc li s y st ee m; — chevalier d\'industrio, m. z. chevalier, ond. clio-val; — industrieel, adj. (fr. industrial, eng, induslrinl] lol do beroeps-nUvorhcid tiehoorend ;

— industriëelon, pl, de nUvorheldsmannon, dc tot den hedrgfssland hehoorenden, do dry-vers en bevorderaars van \'t fnbrlekswozon; — industrialisme, n. barb. lat. het ovorwlcbt van de Industrie of do Industrlöelen; — in-dustriëus, mij. (lat induslriósus, fr. in-dtislrieux) vlüllg, bedryvlg, yverlg, werkzaam, vlndlngryk, vernuftig, gesclilkl, In kunst, handwerk of bedryr ervaren.

Inebriatie (spr. t=ls) f. nw.lal. (van \'l lat. inebriare, dronken maken) dc verslamlsbenevo-llng, bedwelming, roes.

Ineditum, n., pl. inedi\'ta, lal. (vgl. o de eren) nog niet of vroeger niet uitgegeven schriften, z. v. a. anokdotn; — oeuvres in-édiles, pl. fr. onuitgegeven werken.

ineffabel, adj. lal. (ine/fabïlis, e, v. e/fari, ullsproken) onullsprekeiyk, onulldrukbnar; — inefïabilïteit, f. iinc/fabifïtaK) de onuitspre-ketykhcld.

ineffacablo, adj. fr. (spr. inèfasabl\') onult-wlschbaar.

ineffectief, adj. nw.lal. (vgl. cffectlcf) onwerkzaam; onwerkelijk.

in elféclu, z. ond. effecl.

in (\'//iffic, z. elfigies.

inegaal, adj. fr. (vgl. egaal) ongeiyk; veranderiyk; — inegaliteit, f. (fr. inégalilé) ongeiykheld.

inelegant, adj. lal. {ineltgans: vgl. elegant) onslcriyk, smakeloos, onbevallig, plomp;

— inelegantie (spr. I=ls) f. (lat. inekijmtw) ile onslerlykheld, smakeloosheid.

ineliglbel,adj. nw.lal. (vgl. ollgeoren) niet verkiesbaar; -- ineligibiliteit, f. de onvorklesbaarhcid.

ineloquént, adj. nw.lal. (v. lal. eluquens, welsprekend) tilel welsprekend

inépt, adj. lat. {ini\\itus, a, urn, d. I. clg. ongepast, van in- en aptus) als udverh. ook inéple, ongerymd, laf, smakeloos, plat; — in-éptus libélbts, m. een ongepast, ongerymd of onbohooriyk klaagschrift; — inéptie (spr. I=x) t. (lal. ineplin) pl. ineptiën, ongerymdheden, zotheden, fratsen; — incplilfidn libélli, I. ,lur. Informalllcit, ongepastheid van een klaagschrift.

inépuisable, adj. fr. (spr. ieneepwkdbl\') onuttpulleiyk.

inermix, e, adj. lat Bot. ongewapend, zonder stekels of doornen.

iners, Int. (clg. kunsleloos, ongeschikt, van (irs, kunst enz.) traag, vadsig, ledig; — inertie (spr. l=/s) f, {inertia) traagheid, lediggang-, onvermogen, zwakheid; — vis incrfïac, z. ond. vis.

inerudiet, adj. (lat. inerudïlus) ongeleerd, oihmiI wlkkcld; - inoruditio (spr l=/s) on-goleerdbeld.

Ines nf inez, m. sp. naam van het ne-dcrl. Agnos, h. v. Ines de Gastro.

Inescatie (spr. t=/s) f. lat. (v. csra, lok-spys) het verlokken en verleiden lot iets. in esse, in essenliuli, z. ond. esse. inessentiëel, adj. (spr. /i—/si) barb.lal. (vgl. essentlüel) onwczenlgk. inestimabel, adj. fr. onschatbaar. in evéntum, ■/.. ond. eoénlus.

inevidént, adj. nw.lal. (vgl. evident) onduldeiyk, onverstaanbaar, niet klaarhiykciyk; — invidéntie (spr. I=ls) f. de onduldeiyk-held, onoogenschijniyktield.

inevitübel, adj. lal (ineoitabï/is, e,- vgl. evltecren) onvennydciyk, niet le ontgaan.

inexact, adj. nw.lal. (vgl. exact) onnauwkeurig, nalatig; onjuist, gebrekkig, met fouten; — inexactitude, f. fr. de onnauwkeurigheid.

in excéssu, z. ond. ex cedeer en. inexcitabel, adj. lal. (inexcitabïlis, e,-vgl. oxcltoorcn enz.) onopwokbaar, onprlk-kclhaar.

inexcusabol (spr. s=i) adj. lal. (inex-cusabflis, c- vgl. exc usee ren) onverschoon-lyk, onverantwoordeiyk, niet te verontschuldigen.

inexigibol, adj. nw.lal. (vgl. exlgee-ren) onelschbaar, onvorderbaar; — inexigi-biliteit, f. de onafvorderbaarlield, onbereikbaarheid.

Inexisténtie (spr. Iie=lsie) f. nw.lat. (vgl. existceren) het nlctbestaan, nletvoor-haaden-zyn.

inexorabel, adj. lat. {inexorabïlis, e-, vgl. exoroeren) onvorbiddeiyk.

in expénsas c o n it o in n e c r e n, z. e x p e n s e n. Inexperiéntie(spr. l=/s) r. later lat. (vgl. e x p e r I é n 11 e) de oaervarcnheld; — inexpirlus, lat. onervaren.

inexpiabel, ailj. lat, {inexpinhili.t, e.- vgl. ex p leer en) niet te boelen, niet good te maken, onvergoedbaar, onverzoenbaar.

inexplicabol, adj. lat, (inexplicabilis, e vgl. ex pl lee eren) onverklaarbaar, onoplosbaar.

inexplorabel, adj. nw.lat. (vgl. explo-reeren) onnavorsebbaar, niet na te sporen.

inexponibel, adj. nw.lat. (vgl. expo-ncoron enz.) onverklaarbaar, niet uil te leggen of over te zetten.

inexpressibel, adj. nw.lat. of inex-primabel, fr. (vgl. ex primeer en) onuitsprekelijk, onheschryiiyk; onnoemiyk; - inexpressibles, pl. eng. (spr. —préssib\'ls) de onulisprokelUken, Iron, voor: de broek.

inexpugnabel, adj. lat. (inexpui/nabilis, e,- vgl. expugneeren) oninncombaar,onover-wliineiyk, onbedwingbaar.

inexstinguibel, adj. lat. (inexslinguibi-lis, e: vgl. exstlngueeren) onuitbluschbaar, onulldelgbaar.


-ocr page 639-

1NEXSTIRPAI5KL

G21

INFERNAAL

inexstirpabol, ailj. lal. {inexslirpabïlis, c-, vgl. oxst Ir poeren) onuitroeibaar, onvor-delRhaur.

inoxtonsibol, adj. uw,lal. (v. lal, exten-dSre) nlot voor uilbreidlng valhaar.

in exlénso, i. ond. oxtendoeron. in exlrimis, l ond. oxlroem. inextricabel, adj. lal. (inextricabïtis, e-, v. exlricarc, onlwarren) onoploshaar, onontwlk-kolbaar, nlot lo onlwarron.

infaam, adj. lal. (infamis, e: vgl. fa ma) le kwader faam slaande, eerloos, scbandoiyk, afscliuwolljk, vuil, geschandvlekt; - infamie, f. (lat. infant ia) do kwade naam, eerloosheid, schande; laagheid, schandeHjkhehl,schanddaad; smaadhold, laster, eerroof; — infamfa nolülus, voor eerloos verklaard, eerloos gemaakt; — in-fntmae abolilio, /.. abolilio: — rum infamfa, mot schande; — infameeren (lat. infamare) in kwaden naam brongen, eerloos maken, onteo-ren, belasteren, smaden, schenden, eerrooven; — infamoerend of infamant, adj. ont-oerend, eorroovend enz.; — infamtitie (siir. /=(.«) f. nw.lat. hol eerloos-maken, de beschimping, oorroovliig, scliaiulvlok; infamiteit, f. do eorlooshold, laagheid, schurkorU. in facicm, z. facies.

in fado, lal. Inderdaad, werkelijk, infallibel, adj. nw.lat. of infaillible, fr. (spr. cnfaljiébl\', vgl. fa IIII hel) onfeilbaar, onbedrlogHik, aan dwaling niet onderhevig; — infallibiliteit, f. onfeilbaarheid, zekerheid.

Infamie, infamoeron, enz., z. ond. i n fa a m.

infandus, a, urn, adj. lal. onullsprokclijk, on-noemeiyk; — infantlum, vet}inn, jubes renovare dolorum, o koningin, gü beveelt een onultspre-kelüke smart weder to vernieuwen (citaat uit Vlrglllus Aonoïdo 11, 3).

Infant, m. sp. (infante, van \'l Int. infans, clg. [nog] niet sprekend, nlot kunnende sproken, v. in en fare, sproken, vandaar een klein kind, in de middeleeuwen Inz. do zoon eens gebieders of odeien) oorspr. de koninkiyke erfprins, kroonprins; later In \'l algemeen een koningszoon, koninkiyke prins in Spanje en l\'or-tugal; - infante, f. oono koningsdochter, ko nlnkiyko prinses In Spanje en Portugal; - infant, m. eng. (spr. infenl) .)ur. oen minderjarige, dlo don ouderdom van -21 jaar nog niet heeft bereikt; — infants\'school (spr. -sknel) kleln-klnderschool; — infantagien, pl. de In Spanje en Portugal beslaande jaargelden voor koningskinderen; — infantado, m. hel gebied, dat aan oenen Infant of oono infante tol lyflocbi is aangewezen; vandaar infantados of infantado-schapen, pi. een ras van merinos-schapen; - infanterie, f, fr. (sp. on II. infnnteria, van bol sp. en II. infante, fanle, kind, knaap; voorts dlonstbode, knecht, inz. vootkneebl, voetsoldaat, fr. ook fantassin: v. \'I lat. infans, kind, mol zeer verruimde bo-toekenls) voetvolk, soldaten te voet, hel voetleger, de voolknechlon; — infanterist, m.

een soldaat te voel, voetsoldaat, vootknecht;

— infanticida, later lal. (van infans, kind en caetlcrc, houwen, doodon) kindormoorder, kin-dormoordster; — infanticidium, n. de kindermoord.

Infarctus, m. nw.lat. (v. \'1 lal. infarcire. Instoppen; vgl. farce) pl. infarctus of infarcten, vorstoppingon In hol onderlijf, verharding van drokstolfen.

infatigabel, adj. lat. {infaliiialnlis, c-, vgl. fatigeoren) onvermoeibaar, onvermoeid, onverdroten, rusteloos; - infatigabilitoit, f. nw.lat. de onverinoolbaarheid.

Infatuatie (spr. tie=ts\'.e) f. nw.lat. (van infatuarc, gok, uilzinnig maken, v. fatiius, dwaas, onnoozel) verdwaasdheid, zotte waan, belacho-lijke inboelding, overdreven, zotte vooriiefdo lot Iels; geïnfatueord, adj. dwaselijk voor Iets Ingenomen, verzot, dol op iels.

infavorabel, adj. lal. (infavorabïtis, e: vgl. favorabel) ongunstig, ongenegen; on-voordeeiig.

in favurem, z. favor.

infect, infectie, infecteeren, z. I n-f 1 c 1 ë e r e n.

infölix, adj. lat. (vgl. felix) ongoinkkig;

— infeliciter, adv. ongoliikkigcrwys; — infe-liciteit, f (lal. infeticitas) ongeluk, ongoluk-zallgheld.

infereeren, lat. (inferre) inbrongon, b(j-dragon; opdragen, olferen; besluilen, gevolgtrekken, alloiden.

inftri, in. pl. lal. (van inférus, a, urn, van onderen, heneden) elg. de benedensten, laag-slaanden; de ondcraardsche of lielsche goden-, de afgostorvonen in do onderwereld; ad in ferns, by of naar de doodon, in de onderwereld, naar hel sehimmenrijk; — inferiën, f. pi. (lal. infeiïae) doodenoifers, geiyk dlo by de Ouden aan de ondoraardschc godbeden voor de zielen der gestorvenen gebraclit werden; — inferior, m. of fr. inférieur, pl. infórieuren, de ondergosehikte, mindere, lagere in rang; inferior judex, lagere reebler; inferior magislni-tus, de lagere overheid; inferiöris cnnilitionis, van geringe hoedanigheid, van lagoren stand;

— inferius leslamMum, n. bet laalsto lesla-menl; — inferioriteit, f. do mindere, ondergeschikte staat; do geringer waarde, slecb-ter gesteldheid, het aeblerslaan by anderen; hol tegengesl. van s u p e r 1 o r 11 e 11 ; — inferus, a, um, lat. Hot. onderstamllg, wat onder een ander orgaan geplaatst is.

infermenteacible, adj. fr. (vgl. f erin en leer en, onder fermont) voor gisting onvatbaar.

infernaal, adj. lal. {infernalis, e, van in-férnus, a, um, onderaardscb) liolsch, onder-aardsch, dnlvelseb, afsebnwelUk, snood, boosaardig; — infernale, 11. Mnz. helseli, mei cone slerke, geforceerde uitdrukking voor te dragen;

— infernalis lapis, ■/.. lapis: — infernali-teit, f. de helscbbeld, dulvelsche boosaardigheid ; — ex infdrno, uil do hel; - inferno,


-ocr page 640-

INFLECTKEREN

INFKliTIKL

622

n. It. de hol, Inz. «Is titel van een (tedeollo van Dante\'s dtvtna commëdta.

infertiel, ailj. nw.lat. (vrI. fertiel) on-vrui\'htbaar, niet oploverend; — infortiliteit, r. de onvrnchtbaarlield.

infestoeren, lat. [infcsturo, v. infestus, vyandelük) vyandlj? aanvallen, verwoesten, stroo-pen, uitplunderen; verontrusten, plagon, lastlj? vallen, kwellen, onveilig maken; — infesta-tie (spr. lie—lsie) [infcslalin) of infestee-ring, f. de vyamlelUke aanval, veronlrustliiu; vorwoestlng, stroopory.

infeudeeren, mld.int. (vgi. foudum) be-leeneii, vertelen; — infoudatie (spr. l=ls) f. de lioleenlng, de verlellng.

infibuleeren, lat. iinfiliulfire: vgl. film la) ringen, toehechten, Inrlngon; — infi-blllatio (spr. /—Is) f. Mort. hel Inrlngon der voorhuid, of het kunstmatig vereenigen mot eenen ring «f naad van die doelen, welker vry-hcid tot het work dor voortlellng noodig is (eou middel lor hewarlng der kalschheid, reeds hy de Ouden In gehruik en lutcr ter wering van de zeifhesmetting voorgeslagen).

inficiëeron, lat. {inficHrc, v. fdccre, maken, iloen, of inféeteeren, fr. (infaier) elg. er In of aan doen; met slank vervuilen; aansteken, hesmetten, verpesten, vergiftigen met eeno ziekteslof; — goïnficiftcrd, geïnfeeteerd worden, door pene hesmettciyko kwaal aangetast, hesmet worden; — inflciëerbaar, adj. lat.-nederi. aanstokeiyk, liesmetteiyk; — infect, adj. (lat. infécius, a, um) aangestoken, hesmei, verpest, stinkend, vollend; — in-fectado, m. fr. sieehte sigaar, sliukslok; — inféetie (spr. t=s) f. de aansteking, hesmol-tlng; — infectiëus (spr. t=s) adj. harh.lal. aanstekend, pestaardig; — infedorlus, «, um, lat. Bol. hesmet, vervuild.

inlideol, adj. lat. (infiililis, e; vgl. fideel, ond. fides) ontrouw, irouweloos; onge-loovig; — in /mrlihus infidettum, In hel goblod of liet land dor ongeloovigen, d. i. der niei-kalh. christenen; —infldeliteit, f. (lat. in-fidclilan) de ontrouw, Irouwelooslieid; hot ongeloof.

in fidem, z. fides.

inflgeeron, lal. {infin^re) insteken, inheeh-lon, inslaan; Inpronlen, Indrukken.

inflltreeren, uw.lai. (vgl. filtrum enz.) inzygen, intrekken, indringen; zich ulisiorien; — infiltratie (spr. lio=tsiij f. de Inzyging, intrekking eener vloeistof; Med. de iiilslorting van lymplia, hloed, etter enz. In de zelfstandigheid der organen.

Infimus, m. lal. (superi. v. infirus; vgl. inferi) de onderste, laagste, geringste; — in-flmeeron (later lat. infimare) vernederen. in fine, lat. aan het eind (vgl. fin Is), inflniet, adj. lal. (infinitus, a, um, van finire, hegrenzen, eindigen, finis, do grens, hot einde) oneindig, onhegrensd, onophouileiyk; — inflnitum, n. liet onhepaalde, onbegrensde, oneindige; ad of in infinitum, ir( het oneindige.

onophoudelijk, zonder einde; — inflniteit, f. (infinilas) de oidiegrensdiield, oneindigheid; groole menigto, laiioosbeid; — infinitesimaalrekening, nw.lat.-neder\', of analysis van het oneindige, de rekening of oplossing van oneindig kleine grootheden; daartoe bobooron de differentiaal-, integraal- en exponent ia a l-rekcniug (■/.. aid.); — infinitivus of infinitief, m. Gram. /.. modus.

infioramenti, pl. Muz. versierselen dor meiodionoten (fr. ornemenls) ,■ infiorire, infio-rendn, —rile, —i/n, —lt;«, It. Muz. versierselen der melodienoten mol liy- of hulpnolen, groepen, trillers, enz.

infirm, adj. lat. {in firm us, a, um: vgl. ferm) niet vast, krachteloos, zwak; — in-firmaria, mid.lat., of infirmerie, fr. (spr. eiifiemerie) f. oen kranken- of ziekenhuis, inz. voor soldaten; een ziekenvertrek lu kloosters, op schepen; de plaats voor kwynondo planten in in-oeikasson; — infirmarïus, m. inld.lat., infirmier, fr. (spr. eiifiermjé) of infirmiére (pl. infirmiirii 11. ecu (inz. geesleiyk) ziekenoppasser, ziekonverpieger (lu kloosters); — in-firmeeren, lal. (infimare) kraeiiteioos maken, verzwakken, ongeldig maken, h. v. een testament; infirmatief, adj. nw.lai. ontkrachtend, ongeldig makend; — infirmiteit, f. lat. [infirniflas) de krachteloosheid, zwakte, gehrokkelykheld, bel onvermogen, gebrek.

Infitiatie, f. lat. {infilialin) Jur. bet loochenen, oidkennen voor hel gerecht. in llagrantc, z. flagrant, infiammeeren, lat. (inllammare) ontvlammen, ontsteken, verhitten; tergen, verbitteren;—infiammabel, adj. nw.lat. brandbaar, onthrandbaar, ontvlambaar; — infiam-mabiliën, pl. hrandliarc stelten, brandstof;

— infiammabiliteit, f. de ontbrandbanr-beid, ontvlainbaarheid; — infiammatie (spr. l=ls), f. lal. {inHammalio) de ontsteking, brand;

— infiammatörisch, adj. nw.lat. oniste-kond. ontsteking veroorzakende, met ontsteking verbonden; eeno infia in ma 1 o rl sch e koo ris, eeno ontstekingskooris.

Inflatie (spr. l=ts), f. lal. {injlaiïn, van inflare, opblazen; vgl. flatus) Med. de opblazing, opzetting van hel lijf door winden; — inflnCto abdominis, opgei)lazenhei(i van hel on-deriyf; — inlUilto venlriciili, opgeblazenheid der maag; — infiatilia, pi. (sell, in sir u men 1 a) Muz. hiaasinsirumenten; — inflalus, u, um, lal. Bot opgeblazen; wal piaalseiyk eeno hiaasvor-mige verdikking heefi en hoi is.

infiocteeren, lal. {infiedire, vgl. flecteer en) huigen, omhuigen, veranderen; ook eeno vocaal van een circumilex voorzien; — infiéxie, f. (in/term) de huiging of afwijking der lichlstralcn van hunnen reebton weg; ook de huigiog of overgang der slem; — infie-xioskoop, m. lal.-gr. (slecht gevormd) een door Meyer uitgevonden werkiuig lot waarneming van de versebynseien der straaihuiging;

— inflexus a, um, lat. hot. neergebogen.


-ocr page 641-

INFRUCTUEUS

623

INFLEXIBEL

inflexibel, ndj. lal, (inflexibïlis, e\\ vgl. floctooron, enz.) onliulBzaum, onbuigbaar, onhowceglUli, onvorzotlolUli, hardnekkig, onver-lildileiyk, stijfzinnig, lialsslnrrig; Gram. onver-bulgbaar, voor geeno verbuiging vatbaar (inflexibele woorden of Inflcxlbllia); — inflexibiliteit, f. nw. lat. do onbuigzaain-held; onverhlddeiykheld, styfhoofdlgheld, hard-nekklgbeld; Oram, onverbuigiiaarbeld. Infléxie, z. ond. Infloctoeren. infligooren, lat. (iii/iff/fi-c, van fligfre, slaan, neerslaan) clg. aanslaan ; Iemand Iets toevoegen, aandoen; eene straf opleggen of voltrekken; — inflictie (spr. l=s), f. (in/licffo) Jur. do toekenning, loewgzing, oplegging van eene straf; do vonnlsvollrekklng, strafvolvoering.

inflorosceeren, lat. (injlnrescUre, v. fto-rescire, beginnen to bloeien, afgeleid y./lnrère, bloeien) beginnen Ie bloeien, opbloeien j — in-florescéntie (spr /=/.«), f. nw.lat. de schikking of plaatsing der bloemen op de plant, de bloemsland, de bloelwyze.

in floribus, z flos.

influeeren, lal. (influére) Invloeien, inwerken, invioec\' lieblien; influóntio (spr. lt;=/s), f. nw.lat. de invloed. Inwerking; b. v. in de IMiys. do eieclriseering van een lichaam door bet brengen bg eene eleelrlcltoiisbron ; ook inflüxus, m. lal.; — influentie-ma-chine, f. een op deze Inllueniie gegronde, door VV. Sliiilz en von \'l\'öpier uitgevonden electri-seermachino; — influenza, f. ii. (spr. ien-jloeénlsa), Med. eig. do Invioedziekle, eene ai-gemeen verspreide zinking- of vloeikoorts, land-vorkoudiidd, in Frankryk g r 1 pp e, in Nederland griep geheeten; ook de snoizlekie of droes der paarden; — influenceeren, Invloed hebben, inwerken; inz. aansteken; overhalen, omkoopen; — inflüxie, f. lal. (influxio) de inviooiing; — influxie-systeom of in-fluxisme, n. nw.ial. de stelling, dat zielen lichaam een zoodanigen wcdcrzydschen Invloed op elkander hebhen, dal leder deel in het andere de veranderingen teweeg brengt, die met zyne eigene overeenkomen; influxionist, m. een voorstander dezer meening.

infmemdus, a, urn, adj. lat. onvruchtbaar; — infcecunditeit, f. {infoecundilas) on-vruclil baarheid. {fnllis.

in folio, ■/.. onder folium; — in folie, ■/.. infórm. adj. lat. (infórmis, e) ongevormd, wanvormig, gedrocbleiyk; wanordotyk; — in-formes. f. pi. Astron. sterren die niet lot eenig sterreniieeid gerekend kunnen worden;-informaal, beter informeel, adj. nw.ial. onregelmatig, niet in den geregelder! vorm; informaliteit, f. gebrek in den vorm of de in acht te nemen vormeiyko wyze; vgl. formaliteit; — informiteit, f. (infonmlns) wanvormlgheld, enz.

in forma jwohanlc, v.. form, informoeren, lat. (infnrmön) d. 1. eig. vormen, eene gedamde geven, (vgl. formee-ren) onderrichten, Icoren; bel ichten, kennis geven; — zich inf , bericht inwinnen, onderzoek doen; ml informauilum, om te berichten-, — informaat of informativum, n. nw. lat. eene meening, oordeel, dat een rechter voor zich van den anderen inwint; ook liet ingewonnen bericht, hescheld; - informatief, adj. leerend, onderwyzend, iniichlinggevend; — informatie (spr. l=ls), f. lal. {informaho, eig. afbeelding, voorslelllng) de onderrichting, liet ondorwys; ook gorechleiyk onderzoek, na-vorscbing, navraag; berichl, bescheid, getuigenis; — informator, m. een ieeraar, iiuis-leeraar, gouverneur; informatriee, fr. f. eene onderwijzeres.

Informiteit, z. ond. inform.

in foro, /,. forum.

Infortiatum (spr. Ii=lsi), n. mid.ial. (v. infortiare, versterken, sterker maken; van lat. forlis, sterk z. aid ) Jur. het tweede deel der digest en (z. aid.), van boek \'21—J8, een gedeelte! van \'I Corpus juris civilis.

Infortunium, n. lat., en infortune, f. fr. (spr. eiifortüün\'; vgl. Kort una) een ongeluk, onheil; infortüna, f. nw.ial. bij de astrologen; een onheiivoorspeiiende sterren-stand, inz. met heirekking lot de vyandige planeten Mars en Salurnus, waarvan de eerste in-fnrluna minor en do laatste inforluna major heet.

infra, lat onder, heneden; — ut infra, als beneden of lager (aangemerkt wordt).

Infractie (spr. /=s), f. lat. (infrnclfo, v. infrinfifre, z. 1 n fr 1 n gec re n) de lireking, overtreding, kwetsing, schending, inbreuk, h. v. op een verdrag; —■ infractor, nw.lat., of in-fractaire, fr. de overtreder, h. v. eener wel, de verbreker van een verdrag, enz.

Infralapsarius, m. nw.lat. (van infra, en lapsus, val) Theol. die party onder de calvinisten die annneoml, dat (lod de menschen sleclils onder voorondersleiling der zonde tot verdoemenis bestemd heeft; ook sublapsa-riCrs; het legensl. van superlapsarïus.

inframundaan, adj. nw.lat. (van infra, z. a., en munilus, wereld) oaderwereldscl!.

infrangibel, adj. nw. lal. (van het lal. franflire, breken) onlireekliaar; infrangi-biliteit, f. onlireekhaarheld.

in fraudum, z. ond. fraus.

infrequént, adj. lat. (infrrquens; vgl. fre(|iienl) niet menigvuldig, niet talrgk, weinig bezoehl, onhezocht, ledig, zonder of niet weinig menschen; infrequóntie (spr. I-Is), f. {infrequenffd) de onhezochtheid, ledigheid, het gelirek aan liezoekers.

infrigideeren, later lat. (infrinulBre, \\. friipilus, koud) koud maken, afkoelen, verkoelen; — infrigidatie (spr. lt;=/s), f. (infriyi-iloho) de afkoeling, koudwording.

infringeeren, lat. {infringlre, van fran-(lire, breken, h. v. een verhond) overlreden, krachteloos maken, te niet doen.

infructuous, adj. nw.lat. (vgl. truc-lueus onder fractus) onvruclitbaar, onvoor-deellg; vruchteloos.


-ocr page 642-

INFUCEEREN

INGRAAT

624

infuceeren, lat. (van fucare, lilaakotton, vcrvon) lilankellen.

Inful, f lal. (infiila) ccn wille wollen voor-lioofdlmml als hoofdlool der oud-rom. piioslers; de kalli. alits- of lilsscliopsnnils, een zlnnehecl-diu sieraad hU plechllKo gelegcnhedon; — in-fuloeren, nw.lat. den bisschopshoed verlee-nen, d. I. Iemand lol lilsscliop maken; geïn-ful eerde a lit en, zulke, welken do paus het recht heeft verleend, de hlsschoppeiyke eere-teekens Ie dragon.

infundooren, lat. (infundere, van firn-dén, gieten). Ingieten, opgieten; — infünde, afgekort, in/\', glel op; inf. «lt;/. fen. q. s. of s, q. = infünde aquae fervidae quantum suffirit of sufliciénlcm qmntitutem, giet er de loerolkonde hoeveelheid kokend water op; — infundi-bülum, n, lat. een trecliter; — infundibu-lifonnis, e, lal. Bol. trechtervormig, een om-gekccrden hollen kegel vormende; —infusie (spr. s=J), f. (lat. infusïo) de in- of opgieting, Inlapplng; de hevochllglng; ook de goddelijke ingeving; - infusie-diertjes, kleine, voor het ongewapend oog onzichthare diertjes in water of andere vloeislollen, enz.; — infiisum, hel ingegolene, In- of opgletsol; — infuso-decóctum, n. nw.lat. een opglelsei-afkooksel, wanneer van een geneesmiddel eerst een op-gietsel hereld, hot overhiyfsel afgekookt en dat dan mei het eerste vermengd wordt; — in-fusörisch, adj. door In- en opgieten ontslaan ; - infusorium, n. het gereedschap of werktuig Ier In- of opgieting.

infungibel, adj. nw.lat. (vgi. fungee-ren oud. functie) ondoenlUk; — infunfiibflis res, eene ondoenlijke zaak, iels ondoenhaars.

infusceeren, lat. {infuscare, van fuscus, donkerbruin, zwartachtig) zwart maken, verdonkeren; — infuscatie (spr. I=lx), f. de zwartmaking, verdonkering.

Infusum, infusie, enz., /.. oud. In-f u n d e o ren.

in futurum, z. futurum.

Ingcevónen, m. pl. (lat. Inqmrünes) een van de drie takken dor Germanen, waartoe de Chnhren, Teutonen, AngrlvarlCrs, Saksen, An-gelen. Jutten, Friezen en HerullBrs gerekend worden (dus geheeten naar Ingulo, den zoon van Mnnnus).

iiif/dnno, m. It. (v. inqunnare, provenc. anqe-nar, oudfr. enganer, bedriegen, mld.lal. (lanmire, liooncn, van eelt. oorsprong; vgi. bet amor. ganat, bedrieger, f/no, qaou, valsch, verkeerd, yaoui, onrecht doen, bedriegen) bet bedrog, de teleurstelling; ;)«• imjanno, hedriegeHjkerwyze; Muz. cadenza il\'inqanno, afgeinoken slolval (fr. radenee rompue).

ingemineeren, lat. (inqeminare: vgi. ge mi nee ren) verdubbelen, horbalen; — in-geminatie (spr. l—ts), f. aw.ial. de verdubbeling, herhaling.

in genüre, z. genus.

ingenereeren, lat. (ingenerüre\', vgi. ge-nereeren) Inplanten, inaarden; — geïnge-nereerd, adj. ingeplant, aangeboren; — in-generatie (spr. t=ls), f. nw.lat. de inplanting, Inaardlng.

Ingenieur, m. fr. (siir. eiizj—i oorspr. de vervaardiger der krügswerktulgen, van \'t mld. lal. ingenium, scherpzinnige uitvinding, kunstige machine, Inz. krggsmaehlae, sp. ingenia, U. ingegno, oudsp. engeno, provenc, engeinh, oudfr. engin, eng, engine) In een vesting- of krügs-bouwkundige; — civiel ingenieur, m. een burgerlijk (nlet-militair) ingenieur; — ingenieur van den waterstaat, een bouwkundig opzichter over wateren, dyken, bruggen.

Ingenium, n. lat. (v. i\'ngenè\'re, ingiqnire, van nature mededeeien, inplanten, ingenïtus, ingeplant, aangeboren, v. genire, gignlre, leien, verwekken) de natuurlijke aanleg, bet aangeboren vermogen, natuurlUk verstand, een gezonde kop, enz. vgi. genie, in later lal. ook eene scherpzinnige uitvinding, enz. (z. Ingenieur); ingenium arnlum, een scherpzinnig verstand; i. caiiax, een knappe kop; i. divmum, een voortrelt\'elUk verstand; i. praetnx, een vroegrijp verstand; i. stupidum, een domkop; i. tardum, een langzaam, traag versland; —ingenieus, adj. (lat. ingeniósus, a, um, fr, inqénieux) zln-ryk, scherpzinnig, geestig, vernuflig, vindingrijk; kunstig uitgedacht, knnslryk; — ingeniosi-teit (spr. s=2), f. nw.lat. de scherpzinnigheid, uitvindlugsgave; — ingenu, fr. (spr. emjenu van \'t lal. Ingeniius, a, um, d. I. eig. ingeboren, vrygeboren; vervolgens: vryzinnig, edel, enz.) open, rond, trouwbarlig, oprecht, eeriyk, vrymoedlg, onbewimpeld, onbevangen; ook als subsi, ingenu, m ingenue, f. een naïef persoon; — ingénuité, f. (spr. eiizjenuité) naïefheid, naïviteit; ook inz. ais Ibealerrol: naïef Jong meisje; — ingenuïteit, f. lal. (inge-n ui las) 1) hg de ouden ; recht dor vrye ge-boorte, bet reclit eens vrygeborenen (In legensl. met de slaven en de vrygelatenen); 2) de ze-deiyke gevolgen van deze burgeriyko vryheld: de openhartigheid, vrymoedigbeid, oprecbliieid, rondhorsligbeid; — inqenuus, a, um, adj. lat. vrygeboren; vandaar; wat een vrijgeborene betaamt: vryzinnig, edel, trouwhartig, enz. vgi. I n g e n u; ingenuas didicisse fidcliter artes, cmol-lil mores ner sinil esse ferns, viyilge studie der edele wetenschappen maakt ook de zeden zacht en laat niet too wreed Ie zyn.

ingereoren, lat. (ingenlre) Inbrengen, indoen, invoeren; — zich ing—, zich In Iets mengen, zich onbevoegd met iels Inlaten; — ingerént, m. (lat. ingürens) Jur. een by-boscbuidiger, hy-elscher; — ingósta, n. pl. de ingehrachte stolfen, inz. levensmiddelen en Inelil — ingéstie, f. (ingestto) de Inbrenging van voedsel, enz. door den mond in het lichaam.

inglëse, adj. it. engelscb; engeischman.

ingots, pl. eng. de door de ISessemer-me-Ihode verkregen slaaihiokken.

ingraat, lat. (ingrSlus, a, um; v. gralus, aangenaam, dankbaar) fr. ingrat (spr. eiigrd).


-ocr page 643-

IN GltANULIS 625 IN1QUE

ondsinklmiir; — ingratitude, f. fr. do on-(liinkhnnrhoid, ondiink.

in granulis, i. ond. uranum.

in nra/iam, t. gratia.

Ingratitudo, ond. in ma a I. ingrammaticaal, artj. (vgl. Kiamma-ticaal) niet taalkundig, In stryd met dc laal-rogolcn.

Ingredi\'ens, lal. (elg. liet Ingaande, parllc. van /iiflc.VH, Ingaan, v. flcatii, slappen, gaan), of ingrediënt, n. het licstiinddeol, samenstellend deel, toevoegsel, Inmengsel; — in-gréssie, r. lal. {innréssus, m., innressfo, f.) Ingang, toegang, Intmlej büval, gunstige opname.

Ingremiatie (spr. l=ls), f liurh.lal. (v. greirifum, ■/.. aid.) de opname In een gcesteiyk genoolsciiap.

Ingressie, ■/.. ond. Ingredlens. Ingrist, m. aanhanger van de seliilder-schuoi van Ingres (legenstander van Delacroix, 1781—1801), die den kieintoon legl op de tee-kening met achlerslelllng van hel koloriet

ingrosseeren, mid.lat. (inuimsnre: eig. tol een geheel of een lichaam vercenigen; vgl. gros; evenwei heleekent grossareoi ingrossare, ook; In \'I nel schrOvon, eono oorkonde uitvaardigen, fr. firossnyer) inschrijven, in liet grond-panden- of hypothekenhoek hrengen; — in-grossator ot ingrossist, m. die dit verricht, de pandhuckhouder; — ingrossarius of ingrossatus, in. een Ingeschreven scliuld-elscher op pand; — ingrossatie (spr. l—ls), t. de inschrijving in liet pandenhoek, In hel register der iivpolhekcn; — ingrossatie-do-cumont, n. het hevvljs der gedane Inschrijving. in grosso, / ond. gros.

Inguïnaal breuk, r. iat.-nederl. (van inguen, pi. inguïna, de schaamstreek, liezen) cene ileshreuk.

ingurgiteoren, lal. {ingurgilüre, v. uur-ges, draaikolk, afgrond, doorhronger) doorzwelgen, onmatig eten en drinken; — ingurgi-tatie (spr. lie—lsie), f. hel zwelgen, vreten en zuipen.

inhabiel, adj. lal. {inhnlnlis, c; vgl. ha-hiel) ongeschikt, onhekvvaam; — inhabili-teit, f. ongesciilklhcid, onbekwaamheid; — inhubitilas lesCïum, de niet-ontvankeHjkheld der getuigen.

inhabitabel, adj. lat. (inhabilabflis, c.-vgl. hahilceren, enz.) onhewoonhaar, niet ter hewonlng geschikt.

inhabiteeren, lat. {inhnhilure) bewonen, inwonen; — inhabitatie (spr. lie=lsie), f. de Inwoning, bewoning.

inhrereeren, lat. {inhucr/re, v. haerire, hangen, vastzitten, kleven) aankleven, aanhangen, eigen zgn. Inwonen; Jar. voortvaren, op iets slaan, ergens hij blijven, volharden; — in-haorónt, adj. (inhairens), aanhangend, aanklevend, Ingeiutd; — inhoeréntie (spr. /=/.«), f. nvv.lal. hel aanhangen, aankleven, de aan-liangigheid, de verhouding van twee dingen, volgens welke hel eene slechts in en aan bet VIEHDE DltUK.

andere gedacht wordt; eene toevallige eigenschap; Jar. de volharding, hel aanhouden.

inhaleeren, lat. (inhalare, van halare, ademen) inademen; — inhalatie (spr. I—Is), f. nw.iat. de inademing. Inzuiging, Inz. het kunsl-matlg inademen van dampen en gassen; —inhalatie-apparaat, n. toestel om genees-mlddoien in dampvorm in Ie ademen (voor keei-en borsliyders); — inhalatie-kuur, f, de genezing door kunstmatige inademing van gassen, dampen, enz.; — inhaler, eng., z. s t e a m p o 1.

Inheritance, f. eng. (spr. inhérilcns) erf-lecn, erfenis; - inheritor, m. inheritrix, f. nvv.lal. de erfgenaam, do erfgename.

Inhiatie f. (spr. /=/s, v. inhiurc, Uiare, den mond opsperren) het opensperren van den mond vaa verwondering of verlangen, sterke begeerte.

inhiboeren, lal. {inhibcre) in- of terug houden, verhinderen, sluilen; verhioden; — inhibitie (spr. /=/■«), f. (inhibilw) bel rechler-lijk verbod om met eene zaak voort Ie gaan;

inhibitorïum, n. of inhibitoriales, pi. nvv. lat een gerechtelijke verhodsbrief, een verhod; inhibitorisch, adj. verbiedend, ontzeggend.

in line eusu, ■/.. ond. casus; — in hoc passu, z. ond. passus;—in hoe signa, 7.. signum.

in homrem, z. ond. honor; — in honorem judicii, z. ond. judicium.

inhospitaal, adj. lat. (inliospilölis, c, vgl. hospes, enz.) onherbergzaam, ongaslvrU; — inhospitaliteit, f. de ongastvrijheid, onherbergzaamheid.

inhumaan, lal. (inbumnnus, a, uni; vgl. humaan) onmenscheiyk, gevoelloos, wreed, bard, oniiarmhartig; onbeschaafd, onvriendelijk; — inhumaniteit, f. (inhumamlas, de on-menscbeiykheid, wreedheid, enz.

Inhumanatie (spr. t=ls), f. later lat. (iH/iHinann/To, woordeiyk: de inmenschlng; de menschwording van Christus.

Inhumatie (spr. /=(«), f. nvv.lal. (van inliumnrc, lieaardcn) de beaarding, begraving. in hypalhesi, z. b y p o I h e s i s.

Inigieten, pl., ■/.. v. a. Jezuïeton, z. aid. (van \'tsp. Inigo, z. v. a. Ignacio, Ignatius, z. aid., voornaam van Loyola).

inimice, adv. lal. vgandig, op vyandige vvyze.

inimitabel, ad), lat. {iniinilnbllis, e , vgl, imileeren) onnavolgbaar; — inimitabi-liteit, f. nw.iat. dc onnavolghaarbcid.

in infinilum, z. in fin lel; — in instanli, z. ond. inslanlcr; — in integrum rest i I u ce ren, z. ond. inleger^ — in ipso lermino, z. onder Icnninus.

inintelligibel, adj. nvv.lal. (v. intclligi-bïlis, verstaaniiaar) onverslaanbaar.

inique, fr. (spr. iniek\': van \'I lat. in en aei/ue, vgl. nequus, enz.) onhiiiyk, onrechtvaardig, slinksch; — iniquiteit, f. (lal. iniqiitlas: vgl. lequileil) de onbillijkheid, ongerechtlg-

ifl


-ocr page 644-

INNOMINABEL

620

INITIUM

held, hanlliold; eiiis. iniquity (spr. inikwi/i), vmiduui\' old iniquity, do oude booze geest, do duivel.

Initium, ii. (spr. Ii=tsi) Int. (van inire, dn. Ingiian) do IngmiB, iianviiiif!, liet hogln; — nh ini/fo, vsiii liet begin af; — nh Inillo nullum, semper nullum, van niets komt niets; — initl\'a, II. pl. beginselen, aanvangsgronden; — initiaal, adj. aanvangend, beglnnond; — ini-tiaal-letters of initialen, f. pl. de giooto letters aan bot begin van oen woord;—ini-tiëeren (lat. initiure, Inleiden, opnemen, In-wUilon; de eerste gronden böbrengen; initiatie (spr, lie=lsic), f. (iniliaffo) Inwydlng; — initintfve, f. uw. lat. de Inleiding, opening; liet voorreebt om de beraadslaging Ie openen; bet reebt tol voordraebt by beraadslaging over oen onlvverp

injiciëoren, lal. (injicUre, v. juccrc, werpen) Inwerpen, Inbrengen; Mod. Inspuiten; — injóctio (spr. /=.«) f. (inj\'cf/io) do Inwerplng; Mod. do Inspuiting, ook ullspulllng; — injec-tie-pomp, t. de pomp welke koud water, zoogenoomd injectiewatei\', in de sloom-niaclilno brengt; — injector, m. lal. of in-jecteur, fr. (spr. eiizjcMeur) slooinslraal-pomp, con door (HHard ullgevondeu toestel om den stoomkelol te voeden, water op te voeren, enz.

injungeoren, lal. (injunf/cre, elg. In- of aanvoegen) Inscherpen, aanbevelen, npleggen, ten plk\'bt maken, voorsebryvon; injünctio (spr /=.«), f. (injunclin) of injünctum, n. liet gercclilelgk bevel, de Inscberplni;, bel voor-selnifl.

Injuratus, m. nw. lal. (vgl. juratiis) oen nlet-hoöedlgdo.

Injürie, f. lat. (injuria, v. Jus, liet reebt) elg. In \'I alg. onreebl, onblllükbeld, reelitsver-kraclillng; gew. eerkwelslng, eerkrenking, be-schlinplng, boon, smaad, grove beleedlglng, schimp- of scheldwoord ; injuria ulrn.r n( Qniris, grove beleedlglng; i. immeilialn, een onmbl-deliyke; i. medidlu, nilddeliyke bcsehlmplng, die Iemand door tussclienpersonen enz. wedervaart; i. levis, een geringe of licbli\'; i. reulis, een daadwerkelijke; i. srripta, oen sclirlfleiyke; i. verbalis, eene beleedlglng In woorden d. 1. een mondelinge of sclnlfleiyke beleedlglng; summum jus, summa injuria, t. onder jus; - in-jurio-proces of procos van injurio, li. eene aanklaclil, een reeblsRedlng wegens hoon, eerroof; — injuriëeron, (lal. injuriari) loniands eer aantnslen, hein beschimpen, smaden, bonnen, schelden-, bom onreebl aandoen,

benadeelen; injuriant, m. ei.....erroover,

eerscbender, lasteraar; injuraat, m. een gehoonde, beleedlgde, verongeiykle; — injurious, adj (lat. injuriosus, «, urn), eerroovend, hoonend, Instoriyk, smadeiyk; injuriuse, op eer-roovende, hoonendo vvys,

injuste, lat. (v. juilus, adv. jusle, rechtvaardig), ook fr. (spr. ehzjiiüst\') onrechtvaardig, oidilliyk; — injustitio (s|ir lic-lsie).

f. (lal. injuslitta, fr. injustice) de ongercchllg-hold, onrecht vaardigheid.

Ink, f. eng. Inkl; — marking ink, nierkof leekenlnkl; — inkstand, in. Inktkoker.

Inka of Inca, m. titel der oude koningen van Peru en der prinsen uit bet Peruaansche vorstengeslaclil vóór de spaansche heersrhappy. Inkarnaat, enz. ■/.. ine—. inkwartieren, ■/.. oud. qua ril er. Inlet, m. eng. elg. quot;Inlaatquot;: een kleine bochl of baal; ook de linnen of katoenen stof. waarin de bedilevecren gedaan wordon, beddezak.

in limïne /tromoliotiis, z. ond. proniovee-ren-, — in loco, z. ond. locus.

in mai/nus voluisse, z. end. sat: — in ma-ju rem glonam, z. ond. uloriu; — in nwiilatis, z. mandaat; — in manu, z onder munus, — in mariftne, z. marqo.

in medias res, lal. In bet midden der zaak, der handeling.

medio. z. medium; — in medio virlus, lat. d(^ deugd ligt In bet midden, d. I. de middelweg Is de beste; — In mora, z. mora.

Inn, n. eng., pl. inns, eene herberg, lo-gemenl; weleer een huls, waarin sludenlen kost en onderwys kregen; vandaar ook z. v. a. college, eene lioogere schoollniichllng, waar hel gewone engelscbe recht geleerd wordl, voluil; inns of court, pl. coriyds seholen voor bel recbl, nu nilddagsvereenlgingen van engelscbe praklizijns.

Innamorato, z. inamorato, innascibol, adj. nw.lat. (v. nasri, geboren worden) Tbeol. wat niet geboren kan worden, onleelhaar; — innascibiliteit, f. de ongeborenheid, de eigenschap van niet geteeld te /.yn, die den Vader en den II. Geest wordl toegekend.

in natura en in naturalnlus, z. nnluur. innavigabel, adj. lal. (innarigaliflis: vgl. nu v Iga beI) onbevaarbaar; - innavigabi-litoit, f. nvv.ial. de onbevnarhaarbeld.

inner, adj. eng. binnenste, blnnenllggende, enz. inner-skin, ile piankenliuid eens scblps.

Innorvtitie (spr. I—Is), f. nw.ial. (van \'1 lat. nervus, zenuw) de zenuwinvloed op hel denkvermogen; ook ile verwekking van gedachten en voorstellingen door de gesteldheid der zenuwen.

in nexu, z. nexus.

innocént, lal. (innócens, v. nocêre, benadeelen) onscluildig, eenvoudig, oniioozoi; niel wel by \'I hoofd, krankzinnig; - massacre des innnrents, nnnoozele-kinderinoord, Inz. van Ile-rodes Ie iicthlehem; — innnrenlemênlc. II. (spr. ieiwtsjcnteménte) Muz. op ongekunstelde, natuiir-lyke wijze; - innocéntio (spr. t=ls), lat. (imocenlia), fr. innocence (spr. innosaiis\'), f. de onschuld, eeiivondlgbcid; — Innocen-tius (spr. t—ls), m. nw.hit. mansii.: de onschuldige.

innominabel, adj. lal. (innominaliïlis, c, vgl. no min ee ren onder nomen) onnoeni-baar, onnoenieiyk; — innominati, pl. It.


-ocr page 645-

IN NOMINE 627 1NQUINEERKN

(v. sIiir. innomindto) do oiiKcnocnideii, du naani dor Icilun van do Academlo to I\'unna, in nomine, z, nomon.

innormaal, adj. nw.lal. (vkI. norm, on/,.) logon don ro((cl, strijdig mol do natuur.

innotoscooren, lui. {innulcsc re, v, notu.i, liokoud) liokonil worden, aan don dag komon.

innoveeren, lat. {innovare; vgl. novum) vernieuwen, nlouwlghcdon Invooron, wal nieuws voor don dag hrengen; innovatie (spr. /—/.v), f. {innovatto) do nlouwighoid, verandering. Inns, 0112., z. ond inn.

in nuce, z. ond. nux.

innubiol, adj. nw.lal. (vgl. nulilol)nog nlol manhaar, niet don voroisditen li\'eflljd voor hel huwoiyk bcrolkl hekhonde.

innneeron, lal. (innuire) wonken, toewenken, aanwyzon.

innumorubel, adj. lal. {iunumcrabtlis, c; vgl. nu m er us, enz.) onlolliaar; innumo-rabilitoit, f. (innumcrdbilVus) ontelhaarheld.

Innüpta, f. lal. (vgl. nupta) eeno on-gohuwdo; — innüptus, m. een ongeliuwdo, vrijgezel.

Ino, ook Loukolhea, f. gr. Myth, ile dochter van Kadmus on Marnioula, die, nadat haar roan Alhanias in verhystering haren oudsten zoon Li\'archus omgehraelil en zij zich mot haren Jongslen zoon Melieorles in zee gestort had, door .lupiter In eene zeegodin werd veranderd.

inobodiént, adj. lal er lal. {inobediens) ongehoorzaam; inobodiéntio en in-obsequéntio (spr. /-/.vj, f. uw. lal. (vul. oI)od io ii 11o, enz.) do ongelioorxaamlieid, on-voi^zaaniliolii.

inobligaat, adj. nw.lal. (vk!. ohll^aaI) onverpllchl, onviMiionden.

in obscuro, enz., z. obscuur. Inobsequentie, z. inobedicniio. Inobsorvantie, r. lal linnbscrvanha; vpl. obsorveeren, enz.) hel nlel-lnachtne-men, nlet-iiakomen; de onachlzaainlield, zorgeloosheid, onvorschilligheld.

in octavo, z. oclaaf en forma al. inoculooron, lal. \'inoculari, v. octtlus, oojr, knop) Inciileii, kunslmali^r de Kinderpokken medodeelen; — inoculatio spr. /=/.?), f. {inoculatio) de incnllnj:; moculatór, de Inenler; moculist, m. nw.lal. (fr inocu-lisle) de aanliaimcr of vriend der kocipokinenlin^.

inodorus, a, um, adj. lal. hol. renkeloos; — inodore, adj. fr. rcuUoloos; [cabinel] inodorc, reukeloos geheim goniak, waler-ciosel.

inoflfensief, adj. nw.lal. (v^l offendee-ren, enz.) niet belecdi^end, onaanslooleiyk.

inofficious, adj. lal. {inolfkiosus, o, urn . vgl. officium enz.) onhehooriyk, onplichtinu-iltr, wederrechleiyk ; ook on^cdlen^li^, ondlensl-vaardlg; — inolJiciosum leslamcntuni, z. I esla-me nl; inofficiositeit, f. (laler lal. in-olfiriostlus) de onucdlcnsl igheid, onreclil mal Ikheid.

Inogonesis en inosis, f. gr. (v. /.v, gen. mos, spier, vezel) Med. do vezel vorming; — inolith, m. gr. vezelsteen, slraalgips; — inö-ma, n. Chir. het vezelgezwel, de vezelkanker.

in omnem evenlum,/. cvenlus: in omnibus aliquid, enz. z. ond. om nis; in omni scibiti, enz. z. scibile.

Inopia, f. lal. (v. «/gt;.?, genil. opis, bevorderend middel, vermogen, macht) gebrek, behoefte, nooddruft; inopia la beroeren, aan gebrek ziek zijn, gebrek lyden.

inoinnala, n. pl. lal. {inopinaius, a, urn, ongedacht, v. opindriy meenen, vermoeden) onverwachte gebeurtenissen, toevallen, inopportuun, adj. lal. ongelegen, lastig; inopportuniteit, f. ongelegenheid, gebrek aan opportuniteit (z. aid.)

inoptabel, adj. laler lat. inoplatitlis-, vgl.

0 p tabel) niet weascheiyk, niet wenschens-waardlg.

in opfïma forma, z. forma; - in ordfnem r e d I g c e r e n, z. r e d i g e e r e n; — in originali, z. o r i g i n a a I.

Inosculatio (spr. Ir=ls) f. nw.lal. (van oscf/lum, vcrklw. van os, mond) Anal, de ineenvoeging, inmondlng; inosrulaCio vasorum, iVled. z. v. a. anastomosis.

Inosino-zuur, n. (v. gr. is, gen. inós, spiervezel vleeschzuur en inosiet, n. \\ leeseb-sulker, twee chem. hestanddeelen van vlooscli-bouillon; inosis, z. ino gen es is.

in pare, enz. z. pax, enz.; — in parenthesi, z. parenthesis;— in parlibus infidelinm, z.

1 n f I d e e I; — in patrio, patrio , in pejus, enz. ond. pejor, — in perpetuam rei memo-riam, z. ond. memoria: — in perpetuam, z. perpetuam ; in persona, z. persona . — in petto, z. pelt o; — in plena, z. ptenas; — in poculis = Inter poen la z. ond. poculum; — in pa\'nam, enz. z. pajna. — in ponli/iralibus, z. ond. pont i f e \\; ~ in potestate, z. p o 1 e s t a a t; — in praefwo lermino, z. termy n ; — j/j/)rae-senti casu, z. ond. casus; — in praesentia, v.. ond. pra\'sens; - in praa i,o\\\\(\\. praktijk;

in prima instanlia, z. instant ie; — in pristinam statuin, z. status-, —in procinrtu, z. procinetus; — in promptu, z. prompt; — in puneto, z. p u n c I u m; in puris naturalibus, ■/.. ond. natuur.

in (luantum, enz. z. quantus; — in quarto, z. (I u art.

Inquartatie, r. z. qua rial ie. Inquest, n. eng. (vul. I iki u I re ere n) onderzoek, inz. van gezworenen.

inquiet, adj. fr. (spr. ciilii-h van hel lat.

ilUlllirlUS, (I. Hill: Vgl. (| U I 0 S C 0 e 1\'0 li) OlllUS-

llg, nngsllg. hekoninierd; inqnieteoron \'lal. i/ii/Hic/rtcci verontrusten; inquiotatie (spr. lir-l.\\ic), lal. iiu/uieldlin) fr. inquietude, f. verontrusting, ongerusthehl,

Inqililiims, in. lal. voor incnlinus, van /«eo/rir, hewonen, wonen; vgl. ineolaat) een huurder; Ihulslegger; inquilinaat, u. (lal. inquiliiinlus) de reehlsverhonding der hunrde:* ot huisgeiiuolen.

inquineeren, lal. iimiuiiiiiir) hev lekken.


-ocr page 646-

INQUIRKERKN

INSEREEREN

G28

bozoodolon, vcrontrolnluon; — inquinatie (spr. l=ls) t. nw.lat. do bevlekking, vorontrol-

IllRlllK.

inquireeron, lal. (iniiuirtre, v. quaergre) niivorsi\'lu\'ii, onderzoeken; gerecliteiyk afvragen, vorhooron; — inquirént, in. (inquirens) de afvrager, gereelilelgke ondervrager; — inquiry, n. eng. (spr. inkwairi) z. v. a. enquête (z. uid.); — Inquisitie (spr. —zUsU) f. een gerechtelUk, Inz lytstralTelUk onderzoek of verhoor wegens eene gepleegde misdaad; geloofsonderzoek; liel voormalig ketlergerlehl in Spanje; vgl. anlo-da-fé; inquisitief, adj. nw.lat. navorselicml, weetgierig, nieuwsgierig; -inquisiteur, m. Ir. of inquisitor, lat. de ondervrager of recliler; inz. de geloofs- of kellerreelilor; - inquisitörisch, adj. lyfslralfeiyk verlioorond.

Inramo, n (elg. lat. in ramo, aan den lak) Kml. ruw kaloen, Inz. uil Egypte.

in regu/a, enz. z. ond. regel, enz.; — in rerum nalura, z. natuur; — in residuo, z. ond. rost deer en.

Inrolment, n. eng. de geroclitetyke registratie of inseliryving van oen doeuincnl.

inrotuleoren, nw.lat. (vgl rotnlus enz.) Jur. do aclen naar volgorde nomineren on auneenheehton; inrotulatie (spr. lie —Isie) f. de samenhechtlng. Inpakking dor aclen.

insaisissable, adj. fr. (Spr. ciisézisabl\'-, v. saisir, grypeii) ontaslt)aar, niet te grypen of te vatten; voor geen inbeslagneniing valtiaar. in saldo, z. sal d o.

msaleeren, nw.lat. (van sal, zout) inzouten

Insalivatie (spr. l=ls) f nw.lat. (v. \'t lal. saliva, spooksel) vermenging van hot speeksel mot de spyzen door het kauwen; ook; gebrek aan speekselvloed.

Insalubriteit, f. nw.lat. (vgl. saluliri-tolt) do ongezondheid, b. v. oener plaats met betrokking tol lucht of water.

insalulato hosjtile, lat. zonder z.yn gastheer te groeten (h. v. heengaan).

in salvo, z. ond. salvus.

insanac menlis, lat. (van insanus, olg. en oorspr. ongezond; vandaar onzinnig, krankzinnig, v. .«mus, gezond) krankzinnig; — insa-nlo, f lat. [insnnia) krankzlnnlghoid, waanzin; — insnnia noclilrna, nachtelijke waanzin, het nacht-of slaapwandelen; - insaniteit, f. lal. (imanllas) do ongezondheid, ziekte; nw. lal. de krankzinnigheid.

in sano sensu, z. ond. sensm.

insatiabel (spr t=ls) adj. lal. {insaliabi-lis, c. vgl. sat label) onverzadetyk; — in-satiabiliteit, f. do onverzndeiyklield.

insaturabol, ad), lat. {insalurabïlis, e-, vgl. salnreeron) onverzadigtiaar. Inschallah, z. in sj nil ah.

Insci\'ens, in. lat. (van scire, weten) een onwetende, onkundige; — insciéntie (spr. l—ls: lat. inseien/la) de onwotendhold, onkunde, inscribeeron, lat. (insrriliïre) inschry-von, boeken; inleekenen; opdragen, toewydeil;

— inscriptie (spr. h-s) f. (lal. insciiplio) do Inseliryving, Intoekening; hel In- ofopschrifl;

— pi. inscriptiën, ook franscho schuldbrieven, welker allosslng door het groottioek Is gewaarborgd.

inscrutabel, adj. lal. (insrrulabilis, e. vgl. so r n t e e re n) onnavorschbaar, ondoorgron-deiyk; — inscrutabiliteit, f. de onna-vorschbaarhold.

insculpoeren, lat, (insrulpëre: vgl. sculps 11) Ingrillolen, Insnyden.

insoceeren, lal. (insernre: vgl. soccere n) insnyden, korven;—insect, n. lal. (in-sMvin) een gekorven diertje; tiy I.lnna\'ns do naam van alle dieren met koud wit bloed, vool-sprlelon aan den kop en zes of moor poolen; dieren, welker borst en achloriyf als door Inkervingen van elkander afgezonderd z.yn; schade tyke Insecten, ongedierte; — insec-tenpoeder, n. een poeder bereid uil de lijn-gewreven iiloosemkoppen der liertram {Pyrc-thrum carneum of roseum) ter vordryvlng van insoclen, inz. van luizen, vlooien, weegluizen en motten; insectenpoedertinctuur, f oen daaruit hcreid extract; - insecticide, n. nw.lal. inscclendood, oen middel lol uitroeiing van Insecten; — insectie (spr. l=s) f. nw.lal. de insnijding, insnedo;— in secula se-culonnn, lal. z. secu 1 um; — insectoloog, m. lal.-gr. een Insoctonkennor; — insectologie, f. de loer der kerfdioren, z. entomologie; insectöres, m. pl. do snytanden, de vier voorlanden; insectivóra of in-sectivören, pl. nw. lat. tnseclonvretcrs, on-deraardsche roofdieren, zooals egels, mollen, spllsniulzen enz.

in sedecifiio, z. sodeclmo en formaat. Insenescéntie (spr. lt;=lt;s) f. nw.lat. (in-senescen/iavgl. s o n e s c e n 11 o) hel niet ver-oudoren, z. v. a. hel gr. agcraslo.

insensibel, adj. en adv. lal. (insensibilis, e; vgl. sensihel) of fr. insensible, (spr. ciisaiisiebl\') ongevoelig, gevoelloos; onmerkliaar, allengs, langzanierhand; insensibiliteit, lat. of insensibilité, fr. (spr. eiisaiisibililé) ongevoeligheid; onmerkbaarheid.

inseparabel, adj. lat. (inseitarabilis,e: vgl. scparoeren) onscheidbanr, onnfscheideiyk; — inseparables, m. pl. fr. (spr. eiiseparabl\') N. II. naam cener kleine, zeer gezellige soort van papegaaien In O.lndlc, do onafscholdclUken, de synipalhie-vogels; — inseparabiliteit, f. lal. de onnfscheideiykheld; inseparaat, adj. ongescheiden, veroonlgd.

insöquens, lat. (v. insequi, op elkander volgen) de, tiet volgende; — insequeeren, volgen, er uit voigen.

insereeren, lat. [insernre, van sertrc, samenvoegen, verbinden) invoegen, liisciiniven, in-lasschen, iniyvon; inz. in een courant laten opnemen; — zich insereeren, zich aanzeilen (van spieren); — insernlur, hol worde In-gelascht, ingevoegd; — inseraat, nw.lat. Ho-


-ocr page 647-

inspiciKkrkn

INSÉSSUS

029

ver insértum, Int. n. elg. liet Inuelasclilo; eeno In niouwspiiplercn geplnatslo liekcndmu-kinc of uankundiging; Jur. cene byiiige, eeiui inlassehliij!, oen nasehrlfl; — inaoréndum, ii. pi. inserénda, In lo Itisselien slukkon of he-rlclilen-, — insertie (spr. lt;=lt;») f. (lui. inscrlio) de InlasseliliiK, do Invoonliif?; Med. liet aanzeilen der spieren aan hol te liewoKon deel -, — Insor11o-koston, kosten der plaatsliiR, li. v. ooncr iiankondlKinK; — inser/us, 11, um, Int. Hot. vaslifolieelit, liiRelioclil.

Inséssus, in. nw.lal. (van \'I lat. insidfrc, In of op iets zitten) Mod. een /itliail, damp-liail; insóssie, f. liet zitten In liet bad; — insidiën, pi. (Inxhttiw, van insidêre, op eon plaats zllien of Hrkoii) vorvoluingón, liln-derluaK; — insidiëcren, loniaiid strikken spannen, een hinderlaag lengen; insidlëlis, adj. (lal. insiiliosm, a, um) arglistig, vorrader-Hjk, holageiid; insidiatio (s|ir. 1=1.1) f. (v. Int. insidiari, in oen hinderlaag liggen) hinderlaag, bodrog, misleiding.

insiome, il. (fr. ensemble) Ie zamen, nllon met elkander.

insigne, adj. fr. (spr. eiisienj\') uitslekond, builengowooii; —insigniën, pi. Inl (/«.vif/nm, van den sing, insiune, vgl. slunum) in \'I nlg. teekens, kenlookeiien of morkteokeiien; inz. de eereteokens, sland- of raiigleokoiien, b. v. wapens, kroon, scepter enz.; — ry k s I ii s I gn i en, de Ie Aken bewaarde r(|kskleliiooillen, die vroeger bU de diillsphe keizerskroning gebruikl werden; insignis, lui. Hol. geleokond; nllsle-keml, I). v. insif/iifs rubra, nilslekend, sloriyk rood.

insigniflant, adj. fr. (spr. eiisienjifidii) onlioduidend, oniieleekeiiend, ongewlchlig, nie-lig; - insigniflanco, f. (spr. ciisienji/idiis\') de onliediildenillield, ongowieliligiioid enz.

insimnlceren, lal. {insimuiare, hollchlon, vaisch hcscliubligeii) besi\'hnlillgeii, aangeven, aan-wryvon; insimulatie (spr. /=/.«) f. lat. (insimultthn) de meor of mindor ongegronde bo-schiilillging.

insinueeren, lat. [iimmnire, d. i. elg. leis in den boezem of oone verborgen plaats brengen, van siHiM, hoozeni, iiihai\'ii, bocbl) loniand iels o|i eeno sluwe wyzo inededo(dcn, beimeiyk Inhlazon of influisteren; .Inr. gereebleiyk ter liaml stellen, voorleggen; zich insinu-oeron, zich In iemands gunst dringen, zich bomhid maken door vlelery; insinuant, adj. {insinudiis) of insinuatief, nw.lal. in-dringond, vleiend, liefkoozend; - insinnant, als subsi, m. oen hidi\'lnger; waarsclinwer, ken-nisgever; insinuatie (spr. /=/,«) f, (insl-nuahn) de indringing; gelieinie meileileeling, In-flulsloring oenor inoenlng; gerechloiyko overhandiging, inlevering, b. v. van oen geschrifl, oone kennisgeving.

insipide, adj. (lal. insiiiidus, n, um, van suitrre, smaken) onsmakeiyk, smakeloos, van lalTon smiiiik; ongerymd, laf, onverslandlg, zouteloos; insipiditeit, f. nw.lal. onsniako-lykheld; ongerynidheld, laflieid.

insisteeren, lat. {imislUre; vgl. si stee-ren) op iels staan, aandringen, volliardeii; — insistent, in. {iiisislens] do aandringor, vol-liouder, b. v. in oen voorstel, verzoek.

Insitie (spr. /=/«) f. lat. (insilin, van in-serüre, inenten, grllTelen) liet Inenten, grllfelen, z. v. a. I noen la tie.

insjallah, lurk. zoo (iod wil. insociabel, adj. lal. (iHsonn/iW/.v. vgl. sociabel, oud. soelus) ongezellig, onverdraag-zaam, onvoroonlghaar, niet Ie verbinden. Insolatie z. ond. insoleeren. insolent, adj. lal. (iiisö/tns, d. i. elg. ongewoon, vreemd handelend) onbescbaanid, onbescheiden, ongepasl, lomp, hoogmoedig, trotsch, vermetel; als subsi. in. tr. (spr. eimoldii) eon overnioedlge, onhesebaaimlc; - insolentie (spr. /=/.v) f. (lat. inwlenlïa) de onlielameiyk-iield, onlioschelilenheid, loinpheld, koene aan-mallglng, overmoed.

insoleeren (lat. insolure, v. sol, do zon) aan ile zon lilootstelien, zonnen, In de zon drogen; insolatie (spr. t^tx) f. {insoldli n) het zonnebad, het In-de-zon-zetlen om Ie drogen, te verilainpen, om pliospliorosconllo Ie voorschyn te roepen enz.; Med. de zonnesteek.

insolide, lat. (iiiso/ïte,-vgl. solide) on-vasl, niet stevig, zwak; oiihetronwliaar, /.yn verpllchllngen niet nakomende; insolidi-teit, f. nw.lal. onvasllioid, zwakte; onbetrouw-banrheld, gebrek aan solid Heit (z. aid.) in solidum, enz. z. oud. solide, insolübol, adj. lat. (insolubilis, c,- vgl. sol voeren enz.) onoplosbaar, onverklaarbaar;

— insolubiliteit, r. do onoplosbaarlieid. in sohilum, z. ond. sol voeren, insolvabel, adj. (fr. insolvable) en insolvent, nw.lal. (insrilvenx,\'i\\. i. niet bola-lond; vgl. solveeren) oiivorniogend om Ie bolaieii; ook zonder lielaalmidilelen; prn in-solvénle, voor onvermogend om lo betulon (verklaren); - insolventie (spr. I=ls) f. do on-maclil om Ie belalen, liet onvermogen om zich van zyne schulden Ie kwyion.

Insomnie, f. lat. (insomnia: vgl. soninns) slapeloosheid.

in sorlcm oom pul eero n, z. ond. .vors. Insoncianoe, f fr. (spr. ciisoesjdiis\'-, van souci, zorg) de onbezorgdheid; zorgeloosheid, in spe, z. spes;- in specie, z. species;

— inspectie, inspector, ond. Inspi-c 1 ee re n.

insperabel, adj. lal. (inspernbilis, C: van sperure, hopen) onhoopbaar, niet Ie hopen; — insiienila, n. pl. ongehooplo. oiivorwachlo dingen.

inspergeeren, lal. [insiterqcre: vgl. s p a r-goeren) besproeien, beslrooien, besprengen;

— inspersie, f hol liesproolen, hosprengen. inspiciëeren, lal. (inspieüre; vgl. species) of inspecteeren, fr. (inspecler) Inzien, bezichligen, liescbouwoii, in oogenschonw nomen, het opzicht over iels hebben; - in-spexïmus, (op oorkonden) z. v. a. ridi; — inspectie (spr. l—s) f. (insperlio) de boziclill-


-ocr page 648-

INSIMHKKUKN

1NSTRATUM

630

gliiK, oncenscliouw, monstorltiK; hi\'l l»!1-

zlchl; illslrld wimrin oen InspeelMir liiczlcht hmnll; insiicclin ocularis, cenc iiauwkcuilKo bcscliouwhip, In/., iiinlilslialviquot;, inspector ot fr. inspecteur (spr. en—) cimi opziener, onderzoeker; inspectoraat, n. en in-spectmir, r nw.liil. lie post en de wonlnj; van een opziener; inspiciënt, m. (Ie op-zlelder, loz. een lienmlile aan den seliouwliui\');, die voor de voorwerpen zoi\'Kl, die hü de voor-slellliiK of repelllle noodL\' zijn, die orders geofl aan de llKuranlen en voorts al di\'rv. dlunslcn adder liet tooneet te verrlehten heeft.

inspirooren, lat. ■jNx/iiriiir, van siiirare, ademen) Inhlazen, Inademen, Inboezemen, bezielen, aanvuren; — stoïnsplreerd, bezield, In verrukking Reliraehl, hetieesl erd; - in-spinitie (siir. IIs) f. de Inldazlnü, Ingeving, gnddelUke Ingeving, geestvervoering; -jifr insiiiiuliunem, door Ingeving en geestvervoering.

in .ipirilualtbus, z. ond. splrllus, inspissoeren, lal. {insiiissarc, v. spisnus, a, inn, dielit) verdikken, verdielilen; in-spissatie (spr. l—ts) f. Med. lt;le verdleh-tlag, verdikking; — inspissulus, a, inn, verdikt; li. v. fel lauri insjiissi/lum, verdikte os-sengal.

instabiel, adj. lat. (f/is/flW/fs, c; vgl. sla-li iel) onliesiondlg, veranderlijk; instabiliteit, f. (inslnbifflus) de onlieslemligiieid, ver-anderlljkheld.

Installeeren, iniil.lal. (Install;lre, van hel dull sell stal, d. I. plaats) aanstellen, in een amlil zeilen. Invoeren, inwijden, bevesiigeii;

— installatie (spr. l=ls) f de aanstelling, lieziigeving van een amht enz.

insldnler, lat.\' (v. inslare, ergens op slaan, op hel pnnl zgn enz.; vgl. sla nte) aanhoudend, dringend; in insldnli, oogenlillkkeiyk, dadelük; instantie (spr. Iie=tsie) f. (lal. insldiilin) 1) hel aanhouden, aanzoeken, drln-gend verzoeken of hegeeren van eene zaak; h. v. ml inslanliam crcililoruin, op verzoek of nanhoiidenden aandrang der sehuldelschers; 2) het gererhtsliof, de reehlhank; h. v. in iirimn inslanliu, In eerste instantie, iiij de eer-sleof lagere reehiliauk; een proees door alle insla uilen winnen of verliezen enz.; 3) l.og. eene iegenwerping, een legenhevvijs; ah inxlan-liu ah sol veer en, Jur. den heklaagile van den pllrhl onlslaan om zieli legen eene hem gedane aanklaehl verder te venh\'digen.

inxlnr ninnïum, lat. {inslar, naar wijze, zooals afk. v. ml inxlnr. v. inslar, sehets, lieeld, geslalle, wijze) zoo goed alle of alles van de soort, in plaats van of lol model van alle andere ; — ml inslar, evenzoo, evenals.

in slnlu qm, z. slalux.

instaureeren, lat. {inxlnurOre) weder oprichten, vernieuwen, herstellen of heropenen;

— instaurütie (s|ir. Iie=lsict f. de weder-oprlehling, hernieuwing, herslelllng enz.; - in-staurator, m. wederoprlehler enz.

insteeren, lal. (inxlare) op iets hlUven staan, aandringen.

instigoeren, lal. (inslinare) aanprikkelen, aandrUven, opliilsen. opruien, verleiden; — instigatie (spr. I=ls} I (ijixlii/dho) de aansporing, opruiing, ophitsing enz.; instigator m. een aanliitser, opruier, slokehraad; de open-hare aanklager, flseaa 1.

instilleeren,lal. {insiiiiarc: vgl. stnia-lie) Indruppelen, indrulpen; — instillatie (spr. t=ls) f. {inslillutio) Med. de iadruppeling h. v. van een geneesmiddel op eene wond.

instimuleeren, lat. (inslimulare; vgl. stlmuleeren) aanprikkelen, aaadrijven, opwekken.

Instinct, n. lat. (inslinclux, van inxlin-qufre, aanprikkelen, van het ongehruikeiyke stamwoord slimjuilre, steken, angels, slinaan, eng. xling) de naluuriyke aaudrift der dieren, natuurdrift, hewaslelooze naluiirprikkel, inge-scliapen neiging of drifl; ook de kunsldrlft van vele dieren, h. v. der hevers, bijen, spinnen enz.; — instinctmatig, lat.-nederl. of instinctief, adj. aw.lat. oawliiekeurlg, aaadrifl-malig, volgens dierlijke aandrift.

in stirpes, enz. z. ond. ca/ml.

Institor, m. lat. (v. insistfre, ergens been- of Ingaan; \'2° Iels verrichten, met (jver doen) I) de pbialsvervanger in het beheer der zaken van een koopman, iemand die een magazijn of winkel houdt en heheerl voor den eigenaar en verhliilenissea kan aangaan (factoor, disponent, procuratie-houder, provisor zijn bijzondere soorten van den i list Hu r); 1) een kramer, winkelier, uitdrager, marskramer.

institueeron, lal. {inslihtcre, van xla-luüre: vgl. statueerea) oprlchlen, sllchlen, inslellen, inzeilen; ook aanwijzen, onderrlehlen. ieeren; —instituut, n. (lat . inslitulum) eene Insleliing, luriebiing, siicbling, Inz. een opvoe-dingsgesllclil, eene kostschool; — inslilul ilc France, n. fr. (spr. eiislihl d\'fraiis) de cotlec-tiove naam voor de 8 te Pnrys beslaande academiën, de AcmUmie francuise, Jcnilémie iles inscriplinns el helles let Ires. Académie des sciences, Académie des beaux arts en AcmUmie des sciences morales et pnliliques; — institutie (spr. Ue—tsic) f. lal. (inslilulïo) de sUchtlng, liistellliig, laz. slants- of burgerinstelling; Inzet-llng in een ambt; — institutiönes, f. pl. omlerriebtlngen In het rum. recht, een gedeelte van de ram. weisverzameling van keizer Jus-liniaan, z. corpus juris; — institütor, m een sllehter, oprlehler, lusteller; ook een leermeester; fr. institutour (spr. eiisti—)

instradeeren (van I II. straila, straat, en dil v. \'I lat. strata, sell, via, eea met stee-nen bestrooide of lieslrale weg, v. slemrre, uit-stroolen, plaveien) op den rechten weg brengen, de haan of liet pad voorsrhrljvea.

Instratum, a. lal. (van insternlre, over-been spreiden, bedekken) de hedokklag, over-kloodiag.


-ocr page 649-

INSTRUEEREN

031

1NSURGEKRKN

instruoeron, lal. (inslrune, opstupclen, Ineoiivoegon, op- «f inilcliten, v. slruüre, sclilk-kon, slapoicn; vgl. stnicluur) ül(! iniichlcn, Icreclillnonuen; onderwljzcii, ondoirlchleii, lec-reti; voorsclirillun of Kodni^slUnon (.\'cvoii; — een proces instruoeren, eeno rochls-zaak Ier liohamlolliiK voorlieichlon, inleiden; — instruént, ai. wie eeno recldszaak voorho-reidt; ook v. n. insliactor, roe hl er \\aii in si luetic; — instructie (spr. Iic= ■sic) f. (lat. instrurlio) el({. liiriehlinK; onderwijs, onderriclit; voiirschrift; rebels van to houden ({edrag, sehriflclijko aaiiwüzinn, dienstvoor-sehrltt, liandetliiK in amhtsy.aken; de voorlierel-ding eener rechtszaak tot hehandelhid: voimactit; tnstrue.tlo van een proces, hot rechtor-Ulke onderzoek en vastslellin); der strUdpiinten er van;- ■ instruotiof, adj. nw.lal. leerrijk, oaderwUzer»!;—instructie-loge, f. lat.fr. de loge in de vrünielseliirij, waarin de meester van den stoel \\rüe voordrachten liondt over het doei der vrljnietselarij; — instructor, m. oen leerinoester, inz. lig prinsen; fr. instructeur.

Instrumént, n. lat. (instruménlum, van inslruSre, inrieliton; vgl. instrneoren; elg. een middel tot InrlchlinB of tot-staniliirenging eener zaak) een werktuig, hulpmiddel, gereedschap, Inz. een toonkunstig werktuig, speeltuig, en een wondlieelers (cliirurgieual) werktuig; ,lur. eeno oorkoi.do of liew (jsschrlfl (document), een schrifteiyk opstel tot ticwijs eener voorgevallen handeling; instniini!n(uiii aiillienhcum, eene echte of geloofwaardige oorkonde; i. ces-siunis, acte van afstand; i. emlionix cl venili-liouis, oen koop- en verkoophrief; i. novum of noviter rcpéiium, een pas gevonden oorkonde; i. pacis, een vredeslraetaat; i. priralum, cone liijz.onilni e acte of oorkonde-, /. puhticum, een openlijk hcwijsschi\'tfl, door cenen notaris uf tic-amide vervaardigd ; — instrumentaal, adj. nw.lal. als middel of werktuig dienende; door werktuigen of gereedschappen verricht; instrumentalis (sell, casus) in. Oram, de wertuigsimamval op de vraag waardoor? — instrumentale arithmetica, de oplossing van zekere borokenlngcn door middel van werktntgtyke hulpinlddeleu; — instrumentale muziek, zulke muziek, die met speeltuigen zonder gezang wordt uitgevoerd (In le-geustelllng met vocale muziek (zangspel);

instrumentale philosophic, z. v. a. logica, omdat deze als liet werktuig of liulp-inlddel der gelicele iiliilosophie licscliouwd wordt;

— instrumentarium chirurgicum, eene hcschrUvtiig der iicelnieestcrswcrktuigen;

— instrumenteeren, Muz voor speeltuigen zetten of componeerun, onder de verschillende muzicklnslruinentcn verdcelen; ,tur. eene oorkonde opstellen; - instrumentatie (spr. —tsic) of instrumenteering, f. verdeeling van een imiztekstuk onder de versclilllende instrumenteii; -instrumentist, ui. de speel-tulghcspeler.

Insuaviteit, f. lat. suavis, zacht, lie fel ij k j gelirek aan liefeiykheld.

Insubordinatie (spr. l=/s) f, nw.lat. (vgl. su hordi neere n enz.) gelirckkige ondergeschiktheid, ongchoorzaainheld, tactiteloos-held, weerspaiinlghelil tegen hooger geplaatsten, tegen do overheid.

in subsidium juris, z. suhstdium. insubstantiëel, adj. nw.lnt. (vgl suh-stantie enz.) omvezeniyk, niet werkelijk.

Inauccatie (spr. l=ls) f. nw.lat. (v. succus, het sap, insuccare, Indoopen) ile Inweeking, doortrekking mol een vocht of sap.

in succcm el sauuuinein, en/, z. oud. succus. insufïlciént, adj. lal. (insulficiens ■, vgl. sufficient) nf fr. insufflsant (spr. c/\'i.vu-fitri/i) ontoereikend, ongenoegzaam, ontiekvvaani;

insuffleióntie (spr. I—Is) f later lal. insu/ficienha) of insufllsance, fr. de ontoereikendheid, het te kort schieten enz.

Insulilatie (spr. I=ls) f. later lal. (fn-sufflalto, van insu/Hure, Inhlazeii; vgl. souf-flecren) het Inlilazen.

in suis lerminis, enz. z. oud. lerminus. insulair, adj. (lal. insularis, e; v. \'1 lat. insula, eiland) een eiland of eilanden hetref-fende, daartoe hcliaoreiide, eilnndseli; — in-sulanen of insulairen, in. pi. eilandhe-woners, eilanders.

insulteeren, lat. {insulian, eig. op iets springen, moedwillig aanvallen, versterkings-werkw. van insihre, insullum, sul/re, solium, springen) trotscli en overmoedig heleedlgen, smadelijk of grof hehandelon, scliclden, lioonen, lie-sehlmpcn; — insultdtie (spr. Iie=lsie) f. (lal. insullalïo) of insult, n. (later lat. insulins) of fr. insulte (spr. eiisuull\') een plotselinge aanval, heleedigende aanranding, hoo-nende hidmndeltng, hoon, lioschlniping, lieleedi-ging; - insiiltor, m. oen heleedlger.

insumeeren, lal. (insumérCi vgl. sum-tlc) Int leis nemen, aanwenden; insum-tie (spr. I=s) f. (later lal. insumpho) de aanranding.

in summa. z. ond. sum ma; — in summa grailu, z ond. sum mus.

insuperabel, adj. lat. [insuperabilis, e, vgl. sa pc re eren) onoverkomelijk, onoverwinnelijk.

in suppleménlum, ond. s u ppl oer e n. insupportabel, adj. fr. (insupporlnblc, spr. eiisupor—, vgl. su p po rial) el) onverdraag-lyk, onultstaanliaar; —insupportabiliteit, f. de (invcrdraagiykheld.

insurgeeren, lal. {inswoérc, van swaUre, opslaan) tegen iemand of lets in massa opstaan, oproerig worden tegen de regeering of eene andere party; cok: aanhitsen lot oproer, opruien; — insurgónten, 111. pl. In ojistand zynde oiiderdanen, verzachtende uitdrukking voor niui-ters, oproermakers, rebellen; de hongaarsclie landmilitie, die door eene nigomeene oproeping (hecrlian) wordt samengehraelit, de liaanderlte-den, hel huanderheer; — insurrectie (spr.


-ocr page 650-

INSURMONTABLK

INTKNDEEREN

632

t=s) f. nw.lnl. opstiinil, oproer; hot ophrckon van ilcu lieerlran In HOiljrarUe; — insurroc-tioneol, adj. oproerig, multpnd.

insurmontable, ailj. rr. (s|ir, ciimur-mniildbr-, v. surmonter, Ie hoven komen; vgl. m o n t oo r e n) onovorkomeiyk.

insusceptibel, ailj. nw.Iat. {fr. insuscep-tiblc; vkI. suseoptlbel) onaaniloonlUk, niet llehlgerankt.

in suspenso, oud. suspemteercn. intabesceeren, lal. (inlumctre; vel. talies enz.) uitdrogen, wegkwijnen, verdwijnen, Inz. van ledematen.

intabuleoren, nw.Iat. (van lalu/la, latei, plank) omranden, In eene laliel, lljsl enz. hren-genj — inlabuldmlo, door omranding, omzooming; door In-lahel-brenglng; — intabulatie (spr. tie=lsie) t. de omslulllng, omranding; do Inschrijving op de lijst, tabel enz.

intact, adj. lat. (inlnclux, n, urn, v, lannn-e, aanraken) onaangeraakt, onverzeerd, onhevlekl, onbezoedeld, rein; — intangibel,adj. nw.lal. niet aan te raken — intangibiliteit, f. do onnanroerliaarheld.

Intaglio, m. II. (spr. ienlóljn, van inla-gliare, Insnijdon) pl. intagliën, verdiept snij-of beeldhouwwerk. Inwaarts gesneden steenen; (gemma insculpla), bet legengesl. van den verheven gesneden steen (z. camee); inlaglio d\'acqua forle, eene geelste koperen plaat; de afdruk daarvan.

intangibel, enz., z. ond. Intact—, in tantum, z. tantum.

Intarsi atüra, f. It. (spr. ienluniatneru, v. intarsidre, met bont hout Inleggen, v. tarsia, Ingelegd houtwerk; vgl. het mld.lal. tanicus, bontkleurig, v. Th ars ia In A zie) Ingelegd werk van veelkleurig hout en paarlemoer; — intar-siatore, m. wie zulk een werk maakl.

intCgra res, lat. (van intfi/er, inhgra, intr-grum, ongeschonden, ongerept, geheel, nieuw, enz.) eene ongeschonden, onveranderde zaak; -inleger ritae stele risque purus, de In levenswandel onbesprokene en van schuld reine (citaat uit llorallns); —integrum, n. een ongeschonden geheel; — de inttgro, op nieuw;

— in integrum rest 11 nee re n, weder In den vorigen stand herslellen; — integraal, adj. nw.Iat. een geheel uitmakend, op zichzelf bestaande (I). v. Integrale spoorwegen); — integraal, n. Math, eene eindige veranderlijke grootheid, weder hersleid of berekend uil haar oneindig klein deel (dilferenllanl); — inte-graal-formulen, f. pl. de hü hel Inie-greeren gebruikelijke rekenvoorschrlllen; —integraal-rekening, de hoogere rekenwijze, die door vergelijking der oneindig kleine deelen de eindige groolheden voortbrengt, waarnll de eerste ontstonden; — integralen, ook ge-ïntegreerdon, pl eene soort van neder-landscbe slaalspapleren, die als aanvullend deel tol de gezamenlijke slaalsscbuld hehoorden; — integraliteit, f de volledlgboid, geheelheid;

— integreeren, lal. [intcgrare) volledig maken, b. v. een inlegreerend deel, een wezenlijk lol het geheel behoorend deel; Math, eene eindige veranderlijke groolheld uil haar gegeven oneindig klein deel berekenen; —integrant, n. iels tol het geheel heboorende; dal vollalllg makende ; integriteit, f. (lat. integrïtas) de ongeschonden toestand, volledigheid, volkomenheid; de zulverbeid, redeHjkheid, oprechtheid, braafhquot;id; onomkoopbaarheid; — integrifottus, a, um, lal. Hot. elfen-, gaaf- of geheel hladerig; — integerrimus, a, um, lal. Bol. gaafrandlg, met volkomen gaven rand.

Integumént, n. lal. (intèguméntum) een hulsel, hedeksel, Inz. de dunne huid van de Inwendige lichaamsdeelen.

Intelléctns, m. intellect, n. lal. (v. inteltigüre Inzien, verstaan) het versland, kenvermogen; — intellectuaal, adj. (later lal. intellectuati:), e) of gewoonlijk intellectueel (fr. intellectuel), tot het vorstand behoorende; dat betreffende; verstandig, geestig, schrander; 1 n 1 el 1 ec 1 u\'je 1 o vorming, de vorming, beschaving van den geesi lol het verstand; de latellectueole bod rijver eener daad Is degene, die liet denkbeeld heeft opgeworpen of daarloe heeft aangezet (In tegenst. met den p h y s 1 e k e n d a d e r); — intellectuali-seoren (spr. s—z), nw.lal. In den geest of de gedaehle oplossen; - intellectualisten of intellectuale philosophen, wijsgee-ren, die staande houden, dat de zinnen ons niets dan schijn aanbieden, en dal hel versland alleen het ware doet kennen; intellectualisme, n. hel leerslelsel dezer wijsgee-ren; ook z. v. a. Idealisme; — intellectualiteit, f. de loesland van hel kenvermogen, het geestelijke in den mensch; intelligent, adj. (lal. inteltigens) verstandig, kundig, schrander, ervaren, onderricht, wijs; intelligéiili pauca, lal. een goed verslaander heeft maar een half woord noodlg; intelligéntie (spr. (=/.«), f. (lat. intelligenfia) versland, doorzicht, kennis; bericht, lijding; — intelligenz-bliitter, lat.-boogd. berlchtbladen, openbare bekendmakingen, weekbladen; — intelligi-bel, adj. lat. {intelligibflis, c) verstaanbaar, duidelijk, klaar, bevallelijk, begrijpelijk; — in-telligibiliteit, f. nw.lal. de verstnanhaar-held, dnldeiykhebl, begrijpelijkheid.

intemperant, adj. lal. (intempërans: vgl. lempereeren) ongemallgd, onmatig, niet onl-houdzaam; — intemperantie (spr. Iie=tsie; lat. inlcmperanlïa), of fr. intompérance (spr. eiitaiiperdiis\'), f. de onmallgbeld, uitspatting, zwelgerij.

intempestief, adj. lal. (in/empeslirus, a, um: vgl. tem pest lef) en als adverb, intem-pestire, oniydlg, len ontijde, nlel passend, verkeerd aangebrachl.

in tempore opportuun, lat. op den julslen of geseblklen lyd.

intondceron, lal. (intendrre, eig. uitrekken, spannen, ergens been lichten) op iels lellen, zyne aandacht op leis vestigen, beoogen.


-ocr page 651-

INTERCOSTAAL

INTÉNSIE

633

bedoelen, vim zins, gcnoKon of willens 7.ljn, liet ooKiuerk liolilien, zoeken, ook nw.lnt. inten-tioneeren of goïntontionoerd zijn;

— intendant, m. fr. een eorste opzichter, toeziener, znukwaiirneiner, hestnunler, h. v. dor scliouwhurgen, en inz. hy krygsleKers de opzichter over de hclallnit, verpleRlng en kleedhiK der troepen; — intondiintie or intendance (spr. eiilaïi(tdiis\'), het oppertoezicht, beheer ; ook hel onder eenen toeziener sliiande gebied; — intendantuur, f. Imrb.lat. het oppertoezlenersamlit.

Inténsie, f. lat. (inlensïo, elc. spanning, van Menden■. vrI. intendeercn) Uc Inspan-nlns, krachtversterkliiK; de Inncrlüke knicht of sterkte. Innigheid, lievigheid; het Innerlijke gehalte, de inwendige deugdeiykheid; - intensief, adj. of als adv. ook in tensive, nw. lat. innerlijk, naar Inneriyke kracht en slerkte; sterk in zich zelve, levendig, opgewekt; — inten-sivum (sell, verbum), z. ond. verlium; — intensiteit, f. de limcriyko kracht en werkzaamheid, werkzame kracht (energie) grootte der kracht; het togengest. van extensie; — inlénso, II. Mnz verhoogd, verslerkl, krachtig.

Inténtio spr. tic—hie), r. lat. {intenl f O, elg. = inlemin, spanning. Inspanning, vgl. 1 n-tendeeren) de richting der ziel op leis, het oogmerk, voorneinen, de wil, wilsineenlng, het doel, einddoel, de aanslag; — inlen/in aeliunis, Jnr. het einddoel eener aanklacht, do klaag-grond; in/, /irinripfi/ix, hot lioofdongmerk; inlt;. secundaria, liet hyoognierk; — intontiona-lisme, n. nw lal. de stelling, dat liet doel de middelen heiligt; — intentionaliteit, f. hot beoogde, de heooging; - intontionee-ren, ■/.. in ten doe ren; - intenteeren, lal. (inlentUrc) tegen Iemand iels bedoelen, ondernemen, voorbereiden, hem willen aantasten.

in le li ui labor, lat. het kleine kan veel arbeid verelschen.

inter, lat. voorzetsel: tnsschen; onder, gedurende. (In vele samenstellingen).

inter absenles, onder afwezigen.

inter nrma silent teijes, ■/.. ond. arma. interarticulair, adj. nw.lal. (vgl. artikel, enz.) tiisschca een gewricht (aiinwezig).

intercaleeren, lat. (inlercalSre, elg. uitroepen, dat Iels Ingcliischt wordt, van eiildre, roepen) InUisschen, Invoegen-, — iiitercalSris annus, m. schrikkeljaar; intercaluris dies, m. schrikkeldag ; Med. koorlsvrye dag, tusscliendag;

— intercalatie (spr. t—ts), f. de inlasschliig, b. v. van eenen dag In het jaar.

inter caneni el lupuin, lal., enlre chien et toup, fr. (siir. a/if er sjeii e loc) woordeiyk tnsschen hond en wolf, d. i. in de nvondschomcrlng; elg. In den lyd tnsschen het oogenlillk, ilat de herder den hond loslaat om de kudilc to bewaken en hel tydpmit, als de wolf, gebruik makende van de invallende dnlslends, in de nabyiield der schaapsparken omzwerlt.

intercedoeren, lal. {inlereedürc) elg. daar-tnsschen treden, Inlrcden, In \'I midden treden, bemiddelen; zich voor Iemand inde bres stellen, voor hem verzoeken, een goed woord voor hem doen, voor hem borg hiyven; — interredéndo, door tussollenkomst of bemiddeling; door voorspraak of aanbeveling; — intercedént, adj. iinterredens) of intercessor, m. een bemiddelaar, lusschenheldelrcder; voorspraak; borg;

— intercessie, f. (inlercessfo) benilddellng, tnsschenkonist voorspraak, borgtocht; - in-tercesstn Christi, Christus\' voorspraak voor do zynen bij God; — intercessinnales, pl. nw. lal. hemlddeiingsgeschrin, schrifleiyke voorbede.

intercellulair, adj. nw. lat. (intercellu-laris, van inter en rellula, cel) tusschencellig, wat zich bevindl tnsschen de weefselcellen van het dierlijk lichaam b. v. Intorcollulalro s it h st n n 11 e.

Interceptie, /.. interclpliieren. Intercessie, z. Intercedeeren. intercideeren, l) lat. (intenidtre, van caedrre, vallen) elg. Insscbenvalicn; zich toedragen: intercidert, adj. [intercidens) tnsschenkomend.

intercideeren, -2) lat. (intercidgre, van caed/re, snyden) doorsnyden, schelden; afbreken; — intercident, adj. iinlercidens) afbrekend; interosie (spr. s—z), f. (inter-cisfo) elg. de doorsnyding, doorsnede, de afbreking. pauze; de lussehenzcltlng, het Inschulfsel.

intercipiëeren, lat. (interciin\'re) onderscheppen, opvangen, wegnemen, b. v. brieven;

— interceptie (spr. Uc=sie), f. (inlerceptio) de onderschepping, opvanging.

interclaviculair, adj. nw.lat. (vgl. cla-vlcnialr onder clavls) Anat. tnsschen de sleutelbeenderen liggende.

intercludeeren, lat. {intercludüre) versperren, afsluiten, slullen, verhinderen. Insluiten; - interclüsie (spr. «=:), f. (inter-rlusin) de versperring, atsiulling, sluiting.

Intercoluranium, u. lat. (v. cnlmnna, zuil) de zuilenafstand, zuliwydle, z. v. a. en-I r e c o 1 o n n e.

intercommunaal, adj. nw.lal. lusschen verschillende geineenleu beslaande; inter-comrauniceeren of queeren, met elkander genieenschap hebben; — intercom-municatie (spr. —/sic) of in tercommuniteit, f. gemeenschap, samenhang.

intercommunaal, adj. Iiisschen gemeenten beslaande, plaatshebbende, lol ver-schiileude gemeenien behoorende enz. vgl. in-terkoloniaal.

interconfessioneel, adj. lusschen ver-sclilliende confessies beslaande, heerschende, de betrekkingen daailusschen beirelfende enz. b. v. het inlerconfcssloiieele gedeelte van hel con-cordaal.

intercontinentaal, adj. tnsschen vast-laiiden of continenten plaatshebbende, deze verbindende, enz. b. v. lutcrconllnentiile spoorwegen en telegrafen.

intercostaal, adj. nw. lat. (vgl. cost aal) Anat. tnsschon do ribben liggend; —


-ocr page 652-

IN T KR-KO LONIA A L

634

INTERCRURAAL

intercostaal-zenuwon, rlblponzemiwcn.

intorcruraal, «dj. nw.liit. (vgl. cruraal) Anal, lussclion de düi\'ii ut sclinikels llggumlo.

intercurrént, adj. lat. [inlercilrrem, van inlercurrire, \\, currêrc, loopon) ci({. daarlus-KChen loopend, Insschcnbeldctredcnd, zich In-inenRcnd; Mod. van don pols; onregolmallK.

Intércus, f. lat. (clg. adjoct. -. onder do Imiil aanwezig; v. culis, luild) Med. de hnld-walerzncht (lat. (uiiui inlcrcns): — intercu-taan, adj. nw.lat. onder de liuld, lussclion de linld on vloosch aanwozlg.

intordiooeren. lat. (inlcnlicrrc, v. dic -re, zoggen) vorhloden, liolellon (In/.. Iiot eigen ver-mogen-lietieor; — goïntordicoord, adj. vor-bodon; lot zolfboliocr van z(in vermogen onbevoegd verklaard; — interdict, n. (lal. tnlenliclum) een veihodsbevel, een rcclilerlijk verbod; do nitslniling, de groole kerkban, dlo de paus aan gansclie steden, gewesten, landen, enz. oplegt; - interdictie (spr. Iie=sie), t. (In/enlic/ïo) de ontzegging, bet verbod; in-lenlic/ïn ut/uae el ignis, do ontzegging van water en vunr (bü de Koinotnon do formeolo en ge-strengste wyzo van vorbaanlng); — inter-dictor, in. later lat. de verbieder, ontzegger.

intérdum, adv. lal. soiiityds, somwijion; interdum minus rectum ridel, soms ziet de groole hoop juist.

Intérest, m. (van \'t lal. inleréssc, daar-tnsscben zün, deolneuion) hot betrokken zijn In eene zaak, de aiindeelnomlng, deelnoming, liet aanlokkende, do wiiarde; bet nul, voordeel; de haat, het gewin; inleresl el referl, lat. \'1 geeft nul en voordeel; uil interesse else bon, scbadoloosstolllng olsclioii; igt;cr interesse, of (r. pnr intérêt, (spr. eiiteri), uil eigenbaat, ter wille van eigen voordeel; id qnnd inleresl, Jur. datgene, waaraan gelogen Is, d. 1. do bate of schade, die Iemand hu do handeling van oen ander of hij oene of andere geboiirtonis hooft; iis, quorum interest, diengenen, welken daaraan gelogen Is; — interesten, pi. de renten van oen kapitaal; — interesseeren (fr. intéresser), in oene zaak mede heirokken, tot deelnemer maken, Iemands deelnoming opwekken, zijno nlouwsglorlghold spannen, hom aantrekken. Innemen, bewegen, roeren; b. v. hot Interesseert inU, of ik bon er h(j goïnteres-seord, het trekt my aan, bekoort, howoegl of roert mu; hot hoezemt mij deelnoming In, wekt mUno opmerkzaamlioid of nionwsgierlgliohl, \'I is my niet onvorscbillig, \'I Is m(| van gewicht, ik noem danraan dool, bon daarin betrokken; minder dlkwyis voor: deel laten nomen, laten doelen iu h. v. een Industrieel die zyne werklieden In de opbrengst Interossoert; zich voor iemand 1 n 1 orossoo ren; aan zyn lot doolnoinen, bom gunstig zyn, voor hom in de bros springen; — goï n t oresseord •/,yn, haatzuchtlg, zelfzuchtig, winzuchtig zijn, alleen zyn olgoii voordeel op het oog hebben (vaak hoort men hiervoor verkoordoiyk, interessant zyn); — interessant, fr. aanlokkend. innemend, roerend, onilerhomlond, helaag-ryk, wogsleepend; — interéssent, m. een deelnemer, doelliohber, helrokkouo in eene zaak.

Interfectio, f. (spr. lie-sie) (interfectto, van interficSre, doodon) do doodslager;—in— terféetor, UI. lat. do doodslager.

Interferéntie (spr. tie-tsie) van het licht, f. nw.lat. (fr. interfirence, van inlerfé-rer, tusschenhohle komen, op elkander sloo-ton) I\'ll vs. de vvederz.ydsclie werking dor lichtstralen op elkander by linn samontrolTeu; — intorferontiaal-refractor, m. nw.lat. (van re, weder en frumjêre, broken) een door Janiln ultgovondon Inslrmnent, dat, op de In-lorferentie van bet licbl gegrond, de kleine verscbillon van hol broekvermogon meetbaar maakt.

interfluent, adj. lat. {inlerfinens. v. in-ter/lurre) tusscbenvloolond.

interfoliair, adj. (vgi. rol mm) Hot. lussclion do bladeren z Hondo, liggende, enz.; — interfoliacëus. u, urn, lat. Bot lusschenblade-rig; interfoliëeren, nw.lat. mol wil papier doorschieten (oen boek).

in leriji), z. terfjuni.

interieur, n. fr. (spr. eii—) het luner-tyke, inwendige, do inneriyko belangen en verbondingen, hel tegengoslelile van exterieur; de binnenruimte eener diligence, enz.; de huiskamer, bol huiseiyko leven, h. v. een gezellig 1 n 1 e r I e u r.

intërim, adv. lat. inlusschoii; — interim aliquid fil, lal. sprw. lulussclion gebeurt Iets (vgl. tijd gewonnen, voel gewonnon) als subsi.; liet interim, do tusschcniyd, Insscheuloesland, tusschonharKlollilg, inz. bet A u gsbu rgsoho interim, bol voorloopig geloofsvoorsehrlfl van Karot V, In hel jaar IRIS door drie godgeleerden opgesteld en tol aan eene algoinoeno kerkvergadering lot stilling dor toenmalige gods-dienstonlnslon als wet voorgeschreven;—interimsconto, Kuit. oene in bel groothoek over levenlooze voorworpen gevoerde rekouliig ;

— ad interim, nw.lat. voorloopig, mlddolorwyi, ondertusschcu, voor \'s bands, tol nader order;

— intorimistisch of interimair, adj. voorloopig, lot nader order, vgl. provisorisch; — interimisticum, n. Jur. oono voorloopigo schikking In oen geschil, met voorbehoud van verder onderzoek en nadere he-sllssing.

interjacent, adj. lal. {interjücens, v. inter-jaetre, v. jacire, liggen) tussclienliggond.

Interjectie, f. (spr. I—s) lat. (inletjeelïo,■ v. interjaciire, inlerjicire, lussclienwerpon, van jncfre, worpen) Gram. een lusschenwerpsel, ullroopingswoord; Jur. hot Inbrengen van oen beroep op eene hoogere ruchlhnnk (appel-lal ie, appcU); — interjectionaal, adj. nw.lat. (inleijeclinnalis) lusschengozel, als lus-schonworpsol dienende.

inter joeos, enz., z. j o e u s. inter-koloniaal, adj. tusschen koloniën ondorling bestaande, plaats hebbende, enz. b.v.


-ocr page 653-

INTERLINEAIR

INTERNÉC1E

635

i n t c r - k o I o ii I lt;11 o post c o n to r e n 11 o ut l e ii t o o ii s l ü 111 ii u.

interlineair, adj. inv.lul. (vim linen, z. aid.) tussclionrogcllK, tiisschen uniluro rogols ne-sclirovcn or gedrukt; li. v. eono In I c r li n c u I r« verta11iik, oone tussclKMiri\'Rt\'llKH voilalliin; — intorliniëei\'en, liissclien de reuols schrü-ven; interliniatie (sjir, (=(s) f. de lus-scliensclirUviiiK (tusselien Iweo rogols); - in-terlinium, n. of interlinie, r. de ruimte lussclien i renels.

Interloper, m. eiin. liidrliiKer, smokkeliiar. interloqueeren, Int. (inlerloqui, v. lo-qui, spreken) Jur. eene lusscliciuiltsprniik doen, een ligoordeel nltspreken of een voorloopljj lie-schelil neven; — interlocuut, interlo-cutorium, n. of interlocütie (spr. lie— hie), f. eene liisschemiilsprniik, tusselien-of hy-oordeel wegens eono liUznnk van een proces;

— interlocutoir, adj. fr. (spr, —lnar: in-leiioculoirc) I n t e r I o e u t o i r v o n a I s, lieslls-sliif! In eene hyzaak van liet proces; — interlocutor, in. nw.lat. een lussclicnspreker, gesprekvoerder; Pij niagnetlsours: de iieest, die uit den mond des KeimiKiioliseerden spreekt.

Interludium, n. uw.lal. (van \'I lal. inter-Iwlrre, tiissclienspeien) Muz. het tussclienspel.

Interlunïum, n. lat. (siii. lemims, tyd; vgl. In na) eijj. de tussciieninaan: de nieuwe maan.

intermaxillair, adj. lal. {inlerma.nllaiis, van into\', tusselien en muaillaris, lol liel kln-lïeliakken lieliooreiide, v. ma.ii7/u, kinneliakken);

— intermaxillair-beenderen, u. pi. uw.lal. Anal, de tussclicniieeiideren van het kinneliakken.

Intermedium, n. nw. lal. (van \'1 lal. inlemcitfus, a, um, la \'I midden zich hevin-ilomle; vl\'I m e d I u m) de tussclienHjd, tussclien-rulnite tnsschen twee vervaldagon of termynen; l\'hys. en Chem. hel lusscheinniddel, eene slof, die den ovorgaiiK of de vcreenlging van twee andere te weeg hrengl, — intermediair, adj. nw.lat. (fr. inlennéiliaire) tusselien afzon-deriyke voorwerpen hestaande of heerschende, liemlddeiend, Insschen-; — hel intermediair, adj. de tusschenkomst, liemiddeling; inter-mediaat, adj. het midden houdende; in I nildden; als sulist. n., z. v.a. intermedium Intermenstrüum, n. lat. de lyd der nieuwe maan.

Intermezzo, n., pi intermezzi, II. (= lal. inlonneitium: van metso = medium, het midilen) een lusschenspel, eene lusschen-voorstelllng, Inz. kleine vrooiyke opera\'s, die In de tusschenbedryven der iioofdvoorslelliiig gespeeld worden; intermezzist, m. een tnsschenspeler (buffono of liuuffon; z. aid.) op hot It. tooneel, die alleen door pantomime on znng ilc nanwezlgen vermaakt.

interminabel, adj. lal. {inlcnninalnlis, c: vgl lermim/.i, enz.) oneindig, gronzenloos, onnfmetoiyk; oiiliepaalhaar, onhesllstiaar. intermineeren, lat. {inlerminari, van

minari, dreigen) hedrelKen, dreigeml vorhledcn; — interminatie (spr. Iie=lsic), f. (in/er-mtnatto) de liedrelglng.

in lemïiiis en in lermfno, z. terminus. intermisceeren, lat. {intcnniscore, vgl. ml se eer en) onderiiiengeii, IniiiOiigen, vermengen; intermixtuur, f. nw.hd. hymen-ging; mengsel.

intermitteeren, lal. {inler-mittére: vgl. milteoren) nnhiteii, allalon, aliirekon, nllldij-ven; I ntorm 11 teoron de koorts, intermittens, eene tusschenpoozcnde koorts; Interm 11-leereiido pols, een uilhiyvende of afgehroken polsslag; I ii torm 1 tt e ere ii do hronnon, uilhiyvende d 1. nu en dan of ongelijkmatig vloeiende hronnon; -- intermissie, f. (lat. intermiss\'a) do uilhlUving, aflireking, het ophouden, nalaten; do liisselioniydj Int er missie een er koor Is, de koorlsvryo tusschentyd; 1 n t e r in 1 s s 1 o - z o n d e n, iialatingszoudoii; -intermissief, adj. nw.lat. afgehroken, mot aflireklngon.

Intermixtuur, zie onder Into r m 1-sceeren.

intermontaan, adj. nw.lat. (van nmns, geuit, mnntis, borg) tusselien hergen of geherg-ten liggende.

Intermundïum, n. lal. (van mundus, worold) tusschenwerold, do riilnilo lussclien de werelden; — intermundaan, adj. nw.lat. tnsschen woreidlichamen aanwezig.

intermuraal, adj. lat. (intcrmurniis, v. murus, niuur) tnsschen de muren aanwezig.

intermusculair, adj. nw. lal. wat zich Insschen do spieren hevindl.

intern, adj. (lal. inlérnus, a, um) of als adverh. intone, inncriyk, Inwendig, hinnon, h.v. de i a 1 e rn e (liiiiueiiiiiiidscho) linndol; in tegenst. van extern; — intérnen, m. pl. Inlieom-schen, Inlandors (inz. op opvoedhigsgesllchlon); leerlingen, die kosl en inwoning op eene school liolilieii; ook Inwonend adslstont-arts in zickon-hiiizoii; internaat, n. uw.lat. eene school, waarin de leerlingen gehuisvest en gevoed worden (in togonst. mol ox ter muit); het aml)l van intern adsislonl-arls; interneeren, nw.lal. vreeindollugon, viiieiilelingen, enz. van de grenzen naar hel hlimensle dos lands vor-wyzon om daar Ie hiyveii; internisten, m. pi nw.lal. Mod innerlijk zieken, aan inwendige zioklon lydondon; ook z. v. a. Inlernen.

internationaal, adj. nw.lal. (spr. /=(.?, vgl. natie) Insschcii nullen of volken heslnando of heerschende, op een verdrag Insschen verschillende volken slounende, wereldlinrgcrlUk h. v. 1 n 1 e in a 11 o n a a 1 recht; Inter na Nona lo verhoudingen, vordragon, enz.; — internationale t. of internationale arbeiders-associatie, f. een over Kuropa en Amerika verlireid genoolschap van nrheldors, enz. lor verlioloring van hunne politieke en sociale toesiandon; — internationalist, m. lid eenor dorgcl. vereenlglng.

Internécie, f. lal. {interneclo, v. inter-


-ocr page 654-

INTERSCAPULUM

INTERNEEREN

636

neciire, üplipel dooden) volkomen vcrnlotlglng df vcnlolfiinu; — intornecie-krijg, m. vordelRliigsaorlOB.

interneeren, internen, internisten, ■/.. ond. Inlern.

Internodium, n. lal. Hol. do ruimte lus-sclien twee kooopni of geledingen (aan planlen). in/er non, lal. onder ons (gezegd, enz,). Internuntius, m. lal. (vgl. nunllus) oen lusselienboodschaiiper, onderhandelaar, on-dorboodsclitiii|)er, Inz. do gezanl, dien de paus aan do hullenlandsehe kleine hoven of hü re-puhlleken zendt: ook de ooslenrykschc gezanl te Constant inopei-, — internunciatuur, I. nw. lal., hel amht en de waardigheid van zulk e(Mi persoon.

interoceanisch, adj. nw.lal. lusschea twee wereldzeeën gelegen, twee oceanen ver-hlndend.

interpasseeren, lat.-fr., doornaaien, siIk-ken; — interpassatie (spr. (=/s), f. de henaaiing of doornaaiing van de met geneeskruiden gevulde zakjes.

interpelleeren, lal. (inleriwllure) in de rede vallen, de rede storen; nphcldering of verklaring vorderen (Inz. van de regeering door leden van het parlement); iemand iets hetwisten, he-stryden; voor het gerecht dagen, opeisehen; — interpellatie (spr. Iie=hie), t. (inlerpdlatta) ocne tusschenrede, afbreking der rede; de vraag om opheldering of verklaring (inz. in liet parlement, tot een of meer leden van hel kald-net); verhindering, bestrUding van een bezit, de tegenspraak, ook de gereehteiyke opeisehing om iels Ie doen.

interpensiva, pl. lal. (v. inlerpenuvus, tusschenliangend, zwevend tusschengovoegd, v. pendire, hangen) Areh. Insscheabalken, steekbalken.

inter pnnila, z. pocuinm. interpoleeren, lat. {Inlerpolarc) eig anders vormen; Iels inschuiven, hdasscben, door Invoegen van een woord, enz. vervaischen; geïnterpoleerde plaatsen; vervnischle of tusschcngcvoegdo zinnen in een geschrift; — interpolatie (spr. lt;ic=(.?it\'), f. (interpnlaCto) do inlasscbing, inschuiving van een of meer woorden In handschriften, van tonnen in eene gelallenreeks; - interpolatie-formule, f. eene formule la de waarschynlUkheidsreke-nlng; — interpolator, m. een schrifiver-valscher, schrifl bederver.

interponeeren, lat. (inlerpontre, v. ;m-nSre, tnsschenzeilea of -leggen) Iels bemiddelen, zich lol bemiddelaar aanbieden, de bemiddeling overkomen; Jur. eon rechtsmiddel tegen eene strydige uitspraak inbrengen; — inter-ponént, in. (tnlcrpenens) ,lur. de inbrenger van een rechtsmiddel; interpositie (spr. -ti-lsie), f. (in/er/iosiffo) de tusschenkomst, bemiddeling; inbrenging van een recht smiddel; in/cr/insi/ïo appellalionis, .lur. de Inlegglng van het beroep op eene hoogere rechtbank.

interpres, pl. interprëtes, lat., in-terprête, fr. (spr. eiilerpril\': elg. een tus-scbenspreker, van liet oiigebruikciyke pres, pre-lari, praten) ai. een uitlegger, verklaarder, vertolker overzetler, tolkinterpreteeren (lat. inlerprelurl), uitleggen, verklaren, ophelderen, overzetten, vertalen; — interpretabel, adj. (later lal. interprelalnlis, e) verklaarbaar, vertaalbaar; — interpretatie (spr. lie—lsie), f. [inlerpretaCfn) de uitlegging, verklaring, overzetting; inlerpretalio aulhentfca, voor echt verklaarde, rechtsgeldige uitlegging; /. exlensiva, uitbreidende verklaring; i. f/rammn/icw/is, woordverklaring; i. juris, rechtsultlegging; i. restrie-tim, beperkende nitiogging; i. slriclu, strenge, juiste uitlegging; — interpretatief, adj. nw.lal. uitleggend, verklarend; — interpretator, m. uitlegger, verklaarder.

interpungeeren, lat. {interpunqtre, in-lerpunetum, een punt er tussclien zetten, door pniden onderscheiden en afdeeien; vgl. punl) of interpuncteeren, nw.lal. door teekens afdeden of onderscheiden, met zinsclieidlngstee-kens voorzien; — interpunctie (spr. tie=sie) (lal. inlerpiincfïo), of interpunctatie (spr. He—tsie), nw.lal., f. de teekenzetting; zinscheiding, het plaatsen der schrijf- en zinteekens.

Interrégnum, n. lat. (vgl. reqnum) het lussclienryk, de tusschenregeorlng, bel tusschen-hestuur, de ledigheid des Iroons; — interréx, m. (vgl. rex) een tusschenregent, tusscbcnkonlng, ryksvoogd.

interrogeeren, lat. (interrouure: v. m-lldre, vragen) vragen, ondervragen, verboorelt;

— interrogatie (spr. lie—lsie), f. (inlerrn-ijdttn) de vraag, ondervraging; — sif/num inler-rouandi, n. een vraagieeken (?); — interro-gatief, adj. (later lal. iiilerrngfitini.t, a, urn), en als adverb, ook inlerronulive, vragend, vraags-gewys; — interrogatief of interroga-tivum, n. vragend voornaamwoord; inter-rogatonum, n. nw.lal., eene gerechteiyko ondervraging, recldsvraag, een vraagpunt; een verhoor ; pl. inlerrnpnlorfa of interrogato-nën; — inlerraoatona cnpliosa, pl. strikvragen ; — i. crimiiiosa of injuriósa, de eer be-IreiTcnde, de oer aantastende vraagpunten; i. neneraliura, algenioene of inleidende vragen; i. imperlinenCfa, super Hun of inepta, ontoeiaai-bare, niet tot do zaak behoorende vragen; i. irrelevanïïn, onbeduidende, niet lot de zaak behoorende vragen; i. linlu, volgens de procesorde veroorloofde vragen; i. spccialiorn, byzon-dere, in byzonderheden afdalende vragen.

interrumpeeren, lal. {inlerrumpire: vgl. ruinpeeren) afbreken, in de rede vallen; hinderen, sloren; — interrupt, adj. (lat. inlerniplus, a, urn), afgebroken, onsamenhangend; interruptie (spr. Iie=sie), f. (in-lcrrupl/n) de aflireking, stoornis; — interruplio pnesnipliunis, de sluiting der verjaring; — interrüptor, m. de afbreker, verstoorder;

— iulerruzione, 11. afbreking, ophouden, interruptie; senzu inlerrutinne, zonder ophouden.

Interscapülum of interscapilïum,


-ocr page 655-

1NTERSECKEREN

637

INTIEM

n. Inter hit. (van scapula, sclioudcrhlad) de ruimte lusschon de sclioudorhladen.

intersoceeren of intersequeeron, tat. (inlersecare; vgl. socoeren) doorsnüdeu;

— intersectie (spr. Iie=sie), f. (intersectto) do doorsiiydliiB, krulslns, liet snypunt van twee Hjnon, de doorsnede.

Interseptum, n. lat. (van inler-sepïre, omtuinen, afsluiten) do scheidsmuur; ook: liet middelrif.

inter spem et metum, ond. spos. interspergeeren, nw.iat. (v. spurgirc, strooien) tusscliciiftrooien of Inmengen.

interspinalis, adj. lat. tussehen de doorn-uclitlge uitsteeksels der wervels liggende.

Interstitmm, n. lat. (van inter-shire, tussehen staan of zUn) de tusschenrulmte, tus-schentyd, rusttijd, pauze, het uitstel.

Intertignhim, n. lat. (v. tinnum, lialk) Areh. dc ruimte tussehen twee halkon, de tus-schendlepte.

Intertrigo, f. lat. (v. terlre, tnlum, wry-ven) Med. de Idikaars (door paardryden veroorzaakt) ; hol zoogenaamde smarten van kleine kindoren (door dc scherpte der pis); —inter-trituur, f. lat. (inler/i-ih/ra) het slyten door de wryvlng, door liet gebruik.

intertrópisch, adj. lat,-gr. (vgl. tropen, enz. ond. Iropus) tussehen de keerkringen liggend of aanwezig.

Interusurium, n. lat. (vgl. us uur) de tussclienrente, het aftrek of rahat, dal hU betaling eener nog niet vervallen schuld voor den tusscbentyd wordt afgetrokken.

Interval, n. lal. {intercdllum, eig. de ruimte tussehen twee schanspalen, v. rallus, schanspaal) de tussebenruimte, afstand, gaping; ,lur. een uitstei, tusschentyd; Med. do koorisvrye tusscbentyd; Muz. de toonsafslaml, de toonwydte, de ruimte tussehen twee lonen; de verhouding tussehen de triilingsgelalien van twee tonen; — intervallen, pi. (lat. intervalla) toonverbou-dingen, toonsafstanden; — per intervalla, in lus-schentyden, van tyd tot tyd, afgebroken, stoots-of ruksgewys; — tlilucida of gew. tunila inler-valla, pi. heldere of lichte tusschentyden, heldere oogenblikken bü eenon kranke, inz. bg een krankzinnige.

interveniëeren, lat. iintermnre) tus-schenkomen of tussciientreden, zich in eens anders zaken mengen, bemiddeiead optreden, lic-middelen; Kmt. in don wisselhandel: een iloor den betrokkene teruggezonden wissel voor rekening of ter core (per honnr) des trekkers of van een gtrant betalen (vandaar ook: eere-tn terven tie en Intervenlie-provlsie);

— interveniént, ai. ,1ur. de tusscbentroder, die zich In een rechtsgeding als derde party (tertfum intervenïens) mengt, bemiddelaar, scheidsman; — intervéntie (spr. tie—tsie) f. (inter-venfïo) de tusschonkomst, bemiddeling, het tus-schentreden van oenen derde in eene rechtszaak ; de bemoeiing van eenon Staat in de aangelegenheden van andere Staten; inter-ventief, adj. nw. lat. tusscbenbeldetredend, bemiddelend; — interventor, m. bemiddelaar, scheidsman.

Interversie, z. ond. Inter verte eren. intervertebraal,adj. nw.lal. (vgl. vertebraat) Anal, tussehen de wervelbeenderen liggende.

interverteeren, lat. (intenertüre, eig. naar eeno andere richting wenden; vgl. verteeren) onderslaan, geld lieimeiyk achterliou-den; — intorvérsie, f. {inlerverslo) hel lt;in-derslaan van gelden; — intervérsor, m. by die geld achterhoudt, underslaat.

Interview, f. of n. eng. (spr. interwjoe) de samenkomst, een byeenkomst, een bezoek lot uitvorsching of uitbooring, inz. een politiek gesprek tussehen den bericbl gever eener courant en een staatsman; —interviewer, in. (spr. interwjoeer) een reporter (z. aid.) die in een gesprek met een beroemd staatsman diens nieoning over belangryke vragen van den dag zoekt te weten te komen; —interviewen, eng.-ned. (spr. interwjoeün) op dergeiyke wyze een staatsman uithooren.

inter vivos, lat. onder levenden, by levenden lüve.

intestabel, adj. lat. {intcstabflis: \\gi. I es-toe ren) Jar. onbevoegd of onbekwaam om een testament te maken of getuige te zyn; — intestaat, adj. lal. (intcstutus of ah intes-tuin) zoader testament of erfmaklag, zonder uitersten wil, zonder beschikking over de nalatenschap;— heros intestatus of ab intestato, ■/.. ond. hercs: intestate, eng. (spr. -steet) z. v. a. intestaat.

Intestinum, n. lat. (v. intestïnus, a, urn, inneriyk. Inwendig, v. intus, z. aid.) de darm; pl. intestïna, de Ingewanden, darmen; in-teslinum ccccum, de blinde darm; int. colon, do karleldarm; int. crussum, de dikke darm; int. (luoilïnum, de twaalfvlngerlge darm; int. ileum, de kromme darm, kromdarm; int. jejunum, de ledige darm; int. rectum, de rechte darm, oadeldarm; inl. teniic, de dunne darm; — intestinaal, adj. de ingewanden betreffende; intestinale toon, bel door de gehoorbals waarneembare rulscben in de ingewanden.

in Ihesi, i. t li e s 1 s.

inthroniseeren (spr. s=z) lat.gr. (mld. lat. inthronndre, v. \'t gr. thrónos, stoel, troon) ten troon verhellen, oenen bisschop plechtstatig in zijne waardlgbcld, in zyn ambt zetten, op den bisschopsstoel plaatsen; — inthronisa-tie (spr. -za-tsie) f. de troonsverhelllng, troons-bestyging, Iroonsaanvaardlng; inz. de pieeblige Instelling van eenon bisschop of paas door bezitneming van den troon In de hoofdkerk; ook vryspraak der boelenden en bun wederopneming in de gemeente; voorts: wederinwyding van een onlwyd altaar.

intiem, adj. lat. {intïmus, a, um, eig. de binnenste, superi. v. interior) Innig, vertrouwd, nauw verhonden; — intimus, m. de ver-


-ocr page 656-

INTHICKKRKN

INTIMEEREN

638

trouwde, ilc boezemvrlond, hnrlovrieiul, Imls-vrleml j — intimis, aan do vertrouwdo vrlon-(lon-, — inlimis/timus, lt;i, meest vertrouwde vriend of vriendin; —intimiteit, r, nw.lat. (fr. i/i-limilé) do Innlülield, verlrouwolUklield.

intimeeren, lal. (in/inirtrc, elK. InvoeKon, v. intimus-, fr. inlimer) (.\'ereehtoiyk aankondl-nen, niinzonKon; ook dagvaarden; intimaat, ii. (.inlimdtum) ecno liooite verordening; — in— timiitio (spr. Iie=lsic) r. (laler lal. inlimu/ïn) de gerecliteiyko aanzedgliig, konddoenlni!, Iio-kciidniaklhg; — intimator, ui. de aankon-dl(,\'cr.

intimidoeren, nw.lal. (fr. inlimidcr, vgl. timide) bevreesd, liescliroomd, scliucliler, sclirooinvailig maken, vrees of schrik aanjagen; — intimidatie (spr. Iie=lsie) r. hel lio-vreesd maken, hel inhoezemon van schrik of vrees.

intimiteit,intimus, z. ond. intiem, intingeeren, lat. (hiliniiSre; vgl. I i ngcore n) indoopen, hevocliligeii; intinctie (spr. Iie=sie) f. (later lal. inlinctïo) de Indooping; inz. het Indoopen van hel hrood en den wyn hij het Avondmaal.

intituleeren, nw.lal. (vgl. titel) lieli-telen, hoven schrUven, met een opschrin voorzien — intitulatio ftpr. lic^tsie) f. do ho-liteiing, hoi opsehrifl, de titel van een hoek.

intolerabel, adj. iai. (intnimibilis, e; vgl. tolereeren enz.) onverdraagiyk, onlydeiyk, omiilsiaanhaar; — intolerant, adj. (lal. in-lohruns) onvordrtiag/.aam jegens andersdenkenden, inz. In godsdlensizakeii; -- intolerantie (spr. lie=lsie) f. (iai. inlnlerantta) do onver-draagzaamiield, vyandige gezindheid legen andersdenkenden; intolerantisme, n. harii. lal. de geest van onverdraiigzaainlieid.

intoneeren, nw.lal. (lal. intonurc, aan-helfen, v. lat. intnnare, weerklinken, donderen, (londerend klinken, v. tonus, toon, donder) aanstemmen, den loon aangeven; intoneermes, n. een hesnijmes der orgelmakers hg het Intoneeren der orgelpijpen; intonatie (spr. Iu\'=lxii\') f. do toominngeving; iiü den r. kath. eerediensi: de spreuken, die door den priesler vóór de c o 11 e e t e gezongen en door de gemeente iieiintwoord worden.

intorqueeren, lat. [intnrqncn-, vgl. lor-(|ueeren) omdraaien; verdraaien;- intór-sie, f. nw.lat. (intnrsfo) de verdraaiing; in-torsin utfiri, de omliuiging der iiaarmoeder. in latum, z. ond. tntum.

Intoxicatie (spr. tie=lsie) f. ial.gr. (z. toxicum) do verglfilging; heiiweiming, hetoo-vering.

intra, lat. (voor interd, sell, parte, v. inh-rus, a, urn, inwendig, Innerlijk) lilnnen, in, inwendig: — intra biduum, z. Iiiduum.

intracapsulair, adj. nw.lat. wat hinnen de gewlclitsschyf (cajisuta) is, h v. een diuirln doorgedrongen kwelsuur van het gewicht.

intractabel, adj. lal. (intractabilis, c\\ vgl. tracteeron enz.) of fr. intraitable (spr.

entrètabt\') niet handelhaar, oniiulgzaam; ongo-dsveo, stytkoppig, hnisstarrig, hardnekkig, won-deriyk, grillig; intraetabiliteit, f. nw.lal. de onhulgzaamheid, siyfzlnnlgheld, hulsstarrlg-helil enz.; intraetaat, adj. onhehandeid, (van paarden) ongodresseerd.

Intrade, r. (it. intrdta of entrdta, oudfr. entrade voor enirée, z. aid.) Muz. de inleiding, het voorspel, hel Inleldlngsstuk; het gezamenlijk geseheiier van een Irompelorkcst;— intraden, pi. do staatsinkonisloii.

Intrados, m. fr. (spr. -(/«) z. v. a. doueIIc (z. aid.); vgl. ox tra dos.

intramundaan, adj. nw.lat. (v. mundus, wereld) in de wereld aanwezig, tot de wereld hehoorende.

intramuraan, adj. (v. intra en murus, z. aid.) lilnnen de muren zich hevliidende of geschiedende, in hesioten ruinilo, niet openhaar, h. v. intraniuruno doodstraf.

intra mums, z. ond. murus. Intransigenten, pi. Hal. (fr. intransi-ijcnnt) onverzoeniyken, die zich met geeno on-deriiandeliiig met de tegonpariy inlutcii; in de polillek inz. van de tegenslanders, die principieel tegenover de regeering slaan; in I\'rank-ryk: zuivere repnhlikelnen, die niets laten al-dingen op linn radlctilo elselien.

intransitief, adj. iai. {intransitinus,n, urn. vgl. transitie enz.) dram. niet overgaand, onovergankelijk, zonder voorwerp; — verbum in-

transit/rum of intransitivum, e.....liet over-

gankeiyk, onzydig werkwoord, dat geen accusatief regeert (h. v. slapen, sierven, hel tegengestelde van transitlvuni; vgl. verlium). in transitu, z. ond. transitie, intransportabel, adj. nw.lat. (vgl. I ra n s portee ren enz.) onvervoertiaar, onbe-weegiyk.

intra pari tes prinatns, z. ond. iiarics. intrepido, adj. fr. (lat. intniitdus, a, um, v. trepiitus, onrustig, angslig) onversciirokkeii, onbevreesd, onversaagd, heliiliaflig, moedig; — intrepiditeit, f. nw.lat. de onverschrokkenheid, onbevreesdheid, onversiiagdlieid enz.; —-enn intrepidezza, 11. Muz. mei onverschrokkcn-hoid, vastheid, zekerheid (een toon aanlieil\'en, eene noot aaagrUpen); — intrepidn, -da, -damente, 11. Muz. onverschrokken, sloiilnioedlg; --- inlre-pidissimn, -ma, zeer onverselirokken.

intriceeren, intriqueeren, lat. (in-trinirc, v. tricari, zwarigheden maken, Iricae, treken, verwikkelingen, zwarigliedeii) verwikkelen, verwarren; intricaat, adj. (lat. in-trii/itus, a, um) ingewikkeld, verward, moeliyk, netelig; — intrigue, f. fr. (It. intrigo, m.) de verstrikking, verwikkeling; do knoop, li. v. van oen loonoolsliik; de list, argiislighold, eeno listige, lielmeiyke streek, eene kulpery; ook een minnehandel, eene geheime mlnnary; In liet meervoud: intrigues, ilsien, sireken, treken, knepón, omwegen, draaioryen enz.; een in-trigue-stuk, een looneeisink, waarvan de hoofdverdiensie minder in de grootscliheld der


-ocr page 657-

INTRINSECUS

INVALENTIH

030

ImndollnR of do voortrolToiyko onlwIkkolliiK dor knrnklors, maar veeleer In de door de list der liandelondo personen veroorzaaklo verwikkeling en de kunsllge oplossing daarvan Hut; —in— triguooren (fr, inlriuuer, 11. inlriuure) met sllnksclie streken omKaan, kiilperUon maken; verwikkelen, verstrikken; bij oene zaak ge\'intrigueerd zijn, daarin verwikkeld, hetrokken, verstrikt zün; — intrigant, adj. (fr. inlri(janl) ar(;llsll(r, geslepen, vol streken en listen; — intrigant, m. oen arglistige, eon rnensch vol liclniolUke streken, oen vriend van kutperUeti; op liet tooneet: die llgunr, die door haar listen hoofdzakeHjk de veinlkkelliig te-weeglirenut; — intl\'igoterio, f. de klelngees-tlgc knlperyen.

inlrinsecu-i, n, um, adj. lat. (fr. inlrinséque) Invvendlu\', inneriyk (In de volkstaal Intrinsiek); z. valor, ond. valeeren in Iriplo, z. triplu m.

introduceeron, lat. {inlrodmtlre, v. inlro, In, en duc/lre, voeren. Invoeren) Ingang ver-scliatïen. Inleiden; introductie (spr./(e= He) f. {inlroductto) de Invoering, Instelling van een ambl; ook de Inleiding van een hoek; Mnz. (11. Iii/roiluznine) eene Inleiding of voorherel-dlng lol een muziekstuk, meeslai van langzaam, ernstig karakter; introducticf, adj. inleidend; -■ introductorisch, adj. nw.lat. of liever introductoiro, fr. (spr. —Inrir) tot de inleiding helioorende; - introdnziono, f. Muz. Invoering, inleiding. Introductie.

Introgréssie, f. nw.lat. (v. intronrHili, Instappen) liet Inlmlen, de intrede.

Introïtus, in. lal, (v./n/ra-ïi\'c. Ingaan) de Ingang, Inleiding, voorherelding; de aanvang der mis. — inlrofle, nam el hic /Ui sim/, lal. komt liinnen, want ook hier zijn goden (verlaald ei-laat uil Arlsloteles).

intromitteoron, lat. {inlrnmi/lfre) Inlaten of -hrengen; intromissie, f. nw.lal. de Inhrenglng, inseluiiving, insleking. introrsum, adv. lal. hinnenwaarls. introspieeeren, lat. (in/rn-siiirci-e, van spicfn, spccörc, zien, annsehonwen) inzien, van hinnen hezlen; Inwendig onderzoeken; introspectie (s|ir. /—s) f. nw.lal. het inzien; het onderzoek vim hinnen.

introuvable, adj. fr. (spr. eiilrnerab/\'-. v. Imwer, vinden) onvlndhaar, zooals men niet licht vinden zal; — rhnwbre (spr. sjaiihr\') in-/rouvab/c, de fr. kamer kort na tst\'i, omdat zij in lilies de regeering te wille was.

Introversie, f. nw.lal. (v. in/ro, hinnen en vertSrc, wenden, kooren) de Inwiiartswen-dlng, inwaiirtskecring; in/rorvnlo pa/pebru-nun, Med. de hinnenwaartskeering van de randen der oogleden.

intrudeoren, lat. {in-lnuUre, v /ruihre, stooien) inslooten. Inschuiven; zich Indringen, opdringen; — intrusie (spr. s=j) f. nw.lal. de indringing, hel Inschuiven, insluipen, h.v. In eene hedlcnlng, hel opdringen; —intrusief, adj. Inschuivend: Indringend.

Intuitus, m. lat. (v. in/uèri, aanschouwen, v. lucrl, in \'1 oog vallen, zien) het aanschouwen, de aanidik;— intuitu, Jur. in aanzien of overweging; — primo in/uï/u, hy den eersten aanhtlk; intuïtie (spr. /ie=/sie) f. n«. lat. (1(4 aiinschoinving, zinnelijke gewaarwording of voorstelling; ook de Inncriyke aanschouwing van den geest; — intuïtief, adj. aanschouwend, onmiddeliyk waarnemend en gewaarwordend; aanschouweiyk; de intuïtieve kennis, eene door /innelijke aanschouwing verkregen kennis; de int uil leve facullell, hel aansclionwingsverinogen.

intumesceeren, lat. {in-lumcsr re: vgl. tumor enz.) opzwellen, ophlazen; trolseh zyn; — intumoscéntie of inturgescóntio (spr. Iie=lst(i) f. nw.lat. de opzwelling, opzetting, hel gezwel, de opgezetheid.

in /u/710, z. ond. turn us.

intus, lat. eig. inwaarts, v. in en lus, her-wiuirls) inwendig, hinnen; intussuscép-tle (spr. Iii:=sie] f. nw.lal. (vgl. susclpi-eeren de inneriyke opname, Inwendige tue-eigening, wederzijdsclie Inzulging en samensinel-ling van twee stollen, h. v. water en suiker; de aanzeliing van nieuwe deelen van hinnen, de Inwendige aanwas; 1 n t uss u seep l ie van een gedarmte, Med. de Inschuiving van liet hovensle gedeelte daarvan in hel onderste.

Inüla, f. lal. Hol. de alantswortet, eene planlensoorl; inulino, f. nw.liit. het alkaloïde van den alantsworlel; ook a la ut Ine.

inumbreeren, lal. [inumhrarc, van um-bru, schaduw) heschaduwen; invimbni-tie (spr. /ir—Zsic) f. (inumbra/io) de hescha-duwing.

in unn serie, ■/.. ond. series.

InüllCtie (spr. /ie—sie) f. lat. (inunrlW: vgl. uncl Ie) het inwrijven. Insmeren.

inundeeren, lat. (inundare, iiin/n, golft overstroomen, onder water zetten; — inundatie (spr. l=/s) f. inundaïïn) de overstroo-niing, vloed, zondvloed; een zwerm.

inurbaan, adj. tat. {iiiurbanus, «, uni: vgl. urliaan) onsteedsch, onhoifelUk, onwellevend, hoersch, ruw, plomp; inui\'baniteit, f nw.lal. onwellevendheid, hoerschheld enz.

inusi/a/e, lal. (v. usi/are, usilnri, gewoonlijk gehnilken) ongehrulkeiyk, (mgewooniyk. in «.vit, in usiiin, enz.- z ond. lis/is. inutiel, adj. lat. {inu/i/is, c, vgl. ulilis) onnnl, nnlteloos, ondienstig; — inuh/e potldus /emir, z. ond. pnndns: inutiliteit, f. (lal iiui/ifflas) ondienst igheid, nuttelooslield.

invadeoren, lat. (inundifre, v. in en ra-(/■ cc, gaan, slappen) Invallen, overvallen, eenea aanvat doen; invasie, f. [inrnsto) een v(j-andelyke aanval, inval, strooptocht.

Invaginatie (spr. /—/s) f inv.tal. (vaa vnuma, scheede) de inseluiiving In eene scheodo; Med. z. v. a. 1 n I ussuscept Ie.

Invaléntie (spr. I =--/*] f. lal. (inba/enlïn, v. valeeren, gezond, sterk zyn\' kraclileloos-held, zwakte, onvermogen, onpasseiykheid; —


-ocr page 658-

INVESTIGEEREN

INVARIABEL

640

invalosceeren, Int. {invalesclre, v. valere) gezond, sterk zijn) sterk worden, in kincliten toenemen, de overhand nemen; — invalide, adj. lat. (invalfdus, tr. invalide, v. \'t lat. vali-dus, gezond, sterk) zwak, krachteloos; onvermogend, houwvalllg, Rclirekkciyk, zwak; Inz. uitgediend hehhende, tot den dienst onbekwaam, niet meer hnilkbaar; ook ongeldig In rcchlen;

— invalide, m. oen krugsmnn tot verderen dienst onhekvvaam, uitgediende, een verminkt, gehrekkelUk soldaat; — invaliden-huis (fr. Ilólel ilcs invalides) een oude-krggsmunshuls, een openhaar gehouvv ter verpleging van iiilgedlnnde, oude, gebrekkige soldalen; invalideeren, nw.lat. in rechten ongeldig of krachteloos maken, verzwakken, oinverstoolen; invali-datie (spr. 1=1.1) of invalideering, f. de ongeldigverklaring in rechten; tenletdoening; onlkrachtiging; invaliditeit, f. de zwakheid, gebrekkigheid, llchaamszwakle, krachte-looslield; het onvermogen, de oidirulkhaarheld, ongeschiktheid tot den dienst; de ongeldigheid, nietigheid.

invariabel, adj. nw.lat. (vgl. v a r i a h e I) onveranderiyk; — invariabiliteit, f. de on-veranderiUkheid.

Invasie, z. oud. invade eren.

Invécta of invéeten, n. pl. (van in-vehfre, invoeren, inhrengen) het door den pachter, huurder enz. ingehrachte, inedegehrachte goed.

Invective, f. nw.lat. (fr. inveolive, van \'t lat. invertivm, a, um, tegen iemand uitvarend, v. invë/ii, elg. het passiv. van inveh/fre, tegen iemand uitvaren, op Iemand scheiden) een heftige aanvallende, heieedigende rede, een grof smaad-, scheld- of schimpwoord, eono los-harsting van misnoegen; — invectiveeren (fr. inverliver) driftig en heleedigend uitvaren, vinnig verwijlen, heschimpen, schelden, hoonen.

invïnil, lal. (v. in venire, vinden, aanlreiïen, uitvinden) hü tieeft hel gevonden, op plaatwerk gevv. vork. int)., naast den naam des kunstenaars, naar wiens origineel do gravure vervaardigd is, evenals sculpsil achter den naam des graveurs; vgl. del inca vit; — inventa— rium, n. gevv. inventaris, m. de voorraad, inz. huishoudeiyke voorraad; de wette-igke lüst of schrifteiyko opsomming van de voorhanden artikelen in liuis, vaartuig enz.; do opgave van alle voorhanden gevonden of over te leveren goederen enz. hy overneming van he-dieningen of posten, hy overlijden enz.;dohoe-dellieschrijving of -opschryving; — beneficie van inventaris, z. beneficium invcnlurti;

— inventariseeren (spr. s=t), inven-tariëeren, harlj.lai. eene zoodanige welte-lyke lyst der nalatenschap enz. maken, hoedel-heschryven •, — inventarisatie (spr. —ra-tsie) f. de opschryving van een hoedel of eene nalatenschap; — inventeeren (fr. in ven Ier) uitvinden, verzinnen; inventie (spr. /=/s) (. lat. (invenffo) de uitvinding, het vordichlsol, lt;le kunstgreep, vond; — inventie-horen.

m. inventie-trompet, t. Muz. een door zoogenaamde inzetstukkon verhelerde horen of trompet, waarop dientengevolge uit alle toonsoorten kan geblazen worden ; - inventions, (spr. Ii=lsi) nw.lat. inventief, fr. adj. vin-dingrük, vernuftig, zinryk; — inventiun-cula, f. lal. een kleine uitvinding; — in-véntor, m. lat. de uitvinder; — invéntum, n. een vond; — inventuur, f. nw.lat. {in-ventura) de na- of doorzienlng van het voor-handene en de optcekening daarvan; hy kooplieden : de lyst der voorhanden waren enz., het posthuishoek.

in verba inaffislri, enz. z. end. verbum, invergeeren, lat, {invernSre: vgl. vor-gooron) neigen, ergens naartoe hellen, over-huigen; — invergentie (spr. I=ls) f. nvv. lal. de neiging, helling.

invers, inversie, z. ond. Inverteeron. inversabel, adj. nw.lat. (vgl. verloeren) onomslooteiyk, niet om to werpen.

Invertebrata, n. pi. nw.lat. (van ver-li bra, wervelheen) N. II. ongewervelde dieren.

inverteeren, lat. {inverlëre: vgl. verloeren) omkeoren, verplaatsen, omzeilen; — in-vertentiën, n. pl. {inverliinlla) Mod. inwik-kolingsmiddeien om scherpe arlsenyen, Inz. zuren, te omhullen; — invérs, adj. lat. verkeerd, in omgekeerde richting; — invérsa me-Ihudus langénlum. Math, de omgekeerde leer-vvyze der raakiynon-, inversa ratio, Arith. de omgekeerde reden in eene evenredigheid; in-vérsn ordtne, in omgekoerde roden; — invér-sie, f. (lat. inversio) de omkeering; Gram. de woordverplaatsing, omzeiling der woorden, waarhy de bestanddeolen hun logisch karakter behouden, h. v. God is rechtvaardig, rechtvaardig Is God (vgl. conversie); Mil. do vorming der slagorde op eene wyze, die van de doorgaans gevolgde afwykt; inver-sfo palpebrarum, Med. de buitenwaartswending van de hinnenvlaklo dor oogleden; —inver-sor, m. elg. de omwender; oen werktuig, dat dient om den gaivanischen stroom te doen om-koeren.

investeeren, lal. {inveshre, van veslis, kleed) inkleeden, mot de teekonen der ambtswaardigheid bekleoden; vandaar in oen ambt plaatsen, instellen, beleenen; — investitief, adj. nw.lat. bekieodend, instellend; —investituur, f. nw.lat. elg. de inkleeding; de plechtige inzetting in het bezit eener waardigheid, prebende enz., de beleening, bevestiging In oen amid; het toereiken van den bisschopsslaf en den ring, als toeken dor opgedragen macht; — inveslilura evenlualis, heiooning, gegeven voor bel geval een leen openvalt; i. simullanea, de medeheleening, gezameniyke beleoning, als verscheidene mot iels beleend worden; hot in-vestituurrecht, bet beleoningsreebt.

investigeeren, lat. {invcsligure: vgl. vos-tigliin) opzoeken, opsporen, uilvorscbon, doorgronden; — investigabel, adj. (lat. invesli-f/abïlis, e) opspoorbaar, doorgrondoiyk; — in-


-ocr page 659-

IN VETER KEREN

Mi

IONIGUS

vestigatie (spr. lie=lsie) f. (investiuatfo) de opsporing, niivorschlng, ultvorschlnd, ilooi\'Hron-diiiK, hot orulorzook; — investigatiof, adj. nw.lut. lol navorsclilngcn Ronelgd or liyzondor gesclilkt; — investigator, m. do opspoor-dor, de ullvorschcr.

invetereeren, lat. (invelerare, oud maken, inrelcmri, oud worden; van vetus, oud) verouderen, verjaren, Inwoptolcn, door langen duur zich vaststellen; malum in wieral um, n. oeno Ingewortelde kwaal; —inveteratie (spr. tie =lsie) f. (lat. invelemffo) de veroudering, In-wortellng.

in vin, enz. z. ond. via.

inviabel, adj. nw.lat. (fr. iiwinble, v. \'t lat. via, de weg) onhognanhaar, onlierelsliaar.

inneem, adj. lat. (vgt. vice) lieurteiings, we-derzyds, liet eeno na hel andere.

invideeren, lat. (inmlère) benyden, misgunnen; — invidïa, r. de nyd; — argumén-turn nb inridin, hewys, dal men arglistig met valsclie bewijsmiddelen enz. voert; — invidious, adj. lal. iini\'idiijsus, n, urn) nijdig, wangunstig.

Inviérno, m. sp. de winter. Invigilantie (spr. /=/«) f. nw.lat. (vgl. vlglleeren enz.) de gebrekkige waakzaamheid, de onachtzaamheid, nalallgheld; in-vigileeren, lat. [invinilure,■ vgl. vigtlee-re n) over iels waken, waakzaam zyu ; oppassen. in vim, enz. z. ond. vis.

invincibel, adj. lal. (invimibïlis, c. van vinn\'re, zegevieren) onverwinneiyk, onbedwingbaar; invincibiliteit, f. nw.lat. de on-vcrwlnneiykhcld, onbedwingbaarbeid.

rino verilas, lat. quot;In den wyn Is do waarheidquot;, d. i. de wyn mankt de long los, dron-den lui spreken de waarheid.

inviolabel, adj. lat (inviolubllis, e: vgl. violeeron) onschendbnur, onverbrekelijk, on-aantnslbaar, heilig; — inviolabiliteit, f. nw.lat. de onsiliendbuurbeid, heiligheid enz.

invisibel (spr. .v=:) adj. lat. (imisibilis; vgl v islbel) onziebthaar; — invisibiliteit, r. do onzichtbaurheid.

invilu Minervn, z. Minerva.

invite, I) lal. ongaarne, met tegenzin, invitoeren, lat. (iiwitSre) uilnoodigen, te gast vragen, verzoeken; aanlokken; in het kaartspel; door een invite z.yn aide verzoeken eene kleur uil te spelen -, invitatie (spv. Iie=l.tie) r. (lat. invilaCin) de ultnoodlglng; - invitii-tor, m. de uitnoodiger ; — invitatoriamis, by, die by sommige monnikenorden in liei koor moei intoneoreri; invitatorium, n. nw. lat. opwekkingsgezang in de r. kalb. kerk; — invite, S) f. (11. iiHilo, m.) bij het whistspel; eene ultnoodlglng aan den medehelper ot maal door het ultspolen eener lage kaart, waaruit deze kan opmaken, dat men in de aangespeelde kleur aas of hoer hoeft, en ze dus nagespeeld wenscht te zien.

invitupenibel, adj. lat. {inviluperabllis, c: vgl. vituperoeren) onberlspeiyk.

VIKIUIK DRUK.

invilus, n, vm, adj. lat. ongaarne, legen wil en dank; vgl. Minerva.

invoceeron, invoquoeren, lat. {invn-cure) aanroepen, afsmeeken; — invocavit, n. de naam van den eersten zondag in de vasten, naar liet begin van \'1 gezang in de r. kalb. kerk: invocavit me enz., by beeft my aangeroepen enz., I\'s. XOI, tü; — invocatie (spr. /=(.v) f. (inmcatin) de aanroeping, afsmeeking; — invocatörisch, adj. nw.lat. aanroepend, inroepend; — invocazione, f. it. z. invocatie; Muz. gebed, aanroeping, smeeking, een muziekstuk van godsdionstig karakter, langzaam van beweging, harmonisch en zacht van melodie.

Invoice, n. eng. (spr. inumis) z. v. a. fact uur.

involontaire, adj. fr. (spr. eiiwntniilèr\') onwillekeurig, onvrywillig, onopzetteiyk.

involveeren, lal. {iimlvtre: vgl. vol-v ee r e n) Inwikkelen, inbullen, verwikkelen, mede bevatten, in zich shilteii; — involventia (spr. /=/.«) pi. Med. omimiiende, omwikkelende middelen; —involücrum, n. hol. bel hulsel, de omslag; - involute, f. Oeom. eene kromme iyn, die door de ontwinding van eene andere ontstaat; — involuut, adj. (lal. in-voliilus, u, urn) ingewikkeld, omwikkeld; — involutie (spr. /=/.?) f. (involuffo) de Inwikkeling; verwikkeling; de omhulling, het omhulsel, de omslag; de verwarring, verwikkeling.

invoqueeren, z. invoceeron. invulnerabel, adj. lat. (vgl. vulnus enz.) onkwetsbaar; - invulnerabiliteit, r. nw. lal. de onkwelsbaai\'hold.

lo, f. gr. Myib. de dochter van Inacbus, koning van Argos. Ton gevolge van Jupiters liefde voor haar werd zy In eene koe veranderd, die op Juno\'s last door den bonderdooglgen Argus (z. aid.) werd bewaakt; zy ontsnapte echter door de list van Mercurius en zwom van Argos door do Ionische zee naar de monden van den Nyi; — N. 11. dagpauwenoog, eene soori van vlinder; — Astr. een door Poters in 18113 ontdekte asteroïde.

iö.\' gr. een uitroep van vreugde of Irlumf, heisa! hoezee! — io vivnl, de aanvangswoor-den en vandaar de benaming van een bekend sindenlenlied.

iobólisch, adj. gr. (v. nis, geschut; vergift) vergifiigend, vergiftschietend (van padden); — iolith, m. straalglps.

Ion, n. gr. pl. ionen, de bestanddeelen, waarin een slof, die aan elektrolyse is onderworpen, wordt ontbonden; vgl anion en k a 11 o ii.

lonïcus, m. gr. {iunikik) de ionisebe vers-voel met i korte en i lange lellergrepen [ioni-rus a miiwrl (quot; quot; — —), b.v. on vert ee r ba a r

of omgekeerd ionicus a mnjöri (--« «), b. v.

kunst matiger]; iönisch, den loniers (een oudgrlekscben volksstam) eigen; Ionisch dialect, de tongval van de loniers, die zich

it


-ocr page 660-

IONTHUS

IRONIE

642

door wecklicld en zachtheid onderscheidde; ook ionisme, n. In \'I iilgemoen de volkseiuemmr-dlghcld der lonlers; vgl. do ris me-, Ionische orde, de tweede nuur tydsorde, de derdo naar rang onder de gr. bouworden; de hocalo der zullen Is in deze Smaal de middeliyn; — Ionische school, de oudste gr. wljsgeeren Thales, Anaxlmunder en anderen, die in een natuur-elcment het wezen der dingen zochten.

lónthus, in. gr. (ionlhós) Mcd. venuspulst-)es, Inz. In het aangezicht en aan het voorhoofd; ook eene hlauwachtlge huidvlek.

Ipükakuanha, f. hrazll. (port. ijieca-ruanha«p. ipeiacmna) de amerlkaansche hraak-wortel; Indiaansche of hrazlllaansche purgeer-wortci (inz. van Cephaelis iperacuan/ia, Wilid.).

Iphigenia, f. gr. (Ip/iigéneia) vr.naam de dapper-geborene; Myth, de dochter van Agamemnon, die, op het punt staande van door haren vader als zoenoiler geslacht te worden, door Diana naar Taurls werd gevoerd en aldaar opperpriesteres werd in den tempel dezer godin.

ipo, Jav. vergift z. v. a. oepas, z. hoa-oepas-, akur-ipo, giftwortel; lada-ipo, giftpeper; ipo-balann, hoomgift (ipo-hatanghoom,

larix loxicahu).

ipse [ipsa, ipsum), lat., zelf; — ipse dixit, hij zelf heeft het gezegd (ni. Pythagoras), eene uitspraak der Pythagoristen tot staving hunner leer: vandaar In \'1 alg. het formulier voor het gedachteloos napraten van do woorden des mees-Iers; — ipse fecit, hy zelfheeft het gemaakt; — ipso facto, door de daad zelve, eigenmachtig; — ipso jure, door het recht zcif, van zich zelf, op zich zelf; — ipsisme, n. harh.lat., de zelfzucht, eigenbaat.

ir-, lat. voorieltergreep van woorden, die met r heginnen, z. in.

ira furor brevis est, lat. de toorn Is eene korte razerny (citaat uit lloratlus).

Irado, f. turk. (v. \'tarab. irddeh, irdilel, wensch, wil, van rdda, wenschen, willen) een tegcnsehryven, bevelschrlfl, het ultsehryven van eene verordening des sultans

Iranische talen, eene familie van den indo-europeesehen of sanskrilscben taalstam, die met de Indische talen de arische groep vormt, en waartoe hel Zend of Oud-perztsch, het Pehlvl of Hoeswarosch, het Parsl of Pazetid, hol Meuw-perzisch, het Koerdisch, het Afghanlsch of Poeschtoe, het Ossetlsch in den Kaukasus en het Armen lach hehooren.

irascibel, adj. later lat. (irascibflis, e, v. irdsci, toornig zyn) tot toorn geneigd, prikkel-haar; — irascibiliteit, f. de geneigdheid tot toorn, prikkelhaarheid, opioopendhold; — db irSto, lat. uit toorn, In toorn opgesteld (b.v. een testamenl).

Irene, f. gr, (etrene, dc vrede) al» vr.naam: de vreedzame; Myth, de vredesgodln, do godin iler eendracht of des vredes, vgl. Thomis;— irenarch, m. een vredevorst, vrederechter; in het latere rom. recht de opzichter ter bewaring der rust en tot Inleiding van de crimi-neeie zaken; — irenarchie, f. het ambt van vrederechter; — Iremsus, m. mansn.: de vreedzame; — irenseën. pl. vredezangen; — irenêon, n. een geschrift van vredestichting ter vereenlging der lulh. en geref. kerken; — iremka, f. de vredesleer, Inz. in de theologie;—irenisch, ad), vredestichtend, bemiddelend, b. v. irenische richting, Iheolo-glsche richting, die den stryd der uiterste partyen traiibt te verzoenen; Irenische schrif-t e n, zulke die godsdienst- of sectenvereenlging ten doei hebben.

Iris, f. gr., de regenboog; Myth, eene rnaag-deiyke godin, de gevleugelde bodin en dienares der goden, Inz. van Juno; het regenboogsvlles in het oog; de zwaardlelie, een pronkgewas; ook een edelgesteente, welks kleuren naar die des regenhoogs geiyken; ook de naam van eene door Hind otddekte asteroïde; — iris-druk, m. eene soort van gekleurden druk op stotTen, waarhy versi hillende elkander afschaduwende kleuren in eikaar schgnen te loopen; — iris-steenen, n. pl. kristallen of kwartsstcenen, die do kleuren des regenhoogs vertoonen; — iridium, n. Cheni. een helder-grys, zeer hard, bros, vuurbestendig metaal, in tsoil door Tennant in het ruwe platina ontdekt; — iri-diseeren, iriseeren (spr. s=z), de kleuren van den regenboog vertoonen; — iridan-kistron, gr. of minder goed iriankistron, n. de irishaak, een haakje tot hel uithalen van het regenboogsvlies door eene Insnede in bet hoornvlies; — iridektomie, f. bet uitsnijden van \'t regenboogsvlles; - iridenkleïsis, f. Inklemming van \'I regenboogsvlles in de hoorn-vliessnede; — irideremie, f. het ontbreken van \'I regenboogsvlies; — iridodyal^sis, f. Mod. de vorming van don oogappel door de afscheiding des regenhoogs van don haarband; — iridoptösis, f. de uitzakking der iris;— iridotomie, f. de insnyding In de iris; — iritis, f. Med. de ontsteking van het regenboogsvlles in het oog.

Irmgard, Irmingart, f. oudd. naam: de eerbare.

Irmenzuil, f. (oud-saks. irminsül) eene door de oude Saksers vereerde hooge zuil, oor-spr. een zinnebeeld van den god of halfgod I r m i n, later als een gedenkteeken voor Herman of Arminius, den bevryder der Dultschers, aangezien.

Iron, n. eng. (spr. nir\'n) gzer; ook ais adj. yzeren; — iron man (spr. —men), «yzeren manquot;, een soort katocnspinmachine; — iron wire (spr. oeair), yzerdraad.

Ironie, fr. (lal. iron/a, v. \'l gr. eironeiu) eene geveinsde of schUn-onwelendbeld, om tem. daarmede te plagen of te hoonen; fijne bedekte spot, helmeiyke scherts, hoertery, waarhy men het tegendeel zegt van tielgene men meent ; Inz. spottende of boonende lof; — ironisch, adj. spottend, schalk, lijn schertsend of plagend, boertend; — ironiseeren (spr. s=z), harb. lat. plagen, spellen, schertsen.


-ocr page 661-

IRHIiPROCHABLE

643

IRRADIEEREN

irradieeren (irradlare vgl. radius) hc-slriilen; — irradiatie (spr. l=ls), i. uw.lui. de beslrullriK, vtirllclitiiiK, licschUnlnt;; hot stralen, ullstralon; hel vcrscliijnscl dal heldere voorwerpen up donkeren grond grooter schynen, dan even groote en even ver verwilderde donkere voorwerpen op helderen grond.

irraisonnable, adj. fr. (spr. irètondbl\': vgl. ral son, enz.) onredeiyi; onhllluk.

irrationaal (spr. l=ls), ad. (irralionalis, e. vgl. ratio, enz.), of beier irrationeel, (fr. irratiomel) onredeiyk, strüdlg niet het gezond verstand; Arlth onherekenhaar, wal niet volkomen julsl kan ullgerekeml worden, wat noch door geheelen noch door hreukgelallen zuiver kan uitgedrukt worden, h. v. de vierkantswortel uit -2; Irratloneele verhouding, zulk cene, welker grool heden geene geineensehap-|)elüke maat liehhen; irrationalisme, n. nw.lat., hel niet geliruiken der rede, h. v. in geloofszaken; irrationaliteit, f. on-versland, onredeiykheld; onherekenhanrheld.

irrecognoscibel, adj. nw.lat. (vgl. re-cognosceeren) niet erkenliaar, wal niet erkend hehoefl te worden (b. v. eene oorkonde);

irrecognoscibiliteit, f. onerkenhaar-heid, verwerpeiykhelil

irreconciliabel, iidj. nw. lal. (vgl. re-concilieer en) onverzoeniyk; — irrecon-üiliabiliteit, f. onverzoeniykhcld.

irrecordabel, adj. later lal. (imamla-bilis, c; vgl recordeeren) onherlnnerhaar.

irrecuperabel, adj. lal (irrecupembilis-, vgl. recupereeren) onherstelbaar, niet te vergoeden, idel weder te brengen.

irrecusabel,adj. lal. (imcmahïlis,.e-, vgl. recuseeren) onverwerpeiyk, onafwijsbaar; — irrecusabiliteit, f. nw. lat., onverwerpe-lykheld, onafwysbaarheld.

Irredenta of Italia irredenta, «het onverloste llalle,quot; eene uil radicale, republl-kelnsche en sociaal-democratische elementen bestaande vereenlglng, wier streven Is alle landen, waar de bevolking groolendeels ilnllaansch spreekt, mei hel konlnkryk llalle vereenlgd te zien.

irredimibel, adj. nw.lat. (vgl. rcdlmee-ren) niet lus Ie koopeti, onaflosbaar.

irreducibel en irreductibel, adj. nw.lat. (vgl. reduceeren) niet lerugvoerbnar, onherleidbaar, onherstelbaar.

Irrefléxie, f. nw. lal. (vgl. reflexle) onberadenheid, onbedachtzaamlield, gebrek aan overleg.

irreforraabel, adj. later lat. (imforma-hilis, c; vgl. refurmeeren) onveranderiyk, onverbeleriyk; irreformabiliteit, f. nw.lat. onverbeteriykheld, onveranderiykheid.

irrefragabel, nw. lal. (vgl. refragee-ren) unwedorlegbaar, onumstootelgk, onweder-sprekeiyk, onverwerpeiyk; — irrefragabi-liteit, f. de nnwederlegbaurbeld, enz.

irrefutiibel, lal. (inefulabilis, e\\ vgl. refute e r e ti) onwederlegbaar.

irregenerabel, ttdj. nw.lat. (vgl. regeneroeren) niet weder te telen, niet weder voort te brengen.

Irregem\'tus, m. nw.lat. (v. qemlus, geboren, vttn nenire, gifinCrc, telen, baren) een nlel-wetlergeburene, onverbeterde.

irregulier, adj. fr. (sjir. ireuu-ljé) of ir-regulair, nw.lat. (Irregularis, vgl. regulair, ond. regel) onregelmntlg, van tien regel afwykend; regelloos, unortleiyk; Ir regulaire pols, tmgeregeltle polsslag; Ir regulaire sol-daten, ongeregelde troepen, die noch Ir. kleeding en uitrusting, noch In luchl mei bel overig deel des legers overeenkomen; — verba ir-reguluria, pl. onregelmatige of afwykende werkwoorden; irregulariteit, f. onregelmatigheid; regelloosheid, wanorde.

irrelatief, adj. nw.lat. (vgl. relatief; zonder betrekking, op zich zelve, onverbonden.

irrelevant, adj. nw.lat. (vgl. relevee-ren) onbeduidend, nietig; — irrelevantia (spr. /=Alt;), n. pl. unbeduitlentle, nlellge voorwerpen, nieilghcilen.

Irroligie en irreligiositeit, f later lat. {irrcliuïn en imligiosllus-, vgl. religie) ungutlsdlensllgheld; ongeluuf, guilvergetenbeld, roekeloosheid; irreligious, (lat. irrelil/iu-sus, a, um) ungelóovlg; slrydlg met de voor-schrlflen der religie, ungodsdlenstlg, goddeloos.

irremeabel, adj. lal. {irremcaliftis, e, v. remeare, terugkeeren) wal niet weder le brengen is, nlel kan terugkeeren.

irremediabel, adj. lal. (immediabtlis, e; vgl. re medium, enz.) onherstelbaar, onheelbaar, nlel le verhelpen.

irremissibel, adj. nw.lat. (vgl. remit-leeren) onvergeeliyk, niet kwyi le scholden.

irremonstrabel, adj. nw. lal. (vgl. re-monslreoren) niet wederleghaar, waartegen zich nlels laat Inbrengen.

irremovibel, adj. nw. lat. (vgl. remo-veeren) onafzetbaar; onveranderiyk.

irremunerabel, adj. lal. {irremmera-tïilis, e, vgl. remunereeren) tmbelounhaar, onvcrgeltlbaar.

irreparabel, atlj. lat. (ineimrabïlis, c,-vgl. repareer en) onvergoedbaar, onherslel-haar, nlel weder le brengen.

irropeeren, lat. (inrprrc, v. reigt;ire, kruipen) insluipen, leis dour kulperg verkrygen; — irréptie (spr. I=s), r. (later lal. irrepiïo) de Insluiping, de verwerving door Insluiping.

irreplioabel, adj. nw. lat. (vgl. repii-ceeren) nlel le beantwoorden.

irroposcibol, adj. laler lal. (irre/iosci-bilis, e-, vgl. reposceeren) niet lerug te vorderen.

irreprehensibel, adj. lal. (incprehen-sibllis, c: vgl. reprehendeeren) unstralTe-iyk, onberlspeiyk, onverwerpeiyk.

irreprossibel, adj. nw.lat. (vgl. reprl-nieeren) nlel ondertlrukbaar.

irreprochable, atlj. fr. (spr. imprasjibl\'; vgl r e p r o c li e, enz.) onberlspeiyk, onbesproken.


-ocr page 662-

isano(R)malf:n

644

IRREPTIE

Irreptie, z. oml. li ropoeron. irresistibel,udj. nw.liit. (vgl. roslsloo-ren) oiiwoUoislaunlHiar; — irresistibili-teit, f. ile oiiwodcrstiiiiiibuurhcld.

irresoluut, iiilj. nw.liit. (vul. rcsolvee-ren, enz.) heslultoloos, welfoleml, wankelend, onlicslolon, aarzelend; — irresolülo, II. (s|ir. icrezoloelo) Mnz. weifelend, minder afgomelen;

irresolütie (spr. I=ls), f. nw. lal., do besInlteloüsUeld, wankelniuedlgheld, weifeling.

irrespéot, in. nw.lnt. (vgl. res pee I diiiI. resp le lee re ii) oiieei\'lilcillglield; — irre-spoctuous, adj. oneerliledlj!.

irrespirabel, adj. later lal. (inespira-(iT/is, c; vgl. resplrooren) lot inadenien on-gosclilkt, li. v. zoodanige lucht; — irrospi-rabiliteit, f. dc ungosclilkllield lot iiiiideinen.

irresponsiïbel, adj. nw. lat. (vgl. re-spondeeren (inveranlwoordelUk; — irro-sponsabiliteit, r. do unvonint woordeiyklield.

irreverent, adj lat. (imvUreiis, \\. reve-rcri, veroeron) oneerliledlg; — irreveréntie (spr. /=/.«), f. (Int. revereniïa; vgl. ro v e re n 11 o) onoorbledlgheld, gerlngselialtliig.

irrevocabel, adj. lat. (irrevocabï/is, c,-vgl. rov oe oero ii) oidierroepelijk, nlcl lerug te nemoii; irrevoeabiliteit, f. nw.liit. oiihcrroopelükhold.

irrevolutionair, adj. nw. lal. (vgl. rove In lie, oud. rovol voeren) niet oproerig, niet oinwciitollngsgezlnd, legen do revolutie on hare beginsolen gekant, met de revolutionaire grondstelliiigi\'ii strljillg.

irridoeren, lat. (iiridcrc, van ridêre, lachen) iilllachen, licspotleii, besehiinpen, hoo-neii;- irrisie, f. (lat. irristo) hot iilllachen, belachon, de beschimping, enz.

irrigoeren, lat. (irrii/nre, v rifiare, be-wateron) liovoihtigen, liosprooton, bevloeien; — irrigatie (spr. t=/s), f. (irnf/n/ïo) de bevoch-tlgliig, liesprooilng, bevloeling, bosprenkollng; — irrigatorisch, adj. nw.lat. (irrii/alorïus) tot bevochtiging, enz. dienende; — irrigateixr, in. spuit met een buis tot zeltklvsleeren, oen soort cl yssopom po (z. aid.).

Irrisie, z. ond. Irrldeeren. irriteeren, lat. (imlare) opwekken, prikkelen, aanzetten, vertoornen, verbitloron, boos maken, ergeren; — irritans, n., pl. irri-tantia (spr. li—tsi), Mod. prikkelende inid-delon; — irritabel, adj. (lal. initalnlis, e), prikkelbaai\', licht te vortoornen, licht geraakt; — genus irrilabile (valum), het prikkelbare ge-slacht (der dichters); —• irritabiliteit, f. de prikkelbaui\'lield, inz. der zenuwen; opwekbaarheid, liclitgeraaktheld; irritamént, ii. (irritumöiitum) het prikkelend middel, de prikkel; — irritatie (spr. Iie=lsle), f. (()•-rilafto) de prikkeling, hel gaandemaken; do opwekking tot toorn, do verblltorlng; — irri-tatief, nw . lal., prikkoleiid, opwekkend, aan-zottend.

irroboreeren, hit. (iirohorare: vgl ro-bo ree re n) Jur. sterken, versterkoii.

irrogeeren, lat. (irrogtire, van in en ro-vragen, verzoeken. Inzonderheid oltlcleol aanvragen, opdragen) opleggen, tookeniien (inz. straf); — irrogatie (spr. I=ls), f. (iiroitatto) Jur. do oplegging of tookciining eener straf, de slrafoplegglng.

irroratie (spr lt;=/«), f. nw.lat. (v \'t lal. irrnrare, bedauwen, v. ros, dauw) de bedauwing; Mod. besprenglng, bevochllging, bedrniping.

irrumpeeren, lal. (irmnpire .■ vgl. ruin-poeren) inbreken, vUandlg Invallen, Indringen;

irrüptie (spr. /=»), f. {irruplio) de inval, overval, het inrukken des vyands In oen land.

Irus, m. gr. [Iros) naam eens bedelaars op het eiland Itliaka, In de Odyssea van Ito-morus; viindaar oen arme, oen straatarme, oen bedelaar.

Irvingianen, m. pl. aanhangers dor dweepzieke christen-seole In Engeland en Pruisen, door Edimrd Irving (gest. 1834) gestlehl, welke do redding dos menschdoins van z.Une zondighold alleen voor mogelük houdl door oone wederverscliUning van Christus op aarde en ecne nieuwe uitzending van aiiosleloii; — irvill-gianisme, n. de leer diens dwepers, is, pron. lal. deze, hij (vgl. ld).

Isaak, in. Iiebr. (Jis-cluik, de spotier, v. sachak, lachen, spollen; gr. Isndk) niansn.; kind der vreugde, vreugdozoon.

Isabelle, f. vr.uaam (sp. Isabel, Isabela, van \'1 hobr. Uelwl, isobel, koningin van Israel »17 -Sin, van i, niel, en sebel, beslnpliig) de ongerepte, niet-ontmaagde, kulsche =Agnes; — isabellekleur, oone bruinachtig gele kleur (naar de prinses Isa be 11 e benoemd, die, zegt uien, by gelegenheid dor belegering van Ostondo (tool) oone gelofte had gedaan, haar hemd niet eerder uil Ie trokken, dan na de iiinoming dier stad, welke eerst drie Jaren latei-plaats groep, zoodat gezegd kleedliigsliik toen die kleur had aangenomen); - isabél, isa-bélkleurig, isabélgeel, adj. geeiaebiig wit of bruinachtig geel, llehtgeol, Inz. van hel baar van paarden.

isadélphisch, adj. gr. Hot. mot in twee gelijke bundels verbonden meeldnidon.

Isaga, m. turk. do opperkamerheer des sullans, die het opzicht hoeft over de pages.

Isagöge, f. gr. [eis-agógc, van eisdgein, Invoeren) de Invoering, inleiding in cone wetenschap; — isagögisch, adj. Inleidend; — isagogika, isagogiek, f. do inioldlngs-kiinst. Inleidende wetensclmp; isagogïkon of isagogteum n. intreegeld.

Isagoon (fr. en eng. Isagone) isagö-niseh, adj. oiiregelm voor Isogoon, iso-gonlsch, z. aid.

Isai, m. liebr. een burger te Betlileliem en vader van koning Davld; vandaar isaide, in. oen zoon van Isal, de byiiu||n van Davld.

Isano(r)malen, f. lynen, die plaatsen op de aardoppenlakle verbinden, welke een gelijk aanlnl graden van hun gemiddeld broed-lekiimaal in lemporaluur afwyken.


-ocr page 663-

ISOBAREN

ISARD

Isard, m. tr, (spr. izdr: cnlal. tsnrt en skarl) eon soort (iemzen in de l\'yroncoün.

isanthisch, adj. ki\'. Hol. met volkomen jrelUke Idoeinen.

isarithmisch, «dj. «r. (vnti isos, gelijk, en urilhmós, Retnl) geiyklttlllK, nit «(\'Hike ge-laiicn bestaande.

Isatis, f. nr. (isalis) eeno plantonsooii, waartoe de weedo (Isalis tincloria) behoort; — isatine, r. gesublimeerde indigo; • isatö-des (scil. bi lis), I. eene blauwe, sciierpe, bedorven gal.

Isba, f. russ. boerenwoning.

Isch, m. (Joodscii-duiiscb) de man; — ischad, de vrouw.

Ischsemio, f. gr. (v. ischcin, bonden, sluiten, en haimc, Idoed) Med. iiel sliilen of sleipon eoner bloedvloeiing of i)ioe(lsiorliii(.r; ischse-raon, n. een bloodstiiiemi middel; ischi-dl\'ösis, f. gr. (v. hiilros, zweet) Med. onderdrukking van liet zweet of de buiduitwaseming;

— ischidi\'ötisch, adj. bei zweet onderdruk kend; uit onderdrukking van zweet ontstaan.

Ischion, n. gr. Anal, de beup, bet beup-beon; — os isc/iit, n. lal.-gr. of enkel ischion, liet zitbeen; — ischiadio, ischiagra, ischialgiG en ischias, r. gr. Med. de lieup-pyn, liet lienpwee, de lendepün, lendejielil; ischiadisch, adj. lol bei zilbeen beboorende;

— ischiiitisch, adj. lol de lienp l)ebnorendc;

ischiatocëlo nf liever ischiocöle, r.

de breuk door de zltbecns-lnsnydlnu.

Ischnophoon, m. gr. (van isr/mós, mu-ger, dun, en phonl, stem) die eeno zwakke stem, ook die eene zeer lijne slem beeft; — ischnophome, f. de zwakheid of iijnbeld van stem;- ischnótis, f. Med. magorbeid, dorheid.

Ischoblennïe, f. gr. (v. ischein, weèr-bouden) Med. de onderdrnkking eener zickeiüke -iijrnafsfiieidiiig; ischocoelie, f. buikver-stopping, Irnge dnrmontiasling; — ischoga-laktie (spr, l=s), r onderdrukie zocafscliei-ding; — ischoloehie, r. de onderdrukking van de kraamzuiveringen; — ischotneme, f. onderdrukking der maaridslonden; ischo-phonie, f. de belelie, geluekkine, licht stamelende spraak; ischopyösis, f. de onderdrukking van etter-, — ischurie, f de onderdrukte waterioozing; ischuretïscho middelon {isrhureïïca), pisopslop|)ende middelen, middelen legen den pisvloed.

Isegono, i\'. gr. (v. isos, (.\'elijk, en «(/n-reüein, openiyk spreken), de geiykc vrybeid of bet geiyke recht om openlijk in staats-of reebts-zaken te spreken en te stemmen; vandaar ook gelykheid der burgeriyke reebten der vryiieid in \'1 algomeon.

Isegrim, z. izegrim.

Iselotte, z. v. a. izeiolte (z. aid.).

is fectl qui jirodesl, lat. bij lieefi het gedaan, wien de daad tol voordeel strekt.

Isfondiar, m. araii. do schutsengel der vroaweiyke kuisebbeid.

Isioten, m. pi. aanbanKers van I sa-M er-da rd, die den goddoiyken oorsprong des korans ontkende.

Isis, f. eene cgypt. godin, gomaiin van Osiris, oorspr. vereerd ais bei zinnelieebi van de vooitbrengende natuurkraciit der aarde (ovor-oenstommonde met do gr. De meter), en ais uitvindster van vele kunsten, later ook als maangodin besebouwd en mot do vergode griokseho lo verwisseld; Asiron. een door l\'ogson in I8S6 ontdekte asioroïde; — isêum, n. gr. (Iscion) de Isistempel; — Isidörus, m., Isidóra, f. gr. mans- en vr.naam; ei^. geschenk van Isis, in w ier schoot men, naar de egypt. Myth., eeuwige rusie vond.

Isjakoo, z. sjakoe.

Iskariotisme, n. hebr. lat. (van Juda Iskariot, den vornuioriyken discipel van Jezus) ile manier van Iskarioi, volle verradory.

Iskénder, m. munsn. perz. Alexander.

Islam, m. arab. [ishim, van saiama, zich aan iemand overgeven, onderwerpen, inz. zich aan (lod overgeven) eig. do overgave aan Ood of aan iiel ware geloof; benaming der molm-medaanscho godsdienst; ook met oen lal. iiit-gang: bet islamisme.

Island, Isle, z. lie.

Ismaël, m. hobr. Uischmad) mansn.: eig, (lod (61) boort {jischmi, van srhama, hooren);

Ismaölioten, m. pi. nakomelingen van Ismaei, den zoon van Abraham, de Arabieren; eene mobamedaanscbe secle In i\'erziii en Syrië, in de 14de eeuw zoo genoemd, dewyi zy he-woerden, dal ile nakoineiingen van don khiilif All, en iiopnaidoiyk van zynon kleinzoon I s m a i) 1, de reehimalido erfgenamen van het khalifaat waren, /.y maakien zicb iuz. vreoseiyk door de vorstenmoorders, die zij ultionden, en werden ook llasjisjim fienoemd, waaruil As-sa ssynen (z. aid.) onislaan is.

Ismag, m. lurk. tuliiand voor vrouwen, uil doeken bestaande.

isobaren of isobaromótrische lijnen, f. pi. gr. (van isos, c, mi, geiyk) lynen door plaatsen getrokken, waar iuchldrnkklng geiyk Is (d. i. mei (teiyk jaariykscii gemiddelde der baromelriscbe veranderin(!eii); ■ isochoi-male lijnen of isochiménen, z. Isolher mlsch; isochromatisch, adj. geiykkicurig; isocli roma11 selle briilon, brillen ilie voorzien z.yn van toeslaande plalto i;iazen voor de gekleurde Klazen; — isochróne of I a u t oc bröne, f. Math, do lijn van den goiykiydigon val, eene bybenamiug der cycloVde (z. aid.); isochrónisch, aiij. geiyk lang-lydig, even langdurend, g(dykdnrend, in oven lange lijden volgend; isochronisch paracentrische lijnen, zulke curven, volgens welke een lichaam, door eeno zekere kracht gedreven, een gegeven punt in gelijke tyden even veel nadert of zicb daarvan verwgdcri ; - isochronisme, n. de geiyko tydduur, geiykdurigbeid 1). v. van de onruslsiingcringon in een horloge; — isodomum, n. pi. - a.


-ocr page 664-

ISRAEL

1S0LA

046

gebouw uit regolmutlge, oven groote stconen;

— isodynamie, f. de gelUkkruclillglield, ge-lykheiil van lioleekcnls, gclUkgelilenillieicI; — isodynamisch, adj. gelUkkrachllg, goiyk-boduidend; — isodynamïsche lijnen, lynon, welke die plaatsen der aarde verbinden, aan welke de kracht van liet aardmagnetisme even groot Is; — isogeothérmisch, adj. (eene Ign) over alle allijd even warme punten der aarde getrokken; — isogoon, tn. ecu gelijkhoek, veelhoek mot enkel geiyke hoeken;

— isogönisch, adj. gelijkhoekig; — iso-gomsche lijnen, Hjnen, welke die plaatsen der aarde verbinden, aan welke men dezelfde declinatie (z. aid.) der magneetnaald waarneemt; — isographie, f. een geiykschrlft, z. v. a. facsimile; — isogniphisch,ndj. geiyk geteekend, eveneens teekenend (z, pro-Jed 1 e; — isohypsen, f. pl. lynen, die de punten verbinden van geiyke hoogte boven de zee (om trapsgewys de verbelflng van don bodem op geherglekaarten aan te wyzen); — isoklinïsche lijnen, zulke lynen, waardoor die plaatsen der aarde, alwaar zich de zelfde Inclinatie (z. aid.) der magneetnaald vertoont, met elkander verbonden worden; — isokólon, n. Log. goiykheld der leden In eencn volzin.

Isola, f. It. (= lat. insula, mld.lat. insula) bet eiland, h. v. Isola bella, het schoone eiland (een der borromeischo ell.); I. iléi Pescalori, do Vlsscherselland (hy Hallo); /. grossa, het groote eiland (op do dalmntlsche kust; —iso-leeren (lt. isoldre, fr. isoler) verenkelen, afgezonderd plaatsen, bulten verbinding zetten, afzonderen; Pbys. een lichaam van alle verbinding met elektrisch geleidende lichamen uil-sluiten, of hot met enkel niet-geieidors omgeven;

— geïsoleerd, adj. vry, enkel of alleen slaande, afgezonderd, afgescheiden, eenzaam, op zich zolven lovende; onafhankeiyk, buiten aanraking; isoleering of isolatie (spr. /=lsi, I. Iiarb. lat. de afzondering, vereenzaming; — isolatie-muur, m. een munr met ledige tusschenrulmte ter afvoering van vochtigheid of warmte, spouwmuur; — isoleerstelsel, ii. in strafgebouwon: de Inrichting waardoor de gevangenen afzonderiyk In cellen opgesloten worden; — isolator, m. een nlet-gelelder der olectrlcitelt h. v. glas, hars; — isolateur, m., z. v. a. Isoleer pot; — isolatonum, n. of isoleerstoel, of fr. isoloir, m. (spr. Inar) een afseheidings- of afzonderingstoel, In de leer dor eleclricilcit;— isoleerpot, m. Isolateur, het afzonderings-hoedje by telegrafen (Inz. aan de palen); — isolotta, f. It. (vgl. isola) eilandje.

Isomerie, f. gr. (van /SOS, e, on, geiyk, en méros, deel) Arllh. de gelykdccling, lerug-voerlng van verscheiden breuken lot denzolfden noemer; goiyk aandeel, goiyk rochi; — iso-mérisch, adj. geiykdeellg, geiyk gedeeld; isomorlsche lichamen, Chem. zulke, die hy golyke chemischo samenstelling loih verschillende uitwendige eigenschappen hebben; — isometne, f. moting naar geiyke deelen; — isométrisoh, adj. geiykmetend, gelijke maal of geiyke uitgebreidheid hebbende; — iso-mórph, adj. (van morfihë, gedaante) van dezelfde gedaante; — isomorpho su hsta lillen, stollen van verschillenden aard, die by geiyken kristalvorm de eigenschap bobben, om /.leb in verbindingen te kunnen oplassen zonder den kristalvorm daarvan te veranderen; — isomorphisme, n. de gelgke gestalte bij verschillende chemische samenstelling; — iso-morphie, f. geiykvormlgbeid, overeenkomst van gedaante; — isonomie, f. (van némos, wet) goiykheld der wetten, welgeiykheld; — isonómisch, adj. geiykwettlg, in allen op-zichle (.\'dijk in rechten.

Isop, z. Hyssop.

Isopathie of isopathlek, f. gr. (van (SOS, e, on, geluk en pathos, z. aid.) de geneeskundige leer der gelijke stoffen; de isopathlek der b e s m e 111 n g e n, d.l. do gewaande eigenaardigheid van aanstekende ziekten, dal zy In haar eigen smetstolfen middelen tot hare genezing zouden bevatten; — isopathisch, adj. met de gelyke ziektestof (genezen); — isope-rimetrie, f. de goiykheld van omtrek; — isoperimétrisch, adj. van geiyken omtrek;

isophöniseh, adj. mot geiyke stem, met een stom van denzelfden omvang, geiykstem-mig; — isoplöüron, n. eene gelykzydige llgiiur; — isopolitle, de geiykheld van staats-burgeriyke rechten; — isopolïtisch, adj. burgoriyk goiyk, met gelyke burgerrecblen; — isopsëphische verzen (v. pscphns, steentjes tol lierekenen, cyfors) verzen, welker lel-ters, als cyfors beschouwd, een en hetzelfde gelal vormen; — isorrhachien, pl. verbln-dingsiynen der plinten van gelyken haventyd, d. 1. van geiykiydlge eh en vloed; isor-rhopastika of isorrhopie, f. de oven-wichtsleer; isorrhopisch, aiij tot doeven-wlchtsleer beboorende; - isoskélisch (van skélos, n. dy) geiykheenig (van hoeken en driehoeken); - isosthenie, f. gelykkrachtlgheld, gelyke lichaamskracht; isothérmisch, adj. even warm, van gelyken warmtegraad; — isothermische lijnen of isothérmen, lijnen op den aardbol, door zulke ryen van plaatsen gelrokken, die een gelyken gemiddelden warmlegraad hebben; Inz. isotherale lijnen of isothéren en isoeheimale lijnen of isochiménen (v. Ihérns, zomer en cheima, winter) lynen, die door plaatsen van gelyke gemiddelde zomer- en winler-tempera-tuur zijn getrokken; isotónisch, adj. ge-lykkllnkcnd.

Isprawnik, m. russ. (v. ispramljalj, verheleren, in orde brengen, van prawnj, recht, jiilsl = lal. prnbus, ned. braaf) de landpoli-tiemeester, hoofil der landeiyke politie.

Israël, m hebr. {Jisraêl, v. sarah, stryden en tl. God) elg. slrgder (lods; I) de latere naam van Jakob den aartsvader; \'2) het ryk


-ocr page 665-

ISSUE-DEP A RTMENT 047

IXOIiE

van Israel, zoowel In \'I alKomccn vour hut Jood-sche volk, allo nakoimillnKcn van Ahralinm, als Inz. voor hel na Salomo van hi\'l rl,lk afffoschel-den on tegenover Juda staande koidnkrUk van Israel met de hoofdstad Samaria; — Israëliet, m. een nakomeling; of lid van lii\'l jood-sche volk.

Issue-department, n. eng, (spr. isjóe-depArt\'menl) de afdeeilnR der eng. haak, die met de uitgifte der hanknoten belast Is.

Istabili emiri, in. turk. (vgl. emir en staliii 1 um) staiineoster.

Istsevonen of liever Isksevónen (v. Isko, eon zoon van iMannus) de naam van con dor It takken der Gonmmen (vgl, Inga\'vo-nen), waartoe dlt;^ (iotiien met de Oeplden, de Kurgundiers, Variners on Semnonen behoorden.

Isthmus, m. gr, (islhmns) cig. bals, koel, gorgel, enge Ingang; vandaar; eone landengte lusscben twee zeeen-, inz. de naam van de landengte van Corintlie; vandaar iathmische spelen, plechtige gr. ocfeningsspelen, kamp-oefeningen enz., die van II tot 5 Jaren op de landengte van Corintlie gevierd werden; isth-mitis, f. Med. de ontsteking van den raak, van de keel; — isthmorrhagie, f. de bloeding uil de vaten van de keelengte of den raak.

Iswóts.jtsjik, m. russ. (v. isumilj, voerman z.Un) de huurkoetsier, de vlgclantekootsier.

il., z. Hem.

Itacisme, n. gr. de uitspraak der griek-sche \'I ais i gelijk zij door Reuchlin, In overeenstemming mei de uilspraak der Nieuw-(Irieken, werd aangenomen; In tegenst. met het etacisme, of de door Krasmus verdedigde uitspraak der // als ö; — itacist, m. een aan-banger van bet iliieisuie.

Ha esl, lal. zoo is bel, zoo slaat bel.

Itakolumiet, n. soort buigzame zandsleen (van den berg Itakolumi in Brazilië).

Itala, f. lat. de oudsie latUnscho (elg. ila-liaanscbe; bUbeioverzclling, waaruit de Vulgata ontstond.

Ilaiia (ara da .«lt;!, it. Ilalie zal liet zelf doen, d. i. heeft niemands hulp noodig.

Italia irredenta, z. Ir re den la.

Italiaan (v. \'I II. llalidnn) of Italiër, m. een bewoner van Italië (lat. Ilnha, d. 1. oorspr. rundorlund, van \'I gr. ilalós, rund); — italiaansch boekhouden, n. bei dniibel boekhouden; — italianiseeren (spr. .*=:), italiaansch maken, vorltallaanscbeii; itali-anisme, n. een italiaansch spraakeigen, eene eigenaardigheid in uitdrukking of in de woordvoeging der Hal. taal; italianissimo, m. (pi. italianissimi) llal. de yverigste en meest besliste, in liun elschcn om de vryiield van llallë hel verst gaande Italianen, dweper met Italië; — italioot, m. gr. (Ilatiólês) de llaliaan, oorspronkoHike bewoner van Ilalie, inz. van Groot Griekenland; — ilalirm, «, urn, lal. Hot. Italiaansch; italique, f. fr. (spr. -Hélt\') schiiinliggende lal. druk lel Iers. door Aldus Ma-nutiusuitgevonden, curslef (z. drukletters);

— Italische school, in de gescli. der wgs-bogeerte = pythagorIscbe schooi.

i7e, lal. gaat! z. missa ond. mis.

Hem, lat. of afgek. il., Insgeiyks, desgelyks, eveazoo, verder, ook.

itereeren, lat. (ilerare, v. itfrum, weder, nogmaals) herbalen; iteratie (spr. lt;ic—(ie) f. (ileraffo) de berhiUlPg; — iteratief, adj. later lat. berbaaid, berbaaldeiyk; iterati-vum, n. een herbalingswoord, z. verbum;

— ilerflur, het worde berbaaid (op recepten).

Ityphallus, m. gr. een amulet la de gedaante van oenen phallus (z. aid.)

Itinerarium, n. lat. (van Her, genit. itinSris, weg, reis) een reisboek, eene relsbe-schrgving; het aan r kalb. geestelijken op reis voorgeschreven gebed {itinerarfum clericorum)-.

— itinerarch, m. een opzichter over de wegen.

iffii in paries, f lat. (woordei. bet gaan in deeleu of partyen) in den oud-rom. senaat; bel stemmen door zich Ie plaatsen bij diongene, wiens meening men toegedaan Is; bet stemmen naar afzonderiyke pariyen, Inz. eertyds op de (lultsche rUksdageu bel afzonderiyke stommen der K, Kath. en der livangollschon in godsdienstzaken.

Itsjoglans, z. Ie bog lans.

lülus, in. gr. {ii/los, elg. het melkbaar) een btoemkaije; — iulophónisch, adj. bloem-katjes dragende, zooals h. v. de hazolnotestrutk.

Ivoor, z. e I p e a li e e n; — ivoriet, II. (v. bet eng. ii\'nru, fr. ivoire, ivoor) een in Amerika uitgevonden, mei papier in verbinding gebrachte witte massa, waarop met potlood of lukl gesebreven en het geschrevene met een vochtig lapje weder ullgowlscht kan worden.

Ivresse, f. fr. (van ivre = lal. ebrfwt, dronken) dronkenschap, bedwelming, roes, opgewondenheid ; ivrogne, m. (spr. wroiije) dronkaard, zuiper.

Iwan, russ. z. v. a. Johannes (z. aid.)

Ixeutika, ixeutiek, f. gr. (van mis, z. aid., ixeüein, vogels vangen) de vogelvangst, inz. met lyinstangen of -roetjes.

Ixia «f ixie, f. gr. een pronkgewas met liolvvoriels, van verscheiden schoone soorten, liet eerezwaard, de engelsche zwaardlelie; Med. de aderbreuk, aderspal.

Ixion, m gr. Mylli. een koning der Lapitben in Thessalië. .Inpiler vergunde hem, aan de go-(Icnlafel deel te nomen; doch bier ontvlamde by voor .luno, die nem echter bedroog en In plaats van zicli zelve eene wolk liet omhelzen, uil welke omhelzing de Cenlauren zgn voortgekomen. .Inpiler slingerde hem voor dil mls-dryf In den Tartarus, waar by hem mei slangen aan een rad Het boeien, dat eeuwig door don slormvvind mei hem wordl omgedreven.

Ixóre, f. een slruikgewas uit Oosl-lndlë. door l.innauis zoo genoemd, omdat de bewoners der kusl van Malabar den tempel van liiinnen god Ixora of Isora met dezen struik versleren.


-ocr page 666-

JACONNET

IXOS

048

Ixös, in. sr. (ijvis) nilslol, marentak; iliiiiruit bereide vogellijm.

Izar, m. wille doek, wunrln de ooslcrscho dames zlcli hullen, sluier.

Izari, m. (vgl. al Izar 1) oostersche mee-krap; — izaries, een oosllndlsch katoenen weefsel.

Ized, m, een goede genius in den godsdienst van Zoroaster.

Izegrim, ijzegrim, m. (oudlioogd. Isan-grim, d. I. Uzeien helm, waarmede men zich voorstelde, dal hlt;j voorzien was) naam van den wolf In do dultsche dierenfabel, Inz. in den roman Uelnaert de Vos; vandaar een wolf-achtig of wreed mensch; ook oen eigenzinnig, gemeiyk mensch, een knorrepot.

Izelotto, f. (vgl. poolsch zlotyt een gulden, v. tinto, goud) eene turk. zllvormunt, hyna = 60 ets.; ook zlola geheoten.


T

J. chemisch toeken voor Jodium, Jod; — Jac. = Jacobus (brief van den apostel); — 7. C. of J. dir., verk. vau Jezus Christus; — J. d. IV = Jaar der wereldAt. = Jeremla (hot hoek van den profeet); — .te. = Jcsajn (het hoek van den profeet); — Jlii\\ = Jonkheer; — j. I. = Jongstleden; — J. n. C. — Jaar na Christus; — J. iV. /(. J. = Jesus Nazarënus Hex judeorum. z. Jezus; of ook = justum necare reges llaliae, z. Justus; — Jnh. — Johannes (hel evangelie en de brieven); — Jos. = Josua (het boek van); — j. p. en li. (in almanakken) = Jaar-, paarden- en beoslenmarkt; — Jr. = Jaar; — J. u. C, J. u. I). en it. ƒ,., z. ond. jus: — ICtus, r. Ju rlscon so 11 us; —Jo., olll-cleele afk. voor den staat Jowa in N.Amerika; — jun., z. Junior; — J. v. C. = Jaar vóór Clirlslus.

Jabiroe, m. brazil, een moerasvogel In Z.Amerika, naar den reiger gelükende, maar veel groeier, de brazil, strandlooper.

Jabot, m. fr. (spr. tjnljó: elg, de krop der vogels) de borslstrook, hemdstrook aau een mansoverhemd.

Jaca of jacka, m. de broodboom in Oosl-lndlü; ook de naam van hel kwade beginsel of den boezen geest bü de bewoners van Ceylon,

Jacana, m. brazil, een moerasvogel in W.lndie, Brazilië enz., die naar hel waterhoen geiykt.

Jacapa, m. zuid-amerlk. de zilversnavel, do roodborst-meerie in W.lndie.

Jacara, m. zuid-amerlk. de brazil, krokodil, die naar muskus riekt.

Jacaranda, f. brazil, eene soort van zuid-amerlk. hoornen, naar de acacia\'s gelijkende, met groole klokvormige bloemen, inz. de brazil. Jacaranda, welke het Ja ca ra n da-hou I voor lijn schrijnwerk opieverl.

Jacêa, f. nw.lal. (II. jarea) de vlokblocm, wilde ainherbioem; jncècn herlia, f. het gedroogde drieeenlgheldskru ld, sliefmoederlje, eene plunl, die hij wijze van Ihee als een zacht afvoerend middel gebruikt wordt.

jacént, lal. (jaccns, v, Jacêre, liggen) liggend, verlaten, onbeheerd, h. v. een zoodanig gocA-,—jacens hereditas, z. ond. heres.

Jachmak, liever jaschmak (z. aid.)

Jack, in. eng. (spr dzjek) elg, verklw, van den eng. naam John, Johannes; Mans, Hansje; scheldnaam der eng. muirozen (Jarli tar. Jan Tee,\'); — old (spr. oold\') Jack, in de matrozen-laai: de lirllschc vlag; jack-nf-all-trades (spr. —treedt\'), iemand, die overal voor Ie gebruiken is; jack-an-apes (spr. —eeps). Jan Aap; jack pudding, de hansworst.

Jaco, m. de asebgrauwe papegaai In (Julneu, Congo enz.; ook de Japansche aartspriester, Jacco, Jacko.

Jacobus, Jacob, Jakob, liclir, mansn.: do hieliiouder, nakomer, nageborene (van AMI), biel, volgens den bijbel: omdat hij als tweede tweelingszoon van Isalik hij de geboorte Ksan aan den hiel vasthield; volgens do nlenwercn oneig, voor bedrieger, van ukdh, Iemand hü den hiel houden, om hem te doen vallen, arg-llslig bedriegen; gr. Jdcohos, lal. Jacobus, fr. Jacques (spr. zjaak]. It. Jacopo, sp. Jdgo [spr. chdgo], eng. James [spr. dzjeems], arah. Yuknehy, — Jacoba, Jacobina, vr.namen; — Jacobus, eene oude eng. goudmunl, ongeveer = 1!gt; gl.; — Jacobijnen, in. pl. naam der Domlulkaiier-monnlken Ie Parijs, naar de straal, waarin bun klooster lag; naam der medeleden of vrienden van het volksgenootscliap der ra-zendsle vrijiieidsdwepers, dat gedurende de eerste fr. revolutie ontstond en zijne zitiingen hield in het voormalig Jacobijnen- of Dominika-ncrklooster te Parijs; -- jacobijnsch, adj. voor vrijbeid en geiUkheid blakend, vurig vrij-bcidslievend; — jacobimsme, n. do pariy en de gevoelens der JacohUnon, de vrijheidszucht, vrUheldswoede; — Jacobieten, m, pl. I) aanhangers van don heiligen Jacobus, eene oude, iuz. in Afrika verbreide godsdlensl-party, ille men naar bun geloof ook Mono-p h y s 1 e t e n (z. aid.) en K n t y c b i a n e u noemt; 4) r. kalh. aanhangers van den iu HISS verdreven koning Jacobus II In Kugoiand, als ook die van zijnen naar Frankrijk govluchten zoon Jacobus lil; — Jacobsstaf, m. (ook baculus aslrnnomicus, bü de Arabieren: m/jd», d. 1. balans) naam van :) sterren In hot storrenboeid Orion; vgl. cl geuze en or Ion.

Jaconnet (spr. tjakonè) of jacquet (spr.


-ocr page 667-

JA MK KLONK

JACOTIST

6/»!)

tjaki), in. ecno soorl van oosllndlsch, meestal Klad mousseline.

Jacotist, in. een aanhanger der manier van üiidenvyzen van Jacotol.

Jacquard-machine, f. (spr. tjukdr) of Jacquardscho weefstoel, een door Jacquard van Lyon (gest. is;ii) ullgevonden weefstoel tot liet Remakkeiyker en sneller weven van zijden stoffen; — jacquard, n. een op die wü/.e geweven linnen stof.

Jacquerie, z. Ja querle.

Jaffa est al/a, lat. (v. jucire, werpen, alfa, de teerling, dotilielsteen) de teerling of tiet lot is geworpen, het is gewaagd (het heslissend woord van Ca\'sar, toen hij den Kuliieon overtrok); — jacteeren (lat. jaclare) in \'l rond werpen, schudden; pralen, grootspreken-, jactantie (spr. Iie^=lsie) f. lat. (jadaniïa) de grootspraak, snoeverli; - jactatie (spr. lic—tsie) f. (jaduiïo) Med. het onrustig woelen des lijders; de snoeverij, pralerij-jnctuur, f. (lat. Jachim) het wegwerpen der goederen over tioord, liet verlies, de schade.

Jaculatie (spr. I—Is) f. lat. (jaculaflo, v. Jaculari, werpen, slingeren) liet werpen, slingeren; — jaculator, in. slingeraar; ii(| de oude Komeinen de naam der met eene werpspies ijanihim) gewapende lichte troepen; — jaculatorïum, n. nw.iat een schietgelied.

Jade, m. (fr. en eng. jade, it. Jiula) z. n e pli r iet.

Jagellónen, m. pl. de dvnaslle van Ja-gellon, groothertog van Littliauen (1388), koningen van Polen tot ilen dood van Sigis-inund II (1572).

JagO, in. sp. en port. voor Jacob, z. aid.; — St. Jago-orde, f de orde van den II. Jacob.

Jagua, ui. de wijnpaliiiliooni, jagdra, ui palmwynsulker; jagory, n. een hedwel-niende drank in O.lndie, uit de bataten (z. aid.) bereid.

Jaguar, m. (uit de (luaranl-taal in Paraguay, brazil, jaqaara) de anierik. tyger (Fc-Us nnta) Iets kleiner dan de oostersclie tijger, de iijgerkat.

Jakob, z. Jacobus.

Jaktan, in. lengtemaat in (lulnea = ll.tllio nieter.

Jakoet, f. (zoogenoemd naar den Inrksih-talaai\'sclien stam der jakoeten) met leder overtrokken houten schip In Oosl-Siberie.

Jalappe, f. jalappewortel, m. (sp. jatdpa, xalapa, -pr. rhal—, naar de stad K a-lapn in Mexico benoemd, vanwaar zij uitgevoerd wordt) een in gedaante naar de ranie-nas gelykende wortel, vol harsig, sterk purgee-rend sap, van de Convolviilus jalappa, In Z. Amerika;—jalappine, f. de jalappe-stof.

Jalëo, ni. sp. (spr. c/m—) een vurige spaan-sclie dans.

Jali, n. nw.gr. en turk. oever, strand.

Jalik, in. russ. boot op de Newa.

Jaloezie, z. ond. jaloux.

Jalon, m. fr. (spr. zjahi/i, voor union, nnn-lon, v. iiaule, lange staak) Mil. een afstekpaal; richtvuaiilje; baken met eene stroowlsch voorzien, maatstok; — jalonneeren (fr. jnlonncn, met palen enz. afstekken; bakens zetten ;-ja-lonnement, m. (spr. —mdii) het afstekken, afbakenen; jalonneur, m. degene, die by hel optrekken van het voetvolk door zulk een kenteeken de vleugelpunten aangeeft.

jaloux, adj. fr. (spr. tjalni; provene. nelns, it. neloso, zcloso, niid.lal. zelusus, van t gr. dzilos, lal. zei us, de yver) yverzuchtig, ny-dig, wangimsilg, ininnenydig, jaloerscli; — jalouzie, gewoonlijk jaloezie, f. (it. uelnsia) de yverziiilil, wangunst, mlnnenyd, jaloersch-lieid; nok lie driekleurige amarunl of dulzend-schoon [Amaranlus tricolor)-, — jalouziön, gew. jaloeziën, f. pi. vensterscliermen, zo-nierlilinden, tralievensters, door welke men ziet zonder gezien te worden; soort van venster-biliid, bestaande uil evenwydige saainverbonden houlstrookcn, die men als eene goniyn kan nc-derlaten en optrekken.

Jam, i) iiebr. zee.

Jam, 2) z. v. a. Va in.

Jam, ;i) m. tataarsch. russlsch poststation; — jamsjtsjik, in. koetsier, postknecht.

Jam, i f. eng. (spr. dzjem) vruchtengelol.

Jamagh, in. turk. helper.

Jamaïka-pepei-, z. piment.

Jamavas, n. Indiscli taf met goudbloenien.

Jambage, f. fr. (srr. zjaiibddz\': van Jambe, been, pyler) Arch, de grondmuur; ileur-en ven-sterpost of -pyter.

Jambe, z. jambus.

Jambea, lurk. een breed, krom, puntig mes, dal de Turken in den lederen gordel dragen.

Jambette, f. fr. (spr. zjaiibel\', v. Jambe, boen; vgl. gambade) knipmes, zakmes; iiij bontwerkers; hel heenstuk van sabelpelzen.

Jamboezenboom, maielsch (sp. jViraiiojo, fr. jambose, janibosicr: v. \'I indiscli dzjamtboe; z. j a in bol an e) een boom met eene aangc-nanie, verfrisschende steenvrucht (Kuf/cnïa ma-laccénsis).

Jambolane, f (sanskr., bind., maielsch en jav. dtjambne, malakaarsch jamboli, iiiaicisch Jambolnn\'! de eetbare, wynzure, pruinivorniige vrucht van eeneu boom in Inditi en deze boom zelf {Euiiema Jambolana).

Jambon, m. fr. (spr. zjaiibóii) ham.

Jambos, m. pl. kinderen van eenen inboorling en eene mesties in Amerika.

Jambus, m. of Jambe, f gr. {iambos, lat. jambus) Polit. een versvoet, die uit eene korte en eene lange lettergroep bestaat (— —), li, v. genot; — jamben, jambische verzon, die uil zulke versvoeten zyn samengesteld.

Jamdamis, pi. lljne gebrocheerde zyden stoffen uit Hengalon.

Jamerlonk, in. (verbasterd uit liet turk. jaghmoerlik, regenmantel, v. jauhmoer, regen) een turksche mantel.


-ocr page 668-

JARGON

650

JAMKS

James, m. (spr. dzjeems) ciiu. naam voor Jakoh; — james-poeder, n. eon in Enncland zoor gezocht zwcotrirUvoml iniililol; james-thee, f. lalirailor-tlice (uit do liladeron van Ledum lalifnlium).

Jamon, m. sp, (spr. cha—) ham-, vgl. ja in ho n.

Jamstjtsjik, in. z. Jam :lt;).

Jan, in. noilorl. mansn. voor Joh a n nes (z. alil); algemoene liunaming dor liodioiidon In koflluliulzon, logomonlen onz. In Nodorland; ook oon opgepronklo wlndhuil, opsnUdor; — jangat, onnoozolo, onliandlgo knecht; — janhen, Iron, een verwijfde keukenklauwer; — janhagel, n. het gomoensto volk, jan rap en zijn maat; ook zekere soort van kook;

— janmaat, algemoene henamtng voor matroos; — janoom, In Zuld-Nedorland iomiiard, woekeraar, iiedrieger, afzetter; — jansalie, een droomerigo jongen; - jan-sul, een on-noozele jongen;—jan-van-gent, m. soort van rolspollkaan {Sulu bassana).

Jane, r. eng. (spr. dtjeen) v. a. .1 o h a n n a.

Janitor, III lat. (y. janiia, de dear) de portier, deurwachter.

Janitsjaar, janitsaar, m. turk. (eig. jeni-lsjéri, nieuwe krUgsliodon) een soldaat der in 182») opgeheven hevoorrechto klasse van soldaten, die weleer de kern van hot turk. voetvolk uitmaakten; — janitsaren-aga, in. de hoofdman of kapitein der janitsareii; — ja-nitsaren-muziek, oig. de militaire muziek iler Turken; in \'t algemeen oike volledige milliaire muziek met hlaas- en slaglnstru-monton

Jansenisten, m. pl. naam door de r. kath. kerk gegeven aan hen, die do ondertoekenlng weigeren van de hul van paus Alexander VII (HiüU), waarin 3 stollingen, als geleoraard door Cnrnollus Jansonlus, hisschop van Yporen (gost. 1(138), worden veroordeeld; zy worden ook Appellanten geheeten en noemen zich zeiven in Nederland (alwaar zij in Holland en Utrecht van de overige It. K. zijn afgezonderd en hunne eigen kerken, priesters en hisschop liohhon) de i\'. katholieken dor hlsschoppeiyke klerezie;

— jansenisme, n. do leer van don genoemden lilsschop Jansonlus, over Adams val en de godsgenado.

Janus, m. lal. oon god der Komelnon, de hestuurder des jaars, voorgesteld mot i aangezichten, waarvan hel eene voor-, het andere ragwaarts ziet; - januspolitiek, f, tweehoofdige, onoprechle of weifelende staatkunde;

— Janus aller, oig. oen tweede Janus, d. 1. een wyze, die het verlodene en do toekomst doorzie!;—Januari, m. lat. [Januar(us) de eerste maand des jaars, louwmaand

Japaneezen of Japanners, m. pl. iie-wonors van den grooten ollandslaat Japan, aan de oostkust van /Vzii1; - japanneesch of japansch, adj. den Japaneezen eigen, tot Japan hehoorend; japansche aarde, z. areka; japansch werk, allerlei voorwerpen met verhoogde liguren verguld of he-schilderd; — japaneeren of japoneeren,

porselein op japansche wyze vormen en beschilderen.

Japarandiba, f. een boom In Suriname

(Gustavia auflusla).

Japet, m. gr. (Ja;), los) Myth, een iler Titans (z. aid.) lt;lc vader van Atlas en Prometheus; — Japhet, m. hehr. mansn. [jepheth, gr. Idphet) do wyze; tweede zoon van Noach. die ais stamvader van do In \'i westen en noorden van Palestina verstrooide volkeren genoemd en voor den Japetos dor Grieken gehouden wordt; vandaar japetische volkeren, talen, z. v a. indo-europeesche volkeren of talen.

Japoek, m. turk. onderbeddedeken.

japonicus, a, urn, adj. lat. japansch; lemi japunfra, japansche aarde, z. areka.

Japons, m. pl. fr. (spr. zjapóii) oostlndlscho zyden stollen voor kloederen.

Jaques of Jacques, m. fr. (spr. zjank\' z. v. a Jacoha; — jaqueline, r. z. v. a. Jacoha: — jaquerie, f fr. (spr zjak\'rie) een boerenopstand in IS.Frankryk ten jure 1338, mei hel doel om don adel uil Ie roeien (zoo genoemd naar don spotnaam Jaijuex hnnhomme, waarmede de adel de boeren aanduidde); later In \'I algemeen een volksopsland.

Jaquette, f. fr. (spr. zjakéll\'; verklw. van jaque, jak, sp. jaen, jaca, bask, jaca, kort en nauw wambuis der krygsiiedon, panlsorhemd een jakje, kinilerrokje; korte mansrok, jacht-iiuis; overhovenjak der vrouwen.

Jar, m. nw.gr. (It. iiiarre) ouile maat voor natte waren op do Ionische eilanden van verschillende grootte, ongeveer n liter.

Jarakli, n. lurk. gevlamd (irns de Naples.

jardin, m. fr. (spr. zjardeii: provene. en sp. jardin, II. qiardino, van het dultsche garlen, gaarde) do tuin; — jardin des pinnies, m. ir. (spr. —dè, plant\') do plnntentuin of holanische tuin Ie Parys; — jardin d\'acclimalation (spr. daklimalasjón) de diorenluin te Parys; in schouwburgen: cnlé jardin, i. ond. cóté;—jardi-nier, m. (spr. zjardi-njé) tulnmtin; ook: een wynbergsiak [Helix aspersa)-, — jardinière, f. (spr. zjardi-njère\') oig. luiniersler; eene bloemenkast ; een mandenwagen (zeker laag rytulg); een krans of ruiker van kunstige of naluurlijke bloemen; een smal boordsel aan luliben en hemd-strookon; ook een gerecht met allerlei groenten, b. v. soep d la jardinière.

Jargon, 1) n. fr. (spr. zjurtiriii; It. lierqone, sp. jerga, neriqnnza, oudsp. Qirfinn:, provene. qernonz, misschien van \'I fr. jars, de mannetjes-gans, want men zegt Ie jars jarnonnc, de gans snatert; vgl. het oudn. jarii jarqr, jarf/an, langwyilgo herhaling, gewawel) mot de regels strydigo, onverstaanbare laai, kromtaal, kooterwaalsch; nok eene voor byz. hedoelingeii gevormde spraak, zooals liet joodscli-dullsch, de dievenlaal enz.; gezwets, gesnap; jargon-neeren (fr. jarnnnner) onverslaanbaar en ge-


-ocr page 669-

JEREMIAS

JARGON

651

lirekklK spreken, koetcrwiialsch (if lirablioltaul prniiMi; - jargonneur, m. con koutorwaHl; eon lirnbliolanr, snapper.

Jargon, 2) in., pi. jargons, fr. (spr. zjarfiiin) naam der kleine, Koudgelo, «eelrooile of vlolelhlauwc, tiaar den hyacint Kclijkciidc steentjes van de grootte cener speldoknop, die tot versiersels van velerlei «nliinlorlc-waren ko-liruikl warden.

Jargonelle, f. fr. (spr. zjar—) eene zomor-pecr. herfstpeer.

Jargonneur, jargonneeren, z. ond. Jargon I).

Jarimilik of jarmlik, z. igh I r in 11 k.

Jarl, m. skaml. adeliyke; vgl. carl.

Jarn, n. oudn. ijzer.

Jarra, z. gerra.

Jarretière, r. fr. (spr. zjarr\'tjèr, van jamt, knieboog, iiaz.e, oudfr. uanrl, li. nar-relto, v. eelt. nar, scbenkol, schecniieen) kouse-iiand, knieband.

Jasak, m. russ. belasting in tionl en pelswerk In Siberië enz.

Jaschmak, m. turk. (jdsclmak) de sluier der turkscbe vrouwen, die baar den bals rn bel liuofd lot op de oogen bedekt.

Jaseur, m. fr. (spr. tjuzeur) snapper; jaxeur de Bohème, zekere vogel; zydestaarl

Jasja Sultan, turk. (van jdsjamuk, leven) leve de Sultan! hel osmaniscil hoezee-geroep.

Jasma, f. neteldoeksebe hoofddoek der oos-terscbe vrouwen.

Jasmijn, f. (fr. jasmin, sp. jazmin, van \'tarab.-perz. jAsaman, jAsmin enz.) een slrnik-gewas van velerlei soorten, dat welriekende bloemen voortbrengt {Jasminum).

Jason, m. gr. Mytb. een thessaiische koningszoon, die als aanvoerder der Argonau-ten (z. aid.) uil Colebis bel gouden vlies baalde.

Jaspis, m. (gr. iaspis, perz jasrhp, urab. jasjeb, jasjef) een zeer harde, ondoorzichlige steen, lot bet kiezelgeslacht behoorende, van allerlei kleur en teekenlng; vandaar jaspee-ren, lig boekbinders: de snede eens hoeks nis jaspis beschilderen of besprenkelen; ge jaspeen!, gesprenkeld, gevlamd, h. v. gejas-p e e r d e weefsels;— jaspis-porselein, n. doorschijnend, zeer loeder porselein, door Wedgewood uitgevonden; — jasjnilus, a, urn, lal. Itol. op jaspis gelukend.

Jassa, f. hel welhoek dor Tartaren.

Jatagan of yatagan, in. turk. een korle degen, een kromme sabel.

Jllti, m. soort vrome hoeteling liij do In-diers.

Jatti-hout, z. djalt i-boui.

jaune, adj. fr. (spr. zjoon\') geel; vandaar jaune d\'oeuf, (geel als) een eierdooier; — jaune de Tarkand, een gele raap; — jaune hrillanl, zwavolcndmiinn; —jaune fi.ir of jaune tie Sleinbuhl, baryumcbroniaat.

Javelle (eau de), z. ond. eau.

Jean, m. fr. (spr. zjan) z v. a. Jobannos (z. aid.)-, Jean-lorgne, m. (spr —/ooi; v. fr. Inrfincr, door een lorgnet of oogglas kijken) fat, met een lorgnet gewapend modebeertje; — Jean-potage (spr. —laazj: d.i. elg. Hans-soep, Hans-sop) z. v a. hansworst; — Jeau qui rit, Jean qui pleure (spr. zjan hi n, zjan ki jileur\') Jantje lacht, Jantje huilt; — Jeanne, f. (spr. zjdn\') Johanna, b. v. Jeanne d\'Are, de Maagd van Orleans; Jeannette, f. (spr. zjanéil\') z. v. a. Johanna; ook een door de dames om den bals gedragen smal zwart lluweolen band, door een gouden sloidje saamgebouden, waaraan een kruisje of ander sieraad hangt;—jeannets, m. pl. (spr. zjannéi eene soort van gekeperde kaloenen slof.

Jectigatie (spr. tie=tsie) f. uw.lat. (fr. jeeliqalian, v. I mid.lat. jerlinare, been en weer werpen; vgl. jactoeren en jactatle) Mod. bet omwerpen, woelen, de onrustige licbaains-heweglngen In ziekten; hel Irillen van den pols; eene soort van vallende ziekte.

Jehóva, m. (v. hdwdh, zUn) de altyd of eeuwig zijnde, de eeuwige, onveranderlijke, de hebr. onuitsprekelijk heilige naam van (lod; — Jehova-Zebaóth, Wereldheer of Heer aller heerscharen of wezens en schepsels.

jejiinus, a, urn, lal. nucbleren; mager, droog; laf, geesleloos, afgezaagd; — jejunum ronsiiïum, een nuchtere, d. I. onnoozele raad; — jejll-niteit, f. (lat. jejuni tas) micliterbeid, lafheid enz.; — jejünum, n. (sell, intestinum, z. aid. de ledige darm.

Jekaterma, f. russ. naam, z. Katlie-rina; als vorklw. Katjenka, Kaatje.

Jelek, f. arab. lange vrouwenrok: hij de Servlors; inanshuis.

Jelissawiëta, f. russ. naam, z. k 11 z n-heth.

Jomiljan, m russ. naam, z. Aemilius.

Jemin, bebr.-arab. reebts; de rechterhand: jemin ad daulal, de rechlerhand des rijks, een door den khallf verleende booge eerelltel.

jenensis, e. Hot. Jena\'scbe, uit Jena.

je ne sais quoi, fr. (spr. :je n\' see kod) ik weel niet wal, d. i. een zeker iets. Iels onver-klaarhaars, dal men niet noemen kan.

jöni, lurk. nieuw; vgl. janitsaar.

Jenni-machines, f. pi. (spr. dzjénni—) eng. machines voor hel katoenspinnen, door haren uilvinder Arkwrigbl (spr. drkrait) naar züne vrouw Jenny (d.i. Johanna, Jansjei dus genoemd.

Jons, in. deensche alk. voor lm man nel.

Jorbóa, m. arab. ( jerboea) de springhaas, aardhaas, de Iweeheenige bergmuis in N.Afrika, Araliié enz.

Jeremias, behr. {jirmejnh. jirtmjdhor. gr. Uieremias) mans.: de door don Heer verhevene; een der groole profelen van bet O. T . die de verwoesting van Jeruzalem In de zoogenaamde Klaagliederen belreurl ; vandaar jeremiade, f. hot klaaglied, de jam-morklacbt.


-ocr page 670-

JEREMILIK

JOB

65\'i

Jeremilik, m. turk. zllvonmmt = üo piiis-lors; v(ïl. I k h i i\' in 11 k.

Jeremoodi, m. Ind. pruuwvnnrder.

Jéricho-roos of roos van Jericho

\'stad in oud-Judtcu, lielir. jerichó, volgons do logomlo opgoscholon op «ono plauts, dlo Maria op liaro vlui\'ht naar Kgypto mot haren voot aanraaklo), eon 12 a 15 cM. hoog zomergewas uit Palestina enz., welks slongel zich dicht boven den grond In vole IwUgen uitspreidt, op het einde van zün loven houterig wordt on, evenals mos, weder opwakker!, zoodra hy In \'t water wordt gezet; vandaar ook anasta-llca, d. 1. opstandlngsbloom, gohoelon.

Jerli, pl. lurk. groene of zwarte galappels.

Jerobëam, hohr. (Jdrobedin, van idhdh, veel zyn, en dm, volk) mansn.: volksvermeerderaar

Jerome, fr. (spr. zjeroom\') z. v. a. II lero-n y m u s.

Jeroem crochea, oude turkscho gouden munt = ongeveer ƒ 4,50.

Jeruzalem, n. (hohr. jerü.uhdlaim, later jenXschélajim, elg. jerüscli-sclidlfm, hezltllng des vredes) do hoofdstad vuti Judtea; — hot n 1 e u w 0 of hemelse he Jeruzalem, in de kerktaal z. v. a. do liemol.

Jesaias, hehr. {Jcschajdltne, van jUscha, hulp, heil, gr. Ilèsaïas, lal. Imias) mansn.; heil (lods, (lods iiulp; een groot profeet van hot tgt;. T.

Jeser, jeschir, m. turk. slaaf.

Jealden, of gew. Jezieden, m. pl. dul-velaanhlddcrs, vereerders van don satan, eene na Moliameds dood In MesopotamlB ontstane secle, Inz. onder de Koerden, dus genoemd naar haren sllcliter den sjelkh .losld.

Jesuaten, m. pl. eene monnikenorde van harrevooters, geslicht door SI .lean Colomhan.

Jesuit, Jesuïten, enz. ■/.. Jezuïet.

Jet, m. fr. (spr. zjè, gew. tjèl: elg. worp, ook; gietsel, van jeler, werpen) een gegoten voorwerp uil gummi; vandaar Jet-kammen, Jet-kettingen, Jet-krulsen, Jel-armhan-den, Jet-hroches; — jcl d\'eau, 111. fr. (spr. zjè do) een waterstraal, dlo uit eene fontein opstygt; — jeton, m. fr. (spr. zjetóii: van jeler, werpen) een leg- of rekenpenning, speel-of paehtpenning, ook z. v. a. medaille, z. aid.; — jettatura, f. It. (spr. dzjcltaloera) elg. worp; het hooze oog = mal\' occhlo; — jettatore, m. (spr. dtjci—) een mensch, die een hoozen hllk heeft. Iemand, die met zyn oog heloovert.

Jetje, vr.naam; afk. van II en riet te.

Jeu, n. fr. (spr. zjeu) het spel, de scherts; ook eene verhasterlng van jus, z. aid.; esprit (spr. espri) de jeu, speelzln, versland, kennis, smaak voor het spel -. jeu d\'esprit, pl. jewr. d\'esprit (spr. zjeu despri) verstandsspelen, zulke gezelschapsspelen, hij welke eene werkzaamheid des verslands, vindingskracht, schranderheid, enz. gevorderd wordt; jeux ftnraux, pl. (spr. —Hord) hloemspolen, een te Toulouse sedert Uilt Jaarlijks gevierd feest, waarbU voor godlchton gouden en zilveren bloemen werden uitgedeeld.

Jeudi, m. fr. (spr. zjeu—, lal. Jovis dies, de dag van Jupiter) Donderdag.

Jeunesse, f. fr. (spr. zjeunés\') elg. Jeugd; In de klecdij der vrouwen oen breede band, die, om kin en noren gebonden, voor koude beschut; z. ook ond. doré.

Jezieden, z. Jezlden.

Jezuïet, m. (mld.lat. Jesuitu) pl. Jezuïeten, medeleden of aanhangers van de r. kath. geesteiyke orde, die door Ignatius van Loyola In l»:ii onder den naam van gezelschap of sociëteit van Jezus gesticht, door paus Paul In löifl bevestigd, door paus Clemens X.IV in ITO opgeheven, door paus l\'ius VII in 1X1 i weder hersteld werd; ook Loyolleten genaamd, naar den stichter. Men legt de leer dezer orde allerlei gevaariyke stellingen te last, die zy met sluwheid verdedigt, predikt en voortplant; vandaar beteekent een Jezuïet ook een schyn-boilig l)edrleger, een dóorsluwe Intrlganl, een booswicht onder \'l masker van godsdienst, kortom de massa der ondeugd in (Sen wezen saamgevat, geiyk zy in Sue\'s bekenden roman (Ie Jnif errant) optreedt In den persoon van Rod In-, — Jezuïetessen, Jezuïetin-nen, eene nonnenorde der tilde eeuw, die zich naar die der Jezuïeten vormde, maar in 10110 door paus Urbanus VIII werd opgeheven; — jezuïeten-roes, een kleine roes, eene geestverheuging, als z.ynde die, naar do leer der Jezuïeten, onzondig; — jezuïetisch, adj. volgens de leer, de grondstellingen, de bandel-wyze der Jezuïeten; — jezuïetisme, n. Loyola\'s leer, z.yne beginselen of zyn geest; — Jezus, m. hehr. (Jesjnea, samengetrokken uit jehdsjoea, gr. lêsoes) mansn.; de helper, redder, hellaad, verlosser; — Jesus Nazarenus hex Ju-daeorum, Jezus van Nazareth, koning der Joden (het opschrift, dat Pliatus op het kruis van Christus liet plaatsen).

Jicara, f. sp. (spr. c/ii—) kopje (chocolade enz.)

Jig, m. eng. (spr. dzjiq) een vlugge, huppelende dans (vgl. gigue).

Jillis, mansn., z. ond. /Kgiilo.

Joachim, m. hehr. mansn. {.lehA-jdkim, Jd-jakim, gr. luakeim) de door Jehovali of God opgerichte of verordende-, — Joachimsdaal-ders, m. pl. eerste naam der daalders, naaide! bergslad J 0 a c h 1 m s I li a 1 in Boheaien -, zy heetten ook scbiickdaaiders, naar den graaf von Sc bliek, die ze in 1517 uit het in de bergwerken te Joachlinstlmi gewonnen zilvor Hel slaan.

Joaillerie of jouaillerie, f. fr. (spr. zjoeal\'rie ■, vgl. Juweel) de Juwellerkunst, de Juweelhandei; — joaillier, m, (spr. zjoaljié, misse,hlen uit het perz. dsjauhari) een Juwelier, Juweelhandelaar.

Job, I) Hiob, m. hehr. [Ijjdb, gr. lob) mansn.-. de zwaar beproefde, de door het lot vervolgde; — jobsbode, de breager van


-ocr page 671-

JOHANNKS

JOB

653

eciie ongotukslUillim, van Don tiourln l)oilclil; — jobsgeduld, ocn zeor moot, lual (tcduld.

Job, 4) Toclin, l)ladtlii ter hokloodlng van do clcktrlsclio llosschon, lliooliusson on/.., foelie.

Jobber, m. ohk. (spr. (hjnbher: v. jnh, onbeduidende, nietige luonarheld; ook: winslleve-rend zaakje) een ilagloonor, handlanner, markt-knecht\', ondernemer In \'I klein, makolaartjo; woekeraar, Iemand die van voorkomende zaken en speculallBn leeft; In de Vereen. Staten; een Krossler, een middelpersoon tussclion den proot-liandelaar, die de waren Invoert en den kleln-liandelaar; — stock-jobber (vgl stock), een actie-handelaar of -woekeraar, aciic-kranior In Kngeland, die op het rUzen en dalen dor staatspapieren speculeert; — jobbery,!, eng. (spr. dzjóbberi) de woeker, woekerachtlgo speculatie.

Joch, n. hoogd. juk, eene dultsclie landmaat van 4IU3 vlerk. ryid. roeden = Sil,04i8 vierkaido ned. roeden; — jochart, z. ju-cli art.

jnri causa, z. oud. jocus.

Jockey, m. eng. (spr. dzjókki, v. jack, d. 1. Hans, verkiw. v. John-, dan ook knaap, knecht enz.) een ryknechl, voorrijder, de pikeur, die li({ wedrennen liet paard herydl; ook wel ry- «f staljongen; paardenhandolaar, ros-kammcr; — jockey-club, f. een besloten gezelschap uit liefhebbers van paardenwedrennon of harddraveryen beslaande.

Jocko, z. harris.

jncnx, jocosa, z. oud. jocus.

Jocrisse, m. fr. (spr. zjokriéss\') oen ho-spotteiyk liguur uil de fransclio straal komodlo, vandaar: de zol, onnoozelo bloed, hei uilskuiken.

Jocus, 111. lat. boerl, scherts, kortswyi, jok;—joci causa of jocattler, adv. scliertsen-derwys, uit de grap, uit joks; inter jocos et serla, onder scheris en ernst;—jocusstaf, oen staf met een borst beeldje, waarmede de vreugde wordt Ie kennen gegeven; — jocusus, a, inn, int. schertsend, hoeriig, kortswyiig; -jocosa, n. pl. schertsende invallen, grappen, potsen;—joculatóren, m. pl. (v. joculari, schertsen) goochelaars, potsonmakors, lianswor-ston, in de middeleeuwen v.. v. a. j o n g I e u r, z. aid.; — joculeoren, sciiertsen.

Jod, afk. van jodium, n. of jodïne, f. (v. \'i gr. ton, vlooitje, iodes, viooltjesachlig) een enkelvoudig, niel metallisch lichaam, ien jare ISII door een salpeterfalirlknnt Ie l\'arys, Courtols, toevallig In de loog dor varcc of tangsoda ontdekt. Dit llchaani, hetwelk vele punten van overeenkomst met het chloor heeft, kreeg om /,yn vlolelkleurigen damp van (lay l.ussac dezon naum; het Is thans als een zeer werkzaam geneesmiddel, als blauwe verfslot, Ier vervaardiging van photographlün enz. zeer in gebruik; - jodiumstijfsel, f door jodium hlauwgekleurde stytsel; jodaten, 11. pl. jodiumzure zouten; — jodüre, f verbinding van bet jodium mei een enkelvoudig lichaam; — jodeeren, met jodium verbinden of overtrokken, h. v. by hel pliotographeeron de verzilverde koperplaat door jodiumdampen met eene dunne laag jodiumziiver hedekken.

Jodeln, ligd. (spr —ih\'lfni eene eigenaardige manier van zingen, ie welen: met falset-lonen in springende intervallen; jodler, m. dorgeiyk (Tyroler of /.witsersdi) zanger.

Jodócus, mansn. (v. \'i gr. ioihikos, pyien opnemend of bevattend, io dókê, pglkuker, en naam oener Amazone).

Joel, hebr. mansn.: wiens(lod .lehovah is; een van de H kleine profeten.

Joelar, turk. zilveren halsier.

Joelfeest, n. (oudn. jói, zw. jul, deensch juut, angels, (/co/, eng. i/ulc, goth jiuleis) een feest, dat in liet skandinavische Noorden en In Engeland vóór de invoering van hei einde van December werd gevierd, en in welks piaais later het kerstfeest trad; liet schyni van cel-tischen oorsprong, want zoowei in \'I walllsch ais in \'i armorisch is Hi\'ivyl, fiowt, hik\'tl, unet, IIwet, in \'i algemeen feest.

Joessoef, m. perz. z. v. a. Joseph.

Johannes, Johan of afgekort Jan en Hans, hebr. [JehAchAndn, d. i. .lehovah schenkt of Is genadig, erbarmt zich, gr. loanncs, ludn-n(is, fr. Jean, 11. Clnvanni, port. .huw [spr. dzjoati], sp. Juan, eng. John, russ. Iwan) mansn.: (lodsgeschenk, genadekind; — Joao (Johannes) m. voor is;ni eene port. rekenmunt van goud = I igt;eca (d. i. stuk) = J dob ra = 42 gid.; — johanneïsche leer, Tbeoi. de voor eigen-aanlig gehouden (zooais men ihans wil weten, wei ton jaar na Chr. ontslane) leer van den evangelist .lohannes; - johannisbloed, de dultsclie coc be nil ie, eene soort van schildluis, ook poolsclie kermes of scliariakenliezie (llllliericuin perfiiratuin)-, - johannisbrood, eene roodhruine, eclhare, tegen liet zuur of hitte In de keel diensiige peul van eenen in liet Oosten en in /.. Kuropa wassenden hoom {Ceratonicay, — johanniskever, hei glimwormpje {iMinpiiris nnctiluca); bij eenige paren van dii insect onder een helder glas, kan men in liet duister lezen; Johanniter-rid-ders of Johannes-ridders, eene duit-srhe orde, die in Palestina by gelegenheid der kruistochten onistond; zij had de bescherming der pelgrims en de verdediging van hei Heilige laad tegen de ongeioovigen Ien doel. De ridders kozen zich den Apostel Johannes lol pairoon. l il Palestina verdroagen, begaven zij zich naar liet eiland Cyprus (14111), vandaar naar Kboilus en elndeiyk naar Malia (IKJ9), daarom ook .M alle z e r-r I d d e r s geheeten; — Johanna, f. vr.naam, v. Johannes, de door (lod geschoakene, genadekind (fr. Jeanne, li. Cinvanna, sp. Joana en Juana, eng. Jenny), ook Hanna, .lansje, en vork. Jo;—John, m. eng. (spr. dzjon) samengetrokken uil Johannes (z. boven); Johnson, m. eng. (spr. dzjouns\'n) de zoon van Jobaanes; — John-Bull, z. ond. K1111.


-ocr page 672-

JOHNST

654

JOUR

Johnst., hg natuurwelonsch, bcnamlnKen afk. voor (leorRc Johnston (gest. 185S).

Joint-tenant, in. buk. (spr. dzjuint-tén-nenl) inodopuclitcr; — joint-stock-com-

pany, f. eng. maatschuppU up aandeolen.

Jol, f een smal, klein vaartuig, van vuren en achteren spits, iloorgaans van kllnkwerk ge-liuuwd; upen buul, die niet eenen riem van achteren wurdt gevoerd.

juli, adj. fr. (spr. zjoli; 11. i/iulivo, oorspr. feesleiyk, vrooiyk; vgl. het oudnoordsch jdl, feest ter gelegenheid van het Kerstfeest, en het nederl. joul, jolig, juclen) lief, netjes, hupsch; vandaar joli, m. een hundennaam; ook eene fraaie kleine lettersoort; — joli-vetés, f. pl. (spr. zjoliw\'té) kleine versierselen, aardige kleinigheden; bevallige kindergrappen.

Jómfru, f. deensch. jutter, maagd.

Jonas, m. hebr. [jóndh, eig. duif, gr. la mix] mansn.; een joodsch profeet ten tijde van Jerobeam II; — jónaavisch, z. kar-e li a r 1 a s.

Jónathan, hebr. [Jóndt/idn, elg Jehónd-than, d. 1. Jehovah geeft) mansn.: de van God gcschonkene; een getrouwe vriend; Broeder (eng. Brother) Jonathan, spotnaam voor bet gezamenlUke volk der Vereenigde Stalen (zooals Ju hu-Hu II voor de Engeiscben), onderscheiden van Yankee (z. aid.), als benaming der individu\'s. (Toen generaal Washington in den vrUheldsoorlog over bet aan-schallen der verdodigiugsmiddeien in verlegenheid was, zeide by by eene beraadslaging met zyne oilicleren: »wy moeten het broeder Ju-nuthan vragenquot;, waarmede iiy zgnen vriend ,1 o n a t h a n T r u m li u 11, gouverneur van Connecticut, bedoelde. Later werd Wasblngions zeggen by moeiiyke omstandigheden lot een spreekwoord).

Jongleur, m. fr. (spr. zjomjUür: oudfr. jontere, juqterc, jonulere, jogleor, juqleor, jon-uleor, provenc. joylar, v. \'t lat. joculUlor, van joculari, schertsen, den spot dryven) in de middeleeuwen de muzikanten of speellieden, die den troubadours (z. aid.) ter zyde gingen; later: een goochelaar, koordedanser, potsenmaker; — jonglene, f. goochclary, tooverspe-len, koordedansen.

Jonk, f. eene soort van chinoesche koop-vaardy- en oorlogschepen van eenigszins plomp maaksel, gemeeniyk uit i masten en i zeilen van biezen matten.

Jonquille, f. fr. (spr. zjoiikielj\': v. jonc, lat juncus, bies, wegens de biesvormige bladeren) eene soori van welriekende narcissen; - jonquille-kleur, hooggeel, naar het groene zweeniend.

jóntries, pi. muzikanten in Indle.

Jood, z. nnd. Ju da.

Joost, m. mansnaam z. justus.

Jöran, m. in Waadtiand een korte uit de Juradalen naar hel meer van Genóve waaiende wind.

Jórgan, m. lurk. heddedeken.

Joris, z. George.

Jornada, l\'. sp. (spr. chor—) «dagwerkquot;: hedryf van een drama.

Joseph, hebr. mansn. [jóstpk, eig. by voegt by) de toegevoegde; een kulscb, eerbaar jongeling (naar den zoon van den aartsvader Jakob); eene soort van dun fransch papier; een rykleed, amazonenkleed der dames; een vrouwenrok in Engeland; — Josephine, f. vr.naam: de toegevoegde; — joseflnos, pl. sp. aanhangers van Joseph, koning van Spanje (1808—13) z. v. a. afrancesados; — josephinisme, n. de van Joseph II uitgegane inrichting dor katb. kerk, welke eene van den paus onafhankclyke stelling in Oostenryk ten doel heeft.

Josephshuwelijk, n. lat. {malrimonium vinjin urn) huweiyk waarby volgons voorafgeslo ter. overeenkomst de sexueele betrekkingen zyn uitgesloten (met toespeling op Joseph en Maria, z. Matlb. I, 4S).

Jósia of Jósias, hebr. {jóschijjdh, jfl-schyjdhoe, gr. lusias) mansn.; de van God geheelde.

Jóska, m. heuvel welke de Turkomannen ter eere hunner grooie dooden opwerpen.

Josselaar,m.gespunnen katoen uil Smyrna.

Jossochromie, f. gr. een soort van bont schilderwerk.

Jósua, hebr. mansn. (elg. Jehósjoea, d. i. wiens hulp Jehovah is): Godbelp.

Jota. f ile grieksche i (1), de kleinste letter ; In het algemeen en onelg.: eene letter, een punt of puntje, IIIIpI, hel allergeringste of minste; — jotacisme, n. de te menigvuldige heriialing der jota; ook het onvermogen om de jota uil te spreken, een wyze van stamelen.

Jouaillerie, n. joalllerle.

joué, adj. (v. jouer, spelen) elg. gespeeld; Hg. bedrogen.

Jouet, n. Ir. (spr. zjoe-è; v. jnu,ei\\ spelen, van \'I lat. jocari, schertsen) speelgoed, speelbal.

Jouissance, f. fr. (spr. zjoeïsaiis\': van jouir, genielen, provenc. jauzir, yauzir, 11. f/o-dére, van \'t lal. uaudcre, zich verheugen) het genot, gebruik, bezit; vruchtgebruik.

Joujou, n. fr. (spr. zjoezjóé: vgl. jouet) een speeltuig, kinderspel; Inz. het voor jaren zoo geliefde speelgoed, bestaande in eene houten scbyt, die door een snoer uit en in de hand werd gelaten, het op- en afrol-spel.

jour, m. fr. (spr. zjoerprovenc. join, it. giomo, mid. lat. jornus, van \'t lat. diümum, eenen dag durend, neutr. van diürnus, wat by dag geschiedt, v. dies, de dag) de dag; — d jour, m. In den dag (gezet), d. 1. zóo, dat liet licht doorschUnt, doorzichtig, doorbroken, getralied, slechts ingerand (van edolsteenen gebruikt); Kmt. tot op den loopenden dag in orde (b. v. het grootboek Is nog niet geheel djour)-. — du jour of de jour z y n, aan de dagorde, aan de dienslbeurl zyn, den dagdienst hebben (van ofllcleren, enz.); — jours de i/rdce (spr.


-ocr page 673-

JOVIAAL

655

.11 IDA

tjoer de gris\'), pl., ■/.. v. a. reapüldi\'Ren (z, aid.); — iiniit du jour, ilc op \'t oonenlillk lioorschondo smaak; — couleur du jour, de modekleur; — plat du jour, (terecht dat op bepaalde uren van den dan voorhanden en tenen vasten prys te verkrijgen ts (In restauraties); — journaal, n. (It. uionale, mld. lat. jornale: eig, adj.; dageiyksch) een dagboek; daghlad, en In \'t algemeen courant, tydhlad, t|jdschrirt, week- of maandblad; Kmt. een tmndelsboek, waarin alle voorkomende handelszaken naar volgorde der dagen worden gehoekt, dag of maand-hoek; — journaliseeren (spr. .v=r), de dagelijks voorvallende zaken in het dag- of maandboek brengen; — journalisme, n. barb.iat. het tUdscbriftwezen; het schrijven van tijdschriften; — journalist, m. (fr. journaliste) een daghladschryver, tydschrirtsleiler, uitgever van of medewerker aan een dagblad of tydscbrift, courantier; ook iemand die op dieet gesteld Is-, — journalisticum, n. een leesgezelschap voor tydseliriften; ook voorlezingen daarover; — journalistiek, f., z. v. a. journalisme; — journalior, m. fr. (spr. :joernuljé), journalière, f. (spr. —Ijir\') da-geiyksch, daagsch; veranderlijk, onbestendig, die heden dus, morgen zoo gestemd Is; als suitst. daglooner; —journalière, woleer: een da-geiyksche post of reisgelegenheid tusschen twee plaatsen; journée, f. (spr. tjoernt) dag, dagwerk, ilagioon; — femme de journée, werkster; — vivre uit jour (spr. uiiuir\'ozjoer) In journée. van de hand In den tand loven.

joviaal, adj. fr, {jovial, it. giovidle, van t lal. Javialis, tot Jupiler, oud.lat. Joris, he-hoorende, wiens ster volgens de astrologen den menschen vrooiykheid mededeelt) biUmoedig, idij-geesilg, vrooiyk, lustig, opgeruimd;-jovia-list, m. barb.iat. de vrooiyke raad, hofnar;— jovialiteit, f, {Ir. joimlilé) de blUmoedigheid, vrooiykheid, enz.; — joviale lijn, f in de gelaatkunde: de tweede iioofdiyn van liet voorhoofd naar beneden.

Jovilabmm, n. uw.lat. (v. Jupiler, geuit, Joris) een werktuig ter voorstelling van ,lupl-ter en zyne 4 trawanten of wachters, voor een gegeven tydstip.

Jovinianisten, m. pl aanhangers van J o vin tan us, een monnik In de ide eeuw, die meende, dat de doop de zondigheid wegnam.

joyeux, adj. fr. (spr. zjnajéü. v. joic, provenc. joia, it. (jioja, van \'t lat. i/fiudïum, vreugde, pl. fiauilïa) vrooiyk, tiiyde, verheugd;—joyeuse entrée, f. fr. (zjoajeuz\' a/ilré\') olg. iiiyde inkomst, vrooiyke Intocht; benaming van de gewichtige privilegiën der stenden van Brabant (met Insluiting van Antwerpen) en Limburg, welke de hertogen iiü hunne huldiging voor den intocht of de entrée in de hofstad moesten bezworen, liet gewichtigste punt daarhy was, dat, zoodra de hertog een dier privilegiën mocht ophollen, geen onderdaan verder tol gehoorzaamheid jegens hem zou verplicht wezen; ook het geschenk, dat de vorst by die gelegenheid ontving.

Jozef, nederl. vorm van Joseph, z. aid.

Juan, (spr. choedn) sp. inansn., ontstaan uit J o ha n n es (z. aid.).

Juba, f lat. manen; helmbos.

Jubal, in. de stamvader van alle toonkunstenaars en uitvinder der muziek (zie 4e boek Mozes, 41); Muz. een orgelstem van 4 of i voet.

Jubé, n. fr. (spr zju—) z. v. a. oxaal.

Jubel, m. (het naast wel van \'t mid.lat. juiïlus, lat. juhflum, vreugdgeroep, jubilare, juichen; in de volgende aileidingen echter verwant met het beur. jóbél, d. 1. hoorn, als blaasinstrument. liij de Joden heette leder KOsto jaar, waarop naar de mozaïsche wet door t gansche land de bazuin moest geblazen worden: jaar des jobcis of hoorns) een vreugdgeschroeuw, -gejuich; — in dulri jubïlo, lat. eig. in zoeten jubel, d. i. vrooiyk, ontiozorgd en lekker (leven); — jubileeum, n. uw.lat. (lal. annusjubilaux, naar het hebr. gevormd) fr. jubilé (spr. zjubüé) hel jubelfeest, jubeljaar, jubeijaarsfeosl, de jubelviering eens afgeloopon tyds van inn, of so, soms ook slechts van 4quot;gt; jaar; jubilaris, in. een jubolvlerder, iemand, die zijn jubelfeest viert; — jubileeren, lal {jubilare) jubelen, juichen; ook zyne 50- of 4Sjarlge ambtsiiedte-ning of oclitvereeniging vieren, gouden en zilveren bruiloft houden; — jubilate, lat. de derde zondag na paschen, naar het aanvangswoord van een iatynscli gebod in de r. katli. kerk ; jubilate, etc., naar Psalm Wl of ion (Juicht I enz.), vandaar de leipziger jubilate-mis (jubelinis, voorjaars of paaschmis), die met den maandag na gemelden zomiag een begin neemt.

Jubis, m. pi. fr. (spr. zjubi) in de zon gedroogde druifrazynen of kistjes-razynen uit Provence.

Juchart of juchert, n. (verwant met het lal. juqi rum en het duiisch j o c h, juk, ais landmaat) eene zekere landmaat, ongeveer een morgen lands In Opper-Duitschland; in /.wit-serland een akkennaal van 10,0110 vierkante voet = .1« are, in fr. /witserland arpent geheeten.

Jucht, juchtleder, n. (v. russ: juflj, juchlj, d. i. een paar, omdat de vellen paars-gewys, met bast sainongenaald, bewerkt en ook zoo in den groothandel verkocht worden) eene soort van zeer week, ienig, waterdicht, met beukenolie of berkenteer ingewreven en vandaar sterkriekend rood runder- op paardeiileer.

jitcunili acli labores, lat. aangenaam (Is) di^ gedane arbeid, d. i. na gedane arbeid is het goed rusten (citaat uit Horatlus).

Jucunditeit, f. lat. (jurundïtas, v. ju-rünilus, a, um, aangenaam, verhiydend) aangenaamheid, vennakeiUkheid, genoegen.

Jücker, in. hong. klein hongaardsch paard.

Jtlda, m. hebr. mansn. (jehi\'uliih). de geprezene ; de 4de zoon van don aartsvader Jakob, ook zyn stam; sedert de splitsing des ryks oen byzondere staat; vandaar Jood, m. pi. Joden, (hebr Jchoeili, pl. jehoeiHin . lat. Juilaeus, pl. Judaei) oorspr. een burger van tiet ryk vaa


-ocr page 674-

JUGULAIR

JUDAS

056

.ludii, Inter oon lid van het gansche volk der Israellclen; — judaïsme, ii, nw. lal., hel jodendom ; — judaïseeren (spr. s=z), jood worden, zleli lillen besnUden; joodsch spreken, joodsche taalelfienheden gebruiken; z. Iiehrai-s e e r e n.

Judas, helir. niansn. (de gr. en lat. vorm van Juda, Inz. Judas Iskarlot do apostel, die Jezus verried; — judas-kus, een verraderlijke kus; — judas-haar, rood, rosnclillg, vosslg baar; — judas-lach, m. valscbe lacb;

— judas-loon, n. belooning, die de verrader of die Iets heiligs voor geld enz. opolfert, ontvangt; ook: datgene waarmede een verrader weldaden vergeldt; vandaar ook; judassen, plagen, kwellen.

Judex, m. lat. (vgl. judicceren) de reebter, pl. jmtfees; — sub juilïre, onder den rechter, d. I. nog onbeslist; — .ludfntm (sell. liber), bet hoek der Klcbloren, In bel O. \'1\'. ;

— judex ii i/iki (n. 1. appellutvr), do lagere reebter, van welken men booger kan appellec-ren; — j. ad iiuem (uppellatur), de hoogore reebter, op wien men zieli beroepen kan; — judex compHem, of fr. jwje compétent (s|ir. zjuuzj\' koiipetdii), een bevoegd, belioorlük, on-verwerpelgk reebter; — j. eompromissanm, oen door partyen zelf gekozen rechter; — j. rorniptus, een omgekocht rechter; — j. deteodtus, een afgevaardigd rechter, d. i. oen door don vorst of door een opperrechter voor een enkel geval iif eene byzondere klasse van zaken gestelde rechter;—j\'. meompltens, lat. een onbevoegd, ongeldig rechter; — j. inferior, een onderrecb-ler; —j. requisitus, een gevraagd of verzoebt rechter; — j. supertor, een opperrechter; — ud superiórem juilicem appel leer en of provoceer en, zich op den hoogoren rocbler beroepen; — judires in partlhus, pl. bisschoppen, die krachtens eene pauseiyke tienoenilng in naam van den paus beslissen of vonnis spreken.

Judge, m. eng. (spr. dzjudzj\') rechler (fr. ju ge; vgl. judex); - judg(e)ment, n. (spr. ilzjudzjment) oordeel, vonnis.

judiceeren, lat. {judkare, v. jus dirdre, recht spreken), oordeelen, richten, een vonnis vellen, vonnissen, beslissen; — judica, do quot;ide zondag in de vasten, naar de aanvangswoorden van den lekst in de r. katii. kerk op dezen zondag uit I\'s. 43; judica me etc., d. i. richt mü enz, ook de zwarte zondag ge-lieeten; — judicabel, adj. (lat. judkabilis, e, waarover zich een oordeel laat vellen, oor-deelbaar; — judicatie (spr. I=ts), f. {ju-dicatto) beoordeeling, beslissing; — judica-torisch, adj. later (lat. judicatorius, u, urn) rccbteriyk; — judioatum, n. een oordeel, recliteriyk bescbeid, eene uitspraak, een vonnis;

— judicatus, m. lat. bet reebtersambt; — res judicata, f. een rechlsgeblig vonnis, ook de door zulk een vonnis geülndigdo zaak; — judica-tuur, f. nw.lat. het reebtersambt;—judi-catuurbank, f. hamloisgerecht, reciitbank van koophandel.

Judicium, n. lal. (vgl. judex) bet gerecht, de rechtspleging, hei gerechteiyk onderzoek; het oordeel, de meeiiing, de recbttriyke uitspraak; do rechtszaak, hel rechtsgeding; hel gcrecbtsliof, de reciitbank; ook hi\'l oordeelsvermogen, de oordeelskracht of heoordeelhigskrucht;

— in honörem juilicti, ter core van of uil achting voor bet gerecht (verscbynen); — judicfuin appellutiönis, het appeliatie- of berooplngsge-recht;—j\'. auhcuin caesaréum, het (kelzeriyko) hofgerecht, de rgkshofraad; — j. rainerale, bet rykskamergerecbt (vroeger to Wetzlar); — j. censorïum, liet correctioneel gerecht; — j. civile, bet burgertykc of vredegerecht;—j. m\'mi/ui/c, hei iyfslraileiyk gerecht; — j. discretivuni, \\\\v[ juisl onderscheidend beoordeelingsverniogeii; — j. domesffcum, hei (voormalig W\'estpbaalscb) inheemsch of bhiiiengerecbt; — j. duellïcum, het kampgerecbl; — j. ecclesiasticum, bel gees-leiyk gerecht (consistorie); j. equéstre, of j. honorlcum, liet peregerecht; j. feudale, bel leengerechl; j. iqnis, de vuurproef, als godsgerecht; j. ordmartum, het gewone gerecht, de regelmatige rechtshandeling; j. parfum, z. oml. liar 2); — j. perdueltiiinis, gerecht over hoog verraad; j. scculure, hot wereldiyk gereciit; ook eene zaak, die voor do weroldiyke overheid behoort; — judicialis, e, en judiciurtus, a, um, of judieiaal, judicieel, adj. lol bet gerecht beboorend, gerechleiyk, rechleriyk;

— jmliridlïter, adv. gerechteiyk, rechleriyk; — judicious, adj. nw.lat. (fr. judicieux) oordeelkundig, van goede beoordeeliiigskracbl, verstandig, vernuflig, scherpzinnig, wel overlegd en wel overleggend, zinryk.

Judicum, z. oud. judex.

Judith, hebr. (jeUMMh, gr. Iiidith) vr.naam. z. v. a. Jodin of belyderesse Gods.

Juêgo, n. sp. (spr. cA—) spel; speoipiaals.

Juëz, in. sp. (spr. ch—) rechter (lal. juilcj:); j. de paz, (fr. june de paix) vroderechler.

Juffer, f Mar. beslagen lilok met galen, dienende om de hoofdtouwen van bullen aan de schepen te zetten;—juffers, f. pl. korte scheepsniaslen, die uil Klga en Memel komen; ook liet dunne daksparrenhout uil Noorwegen.

Juft, z. juchl.

jugaal, adj. lat. (jugtilis, v. juqum, juk lot bet juk lieiioorende, daarnaar gelijkende, samengevoegd; — jugaal been. Anal, jukbeen; — jugale naad, juknaad; — juuum, n. Bot. juk, twee tegenoverstaande blaadjes (hy de gevinde liladeron).

jugabel, adj. later lal. {juijaliilis, v. ju-liare, verbinden) samenvoegbaar, vcreenigbaar.

jufie, m. fr. (spr. zjuuzj\': van \'1 lat. judex) de rechler; —jufie compétent, z. judex com-pütens; — juqe consul, (spr. kniisüül), lid van een liandelsreclilbank; — juqe de paix, m. (spr. —d\'pt) de vrederechter; — jugement, n. (spr. zjuuzj\'mail) z. v. a. judicum; — ju-geeren (spr. zjuzjeeren), oordeelen, beoordee-len, vonnissen.

jugulair, adj. nw.lat. (v. juqiilum, sleu-


-ocr page 675-

JUICK

(gt;r,7

.11\'PK

lolhoon, kool, vitn jungUre, vorhlnden) hals df koel liolroirondcj — jugulair-ader, of vena iuaulüm, f. do hals- of kooliidor; — jugu-lares, pi. vlsschon mol Imlkvlnncn vóór do liorstvliinon min do kool; — jugulatie (spr.

f. (Inl. juriulnlto) do verwoiKlnu, vor-moordliiK; — juguleeren {junulure), vor-worgoiii — juguliltor, m. do wowr, vor-moordor.

Juick, juik, jux, oono rokcmmmt in Conslanllnnpol vnn s;!;!?, plaslor = ito «ld.

Juif errant, in. fr. (spr. tjwiererran) do wandolondo Jood.

Jtlive, f. fr. (spr. tjwiev\' van in. j u I f, jood); oIr. oono Jodin-, in/., oonosoorl van korlo

vrouwonovotrok; oen ovorlrok naar doj.....Isoho

wij zo.

Jujubes, f, pl, fr, (spr, tju-zjïnW) roodo liorslhozion van don jujiilDenbooin, liorsl-liezlolmom (nr. (I:ill:Hjilitm, lal. waarnil

hol fr. jujube is onUslaan) Inz. In Syrlt1, ook In Hallo onz., vooral lofion lioosl, lonszloklo, onz, in «olimik,

Jul ar, z, jool ar.

Julep, m (fr, on onR, Julep, it, giulebbe, lliulebbn, sp julcjic: liarii,lal. julaiitum , nil lid a rail, ilsjoeleh, ilsjnelAh, van \'I porz, noelab, rozenwater, van flocl, roos, on lib. wilier) eon kooldrank, «onoosdrank.

Julfeest, z, joelfeest.

julien (St.-), III. fr. (spr, «•» :juljeii) oono soorl van Bordeaux-wy#.

Julienne, f, fr. (spr. ijuliin\') vr.nanni: Julia, J all tine (z, aid.); (potage a la) julienne, (froonlonsoop z, jiirdinioro.

Julius, lat, mansn, (vrI. liel Rr, inlos, vlasbaard): do vlasliaardlKo, do j(lll);olin).,; Julia on Juliana, vr,namon; do inaaKdelUke, jonkvronw; — julius of juli, (uit den neiilt. jufii, onlslaan) do 7do maand dos jaars, liooi-niaand (naar men zefsl lor oore van Julius Cie-sar zoo Ronoomd, omdat hg do l(|drekenin(; verliet orde on In doze maand jjolioron was, lor-wljl deze maand vroeger iiuinlilis liootto; vgl, ovonwol joelfeest, lerwyi niol onwaarsohyn-IIjk de oad-romeliisclic Juli ovenals do goliilsclio jiulols logon don tyd van don wintorzonne-stand viol); — juliaansche kalender, de door Julius (iffisar ingevoordo vorlielerdo lijdrekcnliig, wanriiy, In plaats van hot maanjaar. hot zonnojaar lor lenglo van llli\'i dagen on ti uron ton grondslag word gelegd, hetwelk daarom hel Juliaansche jaar heet. l)io tUdsvordeoiing, ook oude styi genaamd, Is nog In do ooslersohe kerk, h. v. in Kusland, golirulkoiyk. In do woslersoho kerk editor word zy onder paus Grogorius XIII, ten jure I!iS2, door goloorden nauwkeurigor, en wel op ;i«S dagen !gt; uron iK minuien en üi socondeu, herekend, en zoo ontstond do thans nog hy ons gohruikoiUke ui ouwe styi of grogorlaan-sohe kalender, die van den ouden lliaus reeds li dagen versehlll-. waarom men ook duldeiykholdslialve op plaatsen, waar men nog

VIKIIIIK IHU\'K

don ouden styi volgt, den ouden datum hoven en don nlouwen daaronder plaatst, h v. I\'o-torstiurg, don Augustus;- juliaansche periode, f, oono reeks van quot;ttso jaren, na woikor verloop do zon- on maancirkels, togoiyk mot don indioHo-cirkol, gozamoniyk opnieuw hcglnuen; men verkrygt dit getal, als men gezegde ö cvklnsson iz. aid.) mot elkander verinenlgvnldlgl (2S y 1« y t.\'i = 7lt8fl ,

Jumart, fr. (spr, zjumdr\') of jumar, m. een faholaohtige osozol of muilos, muilpaard, gewaande liastaanl van tiet paarden- of ozels-on rundorgoslaehl.

jumelles, pi. fr. (spr. zjumèl\': v. jumeau, jumelle, Iweelingshroedor, Iweollngsziislor eig, vniuwoiyko Iwoollngeii; Mg. Iels ilal uil 4 go-lyko, liijeenhehoiirondo dooien hostaal, inz. eon duldiel oogglas, (iporakykor mol dutiholen koker voor lieldo oogon Ie gelijk, vgl. Iiinoelo.

Jumpers, m. pl. eng. (spr. il:jüm))er.i: v, jump, springen eig, springers; dieven, dlo door do vensters iiiklimmen; eene niothodislon-socle in /,. Wallis en Amerika,

juiui\'us, a, hui, adj. lal. iv. junrus, hies of riet) Mol. lilosachlig.

jungeeren, lat. (junaere) veriiludoii; — junctuur, f. (lat. junrh/ra) de voriilniling, \\nog, hot gewricht; ook toestand, omstandigheid, tydsgovvriclit, samenloop.

Jungh., hij naluiirwolonscliappoiyko liena-nilngen afkorting voor F. \\V. Jnngliuhn (gestorven 18(11).

Jungle, z. dsjnngel.

Junior, in. lat. afgek. jun. (compar. van jnvënis, jong. jeugdig) do jongere (in togenst. met seninr, do oudere inz. tor nndorsoheiillng van personen mot denzolfdon naam junio-raat, n nw.lat. hel geval, waarhU de jongste In de jongste linie, lol do erfopvolging komt.

Junipërus, m. lat., do joneverliooui en do ganscho planlonsoorl, waartoe hy lielioort, Junius, in. lat., of juni (nil den gonit. Junii ontslaan) do zesde maand des jaars, zomermaand; waarsch. naar do godin Ju no ho-noomd, aan wie deze maand gohelllgd was.

Juno, lat. of Hora, gr. f. Myth, de oppergodin, do Irotscho en jaloersche helieorscho-ros der goden en monschen, Jupltors zuster on gemalin, onz.; ook eene der kleine planeion Inssclien Mars en Jupllor In ISlti door Harding Ie l.lllenthiil ontdekt; — Juno\'s vogel, do pauw ; — junönisch, adj. naar .......

geiykondo, grootsch, trotsch, vol inajostolt; — junonïum, n. nw.lat. een ondero naam vooi-ka dm in m (z. aid.)

Jungfru, f, zvv, jnlfrouw, maagd. Junta, f, sp, (van \'1 lal. junelus, n, «m, voroonlgd, partic. van jumjrre, vgl, jungeo-ron) de veroeniging, vorhintonis, vergadering, vandaar ha ndoisju n 1 a, gezondheids-ju n la, a post ol 1 se li e junta, enz.; inz raadsvergadering in Spanje en Portugal; volkscomité, regeorings-comilé (vgl. comité). Jupe, f. fr. (spr. zjuup .- mid.lat. jupa, it

ii


-ocr page 676-

JUGULAIR

JUDAS

056

Juda, later con lid van hol gansche volk dor Isiaëllotoii; — judaïsme, n. uw. lat., liet Jod(Midom; — judaïseeren (spr, s=«), jood worden, zieli laten bosnüden; joodsch spreken, Joodsclio taalolgonhedon gobrulken; z. Iiehraï-score n.

Judas, hebr. mansn. (do gr. cn lat. vorm van Juda, in?.. Judas Iskarlol de apostel, die Jezus verried; — judas-kus, een vorrader-Igke kus-, — judas-haar, rood, rosncbtlR, vosslg liaar; — judas-lach, m. valselie lach;

— judas-loon, n. belooning, die de verrader of die Iets bolligs voor gold enz. opollert, ontvangt; ook: datgene waarmede een verrader weldaden vergeldt; vandaar ook: judassen, plagen, kwellen.

Judex, m. lat. (vgl. ju dl co er on) de roebtor, pl. judlces; — sub judfee, onder den reebter, d. I. nog onbeslist; — Judwum (sell. liber), het hoek dor Klcbleren, in het O. T.; - judex a qui) (n. 1. appellatur), do lagere roebter, van welken men hooger kan appellec-ron; — j. ad quem (appellulur), de boogore rechter, op wlen men zich hcrocpon kan; — judex comprlens, of fr. juije compétent (spi\'. zjuuzj\' koiipeldii), een bevoegd, behoorlgk, on-\\erwerpclgk rechter; — j. compromissanus, een door part yen zelf gekozen rechter; — j. rnrniplus, een omgekocht rechter; — j. delegatus, oen afgevaardigd rechter, d. 1. een door den vorst of door een opperrechter voor een enkel geval of eene büzondore klasse van zaken gestolde rechter; —j. incnmpülens, lat. een onbevoegd, ongeldig rechter; — j. inferior, oen onderrechter; — j. requisitus, een gevraagd of verzocht rechter; — j. superior, een opperrechter; — {id superiorem judicem a p poll e e r e n of |i r o-vocooren, zich op den hoogeren rechter beroepen; — judices in partihus, pl. blsscboppon, die krachtens eene pausetyko honoomlng in naam van den paus beslissen of vonnis spreken.

Judge, rn. eng. (spr. dzjudtj\') rechter (fr. jugo; vgl. judex); -- judg(e)ment, n. (spr. dzjudtjment) oordeel, vonnis.

judiceeren, lat. (judicitre, v. jus dicare, recht spreken), oordeelen, richten, een vonnis vellen, vonnissen, beslissen; — judica, de Me zondag In de vasten, naar de aanvangswoorden van den tekst in do r. kath. kerk op dezen zondag uit I\'s. 43; judica me etc., d. 1. richt mU enz., ook de zwarte zondag ge-hoeten; — judicabel, adj. (lal. judicabïlis, e, waarover zich een oordeel laat vellen, oor-deolhaar; — judicatie (spr. I—Is), f. (ju-ilicatïo) beoordeeling, beslissing; — judica^ torisch, adj. tater (lal. judicalorïus, ei, urn) recblcrlük; — judicatum, n. oen oordeel, recbterlUk bescheid, eene uitspraak, een vonnis;

— juilicatus, m. lal. bet rochtersambl; — res judicata, f. oen rechtsgeldig vonnis, ook de door zulk oen vonnis gcclndlgde zaak; — judica-tuur, f. nw.lat. bot rechlersambt; — judi-catuurbank, f. bandelsgereebt, rechtbank van koophandel.

Judicium, n. lal. (vgl. j\'urfe®) hel gerecht, de rechtspleging, bet gerochlelük onderzoek; het oordeel, de meening, de rechterlijke uitspraak; de rechtszaak, bot rechtsgeding; hel gorechtsbof, de rechtbank; ook bet oordeelsvermogen, de oordeelskracht of bcoordeellngskrncht; — in honörem judirti, lor cere van of uil achting voor bel gerecht (verschijnen); — jiuliaum appeltaliönis, bet appellalle- of beroeplngsge-recbl; — j. aui/rum caesaréum, het (kelzerl(|ko) bofgereebt, de rykshofraad; — j. camerdle, het rykskameigerecht (vroeger te VVetzlar); — j. ceusorfum, bet correctioneel gerecht; — j. civile, bet hurgeriyke of vredegerecht; - j. iriminule, het lüfstralVelijk gerecht; — j. discretivum, hel julsl onderscheidend booordecllngsvermogen; — j. domestfeum, bet (voormalig Wostphaulschi Inbeemscb of blnnengereeht; — j. duellïcum, het kampgerecht; - j. ecclesiashcum, bel gees-lelljk gerecht (eonsistorie); j. equéstre, of j. hononcum, het eeregerecht; j. feudale, hel leengerecbl; j. iqnis, de vuurproef, als godsge-reebt; j. ordmarfum, het gewone gerecht, de regelmullge rechtshandeling; j. panum, z. ond. liar 2 ; — j. perduelliams, gerecht over hoog verraad; j. seculure, het wereldlijk gerecht; ook eene zaak, die voor de wereldlijke overheid behoort; — judicialis, e, en judicianus, a, urn, of judiciaal, judicieel, adj. lot het gerecht hehoorend, gerecbleiyk, rechterlijk; - judiciaftter, adv. gerechtetyk, recbleriyk; — judiciëus, adj nw.lat. (fr. judicieux) oordeelkundig, van goede booordeellngskracbt, verstandig, vernuftig, scberpzinnig, wel overlegd en wel overleggend, zinrijk.

Judicum, z. ond. judex.

Judith, hebr. {jelnïdttli, gr. ludith) vr.naain, v. a. Jodin of belyderesse Gods.

Juëgo, n. sp. (spr. c/i—) spel; speelplaats. Juëz, m. sp. (spr. c/i—) rechter (lal. j«(to); j. de pin, (fr. juije de pai.v) vrederechter.

Juffer, f. Mar. beslagen hlok met galon, dienende om de hoofdtouwen van bullen aan de schepen te zetten;—juffers, f. pl. korte scheepsmasten, die uit Kiga en Memel komen; ook bet dunne daksparrenhout uit Noorwegen. Juft, ■/.. ju ebt.

jugaal, adj. lat. (jwjulis, v. jugum, juk lol bel juk beboorende, daarnaar gelykende, samengevoegd; — jugaal been. Anal, jukbeen; — jugale naad, juknaad; — jui/um, n. hot. Juk, twee tegenoverstaande blaadjes (hu de gevinde bladeren).

jugabel, adj. later lat. {juijabllis, v. juli are, verbinden) samenvoegbaar, vereenighaar.

jngc, in. fr. (spr. zjuuzj\': van \'I lal. judex) de rechter; — juge compétent., z. judex com-pitens; — juge consul, (spr. koiismit), lid van een bandelsrochthank; — juge dc paix, m. (spr. —d\'pè) de vrederechter; — jugement, n. (spr. zjuuzj\'mail) z. v. a. judïeum; — ju-geeren (spr. zjuzjeeren), oordeelen, beoonlee-len, vonnissen.

jugulair, adj. nw.lat. (v. jugiitum, sleu-


-ocr page 677-

JÜICK

or) 7

JUPK

tolhcon, keol, van juiif/fln, verlilndon) lials (if keel l»gt;li(\'ll(Mi(lc; - jugulair-ader, of vena juoulitris, f. ilc hiils- (if koeliiilrr; — jugu-lares, pi. vlsschcn mot iHiikvlnnei) vóoi\' de liorslviniiiMi iiiin do keel; — jugulatie (spr. I=ls), f. (Int. jugulafto) ito vorwoiRint,\', vermoording; — juguleeren (jmiulnrc), ver-worften; — jugulator, in. ile worRor, vor-moorder.

Juick, juik, jux, eerie rekeniimnl In Constnnllnopel vnn plnstiM\' = on Kid.

Juif errant, m. fr. (spr. tjwieverran) de waiidelende Jood.

Juive, f. fr. (spr. zjwier\' van in. Jnlf, Jood) j ei};, eene Jodin; inz. eene soort van korte vroiiwcnovorrok; een overtrek naar ile Joodsclie wij/.e.

Jujubes, f. pi. fr. (spr. tju-tjxUW) roode liorstbezien van den jujiibenboom, liorst-lieziehoom (nr. tltiilzijiihon, lat. waaruit

liet fr. jujube is ontslaan) Inz. in Syrië, ook in llaiie enz., vooral legen lioesi, longziekte, enz. in gelirnik.

Jular, z. J oei ar.

Julep, in (tr. en eng. julep, ii. diulebbc, lliulebbo, sp. julepe: Imrli.ial. julapfum: uil liet araii. dsjneleb, dsjneldb, van \'i perz. (loeldh, rozenwater, van (inel, roos, en nh. waier) een koeldrank, geneesdrank.

Julfeest, z. joelfeest.

Julien (St.-), m. Ir. (spr. seii tjuljeii) eene soort van Hordeiuix-wljn.

Julienne, (. Ir, (spr. zjulièn\') vr.nnam; Julia, Juli a n e (z. aid.); {polage ii la) julienne, groentensoep z. Jardiniere.

Julius, lat. mansii. (vgi. het gr, inlos, vins-hnard); de viashaardige, de Jongeling; Julia en Juliana, vr.namen; de maagdeiyke. Jonkvrouw;—julïus of juli, (uit den genii. juffi, onisiaan) de 7de maand des Jaars, hooimaand (naar men zegi ter eere van .luilus Cie-sar zoo genoemd, omdat hü de iijdrekening ver-lieterdo en in deze maand gehoren was, ier-wyi deze maand vroeger quinlilis lieeile; vgi. evenwel Joelfeest, ierwyi niet onwaarsehyn-lyk de ond-romeinsche Juli evenais de golhische J lui eis logen den lüd van den wlnlerzonno-siand vlei); — juliaansehe kalender, de door Julius Osar ingevoerde verbeterde tydrekening, waariiy, in plaats van hel maanjaar, hei zonnejaar Ier lengte van 305 dagen en 0 uren ten grondslag werd gelegd, hel welk daarom liet Juliaansehe Jaar heet. Die tydsverdeeiing, ook oude styi genaamd, Is nog In de oostersclio kerk, b. v. in Kusiand, gebruikeiyk. In de wesiorsehe kerk eehter werd zy onder paus Gregorius XIII, ten Jare l!)S2, door geleerden nauwkeuriger, en wei op 308 dagen ii uren 18 niinnien en \'iö soconden, berekend, en zoo ontstond de llians nog iiy ons gebruikeiyke nieuwe styi of gregoriaan-seiio kalender, die van den enden thans reeds 12 dagen versclilll; waarom men ook diiideiykheidshaive op plaatsen, waar men nog VIERDE lllirk den ouden siljl voigi, den ouden datum boven en den nieuwen daaronder plaatst, li. v. i\'e-lersimrg, den j; Augnsins; juliaansehe periode, r. eene reeks van quot;1IH0 Jaren, na welker verloop de zon- en manneirkeis, iegeiyk met den indictie-eirkei, gezameniyk opnieuw beginnen; men verkrijgt dli getal, als men gezegde :i evk lussen (z. aid.) met elkander verinenigvuldigt (-28 y 10 y 18 = quot;OSll .

Jumart, ir. (spr. zjumdr\') of jumar, m. een faiielaelilige osezel of imiilos, mnilpaard, gewaande liastaard van het paarden- of ezels-en rimdergesiaeht.

jumelles, pi. tr. (spr. tjumèl\': v. jumeau, jumelle, iweolingshroeder, Iweelingsznsier eig. vronweiljke iweelingeii; lig. iels dal uil 2 gelijke, byeenbehoorende deelen iieslaal, inz, een dnhliel oogglas, operakyker mei dubbelen koker voor helde oogen ie gelijk, vgi. iilnoele.

Jumpers, m. pi. eng, (spr. Ihjümjievs; v. jump, springen eig. springers; dieven, die door de vensiers inklimmen; eene methodisien-seeie In Wallis en Amerika.

jinicrits, a, tn/i, adj. lal. \\ juneun, bles of riet) Hot. iiiesaehlig.

jungeeren, lal. {junuëre) verbinden; — junctuur, f. (lal. juneh/ra) de verbiinling, voeg, liet gewriciit; ook toestand, omsiandig-heid, tydsgewrieiil, samenloop.

Jungh., by iiaimirwelensehappeiyke benamingen afkoriing voor F. \\V. Jimgimiin (gestorven 1801).

Jungle, z. dsjnngei.

Junior, m. lat. afgek. jun. (compar. van juvënis, jong. Jeugdig) de Jongere (In legenst. mei seninr, de oudere inz. Ier ondersclieiding van personen met denzelfden naam); - junio-raat, n nw.lal. liet geval, waarby di\'jongste In de Jongste linie, lot de erfopvolging komt.

Junipërus, m. lal., de Jeneveriionni en de gansehe phintensoori, waartoe hü behoorl.

Junius, m. lal., of juni (uil den genil. Junii onisiaan) de zesde maand des Jaars, zomermaand; waarseh. naar de godin .In no be-noeind, aan wie deze maand geheillgil was.

Juno, lat. of Hora, gr. f. Myth, de oppergodin, de irotselie en jaloersehe belieerselie-res der goden en mensellen. Jnplters zuster en gemalin, enz.; ook eene der kleine planeien iiissclien Mars en Jupiter in 180i door Harding te Ullentlmi oiildeki; — Juno\'s vogel, de pauw; — junöniseh, adj, naar Jnno geiykende, grooiseli, Iroiseh, vol majesieli; — junonium, n. nw.lai. een oudere naam voor kadmium (z. aid.)

Jungfru, f. zw. Julfrouw, maagd. Junta, f. sp. (van \'I lal. junclus, n, «m, vereciilgd, partie. van jungrrc, vgi. Jungeeren) de vereeniging, verbintenis, vergadering, vandaar ha ndeisjn n 1 a, gezondheidsjunta, a postel I se lie Junln, enz.; inz raadsvergadering in Spanje en Portugal; voiks-eomilé, regeerings-enmilé (vgi. comitö). Jupe, f, fr. (spr. rj\'wu;)\',- mid,hit, jupu, li

i2


-ocr page 678-

.111 PIT KR

JURY

658

qiubbu, sp. (iljuba, van \'I iiiali. ilsjoebbah, eene katoenen tunica) een kort, in/, vrouwelijk klee-ilinnsluk, eon iüfje -, in/., vrouwenrok, oixierrok; — jupon, m. (spr. tjuiniii, prov. en sp. ju-lion, it. uiubbone) een onilerrukjc, korter dan ile j u p c. %

Jupiter, m. lat. Myth, (gonlt. Jovis; verkort J u p y n) de opperste en machtigste («od, vader der (.\'oden en mensclien, de dondergod of donderaar, door de Grieken Zeus ot Zevs, ook kromon, gcheeten, een zoon van Sa-luraus en Khea, en hroeder van Neptu-nus en l\'iuto; ook de Rrootste planeet van ons zonnestelsel (die ongeveer 14 jaar voor zijn omloop noodlR heeft en door i manen begeleid wordt); — a Jove principfuin, do aanvang met Jupiter ot met God! de geesteHjkheid vooraan!

jupitriseeren (spr. s=t), (fr jupilriser) uitspattend, wellustig leven.

Jupujuba, m. brazil. N. II. eene soort van goudiijster in Brazilië, die een lang heurs-vormlg nest van riet en blezen bouwt.

Jur., Iiij natuurwetenscli. benamingen atk. voor Jurine (gest. IS19).

jura, z. ond. Jus.

Jura-formatie, r. (spr. t=ts), mid.lat. .lura-vorming, Jura-gioep, oolilli-formalle, eene afdeeling iler sedimentaire of vlotgetierglen, welke het eerst In het Jura-gebergte word waargenomen, als wille jura (Inz, heldorgekleurde kalksleon, kultstoon en van holton doortrokken dolomiet), bruine Jura (Inz. brulnachllge ol geolachlige leem, mergel en zandsteen), z \\v a r I e ju ra lias (spr. Iriiiis) inz. bitumineuze morgol-schlefor, kalksteen en zandsteen onderscheiden. In deze bergformaties zyn vele organlscho over-hiytseien gevonden.

Juramént, n. lat. (juraméntum, later lat. In plaats van \'I oude juxjurdndum, v. jurure, zweren) de eed, oedzworlng; — juraméntum aeslimulonum, een schnUIngseod; j. a/feclionis, bezworen bepaling der waarde van de voorliefde; j. nxseiiorïuw, bovostiglngsoed; j. ra/umnïae, eed dal men niet liegt, eed voor do goede Irouw van don aanklager; j. credulitulis, boüodlglng der waarschUniykhoid; j. de judicfn sisli, lie-lofto onder eede, om ten bepaalden lydo voor hot gorochl te vorschUnon; j. ilelalum, een ge-eischto, een opgelegde eed; j. deneqülae jusli-Hue, bezworing van rechtsweigering tegen oen lageron rechter; j. de slulu libero, eed dat men ongehuwd Is; j. diffessiunis ofdilfessonum (vgl. diftitoeron enz.) oen loocheidngseeil; j. dolo, ei of melu exlórtum, een door list, gewold of vrees afgeperste eed; j. irritum, een nietige of vergoofscho eed; j. manifeslalionis of ma-n 1 fest.IIle-eod, do eed, dat hy Inventarissen niets verduisterd of achtergehouden Is; j. mi-noraliónis, diminuHöni.i of munilionis, de minderingseed, dien een beklaagde aflegt, als by de door den elschor gevorderde schadevergoeding te boog berekend acht ;j. offirïi, de ambtseed; j. pauperlatis of pauptrum, do eed van armoede, van onvermogen;principale, de hoofd-eed; j. promissorfum, belofte onder code; j\'. punjatorlum, de zuivoringseed, waardoor lom. do onjuistheid ooner togen hem ingebrachte, niet geheel oawaarschyniyke bewering bezweert; j. relalum, teruggeschoven eed; j. xupplelonum, do aaiivullingsood, tot aanvulling van hetgeen aan het volledig bowys nog ontbreekt; j. les-lïum, de eed der getuigen; — juratus, m oen beëedigde, gezworene; jura la deposito, de verklaring onder ooilo; jurata renunciatfo, afstand by cede; —jurator, m. een eedzweer-der; gezworen getuige; — juratorïum, n. eene bezworen belofte, ook een belofte in plaats van oodo.

jure, juris, enz., z. ond. jus.

Juré, m. pi. jurés, fr. (spr. zjuré; van jurer, zweren, lat. jurare, vgl. jury) gezworene, medelid van eene jury.

juridisch, adj. lat. (juridïcus, u, urn) als adverb, ook juriiiïce, overeenkomstig do rechtsleer en de rechten, geroclitelgk, rechtsgeldig.

Jurisconsültua of jureconsultus,

m. lal. (afgok. IClus) een rechtsgeleerde.

Jurisdictie (spr. I=s), f. lat. {jurisdk-Ifo) do rochtshandeling, rochtspleging; de rechtsmacht, gerechtsdwang, hot rochtsgoblod; -ju-risiltctfo communis, gemoonschappoiyke rochts-macht, die aan verschelden gerechtsheeron lo geiyk tookoml; j. criminalis, do lyfstrall\'oiyke rechtsmacht; j. ecclesiasdca, de goesleHjko rechtsmacht ; j. palrimoniulis, de rechtsmacht van een orfeiyk ambaciitshoor; j. seculo ris, de we-reldiyke rochtsmaelil; j. lerrilorinlis, do lands-heeriyke roehtsmacht, souverelnitelt.

Jurisprudéntie (spr. I=ls), f lat. (ju-risprudenüa) do rechtsgeloerdheld, rochtswe-tensehap.

Jurist, m. (inid.lai. jurista.- v. jus, juris), een rechtskonnor, rechtsgeleerde, leoraar in de reclilon; beoefenaar van hel recht;—juristen-recht, het door do ontwikkeieade wetenschap der rechtsgeleerden Ingevoerde reoht, ia tegenstelling met bet gewoonte- en ook hel wetteiyke recht; — juristisch, adj. den rechtsgeleerden eigen, de rechtsgeleerdheid bo-treiToado, roclitskundig; ook z. v. a. juridisch.

Juristitïum, z, j u s 111 i u m.

Jurriaan, z. George.

Jurte, f. (russ. juria, vgl. het perz. joerd, joerdah, joerdi, kanier) oone siborlscho hul of tent dor Klrglzon; ook do wlnterwonlng der Kamtsjadalen, beslaande In eeno uilliolllng van den grond mot een dak daarover.

Juruk, m. lurk. nomadische herders In Kloln-Azie.

Jury, f. eng. (spr. dtjoeri-, ook fr. jury, spr. zjuri, van \'t lat. jurare, fr. jurer, zweren) een gezworen gorocht, eene reclitbank van gezworenen, bestaande uit heéedlgde, onbesproken burgers, die na het hooron dor getuigen uitspraak doen, oorspr. In Kngeland; ook: commissie van beoordeollng by tentoonstellingen, prysvragen, enz.;—juryman, m. (spr. dzjoe-


-ocr page 679-

,1 us

JUS

(Ml)

rimen), ilc Kc/.worcnt\', lid In con gerochl van gezworenen; pi. jurymen.

jus, f. en n. fr. (spr. zjüvan I lat jus, sap, saus) eon knichtlu vleeschnat, Jeu; — jus lie luüleltes, tol koekjes venlikt vlceschnal, gow. tafel-lpoulllon.

jus, n. lal. (voor ju-us, v. janfjlre, hliulon, sanskr. ju, dus cl({. de bund, die Iels liinilt) liet recht, do gereelitlKllold; de gereclitlKdlielil, bevoegdheid, aanspraak, de niaelit om recht (e spreken; - contra jus in Ihesi, legen een In zyne alKomeonheld {abslruct) erkend recht, In togenst. mei het voor \'l hu zonder e {concrete) geval voorhanden recht; — jus esl ars boni el aequi, het recht Is de kunst van het goede en het rechtvaardige; — summum jus summa injuria, bet grootste ot strengste rocht (Is dlk-vvUls) hot grootste onrecht, — pl. juin de roch-ton, de wetenschap van het recht, b. v. jura studeeren; ook de gerechtigdheid, bevoegdquot; held; contra manifésta jura et veritutem, legm erkende rechten en waarheid; jurn cessa, al-gestune rechten; eri/a jura cessa, legen afstand van alle rechlen; jura cteri, rechten der geestelyktield; jura el aclioncs, rechten en ge-recbllgheden; jura honoris, eercrechten, met welke geen voordeel verhonden Is; jura statae, do rechten of ambtsvoordoelen eens priesters (van stola, een priesterrok); jure (ablat v. jus) of de jure, ook ex jure, met recht, van rechtswege; jure ilivmn, naar of door godde-tgk rocht; jure heredilario, door orfrocht; in iiuantum de jure, z. ond. quunlus -, omni jure, mot alle recht; salvo jure, enz., z. ond. salens; — juris, (gen. van jus), rechtens; quid juris, wat rechtens Is; sui juris zy n, zijn eigen meester zyn; van zich zelven afhanketyk, vry van vadortyko maclil z.yn; het logengosl. van aliêni juris, aan eens anders madit onderworpen, niet zgn eigen heer zyn; juris consul lus, z. ond. Jurlsconsuttus; juris peritus, een In het rectil ervarene, recblsknndtgo; juris pi\'dclreus, die de rechtsgeleerdheid uitoefent, oen practlzyn; juris studiosus, die de rechten beoefenl, student in de rechlen; juris ulriüsque candiilalus of afgek. ./. I . candldaal In de bolde rechten (het hurgerlijke en geeslelyke recht); juris ulriüsque doctor of afgek. ./. IJ. /)., doctor der belde rechten; juris ulriusquc lirentiiilus of afgek. U. Ilcontiaal der bolde rechlen; — jus ubuUeuandi, tiet vervreem-dlngsrochl; jus abellaqii, hel byenrectit; jus abslinéndi, hel rectil om liinnen zekeren tor-myn van oene erfenis af te zien; jus aceres-céndi, hot rechl van aanwas, do bevoegdheid om hel erfdeel van een medeerfgenaam, die bot zelve niet aanvaarden wil of kan, over te nemen; jus ad rein, het persoonlijk rechl tot iets; jus (ldrérsus ecclesiam, het recht van don staat, dat de kerk voor zyne rechtbanken recht neme en geve; jus adrocaltae, nw.lat. hel ho-schermrocht; inz. j. adeocahue eeclesiaslïcae, het rocht van den staat om de kerk te beschuiten; j. ui/qralianili, add lat. hel vorstotyko rechl dor begenadiging; — j. ulhif/uuïi, ■/.. ai-blnagium; j. atluviónis, het recht der aan-wlnners op aangeslibd land, recht van aanwas; j. unit/ui, archiefrecht, de op rechl svormoeden ilor echtheid berustende bewyskraebt van oorkonden; j. unticlirehcum, het rectit op hel vnichlgobrulk van pand; jus aquaedüctus, bet waterieidlngsrocht; j. avocandi, bet terugroe-pingsreclit {/.. a v o c (! e r e n); j. belli ac (of et) pacis, lal. hol rechl van oorlog on vrede; j. boscandi, rechl van den houthak; j. caesarcuin koizoriyk recht; j. cambiale of camlili, het wisselrecht ; j. canoiiïcum of jionlificuiu, hol geeslelyke of pausetyko recht; ook ka non lek recht, j. capiéndi, het aannomlngs- of ont-vangrecht (van erfmakingon); j. caiiénili, hel verhoedings- of afweringsrecht; j. circa sacra, rechten In bel kerk wezen; j. civile, bet hur-geriyk rechl; j. civilalis, het stads- of iiarger-rochl; j. eogéndi, het dwangrochl; j\'. collecldndi, bel inzamelingsrechl, do bevoegdheid om collecten le houden; j. commercfi, tiel bundeis-recht; j. commune, het gemeene rocht; j. rii/u-pascui of cominisccndi, het recht vaa gemeene welde op een stuk land; j. conqrui, rechl van naasting, van terugkoop, van Inlossing; j. con-nubfi, tal. bel recht lid hel sluiten vaa een geldig huweiyk; j. consuetudinartum, hel go-woonlercciil; j. controrérsum, een betwist recht; j. ennrendndi. hel medojaebirocht, de bovoogd-heid tol gemooascbappidyko jacht; j. coronac, bet rechl der kroon; j. criminate, hel lijfslraf-fetyk recht; j. decimandi, iiel llendrechl; j. ilenomindndi, recht van voordracht, het henoe-iningsrecid (lot oen i\\ml)l)\\j. de non appellando, hol roclit der onboroopetykheid; j\'. de nonevo-cdmlii, hel recht om alleen daar Ier rechtbank to verschijnen, waar men werkeiyk onderdaan is (vgl. evocatie); j. deportus of deportuum, hot recht van veie bisschoppen, van vacant worden prebenden do Inkomsten le trekken-, j. detractionis of detrdetus, iiel aflochtsrecht, rechl dat hotaaid moest worden iiy overgang van eigendom aan vreemdelingen; j. decolulwnis, z. de vo I u I ie-roe h 1; j. dispensandi of dis-peusulionis, bet rectil lot vrysleillng of lot ontbinding van pllelit; j. divïnum, tiet goddolyke recht; j. domimi, het eigendomsrecht; j. ecele-siashcum, bet kerkrecht; j. etif/éndi, het kiesrecht; j. emiqrdndi, hel rechl tol uittrekken naar bullen \'s lands; j. eminens, hol opperste recht des staats om desnoods op privaatrechten luhreuk lo maken h. v. bij onteigening, enz.; j. emphijleusros, gr. (\\gi. emp h y I eusis) het erfpaclitrectil ■, j. emporfi (vgl. o m p o r i u m), hot stedetyk recht, volgens hetwelk een tydlang de Ingevoerde waren opgeslagen en alleen aan burgers dier slad verkocht mochten worden; j. episcopale (vgl. episcopaal), het blsschoppeiyk recht; j. exclusive, z. v. a. excinslvo (z. aid.); j. feneslrarum, iiel vontterreclil; j. fetiale, bel herauls- of gezanlenrecht; j. feudale, mid.lat. hel leenrecht; j. fisci, lat. bet recht der staatskas; j. fruénili, hel rechl van vruclilgehruik;


-ocr page 680-

JUS G60 JUSTEEREN

j. nentium, hol. volkonrocht J. geranli, hol kraiinroohl; i. ueniianfruiii, mld. lal. hol duil-seho rochl; j. uladïi, hit. elf!. I»\'l zwaiii\'dri\'cht; roclil ovor lovon om iluod; j. uruliiic, mld.lal. hot vlotrochl, doch alloon hot rochl nlot-smmi-gohoiidon hiiul to vlotlon, vorschllloiid van j. raiïum, hol rochl om sainoriKOVooKd honl lo vlotten; j. htireililarfum of .vi/onwsionis, hot orf-rochl; j. liuiiKinum, hol monscholijk rochl; j. in re, hol zakciyk rochl, hol rochl, dal inon up eono zaak hooft, üondor opzicht dos porsoons; j. inlrüdue, hot rochl van don vorst om ovor-rclklnj! der poortsleutels van do hurjtors Ie verlangen; — jusjurandum, z. jaramént; jus .lusliniunciim, de door keizer .lustialaan verordende vorzainolhiK van oudo cn nieuwe roni. wellen en roeiden; j. manuanum, het vulsl-rechl; j. mcrcanlile, nw.lat. hol koopmansrechl, handelsrechl; j. mililarc, lal . hel krljusrochl; j. moittce casliuanili, hot rochl lot inatlgoslraf-fon; j. municiiiiïlv of tititniiijni, hot rochl eener landstad; j. naturae, het nalnurrochl of recht der natuur, hot togongost. van j. posilirum, nw.lal. de geziunonlUko rechten of vvetlon, die op de willekeur dos weigevers gegrond zijn; J. iwn srriiiliiin, lal. hel (ongeschreven) rochl der gewoonte; j. nccupdmli, hol toeeigonings-of in-hezll-nemingsroohl; j. hol kles-

rocht; j. imrliculare, het hyzondore recht, do Inheenische of inhindscho verordeningen en gewoonten, hel slads- en landrechl; j. pascéndi, hel weldorecht, drijfrecht; j. iiulrfac igt;olexlalis, het rochl dor vaderlyko machl; j. palroiialus of pal ronaal rochl, hel rochl der paslorle-hezetting, korkamhtsrocht; heschermrechl; j. pereynni, hol vroeindellngsrochl; j. personate, het persooniyko rochl of lud recht op oonen persoon; j. pinnnrdndi, het verpandliigsreohl; i. imnlifinuni, hel panseiyke recht; j. positi-rum, z. hoven J. nulurae; j. poslliminfi, z. p est 11 rn i n i n m; j. pruelatiónis, of J. po(ïm, hel vonrkeurrecht of hol recht lot voorkeur van hot eene hoven hel andore; — j. pruesenldndi of prucsenlaliönix, nw.lal. het voorslelllngsroclil tol amhton; j. praesidii, hel voorzlltersrochl; J. praevendndi, het rochl dor \\ (loijacht; j. jiri-mae noclis, lal. liet vornieende voorniallge recht van don groiidhezlltor om elke lol z.yn lyfelgen onderdanen hohoorendo hruld vóór haar huwe-1 ijk te onlmaagden; eigenlijk alloon gegrond op hel rochl van den heer, z.yne loesleiinnlng lot hel huweiyk Ie geven, derhnlvo veeleer een le holalon goldsoni voor de loeslemmlng lid hel huweiyk; J. printarum precum, hol rochl der eerste hedo; j. primi lin\'li, nw.lal. hol recht lol hol eerste hod hU veilingen; j. jirijiwf/eni-lurae, hol rochl der eerslgehoorlo; j. priva-lum, hel hyzondor rochl, hel hnrgeriyk rochl; j. prnponéndi, hel recht tot voordracht; j\'. zmi-limisins of prnlimesëos, gr. hel recht van voorkoop; j. provinciale, lal. hel land- of gevves-leiyk recht; j. publicum, het staalsreclil; j. quaesllum, een wolverworven rochl ;j. iiuiésrens, een rustend rochl; j. radiculum, een ingeworteld rochl; j\'. reale, ■/.. jus in re .■ j. reformandt, hel recht va;i den slaat om korkciykc Inrlch-lingen le hepaleii; j. rei/ule, hel konlnkiykc recht of in \'1 algemeen hel recht of voorrechi van den hoogsten hindsregenl ; j. relendonis, hel wei\'rhimdings- of hUliohoudingsrechl; j. retor-siónis, nw. lal. hel wedorvorgeldingsrochl nf vergoldingsrochl; j. separaliónis, lal. hel schei-dlogsreehl; j. slapiilac, mld. lat. de slapelge-rechligheid of hol slapelrochl, een rochl van verschillende koopsleden, om doorgevoerd wordende waren hy zich oonen lydiang ten verkoop op le slaan, alvorens z.y verder gevoerd worden; j. slalulanum, nw.lal. hel grondwel-leiyk recht; j. s/riclum of summum, lal. hel slipte, gestrenge of hoogsle rvchl; j. succedéntli nf sucsessiónis, z. j. Iierrdilarlum j. superio-rildlis, nw.lal. de souvGreliilleil, hel recht van do hoogsle rechtmaclil; j. lalionis, lal. hel wedervorgeldingsreehl, terugwerklngsrecht; J. lranslalivum,CKn overgeleverd, overgeërfd rechl: j. lulelue, hel voogdrechl, voogdyschapsrechl; j. uléndi, hel gchruiksrechl; j. venalionis, hel Jachlrechl, de Jaclitgorechligheid, wildhan; j. ricinilalis, hol nahmirsrechl; j. viiae el necis. hel rochl over leven en dood; hel hooge lyf-slralTeiyke recht; j. voedndi, hel heroepings-rechl, rechl om do uilspraak eener hooger rechlhank in le roepen.

jus, lurk. honderd; jus-basji, hoofdman over hondord, kaplleln.

jusque, fr. (spr. rjuusk\') iu\\ , jusqu\'d un ceelt!in paint (spr. :jttttskit un serien poaii) lol op zekere hoogle.

Juss., hij iialuurwetensc.h. henamingen afk. voor A. I.. de .Inssieu (gesl. IKIlli).

Jussie, f. lal. {jussw, van juhire, hevelen) hel hevel eens vorston; — jussu, adv. op hevel; jussivus of jussief, m. nw.lal. z. v. a. imporallvus.

jusle, adj. fr. (spr. zjuusl\'v. \'1 lal juslus. a, urn), juust, als adverh. justement (spr. zjuusl\'mdii, gom. ook juusleménl uitgesproken juist, nauwkeurig, precies, nel zoo; juisl nu. of Ihans; lililijk. rechtvaardig; jusle milieti, n. (spr. zjuusl\' gt;m-ljéii), hel julsle midden, inzonderheid de gemallgde politieke pariy In Frankryk onder Louls-I\'lillippe, door de legen-pariy spolteiulorwUs zoo geheelen; — jus-tease, f. (spr. tjü-sléss\') de juistheid, nauwkeurigheid; - justiliceeren, lal. (juslifiefire roclitvaardigen; veranlwoorden, verdedigen; ad jiislificdnduni, ter vergelyking en hekrach-tiging, Ier rechlvanrdlging; justificatie (spr. lie—lsie), f. nw.lal. de rechtvaardiging; verantwoording, verdediging; justiflea-tuur, f. de goedkeuring, li. v. \\aii eene rekening justeeren, nw.lal. (van 1 lal. juslus, z jusle) jolsl maken, richlen, afmelen, vereirenen-. ook ükeo, echlen of echl maken; justeerder, m. verelfenaar der mnnlen, yker; -justeerplankje, n. een plankje om hel walerpas jnlsl le slelleii; — justeervijl, 1 de \\ijl, waarmede h.v. munlen naar de zoogen.


-ocr page 681-

JUSTINUS 661 K

lPHt!(M\'s op i\'cnc Imlans veruclcki\'ii imi vercircnd worden; - justorium, n. liet vercircnliiKS-werklulB dor Ictlcrwlelers, «en ruclitliooklK lillk lol bcproovlnff vim de IiookIc dor lotlcrs.

Justinus, Justinianus, Justini-aan, m., Justine, f. lui. mnns- on vr.iiiiam; de rcclilviuirdlK.o, Kcrcchtfi; justiniaan-sche codox, z, corpus juris: na-Jus-liniaiinsch rcchl, hol ronicliischo recht oa de lydon dor \\vot((ovliiK van Justlnlaan.

Justitie (spr. lie—lsie), f. lal. {juslifia) do KorochllKhi\'lil; rochlshandhavliiK, rochlsplo-glnu, rochlsulldoolliK.\'; do roclilsprokondo overheid, hol Korochl, ftoreohlshor, do rechlliaak, vierschaar; jus/ilïa dislribulivu, f. de met de omslaadijiheden rokonlnfi hoiiileade, vereireiieiidc rechlspleKlriK; in legenstoliiiiK met jusliCtu rnni-mulaliva, de ahsoiiuil to werk gaande rechts-piettinx; Jusliltu n\'nnorum l\'uiulumcnluni, xe-reciitinheid Is hel randamonl der rijken (zinspreuk van l\'rans I van Oostenrijk); jus-titie-moord, het lor-dood-hrengon \\an een hosclialdlgdo door de fout des rechters hij niet hehooriijk hewezen misdaad; justitiarïs spr. -sli-lsi—), m. een gerechlsjiersoon, rechter; ook hel rechlskuiidlB mednlld van een college.

Justitïum (spr. sli-lsi—), lal. (voorj«-risIHfum, v, jus. genii, juris, recht, en .lisiéir, doen stilstaan, siuilea) ook juristitium, nw.lal. n de sliisland van alle gerechleiyke werkzaamheden, die door imilengewone voor-vullen, als oorlog, pest, iiardhevliig, enz. voor korten lijil kim plaats tn\'Upen; de reclilliank-vncanllo.

Justorïum, z. ond. Jnsleoren.

jnslus, a, hui, lal. rcchl vaardig, rechtmatig, recht, hohoorlUk, Jnlst; • Justus, m. mansn.: de rechtvaardige; — jnslnx imséssnr, m. do rochliiialige hezlller; — judo Icinporc, lal. to rechter tijd;—j\'iuV» lil/ilo, onder hiliijk voorgeven, reeiilmiillger wijze; —jushim ncrure reges llaliue, hel is rcchl, de koningen van Italië Ie dooden (devies van de carhunari (z. iild.| te llallii).

Justus, judex, z. II oh neer.

Jute, f (spr. zjuul\'; van hcngaalsi h chuti) de haslve/.els van (\'oichorus caiisutaris en f\'. nliloiïus, Iwce aan de linde vcrwunle pianlen in Oost-lodlc, oost-Indische hennep of vlas van Calcutta Inz. naar Kngeland en Noord-Ainerika iiitgevociil ca veel voor paklinnen, zeildoek, enz. gehrnikl.

Juust, z. juslc.

juvaiitfa, li. pi. lal. (v.jmv/cc, helpen, nmler-steunen) Mod. verslerkingsnilddcicii, die men lol versterking aan andere geneesmiddelen locvoegl.

Juvénta of jxivéntas, f lal. jeugd, jongelingslecflijil; iiij de Itomelnen de vergode jeugd; juvenaliën, n. pl. (jufennlïn, v. juveiuili.1, jeugdig) feesten Ier eero van die godin, door jongelingen gevierd, die aan haar de eerstelingen vao den uiliioltciiden haard locwijdden.

Juweel, n. (wciilclit nil perz. dsjuuliar: eng. jewel, iioogil. juwel, fr. joyuu, sp. jnycl, It. iiinjella) een geslepen cdclslcen, kleinood;

juwelier, ni. een koopman in juweolcn; ook wie edelslcenen, paarlen, enz. In goud en zilver zei, een juweelwerker; juweeltor [cunulïd iiiiiicrialix), de pracliikever in hrazi-ii(\', van het gesiaclit der oiiranljcs of snniltor-ron, een der sclioonsic dieren op aarde, zoo niel hel schoonsle.

jiuta en jintim. lal. daarnaasl, daarneven, naaslhij; — juxtaponeeren, lal. naast elkander plaatsea; juxtapositie spr.

-:i-l.iii\'), f. nw.lal. de iiaasl-elkander-plaalsiiig, aangrenzing; l\'iiys. de uiiwendige aanzelling, of liet loeneinen eens iichaams door aanzelling van hullen.

j ij suis el j\'u rcsle, fr. (spr. zji swi é tji rest\') Ik hen iiier en ik hlijf iuer (heroemd gezegde van maarschalk Mac-Mahon in den Ma-lakoftoren, isöö).


IK (*)

K, als iatynsch gelalleeken = iSli; K, ~ lüo.nnii; in mm. opscliriflca voor Ciicsu, Ier ondersciicidlng van Cajus; K. of Kul. af-korling voor kulcnilen, z. calendnei — Ka. (in almanakken) = kaasmarkt; K I. r. 11\'. — KoninklUkc Academie van Wetenscliappeu; Knp. — kapitaal, kaplilel, kapllciii; - K. II. — Knifihl {of the) lldth, kniglil; - Kt\',., ook KU. of K0. = kilogram; - K. U. - Knighl of the) Curler, eng. ridder van den kousehand; K. II. = kelzoriyke of koninklUko Hoogheid; —A7. = klasse; KM. - kllome-ler of mijl (1000 meter); K. M. = Kniqlil (o/\' Ihc) Miittii, z. knighl; K M. — keizerlijke of koninklijke Majeslcil ; KM- = vlerkante kllomeler of mijl; K. M. .1. = Ko-ninklUke Milllaire Veadcmle; K. v. M. = Koninklijke Nedcriandsche Marine; —A. v. r. c. = Konlaklyke Nedcriandsche Vachicluli; Kon., Kron. — Koningen, Kronieken (de hyiicihoeken ;

K. I\'. — Kniijlit {of) SI. Patrick, eng. ridder der lersche l\'alrick-orde; - K. /\'. — Kniulit {nf the) Thislle, eng. lidder van de scholsche distelorde; knti. = knidek; Ki/. — de staal Kenluckv In Noord-Amerika; K. \'/,. (op wissels) = kort zichl. — C.hcui. leeken K.


Cl ll\'nl tuin hirr nlvl ........ .......... /ml.m«-ii mnU\'r V.

-ocr page 682-

KA BIN KT

G62

K

= kiillüin; K. ;ils immtteokon vour Frankryk: Bonlciiux; voui\'OosIcm\'Uk; Kremnltz; voor hot vroegere Polen: Krakmi; in liet Dullsclio ryk: Straiitshurg.

K., hij tiiiluurwctensch. lionmiilngen afk. voor G. Kun zo (ui\'sl 1831).

Kaaba, f, (spr. ka-aba) nrnh. ka\'hah, d. i. ol(i. In \'I alKCinoun oen vlorknnt schouw, van ka\'h, leerling) Mohaineils vlerkante tempel te Mekka.

Kaag, r. oen nederl. vlak vaartuig, met éen schuinsehen mast en een lialven boegspriet, vocrenilc een sprietzeil en een of twee fokke-zellen, en mast, ilieneniie tot de vaart op de btmiearivlcren, tot het lichten der schepen.

Kuamah, f. soort anttlopo aan do kaap, harteheest.

Kaan, f. algemeene henamhig voor een riviervaartuig met vlakken hodem.

Küan, m. lurk. legorvorst.

Kaap, z. cap; — Kaapwijn, m. wyn van het Kaapland (Kaap de Goede Hoop); vgt. C o nst a nt ia w ün.

Kaapstander, m. ■/.. ca hos tan.

Kaart, r. (fr. carle, v. lat. rharla, papier) in het algemeen: een styf hiad papier tot ver-sehliiende doeleinden, 1«. v. eene visite-kaart, entree-kaart enz., inz. speelkaarten, he-schtlilorde speelhiaden, naar men wil, ullgevon-don In de tide eeuw ter verstrooiing van don zleiskrnnken Karei II van Frankrijk. De i kleuren heteokenen de i standen der liurgermaal-schappU; meur, hart, in plaats van rhneur, koor: de geestelykheld (In Spanje en Italië door een ki\'ik, cnppn, uaiigednid); pique, ianspunl: adel en nilllialren (II. zwaard, spada, hU ons vvaar-schyniyk mei spade verward en thans schoppen genoemd); catreau, ruit voor (ttainaiit: de handworks- on handeisstiind (it. geld, danaro)-, Irè/le, klaver: de iioeren (II. kmijipei, bnslnne). Verder heteekent kaart: schels, ptanteeko-nlng, h. v. landkaart, eene geographtsche afbeelding der aardoppervlakte of van een deel daarvan; hemelkaart, afhooldlng van den slerreahemel; z ook carta, carte en charta; kartograaf, kartomantie, z. char—, onder charta.

Kiiawy, m. turk. een sterke drank uit gerooste tarwe of maïs bereid.

Kabiichon, n. nw.gr. een lange overrok der gr. vvereldiyke geesteiyken.

Kabak, m. rnss. oen bier- en hrandewyn-huis, eene herberg of kroeg In Uusiand; als verklw. kabatsjók, m. kroegje.

Kaban, m. een gewicht op de Molukken = 4S} kilo.

Kabardynon, pi. tiet tsjerkesslsche paardenras uit de Kalmrda in bet land der Cir-cassiërs aan de noordzyde van den Kankasus

Kabaro, eene handtrommel iter Kgvpte-naars en Ahvsslnlfrs.

Kabasjir, m. bet hoofd van een kanton op de Slavenkust In Guinea; de opziener oener negory.

Kabbala of kabbalah, f. (bebr. kab-hdlah, overlevering, ontvangen leer, van kiihal, arah. knbalu, aan-, opnemen) de mondeling voori-gepiante leer der joden, gelieimenlsleer, gehei-menlsvvystield der ratibynen; ook het bowys van bevoegdheid tot veesiachtea, door de rahbynen na afgelegd examen afgegeven; onder de christenen In de middeloonwen: het misbruiken van zekere hyiielvvoorden met magische bodoeling; ook de voorgewende kuiisi om door getallen-vergetyklag en berekening de toekomst te bepalen; - kabbalist, m. een joodsch gehel-menisleeraar; kabbalistisch, adj. met die overieveringsleer overeenkomstig.

Kabeljauw, m. (door omzeiling v. \'I sp. bacallun, bask, bacaillaba, v. noordamerik. oorsprong) een bekende zeevisch, die, gezouten, a herdaan (doorgaans la herdaan of lah-herdaan) en, gedroogd, stokvisch beet;

Kabeljauwschen, z. Hoekse hen.

Kabellengte, f. eene lengtemaat der zeevarenden = 120 vademen.

Kabers, pi. kinderen uit iethtoplsch en mulalsch bloed.

Kabeski, m. eene kleine perz. munt, omtrent = I cent.

Kabiai, z. ka pvhara.

Kabilen of Kabylen, m. pl. (arab. iie-teekent: volksstammen) de naam der talryke volksstammen, die den Atlas bewonen; ook z. v. a. Berbers, z. Herberye; naast de Arabieren de ialrykste volksstam in N.Afrika, vvaarschynlük de afstammelingen der oorspron-keiyke bewoners van dit land; in Marokko noemen zy zich Amazirgb, in \'I\'lmis en Algiers K ba III.

Kabïn, n. arab.-perz. iiy de Turken en Perzen een huwoiyk, dat voor een bepaalden lijd wordt aangeguaii; ook hot weduwgeld voor weduwen van turksche pasja\'s.

Kabinét, n. (fr. cabinei, spr. —«é, verklw. v. cabane, z. aid.; v. a. van Imldlat. cnrire-hun, van cavum, hol) een klein vertrek of hy-kamertje, arbeidsvertrek, do vorstenkamer, geheime kamer; de vereeniglng van de voornaamste ministers van oenen vorst; In engere be-tcekents de vorst zelf met zyn persooniyke raden en medearbeiders (In tegenst. met de mi-nisleriBii); ook de regeering, inz. ten opziciite van bare iietrekklngen met het buitenland -. eene kamer ol verzameling van natnur- ol kunstvoortbrengselen, b. v. kabinet van m u n I e n, v a n schil d e r ij e n, enz.; nog draagt dien naam eene grooto, inoosial fraaie kas!, weleer hel beste stuk huisraad In Nederland; — cabinei de leclurc, fr. looskablnet, eene io-rlcbllng van onzen tyd. waarin men voor eene kleine geldeiyke hiidrage de dagbladen, maga-zUnen, maandwerken, brochures enz. kan lezen of ook ze huren kan, om ze naar huls mede te nemen; — cabine! d\'aisance (spr. —désaiis\'. geheim gemak, boste-kamer; — cabinels inodo-res (spr. kabinè-tinodonr), water-closets, renkelooze beste-kamers (Inz. in groote steden


-ocr page 683-

KABIR 663 KAHAU

voor hol publiek logon l)otallng Ingorlclil); — kabinets-order, f. oono vorordenliKi, die onmlddolltlk van den vorst uIIkiiiiI ; — kabi-nets-koerier, in. koerier lo dienst der re-Koering; — kabinots-quaestie, f. een vrnaRstuk, van welks hesllssliiK het aanhiyven van het ministerie arhaiiKt; — kabinetsraad, m. vergaderlnK der ministers; — kabinetstuk, eon voorwerp uil oeno verzameling van kunstwerken of natuurproducten; iels uitmuntends in zyne soort.

Kabir, m. oral), (oig. groot) eene munt van omtrent 3 centen; - kabiren, pi. (gr. kdheiroi) geheimzinnige godheden, die in Egypte, l\'henicie, Kiein-Azië on (Irlokoniand vereerd werden en geheime en geduciite natuurkiach-ton voorstelden

Kabkab, in. arah. som t houten schoen of holshlok.

Kablai\', m. serv. kuiper.

Kabo, m. sp. knap.

Kabriool, kapriool, capriole.

Kabsa, turk. greep, gevest van don degen.

Kabuis, f. (verwant met ka hi net, call an e) een klein vertrek, inz. op schepen, ter horglng van voorraad (vandaar ka hulskool); een hutje, kamerije, hok; de scheepskeuken, z. k o m h u i s.

Kabylen, z. Ka h li en.

Kachoxie, f. gr. (van kakos, slecht, en hexlx, toostund, v. échein, helilien, houden, zich hovlndon) Mod. de ongezondheid, de ziekelük-heid, de kwaadsappigheid; kachóktisch, adj. ziekelUk, hloek en opgezet, kwaadsappig;

kachoktïcus, m. een ziekeiyk menscli, iemand, ilie aan kwaadsappigheid lijdt.

Kacholóng, kasjolong, m. z. cacho-1 o n g.

Kadaster, n. (mid.iat. cnluslmm, calas-lum, It. ralaslro, cataslo, fr. radastre, hoogd. kalaxU\'r, saniengetr. uit liet mid.iat. capilras-Ir ui tl, v. caput, lioofd) het openhaar register, inhoudende den slaal der onroerende goederen, om daarop do belasting op de eigendommen Ie gronden; schattingsregister, groothoek, erfregis-ter; kadaatreoren, in hel kadaster hren-gen, In het groothoek schryveii; -■ kadastraal, aiij. wal lot hel kadaster hehoorl; kadastreur, m. die het kadaster maakt, landmeter.

Kaddareh of kaddor, n. lurk. een kort, recht z.ydgoweer der spa his (z. aid.)

kaddisch, z. kadlscti.

Kadelieten, z. Kadri.

Kadeoen, f. turk. eene slavin van den (Irooten Heer, een weinig hooger in rang dan de O da lisken.

Kadet, z. cadet.

Kadi, in, arah. (partlc. van kaïlnj, lieslui-ten, heslissen, richten) een rechter, omlerrech-ter of vrederechter hy de Turken en de volken van mahomedaansch geloof; kadi-el-asker, kadi-leskiör, de heide opperrecli-ters in Turkye, na den groot-vizier en mufli.

Kadimi, pi. arah.-perz. de »vroegerenquot; eene sede der l\'arzen In Indie, die allo feestdagen 110 diigon vroeger vieren dan di^ Ka si mi.

Kadisch, kaddisch of kadosch, helir. het gelied voor do afgestorvenen hy de Joden.

Kadizadelieten, z. K a d r i.

Kadmia, f. gi. [kmlmin of kadmeia, scii. (je, d. 1. kadmische of thehaansche aarde) een steen, waaiult koper wordt gewonnen, koper-erts, kalamynsleen, zinkerls, galmei; ook ko-hail; - kadraiologie, f. de leer van de aanwending des koliaits; — kadmïum, n een iilinkend wil metaal, naar zink gelykende, door Her in a n n en SI r o m e v e r in ISI7 getyk-tydig In het zink ontdekt, hetwelk met zwavel verhonden (ais kadmiumsnlfureet of zwavelkad-mium) eene schoone gele sclilldersverf, liet zoogenaamde hrIIJao 1 geel of kadm 1 umgee 1 levert.

Kadmos, m. gr. or Kadmus (lal. end-mus, wiuirsch. v. \'I hehr.-plKenlc. kédem, oost-land, arah. kidm, oude tyd, AiVfma, voor tyden, voorheen) een fahelaclitig pliOMiiclsch vorst, hroe-der van liuropa, stichter van Thehe en invoerder van het letterschrift in Griekenland; zyne genialin was Harmonin, eene dochler van Mars en Venus.

Kadri, Kadelieten of Kadizadelieten, m. pi. (arah. kadri en kadaryat, v. kudr, machlig, door (lod hepanid) eene strenge godsdienstige iiiohanieilaansche sede, leden eener lurksche gestrenge inonniken-orde, geslicht te Bagdad in I liii door A h d u t-K a d e r-(l u 11 a r v.

Kafer of kefir, m. turk. een ongeioovige, z. kaffers.

Kafes, turk. (van \'I arah.-perz. kafes, ka-fas, kooi, tralie) «de tralievensters van den harem; de slnalsgevangenis van de zonen lies sultans.

Kaffa, ii. eene soort van Indisch bont katoen.

KalFar of kalfaro, n turk. (v. \'t arah. kaf arah, hoele, zoen tol, cyns, opiirengsl, Inz. de lielasling, die in Turkye de daar gezeten cbr. kooplieden moeten hetalen, wanneer zy waren van Aleppo naar Syrlé verzenden; ook het inlreègeid der chriitQupelgrlms aim de Turken in .leruziileni.

Kaffas, pi. arah. ikn/fiih, ka/fnf of kacjfal uil palmtakken vervaardigde gereedschappen in \'l Oosten.

Kalfeïne, z. oud. koffie.

Kalfers, m. pl. (v. hel arah Avi/Ï;\', een ongeioovige, niet-mahoniedaan, van kaf ara, onge-loovig zyn, (lod loochenen; vgl. k la fir, c a-fard. geheren en glaur) een krygszucb-lige, wreede volksstam in Z.Afrika.

Kafflla of kaflla, r. araii. een reizend gezelschap in Indlö, karavaan.

Kaftan, m. lurk, (knflAn, russ. kaftan, fr, cafélan) een eerekleed der Turken, lang overkleed, lurksche overrok.

Kahau, z. II a n I a g a n.


-ocr page 684-

KAKOCHOLIK

KAHOEANK

064

Kahoeano, ka waan. caictschlldpad (z. c a r c 11 o).

Kahwe, arali. de kolllo; do winkel, waar men /.c in het Oosten verkoopt, ooslcrsch kof-lielinis; kahwedsji, m. kolllezettor.

Kaid, in. arab. /. v. a. alcalde (z. aid.)

Kaïk, n. of ka\'ike, f. (turk. kdik, nw.gr. ktiiki, hoot, hark, it. caicco, sp. caique, tr. caïc of raiV/ue) een iichto turksche kustvaartier (v. 1—7 paar riemen), ovenelhoot, een Kaleisloep;

— kaïktsjis, in. pi do roeiers op de kaïks.

Kaïm, in. link. (v. arah. kalm, staande)

de koster in iltt moskeeën-, kaimükaiu, m. turk. {kdtm-makdm, v. \'t arah. kdtin, staande, en mukdm, oord, ptiiats) een plaatsvervanger, inz. de gehelmseliryver en plildisvervaiiger van den Kroot-vizier In Turkye; ook de plaatsvervanger van een tataarschen vorst; —kaima-kani, een lijn Indisch linnen.

Kalman, in de taal van Guyana, z. alligator.

Kaimêh, n. turk papieren geld.

Kaïn, m. heiir. naam (v. kójin, toon; lans);

— kaïnieten, m. pl. eene dweepzieke secte der 4de eeuw, die een zedeloos leven leidde.

Kaïniet, n. gr. (v. kuiiuis, vreemd, nieuw) een uit zwavelzuur kali, zwavelzure Idtleraarde, chloormagneslum en water heslaand laineraal.

Kiiit, m. ind. schryver (als afzondorHIkc kast c).

Kaj, in. russ. grog (z. aid.) en dorgelUke drank.

Kajak, f. een groenlandsch vaartuigje, dat zeer lang en smal Is, met éene opening in het dek. waarin juist een man past.

Kajepoot of kajeput-olie, n. rnaleiseli (van kdjoe, hooni en imelih, wil) eig witlioom-olie, eene kostbare ictherisclie olie nil de hla-deren van den kajapoethooni (Mrlalcuca cajepuli) in O.Indli!.

Kajasse, f. eene soort van turk. seliepen van mlddellmre grootte, met laag lioord.

Kajoe, z. eajoe.

Kajuit, f. (Iioogd. kajtlle, zw. raju/a.- fr. cahule, ondfr. chahulle en cahuelle, hut, v. \'1 armor, kaouéil, kooi, kouw, walliscli caued, gesloten, van eau, sluiten) de seheepskainer, het verhiyf van don scheepskapitein en ook der voorname passagiers; de vertrekken voor passagiers op stoomhooten enz.

Kakeesthösis of kaksesthese, f gr. v. kakns, sieelit, en iBsthesIs, ■/.. aid.) zie-

..............................gevoel; kakompha-

ton, n. eene verkeerde, gebrekkige en Inzonderheid eene onwelvoeglüke, dubhelzinnige uitdrukking.

Kakalexeterïa, n. pi. gr. (v. kakns, en dh\'.t\'cin, afweren) Med. middelen legen kwaadsappigheid.

Kakao, cacao, f. mexikaansch {kakn-uall) de zaden of lioonen van den ecliten ka-kaoboom {Theohrnmu cacao) In W. Indië, uil welke de ehocolade wordt lioreldt; — kakaoboter, de gezuiverde olie, die men uil de gerooste en lljngewreven kakuoboo-nen trekt; z(| heeft, gestold zijnde, do Hjvlg-lieid van talk en wordt niet licht rans; men gebruikt ze In de geneeskunde en tol liet maken van ca cao-zeep.

Kakas, 111. hong. (v. kdku, linze, bus) geroosterde maïskorrels, een geliefkoosd gerecht in /evenliergeii.

Kakatoo of kakkotoe, m. mateiscii {kaka-toewah, d. 1. uyptang, naar den vorm van zyn bek) de witte boscil- of grot-papegaal mei een kuif op den kop, in O.lndit!, Inz. op {Ie Molukken en iNieuw-llolland.

Kakómphaton, z. oud. kak ai thesis.

Kakiatokratie (spr. tie=lsie) f. (oen nieuw gevormd gr. woord als tegenstelling van a r Isl okra 11 o; van hel oudgr. kakislos, do slechtste, superl. van kakos, sicclit) de heer-schappy der slechtstcii.

Kakkerlak, m. (zuid-amerik. kakerlakki) eene soort van liehtschuwe verslindende luseeten in /..Amerika, ook la rok au golioeteu, eene in Nederland bekende huisplaag, vooral in streken, waar zij door schepen aangehruchl zijn (lllulla); lichlscliuwe menschen, z. al-b 1 n o s.

Kakketoe, z. kak aloe,

Kakma, lurk. gedreven werk.

Kakochoho, f. gr. (v kakós, sieebt, en cholc, gal) Vied, de sleclilo lioodanlgheid der gal, liet galbederf; kakochólisch, adj. daaraan lydend of daaiuil voortsprnitend; — kakochrooe, f. oiigunslig nilzlchl, zleketyke huidkleur; kakochylio, f. de slechte lioe-danlgheld van de chyi, van hel melk of voe-ilingssap; kakochymiG, f. de gebrekkige bereiding van de spijspap In de maag, de zle-keiyko toestand der voelden; — kakodsc-mon, in. oen hooze geest; kakodsemo-nio, f. oiigelukzallgheid; hozetenbeid door hoozo geesten, razernij; kakodoxie, f. slechte naam, ongnnstlge bekendheid, kwade faam; — kakodyl, n. eene uil koolstof, waterstof en arsenlcuni samengestelde grondstof, welker oxyden de alkarsine of liet kakodyl-oxydo en het alkargenium of kakodyl-z u n r zyn; kakoêthes, n. Med. eene on-geueesiyke kwaal, inz. eene kwaadaardige zweer; lig. eene onbedwingbare gewoonte, zucht, Inz. de schrijfzneht; — kakogalaktie (spr. I=s) of kakogahe, f. Med. de zlokelyke ge-steldholil van de melk; - kakogamie, r. het kwaiyk gepaard buweiyk;— kakogra-phie, f. (Irani, hel schryven tegen de regels der taal, de siochlschryvlng, In tegonstoiling van orIhographie, f. rochtsciiryvlng; — kakoknëmos, m. Iemand met dunne kuiten; kakokratie (spr. lt;=lt;«) f, de sleclilo regeering; — kakométer, m. Phys. een luclitbedorfmeier; vgl. end lom ter; — ka-komorphie of kakomorphösis, f. misvorming van organische iicbaanisdeeien; — kokonyehie, f. (v. nnyx, nagel) Med. eene, zlekeiyke gesteldheid van de nagels; - kako-


-ocr page 685-

KAK0SJN1K

(iOf)

KALKS

pathie, t. onlstoimlhelil, (IrocrnoostlKhcld, z\\viUiiinoodl(!li(!lil, zwaar zlelsv(M(lilot, harlzcor; kwciiyk-lievlnilcii; kakophilen, m. pl. vrienden van het kwade; — kakophonie, f. Muz. en Lok. do kwaudluldendlield, wanklank; slechte stem, slechte uitspraak; slechte voordracht; — kakophonisch, adj. stechl-luldend, wanluidend; kakophrasie (spr. «=«) f. slochte nltspiaak, kromtaal; kako-pragie, r. Mod. storing van eone of moer organische vorrlchtlngen en voornamoHik van de spijsvertering; kakorrhachitis, f, ziekte van de ruggograal, vooral door Inwen-dlge oorzaken ontstaan; kakösis, (. kwade behandeling; een ongezonde toesland iles II-chaams; — kakositie (spr. lt;=lt;.?) r. afkoer van spys; — kakoskopos, ni. la de gr. kerk de goesteiyke opziener over de overige (teesteiyken xcdnreiide den godsdienst; — ka— kospermasio, f. slechte hoedanigheid van het zaad; — kakosphrasie, f. kwade reuk, Inz. uil den mond, slinkende adem: kako-sphyxio, f. onregelmatige pols; kako-splanchnie, f. Kelirekkige gesteldheid der Ingewanden en daaruit ontstaande slechte spüs-verlerlng; kakostomachus, m. icinaml met zwakke maag, een slechte spysverleerder;

— kakostomie, f. slechte ullspraak; ook z. v. a. sl onia ka ce; — kakosynthëton, n. (Irani een gebrekkig samengesteld woord;

kakotechmon, n. .Inr. waanzin met verholen boosaurdigheld; kakothymie, f. mismoedigheid, neerslachtigheid; stoornis van de verstandeiyke vermogens; kakotrichie, f. eeno ziekelijke gesteldheid der haren; dun-harlgbeld; — kakotrophie, f de slechte voeding; slechte gesleldheid van het voedings-vocht in hol menscheiyk licbaani; kako-zelie, f. de verkeerde Ijver; hlhide, dwaze, ontydige yver; hel navolgen van verkeerde dingen; kakozëlon, n. wansmaak In het navolgen van slechte voorbeelden of modellen;

- kakozëlos, m, een onbekwaam, onhandig of ongehikkl»; navolger.

Kakos.jnik, m. russ. (v. kókol, liaan, fr. coq) de hoofddoek, do eigenaardige lioofdlimi iter russ. boerinnen in den vorm van een lia-nekam.

Kala, kale, f. arab, slot, hurg, kasteel dikwyis in plaatsnamen voorkomende).

Kalaiët, m, gr. (kdluïs) een bianwgroeiiu edelsteen, eene soort van turkoois (z. aid.)

Kalara, m. (v. \'I gr. lialuinos) hel schryf-rlet, waarvan zich ile Oosterlingen In plaats van eene pen bedienen; kalamieton, pl. versteendo pypgowassen.

Kalamaïka, f, oen dans der Karpalhi-scbe Slavonea,

Kalamanderhout, eene by uitstek harde, zeer zeldzame en seboone hontsoorl op hel eiland Ceylon.

Kalammk of sameimelr. kalmink, n. (mid lal. calumnncus, camclaucus, nw.gr. kn-mclaükion, eene hoofdbedekking of een kleed van kemelshaar; sp. ralamoco, eng. cnlainanai, fr. cuhmnulc, hoogd. kulumank, kalmank) eene bet eerst in lirabant vervaardiKde wollen slof, aan de eene zijde geglansd als saiyn, meer gestroopt dan geliloomd.

Kalamijn of kalamijnstGen, ook kalmoistoon, een zinkeris, iiesiaande uil koolzuur-zlnkoxyde, galmei ivgl. kadmla ; vroeger ook In ile geneeskunde onder den naam van kal my gehozlgd.

Kaland, m. (v. bet lat. culénduc, do eerste dag der maand) In de lilde eeuw eene broederschap van vrome Heden, die op den eersten dag van elke maand byoonkwamen, en welker leden kala n d sh rood e r s of kala nd s-iieeren genoeind werden; later onderscheidden zij zich meer door brassen en zwelgen dan door vroomheid; vandaar heel nog In Duitsch-laml eene fecsteiyko smulpariy. inz. bijilejaarl. hUeenkonisten der geesleiykheid, eene kiiland, en beteekenl kalandeoren z. v a. smullen, brassen, zwelgen.

Kalander, kalandrooren, z. ca—.

Kalandizio, z. ond. c li a I a n d.

Kalankas, pi. it. cnlancd, fr. calennir, calencas) eene soort van oostlndlscb gedrukt katoen.

Kalant, klaat, z. chaland.

Kalarasj, m. turk. een wallaehvsehe renbode.

Kala8j(e), f. russ. dracht slaag.

Kalatsjen, z. kolalsjen.

Kalcedoon, z. chalcedoon.

Kale, turk. vesting, dikwijls voorkomende aan hei begin of einde van plaatsmimen aan de Zwarte zee; vgl. kala.

Kalebas, z. ca la bas.

Kaledonië, z. Cal

kalefateren, z. kalfateren

Kaloidoskoop, m. gr. iv. kalos, schoon, eidos, tieeld, en skopcin, zien, beschouwen) een sehoonheldskyker, een door l)r. Krewster te lidinburg uilgevonden kyker, die eenvoudige, daarin gelegde vooi werpen aan het oog in on-elndlge getallen en regehnallge geslallen, hij de geringste beweging afwisselend voorstelt; ook m \\ r I o m o r p h o s k o o p genaamil; pho-nische kaloidoskoop of kaleido-phoon, m. een door W h e a 1 s t o a e uitgevonden werktuig, waardoor de tot voorlbren-glng der lonen gevorderde trillingen voor\'1 oog zichtbaar geniaaki worden.

Kalem, turk. (v. lal. ealamus) schryfpen; kantoor, bureau.

Kalender, 1) z. calender, onder ca-1 e n d ie.

Kalender, i) of kalendri, z. eaten d r i.

Kalos, f. fr. culfrhe, 11. ralesse, calessn, sp. mlexa, oorspr. een slavonlseb woord, bob. knlesd, verklw. koleska, poolsch ko/a.srt, verklw. kolaska, russ. kolidsku, serv. knlilsa, verklw. v. kola, wagen, eig. plur. van knlo, rad, slav. knln, pl. knlesd, rad, russ. knlosn, dus elg. oorspr.


-ocr page 686-

KALAWALA

KALOMKL

radorvoertulg) oen liHlfwagon, ccn lichte open rolswagon.

Kalawala, n. (d. I. laml van ilon Kalowa (if Finland) naam van hut uil oiiKevoor -2:1,(1110 vorzon hestaando llnsclic nationale holdomltchl, dal oenwen achtereen door mondelinge overlevering In Karellë hewaanl bleef.

Kalewi, m. staulslolulliand der viziers enz.

Kulfach, m. turk, z. v, a. kwartier-moester.

Kalfakter, z. v. a. ca Ie fa cl or.

kalfateren, kalfaten, kalefateren,

(v. \'t fr. mlfaler, calfeulrer, provenc. rnlufHlar, calefalar, oudsp. en port, calafelar, II. nilufa-hire, calefalare, mld.gr. kaluphaltin, nw.jtr. ka-laphaliilzein, v. \'1 arah. kulnfn, reten met mos of palmvezels stoppen, lurk. kul fat, werk lot hel stoppen der scheepsnaden) schepen waterdicht maken en herstellen, do naden en reten met werk dichtslaan (breeuwen), en daarna met pek of teer overstrükon; — kalfatóring, f. de dichtmaking en herstelling van een vaartuig.

Kali, n. arah. (v. knhij, In de pan smoren of bakken; vgl. alkali) het zonlkruld, de zout-slrulk; het uit asch van deze of andere planton bereide loogzout (alkali), plantenloogzout, potasch, een verbinding van kalium en zuurstof, dus = ka 11nmoxydo; — kali acelïcum, azijnzure polascli; k. boruxsirum, bloedloog-zout; k. cartinn/cum, koolzure p.; k. raustirum, butende p., kall-hydraal; k. caitslTrum fusum, gesmolten, In kleine püpeu gegoten hytende p.; k. hydrorhlorirum, of k. muHaltrum, kallum-chlornnr of chloorkalium, vroeger zoutzure p. genoemd,eencverbinding van kalium met chloor; k. nitrirum, z. v. a. salpeter; ft. oialirum, zurlngzure p.; ft. .tuliihurOlum, zwavel-p.; ft. sulphwïcum, zwavelzure p.; kalihydraat, ii. arab.-gr. de chem. verbinding van do polascli met water; kalinisch, adj. polascli-hondend, zich als potasch tot de zuren gedragend; kalipicraat, n. een Inz. voor on-derzcosch gebruik te l\'arüs vervaardigde ont-plolfende stof; — kalium, n. nw.lat. de in IS07 door Humphrey Davy ontdekte metallische basis van de potasch, potassium.

Kaliber, z. caliber.

Kalibógus of kalibókus, m een ame-likiiansche drank uit rum en uil hier van den canadasehen mastboom bereid.

Kalif, z k hal if, — kalium, z. oud. kali.

Kalin, n. Chem. mengsel van lood, tin, koper en zink om daken te dekken.

Kalk, m. skand. kelk.

Kalkan, m. lurk. schild.

Kalle, f. Joodsch-diiltsch (v. \'t hebr. kalldh) eene bruid.

Kalli, f. hg do Zigeuners of Heidens; een meisje.

Kallieesthetika, f. gr. (v. kdllos, sclioon-held) de leer van \'I gevoel voor het sclioone, het onderzoek van het welgevallen In het sclioone;

— kalliblepharon, n. oen middel ter verfraaiing van de wenkbrauwen; — kalligraaf, m. een sclioonschrUver; — kalligraphie, f. do sclioonsctuijfkunst, het sclioonscbrljven; — kalligraphisch, adj. schoongeschreven; — kallilogie, f. de kunst van fraai te spreken, do welsprekondlieid; ook: de leer van hel sclioone; — Kalliópe, eene der negen zanggodinnen, z. M u z. e n; — kalliópsis, f. de sohoonoog, een slorplunt uit Noord-Amerika;— kallipeedie, f. de kunst om sclioone kinderen op te voeden; het bezit van sclioone kinderen;-kallipsedopaoïe, f. de kunst van sclioone kinderen te telen; — kallipygos, m. en f. die sclioone billen heeft, een bünaam van Venus; kallisthömon, m. de schoon-draad, eene sierplant uil Nicuw-Holiand; — kallistheme, f. de volkrachtlgheid; de lichaamsoefening tot verhooging der kracht en sclioonheld, inz. voor jonge meisjes; —kalli-techniek, f de verfraallngskunst, de kunst van sclioone voorstelling.

Kalliste, gr. vr.nnam: de schoonste.

Kallologie, f. gr. (v. kallas, schoonheid de leer of wetenschap van het sclioone; — kallopistrie, t. of liever kallopisme, n. (gr. kallópismns, kullópidzein, sieren, opschikken) ite verfraallngskunst, de kunst \\aii op te sieren, op te schikken.

Kalmank, kalmink, z. kal am Ink.

Kalmei, z. oud. kalamyn.

Kalmus, m. (van \'I gr. kdlamns, lal. ra-hïmus, riet, bles) zeker kruidig rietgewas ((Vi-lamus uromalicus, L.) en inz. de als kruldery en geiieesmiddei gebruikte wortel.

Kalmük, u. fr. (ralmouc) haar- of rntg-doek, langharig doek (zoo genoemd, dewijl de Kahnukken mantels van zulke grove slof dragon).

Kalmükken, m. pi. (In hunne eigen laai Khalimik, d. 1. afvalligen, een naam, hun door hunne tataarscho naburen gegeven, ook OKiot, lil oei lis of lileoeten genaamd) een tot den mongoolsclien stam hehoorend volk In Hinnen-Az.le, dat, In vele horden verdeeld, een zwervend herdersleven leidt.

Kalobiotiek, f. gr. (van kaïns, schoon en liincn, leven) de wellevenskunst, de kunst om eon aangenaam of fatsoenHjk en zedelijk goed leven te lelden; ook: de kunst om bet leven zóo op te vatten, dat men hel als een geluk kan beschouwen.

Kalogeri, m. pl. nw.gr. (d I. elg. goede oude mannen) grleksche monniken; -- kalo-gerae, pl. grleksche nonnen.

Kalokagathie, f. gr. (v. kalos kai «««-thns, d. 1. schoon en goed) zedelijke schoonheid, zlelegoedlield; rociilsciuiponlieid, roudlior-stlgheld.

Kalomél of kalomélas, m. (de geneesheer Theo door M agonie werd In zijne bewerking van het kwik door een jongen schoo-nen neger geholpen, ter wiens eer hij aan zijn pra\'paraat den gr. naam gaf van kalos melas, d. I. schoon zwart; later heeft men dat melas


-ocr page 687-

KA LOM KT HIK 607 KAMER

tot meli, mei, lionlt?, ovcrRebracht); liet ver-zoolo kwik, oono vorhlndlriR van kwik met chloor; vanduai\' ook k w Ikz 11 vor-cli I or u u r, n. con zoor kraclitlR Ronoosmidtlol (vrootfor niet don zin dor woordon ovoroonkomondo; aethiops merciurialix, kwlkzllvcrmooi).

Kalometrie, f. «r. do schoonholdsmaat, sclioonholdsniotlnK, do loor van do Rradon dor schoonliold In do kunsten, do loor van de oven-mant.

Kalophyllum, n. nw.lat. (v. \'t gr. kaïns, schoon en plifjllm, hlad) hot schoonhlad, naam van vorscheldon Indische hoomon.

Kalopodiën, |il. gr. (v. kalon, droog houl en poes, voel) houten schoenen, holshlokken, klompen.

Kalospinthechromokrëno, heter kalospintherochromatokrcne, f (v.

\'t gr. kalos, schoon, s/iinihrr, vonk, chroma, kleur, krciië, hron) oen vonkenkleuronsprlng-hron, een door verschillend gekleurde vorllch-llng als vonken blinkende springbron.

Kalotypo, f. gi\'. (v. kaïns, schoon en If/-pos, in- of afdruk) liet gewrocht dor kalo-typie, f. d. i. de door Taihot uitgevonden handelwijze om lichtheeldcn voort te brengen op (chemisch bereid, zoogenoemd k a I o I y p I s c ii) papier, z. v. a. I a I b o t y p I e en iibdtogra-phie (z. aid.)

Kalpa, lnd. Myth, een dag en een nacilt van lirabma, d. i. oono tydriilnilis van iltin mliiloon Jaar, die mol do vorniotlglng der gan-sche sciiopping zal eindigen.

Kalpak, m. lurk. (kalpak, hong, kalpaq) de turkscbo of iiongaarsclie pelsmuls, inz. dor huznren.

Kalt., iiü nuluurwotensch. honnmingon afk. voor Kaltenbach (gesi. isquot;il).

Kalypso, f. gr. Mylh. eene nimf (i|) bet eiland Ogygia, waar zy den aldaar schipbreuk lijdenden Ulysses opnam en hem 7 Jaar verpleegde; Aslron. een In. IS5S door Luther ont-(loklc asteroïde.

Kalypter, m. gr. (v. kalyplein, ombnilen) Hol. het huikje, bet dunne kapvormlge vliesje, dal het deksel (opcrritlum) bokleedt, waarmede de zaaddoos der liladmossen voorzien is; het deksel, hulsel, do kap; kalypterion, n. bedekkings- of omhullingsmiddol, deksel; kalyptrieton, m. pi. eene soort van versteende slakken.

Kalyx, m., liever f. gr. kelk, bloemkelk.

Kamarönm, n. gr. (v. kam ar oen, welven, en dil v. kamara, gewelf) Oblr. eene gewolfde schedelbreuk; kamai\'ösis, f. de vorming eener zoodanige breuk; ook die breuk zelve.

Kamaschon, f. pl. hoogd. (spr. —sjen fr. iiamarhes, v. \'I oudfr. i/amhe voor jambe. It. fiamha, been) slobkousen, knoopkousen, over-kousen; knooplaarzen zonder zolen; — karna— schendienst, soldatendienst in vredeslUd, Inz. in zooverre daarbü mot kleingeestige gestrengheid op bot uitorlUkc gezien wordt.

Kamea, f. oen amulol hij de Joden, bestaande In een pergamenl met een toovorfor-mulier in hel chaldeouwscb.

Kameel of kemel, m. (gr. kdmêlos; v. \'t hebr. ndmal: arah. dsjaml, sanskr. kraméla) eon bekend lastdier in Azie, waarvan men 2 soorten onderscheidt: de éenbultige of de dromedaris en de tweebultige [Camilus haiiria-nas, hoogd. Irampelllüer)-, wegens bet gebruik, dat de mensch van dit dier maakl, heeft men \'I het schiii der woestijn genoemd; ook een scbeepslichler, beslaande uit twee lialve vaartuigen, die, mol water gevuld, aan de beide züden van het te lichten schip met touwen worden verbonden, waarna bol water uilge-pompt wordt, ten gevolge waarvan de machine mei den tusscben haar bangoudon last opwaarts gaal en zoo over ondiepten kan heengevoerd worden {uilgevonden ia Hüll door den Nederlander Meeuwes Melnderlz. Hakker); nog he-toekent kemel een dik louw, kabeltouw (Luk. XVIII, 2R); kameelpardel, m. (gr. ka-melopardalis) de giraffe (z. aid.); — ka-moelgeit, z. kemel dier; — kamelót, ii. (fr. ramelol) slof van kemels- of geitenhaar; ook zeker gebrek In \'I hardsteen.

Kameleon, n. gr. {chamai-léon, woordelijk; aardleeuw) eene soort van hagedis, die op hoornen leeft en waaraan men weleer\'t vermogen toeschreef, naar welgevallen van klem-te verandoren; vandaar: een mensch, die met alle wladen waail, een onbestendig, zeer veranderlijk mensch, een weerhaan; Aslron. een zuidelijk slerrenbeeid; — kameleóntisch, adj kienrwlsseiond; zeer veranderlijk, wuft.

Kamenisjilk, m. rass. sleenzijde, naam dien de Kussen aan den amlanl (z. aid.) gaven, toen zy dien In 1741» in Siberië onl-dokten.

Kamer, f. (lal. camera, camara, v. \'I gr. kawdra) een gebouw, getimmerte, een vertrek van een buis; de gezamenlijke personen, die in eene kamer lol gewicbligo oogmerken, tol beheer, lol handhaving van zekere belangen by-eenkomen; de vergadering der volksverlegen-woordlgers In Nederland, verdoold In Eerste en Tweede K a m e r; de Ka mor va n koophandel, eaz.; In \'lalgem. iedere lioile ruimte, vak. afdooilag; vandaar do kamer van eene m y n, de plaats, waar bel kruit geplaatst wordl om haar te doen springen; de hnrlekamors enz.; kameraad, m. (fr. camurade, 11. ca-meraln) elg. ea oorspr. een kamergenoot (van lal. camira. camara, kamer); la \'1 algemeen een meigezel, makker, speeigenogt, schoolvriend, medearboider, dionsl- of wapenbroeder enz.; — kamerheer, een nanzioniyk dienaar van den vorsl ia de kamers van zyn paleis; — kamerdienaar, m. kamenier, f. geringer personen Ier bediening van aanzlerdyke lieden; — kamerjager, iemand, die rallen, muizen en ander ongedierte uil de kamers dryft; -kamerling, m. de kardinaal-voorzilter der apostolische ka ia er, die mol bet gezag voor bel lydoiyk bewind is bekleed, wanneer


-ocr page 688-

KAMERDOEK 6ti8 KANDIJ

do li. slool opcnstiuit; («ik de hosluurdor iler llnanciiMi in Boliciiionkamermuziek, f., kamertoon, z. oiul. camera.

Kamerdoek, n. ((r. Inile de Cambrui of rambrdsinc, oiik. cambric) zeer lijn lijnwaad, zoo fieheeleii naar de stad Kaïnerijk (fr, Cambrui) in hclffle, waar dil liet allercersl vervaardigd werd.

Kamfer, kampher, f. (nw.lat. cum-p ft urn. fr. camphre, van \'I arali.-perz. kafoer: maleisch kApoer, hindosl. kdjioera, sanskr. kar-lincra: V((l. het liehr. kopher, hars, pek) een wit, tirandliaar, Nluchttt; hars van sterken renk en smaak, het voortiireiiKsel van den wortel des kam te r hoo ms in Indle cn Japan (ƒ,««-rus camphbra, L); - kamferspiritus, kamfer brandewijn, m. cene kamfer-op-losslns in stappen wUngeest; - kamphine, eamphine, f. in N.Amerika een mengsel van terpentijn en spiritus, dat in lampen gebrand wordt.

Kamhout, n. (oiik. camwood) het afrik, roodliout.

Kamichy, z. kamtsjy.

Kamillen, f. pi. (mid.lal. camomitla, he-dorven uit het L\'iquot;. cbamai-milon, d. i. woordelijk aardappel, wegens den appelreuk van den tdoesem) het moederkruid, eene plant met zeer heilzame hloemcn voor thee, enz.; In de geneeskunst gebruikt men twee soorten: de ge-mee ue kamillen (van de Malriranu cha-momilla, I,.) en de room se he ka in it ten (van de .Inthemis nobilis, L.)

Kamine-masla, m. russ. een minera-iiseb. vettig aanzetsel of bekleedsel van sommige steenen in Knsland, steeuhoter tats geneesmiddel gebrnikl .

Kamis, n. arab. (vgi. camisia) katoenen onderkleed, nachtkleed; een hemd, waarmede de Turken de lüken na de atwasschlng lie-dekken.

Kamisimo, m. Japan, feestkleed dat hg wUze van vleugels de schouders dekt.

Kamisjy, in. (in de taal van (Julaim ca-michi, in Cayenne cam acte, In Brazilië unhima, inlnima, inhaiima) de moerasreiger, eene soort van moerasvogel in Z.Amerika.

Kamizool, n. (van \'t fr. la camisole, it. cumiciuólu, v. camicia: inld.lat. cumisiule: vgl. camisia) een kort onderkleed lot bedekking van het bovenlijf, borstrok, hemdrok, vest.

Kammarolith, m. gr. (van kammüros, eene kreeftsoori) kreeftsteen; - kamma-l-ologie, f. de kreeftkunde, de leer der kreeften.

kamoes, z. chaniois.

Kamp = fr. camp, z. aid.

Kampanje, z. campagne.

Kampelogiê, f. gr. (v. hampè, de tnii-ging, kroinming) de buigings- of krommings-loer; — kampemeter, m. gr. do krommingsmeter.

Kamperfoelie, z. caprifolium, ond. c a p r l c e.

Kampersteur, in. harde eieren met mosterd enz.

Kampher, enz. z. kamfer.

Kampioen, z. champion.

Kampong, f mal. en Jav. omheind erf, kleine verzameling van intandscho woningen, door paalwerk of heggen omgeven, gehucht, buurt, wyk.

Kamptulikon, n. zekere massa om te plaveien, voor riemen enz., bestaande uit kurk-afval met gutta-porcha en caoutchouc.

Kampylogrammika, f. gr. (v. kam-pulos, i, on, krom) Math, ih^ leer van de kromme lUnen en kroinlijnigc grootheden.

Kamsin, z. v. a. chains in, z. aid. en sa moem.

Kamsjoe, f. soort zoetzure wijn uit gegiste rijst en andere ingredlenlen.

Kamuis, z. c h a m o i s.

Kan, f. eene maai voor vioelstolten, in on-dersebeiiten tanden van uiteenloopciuin grootte; de ned. kan (titer), de eenheid der vochtmaten, heeft eene kubieke palm inhoud; z(| Is verdeeld in 10 maatjes (deciliter), en 100 vingerhoeden (centiliter); ion kannen doen een vat (li eet o 111 e r).

Kan, m., z. kb an.

Kanaal, n. (lal. cunalis) eene gegraven vvatcrieiiting, soms enkel ter uitwatering, gei(ik bel kanaal van katwijk, of ter bevocliliging, doorgaans ter lievaring en ter bevordering van den binaenlandschen handel; ook eene zeeengte, inz. die lusschen frankrijk en Kngeland (la Manche); z (| n ui e u w suil e e n g o e d k a-naai, d. i. uil een geloofwaardlgen mond, uit eene goede bron li e li ben; kanalisatie, f. (spr. -:a-lsie) het aanleggen van kanalen;

kanaliseeren (spr. s—t) harh.lal. iu kanalen veranderen, met kanalen voorzien; kanalieten, m. pt. nw.lat., z. v. a. tuhullet en, z. aid.

Kanakas, m. pi. de inboorlingen der Sand-vvichs-eilanden.

Kanang (khanan, tanan), de wet-lelUk vaslgestelde inhoud der kokosnoot, de grondslag der korenmaten in Stam = ruim \\ liter.

Kanaoes (sjir. -na-oes), een poi\'zisclii1 zijden slof.

Kanapee, kanalje, z. canapé, canal 11 ekanarie, enz. z. canarle, enz.

Kanass, m. bong, een zwynenhocder.

Kandeel, z. ond. k a n d ij.

Kandil, kandile, z. v. a. c-andy (z. aid.)

Kandij, kandijsuiker, f. (fr. candi, sacre cunili, sp. azücar cande of candi, van \'I arah.-pcrz. r/und, suiker, kandijsuiker, en dil v. \'t sanskr. khnnda, stuk, suiker aan stukken, kor-relsniker, snikerriel. Ingekookt suikersap, van khand, khad, breken; vgl. ca mie eren) gezuiverde, gekristalliseerde suiker; kandeel, f. zekere drank voor kraamvrouwen, voornamc-tijk uit wijn of melk met suiker en kaneel bereid.


-ocr page 689-

KANDIOOT 66!) KANSKI,

Kandioot, m. (naar \'t cll, kamliu of krola) oen ilans der nieuwe (Irleken.

Kando, kandi, cono lenKlemaiil in Imlie van zoor ulleenloopende grootte in verseliillemle streken.

Kandsjar, z. kliandsjar.

Kandy nf candy, in. oen oosliiul. «e-wlclit, ongeveer = iSO tot 300 kilo.

Kanooi, n. (fr. («iic/Zc of canelle, nw.lat. canella, van \'I lal. ranna, riet) de ^de liast van een zeer scliooneii hooin \'l.uurus cannamumum, I..), die Inz. op Ceylon Ie linls tiolioort, maar ook elders in hot Oosten voorkomt, eene lie-kende, voortrelfeiyke specerü.

Kanefas, n. z. canovas.

Kanophóren, f. pi. (Kr. sinst. haiit/ilin-ros, v. kani, luineon, korf en iihérein, draden) korfdraansleis, il. I. meisjes, die liü verschelden Kodenfeeslcn te Athene de heilige zaken der jiodheld In (iovloehten korfjes op hel hodtd droe-Ken; vandaar; Areh. soorltielgke vrouweHike Kostalton als huuvvsicraden: korfjeshouder, sie-raadshoudor.

Kangiar, in. (spr. knnil:jiiri /.. v. a. han-Jar, handsjar, z. aid.

Kangooroo, kanghoeroo, t. een plan-lonelemt, zaehlzInniK, eelhaar vleivoetls dier van hol goslaeht der huldoldleren, inz. op \\ieiiu-llollnnd (door (look in l~~0 aldaar ontdekt), dal zeer korte voorpooten hoeft, en op de achterste al huppelende loopt, het reuzonhuideldiei\' (llalmulunis).

Kankoi\', z. cancer, enz.

Kannelkool, z. caiidle-coal.

Kano, /. ca nol.

Kanoesi, z Sin tofst en.

Kanon, m. KI\', (kanon) of lal. canon, pl. canuncs, de reifoi, hot richtsnoer, voorschrlfl, de kerkelijke wet, dc iüsl der hcilise schriften, die hU de vaststeilhis,\' der geloofsleer tot rldd-snoer moeten dienen, hei hesluil, de uitspraak van een concilie of eene synode; ook de litanie dor holllgen In de r. katli. mts (vandaar ku li o nis oor on, z. heiioden); In Dultsclilnnd eene Jaariyksche opbrengst of erfpacht, welke de gehrntkor van een stuk gronds aan den grondheer moot lietaleii; in de algehra weleer z. v. a. thans forninlc; Muz. een ki\'iling-zang, een twee- of meerstemmig sluk, wanrhy de eene party na de andere Invalt en hetzelfde thema hoogcr of lager zingt en hestendlg her-haait, waardoor zulk een gezang zoolang aangehouden kan worden als men wil; Typ. de dikste dultsche drukletters; - kanónisch, kanoniok, adj. weiletyk, voorseliriftmatlg, volgens kerkelyke wetten, tot de kerk of hel kerkgehrulk hehoorende. geloofwaardig, geopen-haard, voorheeldlg, als richtsnoer dienende; — kanoniek, als suhst. f. do w iskunstige toonleer, d. I. de wetenschap, die de vorhoudlng der lonen naar hepanlde grootheden met gelai-ten aanduidt; in de Kplkureïsehe school de logica of donkleer; — kanonioke boekon iles hyhels, die hoeken, waaraan men een hoo-geren oorsprong en ten mgt;IIc geldende hi\'wgs-krncht toekent, in tegenoversl. van di1 apo-kricfe hoeken; kanonioke leeftijd, m. zeker aantal levensjaren, noodlg om een hoog korkamhl te liekieeden-, kano-nische horen, z. horae canonirac: — kanoniek recht, liet r. katholiek kerkrecht;

kanonist, m. een kenner en leeraar van het kerkrecht; — kanonicua of canoni-ens, in. een koor-, dom- of sl leid sheer, een wereldlijk geestelyke, die eene prove of pre-hende van eene domkerk hezlt, pl. ainim\'ti i: cononlci rcitularex, kloosleriyk samenlevende —, c. seciitiires, niet in kloosleriyke gemeenschap, maar vry op zich zelf levende dom- ofstichis-heeren, die hunne kloosleriyke veiTlchlingen door een domvicaris laten waarnemen: ka-nonicaliën, pl. do domlioeriyke looi; — kanonicaat, n. eene sllchlsplaais, domheers-plaals; - kanoniceeren, In een slicht opnemen; ook eene domlieersplaats schcnken;— kunoniseeren ispr. .«=:), lemaml in den kanon (t.. hoven) der heiligen opnemen, lici-ligspreken, voor heilig verklaren; kauo-nisatie spr. —tri-tóe) ot kanonisoering, f. de helllgspreking, pleeldlge verkinrlng van den paus, dat Iemand onder het gelai der heiligen is opgenomen (welke verklaring door di\' lie a 11 f 1 ca 11 e wordl Miorafgegaan).

Kanón, f. (hoogd. kiiiKine, 11. cannónc, fr. canon, van \'I lat. cannu, gr. kanna, riet) een sl uk grof geschnt, dat dooi\' groote lengte van huis lot een krachtig schol In een zeer vlakken hoog geschlkl is; kanonnier, m. iIr. canonnier) een geschulsoldaai; kanonnee-ren fr. canonnert met kanon vuren of hoseliie-tcn; — kanonneerboot, f. geschnihool; — kanonnüde (fr. canonnade) f. hel hesclile-ten mei kanon, kaïiongevecht; - kanónspe-eie of kanonspijs, f. liet inelaahnengsel, de legeering, waarvan kanonnen gegoten worden.

kanoniok, kanonieus, kanónisch, kanonisoeren, enz. ■/.. ond. kanon.

Kanöpus, m (naar de stad kanöpos of Kanöhos, eig. Kncpli.in Henedcn-I\'.uyple. indien nicl deze omgekeerd van de daar vereerde godheid den naam heeft gekregen egyp-lische afgodshcohicn van de geilaanlc cener dlk-liulkige kruik iiiet hoofil en voeten, die te ge-iyk ter hewaring van Nytwaler dienden; — ook de naam eener sier van de eerste grootle in \'1 sterrenheeld van I schip Argo aan den zui-deiyken hemel.

Kansel, m (v. I lal. cuncélli, tralie, lick, omtrallede rulmle) de predikstoel, pieekslnel, het preekgestoclle; - kanselarij, f. (mul.lal. cancellarfa) eene met hekwerk afgesloten plaats. Haar de inedeleden van eene rechthank hyeen-konien en dc gerechtelijke zaken worden uitgevaardigd; ook de daartoe aangestelde personen zelven, het gerecht; dc plaats waar open-Inire papieren, oorkondon, hoeken enz. van algemeen helling hewaard worden; — kanselarij-stijl, dc schrüfwyzc aan de kanscla-


-ocr page 690-

KANTAR 670 KAPITEIN

I-yen elRon, ilc sladhulsstyi, mcesltil styve, oudor-wetschc mol ultheemsche woorden ovorladon schryrtnuit; — kanselier, m, (mid.lal. ran-cel/anus) elf!, do opporstc eoiior kanselary; dlo lioamhlo, wolko do opcniyko Bosclirlflon mooi tillvnardlKOii; In de oudo Kormaansclio rykon oon dor opporslo hof- on slnatslioamliton, vandaar hor rg kskansollor, slaalskanso» 11 or.

Kantar, m. turk. oon In hol Ooslen, Syrië, Enypto, AIboi\'IO enz. vroogor en Redocilo-Iijk nog thans gchruikoiyk gewiclil, tussohon \'in on -iitn kiln liedraRonde.

Kantêle, f. de liarp dor Klnseho zangers.

Kanteloep, f, z. c a n I a I o e p.

Kanthariden, f. pl. gr. {kimtluiris, naam van vorschoiden kevers) spaansclie-vllogen, oeno soort van kevers, dlo men als lilaartrckkond middel aanwendt; — kantharidine, f. Cliom. eeno byzonder scherpe harsachtige zolfstundig-heid, die men uil do spuansche-vllogon horeldt.

Kanthitis, r. gr. (v. kanlhós, in. do ooghoek) Med. do ooghoeksonlstoking; — kan-thoplastiek, f. ooghoekvorming, de vor-groollng van de te kleine ooglldspleet, door ovorpianting van \'I oogappel-hliidvilos In don Imltonslen ooghoek.

Kantisme of kantianisme, n. do wys-hogoorto van Kant; — kantist of kan-tiaan, m. aanliangor van Kant\'s wyshegcorto;

— kantoplatonlsme, n. die vvyze van plil-losopheoron, welke, uit do Kantsclie en l\'lalo-nisctio wyshogoorto voortgesproten, tol hel idealisme overhell, in Frankryk Inz. door Cousin vorlogonwoordigd.

Kantsjoe, m. Slav, (poolsch kdnnug, hoh. kanlschuch, lith. kdnczükas, liong. kamsuka, sorv. kamdijiqa, van talaarschon oorsprong; turk. kdmlsji, oeno zweep) oene dikke korte zweep, uit riemen geviochlon.

Kanunnik, m. z. kanonicus, onder k a n o n.

Kaolin, n. chin (kan-lino) porselelnaardo, door verwooring van \'I voidspaaili ontstaan (naar \'Ichin. sclilerelland Kaoll of Korea).

Kapanltsja, f. lurk. oen staatsie- of eerepols van marter-, hormoiyn- en saholhonl; — kapanitsjadsji, m. de bewaarder van de slaalsiopelzcn dos sultans.

Kapél, f. I) eone kleine hykork, een bedehuls (mid.lal. capella, li. in/i/iella, fr. r/ia-/)«//«); zoo ook in groolo kerken een hidziial (lodoro afdooling mot een hyzornlor altaar); — ■2) do kerkmuziek on de zangers, die zo uitvoeren;— .1) eeno veroeniging van toonkunstenaars, oon gesloten volstommig gezelschap van muzikanten hy oenen vorst ; — 4) oon smeltkroes, z. v. a. e.upé\\; — a rappella, Itai. Muz. vlugger dan oen korkstuk;— al/a capella, ka-pelsgowys, wanneer de vocale en instrument a I o muziek zich te geiyk doen hooien;

— kapélmeester, do opporslo van oene mu-zikanton-vereenlglng; tiy die hot opzicht over oene kapel hoeft, inz. by opera\'s; — kapelaan, m. (mid.lal. capellunus) een geosto-tyke, dlo oeno kapel tiodient; een hulsprlesler; oon hulpgoesloiyko, die den priester in den dienst te hulp komt, ondorgeostoiykc; — kapellee-ren, z. c u p o 11 o o r e n.

Kaper, m. (waarsch. van hot tat. capgra, nomen, grypon) Mar. oon vrytiulter, dlo volmacht hooft om vyandolyke schepen prys te maken; ook zyn schip, oon schip, dat In oorlogst yd door hyzondero jiersonon wordt uitgerust, om afbreuk te doen aan de vyanden van don staat; — kaperbrief, m. do pas of lastbrief vanwege hot gouvernement in oorlogs-tyd uitgereikt, om schepen to bemannen en den vyand op zee athreuk te doen; — kaperkapitein, m. kapitein op oen kaperschip.

Kaphar, z. kaf far.

Kapi-aga, m. turk. (v. kapne, gew. kapi, deur, poort, ottoinansclio porto, en OffO, boor) eig. de deurheer; de gosnodono, wiens ambt met onzen opperhofmeester of hofmaarschalk overeenkomt; ook de generaal dor (gewezen) janitsaren; — kapoedsji of kapidsji, m. deurwachter; inz. oon uit hot uit ongeveer lOBa personen beslaande corps van turksche ambtenaren onder 14 otllcioron, die kapidsji-badsji (van basj, hoofd) hooten en met onze kamorbooren overeenkomen.

kapitaal, ailj. (lat. cnpilülis, e, van ca-pul, iioofd) eig. bothoofd botroffonde; vandaar; boofdznkoiyk, voortroifotyk, iiyzonder schoon, goed enz. (b. v. dat Is kapitaal); als snbst. n. bet hoofdgoed, hoofdgeld, grondgold, de hoofdsom. het uitstaande geiii, het hoofd- of grondvormogen; kapitaal-boek, bol geheime boek, dat veie kooplieden over hun gozamon-iyk vermogen on hot gebruik daarvan houden; ook z. v. n. grootboek; — kapitale letters, hoofdiottors, groote aanvangsletters; -kapitaaltjes, by lettorzottors; op ziebzei-von gebruikt wordende hoofdlettors, waarby geen gewone lettor (onderkast romein of cursief) is gegoten; totters uit de lat. antiqua, van den vorm dor aanvangsletters, maar kleiner dan deze; kapitale misdaad, zulk oeno misdaad, die hot hoofd kost, die de doodstraf ten gevolge hoeft; — kapitaal-conto, n. die rekening van hot grootboek, waarin alles, wat het hoofdfonds eens koopmans betreft, gebractit wordt; — kapitaliseeren (spr. s=z) tot kapitaal maken, by hot kapitaal voegen ; — kapitaliseering, f. do berekening van bet kapitaal naar de renten; —kapitalist, m. dlo voel kapitalen bezit, of geldsommen op rente zet; een rentenier, vermogend man; — capilaftler, met den dood (b. v. go-straft);—kapiteel, It. ca pl t éi, ca p 11 él to, n. Arch, het bovenste godeolto van eeno zuil; — kapiteel, by boekdrukkers; hol formaat-wil, dal by hot inslaan van oenen vorm boven on tor zydo van do biadzydo wordt geplaatst.

Kapitein, in. (fr. rapilaine li. capildm, mid.lal. capilanlus, v. \'l lat. capul, hoofd) een hoofdman, aanvoerder van eeno compagnie; rit-


-ocr page 691-

KAP1T00L

(571

KA HA li UN

meester hy de rulterU; geziiKvocrdor van een vuurtuig; — kapitein-luitenant, m. een

plaiitsvorvangend kapitein, /nik een, die bevel voert In naam en in plaats van een ander, welke daarvan wegens zünen rang ontslagen Is (z, verder ea pit a In).

Kapitool, kapitolijnsch, z. e a |) 11 u-llum, cap Ito 11 n I sell.

Kapittel, n. (v. \'t later en mld.lat. capi-Iuturn, vcrklw. van caput, hoofd; II. rapiloto, sp. capituto, fr. chupiire) een hoofdstuk, hoofddeel, afdeellng van een hoek; het onderwerp van een gesprek enz., h. v. Iemand op het rechte kapittel helpen; In kloosters de vergaderzaal der monniken, ter hehandeling van alle aangelegenheden des kloosters, tol het voorlezen dor ordesregels enz. (vandaar h. v. I e m hel kapittel lezen en Iemand kapittelen, z. lager); In ultgehrelder zin: de verzameling van geestelijke of wereldlijke personen, die aan dezelfde regels (capitularia) gehouden zón, h. v. dom-kapittel, vergadering der stlchls- of domheeren (z. verder ond. capit-I e l); — kapittëlen (mld.lat. capitulare, fr. chapilrer) elg. Iemand hel kapittel, den regel, de wet voorlezen, voorhouden; iemand scherp doorliaion, vinnig herlspen-, kapituleo-ren, kapitulant, kapitulatie, z. ond. cn pilt el.

Kaplaken, n. een hyzonder voordeel of eene premie, die den schipper hoven de vracht hetaald wordt, opdat hü voor schip en lading des Ie meer zorg moge dragen; elg. het noo-dlge om voor z.yne vrouw eene nieuwe lakense he huif of kap tekoopen (overeenkomstig met het fr. chupeau, d. 1. hood, dus zooveel geld ills noodlg Is om een nieuwen hoed te koopen).

Kaplan m. turk. luipaard.

Kapnomantie (spr. l=ls), f. gr. (van kapnis), wlcheiary of waarzeggery nil den rook der oiTeranden hU de Ouden; — kapnomant, m. een rookwaarzegger.

Kapoedan, kapoedan-pasja, z. ond. capital ii.

Kapoedsji, z. ond. ka pi-aga.

Kapoen, ni. (van \'t lat. capo, capus, gr. kapon, it. cuppnnc, provenc. en sp. capon, fr. chapon, angels, kapun, vanwaar ons kappen, afhouwen, afkomt) oen gesneden haan; —kapoenen, ontmannen, luhhen.

Kapoeres, kapores, z. ca po res.

Kapoets, f. z. capuce.

Kapok, f. z. ca poe,

Kapót, f. (fr. rapole) een soldatenoverjas; de kap der mynwerkers (z. verder ca pot).

Kappe, f., pi. kapper, zweedsch, eene graanmaat = ton (Imna) = i,ïl8ni liter.

Kappaten, m. pi. (van het dultsch kap mol lat. uitgang) hoeteilngen, die, om niet herkend te worden, hy de geeseling zich het hoofd met eene kap hedekten.

Kapper, of gew. kaper, f. (van het gr. kapparif:, arah. en perz. kabar, fr. cdpru, it.

cappero, provenc. en sp. caparra) de nog gesloten hloesemkop vau den kapporstruik {Cupparis spinosa) In /.. Europa, als kruldery hy spyzen gehruikt.

Kaproen, kapruin, f (v. fr. chaperon, capron, lal. cuparo, capero, capiro, verkiw. v. ca pa; cappa, mantel, monnikskleed, van lal. captre, hevatten, nemen) kap, hoofddeksel.

Kapucijn, etc., z. onder capuce.

Kapudan, kapudan-pasja, z. ond. c a p 11 a I n.

Kapuits, z capuce.

Kapybara of kabiai, n. (hraz, capiuara of capiuara, elg. een dier, dat tussehen het kruid rapim of caapitm leeft) een viervoetig zoogdier in lirazilie, van \'t geslacht der halfkonynljes of s e a v 1 e n.

kara, link. zwart, dlkwyis voor namen, h.v. Kara Mu stap ha = de zwarte Mus-t a p li a.

Karaak, f., z. kraak.

Karaat, n. (fr. carul, II. rarato, ouil. port. qui rale, nw.port. en sp. quilalc; van het arah. klriit, = gr. heralion, elg. een kleine horen, dan de evenzoo gevormde hezle van liet Jo-iiannisiirood [Ceralonta sidqua], die als gewicht diende en geiyk was aan i gerstekorrels) oen klein goudgewicht, liet ^ van een mark, of 13 grein; ook een (iianianton- en paarlengowiciit van i grein; in Engeland nog een proefgewieht voor goud = ./-J pond trools — i5,85i gram; ook in het Oosten een gewicht voor Juwoelen van verschllionde zwaarte; — karaats (In samenst, met getallen, h. v. ISkaraats) zoo, en zoo veel deelen zuiver goud op ii deelend he-vattend; karatoeren, vermengen, alii-Ceren, legeeren (van edele metalen); — karateering, f. de karaatvermenging, alii-ëering, legeering van hel goud met zilver (w i 11 e karaieering) of koper (roode k.) of met heide (gemengde k.)

Karaba, 1) (arah, kdrib, sp. cdraba, uw. gr. karabi, schip; vgl. ca ra vel ie) een in aziatisch TurkUe gehruikeiyk vaartuig; — i) m. arah.-perz. (arah. kuhrabd, v. \'t perz. kahroebd, elg. strooroovend of -aantrekkend, omdat liet verwarmde liurnstcen stroohalmpjes aantrekt, van \'I perz. kali, gras, stroo, cn roebd, roovend; nw.lat. caraba, carabe, sp. carabe.) de harnsteen.

Karabiichen of karabaghen, pi. een heroemd paardonras (goudvossen) uit de provincie Karahogli iu Transcaucaslii.

Karabéla of karabélla, f. pooisch (van tatanrschen oorsprong) de kromme sabel zonder beugel, dien eertyds de poolsche edellieden hy feosteiyke gelegenheden droegen.

Karabijn, f. (fr. carabine. It. en sp. co-rabina, samengetr. uit. carubagiua, van \'t mid. lat. carabaga, krygsmacliine, helegeringsgeschnt, bedorven uit cadabiila, van \'tgr. katabolc, het nederwerpen) een schietgeweer der ruilery, dat zich van dat des voetvolks onderscheidt door een korteren loop, kleiner kaliber en grooter licbtheid, en dat geone bajonet heeft, gewoon-


-ocr page 692-

KARABOGRA

072

KAUBATINK

lijk met (jliiddon loop; vroeger heel Ie liel pa-I r 1 n a I e; - karabinier, in. oorspr. de mei eene kiiriil)(|n Kewiipende rutier; men heefl ecli-ter dien ninim lig de Frunschen ook wel aan voelsoldaten tietjeven; de kaïahlnlers, wier wapen oon getrokken loop heeft, noemt men ook li nk ssell let e rs.

Karabogra, r turk. ijzeren halsring om gevangenen te tioclen,

Karaërs ot Karaïeten, in /,. Rusland Karaïmen, m. pi. (van \'I liehr. karaï, pi. karaïm, seiiriflgetrouw, ka ra, in de Sehhft lezen) eene Joodsclio secte, welke de in den in lm ud (■/.. aid.) vervatte hy voegsels lot de kanonieke hoeken van den inozaïsehen godsdienst verwerpt, en al hare leerslellingen en voorsctiriflen enkel uil de wet van Mo/.es put; — karaïsme, n. hunne leer.

Karaf, ■/.. car ufo.

Karag ef karadsch, z. eluiradscli

Karagana, f. Bot. een uit Siherie afkomstig pronkgewas.

Karaiben of liever Karïben, in. pi. (vgl. ciinnlliniil) een iiiiliaansctie volksstam in /. Amerika, inzonderheid op de kleine \\V. Ind. eilanden, zeer krygshafiige menscheneters; vandaar in \'I algemeen voor wilde, ruwe mensehen (Inz. het fr. Cara\'ibes); - karaïbischo of karabische eilanden, de kleine Antillen In W. Inditi.

Karaïmen, z. k a r a e r s.

Karak, z. kraak.

Karakal, 111. turk. (elg. karah-koelAk, v. karak. zwart koelik, oor; fr., sp. en eng. ra-racal) de zwartoor, de sieppeniviix, een roofdier uil liet kattengeslacht, veel gelukende naar den los, in A/.IB en Afrika.

Kürakan, m. russ. kleine sleppenvos en de pols daarvan (Cants mrar/nn) z karangan.

Karake ot kerake, f. turk., een eenvoudig, nauw onderkleed voor middeliiiire lie-anihten, enz, tiet midden tioudende lusschen een eerepels en een kafinn; — z. ook earnca

Karakor, f. een roeivaartuig in de Indl-sche waiereii.

Karakter, n. (gr. charaklér, oorspr. liet ingegrllfelde, ingeprente, van rharassein, ingrif-feien, inprenten) I) hot teeken, sctirifiteekeii, merk -, ieder liepaald teeken voor een voorwerp of iiegrip, li. v, de astronomische toekens voor de sterren en sterreiilieeiden, de getniteokens of cijfers, de tellers, tiet gehelmschrifi, enz.; i\' hel eigenaardige, ondersciieldende, kenmerkende eener zaak; inz. liel zedelijke karakter, d I. de lieerschende neigingen en gezindheden, dc op tieginseien tierustende, doorgaande denken tiandeiwijze van een mensch, het zedeiyk stempel; algenieener ook: de genioedsgesleid-held, geaardheid, eigenaardigheid, de denkwijze, hel gemoed, hart; :i) de titel of aiiihlsnaiim, eeresland, waardiglicid; de goede naam; character inilelebilis, lal., in de r. kath kerk eene oniiltdolghare eigenaardigheid, die teniaiid door hel ontvangen van een sacrament, li. v.

de priesterwijding, ontvangl; — karaktermasker, e. een masker of eene vermomiuiug, die een iiepaalden stand, eene persooniyklieid, eigenaardige denkwyze, enz. voorstelt; —karakterrol, f. eene rol, die een liepanld karakter moet voorstellen en volledig ontwikkelen ;

karakterstuk, een tooneelstuk, waariiy men voornaineiyk de voorstelling en ontwikkeling der karakters ten doel hoeft (onderschelden van intrigue-stuk); karakteriseeren (spr. s=z), don gansclien omvang van al de kenteekenen kenmerken, kenneiyk maken, sciill-deren, doen iiiiknmen en juisi licpaicii; ook hei li eten; zich karakteriseeren, zidi doen kennen, zlcii kenmerken; — karakteristiek, f. de heteekening, schildering van het eigenaardige of de hyzomlere eigenschappen eener zaak; Matli. het kencyfer, d. i. liel geilede getal van oenen logarlilmius, in tegensl. met de mantissa (z. aid.); als adject, eigen-aanlig, ondersclielileud, kenmerkend; — hel karakteristieke, hel eigenaardigo, ken-niorkendc eener zaak; - karakteristicus, m. een karakterschiider; l\'icl. iemand, die liy voorkeur hel eigenaardige van elk voorwerp recht sterk wil geleekend hehhen.

Karaktsji, m. turk. mover.

Karali of kral, m. (een woord van sla-vonischen oorsprong koning, opperhoofd: de ka ra 11 va n C r o al I e.

Karamoessal of Karamoezzal, m. (vgl. karmosal) een lurksch koopvaariiyschlp.

Karangan, m. lu den russ. pelshandel; de heluiarde huid van den sleppenvos, z. ka-ra k a n.

Kaninkas, pl. oosliiMlische zware zyden stollen, niet gouden, zilveren en andere liloenien doorwerkt.

karapapachen, pl. Intaarsclie militie In hel turksehe leger.

Kara-setache, m. perz., de koninkiyke lytwonilarts in l\'erzië.

Karateering, enz.., z. ond. karaat.

Karavaan, f. (fr. caramne, sp. carnvana, van \'I arah. kairawdn, perz. kdrwdn, klrwan, door vele streken reizend) een handelslochl, pelgrims- of reistrein, een reizend gezelschap van kooplieden, enz. in de morgenlanden; — ka-ravaantheo, f. eene tijne Iheesoort uil China, die door hnndelskariiviinen over land iu diclil-gesoideerdc kisten en husson langs den weg van Kusianii lol ons geiiracht wordl, en alzoo huilen den naiieellgen invloed der zee-en sciieeps-lucht gciiieven is; — karavaanvaarder, in. een selieepskapitein, ilic op eene groote zeereis hyzondero vrachtvaarten naar andere, huilen zUne hestemming liggende havens doel; — karavansora(i) of russ. karawanserai, f. (vgl. serail) herhergen, verhiyven vooroos-tersche reistreinen.

Karavalles, pl. (vgl. ca ra veil e) In Turkije, z. v. ii. fregalien.

Karbatine, f. soort lioerenschocn uil ongelooide huiden.


-ocr page 693-

KARPHOLITH

KARBATS

Karbats, z. karwats.

Karbeel, m. oen stuk hout, dat con amlur onderstut; — karbeelon, du beldo slagdrempel» ami eene sluis.

Karbonade, Karbonkel, car—.

Karbouw, m. (van mul. kurhane, karbó) naam van den linird op Java.

Karbowamtz, in. russ. zilveren roebel.

Karchanas, m. «r. (v. kdnhüros, ruw, scherp geland) ook jo n as v Isc h, do haalvlscll, monscheneter, oen vrooseiyk zeeinonstor.

Karciniet, in. ki\'. (van harkinos, kreeft) eene krecftsversteonlng; karcinologie, f. krocttleor, de natuuriyko hesclnyvlnj; der kreoftaardlKe dieren; karcinoom, n. «r. (karkinoma) Med.eon krcoftgozwel, de kanker; — karcinomateus, adj. nw.lat., kankerachtln.

Kardamöm, f. (Kr. kardamomnn: arah. kirlim of koerloem), ook malaRuette, f. fr. (spr. —uéll\') eene soort van spocery, het zaad van een aan de gemlior verwant gewas (Cur-damumum minus, In O. Indit); vgl. paradys-k o r r e I s.

Kardeel, n. z. v. a. qaartel, vierendeel, eene spekton hij de walvlst\'hvangsl; een traanvat vaa li stock kan; kleine llessehen voor traan te llainiiui\'K en langs de liive.

Kardiaka, pl. gr. (v. kardia, iiart) Mod. haitslcrklngon, hartsterkende iniddeien; — kar-dialgie, f maagkramp, maagpyn, drukking op do maag, met neiging lot werkeiyk braken, koude ledematen, llauwlen enz.; - kardia-naatróphe, f. de tegcnnatuuriyke plaatsing van het hart; kardielkösis, r. een hart-gezwei; — kardieurysma, a. ziekelijke verwydlng van liet hart; wanorde In den omloop des bloods on de ademhaling; — kar-diocölo, f. hartbreuk, doorzakking van hel hart door het middelrif In de buikbolto; — kardiogmus, m. maagpyn, maagkramp; — kardlognöst, m. harlkenner; — kardi-oïde, f. Math, eene kromme IUn van de 4de orde, hartvormig vaa gedaante-, — kardio-logie, f. Med. do leer van bol hart; — kardiomalacle, f. de bartverweeking; — kardiopalmus, m. de liartklopping; — kardiopathie, f. harloiydon, harteziokte; — kardioperikarditis, f. do onlslcking vaa bet hart en hot hartzakje; kardioplegie, f. iuirtverlamming; — kardiorrhëxis, f. de scheuring van bel hart; kardiostenösis, f. bartvernauwlng; — kardiotomie, f. de ontleding vaa hel bai l; - - kardiotraüma, n. eene hartwonde; — kardiotrauma-tisch, adj. door een hartwonde ontstaan; — kardiotrömus, in. de snelle hartklopping; — kardieten, m. pl. vcrsleoado harlvoriiilgo schelpen; — karditis, f. de ontsteking van het hart.

Kardinaal, z. car din aal.

Kardoes, z. cartouche.

Karebane, f gr. (van kdre, hoofd, en hurys, zwaar) bet gevoel van zwaarte in hei hoofd, drukkende hoofdpUn.

VIKIUtK imUK.

Karei, m. dultscho inansn. (ouild. chdrul = kerel, man, verhitynseiit Carö i u s): de sterke, werkzame, bedryvige; Kareis-orde, f. eene sp. orde van venilensle, door Karei III In mi Ingesteld; — Karolina, f. vr.naam: de mannoiyke, sterke, krachtvolle; ook voor ca ram bol ine {■/.. aid); — Karolijntje, eene soort van vrouwenmuts; Karlisten, ka rol in gen, enz. z. op C.

Karót of karrét, m. arah. (vgl. karaat) eene rokenmmd, waarvan er Uil op onzen gulden gaan.

Karetschildpad), z. ca re tie.

Kariatiden, z. K a r y a 11 d o n.

Kariben, enz., ■/.. Karaïhon, enz.

Karkant, z. v. a. ca re a net (z. aid.).

Karkas, z. carcasso.

Karlijn, m., z. Car lino.

Karmelieten, in. pi. monniken van de orde Onzer Uovo-Vrouw van don berg Karmel in den l.ihanoa, waar deze orde omslreeks het midden der lie eeuw door pelgrims geslicht werd; laler, in do ISde eeuw, oatstoad er ook eene orde van vrouweiyke Karrnclielen, Kar-melitinnen; Karmelietenwater, melisscwaIer, water van vrouwonkruid,dat In do k a r m ollel en- kloosters werd bereid ; - Karmelieter-wit, eene witte verf, uit kalk en borlynsch blauw of indigo hcrelil, mol welke men inz. muurwerk »11.

Karmijn, n (v. arah. karmes, kermes, z. alil.) eene kostbare hoogroode verf, uit In Mexico inboemschc cochenille [Coccus cacti) bereid. liet in den handel voorkomende karmyn beval bovendien Icemaarilo en tinoxyde.

Karmosal, n. (vgl. k a ra mo ess al) een turksch vaartuig, schipperskaan, boot.

Karmozijn, n. (fr. cranwisi) hoogroode naar liet blauw zweomondo kleur, inz. uil kermes, vgl. k a r m y n.

Karmuseeren of karmoseeren, (zw. karmisera, v. karm, rond) omranden, omkransen, Invatten, Inz. een groot odelgeslecnie in een rand van kleinere vutten.

Karn, z. c a I r n.

Karnis, kornis, z. corniche.

Karoebe, f. eene voormalige algiorsche rekenmunt van ruim IJ. ct. waarde.

Karoeben, pl. (fr. caroubc, f. joiiannis-brood, li. carrubo, sp. uarrobn, v. \'t arah. char-roeb, perz. charnoeh) de jobannlshroodhoomen.

Karolina, enz., z. Karei.

Karonje, z. ca rog no.

Karoot, karot, z. ca rol te.

Karos of karus, m. gr. Mod. diepe slaap, doodslaap; — karosis, f. bedwelming, siaap-zucbl; — karotika, n. pi. slaapwekkende mlddoien, vgl. hypnolika; — karötis, f., pi. karotiden, do strotslagaders, Iwee polsaderen aan de keel, die hel bloed van de aorta naar de hersenen voeren.

Karpet, z. carpel.

Karpholith, m. gr. (v. kdrphns, n. stroo, kaf) de slroosleen; - karphologie, f. Med.

i3


-ocr page 694-

KASSITERIEN

KARPOLITH

074

de KOdurlKO bewoning vim ito vingors eens zieken, alsof hy de deken wilde afpluizen, gewoonlijk van kwade voorlieilnlillng, het muggonvan-gen, z. v, a. crocldlsme-, ook voor: haar-kioovory; — karpholoog, m. elg. ccn vlok-kenlezer; een viller, haarkloover, inuggenziflcr.

Karpolith, m gr. (van karpós, in. de vrucht) een vruchtsteen, eene versteende vruclil;

— karpoloog of karpologist,(.....vruclit-

kenner, vruchtkundlge; — karpologie, f. do leer van de vruchten dor gewassen.

Karroe, ook karroo (spr. nn=oe), f. eene onvruchtbare steppe In /.. Afrika.

Karsaai, n. (It carisea, fr. créseau, eng. kersey) zekere wollen stof, grof gekeperd laken.

Karst., by natuurwotensch. bctuimlngen afk. voor II. Karsten (gest. IHTJ).

Karstoniet, n. watorv rye, zwavelzure kalk.

Kartéts, f. (van \'t II. carlaccia, carlorcio, fr. cartouche, paplerhulsel, patroon) eene met kleine kogels, schroot, enz. gevulde patroon of bus van sterk papier of blik voor kanonnen, blikken doos.

Kart(h)uizer, m. een monnik, behoorende tol de gestrenge orde van den heiligen Itruno, gesticht In tosti (naar de landstreek Curl hum, fr. Chartreuse (spr. sjartreuz\') bij Orenobic in Frankryk; zy zyn tot eeuwig zwUgon verplicht;

— karthuizer-poeder of ni 1 n e ra 11 sch kermes (kermes minerale), een ais iirlseiil)-middol gebruikt bruin poeder uil lijngoniaakt spiesglans, zwavel- en potasch bereid.

Kartouw, f. (hoogd. karlhaune of kar-lame, waarsch. van bot lat. quartuna, d. I. een vierendeelsstuk, dat 2quot;i pond schoot, het grootste geschut daarentegen Kin pond) een stuk grof geschut, een groot, kort en dik kanon.

Karube, Karuben, z. k a r o e b e en ka roeben.

Karus, z karos.

Karveel, f., z. v. a. caravcile (z. aid).

Karwats, karbats, f. lataarsch (pooisch karbact, kor ban, boh. en russ. karbatsj, hong. korbacs, lurk. kyrbStsj, waarvan ook hel fr. eravache afkomt) eene van lederen riemen ge-viochlen zweep; — karwatsen, /.woopen.

Karwei, f. (fr. corvée, z. aid.) een nioole-lyk werk; een tusschen- of büwerk in den schofttyd, z. corvée; ook bet ingewand van slachtvee

Karwij, f. Hot z. v. a. carvi, z. aid.

Karyatiden, f. pl. gr. (karyaCïde.i) Arch, lastdraagsiers,schoone vrouweiyke gekleede beelden, die men als sclioorzuiien in de plaats van pilasters gebruikt om op liet hoofd of den nek een entablement te dragen, dal t|| soms mei de handen schynen te ondersteunen; zoo gohoeten naar de in slaverny rondgevoerde vrouwen dor slad Karyw In den Peloponnesus of liever naar de priosieressen, die in den tempel van Diana ie Karyw dienden.

Karyophyllum, n. gr. (kuryóiihytlnn, d. i. elg. notehlad) hol. de kruidnagelboom; — karyophyllata, f. het gemeen nagelkruid;

— karyophylliet, m. anjersteen, eene soort van versteoningon.

Kas, f. (van lal. eapsa, vgl. cassa ea calsse) bewaarplaats, gew. kast; doos, foedraal; plaatje, waarin Iets gevat Is (b. v. van een ring); bergplaats voor geld en geldswaarden; onelg. geld, contanten z. cassa; de kas li o u (I e n, bet beheer over hot geld hebben; — k asbll j e tten, aanwyzingen betaalbaar aan een openbare kas of bank, die van hand lol hand kunnen overgaan als papieren geld; — kasboek, het handelsboek, waarin de ontvangen en uitgegeven gelden geboekt worden om een spoedig overzicht te hebhon van den geldvoorraad; deze rekening heet cassa-conto; — kassaldo, n. het overschot na afsluiting der kas (vgl. saldo); — kasdefect, n. /. cassa-deficit; — kassier, m. (It. rassiére, fr. caissier) hij die zorgt voor de ontvangst en uitgaaf by eene kas, kashouder; persoon (offirma) die zich tegen eene zekere provisie met het Incasseerea en uitbetalen van gelden belast; — kassiersbriefje, bewijs of (|uilantle om by den kassier eene zekere som le kunnen ontvangen, vgl. c li e c k.

Kasack, m. russ. de kozak (z. aid.);— kasatsjók, m. russ. (eig. oen kleine kozak) 1°. een livreibediende in kozakkendracht; 2°. oen kozakkondans.

Kasan, m. hebr. [chasan: vgl. ha san) de voorzanger in de synagoge

Kasbah, f. araii. burg, citadel, stadsvesting.

Kascha of kasja, f. siav. grutten, brij.

Kasim, arab. zandige, maar vruchtbare grond.

Kasimir, z. kazimlr.

Kasjmir- of kaschmir-shawls (fr. cachemirs) zeer fijne en zachte wollen weefsels, in Tibet en Kasjmir of Kas c hm Ir (sansk. kdcnürn) van de haren der ka sj m i r-gelte n vervaardigd; vgl. kazimlr I). \' (won.

Kasmak, m. sluier der Circassische vrou-

Kasódi-basji,m. turk. (elg. chassodabasji) overste van de kamer van den Grooten-Hoer, groot- of opperkamerheer.

Kaspar, in. mansn., In liet perzlseh: een schatmeester (kamlsjioar).

Knsr, n. arab. palels.

Kassnba, f. arab. z. v. a. kashall.

Kassabéh, kassabeh of kassab, m. de ogyptische roede, eene lengtemaat in bel dageiyksch leven = tij pic péleili = 8,880 nieter; bij belastinghelling van landeryen slechts (gt;; pic béledi = meter.

Kassie, f., z. cassia.

Kassier, ■/.. onder k a s.

Kassiopëa, f. Myth, de moeder van Andromeda, en (even ais deze) een sterrenbeoid aan den noordeiUken hemel, kenbaar aan !gt; sterren, die ongeveer do gedaante vertoonen van eene grieksche 2.-

Kassitërien, n. gr. (van kassitrros, m. tin) ccn metaaiinengsei, waarvan iln hot hoofdbestanddeel Is.


-ocr page 695-

KASS0E13EN 075 KATAKLYSMA

Kassoobon, m. pl. nakomclincen dor VVen-ilun in iioordoosloiyk Poinmcrcii.

Kast, m. skunil. soort mantel.

Kastalidos of Kastaliden, f. pl. gr.

du zangiioülnnon, muzen, zoo golieoten naar de bron Kas tal ia aan ilen voel van denimizen-berg Parnassus hij Delplil, welke bron aan de zanggodinnen was gewijd.

Kastanje, f. (lat. caslanHa, gr. kaslunvn, it. castafina, fr. chdlainne,■ van de stad Ka s t a n a in Kleln-Azlë) de bekende eetbare vrucht van den edelen kastanjeboom; ook de vrucht van den zoogenaamden wilden kastanjeboom.

Kaste, f. (van \'tsp. en port. caslu, soort, teelt, elg. iets reins, onvermengds, van °l lal. roste, a, um, rein, vlekkeloos) een erfelgke stam of stand, famiiiestam in Indie en bet oude Kgypte, de rangkiasse der oostersclie volken, nergens zoo scherp afgebakend dan bij de Hindoes, welke vyf kasten z.Un-. I) de li ra limine n, 2) de Mietris of Kadsjapoeten, :t) de Wassirs of Kaalanen, DdeSoedras, 5) de Pariahs (z. die woorden); - kastengeest, m. ingenomenlieid met eigen klasse of kring, voorkeur voor scherp afgebakende standen, iiitsluiting van degenen die niet lot den-zelfden kring of stand hohooren.

Kastelein, z. casl eiianus, ond. cas-lel.

Kastijden, (v. lal. rusliqSre) luchligen, op lie wgze der kloosterlingen geeselen, pijnigen door vasten, enz.; kastijding, f. pü-niglng des vleesches, kwelling, straf.

Kastor, m. gr. [kastor, lal. rastor. mis-schien van \'I sanskr. kaslneii, muskus) de liever. een hekend nnltig zoogdier; pl. kastors, ook voor bevervcilon; - kastoor-hoed, kastoren hoed, een hoed van beverbaar-, — kastoreum, z. castoreum.

Kastor en Pollux, Myib, ook de Dios-kiiren (d. i. zonen van Zeus of Jupiter) tweelingbroeders, uit een el geboren en door Jupiter in de gedaante van een zwaan bij I.eda geteeld; de eerste was sterfelUk, de andere onsterfelijk; om hunne wederzüdscbe aanhan-kelijkheid noemt men alzoo: onafscheldeiUke broeders en vrienden; zij worden als de beschermgoden der zeevarenden vereerd; Mar. en Phys. een eleclrisch verschijnsel in de gedaanlc van vlammetjes, die zich soms in zee aan de toppen der masten of raas vertoonen. Sl.-Klmus-vuur-, Aslron. hel llile teeken van den dierenriem. de tweelingen.

Kastról, f., v. \'I fr. casserólie (z. aid.).

Kasuaris, m. (papoesch kusoewari, een naar den slruis geiykende vogel in O. Indie; ook een porseleinscbelp {Cyprmi ovum).

Kat of katschip, een driemast koop-vaardijsclilp, inz. in Noorwegen en Zweden; eene soort van klein vaartuig, tot lichter In de havens gebruikt; een voorin, slormluig, eene stormkat, om de muren Ie beuken; een hoog opgeworpen werk op de bolwerken of op de court lues van eene vesting; een klein werpanker, Ier vermeerdering van de kracht van het groote; — kat zonder ooren, eene soort van ronde harken, die don oorlogschepen munitie toevoeren.

Kat, z. kal 1.

kata—, of voor klinkletters en de h kat-, gr. voorzetsel in vele samenstellingen, helee-kent oorspr.: af, beneden, afwaiirls, en drukt dan in \'I algem. beweging, of rlrhtlng op een doel, betrekking, overeenkomst, enz. uil.

Katabasion, n. gr. (van katn-hninein, afwaarts gaan) elg. een iiederwiiarlsvoerende weg, de Ingang lot een omleraardseli hol; in de grieksehe kerken de plants onder hel allaar, waar de reliqulén bewaard worden.

Katachrösis of katachrcse, r. gr. elg. in \'I algemeen: gebruik, dan mishruik ; Log. een onjuist gebruik van een bijvoeglijk woord, dal met bel begrip van het hoofdwoord niet bestaanbaar is, d. i. geen beeld kan vormen, een misslag tegen de redekunde, h. v. een verwelkend licht, bilde tranen, enz.; ook een oneigenlijk in plnals van liet eigenlijke woord, li. v. vliegen voor hard loopen; men kan er ook toe brengen ulldrukkingen als: koudvuur, hltlerzoel, gouden boofdijzer, enz.; katachrêstisch, adj. misbruikt, oneigenlijk gebruikl, gedwongen.

katadióptrisch, iidj. gr. (vgl. diopter) het geen eene vergrooting of scliijnliare nader-biibrenging van liet beschouwde voorwerp veroorzaakt, zoowel door breking der liciiislraien in glazen, als door lerugkaalsing van spiegels.

Katafalk, f. (II. ralafalro, fr. rutafalquc, provenc. radafalc, satnengetr. uil hel roman. cnlar, bezien, v. \'I lal. capture, zoeken te bereiken (sell, ociilis, met de oogen) en \'I 11. falen voor iialcn, stellage, van \'t oud-lioogd. luilcho, hnlkn, de balk) de verhevenheid, waarop de doodkisi van eenen gestorvene van hoogen rang in eene kerk of auder gebouw wordt len loon gesleld. mei wapens, ridderorden, zinnebeelden en biiscbriflen versierd, een rouwlooneel, l(jk-stoel.

Katagma, n. gr. (v. kat-aunymi, ik verbreek) (lliir. de breuk, beenbreuk, heenderbreuk;

katagmatisch, adj. lot genezing der beenderbreuken dienstig; - katagmatika, ii. pi. nilddelen, die lol genezing van beenderbreuken noodzakelijk zjjn.

Katagraphologie, f. gr. (van kaUujra-jihfin. sclirifleiyk nanduiden) recepleerkunsi, de leer van hel voorscbrijveii der geneesmiddelen.

Katakasme, n. gr. (v. akdil:elgt;i, steken) Cliir. liet koppenzetten, vgl. scarlfleeeren.

Katakauma, n. of katakansis, f. gr. (vgl. knusis) Mod. diepe verbranding; — katakaustiek, z. ond. dlakausliek.

Kataklasis, f. gr. (van klaein, breken) de beenverbrijzeling; ook de krampachlige sluiting der oogleden.

Katiiklisis, f. gr. het aanliggen aan la-fel maar grleksch gebruik in plaats van hel zitten).

Kataklysma, n. gr. (van kata-klüdzein.


-ocr page 696-

KATAKOMBEN

KATAPULT

676

ovorstroomoii, liospoelcMi) hel dannlmd, klisteer (z. iild.}; — kataklysme, n. het drop-luid, de ovorstrounilng.

Katakómben, r pi. (it. sIiir. catucomba, fr. pl. catacombes, wimrsch. ontslaan uit hel gr. kuld (z. aid.) en kymbê, ultliolllng, holte) on-deraardsche Bangen li\' Komo en Napels met spelonken, gewelven en groeven, de hegraaf-plaatsen der Unileii; de katakoinhen van ParUs dienen lot hewaarplaatsder dondsheen-deren, vooitkomende van liet opruimen der kerkhoven.

Katakustiok (vgl. a k u s t i e k), ook ka-taphoniek (vgl. phonlek), f. gr. de leer van den weerklank ot echo.

Katalékten, pl gr. (v. kala-légein, uitkiezen, lezen) verziimeide oude stukken of fragmenten, onvoiiedige overliiyfsels van oude werken.

Katalêktikos, m. gr. (van kala-llncin, ophouden, eindigen) Foi\'t. eene gr. en lut. vers-maal, welker laatste versvoet éene lettergroep, soms twee, te kort is, in togenovorstelling van a k a t a 1 e k 11 k o s, die geene lettergroep te veel of te weinig heeft, en liyperkaIalek 1 ikos, die op hel einde eene lettergreep te veel heeft; onthrak er een geheele voet, dan werd zulk een vors h r a c h a k a t a I o k 11 k o s gehoeten -, — katalëktisch, adj. onvolledig, afgehro-ken; — kataléxis, f. do sluiting van een vers vóór de geheele voleinding van den rliytli-mlschen gang.

Katalepsie of katalëpsis, r. gr. {ka-talepsis, eig. het vatton, grüpcii; de ziekte-aanval, v. lambdnein, vallen, grypen) Mod. do zinvang, eono geheele onderdrukking en opiief-llng van allo gewaarwordingen en willekeurige hewegingen, terwyi ook het hewustzyn verloren is; eene wasachtige huigzaamheid der ledematen maakt er een kenmerkend teekon van uit; — kataléptisch, adj. daarop betrekking hehhende

Katalógus, m. gr. (kald/ogos, van kn/a-léf/ein, opnoemen, optellen) eene optelling of lüst van meuhelen, schilderyen, kunstwerken, hoeken, inz van de laatste als zü openlijk verkocht worden, een register; katalogi-seeren (spr. s=z) of katalogeeron, op eeu lijst brengen, in een katalógus byeen-hrengen.

katalötisch, adj. gr. (v. kal-aloan, ver-bryzeien) eig. verbryzelend, nederdrukkend; Chir. geschikl om litteekenen Ie doen verdwynen, lit-teekenverdryvend.

Katalpa, f. (uit de taal van Carolina In N.Amerika, waar Catesby dit gewas in 1720 ontdekte) de troinpetboom.

Katal^sis of katalyse, f. gr. (vgl lysls) oplossing van enkele doelen of van hel geheele menschelUke lichaam; kataly tisch, adj. oplossend, tol de oplossing liehoorende; Chem. door bioote aanraking andere lichamen oplossend, zonder zich zelf Ie ontbinden.

Katamaran, m. eene vlotliool in Oost-Indie.

Katamëuïën, pl. gr. {katamênia, v. men, maand) Med. de maandeiyksche zuivering der vrouwen; katamentaal, lot de maandstonden behoorende, daarmede in verband staande.

Katan, m. hongaarsch ruiter, huzaar.

Katana, f. japan. het groote tweehandige zwaard der adellyken.

kat\'anthröpon, gr. {van dnlhrópos, de monscli) naar de vatbaarheid van hel niensche-lijk versland, daarmede ovoroenkomstlg, naar meiischeiijke wijze of voorstellingswyze; algemeen hevatleiyk.

kat\'antiphrasin, gr. by tegensleillng of door eene aiitipbrasis (z. aid.), het Ironisch benoemen van eene zaak door het tegendeel.

Katapasma, n. gr. (v. kaln-pdssein, be-slrooien) Chir. strooipoeder op wonden en zweren; katapasten, pl. (v. kala-pdstos, bestrooid, gesprenkeld, bont doorweven) op klimopblad gelijkende versteeningen.

Katapépsis, f, gr. (vgl. pepsis) do voi-leilige vertering; - katapéptisch, ailj. daartoe behoorende of haar bevorderende.

Kataphoniek, f. z. katakustlek.

Kataphóra, f. gr. (v. kata-phérein, naar onderen brengen) eig. het nedorvaiien, neder-zlnken; Mod. do slaapzucht, diepe slaap, doodslaap;— calnphöra magnctfca, de magnetische slaap,— kataphórisch, adj. met de slaapzucht behept, de slaapzucht veroorzakend,

Kataphrakt, in. gr. (kntaphrdkti\'S, van kala-phrdssein, hepantsoren) oen liorstharnas; Chir. een harnasverband, verband van gebroken ribbon.

Kataplasma, n. gr. (van kala-pldssein, hestryken, besmeren) Chir. een weekmakende omslag, hryomslag, pap; kataplasmee-ron, pappon.

Kataplexis of kataplexie, f. gr. (van kala-ptêssein, nedorslaan; verschrikken) Mod. het verstijven van het menscheiyk lichaam door hcroerte; ook het stompworden der tanden;— katapléktiseh, adj. daartoe geneigd, daaruit voortspruitend.

Katapölis, f. gr. de benedenstiid, inz. van Athono, in tegenst. met de akropolls.

Katapontïsme, n. gr. {kalapontismós, y. kala-ponlidzein, in de zee doen zinken; vgl. poiitas) verzinking in do zee, liet verdrinken als doodstraf.

Katapósis, f. gr. (v. kala-pinetn, doorslikken) het verslinden, verzwelgen; — kata-potïa, n. pl. gr. pillen.

Katapsyxis, f. gr. (v. kala-psychein, al-koelen) Med. de koudwording, pijnlijke verkou-ding; katapayktisch, adj. door koudwording ontslaan, koud geworden.

Kataptösis, f. gr. (vgl. ptosis) het nedorvaiien; Med. z. v. a. epilepsie (z. aid.)

Katapult, f. (lat. catapülla, gr. katapéltes) een oorlogsworptuig der Ouden, door do S\\-rl6rs uitgevonden, waarmede men zeer zware


-ocr page 697-

KATARAKT 077 KATKGOKIK

slooncn in do Ijelc^criln sUiilon wler|i. In Frankrijk hud num no;; ka la pull on ton li.idc van Hendrik IV; later wordon zU Kchncl door de mortieren vervangen; vkI. Ii ii 11 i s I a.

Katarakt, lictor katarrhakt, f. tat. (gr. kalarrhdkles, in. lat. calnracla, f.) hcvlKe ncdorstorllni!, Krooto waterval, stroomval, 1). v. die des Kijns liij Schallhauseii; Med. do grauwe of witte staar, eene verduistering van het stelsel der kristallens; ook oen toestel hij hot sturen van stoommachlnos, In/., staande; ka-taraktisch, adj. tol do staar liehoorende, door ile staar aangedaan.

Katarktikon, n. gr. (v. kul-archein, aanvangen) wat tot do Inleiding, voorbereiding eener wetenschap noodig Is.

katarrhaal, adj. /.. oud. katarrhus.

Katarrhexis, t. gr. (vgl. rhegma, enz.) eig. geweldig verscheuren; Med. een hevige huikloop.

Katarrhus, m. (gr. kutarrUnes, v. luilnr-rhrin, afvloeien) zinking, verkoudheid, eene zle-kolUke prikkeling van tiet slümvlles der adem-halingsworktuigen; — katarrhaal, adj. zinkingachtig, uit verkoudheid voortvloeiende; — katarrhale koorts, zinkingkoorts; ka-tarrheuma, n. een slijmvloed; katar-rhoschësis, t. de onderdrukking van eene zinking.

Katartïsis, f. of katartïsmus, m. (v.

kat-arlidzein, Inriehten) Chir. de herzelllng eener hreuk of ontwrichting; katartista, m. een werktuig daartoe.

Katasarka, n. gr. (van kahi, en san, vieeseh) Med. de liuidwalerzucht, z. v. a. ana-sarka.

Kataschasmus, in. gr. (van kata-schd-dzein, opscheuren, openrijten) Med. hel koppenzetten.

Kataschësis, f. gr. (v. Imt-érhein, nan-liouden) eig. het aanhoudea, hetiouden; Med. goede krachtige llchaainstoestand, liet tegengest. van kwaadsappigheid.

Kataskeuasis of kataskeuaso, f. gr. toebereiding. Inrichting, herstelling, h. v. van eene plaats uit een oud schrijver; katas-keuast, m. (gr. kalaskeuaslês) m. de hersteller, verbeteraar.

Kataskopion, n. gr. (v. kaln-sknitPin, beschouwen, ultvorschen) een wachtschip; eene wacht tot bewaking der grenzen.

katastaltisch, adj. gr. (v. kala-sléUein, ophouden, stuiten) Med. Inhoudend, lerngdry-vend;- katastaltika, n, pl. torugdruvende, sameidrekkende, Inz. Idoedsliilenile middelen.

Katastasis of katastase, r. gr. (vgl. stasis) Med het staan hlyven; de blijvende ilchaamsgesleldheid, z. v. a. const It utlo; In de leslhetlek; dat gedeelte van het drama, waarin de in de opltasis (z. aid.) gelegde knoop nog vaster gemaakt wordt, tot hg eln-deiyk In de kat a strophe (z. aid.) ontknnopl wordt.

Kataster, z. kadaster.

Katastróphe, f. gr. (kaluslroithc-, d. 1. eig. de ommekeer, v. kuta-slréiihein, omdraaien, wenden) eene plotselinge verandering der dingen, inz. in hel maatschappelijk leven de fortuinswending, keerpunt, alloop, de ontknooping, li. v. in eene verlening; In het drama die handeling of gebeurtenis, door welke hel verdere lol der hoofdpersonen tot geluk of ongeluk een keer neemt; Inz. treurige wending, ongelukkige alloop.

Katatasis, f. gr. (v. kata-teinein, uitzeilen) Med. de uilzetting naar beneden; ook Chir. bet zeilen van eene breuk.

Kataxis, f. gr. (van kiil-dfinymi, ik verbreek ; vgl. k a I a g ia a) liet verbreken, de breuk; Med. eene beenderbreuk.

Katechösis of katechêse (spr. s=j), f. gr. (kiih clcsis, v. kal-cchexn, d. I. eig. legen-klinken, dan onderwyzen, uil hoofde van hel naspreken der kinderen) een onderwijs bij wyze van gesprok, In vragen en antwoorden; —ka-techeet, in. gr. (kalêrhetés) een vraagleeraar, hi), die onderwijs, inz. In de geloofsleer, door vraag en antwoord heeft te geven; — kate-chotenscholen, kweekscholen voor chrls-telüke leeraars in de Kde lol de 5do eeuw; — katochötisch, mij. vraagsgew ijs, in den vorm van gesprek onderwijzend; gesprekswijze behandeld; katechêtika of katechetiek, f. de kunst van hel vragende onderwijs of van den vragenden leervorm, volgens welke de onderwijzer door voortgezette, innerlijk samenhangende, het onderwerp van zijn begin af ont-wikkelemle vragen den leerling onderwüsl; vraag-kimsl of de welenschappelijke leer hoe een goed vraagonderwijs moei ingericht en gehouden worden ; — katechismus, m. een vragenboek, onderwijs door vragen en antwoorden, inz. In de geloofsleer en hyhelsche geschiedenis; — katechiseeren (spr. «=: .• gr. kalcchiikein, laler lal cnlechizare) zulk onderricht mededee-len, vraagonderwys geven; katechisatio (spr. -za-tsie) 1. hel vraagonderrlcht; het leer-gesprek, Inz. by bet godsdionslouderwys, de kin-derleerlng; — katechuraónen, m. pl. ge-loofsieerlingen, de leerlingen, die zulk onderwijs genieten, die van den leeraar In den godsdienst worden onderricbl, In de eerste christenkerk Ier voorbereiding lol den doop, thiins tot eerste viering van het Avondmaal.

Katechu-aardo (In \'I cochin-chineesch cdycau) z. areka,

Katogorie, f. gr. (kdUunria, il.l eig. aangifte, gezegde, pnedicaal, van kalëgorëïn, aangeven, beweren, ronduit verklaren) ieder kenmerk van een oordeeisonderwerp; In engeren zin; het aigemeene begrip, waaronder eene zaak gedacht wordt, verstands- of denkvorm; de klasse ol hel vak, ten gevolge der indeeling van alle voorwerpen des denkens In zekere klassen (volgens Arlstoteles In to, volgens Kant la i: i| na ut Heil, (|ualiteit, relatie en modaliteit); in hel algemeen: vak, klasse; oorspr. bewering, verwyt, aanklacht; — ka-


-ocr page 698-

KATÉHGI

678

KA\'l\'OCHE

tegorëma, n. eerste Itourlp, Krondlie^rlp. slambe),\'rl|), klusseliogrlp; oorspr. punt van aan-klacht; — kategórisch, ailj, hepaald lieslls-send; onvoorwaardeiyk, stelllK, rotidult, zonder omwegen; — de kategorische impera-tivus, hel onvoorwaardoiyk gohnd der rode, de zedeiyke wet; vgl. lmpera11vus; - ka-tegorisoeren, tot heRrlpsvakken hrengen, ruinr klassen ordenen.

Katérgi, pl. (spr. —dtji) do koetsiers of voerlieden In Tnrkye.

Katérn, z. i| u a tern e.

kat\' exochën, gr, (van exochê, uitsteking) hy uitstekendheid, ultsluilenderwüs, inzonderheid.

Kathcerësis, f. gr. (v. kalhairèin, wegnemen, verminderen, vernietigen) Med afstemming, verzwakking; doodhUting; — kathae-retïka, n. pi. sterk verzwakkende middelen; deudende, het leven storende midilelen; iigt-middeleu.

Kathari, m. pl. (van hol gr. kathurós, rein, zedelijk rein, onheviekt) eig. de relnen, sedert de tide eeuw de naam van vele secten, die wegens hunne manleticïsche loerstoliingen dopr de r. katli. kerk vervolgd worden (later tot k e 11 e r verhasterd); — Katharina, ver-kiw. Kaatje, vr.naam: eig. de reine, de zedige; Ingetogeue; — katharisme, n. taalzuivering, het ijveren voor taalzuiverheid, z. v. a. purisme (z. aid.); — katharsis, f. gr. Med. de afvoering, de zuivering van hel darmkanaal; ook zedelijke reiniging, loutoring. Ij. v. der hartstiifililen; — kathartika, t. de louieringsleer, de geestoiyko reinigingskunst;

— kathartïkon, n. (lat. remedïum cuthar-(fcum), pl. kathartika, afvoerende, Imik-oidlastende middelen; — kathartine, f. de nieuwellngs ontdekte afvoerlngsstof der Jalappe en soorlgelüke middelen; — kathartisch, adj. zuiverend, afvoerend.

Kathéder, m. gr. (kalhédra, f., d. i. In \'t algemeen zetel, stoel; lat. calhUilra) de leerstoel, redenaarsstoel, het spreekgestoelte; weleer in de kerken de hüzondere sioel, waarin de hissi\'hop gedurende den dienst plaats nam;

— ex cathedra (Petri) dec idee ren, eig. van den leerstoel van l\'etrus af heslissen, d. I. krachtens pauselijk gezag uilspraak doen; -katheder-socialist, m. theoretisch of wotenschappelijk socialist; — kathedrale kerk of kathedraal, f. eene hissclioppelUke kerk of domkerk, wegens hel daarin voorhanden bisschoppelijk gestoelte; In Dultschland heet zulk eene kerk ook m Unster; — kathe-draticum, n. het leergeld op hoogescliolen, de college-gelden, weleer ook de stoelpennlng, eene oplirengsl der pastoors aan den hlsschop-peiykca stoei; ook oplirengsl der dlocosanen tot onderhoud van het geitouw der kathedraal.

Kathegeet, in. gr. (v. ktilheueislhai, aanvoeren) een leidsman, leeraar.

Kathéten, pl. gr. (slng. kalhéles, d. I. loodlijn, v. kalhiëmi, ik laai neder) do helde zijden om den rechten hoek eens rechtlioeki-gen driehoeks; — kathétometer, m. een werktuig om uil de verte den loodrechten af-siand van twee punten te melen; —kathé-ter, m. gr. (kathSter, ook van kalhiëmi, ik laat neder) Chlr. eene naar den loop des pls-wegs gevormde min of meer dikke uil zilver of hulghaar hars vervaardigde huls, dienende lot aflapplng van de urine uil de blaas, een pisaftapper; — katheteriseeren (spr. .»=«) de pis met zulk een huisje aflappen; — ka-theterisme, n. de aftapping van de pis mei den katheter.

Kathismata, pi. gr. (v. kalhidzetn, zich nederzetten) hUbelsche hoofdstukken of gezangen der gr. kerk, waarhij de gemeente gaal zitten.

Kathóde, f. gr. (v. kalhodos, de afgang) da negatieve pool van den tot ehemlsebc onl-bindingen {eleklrolyses) gebruikt wordenden gal-vanischen keiling.

kathólisch of katholiek, adj. gr. (ka-Ihulikns, v. tin, v. kalholns, geheel, gezamenlijk, samengesteld uit kald, z. aid., en hölos, geheel, ongedeeld) algemeen, van die hoeken des N. T. gebruikelijk, welke aan geene hüzondere gemeente zgn gericht; algemeen geloovig, der roomsche kerk toegedaan, pauselijk; — Katbolieko Majeslelt, litcl der koningen van Spanje; —katholiek, m. oen algemeen geloovige, een christen, die zün kerkgeloof voor algemeen geldend en verpllclilend houdt en (voor zooverre by van \'t roomsch-kalholiek geloof is) den paus als bet opperhoofd der kerk erkent; - katholicisme, n. het algemeen geloof, het roomsch-kalhoiiek geloof; — katholiciteit, f. algemeenheid, recblgeloovig-held der r. kath. kerk;- katholïkon, gr. of lal. catholicum, n. Iets algemeens, Inz. een algemeen woordenboek; een algemeen geneesmiddel, dal legen allo kwalen dienstig moei beeten, z. v. a. univorseele medicUn; — katholikos, m. titel van den opperbisschop der armenische kerk; - katholikometer, in. een aimeler, aigemeenmeler; katholi-seeren, rechtgeloovlg maken, tot bet kathólisch geloof doen overgaan.

Kathypnie, f. gr. (vgl. hypnos) Med. een diepe, vaste slaap.

Kati, katjes, z. kali.

Katinka, f. russ. verklw. voor Catlia-rina. Kaatje

Katión, n. gr. (v. kaliénai, nedergaan) de bij eleclro-chemlscho ontbinding aan den noga-iieven pool van den galvanischen ketting optredende slof.

Katirdsji, m arab. in hel Oosten: iemand die paarden en andere ry- en lastdieren verhuurt en daarmede reizigers vergezelt.

Katjan-olie, f. aardnolenelie.

Katki, katqui, katoenen weefsels uil Surate

Katóche, f. gr. {kalnclK1, van kal-échein, aanhouden, vasthouden) eig. het vasthouden,


-ocr page 699-

KATOÜON

679

KA WADE

stuiten, overweldigen; Med. vcrsHjvInK der ledematen; de viisle slaap met open oogen.

Katódon, m. gr. (van oiloes, odcin, de tand) eene In de tienedenk\'iak getande wal-vlschsoort.

Katoen, n. (uit het It. cnlone, fr. mlon, van liet arah. kolon, boomwol; vgl. co ton) eene doorgaans met figuren bedrukte, dunne llelite slof van lioomwol.

Katokathartika, n pl. gr. Med. naar beneden reinigende middelen, /. katbarfika.

katophonisch, adj. gr. (van kalu, afwaarts en phonê, stem) afwaarts- of naar beneden klinkend.

Katopóden, m. pl. gr. (v. kdlri, afwaarts en pnes, genlt. poilós, voet) N. II. vlsscben met buikvinnen, bulkvlnnlgcn.

Katoptnka, f. gr. (v. kdl-nplron, spiegel) ook a n a k a m p 11 e k, f. ile splegelleer, de leer van de wederkaatsende lichtstralen, sple-gel-perspeetlef; — katóptnsch, adj. den spiegel of de splegelleer betrelfende; — katop-trtsche anamorphósen, verkeerd getee-kende beelden, die men In kegel-, rol- of zuilvormige spiegels moet zien, zullen zy bet ware beeld vertonnen; — katoptromantie (spr. lie—tsie) f. de voorzegging uit spiegels, de sple-gelwlehelary.

Katórga, f. russ. (turk. kndirgha, nw.gr. kateraon, galei) dwangarbeid, galeistraf, de zwaarste crhnlneele straf van den russ. codex.

katotérisch, adj. gr. (kalolerikns, e. dn) Med. afvoerende middelen hel rellende.

Katsjel, f. russ. russlsche schonimel.

Katsjerif, ■/.. batsjerlf.

Katsjoe, z. v. a. caoutchouc en gummi e last leu m (z. aid.)

Katt, katti, katto, m. (malelsch en javaansch kali) een bUna In geheel Z.Azië, ook op de Canarlsche eilanden, gehrulkelbk gewicht, dat nu eens meer, dan minder dan Udll gram bedraagt (= -rtj plkol); — kati, als gewicht voor edelsteenen; vgl. ook tan.

Katta, m. arah. jakhals, sjakal (z. aid.)

Kattegat, n. dcenscli; benaming der zee tusschen Jutland, Zweden en de deensche eilanden.

Katten, olg. Chat ten, m. pl. een dappere oudd. volksstam In het tegenwoordige Hessen In Frankenland, van welken de Ita-tavleren gezegd worden afkomstig te z.yn.

Kattos, m. eene lompgevormde, groote slameesche zilvermunt = III) ghl,

Kaubang of kovibang, n. het kleinste goud- en zilvergewicht op de Moiukken = o/iill gram.

kaukasisch, adj. tol hel gebergte kau-kiïsus In Azie bohoorende, daarvan afslam-mende; — het kaukasisch ras, de blanke inenschenstam, waartoe de bewoners van Voor-Azie en de Europeanen behooren.

Kaulêdon, n. gr. (d. 1. eig. si engelachtig, van kaulós, stengel) Chlr. eene dwarse beenderbreuk.

Kauma, n. gr. (van katein, branden) brand, hitle; Med. eene heele koorts.

Kaunos, m. gr. de zoon van Miletus en Cyane of Ëudolhea; hy werd door zyne zuster Bybils met onluchtige liefde vervolgd; vandaar kaunische liefde = verhollen liefde.

Kauri, m. eig. siaiigekopje; (lulneesche scheipmunt, ook slmlilpoeri of zembi, eene soort van kleine, witte porseicinschoipen [Cy-praea moii\' la) op de Maldivlsche eilanden enz., die door de Negers en liidisclie volkeren, maar Inz. in hel liinnenland van Guinea als klein geld of pasmunt gebruikt worden.

kauscher, z koscber.

Kausis, f. gr. (van kniein, branden) het branden, de vorrlcbiing van het brandon; — kaustisch, adj. Invretend, bytend, brandend, scherp; hekelond (satiriek); — kauslisciie lyn, brandiyn, eene kromme iün, die gevormd wordl door de punten, waarin de van een andere kromme lyn gereflecteerde stralen elkander doorsnyden; — kaustika, n. pl. ets- of huimiddelen, hrandemle. Invretende midiielen; de etskunst; — kanstiek of kaustika, f. de ets-of bytkunst; mik de leer van de Inand-lynen; — kausticiteit, f. de brandkracht, hel eisend, invretend vermogen; onelg. de hy-tende spotzuclit; — kautermm, n. (gr kun-Urïon) een brand- of hyiinlddel; ook hel hrand-yzer, brandnierkUzer; — rnutcnum aclmle, het iladeiyke brandiiilddei, het gloeiende yzer; c. dynnmicum, een hyiiniddel; c. pnlenliule, hel vermogende brandmiddel; — kauteriseeren (spr. .«=:) barh.ial. etsen, branden, uilbranden, doodhranden; —kauterisatie (spr. -za-lsie) f. de verrichting van het branden of eisen, hel uilbrandon, doodhranden, h v. van holle landen, ook het zetten eener fontanel en de daardoor voortgebrachte werking.

Kavalje, n. (v. I lal. raballus, II. caballo, paard) eig. een oud paard, knol; ieder oud, vervallen, rompslompig ding.

Kavassen, m. pl. (kawinds) turksche gendarmes.

Kaveer of kabeer, z. v. a. kahir.

Kaveling, f. (van kavel, lot, afgeperkt deel) het deel, aandeel; verschelden stukken, die te zamen geveild worden, party, verkoops-afdeeling

Kaviaar, f. lalaarsch (fr. caviar, sp. cu-hiar, cabial, It. caviale, nw.gr. chubidri, lurksch liavUr, russ. ikrd) steurkuit. Ingezouten kult van den sleur en eenige andere vlsscben, enz. uit de Wolga en de Kaspische zee, eene russ. lekkerny.

Kawa of kava, f, polynesisch {knwa, kuuu, dat iu de laai der Nieuw-Zeelanders ook bitter, sterk, van geeslryke dranken, stinkend, enz. beduidt) eene soort van \'peperstruik {l\'iper excel sum), Inzonderheid de wortel daarvan en do daaruit bereid wordende bedwelmende drank.

Kawade, f. lurk. soort kleed der turksche vrouwen.


-ocr page 700-

KENANGIK

KAWAEN

680

Kawaon, k »li u a n o, f. karetschildpad, z. c a r e 11 e.

Kawas, m. z. kavnsson.

Kawi-taal, do oude dlclitortaal op hot olland Java, die slecht» als schrijftaal voorl looft (v. \'t sanskr, kawi, dlchtor, en dit v. kan, schilderen, hesehi\'Uvon).

Kaxa, in. cone Ind. niiuit van lood mol een gat In \'I midden, om zo aan te rUgen, ongeveer cent.

Kazak, f. z. c a s a q u e.

Kazan, z. Kasan.

Kazawaika, f. slav. oen korte, vvyde da-mes-ovorrok mot mouwen, zonder lüf.

Kazemat, f (fr. casemate. It. casamalla, elg. een verhorgen huls, van II. casa, huls en mallo, donker, hllnd, verborgen) oen lidinvrij gewelf onder den wal eener vesting, zoowel dienende voor kanon- of stukkelder als voor schuilplaats dor hozettlng; — kazemattee-ren, van kazematten voorzien.

Kazerne, f. fr. (It. caserma-, misschien ontslaan uit casa il\'arme, wapenhuis; of v. lui. casa, hut, evenals lat. caverna, holle, v. cavus, hol) een groot gebouw. Ingericht tot woning \\an soldaten, Inz. In vestingen; — kazerneeren (fr. casenier) In kazernes legeren; —kazerneering, f. Inlegering van soldaten In kazernes.

Kazi-asker, m. turk. president van hel hooggerechtshof.

Kazimir, 1) of kazemir, n. (fr. casi-mir, It. en sp. casimire, eng. casimere, easterner e, kerseymere, van \'t sanskr. kacmira, uil KasjemIr of Kaschmlr [kacmira] komende) eene licht gekeperde wollen stof, eene soort van halllaken.

Kazimir, 2) m. russ. mansn. (v. kasdtj, loonen en mir, vrede) vredebrenger, vredestichter.

Kazine, f. perz. en turk. Ikhazineh, schat, arab. khizanéh, van khatima, In eene schuur enz. verzamelen) de schat van den Grooten Meer.

Kazuaris, z. kasuarls.

Kebes, pl. turksche wollen heddedekens.

Keblah of Klhlah, arab. (kihlah, lu \'t algemeen de streek, die tegenover eene andere ligt, Inz. zuiden, van kabala, tegenoverliggen) het doel; de richting naar Mekka, werwaarls de Mohamedanen bij het gebed het gezicht wenden; ook de in die richting geplaatste kast voor den koran In elke moskee.

Kedis, lijn wit linnen in het Oosten.

Kédma, n. gr. chronische rbeumatlscho pijn, inz. in bet heupgewricht.

Keel, n eng. (spr. kiel) eene steenkolen-maat van 41 ton. (In de wapenkunde hetee-kent keel als nMerl. adj. z. v. a. rood.)

Keep-sake, f. eng. (spr. kiepseck: van keep, behouden, bewaren, en sake, zaak) een geschenk tot aandenken, een a I b u m of s o u-venlr; eene verzameling van letterkundige stukken, van plaatwerk; een mode-almanak.

Kef, n. I\'irk. toestand van rustig, weelderig welbehagen, quot;j:\'ersche rust, bet dolce far niente der Osmanen.

Kefer, m. ongeloovlge, z. v. a. ge her, g I a u r.

Koffekil of klllkcffi, m. perz.-turk. (v. perz. kef, schuim en qil, leem) schulmklei of meerschuim, eene wit-geelachtige talkaarde in Azl», inz. in Naloiie, die tot pUpekoppen gesneden en gevormd wordt.

Keimêlion, n. gr., pl. keimelia, een kostbaar stuk, een kunstwerk, eeue kostbaarheid, een kleinood, dat men bewaart (vgl. cl-mellBn).

Këino, m. turk. dorpsschout.

Kekhenemalo, n. eene harsige, groen-achllge gom uit Amerika en van het eiland Ceylon, in do genees- en schilderkunst gebruikt.

Këlab, m. wilde buffel (In Afrika).

Kelb, m. arab. hond.

Kellner, m. hoogd. (van keiler, kelder) kcldorineester; bediende in herbergen, logementen enz., hü ons doorgaans jan geheeten.

Kële, f. gr. breuk; thans alleen in sanien-stollingen; kêlödes, m. Med. een pyniyke kankorachtige verharding; — kelologie, f. gr. Med. dc leer der breuken, hreukleer; — kelotomie, gew. cel o lom ie, f. (van kële en lémnein, snyden) de breuksnüding, thans alleen bil de hekleniming in het werk gesteld; — kelotóóm, m. de breuksnyder, het mes om breuken te snyden.

Kellek, n. perz. {kalak) een soort van rieten vlot op blazen dryvende, inz. op don Euphraat en den Tigris.

Kelp, f. eng. (waarscb. arab.; vgl. kali en \'larab. kelh, rein; merg, sap) aschzoul uit verbrande zeeplanten, z. soda.

Kelpy of kelpie, m. schotscli (misschien v. \'t gicl.-iorsch cealu, aanlokken, misleiden, ver-lelden, of v. ceal, dood; vruchtbaarheid; profetie) een watergeest, stroomgeest, vaak in do gedaante van een wil paard, die den dooit van iemand, die in \'I water zal omkomen, vooraf aankondigt of wel hem zeiven in do diepte trekt.

Kelt, m. (oudgael. en iersch cealt, kiee-ding, enz.) eene schotsche grove wollen slof.

Kelten, zie (lelie n.

Kelwadar, m. arab. z. v. a. kalirdsji.

Kemchab, n. turk. damast, gewerkte zy-den stof.

Komeas, gebloemd taf uit O. Indle.

Kemel, m., z. kameel; — kemeldier,

kemel ge it, de angorlscho gelt, van An gó ra of Angurl, stad en gebied lu Natolie of Klein-Azie, een dier met lang zUdeachlig haar (angora-haar), dat bet beste zoogenaamde ke-melsgaron oplevert.

Kemma, f. arab. soort truffel, die oen geliefkoosd gerecht der Hedoelenen Is. Ken, ■/.. Keng.

Kenangie, f. gr. (van kenós, ledig, en rfnf/os, vat) Med. ledigheid der vaten.


-ocr page 701-

KENCHRIAS

684

KKRSEY

Kenchnas, f. kp. (van kénchros, ulcrst) Mod. ilc fclci\'stacliligo vlocliiiiilsliig; — ken-chrieten or kenchroïoten, in, pi. fi1., gierst- of kultsteenen, slccncn, tllo uit korrels gelijk die van gierst of vlsehknlt heslnnn.

Kendalgreen, n. eng. (spr. Hémklyrien) groen laken, dat te Kendal In Westmoreland wordt vervaardigd.

Kong of ken, Japanschc lengtemaat van li sjakoe = 1,H1S meter.

Kenna, z. v. a. ulkanna.

Kónnel, m. eng. Iiomlonstiil.

Kenösis, f. gr. (v. kennen, ledigen, van /tenos, ledig) Med. ontlasting van eenlg vocht, ontlediging; (\'heoi. de geioofsineeiilng dat (liirls-tus gedurende zijn aardsche leven zich geheel van zyne godheid heeft ontdaan; in legenst. met krypsls, volgens welke liü deze slechts verhorgen of omhuld had; kenotisch, adj. door ontlasting ontstaan; — kenotaphum, z. cenol—.

Kéntron, n. gr. prikkel, prikkelslok om de paarden aan Ie dryven.

Këpenek, m. link. overrok.

Kephalsea, kephalalgio, enz., z. c e p h—.

Kopi, m. een soort muts of pet van eenlge fr. troepen in Afrika

Kepótaphion, n. gr. (v. hijios, tuin en Idlihos, graf) een graftomhe, die door een kleinen tnin omgeven wordt; een tulntoinhe.

Kerake, z. ka rake.

Keramoutika, f. gr. (v. kérümos, leem, kerameikin, aardenwerk maken) de pollenhak-kerskunst, vervaardiging en liewerking van fayence, majolica, porselein, ook vervaardiging van haksteenen, enz.; — keramographie of keramographika, f. gr. do leem- of togelschililerkunst, het schilderen op vazen in \'toude Griekenland, Inz. te Athene; — kera-mographisch, adj. op leem geschilderd en ingehrand; — keramohaliet, n. haarzout, watcrhouiiende, zwavelzure leeinnarde.

Keraphylliet of keratophylliet, n. gr. (van Mms, hoorn) Min. hoornhlende; — keratektomïe, f. Med. het ultsnUden van het hoornvlies;- keratiasis, f. een hoornachtig uitwas des llchaams, het uitgroeien der hoornen; —keratine, f. de lioornstof; ook: de kromhoren, de bazuin; —Log. eenehedrleg-lyke sluitrede, sophtstlsche gevolgtrekking; z. v. a. cornutus; — koratiet, m. hoornsteen; — kevatitis, f. Med. de ontsteking van het hoornvlies; — keratoeële, f. de hoornvliestireiik; — keratoglóssus,in. Anal, de hoorntongspler, een gedeelte van de tong-heen-tongspler, dat van het groote tongheens-hoorntje naar de tong loopt; keratoïden, pl. hoornnohtlgo versteenlngen; — kerato-lithen, m. pl. versteende hoornen; — keratoma of keratoom, n. een boomgewas; — keratonyxis, f. de doorsteking van het hoornvlies om de staar te verhryzelen; — keratopharyngóus, m. oen gedeelte van de middelste samensnoerende spier van het keelgat ; keratophyten, pl. versteende hoorn-koralen, afdruksels van hoornachtige zeeplanten; ook kleine zwammen, die uit hel hoornvlies groeien; keratoplastïek, f. kunstmatige vorming van het hoornvlies; keratotoom, n. Chlr. een werktuig ter doorsteking of door-snyding van liet hoornvlies; ■ - keratotomie, f. de hoornvltessnede.

Keraste, n. turk. hout; — keraste-nasiri, houtopzichter.

Korauma, n. pl. gr. (v. kframós, donderslag) hliksem-, dondersleenen; — kerau-nïon, n. (vklw. v. keraunós) een naar heneden gekeerde pytspits, als critlsch teeken ter aanduiding van hedorven plaatsen In oude haml-schrlften; in het Nieuwe Testament een teeken, dat de plaats uil de profeten genomen Is; in l\'lalo, dat daarop een hewys gegrond kan worden-, — keraunochrysos, m. knalgoud;

keraunometer, in. dondermeter; keraunoskopie, f. de wlchelary uit den donder of het onweder; — keraunosko-pium, of gr. kei-aunoskópeion, n. de plaats ter waarneming des liliksems; de dondermachine op schouwtooneelen.

Kerberos, in. gr., z. v. a. Cerberus, z. aid.

Kêres, f. pl. gr. Myth, de doodsgodinnen, noodlotsgodinnen, die Inz. een gewelildadlgen dood aanbrengen ; ook In \'t algemeen ongeluksgodinnen.

Kermes, f. arab. (v. kim, de worm) in den handel ook kermes- of scharlakenbeziën, purperkorrels, scharlakenlnizen (cnrri il-licis), eene soort van sclitldtuizen in Znid-liuropa, welker besvormige eihiilsels of maskers, die naar uitwassen op de wortels en den bast der gewassen gclyken, waarom men ze weleer pla n t-aardige kermes heette. Ingezameld en tot verschillende roode kleuren, Inz. tot karmo-zUnrood (arab. kirmasi), lila en couleur de puce, ook in de apotheken tot de k erin e s-s 1 r o o p en het a I k e r in e s - k o n f g t ge-brulkt worden; vgl. alkcrmes; — mine-ralisch of mineraal kermes, z. kar-thulzerpoeder; — kennesinus, a, urn, lat. Bot. karmozgnrooit.

Kermis, pl. oostindlsche zak- of neusdoeken.

Kern., by naluurwetenschappeiyke hona-inlngen afkorting voor S. ven kerner (gestorven ISIIO).

Kerographie, f. gr. (van ksrós, was) wasschilderwerk; — keroïdisch, adj. wasachtig; — keromantie (spr. (=/.«), f. de waarzeggery uit was; — keroplastiek, f. de wasboetseerkunst, de kunst om wassen beelden of voorwerpen te maken.

Kerréna, f. eene trompet der Indianen.

Kerri, m. de knods als wapen der Kaffers.

Kerrie, f. z. curry.

Kersey of klrsoy, eng., z. karsaai; — kerseymir, n. eng., voor kazlmir 1).


-ocr page 702-

KERSTENEN 682 KILO

Kerstenen, kerstfeest, enz., zie christen, onz.

Kertassa, m. arab. iemand (iiu (in ile Sahara) de verstopte woostUnbionnen van zand reinigt.

Keryktiek, f. «r. (v. kèryx, (ie heraut, keryssein, uitroopun, luide verkondigen) de predikkunst.

Kossubah, in. (v. kelhübdli, het geschreven) een huweiUks- of trouwlirief iiU do Joden.

Ketjoe, f. gewapende hende die \'s nachts op roof uitgaat (op Java).

Ketmir, m. aral). naam van den hoad, welke de in een hoi in slaap gevallen 1 slapers 300 jaar lang hewaakte. Do Maliomedanon schrijven hem (Iriemaai naast het zegel hunner hrievcn.

Key, in. eng. (spr. /tie) sleutel; Muz. klavier, toets.

Khabir, m. araii. (van khahara, welen, kennen) een leidsman der reizigers door do woest yn.

Khakhau, m. tataarscii (vgi. kiian) de khan der khans, titel dor mongooische vorsten.

Khalif, m. arah, {kluiHfah, van khülafa, navolgen) de navolger, plaalslieklecder, a. i. van Mohamod, een titel van den turkschea keizer of sultan der Osmanen, als opperhoofd der Mohainodanen; — khalifaat, n hot sltul-houderschap; hel rük dor opvolgors van Mohamod.

Khamar, z. g li a in a r.

Khamsin, n. een liccto wind uit du zund-woestUii in Egypte.

Khan, m. I) taiaarsch en lurksch, een vorst of opporiioofd der Tataren, een tataren-vorst; i) porz. (in \'t alg. huis), eene openharo herherg in hot oosten; standplaats der karavanen; ook markt; —khanaat, n. hol gehiod van eenon Taiaren-vorst; — khandsji, m. opziener van een herherg of klian.

Khandsjar, m. arah. een turksclie dolk, korte degen, z. lianjar.

Kharadsj, m. arah. (heiasting, Inkomen, staatsinkomsten) lurksch hoofdgeld; — kha-radsji, m. turk. ontvanger of inner van liet hoofdgeld; — kharadsji-basji, m. opperste ontvanger van het hoofdgeld en rochter over alle daaruit voortvloeiende geschillen.

Khasseki sultane, z. chasseki

Khatib, m. (araii. van chulaha, prediken) de prediker

Khatim, in. arah. vingerring.

Khattisjerif, z. halsjerif.

K. H. B., iiü natuurwetensch. Iienamingon afk. voor Kuiilli (gest. IHBO), Alex, von Huni-iioidl en \\ Honpland.

Khaziné, f. perz. (k/iazine/i, schat. arah. khnaneh; vgi. hnsna, hasne) de sciiat van den sultan -, — khazinedar-aga, de grootschatmeester des sultans (vaak misvormd tot gesand er-a ga).

Khedive of khidiver, m. lurk. z. v. a. i 11 u s t r i s s i m u s, allerüoorluclitlgsle, ecu perz.

titel, door den sultan aan den onderkoning van Egypte verleend.

Khetris, z. radsjapoeton.

Khilat, z. cliilal.

Khivas, m. een oostindlsch gowiclil van ongeveer 400 kilo.

Khodsja, m. porz. (khodsjah, grysaard, lieer, uitstekend man, ovenais signor, v. i, senior) eerelitel van een aanzioniyk koopman, professor, doctor enz. (ook kogia geschreven).

Khotbah of khoetbeh, n. arah. (vgi. khalih) predikatie en gehed der moliameda-non lor vorheertyking van (gt;oii en Mohamod, ook van den sultan of van regeerende vorsten in \'t algemeen.

Kiaflr, m., pl. kuffar of keforn, lurk. (z. v. a. arah. kdfir, z. k a f f c r s) ketters, ongeioo-vigen, Inz. een schimpnaam voor de Cliilstcnen.

Kiahia, kiaya, z. kt ha ja.

Kiang, kien, koyang, koyan »f koean, n. een sianieesche korcnmaal van 2000 kanang = ongeveer 10 II. L.

Kiarn, turk. loom.

Kiatib, m. lurk.-arah. (v. \'i arah. katabu, scliryven) de scbrUver, secretaris.

Kibitke, f. rass. (kibitka, van \'I arah. koehOat, gewelf, lont, zonnescherm) een mat-tenhekleodsei over wagens, enz., eene tent uil dierenhuiden iiij de Tataren en Kalmukken; een iiciil lussiscli rytuig met 4 wielen.

Kiblah, z. kehlah.

Kid, n. eng. geilehokje; geiteiedor; — kid-gloves, glacc-handschoenen.

Kidney, n. eng. (spr. —nij nier, nierstuk.

Kiën, z. k 1 a n g.

Kieseriet, n. naar iten natuuronderzoeker I). G. Kleser genoemd mineraal, beslaande uit zwavelzure bitteraarde en water.

Kihaja, kiahia of kiaya, m. een lurksch plaatsvervanger, zaakwaarnemer (agent); — kihaja-beg, m. de lurkscbe minister van binneniandsche zaken.

Kil, f. een diep, nauw waler, eene diepte lusschen twee droogten, siroomkuii.

Kila, eene korenmaal in Slavonil\'.

Kilaboedan, n. lurk. gesponnen zydc.

Kiladëh, f. arab. een lol op den gordel reikende halsband van cdelsleenen der arab. vrouwen.

Kilardsji-basji, m. (v, kilurdsji, keldermeester, kilar, kelder) de opperkeldormeesler van den lurkschen keizer, of oppeiioeziener over den kelder.

Kilare, z. are.

Kilderkin, n. eene eng. maat voor vloei-slofl\'en, een vaatje = i furkin — ijullons, = 81,7(15 liter.

Kilimi, pi. turk. grove lapyten uit de Ukraine.

Kiló, chilo of kilé, n. (v. gr. hm lux, iioi) voor IS7ï een turk. korenmaat van zeer verschillende grootte, in Conslanlinopel ongeveer 30, in Smyrna 54, in Salonika en Varna 144 liter, enz.


-ocr page 703-

KISLAR-AGA

K1L0-

683

kilo- (van liut (jr. chilioi, dulzond), in ilc samciiBCSt. benamingen der metrieke malen en newlchlcn bcleekent; duizend, li. v. kilogram, z. gram-, — kiloliter, z. liter; — kilometer, z. meter; — kilostère, z. stère.

Kilograaf, f. elg. duizondschryver: toestel om gesclirlften te verveelvuldigen.

Kilt, m. schotscli (vgi. kelt) liet schort of korte rokje, dat de Bergschotten in plaats van liroek dragen.

Kimbren, z. Clmhren.

Kin, n. lurk. sabelscheede.

Kin, n. een chlneesch houten snarenspecl-luig; ook een chlneesch gewicht; vgl. king 2).

Kina, f. of kinabast, m. de koorishast of peruvlaanscho hast van den kinaboom in /. Amerika, een der gewichtigste geneesmiddelen togen de koorts. De kinawurlel komt niet van dien boom, maar van een geheel ander gewas, ktna-smilax, in l\'erzie, China, enz.;— quinine, f. (van liet sp. quinu, van kina) de uil den kinabast afgezondorde grondslof, een eigen alkaloïde, in den kinabast vervat.

Kindak, n. eene katoenen slof in Rusland.

Kinösis, f. gr. (van kincin, bewegen) do beweging; — kinesiatriek, f. (van kinesis, en ill hike, geneeskunst) of gymnastische geneeswUze, de genezing of hebandeiing door geregelde iichaamshewegingen; — kenesio-metno, f. de beweglngsmeetkunsl; ki-neskoop, m. toestel met draaibare stereo-skoopplaten (z. aid.); — kinetika en ki-nematiek, f. de leer der bewoging, bewegingskunst; de leer van de beweging der machines; — kinetische of kinematische kunsten, z. v. u. mimische kunsten, z. aid.

King, 1) ook tsin of foe, een chlnee-sche landmaat = (i,7,\'135 bcctaren; ook een muziekinstrument in Cblna; — king, 2) of kin, een Japansoll gewicht van 0(11,70 gram.

Kingam, n. eene ooslind. fijne katoenen stof, gew gingam, ginggam (z. aid.) ge-beeten.

kingdales, pl. eng. (spr. kingileels) een engelscbe wollen stof op eslamgu gelUkende.

Kings, pl. de vijf oudste en beiligsie hoeken der Cliineezen.

Kings-bench, f. eng. (spr. —benlsj), eig. koningshank; bet opperbofgereebt, een hoog gerechtshof te Londen (vg), queens bench); ook eene gevangenis voor schuldenaars; — kings-prison, f. (spr. pris\'n) een gevangenis te Londen voor schuldenaars en opstellers van boonende artikelen.

Kinine, f. z. qui nine onder kina.

Kinishemski, russisch iynwaad voor servetten, dal veel van Potersburg wordt ullgevoerd.

Kino of kinogummi, f. een fraai, rooii, gedroogd plantensap, byna geheel uit looistof bestaande, dat Inz. uil de Amerikaansche zeedruif wordt gewonnen (verkeerdelgk ook kina-gom geheeten), als geneesmiddel, Inz. bU huikloop.

Kinsa, m. de bestendige agent van den grootvizier aan het lurksche hof.

Kinsatsoe, n. Japmisch papiereiigeid van verschillende nominale waarde.

Kionopharanx, f. gr. (van kion, vgl. cion, elg. zuil; het lelletje der keel, de buig, en pharunx, kloof, groeve) Med. de splijting der buig; — kionoptösis, f. de doorzakking der huig; — kionorrhaphie, f. de huignaad.

Kiosk, f. lurk. (kioesjk, kilisjk, v. \'t perz knesjk) een turkscli luinbuls, zomerhuis of paviljoen op palen; vandaar een houten gebouwtje In dien vorm op de boulevards der groote steden tot verkoop van kranten, enz.

Kip, n. een tingewicht op Malakka, ongeveer = ISJ kilo.

Kippers en Wippers, in de nde eeuw de munlbeeren, die het goede geld Insmolten en daarvoor ander van minder gehalte sloegen; de wisselaars, die hel geld snoeiden en zo» uitgaven (van k I p p quot; n, besnoeien, en w i p p e n, wegen); in de muntkunde beet de tyd der slecble munten tot 101)7; de tyd der kippers en w 1 p p e r s.

Kiraggi, m. een lurksche trein- of karavaanvoerder.

Kirat, n. (woordeiyk hol deel) egyptisch gewicht z. v. a. karaat z. aid.; ook een ak-kormaat in Kgypto = ^ feddan.

Kirb., liy iialuurweteuscb. henaiiiingen alk. voor W. Kirby (gesl INSO).

Kirdar-aga, m. de manteldrager van den lurkschen keizer.

Kireh of kiree, m. (van bel pooisch kiereia een lange pelsmantel mei afluingende mouwen voor mannen.

Kirgizen of Kirgis-Kaisaken, m. pl. naam der Sleppen-Kozakkeu in de kirglzl-sche sleppe tusscben den Oeral en Irtlsch (waar-schUniyk naar den stichtor hunner horde benoemd).

Kirk-para, (d. i. in paea) of bir-groesj, m. de enkele lurksche piaster = l(i cents ongeveer.

Kirschwasser, n. hoogd. (spr. kienj— eig. kersenwaler; een geestryk vochl, dal de Dultschers uit de pitten der wilde krieken bereiden.

Kirsey, z. kersey.

Kis, pl. de gesnedeneu In den harem.

Kiseh of kizeh, ook kis of keser, m. (perz. kiseh, geldbeurs) eene beurs, eene lurksche rekeneenheid voor groote belailiigen = S00 piasters, do goudbeurs waarmede de sultan zyne gunstelingen pleegt te beloonen = 30,000 piasters of 3410 gulden.

Kishoe, turk., sorbel (z. aid.) van kokosmelk.

Kislar-aga, m. lurk. (v. kis, pi. kislar, hel meisje, de jonge vrouw; vgl. a g a) elg. de melsjesopzlchter; de opzichter der zwarte ge-snedenen aan hel turksclie bof; oppertoeziener des harems van den turkschen keizer.


-ocr page 704-

KLIM AX

KISLKW

Kislew, n. hebr. de derdo maand van don Israöllotischcn kerkeiyken kalender.

Kisloz, m. eene lurksche graanmaat, z. k 116.

Kismet, m. lurk. liet noodlot ((uturn) bU de Turken.

Kismis, oostlndlsch katoen.

Kisra, m. bruine meelkoek der negers In Soedan.

Kit., by natuurwetensch. benamingen alk. voor 1\'. Mtalbel (gest. 1817).

Kitab, m. arab. [kHAb, v. kalaba) sehry-ven; vgl. kla tlb) schrift, boek; het hoek hij uitstekendheid, de koran (z. aid.).

Kitai (van \'t arab. khatamp;i, het noordeiyke China) eene chlneesehe zydon of katoenen slof; in Bobomen en de Lausltz, ongobiookt lijn katoen; — kitaika, f. russ. eene chlneesehe katoenen stof.

Kits, r, (eng. ketch, fr. cniche, quaiche), een vaartuig of Jacht mot i masten en oen galjoen; ook een driomast-gaijoot; een bombardeerschip.

Kioeptar, m. (van turk. Aioe/i, arab. perz. koeb, kruik) de schenker des turkschen keizers.

Kivik, m. een klein rnss. vaartuig op do rivieren, met li riemen.

Kiwi, in. de woudstruis, een eerst sedert ISH bekende, zeer zeldzame niouvvhollandscho vogel, wiens geslacht op het punt Is van uit Ie sterven. Hy draagt zynen naam naar \'1 geluid, dal hy geeft.

Kizeh, z. kiseh.

Kjokkenmödding, f. deensch (elg. keu-kenmodder) hoop keukenafval uil do vóorhisto-rische tyden.

KL, hu natuunveiensch. benamingen afk. voor .1. F. Klotzsch (gesl. 18(10).

Klaas, mansn. ontstaan uit Nlkoliias.

Klafter, m. hoogd. een vadem of (gt; voet.

Klant, kalant, z. c h a I a n d.

Klapper, klappernoot, f. jav. en mal. [kntupn of Mapa) kokosnoot; — klapperboom, m. kokosboom z. cocos; — klapperolie, f. kokosolie.

Klasis, f. gr. het afbreken, do breuk; — klasma, n. een brok, oen stuk, een fragment; — klastisch, adj. breekbaar, gebroken.

Klavier, z. c 1 a v 1 e r, ond. c 1 a v 1 s.

Kleanke, f. (rnss. kleenka, v klei, lym) wnsiinnen, wasdoek.

Kledonisme, n. gr. (v klêdon, gerucht) hot waarzeggen uit plotseling geruisch.

Kloidagra, n. gr. (v. kleis, genit. klcidAs, sleutel, sleuloibcen) Mod. de hals- en sieutoi-boensjicht; — kleidomantie (spr. I=ls), f. de waarzeggery uil sleutels.

Klematis, f. gr. (kUimlis, verklw. van Mima, spruit. Jonge tak) Kot. eene slingerplant: wilde wynstok, dulvelsgaron.

Klematitis, f. gr. Hot. de meelbloem.

Kleónka, f. russ. z. k loan ka.

Kleopatra, f. gr. vr.naam; woordoiyk des vaders roem.

Klephten, z. kiepten.

Klepselseum, n, gr. (van hléptein, stelen, In \'I algemeen Iets helmeiyk of Ier sluik doen; wegens do trapsgewyzo en onmerkhare toevloeiing en élaion, olie) eene lamp, waarin oven zooveel olie toevloeit, als door do vlam verteerd wordt; — klepsydra, f. (v. hijdór, water) een wateruurwerk der Ouden, bestaande In een nauwimlzig vat op do wyze onzer zand-loopers; — klepten of klephten, m. pi. gr. (kléptis, de dief) eig. rooverhoofdliedon; krUgsaanvoorders in hot nieuwere Griekenland;

— kleptisch, adj. diofachlig, ter slnik, als een spitsboef; — kleptomanie of klep-tosynê, f. do zlokeiyke zucht tot stelen, onbedwingbare steeimanle.

Klerk, z. cl ere.

Klems, of lat. clerus, m. (van hel gr, klems, het lui, loogodoolde erfgoed; vandaar de uilgelezen, byzondor bevoorrechle stand), de klerezie of goosteiykheld, do gezaineniyke geesteiyken eener plaats; ook de priesters- of leeiaarsstand, hot priostorschap; ook do bena-mlng dor Jansenisten (z. aid.), eig. Roomsch-Kniholloken der oude iiisschoppoiyke klerezie;

— klerïkus of clenkus, m. een geeste-iyko, priester, schrifigeloerde; clericus clericum non (lectmat, de eene geestelyke neemt geene tienden van don anderen; — klerika of clerica, f., z. v. a. ionsuur (z. aid.); --klerikaal, clericaal, adj. (later lat. cle-ricBlis, e) geesteiyk, den geesteiyken stand be-IrelTende, dien toebehoorende; vandaar klerikaal of clericaal, m. lomand die geestoiyk gezind is, die de gcostciykhcid aanhangt; — klerikaat of clericaat, n. {clericatus, m.) de geestelyke stand; — klerikalisme of clericalisme, n. de kieilkalo party, haar streven, baar beginselen; — klerogamie, f. het priesteriyk huwoiyk; — klerokratie (spr. I=ls), f. do prlestorheorschappy; — kle-romantie (spr. /=lt;s), f. de waarzeggery door het lot of uit eenige opgegeven getallen.

Klewang, m. kort, breed zwaard in O. IndiB.

Klidi, lurk. sleutel.

Klima, gr. (eig. do neiging, inz. dor aarde tot de polen, dan do naar den grand dier nel-ging zich richtende wnrmle of weersgesteldheid, v. klinein, buigen, neigen), klimaat, n. (fr, climat), ile hemelstreek, aardstreek, luchtstreek, luchtsgesteldheld, de gezameniyke weersverhou-dingen van oen plaats of landstreek, vgl, zone;

— klimatisch, ad), naar de aard- of hemelstreek ; — klimatologie, f, de loer der hemelstreken, de luchlgcsleidheid; — klima-tológisch, adj. de hemelstreken betreiTcnde of daartoe hohoorendo.

Klimax, f, gr. (v. klinein, huigen, neigen) elg, de ladder, trap; vandaar eene trapswyzo opklimming, inz. I.og, do klimming of versterking dor uitdrukkingen in eene rede; vgl. gradatie; — klimaktêrisch, adj. trapsge-wys, wat een helling of een trap maakt; het


-ocr page 705-

KLINISCH

(585

KNIDOSLS

k II in» kt er Is c he Jaur of annus rlimaclen-cus, een trupjaur, klimmend Janr, tl. 1. leder zevende Jaar des menschelUken levens, in liet welk men meende, dal er oene merkeiyke verandering in hel lichaam voorviel.

klinisch, adj. nr. (van klim, leger, lied) wat tot een lied en hediogerige zieken hetrek-king heeft; hediegerig, krank; - klinische los, eene les, welke in een ziekenhuis hü hel hed der zieken gegeven wordt; — klinische geneeskunde, die, welke zich hezighoudt met de iieiiandeling der ziekten, in liel hijzonder beschouwd; - kliniek, f. (gr. klinikï-, sell, léchne, kiiasl) ilc practische geneeskunde of geneeskundige hehandeilng van liediegerigc zieken en iaz. het onderwijs aan hei zlekhod; ook z. v. a. k I i ii i k u in; — klinïkus of clinicus, m. een ieeraar der geneeskunde aan het ziekiied;- klimkum, of lal cli-nicum, n. of klinische school, school, waar men do ziekten of de zieken zeiven leert kennen, ook in \'t algemeen eene insleliing of Inrichting lol liohnndellng van liedlegerige zieken; amhuialorlsch klinikum {clinicum nmhululonum) hehandeilng van niet liedlegerige, loopemie zieken; — klinoïdisch worden genoemd vier uilsteeksels, welke aan de hovensle oppervlakte van hel lichaam des wiggeheens voorkomen en die men met de vier kolommen van een hed vergeleken hoetl, hedvormlg, za-deiaciilig; — klinologio, f. de leer van de heste gesteldheid en inrichling der ziekiiedden;

klinorhombisch en klinorhom-boïdalisch, adj. noemt men veelvuldig verschoven krislalvormen, die, door ruitvormige vlakken hegrensd, :i ongeiyke en scheefgeslelde assen iiehhen; — klinotechniek, f. de kunsl om krankhedden naar elsch in te richten.

Klinkét, n. (fr. cliquel, oorspr. van klink, klinken) eene klink; eene kleine deur in eene groolere, een poortdeurtje.

Klinométer, m. gr. (v. klinein, neigen, hellen) een heliingmeter, een werktuig Ier he-paiing van do ligging der heddingen en ertsaderen in de bergen.

Klio, f. gr. (Klvio) eene der negen Muzen (z. aid.); Astr. eene In IHIi.\'i door Lullier onl-dekte asteroïde.

Klipdas, m. eene soort van groole muis aan de Kaap, in Ahyssiniti, enz. [Ilijrai).

Klipperschip, n., klippoi\', m. (eng. clipiicr, eig. atsnüder, doorsnyder, v. clip, af-snyden) eene in N. Amerika opgekomen soorl van zeer snelzeilende koopvaardyschepen, die hel water als \'I ware meer doorsnyden, dan dal zy er overheen glyden.

Kliseomóter, of onrogeim. klisiomé-ter, m. gr. (van klisis, huiging, neiging, van klinein, buigen, hullen) Med. een bekkenmeter, een werktuig Ier moliiig van hel vrouweiyke bekken, uilgevonden door Stein.

Klisteer, klysteer (gr. klystir, van klydzein, spoelen, enz.), nok klysma (z. aid.)

Klitóris, f. gr. de klllelanr, de vrouweiyke roede, een gedeelte der vrouweiyke schaam-deelen; — klitorisme, n. eene zlekeiyke opzwelling van de klitóris; — klitontis, f ontsteking daarvan.

Kljoekwa, f. russ. de inoshezie, moeras-lies {raccimum oxycoccus), in Kusiaiid gehrulkl lot bereiding van eea gellefkoosden zuuraclitl-gen drank.

Kloesjnik, m. russ. de uitreiker, schalfer, bokeerder.

klonisch, adj. gr. (van klónos, hevige, verwarde beweging, klonein, lievig bewegen, schudden) Med. slulplrekkend, kranipachtlg bewogen.

Klothildo of Cloliide, oudd. vr. naam (oudhoogd. chlolhill, chlnliehildn, v chloil, hlül, d. i. luid, beroemd, en hilli, slryd, gevecht; vgl. gr. klylós, hoorbaar, luid, beroemd): de krygslieldin, de onversaagde, strydhare jonkvrouw.

Klotho, f. gr. (van klóthcin, spinnen) de spinster, eene der drie Pa reen (z. aid.)

Kluiffok, f. een zeil aan den voormast, de voorfok.

Kluis, f. (hoogil. klause, mid. lat. clausa, z. ond. ciaudeeren) eene nauwe besloten plaats; de liisluiling, grot, de eet van eenen monnik; — kluizenaar, in. de bewoner eener huls, heremiet.

Kluisgaten, kluizen, de gaten in liet scheephoord onder liet gaijoen, voor de anker-louwen.

Klysma, n. gr. (van klydzein, spoelen, wasschen) ook la vent ent, n. fr. (spr. lawman) en klysteer, n. eene darmliespuiting of inspuiting in don aars; een darmbad; — klysteeren, een darmhiid toedienen, inspuiten; — klysteerspuit, f. eene darmspull.

Klysopomp, r. gr.-ned., de pomp van iiooge drukking.

Klysteer, quot;lüysteeren, z. klysma; — klystoról, m. Iron, een ktysteerzetter, een apolliekersjongen.

Knaster, z. canaster.

Knave, m. eng. (spr. neep\' — knaap) boef, schelm; de hoer in \'I kaartspel.

Knee, f. eng. (spr. nie) knie; - kneecap, 1. elg. quot;kniekapquot;: kniebedekking.

Knees of knias, m. z. knjas.

Kneph, in. gr. (ook Knoeithis, Chnoephis, Chnoebis, chnnemis, egypl. Ilnoem of Knoem) een oud-egyptlsche god, die ais de oorzaak van het wassen des gt;ijis en des daardoor verwekten zegens vereerd werd.

Knêsma, n. gr. (v. knan, schaven, krassen) Med. eene door krabben, na voorafgegane jeukte, ontstane liuidwond; — knesmus, m (gr. knismós) bet jeuken.

Knickerbocker, m. eng. (spr. nik—) ia New-York; afslainmellag der oude hoitand-sehe bourgeoisie; in \' 1 aigemeeu; Mew-Vorker.

Knidösis, f. gr. (van kniilan, met netels slaan, nelelaardig jeuken, van kniilr, de nolel) ile jeukte, prikkeling, branding; de brandnetel-


-ocr page 706-

KOEUGAST

KNIE VERS

086

uitslag; hot slaan met netels; z. v. a. urti-catl o.

Knievers, kniedicht, n. een op de

knie, (1. I. in iter haast, als lor loops nederge-schreven vors, eeno soort van extempore op de wUze der oude roderykors.

Knight, m. eng. (spr. nail = knecht, d. i. oorspr. jonkman, knaap, edolknaap) een ridder In Engeland; ook de ong. naam voor hot paard in \'t schaakspel; — knight-ban-neret, een op liet slagveld door den koning zelven tot ridder geslagene; — knight of the Garter, ridder van don Kousehand; — K. of the Malta, Malthezerrldder; — K. of the Thistle (spr. sisl\'l: niet geaspireerde s aan hel hegin) ridder van de Schot-«che Distelorde.

Knijf, n. (eng knife, fr. canif, zw. knif, afgeleid van n g p e n, k n y p o n) oon lang, ixin-lig mos of ponjaard; een knipmes.

Kniasoregmio, f. gr. (v. knissa, knissos, vetdamp en rCfinymi, ik hroek los) het ranzige, stinkende oprispen.

Knjas, m. russ. (poolsch kniaz) een rus-sisch of poolsch prins; — knjaghinja, f. rass, prinses, gemalin van een prins; knjash-na, (. (spr. sA=.y\') dochter van oen prins.

Knoet, m. russ. (knnel, goth. hnoefu) eone ia Kusland gohrulkoiyko, uit harde Juchtleoren riemen heslaande zweep, die Ihans alleen als onteeronde straf hy goineeno misdadigers, die voor Slhorit! hostonid zijn, aangewend wordt;

— knoeten, met zulk eone zweep geesolon.

Knowledge, f. eng. (spr. nnlledzj\') konnis, wolonschap; — knowledue is power (spr. pouer), kennis is macht.

Knownothings, m. pl, eng. (spr. nrinoss-inns) nlotswotors, eone voor hot begin van den Imrgeroorlog zoor lairyko polllloke party in N. Vmerika, die de volksverhuizing uil Kuropa naar Amerika poogde te sluiten, hot aldaar liurger-worden to liemoeiiykoa en de landverhuizers van staats- en gemeenteamhton uit te sluitoii zoo men wil naar de woorden In know no-Ihinii, niets te weten, die in don door hen af te loggen eed moesten voorkomen).

Knuckleduster, ui. eng. (spr. nükkel-dusler) do knoukelklopper, oen noordamerlk. verdedigingswapen.

Kobalt, n. nw.lat. {robiittum; oorspr. — k o hold, waarmede de mynworkers weleer niet alleen den berggeest aanduidden, maar wlen zij ook do voortbrenging dor berg- of ertssoort, die men nog niet voor een erts hield en wei-kor nut men niet kende, toeschreven) oen wlt-grys, tainoiyk zwaar, hard en moeliyk smeltbaar eigenaardig melaal, dat In do natuur inz. mot arsenlk en zwavel verbonden (als spijs-k oh a 11, ko hal I gla ns, kobalt kies, enz.) voorkomt en welks oxydul lot horclding van smalt (z. aid.) gebruikt wordt; — kobaltblauw, n eone schoone hemelsblauwe verf, vorblndlng van kobalt-oxydul mot aluinaarde;

— kobalt-ultramarijn, n. eeno uil kobalt-oxydul en leem bestaande blauwe verf.

Kobang, m. eene Japansche gouden rekenmunt van f 8,()0 tot f li,(10 in waarde.

Kobold, m. hoogd. (v. \'t gr. knbalm, lat. cóbalus, fr. gobelin) oorspr. een potsenmaker, hansworst; luchtsprong, bulteling; ook oen duikelaartje, builolmannetje, uit vllormerg niet een stukje lood gemaakt; oen nydlge berggeest, bergmannetje, plaaggeest, kiiboutormannotje, een Ingebeeld spook,

Kockim, m. eene voormalige japansche munt.

Kocytus, m. gr. (Kokfllos) do tranenstroom, van kukyein, weenen) Myth, eone van do rivieren der hel, der onderwereld; z, Tartarus.

Koda of kot, een handelsgewicht in Georgië = i poed of 8« russ. pond =112,101 kilo.

Kodama, eene zilveren rekenmunt In .la-pan = 8i cl.

Kodeïne, f. (v. gr. kódc, papaver, maankop) Cbem. een alcaloïde van oplnni.

Koddebeier (van kodde, oon stok, en beleren, de klokken bespelen, slingeren, dus eig. iemand, die met den stok zwaait) een bosch-wachler, veldwachler,

Koean, z. k la ng.

Koeddoe, m. een soort van kleine meloen in Voor-Azlö, hy de llsbeken enz.

Koedoe, m. zuidafrikaansch {/Inlilöpe slrep-sief ros, gr.) eone soort van aal Hopen aan do kaap de Goede Hoop.

Koejon, koejonnooren, z. coïon.

Koel,, hy natuurwotensch, boaamlngon alk. voor Koolroulor (gesl, I80()i,

Koela, f. oen oliemaat In Marokko = 11,2 kilo.

Koelack, een gewield op Java = Tt ka III.

Koelboek, lil. hot hoofddeksel der ra jas (vgl. radsja) In Turkye.

Koelies, m. pl. bindosl. {koelt, een dag-looner, lastdrager, eng. cooley: vgl. turk. kul, kjAleli, een slaaf) hindoes ail eone der laagsle kasten, die thans lig menigten naar de britsche koloniën in VVost-lndle als veld- en plantage-bebouwers I rekken.

Koemiss, f. mongoolsch (russ. kumi/s) gegiste paardemelk, stoppenmelk, molkwyn, een bedwelmende drank der mongoolsclie Tartaren, uit gegiste paardemelk bereid.

Koenraad, dultsche mansn. (mld.hoogd. Kuon-rdl, oudd. Chuonrnl, koon van raad) de vastboradene; fem. Kon rad Ine,

Koepel, m. (fr. coupnle. It. cupola, mid. lat. cupiilo. euppiila, v. \'1 lat. cupa, cuppa, ton, vat, kul|), miil.lal. beker, zoo genoemd wegens de geiykvormlgheld met oen omgekeorden beker) de rondo kap van oon gebouw In de gedaante van oen halven hol, helmdak Ier bedekking van oen cirkelrond gebouw; ook tuinhuis; — koepeloven, z. cupooi-oven.

Koergast, koerzaal, z. end. k u u r.


-ocr page 707-

KOLLESIS

KOERON

Koeron, z. krorc.

Koert, vcrklw. v. Koon rand (z. aid.)

Koeskoes, koeskoesoe, f. hu do iter-hcrs soeksoe, t. imih. In BcrhcrUc, AlRlers enz. eon uit (.tuUimi or maïsmeel met scliupe-vct, klppcnhoulllon en d(!l. hereld llovelinKS-Kereeht.

koe téren (voortdurend werkwoord van koeten, kouten) krom, slecht sproken; kodterwaalach, n. (Iioond. kauderwalsch) het slechte, gebroken Neder- of Itoogdultsch, dat doorgaans door de Walen gesproken wordt.

Kof, kofschip (zweedseh knfwasch, elg. het schip met eene kot, konw, hut) eene soort van koopvaardijschip met i masten, dat door zUueii meer platten dan ronden hodein en den vorm van zyn voor- en achterdeel lgt;ü zware lading slechts weinig diepgang vordert.

Koffie, f. (waarsch. v. Kaffa, daar do landschappen Knarea en KalTa in \'t Ethloplsch hoogland het oorspronkelUk \'vaderland van ile kidlle zUn, die vandaar naar Arahle verplant is; In \'t arah. Is kahocah, knhoeh, turk. knh-weh, wijn, koltlcdiank; de koftlehoon heet liunn) de tioojien van den kolllehooni en de daaruit bereide drank; vgl. café; — kalfeme of eolfeine, f. een atcaloïde, In kotllobooacn, theebladen (vandaar ook thoine) en guanina (vandaar ook guaranlne geheoten) aanwezig.

Koftwork, n. eng. oostlndlscbe, met goud Ingelegde stalen kunstvoorwerpen.

Kog, I) kogge, f. (mid.lat. road, m/iin, waarsch. zooveel als kof) eene vroeger gehrul-keiyke soort van vaartuig met :in lot :I3 riemen, dat wanneer het als oorlogsschip diende, ook met tinnen of bouten gelande heschulsels legen \'t enteren beveiligd was.

Kog, 4) m. deenscb; laag, Ingedykt kuslhind.

Kogia, in. z. kbodsja.

Kohóleth, m. behr. (elg. verzameling, pre-dlker, van knhdl, verzamelen) henamlng van den koning Salomo en van bet hem toegeschreven bUhelboek «de Predikerquot;, den val van den Joodschcn staat betreffende.

Kohi, in eene korenmaat In Slam van liflfl centenaars.

Koh-i-noor, in. ind. (= berg des lichts) het kostbaarste eng. kroonjuweel, aan koningin Victoria geschonken door de O. I. compagnie.

Kohort, ■/.. cohorte.

Koiloma, n. gr. (v. kniloen, ultbollen en koilos, c, dn, hol) eene holte-, Med. een boorn-huldsgczvvel; — koilometrio, f. vaatmeet-knnst, de leer van de inellng der holle valen;

koilostomïe, f. de holle stem;—koi-lostómisch, adj. hoistemmig.

Koinologie, f. gr. (v. kolnós, lt;\\ dn, gemeenzaam) gemeenschappelijke beraadslaging, inz. dor geneesbeeren.

Koka, f. een naar helél gelijkend kruid in Peru, welks gedroogde bessen don Peruanen als klein geld dienen, en welks bladen door ben gekauwd worden.

Kokolêta, f. mnntel der lurk. scheeps-kupiteins met knoopen en snoeren.

Kokkolith, in. gr. (v. knkkns, kern der boonivnichten) kernsteen, eene kantige, korrelige soort van a u g let.

Kokosjnik, z. kakosjnik.

Kokosnoot, f. (vgl. het gr. kneki, de kokospalm, en diens vrucht, knU\\ gonit. kóikns, eene egyplische palmsoort,, en kókkot, kern, bezie) de vrucht van den kokosboom of kokospalm \'Cnrox nuciffra, I..) ook klapperboom genoemd, in de keerkringslanden; z(j heeft eene witte, vleezlgo pit, die een gezond voedsel oplevert, en hlnnen die pit een melkachtig vocht, dal tol een verfrissebenden drank strekt; de dop der noot wordt al.s drinkschaal geliruikt en tol allerlei kunstwerk verarbeid.

Kökoe of kok, een japansche inbouds-maat van to In of ton sjon = 1,315 heclolller.

Kola, koel, m. turk. elg. slaaf; de benaming voor alle lurksche onderdanen met betrekking tot hunnen gebieder.

Kologasi, m. turk. adjudant-majoor; — kolassi, in. turk. kapitein.

Koliiptika, f. (van \'t gr. knldplein, uitbouwen, beitelen) de hceldhouwerU mei den beilci.

Kolatsjen, pi. slav. (russ. knldltch en kaldlsch, poolscb knlncz, v. kuln, kring) pool-scbe kleine, ronde, met ingemaakte vruchten gevulde koeken.

Kolbak, in. turk. (fr. colbac) een turk-scho pelsmuts; ook als militair hoofddeksel door de I\'Vanschen by ons ingevoerd.

Kolome, f. gr. (v. koleds, scheede) M. M. vleugeldehstof; koleïtis, f. Med. de ont-sleking dor moederscheede, z. v a. elytrilis; — koleocêle, f. de mocderscheedehrenk; — koleoptëra, n. pl. gr. (van koleds, koker en itléron, vleugel) insecten, die vier vleugels holiben, waarvan ile bovenste hard, dik en kort

zyn, en tol ........ie dienen voor de ondersle,

die vliezig en dwars geplooid zyn; schlldvleu-gelige insecten; koleopterieten, m. pl. versieende kevers of deelen van kevers; — koleoptósis, f. Med. de uitzakking van de ......lerscheede; — koleorrhêxis, f. de verscheuring van de moederscheede.

Kolibrie, m. (intieemsche zuldamer. naam, sp. colihri] eeae soort van amerlkaansche vogeltjes, tot welke de kleinste en schoonste vogels hehooren; hel bloemen-, vliegen- of ho-nlgvogeitjü, de bloemspecht (Trnchilw:).

Koliek, kolijk, z. ond. kol on.

Kolje, m. (zvv. kolja, schelviscb, ysl. koli, schol, plalvisch) eene soort van kabeljauw In Noorwegen.

Kolkothar, z. c o I c o t li a r.

Koliek, eene Inhoudsmaat In Algerie = 1«,«0 liters.

Kollësis, f. gr. (v. kollan, lymen, kdlla, lym) het lymen, de aanccnlljmlng; ook het sol-deeren ; Chlr. de spoedige lieellng; — kollë-


-ocr page 708-

KOLLODION

KOMA

688

tisch, adj. lUmeml, aaneoiiklcvend, gonozcnd;

— kolletïka, n. pl. Kcneosmlddolcn, dlc als door samenklevliiK hooien.

Kollodion, z. c o 11 o d I u m.

Kollyben, pl. (v. \'t sr. koüybos) klolno munt, pasimml; — kollybus, ni. uok r. hol op-(fcld, do aiflo; — kollybïst, in. eon wisselaar.

Kollyrium, n. gr. (kolljrion) olg. oone deogvonnlgo massa (van kollHiu, grof brood) Mod. naam, waarvan llippokratos on Oalonus zich hodlenden, om zokore vaste genoosmlddo-lon aan to dulden, die bestemd waren om In do schoede, den endeldarm, do ooren of do neusgaten gobracbt te worden. Tegonwooidlg hooft dit woord eene gohoel andere botookenls, on wordt gebruikt voor lodor plaatselUk goiiees-mlddol, hotwolk men op liot oog uf Juistor op hol btndviios aanbrengt. Men onderscheidt droge, wooko on vloeibare kollyria; dus poeder om in hol oog te blazen, oogzalf, oogwater; — kollyra, f. beschuit, tweebak.

Kolma, f. eelt. (gaol. Culmalh, ultgospr. cnehua, van rul, baar, en mulh, mailh, good) vr.naam: hot meisje met schoon haar.

Koloboma, n. gr. (olg. hol verminkte, van kolnboen, verminken) Mod. eene legenna-tunrluko splgtlng dor oogleden of van hot re-gonhoogsvlies van boven naar heneden, door ulloriyk geweld ontslaan of aangeboren.

Kolokolnik, m. russ. (van kdlokol, do klok) do klokketoron, die van de kerk gescholden staat.

Kolokwint, f. gr. {kolókyntha, lat. cn-Inrynlhis, it. coloquinla, fr. coloquinte) de kogelronde, zeer bittere on huikzuivorende vrucht van do kotokwintkoinkommor (Cmcmhii\'s colo-cyntlns).

Kolóm, f. (lat. colümnn) olg. eene zuil, een pilaar, pUler; bil boekdrukkers: gedeello eaner In do longle verdoelde bladzijde; — gesplitste kolommen, in hot midden ver-doolde liladzüdon, balfzijilon (gelijk in dil work);

— kolom-titel, in. hot opschrift of hoofd van ledore balve drukzijde of kolom; — kolommen of zuilen van Hercules, z. ond. Hercules.

Kölon, n. gr. een Uil, eene afdoeling, h.v. dor rode; bet dubbele punt (:) als schoitoo-kon voor do volzinnen; Med. do karteldarm;

— eolica, f. lat, koliek, n. (gr. kólikv, sell, nósos, ziekte) snijdingen in hot lijf, bnlk-pijn, darm- of huikkramp; — cofim biliosa, lat. gaiachllg koliek; f. iiaslrfca, door darniveront-rolniglng ontstaan koliek; c. h(Binorrlioïdalis} hie in o r rhoïda a 1-k o Hok, guldcnaderkollok; c. hepnhca, ieverkollek; c. inftammalona, ont-stekingskollok, darmontsteking; c. lactia, inolk-koliek; c. pi hul o so, slijmig koliek; c. salur-nma, loodkoliek, loodvergiftiging; — co/ica iiic-lorum, het koliek van Poitou of cldorkoiiek;— kolikodynie, f. gr. pijn In don karlohlarm;

— kolikoplegie, f. ilannverlannnlng; — kolitis, f. darmonlsteklng; — kolitomie, f. kunstmatige narsopenlng.

Kolonel, koloniaal, enz. z. col—.

Kolophön, m. gr. olg. de top, spits; hot hoogste, uiterste, laatste, de sluitsteen; vandaar het slol, de laatste bladzijde In oude boeken, hovattonde do opgave van schrijver, drukker en jaartaai, ontstaan uil hol lat. spreekwoord co-lophunem nddlre, cl. i. oone zaak voleinden, or de laatste hand aan leggen.

Kolophomum, n. hol viooiliars, spiegelhars (naar de stad Kolophon in Kloin-AziO zoo goliooten), z. terpentijn;- kolopho-niet, n. oone roodgele stoensoort, aan don granaat verwant.

Kolós, kolóssus, m. gr. (kolossós, reu-zenstandbeeld) een zoor groot standbeeld, reuzengestalte, oen reuzenbeeld, Inz. hot 140 voel hooge, aan don zonnegod gewijde metalen beeld der oudheid aan den Ingang van de haven van Khodus; — kolossen, pl. bil voorkeur de holde 18 voet hoogo slandlieoldon op steige-londo rossen vóór het pauselijk |ialcls op don Monto Cavallo te Kome; — kolossaal of kolóssisch, adj. onmatig groot, overgroot, reusachtig, meer dan levensgrool; — kolos-saliteit, f. de reuzengrootte, reusachtigheid;

— kolossseum, z. coliseum.

Kolóstrum, colostrum.

Kolotomie, z. ond. kol on.

Kolpak, z. kalpak.

Kolpalgie, f. gr. (v. knlim, hoezem, schoot,

holle enz.) Mod. pijn In do vrouwelijke schoede;

kolpatresie, r. vergroeiing der schoede;

— kolpemphraxis, r. verstopping dor scheo-do; — kolpitis, f. ontsteking der schoede; — kolpoeële, f schoedohreuk; — kolpoden, pl. boezoni(liercn, oen soort van infusorten, die h. v. door inacorallo van versch hooi ontstaan;

kolpoptösis, f. uitzakking der scboedo; kolporrhagie, t. bloedstorting uit do schoede •, — kolporrhêxis, f. scbouring dor scboedo; —kolpostegnösis, f. do samen-groellng der scheodo; — kolpostenocho-ne, f. vernauwing der schoede.

Koltoek-wesiri, pl. turk. olg, gchoudor-vlzloreii; hofbedienden des sultans, die hem soms tot ondersteuning dienon.

Kolüren, pl. gr. (Iwloerni, van kiil-oeros, d. 1. eigenlijk stoinpstaartig) Oeogr. jaargetU-snoden, twee meridianen, waarvan de eene dooide twee zonnestilslandspunton {colurus snlslili-urum) en do andere door do twee punten dor nachteveningen (colurus aeqmnoctfcum) loopt, en die elkander rechlbooklg snijden.

Kolvenier, m. veorm. schulter In Nederland mot eene kolf (zeker geweer) gewapend; vanhier koiveniers-doelen, of hy lottor-verzetllng klo v e nlers- doel en.

Köma, n. gr. (v. kniman. Inslapen) Mod. de slaapzuchl, een ziekelijke, zeer vaste slaap, waaruit men den lijder niet kan wokken; — coma somnolinlum, gr.-lal. oen slaap, waarin do lijder nog antwoordt, wanneer men hom Iets vraagt, maar terstond weder Insluimert;

— coma vigil, wakende slaapzucht, waarin do


-ocr page 709-

KONOPEION

KOMALA

689

zieke dlkwUls uit züne sluimorliig ontwaakt, verward spreekt, ijilii)(if(tii-\' Is en onder het spreken terstond wcctcr in stauii valt; — ko-mateus, ndj. (fr. comuleux) slaapziiclitin, slaapzucht opwekkend of aantoonende, wat tot komu lietrckklni? huett.

Komala, f. celt. (gaol. Caomlimlwla, uil-fjespr. kuwwdla, v. caotnh, zacht, hupsch, en mnlu, maladh, weaklmuiw) vr.naum: het meisje met schoonc wenkbrauwen.

Kómboe, n. Japan, eethiiar zeewier.

Kombuis, f. (eng. camhoose, cabousevgl. kabuis) de plaats op zeeschepen, waar de sp(|zen bereid worden.

Komeet, f. gr. [komiles, eig. lang haar liehbende, v. lidme, tiaar) eene baar- of haard-slcr, staartster, eene ster, die zich in een zeer liingwerplgen loopkring (ini de zon beweegt; weleer waren de kometen do schrik der büge-loovigo volksmenigte, thans zijn zll de geliefde voorworpen van onderzoek voor de sterrenkundigen; — kometographie, f. de siaartster-hescbrijvlng; — kometologie, f. de leer van do staartsterren; - komotomantie, f. (spr. lie=fsie) bygeloovige toepassing der ko-mectverscbUningen op toekomstige gebeurtenissen in de menschenwereid; — kometieten, m. pl. eene soort van astroïeten of sterrestee-nen, die van lange vezels zp voorzien,\'tweik hun oenigo geiUkenis mot de kometen geeft.

Koomenij (v. \'I oude coiihih of romen, voor koopman) oen winkel, waar allerlei soort van waren in liet klein te verkrygen zgn, een kruidenierswinkel.

Kometographie, enz. z. ond. komeet.

komisch, komiek, adj. z. ond. komos.

Komma, n. (nederl. f.), pi. komma\'s of kommata, gr. (van hii/ileiii, bouwen, In stukken snUden) eene kleine snode of afdeeling van oenen zin: een streepje (,) klein schei-leeken, kort mstteeken; in de Muz. liet liile doei van een loon; — kommatisch, adj. uil afzonderiyke zinnen of zinsneden beslaande;

kommatisme, n. de afgebroken schryf-w(jze; het schrijven in korte afzonderiyke zinnetjes.

Kommandant, enz. z. com—.

Komnënen, m. pl. een uitgestorven geslacht van beerschers over bet byzantynsche keizerryk (van 1057 tot HOI te Konslantlnopel en van 1204 tol HOI te Trehizonde .

Kömos of kömus, m. gr. een feestgelag, gastmaal, vrootyke partij; Myth, de god der gastmalen, nachtfeesten en vermaken over hot algemeen; — komoodio (gr. kómóilia, van kömos, en ódt, gezang, lal. commlla) of fr. comédie, 11. comméiliu, f schouwspel, Inz. hiyspii In legenst. met tragirdie; — commedia ilell\' arte, 11. een volkslooneel, een kluchtspel vooi\' de volst mei slaande karaktermaskers; — komediant, in. (II. commeilianle, elg. parllc. v. rnmmedidrc, iiiyspeien opvoeren, fr. coméillen) een looneelspeler; komïcus of komiek, m. gr. kdmikós, lal. comlcus) VIKIIÜK llilUK.

een biyspeldicbter; looneelspeler voor grappige, lachverwekkende rollen; —komisch, adj. blij-spelmalig; vrooiyk, verlustigend, schertsend, grappig, koddig, lachwekkend, kortswyilg.

Kompaan, z. compagnon.

Kompas, n. uil het 11. compasso, van comimmre, fr. compasser, afpassen, nauwkeurig afmeten) de magneetnaald met hare kas of doos, do windroos, hel magneet kastje (vgl. boussol e).

Komplót, z. complot.

Kompóst, z. c o m post.

Kompót, z. compote.

Komprés, z. com pres se, ond. com-p r i ui eere n.

Komus, z. k o m o s.

Konak, in. turk. een groot gebouw, paleis.

Konchieten, m. pl. gr. (v. kimche, lal, concha, iweeschalige schelp, sanskr aiuklm versteende schelpilleren; — konchoide, f. di\' sehulplUn, balvemaansiyn, schulptrek, in de hoogere meetkunde eene kronnne lijn van den iden graad, door Nlkomëdes uilgevonden; — konchyli\'ën, n. pl. gr. (sing, konchy-/10«, n.) scbaalilieren, schelpdieren, slakki\'ii en mosselen; konchyliolithen, m. pi verst........ schelpdieren; — konchylioloog, m.

een selielpdieikenner; — konchyliologie, f. de scheipdierkennis, leer van de schelpen en mosselen.

Kondor, z. c o n d o r.

Kondylus, lil. gr. [kóndi/los) de gewrichts-knokkel; — kondyloïdéïsch, adj. aan een gewrlchlsknokkei gelijk; kondylomata, n. pl. verharde vleeschultvvassen of wratten, die gevolgen der venerische ziekte zijn; — kon-dylomateus, udj. den aard van vijgwratten belihende, daarinede behept.

Kong-foe-tse, z. Confucius.

Kongsi, f. chin, niyiivereeiilging; hy uitbreiding: maalsehappy, haiidelsassoeialie (In Ned. Indie).

koniferen, koniglobrïum, ko-nisch, enz. z; ond. conus.

Konine of konüne, f. (v. gr. konion, scheerling) de vergiftige slok van de dollekervel of gevlekte scheerling (Conium maculalum), ook c 1 c u 11 o e geheeten.

Koningswater, n. een mengsel van zoutzuur en siilpelerzuur, iliit het goud, den ko-n i n g der inelalen, oplost.

Konjoe, m. een titel van den groot en I a ma.

Konkel, f. (boogd. kunkel, mld.liit. con-culd) hel spinrokken; onelg. het vrouwelijke geslacht, in legenst. met tiet zwaard of hel manneiyke geslachl; tegenwoordig meestal eene babbelaarster, knoelster, een kwaadhrouwend wijf; — konkelleen, n. oen leen, dal ook op vrouwen voorterft; - konkeladel, in. de adel van nioedersz.yde.

Konopêion, n. gr. (v konopx, mug) een muggemiel of niiiggenslnier; een bed mei gor-dynen van dunne slof om de vliegen ie weren (vgl. canapé).

i i


-ocr page 710-

KONRADINE

690

KORAAL

Konradine, z. und. K o c n r u a d.

Konstapol, z. co n sta bel.

kontant, z. c u m p t a n t.

Konterfei, z. conterfciUol.

Konvooi, z. con vol.

Konzeuielje, verbasterde spelling en uitspraak van cochenille (z. aid.)

Kooi, r. (elu. [vOKOlliol, van lat. raven, holte, kevie, v. cavus, hol) naam der planken slaapplaatsen of bedsteden langs de wanden van het schip in het toples, enz.; ook do slaapplaatsen in tucht- en verbeterhuizen.

Koor, n. ftr. (chords) een rondedans, reidans met gezang verhonden, of ook de kring, de schaar dor dansers en zangers zeiven; Inz. in het gr. drama een slaande groep van personen, welke (als \'t ware voorstellende hel volk in tegenoverstelling van de helden) de handeling slechts als getuigen begeleiden en de rustpunten met gezang en dans aanvullen; by ons een veelstemmig gezang, het volle gezang-, ook; de dit gezang uitvoerende vereenlgltig van tooneel-zangers, scholieren, enz., een zanggezelschap; eene afgezonderde verheven plaats iu kerken voor de zangers; het hoogo koor, in r. kath. kerken de door trappen verhoogde afdee-llng, in welke het hoofdaltaar staat (In tcgenst. met het schip der kerk), alwaar in stifts-en domkerken de getraliede koorstoelen voor de aanzienlijke geesteiykheid zyn aangebracht;

— koorbisschoppen, sedert de ide eeuw priesters, die de plaats van do bisschoppen op het land vervulden; eig. verkeerde vertaling van chorepiscopl, z. aid.; —koorheer, z. v. a. c a n o n 1 c u s, z. onder k a n on; — koorrok of koorhemd, een prieslerrok;

— koortoon, in. de stemming der oude orgels, hooger dan de kamertoon (z. aid. ond. kamer);- koraal, n de wys van een kerkgezang, het eenvoudige, in lang aangehouden tonen zich bewegende lied der gemeente, kerklied; — koralist, m. een koorzanger, ook korist, een koorleerling.

Koorde, z. chorde.

Kop, m. de eenheid dor tegenwoordige ned. Inhoudsmaten voor droge waren, gelijk aan eene kubieke palm (liter), verdeeld In 10 maatjes (d eel I i ter); —in koppen doen I schepel (decaliter) en 100 koppen een mud (hectoliter). De oude kop hield als graanmaat O.HIIÜ. als kalk- en cementmaat, I.ott nieuwe koppen.

Kopal, z. cop al.

Kopeke, f. Kopek, m. russ. (kopéika, van kopje, lans, dewijl deze munt oorspr. een ruiter met eene lans op baren stempel droeg; v. a. van het turksch kopek, hond, dat de slem-pel van eene tataarsche munt was) eene rus-slscho koperen munt (vroeger van zilver), = jiu roebel = 2 cent nederl.

Kophösis, f. gr. (van kuphoen, stomp of doof maken, kophós, doof) de hardhoorlghebl, dooflield.

Kophta, m. opperhoofd van oen geheim genootschap of verbond (in Egypte, want fr.

Cophle = Cnple, z. k o ptea); vandaar koph-tisch, adj. daaraan eigen, daarmede overeen-komstlg.

Kopie, kopij, z. cop te.

Kopoe, n. Chin, (poe, doek, laken) chi-neesch neteldoek, uil de ide schors eener plant ko of co vervaardigd.

Kópos, m. gr. (van kóplein, slaan, bouwen) het gevoel van groote afmatting; verslagenheid, neerslachtigheid; — kopiopïe, f. de oogenmatheid, eene oogziekte.

Koppermaandag (v. s. van koppelen, byeenkomen, trouwen; v. a. en met meer grond van coppe, kop, drinkbeker-, cop peren, elkaiir den kop toebrengen; copper-kens, gildebroeders), de tweede maandag in het Jaar, die op veie plaatsen van Nederlaad door soaimlge handwerkslieden, Inz. door de gezellen der hoekdrukkery, als een feestdag ■vordt gevierd, daarom ook verloren maandag, hy de Oelderschen raasmaandag geheel en.

Kopragogio, f. (v. kópros, mest, drek) de drekafvoering; kopragögisoh, adj. drokafvoerend; — koprakratie (spr. /=lt;s), f. de onwillekeurige ontiasling van drekstoffen; — kopremésis, het braken van drekstotTea, het miserére; — koprokritika, n. pi. bulkontlastende middelen; — koprolithen, m. pl. dreksteenen, versteende drek of afgang van voonvereidiyke dieren; — kopronymus, bynaam van den gr. keizer Kunstantijn V, dewyi by by zynen doop de vont bevuilde; — koprophorie, f. de ontlasting van drek-stotfen; — koproplanêsis, f. de verdwaling of uitstorting der drekstotfen in de holle van andere deelen, b. v. door eene darnillslel In het hekken; — koprorrhcea, f. z. v. a. diarrhoea en koprakratie; — kopro-sis, f. de drekvorming; — koprosklérósis, f. de verharding der drekstotfen door te lang verbUjf In den endeldarm; — koprostasie (spr. s—z), f. de hardiyvlgheid, volkomen verstopping van het darmkanaal.

Kopstuk, n. in \'I algemeen elke munl, die liet borstbeeld van haren muntheer toont; meer liepaald: de voormalige 40 kreutzer-stuk-ken van Oostenryk.

Kopten, pl. (arab kihti, pl. kiht, ligypte-naar, eene verminking van \'I lat. .Hfiyptius, gr. Ailiuplios) de in ligypte verstrooid wonende afstammelingen der oude Heritors; vandaar koptische taal, enz.; eene soort van cbrlstcnen in Egypte, die zoowel den doop als de besnijdenis hebben.

Koptographie, f. gr. het schaduwspel met uitgesneden kaarten; — koptogra-phisch, adj. daarloe behoorende.

Kora, f. arab. een bedehuis der Mohame-danen.

Koraal, koralist, z. ond. koor.

Koraal, n. gr. (korillion, pl. kordllia) de boomvonnlge hoorn- en steenachtige, door kleine zeewonnen gebouwde en bewoonde huisjes of


-ocr page 711-

KORAN 691 KOHYPILKUS

liulscls; (ink dc liiilli\'lji\'s, die tol voorworpen van opschik uit die steenachtige slof (?e(lriiulil worden; — koraal-agaat, ni een schoone, veelkleurige steen met roode, korniiliichtlKe strepen; - korallionen, pl. koranlnchtlge dieren ; — korallieten, korallinioten, ko-ralliolithen or koralliopétren, m. pl. versteende koralen; — koraalrif, n. eene lange hank van koralen In de zee.

Koran of alkoran, m. arah. {al korAn, elg. de lezing, het hoek, van karna, lezen) het mohamedaansche wet- en godsdienstboek, Mo-hameds getoofshoek.

Korbuis, f. een Japansch roeivaartuig voor de vaart op de hinnenwateron.

Kordinëma, n. gr. (van knrdinéomai, ik hen duizelig) Vied. dulzellKheld, zwaarte In het tioofil.

Kordon, /.. cordon.

Korodial^sia, f. gr. (v. kórr, pupil, oogappel) Chlr. de kunstinallge pupllvonnlng door losmaking van den vergroeiden regenboog, beter irldodlaiysis; — korektomie, f. pu-pllvornilng door nllsnudlng van een stukje der Iris; koremorphöma, n. zieketüke ver-anderlnif der pupil; koremorphösis, f. kunslmatlgo pupllvorinlti^; - koretomie, f. pupllvonnlng door InsnUding der Iris.

Koroisehieten, m. pl. arab. (koemsjl, naar hunnen stamvader Koreisch, arah. Koe-niisch, benoemd) een edele arahische stam, waaruit Mohamed, wiens grootvader Abrtoei Moe-tallab vorst daarvan was, is voorlgesprolen.

Korekore, lienaming van zekere soort van groote roeischepen op ile Moiuksche eilanden.

Koriander, m. (lal. cnridndrum, «r. ko-rianmn, van knris, wandluis, wegens den reuk der bladeren dus genoemd) eene naar anijs gelijkende plant en haar aromatisch, inaafiver-sterkend zaad.

Korinthen, f. pi. (van dc stad Korln-ilic in Griekeniandi eene soort van kleine rozijnen zonder pilien, krenten; korinthi-scho bouworde, de schoonste der quot;gt; bouworden, inz. gekenmerkl door akant hushladeren ilierenklauw) als sieraad aan liet kapiteel der zuilen; korinthisch koper («es rorin-Ihium) een gemencd metaal, by de Ouden zeer iioog eu in waarde hoven zilver geschat; men kent zijne beslanddeelen niet.

Korkorre, z. flamingo.

Korlin, kortlin, n. aliertijnsl goud- en zilverdraad.

Kornak, m. (fr. coniac) z. c o r n a c; schertsend ook voor cicerone (z aid.)

Korneool of kornalijn, m. een gesteente van liet geslacbl der chalcedonen, mei kleurschakeerlngen, die van wasgeel tul in donker granaatrood overgaan. De sclioonste meos-terslukken van oud-grieksche en eirurische steeu-snykunst zijn kom col en.

Kornet, z. cornel.

Kornis, z. enrniche.

Kornoelje, z. cornel boom, oud. Cornell u s.

Koroesters, eene soort van oesters (van korre, een sleepnet voor de oestervangsl).

Korónis, f. (ir. het uilersie, hoogste; siuit-teeken; het teeken der krasis (■/.. aid.) in hel grieksch.

Koróway, m. poolsch. de lirulloflskoek, de pol- of ketelkoek.

Korporaal, z. corpora al.

Korrel, f. een klein nederl. Kcwicht = Ttrivo \'iquot;0 0\' 0011 decigram.

Korro, m. de harp dor Negers mei IS snaren.

Korsak, m., pi. korsaki, russ. (uit het lalaarsch) kleine steppen- of beldevossen met oen voortrelletyk vei. In Aziatisch Kusland.

Korset, z. corset.

Korsi, araii. (koerst en soms kirxt) de kansel in de moskeeën.

Kortage, z. couriage.

Kortegaard, f. (verhasterde uitspraak van (■»)•;« ilc narde, z. aid.) eene sladsgevangenis, inz. Ie Amsterdam, een wachthuis.

Kortelas, z. v. a. coutelas, z. oad. co ut ca u.

Korvet, z. c o r velt e.

Korybanten, m. pi. gr. (Kiirf/buiiles, v. den sliif!. Knrijlia.i) priesters (doorgaans onl-mand) van (\'Abele, wier feest zU met veel ge-ruchlmakende muziek in dolzinnige opKewon-denheid en uilgelalenhcid vierden; hunne inid-rucbligbeid diende ter gedachtenis van hel ce-raas. dal zij maakten, toen zij den jongen .lu-piler Ier opvoediiu; krcKen, om zoo Ie belelten, dat Saturnus zijn geschreeuw hoorde; — vandaar; korybantisch, adj. uilcelalen, wild, opgewonden, lierend en razend; koryban-tisme, n Med. slaap mei open nofjen; ook een razende gemoedstoestand, de koortsige ijlhoofdigheid.

Korydalis, f. gr. Hol. helmbloem, zeker planteuKeslacbl tot de papaveraceen behoorende;

korydahne, f. een alkaloïde, door Wac-kenroder in den wortel van de Corydatti hulbosa (hoi- of haarwortel) gevunden.

Korfden, m. gr. een herdersnaam; een arme henier, die over onbeantwoorde liefde klaagt: vandaar; heklagenswaardi); mensch.

Korymbus, m. gr. (kóryinhns, lal. rn-rfimlms) of korymbo, f. «r. de schedel; Hoi. de bioemiuil, wanneer de liloemsleelljes op ver-sciililendo hoogte zijn geplaatst en de onderste dezelfde hooale ais de bovenste bereiken;

korymbiféren, pi. (lat. cnrymbifirae) Idoemtuildragende pianlen; korymbeus, adj (nw.lal. rorymhósus) een bloemiuli vormende, bluemluilvormlg.

Koryphreus, gewoonlijk coryphee, m. gr. (knryphïlios, v. koryplu-, hoofd, lop) elir. de overste, aanvoerder; Inz. de voorzanger, kooraanvoerder of relbesluurder iiij de schouw-speien der oude (\'■rieken; legenwooriilg inz. de aanvoerder In hel baiielcorps; ook in \'I alge-


-ocr page 712-

KORYZA

692

KOTTER

meen do voormiamsto, hol oppcrlioofil, do eor-slo, voornaiunste lu eciio kunst of woleiischii|); een volksmenner, ladilraaler, belhamel.

Koryza, r. gr. (van kórys, hórrê. lioofd) Mod. do verkoudheid, de kalarrlialo onlslekliiK van het sUjinvlles,

Korzec, m. (spr. konjelz) hol vroegere poolsclie schopol = 010 russ. tsjelwerl = liH liter.

Koschab, in. een drank der Oosterlingon, uit pistaches, rozünon enz. Loreld

koscher of kauscher, joodsch (chnld. kóschar, kóscher, recht, wollig, van hohr. lui-schér, rocht, helnmolljk, gepast /,yn) volgens godsdienst wetten geoorloofd, voorsctiriftmailg, rein, zuiver, hruikhaar, good; - koschë-ren, kauschëren, rolnigon, zuiveren, enz.

Kosjoeban, kosjookin ofkosjook-ni, in. vroeger eene gouden rekenmunt in Japan.

Koskinomantïe (spr. l=ls] f. gr. (van kuskinon, zeef) de waarzeggerij door middel van eene zoef, de zeefwaarzeggerij, hot zeeiloopon.

Kosmarchie, z. oud. kosmos.

Kosmësis, f. gr. (van kosm\'cïn, ordenen, tooien) do opsiering, optooiing; — kosmo-tiek, f. gr. do voifraaiingskunst, opsehlkkunst, biankotkunst; — kosmetika, n. pi. middelen, luz. ter verfraaiing van liet vei, ook van de haren, biankolsels, reukwaters, woiriokondo zeep, pomade enz.; — kosmêtisch, adj. verfraaiend, opsierend.

Kosmos, m. gr. orde, sieraad; de wereld, bet heelal-, kosmarchie, f. de wo-reldbeersebappU, welke h. v. hel pausdom uitoefende; — kósmisch, adj. gr. (kosmikós) wereidiyk, de vvorold of hot heelal hel rellende; kosmische opgang, Astron. het opgaan der sterren geiüklüdig met den opgang van de zon ; kosmische ondergang, de ondergang van een ster by den opgang der zon; k o s in I s c h e verhoudingen, de toeslanden en wederzyd-srhe verlioudingen in het tieelat, verschillend van de tellurische (z. aid.); — kosmogló-bus, m. eon door Garthe uitgevonden wereid-niachlne om alle verschynselen van het samenstel der wereld aanschouweiyk ie maken; — kosmognosie, f. de kennis van de wereld en alii1 zich daarin hevindende dingen; — kosmogonie, f. de leer der wereldwording, vvereldschepping, de theorie van hot ontstaan der wereld; — kosmogónisch, adj. deze leer betretlende; — kosmographie, f. de wereldhescliryving; — kosmograaf, m. een weroidheschryvor; - kosmokratie (spr. 1= Is) f. de wereldheerschappy, z. v. a. kosmar-c hie; — kosmologie of kosmiok, f. de wereldleer, leer van de wereld; — kosmologisch., adj. lot de wereldleer behooronde, het heelal hetreffende, h. v. kosmologischo beschouwingen, beschouwingen van liet heelal; hel kosmologisch hewys van (lods bestaan, bel bewys, vvaarby men uil de toevalligheid der wereld lol een hooger wezen besluit; — kosmonomie, f. de loer der weroidwetten; kosmophielen, pl. wereldvrienden, de naam eener iniernaliomde ver-eoniging lol hovordertlig dor beschaving; — kosmophysïka, l. do kennis van de natuurwetten des heeials; — kosmopoliet of kosmopolitaan, m. een wereldburger; — kosmopolitisme, n. bel woreidhurger-sclinp, de wercidburgeriUke zin, in iegensieiling met het pat riot isme; — kosmopolitisch, adj. weieldhurgeriyk; — kosmopo-litiseeren (spr. s=z) den wereldburger uithangen; — kosmorama, n. wereldbeeld, weroldscbildcry, eene soori van panorama (z. aid.), eene vertooning van fraai geteokendo of goschilderde gezichten en naluurloonooien uil verschillende doelen der wereld; kos-moskopie, f. vvoreidbeschonwtng; kos-mosophïe, f. de kennis van bei heelal door innerlijke aanschouwing; kosmospheer, f. de wereldbol; - kosmotheisme, n. de werc\'idvergoding, de leer, die (ind en de wereld voor een verklaart; kosmotheolo-gio, 1. de leer, die (lods beslaan nil het beslaan der schepping afloidl; kosmotheo-lógisch, adj. deze leer betretlende of daartoe behoorende; — kosmotheöros, m. een weieldbescbonwer.

Kosmus of Cosinus, m. niansn. (van \'t gr, kósnios, sieraad, toni de opgetooide.

Koss, coss, cos of hardary, m. eene oosllndlsche niijl in de prov. Itcngalen, omtrent = 1 a 2 eng. mijlen.

Kossar, m. russ. maaier.

Kosso, z. kousso.

Kossynka, f. russ. (spr. kassinka: van knssöi, scheef) een schoefgesneden, dus drio-hoekigo hoofddoek, volksdracht der russlsche vrouwen.

Kostel., i)ü nalnurwetenscli. benamingen afk. voor V, K. Kosieletzky te l\'raag.

Kostwortel m. (int. coslus, railix ensti, gr. te/os, arah. fros/, knesl, sanskr. kmljlha) een speceryacbtigo, bellzanie world uil O.indiB en Brazillü, z. cost us.

Kot, z. koda.

Kota of kotta, f. dorp (op Sumatra).

Kotelet, z. col el el te.

Kothurn, f. gr. (kólhornos, lal. rothiir-nus) eene hooge tooneelsclioen, door .\'Kscbylus Ingevoerd om bU de vertooning zyner treurspelen den spelers meer niajostolt liy te zetten, een schoeisel mei eene bandhooge zool (ral-fffiiis) van ieder ol hout en een bovengedeoite (caliya) van doorgaans kostbare stof, stoll-schoenlje, broos; oneig. de lani of wyze van uitdrukking In hel troiirspel; een hoogdravende, gezwollen siyi; ook z. v. a. triiga\'dio.

Kottabos, m. gr. een oudgr. gezelschapsspel, vvaarby men hel grondsap van ongemeng-den wijn In een metnlon val liel vallen, hel hekerspei, scbolclspei; — kottabisme, Med. dropbad.

Kotter, m. (eng. ruller, inisschien v. rul,


-ocr page 713-

KOTULA H9:{ KRASIS

snydon, doorsnUdcn) een snclzelloml ccnniiist-vaai\'luld of jachl; In Entiolund Kewiipomlo vaartuigen voor de kustua(ill; in den oorlog ge-hrulkl men ze als kapers en advlesjachlen.

Kotüla, f. gr. de slinkende kamille, moederkruid, koedllle.

Kótwal, m. hindosl. (van perz. kólwBl) de hoogste polillo-ainiiteimar in eene ooslindi-sclie stad.

Kotyledönen, r. pl. gr. (sing, hoiyic dón, In \'I algemeen uilhoiiing, indieplng) de zaadlobben of zaudliladen aan beide zijden van de klem ui tiet pluimpje der plant, liet orgaan van bare voeding; planten met zulke zaadlobben voorzien noemt men kotyledonaire planten; — kotylëdon, m. gr. Bol. het navelkruld, tol de familie der erassulaeeen be-hoorende.

Kouan, m. hel zaad, dal lot bereiding der karmozUnverf wordt gebruikt ; de iiliinl. die dit zaad levert (z. c hou au).

Koulams, z. v. a. gouiams (z. aid.)

Kousso, in. ook kwoso (on,|iiisl kosso) de bloesem van een in Abysslniè inbcemscben boomaclillgen struik, een zeker middel tegen den lintworm en andere ingewandswormen (lUmli-si a abyssinica of Uraycia imlhelminlica, hel laatste naar l)r. Hrayer, welke de plant het eerst naar Kuropa hraelit).

Kovit, m. (fr. colli/ vgl. eobido) eene Indische lengtemaat, /.. bat I).

Koyang, f. op de Soenda-ellanden en de Molukken een rijst - en zoulgewicht van I2:ia lot lsiquot;gt; kilo; ook een korenmaat, b. v. op Sumatra van KI tot :i:t Hl,; vgl. klang.

Kozakken, m. pl. (niss. kosdli of ktisdk, een soldaat, met eene lans gewapend; ook een daglooner; vgl. hel poolseb kozak, een kozak en een geitenhoeder; lurk. kazdk, lichtgewapend soldaat) de vrije, d. I. onbelaste, maar In plaats daarvan altyd ki\'Ugsvaardige volksstammen iu de zuideiyke en oostelyke streken van Rusland, Polen enz.; - kozacka, een levendige russ dans in 4 maal.

Kraaier, m. ecu driemastschlp in de Oostzee, op de wijze der polakkers getuigd.

Kraak, f. (fr. enruque, sp. en port, car-rdca, eng. canack) de grootste soort van de voormalige, inz. hij de Spanjaarden en l\'orlu-geezen in gebruik zyude schepfin, zoo Ier koopvaardij als ten oorlog, z. v. a. ca ra que (z. c a r a c a).

Kraak, z. kraken.

Kraal, f. (vgl. corral) een dorp of gehucht der Holtenlollen; open plaats, mei staketsel afgeschut.

Krabs, n. eng oen dobhelspel met i doh-belsleenen.

Kraken, m. (waarscb. van oudzw. krakc, ouddeenscli kraue, een slang of boomstam met ultslekende punten der niet dicht aan den stam afgehouwen lakken-, door uoorweegsrbe schippers, die ze bet eerst meenen gezien te beb-ben, wegens de wanslaltigheid daarmede vergeleken, tcrwyi bet, naar men beweert, op zUn rug hoornen droeg en zijne uitgestrekte armen Oil torens en masten geleken; vgl. ysi. kraki, haak, bootshaak) een fabelachtig zeemonster, dat in de diepte der zee gezegd wordt te hulzen.

Krakówiak, m. een poolsche dans, naar de stad K ra kan (Krakow) benoemd.

Krakuzen, pl. lichte poolsebe ruitery.

Krambamboeli, m. (vgl. bet bol), kram-panpule, f. toebereide brundewyn) eene soort van brandewyii, Danlziger kersenlirandewyn; ook In \'I algemeen hraudewyn.

Kran, m. ook keran, gharan (elg. snitih kran, d. i. lieer der eeuwen, een titel van den schab) een perz. zilvermunt = ^ I 0-miln, nu liyna BO ets., vroeger t)i els. waard.

Kranjang, f. mul. en jav. {krandjonu of kürandjanu) moer of min groote, grof gevlochten, lange ronde mand, gewoonlijk van bamboe, tot verpakking en vervoer van goederen; matwerk of gevlochten liet, waarin suiker uit

0.1ndle verzonden wordt.

Kranïon, n. gr. of cranium, nw.iat. de schedel, hel bekkeneel, de hersenpan; — kranio-abdommaal, lol schedel en bulk belioorend; kraniocephalisch, ailj. lot hoofd en schedel belioorend; — kraniofa-CÏaal, tot schedel en gelaat belioorend; — kraniognomïka, f. de schedelkunde en scbedelverklariag, de beiialliig der geestvermogens en nelgingen van eenen menscb uit den vorm des hekkeneels; — kraniolithen, m. iil. versteende doodekopsscbelpea; krani-oloog, m. een schedelleeraar ; kraniolo-gie, f. ile schedelleer, eene weienschap door l)r. Hall in liet begin dezer eeuw tot een geregeld stelsel gebracht; — kraniológisch, adj. lol de schedelleer behoorende, schedelkundig; kraniomantie (spr. I=ls) r. het waarzeggen uil hel bekkeneel; kranio-mant, m. een schedelwaarzegger; kra-niometrie, f de schodeimeting; — kra-niopathïe, f. het scbedeliyden, eene aandoening des hekkeneels; kranioskoop, m. een scliedeliieschoiiwer; kranioskopie,

1. de seiiedelliescliouwing; — kranioste-gnösis, f. de schedelveruauwing kra-niothonicisch, adj. tol schedel en borst lieboorende; kraniotoom, m. eene schedelmeter, scliedeihoor, soort van trepaan (z. aid.);- kraniotomie, f. de schedelontleding; verbrijzeling van den schedel by de geboorte.

Kriisis, f. gr. (v. kerannfinai, mengen) de menging, b. \\. der voclilen, het lieliaamsgestel, hel temperament; Oram, de ineensmelllng, samentrekking, koppeling van twee leltergrepen tol een gemengden klank, Inz. wanneer zy lol Iwee verschillende woorden behooreii; — kra-siotogïe, f. de leer van de menging der sappen In dleriyke licbameii; krasiographïe, de beschryving der temperamenten; — kra-sioristika, f. de leer van de keuteekeuen des temperaments; krater, m. gr. bet meng-val, eene groote drinkschaal, waarin men naar


-ocr page 714-

KHATES

694

KRIS1S

üud-Kr. golirulk den wyii met water mennde; de ketel, treclitor of treclitervormlne opening van een vuurspuwenden l)ci\'B; — kratoroma, n. een mengsel van koper en tin; — krati-seeren (spr. s=j) oamatlK drinken, zuipen.

Kratos, in naam, dien men soms aan een misvormd mensch geeft, naar Kratos van Tlielie, oon oud-ur. wysgocr, gebocheld en verdraaid van tlehaam, van wal^iykc levens-vvys en overdreven cynische gevoelens; de schoone en ryke lllpperchla wilde echter geen ander dan hem tot man.

Krati-sjerif, n. per/., (edel schrift) do eigenhandige onderteokentng van den turkschen keizer; vgl. halsje rif.

Kraton, in. palels dos sultans of van don vorst (In Ned. Indlü).

Kraveel, n. eone maat, volgens welke eiken dolen verkocht worden.

Kreatine, f. gr. (v. krias, vleesch) Chem. vleeschslof, eone hyzondere krlslalllseerendo, sllkstoflioudetido zelfstandigheid, die men uit hot vleesch der werveldieren verkrygt; — kreatinine, f. een oplossingsproduct van kreatine, dat men In de urine der gewervelde dieren vindt; — kreatisch, adj. Med. tol hel darmschell liehooronde; — kreato-phagio, z. v. a. kroophagle, z. aid.; — kreatophagisch, adj. vleescliotond.

Kreatuur, z. c r

Krédemnon, n. gr. (v. kras, hoofd, en iléo, Ik hlnd, iléma, verhand) hoofdwindsol, sluier.

Krediet, z. c r e d I o t, onder ere d o.

Kreeftdichten, lat. of cancrinische verzen, zoodanige verzen, die men zoowel van achteren af als van voren kan lezen, h. v.

Siflmi Ie signa; temerè me lanqis el angis, /loma, libi subiln molibus ihU amor. Minder moeilijk te maken kreeftdichten zijn die, waarin men de woorden, en niet geiyk In het bovenstaande de letters, van leder woord van achteren af leest, b. v.

Abel. Sacrum iiingue ilabo; mm mucrum

(sacrificahn.

Kaïn. Sacri/icabo macrum: non dabo pin-(f/Kf! sacrum.

Kremastêr, m. gr. (elg. de ophangende, van kremannynai, ophangen) spier, pees, band, waaraan iels hangt, inz. Anal, de schortspler van den zaadbalkremathra, f. de hangmat, hangmachlne.

Krembalon, n., pl. krembala, gr. (van den wortel in \'t lat. crep-are, klapperen, crepiilus, klapperend) een dansklapper; mond-trom, monilharmoiilca.

Kreml, kremlin, n. russ. (v. kreménj, kiezelsteen) in \'1 algemeen hlnnenvesting, dia-del; blnnendeel der stad, mot wallen en muren omgeven; Inz. het keizerlijke palels te Mos-kvva, waarin zich bel kelzertyke slot, het arsenaal, de schatkamer, verschelden kerken en kloosters, enz. bevinden.

Kremnométor, in.gr. een werktuig om hellingen of glooiingen te moten; — krem-nomotrie, f. de beliingmettng.

Krenologie, f. gr. (van krene, bron) de brorikunde, leer van de geneeskrachtige bronnen.

Krenten, z. korlnthen.

Kreographie, f. gr. (v. kréas, vleesch) de vleescbbeschrUving; — kreophagie, f. tiet vleescheten, eone schlmpbenaming van de lutbersche avondmaalsleer, door de tegenparlU daaraan gegeven; — kreosoot, f. (de uil-gang snol van sódtein, redden, behouden) een door I)r. Keichenbach In 18:12 ontdekt bUzon-der bederfwerend bestanddeel van den rook, den houluzUn enz., hetwelk tol bewaring van bet vleesch (vandaar de naam) als geneesmiddel, inz. togen de laiidpyn enz. dient.

Krepost, russ. handvest, eene door de regeering uitgevaardigde oorkonde; ook; schans, vesting.

Krethi en Plethi, hebr. (krêlhi, eig scherprechter, van kdralh, snUden; plélhi, ko-nlnkiyke renbode, van pAlnlh, vlieden) elg. de lyfwacbt van koning Davld; onelg. allerlei gepeupel (2 Sam. VIII, 18 en XV, 18).

Kretsjam, m. poolsch, eene herberg, kroeg; — kretsjmar, m. de waard, herbergier.

Kreutzer, in. eene voormalige ilultsche koper- of zilvermunt = jV gulden.

Kri, n. joodsch (elg. het gelezene of dat te lezen is) eene rand-leeswyze In den he-breeuwscben liyhel.

krikoidisch, adj. gr. (van krikos, ring, enz.) rinü-, kring-of cirkelvormig; - kriko-pharyngëus, adj. (sell, muscülus) een gedeelte van den ondersten toesnoerder van liet keelgat, dat van het rlngswyze kraakbeen onl-spiingt; krikostómisch, adj. met ringvormige opening.

Krimatologïe, f. gr. (v. krima, beslissing, oordeel, v. krinein, onderscheiden, beslissen) de leer van de oordcelen of besluiten; — krinomënon, n., pi. krinomëna, ken-teekenen, onderscbeldlngsleekenen.

Krip, z. crêpe.

Kris, f. (mal. en jav. kris, kres, kdris) een gelande, doorgaans vergiftigde dolk, in O. Inille gchrulkeiyk.

Krischna, krichna (van hot sanskr. krischna, zwart, donkerblauw) eene godheid der Indiërs, eene der vleeschwordingen van Vlsch-noe, welke den a\'ther beteekent.

Krisis, f. gr. (v. krinein, afzonderen, schelden, onderschelden) de scheiding, beslissing of beslissende wending eener zaak, het beslisslngs-punt of -tydstip, keerpunl; hedenkeiyke staat der omstandtghoden; Med. de schelding der ziekte, de weldadige verandering in hel organisme, waardoor de ziekte wordt weggeruimd; by de Ouden de scheiding der ziekte over het algemeen, hetzy die in den dood of de gezondheid overging, vandaar in hunne schriften; crisis bona, crisis mala, heilzame, ongunstige krisis; — kriterïum of criterium, n. gr.


-ocr page 715-

KRISTAL 095 KROTON

ikrilcrwn), pi. kriteria ut kritenën, liet merkteokcn, kcntueken, oiidcrscheldlngslcckcn, richtsnoer, de toets, rnuatstnt tut liet tieslissen of beoordeelen van deze ol gene zaak; — cri-tu i dies, pi. Kr.-lut. Med. de beslissende dagen eener ziekte, 1). v. volgens de Ouden de 7de, tide, 14de, ïOste dag enz.; — kriticis-me, criticisme, n. I\'lill. hei stelsel van Kunt, \'twelk ook de grenzen en do geoorloofde oefening van ons kenvermogen wil hepa-len; — kriticist, in. een aanhanger van het kritlcisme. Kant laan; kriticus, meest criticus, m. (gr. krilikós) een kunstrechter, onderzoeker en beoordoelaar van geschriften, lioekenrechter, recensent; een bedlllaar, hekelaar, viller; — kritikaster, criticaster, in. een slecht beoordoelaar, nletshedul-dond, verachlelUk rocenseat, muggenzifter; — kritiek, meest critiek, f. (gr. kritike, scil. léchnc, kunst) de Incising, heoordeoling, moa-slerlng, kunstbeoordceling; d« kuiisl van iie-oordeelen, hel kunslrechtorschap, kunstgerlcht ■ inz. het onderzoek naar de echtheid en ouver-valschtheld van gescluiflen en godenkstukken (historische, philologlsche critiek), zoowel In hun geheel (hoogere critiek), als met betrekking tot enkele bedorven en ie verbeteren plaatsen (lagere critiek); — benedon critiek, beneden alle critiek, der beoordeelIng onwaard, kennelijk sieclil, gemeen; — kritiek, ais adject,: iie-denkeiyk, hacheiyk, zorglijk, gevaarlijk; — kritisch of critisch, adj. wat tot de critiek behoort, kunstreciileriyk, iootsend, enz.;— kritiseeren of critiseeren (spr. s=t), eig. beoordeelen, toetsen; bedillen, vilten, muggenziften enz.-, krit(ik)omanie of cri-t(ic)omanie, f. de overdreven zuchi lol beoordeelen, de vitzucht, bedilzucht.

Kristal, ■/.. krystal.

Krithe, f. gr. (krilhc, gerst) C.bir. do gor-stekorrel, oen klein, onlsloken gezwel (furun-cülm inllammttlorfus), hetwelk zich ontwikkelt by den vryon raad der oogleden in de nabyheld van den idnnensten ooghoek; —krithiasis, f. de overlading van haver of gerst, de droezigheid der paarden; ook de brooddronkenheid, overmoedigheid, bet zoogen. steken der hrood-kruhnols; — krithomantie (spr. Iie=hie), f. de wicheiary uil liet gerslemcel, waarmede de olTerdieren bestrooid worden.

Kritiek, kriticus, enz., z. ond. kr 1 sis.

Kriwe, m. de hoogcprlcsler by de nude Pruisen.

Kriwitz, m. noordooslenwind in Koemenlü, die met groote hevigheid soms by 30° — -Si0 koude waalt.

Krodo, m. do naam van een onderstelden god der oude Duitschers in liet Hartzgebergie.

Kroesjka, russ (v. krug, kring) In \'1 alg. kruik; inz. eene voclitmant, van TV wedro = 1,43 lller.

Kroesus, m. (gr. Kroisos) de naam van een zeer ryken koning in l.ydie In de (Ule eeuw voor Ciir.; vandaar een schatryk man, een mil-iionalr.

Krok, z. grog.

Krokodil, m. (gr. krokndeilns) de grooi ste soort van hagedissen in de groote strooinen van Afrika, inz. in den Ngi; — krokodillen-tranen, bulciielachtigo, bedrlegiyke lianen (volgons ili\' fabel, dat de krokodil, als by op roof loert, de stem van een weenend kind nabootst).

Krokus, m. gr. (krokós, lat. crocus) saffraan, de bloemstempels van eene verscheidenheid van den Crocus sulicus (welke door lloil-man herfstsaffraun genoemd Is), uil de bloemen gesneden en gedroogd; zy zijn naar de punl Ine breeder, en ryk aan een geel kleurend beginsel; — crocus marlis, yzersalfraan, onderkoolstofzuur yzer; — krokomagma, n. (iliir. siiltrannzalf

Krokydollth, in. gr. (v. krokus, genii. krokyilos, vlok, draadje) blauwyzersteen, vezelig yzerbiauw, een voornameiyk nil kiezelzuur en yzcroxvdul bestaand blauw dradig ijzererts.

Krokylégmos, n. gr. (v. krokys, vlok, draadje) muggenziflery, vlltery, kleingeestige be-dilzucht; ook lage dienstvaardigheid jegens aan-zieaiyke lieden.

Kromyomantie (spr. t=ls), f. gr. (van kfiimyon, ule), de waarzeggcrü uil uien.

Krónhyometer, m. gr., een werktuig om hel regenwater van een geheel jaar Ie meten.

Kroniek, t. gr. (van chronos, tydi het lydboek, de iydgeschledenis, plaaisgescliiodenis; eene opsomming der voornaamste gebeurtentsson naar volgorde van iyd (z. verder chronica).

Kronos, m. gr. Myth., z. Saturnus; — Kronide, (gr. kronid\'s) of Kronion, m. de zoon van Kronos: Zeus of Jupiter; — Kroniden, pl. de zonen van Kronos en Rbea; — kroniën, pl. (gr. Krónia) z. v. a. s a t u r n a 11B n.

Krónthaler, in. kroondaalder, eene voormalige zilvermuni in lleioren, VVurteinberg, Ha-den, Frankfort enz.; — kroon, eene ziiver-munt in vele landen, zeer uiteenloopend van waarde; als voorin, nederl. rekenmunt = i gi.

Krore of crore, m. ook koeron, iiin-dost. (kurnr) rekenmunt In ü.-lndie = 4 areb = in lak = 10 miliioen ropyen — 11; mil-Hoen gulden.

Krotalen, pl. gr. (królüla, van den sing krótiilon) daaskiappers, houten of blikken klap-pers liij den dans der priesters van Cybele, overeenkomende met de ca sta g n el i en; — krotalist, m. een danser op de muziek der klappers; krotalaria, f Bol., eene plant uil de familie der peuldragers, de rammelaar.

Krotaphites, m. gr. (v. krótaphos, de slaap van hel hoofd) Anat. de siaapspler; — krotaphium, n. Med. een lastig kloppen in bet hoofd, inz. in de streek van ilc slapen

Kroton, m. gr. (krolun, eig. de hondsiuis, op welke de vrucht van den naar haar benoemden boom geiykt) ook Crozophöra, een


-ocr page 716-

KROTOPHAGA

696

KRYSTAL

pluntongesilncht lol de [aiiillie dor wolfsmolk-«chllgcn (euphorliiiiceün) hohoorciulo. Onder-schelden soorlon van kroten leveren aan de kunsten, aan de hulslioudlng en de geneeskunde belangrUke voortbrengselen. De cascarlHeliast Is de bast van den Crolon cascarille L. en groeit In ile zuldeiyke deelen vim Amerika; liet lakmoes wordt door den Crolon lincln-rium L., en de (jraim liglii (purgeerkorrels) door den Crolon liglium L. opgeleverd De zaden van den Crolon sehlferum L., geven eene soort van vet, waarmede men kaarsen maakt. Tol deze familie beboorl ook do boom, waar-uil liet sloklak verkregen wordt, en ille Croton lacciferum L. wordt genoemd; — kroton-olie, f. eene sterk afvoerende olie uit de purgeerkorrels.

Krotophaga, n. gr., madenvreters, lot de familie der vvlgbekken (fHiicïros^m) beboerende.

Krustische instrumenten, pi. (v. gr. krüein, slaan) shigmuzlekinslrumenl, zooals trommels, bekkens, enz.

Krymödisch, adj. gr. {krymöiles, van krymós, (jskoude, vorsl) Uskoud, koud (van koortsen); — krymodynle, r. rlicuniatisclie pijn met terugkeerend gevoel van koude in bet lijdende deel.

Kryolith, m. gr. (van kryos, vorsl. Us), (jssteen, eene uit vloelspaathzuur, kleiaarde en soda bestaande delfstof, tot vervaardiging van aluminium gebruikt; — kryophoor, m. een door Wollaston uitgevonden werktuig, waardoor bet water zlcb tot bevriezing verdicht liU het verdampen.

Krypte, f. gr. (kryple, lat. crypla: van het gr. kryplein, verbergen) eene bedekte plaats of gang, eene groeve, een onderaardscb gewelf; Inz. eene onderaardsche kerk; — kryptan-drisch, adj. gr. (van hel volg. kryiilo-), zonder zichtbare mannelijke geslnchtsdeelen; — kryptanthérisch, adj. mei verborgen meeldraden; — kryptanthisch, adj. bedekt bloeiend; — kryptisch, adj. gebclm, verborgen, heimeiyk; een kryptiscbe sluitrede, Log. een sluitrede waaraan een lid schUnt Ie onlbreken of die een schijnbnar gebrek In den vorm heeft, maar toch Juist is; ook z. v. a. esoterisch; krypto, in samenslellin-gen-, verborgen, geheim of heimelijk, b. v. kryptobiótisch, adj. verborgen levend; — kryptobranchisch, adj. met bedekte kieuwen; — kryptocalvinist, m. een heimeiyk aanhanger van Gaivyn; — krypto-cephalisch, adj. met verborgen hoofd; — kryptogamie, f. de geheime of verborgen echt; — kryptogamia of kryptoga-men, n. pi. Bol. de geheim telende of bedekt bloeiende planten, nameiyk varens, mossen, wieren en paddenstoelen, de 21ste of laatste klasse in bet stelsel van L.; — kryptogamisch, adj. gebeimbloeiend, In verborgen huwelijk levende; van raadselachtige voortplanting; — kryptogamologie, f. de leer van de planten met verborgen gesiacbtsdeelen; — kryp-togastrisch, adj. schgnhaar hulkeloos; -kryptogónen, pi. darmlooze dieren, die binnen In andere dieren leven li. v. de zaad-dlertjes; — kryptograaf, m. een geheim-schriflmaker, hu, die met geheime teekens schryft;

— kryptographïe of kryptogra-phiek, f. de kunst van het geheimschrift; — kryptographisch, adj. met geheime teekens geschreven; — krypto-jansenisten, pl. spotnaam voor degenen, die de B door den paus veroordeelde stellingen der jansenisten verwierpen, maar bet overigens met ben eens waren ; — krypto-jezuïet, m. geheime jezuïet;

— krypto-jezuïtisme, n. het geheime aanhangen van de orde en de loer der jezuïeten;

— kryptokarpisch, adj. met verborgen vruchten; — kryptokatholiek, m. en f. een geheime rooinschgezindc; — kryptoka-tholicisme, n. het heimeiyk aanhangen van bel r. katb. geloof; — kryptokotyledó-nisch, adj. met verborgen zaadlobben; — kryptoniein,iidj. gehelninamig, een geheimen naam dragend; — krypton^mus, in. een gehetmnamige, die zün waren naam verborgt;

— kryptopódiseh, adj. met verborgen voeten; — kryptopórisch, adj. zonder kennoiyke poriën; — kryptoportïcus, m. gr.-lat. Arch, een verborgen of onderaardsche achterzaal aan de noordzyde van bel oud-roin. huls, ter bescluilting voor de zomerbltte; — kryptorchieten, m. pi. gr. Med. zulke mannen, wier teelballen in de hulkholle zyn teruggebleven; — kryptostemónischjadj. zonder zichlliare meeldraden.

Krystal, kristal, n. gr. (krystullos, v. kristainein, stollen, stremmen, bevriezen) elg. al wal bevroren Is; een regelmatig gevormd lichaam uit het ryk der steenen, door oen bepaald aantal platte, onder bepaalde hoeken aan elkander rakende vlakken begrensd; Inz. bet bergkristal, berggias, zwitsersche straalsteen, een heldere, omloorscliynende, kieurlooze steen, eene ia Vzydlge zullen krlslalliseorende soort van den kwarts; onelg. ook in doorzlcbtlgbeld en zwaarte op bergkristal geiykond loodhoudend glas, kristalglas, in \'I algemeen noemt men krystal ten de regelmatige vormen, die do lichamen hü luuinen overgang uil den vloeibaren of dainpvornilgen toestand In den vasten aannemen; —kristal-agaat, m. een steen, die uit een mengsel van agaat en kristal beslaat, om zyne kleur ook wet ijsagaat genoemd; — kristallens, f. de ooglens, een volkomen kleurloos en vastweek lichaam van de gedaante eener lens, hetwelk In een beursje besloten, vry dicht achter de papil, in een kuiilje van bel glasachtig lichaam, ligi, om zyne door-sehUnendheld zoo geheeton; — kristalsysteem, n. do gezaineniyke kristalvormen, die lol denzeifden grondvorm teruggebracht kunnen worden; — kristalwater, n. bet in vele krislaiilnischo hydraten, zouten, enz. vervat water, dal duor geringer verwaniscbap daarmede verbonden Is dan het bydraat waler (z. aid.);


-ocr page 717-

KUMATSJ

097

KTH

— kristallisch, kristallijn, mij, op iiu wyzo der krlstullen regolmallK gevormd; ook naar bergkristal gelUkende, zeer helder, zuiver, klaar, doorzichtig als kristal, kristalhelder; — krystalliseeren, harh.lal. (tr. mslalliser) in kristallen, il. i. in regelmatige vormen ver-andoren of overgaan, tot kristal worden; — krystallisatie (spr. -za-lsie) of krys-talliseering, f. de kristalvorming, kristal-wording, de overgang tol kristallen, liet ontstaan van regelmatige vormen; — krystalloge-nie, f. de voorthronglng der kristallen, krls-taWormlng; — krystallographie, f. de kristaibeschrUving; - krystalloïdisch,ii(IJ. op kristal gclUkondo; — krystallokera-men, pl. verglaasd aardenwerk; — krys-tallologïe of krystallogie, f. de kris-taiioer, krlstaiwetenschap; — krystallo-mantie (spr, lic=lsic), f. de waarzeggei\'U uit kristal of spiegels; - krystallometrie, f, de wetenschap, die de hoeken dor krlslaiien meet en berekent, krislaimeling; — krystal-lophysïka, f, do natuurleer der kristallen;

— krystallonomiG, f, de leer van de wetten der kristalvorming; — krystallotech-nïe, f, do vergiaaskunst; — krystalloto-mie, f, do krlstalspiUUng, -scheiding.

Kth., by natuurwetenscb. namen afk, voor K S, Kunth (gest. ISSO),

Kuan, ■/.. klang.

Kubiek, kubeeren, enz., z. onder k u li u s.

Kubit, m eng. {cubit, spr. kjuébil), de voorin, el = IJ voet of ongev. 0,487 meier.

Kubo, m. het woreldlük opperiioofd in Japan.

Kubus, in. of cubus, (gr. kylios, lat. cuhm) Geom. een teerling, d. 1. een door zes gelijke vierkante vlakken begrensd regelmatig liclmain, een dobbelsteen, ook z. v. a. k u b 1 c k-gotal z. lager; — kubiek of kübisch, adj. (gr. kyhikns) teerlingvorniig, even lang, breed en hoog; in samenst. kubiek-duim, een lichaam van eonen duim lengte, hreedte en hoogte of dikte, tcerllng-dulm; — kubiek-el, tcerilng-el; - kubiokgetal, teeriing-getiii, d. I. liet gedurig product van drie gelijke factoren b. v. 27 = .1 X :t X 3 of =:)■\';

— kubiekmaat, eene teerlingniaat; — kubiekpalm, toerlingpalm; kubiek-streep, toerlingsireep; — kubiokvoet, tecrllngvocl, enz.; kubiekwortel, bet getal, do factor, waaruit een kublekgelai (z. aid.) ontslaan Is; —kubatie (spr. t=t.i) en ku-batuur, f. do berekening van den ruimte-inlioud der lichamen;—kubeeren, iiw.iat., den ruinite-inhoud eens licliaams berekenen, dien tol oenen kulins of teerling herleiden, nok wel: tot do 3de macht verliolTon; — kubi-ciet, n. eene In teerlingen krlstaliiseorendo soort van zeolith; — kuboïdoisch of ku-boïdisch, adj. teerlingvorniig, op een leerling gelUkende; — kuboktaéder, m. een leorllng-achtviak; eene tecriingvorinige; acht-viakkigo vloelspaatli-zurc-kalkkrislalllsatle; kubokubus, nw.lat., de zesde macht van een getal, hot kubiokgetal met zlchzelve vermenigvuldigd.

Küchm., bü natuurhistorische namen afk. voor (1. F. II. KUchenmeister ie Dresden.

Kufe, ook Kupe, hoogd. (spr. u=ocj, kuip, eene voormalige blormaat in Pruisen = l hectoliters en SK liters; in Saksen = 7.8:gt; hectoliter.

kuflsch schrift, een der oudste vormen van hel arabiscli sclirift zonder onderscheidlngs-punton (naar de stail Kufa in het gebied van Bagdad benoemd).

Kuguar, z. puma.

Kuhl, m. russ, de zak, In Rusland eene gewlchlsoenheld bij den korenhandol, mei den zak van ongeveer 1 Isjerlwerl inhoud h, \\, voor roggemeel 300, voor rogge Jliio, gerst iuo, haver 2117 russ, pond bevattende.

Kuhl, hij natuurwetenscb. bonamingen be-teekenl II. Kuhl (gest. IK2I).

Kuhreihen of Kuhreigon, m. (spr. u=ne); (fr. runz-tles-MClies) naam der oude volkswijs, die de alpenherders in Zwitserland bij liet drijven hunner kudden plegen te blazen of te zingen, /.y bestaat uit weinige eenvoudige intervallen, past uitstekend bij de eenvoudigheid dezer herders en hy den alpenhoorn, waarop zy haar voordragen, en doet In de weerkaatsende gebergten eene ongemoene uilwerking.

Kuka, turksch (van \'1 perz. knekah, strik aan don tulhand) eene met slruisvederen en edelgesteenten bezette muts, eene dracht, waarop de vorsten van Moldavië en Waliacbye, alsmede de aanvoerders der Janitzaren. recht hadden.

Ku-klux-klan, m. een politieke, legen de repubiikeine gerichte moordenaarsvcrecniging In Noord-Amerika.

Kukuruz, in, (serv. kukunis, lioheemsch kukuruc, kukuryce, poolsch kukuryra, russ. ku-kuriisa, bong, kokoricza, lurk. kukuros) lurk-sche iarw of maïs In llongarUo, Dalmatii! en Slavonic.

Kulagus, m. turk., de leidsman, wegwijzer, vooraantredor der oplochten; aanvoerder; si uurman.

Kulak, z. koe lack.

Kulan, m. iataarsch, de wilde ezel, inz. in Tarlarye, i\'erzifi en IndlB (vgl. onager).

Kulmet, m. eene korenmaat in l.yiland,

= J ton-

Kulturgeschichte, f. hgd. (spr. u=oe: sc/i/=.vj,i) gescliiedenis van de ontwikkeling van hel monsclidom, geschiedenis dor bcsebaving.

Kulturkampf, in. (spr. u=or) de stryd in Dullschland tusschen den staat en het ultra-montonisme ten einde de rechten van den slaat tegenover de roomsche curie te handhaven.

Kuluglis, pi. half-Turkon, z. v. a. co-lorls, z. aid.

Kumatsj, m. russ. (van arab. kumdsc/i, een soort stof) bontgestreepte of genilie katoenen stuf.


-ocr page 718-

KUMBA11ADS.II

698

KYN

Kumbaradsji, in. turk. (v. kumbarah, liom) vuurwerker, bombardier.

Kumiss, ■/.. koemiss.

Kummur, m. een scbcrii zwaard der Tsjerkegscn.

Kuna, f. russ. bel martervel (ook In den ruilhandel als waardemeter (jebrulkt).

Kunigunde, f. oudd. vr.nuam (v. \'t gotb. kitni, oudhoogd. chunni, stam, geslacht, en ijiind, oorlog) de stamheldln.

Kuno, oudd. (Kuonoi waarscb. v. \'I oud-lioogd. kuoni, koen, stout) de koene, onversaagde.

Kunschut, z. sesam.

Kunwar, in. titel van den vennoedelgken erfgenaam dos troons In Indlscbe staten.

Kupalo, russ. (elg. bad) volksfeest In Z. en VV. Kusland In de St. Jans nacbt lil Juni), dat \'s morgens met een bad eindigt.

Kuras, n. (fr. /« cuirasse, Hal. corazta, sp. corazu, provenc. eoirassa, mld.lat. coraCfa, curutui, oorspr. lederen borstbedokklng, ais \'t ware lat. coriacfa, van coriaclus, a, urn, uit leder gemaakt, v. conum, fr. cuir, leder) oen borstbarnas, barnas, pantser; — kurassier, m. (fr. cuirassier) een geharnast ruiter, pant-serrulter.

Kurbaan-beiram (v. \'l arab. kurbdn, olïer; vgl. bel ram), bet feesl der offers, een groot feesl bij de Turken.

Kurbasj, m. arab. zweep, z. karwats.

Kurëten, m. pi., In de oudheid priesters op het eiland Kreta, die luidruchtige wapen-dansen uitvoerden, korybanten (z. aid.).

Kurgan, m. russ. (kurqdn, v. perz. koer-chdne/i, elg. heuvelhuls, van arab. koer, pi. v. kdral, heuvel en perz. rhdmli, chdneh, huls) doodonbeuvei, kegelvormige grafheuvel der oude mongoien in Rusland en Slberil).

Kuron, z. krore.

Kurotrophium, n. nw.ial (v. gr. ku-

rotróphos, knapen voedend) vondeilngshuls.

Kurtsjis, pl. een adeliyk rulterkorps In l\'erzle.

Kussir, m. turk., turksche trommel, een speeltuig met 5 snaren, gespannen over een vel, dat een houten scbolel bedekt.

Kutka, 1, russ. (v. külalj. verbergen, lie-kleeden) de korle kiel van het russ. krygsvolk.

Kutuchta, m. het geeslelUk opperhoofd der Mongoien, een opperpriester, die echter onder den nog meer goddelUk vereerden dalai-lama of I a ma-erem hoe rsj i n staat, welke onder cbineesche opperheerschappü te Tibet regeert. In bet zuldeiyk Tibet Is de bod go-la ma (talsho of lesjoe-lama) bijna van geiyk aanzien en onafbankeiyk van ilen chliice-schen keizer.

Kuur, f. (hoogd. cur of kur-, fr. cure, v. \'t lat. euro, z. aid.), elg. zleken-verpleglng, zie-ken-oppassing-, de genezing, herstolling, arisen-huip, gelukkig afgeloopen behandeling van een zieke; — b ronk uur, \'t gebruik der bronnen, de genezing door het drinken der minerale bronwateren; — badkuur, het hadgebrulk, het bad; — koergast, (hoogd. kwaast), liadgasi, bezoeker der baden; — koerzaal, badzaal, vereenlgingszaal der badgasten.

Kux, m. (boheemsch kukus, v. \'I bob. en russ. kus, eene beet, een stuk, v. \'t russ. kusatj, iiyten) een aandeel aan een bergwerk, doorgaans hel T;lt van een zee be of den grond, die lol eenlg bergwerk Is afgestaan, benevens de daartoe beboorende gebouwen, smelthutten, enz.

Kwaker, in. eng. [quaker, d. I bever, sldderaar, van In quake, spr. kweek, boven; dus gebeeten, omdat hunne godsdienstige opgewondenheid zich door bevingen en stuiplrek-kingen piaehi aan Ie kondigen; vgl. shakers) aanhangers der door George Fox In 1050 gestichte chrlsl. secle, die zlchzelve bel gezelschap der Vrienden noemt.

Kwart, kwartier, kwarts, z. op qu-.

Kwarta, r. pooisch (= lal. quarta, sell. Igt;ars) een vierendeel, kwart, eene voormalige vochtmaat in Krakau en Polen, = n.\'.Hi liter; ook eene pooiscbe graanmaat van donzelfden inhoud = T J- „ korsec.

Kwarteel, n. (fr. quarlaud) eene maat voor natte waren; eene specery-maal der voorin, ned. ooslind. compagnie.

Kwas of kwass, in. slav. (russ., pooisch en boh. kwass, zuur, zure smaak, zuurdeeg, zure drank) een uil mout, roggemeel en water ilonr gisting bereide drank van den gemeenen man in Rusland; ook een met dezen geenerlei overeenkomst hebbende drank, inz. uil appelen en frambozen bereid, dien men zelfs op de lateis der grooten doorgaans vindt en In sommige herbergen te Petersburg, Moskwa en elders gelapt wordt.

Kwassiehout, z. quassia.

Kwint, z. qulnt.

Kwoso, z kousso.

Kyanisatie (spr. -za-tsie) of kyani-seering, f. de handelwyze van den Engelscb-man Kvan, om houi legen verrolling te bewaren door hel met eene oplossing van kwlksu-bihnaal, kopervitriool en dergel. te doortrekken.

Kyathos, m. gr. een beker, z. cvath us;

— kyathödisch, adj. bekervormig.

Kybomantie, f. gr. (spr. t~ls) (v. kjbos,

leerling) waarzegging mei dobbolsleenen.

Kydonium, z. cydonium.

Kyöma, n. gr. (van kyitn, zwanger zyiu de vrucht in hel moederiyt, z. v. a. embryo;

— kyêsis, f. (gr. kfjesis) de zwangerschap;

— kyesiologie, f. de leer dor zwangerschap.

Kylistiek, f. gr., z. cyilsliek.

Kyllösis, f. gr. (van kylloen, krommen,

van kyllós, e, dn, krom, verlamd) Mod. verlamming uil hoofde van verbuiging der lede-maien, verbonden mei een waggelenden gang.

Kymation, n. gr. Arch, de wrong aan do Ionische zullen, de holiysl.

Kyn—, z. cyn—.


-ocr page 719-

KYOPHORIE

L

Kyophorie, t. «r. (v. kyos, n. Ilcliaums-vrucht) dn duur der zwangerschap, eig. liet dragon dor licliaainsvrucht; — kyotrophie, f. de voodlhK der vrucht in hot mooderiyt.

Kypellomachie, f. (?r. (va» kypellon, beker) oen hekerstryd, wedstrijd In het drinken.

Kyphóma, n. gr. {van kyiihoen, krommen, v. kyiihós, c, rin, krom, huitlK) een iiuit op den rug, hocliel; — kyphon, n. het juk, werktuig tot kronisluiting-, — kyphomsme, n. hot kromsiuiten; — k.jrphösis, (. de vorming oenor ruggegraatskromniing; ook do ho-chol zelf.

Kypris, z. cyprls.

Kyrben, pi. gr. {kyrbeis) liouten wetzui-lon, driekante draaibare pilaren te Athene, op welker drie vlakken de oudste wetten opgetee-kond waren.

Kyrie eléïson! gr. (v. kyrios, heer, en ele\'uon, z. aid.) Heer, erharm u ! de eerste woorden dor gezongen missen In de r. katti. kerk; — kyriëlle, f., z. v. a. litanie.

Kyriologie, f. gr, (van kyrios, n, on, hoofdzakoiyk, geldig; elgenlgk) elgenlgke, gewone of algemeeno heteekenis; — kyrioló-gisch, adj. in den elgenlUken zin te verstaan, in elgenlgke uitdrukking, In natuuriyke voorstelling.

Kyropsedie, f. gr. (samengotr. uit h\'y-ron paideia) z. c y r o p a1 d 1 o.

Kyrtöma, n. gr. (v. kyrtoen, krommen, v. kyrios, c, ón, krom, gebogen) Mcd. een lio-chel; ook leder begrensd gezwel, bult.

Kyssötis, f. gr. Mod. de aarsontsteking.

Kysthitis, t. gr. (van kyslhos, vrouwelijke schaamte) onlsteklng der scheede.

Kystikérkus, m. gr, (v. kystis, blaas, en kérkos, staart) een in eeae beurs besloten

L. rom. getalleeken = 30; in lat. handschriften = Lucius of Laelius, in nw. lat. = linea, regel o( licentialus; op Ir. hoeden = Mine, wol; op holl, lakens de fabriekstad Lelden ; eng. on fr. = Hm, pond; op fr. koers-lysten = lettres, d, 1, wisselbrieven; L. of I.

— liter; /. = liher, boek, libertus, vrggelatene, of te, wet; f,. of Lit. afkorting voor iivre (z, aid.); — Lo = de staat Louisiana in N. Amerika; — I. ti. = leye ar lis, z. ond. lex: ook libenli animo, van ganschorharte, volgaarne; — Lab. = labornlonum, scheikundige werkplaats;

— lay. = lager; laq. mul. — lager onderwUs; L. A. M., afkorting voor liberal/urn art mm magister, z. ond. liberaal; — L. It. = lecluri benerulo, aan den vvolwillenden lezer; — ook wei voor Liber Bare, vryboer, baron; op titels van boeken voor LuqiUini llalarurum. Lelden;

— L. II. S = lectori benevole salulem, don welwllleaden lezer zy heil! — c. = loco blaasworm, welke hg inenschen in hot celweefsel en ook In do hersenen voorkomt.

Kystis of cyste, f. gr,, of cyslis, de plsblaas; ook oen boursgozwol; — kystal-gïe, f, pgn In de plsblaas; — kystana-stróphe, f, de omkeering dor plsblaas; — kystauchenotomie, f, de blaashalssnodc, eene wgzo van sleensngden; — ky sthse-morrhoiden, pl. blaasaanbelen; - ky-stibranchisch, adj, met In blazen boslo-tone kieuwen; — kystidelkösis, r, pis-blaaszweer; — kystidelkólisch, adj, nw. lat,, in de galblaas levend; — kystika, n. pl, middelen bg ziekten van ilo plsblaas-, — kystisch, adj. do plsblaas botrelfende; ook blaas- of zakvormig; — kystische gezwel-I o n, boursgezwolien; — kystitis, f, de plsblaas- of blaasontsteking; — kystocele, r, eene blaasbreuk; — kystolithiasis, f. de steenziokte der blaas; — kystónkus, m, plsblaasgozwol; — kystoparalysis of ky-stoplegie, f, verlamming der plsblaas; — kystophthisis en kystophthtóë, f. pisblaastoring; — kystoptösis, f, uilzakking der plsblaas; kystorrhagie, f, bloeding uil de plsblaas; - kystorrhëxis, f de scheuring dor plsblaas; — kystorrhCBa, f, bg sommigen pisvloed, bij andoren siymvlooiing van de blaas, bij nog anderen bloeding uit de blaas; — kystoskoop, m, de biaassplegol, een werktuig om in de blaas le zien; ky-stospasme, n, de blaaskramp; kysto-toom, m, het steensngmes; — kystotomïe, f, de blaassnede, stoensnode, ook 111 h o I o m i o.

Kytos, n. gr., de bulk, het moedcrlgt; — kytothêce, f, dat gedeelte der pop, dat de bulk van het insect bedekt.

citato: — /, (I. — loco clicto, ter gezegde of bepaalde plaats; /,. I). = laus Deo (z. aid,); ].(!. = lord; Ldp. = Inrdshiji, — L /), S. P. = laus Den salus populo (■/.. aid,); — L. il\'or = louls d\'or; — lei/. = legalur; Lev. — Leviticus (9o book Mozos) ; — L. gr. = Iivre gros, een pond viaamsch; —lie. —licentiaat. — Lig. = liquor-. — L. K. (in almanakken) = laatste kwartier; — II. = laatstleden; — L. I. = lingua lat/na, de lat, taal; — /, I. = loco laudato, ■/.. locus: — LL. D. = legum Doctor, In Engeland z, v. a. doctor in de rechten; — L. O. = lager onderwys; —- Log = logarithmus;— (/.. S.) = loco sigitli (z, ond, locus): L. S. = lectori salulem, heil den lezer! — L. st. = Iivre sterling, een pond sterling; — Luit. = luitenant; — Luk. = Lucas (het evangoilo). Chemische toekoiis zyn: I.. = lithium; — La. = lanthanlum; — 1. als muntteeken voor Krank-ryk: Hayonne,


-ocr page 720-

LACÉP

LAB

700

Lab., Dü nntuurhlslorlsclip lionaminponatk. voor ,1. ,). Ilouton ile l.aliillardlèro (rpsI. IHH1).

Labadiston, in. pi. nanliangers van Jan ilc I. a I) a (I i o, ppm vroom clwopur ilpr ITde ocuw, dlo do k\'pcstciyki\' Ulpi\'uiTlilp afgosphatl, dp Kempenschap der gopderen Ingevoprd wlldp hcb-lipn, pn dp innerlUkc Ingeving boven do kprk en den liijliel sleldp.

liabürum, n. later lal. (mld.gr. laharon) dp rom. ki\'Ugsvaaii; onder de latere kplzprs, spderl Conslantyn den Grootpn, hpl teeken des kruises en dp grlpksche lipglnletlors van den naam van Christus voerende; epnp omgnngs-vaan lii.i de K. Kath., hestaandp uil een vlpr-kant stuk koslhnre slof, mpt een krulsbpeld ot lipt beeld van een heilige prijkende.

Labberdaan, laberdaan, z. ah er-da a n.

Labdacisme, z. v. a. lambda els me; — labdanum, z. la da num.

labofacteeren, lal. (Inbefaclure) verzwakken, wankelend maken; — labeftictie (spr. /=.?) (. de wankeling; verzwakking.

Labéllum, n. lal. (verklw. van labrum, lip) het lipje, een korte, breede, llpvonnige verlenging aan deelen oener bloem.

labónt, adj. lal. (labens, van labi, vallen, Kiyden) vallend, zinkend; glijdend.

Labeur, z. ond. la bore eren. labiaal, labiëeren, enz., z. ond. la-ii i u m.

labiel, adj. lat. (labï/is) zwak, vergankelijk ; Phvs. wankelend, licht het pvpnwlcht verliezende.

Labill, z. Lab.

Labis, f. gr. (labis) de tang, Inz der verloskundigen ; — labidométer of labimé-ter, m. tangmeter, een werktuig, waarmede hot nog in lipt bpkken zlllende hoofd, door de vnneenwyking van de lepels der tang, wordt gemeten; in de gr. kerk de lepel, waarin de hostie wordt toegereikt.

labium, n., pi. labfa, lat. de lippen; — labium, n. lt;le lip of hel mondstuk aan pene orgelpijp; labium leporium, n. de hazenlip, gespleten bovenlip (laqosloma, gr.); labium Icon-tïnum, lecuwcninuil; -labiaal, adj. nw.lat. wat lot de lippen behoort, b. v. labiale letters (labinles), llpieliers, als b, p, m, f, v, mi; — labiaal-mensuur, f. dp maat (dp engte of wijdte) der orgelpljpilppen; — Inbinlus, ii, urn, lal. Hot. llppig, naam van planten, die een of twee lippen hebben; — labiëeren, de orgelpypen door middel van \'I lablBcryzer mei lippen voorzien; — labiodéntaal, adj. lol de lippen en tanden behoorende, met dp lippen en tanden uilgesproken.

Labiza of labyza, n. eene welriekende gom nil Amerika, ille lol armbanden, oorringen en derg. wordt verwerkt.

laboreeren, lal. (laborare) eig. arbeiden, werkpn; (chemisch) scheiden, aftrekken (dis-til Ipprpn), sinelten; aan eene ziekte, kwaal pnz. labo rep ren, daarmede behept zUn, daaraan lyden, bedlegerig zyn door enz.; —labor, lat., labeur, fr. m. arbeid, zwaar werk, moeite; — labeur, In /..Nederland; akkerbouw; — paarden van labeur, werkpaarden. in tegenoverst. van plolziorpaarden (by bet belastingslelsel); — lahnr imprubus omnïa vin-cil, een onvermoeide arbeid komt alles te bovenlabeuren, In /..Nederland: hel land bearbeiden; — laborant, m. (laboram) eig. een arbeider, werkman; Inz. een scheikundige; ook goudmaker, z. v. a. alchymisl; -laboratorium, n. mid.lal. (v. \'tmld.lal. lubnrfilor, arbeider) de werkplaats van den schol-kundige, den artsenijberelder, don vuurwerker, enz.; een stookhuis, smellhuls, smellvertrek;— laboriëus, adj. (lat. laboriösus, a, um; fr. laborieux) arbeidzaam, viyilg, bedryvlg; moeilijk, bezwaarlijk; — laboriositeit, f. nw.lat. de arbeidzaamheid, de viyt.

Labrador, labradoriet, labradorsteen, m. een zwartachtig grauwe steen, veidspaalli, waarin zich velerlei finale kleuren weerkaatsen (schiilerspaalh), vooral op de noord-amerikaansche kust van Labrador, enz. gevonden.

Iiibrum, n. lat. de lip, z. v. a. labium: in I algemeen de rand van een vat enz.; ook eene badkuip.

Labyrint(h), n. gr. {lahHrinlhos) by de Ouden een groot en kunslig gebouw, dal eene zoo groole menigte in elkander kruisende gangen en ineenioopende kamers bad, dal men er llchi in verdwaalde; de beroemdste waren; liet iahvrlnth in Midden-Egypte en het la-bvrinlh op Kreta-, een doolhof, oen Inin met vele kunstig dooreengevlochten slingerpaden; oneig. eene verwarde, duistere zaak; de Ingewikkelde en drukkende omslanillghoden des levens; hel duislere, raadselachlige in eene rede; ook Anal, de doolhof van het oor, achter de trommelholte gelegen; — labyrin-thisch, adj. doolhofachlig, verward, ingewikkeld, dulsler, raadselachtig; — labyrinth-koralen, pi. eene soort slerkoralen met verschillend loopende groeven op de oppervlakie, evenals de kronkelingen der hersenen (vgl. cerebri el e n).

lac, n. lal. de melk; lac sulfiiris, zwavpl-melk, zwavelnederslag van melkachlig aanzien.

Lac, 1) m. fr. (van lat. lacus, meer) het meer, groole vyver; —lac, 2) z. lack.

Incca, f. mv.lal. z. v. a. lak, z, aid.; face® raerulea, lakmoes; /. qlabuldla, kogellak; I. sillillüla, zegellak.

Lace, f. eng. (spr. lees) dp kant, het boordsel;—lace-work, n. kantwerk.

laceeren, fr. {lacer, van \'t lal. laquearc-, vgl. /nrs) snoeren, rijgen; mei band doorvlech-teu; IMcl. met eene dunne, doorzichtige verf overdekken; —lacis, n. (spr. /«si) Anat. hel aderweefsel ; ook een netvormig weefsel, maas-werk; eene halfzyden slof, z. v. a. m a r 11.

Lacép., by naluurwelensch. namen afk. voor B lt;i. E. de Laccpède (gesl. 18111).


-ocr page 721-

LACEREEREN

701

LADING

lacereeren, hit. {lacerare) vorscheuien, selicuren (I). v. ecnc (tBluccrecnle wond, cpiiu goscheurdc wond); onclg. hclusteren; — lacerabel, adj. (later Int. lacertthflis) vcr-scliourhnnr; — laceratie (spr. I—Is) f. de opsctiourliig, oprUIInfi; — laceratief, inlj. n\\v. lat. verscheurend, oprytomi.

Lacórta, t. lal. N. II. de hagedis; Inzon-ilerheld de elgeniyke hagedis, in onderscUeldlng van den krokodil; te Venetië = meisje van plelzlor.

lacesseeren, lal. (lacessére) tergen, uitdagen, tarten, plagen.

Lacet, n. fr. (spr lasè: vgl. la cc eren en /ars} pl. laccls, rggsnoer, rUgveter voor vrou-wenkleedlng.

lache, adj. fr. (spr. Ia.yquot;, v. \'t lal. laxus) slap, traag; lat, Inrhartlg, laag, gemeen; — lacheté, fr. (spr. lusj\'lé) de slapheid, traagheid; lafheid, hlooheld; hiagliarllgheld; — la— choeren, fr. (lacher: van I lal. lu.iiirt\') losmaken, vieren, hol «f schol geven; — lAchc: (spr. lausj\') laat los! (toeroep aan den pali\'Us-tiond om hel geapporteerde af Ie geven.

Lachësis, f. gr. iMylh. eene der drie Schikgodinnen of Pa reen {■/.. aid.); ook siangcrigift uil de glfttanden eener hraziilaansche slang (\'rrUionoréphalus luchesis) een homieopalhiscii geneesmiddel.

Lachoria\'s, pl. wollen oostind. stollen uil Palna.

larinw, f. lal. Intandlng, diepe insnede, die niet broed en niet afgerond — lacinialus, a, urn of larininsus, a, urn, lal. Hot. gestipt; ingesneden; met diepe, ongelijke insngdingen;— lacinulalus, «, urn, tijngesplelen.

Lacis, z. ond. 1 a c e e r e n.

Lack, lac, lak, n. (perz. luk. Iiindost. lak, liikli, laksrh, sanskr. laksja, een teeken, liet getal 100,000) in O.lndie eene aangenomen (gclingcerde) rekenmunt = 100,000 ropUen of 115,»70 gld. courant (vgl. ropü en krore.

Laconicum, laconisch, zie i a k o-nisc h.

Lacord., hy naluurwetensch. namen afk voor J. T. Lacordalre (gest. INquot;0 .

lacrjjina of laenma, f lal. de traan; — la-crj/mne Chrisli, pl. lat. of it. lanrfma Chrisli, d. 1. eig. Clirlslaslrancn, de naam van den lijnen Hal. vvyn van donkorroode kleur, zoeten maar piqua riten smaak en heeriyken reuk, die aan den voel van den Vesuvius was. In den handel komen onder dezen naam meesl w y-nen van Pozzuoli, Ischla en Nola voor; — la-rrymae lat. w ynstoklrnnen, het water, dat uit den aangesneden wynslok vloeit; la-crymaal, adj. nw.iat. Med. de Irannwegen hel rellende; - lacrymabel, adj (lal. la-crynmbilis, e) tranen waard, hetreurenswaard, jammeriyk; lacrymatorïum, n. tranen-vat, triiantlesehjo, waarin men hy oud-rom. he-grafonlssen de lianen Hel vloeien; lanrimóso, It. Muz, klaagiyk, jaminerenil, op weenend-roe-renden toon.

lacs, in. fr. (spr. ld ,■ provene. lalt, sp. lozo, it. lacrio, van \'1 lal. laquius] strik, knoop; — lacs il\'amour (spr. —damóér) llefdeslrikken, in elkander gevlochten linten, ielti\'is enz.

Lactarine, f. nw.iat. (v./«e, melk, genit. larlis een uil karnemelk hereld, door K. Pal-tison te (llasgow uilgevonden verdikkingsmiddel, dat hy liet hedrukken van stollen gehrulkl wordt; lactaten, n. pl. nw.iat. Ghem. melkzure zouien; lacteine, lactoline, f. eene door verdamping der melk verkregen roomachtige massa; — ladescens, adj. lal. hol. melkgevend; lactescélltie spr. lie—lsie f. melkachllgegesteldheid; — lactosceerend, adj. (v. \'t lal. laclescüre, tot melk wordem melk-achtig; — laclius, tl, um, lat. Bol. melkwit; — lactatie (spr. Ile=tsie) f. nw.iat. de voeding melk, zooging, hel zoogen; —lacteeren, lat. (laclare) zoogen; — lactant, adj. (lat. larlanx zoogend; Lactantius, m. en Lactantia, f namen; de zoogende-, — lacticinïen, n. pl. lal. lactii\'iiua zuivei, uit melk iiereide voorwerpen, gelijk kaas, holer enz.; In iiel spraak-gehruik der kerk alle dleriyke spyzen, met uil-zondering van liet vleesch zelf; ook melkspy-zeu; — lactischo koorts, melk- of zog-koorts-, — laetigénisch, adj. do meikafzon-dering hevorderend; lactoline, f fr. z i a e 1 eï n e; — lactisugium, n. nw.iat. Med een melkzuiger, eene melk- of horslpomp; — lactodentimeter, UI. meter voor de dii lil-heiil der melk; — lactose, f Ciiem. eene suikersoori, die zich uil melksuiker mei verdunde zuren naast dralvensulker vormt; — lactoskoop, m. een werkliilg om liet room-gehalte der melk te onderzoeken, melkmeler, melkproever.

Lactüca, f. lat. (v. lac, melk, dewijl er, hij I Insnyden des stengels, een melkachtig sap uiivioeil, hiluw, luinsalade; — lactlicarium, n. uw.lal. liet in de lucht vorliarde melksap, dal uil ile ingesneden stengels van l.arlara vloeit; lactuca-zuur, n. een in de vergiftige latuw (Larlura rirnsa) aanwezig eigen-aanlig zuur; — laotucine, f de hillere stof nil iiel lactuca-zuur.

Lacüne, f. lat. (lanina, eig. kuil. diepte eene gaping, een open vak, eene uiliatiiig, h.v. in een hoek; - lacuneus, adj. (lal. laruno-sus, a, um) met gapingen, vol uiilalingen; — larunnsus, a, um, lal. Hol. gekuild, gegroefd, groevig.

Ladanum, n. (Int. nummi larianum, gr. Iddtiiwn, Isddnon, perz. Iddan, laden, hehr. lalh), ook labdanum of laudanum, n. eene gomhars mei halsamleken geur, van ge-neeskrachlige iioedanigheid, van een soort cis-lusstruik (lat lada, Icda, f. of lédoit, n. gr. Irdos, m.; vgl. cis lus) In het Oosten.

Ladinos, pi. eng. (spr. leedains honle glanzige wollen stollen uil Norwich in Engeland.

Ladino, n. sp. en port. (v. lal. lalinus, iaiyiischi een zeer verspreid, door de joden ge-


-ocr page 722-

LA DON

702

LAIS

vormd ju rfto n; — Ladinos, pi. sp. (v. lilt. lalinus) cl».\', de tul de Iniynschc kerk lielioo-reiiile peloovlgon, vtindaur do naam van ik\' ce-doopte Indianen en kleurlingen in Centraal-Amerika.

Ladon, z. i a rok.

Ladro, in., pi. ladri, it. ladra) it. (lat. Intro) diet, mover.

Ladrön, in. sp. roover.

Lady, f. eng. (spr. lidi, v. \'t angels, hlacf-die, hlaefdiue, liroodvronw, van lilar, brood en dine, oud-zw. deiua, deju, uitgeefster, hcheer-ster) de titel der aanzleniyke vrouwen in Engeland, wanneer men van haar spreekt, z. v. a. dame; voor \'t overige echter nlieen de titel der vrouwen van hoogen adel hy het aanspreken ; — ladylike (spr. —laik) eeno lady passend, voor dames geschikt of hehooriyk;— ladyship, ladyschap, de stand en litel eener lady.

Isedeeren, lat. (liicdHrc) heschadlgen, kwetsen, beleedlgen; verkorten, henadeelen; — lae-dént, in. (lütdens) de heleediger-, de tieiee-digende iiartü; — isesus, m. de beieedigde, benadeelde; — leesio, I (lal. laesfo) de beschadiging, kwetsing; verkorting, iienadeeling; — laesw ennrmis, lat. .lur. overgroote, buitengewone benadeeling, die over de helft gaal; I. enormissinia, een vreeseiyke of zeer aanzleniyke benadeeling (in hot gemeene rcchl niet verschillend van /. ennrmis): I. modüca, een mii-tige, I. iiegnlialïvu, een handelsbenndeeling; /. successiva, eeno trapsgowyze verkorting; I. ullra dimtdtum, benadeeling of verkorting boven de helft.

Leen, n. zw. (elg. bei leen) de provincie, hot stadhouderschap in /weden.

L eendier, m. hoogd. z. 1 a mi Ier.

Laesie, z. ond. liodeeren.

Lsestrigónen, m. pl. gr. {Laislryiinim) oen faliciachtig wild volk in Sicilië en Uencden-Italie, dal Homerus in zyne Odyssea als men-si heneters van reusachtige grootte afschildert.

Lsetare, lal. do ide /.midag in do vasten, naar de aanvangswoorden der lal. mis, .les. I.XVI, Hl: laelare, Jerusalem, verheug u, .leruzalem, enz.; ook rozonzondag geheeten.

Uielevirens, lat. Bol. biygroen, inoolgroen.

Leetificantïa, n. pi. lat. (v. laelifieüre, verheugen) Mod. verheugonde, opwekkende ge-ncesmiddolen.

Lsetitia (spr. -li-lsïa) I. lal. (lacliCta, v. Iiielus, a, um, vrooiyk) do vroolijkbeid, biy-schap; veriiisllging; — Lfletitïa, als vr.naam; do vrooiyke, opgeruimde; rom. Myth, de godin dor vrooiykhciii; Aslron. de naam eener in IHltii door Chacornac ontdekte asteroïde.

laeva manu, lal. Muz. mol do linkerhand.

laevis, lat. Bot. glad; — Isevigeeren, z. levlgeeron; — laevifiatus, a, um, lui Bot. gepoiysi, mol gelyko, gladde, inin of meer glanzige oppervlakte.

Laga, f. noordsche Myth, do godin en hell-aaiibrengendo boschermster der wateren en lia-den; vandaar een ochlendgewaad, badkloed der vrouwen.

Lagan, lagon, n. eng. (spr. leeijen) strnnd-of wrakgoed, strandvond; ook hel strandrecht, strandvondery.

Lagêna, f. lat. oene wynllesch met nau-wen bals en met ooren; — lagenifórm, adj. nw.lat. floscbvormlg; — lageniet, m. do Oescbstoen; — lagenophoriën, pl. gr. (v. Idiiênos, f. flesch) drinkfeesten, iiy welke iedor zyne flesch medebrengt.

Lagerbier, n. hgd. belegen bier.

Lagnia, f. gr. (launeia) geilheid, wellust; nianneiyk zaad; — lagneuma, n. do zaad-stortlng, tnz. in den hyslaap.

LagO, ni. it. en sp. (van \'tial. Incus) het meer, de landzee; - lago maggiore (spr. —madzjore) hol groote meer-, — lagunen, pl. (= lat. lacunae) kleine meren, strandmoren, ondiepten en eilanden In do Adriatlsche zee.

Lagochilus, m. of lagostóma, n. gr (v. lagós, do haas en chcïlos, n. Ab lip; stnmn, de mond) Med. do hazenlip; ook oen menscli mei oene hazenlip; — lagographie, f. de naliiiiriyko historie der bazen; — lago-phthalmie, (. het hazonoog, een gebrek dor oogleden, waarby zy in den slaap, golyk die der hazen, geopend biyveii; — lagophthal-mos, in. die bazonoogon beofl, een hazenoog.

Lagonopósos, m. gr. (v. Ukjoii, de lies, zyde) Med. zydewee, zydesloek.

laf/rima Chrisli, laQrimóso, z. onder l(i-cryma.

Lagthing, f. zw. (/««, wel, angels, /«f/, eng. law) hel wetgevend lichaam dor noorwoeg-sclie ryksvergadering of storthing (z. aid. en vgl. thing).

Lagundsji, m. pl. de mineurs by hot luiksche leger.

Lagunen, z. ond. lago.

Lai of lay, in., pl. lais (spr. lec: van \'teelt. Ilais, laoidh, luoi, d. i. klank, melodie, lied, gezang) in de oudfr. en oud-eng. poëzie, oene soort van epische en lyrische gezangen, oorspr. van een meer volksmatig karakter, in tegenst. met de kunstmatige, geleerde, hoof-scho dichtkunst.

lafcus, m., pl. Itiïc.i, lal. (v.\'tgr. laïkós, tot bet volk behoorende, van Idós, volk) een niet-geesloigko, wereidiyke, leek; oen oningowyde, onervarene, onkundige in deze of gene kunst -,

— laïceeren of laïseeren, harh.lat. onl-pricsteron, tot den loekonsland terugbrengen;

— laïcisme, n. nw.lat. de loer van hot recht der leekon om do kerk te regeeren.

laid, adj. fr. (spr. lè) loeiyk; - laideron, f. (spr. lidróii) loeiyko vrouw; — laideur, f. leeiykbeid

Laine, f. fr. (spr. leit\') de wol; —laines marles, doode wol (van gestorven dieren).

Laird, m. schotsch (spr. lérd) z. v. a. hel ong. lord; de hoor, grondeigoniiiir, edolman.

Laïs, t. do naam van twee beroemde boo-ieersters der gr. oudheid, Ie Korinlbe lovomlo;


-ocr page 723-

LAISSER

LAMA

vanduar; eenc (Hilanto on geestige vrouw, ille den schijn der deugd weet te liewuren.

Laisser-allor, n. fr. (spr. lèssé-allé) elg. lillen gaan; rialuurlijke ongedwongenheid van gedrag, van schrUfwyzc; al te grootc toegevendheid; — laisser-faire, ook laisser-aller, laisser-passer, d. t. laat het gaan (zooals hel gaan wil) eene formule, die In de staathuishoudkunde de Inzichten der zoogenoemde physlok raten (z. aid.) weergeeft, welke in het verkeer volle vrijheid en vrije concurrentie, zonder Inmenging van den staat wen-schen; —laisser-passer, n. (spr. —passé] een vervoerhiljet, gelelhrlefje.

Laitj m. (spr. lè: lat. luc) de melk; — I. de poule (spr. pnel\') eidooiers in heet water met suiker geklopt; — pelil lail, wei; — lai-tage, f. fr. (spr. lèladzj\') melkspijs, pap; — laiterie, f. (spr. lèl\'rle) het melkhuis, de melkcrlj.

Laiton, m. fr. (spr. lèlóu), laloen (z. aid.)

Lak, n. perz. {lak, sanskr. lAksjd en rdksjd, v. randsj, verven; nw.lat. en it. laren, sp. en provene. /ara, fr. laqué, lioogd. lack) ondoor-zichtig vernis van onderscheiden kleuren en uit verschillende harsen bereid, inz. ook ververs-1 a k (eng. laek dye, lack-lack), 1 a k v e r f, eene met kleiaarde verbonden verfstof van Indische bereiding, die In den handel als vierkante koekjes voorkomt; lu hel dageiyksch leven voor zegel lak, een samenstel doorgaans van l dee-len gomlak, 1 deel terpentijn en :i deelen vermiljoen, in het fransch s p a a n s c h lak {cire d\'Espanne) geheeten, omdat Spanje hel eerst met dit Indisch product een aanzienlijken handel dreef; voorts voor gomlak of har slak, de slof, waaruit de lak-cochen 11 ie of lak-schlidluis hare cellen houwt, welke zü met een rood vocht opvult; — slokiak, korrel-lak, schellak, verschillende soorten van het gomlak, In den handel voorkomende; lak-keeren, lakken, verlakken, met lak of vernis bedekken; — lakmoes, n. (v. mus-cms, mos) eig. mos- of heter korslmoslak, een uit verscheiden korstmossoorlen (inz. Lecannra lurldcu, Roccella linrloria, enz.) gewonnen blauwe verfstof, die hetzij \'o wnleraciitige oplossing (la k in ocs -11 n cl u it r) of in daarmede geverfd papier (lak moe spa pier) door de chemici Ier herkenning van bases en zuren gebruikt wordt, daar de eerste het lakmoes rood-kleuren, de laatste de blauwe kleur weder herstellen.

Lakei, in. (fr. laqmis, spr. lakè: sp. la-cayn, misschien van arab, lakia, gemeen, laag; sp. Uicayo, it. hicrhi) een looper, voigdienaiir, Hjlknecht, vootkneclit.

Lakisten, m. pi. eng. (spr. leekislen . eng. lakisls, lakers, spr. lééktsls, IMkers) eogeische natuurdichters van de senllmentecle school, zooais b. v. Rogers, Wordsworth, Coleridge, Soulhey, Campbell, e. a., meer-dicliters, zoo geheeten naar de meren (lakes, spr. leeks) In Westmoreland, aan welker oevers zij zich nedergezet hadden; vandaar de ge-heeie school; lake-school (spr. leeksknel) de meerschooi.

Lakkris, lakkeris, f. (hoogd. Inkrilte, van het lal. liquiritfa, en dit van hel gr. gly-kyrrhidza, van tilykys, zoet en rhidza, wortel; vgl. glyelrrliIza) hel zoethout, de zoel-wortel of zoetiioutplant; — lakkrissap, n. (lat. sHccus liquiriliae) zoethoutsap, uil welks vermenging met suiker en arab. gom men hel drop maakt.

Lakmoes, ond. I a k.

lakonisch, adj. gr. {Inkort, laknnikós) kort en nadrukkelijk, kort en bondig, kernspreuklg, pittig, eenlettergrepig, spaarzaam In woorden (naar de manier der oude La kon en, d.i. La-cediemoniers of Spartanen); — laconicum (sell, balneum) n. lal. eene badstoof, zweolka-mer In \'l bad, droog zweetbad, dampbad; — lakonisme, n. de zinrijke kortheid en bondigheid in spreken en schrijven, de spaarzaamheid, karigheid in woorden; - lakonisee-ren (spr. s=z) korl en bondig spreken, mei weinig woorden veel zeggen; —lakonoma-nïe, f. overdreven zucht om lakonisch Ie spreken.

Lakooi, f. (hoogd. levkoje, van hel gr. Ieuk(i-ïnn, d. i. wil viooltje) een bekend tuingewas met veelkleurige, welriekende bloemen, ook vlo lier genoemd.

Lakris, z. v. a. lakkris.

Laktisma en laktisme, n. gr. (van lnklid:cin, met de voeten treden) Med. de voelbare beweging van hel kind In den moederschoot.

In, la, fr. zoo, zoo; middelmatig, tamelijk.

Lain, m. arab. en perz. opvoeder, gouverneur, vorslen-onderwyzer.

Lalanggras, n. z. al a ng-a 1 a n g.

Laletiek, r. gr. {lalclikc, sell, léclnu, v. lalein, spreken, lallen) de spreekkunde, spraakleer.

Lalïe, f. gr. (fa/ia) de rede, het sproken; — lallatie (spr. l=ls) f. nw.lat, hel Inlien, de verkeerde verilulibeling der I, In de uitspraak, i a m lui acts m e.

Lam., iiü naliiurhistorische benamingen af-korllng voor .1, B. A. P. Monet de I.amarck (gesl. ISill).

Lama, m. libetaansch (Mama, uitgespr. lama, een overste, opperpriester) een tibetaansch priester, opporprlester (vgl. dala I -1 a ma);— de lamaïsche godsdienst of hel la-maisino, de godsdienst der boeddhistische Tlbeliineii en Mongolen, die daarom lamaïe-ten of lama\'ïsten heelen.

Lama of llama, f. peruaansch (llama, sjir. Ijuma, het lama, ook vee, dier, in \'t alg.) de schaapkainecl, een In de hergen van Peru by kudden levend langhalzig dier lor grootte van een hert, dat, getemd zijnde, een nulllg buis- en lastdier Is; ook eene soort van lljne wollen slof of zomerlaken, Inz. voor dames.


-ocr page 724-

LAMANAGE

704

LANA

Lamanago, f. fr. (sin-, lamanadtj\') Mar, loodsgeld, liut loon voor den lamaneur of loods (van het cell, loman, gids).

Lamanda, m. oeno slang op Java, de koningsslang, afgodsslang.

Lamantijn, m. zeekoe, een planlonetond walvlseliaelitlg zoogdier (Manatus).

Lamb., hy natuurwelenscli. benamingen afk, voor A. B. Laniherl (gesl. 1842).

Lambda, f. de gr, naam van de I. (,/); — do lambda-naad, Anat. de ^/-vormige vereeniging van de schodelboenderen met het achterhoofdsbeen; — lambdaoisme, n. gr. een spraakgebrek, waarhij do I, moeliyk of in plaats van de K wordt uitgesproken of eon J nu de l. gehoord wordt; —lambdoidisch, adj. ./-vormig, de gedaante eener lambda hebbende.

Lambert, Lambrecht, m. oudd. mansnaam (oudd. Lambert, Lampert, Lunlperhl, I.ant-prehti vgl. Hertba) de aan lauil of In bot land glanzende of sohltteronde.

Lambertsnoten, minder goed lam-mertsnoten, f. pi, eene soort van groote hazelnoten, uit LombardUe afkomstig (vau-daar de naam).

Lambik, lambiek, n. soort van zuurzoet bier in Zuld-Ncderland.

Lambrequins, pi fr. (sigt;r. laiib\'rkcii v. neder), lamberken, verklw, van tamper of lamfer) helmdek, lintenhos aan don helm, vgl. chaperon; ook een met punten of bogen uil-gesneden bekleeding of behang als kamersieraad.

Lambris, n. fr. (spr. laiibri.- oudfr. tambre, v. \'t lat. lamtna, Minna, dun blad, dunne plaat) of lambrizeering, f, het bescbot of de bekleeding van het benedendeel van een kamermuur met planken, paneelhout enz.; z. v. a. paneel; ook pleisterzoldering, gipsgewelf, zoldering; — lambrizeeren {fr. lambrisser), met zulk scbotwerk bekleedon.

Lame, f, fr. (spr. laam\') kling; z. onder fin 2).

Lamélle, f. lat (tamétta, verklw. van la-niïna) een blaadje; dun blik van allerlei metaal; lamellair, lamelliform, adj. uw. lat, blik, blad- nf plaatvormi,;.

lamenteeren, lal. {tamentari) weeklagen, jammeren, kermen, hcweenen, bejammeren; — lamentabel, adj. (lat, tamenlabflis, e) klaaglijk, jammeriyk, erbarmolUk, beklagenswaard, droevig, ellendig; tamentabile en lamentóso (spr. s—z), it. Muz, klagend, droevig, op kla-gonden loon; lamentatie (spr. tie—tsic) f. lat. {lamentatto) ook laméntlim, n. (lat, alleen pi, taménta) en lamónto, m, en n, II, de weeklacht, bel jammeren, klaaglied, de jam-inerklacbl.

Lamia, f. lat. en gr., pl. lamïën (lat. tanitae) heksen, spoken, gevaarlijke hooze geesten, waarmede men de kinderen bang maakte.

lamineeren, nw.lat. (van hel lal, lamtna, blad, blik enz,) metaal tot blik slaan, pletten, lot platen maken; ook uitrekken, b. v. garen op de lamineer- of rokmncblne.

lamiodónten, pl gr. (van lamia, een groote, vraatzuchtige zeevlsch, en mines, genlt, odónlos, tand) versteende haalelnnden met zaag-vonnigen rand.

Lamoen, n. (fr. limon) galTeldissel, de twee-armigo disselboom, tusschen welke bet paard enz, loopt.

Lamunhout, n. oono soort van rood verfhout uit Brazilië.

Lampadarms, m. lat. (van \'1 gr, en lal, lampas, fakkel, lamp) con lampdrager; — lampadatie (spr. t=lt) f. de foltering der niarlelaars door in do knieholte gehouden brandende fakkels; — lampadedromie, lam-padodromïe, f. gr. fakkelloop, eon wedren mei brandende wastoortsen; — lampadist, m. een fakkelloopcr; — lampadophoor, ni. een lakkeidrager; — lampadomantie, f. (spr. t=l.i) het waarzeggen uit het branden der fakkels.

Lamparillas, z. non pa rel lie.

Lampas, pl. (fr. lampas, lampasse) oosllnd, en clilneesche zgden stoiïen, naar gebrocheerd gros de tours gelijkende.

Lampét, n. elg. eene lamp; eene kan, waterkruik (wegens de overeenkomst van gedaante met de lampen dor Ouden); — lampetkan, waschvut,

Lampión, f, fr. (spr. tanpinu; verklw, v. lampe, lamp) een lampje, glaslampje, Inz. hij openbare verlichtingen; ook een soort papleren lantarens, die by optocblon in plaats van fakkels aan een slok gedragen worden of bü 11-luininallos worden opgehangen; — lampio-noeren, met lampions bezetten, illuml-n e i) r e n.

Lampons, m. pl. fr. (spr. lanpóii i van lampons, laat ons drinken, geblodendo wys van tamper, druk pooien, v. lampée, groote romer) ilrlnklledoren; rondgezang.

Lamprei (van \'1 mld.lat. lamprela, lam-petra, II. lampreda, dal gevormd Is uil hel lat. tambUre, likken en petra, steen, omdat deze vlscb zich aan steenen onder water vastzuigt) steenlikker, steenzuiger (Petromyzon), eene soort van zeer groote en ullinunlende prikken of ne-genoogen, inz. In de Noordzee enz.

Lamprométer, m. gr. (v. lamprós, scbil-terend, heldor) een werklulg om de sterkte van bet licht te melon; — lamprophonie, f, helderheid van slem, oono zeer duldelyke, vér-klinkende stem; — lamprophönisch, adj. liclderklinkond van slem.

Lamp^ris of lampüria, f. gr, (lam-pjjris, van Idmpein, llchlen) do glimworm, bet johannlsworpje, de johanniskever.

Lamx. bij natuurwelenscli. namen afk. voor J. V. F. Lainouroux (gest. 1823).

land, t. lat., wol; lana caprina, f. lat., gel-lewol; onolg. onbeduidonde dingen, benzclarUen; de tana eaprir.a (twlslen), om geitenwol, dat Is om iels onbeduidends, oni\'s keizers baard; («na


-ocr page 725-

LANSQUENRT

LANQADE

705

philosoitlnca, liü do alchlmlstcn; zlnkblocmon, wllto, lichte vlokken van zlnkoxydo, niliil allium; — lanalm, «, urn, lui. wollid, met wol overtrokken; — laniférisch, iidj. (v. ferre, «IniKon) woldriigcnd.

Lancade, lancadoeren, /.. ond. lans.

Lancastersché methode, hel weder-kcerlu onderwijs, ilo leerwijze volgons welke een groot aantal leerlingen van onderscheiden ouderdom In (Sen vertrok gelijUgdig worden he-ziggehoudon, terwijl de hekwamerc als onder-leermeesters de minder geoefondoii onderrichten, hel eerst door Andr. lie 11, een eng. geesleiyke in O. Indltó sedert 1790, vorvoigens door .los. Lancaster te Londen in ISO.\'iIngevoerd; vandaar ook liell-Lancuslorseho methode genoemd; — Lancaster-school, eene school, waarin naar deze loorwgze onderwezen wordt.

laneeeron, lancét, lanceur, lan-cier, z. ond. 1 a n s.

Landamman, in. in /witserland in do moeste deinokrallscho kantons do voorzitter van do wetgevende macht en de voltrekker der lie-slulten; in hot kanton Hern de bestuurder van den gang der zaken in den grooten raad.

Landauer, in. eene soort van reiswagen met voor en achter ueèrsluando kap, voor \'■ liorsonen (naar de heyerseho stad Landau).

Landes, f. pi. fr (spr. laiid\'; van celti-schen oorsprong) heidegronden, heiden, stoppen, inz. die langs de kust van den Biscayschen zoe-hoozeni tusschea de (ilrondo en de l\'yreneen lu Klankrijk; oaelg. dorro plaatsen in een hoek.

Landjobber, in, eng. (spr. léndzjobber: vgl. joh hor) makelaar In landerijen of in goederen, inz. In N. Amerika; — landleague (spr. Icnillieii\') \'of landliga, f. een in IS\'li In Ierland door den tenlan (z, aid.) Michael Davllto gestletit politiek hond, dat ile teruggave van het lersche land aan het lorsche volk ten doel heeft; — landlord, in. eng. de grondeigenaar, landheer; ook de waard, herhergler.

Litndlor, m. ligd, (spr. n=é) ecu in Oostenrijk geliefkoosde dans van levendig en vroo-Uik karakter In | of 4 maat, naar de gewone wals gelijkendo.

Landormm, f. kalieljauw, die een wel-nigje in hel zout gelegen hooft.

Landspassaat, z. lanspesaat.

Lane, f. eng. (spr. len) steeg, smalle weg.

Langoiran, m. fr. (spr. laiinoardii. vgl. hot oudfr. Inngoirunl, mat, zwak, krachteloos, = nw.fr. languissanl) oen witte Hordeaux-wUn.

Langue, f. fr. (spr. lann\'-. v. lat. lingua) de tong; do taal; langue d\'nr de zuidfrauscho (provencaalseho) en langue d\'nil, of I. d\'nui, do noordfranscho tongval; — lanque verlc (sjir. wèrl\'), koeterwaalsch, jargon, argot;—lan-gage, f fr. (spr. langadzj\') do spraak, wUze van spreken, taal; I. des halles (spr. dè dl\') visehwijventaal; — languette, f. (spr, /««-(jéll\') een tongetje, eene tong, li. v. aan orgelpijpen, aan eene lialans; de klep aan een VlEItlIK imuK.

hiaasspeoltuig; do ruudlUst tiij schrijnwerkers-, oen uitstekend goud- of zilverplaatje hij goudsmeden; insnijdingen, plooien, enz. aan een kleed in de gedaante van tongen; — lan-guetteeren (fr. langueller) tandsgewys ult-snijdon Inz. uil goed aan den rand.

languénte, it. (v. lal. languens, v. lan-gurre, mat of ontspannen zijn) Muz. smachtend, kwijnend, zuclitond; languido, it. z. v. a. languente; — langueur, f. fr. (spr. lan-geur-, van \'t lat. languor) do matheid, slapheid, verzwakking, ontspannenheid, hel kwijnen, smachten; — languescooren, lat. {langue-srüre) kwijnen, kracht verliezen, moede of traag worden; — languissant, adj. fr, (spr, langi-saji), mat, slap, zwak, kwijnend, smachtend, ziekelijk; languénte en languido, 11. Muz, smachtend, zuchtend, vurig verlangen uitdrukkend.

Languetto, enz. z. oud. langue.

langusten, pi, (van lat. loruxla, fr, lan-gousle) zeesprinkhanen, oen als lekkernij hooggeschatte soort van groote zeekreefton (/\'n/i\'nu-rus): ook een soort sprinkhanen vgl, I oen sla,

laniëeren, lal, (laniSre) verscheuren, aan stukken houwen of rijten; — laniiitie (spr, l=ls), f, (laniaho) do voischenring, vaneenrij-ting; — lanist, 111, lal, [lanisla] een scherm-of vecht moester hy de oude Komeinen.

Lans, f. (fr. lanre, sp. lanza, 11, lunria, van \'t lat,-colt, lancfa) eene spies, speer; — lancét, n, (fr, lamelle) het laalijzer, do laatvlijm, een tweesnijdend wondheelersmesje tol aderlatingen of insnijdingen; ook hel graveer-yzer dor houtsiiyders; — lanceeren, werpen, stlugeron, afsehloten (oenen pyl, enz.); ,liy jagers : het spoor vau eonig wild mol den hond zoo lang volgen tot men hel opjaagt; een schip lancooren, het van stapel laten loo-pen; hy hel dansen: in galop voorldansen;

— lanceerende pijnen, d. i. schietende, rukkende pynen (in legenst. met de horende, h. v, tandpyn); — lanecalus, a, urn, lat. hol. lansvormig; — lanreolalus, a. um, lat. Bot. lancetvormig; — lancade, f fr. (spr. laiisaad\') oen speer- of spiossloek, uitval; eene snoovory; ook oen lioogvormige iiiclitsprong van ecu paard;

— lancadeeren, zulke sprongen maken; — lanceur, m. fr, energiek koopman of industrieel, inz, lioekhandelaar, die zyn waar woel aan den man te hrengeii; — lansfeest, een feest der r. kalh. kerk. Ingesteld tot aandenken van de laus, waarmede Jezus\' zyde werd doorhoord -, — lansier (fr. lanrier), een speerruiter, spioswerpor, lansdrager; — lanspesaat, heter dan landspassaat, m. (gevormd uit de It, woorden lancla spetzala, d, I. gebroken of geknotte lans) weleer de beuaming van den laagslon onderollleicr by het voetvolk (eig. oen krygsinan, die van do rultory tot hel voetvolk was overgegaan, en dus zijne eervolle ruiterlans had verloren, heigeen men zinnebeeldig als een verbreking voorstelde).

Lansquenet, lanskenet, n. fr, (spr. lanskeiU, gew. nederl. —nel; van hot duilseh

it)


-ocr page 726-

LARDKEKEN

LANTEAS

706

Iuililsk noclit) niiam van con mul kaartspel; dB plaats, waar liet gespeeld wordt.

Lanteas, pl. Mar. groote ctilneesclio roeischepen, voor den tmiidel tussdien Macao on Canton.

lanterneeren, fr. (lanlcrner) talmen, draion; met nlotlge woorden ophouden; — lan-ternerio, f. oniuil Rotiabhel, ijilcl geklap

Lauternina, f. 11. (cig. vorktw. v. lan-temn, lantaren) oono florontynsclie rekoninunt, = fi lire.

lanterniseeren, fr. (van lanteme, lantaren), aan oenen lantarenpaal ophangen (gelijk In de eerste fr. omwenteling).

Lanthanmm, n. (van \'I gr. lanlhanein, vorhorgen zijn) een in isil\'.l door Mosand ei-te Stolkholm in hot corlet ontdekt nieuw metaal.

Lanturlu, n. fr. (spr. tantuurlu), een zokcr kaartspel, lanterlu, tiet lantorlulcn; !i kaarten van écne kleur iu het pamphilusspci.

Lanügo, f. lal., in. een vlashaard, het zachte, wollige tiaanlhaar; — lanuuinnsus, a, urn, lat. Kot. wollig, met korte, wollige haren.

Lanx, f. lat. (gen. Ifinns) schotel, schaal;

— I. salüra, volle vruclilschaal.

Laodicêër, m. oen howoner dor stad

Laodloea In Klein-Azlö; oen lauw, onverschillig menseh. Iemand, die noch koud, noch warm ls(oeno hetoekenls, ontleend aan de Openli. van Johannes 111, l;gt; en volg.).

Laokioen of Laotse, m. een godsdlensl-stlehtor in China, \'inn of v. a. lion Jaren voor Chr, wiens godsdienst de laogodsdienst of ile godsdienst van don rechten weg genoemd wordt; hare aanhangers lieeten taossen.

Laokóon,in. gr. Myth, priester van Apollo, die mot zUne helde zonen door twee grooto slangen omslingerd en doodgedrukt word, omdat lnj het aan Pallas gewyde houten paard onteerd en mot oen speer doorhoord had; de groep van Laokoon, een nilslekoiid voortlircngsol der oude beeldhouwkunst, hol gezegde Ircurlooneel voorstollciide.

Laokratie (spr. /=ts), f. gr. (van /mis, volk) de volksheerschappij.

Lap., hU natiiurwetenschappoHjko namen afk. voor l\'h. I\'lcol de l.apeirmise (gosl. ISIS).

lapaktisch, adj. gr. (van taimlzein, ledigen), Mod. zacht ontlastend, Imikzulverend;

— lapagma, n. lediging.

Laparocële, f. gr. (v. lapara, f. de zachte

doelen zydollngs onder de rlhlien lui aan ile heup) Med. eene darmlireuk aan den Imik; — laparoskopie, f. hot onderzoek van liet onderlijf; - laparotomio, f. de opensnüdlng van hol ondoriyf in de züde.

lu\\nn, in. fr. (spr. tapéii) hot konijn.

lapis, m. (genlt. lapldis ■ pi. I up nies) lat. do steen; lapis aquilae, adelaar- of klapporsleen; I. beznardfeus, z. v. a. hezoar-steen, z. hezoar; /. Bononiénsis of I. soluris, z. h n I o n I s c li o steen; /. calaminaris, z. v. a. galmei; /. raus/ïrus, hijtende steen, bijtende potascli (Aïi/i caustic urn); l. diuinus, de goddelijke steen, oogsteen, uit kopervitriool, aluin en salpeter bereid, oen middel togen oogontstekingen; /. hoe-malilis, bloedsteen, soort roodyzersleen; l. in-fernalis, belscho sleen-, /. judaïcus, jodensteen; I. latuli, z. la zu u rst eo n ; /. milliarfus, do niyisloon, myipaal; /. ophthalmicus, Ac uogslccn

— I a p 1 s d 1 v 1 n u S; /. ptiilosophörum, de steen der wijzen, waarmode men waande ullo kwalen en ziekten te kunnen genezen en onedele mc-lalen in goud to veranderen; /. i\'idenli, zwavelzuur koper, een bloedstelpend middel; t. speculuris, mariagias, gipsspaath; l. sponglae of spanqites, de sponssleen, eene soort van koralen; /. lenninalis, do grenssteen; I. variolü-lus, de poksteen; — lapidarisch, lapidair, adj. (lat. lapidartus, u, urn) in steun gehouwen; op steenschrift betrekking liehbenilc; lapidair-schrift, n. in steen geschrovcn loiters, steenschrift; — lapidair-stijl, m. de scbryfwyze op steonen, gedenktookonon, vandaar ook (omdat deze om de bepaalde ruimte kort moot zyn): korte en bondige sciirUftrant;

— lapidiitie (spr. l=h), 1. lal. do stoeni-ging; — lapidfus a, um of lapidnsus a, um,M. Hot. steenachtig; — lapidiflcatie(spr. l=ls), f. de vorming «f verwekking van sleonen, steenwording, onderscheiilen van pelrill c alt 0;— lapidillum, n. sleenlepoi, een werktuig bij de operatie van den sleen soms gebezigd; — lapilli, pl. (v. lapillo) steentjes, Inz. afkomstig van vuikanisclio iiilbarslingen; — lapil-lus, in. lat. steentje.

Lappaliën, pl. (dultscb met lal. uitgang, v. lap) vodderyen, nesten, pruilen, nieiswaar-dige kleinigheden.

Lappó, n. (v. tapper, taper, gretig oplekken, opslurpen) in bol pimraospei: de duliiiele winst van liet geld, dat men op eene aan de punt lol een oor omgebogen kaart zelle; vgl. pa ro 11.

lappets, pl. eng. (spr. lep—) eene liijzun-dero soort mousseline met geiyk patroon op beide z.yden.

lapsus, in., pl. lapsus, lat. (v. kibi, vallen; vgl. labenl) het vallen, do val; do fout, misslag; lapsus bonorum, m. Jur. het verval dos vermogens; /. ralumi, eene schryiTout; t. tin-(juae, eene spreekfout, liet verspreken; /. memoriae, geheugenfoul, misslag door vergelen; /. patpiibrae, Med. oono uilzakking van bel ooglid.

Laquals, in. fr. z. lakei.

Larboard, n. eng. (s|ir. —boord: samon-geir. uit bot eng. lower, compar. van toto, laag, doonsch tav, laag, eig. dus ile lagere zyde) du linkerzijde van bot schip, hak boord.

lardeoron, fr. (larder, van lord, spek) hespokken, met spekreepjes opvullen, doorsteken, b. v. het vieosch; — lardeerpriem, hot puntig werktuig, waarmede dit godaan wordt; — lardon, m. (spr. tardóii) klein, langwerpig stukje spek, spekreepje; oneig. oen scherp woord, zet ol stook; ook eene hclmeiyk ingestoken kaart in het spel.


-ocr page 727-

LA RECHERCHE

707

LATERAAL

la recherche de la palemili est inlerdile, Ir. hal uiKloi zoek nasir het viiderschiii) Is vorliodon (arl. Uil) van lint Code Napoléon).

Laren, pl. lal. (tam, van don sIiik. /.ar), hy do oudo Itomolnon ilo fanilllo-Rodon, hulso-lijko licsclicimgodon, ImisRodln {vgl. penaten);

— lararïum, n de kas or nis ot kapel, waarin de hooiden der laren stonden; — la-ralïa, n. |il liet Toost, dat op don In Mei ter eere van de Laren word «ovlord,

larflus, a, urn, lat. l ykelgk; mild; laiqu manu, niet rilkeigko, niiido, vrgKovice hand, rijkoiyk; laroilas sponsalitta, r. Jur. hruldogoms-vereo-ring; — largitie (spr. lt;=lt;«), r. (v. lunjiri, ruim uilgeven) do goschenkeiiuitdoeilng, hot schonken; — larqe, ailj. fr. (spr. lanj\') hrocd, wUd; au lurue (spr. o—), In \'t hroode, ruim, rUkolUk; largo, il. Muz. langzaam, gerokt; Kmt. rykeiyk, in overvloed, en daardoor goedkoop; lurno assdi, I. di motto en laruiisimo, Muz. hoogst langzaam en statig, uiterst langzaam;/nri/AMn, oenigszins langzaam, inlndor langzaam dan hot /«)■(;», maar spoediger dan het udanio, lar-ghózza, r. overvloed; Kuit. aunzioniykegeldvoorraad voor wissels op eone plaats.

Lari, larin, m. eone rekenmunt in Ma-labar. In Arable en l\'orzlo van vorsciilllonde waarde.

Larifari (vgl. ons larie, zol gesnap, hou-zelpraat, la r iön, zotteklap uilslaan, en ial. fari, sproken) gesnap, onheiluidendo taai, wisjowasjos, ilrum larum.

larmoyant, adj. fr. (spr. tnrmnajdn .■ v. larme, traan) weonend, In tranen smollend, jam-morond; comédie larmuuaiUe, aandooniyk hiyspol.

Larus, m. lat. do meeuw.

Larvo, f. lat. (tarra) hij do oude Komei-non oen schrikiioold, sehadeiyk spooksel; oen schrikgozicht, ook in \'1 alg. /.. v. a. masker; een insect, dat zich nog in zyn onvolkomen toostaud bevindt ot aan do gedaaulovorwisso-iing onderworpen is, eone pop, h. v. van eone rups, made, enz.; golarvoord, adj. vermomd, gemaskerd.

Larynx, m. gr. Anat. bol slrotlenhoofd;

— laryngisme, n. perlodiscbe enghorstlg-held of adoinstuiting ((isllnna) der kindoron; — laryngitis, r. Med. de ontsteking van hot strottenhoofd; — laryngophthisis,f. lucht-pypstorlng; laryngorrhagio, f. de blooding uit ile IncbtpUp; - laryngoskoop, m. do strollonhoofdsplogcl, do keelsplogel, In IHin door Lislon nllgovandon, in ISli\'i door Garcia hot eerst toegepast, in is:is door O.er-mak verbeterd; — laryngoskopïe, r. hel gebruik vau don keeispiegel; laryngos-tenösis, f. vernauwing van liet slrollenboofd;

— laryngosyrinx, f. eone lucblpUp- of longspuit; laryngotomio, f. de sirot-tenbonfdssnedo.

Lasagne, f. (spr. lasdnje), it. (pl. v. la-sagna) eone soort van deogkiompjos of m a c a-roni in Hallo.

lasciale ngni sjierama, roi ch\' eniraie, il.

laat allo hoop achter, gij, ilio hier iiliiiiontroedt (het laatste vors van hot opschrift op do poort dor bel ia Dante\'s Dlvina commedia).

lascief, adj. lat. (lascivus, n, um) dartel, weelderig, orituchtig, wellustig, geil; - las-civeeron (lascivire), ullgelaton z.yn, zich wellustig of onluchlig gedragen; lasciviteit, f. (Iascivila.i) do dartelheid, geilheid, onluchl.

Laserpitium, n. lat., ■/.. lazorkruid.

Lasjitsen of laski, pl. (slav. tdsita, poolscb. lasira, verklw. lasiczka, bob. lasire, laska, russ. laslko, verklw. laslnlschka, do wezel) wezelvellen in don russ. bandei.

Laskars of Laskaren, pi. (van perz. hind, lasjkari, soldaat, laxjkar, leger) oostindi-sche boolsknochton, matrozen ot kanonniers.

Laski, z. lasjitsen.

Lasalleanen, pl. aanhangers van Ferdinand l.asalle (gost. IKBlj, welke de verhelling van den arholdonden sland door staalshul|i zocht to howorkeri; lasalleanisme, n. de leer van Lassalle omtrent staat en maatschappij; — lasalleanistisch, adj. diens leer botieironde of die aanhangende.

Lassitude, f. fr, (van las — lat. lassus, moede) de vermoeidboid, matbeid, ontspanning; verveling.

Lasso, liever lazo (z. aid.).

Last, n. Mar. benaming van een gewicht, waarby de grootte en liet draagvermogen van een schip horokend wordl; in Noderlanil doet znlk een lasl i tonnen, leder van jnnn oude pondon ; de naam oenor Inhoudsinaat voor droge waren; het nod. la sl Is verdoold in :io hec-lollters of mudden, llfln decalllers of schepels, IÏ000 liters of koppen of kuil. palmen; hel oude a m s 1 e r d. last = ;iii,iissh, het p r u i s s. last = hel liromor last = \'ill,lil Hi, het

hannoversche 112,is:!;! nedorl. mudden; — lastadie, f. (van bet mid.lal. laslaiïïum, las-laiiium en dit van last) do schoepsvrachl; de plaals ia groole zeosleden, waar de schepen buniio waren in- en uitladen.

last, nnt least, eng. (spr. toost nol liesl) bet laalsle, maar niet bot minste (een gevleugeld woord nil Sbakospeare, die koning Lear [Act. I se. I| zyne jongsto dochler laat aanspreken mot de woorden: quot;\\\'ow, nar jou, although the last, nol trostquot; : ibans dikw ijls gidirulkt om de verdiensleiykhclil van lomand le doen nilkomen, die toovalllg in de ry der namen de laatste plaals Inneeml.

Lasting, f. eng. {lasting, duurzaam) een gesatineerde wollen slof; vgl. ovorlasting (z. aid.).

latént, lat. {lalens, van latere, verborgen zyn) verhorgeri, verscholen; Chein. gebonden, b. v. la ton te w a r in 1 o; latei anyuis i;i herba, lat. sprw.: er schuilt eone adder onder \'I gras, d. i. er stookt iels kwaads achter, er is gevaar by; bene qui lal uil, bene riril, lal. die goed verborgen bleef, beeft goed geleefd ■ een vergeten loven, oen goed loven.

lateraal—, latoreoren, ■/.. ond latus.


-ocr page 728-

LAUDANUM

FATKRAAN

708

Lateraan, n. het aan do Jolumnlskork grenzendo palels van den paus Ie Romo (zoo Kohocten naar eene oud-rom. familie van dien naam, welke in liet bezit van dien grond was); vandaar lateraanselie synoden, de kork-vergaderlngen, die In de kerk van St.-Jan van Lateraan gehouden worden.

latéma mani ca of lalerna meaalograplnca, f. lat. eene tooverlantami; — laterniseeren, z. v. a. lunternlsoeren (z. aid.).

Inlet anguis, enz., ■/.. oud. latent.

Lath., hij natuurwotenseh. henamlngen afk. voor J. Latham (gest. 1837).

Lnthiphrosynïe, f. gr. (lalhophrosüni) het verlies van het geheugen.

Laticlavii, m. pl. romelnsehe raadsheeren, naar hunnen met purper gestlkten rok, die lalm clams heette.

latifólisch, lat. (lalifnlius, a, um, van lalu.i, hreed, en folium, hlad) hreedhladerlg.

Latifundium, n. lat., pl. latifundiën (v. latus, hreed, uitgestrekt en fumlus, grondbezit) de verbazend groote landgoederen der Komeinen in Italië, inz. sedert Sulla\'s tyd.

Latijnen, pl. {l.ulini) het overoude volk, dat het landschap Latiurn In llalie bewoonde, in het welk Rome ligt-, vandaar latijnsche taal of het latijn, de taal der oude Itornei-nen; latijnsch zeil, oen driehoekig zeil; — latinisme, n. nw.lat. een latijnsch taaleigen; — latiniseeren (spr. s=z), barh.lat. (fr. lalinlser) laiynsche spreekwazen en woordvoegingen nabootsen; verlatyaen, een latynschen uitgang geven, tol latün maken, b. v. een niet latUnsch woord; — latinist, m. een latgaer, kenner der latynsche taal, latynkenner; — latiniteit, f. (lat. (Inlinïlas) hel iatyn, de laiynsche taal of taalkunde; de latynscho wyze van uitdrukken, inz. de zuivere latUnsche uitdrukking; — latinophronen, m. pl. zy, die in de gr. kerk aangaande de leer der trans-substantlatle bet gevoelen der l.atynen of R. Kath. volgen.

Inlimaculatus, a, um, lat. Bol. breedvlekkig. Latiróstren, n. pl. nw.lat. (v. lalus, breed, en rostrum, snavel) breedsnavellgen, vogels met breede snavels; — latiróstrisch, adj. breed-snavellg.

lalispinus, lat. Rot. breedvonnlg.

lalissimus, a, um, lat. Bot. zeer breed, latitabel, adj. nw.lat. (van bet lat. Inli-tare, verborgen zyn, versterkingswerk woord, v. latere; vgl. latent) verherghaar, wat verhel-meiykt kan worden; — latitatie (spr. He— tsie), f. de verberging, vcrbclmeiyklng, verheling.

latitüdo, lat., of latitude, fr. f. (van latus, breed) de breedte, z. gee graph Iscb; de speelruimte, de vryheld van beslissing binnen twee grenzen, inz. strafgrenzeu; — lati-tudinarïs, nw.lat., of latitudinaire, fr. rn. iemand die minder strenge grondbeginselen volgt, voornameiyk In moraal en godsdienst; het tegengest. van rigor 1st; een rulmbartige, vryzinnlge, vrygeest; een lichtzinnige met ruim geweten, rekkeiyk of llchtzirmlg zede- of gods-dienstleeraar; inz. de benaming van hen, die gedurende de hevige godsdiensttwisten In Engeland en Schotland In de 17de eeuw pogingen lot bemiddeling deden; — latitudinarisme, n. Tbeol. ruimheid van geweten, vryzlnnigbeid, vrydenkery, vrygeesterg; slappe of lichtzinnige zedeieer.

Latoen, n. (sp. lalon, alatnn, fr. laitou, ysl. Idlun, messing, van \'I it. tatta, wit blik, eig. plant, lat, waarscb. van het gr. elatón, gedreven, uitgebreid mot den hamer) messing, geel koper, een mengsel doorgaans van (gt;!i dee-len koper, cn ll\'l deelen zink, messlngbllk.

Latomie, f. gr. [latomia, f. en lalomston, n., v. las, steen) de steengroeve; inz. de on-deraardsche steengroefkerkers hg Syracuse onder de regeering van den tyran Dionysius; ook M\'ljmclseliiry; — latómus, m. gr. (latnmos) een steenbreker, steenliouwer; vandaar ook een vrijmetselaar.

Latóna, f. lat. Myth, de godin van don nacht en al hel verborgene (gr. 1. ét o), moeder van Apollo en Diana; hy do alchimisten de Ingewanden der aarde, waar de metalen ontstaan.

Latr,, hy naluurwotenscb. benamingen afk. voor I\'. A. I.atreilie (gest. 1833).

Latrie, gr. (latreia, v. lalretiein, voor soliiy dienen ; de goden dienen) eig. de dienst, de godsdienst, de goddelyke vereering Inz. der heiligen.

Latrine, f. lat. {lalnna, samengelr. van lavatnna, afvloeiing nf samenvloeiing der onreinheden, lavare, wasscben) bet belmeiyk gemak, sekreet, de bestekamer.

Latrocinïum, n. lat. (v. lulro, pl. latro-ne.i, slraalroovers) de straatroof; — latrun-culator, m. een rechter van onderzoek wegens straatroovery.

latteoren, fr. (latter, v. latte, lat), met latten beleggen, belatten.

Latter-day-saints, eng. (spr. letter-di-sccnts) heiligen van den jongsten dag d. I. de Mormonen.

latus, n., pl. latera, lat. de zyde, bladzijde; de som of het bedrag eener bladzyde in ban-delshoeken, hel bladzyde-bedrag; latus per se, het bedrag eener bladzyde op zich zelve als slechts een post op eene hladz.yde voorkomt, met Inbegrip van de getransporteerde; ad latus, ter zyde, ter hulpe, ter bystand; « latere, de latere, van ter zyde, z. legaat, ond. legoeren l); — lateraal, adj. (lat. lateralis, e), tot de zyde behoorende, aan de zyden voorhanden; — laterale erfgenamen, zyde-erven, erfgenamen in de zyilnie; - laterale verwanten, zy verwanten; — laterale magneten zyn magneten, hy welke de polen zich bevinden aan de tango en dicht by elkander slaande zyden, het tegengestelde van 1 o n g 11 u d 1 n a 1 o m a g note n, z. aid.; — la-tereeren, nw.lat., bladz.ydo voor bladzyde het bedrag berekenen en dan samentrekken.

Lauda, laudabel, enz., z. ond. laas.

Laudanum, n (ontstaan uit het gr. la-


-ocr page 729-

LAUDEMIUM

LAVÈRNA

709

i/anon, luüdanon, hot oc^rsl liy l\'anicelsus voorkomende) z. v. u. ludanuin; ook eene met kruiderijen vermengde oplumtlneluur, een sla:i|i-wekkend, pUnstlllond middel, oen sluapdrank; iemand laudanum «ovon (mol zinspeling op/o«s, z. beneden). Ironisch; Iemand hovomnalo prijzen, vielen.

Laudemïum, n. mld.lat. (ook laudes, Inu-daliones, lauilumiiifum, laudïwn, enz.) hol loongeld, eene som gelds, die de grondeigenaar hU de aanneming van een nieuwen grondbrulkor van dezen ontving.

laudooren, 1), Inollen, geperste stoffen door liestrtjkcn met hoomolle een schoon aanzien geven.

laudeoren, 2), laudiston, enz., zie oud. lam.

lauilum, n. mld. lal. Jur. de uitspraak van oen scheidsrechter; ook eene gelofte, liolofto.

Laudun, m. fr. (spr. loduiii) oen voor-IrelTeiyke fransche wyn, naar de stad l.audun In Languodoc.

Laugh, eng. (siir. Infi lachen.

Launch, f. eng. (spr. lansj) hoot, barkas.

Laura, Laurotto, vr.namen, uit lile-onora ontstaan.

laurealus, lat. (v. /««rits, de lauwer) helau-werd, mei den lauwerkrans versierd (van dichters); — laureaat, m. oen gelauwerde, bekroond dichter; — lauroatio (spr. /=/«), f. z. v. a. promotie (z. aid.); — lauroce-rasus, m. nw.lat., korslaurlor; — lauro-stearme, f. een uit de laurieren, de pl-churlmhoonen en ilc kokosnootbotor verkregen vast vel.

Laurentïus (spr. /=/.«), nw.lal., niansn., z. v. a. I.ouroris, ■/.. aid.; — Laurontia, r. vr.niuiui; — Laurentius-peren, oono soort van gele zoinerperen; — Laurentius-vliog of -mug, z. v. a. dagdiertje.

Laurét, m. eene eng. zilvermunt, halve dukaat, onder Jakobus I geslagen, en zoo genoemd wegens den lauwerkrans om bet hoofd van \'s konlngs borstbeeld.

Lauretanischo litanie, f. eene r. kalb. lilanle (/.. aid.), die, naar do sage, Ie l.orelo (lat. Laurctum), oono stad van den KerkeHlken Staat, aan de Adrlallsche zee, door engelen uit den hemel gobiacbt Is.

Inurifolnix n, «m, bil. Bol. laurlerbladerlg.

laurinus, a, um, lal. hol. Iiiurleraehllg.

Lauroeerasus, laurostearine, /.. ond. laurealus.

laus, f., pi. latules, lat., de lof; la us Deo, elg. God lof! als subsi. n. en afgek. I.. I)., eene schuldrekening, een niaanbrlef, waarboven men vroeger die uitdrukking pliichl te schrUvon; Laus Deo salus /m/iuln, of afgek. 1). S. /\'., aan God zij lof en aan liet volk heil; — laudes, pl. lofgezangen, lofvorholllngon; In dekalh. kerk Inz. die, welke op de vroegmotten volgen, vandaar ook de tweede piiesterlUko dagtyd; --lauda, f. II., een lofzang lol slol der vesper in Ilalië; — laudiibol, adj. lal. (luu-dahtlis, e), lolfeHjk, pryzenswiiard, aanbevelenswaard; — laudacismo, n. nw.ial., de lof-prijzing; hot lofbejag; — laudaméntum, n. mld.lat.. eene bandgelofte, belofle onder bandslag; — laudatief, adj. (lal. laudallvus) lot den loX bohoorende, lovende, prijzende; —laudator, ni. lal. oen lofredenaar; laudSlor temporis acli, oen lofredenaar van den ouden tyd; — laudatorisch, ailj. (later lat. lauddlo-rius) pryzend, op do wijze eener lofrede; — laudeeren (lat. laudare) prijzen, loven ;/au-dalu loco, op de aangehaalde plaats;—lau-disten, m. pl. mld.lal., lofzangers, die, door de stralen trekkende, liederen lot Gods lof (laudes) zongen, inz. In itallt! en Frankrijk (zy zongen unisono in togonst. met do flgn-rlston).

laule, adv. lat. (v. laulus, elg. hel parlic. van larare, wasschen) heeriyk, prachtig; Inz. van feesten en gnslinaien.

Lava, f. It. (In \'1 napolllaanscli beet lava een rogonslortvlood, die de slraten overstroomt, van \'t II en hit. larare, wasschen) de stollen, die In vurig vloelonden staat nil de vuurspuwende borgen worden geworpen, en die, by het afkoelen, lot steen verharden.

Lavage, f. fr. (spr. lawaazj.- van \'1 lat. lardre, wasschen) af-, uil wasscbeii ; - lavatie (spr. l—ls), f. lal. (lavafii), v. larare, wasschen) bot wasschen, de wassclilng; - lavatorium, n. nw.lal., een wascbhekkeii; — lavement, n. fr. (spr. law\'maii: gew. als nederl. —ment), z. v. a klisteer of klysma.

Lavagna, f. (spr. lawénja) een dlslrlcl in hel Genueesche, voormalige bezitting van de graven Fleschl; eene sleensoorl, die inz. lol mozaïekwerk wordl gobruikl.

Lavéndel, f. (mld.lal. latcndüla, larun-dula, II. lavéndola, lavanda, fr. larande, f., v. \'I lal. larare, wnsschen, onidat men deze plant tol wasschen en baden gebruikte) een bekend welriekend tuingewas (Inz. /.. rem), uil welks bloemen men lavendelwater (eau de larande), lavendelolie en I a v e nde I geesl bereldl.

laveoren, 1) lal. [larare, fr. larer) Plet. wasschen. eene opgedragen kleur met water verdry ven; eene loekenlng l aveeren, haar door hel penseel mei oosllmllsclien Inkl of met eene andere composllle voortbrengen; la-veeren, -2) nederl. (v. loof) Mar. by legen-wind z.lgzagsgowys been en weder zeilen, zich schuin legen den wind boudeii; onelg. bedachl-zaam dralen, behooilzaani Ie werk gaan; ook allerlei iillvluchleii gohrulkeii (van kwade schuldenaars); — lavis, in. fr. (spr. lawi) liet wasschen, do gewnssehen leekening; — au lavis (spr. o lawi) op de manier dor gewasschen teekenlngcn; — lavoir, n. (spr. lairoar: prov. larador, mld.lat. lavalnrtum] een wasclibekken, iiandonwaschkom.

Lavórna, f. lal. Mylh. de beschermgodin van recht- en onrechlniallge winsl, vandaar ook der dieven en hedrlegers.


-ocr page 730-

LAVKTON

710

LEA

Laveton, n. fr. (spr. law-IÓH; v. tavette, wnschlap, smeerlap, vim tarcr, wnssclion. Int. la vare) lid kaardhuar, walkhuar, do by liol kaarden los Reslaneii wol.

Lavótzsteen (ll. lavetui, laveggio, kookpot, kolenpot, yzerea ketel: hit. als \'1 ware lebelium, van lebes, gen. lebelis, een metalen ketel, waarin gekookt werd) Min. ven met de talk verwante steen, waarvan men In Zwitserland ketels, potten enz. maakt, polsteen.

Lavine, lawine, f. (oudd. lewine, te-wiud, mld.lat. lavina, labina, van \'t lat. labi, atgiydon, vallen. It. lavigm, fr. lamnche, pro-vene. laranca) een sneeuwval, eene sneeawstor-tlnft, een sneeuwklomp, die In tiet nedcrrolloii van liooge bergen, Inz. in /wltserland, lot eene verbazende grootte aangroeit en dikwijls de grootste verwoestingen aanrlcbt.

Lavis, lavoir, z. ond. lu vee ren.

Lavöro, m. Ital. akkerbouw, landbouw; — lerra di taroro, bouwland.

Law, f. eng. (spr. hij wet, reebtswoten-scliup; — lawyer, m. (spr. Idjer) een rechtsgeleerde, advocaat.

Lawine, ■/.. lavlno.

Lawka, f. russ. (van slav. lawn, hank) kraam, winkel.

Lawn, n. eng. (spr. hln) \\0 grasvlak, open terrein In een perk enz.; lijn linnen nog losser dan batist, sluierdoek, z. v. a. Unon.

Lawo, f. tent van den Laplandei\'.

Lawra, f. russ. (nw.gr. lanern, v. laoem, wyd, ruim) oen klooster van den eersten rang, metropotltaanklooster of klooster/.etel van een metropoliet der gr. orthodoxe kerk

Lawsoma, eene plantensoort, benoemd naar den eng. arts Th, Law son, z. v. a. al-ka n n a.

lax, lat. (Jnxuft, a, um) wyd, onbepaald; slap, los, luctitig, ongebonden, tengelloos; — laxiftorus, a, um, lal. Bot. loshloemig, vvyd-bloemlg; laxisme, n. nw.lat. do slapheid In zedeiyke grondbeginselen; — laxiteit, f. lat. {taxilas) slapheid, losheid van samenhang, naiating; laxooren (lat. la.rare, verwijden) oplossen, afvoeren, zuiveren; ontlasting hehhen; — laxaméntum, n. vorwydlng, verllehtlng, nalating; Jur. hel uitstel van 4 maanden, wol eer aan voogden toegestaan ter ultkcerlng van de golden hunner pupilten; — laxatief, laxans, n. een afvoerend of buikzuivorend middel; — laxantia of laxahm, n. pi. afvoerende middelen.

Lay, z, tal.

Lazarus, bebr, mansn. (= li lea z ar), Godhelp; Inz. de naam van eonen uil de ge-wyde geschiedenis (Lucas XVI, ifl) bekenden melaatschen man, die later tol beschormholllgo of patroon der kranken, Inz. dor melaatschen, werd gemaakt; in het algemeen: een arme, door verschelden kwalen hezocllte zieke, sukkelend man, die veel lydt; zoo arm als Lazarus, straatarm, zoo arm als Joh; als adject : melaatsch, besmet met lazery of lazarus-zeer; — lazarusklap, f. eig. de klap, waarmede melnatsihen hun komst aankondigden: eene soort van zeer kunstig gedraalde schelp; -laza-ms-orde, f. eetie geesteiyke ridderorde uit den tyil der kruistochten, die zich de verpleging, Inz. der laznruskranken, ter taak stelde; - laza-rét, n. (11. lazzercllo, sp. lazareto, fr. lazaret) een kranken- of ziekenhuis, oorspr. een aan den M. Lazarus gowyd huls voor melaatschon by Jeruzalem; ook een quarantaine-tiuls, d. 1. een verbiyf in zeehavens, waarin oen tydlang zulke personen worden gehuisvest, die uit plaatsen komen, welke men van hosmelting verdacht houdt-, — lazaretkoorts, z. v. a. hospitaal koorts; lazaristen, m. pl. eene geestelijke orde in Krankryk, door den H. Vin-centlus van Paula In liilli tot het zenilelings-werk opgericht; — lazaróni, m. pl. 11. taz-zaróni (spr. latsaróni) straatgepeupel, arme lieden, bedelaars, in Napels en Slcllle, die deels van lastdragen en ander dagloonerswerk, deels van bedelen en nog slechlor middelen beslaan; z.y worden ook banchlérl geheeten, omdat velen van hen op houton banken onder afdaken slapen.

Lazerkruid of lal. lazerpitium, een geslacht van sehermdragende planten, waaruit tiet harsige sap lazer, duivelsdrek, stinkende alant, vloeit en waarvan het breedblndige lazerkruid (witte enzlaao) maagverster-kende kracht bezit

Lazoróle, f. (11. lazzeruiila en azzermla) eene soort van bagedoorn; vgl. azarole.

Lazo, m. sp. (spr. lasso: van het lat. la-quüus) een strik, valstrik, Inz. de van een kooni gemaakte strik, dien de Z.Amerikanen zeer behendig weten te werpen, om buifels en paarden, alsmede den stier by de stiergevechten, op te vangen.

Lazuur, lazuursteen, m. (lat. lapis lazuli, mld.lat. lazur, lazuviiini: vgl. azuur) de blauwsteen, een kopererts van schoone, hoog blauwe kleur, met Ingemengd zwavelkles, bij de Ouden onder don naam van saffier bekend en onder de edelgesteenten gerekend; bij wordl gebruikt lot arcbltectonlsehe en meubelverste-rtngen, tot steenmozaïek, tot velerlei galanle-rle-waron imiz , maar vooral tol bereiding van het echto lazuurblanw of ultramnryn (z. aid.); — lazuur, t. Piel. de lichte overdekking met eene doorzichtige verf, zoodat de grondkleur doorscbynt; — lazuurvervon, daartoe geschikte gomverveti; lazuliet, n. blauwspaalh.

Lazzo, m. it. (spr. Idlsn), pl. lazzi, het gebarenspel by ital. biyspelen, Inz. by do rom-media dell\' arte, ter aanvulling der pauzen bij bet spreken, pantomime; helachiyke gebaren, potsen; vernufiige zetten, gevatte antwoorden, geïmproviseerde scherts.

Ldl., by natuurwetonsch. namen afk. voor J. Llndloy (gest. IHti\'i).

Lea, n. eng. (spr. lie) ook lay, ley, de streng, een eng. garenmaat van KO tot t2fl


-ocr page 731-

LEGATO

711

LI\'ACH

threads ot bnuls (drudon, ImspDldradcn) van 1, IJ of i yards leiiKto.

Loach, by imluunvctcnscli. imincn vour William Loach (t;vsl. IHüU).

Loader, Hl. ong. (s|ir. lieder-, v. lo lead, lolden) eln. leider, Bclelder, Inz. hoofd oener liolllleke purlU in het parlement; vandaar ouk voor leading-article, n. (spr. lUdmu-ar-likk\'l) een hoofdartikel, oen aan het hoofd der courant voorkomend, Inz. politiek vertoom — leading characters (spr. kdreklers) pl. eig. leidende, aan het hoofd slaande karakters; de hoofdrolion In het eng. drama.

Leaf, n. eni,\'. (spr. lief) lilaii (pi. leaves)-,

— leaf-print, f. afdruk van een liiad.

League, f. enx. (s|)r. lieg) eene eng. afstandsmaat, de inyi, eon uur gaans; — ook verhand, eedgenootschap, z. tl ga en iand-league.

Leander, z liero.

Leaseholders, m. pl. eng. (spr. liéshool-ders, v. lease, pacht) pachters.

least, adj. (spr. liesl) geringst, minst, z. ond. last.

Leather, n. eng. (spr. ledher, met geaspireerde th) leder.

Leave, n. eng. (spr. liew) verlof.

Lébben, n arali. zure melk.

Lèche, f. fr. (S|ir. lèsj\') een dun sneetje, li. v. vleesch, iu\'ood; ook niuntvernis van de piasters in Mexico.

lecons, pi. fr. (spr. I\'siiiivan den sing, la /e(OH = Int. lecCfo, ■/.. 1 e c 11 o) oefeningsstukken (iaz. in de toonkunst).

Leeticarien, m. pi. lat. (ledicarii, van lerlfa, f. oen draagstoel, rostiaar, draaghed) ros-haardragers, slaven, door welke de oude ilo-nielnea In hunne draugzeieis gedragen werden; la de gr. kerk; personen, die mot liet wegvoeren der lijken zün heiast, doodendragers.

Léctie (spr. I—s) f. (lat. lertw, eig. het iezen, v. lenüre, lozen) hot onderricht, de voorlezing, liet leeruur; het te ieeren stuk, de leertaak, het voorschrift; ook ecae horisping, vermaning; hoofdstukken uit hyiielschc of andere korkhoeken; lectionarmm, n. nw.iat. een hybeisch voorioeshoek Indo r. kath. kerk;

— lector, lat. of fr. lecteur, m. een lezer, voorlezer; een hyieeraar op hoogescholen, die geen professor is, taalmeester, inz. eoner nieuwere taal; z. ook o s t i a r I u s; — lector bene-vale, lat. genegen lezer; lectori benevolo (sa-lutein), aan den genegen lozer (heli of groet);

— lectoraat, n. nw.iat. de post van een voor-lozer, vun oen hyieeraar; ook een der lagere wydiagon; — lectrice, f. fr. eene leesster, voorleesslor; — lecture, t. fr. (spr. lekluur) het lezen, de lezing; de helezciiheid; het voorwerp van het iezen, het geschrift, hoek; inz. hoek, dal men voor uitspanning leest; - lecturer, m. eng. (spr. téktsjurrer) een hulpprediker, kapelaan.

Lectisternmm, n. lat. (v. ledum sternare, een lied of spyssofa met kussens hedek-ken of in \'t alg. in orde hrongon) kussenfeesten hy lie oude Komolnen, wuarhy de hooiden van zekere goden en godinnon op kosthare kussens of iioddon gelegd of op stoelen gezet werden rondom tafels, met de uitgeiozonste olfer-spijzen voorzien.

Lector, enz. z. ond. loei ie.

Lectülus, ni. lat., pi. lectüli (verklw. van tectus, lied; dus eig. kleine hodden, legersteden) Ctiir. strootlanden, veriiandstukken lot liet zotten van gehroken lodumaten.

Lecture, z. ond. lectle.

Loda, f, gr. Myth, de schooiie gemalin van den spartiiansehen koning Tyndarcus, die door Jupiter ia do godaanio van eene zwaan he-zwangerd werd, ierwyi z.y zich haadde. 7,y werd uil de twee eieren, welke zy dien ten gevolge legde, moeder van Kastor en 1\' o I-tux en van Helena en K i vl a\'m nest ra; ook de naam van con in IKquot;gt;li door Chacornac ontdekte asteroïde.

Ledeb., hy Iiiituurwetcnsch. Iienamingon utkoriing voor K. K. von l.edehour (gestorven inrit)._

Ledum, n. nw.iat. (v. t gr. tedos. U-don, een oosterscii slrulkgowas; vgl. ladanum) eene plantensoort; lioidegewassen; inz. Ledum palustre, wilde rosmaryn

Lee, n. eng. (spr. lie) Mar. de ly, de onder den wind z.ynde, d. I. van den wind afgekeerde zyde des vaarluigs, de zyde van het schip, waarheen de wind waali, in togenst. met lo efzyde.

Lega, f. it. (sp. tif/a. vgi. iegeoren i) eig. verhlndlng, veriiond (vgi. liga), Inz. me-ianivermenging, legeering; hei allooi der munten; — lega bassa, muntuiotaai van gering gehalte, sterk gemengd goud of zilver;

— leijdbile, it. Muz. verhonden voordracht, ge-honden voor te dragen.

legaal, adj. lat. {legiilis, e, v. Ier, genii. leilis, de wei; fr. Wt/i\') wettig, wetteiyk, rechtmatig, gerechteiyk; — Ie légal (spr. pèi Ufiuat) ile kiezers, het kiezersvolk; - legale inspectie, f. de weiteiyke schouwing van een gekwetst lichaam of vau een iyk; - legale sectie (spr. t=s) f. eene gorechteiyke iykopening;

— teqatis medicina, gerechteiyke geneeskunde;

— lefiuli modo, langs den weg der wel, vvet-toiyk; — teqatiter, adv. volgens de wet, wette-iyk, gorechiotyk; —legaliteit, f. nw.iat. de vvetilgheld, overeenstemming oener verrlclUing met de wet; — legaliseoren (spr. s=z, fr. lélialiser) wettigen, wettig of geldig In rechten maken; gerechteiyk hevestlgen, hekrachtlgen;

— legalisatie (spr. -za-tsie) f. do rechts-hekrachtlging, gerechtetyke hevesilging, echtverklaring oener oorkonde.

Legaat, legateoren, legatie, enz. z. ond. iegeoren 1).

Legatine, f. fr. eene soort van half zy-den, half wollen slof.

leiialn, ■/,. linalo, ond. ligeoren I); le-gatuur, z. ond. iegeoren 2).


-ocr page 732-

LEGATUR

712

LEGITIEM

legatur, nfgok. len., lat. (v. legire, lezen) hot worde gelezen, men leze!

lége, adj. fr. (spr. lèzj\') Mar. sleelils met ballast geladen.

lege, lal. z. end. lex.

legeeren, I) lat. (leqSre, afzenden; vermaken) de aatidoolen in eene nalatenschap too-wUzon, verordenen; — legaat of logatus, m. hij de oude Komeinen een helper, aan den stadhouder eener provincie toegevoegd, een onderveldheer; thans de titel der gevolmachtigden van de roomsche c u r 1 e en die van vele aurtshlsschoppen; hoofd eener provincie in den voormaligen Kerkelgken Staal; z. legatie; — legatus a Uiten of de Inture (sell, papan), een pauselijk gezani der eerste klasse, kardinaal-ambassadeur; ook gevolmachtigde van den h. Stoel in zaken der geesteiyke Jurisdictie voor een eenlgszins groot gebied; ook stadhouder of opperbevelhebber in eene provincie van den vroegeren Kerk. Staat; — legatie (spr. /=/.«) het gezantschap; ook eene provincie van den Kerkdijken Staat; - legatie-raad, m. ge-znntscbapsraud; — legaat, n. (lat. Icijiilum) eene erfmaking, erllatlng, schenking hu uilersten wil, gifl; legatum ndémtum, eene opgeheven erfmaking; legalum ad pins causas, eene erfmaking lol vrome oogmerken, een legaat b.v. aan kerken, scholen enz.; I. alimen/órum, een vermaking van verplegingsgelden; /. anni/um, een vermaking van een JaarUjksch Inkomen-,/. condilionalum, een voorwaardeiyk legaat; /. do/is, vermaking van een huweiyksgift; I. do-lis consliluendac, een vermaking met liet doel een toekomstlgen bruidschat hyeen Ie brengen; /. fruchium annmrum, vermaking van jaariyk-sche vruchten; legaat, bestaande In kwytscbel-ding van schulden; I. menstruum, een maan-deiyksch betaalbaar legaat; I. mobitfum, vermaking der roerende goederen; /. nrmmento-rum, vermaking der sloradlen; I. plum annate, een Jaariyke stichting; legaat tor Jaariykscho gedachtenisviering, enz.; I. purum, een onvoor-waardeiyk legaat; I. rei alitnae, oen vermaking van de dingen van oen ander; /. supel-lectilis, vermaking van hel huisraad; I. usus-früetus, vermaking van het vruchtgebruik; I. veslïum, een In kleederen bestaand legaat; legataris, m. een hy testament liegifiigde, In zooverre hy geen erfgenaam (in den van hot recht) Is; — legator, m. do erfmaker, erflater.

legeoren, 2) (it. /egare, van het lat. lil/are, binden) twee of moor metalen door smelting met elkander vermengen, samensmelten, alilBeren; hy hel schermen z. v, a. ligoo-ron (z. old.)-,—legeering, ooklogatuur, hot metaalmengsel, de vermenging van edele metalen met geringere, z. v. a. a 1 li ë er sol, alliage, allooi.

Legéndo, f. (v. het lal legénda, pi., wat gelezen moot worden; In de middeleeuwen een boek, dal do dagoiyksebe godsdienstige leesstukken bevatte, v. leaüre, lezen) de lovensbeschry-ving van oenen heilige, heiligengeschiedenis, wonderverioiling, lieiligensprookjo; in hot alg. oen sprookje, eene verdichting, sago; by het muntwezen: het omschrift eener munt; de buitenrand der munten, die, om bet snoeien mool-lijker Ie maken, dikwyis met eene zinspreuk Is voorzien; — legendanum, n. een boek met heiligensprookjes, verzameling van idstorles dor heiligen; — legendaris, m. een schryver van legenden, legendenschryver; legendenver-teller — legendair, legendarisch, adj. naar do wyze dor legenden, sprookjesachtig,

léger, adj. fr. (spr. letjé) licht, vry eu ongedwongen, vlug, flink; vtuchlig, lichtzinnig, onbestendig, ongestadig; oppervlakkig, onbeduidend; — légèrement, adv. (spr. lezjér\'ma/i) licht, luchtig; oppervlakkig; onbodachtoiyk enz ;

— lógèroté, f. (spr. lezjèr\'té) de vlugheid, gczwindiioid; lichtvaardigheid, uniiesiondighold, licliizinnlglioid.

leges, f. pi. lal. wetten, verordeningen; eene bepaalde vergoeding of betaling voor zekere werkzaamheden, kopy-, expedlliegeid; z. Ie.v.

Logger, m. nedorl. eene voormalige inhoudsmaat voor vloolsloifen, inz. voor arak = quot;gt;quot;8 Hier; — ook do naam der groote geteerde vaten met drinkwater, die men ploegt aan boord te nemen; —vaartuig, dal men by \'1 kielen of timmeren van oen schip by do hand heeft liggen, om\'t een of \'tander te bergen; waker op een ledig schip.

leggiére, legglerménle of con leggerézzu, II. (spr. ledzj—) Muz. iichl, luchiig, ongedwongen voor te dragen; — leggierissimo (spr. —riesstmo) zeer iiclil of vluchtig.

Legioen, legio, n. lal. {lento, pi. leni-ónes) by do oude Komeinen do grootste loger-afdeeiing, eerst iiona, later tol nood man en meer slerk; ook In Frankryk sedert Napoleon de benaming voor do groote afdeellngon der nationale garde [téginn, spr. letjóii)-, in \'1 algemeen eene groote, onbepaalde menigte, schaar;

— h\'flioii d\'étrungers, fr. (spr. lezjóii detrainjé) vreemdenlegioen; légion d\'honneur (spr. Ie:jón dontlür) het eerelegioen, legioen van oer, eene fransche orde lot beloonlng van uitstekende diensten en talenten; — legionair, m. (lat. legionurius) soldaat van een legioen; medelid of ridder van het legioen van eer.

Legis, ile lijnsto perzische zydc.

Legislatie (spr. I—lx) f. lal. (lenislaho, d. I. eig. het Inbrengen of voorslaan eener wet; vgl. lox) de wetgeving, wetgevende maclit;— legislatief, adj. nw.lat. welgevend, do wel-gevlng belroirende; legislator, m. lat. do weigever; — legislatuur, f. uw.iat. do wet-goveiide vergadering of macht, het wetgevend lichaam, do regcerlng.

Legist, m. nw.lat. (van lex, z. aid.) eon wolkundige, Inz. een leeraar van bet worold-lijk recht, annlmnger van hot rom. recht in de middeleeuwen, in legenst. mol deciel 1st (z. aid.)

legitiem, adj. lat. {leniCimus, a, urn, v.


-ocr page 733-

LEMMA

LEGNO

713

lex, pnlt. lefiis, wel) als lulverh. ook Icf/Uïnw, woltoiyk, rcchtmiillg, wollig, mot recht; echt, In huweiyk gehoren; — legitlma, of legilïma pars of pnr/io, hel wettig erfgedeelte of rochl-imitlg erfdeel, de leg 11 lome portie; — le-f/illma acquisilio, f. eeno rechtiiiHtlge verwerving; I. causa, eene rechtmatige oorzaak of /.aak; /. (/c/en.vfo, eene rechtmatige vorüeillging; I. possessVo, hel rechtmatig hezlt; legilinium impeiliménlam, n. eeno rechtmatige, geldige verhindering, h. v. van nlel-verscliynlng voor hel gerecht; leqilimus heros of hens ah inteslalo, ■/.. /icres, — logitimeeren, nw.lat. (fr. «i/i-timer) wettigen, geldig maken, voor rociitma-tig, voor echt of eeriyk verklaren, als in echt geteeld beschouwen, echten; de echtheid of geldigheid hewgzen; — zich legitimeerea, zyne volmacht loonen, zün recht hewyzen, zich rechtvaardigen; — legitimatie (spr. Iip= /sic) t do echt- of geldigverklaring, de erkenning der hevocgdheld als erfgenaam, hel echten of vcreeriyken van een tniiten hnweiijk verwekt kind; ook de erkenning van de voimacht, h. v. van eenen gezant; de geioofshrieveii, hewyzen van echtheid, het door de regeering afgegeven hewys omtrent den stand, den naam, den ouderdom, de gehoorteplaats enz. van een persoon; — legitimiteit, f. de welllghcld, rechtmatigheid, echtheid, eeriyke gehoorle; Inz. de weitigheld der erf- en troonsopvolging, liet gchoortereclit ais grond der staatsmachl, In dezen zin hel eerst in 1814 op hot Weener congres door Talleyrand gehraikt; — legitimisten, m. pl. aanhangers en voorvechters der legitimiteit, d. 1, van de grondstelling, dat do vorsteiyke waardigheid, evenais andere privaatrechten, een erfeiyk recht Is, onafhankelijk van den wil des volks; In Frankryk die party, weiko alleen don onderen lak der Bourhoiis als lol ilc regeering gerechtigd eikent; — legiti-mistisch, adj. de rcehtmaligo regeering en het beginsel der iegilimltcit aanhangende; — legitimisme, n. de leer en de grondstel-lingen der legitimisten.

Legno, m. li. (spr. lénjo — lat. lifinum) hout; vandaar ml leqnn, Muz. niet het bout des slryksioks (niet met het haar).

Logograaf, m. Ial.gr. vgl lex) een wel-schryver.

Legographologie, f. (van lat. Iedere, gr. légein, lezen, zeggen enz. en gr, (irdphein, scbryven) de lees- en schryfleer; — legolo-gie, f. gr. de leeskunst, Iceslcerknnde.

Légua, f. sp. (port. leijna, provene. leijud, Icnei, II. lega, inld.lal. lenen, leuga, leija, fr. lieue een oorspr. eelt. woord, heteokenende platte steen, myisteen) eene vroegere spaansche niyi van versciiliiende lengte, 11553,858 tot ü(187,4i meter.

Leguaan, m. (sp. iguana, z. aid., nil de taai van Haiti) V II. de kanihagedls, ongeveer 1^ meter lang, Inz. In VV.Indle; ook: Mar. bekleedsel van louw om de raas, mede dienende lor vervanging van bet bindwerk der raus;

s I oeps I eg u a a n, gordel van touwwerk vóór aan eene sloep gebonden, om haar voor be-sehadiging Ie vrywaren.

Legulëjus, m. lat. (v, lex, genii, legis, wet) een sleehl advocaat of zaakwaarnemer, rabullst; - legulejisme, n. nw.lat. hel slecht zaakhebeer.

Legümen, n,, pl. legumi\'na, lat. (v. legére, lezen, plukken, Inzamelen) de huize, de peulvrucht; — legumine, f. peulvruchlstof, planien-caseïne; vgl. caseïne; — legumi-nosen, pl. (nw.lat. leguminosae) peulgewassen, peuldragonde planten.

Legüsta, f. it. zeekreefi; vgl, 1 a n g u s t e n.

Leibnitzianisme, n. de ideuiistlsche vvUsbegeerte of het kosmologisch monadenstel-sei van den wysgeer Lelbnilz. op het einde der nde eeuw,

Leila, f. arab. vr.naam {lailü, eig. de nacht); — leiiet, pl. heilige nachten by de Mohamedanen.

Leimoniaden, z. n y m p h.

Leiocephalus, m, gr, (van lëïos, glad. ellen en kephdlc, hoofd) gladkop, eene soorl van hagedis; —/ciorto/its,«, um, lal. Hol. met Kladde takken; — leiokarpisch, adj. mol gladde vruchten; — leiodérmisch, adj. met gladde of naakte huid; — leiokoom, n. aard-appelstyfsel, tot verdikking der verf in de ka-toenfabrieken; — leiophyllum, 11. gladblad, eene soorl van heidegewas; — leipopus of liopVis, m. Med een plalvoel.

loipogrammatisch, z, v.a. 11 po gram-in allsch (■/.. aid.)

Loisl., bü naluurwelonsch. namen afk. voor J. l\'h. Lelsler (gesl. ISKI).

Lej., hij naluurwetensch. namen afk. voor A. I,. S. Lojeure (gesl. is:i8).

Lokanomantïe (spr. I=ts) f, gr. (van lekaiir, f. een schotel) waarzeggery uil bekkens of sciiolels vol water.

Lekkage, f. (noderi. van lek, lekken, mi\'i een fr. ullgang) hel uillekkeii, de vermin-(Icring eencr vloeistof door het onvolkomen sluiten der vaten (fr. coulage); ook de aftrek In den handel voor dat verlies.

Lola of Lelo, m. siav. Mytii. de god der liefde, zoon van La da; lela, ook een eere-litci, dien de Moeren aan vrouwen geven, welke zy hoogachlen; — lela Maria, eig. dame Maria, do moeder van Jezus.

Lólie, f. (v. \'t lal. liïïum, gr leirinn) een liekond i)olgewas mei sciioone, welriekende hioemen ; leliegroschen (spr. —grosjen), lelioguldon, vroegere goudmunt van I.U-bcck met eeno lelie gcslempeld, leliesteen, z. onkrlnicl.

Lema, z. lemoslteil.

Lombus, m. gr. (lémlms) eene bark, boot, sloep der Ouden; — lembarchus, m. de sloopvoordor.

Lemma, n. gr. (Umma, eig. hot genomone, van lambdnein, nemen) eene aanneming, voor-loopige stolling; eene leer- of hulpstelling uil


-ocr page 734-

LEMMING

71/i

LEONORE

ander» wctonschappoii; ile leus, lyrsprctik, liet woord l)|j ecu do vlos (/.. aid.); ook do lllol, in/., het tc verklaren woord, dat aan het hoofd van oen artikel, eone aanmerking, enz. go-lilaatsl Is

Lemming, in. noorw. en docnsch (zw. lumik) de groote trekmuts (llypwlaeus Icmmus) in N.Europii, luz. In Lapland, Noorwegen en SlborlB.

Lemna, t. gr. (olg. plant in stilstaand water, verwant met Umnv, stilstaand water) do waterlinze.

Lemnischo aarde (van \'1 gr. eiland Lemnos) z. v. a. liolus (z. aid.)

Lemniskus, in. gr. {lemniskns, v. Unas, wol) oen wollen hand, kussen als verband; — lemniskaat, t. Math, de sllugeriyn, eono kromme lün van den Idon graad In de gedaante eener s.

Lemositeit (spr s=z) r. nw.lat. (v. \'t lat. Icma, gr. kmi, f. oogsiym, ooghotor) Mod. de smerigheid of dracht der ooghoeken door zoogenaamde ooghotor.

Lemur, z. makt; pl. lemuren (lat. lemiires) hg de Komeinen nachtgeesten of afgescheiden zielen, spoken; —lemüriën, le-muralïën (lat. Lemuria) n. pl. een In Mei gevierd feest ter verzoening en verhannlng van de lemuren.

Lena, Leentjo, vr.naam, verkorting en verklw. van Helena (z. aid.)

Lenaea, f. gr. (tenaia, v. lends, wgnpers) het wünoogstfeest te Athene, gepaard met allerlei wedspelen (naar Lena lus, een hijnaam van Bacchus).

Lendemain, m. fr. (s|ir. latidemenvoor Ie en demain, Ie, do, en, In, deinain, morgen, prov. {lemon, van lat. mane, morgen) de volgende dag, de dag, welke gevolgd Is of volgen zal op dien, waarvan men spreekt; Inz. de dag na ile hrulloft.

Leniëntia, n. pl. lat. (v. km re, verzachten) Med. verzachtende niiddelen, ook verwee-klngsmiddelen; — lenitief, n. nw.lat. verzachtingsmiddel\'. ook wel z. v. a. palliatief (z. aid.); — lenitief, adj. verzachtend.

Lono, in., pl. lenönen, lut. {lelones) een koppelaar, hoerenwaard; slavenhandelaar, Inz. in de oud-rom. hiyspolen; — lêna, f. de koppelaarster;—lenocineeren (lat. lenocinSre) koppelen; — lenocinium, n. hoerenwaardschap, koppelary.

Lenore, z. KI e o n o r o.

lens, adj. ledig, zonder vocht; lens pompon, door middel van pompon van water he-vryden;—als suhst. f. de lans, waarmede ile walvisch wordt afgemaakt; — lensen, don walvlsch met de lens afmaken; — lenzen, het schip vlak voor den wind tuten loopen.

lenlando, lenlement, enz. z. ond. lento.

lenticifolius, a, urn, lat Hot. (van lens, gen. ten/is, linze) linzehladerlg; — lenticu-lair, adj. lat. {lenlkularis, e, van lenlicüla, linze) Uns- of lensvormig; — lenticulaire.

n. fr. of lenticulalr mes, Chlr. een lensvormig mes-, — lenticuliet, nw.lat. of pha-clet, gr. in. lens- of linzesleen, penning- of vruchtsteon, eene soort van kleine schroofvor-mlgo slakversteenlngen, Inzonderheid in ligypte en in Zwitserland; — lentigo, f. lat. Med. eene llnzevlek, levervlek; pl. lenlifiines, zomer-sproeten, ook levervlekken; —lentigineus, adj. (lat lentigin gt;sus, a, um) zomersproetig, vol zomersproeten; — lentitis, f. z. v. a. pha-cltls, z. aid.

lento. It. (= lat. lenlus, n, um) Muz. langzaam, gerekt; lento assdi en lento ill motto, zeer langzaam; — lenlando en tent ante, vertragend, al meer en meer langzaam; — len-tement, adv. fr. (spr. lanf mah) langzaam, zachtjes aan; — lantesceerend, lat. (van lenteseïre, olg. taal wonlen) sluipend, Inz. van Mekten; lentor, m. de taaiheid, kleverigheid, inz. Med. de laaiheid der sappen.

Leokadius, m. en Leokadia, f. gr. namen, de vriendeiyko, zachte.

Leonard, Leonhard, (v. lat. leo, de leeuw en hard, v. goth. hairt, hard) miinsn.; de sterke als een leeuw, leeuwenhartlge, dappere, moedige.

Leonina, f. eene rom. goudmunt van 4; scudl, onder paus Leo XII geslagen; —het leoninische Rome, de leoninische stad (It. nttu leonina) ofLeostad het door paus I,oo 111 en Inz Leo IV In do ilde eeuw met een muur omgeven, op den rechter Tlbor-oever gelegen gedeelte van Rome, dat het Va-ticaan, de St. l\'letcrskerk, het kasteel San An-gelo en verscheiden kerken, kloosters, staatsgebouwen, enz. In HO a 10 straten bevat en waartoe thans zich het weroldiyk bezit van den paus beperkt.

leoninisch gezelschap (tat. sort,Has leoninav. leo, genil. teónis, do leeuw), een leeuwengezelschap, d. i. zulk eene onrechtma-tige voreeniging of gemeenschap, waarin alle voordeeion of een onevenredig groot voordeel aan (Sen of eenlgen te beurt valt, terwyt het gevaar en de schaden door een of meer van de overige deelnemers moeten gedragen worden (met zinspeling op den leeuw in de bekende iesopisehe fabel) ook leoninisch verdrag genoemd.

leoninische of leönische verzen,

herymde hexameters, hy welke het midden en einde van leder vers met elkander rymt (naar eonen dichter uit de middeleeuwen, Leo, dus geh eet en).

leónisch of liónisch goud ook iy-ónsch goud, ciliuiuant (waarsch. naar de stad Lyon In Krankryk) onecht goud, uit zuiver koper en zink vervaardigd; leónisch zilver, onecht zilver, uit koperstaven bereid, die mot bladzilver overtrokken zün; vandaar ook loon 1 sche bloemen, kunstige bloeinen uit onecht goud- en zilverblad, en leönische of lionise he galons, passementen, enz.

Leonore, z. Kloon ore.


-ocr page 735-

LEONÏIASIS

715

LESTE

Leontiasis, f. gr. (v. Hon, gcnil. léonlos, do leouw) Mod. het loouwongczlcht, de urabl-sclio molnntsclilieid, die het aaiige/.lclit duor zwelling nuur dal van den leeuw doet geiUkon; ook z. v. u. elephuiitiasis (z. ald.)j — leontódon, n. leeuwentand, koeldoem, eene plant; vgi. taraxacum;— leontopetalon of loontopodVum, n. loeuwenklauw, eene plant; — léopard, ni. (gr. Jeópardos, van léon, leeuw, en pAnlos, panther; lat. leopar-dux) con naar den lüger gciykend roofdier in Afrika, de luipaard (Felix pardus)-, in de wapenkunde; de hunding van den leeuw zoo als in \'l cngolsche wapen, mol voorwaarts gewend gczlehl en opgeheven rechter voorpoot.

Léopold, ouild. mansn., ontstaan uil I.iut-hold (oud-hoogd. Liulpald) d. I. de volkskoone, de dappere ol moedige voor liet volk; — Leo-poldino, vr.naam.; de moedige.

Lepadioton, m. pl. gr. (v. lepas, schelp-slak) versteende schelpslakkcn, versteende een-denmosseien.

Léporo, m. sp. (waarseh. v. \'I sp. en gr. lepra, uitslag, z. aid.) in Mexico een bedelaar (mi lastdrager, oen lazarone; gepeupel van de laagste soorl.

lepidanthisch, adj. gr. (v lepis, schuit, schild, en dnlhos, hloeni) met siiiuiivorndge liloemen; — lepidium, n. lat. (gr. lepidion) de kers (eene plant); — lepidino, f. in de kers voorkomende eigenaardige slof; — lepi-dodisch, adj. gr. {lepidoeidi s) si liulihlg, schui)-vorniig, schilferig; — lepidodendrëen, pl. (v. déndron, hoorn) voorwereldlijke sclnilihenhoo-men, liooniaclitlgo lykopoiliaceen met (i|i schuli-lien goHjkendo liladncrven; — lepidoide, f. Anal, ile schulinaad aan den schedel; lo-pidokrokiot, n. Min de sciillferig-vezellge lirulnljzersleen; lepidolith of lillalith, in. de scliiltorsteon, sclillferige glimmer van 11-laroode kleur; lepidoptëra, n. pl. inseclen met vier naakte vleugels, met eene soort van stof bedekt, gelijk de vlinders, stofvleugeiigen; — lepidopterieten, m. pi. versleende vlinders of afilrukkcn van vlinders in steen; — lepidopterologïe, f. de leer, de kennis der vlinders; — lepidosarköma, n. Mod. een sriiulihlg vleesehgewas in den slrol; — lepidösis, f. seliuhbenullslag; — lepido-tisch, adj. schubbig, goscbuhd; — lepidnlus, a, urn, lat. Itol. schilferig, met anders gekleurde schubben.

leporello, m. 11. (pl. leporelli: van lat. lepus, haas); — Icporinm, adj. lal. op den haas geiykende, iiaasiiclitlg; oculus leponnus, hazcii-oog; lahrum leponnum, hazenlip vgl. labiuni.

Lépra, f. gr. en lal. (van \'I gr. lepras, ruw, schilferig, voor leperds, v. lépos, schaal, sehub) de meliialschheld, schurfl, ruldigheld, I eproz 1 e, leproosdy;—leproos, ailj. (lat. leprusus, ii, urn) uieliiatsch, schurfilg, ruidig; — leprozen, pl. iiioiaalsclien, schurfligen; - leprö-ais, r. gr. z. v. a. lepra; — leprösus, m. een iiiolaalsclie; — loprosorïum, n.

barb.lat., leprozenhuis, (fr. léproserle) een buis tor verzorging van melualschen.

Lëpsis, f. gr., (v. lambiinein, nemen) hel nemen; de aanneming, de aangenomen stelsel: Mod. de aanval eener ziekte.

Leptochróa, f. gr. (van leplös, c, ón, dun, lijn) eene dunne, lljne huid, een vlies; — leplaeludun, a, urn lal. Bot. met lljne lakken;

— leptographisch, adj. lijn of klein geschreven ; — leptoloog, m. een spitsvondige, kleingeestige; — leptologie, f. de spitsvondigheid, kicingeosligheld; loptomerïe, f de dunheid, dunne, lljne gesteldbeid; — lepten, n. eene kleine pasinunt iler oude (irie-ken, omlrent = J cent ; ook nw.gr. kopermunl

t J n drachme = J cent (eig. = 1 fr. eenlinie); — leptophonie, f. de iijnslemmig-heid; — leptophylliseh, adj. dunbladlg:

— leptóthrix of leptotn\'chus, m. een dun- of lijnharigo; leptotrichïe, f. dun-harigbeld; — leptyntïka, n. pi. (v. leply-nein, dun maken) Mod. verdunnonde middelen;

— leptysme, n. het dun of mager worden, vermageren; — lepyrion, n. dunne bust of bolsler, schaal, vlies.

Lêpus, m. lat. de haas z. onder lepere 11 o.

Leröma, n. Leremasis, t. z. Ier os.

Lernsea of LGrnoeon, n. pl gr. (let-naid, oudgr. gebelrue dienst van Demeler in \'1 vlek l.e rn a en Argolis; — lernasche slang, z. hydra.

Ie roi rèfine et tie tiouverne pas, fr. (spr. Ie rad rènj\' d ne noevern\' pa) »de koning re-georl, maar bestuurt niel,quot; de grondstelling der conslitulionoolo moiiareblc.

Lëros, m. ook lerêma, n. en lerêsis, f. gr. (van Urcm, dwaas of onnoozel sproken of bandelen) gesnap, klnderaclillge praal, inz. hel kindscli worden in hengen ouderdom.

Les., hij naluurwetonselmppelUke namen alk. voor It. 1\'. Lesson (gesl. 1810).

lesbisch, adj. van 1. es bos, een gr. eiland in de .\'Mga\'lsche zee; — lesbische liefde, onnaluurlUke onluehl der vrouwen onder elkander.

Losche, f. gr. (h\'sehr, v. légein, spreken de plaals, waar men samenkomt om te sproken, verzamel- en ullspannlngsplaals voor ledigen; beraadslaging, raadsvergadering.

lèse-niajeslé, (. fr. (spr. lèz\' mazjeslé] ge-kwolsle, beieedigde majesleil.

Losgis, pl. lurkscbe, lichte rulterü.

Lesineeren (spr. s-z), fr. (lésiner) krenterig, inbaiig zyn; — losinerie, f. krenterigheid, inhaligheid.

Lessus, ni. lal., een Irourzang, klaagzang, lükklachl.

Lest, m. fr. (van liet noderl. last) bal-lasi; — lestago, f. (spr. lesldazj\') hel inladen van den ballast, liehalhisllng.

loste, adj. fr. (spr. lesl\'; van hgd. lisliu, mei afwerpen van hel sullix, oudd. lis/Ir, kunstrijk, sluw, golh. /isleif/s, listig, van /is/s, lisl)


-ocr page 736-

LE STYLE

716

LEVANA

licht, vlug, liohomllg; — tcslo, 11. Muz. vroo-Igk, vlug.

Ie sly Ie c\'csl l\'homme, tr. (spr. Ie slid sè hm) «do stül Is do tnenschquot; d. 1. uil den siyi kau men lid karuklcr dos schrijvers opmuken, dc styi Is liet splegolbeeld van het karakter (ecu stolling van liuffon).

let, eng. laten, verhuren; lo (spr. loc) lel, te huur.

letaal, adj. lal. [lelamp;lis, e, van lelum, de dood) doodoiyk; — letaliteit, f. nw.lat., de. doodciyklield.

riilat c\'esl moi, fr (spr. léla sè moei) »de Slaal hen Ik,quot; gezegde van I.odewyk XIV en veel gebruikt om don hoogston graad van het absolutisme le kenschotson, zooals dal lydens dien monarch In Frankryk bestond.

Lethargie, f. gr. {lelharnia, van Iclhe, het vergoten, de vergeotacbllglield, vergetolheld) Med. de slaapzucht, de doodslaap, In/., die soort van slaapzucht, waarhg de zieke zich laat wekken en bezinning heeft, doch terstond weder inslaapt; ook ongevoeligheid, zorgeloosheid, slaperigheid; — lethargisch, adj. slaapzuchllg; slaperig, zorgeloos, gevoelloos.

Lëthe, r. gr. (v. Utheslhai, vergelen) de vergetelheid; Mylli. do stroom dor vergetelheid in do onderwereld; — lethognomïka, r. de vergeetkunst, aanleiding lol vergoten.

LêtO, f. gr., naam van Latona (z. aid ); ook eone In 18«l door Lulher ontdekte asteroïde.

Letten, m. pl. oen afzondoriyko volksstam, die de voornaamste bevolking van l.yiland uitmaakt; vandaar lettlsche taal, enz.

léllera (li eümhio, f. II , een wisselbrief, wissel. Letterhout, n. een dicht, hard, roodhruin-achllg haul In Guinea, welks aderen vaak naar lettors geiykon.

lettre, f. fr. (van hel lat. lilllra, f. boekstaaf, letter, pl. lillerae, schrift, liricf) I) de letter, liet schrift; vandaar amnl In {olloulc) lellre, vóór het schrift of hel onderschrift (op koperen platen), de eerste en boste afdrukken, die vóór het Ingriiïelen van \'l onderschrift ge-maakl worden; In tegenstelling mot neec la lellre, met het ondorschrlfl; — i) een brief; lellre d\'affaires (spr. —ilafèr), een lirlef over zaken, koopmansbrief; I. d\'avis (spr. —!«i) een berlchlbrief, adviesbrief; lellre de cachet (spr. —kasjè), verzegelde brief, kmunkiyke geheim-brief, naam der berucblo koninkiyko bevelen lol Inhechtenisneming (vóór de groote fr. omwenteling), van welke een schromoiyk misbruik is gemaakt; I. de chanfie (spr. —sjainj\'), een wisselbrief, wissel, vgl. c li a n g o; /. de crdance (spr. —krediis\') een geloofsbrief; l. de faire pari (spr. fèr jiiir), kennisgeving; /. rfc (/rosse, in het handelsrechl: een hodemcryhrlef; I. de marque (spr. —mark\'), en I. dc représailles (spr. répre-ziilj\'), een kaperbrief, een van do regeering uitgaand verlof lot zeeroovory- I. de répil (spr. —repi), een uitslel- of rospytbrlof voor een schuldenaar of bankhroukige; I. de mi lure (spr. —woalüur\'), een vrachlbrlef; /. pateulc, (spr.

—paldiil\') een koninkiyke open of voor openbaarheid bestemde brief; — gelettriseerde verzen, verzen, waarvan al de woorden met dezelfde letter beginnen.

Lëu, m. (do leeuw) pl. Lëi, sedert istw de munteenheid In Roemenie, van Iiin bani [pura)

— 1 frank = ilj cenl.

Leuca, f. lal., de myi, galllschc myi van 150 rom. schroden.

Leuce, f gr. (leukê, v. leukós, wit) Med. de wille inelaalscbbcid; — leucismo, n. of albinisme, n. de zlokeiyke onlkleurlng der opperhuid, zooals die zich verloonl by dc albinos (z. aid ); — leuciet, n. gr., witte of vulkanische granaat, een lol het kiezelgeslacht behoorende steen, inz. In Bcncdon-IlaliB; — leucrtis, f. do ontsteking van liet wil In \'I oog;

— leucitoëder, m. do gewone krlslalvorm van hel leuciet, z. v. a. Irapezoödor.

Leuck., by nnluurwotonscb. namen afk. voor F. S. Leuckarl (gest. ISi:)).

Leudum, n. mld.lal. Jur (ook leudus, leudis, oudfrank. Icudi, angels, leodgeld, van leod, volk, man) hel weergeld; do leenpllchl;

— leudesamïum, n. do leenseod, do huldiging, ile hulde.

Leukcemie, f. (van \'tgr. leukós, c, ón, helder, zuiver, wil) wllblocdigheld, een soort van hloedbederf; — leuksethiops, een wille moor, z. v. a. kakkerlak of albino (z. aid.);

— loukapthiopie, f. de toestand of het voorkomen van zulk een mensch; — leukangï-tis, f. Med. ontsteking der lympila-valon; — leucocarpus, lal. Kol. wltvrucbllg; — leucodermis, lal. Bol. wltbasllg; — leukollth, m. wille steen, z. v. a. leuciet; — leukoma, n. Med. eeno wille vlek op hel hoornvlies van hel oog; — leukomateus, adj. daarmede behept, daaraan tydende; — leukomorie, f. (van leukós, voor: bleek, zwakkeiyk, enz.) rustelooze zwaarmoedigheid, krankzinnigheid, waarby de lyder gaarne oenzame, sombere plaatsen opzoekt; — leukopathie, f. de bleekzucht; — leukopathisch, adj. bleekzuchtig; — loukophaan, n. oig. dc wllglan-zende; een mineraal In Noorwegen; — leu-kophagium, n. eone spys uit amandelmelk en hoendervleesch, voorheen in dc lering vaak gebruikt; — leukophleginatie (spr. I=is), f. de huid- of hteekwatorzucht; — louko-phobïe, f. de vrees of schuwheid voor do wille kleur; — leukorhödon, n. Bot. do witte roos; — loukorrhoea, de witte vloed by het vrouweiyk geslacht; — Loukothëa, f., z. In o; ook de naam van oen in isrgt;8 door Lulher ontdekte asteroïde.

Levade, z. ond. lev cor on.

Levaill. (ook Vaill.), by natuurwelen-schappeiykc benamingen afk. voor F. I.ovaillanl (gesl. 1824).

Levain, m. fr. (spr. lewcii) het zuurdeeg, do gist.

Levana, f. rom. Myth. (v. levnre, opheffen) do godin, onder wier bescherming de pas


-ocr page 737-

LEVANT

717

LEX

golioron kinderen stonden, Indien dc vader lien van den grond ophiel en zich daardoor hereld verklaarde, voor hunno opvoeding te zorgen; vandaar ook titel van piedagoglsche werken.

Levant, in. doorgaans f.. It. [levante, in, In \'t algemeen oosten, ochtend, v. levare, hellen, levursi, zich verlielTen, opgaan) het Oosten, ile Morgenlanden, oostelUke streken, alle van Itallü ol naar het oosten liggende landen aan de Mlddellaadsche zee tot aan den Kuphraat on don iNUh meer bepaald: do kusten van Klein-Azlii, Sjiiè en Egypte; — levanters, m. pl. Mar. de zware westenwinden en stormen op de kusten van l\'IncntclQ en Syrië; — levantisch, levantsch, adj. ooslersch, oosteiyk, inorgenlnndsch; — levantscho asch, asch uil het r o i| n e 11e-kruld, tot he-relrtlng van zeep en kristalglas dienende; — levantsche koffie, do arahischc kollle, oaz.; — levantijn, m. een nakomeling van oen in Egypte woonachtigen Europeaan; — levantinos ol levantiscos, m. pl. lovant-vaarders, spaansche, naar de Levant hestemde schepen; — levantine, 1. Ir., eene oorspr. oostersclie ellen züden stol; — levantins, pl. (spr. lewaiileii) eng. en Ir., lichte lakens, die Inzonderheid naar de Levant gaan.

Levatie (spr. I=ls), I lat. {levatio, van levare. heiTen) do opiielling, laz. van de hand hg het inaatslann; — levator, m. nw.lat., elg. de ophelTer; Med. eeno ophelspler; — le-vatonum, u. (\',hr. een wondheclcrswerktnig, liever eievatorlum (z. aid.); — levee, z. end. I eve eren.

leveeren, Ir. {fever = lat. levare, hellen, oplichten, verhclTen; v. Uris, licht) in de rijkunst een paard tot capriolen, passaden, courhetten alrichien; Kuit. een protest leveeren, d. 1. over eenen wissel gerochte-lijk oen protest laten opmaken; levade, t de ophcillug van een algerlcht paard met de voorpooten; — levée, 1. Ir., de helling. Inzameling; Mil. de lichting, werving; In het kaartspel: slag, trek; do meeste slagen-, — levée en masse (spr. lewé\' ait mass\') een volksopstand; algemeen opontiiod, oproeping to wapen; de landstorm; — levee, n. eng. (spr. lewie) /.. v. a. Ir. lever (z. aid.); In IV. Amerika daarentegen; avondhezoek, avondgezelschap; — lever, in. (spr. lewé) het opstaan (uil liet heil), de tijd van hot opslaan; het ochtondiiozüek, de inorgonopwachllng hü grooto heeren en vorsten; ook een kaartspel.

Levelers, m. pl. eng. (spr. lévvillers, v. In level, gelijk maken) elg. gelijk- ol elTenma-kers; de gelgkheldpredlkers, laz. ten tyde van Karei I.

Leverancier, m. noderl. met Ir. uitgang (v. loveron, Ir. livrer, en voorts van \'t min geiiruikeiyke Ir. livrancier) een leveraar van waren, hU, die liet leger, het hol enz. voorraad levert; — leverantie (spr. t=ls), I de levering, atleverlng.

Levertraan (oleum jacoris asélli), eene vette olie uit do lever van den kaheijauw, als volksmiddel legen jicht, en Inz. als artsenü in de kllorzlekto, vooral in de zoogen. engelscho ziekte, hekend.

Levetz-steen, z. v. a. lavetzstoon (z. aid.).

Levi, iiehr. mansn. {léuit, van lawah, zich aan iemand hechten, hom hegolelden, arah. lawai, vlochten, omkransen) de aanhankelilke, getrouwe; ook do hekraaste; Inz een zoon van den aartsvader Jakoh hg Lea (vandaar l.e viele a, z. aid.).

Leviathan, m. Iielir. (HwjAllidn, elg. de ol het geslingerde, van \'i arah. lawaj, draaien, winden) In de latere Joodsche ca chrlstclUko legende: een demonisch ondier, een monsterachtig waterdier, groote slang, krokodil (Joh XL en \\L1); zcornonsier; vandaar dat men ook groote zeeschepen die naam pleegt te geven.

Leviet, rn. hebr. (lat. leviles, levila, gr. leuilcs, van \'t iiehr. téwi: vgl. Levi) hg de voorin. Joden, een alstaamieling van Levi (z. aid.), een lid van den stam Levi, eene soort van priesters; ook een priesterholpor In de r. katli. kerk; — leviticus (sell, liber) m. liet dorde hoek van Mozes, dat godsdienstwetten, Inz. aangaande otfers, en In \'t algemeen verordeningen voor de Levieten, enz. hevat; vandaar: iemand de levieten lezen, d. I. hem doorhalen, scherpe verwUUngon toevoegen, enz.; — levite, I. Ir., eeno soort van zeer wgde vrouwekicedereii; — levitonanum, n. harh.lal. een nionnlkspij zonder mouwen, voorniallge kleeding voor cgyptlscho monniken.

levigeeren, lal. {Ievifi(Ire) glad maken; Cliem. vaste lichamen op den wrUlsteen tot poeder wrijven; — levigatie (spr. lt;=lt;«), I. (lal. leviyallo) de gladniaking; lijnwr(|vlng; — levigiitor, m. een sclieeniies met een schut-hlad voorzien; de lijnwrgver in Reichenhachs toestel tot hereiding van heetworlelsuiker.

Levir, m. lat. Jur. des mans hroeder, de zwager; leviraats-huwelijk, het im-vveiyk tusschea eeae vrouw en den hroeder haars overleden mans Mil de Joden.

levis nnlae macula, lat., z. macula. Levite, Leviticus, z. ond leviet. levïler, adv. lal. (v. Itvis; vgl. leveeren) licht, oppervlakkig, tor loops.

Levrier, ai. Ir. (spr. lewrjé: Hal, levrtere, v miil.lal. (cnnisl lepnrarfus, hazenhond, hond voor de hazenjacht, windhoml, ea dit van lepus, gen. Iciiuris, haas, Ir. lidvre) de hazenwind(hond), do windhond; — levrette, I. (spr. leierél\') wUljeswindhond.

Lewénd, m. lark. elg. levaniUnsche matroos; krachtige jonge man.

lex, I. (genii, legis, van lef/Ure, verzamelen, ullzoeken, ol v. liqure, hinden) lal. voorsclirilt, vorordoning, regel, wei, geliod; tiac lege,onAer voorwaarde, enz.; lege artis (algek. I. «.), naar den regel der kunst, voorschriltinatlg; pl. Uqes, wetten, verordeningen, z. ook alk. arl.; contra leges, tegen do wollen; lex abragata, eene al-


-ocr page 738-

LEX1DI0N

LIBÉLLA

718

Kcscliiifte ut opgolioven wot; lex et regio, elg. wel en streek ut gewest, d. i. \'s lunds wgs, \'s lunds eer-, /. forénsis, gemeenteverordeningj I. fundamenhtlis, eene grondwet; /. inerCfae, l\'hvs. de wet der volharding, der truagheld; I. morulis, do rcik\'w t\'t; /. muiucipn lis u( statuarfa, de gemeentewet; ook statuien eenor stad, enz.; I. mUiirue, de natuurwet; I. ohsoUlu, eene verouderde, ia onlirulk geraakte wet; f /lermimva, eene veroorlovende wet; I. jiosi/iva, eene willekeurige wet; I. praecepl/va, eene gebledendo wet; I. iirohibitiva, eene verliledeude wet, ver-liodswet; I sumluana, eene wet legen de weelde, tegen overtollige uilgaven; I. vesliarta, eene klee-derwet of wettelgke verordening op de kleeder-dracht; les Amdëcim lubularum, de wet der 1*2 tafelen liij de oude Komeliien.

Loxidion, n. gr. (v. léxis, rede, uitdrukking, woord; van léaein, spreken, zeggen) een woordenboekje, klein woordenboek; — lexicon, li. (van lexikón, sell, hiblion, boek) een woordenboek; pi. lexica; lexicalisch, adj. nw.lat. [Icxiculis, e) tot liet woordenlioek beboorende of ilal betreirende, b. v. een werk ia lexical Iscbe n vorm, in den vorm eens woordenboeks; — loxicalion, pi. tot liet woordenboek lielioorende of iliit lietreHende dingen; — lexikograaf, m. gr. de scliryver van een woordenboek; — lexikographie, de woordenboekscliryving; — lexikologie, f. lt;le leer van de woordenboeken en hunne vervaardiging; loxikoloog, m. een woord-geleerde,

Loxis, f. gr. (v. lêgein, stillen, doen ophouden) het opbonden, nalaten, acblerblUven; — lexipharmaeisch, adj. ais tegengili werkende;—lexipyrëta, n. pl. Med. koorls-inlddelen, koorisverdiyvende Hrtseayen.

Ley, a. eng. (gpr. lie) z. lea.

Leyss., hij natuurweienscli. namen afk, voor K. \\V. von Leysser (gest. ISIS)

Ij. HL, hg naluiirlilstorlsche namen afk. voor K. van l.inné (gest. nttlt), den zoon van den beroemden Linnaeus.

L\'hombre, z. liombre.

1\'homilie propose elc., z. oad. hom me.

Li, m. de voornaamste munt in (ihlna, uit koper, tin en zink bestaande (vgl. Ilang);een goud- en zllvergewicbt = -[-„Vir Hang (z. aid,); een chlneesche afstandsmaiit van ISO tsjang of ISOli tsji = 4i2 meter; een chineeseb en japanscb gewicht (z. tan).

Liaison, f. fr. (spr. lièzóii; prov, liazd, lat. ligaho, v, Hgarc, hinden, fr. Her) de verbinding, verhinlenis, vereenlging, het verhond; inz. eene verhinlenis van mlanenden, eene llef-deshetrekking met de byhetoekenls, dal alleen zingenot het doel is, een ilehiziimige verhouding zonder bedoeling om Ie huwen.

Lianen, f, fr, (v, lier, hinden) Bot, slingerplanten of rankenschlelende woekerplanten in de keerkringslamlen.

Liang, m, chin, (door de Engelschcn hiel of luie, door de porlugeezen latlt gebeeten) liet ons zilver, eene chlneescho zilvermunt van in Is ié ii (mus of mees) van 10 feu {conilorin) van 10 li [tong-lsien, kasj of pitjes) van 10 hao (c/init) van 10 se (sii), ia legenstolling met een gewlchlsllang slechts gram lijn zilver be

vallende en een waarde hebbende van /\'3,lgt;fl; voorts een hamlelsgewiclit van ;n,71Hl gram en een goud-, zilver- en muntgewlclU van gram (vgl king ea tan).

Liard, m, fr, (spr, lidr; naar men wil uit bet lidwoord li, en ars of ards, samengetr, van bet lat, arsum, gebrand, zwart; men onderscheidde In de middeleeuwen argentum album. Wil of zilvergeld, en arg. arsum, zwarl of kopergeld; of van \'1 oudfr. Hart, Harde, provenc. Har, kar, 11. leardo, wil, witachtig, grys, inz van paarden; of v, Guigne-Liard v, Crémieux, die, naar men wil, In liUO de eerste Hards sloeg) eene ond-fr, rekenmunt, oorspronkeiyk van zilver, later van koper; de Hard deed It deniers, (z, aid,).

Lias, ii, I) eng, (spr, taias) z, v, a. zwarte Jura /, j u ra -fo r ma tie.

Lias, r, i) (fr, liasse, v. Her, hiiideii) Kmt, een rggsnoer, veter, brievonsnoer; een bundel aangeregen papleren, Inz, pryscouranlen; een pak geschrlflen; liasseeren, papieren aan een snoer of veler rggen,

Libamént, n, lat, (libaméntum, v, Hbare, vgl, 11 ba tie) een lekkerheelje,

Libanomantie (spr, l=ls), f, gr, (van libanos, de wierookbooni) bet waarzeggen uit den wierookdamp; — libanomant, m, een waarzegger uit den wierookdamp; — liba-notis, f, wiorookkruld, rosmaryn,

Libiitie (spr, t=ts), f, lal, (libatio, van Hbare, Iels proeven, even aanroeren, ullgielen) eene oirergletlng, wynstorllug, drank- of plerig-olfer hy ile oude Komeinen, hetwelk besionil in het gebruik van iiy den maallijd een weinig wyns ter eere van de goden uit te storlen,

Libeccio, m, 11, (spr, libélsjo, sp, lebeche, provenc, laherh, oudfr, lebeche, lebech, v, \'I gr. Hps, genii, libós) de zuidwestenwind in ISene-don-ltaliti,

Libél, n, lal, {libéllus, m, verklw, v, Hber, hoek) eig, een boekje, klein geschrift; een smeek-of klaagscbrlfl; Inz, In nw, lal, smaadschrift, sclilmpsclirift, schotschrift (libellus famosus of dilfumatorlus), z, v, a, pasquil; — libel, n. eng, (spr, laibel) .Inr, een persvergryp; — Hbelli ohlatm, f, lal, Jur, het Indienen van eene aanklacht; een klaagscbrlfl opstellen en gerechte-lijk indienen; — libelleeren, nw,lat,,scbrif-leiyk eene beschuldiging of aaiiklaclil Indienen; — libellant, libellist, m, of libél-schrijver, een schotschriftschryver, schlmp-schrlflinaker (p a si| u 111 a n I),

Libélla, f, eene oml-roin, zilvermunt van dezelfde waarde als hel oorspr, a s; llhella) golden een sostertlum lol het jaar quot;i:)0 van Rome; later, tol 720, waren er i IIheilce noodlg om een sesterllum of nu mm us uit te maken.


-ocr page 739-

LIBÉLLE

719

LIBRY

Libóllo 1), f. lat. {libélla, verklw. v. libra, wcogschaul) eeno waterbalans, ccn werktuig om lijnen of vlakken waterpas te stellen; vandaar wellicht libelle i) nf libellüle, t. simi-jultertjo (if gow. JultertJo, insect met i netvor-mlKO vleugels, enz.; — libelleeren, met de waterhalans moten.

Liber, m. lat. Myth, oorspr. een oud-llal. god der voortteling; naderhand een hgnaam van Hacchus: de verlosser, bevrijder van zorgen; de w|jn; sino Ccrëre cl Libero frifiit Vcnus, zonder Ceres en Bacchus, d. 1. zonder brood en wün, verkoelt de liefde; — liberalïën, n. pl. (liberutta) het feest aan l.lber of Hacchus gewyd, dat op den nden Maart werd gevierd.

liber, adj. lal. (liber, libera, liberum) vrg, onlieschroomd, vrymoedlg.

Liböra, n. lal. (van het aanvangswoord libera, d. I. bevrijd, verlost, enz., gebiedende wUs v. liberare) bet doodengebed derroomsch-Kal bolleken.

liberaal, adj. lal. {liberalis, e, van liber, burgeriyk vrij) onbevooroordeeld, onbevangen, vrijzinnig; edel, van edele denk-en handelwgs; mild, milddadig, goedaardig; inz. Ingenomen voor de volksvryheid en een vrUen slaatsvonn; — liberules artes, pl. de vrije kunsten; libera-hum arltum inajfixler, z. magister; — een liberaal, een vrUheidsvrlend, aanhanger van vrye slaalsinrichllngen; de liberalen, als politieke party bet tcgengest. van de conservatieven, servieien of absolutisten; o ud-11 h era I e n, noemt men thans die lilie-inlen, die op hun oorspronkelijk standpunt zyn biyven staan, in onderscheiding van de radicalen; — liberaliseeren (spr. s=z), iiarh. lat. (fr. liberaliser) lot oen vryzinnlge maken, ook den vryzinnlge nilbnngeu; liberalisme, n. uw.iat. de vryheidsmin, vryzlnnigheid, liefde voor vrye staalsvorrnen, voor onbevangen denkbeelden; — liberalistisch, adj. op de wyze van het liberalisme, der liberalen (In minachtenden zin); —liberaliteit, f. lal. (lihe-rnlilas) de vrye, edele, onbevooroordeelde gezindheid; de milddadigheid, mildheid; — liberalism ar hum magister, z. ma gi si er.

libereeren, lal. {liberare) bcvryden, vrij of los laten; libenitie (spr. t=ts) f. (li-berado) de bevryding, loslating, redding, verlossing; — liberator, m. de hevryder; — liberatormm, n. nw.lat. z. v. a. abso-lutorlum (z. alil.); — libertador, m. sp. de hevryder (een aan lioilvar loegekende eere-lilel); — libertas, lat., liberté, fr., li-berteit, de vryheid, ook als persoonlijke godheid gedacht; liberie et éffalité, fr. vryheid en gelykheid, de leus der eerste fransehe revolutie, waarby in die van INiS nog fralernité, d.i, broederschap, gevoegd werd; — liberticide, nw.lat. vryheidmoordend; als subsi.; een vry-lieldsmoorder.

Liberi, pl. lal. (v. liber) kinderen; liberi leuilimi, weltige kinderen; I. pnslhumi, na des vaders dood geboren kinderen.

libertin, adj. fr. (spr. liberten) ai Ie vry, llchlvaardig, losbandig, uitgelaten, ongebonden, vrygeestig; als subsi, een lichimis, wellusteling, wildzang, zwieri)Ol, geiieel zinueiyk mensch; weleer ook een vrygeest; — libertinage, f. (spr. —nddzj\') teugelloosbeld, ongeliondenlieid, lichtzinnigheid, iiodcriykheld, ullspatiing; li-bertineeren, fr. [liberliner) uilspallen, lie-deriyk leven; — libortimsme, n. nw.lat. de zucht lot onhandigheid; weleer; do leer der vrygeesiery.

Libertinus en libértus, m. lat. {li-bertinus, v. libértus, in vryheid gesteld, voor tiberdtas, van liberare, bevrgden) een vrygela-lene; — libertijnen, m pl. in den byhel: vrggelalen slaven, die den joodschen godsdienst aangenomen en hun eigen tempel Ie Jeruzalem hadden.

libérum arbilnum, n. lat. vryheid van wil, vrije wil, willekeur; — liberum rein, z. ond. reto.

libel, lal. (van libcre) hel lusl, behaagl, bellen, gevall (mg, hem enz.)

Libethriden, f. pl. gr. Mvih. bynaam der Muzen, naar de aan haar gewgde fontein I, I h e 1 h ra.

Libidinist, m. nw.ial. (v. \'1 lal. libiiln, wellusl) de vvellnslellng; - libidineus, adj. lat. {libidinusus, a, urn) weliuslig; uilspallend, onhandig; - libidinositeit, f. nw.lat. de weliusligheid; ullspallende levenswys.

Libitina, r. Int. Mylb. de Igk- of doodsgodin, de opziensler over do begrafenissen; ook een bynaam van Proserpina (z. aid.); — libi-tinarïën, m. pi. {libiliuarïi) priesters dier godin, lykhezorgers.

liliflum of lub/tuin, n. lal. (v. libel, hel belieft, lust, behaagl) bel believen; welgevallen; ad liliilum of pro libflo, naar welgevallen, naar believen.

Libra, f. lal. een oud-rom. gewicht, hel as = 0,3271 kilo, verdeeld In 12 unclae; voorts bel sp. en porl. pond = i(in en i\'ül gram; ook eene sp. rekenmunt van verschillende waarde; — lihni aruenli, eene oud-rom. rekenmunt liquot; d en a rl en.

Librarie, f. lal. {librarfa, v. liber, hoek) of librairie, f. fr. (spr. libririe) een boekhandel, boekwinkel, ook eene boekverzameling;

librarius, m. lal. een boekenafschryver, in \'1 alg. schryver (secrelarls), ook z. v. a. fr libraire, m. (spr. librér\') een boekhandelaar, boekverkooper.

Libratie (spr. I=ls) I. lal. {libralïo, van tibrare, wegen, zwevend houden) Aslron. de schgnbaar waggelende of slingerende beweging inz. der maan om bare as; bet zwaaien of waggelen.

Libretto, m. gew. n. it., pl. libretti

(verklw. van libra, boek, lal. liber) in \'l algemeen een hoekje; inz. hel lekslboek hij een opera, operaloksl;—librettist, m. vervaardiger daarvan, schryver van operatekslen.

Libry, f. mld.lat. (libeifa, voor libraria.


-ocr page 740-

LICET

720

LIGA

van liber, lioek) bookvorzntnolliiK, sliulsbookci\'U of -lilhllothcok.

licet, Int. Iiol is geoorloofd of voi\'Kund, hot stual vrU; per me Heel, mUiientwogc mo(?o \'t goschtcdoii; mi hi lire/, \'I is my voi\'Kund, Ik mug, diirr, kan (It. v. lets (loon); — licfle, ailv. met rocht, roclilniatig, geoorloofd, toegestaan; — licént, in. (van hot lat. lieenlia, verlof) z. accUs; — licéntie (spr. l=ls) f. iat. [li-eénlia) hot verlof, de licwilllging, volmacht, vrüheld; do volinaclilsliiiof, hot vorgunningsiio-wys, piitont tor uitoofeiilng van oonig hedrijf onz.-, le grooto vryiield, ongobondonlioid, ullgo-lalonhold; tougollooshold In do zodon, onlic-schaiimdheld, iiilspattlng; lieenlia ronciondndi, het verlof of do hovoegdhoid om te prediken; I. docéndi, de hovoegdlieid om te onderwyzen, inz. om op hoogescholen (In Duitschland) voorlezingen to houden; I. marilalis, verlof om te huwen; I. pneiïea, do dlehterlijke vryiield, d.i. do vryiield om zekere uitdrukkingen, spraak-wonilingon, hooiden enz. te gohruiken, die in gewonen styi niet veroorloofd zouden zyu, of om de gegeven slof naar liehoefte vry lo gohruiken, zonder zleh angstvallig aan do feiten te houden; cum lieenlia superiürum, met hoo-gor verlof, met vergunning der overheid; — licentiëeren (spr. I=ts] mid.lat. (lirenliare) toestaan, de vergunning of lievoogdheid geven; hevrydon, ontslaan, afdanken, afscheid geven, uit den dienst zenden; — licentiaat (spr. lt;i=/si) ui. (mid.lat. lieenlialus) iemand, die zich op hoogescholon do hevoegdheid hoefl verworven om doctor te worden en zyne wetonschnp Inz. theologie en rechtskennis uit to oefenen en te onderwyzen, een loogolatene, he-voogdo; — studiosus lieenlialus, m. hy, die, zonder ingoschrevon (geïmmatricuioord) sliidenl to zyn, verlof heeft ontvangen om voorlezingen hy te wonen; - licentiëus (spr. t=ts) iat. {lieentiosus, fr. licenlieux) uitgelaten, uitspatlend, teugelloos; — lici\'tum, n. oeno veroorloofde zaak, iels vergunds; non lieitum est, \'t is niet geoorloofd, hot geldt niet; lietln mndn, 0|) geoorloofde wyzo, volgens vorgunning.

liehen, m. (pi. Hellenes) iat. (gr. leichèn) Mod. het huldmos, de vlecht, haarworm; korstmossen, een lalryk plantengeslacht dor hedektliioei-onden; liehen Islandfcus, yslandsdi mos, oen voortreffoiyk middel In tering en horstziekton, hy de I .Islanders lol hrood gelmkken en lot melkspys gekookt;/, pariet mus, de wandviccht, hel gele schiidmos; — licheniet, m. nw.lai. een stoen met mosafdrukken, mossloon; — lichenine, f. nw.lai. mos-zoimoel, oone zet-moelacliligo stof, in het yslandscho mos on andere mossoorten verval.

Licht, of Lichtenst., hy imtuurweton-schappeiyko namen afk. voor I\\I. M. K. I.lch-tenslein (gesi. IS57).

Licïtum, n., pl. licita, !at. 1) z. ond. Heet; 2) (v. Hcire, lo koop zyn) een hod hy veilingen, ophod; — liciteeron (lal. Hcituri) op leis hlodeu; iets vollen, aan don mcesthie-dendo vorkoopon of ook verimren; — Hcilando, hy opliod; — licitant, m. {lieïtans) een bieder, opbieder, moor- en inoostiilodondo — li-citatie (spr. tie=lsie) f. {licilallo) het bieden, een bod, opliod op iels; eeno openiyke vorkooping aan don meostbiedonde, eeno veiling, auctie.

Lictor, m. lat. een oud-rom. gorechtsdle-naar, scherprechter of beul; hyibundeldragor, plaatsmaker en hovelvollrekkor der lioogore overheidspersonen (vgi. fa sees).

Lido, m. 11. in bot algemeen; oevorstrand; Inz de oever van bet zeer versterkte eiland Mal ace cc o, dat de lagunen van Venetië van de Adiiatische zoo scheldt.

Lie, f. eng. (spr ?ai) leugen; — w/ii/e (spr. wait) lie, elg. witte leugen: noodleugen, leugen om bestwil; black (spr. blek) tic, elg. zwarte longen; boosaardige, moedwillige leugen.

liëeren, fr. {lier, provonc. Har, linar, li-Huur, v. \'I lal lii/are) zich verbinden, vereoni-gen; — geliëerd, adj. nauw verbonden, ver-I ronwd.

Hen, m. lal. do milt; — liënaal, adj. nw. lal. de milt belrelTendo of daaiioo behoorende.

Liënterie, f. lal. (Hentena -, van \'1 gr,

leienteria, v. /eins, glad, glibberig, en énteron, darm) Mod. de maagloop, buikvlooiing.

Heu d\'aisanee, beslokamer, ■/.. v. a. com-m o d 11 é.

Lieue, f. fr. (spr. IJeu\': vgl. legua) eeno fransclie myi van -2^ op een iDqualorialon graad = 4i51,9 meter.

Lieutenant, m. fr. (spr. Ijeut\'ndii: gew. uilgosproken en geschreven luitenant; van tenir Heu, de plaals houden, de plaats vervangen) een plaalshokieedor, plaalsvorvanger van den kapileln, ondorkapilein, die onder opzicht des kapiteins de soldaten lol den wapenhandel enz. opieldl, de titel dos olllclers, die In rang op den kapileln volgt; In \'1 algemeen ieder of-licier, die onmlddeliyk henoden oenen chef staal en dien desnoods vervangt, vandaar luiten a n t-k oio nel, luilonanl-gonoraal, luitenant-admiraal, enz.; weleer ook lieutenant du mi (spr. rod) plaalsvorvanger des konings; lieutenant du royaume (spr. roajoom\') of de I\'empire (spr. luiipier) ryks-sledohouder, ryks-voogd.

Lifat, m. arab.-lurk. do volkswapening, de landweer in Turkye.

Life, n. eng. (spr. laif) het leven (pl. lives, spr. laiws); — life-boat, f. (spr. —boot) roddinghoot; — life-presérver (spr. pri—) ■■levensredder, levensonderhouderquot;: stok met loo-den knop; — life-insurance (spr. insjoe-ren») levensverzekering; z. ook ond. high.

Liga, sp. en 11. of fr. ligue, f. (spr. Hen\': vgi. li geer en) een verbond, eene verhinlonis, vereonlging, eeno verbinding van vorsten of stalen ; Inz. hel verbond of eedgenoolschap dor r. kalh. version legen de unie der protestanten, in IlilO le VVUrzburg gesloten; ook de samenspanning of hel verbond der r. kalh. party.


-ocr page 741-

LIMANCHIE

721

LIGEEREN

door don hertog van (iulso tegen koning Hendrik III In IIHIi gesloten; de verliondenen, liond-ol eedgenoolen, ook ligisten ofliguisten; — ligistisch, mij. lot de llgue holioorondo of haar lielrelTonde.

ligeoren, hit. {ligare, hinden) in hot schermen : zyne tegonpartU het wapen uit de hand draalen ot slaan; metalen II gee ren, /.. legoeren 2); — ligado, f. fr. het wegslaan van den dogen ot de sahel uit de hand der te-genpurty (hü het schermen); — liijalo, It. Muz. verhonden, vereenlgd, gesleept; — ligament, li. (lal. ligaménlum) Anat. de band, oene witte, vezelige verbinding of ondersteuning van oenlg liclmamsdecl; Chlr. een verband, zwachtel, windsel; by lettergieters eene dubbele letter, koppelletter als //■, fi, /(, //(, Ifi: — ligatie (spr. t=ls) f. een wondheelersverband ; — ligatuur, f. (ligulüra) Mu/.. de verbinding, de rekking ot verlenging der noten van do eene maat in de andere; Chlr. het verhand, laalverhand; hel omleggen daarvan, het verbinden; tegenwoordig gewooniyk de onderbinding van oene ader of een uitwas en do daartoe dienende draden; ook do band van een hoek; — prn Hgalüra, voor den band.

Ligisten, ligistisch, ■/.. ond. liga.

Ligne, t. fr. (spr. lienj\': van \'i lat. linüa) eene iyn, hel 12de deel van eenon duim; do fransche iyn is = 2,25583 iniliimotors; do ryn-landsche = 2,180137 millimeters; — en ligne (spr. n/ï lienj\') in do Ign, op de rg; — en ligne de cnmple (spr. —knid\') op rekening (zeilen of stollen).

lignum, n. lat. bont; pi. ligna, houtsoorten; lignum fnsstle, opgegraven hont, inz. versteend of verkoold houl; lignum moluccununi, purgoer-hout van de Moinkken; lignum sanclum of vi-lae, oig. levonshout, guajakliout (z. guajak-booni); — ligniet, n., pi. lignieten, nw. lal. verkoold hout, bruinkool; ~ ligneus, adj. lat. (Hqnóms, «, um) houtachtig, houterig; — lignositeit, f. nw.lal. de iioutachtighcid.

Ligorianen of Liguorianen, Li-goristen ot Rodomptorlsten (z. onder rodImoeren) m. pi. eene naar die dor Jezuïeten geiykemlo orde In Italië en Oostonryk, in 1732 gesticht en in 174(1 door paus liene-dictus XIV bevestigd; genoemd naar den slieb-ter Alfonso l.iguori, die in 18311 gecanoni-soerd of hcillggesproken werd.

Ligroïne, f. een uit petroleum gewonnen vluehlige olie, die in 11 groïne-la m p en ter vcriichling wordt aangewend.

Ligue, z. liga.

ligulatus, lingulalus, a, um, lat. Hot. long-of bandvormlg; — ligulus, m. lat. Bot. tongetje of bliidhuldjo.

Liguster, m. lat. {ligüslrum) een gewas, lot de klasse der tweehcimlgen of diandrla behoorende, dal moestal tot heggen wordt ge-lirnikt; mondhout, keelkruid, rynwilg; —/iV;«s-Irinus, ii, um, lat. Hot. liguslerachlig.

Lij, Mar. z. lee 1).

V1KRDK DBUK.

Lijsje, verkortingen verkiw. van Elizabeth (z. aid.)

Lijspond, n. (ontslaan uil Igfsch, d. i Igflandsch pond; zw. lispund) oen voormalig nedordultscl), ncdorl., zwoodsch enz. han-delsgewicht = schippond of li tot lü oude ponden, In Zweden en de russ. Oostzoeprovin-clön 20 pond a i05,07U of i 18,832 gram.

Likeur, f. fr. (liqueur, v. \'t lal. iiquni-, z. aid.) verzoete en gekruide brandewgn, gebrand water, geestrgke drank; — /ii/ucur de Johnson, naar den uitvinder genoemd voor eol-lodlum-beeldon aangewend broinkadmium; — likeurstoker, m. een berelder of vervaardiger van likeuren en lijne hrandewynen; — likeurwijn, m. dikvioelonde, zoete wgn.

Lilac, m. sp. (ook eng. lilac, lilach, spr. Idileli: van bet lurk. leildk: vgi, het perz. li-ludsj, de iiidigopianl) of lilas, m. fr. (spr. lila) ook lila of lilla, f. de spaansehe vlier, de syring, een bekend tuingewas, oorspr. uit l\'er-ziB, tot de klasse dor diandrla behoorende; do licht blauwe, roodachlige kleur der bloemen van dit gewas, iliakicur (vgi. ook kermes);

— lilas, pi. kleine kanonnen in Noord-Ame-rlka; — lilacine, n. lilacbilter, eene billero slof, verkregen uil de bladeren en bladerknoppen van don lilac.

Liliaceën, pi. lal. [liliaci\'ac: vgi. lelie) ieile-achtige planten; —lilionese, f. een dik-wyis aangeprezen schoonheidsmiddel, dat gezegd wordt de huid leliowil te maken, maar niet zonder iiadooligen invloed daarop Idgtl.

Liliput, ■/.. li Mi pul.

Lilith, m. hebr. een nachleiyk spook in vrouwongodaanle, dat de kinderen steelt; de doodsengel by de Joden.

Lilla, v.. iliac; — lillalith, z. ie pi-dol 11 li.

Lilliput, n. een verdicht landje (in (iui-livors reizen door Swifl), welks bewoners niet grooter dan een duim z.yn (waarsebgnigk eene navolging van de pygnueen der Ouden); — lilliputter, m. bewoner van Millpul, dwergje, oneig. kleingeestlge menscben, veracbtetyke tegenstanders.

Limaeieten, pi. barh.iat. (v. lal. lima, de vgi; verkeerd gevormd) vorsteende vgischei-pon; — limaille, f. fr. (spr. limalj\'; v. lime

— lal. lima, vgi) vyistof, vyisel.

Limakographie, f. gr. (v. leimax, de

naakte slak; vgi. Umax) de siakkonhescbiij-vlng; — limakologïe, f. de slakkenleer.

Liman, m: ,russ. liman, baai, bocht, turk. limdn, haven, van \'1 gr. linun, haven, bocht, haal; vgi. het gr. limni, stilstaand water, poel, moeras, meer) in /..Kusland een moerassige haai of zeeboezem, inz. de vaak lot een hree-den zeearm verwyde mond eener rivier, li. v. de liman des Donaus, des Dniesters, des I) n I e p e r s, des It o g s.

Limanchie, f. gr. (van limós, honger en dnchein, verworgen, benauwen) het verhongeren, de hongerdood.

UI


-ocr page 742-

LIMANDE

722

LINEA

Limande, f. fr. (v. lime, vyi, wbkciis de ruwe huid) oeno soort vim kleine schol, Inz. in de Oost- en Noordzee, schar (Pleuronccles liman du).

Limatie (spr. l=ls) f. nw.lul. (v. \'t lal linutre, vyien, lima, de vyi) de vUllni.\', hot vy-len; - limatuur, r. hel vyislof, vijlsel; li-mul li ra marlis, t. yzervyisel.

Limax, ni. en f. lal. (gr. leimax) do naakte slak, wcKsluk; — I. uftreslis, de akkerslak.

Limbus, m. lat. Bot. hladschyf, zoom der hloem; de zoom of strook, hezetsel aan kleederen, boordsel; de In graden verdeelde hoog aan instrumenten voor de hoekmeting; limbus infantum (naar het r. kath. geloof), de afgezonderde plaats hg de hel, hellernml voor (ingedoopt gestorven kinderen, die eerst in ilit verhiyf van de erfzonde gereinigd en voor den hemel geschikt worden; limbus imlrum, een soortgeiyk heiporlaal voor de zielen der Vaderen van het O. T., eer hare verlossing door Christus\' hemelvnart heeft plaals gehad; — limbalus, a, um. Bot. gezoomd.

Lime of limétte, f, fr. (vgl. limoen) eene soort van kleine zoete limoenen of citroenen; vandaar Umelle-olie, een adherlsche olie.

Lïmen, n. lal. (gen. li mi nis: vgl. elimineer en) drempel;—a limine, van den drempel, van voren af, enz.; in limine promoliunis, op den drempel, d. i. dicht voor de promolie.

Limenarch, m. gr, (v. limfn, haven) een havenopziener; — limenereutika, f. (van timen en ereunUn, opsporen, opzoeken) de zeevaartkunde, stuurmanskunst.

Limestone, m. eng. (spr. laimeslnon) kalksteen.

limeus, adj. lal. (lim-isus, v. limus, siyk) siykerlg, moerassig; — limositeit, f. nw.lal. de siUkcrigheid, moerassigheld.

Limier, m. fr. (spr. Hemjé; oudfr. liemier, lal. als \'t ware liiiaminarfus, v. fiV/nmcn, hand, v. liyare, hinden, omdat hij aan een hand werd medegevoerd) speurt......I.

Limiet, f. fr. (imile) of limito, m. it. (van het lal. limes, geuit, linulis, de scheipaal, grens) Kml. het hoogste hod, waartoe men gemachtigd is; ook de grens van hel crodiel, dat de eene koopman den anderen geeft; — li-miteeren, lal. {limil(ire) hoperken, hegren-zen, palen zetten, nauwkeurig hcpalen, voor-schryven, vaststellen; gelimiteerd, heperkt, begrensd; — limitatie (spr. tie=tsie) f. (li-milaCIo) de beperking, begrenzing; de bepaalde, voorgeschreven tyd;—limitatief, adj. uw. lat. beperkend, bepalend; — limited, eng (elg. limited liahilily, by verk, /,. /,.) aauwy-zing voor de beperkte veranlwoordoiykheid der aandeelhouders eener actiün-maatschappy.

Limma, n. gr. (Uimnut) Muz. oorspr. de kleinste pauze; in het algemeen z. v. a. interval.

Limnaden, f. pi. gr. (v, limne, moer, moeras) meer- of vyvernimfen, z. nymph; — limnieten, m. pl. steenen met afdrukken in den vorm van een met hoomon omgeven meer.

Limoen, m. It. [limtinesp., provonc. en fr, limnn, eng. lemon: van hel perz. en turk. limoen, arab, laimoen) eene soort van kleine, bleeke citroenen met dunne schil; in \'talgem. z. v. a. citroen; ook andere cilroenachtlgo vruchten; — limonade, f. fr. (It. limondlu) citroenwater, een verkoelende drank van citroensap, water en suiker; limonade qazeuse, schuimende liniouade, welke koolzuurgas bevat;

— limonadier, m (spr, —dji) limona-dière, f. fr, een man, eene vrouw, die limonade en andere verfrlsscheude dranken bereidt en verkoopt, limonade-verkooper, -verkoopster;

— litnonïne, f, cone in de citroenkernen bevatte bittere stof,

Limoge-werk, n, (spr. ii=zj; van de stad Limoges in Krankryk) email-werk.

Limoktome, f. gr. (v. limns, do honger) het dooden door honger, de hongerdood; — li-motherapïe, f. de geneeskundige behandeling door honger, de hongerkuur.

Limonade, enz. z. oud. limoen.

Limoniet, n, gr. (v. leimun, welde) eene soort van yzererls, weideörts, moeraserts, uit Uzcroxydehydraat en phosphorzuur yzeroxyde bestaande.

Limositeit, z, end. limeus.

Limotherapie, z. oud, iimoktonie.

limpide, adj. lat, (limpfdus, u, um) klaar, helder; - limpiditeit, f. nw.iat. de klaarheid, helderheid.

Lina, f. vr.naam, verkorting van Karo-I ina.

Linamént, n,, pl. linaménten, lal. (linaménlum, [il, Unaméntu, v, linum, vlas) pluksel voor wonden, z, v. a. char pie; — li-nana, f. nw.iat. viaskruld, vrouwenvlas, eene plantensoort; — linarme, f, eene grootendeels uit Provence-olle bestaande vloeistof, door welke mea de ouvermengdheld van een linnen weefsel kan beproeven.

Linctus, m. lal. elg. het likken (v. HnnSre, likken) Mod. een liksap, likkepot.

Line, f. eng. (spr. lain) lijn, z. linie en I i n ea.

linün, f. lat, (oorspr. een draad uit vlas, v. linum, vlas, draad) z. v. a. lijn, IIulo (z. aid,); — o linëa, van voren af, een nieuwe regel; — extra liniiam, bulten de lyn; — IMa alba, de witte iün, eene stroop In bet midden van den buik, waar de buikspieren samengegroeid zyu; —/inea facialis, z, oud. facies: — linea meiCfa, de middeliyn iles llchimms; — li-nea, ook voor; geslnchtsllnle, /, linie; vandaar linea ascendenCfum, I. ascéndens of superior, f. de opklimmende linie of verwantschap, n. 1, ouders, grootouders enz.; /. descendentïum, I. descéndens uf inferior, do nederdalende linie, kinderen en kindskinderen; I. cnllatcrulis, de zyilnle, broeders, zusters enz.; — lineaal, adj. lynvormlg; In rechte lyn voortgaando; vandaar lineaal-systeem, n, Jur. bepaling der erf-


-ocr page 743-

LIPLAPPEN

LING AM

72;}

opvolBliiR naar do naaste llnlc (rocks dor dos-condonton), in togonst. mot hol gruduaal-sysloom (z. aid,); — lineaal-graduaal-systeem, n. do orfopvulKluK van don nnas-ten graad in do naaslo lljn; — linoaal, f. liniaal, end. Iin 1 o; — lineaménten, n. pi, lat. {lineaménla, v. don slnu. lineaménlum) trokken, Kolaatstrokkon; handlUnon of -trokkon ;

— lineair (Int. linearis, e) uf lineilrisch, adj. lUnvortnlfr, wal zich huofdzakoiyk In dc lengte ullslrekt; linearise li e v o r g e IU k 1 n g, Math, oene vorgeiyking van don Isten grand lusschen i vornndoriyke groottiodori; lineal re afstand, in. de workciyko afstand van twee llchnmen van elkander; lineaire tactiek, r. Mil. strydwyzo met iiiaatsing der troo|ion In lange Union; lineaire toe koning, ceno toe-koning door lynen, omtrekleekenliig (vgl. co n-lonr); — linearifBlisch, adj. met ignvor-migc Idadcron; linearilobisoh, adj. met lijnvormige lolilion; — linenhts, a, urn, lat. hot. geiynd, van (IJiie strepen of nerven voorzien;

- lineëoren (lal. lineare) z. linieoren

Lingam, m. (sanskril. linfif/a, lingoum, n. oorspi-. oen toeken, v. linfi, sclilidoren) in Indlc: liet manneiyk lid als zinnohceld van do Ilt;mgt;I-kraclit der natuur, z. v. a. phallos liij de Grieken; lingamisten, pl. priesters van den lingam.

Lingerie, f. fr. (spr. leinjerie, van linfie, linnen, linnengoed, en dit v. linéus, van linnen, v. linum, vlas) het linnengoed; do linnenhandel; de kamer waar de wasch gedaan wordt; — lingettes, f. pl. fr. verkiw. van /itif/i\') dunne serge (zie aid.); lijn engeisch llanel.

Lingot, m. fr, (spr. h\'/t/jii: mid.lat. lin-f/olus, van linr/ua, tong, uil hoofde van de gedaante) pl. lingots, cone gegoten molaalslaaf, haar, zooals die In den handel koml.

linguaal, adj. nw.ial. (van I lal. linnun, de tong, taal) dc long helroilond of daartoe hc-hoorond; — linguales, pl. (sell, lilh\'rae) tongletters; linguifórtn, adj. tongvormig;

— linguisch, adj. volgens de laai, met opzicht tot de taal; — linguist, m. oen taalkenner, laalgoicerdo; — linguistiek, f. de algcineenc taalkunde, dc taalwotonschap, taalgeleerdheid; - linguistisoh, adj. taalkundig, detanlwetenscliap hclrctrendo;—lingüla, f. lat. eig. tongetje; N. II. eene tongschelp; — linnulalm, «, urn, lat. Hot. tongvormig; — lingulieten, m, pl. nw.ial. versteende long-schelpen.

Linha, f. port. (spr. lienju) lijn, linie (ook als lengtemaat).

Linie, f. (v. \'1 lat. lin a, vgl. dal artikel; fr. li(inc) eene streep, lijn; strook, snoor, draad, ry; Geom. eene ulthroldlng in de lengto (zonder hreedte en dikte); hot ^ of ^ deel van oenen duim; ook z. v. a. loquator (z. aid.); onelg. dc linie gepasseerd zyn, hoven dc iio jaar oud zyn ; inz. de geslachts-of stam-linie, d. i. de ry der op en naast elkander volgende afstammelingen van een gcmeenschap-petyken stamvader; gcsiachtrceks (dc opklimmende of nederdalende linie; vgl. linea); ver-dor de slaglinie, de slagry van con krijgsheer of eene vloot, do in slagorde slaande troepen of liggende schepen; de linie, ook In \'I alg. voor hot staande leger, de regelmatige troepen, met uitzondering van de garden; linietroepen, staande, geregelde troepen, in onderscheiding van de garden en milltlBn;

— linieschepen, de grootste soort van oorlogsschepen van ün tol tin kanonnen, die hij cencn zeeslag in eene ry naast of achter elk-ander gesteld worden; — linie-perspectief, n de regelmatige verkorting der lynon en omtrekken van een af te hooiden voorwerp naar de wetten van het perspectief (z. aid);

linie-systeem, n. Muz. hel lynsielsei, de 5 golljkloopendc lyncn, waarop de noten geschreven worden; liniëeren, lynen trekken, mei lijnen voorzien; liniaal, li-neaal, (. het hekende geroedschap daartoe.

Linimént, n. lat. (van linire, smoren) vloolhare zalf, een smeer- of slrykmlddel, smeersel; liniminlum volofih\\ vluchtlgo zalf, ammo-niak-zeep.

Linoleum, n, een door den lingelschinan Walton uilgevonden slof ter heklecding van vloeren en wanden, licslaando uit een mengsel van lljngemaiiklen kurkafval en lynollc; zij Is hnigzaam en elastiek en wordt met allerlei patronen hedrukt,

Linon of linomple, n. fr. (van lin = lal. linum, iyn, vlas) zeer lijn lijnwaad, Inz, in Frankryk, gaasdoek, sluierdoek.

Linurgïe, f, gr, (v. linon, linnen, lynwaad) de llniienlierclding, iinnonwevcry.

Lion, m, fr, (spr./ioh) en eng. (spr, lai\'n, van \'I lal, Ico: geuit /corn\'s) do leeuw; onelg, een wonderdier, een mcrkwaardighoid, hezlens-waardlgheld; een zich onderscheidend, heroemd man, iedere persooniykhcid, die plotseling opzien verwekt, maar snel weder vcrdwynl; in Krnnkryk een modelleer, een man die in alle gezelschappen den heminneiyken speelt en zich op de uiterste elegantie toelegt; vgl. gom-meux; lionel, m, fr. en eng, (spr, lionél en Ininncl) namen: de op den leeuw geiykcndc;

— lionne, f eene leeuwin; onelg. eene In gezelsihappen schil terende, heroemde dame (zoo men wil naar den toenaam eener minnares van Hendrik IV van Frankryk, de freule l\'uulet, die wegens de kleur van haar haar zoo genoemd werd)

Liparie, f. gr. (v. lipiirns, vettig, lipos, n, vid) Med veiligheid, kleverigheid; liparo-oële of lipocöle, f, Med. eene vclhrciik; — lipoma, n, een vetgezwel; —lipompha-lus, m, een vetnavel, gezwel aan den navel;

— lipomphalocële, f, eene velimvcthrcuk;

— lipyl, n, dc door Berzelius aangenomen slof, welks oxvde dc basis der vette oliën uil-maakt.

Liplappen, m, pi afslammellngen van


-ocr page 744-

LIPODÉRMUS

LIS

724

liuropenticn en Inlioorlliiuon op dc ollmidoti Java en Sumiitni.

Lipodérmus, m. gr. (v. lipein, ontbroken on rferma, huld) lomunil, wlen de voorhuid onl-liroekt.

lipogrammatisch of leipogr-, adj. nr. (van leipein, laten, aclilerweRO laten) mot letterweKlallng, opzettoiyke vermydliiK van zekere letters, b. v. van do r In gedlebton of go-beolo worken, eeno vroegor moer voorkomende aardigheid; — lipomerie of leipo -, Med. het ontbreken van een of ander lichaamsdeel;

— lipopsychie en lipothymie, f. do on-marht; — lipopyrie, f. koorts met Inwendige hitte en ultwendlgo koude; — lipo-sphyxïo, f. het uitzeilen van den pols.

Lipoma, lipomphalus, enz. z. ond. 11 p a r I e.

Lippus, m. lat. een druipoog, leepoog; lippis el tonsoribus nolum, den slechtzienden en baardschrappers (d. I. Iedereen) bekend; — lip-pltüdo, f. Med. het druipen dor oogen, do leepoogigheld.

Lipsana, pi. gr. {leipsana, v. leipein, ia-tenenz.) nagelaten Iiolllgdoninien, z. re 1 iq u len ;

— lipsanographio, f. rollqulenlieschryvlng;

— lipsanotheek, f. eone bewaarplaats van belangrUke overblüfsels of reilqulün.

Lipsia, f. latUnscho naam voor Leipzig.

Lipyl, z. ond. II par to.

Lipyrïe, f. gr. (leipyria) Med. z. v. a. 11-popyrle, z. aid.

Liquatie (spr. -kwd-lsie) f. lat. (/iV/itn-Cio, v. liqudre, vloeibaar maken) de vioelbaar-making, smelting der metalen; vervloollng dor zouten; sclielding des zilvors van koper; — liquabol, adj. smeitimar.

liquet, lat. (v. liquêre, vloeiend, klaar, helder zyn) liet Is klaar, duldeiyk, bel biykl, licht open; — non liquet of afgok. N. , \'t Is niet klaar of duideiyk, \'t laat zich niet beslissen;

— liquént, adj. vloeiend, helder, klaar; — liquefactie (spr. l-s) f. nw.lat. de viool-baarmaking, smelting, ontlating van harde harsige stollen door een langzaam vuur; li-quescént, adj. lat. (tiquéscens) smeltend, vloeiend wordende.

Liqueur, enz. z. 11 k e u r en i i q u o r.

liquide, adj. fr. (spr. likiéd\'v. \'I lat. U-qutdus, «, Mm, eig. vloeibaar, vloeiend, v. li-quire, vloeibaar zyn) In zake van rekening; helder, klaar, juist, hiykbaar, bewezen, uitgemaakt, ontegenzegiyk (h.v. oene liquid e scliuld);

— liquida, f. (sell, littera, pi. liquidae) een smeltende, vloeiende medeklinker (I, m, n, r), In tegenst. met de inula\'; - liquïdum, n. Iels vloeibaars, eene vloeistof; eeno duldeiyk bewezen vordering of scliuld; - liquidam-bra, f. of liquidamber, m. nw.lat. vloeibare amber, z. storax; — liquideeren, nw.lat. [liqui\'lfire) duidelijk, klaar maken, eene vordering uiteenzctlen, bowyzen, doen biykeii; in orde brengen, afmaken, afbelaien, verolfo-nen; hel le belalene afzonderiyk berekenen of in rekening Itrtiigen; ook vorderen; scliuid-eiscbers worden opgeroepen ud profiténdum et liquiddndum, tot opgave en slaving hunner vorderingen; — liquidant, in. een gerechteiyk manende scbuideisciier; — liquidaat, in. de dus gemaande schuldenaar. Iemand tegen wlen eene schiildvordering geldend wordt gemaakt; — liquidatie (s|ir. t=ts) f. de kiaannaking, uiteenzetling, iii-orde-brenglng, voreffenlng, afbetaling, afrekening; ook kosteiiborekening, kostenopgave ; sciiuideniyst; — liquidatie-termijn, m. de gereciitoiyk bepaalde tyd ter inlevering van di^ vorderingen der scbuldelschers bij een concours; — liquidator, in. wie met do schuldzaken is lieiast, scliuldvorellonuar; — liquiditeit, f. lat. (liquidftas) de vloeiliaur-held; de duldeiykheid, klaarheid, imtegenzeglijk-beiii van sclmlden.

Liquiritiesap, z. I a k k r 1 s s a p.

Liqvior, in. lal. (v. liquëre, vloeibaar zyn) eig. eene drulpbare vloeistof, een vocht, luz. eone geestryke vlooislof, vgi. liqueur; Med. de oplossing van een vast liebmim, die dnip-pelsgewys gegeven wordt; liquor ummonfi, geest van herlshoorn; /. umdj/nus (mineralis llo/f-manni), verzoete zwaveiaitbergoest als artseny, pyn-en kranipsliliende droppels, II o ffm a n n s-droppels (naar den uitvinder); I. anodj/nus vege-labilis, verzoete azyngeest, az.yna)thergeest; /. antimonti ehloniti, spiosgiaiisboler; I. vulne-rarïus, wondwater; liquorist, in. nw.lat. een fabiikanl of stoker van likeuren, likeurstoker.

Lira, f., pi. lire, li. (= fr. livre, lat. libra, dus eig. pond) eone vroegere Hal. munt van voi\'sciililendc waarde (ilü tot \'18 centen), maar overal verdeeld in 4(1 soldi of 440 denari; de 1 ta I i a a nscho lira (lira ilaliana) Is thans de goideonliold voor geheel llniie, komt met den frank overeen en is in 1(10 centesimi verdeeld; lirazza, f. eene rekenmunt te Ve-nelie (z. aid.)

Lirac, in. een roode fransclic wyn.

Liriodéndron tulpifera, n. gr. (van leirion, lelie en iléndron, liooni, tuhpa, tiil|i, ferre, dragen, dus eig. tulpoiidrageiide lelie-boom) IN. 11. eene plantonsoort; de Vlrglnlsche liilpenhoom; liriodendrïne, f. een in den wortelhasl van dien boom vooilianden bittere, kamferaciitlge slof.

Lis, in. fr. (spr. (ics) de lelie;—lis d\'or en lis d\'argont (spr. li-dór, li-danjdii) gouden en zilveren lelie, oude fr. munten; de eerste, in tiliii) geslagen, gold /\' 11,40, de andere, onder l.odewgk XIV geslagen, I 3,118.

lis, f. (pi. hles) lal. oen slryd, twist, Inz. een rechtsgeding, proces, oene betwiste zaak, twistzaak; lis péndens of lis sub Juilïre, eene hangende zaak, zulk eene, die nog niet in rechten Is uitgewezen; ailhur sub judïce lis est, de strydvraag is nog niet hesllst, nog hangende; — litis aesHmulio, f. de sciiatiliig (taxatie) van een rechtsgeding, d. i. wat het waard is of wa er mede gewonnen kan worden; —Wis consort


-ocr page 745-

LITHAGOGA

LISCIO

725

tes, de sli\'Udgcnooton; — litis cnnti\'.slaCtn, r. het antwoord op do rochlsvordorlns, inliitliiR van (Sen\' l)|k|aaKde In oen reclitsKedlin,\' on lieant-woordlng van het hoofdzakelljko daarvan; — litis ilenaneialti), de aahzeKnliif? van een rodits-Kedlng, do opolscliliiK om zich In rechten te doen vcrteKOnwoordlgcn; — lik pendénte, li-tispondént, ailj. godurendo don strijd, In den loop van hot rechtsgeding; —/iVispenrfenftii of litispendóntie (spr. lie=lsie) f. de aan-hanglgheld van eeno rechtszaak voor het go-rocht; — litis rmmciaiïn, t. hot opgeven, lal en-varen van een rechtsgeding; litem lite resolvëre, cone duistere zaak door oono nog duisterder pogen te verklaren.

liscio, It. (spr. liesjo) Muz. eenvoudig, zonder versierselen.

lisereeren, fr. {lisérer. S|)r. s=z) niet snoeren omzetten of mot oen hloetnhorduursol omvatten; liseré, m. de om don rand oener stof gestikte snoer of boordsel; -- lisière, r (spr. lizjèr; ais \'1 ware liciarfa, van lat. li-cïum, fr. lice, lissc, draad van liet weefsel) oono lüst, invattlng; do zelfkant; do lelhand; de grens, zoom, rand; - liserage, f. (spr. lizerddzj\') de omsnoering, liet hloemliorduursel rondom eene slof.

Lisette, (. vr.naam fr. vork. van Eilze, Kil za hot h.

Lisière, z. ond. lisereeren.

List., hU natuurwolonscli. namen afk. voor M. Uster (gesl. Iquot;I4).

Liste, f. fr. (sp., prov. en mid.lat. lista) een Hist, eene rol; listél of listeau, rn. (spr. liestél, liestó) fr. Arch, de lijsl, de onderrand eener zuil.

l\'islessn témiii), it. Muz. dezelfde Hjdmaat, als in een muziekstuk de maat wei is waar wordt veranderd, maar dezelfde howeging moei he-houdon lilyven.

Lit, n. fr. (spr. li/ v. lat. lectus, lied, leger) het lied; lit de parade, praal- of parade-lied; lit de justice, n. fr. (spr. U d\'zju-stiés\') eig. gerechtshed; Jur. in Frankryk weleer de troon des koniags, waarop hij ia z(jn parlement zicli nederzette; de plechtige zlilirig, die hij er hield, openlijke rechtsdag in tegenwoordigheid des konings.

Litanie, litanij, f. gr. (litaneia: v. n-tuneüein, verzoeken, sineeken; litf, hede) een smeekgezang, klaaglied, eene huipinrooplng ais gezongen korkgehod; oneig. eeno langwijlige klacht, een verhaal enz. vol Jammeren.

lile, litem, enz. z. ond. lis.

Liter, m. (willekeurig gevormd van \'1 gr. li tra, f. dnl ecliter een gewlclil en eeno munt was) de eenheid der Inhoudsmanl voor droge en natte waren in het metrieke stolsel, waarvan de grondslag de kniileke meter is = de kan of de kop in Nederland, een cylindervor-mig vat Ier grootte van eene kniileke palm of een dec lm el e r;\' h(| hovat jnist I kilogram gedislifleord water. Veelvouden van den liter zyn; decaliter (v. gr. deka, Hen) eene maat van 10 liters, een schepel, vat of kan = Tffir M1; — hectoliter (v. gr. hckalnn, honderd) ion liters, oen mud of vat = ^ M\'1; — kiloliter (v. gr. chiffa, duizend) looa liters, lo mud of 10 val = I M \'; — myrialiter (van gr. myrids, tieiidnizend) 10000 Uiers, 100 mud of loo vat = to M3; — ondordeclen zyn: deciliter (v. lal. deem, Hen) TV Hier, oen maatje =T0Sinj M3; — centiliter (v. lat. centum, honderd) f J,T liter, een vingerhoed, T\\ maatje = Tffj\'jüo M3; — milliliter (v. int. mille, duizend) tdVti Utor, maalje, ï1l! vingerhoed — TinriïiöB

litera, z. littera.

Litówka of litéwke, f. poolsch (elg. eene vrouw uil l.itlhauen; een lltthausche rok) een korto pooische overrok van elgenaardlgen snit; ook de nu gehrulkeiyke dultsche wapenrok.

Lithagöga, n. pl. gr. (v. lithns, m. steen) Med. steonafvoorende middelen; — lithago-gon, n. eene steentang, een steenlepel; — lithantrax, m. steenkool; - lithanthra-cieten, m. pl. plantversleeningen In steenkolen; — lithargyrium, n. zilvergllt, lood-gill, z. gl i 1; — lithiasis, f. Med. de steen-ziekte ; - lithïon, lithon of lithium-oxyde, n. het la 1817ontdekte steenloogzout;

lithium, n. de In ISIN hel eersl verkregen metallische iiasis daarvan; — lithiszuur, piszuur, dat zich in de pis en in hlaassteenen bevlndl; — lithobiblïon, n. een hladafdruk, versieend hlad; — lithobolie, f. liet steen-werpen ; de steenlglng; lithochromie, f. steenklenring, kieursleendrukkery, de kunst om met olieverven (i|i sleen te schilderen en het geschilderde op doek af Ie drukken, z. v. a. ch rom o111 hogra p h 1 e; ook een gekleurde steenafdruk; lithodéndron, a. steenhout of versteend iioui; - lithodial^sis, f. Med. de oplossing van den hlaassteen; — litho-fl\'acteur, m. gr.-fr. elg. sleenhreker; een ver-heterd dynamiet (z. aid.), in/, om geschut te laten springen; — lithoglyph, m. (gr. lithdiili\'iphos) m\'n sleensnyder; - lithoglyph of lithoglyphiet, m. een beeldsteen; — lithoglyphïka, r. de sleensnykunsl; — li-thoglypt, m. een sleensnyder; lithograaf, m. een sleenschrijver, steenteekenaar,

.........Irukker; - lithographïe, r. de stecn-

schryfknrisl, hel liesehryven der sleenen; steon-teekening en steendnikkery, de door Sen netel der le MUnclien in lion gevonden kunst om op steen gemankte teekeningen door eene pers te vermenigvuldigen; ook z. \\. a. een geil t iiogra p hl Berd hlad, een sleendruk ; — li-thographeeren(fr./i//i(ir;ra/)/i/(,c)sleenscliry-ven, sleenteekenen, steendrnkkeii; — lithogra-phiek, polya uI ographIe; — litho-graphisch,adj. sleeniiesciiryvend; door steendruk voorlgehraclil; ook z. v. a. gellthogra-pheerd, door sleendruk voortgehracht; illho-graphische steen, de lol den sleendruk gebezigde kalksleen; lithographon, n. een


-ocr page 746-

LITHAGOGA

720

LITTERA

stcenschrlft; - lithoidisch, iuij, muir sloen geiykemle; lithokardieten, in. pl. vor-slconili\' hartsi\'liolpen; — lithokólla, f, stecn-kil, slconlUm; — lithokollêtisch, adj. met liigelcBdo slconcn hczol, mol cdolsleenon vor-sicnl; — lithokollöten, pi. mol nuiiguiyiiKlo cdulgosteimlfii «nz. IngolcKdo kunstwerken; — litholabon, n. Med, een stcenl rekker, een wondlieelcrswerklulK om stoenon uit de bluus Ie halen; —litholatrie, r lie vereerinu van steenen, oeno soort van fetlschine; — litho-logie, t. de sleenleer, stecnkundc; — litholoog, m. een sloenkonner, stoonkundlgc; — litholögisch, tot de slconleor lichoorcmle, steenkundlg; lithomantie (spr. Iie=lsie) t. de steonwaarzogRery, wnorzoBglng uit or volgens steenen; lithomarga, t. gr.lat. Min. steenmerg; — lithomórphon, pl. gr. heeld-ot llguursleenen, zonderling gevormde steenen;

— lithontriptika, ■/.. iiiiioir—; — li-thopcedïon, n. liet steenkind, de versteende (verbeende) llchiuinisvruclil; - lithophaag, m. een steeneier, steenknnger (zekere worm);

— lithophagiG, r. liet sleeneten; - litho-phanïo, f. de kunst om een doorseliynend beeld In steen of steenaehtlge slof, li. v. porselein, te vervaardigen-, ook zulk een doorschy-nlngsbeelil zelve; — lithophyllon, n., pl. lithophyllen, z. v. a. Illboblbllon;— lithophyten, pl. steenplanten, koraalgewassen; ook plnntsteenen, plantversteenlngen;

lithopcedïo, f. de steenwording, steenvorming ; lithostëa, pl. heenderstoenlngen;

— lithostratum, n. gr.lat. of lithoströ-ton, ti. gr. vloer-mozaïek {■/.. aid.); - litho-theologïe, f. gr. bewijs voor liet beslaan van God alt de steenen; — litho try psis, f. z. v. a. Iltliotrlpsle; — lithotoom, n. Cbir. hel sleensnymes, werktuig tol de steen-snede; - lithotomïe, f. de steensnyding;— lithotomist, m. een steensnyder, sleen-ope-rateur; — lithotripsie, f. Med. de steen-verbryzellng, eene In later lyd uitgevonden manier om den steen weg te nemen; — litho-triptika, pl. steenverhryzelende of oplossende middelen; — lithotriptor, in. do steenver-bryzelaar, een nieuw uitgevonden werktuig om den steen In de blaas lijn Ie maken; lithotri tïe (spr. tie—l-tie) f. gr.lat. het lijn wry ven, verbryzelen van den steen in de blaas-,

— lithotritor of fr. lithotriteur, in. een werktuig daartoe, door l)r. Clvlale uitgevonden; — lithotritist, m. een stcenver-dryver door tijmnaking van den steen; — li-thotypographio, f. gr. vermonigvuldiging van den letterdruk door steendruk, hetwelk geschiedt door den eerste, volgens eene In ISllll door de gebroeders Du pont te l\'arys uitgedachte handelwyze, op steen over te dragen; —- lithox^lon, n. versteend bont, houtsleen;

— lithozöon, n., pi. lithozöa, steendle-ren, koraaldleren; — lithurgïo, f. de bewerking der steenen, steenbouwery; de steenschel-knnde, steenchemie; — lithurgika, f. de toegepaste steenkunde, de kunde of de leer der steeiibearbeldlng; — lithurïo, f. Med. het steen- of grulswaleren.

Liti, z. 11 d i; — lili, z. end. lis. litigeeren, lal. {litif/are, v. /is, genlt. litis, en aglre, voeren) twisten, pleiten, een rechtsgeding voeren; — liligdndi tmeritas, f. de twistzucht ; — litigant, m. (Uitdans) een proces-voerder, pleiter voor het gerecht; — litiga-tie (spr. Iie=lsie) f. (later lat. Htigatto) de stryd voor het gerecht, rechlsslryd, het pleidooi, rechtsgeding, proces; — litigieus, adj. lal. {liligiosus, a, urn) betwistbaar, voor oen rechtsgeding geschikt; ook gaarne pleitend, pleitziek; — lilioiosa res, i. res I—, — liti-giositeit (spr. s=t) f. nw.lat. de strydig-held, bet strydig-zyn eener zaak; — litis, enz. z. oud. lis.

Litomantïe (spr. tic—tsie) f. gr. de rlng-vvaarzoggery.

litoraal of littoraal, adj. lat. [liloralis, e, van li lus of lillus, zeestrand, pi. Uturn) bet kustland betreiïend, daarvan afkomstig; — li-toriile, n. het strand, kustland, de oever, Inz. bet aan Oostenryk behoorende kustland langs de Adriatische zee of het gebied van Triest.

Litótes, f. gr. (v. lilós, r, (in, gering, klein) Log. de verzachting, verkleining, inz. eene sehynbaar verkleinende uitdrukking om eene zaak daardoor te meer te verhellen, b. v. dat is niet slecht, in plaats van; voortrelfeiyk.

Litra, m. een in Georgië in don kleinhandel gebrnikeiyk gewicht = it rnss. ponden = 3,«8U kilogram.

Litre, m. fr. (spr. lielr\') de eenheid van de fr. maat voor natte waren (voor droge waren, koren enz. mil li stère geheeten, vgl. stóre); de veelvouden en onderdeelen van den litre, z. onder liter; — litrameter, m. een werktuig om het soortgeiyk gewicht der vloeistollen te hepalea.

Litsji, f. eene uitstekend welsmakende sleen-vruebt in China en Tongkin; — Li-tsoe, m. de berneische, een chlneesche iiynaam, die, lie-halve don keizer, alleen diegenen toekomt, ilie in den t sing-long worden opgevoed.

littüra of litëra, f. lat. (samengetrokken uit iïcltera [liclera\\ v. sanskr. likh, schryven, teekenen, niet de verbindingsvocaal i en liet sulllx lera) de letter; sub lilt era, onder de letter; ad litteram, ielteriyk; enz.; littera domini-calis, de zondagsletter; litlëra scripla inanet, sprw.: de geschreven letter biyft, d. I. wat gescbroven is verbindt veel sterker, daa wat enkel mondeling gezegd wordt; — lillirae, pl. letters, iets scbrlfteiyks, brieven, geschriften; per littcras, door brieven, schrlfleiyk, per brief; Htterae non erubéscunt, de brief bloost niet, (I. 1. men scluyfl stouter, dan men spreekt; I. accusatortae, aanklacht- of steek-brleven; I. cambidles, wisselbrieven; I. cnm-mendalitiae of rommendatortae, brieven van aanbeveling; t. cnmpulsnriules, maanbrieven; I. ere-


-ocr page 747-

LITTLE

727

LIVRE

(lenliales, (foloofsbrlovon; I. dimissoririles, onl-slagbrlovon; I. fomatae, vcrsclilllondo soorten van brlovon, dlo, In bopnaldcn vonn, door dc lilsschoppon worden ufKozondeii tor onderhouding van de gomoenschap met liultonlandsohe gemeenten, ook epislolue canonirae, — lillerae implnratoriae, mutiii compdssm of requisilo-riUles, smeeksclirlften, verzoekscliriflcn; /. in-formalonae, berichthrieven, advtezen; I. in/it-blloriales, terugboadtngs- of vertilndertngsschrU-von; /. monitoriales, tierlnnerlngs- of maanbrieven; I. pacificae, vredosbrioven, door de lits-sctioppen aan zulke gemeenten gericht, die weder wenschen toegelaten te worden tot de kerkelijke gemeenschap, waarvan zy waren uitgesloten ; — lillerarum rnmparaCio, vergetUktng der bandschriften; — litteraal, adj. (later lat. lilleralis, c) scbrlftelUk, letterlijk; littora-lisme, n. nw.iat. de lettcrlUktield, liet vasthouden aan de letter met miskenning van den geest; —littoraUst, m. nw.lnt. een letterzifter, kleingeestige woordenvltter; litterair of litterarisch, adj. (lat. lillerarlm, u, urn) geteerd, wetenschappelijk, tot boekenkennis beboorende; — litteraire of litteratuur-geschiedenis, de boekengeschle-dents, geschiedenis van de letterkundige voort-brengselen; — litterator, in. een boekenkenner, geletterde, letterkundige, taal-en tioek-geleerde; —litteratuur, f. (lat. lilleruhira, letterscbrlft, oaderricht In lezen en schrUven, taalonderwijs, spraakkunst, geleerdheid) do gezamenlijk schiiftelijke voortbrengselen van den geest, het schrijfwezen, de boekenkennis of hoe-keukunde, letterkunde, schrlftgeioordbeld, kunde In taal en wetenschap; weleer: de fraaie wetenschappen; —litteratur-zeitung,r. bgd. (spr. lileralóérlsailocnn) een geleerd nieuwslilad; een duitsch tijdschrift, bestemd lol beoordeo-ling van uitgekomen boeken; — litteratus, m. een geleerde, gestudeerde, schoolgeleerde, laz. iemand, die voorliefde heeft voor fraaie letteren; ook in \'I algemeen schrijver of auteur; — lillcmlus homo, een geletterde; iron, ook (hij IMautus) een (met eene letter) gebrandmerkte; — littereeren, met letters teekonen, letteren; —litteromame, f. de overdreven schrijfzucht.

little, adj. eng. (spr. lit\'I) klein.

littoraai, z. lit oraal.

Lituïeten, ■/.. oud. 111 u u s.

Liturg, m. gr. (leiluruós, d. I. wie een openbaar en algemeen nuttig werk verricht, van kilos, bet volk bet rellende, openbaar, en énjein, werken) een priester als voorganger in den kerkdienst, kerkdienaar; — liturgie, f. (gr. leilurgia, openbaar ambt, staatsdienst) beheer van den godsdienst, het kerkgebruik, de kerkdienst; bet kerkelijk voorschrift, de kerkenorde, de voorgeschreven inrichting van den eeredtenst, liet kerkformulier; Inz. ook liet evangelisch kerkgebed, dat de preek voorafgaat; — liturgi-cum, a. in de gr. kerk een boek, dat drie liturgieën, n. I. die van den heiligen Itaslllus,

Clirysostoinus en den zoogen. dialogus van den II. Gregorlus den Orooten bevat; — liturgiek, f. de leer van de inrichting van den openbaren eeredienst;—litürgiseh, adj. daartoe bebooreiid, daarmede overeenkomstig, naar kerkgebruik, volgens het korkvoorschrlft.

Lituur, f. (lat. lilüru, v. linrre, tjesnieren, uitvegen) bet ultwissclien, doorschrappen, uitstrijken van hel gcschrevone.

Litlius, m. lal. de kromme staf der a u g urs by de oude Uomeiner.; de kromstaf der r. kalh. bisschoppen, bisschopsstaf; - lituïet, lituo-lith, m. (v. \'t lat. lilüus, z. aid.) eene püp-vornilge siakversteening, een bisschopsstaf, kromstaf.

Liuto, m. It. lult.

Liva, ni. turk.-arab. (eig. vaan, banier) de omierafdeolliig van een ejalet, die dooreenen k a i m a k a in geregeerd wordt; — miri-liva, in. (vgi. mirt) de stadhouder van zulk eene kleine provincie; ook een brigade-generaal.

Livade, f. gr. welde.

Livery, f. eng. (spr. livv\'ri) do gezamenlijke londensche burgers, die hel kiesrecht bezitten.

Li vet, in. fr. (spr. liwè) de laatste speler bij tiet biljartspel.

Livia, f. lat. rom. vr.iianin (ml Livius ; ook ile velddulf.

livide, adj. hit. {livïdus, u, um) loodkleurig, blauwiicbtlg, vaal, geelgroen, zwartgeel; onelg. wanguaslig, Jaloersch; — lividiteit, f. nw.lal. de loodkleur, vaalheid; wangunst, nijd;

— livor, in. lat. eene blauwe \\lek; Med. een iilauwgeel tilteekeri; — livor emorludlis, eene doodvlek.

Livonése, m. 11. d. I. LUtlander; eene russ. rckemiunit = flti kopeken.

Livor, z ond. livide.

Livraison, f. fr. (spr. liwrèzón . lat. libe-ralio, bevrijding, v. liherdre, bevrijden, Ir. lirrer, leveren) de levering, atleveiing; — livrant, de leveraar, leverancier.

Here, n. fr. (spr. liwr\'; van bet lat. libcr) het boek; — it lirre ouverl (spr. n liwr\' oewèr) naar het open hoek; Muz. naar voorgelegde noten, van \'1 blad, b. v. onmiddellijk of voorde vuist spelen; — Hvre hlunr (spr. —bldii) oen boek van wil onbeschreven papier; — I. en blnnc (spr. an bldii) een oningebonden boek ; — /. de difpense (spr. —dcimiis\') een boek van uitgaaf; — /. de mise el de rerelle (spr. —miez\' e d\'rcséll\') een boek van ontvang en uitgaaf;

— /. rouge (spr. roczj\') liet roode boek, het register dor geheime uilgaven vaa bet fr. hof, Inz. onder Lodewyk X\\ en 1.odewijk XVI; — livret, n. (spr. litvrè) een boekje; aanteeken-boekje; spaarbankboekje; boekje waarin voor werklieden, militairen enz. wordt opgeschreven, wat zü verdiend ea hoeveel zij er op ontvangen hebben; gedragboekje; —/. d\'ouvrier, boekje vanwege de politie uitgereikt aan haadworks-gezellen, waarin aaageteekend wordt den naam des houders, /.yn verschillende verbintenissen


-ocr page 748-

LOCULAMENT

728

LIVRE

1)Ü werkgevers, enz. (In Kninkrijk en Dullscli-land).

Livre, n. fr. (spr. liwr\'; van hel lal. libra) oen pond, hel oud-fr. Ilvre, verdeeld In Id on-ces, l*is gros, ililti grains = 489,!i0(lgram; ook eene voormalige rokenmiint, Ihans = frank (z. aid.); in Engeland livre sterling, z. slerllng-, — livre tournois, z. lour-n o I s.

Livrei, f. (fr. livrée, \\. livrei\', leveren; 11. livrea, sp. libréa) elg. geleverde kleeding; dlensl-kleedlng, kenneiyke dracht der bedienden van voorname lieden; ook do hof- ot lyikleur; de gezameniyke bedienden van een heer ; eene ge-Hjkvormlgc of geiykkleurlge kleedg.

livre rouge, livret, z. ond. Ilvre.

lixivia, f. of lixivium, n. lal. hel loog; — lixiviatie (spr. I=s) f. de ulllooglng; — sa/ lixivium, loogzonl.

Lize, vr.naam, verkorting van Elizabeth (z. aid.)

Ljubow, f. russ. (spr. Ijoebof: v. Ijubilj, beminnen) de lieve, russ. vr.doopnaam, als afk. L] uba.

Lk., by natmirwelenseh. benamingen afk. voor M. F. I.lnk (gest. 1851).

Llama, z. lama.

Llano, m., pi. llanos, sp. (spr. Ijano(s) d. I. in \'talg. vlakten, v. \'I lal. planus, ellen) ontzettend groote boomlooze vlakten in /..Amerika; — llanéros, m. pl. de herders, die deze vlakten bewonen.

Lloyd\'s of Lloyd, m. eene Instelling voor den zeehandel Ier verzekering tegen zeegevaar en ter inwinning van schocpstUdlngcn, die haren zetel heeft In eene reeks van kamers der Londensche beurs en gevormd Is door eene ver-eeniging van schecps-assuradeurs {umlerwrilers, d. I. onderteokenaars); zoo geheeten naar Lloyd\'s koffiehuis, In \'twolk in de vorige eeuw de scheepsmakelaars enz. bUeenkwamen, omdat het In de nabUhcid der beurs lag; ook eene soortgelijke verzekering- en stoomvaart-raaatschappU sedert lH:i;i te Triest; oosten-rUksche Moyd of 11. IJnyil amlriaco geheeten; in Odessa sedert is.\'iil; Russische Lloyd, en in Bremen sedert I8quot;gt;7: Noord-du 11 sche Lloyd geheeten; — Lloyd\'s-lijst, f. of enkel Lloyd, een nieuwsblad vooi\' handel en scheepvaart, hetwelk te Londen en te Triest uitgegeven wordt.

Lmk., bü natuurhistorische namen afk. voor J. l(. A. P. Monet de Lamarck (gest. 184«),

Loa, f. sp. (elg. lof, v. lat. lans, gen. lau-dis) op hel spaansche tooneel; een voorspel, een klein tooneel- of blUspel, dat voor een grooter stuk wordt opgevoerd en den inhoud daarvan aankondigt (zoo genoemd, omdat deze stukken iillijd lol onderwerp hebben den lof van de personen, aan wie zy zyn loegewyd).

Load, n. eng. (spr. lood) de last, eea eng. maat voor planken, delen enz. van verschillenden inbond al naar de dikte van het hout.

Loafer, m. eng. (spr. hifcr: v. hgd, laufen) oorspr. een bedelaar en landloopor, lazarone; nu een ledlglooper en twistzoeker, kwartjesvinder, boerenbedrieger, sedert ongeveer ifl Jaren In de groote sleden van de Vereenigdo Staten gebrulkeiyk (vgl. rowdies).

lobos, m., pl. lobi, nw.lat. (v. \'t gr. lobos) Bos. lobben, zaadlobben; — lobiili, pl. kleine zaadlobbon; — lobalus, a, urn, lat. Bot. gelohd;

— lobelia, f. (fr. lobélie) een talryk planten-geslaclit uit Z.Amerika, tot do klokhloemen bo-hoorende.

loca, locaal, locabel, enz. z. ond. locm.

Locanda, f. it. (v. \'t it. en lal. locare, verburen) eene ie huur zynde kamer, een huur-vorlrek; eene herborg of logement in llalie en Griekenland; —locandiéra, f. II de waardin, do herbergierster.

Locarium, locata, locatie, locatief, locator, enz. z. end. locus.

Loch, n. scholsch (cell, gad.-lersch Inch: vgl. hel dullsche lache en het lat. lacus) een meer.

Lochïen, f. pl. gr. {lochia en locheta, v. lóchos, bevalling) Med.de kraamzuivering, kraam-vloed, do zuivering der kraamvrouwen na de bevalling; — lochiorrhagie, lochiorrhooa, f. de bovenmatige kraamzuivering; — lochi-oschësis, f. de onderdrukte kraamzuivering;

— lochodochïum, n. eene inrichting tol opneming van barende vrouwen, kraamvrouwenhuls.

loei, z. ond. loens.

Lócket, m. eng. (vorklw. van lock, slot) een slootje, haakje, armband; nok z. v. a. medal 11 o n.

Lock-out, m. eng. (elg. ultslulling) het tegengestelde van de werkstaking (ijrève, strike) n.l. het gemeenschappoiyk staken van het werk in fabrieken, enz. dom- de ondernemers, soms ten einde loonsverlaging door te zetten, maar meestal als verdedigingsmaatregel tegen de hooge eischen der arbeiders.

loco, lococessie, locofix, z ond. locm.

Locofóco, m., pi. Locofóco\'s, de aanhangers van de party des voorultgangs in ile Vereenigdo Staten van N. Amerika, z. v. a. de mok rat en (sedert I8l)ii zoo genoemd). In eene kiezersvergadering bluschlen de mannen van den achteruitgang, sedert spottenderwys hocopocos (z. aid.) geheelen, de gasvlammen uit, waarop de mannen des voorultgangs de zaal verlichtten door middel van lucifers of wryf-vuurhouljos, in \'I eng. I o c o f o c n-malches geheelen).

locomobiel, locomotie, locomotief, z. ond. locus.

Loculamént, n. lat. (loculaménlum, van loc/this, plaatsje, kasije, kistje) hel vak, de af-doeling, de kas, doos, enz.; — loculalus, a, urn, met vakken voorzien; — loculi, pl. Bot. vakken; — loeulicidus, a, urn. Bot. hok- of vak-verbrekend; — loeulosus, u, urn, vul vakken, bokkig; — loculator, m. nw.lat., de opziener der huishouding.


-ocr page 749-

LOCUPLETEEHEN

729

LODÜ

locupletoeren, lal. (locuplehlre, v. Incu-ples, rijk) rijk maken, verrUkcn, vcrmDerJcrcii; — locupletatie (spr. lie=lsie), f. nw.lut,, de veri\'Uklng, vermecrdorlng.

Incus, in. de planls, hel oord; lucus (ippre-hensiönis, Jur. de plaats der liilioclltenlsnernliiK of aanhouding; locus n r/un, Kml. de plaats van waar, de woonplaats dos wisseltrekkers; lorus ad quem, do plaats waarheen, de plaats des betrokkenen; — locus classicus, m. eene mo-delplaats, hoofdplaats, hewUsplaats In een lioek; I. communis, eene gemeenplaats, een alledaagsch gezegde, eene vaak gebruikte uitdrukking; I. dclicli, Jur. de plaats van de misdaad of liet vergrgp; I. fixus, vaste plaats, hiyvende woonplaats; I. judidi, de gerlehtsplaats; /. nalulis, geboorteplaats. Bot. natuurlijke groeiplaats van wilde planten; I. palmarius, de hoofdplaats, I. parallclus, eene parallelplaats, vergeiyklngsplaats eene plaats van geiyken Inhoud of overeenkomende gesteldheid, li. v. In den bybcl; — qui succldit In Incum, succidil in Jus, wie In eens anders plaats komt, kry^l daardoor ook diens recht; — pi. v. locus: Inca, d. 1. oorden, streken, en loei, d. i. plaatsen uit geschriften, ull-drukklngen (1). v. Inci clusstci, loei communes, enz.); — loco, In plaats, b. v. loco sigilli, of afgek. (/,. .S\'.) In plaals van bet zegel; loco citato, of afgek. I. c., ook I. I. d. 1. toen laudato, ter aangehaalde plaals (t a. p.); in toen, op dezelfde plaats, ook; hier, alhier; in loco judieïi, op de gewone gerechtsplaats; hoe loco, aan deze plaats; hujus loei, van deze plaals; ad hune locum, op deze plaats; locum tenens, m (tr. lieutenant) een plaatshekleedcr, stadhouder; — lococéssio, f. nw.lal. hel plaatsmaken, W\'Uken, aftreden; — locofïx, adj. plaatsvast, op eene standplaats bevestigd; aangewassen; — loeoflxiteit, f. de onbeweeglijkheid, gebondenheid aan eene plaats; — locomo-biol, adj. voor plaatsverandering vatbaar; als subsi, locomobiel of loeomobilo, f. eene verplaatsbare (zich niet op rails bewegende) stoommachine; — locomobiliteit, f. be-weegHjkheld, verplaatsbaarheid; locomö-tie (spr. I=ls), f. de plaatsverandering, voortbeweging; — locomotief, adj. plaalsveran-derend, vrU beweegbaar; ook plaatsverandering of beweging bewerkend, vandaar als subsi.; locomotief, f. de stoommachine, die zichzelf op rails voortbeweegt en lot beweging van rytulgen of wagens wordt aangewend, de stoomwagen, -trekker; — locomotiviteit, f. vrye beweegbaarheid; - locotenentie, f. de plaats-hekleedlng, bet sladhonderschap; — locaal, adj. (lat. locnlis, c), plaatseiyk; met eene plaals en hare gesteldheid overeenkomstig, er loe be-hoorende, daar aanwezig of gelirulkeiyk; als subst. lokaal, n. de begrensde, tot een zeker doel Ingerichte ruimte, b. v. zaal, gebouw, en dergel.; — locaal blad, n. een plaat-seiyk blad, de stedelyke couranl, een dagblad dat zlcb hoofdzakeiyk met plaalselyke aangelegenheden bezighoudt; — locaal karakter.

n. ile eigenaardigheid of byzomlere toestand der plaats; — locale catalogus, m. lysl waarop de standplaatsen der boeken eener bibliotheek aangegeven zyn-, —locale klour. Plet. de plaatskieur, eigenaardige en naluuriyke kleur van een voorwerp, waardoor het zich, ten opzichte der plaals, die het in de schildery beslaat, van alle andere voorwerpen onder-scbeiill; in de letterkunde; juiste voorstelling der handeling, zoodal alle byzonderbeden medewerken om hoorder of lezer te verplaatsen in don lyd en de plaats der handeling; — localien, |ii. in Oostenryk; zielverzorgersla-tlons, die uit te omvangryke parochiën sedert Jozef 11 ontstaan zyn; — localisten, pi. {capellcini locales) de zielverzorgers daarvan;

— localis, (sell, casus), of locatief, m. Gram. de plaatsnaamval, een eigenaardige naam-valsbulging der naamwoorden in sommige talen, o. a. in de siavonische; — localisee-ren spr. s=t), plaatselijk maken, een plaats aanwyzen of tol eene bepaalde plaals, liln-nen zekere grenzen beperken h. v. een oorlog, eene uitbrekende ziekte localiseeren;

— localisatie, f. (spr. -za-tsie) plantseiyk-making, plaatsaanwyzlng; begrenzing, beperking; — localiteit, f. (later lal. Inenfflas) de plaalselUkheld, plaatsgesteldheid, de ruimte; vertrek, kamer, zaal; — locaiïter, adv. met betrekking lot de plaats; — locarïum, n. lat., de buurprys, het pachtgeiil; loceeren, (lat. loeare), op eene plaats stellen of zetten; uilzetten; b. v. geld; verhuren, verpachten; de scliuldeiscbers van een concours-massa ordenen; —locabel, adj. nw.lal., geschikt voor eene plaats, niet strydig met de naluur eener plaats; — locabiliteit, f. de geschiktheid voor eene plaals; — locata, n. pi. vakken, hokjes voor gescluiflcn, boeken, euz., loket ten; locatarius of fr. lo-cataire (spr. —tér\') de huurder, pachter; — locatie (spr. I=ts), f. (lal. IncaCfo) de plaatsaanwyzlng, sieiilng, regeling; de verburing, ver-pacliling; ook de reciiteriyke ullspraak, waarby aan eiken schuldeisclier in een concours zyue plaals in de ry der schuldvorderingen wordt aangewezen; Ineatïo operarum, bet ilienstver-drag; I. opfris, het uithestedingsconiract, waardoor de nitvoering van een werk of onderneming b. v. een gebouw aanbesteed wordt; — locator, in. de verhuurder, verpachler; — locatorïum, n., z. v. a. locarium; — locatum, n. bel verbuurde.

Locusta, f. eene soort van sprinkhanen;

— loensten, pi. eene afdeeiing der sprink-haanachiige dieren (lauii-, booinsprinkbaan, enz.).

Locütie (spr. t—t*), f. lal. {Incutw., van loiiui, spreken) de uitdrukking, spreekmanier, spreekwyze; — locutorïum, n. nw.lal., de spreekkamer, spreekzaal in kloosters.

Lodagales, f. pl. vioeiliare siykmassa\'s, door vulkanen uilgeworpen (in Amerika).

Lodd., by natuurvvetenseh. namen afk. voor K Lodülgcs te Hackney by Londen en


-ocr page 750-

LODE WIJK

730

LOGOS

/.(jn helde zonen (gestorven ixltl en lui»),

Lodewijk, iioouil. Ludwig, {oudd. Illudwiu, uudfiiink. Chlodowkh, Chlodioiu. van hlud, rIhml, luid, beroemd, en wie, win, our-Ior, strijd) miinsn.: de In den krUit beroemde held, dappere krijgsman; nw.lal. Ludovl-eus, Ir. Louis; — vandaar Ludovica, Louiza of Louiso, vr. namen.

Lodoïska, f. poolsebe vr.nanm; de volks-beschermster.

Loef, t. (eng. loof, spr. loef) de naar den wind gekeerde zyde van liet scblp (bel legen-gestelde van lü): deloef hebben, hel voordeel van den wind lichbon; onelg.. Iemand de loef afsteken, voordeel op Iemand behalen, lom. voor zijn; — loeven, hu den wind, naar de windzüdo toezeileii; — te loevert, loef-waarts, te loefwaart, aan de wlndzyde.

Loep, z. ond. loup.

Loeris, m. (vanhel veroud. loer, fr. lourd, lourduud, een dommerik, botterik) een oimuo-zelo, of die zleh zoodanig houdt, een ploert.

Loeti of (naar eng. schrgfwgze Looti, m. (arab. Inelhi, elg. een der Heden vau l.ot, een bewoner van Sodom, een Sodomlet, een onbeschaamd en pochend menscb) een perz. potsenmaker, goochelaar.

Lof of Loof, ii. (oudzvv. lop, //gt;//, angels, en oud-eng. lep, ij-1. laup, korf; oorspr. In \'t alg. vat) In Koerland en Lytland vroeger eene graiinmaal = J Rlgasche Ion = liter; ook een gewicht te Riga = 5 I Us pond = ton pond.

Lofne of lofn, f. oudn. Myth, de godin der echt verbintenissen, der verzoening van geliefden.

Log, f. (zw. loim, eng. loc;, d. 1. In \'1 al-gem. blok) een werktuig Ier bepaling van de snelheid of de vaart van een scblp, beslaande doorgaans In een driehoekig, met lood bezwaard plankje aan eene lange Uln, de loglijn, die door knoopen In geiykmatlge deelen Is verdeeld; — bet logboek, het bock Ier opteekenlng van de met do log gemaakte waarnemingen, scheepsjournaal; - loggen (eng. Ion), de log uitwerpen om de vaart van liet schip te melen.

logaOBdisch, adj. gr. (v lónns, rede, en aoidr, gezang) Poel. logaoedische verzen, verzen, waarin de zangerige daktvlische rhvth-mus In den zwakkeren en hedaarderen trochaï-

schen overgaat (b. v.--—--■); —

logarithmus, m., pl. logarithmi of logarithme, f., pl. logarithmen, gr. Ilofi-aiithmns, van loyós, woord; rede, grond, verhouding, enz., en arilhmós, getal) Math, ver-houdlngs- of hetrekklngsgetalten, de exponent of aanwyzer der macht, tot welke het grondtal van een stelsel (gevv. 10) moet verheven worden om eenlg ander getal voort te brengen, kunstgetallen (uitgevonden door den scholscben baron Napier of Neper, en door lirlggs naar het gewone talstelsel bewerkt), door welke ile vermenlttvnldlglngea, de deelingen, mai\'lilver-hetlingen en worteltrekklngen op eene eenvoudige en zeer verkortende wyze worden uitgevoerd ; — logarithmen-tafels, een hoek, dal die kiinslgetalleii geregeld opgeeft; — lo-garithmika, f. de leer dier kunslgelallen; — logarithmisch, adj. tot die getallen behoo-rende, hen hetretlende; - logarithmische lijn, ook logistische lijn, de Iranscen-dente kromme tyn, by welke de ordinaten de logarithmen der absclssen zyn, of omgekeerd;— logarithmisch stelsel, n. de verhlading der logarithmen met de getallen als machten van een en dezelfde basis; — logarithmo-technie, f. de kunst om logaiithmentafels te maken.

Loge, f. fr. (spr. Inozj\'; 11., lougia, mld. lat. login, lonen, v. \'1 oudd. lauba, louba, loubja, mid.lal. luubiu, lohia, hoogd. laube, loof, d. i. oorspr. eene overdekte ruimte of-gang) hut, col, zaal; in schouvvhurgeu; eene afgesloten en overdekte zllplaats, kykvertrekje, schouwburgcel; by vryinetselaars de vergaderzaal, de werkplaats; de vergadering-zelve, de vrymetseiaars-hUeen-komst; elke afdeellng van het groote vrymet-selaars-genuotsciiap; ook de benaming voor velerlei afsluitingen, b. v. de cel der krankzinnigen in dolhuizen; do scheepskamer, kool: het hok dor wilde dieren In menagerliin; in linge-land de portierswoning in een park; uok eeti klein iandbiils; logeeren, (fr. loijcr, niid.liil. logiure) wonen, buisyOsteii, herbergen, t\' huls liggen; Iemand een verbiyf liij zicli geven; — logé, m., logée, f. (spr. imjé), hy of zy, die Iemand bezoekt en hij hem huisvest; — logeabel, adj. (fr. logeable, spr. lozjnbl\'), lievvooniiaar, wel ter bewoning ingericht; — logemént, n. woning, huizing; herberg, nachtverhiyf voor reizigers; Mil. verschansing, bevestiging van een door de belegerden veroverden post; ook de verschanste plaats; — logis, n. (spr. lotji), logies, de woning, huizing, de herberg, hot nachtverhiyf; op schepen liel verbiyf der matrozen.

Loggen, z ond. log.

Logger, m. (van bel eng. lugger, van to lug, trekken, sleepen) zeker soort van snelzeilend vaarlnlg, Inz. voor den krygsdlensl.

Loggia, f. II. (spr. lodzja) v. a. loge, z. aid.; inz. een overdekte gang rondom du iiovensle verdieping van een buis, een galery, In Zvvilserliinil laube geheelen.

Logis, logies, z. ond. loge.

LógOS, m. gr., hel woord, de rede; de vertelling, overlevering; bet verstand, denkvermogen; de oorzaak, grond; hel Woord inliet N. T., d. i. het zelfbewustzyn Gods, do van eeuwigheid af aanwezige gedachte Gods van zieli zelf, die in de schepping als scheppende kracht optreedt en in de opleiding der menschen lot hooger geestesleven in deugd, wysheid en wetenschap; — logiater, in. een geneesheer met den mond, zonder ondervinding, uit de boeken; — loglka, f. (gr. logikè, sell. MohnS: lat. logteu) de donkleor, denkkunst, redeneer-kunsl, do kunst of de leer der govolgtrekkin-


-ocr page 751-

LONG

LOl

731

Ken; de wetenschap der denkwetten of der zuivere Kodnchtoj ook de wotonscliap van het versland of van het kenvermogen in \'I algeni.;— logicus, in. een rcdeneerknndiKe; — logisch, adj. (gr. lói/ihns, lt;■, tim overeenkomstig met de redeneerkunde, daarop gegrond, redeneerkundig, oordeelkundig; — logische anal \\ sis, redeneerkundlge ontleding, onlliin-ding van eenen volzin in zijne logische hestand-deelen of In onderwerpen, voorwerpen en he-palingen; — logisch juist. Juist gedacht, op juiste wyze als gevolg uit iels getrokken;

— logismo, li. (gr. logismós) eene sluitrede des oordeels; — logist, in. (gr. Ingislrs) de rekenaar, Inz. ictterrekenaar, algehraïst; in \'t oude Alliene een dor 10 amhtenaren, die aan de aftredende overheidspersonen rekening over liet geldhehecr nfnamen; — logistika, logistiek, f. do letterrekenkuust, z. algebra, ook de kunst der gevolgtrekkingen; Mil. de wetenscliap, die den Igd en de plaats, welke lol het uitvoeren eener tactische Ijeweging noo-dlg zijn, leert berekenen; —logistisch, adj. daartoe behoorend, Inz. voor algebra (sell;

— logodsedalie, f. liet zoeken en gebruiken van schoonklinkende woorden, de woordenlool;

— logodsedalist, m. een sclioonspreker, gebruiker van fraaie woorden; logodiar-rhosa, f. de overvloed van woorden, wUdioo-pigheid, wateriglieid der rede; logogra-phen, in. pi. (gr. sing, logograplm) schrijvers van volksoverleveringen, benaming der oudste gr. gescliiedsehrüvers; — logogra-phie, f. het schrijven der overleveringen of s a g e n, de oudste geschledscbrUving; — logo-griph, logogriof, f. (vgi. griphi) woord-raadsel, of raadselwoord, letterraadsel, een woord, dat door verzetting of door allating van zijne letters andere woorden geeft, die bedektelUk onischrevcn worden-, — logolatrie, f overdreven vereering van hel woord, van de rede;

— logologie, f. de leer van den logos of het Woord in liet N. T.; — logomachie, f. de woordentwist, woordenstrijd; — logó-machos, m. een woordentwister, woordenzifter; — logometer, m. de betrekking- of verhoudlngmeter; proportie-passer; logo-metrie, f. de leer der woordenmaal; — lo-gophanie, Theol. de vleeschwordlng van hel Woord; — logophoor, m. eene spreekiiuis door waterpasioopende iiuizen In den grond; — logosophie, f. woordenwijsiieid, woordenkennis, grondige kennis der woorden; — lo-gotechnie, f. de wetensciiap der woorden en hunner juiste beteekenis; — logotheot, in. een schrijver (auteur); ook sneisclirilver, de kanselier aan het byzantynsche liof; de wetuitlegger; — logotypie, f. de woordendruk, do afdruk van in hout uitgesneden of gaivano-plastisch vervaardigde drukvormen, die geheoto woorden of letlergrepon, logol y pon, bevallen.

Lol, f. fr (spr. lm-, uit hel lat. lex ontslaan; provene. leg, lei, it. legge. sp. ley), de wel, het gebod, recht.

Loimiater, in. gr. (van loimós, m. pest, smetziekte, en iiilrós, arts) een pestarls; — loimographie, f. de beschrijving eener pest of besmettelijke ziekte; — loimologie, f. do leer van besmetteiijke ziekten; — loimo-p.^ra, f. de pestkoorts.

Loisir, n, fr. (spr. loatier; v. lal. lielre, veil zijn, te kooji zijn de vrije tijd, de ledige tijd; n loisir, op zyn gemak, zonder haast, In ledigen li|d.

Lok of looch, m arab. (/cr ock otloe\'oek, eig. eene artsenij, die gelikt wordt van la\'ika, likken) het borstsap, likkejiot voor de horst.

Lokao, 11. chin, eene eerst sedert tslit; bekend gew orden verfstof, ilie in China uil een boomhast iiereid wordt en enkelvoudig oorspron-keiyk (niet uit blauw en geel samengesteld) groen bevat.

Loke, liever Loki, m. oudn. (vgi. ysl. logi, vlam) Myth, de verpersoonlyking van het vuur in zyne verderfeiyke werking, een wezen, even schoon van voorkomen ais snood van inborst; by was onder anderen de oorzaak van Haiders dood en werd daarvoor door de goden zwaar gestraft. In latere herinnering bleef zyn naam den boozen geest in \'I alg. beduiden, den god der verwoesting, die zich door leugen en bedrog ondersciicidl.

Lokiëc, m. pooisch (spr. geuit. pl.

lokei, eene poolsche ei = 0,571) nieter.

Lolharden, Lollardon, z. I o 11 a r-d I s t e n.

Loligo, ii. cal mar.

Loliuin, n. lat. Bol. dolik; — loliine, f. Chem. dolikhitter.

Lollardisten of Lolhardisten, m. ld. sedert de tide eeuw de naam van verscheidene vrome genootscbajipen van leeken, die zicii Inz. de verzorging dor zieken en de begraving der dooden ter taak stelden; liet eerst ontstaan In de Nederlanden, later ook in Duiisch-land. (Iluniien naam leidt men af van lollen, lullen, d. i. zacht en dof zingen, omdat zy by ile begrafenissen een treurig brommend gezang lieten hooien); ook de spotnaam der aanhangers van Wicklille in Kngeland (lollards).

Lombard, m. fr. (spr. lontinr; van de Lombarden, il. 1. bewoners van Lombardye in Opper-llaliC [ontstaan uil den oudduilschen volksnaam Longo ba rde n, z. aid], die als aanhangers der Ghllilliynen naar Frankrijk moesten vluchten en aldaar hel eerst zulke inrichtingen vestigden) eene bank van leening, een pandhuis, gew. lommerd; — lombardi-sche school, de beroemde schilders uil Lombardye en Hologna van de Hide lol de INde eeuw, ook boloneesche schooi geheeton.

Lomberen of lomberspel, z. hombre (D.

londres, jil. fr. (sjir. Inmlr\' naam van de stad Londen, waarnaar verschelden soorten van lakens, sigaren, enz. genoemd zyn; vroeger een soort galei, ion der (11. Inuilra).

long, adj. fr. en eng. (van lat. longm, a.


-ocr page 752-

LORGNEEREN

732

LONGA

um) lann 1). v. fr. laine lon(jue, elR. Innu iimnl (spr. oo=oe), kumwol.

Longa, f. Muz. de Inngo noot van \'■ so-hcele tonen, in do oude kerkmuziek.

Longaevitoit, r. lat. (longaevitas, v. /nn-flus, it, um, lang) liet lange leven, de lovens-lennte, langlevendheld, liooge ouderdom, bejaardheid; — longaniem, adj. nw.lal. (v. Innqus, laiiR, en animus, geest, gemoed) lankmoedig;

longanimiteit, f. de lankmoedigheid;

— longe, t. tr. (s|ir. loiizf: afkorting van allonge, z. ond. al longe eren) de leireep van den toom eens paards; de lange lyn, waaraan men \'I paard in den cirkel iaat draven;

— longeeren, fr. (Inmjer, spr. Iniizjéeren) langs een voorwerp heen gaan; —/oiif/f/\'o/iiw, n, um, lat. Bot. langhladerig; — longiraanus, adj. lat., langliandlg (hUnaam van een perz. koning Artaxerxes); — longimetrie, f. lat., gr., de lengtemeting, de meling der rechte iy-nen, een gedeelte dor meetkunst; — longissimus, ii. um, lat. zeer lang; — longitüdo, f. lat., de lengte, inz. do geographischo (z. aid.);

— longitudinaal, adj. nw.lal.. de lengte hetrellend, in de lengte; Ion gil udina ie graad, lengtegraad; longitudinale magneten, langwerpige magneetstaven, hy welke de magnetische polen zich aan de het verst van elkander af gelegen einden bevinden (bet togengest. van laterale magneten).

Longchamp, n. fr. (spr. loiisjaii, van lonq, lang en champ, veld) oorspr. eene voor wedrennen gebruikte vlakte la hel liois de Boulogne te Parys; vandaar in bet algemeen: wedren, renbaan.

Long-cloth, n. eng. (spr. —kloos\', met geaspireerde s) een gewone grove katoenen stof;

— long-ells, pl. eng. gekeperd eng. Hanoi.

Longobarden, m. pi. (lal. Lomjnbardi,

eig. Lannobardi, d. 1. iangbaarden) een ilull-scbe volksstam, die eerst aan de Neder-Klbe, omtrent het l.uneburgscbe, en later in Opper-llalie woonde (vgl. Lombard).

Long-royal, n. fr. (spr. —roajaal) eng. papier voor kopergravures; — longshawl, eng. z. ond. shawl.

Longuette, f. fr. (spr. Innui1! ,■ v. lonnucl, langwerpig) een langwerpig druklapje of kom-presje op wonden.

Lonicère, f. fr. (nw. lal. loniclirw, door l\'lumier dus genoemd Ier eere van den na-iuuronderzoeker Adam I.on 1 cer, (gest. 1S8#), geiteblad, boe-langer-hoe-llever, een plantengeslacht van onderscheidene soorten (vgl. capri-f o 11 u m).

Lónja, f. sp. (spr. loncha) galery, zaal (vgl. loggia).

Looch, z. lok.

Lood, n. een gewicht in Ncderiaad = , JT tied, pond, Ifl wicbljesof gram, I decagram; liet oude amsterd. lood was = amsterd. pond of l,5il nieuwe looden.

Loof, m. (= lof, z. aid.), in Riga eene voormalige korenmaat = 118,8(15 liter, in Kevai

= 12,373 liter; — looper, m. eene oude ko-renmaat In Friesland = j1,, last, op Texel = last.

Look, eng. (spr. lonk) kyken; — lookout, m. de uitkyk.

Loom, m. eng. (spr. loem) de weefstoel.

Loon, m. eng. (spr. loen-, deensch loom, zw. lomm, lomma, lumbe, oudn. hlmr, duitsch lohme) een eenzaam levende soort duikervogel aan de Hudsonrivler ia N. Amerika, lom {Columbus arclicus),

Looti, z. ioeti.

Loquaciteit, f. lat. [Inquacftas, v. loquax, praatziek) de praatzucht, de snapachtigheid, liet gesnap, gekai.

Lorcha, f. een chineesch kustvaartuig, naar een earopeescli model in China zelve gebouwd, en zoo geheeten naar eene portugeesche bezitting, tegenover Hong-kong.

Lord, m. eng. (uil bet angels, hldf-ord, dus oorspr. broodheer, v. hlaf, brood, en nnl, oorsprong, aanvang, hoofd, aan de splls staande of vëard, de wachter, bewaarder; vgl. lady; dus: van hooge afkomst) in de toespraak My-lord (van my, myn), lieer, de eeretltel van den hoogen adel in Kngeland; ook de titel van verscheiden hooge staatsambtenaren en van de bisschoppen der eng. kerk welke laatste lords siiirilual, d. i. geesteiyke heeren, genoemd worden; vandaar: cotton-lords,eng. rykebezitters van katoenplantages en in navolging daarvan suikerlords, nederl. ryke bezitters van suikerplantages in Indiü; — lord-high-steward, z. steward; - lord-lieutenant, in. (spr. kv-tén-enl) titel des onderko-nlngs van Ierland; — lord-mayor (spr. —méjür), beer burgemeester, titel van den eersten burgemeester te Londen en York; — lord-provost, in. titel van den opperburgemeester van Edinburgh; lordship, f. lordschap, titel hy iiel aanspreken van een lord.

Lordosis, f. of lordöma, n. gr. (van lordóen, naar voren buigen, lordós, naar voren gekromd) het naar voren gekromd zyn van de ruggegraat, de voorwaarts gebogen houding des licbaams, de uilpuiling van het borstbeen; — lordötiseh, adj. voorwaarts gebogen of gekromd.

Lorelei, f. volgens eene latere uynsage eene soort sirene (z. aid.); vandaar: eene wonderscboon zingende vrouw.

Lorétte, f. fr. een meisje van lichte zeden ie Parys, eene wat voornamer, maar op verre na niet zoo oaschadeiyke soort van grisette (z. aid.), zoo genoemd naar de kerk Notre Dame de Lorelle, iu welker nabyheid zy veelal wonen; z. v. a. cocotte.

lorgneeren, fr. {lorgner, spr. lomjeeren; van het mid.hgd. Itiren, zwltsersch laren, luren, loeren) belonken, begluren, bespieden; inz. door oogglazen bekyken, ook lorgnetteeron;— lorgneur, m. (spr. lornjéür) een bespieder, begluurder; — lorgnette, f. (spr. lornjéll\') het lorgnet, een kleine verrekyker, tuurglas.


-ocr page 753-

LOW

733

LOU I

zakkUkoiiJo, liaiidKluusJc, toonoolkUker (In het nedcrl. verslaat men onder lort!nel gemeenlijk een paar oogglazen voor lilj/.lenden, niet als een lirll om op te zotten, maar om voor de oogen te houden: binocle)\', — lorgnon, 11. (spr. lornjóh) een eenvoudig vergrootglas, hrll-leglas (monocle).

Lori, m. (hlndost. en malelsch noeri of loert, javaansch nóri,■ In het sp. Is /«co, port./ouro, de henainlng van alle groolere papegaai-soorten; het nederl. lorre schynt er van afkomstig) eene soort van prachtige, groote papegaaien op de Molukken (Psillacus lory); — z. ook 1 o r 1 s.

Lorica, f. lat. (v. lorum, riem) een horst-harnas, pantser; — loriceeren (lal. loricïïre) hepantseren; Ghom. glazen met kiel enz. omgeven, opdat zü hg het gehrulk In het vuur niet springen; — loricatie (spr. /=/«), t. zulk een hekleedsel.

Loris, lori, m. N. M. eene soort van m a k 1 of luiaard op Ceylon, van de grootle en kleur van hot eekhoorntje; oen honle shawl.

loro, Kmt. hunne, h. v. conlo loro, hunne rekening.

Lorrie, lory, z. I o w r y.

Losango, f. fr. (spr. loianzj\') Ceom. de ruit, scheefhoekig vierkant, rhomhus; — en losange (spr. oh—) ruitvormig.

Loss, n. eng. verlies, verlegenheid; nerer (spr. ncv-ver) at u loss, nooit In verlegenheid.

Loterij, ■/.. ond. lotto.

Lotharius, ■/.. I. ut her.

Lötie (spr. l=ls), f. lat. (lotto, v. lavUre, wasschen) de wasschlng, afwasschlng, afspoeling; Chem. het wasschen van ertsen, aarden, asch, enz., de zuivering; ook lotuur, f. (lat. lohira): — lolurw, f. pl. waschmlddelen; — lotion senile, f. fr. (spr. losjoü sckrèt\') elg. geheime wasschlng, een middel tegen venerische besmetting.

Lotmm, n. lat., de pis, urine.

Lotje, verkorting en verklw. van Charlotte, z. end. Char los.

Lotophagen, ■/.. ond. lotus.

Lotto of lottospol, n. (van \'til lullo, oorspr. het lot, oudd. hlöz, \\. \'t goth. hlauls) de nommer- of getallenlotery, het kienspel, oen zeker gezelschapsspel; ook een zeer vorderfolgk kansspol; — loterij, f. (fr. loterie, van lol, aandeel, lot, prijs) een kansspel, waarby men voor zekeren Inleg een briefje, lo t orU-b r Ie f j o, ontvangt, voorzien met een nommer, van welks uitkomen het al of niet trekken van oenen prys afhangt.

Lotus of lotos, m., lotusboom, gr.

(lotos) de laaf- of voedselboom, naam van verschelden boomen, die eene voor monsch en vee voedzame en lavende vrucht dragen, inz. eene plant, die den Ëgyptenaren en Indiërs heilig was, de egyptischo waterlelie; steenklaver; ook de naam van verschelden schoone water-lollen; — lotophaag, m. lotus-vruchleler, In/., aan de kusten van Afrika.

Lotuur, z. ond. lot Ie.

Loud., by natuunvetensch. benamingen afkort Ing voor (;. Loudon (gestorven 1843 .

Loué (spr. loe-é: part. v. louer, verhuren, huren) fr. vorbuurd, bezet, enz.; — loueur, m. verhuurder; — loueuso, f. verhuurster.

Louis, f. (spr. loe-i), z. v. a. I,odewijk (z. aid.); tegenwoordig do gewone naam voor mannen, die bemiddelaars zyn voor ongeoorloofde verhoudingen of bandellngen van verdacht allooi z. v. a. koppelaar, begeleider van een dame van lichte zeden, die door deze wordt onderhouden en haar allerlei diensten bewyst; — louis blanc, m. elg. wille f.odewyk, eene fr. zilvermunt onder l.odewyk XIII; — louis-d\'or, afgek. Ld\'or, een gouden l.odewyk, de nieuwe It gl. 112 cl., de duhboie na nsti = a gl. si cl ; — Louise, Louisa, t. vr.naam van l.onls.

Loup, m. fr. (spr. loe: van \'I lat. lupus de wolf; eene mom van zwart lluweel tot bescherming van \'t gelaat bij strenge koude; eulre chien el Inup, z. Inter canem et lupum; (ƒ«««(/ on jidrle du loup, tin en voit lu queue (spr. kaidon pari\' du Ine onnah wnd la keu) als men van den wolf spreekt, Is bij dicht by (elg. ziet men zyn staarl = lupus in fubula.

loup-garou, m. spr. —(jaróé) de weerwolf; — loupe, loep, f. elg. een wolfsgezwel, kringvormig gezwel onder de huid; vgi. I u p ia, onder lupus; ook een knoest; uitwas aan boomen; voorts wegens de overeenkomst van vorm: een handvergrootglas, oogglas; do eenvoudigste microscoop.

Loupiac, m. fr. (spr. loepiak) een wille muskadelwyn, uil de omslreken van Montpelller.

Lour., by naluunvelensch. benamingen afk. voor Juan de Louraro (gesl. HDIl).

Lourderie en lourdise, r. fr. (spr. loér—, loerdiet\'; van lourd, zwaar, plomp) de plompheid, onhandigheid, een lompe streek.

Loure, f. (spr. loer\': oudfr. de doedelzak, van ysl. liidr, deensch luur, hordersllult) een fransche dans van ernstige en langzame beweging.

Lourens (nw. lal. Laurenttus: v. laurus, lauwer) mansn , do met lauweren bekranste, de gelauwerde.

Loutre, f. fr. (spr. loelr\') visehollor, otter. Louvre, n. fr. (spr. locwr\': naar men wil van het rnid.lal. lapara, omdat het oorspr. eene menagerie voor wolven zou geweest zyn, die de koningen van Frankryk lor dooding van bol wild er op na hielden; de toren I.upara werd in 140! gebouwd) het oude konlnkiyke palels Ie 1\'arys; de eer van hel l.ouvre hebben, beleekonde vroeger; In alle konlnkiyke kastoelen vryen toegang hebben.

Love, f. eng. (spr. luw\') liefde; —love-lace, m. (spr. luv\'lees) naar den roman Clarissa (van Hlcbardson) den naam van een door zyne honilnnoiykhold voor bet vrouweiyk ge-slacbt zeer govaariyk man; — lovely, adj. (spr. luv\'li) lleliyk, hemlnneiyk, sierlyk.

Low, n. (deensch lor, eng. law, wel) een Julsch wetboek xip hel schiereiland Julland . Löw. of Loow., by natuurhislorlsche be-


-ocr page 754-

LUCRETIA

«

LOW-LAND

734

immlnpen iifkortliii; voor II. Low (entomoloog, (test. IS7I)).

Low-land, eng. (spr. In—) Imij! Inrul (In legenst. met tilgli-lnnd).

Lowry, f. eng. (spr. hiri, van low, Inag) eon Ipoorwog-lastwugcn, een lage, open, van een kleinen rand omgeven spoorwagen tol ver-voor van kolen, enz., meestal .quot;10110 kilo lading dragende; een dub hele lowry met tooon kilo laadvermogen.

Loxarthros, m. gr. (van loj-iis, e, tin, scheef) Med. de sclieetheld van een of meer leden; een seheeve; — loxodromie, f. of loxodromïsche lijn, de lun van den scliulnsclien loop of koers (van een schip), eene kromme lijn, die al de meridianen des aard-hols onder dezelfde seheeve hoeken snUdt;vgl. 0 r t h 0 d r 0 m I e; — 10 x 0 d r 0 in I s c h e tafel s, naar welke men den koers van een schip kan berekenen; — loxokósmos, m. een aslro-nomlsch werktuig om den loop der aarde om de zon en do wenteling der aarde om hare as en de daaruit voortvloeiende verschijnselen aan-schouweiyk te maken; — loxophonisch, adj. scheef klinkend, wanluidend; — loxo-phthalmisch, adj. scheelooglg.

loyaal, adj. fr. loyal: van \'t lal. leualis, wellelUk, v. lex, genlt. legis, wel, fr. loi) rechtmatig, plichtmatig, echt, onvervalscht; rechtschapen, hraaf, getrouw, gehoorzaam, oprecht, rond en eerluk; — loyaliteit, en fr. loyau-té, f. (spr. Inajolé) de pllchtniallgheld, getrouwheid, onderdanenlrouw, gehoorzaamheid aan de wet; eeriykheld, rechtschapenheid; — loyalist, m een getrouwe-, ook z. v. a. royalist, Inz. wie In den noord-amerlk. vrijheidsoorlog des konings zaak getrouw of een aanhanger des konlngs hleef.

Loyds, z. Lloyds.

Loyoliet, Loyolist, z. Jezuïet.

Loza, f. sp. aardenwerk.

Lua, f. (van luëre, wasschen, reinigen) de godin der reinigingen hU de Ilomelnen, aan welke men den op de vüanden hehaalden hult offerde. Men houdl haar voor een met Diana of N em e s I s.

IikiI in corpore {qui nou hnhet in noce), lat. Jur. met het lijf hoete hü (die niet met geld kan helalen).

lubilum, z. libilum.

Lubricantia (spr. /=/.«), n. pl. lat. (van lubriran1, gllhherlg maken, lubrfcus, glad, gllh-herlg) Med. smerig, glad, glibberig makende middelen; vuile, onzedelijke dingen, prenten of geschriften; — lubricatie (spr. I=ls), f. nw.lat. of onregelm. lubrifleatie, f. de gilb-herig-making; - lubriciteit, f. nw.lat. de gilbborlgheld; grove zlnneiykbeid, geilheid; — lubriek, adj. geil, oaluchlig; — Inbri-factour, in. lat. fr. de gilbherigmaker, toestel l(d zelfsmering van machines.

lubsch, adj. van Lubeck, h. v. marken lubscb.

Lucarne, f. fr. (v. \'I lal. lucernu, lamp.

v. lucêre, iiebten ; golh. lukarn, lersoh luaclmrn) een dakvenster, kapvenster, zolder- of vliering-raampje.

Lucas, mansn.; de lichtende, lichtvolle, beroemde; een der 4 evangelisten; — lucas-brief, een blad papier met zekere formulieren, als amulet des hUgeloofs.

lucérnu, f. lat., een licht, eene lamp, kaars; lucérnam old, bet i\'lekt naar de lamp, d. 1. bet is met zorg bewerkt; — lucernaten, m. pl. godsdienst-gezangen der eerste christenen, die hü lamplicht vergaderden.

Lucerne, z. luzerne.

Luchtballon, z. ballon en aero-slaat; — lucht- of atmosphserische elektriciteit, luchtbarometer, z. elektriciteit.

Lucia, Lucianus, z. ond. Lucius.

lucide, adj. lat. {lucfdus, van ha-, genlt. h\'icis, licht) helder, klaar, lichtend, glanzend, slralend; — luaila inlenallu, pl., z. Interval;

— luciditeit, f. nw.lat., de helderheid, door zlchtigbeid; ook: helderheid van geest.

Luciehout, n. (fr. bnis de sainle Curie, houl van de heilige Lucia) eene witte, harde houtsoort van den wilden of drulf-kerseboom (mali ale li) in Frankrijk en Engeland, dat lot kunstwerk wordt gebruikt ; —- Lucie-water, z. v. a. euu ile Luce, z. ond. euu.

Lucifer, m. lal. (van lux, genlt. /«cis, licht, en ferrc, dragen, brengen) de llchlaan-brenger; de morgenster, naam van Venus als planeet, wanneer zij vóór de zon opgaat (vgl. hesperus); ook de duivel of vorst der duisternis (ten gevolge eener allegorische verklaring eener plaats van Jesalas, volgens welke do met de morgenster vergeleken koning van Babyion voor den duivel wordt verklaard); ook wrijfvuurhoulje, wryfzwavelslok (met een chemisch pneparaal aan het uiteinde, dat bU wrijving ontbrandt); — luciferianismo, n. de-leer van Lucifer, een bisschop der ideeeuw, die allen omgang met ketters verbood;—lu-cifügen, m. pl. (lal. lucifügi) llchtschuwen, zulken, die hel daglicht niet verdragen kunnen;

— luciméter, n. lal.-gr., de ilchlmeter, z. v. a. photometer; — Lucina, f. lat., de llcblaanbrengsler, helpster, bunaam van Diana of van Juno als gunstige godheden bU hel kinderharen; — lucinóctisch, adj. Bol. des nachts zieli openende en by dag zich sluitende (van bloemen)

Luciodónten, pl. lal.-gr. (van hel lat. lucfus, de snoek, gr. lykos, en het gr. odoes, genlt. odiintos, tand) versteende snoektanden.

Lucius en Lucia of Lücie, lal. (van lux, genll. lucis, licht) mans- en vr.naam: de veriichie, hy zounenopgang of by dag geborene; — Lucianus en Lucüvna, mans-en vr.naam; — luciaanskruid, Bot. wolverlei, valkruid, bergweeghree, een nullig art-senygewas.

lucratief, adj., z. ond. lucrum.

Luoretïa (spr. I=ls), f. lat. (v. lucrum,


-ocr page 755-

LUCRUM 7:J5 LUMEN

winst?) vrnnam: de winnende; Inz. lt;lc nniini der kiilsclid gomnlln van den Komeln Tanjul-nlus Collnllnus, die zich zelve doorstak, nadat zU door Sexlus, den zoon van koning Tarqul-nus Suporhus, was onteerd geworden; vandaar eene kulsche, reine, hoogst eerbare vrouw-, In/., eene preutsche sclioono.

Lucrum, n. lal. winst, voordeel, woeker-, — lucrum cessans, n. ophoudende of onthrekemlo winst, onttrokkon voordeel, winstverlies, Inlioe-tlng der winst; — lurri bonus oilor, sprw.; de geur der winst Is goed, d. I. alle winst heeft een goeden reuk of smaakt goed, alles Is goed, als het maar wat oplevert; lurri causa, ge-wlnshalve; — lucreeron (lat. lucrüri) verwerven, winnen, voordeel trekken, profil ee-ren; — lucratief, a(lj._(lat. lucrativus, a, urn) met winst verbonden, wlnstlielovend, winst-aanbrengend, voordeellg.

lucteeren, lal. {luclarl) kampen, worstelen; luclor el emérgo. Ik worstel en kom boven, Ik ontworstel my aan de baren, het wa-penomschrlfl op de vroegere zeeuwsche munten, op sommige verbasterd In luclor et einén-lor, — luctator, m. een worstelaar.

luctueus, adj. lal. (lucluosus, v. luclus, m. rouw, droefheid, v, luqêre, treuren) kliiaglgk, treurig, droevig.

lucubroeren, lal. (lurufjrore, van hue, licht) bU licht of hü nacht arbeiden-, het lu-cubreeron, de nachtstudlc der geleerden-, — lucubratie (spr. l=ls) f. (lucubraïïo) het nachtwerk, de naclilsludle hij lamp of kaars; ook het liü nacht bewerkte; — luculént, adj. lat. (luculénlus, a, urn) lichtvol, helder, klaar, dulilelljk, oogenschünHjk-, — luculén-tie (spr. I—Is) f. (later lat luculenlm) de helderheid, duiüelUkheld van den druk of der drukletters.

Luculliet, ii. Min. slinkend marnier, een koolznrlgc kalksteen, nero anlico.

lucullisch, adj. weelderig, overdadig, naaide levenswijze van den schali-yken Komein l.u-e u 11 u s, ongeveer 7b vóór Ohr.

Lücus, in. een don goden gewyd bosch, in het algomeea woud; sprw. Incus a nun lucendn, d. I. hel bosch heet lurus, omdal liet er nicl licht In is (non lurri); spollend gebruikt van plillologen, die zich afsloven om ongerUmde alleidingen nf ongepaste bcnamingon op te sporen.

Lllddioten, m. pl. In Hngeland dezulken, die door planmatige vernieling van het ma-chine-wezen zli-h uit hun broodeloozen toestand zochten Ie redden (naar hun eersten aanvoerder l,ii dd).

IxuU cirsénses (v. liulus, spel; school) z. cIlse n sis c lie spelen, ond. circus; — ludi scenïci, looneelspelen -, — ludi i/ladialorïi, zwaard-vechlersspolen in hot oude Rome; — ludi-rnaglstor, m. lal. een schoolmeosler; - Indus lilerarfus, in. eene leerschool; — ludiflceo-ren, lal. {ludifieüri) foppen, beethebben, bespotten, voor den gek houden, li(i den neus lelden;—ludiflentie (spr. 1=1.1) f. de bespol-tlng. fopperü

Ludmilla, f. slav. (oudbolieomsch Ludmila, nu Lidmiln) vrouwennaam; de hij liet volk lic-mlnde.

Ludolf, m. oudd. (Illudnlf, onlsl. uit hlud, hlul, riiein en wolf, gotli. vulfs, de wolf; vgl. Adolf, Kiidol f) mansn.: de roemwolf, de roeni-bcjager, de roomgierige; — ludolflaansch getal, het merkwaardig gelal, dal de lenglo des clrkelomtreks liy benadering uitdrukl, wanneer de mlddellüii =\' 1 wordt gestold, zoo ge-heeten naar Lndolf van Keulen, die hel in ISSH tot :iquot;) decimalen berekende (z. oud. diamet e r),

Ludovious, m. nw.lat. (fr. Louis) i. Lo-dewük; vandaar Ludovica, Louise, f. vr.naani.

Ludw., by naluurw-elensch. benamingen afk. voor C. G. I.udwig (gesl. 1773),

IMs, f. lat. de pest; lues pecórum, de veepest; I. veneri\'a, de venusziekte.

Lugdunum Batavörum, n. lal. Lelden; — L. Gallörum, n. lat. Lyon,

Lugger, eng. z logger.

lugubro, adj. fr. (van hot lat. Iwjiilms, v. luiiêre, Ireuron) treurig, bedroefd, droevig, naar; — lugubrïa, pl. lal. rouwkleodoren;— lugubriteit, f nw.lat. de treurigheid enz.

Lukas, z, Lucas.

Lullisme, n. het stelsel van den vermaarden alchemist Kayimind Lu III us. dat clg. bestond ia de kunsl om over alles le spreken, zonder Iels goed te kennen, alsook om van de geringsle sloffen goud te maken -, — lullis-tïsche kunst, kwakzalvery.

Lulov, m. joodsch: een palmtak, die lor viering van hel loofhultenfoosl gebruikt wordl.

Lumachéllo, m. 11, (spr. loemakéllo; v. lumaca = lal. Umax, slak) Min. scholpinarmer met opaaigloed.

lumhagn, f. lat. (v. Iumbus,m. lende) londc-pyn, lendcjlchl-, — lumbaal, adj. nw.lai. do lenden belroffende.

Lumbricus, m. lat. de aardworm, spoel-worni, rogenworin; lumhriri iiiles/inu/es, Med. de Ingewandswormen; - lumbricalo spieren, nw.lat. worinspiercn der vingers en lee-neii; — lumbricieten, pi. versteende regenwormen.

lumen, n., pl. lumïna, lal. (voor lucimen, v. lucrre, lichten, v lux, genit. lücis, licht) een llebl; groote geest, heldere kop; — lumen mu-jus, n. elg. het groolere licht: liet goud, en lumen minor, eig. het kleinere licht: hol zilver (In de laai der oude chemlslcn en alchemlstcn); — lumen mumli, n. licht der wereld, wereld-verlichter, groote geesl, algemeen nuttig geleerde;- lumière, f. fr. (spr. lu-mjèr\') licht; pl. lumières, kennis, kundighodeii-, — lumineus, adj. lal. (luminósus, a, um, fr. /«-mineux) lichtend, helder, Idinkciid, klaar, dnl-deiyk; — lumineoren, verliclilen, verhelderen.


-ocr page 756-

LUSIADEN

736

LUM1E

Lumie, f. il. {lumia of lomia) ceno soort vim kleine, zeer lichte, iiuiir slniiiisnppelen ge-lykende citroenen

Lumps, n. pl. eng. seralDnoorde suiker In groote ürooden, klonipsulker.

Luim, f. Int. (voor lucina, v. lucire, lleh-ten) de maun; ile niHiingoilln, vgl. Dlanii; Chem. de nmini van liet zilver; — lunae dies. Maandag; — lunnelabïum, n. lal.-gr. een niaanslioogtenieter; — lunair of lunarisch, adj. {lun a ris, e) de maan liet rellende; ook zilver betrelfende of daartoe liehoorende; — lu-narium, n. nw.lal. een toestel ter aanseliou-wclijki\' voorstelling van den loop der inaan om de aarde; —lunatie (spr. l=ls) of fr. lu-naison (spr. lunöznii) de niiianwlssellng la hare versclilllende phases; — lunaticus, lal. of lunambulist, nw.lal. m. een niaan-zleke, nachtwiindelaur; ook krankzinnige (inz. eng lunatic, spr. Ijocnellik); — lumttcus morbus, 111. lat. de iniiaiizlekte, vallende ziekte;--lunatiek, adj. maanziek; grillig; eigenzinnig; — lunambulisme, n. nw.lal. de maanzucht, zucht om in den nianeschyn Ie wande-Ion ; — lunatus, u, urn, lal. Bol. maanvormig;

— lune, f. fr. (spr. luim\') de maan; de maand;

— lune ile miel (spr. mjel), eig lioningmiuind: de wittel)i\'oodsweken; — lunétte, f. fr, eig. kleine maan, leis maanvormigs) het oogglas, de hril; do rand, waarin hel glas van een uurwerk gezel wordt; de ooglap dor paarden; go-weifvensler; Fort. brilschans, een klein voor-iiilllggcnd vestingwerk of twee kleine halve manen vóór de graclitschiins (ravelijn); Arch, een half-kringvornilg afgesloten veld aan den muur, hovon (leuren, vensters enz.; ook een half-kringvornilg heeld hoven een grooter altaarstuk ;

— lunifórm, adj. nw.lal. Iialvemaanvormlg;

— lunisólair, adj. nw.lat. den maans- en zonsomloup hetrolfende; — lunist, m. een maungeloovlge, wie veel aan den invloed der maan loeschrytt; — lunüla, f. lal. (eig. kleine maan) eene lialvemaanvomiige versiering als vronwenlool, aan paardentoomen enz.; de halfronde wille vlek aan den wortel der nagels;

— lunüla llipiwcrülis. Math, do ruimte, die hegropen Is tusschen twee clrkelhogen, welker liolle zyde naar denzelfdcn kant gekeerd is; — lunulair, adj. nw.lat. liiilveniaanvormlg.

Lvmch of luncheon, n.eng. (spr. lunlsj en lünlsjen) eig. een groot, dik sink (hrood, sp(|s), naar eng. gehrulk: het tweede (warme) onlhiil legen den middag, vóormlildagmaal.

Lundisten, pl. (spr. lun—: v. fr. lundi, Maandag) sclirijvcrs in de niaandagsche courant.

Lunól of muskaat-lunel, m. een fr. zoele muskaatwyn, naar de geiyknamlge slad in l.angucdoc.

Lunósisch marmer, eene Hal. witte marmersoort, z. ond. marmer.

Lunette, z. ond. inaa.

lunifórm, lunisólair, lunist, lunula, enz. z. ond. luna.

1\'union l\'uil la force (spr. lunioü fè la fors\') eendracht maakt maclil (hel devies van het helg. wapen).

Luno, m. noord. Myth, de Vulcanus der Scandlnavliirs.

luogo, It. (spr. logo, v. \'t lat. locus, plaats) Muz. op de rechte plaats; — luogotenénte, m. eig. stad- of stedehouder, plaatshekleeder, z. v. a. I i cu t e na n t.

Lupanar of lupanarium, n. lat. (v. lupa, wolvin, hoeleerstor, hoor) een hoerhuis, kit, bordeel.

Lupercalïën, n. pl. [Lupercada) het wol-venfeest, by de oude Komeinen gevierd tor eere van 1\'an of I.upércus (den beschutier tegen de wolven).

Lupia, lupine, enz. z. ond. lupus.

Lupulïne, ii,_ nw.lat. (lupulinum, lupu-lino, v. \'t lat. lupuius, lupus, hop) liet gele poeder van de kaljes of vruchtkogels der vrou-wetyko hopplant, en de daarin bevatte eigen hitterstof, die inzondorheid voor het bier gebruikt wordl.

lupus, m. lat. de wolf; Mod. eene om zich vretende kankerachtige zwoer of zulk een uitslag, vretende wolf (lupus vorax); — lupus in fabSla, lat. sprw.; do wolf in de fabel, d. i. als men van den wolf spreekt, is hij niet ver af, of als men van iemand spreekt, komt hy dikwijls onverwacht; lupus non rural tiumerum (ovïum), sprw.: do wolf vreet ook de getolde schapen; waakzaamheid wordt nog vaak bedrogen ; z. ook inler canem el lupum: — lupia, f. nw.lat. Med. hot wolfsgezwel, bours-of zakgezwel; lujita junclürue, gewriclitszweer of -gezwel; lu/iia synovialis artioüli, do ledo-waterzucht; — lupilogie, f. lat.-gr. do leer der bonrsgezwellen; — lupine, f. lat. (hipi-nus, m. en lupinum, n.) hot. eene modlclnale plant van de klasse der dl a de lp lila, mot waaiervormige bladeren, de wolfsboon, vgg- of boksboon; — lupinél, f. nw.lal. de vloesch-kleurlge klaver; (de onrype, atgekookte en gerooste peulen dienen elders als toevoegsel tot de kollle); — lupinïne, f. nw.lal. woltsboon-bltter, eene bittere stof, die uit verscheiden lupine-soorten wordt afgezonderd.

Lurch, m. eng. (spr. lurtsj, eig. loer-, schull-lioek, van to lurch, lurk, loeren) in \'t casinospol: een dubbel te winnen (of te verliezen) spel, hoogd. matsch, ook bredoullie.

Lurchen, pl. nw.hgd. (spr. loerchen) N. H. (volgens Oken), z. v. a. amphlbliin; ook de klkvorschachtlge amphibiën, z. v. a. ba-t rac hl# rs.

luridus, a, urn, lat. Bot. vuilbruin, vuilgeel.

Lurloi, f. (spr. loer—) z lore lel.

Lusciteit, f. nw.lal. (v. \'t lat. luscus, a, urn, eenooglg) Med. hel scheefzien, do scheef-zlchllgbeUl; — luscositeit (spr. s=r) f. de korlzlehllglieid.

Lusiaden, pl. (spr. u=oe) port. (los f.u-siados, d. i. zonen van l.usos, l\'orlugeezen) naam van hel beroemde heldendicht des port. (lichters Cam eens, bezingende de ontdekking


-ocr page 757-

LUSINGANDO

737

LYCIUM

van illt;! ilu Goede Hoii|i door Vasco de Guma.

lusinqando, luslnghevolménle, U. (spr. lm-sienii—, v. lusinydre, violen, prov. lauzengar, van lamdr, lat. laudare, loven) Muz. vleiend, llefkoozcnd, schortsend, lannziiam en slepend.

Lusitanïë, n. lat. (Lusilnnïa f.) een Ke-deelle van \'I oude ITlspanla, het togonwoordlgo Portugal; — lusilanicus, u, urn, lal. Bot. por-tugoosch; — lusitanisch, adj. portugeoscli.

lusorisch, adj. als adv. ook lusorïe, lat. (van luiere, spelen) spelend, kortswülend, lieu-zelend.

Lustraal-water, ■/.. oud. lustre.

Lustre, gow. luster, in. (r. (spr. luustr\'; v. \'t lat. lustrum, met do nieuwe hoteokeuls van glans, v. luslrOre, helder of glanzig maken) glans, lichtglans; roem, pracht, praal, hoerlük-held, luister; kristallen annkroun, kroonkan-dolaar; — lustre, f. engelsche katoenen stof met een weerschijn; — lustrine, f. eenoglanzige züdenstof, gianszydo; — gehrando stijfsel, een lar appreteering gehrulkt verdikkingsmiddel om aan stollen glans te geven -, — lustree-ren, hit. iluslrare) zuiveren, wüden; monsteren, doorzien, hesehouwen; verlichten, holder maken, glans geven; — lustraal-water, wUwnter; — lustratie (spr. Iie=lsie) f. (lustra-tw) pleclitlge zuivering hy de Ouden door ho-sproellugon, optochten en zoenoffers, reiniging, heiliging, wUding; —lustrum,n., pi.lustra, een tijd van S jaren, zoo gelieeten naar liet groote roiniglngsfeesl of zoenoller, dat de c c n-sors l)i| hun nttroden om de ö jaren aan liet volk gaven, luster.

lusus, m. lat. (v. hidfre, spelen) het spelen, een spel; — lusus ingenti, m. lal. een vornuflspei, denkspel; I. nnlurae, een naluurspel, eene speling der natuur.

Lutament, lutatie, luteoren, z, ond. tuin m

Luteolïno, f nw.lnt. (v. \'t lat. luteal as, verkiw. v. tullus, geelachtig; 1 uturn, liet Keelkruid, de wouw) de gele verfstof van de wouw (Reseda tuteula); — tutius, a, um, lat. Hot. geel; — lulenlus, tulescens, Hot. geelachtig, lileekgeel.

Lutetïa (spr. ti—tsi) f. (fr. Lutèce) dichler-lijke naam van Parijs; ook do naam van een In INIii door Ooidschinidi Ie l\'args In hel sier-renheeid den Ham ontdekte pianotoïdo.

Luther,oudd. (H I othar, l,othar, Ghloth ar, v. \'i oudhoogd. hlul, htuil, frank, chluil, roem en hari, hert, frank, chari, lieer, leger) mansn.; de roemrijke legerslrijder; — Lutheranen, Lutherschen, m. pi. aanhangers en heiUders der leer van l)r. Maarten Until e r;—lutheranisme, ii. het lullienlom, de iiithersche geloofsleer; — lutherocalvi-nlst, m.de hithersgezinde calvinist; — lu-thersch, adj. tot de leer van l.uther liehoo-rende, die hetrelTondo.

lutrocephalisch, adj. gr.-lal. (v. \'t lal. Intra, een (dier, en het gr. kclihalc, hoofd) mot don kop van eeiien otter.

VIKIIIIK IIIIUK.

Lutrophilos, m. gr. (v. tatrón, had) een hadheminnaar, vriend van hiidpiaatsen; — lu-trophoor, in. de haddrager, oen knaap, die hadwater draagt.

Lutum, n. tal. slijk, modder; kleefdeeg, kleefstof, iras, cement, loom enz.; — lutee-ren (lat. luturt\') dichtsmeren, met kleefdeeg iuehtdicht maken; — lutulónt, adj. (lat. tu-luléntus, a, um) siijkerig, smerig, onzuiver, troo-hel; — lutamónt, n. (lat. lutaméntum) het kleef- of leomwerk; — lutatie (spr. Iie=tsie) f. nw.hil. Ghem. do diehlstriiklug van oen vat mot kleefdeeg, leem enz.

Iiu-, f. (geuit, /«ris) lat. het licht; ante lucem, vóór \'t aaiihroken van den dug.

luxeeren, lat. (tertre; vgl het gr. Inxós, scheef) verrokken; — luxatie (spr. t=ls) f. nw.lat. (tuxaCfo) de verrekking, verstuiking, de verplaatsing van een heen uil zyne kom,

Luxus, in. lal. (eig. de geile vruchtbaarheid dor planton enz.; geilheid, moedwil, dartelheid) fr. luxe (spr. luuks\') de weelde, overdaad, verkwisting; Inz. de prachlliefde, pracht, praal; elke onnoodigc uitgaaf, overvloed; — luxueus, adj. fr. (luxueux) weelderig, prachtig, overdadig; — luxurieus, adj. (lat. luxu-riósus, a, um) weelderig, overvloedig, verkwistend, zwelgend, prachtig, weldsch; ook onliich-tig, geil; — luxuriëeren of luxureeren (lat. tuxuriare) Hol. weelderig, geil wassen of uitschieten; met sieraden overladen zyn; weelderig, prachtig leven.

Luzerne, lucerne, f. Hot. een gewas mol kiavorvormigo hladeren, zaairupsklavor (Me-dicafjo saliva), eeno soort van klaverhool tot veevoeder, inzonderheid in Z.Fiaukryk en Italië, waar hot \'■ a Sinual \'s jaars kan gemaald worden,

Ly, z. II.

Lyteus, m. gr. (Lyaïos, v. lyein, losmaken) Myih. de zorgverdryver, een hynaam van Haechus.

Lyang, z. Hang.

Lyceum, n., pl. lycea of lyceën, lat. (gr. I.ykeion) naam van het gymnasium of do openhare worslelplaals te Athene, In welks ovcr-dekle gangen Arlstoloios onderwees (naar den daarhy stuandon tempel van Apollo l.y-kelos, d. 1. Apollo den wolvendooder, zoo go-heeten); do naam der geloerde of laiyiischo scholen van den staal In Frankryk (de stedo-lyke Inrichllngon hooien colléges)-, elders eeno soori van lioogeschooi; In hol iilgem. eene geleerde school (gymnasium).

Lychnis, f. gr. (lychnis: vgl. lychnos, licht, lamp) Hol. de vuurhloem, kookoekshloom, hel vrouwenroosje, vllegennol, tol de klasse der de-kan dr la hehoorende; — lychnomantie (s|ir. t=ls) f. gr. (v lychnos) de waarzeggery uil lampen.

Lycïum, n. gr. (lykion, naar het landschap Lydi! in Klohi-Azie) een doornachilge hoom, Inz. geschikt tol prk\'oleii, do harharisso-lioom, hoks- of wolfsdoorn.


-ocr page 758-

LYDISCHK STEEN

7:j8

LYSIS

Lydische steen, m. (lal. lyilïus lapis, naar \'t oudo landschap Lydie In KIcln-AzlB) de toetssteen, Jasplsachtlge klezelschleter.

Lygmus, m. ftr. [lygmós, v. lydtein, snikken) Med. de hik, het krampaehllB snikken.

Lyknnche of lykanchis, f. nr. (van lykos, de wolf) Med. de watervrees; — iy-kanthroop, m. een wolfmensch, weerwolf;

— lykanthropie, f. de krankzinnigheid, waarhü de lijder waant In oenen wolf veranderd te zyn; — lykaon, m. een fabelachtig koning van ArkadlB, dien Jupiter In cenen wolf veranderde, omdat hy de in zyn land komende vreemdelingen liet vermoorden of opolTeren en zoo het recht der gaslvryheld schond; — iy-kodónten, pl. elg. wolfstanden, z. v. a. hu-fonleten; — lykogala, f. Bot. de wolfsmelk;—lykographie, f. de nntuuriyke geschiedenis van den wolf; — lykopérdon, n. wolfsveest, z. v. a. hovlst; — lykopodï-um, n. wolfsklauw, gordelkruld, slangemnos, eene mossoort; vandaar semen lykoixiitti, poeder van wolfsklauw, ook heksenmeel geheeten;

— lykopodiolithen, m. pl. hooniachtlge versteeningen; — lykophthalmos, m. een steen van het onyxgeslacht, die naar een wolvenoog gelykl; — lykorhexie, f. Med. de wolfshonger.

Lyma, n. nr. Med. onreinheid, vuiligheid, waarvan men door water gezuiverd wordt.

Lympha, f. lat. [lympha, water, ook hot met sappen hezwangerde water) Anal, bloedwater, waterige slof In het bloed; — lympha-vaten, bloedwatervaten, Inzulgtngsaderen, veel HJncr en feeder dan de bloedaderen; —lymphadenitis, f. ontsteking der zulgaderkllc-ren; — lymphangïon of liever lym-phangêion, n. z. v. a. lympha-vat; — lymphangëitis, f. gr. onlsteklng der lym-pha-vaten; — lymphatiseh, adj. (lat. tijm-phaiïcus) het liloedwater betrelTende of daartoe behoorende; — lymphatologie, f. de leer van de lympha-valen; — lymphenrys-ma, n. Med. de zlekeiyke of tegennaluuriyke vcrwydlng der lympha-valen; — lympho-chesïe (spr. .v=c) f. de waterachtige buikloop;

— lymphóncus, m. de opzwelling van een lympba-vat; — lymphorrhoea, f. do uitstorting van de lympha of het bloedwater; — lymphösie, f de vorming der lympha In de lympha-valen; — lymphotomie, f. do kunstmatige opening van een lympba-vat.

Lynceus, z. ond. 1 y n x.

Lynch-wet (enfj. lynch-Uiw: spr. linsj-ld) elgenmacbllge volkswraak of bestrattlng, zonder vorm van proces, van In hechtenis zynde personen, welke naar de meening des volks Ie zacht gestraft worden, een misbruik der volksmacht. Inzonderheid In Noord-Amerlka zoo geheeten naar een zekeren John Lynch, die tegen het einde der lilde eeuw door zyne medeburgers met onbeperkle macht bekleed, misdadigers en voortvluchtige slaven veroordeelde en zeer streng liet slraffen); vandaar lynch-gerecht, de handhaving van \'t recht naar deze zoogenaamde wet; — lynchen, Iemand zonder rechtcriyk vonnis (meestal met de strop) straffen.

Lyngb., by natuurwetonschappeiyke namen afkorting voor H. lt;1. I.yngbye (gestorven 1837).

Lyny, m. gr. dc los, een dier van het kattengeslacht, In de noordeiyke tanden dos aardsbols te huls behoorende, omtrent 8 palm lang, met eene donkervlokte huid, lange ooren en zeer scherpziende oogen; ook een mensch met goed gezichtsvermogen; — lynxoogen, zeer scherpziende oogen; — Lyncëus, m. (gr. Lynkeus, naam van een der Argonauten) een scherpzlchllge, een mensch met een byzon-dcr goed gezicht; — lynkuur, m. («r. lyn-kürfon, n.) do lossteen, naam van verschelden geelachtige steencn, h. v. van den hyacint, barnsteen, e. a.

Lypothymie, r. «r. (v. type, droefenis) droefgeesllghetd, zwaarmoedigheid.

Lyra, f. gr. de lier der Ouden, welker uitvinding men aan Hennes of den egyptlschen Mercurlus toeschryft; het oudste snarenspeel-IuIk by dc Egyptenaren, (Irlcken enz., een zinnebeeld der dlchlkunsl; ook een noordeiyk ge-sternte of sterrenbeeld tusschen Hercules en do Zwaan; — lyrntm, a, urn, lat. Bot. llervor-mlg; —lyrisch, adj. (gr. lyrikós, c, dn) tot de Her behoorende, voor het spel daarop gemaakt of geschikt; wat met de Her begeleid of gespeeld en gezongen kan worden, zingbaar, zangerig, gevoelvol; — een lyrisch go-dicht, een lierdicht, zulk een dichistuk, waarin de dichter rechlstreeks zyn eigen gevoel voordraagt, do dichlerlijkc uitstorting des inwendi-gen gcvoels, oudigds l)y de lier gezongen en daarnaar benoemd, een zanggedicht; — lyriek of lyrische poëzie, f. die dichtsoort, welker inhoud do gewaarwordingen cn harisloebleiyko gemoedstoestanden van den dichter uitdrukt, en waartoe de hymne, ode, (1 y 1 li y r a m b e, c a n t a t o enz. behooren; — lyrisch dichter, lierdichter, een dichter, die slechts zyn eigen gewaarwordingen, gevoelens, aanschouwingen, ondervindingen enz. tot onderwerp zynor poëzie maaki, in tegenst. met episch en d r a m a 11 s c h d 1 c h t o r; — lyrisme, n. fr. verhevenheid, hoogo dlchteriyko vlucht van den styi; warmte van gevoel, gloed; ook in ongunstlgen zin: gezwollenheid van styi, l)oinbast; — lyrist, m. do lierbespelor, lult-bespeler; — lyrödisch, adj. Ilorvorinlg.

Lys-d\'or, lys-d\'argent, z. lis.

Lysimachie, f. gr. (lysimachia, dus benoemd naar l.yslmachus [van lysimachos, den siryd heslochtcnd], veldheer van Alexander den Grooten, dlo, volgens i\'iinlus, do plant ontdekt zon hebben) Bot. de weederlk, het eiiel-kruld, een plantengeslacht van onderschelden soorten.

Lysis, f. gr. (v. Ijein, losmaken) de op. lossing; losmaking, bevryding; Med. de oplos.


-ocr page 759-

MAAHSCHALK

LYSSA

739

sIiik of langzame sclioldlng etMier ziekte; sr. Myth, de idc der Kurlfin ot Kumunlden, volgens sommigen; —lysisch, adj. door clioml-scho oplossing gevormd.

Lyssa of lytta, I. gr. Med. woede, ra-zernü; hondsdolliold; — lyssse, f. pi. de vermeende dollieldsldaren onder de tong van dolle dieren; —lyssodögma, n. en lyssodëg-mus, m. de heet van een dollen hond; — lyssodëktus, in. die door een dollen hond gebeten Is; —lyssodöxis, f het hyten van een dollen hond.

Lyterïa, n. pl. gr. (v. ///ein, losmaken)

Med. voorteekens eener gelukkige wending hU gevaarlijke ziekten.

Lythrum, n. nw.lat. (v. \'t gr. Ijjlhron, hevlekklng met hloed, het uit de wonden stroo-mende l|loed) gr. Bot. het hlnedkruiil, een plan-tengeslacht der dekandrla.

Lytrum, n. gr. {lylron, v lyein, losmaken) het losgeld, rantsoen voor de hevrUdlng van eenen slaaf of tyfelgene; lulrum pennnüte, .lur. losgeld voor de hevrijding des persoons; I. reuk, losgeld voo1\' de vrümaklng van de goederen eens Igfelgenen.

Lyttiij z. lyssa.


nvE

M. als rom. getaltoeken = lOOfl; MM. = 2000; M. = 10000(10; — M. op rom. opschriften = Marcus en Manisler, eng. en fr. = Musier en Monsieur, ook = Médaille, als de M. achter een naam gezet Is, dus: bezitter eener medaille-, — M. = meter; — M. verkorting van Majesteit; — MM. = Majesteiten; — M. op landkaarten = mons, berg, gebergte; — M. = Marcus, Murtus, oud-rom. voornamen; — M. = lat. maqnus, groot, manes, de sehimmen der overledenen, maler, moeder, meinor, gedachtig, memoria, gedachtenis, geheugen, mensis, maand, merilus, verdienstelijk, miles, soldaat, monumen-lum, gedenkteeken; — m. (op recepten) verk. van misce of mlsceralur,- fr. mé/d, it. Muz. = meno, mano en mezzo— m. — mille, duizend;

— M\' = lat. naam Mamus en (In schotsehe eigennamen) Mac; — Man. = Manisler: — M. ,1. = Manisler arlium, — M. of man. of mp. (op recepten) = manipnlusM. .1. of Mnn. .turl. = manu aucloris, door de hand des scliryvers;

— Mal. = Maleachl; — Murk. = Markus; -Mal Ui. = Mattlieus (de bybelboekeii); — m. of luusc. = masculinum; — Muss. = Massa-chusets in Noord-Amerika; — m. n. w. = mei andere woorden; — M. II. of M. li\' = Mare llanco, rekenmunt te llamburg en l.ubeck; — m. c. — mio conlo; — M. 1). = medicinae doclor; — m. (I. = misrealur delur-, ook; mann deslra; — Md. = Maryland In N.Amerika; — Mde of Mdme — Madame-, Mdes. = mesdames;

— m. d. s. = misce da signa— Me. = Maine In N.Amerika; — m. e. = myns erachtens; mf. = meztoforle; — m. /\'. plr. = misce, /lal pulvis, z. misce; —mG. = milligram of TnVir gram; — Mnr. = M n n s e 1 g n e u r; Mars. = Messeigneurs, z. ond. Monsieur;—m. f. = myns inziens; — Mimi. = Minnesota in iN. Amerika; — Miss. = Mississippi In N.Amerika; mixt. = mixtuur; — Mile = M a d e m o 1 s el 1 o;

— M.M. = inyne lleeren, Mevrouwen, Mejuffrouwen; — MM. = myriameter, 10000 meter;

— mM. = millimeter of meter; — mAf1 = vierkante millimeter; — mM\' = kubieke millimeter; — m. m. — memenlo mori, gedenk te sterven; — Mme = Madame; — m. m. of mul. mul. = mulalis mulandis, z. ond. in u-teereii; — m. m. p. = manu mea propria;

— Mn. = Missouri in N.Amerika; — .W. O. — middelbaar onderwys; — M. (o.) I\'. — mem-her {of) parliamenl, lid van 1 eng. parlement;

— m. pp. of m. pr. — manu propria, z. ond. manus; — Mr. = Monsieur; ook eng. = Musier, Mynheer; ook; Meester (in de rechten); — M. It. — myne rekening; — Mrs. — Messieurs, z. ond. Monsieur; ook eng. Mistress: ned. Meesters (in de rechten); — Mscpt. of MS. = in a n u script; — M. S. of in. s. en m. sin. = mano sinistra, met de linkerhand (Ie spelen); — M. s. c. = mandrilum sine clausülii: — MSS. — mnnmeripta, handsdirlf-ten; — Mssrs. = Messieurs; — M. I. v. l). \'t A. = Maatschappy tot nut van \'I algemeen; — M. IJ. I.. tl. = meer ultgobreld lager onderwys. — Chemische teekens zyn; M. = magnesium; — Mn. = manganicum;

— Mo. — motyhdaenum, molyhdeen; Mu. of Mat. = acidum malicum, appelzuur.

M. als muntteeken voor Frankryk; Toulouse; voor Spanje (met een kroon er hoven): Madrid; voor Italië; Milaan; voor Mexico (mol een o er hoven); Mexico.

Ma of meh, m. eene chineesche rekenmunt (vgl. Hang); een cliln. en jupan. gewicht (vgi. tan en meh).

Maancirkel, z. m a a n c y c I u s, onder c y c 1 u s.

Maanim, manlagoglilnim, m. hebr. zeker muziekinstruinent liij de llebiieen, dat bespeeld werd door hot te schudden of te slaan.

Maarschalk, m. (oudd. mar-scale, van maruh [vanwaar merrie] paard, en scalc, schalk, knecht, dienaar; mld.lat. murescateus, fr. marilchul) weleer een slalbedlende, stalmeester; dan de oppertoeziener over den hof-en krygsstaat van eenen vorst; vandaar thans de stafdrager, opziener en aanvoerder by openbare plechtigheden, inz. een vorsteiyke hofmeester; In Krankryk; oppergeneraal, hoogste


-ocr page 760-

MACHABÉËN

740

MAART

Kiel van ü(mi iBgoiliuoM; —hofmaarschalk,

een adellgk liorbodlendo, de opziener over du Inwendige hufhulshoudliiK en de hofbedlendon, z. ook m a r (Schal; — maarschalkstafel, aan vorstenhoven de lafel naast den vursleiy-ken dlsch voor hen, die daaraan Keen plaats mojien nemen; — veldmaarschalk, do opperveldheer.

Maart, in. (Uil, Mint zus, als loeitewyd aan Mars, II. Marzo, fr. Mars) do 3do maand van ons jaar, lentemaand; de eerste onder Homes eersten koning Komulus, en hu de Franschen tot 1864; - maartveld, maïsveld.

Maartonsmannon, weleer de homimliiK van de burgers der stad Utrecht, naar hunnen patroon St. Maarten.

Maasch, f. arab. een soort van breede, zware bark voor reizen op den NUI\'

Maat, f. (hoogd. masz, n.) eene Inhouds-maal in Dullschland en vroeger In Nederland van zeer ulteenloopende grootte; • maatje, n. eene ned. Inhoudsm. = ^ kop of kan, deciliter.

Mabby, m. eng. aardappelwyn.

Mabille, n. tr. (spr. —bid\') een voormalige bekende danstuln voor de demi-monde te Pargs; ook In het algemeen gebruikt.

Maby, m. een gegiste drank op de Antillen.

Mac, m. (spr. mek) gaellsch en erslsch; de zoon; afgek. M\', vóór schotsche namen: zoon, 1). v. M Phenon, Phorsons zoon.

Macaber, fr. ((«use macabre, f. (v.\'t arab. makbar, pl. inakubir, bograafplaiits) elg. kerkhofs-dans, kerkborsgrap: de doodendans, cone zinnebeeldige voorstelling van den zoogen. doodendans, inz. aan de korkhofsmuron; ook de benaming der kerkelyke maskeraden in Enge-lund en Frankryk.

Macaeo of makako, in. (port. In \'l alg. voor aap) de meerkat, een gestaarte aap op do kust van Guinea, Angola enz.

macadamiseeren (spr.s=t) eenen sl raat-weg leggen a la Mac Adam, d. I. hem met steenpuin of klein gestooten granietkiezel of kalksteen bedekken, volgens de bestratlngswys van den ainerikaan Mac Adam (goh. HBS, gest. 183(1).

Macairaden, pl. (spr. -kè—) gedichten, dio een karnkter als Kobert Ma cal re (z. aid.) tot held liebben.

Macaluben, pl. een soort van siyk- of lucht vulkanen.

Macao, m. do langstaartigo brazil, papegaal of a ras, z. aid.

Macaróne, f. z. m a k r o n e; — maca-róni, pl. venei., of maccheróni, it. (spr. makke—, vgl. het gr. makaria, spgs uil vleesch-nat en gerstegrutten, elg. zaligheld, d. 1. hoogst lekkere spys, v. makar, makdtios, zalig, gelukzalig) pl. lange taaie meelreepen of deegdraden op eene liijzondere vvyze toebereid, eene geliefde volksspys, inz. In Italië; — macaróne of maccheróne, m. een plomp menscli, Inm-niel; een grappenmaker, hansworst (eng. mn-caroon), voorin, spotnaam der uil llalle terug-gekcorde reizigers, die bot Inlandschp gerlng-achtten en vooral de maccaroni prezen; In-ter In \'t alg. voor pronker, vvindhuil; —macaronische verzen, eene koddige verssoort, waurhy men de woorden van de eene taal miar de regels van eene andere, Inz. de latynsche, vervoegt en verbuigt, h.v. non omnessunl knkki, qui lonnos draiiire ntessos, \'I zgn al geen koks, die hinge messen dragen; in zulke verzen schreef een Hallaan, Folgonl, het eerst een lofdicht op de maccheróni; vandaar de naam.

Macas, m. gedeelteiyk uitgeperst suikerriet.

Macassarolie, t. (zoo geheoten naar \'tryk Macassar op \'teiland Celebes, vanwaar z.y uitgevoerd wordt) olie uit de pil van do bado of adlng met allerlei reukwerken geparfumeerd; ook een eng. geheim middel lot (voorgewende) bevordering van den haargroei, dnl uit alkan-navvortel en gekleurde ollen bestaat; vgl. un-ti ma ca ssa r.

MacchiavelUsme, n. (spr. makki—) de leer van Macchhivelli, d. i. de gewetenlooze en zelfzuihtlge staalsnianswyshotd, naar dergelyke grondslellingen als Macchiavelil (spr. makkia-wétli), een beroemd itoreniynsch gescbledsclirlj-ver (gesl. IS47) in zgn boek 11 principe (de vorst) ontwikkelt, lerwgl lig bet beeld schetst van oen sluvven vorst, die aan zgn gewaand naaste voordeel recht en z.edelgklield opotfert — maar niet als model voor vorsten, maar tut leering voor volkeren, wat men langen tyd niet heelt ingezien (vgl. a n 11 macc lila ve 1); — macohiavollist, m. een aanhanger of vriend van dergelyke grondstellingen; —macchia-véllisch of macchiavollistisch, adj. listig staalkundig, sluw pollllek.

Mace, f. eng. (spr. mees) elg. knols; een zilveren staf, die als toeken van opperste rcch-terlgke macht voor den lord-mayor uil wordt gedragen.

Macódoine, f. fr. (spr. —dodn\') soort ge-lel uit allerlei vruchten; oneig z. v. a. tutti frul I, z. und. frulu.

Macellum, n. lat. plaats In het oude Kome, waar vleesch, gevogelte, visch enz. verkocht werd, spysmarkt; hut. moeshof.

macereeren, lal. {macerare) laten woeken, (luortrckken, uilweeken, b. v. beenderen macereeren, d. 1. den samenhang hunner zach-teru deolen duor water versturen of schelden, inz. tot anatomische oogmerken; onelgeniyk zich afmalton, hun werken, kwellen, kastydeii; — maceratie (spr. l=ls) f. (macera/ïo) de weeking, ullweeklng (b. v. van de lijngesneden en tot bry gewreven beetwortels urn er suiker uil te halen); Inbyling; afmatting, uitmergeling, kastyding, llchaamskwelling.

Machabóën, m. pl. naam van de twee laatste boeken van \'I O. T. of wol van de zoogen. apukryphc boeken, bevallende de geschiedenis der Joden onder de eerste vorsten van \'1 ge-


-ocr page 761-

MACHARANG

741

MADAMK

slachl der Asmuncns, Judas, Jonalliiin on Simon, bUKcn. ile Miuhiilicörs; nok ilu imam van 1 Jooilscho liioedors, die In \'I Jaar KiH vóór .1. Clir. to Antloiiile don marteldood unilorKliiKon

Macharang, m. soorl /.coarond (lluliaetns macei).

Maohsen\'on, n, on macheeris, f. nr.

{machairinn on marhairis, vorklw. v. mdchnira, mos) con wondhoolorsmcs.

Machaon, m. srr. Myth, con zoon van /Escula pins, con bekwaam ncnooshoor, die do bolegcrliiK van Trojo liljwodiido; (iiicIk, loin., dlo (jaurno bouwt, kerft, steekt, een voorvechter; ook een der schoonslo en Krootste vlinders van Europa.

maché, ailj. fr. (spr. masjé: van mAcher = lat. mastirare, kauwen) fiekauwd, doorweekt; vel. pap i o r-ina c bc.

Machotika, f. nr. (v. mdchc, veldslag, lm1-veebt) do stryd- of kamplocr.

machicoteGren, fr. (spr. masj—; van mii-chicot, uild.lal. madrolm, mu.isicntm, oon kerkzanger, koordienaar, zoo Kcbooton, wil men, naar een paryschon canonlcus Maché co) een ne-zanf? opsieren, mot vorsiorinsten vooriiradeii;— machicotage, f. (spr. /ri«:jquot;) do versieringen van liet korkgezang.

Machine, f. fr. (v. \'t lat. marhïna, gr. mëchünv) oen uit voiorlol ileelon, uit raderen, voeren en aliorhando beweegiiare stukken sa-inciiRestelil werktuig, een kunslwcrklulg Ier vooribronging of veriicbiing van howoging, een kunsttoestei, dryfwerk; oncig. kunstgreep, lisl;

— Deus es machina, /.. Deus machinaal, adj., als adv. fr. mnchinatemcnl (spr. masjina-I\'mdii) worktulglUk, met kuustwerktuigon verricht of vervaardigd; onnadonkend, volgons sleur (tgt;. v. Iels verrichten); — machinist, m. een maker van kunstworktuigon, machluesmakor; inz. do toezionor, bestuurder van do machino;

— machineeren, fr. (v. machinc) iels door eono mnchine bewerken, b. v. schapenwol reinigen, graan zuiveren en/.; vandaar gemaelii-noenlo wol enz.; lal. machinari, iels kun-sligs uitdenken) kunstig iels kwaads liedonken, op louw zettea, voorliebbon, het sluw op iels laakbaars loeloggen, iets kwaads brouwen, kui-poryen maken; machinatie (spr. l—ls) f. lat. de iisligo aanslag, het kwaadlirouwen, de arglistiglield, knipery, oen weefsel van sluw berekende plannen; — machine-garen, n. drie- tot zesdraadscb sterkgeilraalil kaloenga-ren, om met naaimachinos te naaien;—ma-chineur, machinateur, m. fr. do lie-workor, vorzinnor, smeder van iels kwaads;

— machinerie, f. fr. do inriebting van kiinstworktiilgon, de werking, ineeiivattliig hunner doelen.

Machlos^ne, f. gr. (v, machlns, on, geil) z. v. a. a v m p li o m a n i c; — machlótes, f. geilheid, inz. vrouwoiyke.

Macho, m. sp. (spr. mdlsjn) mnlldier.

Machol of machlll, m. eono soort van lier dor Helinecn.

Machórka of machorsky-tabak,

f. russ. eene gemoone soort van rooktabak dor russ. soldaten.

Machréma, f. een turkscbe vrouwon-sliiier.

Miichsoz, m. bebr. Joodscb gebodonbook voor do feestdagen.

Macios, f. lal. (v. macorc, mager zyn, mnccr, mager) do inagorbelil; Mod. uittering.

Macigno, n. 11. (spr. malsjienjn) kalk-boudond graniet, dat tot bouwen wordt ge-liruikl.

Macis, f. fr. (spr. massi: li. muce, lat. macis, eene ons onbekende kruldory) hel netvormig weefsel aan de harde schaal van de muskimtnoot, muskaatbloesem, foelie-, ~ ma-cisolio, f. de door stooindistlllalie verkregen a\'tberlscho olie der muskaatbloesems

Mackariboe, m. do boste soort van canaster of knastertabak.

Mackinaw, I. eng. (spr. mékkind) eene bijzondere soort van roeibooten dor trappers (z. aid.) op do noordnmerlk. stroomen.

Mackintosh, f. eng. (spr. mékkintosj) eene waterilichte slof en oen daarvan gemaakte regenmantel of overjas, naar den naam des uil-vlmlers (gost. 181.\'!) zoo geheelen.

Macon, m. fr. (spr. inassóii. mid. lal. macw, marcio, macerio, v. \'t lat. macena, oen muur om eenen Inln) een metselaar, Inz. vrijmetselaar (vgl. fra nc -ma ro n); — maconnerie, f. de metsolarij of vrümetselarij; — macon-neeren, melsolon; — gemaconneerd, In de wapenk. van de Indeeilng dor volden; In den vorm van muurtinnen.

macro -, z. makro—,

maclc.\' lal. braaf, goed! moed gehouden!

Macuba, ■/.. makuba.

mucüta, f. lat. do vlek, klad, schandvlek, eorbozoodoiing; ceiio smet, een kwade naam;

— levis uolae. macula, Jur. vlek oenor lichle eerkrenking of beschimping, oen (In vorgeiy-king mei de infamia, geringe) vlek, die op iemands oor klooft; — maculae, pi. vlokken; m. corneae, vlekken op het hoornvlies van hol oog; m. hepaiïcae, levervlekken; m. margarl-lacüae, parelvlokken in bel oog; m. malérnae, moedervlekken; m. venerïae, vlekken van vo-nuskwaleii; — maculalus, a, urn, lat. gevlekt;

— maculoeren (lat. macularc] bevlekken, bekladden, bezoedelen, hesmolleii; tol misdruk of pakpapier maken; maculatuur, f. (mid.lal. maculahira) bezoedolil of hedrukt papier tol inpakken enz. gebruikt; ook misdruk.

Madame, f. fr. verkort Mquot;\'quot;, Mevrouw, de litei dor toespraak en eeronaam voor go-huwde vrouwen (vgl. dame); in Frankryk en lingeland ook voor bejaarde ongehuwde dames van rang; weleer de titel van de onilsto doeh-ter des koalugs van Krankryk, ook van /.(jii schnonziistors en tanlos; Mademoiselle, f. vork, M11quot; (spr. mad\' mnazéll\', vaak samen-gelr. tot mamtél) Mojuirroiiw, mojulTer (vgl. de mo iso lie); In Nederland vroeger ook do


-ocr page 762-

MAESTRO

742

MA DAN

titel van onncliuwdo ondonvyzorosson, frunsclie-sclioolhoudstcrs; in Kmnkryk weleer ile titel der oudste doehter van den broeder des ko-nliiKs; — Mosdames (s|)r. mèddm\'; pi. van Madame) niüne dames, getierde vrouwen; — Mesdemoiselles (spr. mM\'moazélï; pl. v. mademoiselle) Mejutfers.

Madan of madam, n. Ind. eono hlndo-stansclie kapel; herliorg en rustplaats voor reizigers.

Madapolam, n. (fr. madapolame, f.) een lijm\' callcotstof.

Madarösis en madësis, t gr. (v. madan, vervloeien, zich oplossen; uitvallen van lii\'l haar; madarós, kaal) Meil. liet uitvallen der haren, inz. der oogharen of wimpers on der wenkhrauwen; — madarötisch, adj. het uitvallen van \'t haar hetrdlend; kaalhoofdig.

Madefactie (spr. t=.i) f. Iiw.lnt. (v. \'I lat, madefaccre, hovochtlgen, madere, nat zp) de lievochtlglng, natmaking.

Madeira, z. madera.

Madelón, f. fr. verklw. v. Madolaine, z. v. a. Magdalena, I,eentjemadelonét-ten, f. pl. in kloosters tiootonde ilclitekoolen (zoo genoemd naar de hoe tv aardige Magdalena In het N. T.; vgl. MagdaIcna); ook de kloosters zeiven, waarin zü hare misstappen hoeten.

Mademoiselle, z. ond. madame.

Madéra, sp. «f madeira, port. een voor-treffeiyke wyn van het eiland van denzelfden naam-, de heste soorten zgn de mal va zij en de dry-mad era, d. 1. droge madera, zoo geheeten, omdat hy uit de allerrypste, reeds eonlgszlns gedroogde druiven vóór de persing druipt; — madora-suiker, cene tijne sui-kersoort In hrooden, die men op Madera he-reidt.

Madesis, z. madarosls.

Madistêrion, n. gr. tang tol hot uittrekken van haren.

Madónna, f. It. (vgl. donna, ond. don) elg. myno geliledster, vrouw; Onze-I.leve-Vionw, de heilige maagd (Maria); een Maria-heold, ook m a d o n n a - h e o I d; — madonna di Rog-gio (spr. —rédzjn) eene oude Hal. rekenmunt; — madonnina, f eene oude rekenmunt te Genua met het heeld der II. Maagd.

Madras, n. (naar ile stad Madras op de kust van Koromandel in O.IndiB) eene stof uit zyde en katoen, Inz. eon halsdoek van nxi-dras; — madras-hennep, m. ecu op Jute geiykeude spinvezel uil O.Indlö.

Mtidre, f. It. moeder; m. de Dim moeder Gods! madrepóro, f. fr. (van \'t it. mndrepora, elg. moeder der kleine openingen, omdat zy vele stervormig gebladerde holten heeft, waarin medusen wonen; v. mudre, moeder, en linro, kleine opening; vgl. porten) de sterkoraal, zeester, eene soort van poliepen of plantdieren ; — madreporiet, m. eene versteende madrepore.

Madrigal, n. fr. (11. madrigale, madriale; v. mandra, mandria, kudde, v. gr. en lat. mandra, perk, horde, stal; vgl it. mandridle, her-dei) elg, iiordersdichl, cene soort van klein lyrisch, zinryk gedicht, meestal op de liefde heirekking hehhende, van i lol Iti regels lang; oorspronkeiyk kwamen zy veelal voor In de vroeger zeer gezochte herdorsspelen; — ma-drigalétto, in. It. een kort madrigal; — madrigalóne, in. een lang madrigal,

Madrilena, f, sp, (sjir. —lenja; v. Madrid, elg, eene inwoonster van Madrid) eene sp, na-iionale dans.

Madrüro, f. fr. (v. madré, gevlekt, enz.) de aderen In het hout.

mseandrisch, adj. gr. {maidmlrios, lat. macandrtcus) gekromd, geslingerd, kronkelend, zich slangsgewys draaiend, geiyk de wegens zyne huiiengemeeno krommingen vermaarde stroom Magt;ander (gr. Maiandros), na Mein-der of Mender, In Klein-Aziü; — msean-drieten, m. pl. eene soort van steenachtige gedraalde pollepen, hersenkoralen.

Maecenas, meeceen, m. een voorstander en heschermer der geleerden en kunstenaars, geiyk de Komeln Miecónas, de minls-ter en gunsteling van keizer Augustus, hegun-stlger van llorattus, Virgiilus enz.

Mseeia, mteïa en maeeutiek, f. gr. (van niaieiiein, onihindon) de gohoortehulp, verloskunde; — mseousis, f. (gr. maieuxis) de verlossing; — moeeutisch, adj, verloskundig.

Meemaktërion, m. gr, de stormmaand der Atheners = het laatst van Noveinher en het hegln van Decemher.

Msenade, f, gr. (mainds, pl. mainades, van maineslhai, razen) eene priesteres van Bacchus, razende hacchanlin, /.. Kacchus; een dol, razend wyt.

maenalïsche verzen, eene andere he-naming voor ek logen, Idyllen, herderszangen, naar den herg M»na lus in ArkadlB.

Mreonides, in. (gr. Maionidês) een hy-naam van Homerus, naar Mahonie (Maionia), een landschap In l.ydlë, dat men voor zyn vaderland houdt; — Meeoniden, f. pl. eene he-naming der M uzen; — mtEÓnisch, adj. homerisch.

Mseotis, f. gr. (maiólis) de M®ötlsche zee of zee van Azof.

maeslóso, li. (fr,majcstueiu:; vgl. majesteit) Muz. majestueus, plechtig, verheven, met waardigheid.

Maestro, m. it. (v. \'t lal. magis/er, z. aid.) meester, leermeester, Inz. groot meester in het scheppen van houwkunstlge werken; ook muziekmeester; heer, gebieder, patroon; maestro di Ijalld, de dansmeester; maeslro di bnllöna, de koopheer, principaal; maestro di camera, de pausoiyke minlsler van linancien; maestro di cupélla, z. v. a. kapelmeester (z. aid.); — maëstrale, m. It. (ook maestro genoemd; s|), maestrat, fr. maestral, mestral, mistral = lat. maiiistralis: dus elg. de meesterwind, de


-ocr page 763-

MAGISTRAAT

743

MAFIA

lieerscliciule gowelcllgo wind) de noonlwestcn-wlnd op do Middollandscho zee.

Mafia of maifia, f. it. con sodorl lhuh liostunnd gclielm bond van roovers, enz, op liet eiland Sklllc; — malioso, in. oen lid daarvan.

ma foi, fr. (spr. —fod) op mUno eer, vvanr-achtiK, voorwaar! ook een uitroep van verwondering.

Magazijn, n. (fr. mayasin, 11. magazzino, sp. mai/acen, almanacen, almaccn, uil hel arah. machsan, almachsan, de schuur, tiet voorraadshuis, van liet voorvoegsel ma, dat de plaats eenor zaak aanduidt, en rhazaiiii, in cono voor-raadskamer, enz. verzamelen on daarin bewaren) een voorraadsliuls, -schuur, -kamer, -zolder, -kelder, een pakhuis; cene groote verzameling, die men van allerlei dingen heeft gemaakt, groote menigte van dingen; ook de bak vóór, achter of onder de rytulgen tot berging van valiezen, enz., koelsbak; onelg. zekere periodieke schriften over ietierkunde en wolcnscliiip-pon, een tydschrift voor een bepaald vak; — magasinage, f. fr. (mauazinddzj\') do liid, dien de koopwaren In bet niagazyn blijven; pakhuishuur, leggeld, bergloon; magasi-neeren, In \'i magazUn leggen.

Magdaléna, lieiir. vr.naain; eig. de uit de stad Magdaia (bebr. mifidnl-fl, toren Oods) goboorllgo Maria Magdaléna, de door Christus aangenomen boetvaardige zondares; vandaar Magdalena\'s, pi. voor: lierouw-liebbende llchlzliinige vrouwen; — magda-lenieten, f. pl. eene iioetorde van berouw-iiebbende lichtekooien; vgi. m adel o n e 11 e n.

Magdalfa, f. gr. eig. broodkruim; Med. verschillende bereidingen in de gedaante van rolletjes, balletjes of pillen, koekjes, enz.; — magdaleons, pl. fr. (eig. staaf, rol, inz. van zwavel) de houten vormen, waarin de gezuiverde zwavel tot püpen gegoten wordt.

Maggio, m. II. (spr. mddsjo) ■/.. moggio.

Magglolata, f. it. (spr. mndzjnlala: van mannin = lat. Majus, Mei), eig. een gedicht op de Mei, lentezang; oen minnelied, minnezang der verliefden onder de vensters der beminde, in Italië.

Maggiordómo, m. 11. (spr. mailtjor—: van het lat. major domus, z. aid.) een opperhofmeester, hofmaarschalk, opper-bulsbufnieoster aan hel pauselijke hof.

maugiore, 11. (spr. madtjóre) in een muziekstuk de aanwijzing om weder tot den grondtoon over te gaan.

Magi of magiërs en magen, pi. van magUS, m. lat. (gr. mdgos, pi. «irif/oi,- arah. madjoes, oorspr. uit het perz.) eig. oud-porz. vuuraanbidders, inz. hunne priesters, die sler-ronkundlgen en droomuitleggers waren; in \'1 alg. ooslersche geleerden, wijzen, natuurkenners, enz., welke het bedrog en bljgeioof later in toovennars, zwarlekunslonaars, enz. deed ontaarden; — magie, f. tooverknnst, loovery, gelieinie wetenschap, zwarlekunst, vgi. thctlr-gie; — magic, adj. eng. (spr. médzjik) z.

v. a. niagisch; — magicien, fr. (spr. mazjisjèn), magieus, lat. toovenaar, zwarte-kunstenaar, duivelskunstenaar; — magisch, adj. tooverkunsllg, looverachtlg, beloovorend; — magische lantaren, z. latema maf/ka. — magiphonia, f. een dor grootste perz. feesten ter nagcdaciitcnis van den moord der magl en dien van don vulschen Smerdis door 7 perzische heeren, omtrent 332 voor J. C.

Magister, ui. lat., een meester, leermeester, inz. moester der vrije kunsten {magislcr artfum liberafium), ceno akademische waardigheid, vgi. doctor; magister dixit, z. Ipse dixit, onder Ipse; — magister e/jmtum, de eerste aanvoerder der rulterg by de oude Ho-meinon; magister infirmörum, de ziekenmeos-ter, ziekenverpleger In kiooslers; m. tégens of dncens, een lezend of loerend meester, die door zijn openbaar proefschrift, enz. het recht heeft verworven om op hoogescboien voorlezingen te houden en werkelijk houdt; — m. mathesüos, eig. do meester der wiskunde; do moestorsiel-ling, ih\' om bare belangrykheld voor de gan-sche meelkunde zoo beroemile pvlhagori-s c li e 1 e e r s t o i 1 i n g, dal het vierkant der grootste zyde (hypotenuse) eons reclilhoeki-gen driehoeks zoo groot is als de vierkanten der belde kleinere of rechtboekszyden (kat beten) samen genomen; m. morum, z. v. a. censor; hi. npérum, do bouwniecster of bouwop-zichter in kloosters; m. pnjiuti, z. v. a. dictator; ui. sacri palaCfi, de door den paus lol onderzoek van alle nieuwe boeken, uilgekozen doniinikanen; m. scholHriim, de oppertoeziener eener klooster- of kerksciiooi; Ie I\'aiys in de middeleeuwen leder leermeester, die gezelschappen van sludeerende personen vormde; —ma-gisteri\'um, liet ambt van opziener of leeraar; de waardigheid van magister; In de oude Chem. hel meesterpoeder, de tot poeder gebrachte ne-derslag van de edelste deelen eener massa, b. v. magistenum bismiilhi, magister van bis-inuili, pareiwil, eene verbinding van bisinutli met salpeterzuur of een onder-salpelerzuurzout, dal vroeger veel als blanketsel, thans als vloei-middel hü emailleersels, lot voermlddel by onderscheiden kleursloiïen, lid vulling van valsche paarlen, ook soms als geneesmiddel gehruikl wordt; in. /i/uinlii, loodwit; hi. satiirni, lood-chloride; m. sutfiiris, z. end. lae: — magistraal, adj lat. ineesleriyk; hoofdzakelijk, den grondslag vormende; - magistrale formule, z. (nrmula magistralis: — magistraal, n. een mengsel van geroost en ge-kiopt zwavel- en koperkies, dat by het zllver-ainiilgamatleproces in Mexico by het mengsel van ertssiyk en keukenzout gevoegd wordt; — magistraal, f nw.iat. Fori, de walomslul-ting. de binnenkruln der liorstwerlng, de vunr-lyn-, — magistreeren, meester worden; den baas spelen; — magistrandus, m. die magister of meester wil worden.

Magistraat, m. lat. (magistratus, pl. ma-gislrülus, bet overheidsambt, een stads- of staats-


-ocr page 764-

MAGMA

744

MAGNO

persoon), do overheid, de sladsroKeerlng, stadsrand; een regeerlnRslld, raadsheer, hurgomees-tor; — magistratuur, f. nw.lul., hot ovor-lietdsambt, do waardigheid van rogoerlngslld, van hurgemeester-, do rechtortUke macht.

Magma, n. gr. (v, mdssein, kneden) Mod. hot doeg, olko geknede massa; hot overbiyfsol van oeiie uitgeperste zotfstandigtiold, zalf, onz.

Magnaat, in. (It. en sp. maf/ndle, mld.tat. mdgnas, van \'l lat. maunm, groot) do machtigen on groolen dos rUks, Inz do voornaamste rUkshoamtiten on uud-adollUkon In HongarUo on Polen; - magnatentafel, f. tiet Hoogor-tmis In HongarUo.

Magna oharta, z. charta; — manna maler, olg. grooto moeder, toenaam van Cy-bolo; — manna mora, f. lat. Jur. de grooto (lange) termijn of hot uitstel van lgt; maanden.

Magnanerie, r. fr. (spr. man/—) goliouw voor dn zydowormontoclt In \'I groot (coco-ii I ö r e, v o r o r I o).

magnaniem, adj. lat. {mannanmus, u, nm, v. magnus, groot, en animus, i. aid.) grootmoedig, hooghartig, vorheven, met grootheid van ziel; — magnatiïmi preiïum, n. hot loon van don hooghartige (het devies dor deensclie ollfnnlsordc); — magnanimiteit, f. (lat. magnaniintlas) de grootmoedigheid, hooghartigheid, zlelegrootheid, verhevenheid van ziel, van geest.

Magneet of natuurlijke magneet,

m. (lat. mannes: gr. lillios magnêthes of man-it é si os, d. 1. magneslsche stoon; vgl. m a g n e-sia) aantrekkende Uzorsteon, trekstoon, pool-stoen, zeilsteen, oen zwartachtig Ijzererts, die yzerhoudenite lichamen tot zich trekt, enz.; — kunstmagneet, met don magneetsteen bestreken yzer of staal, dat de kracht van don natuuriyken magneet bezit; — gewapende magneet, oen zoodanige, welks polen glad geslepen en met dunne yzeren platen belegd zyn, waardoor zyno draagkracht aanmerkoiyk wordt verhoogd; — magneetnaald, f. de noordaanwyzer, oene met den magneet liehoor-lyk bestreken stalen naald, die, vry draaiend, zich naar ilen noordpool richt en daardoor tol bet opsporen van allo wereldstreken dient, zie k o in pas; — magneettheodoliet, in. een met oen noordaanwyzer voorziene theodoliet (z. aid.); - magnetisch, adj. mot de aantrekkende kracht van den magneet begaafd, aantrekkend ol een aantrekkend vermogen bezittende; — magnetiseeren (spr. s=z) nw. lat. (fr. magnéliser) 1) aan oen lichaam magnetische kraciil mededoeien, het aantrekkend maken; 2) volgens eene, Inz. door l)r. Mes-mer sedert 1770 in zwang gekomen, geneeswyzo door wrUving of door geregelde handbeweging en aanraking (manIpuialie) geheime krachten in tiet menschotyk lichaam opwekken en daardoor zenuwkwalen genezen; — magnetisme, n. de magnetische of aantrekkende kracht; — dierlijk magnetisme, oene aangenomen kracht van magnetlschen aard in bet dleriyko, inz. menscheiyko organisme, krachtens welke oen inensch zoowol op de wilskrueht van oen ander als op zyn llchameiyken toestand oen aanmerkeiyken indruk kan tewoeghrengen; z. ook somnambule; — magnetiseur, fr., ook magnetist, m. wie op zulk eene wyzo genezing zoekt te bewerken; — mag-neto-eleotriciteit, f. de oleclrlcische stroomen, door een magneet te voorschyn gebracht; — magnetismomanïe, f. gr. do overdreven zucht voor het magnetisme, voor den magnetlschen slaap; — magnetologïe, f. do leer van den magneet en van hot magnetisme; — magnetométer, in. een magneetnieter, werktuig tol meting van de kracht des magneets.

Magnesia (spr. s=z), f. gr. (naar hot landschap Magnesia In Thessallft) Chom bitteraarde of talkaarde, bltterzoutaardo; inz. ook voor magnesia alba. eene als arlscny gehraikte verbinding van bittornardo en koolzuur; magnesia carbonfin, koolzure hltleraardo; In de natuur voorkomende als magnesiet, n. eene witte steensoort, die thans dikwyis ter ontwikkeling van koolzuur gobrulkl wordt; — mag-nesiakalk, f. oude naam voor dolomiet en dolomitlsche kalksteen; — magnesium of magnium, n. do metaliiscbe liasls van de magnesia, liel eerst door Davy In ISiiS afgezonderd ; — magnesiumlicht, n. llcbl vorkregen door vorlirandlng van magnesiumdraad.

magnetiseeren, magnetiseur, enz., z. ond. magneet.

magnicaudisch, adj. nw.iat. (v. \'tial. magnus, a, um, groot, en rauiln, staart) met groolen staart.

Magnificat, n. lat, (v, maqni/icare, groot maken, roemen, v. magnifïcus, groolscb, prachtig, van magnus, groot, en faclre, maken) de lofzang van Maria In de r. kalh. kerk, naaide lat. aanvangswoorden Luc. I, 1«, magnificat anïma mea tlomfnum, myno ziel verheft of looft den Meer; — magnifleatie (spr l=ls), f, de lofpryzing, verholllng; — magniffcus, m. lal , de heerlyke, waardige, h. v. rector magnificus, titel van den rector der hoogeschool; — magnifiek, adj. (fr. magnifigue, spr. manjifiek\'), prachtig, hoeriyk, luisterryk, kosthaur; — mag-nilicóntie (spr. t=ts), lat. {maiinificeniïa) of fr. magnificence (spr. manji/lsans\') pracht, hoogheid, booriykheld, waardigheid; de lili\'l der rogeerendo burgomeosters In vryo steden; ook die der recloren en kanseliers aan hoogo-scholen; — magnifico, —ca, —mente. It. Muz. praehllg, edel, verheven, defllg.

Magniloquéntie (spr. l=ts), f. lat. (man-niloquontfa, v. magnilöquus, grootsprekend, v. magnus, groot, en loc/ui, spreken) do grootspro-kery, grootspraak, pralory, snorkerij.

Magnitude, I. lal. de grootte.

Magnium, n. nw.iat,, z. v. a. magne-s 1 u m.

Magno, —na. It. edel, prachtig, stoutmoedig, grootsch.


-ocr page 765-

MAGNOLIA

745

MAIL

Magnolia, r. (benoemd muir Kranools Miiknol, prof, der kruidkunde te Montpclller, gest. 1715) de beverboom uil N. Amoiiku, In ondorscbelden soorlen, een pniclitlge boom met roosvormige bloemen.

magnus, a, um, Int. groot.

Magot, m. fr. (spr. mafio: misschien van bet gr. mauödós, eene soort van pantomimen, die mansrollen In vrouwenkleedlng speelden) een groote aap; oen apongezldit, eene leeiyke gelaatsvertrekklng; een verborgen schat.

Magpie, f. eng. (spr. inéuimi) 1°. de ekster; 2°. een australlsche vogel (Gymnorhina leuconola).

Magrabinus, pl. (van \'I arab. magrab, magreb, magrib, de zonsondergang, het westen, Inz. liiirbarUe, Mauritanië, v. gurabu, voortgaan, ondergaan) egyptlsch lUnwaad; — magrebis, m. pl. arab. Bedoeïenen (z. aid.) Ie paard, In N. Afrika.

Magraph, m. hebr. een wlndspeeltulg by de oude llebncen, volgens de besclir(fving In don talmud naar onze orgels geiykende.

Magrebis, ■/.. ond. magrab lues.

Magus, ■/.. magl.

Magyaren, m. pl. (spr. madjdren) de oorspr. naam der Hongaren; — magyarisch, adj. hongaarsch; — magyarisoeren, bon-gaarsch maken, tot hongaren maken -, — ma-gyaromaan, m. overdreven voorstander van de Hongaren.

Maha, Ind. en perz. = groot, In vele samenstellingen voorkomende.

Mahabharata, n. ind. elg. het groote bhariitlsche gedicht (naar den ind. koning Bha-ratns benoemd), het groolsle heldendicht der Indlérs, van ongeveer 100,0(10 verzen.

Mahadówa, m. Ind., d. 1. groote god (ook .Mahad(Bh) bynaam van den god SI va of Slwa, 3den persoon der ind. drieccnbeid.

Mahagoni- of gow. mahóniehout, n. (eng. mahogany, waarsch. uil. eene amer. taal; in Franki-yk boisacajou, (spr. boa da-kazjóé, van het braz. acajaiba) een lijn, bruinrood zeer hard hout, van den mahagoni- of anacardleboom (Swietenia ma/iagoni) op de westlndlsche eilanden en in /.. Amerika.

Mahaleb of mahalob-kers, f. arab. {malileb) de Inktbezle, parfumeerkers (Prunus mahaleb), eene soorl van wilde kersen van cenen struik, welks bladeren bloesems en bezien lot welriekende wateren, enz. gebruikt worden.

Mahalle, f. arab. stadswijk, kwartier.

Maharachtri, n. Ind., het pakrit-diaiect van do nieuwere Indische dichters.

Maharadsja, m. Ind., d. i. groote koning (raJa), een alleen regeerende opper- of groote koning In O. Indlc, Inz. de vorst dor Sikhs of Selkhs io den Pundsjah.

Mahboob, z. zorlmahboeb.

Mahdi, m. arab. do door de muzelmannen verwachle profeet, dien Allah (God) zenden zal om het door Mohamed begonnen werk te voltooien, de ongeloovlgen te bekeeren of uit te roeien en eene rechtmatige verdeeling van alle goederen te doen plaats hebhen (inz. sedert 18H1 Achmod Sulelmati in Egypte en Soedan; onlangs overleden).

Mahis, z. maïs.

Mahmil, m. arab. (van hamula, dragen) een lastdier; Inz. de gewijde kameel, die met de geschenken van den Groeten Heer naar Mekka gaal en In rechte linie, zegt men, afstamt van den kameel, waarop Mohamed op zijne tochten plachl te ryden.

Mahmoodi, rn. een rekenmunt In l\'erzle en Kloln-Azie = toman = TV kran (z. aid.); in Basora = 10 danlmes = 100 llocsj = ongeveer i cents.

Mahnoh, m. hrief door middel van de bloemenspraak [mlam).

Mahomed, z. M u h a m e d.

Mahon of mahona, f. (fr. mahon, ma-honc, mahmme, sii. mahona, waarsch. van \'t oudfr. Mahon, Mohamed, moliamedaansch) in. een lurksch vaartuig, eene soort van galoas of galjas (z. ond. ga lol)

Mahoniehout, z, m a h a g o n I e.

Mahout, m. (spr. -hoe) ollfanlenoppasser op Ceylon; vgl. cornac.

Mahratten, in. pl. een volk in O. Iodic op het schiereiland aan deze zijde van den Ganges (naar den naam des lands: sanskrll. mahdrdschtra, d. I. het groote ryk, van ma hu, groot, en rischlra, ryk).

Maid, maiden, f. eng. (spr. meed\', meed\'n} meisje, maagd; an old ma»/, eene oude vryster; — maiden, paard dat nog geen prys behaald heeft hg een openbare wedren; — maidenspeech, f. eng. (spr. meed\'n-sjiietsj] eerste rede, debut b. v. van een parlementslid.

Maidan of Meïdan, m. arab. (maïddn, v. mdda, bewogen worden) groote vlakte, open veld; groote baan, renbaan, inz. de oude renbaan In Gonstanlinopel; ook marktplaats vgl. ook b a /. a a r.

Maiden, maidenspeech, z. maid.

Maioutika, maieutisch, z. nueea-tiek, enz.

Maigre, adj. fr. (spr. migr\') mager; soupe (spr. soep) maigre, watersoep; — maigreur, f. fr (spr. mi—) de magerheid; — maigree-ren, maigrisseeren, vonnagoren, mager worden.

Mail, t) n. fr. (spr. malj\',- elg. een beukhamer = lat. malleus, It. maglio) hel maliespel, waarby een bouten bal op eene vlakke baan met eene kolf wordt voortgeslagen.

Mail, 4) f. eng. (spr. meel = fr. malle ■/.. aid.) het valles, de brievenzak, verzegelde lederen zakken, welke de te verzenden brieven enz. bevallen; de rydende post, de brievenpost (Inz. de postdienst tusschen O. en VV. Imllë en Europa); de landmail, de postdienst van West-liuropa over land naar een haven In de Mlddell. zee en verder per hoot over Suez naar Indlc; — mailtrein, mailboot, sneltrein.


-ocr page 766-

MAILLACHOR 746

MAJESTEIT

stoomhoül, voornainciyk voor ilon posldienst (tiaar Inülfi); — mail-coach, f. (spr. meel koolsj) liet rUlulK der Lrlevoiipost In Engeland.

Maillachor, ook maillechord, (spr. malj—) en me Ie lil or, n. eon allleorsel van koper, zink en nikkel, tor vervanging van liet tafelzilver, dat Inz. te Parijs wordt vervaardigd; z. v. a. argentaan, z. aid.

Maille, f, fr. (spr. malj\': 11 maylia, sp. malla, van \'I lat. macitla, z. aid.) eeiie maas aan geknoopt ot gebreid werk; een pantserringetje, malle; oone oade fr. kopermunt = | denier; eene zilvermunt onder Plillips den Sclioonen In lllOll geslagen, eene oude goudmunt der liertogen van Lolliarlngen, geldende te l\'a-rUs 33J- sous.

Maillotins, pi. fr. (spr. maljoleii) de sti\'Ud-liamers, naam eener oproerige partij onder Karet VI, In Iit3 (zuo geheeten naar de groote hamers [fr. maitlolins of mailleis], die zy tot liunne wapening van liet stadhuis te l\'arys iiualdoii).

Maimon, z. m a n d r i I.

main, I. fr. (spr. tueii= lat. man us) 1° de hand; main droile, rechter-, main oauche, iln-kerhand; — cn main (spr. aii—) in de hand; en main zyn, hy \'t biljartspel: In handen zyn (de hal), om weder opgezet te worden; -- a deux mains (spr —deu—), voor helde bandon, tot dubbel gehrulk; — coup de main, ■/.. ond. coup; — main cliaude, handjeplak, soort pandspel; — main de juslice, f. fr. (spr. meii d\'zju-stiéz\') d. 1. hand der gerechtigheid, eene soort van sehepter, als eereteeken der fr. regeering; — main d\'oeuvre, werk van een handwerksman; — main forte, eig. sterke hand, de macht der overheid, gewapende macht; — main mode, eig. doode hand; onvcrvreeindhare grondeigendom; 2° hoek papier: main de passé, toegift aan papier, dat de drukker over krügt voor misdruk enz.

Mainprise, f. eng. (spr. meenprais) vry-iating tegen persooniyke borgstelling van een ander.

mainteneeren, fr. (muinlenir, spr. men—) handhaven, onderhouden, bewaren, in stand houden, beschermen, voorslaan, verdedigen; ook voor: eene byz.il houden-, kanieren; eene ma i n-1 o n e e of g e in a I n t e n e e r d e, eene geka-merde byzit; — jc mainlicndrai, (spr. tje men-Ijeiidré), ik zal handhaven (devies van bel buis van Oranje); — maintenabel, adj. houdbaar, te rechtvaardigen, te verdedigen; — maintonance, f. (spr. mènlendns) handhaving, iuslandhouding; — maintenue, f. de gereehteiyke bescherming \\ari bet bezit.

Maire, m. fr. (spr, mc\'r\'; v. \'t lal. major, do grootere, In oudfr. maire, waaruit waarsch. hel dultsch meier, gemeontehoofd, ontstaan is) In Frankryk, en ook in Nederland lydens de fr. overheerseliing, de eerste hurgeriyke amhte-naar van eene gemeente, hurgemeesler, schout; — rnairie, f. de waardigheid, hel ambt en de woning van zulk een regeerlngspersoon.

Maïs, f. (sp maiz, uit de uitgestorven taal van Haiti, waarin het ma/iis of ma/iiz heet) oorspr. amerlkaunsch koren; lurksche tarwe (Zea mais), lurksch koren (door Columbus uit /.. Amerika naar Spanje gebracht, alwaar bet reeds omstreeks iSiO werd geplant); —vandaar maïzena, f. bereid maïsmeel, lijn meel uit maïs, veel voor puddings gebruikt.

maison, f. fr. (spr. mézo/\'i, v. \'t lat. mansïo, verhiyf, woning, v. manêre, hiyven) het buis;

— maison de campagne, f. (spr. —d\'kaiipdiij\') een landhuis, eene buitenplaats; maison de commerce, handelshuls; m. de force of m. de correction (spr koneksjóii) een tuchthuis, een spinhuis, verbeterhuis, dwangbuis; maison de plaisance (spr. plèzdiis\'), lusthof, hultenpiaats; maison du roi (spr. rod), de hulstroepen, bel militaire huls des konlngs; maison de santé, ziekenhuis, ook euphemlstiseb voor; krankzlnnl-gengestlcbt; maison de rille, stadhuis, raadhuis.

Maïtre, m. fr. (spr. mètre, v. \'t lat. ma-l/isler, II. maestro, enz.) een meester, heer, gebiedend heer, gebieder, beheerscher, b. v. by spreekt of beveelt en mailre (spr. «;/—), d. 1. ais heer, enz.; een leermeester, onderwüzer, taal-, leekenmeester, enz.; baas, werkbaas; ook de meesier, voornaamste In eene kunst, z. v. a. virtuoos, h. v. en mailre spelen, meesteriyk spelen; — maïtro-autel, hoofdaltaar; maïtre d\'armes (spr. darm\'), een scherinmeesler; maïtre d\'éeole (spr. dékol\') een schoolmeester; — maïtre de plaisir (spr. plizier) een hofbeamhle, die de vermakelijkheden heeft te regelen; ook In het algemeen een regelaar van feestpartyen en ver-makeiyklieden; — maïtre des requêtes, z. ond. requéie; — maïtre d\'hotel, de hulshofiiiecster; d la maUre-d\'hilel (hy gorecb-ten), met eene botersaus, (uien, meel, citroenen);

— maitre Jean (spr. zjdn), eig. meester Jan of Hans, omdat dit een der meest verbreide namen is, althans In de lagere volksklassen, z. v. a. Janhagel; — maitresse, f. (spr. mètréss\') eene gebiedster, meesteres, de vrouw des huizes; leervrouw, onderwyzeres van kleine kinderen, matros; onechtolyke bijslaap, bywyf; geliefde, liefje, vryster, minnares; — maitriseeren (spr. «=.?), den meester spelen, meesternchtig hehamlelon, beheerschen.

Maïzena, z. onder maïs.

Maja, f. lat. (van \'1 gr. Maia, Mica, d. 1. eig. moeder) Myth, de dochter van Atlas en moeder van Morcurlus; in de Indische fabelleer eene vrouwelijke godheid, die te geiyk met den Schepper der wereld optreedt (van \'I sanskr. majd, begoocheling, bedrog, sehyn); Astron. een In tsiit door \'Cuttle ontdekte asteroïde; z. ook ma ya.

Majesteit, f. lat. {majéstas, v. majus = magnus, groot, fr. majesté) waardigheid, imog-lield, hoeriykheld, verhevenheid, grootheid, inz. de koninklijke waardigheid, hoogste macht en waardigboid, een lilel van gekroonde hoofden en hunne gemalinnen; —majosteitsrecht.


-ocr page 767-

MAKHOBIËRS

747

MAJO

z. regales — majesteitsschennis, z,

crimen laesae majestatis; — majostoits-brief, een vrUheldsbrlef, door oen onbepanl-den gebieder o( Staat uitgereikt, Inz. die van keizer Kudolf II voor de Protestanten van ho-liemcn In 100» uitgegeven-, — majéslas personalis, persoonlijke majesteit; m. reulis, majesteit van het staatsllcliuam—majestueus, adj. heerlUk, verheven, groot, konlnklUk, pracli-tig, schitterend.

Majo, z. mayo.

Majolica, f. It. (van \'t oud-lt. Majolica, voor Majorca, op welk eiland men \'t liet eerst vervaardigde) vaatwerk uit lijn leem met wit glazuur en kunstig beschilderd, Inz, In de Itio eeuw, toen de grootste schilders, zelfs Kafaël Sanzlo, tot hun vermaak lichte schilderingen op zulk vaatwerk maakten, waarom deze tegenwoordig ten deele duur betaald worden; eone soort van grover fayence (z. aid,). Majolijn, z. marloleln. Majonnaise, z. mayonnaise. Majoor, m. fr. (v. \'I Int. major, de groo-tere, lioogere, z. ond.) een opperwachtmeesler, de aanvoerder van een bataljon; — major du jour fr. (spr. mazjor du zjóir) de stafolllcier, die de wachten en posten voor eenen dag heeft na te zien; — plaatsmajoor, de hoofdolllcler in eone garnizoensplaats.

major, m. lat. {major, neutr. majus, compar. v. tmgnus, a, urn, groot) de grootere; de oudste van twee broeders, vgl. senior: Log. de eerste of hoofdstelling in eene sluitrede; mid,lal. de Intendant of huismeester, (lat. villicus), inz. major domus, m, opperhulshofinecster, by de oude frnnklsche koningen de lltcl der aan-zleniyke hofbeambten; — majöra (sell, cola) of majöra, n. pl. de meeste stemmen, stemmen-nieerderbeld; ]ier majora, door meerderheid van stemmen;— majoraal, sp,, z, mayoraal; — majoraat, n, mid, lal. {majoralus) hel voorrecht der meerdere jaren In eene familie of (In eageren zin) des oudsten onder vele even nauw verwante erfgenamen, het recht des oudsten; ook het goed des oudsten, dat telkens ongedeeld by den oudste der familie blyfl; — majoratie (spr. I=ls), f. nw.lai. vergroeiing, versterking; — majorennis, d I, major annis, voljarlg, meerderjarig, mondig; — ma-jorenniteit, f. de mondigheid, meerderjarigheid (naar rom. recht op bet 28e, by ons op het -2:10 jaar, In Frankryk en Dultschland op bet ïle Jaar); — majoriteit, f. (mid lat, majorilas) het overwicht of de meerderheid der stemmen, slcmmenmeerderheld; —majóres, pl. de voorouderen; — majorïne, f. nw.lai., munt van hot gr. kelzerryk (z. dekargyron). Majoraan, z. m a r 1 o I e l n. Majuscule, f. fr. (spr. matjuuskuul\': v, lat. majusci/la, sell lillera lettor, van majus-ciilus, a, urn. Iets grootor, verklw. v. major, majus, grooter) hoofdletter, kapitale lettor, Makako, z. macaco,

Makame, f, arab. (makömeh) d. i, eig.

verzameling, onderhoud in een gezelschap, vertellingen van eigenaardig kunstlgen, half ilii li-teriyken vorm (van den arab. dichter II a ri ri).

Makarios of Makarms, m , Makaria, f, gr,, mans- en vr.nnam; do gelukzalige; — makarismen, pi, (van den sing, makurismós, het zallgspreken), zaligsprekingen (Math. V, 3 volgg.).

Makats, pl, lichte gekeperde wollen stoffen tot sofa-bekleodlng,

makeshift, n. eng. (spr, meeksjifl, v. make, maken, en shift, oen noodmlddel, uitvlucht) eene noodhulp.

Maki, m. N. li. hol spookdier, een naar do apen geiykend dlergesiacht, mot don snoet van oenen vos, ook lemur in. lat.

Makkes, pl. joodsch: slaag, slagen (van hot behr. mukkdh, het slaan, v ndkdh, slaan):

Makreel, m. (deeasch makrel, zw. makrill, eng. mackerel, mld.lat. macarellus, macquerellus, oudfr. maquerel, nw.fr. maquereau, makreel en koppelaar, welk laatste do oorspr, boleekenis Is, dewyi deze vlsch, volgens eene volksmoonliig, ito jonge elften, die men elders ook maagden noemt, ploegt te volgen en -zo baron mannoljes aan te voeren) oen zoor vette en smakeiyke roofvisch in de Noordzee {Scomber).

Makrobiörs, m. pl. gr. (sing, makróhlos, (van makrós, lang, groot, en bios, loven) lang-levondcn, een fabelachtig volk bij de oude gr. schryvers; — makrobiösis, f. het langdurig leven; - makrobiotïka, f. de kunst om het leven te verlengen, de oudwordings-kunst; in hot alg. gozondlieldsleor: — ma-krobiötisch, adj. langlevend; de levensverlenging belreffende; — makrocephalus, in. een groolboofd, dikkop; - makrocheir of makrochir, m. langhand, een langhan-dige; — makrodakt^los, in. een langvln-gorlge; — makrodaktylisch, adj. lang-vlngerig; — makrokolïe, f. de innglodlg-beld; — makrokölisch, adj. langledlg;— makrokömisch, adj. langharig; — ma-krokósmos, in. do groote wereld, do buitenwereld, tiet gansehe wereldgebouw; vgl.mi-k rok osmos-, — makrokosmologie, f. de leer van do dingen daarbuiten, van liet go-hoele wereldstelsel; — makrologie, f. oen wydioopig gesnap, woordenkraam, wydioopig-held; — makronosie (spr. s=t), f. eene langdurige ziekte, het sukkelen; — makro-phönisch, adj. met ver klinkondo stem, luid-stommig; — makrophthalmos, m. oen grootoog, grootoogige; - makrophthal-misch, adj. grootoogig; makrophyl-lisch, adj. lang- of groot biaderlg; — ma-kropnoia, f de langadomigbeld, het langzame en diepe adeinlialon; — makropóden, pl. knaagdieren met lange uchterpooten; — makropódisch, adj. langvootlg; — ma-kroptëra, n. pl insoclon met zoor lange vleugels, laagvleugeligen. — makroptérisch, adj. mot lange vleugels; — makroscii, pl. Gcogr. inngschaduwigen; — makrösis, f. do


-ocr page 768-

MALDIVISCH

748

MAKRONE

vcrlcngliiK, vergrooling; -- makrostichon, n. een (.\'edlolit met ImiKe retrels— makro-stichisch, adj. lungreKellK — makrostó-misch, adj. KroolrnondlK; — makrüra,

ii. pl. Umüslaartlge vogels, zulke, wier sluart hunne poolen In lengle overtreft; ook latiüslaar-tige kreeften.

Makröne, r. (v. \'t it. macarone, aid.; fr. mnenron) een klein suikergebak van aman-dcldeeg.

Makronosie, makrophthalmus,

enz. z. oud. makrohlërs.

Maküba, f. eone tijno soort van snuiftabak, zoo goheeten naar eon district op liet eiland Martinique, waar zij gebouwd en bereid wordt.

Makukawa, (m. hraz. macucdua, macuro) z. trompet.

mal, adv. fr. (= lat. ma/«) slecht, kwalUk; In samenst. z v. a. on-, mis-, enz., vgl. malcontent, mal bonnet; — pus mal (spr. pa mal), niet kwaad; — mal d xnn aise (spr. èz\'), niet op zgn gemak (vgl. al se); — mal, als subsi. (= lat. malum) n. eene kwaal, ziekte-,

— mal de cerf (spr. —sér), de bertenzlekte, mondklem; — mal de Naples, f. elg. de kwaal van Napels, de venusziekte, door de Franscben zoo geheeten, omdat zy in lilllt hij de belegering van genoemde slail het eerst daardoor aangestoken worden.

Malachiet, n. (van \'1 gr. malachë, maluw, wegens de naar de maluw gelijkende groene kleur) een groen, koolzuur kopererts, atlaserts, natuurlUk waterhoudend koolzuur koperoxyde;

— malachiet-groen, n. de beste soort van tyroler berggroen.

Malachmöves, m. joodsch (van \'1 hebr. tnaldch, engel, en moves, poolscb-joodscb voor mdweilt, de dood) de joodscho doodsengel.

Malacie of malakie, f. gr. {malakia, v. malakós, r, dn, week) elg. weekheid; Med. verweeking (b. v. van de maag); de trek naar zekere spijzen, Inz. hy zwangere vrouwen, belustheid.

malade, adj. fr. (11. malalo, oudfr. ma-labde, provenc. malaul, malaple, v. \'I lat. male uplus, slecht passend; v. a. van male habitus, die zich niet wel bevindt; vergelijk het nedorl. on passe 1 y k) ziek, krank; ziekelijk,onpasseiyk, ongesteld; ~ maladie, f. ziekte, krankheid, onpasseiykhcid, enz.; — maladerie of rna-ladrerie, f. een kranken- of ziekenhuis, Inz. voor melaatschen; — maladif, adj. zlekeiyk.

Maladrésso, f. fr. (vgl. adresse) onhandigheid, onhebendlgbeld, ongeschiktheid, lompheid; — maladroit, adj. (spr. —atlrnd) oa-geschlkt, onhandig, lomp.

mala fide, z end. fides: — malae fidfi pos-sessfo, f., z. possessie, em. oud. possedeeren.

Malaga, m. oen spaansche zoete wijn, naar de stad Malaga zoo gebeetcn.

Maltigma, n. gr. (van malassein, week maken) Mod. een verweekend middel, verzachtende of verweekeade omslag; — maliik-tisch, adj. (gr. malaktikós) verweekend, verslappend; — malaktlka, n. pl. verweekende geneesmiddelen.

Malaguette, f. fr. (sp. malauuela, naaide stad Malaga benoemd) z. v. a. kar da mom.

Malaise, n. fr. (sjir. —èz\') licliamoiyk kwatyk bevinden; ongemak, onaangoname gewaarwording, ongelegenheid, netelige omstandigheid

Malakie, z. malacie; — malako-dérmen, pl. gr. (v. malakós, week, en dérma, huid) weekdieren, z. v. a. m o 11 u s k o n -, — malakologie, f. do leer van de weekdieren ; — malakolith, m. weeksteen, eono aan den au giet verwante steensoort; —ma-lakoon, m. een den zirkoon verwante, maar minder harde steensoort; — malakosarkos, m. Med. lom. met zeer zacht, week vieesch; — malakosteon, n. de tieendervorwoeklng; — malakozöon, n., pl. malakozöa, weekdieren; — malakczoölogïe, f. de leer van de weekdieren.

Malaktïka, malaktisch, z. end. ma-lag ma.

Malandn\'a, f. lat. (It. malamira, fr. ma-landre) kloven of kenen In de kalebogen der paarden, rasp, kniekioof.

Malandrino, m. It. (fr. malandrin, van \'I mld.lat. malandriims, uit hel lat. malus, hoos, en het gr. ancr, genlt. andnis, man; oorspr. de naam van arab. en egypt. straatroovers ten tyde der kruistochten) een straatroover; als scheldwoord; schelm.

mal-a-propos, fr. (spr. malapropó,- vgl. fi propos, oud. proponeerea) ten ontyde, to onpas, ongelegen, ontydlg, ondienstig, ongeschikt, onbehooriyk

malair, adj. nw. lat. (van bot lat. mala, de kinnebak) de wangen belroffende, daartoe behooreude.

Malaria, f. It. (elg. mala aria, kwade lucht) ongezonde moeraslucht en do daardoor verwekto moeraskoorts In Italië.

Malaten, pl. z. s or baten.

malavisó, adj. fr. (spr. —awité) oulie-dacht, onbezonnen, onverstandig.

malaxeeren, nw.lat. (malaxUre, v. \'tgr. malassein), week, lenig maken, li. v. harde stoffen In olie, enz ; — malaxatie (spr. l=ls), f. Med. weekmaklng, Inz. bel weekkneden van pleisters.

Malberg, m. oudd. (vgl. mail urn) de gerechtsplaats; — malbergischo glosse, f. de in vele bandschriften der siillsclio wet ter verklaring Ingeschoven nlet-IntUnsche woorden, die door sommigen voor celtlsch, door anderen juister voor fraiikisch gehouden worden.

Malbroek, z. M a i- i li o r o u g li.

maleontént, adj. fr. (spr. —kónldii, gcw . —konlt\'nl: vgl. content) ontevreden, onvergenoegd; — de malconténten, de onver-genoegden, h. v. met de landsregeerlng.

Mal de Naples, ■/.. mal.

Maldivisch of Maledivisch goud.


-ocr page 769-

MALPIGH1US

MALE

749

do scholpinunt, knurl, (z. aid), dl(gt; dc Nogors op dc Goudkust, onz. In plaiils van kloln «eld gobrulkon (dus Rolieolon, omdat /.y In grooto inonlgto van do Maldlvlscho oliaiidoii komt; — maldivische noten, zcecocosnoten.

male, Int. (adv. van malus) kwaad, sloclit, lioos, erg; — male r/uidem, vrU sloclit, erg genoeg; — male i/und sic, org genoeg, dat liet zoo is; — malodicoeren (lat. maledictie, d. 1. olg. sloclit sproken), sniadon, lasteren, ver-wcnscheii; — maledicént, adj. (lal. male-dicens) sclilmpcnd, smalend; kwaadsprekend; — maledictie (spr. I=s), i. de vloek, vorwen-sclilng, vervlooklng; ouk laster, acliterklap; — malefactor, m. lat., or maleficant, m. nw.lat., oen lioosduoner, misdadiger; ma-leflcium, n. de euveldaad, misdaad; — ma-leflcie, f. betoovoiing, belickslng, tioksery, zwarte kunst; — malefleaat, m. of r. loin, door lioksei\'U lot do voortteling ongescliikt gemaakt ; — maloflok, adj. kwaaddoend (liü do astrologen, die aan de planeten Mars en Sa-luriius [malefici] een scluidoiykon invloed toe-schrevon).

Maleijers, m. pi. (in liunno eigen taal Malayoe of Maldyoe, d. i. waarscli. vlui litellng, van \'t Javaanscli malayoe, weggaan, vluchten) een volksstam in Achtcr-Azle en op de eilanden van de iiidisclic zee; zij maken een af-zomleriyken moiisclionstam, liet maleische ras, uil.

Malokioton, m. pl. oeiio muluimedaan-sche socio, aanhangers der leer van Maiek, een van de i reclilgeluovige Imams van den Islam.

Malencontre, f. fr. (spr. mal-aiikoiitr\': vgi. r e n con t roero n) cone kwade ontmoeting, een ongeval, ongeluk, eoiio tegenheid; — malencontreux, adj. fr. (spr. —Ireu) oa-gelukkig.

Malentendu, n. tr. (spr. mal-aiilaiM) liet misverstand, de dwaling, misvatting, liel verzien

male paria male dilabunlur, lat. «wat sloclit verworven Is, gaat slecht te grondequot;: onrocht-vaardig verkregen goed gedyt niet.

malevolént, lat. (malevulem: vgi. vnlo) kwaadwiliens, ongenegen; - malevoléntie (spr. l=ls) f. (lat. malevoIcnCfa) de kwaadwilligheid, afgunst, nyd, vyandige gezindheid omtrent iemand.

Malfacon, f. fr. (spr. fasón, vgi. faron) de misstand, wanstand; het bedrog, de onro-deiykbeld van handelingen.

Malfaisance, t. fr. (spr. —fètdiis\') bons-beid; — malfaisant, adj. (spr. malfèza») boosaardig.

maluré, adv. fr. (vgi. hon aré) ongaarne, mei tegenzin, onvrywililg, ondanks.

malhabiel, adj. fr. (mal-liabile: vgi. ha-blei) ongeschikt, onervaren, oniiedreveii; malhabilité, f. ongeschiktlield, onbedrevenheid.

Malheur, n. fr. (spr. maléiir) ongeluk, onheil, rampspoed, ongeval, liet iegengest. van bon beur (z aid.); — ;)«/• malheur al mulheu-reusement (spr. —t\'mdn) adv. hy ongeluk, on-gelukkigerwys; — malheureux, adj. en sulisi. (spr. —eu) ongelukkig; ongelukkige! — malheureux au jeu, heureux eu mariage (ol amour), ongelukkig in \'t spel, gelukkig in \'i buweiyk, (of de liefde).

malhonnét, adj. f. [malhonnêle: vgi. ho tinei) onweivoogiyk, onaardig, onbeleefd, onbe-tameiyk, onheusch; onedel, onredeiyk, slecbl;

— malhonnöteté, f. onweivoegiyklicid, on-beleeflieid, onredeiykheid, eerloos gedrag.

Malice, f. fr. (sp. maliés\') lat. malilta, f. (v. malus, z. aid ) hoosheid, argiisiigheld, gul-terü, bedrug; moedwiliigbeid, een schalke streek;

— malitiëus, adj. (spr. /- h fr. malicieuj\', lat. maliliosus) boosaardig, arglislig, verraderlUk, schalk, moodwiillg; — malitiösa deserlïo, lal. Jur., z. oud. desertie; — maliliusus desertor, t. desertor m. ; malitiositeit, f. (spr. s=i) (later lat. malilinstlas) bousbeid, arglistigheid.

Malie, f. ■/.. ma li (Ie art.) en mail ie;

— maliebaan, f. haan voor het maliespel. malifolius, a, urn, lal. (van malum, appel)

appelbladerig; malifórm, adj. uw. lat. {mulifnnnis) appelvormig.

malifinus morbus, in. lal (maliunus, voor ma-ligenus, hoosaardig, v. malus [z. iilil.J, en f/emtv, geboorte, geslaebl, soort) eene kwaadaardige ziekte; maligniteit, f. (lal. maliunflas boosaardigheid, boosheid, genoegen in eens anders leed; sclialkbeid.

malincolia, li. zwaarnioedigbeid, sombere smart; con m. of malincolicameule, meianciiollek, somber, smachtend, zwaarmoedig.

Malis, f. gr. z. v. a. inalandria. malitia, malitiëus, enz., z. oud. malice. Malle, f. fr. (provenc. sp. en port, mala, v. \'t mid.lioogd. iiuilhe, oudhuogd. malaha, lederen lasch, reiszak, noderl maal, male; gr. mohjós, een zak van ossenhuid of runderleder) een kleine reiskolfer, valles; de post, brievenpost, maIIepost vgi. ma li jl.

malleabel, adj. nw.lat. (v.\'t lal. malleus, de banier) hamerbaar, smeedliaar, rekliaar, voor iiilbrelding naar Iwee rlclitlngcn geschikt, wat zich onder den hamer of tussclien rollen, cvlin-ders of pietwerk laai boarbeidon; b. v. mela-len; — malleabiliteit, f. de smeed ba arbeid, rekbaarheid, vgi. d uc11111 e 11; — mal-leacéën, pi. versteende bamerscheipen.

malleolair, adj. lat. (v. malleolus, d. I. eig. hamertjo) Anat. do knokkels betreifende of daartoe beboorende.

Mal\'occhio, n. It. (spr. —okjn) de booze blik, het kwade oog, naar bot volksbygeloof in liailé; de gave van sominige nieasehen. die men gel la lore of j el lat ore, pi. —rl (eig. werpers) noemt, om door bun boozen blik anderen ongeluk aan te brengen; = jettalura.

mala modn, z. oud. malus.

Malpighms [net van , bel slUmnet, ile middelste buidiang onder de opperhuid van


-ocr page 770-

750 M AMILLARISTEN

MALPLACEEREN

lid menscheiyk llehunin (naar ilen Hal. arts M a I p i r h I, gesl. I(gt;9i).

malplacooren, fr. (vgl. p la cc oren) verkeerd of kwaiyk plaatsen, mUiiluatsen.

malplaisant, adj. fr. (spr. —plizah, vgl. plalsant) onbehaagiyk, verdrietig.

malpropre, adj. f. (vgl. pro pre) onzln-delUk, onrein, smerig, vuil, morsig; — mal-propreté, f. de onreinheid, onzlndeiyklieid.

Maltor, m. een zwltsersclie korenmaat [sac, sacro) van ISO lller of 1,5 H.L., verdeeld In Hen schepels [qimrlerons, boisseaux). Voor 1873 was de maller ook een korenmaat In vele dultsche staten; hy was van zeer vorschlllendo grootte en meestal verdeeld In 12 schepels.

Maltezer, m. (11. Mallése) Inboorling en bewoner van \'t eiland Ma 11 a; — maltezer-ridders, zie Joliannlter-ridders; — maltezer-gier, N. II. de bruine gier, die veel op Malta voorkomt; — maltezer-hondje, z. v. a. bolugnczer-bondjc.

Malthusianisme, n. uw.lal. dc leer van den eng. staathuishoudkundige Mailbus (gesl. 1831), dat dc aanwas der bevolking In bet belang van bet geheel vanwege den slaat beperkt behoort te worden; — malthusiaan, mal-thusianist, m. aanhanger dezer leer.

Maltose, f. een door inwerking van een waterig mout-extract op zetmeel ontslaande, eigenaardige cu van de drulvcnsulker verschillende suikersoort.

maltraiteeren, fr. (mallrailer, spr. mat-lrèl—\\ vgl. tracleeren) mishandelen, kwaiyk bejegenen.

Malum, n. lal. appel, b. v. malum discor-diae, de twistappel; ab nvo usque ad mala, \\im het cl (bei gewone begin van den maaltyd) lot de appelen (als dessert); van het begin tot liet einde.

malus, a, urn, adj. lat. kwaad, slecht, boos; malae fide, z. ond. fides, — malae fidll posses-sfo, f. z. possessie, ond. possedeeren; — main mndo, op slccbtc wyze; — mfl/um, n., pi. mala, een kwaad, ongeluk, onheil, cone scbade; ook eene ziekte, Inz. een llchameiyk gebrek, eenc kwaal; — malum malo proxtmum, sprw.; bet eene kwaad grenst aan bet andere, d. 1. een ongeluk komt zelden alleen; — e dunbus mails minimum eliqéndum est, sprw: van iwco kwaden moet men bet minste kiezen; — malum hyp, schertsend voor malum hypochondnacum, z. b y p o c b o n drie; — mnlam inveleratum, eene oude, ingewortelde kwaal; — m. morliium, Med. eig. doodskwaal, een scburfiige uitslag, inz. aan de heupen; —m. neapolilanum, z. v. a. syphilis; vgl. mal de Saples: — m. ne-cessarïum, een noodzakciyk kwaad.

Malvaglia, m. li. (spr. malwalja) een Hal. wün, een namaaksel van dc malvezy, geperst uil druiven, die men aan den steel om-draalt en zoo laat drogen

Malvazieofmalvazïër, z. malvezy. Malve, lat. malra, f. ma luw, mal owe, eene plant van hel geslacht der monadcl-pbla, welker beide hoofdsoorten (Malra ro-tumlifolia en sylcestrls) In de geneeskunde gebruikt worden, kaasjeskruid (wegens den vorm van de zaaddoosjes), winterroos, stokroos, tuln-populler; — malvacéën, pi. nw.iat. {malva-ceae) maiuwplanteii; — malvaclus, a, urn, lat. Hot. maiuwachtlg.

malverseeren, fr. (malverser, van lal. male versare, slecht beheeren) eenen post niet eeriyk waarnemen, gelden onderslaan, verdon keremanen; — malversant, in. wie zyn ambt nlel eeriyk waarneemt; gelden onderslaat, openbare papieren vervalscbt enz.; — malversatie (spr. I=ls) f. de ontrouwe waarneming van eenen posi, hel verduisteren van toevertrouwde geiden door omkoop, verkeerde boeking enz.

Malvezij, f. (fr. malvoisie) een edele, geurige, zoele wyn, doorgaans van goudgele kleur, inz. van de stad Na poll dl Ma Iv Asia op liet schiereiland Morca; ook oen kunstmatig toebereide inuskaatwyn.

Malvina, f. coll. (gaol. Malmhina, üitgespr Malwina) vr.naam: uit wier oogen zacbtmoe-diglicid spreekt; de gemalin van Oskar, ver-pleegster en lieveling van haren blinden schoonvader O s s I a n.

Malvivénti, pi. it. eig. slechtlevenden; Inz. roovers; — malviventie (spr. l=ls) f. bet leven en bedrgf der roovers, Inz. In Dal-matiB.

Malz-extract, n. bgd. eig. moutextract; eene soort van bier, waaraan geneeskracht wordt toegeschreven, (zoogenaamd) gezondheids-bier.

Mama, f. (lal. mamma, fr. mamdn, sp. mama) in dc kindertaal voor moedor; oneig. eene deftige, lyvigc vrouw, eenc dikke mama.

Mamborgeit, f. de syrischc of indisebe geil, van den berg Mamber In Svrle.

Mamelük of liever mammelük, boter nog mamlük ,11. mammalucco, van \'t arab. mamloek, verl. dceiw. van malaka, bezitten, beheerscben; dus eig. die bezeten, hebcerscht wordt, een bebeersebto, slaaf) eig. een uit chrls-ten-ouders geboren, in den moliamed. godsdienst opgebrachte slaaf; uit dcrgciyke lieden vormde men In de lilde eeuw een legerbende in Egypte, die tot tsn bet land bebeersebto, loon zy door sultan Seilin weder aan de lurksche oppcr-maebt onderworpen werd; vandanr ook een af-valllge, gcloofsverzaker (renegaat); een bui-cholaar, trouwoioozc; — mamelukken der garde, een corps der lyfwacht van Napoleon I, welks kern gevormd was uit de In Egypte aangeworven ruiters en dat oosterscb costuum droog; — mameluco, m. sp. (spr. —lóéko) een brazil, kind, uit een blanke en eenc In-landsclio geboren.

Mamey, m. (spr. mameiuit de taal v. Haïti) eene soort van den bryappeiboom in /.Amerika.

Mamillaristen, m. pi. eenc socle van M e n n o n 1 e t e n.


-ocr page 771-

MANDAMUS

MAMKA

751

Mamka, f, russ. (v. mdmlsjily, voeden, zoogen) de min.

mamma, f. lal. do vrouwenhorst, (?om. m ;i in; z. ook mama; — mammalia of mammaliën, n. pl. nw.lat. (v. \'t lal. mammults, do horsten botrolTende) zoogdieren, dieren, die horsten om te zoogen liehhen; — mamma-liolithen, in. pl. lat.-gr. versteende en andere heenderen van zoogdieren uit de voorwereld; — mammaliologie, f. de zoogdlerkunde, leer van do zoogdieren; — mammifërae, f. pl. elg. horstendragende = zoogdieren; — mammilla of liever mamilla, t. lat de tepel; — mammillair of mammilla-risch, adj. tcpelvormlg; — mammillalm, a, urn, lat. Bot. tepetvormlg, mot tepeltjes; — mammons, adj. (mamma.ius, a, urn) met groote horsten, met vollen hoezem; — mam-mositoit (spr. s—z) f. nw.lat. do groothor-stlgheid, volheid van boezem.

Mammoeth, in. (uit het russ. mdmont, mamanl, van het tataarsch mamma, de aarde, dewyi de Tungoezen en Jakoeten geloofden, dat het dier onder den grond als een mol wroette) een onhekend, ontzaglijk groote soort olifant uit de voorwereld, welks heenderen (m a m-moethsboendoren) In Slherle en Inz. aan den Ohio In Noord-,Amerika opgedolven en als Ivoor tot allerlei kunstvoorwerpen verwerkt worden.

Mammon, in. chald. (gr. mammotxU, chald. mdmdn, mammón, uil hehr. malmón, onder-aardsche schat, rijkdom, v. /liman, verhergen, hegraven) do goud- of geldgod, geldsehat, aard-sehe goederen en rijkdommen, In zooverre men daaraan met geheel zUn hart hangt; — mam-monist, m. een mammonsdlenaar, mammons-knecht, gierigaard; aardsgezlnde, kind der wereld.

Mamoedi, z. m a h m o e d l.

Mamura, f. russ. de (Inlandsche of noord-sche framboos (/tubus arclicwt).

Mamzei, mamtnezol, f. samengetrokken uit mademoiselle (z. aid.); mejulTrouw, juffer.

Man, in., eng. (spr. men) man, mensch; — man of war, krijgsman, ook: oorlogsschip.

Man, z. maund.

Man., hl) naluurwetensch. benamingen afk. voor S. Manettl (gest. 1780).

Manacaniet, ook manakoniet, /.. v. a. m e n a k a n.

Manada, f. sp. kudde.

Manager, m. eng. (spr. ménnithjer, van manage = tr. menager, besturen; vgl. menage) een ordohouder, opziener op het eng. tooneel, z. v. a. r o g I s s e u r.

Manakoniet, z. manacaniet.

Manati of manate, m. (uit de taal v. Haïti) de zeekoe, een zeedier tot hel geslacht van den walrus hehoorende, z. lamantyn.

Manatie (spr. t=ls) f. lat. (manalïn, v. manure, vloeien) het vloeien, de uitvloeiing.

mancdndn, 11. (v. mancare, ontbreken, afnemen; vgl. ma n(| ueeren) Muz. allengs afnemend, wegstervend.

Manceps, m., pl. maneïpes, lat. (van manus, hand en capfre, nemen; vgl. manciptwn) de kooper, verwerver van een eigendom door koop; ook staatspachter.

Manche, f. (lat. manïca, van manus, de hand) mouw; z. fa u sse-ma nche; ■—man-Chette, f. fr. (spr. mahsjél\'; fr. mnnchelle, verklw. v. manche) bandlnbhe; verdikkingsmiddel uit leder, gummi of gutta-pcrcha bü de stempels van hydraulische persen enz.; ook een spaansche volksdans [la manchêtta, spr. man-tsjetla)-, — manchetten-koorts, Iron, de vreeskoorts, lafbelilskoorts, krult koorts; — manchetten hebben, iron, bang zijn; — man-chon, m. fr. (spr. —sjnü) mof.

Manchéster, n. (spr. ménlsjesler) oene katoenen, lluweelachtigo stof, In do eng. stad van geiyken naam uitgevonden; — manchester cottons, pi. (spr. köll\'ns) grove katoenen stoffen voor matrozen en negers; — manchesterschool of -partij, f. in Engeland do inz. dooi\' Gohden gestichte en aangevoerde politieke jiartij van voorname Industri-eelen en staathuishoudkundigen, welke den vrijen handel on de niet-inmenging van den staat ia de nijverheid voorstaat, de vrije han-delsparlij; hunne leerstellingen beeten de Manche s t e r-t h e o r I e; vgl. f r e e -1 r a d e.

manripïum, n. lat. (v. manus, hand en ra-pire, nemen, dus elg. de handneming, handoplegging; vgl. manceps) de gerechtelijke vormelijke koop; het recht van eigendom op eene zaak, de eigendom; hel familierecht van vrije personen in eene zekere rangorde; ook een door koop verkregen lijfeigene,slaaf; — man-cipeeren (lat. mancipdre) oud-rom. Jur. ais eigendom overgeven of toeëlgenen, overgeven, verkoopen; — mancipatie (spr. /=/.?) f. (lat. mancipaïïo) de overgeving eener zaak als eigendom; oene eigenaardig plechtige overgave van eigendom hij do oude Komelnen, mei schün-verkoop en geldloeweging; de toeëigoning, onderwerping.

mancus, a, um, lal. verminkt, gebrekkig, onvolledig; — mancus, m. een gebrekkige, verminkte, éenhandige ; — manco, m. li. Krnt. het gebrek, onthrekendo, de mangel, het te-kort hy waren.

Mandaeërs, mandeën, pl. ook sa-

li a e t! r s of discipelen v a n ,1 o h a n n e s, eene secle aan den Tigris, met eigen in eene bijzondere arameescho taal opgestelde godsdienstige hoeken.

Mandamus, n. lat. {mandamus, elg. wy verordenen, v. inanilSre, gelaston, bevelen) het hevel van het kings- of quee ns h e uch-ge-recbl Ie l.onden, in naam dos konings of der koningin; — mandiint (lat. mdndans) of mandator, m. een lastgever, volmachtgever, p r 1 n c 1 p a al; — mandataris, m. oen laslbcbbcr, gevolmachtigde, zaakvoerder; — man-dalarto nomïne of qiui mandalarius, als govol-


-ocr page 772-

MANDARIJN

MANGAAN

752

miichtlRilo, volgons bekomen volmaclit; — per manilalarïum, door oen KovolmaehllRde; — mandaat (Int. mandalum) n. eene opdraclit, eon last, eene volmaclit, volmaelitgevInK, mach-liglng; een vorstelijk licvel, geliodsbrief, oene verordening der regeering; ook eene aanwijzing, eene soorl van papleren geld In de fransdie omwenteling, dat de assignaten moest vervangen; ex maiulSIn ot ad mdnilatn, op hevel, volgens last; ex speclSli mandatum, op lig/.onder of ulldrukkelUk bevel; in mandalis, als bevel of last; mandatum advocalnnum, oproepingsbevel, waardoor nltlandlgo, in vreemden dienst staande onderdanen opgeroepen worden om zich weder In bun vaderland Ie begeven; m. noo-lalortum, een afrooplngsbovel, waardoor bevolen wordt, eene zaak van de onbevoegde autoriteit aan de ware af te geven; m. arreslato-rïiim, een bevel tot aanhouding, tol inhechtenisneming; m. rassalonum, een opbellingsbevcl; m. compulsoriale, een aansporingsbevel; m. vnm ilausula, een hevel, tegen hetwelk tegenwerpingen worden toegelaten; m. ram libera (soil. /nana ot poleslale) onbeperkte voimiicht; m. do non o/fendéndo, oen verbod, iemand schade toe Ie brengen; m. inhibilorfum, terughoudings-of stuitingsbevcl; m. prnhibilnrfum, verbod of waarschuwing van de overbold; m. prapnum, een opdracht of hevel van den vorsl zeiven; m. simplex, eerste bevel, mot aanduiding eener straf; m. sine clausula, afgekort m. c., een bevel zonder beperking; eene onbepaalde vol-machl; in. speciale, oen afzondcriyk bevel; hi. sub- el nprep/ilium, een door list en ter sluik verkregen hevel; m. ul/erïus, een nader, hoo-ger, scherper bevel; — mandemént, n. fr. (spr. mand\'mdii: meestal als ned. —ménl) her-deriyke brief eens hlsscbops, enz; eene meer vermanende dan gebiedende beschikking of bepaling, inz. van de r. katii. geestelijkheid in Frankrijk en Hoigift; - mandamento, m. it. arrondissement, district, een gedeelle eener provincie In hel koninkryk Italië.

Mandarijn, m. (port. mnndarim; hel woord is niet chinoesch, maar = sanskr. man-Irin. raadgever, v. \'t sanskr. mantra, een raad, en dit van man, denken, weten, verstaan) leder staatsbenmbte in China, een voornaam Chinees; — mandarine, f. een korte, met bont bezette dames-overrok; — mandarijnen, mandarijntjes, pi. eene soort van kleine sinaasappels uil Malia.

Mandement, z. ond. mandamus.

Mandille, f fr. (spr. maiidiélf: oudfr. ma-dil, mantel, sp. en port. mandil, schort, paardendekkiood, v. arab. mandil, ihiek om af te vegen enz., en dit van nadaht, afwisschen, omhullen) een ovorrok, mantel, Inz. der bedienden.

Mandinga, f. port. z.v. a. feiliceira.

Mandolijn, mandóre, ook pandóre, f. (fr, mandoline, mamlnle, mandore, panilore, ii. mandala, mandöra, pandora, pandura, van \'t later int. on gr. pandura: vgl. bandola) eene soort van kleine luit mot i snaren, pandoer cilher.

Mandoor, m. port. (mandaitnr, hevelhel)-ber, v. mandar, bevelen) opzichter of moostor-knechl op een fabriek of by eenlg helangrUk werk (in Ncd.-indlfl).

Mandra, f. gr. een afgesloten rniinle, stal; klooster; — mandriet, m. een bewoner daarvan, kloosterbroeder, monnik.

Mandragóre, f. (lat. mandragora, f., gr. mandraqóras, m.) liol. de alrulnwortel, toovei\'-of heksenwortel, een in tweeën gespleten wortel, die eenlge overeenkomst met de monschen-gestalto beeft en waaraan men toovorkraclit toekende.

Mandriet, z. ond. man dra.

Mandril of maimon, m. (sp. mandril, waarsch. naar Inheomsche benaming; perz. en lurk. maimnen, aap, baviaan) de wouddulvel, eene soort van baviaan (cynoctphalus mormoni in Guinea, Congo, aan de Kaap enz.

Mandrise, f. lijn, groen geaderd lioul van hot eiland Madagascar.

Mandücus, m. lat. een eter, vreter; een schrikbeeld, bullebak voor de kinderen; — mandueabel, adj. nw.lat. kauwhuar, eet-liaar; — manducatie (spr. I=ls] f. (van manducare, kauwen, en dit v. mandfre, kauwen) hel kauwen, het eten van bel brood en/., by hot 11. avondmaal; — manduoatöres, pi, (v. \'t lat. manducator, de kauwor) de kauwspieren.

Manége, f. fr. (spr. manèzjli. maneijtjio, in \'1 alg. behandeling, besturing, mid.lat. ma-naffïum, v. \'t it. maneggiare, handhaven, van \'t lat. man us, de hand) de ryschool, rUbaan-, ryknnsl; eene listige en behendige handelwyze, streken.

Manen, m. pi. (lat. manes) de afgestorven zielen of de schimmen iter overledenen, de scha-duwgestalte; ook de onderwereld of het ver-hiyt der schimmen, het schlnimenryk; — piis manïbus, aan de vrome zielen dor afgeslorve-non (gewyd).

Manequin, z. m a n n e q u I n.

Manfred, oudd. {Manfrid, Maginfrid} mansnaam: de zeer vreedzame man.

Mang, eene ooslindische peulvrucht, die Inz. aan den Indus menigvuldig wordt aangebouwd.

Manga, f. sp. (elg. mouw, zak, v. \'t lat. man/ca, vgl. manchet) de mantel van een Mexicaan.

Mangaan of manganesium, n. nw.

lal. (verdorven uit magnes, magneet, wegens de uilwendlge overcenknmsl) bruinsteenmotaal, een grauwachtig wil, zeer bros en zwaarvioeiiianr metaal; - mangaan-oxyde, n. de bruinsteen, verbinding van het mangaan met de zuur-slof; In de natuur watervry als braunlet (z. aid,), waterhoudend (mangaanoxydhydraat) als m a n g a n I e I, n. voorkomende; - mangaan-oxydul, n. verbinding van mangaan mei een geringer en mangaansuperoxyde of


-ocr page 773-

MANGANEUT

753

MANILLA

-hyperoxyde, n. mol eoni^ Rioolcr hoe-vceihclil zuurslof dun in liet oxyilo; — man-gaanspaath, n. oen nil koolzuur inangaiin-oxydul liostiiund mineraal.

Manganout, m. ur (manganeulcs, v. man-ganeuein, door toovormiddelon l)fidric({en; man-(laiwn, een loovonnlddel) een voor(!ewciid too-venanr, itooclielaar; kwakzalver; - manga-neutisch, ndj. loovenichtig, BooehelaclitiK, hcdrloKlük; manganie, f. («r. manganeta) toovcry, noochetarU; kwakzalverij.

Mangle of mangleboom, m. (uit de taal van Maïli) een zuldamerlk. tioom, die Inz. aan dea zeeoever Kroelt (llhhophnru mannle).

Mango, m. lat., pl. mangönen (lal. manaónes) In \'I alt?, een handeluar, die zgne waren een coed voorkomen Reeft, li. v. slavenhandelaar j — mnngon/wii, n. lal. of man-gonie, mangonisiitie (spr. -za-lsie) f. In \'I iilK. de opsierliiK der waren; Inz. de art-senllvervalschin!,\'.

Mango-boom, m. {Mangiftra iiuUca, I.. maleiseli mmggu) een liooife ooslind. Iioom mot goudkieurijie, vleezliie, zeer welsmakende vrueti-ten, die eene anmndolachtlge kern liehhen; de vrucht heet mango-vrucht, of enkel mango of manga f.

Mangonen, mangonie, enz. z. ond. m a n g o.

Mangrove(boom), z. man (tie.

MangustO (van \'t lilndost. mangoes) z. 1 chn en in on.

Mania, man Ie.

maniabol, ndj. fr. iuinniiible, van manier, lianteeren; vgl. man us) handelhanr, lenig, hulg-zaam, zacht ; gozegiyk.

Maniacus, z. manie.

mamra Hippocrütis, f. tut. Med. etg. de mouw vaa llippukrales, een tlllreer- of doorzygzukje; ook de Ireehler of het verlengsel der hersenen, dat naar de slljmklier gaat.

Manicheeër, m. (Iiiiil.lat. Mankhaem, pl. Manirhaei) een aanhanger van de heldensch-christclUke seclo des perz. dwaalleeraurs gt;1 a-nes of Muni In de llde eeuw, die twee god-deHjko gromlwezens, een goed en een kwaad, uaiumm; oneig. en iron.; onstuimige sclinhl-eiscliers, maners (omdat men in de middeleeuwen Joden en Manlclueërs In vele landen vun Kurnpu met elkander verwarde of ge-lyksteide); - manichseisme, n. de leer van Manes en zijne uunhangers.

Manichordo, ■/.. v. a. cl a v i c h o r il e, z. ond. cluvis.

Manie, f. gr. [mania, v. mainesihai, razen, woeden) de ruzernU, woede, krunkzlnnigiielil; hevige gemoedsheweging; zucht, harlslochte-iyke liefde, overdreven neiging, enz.; maniacus, m. gr. (liever manikós) een waanzinnige, een krankzinnige.

Maniemént, n. fr. (spr. mani\'mdii: v. manier, hanteoron, van lui. inanus, liand) de hehamlellng of hanteering, het hestuur, helleer, h. v. van handelszaken. de leiding VIKIIIIK DR UK.

van het penseel hij schilders; de hundgreep.

Manier, f. (v. \'t fr. maniére, it. manlira, d. i. elg. de heiiandeling, de hanteering, van \'t lat. manus, hand) do wyze van zich te ge-drugen of in eene zaak te werk te gaan; le-veuswys, wyze van handelen, vun hehumlollng; de kunstgreep; in werken van kunst of welen-schap; de eigenaardige, kenmerkende hUzonder-heden in hewerking; ook gemuaktheid, gekun-sleidlield, afwyklng van hel nalnuriijke, in le-gonstolllng met stijl; — manieren, pl. de hehhelyke wyze van zich voor te doen, de wyze vun hundolen, leven enz.; Muz. versieringen, h. v. trillers, slepers enz.; ma-nierlijk, adj. en adv. wellevend, hupscli, heschelden, hoirciyk, naar den toon dor worcld; — gemanierd, gemaniereerd, udj. gedwongen, gezocht, gekunsleld, gemuakt, styf, geaffecteerd;— manierist, m. een kunstenaar of schrijver, die door /.yne eentonige, eigenaardige wyze vun heiiandeling zieti van de ware, mol de natuur van zyn onderwerp overeenkomstige opvulling en voorsleillrig ver-wydort.

Manifést, n. mld.lal. {maniféstum, v. \'t lat. maniféslus, a, urn, handtasteiyk, zóo zlchthuar, dal men \'l mol lianden grypen kan, openhuur, v. manus, hand) eene openlyke verkluring vun oenen vorst of eene mogendheid, die de reden vun tiet gehouden godrug hij eene gewichtige gelegenheid iiloottegl, vorstelyke rochtvaardi-glng; stualsverklaring, hekendmuklng der liooge overheid, plechtige uuukondiging; ook: openhuur geschrift om zich te rectiiviiardigeii; — manifesteeren, lat. {manifcslnre) openharen, hekend maken, verkondigen, kond doen, ontdekken, uuntoonen, lilootteggeii; — manifestatie (spr. lie=lsic) f. (manifeslaCfn) open-haring, hekendinaklng, verkondiging, ontdekking, opening of hloollegging van een voornemen; in do iiatuurphllosophle; de openhurlng vun liet oneindige in hel eindige; — manifestatieeed, m. z. jaraméntum manifcslatiunis, — manifestator, m. de opeiihaurder.

Manihot, z. maniok.

Mani(l)la-8igaren, s|). sigaren v. \'i Phi-llppynsche eiland Man 1(1)lu (sp. Munilu); — manilla-hennep, m. zeker Indische plun-tenvezels van Musii lejlilis, z uhucu; — manilla-papier, n. uit de hast vezels daarvan hereid papier.

Manille, f fr. (spr. maniélf , sp. manilla, d. i. etg. armhand, v. \'1 lat. mnnile, halsband, pl. momIia, wellicht met herinnering uun \'t gr. manos, mannos, hulshand, of \'t lat. manus, hand; naar den door stlorhevechlers ter eere van eene dume gedragen armlmnd) de tweede troef in hel omherspel en in soortgetyke kaartspelen, In hel zwart de twee, in hel rood de zeven vun de kleur, waarin men speelt; — manillen, pi. (sp. manilla, pi, manillas) urmhanden, geelkoperen ringen, itie inz. de Negers ais sieraad uun de armen en boenen dragen.

i8


-ocr page 774-

MANILUV1UM

MANTEAU

754

Maniluvium, n. nw lat. (v. manux, hand un lu re, wasschcn) het li«ndl)n(l.

Maniók of manihót, m. (van hel port. on hrnzll. mandioca) de liroodworlel, de zeer meelryke wortel van den maniok- of eas-savo-strnik in VV.Indlc en Z.Amerika (./«-Irniiha manihol). Zyn groote, knolvormifte wortel (yucca- of cassava-, boter casave-wortel) levert een zeer sinakelgk on gezond l)rood, casa v o of caza v e gohoeten (in de taal van Haiti kasabi).

mnniimlux, m. afgok. M., man. of mp. op recepten (van manus, liand en phre, vullen); eene handvol, li. v. krulden of hladeren; hü do oude Romeinen een soldtffiitroep, vendel, het gt; eener cohorte; — manipularen, m. pl. (lal. manipulares) de lol oonen manipulus hehoorende soldaten; manipulooren, nw. lat hehandolen, met de handen aanraken, lie-strykon, betasten, bevoelen of bevingeren (z. ook magnetisme; — manipulatie (spr. t=ls) f. in \'t algemeen de kunstmatige hehan-dellng, aanwending dor noodigo handgrepen; inz. do belasting, bevoeling of hestryklng van een lydend lichaam met de handen door den magnetiseur, om heilzame veranderingen in het lichaam teweeg te brengen;- manipu-lum, n. nw.lat. In de grieksche kerk een handdoek lol het afdrogen der bandon en der heilige vaten, door den suhdlaconus op den linkerschouder gedragen; ook dat gedeelte van liet misgewaad, \'t welk over do alba (z. aid.) ligt.

Manitoo, m. een geest of diBinon, fetlsch der wilde volken van N.Amerika.

mankeeron, z. maniiueeron.

Manna, n (lat. en gr. manna, hebr. mdn, waarsch. oorspr. deel, gave, geschenk, arah. mann, v. \'I hebr. mdndh, arab. manna, toebe-doolen, schenken) hemelgave, lucblhoiilg, een voedingsmiddel der Israëlieten in de woestijn; ook een buikzuiverend middel, een geelachtig taai, zoelachlig en zacht afvoerend sap, dat uit verschelden boomen, Inz. uil eene soort van tamarisken aan den Slanï en uil don manna-esch {Fraxinus nrnus) in Z.Kuropa, Inz. In Caiahrlö, vloeit en als kleine doorzichtige korrels wordt Ingezameld; — manniet, n. mannastof of mannasulker, hel hoofdhesland-deel van hel manna.

Manneh, m. een sprekende, zinnebeeldige bloemruiker hy de Oosterlingen.

Mannequin, m. fr. (spr. —Ueh. waar-schyniyk van man, manneken) een lede-man of leeman, eene ledepop, een bouten man mol heweegiyko ledematen, by schilders en teekenaars; onolg. een karakterloos, onzelfstandig mensch; ook een diepe en nauwe korf, marktkorf, eene ooflmand enz.; — manne-quinago sp. —nadzj\') f. beeldhouwwerk aan gebouwen.

Manniet, z. oud. manna.

Mannus, m. {— man) oudd. Myth, de god en stamvader der oude Dullschers, zoon van Tulsco.

mono, f. II. (= lat. manus) de hand; mono destra of driltc, de rechterhand; Muz. afgek. m. il. met do rochlerhand; mono sinistra, de linkerhand; Muz. afgek. m. s., met de linkerhand (te spelen).

Manoeuvre, f. (spr. mancuwr\'; mld.lat. manopire, v. \'I lat. manus, hand en nprra, arbeid) de handeling, verlichting, handelwijze, hand- of kunstgreep, de wyze van by eene zaak Ie werk te gaan; inz. do kunstige beweging, wending of besturing van een schip of van een menigte krygsvoik, de scheepswending, de krygszwenking, regehnallgo kunstbewegingen van oonen troop, een leger enz.; ook de krygsoefening; — manoeuvre deforce (spr. fors\'), Mil. middel om beschadigd geworden maleriaal (schepon, geschut, rytulgen enz.) weder bruikhaar te maken; — pl. manoDUvres, ook slink-sche wegen, listen en lagen, kuiperyen; ma-ncuuvreoren (fr. mamruvrer) handbowegin-gen maken, oefeningen houden (by hel exer-ceercn der soldalen), scheepswendingen, ieger-zwenkingen maken enz.; het takelwerk, bet wanl regeeren; ook maalregelen nemen.

Manometer of manoskoop, m. gr. (v. miinós, dun, yi) dichlheidsmeler, Inz. der lucht, lol liet melen van den stoonulruk In stoomketels, van de gasdrukking enz.; vgl. da-s y in e 1 e r.

Manen, f. fr. verklw. v. Marlo, Maria.

Manor, n. eng. (spr. ménn\'r: v. \'1 oudfr. mannir, lal. manenum, v. manire, lilyven; vgl. mansion) een riddergoed, landgoed.

manqueeren, fr. (mani/uer. It. man rare, provenc en sp. mancar, v. \'I lat mancus, z. aid.) feilen, missen, onlbreken, te korl komen; iiaiaten, verzuimen, in gebreke blyven, nian-keoron; zgne helalingen ullslellon of hulton staat lot betalen zyn, z. v. a. fa ill cere n; — manque de louche, in. (spr. mank\' de lóésj\') op het blljari: een misslool, waarbu do speler zgnen bal niet raakl; ook hg het kogelen; een worp, waarby geen der negen kegels wordt omgeworpen, oen poedel; — manquement, n. (spr. maiik\'mdii) een gebrek, eene feil, na-laligheld, foul, een verzien.

Mansarde, f of oen mansardiseh dak (naar den naam des uitvinders Mansard, een fianschon bouwkundige, gest. 1000), een gebroken dak, hollandsch dak; ook dakvertrek, vlioringkamertje.

Mansion, n. eng. (spr. ménsj\'nv. \'Hal. mansïo, v. manêre, blyven) de plaats van op-onthoud, de woning, bel woonhuis; — man-sion-house, n. (spr. —hous) de amhleiyke woning van den lord-mayor te l.onden.

Manteau, m. fr. (spr. maiiló; oudfr. en provenc. mantel, v. \'t lat. manléllum of man-tcluia) de innnlel; onolg. dekmantel, voorwendsel; -- mantelet, n. fr. (spr. maid\'lè: verklw. van inanlel, manteau) een kleine mantel, man-lellje; ook mantelette, eene ledoren valklap aan koctsportleren enz.; oen stormdak of -sciiorm, eene jilindeoring van hout, die de be-


-ocr page 775-

MANTÉCA

755

MA NILS

logormirs logon het gowoorvuur der liolOKordcn bovolllgd; ook do poorten, poortluikcn op scho-pen; — manteline on mantille, r, (spr. mahliélj\') oon viouwonniiinloltjo; manteleeren, Mil. hovosllgon, vorschunson, om-munlolon.

Mantèca, f. sp. (wuurseh. v. lat. inunCica, dubliolo knapzak on later misschien ook leeren zak of darm; daar de Arabieren en waarseli. ook do Spanjaarden zich van zakken l)odlonden lor bereiding dor boter) vol, boter; In Zuld-Amerlka: by bet vnur gesmolton room; ook uitgekookt rundervot; (fr. munlèiiue) wilde zwy-nenvet, dlerensmout.

Mantelet, manteleeren, enz. ■/.. ond. m a nt ca u.

Mantia, f. gr. {manleia, van manlis, de waarzegger) bet waarzeggen, Inz. uil de vliiebt der vogelen; ook eeno voorspelling, con duister gezegde; — mantica, mantiek, f. gr. {manliltc) Ac vermoedlngs- ot waai zogglngs-kunst.

Mantiek, z. ond. munt la.

Mantilla, f. sp. (spr. tUlju: verklw. v. mania, wollen deken, manlo, sluierdoek, man-let, afgek. v.\'t lat manlrluni; vgl, manteau) de lange sluier der spaansetie vrouwen, die bet boofd met een gedeelte van bel geztebt verborg! en tol op den gordel nederbangt; mantille, f. fr. (spr. maniielje; verklw. v. manlo, mnnlcau, mantel) een soort vrouwenmanteltje.

Mantissa, f. lal. de toegift, bel aanbang-sol; de nasleep; Mat li. de cijfers der I lendeo-llgo breuk van eeno logaritbme, In tegenstelling met bet kencUfer of bet eyfer der gebeelen.

Manu, Ind. nomln Manus, m. (In I eng. bedorven tot Menu) In de Iml. sage: de stamvader van bet mensebdom, aan wlen bet oudste In \'t Sanskrit gescbreven wetboek dor Indiërs wordt toegekend.

manuaal, enz. z. manus.

mnnuarium jus, n. lal. (v. manus) liet vulsi-reebt.

Manubiën, f. pi. lat. (maniMic, v. manu-lifus, den vjjaiKi ontnomen, v. manus, de liand) do krygslmlt, Inz. ilal gedeelte daarvan,\'t welk den veldbeer toekwam; onelg. woekerwinst; — mannbiaal, adj. (manubinlis) lid den bult bebooreml, tiultgeniaakt.

manus, f. lal. de band; manus firma, elg. vaste band; scbrltteiyke verzekering, bundveste; manus inanum laval, spr. w: de eene band wascbl de andere; — manus mortua, elg. doode band, z. oml mort il us; — mnnu aniinld, ge-wapendorband, met gewapende maebt; m. brei\'i, met korte band, kortetyk, terstond, zonder meer; m. brevlssima, op bet kortst; m. fdrli, Jur. met geweid, Inz. met dat der overbeld ; m. pro-prïa, afgek. m. jir. of m. /)/\'., quot;lot eigen band, eigenbandlg; m. slipuldta, met of zonder bandslag; in manu, by de band, onder banden; inanum ile laltnta: elg. de band van de tafel of de si\'blldery: de band weg, d. i. niets aangeroerd! manus, pl. de banden; ad manus, ter band, by de band; ad manus benenolas, aan welwillende banden; uil in fidrles, aan getrouwe banden; ad m. propHas, in eigen banden; — manuaal, n. (van bet lat. manuulis, e, voor de bami gescblkt) bamlbeweglng, wgze waarop men met de band iets doet; bandvaardlgbeld, handgrepen; hnndhoek; Kuit. oen handboek,ban-delsboek, inz. dal hoek, waarin ontvangst en uitgaaf volgens de bronnen en bestemmingen (In titels en kapittels) worden opgeleekemi; een dagregister, ook me mor laai; by het orgel: het klavier, de toetsenry (claviatuur), die mei de handen bespeeld wordt. In tegenst. met pedaal; — manuale chirurgie, f. do leer van de wondbeelersbandgrepen; ma-nuaal-lexicon, n. een bandwoordenboek; — manuaftler, adv. Maz. enkel met de handen (zonder pedaal) uil te voeren; — manuulis fides, een handslag In plaats van eed; ma-nubrrum, n. (pl. manubrieri) de knop of greep aan do registers der orgels; raanu-Captie (spr. /=.s) f. mld.iat (manucapttn) de bandscbrifleiyke borgloebt; manudüctie (spr. I—s) f. nw.iat. baniilelding, aanwyzlng, aanleiding; manudüctor, rn. de bandleider, de oudste novice als opziener in een jezuïeten-college; - manufact, n. (van bet tat. manu fur hun, mei de band gemaakt) een voorlbrengsel der banden, een bandengewroebt;

manufactuur, f. nw.lal. {manufactüra, fr. munufuclure) elg. een werk, gewrocht der handen; eene Inrichting, eene werkplaats, ai-waar stollen uil het planten- en dierenryk verwerkt worden, van engere beteekenis dan fabriek (z. aid.), li. \\. lakenwevery, boeden-makery enz.; manufacturen of ma-nufactuurwaren, elg. ........... de band

gemaakte waren; kunstvoorthrengsels, die zonder hamers of vuur zyn bereid, Inz. stolTen van z.yde. katoen, linnen enz ; manufactu-rier, manufacturist, m. een liandwerker in eene manufactuur; Inz. de eigenaar, heer, bestuurder daarvan; by ons gew. manu-facturior, handelaar In geweven sloifen (zyde, katoen enz.); — manumissie, f. lat. {ma-numissin) loslaling, vryiatlng van oenen slaaf of lijfeigene; manumitteeren, lat. {ma-numillire) afstand doen van een reciil op Iemand, li. v van eenen lieer op zynen slaaf;

manuscript, n. of afgekort MS. of Mscrpt. (van liet lat. manu siri/ilum, mei de band geschreven) een handschrift. Inz. een voor afdruk bestemd, geschreven boek vóór het drukken; manustupreeren (vgl. siupreeren) zelfbevlekking dryven; ma-nustupratie (spr. Iie~lsie) f. de zelfbevlekking, z. onanie; manuteneeren (van \'I lat. manu lenïre, met de hand liouden) band-haven; in stand houden, boschutton, mainteneer en; manutenéntie (spr. tie=lsie) f. de Instundlioudbig. banilhaving, verdediging, bescberming, b. v. van de wetten; Inz. de hand-having In het bezit.


-ocr page 776-

MARCHAND

756

MANY

many, iiilj. fiiiit. (spr. ménni) monlR; — manyfold isiir. —hold\') rnonlKvuldlK.

Manzel, in. of manzille, r. tirfiii, {man-zil, inazaln, arslUgen, zijnon inlick nomen) lioi\'liursen voor ioIzIkci\'s In I\'orztt! en/.

Mappe, f. (van \'t Int. mappa, cen lafel-kleod, wegens de «eiykvornilKlield met eon toe-gevouwen tnfellnken, ilnl ftobrnlkt word, om daurln spOzen van eon maal mede naar huls te nemen) oeno hrlovenlasch, een omslag, eene tookealaseh, porto-feul Ito, onz.j - mappe-monde, f. fr. (spr. mapp\'nwiKl\') eene wereldkaart; mappeeren, landkaarten lee-kenen, omtrekken maken, In kaart hreiiKOii;\'— mappour, m. Mil. een tookenaar van kaarten, Inz. krüüskaarton; mappeering, (. de schetsing, schels, kaarlteekonlng.

Maquereau, m. fr. (spr. makcró. oudfr. maqumel, v. \'I nederl. ma k e r, ondhgit. muhhari ■ huor-maliliuri, koppelaar, v. mnhhnn, marhAn, nederl. ma kon, handelen, onderhandelen, of v. a ra li. makroeh, gehaat, verachtelijk) een koppelaar, hoerenwaard; — maquerelle, eene koppelaarstor, hoeronwaardin; maquerel-lage, f. (spr. —Iddzi\') do koppelarij.

Maquette, f. fr. (spr. makélt\') de aanleg, het ontwerp, Inzonderhold van cen hceld, z. v. a. model.

Maquignon, m. fr. (spr. maki-rijóii.- v. \'I oudfr. maque, verkoop, waar, v. \'1 oudhoogd. tnahlia, het maken, vervaardigen, van mahlión, tmehón, maken, vervaardigen, hewerken, handelen, misschien onder Invloed v. \'I lal. manqn [z. aid. | op den vorm des woords; vgl. ma-quoroau een paardenkooper, roskammer;

— maquignonnage, f. (spr nm:j\') de paardenhandel, roskammeru; roskammerskunst grepen.

Maraboot, m. arah. (mnrboet, gehouden, gehooid, v. rabala, hinden) oen door gelofte aan een godheschonwend, eenzaam leven gehondene, zeltvorloochonaar, vrome kluizenaar (dikwijls verward met morahlot, z. aid.); ook mohame-daansche hldkapcl (arah. marhat, marbil).

Maraboe-vedei\'en (fr. marabouls) schoo-ne, donsachtige vederen tot sieraad op dameshoeden, van den m a ra h oe-oo Ie va a r In O.lndie.

Maracaïbo, f. eene soort tahak van de gelijknamige stad en provincie in /.Amerika.

Marsene, z. mura-ne.

Marais, n. fr. (spr. —ril) moeras; ook als parUjhenaming In de eerste fr. revolutie: ilc gemallgden, In tegensl. met la montat/ne, de hergparty.

Maraméllen, f. pi. fr. ingemaakte japan-sche kweeën.

Maranatha, syrisch: eig. dat de Hoer kome (ten gerichio)! een vervloekingsformulier aan den hyhel ontloend.

Maranen, z. mar ra non.

Maransis, f. gr. (v. moj\'nin(?in,uUhlusschen, verzwakken enz.) de verwelking, verzwakking;

— raarantiseh, adj. verzwakkend; ma— rasme, n. (lat. marasmus sen,lis) do uittering, verwelking, hoi wegkwynen, de krachteloosheid of verzwakking van ouderdom; — maras-mopyra, f. de uitioringskoorls der door ouderdom verzwakten.

Marasquin, f. (spr. —ken) of maras-kino, m. (it. maraschino, v, mardsca, amardsca, zure kers, morel, van \'t lat. amiirus, hitter, daarom ook amarina geheeten) een lljne hran-dewyn, getrokken op lijn gestooten pitten van zure kersen.

Maratten, liever Mahratlen (z. aid.)

Maraud, m. fr. (spr. marósp. maróla, een sluw measch; vgl. marode) een schurk, splts-hocf, deugniet.

Maraudeur, z. m a r o d e u r.

Maraugie, f. of marmar^goe, pl.gr. (marnufiia, mnmnryijai, van mairein. marmai-ret i, Ilikkeren) Med. het flikkeren of fonkelen voor do oogen, het vonkenzien, z. v. a. photo p s i c.

Maravodi, m. (provenc. marabolin, oudfr. marabnulin, naar do voorheen in Spanje lieor-sciiendo arah. familie der Mo ra video, arah. mardhitln, d. 1. eig. do volhardenden, standvas-ttgen, lienoemd; vgl. mora li iet) eene voor-mailgo spaanscho kopermunt (maravedi de vel-Ion . spr. —weljdón) — real de veil on = n,:i.quot; cent; do zilveren maravedi of maravedi de pldla, een rekenmunt = reat de plat a = i koperen maravedi = 0,7 cent; ook eene spaansctie rekenmunt van omtrent dezelfde waaide, waarvan er 111 in eenen real de vel-Ion gtmn.

Marbles, pi. eng. (spr. mdrb\'ls: v. mar-We, marmer; vgl mar hrure) kunstwerken uil marnier.

Marbre, m. fr. (spr. mArbr\'; v. lal. mar-mor} marmer; - marbrerie, f. hol snyden en polijsten vim het marmer-, marmersaymolen, inarinerwerk; - marbrier, m. (spr. marbrjé) fiihrikant van, handelaar In mannerwerk; — marbreeren, fr. (marbrer) marmeren; — marbrüre, f. fr. z. v. a. gemarmerd werk.

marenndn en marcaln. It. (v. maredre, hetee-kenen) IMnz. mot hyzondoron nadruk.

Marcassiet, n. (fr. marcassile, II. mar-cassila, sp. marcasila, marquesila, margajila, van \'I arah. markasjllsd, kiezelsteen) zwavei-klcs, yzerkies, een goudgeel, naar hot staal-graaw zweemend oris, dal uil yzer en zwavel hostimt; ook de naam van het hiamuth, z. aid.

Marcelline, n. fr. (naar do fr. stud Mar-colllii In \'1 dep. Isère?) eene soort van lichte zyden slof.

marcescoeren, lal. (marceso\'re, v.mar-ccre, verwelkt zyn) verwelken, verslappen; maroescént, adj. (lal. marcéscens) verwel-kouil, verslappend; — marcido, adj. (lat. mnrridus, a, um) verwelkt, slap, mat.

Marchand, m. fr. (spr. mnrxjdnoudfr. mnrclieiUinl, marrheanl, marchand, markand, It. mercaldnlc, mcrcante, v. \'t li. mercaldn, tiandel


-ocr page 777-

MARGAKET(H)A

757

MARCHK

drljvon, van \'I lut. mercalus, liundcl, mere ar i, handel drijven, v. merx, gonlt. mereis, waai\'; z. ook inarkolcnlor) een koopman, handelaar; — marchand tailleur (spr. laijeur) m. een kleedcnnaker, die levens slolTen verkoopt; — marchandage, f. (s|ir. -ddazj\') work op stuk legen overeengekomen prys; hel In de tweede hand ulthestodon van werk; — marchando de modes, r. (manjainl\' de mód\') eenc modehandolaarsler, modekoopvronw; — marchandiso, f. {spr. marsjandiéz\') waren, koopwaren, koopmansgoed; — march undeoron, handelen, handel dry ven, markten, dingen, knlhhelen-, zich hedenken, dralen, lalmen.

Marche, f. tl\', (spr. Inarsj\'; It. marria) marsc h; Muz. marche funèbre, doodenmarsch; ni. militaire, krUgshaflige marsch; in. relif/ieuse, godsdienslige marscli.

marcheeron, marchour, zie onder ma rsc h.

marches, pi. eng. (spr. mdrlsjes-, vgl. mark) grensdislrldeii lusschen Kngeland en Schol land

Marchese, m. 11. (spr. markèze), ■/.. v. a, m a r q ii I s.

Marchioness, f. eng. (spr. mdrlsjunnés) markiezin.

Mai\'cia, f. it. Mnz. marsch z. aid. vgl. ma rc li o.

marciale, it. (spr. marlxjdle) of alla marcia, Mnz. op do wgze van een marscli, krygsliaflig.

marcide, z. ond. ma rc esc e ere n.

Marcieton, m. pi. leden eener secto, in de *2(10 eeuw gesticht door Marcus, leerling van Simon den toovenaar. /i.{ droegen de priesterlijk! waardigheid ook aan vrouwen op; men noemde hen ook Volmaak lea.

Marcionieten, m. pi. cene chr. secte uit ile 2de eeuw, die ecu iioos en goed licglii-sel nannain, liet iniwetyk afkeurde en enkel geestetyk genot veroorloofde; naar Mare ion van Stiiopc lienoemd.

Marcipein, gow. marsopoin, n. (nw. tat. Marei imnis, d. i. eig. Mareushrood; 11. inanapnne, sp. munaiiun, fr. masse/iain, eng. marchpane) siitkerlirood, een geliak uit anian-detcn en suiker. (De zomer van \'t Jaar iltn was zóo koud, dal alle oogst mislukte en zulk een groote hongersnood onlstond, dat de men-schen hooi en gras moesten eten, en eenc tieto hroods, ter grootte van een okkernoot, io Suk-son :i ponningon koslle. Deze kleine hroodjes noemde men marciisliroodjes, en tinkte die tater, ter gedachtenis van dien Ireurigen tyd, gesuikerd en gekruld, op SI. Marcusdag. Volgens anderen komt hot woord van eenen Italiaan Marzo, die dit geliak zon iiclilien uilgevonden. Hel waarschynlUkst is. dal tiet komt van \'I lal. maza, meeihry, moes uil meet, gr. mdilza, eig. tiet geknede, elke geknede massa in de gedaanle van een gorstoiirood, v. mri.v-sein, kneden, en lal. /iiiiüs, Ijrood),

Marco, m. een goud- en zilvergewiclil in Portugal iui lirazilie = 22lgt;,!i gram.

Marcomannen, z. mark om an non.

Marcus, in, lal. (óf v. mnrrux, oen groote hiinier, óf voor Marteux, v. maris, man) een rom. niansn.: de slrydliare of de iiianne-iijke; — Marcusplaats, een groot plein te Venelie.

Manli urns, m. fr. (spr. ~f/m ,■ mardi, voor \'I lat. Marlis ilies, dag van Mars) eiu. vette dinsdag, vasteimvond-dlnsdag.

Mardijker, m. (van mal. mardalteka of murdeka) vrye, vrij man, die niet tot iieeren-dlensten verpilclil is (in Nod indiö).

Mare, n. Int. zee; mare liherum, de vrije zee; — ook 11. z. frul to.

Maroage, r fr. (spr. —óiitj\') het miitro-zengeid, malrozenioon, dit gage; tiet verdrag, dal een seheepsroodor of koopnian mei de hoois-lieden sluit.

Maréchal, m fr. (spr. mnresjdl) 1° hoef-smld, gevv. ma ri^ c ha l-fe r ran I (spr. fcra/i), maréchal réldrinaire, paardeiidiikter; 2° maarschalk (z. aid.); muréchal lt;/«/\'\'/•«nre, fransche rijksmaaischalk; raarochal de camp, in. (spr. -kdii) generaal-majiior; maréchal dos logis, m. (spr. —lo:Ji) oen rege-menls-kwiirliernieesler, wachlmeester; — ma-rechausséo, f. fr. (spr. maresjossé\') eig. cene schaar, door eenen maarsciialk aangevoerd; eenc vclllgholdswachl te paard, poiliic-rnilers, genii a r in e n.

Maróü, f. fr. (lat. als \'t ware marala, v. mare, zee) 1° de waterstanil der zee, wator-geiy-, la basse in., eh, /« haule marée, vloed; 2° elke versche ongozoulen visch.

Marokaniet of marekansteen, m. cene doorziclitigo variatie van den o lis 1 d 1 a a n (z. aid.), zoo genoemd naar di\' phials, waar hy gevonden wordt: de heek M a r e k a n k a in S1 h e r 1 e.

Mai\'ólle, f. afgek , voor a in a re 11 e, z. a lil.

Marémmen, f. pl. li. (slag. maremma, d. 1. zoesireek, oudfr. marenne, v. \'1 lat. ma-ritfma, sell. Inca, zeestreken) oiiderscheiden ongezonde, moerassige oorden In Italië, inz de landstreek aan de zeekust van de uitwatering der Ocina tot aan Ortiitello.

Mareograaf, f lat.-gr. (v. mare, zee en lirdiihein, schryven) een zelfwerkend werktuig om den walerslaadsiyaen aan de zeekust op te schryven.

Marfll, z. m o r f i i 2).

Marforio, m. naam van eea verminkt slandiiceid van eenen riviergod In den tuin van liet kiipltooi. aan liclwelk weleer, even ais aan Pasquino (z. aid.), allerlei pasq u 1 na dos worden aangeplakt.

Margarët(h)a, verkort (1 r 1 e l j e, vr.-naam (van \'t lal. murijanla, gr marnarilcs) de parel; margarine, f parelslof, een in isi:i door Ohovroul ontdekte volsoorl; daarin (mei gl veer ine veriiondcii) hel margari-nozuur, op si ca ri nezu u r geiykcnde;


-ocr page 778-

MARGAUX

MARITUS

758

margariot, n. iiarclgllminoi\', kiilkBlImmcr; — marganta, f. Mnl. cc no piiarlomoeraclillKO vlek op lid iioornvllos; margaritas, pl., In ilc ki\'- Kerk: slukjcs ooncr Kowydo hosllo ton (jührulkc van /.leken; — margante, f. of margaritum, n. In de (irloksclic Kerk: het vat Ier liewarliif; van de (jewUilc hnstie;— margaritinon, of fr. marguerieton, (. pl. Iljne Klaspuarlen.

Margaux, cliiUuau-inaiKiiiix.

margo, in. en f. lat, (Kenlt. margfnis. It. marutne: spr. mdnkjine), marge, t. fr. (spr. marzj\') de rand; Kml. do open geliiton rand In vracht- ut verknoptirleven, wnurop men de teekons en nemniers illt;\'r loeRezonden waren zot; — ad marnhem ot in marfffne, lat, op den rand, aan don rand eons hoeks, h, v. iets aanmerken, enz,; — marginaal, adj. lat. {mariiinalis) den rand hetreiïende, aan don rand staande; Hot, randslandlK;--marginaliën, pl, nw.lat. of marginale aanmerkingen, randaamnerklnKon, kanllcekcnln(?eii (randglossen); — iii(ir(/iii(i/u.i, a, «m, lal Hol, jjorand, met een rand van andere klem -, margi-neeren, lal, (mari/inare) mot oenen rand voorzien, omranden; op don rand aanteekenen,

Margriéttes, f, pi,, margritina (spr, mar(iri/eii), m, pl. fr. of mai\'gritinon, f, pl. (11 marithcriline) glaspaarlen of glaskoralen, z. margarlt Incn.

Mari, m. fr, (v. lat. manlus, z. aid.) man (In tegensl. met zijne vrouw), ochtgonoot, z, verder onder mar la hel.

Maria of Mane, vr.naam (In hel gr. N.T. Maria, nil het lichr. Mirjdm, arah, Marjam gevormd, elg. wederspannlgheld, legonsland, hil-terheid, v, miirii/i, weerspannig of hitter zijn) de wedorspannlge, hlllere, hltse; — mai\'ia-bad, /.. h a I n - m a r l o; — maria-glas, moskovlsch glas, glpsspaath, vronwenUs; marialatrie, f, (vgl, la trie) de vereering van Maria, Marianne, ontslaan uit M a-rla-Anna; — marianen, pl, ridders der h. maagd, diillsehe ridders, Marla-iidders.

mariabel, adj. fr. (mariablc, van maner = lal, marilBre, trouwen; mari — lat, mari-Im, man, eehlgenoot) hnwhaar, manbaar; mariage, n. (spr, mariddzj\') het huweiyk, de oehlverhlntenls, echt, hrulloft; een kaartspel, waarhij hel vooral op aankomt om heer en vrouw hyeen te krügen ; heer ea vrouw (grool mariage); of vrouw en hoer (klein mariage); — mariaqc d\'amour (spr. damnór) oen huweUjk uil liefde; - mariage de cnnscienre (spr. —kdnjdiis), elg, gewetenshuwelljk: helme-lijkc eelit, huiten de gewone vormen voltrokken; — mariage de raisan (spr, —rèzóii), een overlegd, hercdeiieerd hnwelük; — mariage ripu-hlicain (s|)r, -keil), het verdrinken van man en vrouw aaneengehonden, eene door (larrler tijdens het schrlkhewlnd uitgevonden wyze om de veroordeelden van kant te maken; ma-rieur, m. huweHjkslulter, koppelaar-, ma-rieuae, f, (spr. —Mz\') eene koppelaarster

Mariaglas, Marianne, enz., z. ond. Maria,

Marikina, f, amerlk, de zijdeharlge meerkat, eeu Hof aapje ia lirazille, eaz., veel ge-lykendo naar de kleine hondensoort, die men leeuwtjes noemt.

Marinas leonénsos, pl. sp, (elg. de zeekusten van l.eon) de kudden (cahanne.i) van trekkende marino-sehapen in Spanje.

Marine, f. fr. (van hot lat. marinus, a, um, do zoo [mare] hotrolTendo) do zoemacht, het zeewezen on wal er toe behoort, de zee-vlool; Plet. een zeestuk, zeegezleht; marinier, m. (spr. -iijV!) een zeeman; zeesol-daal ; marineoren (spr, mariner), elg. in zeewater loggen, inzouleu; vlseb met baar melk met azijn en kruideryen inmaken; - gemarineerd, ingemaakt; ook door bet zeewater hoiiorvon; mariande, f, ingemaakte. Ingelegde spys,

Marinisme, n. de gekunstelde en gezwollen styi van den It. diebier Marino of Mar lui (gesl. nu.\'l); marinisten, n, pl, de nanbangers, volgelingen van dien dichter.

Mariolein, marjolein, f. (II. majo-rdna, mld, lal, majoraca, verbasterd van het lat. nmariicus en amarucum, gr. nmdrükos en amdruknn) een hekend beestergewas met kleine, eironde, grysarhllg groene hladeren en aange-namea geur, dikwyis als kruldery bij spyzen gcbrnikl.

Mariólen, pl, (it, marióln, mariuolo, een schelm, bedrieger) dievengespuis in Napels

Marionét(te), f fr. (marionélle, v. Marian, vorkiw. van den naam Wwric, dus elg. Ma-rietje, klein meisje) een popje mot beweegbare leden, een draad- of ledepop: door draden in hcweging gebraebto poppen ter uitvoering van klollikindcr-l ooneolsl ukjes; vgl. Iiuralllno; een houlerlge tooncolspolor; ook Iemand, die zich voor alles laat gebruiken of waarachter andoren zich verschuilen; marionettenspol, hel poppenspel; marionettentheater, n, de poppenkasl.

Marióttischo wet, wet van Ma-riótte, l\'ligt;s, di^ grondstelling, volgens welke de dichtheid der lucht In evenredigheid staat mot hare drukking en ultzettlngskracht; zoo genoemd naar den onldekker,

Mariscen of mariskon, pl. lat, {ma-riscae, van den slng, marisca, elg, eene soort van groote, slechte vygen) Med. vygwratten, aamhetonknoopen.

Maritagium, maritaal, enz.,, z, ond. mariius.

maritiem, adj. lal. (marilimux, a, um, v. mare, zoo, fr. mari time) lot de zee behoo-rende, de scheepvaart of de zeemachl betreffende, li v, ma ril lome zaken, zeezaken.

Mariton do Paris, in, fr, (spr, marUAii d\'pari) een hoog opgebouwde damesfrisuur.

Maritorne, f. sp. ieeiyk vrouwspersoon (Inz. in t)on(|UlXole).

manlus, m. lat. de gohuwdo man, echlge-


-ocr page 779-

MARJOLEIN

MARMKR

759

noot, siiilo, man; conlra marilum, tenen den ochtgcnoot 1). v. oono «nnklacht; — mari-taal, ailj. niannclUk, wal tien man toekomt; — marilalis poléslus, f. de maclit van den man over de vrouw, do mart tule macht; m. sociülas, f. eehteHjko Komeenschap; m. lulêla, do vdd^iIijsclui[) eens mans; m. usufrurlus, ue-not der Koedoren van de vrouw door den man gedurende het huweiyk; maritagi\'um, n. mid.lat. Jur. de tirutdcyns, hruldlosstng, tiet-geen voor oono tyfetgono hij haar trouwen aan haren heer moest betaald worden; inarito, m. It. (= lat. marilus) olg. do man, echtgenoot; onelg. een kolenbekken of vuurtest, waarvan zleh de vrouwen te Home tot verwarming der voeten, enz. bedienen.

Marjolein, z. m a r I o I e I n.

Marjolét, m. fr. (spr. —zjolè: voor ma-riolel, oorspr. kind, Jong mensch zonder ervaring, verklw. v. mariole, onbeduidend mensch of getuige, Mariabeeld, mid.lat. marinla, kleine Maria, klein beeldje van Maria) oen meisjesgek, vrouwenknecht, galant heertje; vgl. da-m o I s e a u

Mark, f. (van \'I oudd. en goth. marka, marcha, grens, oudn. murk, grens, teeken) een merkteeken, merk; laz. de grens van een gebied, en dit gebied zelf; — mark, n. (mld. hoogd. marke, mare, mid.lat. murca, \\ pond, fr. marc, 11. marco, m.) eene voormalige ge-wtctilseenhetd, Inz. voor goud, zilver en edelgesteenten, In onderscheidene landen van verschillende grootte; het mark hollandseh-troolsch, verdeeld In S onsen, ItiO engels, BHOazen, of In i\'i karaten = 0,i\'i«08 K.(;.; — mark, f. eene rekenmunt In verschillende landen en van verschillende waarde, tegenwoordig do eenheid dor nieuwe dultsclio goudmunt, volgens welke nil I kilo llja goud 4790 mark gouden munten geslagen worden; de zilveren mark bevat 5 gram lijn zilver; — eene zllvermunl Ie Hamburg en Utheck of bet mark-lubsch, van t(i schellingen, leder van 12 penningen = TIJ cl., In Denemarken = ii et.; eene rekenmunt In Meklenburg = quot;i; cl.; mark courant, rekenmunt Ie llainburg en l.llheck = quot;i; et.; mark blanco, aldaar = III) cl.; al marco, It. of au mare, fr. naar liet mark-gewk\'ht der munten d. I. naar haar elgeniyko metaalwaardo, zonder aeht te geven op het ge-lal of de ulleriyke waarde, ook al peso; liet tegengest al numero, naar het getal, en al petto, per sink; markooren, enz., z. ruarqueeren ond. marque; — markgraaf, elg. grensgrnaf, fr. marquis.

Markot, m. eng. (spr. mark\'l) markt; — marketings, pi. eng. (van market, markt) de gelden die keukenmeiden by hel Inkoopon op de markt door afdingen besparen en dan voor zlcti zeiven houden.

Markotónter, in., markotóntstor, f. (van bet It. meredlanlc, koopman, olg. liet partle. van \'I It. merenldro, handel dryven, en dit v. \'I 11. mcrealo, lat. merealus, handel, vgl.

march and) veld- of legerkramer, -kraamster, by of zy, dlo la het leger of de legerplaats do soldaten van ververschlngen voorziet.

Markótto of murquette, f. fr. (it. marchetta) maagdenwas, eene sebyt wllgebleekt was.

Markeur, z. niari|u—.

Markies, z. marquis.

Markómannon, pl. (lat. Murcomanni, Marcomani, van \'t oudhoogd. Marcaman, Mara-chaman, van marea, maraeha, de grens) d. I. mark- of grensmanneii, markbewoners, grens-volk; een oudd. volksstam tussehea den Donau en Kyn, tater In liet tegenwoordige Itohemen.

Markotten, (v. fr. murcoller, v. marrolte, allegger, loot) heesteraebllge planten vermenigvuldigen door middel van alteggers of loten.

Markus, z. M a r c u s.

Marlborough (spr. mn/A\'iw, gew. malbroek) een beroemd fr. volkslied op den glooien eng. veldheer van dien naam (gest. mi), en de door geheel Kuropa verbreide niaischwys van dat lied; een oude contredans; eene kort-harlge, lichte stof met verselilllende kleur van ketting en inslag; N. II. een bengaaische aap, de woudgeest, ieeuwensiaart.

Marli of marly, n. fr., een ilchl, eenigs-zins slijf weftfsel van garen of z|jdo, dat tiet gaas nabgkomt; ook eene halfzydea stof (benoemd naar het dorp Marli-lu-Machlne, waar zy het eerst werd vervaardigil).

Marmar^gee, pi. z. maraugie.

Marmelade, f. fr. (porl. marmeldda, v. marmélo, de kwee, v. het gr. melimtlon, iio-nigiippei, omdat men de kweeen met honig tot een dik sap inkookte) eene coniiluur van zeer gaar gekookte, liyna lol brU goinaakle vruchten, een met suiker verdikt en in vlakke bussen gegoten sap van allerlei vruchieii.

Marmer, n. lat. {mannor, n., pl. mnr-mora: gr. mdrmaros, m. v. inannairein, glinsteren, blinkeiij een lijne, vaste, harde kalksteen, veelal met aderen en vlekken In allerlei kleuren en voor sciioone poiysiing gescliikt;— marmerkroniek of arundelisch marmer (murmörn .Irundeliana) eene gr. tijdtafel, bevatieiule ile kroniek van Ailiene, gegrill\'eld omirent -211:1 jaren voor (\'.Iir. op eene marmer-piaai. waarsch. op hel eiland 1\'a ros gevonden, door den graaf Arundel in ll^quot; iiiingekocht, sedert 11107 in het bezit der uiilversiteli van Oxford, daarom ook marmora Ojonlensïa ge-heeten; — inarnio slaludrio, m. 11., Iieeldliou-wersmarmer of marmer voor standheeldoii, enz., weleer liet ii arts ell mariner liy de Komel-nen, van l\'aros, later liet lunenslscli marmer van de slad l.una In Ktrurlü, ilians hel carrarlsch marmer, van Carrara in ilalli) uit dezelfde bergreeks; — marmoreeren, marmeren (lat. marmorSre), met naar marmol\' geiykende vlekken of siropen voorzien, mar-merkieurig hesehiideren ofaansirykeii; met mar-inerpiaten bekleeden; — marmoratie (spr. t~ts], f. (later lal. marmoralfo) de beinarme-


-ocr page 780-

MARMITON

760

MARS

riiiK ■ do bckloodliiK mot mannor; — marmo-ra lax. a, am, lat. Bot. gemarmerd.

Marmiton, m. fr. (van marmile, kook-, veldketel) een keukenjongen, koksjongen; Iron, een keukenklauwer.

Marmoliet, in. (van marmer) edele ter-pentUnsteen.

mannor, inarmnra, enz., z. ond. marmer.

Marmóse (spr. s=ï), f. (fr. marmnsc, sp mannosa, hel muisachllg huideldlor in /.. Amerika {Didcliihy.s monnu).

Marmót, f. fr. (It. marmótlo, marmolla, marmonldna, ontslaan uil liet lal. mus mnnta-nits, d. I hergmuls) de bergrot, liet mormeldier, oil de hoogste liergen van \\zle en Europa, Inz. In Savoyo.

Maroc of marok, n. (van Marocco in Afrika) een lichte wollen slof; — maroccanus, a, am, lat. Hol. van Marocco;- marócco, f. een amer. snuiflahak uit marvlandsche bladoren.

maróde, adj. hoogd. (vgl. bet fr. maraud, i. aid.; la maraude, de plundering, die gewnon-lyk door de acblerbiijvers [maraudeun, lal. moralnmj gepleegd wordt) afgemat, krachie-loos. moede; - marodeeren (fr. murandcr), onder voorwendsel van vermoeidheid achlerbiij-ven en iielmelUk plunderend rondzwerven; onbeschoft bedelen en plunderen, helinelük op roof en plundering uitgaan, siroopen, hrandschallon, op marode gaan; marodeur, m. een acbterhlüver, natrekker, plunderaar, landlooper, een soldaat, die onder voorwendsel van vermoeidheid acbterhiyft en heimelük op roof en plundering uilgaat, roofgoboefte.

Marokijn, z. maroquln.

Maronieten of Maronanen, m. pi., eene naar haren stichter Maron zoo gehee-len chr. secle bij den berg l.ibanon, die het monotboïsmo beleed en zich in de l^de eeuw met de Katholieken heeft vereenigd.

Maron-neger, m. (fr. marron, verkort van \'t sp. cimarron, verwilderd, vandaar ncuro cimarron, een weggeioopen neger, die zich in de bergen ophoudt) ontvloden neger, hoschne-ger; — maronage, f, (spr. —nadtj\') de ne-gervlucht ol slavenontlooplng, Inz op Domingo.

Maroquin, m. fr. (spr. marokeiisp. mar-roi/ui, 11. murrochino), inarokyn, d. I. ma-rokkaanscli leder, ook elders saffian genaamd, gekleurd hokken- of geitenleder, lijn van nerf, met galnoten bereid, oorspr. uit M a r o k k o in Afrika; — marokijn-papier, n. papier, dat hel irmrokynleder nabootst.

Marósjka, f. russ. de moerashraum, de Noorvveegsche framboos (/tubus rhamanwrux).

Marót, f. fr. (marolle voor mariotle, nar-renscbepter met een poppekop, van Marion, Mnrlotje, klein meisje; vgl. marionet) een stok met een grotesk Mguurlje of zotskap er op, zoo als de voorin, hofnarren die droegen; zotheid, dwaze meening, gril; Iemands lievelingsdwaasheid, zijn stokpaardje (vgl. bel oude rijmpje; elke zol heeft zyn ma rol).

maroufleeren (spr. nu=oe). fr. (maroufler, v. maroufle, eene sooil van schildersiym) Plet. opiymen; inz. eene schlldery van hout op linnen overdragen.

Marque, f. fr. (spr. mark\') mark, merk, morktoeken, herlnnciings- of herkenningsleeken, inz. iiy het spel een rekenpenning; een toeken of kaart voor een lesuur, voor een toevertrouwd voorwerp, voor Iets dat betaald is li. v. con-I re-ma rke n enz.; eea bandeisteoken of -m er k; — marqueeren of markeeren, merken, teekenen; slempolen, op- of aanschryven; mot nadruk doen uitkomen, de aandacht op Iets vestigen h. v. door vette of gespatieerde letter; by hei biljart de gespeelde punten afroepen of aanteekonen, den slaat van hel spel hy eiken sloot aangeven; — marquant, adj. (spr. markdii), uiislekend, in \'t oog vallend; — mar-queur, markeur, m. de oppasser bij hel blljari, de teller; nok wel In \'I aig. voor oppasser, bediende In logemenlen.

mnrqueteeren (spr. market—), fr. mar-queler, v. maniuelle, als verkiw. van marque, z. aid.) vlekken, liosprenkolen, bespikkelen; — marqueterie, f. fr., ingelegd werk mei gekleurd boni, waaruil men gansche tatercelen samenstell

Marquette, /.. markette. Marqueur, z. ond. maniue. Marquis, m. fr. (spr. markt), markies, een adellijke lilei in Frankryk en Kngelancl; — marchese (spr. markéze) in Malie, oorspr. z. v. a. markgraaf (mid.lat. marchensis, z v. a. marrhio, van \'I oudd. marka, mark, vgl. mark); — marquise, f. (spr. markiifz\') de vrouw of dochler vati oenen markies; oen linnen scherm Ier wering van de zonnoslralen voor ramen en deuren; inz. Mil., de linnen overdekking eener oilicierslenl, overlent; drank beslaande uil willen wijn, solterswater, suiker en cilroen; ook eene soort van groole, smake-iyke peren; ook een raket van meer dan I rijni. duim in diameier; - marquisaat (spr. .lt;=2), n. de waardigheid en het gebied van een markies, hel markgraafschap.

Marranen, m. pi. (sp. mnrrdnos, v. mar-ra no, vervloekt, In den ban gedaan-, mid.lal. Marrani, Marani, Marronrs) de gedoopte, maar helmeiyk nog aan hun godsdienst gelrouw gebleven .loden en Mooren In Spanje.

Marrónen, m. pi. (11. marrónc, fr. marrons) naam van de groole, edele kasianjes; — marrons, m. pi. fr., groole ronde haarkrullen ais vrouwenlool.

Marron-negers, z. marou-negers. mnrrutifiim, n. lal. Hul. de malrove, mairouw. Mars, f. (eig. eene soort van korf ter berging van waren, vandaar marskramer; misschien van markl en het lat. mcrj, koopwaar, oud-nederl. meers) eene soort van houlen ronde zoldering aan den mast van groole schepen, de mastkorf.

Mars et Mavors, m. lal., gr. Arcs, m. Myth, de krijgsgod of god des ooriogs en der


-ocr page 781-

MARTINISMK

761

MARSCH

voldsliiKcn, een zoon van Jupiter en Juno, on-elK. ile oorlof,\'; een zoon vim Mins, een krynsinan, soldaat, held; — ook eene der planeten, de ide In volKOnle van de zon gerekend; Cliem. het (jzer; — martiaal (spr. I=ls), adj. (lat. murliBlis, lot Mars behoorende) krygs-hafllR, strydhaar, vurig, moedigde martiale wol, de krygswel, volgens welke oproerige lieden zonder proces kunnen leiechl gesteld worden; — medtcamenlu martintin, lat. yzerlioudendo geneesmiddelen; aqnn murllalis, yzer- (of staal) houdend water; — martiaUsme, n. ol mar-tialiteit (spr. Ii=lsi), nw.lat. do krygshaf-llgheld, strydlmarheld; — Marsvold, n. een groot plein ie l\'arys, dat lol miliiaire oefeningen, voikgfeesien. wedrennen, enz. wordt gebruikt; ook een grooi veld ie Koine, z. cam-p u s m aril u s.

Marsch, m. (van hei fr. mnrche, f.) de krygs- of iegeropioelit) de lochl of gang, de dagreis, Inz. van een troep sohlalen; ook een mazieksluk Ier hegeleiding van plechllgo, Inz. miliiaire optochlen-, — marsch! (als uilroe-pingswoord) voorwaaris! voort! weg! — een geforceerde marsch, een verhaasie, versnelde locbl, de versnelde |ias; do marschli-nie, marsch-ordo, de orde, In welke de schepen eener oorlogsvloot gephiaisi «orden; — de marsch-route (spr. roele), de reisweg, de richting, die de lochl noemi; mar-choeren (fr. marcher, In \'I alg. gaan, loopen, voortgaan) regelmatig en afgemeten stappen; ie voet gaan, reizen; op soldalcnvvys oprukken of aftrekken; opbreken, zich op weg begeven; — marcheur, m. voelganger, iemand die goed marcheert.

Marschland (oudd. mnnr, angels, mersc, eng. marsh, fr. marais, oud-nederl. ine er sch, maarsch, v. maar, mare, zee) moerland, laag, vei, moerassig land, gew. aan zee of aan groote rivieren gelegen (liet tegengest. van geest of geest t a n d

Marseillaise, f. fr. (spr. mnrseljit\'; van de stad Marseille) bet niarselllaanscii marscii-cn krygsiied, een tol den vryheldssirüd opwekkend volkslied uit den tijd der eerste fr. revolutie, woorden en muziek van It ongel de I\'ll ie |l~tM| door hem lied van hel It (Inleger genoemd, heglnnende met de woorden: atlons, enfunlx ile In jialrle, z. nllonsde mar-seitiaansche fasdernlisten hraciilen bel In l\'lli te l\'arys, en vandaar de latere naam; ook kort aarden püpje, in Marseille vervaardigd.

Marsen, 1) m. pl., d. 1. aan zee wonen-den, een oudd. volksstam aan den Nederryn, die mei de Cherusken een groot aundeel had aan den slag legen Varus, waarsch. tot do Cherusken hchoorende; ook een oud ooring-zuchilg volk In Midden-llallc.

Marsen, i) pi. lat. (Mars) een Hal. volksstam, die de hoogvlakte der Ahruzzen om het Fiiilnermccr bewoont.

Marsepein, z. ma rei pe in.

Marsh (toestel van), m. (naar den eng.

scheikiiadige Marsh, gesi. ISiü, henoemd) een toestel om bij chemisch en gereciiteiijk onderzoek de allergeringste boeveelbeld arsenik te ontdekken.

Marsiliane, f. (waarsch. v. Marsiulia, d. I. Marseille) een venellaanscb, van voren rond vaartuig, lol den kusthandel op de Adriati-selie zee.

Marsupium, n. lat. (gr. marsjiiinn, mar-si/tion, verklw. v. mdrsipos, buidel) de lienrs, geldbuidel; — marsupial, nw.lat. z. v. a. opossum; als adj. N, II. cenen buidel dragend, beursvornilg; marsupalia, pl. lal. do buideldieren; — marsupialiteit, f. het voorzicn-z.yn vaneenen buidel;--marsupi-flörisch, adj. met beursvormige idoeinen;-marsupiet, m. een versteend Inildeldler.

Marsyas, in. gr Myth, een satyr, de zoon van Olympns, uitvinder of verbeleraar der Huil; bij durfde zich met Apollo in een muzikalen wedslrijd wagen, doeti werd door den god overwonnen en toen levend gevild.

Mart., by iialuurwelenscli. henaniingen alk. voor K. F. I\'ll, von Marlins (gesl IKtlSj.

Mart aba ii en, martavanen, pl. grool e vazen of pollen van geverniste aarde Ier verzending, enz. (naar Mariaiian In l\'egu lic-noemd).

Marteel, m. (oudfr. mnrlel, nw.fr. innrtenu) de hamer.

Martelaar, m. (v. \'1 gr. mdrlyr, bloedgetuige, mdrli/s, getuige; fr. marli/r) een geloofsgetuige, bloedgetuige, gcioofsbeld, lijder, die voor de zaak van godsdienst, waarheid en deugd, Inz. voor liet christelijk geloof onscbul-dig lijdt; — martyrium, n. (fr. martyre) lat. de marhddood, tiet tydeii en sterven van eencn goloofsbeld; ook dal gedeelle van eene kerk, waar zich bet graf van een martelaar hevindl; martyrologium, n. gr. de geschiedenis der martelaren, bel martelaarsboek, eene historie of optelling der bloedgetuigen of geloofshelden.

Martéllos, III. pl. tl. (lal. mnrtulua. mnr-c/ilus, verklw. v. marcus, banier) elg. hamers, henaming der gewelfde ronde torons op de kusten van Sardluie en Corsica tol wering der zeeroovers; — marlelldlo, Muz. gehamerd (eene byzondore wyze van den strykstok te ge-hrulken).

Martevaan, v.. ma rla hane n.

Martha, vr.naani, syrlscb (chald. mdré, beer); de liiiishesluurstcr, beerscberes in buis; v. a. bebr. mdrd: de bedroefde.

martiaal, z. oud. Mars; Martia-nus, inansn. z. v. a. Marl i nu s of Maarten, m. de moedige, de slrydlmre (van Mars).

Martingaleur, m. fr. by hel pbarao-spel een speler, die den Inzei, hetzy de kaart gewonnen of vertoren bebhe, vorduhhcll, welke verdubhellng den naam draagt van martingale, d. 1. elg. de springriem van liet paard.

Martinisme, n. de geheime, mystieke en zeer (luistere leer van zekere 111 u ml na ten.


-ocr page 782-

MAHTYRIUM

702

MASOE

dli\', als de vrymotselaar», In Iokos bUconkwa-mon. \'/.ij maaklon i soclon uil. illo tnca iloor-giians met elkander verwart: de eenen waren volKelliigea van oen l\'orlugocs Martinez, de andoren van oen (\'quot;ransclnnan Louis Claude de St. Martin, gest. lSfl:i; de iaatslen gaven voor, omgang mot de engelen en do zielen dor afgestorvenen to helihcn; Martinis-ten, m. pi. do aanhangers dozor aoclen.

Martyrium, martyrologium, z. oud. m a r t e I a a r.

Marum, n. lat., ook marum verum (gr. maron) liet amherkrnld, inasllkkruld, ook kaltenkruld, een zeer sclierp, maar welriekend gewas, waarop de kallen hijzmider gestold zijn en dat haar bedwelmt.

Maryland, f. eng, eeno hekondo tabakssoort uit do goiyknamlge landstreek der Vor-oenlgde Stalen.

Marzo, m. 11. (fr. Mnrs) Maart; — mar-zolano, m. It. (van grann marzuoto, maart-zaad) bet stroo van de zonierlarwo voorslroo-boeden; - marzolino, m. toskaanscbo kaas, die In Maart gemaakt wordt.

Mas, m. adollUke tllel op Java.

Mas, mase of eng. maeo (spr. mees; malolscb mas (if arnas, elg. goud) eeno gouden munt = y\'u tail; ook oone ebtneesebo munt en gewicht van -i,.\') tot 3,8 gram, z. onder 11 a n g.

Mascagnino, r. (naar den Hal. onlleed-en scbolkundlgo Ma so a gal, gest. 1815) na-tuurUjko zwavelzure ammoniak, die in llallO als vulkanisch product en ook In ooiilge lagunen voorkomt.

Mascaret, m. fr. (spr. —rè) springvloed, Inz. In do Garonno.

Mascarets, m. pi. eeno snort van wollen stolTon mol Ingeweven atlasaebllgc llguron, go-lijkende naar satijn.

Mascaron, m. fr. (spr. —róii: van \'l li. mnscaróne, mascheróne, een grool en leolijk masker, z. aid.) Arch, oen apengezicht, groteske kop aan deuren, ramen en Inz. aan fonteinen.

Mascarpóni, in. pl. eeno soorl van Hal. roomkazen alt I.ombardyo.

Maschal, m. behr. {mdschdl, v. mdsrhdl, vergelijken, gelijken) eene gelijkenis, parabel, oen gedenkspreuk.

Maschale, f. gr. (maschdle) Anal, do ok-selbollo; masehalister, m. do tweede halswervel; ook schoudergordel bij paarden; — maachalóncus, m. de zwelling der ok-selklleren.

Masch Allah (waarsch. de gohrulkolijko ara li. zegswijze ma sjd AHuh, d. I. wat (lod wil) werk Gods, de turkscbe naam van den opium.

Mascóchi, m. pl. (spr. —kiikki) oone soort van gebloemde kaloonon slof la Oostenrijk.

Mascotte, f. fr. spelerstoovermiddel, felisch voor spelers, gelakaanbrenger, bel een of ander voorwerp, dat de bljgoloovlge speler als geluk-aanbreagend bü zich draagt, b. v. een sou mol een gaatje er in, een knoop, eea haarlok enz.; op dezelfde wijze worden gezegd Ie werken de aanblik of de aanraking van eea gehocbelde, vaa oen schimmel, het geven of weigeren van een aalmoes, enz.

Masculinum, n. afgok. mase. of m., lat. (v. masculinum, n, um, van \'I aianneiyk go-slacht, v. masciilus, manaelük, vorklw. v. mas, man) het manneiyke (geslacht); Gram. oen woord van het manneiyke geslacht; — pl. masculina, z. genus.

Mase, z. mas.

Masegno, rn. It. (spr. —sénjo) witte kalk-steoa van Verona lot bestrating.

Masol, z. mas sol; — masematten, z. massematton.

Masette, z. mazette.

Masil of massil, m. een adeliyke hoer In Moldavië en VVallacbye, de laagste klasso des adels.

Masker, n., fr. masque, m. (mld.lat. masea, mdseara, 11. mdschera, sp. mascara, v. \'t arab. maskharah, d. I. spot, bansworslerg, potsonmakery, en vandaar hansworst mot eon masker, In het Hal. volksblijspel, en masker zelve, v. sachira, bolacbon, bespollen) een onkenbaar makend hol gelaat van bordpapier ptolslor enz.., een nagemaakt menscbeagezlclit, eeno mom, een ninmaangozlcbt, gom. mombakkes; eea vermomd persoon; eene slaande karakterrol In blijspelen; onelg. een valsche schgn, voorwendsel, dekinantol, uitvlucht, velnzery, list, doekje voor\'1 bloeden; cn musiim (spr. o«—) In maskers, gemaskerd, vermomd, h. v. l)al en masque, z. v. a. gemaskerd bal; maskerade, f. (fr. mascarade, 11. mascherdta, v. mascherdre, maskeren) een maskerdans, mom-meadaas, eeno dansparty of verlustiging van vermomde personen; zich maskeren (fr. se masiiuer) zich vermommen, onkenbaar maken, verkleeden; — gemaskerd, vermomd; — maskeeron, bedekken, bet uiiziebt bene-meii; maken, dat men Iets niet ziet; - gemaskeerd, bedekt, verborgen, onzichtbaar; — gemaskeerde ballerlj, eeno battery, die tot op liet oogeahllk, dal zy begint te werken, door het eea of ander voorworp bedekt hlljfl; gemaskeerd Is eea deel van een ge-houw, welks hulieazijde nlel overeenkomt met zyne bostanddoelon, b. v. een muur van baksteen, die beschilderd is als ware het gebouwen steen; gemaskeerd Is eea bal op hol biljart, als er tusschen don speelbal en dien, waarop gespoeld moet worden eea andere bal llgl; —maskeraap, ■/.. oho ras.

Maslach of raatslac, m. eene soorl van opium-drank, dien de Turkon van Conslanllno-pel gebruiken.

Maslasch, m. boog. (mds/ds, nawijn) eea bong, wijn, die het midden houdl tusschen den gewonen t okay er en den besten wyn uit de rypste druiven.

Masoe, z. sjoo.


-ocr page 783-

MASORRTEN

703

M A STA I,G IK

Masorëten, in. pi. oudjoodsclic Koleerdon (it rnhbynon, dlo, om »11» vorviilschltiK lu voorkomen, cono vcrzumcllhK mimklen vim kritische en ophelderende minmerklnKen over den liehr. Iiljbel, welke den nnuin lt;lriiiiBl van ma-söra (rahl). massnrdh, d. I. overloverlnt,\', van indsar, overleveren); vandaar de inasoroten-tekst, i. talmud

Masque, masquerade, enz. z. masker.

Mass, m. zilveren scliepter, die voor den lord-mayor uit gedragen wordt door den mass-bearer (spr. —hcrer) scliepterdra(?er.

Massa, m. in do negertaal; heer, meester.

Massa, lat., masse, fr. r. de menigte, hoop, klomp af klont; slot, deeg; liet geheel eens llcliaams, In zooverre liet als uit geiyk-soortlge deeien samengesteld (dus meer mecha-ulscti dan cliumtsch) wordt hesehotnvd (oader-scheiden van su lis t a n I ie); eenc verzaMieling van allerlei dingen, dlo als ware \'I een lleliaam uitmaken, een zwaar en dicht lleliaam; ile inzet tig kansspelen; masse, fr. (provene. nmssn, 11. mazzn, ais \'1 ware v. lal. matta, dat nog over Is in mateoln, hamer) een groote tuinier iter heeldhoiiwers; liij het lilljart: do schop voor te ver liggende hallen; het dikke einde der gewone keu; — massa bonorum, de gezamenlijke goederen; — mnssa concursus, hel ge-zamentyko vermogen van een schuldenaar, dat onder zyae schuldolschers kan verdeeld worden, de c o n c o u r s m a s s a; — massa hercdilalis, de gansche nalatenschap des erttnters; — m. pil-lulurum, het plltendeog; — m. pollinis, Kot. stuifmoeimassa; — en masse, fr. (spr. uii mass\') of in massa opslaan, zich vereenlgd, ge-zameniyk, met gansche troepen verzetten; de groote massa, d. 1. het volk, Inz. de mindere man, omdat die het grootste getal ull-maakl; — massief, adj. (fr. massif) van gebouwen: uil enkel muurwerk tiestaande, van steen, tegen hrand of vuur hestand; vast, stevig; vim motalen; dicht, vol, wichtig, zwaar, gedegen, niet hol; onelg. grof, plomp, ruw, on-tiehouweii; — massiviteit, f. harli.lal. (fr. massivelé) de vaslheld, vuiirheslendtglieid; grofheid, plompheid.

Massacre, m. fr. (v. \'I mid.lal. ma;ncrium, vandaar \'I Hal. mazzare, dooden, doodslaan) on-harmharllgo, vermoording, gruwelmoord, neder-satiellng, nedorhouwlng, tiloedliad; m. des innocents (spr. ienosdii) oniioozele-kliulermoord;

massacroeven (fr. massaerer) afmaken, nodertiouwen, omhrongen, een hloedhad aanrichten.

massage, z. masseer en.

Massagöten, pi. een oud-mongoolsch nomadenvolk. dat noordelijk van de rivier .laxar-tes (thans Sir) woonde.

Massalia, f. Vsiron. een in tsöi door De (lasparls ontdekte asteroïde.

Massaliërs, m. pl. leden eener clirlslen-secle, die in de \'ide eeuw opkwam, allen ulter-tyken eeredlenst verwierp en zich In eenzame oorden gelieft aan het gehed wyitde; zy hee-ten ook e n e hielen en e n t h o u s 1 a s t e n.

masseeren, fr. (musser, lat. massare, gr. mdssein) het lichaam na het had op eene oos-tersctie wyze, die massage (spr. —siizj\') heet, wryven, drukken, kneden enz.; wie dll verricht heet ui a s s o u r.

Massé, ui. kopstoot hij het hlljarten, stoot die loodreclit op den hal gedaan wordt.

Massol, jooitsch (rahhynseh massa/, afgeleid van ndsdl, vloeien, afdalen, Inz. van den hemel; vandaar: Invloed des hemels of der gesternten) geluk, lot; masseltów, n. ge-lukwensch.

Massöma, n. of massömis, f. gr. (v.

massdslhai of masaslhai, kauwen) het kauwen, eten; massöter (sell, musculus) Anat. de kauwspier; massetarisch, adj. tot de kauwspier hehoorende, haar hetri\'lTende.

Massematten, pl. joodsch; handel, scha-chereii; winst, voordeel.

Masseria, f. It. (v. massa, sp. masa, oudfr. mase, mld.lat. massa, mansa, lanilhoeve, v. lat. mancre, tilijven, wonen) een tioerdery, landhoeve.

Massesis, masseter, z. onder mas-s e m a.

Massette, f. fr. (verklw. v. masse, z. aid.) de handliamer; ook /.. v. a. mazetle.

Masseur, z. onder masseeren.

Massia, z. m a v o n.

Massicot, n. fr. (spr. —kn) loodgeel, lood-glit, tooilasch, een geel lood-oxyde.

massief, z. oud, massa

Massil, z. ma sit.

Massleniza of heter massljaniza, f.

russ. (v. mass In, hoter) de zoogenaamde hoter-week met haar votksvermakeiykheden (de laatste week, dat het in de gr.-orlhodoxe kerk veroorloofd is heler te eten, voor de groote vasten der lydenswekea).

massoleeren, fr. (massaler) met eene knots (massue, oudport. inassaa, massuca, vgt. masse, groole hamer) doodslaan, eene weleer In ItalliS en Spanje gehrulkeiyke doodstraf.

Massorah, massoröth, z. ma so ra, ouder ma sa re ten.

Mastalgio, f. gr. (v. maslós, horst, inz. de vrouwenhorst) Med. püa In do horsten; — mastatrophie, f. de uittering der vrouwenhorsten; mastitis, f. onlsleklng der horsten; mastocarcinóma, n. (vgl. carcinoma) de horsikanker; mastodes of mastoides, horst-, lepel- of mamvormlg; vgl. konisch; — mastodon, n. eene ondergegane diersoort der voorwereld met tepel-vormlge puulen aan de kiezen; mastody-nie, f. Med. pyn In de liiirsleu; — mastón-CUS, m. eene zwelling der tepels van de vrouwenhorst; mastorrhagie, f. sterke litoeding uit de vrouwenhorsleii; — masto-zoölith, Min. eene zoogilierversteeulng; — mastozoön, n. een zoogdier; — masto-zoölogie, f de leer, de hesctiryving der zoogdieren.


-ocr page 784-

MASTÉLLO

764

MATER

Mastéllo, m. pi. mastélli, It. oonc tolibo, kuip; et\'ne vaormullKu inhoudsiniuil; 1« Fur-, ram = 50.78\'i liter; Venetië = 15,tn liter.

Master, m. etiR. (uit liet lal. manisler (uitstaan), t) (uttgespr. master) moester, heer, leermeester; als titel (ter toespraak vóór (ten voornaam van niet volwassen zonen, In/.. In (ten mond der diensthoden; — master nf arts, z. v. a. niaKist cr (z. aid.); 2) afnok. Sir. (ultRespr. mister) lieer, mynheer, voor inan-neiyke porsoonsnamen; pl. atuek Messrs. (voor \'1 fr. Messieurs. uitKOspr. mesjurs).

Masti, /.. tsjoe.

Mastio, n. fr. en eiiR. kleefdeeg, stopverf, z. mastlk.

Masticatie (spr. tie=tsle) f. lat. (imisli-cuCfo, v. maslirSre, kauwen) do kiuiwhiK, hot kauwen; masticatonum, n. nw.lal. kauwnilddel; |il. masticatona, Keiieesiuld-deten, die gekauwd worden; — mastiga-dour, m. fr. (spr. —dnér) eene soort vim paar-denlitt, een mondstuk utt kogelljes en ringen bestaande, oui het paard te doen schuimen, een kauwgehll.

MastLk,m. (v. \'I gr. iiKistich , v. masSslhui, kauwen, dewyt men tiet om zijne welriekendheid kauwde; fr. maslk, it hiósMw) een hleek-geel, welriekend hars van den mastlk hoorn (Pisluria tenliscus, i,.), Inz, op hel eiland (lan-dia enz.-, ook eene soort van kleefdeeg, steen-lijm hij do heeldhouwers; mastLkkruid, z. v. a. ma rum.

Mastitis, mastocarcinöma, mastodes, mastoden, enz. z. onder mast a I g 1 e.

masturbeeron, z. v. a. m a n u s t u p r e o-ren; — mastupratie, ook masturbatie, f. z. v. a. in u iiust u p ra 11e.

Masiüipatnams, pl. (naar de engelscti-tilndostansclie stad Masullpatam) oosllnd. katoenen zakdoeken van lijn, hont sits.

Masürka of masürok, r. (pooisch m»-zurek, russ. imiZUrlia, naar de Ma zuren of Masu ren, de hewoners van het voorin, hertogdom Masovtë) een poolsetie nationale dans in J maul; — masurisch, masürkisch, adj. lol dien dans hehoorende, daarmede overeenstemmende.

Milt, t) m. fr. (spr. md) de mast, mastboom ; — mdl de cocuqne, z. c o c a g n a.

Mat, \'2) n. In liet schaakspel: de zet, die den koning zoodanig schaak geefl, dat hü niet van plaats kan veranderen zonder zich aaneen nieuw schaak bloot te stollen.

Mat, f. .\'!) eene voorin, vlerkanlo zilvermunt In Spanje, spaansche mat of matte, iets minder dan -2 gld.

Mata, z. mate.

Matabis, pl. oosllnd. zijden slolfen met zilverdraad doorweven.

Matador, m. sp. (v. matar -- lat. mart are, slachten, dooden, marlalnr, doodor) eig een doodslager, stierdooder, h(i, die in stierengevechten het dier moet dooden; onelg. een hoogc troef in hel kaartspel, hoofdtroef, b. v. spadille, manIIIe en basta zyn de (II eerste) ma I a do rs; ook een aanzleniyk, gewichtig man. Iemand van rijkdom. Invloed enz.; — faux-matadors, m. pl. (spr. fo—) In tiet omberspel de troeven, die van manllle af op elkander volgen.

Matseologie, f. gr. (van mdlaios, a, oh, ydei, nietig) onnutte praat, gesnap; — ma— teeonomatologie, de dorre bovennatuur-kunde der oude scholastieken; — matoeo-pCBie, f. vruclitelons, üdel doen of pogen; — matceoponie, f. vergeefsche moeite of ar-beld; — mateeosophie, f Udete, nietsbcdul-dende wUsheld; matseotechnio, f. ver-geofsche, verloren kunst.

Matalan, oosllnd., eene soort van kleine llnll, waarniode de dans der Bajaderen begeleid wordt.

Matamata, f. de surlnaanische schlldpiid.

Matamóre, m. fr. (eig. oen persoimgo uil de spaansche biyspolcn, die zich lieroemt op zijne hehleiidaden tegen do Mooren) een poelier, snoever; scluilmloopor, tafeilikker; een onderaardsclie kerker ter opsluiting van de slaven des nachts.

Matassin, m. (r. (spr. —sen, van liet sp. en oud-eng. malarhin) een kromme-sprongon-maker, putseniiiaker; matassins, pl. een mommondans, eon dans van vermomde, als liansworslen gekleede dansers met bouten zwaarden enz.; matassinadon, f. pi. potsen, malle kiiren, zotte gebaren; matassinee-ren (fr, mnlassiner) kromme sprongen maken, polsen maken.

Matatan, in. de groolo trommel der tn-diiinon en Negers.

Mataziotte, f. fr. (spr. matazjél\') soort van dy na in let (z. aid.)

Match, f. eng. (spr. melsj) party, weddenschap, wedloop, wedstryd, wedren; hu \'1 schaakspel: weilspel tusschcn twee spelers, dat over vorsctioldeii partijen loopt; hy wedrennen: private wedren itissclion twee paarden.

Mate, matonita of mata, f. (ook i\'a-raguay-lhee, van Ilex ixiranuayensis) sp. eene soort van thee, een geliefde drank der /,. Ainerlkaiien.

Matelot, in. fr. (spr. mat\'ld: waarsch. voor makrol, mul cros, v. \'I lat. mallanwt, Iemand, die op eene mat (in eene hungmat) slaapt, v. malla, mat, liangmal; v. a. minder goed van het nedpri. maal, makker) een matroos, zeeman; een jongenskleed, waarby broek en buis vereenlgd zijn; - matelotage, f. matrozen-ioon, gage; — matelote, f mutrozonkool, iiiatrozensoep, eene spys van tot ragout gekookte vlseti mei zout, peper, uien, wgn enz.; ook een fransclie matrozorulans In maat; — ó la malelnle, op matrozenwijs, zeemansaebtig.

Matonita, z. m a I e.

Miiter, f. (pl. ma Ires) lal. eig. moeder; (van eene kerk) de moederkerk, In togonsi. mei filiaal-kerk; Ciiem. hei zilver; nok de


-ocr page 785-

MATERIE

7 05

MATIN

moerschrovf; — repetido est maler sludiurum, herhaling is de moeder der studlfin; — alma maler, oerwnardlge moeder, als eerenuam voor hoogescholen; — maler dolorosa, de moeder der smart on, een heeld der rieergeliogeh moeder iles gekruisigden Jezus; — maler dura, z. dura malermaler [amiftus, eene huismoeder; — m«-ter gloriusa, do roemi\'Uke moeder, .Maria; — maler iiia, Med. het dunne hersenvlies; — malm lecllonis, |il. elg. leesmoeders; leesmldde-len, Ingelasehle hehreeuwseho lellers; — ma-tér n, «dj. (lai. malénus, a, urn) moederiyk;

— malérna, n. pl. Jur. moederiyk erfdeel; — matórne, z. v, a. matrys; materni-seeren (spr. s=z) harh.lal. (fr. male miser) naar de moeder «arden; moederiyk handelen;

— materniteit, r. nw.lal. (tr. malernilé) het moederschap, de moederiyke waardigheid, moederstaat; — het maternitoits-prin-cipe, ,lur. de grondstelling, dat een hullen echt geteeld kind door de moedor moet onder-houdon worden; — Matornité, f. fr. ook de naam der kraamvrouvveninrlehting te P«rys.

Matérie, f. I«t. [malena] de lichamelijke stol, grondstof, stof, inz. in tegonst. met den vorm; Inhoud, onderwerp, slof, h. v. eerier redevoering; ook de etter; — materia alliumi-nösa, eiwitstof; — maler/a chiruriilca, f. de leer van de geneesmiddelen der wondheelkunde; — malena medica, f de «rtsenijleer- of -kunde, kennis der geneesmiddelen en hunner werkingen ; — materia morbi of m. peccans, de ziektestof-, — materiaal (lat. materiaUs, e) of materieel (fr. maliriet) «dj. ili haineiyk, slof-feiyk; slofhovattend; de slof eener zaak he-tretlemle; wezenlijk, gewichtig, zakelijk, stolfe-iyk (in tegenst. met formeel); ook plomp, grof; llcliameiyk, zinnelijk (In tegenst. met spiritueel, Ideaal); matorleele interesten, zakeiyke, wezeniyke of ook lichameiyke, het zlnneiyk aanzyn hetrelTende helangen, voor-deeien; - het materiaal, materieel, pl. de materialen, de ruwe slof lol eenlg werk, de hestanddeelen, de te hearhelden slof; hot geschut; In samenst. h. v. houw-malerla-I e ii, houwstolTen, bouwhehoeften, de noodlge voorwerpen om te houwen; s c h r ij f - m a 1 e-rialon, schryfhchoeflen enz.; — materiale delicti, l«t. het stolTelüke tot de mtsdiiad, «lies wat tot de stolTelyke uitvoering der tnis-d««d helioort; — materiaal-rijk (hgd. m«-t e rial - retch) z. v. a. m I neraa I - ry k; — materiaal-waren (hgd. m«terlal-waa-ren) ruwe waren uil het phinten- en deifstof-fenryk (specoryen); -- materialist, m, nw. I«t. wie 1« zulke wuren h«ndel drijft, een spe-cerytiandehmr, kruidenier; in de wyshegeerle: een aanhanger van hel materialisme, n, lt;le slolteer, geeslloochenliig, d. 1. die leer, welke elk zelfstandig heslaan van den geest loochent, alle goesleiyk loven als eene hloote werking der slof (materie) hoschouwt; —materialistisch, «dj. volgens deze leer, die leer toe-ged«an, materialisoeren ispr. s=:) als stoiteiyk aannemen, lieschouwen of onderstellen, verlichameiykon; — materialiteit, f. Ilchamoiykheid, stolfeiykheid, do eigensehap dei-stof; het heslaan uil louter stof; — materia-titer, adv. slolfeiyk; zakelijk, wezenlijk, volgens aard, wezen of Inhoud (in tegenstelling niet formal iter).

matern, materna, materniteit, z.

m « t e r.

Mathöma, n. gr. (v«n mattiëin, man-Ihanein, loeren, heoefenen) elg. het geleerde, de kennis, wetenscliap-, eene leerstelling, inz. uit de wiskunde; — mathematika, ma-t he mal lek (gr. malhematikc, sell, téchnr-, kunst, v. malhtmalikós, lt;-, «n, lot de wetenschap, inz. lol de wiskunde hohoorende, van matlicma, hel geleerde enz., pi. matliimala, de golalienieer en meetkunde, of de wiskunde) of mathesis, f. elg. de wetenschap hg uitnemendheid, de leer van de groolheden, van de ruimte- en gotallongrootheden, do stelkunde, meetkunde, de wiskunde; — mathematicus, m. een wiskunstige, wiskunstenaar, meetkundige; — mathematisch, «dj. tot de leer der grootheden hohoorende, wiskunstig, meetkunstig; onomslootoiyk, zeker, ultgema«kl, onwedersprekeiyk; m« 1 h e m «t Ise li e ge o graph ie, de wiskundige ««rdrijkshesrhryving (vgl. geographio); — mallusis appticuta, f. de toegepaste wiskunde, die de leer der zuivere mathesis op hijzondere voorwerpen toepast en te geiyk hunne andere eigenschappen in aunmer-king neemt; mallusis jiura, de zuivere wiskunde, die de groolheden op zich zeiven he-schouwt, zonder de andere eigenschappen der stof in ««nmerking te nomen; — mallusis in-tensnrum, de weienschap der afmetingen van onlichameiyke zaken, h. v. deugd, waarheid enz.;

mathosiologie, f. do wetensclmpsleer, de weienschap des onderrichis.

Mathilda, f. vr.naain (oudd. Machtliitt, Meetilliild, oudhgd. Mathilda, v. mahl, macht, en hitla, hillja, stryd, k«mp) de nnichllge sli-yd-ster, krygsheldin, heldin.

Mathurinen, ■/.. Tri nil ariërs.

Matico of matica, f uit do hladeren van een peru««nsche boom {Arthaute etoniiala) hereld goneesnilddel legen goiiorrlKcn (z. aid.); vandaar matieo-injectie (spr. lie= Isie) f. iiispuiling van matico.

Matière, f. fr. (spr. matjir\') de slof, materie, z. aid.; — maliires premières, grond-stolfen.

Matin, m. fr. (spr. —ten) I) (provene, mali, li. mattino, van \'I lat. matuhnum, sell. tempus, do ochtendtyd) elg. de morgen, ochtend; een morgenrok, wyde ochtendmantel; 4) (fr. matin, provene. en sp. mastin, 11. mastiiw, elg. huishond, huisgenoot) een herders- of slagershond; als scheldwoord: lummel, leeiykert; — matinal, adj fr vroeg opstaande; — matinée, f. elg. do morgeniyd, de voormiddag; eene morgenliyeeiikomsl, een voormiddaggezelschap; matinée musieate, imiziekpariy in


-ocr page 786-

MATUT1NE

MATRAS

766

üun voormiddag; — matines, pl. fr. (spr. maliën\'; van liet lal. malutinae, sell, horae, de oorslo uren van den dag) liij de K. Kath. de vroegmellen, molton; — malines fvancaises (spr. —fruitsèt\') oIr. fransclio motton, do moord van den Sl.-Barlliolomous-nuclil, ii Augustus 181«.

Matras, f. (mid. lat. mahuiïum, malura-tïum, malariiïum, 11. matmisso, maleruua, oudfr. materas, nw. tr. imletas, sp. ulmudraque, pro-vene. almalrac, \\. \'I aral). cene plaats,

waarheen leis geworpen wordt, van lliuruha, heenwerpen; v. a. van hol maslnicu, seliaaps-vaclil) oen mot haar, zeegras en dgl. volgestopt en doornaald onderhed, een haarbed, haarpe-luw; — matras, in. tr. (spr. matrd) Chem. eene deslllloerkolf.

malres lecliunis, i. ond. mater; — ma-tricida, m. een moedormoorder; - matri-cidium, n. een moodennoord.

Matrice, f. fr., /.. oud. matrix.

malricülu, f. lat. (vorklw. v. matris), hgd. matrikel, n., tr. matricüle, f. oen In-schryriiuek, naamiysl, naamrol, register van do loden, waaruit een geuoolschap, eene soeliStell, enz. bestaat; hot bewys van Inschryvlng op hoogescholeii; ook do lysl der lakonisten van eene geeslelyke of wereldlyke liedlenlng; de lysl der lidmaten of paroclilaaen eener kerk, alsmede der gedooplen, overledenen en gelrouwden; matriculaire aanslag, m. (hgd. malricular-amchlag) weleer: de bepaalde aanslag la manschappen en geld, welke iedere dultsebe ryksstand volgens de daarvan opgemaakte lysl (bel rolebs-mat r Iko I) moest voldoen; matriculaire bijdragen, pl. (hgd. mulricular-beilraiic) zyu dc^ hydragen, welke Iedere dultsebe bondsstaat tol de alge-meene hondsuitgaven la verhouding zyner krachten te leveren hoeft.

Matrijs, z. ond. matrix

Matrimomum, n. lal. (v. maler, moeder) do echt, bet hawoiyk, de echtestaat, bel buwelyksleven; - matrimomum ad morfiana-Cfcam, z. morganaIlea; matrimontum clau-dicum, een onvolkomen (elg. hinkend) buwe-lyk; m. conscienlïue, hel gewetensbuweiyk, z. mariage de eonscienee; m. illcijittmum, een onwettig huweiyk; m. insluuralum, hersteld bu-weiyk; m. legihmum, oen wettig huweiyk; m. levlralus, z. Ie vIraat s-hu wel y k; m. pula-livum, een vermeend huweiyk; m. ralum, de ware kerkeiyke echt; matrimoniaal, adj. (later lat. malrimnniulis, c), wat lot het huweiyk beboorl; — matrimonialiën, n. pl. buwelykszaken.

matriseeron (spr. s=z), barb.lal., naar ile moeder aardon; vgl. mater.

matrix, f. lat. (van mater), de moeder, het moederdler, wyfje; do baarmoeder; de stam, oorsprong, bron, oorzaak; de openbare lyst, stamregister; — matrijs, f. (v. \'I fr. matrice) metaulinoeder, gletmoeder, by lettergieters do koperen vormen, die door tiet Inslaan van de patrys of den stempel ontstaan Is en waarin daarna de drukletters worden afgegoten; ook de muntstempel by het muntwezen; de moer-schroof; do moedermaal, bet moedergewicht, de proef- of ykinaat, het proef- of ykgewlcbl, de legger of slaper, gerechleiyke hoofd- of mo-delmaat en -gewicht voor alle andere, standaard; in de galvanoplastlek de eerste koper nederslag op het origineel, welke nu lot vorm voor de lalere afgietsels dient.

Matrologi\'um, n. nw.lal., bet stadsboek, gemeenteboek, wykregisler.

Matrone, f. lat. [matruna, eene gehuwde vrouw, Inz. van voornamen stand, van maler, moeder) eene aanzieniyke, eerwaardige, defllge, bedaagde vrouw; — matronalia of ma-tronaliën, n pl. een oud-rom. feest, door de matronen op den Isten Maart gevierd;

matroniseeren, nw.lat., (spr. s=t) tol eeru^ matroae maken, eerbaar, deftig, ook iyvig, gezel makeu.

Matroos, ui. (dcensch en zw. matros, hgd. malrose, van fr. matelot, voor maleros, malerol, z. matelot) een zeeman, die onderdo hevelen van den kapitein en de stuurlieden tiet scheepswerk doet, de manoeuvres helpt verrichten; matrozen pressen d. 1. met geweld voor den zeedienst werven.

Matruêlis, m. lat. (sell, frater, broeder; v. maler, moeder) een moederbroeders/.ooii; pl. matruêles, moederbroederskluderen, verw anten van moedorszyile.

matteoren, (11. mattare, fr. mater) mat, dof maken, ongepoiyst laten; witkoken (het zilver); malsiypen (het glas).

Matter, f. eng. aangelegenheid, zaak, z. oader fact.

Matthoeus en Matthias, bebr. (Mal-Ihui, v. ndthdn, geven) mansn.; een geschon-kene, eene gave (lods; matthlër, m. boogd., een halve ma r 1 ë n-grosc ben = 25 cent (oorspr. in (loslar gemunl, met het beeld van den heiligen Matthias).

maturesceeron, lal. (malurescére) ryp worden, rgpeii; — matureeren, lat. (mo-turüre, van malürus, a, urn, ryp) ryp maken, lol rypheid brengen; bespoedigen, bevorderen;

— maturantïa (spr. ti=tsi), pl. Med. middelen, die de etlerlng, rypwording begunstigen;

— maturatie (spr. lie=lsie), f. de bespoediging; het ryp worden, de rijping; de etlerlng;

— maluralio, f. lat. Bol. bet rypworden; ook de. tyd van rypheid; — maturatief, adj. rypheid bewerkend of bevorderend; — maturiteit, f. (lat. malunlus) de rypheid, volwassenheid.

Matusjka, f. ross. moedertje, matutino, f. lat. {maluhna, sell, hora, v. malulinus, 0, um, vroeg, wat In den vroegen ochtend geschiedt) de vroegmis in de r. kalb. Kerk, vroegmetten, het eerste kalbolleke getydo (vgl. horae eanonieae); - matutinaal, adj. (later lat. malutinntis) vroeg, \'s morgens vroeg, tot den vroegen ochtend heboorende.


-ocr page 787-

MKA CULPA

MAUJ501S

707

Maubois, m fr. (spr. mobod) «ene lyo-neosclio slet voor mansrokken.

Maultrommel, t. liRd. de tnondlrom.

Maund, n. ciik. (spr. maand: v. oosllnd, en perz. man) een oosllndlscli luindelsgcwlclil, In Botnliuv = 12,70 kilo, in Ciilcotlu = 111,32 kilo-, in Madras ll,lti kilo.

Maiino, f. een gewiclit in de landen van den moRol, ongeveer = 24 kilo.

Maurelle, lakmoes-krolon, z. v. a. crolon linctorium, z. krol on.

Mauritanië, r. lat. (Maurilaiifa, v. mauri, de mooren) liet land der Moor en, in de oudheid dus geheeten; Mauritius, en daarvan Maurits, inansn.: de inoorsehe, donkerkleurige.

Mausjol, m. Joodsch (lielir. mósjf.l, deelwoord v. masjal, hecrschen\') de heersclier, lieer; gem. scheldwoord voor eenen Jood (In deze loepasslng waiirseli. een verklw. van Mosjeh, Mozes); - mausjelen, gein. Joodseli spreken.

Mausolöum, n. lat. (van \'1 gr. Mausu-leion) een prachtig grafteeken of praalgral, eere-tomhe, vorstelijk pronkgrar, gelijk do koningin Artemisia ter eere van haren overleden gemaal Mausölus, koning van Kariè, In hare hoofdstad llallkarnassus omstreeks :rgt;0 Jaren vóór Chr. Met oprichten.

maussado, adj. fr. (spr. mnssaad\': van mn/ en \'I oudfr. saile — lat. sapidus, smakelijk, wüs) laf, smakeloos; morsig, slordig, ongeschikt, I....... knorrig, gemeiyk; maussa-

dorio, f. gemelijkheid, oiiaangename inariieren.

Mauvais-plaisant, in. fr. (spr. mowè plèzaii; v. mauvuis, slecht, en plaixanl, grappenmaker vgl. plalsnnt) een latle, zotte of oiibelainolUke grappenmaker.

Mauvoino, f. (v. eng. mauve, paars, violet, lila) de door Perkins ontdekte vloolhlauwe ani-linekieur.

Mavors, z. Mars.

Max, mansn., verkort van Ma x Imi 1 iaa n;

max d\'or, een voormalig heiersch goudstuk met hel heeld van Maximillaan = /quot;S,:!!!.

Maxillon, f. pl. lal. {maxillae, van den sing, maxilla) de klnncliakken, kaken; ma-xillair, adj. {maxillBris) de kinnehakken he-trelfende of daartoe helioorende.

Maxim., hy natuurwetenscli. henamingon afk. voor k J. Maximowilz te l\'etershurg.

Maxima, z. mul. maximus.

Maximo, f. fr. (van \'I lat. maxfina, sell. reuiila, de hoogste regel) ocne algemeene slel-ling, dienende tol regel in zake van zeden, tot grondslag in de wetenschappen, enz., grondstelling, zelfgekozen wysheidsregel of maatregel, maatstaf, lichtsnoer, waarnaar gicn handelt, hepaakle meening, leerspreuk.

Maximiliaan, mansn.; afgeleid van hel lat. maxtmi«, de grootste, allergrootste, of uit Maxi mus /Kmiii.lnns samengetrokken.

maxnnm, a, urn, lat. (superl. van mannus, groot) de of het grootste, allergrootste, hoogste, enz.; — maximum, n. lat. het grootste.

hoogste, de grootste hoeveelheid; de hoogste prgs, hoogste verkoopprys, het hoogste getal; — maxima, f. Muz. de grootste of langste noot van acht geheele maten, in oude muziek-stukken; maximoeren, nw. lat. op het hoogste drijven of doen stygen, h. v. koopwaren.

Maya, f. sp. (spr. maja) de melkoiiliigln (een Jong meisje, dat op zon- en feestdagen in Mei opgesierd en op eene soort van troon, in de straten opgericht, wordt gezet, omgeven van vele meisjes, den den voorhygaanden eene gift vragen, om zich genieenschappeiyk te vermaken; v. a. van araii. balddju, de schoone); ook een Jong, lichtzinnig meisje = grlsottc, — Mayo, m. een gahint heertje; pronkertje, modegek uit den middenstand = dandy; — mayo, moyo, m. een voormalige port. ko-renmual van verschillende grootle; te Lissahon = liter.

Mayonnaise, f. fr. (spr. majonèt\') een gerecht heslaande uil koud vleesch of vlsch mei zoogenoemde mayonnaiso-saus, f. die hoofdzakeiyk liostnat ail dooreengeroerde eidooiers en olie en witte couUs (z. aid.) met verscheiden pikante toevoegsels.

Mayor, m. eng. (spr. méjur: van \'1 lat. major, de grootere; vgl. ma i re) de hurgemees-ter (vgl. lord-mayor); — mayoress, f. de vrouw des liurgemeesters; — mayonil, m. sp. de eerste herder hy eene merino-kudde; de opziener eener iiieierU of pachlhoeve; z. v. a. conducteur; mayordómo, m. sp. (= lal major domus, z. aid.) de hulsiior-meester; lieheenler van een goed, oppertoeziener, Intendanl.

Mays, z. maïs.

Mazaganboon, f. de meihoon, eene soort van grooto luinhounen, die reeds in Mei eethaar zyn en vooi\'al In Engeland zeer gezocht zyn.

Mazagran, m. fr. kollle met sellers- of sulkerwaler en nat cognac of likeur (in een glas voorgedlend .

Mazotta, f. II. de schouderhedekktng van den paus, van rood lluweel of moiré.

Mazótte, f. fr. een slecht, mager paard, karrepaard, knol; onelg. een gemeen, laaghar-lig, lal mensch; inz. een slechte speler, kruk, stumper.

Mazurka, z. m as or ka.

Mazzon, joodsch (van \'I hehr. mazzdh, iets zoets of ongezuurds, gew. pl mattolh) ongezuurde paasdikoek, paaschhrood.

Mazzo, m. 11. (sp. mazo) een hundel, pak; In Conslantlnopel: üo sinks, van waren gehruikt.

Mchx., hy naluurwetensch. heiiamingen afk. voor Michaux (gest. 1802).

mé—, més—, fr. voorlettergreep (ontsl. uil liet lal. minus, minder) mis-, on-, wan-, ver-, z. li. v. m (\'• co m |i I e, me c o n t e n t, m ég a r d e, m é s a 111 a n c e.

inca cul/)a, lat. (het Is) mUne schuld, door myn toedoen; — mea gralïa, mynentwege, niy-nenthalve, mg ten gevalle; - mea meinoria, i. end. memoria.


-ocr page 788-

MEDÜAH

768

MEAT

Meat, n. (mik. (spr. mie/) vlooscli (nis spUzo); preserved (spr. priserv\'d) meal, gcconsorvoord vleosch voor oxport (Inz. uil Amerika iiiRcvocrii);

— meat-biscuit (spr. biskit), vlooschlic-scliult, soort tufullioulllon.

meatus, in. lat. (v. meare, gann) ile (tang; m. audilonus, do gclioorgang.

me Castor\' me Here tile! (of me llercle/) lat. Iiii Castor! luj llorculcs! ullroepliigen hij ilc Komelncn om to bovosllgon, 1« bezworen, de eerste vooral hg de vrouwen, de laatste enkel h(| mannen in gohrulk, z. v. a. ila me Castor, me llercule juvet! zoo waariyk helpe mij Castor, Hercules.

Mechanceté, z. ond. ineohant.

Mechanica, mechaniek, f. (gr. mi-chanikc, sell, léchnc, v. mêchani, liulpmlddel, werktuig) de wetenschap van de wellen, krachten en liulpmlildclen, die do heweglng der lichamen lietreiren, de howeglngsleer, welker liij-zondöje doelen zyn: statlka, li y drost a 11 ka, dynamlka, li ydrodynumlka, hydrau-lika, enz.; de werktuigkunde, de leer der machines; ook ile Inrichting, samensielllng, houw van eene inachlno, enz.; — mechanicus, in. oen werktuigkundige, een vervaardiger van machines, iiistriimeiiten; ook handwerksman; — mechanisch, adj. (gr. meehanlkós, n, ón), werktulgkunstlg, werkt ulgiyk, liandwerksmatlg; vlug, vlot, tot gewoonte geworden, als van zelf, zonder nadenken, h. v. Iels mecliaiilsch verrichten; tot de meclianlca hehoorende; — mechanise he wetenschappen, do verschll-lendo doelen of afzonilerUjke wetenschappen der niechanika (z. aid.); — mechanische k u n st e ii, liandkunslen; mechanisch lie-w üs, bewys dal door histrumenten en handgrepen gevoerd wordt; — mechanische m a e li t e n, do hewegonde krachten, de li eenvoudige werktuigen, lol welke alle andere te-ruggelirachl kunnen worden; de hofhoom, rul, het windas, hellend vlak, de wig en schroef;

— mechanisme, n. nw.lat. de Inwendige inrichting of kunstige samenstelflng van een werktuig, hei dryfwerk; de hewerktulglng; — mechanograaf, f. een werktuig om te lee-ren schryven zonder pen; mechanogra-phlo, f. de knust om zich daarvan Ie hedie-ncii; (ook in ccha nograpli Iek) do wcrklulg-lijke schliderkiinsi; mechanologïe, f. de leer der machines of kimslwerkliiigen; — mechanurgie, f. de wcrktulginakorskunsi; ook dat gedeelte der wondheelkuiist, dat de worklulglyke hulpverleonlng hetreft; — me-chanül\'g, in. een insirumentniakor, werktuigmaker.

mechant, adj. fr. (spr. mesjdiioudfr. mescheant, parllc. van mesclteoir, slecht vallen misvallen, v. més, minder, en cheoir, choir = lat. cad/fre, vallen, dus elg. misvallend of slecht uitvallend) slecht, ondeugend, laag, gemeen, hoosaardig, schandelijk, schohnsch, moedwillig; als suhsi. een deugniet, schalk, slimme gast;

mechanceté, f (spr. mesjaiis\'té) de hoosheid, hoosaar,llghehl, laagheid; een slechte, ge-meene streek, hoevenstreek, moedwil, gallery.

Mêche, f, fr. (spr. mèsf) lont, pit (eencr lamp); haarlok.

Mechitaristen, m. pi. een genoolschap van armenlscho Christenen op hel eiland St.-Lazaro, in de nahyiield ^all VenellU, gesticht door den Armeniër Mechltar (d. 1. trooster) in nol, Ier wederoprlchllng en verhreldlng van de nrmenlsche taal en letterkunde.

Mechoacana, f. (sp. mechoacan, spr. metsj—: van de mexlcaansche provincie Mechoacan of liever Mlchuacan, d. 1. vls-schersland, van \'t inexlcaansch michin, vlsch) wille rhaharhor, eene soort van winde In Z. Amerika, welker wortel, ook wille jalappe goheeten, als een voorlreffeiyk purgeermiddel gehrulkl wordl.

Mécompte, m. fr. (spr. mekónt\': v.voor més = lal. minus, minder, en rompte, z. aid.) eene rekenfoul, misrekening, dwaling, een ahuls.

Meconium, n. lal. (gr. mekonton, van mikon, f. de slaaphol, papaver) hel sap van papaver, opium; hel klnderpek, de eorsie laaie zwarte darmonllasllng der pasgehoron kinderen;

meconzuur, n. hel papaver- of opium-zuur; — meoonaten, n. pl. oplumzure zouten; — meconine, f, papaver- of oplumslof, een kiisialllnlsch heslanddeel van opium.

mecontent, fr. (spr. mekontdh), z. v. a. m a I c o n 1 e n I.

Mod., hy naluurCvelensch. honamlngen, alk. voor F. K. Medicus (gesl. 180»).

Medaille, f. fr. (spr. ineddlf: 11. inedanlia, sp. mediilta, mld.lal. medulla, medatda, medatta, een halve denarius, ook eene goudimml, óf v. \'I lal. medialis, medtus, half, of als \'I ware van lal. metallla, v. metaltum, melaal) gedenkpenning, pronkpeinilng, een sink metaal, geslagen Ier gedachlenls van eene ullslekende daad, een gewichtig voorval, Ier core van een heroennl persoon, enz., en als niunl niet ganghaar; — medailleur, m. (spr. medaljétir) slempel-snydcr, plaal-, vlgnetsnUder; — medaillist, m. een kenner, liefhehher, verzamelaar van gedenkpenningen; medaillon, n. (spr. me-daljón) groote gedenkpenning; inz. een langwerpig rond lyslje, ring of krans, om schllder-slukjes, porlrellen, naamcijfers, enz. In te plaatsen en als halssieraad der dames te dienen; dal schilderstukje, portret, enz. zelf; — en mé-daillon (spr. an—), in den vorm van oenen gedenkpenning; — medalla, f. sp. (spr. medal ja) een oude sp. gouden munt = S piasters.

Medano, m. sp. zandhank, zandheuvel.

Medardus, m. nw. lat. (oudd. Medard, fr. Médard, v. angels. Moedh, eer) mansnaam; de eervolle, erentfesle.

Meddah, in. nrah. elg. lofprüz.er; deopen-hare verteller, die In de grootero Islamitische steden, Inz. gedurende do ramadhan-nachten, In de puhlleke kolllehulzen met eigenaardige kunst zyne voordrachten houdt.


-ocr page 789-

MEDICOS

MEDE

7fiO

Modo, f. (oudd. melu, ent!, mcad: \\ «I. hol sluv. mal, IioiiIk, smiskr. madhoe, zoet, lionln) hoiilKWiiler, honiKilniiik, meodrank.

Medëa, f. ki-, {Mcdeia) Myth, de doclltor van koiiini.\' .\'Hcles Ie Kolclils, wegens Imie schoonliold, looverkunsl en wreedheid vennmii d; 7,y wreekte de ontrouw vim huren ({einiiiil .1 a so n door hel vermoorden hurer eigen kinderen.

medésimo tempo en mud. modo, II. (medesimo

— fr. même, ondfr. mesme, meisme, provene, medemin\', melesme, v. \'I inld.lnt. mcliuimus, meliiisissimm, scmelipsissfmus, dezoirde) Mn/, in vorige of gelijke heweglug of tydmiiiil.

media (sell, lillera), |il. medtue, Int. (v. me-dfus, ii, urn, midden, In \'I nildiien iianweïlg) üi\'iun. nilddelkhinken: de ziichte letters, /», d, !l, die de grieksche spraakkunslemiurs nis mlil-delklunkeii iiisselien de liarile (lenues- ji, I, k) en de iiiingeiidemde (Hsyiirn/ac. ph. Ifi, kh) iiiui-Ziigen; mediaal, adj. (Inter hit. medinlis) in \'t midden iiuiiwezig; - mediaal-lijn, I lal. liniu media lis, ■/.. oud. linéu: — mediaan, lal. (mediunus, n, urn) nildilelgiooi, miildelma-lig, ii. v. m e d I a a n - p n |i ie i\'; een hoek in mediaan-octaaf, een hoek of papier van mlddelliare grootte; med iaa n - a d o r, de mld-delader, lussehen de lever- en iioofilader; me-d 1 a ii li - z e ii ii w, -a d e r; de zenuw en de hloed-ader, die in hel iiilililen van de lilniienvlakle des arms verioopenj mediair, adj. fr. iniddeist, in het midden slaande; — modia-notte, it. medianoche, sp. middernarh-lelijk feest; — mediante, f (v. \'tint. me-ditire, doormidden doelen, ook hcmiddoicn, vgl m ed ieereii) Muz. de middelloon Inssclien den groiiiHoon en haar qniiil, do terts; — mfdidiile, lal. door middel van, h. v. medinntejuraménto, door middel van eenen eed; mediante iiwen-luno, onder lieiiellcle van iiivenlaris; — me-diaat, adj. middeliyk; niet rechlslreeks-, — mediator of fr. mediateur, in. een middelpersoon, middelaar, liemiddelaiir, scheidsman, schehlsrechter; in hel ipmdillle-, tarokspel; degene, die een züner kaarten legen oenen heer ruilt, welken hy aan een nnderen speler vraagt; ook die heer zelf; — modiatorisch, adj. henilddeleiid, door tusschenkomsl verzoenende;

- mediatie (spr. t=ls), f. nw.lal. de he-mlildeling, lusschenknmst, voorliede; — mo-diatio-acte, f. de oorkonde van hemiddo-llng; — mediatiseeren (spr. s=j), onmid-delhare ryksstiinden aan de opperlieerschappy van oen anderen staal onilenvorpcn; ge media tisoer de vorsten zgn de voormalige omiilddeliyk van hel Kgk afhangende dultsche vorsten, die deels door de Napoleonllache we-reldheerschappy, deels door tiesluilcn van het Weener congres hunne souvereliillcil verloren en slechts zekere rechten heliloldeii h. v. om lgt;y het aangaan van huwelyken evenlioortig te z.yn met prinsen van regeerende liiilzen-, — mediatiseering of mediatisatio (spr. -za-tsie), f. de niiddeihaarmaking, opheillug der ryks-omniddelhaaiheid in Diiltsehiand, de ver-

VIERIIli DRUK.

andering van een zelfstandigen staal in een afliankeiykeii; — modiatief, adj. hemldile-loiid, in/ (Iram. een werkwoord (verhmn), dal eene handeling voorstel!, die een voorwerp vordert, als slaan, zoeken, het legengesl. van linmediallef; — mediastinum, n nw. lal. Anal, liet niidilelvlies, middelscliot, een vlies, dat de horstholte in twee geiyke deelen deelt;

— mediastinitis, f. Med. de ontsieking van ilai vlies.

Medicabel, /. ohd. medicus.

Medicago, m. nw.lal. (lat, mödfcu, sell. herha, gr. medikc inia, d. 1. medisch kruiil, van hel landschap Med ie in Azië), de rupsklaver, I u z e r n e.

Medicament, medicijn, enz., z. ond. m e d I c u s.

Medici, pi. (spr. meditsji) een In/., in de t\'le en ttie eeuw machllg en door kunstzin uil-miintend tloreniynscii geslachi -, — medici-sche Venus, z. Ven us.

Medicus, m. lal. (van meilêri, genezen, heclon) de arts, geneesheer, dokter; lyf-medl-c u s, lyfarls vaa een grool heer, pi. de medici, de artsen, goneesheeren; — medico-chirurg, m. lat.-gr., een wondarts, die le geiyk Inwendige kwalen hehaiiileii;- medi-cophilanthröpische sociëteit (ie St.-Pelershurg) eene vereeniging en inrlchthig tot verpleging van arme zieken; -- medicabel, adj. lat. (meilinihïlis, e, v. medirari, genezen) genceshaar, heelhaar; — medical, adj. fr. geneeskundig; service (spr. serwies) médiral,Ae geneeskundige dienst; — medicament, n. lal. {mediniméntum en tnedicamen) eene art-seny, een geneesmiddel; —medicaster, in. nvv.lat., een onkundig geneesheer, kwakzalver, lapzalver; — modicasterij, f. kwakzalverij,

— medire, adv. lat., geneeskundig, naar hel voorschrift van den arts; — medicatie (spr. t=ls) f. (medicalïn) de genezing, kuur; — medicijn, f. (Int. medicina) artseny, geneesmiddel; — medicina, f. de medicijnen, de artsenykunde, geneeskunde, medicina fnrénsis, de gerechietyke geneeskunde mei uitsluiting der geneeskundige politie; medicina tenuHs, de wet-tetyke geneeskunde, de kennis der wetten op het uitoefenen der geneeskunde, op het geneeskundig loevoorzicht, en/..; medicina mentis, art-seny des geesles; onelg. voor verstandsleer, denk-kunsl; medicinae doctor, afgek. M. /)., leeraar of moester der geneeskunde, een geneesheer; medicinae practfcus, een uitoefenend, pracllsee-rend geneesheer; — medicinaal, adj. (lat. medicinatis, e), geneeskundig, geneeskrachtig, heelend, genezend, tot de artseny hehoorende;

— medicinaal-college, de gezondheidsraad, commissie van geneeskundig toevoorzlcht;

— medicinaal-gowicht, het apothekers-gewicht, naar hetwelk de apothekers hunne artsenyen wegen; het medicinaal pond Is = 0,3111 kilo of ned. pond en wordt verdeeld in i\'2 onsen, het ons In H drachmen, het drachme in II scrupels, het scrupel In 12 greinen; —

40


-ocr page 790-

MED1ËEREN

MEDULLA

770

medicineeren, nw.lnt. {medicinare, sp. me-dicinar, tr. médkincr. artsonU geven) nrtscnUen of Reiioesmlddolon gebruiken, Innemen; — me-dicinisch, medisch, adj. tol de artsenü of tot de geneeskunde l)ehoorendo) geneeskundig, lieelkrachtig («ffin««■/), wat den arts lie-treft; — medische politie, ■/.. politie; — medicomanie, f. lat.-gr,, deartsenUwoede, de overdreven zucht tot geneesmiddelen.

mediëeren, later lat. (median:, bemiddelen; ook middendoor doelen, balveeren, In twee helften scheiden; — mediëteit, f. {medietas, het midden) de middelbaarheid, eene uit drie leden bestaande, gedurige evenredigheid b. v. il: ;i = II; I; — medietas linguae, f. lal. de taalbalveerlng, cngclsche benaming voor een gerechtshof, voor de helft uil inlanders en voor de helfl uit buitenlanders bestaande.

Medimnus, m. gr. (médimnos) de voornaamste maat voor granen by de oude Grieken; ongeveer = Si,5 liter.

medio, z. medium.

mediócre, ml), fr, (van \'1 lat. mediums, e, van medfus, midden, In \'t midden aanwezig, als adv médiocre en mediocrfler, lal., middelmatig, tameiyk; — mediocrist, m. barb.lat. een middelmatige, een mcnsch van middelmatige bekwaamheden; — mediocriteit, f. (lat. mediocrflas) de mlddelmallgheld; de middelweg, hel Juiste midden.

medisant, enz. z, ond. medlseeren. medisch, 1) (van medtiri, genezen), zie ond. medicus; — 4) (van Medlë, een land der oudheid, in Azie), wat tot Medio of zyne inwoners holiomt; als subsi n. eene der vier hoofdtalen van liet oude perzische rijk (do andere waren het 1\'chlwl, /end en Assyrlscb), die te Ekbaliina, de hoofdslad, word gesproken; — medische trompet, een oud.gr. rieten muziekinstrument van diepen toon.

mediseeren (spr. s=z), (fr. médire, van mé-, z. aid., en dire, zeggen) kwaadspreken, achlerklappen, verongeiyken, aanwryven, zwartmaken, belasieren; — medisance (spr. me-diid/\'is\'), kwaadsprekendiieid, achterklap, veron-geiyking, aaniyging, de zucht tol kwaadverhrcl-den, schlmpzucht.

mediteeren, lal. [medituri, fr. médiler) nadenken, overdenken, overpeinzen, i)epcinzen; iels rUpeiyk wikken en wogen, overleggen, bedenken; zich met sillie gebeden, vrome bespiegelingen bezigbouden; — meditatie (spr. -ta-lsie), f. (lat. medituhn) bet nadenken, de overdenking, beschouwing, bespiegeling; het sili gebed des barton; - meditatief, adj. (later lat. medilat/vus, «, um, fr. méditatifj, nadenkend, In diep nadenken, In mymering of bc-pelnzlng verzonken, afgelrokken.

mediterraan, adj. lat. {medlterranfus, a, um, v. medtus, midden; In \'t midden aanwezig, en terra, aarde, land) middellandsch.

Meditrina, f. lal. (van mederi, genezen, boeien) Myth, de godin der geneeskunst; — meditrinalïa, n. pi. een te barer eere gevierd oud-rom. feesl.

Medium, n. lal. pi. media (medius, «, um, mlddelsl, In \'I midden) het midden, middelste, de middelweg, middoistof; hot iiuipmid-del, vereironlngsniiddei; de voorslag lot vergc-lyk; de middelterm; de iniddoliyke persoon, de bemiddelaar by de klopgeestery of het spiri-tismo; Gram. het medium (sell, verbum) do mlddolvorm dor gr. werkwoorden, die, tasschen don bedryvenden en den lydenden vorm (activum en passivum) in hel midden slaande, eene terugwerking van do handeling op het onderworp uitdrukt (vgl. verbum re/lexlvum); hel cl reu loerend medium, gemunl gold; me-(ttuni lenutrc. beali, do gelukkigen houden den middelweg, of de middelstand Is de gelukkigste;— medium aeuum, n. de middeleeuwen, liet tydvak van de 8de tol bel einde der lilde eeuw; i/i medio aero, in de middeleeuwen; vandaar: medieevisten, m. pi. (van \'I lal. medium aevum) monsciien, inz. schrUvors uit do middeleouwen; — medio of in medto, in liet midden, b. v. medio Junïi, in \'I midden van Juni;

— medio, als Kmi. inz,; In het midden dor maand; wissels die per medio z.yn getrokken, moeten op don lilden der maand belaald worden en heldien geen respytdagon; — medio tu-tissimus ibis, lal. sprw.: in liet midden zult gy \'1 velllgsl gaan, of de middelweg is do veiligste; — inert ins terminus, z, terminus: — in medfam rem of in meittas res, in hel midden der dingen, midden In den gang der liandeiing;

— mediëteit, medHtas, z. onder modi-oe re n,

Medóc, m. fr, een ronde wyn, naai\' hel landschap en sladje van gelgkeo naam in Frank-ryk ; - medocsteen, in, een donkerkleurige steen van het kiezoigeslacht, die, geslopen zynde, naar den diamant geiykt.

medoperzisch, adj, de Meden on Perzen botrelTendo,

Medorrhoea, f, gr. (v. mêdos, manneiyk schaamdeel) z. v. a. gonnrrlKBa.

Medrésse of medrissa, f. araii. (mo-dras of medres, medrasal of mertreseti, midrds, van darasa, doorlezen, loeren, oefenen) eene moham. boogero school, een gymnasium In \'t Oosten.

Medsjid, z. metsjod en moskee.

Medsjidjo, lurk. eene gouden iminl = 100 piasiers.

Medsjlis, m. arab. raadsvergadering; — medsjilik, in. de volksraad der ïsjer-kessen,

medülla, f. hit, merg, pit, kern; m, spinalis, ruggomorg; medullair, adj. (lat. me-dulluris, e) mergachtig, tot bel rnggemerg he-hoorende; ■ medullair sarkoma, n. lat. gr. mergzwam; — medulline, f. nw,lat. mergslof, eene witte, losse slof uit het merg van verscheiden planten, Inz. van den vlierboom. afgezonderdmodullitis, f. lal.-gr. de ruggemergsontslcklng; — medulleus.


-ocr page 791-

MEDUSA

771

MEID AN

adj. (lat, mcdullóstis, «, urn) morgachtlK, vdl inert.\'.

Modüsa (spr. s—z) f. «r. Mylli. ocui\' iIim-diio (ioi\'kiiiioii of doclilors van OorKun, illo mei Mlnorvii In scliüiiiiliciil wllilü wodUvo-ron, om welke vormotelliold deze hare krullende lukken In slaiiKen veranderde en aan hare oogen de kracht gaf «m leder, die haar iiaiiziila steen te veranderon, Perstus overwon haar, sneed haar het vreeseiyk hoofd al en leverde dit ever aan zgnc lieschennster Minerva, die het op haar schild iiliialsti\', \'t welk daarom nok het m ed nsa lino fd heet: IS. II. de zrenetel, oen naakt wornioiiKCsliicht; — modusa-hoofd, de modiisa-ster (ra-iml Medusae) een zonderling gevormd dier uil het geslacht der zeesterren; modusa-palm, f. of penl a k ri n lel, m. de leliesteen, eenc plantdierversleenhig.

Modwedki, pi. russ. (v. medwiedka, een jonge liever van Kamlsjalkii) vellen van jonge zoootters, zoo lang zij nog wit zijn.

Moeting, f. eng. (spr. mietinii; v. meel, ontmoeten, aanlrelfen enz.) eene samenkomst, vergadering, li. v. van jachlgezellen; ook wedren; verder van godsdienstige hUeenkomsten der dissenters in een meetinghouse (z. lager) of in liet open void (camp -meo 11 n g); Inz. openhare liUeenkomst, eerst In lingeland en de Vereen. Slaten van N.Amerika, legenwoordig In verschillende landen van Europa gehouden, waarop onderwerpen van slaatkundlg, maal-schapiieiyk en godsdlensllg helang door deskundigen ten aanhoore van hel puliilek worden hosproken en heslullen genomen, die den stand der openbare meening moeten doen kennen; — meoting-hoiisos, pl, vergaderhiilzen of plaatsen van hijeenkomsl; hedehiilzen van gods-dlensllge genoolschappen in Engeland.

moflant, adj. (spr. mefidii. v. mi/ier, wantrouwen) wanlrounend; meflance, f. fr. (spr. mefians\') het mistrouwen, wantrouwen, de achterdocht.

Mogalanthropogenesio (spr. .?=?) f. gr. (v. ménus, meudli, métja, groot, anlliropns, mensch, en i/énesis, voorlhrcnglng) de kunst nni groole of sterke kinderen le telen;- moga-legorie, f, de groolsprekery, pralery, het pochen, snoeven; mcgallthen, pl, groole steenen, uit steenlilokken liestaande gedenktee-kencn uit den vooriyd; mogalithisch, adj. uit groole sleenen lieslaando; - moga-lobyzen, pi. gesneden priesters van Arlemls le Ephesus; - mogalocoelus, m. een dik-hnlk; megalocoslio, Med, de dlkhulklg-heid; — megalograaf, in. een grooischll-der, die personen In levonsgroolle maalt; megalographie, f liquot;t groolschlldereii; de vergrootende voorstelling van gewichtige voorwerpen, inz. helden enz; megalokar-pisch, adj. met groole vruclileii; moga-lométer of megaméter, m. een werkiuig, geschikl om groole hoeken iian den hemel le meten (ullgevonden door (ihiirniére); moga-lónyx, m. elg, groolklauw, reuzenklauw, eene soort van hel mega t li oriu m (z. lager); — mogalophomo, f. de volklinkende, sierke stem; — megalophónus, m. die eene sterke slem heefl, megalophonisch, adj. slerk-sleinmig; — megalopsychie, f. de grootmoedigheid, zleiegronliieid; mogalosau-rus, m. de reuzenlnigedls, een krokodiivormig dier dor voorwereld van li meters lengte; — mogaphoon, f een door den Amerikaan Thomas Edison ullgevonden geluiilsverslerker (voor het oor, wat de opera-kijker voor het oog Is); mogapodiën, pi. groot voelers, een hoenderachilg vogelgeslacht; mGga-losplanchnus, m. die le groole Ingewanden heeft; megaskoop, m. een door diaries lieschreven optisch wcrklnig, waarmede men, door een voorwerp steeds dichler hij hei hrand-piint eener verzameileiis le hrongen. gedurig grooloro lieelden daarvan kan verkrygeii; — mogathonum, m. de rouzenluiaard, een voorwereldiyk gordeiilier; pl. megatheri\'ën, ook In \'I algemeen voor groole dieren der voorwereld.

Megsera, f. gr. (Méuuira) eene dor Eu-riën, z. aid.; onolg. voor; eene hoozo vrouw.

Megarde, f. fr. (MUI mé- en narde, z. aid.) de oimchtzaamlield, hel verzien; /jar méndrde, onveiv.lens, onverhoodsi. uil onvoor-zlchtlgheld.

Mogarischo school, eene sede van oud-gr. wijsgeeren, door Euelldes le Megara geslicht, die zich inz. mei de redeneerkunde hezighiold, en daarom ook de diaiekilsche of e r 1 s 11 s c h e school wordl genoemd,

Mogaskoop, megatherium, z. ond. m o g a 1 a n I h r o p o g e n e s 1 e.

meglio, adv. II. (spr. méljo) heler; per slar nicf/Zio, sla iini, omdat ik heler wilde worden, hevlnd ik inij hier (grafschiifl van Iemand, die door \'I medlcinoeren is gestorven).

Moh, m. do ccnlioid van hol japansclie gc-wlclitssyslcem, ^ van (Umi chin, liang (z. aid.), van 10 funu of //»/«, olk van 10 rituj of rin, olk van 10 mo on is = 3,780 gram-, ook con rliin. rokotimnnl (/. Hang).

Mehari, m oono in do afrikaansoho woos-lijnon inliooinscho soorl dromodaris, dio zoor snoi loopt.

me llevculcy z. ond. me CmsIov.

Mohkemo, m. lurk. oon gorcchlsliof, Iri-Imnaal in Tnrkijo; mohkomo kiatibi, pl. do roforondaiisson, ook do rochlors.

Mehmendar of iiovor mihmandar, m. porz. (v. mi Inn dn, gasl, vrooindoiing, en lt;l(\\r, lioudon) oig. oon logcmcnlliondor, waard; oon hoamldo aan hol lurksclio hof, dio do vrooindo gozanlon on voornaino rolzigors oidvangcn, ho-goloidon en onlhalon moot.

Moi, m. lal. (Mujus, naar do godin Ma ja henoomd) do 5do maand dos jaars, hlooimaand; — hol meiveld, de ryksvorgadorlag dor oudo frankisoho konlngon.

Meïdan, z. ma id an.


-ocr page 792-

MKLATROPHIE

772

MEILIGMA

Meiligma, n., pi moiligmdta, «r, (v.

meilissein, sllllon, hoiliircii, opbeuren) vcrzach-tende, bodaromlo, opbeurcnilo mlililolcn, in/., zulko arlscnUen.

Moinhard, oudd. mansn. (onlsluan uit Meiiinlmrl, v. megin, maqon, sterkte, vonnoRon); de zeer sterke

Moiösis, r «r. (van meioen, verkleinen, meion, kleiner) I.or. verkleinitift, schynhare ver-ininderiiiK; Med. de ziekelijke vorkleinliiK van een deel; — meiüros, m. (van ocra, slaart) een kortstaart; — mojoniet, n. (van t nr. mei On, kleiner, wegens de stompere pyramlde in vergelijking mot den vesuviaan enz.) de witte hyacint, een grauwwit fossiel in kristallen, dat tiet veldspaalh naiiykomt.

Meiran, m. v. a. majoran, z. aid.

Meisner, liij natuurtdslorische namen he-teekent K. K. Meisner te Hazel.

Meiatersinger, dlkwgis minder goed meistorsanger (spr. - tenner) de dichters uit den burgerstand, die in Duitschiand sedert hel hegin der tide eeuw de door do minnezangers gegronde ly rische dichtkunst verder he-oofonden.

Mokkabalsem, m. (van de arah. stad Mekka), ook halsom van (ilload, een witachtig hars van kruidigen reuk en smaak, van den arahischen halsemstruik {Italsamoden-dron Oileadense, Kunlh.)

Mokométer, m. gr. (v. milws, n. de lengte) do lengtometor; Inz, een passer om de lengte der pasgehorenen ie meten; mokomotrie, f. lengtemeting.

Mekonion, enz. z, meennium.

Mekteb, n. turk.-arah. (v. knlaha, schry-ven) eene scliool, inz. elementaire of lagere school;

— mektoebdsji, m. turk. (v. \'t arah. mek-llt;ieb, geschreven) titel van don eersten secretaris dos grootviziers en dos ministers van II-nanclBn.

Mei, n. lat. de honl(n)g; mei rnsalum, de rozenhoning; — me/Wus, a, urn, lat. honigzoet.

Molac, melac-tin, n. lijn tin uit l\'ern, in do godaanto van hoeden, peruaansch hoed-joslin.

Molados, pi. alhinos-paarden, hianwoogige wltschlmmcis.

Meleena, f. (v. mólas, mélainu, mi\'lun, zwart) Med. de zwarte ziekte {morhux niger van llip-pokrates) z. v. a. hiomatomosis; — mo-lampodium, n. zwarte nieswortel; mo-lanagóga, pi. middelen, die do zwarie gal afvoeren; melanchlörus, m. oen hoogo graad van geelzucht, zwartzucht gehoolen, een zwnrtzuchtlge; —melancholie, f. (spr. mc-lanrhnlia; v. clwlos at cholc, gal; eng. melancholy, spr. mé.Uenkolli) zwartgalligheid, zwaar-Idoedigiteid, zwaarmoedigheid, droefgeesiigiieid;

— molanchólisch, adj. zwartgallig, zwaar-hioedig, droefgeestig, treurig, somher (vgl. I em-perament); melancholicus, oen melancholiek, m. ...... zwartgallige, zwaarmoedige, oen somher, in zich zeiven gekeerd, drocf-gecslig menscli; — melancólico, 11. Muz treurig, zwaarmoedig; -- melanchróos, melan-chrüs, m. gr. een zwartluiidige.

Melammed, m. helir. leeraar.

Melange, z. me loeren.

Melanïa, Melanie, f. gr. (van mélas, mélaina, mélan, zwart) vr.oigennamen; de zwarte, do donkore.

Melanine, f. gr. (v. mto, enz., zwart) de zwart stof, eene verfstof, die ais overtreksel op het vaatvlles van liet oog zil; - - melaniet, n. gr. zwarte granaat, eene aan den granaat vorwanie steensoort; ook eene zwarte, harde gummlTnassa, die zich laat verwerken in allerlei vormen en gohruikt wordt voor cameeën, ketiings, kammen enz.; vgl. jet; — mélanis, hUnaam van Vonus, omdat liet haar gewilde werk (loorgaiins de kleur dor duisternis draagt;

melanoma, n. (v. melanoen, zwart ma-kon) liel zwartsel, de zwarte massa; Med. zwart liloedgezwel; — melanorrhagie, f. Mod. zwarie loop, z. v. a. molatna, z. aid.;

melanoskoop, m. gr. {sknpein, zien) oen zwartkijker, ioostel van l.ominoi te lirian-gen, waardoor men hot groen iter bladeren als zwart ziet; — melanosis of melanöse, f. Mod. de zwartzucht, liet zwart worden dor ingewanden, oen ziokeiijk zwart weefsel in jU\' longen of in andere organen; melanö-tisch, adj. daartoe hohoorcade of daarmede hehepi; melanotypio, f. gr. (lyptein, slaan, drukken) ilo kunsl om een pliotographlscli beeld op zwartgemaakt koper voort ie hron-gen; - melanotype, n. een phoiographi-sche afdruk op zwartgemaakt koper; — me-lanterio, f. (gr. melnnllria) hol metaaizwart-soi, yzerzwarisoi, knperzwarisol.

Melanzane, f. (II. melumdm, v. mela, appel, lal. malum, gr melon, on insano, imanu, lal. inmnus, dol) of de melanzaanappel, hol eiergewas, do vniciii oenor soort van nacht-schade, do oiordragendo nachlschade (Solanum meloni/enn).

Melaphyr, f. (door don franschen geloerde Brongnlarl kwalijk gevormd uit hei gr. mélas, zwart, en do laatste lettergreep van porphyr) hot zwarte porphyr, eene soort van syoniot (z. aid.), syenlet- of groenstoen-porphyr.

Mélas, m. gr. (v. mélas, zwart) Med. de zwarlvlokkige uitslag, do zwarte vlek of plek; — melasiktérns, m do zwartzucht, een lioogo grand van geelzucht; — melasma, n. de zwarte püntUko vlok, die moestal hy jichtige oude lieden op hot lydondo doel voorkomt.

Melasse, f. fr. (sp. melaza, port. melago, v. \'1 lal. mellacfum, most, v. mei, honig; vgl. melis en meiassen) suikersap, suikerstroop, hot niel geronnen dool dor suiker na do koking, waaruit men vroeger eene soort van brnn-dowyn, la ff ia, maakte.

Melatrophie of meratrophie, f. gr. (v. mélos, lid, mém, deel, en atropble, z.


-ocr page 793-

MELATTI

77rj

MKLODIE

aid.) Mod. do vormiigorlnu, ulllerliiff van een hyzundor llohamnsdeol.

Molatti, mal. Jasmyn.

Molchior, helir. (van melech, k(iiiin(,r, en lir, Held) man Hl.; de llohtkunlnt;, konitiü des lichts; ook z. v. a. malllaelnii\', argentaan; Melchi8édok,liel)r (Mnl-ki-zedek) mansn.; rechtviiardiKo konlriK, konhiK der ko-reclitlKlieid; — melchieten, ni. pi. syrlsch: elR. konltikiykeii, In do Ode en 7de eeuw de lienamliiK van die «uslersohe C/liilstcnon, welke zloh, o vereen komst Ig don wil des keizers, aan de heslulten der elialoedonlsohe kerkverKadorlnf; onderwierpen.

Mole, f. nr. .Mod. de sonde, pollstllt; — melósis, f. het onderzoek met oeno sonde.

moloeren, tr. [nuVfr, oniirr. mester, provone. mesclar, v. \'I mld.lal. misculare, I lal. i/ii.v-ccre) inonuen, vormonRen, ondereen doen; zie li in eene zaak inoleoren, zieli daarrnode hemoelon, erzieh niodo Inlaten; — (ie m el oord, adj. BeinonKd; gespikkeld, hord ; molange, n. (spr. melamj\') de vorinonsfintr, het meiiKsel, de meiiKellnK; hel meiiKClwerk; ook hnlf-oni-half, h. v. Iwoe soorten ijs op een hord; — melÓG, f. een seherp gevoeld, strijd-of krijjis-Bowool, heetst van een iieveehl; vechtparty, hovlfje woordeiistrUlt;l.

Molokét, do krijtistrompet der Kuypleniiars en Ahyssinlers, hijmi i meier lanfj.

Molosigönes, in. (tr. loinand, die (teho-ren Is aan de Molos, eene rivier in ionle; een hynnani van llomei\'us.

Mólótë, f (tr. (v. nié/ein, zorgen) zorKvnl-(llRhehl, viyt, nadenken, oofeidin,\'; de naam van eene dor :) of 1 oudste muzen van de ond-Rrlekschü rahelleor; Aslr. oen in IM.\'iS door Goldtsolnnlill ontdekte asloroide; molotö-ma, n. (fr. (v. mch\'tun, zorgen, zor^vuldl^ waarnomen) oeno zoi\'ifvuldlue hohandeiln^, oefeidiu; (studio), hesi\'liOUwiiiK, navorseldiiK, onderzoek ; pi. moletemdta.

Moliilnthtis, n. «r. (van mi\'li. n. IioiiIk en nnlhim, hloein) do honiKliloeni. een pronk-sewas van verscheiden soorten; melicö-ris, r. (?r. en melliflavium, n. lal. Mod. een honlKKezwel; moliglössvis, m. oIk. oen lionigmond; een uilsteki\'nd redennar; — melikraat, n. honigwater; molilith, m. elf.\'. hohlRsteon; oomquot; honiünoie vulkanische steensoort (onilerscholden van mei Hel); — melilithaten, n. pl. honlKsleenzure zoulen ; — melilötus, m. de stoenklaver, honiRkla-ver; — vandaar molilotenploistor (niet moto ton-piel ster) sleenklavorplolster; — melitisme, n, (HV. melilismós) de aanwen-diiiR van ilea honlR als geneesmiddel, de ho-nlfïkuur.

Molior, m. fr. (sjir. mcljé) eene voortrolfe-lyke soorl van witte wyndruiven in do oude provincie i\'ollou In Krankryk

Meliglossus, melikraat, molilith, enz. r ond nielianthus.

Molimoli of liever molomëli, n. lat (van het «r. melon, appel, kwee, en méli, ho-idR) een liiKUmaakl sap van kweetin.

Molinum, n. lat. (van het kt. eiland Me los) melisehe aardo, eene wllachllKo of asch-(jrauwe aluinaarde, tot schlidorsverven «ohruikl ; ook ■/.. v. a. kadmium (z. aid.)

molioroeron, lal. {meliorare, v. melinr, heter) verheloren, inz. een stuk «ronds; me-lioratio (spr. 1=1.1) r. later lal. [meHoruRo) ot melioramont, n. nw.lal. de verholering, inz. van don hodem door nieuwe lieplantlnK, dooltretrondo hoarheldini; enz.; melioratie-kosten, vorlietorlnKskoston.

melinribux unnis, lal. in hetere tydon.

Mölis, f. (fr. ntélis-, van mei, hoidu) eene soorl van broodsuiker, minder dan rarfl-nado; ook n. zeildoek van Angers on Itoau-forl.

melisch, /.. ond. molinum en ond. me-1 us; - melisma, n. (nr. miilisma, in l al-Koineon lied, zangwys) Muz. de versierinR van den zang door verdcolliiK of splilslng der lonen; melismatlsch, adj. mot gozangvor-sloring, zoodal op éono lettergreep van den ti\'ksl verscheiden lonen gezongen worden, in tegensl, met het syllahlseh gezang.

Molisso, f. (v. \'1 gr. mélissa, mélilla, de hy, mi dil v. méli, honig) hel hyenkruld, hyen-hlad, cllroenkruid, de lionighloein; melis-aographiG, f. de naluuriyke historie dor hyen; — melittothoologio, t. hewys van liet nanzijn (lods uil de kunsthokwaamlieid der lillen.

Molitisme, z. ond. m e 11 a n 1 h u s.

Molliigo, f., pl. raollaginos, nw.lal. (van \'I lal. mei, gonlt. meilis, honig) l\'harm, vloelende, honigacliligo aftreksols; mellaun lilumbi, loodhonig; — méllifórisch, adj. (lal. melftfer) honlgdragend of -hrengend, honigver-wekkond; molliflCiitie (spr. I-Is) f. nw. lal. (v. \'I lat. mcllifiidre, honig maken) de ho-nigliereiiling; melliflavium, z. mciico-ris, ond. melianlhus; mollittuónt, adj. (later lal. melli/lnens) van honig vloeiend of druipend, honigzoel; — molliet, n. de ho-nigsloen. eene honiggole sloonsoori (honlgsteen-zure leemaarde).

Molochie, f. arah. en perz. (arah. meln-khieh, nw.lal. melorliUi Hot. geraniums, ooievaarshekken; do joden-maluwe.

Melodie, f, gr. (meludiu: samongetr. uil molos en ode, z. aid.) do toonopvolging, loongang, zangwUs, wgs; het gezang; ook wol-lulilondhelil; melodisch, ndj. welklinkend, llefeiyk luidend, aangenaam; zangerig; me-lodika, molodiek, f de leer van do melodie, van do toonopvolging; molodlka, f. oen door ,1. \\. Sleln In mil uitgevonden orgelwerk, In de gedaanle van een kleinen vleugel- of staartpiano; melodion, n. een door Dielz uilgevondon slaf-inslrumenl, van 5.J octaaf, waarvan ilo toon, door middel van oeno rol, die legen metalen loodrochle slaven wrijft, veel lichter dan hy do harmonika wordt


-ocr page 794-

MELODRAMA

774

MEMORIA

vooi\'lgohrnclit on mccr illen der hlnnslnslrumon-lon niihgkoml.

Melodrama, z. ond. inplos.

Moloë, r. Br. do mclkovor.

Meloen, in. (uit hol lat. melo, m. Ronlt. melonis, vour iik toiirpn, iiiipelvorinlRO melnon, v. \'t Rr. melon, nppol, on pépön, hit pepn, eeno Kioolo niploonsoorl, it. mcllóne, fr. melon) ccnc liokende, welsmukenilo kniukommnraclitlKO vrucht; - meloenboom «r papaya-boom, con piilmlioom in (). on W.IikIIB mot molooniu\'htigo vruditcn [Carica, I\'apnya)-, — melonerie, f. con moioonbod.

Melograaf, melographie, melo-kopie, melomaan. melomanie, ond. in ctos.

Melomeli, ■/.. molinieil.

Melon, n. fjr. (v. melon, npiict) Mod. hot appot- uf motoonooi;, ouno appolvonnlKo ult/.iik-ktiiR van don rcsmitioog.

Mêlónkos of melóncus, m. sr. (van melon, do whiik) Mod. hot wanggozvvol; — meloplastiok, t do waiiRvonnliif!.

Melos, n. fir. (mé/os) oig. lid; dan tied, gezang, zangwijze; -- melisch, adj zinghaar, to zlngon, zanginallg, h. v. mollsclio dictit-kulist, z. v. a. lyrisclio dichtkunst; --melodrama, n. (It. melndrammn, fr. im\'lo-drume, het oorslo drama van die soort was Rousseau\'s Pygmalion) eon tooneelstuk met hegeleiding van muziek, in holwolk de woorden, die tiij Intorvallcn van de muziek liege-leid worden, onkel gesproken, niet gezongen worden; soorten daarvan zün: het mono-dra ma, waarin slechts óeri persoon spreekt, en het duodrama, wnariiij twee personen optreden; melodramatisch, adj. naar den aard of in den vorm van oen molodrama; — melograaf, m. oen notonscliryver, eone noleii-sclirUfmaclihio; melograaf, f. eeno kun-sllge Inrichting aan \'t klavier, waardoor het gespeelde in noton wordt gezet, z. v. a. no login af; melographie, r. de notonschrU-vtng; — melokopie, f. do lidafnemlng; — melomaan, 111. Iiiirlstochtciyk vriend dor muziek; — melomanie, f. (ie overdreven zucht voor ile toonkunst, muzlokwocde; melo-mantie (spr. I -Is) f voorspeiilng uit de onwillekeurige hevvegingen van de loden eens 11-chaams; — melopliist, m. eene In frankrijk door Ciaiiii uitgcvonilen leerwijze in de nuiziek, ten einde de Intonatie te vinden zondoi\'behulp van ooi) liistrument; melopoeiü, de vervaardiging der melodie lot een lied; iiel toonzetten ; melothoet, m. een toonzetter, componist; melothesie, f. de zelling eener zangwijze; melotypie, f. de door Duquet in l\'arüs gedane uitvinding, om inuzlcknolen met heweegijjke teekens te drukken, de noten-druk. notendrukkcrij.

Melösis, ■/,. oud. melo; meloten-pleister, z. mciiiotus;- melothesie, melothoet, melotypie, z. ond. inoios.

Melpomëne, t. eene der Muzen (z. aid.)

Melusine, f. fr. en ligd. vr.naain; de honigzoete (van ccil.-walllslscli melus, melys, ho-nigachiig, zoet, v. mei, honig).

Mémbar, m. araii. de kansel der moskee.

Momber, m. ong. ond. m e m h r u m.

Membrum, n. lat. het lid; medelid; — pi. membra; membrum nenilnle, lat. het teellid; m. honorartum, oen oorelid; m. virile, het mannciyke lid; member nf parliament, ong. afgek. (op hrietadrossen, enz.) M. /\'., medelid van hel parloment; — membraan, f. lat. (mem-brSna, eig. huid, die do leden overdekt) eeno teedero iiulil, oen vlies, ook z. v. a. lijn perkament, handfchrift op poikamenl; — mem-brana, f. lat. Bot. zaadrok; — membram-ecus, a, urn of memkralus, n, um, tal. Hot. vliezig, uit een vliozigo liuiii hesliiando; — membranous, adj. nw.lat. vliezig; perka-nieataclilig; membranifórm, adj. nw.lat. vilesvorinig, vliesachtig; membranüla, f. lal. een vliosjc; — memh)quot;n/(m, adv. Ildsgew(js, lid voor lid; membratuur, f. (later lat. membrolurn) do ildvorming, lodenbouw;— membreeren (later lat. membrari) loden vormen

meménlo.\' lat. (Imporal. van memïni, ik hor-liiner mij) gedenk! vnndnar hel memento, eene lierinnerlng, oen toeken tor gedachtenis; in do r. kath. kerk dal gedeelte der mis, waarin de afgestorvenen godaclit worden (naar do aanvangswoorden; memenlo fninulorum hiuriim, gedenk uw knoclilon uf dienaars); — memenlo mori, gedenk Ie stervon! ook als siihsl. n. gebezigd van eene schildorU, vim oen voorwerp, dal aan den dood doel denken; eone doodsgedachtonls, Inz. een doodshoofd mol kruisgewijs gelegde beenderen; — memento quin putris es, herinner u dat gg slot zijl.

Memnon, m. egyp.-gr. Myth, oen zoon van Tltbönos en lios (Aurora), koning dor yEilii-opiörs, die voor Troje door Actilties werd gedood; zijn beeld, de Mem non szu 11, by Thebo in ligypte, gaf, zegt men, lijj den op- cn ondergang der zon een zokcr geluid.

Memoire, n. fr. (Ie mémoire, spr. memodr: eng. memoir, spr. mémwar; v. \'t lat memorin, v.. aid.) een iieiinnorings- of gedenksclirift, z. v. a. m e m o r 1 a a I of p r o m e m o r i a; ook eene soort van slaaissciiriflen, eene scbrifieiyke ontvouwing, openlegging; memoires of me-moriën, pi. merk waardige berlciitcn, gedenk-vvaardigiieden, gedenkschriften, gedenk hoeken, geschiedschrlflen, waarin do vervaardiger hy voorkeur voorvallen of gotieurtenissen, die lui zelf beeft iiygewoond, hoeft opgeleekend, dagboeken over merkwanriilgo personen en geheur-lenissen.

memorin of memórie, f. lat. (v. memor, godacbtlg, Indaclilig, fr. In mémoire) het aan denken, gedenken; het geheugen, de gedaebte-nls, bet lierinnorlngsvermogen; men memorin, hy myn weten; jiiae memoriae, vromer gedacli-tonis; memoriae marli/rum, pi. de gedenkdagen der martelaren; memorin loedlis, plaats-


-ocr page 795-

MEMPHIET

775

MENGEL

Keliougen; m. verbalis, woordgohounen; memoriae daninatïo, z. ilamnalio memoriae: nd ol in perpelnam rei memorïain, tot voortdurend tinndonkon der zunk, tol eeuwige godiichtenl»; posl homtnum memorïain, sinds menschcngohcu-Kcnls; — momoriaal, li. (Int. memorialis li-her of libellus) ook promemoria of pro memoria, afgek. P.M., een lierlnnerlngs-of gedenkschrift; smoeksclirlft, vorzoekselirlft, onderdanig aanzoek, de voorstelling, liet Ingeleverd stuk; de vermelding, aanvraag, bekendmaking; bU kooplieden Is het memoriaal een her-tnnorlngshoek, z. manuaal; — memoriaftler, hg wyze van gedenkschrift, van verzoekschrift; verzoeksgewgze; — memorialist, nw.lat. een verzoekschrlftsleller; memor(i)ëeren (lat. memorare, vermelden, aan eene zaak gedenken) aanstljipen, vormeiden; ter liertnnerlng opteekenen; — memorisoeren (spr. .i=z) harh.lat. van huiten leeren, in\'1 geheugen prenten, In \'1 hoofd brengen; — memorabel, adj. (lat. memorabilis, e) merkwaardig, gedenkwaardig; — memorabilia of memora-billën, n. pl. merkwaardigheden, gedenkwaardige zaken; — memorandum, n. oen gedenkboek, herinneringsboek; - memoratie (spr. I—Is) I. {memoralw) de vermelding; — memonier, adv. lat. van buiten, uil het hoofd, I). v. opzeggen.

Memphiet, n. eene zwart- en witgestreepte verscheidenheid van den onyx, naar de slad Memphis in Egypte benoemd.

menaceeren, fr. {menarer, van menace, bedreiging, provcnc. menussa, 11. minacria, v. \'t lat. minarlae, bedreigingen) dreigen, bedreigen.

Mensechmen, m. pl. gr. (v. ménaichmos, volhardend in den strijd, van ménein, blijven, volhouden, en aichme, lans, strijd) de naam van sterk op elkander gelijkende tweelingbroeders In een gelijknamig blijspel van l\'lautus; tweelingen, evenbeelden.

Menage, f. fr. {Ie ménage, spr. menaazf : oudfr. mesnafje, mld.lal. mansionaticum, mnna-glum, z. v. a. mansio, woning, v. \'t lat. manure, blijven) de huishouding, het huisgezin; do goede inrichting, hulshoudelUkheid, spaarzaamheid; gemeenschap van disch en woning; sol-datenkost (in de menage zyn = in den kost zyn); ook de menage-ketels om spijs uil do kookhuizen to halen; femme (spr. /Vim) de mi-nage, huishoudslor; pain (spr. peii) i/c m., huisbakken brood; Inile (spr. lodl\') de m., hulslln-nen; — monageeren (fr. ménager, spr. g=zj), eene zaak in acht nemen, met omzichtigheid, vorschooning of ontzag behandelen; huishoudelijk, spaarzaam of welberaden mol Iets te werk gaan; — zich menageeren, zich matigen, hotoomon, h. v. in gramschap; zich ontzien, ia aciit nemen -, - menagement, n. (spr. menazj\'mdii) de verschooning, matiging, behoedzaamheid, voorzichtige behandeling; — menagère, f. fr. (spr. menazjèr\') eig. de huishoudster: een toestel met allerlei voorwerpen van huiselijk gebruik; menagerie,

f. (spr. menazj\'rie) eene afgezonderde plaats voor dieren, hoenderhof; diergaarde, afgezonderde plaats voor allerhande vreemde en zeldzame dieren; eene verzameling van inz. uit-heemsche dieren; — menage-trein, m. Mil. veldkeuken; - menageus, ailj. (spr, —zjeus) hutshoudeiyk, spaarzaam, verschoonend, met beradenheid, omzichtigheid.

Menakan, ook manaeaniet, manakoniet, n. litanlum-Uzersleen, eene me-tallische steensoort, naar ile plaats, waar men haar vindl, Menakan In Cornwallls, benoemd.

Mendaeiteit, f. later lat. {mendacilas, van mendax, icugenai blig, van menliri, liegen) de leugenachtigheid.

Mendiant, m. fr. (spr. maiidian.- vgi. het volg art.) bedelaar; les qualre mendianis, ile i bedelorden (Jaeohynen, Fransciskanen, Augnstynen en Karmelieten); ook schertsend; een dessert beslaande uit vier vruchten {vygen, noton, rozynca en amandelen).

Mendicant, m. lat. (mendtcans, v men-dicare, bedelen, mendicus, bedelaar) een bedelaar; een bedelmonnik, inzamelaar; men-dicatie (spr. I=ls), t. (mendiralio) het bedelen; — mendiciteit, f. (lat, mendicilas, van mendicus, straatarm) de hedelstand, bede-lary, bedelzak.

Menée, f. fr. (van mener, voeren, leiden) eene heimelijke list, sluwe kunstgreep; heispoor van oen stuk wild.

Menelaos of Menelaus, m. gr. (van menos, kracht en laas, volk) mansnaam: de volkss! erke.

Meneo, m. oen ontuehligo dans der heidens of zigeuners in Audaiusli}.

Menóstra, f. sp dikke, gebonden soep van ryst, grulten, enz.

Menestreel, of fr. menetrier (spr. mene-trji\': eng. minstrel, uil bet mld.lal. mi-nisleriales, ontstaan; vgl. minister) dienaar en begeleider van do provencaaische troubadours (z. aid.), die enkel kennis had van den zang, niet van de dichtkunst; z v. a. j o ngl eu r.

Mene Thekel, of voluii Mene Mene Thekel Upharsin, chahl. (geleld, geleld, gewogen en gedeeld) duistere, profetische, den nakenden ondergang aankondigende woorden, door eene geestenhand aan den wand geschreven, loon de wellustige en goddelooze koning van Kabel Nation Ides of Belsazar de uit den .leruzalemscben tempel geroofde vaten hu oen gastmaal ontwyddo, waarna hy (!i;i!l voor Chr.) door de blanenrukkende Perzen vermoord en zijn ryk omvergeworpen werd (volgons Daniel V ).

Ménet., by natuurwetensch. benamingen afkorting voor K. Ménetries (enlomoloog te Petersburg).

Menetrier, z. me nes troel.

Mengel, mingel, n. eene oude nedcrl. Inhoudsmaat: ais wgn- en oliemaat = l,21i5 titer; als braadewynmaat = l.ilios liter; als


-ocr page 796-

MÉNSOLA

MENHIR

776

blennaat = 1,415 liter; als inolkiniiul = 1,81.1 Uier; als zeepimmt 1,4 liter.

Monhir, in. (spr mènier) keil. (v. maen, steen, Air, Iiiiik) een inonolllli (z. aid.) die In vóorlilslorlsclien tyil als Kedenkteeken werd opge-rlcht; hetzelfde als skand. linutastoon z. aid.

Menie, f. (van liet lat. minium, bergcln-nalier, een hlspanlscli woord, daar de Kuinel-ncn den elnnalier alleen uil Spanje kregen; bask, arminéa) ook loodvornilljoon, lood-cl mi alter genoemd, rood loodoxyde, als verfstof Keliriilkt,

Moniliet, n. leveropaal, weleer blauwe peksleen, eene variatie van bet balfopaal, Inz. to Men ll-Mo li t ant by I\'arys.

Monin, in. fr. (spr. m\'nén: sp. en port. menino. In \'I algemeen een kind, van lal. als \'I ware minimmus, nls verklw. van mintmus, de klelnsle) een eilelknaap (page), die met eenen prins samen wordt opgevoed; prinsen-speelge-noot; ook menine, f. gezelscliapsjuirer eener prinses.

Möninx, f. gr. Anal, bel bersenvlies; pi. meninges, de bersenvliezen; — meningitis, f. Med. ontsteking van bel bersenvlies; — meningophylax, m. een bersenbescber-mer, een eblriirglscb werktuig, vroeger bü de panborlng gebrulkeiyk om bet barde bersenvlies voor beleedigingen Ie bewaren; — menin-gorrhcea, f. de ultslorling van voebt tusseben de bersenvliezen; — meningosymphysis, f. de vergroeiing van bel bersenvlies.

menippisch, «dj. in den siyi der werken van Menlppus, een oud-gr. evniseb wys-geer, die omstreeks 11(10 jaren vóór Cbr. zeer bytende liekelsebriften, deels in proza, deels in verzen, sobreef; — monippische satyre, f. eene bijzondere soort van bekelscbrifien van den romein Varro; men geeft dien naam (fr. satire ménlppée) ook aan spotselirlflen, In lquot;)»;t tegen de boofden der ligue in Krankryk gemaakt.

Menischêsis, z. v. a. menoslasls.

Meniscus, m. gr. [miniskos, verklw. van menc, maan) een nuianglas of maan, een glas, dat op de eene zyde bol en op de andere bol geslepen is; ook een baivemaiinvormig cirkel-stuk; Med. bel lialveiiiaanvoriiiig kraakbeen tusseben sommige gewicbteii; — menisralm, «, um, lal. Itol. maanvormig.

Mennoniet, ook mennist, m doopsgezinde (a na ba pl ist), aanbanger eener cbrls-ten-secte, die den doop enkel aan volwassenen toedlenl, geenen eed zweert en een afseimw van den oorlog beefi; zoo gelieeien naar eenen barer leeraars Men no Simonz (geb. lüiti in Friesland), die iiaar oproer tegen de wereldlyke overheid in lquot;gt;;n stilde.

meno, it. (= lilt. miium) Muz. minder; mciin forte, minder sterk; meno piano, minder zachl.

Menologium, n. gr. (van men, m. de maand) een belligen-kalender, eene naar volgorde vau de dagen dor maand gerangschikte geschiedenis der heiligen; -■ menometas-tasis, f. Med. de unllastlag van den vronwe-lyken maaniivloed door andere dan de gewone organen; — menopausis, f. bet ophouden der maandeiykselie reiniging; - menopla-nle, f. de verdwaling of verplaalsing daarvan;

— menoiThagle, f. de te sterke vloeiing der maandstonden, de Ie lang durende maand-stomioa: — monorrhcsa, f. de maandvloeil, de imiandeiyksche reiniging; — menosche-sis, f. hel iiitbiyven der maandolUksehe zuivering; — monostasis, menostasie, f. de oiulerdrukking der maanilstonden.

menospermiuin, n. lal. Itiil. inlddellinid.

menx, f. (genii, meniis) lat. de ilenkende geest, het versland, de gezindheid; — mens leyis, f. lat. Jur. de zin eener wet; mens sawa in coi-pure suno, eene gezonde ziel in een gezond lichaam; mens uuilal molem, de geest beweegt de (trage) massa, de stof, d. 1. het verstand regeert de wereld (ellaut uil Virgilius\' .•Venels); hoiin menie, met goed oogmerk; menie cuptus, eig. aan bet versland gevangen, d. i. stompzinnig, krankzinnig; same mentis, by gezond versland; — mentaal, adj nw. lal. In den geesl, In de gedaehle, In den zin. inwendig, Inneriyk; vgl. reservuUo menlulis.

mensa, f. lal. de lafel; m. umbulaloria, afwisselende vrye lafel, die een stiidenl heden In dil, morgen in ilal huis beefi; in IKimfni, de lafel des lleeren, Avondmaalslafel; hel al-taai\'; m. (iruluitu, eene vrye lafel, de vrye kost; hi. episcopulis, eig. de bisschoppeiyke lafel, d. i. de onvervreemdbare goederen en inkomsten voor de lafel eens blsscbops; mensae secmdue, tweede lafel, dessert; « mensa, van de tafel (b. v. gesehelden); mensale of mensaul, n. mld.lal. servet, lianddoek; mensaalgooderon, iafelgoederen, goederen In geesleiyke slalen, welker inkomsten voor de lafel van den geesleiyken regent worden aangewend-, — mensarius, m. lat. een wisselaar, bankier; pl. mensarii.

mense, menses, z. mensis.

Mensinalo, m. 11. eene voormalige kn-renmaal In Mzza = 4,i liter.

Mensie, f. lal. (nwnsfo, v. metlri, melen) de meling.

Monsil, in. perz. (reis)statlon.

mensis, m. lat. de maand; /ioc mense, In deze maand; /lujus mensis, van deze maand; mense medio, In bet midden der maand; — menses, pi., ook z. v. a. menstrua (z. aid.);

— menses uposlolïci of impales, pl. apostolische of paaselyke maanden, in welke de paus, volgens eene overeenkomst met keizer Frederik lil, geeslelyke bedleiiingen of prebenden kun vergeven, n.l. .lanuari, Maarl, Mei, .lull. September en November; — menses cupilulares of episeopales, kapillei- nf hlsschopsniaandeii, naam, dien de overige maanden droegen, in welke do kapitlels bel recht liadden, geeslelyke prebenden te vergeven.

Mónsola, f. it. Arch, de slultsleen van een gewelf.


-ocr page 797-

MENSONGK

777

MEPHITIS

Monsongo, m. fr. (spr. maiisnnzj\'-, vul. inonlorlo) Iourcm; m. nlficieux (siir. —eu), lougon om liostwll; m. innocent (spr. inosdn), iiiischndclijkc, onschulillKc IvuKen.

Menstruum, n. 1) Itil. (vun memlnius, o, uw, rnuundolljksch) du tiiaundoHjksclic zulvc-rlMK der vrouwen, de immndslondon, de regelen, voranderint,\', viuuwelUke onpussolljkhcid; Kew. pi. menstrua, ook menses, pi. on menstruatie (spr, tie—lsie), f. = k 111 n m e n I e n; — menstruaal, udj. (lat. menslruatis, e), maandeHjksch; eene maand lang; Inz. lol de maandeiyksche zulverliiK liehoorcnde; men-strueeren (lat. menslrunre), de maandstonden kronen et hehlien; menstruum, n. i) mld.lal. Clicm. een vloelhaar oplossingsmiddel, scheldlngsvocht (oxtractivum), dal men vroeger dlkwUis een maand Hel werken; men-slruuiii universale, algemeen geneesmiddel, u n 1-verseele medicUn.

mensiila praeloriam, f. lal. (van mensula, tafeltje, verklw. van mensa)\', de meotlafel hij liet landmeten.

Mensuur, t. lal. [mensura, van mehre, mensas, meten) de maat, de grootteverhouding; in/., de afmeting der snaren van een speeltuig, afdeellng; Muz. de tydmaat, de algemelen toon-gang; hy heeldliouwers: een vierkant afgedeeld raam, van hetwelk looden gewlclileu aan koorden afhangen, om de afstanden aan een hoold to meten; hy tweegeveehten: de afgemelen afstand tussehen de strydenden; ook gehr. voor het twccgevecht zelf; — ad mensiirum, naar do maat en het gewleht; mensuraal, adj, lat. (mensurulis) tot het meten hehoorende of dienende; — mensurale muziek, voorin, muziek mei nauwkeurig bepaalde tydmaat of stipte maatlieweging, ter ondersehaldlng van koraal-niu/.lek; — mensureeren (lat. mens urn ie), afineten, meten; de oigelpypen naar hare toonsoort hesnyden; mensurubol, adj. (later lal. memurululis, e), afmeelhaar, meelhaar; — mensurabiliteit, f. nw.lat.

de meetl.....rheid; — mensurutie (spr, l=s},

f. (mensuraho) de meling, hot meten ; men-suratum, n. liet ultgemelene. iifgometene. mentaal, I) z. ond. mens.

mentaal, 4) adj. (li. v. mentaal-arteriën; v. lal. menlum, de kin) tot de kin hehoorende.

Mentagra, f. lal.-gr. (v. \'I lal. menlum, de kin) Med. de klnvlechl, klnseliurft.

menlha of menla, f. lal. (gr. minlha, minlhê) Hol. de munt, eene pliinlensooi\'t, waarloo de krulzemunl [M. rrisjin), de pepcrinunl (M. pi-jicrila), enz. heliooren.

Menterie, f. fr. (spr. maul\'rie, v menlir, liegen) onwaarheid, noodleugen, uilvliii\'lit zonder hoos opzet vgl. mensonge; menteur, m. leugenaar; menteuse, f. leugenaarster.

Méntie (spr. l—ls), f. lat. {menlio) vermelding, gewag, melding; - montioneeren (spr. lt;=/.«), nw.lat. (fr. menlinnner) vermelden, melden, gedenken, herinneren, aanvoeren, mei-ding maken; - ge m en 11 o n n eerd, adj. vermeid, enz.

Mentor, m. gr. do naam van den vertrouwden vriend van l lvsses en den leermeester van Telemaclius; vandaar In het algemeen een leidsman, raadgever, opvoeder en gouverneur van een jong menseh.

Mentulagra, f. (van \'t lat. menlüla, het munneiyke lid) de onwillekeurige, krumpachtige styfheld der roede, z. v. a. priapisme; — mentulatus, m. die eene groole manne-lykheld heeft.

Menu, I) eng. verliastering van het Ind. Manu, Manus, m. in de indisehe sage de slamvader van hol menseliengeslacht, aan wlen het oudsle, in hel sanskrlt. geschrevene welhoek der Indiërs wordt toegekend.

Menu, adj. (v. lal. mimi lus, a, am, klein) fr. klein; menu bélail (spr. —talj) klein vee; menue ilépensi\', f. fr. (spr. menu deiidiis\') kleine uitgave; — menu peuple, m. gemeen volk;— — menue monnuie (spr. nwné), klein geld, pasmunt; — menus /ilaisirs (spr. menu iiléziér), kleine iillspannlngeii en de iiilgaven daarvoor, zakgeld; inz. de particuliere kas der fr. koningen, waaruit de holfeesten en schouwliurgcn hekustlgd werden; — menu plomb (spr. plóii), kleine hagel (voor vogels); — menu, n. (It. la minula) tafellyst, spysiysl, opgave van \'I geen er hij oenen niaaliyd achtereenvolgend op den dlsch zal komen; menuaille, f. fr. (spr. menudlj\') kleingeld, piisniunt; kleinlglieden.

Menuet, f., eig. m. fr. (v. \'I lat. mi tl ut as, fr. menu, klein, wegens de kleine danspassen) een oorspronkelijk fransehe dans van langzame, afgemeten, stalige heweging, staiitsiedans; ook een ter begeleiding van dien dans hestemd of geschikl muziekstuk in J maat.

Monuiserio, f. fr. (spr. menuïes\'rie; v. inenuiser, schrynwerk maken, airnuister, schryn-werker, kaslenmaker; oudfr. menuisier, menuiser, klelnuiaken, sliiksnyden, prov. memnar, 11. miniature, lal. als \'I ware miuuliare, v. mimi lus, klein) sehrynwerkery, kaslenmakerswerk.

Menyanthes, m. gr. {mvnanlhns) Hol. hllterklaver.

Menzille, f. arab., z. v. a. man zei, z. aid.

meo rolii, z. ond. v o I u m.

Mephistophèles, ook afgekoil Me-phisto, m. (hy oud-eng. dichters Mephn-slophilus, waarsch. kwalijk gevornid uil het gr. mr, niet, phus, geuit, phblns, het lichl, en philos, henilnni\'nd; dus hij, die hel lichl niet heminl, die do duislernls zoekt, de llchlschnwer, die hel donker en liet verhorgene lief heeft) de hooze vyand, de dulVOl.

Mephitis, f. lat. Mylh. de godin van den slank, die tegen schadeiyke ullwaseiningen he-schutle; ook de schadeiyke ulldamplugen zel-ven (mepliltlsche lucht), stiklucht, door koolzuur, enz. veronlrcinigde lucht; — mo-phitisch, adj. (lal. meigt;liitfcm, a, aai) stinkend. muf,\'Voor de inademing schadeiyk, stiklucht hevatlend, verslikkend (z. ook gas); —


-ocr page 798-

MERIDIES

778

MÉPRIS

mophitiseeren (spr, s=z), hurb.lal. {fr. méphiliser) sllnkoiul maken, vcipcslon; — me-phitismo, n. nw.liil. de vorstikkende ullwa-sominft, liel sllkkcml vermogen.

Mopris, m. fr. (spr, mejiri; van mé, ■/.. aid., en pris, lat. jiretlum, prys, waarde; mé-priser, verachten) de inlnai\'litlnK, geringschatting, verachting; — meprisable (spr. - -zabi) adj. verachtoHjk; — meprisant, adj. verachtend.

Moprise, f. fr. (spr. mepriét\': v. tm\'pren-tlre, woordeilik: mlsnemcn, mlsvatton) eonc misgreep, eene dwaling, een misverstand, verzien, eene misvalling.

Mor, f. rr. de zee; als sprw. une mar d hoire (spr. Imir\'), een »zee om uil te drinkenquot; d. 1. een onafzlenhaar, moelUjk werk.

Meratrophie, z. melalrophlo.

Mei\'cadot, in. tr. (spr. —ilè) Iemand die vnlle zaken dool, zwendelaar (naar lialzac\'s hiyspel: Marmiet, Ie faiseur).

morcantiol, adj. nw.lat. [mercanhlis, tr. mercanllle), ook mercatórisch, lal. (mcr-calorfus, van mercator, de koopman, mercuri, handelen, van merx, de waar) den handel ho-trelfende, op koopmanswUze; — hel mei\'can-tiel-wozon, de handel en hel verkeer, de handelszaken met hare gehrulkon, wolten, eigenaardigheden ; — het mercantiele stelsel, hel mercantiel-systoem, het leerhegrlp In de staathuishoudkunde, naar hetwelk liedryf en handel met veronnchlzamlng van de landhuishoudkunde hcgunstlgd worden, en de rijk-dom eens volks in de grootst mogelijke massa van goud en zilver hostaal; hel tegengesi. van p h y s 1 o k r a i 1 a c h s y s 1 e e in; mercan-tilisten, pi. de aaidinncers van dat stelsel; — mercatuur, f (lal. mcrcnhira) de koophandel, het verlier der waren.

merades pupillurum, pi. lat. (v. merces, t. genii, mercedis, loon) Jur. opvoedingskosten voor pupillen of onmondigen; — mercenair, adj. (fr. mercenaire, van \'i lat. merreuarfus, a, urn) loonzuchilg, haatzuchlig, elgenhatlg; veil; een mercenair, een huurling, ioonhediende, dag-loonor.

Mercedonius, m. lal. een rom. schrikkelmaand van li of 21 dagen ter vcrelfening van het maan- of zonnejaar.

Mercerie, r fr. (spr. men\'He) kramorij, allerhande krainerswaren.

Merchant, m. eng. (spr. mértsjenl) koopman z. marchand.

merci, fr. (v. \'1 lat. merces, loon) dank, hoi) dank\'

Morcredi, m. fr. (spr. mirkr\'div. lat. Mercurii dien, dag van Merrurius) do Woensdag; mercredi des cendres (spr. dé sdiidr\') asch-woensdag.

Mercunus of Mercuur, m. lat. 1) Myth. z. v. a. gr. (Iermes, de zoon van Jupiter on Maja. de hode der goden, de haodeis-god, In 1 algemeen hot zliincheeid des vredes, der omzlchilghoid en welsiirekendheld, dor list en hehendigheld of vluchtigheid, iler koopmanschap. maar nok der hedrlegerU en dioverg; 2) de planeet, die het dichtst hy de zou slaat; :t) Chem. hei kwik, kwikzilver; mercurfus cosme-ficus, wille kwiknederslag als hlanketsol; m. depurdlus, gezuiverd kwik; m. dulcis, verzoet kwik, chioorkwik mot liet geringer gehalte aan chloor, ook kalomel; m. praccipitulus albus, witte kwiknederslag, door ammoniak uil do hy-tende suhiimuat-opiossing verkregen; m. pr. ruber, roede kwiknederslag, uil salpeterzuurkwlk hereid; m. sublimntus corrosivus, ook hy tend s u h 11 m a a 1 of h U1 o n d k w I k z 11 v o r s u h 11-maat, chioorkwik mei hot grootere chloorge-halto; m. virus, vloeibaar kwikzilver; - mer-curiaal, adj. (lal. mcrcuriutis, e), .Mercurlus helrelTendo, enz.; kwikhoudond, van kwik, h.v. mercuriale middelen of mercuria-liën, mercuriale pillen, kwikmiddeien, kwikpllien; mercuricites (viri), mannen, welker hesciiermgod Mereurius is; do geleerden en dichters, ook de kooplieden; — mercuriale, f fr. voorheen de vergadering van hel fr. parlement op den eersten Woensdag (dies Mercurïi) na de groote vacanlie; do op dien dag gohou-dene redevoeringen heelten mercurialen, in welke ile mishrulkon en onhehooriykheden hy de reeiitshedeeling Ier sprake kwamen; vandaar ni e i\' c a rial e ook een verwyt, eene scherpe berisping; — mercurialisme, n. nw.lat., of mercuriale ziekte, f. langzame ver-glfilglng door \'1 gebruik van kwik; — mer-curiflceeren, nw.iiii. in kwik veranderen; overkwikken; - mercurifloatie(spr. I=ls), f. de overkwikking; verhinding mot kwik; ook ullire.kkiug der metuien door kwikzilver.

merde d\'oie, f. fr. (spr. —dodj\') van \'1 lal. merda, drek) eig. ganzendrek; groengeel, geelgroen ; — merdeus, adj. fr. [merdeua) drek-achiig.

Mère, f. fr. (spr. mèr\'; lat. maler) moeder.

Mereau, m. fr. {S|ir. mcr») In de penningkunde; een kerkpenning, merkteeken voor domheeren.

Meremphraxis, f. gr. (v. méros, deel, en emphraxis, z. aid.) do gedeolteiyke ver-slopping of overlading.

Merëtrix, f. lal. (van mercri, verdienen) een veil meisje, een meisje van pielzlor, eene lioer, iiciiiekooi; — meretriceeren, voor hoer spelen; — merotricisch, adj. (lal. merelrfeus, u, um) naar hoerenaard, aan hoeren eigen, hoeraciitlg.

meridïes, m. lat. (ontslaan uil medidies, d. I. medius dies) middag; mile meridiem, voormiddags; — meridiaan, m. lal. (meridiunus, sell, circulus) oen middagcirkel. Iedere cirkel, dien men zich aan den hemel- en aardbol denkt, den evenaar en de heide polen doorsnydt en waarin de zon voor elke daarin liggende plaats der aarde dos middags om 12 ure staat; ook onelg. do hoogte, de hoogste graad, lop; — meridiaangraad, m. breedtegraad; — meridionaal, adj. (later lat. meridiontUis,


-ocr page 799-

MESCOLANZA

MERIDROSIS

779

e), zuidciyk; — meridionaliteit, r. uw. lal. ilc zuidelijke ll^tiltiy of I\'lctitliiK.

Meridrosis, f. «r. (vun inéros, deel, en li ld 10sis, v.. aid.) Med. liet ftedeelleiyk zwee-ton, plaaiseiük zweet; — meridrótisch, adj. Kcdeelteiyk of plaatseiyk zweotend.

Merimnophrontist, m. «r. (van md-rimna, /.urn en phronlidzein, nadenken) nr me-rimnosophist, m. «r. (v. soji/iiilzein, verzinnen, hedenken) een klelngeestlK onderzoeker, angstvalllB navorscher.

Merindad, f. sp. {mld.lal. merinfa, voor majorinia: vgl. merino) de Jurisdictie, het district van een koninkiyk rechter In spaansche provinciën.

Meringue, f. fr. (spr. merènrf-, vgi. mid. lal. maringa lat. merenda, namiddachrood, du» waarseh. olB. dat wat mon voor inidila);-brood eel) niet schuim gevuld sulkei\'Keliak, In Dultschland new. halsers geheeten.

Merino-wol, de hesle spaansche schapewol van de merinos, dn edelste soort van spaansche schapen (sp. nvejax mérinas, v. ine-rina, lljne wol, en dit van merino, een dls-trictsrechter, een opziener over de trekkende schaponkudden, v. \'I mid.lat. mennus, ontstaan uit majorinus, d. 1. mujor rillae, z. v. a. liet fr. maire): - merinos, pi. ook stoffen uit deze wol vervaardigd.

Merisma, n. gr. (mrisma, v. meridtein, deelen) het afgedeeide, deel, aandeel; — mo-rismos, m. de Indoeling; Muz. verdeeilng van een stuk hy de dispositie.

menliim, n. lat. (van inerïri, verdienen), fr. merite, n. de verdienste; do merites eener zaak, het gevvichl, de waarde eener zaak (merit a causae); - moritenorde (fr. onlre lioiir /lt;■ mérite), eene door Frederik II in 1710 gesliclile orde Ier heiooning van niilllaire verdiensten, orde der verdiensie; — bene ixie-ritus, m, lat. een vordlensteiyk man; — meriteeren (fr. mdri/er) verdienen, waardig zyn; zicii verdiensleiyk maken of verdienste verwerven; — meritörisch, adj. (fr. niéri-loire; van \'t lal. merilonus, a, uni), verdienstelijk; ook in de zaak zelve doordringend, de zaak zelve (meri/a causae) hetreltende.

Merlan, m. fr. vvyting, soort sclielvisch {Gadus merlanqus).

Merlin, m. een tieroemd falielachlig ton-venaar, de zoon van eenen dicnion en van de dochter eens konings van Kngeland, aanzltler der ronde tafel van koning Artns In de «de eeuw.

Merloeachki, pl. russ, (v. merloeschka, verklw. van merlnecha, lamsvel met de wol) vellen van Jonge lamineren, Inz. uil de Krlm, z. v. a. haranken.

Merloen, f., merión, m. fr. (il. merlo, merla, v. \'I lal. minïla, voor minüla, verklw. v. mimi, muursplts) Mil. eene tinne; liet gedeelte der liorslwering lusschen twee schietgaten.

Mermnaden, m. pi. naam van eene dynastie der oude Lydische koningen, waarvan (lyges de eerste en (Inesus d(^ laalsto was, van 720 tol |57 voor Chr.

Merobalnëum, n lal.-gr. (van I gr. inéros, deel, lid, en \'I lat. balneum, /.. aid.) Med. een gedeclleiyk had, een had voor een deel des lichaanis, een lodehad, h. v. een voethad.

Merocöle, f. gr. (v. mêrós, de dy) Med. de dyiireuk.

mem jure, z. ond. merum.

Meropie, f. gr. (van mémv, deel, en öps, gezicht) Med. gedeelleiyko verduistering van hel gezicht.

Merovingiers, m. pi. (naar den stamvader M e ro v io u s of liever M e r o w i g, M e r-wig) het oudste konlngsgesliiclit In liet oude frankische ryk van 48(1—Hli, vóór de Karolin-giërs.

Merr., hij natuurwetenschappeHjke namen atk. voor !(. Merrem (gest. I82i),

Merrain, n. fr. (spr. mè-reii) wagenschot, vaathout, (lulghout.

Morula, f. merel, meerie, marei {Tardus mcrula); imam, die men eertyds aan een orgelregister gaf, dat den zang der vogelen, Inz. die der meerie nahoolste.

merum (sell, vinum), n. lal. (van merits, «, urn, rein, onvermengd) onvermengde, onver-vaischte wyn; — merum jus, m. lat., eig. zuiver recht, een uildrnkkeiyk, wellig recht; mcro jure, Jur. naar zuiver recht, met volle recht.

Merveille, f. fr. (spr. merwélj -, v. \'tiat. mirahiiïn, pl. van mirublle, [z. mirnliilis] oud il. mirabif/lia, nu mcravif/lia, maravii/lia) het wonder, wonderwerk; « merveille, tol verwondering, voorlrelfelijk, wonderschoon, uilslekend schoon; merveilléüs, adj. (spr. mcr-welj\' -), wonderhaar, hewoiKleringswaardig, wonderschoon, zeer voortrelTelgk, onvergeiyke-lyk; Merveilloux, pi. (spr. merweljeu) modeheerljes, saletjonkers (tydens liet nirectoire) vgl. (I a n il y en g o m m e u x.

Merycisme, m. gr. (.merukismós, van merykidzein, herkanwen) liet herkauwen.

Mesa, f. sp. (van \'I lat. numsa) eig. de tafel, disch; In /.. Amerika een lange dakvor-mig glooiende hergrng der Vndeskcten.

Mesalliance, f fr. (spr. metaljaiis: \\g\\. a li leer en en nu1-, mits-} een ongeiyk huweiyk, wanverhinlenis, eciilciyke verhlnlenls lussciien personen van zeer ongelljken stand; — zich mésalliëei\'on, zich mislrouwon, een ongeiyk iiuweiyk aangaan, niet overoonkomstig zijnen stand trouwen.

Mesaventure, f. fr. (spr. mezawanlüür\': vgl. avenluro) een ongeval, ongeluk.

Mescal, m. sp. z. v. a. mexlcai.

Meschwereh, m. arah. (van schdra, he-raadslagen) de heraadslaging, de raad, staatsraad hy de M o s I e m 1 n.

Muscol, muscal, m. een Turksch, op de panlluit geiykend lilaaslnstrument

Mescoli\'inza, f il. (spr. —lanlta. van mesrolare, vermengen, niid.lal. misculare\', vgl. méleeren) een mengsel, allerlei.


-ocr page 800-

MÉSSENGER

MESDAMES

780

Mesdames, mesdomoiselles, z. oml. in n lt;1 n m o.

Medsjid, z. moskoe.

meso, m. ital. (= lat. mensis) do maand; per mese, Kmt. voor of op do maand; mese cadcnte, •/.. cailenle.

Mesembrianthëmum, n. nr. (v. me-svmbriu, midiliiK, onlsl. uil mésos, mlildon, en \'heméra, dair) cln. mlddansblooin, de vezel- of plulshloem, een pionkiiewns van meer dan lno verschlllendo soorlen in Z. Afrika.

Mesentendu, n. oudfranseli (s|ir. mezaii-ta lift li) voor niiilenlendn, z. aid.

Mesenteruiin, n. «r {mesenlérion, van mésos, midden, en énteron, darm) hel darmscheel, dat gedeelle van hel hnlkvlles, \'I welk de dunne darmen lusschcn züne platen Insluit j — mesonteriaal, adj. nw.ial. of mosen-tóriseh, lol liel darmscheel hchoorenil; — mesenteritis, f. sr. de ontsleklnn van hot darmscheel; — mesentoremphraxis, r. Med. do o vervulling of vorslopiiluK van het darmscheel.

Mesintelligence, r. fr. (spr. mezeii-lellizjdiis\'; vgl. Inl ellegonl lo) een misverstand.

Mesmerisme, n. de miiituellsche genees-wyze en loer van l)r. Mesmor (gesl. ISlö) z. v. a. dierlijk inagnetlsmo (z. aid.)

Mesocephalum, n. gr. (v. mésos, c, on, midden) do mlddelhorsenen; mesocopha-lïtis, f. Med. de onlsloking van de middei-horsenen; — mosochoros, m. wie in hel midden van hel koor slaat, de koorvoerder, he-sluurder; — mesodme, f. /.. v. a. mediastinum; — mesodmïtis, f Med. onlsloking der tusschonhuld; mesódos, f. tus-schengezang; — mosogastnum, n. do inid-delsle l)uikstreek; mesokolon, n. een gedeeiic van hel linlkviles, dut den karleldarm als door bladen hovostlgt en omgcefi, het kronkeldarmscheel; — mosokranium, n. do schedelmesolabium, n. oen weikiuig, om lusschcn twee gegeven Hjnen andere middenevenredige Ie vinden; — mesollth, m. woordeiyk; middelsleen, eeno soort van zool it h, z. aid.; mesologarithme, f. de logarlihme der tangcuieu; — mesom-phalum of mesomphalmm , n. hel navelmidden; ook de navel zelve als midden des llchaams; — mesonyktikon, n. een mid-dernachlsgozang; mesopentekoste, gr. de middelste dag lusschen l\'usclieii en l\'inksle-ren, de vierde dag na J u h 11 a 1 e; - moso-phryon, n. de rulmle hoven den neus lusschcn de wenkhranwoti; mesopleura, n. de tusschenruimlon der rihheu; mosopo-tamisch, adj. lusschcn twee stroomen lig-gend; vandaal Mesopotamië, hel land lusschen den Euphraal en Tigris; mesorec-tum, n. gr.lui. een gedeollo van het hnik-vlies, dal den endeldarm lusschen zijne plulen insluit; — mesoscëlon, n. gr. liet middel-vleesch, do lillnaad; - mesoscelocöle, f.

eeno hreuk aan de hllnaudstreok; — meso-scelophyma, n. oen gezwel of nil was aan den bilnaad; —mesostylon, n. do rulmle lusschen twee zuilen; — mesotoechïum,

n. (v. loir/ws, de wand) de borstschelwund, hel mlddolvlles, mlddelschol, dal de horslholle in Iweeen doelt, medIustlnum; — mosoty-pus, in. naaldzeolllli, vezel- of straalzoolllh, eeno steensoort = nalrolllh; — meso-zóïsch, adj. in de geognosie; diorHiko over-lilUfselen licvallonde, welke den overgang vormen lol thans nog levende dieren (lusschen palaiozoïscli en kionozoisch Inslaande); — mesozoïsche formaties, pl. z. v. u. secundaire formaties (trias, jura en krijt).

Mesoomi, in. ecu llchie, zeer lijno mantel der lli\'iloeïenei! van wille wol.

Mesogastnum, mesokólon, enz. z. oml. mesocephalum.

mesquin, adj. fr. (spr. meské/i of meskién ,■ it. meschino, sp. mezqmno-, v. \'1 nrah. meskin, v. suliunn, rustig, arm, ongelukkig zijn) armzalig, erharmclük; gierig, vrekkig, kniezerig; in de schoone knnslen; smakeloos, kioingecstig, arm, bekrompen -, — mesquinerie, f. vrekkigheid, karigheid, bekrompenheid; armzaligheid, kleingeestigheid.

Mesra, f. nrah. (v. my, hy nacht reizen) de nachU\'iiJke beinclrels van Mohamed.

Moss, f eng. (v. \'I oudfr. mes, nu me/s, gerecht, spüs, 11. messo, v. \'I lat. missum, het opgedi\'ugene) gemeensciiappeiUke lafel van oen heslolen gezelschap en hun lokaal, Inz. de ge-meonschappeiyke iniildagtarei der cngelsche of-llcieren.

messa di mee, II. (spr. —wótsje: messa, elg. hel zeilen, van mélterc, zeilen) Muz. van lieverlede aanzwellende slem, loenemend en weder afnemend.

Mossage, f. fr. (spr. —sddzj\': van hel inld. lal. missu{iuim, messaduim, missatirum, v. \'I lal. miltSre, zenden) de zending, de hooilsehap; — messagor, m. (spr. —~jé) een hode, iiood-schapper; ook voorbode; - mossagorio, f. (spr. —zj\'rie) hol iiodo-nmlil; hel hodenhuls; nok eene prlvaat-inrÉehllng lol vervoer van reizigers met diligences in l\'Vankryk en lieiglö.

Messalianen, syrisch (van zalu, hidden) of Kuch (Sten, gr. pl., d. i. hidders, bidhroe-ders, eene in Mesopotamië onlslune dweepzlek-pieilsllsche socle sedert (1(gt; Ido eeuw.

Mossalma, f. do derde gemalin des oud-rom. keizers Claudius, befaamd wegens bare verregaande losbandigheid van zeden; vandaar In \'1 algemeen eene sciiaaintetooze, wulpsche vorslln of vrouw.

Messapiërs, pl. lal. de oorspronkeiyke Inwoners van het cnlabreesche scliiereiland; — messapisch, adj. dozen hel rellende.

Mossoignours, pl. z. monseigneur {■/.. aid.)

Messenger, in. eng. (spr. méssendzjër! vgl. message) de hode, i.uum vun verscheiden eng. daghladen.


-ocr page 801-

MKSSIAS

781

METAAL

Messias, in. hchr. (misjiach, gczulfil, van mAnjdch, zalven) oon gezaltdo of koning; Inz. de door do Joden verwachte verlosser; (llirls-lus; — messiade, f. de messlas-zang, hel liekende hoogdnllsche lieldendlcht op den Messias door Klopstoek; — messianisch, adj. wat op den Messias hetrekklng heeft, van hem afkomt; mossianismo, n. de waardigheid van den Messias, de leer van don Messias; — mossianiteit, f. liet zijn en wezen van den Messias.

Messidór, m. fr. (v. \'1 lat. messi.i, oogst) de oogstmaand, de inde maand In den voor-mallgen nieuwen kalender dor eerste fr. ropu-hllek, loopende van den Itlden Juni lot den IHden Juli.

Messieurs, fr., pl. van monsieur, z. aid.

Messire, m. fr. (It. messére, z. v. a. min aire, mün heer, van \'t oudfr. sire, senclre, It. .w, sere, sire, lieer, v. \'I lat. senior, de oudere, meer geeerde, meer aanzlenlUke) hoogedel heer, voormalige eorotltel, nu door Monseigneur vervangen.

Messolaan, n. (ontstaan uit liet It we;-zolunu, halfwol, van mezzo, lal. meilïus, midden, half) eene stof uit llnnengarcn en schapenwol.

Mesta, f. sp. (v. \'I lat. mixta, gemengd) eene kudde van trekkende schapen, die aan verschelden eigenaars liehoort; ook de jaar-lyksehe vergadering der bezitters van schaapskooien.

Mestangs of mustangs, pl. de halfwilde paarden der Mexicanen In do N.Amerl-kaansche pialrien.

Mesties, m. sp. (meslizn, provenc. en oudfi\'. meslis, nw.fr. mélis, van \'1 nw.lat. mixtitius, van \'t lat. mixlus, gemengd) afstammelingen van oenen blanke en eene Indtaansclie (Amo-rlkaansche), of van oenen indiaan en eene blanke.

Mestniczestwo, n. russ. (v. meslo, ambt, liost; dus; ongeveer ambtsverhouding) liy de Moskousehe tsaren; het recht dor hoogo dignitarissen om hun positie In \'s keizers dienst geregeld le zien naar die hunner voorouders, zoo-dat niemand diende onder de bevelen van iemand, wiens voorouders onder zijn eigen voorvaderen gestaan had of lage betrekkingen bekleed hadden (in l(gt;S2 door tsaar Kedor afgeschaft).

meslo of meslóso. It. (= lat. moeslus) Muz. treurig, bedroefd, weemoedig.

Mesüë, f. (uw lat. mesua: naar oenen arab. urts en kruidkenner Joh. Mes neb of Mesua li In de 8ste eeuw benoemd) de yzerhoutboom In O.lndll).

mesurabel (sjir. s=j) adj. fr. (mesurnble, van mesurer, meten) meetbaar, le meten; — mesurage, f. (spr. —iiidzj\') bet meetloon; — mesures, f. pl. (spr. mezilür\') maatregelen, behoedmiddelen, voorzorgen.

Mesusah of mesusó, tiebr. (mëzamp;za, v.

züz, lilinkeu, uitstoken) de deurpost; het aan den deurpost joodsclie woningen bevesligde, de 10 geboden bevallende kokertje.

Meszély, n. een voorin, bong, maat = 0,i2;i liler.

Mota, f. 1) lal. een spitse zuil of paal, een merksteen aan bel eind der renbanen, om welken de wagens quot;mailI iiioesten heeiirUden, zonder dien te raken; vandaar In \'t algemeen een doel; vr.muim; afgek. voor Margarelba, z. aid.

mela, f. Hal. (= fr. moilié, oudfr. meiled, provenc. meilul, milad, v \'1 lal. medillus, van inedius, midden, In \'I midden aanwezig) de belfl; « mela. Kuit. om de hein, voor gelgke winst en verlies.

mota, of vóór kiinklellers en de b met-, gr. voorlettergrcep In vele sainenslellliigen, in \'t algemeen beleekeiiendo: met, lusschen, na, enz.; Inz. drukt hel vaak eenen overgang of eene verandering uil.

Motaal, n. (gr. mélallnn, lal. meldllum) pl. motiiten, zulke grondslollen, die zich onderschelden door ondoorzlchllglicid, elgenaardlgen glans (metaatglans) en goed geleidend vermogen voor warmte en electrlcilelt; naar bun speciflek gewicht (onder of boven 5) onder-gcholdt men lie hl e melaien (b. v. kalium, aluminium enz.) en zware melaien (goud, yzer enz.); naar hun grootero of geringere neiging om by verliitling, inwerking van zuurstof enz. hun zuiver melalllcke naluur le behouden of te verliezen; edele melaien (goud, zilver, platina enz.) en onedele metalen (yzer, koper, lood enz.); oneig. hel metaal der stem enz., de beldere klank daiirvan; — metalen, adj. uil metaal vervaardigd; — metaalmoor, n. z. v. a. moiré mélal/ii/ue, metalliek of metallisch, adj. melaal of erts bevallende, ertshoudend; naar metaal gelijkende; — mo-talliekon, f. pl. eene llelieve munl, slaats-papleron, die op zilver (nlel papieren geld) lui den, geiyk b. v. de ooslenryksche oblIgntlBn;

— motalliférisch, adj. (lal. melaltlfer) me-taatverwekkend, nielaalryk, melaalbeviitleiid; — metallifodmen, pl. nw.lat. ertsgroeven;— metallisoeren (spr. s=z) nw.lat. (fr. mi1-lalliser) verertsen, In metaal of erts verandoren; vaster en duurzamer maken, li. v. bout door opvulling der poriën met eene oplossing van Uzervll riool en soda ; metallisatie en metalliseering, f de vererlslng, erts-of metaalvormlng, hel ontstaan der ertsen; — metallochemie, f. gr. de scheikunde der ertsenmetallochrom\'.e, f. de galvanische metaalkleuring; — metallographie, f. gr. de heschryvlng der melaien; ook de me-taalteekenlng of de door Mc. /, ach te Mün-eben In is:i(i ullgevonden kunst om leekenln-gen op toebereide nietaalplaten, als houtsneden, verheven voort le brengen en af le drukken;

— metallographisch, adj. tol de bescliry-vlng der metalen of lol de melaalleekenlng be-boorende of die bolrelTende (z. ook slereoly-


-ocr page 802-

METAMORPHOSIS

METABASIS

782

pie); — metalloide, n. oen niotimluchllg llulmum; volgens Borzellus: do nlot-meliilltsche grondstoiren (zuurslof, waterstof enz ); li(j eenlgo cliemlcl; de lichte metalen; — metalloi-disch, adj. metaalachtig, naar metaal geiy-konde; - motallotochniok, r. de houwkunst met yzer; — metallurgie, f. de we-tonschap der smolthulten, do scheikunst der ertsen, In \'I alg. de loer van do proeessen, door welke de melalon en zekere verhlndlngen daarvan uit do orison afgescheiden worden, Inz. In hel groot (in smelthutten); — metallurg of metallurgist, m. (gr. melallunjós, metaal verwerkend; vgl. demlurg) een herg-, mijn-of ertswerker, een inelaalullsmeltor; een erls-schelkundlge, een kenner van de wetenschap iler metallurgie; - metallurgisch, adj, tot die wetenschap behoorende, ertskundig, enz.

Metabasis, f. gr. (v. me/a-bainein, overgaan) een overgang, Inz. in de redekunst; nok In ziekten of in hare hescliouwlng en hcoor-deellng; irisgciyks de afwijking, verkeerde inmenging van vreemdsoortige dingen en lie-grlppen.

Metaböle of metabolie, f. en metabolisme, n. gr. (v. meta-hdllein, lt;1. I. eig. omwerpen) Mod. oen ommekeer, eene verandering van weder, lucht of ziekte; ook eene verandering der zeden enz.; eene verplaatsing der letters van een woord; l.og. eene hyeen-voeging van iegenstelllngen In omgekeerde orde; — metabolisch, adj. omkeerend, veranderend.

Metabulie, f. gr. (vgl. hule) verandering van besluit, wllsverandering.

Metacarpium, z. m e t a k a r p 1 u m.

Motacóntrum, n. gr. het punt, waarin de zwaartelUn der door een gedraaid drijvend lichaam verdrongen vloeistof de oorspronkelijke zwaartelUn van het lichaam In rust doorsnijdt; Inz. het zwaalpunt van een schip.

Metachorêsis, f gr. (van mela-chorëin, heengaan) Med. plaatsverandering, verplaatsing of overgang eener ziektestof van het eene naar het andere deel.

Metaehromatypen, pl. gr. (v. meld, z. aid., chroma, do kleur en lyjios, beeld, vorm, afdruk) kleurenbeelden, welke door middel van lithographle op toebereid papier gedrukt worden; — metachromatypie, f. de overbrenging van gekleurde beelden, overdrukpla-ten van geprepareerd papier op andere stollen.

Metachronisme, n. gr. ■/.. v. a. ana-ch ro nis m c.

Metacinema, z. metaklnemu.

Metadella, f. it. (vcrkl. van meta, z, aid.) eene halve maat, halve pint; eene graanmaat te Florence.

Metagoitnion, m. een zomermaand der Uheners, hol einde van Augustus en het begin van September.

Metagonósis, f. gr. 1\'hys. de geslachts-of gencralie-wisseling, volgens welke do geiy-kenls tasschen do ouders en nakomelingen al-ttjd eene generatie overspringt; het eerst door Chamlsso onidekt.

Metagnostiek, f. gr. z. v. a. meta-p h yslo k.

Metagogïe, f. gr. (mel-auoiic, eig. wegvoering, verzetting, van met-agein, wegvoeren, overvoeren) Log. eene horhaling van dezelfde woorden.

Metagramma, n. gr (v. mela-uraiihein, na- of overschrüven) een afschrift; eene overzetting; metagrammatisme, n. lotler-verandering of omzetting; — metagram-matika, f (v. meld, na, daarbij, daarboven uil, en gramma tika) de wysbegeerlo dei-taal.

Metairie, f. fr. (spr. melèrie: v. \'t mld.lat. medieluria, pachtgoed van oenen medielnrlus, d. 1. van oenen pachter, die do opbrengst niet den grondeigenaar deelt) de landhoeve, melery, lioerdery.

Metakarpïum, m. gr. (van meld, en karixis, bandwortel) de voorhand, middelhand.

Metakinëma, n. of metakinësis, f. gr. (van mcla-lcinim, omzeilen) de omzetting, vorplaaising, plaatsverandering; Mod. de ziekte-verplaatsing.

Metakondyii, m. pl. gr. (me/ukmuhjloi, v. Iinmlylnx, gewrichlshoofd van een been) de voorste leden of kootjes der vingers en teenen, die met de nagels bedekt zün.

Motakritiek, f. gr. (vgl. kritiek) de nabeoordeciing; booordeellng van eene beoor-deollng, antikritiek.

Metalöpsis of metalopse, f. gr. (vgl. lepsls) l.og. eene verwisseling van hot voorafgaande met het volgende, van de oorzaak met liet uitwerksel, b. v. graf in plaats van d o o d.

Metallage of metallaxis, f. gr. (van mel-alldssein, verruilen) verandering, verwisseling, verruiling.

Metalliek, metalliferisch, metal-lifodinen, metallisch, metallisatie, enz. z. ond. m e I a a I.

Metamathematiek, f. gr. (v. meld, na, daarboven uil, en mathematiek) de wijsbegeerte der wiskunde.

Metamerie, f. gr. (v. meld en méros, deel, lid) Ghem. de toestand der me ta mor is c lie 11 c li a m e n, d. I. van de zoodanige, welke dezelfde oleinentaire bestanddeelon wel Is waar In gelijk aantal, maar In verschillende verbindingswijze bevatten en daarom bij het samenkomen met zekere slotfcn verschillend gescheiden worden; verwant met; Isomer Is che (z. aid.) lichamen.

Metamorphosis of metamorphose,

f. gr. (v. mela-mnrphorn, omvormen, v. innr/i/ic, gedaante) de omvorming, vervorming, gedaanle-vorwlssellng, hersclieppliig; metamor-phoseeren (sp. s=z) van gedaante of gestalte veranderen, vervormen, herscheppen; metamorphieten, in. pl gr. eene secte der lilde eeuw, die leerde, dut het lleliuam


-ocr page 803-

METANEOLOGIE 78:{ METEOOR

vun ,1. C. hu zyno hctnelvaurl In (iuil is vur-nndord; — metamorphötisch, mij. vervormend, mlsmiikend, li. v. ineluloii spiegels, die de gedaante van hem, die er Inziet, misvormen; — motamorphopsio, f, een gebrek van het geziciil, waarduor de vorm en de grootte der voorwerpen veranderd scliynen.

Motaneologio, r. gr. (v. melunerd, lioete, hekeering) de liekeeringsleer.

Motaphooi\', t, gr. [melaphura, van meta-phére\'m, overdragen) Log. eig. overdraging of overdraeiiteiyke lieteekenls van een woord, naar weike liet niet in don olgenlyken zin gehrulkt wordt, oene oneigenlijke, zinneiieeldlgo of ver-liloemde uitdrukking, verliloemde zegswijs (b. v. \'s levens lonlo bloeit maar eens); meta-phórisch, adj. onelgeniyk, verbloemd, zinnebeeldig, overdrachteiyk.

Motaphrasis of metaphrase, f. gr. (van mela-phmlzein, in andere woorden over-(Irugen) eene woordeiyke overzetting of vertaling, Inz. bel overbrengen van een geillclil In ongebonden rede; — metaphrast, m. een woordeiyk overbrenger, overseiiryver; mo-taphrastisch, adj. woordeiyk overzeilend, onisebryvend.

Motaphysica, f. gr. (van meld, danrby, daarboven uil, en physikd, natuurlyke dingen; vgl. pbyslka) de wetenschap van hot boven-zlmieiyke, de bovonnatunrkuiide, de grondleer of wotonschap van de laatste gronden onzer kennis der dingen; — metaphysicus, m. wie die leer, die wctenscbap verslaat, een bo-vennaluurkuiKiige; — metaphysisch, udj. bovenzinnelijk\', Int de bovennuluurknnde bohoo-rondo; metaphysisch bewys van liet lie-staan van God = ontologisch bewijs.

Motaphysis, f. gr. (v. meta-iihjcm, vergroeien) de verandering, omvorming.

Metaplasmus, in. gr. (vgl. plasma) de vervorming, vcrundoring, b. v. van de gedaanie eens woords; Gram. een nnunivalsvorni, die een ongebniikeiyken no m I n a 11 v u s ondersten ;

metaplastiscli, adj. omvormend, lot de omvomilng behoorende.

Matapodium, n. gr. (van poes, genil. pmtós, de voel) Anal, de voorvoet, middelvoel, het voethlad; ook een schijnbare afdruk van reusachtige inciischenvoelcn in sleen.

Motapoeia, f. gr. de vercenlglng dor goddelijke en monscheiyko iialniir in (\'Jirlslus.

Metapolitiek, f. gr. (vgl. politiek) de zuivere, wysgoerlge staatsleer.

Motapsychosis, f. gr z. v. a. metem-p s y c li o s I s.

Metaptosis, f. gr. (v. mela-inplciu, onival-len, omslaan) en metaschematisme, n. gr. (vgl. schema, enz.) Med. de omvorming, gortaanlevoranderlng, verandering, waarby meer do zleklevorm dun de aard der ziekte veranderd wordt.

Metarsiologie, f. gr. (v. metdnios, on, hoog In de luclil, v. mélarsis, bel opbellen, v. mclairein, ophelfen, wegbellcn) de leer der lucht-verscbynselen, de wetenscbap van ile veranderingen In den dampkring der aarde, z. v. a. m el eo ro log! e.

Metaschematisme, z. in e t a p I b s 1 s.

Metaskopie, t. gr. (v. skopcm, zien) de aaascbonwing der gedachten, des gemoeds.

Metasomatösis of metasomatöse, f. gr. (van suma, lyij ilchaamsverandcrlng, de intreknemlng van vorsclielden zielen in helzolfde lichaam.

Metastasis of metastase, f. gr. (vgl. stasis) Mod. de verplaalsing eener ziektestof, overgang van eene ziekte uit hol eene iiclniams-deol in een ander; — metastatisch, adj. veranderd, vorplaalst, overgegaan.

Metastróphe, f. gr. (van mela-slréphein, om-, afwenden; vgl. strophe) do afwending der gedachten van eene zaak.

Metasynknsis, f. gr. Med. de verbetering der iiciiaamsgostcldbeid door uitdryvlng van bedorven vochten door de huid, door middel van blaartrekkende pleisters; meta-synkritisch, adj. door uitdryvlng veranderend of verbeterend.

Metatarsus, m. gr. (v. larsós, een vlcchl-work om iels daarop te drogen, eene breode vlakte, voetzool, v. lersaincin, lérseslhai, dragen) z. v. a. inotapodium.

Metathesis of metathése, f. gr. (vgl Ihesis) verzetting, omzeiling, inz. lelteroinzot-llng, b, v. bron voor bom.

Metator, m. lal. landmeter; — melalunum (sell, jus), n. lat. (van metSri, eene plaats afgrenzen, een leger opslaan) liet inlcgerings-recht.

Metaxilogie, f. gr. (v. metaxy, daarlus-schen) het lusscliensprekon, hel maken van In-lasscbingcn of lusscbenzinnen.

Motedór, m. sp. (v. melev, ter sluiks Invoeren) slulkliandelaar, smokkelaar.

Metempsychosis of metempsychose, f. gr. (v. mela, 7.. aid., en emiisi/rhocn, bezielen; vgl. psyche) de zielsverhuizing, verplaatsing der ziel uil hel eene lichaam in bet andero, volgens de leer der l\'y thagorislen; — metempsychosieten, m. pi. aanhangers van do leer der z.ielsverlinizing.

Metemptöse, f. gr. (v. meld en cinplo-sis, bel Invallen; vgl. ptosis) de uit- of weglating van den ingelasciilen dag of sclirikkoldag eenmaal in i:ii jaren, volgens den gregoriaan-sclien kalender.

Metensomatösis, f. gr. z. v. a. mela so m a 1 o s I s.

Moteoor, m. (gr. melcuron, d. i. in \'I algemeen zich in ile hoogte, in de lucht bovlndend, v. mela, z. aid., en eöm, bel zweven, de zwevende beweging, voor uiura, v. aeirein, heiren, en dil v. «e/1, de lucht) een luchlleeken lucht-verscbünsel, allo verscliynselen in den dampkring der aarde, inz. de meer zeldzame, In \'t oog vallende; vandaar oneig. een ongewoon, wonderiyk verscbynsel; meteoor-ijzer, meteoor-steen, m. z. meleoriel; —


-ocr page 804-

METHODE

MKT ER

784

meteoor-staal, n. met nikkel vcrliomlDn stiinl; — meteoor-water, n. van boven komonil wilier, lieiiuilwiitcr, roKenwnloi\'; — moteoratie (spr lie=lsie) t. do weeishepa-lliii!, do loesliuul van hel weder; - moteo-nka, f, de welen schap der luchtvcrschynao-len, weerkunde; — metoörisch, adj. op lucht- en weersveranderlnfien lielrekklnK heli-bonde, daarvan afhankeiyk, h. v. nieteori-sche planten, ilie zleli ton opzlclile vim liet openen en sluilen harer hloenien naar de go-sleldhoid der luchl, den zonnesehUn enz. regelen ; - meteorisme, n. in \'l alu. verlief-llngi Mod. do ullzetllng van den gohoolon of nedeollolljken bulk door lucht of winden, de liulkopzotlliiK (in rolkoortsen); — meteoriet of meteorolith, in. luchtstcen, maansteen, uil de lucht gevallen sleenaclittRO of metallische massa\'s, helztj hestaande uil verlilndlnRen van klozolzuur, talkaarde, yzeroxydut en eenlge andere stotTen (melooorsteonon) of hUna zuiver U\'-er met wat nikkel lievattende (meteoor-ijzer), z. v. a. aërolllh; — me-teorisatie (spr. -za-lsie) troiumelzuehl, op-gehlazenlield, opzanndlng van lucht in de liuik-holle, inz hy de herkauwende dieren; —me-teorognosie, f. de wetenschappelijke weerkunde; ook weersvoorspelling; meteoro-gnost, m. een weerkenner; — meteoro-graaf, in. een weorheschryver; f. weerwyzer, een werklulg, dat de luchtsvoranderlngen aun-wyst; — meteorographie, de weerbeschry-ving; moteorographisch, adj. wcerhe-schryvend, de tuchtsveramleringen aanwyzende;

— meteorolith, z. meteoriet; meteoroloog, m. een weerheschoiiwer, waarnemer of kenner der luchtverschynscten; — meteorologie, f. de leer, de wetenschap der luchtverschUnselen of der weersvorandorin-gen, weerkunde; — metoorológisch, adj. liet weder of de weerkunde helretTendc, h. v. m o 1 e o r o I o g 1 s c h o w a a r n e min g n, waarnemingen omtrent hot weder; meteoro-mant, m. weerprofeet; metooroman-tie (spr. Iie=lsie) f. de weersvoorspelling; waarzegging uil de luchtverschijnselen;- -meteo-ronomie, f. de loer van de wetten des we-ders; - meteorophyten, m. pl do vermeende plantaardige iioderpiotllngen uil de Inctit;

— metooroskoop, m. een werktuig om de lengten en lueedten van de plaatsen op aarde te hepalen; ook een weerwyzer; — meteo-roskopio, f. de waarneming des weders.

Meter, m. (v. \'t lat. meirum, gr. métron of fr. milre |z. nld.j; vgl. metrum) oene maat. ile el, die den grondslag uitmaakt van liet eerst In Krankryk en later hy de meeste heschaafde volken ingevoerde, op tlendeellgo Indeeling herustendo maat- en gowlclilstelsol, dat ook kortweg liet decimale of metrieke genoemd wordt. De meter = een veeillginlllioensto deel van den meridiaan der aarde — 413,29(1 pary-sche Union of strepen; vgl. el. — Veelvouden van den meter (M.) zyn; decameter, fr décamètre (van gr. (leka, tien) = 10 M., afk. DM.; — hectometer, fr. hectomUre, (v. gr. hekatnn, honderd) = 100 M., afk. HM.; - kilometer, fr. kilomèlrc v. gr. chitfa, duizend) = looo M., afk. KM.; — myriameter, fr. myriamètre (v. gr. njiioi, tienilulzend) = toooo M., afk. MM. — Onderdeelen van den nieter: decimeter, fr. ilectmèlre (v. lat. decern, Hen) = M., afk. dM.; — centimeter, fr. cen-limètre (v. lat. centum, honderd) = M., afk. c.M.; — millimeter, fr. millimèlre (v. lat. mille, duizend) = TIVff ^ . alk niM.; — moterkilogram, n. het elpond, de eenheid hy uiiiululdlng of horekenlng van hel ar-heldsvennogen van niachines, enz., il. I. de kracht, die in 1 seconde een gewicht van I kilo I meter hoog opheft; — metriek, metrisch, adj. wat tol don meter behoort, daarop steunt, daarvan afgeleid Is, h. v. het metrloke stelsel, hot maten- en gewichtenstelsel, dat op den meter is gebouwd; een met riek of metrisch eentonaar, 100 ned. ponden (z. ook oud. met rum).

Metérizi, n. turk. en nw.gr. loopgraaf; een posl die do stryders dekt.

Metérsi, pl. turk. (eig. mclerisdchi, d i. wie loopgraven maakl of verdedigt, v. meleris, loopgraaf) krygslicden, wier bosteiiiinlng is een leger op te staan, de tenten af te breken, die te vervoeren, enz.

Methaan, n. (spr. mee-ladn) Cheni. de motbvlwalorslof, hel niyn- of moerasgas, uil ■2 atouieu koolstof en i atomen waterstof bestaande.

methemermisch, gr. (v. mela, z. aid,, en himéra, dag) Med. dageiyksch, dageiyks voorkomend (van de koorts).

Methóde, f. (gr. mellwdos, d. 1. eig. het nagaan, vervolgen, van mela, na, en hodiK, de weg-, lat. metliodus) de wgze of inariier om by eene zaak to werk te gaan, de naar vaste grondslagen geregelde liandelwyze, lui\',, leerwyze, orde in de voordracht van de opvolgende doelen eener wetenschap of kunst, de leergang; Muz. (ook 11. met bod o) de manier van uitvoering, de styi van den executant; methudus miitliemulira. de wiskundige leerwyze; m. medéndi, do ge-neeswyze; m. socrahcn, do sokrallsche leerwyze, het onderwys In den vorm van gesprekken; — methodiek, f. (gr. melhodikc, sell, lérlim-, kunsi) z. v. a. inclhodoiogie; — metho-dicus, in., pl. methodi\'ci, wie zich stipt aan eene handeiwyze, werkmanier, leerwyze, enz. houdt; — methódisch, adj. naar bepaalde grondstollingen geregeld, ordeiyk, regelmatig, planmatig, naar de voorschriften der kunst; wetenschappoiyk of kunstmatig; — me-thodisme, n. strong geregelde, kunslmatlge leerwyze; In\'/,, de leer en ievonswys der Methodisten (z. oud.), streng kerkeiyke, yvorig werkzame vroomheid; — methodist, in. in \'t algemeen z. v. a. methodtcus; inz. we-tenschappelyk, naar kunstregoleii hundelend geneesheer; — methodisten, m. pi. eene dwe-


-ocr page 805-

METHOL

785

METRA

ponde dir. scclo, Inz. in Engoluml en N. Amerika, omstreeks nio door John Wesley In Oxford gesticht en dus «eliootcn, dcwyi men van hen zeldo, dut /.U eenc nieuwe methode van liet chr. leven hadden uitgevonden (In later tUd ook In Frankrijk en Zwitserland vorhreld); vroeger: r. kalh. schrgvers, die In de tide eeuw don stryd met de Protestanten door nieuwe dlalek-Ilsche methoden zochten te verkorten; — methodologie, de ontwikkeling of voorstelling dor loonvUzo, do leerkunde, liaiidleldlug omtrent de leerwijze, do leer der inetliode hg onderwijs en studie, do voordraclitsloer; — me-thodológisch,ailJ. daartoe hchoorendo,leer-wijskundlg.

Methól, n. (spr, lh=t) Chom. oene in den houtgeest (xvHet) vcivalle olieachtige stof

Mothuen-verdrag, n. liet verdrag, In 17011 lussehen lingeland en Portugal geslolen, aangaande den tol van porlngoesche wynen en engelsche lakens (dus geheeten naar den eng. minister M e t li u o n).

Methusalém, liohr. (elg. M etli use hela ch, v. mlhne, man, en schelach, speer, pijl), mansn.; pül- of speennan, In het O. T. do naam eens mans, die oenen ouderdom van uiiü Jaren moei herelkl hohlien.

Methyl, u. gr. (van meld en lijjli, liout) Chom. de liasls (het radicaal) van den houlgeest en zijne vorlilndingen; — methybichloride, f. verhlndlug van chloor met methyl, als he-dwelmend middel gehrulkl; — methylsether, m. of methyloxyde, n. lioul-asther; -methylalkohol, m. of methyloxydo-hydraat, n. de zuivere houtgeest, houl-al-kohol; — inothylwaterstof, f., z. mo-1 li a a a.

Methyologio en methystiek, f. gr.

(van mclhficin, dronken zijn, méthy, wijn) de drlnkkunsl, leer der dronkenschap; — me-thyológisch on methystisch, adj. lot Imnr helioorendo.

meticuleus, lal. adj. {mcliculósm, a, urn, van melwt, vrees) vreesachtig,schroomvallig;— meticulositeit (spr. s=t), f. nw. lat. de v reesachilgheid, schroomvalligheid.

Metier, n. fr. (Sjir. meljé, oudfr. mestier, mcnesUer, van \'1 lat. minislenum, dienst, verrichting; mid.lat. ook voor werktuig, Inz. weefstoel) t) hel handwerk, bedrijf, horoep, de he-zlgheiii, hanteering, leefwijze; vandaar pur md-lier, uit horoepsplicht, heroepshaive; jalousie (spr. zjalnetie) de mélier, broodnijd; — i) een weefsioel, weefgelouw; iiorduurraam; vimjl fois sur Ie mélier remctlez voire ouvraqc, fr. (spr. veit fod suur le méljé remellé voir\' nuwautj\') elg. zei uw werk Iwlnllgmuai op liet getouw, d. I. woes niel levreilon vóór ge uw werk herhaaldelijk lielil overgezien en verheierd (cilaal nli Itolloau, Ari. poiUlque !, 112).

Mëtis, f. gr. Mylli. do wijze, dochter van Oceanus en Telhys en eerste gemalin van Zeus; Asir. een in IKiH door Graham ontdekie asteroïde.

viKinm iiiuik.

Metizen, pi. fr. (mélis, fom. mélisse), z. v. a. mestiezen (z. mesties).

M. et K., hij naluurwotensch. namen afk. voor T. (i. Merlens en W. I). J. Koch (schrijvers eener Duiischo Flora).

Metóchi, n. nw.gr. oene lot oen klooster lielioorende liozitllng.

Metonomasie, f gr. (van mcl-onomd-dzcin, anders noemen) lt;le naamsverandering of overzetting van oenen eigennaam uit de eenc taal in de andore, li v. M ela ncli to n In plaats van Zwariaardo, Sart or lus voor Snijder.

Metonymie, f. gr. (mel-onymia, v. ónyma, gow. ónomu, naam) Log. de oinnoeining, naam-verwlssellng, overnaming, woordvorandering, li v. grijze haren voor lioogo ouderdom, d r u i v e n voor w ij n; — metonymisch, adj. naam of woordverwlssolend, oninoemend.

Metópon, n. gr. (van meld, z aid., en ups, genll. upns, gezicht) liet voorhoofd, de voorzijde; — pi. metöpen, Arch, vlorkanto tus-schonrulmten lussehen de trlglyplien der dorlscho fries, In welke men do versierselen aaulirengi; — metopantron, n. Anal, de voorhoofilsholte of -lioezem; — metopan-tralgie, f Med. pijn in de voorhoofdhoczems;

— metopantrïtis, f. onisteking van het slijmafsclieidend vlies, dal de voorhoofdhoezeins hekleedi; — metopomantie (spr. l=ls], f. waarzeggerij uit hel voorhoofd of het gezicht;

— metoposkoop, m. een voorlioofdkijkor, golaatsonderzoeker, gew. physi o gnoom; — motoposkopie, f. de voorlioofds- of golaats-heschouwing, hel voorspellen of waarzeggen uil de trekken van gelaal en voorhoofd.

Metra, f. gr. (v. meter, moeder) Anal, do haarmoeder; metralgie, f. hei liaarmoo-derwee; - metralgisch, adj. dat wee he-treirende, daaraan lydendo; — metrana-stróphe, f. uitzakking der haarmoeder, met omstulping daarvan verhonden; metratome, f. de verslapping der Imannooder; — metratresie, f. do togennaluurlijke sluiting der haarmooder; — metremphraxis, f. de versiopping der haarmoeder; metrem-physêma, n. opzelllng van ile Imannooder;

metrenchyta, jii. insiiuil middelen voor de liaarmoeder; — metrench^tes, m. de haarmoedorspuil; metreurysma, n. de uitzetting der haarmoeder; — metritis, f. do onisteking der haarmoeder; — metro-blennorrhcee, f. de witte vloed uil de liaarmoeder; — metrocele, f. de baarmoe-derlireuk; — metrocelïdes, pl. moedervlekken; — metrokampsis, f. de achter-ovorkarilellng der haarmoeder; — metro-karcinöma, n. de haarmoederkanker; — metroloxie, f de verkeerde of scheeve richting, ombuiging dor baarmoeder; — metromanie, f., z. v. a. n y m p li o m a n 1 e z. aid. (niet te verwarren mei metromanie afgeleid van metrum z. aid.); — metro-phthisis, f. lering der liaarmoeder; — me-tropoiypus, m. de moederpoliep, een vleesch-

Kfl


-ocr page 806-

MÈTRE

MEUTE

78«

uitwas der Imurinooilor; - metroptosis, f. do ullzakkiun: lt;loi\' baurmooiler; — metror-rhagio, f. do bloodstorllns uil de baarmoeder, mooderbloodvllet; — metrorrhexis, I do scheur In de baarmoeder; — metror-rhoee, f. de moedervloed, uilvloeilnf! van bloed, slym, enz. uil de baarmoeder; — metroskoop, ui. de moedorsiiioKol, een werktuig om do baarmoeder te onderzoeken; — me-troskopie, f. liet onderzoek dor baarmoeder met den moederspieBol; - metrotomie, f. do keizersnede.

Mötre, m. fr. (spr. mèlr\') de grondslag\' van bel oorspronkelijk in Krankryk Ingevoerde liendecilKO maten- en gowlclilenstelsel; de veelvouden en onderdoelen z. onder motor.

Metremphraxis, motrenchytes, /.. ond. metra.

Metriek, ■/.. onder métro en ook onder m e t r u m.

Metriopathie, r. gr. {v. mélrios, a, on, de rechte maat hobbondo, v. mélron, de maat; vgl. motrum) matiging van bartstocblen, go-iykmocdigheld, gemoedsrust.

metrisch, z. ond. métro en ook onder m e t r u m.

Metritis, metrocele, raetrokamp-sis, metrokareinoma, metroloxie, metromanie, z. ond. metra.

Metrographiek, metrologie, metrometer, metronoom, z. ond. m e t r n m.

Motronymikon, n., pi. metrony-rmka, gr. (van meier, inoodor, en nnyma = ónnma, naam) moedernaam, naam, ilie van den naam der moeder nfgeleld is; vgl. pa Irony-m ik ii ri; metronymisch, adj. naar den inoodernaam lionoemd.

Motrophthisis, z. ond. metra

Metropolis of metropóle, f. gr. (v. mclrr, moeder) eig. do moederstad met betrekking tot de dochtersleden of koloniéii; hoofdstad, do stad waar oen metropoliet of metropoli taan, d. i. een liisscbop of aarls-hlsschop dor grleksche kerk, z.yaen zetel heeft; — metropolitaankerk, f. aarlshisscliop-pidijke moeder- of hoofdkerk; metropo-litaansch, adj. (later lat. melroiwlitanus, ii, um) aartshlsscboppeiyk; — metropolitaankerk, aarlsblssciioppeiyke moeder- of hoofdkerk.

Motropol^pns, enz.; — metrotomie, z. ond. metra.

Metros deros, f. gr. het yzoriinnt.

Metrum, n. lal. (gr. mélron, v den wortel mei, in \'I lal. mel/ri, meten, sanskr. mri) In \'I alg. de maal; in/,, do lettergrepen-ofsyl-labenmaat, versmaat; métricus, m. pi. métrici, iemand die kennis heeft van de versmaat, schryver over do versmaat, ook Iemand die in verzen dicht; — metrika, metriek, f. (gr. melrikê, sell, lechnc, knnsl) de verskunst. de versmaatkiinde, do leer van don versbouw; — metrisch, adj. (gr. melrikós, c, tin) naar den versbouw behooriyk afgemeten.

in verzen, in gebonden ftyi; — metrogra-phika, metrographiek, f. de kunst om verzen volgens de wetten van den versbouw te seiiryveii; — motroloog, ia. een kenner vaa malen en gewiclitoa; metrologie, f. de mautkunde, leer van de maten en gewichten; — metrológisch, adj. maatkun-dig; — metromanie, f. de verswoede, verzotheid op verzenmaken, rljmeizucbt (niet to verwarren met mót roman ie, afgeleid van metra, moeder, z. metra); — metromó-ter, metronoom, m. een maat- of tact-metcr, een werktuig, waardoor de maat der beweging, die een muziekstuk hebben moet, juist wordt bepaald (uitgevonden door Remmdin, verbeterd door Miilzi); — metrometer ook = chrono met er (z. aid.).

Metsjod, arah. (mesilsjiil, van sadsjaila, zich buigen, aanbidden) een mohaniodaansrlie tempel, bedehuis, z. v. a. moskee.

Mett., iiij natuurwetenseli. Iienamhigen afk. voor (1. Mettenius (gest, IS(ili).

Mette, f. (ouild. mellina, van t lal. mn-luinm, sell, hora, ochtenduur) r. kath. ochtend-godsdienst, vroegpreek; godsdieastoetening op den avond nf in den nacht vóór eenen feestdag, b. v. de kerst mette.

Metteur en pages, m. fr. (spr. uu panzj\'; v. inellre, zeilen, leggen, en, in en itnfie, de biadzyde) op drukkeryen de zetter die do door do andere zetters gezette stukken in Kolommen en vormen ningsciilkt, opmaker, vorm-opmaker.

Mettray, dorp in hel fr. depart. Indrc et l.oire, arr. Tours, met eene door Deinetz ge-stiebte landbouw- en sirafkoionio voor Jonge, als ontoerekenbaar ontslagen misdadigers; vandaar ile naam van een dergelyke inrichting In Gelderland: Nederlandsch Mettray ge-beeten.

Metusie, r. gr. {mel-oesin, d. i. liet mede-zgn) de genieenschap of vereeniglag van wezen.

Metze, f. eene voormalige graanmaat In vele dultsche stalen: in Dosteai\'Uk = Ill,i87, in Beyeren = 37,1100, ia Saksen (Dresden) = (!,\'i89, in Pruisen = ii/illü, in ilongarye (Presburg) = 02,ö:i liter.

Méu, een chineesclie viaktemaal = 0,7335 are, vgl. king.

Meubel, n. (fr. mcuble), pi. meubelen of mobiliön (van \'I lal. mobile, ietsheweeg-i(jks, pl. mobiliavgl. mobiel) beweegbaar goed, vervourbllre of roerende bave; liuisiaad; — meubleeren (fr. meuhler), met luiisraad voorzien; inriclilen, toerusten; — meublement, z. ameublement.

meum el lumn, n. lat. liet mya en dyn (uwe); do eigenbaat, het eigenbelang.

Meurtrière, r fr. (spr. mewirjir\'-. van meurlrier, moorddadig, v. mewire, moord, v. golb. maurllir, moord) een scbiotgat.

Meute, f. (fr. meute, eig. jaclitstoot, van \'I mid.-lat movfla, beweging, als ware \'1 lal. movflus voor mollis, parlic. v. movcre, bewegen)


-ocr page 807-

MIDSHIPMAN

MEVENTE

787

eon koppel Juchtliondeii, ongeveer 50 a 00 stuks.

Mévente, f. fr. (spr. mcwduf; van mé-, mis en venlc, verkoop) slechte verkoop, verkoop onder de waardo.

Mexicaine, f. fr. (v. mexicain, e, mexl-caanscli) zekere gekeperde wollen stof; — mo-xical, z. pulque.

Meyo, adj. port. (spr. méjo) half.

Mozair, m. fr. imésalr, mézair, spr. metér) halve school van een paard) eene halve cour-liet te (z. aid.).

Mezelme, f. (v. \'t it. mezzo, half) frausch lynwaad, half wol en lialf zyde, Inz. tot ^or-dynen, overtreksels, enz.

Mezeteno, f. eene turksche Krcnsbelaslin^ op koopmansgoed, een Inkomend recht (8 tot 10 percent van de waarde heloopende).

mezza-lira, f. it. (spr. nxclza—, v. mezzo, mezzu, half, van \'I lat. meiiïus, midden) eene halve Ure, eene voormalige rekenmunt in dm Kerkeiyken Slaat, ongeveer = ct.; — mezzo mamca. Muz. met de hand op de halve hoogte van den hals (der viool); mezza orchéslra, me! half orchest; o mezzo vore (sp. —wófsje), met halve of gedempte slem; mezzo forto, iMuz. middelmatig sterk, eenlgszins slerk; mezzo piano, half zacht, min of meer zacht; mezzo reliévo, half of vlak verheven; mezzo soprano, de diepe hovenstem, diepe discant; — mezzo ter-mïno, m. een middelweg; oneig. het midden lusschen twee uiterste graden; mezza-tinta, f. of mozzotinto, m. (spr. -Hen—) IMct. de middel! in!, de middelkleur, halve of gebroken tint (die door overgang van de eene kleur in de andere ontstaat), ook lichte schaduwing; hg graveurs: de zwarte kunst; mezzanine, f. (it. mezzanino, m.) Arch, eene halve verdieping, elke lagere verdieping lusschen hoogere (vgl. enlresol); ook een lialfvensler, kleiner venster hoven het grootere; moz-zaróla, eene voormalige vochlmaat in (ienua = 150 liter; mezzétta, r. eene voormalige graanmaat in Toscane 0,701 liter; moz-ZÓtto, m. eene voormalige vochlmaat in Florence = 0,870 liter.

Mezzaro, m. il. een vrouwonsluier in (ienua.

Mgl. hij natuurwetensch. henamingen afk. voor K. Megerle von MUhlfeld.

Mi-, voor fr. woorden — half h. v. mi-ooüt (spr. oe), half Augustus; mi-rhemin (spr. sj\'méh), halverwege; mi-enröme (spr. rèm), halfvasten; mi-1 nine, halfwol; mi-parli, voor de helft, enz.

Mia, it. f. v. mio, mUn: enra min, mijne dierhare.

Miam, een goud- en zilvergewichl in Ach-ter-lndie = s:{2 eng. greinen trooisch gewicht.

Miao, m. naam, dien d(^ (^hineezen aan hunne tempels geven, z. v. a. verhlyf dor geesten.

Miasma, n. gr. (v. mioinein, verven, he-schilderen, hezoedelen, hevlekken) eig. verving, verontreiniging, hevlekkin»; lt;l(^ aansteklngsslof, yene in de lucht verspreide ziekte- of smet slof.

hoosaardige uitdainplng; miasmatisch, adj. zulke stof hevatlende of daardoor ontslaan.

Mica, f. lal. een kruimpje, heetje, korreltje, N. 11. de glimmeraarde, het kattenzllver, kattengoml; mieagraphie, f. lal.-gr. de nahootsing der glasschilderkunst door het op-lijmen van met kleuren bedrukte glimmerblaadjes op glas.

mi cans, lat. Hot. weerschijnend, met zwakken metaalglans.

Mi-carême, z. ond. mi-.

Micatie (spr. l=ls), f. uw.lal. (v. \'l lat. mieitre, zich trillend heen en weer bewegen) Med. de beweging of omlooj) des bloeds in het lichaam.

Mich., hij natuurhistorische henamingen afkorting voor Andre Michaud (gest. IH02) en diens zoon F. A. Michaud.

Michael, hebr. (v. ml, wie, ka, als, geiyk, M, God), mansn : wie is als God? gewooniyk verkort lot Michiel; hel hoogd. Michel wordt ook gehruikt voor een onnoozel, plomp mensch waarschijnlijk door verwarring van den hebr. naam mei het oudd. mihil, michel, m\'oot); vandaar de duitsche Michel, neef Michel, schertsende minachtende benaming van het duitsche volk, om de zwakheden, dwaasheden en verkeerdheden, inzonderheid de langzaamheid, zwaarmoedigheid en goedgeloovigheid er van aan Ie duiden.

Michel, Michiel, z. M i c h a e l.

Mie mac, m. fr. heimelijke handel, kui-pery, doorgestoken kaart, likfakkery.

micranllms, a, um, Hol. kleinbloemig.

microsropYum, enz., z. m i k r o sk oo p.

miclus cruénlis, m. (van minqUre, wateren, pissen) Med. het bloedwateren.

Midas, een phrygisch koning, die, naar eene oud-gr. sage, van Apollo lange-ofezels-ooren kreeg, toen hij, tol scheidsrechter gekozen zynde hij eenen muzikalen wedstrijd lusschen dezen god en Pan, aan den laatsten de overwinning toewees; vandaar in \'1 alg. voor langoor, ezel, rijke domkop; volgens eene andere sage werd hem door Dionysos (liacchus) den wensch loegeslaan, dat al wat hij aanraakte in goud mocht veranderen, totdat hij, om van die lastige weldaad ontslagen Ie raken, zich in den Paktolus baadde, die van loen af goud met zich voerde ; midas-ooren, lange ooren, ezelsooreii; het lllidas-OOr, \\ . II eene soort van rolslak, en eene soort van oorslak.

middle, adj. eng. (spr. miild\'l midden, middel- h. v. middleman, m. (spr. midd\'l-men) middenman; lusschenpersoon; tusschen-pachter, enz.

Midgard lt;ii Midgaard, m. oudnoordsch (eig. midhiiardhr: oorspr. eene omtuinde plek gromls) Myth, de aarde; - midgardslang, f. de zee.

Midi, m. fr. (lal. medium diei) i\\u mUUVw, het zuiden.

midshipman, m. eng. (spr. —sjipmen), pi. midshipmen, z. v. a. cadets op de


-ocr page 808-

788 MIK ROBAROMETER

MIËMIET

eni!. en N. Amorlkmuisclie oorlogsschepen\', ;«is-sed (spr. pasl) midshiiman, cadet die zgn lul-temnitsexameii gedaan heeft.

Miëmiet, n. Miner, hltlerspaath of hil-torkalk, van Mlemo in Toscane.

Migliajo, in II. (spr. mi-tjdjo: v. \'t lat. millianum, een duizendtal, van mille, duizend) een hamielsgewiclit van loon pond, Ie Venetifl = 470,9!)« kilo, in Toskane = :i30,l!iS kilo, op de Ionische eilanden = loon eng. avoirdupois pond; ook een venetiaansche oliemaat = ii,aie HL; — miglio, f. (spr. miéljio; d. I. clg. looo schreden) eeno Itallaanscho mijl; op het eiland Sardinië een vlakteniaat en wol voor wUnland [m. di vili, voor lOOil wynstokken) = n,28i are, voor olUflioomenland {m. d\'ulivl, voor 1000 oiythoomen) = 1108,502 are.

Migma, n. gr. (v. mignjnai, mengon) dc menging, hel inengsei, z. v. a. mlxlunr.

mignard, adj. fr. (spr. mi-njaar: z. mlg-n o n) lief, netjes, sierlük; opgesmukt; — mi-gnardeeren, vertrocielen, verwennen; ook te gekunsteld schryven of sproken; — mi-gnardises, pl. gekunsloldheld, versieringen; ook daartoe dienende passementen of boordsels; — mignatuur, zie miniatuur; — mignon (spr. mi-njóh). Hef, aardig, nel, lijn, allerliefst; ais suhsl. mignon, m. (v. \'I oadd. minna, minni, niinnia, min, liefde, iiiinniïit, minnen, ilefhehhen) oen gunsleling, lieveling, schootkind; - mignónne, f. liefje, schalje; ook de kleinste soort van fransche drukletters, kolonel (van i punlen); — mignonéttes, f. pi. eene soort van zeer smalle garenkant; ook eene soort van bedrukte katoenen halsdoeken; kleine brievenouwelljes; — mignotee-ron (fr. mianoter), liefkoozen, veriroetelen, verwennen.

Migraine, f. fr. (spr. migrèn\', ontslaan uit het gr. beinikrania, z. aid.) eenzydige hoofdpijn, hoofdjicht, schedel- of scheeihoofdpUn, gew. sciiele hoofdpUn; ook de beslo soori Hour-gonje-wjjn.

migreeren, lal. (miijrare) uittrekken, van verblUf veranderen, verhuizen; — migratie (spr. t=ts), f. (migralïo) de verhuizing, uil-trekking; de tocht van dieren, die zich naar andere oorden begeven, Inz. der trekvogels; het voorldurendo streven van sommige Individuen om zich van hel gebied, waar hun stam-genooten leven, te verwilderen, ten einde hetero levensvoorwaarden Ie vindon; — migratö-risch, adj. nw.ial. verhuizend, naar elders trekkend.

Miguelisten, m. pl. aanhangers van den porlugeesclien kroonprelendeni Dom Miguel, en tegonstanders der l\'edroïsten, z. aid.

Mihmandar, z. m o li m e n d a r.

Mihrab, m. arab. hel boogaiiaar In moskeeën.

Mijl, f. (oudd. mile, angels, inila, boogd. meile, eng. mile, zweedsch en deensch mil, fr. mille, li. miglio, sp. milln, port milhu, chald., syr., arab. .uil, milo, milon, lal. millu, van \'I lal. mille, duizend) eig. de lengle van duizend schreden; eene lenglemaal voor grooie afstanden; eene geographische inyl Is = graad dos iijquators of 7/iiOii kilnmeler, een vlerkante geogr myi = .13,00411 h.M.\'; oen ■zeem(jl is hu alle europoesche volken = graad = l googr. :nyi = l,K:iöl I KM.; de ned. of meliische myi is = 1000 ned. ellen, I kilnmeler of TjJu,, van hel noordelyke meridiaan-quadraot des aardbols; tol deze verhouden zich do voormalige, meeslal door den kilomoier vervangen iiiyien van oenlge andere landen als volgt; de kilometers,

deonscho myi = 7,33448

engelsche mijl (London of English milo) - l,34lt!)S engolscho myi (Brlllsh milo) = 1,00034

fransche niyl (j1., graad) = 4,44344

fransche zeemijl (j1,, graad) = «,5303;)

kleine fransclio zoemyi („\'i, graad) = 1,83311 fransche postmiji = 3,80807

eosienryksche myi (44000 vl.) = 7,38039

pruiss. (84000 rünl. vt.) = 7,33448

oud-romeinsclio myi = 1,47430

zweedsche myi = 10,088011

Mijter, z. mil ra.

Mik., hij naluurwotonsch. benamingen alk. voor J. (\'. Mikan (gost. 1814).

Mikado, m. vroeger het geeslelljke o|i-perhoofd van bei Japanscho ruk (naast den Taiköen als weroidiyk keizer), thans alleen-lieerscher.

mikraküstisch, adj. (vgl. mik l oskoop) kleiniioorig; dus nooint men de weik-tuigon, die door toeleiding van \'I geluld lol versterking van \'t gehoor dienen.

Mikrobarometor, m. (van mikrós, a, ón, klein) barometer, die slechts bestemd is voor metingen hy lage iuchtdrukklng on dus een verkorte buis hebben; ook (voormalige) barometers met een toestel die de veranderingen in den stand van hel kwik vergroot vertoonen; — mikroben, pl. de mikroskopisch kleinste organismon uil de klasse der splytzwammen of sell i zo m y c oten, die gehouden worden voor de oorzaak der hesmelleiyke ziekten; — mi-kroblepharie, f. aangehoren of door ziekte ontstane kleinheid der oogleden; — mikro-cephalus, m. gr. een kieinhoofd; — mi-krochemie, f. het ebemiscli onderzoek van kleine of lijno voorwerpen; — mikrochro-nométor, m. een tydmetcr ter bepaling van zeer kleine tydrulmteri; — mikrococcus, m. kogolbacterle. behoorende lol de mikroben (z. aid.); mikroëlektrométer, in. of inikroëiekti-oskoop, m., z. con-de n sa t o r, mikrogalvanométer, m. een door Marechaux ullgevondon werktuig ter waarneming der nanraklngs-elektrlcileil lol ia den geringsten graad; — mikrographie, f. de beschrijving van kleine voorwerpen, door middel van vergroolglazon waargenomen; — mikroglossie, f. kleinheid der long; -mikrokardie, f. kleinheid van bel hnrl; mikrokarpum, n. eene kleine vrucht;


-ocr page 809-

MIKROBAROMKTKfi

78!)

MILITAIR

zwam, paddenstoel; — mikrokósmus, m. de kleine wereld of do wereld in \'l klein; de mensch; — mikrokóamisch, mij. den mikrokosmus lietrelTende, danrloe lielioorende; mIkrokosiniseh zout («1/ microcosmicwt), plszout, uit de pis bereide piiospliorzure soda-ammoniak; — mikrokosmologie, f, de kieinweroldleer, leer van den mensch, z. v. a. a n I li r« p 0 i 0 g I e; - mikrolopidoptëra, pi. kleine sclmlivicuüeiinen, kleine vlinders; -mikrolepidopterologie, f. de kennis, de leer dier wezens; — mikrologie, r. de kleinlglieidsgeest, kieingeestiKlield, zucht voor nletlRheden, annslvallige iiauw(jezellield in lt;111-heiangryke zaken; — mikroloog, in. een kloinlKheidskrumor, Juclitmaker op nieiighedcn, gorlenteiior, letter-, nuDjgonzifier; mikro-lógisch, adj. kleingeestig, in \'I kleine vallend ; — mikrologisoeron (spr. s=z), zlcii met nietige zaken hezighouden, op kieiniglie-dcn Jacht maken, muggenzirien; — mikro-méga, f. een hoekmeter, die J van een rechten hoek of Ui grilden hevat, een vierde (|ua-drant; — mikromégas, eig, een kicingroote, een klein mensch, die gaarne voor groot wil doorgaan; — mikromelie, t, aangeiioren kleinheid der ledomalen; mikrométer, m. een kieimneler, een werktuig, gewoonluk hy verrekijkers en vergrootglazen aangehracht om kleine grootheden ot arstanden te melen;

— mikrometno, f. de meting der kleine voorwerpen of afslanden; mikromilli-metor, m. eene in de mikrokospie gehruikle maal = 11,001 111M. dus T(rnÓ!rinï M.; — mi-krommiitisch, adj. kielnoogig; mi-kromyëlïe, f. aangeiioren kleinheid van hei ruggemerg; — mikropettllisch, adj. mei kleine liioemliiaderen; mikrophonie, r. de lijne stem, zwakheid van stem; mi-krophoon, f. een geiuidvorsterker, door I). li. Hughes uilgcvoiiden toestel om zeer lijne tonen of geluiden voor hei oor wuariieeiiiliaar te maken; — mikrophönisch, adj. zwak ot lijn van stem; — mikrophotographie, r. (vgl. photograph ie) de kunst 0111 mls-kroskopisch kleine iiclitiieeiden te verkrygen;— mikrophotographie, t. p hotograpli ie (z. aid.) van een vergroot iiilkroskoplsch heeid;

— in tegensl. mot inlkroskopische photo graphie, een iiilkroskopiscli kleine atiieel-ding van groote voorwerpen; mikro-phthalmie, f. de Zlekeiykc verkleining des oogappels; — mikrophthalmos, 111. oen kieinoogige; — mikrophyllisch, adj. met kleine lilailereii; — mikrophyllon, n., pi. mikrophyllon, kielnliladige gewassen; — mikropsychie, f. de kieliinioedigheid, ver-saagdlield; ook iiokroinpen, kleingeestige, lage denkwijs; — mikropsychiach, adj. kleinmoedig; klelngeesiig, kieinzieiig, hekroinpen, laag; — mikroptora, 11. pi. de klelnvieu-gellgen onder de insecten; mikropté-risch, adj. kieinvleugeiig; mikrórchis, 111. Mod. Iemand, die kleine teelhailcn heefi;

— mikroskoop, 111. woordelijk: een klein-k||ker; een werktuig ot glas lt;1111 kleine dingen groot te zien, een vergrooiglas; microscoptum simplex, n. lat.-gr. een eenvoudig vergrootglas, met éene lens; mier. composflum, een sanien-gesteld vergrooiglas, dat uit verscheidene lenzen liestaai; mikroskopie, f. het ge-hi\'ulk van \'t vergrooiglas en de loer daarvan;

mikroskópisch, mij. door vergroolgla-zen hcschouwd, waarneemliaar; alleen door vergrootglazen waar te nemen (niikroskopische dieren); inlkroskopische waarnomin-gen, waarneiUltigen door het vergrootglas; — mikrosomio, r. kielnheld des ilchaams, dwergachtige ilchaainshouw; — mikro-sphyktus, Med. wie een kleinen of zwakken pols heeft; — mikrosphyxio, f. do zwakke polsslag; mikrostómisch, mij. kieliimoiidig; — raikrotasimeter, 111. een in ls~s door Ëillson uilgevonden iustrnmeiii 0111 zeer kleine verandcringen in drukking of lengte te meten; — inikrotoom, 111. (v. Iémnein, snijden) een toestel om inlkroskopische voorwerpen in zeer dunne, doorzii\'hlige schyfjes te snydeii; mikrotrophie, f. spaarzame, onioereikende voeding.

Miktologie, f. gr. (v. miklós, dn, ge-niengd, v. miunynui, mengen) de leer der gemengde of samengesieide llchainen, de vernien-gingsleer; — miktoloog, m. een kenner der inlkiologie.

Milady, z. m y 1 a d y.

Milan, 111. fr. (ais \'1 ware lal. miluanus, v. mil 11 us, milvus) de iioeudergicr, wouw, kniken-of kiekendief, een hrulnroode vogel van het vaikengesliiclii.

Milanaise, f. fr. (spr. —nè:\': v. Milaan) eig. milaneesche goudslikkerU, zeker gouiispin-nerswerk op iwee draden zijde.

Milareaion, 11. gr. eene oud-rom. zilver-inunt van i\'i 1111111 mi of llli assarien, onder Consianiyii en zljni\' opvolgers.

Milo, eng. (spr. muil) eene engelsche myi van quot;iOOii eng. voel — i;i2:i,!tsil meier, z. müi.

miles tilorlosus, 111. lal. miles, soldaat, ulo-rinsus, groolsprekend) in het oode liiyspel; een houwdegen, yzervreier,grootspreker; vgl. Thra-so en Bram ar lias.

Milha, port. myi (z. aid.)

Miliaria, f. lal. (van milianus, 11, um, giersiai\'hllg, v. milium, giersi) Med. de gierst-vormlge uitslag; — miliuris febris, de purper-kooris.

Milicien, z. oud. m Uil air.

Milieu, m.fr. het midden;—jiufc milieu, z. Jusi e.

Miliöluin, z. milium.

Militair, 11. (fr. mililuire, v. \'i lal. milila-ris, e, wal den oorlog, den krygsmanssland iie-Ireft, van miles, genii, mililis, de soldaal) tiet soldaien- of krygswezen, de krygsmanssland; de gezameaiyke soldalen; militair, 111. een soldaal, krygsmaii; als adject, militair, al wal op hel krygswezen lielrekking heefi, li. v.


-ocr page 810-

MILIUM 790 MIME

militaire akadomio, welenscliappoHIko srliocil voor do vorming en voorboreldliiK van aunslaando oilleieren; of als advorli. mililaire-ment (spr. —lèr\'maii) op krUgsmnns-, op sol-dalonwys, naar kryi?SRObniik; stipl-ordclyk, at-gemolen; — nif/MacTa, n. pi. lat. soldatcnzaken, zaken tot den krURSdicnsl lietioorende; — mill-luri mam, Rcwapcnrtcrhand; — militarisme, ii lioorsclinppU der militairen, overtieer-sehende Invloed en hevoordoelliiR van den mi-litalren stand; militarist, m. vriend van den oorlog or der mililairon; — militoeron (lat mililSr») slrgdeo, oorlogen, twisten; — ecclesm miliums,/., ond. oceiosia; - militie (spr l=ls) f. (lat. mlliffa, fr. mllice) liet krijgswezen, de krygssland; de inanselmppcn, soldaten, Inz. de landmilitie, do manschappen der Jaariyksche lichtingen liü \'t lot, om 1 leger voltallig Ie houden; de landstorm of landweer of landsoldaten, de ingezeten, die in hijzondere gelegenheden voor éenen veldtocht opgeroepen en gewapend worden (in tegenst. met de geregelde troepen, do nationale militie); — milicien, m. fr. (spr. —sjth) soldaat van de loting of lichting.

initium imliiShrae of verkl. miliólum, n. lat. (van milium, gierst) Med. een gierste- of gerstekorrei op hei ooglid.

Milla, f. sp. in y I (z. aid.)

mi7/e, lat. dnizond; pro mille of it. per mille, per duizend, van duizend (n.l. wordt hetaald);

— milleflóri, |||. li. eig. duizend hloemen; eene soort van voelkleurlg glas-mozaïek, weleer in Italiü vervaardigd en in ISlli door den scheikundige Fuss In Schtinoheck weder ult-govouden; ook een welriekende snuiftahak In Italië, naar de gelijknamige piemonteesche plaats benoemd; — millefleurs, pi. (gen. als slng. en n) fr. eig. duizend bloemen; een uil enkel bloempjes beslaand patroon eener slof; zoo ook: millepoints, fr. (spr. miel-podn) uit enkel punten of stipjes, en milleraies, fr. (spr. mielrè] uit tljne streepjes of tgidjes lie-staand patroon voor stollen; — millefolium, n. lat. Bot. het duizendblad, achliieskruid Achillea millefolium), een zeer heilzaam, in liet wild groeiend kruid; —millenanus, m. z. v. a. chiliast; beter millenaristen, pi. cbris-tenen, die geloofden, dat, na het laatste oordeel, de uitverkorenen nog duizend Jaren op aarde zullen blijven, om er, onder de zichihare heerschajipü van Christus, allerlei genot te smaken; — millennium, n. nw.lat. een duizendtal Jaren; het duizendjarige rijk; — millepes, m. (lal. millepeda) de duizendpoot, pissebed; — ook soort zeespin [Slrombus mille-;)«/«); — millepóren, pl. lat.-gr. puntkora-len, een voortbrengsel der poliepen, vol poriën, Inz. in viotgeberglen; — millerees, z. m 11 r e i s; — milleróle, f. fr. eene vochtmaat, Inzonderheid wijnmaal te Marseille, enz.;

— milles, eene rekenmunt in de Vereenigde Staten van N.Amerika = r„ dollar of ongeveer 4 ned. cent; — millesime, n. fr. het jaartal van een na hel Jaar KMIO geslagen imml; — milliade, f, nw.lat. eene reeks van (luizend Jaren, eene chilla de; - milliard, m. fr. of milliarde, f. duizend millffineii; — milliare, z. ond. are; — milliarïum, n. lat. een rom. mytstoen, die een afstand van duizend schreden te kennen geeft; — mil-liasse, f. fr. duizend mllilarden; eene zeer groote menigle, een oameeiiyk geial; —mil-lier, n fr. (spr. mieljé) duizendtal; — mi Uier mdlrique (sjir. —metriek) de fr. scbeepston van Mimi kilo; — milligram(me), z. onder gram (mo); — milliliter, z. ond. liter; — millime, m. oen dulzendsle deel, \'i\'quot; uc of Tv centime; — millimeter, z. ond. meter; — millistère, z. ond. stóre-, — millioen, n. (mld.hit. millïo) duizend maal duizend; In geld 3quot; tonnen gouds; —millio-nair, m. fr. {millinmaire) een bezitter van mlllloeneu, zeer rijk menscb; — milliona-risme, n. de heerscliappd der milllomilrs.

Milly-kaaraen, pi. nine stearlne-kaarsen uil de fabriek van l)r. ile Milly Ie Weenen.

Milmil, n. (blndost. malmal, neteldoek, mousseline) eene kutoensoorl uil O.Imlle,

Miloe, mielies, f. (v. port. milho, eig. gierst) z. v. a. mals in do Minahassa (Ned.-Imll#).

Milord, liever mylord, z. lord.

Milphósis en miltösis, f. gr. (bet laatste v. milloen, met menie of rood bestryken, v. miltos, meute, hergcinnaber) Med. bet met ontsteking verbonden uitvallen der oogharen of wimpers, z. v. a. ma daros is.

Milreis of mille reis of in 11 Ie rees, eene port. rekenmunt = 1000 reis of realen (z. reaal) of a gl. 70 et., lu Brazilië ongeveer /\' 4,10 (men drukl de duizendtallen der rets nil door het teeken (/), en de mlllioenen door twee punlen, h. v. H: 140 ij), d i. 8 millioen 140 duizend reis of S duizend 140 mllrels).

Mimansa, f. sanskr. {mtménu-id, v. mén, hegeerende vorm mlmdnnsé, eeren; denken, overleggen) een liidisch wgsgecrig stelsel, hetwelk alle veelvoudigheid van tiet bestaan voor louter schijn, en de zoifsiandlgheld voor bet eenige ware en werketyke houdt (vgl. sankbja-phl-I o s o p h 1 e).

Mimar-aga, m. arah. (van mimdr, houw-meester, van amara, houwen, en aga, z. aid.) turkseb opziener der gobouwen, opperbouwmeester, die een onbepaald gezag over alle bouwmeesters uitoefent; — mimar-basji, de eerste architect des sultans; mimars, in. pi. de turksche ingenieurs.

Mime of mimus, m. (gr. mlmos, lat. mimus), pl. mimen, eig. navolgers; gebarenspelers, potsenmakers; In \'I alg. tooneelspe-lers; ook eene bijzondere soort van kleine dramatische spelen hy de oude Orieken en Bo-meinen, die eene poëtische afschildering van het dageiyksch leven gaven, aanvankeiyk kluchtspelen zonder bepaald plan, later kunstmatiger bearbeid; de uitvoerders dier stukjes, mimen.


-ocr page 811-

MIMER 791 MINE

moeten onilcrsclielden worden van de pantoni linoii (■/.. aid.); — mimesis, f. (van mi-nirixl/iiii, imliootson) de navolKliiR, nuliootsliiK ot naiiptiif! der ROliaren van een under, liet spottend hertialcn vun leinands woorden; — mimötisch, adj. tol naliootslnd, niiilpliiK Re-nelgd; mimiek, f. of mimische kunst, de geliarenkunst, Keliurenlcer, liet geliarenspel; — mimicus, m. een meester in het gcharon maken; een potsenmaker, nailper; mimisch, adj. (gr. mimi kón, 0, dn) tot de mi-intek lielioorendo, al wat door Ketiaren geschiedt; mimischo voorstelling (ook wel m 1111 o-drama, n.) de voorslollliiK van oen drama door pantomimes; in 1 m I s c li e kunst e na a rs, looneelspelers; — mimograaf, in. schrUver van mimen of geliarenspeleii; mimogra-phie, f. vervaardiging van gelmrenspelen; — mimoloog, in. een navolger, naaper, napra-Ier; mimologie, f. de navolging, nallplng van Iemand In zyne woorden en geharen; — mimoplast, in. lemaml, die door geliarenspel Iets plastisch weet voor te stollen (pan-t om I in e).

Mimer, m. (elg. Mimir) noord. Myth, ile goé der wyslield, welke lig put uit eene liron, de M i me rsh ro n (oudn Mlnisl/runnr), die door de Walhalla vloeit.

Mimetesiet, n. natuuriyk arsenlkzuur loodoxydo

Mimiamben, m. pi. eene soort van zeer vrye jam hen, waarvan zich de mimen (z. aid.) In hunne onzedeiyke kluciilspoien lie-diendon.

Mimographie, mimologie, enz. ■/.. ond. ml me.

Mimosa, f. nw lal. (v. \'I sp. en port. mi-moso, weekeiyk, vertroeteld, v. miinar, liefkoo-zen, vortroetelen) een ullheemsch plantenge-slachl van verschlliendo soorten, waarvan eenige zich onderscheiden door de ongemeeno gevoeligheid hunner htaderen, die zich hy de ge-ringsle aanraking samentrokken; h. v. de gevoelige mimosa {Mimosa sensiïfoa), hel zin-kruid; de schaamachtige mimosa (M. puiiica), hot kruidje-roer-my-niet; nog hehoort hiertoe do echte acacia (.1/. milittca en vera), een stekelige hooni in Egypte en Ara-lill\', uil welks stam van zelve de arahisclie gom vloeit-, — mimosiet, n. z. v. a. dole riet.

Mina, I) mine, f. it. (provcnc. miiin, einina, fr. mine, oudfr. mine, van \'I lat. Iilt;-mïnu, gr. hëmina, eene maat, de helft van een sextarlus) eone vroegere voclitmaut in Milaan: voor koren = quot;gt;,22:1 liter; voor olie = lü,!gt;!)2 liter; thans eene gehruikeiyko naam voor I decaliter.

Mina, i) afkort, van Wilhelmina (z.

aid.)

minacciöso, II. (spr. minalsjózo) of minacte-role (spr. minalsjéwole; v. \'1 lal. minaccin, he-drelglng; vgl. men aceeren) Muz. dreigend, nadrukkeiyk; — minaciteit, f. nw.lal. (van minax) hel dreigende, de dreigende toestand; de neiging tot dreigen.

Minage, ■/.. mine 3).

Minaltoen, m eene perzisclie munt = to man.

Minarét, f. arah. Unendrel, d. l. elg. piaals des lichts, vuurtoren, van ndra, scliynen, nar, vuur, enz.) een ronde toren van verschelden verdiepingen, leder met een lialcon, menigvuldig voorkomende aun turksche heüohulzon of moskeen, en van welke de uren des geheds worden afgeroepen.

Minargent, n. fr. (spr. minanja») het halfzllver, uil koper, nikkel, wolfram en alu-miniimi hestaande.

Minatie (spr. lt;=/«) f lal. (minaïïo, van minari, dreigen) hel dreigen, de liedrelging;— minatörisch, adj. (later lat. mina/orïus) dreigend, hedrelgend.

minaudeeren, fr. {minauder, sjir. au=o: van mine, gelaatstrek) zich met gemaaktheid aangenaam willen maken, mal heliaagzlek zyn;

— minaudene, f. gomaaklheld, gedwongen manieren, liehaagzuclit; — minaudier, m. (spr. —djé) saletjonker, pronker; minau-dière, f. (spr. —iljör\') eene salet pop, een pauwinnelje, heliaagzlek, opgetooid meisje.

Mincepie, m. eng. (spr. mins/iaf; elg minced pie, lo niinre, kieiniiiikken, en /lie, pastel) pasteitje van gehakt vieesch met eieren, suiker, kleine rozynen, enz

Mine, 1) f. fr. het gelaat, gezicht, aanzien. uitzicht, de tiguur; mines maken, ergens den schyn van aannemen, zich houden; onnatuuriyke geharen maken, gezichten trekken; verliefde lonken geven.

Mine, 2) f. lal. (m i na, gr. mimi) een oud-gr. gewicht en munt, sedert Solon = Iflfl drachmen; thans de grondslag van hel in IHitli ingevoerde grieksche gewichtslelsel = IBflOdracli-inen of gram = 1,8 kilo = HiS,7ll oude gr. draclimen = 1S000 obolen (z. aid.) = ISOOOO grein (cenligram); ion mines = I talent = ISO kilo.

Mine, II) f. fr. eene graanmaat; vandaar minage, f. (spr. ~ndd:j\') het meelrecht op hel koren.

Mine, l) f. fr. (11. mina, provcnc. mina, mena, van \'1 mid.lat. minnre, provenc. menar, fr. mener, lelden, voeren, te werk stellen) een onderaardsclie gang, schacht, nltgravlng, m y n; inz. eene ertsmyn, een bergwerk, eene metaal-, mineraal- of bergslofgroeve; Mil. een krullmyn, een springkuil, kruitkelder, om den daarboven llggenden last door krult in de lucht te doen vliegen; onelg. een bedekte helmeiyke aanslag;

— mineoren (fr. miner) ondergraven, ult-bollen, ondermynon, loopgraven, kruilmyiien aanleggen; — mineur, m. fr. (sp. mineiro, port. minéro) mynwerker, schansgraver; ook bergwerker, ertsgraver; — mineraal, n. (mid. lat. minerale, pi. minera/ia, fr. minéral) de delfstof, bergstof, bergsoort, mynstof, erls; |il. mineralen, ook fossiliën, deifstollon.


-ocr page 812-

MINÉLLO

792

MINISTER

ert8- en stconstolfon, levculooze (nlot-oiRanlsche) natuurvoorlbrengselen— mineraal-rijk, liet rijk dor delfstoiren, de gezameniyko onbo-worklulgtlo voorwerpen der natuur; — mine-ralisch, mineraal, adj. ortsbovatloml, al wat tot het ryk ilor delfstolfen behoort; — mineraal water, zulk water, waarin, hetzü natuurlijk of kunstmatig, gassoorten ot ilclfsiof-fen zün opgelost; do bronnen, die zuik water bevatten, hooten minerale wateren, ook gezondheidsbronnen, in zooverre zy eene genezende kracht bezitten; men onderscheidt het minerale water naar zyne hootdbestanddee-len in zuur-, bitter-, zwavel- en staaiwater; — mineraal-blauw, n. borghlauw, tljngewre-ven koperlazuur; — mineraal-geel, ook cnslcrgeel, n. een (raai geel poeder, bestaande uit eene iijngowreven verbinding van een weinig cliiooriood met veel ioodoxyde; — mineraal-groen, berggroen, brunswyker kopergroen -, — mineraal kermes, z oud. kermes; — mineraaltheorie, f. de leer van Llebig, volgens welke de planton zich door de in den aardbodem bevindende oplosbare mi-neraie bestanddeelen voeden; — mineraal-wit, n. baryum-suifaai; — minerale olie, f. z. pbotogenium; — minerale soda, f. z. v. u. kryolith, aldus in den handel genoemd, omdal liet ter loogbereiding in zeepfabrieken dient; — mineraliseeren (spr. s=z) (fr. minéraliser) vererlsen of versieenen, door kunst iets als mineraal of erts voortbrengen;

— mineralisatie (spr. —:a-/sie) of mineraliseering, f. verertsing of versteening, de overgang tot een mineraal; — mineralogie, f. nw.lat.-gr. de bergstofkunile, steen-, ertskundo, de leer van de leveniooze (niet-or-ganischc) naluuriyke lichamen; in engerenzin: de ieer van do meclianisch-cnkolvoudige, onbewerktuigde voorwerpen der natuur, z, v. a. oryk tognosle, en in tegenst. met geogno-sle enz.; — mineraloog of mineralogist, m. een erts-, steenkenner, iemand, die de mineralogie verslaat; — mineralógisch, ad), deifstofkundig, de deifstofkimde botrellende;

— minerographie, f. de beschryving der bergsloffen, delfstolfen, mineralen; — mine-rotheologïe, f. het bewüs voor Gods bestaan uil de aanwezigheid der mineralen.

Minéllo, m. (vgi. mlna I) li. eene voormalige graanmaat te Verona = f, sac co = 0,;i8-2 HL.

Minérva, f. lal. rom. Myth, de dochter van Jupiter, uit wiens hoofd zü in voile wapenrusting werd geboren, nadat hij de van haar zwanger gaande Melis bad verslonden, de godin der wysheid, beschermster van de kunsten des vredes, ook krygsgodin, vgi. Paiias-, de stad van Minerva, Athene; de vogel van Minerva, de uil; — invita Minerva, legen den wil van Minerva, d. i. zonder vatbaarheid en aanleg, zonder verstandeiyko roeping iels ondernemen, inz. studeeren; — müwriMs calculus, elg. het stemsteentje van Minerva: eene manier van vrijspreken eens aangeklaagden, in geval do stommen der rechters voor en tegen geiyk zyn; - minerval, m. (later lal. miner na lis) leerling, scholier (by de orde der liiumi naton de laagste graad); n. (lat. minerval) het leergeld, schoolgeld, inz. op do latynsclio scholen, lid bonorarium, dat de leermeesters van de ieeriingen ontvangen; — mïnervalïa, n. pi. rom, feesten tor ecre van Minerva; de onderwyzers staakten dan hun on-derwys en kregen van de discipelen oen geschenk, minerval.

Mineur, z. oud. mine i); ook adj. en subsi. (lat. minor) minderjarig; minderjarige (In tegenst. met majeur); Muz. z. v. a. mol, z.ald.

Miniator, m. nw.lat, (van \'i lat. miniare, met menie, minium, verven) een kieurder; af-zeiter van kaarten, platen enz.; een kicinscbii-der (It. minialnre)-, — miniatuur of miniatuurschilderkunst (it. minialura, fr. ininialure) oorspr, het schilderwerk der mini-at or en, meest monniken, die in do middei-oeuwon de handschrifton mot fraai gekleurde teekeningen, letters enz. opsierden; (dus niet van miniitus, kiein) de klein- of lljnschiidor-kunsi, bet sehiidoren met gomwatervervon, die met de penseelpunt opgedragen of ge po int li-loer d worden; —en minialnre, fr. (pr. ah—) in het klein of verkleind; — miniatuurschilderij, -portret, eene afheeiding in hel klein-, — miniatuurschilder of miniaturist, oen schiidor in hel klein, kiein-scbiider.

Miniatus, z. ond minium.

Minié-buks, f. eene soort van buksen, die mei geringe lading zeer ver dragen (naar den fr. uitvinder, don brigade-oversie Minié, benoemd).

minimus, a, um, lat. (superl. van den compar. minor, z. aid.) do, het minste, kleinste; — minima of minïme, f. Muz. eene halve maatnoot; — minïum of minimum, n. bet kiein-sto, goringsle of minSte; inz. de kleinste maat, de geringsto of laagste graad eener grooffiid, de iaagsto graad eener grootheid, de laagste prys, in tegenst. met maximum; minimum sapienlïae, do geringste mate van wijsheid; minima de mulis, (kies) het kieinsic van twee kwaden; — minïmi of minïmen, minste broeders, eene zeer strenge monnikenorde, in de löde eeuw door den boil. Franciscus van Paula gesticht, daarom ook Pauliner- of Paulaner-monn Ikon geheeton; in Napels iKicten zy Paolotti; — minimenkleur, f. een naar het biauw zweemend rood; —minimaalbedrag, n. nw.lal.-nodcrl. bet kleinste iiedrag.

Minister, m. lat. (v. minus, geringer, minder, gclyk magister, v. mar/is, moor) elg. een dienaar; do hoogste staatsambtenaar, die aan het hoofd van bel staatsbestuur of van oenen tak daarvan (departement) slaat, een staatsdienaar, die onmiddeiiyk met den vorst in betrekking staal; ook oen gezant; — minister-


-ocr page 813-

M1NISTR KEREN 793 MINUS

resident (spr. sl=ri) pen nezuiil van minder rang, zaakgolafllKdc van ccnon slaat of eencn \\otsI\\ — minister sacri officti, een geestelijke, zielverzorger, zielenherder; —ministerie, n. lal. (minislérium) elg, dienst, liedle-nlng; liet staatsbestuur of de regoerlng, de gezamenlijke ministers, de staatsraden van eenen vorst; eene byzondere afdeellng of departement van bestuur, dat onder eenen minister staat, b. v. hot ministerie van oorlog, van financien, van justitie, enz.; ook de geestelijkheid, de gezamenlyke geestelijken, het eon-slstorium van een land of eene plaats; hel predikambt zelf, I). v. canilidiilus (nrercmU) minisleni, afgek. Cand. c. m., candidnat of aanzoeker tol het (eerwaardig) predikambt;—/(co ministcrin, voor liet predikambt of de verkrijging eener predlkanlsplaals (geëxamineerd worden); — ministère public, fr. openbaar ministerie, afgek. O. M., openbare aanklager of eischer, een by elke rechlhank aangestelde staalsbeainble, die voor de handhaving der orde waakt en de toepassing der wellen eischl; — ministerieel, adj. (fr. ministéiiel) ambtshalve, van ambtswege; al wal met eenen minister In betrekking staat, van hem uitgaat, h. v. een ministerieol schryven; ook; in den zin of naar de meening der minisiors, deze aanhangende of verdedigende; de aanhangers van hel mlnlslerle, de party, die het met do ministers eens Is; inz. In het parlement heet men de ministeriëele partij, in legensi. met de oppositie- of antiministeriëele partij ; — ministerialen, m. pl. lt;le gees-leiyken, die zitting en stem In hel mlnlste-rlum (d. I. in den kerkeraad of hel eonsls-lorlnai) hebben; In de middeleeuwen ook de leden van don adel, die uil den hcif- en vor-slendienst was voortgesproten, ter onderscheiding van den echten dynastlschen adel; — mi-nisleriulcs (sell, li(lerue) een schryven, eene vergunning enz. uil cenig mlnlslerle; — minis-terialisme, n. gaan door dik en dun met het ininislerlo, partydigheid voor de maatregelen der ministers; — ministerialiteit, f. het mlnislerscbap.

ministreeren, lal. (minislrare) dienen, den dienst, 1). v. den kerkdienst verrlchien of doen, inz. Iiij de mis den priester de band leenen, hulp biedenministrant, in. (niiiii.i/rnii.i) mis- of kerkdienaar; ook domheer van een stift, die bet evangelie en de epistels loesl, koorlezer; — ministratie (spr. Iic=lsie) f. lal. [minislratfn) de bediening, de dienst, medewerking; — ministratief, adj. nw.ial. dienend, dlensldoend; — ministrator, in. lal. een dienaar, bediende; — minislralor juris, een rechls-geloerde zaakwaarnemer, pieilbezorger.

miniteeren, lat. (minitnrc) dreigen; — minitatie (spr. Iie=tsie) f. nw.ial. do bedreiging ; — minitiltor, m. een bedreiger.

Minium, n. lal. z. v. a. menie (z. aid.); — minialus, a, um, lal. Hol. menlerood, hoogrood (iels geeinchllg).

Minna, dullsche vrouwennaam (v. \'I oud-hoogd. minna, min, liefde) de liefde, liefderyke;

— of als onjuiste verkorting van Wllhel-m I ii a.

Mino, m. hlnilosi. (nrnw, mm\'nd, javaanseh mencho, nw.ial. qraciila reiigiusn) de snapper, een zeer gezochlo kamervogei in O.lndie.

Minöna, colt. vr.naam (gaol. Minfhonn, ultgespr. minnnn, v. min, zacht, en form, melodie): de zachte melodie.

minor (nentr. minus: coiupar. van pnrvus, klein) lal. kleiner, geringer; minder; .Isia minor, Klein-AzlB; fralres minores, z. minorieten; minores nrdines, de i lagere wydlngen als trappen lot het kalholleko priesterschap;

— minor, of minor (sell, nalu) m. de jongere; minor (sell. Immnus) m. de minderlerm, de tweede stelling eener sluitrede; — minora. It. Muz., fr. mineur, z. v. a. mol (z. aid.);— minoraat, n. nw.ial. het voorrecht of orf-opvolgrecht des jongeren, in legensi. mei hel m a j o r aal; — minoriitie (spr. I=ls) f. eig. vermindering, verkleining; Med. zacble afvoering; — minoratief, adj. zacbl afvoerend;

— minorénnis, mid.lal. (d. I. minor annis) minderjarig, onmondig, liel tegendeel van majo-rennls; — minorenniteit, f. (v. mid.iai. minorennis, d. 1. minor annis. Jonger van jaren) de minderjarigheid, onmondigheid; — mino-rist, m. een geestelijke, die de mindere wy-dingen onl vangen heefl; — minoriteit, f. (mid.iai. minonlas) ilc minderheid, hel kleiner getal, de stemmenminderheld; — Minorieten of frulres minores, m. pl. minderbroeders, z. v. a. I\'quot; ra li c I s c a n e n; — mi/iörem uenltum (Dii), z. oud. Heus.

Minos, m. gr. een oud heroemil, doorslipte gereehliglield iilliminlend koning en weigever op Krela, volgens dc sage een zoon van Zeus en Europa, na zynen dood rechler In de onderwereld (z. 1\' I u t o); Minotaurus, m. een fubelachtig monster, half menscli en half slier. De jongere Minos, kleinzoon des vori-gen. Hel dit wezen in hel door hem gebouwde lahyrinili opsluiten en mei menschonvlecscb voeden, waartoe hom de Vliieners, lol slrtttto voor de vermoording zijns zoons, alle il jaren 1 jongelingen en 7 Jonge dochters moesten zenden; Theseus, een grleksch held, die zich onder deze jongelingen bevond, doodde het gedrocht met behulp van Ariadne, de dochler van Minos.

Minstrel, m. eng. z. v. a. menestreel (z. aid.) meesterzanger, speelman.

minus, lal. (vgl. minor) minder, min; in de gelalleer do aanwyzing voor negatieve grootheden; by thermometers = ondor nul of onder hel vriespunt (teeken— een minus, n. een te-kort, z. v. a. deficit; — het mi-nusteekon, oen liggend streepje (—) In de reken- en slelkunst vóór eene grootheid, die moet worden afgetrokken; bet teeken, dal den negatieven of onikenneniien toestand eener grootheid aanduidt; —minueeren (lat. mi-


-ocr page 814-

MIRLIFLORE

794

MINX

viiire) vonnlnderon, vcrklclnun; — minuén-dus, in. liet te vonnlniloroii ndal, dat, wnar-van een ander moei iifgetrokken worden-, — rainuendo-licitatie, f. (spr. —hie) open-liare verkoop aan den inlnslelscheiide; — minuscule, f. fr, (spr. minuuskuut\': van lal. min use u lus, zeer klein) kleine letter (vul. ma-J ii se ulo); — minütie (spr. l-ls) f. (inlnu-ho) de vermindering, verkleining j — minu— tissimum, n. liet kleinsle, KcriiiRste; pi. minutissima, de allerkleinste onislandlg-liedon. Ij. v. van een voorval; — minutiën (spr. I—Is) pi. (minufïae) kleinigheden, niotsho-iliiidende dingen, vodderyen, ook minuto-riën; - minutiëus (spr, l=ts) nw.lal. (fr. minutieux) kleingeestig; — minuut, r. (van \'1 lat. miiiritus, a, um, klein; miuutu, siil. pdi\'s) liet OOste deel van een geheel, inz. van een uur, ook, naar de sexageslmaie venleeling, van eenen grand In de aardrgksknnde, In de meetkunde; in de bouwkunde het liile, ISile, Wiste of (iOste gedeelte van eenen modulus; in de sehilderkunst het 48ste deel van de lengie des hoofds; naar de cenlesimale verdeeiing Is eene minuut in de wiskundige wotonschappen het IflOsie gedeelte van een graad (centesimale minuut); oneig. een zeer klein tUddeciiJe,oon oogenhlik, ommezien, a m er y; — minuut of minute, f. Jur. het eerste selirifteiyk ontwerp, opstel, concept, het origineel van eene openbare acte, van een contract enz. (omdat liet met kleine letters placht geschreven te worden, In tegenst. met de grosse, z. aid.);

— ttllu mimila of al minülo, II. In\'t klein (handel dryven); — minuteeren, ontwerpen, ten paplere hrengen, het klad, concept, de m 1-iiute van een opstel maken; ook wel op iets peinzen, met Iets zwanger gaan, iets In den zin hehben; — minutist, in. een kleinhandelaar, kramer, z. v. a. detnlileur, in tegenst. met grossier; — minuutglas, n. een klein zandglas op schepen, dat éene minuut toopt (men bedlenl zich sedert lang by de loglyn alleen van het huif- cn kwart-ml-nuutglas).

Minx, m. eene soorl van kleine otter In de noordduitsche cn noordamerlk. rivieren; vandaar minxvellon, noordamerlk. ottervellen als pelswerk.

Mioceen, z. eüccen.

min ennln, II. afgek. m. c., Kmt. mijne of op mUne rekening, ook per mio, voor mUne (rekening), voor my.

Miosis, f. gr. z. nielosls.

Mi-parti(e), z. ond. ml.

Miq., by natuurwetenscli. Iienamingen afk. voor F. A. W. Mlquel (gest. 1871).

Miquelets, in. pl. fr. (spr. mi-k\'li: sp. miqueleles) krygs- en roofzuchtige herghewonci\'s, spaanschc bandieten in de znideiyke l\'yreneën, die ais soldaten een soorl landweer nitimiken;

— fransche miquelets, een door Napoleon In 1808 gevormd korps om tegenover de guerillas te staan.

Miquelot, m. fr. (spr. mi-k\'ló) een bedelend pelgrim, die, onder voorwendsel van eene bedevaart naar SI -Michael, loopt bedelen, een huictielend hodeiaar.

Mira, f. lat. zekere ster; mira [slella Ccli), de wonderbare ster in (hel sterrenbeeld) de quot;Walviscbquot;. een vaste ster met periodiek afwisselend licht.

Mirabéllen, f. pi. fr. kleine roodachtig bruine of gele ronde pruimen van voorlretfciy-ken smaak (naar de slail Mlraheau, lat. Mira-bella, benoemd).

mirahflis, c, adj. lat. (van mirari, zieli verwonderen) wonderbaar; — mirabfle nuifilu, wonderbaar om te booreii; — mi ra luie diclu, lat. wonderbaar om Ie zeggen; — mirabtle visu, wonderbaar om te zien of Ie aanschouwen; — mirabilta ol mirabiliën, n. pl. wondertyke dingen, wonderiyklieden; — mirabiliteit, f. (later lat. mirabiltlas) de wonderhaarheid, he-wonderenswaardlgheld; — mirakel, n. lal. jnirun/lum) een wonder, wonderwerk, eene hoogst buitengewone zaak; ook de naam van geesletyke tooneelspelen, voornameiyk in Krunk-ryk en ICngeland; — miraculeus, adj. nw. lat. (fr. miraculeux) wonderbaar, verbazingwekkend, naar een wonder gelijkende, wonderdadig

Miradsj, m. arah. (m\'irddsj, van \'arml-sja, opstygen) het heinelvaartsfeesl van Mo-hained.

Mirage, f. fr. (spr. mirddzj\': van mirer, spiegelen) Inchlsplegellng, z. v. a. fata morgana (z. aid.)

Mirakel, z. ond. mlrabills.

Miramolin, m. naam der arabische kha-lifen iiy de sciiryvers der middeleeuwen, eene sp. verbastering van hel arah. emir al mneme-nln, vorst der gctoovigen.

Miranda, lat. (van mirari, bewonderen) vr.naam; de bewonderenswaardige.

Mirareh, m. nw gr. overste.

Mirawoi-ssudja of gew. afgek. mir-awoi, russ. (v. mir, vrede en ssudilj, riclilen, veroordeeien) de vrederechter (In civiele processen by een vordering onder üllll roebels).

Mirbaan-essence of mirbaan-olie, f. hittere amandelolie, eene iBtherische olie = nitrohenzól.

Mire, f. fr (spr. mier\') hel vizier aan schietgeweren; ook hel merk-of rlchlleekcn aan vor-rekykers; — mireur, m. do verrekyker der kustwachters.

Miri, n. perz (mirt, d. I. eig. vorstelijk, ko-nlnkiyk, van mir = arah. emir, vorst, koning enz.) de kelzerlyke of koninkiykc schat, ryks-scliat; — miri-liva, z. ond. i I v a.

Miriade, z. myriade.

Miridieten, mirdieten of miredie-ten, pl. eene kalholieke volksstam van de Al-baneezen.

Mirliflore, m fr. (elg. iemand, die de bloemen bewondert, v. \'I oudfr. mirer, bewonderen, opmerkzaam beschouwen, bel lidwoord


-ocr page 815-

MISERABEL

MIRLITON

U, do, «ii flnr, hlocm) i\'cn pronker, modoheer-IJe, salctjonkor.

Mirliton, in. fr. rletllulljo, aan heldo zijden Roslotcn met nlvliesjes.

Mirmiran, in. perz. hoor dor hoeren, titel der tnrkscho landvoogden of stnilhoudors van provinciën.

Miroton, n, fr. con (?eroeht van (.\'Oiykniii-Ilui\' snoetjes vleescli of vlscli onz., die krans-vornilK o|i don schotel zijn opgediend, zoodat liet ledig hiyvend midden mot saus, ragout enz. gevuld Is; — en mirnlon, kransvormlg.

Mirro, z. myrrhe.

Mirt, z myrt.

Mlrza, m. perz. (mind, of vollediger mlr-ziiilch, van mir, vorst, en zdilch, zoon) oen vorsten- of hooronzoon, prins, li. v. A h li a s-Mlrza-, In \'t algemeen oen voornaam man\'.— vóór den naam z. v. a. hoer, h. v. Mlrza SJaffy, een der nieuwere turksche diciitors uit Goorgiü.

Mis, f. (fr. en tioogd. mme, II. mmn, sp. mistt, van \'t later lat. misna. Iieonzending = missfo, ontstaan uil de woorden van den geos-telUke: He, mista est, sell, mucin of ecclesia, d. 1. gaat, de vergadering Is afgeioopen, waarmede do algemeono godsdienstoefening voor Iedereen, die nlot aan het Avondmaal wilde deelnemen, was geëindigd) t) de r. kath. Avond-maalsvioring; In engeren zin: het officium of altaargetied, ook de inzegening van de hostie, waardoor do transsuhstantlatlo plaats heeft; is de muziek met de mlsplochlighoid verlionden, zoo heet zü doorgaans eene hoogo mis (missa solemnis); ook een geestelijk muziekstuk, dat gedurende de mis wordt uitgevoerd (In (i afdoellngen; A\'i/rie, Clorin, Credo, Sanclus, lienediclus on Annus Dei)-, missa prn defmelis, zielmis voor afgestorvenen.; 2) eon openharo verkoop van levonsmiddelon en koopwaren, waartoe de sterke toevloed van men-schen ter viering van het Avondmaalsfeest aan-vanke\'Hjk aanleiding gaf, do kerkmis (verhas-tord lot kermis), de jaarmarkt, Inzonderheid In Dultschtand, te Leipzig, te Frankfort a/M en te Brunswyk; vandaar mis goed, mlswa-ron, enz.; ook eon geschenk van de mis, een mlsgoschenk; miskatalógua, m. lüst der hy elke hoekennils nieuw vorschUnondo werken;

— missaal, missale, n. nw.lat hel mis-lioek, dat de geileden en zangformnlioren der r. kath. Avondmaalsviering hovat; missaal, hy hoekdrukkers; eeno groote soort van drukletters (waarmede vroeger do mishoeken geschreven en gedrukt worden) voor hoofdregels op titels en dgl. (z. drukletters); — missalia, f tietgeen den priester hy eene begrafenis voor eene zielmis hetanid wordt.

Misaine, f. fr. (spr. miteii\': eng. mizten, v. It. metzana, z. mezzo) het fokzeil, de fok.

Mi-saison, f. z. ond. sal son.

Misalethie, f gr. (v. misan, haten, en a lét hela, z. aid.) afkeer van de waarheid;

— misandrie, f. (van anêr, genlt. andrós.

man) afkeer van do mannen, mannenhaat; — misanthroop, m. (van dulhrojios, nicnsclij een mensciienhalor, een monschenschiiw, won-deriyk, grillig, verdrietig, ongezellig mensch;

— misanthropie, f de menschenhaat, tncn-schenschuwiield, ongezelligheid, hehiieiyke vor-drieteiykhold, lerugstootende manieren (tiet tegendeel van ph 11 an 1 hropIe); — misan-thröpisch, adj. mensclienschiiw, ongezellig, onvriendeiyk, terugstootend; misautie (spr. l—ts) f. zelfhaat, zelfverachting.

misce, z. ond. ml se eer en.

misceeron, lal. (miscire) mengen; — misce, afgek. in., op recepten; meng! — misce, da, signa, afgek. m. d. meng, geef, teekeii; — misce, fiul pulms, afgek. m. f. meng, maak poeders; — misceiilur, hel worde gemengd; mis-cedlur, detur, het worde gemengd, gegeven; hene misceatur, het worde goed gemengd (op reeepten);

— miscélla, f. nw.lat. Jur. eeno laatste wiis-hepallng, die aan de vrouw, als erfgeniiine liaars mans, een tweede huweiyk verhledl; — mis-cellanëën, n. pl. (lat. miscellanHa, miscélla, pi. n. van miscellaneus, miscellus, gemengd) gemengde opstellen; gemengde zaken, een allerlei, poespas;- miscibel, adj. nw.lni. meng-liaar, to vermengen; - miscibilitoit, f. ver-mengliaarheld.

Mischmisch, m arah. {misclnnisch, masch-mitxeh, perz. maschmaschd) eene soori ahrlko-zen, inz. gedroogde alirikozon, een voornaam handelsartikel der Inwoners van Damascus in Syrië.

Mischna, z. talmud.

miscibol, enz. z. ond. ml see eren.

Miscrediot, n. ned.-fr. (vgl. crediel) de kwade naam, hel verminderd, gedaald vertrouwen of aanzien.

Misdemeanour, n. eng. (spr. dimèn\'r) clg. slecht gedrag; la het eng. rectit: vergrUp, mlsdryf.

Mise, f. fr. (spr. miez\'; van mellre, zetten) kleedy, gewand, opschik enz.; de inzet. Inleg hy \'t spel, hij eeno handelsondernomlng, eene lolerg enz..; — mise en iiai/es (spr. mizuiipauzj\') liet opmaken van gezel drukwerk In kolommen en vormen; — mise en scène {spr. mtez\'uii sèn\') Inrichting voor het tooneel, de tooliereidseis voor de opvoering van een tooneelstuk, Inz. nis hel voor de eerste maal gespeeld wordt; ook de wyze waarop men tiet opvoert.

miserabel (spr. s=j) adj. lal. (miserabï-lis, e: van miserari, hejammeren, van miser, erharmeiyk, ongelukkig) liejammerenswaardlg, heklagens-, hetreurenswaardlg, ellendig, armzalig, erharmeiyk, jammeriyk; - misorabili-teit, f. nw.lat. de erharmeiykheid, hetreurens-waardlgiieid, armzaligheid enz.; misera con-Iribuens plebs, lat. hot arme, belasting heta-lenile volk; — miseratie (spr. I=ls) f. (lat. miseralïo) het erbarmen, beklag; - misère, f. (spr. mizér\': van \'1 lat. miserfa) de ellende, nood, armzaligheid, orbarmelgkheld, jammer; In sommige kaartspelen, h. v. tiet boston: tiel


-ocr page 816-

MISTRESS

MISKAL

79«

spel, waarbU men opzotteiyk nlol óonon slnu haiill, ook nrande misère, d. I. tri\'o»! mlsèro gohoelcn; terwijl men hel spel, wanrliij men éene kaart ecarleert en dan al do slntren haalt, petite misère, kleine misère, heet; — misère fnrcée, een tussehenspel In het hoston, waaneer niemand een spet aangeofl, en waarhy dlcgono verliest, die de meeste trekken maakt; — Misère ourerte (spr. —newért\') of m. sur table (spr. —suur liihï) openKeleüde misère, waarhy de speler zijne kaarten epentORt, zonder nochtans eenen trek te maken; — miserere, n. lat. (imperat. van miserëri, zich erbarmen) 1) een r. katti. kerkgezani? (psalm S7), dat niet de woorden miserere, mei, Dnmtne.\' (Meer, er-barm n mUner!) aanvaiiRt; -2) Med. do darm-Jichl, darmkronkel, tiot drekhraken = Heus;

— misericordia, r. lat. (dg. medelijden, harmhariigheid, v. miserëri, zich erbarmen, en eor, genii, cordis, iiurt) In de kioostors; wal tegen den ordesregel aan de monniken wordt gegeven; - misericordiee, r. pl. de sloe-len, waarop oude en zwakke geestelUken by de godsdienstoefening zaten; — miscriconCtns Pnmfni, lat. (de harmhnrligbeid des lleeren enz.) de tweede zondag na Paschen, zoo geheel en naar hel met itte woorden beginnende lal. misgezang, psalm Si).

Miskal of liever mitskal, n. arah. (v. Isakalu, wegen) In \'talg, een gewicht; Inz. een gewicht te Algiers van IJ drachme = i,S gram, eene goudmunt in Afrika (ook metilml, me-tekat, ml t ka Ie, mill kal).

Misln, f. een drank der Indianen, uil do vrucht der platanen bereid.

Misogallo, m. gr.-lat. (v. misltn, haten en Callus, OaliiBr, oorspr. bewoner van Krank-ryk) een Franschenbater, vijand der t\'lansctien;

— misogamie, f. gr. (v. niiinos, echt, lm-welijk) de hiiwetyksverncliting, afkeer van den echt; — misógamus, m. een huweiyksba-ter, oude vryer; misogamisch, adj. echt-schuw, hang voor \'I huwelijk; misog^nes, m. (van fiunr, vrouw) een vrouwonlmter; — misogynie, f de vrouwenhaat, afkeer van vrouwen; — misogynisch, adj. vrouwen-halend, schuw voor vrouwen; —misókalos, m. gr. een vorachier van hel schoono en goedo-,

— misokapnos, m. een vyand van den rook, inz. van liet labaksrooken; — misokos-mie, f. verachting, afkeer van den opschik;

— misoloog, m. een verstandsverachlcr, redehater, vyand der wetenschap; — misolo-gle, f. de verstandsbaat; de verachting van de wetenschappen; — misológisch, ad), hol verstand, de wetenschap verachtend of hatend; misopögon, m. een baardvyand, haarclbaler; — misoponïe, f. de afkeer van den arbeid; — misopsychie, f. de levens-zatheid, afkeer van of verdriet In het leven;

— misoptochos, m. een armenhater; Iron, de jicht, hel podagra, omdat de armen zoo schaars daarvan bezoek krygen-, — misoso-phio, f. haat tegen de vvysbeld, legen de wysbegeerte; — misoxenio, f. de haal tegen vreemdelingen.

Miss, f. eng. (afkort, van mistress, z. aid.) juffrouw, mejutlrouw (etg. eene dochter uit den lageren adel In Kngoland); bet wordt geplaatst voor den doopnaam, hy de oudste dochter eener familie evenwel voor den naam des vaders.

missa, missaal, missalia, z. ond. mis.

Missie, f. lat. (missïo, v. mittSre, zenden, ontstaan eaz.) het ontstag, de vryialing; de zending, afzending; de opdracht, tast; een tiekee-rlagsgezantsebap, uitgezonden geestetyken Ier bekeering van de ongeloovtgen; — missin ca-iinnïca, de van de geesletyko auloriteit verkregen bevoegdheid om katholiek godsdtenstonder-wys te geven; — missïo in partes (infiiietium), zending In oorden of landen dor ongeloovtgen, d. I. nlet-chrtstenen; — missio in possessionem, ln-bezll-stelltng door do overheid; —missiecollege, z. congregalle; — missio-maan, m. Iemand, die dvveepl met een hem opgedragen missie, die vast gelooft, dat het noodlot hem lol eene byzonderc zending beeft geroepen; —missionarïus, nw.lal., missionaris of missionair (fr. missionnaire) m. een zendeling, hekeerlngsgezant, beldenbe-keerdor, geloofsbode; —m(ssi reipi, pl. konlnk-lyke afgevaardigden of zaakvoerders; — missive, f. fr. (nw.lal. missirum, mtd.lat. inissïva) een zendbrief, brief, boodschap, inz. van oenen amhteaaar aan zyne onilorhoorigen; eene sluil-hare lascb, waarin staatslieden elkander geheime papieren toezenden; — missüra, f. nw lal. het laatste oliesel by de eng. kalhollekon.

Missighit, f, eene Intandsche moskee (op Sumatra).

Missiliën, pl. fat. {missilia, van mittëre, zenden, wegzenden, wegwerpen enz.) weg te werpen, prys te geven zaken, b. v. geldsluk-ken, die by plechtige gelegenheden onder het volk worden geworpen.

Missionaris, missive, enz. z. ond. missie.

missisipiensis, e, lat. Hot. van de Mississippi iifkomstlg; — missüriensis, e, lal. Hol. uit Missouri (N.Amerika) afkomsllg.

Mistato, m. voor ISTi eene oliemaat op Candla van 11,(1 lol tl,!) liter, aan gewicht ongeveer 10,2 kilo.

Mistra, f. It. een drank uit foezel en anys.

Mistral, m. fr. (z. v. a. ma est rale, z. aid.) do noordwestenwind In het zuidoosten van Frankrijk.

Mistress, f. eag. (oudfr. maistresse, m. = fr. mallresse, z. aid.) eig. meesteres, gebiedster, vrouw; inz. 1) (spr. missis) het woord, waarmede men gehuwde vrouwen aanspreekt (z. v. a. madame), echter alleen in verband met den familienaam gebruikt; men zei bel vóór den doop- en den familienaam des mans, hy de vrouw van het hoofd eener familie voor den familienaam alleen; i) (spr. mistris) on-ochtetyke bUslaap, hyzlt (mail rosse).


-ocr page 817-

MITAINES

7fgt;7

M0J51KL

Mitaines, l. pi. fr. (spr. mi ten\': v. colt. oorsprong: lorsth en kuoI. mulan, miliniuh, mulofi, miolnfi, miolan, mileun, mealag, van math, lit1 liiiml; urnior. mitlain, mlil.lal. mila, mitanu, millanu) Wiinlon, vulslhanilscliocnon, liatidsclioonen zonder vingers, pelslianilsehoeiion.

Mitélla, f. lal. (vorklw. v. mitru, ■/.. alil.) een hoofdband; Chir. een armilraaghanil.

Mithra cn Mithras, m. ile porz. zonnegod of het hoogste wezen onder hel hceld der z o n li(i de oudste Perzen.

Mithridaat, n. een tegengift of middel tegen vergiftiging, naar Benen koning in i\'on-tus, iMIthridates (omstreeks 120 Jaren vóór (;iir.) dus genoemd, die zich, om voor vergiftiging hovelllgd Ie zg», aan allerlei soorten van tegengift gewonde en die hovendion ook door zijne veelomvaltonde laalkeimis lol spreekwoord is geworden, daar hij, naar men vorhaall, niet minder dan 22 talen sprak; — mithrida-tisch, adj. wat op Milhridatos hotrekking heefl, li. v. de drie iniüiridatische oorlogen (van SK tot 7S Jaren voor Ghr.)

mitigeeren, lat. (miliuare, v. milis, zachl) verziieliton, matigen, bevredigen, geruslstollen; — mitigantia (spr. tia=lsia) pi. Med. vor-zaclitondo omstundigheden; — mitigant (lal. mitigms) of mitigatief (later lal. mitUjati-vus, a, urn) adj. verzachtend, voriiebtond; — mitigatie (spr. Iie=lsie) f. (miligatto) de vennchting, vorilcliting, vorwooking; — mitina-lïo iwcniie, de verzachling der straf. Mitikal, mitkalo, z. mil kal. Mitkal, m. russ. (uit het porz. milzttdle) oosllndischo ruwe (d. 1. ongebleekte) katoenen stof, grof per kal, z. aid.

Mitosthenomoter, m. oen door Calll-netli uitgovonden garendynamometer

Mitra, f. gr. en lal. oorspr. band; lijfhiiiul, gordel; gew. hoofdband, mnts, luiif; inz. his-schopsimits, eon hoofdsieraad der r. kaih. gees-toiykon = 1 n f u 1; mitru Hipimrülis, eig. de muts van lllppokrutes, oen chiiurgisch hoofd-vorband; — mitraal, adj. nw.iat. muts- of huifvormig; — mitralis, f. [vatviïtn mitnitis) Med. de mulsvormige harlkiop.

Mitraille, f. fr. (spr. —trdlj\': met ingeschoven )■ voor \'t oudfr. milaille, oone kleine kopormunl, oud (jzorwork, van \'I oudfr. mite, nederl. mül, inid.lat. mila, een kleine viaam-sche kopermuut, o.orspr. iels kleins, nietigs; vandaar bel angels, on eng. mile, hoogd. miele, in (j 1, zeer klein wormpjo, kaaswormpjo) kleine ijzerwaren; Mil. gekapt Uzer of lood; schrool, karletsenscbot; — mitraillooron, mot kartetsen scliieteu; dooilscliielen met schrool; mitrailleur, in. of gew. mitrailleuse, f. oen spuilkanon, schrool braker, rovolverkanon voor karietskogels, een nieuwerwelsch krügs-worktuig, iiestaande uit oen aclitkantige buis, waarin 2quot;gt; samengesmede loopon vereenigd zijn.

mitteeren, lal. (miltSre) zenden, afzonden, sturen; laten gaan, afscheid geven; — mittimus, n. eng. (v. lat. mi/tïmus, w ij zenden oen gorochteiyk hevel aan een andore rechtbank, om acten over Ie zenden; ook een hevel tor Inlieclilonlsneniing.

Mixsethne, f, of mixsEthrion, n. gr. (mij-aithrid) afwisselend, gemengd weder; — mixeolyse, f. gr. horoidliig \\aii zuivere inengvervon door vormonging barer oplossingen.

Mixlustre, n. eng. (eig. mixed, gemengd, lustre, iicblsehomer, glans) een uit wol en ka-toeiL gemengde kieedingslof mei weerscbyn-glans; mixpickles, n pi. eng. (eig. mi.red pickles, v. mix, iiH\'ngen, en pickles, z. aid.) met azijn, peper enz. ingemaakte groene vrucliton en piantspyzen van verscliillende soort (vgl. a ciila).

Mixtie (spr. /=«) f. lal. (mixïïn of mis-tin, v. misccre, mengengt; de menging; mix-tum (v. mixtus, u, um, gemengd, parlic. \\. misccre) n. hel gemengde; — mixtum compositum, Iels dut door vernionging is sanieiigesleld, iiiongcimoos; — mixtuur, f. (lat. mixtnra oen mengsel; in/.. artsenUmcngsoi, gemengde drank (afgok mix/.); ook versterkend orgelre-gislor, dal op Iedere tools door vele kleine pü-pon de octaaf, lerls en quinl laai meeklinken.

Mizar, z. end. al loth.

Mjölnir, m. noordsche Mylii. de sirydha-nier van den dondergod Thor.

Mna, f gr. z. v. a. het lat. mi na, i. end. mine 2).

Mnemöon, n. gr. (mnênicïoii, v. mnêmê, geheugen, herlmiering) een herinncringsteoken, aandenken, godenkleekeii; — mnemom\'ka nf mnemonoutiek, f. gr. (mnemoniké, sell. téchnO, kunst, \\aii mnrinon, gedaclilig) de her-Innorings- of gehougenkuiisl, d. 1. de kunst om de kracht des geheugens door zekere hulpmiddelen te ondersteunen; — mnemom\'cus, m. een leermeester, ervarene In die kunst; — mnemónisch, adj. de geheugenkiiiist be-

Ireffondo; — Mnemosyne, f, debeiin.........

bel geheugen; Myth, de godin van hel geheugen, dochter van Uranus en do aarde, moeder dor a Muzen, die Jupiler by haar vorwokio; Astl\'. een in issil door l.uibcr oiildekle asle-roïde; — Mnemosyniden, r. pi. een by-nanni dor miizen (z. aid.); — mnemosy-non, n. z. v, a. nine me on; — mnemotechniek, f. z. ia n e m o n I k a.

Mo, japan, z. v. a. meh.

Moallakat, f. arab. (van alika, hangen het opgehangoiio, naam van 7 arab. gediclilen uit den lyd van Moliamod, die wegens hunne voorlrolfeiykhoid in den lempel Ie Mekka werden opgehangen.

Mob, f. eng. (afk van mobile, en dll \\. lal. mobile ruluus, het heweegiyke gemeene volk) het gemeen, het grauw.

mobiel, adj. lal. (mobïlis, e, van movëre, bewegen) bewoegiyk; Mil. niarsch- of (ocht-vaardig; mobiele colonncs, Iroeponafdeo-llngen, die oen land zywaarls van de groote wogen doortrokken, om marodeurs op te lichlen; — mobile, n. bet beweegliare; primum


-ocr page 818-

MOCADE 708 MODEREEREN

mobile, ilü corslo liowoogkruchl, dryfvccr, bo-wooBrodcn-, — mobile perpeltium, n. aliyililu-rendc beweglns, eoii door velen no/.ocht, inuar sils oinnoKciyk Ie boschouwen werktulK, dal, eenniiial In ^aiiK gehruebt, zyno bewoging on-oplioiKleHjk zonder hulp van hullen voortzet;— mobiliën (mnbllia] of moubolon, pl. z. nieubel-, — mobiliair, mobilair, n. n\\v. lat. de Kezilinoniykii roerende of bewoeglmro goederen, Inz. het huisraad; mobiliseo-ren (spr. s=t), mobiel maken, Mil. he-weegiyk maken, In uiarsebvaardlgeii slaat of op den voel van oorlog brengen, stollen, uitrusten, wapenen; — mobilisatie (spr. -za-lsie), mobilisoering, r. de beweegiykmaklng, do ultiusting, wapening, het In marschvaardlgen staat brengen; — mobiliteit, f. lal. (inobi-lilas) de howeeglykbeld, vluchtigheid, onbosten-dlghold.

Moeade, f., z. moquotte.

Mocassins, pl. (In de Algimi|nlnlaal; m»-liisin) riemschoenen (sandalen) der Arabieren; de ruw-loderen schoenen der noordamerlkaansche ludlanon.

Mocca , mocha--, z. mokka.

Moccolótti, pl. II. (v. slag. mocrolélln, verklw. van muccolo, stompje, eindje kaars) do lichtjes (by het carnaval te Korne).

Mochlui, f. gr. (van mochlds, hefboom) Chlr. herzetllng van ontwrichte hoenderen door hefhoomen of katrollen.

mock, eng. {In mock, spotten, nailpen) nagemaakt, onecht, valsch; mock, n. eng. ruwstaal, sinellslaal, slaalachllg ijzer; ~ mock-turtlesoup, f. eng. (mok-lur-l\'l-soep! van mock, onechl, luiile, schildpad, en soit;), soep) onei\'ble, uil andere beslanddeelen hereldo schildpadsoep.

modaal, adj. nw.lat. Ijnodalis, r v. modus, ■/.. aid.) door verblindingen bepaald of daarvan afbankeiyk; modalis, m. dram. do vorboudlngsnaamval (casus), die hot hoe nll-drukt; - modaliteit, f. Phil, do wyzo van zijn, gesleldheld, do verhouding oener zaak lol hot ilenkonde subject, lot het kenvermogen, welke verhouding drieërlei kan zyn: als mo-ge I y k he 1 (I, wo r k e I y k h o I d en nood w e n-illgbeld; de bywezeniykheid, bol toevallig onilerscheld, byondorscbeld.

Mode, f. fr. (van \'I lat. modus, z. aid.) de w(jze, manier, hel lydsgebrulk, do gewoonto, de drachl of de wyzo van kleederdracht, de tUihuaal, liet vrranderiyk gohrulk, dat van den smaak en do grilligheid afhangt; —a la mode, medisch, naar de mode, naar den nlonw-sten smaak, naar bel gebruik van den dag; — mode-artikelen, modewaren, voorwerpen van den heerschondon smaak; — modern, adj. (fr. moderne, II. moderno, laler lat. mo-dérnu.i, u, urn, waarschljniyk niet van modus, maar van \'I adv. modo, juist, nu) bedendaagsch, nieuw, gebruikelijk, naar den laalslen trant, in don jongsleu smaak, nieuwerwetsch; van kunsten ilichlwerkeii; wal don eigenaardlgen slem-pel van het nieuwere, d. I. van den chrlsle-lyken tyd aan zich draagt, in legenstelling niet antiek; — moderniseeren (spr. s=z), vorhedendaagscheii, naar den nlcuwston smaak inrichten; — de moderniseering, de verandering, wyziging naar den hoileiiilaagschen smaak; — modernisme, n. harb.lat. de nieuwe tydsmaak en de verkleefdheid daaraan-, — modernist, m een aanhanger en vereerder van den nieuwen tydsmaak; — modist, m. een moiiehanilelaar, tooi- of opschlkmaker; fom. modiste; ook de naam dor schoonschrijvers vóór de uitvinding der boekdrukkunst.

Modél, n. (it. mndi\'llo, fr. modèle: van I lal. modülus, verklw. van modus) een voorbeeld, monster, voorschrift; l\'lcl., een geheel of gedeelteiyk naakt persoon, of ook eene ledepop, als voorbeeld of voorwerp der sludle van den kunstenaar, inz. oen schets, ontwerp of voorafgaande voorstelling in hel klein; ook een verdiepte of holle vorm om oen amlor lichaam daarin Ie gieten; modelleeren (II. mo-dellSre, fr. modeier), een model, oen vorm maken, iels In bet klein voorstellen of maken; — modelleur, modelmaker, monster-, vorm- of voorbeeldmaker; modeleercarton, n. een pront met liguren, die uitgosnoden kunnen worden, om uil- en in elkander te zetten, als oefenspoi voor kinderen.

modereeren, lal. (moderare en mode-nirl) matigen, verzachlen, bedaren, beperken, io loom houden; — moderaat, adj. (lat. modcralus, n, uw), gemallgd, geialon, boilaard; liiliyk, besclieiden; — moderitUi lutela, t. Jur. gematigde of lorughoudeado noodweer; inode-rulum sputtum, een gomallgd ullstol, biliyke termyn; — moderaio, it. Muz. met gemallgde beweging, matig; moderados, pi. sp., de gemaligdon, als polilleke party tegenover de exallados; moderamen, n. lal., de besluring, leiding; matiging; moderamen in-culpulae lutèlae, n. de voroorloofdo tegenweer, noodweer, het recht inn, wanneer men door Iemand met doodeiyko wapens wordt aangevallen, dozen Ie dooden, in geval er geen ander reilmlddei overhiyfl; moderantisme, n. nw.lal;, hol maligingssteisei, de geest der gcmatlgdhoid, oen gematigd rogeeringsslelsei, grondslelllngen en gezlnilhedon der matiging en zaclitzinnigheid in slaalszaken; moderan-tist, m. ecu goinatigde, zachtgezinile, inz. in staatszaken; — moderatie (spr. l=ls), f. lal. {moderatio) de matiging, verzachting, heza-digdhelil, bescholdeidioid, inboudlng, iutoomlng dor dnflon; gemoedsrusl, geiykiffiiHligheid; — moderalïo exiiensurum, f. geroclilciyko mallglng, schikking of vermindering der kosten; m. (inentte of poeniirum, verzachling dor toegewezen straf of stralTon; moderator, in. (fr. modéralcur) bestuurdor, leider, regeerder; aan eene machine hel sink, dal de beweging ma-ligt en regelt; moderateur-lamp, f. naam van eene soort van lampen, waarby de toevoer van olie zeer geregeld plaals beeft.


-ocr page 819-

MODÉRN 799 MOED\'Oll

Modérn, moderniseeren, modernisme, enz., z. oud. inodo.

Modést, mij. lilt. (inoilistus, u, urn, van modus, de iniiut) Militie, boschi\'idon, zeillft, eur-haar, sleinmlg, stalij, Ingelogon, kulsch; — Modésta on Modostme, vr.naam; do licsclicldcnc, zcillno; — modésten, pi. iron. hciiiimliiK voor brook; — modestie, f. (lat. nodesCfu) het gomatlud KodriiK, de lioscheiden-hctd, zedlcht\'ld, oorbiinrhold, steniinlnlield, In-Stetogenheid.

moitteus, «, um, lat. (van modus, de maat) do lioliooi\'Hlko maat In acht nemend, matig, maathnndoad, geinutlKd; — modfru mslinalw, f. lat. eono matige tuchtiging; — modfee, adv. matig, met mate, spaarzaam; modiciteit, t. nw.lat., do goringheld, mlnheld; — modi-fleeeren, lal. {modificun, v. modus, maat, on fucfre, maken) hrhooriyk afinoton, volgons do maat bopulon, Iets zynon vorm nf züno gedaante geven, wijzigen, andors ot nader lio|ia-lon, bepalen, lioperkon, verzachten; - modificatie (spr. l=ls), f. (iniiili/lcntw\', do maatbepaling, verandering, geclaantegevlng, schikking, nadere bepaling, b. v. van een begrip; wijziging, beperking, verzachting.

Modillo ut raondello, m. it. (vorkiw. van iiiodn, lal. moilus, maal) voor ISlit oone korenmaat op SlclilO = salma = J tómoio

= i.iiiw i,.

Modillon, n. fr. (spr. modi-ljón: II. mo-difilinne) Arcb. liet sparrenhoofd, een sieraad onder ile kornis of krooniUst.

Modiolus, in. lal. (vorkiw. van nwditisi, eig. oen nmaije, kroesje, kop; eono iioonboor nf trepaan, of liopaaldelilk dat gedoolic dor trepaan, waarnieite geboord wordt.

Modisch, modist, ■/.. ond. mode. mmlo, adv lal. Ihans, nu, tegenwoordig (Inz. op scbuldhokenteiiissen, enz.).

inodo mco, enz., z. ond. modus.

Módul, in. (lal. mod til us, verklw. v. modus) eene maat, oon inaalslar, Inz. bij de ko-lommcnordcn en andere bouwsieraden; een glel-vorni; de munlinaal, de doorsnede der munten en medailles; de maat en afmeting: der tonoh en lettergrepen naar den tad; modu-leeron, lat. {modulari) ei}?, meten; afmeten, re^eeren; (l(^ stem laten rijzen en dalen, afwisselend met klimmende en dalende stem voordragen, de tonen leiden, huiden ; modu-latio (spr. I=ls), f. (lat. mndulatio) «Ie slem-Iml^ln^, toonleiding:, het rijzen en dalen der slem hij zangers en redenaars; de overgaiiK van de eene toonsoort in de andere; de wüze van voordracht.

Modus, in. pi. modi, lat. de maal; de wyze, manier; Mn/,, de toonsoort, wys; Gram. de verandertyke vormen van hel werkwoord, de wüze van spreken, de uitdrukking van den denkvorm, in welken hel onderwerp en pnedi-eaat door den spreker met elkander verhonden worden, n.l.: do indlcatlvus (modus) de aantoonende of onafhnnkeiyke wijs (h v. ik

I e e s, I a s); de i m pe r a t i v u s—, de hevelende, gehiedende, vermanende wys (lees, leest!); de e o n J u n e I i v us—, de aan- of hyvoegende wys, de verhindende, voorwaardeiyke, onzekere, afhankeiyke wys of de vorm der afhankelijke rede (ik wensehte, dat ik lezen konde); de 1 nfini t i vus—, de onbepaalde wys (die ten onrechte als eeno wyze van \'t werkwoord he-sehonwd wordt), waarhij men nog voegen kan de opt at i vus—, de wensehende wys (in de grieksehe spraakkunst); — csl modus in rehus, lat. er is in alles eene maal, alles heeft zyne maal en grens (\'t begin van een vers van Ho-ratius, dat in zyn geheel luidt: est modus in rebus, sunt cerli denique fines) — modus ar-quiréndi, de wijze van verkrijgen ; hel verwer-vingsmiddel; — m. conlribuéndi, de wyze van hydra«en, van kwyting; — m. major, Muz. de groote of harde toonsoort, z. v. a. dur; — m. minor, de kleine of zachte toonsoort, z. v. a. mol; — m. procedéndi, de handel wyze; — m. vivéndi, de voel waarop men met elkaar om-gaal, de wijze om met elkander te leven en in zaken met elkander om te gaan, schikking, transactie, waardoor hel mogelijU wordt dat slrydende part yen elkander wederkeerig verdragen; — bono modo, goedschiks, op goede wyze ;

— omni modo, op elke wyze, in ieder opzicht;

— quocunque of quo vis modo, op wat wyze \'l ook zy, op iedere mogeiyke wyze; — modo mco, naar myne wyze, naar mijn believen of welgevallen; — modo jmnénle. Log. onderstel-lenderwyze, onderstellend, aannemend; — modo tollénley ophellenderwyze, ontkennend; — od modum, naar wyze, zoodanig; — per modum, door middel van; — per modum actionis, door middel van eene aanklacht; /gt;. m. confessiónis, door middel van eene bekentenis; p. m. dele-qulionis, door middel van \'t overdragen van eenen last; p. m. excepliónis, door middel van eene tegenwerping; p. m. inslilulionis, door middel van erfmaking.

Mocazil, m. turk. de eerste beambte van oenen pasja.

Moebad-moobadan, m. de naam van het godsdienst hoofd der oude Perzen voor de hervorming van Zoroaster; hy werd later veranderd in dien van dest ouri-deslour.

Moebasjir, m. turk. (v. \'tarab. basjara, door eene boodschap verheugen, eene zaak behandelen) eene afgevaardigde of gevolmachtigde van tie turksehe rogeering in de provinciën.

Moochtar, m. arab. (eig. een verkozene) een turk. dorpsschoul.

Mooda., z. mueda.

Moodoris, m. arab. {moedris en moeder-ris, v. damsa, lezen) eig. een lezende, studee-rende; een leeraar, schoolleeraar, professor.

Moedir, m. turk. (arab. moedir, eig. iemand, die rondgaat, van da ra, rondgaan) de bevelhebber (gouverneur) van eene stad of van een groot district.

Mood\'or of moyd\'or, m. port. (samen-gel r. uit mocda de ouro, d l. goudmunt) eene


-ocr page 820-

MOHAGRIN

MOEEZZIN

800

oude porlugoesclio en lirazlllaansclio gouilmunl, in Kruzillü van 18:1:1 lol IH\'iti = loooo réis, In waardo — ii guldon; vrocffor = Ulioo réis, in waarde = li,:!.quot; gulden.

Mooézzin, in. arali. (van mam, hooien, liorlclilcMi, v. oezn, liel oor) de roeper, uitroeper der lililuien van de mi na reis dor mos-li ei! n in Turkyo.

Moefti, m. arab. (parllc. van fata, recht spreken) elji. rechtspreker, hesllsser, wetverklaarder; de turksclie opperpriester en te geiyk opperrechlei\'.

Moegik, z, moesjlk.

Moelagis, m. een uilgelezen ruller liU do Turken.

Moelasim or moelazim, m. turk. (eig. Iemand, die van een ander athangt, hem dient, v. \'1 arah. azama, aanhangen) z. v. a. Inilonaiil.

Moellah, m. een armenisclie priester

Moelteka, 1. turk. oen geschreven liur-Kerlijk lyfstraireiyk en godsdienstig welhoek In Turkye.

Moen, z. inaund.

Moenasehieton of Moenasjieten,

m. pi. naam eoner turksclie secte, die aan de zielsverhuizing gelooft en daarom zeer verschoo-nend mot de dieren omgaat.

Moenedsjim, pl. naam der perzische en turksclie aslrolugen, die als zoo vele orakelen In gewichtige omstaiidiglieden geraadpleegd worden.

Móensji, m. lurk.-hlndosl. en arab. (van \'I arab. nasja, oenen reuk bemerken, eene boodschap vernemen) een schryver, gehelmschryver; ook een leeraar, taalmeester, inz, van het hin-dostansch, perzisch en arabisch.

Mooradin, m. lurk. de voorzitter In de lataarscho laiidgerecliten.

Mooren, z. Mol ren en Pa reen.

Moosjik, m. russ. (v. moesj, man) boer, de gemeene man In tuisland; ook onelg. een ruw mensch.

Moesjiraat, n. turk.-lal. een district, landsafdeeiing; — moesjir-pasja, in. (arah. moesjir, een raadgever, geheimraad, ininlsler, v. sjdra, raden) raadslagen) een pasja van drie paardenslaarten, oen opperveldheer.

Moosoen, z. moe zon.

Moossellim, m. pl. turk. naam van de oude turksclie inililie, die een korps van :ioo(i rullers uitmaakte en vele voorrechten genoot.

Moesson, m. (fr. mousson, eng. monsoon, port. iiimij\'rio, sp. momon, inalelsch moestm, igd, jaargeiyde, passaatwind, oostind, mausim, muusam, van \'1 arab. mausim, bepaalde lyd, Jaargel ij, v. nmama, bepalen, kenmerken) naam der lydwlnden, wisselwinden, der In bepaalde Jaaigetyden regelinalig in eene zekere ricbllng waaiende winden in hel N.iyk gedeelte van den Indisi hen oceaan lusschen de kusten van Afrika en Azle.

Móéstafa, in lurk. mansii.: de nllgelezene, uitverkorene (v. \'larab. safi, rein zyn, kiezen).

Móéstesjar, m. lark. (eig. iemand, wien men om raad vraagt, van sjdra, raad geven; vgl. moesj Ir-pasja ond. moesjiraat) een staatsraad, onderstaatsinliilster des sultans, de een in 1 ministerie van blnnenlandsclie, de ander in dal der bullenlaiidsche zaken.

Moestóphi, in. turk. een ambtenaar by de admlnislralle; een gehelmschryver.

Moetakallimoen, arab. (van katama, spreken) eene der oudste mohaniedaanscbe sec-ten, pbllosopheerende vvysgeeren, bovennatuurkundigen.

Moetazileh of moetazalieten, m. pl.

arah. {moe\'lazihih, gescheidene, afwykende, v. \'azala, verbannen, zich terugtrekken) eene der oudste moliamedaansclie seclen, welke het leerstuk der voorbescbikking verwerpt en aan de vryiieid van den iiienscheiyken wil gelooft.

Moetossarrif, m. arah. de werkeiyke he-zitter of hekleeder van een sandsjak (z, aid.);

moetesselim, m. de tydetyke bezitter van een sandsjak.

Moezoen, m. arab. [inauzoen, eig. gewogen, bet juiste gewicht hebheiide van tvazana, wegen) een vóór de fr. heerschappy gangbare rekeiimunt in Algiers en Marokko, ongeveer 1,8 conl.

Mofette, z. in o u f e 11 e; — inz. plur. mofetten, zoogenaamde luchl- of gasbronnen, uilslrooinlngen van koolzuur uil aardsple-len in verscliillende oorden.

Moffel, in. (fr. mouflle, eig. vuisthandsclioen, mld.lut. mulfiila, mof; vgl. hel eng. muflic, inwikkelen, verbergen, wegmoffelen) Chem. eene gewelfde schaal van gebrand leem lot overdekking van den smeltkroes by \'1 cupolleereii; ook: fornuis van den vernisser.

Mogg, n. eene eng. katoenen slof, naar p 1 q u é geiykende.

Moggia, f. 11. (spr. módzja) eene voormalige vlaklemaal te Napels byna quot; are; — mouiiio in. (spr. módzjo; sp. moyo, fr. maid, v, lat. modfus, schepel) eene voormalige koren-maal In Italië; ook een vlaklemaal, helde van zeer uiteenloopende grootte.

Moghreb, m, arab. zonsondergang.

Mogilalos, m. gr. (v. mógis, met moeite, en lulctn, spreken) een moeieiyk sprekende, een stamelaar, stotterbaard; — mogilalia, f. hel stamelen, stotteren.

Mogilos of mogilleu, pl. (poolsch en russ. mogila, aardheuvel, grafheuvel) oude grafheuvels der Mongolen in de zuid-russlsche steppen.

Mogol of groote mogol, m. tilel der

inongoolsche helieerschers van llindosluii sedert ISib, aan wier heerscliappg de Engeischen in de vorige eeuw een einde maakten (zoo gebee-ten wegens afkomst van de Mongolen).

Moguette, z. m o i| u e 11 o.

Móhaboets, pl. oosllndlsche gekleurde kaloeiien stollen.

Mohagrin, in. pl. arab. (eig. mohddsjiv, pl. mohudsiiroena, van hadsjara, uil bet vaderland Irekken) de govluchlen, de aanhangers


-ocr page 821-

MOLÊTA

MOHAIR

801

van Mohumeil, ille zich te Medlnu om hem vor-zmnohlon.

Mohair, n. eiit!. (spr. móheor: vkI. molro) cono kemelsharen slof, het luiardoek; ook ccno naar hot li hot golUkcnilo stof voor dames.

Mohamed, /. Muhamed.

Mohar, f. hom,\', panlk, venkel- of Klerst-Ki\'as (Panicum) een voedergewas,

Moharrem, in. urah. (d. 1. elg. verho-den, v. harama, verhleden) de eerste maand In den mohamed. kalender, zoo genoemd, omdat daarin oorlog en strgd verheden Is.

Mohdtra, r. of vont varlus mohulrae, m. mohütrae iiuclum, n. ndd.lat. (v. \'t arah. moe-chAlarah, gevaar, waagstuk, van chalara, eene zaak verknopen, die men niet hez.lt) Jur. een schijnverdrag, een door helde partyen enkel in schijn gesloten verdrag, meestal om een ander, dat mot de wet in slrijd Is, daarmede Ie hedekken.

Mohawks, pl (spr. —haks) oen liyna uitgestorven, zeer krggsharilge stam der Imkerzen In Noord-Amerlka.

Mohol, m. Joodsch (van moei, hesnyden) de hesnyder, hij, die de liesnydenis aan do pas-gehoren knapen toedient.

Mohikanen, pi. een uitgestorven stam dor Indianen; do I» a Isle der Mohikanen een roman van Cooper; vandaar sprw. = de laatste van zgn geslacht, van zijn soort.

Mohoer, m. porz. (moe/ir, moehoer, eig. een zegel, zegelring) eene gouden munt In 1\'erzie en eng. Indle = 15 eomp. ropyen = /\' n.Ufl; oudere stukken tot \'21 gulden waarde.

Mohout, m. hindost. [mahoul, mahSwut) een oppasser of dryver van olifanten In O.Indle.

Moiré, f. fr. (spr. modr\') nok moor, n. (oudfr. mouaire, molière, eng. mohair, z. aid.. It. moerre, amoerre, sp. muer, mm\', waarsch. van oosterschen oorsprong; vgl. het hindost. mSghar, eene soort van laken) zydemoor, eene soort van gewaterde zyden slof; — moiree-ron, mooren, een gevlamd of gewaterd aanzien geven, h. v. aan lint; — moiré of gemoireerd, adj. gemoord, gewaterd of gevlamd; — moiré anlique (spr. uiiliék), ouder-wetsch moor; — moiré mélallique, metaalmoor, hllk, waaraan men mei een zuur een gevlamd of gemarmerd aanzien geefl, melaalverlak, ook atlashllk; — moirétte, f. moorachtig geweven stof.

Moiren of Moeren, f. pl. gr. {Moirai, van den sing, moira, d. I. deel, lot, noodlot), de godinnen des noodlots, z. v. a. Pa reen.

Moitié, f. fr. (spr. moa-ljé: provenr. meilal, It. meilicla, van \'I lal. medidlax, midden, helft; vgl. medium en m edit) te tl) de helft; de gade, wederhelft; d moil ié, voor de helft, half; — moitié doen, winst en verlies met iemand doelen, samendoen, li. v. hij het spel; In \'I alg. Iets op gemeenschappelyke winst of verlies met iemand ondernemen; hy den dans: mijne moitié, myn danser, dansgenoot, myne danseres, enz.; ook myn dlschgenoot, tafelhuur, dlschgenoote, enz.

vieudk nniiK.

Mokade, z. moquette; — mokas-sins, ■/.. mocassins.

Mokha-, moka-, mocha- of mok-ka-koffle, arahlsche koltlo (naar Mokha, eene slad aan den arahischen zeehoozem); — mokha- of mochasteen, ■/.. dendra-ga a I.

Mokoek, eene voormalige vruchtmaal In SyrIB, = Kin liters.

Mokoko, m. (vgl. m a cae o) de eekhoornaap, ook spinaap geheeten, omdat hij op de wyze der katten pleegt Ie spinnen; de rlng-staartlge maki (z. aid.).

Mokri, m. arah. de voorlezer In de moskeeën.

Mol., hy naluurwelonseh. henamlngen afk. voor .1. .1. Molina (gest. IHgti).

Mol, f. (van \'t lat. mollis, e, week) Muz. de zachte toonsoort met de kleine terts, In te-genst. met dur; ook wel voor m o Ito n, z. aid.;

— molaccoord, n. een drieklank In die toonsoort ; — molschaal, f. de daarhU hehoorende toonladder; — moltonen, zachte tonen.

molu of mola carnta, f. lal. Mod. een maan-of moederkalf, wanstaltige menscheiyke vrucht;

— m. salsa, gezouten olfermeel, waarmede men in de oudheid den kop der olferdleren heslroolde.

Molasse, f. (v. \'I fr. mollasse, weekelijk, zacht, v. mol, wou, week, z. mnllis) losse, zeer poreuse zandsteen, Inz. tusschen de Alpen en den Jura; molassen-formatie, f. eene aldaar verbreide tertiaire formatie uit den lijd der hruinkolenformatle, iosse-zamlsteenvormlng, heildlng van zulken zandsteen.

Molassen of muiassen, pl. (eng. molasses, molosses), z. v. a. melasse.

Mole, m. fr., z. v. a. molo, z. aid.; ook een dikke ronde toren met oen koepel.

Mole, f. fr. z. v. a. lat. mola (z. aid.).

Moleculen, f. pl. fr. (verkiw. van het lal. moles) deeltjes, holletjes, kogeltjes, h. v. hloedholletjes, enz.; 1\'hys. de kleinste stofdeeltjes = aio o m, of zekere groepen dier a t o-men; — moleculaire kracht, f. l\'hys. de aan deze deeiljes eigen kracht om elkander aan te trekken en af te stoolen.

Moles, f lal. de last, een zwaar, drukkend lichaam, h. v. een groot gohouw; de he-zwaariykheld, moeleiykheld, zwarigheid; — mo-lést, adj. (lal. mnléslus, a. um), hezwaariyk, lastig, ongelegen; molestie (lat. molesffa), molestatie (spr. Iie=lsie), f. hel bezwaar, de hezwaarlykheld, overlast, ongelegenheid ; ook wel pl. molésten. Iemand molesten aandoen of molesteeren, (lat. moleslare, fr. moleslcr) hezwaren, lastig vallen, overlast of ongelegenheid aandoen, plagen, kwellen, verontrusten.

Moleskin, n. eng. elg. mollevel: een soort lljne kleedorstof.

Molóta, f. port., molotte, f. fr. (van \'t lat. molrre, HJnwryven, malen) oeno soort van portugecsche vlsschershooten, de looper of wrgf-steon waarmede de schilders hunne verven lljn-maken; hg het katoendrukken: een en relief

ül


-ocr page 822-

MOLIK

802

MON

gcgravoerdo klelno stalen cylinder om een pn-troon nf te drukkon; vanduar; moletteeren (fr. moleler), een patroon door middel van zulke stalen cylinders In koper afdrukken.

Molik, m. (verbasterliiB v. moloch, z. aid.) een schrlkheeld, vogelverschrikker; een stuurscli, onuangenaain, terugstootond menscli.

Molimsme, n. de leer van den spaanschen Jezuït Molina (gest. 1001), dat alleen de waar-dlgen de goddelijke genade deelachtig kunnen worden; molimst, m. een aanhanger van die leer.

Molin., hy natuurwetensch. benamingen afk. voor J. J. Molina (gesl. ISitl).

Molkwérum or molquerum, mol-kwerums-dammen, n. cene wijziging van het gewone damspel, waarhU do schijven niet alleen in eene schulnsche richting, maar ook rechts en links, naar hoven en naar heneden slaan, zoo gehecten naar hel triesche dorp van dien naam, dat zeer onregelmatig gebouwd Is, en deswege ook wol de frlescho doolhof wordt gehecten.

Molla, m, (arab. maula, turk. mewla, gew. molla, umlaj, rogeeren) In \'talg. hoor; turk-scho opperrechter in eene grooto stad of een geheel district, wetkundlge en wetuillegger.

Molakken, m. pl. in VVest-lnilic de naam der kinderen, uit oenen Europeaan en eene Negerin geteeld.

mollis, molk, lat. (fr. mou, mol, mollc) week, zacht; — mollesceoren, (lat. molk scire), week worden, vorzachleu; — mollésse, f. fr. de wookheld, zachtheid, molligheid; slapheid, verwijfdheid, lafhartigheid, wellust; — con mol-lezza, ital. Muz. met zachtheid, teerheid; — molliëntia (spr. I=ls), pi. (van het lat. mollire, week maken) weekmakende geneesmiddelen ; — molLiméntum, n. pl. —ta, Mod. oen verweekings- of verzacht ingsmiddel; molliflceeren, nw.lat. verwooken, verzachten; — molliflcatie (spr. I=ls), f. de ver-weoklng, weekrnaklng; — molliflcatief, adj. verweekend, verzachtend; — mollitia, f. hot week zijn of worden, weekheid, zachtheid; mol lus kon of molluacen (nw.lat. mol-lüsca), pl. weekdieren, de tweede klasse der wormen In het stolsel van L in na; us, bij C u-vlor do tweede hoofdafdeellng van hot dierenrijk; zy hebben goeno wervelen en zya doorgaans met eene harde zolfstandighoid, met hoorn of schelp, bedekt.

Molly, f. eng. vr.naam; ontstaan uit Ma rla.

Molo, m. it. (= lal. maks, fr. mole) een havondam, stoonen beer of hoofd.

Móloch, m. hebr. {molech, d. I. koning) een afgod dor Ammonieten en Moableton, onder wiens koperen goalaIto zy de zon veroorden en aan wlen zy menscbon, Inz. kinderen, ollorden.

Molops, rn. gr. (molups) uitstorting van bloed onder do huid, bloedstriomen.

Molóssus, m. gr. (molóssos, sell, poes, de molosslscho versvoet, naar het landschap Molossla in Kpirus bonoomd) 1\'oot. do zwaar-ganger, een versvoet van drie lange lettergrepen (— — —), b. v. zondagskleed, stoomboot-dienst.

molla, H. (= lat. multum) veel, sterk, zoor-, mollo alléi/ro of allégro di motlo, Muz. zeer snel; mollo andante, zeer langzaam; non mollo, niet te voel, niet te zeer.

Molton, ook mol, n. fr. {molklon, eig. zachte wollen stof, van molkl, zachtachtig, v. lal. mollis, zacht; z. mol) eene zachte, dikke wollen stof.

Moltonen, z oud. mol.

Moly, n. gr. (mal//) Myth, oen kruid van wonderdoende kracht, dat Merourius, volgons Homerus, aan Ulysses gaf, om hem voor de betoovcringou van Circo te vrywaren; ook blocmlook.

Molybdaenum, molybdoen, n. gr.

{molybdaina, f. loodkogel, loodklomp, v. mólyh-dos, lood), n. bol waterlood, een enkelvoudig, wit, bros metaal, In HHi bot eerst voortgebracht; — molybdeenglans, molyb-dsenkies, n. waterlood, naluuriyk zwavel-molyhdoen; — molybdaten, pl. molyb-dionumzure zouten; molybdieten, pl. molyhdionlgzuro zouten; — molybdoman-tie (spr. l=ls), f. waarzeggcry uit gesmolten lood, uil loodgleton.

Momént, n. lat. (moménlum, ontstaan uil moviménlum, v. movêre, bewegen) 1) bet bewegende, beslissende, den uitslag gevende; do grond, beweeggrond; het gewicht, de gowicb-tigboid, nadruk, sterkte; liet wezentyk bestanddeel, de boofdomstandigbeid, bot hoofdpunt; In do booldcnde kunsten: het iydslip dor liande-ling, dat de kunstenaar hoeft gekozen om de geheele gobeurtenis voor te stollen; i) (fr. Ie moment) hot tydpunt, oogenbilk; statisch moment, l\'hys. bot product iter kracht in haar verwydoring van het stounpunt; — moménlum, n. Muz. eene achtste pauze; — mo-menlülum, n. eene zestiende pauze; — moménta causae, pl. lat. do hoofdpunten eenor zaak; — au momenl, fr. (spr. « momaii) o|) hot oogenbilk, dadeiyk, terstond; — momentaan, momentaneel, adj. (later lat momenta-nüus, fr. momentané) oogenbllkkoiyk, ook wel; korten tyd durend, ras voorbygaand, vluchtig;

— momentativum, n. een werkwoord, dat een snol voorbygaande handeling uitdrukt, oogen-blikswerkwoord.

Momiers, m. pl. (spr. momjévan \'t oudfr. momer, zich vermommen, fr. momerie, m o m-mery, vermomming; dus eig. vormomdon, huichelaars) spotachtige benaming eenor nieuwe piöiistlscho secte in Zwitserland.

Momus, m. gr. (momos, berisping, spot) Myth, do god dor spotternU en satire; onoig. oen hedilianr, bespotter, hekelaar; — mo-misch, adj. bedillend, hekelend, bespottend;

— memomanie, f. do bedilzucht.

mon, fr. (spr. moii) myn; verbindingen als

man ami, mon lijjou, enz., z. hot tweede woord.

Mon of mong, z, sen.


-ocr page 823-

MONAGHUS

MONGOS

803

Monachus, m. later lat. (vati lid «r. wio-nuclm, at/iMidcrlijk, eenzaam levend, v. ininos, een, alleen, /.. monade) een monnik, - mo-nacha, f. eene non; — monachisme, n. dc monnlkcnstaiKl, liet monnlkemlotn, do monniksgeest, monnlkerü ; monachisch, adj. monnlkachtlB; — monachisooron (siir, s=z) monntkaelitlK leven; den monnik spelen of uithangen; monachologio, r. de monniken-leer, raonnlkenlieschryvlng; - monachoma-chïe, (. hestrydlng van hel monnikwezen.

Monade, monadologie, monas.

Monadelphia, pi. gr. (v. monos, alleen en adelphós, hroeder) eenhroederlge planten, welker meeldraden van onderen In éenon hun-del /.ijii samengegroeid, de tltde klasse in het stelsel van Umuens; — monadélphisch, adj. eenhroederlg.

mon ami, /. a m I.

Monandna, pi. (van monos, alleen, en (iner, genlt. undrós, man) eenhelmlge iilanien, met bloemen, die slechls éenen meeldraad hehhcn, de tste klasse in het stelsel van l.lii-nseus.

Monarch, m. gr. [mon-drclus, van monos, alleen en drchein, de eerste zijn, heersehen) een atleenheerscher; — monarchie, r. (gr. monarchia) de een- of alleenheerschappij; — monarchieten, m. pl. zü, die aan vele goden gclooven, doeli deze allen ondergeschikt en afhankeiyk van éenen oppergod stellen; — monarchaal, monarchisch, adj. alleenli.......

schend, den monareli ot der monarchie toegedaan; — monarchiseeren (spr. s=z] don atleenheerscher spelen; heerschznchtig zyn; monarchismo, n. hel stelsel der alleen-heerschappy en de verkleefdheid daaraan; — monarchist, m. een aaniianger der alleen-heerschappy; — monarchomachen, m. pi. tegenstrevers, hestryders der alleenheerschappy of der eonhoofdige rcgeeiing.

Monas of monade, f. pl, monaden, gr {monds, pl. monddes, van monos, een, een enkele, eenig, alleen) eenheden, enkelvoudige wezens, ondeelharc hestanddeelen der stof, vgl. atoom; volgens Lolknltz; volstrekt enkelvoudige zelfstandigheden; l\'hvs. puntdiertjes, zeer kleine infusie-diertjes, ook monadinen ge-hoeten; — monadologie, f. de eenheidsleer, leer van de enkelvoudige wezens.

Monasterium, n. lat. (van het gr. mo-naslêrion, eig. eene plaats, waar men eenzaam leeft, van monaster, do eenzaam levende) een klooster, eene kloosterkerk, vandaar munster (z. aid ); — monastisch, adj. (gr. momisli-hós) kloosteriyk, monnikachtig.

mon byou, /.. li I j o u; — mon brillant, z. ond. brill coren; — mon c/ier, z. c/ier.

Moncahiard, n. fr. (spr. monkajdr) eene lijne halfzyden stof; een uil kemelshaar vervaardigde gewaterde stof.

Monde, m. fr. (v. \'t lat. mundus) de wereld ; monschen, gezelschap, volk, bezoek; de beschaafde lieden, nette inenschen, de lioogere standen; wereldkennis, wereldwysheiil, verlijn-de, beschaafde levenswys; — beau monde, z. ond. beau; mondain, m. (spr. moiideii) een woroldllng, aardschgezlndo, aan de ydelhe-den der aarde verkleefd mensch; mon-daniteit, f. weroldschgezindhehl, wereldlust, ydolhold.

Mondejaren, in. pl. de Moeren in Spanje, die na de onderwerping van Granada onder christenheerschappy kwamen.

mon Dieu.\' z. Dieu.

moneeren, lat. [monère) herinneren, waarschuwen, vermanen, aatnnanen; monént, m. (lal. mónens) een vermaner, herinneraar;— monitie (spr. l=ls) f. (lal. momho) de vermaning; herinnering; ile wenk, waarschuwing;

monitor, m een lierinneraar, vermaner, raadgever; opziener der Jeugd; in de scholen van hel wederkeerig ondcrwys: een leerling, die met liet onderrichl van een zeker getal z.y-ner medescholleien belast is, eon seboolhelper;

— moniteur, m. fr. aanwyzer, de staatscourant. naam sedert HNü vaa een otllcleel dagblad der fr. regeering; — monitonum, n. of moniloridles, pi. sell. HltHrae, nw.lat. her-innerings- of aanmaniugsbrieven; mom-tum, n., pi. monita, lat. herinneringen, vermaningen, waarscbuwingen, aanmerkingen.

monemérisch, adj gr. (v. monos, enkel, alleen en heméru, dag) oondaagscb, voor éenen dag geldend; monepigraphisch, adj. van munten: alleen een opschrift, geen beeld hebbende.

Monont, z. ond. moneeren.

Monëre, f. gr. naam der eenvoudigste mi-kroskoplsche organismen.

Monêta, f. lal. (naar Juno Monita benoemd, in wier tempel de munten geslagen werden) dc munt (op dc munten en andere rem. opschriften afgek. mon. of monct.)\\ pl. mo-nêten, munten, geld; — mnnrtn de iilulo, sp. de zilveren munten; —m. de relton (spr. —iW-jóón) de koperen munten; monetisatie (spr. —:((-/.\'.ie) f. nw.iat. de in-omloop-brenglng (van papier) als geld.

Money, n. eng. (spr. monni: vgl. m o-nela) geld; — time (spr. /aim) is money, tijd is geld; money-broker, geldwisselaar;

— money-maker (spr. «=ee), geldmaker, iemand, die de kunst verstaat geld Ie \\erdle-nen; - money-order, postwissel.

Monferino, m. (11. monferina, waarseh. naar het landschap Monferralo In Italië) een ital. gezetsehapsdans en de daarhy behoorende niuzlek.

Monger, m. eng. handelaar, kramer.

Mongólen, m. pl. een volksstam in Mid-den-Azie, naar welken een aan China onderworpen land Mongol IB en een afzonderiyke menschenslam hel mongoolsche ras genoemd wordt,

Mongopoes, pl. eng. katoenen stoffen van Madras In O.lndle.

Mongos of mongus, m. de wollige


-ocr page 824-

MONOCEROS

\\I0NILE

804

m a k i, eon min do «pon vorwnnl dier op Madagascar enz.

Monile, n. lal. Imlslmnd, halssnoci\'; moniliform(i8), adj. lialsliaiidvoimlx.

Monisme, n. nr. (van mrinos, alleen) do eenlioldsleoi\', leer dor Idenlllolt «f eenzelvigheid van hot Ideale en reüele, het let\'onKOst. van dualisme; — monisten, in. pl. aanhangers dier leer.

Monitie, monitor, monitour, mo-nitorium, monitum, z. ond. monceron.

Monnaio, f. fr. (spr. monè: vgl. in o n e I ii) geld, munl; - fausse-monnaie, z. ond. faux.

Monocëros, m. gr. (van monos, c, nn, enkel, alleen, on kéras, hoorn) de eenhoorn; de zoo-eenhoorn, z. n a r wal; — monochor-dium, n. Miiz. de lonnmelor, een speellnlg met óeno snaar, mot beweogharen kam en In-deellngen, om daaraan do hoogte on dloplo der lonen to bepalen; raonochroïsch, adj. eenkleurig; — monochroismo, n. de eon-kleurlgheld; — monochróma of monochroom, eene eenkleurige schlldei ij; pl. mo-nochromata of monochrömon; -monochronistisch, adj. van éon tyd, d. 1. geiyktydlg; monocdlus, m. gr.-lal. (van ocülus, oog) C.hlr. hol eonooglg verhand, hol verband, waarmede slechts (Son oog bodokl wordt; een oonooglge; monodie, r. (mon-odia-, vgl. ode) een oonstonimlg gezang (solo); óen-lonlg lied; ook oono potstlscho alleenspraak (go-vorsltlceo rde mo no I oog); - monódon, n. eonland, oonlundlg zoogdier, z. v. a. narwalmonodóntisch, adj. eenlnndlg; -monodrama, z. m o I o d r a in a; monce-cia, n. pl. {mon-oikin, van oikos, huis) Bol. OBiihulzIgc planten met gescholden manneiyke en vrouwelUke bloemen op éenen slengel, do ilslo klasse van l.lnnams, eene zeer gewlchllgo klasse, omdat er schier al onze honlsoorton en vele andere nnlllgo gewassen too bebooron; — monogamie, r. (van urimns, hnwciyk) de enkelvoudige, niet herbaalde echt, eenwijverij, eenmannorU, In togonst. met polygamie; de staal van dezulken, die slechts eenmaal gehuwd zgn geweest; — monogamisch, adj. een-wgvig, eenmannlg; - monogamen, pl. Hot. planten met enkelvoudige bloemen; —monogamist, in. die nn den dood van de eerste huwelijks-wederholfl geone tweede neemt of meent te mogen hebben; monogenësis, f. de alloeiitcllng, zelfvoortbrenglng; - mono-gramma of monogram, n. (v. ordmma, hel geschrevene, de loller) een naamtrek, de Ineengevlochten aanvangsletters van oenen naam hu ondorleekenlngon, op signetten, oude scbll-deryen enz.; eene eenvoudige, slechls met 1(1-nen goschelste teekonlng; Arch, de hoofdscbots eenor loekenlng; — monographie, f. ull-voerlge beschrijving of verhandeling over een onkel of bijzonder onderworp; — monogy-ma, pl. (v. rn/nè, vrouw) Bot. eene afdoellng van sommige klassen van Mnnauis, waartoe de planton met éen stampertje hebooren; — monogynie, f. de eenwljvighoid, eenwUverU;

monogynisch, adj. eenwgvig; — mono-hemëra, f. gr. (sell a/feclio: v. heméra, dag) eene ziekte, die slechts (ionen dag duurt; — monokarpisch, adj. gr. slechts éene vrucht dragende; —monokaulisch, adj. met éenen steel of stengel; — monokephaiisch, adj. eenhoofdig; — monokëros, z. m o n o c e r o s; — monokólon, n. of monokölisch gedicht (vgl. kolon) een gedicht, dat uit oenor-lel verssoort bestaat, het legengosl. van dl kolon; - monokotyledónen, pi. (vgl. ko-tyledonen) planten, welker zaad slechts éeue zaadlob beeft; — monokotyledónisch, adj. zulke planten belrclfende, daartoe hoboo-rende, eenlohbig; — monokraat, in. (van kratêin, heerschen) z. v. a. monarch; — monokratie (spr. l—ls) f. de alleonhcer-scbnppU, alleenheersching; — monolêmma, o. (vgl. lemma) Log. een halve sluitrede, waaraan oen der pnemlssen ontbreekt; — monolith, m. (v. Hthos, steen) een kunstvoorwerp uil een lilok steen, h. v. zulk eene zuil enz.; - monolithisch, adj. uit éenen steen; — monoloog, m. (vgl. logos) de alleenspraak; bel spreken In of tul zich zeiven;

monológisch, adj. alleensprekend, In den vorm v, n een zelfgesprek; — monomachie, f. (v. machê, gevechl) elg. een «lleengoveclit; gevecht met een enkele, twoostryd, tweegevecht, duel; monomanie, f. (vgl. manie) do op oen enkel voorwerp gerichte waanzin; vgl fixe idee, ond. flxe; eene gekke gril, wonderlyke luim, dwaze llofhobbery; — monomanen, m. pl. waanzinnigen omtrent een enkel voorwerp, de lydors aan eene Idee fix e; — monomerïe, f. (v. méros, n. doel) eendoollgheld, d I. hot bestaan uit oenerlol doelen, eonvomligheid; - monomórisch, adj. eendeelig, enkelvoudig; — monometallis-me, n. bet stelsel van don enkelen (gouden of zilveren) munlslaudaard; In togonst. mot himetatllsme; monométer, m. (vgl metrum) l\'oét. een vers, dat slechts uit éen lid bostant, I). v. een tweevoetig jambisch of trochaïscb vers; — monometrïe, f. eenheid van maal; —monométrisch, adj. eenmalig; monommatisch (van rimma, oog) eenoogig; — monomorphie, f. (v. inorplte, gedaalde) eenheid van gedaante, eenvorinlgbeld;

mononomium, n. lui. Algeb. oen uit een term bestaande grootheid, d. 1. die geen door plus of minus verbondon deelen bevat; — mononómisch, adj. eendeelig, eonlodlg, vgl. binomiscb en polynomisch; — mon-onyeha (vim dni/x, klauw) of mon^cha, pl. eenhoevige dieren; — monopagie en monopegie, f. Mod. de boofdpyn, die zich slechts tot een plekje bepaalt, zonder van plaats te vorandoron; — monopathie, f het al-leeniyden, afzonderiyk lyden van éen lichaanis-doei, of ook van de ziel of van bet lichaam alleen; — monepetalisch, adj. (vgl. peta-


-ocr page 825-

MONOCEROS

805

MONS \'

Ion) oonlilailorlK, met (tan liloomhlud; — mo-nophagro, t (v phaoem, eten) liet alleen-eten; ook ■/.. v. ii. monosUic; — mono-phoon, mij ooiislonini!),\', eeiiloniü; monophthalmus, ki- of monooülus, gr.-iut. in. oen coiiookI; Chir. een eenooKlgverlmnclj — monophyllisch, mij «r. Dot. conblaile-iIk ; — monophysioton, pi, (v. /i/ii/vi.v, na-luur) eono voorin, clir.-secte, ille In ilen persoon vun Clir. slechts éone nutuur iiaiiriiim;— monopodie, f. (v. poes, nenit. jiudós, voet) do oonvootlglieid in den versliouw; een een-voetlB verslid, hel tORcnKOSt. van dlpodlo; — inonopódisch, udj. eenvoelli;; mono-podium, li hg de Ouden eeno la fel, «p éenen voet riisionde; — monopólie, monopo-luun, n. (v. iwliiii, verknopen) de alleenhandel, uitsluitende hanilel, het rechl vanwege den Staat aan leinund Kogoven om uilsluiteiid en alleen een /.ekeren handel ol cone fahiicntio uit lo oefenen, de dwangkoop; — monopo-liseeren (spr. s=z) iels lot alleenverkoop, lol den alleenhandel beperken; - monopolist, in. een alleenhandelaar, lie/.iller van den uitsluitenden hanilel niet eene wiiar; - mo-nopsychioton, pi. gr. (v. iisyché, ziel) wgs-geeren, die sleehls éene ziel, algenieenc wereldziel aannemen, van welke de zielen der inen-sclien on dieren deelen zyn; — monoptöron, een «envlougclige; pi. monoptëra; Arch, hij de Ouden een ronde lompol, door éene rü zuilen ondersleiind; — monoptérisch, mij. eenvleiigolig, eenvinnig; monopyrönisch, met éene kern; — monórchis of mon-orohiet, m. (vgi. orchis) ioniaiiil, die slechts éenen teollral heefl; — monorime, f. gr.-fr. een dichtslukjo mei een enkel rUni; mono-sitre (spr. /=/.«) f. gr. (v. sitos, spys) liet alleen eten; hot slochls cenrnatil daags eten; — monosophïo, f. (vgl. sopliia) de alleen-w(|slieid; — monosoof, in. die alleen wijs is of meent te zijn; — monospórmisch, adj. (van spermu, zaad) eenzadlg, sleclils éene zaadkorrel dragenil; — monostichium of monostichon, n. (van slichos, rg, vers) een enkele versregel, een eenregelig vers; — monosyllabum, n. (vgl. syliahe) een eenlettergrepig woord, pi. monosyllaba of monosyllaben, eenleltergrepige woorden;

monosyllabisch, monosyllabiok, adj. éenlottergropig; —monotheïsme, n. (v. Iheiix, (lod) de vereering van een eonigen God, als schepper on onderhouder dor wereld; vgl. pol y theismo; monotheïst, m. wie in éen (lod gelooft; — monotheistisch, adj. in (\'on (lod geloovend, op dat geloof gegrond; — Monothelöten, pi. (van Ihélein, willen) eene clir.-seclc in do Ide eeuw, die slechts éenen wil in (^hr. aannam; mono-theletisme, n. de loer dier secto; — monotonie^. (vgl. loon) de oentoiilgheid, oen-vormigheld; — monotoon of monotó-nisch, adj. eentonig, eenvonnlg, laiigwgilg, vervelend; — monotrëmen, pt. (van Inmn, hot gat, de opening) N. II. dieren, die slechts éone opening voor de drekslolfeii, de pis en het zaad helihen, zooais de vogels; — monotri-glyph, m. (vgl. Irlglvph) Arch, de ruimte van eenen triglyph en twee metopen tussehen twee dorischo kolommen; — monovalént, Cheni. éenwaardig, éen van waarde; — mo-noxylon, n. (v. xjjloti, hout) oig. eenhout, een vaartuig, nil éenen hoomstam gemaakt.

mnn plaislr, fr. z. platsir: — mon repos, z. repos.

Monroe\'s leer of stelsel (spr. mon-roos—) de loer of het stelsel, door .1 a m o s Monroe, president der Vereenigde Staten, in ISill opgeworpen, om geene europeesche mo-genilhoden voorlaan in Amerika vasten voel Ie laten zetten en eiken ouropeeschen invloed op Amerika tegen te gaan.

mmi.v, n. lat., mon/, fr. (spr. mon) manie, 11. en sp. de herg; — mans pielulis, lat. of monle di piëta, monle pin, 11. eig. herg der vroonilield, der liarmharllgheld; henaming van inrichtingen, waar men op pand en tegen interest geld leent, hank van leening, lomhard; — mans sacer, de heilige herg (litj Home); — mons Venëris, lal. de venusheuvel, schaainheu-vol, een hoog gedeelte voor de vereenlging der schaaniheenderen; z. ook parluriunl enz.; — mon te, in. 11. ook een op onroerende goederen uitgezet kapitaal; vandaar montisten, pl. renteniers, die hunne golden op onroerende panden uitzetten; — Mont-blanc, m. fr. (spr. mniihlan) de witte lierg, de hoogste top der Alpen (wegens de sneeuw hedekking zoo ge-heeten); — mont d\'or (spr. moii iior) de goud-herg; — mant perdu, de verhiren herg, de hoogste top der l\'yreneen; — monle della vernine, 11. (spr. —wérdtjine) de maagdenherg (in Napels); - montagne, f. fr. (spr. mouldnj\') gehergte, lierg; — monlagnes russes, pl. (spr. monlanj\' ruuss\') russisclie bergen, glUbergen;— montagne-wijnen, naam van verscheiden soorten van lijnen Champagne-wyn; mon-tagnard, in. (spr. moiilanjdr) bergbewoner, ook een lid der zoogenaamde montagne- of hergparty, of een roodo republikein in de fnin-sclie nationale vergadering mui niti en IKiK tot IKiii, dus golieeton, omdat /.y van de traps-gewys opgaande banken in de zaal de hoogste aan do uiterste linkerzgde bezettoden, ter on-.derschehilng van de geniatigde party der (11-rondislon (in 17tU), die do lagere plaatsen Innamen en (laarom ook den naam van parli de la plaine, party der vlakte of dalparty kroeg;

montanëro, m. sp. iiorgbewoner, hooglander; montaan, adj. lal. (mon la tuis) bergachtig; — monlanus, a, urn, lal. Hot. borg-bewonend, op bergou groeiende; - Monta— nus, m. lat. iiiansn.; bergbewoner, bergman;

montanistisch, adj. naar bergtiewoners-aard; montanisten, pl. aanhangers van Monlanus, bisschop te Pepuza in l\'bryglü, eene chrisien-secte in de ïde en ide eeuw, die eene allerstrengste zedeieer bad; zij dragen


-ocr page 826-

MONSEIGNEUR

MONUMÉNT

806

ook don iiiiam vim pneu ma 11r I, rt. I gocs-tolUkRozlnden, ook van 1\'epuzianon of IMirv-g I b r s.

Monseigneur (spr. moiisciijéür: vrI. s e i g a (! u i\') certitilol der personen van aan-zleniyko Relioorlti of waardigheid, zooals her-logen, groothertogen, aiilshlsschoppen en hls-schoppen, gevolmachtigde afgezanten enz.; eertijds (onder I.odewgk XIV) op zich zelven ge-hruikt, do titel des danphlns of Iroonsopvol-gers van Frankrijk; doorluchtige heer, hoogedele heer enz.; — monsieur, fr. (spr. mo-sjéti: vgl. sleur) titel, dien men In de middeleeuwen aan don paus en de heiligen, en aan de koningen van Frankrijk lot onder de Vaio Is gaf; op zich zelven gehrulkt, weleer ook de lltel van den oudsten hroeder des konlngs van Frankrijk; tegenwoordig een eenvoudige he-leefdholdslltel; Mynheer! pl. messieurs (spr. mèsjéü) Müne hoeren!

Monsonia, f. (naar Lady Anna Mo nson, die vele gewassen uit O.lndlë medehruebt, ook met Mmifcus hrleven wisselde) een pianten-soort uit de familie der geraniums, onder welke de soorten M. specidsa, met groote roodo hioe-men, en M. pilósa, mot uitwendig groene, Inwendig roode en wille hiooinen, pronkgewas-sen zUn.

Monsoon, eng. (spr. mnnsóén) z. v. a. inousson (z, aid.)

monsteren (v, \'I lal. monslrore, fr. moti-Irer, toonen) nauwkeurig doen zien, liezien, in oogenschonw nemen; Mil. wapenschouw houden ; Mar. zich voor (Sene reis lot den zeedienst verhindon en op de monsterrol doen In-schrUven; monster, n. (fr. monlre, oudfr. monslre, lioogd. musier, II. mostra) het staal, proefje, toonstuk, patroon, beeld, voorbeeld; nauwkeurige vergeiyking; — z. ook op m o n-struni; — monstering, de wnpenscbouw; de adnnemlng van zeelieden tot de koopvaardij; — monstrans m. of monstrantie (spr. lie=lsie) f. (mid.lnl. monslranlta) do prachtige, zonvormlge vaas, waarin liy de It. Kath. de gewyde hostie of het venerabile bewaard en aan hot volk vertoond wordt; mon-stratief, adj. nw.ial. op de teekenen of de waarneming berustende.

Monstrum, n., pi. monstra, lat. het monster, gedroebt, wanschepsel, schrikdier, de misgcbooi\'lc; een oiimensch, wreedaard, woesteling; — mnnxlmm horréndum, afgrijslijk monsler; monstre, n. fr. (spr. mon-slr\') ook: de kleinste soort schaar met zeer kleine klingen en onevenredig groote grepen; — monstrous, adj. (lal. monslrósus, a, urn) of monstrueus (fr. monstrueux), wanstaltig, misvormd. gedrocbieiyk, wanschapen, schrikkeiyk, afsehuwiyk leeiyk; Bot. monstcracbiig, mis-voruid; — monstrositeit (spr. si=n\') f. nw.lni. de misvorming, wanstaltigheid, gedroch-teiykheld.

mmt, montaan, montagnard, z.

man.!.

Montafaraca, f. de lyfwacbt des lurk-schen keizers, beslaande uil quot;gt;00 man riiitery-, — montafaraoa-basji, in. de overste dier lyfwachl.

Montagnard, montagne, enz. z. oud. mnnt.

Montant, n. fr. (spr. moiildiiv. monter, stygen, tot Iels opklimmen, heloopen, z. monto eren) het bedrag of beloop eoner rekening.

Montanus, montanisten, mnnte, z. ond. mom.

monteeren (fr. monter: v. mons, berg, z. mons) I) elg. stijgen, opgaan; verboogen, opwekken, bezielen, stemmen; ij Iels gereedmaken, samensiellcn, de verschillende doelen voreenigen, toerusten; Insluiten of zetten (oenen edelstoeu); uilrusten, mot huisraad voorzien (eeno woning); een schip heinanneii; eonen ruller van een paard voorzien, in den zadel zetten, Inz. soldaten kleeden, met de dionstkieodlng voorzien; gemonteerd, noemt men ook de verschillend gekleurde rusting der ruiters of schepen In wapens; — monteur, m. fr. de In-orde-hrengor, inoenzetler, opmaker, de werkman. die ile machines in elkander zet en In stand houdt; — monteering of montuur, f. de (lionstkloeding, soldatendrachl, het dienst-of krygsmnnskleed, de dienst- of soldatenrok;

montuur-depót, magazyn van soldaton-kleedlng; monture, montuur, f. hel dier, dat men herijdl, rydier; wat tol Invalling, opmaking, toerusting, uitrusting dient, b. v. do onderlaag oenor pruik.

Montefiascóne, m. (woordeiyk: de ilos-schenherg) een Ital. muscadoiwyn van den ge-lyknamlgen stad In den voorin. Kerk. Staat (vgl. est esl est).

Monte-jus, in. fr. (spr. mont\'zjü; v. monter, siygen on jus, sap) toestel om sappen, oliën enz. in fabrieken Ie laten stygen.

Montenegro, n. li. (elg. zwarte berg, v. mnnte, berg en neqrn, zwart) een vorstendom aan de dalmatische kust.

Monteur, z. oud. monleoron.

Montgolflèro, f. fr. eeiilucbtboi of -ballon, waarin de luclil door verwarming verdund wordt, naar de uitvinders, gebroeders Montgolfier (ouderscheiden van chnrlièro).

Monthly review, f. eng. (spr. motisli revjoe) maandeiyksch overzicht (een tydsciirlfl).

Montichicours, m. fr. (spr. moiitisjikóér) eene halfzijden oosl Indische slof.

Montisten, z. ond. mons.

Mont-rachet, m. fr. (spr. moii-rasjè) een der heste witte Hourgogne-wynen uit de streek van itoauno.

Montre, f. fr. (spr. móii-tr\') horlogo, zakuurwerk.

Monture, montuur, z. onder monteeren.

Monumént, n. lat. (monumdntum, van monfre, herinneren) oen gedenkteeken, godonk-sluk, eene gedenkzuil, grafnaald; monumentum nere percnnïus, oen hiyvend, onvergankeiyk ge-


-ocr page 827-

MOUABIF.TEN

807

MOOK

denk- «f oorclcokon; — monumentaal, adj. (lat. monumenlalis, e), tol oen Kcdonkloo-ken liehooronde of dat liclreirondo; op een üe-denkteckon nciykende; — monumenlalis, e, adj. lat. Bot. pyramidaal, zuilvormig; — monumenteeren, liarli.lat. met een Rodenkteeken voorzien of vereeren; — monumentoma-nie, f. lal.-nr., de godenkteekonzuclil, de overdreven nelRinK om gedcnkloekenen op te richten.

Mook, m. de honlgkoekoek In Afrika ook s e n o.

Moolik, z. mol Ik.

Moor, n. eng. (spr. moer) helde Inz. In Schotland.

Mooren, pl. (lat. Mauri) een mohamedaan-sclie volksstam In hot westen van N. Afrika, van arahlsclion oorsproiiR, menschen van zwart-lirulne klour, met heldere schoone oogen en schuierend witte tanden; In het algemeen zwartkleurige menschen. Moorlanen, Moormannen; — Mauritanië, n. (lat. Maurilarifa), het land der Mooren, Moorenland, In de oudheid dus geheeten; — Mauritius, mansn. de moorsche, donkerkleurige, vandaar M a u r 11 s.

Moos, n. Joodsch-dultsch; geld.

Mopamopa, n. Zuldamerlkaansch boomhars voor hout vernis.

moqueeren (zich), (spr. mokt\'eren), fr. (sc moquer; v. \'I gr. mohos, spot, mókin, bespotten) met Iemand den spot dryven, hem uitlachen, hoonen, hospotten, voor den gek houden; schertsen; — moquable, adj. (spr. mokab\'l), bespottelUk, l)espottenswuard; — mo-quant, adj. (spr. molsdii), liospotlend, hoo-nend; spotziek, schertsond; — moquerie, f. (spr. mok\'rie) spot, spotternij, hoert, scherts; hoon; — moqueur, m. (spr. mokéür) een spotter, spotvogel, spothoef, hespotter.

Moquette, f. fr. (spr. mokéll\') ook mo-cade of moueade (spr. moekddd\') eono wollen slof, welker weefsel naar dat van het fluweel gelykl, Iryp- of mok-lluweel.

Moqueur, ■/.. oud. moqueeren.

Mora, f. It. (fr. mourre, v. \'1 cell.-lersch-gael. meur, vinger) alia mora {giuocare, spr. dsjoeokdre), of mora-spel, een Hal. vingerspel, waarbij Iemand eene of helde handen met meer of minder ingetrokken vingers uilstrekt en door een ander liet getal der uitgestrekte vingers terstond moet geraden worden.

Mora, f. gr., hy de Lacedamionlers eene bende voetvolk van drie, vyf of zeven honderd man.

mora, f. lat., het verw-yi, vertoef, de vertraging; — in mora zyn, nalatig, nebterstailig /.yn, do schuld van eono vertraging hohben; — in mora stollen, iemand door gorecbtoiyke akte iels botoekonen, Iemand aanzeggen binnen zekeren lyd iets te doen; — sine mora, zonder vertoef, onvorwyid; — mora solréndi, he-talings-vertraging; — morae periciilum, hot gevaar der vertraging, des uilstels; —periciilum in mora, periciilum: — moreeren (lat. morari), vertragen, ophouden; — mordndo. It.

Muz., vertragend, vorwyiend; — moratorium, n. uw.lal. een vorstciyko scbulbrlef, vrijbrief, waardoor een schuldenaar voor een zekeren tijd togen de vervolgingen zyner schuld-eischers wordt gcvrijwiiard; in hot algemeen gerechtelijk uitstel van hotallng.

Moraal, f. (lat. mornlis doclrina, mora-lis, e, zodeiyk, van mos, gonlt. muris, gebruik, gewoonte) bet collocliovo begrip der hy een volk cn te oenlger tyd geldende zodoiyko grond-slelllngou on do uitvoering daarvan, do zede-leer, leer der plichten, dor deugden, der z.ode-lykheid, der gedragsregeling; ook eono afzon-deriyko loer of toepassing (li. v. de moraal eener fabel, enz.); — moraalphilosoof, m. een wysgoor, die de zedeleer stelselmatig behandelt; — moraalphilosophie, f. do wotenschappeiyko zedeleer, praktische wysbe-geerte, ■/,. v. a. ethiek; — bet moraal-principe, het grondbegrip en middelpunt der zedeleer, do zodewei; — moralisch, moreel, adj. de zedelijkheid of zedeleer botref-fende, daarop gegrond, zedelijk; Inz. zedeiyk goed of deugdzaam, rechlvaardlg (eene moroele overtuiging, eono In \'t gevoel ontstane overtuiging); in ruimeren zin (In togonst. met het physlscho): in den geest, onkel gedacht, b. v. een moralisch, moreel persoon, d. I. wat voor oenen persoon geldt, wat de rechten, enz. van oenen persoon beeft, zonder werkeiyk als individu te bestaan (= juridische persoon, rechtspersoon); — moral insanity, f. eng. (spr. morel insénnili) gomoodswaanzin, moroelo krankzinnigheid; — moraliseeren (spr s-t) nw.lat. [moralizure, fr. moraliser) vorzedeiyken, aedeiyk maken; zedoiyke beschouwingen maken, lossen geven, lovonsplichten voordragen en Inprenten; zodesprokon, den zodoprekor spelen of uiibangon; — moralisatie (spr. -za-lsie), f verzedoiyking, zedoiyke veredeling, do zodoles oil hare inscherping; moralist, m. (fr. moralisle. It. moralisla) oen zodoleoraar, zode-rechter, schryvor over de zeden, deugden on plichten; — moralistisch, adj. op de zo-doleer betrekking hebhendo of daarop gegrond; — moraliteit, f. lat. {morafflas, fr. moralilé) de zedolUkheid of bet zedoiyke (b. v. eener handeling); bot zodeiyk-goede, zedeiyk gedrag van oen mensch; do zedoiyke goedheid, do zuiverheid en inneriyke waarde eener verrichting; — moraliteiten, f. pl. (fr. moralilés) in den lateron tyd der middeleeuwen; eene soort van goosteiyko tooneelspclen, die, in togonst. met do myslerien, byzondero zedoiyke leeringen door uitgedachte voorbeelden in dramatlschen vorm aanschouweiyk maakten, en waarby, he-halve do workeiyko personen dor gowyde geschiedenis, ook deugden on ondeugden en andere verporsooniykto zedoiyke eigenschappen on toestanden optraden (vgl. ha soche).

Morabieten, m. pl. arab. (moerdbilin, pl. van moerdbil, oji de vyandolyke grens geplaatst, v. rabatha, bestendig zyn, niet te verwarren met ma ra boet) naam van een ara-


-ocr page 828-

MORAINE

808

MORGEN

hlsehcn stam, dlu in ilo 11 di\' on Udc ccuw In Spanje heersclito ook Moravidcn, Almura-v i d (gt; n (vkI. in a r a v c d i).

Moraine, t. fr. steile rand van klolachlig puin, rolslilokkun, /and, enz. om don voel dor Zwitsorsclio Kletsehers, Kietscliorwal- of -dam.

moralisch, moralist, moraliteit, onz. z. end. moraal.

mnranitn, moratorium, z. ond. mora. Moravische broeders, /.. hohoom-

sc lie h ro odors.

morbide, adj. fr. (van \'I Int. morbldm, a, «m, d. i. eiK. krank, ziek, v. vruelilen, die dan week op \'t(,\'ovoel zyn) I\'lct. week, murw, zachlj wal malseh, mollig, vleezlg verloond wordt; — morbidésse of morbidézza, it. (spr. —délza) f. de maisclilield, teodcrheid, molllglieid (van gescliliderd vloescii); —morbiditeit, f. do zlekloloostand, het getal en do aard dor ziektogevuilon ondor eon liepaald aantal Individu\'s li. v. van eon leger.

morbillen, pi. (mid.lal. mnrhilli, van den sing, morbillus, verkiw. v. morbus, ziekte; fr. morbilles) liuidullslug, inz. mazelen; — mor-billeus, adj. daartoe lioliooronde.

morbleu! fr. (ontstaan uil mordieu, d. 1. pur lu mort de Dieu, lig Gods dood) verduiveld! drommels! sakkerloot! te duivekater!

morbus, in., pi. morbi, lal. ziekte; — morbus acülus, Med. cene lioeto, hevige ziokle; — morbus coeruUus, de lilauwzucht; m. major of comlltalis, z. v. a. opiiepslo; — m. ntger, de zwarlo ziekte, z. h ie ma lom os Is; m. ;)«/-ffdus, de hieekzucht; m. reiftus, oig. do ko-ninklUko ziekte, do geelzucht; m. solslitialis, do zonnosleok; — Morbom\'a, f. Myth, iiü do Rometnon de godin der ziekte en pest; — morbeus, adj. (lat. morbosus, fr. morbeux) zlekeiyk, door ziekte voortgehracht; — mor-bositeit, f. (morbosïtas) do ziekoiykhoid.

morceleeren, fr. {moreder: v. morceau, oudfr. moreel) in slukken verdeoien vorhrok-kelen.

Morchëlen, pi. hgd. (fr. morille) naam eener soort van eotliaro paddenstoelen of e li a m-pignons [Mnrchella esculenla).

Mordaciteit, f. lal. (mordacilas, v. mor-dax, liUtond, vinnig) hytende, invretende eigenschap eener vloeistof; de scherpheid, hitsheld, het stekelige In woorden of geschrifleii; — mordant, fr. of mordénte, 11 m. (v. mordre, mnrdere, lal. mordcre, hytcn, kauwen) Mnz. een halve liiller, eeno versiering in de voordracht van het spel of gezang, die daarin bestaal, dat men met den hoofdtoon en den naast daaronder ilggenden snel afwisselt; ook de grond voor \'t vergulden en verzilveren; het hytmiddei dal de stoiren ter opneming der kleuren voorhereldt; — mordant, adj. fr. (spr. mordnii) hytend, wegvretend; hits, stekelig, schamper; als suhst. n. een hytmiddei hy kaloendrukkors, vorsul-ders, enz.; — mordicant, adj. fr. (spr. —kdii) liytend, vinnig, scherp, stekelig.

Mordexine, oostind. (fr. mordexin, mor-déchi, sp. mordechin, de azialischo cholera) (z. aid.).

mordicant, z. ond. mordacltell.

Mordio, n. diiltscli (v. mord, moord, en liet oude ui\'roepingswoordje io, jo) moordgeschreeuw, hulpgeroep.

mordoré, adj. fr. hoogrood, hruinrood.

more, lat. z. ond. mos,- — moreel, z. ond. moraal.

Moreen, n. eng. (spr. marien) zekere stof uit sterk eng. kamgaren, voor mindere soorten met Inslag van Jute.

Morél, f. (van \'I it. morello, zwarthruin, oudfr. morel, nu moreau, v. \'I mid.lat. mor us, moorsch, zwartachtig, en dit v. \'t lat. maurus, moorsch, mauritaansch, z. M o o r e n) eeno soort van groote zwarte of donkorroode zure kersen.

moréndo of moriénte, it. (van morire = lal. mort, sterven) Muz. wegstervend, verdwynend, een decrescendo Int nauweiyks hoorharo zwakte van loon.

moreeren, z. ond. mora; — mores, zie ond. mos.

Morésken, pi. (v. \'t it. morésco, moorsch, z. v. a. sp. morlsco, z. morlscos), z. v. a. arabesken en grotesken; — morésca, it. of fr. moresque, f. (spr. morésk\') een moorondans.

Morfll, t) m. fr. de draad aan een geslepen mos.

Morfll 2) of marfll, n. ruwe olifants-tanden, onbewerkt ivoor.

morfondeeren, fr. (morfondre) verkleumen.

Morgagnisch vocht (spr. morgnnjies —), hel lijne vocht lussciien de krisliillens van hel oog en haar lieursje; - morgagnischo holte, do scbullvormlge groeve der plshuis; — morgagnische schelpen, de bovenste neussehelpjes (naar den geleerden Hal. arts en ontleedkundige Morgngni [gest. 17711 benoemd).

Morgana, z. fat a-mor ga na.

Morganatica, f. mid.lal. Jur. de morgengave; oorspr. een ullzel, dat hy de Germanen de man aan zyne vrouw gaf, ter vergoeding van de volledige wapenrusting, die deze hem had geschonken; — morganatisch huwelijk of malrimomum ad mornanadcam of m. ad lefiem salt rum, n. (misvormd van het oudd. morfiangeba, iongoh. mori/inra/), morgengave, geschenk op den morgen na den bruidsnacht) het huweiyk met de linkerhand, hy hetwelk een vorst, graaf, enz. aan eeno met hem niet in goboorterang geiykstaande vrouw, met wie hy in den eclil treedt. Iets bepaalds tot morgengave uitzet, lerwyi de kinderen, uit zulk eene verbintenis geboren, alleen den naam en hel vermogen der moedor erven.

Morgen, n. eene voormalige vlaktemaat, die In onderscheiden landen zeer vorschiilondo grootte had; in Nederland was in zwang de Kyniandsche morgen = (iOO vlerk, roeden, elk van lil vlerk. Kynl. voel (waarsch. eig. zoo-


-ocr page 829-

809 , MO ROOS

MORGUE

veel als men in (ionen morgen lyils kan beploegen) ; In versclilliemlo landen verhouill zlcli hel morgen lot ile nederl. vlerk, roede ol are als volgt:

een morgen are.

In Baden = ;|igt;,ii(iiiii

» Bcyeren (51,400 vlerk, roed.) = Hl,07:10 .. Brunswyk (;in,7i() .. .. ) = i5,oiS7 » Hessen-Darmstad = 25,0000

» Nederland, Kynl. (000 v. r.) = s\\l579

Pruisen, nw. maal (180 v. r.) = 45,51120 n Saksen = 27,0110

» Wurlemherg = 31,5170

Morgue, f. fr. (spr. hm/v/\', v. morguer, hoogmoedig, met (lere stmirschheld, met nllda-gende Irotschhcld aanzien, nauwkeurig lieschou-wen, v. oelt. meur, mawr, mar, groot, Irolsch, hoogmoedig) een hoogmoedig verwaand, gebiedend gezicht, trotsche ernst, de plaats der lyk-sehouwlng te l\'arys.

Moria, z. morosls ond. morokoinlum.

Moribündus, m. nw.lal. (v. mnri, sterven) een slervcnde, zieltogende, mot den dood worstelende.

Moriciet, z. ond. m 0 r u m.

morigeroeron, lat. {moiiqerare, v. mus, gen. moris, de wil, willekeur, en gerlre, leidon) Ie wille zyo, zich naar iemand richten, gehoorzamen; — morigeratie, f. (spr. I=ls, lat. moiiijeralio) do volgzaamheid, de gehoorzaamheid.

Morillo, m. hoed met smallon rand, het ondorsclieidingsteoken der spaansche royalisten (naar Morillo, oen sp. generaal in don stryd legen Bolivar).

Morillon, m. fr. (spr. mori-ljóii) eeno soort van ruwe, geringe smaragden, die men hy het ojis verkoopt.

Morin, m. (spr. moren) een fransclie witte «yn uit de strook van Saumur.

Morine, f. nw.lal. de ullgotrokken verfslof van het geelhout (Morus of Madura linrlnna).

Morio, m. lal., pl. moriönes, domme, leoiyke en mismaakte dwergen, die do ryke Komeinen lot hun vermaak hielden; potsunma-kers, hofnarren.

Morion, l) m. fr. zwarlaciiligbruin bergkristal.

Morion, 2) n. gr. (morion) oen doeltje, lid; inz. hot scbaamdeol, liet mannoiyk lid; oen lidwoordje.

Morioplastiek, f. de hernieuwde vorming of herslelling van verminkte lichaamsdee-len uit andere deelon dos lichaams ook phy-sloplastiok; vgl. blep h a rop last lek.

Moris., by naluurwetenscb. benamingen afk. voor R. Morison (gesl. I0s;t).

moriscos, pl. (sp. moriscn, eig. moorsch, v. moro, een moor, z. moor en) do op hevel van Karol V gedoopte afslammelingen der Moo-ron In Spanje; — morisque, f. eoneroken, munt in Algiers, omtrent = 22 cent.

moriluri Ie salulunl, lat. zy die gaan sterven groeten u (woorden die do rom. gladiatoren zeiden, als zy voor hol gevecht voorby de kelzoriyko loge defileerden).

Morlachen of Morlaken, m, pl. (li.

Morlucchi, d. I. Zoe-Walluchyers, van \'I sorv. more, zee, ea ll\'tach, VValachycr) do Slavonische bewoners van \'I Kustland aan de Adrlail-sche zee in Ki\'oallo, DalmatiO, van Islrie af.

Morlaix, m. (spr. —16) of morlaise, f. (spr. —I6z\') dicht, sterk hulslinnen van do stad Morlaix in N. Krankryk.

Mormon, z. cboras.

Mormonen, m. pi., heiligen van den Jongsten dag (eng. LaUer-duy-sumls) eone door .losejih Smith (gob. 1805) ton Jare 1827 in Noord-Amerlka gestichte godsdienst-socto, die op wonderen en openbaringen steunt, veeiwy-very toelaat, enz., benoemd naar bunnen Mormon en-1) y bo I, ilio door zekeren gewaanden profeet Morin00 120 Jaar na Christus gestold werd; — mormonisme, n. bet godsdienst-geloof der Mormonen.

mormorandu, mormorévole, mormoroso (spi\'. ■i=z), II. (v. mormordre, lat. murmurare, murmelen, rulschen) Muz. murmelend, rulsebond.

morne, adj. fr. (prov. mom, van oudd. montihi, goth. maurnan, treuren) somber, don-kor (van bel weer, van kleuren en plaatsen); treurig, droofgoosllg.

Morne, m. fr. (sp. moron, bask, muruu) een kleine berg, heuvel aan de kust, inz op de fransclie weslind. eilanden.

Mornél, m., of mornéllo, f. (sp. mn-rinéln: charadrtm morinéllux, L.) do eitroon-vogel, van de grootte ooner moerl.

Morning, m. eng., de morgen, ochlond; nood (spr. goed) morninu, goeden morgen! vandaar morning-chronicle, morgenkroniek, oen engelsch blad dor wblg-pariy; mor-ning-herald, in. de morgeu-herant, een on-afhankoiyk, liberaal dagblad; — morning-journal (spr. dzjiirncl) n. hot ochtendblad, eone ullratorystlsche courard; — morning-news (spr. —njocs), morgennieuws, morgenbo-rlcbton.

Moro, in. II. (vgl. morum) de moerbezie; — moro-likeurolie, f. oen samengestelde a\'lbeiisciio olie.

Morochtus, moroehte of moro-chiet, in. do melksteen; — morochti, pl. eone soort van melkkleurige klozolsteenen.

Morokomium of morodochium, n. gr. (van mónis, slompzinnig, dwaas, gek) een gekkenhuis, dolhuis, krankzinnigenhuls; — 1110-rösis of moria, f. (gr. moria) Mod ver-standelooslield, slompzlnnighoid, domheid; — morosóphos, m. een wyzo gok, iemand die gek van wysheld is; — morosophie, f. gekke wysheld, soort van sombere, in zich zol-von gekeerde krankzinnigbeid.

Moromóro, f. sp. do bonte lama, eone verschoidonhold van de lama (z. aid.), zwart en wit, on grooler dan do gewone lama.

moroos of moreus, adj. lal. {morasus, a, um) knorrig, gomeiyk, verdrietig, morrend;


-ocr page 830-

MORTUUS

MOROSIS

810

— morósus debitor, i. do hl tor; — moro-siteit, t. (lal. tnnrnsilas) do onvriendeHjkliold, kwado luim, crommlRhold; ook nulatlKheld (dit ochtor aWiimmcmlo van mora 3 z. aid.), Inz. van oen schuldonaar.

Morösis, morosophos, z. ond. mo-ro k om 1 u m.

Morosjk, ■/.. marosjka.

Moróshënoje, n. rass. (spr. s/i=sj; v, morris, vorst, koude) üs, vruchtenUs.

Morosophie, z. ond. morokomlum.

Moroxiet, n. (vgl. liet gr mnroxos, mó-rochlhos, eeno soort van leem) groenaclitlg hlauwo pliosplmrzure kalkaarde, aspergesteen, te Arendal In Noorwegen, eeno vorselicldenheld van liet a pat lot (z. aid.).

Morpheea of morphea, f. gr. (v. mor-phi-, vorm, gedaante) Med. eeno meelvlek, witte huidvlek, z. v. a. alphus; — mórpheus, m. gr. Myth. (elg. de vormer, heeldenschepper, wegens de gestalten en heelden, die hy in de ziel dos slapenden sehept) de god dos slaaps of der droomeii; do slaap; — morphine, morphïum, n. (van Morpheus, wegens de slaapwekkende kracht) liet slaapliolzuur, opium-zuur, oen zeer hevig vergift, een in opium en liet melksap van onze papaver voorkomende planlenhnsls, in 1811) door Sertuerner Ie Hannover ontdekt; morjihium acelicum, azün-zuur morplilum; m. hydrnchloncum, zoutzuur m.; m. nitncum, salpeterzuur m.; m. jihosphn-r/cum, phosphorzuur m.; m. sulphurfrum, zwn-vetzuur m.; m. valertcum, valoriaanziiur m.;— morphinisme, n. morplilumzueht, ciironi-sche morphine-vergiftiging; — morpho, f. de schoone, een hUnaam van Venus; —mor-phographie, f. heschryving der natuurllclm-men volgens liunno gedaanten; — morpho-logïe, f. de vorniingsleer of vormleer der organische lichamen; Gram. loer der vormen, vormleer ; — morphologisch, adj. die leer lietretlende; — morphometrie, f. de vorm-of gedaantemeting; — morphonomie, f. de leer van de wetten der gedaantewording;— morphosis, f. de vorming; — morpho-tomie, f. de algemeene ontledingsleer, z. v. a. anatomie.

Morpions, m. pi. fr. (spr. morpion, vgl. \'t lat. mordens, hijtemi, en \'I it. piattone, platluis, v. pintle, fr plat, plat, vlak) platluizen, eene soort van platte insecten, die zich aan de met haar hewassen lichaamsdeelen hechten; onetg. oen kleine onbeschaamde deugniet, gem. ptatlulsje.

mors, f. lat. (geuit, mortis) de dood; mors apparens of spuria, Med. do schijndood; mors civitis, de hurgeriyke dood; mors rem, Med. de ware, wezenlijke dood; mors ultinia ratio, de dood is het slot van alles , — Mors, Myth, ito Dood, eene onderaardsche onverhiddelyke godheid, uit den Nacht zonder vader geboren;

— morsdood, adj. plat woord voor: on-twyfeihaar dood.

Morse-toestel, m. of Morse-tele-graaf, f. een naar den uitvinder, den Amerikaan Sam. Flnlay Ureese Morse (gch. 1791, gest. 18quot;4) genoemde schryttelegraaf.

Morséllen, pl. nw.lat. (morsiili, mid.lat. morsétti, verkiw. van morsus, beet) kruidkoekjes, gekrulde en gesuikerde geneesmiddelen, als koekjes toegediend.

Mort, m. fr. (spr. mor), cig. een doode; in het omher-spel de vierde, voor hel oogen-hlik stilzittende speler, de zoogen. strooman.

Mortadéllen, pl. it. (sing, mortadélla, f. inz. m. di IMoijna) kleine metworsten uil een deel varkens- en twee doelen rundvleescb, enz. gemaakt.

Mortaliteit, f. lal. {mnrtalttas, v. mor-lalis, e, sterfeiyk; mors, z. aid.) de sterfetyk-heid; het aantal der dooden, der sterfgevallen, de sterfte, ook enkel sterfgevallen, In logenst. met gehoorton; — moraliteitslijsten of -tabellen, lysten, opgavea der gestorvenen, sterft etafels.

Morte-saison, f. z. onder saisoa.

Mortgage, f. eng. (spr. mortgeetsj) onderpand, pandbrief.

Mortier, m. (fr. mortier, spr. mortjé-, v. \'1 lat. morlartum) een hol vat van metaal, steen, enz. om harde lictiainen in te verbryzelen, een vyzel; Mil. een stuk geschut om hommen uit te werpen, wegens zyne gedaante dus genoemd; de lluweolen muts der presidenten van het gerechtshof te Parys.

mortifleeeren, later lat. (mnrlificare) dooden, doen of laten afsterven; kastyden, hel lichaam op allerlei wyze kwellen; onderdrukken, 1). v. de lusten; krenken, leed doen, b. v. door eene weigering, berisping, enz.; murw, malscb maken (van vleeschspys); Jur. opheffen, te niet doen, uitdelgen, voor ongeldig verklaren; — mortificatie (spr. tie=tsie), f. de dooding, het afsterven van enkele deelon; de tiichliglng, kasiyding, de krenking, de deemoc-diging, beschaming, ergernis, het verdriet; het malscb maken h. v. van het vlcesch, door het aan de lucht bloot ie stellen; Jur. ophetling, ultdelglng, onderdrukking of vernietiging, li. v. ecner scliuldvordeiing, enz.

Mortisdonatie (spr. Iie=lsie), f. aw.lal. (liever donatio mortis causa, z. d o n a 11 e) eene schenking of gin In geval van overiyden.

Mortóden, pi. fr. (mortodes) valsche paar-len voor den negerbandet aan den Senegal.

morhem, a, urn, adj. lat. (v. mori, sterven) gestorven, dood; als subsi, een doode; — ma-nus morlna, f. de doode band; Jur. een doo-dengoed, onvervreemdbaar kerkgoed, eene erf-making aan de kerk of eenig geestciyk gesticht, daar dit goed, uil het handelsleven genomen, voor den Staat als ware het dood is; — pro mortiio verklaren, voor dood of gestorven verklaren; — de mort nis nil nisc bene, sprw. van do dooden (moei men) niets dan goed (spreken); — mortuarium, n. nw.lat. het recht vaa den landheer om hy overiyden z.yns onder-daans uit diens nalatenschap zekere voorwer-


-ocr page 831-

MOTEUR

811

MORUE

pon to vorderen; ook / v. a. manus mnvlua.

Morüe, f. fr. (cell.-armor, mora, molu, nw.lat. morhua, molua: Gadus morhua, I,.) ile kalicljauw.

Mórum, n. lat. (gr. mórnn) do moerbo-zle; Med, hol moerbozlogezwel, als moedervlek; — morus, m. de moerhezleboom; — moriciet, n. uw. lal. versleend moerbozle-boomhoul.

Morve, r. fr,, siymacbllg vocht uil do neusgaten, snul; do droos, eeno bekende paar-denkwaal.

mus, m. lal. gebruik, gewoonte, manier, le-venswyzo, gewone handoiwyzo, trant; pi. mores, zoden; vandaar; loinand moros ioeron, d. i. hem leorcn, lioo hij zich lo gedragen boefi, hom terccbtzetlcn, lol /ijnc piiolil brengen; — ex more, naar oude manier, naar gewoonte, naar vastgesteld of ingevoerd gebruik; — more eonsullo of sofflo, naar gebrulkeiyke wyzo, naar gewoonte; — more mujórum, naar do gewoonte dor voorvaderen, naar oud gebruik, naar voor-vaderiyko zeden; — hnni mores, pi. oig. de goede zodon; do zodowet; — contra bonos mores el contra leges, togen de moraal on het stellige recht.

Mosaïek, mosaïst, z. mozaïek.

Mosaisme, mosaïsch, z. ond. Mozes.

Moscado, ui. it., een siciliaanscbo inus-kaotwyn (z. ond. muskus).

Moschabéërs, m. |ii eeno secto van Molinmedaiien, die geiooven, dat God ieiteriyk zoo is, als by op veie plaatsen van don koran wordt beschreven.

Moschata, z. ond. moscbus.

Moscholatrie, f. gr. (v. mósclm, kalf) aanbidding van een kalf, inz. de vorooring van iiol gouden kalf door de IsraSiieteii in de woesiyu.

Moschus, m. (mid.lal. moschus, moscus, lat. muscus, arab. moesk, misk, porz. moesjk, v. \'I sankr. moesjk, teelbal, dewyi hij daarin ontstaat); z. muskus; moschus arlificialis, nw.lat. kunstmuskus, door bohandoiing van de liarnsteenolie met salpelorzuur voorigebracid; — moschatus, a, urn, lat. Bol. muskusgeurig; — moschata, pl. uw. lal muskus bevatlondc toobcroidingen; — moschardine, f. oen aromatisch balletje, dat in don mond wordt genomen ter verberging van een kwalijk riokon-don adem.

Moscovado, f. (fr. moscouade, 11. mosro-rntn, port. ossücar mascabado, do ruwste suiker, v. mascabar, voor menoscahar, verergeren, vorslechten oudfr. meschever, v. \'I sp. menosedbo, verergering, vermindering, provene. mescap, fr. mdchef, eng. mischief) ook cassonade, ruwe, ongozniverdo suiker, moei- of poedersuiker, zand-sulker, waaruil door verdere raltinoorlng de (arino-suikei\', melissuiker, enz. bereid wordt.

Moses, z. Mozes.

Mosjel, m. joodsch, z. inausjol.

Moskee, f. arab. (oig. mesdsjid, 11. mos-chea, fr. mosquée, r. metsjod) een mobame-daansch bedehuis, turksche tempel van don tweeden rang; vgl. dsjamle.

Moskieton, z. mosquito.

Moskovieten, ni. |ii. oig. inwoners der stad Moskou of liever Moskwa; voorm. naam dor Russen; — moskovische appel, de siborisoho ysappol; moskovlsch glas, n. soort van glimmer; — moskovische kool, gerardskruid, geilepoot [/leqopndium)-, — moskovische thee, z. v. a. karavaan -1 h o o.

Moslem, m., pi. Moslomin, arab. (van salama, zich aan God overgeven; vgl. islam) gem. verdorven lol Muzelmannon, d, i. recht-goloovigon of goioovigon aan Mobamods leer, Muhamodanon.

Mosquito, m, sp. (spr. —kilo: v. mosca = lat. musea, vlieg) pi. mosquitos of moskieten, bytviiogen, zeer lastige, sto-kendo muggen In IndiO on andere hoeto gewesten dor aarde; — mosquitéro, m. eone bodgordyn of een kioodingstuk, ter boschuiting tegen den steek dezer Insecten in den nacht.

mosso, 11. (parllc. v. muóvere, bewegen = lal. movêre) Muz. levendig, mol conigszins levendige beweging.

Most, m. (lat. muslum, fr. moiil) bei uil-geporsie zoele sap inz. der druiven, dat door gisllng wyn wordt

Mot, n. fr (spr. mo; vgl. motto) woord, Inz. geestig gezegde (vgl. bon-mol); — mol d\'ordre, wachtwoord; — Ie fin mol, z. ond. fin -2 .

Motacillen, f. pl. lal. {molacitla, kwikstaart) naam van oen talrijk vogelgeslacht, waartoe de nachlegaai, do vygbok, do kwik-staarl, hol roodkecllje enz. bobooron.

Motétte, f. mid.lal. {motelum, fr. motel. it. motlelto, v. motto, woord, spreuk) oen spreuk-gezang, veelsicnunig kerkgezang, zangstuk, dat gewoonlijk eeno byhoisprouk len grondslag heeft.

Moteur, m. fr. (lal. motor, v. mor ere, bewogen) do beweger, leider, aanstoker, b. v. van een opstand; — motiliteit, f. nw.ial. (mo-lilitas) do bewoogiykhehl; — motie (spr. I=ls) f. lal. {motto, v movere, bewegen) do beweging, lichanmsbewoging; verandering; Gram. do buiging dor subslantioven en adjectieven naar hel gesiaebt; eeno voordraclit, eon voorslag ter beraadslaging in eene vergadering; mol ie van orde, voorstel beirollondo de rogeling dor werkzaamheden eenor vergadering; — motion-naire, m. fr. (spr. mosjonèr\') een voordracld-doonor, iemand, die eone m o 1 i o dool; motief, n. nw.lat. (inotivum, il. motivo, fr. motif) oen beweeggrond, eeno beweegreden, oen prikkel, spoorslag; in do sohoone kunsten oen op uitworklng of effecl berekend kunslmld-del; een bolangryke trok in de dichieriyke vinding; Muz. oen muzikaal thema, eeno melodie of gedachte, die hol hoofdhoslanddoel eener coinposilio uitmaakt en telkens torugkomi; —


-ocr page 832-

MOUST1QUE

MOTRIX

812

motivooren (tr. mnliver) do howoogrcde-non byhreiitioii, bi\'oikIuii aanvooron, mol roüo-nen omklccdon, ondorstouaoii of «laven; — motiveering, f. aanvouiliiK der gronden; — moto, ll. z. molus;— motor, m. lat. de hewogor; In/, eener mnelilno, b. v. stoom-, wind-, water-, gasmotor; — motorisch, adj. (lal. ninlonm, a, urn) bewogond, beweging voortbrengend, b. v. motorische zenuwen.

motria vis, \'i. ris.

Motto, n. It. (— fr. mol, woord, mld lat. mulluin, van liet lal. muilire, provelon, een bair lulden loon ullslooten) oone zlns|irouk, kernspreuk (zonder beeld duurby, ondersebel-don van devies, z. aid.); zlnryke stelling als opsebrin ooner verliaiidellng en dgl.

mnlus, in. lal. (v. movère, bowegen) do beweging; bot oproer, do opstand; — mnlus ron-rulsiri, pl. krainpachtlgo liewoglngen, slulptrok-klngen; — molm iierislfilltcm, in. Mod. de worms-gowyze bowogliig dor maag en dor darmon; — molu jtrniino, uil eigen beweging of aandrift; als subsi, bel motupropn\'o, eono onbetwistbare pauselyke beslissing of verordening; — omnis melus in fine rclocwr, elke beweging (wordt) logen \'t olndo sneller; — co» moto. It. Muz. mot bewoging, levendig, aiimlooniyk; — molo precedénle (si»\'. —Isjeilénle) Muz. z. v. a. meilcsimo Icmpo.

Moucade, z. m o c a d o.

Mouchard, in. fr. (spr. moesjdr. naar men wil van mouche, vlieg, dowyi hy ais oone vlieg rondgonst) een kondschapper, aanbrenger, verklikker, krauwer, poillle-spion; — mou-chardeeren, op kondscbap uitgaan, ipospio-don, verklikken.

Mouche, f. pi. mouches, fr. (spr. nwesj\\ v. \'I lal. musea) olg. vliegen; biankotploislertje, moesje, oen klein stukje laf, dat do dames weleer op baar golaat aiinbraclilen; —mouche volante, f. of gew. pi. mouches volanles (spr. —woldiil\') Mod. elg. vilegonde muggen; bet muggen-zien, bowoogiyke vlokken voor do oogon, oeno oogkwaal; - mouchetoeren (fr. mou-cheter) mol zwarte vlokken bospronkoion, splk-kelen, vlokkig maken.

Móuchette, f. fr. (spr moesjélt\') Arcb. do kransiysl, keelbovel, slafbevei, muuriyst;do kraaisciiaaf der tlnimerilodon.

Mouchettes, pi. fr. (spr. moesjell\'; van moucher, snuiten, mld.lat. mucare, muccure, v. lat. mucus, muccus, snol) de snulter, kaarsensnuiter.

Moufette, f. fr. (spr. moefélt\'.- vgi. iiot II. mu/fo, sclilmmeiig, wolliclit van liet dullsob mu/f, muffe reuk) ook mofette, mouphette, scbadoiyke mynlucbl, sllkluebt, giftdamp, allerlei nadoeligo uitwasemingen, voor de adeniba-llng ongeseblkte gassoorten, die de ondoraard-scbo plaatsen, Inz. de mynon, besmetten; ook z. v. a. vl verre, z. aid.

Mouflon, m. fr. (spr. moc/lón: sardln. mu-/lonc, II. mufione, mufo) i. ar ga 11.

mouilleeren, fr. (mouiller, s|ir. moeij—.

provone. molhar, als ware \'I lat. molliure, v. mollis, week, dus olg. week maken) bevochtigen, besproeien; ook zacht of week uitspreken, inz. in bet fransch Ij In plaats van II: — mouillobouche, f. (spr. moelj\'boesj\') de walerpoer, oone zoor sappige zomerpoor.

mouleeren, fr. (mouler, spr. moet—, van moule, vorm, model, provone. malle, v. \'I lat. modulus, II. madetla: vgl. model) vormen, In oen vorm gieten, afgieten. In eon vorm drukken of slaan; — moulure, f.fr, (spr. moelüür\') Arch, hol tystwerk, de lysl; allerlei sieraden, lysljos aan goudsmldswerk.

Monies, pl. fr. (spr. moei\') kleine eetbare mosselen op de fr. noordkust.

Moulinet, in. fr. (spr. moelinèelg. kleine molen, van moulin, molen, it. mulina, molino, mld.lat. molinum, voor \'I lat. molinu, v. molSrc, malen) ilo molon, oone krulswyzo wending In den dans; la het schermen; de krulswyzo zwaaiing der degens, om do sloolon of bouwen van meer dan éono togenparty to geiyk af te wore n ; — moulinoeren, fr. (mouliner, spr. moei—) zyde op den molon tweornon; — mou-linage, (. (spr. moetindazj\') do zydotweorning en hol daartoe noodigo gereedschap.

Moulure, z. oud. mouleeren.

Mount, in. eng. do borg; In den naam van voio plaatsen enz. (ook mountain, spr. mimnfn); — mountain-dew (spr. mount\'n-djoe) elg. bergdauw; sterke korenhrandowyn.

Mourqui, z. murkl.

Mousquet, z. musket;— mousque-ton, z. musket on.

Mousse, m. fr. (spr. moess\': van hot sp. moto, jong, jong mensch. It. mozzn, v. \'I lat. mus Ins, jong, frlsch) do scheepsjongen, zwabber, kajuitwachter.

mousseeren, fr. (maimer, spr. moess—, v. mousse, mos, en dan om de overoonkomst; schuim) schuimen, opbruisen; vandaar mous-soorondo wynon, schuimende wynon; — mousseux, adj. (spr. moesséü) schuimend, geiyk b. v de champagne-wUn; — chumiianne mousseux (spr. sjuiipanj\'—) schuimende champagne-wyn, het togongest. van c/iam/iuffnc non-mous-seiu, nlet-schulmende champagne.

Mousseline, f. moesselién, n. (fr. mousseline, II. mussolina on mussolo) neteldoek, naar de turksche stad Mossool of Moes-sool (mld.ial. Mmsula, araii. Mautil, Maussil, syrlsch Mnuzol, Muzal, Mosul) aan don Tiger, alwaar die slof het eerst word vervaardigd; — mousselineglas, n. glasruit met doorzichtig patroon 0|i matton grond.

Mousseron, m. fr. (spr. moess\'niii; van mousse, mos) Bot. kleine meikamperuoolje, een eetbare paddenstoel, dien men \'I voorjaar onder het mos vindt.

Mousson, z. moesson.

Moustache, f. fr. (spr. moestóyquot;; it. mos-tuccïo, v. \'I gr. mijstnx, bovenlip, snorrehaard) oen knevelbaard, knevel, snorrehaard.

Moustique, f. fr. (spr. moesliék\') z. v. a.


-ocr page 833-

MOUTARDE

H\\3

MUHAMKD

mosquito; — moustiquaire, in. (spr. moeslikèr\') z. v. ». mosqultero.

Moutarde, f. fr. (spr, moetird\'; It. on provcnc. mostarda, v. \'llol. inuslum, most, fr. mod/) tnosliiiird of mosterd, mol most- of wyn-azUn liorold mosterdzand; — ila la moularde après diner (spr. —«;»\'(! diné) mosterd na den inuallUd, fr. sprw. voor iels, dat te laat komt; — moutardier, m. (spr. mnetardjé) het mos-tordpotje.

Mouton, ii. fr. (spr. moelóii) liet schaap; spottenderwys de leden der (fohelme fraascho politie.

Mouvance, f. fr. (spr. moevdiis\'; v. mnu-rant, howeoglUk, vandaar Iconbaar) de loonhecr-lükhold, liet leonrocht, de leenliaarlield, feodale afhankclUkheld.

Mouvement, ii. fr. (spr. moev\'mdii; v. moumir = hit. moven, howeKon) de heweKlnu, (inrust; hot voortgaan, dc^ voortgang, voortgaande vorandorlag; gangwerk in oen uurwerk; de opstand, liet oproer.

moveeren, lat. (movcre) bewegen; — zich moveeren, zieh In hewoglng zetten, onrustig worden; Gram. oen woord moveeren, liet zijne veranderingen door do geslachten doen ondergaan (z. ook motie); — móvens, a. of movens causa, f. een hulp-of beweegmlddei;— moventïen (spr. /=/.«) pi. (movenlïaj zlch-zelven bewegende voorwerpen, li. v. vee (onderschelden van m o b 111 o n); — moviménlo, m. It. Muz. beweging, tydmaat.

Moxa, f. port. (spr. moch, wellicht van moxiir, mojar, tievoclitigen) bUvoetwol, eene grauwe, wollige slof, die in China, Japan en elders alt de bladen en toppen van den ge-ineenea hUvoot (Artemisia vutuuris) bereid en als geneesmiddel tegen jicht en podagra uitwendig gebruikt wordt. Men rolt namelgk de moxa op tot eenea kegel van omtrent 2S niM., kleeft haar met speeksel op de huid vast en steekt ze in brand; zoo ontstaat er eene brandwonde, die tot ottering overgaat; — moxi-büstie, f. barb. lat. Med. bet branden met moxa.

Moyd\'or, z. moed or.

Moyen, n. fr. (spr. moajeht v. \'I lat. me-diunum, v. medium) middel, weg, gelegenheid, balpmlddel, vermogen, mogeiUkhoid; — pl. moyens, ook forluins-omstandigheden, middelen, vermogen.

Moyo, m. sp. (= tal. mmttus, schepel; vgl. niogg 1 o) eene vroegere sp. graan- en vochtmaat van verschillende grootte

Mozaïek, muzief werk, mozaïsch, muzivisch of muzseisch werk (fr. mn-saïque, provenc. motuic, sp. en port. mosdico, It. musdirn, nw.gr. musaïkon, lat. [ojms] inu-sivum, gr, moeseion) Ingelegd werk, steen- of glasschilderstuk, een samenstel van veelkleurige stukken steen, hout en glas, die door middel van eenlg kleefdeeg of lijm zóo kunstig met elkander tot allerlei liguren verbonden worden, dat men ze, op eenigen afstand gezien, voor penseelwerk houdt; — mozaist Hr, maitre mosuiste) m. de muzief- of inozaïekwerker; — muziefgoud, scliildersgoud, valscb schelpgoud uit tin, kwik, zwavel en sal-aninioniak;

— muziefzilver, valscb zilver, wit tin met bismuth en kwik.

Mozambo, m. naam in Brazliiti van dezulken, die In Knropa zijn geboren.

Mozarabier, m sp. (mnzdrube, v. \'I arab. moestaral) of moesturib, d. 1. Iemand, die naar de Arabieren goiykl, zonder een echt Arabier Ie /ij11; thans: christen van inoorscho afkomst in Spanje en Afrika,

Mozes, bebr. (Mosjch, van misjnh, uittrekken, uithalen ; volgens Josephus editor van egyp-tischen oorsprong) mansii.: de uit liet water geredde, de naam van den wetgever en godsdienststichter der IsruBlleton; mozaïsch, adj. hem betrelTende of van hom afkomstig (b. v. mozaïsch geloof, enz ); mozaisme, n. de leer van Mozes, de mozaïsche of joodsche godsdienst,

Mozo, m. sp. jong mensch, jonkman, vgl, m o u s s e.

Mozzétta, f. 11. (van motto, afgehouwen, geknot) een rok zonder mouwen als kleeding der booge K. Kath. geesteiyken in Italië.

mnch, eng. veel; — much adn about no-thinn, veel geschreeuw om niets.

mucus, m, lal. (gr. luijhos) ook mucugo en macilauo,! nw.lat. Mod. siyni; een slijmig geneesmiddel; — mucitaao f/ummi arabici, gom-siym, In i (leeion water opgeloste gom; — mucaten, n. pl. siymzure zouten; - mu-queus (lat. mucosas, a, urn) of mueila-gineus, adj. uw.lal, slümig, siyinerig; —mu-culónt, adj. (later lat. inuculénlus, a, urn) siymig, siynierlg; muculóntie (spr, l=ts) f. nw.lat de siyniigheid; — mucesceeren, lat. (inucescUre) kamig of sclilmnieiig worden.

Mud, n. (vgl. mulil) oen hectoliter; eene Inboudsmaal In Nederland = jV last = 10 schepels of 100 koppen (liters); het oude Ainslcrilaiuscho mud = j\', last, verdeeld In i schepels, was = lll,4ïiii liter.

Mueda, f. port. (eig. moeda = lal. moneta, ■/.. aid.) eene inuiit = to crusados (z. aid.) of li ii n cent.

Muell. C., by natuurbistorlsche namen afk. voor K. A. I\'. VV. Mllller; — Muell. of Muell. F., voor I\'. von Mllller (te Melbourne);

- Muell. H., voor Merni. Muller (gestorven ISSII).

Muezzin, z. mooi!zzin.

Muffel, z. moffel.

Mufti, z. moefti; — par ordre de (of du) mufti, fr. gedwongen, zonder dat eenige tegeuspraiik veroorloofd is.

Miihamed, of liever Muhammed, gew Mohamed, m. (arab. Moehdmmed, partje. van hamida, pryzen) de hooggeprezene, roemwaardige, de naam van den heroemden arabischen godsdienststichter (goh. te Mekka, omstreeks Kin jaren na Ohr.); — Muhame-


-ocr page 834-

MUHARRAM

MUN

danen, row. Mohamodanen, m. pi. aan-

UiinRers vun MolmmeiU leer, Mohumeds sieloofs-Konooton; — muhamedisme ut moha-medisme, row. mohamedamsme, n,

ile leer van Mohamed, liet turkscli Relnof, z. v. a. islam.

Muharram, 7.. mo liar rem.

Mviid, 11. fr. (spr. mwt, = lal. modi us, vrI. nwiifiio) cone oude fr. InhoiKlsmiiul voor ilrofje waren, naur de waren en de plaatsen van zeer versclilllende grootte; een oude, RodeoltelUk iior thans ROlirulkeHjke fr. maal voor vloolslollen; een vat, een ton van 213,0 L. Inhoud.

Mul, n. (misschien samengetr. uit mossul of mossnel, 1. mousseline) tijn en (jl moes-selien, dat het eerst uit O.liidie kwam; — ook; geringe soort van moekrap (fr. mulle).

Muiassen, /.. mol assen.

Mulat, 111. mulattin, f. (sp. en port. mulato, mululd, ooorspr. een muildier, getooid uit een hengst en eeno ezelin, fr. muldtrev. \'I lat. mul us, muildier) een gemengd monschen-ras, uit blanke en zwarlo menschen (Negers) gelooid; — mulattofina, hol kind van oenen mesties en oene mulattin, of omgekeerd.

Mulciber, m. lal. (v. mulccre, vorwooken en ferrum, Uzer) een hgnaam van Vulcanus (z. aid.), Uzerknedor.

mule/a of mulla, f. lat. ,lnr. oene geldstraf; m. poenilentfae, rouwgeld of rouwkoop; m. sluprurum, boete op hoererij; — mulcteo-ren (lat. mulclare) straiten, mot geldboete stratlen ; — mulctatl\'um, n. zeker gold, dat als boete geïnd wordt.

Mulet, in. een port. schip met latynsche of driehoekige zeilen.

Mulo-machine of mule jonny-ma-chine, f. (v. eng. mule, spr. mjoeh vgl. Jenny-machlne) eeno soort van spinmachine; — mule-twist, n. eng. (vgl. twist) moten-of machine-garen van boomwol.

Muliëbria, pl. lat. (v. muliebrts, e, vrou-weiyk, van mul/er, de vrouw) vrouwetyke zaken, do vrouwelijke goslachtsdeolon; Med. de maandeiyksche zuivering; — muliëbriteit, f. (later tal. muliebrflas) de vrouweiUkbeid, vrou-vveiijko geaardheid; — muiier hicSal in eccle-sfa, quot;de vrouw zwyge in de kerkquot;, d.i. mongo zich niet in openimro aangelegenheden.

Mulomedicina, z. ond. mutus.

Mulsum, n. lat. (sell, viiiuni, vvyn, van muisus, mot honig vermengd, v. mulccre, mulsum, zacht, zoet maken, verzoeten) met honig gemengde w(jn, wynmode.

mullus, a, um, lal. multa, veel; velerlei; — inullum, n. veel; non mulla sed mul turn, niet velerlei, maar veel, niet van alles wal, maar van een ding veel (h. v. loeren); mulla jmueis, veel in weinig woorden; multi sunt vocali, puuci vere elerti, velen zyn geroepen, maar weinigen uilverkoren; — mullirnulis, adj. lal. voolstenge-lig; — multangulair, adj. nw.tal. (lat. mul-Inngülaris, e) voolbookig ; — multiceps, adj. lat. veolhoofdig; — mullifunus, adj. lat. veel-ryig; — multifidus, adj. lat. veeisplelig; — multifórm, adj (lal. multiformis, e] veelvormig, veelvoudig; — multigenérisch, adj. (lat. muUiljviius, a, um) veelsoortig, menigvuldig; — multilateraal, adj. nw.tal. vooizydlg; — multilobus, adj. lat. veeiloliliig; — mullilocularis, adj. lat. veelvakkig, veelliok-klg; — multinómisch, adj. bit.-gr. veei-deoiig; — multiplex, adj. lat. veelvoudig, veelvuldig; — multipliceeren (lat. muili-plicure) vormoulgvuidigen; Arilli. een getut zoo-voet malen nomen, als door oen ander ({olal wordt aangeduid; het eersie heet multipli-candus, m. vermcnigvuldiglai, hot andere multiplicator, m. vernienlyvuidiger; — e i 0 c t r 0 - m 11 g n e t i s c h 0 m u 111 p i 1 c a 10 r, m. oen door Schweiggor uitfievondon werktuig om de lljnste graden van hel galvanlsmo le meten; — multiplicatie (spr. Iie=lsie) f. {mulliplicutio) do vormeiilgvuldiglng, vermeerdering; multiplicatie-cirkel, oon astronomisch werktuig tot hooglenieting; — invil-tiplicatief, adj. nw.tal. vermenigvuldigend, vooivoudlgond; vermenigvuldiging bewerkende of uitdrukkende; b. v. m u 111 pilcatle ve telwoorden; — multipliciteit, f de veelvuldigheid, moiilgvuldigbold, menigie; - tnul-tiplum, n oen veelvoud, een getal, waarin een ander getal meermalen begrepen Is, li. v. !i Is een imiltlplum van II; —multipolair, adj. verscheiden polen hehhende; — multi-potént, adj. (lat. mullipulens) veelvermogend, zeer machtig; - multivalven, |)i. nw.lal. (vgl. v a I v a) veelscbailge schelpdieron; — mul-tungdla, f. lal. (van ungüla, klauw, lioef) veelhoevig dier.

mul us, 111. lal. bet muildier, de muiiozol; in de dullscho studententaal: wie van do school afgegaan, maar nog niet als siuileni Is opgenomen; — mulomedicina, f. lat. do die-renheelkunde, veoartsenükimde.

Mümmo, f. boogd. (spr. moemme) oon vroeger zeer bekend, thans door de Heiorscho bieren verdrongen, krachtig, zeer dik, donkerbruin, niet gehopt Brunswyksch bier, met zoctaclitl-gen, aangennmon smaak, 7.00 gehoeten naar zyn eersten brouwer Chrisllaaii Mumme, mom.

Mlimmie, f. (oudfr. mwnie, nu momie. It. mümmia, porz. moemijd, v. moem of mom, was, week, balsamiek bars, dewijl de Perzen 011 Ba-bytoniors daarmede hunne dooden overdekten) oen gohalsemd 011 gedroogd lük bU de ouilo Egyptonaron; — mineralische mummie, oen zeer kostbare, wolriokendo en voor wonden zeer heilzame borgbaisem In 1\'erzie, enz, wolken de oude Ëgyptonaren lilj het balsemen hunner tyken gohrniklen; — mummiflcee-ren, nw.lal. mummiën vormen, lot mummie maken -, — mummiüciitie (spr. lt;=(.*•) f. do mummievorming, mummiebereiding.

Mumps, n. eng. (van mump, in zich zelf brommen, morren) sloclil humeur; Med. oor-kllorontsteklng.

Mun, ■/.. maund.


-ocr page 835-

MUNCHHAUSIADE 815

MUR1EDEN

Munchhausiade, f. leugen, opsnUdorU (mei liet ook op Von Mdchliauscn\'s wondorlyko reizen en avonturen).

Mundaan, mundamsmo, munda-niteit, z. otul. mundus; — mundatie, enz., mundeeren, z. ond mundum.

Mundium, n. mld.lat. (v. liet oudd. munt, muud, d. I. hand, dan ook liesclierming, lie-schenner, vandaar ons ouilo voorin oud er, hoogd. vormund, voogd) liet recht der persoon-lyke lieerschapiiU over vryen, Inz. van den echtgenoot over zyne huisvrouw, van den voogd over den pupil.

Mundum, n. lal. (van mundus, «, urn, rein, zuiver) het zuiver afschrlfl, het schrift, In tegenst. met concept; pro mmdo, voor het afschrift; — mundeoren (lal. mumlare) zuiveren, reinigen; in \'t net afschrijven; — mun-daut, m. kanselarysclirijver-- mundatio (spr. /=(.«) f. (later lat. munduCto) de reiniging; — mundator, in. de reiniger; de veger (in kloosters); — mundatorisch, adj. (lat. munitulortus, a, um) lelnigend, zuiverend;

— mundificantïa (siir. l=ts) of mun-diflcativa, n. pl. nw.lat. Med. zuiveringsmiddelen, reinigende geneesmiddelen.

mundus, m. lat de wereld; - mundus vuil dectpi, ergo decipiatur, lat. sprw.: de wereld wil bedrogen zgn, dat zy dan liedrogen worde!

— sic transit gloria muntti, z. ond. glorie; — (i mmdo conitfto, van de schepping der wereld af; — mundaan, adj. (lal. mundanus, a, um) wereldlijk, wereldsch; — mundanisme, n. en mundaniteit, f. nw.lat. de wereldsch-gezlndlield, aardscligezlndheld; — mundiva-gant, adj. nw.lat. In de wereld omzwervend;

— mundomotorium, n. toestel om hel mechanisme van liet heelal aanschouweHjk le maken.

munoeren, lat (mun\'ire) hevestlgen, met het noodige ter verdediging of voeding voorzien, loerusleii; — munimént, n. (lal. munimén-lam) elg. oen verdedlgingsmUIdol; Jur. een he-wysgrond, sleungrond, eene omstundlglield, die In het voordeel Is der eene party; — munitie (spr. l=ls) f. (fr. munition, lat. munitio, hevesllglng, versterking enz.) de krygsvoorraad, Inz. krult, kogels enz.; — munitie-wagon, de wagen, waarop de krygsvoorraad wordt vervoerd.

Mungo, m. 1) z. Ichneumon; i) ook n. eng. de fijnere, kortharige soorten van lompen-wol of kunstwol, die door lijnscheuren van gevold laken horeld worden; verschillend van shoddy (z. aid.)

Municipmm, n, pl. municipïa of municipïen, lal. (v. munus, amhl, plicht enz. en capere, nemen, ontvangen) eene rom. vrystad, landslad in het oude Hall#, die hel rom. burgorrocht genoot en onder eene zelfgekozen overheid stond— municipaal, adj. (lat. municipalis, e) sledeiyk, sladsch, de gemeente, de sladsregeoring betreHende; als suhsl. in. een sledeiyk overheidspersoon, stadsraad, lid van hel stodeiyk bestuur; municipale raad, gemeenteraad, stedeiyke raad; municipale steden, voorin, dultscho steden, die aan eencn rijkssland onderworpen waren; — mu-nicipaliteit, f. nw.lat. de gemeenleraad, de plaatseiyke of stadsoverheid; reclilsgehied eener gemeente; gemeentehuis; — municipali-soeren (spr. .v=j) met gemeenlewellen voorzien, ais gemeenle Inrichten.

Munificéntie (spr. l=ls) f. lat. (muni-firenha, v. munificus, vrygovlg, en dil van munus, dienst, geschenk en faclre, maken) vrygo-vlgheld, mildheid, milddadigheid, groolnioedlg-hcld; — munifleént,adj. mild, vrygevig; — munificeeren, mild beschenken.

Munimént, munitie, z. onder mu-ii e o r o n.

Munster, ook monster, m. (v. \'t lal.

monuslenum, d. 1. klooster) eene sllchtskerk, domkerk, hoofdkerk.

Munychión, m. gr. een lentemaand der .Vtlieiiors, hel einde van April en hel begin van Mei.

Murcena of murame, f. (lal. muraena, gr. myraina, v. myros, eene soort van zeeaal) een zeer welsmakende zeeaal {Muraena helena), inz. Iiu Sardinia.

Muraine, /.. m oral n e.

Murajóla, f. eonc voormalige Hal. rekenmunt van verschillende waarde.

Murales, muratoren, z ond. murus.

muratistisch, adj. de familie van Mural, den generaal van Napoleon I, den lateren koning van Napels, toegedaan.

Murchisoniet, n. (spr. murtsji—) veld-spaalh, naar den eng. geoloog Murchlson be-noeind.

Murcus, m. lat. een bloodaard, een die zich den duim afkapt, om vrü van den krygsdlensl le /.(in; vgl. poltron.

Mureïne, f. aniline-grUs, eene glanzendo grUze verfstof; vgl. aniline.

Murexide, f. (v. lat. murex, de purperslak) een door Inwerking van salpeterzuur op de iilsslof en toevoeging van ammoniak gevormde slof met krlslallen van groen en rood weerscbynenden glans = purper zure ammo ui a k.

Muriaten, pi. nw.lat. (van bot lal. murw, pekel) zoutzure zouten-, — muriaftcum (sell. acid um) n. lal. het zoutzuur, de chloorwaler-slof; — muriatisch, adj. zoulzuur, zoutzuur bevattend; — murlatlsche bronnen, zulke bronnen, waarvan het zoutzuur een hoofdhe-slanddeel uitmaakt; muriatisch krult, een op bel buskruit gelykend mengsel, dat in plaats van salpeter, chloorzuur kali bevat; - mu-riaciteit, m. z. v. a. anbydrlel.

Muriciet, m. nw.lal. (van \'I lat. mum-, purperslak) eene versteende stekeisiak.

Murieden, pi. arab. en turksch-tataarsch: elg. de strevenden of discipelen: de aanhangers der door Schamyl geslichte, uit den islam ontsproten mystieke secle in den Kaukasus


-ocr page 836-

MUS0MAN1E

MURINUS

816

murinus, a, uni, adj. lat. Hol. (van mus) niulsgiauw, muisvaal.

Mui\'ki, ii. (wiiarsch. ilultsch, van lii\'l klank-nalioolsond woord murks, murksen, voor murren, murnioldn) eono oude soort van klolno mu-zlDkstukkcn voor liet klavior, mot lovondigo, munnclendo liegolBldlng van dc lias.

Murmur, n. lat. het goinunnol, hel ko-nior, (,\'ogons; Med. z. v. a. Iiorhorygmus; — murmureeren, lat. {murmurare) inorren, ontovroden zgn en klagen, mompelen, knorren.

Müro, m. II. (vgl. murus) muur; m. a sécco, muur zonder kalk, slechts uil «nellen rolsstukken samengesteld.

Murrha, f. lal. eene mat hllnkende. honl-goaderde, zoor hoog gescliatto steensoort hü de oude Komelnen; vandaar murrhinische vazen (lat. vasa niurrliina), pi. eene soort van zeer kostbare en schoon liewerkte pronk-vazea hij de Ouden.

murus, m. lal. de muur; pl. muri: —extra muros, hullen de stadsmureiij — in/ra muros, hlnnen do muren, in do stad; — muralis, adj. lal. muurhowonend, op muren groeiende; — murales, pl. muurgewasson, tegen muren groeiende planten; — muratoren, pl. n\\v. lat. vrljmetsolaars.

Musa, musageet, z. ond. muze.

Muse, muscadin, z. m u s k u s; — muscovado, m., z. moscovade; — muscosen, museositeit, z. ond. m u s-c u s.

Musea, r. lat. de vlieg; — musciden,

pl. do vliegen, als Insectenfamilie; — muscarine, r. het verglfligo alcaloïde van den vllegenpaddonstool (Aftarïcus uiusrarim); — muscicapa, muscipota, r. lal. vilegen-snapper, vliegenvanger (naam van vogels).

Muscardine, f. fr. (spr. muuskardien\') do kalkzuclil der zydewormon, veroorzaakt door den selilmmelpaddenslool (Dntrglis üassiana).

musculair, musculeus, z. onder m uskol.

Muscus, m. lat. mos; pl. musei, mos-planten; — muscus islandicus, (jslandsch mos;

muscoïseh, adj. mossig, mosachtlg, he-inost; — muscosen (muscosae), pl. mos-uchllge gewassen, loof- en levormosson; — museositeit, f. nw.lal. de mosachllgheid.

Musette, f. fr. (spr. muzélt\'; verklw. v \'I oudfr. muse, (lull, püp; vgl. cornomuso) de doedelzak, zakpüp; een zeker muziekstuk van zachlon, slependen toon, in j maat; een landelijke dans in Frankrijk; dc broodzak der soldaten

Museum, z. ond. Muze.

Musief werk, musief-goud, enz., z. musief, ond. mozaïek.

Muskaatbloem, muskaatwijn, enz. z. ond. muskus.

Muskei, in. (fr. muscle, van \'t lal. mus-culus, d. 1. eig. muisje, verklw. van mus) pl. muskelen. Anal, de spieren, de vleezige deden van hel dierlijk lichaam, die het door liure ult/.cltlng on samentrekking tot do wilie-kourige heweging geschikt maken; — musculair, adj. nw lat. do sploren liet rellende, aan de spieren eigen; — musculair systeem,

ii. het spierstelsel, spiergeliouw, do samenhang van al do spieren eens llchaams; — musculaire veer, eono veer, die do spieren der automaten In heweging zet; — muscula-rlteit, f. de spierkracht, hel vermogen en de werkzaamheid der spieren; — muscula-tuur, f. liet voorzien /ijn van spieren, sterkte in de spieren, gespierdheid; — musculeus, adj. (lat. mmculosus, n, urn), gespierd, sterk van spieren, vleezig; — musculieten, m. pl. eene soort van versteende schelpen.

Muskét, n. (II. moschetlo, sp. mosquele. fr. mousquel: oudfr. mnuschele, mouchelle, mid. lat. muschela, muschctla, eene soort van werppijl; eig. evenals muschelus, provcnc. mosquei, mosqueta, fr. mow hel, émouchet, eene soort v. sperwer, van \'t lat. mosca, de vlieg, omdat de horst van dien vogel met vlekjes, die er als vliegen uilzien, gespikkeld Is) hel oude solda-longeweer, vuurroer, dat met eene lont werd afgestoken; — musketier, m. (fr. mousque-laire) een voetsoldaat, voetknecht, geweerdrager; — musketon «f fr. mousqueton, m. (spr. —tóiis II. moschettóne) eene oude soort van korte geweren van groot kaliber.

Muskito, muskieten, z. mosquito.

Muskus, f. lat., of musc, fr. m., ook moschus on bi sum geheelen, een sterk en aangenaam riekend dik vocht, dat hli verscheidene dieren, inz. Ii|| hel hisam- of muskus-dier, in oenen buidel aan de aarsstreek gevonden en zoowel lol reukwerk als lol versterking der zenuwen aangewend wordt; z moschus en bisam-, — muscadin, m. fr. (spr. mu-skadeii) in 1795 en volg. jaren; een naar muskus riekend heertje, een snleljon-ker, pronkertje, modegek; vgl. gommeux en dandy; — muskaatbloem, f (vgl. ma-cls) de foelie, hel nelachtig weefsel aan de harde schaal der muskaatnoot of museaal (fr. muscade, sp. moscada, it. iiocc moscade, mid. lat. muscata, sell, nux, nool en muscatum, v. muscatu.i, als muskus riekende) dat gedroogd, evenals de eigenlijke kern der nool, als specerij geliruikl wordt; — muskaatnoot, de vrucht van den muskaatboom (Myrisiïca mosclmta) op de Moluksche eilanden, om welker harde kern het nelvorinig weefsel, de foelie, zll; uil deze noten perst men de kostbare muskaatolie; — muskaatwijn of muskadél-wijn, (11. moscatetto, moscadetlo, mld.lal. mus-catcllum of muscadellum, sell, vinum, wijn van muscatus, als muskus riekende; arah. moeskal) een zeer zoete, kruidige Ital. en franscho wyn; — muskadélpeer, eene soort van vroegrijpe, smakelijke peren; — musquoeren, met muskus welriekend maken; daarmede toe-berelden.

Musomanie, z. muzomanie, onder M u z e.


-ocr page 837-

MUSPEL

MUZK

817

Muspol of Muspolheim, n. ouiln. {muspitll, lid vuur, wereldvuur, oIk. do liout-vornlolor) Mvtli. liet zuldolUko, holdoro cn hoolo dool dor worold, hot vuurrgk, In togonst. mot NI till olm.

musqua-vellen, pl. do hulden dor uine-rlkuimsclio muskusral.

musqueeren, z. oud. muskus. Mussaf, m. oen gebod, dal do liodendaag-sclio .loden doen op ilon oorston dag van elke maand, op don sahliallidag en op don eersten dag des jaars.

mussiteeren, lat. (mussHure, verstor-kingsworkw. v. mussure, zwijgen) zacht lluls-toron uf mompelen; zwijgen, uiels laten merken; — mussitatie (spr. —tsie), f. lat. (mussilatfo) hot murmelen, llulstoren; hot un-dordrukkon der stom, zwUgeu.

Mustafa, z. moes la fa.

Mustangs, z. most n n g s.

Mustard, m. eng. mosterd.

mustie, f. (vgl. f u s 11 o) do dochter van oonen hlanke en oeno mulattin.

Muta (sell, lilltra), f. lat. (van mul us, u, urn, stom) Gram. een stomme consonant, pl. mutse ((), d, is, ii, l); — mutacismo, n. hel hozwaariyk, gebrekkig, «f ook te veelvuldig uitspreken der h, m en ;), — mutisme, n. harb.lat., de stomheid, hot stilzwijgen.

mutabel, mutabiliteit, enz, z. oud. m ut oor on.

muteeren, lat. (mulare) veranderen, wisselen, Inz. van hot wisselen der Jongensstom by de Intrede van de manbaarheid; — mu-tabel, adj. (lat. mulahflis, e), veranderiyk; onbestondlg; — mutabiliteit, f. (mutabltt-Ins) f. de veranderiykheld, onbestendigheid; — mutatie (spr. Iic=lsie), r. (lat, mulatto), de verandering, plaatsverwisseling; — mutatismu-tónrfis, afgek. m. m. of mul. mul, mot verandering van datgene, wat veranderd moet worden, of met de noodige veranderingen; mvlato nomine, met veranderden naam, alleen den naam veranderd: — mutator, m. lal. de voran-doraar, oen door M. II. Jacobi uilgevonden lu-strmnent, door middel waarvan men een olec-trischen stroom snel achter elkander kan openen en sluiten.

mutileeren, lat. (mu/ilare) verminken, vorvalschen; — mutilatie (spr. tie=tsie) f. de verminking, vorvaischlug; — mulilalus, a, um, lat. Bot. verminkt.

mutinerie, f fr. (v. mutin, muller, van \'1 oudfr. meute, opstand, kruistocht. Jachtstoet; vgl. meute) mullery, Inz. onder soldaten. Mutisme, ■/. ond. muta. Muttonehops, pi. eng. (spr. muilen-tsjops, v. mutton = fr. moulon, hamel, schaap, on choi), snede, schyf) gerooste lamsribheljes.

Mutualisten, mutualiteit, z. ond. m u 1 u u m.

Mutuatie (spr. tie--tsie], f. lal. {mutuaiïo, v. mutuari, leenen, borgen) bet borgen, leenen van iemand, de ontleSning.

V1KIUIK linUK.

mutueel, z. ond. m u I u u in.

Mutülus, m. lal. Areh. de kraagsteen, deelkop of sparrekop in do ilorische liouworde.

Mutlium, ii. lal (van mutiius, a, um. geborgd; wederkoerlg) eene leening, eene gold-schuld; — mutilum aitjutorfum, wederzydsche liulp; mutuuin paltiutum, eene vermomde of liedekto ioening; — mutiius consensus, wederzydsche inwiliiglug of loostemming; — mutiiu confidenlia, wederzydscli vertrouwen; — mutueel, udj. nw.lat. (mutu ilis, fr. mutuel) we-derzUdsch, wederkeerig, beiderzydsch, over en weer; — mutualiteit, f. barh.lal. de wc (lorzydsfho verhouding, de wederkeerlglieid; — mutualisten of mutuëllisten, m. |d. medeleden van \'I geheime genoolschap voor de geiykheid der menscbenrecliten, In IH.\'lil te Lvon Kosticbl; deelhebbers eoner op wederkeerlglieid gegronde verzekerlugsmaatscliappy; N. M. zulke woekerdioren. die bot voorwerp waarop z.y leven, ook wederkeerig wezeniyke diensten be-wyzon.

Muze, f. (gr. Mfisa), pl. Muzen, Myth, zanggodinnen, dochters van Jupiter en Mnemosyne, de negen beschermstors der schoone kunsten ou wolenschappen, inz. der loon- en dichtkunst, ook Cammnon, lal. (Cumoenne of Camenae) en IMorldon (gr. Pierides) gobee-len; n.1. K11 o, de room (met een boekrol voorgesteld, voor de geschiedenis), Kalllópe, de schoonsprekende (met grillel en wastafel, voor liet lieidendiclit), Melpomene, de zauggrage (met bet tragische masker, voor het treur spel), Thalia, de vroolyke (met herdersstaf cn liet koinlsch masker, voor het biyspei), Era lo, de liefelgke (voor scberls- en liefdezangen), Euterpe, de vermakende (met de Huil, voor de toonkunst), Terpsichore, de dansilovende (met de lier, voor den dans), Polyhymnia, de zangryko (voor hooger of feestgezang en wel-sprckenilheid) en Urania, de henielscbe (met de liemolglobe, voor de sterrenkunde); oneig. de schoone kunsten en weienschappen, Inz. de dichtkunst; — muzen-almanak, in. een prnclitjnarboekje mol dichteriyko voorthrongse-len; — muzenpaard of -ros, n. z. pe-gasus; — muzenzetel, m. eene booge-sehool, akademiestad; — muzenzoon, slu-dent, akademieburger ; musageet, in. {gr. mmagétes) eig. een muzenaan voerder, hoofd en aanvoerder der Muzen, een hyuaam van Apollo cn Hercules; oneig. een niuzenvrlend, beschermer on bevorderaar der kunsten en wetenschappen; — museum, n. lal. (gr. musëion, v. mus»tos, den Muzen behoorende, eigen) een muzentempel of eene aan de Muzen, d. i. aan de geleerdheid, de kunsten en wolenschappen, gewyde plaais, h. v eene studeerkamer; eene bock-, natiiraiien- of kunslverzamellng, een kunst-kahinct; ook een welenscliappeiyk tydscbrifl van gemengdon Inhoud; — museographie, f. gr. de beschrijving van kunsl- en natuurhlslo-rlscho kniiinellen en liuniie zeldzaamheden; — museologie, f. leer of hiindleiding lol bet

quot;gt;2


-ocr page 838-

MUZELMAN

MYOTOMIE

818

inrichten on onderhouden van musea van natuurlijke historie, enz.; — musomanie, f. hartstochteiyke kunstliefde, inz. overdreven zucht voor muziek.

Muzelman (fr. en sp. musuiman, 11. niu-sulmann, inid.iat. musultnnnus, bedorven uit het arah. moslemnena, plur. van moslem; z. aid.)

Muziek, r. nr. (musike, sell, léchnc, kunst, clK. in \'t algemeen muzenkunst, Inz. toon-dichten redekunst; lat. musfea, fr. muxique) do toonkunst ; toonkunde, toonwotenschap; de loor on kennis van do vorhoudliiB en samenstemming der tonen; hel op tonen gezette stuk zelve, hot gezang, de samenklank van stommen oti speeltuigen; — muziekinstrumenten, n. pi. speeltuigen, toonwerktuigen; — muzikaal, adj. (it. musicale, fr. musical) ioon-kunstig, mol de toonkunst overeenstemmend, daartoe hehoorond, geschikt; toonkundig; ook wolkiinkond, welluidend, aangenaam; — mu-sikaliën, pi. hgd. dingen die tot de muziek hohooren; — muzikant, m. oen speelman, gemeen muziekspelor; — muziekmeester of musicus, m. pi. musici, lat. toonkunstenaar; ondorwyzer in de toonkunst; — mu-siceeren, uw.lilt. (it. musirdre) muziek nm-ken, kunsttenen voort hrongon, spelen.

Myacieten, z. m vleten.

Myasthenie, f. gr. (v. mj/s, muls, spier, z. m us kol, on asthenie) zwakte of slapheid der spieren.

Mycetolog:e, f. gr. (v. mjkes, pi. mj/-kêles, paddonstoolon) de ieor dor paddenstoelen en zwammen; — mycetophaag, m. een pnddonstoel-elor.

Mychmos of mygmos, m. gr. (van my (hein, steunen) hot steunen, diepe zuchten; rocliolen.

Myco z. m v k o.

Mydêsis, f. gr. (v. mydan, vochtig zün) Mod. de vloeiende ettoring der oogleden door siym of andere vochten; — mydon, m, weelderig, wild vleosch In zweren.

Mydriasis, f. gr. Med. do ziokolüke of door kunst howerkte verwijding van don oogappel; — mydriatisch, mij. die hewer-kende, diiarnan l(jdendo; — mydriatïcum, m. con middel, ilnt do verwUdlng des oogappels hevordort.

Myelalgie, f. gr. (v. myelös, merg) Mod. pijn in \'truggomorg; — myelitis, f. rugge-mergsontstoklng; — myolomalac.e, f. verweeking van hot ruggemerg; — myelamo-ningitis, f. ontstokli.g van hot ruggomorgs-vlies; — myelophthl\'sis, f. de ruggemorgs-toring; — myolospóngus, in. morgspons.

Mygmos, z. mychmos.

Myieten of myacieten, m. pl. gr. (v. mp, innis, spier) eene soort van versteende schelpdieren, z. v. a musculloten; - myitis, f. gr. oone ontsteking der sploren.

Myiocephalon, n. gr. (v. myia, vlieg) Mod. vliegenkopje, vliegenhoofdjo, eone uitzakking van don rogonhoog door oone verzwering van hot hoornvlies; — myiodeopsie of myiopTe, f. het muggonzlon, liet flikkeren voor de oogen als van zwermen muggen; — myiologie, f. de loer of kennis der muggen of vliegen, oen gedooite dor entomologie uitmakende; — mykothanaton, n. olg. zwamdood; oen uit zwavelzuur on keukenzout herold middel tor verdelging van hout- en muur-zwain en liehoedmiddoi daartegen, alsmede legen rotting van hout.

Myrtis, ■/.. end. myieten.

Mykodérma, n. gr. (van mffftos, siyrn; spons, paadcnslool) Mod. de huidspons, huid-zwam; — mykolith, m. paddoiistoolsteen, een schgnhaar versteende paddenstoel; —my-kolog\'e, f. z. v. a. my eet ei ogle; — mykophthalmie, f. Mod. oone sponzige oogontsteking; — mykösis, f. oen sponsachtig vieoschgezwel, een siympollop.

Myktêres, pl. gr. (v. mydzein, snuiven) de neusgaten; — mykterisme, n. hot nous-ophalon, bespotten, boonon; — myktero-phonie, f. de neusspraak, het spreken door don neus.

Mylady, ong. (spr. milédi: i. lady) de titel, waarmode men tot en van de gemalin eens lords of baronets spreekt; terwyi men haren gemaal ilion van mylord geeft, z. lord.

Myloden, m. gr. soort van luiaard (een dier uit de voorwereld).

Myoccelialgie, f. gr. (van mj/s, muis, spier, on c m 11 a 1 g I e) Mod. hulksplerpyn; ~ myodynamométer, m. oen spierkracht-meter; — myodynie, f. gr. olg. spierpijn, z. v. a. ill on ma II sine; — myograph\'e, f. de splerboachryving; — myolititeit, f. de willekeurige splorboweging; — myolog e, f. de leer der spieren; — myológisch, adj. die leer botretTende; — myomantie (spr. lt;=/.«), f. bet waarzeggen door of uit muizen;

— myonarkösis, f. do stompheid, traagheid dor spieren; — myopalmus, m. de peeshuppotlng of liet springen der spieren; — myopathie, f. bet spieriydon, eene spior-kwaal; — myopathisoh, adj. spieriydend, ziek In de spieren; — myorrhexis, f. de scheuring van spieren of pezen; — myoto-mie, f. do ontleding der spieren; splerdoor-snyding.

Myops, m. gr. (van myein, zich sluiten, blikkeren, on dps, gezicht; eig. met do oogon blikkerend) con kortzichtige, hyziende, niet ver ziende-, — myópisch, adj. kortzichtig; — myopie, f de kortzichtigheid, byziendhcid;

— myopodiorthotikon, m. een toestel lot genezing der korlzlclitigbeid, door prof. Hert hold te Götlingon in ISin uitgevonden;

— myösis, f. Mod. do vernauwing van don oogappel, mol vorstyving van den regenboog verbonden.

Myosötis, f. gr. (v. mT/s, muls, en nes, gonit. olns, nor) Bot. muizenoortje, vergool-my-niet, eene liekciide bloem.

Myotomie, z. ond. myocoBilalgle.


-ocr page 839-

MYST1SCH

81!)

MYRIADE

Myriade, f. gr, (mffijdt, v. mgrto», teer vcd, ontelhunr, talloos, pi. mirioi, lion dul-zcnil, hot lioogsto getal, waarvoor ile Oiick oun woord had) «en tlondulzcndlal; pi. myriaden, onelg. cciH! ontelbare menigte; — myriagram, z. ond. gram; — myria-liter, z. liter; — myriameter, z. m c-ter-, — myriapoden, z. myrlopoden; — mjrriarch, m. (gr. myridrchês, en myri-avchos) een hovelhchhor over 10,000 man; In \'t nieuwere Griekenland, z. v. a. divisie-generaal; — myriare, z. a ro; — myriastère, z. stère.

Myrica, t. lal. of mynke, f. gr. z. v.

a. la ma rise us (z. aid.); de wasliuom of wns-strulk In N. Amerika, ook gagel; — myricïno, f. eon heslunddeel van liet was der hgen.

Myringa, myrinx, f gr. Anal, het trommelvlies in het oor.

Myriomorphoskoop, m. gr. (vgl. m y-rlade) een spiegel, die ontolhaar vele heelden vertoont, z. v. a kaleldoskoop ; - my-rionymiach, adj. dulzendnamlg, eig. tion-duizondnamig; — myriophyllisch, adj. Bot. dulzondhladerig; — myriophyllum, n. z. v. a. millefolium; myriopó-den, pl. dnizendvoeters; — myriorama, eig. tieniluizenilzichl, een door Bros te ParUs uitgevonden kunstwerk om afzondoriyk geschil-ilerdo landschappen lot vele nieuwe samen le stellen; — myriothêkisch, adj. Bot. mei duizenden zaaddoosjes.

Myrisma, n. gr. (van myriduin, zalven, myron, zalf) eone zalf-, myrisme, n. do insmoring, inzalving, smeerkuur; — myris-tica, f. eone plantensoort, waartoe de note-muskaathoom (M. moschala) hehoorl; — my-risticino, f. muskaal-kamfer, eene krlstal-lijnc massa, dlo zich uil letheiische muskaat-olie afzet.

Myrmeoïa of rayrmokïa, pl. gr. (v.

inf/rmêx, mier) Med. eone soort van wratten In de handpalmen en voetzolen, die als een mierenhoop dlchl lilj elkander slaan -, myr-mecisme, n. en myrmekiasis, r. do krleuwelzlekte, Jeukziekle, waarhU de lijder eene gewaarwording heeft, alsof er mieren over zün lichaam kropen; — myrmecieten, pl. versteende mieren; — myrmokophaag, m. miereneter.

Myrmidónen, m. pl. nr. (Myrmidónes, naar Myrmidon, een zoon van Zeus en voorvader van Achilles, lienoemd; of van \'I gr. myrmêx, mier, dewijl zij, naar luid der sago, uil mieren waren voortgosproten) een voiksslani In Thessalie, onder de heerschappij vim Achilles.

Myrobalanus, f pl. myrobalanon, gr. (slag, myrohalanos, f. van myrnii, zalf, en hdlanos, eikel) de zalfnoot, hehonnoot, z. aid. (lal. qlans unqucnlarfa) gedroogde, naar prul-men gelijkende vruchlen uit O.indii1, deels in suiker Ingemaakt ais conllluiir, deels als afvoe-ilngsmlildel (pu rgeerpru I mon) getiruikt myroloog, m. een zalf- of halsemkenner;

ook een halsommengcr of horeider; my-róma, n. z. v. a. m y r 1 s m a; — myropöla, ui. gr. een handelaar in halsoms; — myro-sis, z. v. a. myrisme; — myrosper-mum, n. halsemzaad, eene tol de familie der paplIlonaceOn liehoorondo plantensoort; — my-rothöca, f. oono zalfdoos; — myrothe-Cium, n. een halsemdoosjc; onelg. rodekun-slige sieraden; — myroxylon, n. halsem-hout = my ros per mum.

Myrrhe, Mirre, f. (gr. myrrha -. hehr. miir, aruh. mnerr, van \'I hehr. mar, arah. moerr, hitter, van mar ra, hitter zijm een hitter, welriekend en geneeskruchtig gomhars van oenen struik in \'t Oosten (Halsamodendron myrrha).

Myrsa, liever Mirza (z. aid.)

Myrson, naam van liet meerschuim In Kleln-Azie, waar liet voornamciyk hij Klllsjik govondon wordt; de naam Is vau tataarschen oorsprongen het woord meerschuim schUnt daaruit door de volksetymologie gevormd te zyn.

Myrt, Mirt, m. gr. {myrlos, lat. myrlux, f.) de myitelioom, een hekend altyd groen gewas, hy dichters het zinnebeeld der liefde; — myrtus piménla. f. lat. de pimeiithoom; Myrtêa, I. rom. Myth, een toennnm van Venus, aan wie de myrt gelieiligd was; — myrtêën, f. pl. myrteplanleii, myiteachtige gewassen; — myrlifolius, a, um, adj. lal. Bol. imrlhehlade-rlg; — myrtillu/t, Bot. mlrleachiig.

Myrtochilidos of myrtóchila, pl gr. (van myrlon, de kittelaar, en chetlns, de lip) de Inwendige schaamlippen, die in de n.i-byiield van den kittelaar gelegen z.yn.

Mystax, m. gr. de ruimte Insschen den neus en de bovenlip; de haard aan de hoven-lip, knevel (vandaur het fr. moustache).

mystisch, myatiék, adj. gr. (mysli-lm, i, on, van myein, zich sluiten, toedoen, Inz. de oogen en den mond) geheim, gehelm-ziniilg, verborgen, donker, Inliet duister gehuld; eene mystlscbe persoon, z. v. a. rechtspersoon ; — mystiek, f. de geheimleer, leer der geheimenissen, gehelmnlsvolle wysheld, geheime kennis, inz. in godsdienstige zaken, of het streven naar het gelielmvolle, onbekende en duistere, om het met al de kracht der phan-lasie door innerlyke aanschouwing op te vatten en zoo aan \'t gemoed nader te brengen; — mysticisme, n. bel geloof aan geheimenissen of verborgenheden, de neiging tol hel wondergeloof of de geheime wetenschap; het geloof aan de mogciykheld eener oumiddeiiyke vereenlglng met liet goddeiyke wezen en het linrlslochleiyk slreveu naar deze vereenlglng; — mystagoog, m. (gr. myslauoyds] een ge-lieimnisleeraai\', Inwyder In ile geheliiienissen of mystorltin; — iron, een uilkramer van geheimen; — mystagogie, f. voorhereldlng lol geheimenissen of myslerliin en InwUdlng daarin; ook wel Inleiding In de chrlsleiyke geloofsleer; — mysterium of mysterie, n. (gr. mysli rinn). pl. mysteri\'a of mys-teriën, geheimenissen, verborgeiilieden, ge-


-ocr page 840-

MYTACISME

820

NAB I

holinu oorcdionst, lgt;y ilo oudo Oiieken do gods-(llonstloor, dlo voor hot volk (tohclrn golioudon word on mot volorlol gohrulkcii on plcchllglio-don gopaurd glng, In/, do ol oust n Is oho (z. aid.) mystorlün to Athono; In do nitddol-oeuwon con soort van goostoiyko toonoolspolon, wolko toonoolon voorstoldon, dlo aan do gowlido gosclitodonls tnz. aan hot tydon, do opstanding on wodorkomst van Christus ontlcond wnron (vgl in o r a 111 o 11 o n); — mysterieus (fr. myslérieux), goholinvol, goholnizlnnlg, raadsol-achtlg; - mysteriosophie, f. gr. do go-holmnlswüshold, do konnls dor vorhorgonho-don; — mysticus, m. oon vrlond van go-tiolmonissoii, goholnnvotor, gohohnkramor; — mystiflceeren, gr. lat. {myslifirare, fr. mystifier) foppon, hoothehhon, tlchtgeloovlgon hy don nous lolilon on holachelyk makon; — mystiflcatie (spr. lie=lsie), f. do toppory, ■nisloldlng dor tlchtgoloovlgon; oon door allorlol voorsplogollngon howorkt hodrog.

Mytacisme, n. gr. {mytakismós, v. my, gr. naam dor lottor M), hot menigvuldig on vorkoord gohrulk dor M, hot onimori.

Mythos, m. gr. [mfllhns, oorspr. In hot alg.: woord, rodo, vortolllng) of mythe, f oon vordlohtsol, eono volksovorlovorlng, sago, eon opgoslord vorhaal van godon on holdon dor oudhold; mythisch, adj. (gr. mylhik\'is, c, (in) vordlcht, faholachtlg, do ovorlovorlng of sago hotrolTonde, daarmodo ovoroonkomstlg; — mythiflceeren, gr.-lat., tot oono sago makon, In sago of vordlchtlng vorandoron of als zoodanig hohandolon; — raythograaf, m.

JV. als gotalteeken; gr. (c\') = SO en ((y) = 80,000; lat. (iV.) = !»0, somt yds ook = 900; /V. = !to,oon, somtyds ook = itoo,ooo; — In handsctiriften on op iatynsclio monumenten do verkorting van nomen, numerus, neutrum, no-minalivus, z. aid.; ook van nnlus, geboren, nefas, de slechte, zondige, nobilis, edel, adol-lijk, nomine, In naam van, numini, aan den God, nupliae, huwoiyk; — N. afkorting van Noord; — N. (in do wiskunde) onbepaald getal; (in den handel) netto, zuiver; — n. Gram. = neutrum, onz.ydlg; — A\'. of Nam. — nomi-nalivus, z. aid.; — N., N°. of Nro. = numero, z. aid.; — Nati. = \\atium (het bybeibook);

— Nat. = nationaal; — N. H. of NB. z. nota bene: — N. II. of N. Ilr. = noorderbreedte; — N. C. = nuovo of nnstro conto, It. niouwo of onzo rekening, z. conto-. — N. C. of N. Ct. = Nodoiiandsch courant, Nodorl. gangbare munt;

— n. C. of n. Chr. = na Christus; — Keil. = Nodorlandsch; — Neh. = Nehemia (hot hyiioi-boek); — N. II. = New-llainpshire (In Noord-Amerlka); — N. II. M. = Nederlandsche han-delmaatschappy; — N. J. = Now-Jorsoy (In oon sohryvor van ovorlovorlngon of sagon, oon logondonsohryvor of vortollor; — mythogra-phie, f. do schrlftotyko vervaardiging van sagon; — mytholoog, m. (gr. mylhológos) eon konnor of looraiir dor sagon, dor ovorlovorlngon, navorschor dor oude godon- on lioldon-geschiedonis; — mythologie, f. do godon-loor, fiiholleor, faholgeschiodonis, do loor van do fabolachllgo godhodon on halfgoden of helden der oudheid -, — mythológisch, adj. fahol-kundig; — mythologiseeren (spr. s=t), fahoimatig of in den geest dor fabelleer tie-liandolen of verklaren; — mythopoBïe, f. (gr. mythopnia) do fahol- of sagenverdiclitlng, de diehtoriyko heliandollng der sagen; — my-thothoologie, f. do vorhindtng of samon-smoillng var. do sagenioor mot do godsleer.

Mytulieten, m. pi. (van gr. mylilos, lat. myfflus, myliilus, mossel) versteende mossols.

myürisch, gr. (myoeros, van myo, muis, en oera, staart) een mulzenslaart hehhende of daarnaar goiykende; inyiirus pulsus, m. Mod. een zwakke, maar zeer snolle pols.

Myxa, f. gr. stym; myxa, pl. of myxav, zwarte horsthozlBn, z. v. a. sehestoii; — myxódes, gr. (van myxa, siym) Mod. siym-aohtig; — myxoma, n. gezwel in het siym-weefsol (aan speekselklieren, don balzak, enz.); — myxorrhosa, f. sUjmvioed; — myxo-sarköma, n. een siymachtlg vleoschgewas, een siympoliop.

Myzogazomoter, m. toestel om proeven met vorsclililoiide gassoorten te nemen.

N.Amerika); — n. I. of N. L., z. non liquet:

— N. M. (in almanakkon) = nieuwe maan; — n. m. = nova moneta, nieuwe munt; ook = namiddag; — N. N. = nomen nescio, z. aid.; ook —- non nominandus, niet te noemen (persoon); ook = nntctur nomen, z. aid.; — Not. puhl. caes jur., z. ond. notaris; — Nov. = November; - JV. S. = naschrift; nieuwe styi, ook fr. notre Seigneur, onze lieer (Jezus); — N. z. novum testamentum: — nto., z. netto:

— N. V. = Nieuw Verbond; — Num. = Numeri (bet ido liock van Mozes); — N. IV. S = Ne-deriandscho workeiyke schuld; — N. Y. = New-York (in N.Amerika). — Chemische toekens zyn; N = nitrogenium, stikstof; — Na = natrium:

— Nh = niobium; — Ni = nier ol urn, nikkel;

— No = norium. —• N. als munttoekon voor Frankryk; Montpeilior.

Naamaz, z. namaz.

Nabab, m. fr. z. nabob.

N. ab És., hy natuurwotonsch. namen afk. voor C. G. Noes ah Esonbock (gest. 18,W).

Nabi of nabhi, m. hobr. z. v. a. profeet.


-ocr page 841-

NABOI? 821 NANNKTTK

Nabob, m. (onlslnnn uil het iirnh. plur. nneivwdb, van den sliin, ndy\'O, oen plaatslieklee-ilor, sleilelumder, van ndbu, leinanils plaats he-kleeden) een Indisch stedehouder, hovolvuerder In O.lndlo; een iyk heamhle der enif.-oostlnd. compannloj oneli?, een zeer rijk man, Inzonderheid die in O.lndli! zyn groot vennonen verworven heeft.

Nacarat, n. fr. (spr. -ra,- sp. en port. nacarailn, van nacar, paarlomoerscholp, paarlemoer, iiaarlcmoerklenr, v. \'t arah. nakir, uitge-holil, noekral, eene kleine ronde holte, v. nu-hara, uithollen) helderrood, in het oranjegeel vallend-, — nacaral de bourre (spr. boer\') gelten-haarrood; — nacre, n. (elg. f.) fr. paarlemoer; — nacré, paarlemoerachtig, als paarlemoer;— nacriot, n. een mineraal van levcndlgen parelglans.

Nacohero, pi. It. {narchere, v. unacchere, spr. njakkere) handklappors = c a s t a g n c 11 e u; vgl. nukara.

Nacre, z. ond. nacarat.

Naczélnik, m. poolsch (spr. nalsjél—, v. na, aan, en ctnlo, voorhoofd, spits, dus elg. Iemand, die aan de splls, aan \'1 hoofd staat) een aanvoerder, hovelhehher, veldheer.

Nadab, m. de opperprlesler hg de Perzen.

Nadeshda, f. russ. (spr. muljesjdu) elg. hoop; russ. vrouw, doopnaam; als verklw. Mudja, yddjenku, iVarfine.

Nadir, n. arah. {nadir, nii:}r, tegenoverliggend, v. nuzaru, aanzien; elg. wal tegenover het zenith ligt) Geogr. het voetpuni, tegenover hei zenith (z. aid.)

Nadiri, ia. eene rekenmuiit in Perzlsch-Georglü, omtrent = 1 gld. 1« cl.

Nadsiratel, m. russ. (van nadsirdlj, het toezicht hebben) de opzlchler, luspcclcur.

Naëma, Naêmi, f. behr. naam; do llellyke.

Neenie, z nenle.

nacvus, m. lat. Med eene moedervlek; pi. naevi, moedervlekken.

Naflri, naam eener Ind. Irompel.

Nag., by natunrwetenscbappeiyke namen afk. voor K. Nilgell (te Mllnchen).

Nagaeka, t. rass. (v. nagój, naakt, bloot) de zweep, de knoet.

Nagolfluho, f. zekere rotssoort In Zwitserland (In de Alpenslreek), door kiel of Jaspis verbonden losse steenklompen.

Nagor, m. eene scheone soort van antilopen in Afrika.

Nahia, (, pi. nahia\'s of nahiën, dis-Irlclen, waarin het land Montenegro Is verdeeld.

Nahum, ai. behr. naam: de trooster, een der 12 kleine profeten In bet O. T.

Naïb, m. turk. (arah. ndyib, ■/.. nabob) de plaatsbokleoder, een geesleiyk byzltier In de gerechtshoven; de schryver van eenen mol la; ook een rtorpsroebter.

Naide, f. gr. (naïs, z. v. a. naïa/t, z. n a J a d e) N. II waterslangetje, eene soort van zeer lee-dere watorwormen.

naif, adj. fr. (spr. na-iéf: van 1 mld.lat. nuïous, ontslaan uit hel lat. nalivus, a, urn, aangoboron, natuuriyk) naluuriyk, ongekunsteld, ongeilwongen, ongezocht, onbevangen, open, openhartig, trouwhartig, onschuldig, eenvoudig, argeloos; — naïvoté, fr., naïveteit, f. do natuuriykheld, natuuriyke openhartigheid, homln-neiyko eenvoudigheid, onschuld, Irouwharligheid, ongedwongen aardlgliold enz.

Nail, n. eng. (spr. neelt elg. nagel, spUker) eene verouderde maat van n,llquot;)7 M.; ook een gowicht van « pond of K(i.

Nair, in. noord. Myth, do schim of schaduw van eenen overledene, een spook.

Nairen, m. pl. eene krygsliaftlge kasle iler Hindoes op do knsl van Malabar.

Naissanco, I. fr. (spr. nèssdiis\'; v. nallre = lal. nusci, geboren wordon) geboorte, af-komst, geslacht, oorsprong.

Naïveteit, z. ond. naïf.

Najaden, f. gr. (Naïds, pl. Suiddes, van ndein, vloeien) Myth, water- of riviernimfen, z. a y nip li

Nakara, f. perz. (nakdrah. arah. ndkir, ndkoer, eene Irompel, v. nnkura, uithollen) eene turksche bouten pauk of ketcllrom

Nakib, m. lurk.-aral). (v. \'t arah. nukaba, doorgraven, doorzoeken) do aanvoerder, hovel-hobber; - nakib-ol-osjraf, m. de aanvoerder iler sjerifs, die de vaan (sandsjak-sjerlf) van don profeet uit het kelzcriyk paleis naar liet leger draagt.

Nalitn, in. russ. do kwabaal, pultaai, aalrups {Gudus tola).

Naliwka, f. rnss. (v. na, op en liwdlj, lilj, gloton; dus elg. oen opgietsel) do hesson-wyn, likeur van bessen of vruchten.

Namaz, n. perz. (namrfz, gebod, v.\'1 sans-krlt. naman, nederbulglng, aanhldding, v. nam, zich buigen) het gebed der Turken, dut zy vyt-maal daags moeien verrichten, n. 1. b(| zonsopgang, op don miildag, tegen den avond, hy zonsondergiing en des nacbls om -2 ure; — nama sjiak, m. de gebedsteeii, een op den openbaren weg opgerlclile steen, wuurbU de vrome mnzohnaiinen bun gebed doen.

Nan, liü de Laplanders de naam dor ge-wono vliegen, die zy als geesten boscliouwon en als amulet by /.leb dragen.

Nandoo, m. de nmerlkaansche struisvogel.

Nanking, nankin of nanquin, n.

eene ooispronkeiyke chineosche, zoor dichte, geelachtige katoenen slot (naar de geiyknamlgo chln. siail goboeton); — nankinét oi nan-quinót, u. eene naar het nanking geiykcndo, maar tljnero boomwollen slof

Nanna, t. noord. Myth, de gemalin van li aide r (z. aid.; elg. de stoute, moedigo, v. \'I ysl. nenna, wagon); zy stierf uil smart over zynen dood.

Nannétte of Na(n)nón (spr. - min) f. Antje, de fr. vorm, geiyk Nanny do eng. vorm van den naam A n n a


-ocr page 842-

NANQU1NET 822 NASAAL

Nanquinet, z, iiankiiiot.

nanus, «, uiii, adj Int. Itol. ilworgaclitlg, IntiK-

Napaeën, r. pi. gr. (.\\a/gt;i/iai, van nd/ir, wouddal) iluliiliiiFcn, ■/.. nymiili.

KTapal or napaul, m. N. II. do ben-ganlsclie fazant mol hlauwc horens op don kop.

Napelsch geel, napelsche aarde of glaltorlno, II. (spr. dznll—, vgl. glallo) oone vmiilioslondlgo, zoor duurzanio goudkleurige verfstof (naar de stad Napels, waar /ij In do gedaalde eonor ttardai\'littgo korst wordt aan-getrotlen); - napelsche ziekte (fr. mal de yaples), de venorlsolie ziekte.

Naphtha, f. gr. (v. 1 chald. naphtha, arab. nuflh, niflh, v. nufatha, kokend opwellen) borg-balsem, sleeiiollo, vloeibare wille aardolie, dto brandbaar Is en een sterken reuk van zleli geeft; zij komt voor In do kiel en liet zand van de Jongere horgen en op het water van sommige bronnen, Inz. In PerzlO hij de Kaspische zee, naphMiahronnen geheeten; — naphthaline, f. In hot sleonkotontocr voorkomende koolwaterstof.

naiiifnmis, adj. lat. Hot. raapvonntg.

Napisten, pl. scheldnaam der aanhaagors van do russlsche party la bet alouwe Griekenland (naar een nar, Napas geheeten, te Nau-pll tUdens den president Capo d\'lstrla)

Napóleon, m. gr. (v. napos, ndpe, woud-dal cn leön, leeuw) mansn.: de tlalleeuw; napoleomante, f. do hartslochlelUke ver-oorlng van Napoleon; — napoleon d\'or of enkel napoléon, in. olg. gouden napoleon, oone fr. goudmunt = ill francs of !t gld. 80 ets. waarde; — napoleonide, m. een nakomeling of bloedverwant van Napoleon; — napoleonisme, u. fr. Napoleon\'s regeorings-bogtnselen en de gehechtheid daaraan; na-poleonist, m. een aanhanger van Napoleon = bona pa rt 1st.

Napolitaine, f. fr. (v. napnlilain, aapo-lltaaascli; It. .Vnpo/i, Napels) oone te Rhclms vervaardigde wolloa stof voor mantels en omslagdoeken.

Nappeuse, f. fr. (spr. napem\') oen mot stoom verhltto, van hulton mei vete stalen naalden bezette (jzeren trommel, die do wol droogl en In wallen verandert.

Narangistan, m. perz. (van ndranq, nd-randsj, oranjeappel, en sldn, oord, plaats) oone pcrzisctiu oraajorle.

Narce, f, gr. (ndrke) Mod. de verdoovlng, verstijving; N. II. do kramp-, sidder- of Iritrog (Torpedo nam); — nareeïne, f. een in opium vervatte plantaardige basis. In 1KI12 door i\'el-leller ontdekt.

Narcissus, Narcis, m. gr. (ndrkixsos, zoo men wil van narkan, vorstyven, bedwelmd worden, wegens den bedwohaonden gonr der bloem; vgl. het perz. nargis, arab. nardsjis, de narcis) Myth, oeti schooao jongeling, die, toen hU \\oor hot eerst zyne eigen beeltenis la bel water zag, zoodanig op zich zelven verliefde.

dat tiü door dlea hartsloctil als verteerde en door lt;le godin In de naar hom benoemde bloem, de nareis, f. veraadord werd; vandaar ook een met zich zelvea ingenomen, op zich zolvea verliefd Jong menscb; — narcissino, m. It. (spr. —tjies-sino) de karakterrol van den on-noozelea bloed la deital. pantomhnen; — nar-eitine, f. eene brakingvorwokkoade slof uit de bollen van de walernurcis.

Narcoticum, z. nar kot ie um.

Nardus, f. lat. (gr, nardos; hehr. nérd, arab. nardin, ndrdtn, perz. nard, ndrd, oud-perz. narda, v. \'I sanskr. nulada, elg. do geur-gevendo, geurige, v. na/a, geur en ila, gevend, van dd, geven) naam van verscheiden vveirio-konde gewassen, Inz. de lavendel en do berg-valeriaan; vandaar do nardus-olie.

Nargileh, f. turk. oone turksche water-pUp om uil te rookea, bd welke de rook door middel van oen langen looron zak aan do pup door water gaat (vgl. hooka).

Narke, z narce; — narkösis, f. gr. (v. narkoen, verlammen, verdooven; vgl. narce) Med. do verdoovlng, ongevoeligheid; — nar-kotïcum, a. of narkotisch middel, pi. narkotika, een slaapverwekkend, bedwelmend middel; - narkotme, f. ook oplan n, oone dor organische zoulbases, hel opium, In indle gebruikt als middel logen de koorts-, — narkotisch, adj. verdoovend, bedwelmend, slaapwekkend, krampstillead; — narkotisee-ren (s|ir. s=j) verdooven, bedwelmen, door narkotisobe middelen in slaap maken; —nar-kotisatie (s|ir. -ta-lsie) of narkotisee-ring, f. bedwelming, verdoovlng, hel in slaap maken; narkotisme, n. do toestand der verdoovlng.

narrabel, lal. (iiamiliïlis) verletbaar, te vertellen; — narrata, n. pl. lat. (v. nairare, veiiialea) vertellingen, verbalea, de aangevoerde nadere oaislandigbedon van oen voorval; — narrata reföro, ik verhaal (maar) wat verteld Is (vgl. relata refero)-, - narratie (siir. t=ts) f. (lal. narratio) de verleliing, hol verhaal; — narratief, adj. later lal. vertellend, In den vorm oener vertelling; — narrator, m. lat do vorhaler, verteller.

Narthëx, m gr. of nartheeïum, n. lat. oone zalf- of balsemdoos; i\\Iod. eene spalk of schoon Ier heeling van beenhreuken; Arch bel smalle voorportaal eonor kerk; — nar-thecium, n. Bol. clpolgras.

Narwal, m. (zw. en doensch nahrcall, Usl. ndhvalr, eng. narwhute, fr. narrat; van nar, neus, lal. nares, of wel van \'l Usl- quot;ór, nd, lük, wegens de witte huidkleur, en wall, eng. whale, Usl. hvalr, vvalvisch) de zoo-eenhoorn (Monodon monoclros), oen naar don vvalvisch golgkend dier in den noordei. Atlanllscben oceaan, mol twee lange tanden In de bovenkaak, waarvan hü ocliior doorgaans i\'en afbreekt, en dus slechts óon overhoudt.

nasaal (spr. s—z) adj. (nw.lal. nasalis, v. \'t lal. Hasus, neus) lot den neus behoorond, na-


-ocr page 843-

NASA RA\'S

823

NA TIK

saai, b. v. nasaal klank, nasaa11dlcr, een neusklank, eene neusletter, eeti toim, die door den neus wordt voorlnelirachl-, — nasa-leoren, van een neusklank voorzien of doen vergezeld gaan; — nasalia, n. pi. Med. snult-ol niesmiddelen; — nasal of nasard, n. fr. (spr. nuzdr) een orgelregister, dat eene soort van neusgeluid geeft, ook nasat en nasat-fluit gehecten; — nasarde, f, oen knip voor den neus; — nasardeeren (fr. nasarder), een knip voor den neus geven, lioonen, he-g|)Otten.

Nasara\'s, pi. vierkante kleine turksclie zilvermunten.

Nascalo, n. nw lat Ohir. een penseel, een wiekje lot wondlieeiersgehrulk.

Nascéntie (spr. l=ls) f. lat. (nasceniïa, v. nasci, geboren worden) de geboorte, liet ontslaan; — Nascio of Natio, f. by de llo nieinen eene godin, die de barende vrouwen by-stond en baar besclienmle; — nascitürus, m. biirb.lat. een kind in bet inoederiyf; — nas-cilUrus pro juin na la hauilur, ,lur. de licliaains-vruelit wordt (ten opziebte der recblen) als reeds geboren menscb bescbouwd; — nuscuntur pnelac, fiant oratoren, men is diebter van nature, men w o r d t redenaar; — non fü poela, nascilur, z. ond. fit.

Nasi, Jav. en mal. z. ond. bras.

Nasir, m. arab. (ndzir, partlc. van nazara, aanzien, aanscbouwen, voor leis zorgen; vgl. nadir) een turkseb ambtenaar, opziener (inspecteur); ook een gereebtspersoon.

Nasirseërs, z. N a z. I r lt;e ii r s.

Naso, m. lal (v. nasus, neus) een groot-neus; ook een oudrom. familienaam, b. v. van den bekenden dichter Ovidlus.

Nassi, m. bebr. voorzitter van bet sanhedrin.

Nassib, turk. (arab. nasib, deel, lot, van nasabu, zetten, vaststellen) bet noodlot, dat in bet boek des hemels staats opgeteekend.

Nasslédnik, m. russ. (v. nu, op of na, en sslAdowalj, volgen) eig. de opvolger, erfgenaam; inz. de russ. kroonprins, grootvorst-l roonsopvolger; vgl. e z a r e w 11 s e h; — nass-lédnitza, f. de gemalin van den kroonprins, lt;le grootvorstin-troonsopvoiger van Rusland.

Nasta, z. nata.

Nastrand of Nastrond, m. oudn. (v. na of nar, lyk, en strOnd, strand) Myth, bet DÓodenstrand eene plaats Nlflbelm of de noordsche bel.

Nasturtium (spr. li-lsi) n. lat. (voor nasilorttum, v. nasus, neus en lorquëre, kwellen, dus eig. neusplagen, omdat het sap in don neus niezen en branding veroorzaakt) de breed-bladerlge kers, bron-of waterkers;—», offlei-nule, de gewone waterkers; n. imlicum, Indische of spaanscbe kers.

Nasütus, m. lat. (v. nasus, neus) een groot-neus; nejiswyze, w ysneus; — nasutülus, in. een neuswys ventje.

Nata, I. lat. dochter (vgl. nat us).

Nata, natta of nasta, f. (v. \'t gr. nas-lós, i, dn, volgestopt, dlcbl, stevig, v. ndssein, vastdrukken) Med. eene spekbuil, een groot vioescliuchtlg uitwas, inzonderheid aan den nek en den rug.

nataal, adj. lat. (nu/a/is, e, van nalas, geboorte, v. nasci, geboren worden) de geboorte betreltende of daartoe belioorende; — dies na-lulls, z. ond. dies; —na/ff/es (scii. dies), ook nalalina, nataliciën, pi. geboortedagen, geboortefeesten, verjaardagen; in de K. kath. kerk de sterfdagen der lieiilgen en martelaars; — Natalia, vr.naam; de levenshigde.

Natagai, m. een god der Talaren, dien zy voor den beer en schepper van de aarde en alle schepselen houden,

Natales, Natalia, natalicia, z. na-t a a 1.

natans, lat. (v. nalare) liot. zwemmend, drUvend; — natiitie (spr. lic=tsie) f. lat. (na-laho, v. nalare, zwemmen) bet zwemmen, de zweinoefening; — nataton\'i, pi. lat. de zwemvogels.

Natchitoches, f. (spr. nelsjitólsjes) eene lijne .soort van snuiftabak van de stad Natch lloches in den staat Louisiana in ÏSoord-Amerlka.

Nathan, m. bebr. (van nalhan, geven) niansn.; de gave Gods of de van God gege-vene; — Nathanael (van él, God) mansn.; Godsgave.

Natie (spr. l=ls) f. (v. \'t lal. natio, d. I. eig. de geboorte, van nasci, geboren worden; dan hel geslacht, enz) een volk, volksstam; meer bepaald duidt natio eene overeenkomst van oorsprong, de Inboorlingen {nalarels) van een land aan, terwgl volk enkel de betrekking van samenleving onder dezelfde wetten, al de Inwoners van een land beteekent; — nationaal (spr. l=ts) adj. nw.lat. wat tot eene natie behoort, baar eigen is, volksmallg; vandaar ; nationaal karakter, de volksaard, volksgeest, volksdenkwyze, de aan eene natie eigen wyze van denken, z. ook nationaliteit; — nationaal convent, n. of nationale conventie (spr. —(sic) f. de vergadering der volksvertegenwoordigers in Krank-ryk op den ilslen Sepl. 17112, welke Frankryk voor eene republiek verklaarde; — nationale dracht, de volks- of landskieedy; — nationaal feest, een volks-of landsfeest; — nationaal geld, landsgeld, het by een volk of in een land algemeen gangbare geld; — nationale garde, f. hurgerwacht, schut-tory, landweer; — nationale industrie, de volks- of iandskunstviyt; — nationaal-liboralen, pi. eene vryzinnige polllieke party in Duiiscbland, die in de eerste plaats streeft naar Duitschlands eenheid, de vryzinnige Duil-scbe iiarty; — nationale litteratuur, f. de gezameniyke letterkundige voortbrengselen van eene natie, welke, uit den volksgeest voortgevloeid, dien in zyne eigenaardigheid voorstellen; — nationale ookonomie, f. de lands-


-ocr page 844-

NATUUR

NATEEF

824

(it siautslmishoudkundo; — nationale representant, m. con vnlksvcrlogenwoordlBor;

— nationale schulden, luiHlsscluildcn — nationaal theater, n. het viiderhuidscli tooneel, Inndslooncel; — nationale troepen, ilr krygsmanschiip van \'s lamls kinderen, tnhecmscho Iroopen; — nationale vergadering, vei\'Kiiderlnf! van volksverlcijonwoor-dlgors; — nationaliseeren (tr. nalionaliser) ut naturaliseeren (spr. s=i) (ut burger maken, In eeno natie als lid, als burger opnemen, het burgerrecht, Inboorllngsrccht geven of verkrijgen; ook tot een voorwerp der ganscho natie ot nationaal maken; — nationaliseering of nationalisatie (spr. s=z en li en tii\' als Isi en /.«ie) f. hel burgerworden, do opneming oniler de landskinderen, do verkry-glng van het burgerrecht; — nationaliteit, t. de volkseigenaardigheid, het volkskarakter;

— nationaliteitsbeginsel, n een In de nieuwere staal kunde aungenomen en liizonilei\'-held vroeger door Napoleon III vertegenwoordigde grondstelling, volgens welke leder volk zelfstandig over ï(|n lot behoorl te beslissen en onafhankeHjk van andere slaten züne zaken te regelen; — nationicida, m. lat, de volks-moorder; — nationicidium, n. nw lal. de volksmoord.

natief, adj. lat. (nalivus, a, uw) aangeboren, natuurlUk; geboorllg, afkomstig; — natives, m. pl. eng. (spr. ndlii\'s] elg. Inboorlingen; geboren Amerikanen: aanhangers eoncr politieke party In de Vcreenlgde Stalen, welke zich Ier verdediging van de vooirechlen der Inboorlingen tegenover de vreemdelingen vormde, en die er op aandrong, dat de Ier naturallsee-rlng gevorderde tyd van verhiyf van 7 tot 21 Jaar verlengd werd (daaruit onlslond la ISSi de pariy der know-nolh 1 ngs, z. aid.); ook engelsche (Ingeborene, inheemsche) oesters; — nativisme, n. bet genoemde vUnndlg streven der Inboorlingen In N. Amerika tegenover do vreemdelingen; — nativiteit, f (lat. nalivi-hts) de geboorte, goboorlestoml; do geboorle-forluln, het gehoorlelot of de stand der sterren op het tijdstip van Iemands geboorte; vandaar Iemands nntlvltelt opmaken, zyn lot uit den sterrenstand by zyne geboorte voorspellen, zyn horoskoop (z. aid.) trekken.

nationaal, nationaliteit, nationaliseeren, enz. z. ond. n a 11 e.

Natolïë, n. (nw.gr. Anadoll, uil bel gr. analolc, de opgang, het oosten) Klein-Azie; vgl. I.evanl.

Natron of natrum, n. (fr. en eng. nu-Irnn, arab. nalrnen, nilroen, v. \'1 lat. nilrum, gr. nitron) mineraal loogzout (alkali), ook mineraal-a I k a 11, naast hel kali de sterkste aller bases; —«a/r«m nce/ïcuf/i, azynzure soda;

— ii birarbonicum, dubbolkoolzure soda, ter he-reldlng van brulspoeder gebruikl; — n. rurbo-mcum, koolzure soda; —h cumdcum, bytonde soda; — n. sulphurfcum, zwavelzure soda; ook glaiiherzoul, — natrium, natronïum of sodium, n. de motalllscho basis der soda;— natrolith, m. loogzoutsteen, sodasteen, asch-zoutsleen, ecne aan den zeolith verwante steensoort.

Natsjai, n russ. (v. na, lol, voor en Isjai, thee) fooi, drinkgeld; als verklw. natsja-jók, n. een foollje, klein drinkgeld.

Natt., by natuurwetensehappeiyko benamingen afk. voor Dr. J. Natterer (gest. 18411).

natta, z. nata.

Natuur, f. (v. \'t lal. mitura, van nasci, geboren worden, onlstaan) de oorspronkelyko gesteldheid en Inrichting, aard of aangeborenheid, het wezen van een ding; het geheel dor eigenschappen van alle geschapen wezens, ook dat van de geschapen wezens zeiven, de wereld, de zichtbare schepping; onelg. do voort-brengonde oorzaak der dingen of de scheppende kracht, de schepper zelf, h, v. de natuur brengt voort, enz.; — natura non facit sallus, de natuur maakt geen sprongen, d. I. gaat ge-leldeiyk te werk; natürae conveniénter vive, leef overcenkomslig de natuur; naturam expel-id/t furcn: tarnen usque recurret, fr chasser te naturel, il rement au f;n/o;i, de natuur gaal boven de leer; rontra naluram, tegen de natuur, onnatuuriyk; in natura, In natuur, In den na-tuuriyken loosland; oorspronkeiyk, In den oor-spronkeiyken, eerslen, wezeniyken slaat; bloot, naakt; ook van gelijke gesteldheid, dezelfde soort en deugdeiykbeid; natura natiirans, do scheppende natuur; natura nat urnta, de geschapen natuur; in rerum natura, in de natuur of het wezen der dingen, in de ganscho wereld; — natural, adj. eng. (spr. netsjeret) naluuriyk, b v. In Darwins iheorie; natural selection (spr. siléksjen), natuuriyke teeltkeus, naluurkeus; — nalurale, naturalmente, 11. Muz. eenvoudig, natuuriyk, zonder versierselen voor te dragen; eon naturalczza. It. Muz. met na-tuuriykheld, ongedwongenheid, eenvoud; — na-tura-rekening, f. Kml. de rekening van kleinhandelaars over waren, die zy van elkander ieeucn en later door geiyksoorligo weder vergoeden; — natuurdienst, m. do vor-oering der naluur als eeno alwerkende goddo-lyke kracht; — natuurdrift, f. z instinct; — natuurhistorie, natuurlijke geschiedenis, f. elg. de leer of kennis van de veranderingen, die de gedaante onzes aardbeis en de daarop levende schepselen hebben ondergaan; gewooniyk echter: de kennis of de beschrijving van de voortbrengselen dor natuur of naluurlichamen, dieren, planton en delfstoffen, volgens hunne tegenwoordige gesteldheid, hunne kentoekenen en eigenschappen enz.., hetwelk men nauwkeuriger met hel woord naluur hese b ry v Ing zou aanduiden; — natuurkunde, natuurleer, f. z. physi-k a; — natuurphilosophie, f de wetenschap der natuurweiten; — natuurproducten, n. pl. z. nat uralien;natuurrecht, n. het elgeniyke, werkeiyke recht, dat met ons geboren wordt, In tegenstelling


-ocr page 845-

NA TIJ UK

825

NAVAAL

mcl ilc kunstmatige, tnidtlionoole en hlstorlscho rochIen, ille ultKovonüen, over-Kelevent cn door Jnrunlann beslaan van soni-mlKO toestanden ontstaan zu»; — natuurrijk, n. gew. eene der :i hoofdatóoelliiKon van de vooilbrongselen der natuur: liet dlerenryk, plantenryk ot rulneraalryk; ook eene der helde lioordafdeellngon: liet liewerktiilgde (organische) en onhowerktulgde (onorgaidscho) natuurryk; — natuursystoom, n, het stelsel, loergehouw der natuurwetenschap; — natuurwet, f de wet, volgens welke de natuur werkzaam Is; — mluralia, pl. (van mluntlis, e, natuuriyk) na-tuurtyke dingen, natuuriykheden; — naturaliu non simt turpla, sprw.: natunriyke dingen zün niet schandeiyk; — in purlit naluraiïbus, In den natuuriyken toestand, zonder hekleedlng, naakt, rnoeilernaakt; — naturalïën, pl. .lur. de na-luurtyke gevolgen en eigenschappen van een reeds heslaand recht; ook = natuurproducten, natuurvoortbrengselen, de nog niet door kunst veranderde lichamen der natuur; Inz. heeten naturaliën de meer zeldzame en wel bewaarde voortbrengselen der natuur, die voorhanden zyn In naturaliën-kabi-netten, d. 1. in verzamelingen van nalimr-voortbrengsolcn, Inz. van de meer zeldzaam voorkomende of uitstekende In bare soort; — nalurulis, e, adj. lat. natuuriyk; — natura-liseeren (spr. .v=i) nw.lat. (tr. naluraliser) z. v. a. na 11 ona I Iseere n (z. aid.); van planten; aan eene haar vreermie luchtstreek gewennen; van woorden; in eene hun vreemde taal inlijven, opnemen enz.;— naturalisatie (spr. -ta-lsie) z. naturalIseering; -■ naturalisme, n. hel natuurgeloof, de natuuriyke godsdienst of de stelling, ilat (lod zich aan do monschen niet anders dan mlddeiiyk of natuuriyk, niet door onmlddeliyke verkondiging van zynen wil geopenbaard heeft, in tegenst. met supernaturlaIIsme; ook de uitoefening ceiior kunst of wclenscliap volgens natuuriyken aanleg, zonder school of kennis der regelen; In ile schoone kunsten de nabootsing der natuur, het streven naar de trouwste nahootsing der werkelijkheid zonder verhelling tot Ideaal; — naturalist, m. een beiyder van den natuuriyken godsilienst, een verwerper der openharing, natuurbeiydcr; ook een natuurmensch, ongeleerd kunstenaar, die z.yne liekvvaamheld niet aan onderwys of uit regelen ontleend, maar die door zich zelven, door oefening van zyn natuuriyken aanleg verkregen heeft; een ult-slultend naar naluurwaarheld strevend kunstenaar; — naturalista, m. sp. natuuronderzoeker, naluurkunillge; — naturel, ailj. fr. natuuriyk, wat tol de natuur behonrl, daarmede overeenkomt, daaraan eigen is, enz.; ongedwongen, ongeknnsiehl, naïef; ook duldeiyk, van zelf biykend, zonneklaar; niet willekeurig; — natuurlijke kinderen, kinderen, die builen bel huweiyk zyn geteeld; —naturel, n. fr. de natuurneiging; naluuraanleg, de aangeboren aard, neiging, vatbaarheid, gemoeilsstem-ming, de natuurgave; — naturellen, pl. inboorlingen; naturiteit, f. nw.lai. bet ontstaan In de natuur; — naturisme, n. het

geloof aan de zoifviiortbrenglng der natuur.

natus, lat. geboren; ook als subsi. m. de zoon.

Nauarch, m. gr. (naii-arc/ios, van naus, schip en drchein, heerschen) de scheepsbevel-heiiber, scheepskapilciu; — nauarch\'.e, f. het scbeepshevel; tiet scbeepsbesluur, het sturen;

naufragium, n. lat. de schipbreuk; — naufrageeren (lat. naufraiiare) schipbreuk iyden; — naulum, m. lal. (gr. naulnn) bet scheepsgeld, het veergeld; — naumachie, f. een scheeps- of zeeslag, zeegevecht; Inz. een spiegelgevecht te water, een zee- of waterkampspel by de («rieken en Komeinen; — naumachariën, m. pl. de slryders In die oude kampspelen, gew. ter dood veroordeelde misdadigers.

Naum., by natuurwetcnscbappeiyke benamingen afk. voor .1. A. Naumann (gest. is^ti.

Nauroez, m. perz. (v. mine of noe, nieuw en roet, dag) de nieuwjaarsiiag der Perzen, by de dag- en nacblevening der lenle.

it a us ra, f. lat. (gr. nawtia, van naus, schip) de zeeziekte; walging, onpasseiykhclil, iiraak-lust, bet braken; ad nauseam usi/ue, tot wal-gens- of zatwordens toe; — nauseëus, adj. (lat. nauseosus, a, urn) walglijk.

Nauskoop, m. gr. (van naus, schip, en skopëin, zien) een scheepsverrekyker, een werktuig ter ontdekking van ver verwyderde schellen, in l~8li door den Ki\'aaschman Kattimeau uitgevonden; — nauskopie, f. de scheeps-waarzeggery ; ook de kunst om ver verwyderde schepen te ontdekken; — nautiek, nau-tlka, f. lat. (gr. nnutïkr, sell, téetine, kunst, v. iki utihos, c, rfn, tot de scheepvaart hchoo-rende, van nautis, de schipper) liet scheeps wezen; de scheepvaartkunst of de scheepvaart-kunde; —nautical, adj. eng zeevaartkundig, h. v. nautical books (spr. hoeks) zeevaartkundige werken; — nautïeus, m. een sciieep-vaarlkundige, zeeman; — nautilus, m. (gr. nautilos) de scheepssioep [yautHus /unn/iHïus), zeker weekdier, tol de koppootigen behoorende; de p a p 1 e r - n a u 111 u s, z. a r g o n a u 1; -nautilieten, m. pi versteende nauiilusschelp-dleren; — nautisch, ailj. (gr. nautikós, e, ón) scheepvaarlkuniilg, lol de zeevaarl of hel zeewezen behoorende, daarloe helrekkeiyk; — nautomanie. f. de mairozenwoedc, eene soort watervrees.

navaal, adj. lal. (navulis, e, van navis, schip) lot de scheepvaart of het zeewezen behoorende; — navaal asylum, n. te Londen een gestiebt Ier opiciiling van weezen van verdlensieiyko zeeolllcieren; - navalo oorlog, zeeoorlog; - naviirch, m. z. v. a. nauarch; — naviculair, adj. (lal. navi-cularis, van navlcnla, klein schip) scheepvor-mig; — navigabel, adj (lat. navinabtlis, e, van narujare, varen) bevaarbaar, zeilbaar; —


-ocr page 846-

NAVA.1A 826 NECESSITEIT

navigatie (sin-, t=ls) t. (lut. navigaïïo) de selieopviinrl; ook voor sluurinanskutist; — na-vigatie-acte, 00110 schoopvaurl- on zceliun-dolswvt in Hnguland, door Cromwell in 1051 ultgevmmllKd, door wolko werd vastgesteld: 1) dal eon vreemd schip geene andere goederen tiaar eng. havens mocht voeren, dan die bestonden uit do voorthrongselen des lands, vanwaar hot schip kwam; 2) dat zulk een schip in de eng. havens gehouwd moest zyn, en de munscliap voor twee derden, henevens den kapitein, uit gehoren of genaturullseerdo Kritten moest heslaan; 3) dat geen vreemd schip uit Engeland mot nieuwe vracht mocht terugkoeren, maar dal leder engolsch schip op zyne torugreize eene dnbhole lading mocht voeren (in 18quot;gt;0 is deze acte opgeheven); — navigator, m een zeeman, schipper, varensgezel.

Navaja, f. sp. mes, dolkmes.

navrant, adj. fr. (van navrcr, wonden, kwetsen, provenc. mfrar, v. oudhgd. nabanér, (jsl. mfar, de hoor, naafhoor) hartverscheurend, grievend, zieldoorborend.

Navy, f. eng. (spr. néewi) de viool; — navybills, pi. scheopswissels, een staatspapier, dat door den Navy-board, een atdeeling der admiraliteit, op crediet dezer laatste wordt uitgegeven.

Nazaal, nazardeeren, z, nasal.

Nazar or nazer, m. (vgl. nasir) eig. de ziener; de grootmeester or opper-lnlondant van den koning van Forziij, de opziener der koninkiyke domeinen, stoeteryen.

Nazarëner, m. (v. Nazareth, de woonplaats der ouders van Jezus, thans ISazra) Christen, heiyder van het dir. geloof, voorin, benaining der Christenen van den kant hunner bestryders; Inz. eene dir. socle in Palestina In de 4de eeuw, welke meende, de Joodsche godsdienstplechtigheden met de voorschriften van Jezus te moeten vereenigen; ook de aanlian-gers der (door Overboek te Kome ingeslagen) godsdienstige richting in de nieuwere Duitsdie schilderkunst; — vandaar nazironisme, n. deze school of richting zelve.

Nazirseërs, Nazarseers, m. pi. gr. (v. hebr. nusir, een gevvyde, v. nusur, llissir, wy-den) eene sccte onder de Joden, die zich levenslang of tydetyk aan den dienst van God wijdde en de gelofte deed van geen vvyn te drinken, het haar te laten groeten, geene doo-den aan te raken en dgl.

ne, lat. dat niet enz.; — tie bis in idem, z. twn bis etc.; — nc extat reqno, tat. by of zy ga niet uit het ryk; In Engeland eene met deze woorden beginnende wet, bepalende, dat men het konlnkryk niet zonder bewilliging lier overheid mag verlaten;—ne quid nimis, z. ni-mis; — ne recipialur, z. ond. reclpleeren; — ne quiilem, niet eens, h. v. ne Jupiter ijiii-dein omnibus placet, Jupiter behaagt niet eens aan allen, kan het allen niet naar den zin maken.

Neander, m. gr. (v. nios, nieuw en unev, genlt. andrós, man) mansn.: nteuwmaii.

Neaniouma, n. gr. de jeugdige, onbezonnen, moedwillige handeling; Log. de gezwollen Inleiding eener redevoering

Nebris, f., pi. nebriden, gr. (nebris, pi. Hebrides, v. nebris, reebok) hertevellen als kieedlng van Bacchus en de llacchanten; ook heelen nebriden de genooskunstoefenende Ask lep iaden of priesters van .Eskulaaji, o|) hel eiland Cos (naar eenen hunner voorstanders Nebris); — nebriet, m. een aan Bacchus geheiligd, onbekend edelgesteente.

nebüla, f. lal. nevel; — nebula cornSae, f. Med. eene vlek op het hoornvlies, z. v. a. nephel luni; — nebulist, m. nw.lal. een wol-kenschiider, luditschllder; ook een toekenaar, die enkel vluchlig ontwerpt en in zwakke omtrekken uitvoert;—nebulistisch, adj. nevelig, wolkig, b. v. ne hu lis tl sc It lee keil en, zou, dat enkel zwakke omtrekken te voor-sciiyn treden; in \'t alg. nevelachtig, onduide-lyk, onbepaald; — nebuleus, adj. lal. (ne-butosus, a, nm) nevelig, mistig, dampig, bewolkt, donker; verdrietig, geineiyk; — nebulo-sus, «, unt, lat. Bot. rookgiauvv; — nebülo-siteit (spr. s=z] f. (later lat. nebulosftas] omwoiktbeid, omneveling; droevig, treurig, somber voorkomen.

nebulo, m. lat. (v. nebiilu, nevel, dus oorspr. iemand, die nevel of damp maakt, een windbuil) oen deugniet, schurk, schelm, Helt, guit, hoef. schoft, schoelje.

Necanee, m. eng. (spr. nikénnie) oostind. blauw- en witgestreept katoen.

Necatie (spr. l=ls) f. nw.lal. (v. \'t lat. necare, gewelddadig of opzetleiyk dcoden) tiet dooden, omhalsbrengen; — necado hypercinu-tïcu, dooding door overprikkeling; necalio pri-vativa, dooding door onthouding, b. v. van lucht, sp(|s enz.

necessaire, adj. n. fr. v. \'l lat. adj. ne-cessarius, u, um) het noodvvendige, noodige, noodzakeiyke, de nooddruft, Inz een kistje (tf/ui), dat onderscheiden op reis dienstige voorwerpen, Inz. voor het daiiios-lollet bevat, een rels-kistje, eene relstasch; — necessurio, -«, It. Muz. noodzakeiyk, d. I. om aan te duiden, dat eene party of stem niet kan vveggeiaten worden, zonder de uitvoering te benadoelen.

Necessiteit, f. lat. (necessïtas, v. necesse, noodwendig) de noodzakeiykhoid, nnodvvendig-heid; in casum necessitatis, in geval van nood, lig voorkomende noodzakeiykheid; necessflas ab-sotu/a, eene onbepaalde, onvoorvvaardeiyke, volstrekte, onvermydetyke noodzakeiykheid;«. gravis et urgens, dringende noodvvendigheid; ii. publïca, een openbare noodzakeiykheid of be-hoeflo; n. non hubet legem, nood breekt wet; n. est durem tetum, woordeiyk: de nood Is een hard schol, een harde worp. enz.: moeien is een hard gelag, een leetyk ding; — neces-siteeren, nw.lal. (fr. nécessiter) noodzaken, In de noodzakeiykheid brengen, dwingen; —


-ocr page 847-

NECHILOTH

NEGOTIE

827

necessitatie (spr. lie=tsie) f, de noodilwiiiiK, tlwann.

Nóchiloth ol négiloth, hohr.iilnemconc licnumiiiK der liluaslnslrumoiilen liü de llehrffiCn, gelijk neginoth of neghinoth, die van

hunne snaarspoollulKen was.

nee plus ullra, lat. z. v. u. non plus nllra (z. aid.)

Necroz. nokro—; - nectar, z. nekt a r.

Nodoenja, (rahbin. nédoenjjih) hel len IiuwelUk gehraelite van de hruld hy de Israëlieten.

Nedsjdi, m. arah. paard cn dromedaris van edel ras.

Nef, t. fr. (v. lat. navis, schip) hel eerste en groutste gedeelte ooner kerk, dal zich Iliet hlnncnlredcn door de hoofddeur aan hel oog vertoont, het schip eenor kruiskerk; hy dichters een schip.

Nefandum, u. (v. \'t lat. ailj. nefdmlus, o, urn, v. /011\', spreken) Iets allerschandeiyksl, afgryseiyks, waarvan men zelfs niet mug, wil of kan spreken.

néfas, n lat. (vgl. fus) het onrecht, mlsdryf; ook Iets onmogeiyks; per ncfas, met onrecht, vvederrechteiyk; per fus cl ncfas, z. fas ,■ — nefarfe. Jar. snood, schamleiyk; — nefurfue nup-tïae, huweiyk binnen hy de wet verhoden gra-ilen van hloedverwantschap; — ncfasli dies, pl. hy de Hom. dagen, waarop geene reclits-pleglug geschiedde, vacanlle-dagen hy do gerechtshoven

neyundo, negatie, negatief, enz. z. oud. n eg e eren.

negeeren, lal. (.neuare) ontkennen, loochenen, oplieiïen, niet Inwilligen, afslaan, weigeren;— negn, ik ontken of loochen; — nefin eon-sequenttum. Ik ontken de gevoigtrokklng; — nc-gdndo, loochenend, onlkennend, mei of door «ntkenning; — neqcitur, liet worde ontkend, geloochend, ook afgeslagen; — negatie (spr. I=ls) f. (lat. neiiaho) de ontkenning, loochening; hel ontkenningswoord, hol neen; —negatief, adj. (lat. negalivus, «, um) onlkennend, oene ontkenning inhoudende, liet tegengestelde van positief; — negatief beeld, n. Photogr. zulk een beeld, waarin hel liclitc ilonker en het donkere licht is; vandaar het negatief, een omgekeerd, onelgenlgk llcht-lieeld, met verwisseling van liclit en donker, dat dan tot verkryglng van een Juist (positief) beeld (liont; - negatieve elektriciteit, f. z. oleklrlcltelt; — negatieve grootheden, Algeb. ontkennende, van nul afgclrok-ken of In omgekeerden zin genomen grootheden, aangeduid door het mlnusleeken (—); — negative, f. fr. de ontkennende stelling, ontkenning, een weigerend antwoord; nega-tiviteit, f. nw.lal. de ontkennende verhouding;—nc/ïo negahina of ncuahva, f. lal. Jur. i\'en ontkennlngsaanklachl ter ontzenuwing der aanspraken of elschen van een ander op liet zakeiyk recht des klagers.

Neger, m. (fr. nèorc, sp. en it. ncijro, v. \'t lui. nif/er, zwart, sp. en It. ncf/rn, fr. noir) fem. negerin, een(c) zwarte, moor of mo-rlaan. Iemand, behoorende lot oen meiischen-ras, dat op de noordwestkust en in de lilnnen-landen van Afrika te huis behoort, met zwart gekroesd, lijn wollig haar, smal hoofd, vooruitstekende kaak- en jeukbeenderen. Ingetrokken kin, dikke en inwaarts gebogen lippen, breeden en platten neus, regelmatige tanden, enz.; — negromaan, m. iemand, die een overdreven vriend der negers Is, voor de negers dweepl; — negrophaag. m. elg. neger-eter, een voorstander of verdediger van den negerslavenlian-dei, negrophilus, m. half-gr. een vriend der zwarten, negervriend, iemand, die de vry-held der negerslaven wenscht

Negery, z. negory.

Neginoth of neghinoth, z. end. ne-chliotli.

negligeeren, lat. {neulujcre) en fr. (spr. neulizjéren: fr. nfijliijcr) veronachtzainen, ver-waarioozen, verzuimen, niet achten nf tellen, laten varen, in \'I vergeethoek stellen; — ne-gléctie (spr. /=.v) f. (lat. nealeetto] versmading, vorwaarloozlng, verzuim, vandaar In 1 hgd. neglecten-gelden, verzuimgeiden, hoeten wegens afwezigheid; — negléctor, m. later lat. de verzuimer, de nalatige; — negligé, n. fr. (spr. neijliïjé) huls- of naciitkleeding, nachtgewaad, ochtendkleed, kamerkleed; — negli-géntie (spr. l—h) f. lat. {neglinentfa) of fr. negligence, f (spr. mylizjaiis\'} nalatigheid, onachtzaamheid, zorgeloosheid, verzuim, ver-wiuirioozing, slordigiiold; negligent, adj. (spr. neglizjan) nalatig, onachtzaam, verzuimend, zulmachtlg, zorgeloos, slordig; — negli-llénle, it. (spr. neglidtjinlc) Muz. onachtzaam, onverschillig, zonder nadruk.

nego conscquenliam, z. ond. negeeren.

Negory, negery, negerie, negari, f. (mal. negara, nugeri, neyeri, negri: sanskr. negara, negari) slail of aanzieniyk dorp, leder verzameling van eene gemoenle vormende kampongs (hy de Maleiers); hy ultbr. stad of dorp by onbeschaafde of baKbeschaafde volken (by de Nederlanders).

Negotie (spr. I=ls) f. lal. {iiegoliuin, pl. negotta) fr. negoce, m. (spr. negos\') werk, hedryf, handel, koopnianscliap, handelsverkeer (n. I. van particulieren; van eenen Staat zegt men c o in m e r c I e); — negoliorum gesCto, f. lat. de zaakvoering zonder last of volmacht (onderscheiden van mandulum)-, — negoliorum gcslor, oen zaakwaarnemer, zaakvoerder; — nego-tiëeren (lat. negoHuri) of negociëeren (fr. négocier) ondorhandelen, verhandelen, handel dryven of zaken doen, met wissels, offec-len, actiën enz. handelen; ook bezorgen, ver-schallen, h. v. eene som golds; leeningen slui-len, staalspapleren aan den man brengen; lot stand brengen, bewerken, h. v. een huweiyk; — negociabel, adj. (fr. négoeiable) verhan-deibaar, omzethaar, van wissels, staatspaple-


-ocr page 848-

NEGRESSK

828

NEL

ren. enz,; — negociabiliteit, f. Iiarb.lnt. vei\'lmmlulliaarliolil, omzolhaurlicld; — negotiant (spr. //=/«/) lat. (negoffans) of nego-ciant, fr. (spr. neaozjdii) m. een koopinnn, liandcliuir, handelilrijver In \'I j-Toot; — uego-tiantïsmo, n. nw.lai. de liundolsKoost; — negocüitor, m. lat. een Rroothandelaar, inz. geldhandelaar (liankler); — negociatenr, m. fr. een onderhandelaar, henilddelaar, bewerker, inz. In staatsaan(telegcnhoden; — negocia-trice, f. fr. eene onderlmndelaarsler, bemiddelaarsternegotiatie (spr. -tsiulsie) lat. (nenolialio) of fr. negociatio (spr. lt;=/s) {iiegocialion) f. hel handelsbedryf, de handel; de onderiiandelinu, het beniiddelaarswerk, inz. in staatszaken; KeUlieenin|{; de verhandeling, verkoop van eenen nog niet vervallen wissel, ook nogotiëering.

Negrósse, f. fr. negerin, z. neger.

Negrétti of negrottischapen, pi. (zoo men wil naar eenen graaf \\egrelli, den bezitter van zulke schapen, dus benoemd) eene soort van spaansche schapen, met dikke en stevige wol.

Negrillo, m. (v. het sp. iwgrilln, zwart-achtig, verkiw. v. neuro, lat. nir/er, zwart) in Hal. de naam van de boil, snulflaiiak; — Negrillos, m. pl. de zwarten, de bewoners der binnenlanden van Horneo, een lak der Papoea\'s.

Negrito, m., pl. Negritos, een neger-achlige volksstam in Australië, Vustraal-negers; ook Papoea\'s (z. aid.); — negrophilus, z. ond. neger; — Negros, m. pi. sp. eene polilieke party, z. v. a. GOmmuncros

Negus, m. 1) de gekroonde, titel des keizers van Ahyssinie; 2) eng. (spr. nif/iis) een drank uil wgu, water, suiker, citroen en muskaatnoot. warme kruidenwijn (naar zUnen uilvinder, den eng. overste Negus).

Neha, f. eelt. eene nimf h(| de oude Duit-schers; —nehen, pl. waternimfen.

Nehalennia, f. (waarsch. van bet ceitisch neha, nimf en batte, tempel) vanouds de godin der zeevarenden; ook bekend ais de godin van de vruchtliaarhcid en den handel ii(| de oude Halavleren en (lermanen.

Nehemia of Nehemias, tiebr. (ne-rhemjdh, v. ndrham, medeiyden hebben, troosten) mansn.: dien Jehovah troost, d. i. dien IIU helpt.

Nei, n. perz. in \'t alg. riet, Imls; eene rietfluit tiü de Turken.

Neinbruch, m. hoogd. (spr. —broech; afkapping van hinein-hruch, inbreuk) iiü tierg-werkers het uithouwen van den eersten steen hü liet ontginnen eener mijn.

Neira, neieera, f. gr. (neiuira, sell, naslër) de onderbuik, inz. van dieren.

Neïth of Noïtha, f. eene egyptische godheid, welke den goddelUken geest als regelaar van het heelal schijnt betoekend Ie hebben, en die door de Grieken met hunne Athene werd vergeleken.

Nekir en M oen kir, de namen der beide engelen, die, naar tiet muzelmansch geloof, de duoden in hun graf ondervragen.

Nekrogoog, in. gr. (van nekrós, het lyk) de doodenvoerder (Charon, z. aid.); — ne-krodulïe, f. de doodenvereeiing; — ne-krograaf, m. een geschiedschryver van doo-den; — nekrographie, f. de geschiedenis der dooden; — nekrokaustie, f. de dooden-verbrandlug, z. v. a. ere mal ie-, — nekro-kósmus, m. een dooden versierder, opschik-ker van lyken; —nekrolatrie, f. afgodische doodeiivereorlug, doodendienst; — nekrolith, m. gr. of sasso-morto, it. doodensteen, een inz. uit glazig veldspaath liestaand vulcanisch gesteente in Italië; — nekroloog, m. (fr. nécrnlonue) een doodeiibeschryver; het doodboek, de doodentyst; hot (loodsberlchl, de levonsbe-scliryving eens pas gestorvenen; ook eene ver-zanieilug van zulke levensbescbryvlngen; — nekrologie, f. de doodongescbiedonts, ge-schiedeiiis van overledenen; — nekroló-gisch, adj. doodenbeschryvend, doodsbericliten hetreirendc; — nekromantie (spr. l—ts ,■ gr. nckromunleia) f. liet ondervragen der dooden om de toekomst te weten, geestenbezwering, geestenbanning, zwartekunst; — nekromant, m. een ondervrager der dooden, doodeuwaar-zegger, geestenbanner, zwart (\'kunstenaar; — nekrophagen, m. pl. doodeneters, volken, ilie de lijken eten; — nekrophobie, f. doo-denvrees, vrees voor lyken; — nekropólis, f. eene doodenstnd, begraafplaats; — nekro-pómpos, m. de doodenbegeleider (bynaam van Hennes); - nekropompe, f. het doo-dengoleide; — neki\'oskopie, f. dooden- of lijkschouw, onderzoek van een lyk; ook z. v. a. nekromant ie; — nekrosylïe, f. plundering of berooving dor dooden; — nekroto-mie, f. de lykentleding, iykopenlng.

Nekrösis of nekröse (spr. .i=z) f. gr. (van nekroen, dooden, doen afsterven) Med. versterving van beenderen; — necrosisdenlium, het holworden der tanden; «. ossium, beeneter;— nokrötisch, adj. door beenversterving aangedaan.

Nektar, m. gr. (néklar, n ) godendrank, go-denwyn, de overheertyke drank der goden naar de oud-gr. mythologie, welke dengenen, die hem dronk, de nnsterfeiyklieid gaf; oneig. In hel algemeen: een heeriyke verkwikkende drank; ook een gr. aangename wgn op tiet eiland Scio, uit halfgedroogde druiven; — nekta-rfum, n., pl. nektariën, de houlgkeik, ho-nigbak der liloeineu; — nektarinen, pl. naam, dien men aan verscheiden soorten van ullnuiiitende perziken geeft; — nektarischr adj. zoet en verkwikkend als nektar, god-deiyk.

Nekyïën, f. pl. gr. (nekyia, van nékys, lyk) doodenolfers, lykfcestea; •—nekyoman-tie (spr. I=ls) f. z. v. a nekromantie; — nekysïa, f. oen doodenfeesl, doodenoller.

Nel, Nell of Nelly, eiif?. vr.nuam., «f-


-ocr page 849-

NEOCATHOLICISME

NEL TEMPO

820

komstlg van II u I c ii ii on li I o ii ii o i n; — nel, ncdolli, \'If\' nanm van liucf nogon in hel jasspel.

nel tempo, z. I c m |i o.

Nely, f. ilv goüorsclitc, maar nog nld go-liolstonlo rysl In O.Iiulle.

Noma, n. gr. garen, ilraail, spinsel; — nematoïdon of nematoïdeën, pi. de Jamllle dor draadwormen.

Nemausa, r. Astr. een In isiis door Laurent Ie Mines ontdekle asteroïde (lal. .Ve-mausus).

nemeïsche leeüw (de), nr. Mylli. een schrlkliaronde scllOtvrUe leeuw in de omstreken van Nemca in Argolls, die door Hercules werd overwonnen; neméiseho (niet nemioï-sche) spelen (gr. Mcmra, n. pl.) kampspelen der oude Grieken, die tor eere van Zeus om de drie Jaren Ie Nemen gevierd werden; — nemeonicen, m. pl. do overwiiniaars in die spoten.

Nemësis, r. gr. elg. de lilliyke verontwaardiging over leis onrechlvaardigs nf ongepast, ergernis; dan; vergelding, wraak der goden; Myth, de wraakgodin, do godin der vergelding, do roclitvaardlgo vorgeldslor van liet goede, zoowol als van tiet kwade, Inz. van de ongerechtlgliodon en gewelddadigheden, die uit mishrulk van nincht, trolsehheld en overmoed zijn gepleegd; — nemesia, f oen doodon-loesl in hol oude Grlokenland ter eere van Nemesis, als hoschornisler van don aan de dooden verschuldiKilon oorliled; - Nemesius, gr. inansii,: de wreker.

nemo, lat. (gonll. nemfnis) nlemaiKl; — nemo ante mortem beulm, lat. sprw.: niemand is gelukkig vóór zünon dood; nemo mnrtalïum om-nfbus horis sapit, geen sterveling Is Ie aller ure wys; nemo jutlcr, nemo testis indoneus in propnn causa, niemand kan In z.yn eigen zaak (oen hevoogd) rechter of getuige zyn; nemo propheta acceptus in putna sua, nieniund goldl als profeet In zyn eigen vaderland; — nemïnc contradicinte, lat. niemand tegensprekende, mei algemoene toostomming (een lorin in hel eng. parlement); nemïnem laede, hoioodig niemand; neminem lime, vrees niemand.

Nemoblasten, pl. gr. (v. nma, draad, weefsel on btastf, klem, spruil) draadkiemen, die plantenkleiiien, waarhy de zaadlolihcn uil de aarde komen, maar zich weldra in draadvormige lichamen verdoelen, goiyk hy do mossen en varenkruiden.

NomoUth, m. gr. (van niïnos, woud, lat. nemus) oene soort van dendriet on (z. aid.) op welker oppervlakte zich aflieeldliigon van hoomen, struiken en iiosciijosvortooiioii; — ne-morali\'en, pl. (van l lal. nemoralis, e, lol het hosch of het woud hohooremle) woudfeesten, lioschfoesten-, — nemoreus, adj. (lat. nemorosus, u, um) woudryk, vol hosschoii; — nemorósen, pl. {nemerösae) woudplanlen, In ioofhosschon grootoude planton.

Nemrod, z. N lm rod.

Nems (egypl.-arali.) z. Ich n ou nion.

Neme ol nsenie, f. lal. {nenm) oen doo-denzang, lykzang, treurlied, klaaglied, dal hy de liegrafeiiisscii der oude Homoinon lol lof dor afgestorvenon iloor vrouwen gezongen werd; ook wiegelied, slaapzang; Mylh. clo klaiiggodin of godin der lykon.

Nenuphar, nenufar of nuphar, m. nw.lal. (\\. \'I perz. noefur, nuufur, nilfar, nU-pui\', oig. hlauwhllnkond of lilanw lilad, v. nV, hiaiiw on far, ghiiis of par, hlad; of wel eeno omzeiling van gr. Hj/mji/mia, vgl. nyinphiea waterlelie, zeehlooin, zooroos, plomp.

Néocatholicisme, n. gr. (v. neós, a, on, nieuw) nieuw catiioiiclsnio, dal hol catho-llclsmo met do iiioderno niaalschappü Iraehl Ie vorzooaoii; — neocatholiek, adj. et suhsl. iileuw-calhollok; — neoceltisch, adj. nloiiw-ceitlsch, li. iicocelllsche talon, do he-dondaagsche volkstaal in liretagne, W ales,Schotland on loriand; - neochriatianisme, n nieuw chrisloiidoiii, soort van chrisloiyke wys-iiegoorto, die hot christeiyk geloof wil verjongen door moderno hogripiiou; — neodamö-den, m. pi. (van neós, nieuw en demos, do-risch dumos, volk) nieuwe hurgers, zy, die hij do Sparlaiioa vroeger Helolon goweosl waren, vry verklaarde, als hurgers hoscliouwde slaven;

— neodogmaticus, in. loniand dio oen nieuw dogma opwerpt; — neograaf, ni.gr. eea niouwschryver, iemand, dio van de aangenomen schrytwUzo (orlhographlo) afwükl;

- neographie, f. do niouwo, vroennlo, af-wykoado schrytwUzo; — neographisme, n. do nlouwsclirüvery, de zuclil om van do aangeiiomon spelling af Ie wykon; — neoli-thisch, adj. elg. nicuwsteoaig; tol don nlcu-weron slooniyd (d. 1. hot lljdvak van don ge-poiyslon sleon, hel laaisle tydpork van de vóor-hislorischo slooniioriodo) hohoorondo; — neo-loog, in. Iemand, dio nieuwIghodoii in de taal hrongl of zoekt te hrengon, oen nleuwo-woor-donmakor, woordensmid; In ruimer zin en on-eig. oen iiieuwiglioldsjager, een Invoordor van (doorgaans selmdoiyke) nieuwighedon, eon voorstander van vreoiiidc, schadoiyko gevoelens, oen afwykor van do gewone denkwijs omtrcnl godsdienst en staatkunilo, wetenschap, enz. (doorgaans in oen oiigiinsiigon zin), oen keiler; — neologie, f. de laahileuwlgiield, het geiirnik of vinden van nieuwe woorden; iiieuwighoid In \'I algeinoon, nioiiwigiieldszucht; — neoló-gisch, adj. wat tot nieuwighodon In do taai, of tol iiiouwiglicden in \'talgomoon, inz. iiihol-goon don godsdienst aangaat, hetrokking heeft; nieuwiglioidszuclillg; oen neologisch woor-donhook, oono opgave on vorkiaring der nieuwgevormde woorden; — neologiseeren (spr. s=:), zich van niouwo woorden hodleiien. Iets nieuws willen Invoeren, op nloiiwigiiodon ge-steld zyn, daarop jacht maken; — neologisme, n. een nieuw woord, oene taalnicii-wlgheid, inz. een kwaiyk gevormd woord, oono onjiilslo nieuwe zogswyzo; — neomelie, f.


-ocr page 850-

NEPALENSIS

NEPOS

830

vorming van nleuwo Inillvlilufin concr soort, voortplanting; — neomonie, f. do ilag van nleuwo maan, hot begin oonor maanmnaml;— neomeniasten, m. pl. do vlorders van liet feest der nonmoniün of der nieuwe maan-maanden hij do Ouden; de Uomelnen gaven aan do noomoiülin don naam van culendao; vandaar hot sprw.: ad nenmetiïas latinas, r. v. a. ml calendas qraecas, d. I. nooit (vgl. ca-lendac); — neomïa, f. een gr, feest ter eoro van Bacchus, wanneer do w(Jn van den Jongsten oogst voor liet eerst geproefd werd, ook nooenia (van oinos, wyu) geheeten; — neonómon, pl. aanhangers van eene nleuwo wet; — neopsedagoog, m. een opvoeder naar de nieuwste methode, modeopvoeder; — neopoodagögiach, adj. naar do nleuwo opvoedlngsmanlor; — neoparöchus, m. een nieuw boroopen godsdienst leeraar; — neo-phiet, m. (gr. ncn-phijlns) elg. pen nlouw geplante, nieuwe spruit; nieuweling, nieuw bekeerde, pas Ingewdde, nieuw kerklidmaat, pas gowüd priester, enz.; — neophobïe, f. do vrees voor of afschuw van nieuwigheden, nleu-wlgheldsvrees; — neophobisch, adj. bang voor nieuwigheden; — nooplatomcoe, m. pl. mystieke Iheosophen der Me eeuw, In?.. Plotlmis, Porphyrins, .lambllchlus en Proclus; Insgelijks uit de lüde eeuw, Inz. Marslllus Fl-elnus; — noorama, n. (van hortin, zien, hnrSma, het geziene, de vcrtoonlng) elg. nleuw-zlcht, eene veroenlglng van het panorama en diorama, dat het binnenste van een gebouw, eenen tempel, enz. (doch geen landschap of onbeperkte ruimte) voorstelt. In welker midden zich ile aanschouwer bevindt, nllgevonden door den paryschen kunstenaar Allaux (spr. nlló) in 1827; — neoten\'cus, m. (gr. nedlerikós) een jongeling, iemand, ilio tot den nieuwen lijd behoort, een voorstander van het nieuwe, een modern schrijver, enz.; — neotérisch, adj. (gr. neolerikós) elg. wat den jongeren lookomt nf past; naar den nieuwen smaak of trant; modisch, nlouwlgbeidszuclitlg; — neoterïs-me, n. (v. nmteridzein, nieuwigheden Invoeren), de nleuwlgheldszucht, de zucht voor het nieuwe, Inz. in kunst en wetenschap; ook het gebruik van nieuwe woorden en spreekwijzen.

nepalensis, adj. lal. Bot. van Nepal of Mpaul (O. Imlië) afkomstig.

Nepénthes, f. en n. gr. (van de ontkennende vooriettergreep m en pinthos, n, rouw, treurigheid) eene smart- en droefheldvordrijvcnde artsenij, een zorgverdryvend, opbeurend middel; inz. eene plant In Indll), welker brecde bladstengels aan de spits helder water bevatten; .Vc;)CiiMc.« desMlatoria, kannckcnskrnlil.

Neperiaansche staafjes, vierkante rekenstaaljes, door den schotschen baron Neper uitgevonden, en met welker behulp inz. de vcr-menigvuliliging en deellng werkluigiyk worden ingevoerd.

Nephalïën, pi. gr. (nêiihalin, v. niphein, nuchleren zijn) drankolTors zonder wyn by de oude Grieken, uit melk, honig, water, enz. bestaande; matigheids-, nuchterheidsfeesten; — Nephalïus, m. de nuchtere, een toenaam van Apollo.

Nephelim, m. pi. Iiebr. kinderen der engelen en menschen.

Nepheline, f, of nephelien, nepho-liöt, n. gr. (van nepMli-, wolk, nevel) nevelsteen, sommiel, weeke smaragd, witte hyacinth, eene steensoort, welker doorzichtige kristallen In salpeterzuur nevelig of wolkig worden-, ook olaeoiith of vetsteen; — nepheli\'onnf nephelium, n. Med. een wolkje, eene nevelvlek, eene kleine wltto vlek op het hoornvlies van het oog; ook een wolkje op do urine; witte vlekken op de nagels; — nepheloï-disch, adj. nevelig, wolkig, troebel; — no-phelologie, f. de wolkenieer, wolkenkunde;

— nephelophorométer, m. een werktuig om den voortgang der wolken te meten; — nophoskoop, m. meteorologisch instrument om do hoogere iuchtstroomen en den gang der wolken waar te nemen.

Nophralgle, t. gr. (van nephró.t, nier) Med. de nier- of iendcpijii; — nephrato-nie, f. nierveiiammhig, nierverzwakking; — nephrelkösis, f. eene zweer of verzwering der nieren-, — nephrelkötisch, adj. lot een nierverzwering belioorende; — nephrol-mintisch, adj. door wormen in de nieren veroorzaakt; — nephremphraxis, f. verstopping of te groole opgeviildheld der niervaten; — nephridïum, n. niervet; — ne-phriot, m. of j a d e, nephritische jade, de niersteen, graveeisteen, bittersteen, een lilauw-achtig groene, soms groenachtig witte, haifbarde, doorschynende steen van bet talkgesiacht, Inz. In Egypte; — nephritlka, n. pl. Med. geneesmiddelen tegen de nierziekten; —- nephritis, f. Med. nlerontsleking; — nephri-tisch, adj. de nieren hetreirende, aan nierwee lydende; nephritisch inlildei, een nlermld-del (middel tegen de steenpynen); — nephrocele, f. de nierbreuk, eigcniyk inklemming of uilzakking der nieren; — nephrödisch, adj. nierachtig-, — nephrodïum, n. eene pianlensoort, die tot de varenkruiden heboorl;

— nephrographïe, f. de nierbeschryving;

— nephrolithiasis, f. het steeniyden in de nieren; — nephrologie, f. hel leerstuk over de nieren; de nlerkunde; — nephrón-cus, in. het niergezwel; — nephropara-l#sis, f. nlerveriamming; — nephrophthisis, f. nierlering; — nephropyosis, f. nieretlering; — nephrorrhagie, f. hiocd-vilet uil de nieren; — nephrotomie, f. de niersteensnede.

Nepthys, f. eene cgyptische godin, zusier en gade van Typhon (z. aid.) heteekenl de onvriiciitiiare kust aan de Rooile zee.

nepos, m. lat. kleinzoon; neef; bloedverwant; pi. nepóles, ook verwanten van den paus; iiy de Ouden iiedeiiyke jonge lieden, vandaar ne-potaat, nepotatie (spr. He—luie), lieder-


-ocr page 851-

NESOLOGIE

NEPTL\'NUS

831

lükhoiil, verkwisting; — nepoteeren, op kosten van een rykon oom leven; — nepö-tisch, ailj. weeldoiig, verkwistend; — nepotisme, n. nw.lat. neerschap, hloedver-wnntschap; de neefhegunsilpinK; ile verhelllnii, verzorging, van liioedverwanten, de zucht dei-in hoogheid geplaatste personen (pausen, mi-nistors, enz,) om limine nepoten, neven of verwanten, mot achterstelling van vreemden, zonder daarhy op verdiensten of gesclilktheid te zien, aan ambten posten te helpen of te nepotiseeron.

Noptunus, m. lat., Neptuun, Myth, z. v. a. de grleksche Poseidon, de zeegod of liehcersctier der zee, oorspr. beschermer der paarden, zoon van Saiurntis, tiroeder van .Inpi-ter, Pluto en Juno, enz.; Astron. de van de zon het verst verwijderde in ISid door Lever-rier iloor berekening ontdekte, door Gaile gevonden planeet; — neptunus-manchet-ten, f. de zeemanchetten, eene soort van punt-koraien (Mllleimru of Frnmliima cellulosa ook wel Retcpara), wegens hare overeenkomst met eene in talloozo plooien gekronkelde bandtuhlie dus geheeten; — neptumis-post, de me-dedeeling van berlcliien door glazen tlesscben, die men by allerhevigste stormen of hij gevreesde schipbreuken in zee werpt, opdat het toeval haar doe vinden of ergens aan land spoele; — neptunali\'en, n. pi. feesten Ier eere van Noptunus; — neptünen, m. pi. geniën, beschermgeesten, omtrent gelijk aan de faunen en satyrs; — neptuma, f. Ipnlium) Bol, wilde rosmarün; — neptunis-ten, m pi. aanbangors van hel neptunis-me, d. i. van de wcienschappelgko meening, dat do aarde hare tegenwoordige gedaante door bet water beeft verkregen; zy slaan tegenover do vuicanisten, die hei vuur als de oenigo oorzaak dier vorming aannemen.

Néquam, n. lal. een dougnlot, schofl, tieli, nietswaardig mensch, schohliejak, schoelje. nc quid nlmus, z. nimis.

Nequitiën (s|ir. /=Av), pi. (lal. nequiffue, van nequnm, nietswaardig) nietswaardigheden, scheimeryen, schurkestreken.

ne recipialur, z. ond. recipiéeren. Nêreus, m. gr. Myib. eene ondergodiieid dor zee, vader van 50 doehtors, do Nereïden (z. nympb); — nereïden, f, pi. glimwormen, zoor kleine zeewormen, aan welke men voor een gedeeile het zoogenaamde lichioii dor zee toescbryft.

Nerieten, f. pl. gr. (sing, neritës, m.) de halvemaanliorens, zwemslakkon, een talryk scbelpdlorgeslachl; — neritieten, pi. versteende zwemslakkon.

neriifolius, a, uw, lal. Hot. oleanderhia-derlg.

Nero, oen door zyno wreedheid lioracht oud romoinsch keizer (van \'11—tis na Clir.); vandaar in \'t alg. voor een wreed vorst; ook wol voor een uorsch, terugstootend mensch, oen bullebak; ook een hondennaam; — ne-rönisch, aiij. als Nero, nero-acht Ig, wreed, barhaarscb.

nero unlicn, m. li. woordolijk: oud (antiek) zwart, eene zwartachtige marmersoort in liet vorstendom Carrara; — nero ili ;»■«/», m. een zwartgroene, wltgeadorde speksteen in IndiB.

Néroli, m it. on fr. neroli-olie, olio van oranje-bloesem, geest van neroli, eene kosl-bare, zeer welriekende etherische olie, die inz. te Ragusa en in /.-frankrijk wordt gedisill-loord.

nerönisch, z. ond. Nero.

Nerterologie, t. gr. (van nérlerm of enérleros, van onderen aanwezig) de leer of kennis der onderaardsche lichamen; — ner— téromórphen, m. pi. oiuieraardsche gesial-ton, doodenboelden; — nerteromorphie, f. het geven van eene onderaardsche gestalte aan iets.

Nerthus, f. (woleer vaak, naar eene vor-koorde lozing by Tacitus, llertba) oudd. Myth, do godin dor aarde.

nervus, rn. lat, (hoogd. nerv, nerve, van het gr. nSurnn, neurd, spanader) do zenuw, de witte, wecko, morgachiige draden, welke uit do horsenen en hel rnggomerg ontspringen, zich in ontelbare takken door hyna allo doelen van het dierlijk lichaam verspreidon en de werktuigen dos gevoels en dor beweging zijn; — nervus prniandi, m, lat. de bewijskrachi, do boofdbowysgrond; — nervus rerum f/erenilSrum, m. do boofddryfvoer van alle handelingen of ondernemingen, do grooto zenuw, de ziel van alle zaken (n,l, bot geld); — nerven, in bet laken do valsehe plooien, die hol onder hot vollen hooft gokrogon; — nerv,na, pl. nw,ial. zonuwmiddolen, zenuwsterkende geneesmiddelen; — nerveus, adj. lal, (nervosus, n, um) zonuwachlig, onelg. gespierd, krachtig, sterk, bondig, nadrukkeiyk, kernachtig; ook de zonu-won hetrellondo, h, v, nerveuze ziekten, zenuwziokion; aan zenuwkwalen lydende, zwak van zoiiuwon; oen nerveus mensch, iemand, die zeer gevooiigo zenuwen hoeft; — nennsus, a, um, lal. Bot. generfd, geaderd, geribd; — nervositeit, nerveusiteit (spr. «=;), f. zoiinwaclitigbeld; gespierdheid, kracht, nadruk; de modoiydigheid der zenuwen in eene zioklo.

nescfn, lat, ik woel niet; — nesetre, niet weten; a neseire ad non esse, In do logica; do onjulsie govoigirekking van hel nlot-welen tot tiet niet-zyn; — nesennm, wy weten hol niet, men woel hol niel; — nescil, by wool hot niel, staal vorhiiift ; — nescto quis, ik woel niet wie, een zeker iemand; — nomen nesrio, z. oud, uomeu; — nesciéntie (spr, l—s), f, (later lat. ncseienffa) onwelendhold, onkunde,

Neskhi of neschi, u, arab, [nas-chi of nes-chi, van nnsacha, afscbryven) bot gewone araliischo loopendo schrift.

Nesologie, f. gr. (v. nèsos, f. het eiland) de leer dor ollaudon, oen godeelto dor naiuurk. aardrykskundo; — nesoloog, m. kenner der


-ocr page 852-

NEURALGIE

NESSUS

cilandonloor; — nesológiseh, adj. doollan-(lenlecr liolrclTcndo of diiiirloc lichoorende.

Nessus, m. gr. Mylh. oen contaums, dlon Hercules mol een in hel bloed der hydra (z. aid.) van Lorna godoopton pUI doorschoot en mol wiens hiood Dejanlra oen kleed drenklo, om zich de boslondixo liefde van haren man le verzekeren, lerwüi zy hem inderdaad de on-verdraagiUksle pijnen bezorgde, tengevolge waarvan liy zichzelf op oen hramlslapel verbrandde om die smart le ontgaan; dikwijls lig. Nes-suskieed, Nossnshemd, enz.

Nostia, f. gr. (nisleia, v. ncsteüein, vasten) liet vasten; de ledige darm; ook liet water, hel imchlere element; — nestiatrie of nestotherapie, f. geneeskundige behandeling door vaslon, do hongorkmir.

Néstor, m. gr. de naam van een zeer wijzen en ervaren koning van Pylos, die nog in boegen ouderdom mede naar Trojo ging en in \'1 grieksche leger voornamolUk als raadgever diende; vandaar In \'talg. een wijs, ervaren en eerwaardig grijsaard; de oudste en ervarenste onder z.yns gelyken.

Nostorianen, m. pl. aanhangers van den bisschop van Gonslanilnopel Nestor nis, die in hel jaar 131 ais ketter van zijn ambt ontzei werd, dewyi hü do maagd Maria wel voor de moeder van Christus, als mensch beschouwd, doch niet ais de moeder van (lod wilde erkennen; — nestoriamsme, a. de leer van N e s l o r I u s.

Nestotherapie, z. oud. nest la.

nc sus Minervam, z. sus Minervonh — tic sulnr ullra crepfdam.\' z. oud. ere pi da.

Netangi, liever nisjandsji, z. aid.

net, adj. (fr. en provenc. net, II. nello, sp. iieto, van \'I lat nliïdus, van nitcre, hlinken, glanzen) rein, schoon, zindeiyk, zuiver, sieriyk, lief; — netteté, f. fr. de netheid, reinheid, sleriyklioid, juistheid, zuiverheid; — con nel-tezzu, it. Muz. met netlieid, julslboid, duide-lykheld elke noot uit le voeren; — nelto, 11., of afgek. nlo, Kmi. zuiver. Juist, d. i. na aftrek van al wal afgetrokken moet worden of van alle onkosten; zonder verderen aflrek, zonder rabat (z. aid.); — netto, -la, -tamente, II. Muz. rein, zuiver, juist; — netto-bedrag, netto-opbrengst {nello provenu, fr. nello proccdito, 11), netto-winst, enz., het zuivere bedrag, de juiste opbrengt, winst, enz., na aflrek van al het af le trekkene-, — netto-gewicht, het werkeiyk gewicht eenor Ingepakte waar, na aflrek van het gewicht der Inpakking of emballage (vat, kist, mand, zak, enz.); - netto-prijs, de zuivere en juiste, geen aflrek duidende prys, inz. de prys, voor welken de boekhandelaars aan elkander hunne waar overdoen, en die in den regel ten onzent iO pet. minder is dan de verkoopprys; nello riedvo, de prgs eener voor rekening van een ander verkochte waar, na aftrek van alle onkosten; — netto-som, ronde som; — netto-tarra, f. de aftrek van het wezeniyk gewicht van het middel dor Inpakking (niet bij ruining of volgens aangenomen gebruik bepaald).

Nettoyeuse of b a 11 e u s o n o 11 o y e u s e, f. fr. (v. netloyer, reinigen) dorschmaehlne met rolnigingstoeslei.

Nettüno, m. it. {spr. u=oe; elg. = lat. Neptiinus, z. aid.) oone gekleurde lichte slof tot kleedy voor de Hal. vrouwen (naar de ge-lyknamlge stad In den voormaligen Kerkeiyken Staal).

Neuf, fr. (spr. neu) nieuw; in vele sainen-stellliigen b. v. NeiifchiUel (spr. neusjalél), een stad In Zwitserland; — Noufchateller, m. inwoner van iNeufchatel, ook afk. voor Ncuf-chutoiler wyu, kaas, enz.

Noumen, pl. (mid lat. neuma on pneuma) de herhaling van bet slot bij tiet kerkgezang (van \'I gr. pncüma, adem, aunademingstoeken) de oude notenteokens der middeleeuwen (punten, streepjes, haakjes, enz.); ook de aan \'I slot van \'t kerkgezang toegevoegde noten zonder woorden.

Neuralgie of nevralgïe, r. gr. (van neuron, pees, hand, vezel, zenuw) Med. zenuw-PÜn, zenuwlUden; — neurasthenie, f. de zenuwzwakte met verhoogde gevoeligheid; muinlyma, n. (van eilymu, hulsel; minder goed neuriloina of neu rol e mm a) de ze-nuwscheede, zenuwhekiecdlug; — neurme, f. lt;le zenuwslof; — neuritieum of neu-roticum, n. een zenuwmlddei, middel tot versterking dor zenuwen; — neuritis, f. ont-steklag der zenuwen; neuritisch, adj. de zonuwontsleklng lietrell\'ende of daarvan afkomstig; ook zenuwsterkend, op de zenuwen werkende; — neurobaat, m. een koorde-danser; — neuroblacie, f. Med ongevoe-liglieid der zenuwen; — neurodynie, f. zenuwpUn; — neurogamse, f. z. v. a. dier-Hik inagnellsmo (als zelde men samenparlng of ineonsmeiling der zenuwwerkzaamheden, n.1. tusschen den magnetiseur en den lyder); — neurograaf, m. iemand die de zenuwen, bet zenuwstelsel bcscbryfl; — neurographie, f. de zenuwbeschryving; — neurologie, f. de zenuwleer, zenuwkunde; — neuroló-gisch, adj. zenuwkundig, de zenuwleer be-trelfende; — neuroma, n. een zenuwgezwel; — neuromalacie, f. ziekeiyke zenuwvor-siapping; — neuropathie, f. hel zenuwiy-den; — neuroptëra of neuroptéren, n. pl. peesvleugellgen, insecten met vier doorzichtige, netvormige vleugels, geiyk de water-julfers, ienteviiegen, enz.; — neuropyra, f. de zenuwkoorts; — neuroseirrhus, in. verhard zenuwgezwel; — neurosis of neurose, 1. de zenuwziekte; — neurospas-mata, n. pi. door draden bewogen ledepoppen, marionetten; - neurosthenie, f. te groole zenuwwerkzaamheid, ziekeiyk verhoogde zenuwkracht; — neurotïcum, z. neuritieum; — neurotomie, f. ontleedkundige bereiding dor zenuwen, kunslmatlge doorsny-illng oencr zenuw.


-ocr page 853-

NEU11ENBERGE1I

833

NICHOLIETEN

Neuronborgor waren, pi. (fr. mem-lie. bimheloteric, eng. mail wam) waren ill« te Neuron here (hgd. NUrnlierg) In lleleren en omstreken verviicirdlgd worden en kostuun In lioul-, Ijoorn-, motunl-, glns-, spiegel-, speel-en nndere meest kleine waren.

Neutrum, n. lat. (v neuter, neutra, neutrum, geen van helden, d. I. nü-iilcr, niet [ne] een van belden \\uler]) elg. geen van helden; («ram. het onzydtg geslacht, genus; een neutrum, een woord van het onzijdig geslacht; pi. neutra; ncutnus uêneris, nxn het onzydig geslacht; — verbum neutrum of Intransltivurn, z. verhum; — neu-tro-passivum, n. |il. neutro-passiva, latynsche weikwoorden, wier verleden Igdcn ecnen passleven, de overige een actleven vorm hy actieve heleekents hchhen; neutraal, adj onzijdig, unpariydig, geene party toegedaan, aandeelloos; Gram. van liet onzydig geslacht; Chom, noch zuur noch alkalisch rcageeremt;— neutrale zouten, in de vroegere scheikunde; middelzouten, die uil de verhlndlng van zure zouten (zuren) met loogzoulen (alkaliën) ontstaan; — neutraliteit, r. mid.lal. neu-tratttas, fr. ncutralité) de onzydiglield, onpar-tydigheid, ile toestand, waarin men hel met geene party houdt; gewapende neul rail-teil, r. de gewapende onzydiglield of de gewapende, aan den krijg geen deel nemende mogendheden ; — neutraliseeren (spr «=:), (niid.lat. ncutralisSre, fr. neutraliser), onzydig lt;if onpariydlg maken, In den toestand der onzydiglield verpiaaisen; ook zich pariytoos houden, ondeelnemend hlijvcn; Chem. de hyzon-dere eigenschappen van twee lichamen (hascs en zuren) door hunne verhlndlng in ccne zekere mate opheiïen; — neutralisatie (siir. -zu-tsie) of neutraliseoring, onzydlgma-king, vereffening van tegengestelde toestanden; Chem. verzadiging, de verhlndlng van een zuur mei een hasis tot een zout, waarin do eigenschappen van heide (Inz. de inwerking op lak-inoespapier, enz,) epgelioven z.yn; — neutralist, m iemand die tot geen hepaaiden godsdienst of hepaalde wysgeerlge schooi hc-hoort, een vrygeloovige, vrydenker; - neutralisme, n. het vrye geloof, de vrydenkery.

Neuvaine, f. fr. (spr. neuweii\': v. neuf, negen = lal. novem) een negendaagsch gehed in de K. Kath. kerk, z. v. a. liet 11. novena.

Nevado, III. sp. {iwrailo, hesneeuwd, van nevar, sneeuwen) een sneeuw- of ysberg in de Z.Amer. Cordilleras.

ne varietur, z. onder varia.

Neveu, m. fr. (spr. n\'wéü\': oud-fr. nep-vcu, van \'t tal. nepos) de neef, broeders of zusterszoon

Nevralgie, nevriticum, nevrolo-gio, enz. z. n e u r a I g I e, n e u r 111 c u m, n e u-r ei ogle, enz.

New, adj. eng. (spr. njoe) nieuw; — neir style (spr. stail). nieuwe styi (lig datums); laz. hy geograph. namen li. v. New-Orleans,

V1EI1I1K IHIUK.

Meuw-Orleans, enz.; — news, nieuws; b.v. newspaper, n. (spr. njoespeeper) courant;

newsroom (spr. njoetroem), leeskamer, leeskalilnet; - newgate, n. eng. (spr. njné-(jéél, (t. l. elg. nieuwe poorl) het groote ge-vangenliuis te Londen; newkerry, f, eng. (spr. njóékerri) cene soori van surinaamsehe iiooniwol van geringe hoedanigheid.

Nexus, m. lat. (v. neelSre, knoopen) samenhang, verhintenis, hand; wettig verhand; nexus feudaiis, leeaveriiand; n. parochialis, verbinding met ccne kerk, kerkverliand; ei nexu met iemand zün, liulten verhintenis (Inz. handelszaken) met hem z.yn; hy kooplieden: geene rekening meer met hem helihen; in nexu, in verband, ia maatsciiappetyk verkeer.

Ncz, m. fr. (spr. né: lat. nasus) neus.

niable, adj fr. niabel (van nier, ontkennen, loochenen) onlkenhuar, wat ontkend, geloochend kan worden.

Niais, m. fr. (spr. ni-i, 11. nidiace, |iro-venc. nizair, niaie, mld.lat. nidaslus, v. \'1 lat. nidus, fr. nid, nest) elg. een nesteling, nest-vogel, zeer jonge vogel; een onervaren, eenvoudig, oniioozei, dom mensch, een iials. bloed, hollerik, zotskap, sukkel; ais adj.; dom, eenvoudig, onnoozei; - niaise, f. (spr. ni-èz\') de oniioozele, ile zottin, onnoozele duif; — niaiserie, f. (spr. ni-éz\'rie) de eenvoudigheid, omioozelheld, domheid, de domme streek, zotte kuur.

Nibelungen-lied, n. (spr. u=ne) een oud-duitsch iictdendicht uil den aanvang der 13de eeuw; het onderwerp daarvan Is de worsteling van de llourgondlers en Inz. van de machtige familie der Mheiungen (d. i. kinderen des novels of der duisternis), een oud-bourgondischen machtigen hoidenstain, tegen den vermaarden Ktzel of Atttia (1110—410).

niceeisch of niceenisch concilie, n. de heroenidc kerkvergadering, leu jare ;ii!i te INIcïea In llllhynli1, door Constiiniyn den (Iroo-ten ter verelfening van de Ariaanschc twisten bUeongeroepen, op welke het a r 1 a n 1 s m e (z. aid.) veroordeeld en de niceenische geloofsbelijdenis aangeiionien werd, die nog tegenwoordig hy alle chrlsleiykc godsdlenstpar-tycn als onomstooteiyke geloofsregel geldt.

Niccölum, n. Int. nikkel z. aid.

Nicephórus, gr. elg. IN Ike phoros, m. (v. nikr, zege, overwinning, en phérein, dragen, brengen) mansn., de zegehrenger.

Niche, f. fr. (nies;quot;,- 11. niechia) elg. eene schelpvormige uitholling of Indleping in de dikte van eenen muur, om daarin een heeld, eene kachel enz., te plaatsen, nis.

Nichilianisten, m. pi. naam in de Iide eeuw gegeven aan zekere leerlingen van Abelard, die liet wezeniyk licstaan van J.C. loochenden.

Nicholieten, m. pi. leden eener kleine secte van kwakers. In Maryland gcsllchl door Joscpil Nichols; zy bonden liet voeren van wapenen ter verdediging des vaderlands voor geoorloofd.

;i:i


-ocr page 854-

NICODEMIETEN

NIHIL

834

Tïicodemieten, m, pi. leden eener voorin, godsiltonstsoclo In Zwitserland, zoo golieeten, omdat zij, even als Mc ode mus, van wlon In de ovniiKellUn gowug wordt gemaakt, hun geloof In hot geheim heleilen.

Nicolaïsmo, n. de leer der Nicolie-ten, In de tste eeuw gepreillkt, door Nlcolaas, een der ^ diakenen van Jeruzalem; zU stond, zegt men, de gemeensclnip dor vrouwen toe.

Nicol\'s prisma\'s, pi l\'hys. naar den schot VV. Nlcol (gesl. 18,11) tieuoemd duhbel prisma van kalkspaulli tor scheiding der helde stralen van het gepolarlsoerde licht.

Nicotiana (spr. /=/«), f. (nvv. lat. Zierba nicoliiino) de tahak, de tnljaksplant, naar den Franschman NI cot (spr. ni/ni) die in het mld-don der !#de eeuw lt;111 gewas het eerst naar Frunkryk tirachl; — nicolidnuefolius, a, um. tal. Bot. tahakshladerlg; — nicotianino of ni-cotino, t de tahaksstuf, oen vloelhaar, scherp en vluchtig, zeer vergiftig alkaloïde, In de la-t)ak voorhanden.

Nictatie (spr. tie=l.iie), f. lat. (niclaCfo, v. niclare, met de oogen lillkkeren, v, nicure, wenken) Med, het titlkkoren met de oogen, eene onwillekeurige, krampachtige heweging der oogleden.

Nicus, z. v. a. negus.

Nidiücatie, nidifleeeren, z. onder nidus.

Nidor, m. lat. do onaangename reuk, do stank van dlerlüke lichamen, die verhrand worden; Med. de liedorven lucht hij \'I oprispen uit de maag; nidoreus, adj. (later lat. ni-dorösus, a, um) wat nanr gohrand vet riekt of smaakt, rottig, hedorven; — niilnrosm, «, um, lal. Hot. vuil, stinkend; — nidorositeit, f. eene galachllge oprisping, gepaard mot den smaak van onverteerd gebraden vleesch,

nidus, m. lat. een nest; ook een drlnkhe-ker der Ouden, wegens do gedaante; ni-duloeren, nidifleeoren, nw.lat. een nest maken; ook het ulthrocden van eieren; — ni-difleatie (spr. I=ls), f. de neslenhouw; het neslelen; — nidülus, m. lat. (vorklvv. van nidus) een neslje; een afgezonderd vertrekje, kahinet.

Nièce, f. fr. (spr. ni-éss\'; oud-fr. niepce, van \'1 lat. neplia, voor neptis) de nicht, hroo-ders- of zustersdochters.

Nièllo, n. pl. nièllen, li. (waarsch. van \'I lat. nifiéllus, a, um, zwartachtig; vgl. nigella) elg. zwartplalen, d. I. metaalplaten, waarop eene teekening Is gegraveerd, welker groeven met metaalzwartsel zun gevuld; — niëllGO-ron (II. nicllare), in niclant gravceren en met zwartsel vullen, eene door tlorentynscho goudwerkers in de middeleeuwen uilgevonden kunst

nienle, adv. It. niets; z. onder dolce.

Niepa, een oostlnd. gewas, waarvan men kadjang-matten maakt.

Niepgotypie, f. fr gr. het verkrijgen van llchlheclden door middel van asphall, naaiden eigenlijken uitvinder der photographle, den

Franschman J. N. Mé pee (gesl. IHIIH) genoemd, ui fullnr, lat. zoo Ik my niet vergis. Niflheitn of Nilïelheim, n. d. I. nevelwoning, novelverhiyf, In de oudn. Myth, hel koude noordelijke gedeelte der wereld; ook do onderwereld, de voorlooplge of eerste hel, de woning van Kol (z. aid. en vgl. Nastrond).

Nigaud, m, fr. (spr, nigó: vgl. nlals) een onnoozele hals, lomperd, uilskuiken; — ni— gaudene, f. zotteklap, heuzclary, lalfe praal, llaiiwo grappen; — nigaudeeron, (fr. ni-gawler) zich onnoozel of mal aanstellen.

nigélla, f. nw.lat. (fr. niette, van \'l lat. nt-géllus, o, um, zwartachtig, vorklvv. van niger, zwart) Hot, zwarte komyn, veldnigelle, narduszaad (,.iemen nigetlae), eene uil de Levant afkomstige planl, die in onze tuinen wordt aan-gekvveekl; nigetta arvénsis, akkernlgella, een onkruid; nigella damascènu, nlgelle van Damas-kus, jullertje-in-\'t groen,

niger, nigra, nigrum, lat, zwart, donker; /((»■« nigra, hel doodsuur; dies niger of uier, de sterfdag, hic niger esl! elg. dio Is zwart! voor dien moet men zich wachten (z, onder hic); niger deus, de zwarte God, IMulo; — nigro nulandu tapittn, met een zwarten steen te teekenen, d. 1, als een ongeluksdag te he-schouvven; — nigrum ociïli, n. het zwart van het oog, z. v. a. de pupil; — nigrescee-ren (lal. nigrescfre), zwart worden, naar hel zwarte zweemen; — nigresoént, adj. [ni-grésrens), zwarlaciitig, grauvvzwarl; — nigrituns, lal. Hot, zwarlachlig; — nigrino, n, zvvurl-steen, z. v, a, rut ilium; — Nigl\'itlë (spr. t=ls), n, het negerland Soedan In Afrika; — nigromant, in, lal.-gr,, een zoogenaamde zwarte-kunstenaar; — nigromantie (spr. l=ls), f, (waarsch. verhaslerd uil hel gr ne-kromanlle, door In plaats v. nc/fni.v, doode, hel lal. niger, zwart, te nemen) de gewaande zwarte Minst; do toovcry en waarzeggery door helinlp van hooze geesten ; — nigror, m. lat. tiet zwartsel; Med. oen zwarte of hlauwgroeiie huidvlek; — nigrum, n. hel zwarle, de tn-iioud van een gesclivift.

Nigger, eng. in Amerika schimpnaam voor: neger, zwarte (vgl. niger en neger).

Night, f. eng. (spr, nail) nacht; gnml (spr, goed) nighl, goeden nacht; nightingale, f. (spr, nailingeel) nachlegaal.

Nigua, f. sp. (uil de laat van Haïti) z. v. a. c,hike (z. aid.).

nihil of nil, lat. nietsj — nihil of nil (facil) ad rem, lat. dut doet niets tot ile zaak, heeft niets le hoduidon; nihil habenli nihil dees/, wlo niets heeft, onlbreekt niets; nil adinirari, niels bewonderen of zich over niets verwonderen; nil dehil, bij Is niets schuldig; nil desperdndum, men moot aan niets wanhopen, nlels opgeven; nil dicil, by zegt niets; nihil humani a mc alitnum puin, tk acht, dat niets menscheiyks my vreemd Is; uil medium esl, er is geen middelweg; nil novi suh sole, er is niels nieuws onder de zon; nihil prohal qui nimf um probal,


-ocr page 855-

NIOÜE

NIKA

8: $5

wie te veel hewysl, bewyst niets; nil scire lalissima fides, niets le welen Is het zekerste geloof (spreuk van Oldenbarnevelt); ex nifnln nihil fit, uit nlels komt of wordt niets; — niUi-lam album, n. Cheni. wit niets. /.Inkhloemen, witte lichte vlokken van zink-oxydo; nihilum (iriS\'Uin, oven^almel, z. v. a. tul la; ni-hilismo, n. nw.lat. de nletlield, hel nicl-zijii; de leer der vernlell^lnK; In Kusland (nigilism, in.) eene In den nleuweren lijd Inz. onder de studenten en de jong-rnsslsclie party verspreide socialistische beweKln^ of propaganda, welke eene polilleke en sociale omwenteling verlanKt, de bestaande orde in staal en maatschappij uil vernietigen en uit hel nlels eene nieuwe wereld wenschl In le richten; nihilist, m. een nletsgeloovende; een nergens toe deugend, onhrulkhaar lid der maatschappij, nlelellng; aanhanger or lid van bovengenoemd geheim socialistisch genootschap In Kusland; nihilistisch, adj. hel nihilisme aanhangende oT huldigende; — nihiliteit, l. de nietigheid, hel volslagen gebrek aan waarde.

Nika, r. gr. Hal. granaat, een eetbare soort van granaten.

Nika-oproor, n. opsliind in ïilli t« Con-stanlinopel onder .lusllnianus, naar de leuze Mka = Nike (z. aid.) genoemd.

Nikaragua-hout, naar de provincie en stad Nikaragua aan de westkust van Midden-Ameiika) bloedhout, /.. n. a. ca m pech e-ho ut.

Nike, f. gr. de zege, overwinning; Mylh. de godin der zegepraal hij de Grieken, by do Komeinen Victoria geheeten; Niko-phóros, mansn.; de zegehrenger; niko-terien, pl. (gr. nikelcria) overwlnnaarsbeloo-ningen, zegeprij/.en; zegefeesten; Nikodë-mus en Nikolaus, m. gr. afgek.Niko-laas en Klaas, mansn. letterlijk : volksoverwinnaar, volksheheerscher; Nikolajó-witsch, m. en Nikolajéwna, r. mans-en vr.naam in Kusland: zoon, dochter van iNlkolaas; nikolaïoten, m. pl. eene kel-tersche (gnostische) secle In de tweede eeuw der chr. kerk, die onder andere de gemeenschap der vrouwen en het huweiyk der priesters toestonden; ook eene soort van wederdoopers In de lOde eeuw; ook K. Kalh. priesters, die den geesleiyken stand verlaten om le kunnen trouwen.

Nikkol, n. een grauwachtig zilverwit, sterk blinkend metaal, door Cronstiidt in 17lgt;l ontdekt. Met Is hard, smeedbaar zoowel koud als warm, laat zich tot draden trekken en tol blik pletten, is magnetisch, en zeer moelelijk te smelten.

Nikker, m. elg. hetzelfde als het hoogd. nix, z. nlxen; ook de duivel (eng. the old nick)\\ ook eene zwarte papaverbloem, als onkruid in het koren; In N. Dullscbland ook de beul (nekkor), omdat deze den le hangen misdadiger den nek breekt.

Nikur, m. noord. Myth, de watergod.

ni/, z. nihil.

Nil, in Surnlo: ceno som vsin 100 padnns uf inodiKi inilllocii ropljcn (/. aid.)

Nilla\'s, pi. ooslind. en chin. stolTen van boombast, met zyde gemengd.

Nilométor, m. ^r. een nyimeter, een paal tot meting der overstroomingen van den INyi, de hoofdrivier van ligypte; niloskoop, m. de nyiwaarnemer, nijlwijzer -, nijlpaard, n. z. hip po pot a mos; nijlreiger, m. z. ibis

Nils., bij nalnnrwetenscbappeiyke namen afk. voor S. Mlsson (geb. 1787).

Nimbo, ook bepole, malelsch, een boom op de kust van Malabar, uit welks oiyfachtlge vrucht eene olie, oleum de nimbo, wordt gemaakt, die men in O.lndle voor zenuwsterkend houdt.

Nimbus, m. lat. (oorspr. stormwolk, regenwolk, enz.; dan later lat. de stralenkrans om hel hoofd der heiligen en een vrouwen-voorhoofdsband) de lichtkrans, straalkring om hel hoofd van de afbeeldingen der heiligen, ook om het hoofd van sommige keizers op oude munten; onelg. de luister en glans, die uitstekende personen omgeeft.

Nimf, z. nymph.

nimis of ninifum, lal. te veel; — nc quid nimis \' sprw.; niets le veel! alles met mate! — onine ninïium novel, al le veel schaadt; al le veel is ongezond; nimui familianlas paril conlémlum, te groote gemeenzaamheid liaart minachting; z. ook oud. — nimiëteit, f. (lat. nimidlas) het te-veel, de overvloed, overtolligheid.

Nimrod of Nomrod, m. een achterkleinzoon van Noach, eerste koning der Chal-dcCen en stichter van Kabylon, door sommigen als Saturnus, door anderen als Bacchus of Mars beschouwd, ook wel ten onrechte met Minus verward De bijbel noemt hem een geweldig jager; vandaar In 1 alg.: een groot liefhebber der Jacht, een jager, jagersbaas.

Ninon, f. fr. (spr. nhwti) z. v. a. Anna.

Ninsing, ninstwortel of ninsiwor-tel (nw.lat.) (sium ninsi, japan, nindsin, ninsji) een voortrelTeiyk chineesch en japansch gewas, dal om zyne geneeskracht beroemd is en naaiden suikerwortel gelijkl

Nióbo, f. gr. Myth, de dochter van Tan-la lus en Dlöne, gemalin van den thebaan-schon koning Amphion. Trotsch op het bezit van 7 zonen en 7 dochters, verhief z.y zich boven l.alrna, die slechts twee kinderen, Apollo en Diana, had; doch die overmoed kwam haar duur te staan; al hare kinderen werden door de pyien van Lalona\'s telgen doorboord, en de ongelukkige, nu klnderlooze moeder, stom van wanhoop en smarl, werd In steen veranderd. De standbeelden van Ni oho en hare kinderen, thans te Florence, zgn een meestersluk der oude beeldhouwkunst; niobidon, pl. de kinderen van Niobo; niobium, n. nw.lat. een door


-ocr page 856-

NIVOSE

NIORD

83«

Kose to Horiyn in hot (antiillot (/.. aid) nlouw ontdokt metiuil.

Niord of Niordhr, m, noonl. Mylh. oon der 14 Ki\'ooto scaiKtlniivlsrhc godhodon; hy Is hoor van do winden en de i\'Ukdoinnicn dor aarde en heeft tut oehtKonooto Skada,

Niphothoologie, f. nr. (v. nipho, sneeuwen) do erkentenis van God uit do sneeuw, vrI. li i\' (i atol li o o I o kI o.

Nippes, f. pl. fr. (spr. nicpii\') vruuwon-looi, vrouwonopsclilk, versierselen, niodowareu, snuislorUen, kleiuoodion; nippeeron (fr. nipper), mot aiodetooi, voorworpen van opschik voorzien of uitdossen.

Nirwana, r. Ind. In liet hoeddliismo: de afgotrokkonhoid van het gemoed van al hol aardselio, zalige zelfvorgotelheld door verzinking in hel niets.

Nis, z. niche.

Nisam, z. nizam.

Nisan, ai. (Iiehr. nixaii, misschien voor nndn, v. hlt;!j, nizzah, hloem) eone lentemaand, de eerste van het kerkelijke, de zevende van hot hurgeriyko Jaar der Joden, ovoreonkomoade met de laatste helft van Maart en de eerste helft van April, op welker lie dag oorspronkelijk liet paaschfeest gevierd werd.

nisi, lal. tenzy, tenware, indien niet, In zoo verre niet; eon nisi, een maar of Indien, eone hindernis, hepallng, heperklng; nisi quid non, ais niets nieuws (door don heklaagdo wordt Ingeljracht).

Nisjandsji of nisjandi, ai. lurk. (van het perz. nisjan, toeken, hrlof vaa oenen vorst) do geholuisehryvor of staatssecretaris des sul-lans; — nisjan iftichar, m. (arah. iflichdr, room, eer, v. fachara, zich horoemen, in roem overtrellen) toeken dos rooms of dor eer, eero-toekon, eeao door Mahmoed II ingestelde turk-sche orde.

Nisjoe, d. 1. 2 sjoe, voormalige Japan, zilvermunt, een rechthoekige, lli-iil vergulde plaat = J hoe = 12 a 48 cents in waarde.

Nisnagrodski, m. russ. eene soort van pettery van zwarte siherlsche eekhoornvellen.

Nisroch, m. naam van oen assyrischen god (waarsch. do krijgsgod), van welken de hy-liel spreekt De vulgata noemt hem Nos-roc en hy de zeventig heet hu Mesorach en Asarach.

Nisus 1), m. lat. (van m/i, streven, zich inspannen) do strecfkracht, inspanning, hel streven. pogen; nisus formdndi of n. fomahvus, de vormdrift; — nittmur in vetïtum, sprw.; wy streven gaarne naar \'t vorhodene, hel verbod prikkelt de begeerte,

Nisus 4), ui. gr. Myth, een koning van Msa (laler Megicra geheeten), toen Minos een inval in Attica deed. De godspraak had z.yn lot en dal des rgks afhankeiyk gemaakt van oen zyner hoofdharen, dat purperkleurig was; doch zyne dochter Scylla, In liefde voor Minos ontvlamd, sneed hem dal noodlottig haar af en bracht hel baren geliefde. Nirnis werd In eenen

sperwer, Scylla In eenen leeuwerik veranderd, nittmur in veMum, z, ond. nisus 1). Nitor, m. lat. of nitiditeit, f. nw.lal. (v. nifidus, slanzenil; vgl. nel) do glans, de schoonheid, sieriykhoid; — nitidüla, f. N. II. de glanskever.

Nitrum, n, lat. (van \'t gr. nitron, vgl. nalrum), het salpoter, z. aid.; — nitraten, n. pl. salpeterzure zouten; — nitrateoren, nw.lal. In salpeterzuur zout veranderen; — nitratino, f. hol Iiaiuuriyk voorkomende salpeterzure natron, sodasalpoler; —nitratisch, adj. salpeterzuur; — nitrifleatie (spr. lie-tsie, verandering in salpeter of nitraat;—ni-trïcum ..f nitrïum, n, de vorondeislelde grondstof van do stikstof; — nitriten, n. pi. salpeterigzuro zouten; - nitreus, adj. (lal. niirosus, n. urn) salpoterlg, salpeterhoudend, salpeleraihtig; - nitrobonzino, f. of ni-ïrobenzol, n. een door inbrengen van benzine of steenolle In rookend salpeterzuur onl-staand olie van biltere-ainandelreuk = m i r-haaa-olie z. aid.; nitrocalciet, n. kalksalpeler, salpeterzure kalkaarde; — nitro-dynamiet, n. een in den iaalsten tyd ull-gevomlen ontplolllngsniiddei, z. dynamiet; --nitrositeit, f. de salpolcracliligbeld; — ni-trogenium, n. gr. salpeierslof, z. v. a. azo-I u in; nitroglycerine, f. een door behandeling van glycerine met zwavelzuur en salpeterzuur verkregen olieiichtlgo viocistof van hevige explosieve werking, vandaar aangewend lol hel lalen springen van rotsen, enz.; — nitromagnesiet, n. inagnesiasalpeler, salpeterzure bitteraardo; nitrométor, m werktuig om de salpeter van den handel Ic beproeven, salpoiermcler; — nitrophos-phaat, n. mest uit phosphoszure kalk en stik-stofhoudende organische bestanddeolen; — nitrum\', f. salpcterverblnding, verbinding van de stikstof met een enkelvoudig lichaam.

Nitz., by naluurwetenscbappeiyke iienamin-gen afk. voor (quot;,. I,. iSllzsch (gest. is;n). nivalis, lat. Ilot. witachtig.

Niveau, n. fr. (spr. niwó; oorspr. tiveau, provenc. livel, nivel, it. livello, van \'I lat. li-hcllu, z. li he lie l) een waterpas, werktuig om te onderzoeken of een vlak horizontaal of waterrecht is, een richtsnoer, meetsnoer, nivel-leer-worktulg; nu niveau, de niveau, in geiyke vlakte, op waterpashoogte, geiyk; — nive-leeren (fr. niveler) of nivelleeren, waterpas maken, met bet waterpas afmeten; ge-lykmakcn, effenen; — nivellemént, n. (spr. niwell\'mdh) of nivelleering, f. liet waterpassen, de gelykmaking of afmellng naar hel waterpas; — niveleur, in. (spr. ni-w\'léür) een waterpasser; geiykmaker, aanhanger eeuer volstrekt politieke gciykheid.

Nivétte, f. fr. eene groole, langwerpige, zoete perziksoort.

nivëus, a, um, lat. Bol. sneeuwwit. Nivose, f. fr. (spr. uiwódz\\ van \'t lat. nip, geuit, nivis, de sneeuw) de sneeuwmaand, van


-ocr page 857-

NIX ANTIMONII

8117

NO KMA

\'il Dcc. lol 1» Jan., in den nieuwen kalender der eerste frnnsclie rcpulillek.

nix (intimmitl, f. lal. Chem. oig. splesKlans-sneeuw, zilvorKlanzIge splcsglanshloenu\'n, uil poedervonnlK aiiliinonluin-oxyde,

Nixen, pl. van nix, m. nixe, f. (oudn. nikr, oudd. nichus, niches, van ncichen, lie-sprocien, lieglelen) oudn. Mylh. l)0osaardl(to wnlei\'Kccslcn of verdichte wezens, die in het water leven en vaak menschen lot zich naar heneden trekken.

Nizam of nisam, m. nrnii. [nizAm, orde, regel, v. nazamii, regelen) de titel van eenlgc vorsten In Voor indie; ook nizam-dsje-did, n. aral), (d. i. nieuwe orde or innchlin^, van uizain, schikking, en dsjedid, nieuw) hel turksche krijgswezen, zooals 1 hel eerst door Sellin lil op europceschen voel Is Ingericht, de geregelde troepen, het slaande leger-, — nizam-ud-daulot, z. onder daulet.

No, eng. neon; ook: geen, li. v. no popery (spr. !/=/), geen papistery, weg niet de room-schen! de leus der episeopalen (z. aid.) legen het opkomen der pauselijke macht In Engelnnd.

Noach, hehr. (nAach, d. i. rust, v. noeach, zich nederzetten, rusten) ninnsn. naar het verhaal van hel O. T. ile uil den zondvloed alleen met zijn huisgezin gereilde patriarch en stamvader van een nieuw menschengeslachi;— noachs-ark, f. eene arkvortnige schelpdier-soort In de Middellandsehe zee; noachs-mossel, noachs-scholp (Ciminu uiuds), reuzenmossel, de grootste onder de hekende mosselsoorten, inz. in ü.lndle; noachido, f. een heldendichl, waarvan het onderwerp de geschiedenis van Noach is; noachidon, noachieten, m. pi. Noachs zonen. Sein, O ham en Japhet en hunne nakomelingen.

nobel, of fr. noble (van \'i lal. nobilis, r) edel, edelmoedig, grootmoedig; voorlreireiyk, verheven, waardig, eerlijk, prachlig, voornaam, heroemd; ook adeiiyk, van adeliyke geboorte;

— nobel© passiën, pi. iron. Ileflieliheryen van adellijke of aanzieniyke liodon, ais het houden van veel honden, paarden, enz.; het spel, hot schermen, de jachl; — Nobel, in. de naam van den leeuw in de dierfaliel (Inz. in Kelnnart de vos); — noblo, nobel, m. eene aangenomen (gefingeerde) rekenmunt in Kngeland = ; pond sterling of ongeveer i gulden; — nobfle par frnlrum, lal, iron, een paar hekeiulo gasten, vrooiyke snaken, fameuze drinkehroors; — nohile, nnbilmrnlc, it. Muz. edel; nobilissimo, -ma, zeer edel; — nobili, m. pl. ii voorheen de adeliyke geslachlen in VenetiiS, die deel aan de regeering hadden; — nobilitoit, f. lal. (nobifflas) edelheid, lie-roemdhold; adel, de adeldom, ridderschap; — nnbililas rodiritlaris, lat. op brieven berustende adel; n. personalis, persoonlUke adel;

— nobility, f. eng. de hooge adel in Kngeland, onderscheiden van gentry; nobi-liteoron (lal. nobUiturc) adelen; nobi-

litatie (spr. -ia-tsie) of nobiliteoring,

f. bel vorhelTen tol den adelstand, het adelen;

nobleman, m. eng. (spr. nóbelmen) tot de nobility (z. aid.) boboorende adeliyke;— noblésso, f. fr. de adeldom, adel, adelstand, adellijke waaidighcid, adellykheld, ridderschap; noblesse d\'i\'pde, adel door krygsverdlensten verworven ; h. de robe, adel door hofdiensten verkregen; it. lie lef In\', adel uil brieven van adeldom voortgevloeid; — noblesse oblige (spr. obliezj\'), adel verplicht d. 1. adehlom legt verplichtingen op, voorrcclilen brengen pliehten mede.

Nóbody, m. eng. (spr. nóbmhli; v. no, niet, en boily, lichaam, persoon) niemand; een onlieduldend persoon.

nocens, m. lat. (v. noeëre, benadeelen, schaden) .lur. leder, die sclugult of beleedlgd.

Noctambülus, m. nw lat. (van \'t lat. no.r, nacht, geuit, noclis, en ambulare, wandelen) een nacht- of slaapwandelaar, vgi. som-nam lm ie; — nocle paralus, des nachts bearbeid, vervaardigd, met inoelte en zorg bewerkt;

noetambulisme, n. en noctambu-latie (spr. lie—tsie), f. het nacht- of slaapwandelen; noctüa, f. de nachtuil; — noetürnus, in. (sell, eanlus, van \'I lat. iioclürnus, a, um, nachleiyk) een nachtgezang in kloosters; — nocturne, f. fr. Muz. kort tweestemmig gezang van een zacht en leeder karakter; z. ook iioiinrno; — Noctur-ninus of Noetürnus, m. rom. Mylh. de god des naclils, der duisternis, soms ook de naam der sier van Venus; — nocturla-bium, n, nw.lat. nachlwyzer, een graadiioog, tol meting van de boogie der poolsler.

Nodus, in. pl. nodi, lal. Med. een knoop, liard gezwel aan de gewrichten en vlechten, enz.; een knobbel, b. v. noilus si/philitfcus, een venerische knobbel of gezwel; — noilus gonCfus, ■/.. gordiaansche knoop; —«m/um in scirpo quaerlre, lal. spi\'w. eene knodde in eene liies zoeken, d. 1. zwai\'igheden zoeken of meenen te vinden, waar zij niet zyn, onnutte, geheel vergeefsche moeile doen; nodi arlicu-hires, pl. gewrlcblsknoiiheis: jicbikiiobbcis; — nodülus, m. eig. een knoopje; een zakje met geneesmiddelen, welker krachl zich in wyn of eene andere vloeistof moet oplossen; — nodeus, adj. (lat. nodosus, a, um), knoestig, knohheiig; Ingewikkeld, verward; Hot. knoopig;

nodositeiten, f. pl. (van \'l later lat. nodostlus, knobbeligbeid) knoestige gezwellen of hullen.

Noedels, f. (boogd. nudeln, fr. nouilles) soorl van duilsch deeg van meel en eieren bereid, dal, door de manier, waarop hel gesneden wordt, naar ver mice ill gclijkl.

Noöl, m. fr. (van \'I lal. nahilis, sell, dies, d. i. de gebuoi\'ledag van C-br.) hel kerstfeest; ook een kerstlied, lied op de geboorte van Christus; ook een voormalig vreugdegeroep; hoezee.

Noöma, n. gr. (van norm, waarnemen.


-ocr page 858-

NOMEN

838

NOEN

denken) liet geduchte, do gedachte; noc-matachometer, m. Instrument om eono clementiilro psychische handeling Ie moten h.v. de snelheid waarmede eono gedachte gevormd wordt, gedachlesnelholdsmeter; — noësis, f. de vorslandswcrkzauinhcld, hot denken.

Noen, m, (van hot lat. nnna, do negende ure van den dag, d. I. dos namhldags ten drlo ure; (laler mei hel verzetten van den tgd van hol middagmaal verstond men er den middag of 12 uur onder); — noonstonden, middaguren, van II lot I nro; — noenmaal, middagmaal, enz.

noëtis, n. hong. een in llongarye geliefd gehak uit tnnvokorrels, die, nadat zü In \'I water geklemd hchlien, lot een deeg gesloolen en met suiker on krulderyen gemongd In eono pan geliakken worilon.

noir, adj. fr. (spr. naar: van \'I lat. niger) zwart; ook als sulist, het zwarl, zwartsel; Inz. voor: vin nnir, een donkerroode wün nlt do omstreken van Klols, dlo tol liet kleuren van andore vvynen wordt gohrulkt; — twir animal, lieenzwarl, heenderkool; — noir (i pointe, zwarle struisvederen; — noir d\'Alleinaync, n. tr, (spr, —dall\'mdnj\') elg. dullseh zvvarl, hel frankfor-torzwart voor don koperdruk, plaatdrukkers-Inkl, nil gohrando wynrnoer hereld; — noir de cerf, (spr, —sèr), elg. hcrlshoornzwarl, heen-zwarl, lioendcrzwart, dalgono, wat er in den retort overhiyfl, nadnl men nil den hertshoorn don geesl, hot vlnchtlg zout en de olie heeft getrokken; — nnir dc lerre, aardzwarl, aard-kool, hy hel fresco-schilderen gebruikt; — noireour, f. fr, zwarllieid; ook lig. aimnble noirceur, honilniieiyko lioosheld; noiro, f, fr. kwarlnool.

nojóso, adj. It. (v. nnja, verdriet, vgi. ennui) verdrietig, iangvvyilg vervelend.

noleggio, z, noli s,

nolens volens, lal. (v. nolle, niet willen, en veile, willen) willens of niet willens, kwaad-of goedwillig, gaarne «f ongaarne, goed- of kwaadschiks, met of tegen zin, vrywillig of gedwongen; — noli me langere, vvoordeiyk: wil mij niet aanrnkon, korler: raakl my niet aan! mijd myi weg van my! heiiaiuing van verscheiden soorten van voelpliinlen (z. mimosa) en van hel gomoonc springkruid (Impaliens noli mi langere) welks rijpe zaaddoosjes hy de mlnsle aanraking upeiispringen, alsmede van de zooge-iiaanido vllegeknip (l)innaea musdjiula); voorls draagt dien naam: eene vuile, openo kanker-iichlige zweer in het gelaal; de voetangels; do Iremulant of triller aan een orgel; eene bllse schoono; ook: voorstolling van liel too-neel, als Christus uil hel graf siygl cn lol Magdaicna zcgl: raak my nlel aan; in hel algemeen: een punl dal men niet mag aanraken; — noli lurbure rirculos mens, wil iiiyne kringen nlel versloren; d. 1. werk myne plannen niet legen.

Nolis, nolissomént, n. fr. (spr. -li-s\'indu: oorspr. naulis, enz., ook nauluge, van \'l gr. naiilon, vrachtgeld, van naus, schip) II, nnln on noleggio, u. (spr. —lédzjo) de huur of liovriichliiig \'■ini een koopvaardgschip, scheeps-huur, scheepsvrachl, Inz. in de Hal. handel-sleden der Middelt, zee, de ch ertepa rt y;— noliseeren (spr. s=z) (fr. noliser), een schip huren,

nolile milten: margarilas ante porcos, lat. werp geen paarlon voor de zwynen.

Noma, f. gr. (name, elg. weide, v. némein, welden, ook om zich vreten) Mod. eene om zich vreiende, voorlknageiido zwoor, vvalerkanker; — nomaden, pi, (gr, nomaden, v. nomas, genii nomddos, weidend, rondzvvervond) herdersvolken, roiidzworvcnde volken; nomadie, f. eene noniadenliorde; nomadisch, adj. rond-Irekkcnd, omzwervend, zonder vasl verliiyf; — nomadisooron (spr. s=z), als herders of naar do wyze der herdersvolken rondtrekken, omzwerven,

Nomant.o (spr. I=ls), f, barh.-gr. do nawjiwaarzeggory, do kunst om uil de ietiers van Iemands naam zyn lot Ie voorspellen,

Nomarch, nomarchie, nomen, pi. gr. z. iiomos 1).

Nom de guerre, in. fr. (spr. nmi de gir) elg. ooriogsiiaain, zooals aangeworven soldal en dikwyis naiiiiamen, valsctie naam, aangc-nonicn naam, kunsleiiaarsnnam; scheldnaam.

Nomen, n,, pi, nomina, lat. de naam, de lienamliig; nomen est omen, do naam is een voorieekon, d. i, in den naam llgl vaak een diepe zin; nomen el nmen (vgl omen), de naam en zijne heteekenis Ie geiyk, of de naam mot de daad, h. v. Kakker, Molenaar, enz., te geiyk naar naam en hedryf; nomen firhim, een valsrhe naam ; nomen ncseio, atgek. N.N,, den naam weet ik nlel, of: du naam ontiokend; nomen ledum, een hedekte naam; in nomïve, in naam; in nomine Déi, Domini of ,/csii, in (lods naam, in don naam dos Hoeren, in Jezus\' naam; in nomine prinefpis, in den naam des vorsleii; in nomine sanetae tri-nilalis, in den naam der II, Drlecenheid; nomine mondalario, z, mandataris; dram. nomen, een niiamwoord, waarloe de zelfslan-dlgo en hyvoeglyke naiimwoorden of de nomina substantiva cn adjectiva heiiooren, z. s u li s 1. a n-tief en adjecllof; — nomen appellalïvum, m. z. a p pel la li vu in; — nomen colleelivum of collectief, n. een verzamelwoord, oen naamwoord, waardoor men een vereenlgd aan-lal van afzonderiyk hestaande wezens of voorwerpen aandulilt, zonder de soort te noemen, waarloe ieder hehonrt, als bosch, koren, leger, volk enz.; n, gentile, een volksnaam, h. v. Nederlander, Engelsclimaii; n. maleriale, een slofnaani, li. v. waler, sleen, yzer enz.; n. metronynveum, naar de moeder gegeven naam; ii. prnprïum, een eigennaam, een naam, waardoor afzondoriyke wezens of voorwerpen van alle overige derzelfde soort onderscheiden worden, lands-, plaats-, porsoonsmiam enz.; n. pa-trongnifeum, de vadernaam, de van den naam


-ocr page 859-

NONAGENA HIUS

830

NOMOS

«lus vilders ufKcleldo liymmm vim iBmund; in liot rokoiiwozon; nonun, eiüi gcldpost, sclmld-liosl, schiilil; viimliitii\' nomina acliva, pi. Jur. iiitstaando Kolden, vorderlimen; n. inexifiibilta, oninbare of niet liivordcrliurc sclmldeii; n. passiva, scliulilcn, schuldposten; nomina sunt oili-osa, z. odlou»; — nomenclator, m. een iiaiiiniioomor, hij de Koinelncn een licdlendo, die /.Unen moostor de mimen noemde van de personen, die hij onlmoeltc; In de inlildeleeii-wen Iemand, die In naam van /.ijnen heer casten ten dlseh noodlgde; thans: een naamre-Ulster, naanisopgavo van zekere voorwerpen, zonder verdere verklarlnu; — nomoncla-tuur, f. (Int. nnmcnclahira) de benaming, de nniimHlsl, liet naamregister, de geziuneniyke regelen, naar welke men in eene wetenschap de verelsclite nieuwe namen vormt; nominaal, adj. (lat. nominalis, e) den naam he-treiïende; volgens den naam, h.v. nominale definitie (spr. l=ls) t. eene hloote naam-df woordverklaring (geene zaakverklaring); — nominale distinctie (spr. Iie=sic] f. de woordonderst\'heiding; nominale kata-lógus, in. lijst van boeken in alpbahetische volgorde der schrUvers; nominale waarde, d. 1. de waarde van geld of staatspapier, zooals die bij de ultgirte door den Staat Is bepaald, In tegenst met de reöele waarde, z. aid.; — nominalisten, m. pi naamgeloo-vigen, de seboliistieken der mlddeleenweii, welke beweerden, dat de algemeene begrippen der dingen sleebts woorden en namen zijn ot hni-ten de menschelgke voorstelling beslaan, In te-genst. met de realisten, z. ahl.nominalisme, n. de leer der nominalisten; — nominS/iiii, adv. b(| name, niet name; no-mineoren (lal. nominare) noemen, benoemen (ook d e no in i nee ren); — nominatns, in. de benoemde tot een ambt; — nomina-tivns, z. casus; - nominatie (spr. l=ls) r. benoeming lot een ambt; liet reebt tol die benoeming; de lijst der candidaten naar eene bediening; —nomtnalio aurtoris, .Inr. aangifte van den bedryver eener daad; — nominator, m. benoemer, die Iemand tot een ambt moet benoemen of benoemd beeft; noemer eener brenk \\ — nominators, pi. (lat. nominató-irs) Jnr. personen, die voor eenen onniondlge bij de overheid leniand tot voogd voorstellen (uommanl) en voor dezen moeten Instaan.

Nomoa, li m. gr. (nomós, eig. weideplaats, woonoord enz., v. némein, welden) een lands-gehled, district of provincie, Inz. In bel oude Kgypte, pi. nomen; nomarch, m. over-tieldspersoon, landvoogd, stadhouder van eenen nomos, gouverneur eener provincie; — no-marchie, f. de landvoogdij.

Nomos, i) in. gr. {nomas, elg. hel toebedeelde, v. némein, verdoelen, toedeelen; heliee-ren, besturen) gebruik, gewoonte, wet, verordening; formulier; Muz de wijze, de soort van toon, melodie; Inz. een eigenaardige overoude loon- en zangwijs zonder tegenstropbe en her-lialing, aangeheven ter eere van een godheid; vandaar nomisch, adj. dichtmatig, melodisch;

— nomodidaktes of nomodidakt, m een wetgeleerde, leeraar der wetten; — no-mograaf, in. een weischrijver, verzamelaar der wetten; — nomographie, f. de wel-schrijving, sebriflelyke wetgeving; nomo-kanon, m. verzameling van staats- en kerkwetten, het in de gr. kerk geldende handhoek van het kerkrecht, door Photius omstreeks ss:); nomokriitie (spr, /—Is) f. of nomokra-tische regeering, wetiieerscliappil, eene zoodanige wetgeving, waarbU de wet lieersclit, gelijk bij de oude Israëlieten; — nomolügie, f. de welgevingskunde, de leer der wetgeving;

— nomomachen, m. pl. wetbestonners, tegenstrevers, ruwe bestrUders van de wel, de staatsregeling enz.; — nomomachio, f. de welbeslrijdlng; — nomoph^lax, m. een wel-bevvaarder, een waker voor bet in-stand-hiyvcn en de naleving der wetten; — nomotele-tiek, f. elg. de leer der wilvervulling, kerktucht; nomotheet, m. een wetgever; — nomothesie, f. de wetgeving; de gegeven wet; — nomothetïka, f de wetgeving, het recht der laudsregeering om wetten te geven; ook de vvelgevingskunst ; — nomothêtisoh, adj. hetgeen de wetgeving betreft.

Nompareille, z. nonpareil ie.

non, Int., fr. non (spr. noii) niet, neon; — non avenu, non liquet, z. het iile woord.

Non, f. (oudboogd. nun/ia, later lal. en gr. nonna, waarsch. v. \'1 egypt.-kopt. nane,nanoe, goed, schoon, d. 1. kulseli) eene kloosterjulTer, eene koor-, ordes- of kloostervrouw; ook eene gesneden big.

Nona, z. none.

Non-acceptatie (spr. lie—lsie) f. (vgl. acceptatie) Kuit. nlel-aamieniing, weigering der aanneming, der belaiing van een wissel.

Nonactiviteit, f. (fr. nonaclivilé) Mil. de loesland van eenen olllcler, die voor het tegenwoordige niet in werkelyken dienst Is en die verminderde soldij trekt.

Nonagenarius, in. lat. (van nnnaginla, negentig) een negeniigjarige, negenliger; — nonagium, n. mid lal. (v. \'I lat. nanus, a, um, de of bet negende) een negende deel, hel negende deel eener nahilensehap, dat de gees-teiyken in de nilddeieenwen ten behoeve van vrome sticlitliigen voor zich elschteii; — nona-goon, in. lal. gr. een negenhoek; —nonan-dria, n. pl lal.-gr. eig. negeiimannlgen, de negenbelmlge pinnteii, met !l meeldraden by de manneiyke bloesems, de Ode klasse hy l.innieus, beter gr. enneandrla; — nonandrisch, adj. negenlielnilg; - nonantoeren, fr. (non-anlcr, van nonanle, negentig) In \'I piquet-spel; tin punten maken; ook no jaar oud worden;

— nonarice, f. pl. ontuchtige vrouwen te Rome, die niet voor liet negende uur bare hulzen openen of zich verioonon mochten, om niet de lusten der leerende Jeugd te prikkelon.


-ocr page 860-

NONPAREILLE

NON AVENU

840

hou ODsnit, oud. avonunt.

Nonbattü, m. fr. oono soort van «e-mecn frnnscli lijiiwiinil, Inz. uil I.avnl, dal voornamolUk naar Spanjo on Portugal wordt ultBOVoord.

non bis in idem, lal. nlel Iwoomaal In licl-zeltilo, it. I. men kan nlel twcomnal Juist In (loiizelMon toosland komen, oonc Iccrslolllnp: van don itr. wUfRcor llcraklllns; Jur. nlol tweoinaal over hetzelfde, oeao stollliiK, volgens welke een beschulilljido, die wegens een teil lieefl terecht geslann, nlol moer wogens dntzcUdo feil kan vervolgd wonion.

nonchalant, adj. fr. (spr. noiisjnlan ■ van \'t verouderde chaloir, II. calére, zich om Iets bokoinmeron, ergens om geven) nalatig, zulm-aclillg,onachlzaam-, --nonchalance, f. (spr. Mh.v\') do nalallgheld, onachlzaaaiheld, do ver-waarloozlng van hetgeen de goede toon der wereld verelsehl.

Nonconductor, m. nw.lal. I\'hys. een nlel-geleldcr (vgl. conductor).

Nonconformisten, m. pl. naam, dien do hisschoppelUke kerk In Engeland aan de pnde-slanlsche Dissenters, mol ullslulllng van Goro-formeerden en l.ntherschen geefl.

non cuivis (homini) conlinuil ad ire Corinth um, lat. sprw.; hot gelukt nlol Iedereen naar Corlntho to gaan, d. I. niet ledereen heefl fortuin.

non datur lerlium, z. terlium non dalur, onil. tertluin.

non dceel, lal. dal Is ongepast, nlol voegzaam.

None, f. (v. \'I lat. nanus, a, urn, do of hel negende) Muz. do Odo loon van den grondtoon; In de kloosters (noaa, sell, hora) do noen, het negende uur des dags, :t ure des nainld-daps, liet Kile der kanonlscho horen {v.. home cniionirne); ook hel gezang op dit uur; —no-nétto, m. II. een muzleksluk voor A stemmen ; — nonen, pl. lal. (nonae: zoo geheelen, omdat zU steeds do negende dag vóór don Idus waren, dozen daarhy gerokend) In den oud-rom. kalender do Bde dag in allo maanden, behalve In Maarl, Mei, Juli en October, In welke het de 7(le was-, — none-accoord, n. Muz. een vUfklank van grondtoon, terls, ipilnl, septime en none.

Nonens of nnn-ens, n. nw.lal. een onding, nlels, een ding, dat niet beslaat en nlel beslaan kan; — non énlls nulla sunl praedicata, hetgeen nlol Is, hoeft geen onderscheidende kenmerken; noneniteit, f. barb.lal. het nlel-zijn of nlels-zljn.

Nonétto, z. oud none.

Nonexisténtie (spr. tie=lsie] r. nw.lal. (vgl. existeeren) het nlel aanwezig zgn, het nlet-hoslaan, nlel-zyn; — nnn existenlix nulla sunt jura, een nlel beslaand persoon heefl geen rochlen.

non ex quovis /if/no fif Mercurius, lal. sprw.: niet nil elk blok hnul laai zich een Mcren-rlus houwen, d. I. nlel leder kan een geleerde worden.

non /il poitla, nascilur, z. ond. fll -2).

Nonidi, z. ond. decade. Nonintorvéntie (spr. lic=lsie) f. uw. lal. (vgl. I n I or ven 11 e) de nlot-tussclienkomsl, het nlct-tusschenbelden-lroden hg Iwlslendo par-H|en; — nonintorventionlst, m. do aanhanger van het stelsel dor nlel-lussclienkomsl.

Nonius, m. nok Vernier (spr. wernjé) genoemd, de graadverdeeler, een hnlpwerktulg om de graden van den boog In zeer kleine dee-len te verdcelon, welks uitvinder 1\'. Vornlor (irat) en nlol l\'. Nonlus of Nunez (gest. Iin7) Is, ofschoon hel doorgaans naar dezen laatslcn wordt benoemd.

Non-jürors, pl. eng. (spr. —dzjoerun) nlet-zweerders, eedweigeraars, de eng. Jaco-blelea, die den eed aan hel nieuwe konlngsge-slachl weigerden.

non liquet, of afgek. iV. L., z. liquet, non mollo, z. i0t/oi - non multa, sed mul-tuin, z. ond. mullus.

Non-mouasoiix, adj. en subst. m. fr. (spr. —moesseu) niet schuhnend; nlel-schul-mendc Ghampagao.

Nonnaat, m. (fr. nonnat, v. \'I lal. non, niet en nalus, geboren) nw.lal. een door de keizersnede geborene; nok oen kleine wilvlscb.

Nonnaturalia, n. pi. nw.lal. niet natuur-lijki\' dingen.

nnn numeranda, seil pnnderanda (sunt) nr-quménla, lat. men moei de gronden of bowü-zen niet tollen, maar wegen; nlol op het gelul, maar np bel gewicht der howUsrodonen kiinit lid aan.

Nonobstantie (spr. tie—tsic) r. nw.lal. (van \'I lat. nbstanlfa, het logensiaan; vgl. o list eer en) Jur. de oorkonde of acie van her-sleiling.

Nonodecimaal, n. tiw lat. hei negenzy-dig prisma met een negenviakkig en een een-vlakkig elmlo.

non omne lictlum hnnéslum, int. nlel alles, wat geoorloofd is, is hctameiyk, welvoeglijk, braaf enz.; non omnfa iiossinnus omnes, wij kunnen nlel allen alles, wg zgn nlel allen in alles even bekwaam, do eene heefl deze, de andere gene bekwaamheid; non omntbus dor-niïo, ik zwgg niet op alles, ik zal eindelgk ook eens spreken; nnn nmnis morinr, ik zal niet geheel sierven.

Nonoseptimaal, n. nw.lal. hel negenzü-dig prisma mei een vierviakkig en een drie-viakklg einde.

Nonpareille, f. fr (spr. nnhiiarélj\': van pareil, imrcille, gelijk, overeenkomstig, 11. pa-recchio, verklw. v. \'1 lat. par, gelijk, mld.lal. paricfilus) zonder wederga, onvergelijkelijk, wat zijns gelijke nlel heefl, naam van verschelden dingen, die In hunne soort uilmunlon, b. v. eene soort van smal zjlden lint, slroolint; eene soort van kamelot, ook lamparlllas genaamd; kleine suikerkorrels; ook eene kleine soort drnkleilcr van •) punten; groot nonpareille, do grootste soort van drukletters.


-ocr page 861-

NON PASSÉ K

NOHIIIM

841

non passée, fr. (spr, non passé: v. non, ulot, en imsscr, voorhygiian) niet voorliijKCRinin!

— als sulisl. in liol hlljarlspol i oen misstoot, wnnrhU do siioolhal aan dozo zijdi? van don an-doron IkiI lilijfl slaan, /.onder hem geraakt Ie liehhon.

non plus ultra of ncr plus ultra, lal. niet verder! nlot(laarhoven! het non-plus-ultra, hel onovcrtrelTelühe, uiterste, hoonsle, heroemd-ste enz. In zUno soort, hel loppnid, de kroon, het laatste of uiterste deel eener zaak, dat nlot kan of imiR overschreden worden.

non póssumu.s, lal. quot;\\\\ij kunnen nietquot;, oor-sprnnkeiyk het antwoord van paus Clemens Vil, op den van dreigementen vergezelden elscli van Hendrik VIII, om hem van zijne gemalin C.a-Iharlna Ie schelden; later algemeen gehrnlkt voor cone onmogelijkheid, voor eoiie weigering, waarop men niet kan terugkomen.

Non-prix, m. fr. (spr. nmipri) spotprijs;

— non-résident, m. eng In de anglicaan-scho kerk: een geestelijke, die idol np de plaats ziiner prehende woont, maar daar een vicaris (z. aid.) ter waarneming van zijn kerkelijk amiii tieeft.

non proccdatur, z. ond. procodeoron.

Nonproflciént, m. nw.lat. wie geene vorderingen maakt.

non quaern inteltidfrc, ut milam, sed credo, ut intelliiiam, ik streef niet naar het verslaan om to gelooven, maar ik geloof om Ie verstaan; non qua Uur, scd qua eüdem est, lal. niet waarheen men gaal, maar waarheen uien moot gaan, d. i. niet op den gemeeneu, maar op (ion rechten weg moet men gaan; non qmm diu, sed quum bene vixtris, refert, het komt er niel op aan hoe lang, maar hoe hraaf men geleefd heeft; non quis, sed quid, niet wie, maar wat (is de vraag), niet op den persoon. maar op de zaak koml het aan; non scholne, scd vitae discendum est, nlel enkel voor do school, maar voor het leven moet men Iccren.

Nónsens, in. nw lat. (nnn-sensus, v. sensus, de zin; fr. nonsens, eng. nonsense) onzin, dom gesnap, louter onverstand, hoogdravende woorden zonder zin; — nonsensical, adj. (eng. nonsensical) niets zeggend, onverstaanhanr, onzinnig (gelgk het woord zelf, wat z.yn vorm hetrefl).

non si mule nunc, et olim sic erit, lat. het zal niel altijd zoo slecht gaan als nu.

Nonsunt, in. nw.lnl. een ouimaude, een castraat.

non Innto, z. ond. tantum ,■ — non Iroppo, z. trnppo.

nonum pmnatur in annum, Uil. (vgl. none) het (gcschrlfl, opstel, hoek) worde tot aan het tide jaar of negen jaren lang hewaard; men haastc zich nlot met het openhaar maken of in het licht geven van een gesehrlfi.

non-usus, m. nw.lat. (fr. nnn-usaqc: vgl. itsus) .lur. het ulel-gehrulk van ecu recht.

Nonvaleur, f. fr. (vgl. valour) de onwaarde, het tekortkomend hedrag; de onzekere achterstand van pachten, routen, enz., nnin-vorderhare schuld wegens het onvermogen des schuldenaars; oninharo post op het hclastliigs-register.

non volat in buccas assa enlumba tms, lat. er vliegt n geene gehraden dnlf in den mond.

Noochirie, f. gr. (spr. no-o—; van flóos, versland en cheir, hand) de gewelddaiilgo aan-tasling van iemands verstandelijke vermogens, de misdaad aan hel zleieleven van een ander gepleegd; — noogonio, f. de kennis of do leer van de voorihrenging nf liet ontslaan der hegrippeii; — noologiG, f. de leer van de zuivere versiandshegrippeii; noologïst, m. oen aanhanger van die leer; — noostorë-ris, f. Med. de onttrekking van het versland of hel hewuslzijn door verdooveudo middelen.

Noordkapor, m. (zoo geheeten, omdat hij hu de Noordkaap, Kuropa\'s nnordelijksl voor-gehergle, leeft) lt;le Usvisch, Uswalvisch; ook dolphUn; noordpool, z. pool.

Noormannon, pi. d. 1. N oord ma nncn, de gennannsche hewoners van Noorwegen, Zweden en het scaudinavlsch schiereiland in de middeleeuwen, vermaard door hunne groole zeetochten en stoute ouderneiningen.

Nop, f. ned. (verwant met knoop, knob-hel, enz.) de lakenvlok, het wolknoopjeook de mazen van het llnweelweefsel, die, na opgesneden Ie zijn, hel haar van het fluweel voorthrengen; — noppen, het laken van zijne kleine verhevenheden of noppen zuiveren, hetwelk onder anderen door de nopmachino geschledl.

Nopal (mexleaanseh nopalli) de corhe-nille-fakkeldislel in tropisch Amerika, op wier ilikke eironde hladeren de cocheullle-sehlldluls leeft; vgl. opunlie; — nopaline, f. cene sehoone scharlakeuroode verfslof, uit steenko-lonteer bereid.

no popery, z. ond. no.

Norbontijnon of Norbontinors, ni. pl. cene monnikenorde, door SI. Norheri omstreeks IWIJ gesllehl; zy worden ook 1\'ragt;-m o n si r a I e n ser - m o u u I k e u geheel en,

Nördl., hij naluurwclensch. namen afkorting voor Dr. II. NOrdlinger.

Nordm., hij naluurwelensch. namen afkorting voor A. v. Nordmann.

Nória, f. sp. (pon. nora, oudsp. anuria, van arah. na\'oerah, zoo genoemd wegens het geluid dal ?e maaki, van na\'ara, snuiven, den adem mei geweld door den neus uitstoolen) een hoviocilngsbron, een scheprad tor bevioel-Ing der akkers in Spanje; in hel algemeen; eik vvalerwcrktulg, hetwelk uit een ketting of een louw zonder einde heslaal, waaraan op gelijke afsinnden emmers of bakjes bevestigd zijn, als deze ketiing of dit louw over eono rol loopt, die met krukken of op cene andere wijze wordt rondgedraaid.

Nórimon, m. Jap. een staalsle-draagslnel.

Nonum, n. een door Spanberg in bet


-ocr page 862-

NOSTOCH

842

NOHK

zwoodsclio zirkoon (z. aid.) nieuw ontdekt metaal.

Nork, in. Iioogd. Min. eene soort van leisteen ot sehlefer, die yzersteen lievat.

Norki, pi. rtiss. (vgl. nómik, een Jonge vos, die nog In \'t hoi of leger, mm, vorklw. nórka, liiyft, on ndrka, eon kleine vlschotter) tiet pelswerk van Jonge vossen.

Norm., hij liotanlselie namen afk. voor J. M. Norman.

Norm, norma, f. lal. {norma) elg. maatstok, r|), winkelhaak; do regel, liet lielitsnoer, voorsi\'lirlft, voorbeeld; hij hoekdrukkers: de verkorte titel van een hoek aan don voet der eerste hladzijde van teder vel; ml normnm, naar liet voorsclirlft, liet richtsnoer of den voorgeschreven regel; — normaal, adj. (lat. nnr-mdlis, c) voorschririmalig, naar den regel, voor-hoeldlg; Oeoni. rechthoekig, te lood; -normale, f. (lal. linla mrmalis) hoogcre iVlatli. ile loodlUn, de l(in, die in liet raakpunt op de tangens opgerlclit en lot aan de l(|n der a b-sclssen verlengd wordt; — normaalboo-ken, pl. svniliollsclie hoeken, die boeken, waarin de geloorsarlikelen eener gczindlield zyn vervat; — normaal-idoo, n. bot eigen denk-beold, algemeen richtsnoer, naar hetwelk men een zinnelijk voorwerp iieoordeell, inz. wat den vorm of de nitdrukklng iiotrefl; normaal-jaar, n. bet regeljaar, modeljaar; het Jaar 1021, dewyi by den westpliaalsclien vrede (I0\'i8) werd vastgesteld, dat die godsdienst, welke in den aanvang van dat Jaar de beerscbonde was, hel ook biyven zonde; normaal-recht, n. het natnurreclit, recht der rede; — normaal-school, f. modelscbooi, zulk eene, welker Inrichting anderen ten voorbeelden richtsnoer moet strekken; normaal-toon, m. Muz. de stemtoon, de toon, die ten regel voor het stemmen der Instrumenten dient (gewoon-igk de « van de kleine octaaf); — normaal-toonladder, f. de grondtoonladder van C.dur: - normaliteit, f. nw.lal. regelmatige, met bel voorschrift overeenslenimemle gestetdlield, h. v. de volkomen gezondlieldsloestand, lichaamsbouw enz ; - norma-dagen, pl. booge feestdagen der Katb. kerk, waarop openbare ver-iniikelljkbi\'den verboden zgn; normatief, adj. nw.lal, tol regel of richtsnoer illenende; — normeoren, later lat. [normure) clg. naar den maatstaf regelen; ordenen, voorscbryven, regelen; — normeering, f. vaststelling, regeling.

Nornen, pl. (oudn. nnrn, pl. nornir) Myth, de drie godinnen van den tyd en het noodlot, /ij heeten; IJ r d h r, it. 1. het vorledene, V e r d-bandl, hel tegenwoordige, en Sknld, bet loe-komstlge.

Nör^ of nerz, m. (spr. z=/.i) poolsch: kleine moerasotter nil martergeslarlit {Mushlu lulre la) met kostbare, liet sabel In waarde hyna geiykkomonde huid.

tins, lat. wy, soms ook ik, h. v. iVos... /h\'i qratia, wy... by de gratie (\'.oils enz.

Nosairen, Nosairieten, zie nocee-r o n.

msce le ipsum, lat. ken u zeiven, leer u zeiven kennen; —nosdbel, adj. nw.lal. wat gekend of geleerd kan worden.

Noseaan, n. oen naar Dr. Nose genoemd uit klezelzunr natron, klezelznre kleiaarde en zwavelzuur natron bestaand mineraal.

Noselie, f gr (nosèleia, van misos, f. ziekte) Med. zlekeiyklield; ook ziekenverpleging en artsenü; nosodochium, een ziekenhuis; - nosogenie of nosogonie, f. het ontstaan der ziekte, de zlektevoorlbrenglng; — nosogeographie, f. afbeelding van de ge-ographlschc of kllmatlscho uitbreiding der ziekten ; nosographie, f. de zlekteboscbry-ving; — nosograaf, m. een zlektehescbry-ver; — nosokomie, f. de krankenverzorging, ziekenverpleging; nosokomium, n. een ziekenhuis, hospitaal, ook uosodocblum ge-heeten; — nosokoom, nosokomist, m. een ziekenoppasser, krunkenverpleging; no-soloog, in. z. v. a. pallioloog, z. aid.; — nosologie, f. z. v. a. pathologie; — nosológisch, adj. z. v. a. pathologisch; - nosonomie, f. de leer dor ziektewetten;

— nosophthone of nosophtorie, f. ziektevernlellgliig; nosopoëtisch, mij. ziekmakend, scbailelgk; — nosotrophio, f. de ziektcvoeding.

nos pnma nalBmus, lal. sprw.: quot;Wij appelen zwenimenquot;, eene ulldrnkking, die wordt toegepast op hen. die, ofschoon weinig of niets beteekenen-de, eene booge borst zetten, zich de verillcusten, den rang enz. van anderen ais toeclgenen enz.;

— nos Póluvi non cürumus qmnlifulum xyllü-bürum, wy Polen bekreunen ons uiel om de maat der lettergrepen. Iron, van hen, die de latynsche woorden nltspreken zonder op de lengte of korlbeid der lettergrepen aebt te slaan (het behoorde gelezen te worden: nos l\'oloni non niramus quantUalem sjjlltibarum).

Noss, m. (naes, nos, ness) in sommige noordsclio talen z. v. a. landsplts, kaap; voorgebergte; ook neus.

Nossa, f. noord. Myth, de godin der bevalligheid, scboonlield, voorireilclijklield; vandaar nossen, pl. kostbare kleinoodiën.

Nosten, pl. gr. [nósloi, van den slng. mis-Ins, m. terugkeer, liulswaarlsche gang) terugreizen, grieksche epische dichtstukken, die den terugkeer van de grieksche belden van Trojo verhaalden, geiyk de Odyssea; — nostalgio en nostomanïe, f. gr. liet heimwee, het zwaarmoedig verlangen naar bet vailerland, naar huls; — nostalgisch, adj. bet heimwee lie-treiïcnde of daaruit voortkomende.

Nostoch of nostok, in. fr. (Tremellii noslnc) aardgelel, aardbloem, eene zonderlinge plant van \'I wlergeslacbl, die naar eene vliezige, bruingroene, kleverige gelei geiykl, in drogen loesland niet licht opgemerkt wordt, maar na zwaren regen op welden en zandwegen snel opgroeit; z.y kreeg van de alchimisten de zon-


-ocr page 863-

NOTOGKAAF

NOSTRAAT

8/j.:J

UerllnKC namen vim niaanspog, sterrcnspecksel, luchlsrhulm, licniclliloem.

Nostraat, in. Inl. (.nostras, pi. nnslrates, v. nosier, nostra, nostrum, mis, «11«.) ccn dor onzen, van onzc jlOdon, van ons volk, oen landsman, lijil^ciiiiol; — nostriücooron, nw.lat. lot don onzo maken; ook Iriliccinseli makon, hot hurKorrochl rovoii; • nostrificiitio (sjir. tie=tsie) f. do vorlooidng van hot liurgeirocht, lid biirKcrniakcn,

Not., liij holnnlscho namen afkorllnK voor Glusoppo do quot;Solaris, lo Komo.

Nota of noot, f. lat. (n6ta, pi. nolae) con lookon, kontookon, hci lnneiingslookon, mcrk-lookonj oono sclirlfloiyko aanwyzlnn, opmor-kliiR, aanmcrkliiK lor verklaring of opheldoiiiiK oonor plaals; Kml. korte rekening, koopopgavo van onlvangon waren; oen bewijs van frelden, eon hrlefje, I), v lianknool; oen iiozaiilseliap-pelijk (dlplonialisch) scln ijven, eon liorlelil, oono verklarlim of ilgl. bevattende; Muz. een looa-tookcn, 00k do loon zelf; — nota Iniona, II. üoede nool, en nolo calliixi, sloebto noot, waarvan do oorslo op hot (joede, do (woede opliet slechte maaldoel vail; — nnla cin-allerisflra, do noot, die don dur- of molloon van een slak aanwgsl; — nntu rambidla, hint, wlssolbrlefje. orderbriefje; by do onilo Uomelnen nas nol a 00k oono afzondoriyke loiter In eon Roholm-schrlfl, eon loeken op wynllesscheii lor aandul-diny van hel jaar en do soort; vandaar een w g n IJ e iirimae of opCfmue nolae, oen wijn van do boste soort, kablnetwyn. In louensl. met i\'H/f/am notac, gewone w ijn, latelwyn; in-leridris nntne, van voortrellelijke booilanlKbcid, van do boste soort (oorspr. liij lloralliis van den wyn Kelinilki); - iots ad nnUim nemen, or op lellen, bet voor (rezoKd houden, hot In \'toor knoopeii; rum nnlis, mot aaninerklnj;en; cum nolis rariorum, mot aanmerkingen van vorsoblllendo (soleerden); - iiok lieleekonl a 01 a; eon loeken, dal de eens onllonpon slaven lo Homo aan hot hoofd kronen; vandaar schandvlek, vlek; nota genetiva of n. mnlérna, Mod. oeno moedervlek; notenbalk, m. do \'i lijnen voor de nolon, de toonladder.

nota bene, notabel, enz. z. ond. noteer e 11.

Notalgie, f. nr. (van nótos, niR) do nic-Kopyn.

Notarïus, lat. of moor nehr. notaris, m. oorspr. een snolsobrUver hy do Uomelnen, dlo mot vorkorlintron of leekens {nntae) schroef; dan In \'I alR. oon schryvor; thans Inz. oen door do roRoorhiK aaaueslold 011 hoëedijid persoon, dlo hol recht hooft, zekere Kerochloiyke handolInRon (toslamenlen, volinaelilon, scbnld-bokenteiiisson, proleslen, Invonlarlsson enz.) In 1ogonwoordlj?helil van Rolnluon lo voltrekken \'•n daarvan oeno noloofvvaardlgo oorkonde, no-larloolo acte op Ie niakoa; notarïus jiuhlï-cus rat\'sa reus junitus iiamatrira! a lus, nf af nek. nol. publ. raex. jur. imm., oen kelzoriyk, openlijk becedlnd en ter rolle Ingeschreven acte-scbrijver; — notariaat, n. nw.lat. (nnlari-iitus) hot ambt van oonen nolarls; notarieel, adj. door een nolarls opgemaakt, ton overstaan van een notaris verleden.

noteeren, lat. (not/ire) moiken, aanmerken, opnio ken, opleokenon, aanschryven, boeken; nota bene, afgek. Ml, lel wel! merk op! geef achl! een notabéne, een leeken, oeno herinnering, waarschuwing; mol oen nota-bene look enen, met oen konleeken voorzien; onelg. met oeno oorvijg, mnlipeer, enz. komnorkeii; notrtur nomen, afgek. N N., men lotte op don naam! notdnilum, hetgeen op Ie meikon Is; i/uod bene of npttme natandum, waarop wél moet gelet worden; notabel (lat. notabtlis, e) merkwaardig, gowlchllg, aan-zloniyk, voornaam; notabiliteit, f nw.lal. de aanzloniykhold; - pi. notabiliteiten of notabelen (fr. notuhles) do aanzienlijkste, voornaainsle burgers van don Staal, het enger eomilé of surrogaat ili\'r ryksstondon in hot voorm. Kraukryk; — notaten, pl. (lal. no-tata) opmorklngon, aanleckoningon; — notatie (spr. tie=tsk) of noteering, f. hol op-toekenen, aanschryven, boeken; Muz. bot no-lonscbryvcn; — notist, m. hgd. een noton-schryver, die uit de parliluur een mnzleksluk in ile vorschiliendo parlijon schryfl. Notemuskaat, 7.. muskaal.

notetur nomen, z. ond. noleeron. Nothus, m. gr. [nóthos) oen onochle, na-lunrlijke, bullen hnweiyk verwekte zoon, bas-taard; — nothia, f. pl. Jur. erfdeel van na-luuriyke of onochle kiniloron

Notie (spr. I- Is) f. lal. {naCIo, v. nosrere, loeren kennen, erkennon) oen begrip, verslauds-hegrip, hel denkbeeld ooner zaak, door bol versland alleen verkregen.

Notiet, n. eene soort van graniet, notillceeren, lat. [noli fir me, v. nol us, hekend en firare voor [arlre, maken; vgl. 110-111 Ie) kond doen, bekendmaken, aankondigen, melden, naricht geven, berichten, tor kennis brengen, Inz. gorechleiyk, mol luacblnoming van zekere vormen; — notifleatie (spr. He —Isie) f. (mld.lal. nolifiralto) ook het noti-fleötur, lal. do liekendmaking. mcdedceling van oen narichl, aankondiging, melding, aanduiding.

Notiologie, notiológisch (spr. li=lsi) gr. (van nólios, «, an, vochtig) z. v. a. hy-grologlo, enz.; notiométer, z. hygro-m cI 0 r.

Notist, 111. z. 6n0. noteeren.

Notitie (spr. li-tsie) f lal. inolilïa, van nolus, bekend, parllc. v. nasrlre, kennen) kennis, wetenschap, kunde; aaaleekenliig; opgaaf, narichl, korlo molding of bescbryving; »d no-li ham, tol naricht; notlllo van Iels nemen, zich Iels aantrekken, zich ergens aan go-legen laten zyn, bet zUner konnisneniing, opmerking enz. waardig keuren; notitie-boek, aanteekenboek.

Notograaf, f. lat.gr. de notenschryvor, een


-ocr page 864-

MOTORISCH

844

NOVUS

door Scliindl to Miiiisrtonlmrj; ullgevondon work-tulR, hetwelk do noten van eon op het klavier gespeeld sluk dadolUk opschryft.

notörisch, notoor of notoir, adj. lat. [nolonus, a, urn, clg. uuadiildend, kenliaar ma-ketid, v. nolor, kenner, en dit v. noscgre, kennen) algemeen hekend, openhaar, wereldkundig; — notoriteit of notoriëteit, f. nw.lat. (fr. notoriélé) hekendheld, openhaarheid, wereld-kundlKhold; acto van no I o rl ütelt, «ene wettelijk opfjiMiimiklo verklarlntr omtrenl de hekendheld der comparanten mot den staat van eenen persoon of eene hem hotretlende zaak ter vcrvariKla)! van de eljtenlUke acte, die niet kan geleverd worden.

Notre Damo, f. fr. Onze-Llove-Vrouw, henar.ilng der maagd Maria liy de Katholieken; ook de naam der groote kathedraalkerk te Pa-rgs: (Onze-)Lleve-Vrouwenkerk, Marla-kerk; — Notre Seigneur (spr. nehjéür) onze lieer, de Heiland, Christus.

Nottórno, nottürno en notturni-no, n. it. (spr. u—oet van het lat. nnclurnus, a, urn, naehleiyk, v. nnx, genlt. nocli.1, nacht) nachtmuziek, nachtgezang.

Notulen, f. pl. lat. (imli/lde, verklw. van nnla) kleine aanmerkingen, aanlcekenlngcn, rekeningen ; schrlfteiyk verslag van hetgenc er In eene vergadering hehandeld Is; — notulenboek, het hoek, waarin achtereenvolgend do handelingen van een vergaderend lichaam worden Ingeschreven.

NotUS, m. lat. (gr. niiln.t) de zuidenwind of nauwkeiirlger: znidwestenwlnd, ook elke onslni-mige wind

Nouet, n. fr. (spr. nne-i -, v. nouer, knoopen = lat. nnilarc, v. nndus, knoop) een zakje, krnl-denzakje, pop; znigdoije.

Nougat, m. fr. (spr. nocf/n , v. \'t lal. mix, genlt. nucls, noot, omdat men in stede van amandelen voorheen noten nam) amandcikoek, hard snlkergehak met amandelen.

Noümönon, n. gr. (van nnnn, In den geest waarnemen, denken) een verslandswezen, hovenzinneiyk voorwerp, iets, dat l)iool gedacht wordt, niet onder \'t hereik dor zinnen valt, li. v. (lod, geest, enz.; In tegengt. met ptiae-n o m e e n.

Nourrice, f. fr (spr. noeniés\'; van \'I lal. nulrix, v nulrïre, fr. nnurrir, voeden) eene voedster, min, minnemoeder; nourrieiei\', m. (spr, nneriesjé) de pleegvader, de man der min; — nourrisson, m. (spr. noeri-miii) een minnekind, voedsterkind, zoogklnd ; nour-rituro, f. (spr. nnerilüür\') voedsel, voeding, onderhoud.

Nouveauté, f. fr. (spr. nncivoté; v. nouveau, lat. iwvns, nieuw) nieuwheid; iets nieuws en vreemds; pl. nouveautés, nieuwigheden; Kmt. nieuwe waren, mode-ariikelon; iiy hoekhandeiaars; pas ullgekomon hoeken; — nouvelle, f. (v. \'t lat. novéllus, verklw. v. nnrus, nieuw) pi. nouvellen, nieuwsiydln-gen, nieuw herlcht, nieuws; ook z. v. a. novellen, z. aid.; — nouvellist, m. (fr. «ou-vr.ltisle) llcfliehher en verspreider van nieuwigheden, nieuwtjeskramer; ook daghladsctiryver.

Nova, novale, enz. z oud. hocks.

Novatianon (spr. lt;=/.*) m. pl. aanhangers van den roomschen hlsschop Nova tl ;T-nus, die beweerde, dat de afvalligen van hot christendom niet weder mochten opgenomen worden, zelfs dan niet, wanneer z.y hoetvaardlg terugkeerden (van de 3de lot in de (Ide eeuw).

Novatie, novator, enz.; — novelle, novellist, enz. z. end. nnrus.

Novémber, m. lal. (v. novem, negen) do slactitmaand, vroeger windmaand geheeten, de (tde maand des Jaars (oorspr. de flde volgens den oud-romelnsctien kalender; — novemlobus, lat. Bot. negenlol(blg; — nnvemplus, lat. Kot. negenvoudig; novéna, f. it. negendaag-«che godsdienstoefening; — novenarïa, n. pi. (v. \'t lat. mvennrtus, uit negen hestaande) ne-gendaagsclie rouw en geheden, zielmissen; — novena/us, lat. Bot. negentallig; — novondia-len, pi. II. (v. lal. novem, negen en dies, dag) le Koine de negendaagsche openlyke lijkdienst voor een gestorven paus; — novenóte of novemóle, it. Muz. negen samengetrokken noten, die elg. uit drie verhonden triolen heslaan, en In den tyd van zes of ook van acht van dezelfde waarde worden uitgevoerd;

— novensilis dii, m. pl. elg. nieuw ingesprongen goden, do door Tallus te Uome ingevoerde sahynsehe godheden.

novus, a, «m, lal. nieuw; — novus, in. een nieuweling; finuid nnrus, elg. oen nieuw man; in \'I oude Kome: do eerste In eene familie, die tol eene hoogere staatshedlenlng ge-raakte; ook iron, een In \'i nieuw gekleed persoon; — novum, n. iets nieuws; Jur. eene omslandigheid, die na reeds gesloten rechtshan-dei tot eene nieuwe rechlszaak aanleiding geefl;

— nova, pi. nieuwe dingen, nieuwigheden; vgl. noviteiten; res nnrae, nieuwigheden; demagogische woelingen; de noen, opnieuw, van voren af; — norum leslamenlum, of afgek. N. T., liet Nieuwe \'l\'estameut, de schriften van het Nieuwe Verbond; novae (undntiunis, van nieuwe slichting; —novissfme, zeer onlangs, pas geleden; — novantiek, nw.lat. nieuw-oud; — novantioken, pl. nieuwe oudheden, nieuwe zaken met een antiek voorkomen; novale, n. lat. of novaalland, nieuw ontgonnen land; — novale tienden, de tienden, van zulke nieuw ontgonnen gronden; — novatie (spr. l=ls) f. (lat. novatin, v. nnvure, vernieuwen) vernieuwing; Jur. de opheltlug eener tot dusverre bestaande schuld of verbintenis door het stellen van eene nieuwe In hare plaats; — novator, m. een vernieuwer, hij die nieuwigheden invoert, inz. in liet godsdienstige; soms ook de naam der synkrellsten; — novélle, f. (It. novella, van \'t lat. novéllus, verklw. v. novus, nieuw) pl. novellen, z. v. a het fr. nou vol Ion, nieuwigheden, iü-dlngen, nieuwe berichten, nieuws; naam der


-ocr page 865-

NUGAE

NOX

845

kleinen! hlstortovordlclilliiBcn «11 verhalen, kleine romans, waarvan de stof oorspronkeiyk aan ^e-lieurtenissen nil den leBenwoordlgcn tyd was ontleend (In legenst. met de helden- en ridderromans, die op de oode sajienverdlehllnt; 1)0-rusten); Jur. nieuwe verordening Ier aanvulling en omwerklnu eener oudere, In/., de nieuwe verordeningen of wetten van Jusllnlanus, na ile oiXMihiiarmakliif.\' van den tweeden codex, een deel van het corpus juris: In het algemeen: nieuwe «rllkels en toevoegsels tot het welhoek; — novellétte, f. il. [novellélla) een vrooiyk vertelsel, verhaaltje, sprookje; novellist, m. (II. novellisla) een sehryver van novellen, van kleine verhalen in prozaïsthen vorm; een llefhehher en verspreider van nieuwigheden, z. n 0 u v e 111 s t; — novellistiseh, adj. nieuw ; in don vorm eener novelle; — novia, t. sp. pasgehuwde vrouw, jonggehuwde, liruid; geliefde; vgl. novlo; — novicïus, lat. of novitms, (spr. l=ls) m., fr. novice, een nieuweling, heginner, nieuw aangenomene, proef-leerling; een proefkioosteriing, d. i. die nog gee 11e gelofie heeft gedaan; — noviciaat, n. uw.lat. het proefjaar, de proeftijd, de leeriings-staal in kloosters; het nieuwelingschap in eene wetenschap of kunst; novilunmm, n. nw.iat. de nieuwe maan; — novio, m. sp. Jonggehuwd man, hruldegom; minnaar; vgl. novia; — noviteit, f. lat. (noeï/ns) nieuwheid, hel nieuwe, Iets nieuws en vreemds; — pl. noviteiten, ook nova, fr. n 0 u v e a u-tcs, z. aid.

Nox, f. lat. (genit. noclis) de nachi; Myth, de nachigodin, gr. Nyx, eene dochter van Chaos, de gade van lirehus.

unia, f. lat. (van noccre, sdiaden) schade, schuld, misdaad; Inz. Jur. schade of heschadi-ging en vandaar verlies aan vermogen door een voor zich zeiven in rochten niet verantwoor-deiyk wezen, h. v. een dier, een slaaf; noxae dann, de overiniing der zaak, door welke de schade veroorzaakt is, in de plaats van schadevergoeding.

Noyiide, f. fr. (spr. noajdad\': van noyer, verdrinken, provenc. negar, en dii van \'1 lat. necare, dooden. mld.lat. verdrinken) de verdrinking In het water hy w gze van torechtsteliing, tydens de fransche revolutie, waarhy men de ongelukkige siachioifers in eene schuit plaatste, die men door het openen eener klep deed zinken.

Noyales, noyalles, f. pi. fr. dik en sterk linnen, inz. lol zeildoek, zoo geheel en naar de fransche stad iN n y a 1 e.

Nozrim, pl. Joodsch, z. v. a. Nazare-ner (z. aid.)

nu, adj. fr. (lal. nudus) naakt; — nu-pieds (spr. —pjé) harrevoels; — nu-téle (spr. —tèl\') lilootslloOfds.

Nuance, f. fr. (spr. nud«s\'; lat. als \'t ware nubunffu, omwolking, tempering van het licht ; van nue = lat. nubes, wolk) de schaduwing, schaduwverdeeiing, trapswyze toe- of afneming.

kleurmenging, kleurspeling, onmerkiiare overgang, ineensmelting, linl, schakeering, liet lijne onderscheid eener hoofdkleur teo opzichte van het heldere en donkere; oneig. ook een hy/.un-dere trek, h. v. in liet spel eens acteurs; — nuancoeron (fr. nuanrcr) schaduwen, In-eensinelten, schakeeren, trapswyze, allengs of onmerkliaar doen overgaan, doen toe- of afnemen; onelg ook: met een hUzonderen Irek, niet een hyzonder gehaar uitilrukkeii; gonuan-coerd, adj. geschakeerd, gescliaduwd. Ineengesmolten, gemengeld enz.; - nuanceering, f. de trapswyze loe- of afneming, schaduwverdeeiing, Incensmelling.

nubecitla, f. lal. (een wolkje, vcrklw. v. nulles, wolk) z. v. a. nep hel ion (z, aid.); — nubilum, n. lal. wolk ; past nubilu l\'hocbus, op wolken (regen) voigt zonneschyn.

nubiel, adj. lal. (nuW/is, van nuhrre, trouwen) huwbaar, inanlmar, in sliinl om Ie huwen (van meisjes); — nubiliteit, f. nw.ial. de maniiaarhcid, huwliaarheld, geschiktheid lol het linweiyk.

nubileeren, lal. (nubilare, v. nubilum, wolk, v. nulics, wolk) wolkig maken, omwolken; — nubileus, adj. (later lat. nubitusus) wolkig, heirokken.

nuces, |il. van nu.r, z. aid.

Nucleus, m. lal. (voor nurulSus, v. nux, noot) de kern of pit eener vruchl; nurlci per-siróruin, perzikplilen (hy drogislen); nuclei pini, pynlioouipiiten; — nucleolithen, m. pl. lat.-gr. kernsteonen, eene soort van versleende zeeëgels.

nudus, a, um, lal. naakt, knal, hloot; —nu-dus cliiro(jr(ipliunus, 111., pl. nudi chiniumphuni, Jur. schnidolschers enkel op hiindschrift; — nudn cauCto, Jur. eene Idool mondeiliige helofte, zonder eed, borgen of handschrifi; ook nudo pro-uiissto : — nudii possessio, hloot liezll zonder elgendonisrecht; nuda Iraditio, f. hloolo over-gevliig of overgave; —««(/« paclu, pi. naakte, d. i. zulke overcenkoiiisleii, waarby geene for-maiitoiten in acht genomen z.yn; nudis verbis, met naakle of dorre, droge woorden; nude crude, naakt en ruw, slechtweg, achteloos; — nudnlu, n. pl. (van nudare, onlhloolen, openbaren) dnideiyk, open en hloot liggende dingen;—nudatie (spr. I—Is) f. (lal. nudalio) de onthlooting; — nudicaulis, lal. Kot. naaklslelig, met naakten steel; nudillo-rus. Hol. naiiklblooinig; — nuditeit, f. (lal. nudilas) de naaktheid, liloollicid, helioeftlgbeld; de naakte menscliengestalle, naakteliguur; onelg. slordige, onzedeiyke uitdrukkingen ; nudi-podtilen, m. pi (v. \'t lat. nudi-pes, bloots-of barrevoets) biirrevoeters, een gezelschap van dwepers In de tOde eeuw, dal zich het eerst in MoravlC ophield en het gescboeid-zyn voor zondig rekende; -- nudipodallën, n. pl. hy de oude Komoinen plechlige processien of ommegangen, waarhy men blootsvoets ging.

nufiae, f. pl. lat. potsen, grappen, hansworstenstroken; beuzelpraat, zotteklap; — nuga-


-ocr page 866-

NUMIDIE11S

NUGGETS

846

citeit, r. (lat. nunacilas, van nuqax, polsls, potslorlUk) beuzoliKiillgliuld, nlollifo praiilzucht;

— nugatorisch, mij. {lat. nuaalonus, a, am) licuzi\'ladillK, laf, klnilorachllt!, onneryind;

— nugatonum, n yilcl, onlicduldoml gesnap, zlimuloos Rahalibel, kowhwoI ; — nuga-tor, m. cell liansworsl, polsumnakorj babbelaar, snapper.

Nuggets, pi eng. z. v. a. pepleten, z. aid.

Nuisance, ii, ent;, (spr. njiiézens: v. \'I fr. nuisance, bosi\'liadlnu, lal. nocenha, v. nocêre, schaden, fr nuire) eenc bcnadeellng; eene opon-lykc ergernis.

Nuit, f. fr. (spr. nwte) iiacld; bnime (spr. bon) iinil, (fooden nachl!

Nuits, in. fr. (spr. iiline) eon lijm\' Itmir-f.rORne-w(jn, nit de geiyknainlge stud In bet district heaunü.

nullus, a, um, lal. (voor ne ullus, niet een, geen); vandaar: nul, t. liet teekon o, dat een ntels et de atwezlglield van een getal betee-kent, een gatstopper, plaatsviiller; Muz. teeken boven eene noot In bet generaal-biisscbrlfl, dat nunwUst, dat er by die iiiinl geen akkoord moot worden aangeslagen; by muziek voor snaarinstrumenten; de losse snaar aan te slryken; onelg. als adj. zonder waarde, onbeduldond, ongeldig; van nul en geene waarde, geheel ongeldig, volstrekt nietig, van geenerlel kracht; —nulbroeders, .\\ullaiii. pl. frun-clskaner-moiinlkeii; — nulpunt, n. bet over-gungspunt van de eene schaal of graadverdee-llng [smid) lol ile andere, by den tlierniometer van de warmte tot do koude; — iiullu dies sine linta, geen dag (gn voorby) zonder eene lyn of penseelstreek, d. 1. zonder dal nien Iels nuttigs gedaan hehbe (eene bekende zinspreuk van ApcIIes); nulld ralioiie, op geenerlel wyze; nulld refinhi sine Ci\'Ci\'jilioiie, geen regel zonder uitzondering; nullïus mnménli, van geene bo-teekenls, onbeduidend, ongewichtig; nulltlii, nergens; — nullibiliteit, f. uw.lal. bet nergens z.yii; — Nullibinieten, m. pi. (later lal. liuirfhi, nergens) hy soinnilgen den naam der Cartesianen, omdut zij den geest, met betrekking tol de ruimte, voor nul 11 bi houden;- Nullibisten, pl. die Spirit naiis-len (z. aid.), welke beweren, dat de geest als een onlichaineiyk wezen niet in eene ruimte bestaan kan; In tegeiistelling niet de llolo-merla neii; — nullifleeoren (later tal. nullifirare) te nlel doen, ophelTeii, vernietigen, voor nul en nietig verklaren; geringseliatten;

nulliflcatie (spr. I=ls) f. vernietiging, op-helling; geriiigschattliig; inz. In N.Amerika liet streven van de party der nulliflors (spr. nüllifdiers) iiletiglieidsverkiaardcrs, om de ver-hinleiils met de ziildeiyke Stnton op te heireii;

— nulliporieten, pl. gladde koralen in de zandmergel en het Jongere kuikgesteente; — nullissïmo, n. nw.iat. in het omberspel \'1 geval, waarin men geen enkelen slag mag balen; - nulliteit,!, (luld.lat. nullilas) nietigheid, ongeldigheid, onbewysbaarheld; — querela nullilalis, nulliteits-vordering, waarby do elscher verlangt, dat Iets, h. v. een teslamcut, voor ongeldig verklaard worde; — nulliteits-systeem,n. eene byzondere leer van de rechtskundige hulpmiddelen tegen een nadeelig testament.

Number, n. eng. z. tiank.

Numérus, m. (pl. immüri) lat. bet getal, eyfer, nonimer; ook aantal, menigte; Log. de afgemeten redekungtlgo wolluidendheld, klankmaat, de afmeling van korte en lange lettergrepen; vgi. rbylbmus; — niiniirn of afgek. N\'0., .\\a. of .V., d. i. volgens liet getal of eg-fer; sub nuniefo, onder het nomnier of bet eyfer, b. v. suh numero t, 2, 3, etc.; ui numero, 11. naar \'I getal (vgi. al maren, al peso)-, — numerus rohbulus, een rond getal, dat zich gemakkeiyk laat ontlioinlen of deelen, b.v, too la plaats van »7 of toil enz., 1(100 voor »»quot; enz.; — numëri, pl. eig. de getalieii; n. hel 4du hoek van Mozos, oinilat daarin do volkstelling der Israelieten Is vervat; — numo-rale (sell, nnmen) n., |il. nurnoralïa, (iram. de telwoorden; numerair, adj. nw.lal. naar het getal, b. v. a unie ral re waarde, de getalwaarde; van eene munt de waarde, waarvoor zy overal oiilvaiigen en uitgegeven wordt; als subsi, n.: tiel bare, tiel in omloop zijinle geld; numerous, adj. lal. (numc-rasus, a, um) talryk, inenlgviiidig; volklinkend, welluidend, evenmatig (rh y t b m 1 sch); — nu-morositoit (spr. s=z) f. (later lat. numero-sllas) bet groot aantal, de menigte, lalrykheld; de evenmallgbcid. weikiliikeudbeid, de rhUb-inische welluidendlield der rede; — numeroeren (lat. numériire) tellen, gelallen he-hoortyk schryvon en iillsprekeii; met cyfers of getalmerken teekeiion, noinineren; Knit, do pry-zen der waren door letters, cijfers of (alleen aan den verkooper bekende) leekens merken of nomineren; numeratie (spr. /=/.«) f. (lat. numeralw) Arltb. de telling, het schryven en uitspreken der getallen; numerator, m. de teller van eene breuk; numorlst, m. iemand, die uit getallen waarzegt; numeriek, numerisch, adj. volgens hel getal; telbaar, door getallen hepaalbaar of bepaald; Muz. volgens harmonie en laet, maar arm aan melodie; iiunierleke verhouding, getalverhouding; numoroteoron, fr. (numéro-Ier) met cyfers toekeneii, benommereii; — nu— merotago, f. (spr —Ineizj\') de iiommerlng; — numoroteur, m. fr. nummertoeslel; pa-glncermacblne.

Numidiërs, m. pi. de bewoners van Nu-nildie. oudtyds een koninkryk in N. Afrika, dat omtrent met het tegenwoordige Algerle overeenkomt, en beroemd was door z.yne rultery, zyne leeuwen, /.yn marmer enz.; de INimililiers behoorden lot den menscbenstam, die zich In de bedendaagsche Herberen of Kabylen (z. aid.) beeft voortgeplant; — numidische steen, z. v. a. obsidiaan (z. aid.)


-ocr page 867-

NUMISCH

847

NUTUS

numisch, mij., numisch jaar (van \'I Kr. numinia, nieuwe maan. liCKinncndc maan, lal. unnux nuimeus) een doorloopeml maanjaar, waarvan lii\'l gewone nil H, hel schrikkeljaar uil 13 maanden hostaal.

Numismatiek, numismatïka, f. (v. \'t nr. nómisma, lal. numima, n. on numus of nummm, in. munt) do muntkunde, pennlunkuude, do wotonschap der munten en KodenkpcnnlnRou; — numismaticus, m. oen murdkenner, ponnlugkundlKe; — numismatisch, adj. munt- uf pennluKkumllK; lot do penningkunde hehooromlo; een numismatisch werk, een inunlhoek, muntwork; — numismatograaf, m. een penning- of muutheschr\'Uvor; — nu-mismatographio, t. de munt- of penning heschrUvlng; - numismatogrdphisch, adj. muntheschrUvoud; — numarisch, adj. (lat. mmimnus of nuinarïux, n, uin) het geld hetroirende ot daartoe hehoorende; — ns num-marïae, geldzaken; — nuraophylacium, u. Iat.gr. een muntvoorraad, eene verzameling van penningen, een pennlngktihinol; — num-mulieten, m. pl. uw.lat. penning- of lluzo-steouen, hekponnlngon, dulvcispenningoii, z. v. a. p h a clot e u; — numularïa, f. Hot. penningkruid; — nuramulanus, m. een wisselaar ot hankhoudor; — nummularius, «, um. Hot. penningachtig, ponnlngvormig; — nummus confcssionartus, de hlechtpenning.

nunc (limillis servum luim, lat. laat nu uw dienstknecht heengaan! (woorden van Simeon, toen liü den Messias gezien had); — nunc esl bibendum, nu moeien wg drinken!

Nuncïus of nuntius (spr. 1=1.1), m. lat. een hode, hoodschapper, een gezant, inz. van den paus (vandaar ook nuntius apos-tol icus geheelon); nun/ü terréstrm, pl. harh. lal. landhoden, voormalige volksverlcgonwoor-dlgers in l\'olen; — nunciëeron (lal. nun-Hare) verkondigen, melden, aanzeggen, herlch-ten, enz.; — nunoiant, m. de aanklager, inz. Jur. wie legen zUneu huurman mol hel verhod van herhouw, vernieuwing, enz. op z(j-non grond in of huilen rechten optreedt; — nunciaat, m. (nuncidlus) de aangeklaagde; hy wlen verhnden wordt; — nunciatio (spr. t~ls), f. de aanzegging, aankondiging, vermelding, aanklacht; nunciatuur of nuntiatuur (spr. li—hi), f nw.ial. gezantschap, het amht en de waardigheid van een pauseiy-ken gezant; diens hureau; — nuncium of nuntium, n. herleid, hoodschap.

nuncupeoren, lal. {nunruptire, ontstaan uit nomfnc capcre, hy den naam nemen) noemen, bepaald vorklaren of uitspreken, In vorm van rechten hy monde verklaren; — noncupala DOlün/ns, f. Jur. de hopaald uitgesproken laal-ste-wiisheschikking; — nuncupatio (spr. I=ts), f. (nuncu/mïïo) de henoeming, plechlige verklaring of mondelinge aanneming tot erfgenaam; — nuncupatief, adj. nw.ial. mondeling noemend of genoemd, volgons mondelinge verklaring; als suhstantlef n. {testamenlum nun-cupalivum) een mondoling, onder plechtige omstandigheden uitgesproken leslument.

Nundinae, nundinon, pi. lat. in het oude Ilome de op eiken Oen dag vallende marktdagen.

Nuntius, nuntiëeren, enz. /.. onder n u n c 1 u s.

Nuphar, z. nenuphar.

Nupta, f. lal. (van nul/ére, trouwen) de pas gehuwde vrouw; nuptiae, pi. de tirulioft, het huwelijk; nujilfae cUindcsHnae. pl. geheim huweiyk , n. nefurtue, ongeoorloofd, verhollen, inz. hloedschendig huweiyk; n. no-xtae, verkeerd huweiyk (h. v. lusschen oen Jood en eene Christin); n. prnliitillac, verlioiicn huweiyk; ad secunilns nuiilius of uil secumla vnla {■/.. aid.), lol een tweede huweiyk of hrul-infl (overgaan); puler est, (/um nupliue ilecla-ranl, vader Is (rechtens) degene, dien het huweiyk als zoodanig verklaart; nüplius nan von-cubflus, sal consinsus (ant, niel do hijslaap, maar do loeslomming maakt (is de grond van) hot huweiyk; — nuptiaal (spr. H-tsi. lat. nupliolis, e), wat tot do hrulloft hetrekklng heefl, hrulloflachlig; — nuptiulïa purlu, pi. hel huweiyksverdrag, do huweiyksvoorwaarden; — nupturiëeren, lat. [nuplurire) wenschen te trouwen, uil vryen gaan, Irouwlustlg zyn;

— nupturiónton, pl. trouwlustigen, Irouvv-gragon.

Nuragon, pi. in Sardlnit! de oude kegelvormige grnfheuvels (sleeneu houwwerken) uit den voor-romeinschon tyd.

Nurse, f eng. (spr nurs\') min; kiniior-meid; nursery, f. (spr. nürs\'rie) f. kinderkamer.

Nutatio, z. onder nut us.

nutreeron, lal. (nutnrc) voeden, plegen, opkweekoii; nutriënt)a, n. pi. voedende niiildelen, voeiliiigsloll\'en; nutritie (spr. tie=tsie), f. do voeding, liet zoogen; Chem. de doortrekking of 1 m p ra\' g n alle; — nulrire, nu-trendo, nutrite, -to, -til, 11. Muz voeden, on-dorhouden, de lonen voluit aanhouden, doen vihroeren; — nutritief, aiij. voedend, voedzaam; nutrit leve kracht, voedingskracht;

— nutritören, m. pi. de verzorgers, curatoren van scholen en iiniversllcllen; — nutrix, f. eene voedster, min; kinderoppas-ster; - nutricatie (spr. M=tsie), f. (lat. nutricaCfo) hel zoogen, voeden.

Nutt., hij liotanisclie henamlugen afk. voor T. iSuttall (gest. is;n).

nutus, in. lal. (v. het ongeiiruikeiyke mirre, wenken; vgl. I n n n o e r e n) de wenk, z. n u 1 a-lle; ad nutum, op den wenk; — nutatio (spr. tie=lsie), f. lal. (nuliiffo, v. n ut are, knikken, wankelen) hol knikken, wenken; Astron. die door de aantrekking der maan veroorzaakte periodieke wankeling van de as der aarde met hetrekklng tot den pool dos hemels, ten gevolge waarvan de hemelpool In IS Jaren een zeer kleinen cirkel aan den hemel heschrytt; Kot. de overhuiging dor planten naar de zon;


-ocr page 868-

NUX

O

848

— nutabol, mij. wimkclcud, sian wmikulliiB omlorhevlK, (laarvoor vulbiiar; — nutans, ailj. lat. Itot. knikkend, hellend, overhangend; — nutoeren, wankelen.

nux, f. lat. (Beult, nuiis) de noot; |)1. nuces, noten; mw caslanea, eetharo kastanje; huj\' cunjli, hazelnoot; nux juukindis, walnoot, okkernoot; mw vomica, de liranknoot, zoogenaamde kraulonooKen, de vruchtkernen van een oostlnd. boom (Slrychnns nux vomica L.), die braking verwekken en voor ratten en muizen vergiftlK zün; — in nuco, elg. In eene noot, d. I. in \'t kort ot beknopt, samengevat, in \'t klein.

Nyktalopie, f. gr. (v, ny.r, nenlt. nyklós, de nacht) het naelitzlen, de dagldindheld (eene oogziekte); — nyktalóps, of fr. nykta-lópe, m. een naehtzlende of daghlindo, die hy nacht beter ziet dan tiy dag; het tegengesl. van hemeralops; nyktogersie, f het mielitwakeii; het opspringen uil den slaap; — nyktelia, n pi. naehteiyke feesten ter eere van Kaerhus, die M k t e 11 u s werd bygenaamd;

nyktemëron (gr. nychlhimeron), dag en nacht, een etmaal; — nyktobatësis of nyktobatie (spr. lie—tsie), f. Med. het slaap-of nachtwnndelen; — nyktograaf, f. een nachlsehryver, een werktuig om in het duister te schryven; — nyktographio, f. de nacht-sehrgfkunst; — nyktophyten, pi. nachtplanten, nachtgewassen; nyktostratö-gus, m. een kapitein van de nuchtwaeht.

Nyl. of ISTyland., hij bolaidsehe namen afk. voor \\V. Nylander te llelsingfors.

Nymph, nimf, f. gr. (nümphc, oorspr. in \'I algein. Jonge vrouw, meisje) Myth, nimf, naam der onder- of hatfgodlnnen hy de (\'iiie-ken en Komelnen onder de gedaante van jonge meisjes, die niet onsierfelijk waren, maar duizenden jaren leefden, de voorwerpen der natuur beheerschten en bezielden, en daarvan hare namen ontleenden, als daar zyn: de Aulo-n iaden, dalnimfen; Oreaden, bergnimfen;

Leimoniéden, weidenlmfen; I,Imnïiden, poel-, moeras-, vyver- en meernimfen; !N a pasen, dal- en üoscluiiinfen; Ne rei den en Oceani-den, water- en zeenimfen; Najaden en Po-t a mi den, iiron- en riviernimfen; Dryaden en II a ma d r y a d e n, boom- en woudniinfon; een sinnkgebouwd, llclitvoeiig, bevallig wezen;

— onelg. beteekent nymph ook een lichtvaardig meisje, een meisje van pleizler, eene hoer-, N. II. insectenpoppen; ook de waterjuffer; — nymphen (nymiihac), pi. Anat. de kleine of inwendige schaumlippen, waterlippen;

— nymphoea, f. Hoi. de water- of zeelelie; nymphooum of nympheum, n. een

nlmfenlempel, eene heilige plaats der nimfen, met vele fonteinen, enz.; eene zomerhadplaats voor vrouwen; hy du eerste Christenen een waschbekken, waarin zg zich voor bet gebed de handen wieschen; - nymphagoog, m. een bruldgelelder; — nymphttis, Med. onl-sieking der kleine schaamlippen; — nym-pholepsie, f. verrukking, begeestering;

— nymphomanio, f. vrouweiyke minnewoede, liefderuzerny, mansdolheid, de hevige, onhevredlgile vrouweiyke wellusl, z. v. a. audio man Ie; — nymphomanio, f. vrouweiyke zelfbevlekking; vgl. onanie; — nym-phóncus m. gezwel der scbaamlippen; — nymphotomio, f. Med. schaanilippensnede, de verkorllng of afsnyding van den kittelaar, hel oosterseh gebruik om de voorhuid des kittelaars te hesnUden.

Nysa, f. lal. een der nimfen Ie Nysa In Beolie, die Bacchus opvoedden; Astr. een in tuin door (ioldschmldt ontdekte asteroïde.

Nyssa, f. de tulpenhoom in Amerika,

Nystagmus, m. of nystaxis, f gr. (v. nysldilain, knikken) elg, het knikkebollen, inslapen; Med. een krampachtig trekken der oogen, oogappel- (n. hnlhi) of ooglidkramp in. palpebrarum).

Nyxis, f. gr. (van nyssein, steken) Chlr. het steken, de insteking.


O

O, als rom. getaltecken = tl; o = 11,000;

— lat. afkorting van omni, omnibus, omnium, oplimus, ■/.. aid,; O = Ohio (In N.Amerika);

— O., nederl. afkort, voor Oost, en fr. afkort, voor Olies/, westen; ook voor ouvert, h. v, C. O. = comple ouvert, open rekening; — O, als laatste letter van het gr. alphabet („Q of lt;u, o méfju, lange o), z. v. a. einde, eerste en laatste; — O\', beteekent voor lersche namen z. v. a. of, van, en geeft óf eene adeliyke afkomst te kennen, óf wel het duidt op de afstamming van vroeger onafhankeiyke opperhoofden, b. v. O\'Connoll, O\'Meara enz.; — eene kleine ° achter een cyfer en hoven de lyn beteekent graad, wanneer er van temperatuur, van don omtrek eens cirkels, enz. gesproken wordt; — 0/0 beteekent per ren/, pro cent, z. cent; — o. a. = onder anderen; — O. A. (Af.) /). C. = omnia ad (majorem) Dei gloriam, z. ond. omnc; — ob. = obiit, hy ol zy is overleden; — O. II. II\'. M. - onderlinge brand waarhurgmaatschappy; — Oct. = October;

— O. I. = Oost-lndle; o. i. = onzes inziens;

O. L. = oosteiiengte; — O. L. O. — openbaar lager onderwys; — O. L. V. = Onze Lieve Vrouw (Maria); — O. M. = openhaar ministerie; — O. M. = optimo maximo, aan den besten en hoogsten (God); — o. m. a. = onder meer anderen; — f). N. I). = Oost-Noordoost; — ond. = onderwys of ondenvyzer;


-ocr page 869-

OBERON

OAK

849

— Op. = opus, work, luz. muziekwerk; — Opent). — Oponhni\'lng van Jolmnncs (het liU-hullioek); — Opp. = opera, z. opus; — Or. = de Slaat Oregon In N.Amerika; — (gt;. S.

— oudo siyi; — O. 7\'. = Oude Testament;

— O. y. = Oude Verliond; — O. O. = oost-zuldoost; — Ob. C. S., Int. verkorting op sommige monumenten = ob drem servulum, wegens het redden eens liurgers; — Oct. = October; — les O de Kofi, rr. etg. dn O\'s van kerstmis, henamlng der 0 met O beginnende liederen, die bij de It. Katholieken gezongen worden gedurende de ft dagen, die het kerstfeest voorafgaan. — Chein. tookens zijn: o = oxygenium, zuurstof; — Os = osmium. — O. als munttooken voor Frankryk: Hlom; voor Oostenrijk: Oravlcza In llongnrUe; voor Noord-Amerlka: New-Orleans.

Oak, m. eng. (spr. ook) elk, eikenhout; — the oaks, de lipsomwedrennen. In het algemeen: wedren In de vlakle {ouk-ilakes, spr. sleeks).

Oanon, n. gr. (verklw. van om, el) een eitje; de eierstok, z. v. a. lat. ovarium; — oarióncus, n. Meil. de zwelling van den eierstok; oariorrhexis, f. verscheuring van den eierstok; — oaritis, f. de elerslok-ontsteklng.

Oaristys, f. oarismos m. gr. (v. dar, huisvrouw) eeiio eclilelijke sameiisprank, doorgaans In dichtmaat.

Oars, n. pl. eng. (spr. nors ■ v. oar, roeiriem, angels, ar) kleine overvanrlschullen met twee riemen op de Theems by Lonilen.

Oath, m. eng. (spr. oos\', mei geadsplreerde Ih) de eed; oalh of alleniance (spr. ellUhjens), liuldlglngseed.

Oats, pl. eng. (spr. onls) haver; — oatcakes (spr, oolkeeks), haverkoeken; - oatmeal, n. (s|ir. oolmiel) havermeel.

Oase, f (spr. .«=?), koptisch (gr. óasls, kopt. owihe, ouahsoi, vruchlbare besproeide streken te midden der groote zmidwoesiynen van Afrika, als waren \'1 eilanden In do zandzee.

ob, lal. voorz., I) wegens-, 2) tegen, in vele samonstelilngen, waarby het voor eene c In cc, voor eene f In of en voor eene p In op verandert, en deels tegen beteokent, deels met ons aan-, over-, be-, ver- overeenkomt, zoo b v, obj iclëeren, opponeeren, occur-reeron, offeree ren, enz.

obaerulus debitor, bil. z. debitor, ond. de-bent; — geoboreerd, adj, (fr. nfcdrt), diep In schulden stekend, meer schuld dan vermogen hebbende.

obambuleeren, lat. (obambulure; vgi. a ni b u 1 e e r e n) omwandelen, wandelen; — obambulatie (spr. 1= I), Int. {umbutdha) omwandeling, wandeling.

Obang, eene gouden rekenmunl In Japan = 3 kopangs (z, aid.; van zeervorscliillende waarde (33-45 gulden).

Obauditus, m. of obauditie (spr. /=/»•), f. lal. Med. hardbooTlgheld.

obcóniseh, ailj. nw. lal. (vgl. koulscli

VIEIIUK ItlllIK.

end. kon us) omgekeerd kegelvormig, met bet grondvlak naar boven.

obeórdisch, adj. nw.lat. {obcordalus, v. cor, gen. cordis, hel hart) omgekeerd hnrtvormlg. oh deféclum, z. d o f e c t.

obduceeren, lat. (obdurére, gew, overtrekken, bedekken, maar ook reods Inoud-latUn voor ontbiooten, openen; mid,lal. voor beleedl-gon, bescliadlgen) lijken openen of opsnyden en bezlclillgen of schouwen; obducént, in. (obducens) een lykenopenaar, lijkseliouwer, een ails of lieeimeestc als beziclitlger en onderzoeker van een lyk; — obductie (spr. I=s), f. (otiilucho) de gerechteiyke opening en schouwing van oen lyk.

obdureeren, lat. {obdurare: van durus, ii, urn, hard) verharden, verstokken, halsslarrlg maken; — obduratie (spr. (=/»), f (later lat. obduratie) de verharding, verstokking; verstokt held, halsstarrigheid, onboelvaardigheid.

Obediéntie (spr. t=ls), f, lat. {ohedien-(ia, v. ohcihrc, geiioorzamen) geiioorzaamheld, dicnslpllchl, de onvoorwaardeiyke, blindeling-sche onderworpenheid en gehoorzaamheid, Inz. In kloosters en hij de Jezuicten; een klooster-lyke geleibrief voor reizende ordesgeesteiyken; de bezoldiging der domheeren uil liggende gronden; — obediëntie-schrijven, n. eer-lyds een schryven dos duilschcn keizers aan den paus, waardoor by aan di\' It. Kath Kerk zyne aaniuinkeiykheld betuigde, en dat dlkwyis door een byzonder ohedlöni lO-geza nl scha p werd afgegeven; — Obedient ia ennoniea, f. de gehoorzaamheid der geesieiyken en leeken aan den bisschop van een diocese; — obediën-tianus (spr. t=ls), m. nw. lal. een dienstdoende, by, die eene kapel In imam eens kloos-ters bedient; — obediëeren (lat. obedire), gehoorzamen.

Obelisk, in. (gr. obeliskos, verklw. van obelós, spies) eene spitszuil, gedenkzuil, eene vlerz.ydlge zuil van IB lot lift M. hoog, meestal uil een enkelen steen gehouwen, waarvan men nog heden vele In Kgypte vlndl ; z.y zijn meestal met hloroglyphen voorzien en werden óf lol sieraad óf ter gedaelilenls van gewichlige ge-beurlenissen aan open plaatsen opgerlehl.

Obólus, m. gr. {obelós) eene liggende spies, een streepje of toeken, dat de crilici by ver-daciile plaatsen, verkeerde uitdrukkingen, enz. zetteilen (In de oudere uitgaven der klassieken);

obelisrae, n. gr. {nbelismns) of obeli-seering, het teekenen met een obelus, de aanduiding van de oneehlheld eener plaats.

o benigna: lal. o gebenedyde! gezegende! aanhef eener aan Maria gewijde liymne; vandaar eene kruipende, laagvlelende toespraak.

Obèron, in. (ontstaan uit hel fr. .luberon, v. Anbcri, Aubri, provene. Atbaric, Albric, II. Alberiro, v. \'I eiidhoogd. .Ilberh\'h, Albrïrh, d l Klfenlieerscher) de Klfenkoning, gemalin van Tl-lanla (door Wieland in een ronninllsch heldendicht bezongen) vandaar: oberons-boren, loo-verhoren, die allo hoorders aan\'t dansen brengt.

!gt;i


-ocr page 870-

OBLECTEEREN

OBESITEIT

850

Oloesitoit, f. lat. [obesitas, van nbcsus, vel, els. volgcgcleTi, dlo zich volgctteteti liceft) de (Uklo. vdlielil dus llcliaams.

Obex, in. lal. (voor obiex, wat voorgo-worpon of voorgoschovon wordt, van nbjicSre, voorworpen, vpl. o lij IcIBoron) een grondel, klink, slagboom, dam, enz., een hinderpaal.

obflrmeoren, lat. {nbfimnrc ot nlfirman, v. fir mare, vastmaken, finnus, vast, vgl. term) bevestigen, duurzaam maken, versterken.

Obi, in. eeae soort van tellsch of loover-mlddel op de Westkust van Afrika; vandaar obi-mannen, toovennars bü de W.lndlscho Negers.

ohiil, lal. (van ob/re, ondergaan, slerven) hij of zy Is gestorven, overleden (Inz. op graf-schrlflen).

Obiter, adv. (lat. eig. gedurende de reis of het gaan, v. Her, rols, gang, v. ire, gaan) oppervlakkig, vluchtig; In \'l voorhUgaan, ter loops.

ObïtllS, m. lat. (v. obire, ondergaan, sterven) de ondergang, dood; — per nbttum, lal. door sterfgeval; — obilus jurtum. Jar. de ondergang of liet verlies van zekere rechten of aanspraken door verjaring; — obitus, mid. lal. of liU verk. obit, de ploehtlgo lykdlenst vóór liet luk In \'1 godshuis; een Jaawjjksclie zielmis In de R. Knth. kerk voor de afgestorvenen; — obituarlum, n. eene doodenigst, een doodenregisler; het zlelmlsseahoek.

objecteeren, lat. (Objcdnn, fr. nbjccler), of objiciëeren, lat. (objinlre, part ie. abjéc-lus) tegenwerpen, tegenwerpingen maken, inbrengen, voorhouden; — objéot, n. (nbjédum, d. 1. elg. het tegengoworpene, voorleggende) hel voorwerp, dc zaak of persoon, waarbU w(i onze bescliouwing bepalen, waarop onze aandacht, onze begeerte, eaz. Is gericht, het doel of eindoogmerk cener werkzaamheid of verrichting (In legensl. met subject, z. aid.); ook In het gemeene loven eene zaak van gewicht of belang; Gram. het voorwerp, de reehtstreek-schc behoerscbing van hel Iransitleve werkwoord; — objéetie (spr. I=.i), f. (laler lal. objectfo) do tegenwerping, tegenspraak, opgeworpen zwarigheid; — objectief, adj. nw. lat. voorwerpelUk, ulteriyk, zijn grond en heslaan In de zaak zelve bebbendo, wat voor ons een voorwerp is of worden kan; In legensl. met subjectief, d. I. onderwerpelük, persoonlijk; objoctlove verhouding, do verhouding van bet object lot de werkzaamheid van bel sabjcct; eene zaak objectief beschouwen, haar op en voor zich zelve, niet la betrekking tol ons zeiven heschouwen; Gram. objectieve w e r k w o o r d e n, die werkwoorden, welke eene werking uitdrukken, die levens een voorwerp (object) bullen bel onderwerp (subject) der rede betreft; zU worden onderscheiden In transitieve en inlransltiove; — objectief-glas, voorwerpgias, bet uil een convexe lens beslaande glas In oenen verreky-ker, dal naar het voorwerp Is gericht, in legensl. mei hel oculair-glas-, — objectiviteit, f. do voorwerpeiykheid of betrekking op een uitwendig voorwerp; alleriykheld, gesteldheid eener hulton ons liggende zaak, natuur der voorwerpen op zich zeiven; — objecti-voeren. Iels ais een gegeven object voorstellen; het onderwerp of hel subjectieve tol voorwerp maken; naar huilen voeren en ver-wezeniyken, wal vroeger enkel als voorstelling of gedachte In ons woonde.

objurgoeren, lat. (objurgnre, wjuruarc, uil jure agüre, naar hel recht le werk gaan, gerecbleiyk slryden, twisten, berispen, bekyven, verwyten, doorhalen; — objurgatie (spr. t=ls), f. {objurguffo) de berisping, bestralHng, wraking; — objurgatórisch, adj. lal. (ob-jurunlonm, o, um), verwjlend, berispend, obkönisch, z. oh conisch.

Oblaat, f. (van \'I lat. oblula, v. alferre, aanbrengen: liet brood, dal de Chrlslenen la de vroegste lijden lol hunne llefdemaaltyden of aga pen medebrachten), het gewijde avondmaalsbrood, otTerbroud, hy de H. Kathol, bet hoogwaardige, de hostie; ook een ouwel lol brlefslulten, enz.; — oblatus of oblaat, m. een aan hel kloosterleven gewyd kind; iemand, die, al züne goederen aan een godsiiuls schenkende, daarin woonde, zonder geheel aaa den regel onderworpen le zyn, icekehroeder-,— oblatie (spr. /=/.(), lat. oblalïo, f. pl. oblu-liones, overreiking, aanbieding; oiler, gave, geschenk; .lur. aanbod, voorstel, oblattoad idem, bet aanbod lol betaling derzelfde koopsom, die een ander lieeft geboden; oblatïo ml recifiroca, hel aanbod tol wederkeerlg dlenstheloon; sub oblaliöne tul recipröca, onder aanbieding van wedervergelding, van gelykea wederkeerigen dienst-, nblalio bonorum ia feudum of o. feudi, aanbieding van een eigendom van de zyde des eigenaars, waardoor hy leenman werd-, ubliiiïd debili, hot aanbod tol verschuldigde betaling; obl. judieialis, gcrecliteiyke nederlogging en verzegeling; obl. juramdnle of ad jurandum, de eed-aanbieding, aanbod om den eed af le leggen; obl. realis, de aanbieding der gereedo iie-tallng eener schuld; obl. verbalis, de helofle der helallag; — oblationarïus, m. de gees-teiyke {diaconus), die den bisschop liij de mis brood en wgn aanbrengi; — oblatonën, pl. nw.lat. Kuit. gedrukte aanhiedings- of aanbevelingsbrieven, kennisgevingen, rondgaande brieven (circulaires), waarin men de oprichting van een handelsbuis, of ook de daarin voorgevallen verandering van firma, enz. mededeelt; — oblie, f (verbasterd v. oblula), elke gave aan geesteiyke sliehllugen; ook eene soort vaa duaae wafel.

ohlanceolalus, a, um, lat. Hol. omgekeerd lancetvormlg.

Oblast, f. russ. provincie, oblecteeren, lat. [obtèclure, v. lachire, melk uit de iiorslen drinken, zuigen, van lar, melk) vermaken, verlustigen; -oblectabol, adj. venmikeiyk; — oblectamónt, n. (oWec-


-ocr page 871-

OBM UT ESCÉNT1E

851

O BLIK

laménlum) het vermaak, do vorlusllKlnR, het tydveidryt.

Oblio, z. ond. o li I a a t.

obligaat, lat. {nbliunlus, a, urn, v. «Wi-11 arc, tue-, uanhlndun, verhliiden, verplichten; vrI. llKüoren) verplicht, verhodon, pllchtlB; — obligaat (it obligalo, 11. Muz. ourspr, la den gehouden of strengen tUKa-slUlj thans go-bczlgd van die instrumenton of stommen, die, hetzg alleen of verhouden mot andere, de hooM-molodle van het stak voordnigen, das; hoofil-stemmlg, lu eene volstemmlge muziek Int do hoofdstem hehoorenilo en ille IjeKcleldonde (a c-compagneeroado); vandaar oh liga a t-flult, ohllgnat-vlool, oblgaat-spel, enz.; — obligatie (spr. I=ls), f. lat. (oli/i-ijutto) do verplichting, vorhondenheld, verhlide-nts, hel verhand, de gehomlenhold; Jur het persooniyk staan of verantwoordolljk zijn voor oeno vorpllchtliiK; van den kant iles rechtheh-henden: eene vordering, een elscti ook eene schuldbekentenis, een srhulilhrlef, landsscbald-brlef; - nbHgalio uccemrfa, Jur. eene bUvei\'-pllchtlag, toevallige verplichting; obl. a leun reiirnbiilu, eene wetteiyk niet voor eene ge-rochteiyke aaaklachl vatbare vordering of verplichting-, obl. ullemaliva, eene wederz.ydsehe verplichting of schuldbekentenis; nbl. civilis, eene verplichting of verband aaar hel strenge recht, con In rechten wettige elsch; obl. com-mïinis, gemeenschappeiyke verplichting; obl. lonscnsualis, eene enkel op wuderzydscbe toe-glemming berustende verpllchllng; obl. cnrrealis in snlidum, de gemeenschappeiyke verpllchllng of gehoudoidield van velen, leder voor het ge-beet; lu tegeust. met obl. pro ruin, de verant-woordeiykheld van leder, enkel voor zyn aandeel; obl. inijirrfécla, eene oav(dkomeu, d. 1, niet In rechten vorderbare verpllchllng; obl. innnis, eeae kracbleloozo verpllchllag; obl. lil-lerttlis of lillerurwn, eene schrlfteiyk vaslge-stelde en dus voor goen tegenbewijs vatbare gehoudeubeld; obl. muliia, eene weilerzydsche verpllchllng; obl. nalurtilis, nalauriyke verplichting, moreele plicht; obl. perféeta, eene volkomen of af te dwingen verpllchllng; nbl. iiivit-loria, eene gerechteiyke gohoiidonbeld; obl. realis, eene scbuldbekenteuls, die zaken of goederen betreft; obl. secitnddrfd, z. a. aars-soriu; obl. sub fide fiobt/i, verplicbliag op adel-iyk eerevvoord; obl. sub poenn infuiuïae, eene verplichting op straife van eerloosheid; obl. subshliurïu, de gehoudeubeld in een zeker geval (wanneer n.1. de elgeniyke plicbtlge zich niet kvvyt of kaa kvvyten); - obligatoor, obligatoir, obligatörisch, adj. lal. (oblifia-Innus, ii, urn; fr. oblif/a/oire) verplichtend, ver-hindend, noodzakeiyk; Jur. persouniyke gehou-denheid of verband hetrelfende.

obligooron {s|ir. —zjeeren), fr. (obliner, van bet lat. obliiiarevgl. obligaat) verhin-den, verplichten; noodzaken, dwingen; dienst bewijzen, beleefd of holfelijk bejegenen; iemand geobligeerd zyn, hem verplicbl

of dank schuldig zyn; — oblige! verplicbl! bedankt! ik dank u-, — obligoanco, I. (spr.

zjiiiis\') dienstvaardigiielil, lieleefdbeld, holfe-lykheld, bet verplichtend gedrag; — obli-goant, adj. (spr. —zjiin) dienstwillig, dienstvaardig, boifeiyk, verplichtend, beleefd;—o(;/i(;o, u. 11. (elg. óbblino) Kml. de verplicliling van den eenen koopman aan ilea auderea door voorschot af wissel-giro, het goedspreken, borgbiy-veu; senza obblifio, II. zonder verpllehting, by pryscourantea de vrywarlug tegen levering der waren ouder alle omstandlghoden tegen de genoteerde pryzeu; bij endossementen; zonder verplichting volgens het vvlsselreelii; In obligo zijn, aan een ander schuldig zijn; voor lom. z.yu obligo geven, voor beui borg hlyven, goedspreken; van hi\'l obligo ontslaan, lu plaats van de verplichting eens andoren de aanwijzing op eenen derdon aannemen.

oblimeeron, lat. (obliinnnt, van liuim, siyk, laodder) met siyk overdekken.

obliqui\', adj. en adv. fr. (spr. obliék\': van \'1 lat. obhquus, a, urn) schuin, scheef; casus oblii/ui, z. ca sus; oraho obliqua, f. de afban-keiyke rede, lu legenst. met o. dircrla of recta; obiilt;|ue of scbeeve siago rd e, die, vvaarby de vyand slechts mot éeneu vleugel vvonll aaa-getast; — obliqilG, adv. scheef, zydellugs, niet recht, dwars; op kromme wogen, ongeoorloofd, verdacht, slinks, verbloemd, bedekt, langs sluipwegen; nbliquum, n. het schuine, scbeeve, kromme, gebogene; — per nbliquum, elg. door iels scheefs, d. I door slinkschc wegen; — obliquitoit, f. dat. obliquflas) seheefheid, scliuiule, scbeeve richting; allcidlug; arglistigheid, valsehheid; (\'■ram. afhankeiykheld.

oblittereoren, lal. {obllllenire, van lil-hra, letter) letters uitvvisscben, uitdelgen, uil-stryken; Med. ook sluiten; oblitteratie (spr. Iic=lsic), f. (oblillmvlfn) de scbriftuitdel-glug, vernietiging, Med. de sluiting van gangen of vaten.

ObliviG, f. lat. (oblirm, v. oblivisci, vergelen) het vergelen, de vergetelheid; obli-viëus, adj. (lal. nhliviosus, a, uw), licht vergelend, vergeleiyk, vergeelachllg.

Oblocutie, z. ond. o h I o(| u e oren. oblóilg, adj. lal. (aldóniias, a, urn) langwerpig, iaagaebtig, meer lang dan breed; — oblóngmn of oblong, n. een langwerpig vlerkaat, reeblhoek.

obloqnoeron, lal. obluqui, v. loqui, spreken) legenspreken, wiMlersprekeu; — oblo-quuim, n. later lat. of oblocütio (spr. / /.vi, l\'. nvv.lat. de tegenspraak.

Obluctiitio (spr. lie-- Isic), f. later lal. {oblachtlfii, v. nblucluri, legenkampen, v. luc-lari, kampen, worstelen, lucla, het worstelen) bel wederstreven, de tegenstand.

Obmaim, m. hoogd. de voorman, opziener, vnorzitter, cle scheldsrei\'hter, de door twee seheidsreeblers gekozen derde scbeidsman; de eerste gezworene (woordvoerder) by de jury. Obumtoscóntio spr. lic=lsie), f. uw.


-ocr page 872-

OBSEQUEEREN

OBNOXIATIE

852

lat. (v. \'t lat. obmulescüre, verstommen, v. jnu-tescëre, verstommen, v. mulm, stom) hot verstommen, hel stilzwegen.

Obnoxiiitie (spr. l=ls), f, mld.lat (van \'t lat. obnoxïus, onderhovlg, blootgesteld) do onderworplng, door welke hij dlo zich zeiven niet onderhouden, «f den vorhourdon hlocdprUs niet opbrengen, of hot gestolene niet vergoeden kon, zich of zijne familie door middel van eene formoeie oorkonde (chnrla obnoxialiunis) aan eenen derde verkocht.

obnubeloeren, lat. {nbnubilBre, v. nu-bilure, wolkig zyn, nubtlis, wollig, v. nuhes, wolk) omwolken, omnevelen, verduisteren. Obóe, II, z v. a. haul bols (z. aid.) Obolua of obool, m. gr. [obolós) eene kleine oud-gr. zilveren en koperen munt, = J drachma (z. aid.), ongeveer 0 centen (do Grieken plachten hunnen dooden zulk een muntstuk onder de tong te loggen, om daarmede aan Charon hun veergeld te kunnen betalen); ook In het alg. scherfje, oortje; sedert oen gr. gewicht van ^ drachme (gram) = 1 dG.; onelg. eene kleinigheid, een cent, penning, enz.; — obóle, fr. eene middoieeuwscbe fr. koperen munt = J denier; volgons du Can ge bad men ook gouden en zilveren oboles; ook eene rekenmunt op de ionisclio eilanden, waarvan er ton in een dollar gaan en die ongeveer 2J et. waard is; zy wordt ook cent genoemd.

Obotrieten, n. pi. een wendische of oud-slavonlsche volksstam in het tegenwoordige Mek-lenburg.

obovaal, adj. nw.lat. (vgl. ovaal) omgekeerd eivormig,

obrepiëeren, lat. {ohrepn-e, v. repSre, kruipen, sluipen) heimoiyk insluipen; langs sllnk-sche wegen verkrygon, met list ergens toe geraken, onderkruipen, verschalken, bedriegen; — obréptio (spr. /=,«), f. (obreptfo) de verwerving door list of misleiding, de Insluiping, bekruiping; — obroptief of obreplitfe (spr. tilste) ter slnik, steelswijze, langs slinksche wogen, door verschalking.

obrogoeren, lat. (nbronarc, van rouare, vragen, by \'t volk aanvragen, of het eene wet wil aannemen) eene oude wet door eene nieuwe ten deele ophelfen; - obrogatio (spr. I=ls) f, (lat, obrogalm) do voorslag tot opbelllng of verandering eener wet,

Obrok of obrock, in. russ. het hoofdgeld of de iyfeyns, de jaarlykscho belasting, welke de kroonboeren en andere lyfelgenen aan hun boeren moesten opbrengen, ten einde van persoonlijke diensten vrij te zyn.

obrueeren, lat. [obru/re, v. rulre, storten, nederstorten) overladen, overstelpen, belasten;—geo lirueerd, adv. met bezigheden of met schulden overladen,

Obrüssa, f, lat, (vgl. het gr. óbryzos, zuiver, van goud sprekende) de vunrproet van \'I goud, ile loutering van \'I goud door vuur.

obsceen of obscoBn, lal. (ntwroenus, a, urn, waarsch. v. cocnum, vuiligheid, siyk, drek) oneerbaar, wulpsch, onkuisch, schandetyk, ontuchtig, vuil geil; — obscoena, n, pl, oneer-haarhedon, vuile praat, ontuchtige woorden, geschriften of daden enz..; — obscoeniteit, obsceniteit, f. (lat. obscoenilas) ontuebtig-held, oneerbaarheid, onbetanieiykheid, vuilheid, wulpsche, onknischo, geile redenen enz.

obscuur, adj. lat. (obseürus, n, urn) donker, duister; onduldeiyk, onverstaanbaar; on-zlchthaar, verborgen ; onbemerkt, onbekend, onberoemd, h. v. in ohsniro leven, In hot verborgene, in slille leven, een onbemerkt, onhc-roemd, amhieioos leven lelden; —obscuriteit, f. (lat, obscurflas) de donkerheid, duisterheid; onduldoiykheld, onbepaaldheid, onver-staanbaarheid; verhorgerdield, onbemerktheid, onboroemdheld; — obscurité, f, ofobscur, fr., ook casco, m. sp. in het omberspel het nemen van nieuwe kaarten om óene daarvan tot troef te maken; — obscureeren, lat. {nbscuvüre) verduisteren, verdonkeren; verkleinen, den roem besnoeien, in de schaduw plaat-sea; in het kaartspel: bedekt spelen, op goed geluk kaarten rullen; - obscurant, m. duis-terllng, verdulsleraar, nachtverspreider, vijand der verlichting, domperridder; obscurantisme, n, nw.lat. verduisteringsgeest of -yver, verlichlingsbaat, ilchtscliuwhcid, hel streven om door allo mogeiyko middelen bet zelfdenken en den voortgang der verlichting te belemmeren en Ie sluileii, bet volk in onwetendheid te houden, enz,; obscuratie (spr. I=ls) f, lat. {nbsrurafto) verdonkering, b, v. van het hoornvlies.

obsecreeren, lat. (ohsecrure, v, sacrarc, aan eene godheid vvgden, v, sneer, heilig) bezweren, dringend of vurig bidden, smeeken;— obsecratie (spr. I-Is) f. (nbsecraiïo) de bezwering; plechtige openbare gebeden, een alge-meene bededag by de oude Komeinen.

obsedeeren, fr. [obséder, van \'l lat, nb-sidëre, eig. ergens zitten, v. seilëre, zitten) belegeren, bezeilen; met aandrang, onafgebroken verzoeken, met heden bestormen, plagen, kwellen, lastigvallen, gedurig omringen. Int eene andere schaduw zyn, enz.; — obséssie, f. (fr, obsession, lal. obsessfn) eig. bet beleg, de belegering; liet kwellen, plagen, lasligvallcn; veelvuldig onwelkom bezoek; obscsslo viae of inlintruin, f. lat. de wegbelegerlng, bezetting der wegen; — obsidie, f. (lal. obsiitio) de insluiling, belegering, blokkade; — obsi-dionale munten, helegeringsmunten, noodmunten in belegerde veslingen geslagen.

obsoqueeren, lal. {obsrqai, v. sequi, volgen) Inschikken, toegeven. Inschikkelijkheid gebruiken; — obsequént en obsoquiëus, adj. lal. dienslvaardig, taegevend, Inscblkkeiyk, gehoorzaam, onderdanig, eerbiedig, volgzaam; — obsequéntie (spr. I=ls) of obsequmm, ii. lal. f. nvv.lal. gedlensligheid, geiioorzaambeid, volgzaamheid, toegevendheid; ohseq niu ni, ook een kloosterkerker voor dezulken, die bet hoofdgebod der oiivoorvvaardeiyke gehoorzaamheid


-ocr page 873-

OBSKRVEEREN

OBSTRUEEREN

853

(ol)od 10iitlc) ovcrlroden; — nbtcquium ami-cos, Veritas odium parit, sprw.: Iiisclilkkclijk-lidil maukt vrlomlen, wiiiirhold Imurl liaal; — obsoquien, f. pi. nw.lal. {obsequiae,U. ob-séqucs, prov. on cuulsp. obsequias, vorvonnil nil lat. exsequfae, (loordlon moil aan hot vrywllllK BOVOlK van vrlonden on dienaars dacht) liU do K. Kalh. do missen voor do ziolon dor afKo-storvonoii; oono ploolitlgo uitvaart, z. ex soil u 10 n

observeeren, lat. (obwvUre, v. servure, hoeden, helioodon, aolitifovon) waarnoiiieii, uiulo-slaan, opmorkon, nauwkourlR lioscliouwen, lio-spieden, wel In iielit noinon, opvolgen; — ob-servabel, adj. lat. (obsorvubilis, e) opmor-konswaanllK, morkwnardlg, wal vordiont In acht Kenomon Ie worden; — observabilia of ob-servabiliën, n. pi. zlnnelgk waar to nemen of aanscliouwoiyko voorwerpen; — obsor-vanda, n. pi. In aelit to neiiieii dingen; — observanten, III. pi. do /.ondanlgen, die den ordesregel strong In ai\'hl namen, franiiskiiner-iiionnlken van den ouden strengen ordesregel;

— observantie (spr. /=/.«) f. (obsenanlia. Hal. obsermma) de waarnenilng; het gelirulke-Hike, de gowoonto, liet gelirulk, do doorgaande regel, do zeden, Irani, Inz. hel rechlsgolirulk In nlel hoofilziikolUke of uezeniyke dingen ; ook de strongo (sir Iele) of slappe en zachle (late of laxe) kloosteriyke ordesregel, de kloosler-regel; — con observdnza, 11. Muz. met opmerkzaamheid; — observatie (spr. t—/*) (. \'lat. nbservatio) waarneming, opmerking, heselion-wing, liospieding; observatie-logor, n. een waarnenilngsleger, dal minder leii dM heefl den vyand Ie iiokampen, dun wel hem in liet oog Ie houden; - observator, m. een waarnemer; inz. slerrenwachler, sleneiiwaarneiner;

— observator mm, n.,pi. observatoria en obsorvatonën, nw.lal. een slorrenlo-ren, storrenwaclit, een luren of gohonw lot ustronomlsche waarnemingen ingericiit; - observer, m. eng. do waarnemer (als titel van engelselie daglilnden).

obsessio, enz. z. oh se doe ren.

Obsidiaan, n. (lal. Obsidianus lapis, naar den Komein O hs ld lus, die deze sloensourt hol eerst uil lillilopiO naar Komo hrachl) ysland-sclie agaat, inx-sullier, lavaglas, eon zwarte, als glas glauzenile viilcanlseho sleonsoori; — obsidiaan-porfior, n. ulisldiaau mol ingemengde witte veldspaathkorrels.

Obsidie, z. ond. ohsedooron.

obsigneoren, lat. {ohsignare; vgl. sign eer en) verzegelen, he/egelen, hevostigen, heamen, goedkeuren, ondorsciiryven; ob-signatie (spr. /=/s) r. (oiisinnatfn) do verzegeling; hevesllglng, hekraelillglng.

obaisteeren, lat. {ohsistere, vgl. si stoere n) wedorsiaan, togeiistaan; — obsistóntio (spr. lie=tsic) t. nw. lat. liet wedorsiaan, we-derslroven, de wodersland.

obsolesceoren en obsoleeren, lat. (obsnlesccre, ohsnlire) voroililoron, Imilcn ge

lirulk gerakon, uitsiyioii; - obsolescentie

f. (spr. lt;=(») de hoogste graad van verdwyiilng van een orgaan; — obsoleet, adj. (lat. ob-snlelus, a, um) verouderd, uit hot gehruik ge-ruakt (Inz. van woorden en zegswyzen); versleten, afgohrnikl, vervallen.

Obsta, obstaat, z. ond. ohstakel. nbsluiiium, n. (samengelr. uil hel inid.iat. nbsuhUicuin, v. \'I lal. obsidalus, liorgtocht door gyzelaars, v. obses, gUz.eiaar; il. ustaHfjio, pro-vene. oslahje, ondfr. nstaiqe, nw.fr. ólage, gy-zolaar, borg) Jar. In hel dultscho reelil: eene soort van Hjfsdwang voor schulden, waurhy do hoofdschuldonaiir of dikwijls ook zyne liorgon zich verbonden, In eene hepaaide stad, iiurg of woning als gyzelaur iiinneii Ie gaan en daar te verhiyven lol algeheeie voldoening des schnld-eischers.

Obstakel, n. (lal. obslaculum, van ob-sture, fr. nbslacle) ook wel obstaat, nw.lal. n. (v. \'1 lal. obsture, v. slaic, slaan) hindernis, logensland, zwarlgiieid, helemniering; — obsteeren, iegenstaan, In den weg staan, hinderlijk zyn, hinderen; — prinrljiiis: nhsla, z. onder |i r i n cl pi uni.

obstetrisch, adj. lat. (obslclricim,a,uin, van nhstHlrix, de vroedvrouw) wal lid de ge-lioorlehnip nf do verioskniide {ars obstetricla) hohoorl, verloskiiudig; — obstetriek, ob-Stetrïka, f. nw.lal. (fr. nbslétrique) de verloskunde, de kunst der gehoorlehulp.

obstinoeren, lat. (obstinun) zlcli hardnekkig of halsslarrig loonen, verslokken, verharden, weerspannig of halsslarrig worden; — obstinaat, adj. (nbstinutus, a, um) hardnekkig, liulsslurrlg, onverzelleiijk, koppig, siyfhoof-dlg; volhardend; —obstiniltie (spr./=(«) f. {obslinati(i) de hardnekklglield, eigenzinnigheid, koppigheid, enz.

obstipeeren, nw.lal. (obstlpare, van \'I lal. slipure, sloppen) hurdiyvig niiiken; - ge-obstipoerd, verstopl, hiirdUivig; obstipatie (spr. lic^lsie) f. de verslopping, iiardiyvlglield.

Obstipiteit, f. nw.lal. (van \'i lal. nbsh-pus, ii, li in, scheef, z.ywaarls gehogen) Mod. de scheef- uf kronilialzigheid, een kronime of scheevo hals.

obstrict, obstrictie, .......I. ohstrln-

go e re n.

Obstrigillator, m. lat. (v. obstrigillSre, tegen zyn, hinderen, v. ob.ilrini/nr, hinden, vor-iiinilen) een viller, muggenzifler, onverslandig of ongegrond liedilier; obstringeoren, lal. (nbslrini/rre\'i verhinilen, verhlndend maken;

obstrict, adj. [nbslrirlus, u, um) verhonden, sehuldlg; —obstrictie (spr. «c=sie) f. nw.liil, de verpiiciiling, verhondeniield, geiiou-denlieid

obstrueoren, lal. (nbslrui\'re: vgl. si ruc-tuur) iicliiiiiiieren, heiemmereii, hinderen; verstoppen, hardiyvig Hinken; - ge ohs lm oord, adj. verstopl, hardiyvig; — obstruentia (spr. ti=lsi) n. pi. versloppende middelen; —


-ocr page 874-

OBSTUPESCEEREN

854

OCA

obstructie (spr. Iic=.iie) f. iobslnirlio) do l)otlmnioiln({, iifslulllng, vcrhlndorlng, zwiirlg-liclil; vorgtoppliif; van iK\'t ondorlUf quot;f der in-gowmidon (obslrurho alvi of riscornm), liiinl-lyvluliold; — obstructief, ndj. nw.lat. vcr-stoppcnd; obstructionisme, n. hol sl reven om door allerlei inlddclon en uitvluchten liet tot-slaiid-komen cener zaak, Inz. cuner wet to verhinderen (oorspr. Rozegd van de leren in het eng. parlement); - obstructionist, m. Hit cener (inz. parlementaire) vergadering, die er op uil 1.« afdoening van zaken te helemineren.

obstupesceeren, lat. (ohsluimcrre, v. slupescfre, en dit van slupcre, versteld staan, ontstellen) verhaasd, vervaard, onlalehl worden ontzeilen, vei\'sehiikken, verstommen; — ob-stupefaciens, n. nw.lat. oen vordoovend of slaapwekkend middel.

obleclm, a, um, lat. Hol. hedekl. obtempereeron, lal. (oft/empcrare. vgl. temporeoren) gehoorzamen, toegeven, zich schikken, opvolgen-, obtemporatie (spr. lic—lsic) f. (obtemfieralfo) do Inwilliging, ge-lioorzaamhehl.

obtenebreeren, lal. {oti/enebrnre) vei-duisleren; obtenebratie (spr. Ik=lsie) f. verduislerlng.

obteneeren, z. oh t Ine oren. obtesteoren (lat. obleslari; vgl. les-teeren) smeeken, dringend of vurig verzoeken; - obtestatie (spr. Iie=lsk) f (nhlcx-lutto) t\'Oiic vurige, dringende hode, hezwering.

obtineeren, lat. {ohtincre, v. Ir.nere, Ihiii-don) en obteneoron, fr. (oblenir) liehhen, hezitlen, behouden; verkrijgen, hekomen, zijn doel hereiken, iets doorzeilen; winnen, de overhand houden; obtentio (spr. Iie=txie) f. nw.lat. de erlanging, de verkryglng, de herel-klng van een doel.

obtorpesceeren, lal. [nblorpescrre, van torpesiïre, styt worden,/or/x-re, verstyvon) ver-styven, gevoelloos wnrden.

obtorqueeren, lal. (oblorqucrc: vgl. I or-queeren) verdraaien, oinkecren; oblórlus, verdraaid, verwrongen; nblniio collo, olg. met omgedraalilen hals, il. 1. met gowold, gewelddadig (I). v. Iemand voor de rechthank hrengen).

obtrecteeren, lal. (obtrccture, v. hm-lair, hetaslen, aanraken, hehandoien), (iemands) lof henomen of verkleinen, sinalen, kwaadspreken, schemlen, eerrooven, lasteren; — ob-trectatie (spr. Iic=lsie) f. (obiredatto) .lur. hoon, smaad, eeischendlng, kwnadsprekery, laster-, obtrectatoi\', m. een kwaadspreker, Inatoraar.

obtrudeeren, lal. (oblruihrc, van Iru-(Ure, sloolen) opdringen, logen wil en dank doen aannemen, op den nek laden; Iwiw/inum nemfni oblrudtlor, niemand wordt eeno weldaad opgedrongen; ■ obti\'üsie (spr. s--z) f. (later lat oblrustn) hel naar-hlnnen-sloolcn; di^ opdringing: obtrusiof, adj. nw.lat. opdringend.

Obtruncatie (spr. lk=lsie) f. lat. [ob-

Iruncaïïo, van oblruncare, afsnyden) hot afsny-don, afhouwen, do verminking.

Obtruaio, ebtrusief, z. oud. oht rude e r o n.

obtundeeren, lal. (oblundcre, v. lundrre, sloolen, klclnaloolcn) slompinaken, afstompen; moe en mat maken, verdoovon, hodwelmen; — obtundentia (spr. Ii=lsi) n. pi. verslom-pende middelen; — obtuua, adj. (lal. oblu-sus, ii, um) slomp-, verdoofd; hol, plomp-, zwakhoofdig; —obtusa, f. eeno dofklinkonde orgolsleni; -- oblmifolius, lat. Hol. slomphla-derig; — oblustmrulus. Hol. min of meer slomp;

— obtuus-angulair, nvv.lal. stomphoekig-,

— obtüsio, (. (laler lal. obtusfo) de afstomping, slomphoid.

Obturatören, z. ond. ohturooron. obturbeoren, lal. (oblurlmrevgl. tur-he o ren) veiwurren, sloren; verstoppon; — obturbiitie (spr. Iic=lxie) f. nw.lat. de verwarring, sloring; verstopping.

obtureeren, lal. (oblurSre) versloppen, loosioppon, shiiien; — obturatören, m. pi. nw.lat. {obluralores ot obluraloni musciili) \\ov-sloppende of looslnilondo spieren; kunstmatige vorhemellen aan geliillen; obturatorisch, ad), verstoppend, slnilend.

obturgoscooren, lal. (obluriiescen, van opzwellen, lurgcre, opgezwollen zijn)

opzwellen.

obtuus, obtusio, zie onder o hl unci o ere n.

obumbrceron, lal. (nbumbnïre, v. um-hruri\', hosehadawon, wnbru, do sehaduw) bo-sehaduwon, oversehailuwen, verdonkeren; — obumbratie is|ir i=is) f. (laior lal. obum-bra/ïn) de hosehnduwlng, oversi-hailuwing, verdonkering.

obvenieeren, lat. (obvemre, v. rcn/rc, ko-men) legenkomen, Ie gemoel komen; wedervaren, te lieurl vallen. Ion deel woi-den; ob-venióntio (sim-. I=h) f, (laler lal. obvenien-da) hel voorval, toeval; — obvéntie (spr. I~~lx) f. (later lat. oliron/To) het legenkomen, de onlmoeling; Jnr. inkomsten; vrywilligo gift, op-hrongst, inz kerkglft.

obrersm, a, um, lat. Hol. omgekeerd, obvolviut, ndj. lat. (obvnliilus, a, um, olg. ingewikkeld, van nbi-olKfre, inwikkelen, omhul-lon) liuilenwaiirts goliogen, goot- of groefvor-mig; — d, um, lal. Hot. omwonden;

obvolütie (spr. I=ls) f. [nbroliiïïo] Mod. omwikkoling met windsels of z.waehlols; - ob-volventta (spr. t=ls) pi. omwikkelende ge-neosmiddelen, die ontvelde ol gewonde plaatsen mol een genezend liekleedsel overtrokken.

Oc, (uit lal. hoc, dil) In Ind iomanlsch dialed, dan men in do lilde eeuw In \'I zuiden van Frankrijk en in Calalonll) sprak, z. v. a. ja-, — do taal van oc, oc-taal, of de occitanische taal, hol dialed der roma-nlsehe taal, de proveneaalsehe (z. aid.) of zuld-fransi-hc laai.

Oca, f. (peruiiansch en sp.) eeno planl met


-ocr page 875-

OCCALLESCÉNTIE

855

OCHAVO

vocdzamcn worlul (OjB/i\'s luberösa, L),eon lioofd-voodiiiRsmiililol der Imliiuicn.

Occallescéntie (spr. t=ls) r. nw.lal. (v. \'I lal. occallcscere, v, callus, eelt) de liuidver-liardiiiK, liet hoornachtlK worden der huid.

Occarma, f. it. zeker blaaslnslrument (voor kinderen).

Occasie (spr. s=t) r. lal. (nccasio, van occïilere, voorvallen, zich (oedraKon, van oh en cadüre, vallen) Relegonlieid, aaiilciillnp, ufschlkU\' tyd, tydsgelogonlicid; — nccasio facit fures, sprw.; do golegonliold maakt dieven-, — per occasiönem, lal. of tr. par occasion (spr. -ok-katidn) liü occasie, liü Kelegenhcld, Ie gole-gener tijii, als het pas goefl; op adressen afgekort /). o., met of li(| gelegenheid, toevallig, ook occasionooi (fr occasionnel) en als adv. nw.lut. occasin/mffler; occasionallsmo, ii. nw.lat. l\'hllos. de leer of meenlng der car-toslaansche school, volgens welke Ood overal onnilddeliyk werkt en zich van den menscheiy-ken wil en hel dleriyk Instinct enkel als gelegenheid tot werken heillont; — occa-sionalïston, in. pl. aanhangers van dat stelsel; — occasionoeron (fr. ocras/oniier) aanleiding of gelegenheid geven; — occasion-nairo, m. fr. een pariyganger.

Occhi, pl. II. (spr. okliie: v, oerhin = lat. nculus, oog; vgl. mal occhio) = frlvollté, z. aid. onder frivole.

Occidónt, ii. lat. {occidens, v. omillre, vallen, ondergaan) de ondergang der zon, het westen, de avondlanden, In legensl. met orient; — occidontaal, adj. (lat. ncculenlalis) wes-leiyk, legen of naar liet westen liggende, wes-torsch; —occidentale rijk, n. hel weste-lyke roinelnsche kelzerryk; — occidonta-lisme, n. liet wezen en de eigenaardigheid der VVeslerlIngen.

Occiput of occipitmm (spr. Ii=lsi) ii. lal. (van oh en caput, z. aid.) hel achlor-lioofd, achlerdeel des schedels; occipi-taal, ow.lat. liet achterfflofd hel rellende of daartoe hehoorende.

Occisie (spr. s—z) f, lal. (occ/s/o, v. oc-culifre, dooden) do doodslag, moord.

occitanischo taal, z. ond. oc.

occluclooron, lat. (occlu(hre,\\. eland re, sluiten) toedoen, sluiten, versperren, helemme-ren; — occlusie (spr. s—t) f. nw.lal. {oc-clusto) de slulling, versperring.

Occorrenza, /.. onder occurceren.

Occulta, n. pl. lal. (van occulün, verhor-gen) verborgen dingen, golielmen, verhorgenhe-den, gclielmenlsseii; — ocedlle, adv. lielmeiyk, geheim, verhorgen; — occiilti morbi, pl. verlior-gen zlcklen; — occultoeron (lal. occultOre, vorslcrklngsvvoord van occalrre) verhergen, versieken enz.; — OCCUltant, adj. (lal. occül-lans) verliergeiid, verhelend; occultatio (spr, tie—lsie) f, de verherglng, hedekklng, ver-lielmelijklng, vorhcllng; de verduistering eener ster;- occultator, ni.de verherger, verheler, Inz. van oenc misdaad.

occumbeeren, lat. (occumhere) vallen, zinken, te gronde gaan, onderliggen, verspelen ; — occumbéntie (spr. t=ts) t. het onderliggen; de verplichting, gchondenheld.

occupeeren, lat. {occupare, v. capérc, nemen) Innemen, hezetlen, In hezlt nemen, overvallen, zich van eene zaak meester maken; he-zlghoudcn, te doen geven; — geoccupeerd, adj. hezel. Ingenomen; liezlg, met hezlgheden overladen, druk; — jus occupdndi, z. jus; — occupatie (spr. t=ls) f. (lat. occupaCfo) de bezottlng. Inneming, hemachtlglng, bezitneming eener plaats; Mil. de bezetting van een land, ten einde eene aanspraak of de vervulling eener voorwaarde af te dwingen; Jur. de bezltne-mlng van eene Ie voren nlomand loebehoorende zaak; (vandaar de Jurlstlscho regel: res nulUus cedil primo accupdnte, eene zaak, die niemand toebehoort, valt hom ten deel, die baar bet eerst in bezit neemt); de bezigbeld, verricliling, het werk, bedryf, beroop; — occupatórisch (lat. üc cup atari us) In bezit genomen; In bezll nemend.

occurreeren, lat. (oceurrëre, v. currüre, loopen) tegenkomen, ontmoeten, bejegenen, voorvallen, gebeuren; beletten, voorkomen; —OC-currént, adj. {occurrens) voorvallend, gebeurend; occuri\'éntie (spr. t=ls) f. nw.lat. de onlinoetlng, het voorval, toeval, de gelegenheid; — all\' occorréma, it. Knit, naar de ge-logcnbcld, naar omslaudlgboden.

Oceaan, m. lal. {oceünus, van \'I gr. okea-nós, belzy van sanskr. «!;/i«, menigte, veelheid, sterke slroom, okh, stork, machtig, of van se-mlllsch chok, grens) de wereldzee; onclg. de afgrond, eene groote inenlgte; - Oceanus of Okeanos, m. Mvlli.de zeegod of bcheer-scher der wereldzee enz., gemaal van Tethys, do moeder der stroomen en nimfen; Oce-aniden cd Ocsanitiden, m. pl. de dochters van Oceanus, zeenimfen, z. nympb; — Oceanië, n. z. v. a. Austral lts of Poly-nosie; — Ocoaniërs, m. pi. de inbeemscho bewoners der/uldzee-ellanden; — oceanisch, adj. lol de wereldzee of lot do ellandwereld der Zuidzee beliooreiidc; — ocean Ischo talen, do talen van de ellandvolken dor /.uld-zee, ook p o 1 y n e s 1 s c li e tale n; — ocea-nographie, ( de zcebesehryvlng.

ocellus, m. lat. (vorklw. van oei/lus, z. aid.) een oogje; puntoog, b. v. aan kerfdieren nf Insecten; — o mi ncellc o mijn oogjel mijn liarljc! mUn Hof! een gewone uitroep van liefde; — ocellalus, lat. met kleine oogen of eironde vlekken voorzien; Hot. geoogd.

Ocelót, m. mexlcaanseh (nceloll) de lijgcr of kalpardel (i\'clis pdrdalis) In Brazilië en Mexico.

Ochavo, m. sp (spr. otsjdwo: clg. de aclit-sle of een aebtste deel = lal. orlacus) eene rekenmunt In Caslilie = t\', reaal de vellon of omtrent ^ cent; in Marokko - i ook lus, byna IS cent; — ochavos, z. octavoneu, ond. o c t a a f.


-ocr page 876-

OCHKMA

850

OCULUS

Ochëma, m. gr. (v. ochc/n, dragen) cig. een tlrmiK- (if voonnlddel (vehikel); Med. een vloeibaar verdurmlngs- of voermlddel voor te droge of le sterke artsenijen, om die te ver-duimen of te verzachten.

Ochlokratie (spr. I=ls) f gr. (van óchlos, m. volkshoop, gepeupel, en kratein, heerschcn) de gemoeno-volksliecrschappy, regeertng van het grauw of de helle des volks, onderscheiden van deinokratle, z. aid.; — ochlokraat, m. een aanvoerder, bohcorscher van het gepeupel;

— ochloknitiach, adj. tot de gomeenevolks-regeerlng beboerende

oc/iraeus, lat. Bol. okergeel;—ochriasis, f. gr. (van ochriun, bleek worden, van dchrós, bleek, geelachtig) Med. geelachtige bleekheid van bet aangezicht; — ochroïet. n. gr. z. v. a. ceror 1 ot, cerinslcen; — ochrop^ra, r. gr. Med. de gele koorts.

Ochs. liü naluurwetonschappolUke benamingen alk. voor F. Ochsenhclmer (gesl. 1822).

Ochthödes, n. gr. (van óchlhe, heuvel) Med. eeno zweer of verzwering met harde randen.

Ockamy, n. (spr. ókkemie) ecne eng. mo-taal-compositie.

Ocke, liever oka (z. aid.)

octo, lat. acht-, — octaaf, f. (lat. ochi-vus, u, um, de of hel achtste) Muz. de 8sle toon van den aangenomen grondtoon, ook de geheole omvang van acht tonen; J noot; by bel orgel een ivoets llultregister; in de kath. kerk: achtdaagsche godsdienstige gebruiken ter viering van een iioofdfeest (b. v. PaascboctaaO; de laatste of achtste dezer dagen; ook z. v. a. octavo; — octangiilum, n. lat. (van n«-II ill us, hoek) Geom. een achthoek, eene llguur met 8 iioeken; een achtzgdig lichaam; —oc-tangulair, adj. nw.iat. achlboeklg; — octant, f. lat. (dctois, het achtste deel) oen 8slo cirkel, een astron. werktuig, dat hel achtste deel van eenen cirkel beval; ook de naam van bel sterrenbeeld, dal bet diclitsl liü den zuidpool ligt; — octapla, pl. z. oklapla;

- octavarïum, n. lat. een tol of eene holasling, waarhy men hel der belastbare goederen In betaling gaf; — octaviarï-um, n. lal. hel geiiodenlioek voor de octaaf van een kcrkeiyk feest; — octavo, n. lal. het boekformaat, waarhy een vel 8 bladen en Ui bladzijden beeft, hij verkorting uiigedrukl door Kvo of 8° (vgl. formaat); — octavo-nen of octavo\'s, pi. sp. kinderen van eenen Europeaan en eene quarterono (z. aid.); — OCtavus, m. de achtste, naam voor den achtsten leeraar eener geteerde school; — octot, n. z. nil el; — octidi, fr. /.. decade; — octidüum, n. nw.lal. een tyd van 8 dagen; intra oclidiium, binnen 8 dagen; octiol, n. lal. Astron. de stand van i hemellichamen, als zü lii0 van elkander verwyderd zyn; —-octillioon, n. een iniilioen sepliliioenen = I met i8 nullen;—OCtipêden, pl. lal. achtvoetige dieren; - octiphonüim, n. lal. gr. een achlslcmmig gezang, acblstemmig muziekstuk; — octirëmo, m. lat. een vaartuig met 8 roeibanken; — October, m. lat. wynmaand, in den oudsten kalender der Komoinen de 8ste, hy ons de lilde maand des Jaars; — octo-chord, oktocbord; — octodecimo, n. (van \'l lal. oclndScim, achltion) bet boekformaat van t8 i)lailen en :ili bladzijden op een vel, hy verkorting uiigedrukl door I8quot;1quot;; — oc-togoon, m. z. oktogoon;— octonarms, m. lat. z. tetrameter; — octostylon, z. oktoslylon; — octunx, f. lal. een gewicbl van 8 onsen of t(S looden of » medicinaal pond;

— octüplum, n. het achtvoud; — octu-pleeren, octupliceeron (lal. octuplicure) achtvoudig nemen.

octopetalisch, octophyllisch, octostylon, enz. z. o k I—.

Octrooi, n. (fr. octroi, spr. oklrod; ontstaan uit het mld.lat. aucloriwn — auiinntas, z. lager) liamlelsviyheld, uilsluilend handols-rechl (vgl. privilege), de vergunning der regeering, ilie aan een hyzonder persoon of aan eene compagnieschap hel uilsluilend rechl verleent om zekeren handel te dry ven, zekere voorwerpen le vervaardigen, zekere waren uil of in le voeren, enz.; de dus bevoorrecble handelscompagnie; inz. uilsluilend recht Ier exploitatie van nieuwe uitvindingen (fr. bret\'el d\'in-venlion); ook wel de gemoenteholasting, stads-helasting op eotwareii; — octrooieeren (fr. octroyer, proveni;. aulrejjar, auloraar, v. \'I lal. auclorure, waarborgen, bekracllligen, mld.lat. inwiliigen) bandelsvryiield bewilligen, octrooi verieenen, bevoorrechten; ook opdringen; een wet octrooieoren, deze krachtens vorsle-igkc maclilsvolkomonheld zonder de conslitn-iioneelo ioesiemmliig der volksverlegertwoordi-gers uilvaardigon en in werking brengen; geoctrooieerde constitutie, eene staatsregeling of grondwet, die als geschenk van den monarch door vorsteiyke macblsvoikomenbeid verleend of bewilligd wordl.

Octunx, octuplum, enz., z. onder o c I a a f.

ocülwt, m. lal. (pl. nculi), bel oog; ook knop (aan een plant); — octilus riicsfwi, Med. de groene staar, verdonkering van hel glasilchaam in liet oog; — ocülus Chrisli, Hot. het Clirlslus-oog, de idauwe slerrei)ioem; — oc. c/c/i/mnfT-»its, olifantsoog, ossenoog, vgl. boephthal-mie; — oc. leiiorinus, hazenoog;—oc, mundi, z. hydropbaan; — ad om Ins demnnstrara, ■/.. de m ons I ree ren; — OCÜli, do 3de zondag in dn vasten of ide zondag voor l\'ascben, dus gebeelen naar de aanvangswoorden der mis; Oculi mei scmfier ad Domfnmn, etc. myno oogen zyn steeds op den Meer gericht, enz., I\'s. xxv, lü; — oculissimus, m. ocu-lissuna, f. een boezemvriend, eeno geliefde;

— oculair, adj. (lal. oculuris) oogonscbyn-lyk, zichtbaar; in samenst.; het oog belrotlomlo, oog-, oogen-, b. v. oculair getuige, oog-gotuige; — oculair-glas, oogglas, bet glas iu den verrokykor, dal voor hol oog gebracht


-ocr page 877-

ODONTAGOGUM

857

OD

wordt; — oculaire inspéctie, r. oopcn-schouw, hozlchtlgiiig; — oculeoren, nw.lül. griffelen, oogon, Inoogcn, oen pliintenoog In con vreemden slum voegen, enten, ook I n o c u I e e-ren; — OCUlütie (spr. t=ts), f. de grllfe-llng; — oculist, m. een oogarts, oognieoster.

Od, n. (v. Usl. orfr, zin, gevoel) eene door K. van Relclienliach aangenomen eigenaardige natuurkracht, voor welke sleehls de zoogenaamdo sensitieve personen vathaar /.(ja

Oda, t) f. turk. (elg. eene kamer vol, v. 6ila, kamer, woning) eene turksche soldaten-afdeellng (compagnie); - odabasji, m. de aanvoerder van zulk eene afdeellng, de kapitein; — odaliske, t. elg. oda I Ike, kamor-genooten, kameniers, die slavinnen van den lurk-schen keizer, welke noch eenen zoon gehaard lichhen, noch door hyzondere gunst lol den rang van sultanes zUn verheven, meest clrcasslscho of georglsche schoenen; eene zekere wollen stof.

Oda, i) f. vrouwennaam z. onder O do.

Odaxésme, n. gr. (oitaxcsmo.i, v. odaxan -- odddzein, hyten, steken. Jeuken) Med. het jeuken, eene hytende of hrandendo pijn; Inz. het tandvlcesch-jeuken, de pijn liij hel dooi\'bre-ken of uitkomen der tanden, z. v. a. odonl la-sis; — odaxéstisch, adj. jeukend, hytciid.

Odd follows, pi. eng. (spr. nd\' félto\'s) elg. zonderlinge gezellen, eea omstreeks nso naar hot voorhceld der vrymetselaarsorde go-stlcht, ook in Dultschland verhield phllantliro-plsch genootschap

Ode, f. gr. (udr, In \'t alg. gezang, lied), samengetr. uit unidê, v. aeidein, zingen) hooglied, eene soort van verhoven, statige lierdich-ten, die zich inz. kenmerken door diep gevoel, levendige aandoeningen, treilende, verrukkende heelden, en die den meest poütlschcn loon ademen; — odo-symphonio, f. fr. een door Kéllclen Davld het eerst door zyne composlllo quot;de Woestynquot; In 18\'ii Ingevoerd gezang met schliderachllg-niuzlkale orkeslhegelelding; — odöum, n. lal. of odcon, (gr. ode ion), pi. odeën, eene zang- en leeszaal; muziek- of coiiccrt-huls liij de Ouden, waarin Inz. dleh-teriyke en toonkunslige wedslryden gehouden werden; ook eene verzameling van lyrische gedichten.

Odolbonden, pl. (dcensch odclsbonde, zw. ndalbnndc) vrye grondhezillers in de Scandinavische eilanden, = a de 1 ho u de n; odels-thing, n. zw. de tweede afdeellng of kamer van den storthing (z. aid.) in Noorwegen.

odvrlnt, dmn meti/anl, lat. [oderinl, v. odi, ik haat) sprw.; zy mogen ni(i vry halen, zoo ze my slechts vreezen (do lyfspreuk van keizer Caligula, v. a. van Nero); odi profanum nil-gus el neren. Ik haat de ongewyde menigte en houd ze verre; — odium, n. haat, vyand-schap; .lur. ongnnst, achterstolling, verwerping onder geiyke omstandigheden; ndïim implacn-bile, onverzoenlyke haat; odium intemecinwn, doodeiyke haat; — odieus, adj. (lal. odiosus, a, urn, fr. odiewc), liaielyk, gehaat, walgiyk, afschuwelijk, onultslaanhaar, oniydhaar, verdile-tig, ergerlijk; — odiosa, n. pl. gehate, stuitende of vordrlclige dingen; — odlÖSUS, m. een gehaat, afschuweiyk, afkeerwekkend mensch;

— nomina sunl odiosa, lat. sprw. »narnon zyn hateiykquot; d. i. strafpredlkalltin en algomoone zedeiyko iierisplngen moeten niet persooniyk worden; — odiositeit, f. nw.lat. do hate-lyklield, het gehaat zyn

Odeum, z. oud. ode.

Odour, f. fr. (v. \'tlat. odor, reuk) geur, reuk; in oen goede of kwado odour of reuk staan, te goeder of te kwader faam hekend zyn; — pi. odours, welriekende zaken, reukwerken

Odieus, z. ond. oderinl, enz.

Odilia, oudd. vr.naam, z. v. a. Ottilia (z. aid.).

Odin, liever Odhinn, m. de noordscho vorm voor Wodan (z. aid.).

Odiosa, odiosus, odiositeit, odium, z. ond. oderinl, enz.

Oditolog:o, f verkeerd gehr. voor ho-ditologlo (z. aid.).

Odnokólka, f. pl. odnokólki, russ. (v. nrfnri, een, en kólo, kring, hoepel, wiel) elg. een licht rytulg op den paar wielen, cabriolet; ook een voor het transport van gewonden hostomdo tweewielige kar.

Odo, ook Udo, m. oudd. (IJodo, Odo; v. Man, ryk, ól. goed, eigendom) mansnaam: do gegoede, ryko, gelukkige = 01 to; — Oda, f. vr.naam: de gegoede, de ryko.

Odometer, liever li odometer (z. aid.)

Odontagogum, n. gr. (v. mines, ndónlos, land) (\'.hir, de tandtang; odontugra, n. Jlclillge tandpUn; — odontalgic, f. Med. tandpijn, klospyn; odontalgisch, adj. de landpijn hetrellende; odontalgïka of odontika, n. pl. taiidmiddelen, middelen legen de landpyn; odontiasis, f. het (moeieiykc) landen krygen der kinderen; — odontiatne, f. do landheelkundo; - odon-tme, f. een landpyn verdrijvend middel; ook een ailildel lol de hewarlng der tanden; — odontitis, f. de ontsleklng der tanden; — odontoglyphon, pl. landvyiea, tandschrap-pers, werkliilgen lot het reinigen of ln-orde-

hrengen der I.......... odontographio,

f. de landheschryving; odontoidisch, adj. landvormlg; odontolithiasis, f. de wUnsleenvormlng aan de landen; odon-tolithos, m. do wyiisleen aan de landen;

— odontolithon, in. pl. landversleeuingen, versleendo lauden van zoogdieren; — odon-tologie, f. de leer van de landen, tandleer;

odontophyio, f. het wassen of uil komen der landen, hel tandenkrygen; - odontosis, f. de landvorming; — odontosmêg-ma of odontotrimma, n. het tandpoeder;

— odontotochnie, f. do kunst om de landen le hehoudon, ook nieuwe In lo zotten, do laiideiizelkunsl; - odontotherapïe, f. do tandheelkunde.


-ocr page 878-

(ENEL/EUM

858

ODOR

odor, in. lal. reuk; stank; pi. odóres, gou-ion, roukworkon, wolrlokciulo dlngon, geurlgo spocerljcii, cnz.; — odor hircinus, in. lat. cig. boksreuk; do zwooticuk, oksolstank; ook oml. lucrum: — odoramént, n. {ndoraméntum] reukwerk, specerUeii; - odorant or liever odoraat, adj. (van odorure, welriekend ma-ken) welriekend, geurig; — odorata, n. pi. welriekende dingen; — odoratus, in. de reuk, als een der 8 zintuigen; — odorillceeren, uw.lat. welriekend makenodoriférisch, adj. (lat. ndorffer) reukgevend, geurig.

Odsjak, in. turk. (v. ódu, kamer) eig. de haard, de familio; eeno vorccniging, een besloten gezelschap; een Janllzarcn-legerlroep; he-zettingslroepen iu de grensvestingen.

Odur of CEder, in. oudn. Myth, de gemaal der godin Frola, die deze zijne gade lot hare diepe smart verliet en naar vreemde gewesten trok.

Odyssêa, f. het beroemde grlokscho heldendicht van Homerus, behelzende de lotgevallen en omzwervingen van den gr. vorst Odysseus of Ulysses, op zijne terugreis van Trojo naar llluika.

Odzins, m. hoogd. (spr. ólsiens) eene he-lasllng op onroerende goederen.

CEbisstruik of ajbiswortel, eene uil-lieemscbe planl met klokvonnig, zesvoudig ingesneden bloenuleksel {üioscon\'U), z. v. a yams-wortel, z. yam.

CEdêma, n. gr. {oidema, v. oidan, zwellen) Med. de piaiilselUke waterznciitige zwelling; CBdomutisch of CGdomateiis, adj. naar zulk eene zwelling gelijkende, gezwollen; — odomatio, f. algemeen huidgezwel; — zich CBdonmtisoeren, door waterzucht aangedaan worden, zwellen; — oedephoon, f. gr. d. i. zweltoon, een door van der liurg uitgovonden niuzlekinslrumunt, waarvan de lonen door eeneu cilinder van metaalstaven en eene claviatuur worden voorlgebrachl.

CEdipüs, u. gr. (eig. dlkvoet, gezwollen voel) een koning van Tiiebe iu Orlekenland, die hel raadsel van don s|ill|lix oploste, onwetend zijnen vader doodde en met zyne moedor trouwde, waarna h(j zich uil wanhoop de oogen uilsiiik; een gelukkig of bedreven oplosser van raadsels; — Da vu ft sum, non OICdipus, ■/.. 1) a v u s.

ail dc hncuf, n. (eig. m.) fr. (spr. uilj debeuf; oeil, v. \'1 lat. oculus, oog) Arch. eig. ossenoog, oen rond dakvensler of dakopening; inz. weleer de door een ossenoog verlichte voorkamer in \'t slot te Versailles, alwaar de hovelingen hUeen kwamen, eer zü hU den koning hunne opwacli-ling maakten; vandaar de kroniek van \'I oeil de hoeuf, de scbandgescbiedenis van \'t hof te Versailles; — wil dc perdrix (spr. —dri), eig. palryzenoog, een voorlreifeiUke, bieekroode (ibampagne-wilii; — CPilliVdo, f. (spr. uiljadd\') oen lonk, oogwenk, zijwaarlsche blik; - ocilladooron (fr. ocilluder), lonken of wenken geven, toelonken; — ooillère, f.

(spr. uiljèr\') bet oogleder aan \'1 hoofdstel van een paard, de oogklap.

CEkographie, f. gr. (van oïkas, huls) hulsbesclirljvlng; — CEkolampadiërs, in. pi. aanhangers van het gevoelen des beroemden hervormers OËkola in pa dins (eig. Johannes Haussclieln); — cskonoom, m. huishouder, buisbestuurder, liulshoudkundlge; Inz. ianilimls-iioudkundige, wetenschappelUk landbouwer; — oekonomïe, f. de huishouding, lamlbouwbe-drijf; hnishoudelUkbeld, spaarzaamheid; de land-hulslioudkunde, landbouwwetenschap, hnishoiid-kundo; in het algemeen; regeling, dooimatige Iniieliting 1). v. van een staat, van een kunst-of natuurstuk; inz. z. v. a. stauts-oekono-m ie, f.; — dierlijke (Bk on om ie, het geheel der verrichtingen en bowegingen, die het leven der dieren onderhouden, dieriyke huls-houding, gezameniyke levensverrichtingen; — ookonómisch, adj. de huisiiouding of de iandbuisiioudkuiide belrell\'ende; hulslioudeiyk, liulshoudkundig; spaarzaam, zuinig; — (Bko-nomische lak, ile huishoudkundige inaat-sehappU, een der oudste genootschappen in Nederland; — CBkonomiseeren (spr. s=t), luiisboudeiyk besturen, huishouden, sparen, bezuinigen, spaarzaam leven; - CBkonomist, m. een aanhanger van bet physiokraltscli stolsel (z aid.); ook z. v. a. staats-oeko-iiomist, een siaailinlslioudknndige; — oeko-skopie, f. (oiHosknim) f. waarzeggery uil (zoogenaamde) buitengewone voorvallen in of om een huls, b. v. het afvallen van een spiegel, het huilen van een hond, cnz.

oekumónisch, adj. gr. {oikoemcnikós, c, ón, van oikëm, bewonen) wat de geheele iie-woonde aarde (oikuménr, sell, w) belieft, algemeen, inz. eene ockumenisclie kerkvergadering (lal. concilïum oecumencïum), d. i. eene algomeene kerkvergadering.

CEnanth-sethor, m. gr. (v. umos, wyn, dnlhos, bloem, en aelher, z. aid.) eig. wyn-bloemgoest, de In den wyn vervalle slof, die de oorzaak van den wynreuk is-, — oonanth-zuur, n. een uit gegiste vloelstolfen, h. v. wyn, ontwikkeld zuur.

(Enolooum, n. gr. (van oinos, wyn, en Pinion, olie) wynolle, wyn met olie gemengd;

— CDiiogala, n. (v. o/?ws, en f/riln, melk) wynmelk, wyn en melk; — oenographie, f. de lieschryving van wynen; — (Bnoidisch, adj. wynacblig, naar wyn geiykende; — CBno-loog, in. een wynkenner, wynbouwkundige;

— cenologie, f. de wynleer, wijnkunde, leer van den aanbouw, de keldering, gisting en be-handeling der wynen; — oenológisch of oinológisch, adj. wynkundig, den wyn bo-treiïende; — asnomanio, f de verzolheld op wijn, wijnwoede, zuiperswaanzin; — oono-mantie (spr. /--lx), f. de waarzeggery uil wyn, Inz. olferwyiieii; — ocnomöli, n. de wijnhonig, honigwijn, wyomede; — oenomó-ter of oinométer, m. een wynnieler, een door Uerlholon aangegeven werktuig lol bepa-


-ocr page 879-

OEONOMANTIK

859

OFFICK

line vim don tijd dor lioogsto Kisting van den most opnophiel, oonophilus, in. con wUnllufliclilior, ecu vriend van den wün; — oenopolium, n. liet wijnhuis; ook liet rectit tot wyMniipcn; — oenopoot, in. oen wgn-lt;lrlnker; — cenostagma, n. wUngeest.

Ooonomantie, r nr. {niomanleia, van olonris, een eenzaam vllcRcnde vogel, groote vogel, roofvogel) voorsiiolllng uit do \\luelil en de slem der vogels.

Oor uf ör, ni. (spr. eur) cene rekenmunt In /.weden; van koper ongeveer cent; van zilver ruim 3J cent.

Oorst., liy natuurwotonschappelijko hena-mlngen afkorting voor A. S. Oerstedt (gestorven tsiil).

(Esophagus of oosophaag, m. (gr.

oisophanns) de slokdarm, spysbuls; — OOSO-phagitis, t. Med. ontsteking van den slokdarm; oesophagorrhagio, f. hloedlng uit de vaten van den slokdarm; - oesopha-gorrhooo, f. uitscheiding van vochton uit don slokdarm; — oosophagotomio, f. do slokdarmsnede, opening des slokdanns.

CEstrcmaniO, f. gr. (v. aislros, in. steek, prikkel, lievige aandrifi) ile geslachtsrazerny, lie onvorzadeiykheid in liet lievredlgen van de gesiaciitsdrifl; — oestrus venercus, m. de iie-vige teeidiift der dieren, do springtUd; ook do kittelaar, kl ito ris.

QCstrus, m. lat. (gr. óéslros) de brems, groote horzel of paardenvlieg, schnponhreins.

CEsypus, m. gr. (oisyiws) Med. wolvet, eene vette slof, die hij het uilkoken der wol op liet vocht di\'lift, en waarmede men weleer versUjfde gewriehlen inwreef.

cetivros, pi. fr. (spr. euwr\': van \'t lat. oplva) werken, geschriften; nmwres inédiles (spr. -dict\') onuitgegeven werken; oeuvres poslhumes (s|ir. poslüüm\') nagelaten werken.

o//\'h, f. lat. een heet, hap; inter osetoffam, sprw. tusschen mond on heel, d. i. eer men den heet in den mond hrengl, in korten tyd, eer men er op verdacht is.

olïondooron, lat, {n/fendUre) aangrijpen, Jioieedigen, aanstoot of ergernis geven, kwetsen; — olïensie, f. (lilt. «/[ensto, fr. olfense) do aanval, aantasting; heieodiging; offensief, adj. en adv. nw.ial. (fr. olfeusif) aanvallend, aantiistcnderwijs; offensive, f. fr. de aanval, de verliouding ais aanvaller; — offensieve oorlog, aanvallende oorlog; — offbnsiove alliantio, f. een aanvallend verhoud, in tegensi. mot defonsieve alliantie; — offensieve stollingen. Mil. aanvalsstellingen, die dienen om een plotselln-gen aanval voor te herelden; ook dezulke, waardoor men den vijand tol een aanvat zoekt te vertelden.

offereoren, offreeren, lal. (ojferre, fr. nffrir) aanliiorien, opdragen, offeren, opoite-ren; otl\'erénilc jus, n. liet recht van terugkoop; — Óffbrande, f (fr. nlfrdndc) van hel mid. lat. olferénda, ■/.. v. a. oifer; — offórta, f.

fr. het aaniiod, de aanhlcding, voorslag; ook de misolTerande in de It. Katii. Kerk; — pi. offérten, aanbiedingen, iaz. schriflelUke; — offertorium, in. nw.lat. het oirergehi; een oiforboek; het ophelfon en verioonen van de zieli in den monstrans bevindonde gewijde hostie by do it. Katii. mis; ook liet gezang iiy doze ceremonie (het oifergebed).

Oflioo, f. (spr. nlfies\') of officie, n. (van \'t lal. olflaum) de linnen- en ziiverkamer ia aanzienlijke buizen; ook de voorraad- en proviandkamer; de keakca ; de keukenbediendon; het ambt, do post, bediening, dienst, plicht, ambtsplicht, taak, vorpllchiing, vorscbuldigd-beid; amhtsverrlchiliig, dienstvervulling; bel li e 111 g e officie, It. sacro nlfirio (spr. nfflelsjo) = de lni|uisltie; Onna nfficTn, pi. goede, gewillige diensten; vriendelijke tusschenkomst; olfian, uit dienst- of anibispilchl; van anilits-wege, ambtsbaive; zonder lietaling, om niet; als opschrift op brieven: dienstzaken; nflictum absohilum, een onbepaalde, onvoorwaardciyke, volstrekte pllcbt; o. bealue virgfnis {Mnriae), de dagelükscbe Maria-dlenst in zevendeelige gebeden; o. complalum of » nor/iirauin, do laatste dienst, nachtdiensl; «. divinum, de gansche door den geesieiyke bestuurde gotisdiensioefc-ning, inz. In de K. Katb. kerk; de verplichting der goestetyken lol bet bidden en zingen uil bet brevier; o. Inmanitalis, een pliciil der niensclilievendhcld; o. imperj\'érlum, 001)0 onvolkomen verpiieiiling, waariiy geen uilvvendige dwang piaais grypl; o. perféetum, een volkomen of dwangpiiebt; o. pictatis, een naluur-iyke, niet door de wet voorgeschreven, maar In \'I hart gegrifte plicht; o. plenum, cene vot-ledige, plechtstatlge kerkdienst; n. suprünum, do laatste plicht of eer aan een doode; office, n. eng. (spr. (i//is) handels- of cxpedlllckanloor, bureau; ook (minder gehr.) fr. (spr. ojfics) in v. olfice de publicilé, advertentleburenu; - offi-ciaal, m. ilat. o/pci«/is) een kerkdienaar, kerk-beamiile of kerkopziener; ook de geesieiyke plaatsvervanger of vicaris van een bisschop der It. Knlh. kerk In de wereldlijke aangelegenheden (die in kerkeiyko zaken beet wy- o( koorlilssehop, suffragaan); — officialaat, ii. nw.lat. bet ambt en de vvaardlgbeid eens bisscboppeiyken olliclaals; - officialia, m. pi. ambtsverrichllngon, dionsizaken en -plichten;

officiant, m. (mld.iai. nUiaans) dienaar, de bediende; de dienstdoende persoon; - officianten, pl. bedienden, het dienstbaar personeel; beamntcn, Inz. ondergeschikte anilite-naron; de mislezende priesiers; — offlciëol, adj. (fr. nlficiel) ambteiyk, van anihlsvvege, pilebl-malig, tot den diensl, den post, het ambt be-hoorende; al wat van iiooger hand geschiedi, uilgaal, bevolen of gemeld wordl, cchl, geloofwaardig, hoven twijfel verbeven, a u t hen I iek; officieel iiericbi, amldsbericbt, onbetwy-felhaar beriebt, van de lievoegde aatoiilelt voort-gekomen lyding, enz.; offleleele couranl, van de regoerlng onmiddeliyk uitgaand dagidad,


-ocr page 880-

OKTACHORD

OFFICINA

860

stmitscournnt; — officier, in. fr. (nificicr, spr. olfi-sjé) el(!. In \'I iilf!, ccn bciiinbto of liodlenilo; In/.. Mil. oen krUKsboiinililo, leder lievelvoorcnil kryüsimin, moer liopmild, ille don graad van lultonanl of een hooKoron liekleedl, In tegonst. mot do onder-officioren, die een Ingoren rang dan dlon van liiltoiuint heliben; ook In Imrgoriyke lietrokklng; oon anililenaiir; do vroegere schnnl (hoofdolllclor), liet hoofd dor politiedienaars en michlwakers; — officier van justitie, de eerste rechterUjko nrnhtonaar hy een arrondlssoineiitsreclitlMiik, die belast Is mei de ultoefonlng van hot Openbaar Ministerie, d. I. aan wlon Is opgedragen de liandhavlng dor wetten, de vervolging van alle mlsdryvon en liet doen uitvoeren van alle strafvonnisson; — olficicr du jour (spr, —tjoer), de olllclor, wacblbelibor, lievoivoerdor van den dag; — officiëeren, ■/.. v. a. fonctloneoron (z. aid.); — officieus, adj (int. nlflciusus, a, um) dlonstvaardig, gedienstig, dienslwiillg, voiyvorig, wilvaardig, beleefd, weliovond; niet onmiddol-lyk van de bevoegde antoriteit nilgaande, maar toch door baar toedoen of haar ton gevalle go-sciiledende; officieus horicht, niot ofllci-ooi, maar toch langs een omweg of niot in den gebrnlkeiykon vorm van de betrokken autoriteit afkomstig bericht; officie use courant, indirect onder den Invloed dor regeering staand nieuwsblad; — officiositeit, f. lutor lat. (officios//(is) wilvaardigheid, dlenstvaardighoUl, dlonstwiliigbeld.

Officina, f. lat. (saniengestold uit njiifi-cina, v. oiiïfcx, een werkmeester, vervaardiger, arbeider) werkplaats, tubrlek, In/, iilj de Dult-scbers, bij wie bot moor bepaald betookont; eone apotheek en ook oeno boekdrnkkerU; — officinaal ot officinoei, nw. lal. in de apotheek voorhanden, daar goliruikeiyk, gangbaar; geneeskrachtig, lieeiend, enz.; — offi-cinalia, pl. artsonyen, geneesmiddelen, apo-tbekerswnreii; — officinalis, lal. Bot. voor geneeskundig gobrnik; — officinator, ni.de werkmocsler.

ollrooron, z. o f f e r e o r e n.

Ogivo, f. fr. (spr. njjicii\') Arch, rib van oen splisboog aan golhlscbe gewelven; — ogi-val, adj, (spr. (njiwnl) toegespitst als een spitsboog, spitsboogvorniig (van projecliolen tegen gepanlserdo schepen).

Ogrc, m. fr. (sp. ogrn, 11. urm, angels, oir, hoische dicmon, bel, v. \'1 lat Orrus, on-dorwerold, god der onderwereld) een weerwolf, klndervroler, wildeman, schrikbeeld; — ogresse, f. een boos wüf.

Ogygos, m. de oudslo fabolaclitigo beboor-scbor van Atllka, onder wiens regecring de ogygiscbe vloeil geiiooi Atllka moet verwoest hebbon-, vandaar ogygisch, adj. overoud. eerwaardig.

olie.\' jam salis cal: lal. sprw.: och, \'I is nu genoog! hel, nu opgehouden I houd op!

ohinlemis, lal. Bot. van bot Ohio-mocr.

Oidema, z. (cdeina-,- oinographie,

enz., z. conogrnphie; — oisophagitis,

enz., /.. (Dsop ha g it I s, enz.

Oïdium, n. nw lat oeno soort kleine op planten en dleriyke ilcbamon voorkomende paddenstoelen, die de oorzaak zijn van zioktevor-scbynselen.

Oie, f. fr. (spr. oa) do gans; morde d\'ole, z. aid.; conies de ma mère (\'oie (spr ko/il\' de ma mèr ion), vorteilingon van moeder do Gans, kindersprookjes.

Oiseail, m. fr. (spr. ouzo) de vogel; — oisellerio, f. vogelvangst, vogelary; — oise-leur, in. vogelaar.

Ok., hij natuurwetenschappeiyko benamingen afk. voor L. Oken (gesl. IS\'i 1;.

Oka, turk. (onlst. alt het arab. wakijah, oekijah, oen gewicht van i l pond, en dat waar-scbyniijk van \'I gr. oengaia, oenflkia, lat. uncia, ons) een vroeger In Turkye, Griekenland, Hon-garyo, enz. voorkomend gewicht van MO dra chin en (drauimon of derhein); In Hongarye = •2^ wooner pond = l,2U(l kilo; in Griekenland (daar ook stade ra goheoten) vroeger 1,880 kilo, nu (nieuwe oka) = 1,28 kilo; aldaar ook vroeger een olieniaat van 2,K gowlclitsoka\'s; in Turkye, RoemenKS, Albanië, enz. vroeger oen gewicht van kantar = t,2SI kilo, aldaar ook vroeger oon maat voor viooistoll\'en van 1,281 liter; op Creta (Gandla) vroeger een gewicht van kantaro = I !ll)2 kilo; in Egypte een gewicht = 1,235 kilo.

Okal, in. arab. (eig. hehoor) een groot verlmurhaar woongehouw in Kgypte, voor de wliikols en inaga/.yiien der kooplioden, en/

Okeanos, z. o c e a a n.

Oker, f. (lat. en gr. dr/ira, van \'t gr. öclin\'is, a, oh, goelachlig) een aardachtige metaalkalk (motaai-oxyde); in/., ijzeroker, y/er-sallraan, berggool, aardvormige rood-, bruinen geeiy/orsteen.

Okia, ockia, oekia, eng. okheat, bet ons, oeno rekenmunt te Marokko = T,(i inilskal (metekal) = 15 cent.

Oksaal, /.. oxaal.

Okshoofd, n. (hgd. oxhofl, zw. oxhufvud, eng. houshead), eig. ossen hoofd, eone groote voebtmaat of een wynvat van vorschllionde grootte in onderscheiden hinden, waaiscb. zoo geheeton, omdat de wijnvaten vroeger met oenen ossekop gemerkt waren; hot oude Amstord. okshoofd was i val = goniiddeld 220 liter, en verdoold in li ankers.

Oktachórd ot oktochórd, n. gr. een aebtsnarig spooituig; — oktaedron of ok-taéder, n. gr. Goom. een achlvlak, een door S geiykz.ydige driebookon ingoslolon liclmam;— oktaödriot, n. oen oklaodrlsch kiislalllsoe-rend mineraal, uil tilanlum en /.uurstof bestaande, ook a natas; oktaëtëris, f. gr. een lyd-krlng van 8 jaren; — oktandria, pi. eig. acblmannlgen, de acbtholmlgo planton, mot 8 vryo meeldraden In bare bloesems, do 8sle klasse in het stolsel van l.innieus; — oktapla (sell. biblla), pl. gr. oeno bybolvorlaling In 8 lalen.


-ocr page 881-

OKYDROOM 861

OLIG^MIE

een in 8 kolommen Kcdrukte liyiicl; — ok-togoon, m. Kr. Goom. een aelillioek, eone llguur met 8 zyden en H hoeken; okto-gönisch, iielilliooklK; -- oktogonaal-getallon, ille polyKoniial-Retiillen, welke lt;l(! sommen vim twee of meer (totallcn eener «rlthmellselie reeks, welker verschil (i Is; — oktogynisch, adj. Hot. achlwUvlK, met acht Kosclielden stamiiertjes; — oktopetülisch, adj. met acht hloomhladeren; — oktophyl-lisch, Kr. achtliladerlg; — oktostylon, n. Kr. Arch, eene ry of reeks van s zuilen.

Okydroom, m. gr. (v. okys, snel) een liardiooper; — okygraphie, r. snelscliryf-kunsl, ■/.. v. a. ta chyg ra p h Ie; — oky-pódG, m. oen snelvoel, liardiooper.

OL, hij natuunvetenschappeiykc hcnamlngen afk. voor VV. A. Olivier (gesl. ISU).

Olaf of oslaf, oudd. (van \'t angels, os = oudn. us, god) de van Ood afstammende, ■/.. v. a. Dl ogen es.

Olampi-hars, n. een wit gcelachlig, lt;loorzlclitlg, hard ea lija te wryven hars uit Amerika.

Olax, f. (van \'t mid.lal. olax, riekend, v. olöre, rieken) stinkhout, oen lioom in ü.lndlü (Lignum fceffdum).

old, adj. eng. (spr. nold) oud; Old Kngland (spr. ingtend) for ever: leve oud-Kngeiand! old Jack, m. (spr. dzjek) oude Jan (de liritsche vlag); /. ook onder Iniquitelt.

olfa, pi. van oleum, z. aid. do oljijn; nlea (lelherCu, aethorische ollen; o. coda, gekookte, «. exjiressa, uitgeperste, o. infusa, door opgic-ling gewonnen oliën ; — oleaginens, adj. (fr. oléauinem, lat. oleaginüus, tot de olyf be-hoorende) olieachtig.

Oleander, m. uw.lnt. (fr. oliandre, it. oleandro, mld.lat. lorandrum, bedoi ven uil het lat. rhododendrum, gr. rhododendron) rozelau-rier {Nerium oleander), een lioomachtige struik met vergiftige elgenscliappen, in de zuldeiyke landen.

Oleaster, m. mld.lat (v. olfa, oiyfhoom, olyf) de wilde olyfhoom.

Oleaten, oleïne, oleometer, z. oud. oleum.

Olekrnnon, n. gr. (van alénc, eilehoog, en kranon, hoofdschedel) Anal, liet haakvormig uitsteeksel van de ellepyp, de eilehoog; — olekranarthrokace, f. de uitsteking der gewriclilsvlakte van den eilehoog.

Oleracéön, f. pi. n\\v.lat. {oleraecae, van \'I lat. olus, geuit, olüris, kooi) keukengewassen, moeskruiden.

oleronónsiach zeerecht, of fr. róles lt;l\'Oléron, hel nog tegenwoordig in Krankryk en lingeland ais liiiiprecht geldende zeerecht van liet eiland Oléron aan de westkust van Krankryk, reeds in de 13de eeuw Ingesteld.

oWum, n. pi. oha, lat. de olie; oli\'um el npüram perdldi, ik heb olie en moeite verloren, d. 1. my Ie vergeefs heyverd; — oleum animale, n. dierlyke olie; ol. huif/ri, boterolle;

ol. cnrnu cervi, olie van herlshoorn; ol. fceni-ciili, venkcioilo; ol. juni/irri, Jeneverhesolie; ol. lavend/ilae, lavondeiolle; ol. lini, lynolle; ol. marlis, yzorolle, chiooryzer, dat door aangetrokken voi\'htdeelen tot vervloeiing komt; ol. ovorum, eieroiie; ol. papaviris, papaverolie; ol. pini of ol. lomphnum, pijnboomolie; ol. pelrae, z. v. a. petroleum (z. aid.); ol. ro-Siirum, rozenolie; ol. sarchari, sulkerolio; ol. turtari per ileliqu/um. vervloeid wynsteenzout; ol. lerebinlhtme, terpontynolle; ol. vilriuli, vitrioololie, zwavelzuur; — oleaten, n. pl. nw.iat. oiiezure zouten; - oleme, f. de in de talk bevatte ollestof, z. v. a. o la ine; vandaar o I e i n e-z e e p; — oleosa, n. pi olieachtige artsenyen of geneesmiddelen; — oleo-chalkographie, r. lal -gr. de ollekoper-drukkery, koperdruk met olieverf; — oloo-charta, f. ia olie gedrenkt behangselpapier, dat dientengevolge gewasschen kan worden; — oleographie, f. onderzoek der ollen door den vorm der op het water geworpen oliedruppels en overbrenging dezer liguren op papier-,

— oleomargarine, f. knastboter, talkho-ter (vgl. margarine); — oleometer, m. ollemeter, werktuig tol oaderzoek van de qaa-litelt der olie.

Olfactus, m. lal. (v. olfac-re, rieken, v. olere, rieken en faci\'re, maken) bel ruiken, de reukzin, reuk; olfactörisch, adj. den reuk, reukzin hctrelfende of daaitoe liehuoreade.

Olga, r. russ. (Oljga, v. oleg, oud-russ. hel-denaaam, vgl. ouiln. Uelgi) vr.naam; de verhevene-— olgatine, f. wollen slof met per-zische teekeningen

Olibanum, n. mld.lat. (fr. óliban, it. oli-bano: van \'t gr. libanos, libanolós, hebr. lebfi-nah: arab. loebdn) de wierook.

Olibrmm, m. ingebeelde zot, waanwyze, aanmatigend menseh, pochhans (naar een ro-meinsch senator van dien naam, die in \\H tut keizer van \'I Westen werd uilgeroepea).

O lifant, m. bet grootste nu levende landdier, z. elephant; — olifant, in. (oudfr. olifant, elophant. Ivoor en een waarsch. uil ivoor gemaakte kleine Jachtboren, provenc. oli-fan, armor, olifanl, van \'i lat. elephanlus, gr. élephüs, olifant, verwant met bet gotb. ulhnn-dus, oudd. alpenla, olbenda, angels, alfend, kameel) de jacht boren der dolende ridders; — olifants-papior, de grootste soort vaa papier, met liet merk van eenen olifant, inz. voor tabellen en plaatwerk.

Oligacmie, f. (van \'I gr. aligns, e, on, weinig en huima, bloed) Med. bloedgehrek; — oligarchie, f gr. (van drchein, lieerschen) de regeering van weinigen, comiit\'-regeeiing;

— oligarch, m. een medelid of aanhanger vaa een zoodanigen regeerlngsvorm; — oligarchisch, adj. in de macht van weinigen; met zulk eene regeering overeenkomstig, daarvoor geslemd; - oligidrie, f. (van hidros, zweet) IMod. zweetgelirek; — oligoblennie, f. Med de verminderde siymafscbeiding; —


-ocr page 882-

OMBRAGE

OLIJF

862

oligocEen of oligocoen, z. ond. ooccoii;

— oligochohe, f. do vormlmlimlu Kiilafschel-dlnt!; — oligochrónisch, adj. kortstondig, wolnlK lUds durend, vlucht —oligochro-nomóter, m. een door dol Negro ultgo-vonden Instrument lot het nieten van kleine tydsrulmlen; — oligochylie, r. Mod. de vor-mlnderdo ntseheldlng en horeldlng van het spijs-vocht; — oligochyliseh en oligochy-misch, weinig spOsvocht afgevend, slecht voedend; — oligochymie, f. do verminderde hereldlng van vochlen; — oligodakr^a, f. de beperkte afscheiding van tranen; — oly-gogalie en olygogalaktïe, f. de verminderde zogafscheiding; - oliogohfemio, liever o 11 giem I e (z. aid ); — oligohidriG, liever ollgidrie (/-. aid); — oligoklaas, n. een nan hel voiilspaiiiti verwunt gesteente, dat lioofdzakeHjk uil klezeizuur, kleiaarde en natron hostaal; — oligokoprïe, f, de verminderde ontlasting van droksloiVen; — oligokraat, m, (v. hiutitii, heersehen) een rogont, die weinig mederegenten licefi; — oligokratie (spr. lt;= Is) f, de iioorschappy, regeering van weinigen;

— oligophyllisch, adj. liot. arm aan lila-deren, weinig liladeren iioLhende; — oligo-pionïe, f. veigelirek, magerheid; — oligo-pistie, f. zwak geloof, kleingeloovigheld; — oligopsychio, f. verstandszwakte, armoede van geest; — oligosialïe, f. Med. de geringe, verminderde afgcheidirig van het speeksel; — oligospermie, f. gehrek aan zaad, do verminderde zaadafscheiding; — oligo-spermatisch, aiij. aan zaadgebrek lydende of daaruit voortkomende; —oligotrichie, f. Imargehrek, dunlmrigheld;-oligotrichiseh, adj. dunluirlg, zwakliehaard; — oligotro-phio, f. ile slechte voeding des lichaams-, hot gohrek aan eetlust, hot vasten; — oliguro-SiO, f. de spaarzame of verminderde pisoni lasting.

Olijf, f. lal. (nhra, sp. oliva, fr. olive, It. u/ion) de olUfbes, olUfvrucht, de vrucht des oHjfbooms; onelg oen oiyfvormlg sieraad; ook de molnion greep aan de deurklink; — olijferts, olijfkoper of oliveniet, n. nw.lat, oen oiyfgroen kopererls, arsenlkzuur koper;— olivacéus, adj. lal. Hot oiyfgroen, bruingroen; — oliviitre, adj. fr. oiyfkieurig; — olivëte, f. een na den oiytoogst In l\'rovence gelirulkeiyke dans; — olivëtum, n. lal. een oiyfinin, oiyfberg, oiyflioscli; olivétten, f. pi. fr. oiyfvormlge of langwerpige koralen, glaspaarlen enz.; - oliviol, n. een eigenaardig krisiailinisch lichaam van de oiijriioomgum-mi; — olivine, f. nw.lat. bazaltlsch ebrvso-ilih, een oiyfgroen mineraal; ook eon dour be-haiidellng van saiicine mei zwavelzuur ontslaand oiyfaclitlg lichaam.

olim, lal. voorheen, ocrtUds, voormaals, vroeger; iron, in de dagen van Olim, weleer, voorheen enz.; — les olim, fr. de oil nis, oud-fransche gebrulks- of gewounterccliten.

Olindon, pi. lijne ilegenkiingoii uit de stad 01 in da in Kraziili!.

Oliteiten, pl. nw.lat. (van \'l lal. olëum, olie) welriekende oliën, uil uile bereide arlsenyen.

olitöriseh, ailj. lal. (olilortus, v. alitor, de warmoezier, v. olm, moesgroente) in moos-luinen groeiende, moesgroenten betrelTende.

olivatre, oliveniet, olivetum, enz. z. o i y f.

Olivetnnen,pi. Henediclynon (z.aid.) van Monte Oil vote In Halle

Olivier, mansa. (eng. Oliver, fr. (Mirier, de olijfboom) do oiyflioomplanter; — Olivia, vr.naam: de oiijflinomplnnlster

olln, f. lal. de pol; o//u fervel, sprw.: do pol kookt (van oenen ryko, die veel verleringen maakt); — alia male ferret, de pol kookt sleclii (van een armzalig levend inensch); — olla podrida, f. sp (spr. olja, d. I. elg. he-dorvon pot, v. alia, pol, kookpot, provenc. ola, fr. oille, on podrir, pmlrir, fr. pourrir = lat. putrcre, verrollen, bederven) eenc spijs, lieslaan-do uil lljngesneden en sterk gekruld vlooscli van vorsehiilende soori, oen iiovelingsgerocht der Spanjaarden; een pol mol welriekende liloe-inen en kriilili^ii gevuld (pot-pourri)-, in \'t alge-ineen een allerlei, een mengelmoes, eeu poespas, verkeerdeiyk vaak een olipodrigo ge-hoeten.

Olonne, f. fr. slork liennopdook, naar \'1 ge-lyknamig marktvlek Vim hel depart. Vendée zoo geheoton.

Olympos of Olympus, Olymp, m. gr. een beroemde iiorg in Thossalie (nu Lacha); Myth, de woonplaats vim Zeus en do hemelgoden; — olympisch, adj. hemelsch; — olympische spelen, piociillgo oudgrlek-sche volksspelen, die in strydoefoiiingon, wed-loo|ien enz. beslomien en liil de siail Olym-pia aan den Alpheus Ier cere van Jupilor, als een voiksfeesl en voreenigingsbaiid lusschen allo griekscbe volksstaniineii, steeds na verloop van i jaar gehouden werden; vandaar heel zulk eene tydrulinte oene olympiade (gr. ohjm-pias) een tydvuk van vier jaren-, Olym-pia, vr.naam: de lieinelsebe; - olympiaden, m. pi de Iwiiulf hoofdgoden.

Omagra, n. gr. (van omos, m. de schouder) : Med. de jieliilge pyn in den schouder, schouderjlcht; — omalgle, f. scliouderpyn, jieliilge aandoening In hel sclioiidergewriebl; — omarthrocace, f. gr. eene onlsloking van de oppervlakien des sclioudergewriciils.

Omar, arab. (van amara, bebouwen, aanbouwen, lang levea) niiiiisn; de langlevende.

omasum, n. lal. de dorde maag der herkauwende dieren.

Omat, liandeisgewiclit op Java = 4 pikois uf 120 kilo (vgl. pi kol).

Ombrago, f. (elg. in.) fr. (spr. onbradtj\'; v. ombre = lat. umbra) elg de schaduw; argwaan, verdenking, mlslroiiweii; — ombragoeren (fr. ombrager) bescliadiiwenl\'icl. scliaduwen, overdekken; verdonkeren, verkleinen; — ombres chinoises (spr. onbrsjiunaz\') chineesche schimmen, een kiiider-scbaduwspel; — ombree-


-ocr page 883-

OMBRIETEN

863

OMOALGIR

ren, sclinduwon j (stullon) zoo vorvcn, dut ilo kleuren van het donkere in \'t lichlc onmork-liiiiii\' ovcigaan.

Ombrieten, m. pi. sr. (v. ömbros, regen) reKensteencn, sleenen, die men beweert, dat 1)U plasregens uit den liemel vallen; — ombrometer, m. z. h vet omet er; — om-brometne, r. de rogenmeting.

Omöga, n, gr. (vun mégas, grool) de groote, d. I. lunge of gerekte O der («rieken (co), de laatste lettor In hun alpliatiet, vgl. A en O (ond. \\).

Omolétte, f. fr. (ontstann nil oeufs mélés, gemengde eieren) eler- of punnekock; — nmc-lelie iiuj: confitures (spr. n koiifiluur\') eierkoek met Ingomunkte vruchten, gevulde eierkoek; Ittnt de hruil pour mie omelclle (spr. la 11 de l/nvie poer uun\' om el el\') spnv.: clg. zooveel drukte om oen eierkoek, d. I. veel drukte voor niets! —on ne fail pus (spr. on n\' fè pu) il\'o-melelle, saus rasser des oeufs (spr. san kassé dèzéü), men maakt geen omelet zonder stukgeslagen eieren.

Oraon, n., pl. omina, lat. (voor obmen, van \'t gr. ópleln, zien) een voorteeken, eene voorbeduldlng, een voorspook; omen fauslum, oen gelukkig voorleekon; — omineus, adj. (lat. nminósus, «, um) voorheduldeiul, vol be-leekenls, inz. hetgeen een slecht voorteeken Is, gevnardrelgenil, onheilspellend; — ominoo-ren (lal. nmlnarl) voorspellen, profeteeren; vermooden, een voorgevoel hebben.

Omentum, n. lat. Anal, hel net, do nel-huld der darmen; — omentitis.fr. lal.-gr. de net- of nelvllesontsteklng.

Onukron, n. (van mikrós, d, dn, klein) de kleine, d. 1, korte grlekscho o (o).

Omina, ominooren, omineus, ■/.. ond. omen.

omitteeren, lal. [nmlltfrc) ulllateu, weglaten, overslaan, enz.; — omissum, n. een uitgelaten punt, zindeel enz ; pl. omissa, uitgelaten, overgeslagen zaken; — casus omissl, pl. In de rechten, wetten enz. uitgelaten gevallen, waarover de regeering, de rechtbank enz. naar gelang der omstandigboden uitspraak dool; — sn/iio erröre el omissione, ond. sal-vus; — omissie, f. (later lat. omissto) uii-lating, verzuim; - omissie-zonden, zonden uit nalallgheld begaan; — omissive, adv. nw.lat. uitlatend, overslaand.

Omladma, r. servisch (elg. Jeugd) eene telken Jute In de vacanlie le Helgrado samenkomende letterkundige en polilioke voreonlghig der op vreemde boogosclioien sludeerende Ser-vlers (sedert 1S5S); do Jong-sorviscbe party.

Ommani, n. (eng. homing, een ludiaansch woord) grof, In water gekookt maïsmeel, turk-sche brij.

Ommatophyllon, n. gr. (v. öimna, genii. ómmalos, liet oog, en phyllon, z. aid.) Med. elg, een oogblad, een vlies op het oog.

oinnls, onme, lal. al, allo, alles, pl. omnes, u. omnia: omne nimïum nocel, lal. ook omiic nimïum verlïlur in vilïum of omne nimïum nalurae inimïium, sprw,: al te veel schaadt, of al te veel Is ongezond; — omne principïum f/raee, allo begin Is moeliyk; — omne scibïle, i. scibile; —omne simile clawïïcal, alle verge-tyklng gaat mank, d. 1. gaat slechts voor een zeker gedeelte of tot op eene zekere boogie door; — omne Irinwn perféclum, al het drievoudige is volkomen, alle goede dingen bestaan In drieèn; — omne lulil punclum, qui misruil utile dulci, liü draagt de algemeeae goedkeuring weg, die hei nutllge met bet aangename vereenlgt; — omne virum ex oro, elk levend wezen koml uit een klem; — omni exceplióne major, boven alle blaam of berisping verheven, onverwerpeiyk; — omni jure, mot allo recht;

— omni modn, op allo wgzo;— omni tempore, ten allen tyde, altijd; — omnta ad {majorem Dei glorïam, of afgekort O. (.W.) I).

alles ter (grooter) core van God; — omrifa cum Deo! alles met (lod! — omnia mea me-cum porto, al bet myne draag Ik by mU (de zinspreuk van den griekschen wysgeer Bias, die zijne hoogste schallen In zyne wysheld bezat); — non omnïa possümus omnes, z. non omne, enz ; — in omntbus alii/uid, in toto nihil, van alles wal, maar van \'t geheel idets o. I. goeds (weten of verstaan);—non omntbus dormiO, z. ond. non omne, enz.; — non omnis mortar, z. ond. non omne, enz.; — omnis amans omens, leder verliefde Is gek of dwaas;—om-nis homo mendax, leder mensch is een leugenaar; — omnium consensu, met de tooslemmlng van allen; omnibus, m. nw fr, (van den lal. dal, plur. omnibus, d. i. elg. voor allen) eene soort van zeer ruime, mot vele zitplaatsen voorziene huurwagens, die op bepaalde ty-den tusschen bepaalde plaatsen gelegenheid geven om legen vast geld mede te ryden; omnium, n. eng. de gezameniyke hoofdgelden van den staatsschat, die aan de sehuldclschors van den Slaat als onderpand zyn aangewezen;

— omn/no, adv. lal. alleszins;—omnifórm (lalor lat. omnifurmis, e) alvormig, van allerlei gedaante; -omniparitelt, f. nw.lat. alge-meone geiyklieid; omniphaag, m. lat.-gr. een alleseler-, — omnipotént, adj. lat. (om-nipulens) almachtig, alvermogend; omni-potóntie (spr. lie—lsie) f [omnipotenfia) ile almarhl, het alvormogen; — omniprsesent, adj nw.lat. alomtegemvoordlg; omniproe-sentie (spr. I=ls) f. de alomlegenwoordig-heid; — omnisciéntie (spr. l=ls)t. nw.lat. de alwetennheid; omnivórisch, adj. (lal. omni varus, a, um) allesverslindeiid of -etend;

— omnivóren, n. pl. N. II. alleselers, dieren (Inz. zangvogels), die hun voedsel zoowel uil het dieren- als uil bet plantenryk nemen.

Omoalgie, f. (liever omalgle, z. aid.)

— omokotyle, f. gr. Anal, de pan van bel schouderblad-. — omophonon, n. de lange schouderband of sjerp der booge gcesleiykon in de grieksehe kerk; omoplata, f. het schouderblad.


-ocr page 884-

ONOMASTIKON

OMOPHAAG

864

Omophaag (nlol homopliaag), in. «r. (v. umós, lt;, (in, rauw, onrDit) oen rauwvlooscli-etcr; — omophagie, r. hot ruuwvleeschotcn;

— omotocie, r. hol to vroog baron, do oa-tydlgo verlossing, miskraam.

Omphalo, gr., naam oonor Ivdlscho koningin, dlo Horculos zoodanig aan zich wist to lioolon, dal li(j, als oeno vrouw gekleed, ondor hure slavinnon aan liet spinrokken /.al ^ vandaar liet sprw.; olko Hercules vindt zijne Om-p li a 1 o.

Omphalelkosis, r. gr. (van omphülós, de navol) Med. oeno na vel verzwering; — ompha-liseh, adj. don navol Ijelrellondo; navolvor-mlg; — omphalitis, f navelontstoklng; — omphalocele, t. oeno navolhrouk; — om-phalomantie (spr. I=ls) r. waarzoggerU uit do knoopen dor navelstreng van eon pasgehu-ren kind; omphalóncus, m. liet harde navelgezwel; — omphalonöuron, n. do na-velslrong; — omphalophyma, n. een groot weck navelgezwel, oen vloescliiiltwas aan don navol; — omphalóptron, n. oenc lens, linze; een lens- ot navolvormlg geslopen vorgroolglas;

— omphalorrhagie, f. liloodvllct all do navelvalen of den navel; —omphalotoom, m. een werktuig lot doorsnydlng van de navelstreng; — omphalotomiG, f. de doorsnydlng van de navelstreng.

Omra, of liever omrah, arali. (v. \'ama-ra, houwen, hezookeii; vgl. Omar) de hede-vaart of plechllgo pelgrimsreis der gcloovlgcn naar Mekka.

Onager of onagrus, m. lat (gr. (in«-(/ros) de wilde ezel, woudezel (vgl. kul an); een licht werpgeschut der oude Komelncn.

Onanie,f. (naar Onan, Gen. XXXVIll.O, benoemd) do zelfhevlokklng, onnaluurl(|ke prikkeling der geslaehlsdeelen, alsmede de onna-tuurlUke hovredlglng der geslachlsdrin, ook onanisme, n ; ~ onaneeren, dat kwaad hedrljven; — onanist of onaniet, rn. een zelflievlekker.

On-basji, m. turk. (v. on, tien) hoordmnn over tien, korporaal; In de Krlm: dorpsschout.

Onbesjlik, m. lurk. (v. on-besj, vijfllcn, v. on, Hen en besj, vyf) eene turk. rekemnunt = 15 paras of ruim i centen.

Once, f. fr. z. v. a. ons (z. aid.); — on-cia, II (spr. óntsja), onza, onca, f eene rekenmunt In het voormalige konlnkryk der helde Slclllen = 3 napolllaansclie dukaten = f 0,18; ook een voormalig gewicht en eene lengte In Italië van verschillende groolle; — oncetta, f. (spr. onlsjélla) eene vroegere goudmunt In Napels = f ti.iö.

Oncle, m. fr. (van \'I lat. avunculus) de oom, vaders of moedors hrooder.

Oncus, in. gr. (ón/tos, oorspr. hocht, kromming, verhevenheid) Med. een hard of vast gezwel; — onkotomie, f. gr. Med. de kunstmatige opening van een gezwel.

Ondamaris, f. It.-lat. (v. It. nmla, de golf en mare, gen. maris, de zee) clg zeegolf;

eene open Svoets fluitstem In do orgels, wier hovend geluld hel schommelen der zeegolven nahootst.

Ondatra, /.. des m a n.

Ondé\'s, pl. (v. onder, golven) gewalerdo zyden of wollen stoiïon.

nndeggidre, ondeggiaménlo, n. It. (spr. on-dedt]—; van omlu = lat. unda, golf) Muz. golvende howeglng, trilling; — ondine, f. fr. (v. undine) een vrouweiyke watergeest, eene water-a I xe, watermaagd (vgl. o 1 omeata Ire geesten).

on dit, fr. (spr. oii di) olg. men zegt; als suhst.: een praatje, gerucht; volgens een on-dil, naar hooren zeggen.

Ondulatie, z. undulatle.

Oneirodynie, f. gr. (van óneiros, m. droom) Med. een zlekoiyk, henauwd droomen;

— oneirokriet, oneiroloog, m. een droomulllegger; — oneiromantie (spr. I=ls) onoirokritie (spr. /=/.«) f. de droomuitlegging, droomuitlegkunde; — oneirologie, f. de leer van de droomen; — oneiropólos en onoiromantis, m. een droomuitlegger; — onoiroskopie, f. de droomlieschouwlng, het achlgeven op droomeii.

Onera, onereeren, onereus, enz. z. onus.

Ongaro, m. II. elg. een Hongaar; een hon-gaarsche dukaal, ter onderscheiding van den venellaanschen durali de hanen, hankdukaat.

Oniscus, m. gr. (oniskos, vcrklw. v. önos, ezel) elg. een ezeltje; dulzendheea, plssehed.

Onkotomie, z. oud. oncus

Onlik, m. turk. (v. on, tien) eene turkscho munt = 10 piasters = /\' 1,08

Onocophalus, m. gr. (van ónos, ezel en kephale, hoofd) een ezelskop; — onokro-talus, m. elg die als oen ezel halkt (vgl. krotalen): do kropgans, pelikaan (z. aid.);

— onolatrie, t. ozeldlenst, ezelvereorlag, waarvan hy de Ouden de Joden en later de Christenen beschuldigd werden, misschien omdat Jezus op een ezel gezeten Jeruzalem hln-nentrok.

Onomastikon, n. gr. (van onóma, u. naam) oeae naam- of woordeniyst, Inz. een za-keiyk, niet naar lettervolgorde Ingericht vvoor-donhoek ; ook een gedicht op den naamdag, ge-boorledag, een verjaringsvers; — onomatiëk, f. de leer van do boteekenls en vorming der namen = ononial ologle; — onomato-latrie, f. bovenmatige vereering van een naam, van een beroemden man, enz.; — onomato-logie, f. de leer der woorden of namen, de naaaivornilngsleer; — onomatomantïe (spr tie=lsie) f. de naamwaarzeggerU, bet waarzeggen uil namen; — onomatomorphöso, f. de naamvormlng, woordvorming; - onoma-topooie, f. de naam- of woordvorming; Gram. de klanknahoolslag, de vorming des woords volgens \'I natuurgoluld van de daardoor aangeduide zaak, h. v. Irommel, donder, ratelen, enz.; — onomatopoeëtisch, adj.


-ocr page 885-

865 OPKKUNSKY-SSO W,I A T

ONONYCHIKT

klanknabootsond, eon natuurkhink nuhootsond, I), v. in do poözlo door den rhythmus de nn-tuurtonon nahoolsend; — onomatopoeöti-ka, n. pl. niinr don natuurklank or den klank der voorwerpen gevonnde woorden, klankna-hootsende woorden j — onomatotheet, m elg. woordzotlcr, uitvinder van nieuwe woorden, Inz. namen.

Ononychiet, m. ri\'. (van ónos, ezel en ónyx, klauw, hoef) oen ezelsvoeler, wie ezelsvoeten heeft; spotnaam, dien de heidenen aan Oirislus gaven (vgl. o n o I a t r i e); — onosce-liot, m. (v. skélox, dy) wie ezelsdijen of -schenkels heeft; — onoskiomachie, f. het heken-de ahderitisch proces over de schaduw des ezels.

(more di teltera, it. z. honor (li lillera.

Onosceliet, onoskiomachie,/.. ond. ononychiet.

Ons of once, het J,, gedeelte van een ned. pond of kilogram; — y\',, van oen oud pond; J mark trooiscli; 1lf van een medicinaal pond.

Ontogenie, f. (v. on, geuit, ónlos, zynde, pl. neutr. óiitay liet zUnde, partic. van êinai, zya) de leer van liet ontslaan der wezens, geschiedenis der kiemen; — ontographie, f. gr. de heschryving der dingen of wezens; — ontologie, f. de leer van de wezens, van liet zynde, grondwetenschap, leer van de alge-meene eigenschappen der dingen, een gedeelte der bovennatuurkunde; ook ontosophïe, f.; — ontológisch, adj. de leer der wezens he-treffende of daarop gegrond; ontologisch hew Us, de uit liet hegrip van God gevoerde hewys voorliet hestaan van God; — onto-statïka, f. de wetenschap van hel evenwicht der dingen, evenwichtsleer; — onthotheo-logie, f. de hovennatuurkundige godgeleerdheid, de godsieer uit de heglippen.

onus, n., pl. nnera, lat. de last, het hezwaar; do plicht, verplichting, gehoudenheid; lielns-ting; — o)iim fabncac, Jur. de taak van het onderhoud of herstelling dor gehouwen; o. pcr-sonale, een persoonlykc last, eene op personen drukkende helastiiig; o. probandi, de plicht of taak van te hewyz.en, de hewyslasi; o. reale, eene zakelyke, op landeryen enz. drukkende belasting; o. hilclar, de taak der voogilyschap; — on éra personafin, persoonlyke belaslingen, b. v. hoofdgeld enz.; onlra publira, pl. openbare lasten, staatslasten, iandsbelastingen; oncra reaffa, grondlasten; onerous, adj. (lat. oneru.ius, u, um) drukkend, lustig, bezwarend, moeliyk, moeltevol; — nueröso liliilo, Jur. uil of met een hezwarenden rechtsgrond; onder bezwarende voorwaarden; tegen belaling of vergoeding, in tegensl. met lilulo qralioso, z. ond. titel; — onerositeit, f. (later lal. onerosflns) de lastigheid, bezwaariykheid; — onereeren (lat. onerare) bezwaren, heiaston; opladen; one-rabel, ad), nw.lal. helastlmar, belast, scliat-pllchtlg, h. v. de onorabele standen, n. I. burgers en boeren; - onei\'atie (spr. t=ts) f. de bezwaiing, belasting.

V1EIIIIE IIHUK

Onyx, in. gr. (nnyx, genit ónychos) eig. de vingernagel: de Hagelsteen, eene als edelgesteente bekende variatie van den c ha leednon, zoo geheeten naar zyne kleur; vgl. camee; Med. eene nagelvonnlge etterverzameling tussclien de platen van hot hoornvlies; — onychia, f. Med. een nagelgezwel; — ony-chistenon, n. de iingelschaar, een werktuig tot het afsnyden der nagels; — onychogry-phósis, f. de ziekelijke kromming van de nagels; - onychokritie (spr. *=/s) f aanwy-zlng van hel karakter van een persoon uit de vorming z.yncr vingernagels; ook z. v. a. ony-chomantie (spr. /=/.?) f. de waarzeggery uit do nagels der vingers; — onycho-phthone, f. do ontaarding, bet bederf der nagels; onychophyma, n. een uitwas, de ultgroeiing van eenen nagel , onychoptosis, f. liet afvallen der nagels; — onycho-sarköma, n. een nagel-vleoschgowas; — onychosarkösis, f. het ontstaan van zulk een vleeschgewas.

Onza, f. sp. z. v. a. ons, once, als ge-wicht; ook eene güiiilmmil {nmu de oro) in Spanje, Mexico, de ccntraal-amerikaansclie republieken, enz., viervoudige pistool van lil zilveren piasters en 30 ii 40 gulden in waarde.

Onze, fr. (spr. oiiz\') elf; naam van een hazardspel, waarhy hel aas ~ It en I prent = J telt.

Oógala, oógla, n. gr. (van oón — lat. ovum, het el, en gala, melk) elermelk, eieren In melk geroerd; ~ oólith, m. de kultsleen, een kalksteen, die uil kleine, naar vlsciikult gelUkende korrels iieslnat; — oólithforma-tio, z. v. a. Ju ra-for ma tie (z. aid.); — oölithisch, adj. kullsteenachlig; — oölo-gie, f. elerleer, de leer van de vogeleleren en -nesten; — oümantio (spr. I=ls) en oösko-pie, f. de waarzeggerij uit eieren; oonme, f. eiwitstof; - oophoritis, f. Med. de eier-stok-onlstoking.

Oord, n. eene oude nederl. zilvermunt, een kwartgulden; — oordje, n. eene Ingebeelde munt = | stuiver of 4 penningen = 14 cent.

opaak, adj. lat. (o/iarus, n, um, fr. opaque) donker, duister, ondoorziebtig, beschaduwd; droevig, somlier; —opaciteit, f. (lal. opan-Ins) do donkerheid, ondoorzichliglieid; — opaque, n. fr. (spr. opaak) een soort aardewerk of fayence.

Opaal, m (Int. opölm, gr. opóllios, van \'1 sanskr. oepala, steen, edelsteen) een melk-hlauwo, weerglanzlge, glasaehlige, byna door-schynende edelsteen van het kiezelgeslacht; — opaliseeren (spr. s=z) of opalesceeren, barb.lal. den weerschijn of gloed des opaals ver-toonen; — opaliseerend of opaloscént, adj. weerschyiiend (als dc opaal).

Opaque, z. opaak.

ope cl conritfn, lat. met hulp en raad, of mot raad en daad.

Opokünsky-ssowjat, m. russ. (v. opéka,

53


-ocr page 886-

OPERA 866 OPHTHALMALGIE

vdOKdy en ssnwjal, raad) de voogdUraad in Rusland.

Opera, I) r, it. {ópera, d. i. eltt In t alR. werk, kunstwerk) een zangspet, muzikaal of toonkunstig drama of toonoeispei; — opëra-buffa (spr. —boelfa) f, (fr. oiiéru bnu/fon) een it. kluchtspel, zang-biüspel; — opëra-lyri-que, tr. (spr. —liriek) gevoeis-opera, lyrische opera; — opëra-sena (fr. opéra sériem) cenc ernslige, groote opera; — operétte, f. (it. operetta) klein zangspel; — operist, m. een opera- of tooneeizauger; — operakijkei\', z. pol c m o s k o o p.

opSra, -2) pi. lat. z. oud. opus.

opera, 3) t. lat. do arbeid; moeite; de dienst, het dienstbewys; opSra et studio, door moeite cn vlijt; pi. oprrae, Jur. heeren- of leendiensten ; o. determinUtae, bepaalde, afgemeten diensten; o. indeterminalae of illimitatae, onbepaalde diensten; o. jumentartae, spandiensten; o. manuarïae, lianddlensten, als maaien, dor-schen, iiooien enz.; o. rusffeae, diensten op de beerenhofstode; o. üemilorïae, Jachtiliensten; — opereus, adj. (lat. opcrósus, a, um) als adv ook operóse, moelUjk, met moeite, bezwaarlijk;

— operositeit (spr. s=j) f. (lat. operostlas) de moeilljkbold; overdreven l)eilryvlgheicl.

Operateur, operatie, z. onder opereer e n.

Operculariën, n. pi. nw.lal. (v. \'t lat.

operculum, deksel, v. openre, bedekken) dekseldiertjes, een- en tweeschalige schelpdieren met een deksel voorzien; ook eene plantensoort, dokseikruid; — operculieten, m. pl. versteende schelpdeksels.

opereeren, lat. (operari, v. opus, z. aid.) werken, kracht uitoefenen, van kracht z|)n; inz. heelkunslig werken of iets verrichten om eene genezing te bewerken, b. v. snijden, steken enz.;

— Operatie (spr. t=ts) f. (operaïïo) de werking, onderneming, verrichting; handelwijs; hy heelmeesters de genezing door snijden, steken, enz; de kunstbewerking; snede; ook de bewegingen of ondernemingen der krygslroepen, k r y g s - o p e r a 11 e n; — operatie-basis, f. Mil. de grondslag der krUgsbewegingen; inz. eene ry van vestingen, uit wier voorraad het verlies aan ooriogsbeboeflen cn manschap weder aangevuld wordt; - operatie-lijn, f Mil. de iyn, die verschillende tot hetzelfde doel bestemde corpsen steeds moeien volgen, en die zy door hunne bewegingen steeds moeten trachten te naderen, als zy gedwongen zyn geworden, ervan af Ie wijken; - operatie-plan, n. het plan der krygsbewegingen, bet ontwerp der onderneming; — operateur, m. fr. een opereerend heelmeester, li. v. oen oogarts, breuksnijder, sleensnyder, tandmeester enz.; — operatief, adj. nw.iat. werkend, werkzaam; inz. heeiknnstig werkend: operatieve heelkunde, z. v. a. chirurgie; — operatus, a, um, lat. in liet werk gesteld, gedaan enz., inz. opus opera/um, z. onder opus.

Operette, z. ond. opera 1).

opereas, z. ond. opera 3).

Operist, z. ond. opera l).

Operment, z. ond. arsenik, en z. ook o r p 1 m e n t.

open/se, operositeit, z. ond. opera 3).

Ophianen, z. o p h i e t e n; — ophiasis, f. gr. (van óphis, in. slang) Mcd. eene kale plek, die tusschen de haren In slangvormige wendingen voortkrulpt; — ophidia of ophi-dlën, n. pl. slangvormige dieren; — ophi-klelde, f. een nleuwelings uitgevonden slangvormig blaasinstrument van zeer lagen toon;

— ophiocephalus, m. slangenhoofd; ophiodónten, pi. versteende slangotanden;

— ophioglössum, n. siango- of addertong, eene plantensoort; — ophioglóssen, pl. versteende siangeiongen of baaletanden; — ophi-olatrie, f. of ophitisme, n. de slangen-vereering, aanbidding der slangen; —ophio-lithen, m. pi. slangversteeningen; — ophio-logie, f. de leer der slangen, natuuurbeschry-ving der slangen; — ophioraantie (spr. l=ls) f. de waarzeggery door slangen; — ophio-phaag, m. een slangeter; — ophiorrhiza, Itot. slangenwortei; — ophiosaurus, in. slanghagedis; ■—ophiet, z. serpent yn; — ophieten, m. pl. slangendlonaars, een gnostische secte van de üde tot de «de eeuw, die de slangen vereerde; — ophiüchus, m. do slangedrager, siangenhoeder, een sterrenbeeld;

— ophiürug, m. de slangestaarl, een lieen-dervisch; — ophiuride, f. Math, de siange-slaartiyn; — ophiurieten, in. pl. naar slangen geiykende versteeningen.

Ophir, n. naam van een beroemd goudland, waaruit de iiebneen goud, paarlen, edel-steenen en andere kostbare waren haalden, en dat men in Aral)Ui of Indlii te zoeken beeft.

Ophiuchus, ophiurus, enz. z. ond. ophiasis.

Ophthalmalgio, f. gr. (v. ophthalims, m. oog, en dlgos, pyn) oogpyn, oogiyden; ophthalmiater, m. (van ia tras, arts) een oogarts; — ophthalmiatne, ophthal-miatnêk of ophthalmiatnka, f. do oogheelkunde; — ophthalmiatrisch, adj. de oogheelkunde betrellende-, — ophthalmie, f. Med. de uitwendige oogontsteking, oogziekte;

— ophthalma oegyptiaca, de egyptischo oogziekte; - ophthalmisch, adj. ooghee-lend; de oogen botreirende; — ophthalmi-sche middelen of ophthalmika, n. pl. middelen voor de oogen, oogmiddelen, oogwaters, oogzalven;—ophthalmitis, f. Inwendige ontsteking van den ganschen oogappel; — ophthalmobiotiek, ophthalmobio-tïka, f. do oogverpleglng; — ophthalmo-blennorrhoea, f de oogdruiper, eene /.lekeiy-ke siymafscbeidlng In het oog -. ophthalmo-carcinoma, n. de oogkanker; - opb.thal-mocöle, f. do oogbreuk, uitzakking van bet oog; - ophthalmodulïe, f. de oogeiullenst; -- ophthalmodyme, f. lt;le oogpyn; ophthalmographie, f. de oogbeschryving;


-ocr page 887-

OPIAAN 867 OPPIGNOREEIlftN

— ophthalmoloog, m. con oogkumllgo, oogurls; — ophthalmologic), f. de oogleer;

— ophthaltnológisch, iidj. uokKuikIIk, de leer der oogen lielreirende; ophthalmo-lyma, n. de ontaardhiK, vernieling van den oogappel; — ophthalmométer, m, een oogmeter, een werktuig tot meting van don straal van de hoornvlleskromnilng en bepaling dor afwyklng van don kogolvorm; — ophthal-mometrïo, f. de leer van de inrichting on het gebruik van dal werktuig, oogmetlng; — ophthalmóncus, ni. eon bard ooggezwel in of aan hot oog; — ophthalmonosolo-gie, f, do loer dor oogziekten; — ophthal-mophantoom, n. cene Inrichting tot oefening la oogoperatien; - ophthalmophle-botomio, f. aderlating aan het oog; — ophthalmophthisis, r. atroptde of vor-dwUning van den oogappel; ophthalmo-ph^ma, n. hot ooguitwas, oogappel-gezwel;

ophthalmoplogie, f. de verlamming der oogspieren ; ophthalmoponio, r. bet oogtydeu; — ophthalmoptósis, f (b^ uitzakking van den ooghal uit zünc heenige kas;

— ophthalmorrhagie, f. de bloedvliet uit don oogbal; — opthalmorrhëxis, f. oog-verscheuring, bcrstiiig van bel oog; oph-thalmorrhoea, t de ultstortlug van idoed of etter in tiet oog-, - ophthalmoskoop, in. een oogonderzoeker (ook als werktuig); -ophthalmoskopie, f. de oogbeschouwlng, bet onderzoek van \'t zieke oog; (voorheen); waarzeggerü uit de oogen; ophthalmos-pasme, u. oogkramp; ophthalmo-spectroskoop, m. z. ond. spectrum; ophthalmosterësis, r. liet verlies of hot ontbreken van een oog of van de heide oogen;

ophthalmotherapie, f. de leer van de genezing der oogziekten, de oogiieelkuiist;

— ophthalmotomie, r. de oogontleding;

— ophthalmoxystör, m. of ophthal-moxystrum, n. een kerfborstei voor de oogen.

Opiaan en opiat, z. ond. opium.

Opifox, m. lat. werkman, handwerksman, handwerker; opifïcium, n. bet vervaardigde werk, het werk.

Opilatio, opilatief, z. o p p 11 a t i e.

Opimint, m. lat. {niunans, van opinUri, meenen) wie zUne meening uit, zyne stcui geeft, een stemmer.

opiniater, adj. fr. (Oiiinidlrc, mid.lnt. rt;»i-niasler, v. \'t lat. opinio, meening, dus elg. op zyn gevoelen staande, hy zyne meening biy-vende) hardnekkig, halsstarrig, styfboofdig, onbuigzaam, koppig, eigenzinnig; opinia-treté, f. dc hardnekkigheid, haisslarrlgheld enz.; — zich opiniatroeren (fr. s\'npinid-Irer) zich halsstarrig verzetten, eigenzinnig of hardnekkig op iels staan.

Opinie, f. (lal. (ipinio, fr. ojiininn) de mee-iiing, bet gevoelen, de schatting; de waan; — opinionist, in. barb.lat. een mecuer, iemand, die volgens meoningen of vermoedens oordeelt en op zyne meening iiiyft staan; opinee-ren, meeaen, van meening zyn.

Opiophaag, z. ond. opium.

Opisma en oplsme, n. gr. (v. upidzein, en dit van opós, plantensap) liet Inzamelen of opvangen en Indikken der plantensappen.

Opisthénar, n. gr. (van ópislhe, achter en l/iénar, ie vlakke band) de rug dei hand;

opisthocophalon, n. bet achterhoofd ; — opisthodómos, in. Arch, het achterdeel eens tempels; — opisthographio, f. hel schryven op de achter- of keerzyde van een blad; - opisthographisch, adj. van ach-leren of op de keerzyde hesebreven; — opis-thographum, n. bet hlad zelve, dat ook aan de keerzyde tiescbreven is; — opistho-kramon, n. Med. bel achterhoofd, de ach-tersciiedel, inz. het aciilerboofdstieen; — opisthotonos, m. de krampachtige achterover-kromming van het liciiuam.

Opitulatie (spr. He=lsie) f later lal. (opilulado, v. opilulari, heipen, v. ops, liuip en lullre voor (ene, brengen) de buipveriee-ning, hulplileding, hulp; — opitulator, m, lat. de helper, iiuipaanbrenger, een hynaam van Jupller.

Opmm, n. (lat. opïum, van \'t gr. dpion, verkiw. van opat, sap) heulsap, bel verharde melkvocht der nog groene slaapbollen in liet Oosten; — opiaan, n. z. nar kol ine; — opiaat, ii. Med. een slaapmiddel, pynsllliond middel, mei opium samengesteld; — opiophaag, in. een opium-eter; vgl. theriak.

Opobalsem, m. gr. (npnbdl.iamon, d. i. tialsemsap, van opós, plantensap) ook balsem van (Ulead of van Mekka, een kostbare, welriekende balsem van ecnen boom (Amj/ris (lileadénsis) in Arable; — opodéldok, n. (een woord door Ttieophrasius Paracelsus gesmeed) Jichtzalf, eene zalf van zeep, kamfer en geest van rosinaryn; — opopanax, m. of pa n a x-gom, f. (van \'t gr. pdnax of pdnakes, d. 1. elg. alheil) een geneeskrachtig gomhars uil den wortel eener soort van pasllnaken [l\'as-linSra opopUnax) in de Levant, in Z.Frank-ryk, enz.

Opoltsjénije, f. ross. (de rusting, de bewapening) de russ. landweer; — opoltsjé-netz, m. pl. opoltsjénzy, russ. de landweerman in actieven dienst, bel tcgengest. van nil nik (z aid.)

Oporine, f. gr. (van opéra, de vroege herfst, de oogsttyd) de hora van den herfst; vgl. li o r e n.

opórlet, lal. liet is noodig, men moet; als subsi. n. de dwang, noodzaak; oportcl esl mnla herlm, sprw.: moeien is een bitter kruid.

Opóssum, ii. naam, dien in ilc Vereenlgde Stalen ilc iiuideirat, liet buideldier draagt ; ook philander en fa ra gebeden.

Oppidanon, m. pi. lal. [oppidani, van ojtpidïum, siad) lieden oil de stad, stadslieden, stedelingen, inz. de bewoners van kleine steden.

oppignorooron, lat. [oppmorare of lie-


-ocr page 888-

0PPILAT1K

808

OPTIHK

ver oppiqnerare, van piijnus, hol pand) vur|ian-den, In pand govón; decrêlum ile nppignoianilo, verlof aan do opporvouKdyscliai) lol vorigt;nndint; van de nocdomi der pupillen-, - oppigno-ratie (spr /—Is) f, uw.lal. do verpanding, In-pandgovlng.

Oppilatio (spr. /=/.«) f. lat. (oppllnïïo, van oppilure, voi\'sloppon, v. pilarc, samondruk-kon) Mod. de vorslopplng — oppilatief, adj. versloppend.

Oppletio (spr. I=ls) f nw.lat. (van lt;ip-plcre, vullon) do overvnlllng, de overlading dor maag.

opponeoren, lal. (nppsnlre, van ponëre, zeilen, stollen) togenstollen, legonoverzetlen, he-slrUden, logensprokon, togenwerplngon maken;

zich opponeeren, zich verzeilen, wederstreven; opponént, m. (npimnens) eene tegenparty, oen heslrUdor, legenspreker; op-posïtum of Ir. opposé, n. hel tegenüeol, logenovorgeslelde, legenspel, legenslolllng; pl. opposita, logenovorgeslelde dingen, logen-slolllngon; — oppositie (spr. -zi-lsie) t. (lat. npposiHn) do logeiislelllng, legonsland, wederstand, tegenspraak, legonparHj; Aslron. de le-genoversland van eene planeet, als deze, van de aarde gezien, recht tegenover do zon slaat; vgi. conjunctloj ook z. v. a. oppositiepartij, f. do togenzyde of legonparty ; Inz. de politieke of hurgertyke party van verzet, die do heerschondo party of de regoorlng tegenwerktoppositief, adj. nw.lat. logonover-gosleld.

opportuun, adj. lal. (opportüms, a, urn) gelegen, gosohlkl, gunstig, tydig, te gologenor Igd; — opportuniteit, f. (lal. npporlmnlns) de gesohlkle iyd of gelegenheid, do gepastheid, eene welgolegcnkomendo oinstandlghold ; ook do aanleg, valhaarhold of ontvunghaarheld, h. v. voor eene ziekte; —opportunisme, n. fr. polllleko gedragsiyn, waarhy men rekening houdt met de omslandlghodon of do tydsgelogenheld en oeiie afwachtondo houding aanneemt wat do toepassing zyner hegltisolen hetreft; oppoi\'-tunist, in. nw.lat. oen gelogonlioldsmensch, hy, die do gelegenheid woel waar Ie nemen en zich ten nutte le maken; Pol. staatsman, die met de omstandigheden rekening houdt, In plaats van do onmlddoliyke toepassing zyner lioglnselen te olschen (In logonst. mol Int ra list g e n l); — opportunistisch, adj. do gelegenheid waarnemend; hel staatkundig opportunisme hotroffonde of dal aanhangend, h. v. opportunistische politiek, pariy, enz.

Oppositum, oppositie, enz. z. oud. o p p o n o e r e n.

opprimoeren, lal. {opprim/Sre, van premin, drukken) onderdrukken, overweldigen, verdrukken, dempen, hoklominon; oppróssie, f. {oppnsslo) de beklemming, onderdrukking, verslapping, de druk, strengheid, het geweld; — oppressief, adj. nw.lal. onderdrukkend, verdrukkend, hedwlngend, dempend.

opprobreeren, lat. (opproMre, v. pm-brum, beschimping, verwyi) verwijten, beschimpen, tol smadeiyk verwyt maken; — oppro-bratie (spr. t—ls) f (npprobraCfo) de bescblni-plng, smaad, hoon, schande, hliiarn; eene hoo-nende berisping, een smadeiyk verwyt; onk opprobrium, n.; opprobriëus, adj. (later lal. opprnhridsus, a, urn) smadelijk, hoonond.

oppugneeren, lat. (oppuqnare, van pun-nare, slryden, pwjna, kamp, oorspr. vuistkamp, v. pufinus, \\ulsl) beslryden, bekampen, aantasten; — oppugnatie (spr. t=ls) f. [np-puiinaiïo) de belegering, aantasting, aanvul, be-kamping; oppugnator, in. de aanvaller, bevechter, belegeraar; - oppugnatörisch, adj. (lat. nppuqiintorïus, a, um) aanvallend, belegerend.

Ops, f. Myth, eene oud-rom. godin, zusier en gade van Salurnus, z. v. a. de grieksche K h o a

opsianthisch, adj. gr. (v. opse of npsi. laai en dnlhns, liloesemj laalbloelend; op-sigamie, f. hel lale bnweiyk (eerst in den ouderdom); opsigónisch, adj. laat verwekt of geteeld, laat ontslaan; — opsima-thie, f. hel late aanleeion eener zaak in den ouderdom.

Opsis, f. gr (v. nptcin, zien) de aanschouwing, het zien; — opsiométer, m. z. v. a o p I o m e l e r.

Opsomame, f. gr. (van «/«on, gekookte spys) hartslochteiyke verzotheid op lekkernijen, smulwnede; opsomaan, m. harlstochteiyk liefhebber van lekker olon, iemand, die oplek-kernyen verzot is; opsophaag, m. een moeskruideier; ook een lekkerbek; — opso-phagïe, f. hel moeskruiden- «f groenten-eten . de lekkerbekkery.

optabel, adj. lal. (oplnbllte, e, van optdre, wenschen) vvenschenswaard, veriangenswnard, begeeriyk; optatie (spr. tie=tsie) f. (lal. opltilïn) het wenschen, de wonsch; — optatief, adj. (lal. oplalivus, lt;i, um) wenschend, oenen wensch bevallend of uitdrukkend; — optatïvus of optatief, z in o d us; — np-Idln, li. naar wensch; opteeren, lat {up-tare) kiezen, verkiezen; wenschen; — óptie (spr. t—s) f. (lat. npltn) de vryo keus, hel kles-recht; Inz. de keuze van hel vaderland of lol welken staal men zal heliooren, welke keuze aan de bewoners eener geannexeerde provincie lol zekeren tyd gelaten wordt; -optant, m. de kiezer, Inz. ten opzicble van bel vaderland; — optionis jus, z. jus optionis.

Optiek, optïka, f. gr. (oplikr, v. nplein, zien) de gezichikunde, lichtleor; do weienschap van lie nalunr des llchls en de wetten van bet zien; — opticus, m. (fr. nplicien) lichikun-dlge, een gezichtkundige; een oogglassiyper, brillenmaker, enz.; optisch, adj. lol de leer des lichts bohoorende, gez.lchlkundig; optisch bedrog, een oog- of gezichtsbedrog; opllsche glazen, odgglazen, kijkglazen; optische hoek, de gezlchlshock; optilo-


-ocr page 889-

om.mus

ORANGE

809

gion, ii. ilc ooKsiirokoi\', ecu werktuig lol po-ilaolilenwlssollii)! mot (loorstommon; — opto-méter, m. oen worktuls Ier hopiillng van ilo zlenskraclil of van hol KczIclilsvermoKon, als-mcilo van ilo hinndpunlsafslands dor voor con kort- of vi\'rziciitige noodlge lirillon.

opCfmwt, u, um, lal. (suporl. van tonus, goed) do of hot hoste; — oplïmc, opperliest, zoel\' good; — optïmus maxïmus, in. con liynaam van Jnpllor, do liosle en grootste; - opti-maten, in. pl. (lat oplimUtes) do voorniimen, aanzlonlUkon; optimatie (spr. tie=lsie) 1. nw.lal. z. v. a, a r I si o k rat I e (z, aid.);— optimisme, n. de leer van do licsto wereld (van l.eihnllz); de neiging om ulli\' dingen van don hosten kanl te liozlon; —optimist, m. een verdediger of lieiydor van Lolbnllz\' lio-vcngcnocnido leer; ook Iemand, die geneigd Is alle dingen van don heston kant Ie iiozion (liel legengest. van possiinlsl); - optimistisch, ad), mot hol opllmlsme ovnrcenkomonde, dat aanhnngende; — optimitoit, f. (laler lat. oplimttus) do voorlrelTolUkhoid.

optisch, optometer, z ond. optiek, opulént, adj. lat. {nimlóntus, a, urn) zeer vermogend of ryk, overryk, wei gegoed; — opuléntie (spr. lie=l.iie) f. (lat. opulenlïa) groote rykdom, overvloed, aanzloniUk vermogen.

opullfolius, a, urn, lal. Bot, mot bladeren ais die van don sneeuwhai of Goldersclio roos, Opüntio (spr, t—ts) f, de vygdislei, hloed-vyg of gomeene Indische vyg (Cactus npunlïa, naar Opus, genit, Upunlis, ecno slail In Loeris in Griekenland, zoo geiieclcn) ook nopal, ecno plant In Amerika, op welker dikke, eironde bladen de coclicniilo looft; hol gehruik van hare zeer zoele, bioedroodc vruchten verft de Ids rood.

Opus, ii, lat. oen werk, Inz, con geleerd werk, hoek, goschrift enz,; pl, opfm, werken, geschriften; opéra omnia, al do werken, do gczameniyke schrlfleii; o, misericoriliae, werken van harmharilgheld; n. pnslhnma, nagelaten werken; opera quae supersunl, de nog voorlmnden werken eens scbryvors; opera se-lécta, üitgolozcn werken; opus alexanilrïnum, cene soort van kunslmatlgc stoonlniegglng (mozaïek) van do vloeren In de oudheid; opus HercuHum, een liercuiischo ariieid, een werk, dat reuzenkracht vordert; opus mcirtum, een onregelmatig werk, oen sleenverband, nil onregelmatige en zonder bepaalde orde met elkander verhondon stukken; opus mallei, eig, oen hamorwerk; eone geslagen of gobainerdo koperen plant; opus musivum, z. v. a. mozaïek; opus operatum, een werk, dat gedaan wordt om slechts gedaan ie z.yn, zonder er op Ie zien boo on waarom; Inz. gedaebtoiooze vor-licbting van uiieriyko godsdlcnslgobmlkcn; opus posthiimum, een nagelaten of eerst na des schryvers dood ullgegoven werk; npus reticu-lütum, een nelvonnig werk, notvorband, een muurwerk, waarby de voegen tusschen do vierkant gevormde steonen diagonaaliynon vormen-, ojdts rusüeum, n, Arob. een boerscb bouwwerk, vgi. bossage; npus supercrnijnlionis, z. su-pererogatlo; opus leclorïum, bckleodings-werk, de liuitonslo en fijnste inuurhodokklng van miirinerstuc; opus lesselatum, teerling- of (lobbolsteenwerk, oen toeriliigvonnig mot kleine marmerstukken van verscheiden kieuron Ingelegde vloer; opus leslwlincum, scbllilpndwerk, mot schildpad ingelogde borden, schotels enz.; — npusciilum, n. een werkje, klein geschrift ; pl. npusciila.

Or, i) m, z. v. n llorus (z. aid.) Or, i) oone perziscbe rekenmunt = ^ 1 o-man of ongeveer SS cents.

Or, 3) n. (eig. m.) fr, goud; — or battu, geslagen of bladgoud; or de Manheim (spr. manen) Mamiheimer goud, goudkleurig mengsel van koper, messing en lin (vgi. semilor); «r ile lavage, wasebgoud -, or en rhaux (spr. a« sjo) of or en coi/uille (spr. kokielj\') schelpgoud, schlldorsgoud; or ijris (spr. nrl), grys goud, mengsel van goud enslaul; or haché (spr, asjé) ruwe vergulding; or couleur (spr. koeléür) goudgrond liü verguldingen; or moulu (spr, moelü) soort schildergoud; or nat ff (spr, -lief), godegen goud; or vert (spr, wér) groen goud, niongsol van goud en zilver; linjiot il\'or (spr./e/if/ó dor) slaafgoud.

ör, z. oer

ora, lat. (van orare, sproken, bidden, bid-dond spreken, v. ös, genit. oris, de mond) bid I hidden! ora el lahoro, Md en werk! ora pro nohis! bid voor ons! orale, bidt! oremus, laai ons hidden (bij do kath. mis vóór iiol gebed); \'l is daar oremus, \'t ziet er dnur jammer-iyk uit-, — oranten, m, pl, (lal, ordnles) bld-denden, bidbroedors.

oraal, nw.lal. [nrSlis, e, van os, genit, oris, de mond; hol anngozicht) mondeling, monde-lijU-, orale wet, oene mondoiinge wol; — ora les submissw, Jur. inondciing aanhangsel of loevoogsel lol een vonnis enz.; orale, n. de pauseiyko iioofdsiuior, die om do schouders gcslngen wordt en o]) de horst afhangt.

Oracnlist, m. nw.lal die voor een orakel (z, aid.) wil gehouden worden-, — ora-culeus, adj. godspraakachlig, orakolvormig,

orageux, adj, fr. (spr. —zjeuvan oraqe, slorm, oudfr. zacblo wind, provenr. nuratije, van \'l oudfr. ore. provonc. aura. It. ora, aura, lal, aura, lucbiirokking, tocht, wind) storniach-iig, onstuiinig, woelig, onrustig.

Orakel, n. lat. (oracülum, v, orare, sproken ; vgi, ora) by do oude (triokon do voorgo-wondo uitspraak der goden, do godspraak; do oponbnrlngspiaats, de zetel der godspraak, it. v. die van Apollo te Delphi; onelg. iedere raadselachtige of ook ais onwederleghaar aangekondigde uitspraak; ook een algemeene of allerwegen vereerde raadgever, oene vraagbnak -, — orakelachtig, adj. geheimvol, raadselacli-tlg, duister.

Orange, t) f. fr. (spr, oramj ,■ 11. aruncia, (irancio, mld.lat. arani/la, auranlia, venei na-


-ocr page 890-

OHCHESIOGRAAF

ORANGE

870

riiiisa, sp. mranja, v. \'I arab.-porz. nArandsj of ndrann, en voorts in nw.lal. vervormd tol po-mum auranliuni, il. I. Kouilappol) do oranjo-appel; oranjeboom; ook de oranjekleur, het oranje (roodgeel); — orangeade, f. (spr. orainjaad\') oranjewater, een drank uit oranjesap, suiker en water uf ook wUn; In tiet laatste geval blsseliop; — oran-geat, m. (spr. oraiizji) InKeniaakte oranje-schlllen; — orangelétten, f. pl. (spr. nmii-:je—) kleine onrUp gedroogde oranjeappelen;

orangerie, f. (spr. oraiizjerie), oranjerie, eene verzameling van ellroen- en oranje-boomen, enz.; ook eene broeikas; — oranje-spin of curaeao-spin, eene zeer vergiftige spin.

Orange, 2) (spr nra/nj\') of Oranje, n.

oertUds een klein vorstendom in Frankryk, dat van de tide tot de lilde eeuw eigen vorston bad; Ibans voert de oudste zoon van den koning der Nederlanden den lllcl: Prins van Oranje; — Orangisten, m. pl. aanhangers van het huls van Oranje In do Nederlanden, Oranjegezinden, Oranjeklanten; ook de politieke party der Protestanten In Ierland (eng. tii-tin-flemen, naar Willem III van Oranje zoo genoemd, die bet ten gunste der Stuarts opgestane Ierland onderwierp), welker samenkomsten men oranje-logos noemt; - oranjekers, eene geelroodc, donkerrood gevlekte, aangenaam zuurachtige kers.

Orang-oetang, m. malelseb (ordng oelan, van tirann, quot;lenscb en oetan, woud, wildernis, wild) de ooslind. woud- of boscbmonscb, een zeer sterke, omtrent 1,11quot;) M. boogo, gemeentyk rechtopgaande aap op liorneo, enz., ook Jocko gebeeten.

Oranje, enz. z. orange.

Oranten, ora pro nobis, enz. z. ond. om.

Orarïum, f. lat. (van os, genii, oris, aan-geziebt) een zweetdoek, een gedeelte van de prleslerlgke kleedy In do roomscbe en griek-scbe kerk.

Oratie (spr. /=/.«) f. lat. [oratio, van orare, spreken) eene rede, redevoering; — nralfn, f lal. rede; oratio obUqm, z. ond. obliquo; oratio prn domo, rede voor zyn eigen huis, waarin men voor zyn eigen belangen enz. optreedt; ook: gebed: oratio dominïca, hel gebed des Heeren, het Onze-Vader; — orati— uncüla, f. eene kleine, korte rede; - orator, m. een redenaar; —oratoria of ora-toriek, f. nw.lat. de redekunst; - oratorisch, adj. (lal. oratonm, lt;i, urn) op redo-naarswUzo, redekunstig; — oratorium, m., pl. oratoria of oratorïën, 1) een bidvertrek, bedehuis; i) Muz. eene soort van muzikale drama\'s van ernstigen, meestal byhelschen inhoud, die eene handeling of eene gebeurtenis door gezang of gebarenspel vertegenwoordigen; een geesteiyk zangstuk; priesters van hel oratorium, de leden eener geesteiyke orde, welke Phiilppus van Nerlin i.\'iTi te Rome stichtte.

Orb., DU natuurwetonscliappciykc benamingen afkorting voor A. d\'Orbignv (gesl. ISM).

Orbatie (spr. t—ts) f. lat. (orbaïïo, van nrbare, borooven van \'t geen Iemand lief is, b. v. kinderen van hunne ouders, van orhus, beroofd, ontbloot, ouderloos gemaakt) de beroo-vlng. Inzonderheid van de ouders, bot wees-worden.

orbiculair, adj lal. [orbicutSris, e, van orbiculus, vorklw. van nrbls, kring, schyf) kringvormig, rond, ringvormig; — nrbiculntus, a, urn, lat. Hot. cirkelrond; — orbiculie-ten, pl. nw.lat. versteende cirkel- of schyf-scbelpen.

Orbil;us, lat. of afgek. Orbiel, m. een

knorrige, strenge schoolmeester, brompot, schooltiran, eig. de eigennaam van een knorrigen taalmeester, die te Kome ten tyde van llora-lius loefde en vroeger raadsdlenaar en soldaat was geweest.

órbis, m. lat. kring; Iels cirkelvormigs, iets ronds, schyf, enz.; Inz. ook aardbol, wereldrond; — orbis piclus, lat. de geschilderde wereld, preidenwereld, ook wel de wereld in bel boek of voorstelling der voorwerpen van natuur en kunsi door prenten, oen kinderboek, het eerst door (ïomenius opgesteld; — orbis terrarum, m. de aardbol; urbi et orbi, aan do stail (Home) en de aarde (den pauselyken zegen geven).

Orbïta, f. lat. (v. orbis, kring, bol) het wagenspoor; do kringloop, baan; Anal, de oogholte; — orbitaal, adj. nw.lat. de oogholle betroiïendo of daarloe behoorende.

Orbiteit, f. lat. (orbïtas, van orbus, a, urn, kinder- of ouderloos) kinderloosheid; ook oudorlooshold, de weezenstaat.

Orbitolithen of orbulieten, m. pi. lat. gr. eene soort van versteende koralen van vlakke, hyna cirkelronde gedaante, z. v. a. n u m-m u 11 o t e n.

Orca, f. lal. do noordkaper (z. aid.) een soort walvlsch

Orcaan, z. orkaan.

Orcanétte, f. fr. hol. roode ossotong, eene verfplant; — orcanettine, f. do roode verfstof dier plant.

Orceme,_f. z. onder or cine.

Orcheocêle, orcheotomie, z. onder o r c h 1 s.

Orchesiograaf, m. gr. (van órehesis, dans, onhëisthai, dansen) Iemand die over hol dansen schryfl; orehesiographïe, f. de dansbeschryving, dansleekerdng (vgl. choreograph ie); — orchést, orkést, n. (gr. orchestra, f.) de dans- en zangplaats by de oude Grieken, of die plaats van bet tooneel, waar liet koor placht te dansen en te zingen; hy de Uomelnon de plaats van het tooneel, waar de senatoren zaten; tegenwoordig do speel- en zangplaats der toonkunstenaars In concerten en in den schouwburg; ook do gezameniyke muzikanten zeiven; — orchestiek, orche-stïka, f. de danskunst; — orchestrion, n. een door den abt Vogler uitgevonden en


-ocr page 891-

ORCHIS

OHDUK

in ns» liel eerst to Anisterdum vertoond s n u u r-orueI, ook orktuiocliorilluin Konoemd; ook een door Kun/, to l\'riuig in ITJI uitgevonden soortgelUk Hult- on snaarinstrument In de go-dannte van een vlougelklavlor; nog oen door Kaufmann te Dresden in IHöl uitgevonden groot zolfspelond muziekinstrument; — or-chostreeren or orkestreeren, oen mu-zlokstuk voor do vorscliiliende iiartyon van liet orkest bewerken; — orchestratie of orkestratie (spr. tie—tsie), f. dezo howerklng voor orkest.

Orchis, m. gr. do teellial; eene plant met lioivornilge wortolknollen; — orehidalgie, f. de toellmlpUii; — orchidéën, pi. orcliis-iielitlge gewassen; — orchidocële of or-cheocële, f Mod. de lialzakiireuk; ook eon teelbalgozwel; — orchidodynie, f. z v. a. orcli Ida iglo; — orchidóneus, m. een hard teelbalgezwel; — orchieten, m. pl. steenen, die In vorm naar de toelliallen goiy-keii; — orchitis, f. Mod. de teollialontsto-king; — orchitomie of orchotomio, f. do teolbalsnedo, de ontmanning, z. v. a. oa-strat I o.

Orcine, f. lat. een uit korstmossen door koken mot kalkmelk verkregen silksioilooze stof, die door invloed van vochtige luclil en ammoniak tot do stikstoflioudoiide orce\'me wordt, ter bereiding der or se II ie gebruikt.

Orcus, m. lat. de onderworohi, het doo-denryk, z. v. a. Tartarus (z. ook l\'lulo).

Ordaal, ordalium, n. jd. ordaliën, mid.lat. godsoordoelen, onsc\'huldbewüzen, in de middeleeuwen eeno soort van gerechtelUk iio-w|)s, volgens \'I welk men do uiispraak over do schuld of onschuld van eonon aangeklaagde afhankelUk maakto van den uilslag, die zekere levensgovaariyko prooven, b. v. hot twoogeveebt, do vuur- of waterproof, voor hom hadden; (uil hol nedoii. oordeel werd het mld.lal. onlu-hum gevormd en tot ecu kunstterm dor rochts-geloordhold gemaakt).

Orde, f. (van \'t lat. or do, z. aid.) stand, genootschap, woroldiyke of gocsteiyke tiroeder-schap loi bepaalde oogmerken, met zekere or-dosrogolon, herkeiiningsioekoiis, onz. (ridder-, monnikenorde), wiiardigbeid, waardiglieids-, eere-on ondorscheldingsteekon; — orde de la trappe, z. trappisten; — ordes-kapittel, n. vorgadoring van de medoiodoii e\'onor ridderorde (vgl. ca pit tel); — ordes-in-signiën, pl. ordoteekons.

Ordo, m. (gen. onltnis) lal. do ry, de ordening; afdeoiing, klasse, stand; pl. ordtnes, ook wyding, luw ydlug (z. oud. or dl nee ren);

— ordmes imperfl, pl. do ryksstandoii; — o. provinciates, pl. de gewesieiyko of lamlsstan-den; — extra ontineni, bulten de orde of ry;

— ordinale, n. pl. ordinalia, c.raui. toi-woorden van ordo, b. v. do eerste, tweede, derde, enz., In tegenst. met ca rd in ai la; —ordinale, n. nvv lal. (eng. en fr. ordinat) hel re-golboek, kerkboek dor aiigtlcaanschc geestoiyk-hold; — ordinair, adj. (lal. ordinarius, a, urn, fr. ordinaire), gewoon, regolinalig, gebrui-koiyk; gomeen, gering, laag; — ordinario, li. Muz. op do gewone wyze; — a t\'ordinaire, tr. als gcvvooniyk, op gewonen Irani; moestal, mees-tondocls; — ordinarius, m. lat. (sell, professor) oen gewoon, met bezoldiging aangesteld hoogleoraar op hoogoscholon, In tegenst. mot extraordinarius; In de K. Kalh. kerk de bisschop, als de oigeniyko kerkrogent van zyn gebied; vandaar: cum facutlate ordinarïi, met loostommlng van don bisschop of van de hoogere goosloiykheld; — ordineoren, lat. (Onlin/ire), iemand—, of hem de oniïnc* mededeel en, do inwyding lot hol goesteiyk leeraarsamhl, honevoiis de daarmede veilionden rechten i\'ii ainhlsverrichtingon opdragen, lot prediker aanslollen, liiwydcn, inzegonoii; hy de It. Kalh. do pi\'iostorvvydiiig geven; — ordi-nandus, in. een priester die gewyd moet worden; een kandidaat, die tot hot predikambt zal gewyd worden; — ordinant, in. (lal. ontïuiDisi do inwijder, vvybisschop; — ordinantie, f. z. ordonnantie; — ordinaten of a pp li ca ten, pl. nvv.lat. Math, evon-wydig aan elkandor loopende rechte lynen, die van de lyn dor a bso Is son (z. aid.) naar de punten van den omtrek eener kromme lyn gelrokken worden; — ordinatie (spr. t=ls), f. de inwyding, bevesiiging in hei prodikaiulil (hy l\'rolostanten), of in don priostersiaiid (by Kathulieken), de priostorwyding.

ordonneeren, fr. {ordonner, imdrr. or-dmer, ordoner, lat. or dinars, vgl. ordl nee-ren en o rd re) ordenen, verordenen, liovolen, gelaslen, voorschr(|ven, gebieden; — ordonnantie (spr. t=ls), f. (fr. ordonnance) verordening, gebod, voorschrifi, bepaling, verordening, die van hei opperhoofd der rogoering uil-gaat; do ordonnantie eouor schildery, haar aanlog, ilc schikking en ordening van bare verschillende ilgureii; — ordonnans, in. Mil. dionstwachi, een soldaat, die zich bestendig om eenen bevelvooroiidon otlicior moei liovindon, om /.yne hevelen uil ie voeren; In eenigo oorden ook z. v. a. extrapost; — ordon-nans-ofiicior, m olliclor, die lierlclilon, hevelen, enz. overbrengt; — ordonnateur, m. oen verordenaar, aanwyzor, opzlonor.

Ordre, f. in hel fr. in. (oudfr. nrdene, or-dine, van lal. ordo, gen. onttnis, /.. aid.) do orde; ordre de la IJgion d\'honneur, orde van hei legioen van eer; ook liet bevel, de last, hel gebod, de verordening, order: ook het vvachl woord, parool; by wissels bot recht om de ontvangst van het bedrag op een ander over te dragon; ook de persoon die daarhy voor een ander in de plaats Iroedt; vandaar: order papier, aanvvyzingen, wissels, Inz. welke, ofschoon op oon bepaald persoon luidende, door endossement (z. aid.) op oen ander kunnen worden overgedragen, door by vooglng dor woorden: quot;aan de orde van. ..— par ordre, op bevel; z. ook mufli; — ordre de baiaille (spr.


-ocr page 892-

ORGIËN

OREADE

872

dbalalf). Mil. do sliik\'ordo; — onlrc ile campaune (spr. —d\'kumpdnj\'), voldordo; — ordre de pa-rade, parudcordc; — ordre du jour (spr. zjoer), dngoider, dURbovel,

Oreade, t. pi. Oreaden, gr. (Oreids, pl Oreiddes, van dros, berg) bergnimfen, zie nvm p h.

Orego, /.. v. a. origanum.

oregonus, a, um, lat Hol. uil Oregon (N. Amerika) afkomstig.

Oreiller, m. fr. (spr. nreljé-, van oreille = lat. auricula, verklw. van auris, nor) oen oorkussen, klein oorkussen, slulmerrol; — oreil-lette, f. (spr. oreljétt\') bet oorrlngotje; — oreillon, /.. orlllon; — oreillons, in. lil. (spr. oreljóii) ontstoking der oorklieren. orimus, z. ond. ora.

Oreodóxa, f. gr. een -i.\'! tot so M. hooge palmsoort in Zuld-Amerlka.

Oréstes, m. naar de oud-gr. sage de zoon van Agamemnon, koning van Myceme, en van Klytuimnestra. Iiy wreekte den moord, aan zijnen vader door Klytiemnostra en baron boel figlslbos geploegd, door bet ombrengen zijner moeder, werd daarop eehter door do Kunienl-den vervolgd en krankzinnig. Iiy Is een der voorname belden der grlekscbo Irag(Cdie-, vgl. ook Pylades.

Orestiade, f. pl. Orestiaden, gr. z. v. a. Oreaden.

Orexie, f. gr. {oréxis, van orégein, uitstrekken) de begeerte, bet streven; Med. Inz. de eetlust, groote en gedurige trek naar spijs; liet zuur op de maag

Orfèvrerie, f. fr, (v, oc, goud, lat. aurum, en fuher, lat. de smid, waarvan hot alleen In samenstelling voorkomende fr. févre) de goud-smldskunst; ook goudsmidswerk; orfèvre-rie-Christofle, goudsmidswaren uit oen door (\'.bristoile te Parijs uitgevonden argentaan; vgl. C b r 1st of I e-meta a I.

Orgaan, n..gr. organon (v. érgon, werk, érgeln, érdeiu, doen) werktuig, luz. weleer een muzleklnslrument (vandaar ons o rge I, mld.lat orgünum: nrgmin plena, met vol orgel); werk-of hulpmiddel, hulplld; een zelfwerkend deel van een geheel, Inz. zinswerktuig of zintuig; spraakwerktuig, stem, b. v. van oenen zanger, tooneelspeler; onelg. de persoon, door wien men Iets iaat zeggen of doen, de spreker, optreder; organon, ook een bijzondere naam der Aristotelische logica, als gevende aan de mensche-lijke begrippen een Innerlijk verband; ook de voorstolling van een wetenschappelijk voorwerp met Inneriyke, als ware \'I organische verbinding; — organisateur, m. fr. regelaar, bü dio ordent, rangschikt, Inz. eenon staat regelt, eene orde sticht; — organisch, organiek, adj. met organon of werktuigen, Inwendige vaten, hulzen, enz. lol groeien, loven en gewaarworden voorzien (geiyk de dieren en planten), bewerktuigd, levend, bezield; ook aan organische lichamen eigen, daartoe hehoorendo; b.v. or ga n Isch e w et te n, Jur. wetten, door welke het staatslichaam in zyn Inneriyk leven wordt ingericht; ook In hel alg. gewlcbiigo, beslissende wetten; organische chemie, dat gedeelte der scheikunde, dat zich met de verbindingen der saniongosleldo groepen en planten, dieren of aan deze ontleendo lichamen bezighoudt; — organiseeren (spr. s=z), barb, lal. (fr. organiser) met organen voorzien, bezielen; vormon. Inrichten, ordenen ■. — georganiseerd, z. v. a. organisch bezield, gevormd, volledig ingerichtj - organiaeering (spr. s=z) of organisatie (spr. -za-lsie), f. de vorming, iniicliting, houw van een lichaam; de bezieling; — organisme, n. de organische bouw, do samenhang der leden van een geheel, de levende, gelede gestalte, bet huizon- en vatenstelsel, bet geheel der verrichtingen, die de organen volbrengen; - organist, m. mld.lat. (organisla) een orgelspeler, Inz. een als zoodanig In do kerk aangesteld beambte; — orga-nochordïum, z. orchestrion; — or-ganogenio, f. de organen-vorming; de leer van hot ontstaan van organische wezens; — organognosie, f. de kennis en onderscheiding van bewerktuigde lichamen; — orga-nographie, f. de organenbeschryvlng; ook boscbrüvlng van niuzleklnstrumenleii; or-ganologie, f. de leer der organen; ook de Instrumontonleer In de geboortehulp; — or-ganonomie, f. de leer van de wetten des organlscben levens; — organoplastiek, f. organenvornilng; — organopoous, m. een machinemaker; de eigenaardige levenswerkzaamheid der organen; — organoskopie, f. onderzoekende beschouwing der organen; — or-ganotaxie, f. de rangschikking der schepselen naar hunne organen; — organozois-me, n. die soort van hyioz.oïsme, welke alle loven, ook hel hoogere van denken en willen, uit bet enkele organisme der stof afleidt;

— organozoönomïe, f. de theorie van do wetten des levens in de organische liebamen.

Organdijn of organdy, m. (fr. organ-dis) een oosllndlsch katoenen weefsel, gelykendo op mousse line on 11 non; vandaar org and v-11 ut.

organisch, organiseeren, organisme, enz., z. ond. orgaan; — orga-nochordium, z. ond. orcbeslographlo;

— organoskopie, enz., z. ond. orgaan.

Organsijn, n. (fr. nrgansin, 11. organ-

zino), of organsijn-zijde, keiiingz.yde, ge-twynde of getweernde zyde.

Orgasme, n. gr. (v. organ, zwellen) golving, sterke beweging van het bloed en andere vochten, opgezette volheid, hevige aandrift; — orgastisch, adj. opzwellend, sterk golvend en voortdryvend.

orgaslicus, a, um, lat. Hoi. lookachllg.

Orgeado, f. fr. (spr. orzjddd\') of orgeat, m. (spr. orzjdv. or ge, gerst) gersto-drank, koeldrank; amandelmelk.

Orgel-harmonika, f. z. cool est I no.

Orgiën, pl. gr. (órgia) In \'talg. gehelmo


-ocr page 893-

ORLEANIST

ORGOSIS

«73

jiodsdlenslgchrulken; Inz. de mei drunken woestheid nevlerde bucchus-feeston en -oirers; diii\'Ik. imchteUlke zwelgerüen, zulpparlUen; — or-giast, rn. van orgiddzein\', orgltón vieren) de insjewüde, die de orgiën viert; — orgiastisch, iuij. dweepachtig opgewonden, z. v. a. enthu-sla stisch, wild razend.

Orgösis, r. gr. liever orgasme, z. aid. Oriënt, n. lat. (ortens, sell, sol, de opgaande zon; van orïri, opgaan, ontstaan, enz.) fr. orient (spr. oriaii) de morgen, het oosten, het morgenland, de oostelyke landen, in tegenst. met Occident; — oriëntaal, adj. lat. orienluHs, c), uostersch, murgenlandsch;— oriëntaal, m. een oosterling, een murgen-lander; — oriëntaal, n. een katoenen weefsel, ouk engelsch ieder ut salgn geheeteii; — orientaliseeren (spr. s=t), op oostersclie wUze Inrichten; — orientalismo, n. nw.lat. de oostersclie taaieigenheid; — orientalist, in. een kenner van oostersclie talen, Inz. der Semitische (z. aid.); — orientaliteit, f. de uostoiykheid, oustelUke ligging; uustersche of morgenlandsche iioodanighcid ut eigenaardigheid; — zich oriënteeren (fr. s\'wienier), zich oostwaarts richten uf elg. de plaats van ilen opgang der zon zoeken, om alsdan ook de overige liemelstreken te kunnen vinden en zich daarnaar te richten, geigk dat dour de zeevarenden, vóór de uitvinding van het kuinpas, moest geschieden; zich met de ligging en ver-houdingen eener plaats hekend maken; onelg. een standpunt aannemen, zicii In den verelsch-ten toestand plaatsen, zich hehouriük inlichten, nauwkeurige herlchlen Inwinnen, /.Ich als te huls maken; — oriënteering, t. het nemen van een goed standpunt, het t\'liuis-worden, In-llclltlngen uf kondschap inwinnen, enz.

Orifloium, n. lal. (van os, genii, oris, mond) de mond, monding, opening.

Oriflamme, f. tr. (pruvenc. auri/lan, mld. lal. aurlflamma, van \'t lat. aurum, gumt, en [lamma, vlam; mid.iat. kleine vaan, wimpel) de ryks- uf krygsvaan, de voormnllge fransche hoofdvaan (sedert IHi) oorspronkeiyk eenclans van verguld kuper met eenen wimpel van vuur-roode zyde, die in drie punten uilliep, leder met een gouden kwast vourzlen; aanvankeiyk de hauler der ahdy van SI. Dlonyslus.

orifórm, nw.lat. (v. ós, mund, genlt. oris) mond- en mulivormig

Origanum, n. lat. (gr. nriganon en nrci-nation) or ego, gruole majuraan uf marjolein, eene plant, die als keukenkruid zeer gezocht Is.

Origenisme, n. de leer van Orlgenes, die in de Me eeuw te Alexnndrie leefde; hy leerde under anderen, dal (Ihiislus enkel duur aanneming ais kind (adoplle) (lods zoon Is geworden, dal de stratlen der verduemden niet eeuwigdurend zullen zyn, dat de zielen reeds voor de schepping hestaan hebben, enz.; — origeniat, m. een aanhanger dier leer.

originaal, adj. (Int. orininSlis, e. v. orïfio, de uursprong) of origineel, (fr. oritiinel), oorspronkeiyk, dat geen mudel heetl, zelve de oorsprong, het voorbeeld of mudel is, iiiel nagevolgd; aangeboren, eigenaardig; ook: vreemd, wonderiyk, van het gewune afwykende; — origineel, n. een ourspronkeiyk stuk, het eerste in zyne suurt, hel niet nagevolgde, eene oorkonde, een eerst of oorspronkeiyk geschrift, afdruk, enz., in tegenst. met cup ie; een oor-sprunkeiyke geest, een hultengewoun genie, een zeldzame kup In zyne suort; uuk een zonderling, rare snaak; — origineele uitgave, do uitgave van een werk door den recht mal Igen uilgever, In legenst. met den nadruk;—origineel genie, n. ial.-fr. (spr. zjeni) een uurspronkeiyke, eigenaardige, zelf scheppende geest, vgl. genie-, — originaliteit, f nw.lat. (fr. originalili) de oorsprunkeiykheid, eigenaardigheid, eigenheid; uuk zunderilngheid; — oriuinalïler uf in originuli pro due eer en, lal. .lur. ais oorkonde, In hel uo.spronkelyko stuk vourtcggen; — originellement, adj. fr. (spr. orizjineil\'mdii) uorapronkeiyk, naar zyn uursprung; — originair, adj. (later lal. ori-flimrtus, a, urn, fr. oriiiinaire) uorspronkeiyk, aangeboren; — origineeren, nw.ial. ontslaan, unlsprlngen; — originatie (spr. l—tsi, het ontstaan, de wording, de afstamming, de oorsprong.

Orignal of orignac, m. fr. (spr nri-njal, ori-njdk, waarsch. uit de taai van Canada) olanddler, do eland, een zeer sterk dier van tiet hertengoslaclil (Cervus a/ces).

Orillon, m. fr. (s|ir. ori-ljim: v. oreille, oor) een oor, handvalsel ; Mil. een bastions-of bulwerksuor; het bovenste gedeelte van de Mank aan een veslingwerk; Arcli. hoeksleraad; — orillons-passer, m. een mathemallsch werktuig, een lijn passertje.

Orion, m. gr. (Orion) een schitterend gesternte aan den zuideiyken hemel (naar den naam van een rousaclitlgen helil en gruuten Jager uit de gr. niytliolugie).

Oriönen, m. pi. poruaansclio edelen, die van de voormalige koningen afstammen.

Orkaan, m. (It. oroiiano, urncanö, fr. ouro-lian, sp. huracan, eng. hurricane: uit de taal van Haïti) een hevige slorm, uf de snelste en ge-wiciiligste stormwind, inz. een kust uf zeestorm.

Orkest, orkostreeren, z. or chest, o r c li e s I r e e r e n.

Orlando, m. It. mansnaam: Roeland; --Ortdndo furlóso, m. II. de razende Uoetand, een boldendicht van Arluslo uit de lilde eeuw.

Orleaan, orlean, n. ook roecoe of ooruekue, eene scliuone geelruode verfstuf van don dikken en ruoden liasl der kernen van den u r I e a n of r o e co e-b u u m [lii.ru orellanu) In Amerika.

Orleanist, m. (fr. Orléanislc) aanhanger van het lulls van Orleans in Krankryk, inz van wyien kuning l.nuls Pliillppe (sederl IsilOi en van zyne familie; — orleanisme, n. do regeerlngsvvyze van dat huls; de gebcclilbold daaraan; — Orleans, n. oen welbekend wul-


-ocr page 894-

ORMOND MONEY

ORSEILLE

874

llK weefsel tol datneskloodlnK, enz. naar de stail Orleans in Krankryk.

Ormond money, n. our (spr. -nwn-ni), naam van eerie nienigte noodniiintcn, door den lierlOR van Ormond Ujdciis den opstand der ierselie Kalliollekcn In 1BU, uit liet zllver-Koeil dor koningsgozlnden geslagen.

Ormuzd, m. oud-porz. (onlst. uit. ulinera mazda, d. I. lioogwUze lieerselier) do genius, die don eersten dag van lid ouile perzlsetie zonnejaar regeert; naar de leer van Zoroaster tiet licht of hot goede beginsel, in tegonst. met Aiirlman, tiet beginsel des kwaads, der duisternis.

Orna, r. it. (= lat. uma, pot, vaas) eeno voormaiigo vochtmaat in Triest, omtrent = !io,58« liter, te Fiume = 53,812 L.

orneeren, lal. (oman) opsieren, versieren, verfraaien, tooien-, — ornamént, n. lat. (omainéii/um), of fr. ornement (spr. nrn\'maii) sieraad, versiering, versiersel, opschik; — sema ornaménli, it. Muz. zoniier versieringen; — ov-namenteeren, barb.lat. met sieraden voorzien ; — ornamentist, m. wie sieraden aan gehouwen en ilgl. bonrbeidt, een optooior, versierder; — ornaat, n. lat. (ornalm) opscbik, sieraad, enz., inz. ambtstooisel, amlitsstorand en -kleeding, stnulsie- of amiitsklcod, inz. der geestelüken, de priestorkleodlng; — kerk-ornaat, n. do kieodon, waarmede het altaar, de kansel, enz. in de H. Katb. kerk zün belian-gen; — omalaménte, it. Muz. met versieringen voorgedragen; — ornatie (spr. l=ls), f. (lat. ornuiïo) en ornatuur, f. (later lat. ornalitra) de versiering, optooiing.

Ornithichnieten, m. pi. gr. (v. órnis, gonit. órmlhos, de vogel, en ichnos, voetstap, spoor) voetsporen van voorwereldUjko vogels op steen; — ornithocephalus, m. eig. vogelkop, een versteend dier der voorwereld, volgens .Sommering oono vledcrmuis, v. a. oene hagedissoort; - ornithogalum, n. de vogolmolk. een gewas; — ornithogra-phïe, f. vogolbescbrUving; — ornitholith, in. een vogelsteen, eeno vogelvorsteening; — ornitholoog, m. een vogelkenner, vogel-kundige; — ornithologie, f. do beschrUving of natuurltlke historie der vogelen, de vogelkunde; — ornithológisch, adj. vogolkun-dig, do vogelkunde hetreirendo; — ornitho-mant, m. een vogelwaarzegger; — orni-thomantie (spr. lie=tsie) of ornitho-skopio, f. do vogelwaarzeggeril, waarzeggerij uit de vlucht, het eten en zingen der vogelen; — ornithon, n. een vogelhuis; — orni-thorrhynchus, m. bet snaveldier, de sna-velotter, een zonderling gevormd, naar den otter getykend zoogdier mol een eendesnavel en vier zwemvoeten, dal in do moren van !Nieuw-llol-lami leeft; — ornithotheologie, f. bewys van het aanzyn van (lod uit de lioschouwlng der vogelen; — ornithotrophïe, f. de vo-gulvoodlng; de vogelteelt, de kunst om eieren uit te broeien.

Oro, m. 11. en sp. (lal. aurum) goud; nro hello, mot kwikzilver vermengd goud; oro en pölvo, stofgoud.

Orognosie (spr. s=z), f. gr. (van dros, de berg) de berg- of gebergtekunde; — oro-gnöstisch, adj. bergkundig; — orograaf, in. oen borgbescbryvor; — orographïe, f. de borg- of geborgtebeschryving; — orogra-phisch, ailj. daarop betrekking bebhendo ti.v. orograpbischo kaart, een gohorgtekaarl;

— orologie, f. gebergtekunde, gobergteleer;

— orológisch, adj. lot de bergleer bohoo-rondo; — orotheologïe, f. het bewys voor Gods bostaan uit de bergen.

Oronóco, f. een Z.amor. tabak, uit liet go-lyknamig landschap van do republiek Venezuela.

Orphanïe, f. gr. (van orphünAs, ouderloos) do weezenstaat, ouderloosheid; — orphan o trophilim, n. (sp. orphanolrophiion) een weesbuis, oono inrichting tot verzorging van weezen; — orphelin, m. fr. (spr. orflèh), orpheline, f. een weesjongen, weesmeisje, weeskind.

Orphanon, n. fr. en eng. (hoogst waarsch. van Orpheus), een oud snarenspoeltuig, oene soort van achtsnarlge citbor.

Orpheus, m. gr. (spr. In twee lettergrepen: ór-feus) een beroomit zanger en lierspeler in den oudsten, fabolachtigen tyd dor Grieken, die met de ilofeiyko tonen zUnor ivra alles als bclooverdo; vandaar ook do naam van zang-vereenigingen; — orpheum, n. muziekzaal, concortzaal; — orphïka, f. een klein, draag-tiaar muziokinstrunient niet snaren, die met hamers bespeeld worden; bet hooft den toon eener luit en is door lUi 111 g uilgevonden; — orphiseh, adj. Orpheus betrelTende; — or-phïsche feesten, oene soort van liaccbus-feesten; orphisehe mysteriën, geheimenissen In de zedekunde, door eenige volgelingen van Pythagoras geleerd en oorspronkoiyk voor leerstellingen van Orpbeus golioudon;— orphionist, m. fr. oen lieftiebber der muziek ; — vandaar de socielés des orithionisles, liedertafels, vereenigingon van liefhebliers der muziek in Frankryk.

Orpimént, n. nw.lat. operment, geel zwavol-arsenik, konlngsgool, een mineraal vergif, dat oono scboone, docb niet duurzame kleurstof oplevert, z. ook arsonlk.

Orréry, m. of orrerrum, n. z. v. a. pianola rium, een werktuig, dat de beweging dor bemelliclianien aanscliouweiyk maakt (dus geheeten naar den graaf Orrery, aan wien de eerste niachine van dien aard word opgedragen).

Orrhos, m. gr. (on hós of orris) wei, bloedwater, bet waterige bestanddeel van de molk, het bloed, enz.; — orrhochesïe, f. (spr. s=j) Mod. waterige, weiaebtlge stoelgang; — orrhorrhoee, wateracbligo buikloop.

Orsade, liever orgeade (z. aid.).

Orseille, f. fr. (spr. orsélj; Hal. oricello, orcclla, nrciglia, roccella, fr. orseille, oreetlle.


-ocr page 895-

ORYKTOCHEMIK

875

OR-SOL

wsolle, rocrelle, nw.lat. lichen roccella, L.; v. \'I fr. roe, il. rocca, rots, vandaar \'I enfi. archil en rocHmoss, d. 1. rotsmos) de verfmos, die lot oene sclioone roode verfstof, ook tot lieret-dlng van het lakmoes gebruikt wordt; vgl. er y t h rl ne.

Or-sol, een woord op fransche wissels, waardoor de genoemde wisselschuld verdrleduh-held wordt, h. v too llvres or-sol. = 1100 llvres.

Orsoy-zijde, v. a. o r ga n s U n-z U d e.

orthisch, adj. (gr. orthios, opgericht, steil, hoog) Muz hoog, b. v. orthlsche melodie, eene melodie, die zich in de hooge tonen beweegt.

Orthobiotiok, f. gr. (van orlhós, c, dn, recht en bioen, leven) de kunst of wetenschap om wel te leven; —orthoceratiet, m. (van kéras, hoorn) eene versteende kamerslak; — orthodidaktika, f. Juiste leerkunst of leerwijs; — orthodóx, adj. (gr. nrlhodóxos, nn, van rftoi, meening, geloof) rechtleerend, reebt-geloovlg, rechtzinnig, echt- of oud-kerkelijk, slreng-geloovlg, oud-geloovlg, volgons de oude aangenomen kerkleer; — een orthodox, m. een rechlgeloovlge, aanhanger van hel oude geloof, rechtzinnige; — orthodoxie, f. de rechtzinnigheid, rechtgeloovlgheld, de kerkleer of hel kerkgeloof, In tegenst. met heterodoxie; — orthodoxograaf, m. een reebt-geloovlg, rechtzinnig schrijver; orthodoxo-graphie, f. de rechtzinnige schrijftrant; — orthodroraïe, f. de rechte loop of koers van een schip naar oene der vier hoofdwind-streken, In tegenst. met loxodromie;- or-thodrómisch, adj. rechtzoilend, den rechten koers van een schip betreiïende; — or-thoëpie, orthoëpiek, f. de rechtspreking, de leer van de ware uitspraak; — orthoë-pisch, adj. rechtsprekend, de rechtspreking betrelfende; — orthoëpographïo, f. de leer van julsi Ie spreken en te schrgven, de spreek-en schrytleer; — orthogoon, m. Math, een veebthoek; — orthogonaal of orthogö-nisch, adj. rechthoekig, do loudrecble stand van een vink op een ander; — orthograaf, in. (v. uraphein, schryven) een roelilschrUver, d. 1. een kenner en leeraar der ortbograpble; — orthographïe, f. de spelling, de kunst om wel te schryven, recbtscbryvlug; ook de kunst om eene opstaande z.yde van een lichaam zoo te teekenen, als het zich aan bet oog voordoet ; — orthographiek, orthographi-ka, f. de leer der rechtschryvlng, aanleiding tot eene goede spelling; orthographisch, adj. spelkundlg, volgens do regelen der spelling, die betrelfende, b. v. o r I h o g r a p b 1 s c b e fout, oene fout legen de rechtschryvlng of spelling; — orthóklaas, n. eene soort van veldspaatb, uil klezelzuur, kleiaarde en kali beslaande; — orthokolon, n. Mod. de siyf-held, onregelmatige gestrektbeid of rechtheid van een lid; — orthologie, f. bet juiste spreken, de taalzuiverheid, z. v. a. correctheid;

— orthometrie, f. de rechtmetlng, de kunst van wél te melen; —orthométrisch, adj. i\'ocbtinetend, de rechtmotlng betrelfende; — orthomorphïe, f. de behooriyke vorming of gedaantegevlng; Med. de kunst om de krommingen der wervelkolommen en ledematen te genezen; orthomorphisch, adj. recht van gestalte, hebooriyk gevormd; ortho-nymisch, adj. rechtnamlg, juist benoemd;

— orthopoodio, f. (van paideüchi, opvoeden, vormen; pais, genlt. paidós, kind) de kunst of de leer om de misvormingen des llcbaams by jonge kinderen Ie voorkomen en te veibcteren ;

— orthopsedisch, adj. die kunst of leer betrelTende; — orthopspdium, n. of or-thoptedisch instituut, eene geneeskundige Inrichting, in welke scheefgegroeide kinderen door kunstmiddelen worden uitgestrekt en hunne gebreken verholpen worden; — or-thophonie, t. de rechtspreking, z. v. u. or-t b o e p i e; — orthophoniek, orthopho-nlka, f. aanwyzing tot de recblspreklug, d. I. lot eene juiste uitspraak; — orthopncea, f. Med. eig. bet ademhalen in overelndstaande houding; de zware ademhaling, sterke aamhor-stigheid; — orthoptëra of orthoptéren, n. pi. N. II. recbtvleugellgen; — orthosis of orthösie, f. bet rechtrlchten, reclitopzet-ten -, de bebooriyke rlchllng of wending; - or-thosomatiek, orthosomatrka, f. z. v. a. orthopa-die; — orthotermm, de slrek-macblne, bet werktuig tot rechtzetting; — or-thotonio, f. de juiste toon- of klemgeving der woorden.

Ortolaan, m. (II. orlolano, fr. ortolan, v. \'t lal. horlulanus, van hortus, tuin, nw. lat. V.mherizn liortuUm) de tulmnerel, korenvink In Z.liuropa, die, vooral nadat by vetgemest is, als eene uilstekende lekkerny verzonden wordt.

orlus, m. lat. (van orïri: vgl. orient) de opgang; orlus cosmfcus, de opgang eenor ster geiyk met dien der zon; orlus acronyclos, de opgang eener ster geiyk met den ondergang der zon.

Ortygïa, f. gr. Myth, een bynaam van Artemis, naar een boscb op hel eiland Dolos.

Orvietaan, n. een tegengift, uit krulden en wortelen bereid, zoo genoemd naar de stad Orvleto in den Kerkeiyken Slaat; ook als fr. woord {orrlélan): een kwakzalver, wonderdokter.

Oryktochemio, f. gr. (van oryssein, graven, uitgraven, oryhlón, uitgegraven) bet chemisch onderzoek der fosslllen, de stecnschei-knnde; — oryktogenie, f bet ontslaan der gesteenten; — oryktognosïe, f. do kunst of wetenschap om do eenvoudige of onvermengde mineralen te onderscheiden; oryk-tognöstisch, adj. die wetenschap botreffen-do; — oryktographie, f. de beschryvlng der mineralen, fosslllea, steenen, enz\'; -- oryk-tologïe, f. z. v. a. mineralogie; ook Inz, de leer of weienschap van de versteeningen (petrefneten); — oryktológisch, adj. steenkundig; — oryktometrio, f. do steen-


-ocr page 896-

ORYZA

87()

OSSA

meting, steomnootkunde; — oryktozoölo-gie, f. do lc«r van do dlcrvorstocnlngon.

Oryza, r. gr. e» lat. de rijsl — oryzéën, pi. rystaclitlge gewassen, eene famlllo der gras-plunten.

os, 1) n. lat. (gonlt. oris, pl. om) de mond; het aangezicht; — per os, Med. door den mond (lgt;. v. In te brengen); uno ore, met éenen mond, eenmondlg, eenstemmig.

os, i) n. lat. (genlt. ossis, pl. ossa) het heen, de knok, knook; ossa nwUit, hel onthloot of toont de beenderen, d I. het Is gebrekkig, slecht, b. v. een gedicht.

Osbert, m, oudd. naam (angels. Osheorhl, v. 0-v, ondn. as, (lt;od; vgl. A sen en hert ha) de goddeiyk glanzende, goddelijk sehoone; — Osberte, f. de goddelijk glanzende, goddelijk sehoone.

Oscabrïon, m. nw.lat. en tr. (waarsch. van \'t (jsl. oskabiörn, eene soort van zeepisse-bcd, waarmede dit dier veel overeenkomst moet hebben, eig. wenschbeer, omdat men meende, dat men geen vergeefscben wenscb meer doen kon, als men dit dier op oen bepaalden tyd in den mond nam) de kevormossel, zeosloep, eene soort van veolscbalig schelpdier; — oscabi\'i-onioton, m. pi. versteende kevermosselen.

oscen, m. lat. (genlt. oscfnis, pl, oscines, v. os, mond en canire, zingen) een waarzeggende vogel; een zangvogel.

Oscheitis of oschitis, f. gr. (van ósche, beurs, buldel, Inz. de balzak) Med. ontsteking van den balzak; — oseheoplastiek, f. de haizakvorming; — oscheocele of oacho-cele, f. eene biüzakiireuk; — osch(e)ón-cus, m. oen hard haizakgezwol; osche-(o)phyma, n. zacht balzakgezwel.

Oscillum, n. lat. een klein beweegbaar maskerbeeldje; —oscilleeren (lal. osciltare) zwaaien, zweven, schommelen, zich In eene schommelende beweging brengen; — oscillatie (spr l—ls) f. de zwaaiing, slingering, schommelondo beweging, schommeling, z. v. a. vibratie; — oscillatörisch, adj. nw.lat. been en weder slingerend, schominoiend, zwevend, schom-melenderwyzo.

osciteeren, lat. (oscilSre, van os, mond) gapen, geeuwen, den mond opsperren of wijd openen; nalatig of onopmerkzaam zijn; zich minachtend of voornaam aanstellen; — osci-tatie (spr. tie—tsie) f. (lat. oscilalïo) of OS-citantie (spr. Iie=lsie) f. nw.lat. het geeuwen ; de nalatigheid, traagheid; het onachtzame, achtelooze, vaak mot herhaald geeuwen verbonden gedrag van vele grooten in bet gesprek met hunne minderen; vandaar de geringschat-ting, het uithangen van den groeten beer.

osciilum, n. lal. (verkiw. v. os, mond) een kus, zoen; osciilum carilSlis, een liefdekus; osc. judae, een judaskus; osc. pacis, een vredekus, inz. die, welken de kardinalen van den nieuwgekozen paus ontvangen; — osculee-ren (lat. osculUri) kussen; Geom. voor aanraken; oseu loeren de curve, f. eene kromme lün, die eene andere in een punt aanraakt;

— OSCulatie (spr. /=/.*) f. (o.« u/nlt;ïo) de kussing, liet kussen, zoenen; ook de nauwkeurige aanraking van eene kromme iyn of van oen gebogen vlak met een ander.

osctero, it. donker, z. obscuur; vgl. chiaroscuro.

Osemund of Oszinund, n. eene soort van zweedsch staatljzer, naar eene yz.erhut van geiyken naam benoemd.

Osiris, m. egypt. Myth, do zonnegod, de schepper van den tyd, de broeder en gemaal van Is Is, enz.

Oskabrïon, z. oscabrïon.

Oskar, oudd. mansn. (angels. Osf/dr, v. ós = oudn. as. God en i/dr, speer; vgl. asen) Godsspeer.

Oslaf, z. Olaf.

Osmanen, Osmanlis, m. pl. Turken; — osmanisch rijk, z. o 11 o m a n I s c ii, enz.

Osmazoom, osmozoom.

Osmin, m. russ. (osmina, van osmj, acht) eene russische korenmaat = J van den ouden kad, of i tsjetweriks, houdende omtrent 103 liter.

Osmium, n. gr. (v. osmc, reuk, v. óilzein, rieken) een zwart metaal, In IKO:) in het platina ontdekt, en \'I welk van zyn olgenaardigen prikkelenden reuk den naam ontleend heeft; — osmodysphorie, f. bet onvermogen om zekere reuken ie verdragen; — osmologie, f. de reukleor, leer van do riekende stoiten; — osmonosologie, f. do leer van do ziekten van\'t reukorgaan; — osmosis of osmose, f. liet ongolyke doorgangsvermogen van In water opgeloste stolfen dooi\' poreuze scheiwanden (vgl. diosmose, ondosmose en exosmo-se); — osmozoom, beter dan osmazoom. m. (van dzomós, vleesehnat) hot eigen, geurige hoofdbestanddeel van \'t spiervieeseb, dat ter bereiding van de osmozoom-chocolade gebruikt wordt.

Osmoecha of osmoesjka, f. russ. (van osmj, acht) een achtste emmer, eene vochtmaat van liter volgens do wet, gewoon-lyk echter 1,537 liter.

Osmologie, osmonosologie, osmozoom, z. oud. osmium.

Osmund, oudd. mansn. (v. angels, ós = oudn. as. God; vgl. asen) Godsbescbermer;

— Oswald, Godszorg, Godsbestuur; — Os-win, Godsvriend, Godlief.

Osphrasie of osphrêsis, f. gr. (van ospUrainesthai, ruiken) liet ruiken, reukvermogen, de reuk; — osphrasiologie, z. v. a. o s m o 01 o g I o.

Osphyalgie, f. gr. (van osphys, f. de iieup) Med. de heup- of iendepyn; - osphytis, f. ontsteking van het celweefsel op het heupbeen.

Ossa, f. gr de Faam, ais godin en bode van Zeus -- lat. Fama.

ossa, pl. lal. (van os, n. geuit, ossis) been, gebeente; ossa mulat, i. os i); ossa sepiae, inktvischbeenen (vgl. sepia); — ossarïum


-ocr page 897-

OST.1AKEN

OSSETEN

877

(it ossuarium, een lieenilerhuls, knekelhuis; — ossatuur, f. nw.liit. Mod, de liecnder-liouw, — ossga libta, t. lal el»,\', ilu bconen Hult, een van de eerste lilaasinstrmiicnten der Ouden; — osslus, lal. Hol. licenachllR-, — os-siflceeren, nw.lal. verheenen, tot liecn wordenossificatie (spr. lt;=/«) f. de vcrbee-ning, de lieendergroel; ossilegium, n. Iieenderlezlng, verzameling van beenderen; — ossivorisch, adj. heendervreteml.

Osséten, m. pl. een In den westeHjkcn Kaukasus wonend volk van den Iranlschen stam.

Ostagra, f. gr. (van osléon, hoen) Chlr. de korentang, een werktuig om de heensplln-ters, door verettering losgemaakt, weg te nemen; ook een werktuig om de heenderen behoorlijk te plaatsen; — ostalgie, f. of os-tealgie, t. heenderpyii; ostalgitis of osteitis, f. pynlüke beenilerontsteklng.

Ostar, m. naam der maan of des inaan-gods In de noordsehe mylhologlo.

Ostara, z. os te ra.

Ostealgie, osteitis, z. oud. ostagra.

ostensibol,udj. nw.lal. (van \'1 lat. nslen-(Ure, toonen) loonhaar. wat vertoond kan of moet worden; ook looneuswaard; ook dlkwyis verward mei het volgende woord: duldeiyk uitkomend: — ostensief, ailj. enkel aanloo-nend, zonder verklaring der verschpseleu, h.v. ostensieve methode, aaulooaende (niet verklarende) leerwijs; aanschouwoHjk, bandtas-lelgk, zonneklaar; pronkend, pralend; — os-tenson\'um, n. het toonval In de K. Kalb. kerk, z. v. a. monstrans; — ostentoeren, lat (ostentare) teutoonstcllen, verloon-maken, pralen, pieken, pronken; — osten-tarium, pl. by de oude Komelnen: boek mei aanteekenlngen omtrent wonderteekenen en won-derverscbyulngeu; — ostentatie (spr, l\\e= hie) f. (lal. oslenlafïo) de lenloonslelllng, vertooning, vertoonmaklng, pronkery, opsnydery, het pronken, pralen, pryken; de praalzucht, grootspraak, ydelheld; — ostentum, pl. os-tenla, lat. wonderteeken; Iels ongewoons als voorleeken voor loekornsllge gebeurtenissen.

Osteocële, f, (Van nsléon, been) de heen-derhreuk; — osteochemie, f. do leer van de chemische natuur der beenderen; oste-odérmen, pi. kraakbeeuvlsschen; osteodiastasis, f. Mod. hel uileenwyken van gebroken beendereu; — osteodynie, f. gr. heen-derpyn, hcenpynen; osteogangreena, f. de vociilige beenversterving, bet vochtige heen-vuur; osteogenie, f de beenwording, beenvorming, het ontstaan der beenderen; — osteographïe, f. de beenbeschryvlng; — osteohelkosis, f. de beenderverzwerlug;

osteïde, n. abnormaal hoenarhllg voorwerp in hel dleriyk lichaam; osteoka-chexie, f. gr. Mod. de zlekeiyke gesteldheid dor beenderen; - ostooklasis, f. ocue heen-derbreuk; — osteokólla, f. (hoenderen be vallende) tufsteen, beenbreuksteen; osteo-lith, tn. eone beenversleenlng, beendersteen;

ook beenbreuksteen; — osteoloog, ui. een beonkundlge, beenkenner; osteologie, f de leer der beenderen, heenderleer; - oste-ológisch, adj. boenkundig, de heenderleer be-treltende; osteomalacio, f. de heenver-weeklng, heeuverweektbeld; osteomalak-tisch, adj. door iieeuverweeklng aangedaan;

— osteóncus, in. hel beengezwel; — os-teonekrösis, f. de droge heenverslcrving;

OSteopBedïon, n. elg. beenderkind, eene verbeende iichanmsvrnebl; vgl. litho paid I on;

osteopatholoog, in. Iemand, die zieii met de zlekle der hoenderen bezighoudt; — osteopathologie, f. de ziekteleer der heenderen;—osteophthorie, f. de winddoorn, bel beenbederf; de beeneier;—ostoophy-ma, u. hel weeke beengezwel, de beennllzel-liug; osteophyt, n. een beenderullwas;

— osteoplastiek, f. de beendervorining;— osteoporosis, f. de beonopzelllng mei verharding der heenmassa; — osteopsathyrosis, f. murwheid der heenderen, brosheid der heenderen; osteopyösis, f. beenelle-ring; — osteopyr, n. beenbrand, heenverslcrving; osteosarköma, n. beonvleesch-gezwel; osteosarkösis, f. verandering der beenderen in eene vleeschaebtlge zelfstandigheid; osteoscirrhus, m. een been-uilwas; osteosklerösis, beenverharding, de hovenmallge hnrdwonllng der beenderen; — osteosteatoma, n, een beenspekgezwel;

— ostootoom, in. een werklulg tol heen-snyding, eene heenzaag; — osteotomie, f, de onlieedkunde der beenderen; — osteotö-misch, lol de osleolomle hehoorende; — 08-teot.^lus, n. hel beeneeil.

Ostéra igt;f Ostara, f. oudd. (angels. Knslrc, oudhoogd. (hlar, adv. naar \'1 oosten) Mylh, eene vooral by de oude Saksen vereerde godin der lente, welker voorname feest in April werd gevierd, waarvan deze by de Dnilschers den naam van Oslonnonat en bet foesl der op-slanding van Qirlslus of hel l\'naschfoesl dien van Ostein kreeg.

Ostoria, f. 11. (vgl lioslerla) herberg, logement, lapperij ia llalic.

Ostiaken, z. Osljaken.

Ostiarius, in. lal. (van oslïuin, de deur een deurwachler, porller, deursluller in kloosters; ia de K. Kalh. kerk diegene, welke de laagste der i kleine wijdingen beeft ontvangen. (De andere drie zijn in opklimmende volgorde: loc lor, exorcist, akoiyth); — ostia-riaat, n. nw.lal. het amhl van porller-, de eerste of laagste prlestorwUdlng; ostiën, pl. (v. lal. osffum, do monding) ile mondingen;

ostiënstenose, f. ial.gr. vernauwing dei-ba rl mondingen.

oslinalo. 11. (= lat. obs/inalus, n, inn) Muz. volhardend.

Ostitis, f. gr. (van nsléon, heen) Med. de beonnntsleking; ostöma, u. een heenuil-was; - ostösis, f. verbeening.

Ostjaken, Ostiaken, m. pi. een tol den


-ocr page 898-

OSTHAKISMOS 878 OUTRAGKERKN

iizliitlschDti stam buhoomiil vulk in de slborl-scho provinciën Tobolsk cn Tomsk.

Ostraklsmos or ostracisme, n. «r. (van dstrakon, scherf, schelp, mosselschelp, enz.) het scherveiiBcrecht of schelpvonnls, hU de oude Orleken eene lOJarlge verbanning nil Athene van eenen te machtigen en te gevaarlijken staatsburger, waarbij de stemmende burgers don naam van dengene, dien zij verbannen wilden, op schelpen of scherven schreven, enz; — os-tracieton, m. pl. versteeningen van oester-vormige schelpdieren; — ostrakodermata, n. pl. oeslerschaten, dieren met harde schalen.

oslria edülis, f. lal. de eetbare oester; — OStreïOten, m. pl. nw.lat. z. v. a. ostra-de t e n ; — oatreopectinieten, m. pi. gr. lat, versteende kammosselen.

Oswald, Oswin, z. Osmund. Otagra, n. gr. (van oes, genit. olós, het oor) do oordwang, eene foltering voor het oor; de oorjlcht; — otakustiek, f. de kunst om den gehoorzin te versterken; — otaküstisch, adj. gehoorversterkend; — otalgïe, f. oorpijn; — otalgika, a. pi. of otalgische mid-delen, middelen legen de oorpyn; oten-ch^ta, m. Mod. een oorspuitje; — othel-kösis, f. oorverelterlng; — otiater, m. een oorarts; — otiatrro, f. de oorheelkunde; — otïka, m. pl. oormiddelen, middelen tegen oor-Hjden; —otitis, f. de ooronlsleklng; — oto-dyme, f. oorpijn; — otogljphis, f. en otogl^phon, n. hot oorlepeltje; — oto-graphie, f. de oorbeschrljving; — otolo-gie, f. de leer of wetenschap van het oor; — otophoori, f. een gehoorwerktuig voor hard-hoorenden; — otoplastiek, f. de oorvorming; — otorrhagie, f. de bloedvloeiing uit het oor; — otorrhoea, f. de slgm- of etterachtige vloeiing uit do ooren, het loopen der ooren; — otoskoop, m. een oorkyker, oor-spiegel, een werktuig ter onderzoeking van het oor; — ototomïe, f. de ontleding der ge-hoordeelen, oorontlodlng.

n lempöra, n mores! lal. o tyden, o zeden! otfried, oudd. {Otfrid, Aulfrid) mansnaam: de beschermer van liet goede, fortuin-beschermer.

Othelkösis, otiatrie, otika, otitis, z. oud. otagra.

Othello, m. de moor van Venetië, in Shakespeare\'s treurspel van dien naam; sprw. een yvorzuchtlg echtgenoot.

Otium (spr. //=(.«/) n. lat. de ledige tijd, rust, lediggang, werkeloosheid; pl. ofTu, vrge uren, snipperuren; otium cum dignilale, eervolle rust; per otium, tot tydverdryf; — otia dant viffa, sprw.; de ledigheid baart ondeugd, ledigheid Is bet beginsel van alle kwaad of des duivels oorkussen; — otiëus (spr. ti=tsi) adj. (lal. oliasus, a, urn) ledig, ongebruikt, b.v. geld laten liggen.

Otmar, z. O It omar, end. otio. Otodynie, enz. — ototomie, z. oud. o t a g r a.

Otoeraklen of Otoeraks, m. pl. turk.

(sing, óloerdk, van óloermak, zicli nederzetten, biyven) oude soldaten, die van den dienst zyn ontslagen (invaliden, veteranen).

ottdva, f. It. (v. otlauo, a, de achtste; otlo

— lat. oclo, acht) Maz. de octaaf (z. aid.);

— all\' ottdva, Muz. In het octaaf, acid tonen hooger; — alta ottdva, alt\' ottdva, hel hoogere octaaf, aanwyzing dal men een octaaf hooger spelen moet, dan er geschreven staat; — ot-tava rime, pl. 11. achtregelige versafdeelln-gen, de llaiiaansche stanze (z. aid ); — ot-tavina, f. Muz. kleine octaaf (z. aid.); — ottót, n. (II. ottctto) een achtstemmig muziekstuk.

Otto, duilsche mansn.: de gegoede, de ryk bedeelde, gelukkige, z. v. a. O do, z. aid.; fem. Ottilia; — Ottókar, mansn. (oudhoogd. ütkdr, van nar, speer; vgl. Edgar) de voor zyn vermogen zorgende; —Ottomar of Otmar, mansn. (van mdri, beroemd) de door ryk-dom uitblinkende.

Ottomanisch of osmanisch rijk, hel ryk der Osmanen, hel lurksche ryk (naar Osman of [daaruit verbnslerdj Ottoman, den sticliter daarvan in \'Ijaar lildO); — otto-manische of osmanische porte, ook verheven porte, hel turk. kelzeriyke hof (naar de hoofdpoort, die naar hel kelzeriyk paleis voert); — ottomane, f. een turksch rusl-bed, eene lage sofa voor verschelden personen.

Ottone, m. 11. messing, brons, kopergeld.

Oubliétten, f. pl. fr. (spr. oeM—, van ouhtier, vergelen, van \'1 lal. obtivisci) kerkers der vergetelheid, onderaardsche gevangenissen, van boven met eene valdeur voorzien, waarin de oiigeiukkigen, die men helmeiyk uil den weg wilde ruimen, onverhoeds nederstorllen en uil de maatschappU verdwenen, inz. in Krankryk ten tyde der Valois gebruikeiyk; — oubliëux, adj. (spr. oebliéü) vergeetachtig.

Otigiah, z. o e d s j 1 a.

Ounce, n. eng. (spr. ouiis\') hel ons.

Ouragan, fr. z. orkaan.

Ourang-outang, /,. orang-oelang.

out, eng. uil, bulten, li. v. out of emplny-ment, buiten werk, geen bezigheid hebbende, broodeloos; — out-cast, m. (spr. —kaast) uilgesloolen persoon, verworpeling, paria; — out-poor, m. (spr. —poer) bulten hel armenhuis wonende arme, bedeelde (In tegenst. met in-poor, In hel armenhuis wonende arme);

— outside, f. (spr. —said\') de buitenzijde (tegenover inside, binnenkant); — outsider, m. (spr. —wider) by wedrennen: van twee voor denzelfden wedren door denzelfden eigenaar In-gesclireven paarden datgene, dal schynbaar geeno kansen heeft.

Outer, z. v. a. altaar, z. aid.

Outil, n. fr. (spr. oeti: oudfr. os til, ustit, waarsch. van \'l lal. utensfte, gereedscbap, van ulenstlis, e, bruikbaar, v. uti, gebruiken) werktuig, liandgereedschap.

outrageeren, fr. (spr. octrazjéeren, van


-ocr page 899-

OUTREEREN

OXYAPHIE

I later lat. ultragium, Kevormd v. \'t lat. ultra en autre) licschlmpen, (jrot of gevoelig heleedl-gen, voor liet hoofd stooten; — outrage, t. (spr. nelraazj\') grove beschimping, sinadclykc heleediglng, smaad, hoon; — outragoant (spr. oelrazjdn) of outragoux (spr. octra-zjéii) adj. smadelUk, hoonend, boschlmpend, uiterst of hoogst holeedlgcnd.

outreeren, tr. {outrer, spr. oetr—, prov. ullrar, van \'t lat. ultra, ■/.. aid.) overdrijven, te ver drUven, le veel vergen, overspannen, lot het uiterste brengen; — geoutreerd, overdreven, bovenmatig; — d oulrance (spr. oelrans\') op liet uiterste.

Outremer, n. fr. (spr. oelrcmèr) z v. a. ultramarijn {■/.. aid.)

Ouvert, ouverture, z. ond. o u v r e e-ren.

Ouvrage, n. fr. (spr. oewrddzj\': van \'t mld.lat. operagium, van \'t lat. operari, arbeiden) een arbeid, werk; — ouvrier, m. (spr. ncwri-é; = lal. operarïus) een handwerker, handwerksman, werkman, daglooner; — pl. ouvriers (spr. oewri-é) werklieden, de band-werkende klasse.

ouvreeron, fr. (ouvrir, spr. oewr—, pro-venn. obrir, ubrir, oud-U. oprire, oudtr. aovrir, auvrir, provenc. aduhrir, als \'I ware van lal. ad-deoperlre, v. de-operire, openen, ontblooten, nw.prov. tlurbir) openen, ontsluiten, onthullen, openslaan, openbreken, openleggen; aanvangen, op de baan brengen, voorstellen (een gevoelen, enz.); — ouvert, adj. (spr. oewèr) geopend, open; openhartig, vrijmoedig; openlük, open-haiir; — ouverlement, adv. (spr. oewert\'mdii) openhartig, ronduit, onbewlnipold; — ouverture (spr. cewertuur\') f. de opening, openlegging, verklaring; de aanvang. Inleiding, voorslag; Muz. een openingsstuk, aanvangs- of in-leldingsspel van eene opera, een concert, enz.

Ovaal, ovarium, enz. z. ond. ovum.

Ovatie (spr. t=ts) f. lat (ovatto) eon kleine trluinf of zegevierende Intocht by de oude Romeinen, waarbij de veroverende of zegepralende veldheer niet op oonen wagen, maar te voel of le paard zijnen inlorht hield, en, in plaats van eenen os, een schaap (ouis) otterde.

Overland-mail, eng. (spr, óverlend-meel) overland-post, de brievenpost van Indie, die deels over land naar Europa gehrachl wordt; vgl. mail i).

Overman, m. eng. (spr. —men] hoofdman, voorman; — overproduction, f. eng. (spr. —duksjrn) overmatige p roducli e (z. aid.), die niet met de behoefte overeenstemt.

ovum, n. (pl. nva) lat bet el; vandaar; ab nvo aanvangen, van het el, d. I. van hel begin of den eersten oorsprong eener zaak aanvangen; — ab nvo usque ad mala, sprw.; van hel ei lol de appelen of hel ooft, d. I. van liet begin lot liet einde (onlleend aan de oud-rom. maaliyden, die gemeenlijk met eieren begonnen en met ooft eindigden); — ovaal, adj. nw.lal.

eirond, eivormig, langwerpig rond of langrond;

— het ovaal, bel eirond of de eirondheid;

— ovarïum, n de eierstok, pl. ovaria of ovariën, eierstokken hü de dieren; bij de planten de vrui lil beginsels, liet benedenste deel van de stampertjes, welke de eitjes en later, by verkregen rijpheid, de zaden bevatten; — ovarifórisch, adj. nw.lal. een eierstok dragende; — ovarisme, n. de slelllug, welke al de bewerkluigde wezens uit een el doet voortkomen; — ovarlst, in. een aunhanger van dat stelsel; — ovaritis, f. (fr. ovarile) de ontsteking van den eierstok; — nmlus, a, urn, lat. Bot. eivormig; — ovatifólisch, adj. met ovale bladeren; — ovato-oblong,barb.lat. meer langwerpig dan eirond; - oveolieten, z. o vul leien; — ovifërisch, adj. eieren dragende of inhoudende; — ovifórm, adj. eivormig; — oviparen, n. pi. lal. elerleg-genden, dieren, die zich door eieren voortplanten; — oviparisch, adj. eiericggend; — oviparisme, n. ovipariteit, f. nw. lat. de naluur der elerieggoiule dieren; — ovi-vörisch, adj. eieretend — ovoïdiseh, adj. eivormig; — ovologïe, f. de leer der eieren; — ovoviparen, n. pl. dieren, wier eieren in liet moederlijf uitkomen, of die uil eieren levend geboren worden; — ovulioton, in. pl. versteende elerslakken.

Ow., bü natuurwetenschappelijke benamingen afk. voor Kicbani Owen.

Owenisme, n. het stelsel van verbroedering, van samenwerking, uitgevonden door Robert Owen, hetwelk berust op de gemeenschap van den arbeid en zync iiroducteii; — Owenist, m. een aanhanger van dat stelsel.

Ox, m. eng. os; In de beurslaal; z. v. a. haussier; — oxtailsoup, f. eng. (spr. oksteelsoep, v. ox, os, tail, staari, soup, soep) ossestaartsoep.

Oxacidum, n. lal.-gr. Chem. de verbinding der znurslof mot een enkelvoudig llclmaiii ;

— oxalidéën, pl. z.urlng|iiantcn, zuringsoor-ten; — oxalis, f. gr. de zuringklaver, zurkel ; «. acelosillu, gewone zuring; — oxaalzuur, of lal. acïthm oxaficum, n. zuringzuur;

— oxalaten, n. pi. Ciiem. zuringzure zouten; — oxalidéën, pi. zuringachlige planten ; — oxaliet, n. een uit zuringzuur ijzer-uxyilui en waler beslaand mineraal, ook huin-boldtiet; — oxaliseh, adj. zuringzuur;

— oxallum, ii. zuringzout, duhhei zuringzuur kali.

Oxalme, m. fr. zoutazyii; met zout bezwangerden wyn (munia ncida).

Oxhoofd, z. okshoofd.

Oxonia, f. lat. Oxford (eene stad ia Engeland).

oxyncanlhifolius, a, urn, lat. liot. hagedoorn-bladerig; — oxyacanlhoiiles. Hol. Iiagedoorn-achtlg.

Oxyaphia, f. gr. (v. oxys, scherp; zuur, enz., en hdptein, aanvallen, aanraken) scherp gevoelvermogen, lijn gevoel; — oxychlorl-


-ocr page 900-

OXYAPIllI\';

880

P

den, pi. vcrhlmlhiKen van motnnloxydon mot chloorvorWndlnKon; — oxyerocëum-pleis-tor, f. {vim krókos, lal. crocus, snlTraan) een zure salTraanplojslorj — oxyde, n, Ohem. zuurstofvorhliulliiB, verlilndlni; van een lichaam mot de zuurstof; inz. do mot zuren zouten vormende vortilndlngen van oen metaal mei zuurstof; in engeren zin; do voor zoutvorming vatliaro metaalkalk, die de grootste hoeveellield zuurstof lievat, z. v. a. peroxyilo, In toRenst. met oxydul nf prol oxyde; — oxydee-ren, gr.-lat. (oxyilnre) en oxygeneeron, verzuren, met zuurstof verbinden, verkalken; — oxydabel of oxydoorbaar, adj. verkalk-liaar, met zuurstof te verblndon; — oxyda-biliteit, f. de verkalkliaarlield, liet vermogen lot verbinding met de zuurstof; — oxydatie fspr. t=is) of oxydeering, oxygonatio (spr. I-Is) of oxygeneering, f. verzuring, verkalking, veihrandlng, het voriilnden mot /.uur-stuf; — oxyde-hydraat, n. verliinding van een oxyde mot water; — oxydül, of prol-oxyde, n. een voor zoutvorming geschikte metaalkalk met geringer hoeveelheid van zuurstof dan in het oxyde; — oxyduloeren, lot op den staat van oxydul met zuurstof verhinden; — oxydereëa of oxydorcéa, n. pi. gr. (van ilérkein, zien) Med. middelen tot versterking van het gezicht; oxyderkie of oxydorkie, f. de scherpzichligheid ; — oxy-koie, f. het te gevoelige gehoor; oxy-giila, n. zure melk; — oxygarum, zu-ringsaus; — oxygenmm, oxygoon, n. de zuurstof, zuurverwekkende slof. hel hoofdbestanddeel der levenslucht, enz.; — oxyge-neeren, enz., z. v. a. oxydeeren, enz. {■/.. hoven); — oxygeusio, f. bet ziekelUk verhoogde smaakvermogen; oxygoon, m. (loom. een spitshoek, eene spilslioekige llguur;

oxygoon of oxygönisch, adj. spitshoekig; — oxyhyapie, f de bovenmatige verfijning van het gevoel of den laslzin; — oxykraat, n. (vgi. krasis, enz.) azUnvvaler, een mengsel van azijn en water; — oxy-krateeron, met azijnwater wasschen; — oxymól, n. gr.-lat. hc.nigazUri, iizijnmede; — oxymcl squillilfcum of scillittcum, zeelookzuur-honig; oxymeter, m. gr. een zuurme-1 er; oxymoron, n. (van moros, k, nn, dom, onnoozel) l.og. een scherpzinnige onzin, eene spitsvondige of scherpzinnige gedachte, die eene scbUiibare tegensti\'üdiglieid bevat (h. v. oen stomme kreet, een luid geheim en dgi.) een met onhehaagHjken vvoordentooi voorgedra-

/\'. als getaiieekeii; gr. 7i\' = 8fl, (7r =N(i,nnn; lal. P. = 1000; — /\'., lat. afkorting voor Pm-bllus; ook voor pars, paler, palres, pnlriae, pius, pontifex, popfilus, posl, priille, — P., fr.

gen verzoek; — oxymuriaCtcus, gcoxydeerd zoul-zuur, cblooriioudend, met chloor verhondcii; — oxynitron, n. salpeterzuur; — oxynosö-ma, n. oxynusie, f. beete ziekte; — oxyo-pie, f. (van óplein, zien) gcherpzichtigheld; Med. eene oogziekte, wanrbU men in het donker of by zwak licht heter ziet dan hy klaren dag; — oxyosphrasie, f. (vgi. ospbrasie) te scherpe reuk, Ie sterk reukvermogen; — oxy-phlegmasie, f. hevige, snelle ontsteking;

— oxyphonie, f. schelle stem; — oxy-roginie, f. Med. de zure oprisping, liet maagzuur; — oxyrrhodine, f. de rozenazijn; — oxyrrhynchen, pl. elg. spitssnaveis, kegelvormige, langwerpig spitse hclemnieten (z. aid.); — oxysaecharum, n. azijnsulker, een mengsel van suiker en azya; — oxytês, f. de zure toestand, verzuring; — oxythy-mie, f. de opvliegoiidbeld, het drlflig gestel;

— oxythymiach, adj. driftig, opvliegend;

— oxytoneeren (gr. nxylonrtn) Gram. eene lettergreep, inz. do laatste van een woord, met den Imogen of scherpen toon (acuI ns) uitspreken; oxytónon, n. Hol. de klaproos, de roode korenbloem; Gram. een woont mot bel hoofdacconi op de laatste lettergreep; — oxy-üris, f. spitsstaart, een soort draadwormen.

Oyster, f. eng. (vgi. oslrea) oester; — oysterhouse gt;spr. Iwüs) of oystershop (spr. sjóp), n. oesterbuis, oesterwinkel.

Ozsena, f. gr. {ihaina) Med. eene kwaadaardige, slecht riekende neuszweer.

Ozelot, z. oceloi.

Ozokeriet, n. gr. (v. ódtein, rieken, en kcrós, was; elg. reukwas, wegens den aange-namen geur aardwas, een in Moidavlö, In Ga-licit\', enz. voorkomend, lig (iS—S0o 0. smellend, uit verscheiden kooistofverhindingen bestaand mineraal, waaruit eene witte op was geiykende slof (cerasine) verkregen vvordl.

Ozon, n. of ozone, f. gr. (van ódzein, rieken, stinken) de In 1840 door Scliönbeln te Bazel ontdekte opgewekte of acllove zuurstof, een door inwerking van electriscbe vonken of vochtig phosplior veroorzaakte allolroplsche toestand van de zuurstof, waarin deze zich onderscheidt door eigenaardige reuk, sterker oxyda-tievermogen enz.; — ozoniseeren(spr. s=t), (zuurstof) in ozon veranileren; — ozonomé-ter, m. een meter voor het ozongeballe der lucht, met jodkallum gedrenkt papier, dat door ozon blauwgckleurd wordt; — ozophyllon, n. gr. Bol. reukbind, slinkblad, een struikgewas in Guiana.

afkorting voor pied, voel, pouce, duim, ptrc, vader; ook Kml. voor prolN, protesté; met bel leeken 0/0, als S p. ° 0, cini; pour rent, vUf por cont; — p , Muz. 11. afkorting voor


-ocr page 901-

PACCO

p

881

piano, ziidil; op rocopten p — punillus, — /\'. (In nlmiiniikkon) = iiimi doiimui kl; — yi0 = primo, di) oorslo der muund; — p. or iian. = pagina:

— P. A. = propriélé assurée, fr. verzekerd eiKondom; — p. a. op iidrcsson vun hrioven = par ami, fr. mei vriend; — Pa. = Pennsyl-vunlü In Noord-Amerlkii; — P. A. C. I. = propriélé assurée cnnlre incendie, fr. elgendoin tegen lirund gewnarhorgd; — p. acq. = partes aequales, Rclijkc doelen; — Part. of Partic. = particuta of participium, z. onder part; — Pass = passivum; — P. C. = patres con-scripti, lioscliroven vaders (oud-rom. senatoren);

— p. c. = ])ro rent, z. ondei\' cent I), ook par couvert, z. couvert, en pour condoléance, voor rouwbeklag; — p. compl. = complaisance, \'i. onder coniplaisnnt; — p. d. = per de-liqulum, z. ond dellquesceeren; ook = pro deo, om niet, gratis; — p. e. of p. ex. — jiar cxemple, fr. of per exemplum, lal. hü vooi-lieeld; — p. t\'.rpr., z. per expressum; — Petr.

— l\'etrus (de algemcene zendhrlcf In den liii-liol); — p. f. = pour féliciler, om geluk Ie wonsclien; ook op Ingesloten Inleven = par faveur, uit gunst; — P. f. a. z. ond. pus-tor; — p. f. D. = pour faire visite, z. ond. visite; — P. G. = protestantsche godsdienst;

— p. q. = II. per qoverno, lot naricht, lot riclitsnocr; — Phil. I). = philosoplifae doctor, doctor In dc wyshegeerte; — P. ka. of kal. = pridfe kalendas, den dag voor dc kalenden, z. ca I end ae; — P. I, = pastor loei o( posta laureatus: — pi. = plaat; — pl of plur. = pluralis, meervoud; — P. M. = pro memorla, ■l. memoria; — p. m. = pagina mea of pondus medicinale: — ji. m. = pour mille, fr. of pro mille, lal. per duizend; — j). n. of P. N. = pro notitiaO. of p. o. (voor naamtee-koningen) = por order, op lasl van; — p. o.

— par occasion, fr. of jier occasiónem, Int. mol gelogcnhold; — Pont. Max. — Pontifex Maximus:

— P. 1\'. = pater patriae, vader des vaderlands; z. ook praemissis, etc. ond. prannll-tcoron; — P. P. (voor naamteekenlngen) = lal. per procurationem, uil volinachl, als gevolmachtigde; (op adressen) = eng. post paid, vrachtvrU, franco; — p. p. = piu, piano, 11. zachter; — p. p. e. = pour prendre conqé,

. congé; — P. P. O. = professor publtcus ordinarius; — p. p. p. — pianissïmo, il. zeer zacht; fr. voor protest?, geprotesteerd; — p. ptr. -- praeler propter; — P. II. = pop ut us rominus, lal. hel rem. volk; — /\'. /(. ,/. = ong. President (of the) Royal Academy, voor-/.Uier der konlnkiyke academie; — praef. = praefatio, voorrede; — praes. = praesens, le-genwoordlg; — P. II. C. = post liomam con-dïtam, lat. na de houwing van Kome; —Pmi = predikant of (liet hoek genaamd de) prediker; — Prof. — professor; — prov. = provincie; ook: provisioneel, voorlooplg, lUde-lyk ; — /gt;. /(. .s\'. = eng. President {of the) Royal Society, voorzitter van het konlnkiyk genoolscliap; p. r. v. — pour rendre visite, ?.. ond. visite; vimiim lllllIK pr. c. = pro cura— pr. liq. act. = pro li-qatura actorum, z ond. II gee ren; — praet. = praeteritum .• — publ. — publice of puhlicus etc.; — pulv. = pulvis, poeder; — P S., z. posl-scrl plu m; — ps. = psalm; — p. t. z. pro tempore, ond. tempus; ook \\our post trinitutis, na hel feest der heilige Dileeenheld, of voor pteno titüto, of praemissa titiito, de volle titel worde hier ingevoegd, hygedachl, enz. Chemische teekens zyn: P = phosphorus, phosphor; — Pb = plumbum, lood; — Pd = palladium-, — Pc = petopium\', — Pt = platina — 1\'. als miiiittoeken voor Oostenryk: Praag; voor l\'rankrgk; Dijoii; voor Polen (voorheen): Posen; voor Portugal: Porto; voorden kerk.slaal; Perugia.

Paaijemónt, n. (fr. payement, v. \'I mld. lal. pagamentum, z. pagaiuenl) helallng, he-lalingslermUn (paal), bctaiildag; inz. kleingeld tol volmaking eener som, pasmunl.

Paal, m. afstandsmaat in O.IndlC: op Java = lliin meters (211 niinuten gaans),

Paamyh\'ën, f. pl. feeslen ter eerc van Pa amy les, v. s. do Pr la pus der ligyple-iiaren; v. and een der namen van Osiris; hg die feeslen droeg men een zeer oneerliaar hecld van de godheid in processie rond.

Paan, m. (fr pagne) een sink slof, dal de Negerinnen om haar omleriyf slaan en dal de plaats van een rok vervangt.

Paap, m. (oudd. phaffo, nw.hoogd. pfaffe, v. \'I lat. papa, z. aid.), eig. vader, weleer een eerenaam der geesteiyken Inz. in de gr. Kerk, vroeger ook in de latUnsche, later als verachtelijk scheldwoord gebruikt voor de K. Kath. in het algemeen, en als zoodanig verkort van p a apse li e n of papiste n.

Paatwork, n. (van hel nederd. paten, voor planlen) In Sleeswyk een soort lovende haag lor afpaling van landeryen.

pabulum, n. lal. (v. pasci, weiden) dc voeding, hel voedsel, voeder; — pabiilum vitae, n. lat. Med. lovensvoeding, onelg. voor luclil;

pabulator, m. pi. pabulatoren, voe-derhaalders, z. v. a. fouragen rs; eene mon-nlkensecte der .\'tde eeuw, die In do hosschon en woesiyiien oen schier dierlijk leven leidden en zich enkel de schaamdeeieii hedeklon.

Paca of paka, in. (porl. en brazil.; in andere gedeellen van Z.Amerika pak of paq geheelen, nw.lnl. Cavia para) hel gevlekte half-konUnlje of varkenskonUn, van het gesiacbl der s c a v I e n.

\' Pacanvellen, n. pl. Kml. gevlekte wo-zolsvolleu uil BrazIllB.

Pacascas, m. de palmsapsulker van de PhlllppynS\'.\'he eilanden.

Pacatie, f. later lal. (paratïo, v. parare, tot vrede brengen, lievrodigen, van pax, genll. pacis, de vrede) de bevrediging, vredosllcbling; — pacator, m. lal. de vredemaker, vrede-sllcliter, ruslhersleller.

Pacco, m. II. (van hel duitsche pak, pack) Kml. oen goederen-pak, eene baal met


-ocr page 902-

PACTUM

PACE

882

koopwaren, ccn bimdcl ingopnkto waren; ook eono voonmillgo Kraiuimaiil van versclilllemlo groollo.

Pace, r. ong. (spr. pees: = fr. pas, Int. passus) do sclircdo, do pas; als maat = i\\ ong. voot = (1,702 M.

pace laa, pacem, z. ond. pax.

Pacha, /.. pasja.

Pachacamac, in. naam van hot Opperwezen hi Peru; /ijn voornaamste lempel stond in een dal hij Lima.

Pachomóter, m. gr. (v. pachos, n. do iliklo, pachf/s, dik, dicht) een diktometer, werktuig om do dlkto van eon holegd spiogolgias lo molen; — pachyeemïo. f. (van haima, blood) Med. verdikking des hloeds, dikbloodig-lieid; pachyoemisch, adj. (likiilocdlg;— pachyblepharon, n. en pachyblo-pharosis, f. do ooglhlverdikking, dooeilach-tige vergroeiing o( ontaarding der ooglidran-deii; pachychoIïG, r. de galvordikklng;

— pachychytnie, r, de sappenverdikking;

— pachyderma or pachydermen, n. pi. II. elg. dikhuidlgo dieren, ilie zoogdieren, welke meer dan twee leenen of hoeven aan eiken voel heliheii, veelhoovigen, h. v. olifanten, zwUnen, enz.; pachydérmisch, adj. dikhuidig; — pachymenio, f. (van hymiii, vlies) verdikking der vliezen; — pachyn-tika, ii. pt. verillkkendo geneesmiddelen; — pachystachys, Bol. mei dikke aren-, — pachytés, f dlkto, opgezetheid, do oellach-ttge misvorming der oogiidranileii; — pachy-tenum, n. eene voorweretdiyke zoogdter-soorl, welker overgehloven goheenle men in Bruzltifi vindt; — pachytroop, m. een toestel aan magneto cleetrlsche machines, waardoor de electrische stroom veelvuldig gewonden spiralen moet doorloopen.

Paciflculo, ii. nw.lat. (v. pariffcm, vrede stichtend, v. pax, genit. paris, vrede; elg. het vredeaanlirengondo) een voorwerp Ier hewaring van heilige zaken, h. v. de hostie-vaas In do K. Kath kerk; — paciflceeron, lal. (pa-cificüre) hevredlgen, den vrede horstellen, on-eenigheden of Iwlslen hyieggcn, stillen, verzoenen, lot vergeiyk hrengen; — pacificator, lat. of fr. pacificateur, m. een vredestichter, hemiddelaar, verzoener; — paciflcatio (spr. (=/.«), f. (lal. pacificatfo) de vrcdesliclillng, herslelling des vredes, vereifening, hytegging, hevredlglng; verdrag, vredesonderhandeling; — Paciflc-Ocoan, m. eng. (spr. ptssifik nnsjën) de Slilie of Groote Oceaan; vandaar Pacific-railway (spr. réelwee), «f -spoorweg, de groole noordamerlkaansehe spoorweg, die de kusten van den Stillen Oceaan met die van de Atlanllsclie zee verhlinlt.

Pacinische lichaampjes, n. pi. (naar den Hal. geneesheer Pacini dus geheeton) mlkroskopisch waarneemtiare, door \'l gansche lichaam heen voorkomende lichaampjes van de grootte van gierst korrels.

paciscoeron, lal. (parisci) een vorgetyk

Irelfcn, verzoenen, vrede maken, zich wederzyds verstaan; — paciacénten, in. pl. of do pacisceerende partijen, de verzoenende, twlsl verelTenendo partyen, de vredesluiters.

Packet-boat, f. eng. (spr. pfkkillmol; vgi. pa kei) een poslschip, licht vaartuig, dat tot overlirengtng van personen, hrleven en goederen op licpaaldo dagen van de eene haven naar do andere vaart.

Packfong, z. pakfong.

Paco nf pako, m. ook paco-kameol, m. (peruaansch paco) een schaap In Peru, eene soort van lama (z. aid.), dat veel naar do vigogne of den sehaapkameel gotykt, met eene voortretfeiyke lljne wol, paco-haar of vigogno-wol, die thans in Kngeland als kam-ot kaardwol verwerkt wordt.

Pacotille, f. fr. (spr. —liélj\'; verklw. v. paquel, /. pakket) het reisgoed, do ha ga go, inz. z. v. a. portage.

Pactolus, nu lat. (gr. Paklolns; vgl. Mi-das) oude Geogr. eene rivier van l.ydlc, vermaard door liet goudzand, dat hare bedding bevatte; onelg. de bron van rykdommon; al het goud van don Pactolus, al de schatten der aarde; Pactolus lihi final, moge, er een Pactolus voor u vloeien.

Pactum of pact, n. (lat. pactum, elg. partic. v. paciscl, z. pa cisceeren) pl. pacta of pacten, hel verdrag, vergeiyk, de afspraak, overeenkomst; onk verbond, verbintenis; — cx pacta, naar luid des verdrags, volgens overeenkomst ; cx pacta el conventa, volgons verdrag en afspraak; pactum acquisilionis nf acquisiti-vum, koopverdrag, verwervingsverdrag; p. ad-dicliunis in itiem, een verdrag, waarby bepaald wordt, dat een koopverdrag nietig zal zyn, wanneer binnen een bepaalden tyd den verkoopor meer mocht geboden worden; p. udjéclum, by-verdrag; p. anlichreffcum, verdrag, waardoor aan den schuldelscher op pand het gebruik der verpande zaak In plaats van de. renten wordt vergund; /i. confratcniitalis, erfverbroederlng, erfvoreeniging; p. conjiiqum of conjugate, ook p. dalülc of pacta ilnlatfa, pl. een huwetyks-verdrag; p. de quota litis, verdrag over bet evenredig aandeel In de bestreden zaak, waardoor zich een advocaat voor hot geval, dat hy het proces wlnl, een gedeelte van hel voorwerp, waarover de stryd loopt, als honorarium laat beloven; p. de re commiini non dividénda, een verdrag omlrent de ondeelbaiirheld van oen gemeen goed; p. de retroeméndo, een verdrag, waarby de verkooper zich verhlndl de verkeehto zaak terug Ie koopen; p. de retrouemténdn, een verdrag, waardoor de kooper zich verbindt, den verkooper de verkochte zaak weilor te verkoo-pen; p. ditalorfum, een verdrag waarby uitstel verleend wordt; p. (totale, z. p. c on ju-gum; p. famiiïae, een hnlseiyk, familie-ver-drag; p. feudale, een ieenverdrag; p. heredi-tartum, een erfverdrag; p. juris liypolliCcae, een verdrag, waardoor een pandrecht wordt vastgesteld; p. teniCfmum, een wettig, in rechten


-ocr page 903-

P/EDAGOOG

PA DAN

883

BOldlg venlrng; /). mnrulnnum, cono nverccn-komsl omtrent uitstel; /gt;. nudum, een naakt cl. I. niet verbtndenil verdrag; pallidlum of simulalum, een si\'hijnverdraL\'; /). persnnale, een persoonlek (niet erfelijk) verdrag; pro-limiüijos, (v. gr. protimêsis, hel voorreclit) een vóorkoopsverdrap, d. I. /.nik een, wuarhy aan iemand hel recht van voorkoop ocner zaak, In geval van hare vervreemding, wordt toegekend; li. mile, eon zakelijk verdrag; recipröcum, een woderzydseh verdrag; p. remissoriutn, af-standsvenlrag, waardoor iemand geheel of ge-deetlelgk van eene vordering wordt ontheven; li. reserve li ilominfi, een verdrag, waardoor de verkoopende eigenaar zich tot op het plaatsgrijpen van deze of gene omstandigheid tot eigendomsrecht voorhehoudt; p. simulalum, z. p. pal I latum; p. subjecliónis, een onderwer-pjngsverdrag; p. succcssonum, erfverdrag ten aanzien der erfopvolging; p. lantum, een stii-zwijgend verdrag; p. uni\'rnis profïum, een verdrag tussehen echtelieden hij het tweede, derde, enz. huwelijk, waarhij bepaald wordl, dat de reeds aanwezige kinderen met de nog te komen gelijk erfrecht zullen hebben; — pacta convénla, pl punten van overeenkomst; — pactie (spr. /=.«), f. (lal. pactfo) de afspraak, overeenkomst, het verdrag, vergelijk; pac-toeren, nw.lat. hil verdrag of overeenkomst bepalen; gepacteerd, adj. hü overeenkomst of verdrag vastgesteld; ge pact eerde con-slitutie, eene staatsregeling of grondwet, vastgesteld in overeenstemming niet \'s lands vertegenwoordigers; vgl. g e oc t r o o I ee r d e constitutie, onder octrooi.

Padan, in Surale eene som van lonn mil-lloon ropUen.

Padda, m. Chin, de rijslmuscb {Lnxia nryzivoru).

Padding, n. eng. (spr. piddinu) uit lompen bereide, ongeschoren wollen slof; — pad-dingtnachino, f. loeslel tot hel wasscben, stijven of spoelen van linnen weefsels.

Paddock, m. eng. eig. padde; ook: omheinde plaats in dierentuinen en stoeterijen voor paarden.

Paddy I), z. pa dl.

Paddy 4), m. spotnaam der leren In Engeland en N. Amerika (bedorven nil St.-Patrick, den bescbermbellige of patroon der leren).

Padi, paddi, f. mal. rijst in de aar, zooals zy gesneden wordl (in Ned.-lndle); vgl. 1) r a s.

Padoiro, m porl. (spr. ci=ee) de bakker.

Padisjah, m. perz. (pddisjdh, pddsjdh, liddsjdli, v. pdd, beschermer, v. \'I sanskr. pali, heer, v. pd, heerschen, en sjdh, koning; vgl. pasja) eig. heer der koningen, keizer, groote heer, sultan of groot sullan

Padoggen, pl. rass. liever ha loggen of ha lok ken (z. hel laalsle woord).

padro, il. (lal. pater) vader-, pndrc nohite, heldenvader, edele vader (als looneelrol, fr. pire nohlc); — padi\'óno, m. il. (— lal. pa-trónus, z. patroon) heer, meester, gebieder; scheepshevelhebber, schipper, kapitein; begunstiger, beschermer.

Padri, padrie, m. mal. (v. port. padre, lat. pater) geestelijke, priester (ia Ned.-IndlO).

Pads, n. pi. eng. (s|ir. peds) dames-overschoenen.

Paduanen, m. pl. naam van zekere onechte medailles der oudheid, kunstig nagemaakt door eenen graveur van l\'adua.

Pseiln, Paeon, m. gr. (Paidn, l\'alon) Mvlh. de arts der goden; hynaam van Apollo, als god der geneesknnsi; — piEan, ook: een lollied op Apollo; In \'talg. oen plechlig veelsiemmig gezang, zegelied, juheliled; — pseouische kunst, de geneeskunsl.

Pajdagoog, m. gr. {paidanogós, v. pens, paidns, kind, knaap, en dejein, voeren, leiden) kindorleidsman, -bestuuriier, -opziener, -opvoeder; — psedagogarch, in. een opziener over de opvoeding; prodagogiok, f. de opvoedingsleer of -welenscbap, opvoedingskunst;

poedagogicus, m. een wetenschappelijk gevormd piedagoog, eea geleerd opvoeder; opvoedkundige; — psedagogisch, adj. opvoedkundig, lot de opvoeding behoorende; - pie-d agogische schriften, opvoedkundige werken, opvoedingsboeken; peedagogium, n. (lat. van \'t gr. paidaiton\'\'/em) een huis van opvoeding, opvoedingsgesticht; — psedago-gist, m. een kweekeling daarin; —psedan-chóne, f. (vgl. anchono) gr. Med. eene kwaadaardige keelontsteking van kinderen; — psedarthrocace, f. onlsieking en opvolgende verzwering der beenderen omlrenl de gewrichlen hü kinderen; psedatrophle, f. uillering der kinderen; — psederast, m. (van crun, liefhebben) een jongensminnaar, knapenschender, sodomlet; pasderastie, f. de jongenssciiendery, Jongelingsonteering, schandelijke vereeniging van mannen, onnatuuriyke ontucht, sodomletery; peedeutermm, n. (gr. paidculèrion, van paiiieiiein, opvoeden, vormen) eene jongensschool, kloosterschool; paedeutiek, psedeutika, f. het door l\'ytbagoras dus gebeelen onderrichl in de deugdenleer; popdoutisch, adj. deugdbevorderend; dienstig lot verlielerlng en deugd; — paediüter, m. oen kinderarts: pac-diatnek, prediatnka, f. de kinderge-

......sknnde; — psediktërus, m. de geelzucht

der kinderen; psediométer, m. Med. (v. paidion, kindje, verklw. van pais) een kindermeier, eene balans Ier bepaling van het ge-wicbl, de lengte en de grnolle des boofds der pasgeborenen (door l)r. Sieliold uilgevonden);

peediothoologïe, f hewys voor C.ods beslaan nil de kinderwereld; poodobap-tismo, n. de kinderdoop; predonoom, m. een opziener van knapen; paedophl-los, m. een kindervriend; pa\'dophle-botomie, f. bei aderlaten der kinderen; — pcedopooie, f. liet kinderlelen; poedo-stathmium, n. eene kinderweegschaal; —


-ocr page 904-

P/F,G NIA

884

PA1NA

paedothysïo, f. ollorlng der klndoron; — psedotribie, f. de kunsl om klndoron l)ozl(j to houdon; - pijedotrophie, f. do klnder-vcrplcgliiK, hot groothroiiKon dor ktndoron.

Peegnia, n. pi. Br, {paiynin, van den ?tng paignion, spot, sclicrls) kleine, llehto, boorttgo lyrische gedichten.

Peenüla of penüla, r. lat. een regen-of wlntormnntet, relsrok hU de Komelnen.

P86on, in. z. v. a. piean, z. aid.; Potit. de danser, een versvoet of liever een oratorische voet met :i korte lettergrepen en eene lange, van vier verschillende gedaanten, n.l.

IstepcBon: — — — ide pawn: —--^ ,

3de p.i\'on: — — — —, 4de pa\'on: —

Pseonio, f. gr. Hot. peon Ie, |i loon, do plnkstorroos, koningsroos, een bekend Iningewus, oorspr. nil Pieonle in \'t oude Macedonlü; — jMEOiii/IoriK, a, mm. Hot. ploenbloemlg.

Pcetak, |ii psetaki, rnss. (v. /m/J, vyf) een russ. muntstuk van kopeken.

Pseterik, m. rnss. (van /m/j, vüf; vgi. p .e I a k) een rnss. gewicht = J p o e d of 5 russ. pondon = 4,047 K.U.

Paga, f. it. (van \'t mid.lat. en it. imgare, provonc. ;)«(;«)■, payar, fr. iiuycr, betalen, dat van \'t int. pacuvc, bevredigen, afkomt; vgl. pacatle) tiet loon, do bezoldiging; een afre-keningbock, betaal- of loonhoek in vele werkhuizen, enz ; — pagamént, n. mld.lat. (]m-gaménlum) mengmetaal; ongemunt zilver; gestempeld gold in \'talg., inz. klein geld; Kml. betaalgeldon, goroede betaling; ook hetatlngs-termyn, paalement, fr. payomont (spr. péj\'mdn); — pagarés, pl. sp. schuldbrieven, obligation.

Pagaai, f. Mar. korte riem, met eene kruk tot handvat, waarmede do Indianen linnne prauwen voorthewogon en waarvan men zich ook wol op de oorlogssloopen bedient; — pagaaien, mot eene pagaai roeion.

Pagamént, z. ond. paga.

Paganaliën, n. pl. lal. (pagamffa, van pauu.i, streek, dorp) landoiyko feesten, dorpsfeesten; Inz. die, welke by do ondo Komelnen op den iisten Januari gevierd worden; — paganisme, n. nw.lat. (van pan anus, pl. pa-(jnni, oorspr dorpsbewoners, landlieden, later heidenen, omdat hot heidendom zich het langst op hel land staande hield) hot boldondom; — paganiseeren, heldonsch maken, door bot heidendom misvormen of vorontroinigon.

Pagat, pagaat, z. ond tarok.

Pago, I) m. fr. (spr. pttuzj\'; mld.lat. pa-llius, 11. pauijio, longoliardiscb pahis, puin, dienaar; van \'1 gr. pais, verktw. paidion, knaap; vgl. hot deensch pon, eng. hoy, knaap) een odol-knaap, hofjonker. Jong mensch van adel lor bediening van vorstolyko personen; ook oen Japonhouder van gummi, om op Ie schorten.

Page, -2) f. fr. (vgl. pagina) bladz.ydo, z. met tour en pages, nil se on pages (ond. ml se) en fausso-pago.

Pagger, m. mal. (puyar) en jav. {pager) heining, haag, heg, scheidsmuur, omlulnlng (in Ned.-lndle).

Pagina, f. lal. afgek. pug. ofzyde, hiad-zyde, biadzydontat; — paginae, pi. Bot. do vlakten, de z.yden; — pagineeren, nw.lat. do bladzyden mot volgnommors leokonon; — pagina mea, op myne bladzydo, d. i. op do zoo-veelsto bladzydo mijner uitgaaf, dor voor my liggende editie (by citaten); paginatie (spr. l=ls) f. de honommering der bladzyden;

— paginatuur, f. do volgorde der bladzyden.

Pagliaccio of pagliazzo, m. It. z. b a-

J a z z o.

Pagne, f. fr. (spr. pan}\') pa a n, hel katoenen schort der negers in Guinea on Sonogumhlc, ook als ruilmiddel gebruikt.

Pagóde, f. (Iilndost. en porz. boel-lcaiiah, v. \'t porz. boel, afgod, afgodsbeeld en kadah, een huls, eon lompol) een afgodstempel In In-dië en Cliina; oen afgodsbeeld; oeno kleine llguur met beweegbaar hoofd; ook eene Indi-sclio goudmunt van verscbiltondo waarde = f 4 lot f 4,sn; halve- en kwart-pagodes, oost-Indische zilvermunten = 4 en 1 guldon waarde;

— pagodiet, n. of pagodine, f. chi-neescbe speksteen, beeldstoon, z. v. a. agal-m atol Itb.

Pagomantie (spr. I=ts) f. waarzoggerü door Indompeling In water.

Pagoplexie, f. gr. (van pagos, m. ys, vorst) Mod. bovangenlield, verlamming door koude.

Paï, z. p h a I - n o e n g.

Paillard, m. fr. (spr. paljir, v. fr. paille, stroo; eig. stroohod) een hoeroordor; — pail-lardeeren, hooreeren; — paillardeering of fr. paillardise, f. de boorery.

Paille, f. fr. (spr. i\'alj\': provenc. pallui, II. paglia, v. \'1 lal. palüa, kaf, stroo) stroo; — pailles, f. pl. kiolne, langwerpig vlorkanle goud- of zilverroopjes tot soldooron; hamerslag, schilfers; — paille-geel of enkel paille, stroogeel, strookleurlg, hleokgeel; — paillasse, f. (spr. paljass\') een stroozak, bultzak, stroomatras; eene boer; ook m. oen paljas, oen hansworst; — paillasson, m. (spr. pal-jassón) strooien dekmat voor tuinbedden, enz.; vonstormat; - paillessons, pl. (spr. paljc-son) grove stroohoeden; - paillet, in. (spr. paljè) bloekorl, hleekroode wyn, Inz. uil Provence; — paillette, f. (spr. paljèt\') gebrek In diamanten; - paillettes, f. pl. (spr. paljell\': verklw. van paille) schilfers, goudioo-vertjes; — pailleux, adj. (spr, piiljéü) lel-achllg, schloferboudend; — paillon, n, (spr, paljfm) glunshluadje, foelie (onder de gozetto odolstoenen).

Pain, n. (elg. m.) fr. (spr. pent van lal. pünis) tirood, h. v. pain de ménage (spr. me-naazj\') bnlshakkon brood; pain d\'épices (spr. depies) peperkoek, kruidkoek; ook een als farce bereid gerechl in den vorm van oen brood.

Paina, panha, f. port. hrazllliiansch katoen.


-ocr page 905-

PALAMUDKS

PAINOENG

885

Painoong, /.. phal-nooiiK.

pair, adj. fr. (spr. pir= lui. par) goiyk; oven; pair el impair (spr. —e ehpèr) of pair ou non (spr. —oe no;/) oven «f oneven, z. v. a. lui. par et impar par)-, au pair (spr. o pèr) i. v. ii. hol It. al pari, ■/.. oud. pari.

Pair, m. fr. (spr. ptr), ong. poor (spr. ()ier: vun liet lal. par, genii, paris, iioiyk) pl. pairs (lal. pares), eng. poors, il l. elg. ge-Hjken; uiitsblsschoppon, horlogen, graven of ha-roiincn enz., illo oorspr. als onnilddoliyko kroon-vasiillen, voorts als inodolcden van het hoogste gereohlsliof, In rung en voorreohton elkander geiyk zyn: golijkc rüksraden, loden van het lloogorhuls in Kiigeland of dor voorinaligo l\'.er-sle kamer (pairskamor) In Frunkryk; — pairie, f. fr. of poorago, eng. (spr. pie-ridtj\') liet pairschap, de waardigheid en het lichaam dor pairs; — pooross, f. eng. (spr. pieres) de gemalin van eon pair.

Pais, m. (fr. pai.r = lut. pax) vrodo; — paisiblo, adj. fr. (spr. pètifbl\') vreedzaam, rustig, vredeliovond.

Paixhans, ni. fr. (spr. piznii) eone soort vun lange sOponds morlioren mot kogelvorinige kamers, naar don nilvlnder, den fransohen ma-rlne-ovorste Paixhans, dus geheolon.

Pajas, pajazzo, z. hajuzzo.

Pajók, n. russ. (gosehr. pajek, vorklw. vun pai, dool, aandool) de maandoiyksohe meel-muut (ration) vun eenon soldaat = -2 tsj et-we rik.

Pajonismo, n. do loor van do genade Gods Jegens do uitvorkoroneii, zoo geheolon naar den verdediger daarvan, den fransohen gorefor-meordon godgoloerdo Claudius l\'ajon.

Pajong, f. mal. zonnescliorin, parasol; ook regenscherm.

Paka, z. pa ca.

Pakan, n. hol vel vun den cunadaschen wezel.

Pakot, z. p u k k o 1.

Pakfong, n. witkoper, nieuw-zilvei\', een elilnoosch wil, smedig molaalniengsol, hosluando uil koper, zink, yzor en nikkel, ■/.. v. a. a r-g e n I a u n.

Pakket, n. (hot naast vun \'t fr. paquel, 11. pachéllo, pacco, deze echter van tiol iluil-scho puk, pack, ondn. haipji, lasl) oen pakje, hundei; — pakkotboot, z. p a c k e 1-h o a 1; — pakkotpost, f. die ufdeoiing dor posto-ryen, die met do verzending van kleine pakjes belast is.

Pako, z. p a c o.

Palabbor, m. sp. (palabra, woord; vgi. palaver) mondgesprek, ondortiandeiing (op do kusl vun (iulnoa).

Paladijn, in. (van \'t mid.lat. palatmns, pl. palatini, d. i. palaCti oplimules, hoeren van liet pulels of hof) ridder uil hol gevolg van Karei den Grooten, hofriddoi\'; onolg een dapper en hotleiyk held; ook dolend ridder, avon-turior.

Palsemon, m. gr. (Palaimón) Myth, een zoogod, die don zeevarenden gunstig was, hy do Komelnen Porlumnus; ook eone soort ianiistuarlkreeflen.

PalDeodoxio, t. gr. (vun palaids, d, ón, oud) oiidgoloovigticid; palffiographio, f. de kennis van de sciiryfkunst en hol schrift der Ouden; — paltEographisch, adj. do oude schrUfkunst liotrolfendo; — paliBoloog, m. een oudgeloovlge, aanhanger van hol oude geloof; palseologon, pi. lieotto do laatste vorslcnfiimilie uit tiet oostromoluscho of tiyzun-tynsclio ryk; — palacologie, f. de oude loer, in legenst. met neologlo; de oudheidkunde;

— paloeontographie, f. de hoschrijving van de fossiele ovortilijfseis dor voorwereld; — palBeontclogiO, f. de kennis, de wetenschap van do voorweroldiyke schopsolen on tiunno fos-slele overhlüfsols; - palseontologisch, adj. die wetenschap liolretrende; — paloeophrön, m. oen oudgezinde, oudgeloovlge; — palCBO-phytologio, f. do loer vun de fossiele plun-tonovorhiyfsois dor eerste wereld; — palseo-thonon, n. pi. paleeothoriën, ei..... voorweroldiyke diersoort, die hol midden houdt tus-sclion don tapir on den neushoorn;-palseo-typon, pl. z. v. a. incunahoien (z. aid.);

— paloeozöon, n. oen voorwereldiyk dier;

palseozöïsoh, udj. deze dioron tietrof-

fondo; in do gotierglokunde: overldyfselcn der oudste dierwereld hovattonde ; pa iieozoïsch e formaties, pl. = primairo formaties (de silurlsche, dovoiiischo, sleonkoton- en por-inisctio formaties); — palajozoölogie, f. die-renkunde dor eerste wereld.

Paloeste, f. gr. {palaislc, de vlakke hand) een liundhroed, oen oudgr. lengtemaat.

PalcBstïna, o. (gr. Palaisliné, hebr. P\'le-scheth, naar do l\'hlllstynoii genooind, die een groot dooi des lands bezalen) het beloofde land, liet lund dor Mobrieön, Kiinulln.

Palcestra, f. lal. (palaestra, v. \'t gr. pa-laistra, van palaisles, de worstelaar, palaicin, worstelen) de worstolschool, kampplants, vecbl-plaals hy do oude Grlokon en Koinoinon; — paloestrlëk, paloostrika, f. do vechtkunst, worstel-, karnpkunst; ook z. v. a. gymnastiek; paloestriot. 111. eon leerling in \'I worsleion, worstelaar; pu I lest rl sch e oefen in go n, de oefeningen In do pal test ra, worstelen, wedtoopen, schyfworpon, enz.; pa-Icostroph^lax, m. een wachlor van de kampplaats.

Palais, n. fr. (spr. palè: v. lal. palalitm) paleis, vorsleiyko woning, praeblig gebouw; ook een hoogore reclitoriyko autoritell In het oude Klankrijk; — Palais Royal, n. (spr. —rnajial) hel koninkiyke palels, tiians oen mot tuinen en guleryen omgeven paleis Ie l\'arys.

Palamödes, m. zoon vun Nauplius, koning van Kulxea, bekend door don haul, die tiissciien hem en Ulysses bestond; — pala-modischo lotters, naam, dien men aan

do 8 gr. lettors W) {gt;, 5, ip, )(, ip,


-ocr page 906-

PALAMNEËN

886

PALILLOGII-:

(t, u, (/:, th, x, jth, ch, ps) geeft, onidut men meent, dul Piilamedos die gedurende hel beleg vim Tioje lieefl uitgevonden,

Falamnëën, m. pi. gr. (sing, imlamiiaios, moordenaar; kweigeest) onhellstlclitondo godlie-den liü de Ouden.

Palanche, f. tr. (spr. palansj\') eene grove stof uit wol en tinnongaren tot voering, matro-zenmantel, enz.

Palander, in, (it. iialdmlra) een plat vaartuig, eene tiombaideergatjoot.

Palankijn, ■/.. patanquin.

Palanque, f. fr. (spr. ixtluiik\'; turk. iialtin-kali, v. \'t liong. palank, plank) oone verschansing van paalwerk.

Palanquin of palankijn, m. port., (fr. en eng. palanquin, hindost. palki, In de te-linglsehe taal, die men het tand van Madras spreekt, pallaki, in de kavvitaai op Java pa-lanukan) een oostindlsch draaghcd, draagzetel, draagstoel.

Palatalen of palatinon, z. oud. pa-latum.

Palatin, m. of palatine, f. fr. {la pa-

lal ine, van palatin, pattsiscti, omdat men wil, dat deze dracht uil de l\'aits naar Frankryk Is gekomen) een pelskraag, halskraag, sahel, hals-strook of halsbekteedtng der dames.

Palatinen, z. oud. palatum.

Palatïnus, in. lat. (sell collis of mons) de palatynsetie heuvel of berg te Home, waar bel eerst gebouwd is; tater daarop de keizerlijke burg, palat lum (vgl. palels); - pa-latinus, m. inv.lat. (sell, comes, z. aid.; v. palat mm = palts, paleis) een paltsgraaf; ko-nlnktUke groolgraaf of onderkoning in llonga-rye; Palatinaat, n. de l\'aits, bet Paltsgraafschap.

Palatnö, ook polotnó, n. russ. linnen, tynvvaad.

puldlum, n. lal. het verhemelte; ad palatum, naar den smaak; naar den mond (pralen); palatum durum of ossüum, het harde of beenlge, p. mohitc of motte, hel zachte verhemelte;— palatum artificiate, n. lal. Mod. een kunstverheinelte ; —palalum een gesple

ten verhemelte, wolfsmuil; palatalen of palatinon, r. pl. nvv.lal. (patahnae, sell. titterae) verhemelleletlers; — palatief, adj. nvv.lal. welsmakend.

Palaver (van \'t port. palavra, sp. patabra, f. hel would, v. \'1 lat, parabola, gr, paraltolc, getykenls, mld,lat, spreuk, gezegde, woord) ver-zametplaats der Negers tol godsdienstige ver-richlingen of tol reclitszillingen; vgl, pa-I a li li e r,

Palazzo, in. it. z. v. a. pal els.

Palco, m. 11, do stellage; Inz, (p. scenico) bet tooneel.

paleac.us, a, um, lat, (vgl, iiallle) Hot, slrooacbtlg, vlokkig,

paleeren, opschikken, optooien,

Palefronier, m, fr, (spr, pant\'fre-njé) stalknecht, palfrenier; palofroi, m, (spr.

paal\'frod) een staatslepaard, paradepaard, ook damespaard.

Paleis, u. (fr. palais: van \'t lat. palattum, oorspr. de naam eens heuvels van bet oude Rome, waarop de woning der keizers stond) een groot prachtig woonhuis, vorstenvvoning, burg, stot, praclitgebouw.

Palephatus novus, elg, een nieuwe of andere l\'aleptiatus, d, I, een sprookjesopdisscher, een vvonderverlialer, naar den gr, schi\'Uver van dien naam, die een boek vol ongelooliyke zaken schreef.

Pales, f, roni. Myth, de lierdergodin, godin der veeteelt en des lanilbouws; haar Jaariykscb feest heette: palilia of paliliën, n, pl,;— Pales, f, Aslron, een In 1887 door (lold-sebmidt onldekte asteroïde.

Palót, n, (fr, palette, tl, patella, van het lal, pala, spade, schop) liet verfbordje der schilders; de mannen van \'1 palet, de schilders; dat stuk verraadt hel patel, de kleurmenging is gebrekkig.

Paletot of palletot, f, (eig. m.; spr. pa-I\'hi: oudfr, pulleloc, sp, /Hi/cto/HP, een over-rok zonder mouwen) eene wyde, laag neeriian-gende overrok voor mannen, die als een zak of overtrek de gestatte en houding getieet verbergt (sedert is;ts in zwang gekomen). Palfrenier, z, pale fr en lor,

Pali, n, (sanskr, pdli, d, 1, maat, maatstaf, do maalaangevondo taal) de heilige taal van AcIitei-lndlB, in welke de heilige boeken van den goddiensl van lloeddba geschreven zyn, eene taal, die door zachtere uitspraak, afkorting, vermenging der vormen enz, uit liet sanskrlt Is ontstaan,

Palifleatie (spr, l=l.i) t. nw,lal, (van \'t lat, palus, de paal) bel heiwerk, helen, bel in-ramnien der palen om op te bouwen; bevestiging van den grond doer paalwerk,

Palikari\'s ofpalikaren, m, pl, (nw,gr, pallikdri, pallikdri, een Jong menscli, een Jongeling in de volte kracht des tevens, een Jonge held, een dappere) onregelmatige troepen, vry-willlge soldaten by de nieuwere Grieken. Palilïa, z, ond, i\' a 1 e s,

Palillo, in, sp, (spr, palieljo) stokje; tandenstoker; ook z. v, a, banderilla,

Palillogie, f, gr, (van patin, terug, wederom, en légein, spreken, logos, het woord) Log, de woordberballng aan tiet einde ea bet begin der zludeeten; — palimbaechius, ook a n 11 baccli ïus, m, gr. Poet, een drielettergrepige versvoet, die uil twee lange syllaben en een korte beslaat (--u ), b,v, p raat-

zuchtig, bet tegeagest, van liaccbius; --palimpsést(us), m, (d, i, elg, weder op-gekrabd, van psdcin, krabben, schaven) z, v, a, codex rcscriplus, z, codex; palindrö-mos, m, (lat, versus cancrinus) een k ree fill leb t (z, aid,); — palindroom, n, een woordraadsel over een woord, dal voor- en achterwaarts gelezen eene verschillende betee-kenis beefl, b, v, neger, regen, room.


-ocr page 907-

PALINURUS

887

PALM

moor, enz.; — palindromie, f. Mod. z. v. a. rocliiivc {■/.. «ld.); - palingonesie, f. de wcdorgolioorto, wcdervoorlbrenging of horvormliiK, oinvunning, liet hekoinen eoner nieuwe geslulto, goiyk 1). v, mol de rupsen plaats hooft; — paliiigonosooron, wodergoUoren worden; — palingraphie, de wodordmk, do duor Cumpliauson to Ki\'uli\'n godano uitvinding om houtsneden, kopergravuren en dgl. getrouw op steen over to tirongen, zonder dat het oor-spronkelüke daardoor lydt; palinodie, f. do gozangherhallng; do tegenzang, lierhating van oen vroeger gezang; Jur. de herroeping van datgene, wat men smadeiyk van iemand gesproken o( geschreven hooit; actio ud pati-nodïam, lat. een eiscli tot vonneHjke herroeping eoner beleodiging, enz.; — palinodeo-ron, nw.lat. heriialea; herroepen, terugnemon;

palintokie, f. gr. de toraggaaf van rente na woekerwinst.

Palinürus, Palinuur, m.de sluurman van .Uneas, Ulo door don god dos slaaps in zee geworpen werd en na vele dagen zwemmens aan cene kaap der Tyrrhenische zee te land kwam, waar iiij door do Inwoners word gedood. Op bevel der godspraak werd er een grafsteen voor hom opgericht en de kaap kroeg zijnen naam.

Palissade, r. rr., ook pallisade, f. (pro-venc. pallisxada, paliza, 11. pulizzala, palitto, mid.lat, palissalu, palittum, paalwerk, van \'t lal. palus, paal) oen schanspaal; — pi. palissaden of pallisüden, schanspalen, een paalwerk, lioom-of paalheg; - palissadoe-ron (fr. palissader) met schanspalen voorzien, mot paalwerk Inslullon, afpalen.

Palissy-waron, pi. pottenhakkerswaren van of in de manier van den leemvormor en glasschilder Bernard de l\'allssy (Ibtfl—IS9I)).

Palixander- ol palissandor-hout (soms verhastenl tot pollsander- ol poiy-sander-hout) purperhout, violellioul, een vl-oolblauw hout uil üulana, dat in do luchl van kleur verandert en tot lijn sclirgn-. Ingelogd ■werk, enz. gelmilkt wordl.

Paljas, z. ha Jazz o.

Pali., lig iiatuurwelenschappeiyke honainln-gon alk. voor 1\'. S. Pallas (gest. 1811).

Palla, I. lat. een lang overkleed der aau-zioniyke vrouwen In het oude Koine; — palla corporalis, f. eig. Ilehaainsiiiaiili\'i ol -hulsel, een uitaur- ol kelkdoek, olferdoek in de U. Kath. kerk, die hot altaar en don kelk hodekt.

Pallas, I. gr. Mylh. ol ook Athéne, z. v. a. Minerva hy de Konielnen, de godin van de wysheid, de schoone kunsten, de krygs-dnpperheid en liet krygsholeld, enz.; — Pal-las, I. ook oono door Others te liremen In 1SII2 ontdekte planeet; — palladitim, n. gr. {iialladïon) eig. een lahelachtlg l\'aliasliceld, waarvan hot lol der slad Troje alhing, die men n.l. voor onnoemhaar hield, zoolang zij dit zorgvuldig liewaardo holllgdoni hezat; vandaar In \'t alg. oen hosciiermond voorwerp, hoschutiend heiligdom, beschermgod; de privilegiën eener stad, do grondwet vaneenen staat enz.; — ook eon metaal, in IKo:i door Wolliston in hot platina ontdekt en veel ovoroenkomst met dil laatste hohbende.

Pallas, boogd. pallasoh, m. (oudlr. pa-lache en palanche, it. palascio, poolsch palas:, russ. paldsch, serv. pdlosch, van \'i hong. /)»/-los, spr. pallnsj) een lang slagzwaard der rnllery.

Palliatie, palliatief, z. ond. p a 111 u m.

Palliditoit, I. nw.lal. (van \'l lal. paliïdux, «, um, bleek, v. pallère, bleek zyn) do bleekheid; vgl. pallor.

Pallikaron, z. palikari\'s.

Pallissade, z. palissade.

Pallium, n. lat. (v. palla, z. aid.) in \'I alg. hulsel, bedekking, gewaad; eon mantel, in de oudheid Inz. bel grloksclie overkleed, in tegenstelling met de romelnsclie toga; do Idsschops-mantel, sedert de ide eeuw door do rom. keizers aan de boogo hisschoppen ais toeken hunner geesleiyke macht gegeven; paltfum carila-lis, de manlel der chrisieiyke liefde; palliatie (spr. I=ls) f. nw.lat. do bemanteling, onibulilng; verzachting, verschooning, hewlmpe-iing; oppervlakkige genezing; palliatief, n. nw.lat. (van \'I lal. palliitus, a, um, met oenen mantel bekleed, hemanleld) een heman-tolend middol, ambnlllugsinlddoi, schyn- ol ver-zachlingsmlddol voor eonon lyd lang; middel van ullsiel, van veriraging, hulp voor het oogon-hlik, pyiisiiilond middol zonder geneeskracht, enz.; — palliatieve kuur, I. de genees-wyze, die niet togen do ziekte zelve, maar tegen hare verschynsclen (symptomen) Is gericht; in tegenstelling mol radicale kuur;

— pallidlus, a, um, eig. niet een pallium omhangen ol bedekt; vandaar: pallialum ncgo-(fum, een bcdryi, dat voor zoover de zaak he-troll verboden, maar volgens den vorm geoor-loold is.

Pall-mall, n. eng. (spr. pel-mel: oudlr. palemail, 11. pallamaijlio, v. palla, bul, en ma-fllio, Ir. en provenc. mail, eng. mail, v. 1 lat. mallSus, hamer, koll) z. v. a. hel malie-spel (z. malt), kollspel, haanbulspel; ook de malic-haan, de baan tol halslaan; vandaar do naam eener allee ol straat, b. v Ie Londen, Ie Al-tonn, waar bel in pa II mal lie, I. (spr. pal-mdlj\') verbasterd Is.

Pallor, m. lat. (v, pallère, bleek zyn) de bleekheid, doodstiloekte, bet verbleeken.

Palm, f. lal. (palma) 1) de palmboom, een tairyk geslacht van boomen in Azie enz., die takken noch twygen hebben en alleen aan den lop bladeren en vruchten dragen; ook z. v. a. de palmlak, als zegeteeken en als zinnebeeld des vrodos; -2) de vlakke hand (lal. palma, gr. paldmv)1, 3) eene span, eene II., sp. en port. lengtemaat [palmoy, eene nederl. lengtemaat = 11Ii et ol meter, een decimeter, alk. dM.;

— palmo de craveiro, m. eene port. lengleniaal = 0,42 M.; — palma Christi, 1. de wonderboom; pa 1 ma-Christi-olie, I. z. v. a.


-ocr page 908-

PALMOS

888

PAN

Kielnus-olIo; - palmarum (oIr. boiiII. pi. van pulnw: dies ol Dominica imlmarum, Ae paliiiiliiK) il» I\'ulinzoiKliig, zoiiiIiik vooi\' I\'iischen, op welken voor Jezus, by zijne Inlreile In Jeruzalem, piilintiikkeii op ilen weg gestrooid werden; — palmacieten, m. pi. hit nr. versteende piilmstiunmen; — palmanum, n. lal. zegeloon •, gosehenk nun eon advoeaat na een gewonnen pruces; - palmarösa-olie, f. een letlierlselie olio uit de bladeren van Pe-largonium radulu : — palmalus, a, urn, lal. Bol. tiandvormlg; palmeatrio, f. nw.lat. z. v. a. chlromantlc (z. aid.); - palmétton, f. pi. fr. Arcli. naar palinhluden geiykende sieraden aan gr. zuilen; — palmiet, n. liet palnimeel, palmnierg; palmifolius, a, urn, palmliladerlg; — palmipes, m. oene roni. lengteniaal = 1^ roni. voet; — palmipedes, f. pl. lat. (v. pulmtim, hreedvoetlg) iN. II. zwemvogels; palmine, f. een kunslinatlg vet uit rlelnus-olle, door salpelorlgzuur bereid; — palmitine, f. Cliem. een vast vel voor kaarsen uil palmolie; —palmolie, palmwas of palmboter, olie en was, die door koking en persing uil de vruchten van vorsehlllende palmsoorten, inz. uil de kokosnoten gewonnen en tol kaarsen, zeep, enz. wordt gebrulkl.

Palmos, 111. gr. {palinós, v.pallcin, zwaaien, springen) Med hot slaan, kloppen, Inz. do hart-klopping, de polsslag; — palmoskopie, f de Lesfliouwlng van den polsslag of de voorzegging daaruit.

Palmsect, m. een aangename, zoele wyn (sect, z. aid.) van het Canarlsclie eiland l\'a 1 ma.

Palmwas, z. ond. palm.

Palomantie (spr. t=ls) f. gr. (van palos, hel lol, v. pallein, zwaaien) z. v. a. kle-r 0 m anti 0.

Palombélla, f. II. (kleine) duif. paloteeren, fr. (palater, v. oudtr. palat, spade, v lal. pata, spade, schop) mol de spade op een akker voren trekken of uitgraven.

palpabel, lat (van ;ia//iare, hetaslen, aanraken) of palpable, adj. fr. tastbaar, grijpbaar, voelbaar, bandlastelük; duldelük, zonneklaar, licht begrUpeiük, dood eenvoudig; — palpabiliteit, f. nw.lat. ile grUpbaarheld, tastbaarheid, voelbaarheid handlasleiykheld; zonneklnarheld; palpatio (spr. l=ls)t. (lat. palpatio) het bevoelen, betasten, streeleii; — palpen, pl. (fr. palpe) voeldraden, voelhorens der Insecten; palpeeren (lal. pal-pire) zacht aanraken, betasten, strooien, palpebraal, adj. lal, tot do oogleden ipal-

peltrac) .............. — palpebreeren (lat.

palpebrarc) de oogleden snel bewegen, blikkeren; — palpebratie (spr. (=lt;s) f. (paipchra-ttn) hel blikkeren der oogen.

palpeeren, z. ond. pa 1 pabel. palpiteeren, hit. [palpilore] slaan, kloppen, trillen; — palpitatie (spr. tie=lsie) f. hel kloppen, slaan, de hartklopping, polsslag, ledenlrllllng.

Palts of Paltz, f. (hoogd. PfalZ: v. \'t lal. palattum, mld.lal. pulanha, oudd. phalama, pa-lenze — palels, z. aid.) weleer slot, kasteel, palels, inz. kelzcriyk paleis, waarin een palts-graa f als rechter en opporamblenaar regeerde; ook hel daartoe behoorende, onder den keizer staande gebied, vandaar nog de Palts aan de Ryn, do O pp er pa lts In Beleren, enz.

Paludaméntum, n lat. overkleed, man-lel, Inz. krUgs-, voidmaiilel; keizersmantel.

Paludier, 111. fr. (spr. paluwljé) een zee-zoulziedcr, een zoutboer op de westkust van Frankryk.

paludosus, palmlris, lat Bol. moerassig, moerasbewonend, oorspronkciyk in moerassen groeiende.

Pambiöma, n. gr. (van piln, alles en hioen, bezielen) liet algemeen lovensbeginsel.

Pamela, f. oeno heldin der deugd, naar don dus geheelon roman van den Engelsciinian Klchardson.

Pampa, f. pl pampa\'s, peruaansch (pampa, vlakle, vry veld) groole grasvlakten in Z. Amerika; — pampéiro, m. port. of pampéro, sp. de koude hevige zuidenwind, die over de vlakten van Paraguay, enz. heen-strykl.

Pampelmoes, f. de oosllndischo oranjeappel, van de groolle eens hoofds, met den smaak van aardbeziën.

Pamphilos, gr. mansn.: do iiigeliefde; — pamphïlus, 111. (fr. pamphile) zeker kaartspel, In \'t welk de klavoronboer den naam van pamphïlus draagt en hyzondere voorrechlen heeft.

Pamphlet, n. eng. en fr. (oud-eng. pamflet, pamfilet, v. \'I oudfr. pahne-fueillel, een hand-blad, blad, dat men lldil In de hand houdt, v. \'I oudfr. palme, nu paume, de vlakke hand, lat. pnlnui |z palm, 2], en \'I oudfr fueittel, nu feuillel, blad, vorklw. v. fueil, 111 , nu feuille, f., v. \'1 lal. foffum, pl. fnlta, blad) een vlug-sebrlfi, klein gesclirift, inz. oen politiek of polemisch gescbilfl, ook met den byzonderen zin van oen lioleedigenden inhoud; een hlauwbookje, schotschrifi; - pamphletier (spr. - fte-tjé) of pamphletist, m. een schrijver van vlug-schriflen, van blauwboekjes; smaad- of schotschrifi schryver.

Pamplegïe, f. gr. (van pan, al, geheel, en jiltiiê, slag) Med. de uigemoeno beroorte, algemeene verhiniming.

Pampoesjes, n. pi. (v. jav. pampoes, korlo laarzen, hoogo schoenen) Mar. soort van schoenen van zeildoek.

Pan, I) 111. in vele slavonlschc talen, inz. in \'I poolscb: de lieer.

Pan 2), ni. gr. Mylh. de veld- en herdersgod, de god der herders en kudden, enz., zoon van Hennes en oene nimf; by had boksvoeten en twee horens en was over \'t gansche lyt ruig behaard; — pansfluit, f. ook syrinx en pagagéno-fluit, de herdorsllult, veldfluit, bet zevenmondig riet, een blaasinstrument, uil


-ocr page 909-

PANDORA

PANABA1)

88!)

zovcn IrapsKewUzo iitnemendc, nausl elkinuler vorlmndmi pdpen sumonKOstclil; — panische schrik, m. of paniek, f. (tr. punique, terreur jianique, eiiK. panic) con iilolsolliiK blind iiliirm, plutsollngo, maiir onnoodlKO of onuc-Krondo schrik, eone iilgoiiiconi», onnoodlgc ontsteltenis, naar Pan Konocmd, die men In de oudheid als de oorzaak er van beschouwde; als beursterm: plotselinge daling aller staatspapieren en fondsen, een algemeene schok van bet krediet; panophobie, f. Med. het schrikken In den slaap, In den droom

Panabad, in. een perz. zilvermunt = { kraa (z. aid.).

Panacea, f. lat., of tr. panacée (van \'t gr. pan-dkeia, van pan, al, en altein, genezen) een algemeen geneesmiddel, oene univer-seele arlseny, wondermiddel; Myth, de alheel-sler, godin der genezing, oene dochter van ^Esculaap; — pamcca menurialis, z v. a. kalomel; panax of panaxplant, het heelkruid, z. opopanax en liizerkruid.

Panache, in fr. (spr. pandsj, sp. pena-cho, it. pennacehio, van \'t lal. penna, voder) de vederhos, helmbos, pluimbos; - panaché, n. (spr. pnnnsjé) eig. vederachtig, bont gestreept, goscbakcerd; allerlei veelkleurig ys nis conli-tuur; - panachure, f. gestreepte kleuring, kleurmenging.

Panachia, z. 1\' a n a g i a.

Panaden, f. fr. (van \'t lal panis, brood) broodsoep, inz. vleeschnat of bouillon mei ge-raspl brood; — panadêro, sp. bakker.

Panagia, Panachia, f. naam, dien bü de nieuwe (irieken de moeder van Jezus draagt; ook de naam eener ceremonie dor grleksche monniken, waarbU zy een stuk brood In den naam der Maagd inzegenen en hel onder elkander aan het einde van den maaityd verdeelen,

Panama(-hoed), m. slrooboed in Z. Amerika uil bladeren eener soort Lwlovica pal-mala vervaardigd; — panama\'s, pi. halfwollen stotfen met driedniadscb katoenen ketting en dubhelen wollen inslag.

panamerikaansch, adj. nw.lat. (v. gr. pan, al) geheel Amerika liet rellende.

Panarioium, n, lat. (bedorven uit parn-nycliïam, z. paronychlo; fr. panaris) de vinger- of nageizweer, de IIJI.

Panatheneeen, n. pi. gr. {pan-allunaia), volksfeesten der Atheners Ier eere van A t he n e of Minerva.

Panax, z. ond. panacea.

Panax-gom, z. opo panax.

Pancake, f. eng. (spr. pénkeek) pannekoek.

Pancarte, f. fr. (mld lat. panrharla, van gr. pan, al, en lal. charta, gr. chartcs, z. charta) oen aanplakbiljet, plakkaat; bordpapieren omslag; groote uitslaande lyst van artikelen, tarief.

Pancarpum, n. of pancarpus, ni. oen gevecht van allerlei dieren, dut de rotneln-sclie keizers ter vorlustlging van het volk deden plaats hebben.

Panchrëstrum, n. gr. (van pan, al, en chréstós, ón, brulkhaiir) Med. elg. een albol-pend, ten minste veeibeipend geneesmiddel, vu\'l. panacea; — panchréstisch, adj. alhei-pend, algcnezenil.

Panchymagöga, n. pl. gr. Med. afvoerende middelen voor alle kwade vochten by do Ouden; — panchymanogum mincrute, n. z. v. a. k a 1 o in e 1.

Pancratium, lat. of pankrati\'on (spr. t=ls), gr. n. (van pan, al, en kratos, kracht, geweld) eon gezamenlijke, algemeene slrUd, wed-strijd niet alle liciiaamskracbten en kanipmid-delen, eene strydoefeidng hy de oude (irieken, die hel worstelen en den vuistkamp vereenigde en alle lichaamskraeliton vorderde; ook eene uil vele raderen en veorca heslnande machine, welker eerste rad door een gewicht io beweging gebracht wordt, lid oplieldering van vele waarheden, die op tyd en kraclituilspurlng he-trekking hebben; pankratiast, m. (gr. pankratiaslës) een alslrydor, een vechter In bet pa n k ra 11 o a; helilbnftig rlilder; Pan— kratius, n. miinsii.: de nlgcweldige.

Pancreas, ■/.. p a n k r e a s.

Panda, m. de kalteheer of wascbheer in de Himalaya {ylilunis lefahjens).

PandfEmonium, n. gr. (vgl. daemon) een algemeene tempel voor dienions of halve goden; ook de gezameniyke hooze geesten of duivelen, het ryk des satans.

Pandékten, pl. gr. (v. pandéklès, alomvattend, van pan, al, en déchesthai, opnemen) eig. alomvattende hoeken, hel geziimeiljjke rom. recht, eene uit !l(i boeken beslannde verzameling van rochtshegliisclen, die onder Justiniaan In \'t jaar Kin kracht van wet kregen; afgekort //quot;, welke zonderlinge verkorting uil de grleksche aanvangsletter rr door de onkunde der afschryvers ontslaan Is (volgons anderen is zy voortgesproten uit de met een ilwarsstreepjo voorziene d. 1. Dinesta): z. ook illgesta en corpus juris: — pandoktist, m. een pandektenkenner, een paiHlekten-ieeraar.

pandömisch, adj. gr. (pandanios, on, van pan, al, en dimos, volk) het gnnscho volk bolrolfende, algemeen, overal veriireld, b. v. panilemlsche ziekten of kwalen, algemeene ziekten, enz..; — pandemie, f. Med. eene algemeene volksziekte; — Vernis pan-demos, z. V e a n s.

Pandiculatie, f. nw.lat. (van \'t lat. pan-diculari, zicii uitzetten) de nitslrekking en uit-zottlng der spieren vaa hel gansche lichaam, waardoor eene krampachtige trekking wordt veroorzaakt, bet uitrekken der leden hy koortsen.

Pandoer, in. een bongaarscb soldaat Ie voet (zoo geheolon, omdat /.y oorspr. uit bot dorp Pandoer en de naburige borgen In Ne-der-llongaryo kwamen); pandoeren, n, zeker bekend kaartspel tusschen II personen; — pandoerenkling, m. een gebogen harts-vangor.

Pandöra 1), f. gr. (v. pon, al, en dor on.


-ocr page 910-

PANNKAU

8i)ü

PANDORA

gosclioiik) vr.imain; de iilhcgltllndo, Myth, ceil schoon mulsjo, kunstwerk van Vulcunus, door ulle Kuden mot Rcsclionkon on hovulllghodeil toegerust. Zy droog hot gnnsclio hoor dor men-scholijke kwulon in oen gesloten doos. Epl-motheus, door do schoonheid van hel meisje liokoord, oiionde hot deksel, en nu vloog er iillerlel ellende uit en verspreidile zich over do nnrde; alleen de lioop liieef in de doos achter, enz.; vandaar: Pandora\'s doos, de bron van alle kwaad; Astr. een in isiis door Soark ontdokte asteroïde.

Pandöra 4), liever pandoera, z. m a n-d o 11 n e.

Paneel, n. (oudfr. panel, punniil, eng. imncl, nw.fi\'. pameau, vierkante plank of steen, veld, van pan, liet pand van oenen rok, vak van eenen muur, enz., v. \'I lat. pannus, een stuk dook, oen lap) houten hesclileting, heschol, wandhekleeding; de dunne jilank achter eenen spiegel, eene schlldery j de plank, waarop een schilderstuk is gemaakt; — panelooron, mot houlen bekloodlng voorzien.

paneeron, fr. (paner, van pain, = lat. panis, lirood) vleosch met hoschultkruimels he-stroolen; — panetier, in. (spr. paan\'tjé) hroodmoester, een grooloitlclor der kroon In het voorin. Frankryk.

Panegyncus, m. lat. lt;ir panogyrr-kos, m. gow. panegyriek, r. gr. (van pnnigSrls, algemoene volksvergadering, feest-vergadering) eene feestrede voor oono volksvergadering gehouden, plechtige lofrede, lofdichi, oerescluift; panogyrisch, adj. plechtig, lottullend, op lofredenaars wyze; — panegyrist, in. (pancqyrislcn) een lofrodonaar.

Panólle, f. fr. (port. panda) ruwe, gele suiker in schyfvormigo stukken uil /..Amerika en de Anilllen.

panein, enz., z. oud. panis.

Panergesie, f. gr. (v. pan, al, en érgdn, doen, werken) algoineono opwekking lot verlie-terlng; — pangermanisme, ti. het slre-ven der dultscho volken naar een inniger ver-eenlging met elkander, het stroven naar eenheid voor alle Duitschers; — panglossie, f. eene verzameling van geschriften In vele la-len; balihelzucht; — panglóssus, in. eon nlspreker, zwetser; — Panhagïa, f. de al-holllge, in de grieksche Kerk, do naam der moeder van Jezus; — panharmonïkon, n. een door Millzl te Woonon uitgevonden muziekinstrument, dal vele blaasinstrumenten in zich vereenigt; — panharraónisch, adj. geheel en al samensloinmend, volmaakt harmonisch; — panhellenion, n. (vgl. IIel-las, enz.) de opperste staatsraad dor nieuwe Grlokon; hu de oude Oriokeii do naam van Jupiter als schutsgod van geheel Oriekenlaml; — panhistorie, f. de aiwetery.

Panetier, z. ond. paneeron.

Pangéran, m. Jav. hoogsto eoretltel van een regent op Java.

Panichida, f. pi. panichldy, russ.

(uit. gr. pannykhis, verlengde nachtwaak, vooravond, v. pan, al, en nyx, nacht) de zielmis, de doodendlonst der gr. orthodoxe kerk; vgl. r e q u i e m en v 1 g 1116 n.

Panicographie, f. lat.gr. (v. lat. pani-cum, gierst en gruphein, scbryven) een soort van etkunst, waarby de teekening op glerst-vormlg gekorrelde zinken platen wordt opgedragen en dan en relief geëtst wordt.

Panicula, f. lat. Kot. pluim; — pani-culatus, a, urn, Bot. pluimvormig.

Paniek, panique, lemur panique, fr. z. ond. I\'an.

Panier, ui. fr. (spr. paanjé) mand; ook; een mandenwagen, zeker rytuig; panier percé, bodemlooze mand; onelg. verkwister, doorbrenger.

Panieten, m. pl. versteende zeeooren.

panis, m. lal. brood; vandaar; pancm cl Circénses, brood en schouwspelen van den Circus! (z. aid.), de leuze van het volk In bet oude Komo, waarmede zy te kennen gaven, dat zy, in \'I bezit van die gaven, zich weinig om hel overige bekommerden; en dus hel middel, waardoor zg door de tvrannen In bedwang gehouden werden; de pane luerdndo, lat. om zgn brood te verdienen, van wege de winst; — panisbrief, m. een broodbrief, verzor-gingshrief duitsch-koizeriyke aanbeveling om den houder van zulk eenen hrlef levenslang in een klooster op te nemen; — panist, m. nw.lat. een liroodeling, verzorgde provenier; — panilicatie (spr. t=s), f. nw.lat. de brood-bereiding, de verandering van melige stollen In brood, de broodgisting; panifleeeren, tot brood maken.

panische schrik, z. ond. Pan.

Pankratesie, f. gr. (v. pan, al, en fcra-ISm, heerschen) alhoerschappy, aiieenhezit.

Pankration, pankratius, enz., z. p a n e rail u m.

Pankróas, n. gr. (van pan, al, geheel, en kréus, vleesch, dus elg. geheel vleosch), of de pankreatische klier, f. het alvleesch, de gioote maagklier, huikspeekselkller, hinnen de platen van het dainischeil des karteldarnis, tusschen de maag, de groote slagader, den twaalfvlngerlgen ilarrn en de milt; pan-kreatisch, adj. bet alvleesch hetrelfende; — pankreatalgio, f. pyn in het alvleesch;— pankreatemphraxis, f. overvulling der huikspeekselkller; pankreatitis, f. ontsteking van hot alvleeseh; — pankreator-rhagie, f. de bloedvloeiing uit de huikspeekselkller.

Panmelodion, n. gr. een nlouwellngs uitgevonden muzlekinstrumeni, waarop de tonen door middel van toetsen en eenen cylinder op metaalstaven worden voortgebracht.

pannationaal, adj. gr. lat. (v. gr pan, al, en lal. natw, volk) een geheel volk hetrelfende.

Panne, f. fr. eene lluwoelacbtlge stof uit zydo en wol, plulslluweel; fulp.

Panneau, n. pl. panneaux, pi. fr. (spr. pannó. vgl. paneel) verdiepte velden aan


-ocr page 911-

PANTHKISMK

891

PANNEL

deuren, wandoti, enz. voor vorslcrlngon, opschi lt-ton en iIkI.

Pannel, n. cnn (spr. pénnel) z. v. a. p n-neel en fr. punnoau; ook ile 1 ijst der gezworenen.

Pannotypïe, f. (vgl. p si n n u s) pholo-gruphlo op wusdook.

pannus, m. lal. een stuk doek, lap; — prm-nus culantm, m. Med. eene huidvlek, lionlg-\\lek; — pannus ocüli, m. lat. Med. eene vlok of een vel op hel oot;; — pannirüliis, m, elg. een lapje; Mod. viisle, dlclde huid; — panno-sus. o, um, Hot. gelapt, pelsachtlg.

Panochie, r. lat.-gr. (v. punus, nr. pênos, eene kllerbull) Med. een tlesgczwet.

Panopoea, f. oen In istgt;t door Ooldsclmddt ontdekte asteroïde.

Panophobie, z. ond l\'an.

Panoplio, f. gr. (van pan, al, geheel, en Iniplnn, wapentuig) de volledige wapenrusting; — panophthalmitis, r. ulgeineenc ontsteking van den oogappel; — panoptikon, gr. of panopticum, nw.lat. n. weldseh klinkende iiauni van verzamollngon waar quot;iillesquot; te zien Is: te Londen eene Inrichting, wuar men allerlei verzamelingen en toestellen vindt ten toon gesteld, mot welker gohrulk men zich door uitlegging en proeven kan liekoml maken; te Amsterdam en elders groute collectie van wassen heelden en groepen, Inz. van boroeinde en heruchte personen; panóptisch, adj. gr. alziend; - panorama, n. gr. (v. pan, al, en horan, zien) het algezlchl, de alheschou-vvlng, eene cirkelvormige schilderij, die een go-hcelen horizon voorstelt, in welks middelpunt do aanschouwer slaat en zoo het overzicht, I), v. over eene gunsclie sliul. krijgt; — pa-noramagraaf, m. een door (iavard uitgevonden toestel om deze gezichten te teekenen.

Panoro, m. it. eene oude veld- of vlaktemaat In Toscane van Ui vierkante ellen -ongeveer i!t M \'.

Pansfluit, z. ond. Pan.

Panslavismo, n. (van \'t gr. pun, al, en \'t nw lat. slavlsme, de gezamenlijke stavlsche natiën, het Slaven- ot Slavonondom), vvoorde-Hjk; het al-Slavendom, hel streven naar ver-oenlging der gezameniyke Slavonische vnlksslam-men tol een rijk, of althans lot éene natie; — panslavist, m. oen aanhanger en voorstander van dat streven; — panslavistisch, adj. daarop hotrekking hebbende.

Pansooph, ni. gr (v. pan, al, en sophós, r, én, wijs, een ulwyze, alwoler, algeieordo, oen, die alles verstaat; — pansophio, f. de alwyshold, algeleordlieid •. de waan van alles te weten; — panspemimm, n. gr. het alzaad, de grondstof, oorsproukoiyke of eerste stof; — panspormie, f. (vgl. sperma) de leer eener algemeene verspreiding van de kiemen dor levende wezens, volgens welke tol hunne ontwikkeling slechts eene bepaalde aanleiding wordt vereischt ; — panstoreorama, n. de voorstelling van een voorwerp In geheel verheven werk en In zijne ware grootte; vgl. relief.

Pant, pont of poent. Chin. z. tsoen en tsjl.

Pantagóga, pl. gr. (v. pdnla, alles, en dgein, dryven) Med. alles ulldi-yvende, geheel huikzulveraiide middelen.

Pantalon of pantaloon, n. een grool, naar het klavier gciykend vertikaal instrumeid, naar zyncn uitvinder l\'aiituleon Me heust relt (1118) benoemd.

Pantalon, in. fr. ^r. paiMöii) ofpan-talóno, II. (v. I\'unluleone, den schutspatroon der Venetlanon, dien zij hyzonder vereerden en mei wiens naam zij vaak gedoopi werden, waarom zg dan ook den toenaam van panlaloni kregen; do naam des heiligen is echter reedt» een oudgrleksche: l\'anlalénn, geheel leeuw) olg. eene maskorrol in liet Hal. volkstityspol {commedia delf arte) ■ eene silmnio, ryke, nu gierige, dun jaloorsclie, menigmaal verliefde Vcucliaan-sche koopinun, doorgaans een huisvader, oud en mager, op jmntolTels, die beliulve hij, nic-mand o|i hol looneel draagl; verder in het algemeen polsonmaker, hansworst; van zijne wydc matrozen-kluoderon, de In Venei ie algemeen heerschende draehl, komt; pantalon, f. eene lange, wyde hnick, lange broek; — panta-lonnade, f. fr. de pantalons-dans; allerlei grappen, zotte tlguren; geveinsde boliilging van vreugde of smart, veinzerij; narronstreek om zich uil de verlegenheid Ie redden.

Pantamorphie, f. gr. {panlu, alles; vgl. a in o r p h 1 o) volledig gebrek aan vorm; — pan-taphobio, f. z. pant op ho bic; — pan-taskie, f. (vgl. use li) algehceie schaduw-loosheid; — pantatrophie, f. geheele a I r o-phio (z. aid.); — pantatypse, f. (vgl. tv-pus) de verandering der voor kopergravure en lithographische persen uilgevonden graphische werken (riidocrlngen, gravures, kryiteekeningen, enz.) In verheven plalen voor de boekdrukpors.

Pantano, m. 11. (mld.lat. pantanumvgl. het celt.-walllsch panl, eene holle, lage. Ingezonken, omsloten plaats, eng. pand, een vUver, en gr. pontos, do zee) moeras, poel; pl. pan-ld ui, grootc marschlanden en poelen In Sardinië.

Pantolegraaf, f. gr. (vgl. telegraaf) een door Oaseili te Florence in ISM uilgevon-den telegraaf, waardoor ook de schrifttrekken van hel opgegeven telegram, tookeningen en dgl. teruggegeven worden.

Pantes, pi. schelpgeld, selielpmunl, z. v. a. kauri.

Pantheïsme, n. gr. (van pan, al, en the/is. God), de alvorgoding, het wereldgod-ge-loof, die riehling der plillosophio, volgens welke God en do wereld een zyn en niet tegenover elkander slaan als de schepper en hel gescba-pene; vgl. deïsme; — pantheïst, m. lom. wiens godlioiil hot heelal Is, die God en natuur voor óen houdt; pantheïstisch, adj. dal geloof botrelTende; — pantheolo-gio, f. de loer van het pantheïsme, de algo-


-ocr page 912-

PAPAGAAI

PA NTH Kil

892

deiiloor; — pantheon, n. in \'loude Rome een tempel voer iille KOden; laler onder de pausen de kerk van de maaRd Maria en allo helllKen, ook rolonda; hel pantheon te l\'arys, do voorin, kerk der liolllge (lonovevu; gedurende de rovolulio on lol isü (ook thans weder) een eeretempel voor overleden Rroote on heroemde mannen, tempel der onsterKpken; — pantheoniseeren (spr. «=!), de eer van het pantheon toekennen, In het pantheon overbrengen,

Panther, m. het pantherdier of de par der (gr, panther, lat. panlliëra) een roofdier In Afrika en O Indlö, dat naar den lüger en luipaard gelijkt (Pelis pardus), het kleine pantherdier, ■/.. v. a. de o n c e, de pan-■therkat, een soortgeiyk kleiner, maar wreed roofdier In Amerika; — pantherhaai, m. soorl van haal (Squalus calulm).

Panthêre, f. (fr. panlière-, van hel gr. panthêra, d, I. alvangst, v. pan, al, en thèra, Jiicht, Jaehlliiiit, vangst) een hangnel, spiegel-net of vogelnet met spiegels, in Kalle zeer gewoon, om allerlei vogels te vangen.

Pantin, m. fr (spr. paiilèii) hordpapieren ledepop, draadpop; ook onelg. voor een persoon.

Pantjen, m. heerendicristpllclillge op Java.

Pantóffel, f. een halfschoen, gemakkelijke hulsschoen; iron, het vrouwelijk liulsgezug; — pantoffelpromenade of -parade, f. het wandelen van den voornamen stand op eene bepaalde plaats en een bepaalden lijd.

Pantograaf, m. gr. (v. pan, geuit, pnu-Ins, al, geheel, en firdphcin, schrijven, enz.) elg. een alteekenaar, alschryver, een teekenknaap, werktuig tot nateekeiien en verkleinen der omtrekken; — pantographie, t. de alschryf-kunst, ile kunst om met den pantograaf te werken; - pantokratie (spr. lle=lsie), f. gr. do heersc.happy, alregeerlng; — pantokra-tisch, adj. albeheerschend, alregeerend; — pantokrator, m. oen alheerscher, behoor-sclier van alle dingen, de Almachtige; —pan-tométer of holoniétcr, m. een almeler, hoekmeter, een werktuig om allerlei afmetingen op liet veld en aan den hemel Ie bepalen ; — pantomime, f. (van het gr. panlö-mïmo.i, d. i alles nabootsend) elg. alnaboot-slng; het m lenen- en gebarenspel, de gebarenspraak; ook eene drnmatlsche liandeling, die alleen door gebaren wordl voorgesteld; — pan-tomimiok, f. gebarenkunde, de kunst van de gebarenspraak of het gebarenspel, de kunst om gedachten, gewaarwordingen en handelingen enkel door gelaatstrekken en gebaren of dans, zonder woorden aan den dag te leggen; — pantomimisch, adj. door gebaren uitgedrukt ; — pantomimische dans, pantomimisch ballet, zulk ecu dans of ballet, wanrln do handelingen enkel door gebaren wor den uitgedrukt, gebarendans; -- pantomi-miseeren, door gebaren uitdrukken; — pan-tomimist of pantomimïcus, m. een gebarenspeler of gebaren-tooncelspeler, die go-dachten, gevoelens en handelingen alleen door gebarenspel of dans zonder woorden voorstelt;

— pantomorphisch, adj. alvormig; — pantophaag, m. (van phaqein, eten) een aioter, alvraat (veelvraat*; —pantophagïe, f. hot genot der eetbare dingen zonder onderscheid; — pantophobie, f. vrees voor alles; ook watervrees; — pantosophie, z. v. a. paiisopliie.

Panurgus, m. fr. panurgespr. -nuurzj\') (van pan-oergos, d. 1. eig. alles doende of tot alles In staat) doortrapt, geslepen persoon, schelm, spitsboef; — panurgie, f. gr. arglistige hoosheid, schelmery, geslepenheid; — panür-gisch, adj. arglistig, geslepen, doortrapt.

Panus, n. lat. (gr. pênos, dorlsch panos) Mod. een kliergezwel.

Panzoötie (spr. /=lt;s), f. gr. (v. pan, al, geheel en zoon, levend schepsel, dier) Med. eene ttlgemeene dlerenzlekte; — panzoötisch, adj. bel gezameniyke leven of het leven in liet algemeen het rellende.

Paolo, in. it. (= l\'aulus) eene oude Hal. rekenmunt, in Toskane 41 cent te Rome ongeveer 2(15 cent in waarde; — paolotti, m. pi. 11. I\'aulinen, z. minimeii.

Papa, in. lat. (ook nederl., fr., eng., hgd. In denzelfden vorm; gr. pappas, een algemeen kinderwoord, van eenen natuurklank ullgaando) vader; z. v. u. p a 11 s (hoogd. pabsl, fr. papa, eng. pope), de heilige vader, het geesteiyk op-perhoofd der K. Kalh. Kerk; ook een op bisschop geiykende drank; — papaal, adj. pau-seiyk; — papaalsysteem, n. het stelsel der pauselyke opperheerschappy iu de kerk; —-papaat, n. (It. papnlo) de pauselyke waardigheid; de gcosleiyke regeering van den paus als opperhoofd der kath. christenheld, afgescheiden van de wereldlijke machl In zyn eigen staat;

— papabel, adj. nw.lat. {papntiWs) bevoegd om tot paus gekozen te worden; papalmi, m. pi. It. (sell, soldali) de pauselyke soldaten;

papaliteit, f. de pauseiykheld, pauselyke waardigheid; — papas, m. naam, dien vele ooslersebe christenen aan hunnen priester, bisschop en patriarch geven-, de opperpriester by de Peruanen; — papisme, n. bet pausdom, Inz. de leer dor R. Kath. Kerk van den paus als stadhouder van Christus en van zyne onfeilbaarheid; — papist, 111. een pausgezinde, onvoorwaardeiyke aanhanger van den paus; — papisterij, f. do blinde gebechtheid aan den paus; — papistisch, adj. pauseiyk; — pa-pocsesarïe, de pauselyke opporbeheerschlng, het Ingrypen van den paus in de rechten van vvereldiyke vorsten; — papolater, m. lal-gr. een piiusdienaar, pausvereerder »f -aanbidder; — papolatrre, f hit.-gr. bovemnatlgo vereering of aanbidding van den paus; —pa-pomaan, 111. een luirtstochtoiyk pausvereerder; — papomanïe, de hartslochteiyke paus-vereering.

Papagaai, doorgaans papegaai, m. (sp. papagaya, 11. papagallo, mld.lat. papaqaltux.


-ocr page 913-

PAPAGALLO

PAPYRUS

893

provonc. papanui, oudfr. papegai, pupeuuul, v. liet lurk. papagdt, papagin, porz. bupijn, anil). babagd, nmlolscli hay an) ecu zeer Uilhjk (te-slaehl vim inoostal zoor sclioono woudvogels In Azli1, Afrika on Amerika (Psillarus).

Fapagallo, in. de papagaai (z. aid.); ook oen zulmaclillRe vlsch, die gozoulon uit Newfoundland komt.

Papagenofluit, z. v. a. pansfluit, z. ond. I\'an.

Papalëthra, f. do tons u u r i)ü de criek-sclie geesteHjkon

Papatace, m. It. (spr. —lalsje) eig. zwijn-vador; oen goede ziel, onnoozolo huls.

Papaver, f. lat. de mankop, slaapbol; — papavoracéën, pl. papaverachtlge gewassen; — papaverine, f. aw.lat. een In den opium gevonden planten-hasls.

Papaya, f. peruaanscli, de meloenvrucht;

— papaya—boom, de nieloonhooni; — papayacéën, pl,. ineioenaelitlge gewassen.

Papellguier, m. fr. (spr. —fiujé) iiu Rabelais: ketter, liooswlcht

Papelard, in. fr. (spr. pap\'lar) een huichelaar, schünhelllge, pilaarhijter.

Papeline, ook popeline, f. fr. oene halfzijden stof, eene soort van gros de Tours, waarhU de Inslag niet uit zyde, maar uil llo-relzydd of katoen hostaal.

Papelita\'s, pl. sp. (v. papel, papier) pa-plorslgaren, cl ga ret t o.

Paperassen, pl. fr. (van papier, papier) onhrulkhare, beschreven papieren, scheurpapier;

— papeterïe, f. papierhandel; waren van papier en karton.

Paperhunt, f. eng. (spr, péeperhunl) eig. paplerjacht (v. paper, papier, html. Jacht) rui-loroefenlng, bestaande In een navolging dor vossenjachl, waarhü een ruiter den vos voorstelt en z(in spoor door papiersnippers aanwyst (hgd. Sehnilteljachl).

Papéto, m. eene voonnallge rekenmunt te Rome, = i p a o 11 of ongeveer 52 centen.

Paphïa, f. bijnaam van Venus, naar de stad Pap hos op Cyprus, alwaar zg haren schoonslen tempel had.

Papier-Jesus, m. fr. (spr. papjé zjezü: vroeger geheeten papier mm de Jé.tiis, dewyi liet den naam van Jezus |.l. II. S. | tot merk droog) of enkol Jésus, eene papiersoort van grooto afmeting, voornameiyk gebezigd voor werken van groot formaat en voor platen; — papier-Joseph, n. fr. (spr. zjozéf), tiltroer-of doorzygpapior voor de apothekers, enz.; — papier-maché, n. (spr. —masjé: van md-cher, kauwen) elg. gekauwd papier, tol hry gestampt papier, papierdeeg, papierslof voor doezen, kistjes, enz.; — papier-mécani-que, machlnaal-papler; papier-sans-fln (spr. sail feii) papier zonder einde; — papier-nautilus, z. a r g o n a ut; — pa-pier-stramien, n. karton met gaatjes om te borduren.

Papilïo, m. lat. do vlinder, Inz. dagvlinder; — papilionaccus, a, urn. Bot. vlindervor mig; — papilionaeeën, pi. N. H. vlinderbloemige planten.

Papillen, f. pi. lat. (papillae) tepelvor-mlge, wratachtige verhevenheden op de huid, de tong, enz., Inz. de borsttepels; — papil-lifórm, adj. nw.lat. wratvormig; — papil-lone, f een topeivormig gezwel; — papil-lexis, adj. wratachlig, met naar wratten ge-iykenile hoogten bezet; — papillosus, a, urn. Rot. tepelig.

Papillón, rn. fr. (spr papa-ljóii: v. \'t lat. papiiïa) vlinder, kapel, witje, Inz. een dagvlinder, in tegenst. met p h a I a! n a en sphinx; ook een wispelturig mensch; papillót-ten, t pl. paplerrepen of -rolletjes om het haar ter krulling In op te rollen (wegens de overeenkomst in gedaante met oenen vlinder dus geheeten); - papilloteeren (fr. papil-lo(er), liet haar op zulke rolletjes winden; ook blikkeren (van do oogen); — ge papillot ee r d, adj. te opgesierd, Ie hloemryk (van den styi, van eene redevoering enz.. Plet. met te veel verschillende lichte partyeii; Typogr. gesmeerd, met duldiel en unilulileiyk staande letters.

Papiniaansche pot, een slullpot, een yzeren pol, in Hisi door ilen Franscliman Papin (spr. papen) uitgevonden, die door een schroefdeksel zoo nauwkeurig gesloten Is, dal de waterdamp, welke zich daarin door de hitte ontwikkelt, geenen uitweg vindt, en men daardoor beenderen kan oplossen en lol gelei koken; ook d 1 g e s t o r en autoclave geheeten.

Papinianisten, m. pl. Jur. aanhangers of volgelingen van de uitspraken des rechlsgeleer-den Papiaiaiius; ook Juiistische studenten, die in liet 3de studiejaar z.yn, omdat dan weleer Papiaiaiius verklaard werd.

Paplnka, m. rass. vadeiije.

Papisme, papist, papoctBsarie, enz. z. ond. papa.

Pappus, in. lat. Bot. hel zaadpluis; -pappnsm, a, um. Bol. van zaadpluis voorzien.

Papoea\'s, in. pl. (van hel inaleisch pa-pnea/i, kroes, woiliarig) de kroesharlgen, de zwarte bewoners van INIeuw-Ouinea, en In \'1 algemeen de negerslam in Australië, auslrallsche negers (vgl. negritos).

Papolater, papolatrie, papoma-nie, enz. z. ond. papa.

Paprika, 1. hong., turksche of spaansche peper (Capsicum annum) nit llnngarye.

papillae, f. pl. lat. Med. puistjes, hlaartjes;

— papulüus, adj. nw.lnt. pnlstiiciilig, puistig;

— papulosus, a, um. Rot. puistig, gelilaard; met hlazige holle verlicveahedeii; papulifé-risch, mij nw.lat, met pulsten hezet.

Papusmossel, f. eene soort van eetbare groole mossel In do Middeliandsche zee en de Noordzee.

Papyrus, m. gr. (jidiiyros) oud-egypliscli papier, bereid all den papyrus-struik, een egypt. rietgewas; — papyriferus, papyri-céus, a, um, lal. Hot. papierachtig;—papy-


-ocr page 914-

PARACLEET

894

PAQUET

rographio, r. boschrUvltiK van hot |)ii|)ier; kurlon-sleendruk, d. i. dn aiinwendliiR van kartons of bordpapieren, die met eene soort van kletkalk overdekt zijn, In plants van de steenen tot den steendruk.

Paquot, pakket.

Paquitta, f. sp. (spr. paklelta) eene papiersigaar voor (lamos.

par, I) fr. (v. lat. per) door, uit, met, tiij; li. v. jiar couvert (spr. hoewir) door insluiting (op brieven); pnr curiosi/é, uil nieuwsgierigheid ; par exemple (spr. —eksdhpl\') \\)\\i voorbeeld; ;mr force, met geweld; par occasion (spr. —liazjön) met neienenheid.

par, i) lat. jjciUk; — par nobïle (ralrum, z. nobile par fralnm, oud. nobel; par et impar, even en oneven, een spel; — par ratio, t. ge-Hike vertiouding, evenveel; .lur. geiyke grond des wetgevers of der rechtsgewoonte; pari passu, met geiyken tred, mot gelgke mate-, — pares, pi. geiyken, even geschikten, oven sterken; Inz. gelijken In stand, in rang, vgl. pair; vandaar juilicium pnnum or pair-gerecht, dat over do meilelodon van den stand oordeelt, zoodat do aangeklaagde alleen door zijns gelijken wordt gevonnisd; — parfa (sell, vnla) pi. go-iyke of evenveel stommen, siemmongeiykheid (by verkiezingen); panier, op gelyke wyze, ge-lykmatlg.

Para, m. (van \'t perz. pArah of pdrch, slak) ook ahtsjeh of atsjeh, oono rekenmunt in Turkyo en de Krim = piaster of ongeveer cl!n\'~

para- of voor klinkletters par-, gr. voor-lettergreep In veto samonstcilingen, tietcekenondo oorspr. by, nevens, vervolgens, heen; langs, hovemili; vandaar Inz. een gemis, iels gebrekkigs of verkeerds, ■/.. v, a. ons mis-, ver-, een overschrydon of overtreffen; wederstreven of bestryden, ■/.. v. a. ons togen en weder (|n dezen zin ook in fr. woorden, h. v. para-fondre, paraptulo, enz.); eindeiyk eene verandering, vervorming, omkeering, z. v. a. ons om-

paraat, lat. [paralus, a, urn, van parare, bereiden, toerusten) gereed, bereid, vaardig, willig, toegerust; — pariite execütie (spr. Ile—lsie) .lur. dadetyko uitwinning; parala pecunia, baar of gereed geld; ad ulrümque paralus, tot belde bereid, op beide voorbereid.

Parabaan-zuur, n. Chom. een zuur, dat zich uit het met salpeterzuur verhitte pls-zuur ontwikkelt, ontdekt door VVöbleren Lloblg.

Parabasis of parabase, f. gr. (v. para-hnincin, daarnevens gaan, overscbryden) l.og. het overspringen van bot eene voorwerp op bet andere; in hel oud-gr. biyspel de toespraak van den koorvoorder In naam des dichters aan hel volk, welke In geen samenhang met bet stuk stond; —parabaten, m. pi zy, die In den circus, na hel wagenrennen, ook aan den wedren Ie voet deelnamen.

Parabol, f. gr. [parnholc, d. I. eig. naast elkander-plaatsing, van parn-hnllein: lat. para-bula) Log. geiykonis, geiykenisrede; —parabool, Math, die kegelsnede, welke parallel loopt met eene zijde des kegels; —parabó-lisch, adj. by wyze van geiykenis; de gedaante van bovengenoemde kegelsnede hebbende ; — parabolisoeren (spr. s=z] door ge-lykenlssen spreken; — parabolbide, f. een door omwenteling eener parabool om haar as ontstaan kogelvormig lichaam en z.yn kromme oppervlakte; In uitgebreider zin de naam voor zekere vlakken der tweede orde.

Parablépsis, f. gr. (v. panublépein, voor-liyzion) het voorbyzlen, overzien; Med. het valsch-of vorkeerdzlen.

Parabolaan, m, lat. [parnbolnnus, van het gr. pardbolos, daaraan wagend) e(ui waaghals; pl. parabolanen, geesteiyke ziekenverzorgers, krankenoppassers (om bet gevaar der besmetting, waaraan zij zich wagen, dus genoomu).

parabolisch, parabolisoeren, enz. z. parabel.

Parabrahtna, m. Ind. (van het sanskr. para, het beste, voortretleiykste) elg. do beste It rail ma (z. aid.), hot hoogste wezen.

Parabysraa, n. of parabystie, f. gr. (van byein, volstoppon) Med. het volproppen, volstoppen.

par accidenl, ■/.. accident; — par accla-malion, z, accia moeren; — par accord, z. a c cord.

Paracentesis of paracontese, f. gr.

(van para-kenlêm, aan de zyde doorsteken) de aftnpplng van liet ziekeigk opgehoopte water met oen puntig stokend werktuig uit eenige holte des lichaams, Inz. bet onderiyf of de borst; — paracenteseeren (spr. s=t) insteken en aftappen.

paracéntrisch, adj. gr. niet juist om een middelpunt gelegen, uitmiddelpunilg.

paracharakt, m. gr. (para-charaklcs) de valsehe munter, vervalschor,

Parachroea, f. gr. (van c/iroid, chmma, huid, huidkleur, kleur) Mod. ziekeiyke verandering, inz. der gelaatskleur; - parachroma, n. kleurbegoocbeiing, gebrek van het gezicht, waardoor men kleuren waant te zien, die niet werkelijk aanwezig zyn; — parachroma-topsie, f. het onvermogen om de kleuren lie-hooriyk te onderscheiden; — parachrósis, f. het verkleuren, bederven door de kleuring.

parachrónisch, adj. gr. (van cbrónos, lijd) ontydig, met den tyd strydig; — para-chronismo, n. gr. eene tydfout, een inissing tegen de tydrekenkundo, Inz. zulk eene, die oono gebeurtenis later opgeeft, dan zy beeft plaats gehad, In tegenstelling met procbro-n is m e.

Parachrósis, z. oml. paracbrosa.

Parachute, m. fr. (spr. —sjtlül\', van het gr. para, togen, of fr. par er, afweren, beschuiten, en fr. rhule, val) een valscherm aan een luebthai, uiigevondon door l.enormand in HSll.

Paracleet, z. p a r a k I e e t.


-ocr page 915-

PARACROTTE

PARA.GIUM

895

Paracrótte, f. fr. (v. fr. purer, afweren en crnlle, slük) het siykscherm hoven de raderen der wagens, spatledcr.

Paracyësis, f. gr. (van para, z. aid., on kyêsis, zwanderschap) de zwanRorschap hullen de haarmoeder.

Paracynanche, f. «r, (vrI. c y n a n c li e) Med. eon llchle Rrnad van keelontsteklnR, ont-slekinR iler halsspieren.

Parade, f. fr. (van parer, opsieren, en dit van \'t lat. parare, herelden) een plechtlRO optocht, Inz. vnn krüRsvolk ; pronk, pracht, praalvertoon; In \'t schermen: do afwerhiR van oenen stool, do dckkgiR; vrI. pareeron, 1); — pa-rado-bed, verloonhed, pracht-, pronk-, staatsie- of praalbed;-parade-paard, pracht-ot staatslepaard; — parade-plaats, inon-sterplaats; wacht-parado, optrekkende stanlslowacht; — paradoeren, prijken, pronken, praalvertoonlnR maken; lor monsterliiR staan; zich In \'t hosto pak laten zien; — paradist, m. do potsonmaker op kleine too-ncelon.

Paradiastóle, f. r.- (vrI. diastole) Lor. elR. het schelden van naast elkander staando dlnRcn; de opholderlnR eener zaak door het te-Rcndeel.

Paradiazeuxis, f. Rr. RehrekklRC, verkeerde scheldhiR of onderscheldlnR; Mnz. interval van éenen toon.

Paradigma, n, {gr. pard-dei(ima,\\. para-(leiknf/nai, daarnevens of als voorheeld hijhreii-rcii) een voorheeld, model, monster; Gram. een modelwoord, woord lol voorheeld om daarnaar alle andere woorden van dezelfde soort te vor-hulRcn of Ie vervocRen; paradigmati-cus, m. lovonsheschryver van heiliRO en vrome menschen; — pai-adigmatisch, adj. voor-heeldlR, als voorheeld dienende ; door voorheelden loerende; — paradigmatika, f. de knnsl om heelden en llRtiren van Rips te maken; — paradigmatiseoron (spr. s=z) door voorheelden lecren.

Paradijs, n. (het naast van \'I lat, para-disus, Rr. paradeisns, en dit uit het ondperz. paradaêsas, sanskr. paradêsa, vreemd land. en hoste, schoonste land; hohr. pardk, per/., en arah. firdaus, pl. fanidis, lusthof) een hoom-Raard; oeno diei\'Raarde; lusthof, pleizierluin, lustwarande, elk IioorsI genocRiljk liullenver-hlüf; de woonplaats van het eerste mensehen-paar vóór den zondeval, als ook die der zall-Rea na dit leven; Iron, ook do hoveasle Ra-lery In den schouwhurR; — paradijsachtig, adj. heerlijk, verrukkelUk; — paradijsappel, ailamsappel) eeae soort van citroen-vrucht ; ook eene soort van smakelijke, roode en hlanke appelen; — paradijsdruif, eene soort van cnrsicaansche druiven; paradijshout, een kosthaar, welriekciid, roodhrnin hout nil Itomhav, Snmalra enz..; paradijskor-rels (Int. granu jmradtsi) de zaden van een oostind. Rewas {Cardmnómum maximum), weleer als specerij Rehruikt; vrI. kardamoni;

— paradijsvijg, de vrucht van den pl-sanR; — paradijsvogel, een lalrük rc-slacht van hultengemecn schoono vogels in Nieaw-Guinea, enz.

Parados, m. fr, (spr. paradóv. parer, afweren, heschutton, en ilns, rug) een rURwe-riiiR, schouderweriiiR opgeworpen in den rug ooner verschansliiR.

paradox, Rr. (parddnxnn, vim para, tegen ea dii.ru, de meealiiR) wonderspreukiR, strijdig mot de gewone loer en gevoelens, hevreem-dend, ongewoon, afwijkend, zonderling, In \'t oog sprlriRend; — het paradóxo, het vreemde, schUahaar slrÖdlRC, tcROn het Rewoao gevoelen, tegen de hoersclumde hegrippea indrul-schende; de paradox, f. z. v. a. para-doxon, z. lager; — paradoxaal, onjuist gehr. voor paradox; - paradoxie, f. do zonderllngtield In Revodens of denkwilze; de liefde lot het vreemde, opzlenharendo; ook z. v. a. paradóxon, n., pi. paradóxa of paradóxen, de sclulnharo tegenslrUdlgheld, vreemdsoortigheid, zondorllnge gevoelens, he-vreerndende stellingen of grondregels; — paradoxologie, f. het spreken of schrijven ia vreemdsoortige, wonderspreukige uitdrukkingen;

paradoxisme, n. Kliel. eene tiguur, die zeer strijdige attrlhuten In zich veroónigt; — paradoxomanie, f. de overdreven nelRlnR of zacht tot zonderlinge, wonderlijke gevoelens en leerstellingen.

Pareenësis of parsenése, f. gr. (parui-nisis, van pur-ainSin, toespreken, opwekken, enz.) de vermaning, opwekking, overreding, vermaningsrede, toepassing, stichting; paree-nétisch,adj. vermanend,opwekkend,slichtend.

Parsestheaie, f, gr. (vgl a est hosts) Mod. gevoelsveraaderlng, zlokelUke of oaregel-maliRc geslelilheld des gevoels.

Parafe, z. pa rap he.

Paraffine, f. fr. (v. \'t gr. para, tegen, of lat. parum, weinig, en \'I lat a/flnis, verwant, wegens \'I gehrek aan verwantschap, dal hij jegens do meeste lichamen, Inz. jcRens de alkaliën en de zuren aan den ilag leRt) eene In ISM door K. v. Keichenhach ontdekte, wille, voornamelijk uit hruinkool verkrcRen slof, veilig op \'1 aanvoelen, naar \'t olievormend Rag ro-1 ijkende en als materiaal voor kaarsen dienende.

Paraflanes, pi. fr. (v. purer, hoscluitlea en llmir, pl. /lancs, de zijde) een z.Uwering, die te gelijk den rug eener vesling dekt.

Parafoudre (s|ir. —fnedr\') of para-tonnerre (spr. —lonèr\') m. fr. (van \'1 gr. para, tegen of fr. purer, afweren, heschullen, en fr. foudre, hllksom, tnnnerre, donder) een hllksernallelder, onweersalleider; een regenschenn mot een hllksemalleidor.

Parageusie, f. gr. (van f/eüein, proeven, smaken) Med. verkeerde smaak, onlslemdheid vaa den smaak, smaak zonder voorwerp; parageustie, f. de valsche gewaarwording die de smakende voorwerpen geven.

Paragium, n. mld.lat. (v. \'t lat. par, ge-


-ocr page 916-

PARACLEET

PAQUET

894

rographie, r. bcschrijvluK van het papier; karton-steendruk, d. I. de aanwendlnR van kartons of bordpapieren, die met eene soort van kletkalk overdekt «yn, In plaats van do steenen lot den steoiulrnk.

Paquet, /,. pakket.

Paquitta, t. sp, (spr. pakiella) eene pa-plorslgaar voor dames.

par, I) fr. (v. lal. per] door, uit, met, liü; h. v. par couvert (spr. koewèr) door Insluiting (op brieven); pnr niriosilé, uit nleuwsglorlRhetd; par eiemple (spr. —eksdiipl\') hty voorbcebl; par force, met geweld; par occasion (spr. —kazjnn) met gelegenheid.

par, i) lat. gelUk; — par noltfle fratrum, z. nohile par fratrum, oud. nobel; par et impar, even en oneven, een spel; — par ratio, f. gelijke verhouding, evenveel; .lar. gelüke grond des welgovers of der rochtsgowoonte; pari passu, mot gelijken tred, met gelüke male; — pares, pi. geiyken, even gescblkten, even slerken; inz. gelUken In stand, In rang, vgi. pair; vandaar judicium parium of pair-gereclil, dat over de medeleden van den stand oordeelt, zoodat de aangeklaagde alleen door zijns gelijken wordt govonnlsd; — porta (sell, rota) pl. gelijke of evenveel slemmen, sienimcngclijkiieid iiii verkiezingen); panter, op gelüke wüze, ge-lükmatlg.

Para, m. (van \'I perz. pArah of pdreh, si uk) ook ahtsjeh of atsjeh, eene rekenmunt in Turküe en de Krim = Idaster of ongeveer TW cent.

para- of voor klinkletters par-, gr. voor-leltergreep In vele samenstellingen, lieteekenende oorspr. iiü, nevens, vervolgens, hoon; langs, bovenuil; vandaar inz. een gemis. Iels gebrekkigs of verkeerds, z. v. a. ons mis-, ver-, een overschrüden of overlreifen; wederstreven of bestrüilen, z. v. a. oas togen en weder iln dezen zin ook in fr. woorden, b. v. para-foudre, paraplule, enz.); eindelUk eene verandering, vervorming, omkeering, z. v. a. ons om-

paraat, lal. (paratas, a, urn, van parare, bereiden, loernsten) gereed, bereid, vaardig, willig, toegerust; — parate executie (spr. tie~tsie) .lar. dadelyke uitwinning; parata pecunia, iiaar of gereed gold; ait utrümque paralus, tot beide bereid, op helde voorbereid.

Parabaan-zuur, n. Chem. een zuur, dal zich uit het met salpeterzuur verhiito pis-zunr oniwikkeit, ontdekt door Wöhler en Liebig.

Parabasis of parabase, f. gr. (v. parn-bainein, daarnevens gaan, overschrijden) l.og. bet overspringen van bet eene voorwerp op het andore; iu hel ond-gr. hlüspel de toespraak van den koorvoorder in naam iles dichters aan bet volk, welke In geen samenhang met In\'t sink slond; —parabaten, m. pi zü, die In den circus, na het wagenrennen, ook aan den wedren Ie voet deelnamen.

Parabol, f. gr, (pamholc, d. i. eig. naast elkander-piaalslng, van para-battein .• lal. para-buta) Log. geiykenls, gelijkonisiede; — parabool, Math, die kegelsnede, welke parallel loopt met eene züdt des kegels; — parabó-lisch, adj. bü wüze van geiykeuls; de gedaante van bovengenoemde kegelsnede bobbende ; — paraboliseeren (spr. s=z) door gelijkenissen spreken; — paraboloïde, f. een door omwenteling eenor parabool om baar as onlstaan kogoivormig lichaam cn zijn kromme oppervlakte; In uitgebreider zin de naam voor zekere vlakken der tweede orde.

Parablepsia, f. gr. (v. panublépein, voor-büzlon) het voorbyzlen, overzien; Mod. het valsch-of verkeerdzlen.

Parabolaan, m. lat. {parabotanus, van het gr. pardbotos, daaraan wagend) een waaghals; pi. parabolanen, geestoiUke ziekenverzorgers, krankenoppassers (om bet gevaar dor besmetting, waaraan zü zicli wagen, dus genoemd).

parabolisch, paraboliseeren, enz. z. parabel.

Parabrahma, m. hul. (van bel sanskr. para, hel besle, voortrelfelüksle) eig. de beste lUahma (z. aid.), hot hoogste wezen.

Parabysma, n. of parabystie, f. gr. (van byein, volstoppen) Mod. hel volproppen, volstoppen.

par accident, z. accident; — par acclamation, acclameeroii; — par accord, z. a c c o r d.

Paracentesis of paracentese, f. gr.

(van para-kentüin, aan de züde doorsleken) de aflapplng van het ziekelijk opgeboople water met een puntig stekend werktuig uit conlgo iiolie des llchaams, Inz. bot onderlüf of de horsi; — paracenteseeren (spr. s=z) In-steken en nftappen.

paracóntrisch, ndj. gr. niet juist om een middelpunt gelogen, nltmlddelpunllg.

paracharakt, m. gr. (para-charaktcs) de valscbe munter, vervalschcr.

Parachroea, f. gr. (van chroia, chroma, huid, huidkleur, kleur) Mod. ziekelijke verandering, Inz. der gelaatskleur; parachróma, n. kleurbegoociieling, gebrek van het gezicht, waardoor men kleuren waant te zien, die niet werkelük aanwezig zün; — parachroma-topsie, f. het onvermogen om de kleuren he-hdoriijk to onderscheiden; — parachrösis, f. het verkleuren, bederven door de kleuring.

parachrónisch, adj. gr. (van etirónns, tüd) ontüdig, mot den tijd strüdlg; — para-chronisme, n. gr. eene tüdfont, eon misslag tegen de tijdrekenkunde, inz. zulk eene, die eene gebeurtenis laler opgeeft, dan zü beeft plaats gehad, In tegenstelling met p roc broil 1 s m o.

Parachrösis, ■/.. ond. paracbriDa.

Parachute, m. fr. (spr. —sjiiiit\', van het gr. para, tegen, of fr. /torer, afweren, boschul-ton, on fr. chute, val) een valscherm aan een luchtbal, ullgevonden door l.enormand in ns:i.

Paracleet, z. pa rak led.


-ocr page 917-

PARACROTTE

895

PARAGIUM

Paracrótte, f. rr. (v. rr. purer, iifworon en crnlle, siyk) het siykscherm hoven ile raile-rcn der wagens, spalleilcr.

Paracyësis, f. «r. (Villi para, z. aid., on kyisis, zwanKcrselmp) ilo zwangerschap hullen de Imnrmooder.

Paracynancho, r. gr. (vgl. c y n a n c h e) Mod. oen lichte graad van keelontsteking, ontsteking der halsspieren.

Parade, f. fr. (van purer, opsieren, en dit van \'t lat. parure, hordden) oen plechllge optocht, Inz. von krijgsvolk; pronk, pracht, praalvertoon-. In \'t schennen; do afwering van oenen stoot, de dckkyig; vgl. paroeren, t)-, —parade-bed, verloonhed, pracht-, pronk-, staatsie- of praalbed; — parade-paard, pracht-of siaatsiepaard; — parade-plaats, niori-sterplaats; — wacht-parade, optrekkende staatslewacht; — paradeeron, prijken, pronken, praalvertoonlng maken; ter Tnonstering staan; zich In \'t hoste pak laten zien; — paradist, m. do potsenmaker op kleine loo-neelen.

Paradiastöle, f. gr (vgl. d 1 a s I o I o) I-og. elg. liet schelden van naast elkander slaande dingen; do ophelderingeener zaak door liet tegendeel.

Paradiazeuxis, f. gr. gebrekkige, verkeerde schelding of onderscheiding; Mnz. interval van (ionen loon.

Paradigma, n. {nr. pnrd-lt;lei(ima,\\. para-(Mknynai, daarnevens of ais voorheeid hijiircn-gen) een voorheeid, model, monster; Gram. een modelwoord, woord tol voorheeid om daarnaar alle andere woorden van dezelfde soort Ie ver-hulgen of ie vervoegen; — paradigmati-cus, m. lovensheschryver van heilige en vrome menscheti; — paradigmatisch, adj voor-hoeidig, als voorheeid dienende; doorvoorheelden leerendo; — parndigmatika, f. de kunst om heelden en liguren van gl|)s te maken; — paradigmatiseoren (spr. s=z) door voorheelden leeren.

Paradijs, n. (het naast van \'I lat. para-disus, gr. pardileism, en dil uil liet oudperz. paraduêsas, sanskr. paradêxa, vreemd land. en hesle, sciioonsle land; iieiir. pnrdilz, perz. en arah. firduus, pi. furidU, iuslhof) een iioom-gaard; eene diergaarde; iuslhof, plelzierlnin, lustwarande, elk iioogsi genoeglijk hnlienver-hiijf; de woonplaals van hot eersie menschen-paar vóór den zondeval, als ook die der zaligen na dit leven; Iron, nok de hovenste galerij \'n den schouwlmrg; — paradi,j sach-tig, adj. heeriyk, verrukkelijk. paradijsappel, adamsappel, eene soort van cilroen-vruehl; ook eene soori van smakeiyke, roede en hianke appelen; paradijsdruif, eene sonrl van corsicaansche druiven; paradijshout, een koslhaar, welriekend, roodhrnin hout uil iiomhay, Sumaira enz.; - paradyskor-rels (lal. urana paradïsi) de zaden van een oosiind. gewas (Cardumómum maximum), weleer als specerij gehruikt; vgl. k a r d a m o m;

— paradijsvijg, do vrucht van den pisang; — paradijsvogel, een talrijk geslacht van huitengomcon schoono vogels in Nieuw-Gulnea, enz.

Parados, m. fr. (spr. paradó .■ v. purer, afweren, heschutten, en don, rug) een rugwering, schouderwering opgeworpen in den rug eener verschansing.

paradóx, gr. ( jiarddruim, van ;«/•«, legen en dó.™, de meening) wonderspreukig, strijdig met de gewone leer en gevoelens, hevrcom-dend, ongewoon, afwijkend, zonderling, in \'t oog springend; — hot paradóxo, liet vreemde, schUahaar strijdige, tegen liet gewone gevoelen, legen de lieerschendo liegrippcn Indrni-schende; de paradox, f. z. v. a. paradóx on, z. lager; — paradoxaal, onjnlsi gehr. voor paradox; — paradoxie, f. do zonderlingheid in gevoelens of denkwijze; de liefde tot het vreemde, opzienharende; ook z. v. a. paradóxon, n., pi. paradóxa of paradóxen, de sehynharo tegenslrydiglieid, vreemdsoorliglield, zonderlinge gevoelens, he-vreemdeade siellingen of grondregels; — paradoxologie, f. het sproken of scliryven ia vreemdsooriige, wonderspreukige uitdrukkingen;

paradoxisme, n. Kliot. eene liguur, dio zeer strijdige aiiriliuten In zich voroenigt; — paradoxomanie, f. de overdreven neiging of znclit lot zonderlinge, wonderiyke gevoelens en leerstolllngen.

Pai\'eenösis of paroenése, f. gr. (parui-nüsis, van par-uinctn, toesprekon, opwekken, enz.) d(^ vermaning, opwekking, overreding, vermaningsrede, loepassing, stichiing; parffi-nétisch, adj. vermanend, o|iwekkend, silclilond, Paraïsthesie, f. gr. (vgl nesthosis) Med. gevoelsveranderlng, ziokeiyke of onregel-malige gosleldheld des gevoois.

Parafe, z. pa rap he.

Paraffine, f. fr. (v. \'1 gr. para, legen, of lal. purum, weinig, en \'I lal a/ftnis, verwant, wegens \'1 gehrek aan verwaiilschap, dat liy jegens de meesle licliamon, inz. jegens de alkaliën en de zuren aan den dag iegil eene in ISIIO door k. v. Keielicnhach onldekle, wille, voornamelijk nil hruinkool verkregen stof, veilig op \'t aanvoelen, naar \'t oiievormeiid gas ge-iykende en als maieriaal voor kaarsen dienende.

Paraflancs, pi. fr. (v. purer, lieschiillen en jlanc, pl. /Innrs, de zijde) een zUwering, die to geiyk den rug eener vesling dekt.

Parafoudre (spr. —foedr\') of para-tonnerre (spr. —tonir\') m. fr. (van \'1 gr. para, tegen of fr. purer, afweren, boschuileu, eu fr. fnudre, hiiksem, luiinerre, donder) een hilksemaileider, onweersaileidor; een regensclierm met oen bliksemaileider.

Paragouaio, f. gr. (van flciicin, proeven, smaken) Mod. verkeerde smaak, onislemdboid van den smaak, smaak zonder voorwerp; parageustie, f. de valsche gewaarwording die de smakende voorwerpen geven.

Paragium, n. mld.lat. (v. \'I lilt. par, ge-


-ocr page 918-

PARAGLOSSK

PARALLEL

896

luk) Jur. InaclitnomliiK der (.\'clijkliciil, mcdelie-Icenlng, het gelijke recht, inz, hy hot schclden (ter vorsteiyko nalatensctiappen, lie bedoeling eoner zyiinio door haar oene zekere landstreek, landeryen enz. nf te staan, die echter onder hot toevoorzicht van don regent hlyven {onderscheiden van a pa na gin in); — parage, in. fr. (spr. i)(iran:j\') afkomst, stand; — de haul param1 {spr. de lm—) van hoogo afkomst; — paragoeren, afdeelon, elk zyn doel aunwy-zon; — go pa ra gee rdo Unie, de zyilnio van oen vorstoiyk geslacht, die met landgoederen enz. Is hodeold (onderscheiden van geil pa na-geerde linie).

Paraglosse, f. gr. (vgl. glosse) Mod. longuil puiling, waarhy de tong door hare on-natnuriyko grootte uit den mond puilt; ontsteking der tongspieren,

Paragöge, r. gr. (van igt;ar-aqein, daachy voeren) Gram. eindvorlonging van een woord door toevoeging van eono letter (h.v. n 1 oma n d, uil hel oudn. nieman); buiging, alleldlng; Med. do beondorafwüklng ;--paragögisch, adj. aan \'t einde verlengd.

Paragomphósis, f. gr. (vgl. gompho-sis) .Mod. de onvolkomen inkloinming van het hoofd des kinds in hel hekken.

Paragon, f. fr. parangón, n. (II. ;m-ragone, sp. paraoon, puranaon, van \'I sp. para con, In vergeiyking mot) eig. het model, patroon; do vergeiyking; Typogr. oene druklotter-soorl van ongeveer 18 ii 20 puiden, die liet iniddon houdt tnsschen dulihele dessendl-aan en loksl (z. dru k I o 11 ers); bij Juweliers: een steen van iiuitongewono grootte en schoonheid, oen oiihorispoiyke diamant; —pa-ragonpaarlen, telpaarlen van iiyzondcre grooiio; — paragóne, in. II. loelsteoii; oene zwarte Hal. marmersoort.

Paragraaf, f. gr. Ipard-uriiplios, f. elg. byschrift, toeken aan den rand) afdeellng In oen geschrifl, in eono verhandeling, enz.., Inz. in Ju-ristische werken; ook liet toeken daarvan (^); — paragrapheoren, in zulke afdoeiingon splitsen, met M voorzien; — paragramma, n. (van nrdmma, liet geschrevene, graphein, schryven) een toevoegsel. Iels Ingeschovens in een geschrift; verandoiing of vervalscbing in een geschrifl; ook z. v. a. anagram, z. aid

Para-gras, n. oene in (juracao wassende grassoort (l\'unfcum juménlurum), nu ook in Kuropa gezaaid.

Paragrêle, m. fr. (van het gr. para, togen of fr. purer, afweren, beschuiten, en liet fr. (irfle, hagel) een hagohilicidor.

Paragua, m. een lirazlllaanscbe papegaai.

Paraguatan-bast, m. een tot roodver-von gebezigde bast van oen amorik. boom (Con-ilaminra linrlorfa).

Paraguay-thee, f. de bladoren van een •/.uidanierlkaanschen boom (Ilex paraguayensis), z malie.

Parah, m. oene oosilnd. liilioudsmnat voor zout, ryst, koren enz.; vgl. pooddy.

Paraiba-katoen, n. oene soori van zuld-amerikaansche boomwol (naar den stroom l\'a-raiba in Krazlllii).

Parakleet, m. gr. {pard-klïios, d. i. Iiy-of te hulp geroepen) een raadgever, helper, trooster, hystand, voorspreker, bemiddolaar; do heilige (leest-, naam van bot klooster niet ver van Troyos In Frankryk, dat het toevluchtsoord van don heroomden Ahelnrd (in de Hde eeuw) was; — parakletikon, n. een Irnosl-schrlft, inz. een grlokscb kerkboek, dat troost-spreakon bevat; — paraklëtisch, adj. vertroostend, trooslryk.

Parakme of parakmasis, f. gr. [pu-rakim, vgl. akme) Med. de afneming oonor ziekte na haren hoogslen graad van hevigheid; — parakimistisch, adj. afnemend, van hel loppunt weder afdalend.

Parakópe, f. gr. (van para-kóptein, d. i eig. daarbysiaan, vorvalscbon, enz.) Med. voorby-gaande krankzinnlgbold, verslandsverwarring, ijl-hoofdighelil in koortsen.

Paraküsis, f. gr. (van para-küein, verkeerd booren) het vorkeord-liooron, bedrog in liet hooren; ook hel oorgesuls.

Parakyosis, z. p a r a c y o s 1 s; — para-kynancho, pa racy nan olie.

Paralalie, f. gr. (van para-lalcin, valsch spreken) onvolkomen, onduidelyke uilspraak.

Paralampsis, f. gr. (van para-ldmpein, daarby scbltleren) Mod. eono krytwilto, glinsterende vlek op liet hoornvlies.

Paralipomona, pl. gr. (van para-leipein, voorbU-, uiltalen) uitgelaten en overgeslagen dingen, toevoegsels of bydragon tot een werk, aan-vuilingsschriften, benaming van de hoeken der Kronieken in den bybol, als aaavuilingen der boeken van Samuel en de Koningen; — pa-ralipsisof paralipse, f. gr. (pard-leipsis) Log. do voorbygang, hot schynbaar overslaan, terwyt men op Iets opmerkzaam maakt, dat men voorgeeft niet te willen aannemon, lal. p r ic t e r 111 o.

Parallage, f. gr. (van par-alldssein, afwisselen, afwyken) de afwisseling, verwisseling; Mod. ook verslandsverwarring; — parallax(e), f. [par-allaxis) do hoek, dien twee vorschil-lende gezichtsiynon tot oen en hetzelfde voor-worp met elkander maken; Inz. in de Astron. dienende om hol onderscheid tusschen den waren en schynharon stand eoner ster on daardoor haren afstand te berekenen; — paral-laktisch, adj. de parallaxe helreirondo.

parallel, gr. (par-dllllos, on, eig. naast elkander zyndo) geiykloopond, evenwydlg, op alle punten even ver van elkander slaande; oneig. geiykluldend, met olknndor overeenkomstig ; - parallel-cirkels,cirkels op do aardon hemelglobe, die evenwydlg met den asqaa-lor of de evonnachtsiyn gelrokken worden; — parallel-lijnen, evenwydige lynen-, — parallel-linoaal, f. een uil twee aan elkander bevestigde iinealen beslaand werktuig om lynen op geiykon afstand te trekken; — pa-


-ocr page 919-

PARALOGIE

807

PARAPH IK

rallel-plaatson, ffdlljk- of ovoropiikoinstld-luldendc pluntscn, Inz. in den hyhcl; parallel, als snlisl. f. (fr. Ic parullMe) do ver-Keiykiiij,\', loKcnovor-elkuiulci\'-plaulsltiK; do lijo, hot vlak, dat op golUkon afslaml van oon an-dor tiiytt; Foit. do voihlndliiK tussclion twoo loopKravoii; — parallelisme, n. iiot jioiyk-loopon dor IUiioii ot vlakkon enz.j (.\'olUkluldcnd-liold, ovoroeiislominlnR, (.\'clgkvnnnlnhold, ovon-inatlfflicld, overeenkomst van sommige plaatsen In den hybel, Inz. geiykvonnlKlielil dor vors-lodon In dopsalmon; parallolepipödum, n. (van \'1 Rr. epidedon, vlak, oppervlakte) (loom oen lang\\verpl(!o toorllntr, cone llRUiir door ti pa ra 11 o I o Kra m m en liiKOsloten, waarvan do togonoverslanndc aan elkander «eiyk zijn; — parallelisooren (spr. .?=;) barli.lat. «eiyk-stollen, vergoiykond naast elkander slellen; — parallelogram, n. (gr. iinnillfUiiirammon, van (irdmma, teekenlng, llguui\') hot viorzijdlg vlak, waarvan de logenoverslaande zijden evenwijdig en daarom ook geiyk zyn;— pa rail o-I o gram der krach ten, l\'hvs. do verhouding, die twee of meer krachten, welke van oen gemeonschappeiyk pnnl naar dlvergoeronde richtingen werken, lol de daaruit voorlvloeiende hewoging des llchaams hehhen; paralle-lograaf, m. z. v. a. rast ra al.

Paralogie, r. gr. (vgl. logos) strydlghcld met het verstand; dwaling; Mod. hel yien; — pai\'alogismo, n. (vgl. logismo, ond. logos) een vaisclie slullreiie; -paralogisee-ren (spr. .«=?) verkeerde slull redenen, valscho gevolgtrekkingen maken; paralogistiêk, f. de kunst om valscho sluitredenen Ie maken, z. v. a. sop hist Ie li.

Paralysis, f. gr. (eig. oplossing, van ;m-ralfiein) de verlamming, geraaktheid, heroerie; — paralyseeren (spr. s-t) barb.lat. (fr. pnralyser) verlammen; in \'talg. verzwakken, krachteloos maken, de uitwerking beletten; — paralyticus, m. lat. (gr. paralilikös) een lamme, geraakte; — paralytisch, lam, verlamd; aan eone beroerte onderhevig, aanleg daartoe hebbende.

paramagnetisch, adj. door den magneet aungetrokkon, b. v. yzer, het tegengost. van d i a m a g n e 11 s c h (z. aid.)

Paramónton, n. pl. nw.lal. [parnménla, van parare, bereiden, toerusten, later ook; opsieren) koslhaarheilon der kerk, kostbare altaar-looi, misgewaden.

Parameter, m. gr. (v. para, naast, en métron, maal) Oeom. eone rechte, onverander-lyke iyn, wier verhouding tol do coonlinaten den vorm der kegolsnedeii en van andere kromme lynen hopaall.

par ami, fr. (afgok. p. a.) met vriend.

Parami, pl. russ. vlotten.

Paramo, m. sp. eene heide, een woest veld; pl. paramo\'s, Inz. de mei alpenplan-ten bewassen hoogvlakten van 1 Vndcsgebergle In /..Amerika, ook pa zo na les.

Paramorphisme, n gr. (van mnrphé, viKiim; nniiii.

vorm, gestalle) hel togeiyk optreden der belde vormen van een dlinorph liciiaam hy een en helzelfdo krislal

Paramythiën, pi. gr. (para-mythia, f. het toespreken, de vermaning, opwekking; vgl. niylhosi onderwyzendo eti vermanende fabel-vcrdlchtseien,dicliterlUke verleningen; ook troost-spreuken; paramythetisch of para-mythisch, adj. opwekkend, troostend.

Parangariën, pl. z. v. a. angariün, z. aid.

Parangen, z. paragon.

Paranoea, f. gr. (pard-noia, van noes, verstand) .Mod. do verslandsverwarring, krankzinnigheid.

Paranomio, f. gr. (vgl. no mos 2) hol handelen legen de wellen ; eone handeling, die mei de wellen strijdt.

Para-noot, f. amerikaansche kastanje, do vruchlkern van de Herlhnllclia excelsa.

Paranthin, z. v. a. ska pol lib.

Paranymphus of paranymph, m. gr. (van nymphr, de bruid) een bi\'ulilgeleider, hruldjonker, die ln.i de Ouden de bruid in bel buis des bruidegoms voerde; speelnool; de opziener, ceremoniemeester bij bruiiofleri; de lof-redenaar by ile uildeciing van academische waardigbeden; ook de geleider van den candl-daal, die lor hokoming van den meeslergraad in een der geleerde vakken eene verhandeling in hel openbaar verdedigt.

Parapögtna, m. gr. (pard pcqmu, elg. iels daaraan gevoegd, aangeslagen, van pcijni/iiai, vaslmaken) eene weltafel by de Ouden, lijdia-fel, aslronomische rekenlafel, kalender.

Parapet, n. (fr. parapet, spr. —pi; van hel 11. parapello, van parare, fr. purer, afhouden, afweren, iiesehulten, en hol Hal. pelln = lal. pectus, borst; vgl. pa ree ren 1) de borstwering van eeaen wal, de leuning, enz

Parapetalum, ii. gr. (vgl. petalon) bet byhloemhlad.

Parapetasma, n. gr. (van para-petan-njnai, daarvoor iiilspreiden) het voorhangsel, de gordyn, inz, van het looneel.

Paraphe of paraaf, f. fr. (samongelr. uil liet gr. paranraphos, vgl. paragraaf) een naamtrek, periaelrek, bandlrek met de pon, dien men onder de naamteekonlng pleegt le halen; de slempel, waardoor de naamleekenlng of handleekenliig wordt opgodrukl; — para-pheoren, parafeeren (fr. purapher) met de handleckeiilng voorzien of bostompelen, een naamtrek maken, zijn merk onder Iels zetten.

Paraphernalión of paraphernale goederen, n. pl. gr.-lal. (van \'I gr. para-phtrna, wal de bruid hy den bruid schal [pliernê] onlvangl); .lur. bel eigen of bijzondere goed der vrouw, waarover /ij zich hel vrije beheer heefl voorbehouden, de biillen-Imweiyksgoederen.

ParaphïO, f. gr. (v. Intra, z. aid., en haphê, hel gevoel) Med. ziekelijke verandering van het uitwendig gevoel.


»7

-ocr page 920-

PARAPHIMOSIS

PARATRIMMA

898

Paraphimosis, r. «r. (vgl. phimosis) Mod. ilo siimciisiioorliiK dor voorlmid nolitoi\' hot roodohoofd, met /.wollliiK van hot lualslo no-paiiril, do spaniischo kraiiR.

Paraphonie, f. (van phone, Roluid, slom) con gohrck dor slom, ocno onuangenamo stom; ook: do hUloon, liot mocklinken, inodozlnnon; — paraphonist, m. oen modozansior, koor-zanRor; ook ilo voorzangor.

Paraphöra, f. gr. (van para-phérein, ter zyde of van don rochton weg voeron) Mod. oon lldito graad van krankzinnigheid.

Paraphrasis of paraphrase, f. gr. (van para-phrddiein, daarhg sprokon, lots aan eono redo toevoegen) oeno ullhroldendo, vorkla-rondo, ophelderende omschrijving, overzetting van een tekst; — paraphraseeren (spr. s---:) omschrijven, verklaren; paraphriist, m. gr. (paraiihrastès) oen omschrUvor, omschrU-vond uitlegger ot verklarend omseliryvor van een geschrift; — paraphrastisch, adj. om-schrUvend, verklarend.

Paraphrenësie of paraphrenitis, f, gr. (van phrin, pl. phrénes, hot nilddoirif) Mod. de ontstoking van hot middelrif on daardoor ontstane razernij, de dolheidskoorts.

Paraphronësis of paraphrosyno, f. gr. (vgl. phronesis) verstandsverwarring, voorbUgaande yilioofdliiheid, zinneloosheid; — paraphronëtisch, adj. UHioofdig, waanzinnig.

Paraph^sis, f gr. (v. iiarn-phijein, ilaurliij groeien) de hijwas, hUgroei; de vochtdradcn of sapdraden aan planlon.

Paraplegie of paraplexïe, f. gr, (pa-raplexia, van pura-plèsscin, aan do zijde, aan een deel slaan, enz.) onvolkomen verlamming van enkele ledematen na eene hcroerlc; — pa-rapléktisch, adj. gedeoltelük door eene he-roerte verlamd; verlammend.

Parapleuritis, f. gr. (vgl pleuritis) een geringe graad van horstvliesonlstcklng.

Paraplu ie, f. (eig. m.) fr. (van purer, afweren en fr. pluie, regen; vgl. pareeren 1) een regenscherm.

Parapontischo stoel of zetel, gr. (parn-pónlins, hy- of op de zee) een water-of zwemstoel, Ie Parijs door een Dultsclier uilgevonden.

Parapoplexie, f. gr. (vgl. apoplexie) Med. oen geringe graad van heroorte; siym-heroerte.

Pararrhythmus, m. gr. (vgl. rhythin us) Med. een ongewone, legennaluurlijke pols ten aanzien van den aard dor ziekte en des ouderdoms.

Pararthröma of parar thröma, n. ook pararthrësis, f. gr. {par-drlhremu, par-uiihrïnis, van drthron, lid, gevvrlchl) Med. do onvolkomen onlwriehling, verrekking.

Parasango, f. gr. (paramnf/cs, m. van het perz. fanang! vgi. farsang) eene perz. myi, wotteiyk = tnaa M., gewooniyk echter iels kleiner.

Parascenïum, n. gr. (para-skenion, vgl. scene) do kleedkamer In schouwhurgen.

Parascêve of paraskëüe, f. gr. (/mm-skeue, toehereiding, van skeuë, toerusting) lat. festum parascèves, n. de rust- of voorbereidingsdag, de üoedo Vrydag, vrydag voor l\'ascben, ook vooravond van oen feest, heiligavond, sab-bath-avond der Joden.

Paraselene, f. gr. (vgl. sol ene) eenlucbt-of schaduwbeeld iler maan.

Parasëmon, n. gr. (pardsêmon, van scma, teoken) een kontoekon, merk, wapen, enz.

Parasiet, m. gr. {pard-sïlos, van para, z. aid. en sïlos, spys) tafeihroor, schotelvriend, mede-eter, eon schulmlooper, tafel-, teljoor of pannellkker, klaploopor; — parasieten, pl. ook: woekerplanten, wookerdioren, zulke planten of dieren, die op andere organische lichamen leven en aan deze haar voedsel onllrek-kon; — parasiticus, a, uni, lat. Bot. woekerend, op andere planton ontslaan en daarop groeiende; — parasitisch, adj. scbuimioopond; naar woekerplanten geiykendo, daartoe bohoo-rende.

Parasjen, pl. hebr. (pArdsjdh, van parasj, scheiden, bepalen) afdeollngon dor hoeken van Mozes, die by de Joden op den sabbath worden voorgelezen.

Paraskeue, z. pa ra se eve.

Parasól, f. (elg m.) fr. (11. parasóle, v. pa-rdre, afweren, besehutten, fr. par er, en sok, lal. so/, fr. soleil, zon; vgl. paroeren 1) oen (draagbaar) zonnescberm.

Paraspadie of paraspadiasis, f. (van \'t gr. para-pdein, ter zydo trekken) Med. do opening dor pisbuis op de zijde van \'I mannelijk lid, eene misvorming (vgl. oplspadlo);

paraspadiceus, m Iemand, die daarmede behept Is.

Parastaten, pl. gr. (van para-sldlês, daarnaast slaande) Arch, lig- of zypilaren, stutten; — parastatiseh, adj. byslaand, helpend; ook slechts scbynbaar onderschragend, enz.

Parastïchon, n. z. v. a. a k rostic bon

Parastrémma, n. of parastróphe, f. gr. (vgl. strophe) Med. krampachllgo trekking der lippen, dos monds, der oogen.

Parasynanche, f. gr (vgl. synancbe) z. v. a. pa racy na nolle (z. aid.)

Parasynaxis, f. gr. {para-synaxis) oma belmeiyko vergadering, verboden kolterbyeon-komst.

Parathësis, f. gr. {pard-lhesis: vgl. thesis) de by-of toevoeging, byplaalsing, bet aanhangsel; de vorgeiyking, do tegonstelling.

Parathymïe, f. gr. (van lliijmós, gemoed) Med. geinoedsontstoinming.

Paratome, f. gr. (vgl. loon) zlekeiyko spanning, onnalnuriyko spanning, overspanning.

Paratonnerre, z. parafoudre.

Paratrimma, n. gr. {pura-lrimma, van parn-lribcin, daaraan wryven) Med. de onivel-ilng tusschen de dyen en op de billen door rijden of timpen, do blikaars.


-ocr page 921-

PARATROPHTK

89«

PAPKIUA

Paratrophio, r. gr. (van trnphê, vooillnu, van Iréphein, vocdon) legonnatuuiiyko, onregd-matiyc voeding.

Paratropie, r. bi-, (van para-Mpein, af- nf woKwendon) Mud. do gehrekklge plaatsing van uon llclmamsdool.

paralus, ad ulrumque paralus, ■/.. paraat par avance, i. a v a n c e.

Paravént, m. fr. (spr. parawaiiIt. imra-venlo, v. parare, afhouden, hoselmtton, fr. jm-rer, en venlo, fr. venl, wlnil; vul. pa ree-ren I) een windscherm of-schut, lillnd of luik hutten vóór de vensters, deuren enz.; spaan-sche wand.

Paravol, m. fr. (van fr. purer, afweren, en \'I fr. vol, diefstal) slag- nf knalslot, eono nieuwe uitvinding ter lieveMU\'Ing logen diefstal.

Parazonmm, n. gr. (vgl. /.one) Iets aan den gordel hangends, Inz. een z.ydgcweer, dolk li|| de Ouden.

Parbajolle, z. parpajole.

parblcu, fr. (onlstami nil par Dien, li(j God, gelijk mnrhleu uit morrlieu, d. I. par la mort de Dien,) Ie drommel! sakkerloot! verdord! enz.

par hnuladcs, z. li o u t a d e; — par bricole, z. hrlcole.

Pare, z. park.

Parcans, in. pi. groote Ind. schepen, die men van voren en achteren kun sturen. Paree, r., pi. Parcen, z. aid. Parcollo, f., pl. parcelles (mld.lal. par-réllu, van \'I lat. pars, deel) deelljes, stukjes van een geheid; leder klein gedeeile lands, van de nahurlge landerUon gescheiden en aau (^en verschiilendeu eigenaar loebehoorende, p r c e e-ion; — parcolleoren, in stukken verdee-len, verhrokkelen; parcolleoring, f. verdeeling, verlirokkoilng.

Parcon, f. pi. {Patra, pi. I\'arrae), gr. Mieren, Mylh. de drie levensgodinnen, sehlk-goillnnen, die ais Jupiters dienaressen het tnen-scheiük leven, onder hel hoelil van eenen d r a a d, hesturen; eene van iiaar, Kiotho, houdt het spinrokken en zet den draad op, de tweede, l.achcsls, spint den draad, en de derde, VI ropos, knipt hem af.

Parchomimst, m. hastei-d-fr. (van par-chemin, perkament) Iemand, die van z(jne reu-len leeft, die staalsschuldhrieven (perkamenten) hezit.

Pai\'cimonio, f. fr. z. v. n. parslmonie. par ci par ld, fr. hier en daar, heen en weder; op ondersehelilen plaalsen. par cnmplaisance, z. oud. complaisant;

— par conséquemc, z. ond. co iisei| nee re n;

— par couvert, z. eouverl; - jtar curiosilé, r. ond. curieus;--/«»• dépil, z. depll.

Pardao, z. par do.

Pardel en parder, m. (gr. en lal. par-dos, parduS) pardiilis) z, pan! her.

Pardessus, f. (elg. m.) fr. {par-dessus, spr. i/esii, d. i. daarover heen; vgl. dessas) de over-rok, overjas.

par Dieu, fr. (spr. djeu) hy (iod!

Pardo, pardao; ook xerafln, m. eene voormalige en gedeeltelijk nog gehr. rekenmnnt In portugeesch O.indie, oorspronkelijk = J zilveren ropy vun Ooa en i\'1 cents waard.

Pardoonon, f. pi. Mar. hinge slerke louwen tot hevestiging van de stengen en lirnni-slengen aan belde hoorden van hel schip; sprw.: een Chinees hy zijn slingerpardoen trekken, hem hy zynen inmrstnarl trekken.

Pardon, u. (van \'t mld.lal. perdondre, vergeven, van per, en dona-c, schenken, vergeven) vergiiïenls, vergeving; strafonlhelting, genade, begenudlglng (in deze heleekenis fr. fp\'dce); In lirelagne: hellevaart, h. v. Ie Pardon dc l\'loilr-mcl, eene opera van Scribe en Meyerbeer; — pardonnooron (fr. pardomer), vergeven, genade schenken, ten goede houden, door de vingers zien, van de straf verschoonen, het leven schenken; pardonnabel, adj. (fr par-donnable) vergeeilyk, Ie veionlschuldlgen.

Pareatis, n. lat. (van parure, gehoorzamen) elg. gehoorzaaml! een voltrekkliigshovei van eene hoogere aan eene lagere reclilsmaehl.

Pareehësis, f. gr. (van par-ïchïin, den klank nabootsen, van rchr, galm, geluid) klank-uahnotslng; verbinding van geiykiuidende woorden ; - pai\'eehëtiseh, adj. kliinknaboolsend.

Pavédren, paredrïsche goden (van \'I gr. pdredrns, bezlller, deelgenoot) mensehen, die In den rang der goden zijn geplaatst; ook de godheden, die In denzeifden tempel ver-eenigd zyu; men noomt ook de twaalf grooto goden de pared res van .Inplter.

paroeron I), (van \'I lal. parare, hereiden, loeriislen; opschikken; vervolgens In de roma-nische talen: ten einde brengen, Iemand ophouden, afhouden, hem ontwykni; vandaar \'I II. parare, fr. parer, afhouden, afweren, heseiml-ten, 11. pararsi, fr. se parer, zich hoeden, besehollen) in de schermkunst: eenen honft afweren, hem onlwyken (fr. parer, vgl. parade); In de rükunst: stilhouden, stllsiaan.

pareeren 2), (lat. parure) gehoorzamen; volgen; — paritio (spr. l-ls) f. nw.ial. volgzaamheid, gehoorzaamheid, gevolggeving; pa-ritor, m. laler lal. ecu dienaar, volgeling: Ujf-wachler, gerechlsdlenaar.

paroggeeren. It. {parciiniare, spr. pa-redij\'—: v. pari. geiyk) Kml. verell\'enen, rekeningen slullen.

Paregorïeum, n. gr. (vau par-cunrcin, elg. loesprekeii; trooflen, lenigen) .Med. een ver-zaehlend, lenigend, verwarmend, weekmakend en oplossend middel; paregóriseh, adj. pynsllliend.

paroil, adj. fr. (spr. pan\'lj; v. \'I lal. par, paris, gelijk) geiykvormlg, eveneens; saus (spr. sati) parcil, zonder weerga, onvergelijke-lyk; — pareillemenl, adv. (spr pareij\'maii) \\an \'sgeiUken, ook zoo, insgelijks.

Papoira, papeirabrava, f. of pa-roirawortol (spr. ei- er , m. {I\'issampülos pareira; elg. port. parreira, van parra, wijn-


-ocr page 922-

PAREKBASrS

PARFUM

((imrdraiik) de Rrulswortel, een Koneoskniclitlge worlol In Z.Amerika, Inz. tegen sleenlUden dienstig.

Parekbasis, f. gr. (van iiar-ekbaJnein, van den weg afgaan, afwijken), z. v. a. digressie (■/.. aid.).

Paroktasis, r. gr. (vgl. e k I u s I s) Mod. tegennaluui\'Hjke, hovenmatlgc uitzetting.

Parellipse, t. gr. {par-élleiiisis; vgl. el-lips) do nlllallng van liet daarnaast slaande, Inz. van eene klinkletter.

Parombóle, r. gr. (par-emholë, v. par-emballein, daarnevens Inscliulven) eene Inlas-schlng, een tussctienzin, vgl. parenthese

Parements, in. pi. fr. (spr. pa-r\'mdii: v. purer = Int. parUre, lioreldcn, opschikken, uptoulen) versierselen, tool, opseliik.

Paremptösis, f. gr. (par-imptosis, van empiplein, daarin vallen) Med. het indringen des hloeds in deelen, waar het niet holioorl, als vennoodeHike oorzaak van ontstekingen.

Parencophalis, r. gr. (vgl. e neep halos) Med. de kleine hersenen; paronco-phalitis, f. de ontsteking der kleine hersenen.

Parenchyma, n. gr. {par-enchyma, van par-encheïn, daarbij Ingieten) eig. een vulsel. Iets Ingevulds; Med. de zelfstandigheid der ingewanden, het kilervleesch; ook (l)|| de planten) het binnenste merg, het vleeschachtig plantensap; paronehymatisch en pa-renchymateus, adj. hel paroncliyina Ire-trellendo of daartoe hehooreniie.

Parénèse, f. fr. (spr. —né;\') eene vermanende voordracht, opwekking tot deugd.

parénles, pl. lat. fr. parents (spr. pardii) ouders-, nabestóatulen, bloedverwanten; — parentage, f. fr. (spi1. paraiiladzj] mangschap, verwantschap, famlllchetrekklng; — paren-talia of parentaliën, n. pi. lat. rom. plechtige Hjkolfers, inz, ter eere van overleden ouders, doodenolfers, begrafenlsmaaltyden; — parenteeren (lat. parent ure), een lykoifer brengen; eene luk- of grafrede houden hij de doodbaar of het graf des overledenen; — geparenteerd, adj. bnst.fr. vermaagschapt, van de familie; — parentatie (spr. Iie=tgt;:ie),l iparentaïïn) lykrede by het graf, dankzegging aan hen, die den iloode de laatste eer aandeden; — parentator, m. nw.lat. een lykre-denaar; parenté, f. fr. (lal. parentila) de verwantschap; de gezamenlyke afstammelingen van (\'enen stamvader, z. v. a. geslachtslinie (z. linie).

Parenthesis of parenthése, f. gr. (parénl/iesis, van par-enlhPinai, daarbij inplaat-sen) tusscbenzln, ingelasclite zin, Inlassching, tusschenvoegsel; hel teeken der Inslulllng, tus-schenstellingsteeken, de haakjes [()); — in pa-renthesi ot parenthétisch, ook fr. por parenthése (spr. parautèz\'), Ingelasclil, ingeslolen, tusschen haakjes gezet; In bet voorbygaau; tusschenbelde, en passant.

ParenthyrsuB, m. gr. (v. Ihyrsns, l b yr-sus, de staf der bacchanten, met klimop en wynloof omwonden) do uitdrukking van valsche opgewondenheid, de ovenhyvlng, overspanning, gezwollenheid, Imrlstochteiyke overdryvlng der voordracht.

Parepigraaf, f. gr. {par-epifiraphê, hel daarnevens geschrevene) Hhel. eene liguur, door welke betgene men moet voorbijgaan, nochtans stilzwygend kenbaar wordt gemaakt.

Parére, n 11. (van parére, schynen, dunken = lat. parite, verscbynen) Kml. de meening, het goeddunken of goedvinden by geschillen over handelszaken; ook hel gevoelen van een gerechteiyken arts.

Parérgon, n. gr. {par-erqon, van érgon, werk), pl. parorga, bijwerk, aanhangsel, by-zaak, byttgnur.

Parermenïe, f. gr. (parermmeia), eig. eene valsche uillegging; eene verkeerde In t er-p unci Ie, die een anderen zin oplevert dan de bedoelde.

pares, lal. z. par.

Paresis, f. gr. {par esis, eig. het voorbij-laten, nalaten, v. pariêmi, ik laat voorby) de verslapping, ontspanning-, Med. de onvolkomen verlamming; onmachl; — parétisch, adj. toe- of medegevend, slap, verslappend.

Parésse, f. fr. (provenc. en sp. pereta, II. piijrezza, van \'I lal. pii/ritfa. traagheid, Ini-heid, van pif/er, traag, lui) lulbeld, traagheid, vadzigheld; — paresseux, mij, (spr, —sdil) lui, traag, vadzig, nalaiig; fom, pnresseuse, vandaar: paresseuse, f. (spr. -sein\') eene soort van damesmuts, die los op bet hoofd wordt gezet om In éen oogonblik gekapl Ie zyn; ook een oorkussen op eene sofa; een licht sluitend lytje, In plaats van het corset, door dames gedragen.

par el impur, lal. z. ond. liar. paratlsch, z. end. paresis. par excellence, z. onder ex cel lee ren; — par exemple, z. ond, exempel; — par ex-près, ■/.. ond, exprimeeren,

parfait, adj, en als adv, parfaitement, fr, (spr, parfi, pnrfèl\' mail: van \'I lal, perfect us, a, urn) volkomen, volmaakt, ten volle, geheel en al; — parfait-amoiir, n, (spr, parfi-tamnér) volmaakle liefde, eene soorl van fijne likeur,

par faveur, z, ond favor,

par force of parforce, fr, z, ond. force; — parforce-hond, een brak; — par-force-jacht, eene loop- of renjacht, groole jacht, jacht mei brakken; — parforce-werken, sterke oeverbcvestlglng, om aan eene rivier een anderen loop le geven.

Parfum, in, fr. (spr, parfuiiiv, par = lat. per, door, en fumus, rook, geur, fumdre, rooken, rieken, dus een doordringende, zich verspreidende geur) reukwerk, welriekende dingen, aangename luchl; parfumerie-waren of parfumonën, welriekende waren, reukwerk, b, v, reukwater, reukpoeder, enz,; parfumeeren (fr, parfumer), welriekend maken, met aangename geuren vervullen; be-


-ocr page 923-

I\'AUGASIKT

901

PARITKIT

rookcn; — ^epnrfu moord, iidj. welrlekond (icimmkl, mot Keuren doortrokken; — parfumeur, in. parfumerie-koopman, eeii linndolnur In rcukworkoii; — parfumoir, ii. (spr. —hi oar) eon roubklstjo, roukvuuljo, waarop dutgeno wordt golegd, wal den geur der welriekende dingen moot iiannomon, die in een duarundcrgeplualst komfoor verlirandcn.

Pargasiot (spr. .v=:), n. Iioornlilciido uit l\'argas In Klnland, oen mineraal In rondo korrels.

par ftrdce, z. grace; — par Uasard, z. haza rd.

Parharri, m. Iml. lioogeprlester.

Parheliën, pi. gr. (slug, parhclios, lat. parhelium, vgl. helios) liUzoiineu, daniplieel-den van de zon, door welke men haar meermalen te gelijk waant te zien.

par honneur, z. Iionnour.

pari of al pari, It. (= lat. par, fr pair), au pair, fr. (spr. n pèr) Kuil. naar de gelijkheid, gelijk, geHlkgeldeud, van gelijke waarde of gehalte, gelijk opgaand, zonder opgeld, zonder aftrok of verlies; li. v. de wissels staan al pari, d. I. er Is niets Ie winnen of te verliezen hij de romises van geld van \'I eene land naar \'t andere; pari-rekening, herekenlug over do gelijke luneriyke waarde der muntoii en de verhouding der wisselkoersen van de verschillende liaiidelsstedon.

Pari, in. fr. (vgl. par 1 ëeren) eene weddingschap.

paria, z. ond. par.

Pariah of paria, ui. pi. pariahs, parias, ook pareyeras (van i lanioeliscii parcyer of v, \'i hindost. pulidrijd, liergbewouer, omdat de door de sanskrltsche slamnien over-wouuen en vernederde eerste liewouers In \'I gehergto teruggedrongen werden) de laagste kaste of volksklasse In ludie, die door de Hindoes als onrein veracht en geschuwd wordt, een verworpeling. (Up nog lager trap staan de poel I ahs, die zich zelfs geene hutleu, maar eene soort van nesten In het loof der hoornen makeu, en zich steeds op loo selire-den afslands van personen uil andere kasten moeten houden); onelg. ook een paria, een arm, ongelukkig, lot de laagste klasse hclioo-rend monscti.

Pariambus, m. gr. li(j de Ouden eene Hult of een snarenspeollnlg Ier hogeicidlng van jamhlsche verzen; eene versvoet van I woe korte lettergrepen, ook pyrrhiehius geheetcu; ook een versvoet van ccue korte en twee lange, alsmede van éeue lange en vier korte lettergrepen,

pariëeren (van \'1 later lal. pariSrc, gelijkmaken, van par, gelijk; vandaar ook: af-hetalen), eig. gelijk legen gelijk zeiten, vandaar wedden (fr. purier): — pariatio (spr. / (lt;), f. mld.lat. de verelfenlag, scliuldulldelgliig, ge-reede helaling; ook het gelijke klndsrechl, do (leclhehhlng als kind.

pariijs, in. lal. (geuit, pariëlix) muur, wand;

inter pariéles, intra puriiles privatos, tusschen de muren, lusschen de prlvaatwanden, d. I. te huls; Inzonderheid in \'I geheim, heimelijk, In vertronwen, onder \\ Ier oogen; — parietan\'a, f het wand- of muurkruld, glaskruld, eene plantensoort, die aan muren, op pulnhoopen, enz. groeit en lot hel schoonmaken van het glas gehezlgd wordt.

parillceeren, nw.lat. (van \'t lat. par, gelijk) gciykinaken, geiyksteiien; pariflcii-tio (spr. lt;=lt;«), f do geiykstelllng,

par incluse, fr. (spr —eiiklüüt\') door Inge-slotene, door luilggende, mot hygaaude.

Pariliën, z. v. a. paliiliSn onder pales.

pari passu, lal. z. oud, par.

Paris, m, ile zoon van koning l\'riamus van Troje, die den twist der godinnen June, Minerva en Venus, over den voorrang der schoonheid, len voordode der laalste hesllste, welke beslissing men hel oordeel van I\'arls noemt. Door do schaking van Helena, do ge-malln van Menulaus, gaf I\'arls vervolgens aan-lelding lot den oorlog van Troje; — parisappel, dulvelsappel; — parispeer, eene aangename, zuurachlige peorsoorl; — paris-kruid, de eenhezle, eene planl, die tot do achllielmlgen (octandrla) liehoort en zwarte, min of meer vergiftige hossen draagt; — pa-risvogel, eene soort van vogel met dikken snavel,

parisoh marmer, eene zeer schoone witte marmersoort van hel eiland Paros in den grlekselicu archipel; parische marmerkroniek, z, ond. marmer.

Parision, m, fr. (spr. —tjeii) een pary-zenaar, d. I, kleine, llclile slooldegon z. v, a. fleuret, floret; — parisienne, f fr, (spr. —tjènn\') olg. eene parysche vrouw, pa-rysch meisje; naam van eene kleine latynscho drukletter van \'gt; punten, ook scda noise go-heelon (z. drukletters); hel lijnste katoen; ook een parijsch volkslied, In ile omwenteling van ISIIO door Caslmir Dolavlgne vervaardigd, en licglnnende met de woorden: «pcuplc francais, imiple des hraves, fransch volk, volk der dapperenquot;; ecu geliefkoosde rondedans.

Parisis, m. fr. (spr, parizi) eene oude munt der hertogen en graven van l\'arys: do gouden parlsls werden In 13110 geslagen en hadden koers tol lllllii; de zilveren parlsls hieven ganghaar lot de regcerlug van koning .lan, Paristhmia of paristhmiön, n. pl. gr, {piir-isthmia. vgl, Isihmns) Mod, de amandelen in den hals en hunne ziekten; Inz, de ontsteking der ainandelen, ook paristhmi-tis, f, geheeten.

parisyllabisch, ndj, lat.-gr. (vgl. syl-la he) goiyklettergreplg.

Pariteit, f. lat (panlas, van par, geiyk) de geiykheid der reclilen, rechtsgeiyklield, Inz der geloofsgenoolen van onderscheiden heiydc-nlssen voor de rechthauk en In liet slaalshe-heer; parita\'tisch, ailj, geiyk herech-


-ocr page 924-

PAIUKMIK

902

PAKITKR

Und; KcmeonscliiippoHjk; — paritffitischo korkon of pariteits-kerken, nemcen-scliii|)|i(\'H)k« kerken vim ondorsclielilene kerk-genool schappen.

par tier, z. uml. jinr.

paritie, paritor,f. z, oud. paroeroii i).

Park., hü niduiirweteiiscluippciykc lienil-miiiKen ark. voor J. Parkinson.

Park, ii. (eiiü. park, fr. pure, hoogd. park, provene. pure, paruue, 11. pureo, ndd.lat. purcus, purricu.s; van liet nudd. prrlmn, jxirli, enz. d. I. Iiorgon, Ik horg), perk, een onitulinl woud, inz. diergaarde; warande, lustwarande, wandel-bosflije, openhare wniideltuln,eiiz.; Mar. sclieeps-magazyii\', — pure d\'artillerie, f. (spr. durlielj\'ric), artilleriepark, de iicwaarptiuits voor liet grof gescliut en noodlg krUgsgereedscliap; ook de gezaineniyke voortuigen, die in liet gevolg eens legers liet materieel der artillerie, genie, enz. aanvoeren.

Parkesine, f. een door l\'arkes uilgevonden surrogaat van gutta-perctia.

Parket, z. parquet.

parieoren (It. purlare, fr. purler: vgl. parole) spreken, praten; — parlando of par-lunle, it. Muz. sprekend, sprekenderwgs, meer gesproken dan gezongen; — parlago, f. (spr. ■laatj\') gepraat, woordenkraam, nuttclooze rede;

— parlour, m. fr. een prater, snapper, liali-belaar; — parlatorïum, n. mid. lat. (it. purlalnrio) of parloir, n. fr. (s|ir. parloar) eene spreekkamer, spreekzaal lu een klooster;

— parlour, n. eng. (spr. parlur) spreekkamer, ontvangkamer.

Parlómont, n. (fr. parlement, spr. par-lenwii; eng. parliament, spr. pnrliment; mid. lat. parlaméntum, v. purlure, fr. purler, spreken; vgl. parieeren) In l\'rankryk vóór de revolutie het hoogste gereclilsliof eener provincie, dal ook doel aan do hooge regeoring had; in Engeland de rijksraad, volksraad, de r(|ks-vergaderlng, do Ier liespreking der openhare slaatsaangelegenheden vergaderde rijksstanden of afgevaardigden der hoogste macht; nu ook In andere landen; rijks- of slalcnvorgaderlng, ryksdag, landdag, vereonlgde kamers of hulzen met werkelijk aandeel in de wetgeving, enz.;

— parlomonts-acto, f. hol gemeenschappelijk genomen heslull van liel eng. parlemenl;

— parlementair, adj. het parlement he-Irellende, daartoe hehoorende; mei zijn gehrui-ken en voorschriften overeonkoinendc; z. onder adal; parlementair, m. (fr. parlementaire) Mil. een onderhandelaar, Inz. wegens wa-penslllsland of overgave, oen krygshode; par-lementairschip, n. een vaartuig, dal met den vijand onderhiindell; — parlemonta-riame, n. nw.lal het wezen der parlementen In linn wyze van werken en hun hesllssonde medewerking hy hel regeeren; — parlemen-tooron (fr. parlementer), onderhandelen, In ondorhandellng treden, voorstellen doen en aan-hooron om eene plants over te geven, lol scliik-king komen, hespreken.

par malheur, malheur-, — par méijarde, z. mogarde.

Parmezaan of parmezaan-kaas, f.

eene welsmakende i\'al soort van kaas in de onistreken van 1\'arma en In hol Milaneesehe.

Parnas, m. gr. (Parnassós, lat. Parnassus) de Mnzenherg, de horg der Zanggodinnen of Muzen (z. aid.), oen aan Apollo en de Muzen gowyde herg in hot gr. landschap Pliocis, aan welks voet de stad Delphi lag; vandaar onelg. de woonplaats der dichters, liet gebied der dlchlknnst, h. v. den Parnas boslijgen, zich op de illi\'lilkiinst loeleggon, als dichler naam maken; zoon van den Parnas, dichter; — Parnassiden, pi. z. v. a. Muzen.

pur nobtte fratrum, z. oud. nobel.

par occasion, z. oud. occasie.

Parochie, f. (lal. purochm, ook paroectu, uil het gr. par-nikia, d. I. het daarliij-woncn, de nabuiirschap) liet kerkeiyk gebied; kerspel, de kerkgomeenle; — paröchus, in. kerkleeraar, predikant in eene paroclilc; kerspelpriester, ook pai\'ochiiuTus, m.; — parochiale kerk, parochie-kork, do hoofdkerk, iu tegenst. met filiale kerk; — parochiale scholen, met de parochie verhonilen scholen (sedert het Jaar Kill); — parochialia, n. pi. zaken of aangelegenheden van de parochie, van het leeraarsambl, daarin; — parochianen, m. pi. kerspcl-hewoaers, leden van do kerkgemeente.

Pai\'odio, f. gr. (par-odiu; vgl. ode) een bygeznng, tegengedlcht, eene vernuftige toepassing van den vorm eens dichtstuks op een veranderd onderworp; eene spotachtige. Ironische nalioolsing van een ernslig gedicht, enz.; vgl. travestie; — parodieoren, spotachtig naboolsen, schertsend navolgen; Iemands gebaren, manieren, spraak, enz nailpen, om hem belachelijk te maken; — paródisch, adj. spnlacblig of sclicrlsend nagevolgd of omgevormd; parodist, m. vvloparodlën maakt, een geestig navolgend of omvormend dichter.

Parodontïdes, pi. gr. (v. pard, i. aid., en odoes, gr. odnntus, land) Med. pynlijke tand-vlooschblaarljes.

Paródos, f. gr. (v. hodös, gang) bet 011-t reden en hot eerste gezang van bot koor in de gr. tragojdie.

Parcokie, f. gr. {pur-oikia, v. óikos, woning) hel wonen op eene plaats als vrcomdo-ling zonder hiirgerrecht; — paroeken, m. pi. (gr. paroikol) vreemdelingen zonder burgerrecht .

Paroemie, f. gr. (purnimiu, v. paroinm, wat naasl den weg jo/mos] Is, dus elg. eene van don gewonen weg iifwykende, zinnebeeldige, flguuriyke uildrukklng) een spreekwoord; — pareemfu juris, hit. een tol spreekwoord geworden rechisrcgei; — paroemiograaf, m, een spreckwoordenscbryver of verzamelaar; — paroomiographic, f. het sprookwoorden-scbryveii; de spreekwoorden-verzameling; — paroomiographisch, adj. spreekwoorden


-ocr page 925-

PARCEN1EN 903 1\'AIl RKNOMMÉE

liolroffcndo; — paroomiologïe, r. spreek-woordenkuiulo.

ParoBniën, pi. «r. (iiar-oinia, sell, mdlë, vim oiiws, wyn) drliiklloiloron, vooral liü wijn-golugcn.

Parole, f. tr. (ll. paróla, prove ik;, paraula, van \'I mill.Int. parabola = gr. parabnlc, siinieii-sIcIHiik, vergeiyklng, z. pu ra hel; sp. patabra, woord; van parola werd het romaansche /lar-Itire, fr. parler, gevormd, z. parlooren) oor-spr. een leerrijke spreuk, dan In \'t algemeen: ile rede, liet woord; Inz. de belofte, het eerewoord, woord van eer; Mil. het woord, lee-ken, kon- of herkenningswoord, -leus, wachtwoord, waiiruan wacliten en posten elkander herkciuien ; - parole d\'lwniwur (spr. —ilondur), het woord van eer.

Piiroli, n. sp. en fr. In \'t pharaospel: het drievoud of de drlevoudlgo whist vnn den eersten inzel; ook de vouw, die men als toeken van die verdrleduhliolliig nan eeno kaart maakt; unelg. de verzwaarde vergelding, (l.anl de pliarao-speler zijn gowonnoii pa roll slaiin en teekent hij telkens de kaart niiar hehooren, dan kan hü het zesvoud of slx-et-le-va (spr. sitc-lewa, v. va = rade, Inzet) hel zevenvoud of sept-et-le-va (spr. sel-e-lewa), liet tvvaalf-voud of douze-et-le-va (spr. dnc-zc-lewd) enz. van den eersten inzet op eene kaui\'t winnen).

Paromooósis, f. gr. (pur-tiomoiosis, van hóinoins, overeenkoiiisllg), paromCBum, n. I.og. geHjkvornilgmiiklng van de ep elkander volgende leden of de uitgangen van eonen volzin.

Paromologio, f. gr (par-hoiiiolouia, vgl. homoloog) Log. hel scliljiiliaiir toegeven of Inwilligen.

Paromphalocölo, f. gr. (vgl. ouipha-loeele) Med. eene hreuk naust of in den 0111-trek van den navel, hulkhreuk.

Paroniom, z. paronym en.

Paronomasie, f. gr. (par-oiwmusia, v. tinuvia, naam) de geiykliiideiidlieid der woorden van verschillende hoteekonls en de siunenstel-ling van zulke woorden; een woorilenspel, dat o|i de overeenkomst van den kliink herust, z. v. a. a na om 1 na t le; eene zin-of toespeling op eenen naam; — paronomaseoron (gr. par-onomadtcin) gelijkliiideiiile woorden In verschillende heteekenlssen gelirniken; ook ii|i eenen naam toespelen.

Paronychie, f. gr. (v. onyx, de nagel) iMed. de worm nan den nagel, lijl, ■/.. v. a. panarleïum; ook een iiy(d) nagel.

Paronymon, paroniemon, pi. gr. (v. onyma = (inoma, naam) stiimverwiinlc woorden, woorden, die van denzelfden worlel zyn afgeleid: — paronymisch, paroniom, adj. stamverwant; geiykiuiilend (vim woorden);

paronymika, f. de leer van de iiileiding der woorden; de kennis van gelUkluldendo, maar in scliryfwy/.e of lieleekenis versehillende woorden.

Paropïum, n. gr. (tmr-apion, van ups, gezicht) een oogscherm; — paropïën, f.

Med. de uitwendige ooghoeken; — parópsis, f. eig. liet voorhy-zien; Med. ziekeiyk zien; — paroptlka, f. de leer van liet voorhyzlen: paróptisch, adj. daartoe hehoorende. Paroptësis, f. gr. (v. par-oplun, aan do zijde of van hoven hraden) een zuclil hraden, schroeien; Med. een zweetliad in warme asch of warm zand.

Paroptika, paróptisch, z. ond. pa-r o p 1 u m.

Parorasis, f. gr. (van pnr-Uordn, daarnaast voorhyzlen) Med het voorhijzlen, overzien, verkeerd zien; het gezlchtsliedrog.

Parorchidium, n. gr. (vgl. orchis) Med. hel gehrek, waarliij een teellial of de helde teelhallen In de hulkholle /.yn leruggehleven, een llesbal, liesgezwel.

par ordrc, fr. z. order.

Parosmio, f. gr. (van osmc-, reuk) eene zlekeiyke verandering van het reiikvermogen.

Parótis, f. pi. parotides, gr. (v. par-utis, van nes, genii, uhis, het oor) Med. de oorklier; — parotidóneus, m. het oor-kliergezwel; — parotitis, f. de ontsleking der oorklier.

Paroxysme, n. gr. (van par-oxijnein, scherpen) de versterkte aanval, koortsaanval, de aanval eener lusschenpoozende koorts; oneig. de hoogslo graad van smart, kommer, enz.

Parpaillots, m. pi. fr. (spr. porpaljn, van hel Hal. farfaUa vlinder; v. a. naar eenen l\'arpaille) een spotnaam der (Calvinisten in sommige oorden van hïankrijk.

Parpajole of parbajóllo, m. eene voormalige kleine Hal. rekenmunt in I.omhardye = 2 tot :) soldi (z, soldo).

par pari referlur, lat. sprw. men lietaall a met gelyke munt: loontje komt om zijn boontje.

par pistolet, z. ond. pistool; — par precaution, ond. pr ie ca voeren; — par ;»•(\' férence, ■/.. ond. pnef ere n 1 ie.

Parquet, fr. of parket, n. (v. pare. z. aid.) eene afgezonderde, ingoslolen ruimte In gereehiszaieii, waar de recblers gezeten z.yn en de advokaten hunne plaats hebben; eene afdeeling met afgescheiden zllplaalsen in de scbouwhiirgzaieii; afgesloten plaats op beurzen voor de bettedlgde makelaars; een ingelegde vloer; Ingelegd werk; ook oen zeker spel met verschillend gekleurde plankjes; 1 n een moe le-1 ij k parket zgn, zich in eene netelige, bezwarende omslaiiiligbeid iievinden, eene moele-lyke keus te doen hebben, enz. ; parquo-teeren (fr. parqueter), inleggen (oen vloer); — geparqueteerd. adj. Ingelegd; — par-queeren of parkeeren (fr. parquer), in eene rultnle besluiten of afzonderen, in- of afperken.

pnr railterie, z. ond. railleeren. Parrain, m. fr. (spr. —ren. prov. patri, mid.lat. putrinus) peter, doopvader, doopgelnige, getuige liy het opnemen in eene orde. par ratio. Int. z. ond. par.

par renommée, z. ond. renommoeren.


-ocr page 926-

PARTHEN1E

PARRHESIE

904

Parrhesie, r. ri1. (imrrhcsk, van pan, alios, en rlusis, lid spreken, van rrfö, cru, Ik zei!) ito vryinoctli^hcld, drloslhelil In hel spreken; — parrhosiast, in. een vrymoedlg, rondhurstli; spreker.

Parricida, m. lal. (samengetrokken uit pa-Iriciila, van paler, vader, en caedere, houwen, doodslaan) de vader-, moeder- of hloedverwan-tennioorder; ook vorstennioorder, hoogverrader; — parricidium, n. de vader- of moedermoord, ouders- of hluedverwantenmoord.

Parrot, in. eng. papegaai; ook de naam van een auslrallschen vogel.

pars, z. part;- Parzen of Parsi, dlo Perzen, welke na de verwoesting van het ruk der Sassanlden iloor de Arahleren, aan de ouile leer van Zoroaster trouw hieven en naar Indle vluchtten, waar z.y nog heden in handelshet rekkingen groeien Invloed uitoefenen; vgl. (lelie-ren; — hel parsi of parsisch, een dialed van hel Zend.

Parsimonie, f. lal. (/mrs/moiiYn, v. iiar-cüre, verschoonen, sparen) de spaarzaamheid, zuinigheid; vrekkigheid.

Part, n. (van \'1 lat. pars, f. deel, gedeelte, party enz., pi. partes) het deel, aandeel, h. v. eeu scheopspart, hel aandeel in een schip; jiurs aili\'érsu of contrana, de legenparlg, pars atiqudnla, een oncvenmaliR deel; ali^uola, een evenmatig deel; p. lilfijans, de twislende party; p. pro (oio, een gedeelte voor liet geheel (1) v. als redellgnur dak voor huls); p. qudnla, hel onvoorwaardelijk hepaalde deel eener erfenis; p. lt;iuola, hel verhoudingsdeel eener erfenis, dat alleen hepaald is volgens/.(jne verhoudingen lot het geheel; p. salarti, ileel der liezoldlging; succümbens, de onderliggende, verliezende party; ;lt;• vincens, de zegevierende parly; partes a^ua/e.v, pi. gelyke doelen; p. constilulime, heslnuddeelen, samenslel-lende deelen; p. aenitSles, de teeldeclcii; p. infidettum, z. in fideel; /). orntlönis, de laal-of rededeelen; — ad partem, mei elk deel in \'l liyzonder, sluk voor stuk (h. v. Iets hehnn-deleii; ex parte. Ion deele; van wege, enz.; — partiaal (spr. l=ts) uw.lat. {partialis), of partieel (spr. lt;=.?,- fr. par Hel) adj. deels-wyze; afzonderiyk, gedeeltelijk, enkel; partijdig; —partialen, partiëele loten, par-tiöolo obligatiën, Kml. afzonderlijke, in kleine geiyke deelen gesplilsie en met voort-loopende nominers geteekemle sehnidhrleven op eene leening; — partialist, m. een pariy-dige, een partyman; — partialiteit (spr. li=lsi) f. de pariydigiieid; — participee-ren, lat. (parlicipure) deel of aandeel nemen of helihen, een doel krygen, medegenlelen; --participant, in. [parliripans) eeu deelnemer, deelhehlier, deelgonoot, niedegenool; ook gehelmschryver, prolo- of opperiiotarls aan hel hof van Home, die een deel der expeditie-gelden trekt;—participatie (spr. Iie=(sie) f. (parliripalïo) de deelneming, deelname; — participatie-conto, f. Kml. de deelue-mlngs- of aandeelrekening;—participium, n. Gram. de adjeellvale vorm van liet werkwoord, die de heleekenls vau het werkwoord in den vorm van een hyvoegiyk naamwoord uil-drukt, dus aan den aard van heide rededeelen deel neemt, het deelwoord, h. v. zingend, geprezen, enz.

Parta, f. hong. een hoofdsieraad der hon-gaarsche meisjes.

Partage, f. (elg. m.) fr, (spr. parladzj\'; van hel nild.lal. parlafpum, vau \'1 lal. pars, deel) de deeling; hel aandeel; — partage-tractaat, n. een verdeelingsverdrag, de onderhandeling over de verdeeling eener zaak; — partageeren, fr. (parlager) deelen, verdee-len, elk zgn aandeel geven.

parteoren, lat. {partire en partiri, van pars, genii, partis, deel) deelen, afdeelen, In-deeleu, verdeden of toededen; ook listen ge-hruiken om iels te verkrygen, iets op eene lie-diiegiyke wyze zieh loeeigenen, helmeiyk onl-vreemden, voorts z. v. a. smokkelen; — par-tiror, m. hoogd. eeu marskramer, kleinhandelaar; eeu out vreemder, hedrieger ; — partibol, adj. (later lal. parlilitlis, e, fr. partible) deel-haar; — partibiliteit, r nw.lal. de deel-haariield; — partito, f. (it. partita) duel, posi, schuidpost; partieten, u. pi. (mid.int. partilam, heimelijke heraadslaging, afspraak; II. partito, verdrag, heslull; manier, enz.) lisligo streken, seheinislukkeu, z. v. a. praetykeu;

— partitie (spr. lie—lsie) f. lat. (parlilui) de deeiing, indeellug; — partitief, adj. nw.lal. doelend, een deelhegrip uitdrukkend, eene indeeling hcwerkend; als suhsl. u. eeu deel of Indeeiingswoord; — par Ulo, 11. Muz. in steinmen verdeeld; — parUtas, a, urn, lal. Kol. gedeeld, in slippen verdeeld; —partituur, f. nw.lal. een slemmeuhoek of alslemmlg muziekgtuk, md overziclit der samenstelling van al de lol een miizleksluk hehoorende doelen of stcininen.

Parterre, li. fr. (samengelr. uil par terre, d. i. op do aarde, op den grond) de onderste verdieping of geiykvloers (hij mlslirulk voor liet fr. rez-de-chaussée) een tuin- of hloembed; een gedeelte vau do schoiiwiiurgzalen, geiykvloors, lussehen de loges, hel orkest en het aaiphi-theater; ook de aanschouwers zeiven, die deze ruimle Innemen; een soort van damast met ingewerkte iiloemen en guirlandes; — een parterre maken, iron, een val doen, den grond kussen.

Partes, enz. pi. v. pars, z. ond. pari.

Parthenie, f. (van partliénos, maagd) de jailer- of maagdenhloem, liet hasterdmoeder-kruid; — parthenïën, n. pl. (gr, parl/iénia) Med. ile teekenen des maagdoms;—parthe-niërs, pl, maagdenzonen, il. 1. dlo Spurlanen, welke gedurende den eerslen messenlsclieii oorlog, zoo men wil, gelioren waren uil huweiyken van Sparlnansdio maagden met heloten; z.y veriuiis-den naar lialie en slieiitten Tarente; -parthe-mos, f. eene melsjeszlekte, inz. de hieekzucht;

— parthenogonësis, f. de eigenaardige


-ocr page 927-

PARTI A AL

l\'ARUHE

voorltclliiK dor liycn oil andere Inscclcnsoorlen; — parthënon, in. gr. de tempel van Minerva op den bnrg tu Athene— Parthe-nopo, f. du oersle dor sirenen; eon door De (lasparis te Napels in 1SÖ0 in de Weegschaal ontdekte nsteroïde; parthonopoesche republiek, f. de rcpuliliek, waarin liei ko-ninki\'ük Napels, vroeger l\'arlhenope genoemd, door ile tr. repuldlkeinen veranderd werd.

partiaal, participant, participoo-ren, participium, onz. z, ond. part; — partibol, z. ond. parte eren.

purliciila, f. lal. (verkiw. van purs, deel) of partikel, n. een deeltje, stnkje; (iram. rede-deeltje, onliulgharo, d. I. onveranderlUke woorden, waartoe de hUwoorden, voorzelsols en voegwoorden lieliooien; — particulair, adj. (lat. paiiiculnris, e) liyzonder, afznnderlijk, np zich zeive hesttiande; omstandig, nauwkeurig; — particularia of particulanën, n. pi. ook particulariteiten, f. pi. nw.iat. de liijzonilcro nadere oinstandlgiieden of nauwkeurige bcriciilen, h(jzonderhciien, eigemiardighe-dee, het hijzondcre, eigenaardige; — particularisme, n. de zelfzucht, hüzondere meening; Inz. t) de meening der Joden, dat God onder alle volken hen alleen tot het voorwerp zijner zorgen en der eeuwige zaligheid doeiaeli-lig maakt; 2) de loer van de liijzonderc genade, dal n.i. Ohrlslus alleen voor eenigen gestorven Is en dat slechts enkelen kunnen zalig worden; :i) in de staalkundo de meening, dat do voorrechten of do zoifstiindlgheiii van een enkel deel niet aan liet welzyn van hel groolo getieel ondergeschikt zijn en daaraan opgeofferd moeten worden; — particulariston, m. pi. aanhangers van deze nieeningen; — par-licularfler en parlindulim, int. of fr. en par-liculter of ixitiiculièrcmenl (spr. —Ijèr\'mriii) in het ligzonder, stukswijze, enkel, deelswijze, in hljzonderlieden; — particularisoeren (fr. parlkuluriscr) afzonderen, op zich zeiven plaatsen, heschomven, onz.; omstandig, In alle hij-zondorlieden beschrUven, vertellen; particulier, adj. fr. byzonder, afzonderlijk, z. particulair; eigenaardig, wonderiyk; - particulier, m. een op zich zeiven slaamt of ambteloos levend persoon, iemand, die geen openbaar ambt bekleedt, onhoambte, privaat persoon, eenvoudig hurger; — particulatie (spr. lie=lsic) f. (later lal. purliculalïn) de ver-doeling, verlnokkelinf!.

Partie, f. fr. (la parlic, it. puiiita, van \'1 lal. imiiilus, a, um, gedeeld, van parlire, parllri, deelen; vgl. parieoren), partij, f. een deel, gedeelte, li. v. van eene schlldery; een aantal, eene menigle, onhepaaldo boeveelheid of hoop, h. v. koopwaren; een gezelschap; ook uilslapje, pieizlerreis, jachtpariy enz.; een geheel spel, h. v. eene party biljart, een hu-vveUik of verbintenis; in rekeningen een post, scluildpost; ceneafzonderiyk uilgescliroven stem in de iiiuziek; — parlic blanche, f. fr. (spr. —blaiisj\') op hot biljart; een eenvoudig spel lusschen twee personen met twee ballen; — partie civile, civiele partij, de eischer wegens persooniyke scliadeloosstelling In criml-neele zaken, hy, die in zün eigen naam, tegen een lieschuldigdo voor liurgerlijke belangen o|i-treedt; -parlies honleimi, pi. (spr parli\'hon-léüz\') de schaamdeelen; oneig. do scliandvlek-kon, onzedelyke, schandeiyke dingen, h. v. van oen gezelschap; — partij (fr. Ie parli) z.yde, aanhang; Iemands party nemen, zich aan zyne zyde scliaren, beni verdedigen, enz.; —

partieel, z. .....I. part.

Partikel, z. parlkula.

parlim, lat. (van pars, deel) deelswyze; ook in geiyko deelen, van elk soort een even groot deel.

partiménlo, n 11. (eig. deeling. Indeeling, ver-(leeliug. v. parlire, deelen; vgl. parieeren) ■Muz. hecUferde hnsstem, hegeleiding (accom-pagnement) naar de regels van do generale lias; parlimenli, m. pi. oefeningsstukken ter begeleiding van hecyferdo loopen.

Partisan, m. fr. (spr. —ziin ; van Ie parli, de party) een aanhanger, pariyganger; vrybul-ter; - par tisane, f. (11. parliijiaim: fr. per-lulsane, vervormd als kwame \'t van een werk-vvoord perluiser, doorboren; waarsch. oorspr. het oenen pariyganger passende wapen) per-tizaan, eene soort van hellebaard, lans of spies met eene tweesnydende hijl onder de spits.

Partite, partitie, partitief, partituur, z. ond. part eer en.

Partner, m. eng. een deellieblier, bandels-genoot, vennoot, compagnon; medeilanser, dansgenool; speelgenoot; partnership, n. eng. (spr. —sjip) associatie lusschen arbeiders en werkgevers, deeigenoolschap der arbeiders in ile winst eener fabriek.

parlnut, adv. fr. (spr. parlóé) overal, allerwegen; ook wel voor volstrekt, geheel en ai; — partout-biljót, n. eene loegangkaarl lol alle plualsen in oenen scliouwbiirg.

parlurfunl monies, nascilnr riiiiciilas mus, lat. eig do bergen baren en er komt eene lie-lachlijke muis ter wereld, d. i. er wordt groolo verwachling opgewekt en ten sinlle weinig lol siaml gchracht; — parturitie (spr. lie-lsie) f. (luier lat. /mWunVie) hel haren; — partus, in. lat. (parilis, pi. parlus, van pnrëre, baren) do geboorte, bevalling; een geboren kind; p. abnrlivus, onlydigo gelioorle, miskraam; /). im-malurus of piaecox, eene onrijpe, te vroege geboorte; /). Icfiiltmus, eene echleiyke, te rechter tyd plaats belihende, of altbiins volgens de wellen als zoodanig aangenomen geboorte; p. se-rol mus, eene Ie lale gelioorle; supposili-hus, een ondergeschoven klmi; p. vulfio quaesi-tus, een inierenkind van onzekeren vader. Party, f\' eng. (spr. parli) party,

Parülis, f. gr. [par oelis, van oelis, 1.....1-

vleesch) Med een gezwolleije aan bel tand-vleesch

paruin referl, lat. er ligt weinig aan gelegen. Parure, f. fr. (van purer, opsieren, van hel lat. parlire, bereiden, enz.; vgl. parade) de


-ocr page 928-

PASSAC/ULLK

PARURIE

900

(ipscliik, tooi, liet tooisel, slcrand, pronkRCwaad; hg Juweliers: eon slel or (nirnltuur van illa-nianlon of robijnen\', In den modehandel: een slel, beslaande uil kraan en laanchelten; — cn parure (spr. ah paruur\') in \'1 slaalslekleed, np-Kcpronkl, In \'I besle pak.

Parurie, f. irr. para, z. aid., cn oercm, zyn water loozen) Mcd. zlokciyko urlne-loozinR; plsverplaalsln^.

Parusio, f. sr. (par-oesid: van parcinai, aanwezig zyn) de teKcnwoordlRheld; de wederkomst, weilerverschyidnj,\' van Christus.

Parvenu, ni. fr. (v. parvenir, lot iets geraken) een gelukskind, forluinskind, een lieer van gisteren, iemand, die van niet tot iel is gekomen

Parvis, n. (oig. m.) fr. (spr. purwi, 11. pararisa, parailiso, een voorhof, alwaar in de oude Kerk de bootenden mooston staan, v. \'I lal. jiaradisus, lusthof, liekooriyk oord, z. pa rail y s) de voorhof, hel voorplein van eeno kerk.

parvus, a, urn, lal. klein, z. onder concor-il la;— pnrvillnrus. Bot. kleinhloenilg; — par-vifotfus, kleinbladerig; — parviteit, f. (lal. parvtlas) do kleinheid, geringheid.

Pas, m. fr. (spr. piivan \'I lal. passus) eene schrede, een tred, slap, pas; inz kunstmatige danstred; een zekere gang der paarden, waarby zy den voor- en aebterpoot op éene zijde le gelijk opliehlen; een vrijbrief, geleibrief, rels-hiljel om ongehinderd de reis voort le zeilen (fr. passe-pnrl)-, ook een nauwe doortocbl, de doorgang of overgang in een gebergte; ook eeno zeeengle. h. v. Pas de Calais, de straat van Calais, de zeeengle by de fransche slad van dien naam; voorls z. v a. paspoort (z ond. passeer en); — pas hourré (spr. —bnerd) de danspas vóór en tusscben do walsen; pas re-doublé, de verdubbelde of gezwinde pas; — ((«.« seul, pas de deux (spr. —deu), pas tie Irois (spr. —trnd) by den ballet-of looneeldans; eensoio-dans, een dans met twee, met drie personen; — lias de charfie (spr. —sjarzj\') Mil. de stormpas met geveld geweer.

Pasaealle, z. passaenllle.

Pasan, pasen, pasang of pasong, m. de bezoar-anliiopo, eene soort van wilde geit op de perzisehe bergen, van welke do h e-zoar (z. aid.) komt.

Pascaline, r. «f pasealiseh rad, n. eene door Pascal uitgevonden rekenninchlne.

Pascha, t) of passah, passa, n. Iieiir. {pesaeh, van pdsac/i, overgaan, voorbygaan ca verschoonen) eig. de voorbugang, de verschooning; het joodsclie olferfeest Ier godaciilenis van den nttloelit der Joden uil ligypto, toen de doodsengel (de pest) vooraf de iiuizen der Israelielcn verschooneiid voorliügegaan was, ter-wyt by d(^ eerstgeborenen der ligyplenarcn bad gedood (Exod. XII; \'2:1—47), liet l\'aascbfcest, Pasclicn.

Pascha, -2) z, pasja.

Paschalis, ra. lal. eig. I\'asehen bel rellende (vgl. pascha) een mansnaam.

Paschmaklik, n. turk. (van paschmak, bdschmak, sandaal, panloirel) eig. het schoen-geld; bet zoogen. speldengeld voor de moeder des sultans, waartoe de inkomsten van veroverde steden zyn aangewezen.

Pasen of pasong, z. pasan.

Paséo, in., pl. paséos, sp. (v. pasedr, gaan wandelen, 11. pusseailfare, v. \'t lat. passus, schrede) openiyke wandelwegen In de spaan-sche steden.

Pasigraphie of pasigraphïëk, f. gr. (van pas, pusa, pan, al) het algemoene scbrift; de kunst om door zekere algemeene of voor leder verstaanbare schriftlcekens zyne gedacb-len uil le drukken; - pasigraphisch, adj. bet algemeene schrlfl betreffende; — pasi-lalie, pasilogie of pasiphrasïe, f. eene algemeene taal, geiyk l.eilinitz. Welke \\\\ Ilk ins. Sicca nl en Ka I mar die vergeefs wenschten; - pasitelographie, f. eeno soort van lelegrapble, welker teekens voor alle volkan verstaanbaar moeten zyn.

Pasja, pascha, pacha, ook taassa, in. (perz. bdsjd, verkort uil bddisjdli, vgl. pa-disjab) een lurkscb stadhouder, landvoogd, staatsraad; voornaam krygsbevelbebber, lieer-voerder; — pasjalik, de waardigheid, bel gebied van eenen pasja.

Pasma, n. gr. (v. pdssein, strooien) Mod. oen slrooiiiilddei, ingestrooid geneesmiddel.

Paso, m. sp. (v. paso, schrede, tussclien-voorval, v. lal. passus, schrede) eeae Insschen-gobeurlenis, lusscbeiibandejlng, tusschenspel, voorspel, een soort van sp. drama\'s.

Paspoort, z. oud. passeeren.

Pasqiiino of pasquin, m. 11. een aarls-scbalk, een hijlend, scherp vernuft, eig. en oorspr. de naam van een zeer scbranderon en spotzieken schoenlapper le Kome; vervolgens de naam van een venninkt standhecid op den boek van bet paleis Orsini, alwaar men wil, dal vroeger de winkel of het stalletje van gezegden schoenlapper slond, en waaraan men schimp- en spolschrifleii piachl vast le bech-len; — vandaar pasquinade, f. scbaiksclie polsen, spotrede, eene meer vernuflige dan boosaardige schels; - pasquil, n. (\\i. pasquindla, pasquillo) een scholschrifl, schimpsehrift, lasterschrift ; — pasquillant, m. een scliot-schrlftschrUver, eerroover, grove lasteraar; — pasquillantisch, adj. op de vvyze van een schotscbrifl, eerroovend; — pasquillee-ren of pasquineeren, lasteren, smalen, schimp- of scliolscliriflen maken.

Passaat, passaatwind, m. bestendige wind, zulk een wind, die op zekere zeeën in een bepaald Jaargetyde geregeld en aanlioudend vvaail, inz. de tusscben de keerkringen op alle zeeën waaiende beslendlge oostenwind (onder-sclielden van moesson, z. aid.)

passable, fr. of passabel, adj. (vgl. passeeren) draagiyk, tameiyk, matig, middelmatig, zoo zoo.

Passaoaille of passecaille, f. fr. (spr


-ocr page 929-

PASSEMENTEN

PASSADE

007

—kalf) en passacaglio in, of passaca-glia, f. II. (spr. —kaljo en —kdlja) van \'t sp. pasacallo, in. (spr. —katje; van pasar, A.i. passooron, (loornaan, en cnllc = lal. callis, straal; dus elg. slraatRang) con gezang met liegeleldlng dor gitaar, waarniodo men door do straten trekl; een langzame dans mot lievalllgc liowoglng; ook de daarliij helioorondo muziek.

Passado, r. tr. (van passer, z. passooron) de doorreis, doorgang door eeno plaats; de lioetslag, oen torm uit de manége of ry-school; de spaanselie pas; — passage,!, fr. (spr. passddtjquot;) do doortnclit, doorvaart, doorreis, doorgang, doormarscli, overvaart; do hoen-en weergang, het doortrekken van rUtulgen en meiischen door eeno plaats; In sommige groote steden zekere met vloertegels geplaveide en met glaswerk overdekte doorgangen of straten, al loon voor voetgangers hostemd en met winkels, konioluilzon enz. bezet; cone plaats, uitdrukking, volzin uit een hook of opschrift; eeno plaats, een gedeelte van een muziekstuk; eeno verfraaiing, een sieraad van een gezang, een loop, eene variatie; In de rijkunst; een afgemeten pas of gang van oen paard; —passagier, m. (spr. passazjé, doorgaans passatjiér) een reiziger, doortrekker; medcnjdciide, int\'de-varende; oen hl In do passagier, een medereiziger, die geen vracht lictaalt, die \'1 hclalen der vracht weel ie ontduiken;—passagieren, voor oenen dug aan wal gaan; - passa-gl\'um, n. mld.tat. een legerloctil, een kruistocht.

Passah, z. pascha.

Passant, en passant, z. passe or en.

Passarillen of pasarillen, f. pi, sp. (fr. passarillcs, van \'t lat. dg. uva paso, d. i. gedroogde druif, rozyn, van passus, a, urn, gedroogd, en pand Ure, ulthrcidon, uitspreidend drogen; sp. pasa, uva pasa, port./(assa, rozyn) zeer goede spaanselie rozynen, gedroogde druiven in Spanje en Krankryk.

passdln, m. II. (van passare, z. passec ren) Kml. de verleden of iaatslvoorgaande maand, h. v. den «den passaio, op don 5den der vorige of verleden maand; — tempi passali, z. end. tempo.

passulo il periculo, nahhalo il santo, 11. sprw. als het gevaar voorlig is, lacht men den heilige nil.

Passauer kunst, f. de kunsi om zich schot- en hoawvry te maken, zoo gelieeten ten gevolge der hrlefjes, die eenmaal een Passauer scherpreclilor onder Iroepen uitdeelde, waarhy hun die onkwetshaarheld werd toegezegd.

Passavant, z. oud. passeer en.

Passe, f. fr. (van passer, z. passé oren) in do schermschool; een uitval, sprong naar de tegenparty; — passotaallG, z. end. passeer en; - passecaille, z. passacallie.

Passeerbaan, f Jav. (pasiban) vergaderplaats, waar de .lavnansetie amlitenaren amhts-halve samenkomen met liunne hoofden en waar do reehlszitthigen gehouden worden.

passeeren (it. passare, fr. passer, van het lat. j)ass«s, de schrede, pas, z. aid.) voorliij-of doorreizen, doorgaan, doortrokken, doorvaren ; ovorschryden, te hoven gaan; voorvallen, gobouron; doorgaan, liowllllgd of aangenomen worden; aangaan, schikken, door don beugel kunnen (vgi. passable); doorhrengen, verdry-ven (den tyd); voor iels pass oer en, voor iets gchonden worden, gelden, doorgaan; passeeren en repassccren lalon, vrü of on-geblnderd laten lieon- en weder- of In- en uitgaan; gepasseerd, voorbygognnn; verioopen, verbruikt; z. ook non passée; — passeer-baar, adj. hegnnnbaar, iierydhnar; door Ie laten; — passeorbriefje, een gelcihrlelje, loopbrlcfje voor waren; — paar passer Ie temps, fr. (spr. jioer passé l\'ldii) om den lijd te verdry ven, voor tydvordryf; — ca passant, fr. (spr. aii passdii) In \'t voorbyglian, ter loops, In der haast, vluchiig; — passant, in. een doorreizende, voorbygaamle; • passimton-huis, n. gebouw bestemd tot logies van doorrelzen-den; - passanten-lijst, lijst der doorrei-zenden; — passavant, m. (spr. passawdh) een passeortiricfje, doorgangslicwys ; — passe-balle, in. eene kogelinaat, kogelmeler, de ko-gelproef; passe-cheval, pi. passo-chevaux, m. soort pont of veersehuit om paarden over te zetten; — passo-dix (spr. —diés) boven ld of meer dan 10, een dobbelspel, waarby men met It dobheistcenen ten minste elf, en daarbij op i sleenen geiyke oogen w erpen moet, om te winnen; — passe-droit, m. verongeiyking, het voorbygann (by eene ambtsliegevlng) van Iemand, die meer reebten had dan de benoemde; — passo-paróle, f. fr. Kml. ecu loophevel, krygsbevei, dat van mond tot mond vun bet eene eind dos legers tot bet andere gaat ; — passe-partout, m. (spr. pass\'parlóé) oen hoofdsleutel, iooper, keizer, dievensleutel; lijsi om vcrschilleiKie platen of leekenlngcn In Ie zetten, Inz. voor pbolo-grapbii\'n ; Typogr. een sieraad ter inzelting van eene beglnietter; — passe-passe, n. een gooclielstukje, goochelwerk; tours do passo-passe, pi. (spr. toer—) goocbeiaars-kunsleii; ook spitsboevenstrekeii; — passo-pied, m. (spr. pass\'pjé) een voormalige levendige en vlugge dans in •; maai, veel overeenkomst met de m e n u e I liehheiido; — passe-poil, m. (spr. pass\'podl) een smalle boord of strook aan een kleed; bonte brookstreep (inz. hy soldalen); - passe-pórt, m. (spr. pass\'pór) paspoort, een verlofbrief, vrygelelde; zee-brief; passe-tomps, in. (spr. pass\'laii) een tydverdryf, middel om den tyd door te brengen of te dooden ; passo-volant, in. (spr. pass\'uwldii) een ingescliovene, plaatsviiller, volmaker van \'t verelschte getal; een niet ingeschreven passagier op den postwagen enz., een binnengeslopen toeschouwer, enz.

Passedies, n. z. passe-dix, ond. passeeren; — passodiezon ut passodij-zen, het passe-dix spelen.

Piissomónten, n. pi (fr. passemenls, spr.


-ocr page 930-

PASTEURISEEREN

PASSE-PAROLE

908

ims\'mdii: It. paunmnno) snooron, trossen, lioord-sol, omltoordsol.

Passo-parole, passo-partout, onz. ■/.. ond. passooron.

Paasor, in. mal. on jav. {pasar) markt, marktplaats (In Nod.-lndlti).

passibol, adj. later lat. (passibilis, e, van pali, lydun) lUdoiyk, vatbaar voor lydon en vreugde, Kevoelin; — passibilitoit, f. (pas-sibiftlas) do lUdzaamheld, (?ovoellnliold.

Passio, f. (lal. passto, v. pali, tydon) 1) liel lydon, do martollnt;, foltorlng, llchamoiyko smarten, In/, liet laatste lyden van Christus on do tyd, die aan do gedachtenisviering van dal tyden Is loegewyd; ook de geheole passie of lydonsgoschlodonls en de dramatische of muzikale voorstolling daarvan (passlo-inuzlok, vgl. oratorium); i) (fr passion) de hartstocht, hevige gewaarwording, neiging, begeerte, liefde; llefbobberü, zucht, drift, yver; —passieweek, de lijdensweek, week voor l\'aschen;

— passiepreek, t. lydenspreek ^passiebloem, een tairyk plantengeslacht mot bloemen, op welker bladen men de werktuigen der kruisiging van Chr., de doornenkroon, de nagels, de speer enz., ineoni ie kunnen onder-schelden;—coh passióne of pnssiond/o, 11. Muz. met haristoctii of gevoel, imrtstochteiyk, nu-drukkoiyk; — passionaal, n. nw.lai. eeno verzameiing van chrisietyke legenden der middeleeuwen, hoofdzukeiyk belretTendo Jezus, Maria en de apostelen, dus geheeten omdat de passio, d. i. het lyden van Christus, de sclie-ring en inslag van \'t ganscho werk Is;—zich passioneoren, fr. (se passiniuwr) in harts-tochi, in drift geraken, zidi door iets geheel laten innemen, zich driftig maken; — g o p a s-slonoord, adj. hartstochtoiyk, voiyverig, geheel met Iets ingenomen;—passionlsten, m. pl. eeno geesteiyke broederschap in Hallo.

passief, adj (lat. pussimis, a, um) lijdend, duldend, lydeiyk, onwerkzaam, In tegenst. met actief; — passiva, pl. of passieve schulden, schulden, die men te betalen heefi, in tegenst. met actieve schulden;

— passieve handel, z. a c 1 i e v e h a nd e 1;

— verbum passiown, een lydend werkwoord;

— passivum, u. de lijdende vorm ; —pas-siveeron, barb.lat. in lydeiyken toestand brengen, lydend of onwerkzaam maken; — passiviteit, f. do lydeiyke toestand, cle onwerkzame veiiiouilliig; passi v I te 11 van het ijzer, de toestand van het yzer, wanneer het, in salpeterzuur gedompeld, zich met eene oxyde-laag overdekt, en dan voor vorderen Invloed ontoegankeiyk is.

Passo, m. li. (sp. paso: van \'1 lat. passus, z. aid.) eeno voormalige ital. iongiemaat; in Vcnetit! = !gt; voet (piédi) = 1,7119 M.; — passo passo, pas voor pas, langzaam, bedachtzaam.

Passulaat, m. nw.lnt. (van \'1 It. pdssola of pdssula, ro/.yn, van passo, verwelkt, verdroogd; vgl. passari lien) Med rozUnensap uf drulvenbonlg.

Passus, m. pi. passus, lat. (v. pandSre, passim, uitspreiden, dus elg. het uitsproldeii der voeten liy liet gaan) de schrede, stap, pas; als lengtemaat een dubbele pas = !i voet; geval, voorval, tydsiip; de schrlftpluats, het punt; in hoc passu, in ilii geval; passus concérncns, de betretrende, bedoelde, behandeld wordende of in aanmerking komende plaats, b. v. In eene gerechleiyke uitspraak; p. geomelrïcus, eene geometrische schrede, landmetersstap, van vyt gewone voeten-, per omnes passus cl instantfas, Jur. door alle rechlbanken of Instantlfin (b. v. Iets doorzetten, winnen of vorllozen).

Paste, f. (van \'t mid.lat provene. sp. en it. pasta, fr. pasle, püle, deeg, v. \'1 lal. pislus, gestampt, gekneed, onder den invloed v. pus-cere, paslwn, voederen, voeden, paslus, voedsel, en paslillus, meeibaiielje) 1) planlaftreksel, tot eens taaie massa verdikt; 2) pl. pasten, deegsteenen, deegafgletsels of afdrukken van oude gesneden steenen, uil een deeg van lak, zwavel, gips of glas, enz., vgl. (\'a ni é e; jmsta allhaeos, Med. althea-pnsta, leversuiker; pasla umygdalina, aniandelpas(t), amandeldeeg; pasla gummosa, gununipasta; p. liqutritfa, zoetlioui-past; — pasteboard, n. eng. (s|ir. peesl-boord) bordpapier; — pastei, f. (inid.liii. pas-lala, fr. pdld, in.) eene doeg- of bakspys, een vleeschkoek, hoender-ragout, enz.; — pas-teus, adj. (11. pasldso, fr. ;m/ei(,c) deegiicht ig, week, zacht; l\'ici. iiksch, krachtig, vel in liet coloriet; — pastél, m. en n. (11. paslello, fr. en sp. pastel) verfslift, eeno uit verfdoeg gevormde en daarna gedroogde schildersllft; -pastel-schilderen, n. het schilderen met zulk eene verfslift; — pastel-schilderij, f. de verfstitt-schiidery, droogsclilidersluk; — en pastel, fr. (spr. aii—) met pasieiverven, met droge kleuren (schilderen); — pasticcio, m. It. (spr. paslitsjio), of pastiche, f. (spr. pastiésj\') elg eene pastel, gemengde spijs; l\'ici. eene navolging in de manier eens beroemden schilders, welke voor diens werk wordi uil gegeven; Muz. lapwerk, eene uit stukken van verscheiden meesters samengestelde opera-nin-ziek; vgl. cento; in \'1 alg. eene misleiding, een bedrog, eene begoocheling; -pastillus, m. lat. pl. pastillen, pastieljes, balletjes uit meel, vruchtsap, suiker, enz.; ook reuk-baitetjes, reukkaarsen; — pastilles du sérail, pl. fr. (spr. pastiét\' du serdlj) uit katsjoe (cn-lechu) suiker, kaneel en reukwerk bereide balletjes, ille men in Indie in den mond iaat oplossen; — pastilles roborantes, pl fr. (spr. pasliélj rolin-rdid\') versterkende balletjes; — pastilla, pi. pastilla\'s, russisch Ingedikt en geperst vruchtsap; vgl. marmelade; --pastilla-ges, f. pi. fr. (spr. pasti-IJddzj\') klein suikergoed tot allerlei liguren gevormd.

Pastóke, f. fr. (paslèque, sp. en port. patcca, van \'tarali. ballilch, bilhlhlch, nieiocn) de watermeloen.

Pasteuriseeren, den wyn door verwarming op BB—(10° (;. ter dooding van de gist-


-ocr page 931-

PASTEUS

PATKLIN

909

cellvn en andere kleinen Keschlkt maken tor liowarlng, volgens liet [irocédé van L. Pasteur, pasteus, z. paste.

Pastinak(e) ot pastinakel, f (lat. pasHnaca) eene liekende sclierrndragende plant en haar cetliaro zoctachtlKC wortel.

Pastoor, m. lat. (pastor, pl. pastores, v. pasclre, welden) elg. een herder; zlclelierder, zielverzorger, zlelverpleger, predikant, priester der gemeente; pastor fides unimSrum fidetfum, getrouwe herder der goloovlge zielen, uit welks afkorting I\'. f. u. f. men liet hoogd. woord l\'faff, ons paap heeft willen adelden (dat eeliter uit liet lal. impa [z. ald.J ontstaan Is); pastor loei, de predikant of pastoor der plaats (waar men Is); pastor primarius, de eerste geestelyke, opperpriester (In Dullsehland); p. secundarïus, de tweede geestelyke, onderprles-ter; — pastoraal, adj. (lat. pasloralis, e), lierderlijk, landelijk, naar lierderswUze; ook den geestelyke en zgn amhl hel rellen!»; zielverzorgend ; een past o r a a l-s c li r y v e n, een her-deriyke hrlef; — pastoraal, r. z pasto-r a 1 e en p a s 1 o r e I a; — pastorale brieven, pl. de brieven van den apostel l\'aulus aan Tlmotheus en Tltus, welke aanwyzlngen voor het predlkamht hevatlen; —pastorale symphonie, f. een herders(muzlek)stuk; — pastoraio theologie, f. de aanleiding of liandleldliig lot de hehooriyke waarneming van iiel predikambt en de daaraan verhouden plleh-ten; — pastorale, f. een lierdcrsdlcht, herdersspel; hei\'dersschoiiwspel, iandeiyke tooneel-vertoonlng; — pastoralia, n. pl. predlkants-zaken, paslorieaangelegenheden; — pastoraat, ii. nw.lat. f. het ambt van oenen predikant of pastoor, - pastorie, pastorij, f. woning van een predikant of pastoor; pastoréla, f. sp. en provencaalsch, een herderslied van sehorlsenden Inhoud en levendige zangwyze; — pastoréllo, n. 11. een klein herdersdicht; — pastorite, f. de herdersfluit, de herdershoorn; — pastoritïum (spr. Ii=lsi), n. een herderszang.

Pastophóren, pi. gr. (van pastas, eene vrouwenkamer; kapel) priester, die allerlei ge-wyde zaken in eene kast of kleine kapel ronddroegen; — pastophorium, n. (gr. paslo-phóreton) eene kleine kapel met oen godenbeeld; de woning dier priesters.

Pastry, f. eng. (spr. pdastri) paslei; — pastrycook, m. (spr. —koek) pasteibakker.

pat t), ■/.. schaak pat, ond. schaak.

Pat i), afkorting van Patrick, in. een lievelingsnaam der leren, dien zy ter eere van hunnen patroon St. Patrtclus voeren; vandaar betitelt men hen in \'I alg. spottemlerwyze met dien naam, geiyk de liiigelscbniaii John Itu 11, de Schot Sawny beet.

Pataat, z. b a t a 1 e n.

Pataca, f. of pataeón, m. sp. eene zilvermunt, een sp. kruisdaalder, omtrent = 4 gi. 50 et.; — pataca, f. ook eene rekeiimiint In Brazilië vroeger = 320, nu 810 reis of ongeveer K7 cl. courant; — patacca, f. it. eene voormalige rckemnuiit te Napels = duralo dl reano = f t,(i:t; — patacao, m. (gt;pr. —kanjo) een braziliaanscbe lekonmunt van :i pa-taca\'s of 11)20 reis, In den liandei eeliler meestal hooger gerekend tot 2000 reis of 2 mllreis.

Patache, f. sp en (r. (vgi. \'t arah. hu-tas li, pi. hdtus, een ooiiogsselilp, ook vracblscblp) een wacblsciiip, uitlegger; een iweemaslkoop-vaardysclilp, inz. in Spanje en Porlugal.

Patacon, z. pataca.

Patagon, m, een voormalige brabaiitscbe zilvermunt, een bral), daalder van 48 patars = ongeveer /\' 2,10 ii /\' 2,10.

Patagomërs, in. pl. een vnlksslam in /,. Amerika van ongewone licliaiimsgrootle.

Patake, f. (waarsch. vervormd uil palate, z. bataten) eene late aaidappelsoort met gele schil.

Patar, patard, m. fr. (oorspr. viaamsch palar, zoo men wil van Peter, l\'elrus, omdat deze munt den aposlel Petrus in haren stempel droeg) een oude stuiver, eene rekenmunt in lirabant, Vlaanderen, enz. = ongeveer l; a ü cent.

Patamüb, f. fr. gokralihel, onleesbare pen-netrek, slecht haadschrift, onduldclyke bandtce-kening.

Pataria, f. en patarêners, pi. 11. (pa-tarene, v. palaria, de vodiienraperswyk in Milaan, waar zy in inrgt;S vergaderden) scheldnaam der hostryders van bel huweiyk der priesters tydens Gregorlus VII.

Patas 1), f. z. pat ach o.

Patas 2), m. de roode aap la Afrika, inz. In SenegamhlB.

Pataten, z. bal a ten.

Pataviniteit, f. lal. (Patavinïtas, van l\'alavtum, Padua) de tongval van de bewoners der Hal. stad Padua; inz. de scbryfwyze van den gesebiedscbryver 1,1 v 1 u s, die in vergeiyking mei die dor Ouden eenlgszlns onronieliiseb is.

Patcholi of patchoeli, n. (spr. pntsj—i een slerkriekend kruiil in iVieuw-llolland (Plee-Iran Hi us ijnivcolens) en eene daaruit bereide sterk riekende reukstof.

Pate, f. fr. (pnte, van \'1 sp. pasta, deeg, melaalmassa, sainengesmollen kloni|i, goud- of zilversiaaf; vgi. /ins/p), pl. paten, zllversta-vea, die door den sinokkcilmndei oiigeslempelii uil de spaaiische bezitllngon In Amerika uiige-voerd worden; — pitte pectorale, f. fr. (spr. /wil/\' pektorant\') borsldeeg, een zoogenaamd borslgeneesiniddei; on paté (spr. «// paal\';, in deegvonn (li. v. verfstolfon).

Pateen, f. z. pa tone.

Patefactie (spr. Iie=sie), f. lat. (pale-facl\'io, v. palefacire, openen) de opening, ontdekking, hokendniaking.

Patelin, in. fr (spr. }Hi-t\'Ién; v. Pathelin, den naam des iioofdpersoons in een kluchtspel, op bet einde der IJlde eeuw door Pierre Hian-cbel gedielit) een vleiend iiedrieger, sluiper, sluwe gast, vos, — patelinoeren (fr. pa-


-ocr page 932-

PATÉLLE

910

PATHOS

leliner), vleiend bedriegen, sluw of lislij; le werk gaiui; — patolinago, r. (spr. —nddzj\') bedrlegHjko vlelei\'U; — patelineur, m. ■/.. v, ii. puleltn.

Patélle, f. pi. patelion (van \'tlal pa-télla, schaal, schotel, verklw v. palèra, i. aid.) napslak; — patelliet, m versleondo nap-slak; — patolliform, jnlJ. nw. lat. schaal-cit schololvornilg; — patene, f. mld.lal. (;)«-Ifnd, lat. imlïnd, schaal) het kolkschotellje, nuwclschateltje hy het avondmaal In do K. Kath. Kerk.

imlcns, lat. (vgl, patent) Hot. afslaande, openslaande.

Patént, n. (inld.lat. pdlens, pulénla, van hel lat, pulens, open, van patere, open zgn) een open hrlef, openlUk aangeplakt of liekcnd gemaakt hevel der overheid (lat. liltSrae pa-ténles), do oorkonde of acte eener aanstejllhg; een vryhrlef, waarhU Iemand zekere voordeden of voorroclilen worden toegestaan of verzekerd; vandaar ptitent-kouson, pa 1 enl-knoopon, patent-papier, In \'talg. pat ent-waren, waren, die onder genot van een voorrecht vervaardigd worden; Inz. oen u 11 v 1 n d I n g s p a-lenl of oei rooi, waardoor aan een uitvinder van eene nuttige zaak het recht van uitsluitend vruchtgciiruik dier uitvinding voor eene reeks van Jaren wordt toegestaan; verder de Jaariyk-sche l)eroepshiief, d. I. het vergunningshewys Ier uitoefening van een beroep, hetwelk in die slaten, alwaar beroopsvrUheld hestaai, tegen eene by de wet bepaalde opbrengst (bet patent recht) wordt uitgereikt; — patént, als adject.: open, duidelyk. zonneklaar; ook gemeenzaam voor opperbest, uitstekend; van personen; goed, rond en eerlijk, trouwhaiilg, enz. b. v. e e n p a tent m e n s c b, enz.; pil-lente nella, f. II. hewUs dat aan de pluat» vanwaar de reiziger vertrokken of eene koopwaar verzonden is, geene besmetteiyke ziekte beorscht; patente sporca, f. getuigschrift dat do gezondheidstoestand van eene plaats niet zuiver is; — patenteeron, bevoorrechten, een voorrecht loekennen; een patent uitreiken.

Pater, tn. lat. pater (gr. pater) pl. patres, de vader; kerkvader, chr. kerkleeraar In de eersle eeuwen; monnik of ordesgeestetyke; paterbier, hel kracblige bier voor do oppersten in do kloosters, in tegensl. met bet convent bier; vandaar ook bel patersvaatje; — paler adoptivus, ile aangenomen vader, bij, die iemand als kind hoeft aangenomen; — /», famihas, de huisvader, onafhankeiyke buisheer, die naar bet rom. recbl kinderen en slaven onder z.yn gezag beefl of kan hebben; — p. patriae, vader des vaderlands; — pater pee-curi, vader, ik heb gezondigd (uil de geiyke-nis van den Verloren zoon, Luk. XV, 21); — pater provincial is, ■/.. provincial is (onder provincie); — ad patres, tot do vaderen (gaan of zonden, d. I. slerven of uil de wereld ruimen); — patres aposlolici, z. apostolische vaders onder a pos toI ise li; — patres of patres conscripli, beschreven vaders, eernaam en titel der aanspraak van de oud-romeinsche senatoren; oneig. ook vim leden van de volksvertegenwoordiging of den raad; — patres ec-clesiashci, kerkvaders; — patres scholrirum pi-arum, z. IMarlsten; — patérna bona, pl. (v. lat. patérnus, vaderiyk) vaderlgke goederen; — paterna heredltas, f. de vaderiyko erfenis of nalatenschap; — paterna, palernisi materna, malernis, de goederen van den vader aan de verwanten des vaders, de goederen der moeder aan de iyn der moeder (oude rechtsregel); — paternél, adj. fr vaderlijk; — paterni-teit, f. lat. (palemïlas) de vaderiyklield, bel vaderschap, de vaderiyko waardigheid, vader-staat; — paternoster, n. (van \'tlal. pater nosler, d. 1. onze vader) het onzo-vader of va-der-ons, do kathol, rozenkrans, oen snoer van aangeregen balletjes tot aftelling der dageiyks optezeggen gebeden ; eig. ieder tiende grooter balletje aan het bidsnoer; ook eene handboei; versiering aan liet lystwork; — het paternosterwerk, eene putmachlne, met oenen uit lederen kogels bostaumlen ketting, om bet water uit de diepte op te halen.

Patëra, f. lat. (fr. palire) een vlak drlnk-of oltervat, eene oud-roineinsche olTorscbanl.

Patérle-steen, m. een donkergrauwe, harde porphyr, die nochtans in het vuur smelt.

paterna, etc., paternel, paterniteit, z. oud. p a I e r.

palélico, 11, (= patbotisch, z. ond. palhos) Muz. verbeven, met wanrdigheld, pateux, fr. z. v. a. pastens, z. paste, Pathmos, a. (nu I\'atma of 1\'atlml) naam van een eiland nabij de Westkust van Klein-A/.iü, eene dorre rotsmassa van S uren in omtrek, vermaard als de plaats werwaaris de evangelist Johannes door Donilllanus gebannen werd en alwaar hij zyne Openbaringen schreef; in \'l algemeen een eenzaam, doodsch ballingsoord.

Pathos, n, gr, (pathos, van pdschein, pa-than, lyden, nok in bet algemeen; zich in een toestand bevinden) het lijden, do ziekte; de lydondo toestand, Inz, der ziel; do hartstocht, levendige gemoedsbeweging; inz, liet aandoen-lyke, trelfende, roerende in uitdrukking, de haris-tochteiyke verhevenheid, booge gevoeligbeld van oenen redenaar of dicblor, bartroeiende, diepdoordringende uitdrukking, nadruk; de harls-locbteiyke en tegelijk geestdrlttvollo taai in het drama, Inz. In de tragiBdie en In bel alg. Iedere verheven wyze van uitdrukken; ook: hoogdravendheid, gezwollenheid; pathema, n. gr, (pdlliëma) lijden, ongeluk; inz, zieieiy-den; hartstocht ; — pathematisch, adj. de barlstochlen botreiTende; pathemato-logie, f. de leer van do hartslochten; — pathétisch, adj. (gr. patliêlikos, a, ón), harlslochleiyk, gevoelig; sterke gemoedsliewe-ging nililrukkend, levendig roerend, schokkend, nadrukkelijk, diepe gevoelens opwekkende; vol kraehl en waardigheid, pleehtig; - pathl-


-ocr page 933-

PATIUNALK

Oil

PATI

cus, m. liit. (gr. iKilhiliós) luinand dlo zich lui omiiiliiurlijkcn wellust huil mlshruikon; — pathogenïe, f. Med. du loer van liet ont-staun der ziekten-, — pathogónisch, adj. ziekteverwekkend; — pathognomïka, f. de leer van de zlekteteekenen en do juiste bo-oordoellm,\' van ziekten; — pathognomisch ot pathognostisch, «dj. ziekten liepatend on omlergclieldend; — pathographïe, r. hesclirUvIrik\' der zlektevornien: pathologie, f. de ziekteleer, ziektekunde of de leer van de ziekten, hare versclitiloado soorten en IndoeiliiRen (nosologie en pluunonienolo-Kle), hare oorzaken en aanleidinKon (iDltotolt I e) en hare kentcokenen or zich opdoondo vorsehljnsulen en toevallen (s y in p t o in atol «-ïle); — pathologisch, adj. tot de zlek-leleer hohoorendo; in de l\'hllos.: zlnnoiyk, door zinnelijke aandrltl; — patholoog, m. een zlekteleeraar, ziektekenner; — pathoposio, f. (Rr. jmlhopniia) de opwekking der hartstochten.

Pati, m. jav. dorpshootd, titel op Java.

patibel, ndj. lat. {imliliflis, c, van pali, lyden) lijdelijk, verdraaKlük; lijdend; — pa-tiént, ni. (lal. palïens) een lydcndo, kranke, zieke; — patiëntie (spr. —Isjénlsic) r. lal. (pnlienCfa) en patience, fr. (spr. pusjdiis\') het k\'eiluld; — patience, ook het (leduldspei, oen kaartspel lusschen twee personen, dat ook éeu alleen kan spelen, ook verscheiden andere kaartspelen tot tydverdryf voor een enkelen persoon; ook het scapulier der nonnen; — pa-tientïa vincil omnia, lal. Kodnld overwint alles-, — patientie-krnid {Itwncx palieniïa) het geduidski\'ulil, een hekend moeskruid; — zich patienteeren (fr. pati enter), lyden, dulden, geduld liohhcn, met geduld afwachten.

Patina of patino, r. lat. (vgl. pat olio en aerugo) schaal, schotel; do door verkalking heworklo hrulne of groene roesioverdek-klng op nntleko koperen voorwerpen, inunleu en dgl.; ook do door eheinisclie knnslmiddelen verwekte of nagebootste roest; patinee-ren, dat roesthekleedsel verwekken; z. ook onder pa Uns.

Patins, pi. fr. (spr. patcii : /)a/in, rnld.lal. patinas. It, paltinn) of patinen, pantoifei-schoonen, overschoenen; ook schaalsen; patineoren, schaatsenrydon; patineur, in. schantseniyder

Patio, m. sp. (port. palen, patin, catalon. pali, sp. ook patin, v. \'I lat. patere, open z.yn, onhodekt zijn) de hlnnenhofruhnlo der woonhuizen, In den zomer de gewone plaats van oponthoud dor huisgezinnen in /.Spanje.

Patira, f. sp. (uil eene zuldamerlk. taal) het mnskuszwyn.

Patisserie, f. fr. (van piilc, deeg, pdl(\', paslei; vgl. paste) hakwerk, geliak, paslei-gehak; ook de pastelhakkerü; patissier, in. (spr. —lis) een pasteltiakker; patis-soil\', f. paslcihakkerslafei.

Patissoie, f. fr. (spr. —tismi) een zware chineesche zydenstof.

Patois, n. fr. (spr. —tna: van een ondersteld oudfr. panis met euphonlsch Ingeschoven I, ter vermijding van den hiatus, en dit van \'t mid lal. pagensis, landeiyk, van lat. pad us, dorp, district) ile gemeene (platte) landspraak, hoerenspraak, plattelandstaiil, kooterwaalsch.

Patraque, f. fr. (spr. —trdlc\') oud, afgesleten gereedschap, prulion, vodden.

Patres, m. pi. lal. (van paler, z. aid.); — patrïa, f. het vaderland; in putna, In het vaderland, In de hakonnat; pro patrïa, voor het vaderland;— patnu poléslus, z. ond. potestaat.

Patriarch, in. gr. {putrinrches, van patria, geslacht, stam, en archt, aanvang) de stamvader van een geslaiht, aartsvader, oudvader; Inz. de slamvaders en familiehoofden der jood-sche natte; sedert de !fde eeuw de titel der hlsschoppen ie Homo, (lonstantlnopol, Alexan-drle, AntlochlU en Joruzalcm; later slechts de titel der opperhlsschoppen in de oostersehe kerk; onelg. een eerwaardig grüsaard; patriarchaal, adj. nw.iat. (pulriarchStis) nnrts-vadoriyk, ondvaderlUk, eerwaardig; palriar-chale re gee ring, huisvaderlijke famliie-re-geerlng; —patriarchale kei\'k, eene hoofdkerk ; patriarchaat, n het aartsvaderschap ; de waardigheid en het gebied van oenen opperbisschop.

Patriciër, m, lal. (I\'atrirïus, pi. t\'atricïi, d. I. van senatoren of patres |z. aid.] afstammend) een adellijk burger in liet oude Kome; de titel van zekere famillen, die, wegens hunne afkomst, in den vroegeren lijd van den rom. slaat, aanzlenl Üko voorrechlon genoten, In tegenstelling met de plebejers; In de voorin, dultsche rijkssleden: sladsadeliyken, geslachten, waaruit de raadshoereu gekozen werden; patricisch, adj. aanzleniyk, adeliyk, raadsheerlijk; — patriciaat, n. (lat. palriciatu.i, m. de burger- of stadsadel.

Patrijs, 1) in (van hel lat. puter, vader) de oorspronkelijke vorm, de stempel, waaruit in de lettergieteryen de matrys (z. aid) onl-staal;— patrijs, 2) m. (eng. purtridije, fr. perdrix, van \'I lal perdia\', veldhoen) een welbekende vogel, zeer gezocht om z.yn uitmun-lond vleesch; patrijspoort, f. Mar. kleine poort in de batterijpoorten, om licht en iiiclil tusschendeks te brengen, als ook lor bediening van I gesehui, als de liatlerijpoorlen dicht zijn.

Patrimonium, n, lal. (van pater, vader) bet vaderlijk erf, erfgoed, erfdeel, erfvermogen, aangeërfd vermogen; patrimonium Petri, bel (voorgewende) erfdeel van Pelrus, een gedeelte van den Kerkeiykon Staat; liet gebied van Homo, dat Conslaniyn de (Iroolo in de ide eeuw aan den paus zou gescbonken heli-ben; — patrimoniaal, adj, (later lal. pa-trimnniutix, e) tol het vaderlgke erfgoed be-hoorende, (van den vader) geërfd, aangeslamd; pa I r I mo n tal e goederen, pl, erfgoederen, vaderlyke leenen,

Patrinale, f, z, karabyn.


-ocr page 934-

PATRINÜS

912

PAUPER

Patnnus, m. mlil.lut. (v. \'I lal. imlcr) do iloopvuilor, poel.

Patriomanïe, r. fir. do overdreven zuchl voor hol viiderlund, overdreven viulerlaiidsllofdo.

Patriot, ni. mld.lnl. (ixitriola, van \'1 gr. palriöles, landsinan, van palrios, a, nn, vader-lUk, vaderlandsoh) een vaderlandsvriend, vaderlandsgezinde, volksvriend (demokraal); — patriotisch, patrióttisch, ndj. vador-landsdozlnd, vailerlandsllevonil, slnalslmrgorlijk;

— patriotismo, n. do vudcrlandsllerde, op-oirorendo yvor voor het vaderland, do hurgerzln.

Patripassianon, m, pl. oene socio, welke geloofde, dal God do Vader, zoowel als God de Zoon, de passie of hot lijdon had voihrachl.

patriseeron (spr. s=z) nw.lat. (ondlat, lialrissare, vim \\inter, vader) naar den vndor gelüken of aarden.

iPatristiek, patristika of patrologie, f. gr. (vgl. paler) do kennis dor elirislen-kerkvadoren en hunne leersleliingeii; — pa-tristicus of patroloog, in. een konnor dor kerkvaders en hunner schriflon; — pa-tristisch of patrológisch, adj. do leor dor kerkvaders holreirendo.

Patrocinmm, n. lal., pl. patrocinia of patrocinïën (v. palronus, vgl. pniroon) do bescherming, gorechlohjko hysland; hol over-nomen van een loeverlrouwdo procesvoering; ook; een vorweringsmiddol; — patl\'ooineo-ren (lat. palrocinari) heschonnen, hoschulten, verdedigen, in bescherming nomen, hohulpzaam zijn; — patroeinatie (spr. t=ls) f. nw.lat. lt;le bescherniing, verdediging, enz.

Patrologie, enz. f. z. patristiek.

Patronymikon, gr. of patronymï-cum, lat. n. (van pater, vader en ónyma = ónoma, naam) do vadernaam, gosladds- of stamnaam, oen van don vader afgeleide naam, b.v. Ileraklidon van Horakios, enz.,; — pa-tronymisch, adj. naar des vaders naam genoemd, wat do geslachls- of afkomstnamon betreft.

Patroon, I) m. lat. (palratiux) een hoscber-mer, boschuttor, verdediger, voorstander, heer, begunstiger; hoschermhellige (schutspatroon); kerkhciilge (k o rk pa troon); ambts-bogever, leenheer over geostelgke bedieningen; ook Iron, voor monsch, man, b, v. oen vroo-1 ij k c patroon; patrónus causae, oen gerech-teiyk zaakvoerder, advocaat; patranus fisci, z, v. a. fiscaal; — patröna of patrones, de beschermster, scluilsheillge; — patronaat, n. (lat, palronalm) de waardigheid ul licl anilit van den schutsheer; ook z, v. a, patronaat-ree lil, z. jus palrondtus.

Patroon, 2) n. (fr. en sp. patron, mid. lal. palrónus; zinncbeoidigo toepassing van hol lat. palronus, z, het vorige woord; 11. pailrnna) vorm, monster, model, voorbeeld, teekenlng;

— f, do hoeveelbeid kruit lot een schot benoo-dlgd en In een papieren, houten of blikken koker vervat; — piltroontasch, f. de solda-tenlasch of -zak voor de patronen.

Patrouille, f. fr. (spr. patrnélj\', van pa-Irouiller, oudfr. patouiller, d. i. eigenlijk met do handen in vuil water plassen; vandaar in hol siyk roiidtreden) de zworfwacht of ronde, nacbtoiyke soldatenwacht ter handhaving van do openbare rust en veiligheid; — patrouilleoren (fr. palrouiller) do ronde doen, overal heengaan om op iets acht Ie geven.

Patruêlis, m, lat. (v. palriïm, des vaders broeder, de oom) een vadersbrooderszoon; pl. patruëles, vadersbroedersklndercn.

Patte, f. fr, (d, 1. oig. poot, klauw; dan het vattende, grijpondo, overdokkonde) de kiep van een zak, van eeno brieventasch, foedraal, nn.-, — patte ii régler, lyntrekkor voor muzieknoten; vgl. rastraai.

Pattern, n. eng, z. patroon 2) n.

Pau, eeno longtemaat in Afrika van ion lot 780 mM.

paucus, a, um, lal weinigpaucis conldn-lus sum, lat, ik ben met weinig tevreden; na-tfira paucis conlénla, do natuur (is) met weinig tevreden; pauca, sed bona, weinig, maar goed; — pauciHorus, lal. Kol, armbioemig; — pauciteit, f, (lal. paucilas) de weinigheid, goringhoid, het gering getal.

Pauk, f., pl, pauken, keteltrommon, twee koperen pollen of kolols, over welke, door middel van schrooven, bereide ezelshuiden gespannen zgn, die door middel van twee slokjes mei bekieede bollen geslagen worden.

Paul, z. Pan lus.

paulatim, lal. (van paulus, weinig) allengs, van lieverlede, langzamerhand; pauhdim langfus Uur, allengs of ongemerkt komt men verder.

Paulette, f, fr, (spr. polei\') oen jaariyk-sche belasting op gekochte nmhton In het voormalige Frankryk (naar Charles Pauiet genoemd, die zo In IliOi voorsloeg); vandaar In het al-gomeen: verkoop van ambten en posten.

Paulicianen, in. pl. overbiyfseis dor Ma-nidueors on Gnostiokon In ArmenIB, sedert de 8sle eeuw, naar een partyhoofd Paulus zoo genoemd; Paulinen of Paulanen, /„ Min i me n; — paulinisme, n. de eigenaardige loer van den apostel Paulus, in togenst. met het zoogenaamde jodenclirlslendom en andore byzondere meeningen dor apostels Petrus en Johannes; — paulinisch, adj. van (den apostel) Paulus afkomstig.

Pauliet, n. hoornblende (naar de plaats, waar zy gevonden wordt: hot SI, Pauls-oiland aan de kust van Labrador).

Paulus of Paul, m, lat. (van paulus, a, um = gr, pauros, klein, gering) mansn.: do geringe, kleine, nederige, eenvoudige; — Pauline on Pauliska, vr.nnmon: do geringe, kleine, eenvoudige;—Paulowitsch, m, en Paulówna, f, russ. do zoon van Paul, do dochler van Paul.

Paume, f. fr, (spr. pnom\'; vgl. pal ma) do (band)pahn, de blnnonslo handvlakte; bet balspel {jeu de paume).

pauper, lat,, fr. pauvre (spr. ponw\'r) arm.


-ocr page 935-

PAUPIÉTTES

913

PAYS

behoontg, iinnziillK, olloncll).\', slcclil; — /»)ii/ie-nes on imu/iMax of pauperteit, r., fr pau-

vreté, f. (spr. ftoowr\'li) do annocdc, liclioufle, annziillKlielil; — pauperte.f, Jur. oono schiulo (In zooverre zy den beschiidludo armer niiinkl), Inz. de door een dier liewerkte schilde; arlto de pauperfe, een olseli, wegens de door een dier veroorzmikle schilde aan den liezlller van hel dier; — puupertalis juraménlum, juramen-turn: p. leslimonfum, z. leslimnnium p.: — p. votum, z v o 1 u m;—pauperisme, n (een nieuw gesmeed woord van rninsche vinding) do loesland der armoede, het armwezen, do leer der verarming, hare oorzaken en geneesmiddelen; — pauvre-honteux, m. fr. (spr. ponwr\'hoiiléü) een heschaamde arme, hulsanno, die zich sclmaml Ie hedelon-, — pauvret, m. (spr. poowri) een arme drommel, arme duivel; — pauvrétte, f. of pauvrésse, f. eene arme vrouw, hedclaarster.

Paupióttea, r. pl. (spr. popi-éll\') gespekte en gefarceordc vlecschreepen, die men, In papier gewikkeld, hraadt en met eene scherpe saus opdlschl.

Paus, z. papa.

pauitif, jjauvrelé, pauvret, enz. z. ond. pauper.

Pauze, f lal. [pama, van \'I gr. pauris, van paüein, doen ophouden) het rustpunt, de stilstand, rustiyd, slllhouden, zwUgen, Inz. In de muziek : een ruslleeken; — pausis, f. gr. Mod. liet ophouden, allaten; — pauseeren (lal. pausare) ophouden, stilhouden, ruston, een tyd lang of eene poos zwügen, toeven; — pau-Sant, m. een draler, talmer.

Pavage, z. ond. pavé.

Pavame, m. fr. (In Florida, palame) z. v. a. sassafras.

Pavane, f. fr. (spr. v=w; sp. parana, v. \'I sp. pavon, pavo, pauw, = lat. pavo, de pauw) de pauweadans, een spaansche dans van hoogst ernsllue heweglng; ook de statige, afgemeten, trotscho gang, pauwentred; — zich pavaneeren (fr. sc pavaner), oono hoogo liorsl zetten, zich trotsch aanstellen.

Pavé, n. fr. (van paver, bcstraton, hevloe-ren, van hel lat. pavire, vastslaan, paviméntum, vloer) steonen hestrallng, plaveisel, Inz. vóór de hulzen, de kleine steencn; — pavage, f. (spr. pawadtj\') de hestrallng; hel liestrateii; het straalgeld.

Pavedétte, f. de postduif, hrlevendulf.

Pavézen, pl. (sp. paves. It. pavexe, fr. pa-voi.i, waarsch. van de slail l\'avla, waar zU misschien vervaardigd werden) weleer groole schilden, met hllk beslagen, van onderen mol een (jzeren prikkel, om hij helegerlngen lot ho-schermlng der handüoogschiitters In den grond gesloken te worden; ook een schlldvormlg ge-hak, z. hotteseii; — pavesade of pa-voisado, f. fr. (spr. pawoatdad\') Mar. het schanskleed of schild aan de zyden van oorlogsschepen.

Paviën, f. pl. fr (sing, pavie, sp. pavia naar men wil van de stad l\'avla, vanwaar zy

VIEIUIE IIIUIK.

moeten afslammen) soort van perziken, welker vloosch vast nun den steen zit; eene fijne, wllto, gewerkte soort van vlasllnnen.

Pavillón, m. fr. (spr pawi-tjAn, van \'t lal. papil 1o, vlinder, kapel; voorts unelg. tent; mld.lal. ook pavilïo) eon tenthuis, tentdak; tonthed; hy-of zUgehouw, vleugel aan een palels; Inz. oen zomer-, hullen- of tuinhuisje met rond dak, koepel, paviljoen; liet hovenste deel van een gevallen hrlljunt; de wapenmantel, hot wapendeksel; ieder vaandel, waarop de nationale kleuren van een volk zyn aango-hracht, Inz. de vlag, scheepsvaan, ook de ge-luldslrechler der hlaaslnstrumenlen.

Pavimént, n. lal. {paviméntum: vgl. pavö) hevloorsol, veelkleurig of hont vioerwerk, vloer.

Pavone, m, pi. pavoni, n. (lal. pavo) pauw; orr/iio ili pavóne, pauwenoog; zekero marmersnorl.

Pavonia, f. nw.lal. (van pavo, de pauw) eene soort van koralen heliooronde lol de mail rep oren (z. aid.); — ook eene plantensoort van de familie dor maluwen

Pavor, m. lal. (van pavore, uit vrees of angst hidden) vrees, schrik; Mod schrikachlig opvliegen in den slaap.

Pawoinik, in russ. eene rykgohorduurdo muls of kap, hel lioofdlooisel der russ. hoeren-vrouw, Inz. der min.

Pax, f (gen. pacis) lat. de vrede; rem. Myth, de godin iles vi odes; ook als loeroeplng; pax1 vrede! rusl! slille! hall! paa- imperii, de ryks-vrede; p. pubtua, openlyke of landsvredo; pax vobiscum, vrede z.y met u! paj- intrdnlibus, vrede z.y hun, die (hier) ingaan (als opschrift op huizon van ullspannlng); pax exeunffbus, vrede zy hun, ille uilgaan! in pare of in bona pace, In vrede, in goede rusl; pace tua, met uw verlof; — pacem, n. een vredoheeid of nf;n«s Dei (z. aqnas), dal de R. Kalh prles-ler na de mis iler gomeenlo voorhoudt nm het te kussen mol de woorden pax Domfni vobiscum l de vrede des Hoeren z.y met u! ook de klap op do wang, dien de vormende hlsschop ulldeelt

payable, adj. fr. (spr. péjadhl\'; van payer, helaleii, = provenc. payor, paqar, II. paqare, sp. panar, van \'I lat. parare, hevredigon) he-laalhaar; — payement, n. (spr. péj\'mdn) de holiiling, soliiy; ook het paaiement, kiein geld, hrokkelgelil lot vólniaking eener som (z paaiemenl); - payour, m. de helaalmees-ler; - payeur général (spr. —zjenerdt) opperhel aalmeesler.

Payanne, f. eene soort van ruwe z.ydo uit Napels; — paya, f. eene soorl zyde uit de Levant; ook grol kaloengaren uil Aleppo.

Payement, payour, z. ond. payahle.

Payk., hy nataurwelenschappeiyke benamingen afk. voor (1. v. I\'aykull.

pays, ii. fr. (spr. pe-iprovenc. paes, II. paese, als kwame \'I van een lat. woord pagense: vgl. patois) het land; — pays de cncagne, z. ond. cocague; — pays tbjat, z. ond. legaal; —

S8


-ocr page 936-

Ondergetekende vraagt in leen:

/ -jé t\'vy

Datum: Ondertekening;

-ocr page 937-

Ondergetekende vraagt in leen:

Datum: Ondertekening;

.....^ 43...... Tc Vquot;- ■

Gezien: ^ ^--

....../•...... ■ \'..... /*/( /1 ^ C i C vi

-ocr page 938-
-ocr page 939-
-ocr page 940-

PEDAGIUM

914

PAZ

vin du (of lie) pays, liiniiwyn; — paysago, f. (spr. pc-izddsjquot;) con lamlsclmp; — paysa-gist (siir. —tjisl), m. con lanilschapsclilldor.

Paz, f. sp. vrcilo; juez de. iiaz, vreilorcch-tor; principe de hi pin, vrodovorst.

Pazonalos, paramos.

Pazzo, m. it. (van \'t oudlioogd. panjan, banjan, wooden, lazon, vamlaar \'t It. pazziarc, onzlnnlR zyn) con gok; In IMCmont, z. v. a. c r c 11 n.

Peace, n. eng. (spr. pies, vrcdo; — justice (spr. dzjiislis) of peace, vrodorochlcr.

Peage, f. (clg. rn.) fr. (spr. pe-aazj\'; It. pedugqio, v. mld.lat. pedaq\'ium, z. aid.) het weggeld, do lol

Peak, m. eng. (spr. piek) do bergtop; do specht; oeno soort van zooschelpon, die In N. Amerika soms do plaats van munt vervangen.

Peake-boot, f. (s|ir. piek—) een soort van roddlnglioot, die weder ovorelndkomt als zy omslaat.

Pearl, f. eng. (spr. perl) parel.

Peau, f., pl. peaux (spr. po) de huid, hel vol; leder; —peau (i\'t\'s/Miffne (spr. dispdnj\') spaansch leder; peaux de chamois (spr. d\'sjamoa) met olie borclde gemzo- of schapeveilen; peau de diable (spr. —ilidbl\') eig, duivelsvel, on-gelsch leer.

Pecari, z. po kart.

pecceoren, int. (peccSre) feilen, verzien, zich vergissen, zich vergrijpen, zondigen; — peccttvi, ik heli gezondigd, gefeild; ais suhst. n. de zonde- of scimidhekentenis; — peccatum, n. het vergrgp, demisslag, zonde; p. commissiö-nis, wezenlijk iiodroven zonde; p. nmissiönis, zomle van nalallghcid, verzuim; p. origfnis, de erfzonde; — pecciitor, m. later lat. de zondaar; — peccabel, adj, nvv.lat. [fv. peccuhle) zondig; poccabiliteit, f. de zondigheid; — peccadillo, f. fr. (spr. —diélj\') oeno kleine zonde, pekelzonde, cm geringe vorgeeiiyke misstap; peccant, lal. zondigend; kwaad, schadelijk.

Pecco of pecco-thoe, f. oeno tijnc chlnoosclie theesooi\'t (zwart niet witte puntjes).

Pochtmals, pl. lurk. zijden of halfzijden servetlcn of handdoeken.

Pechyagra, n. gr. (van pechys, de el-lehoou) Mod. cllohongsjicht.

Peck, n. eene eng. inhoudsmaat voor droge waren = een vierendeel (n.l. van hei bushel) !),0Squot; I..; vgi. quart er,

Pecten, m. lat. (eig. de kam, v. peclëre, kammen) N\'. II. do kammossel; Med. hel haar der sciiaamdeeien ; ook het schaamlieen daarbij.

Pectine of poktine, f. (v, \'i gr. prklos, a, on, vast, verdikt, geronnen, van pêgnijnai, vnsimaken, samenvoegen, laien stollen) de pian-lengeleislof, eene eigen slof, waardoor het ge-leivormig stollen der ingekookio plantensappen hewerkt wordl.

fteclinalus, a, urn, lal. (v. pecleu, do kam) Rot. kamvonnlg; pectiniet, m. nw.iat. eene veisteende kammossel, een kamstoen.

pectus, n. (geldt, peclöris) lat. de borst; het hart, gemoed, enz.; pectus est, quoil facit di-sértum, \'lis het hart, dat welsprekend maakt; pectus facit theolügum, hel hart maakt den godgeleerde; ab imn peclore, uit den grond des barton, volkomen oprecht; — pectorale, n pl. pectoralia, het borststuk, borstschild, do borstlap der priesters in de K. Katii. Kerk; ook een borstmiddel, eene borstartsenij; — poctoriloquia, f. nw.iat. de borstspraak der teringzuclitlgcn.

Pecul, z. plkol.

Peculaat, m. lat. (peculStus, v. peculdri, openbare gelden onderslaan, v. pecutium, z. aid.) roovery, diefstal, Inz. kashestellng, het verdonkeremanen, onderslaan van \'s lands gelden, staats-diefstal ; vgl. crimen peculatus: —peculator, m. ile kasbesteler, staatsdlef.

Pecull\'um, n. lat. (van pecus, vee) of peculiair-vermogen, het eigen goed, het bgzonder eigendom, de zelfverworven bezililrig van oenen zoon, van eenen slaaf, enz., waaraan de vader of heer geen deel beeft; pecutium advcntitium, het van elders (niet van den vader) gekomen, of ook het zelfverworven eigendom des zoons; p. custrénse of niilihtrr, het in den oorlog verworven bijzonder eigendom des zoons; p. pagiinuni, hel bulten den oorlog verworven eigendom des zoons; p. profecticium, het by-zondere eigendom, dat de zoon van den vader, of van een ander ter wille dos vaders, krygl, en waarvan het vruchlgebrulk den vader toekomt ; p. iiuasicastrense, In den slaalsdlenst verworven eigendom; — peculiaren, pl, kerken, die van het reclilsgehied van haren bisschop bevryd zijn; - peculiariteit, f, nw.iat. de eigenheid, eigenaardigheid, bijzonderheid; — po-culiariseeron, barh. lal. tot eigendom maken, lool\'lgenen.

Pecunia, f, lat. (v. pecus, vee) geld, vermogen, have en goed; pecunia deposita, In bewaring gegeven, toevertrouwd, Ier beschikking gestold geld; p. Iiereililnrfu, erfgeld; p, hisoi\'fü, speelgeld, speldengeld; p. lustrien, peetgeld; p. necessaria, een noodponning; numeruta, parata, gereed, baar geld; p. npernmin, dlensl-geld, p. otiusa, ledig liggend geld; p. prac-céptu, uitgezet geld; /i. reprnbnta, afgekeurd, In waarde verlaagd geld-, — pecuniair (lat. pecuniarius, a, um), pecuniöel, adj. geld bel rellende, In geld bestaande, baar, gereed; — pecuniëus, adj. (lal. pecuniósus, a, um) geldryk, vermogend In geld, veelgeld bezlllende.

Pecus, n. (pl, pechrn) lal. vee; een dlor-lyk dom of ruw mensch; ook pecus iiimpi, een velddier, een aarlsdommerlk, koebeest.

Pedaal, n, lat. (pedalis, e, den voel be-Irell\'ende, van pes, geuit, pedis, de voet) het voelklavler, voetregister aan een orgel, enz. ; — podaalharp, I, eene harp met een voelklavler,

Pedagïum, n, mld lat. (van \'I lat. pes, genii, pedis, voet, omdat het door voetgangers lietaald wordt; vgl. peage) weggeld, lol.


-ocr page 941-

PEDAGOOG

915

l\'KINK

Pedagoog, z, pmdaüooK.

Pedant, m (fr. pédanl, It. pedante, oorspr. een opvoeder of hotmeestcr, als ware \'t hot partlc. van oon 11. woord iicildre, van \'I gr. imideiiein, opvoeden ; vrI, p a! d a ^ o o g) een schoolvos, waanwyzo, een smakeloos geleerde, opgolilazen sehynweter, een tiienseh, die styr en angslvalllg aan zekere licpcrkle vormen en hegrlppen hangt en geeno vrüe lieweglng van den geest toelaat; pedanterie, f. of pe-dantLsmo, n. de selioolvossery, styfheld, let-terzlflerü, kleingoestlglield, sinakolooze eenzy-dlgheld, et de lj(dachelUk(! neiging om alles te verachton, behalve wat men zelf kent en uil-oefent; — pedantisch or pedant, adj. schoolvossig, smakeloos, kleingeestig, iiekrom-pen, letterziftend; pedantiseoren (fr. pédanliser), den schoolvos uitliangen; zich siyf en kleingeestig gedragen.

pedalifidus, lat. hot. voetspietig; — pednlm, a, urn, Hol. veelvormig.

Pode, abJal. vim |)(!s (z. aid.); \'■ ook. slanlc pede.

Podél, in. (mid. lat. peilellus, bedellus, bidel-lusy II. bidello, sp. et) provoiiQ. bedel, fr. bédeau, van \'l oudd. putil, pi lil, pelil, gerechtsdienaar) een voetkneclil, (lieiuiar, nereclilsbode, dienaar of bode hy eene lioogesehooi.

pede plano, it. z. v. a. parterre.

Pederast, podorastie, z. pjod—.

pedes, lal. pi. van pes, i. aid.; — pedestal, z p i o d e s t a I

Pedösis, f en podöthmos, in «r. (v. pedun, springen) Med. liet springen, kloppen, slaan, namelijk van hel liart en van den pols.

pedóstrisch, adj. lal. {pedéster, v. pes, voel) op de voeten gaande of staande, te voet; ook z. v. a. prozaïsch; pedelénlim, voet voor voet, allengs, langzamerhand, van lieverlede.

Pedethmos, z. pedesis-, pedi-algie, oud. pedlon.

Pedieularis, f. lat. (van pediculus, m. de Inis) liet luiskrnid, eene plantensoort; — pedieularis morbus, m. de luisziekte.

Pedilavuim, podiluvïum, n.nw.lat (v. pes. genii, pedis, voel, en laiuire, wasschen) het voel had, de kerkelijke of christeiyke voet-wassching.

Pedion, n. gr. de voetzool; pedi-algie of pedioneuralgie, f. Med. hel zenuwachlige voeteuvel, de voelzoolzennwpijn.

Pedisaëqims, in. lal. (van pes, genii. pedis, voet, en set/ui, volgen) een dienaar, volgeling.

Peditïo, f lal. do vallende ziekte.

Pedlar, m. eng. rondreizend kramer, koopman die met een pak loopl, marskramer, in/.. In de noorainerik. voroen. Staten.

Pedometer, n. gr. /,. v. a. li odometer (/.. aid.).

Pedra, f. port. steen; pedreiro, m. (spr. el—r) steenwerker, metselaar.

Pedro, sp. z. v. a. Piel er (z. aid.); -Pedroisten, m. pi. de aanhangers van den keizer Dom Pedro, die inz. in IHM door de verdrijving der M 1 g u o 111 s t e n (z. aid.) voor (l(? in-hezlt-neming van Portugal streden; — Pedro-Ximënes, m. een voorlrelTeiyke witte spaanschc wyn uil de omstreken van Oranada; - pedroUno, m. il. verklw. van Pedro, Pietje, een komische karakterrol van het ital. theater.

Pedum, n. lat. een ond-rom. herdersstaf; pedum episcopale, de hlsschopsslaf, kromstaf.

Pedüneulus, m. lat. steel, inz. hloem-steel; — peduneulalus, u, um, Hot. hioemste-lig, van een steel voorzien.

Peer, peeress, z. pair; — peerage, n. eng. (spr. piéridzj) het pairschap, de waar-diglieid van pair.

Pega, f. sp. de ekster (lat. pica); ook: geelvieugeiige pisang vogel.

PÖgOD, f. pi. gr. (pea ai, van den sing. pefle, de hron) lironnen, inz. geneeskraehlige hronnen, mineraal-water; Med. de hinnenste ooghoeken, traanhromieii; pegiatrïe, f. gene/.ing door minerale hronnen; pego-logie, f. de leer der gezondlieidshronnen; — pegoman tie (spr. f=ls), f. de voorzegging uit het bronwater; Pegasus, m. (gr. Prfiasos) liet fabelachtige gevleugeld paard, het muzen- of dichterros, uit liet bloed der door Perseus gedoode Medusa ontsprongen in de na-byiieid der hronnen {p\'(iai) van den Oceaan (vandaar de naam-, z. echter ook II i p pok r e n e); ook een sterrenbeeld aan den noord, hemel; Pegasus bestijgen of beryden, d. i. zyne krachten ais dichter beproeven, gedichten of verzen maken, dichten ; Pegasidon, f. pl. een bijnaam der Muzen of Zanggodinnen.

Peganiet, n. (v. pcfianon, ruit. tuinruit, waarsch wegens de overeenkomst met de vette, vieezige bladeren dezer plant) een groenacblige, vetglanzige, schelpachlige steen, inz. by Frankenberg in Saksen.

Pögma, n. gr. (v. piqnynai, vastmaken, samenvoegen) de stellage; hel looneel; — peg-matiet, n. loltergraniel, graniet met naar letters geiykende leekeiiinyen.

Pegologie, pegomantie, /.. onder p e g a e.

Pehlewi, pehlvi, n. de oude taal van NN. INu\'zie, een mengsel van quot;I perzisch en se-mitlsch, waarbg de perzische spraakleer Inz. uitkomt.

Pehliwan, liever pehloewan, m. perz. [pehloe, sterk, stout, kryKshaflig) een turksch worstelaar, kampvechter.

Pelilvi, z. p e h 1 e w i.

Peignoir, m. fr. (spr. peinjodr, v. peifi-ner, kammen = lat. peclinare, v. peeten, de kam) een haarmanlel, poedermanlel, kamdoek; ook een wille, gemakkelijke damesoverrok als morgen- of avondkleed.

Peik, m. pl. poiks, perz. (païli, v. pai, voet) boden, loopers, lakeien; wachters; in Turkije de adellijke garde of lijfvvaclil des sullans.

Peine, f. fr. (van 1 lat. poena, slraf) de


-ocr page 942-

PELLKTERIE

PKIKAMA

pgn, moello, hot bozwuar, do zwurlKliolil; zore, onrust, vorlogcnhold, bekommering, angst, nood; — en peiiii1 (spr. au—) / ij !i, In vorlegcnhold zyn; nlot dor peine waard, niet dor moeite waard.

Peinïma, n gr. (van peiran, tieproovon) do prootnomlng, proof; hel heproofde, de stolling uil do ervurlng ontloond; — poivasis, f. hot heprooven, do proef-, peiramo-log.o of peirasmologie, f. do loer der proefnemingen, handleiding tol hot netnon van prooven (o x p o r I m e n I e n).

Peisa, ook poys of pysa, in. (hlndost. paisa, perz. paisah) eene ü.lnd rekenmunt = ropü = ruim IJ cent.

Peitho, z. pitho.

pojerooren, lal. (pejerure, uil perjurare, ontstaan) valsch zworon, eodhreukig of meineo-dig zgn, oenen moinood doen; pojuratie (spr. I=ls), f. uw.lat. Jur. de meineed, opzet-teiijko of voorbodaciitoiyke sciiending van oenen piochlig voor do overheid afgoiegdon ood.

pejnr, pejus, lat. (als compar. van malus, a, urn, dlononde) erger, slecht, slimmer; in pejus of in ilunus roformeoren, Jur (van oen hoogor gerectit) nog harder, nog nadooll-gor voor den beklaagde vonnisaon, hem eene nog zwaarder straf toowyzon; pejor avis aelas, do togenwoordigo I ijil is sleclitor dan de verleden, \\vy zyn minder dan onze vaderen (citaat van Horatlus); — pejoreeren (later lat. pejoriire), verergeren, erger of slechter maken; slochtor worden; — pejoratio (spr. t—ls), f. nw.lat do verergering, vorslimmerlng.

Peka, pekas, eene rekenmunt; to Goa = li cl., te Guzorata, Camboja, onz. omtrent = 1 cent.

Pekan, m. oone soort van sleenmartcr en zyn kostbaar vol, in Canada.

Pekan-noot, f. de walnootacblige vrucht van oen boom In I.oulsinnla [Carya oHvaeformis),

Pokari, ook tajassoe, n. hol muskus-zwyn, dal In Z. Amerika hy troepen looft en op zyn hoogst 30 kilo zwaar Is.

Pekósje of ilovor bok lesje, f. (pooisch bekiesza, hong. bekes) oen poolsche ovorrok, mei tressen en kwasten omzet.

Pekin, peking, z. pequln.

Pókmes, turk. druivensap tol slroopdlklo Ingekookt.

Pekoe, eene munt op Batavia = 1000 caches (z. aid.)

Pekoel, z. pi kol.

Pelilche, f. fr. (spr. —lasj\'; v. \'t oudfr. pel, haar, nu poil, lat. pilus; vgl. pluche) grof pluche, grof tryp.

Pelade, f. fr. (vgl. bot sp. pelada, een schapevol, waarvan do wol wordt uiigelrokkon, v. pelada, kaal, geplukt, v. peldr, uilplukkon, hot haar of de wol, v. peln, haar = lat. pilus) door byimidiiolen verkregen, nlot afgeschoren wol.

Pelagianen, m. pi. oeno dir. socio, aanhangers van l\'olagius, een eng. monnik in de 5do eeuw, die do erfzonde loochende en bowoerdo, dal de monsch uil eigen kracht kan zalig worden; — pelagianisme, n. de leer van 1\' e I a g i u s.

pelagisch, adj. (rr. (van péluqns, do zoo) in de zee gevormd, inz. van Jura- of krytfor-mutlSii; — pelagoskoop, m. een zeekykcr, werktuig, waarmode men naar de diepte dor zee ziet (door don Kngelschman Col Uns ult-govonden); — pelagüren, pi. oone soort van ammonshorens (z. aid ).

Pelains, pelangs of pelings, pi. z.ydo-of nllasachtlge chinooscho en oost-Indische sloifon.

Pelamys, f naam van verschelden soorten van tonynen (vissollen).

Pelargonium, n. gr. (van pelarqns, do ooievaar) kraansnavol, eene geraniumsoort In moor dan :ioo vorscholdonbedon.

Pelasgon, m. pi. gr. {Pelasgoi) do oor-spr. bewoners van Griekenland, In wier plaats later do Mollenen traden.

Pelekaan, z p e 11 k a a n.

pêle-méle, fr. (waarsclt. van pelle, en mêler, mengen, alsof men mol do schop verschillende graansoorlen ophoopl en mengi) honl onder elkander, onordeiyk, verwardoiyk, overhoop.

Pelerinago, f. fr. (spr. —naazj\': van pilerin, do pelgrim, uil hot lal. peregr/nus, ontstaan) do pelgrimsrolzc, bedevaart; — po-lorïne, f. oen pelgrimskleed; een vrouwenmantel of -kraag.

Pelidnoma of peliöma, n. gr. (van pelidnus, of pelins, zwarlachlig, loodkleurig) Med. oeno loodkleurige, ook groene of gele ge-kwelsle plaals der huid; — pelidnus, m. Med. eene soort van zwartzucht.

Pelikaan of pelekaan, m. (lat. pelr-cunus, gr. peleknn of pelekus, oorspr. do boomspecht; van pelekan, pikken) de kropgans, de grootste zwemvogel mot een buldolvormigen krop; ook de snavellang, een werkluig lol hel uittrokken der tanden-, een verouderd geschut; een glazen dislllieorvat.

Pelings, ■/.. pelams.

Pelioma, n. gr. z. p e 11 d n o m a ; — peliom, n. ook d I c li r o 1 el on j o 11 l h, blauwe doorschynende schorl; — peliosis, f. gr. (van pelioen, zwarlachlig of loodkleurig maken, v. pelins, zwartachtig of loodkleurig) Mod. do bloedvlekkonzlekle.

pelisse, f. fr. (Il pelliccia, oudhoogd. pelliz, pels, van \'l lat. peUiccus, a, urn, uit pelzen gemaakt, v. pellis, vel, pols) een pels, polsrok; vrouwenoverrok.

Pelissier, in. (spr. peliesjé) een naar onderen wyder wordende overjas met zeer wyde mouwen, zoo genoemd naar Pelissier, hertog van Malakoll, bekend uil don Krlmoorlog.

Pellagra, n. gr. (van pella, huid, vel) Med. eene pyniyko, vlokachtlgo huidziekte, inz. In llallfc: de zoogenaamde mllanoescho roos of \'l lomhardlsch uilslag; pellagrous, adj. gr.-lat. mol die ziekte bezocht.

Pelleterie, f. fr. (v. pellelier, bontwerker, als kwame \'l van een lal. pelliliarfwi, v.


-ocr page 943-

l\'ENETMEKRKN

PELLICKEREN

917

pellis, vel, pols) pols- of hout work; ook do handel In pelloiUcn.

pelliceoron, lat. {pcllicére, van per en tacSre, lokkon) door sclioono, Kladde woorden lokken, aanlokken or aan zich zoeken te trekken.

Pellicula, f lat. (verklw. v. iwllis, huid, vel) het vlies; huidje; polliculair, adj. nw.lat. naar vliezen Roiykende, vllosaehliï; — pelliculeeron, lat mei een vlies, eene blaas overtrokken; pelliculous, nw.lal. vol vliezen; — pcHimlus, a, um, Hot. liuld-achtlt?, op ilo huid ontslaande.

Pellios, r. z. pelisse.

Pellónes, pl. (van den sint;, pellon) sp., pelsdekkon, doorgaans van (?oltovollen, die men In /,. Amerika op reis ovoi\' den zadel IokI.

pellucïde, adj. lal. (piilunilus, voor per-luefdus, ontstaan, v. luciiliis, llchl, helder, v. lux, ({onil. lurts, licht) duorziehlitf, het licht doorlatende ot geleidend; polluciditeit, f. {pelluridilas) do doorzichllKheld.

Pelo nero, z. poi-züdo.

Pelops, in. «r. do zoon van Tantalus (z. aid.), van wlen de Peloponnesus (gr. Peloponnêsos, samengesl. uil. Pelops en nêsos, eiland, dus eiland van l\'elops) het schiereiland Morea, zyuea naam heeft ontleend; pe-lopïum, n. nw.lal. (van l\'elnps) een nieuw metaal, door II. Kose In hel tanlallel ontdekt.

Polorïon of pelöron, n. gr. (van pi-loros, a, on, ontzaKWekkond Ki\'ool) Mod. een lid of lichaamsdeel van hoveumallKe grootte.

Polotago, f. fr. (spr. lanzj\') lijn kc molshaai\'; ook eene soort van vigOKne-woi.

PelótO, f. fr. (provenc. sp. en port, peloid, it. pillnllii, mid.lat. peloid, pilold, van \'I lal. /)lt;/«, hal) een l)al, kluwen, inz. in de (jhir.: de hrcukhandslial of -knop, waarmede hel naar bulten getreden deel weder ingedrukt en teru«-gehouden wordt; ook de hies aan den kop der paarden; peloton, n. (spr. p\'lolóii) Mil. een kleine hoop voolsuldalen van jil tot io man, die teKeiyk afvuren; vandaar hel pelotonsvuur; ook een niet overtrokken kaatsbal, kolfhal, enz.; polótto, f. fr. oen klein postschlp.

Pelta, f. gr. (péllit) een klein rond schild; vandaar peltast, m. (gr. pelluslfx) pi. pel-tasten, met zulke sclillden voorziene ilchl-gowapende soldaten; — pellalus, n, um. Hot. schildvormig; poltifónn, gr.-lal. ofpel-toidisch, gr. adj. schildvormig.

pelucho, f.fr.(spr.peliiil.yquot;)/..y.ii. pluche.

Pelusióten, in. pi gr. (v. pfhis, drek, vuliigiield, enz.) li\'tUirlljk: do drekmannen, spot-benaming der orthodoxen lu de eerste eeuw, omdat zü do opstanding der lichamen leerden.

Pelvimeter, m. lat.-gr. (van \'I lat. peins, hokken), liever polykométor, n. gr. (van pélyx, pclihi:, bekkon) Mod. oen hekkenmeter, oen werktuig tot meting van het vrouwelijke hekken.

Pel-zijde, f. (van \'t 11. pelo = lat. pi lus, haar) haarzijde, z.ydo met groven draad van do geringste zljdeloimoljos (in tegenstelling mei or-ga ns 1 n-zyde) ook pelo nero of eromense gonoomd.

Pembo, f. perz. (pembehturk. ook pum-boek, pomnek) hoomvvol, katoen.

Póinmikan of pémmekin,..........

amerlk. vleoscli zonder boenen, dal hij Ijoogo temperatuur gedroogd, gepulveriseerd, mot vet vermengd en in hermetisch gesloten bussen he-waard wordt, inz. als voedsel voor Jagers en reizigers in \'I hooge noorden van Amerika.

Pomphigus, in. nw.lal. of pomphix, f. gr. (eig. adem, lucht, luchlhel) Med.de iilaar-vormige uitslag, de notelzuehl; pemphi-godisch, adj. naar hlaron gelijkende, lilaar-vorwekkend, h. v. zulk eene koorts.

Pomptcoos, in.gr. (pempluios, a, on, vyt-daiigsch, v. iiémplos, de vijfde, Med. eene vyf-daugsche wisselkourls.

Penaliteit, f barb.lat (fr. péndlilé, van \'1 lat. paennlis, tot de straf hehooreude, van poeiid, z. aid.) de sirafhaarheid; de strafhepallng.

Penaten, m. pi. lal. (Pennies, v. pcn\'itus, inwendig, In \'I binneusto) hoschcniigodon van den Staal en van hijz.ondere famiilUn hij ilo oude llomcluen, huisgoden; oneig. woning, eigen iiuis, eigen baard.

Ponco, z. penny.

Ponchant, in. fr. (spr. pdiisjdii, v. penrher, neigen, provenc. penuar, als \'t ware van lat. pendicdre, van pendcre, hangen) do hyzondere geiiegenheid, neiging, voorliefde voor iels.

Pendacülum, n. nw.lat. (van \'1 lal. pen-dcre, hangen) een toovorsnoer, amulet aan den hals; pendant, m. fr. (spr. pdinlan) een tegensluk, legenhceld, zijslnk, eene schiidory om tegenover eene andere te hangen, ook le-genhiinger genoemd; hij den kousenweefsioel de aan helde zyden aangehracble slangen; pen-dard, in. (spr. puiidar) galgehrok, galgenaas, schelm; pendeloque, t., pl. pendeloques (spr. puiidelókk\') de onderste afhangende gedeelten aan versiersels, aan oorringen, horlo-gekeiiliigs, kroonluchters enz., hangers; peervormige oiielsioonoii; —/i7c, lal. z /is.-

pendentief, n. fr Arch, de overhangende hoog van een gewelf, hanghoog zonder reeht-staud; pendule, m. fr. (spr. puiidiiiil\': v. \'t lal. pcndnlus, haagend) de slinger (van een uurwerk); - pendule, f. slingeruurwerk, Inz. slaande klok; penduline, f. z. v. a. cotton v o g e 1; — pc IK lal us, o, um, lal. Bol. hangend, afhangond.

Pendsche oi pendsje, n. lurksch. naani-of handleekening, onderteekonlng.

Penelópe, f. gr. de gemalin vaa Ulysses (z. aid.), beroemd om hare hnwelykslrouw Jegens haren 20 Jaren lang afwezigen gade, ook om hare hniselijke werkzaamheid, enz.

penetrooron, lal. {penelmre, van penflus, lol In hol hinnenslo) doordringen, indringen; doorzien, doorgronden, uitvorschen; — penetrant, adj. {pendruns) doordringend, h.v. eene penetrante koude; schorpzichlig, sciiorpzin-


-ocr page 944-

PKNSIOEN

918

PENGUIN

nik\', h. v, con zoodtmlK vcrslimd; pene-trantia (spr. l—lsi) pi. doorililncomlo nonees-miildi\'li\'ii; - penetrabel, adj. (Int. Iienelra-btlis, c) doordriiik\'liaiir; ullvoisdiliniir; — po-notrabilitoit, f. nw.lal. do ilnordrlnglmai\'-liold; — penotralo, n. Iiol lilniicnsle eons ti\'inpi\'ls of ooiio licwanrpliiats voor IioIIIko zaken ; de plaats, waar men vorslelijke lijken liy-zei; ponetmliën, n. pl. lat. (peiielralta) liut Innerlgke, hlnneiiste, de ueliolme dloplcn eenerzaak; penetrantie (spr lie—lsic) f. nw.lal de indiingonde kracht, scliorpzinnlK-lieid; penetratie (spr. lie—lsie) I. (peno-tnillo] hot IndriiiRcn; (iooi\'ftilnt-\'cn; do doorgronding, hel inzlchl, de scherpzlchli(!hcid, vcrslands-scherplc, oen doordringend versland, scherpzln-nlgtield.

Ponguin, z. pinguïn.

Penia, f. gr. (v. péneslhai, arm «r hehoof-tig zün) de armoede, behoefte; Myth, de godin der armoede.

penibel, «dj. fr. (péniblc, v. peine, moeite = lal. pnena, slrnf) moeiiyk, hezwaariyk, pün-luk, lastig; — ponibiliteit, r. bnrh.lat. de pUniykhcid, hezwaiirlUkheld, inoeliyke omstandigheden.

Peniche, 1. fr. (spr. peniésj\') eene nieuwe soort van gewapende schepen in Frankrijk.

Ponicülum, n. lat. (eig. een slaarlje, ver-klw. v. penis) een penseel, inz. een wondpen-seci vim pluksel; - penicilliformis, lal. Hol. penseeivormig.

Peniod-sniker, f. (fr. pénide, nw.lal. saccharum pcuidnim, v. \'I perz. pMil, pdniilli, fiinid, arah. fanidh, lurk. fdiiiii, gezuiserde suiker, suikergoed, perz. (dnhlnn, suiker zuiveren) gezuiverde suiker In pijpen of stangen; gedraald suikergoed; ook gerslcsulker.

Peninsula, f, (lal paeninsula, v. paene, hUna, schier, en inxiiln, eiland) een schiereiland; — peninsulair, adj. lot een schiereiland hehoorende, dal Ind rellende; d e p e n I n s u I a 1 r e oorlog, de spaansch-porlngeeseho bevrydings-oorlog.

Penis, m. lal. (eig. en oorspr. de slaarl, laler cauda geheden) het mannolUk lid, de roede.

Penitent, penitentie, enz. ■/.. pmnl-t e n 11 e.

Penn., by natinirwolenscliappelUke benamingen afkorting voor Th. Pennanl (gestorven 17!«).

penna, f, lal. de pen, veder, schryfveder; — penna duplex, f. lat. eig. de duhhcle scliryfpen, een werktuig om een gescbrifl te verdubbelen (c o p I Ce nu a ch i n c); - pennaal, n. mld.lat. (pciiHa/c) de pennekokcr; (sedert het einde der Hide door de ganschc ITile eeuw heen) een spotnaam voor pas aangekomen studenton, penne-llkker; pennalisme, II. do heschlmpende heliiiiidellng of mishandeling der aankomellngen op lioogescholcn door hunne oudere riiv e mede-studenlen, in Diillscliland len jare lli^ door eene rykswet forincel opgebeven; — penni-form, adj. vedervormig.

Pennon, m. fr. (spr. pènóii) en eng. (spr. pénnen) banier.

Pennsyluanicus, a, um, lal. Hol. uil Penn-svivanië (In Amerika); — pennsylvanisch straf- of gevangenisstelsol, n. het Iso-leerstclsel (z. aid.), hot eerst door de Kwakers in Pennsylvanle ingevoerd.

Penny, in., pl. pence (spr. pens) eng. oen penning, stuiver, de kleinste eng. zilver-inunt = j-Jir Pond sterling of ongeveer Sets.;

penning, als voorm. ned. rekenmunt = 11(,i slulver of /„ cent ; de legenwoordige duit-sche penning (pfennig) is hot van een mark of cent nederl.; — penny-a-liner, in. (spr, —e-luinc.r) lierichtgever voor eouran-len, reporter, die »« penny a line (spr. —e lain\')quot;, d. i. voor een penny een regel schrijft;

ponny-bank, f. eene spaarbank voor de niingegocdei. te Londen; - penny-magazine (spr —zien) n. pciiningniagaz.yo, de lilel van goedkoope populaire tydscbrlflen, sluivers-magazyn; penny-post, de peiinlngpost, de sladspost In London; - penny-weight, n, (spr. —ireel), afk. dwt., bel gewicht van een penning = IJ gram.

Penombre, z. p e n u m li ra; — pensa, z. pensum.

Pensacola-boomwol, f eene in den handel zeer geachle soort van katoen van de P c ii sa e o I a-baal in Florida.

Pensator, m. mld.lal. (v. \'I lal. pens are, wegen, enz.) eig. een weger; een schalier, ■/.. v. a. I a x a 1 o r.

Pensee, f. fr. (spr. pahsii van pemer, denken, provenc. en sp. pensdr, il. pensdve, en dil van T lat. pensaee, wegen, afwegen; onclg. overleggen, in de gedaebte wogen) gcdachte, overdenking; mooning, gevoelen; inval; ook eene bekenilo liloem, bel stiefmoedertje, vergeel-my-nlct, bet gevlamd driekleurig vloollje (Fiola Iricolor); — pensde fufiilive (spr. —fuzjelietv\') fr. een vluchtige gedachte; — pensief (fr. pensif, spr. paiisiéf; of 11. pensieroso, pense-róso) nadenkend, peinzend, diepzinnig, zwaarmoedig.

Pensioen, n. (fr. pension, spr. pansióin van \'I lal. pensto, helallng, opbrengst, pacht, enz., van pendüre, wegen, helalen) de dienst-beloonlng, eerewedde, ruslgeld, Jaarwedde; ook kostgeld, bekostiging; een kosl- of opvoedingsbuis, ook pensionaat, n. genoemd; — en pension, fr. (spr. aii paiisjon) legen vast geld Inwoning en kosl genietende, b. v. In een bold; pensionaire, fr. (pensionnaire) of pensionaris, in. een kostganger, kostleerling, kweekeling; pensionaris, m. weleer raadgevend advociuit of rechtsgeleerde by de stodeiyke regeeringen onder de republiek der Vereenlgde Nederlanden, (by Hoott) loonlrek-kend raadsheer; - raadpensionaris, voorbeen de opperste slaalsdlenaar der Algemeenc Sinten; later van IKOii tol iKOli do llld van den voorzitter der liiitaafsclic republiek; -pensionoeron (fr. pensionner). Iemand - ,


-ocr page 945-

PENSUM 919 PEPANSIS

licm oen Jmirgeld of cene Jiiurwcddc novon, om dut In ainlilsrusl Ie gonlcton.

Pensum, n., jil. ponsa, lal, (oIk, liet tocKowogoMC, van pentlSre, wogen) liol locbo-dooldo, opgcgcvono, tocgcmeleno, do laak, opgave, hol work aan oenen loerUnu opBCKOVon.

Pont, con kowIcIiI op do knsl van (luinea = 4 lood.

Pentachórd, n. gr. (van pénlc, vyi) eon vyfsnarlg speeltuig; — pontadakt^los, m. een vUfvIngerlge; de vyfvtngervlscli; — pon-tadaktylisch, adj. vyfvlngerlg; — pon-tade, of gr. pontas, f. vijf sinks hUeenge-nomen, h. v. een vyilal jaren, een tijdsverloop van vyf jaren, een lustrum; - pontado-kagoon, in. een vyftlonlioek; — ponta-diok, pontadika, f. hot talstelsel, welks grondtal vyf Is, liet ütalllg stelsel; penta-drachmon, n. eene oud-gr. munt van vyf drachmen, /.. aid.; — pontaódrum of pentaóder, n. Geom. een vyfvlak; — pen-taédrisch, adj. vyfvtakkig; — penta-glótto of pontapla, f. een hoek, en In/., de hyiiel In vijf talen-, pontagoon, m. een vyf-hoek; pontagönisoh, pentagonaal, adj. vyfhooklg; pentagramma, pontal-pha, n. de drudonvoet, het vijfhoekteeken, ook alpen- of alfonvoot, alpenkruls geheeten, oorspron-keiyk de tlguui\', welke ontstaat, wanneer alle zy-don van een regelmatlgeu vyfhoek zoo ver verlengd worden, ilal de verlengde tynen elkander raken; voorts ook de twee In elkander geschoven driehoeken, als geheimzinnig zlnnchecld en tooverteeken In ile oudheid en In de middeleouwen;—pentagynïën, pl. Bol. elg. vyf-wyvigen, vyfstytigon, planten met vyf styitjes; pontakosiarch, m. oen aanvoenler van KflO man; — pentakriniet, z. m e d u s a-p a I m;

— pentakrostichon, n. (vgl. akrosti-chon) oen vyfregelig naamdicht; ponta-lémma, n. cene vyfledtge sluitrede; pon-talpha, z. p e ii l a g ra m m a; — pentameter, in. een vyfvoctig vers, Inz. in de elegl-scho versmaat (in liet dlstlehoii) het daklyli-sehe vers, dat met den hexanieter afwisselt;

— pentamétrisch, adj. In vyfvoetlge verzen; — pentam^ron, n. een zalf uit vyf liestanddeelen; pentandrïa, n. pl. Hot. dg. vyfmanntgon, vythelmige planten met !i meoldraden (de Bde klasse in het stelsel van I.iniueus); — pentangüliim, n. gr.-lat. z. v.a. pentagoon en pen I agra mma, z. hoven; — pentangulair, adj. vyfhoeklg; — pentapetalisch, adj. gr. vy[ hhienihladeren hehhende; pentapharmakon, n. een vyfvoudlg geiieesmiildel; - pontaphonium, li. een vytslcinmlginitzlekstuk ; —pentaphyl-lisch, adj. vyfldaderig; - pentapla, z. p e a-tagtottc; - pentapólis, f. hel gehied of dlsimft van K sleden; - Pentapotamië, n. het vyfstrooiiienland, l\'e n dsj a h of 1\' u nd sj a h in Voor-indie-, — pentaptérisch, mij. vyt-vleugellg; pentaptoton, n. dram. een zelfstandig naamvvoord met vyt iiaamvalslmlgln-gen; — pentarch, in. een vyfnuin, een van vyf gezanientyk regeerende personen; - pent-archaat, n. de vijfiieerscliappy, liet vyfman-schap, do regeerlng van het dtroctotre in Frank-ryk; inz. de opperniaclit der vyf groote ino-gendlicden van Kuropa; —pentas, f. de vyf, het vyflal, vyf stuks (vgl. hoven penlade); — pontaspast, m. een katrol met vijf schy-ven; — pentaspérmisch, adj. vUfzadlg; — pontastiehon, n. een vyfregelig gedicht; — pentastylon, n. een gehoiiw met vyt zul-lenryen; - pentasyllabum, n. een vytlet-tergrepig woord; - pentateuchus, m. (van Iciirhns, li. oorspr. gereedsehap, toerusting, later ook: hoek) de vyf hoeken van Mozes; — pentathlon, n z. v. a. (|utnquertiuni, z. aid.; ■-pentatönon, n. Muz. oen Interval van vyf heele tonen, de kleine septime; — pontaura, f. een steen, van welken men wil, dal hij andere steenen aantrekt en de krachl der andere edolstoonen in zich veroenlgt; — pontekontareh, m. een hevelhehher of aanvoerder van vyftig man; - pontekóste, f, (van penlekoslós, c, nn, de of liet vytligste) de Wiste dag na l\'aschen, Pinksteren;—pon-themöron, n. oen tyd van vyf dagen; — ponthemimóris, f. (v, pénle, vyf, en he-mimcrês, halfdeeiig) t\'oel. een verslid, hestaande uit vyf halve voeten of derilehatveii geheeten voet; Inz. de caisuur na derdelialven voet of in den derden voet (van den hexameter).

Ponte, f. fr. (spr. pniit\'. van pendre = lat. penden, liangen) een afdak; de val, het vallen van liet water.

Pentokosto, ponthemeron, enz. z. ond. pent li chord.

Ponthesilëa, r. gr. Mytli. cene dochter van Mars en koningin der A ma zon en (z aid.), die den Trojanen hare hulp liewees, totdat zy door Achilles werd gedood; vandaar ponthosilëën, f. pl. krygsliaftige, sirijdius-tigo vrouwen.

Ponultïma, f. lat. (v. pene of paene, hyna, schier, en u/ïïmux, a, urn, de of liet laatste) de voorlaatsie lettergreep van een woord (fr. p(lt;nullième)\\- ponultimus, m. de voorlaatste, Inz. in sciioolklassen; - penümbra, nvv.lat. (vim umbra, schaduw) of fr. penom-bro, f. (spr. —iw/ilir\') de halfschaduw, die zich onmerktiaiir in lielil verliest.

Penurie, f. lal. (penuiia) drukkend gebrek.

Ponus, in. lal. de mondvoorraad.

Pec, port. (elg. de voet) Knit. z. v. a. fust 1 (z. iiUU

Poon, in. sp. voetknecht hy het stierenge-veclit; ook hoer, daglooner, knecht.

Peóte of póótte, f. It. {poola, peolla, v. ons hooi) een klein vaartuig, inz. hy de Venelianen, een overdekt hootje, gondel.

Pepansis, f. of popasme, n. gr. (van pepninein, rypen, pfpun, ryp) Med. lypwording, koking der zieklostof, waardoor zij voor de ontlasting ryp wordt; —pepastïcum, een middel, dat de koking der ziektestof ticvordert; —


-ocr page 946-

PERC1PIËEHEN

PEPERINO

920

pepiistisch, ndj, rUpmnkoml; kokuml, vor-terend.

Poperino, in. II. (vun pefie = lat. piper, pepor) puporsloen, ccne grauwe vulkiinlsclie liorfsoorl, inciilKViihllK in do vlukto van Huino voorkomendü; — peperland, n. naam, dlon men aan do Oost placht te geven, — pepe-róuis, pl. Ingemaakte spaansclie peper.

Popiet, in (sp. peiiila) ile kern; — po-pioten, pl. de In de souddlslrlclen gevonden groote goudkorrels en klompen gedegen goud.

Popin, pippin.

Pepinière, f. fr. (van pé/iin, de vrucht-kern) de hooinkweekoi\'U; oneig. oeno kweok-scliool, inz. die voor velddocters te lieriyn se-derl n»0.

Póplos, in. gr. of peplum, n. lat. oen plooirnanlel, pioolrijk staatslokleod, een grlekseh wyd en lijn vrouwengewaad; ook oen sluier, omhangsel

Popo, m. lal. Bol. de kalelmsvrucht (kalebassen, koinkornniers, meioenen, en/..)

Peppo, 11. mansn., verhastérd uit Guisoppo (spr. dzjoezéppe) /.. v. a. Joseph.

Pepsis, f. gr. (van péssein, péplein, koken, verteren) Med. do verloring, verkoking; — pepsine, t. oen door VVasmann en Schwann uil hel slilin van \'t maagvlles lio-relde slof, waarin de vocdseldeelon volkomen opgelost worden; — poptisch, adj. verlerend, do vertering bevorderend; — poptika, n. pl. verteringsmlddeleii; — peptöma, n do door vertoring omgezeite voedingsstof.

Popuzianon, /.. Montanlsteu, onder mom.

Poqnin, m. fr. (spr. pekeii), pekin of peking, n. ehliieesche gestreepte zijdoslof (naar do gelijknainlgc stad In China); — pe-quin of pókin, fr, ook voor burger, In tegenstelling met inililalr.

per, lat. door, doorheen; wegens, voor; In samenst. ook z. v. a. uit-, ver-, enz.; II. Kmt. voor, b. v. por contenaar, voor het centenaar, enz.

Pór., b(| natuurwetenscliappoiijke benamingen afk. voor F. I\'éron (gest. ISIO).

Pera, eene voorstad van Consianlinopei, het verblijf der meeste voorname christenen en de zetel der gezanten.

per nbI/sum, lal z. ahusus; — per ucn-ilens, ■/.. accident Ie.

per acquit, z. oud. acquit.

Periictie, z. ond. perageeren.

per adrésse, z. ond. adres.

peraequoeren, lat. [per-aequure) vereite-nen, gelijk vordeelen, Inz door geHjkmaligo ver-docling van heigeen opgebracht moet wordon over vele belastingschuldigen, enz.; — poroe-quiitie (spr. I=ls) f. de voreirenlng, gelijkmaking, namelijk door verdeeling van lasten vun enkele personen, inz. die onder een geheel aanlal zwaarder belast zijn; — percequa-tor, m. een verellenaar, scheidsman.

Poragooren, lat. {per-aqlre, vgl. agoe-ren) voleindigen, volbrongoii; ook behandelen, afhandelen; — peractis paragéndis, na voleinding van datgene, wat behoort te geschieden;

— peraetie (sin-. l=s) i. (lat. peraciïo) do afmaking, voleinding.

peragreeron, lal. (perwinirc) doorwandelen, doorzwerven; — poragratie (spr. 1= Is) f do doorwandeling, doorzwerving; Astron. de loop eener ster door den dierenriem, tot zy weder op hetzelfde punt wederkeert.

Poralta, m. spuunsche sec (z. aid.) uit Peralta in Navarre.

per ulvum, z. ond. o/ous.- — per ambages, z. ambages.

perambuleeren,lat. (per-nmlmlare) door-wandoleii; porambulatio (spr. I=ls) f. nw.lat. de doorwandellng, bezlchligingsreis; — perambulator, m. z. v. a hodometer per mi fids hi ail augilsla, z. ond. augustus

— per ■mum, z. a n n s.

pevaroeren, lal. (iier-arare) ddorploegen, met voren doortrekken; letters ingrilTolon, gra-veeren, schrijven.

per nsprrd ad aslra, z. asper.

Poratici, m. pl. ecno socle in Sicilië, die aan negen personen der godheid geloofde. per bacco! It. als bezwering; bij Bacchus. Percale, f. fr. z. per ka al.

per capita, z. end. input: — per cassa, z. ond. cassa; — per casum obliquum, z. ond. casus; — jier cent, z. v. a. pro cent, z. ond. een t.

percó, fr. doorboord; z. ond. chaise en p a n i e r.

Perceel, z. pa reel la.

Percepteur, percoptibel, perceptie, enz. z. ond. perclpleeren. per chartam, z. end. c bar Ie.

Pei\'che, I) f. fr. (spr. persj\': van \'t lat. perdca, z. aid.) eng. porch of poarch (spr. pertsj\') eene roede, slang, inz. meelroedo, vandaar eene eng. lengtemaat van !gt;,!gt; yards of 1B,.,gt; eng. voet = M,; lu Frankrijk vroeger ts lol ii fr. voel of 5,sn tot 1,1 i(i M.

Perche, i) f. (spr. persj\') fransch linnen, naar do gelijknamige provincie benoemd; — porcheron-paardon, n. pi. eene soort van paarden, oorspr. uil do provincie Perche.

Perchloraat, n. overchloorzuui\' zonl; — perchlorido, n. eene verbinding van ll atomen cidoor met t atoom van eene andere stof.

poreïpiëeren, lal. (juncipere, v. capire, nemen, vatten) ontvangen, beuren, innen; vallen, waarnemen, gevoelen, begrijpen, doorzien, doorgronden, verstaan; — percipient, m. (percipwns) een onhanger; — perceptibel, adj. nw.lat. bemerkbaar, waarneembaar, ziclil-baar, voelbaar, enz ; porceptibiliteit, f. do waarneembaarheid, hemorkbaarbold, enz.; — poreóptio (spr. t=s) f. lal. (percepttn) Jur. de ontvangst. Inzameling, belling of Inning der Inkomsten of belasllngon, gelden, vruchten; l\'hllos. waarneming, voorstelling mei bewnsl-zyn; — porceptief, adj. nw.lat. ontvangend.


-ocr page 947-

PERGOLEEREN

PEKEMPTIE

OS!

wuarnvinend, vernemend-, percoptivi-teit, f. hol wiiiirnemlngsvormoKen; per-cepteur, m. tr. de onl vanger der helastln-gen, lollen, uccynzen.

pereolooren, lal. (percol(ire) doorzljKon;

— percoliitie f. lal. ipcrcolatu)) do doorzy-uinn, louterliiK.

per cnndólla, z. ond. condulla; — per consénsum, z. ond. consensus; — per con-sequeniïam, z. ond. consequeoren. per conlanle, z. ond. c o n t o. percontGeren, lal [perconlari «f per-cunclari) nilvorsclien, navraKon, onderzoeken;

— percontatie of porcunctutio (spr. (ie—lsie) f. (perconlaCto) do ullvorscliing, navor-selling, hel onderzoek, de navraag.

per conto, z. ond. eonlo.

per couvert, liever /wc couvert, fr. z, ond. couvert.

percurreeren, lat, (per-currêre) doorloo-pon, vluehllg doorzien; pereursie, f. (lat. percursio) hel doorloopon; het vluchtig doorzien of overdenken.

percuteeren, lal. (perculfre, v. per en quatfre, schuilden, stoeten) schokken, stooten;

— porcutiont (spr. —txienl] lal. ipercüliens) schokkend, slaande; percussie, f. (lat, percussfo) de sloot, slag, schok, het aanstooten of hotsen van twee lichamen; hol opwekken van geluid in lucht hovattendo holle ruimten door kloppen aan de wanden, iaz. Mod. het aankloppen op het lichaam des lyders, om uit den daaruit gohoren klank over ile gesteldheid der organen. Ij, v. der horst, des onderlüfs enz. Ie oordeeleti; — percussie-geweer, n. slag- of stoolgeweer, waarvan do lading ontstoken wordt door den slag van een hamervor-mlgen haan op een huisje of slaghoedje, dal knalpoeder heval; percussie-machine, f. oone sloommachlne, een workluig lol het nemen van proeven over de snelheid van lie-wogen lichamen na den sloot, enz.; — per-cussio-slot, n. slagslol, hamerslol; — per-CÜssor, m, een werktuig om te vcrhrijzeicn.

perdable, ad.j, fr,, pórdabel (v. perdre, verliezen, van \'I lal. perdm) verliosliaar; — perdant, m. (spr. de verliezer; —

perdü, adj. verloren.

per (Idlivum, ■/.. datief, ond, ilatum. per deliqmum of afgek. /), (/,, z ond. deii-(| ues c oeren,

perdémlo et pertléndosi (spr. ,«=:) 11, Mnz. zich verliezend, verdwijnend, allengs afnemend.

Perdicieten, m, pi. nw.iat, (van \'I lat. perdix, patrijs) patryssteenen, stecnen mot pa-trysveeraciitige tiguren, eene speling der natuur.

Pérdïda, f, sp. verlies z, perl e; — per-dido, adj. verloren; liedorven, slecht; rata penlUla, hedorven geslacht.

per Dio, 11. hli God!

per (liréctum, ■/.. ond. d I r I go e i\' e n,

pérdita, f, 11, z, v, n. fr. perle, z, aid, Perditie (spr, /=/.«) f, lat. (perditio, van

perdlre, verderven) de eeuwige verdoemenis, de eeuwige dood.

Perdoen, z, pardoenen.

Perdrix, f, fr, (spr, perdri; v, lat. perdix, gen. perdicis) de patrijs; toujourn perdrix toezjoer perdri), altijd patrysl d. I. alloos iets lekkers, een uitroep van oververzadiging of tegenzin;- perdreau, n. fr. (spr. perdm, v. perdrix, patrys, en dit van \'1 lat. perdix) een jonge palrys; — pi. perdreaux, Mil. Iiagel-granaten, die in menigte, evenals een zwerm patryzon, uil eenen mortior geworpen worden;

— perdrigón, m. fr. (van perdrix, patrys, wegens de kleur, welke naar die van den pa-tryshals zweemt) verscheiilen zeer smakclyke priilmeusoorten, wil. hlauw. rood of zwart.

perdii, /.. ond. per da hie.

Perduellie, f lat, [perdueWo, van duet-turn = bet turn, oorlog) het hoogverraad, do staalsverraderij; ook hel dooden of de moord eens medehurgers; perducllis, m, een slaalsvyaiid (rel)el), opioermtlker, muitor.

perdureeren, lal. (per-durüre) vothai-den, uithouden; perdurabel, adj, nw.lal. voortdurend, volhardend, altyddurend, duurzaam;

perdvirabiliteit, r. de volhouding, volharding.

perdftto, 11. verloren (fr, perdu).

perüal\' lal. (van /wr/rt1, omkomen) hij of het kome om, ga verloren, slervel weg met hem! naar de galg! (pl. penant)-, het peréat, als suhst. in ilc sludenlaai liel legengesl. van het vivat. h. v. Iemand een pereal hren-g e n, d. i, hem zyuen ondergang loewenschen, hem naar do galg wenschen.

Peregourdine, z. pcrigonrdine.

Peregrinus, in. lal. (van perijtjre, over land, van per en mjer, akker, veld, land) eeti vroemiieling, ook oen mansnaam; Pere— grina, vr.naam; do vreemdelinge;- -pére-grineeren (lat. pereiirinari) in vreemde oorden leven, zwerven, rondreizen, ter hedovaart gaan; — poregrinatie (spr. t-=t.i) f. (pere-l/rinat/o) de omzwerving, liet oponthoud Ineen vreemd land; peregriniteit, f, lat. (;«•-rei/riiutns) de hoedaidgiieiil van hultonlander;

— peregrinomaan, m lat,-gr, een liefhel)-hor van li(»t omdolen, een overdreven reiszuch-tige; peregrinomame, f. do zwerf- of rolszUchl.

PeréÜe, f. Min. eene grauwe kalkadillAc aarde nit Auvergno ia Frankrijk.

Porómptio (sjir. / =s) f, lat. (perempiïo, v. perimire, vornietlgen) eig. vernietiging, dooding; .Inr. hel vervallen, de verjaring, hel ongeldig worden van een eisch; liel eladhescheid;

— peremptorisch of doorgaans perem-törisch, adj, (lat. pereinlonux, ii, urn, en als adverh. peremtone) eenen stryd ophelVend, ver-nietigond, liesllsseud; onverwyid, zonder verder uitstel, eens voor aliyd; — peremtorfa citntïo, z. e 11 a 11 e; — peremtorm except m, z. o x e e |i-tio, ond, e xc i p i e e ron; — fermiims peremp-tonus, m. z. 1 e r m y n.


-ocr page 948-

PE11ENDINUS DHquot;:S

PEK GOVERNO

922

peretulfmis dies, m. Int. {van perendïe, ovcr-inoi\'KOn) do dorde dag van lieden af, over-morgon.

peronnooren, lat. {Jierennare, van per-(funis, e, hol Jaar door durend, v. annus, jaar) doorduren, nllduren, overwlnleren; peronneo-rondo planten, planton, dlo het RohooleJanr veortduron, ovcrhtyvoiide gewassen; — peren-niteit, f. (lat. perennt/as) do voortduring, overliliiv Ing, overwintering.

Peronticïda, in. lat. (v pera, zuk, en medëre, nederhouwen, saydon) do beurssnijder.

Pererratie, f. nw.lat. (van \'I lal. perer-rarc, doorzwerven) hel doorzwerven, omzwerven, rondreizen.

Peretërïon, n. gr. (van perun, doordringen, doorharen) Med. eene hoor, inz. seliedel-hoor, vgl. trepaan.

Perétte, t fr. (van \'til. pern, de peer) do pooreliroen, eene soort van kleine hieek-gele, zoete, peervormige citroenen.

Perewós, m. russ. (van pere, over, on wosilj, voeren, varen) het veer, do overvaart, het overzeilen; — perewostjik, m. veerman. per expréssum, z. ond. exprimoeren. per fas el nefas, z. fas.

perfect, perfectibel, perfectie, enz., z, ond. perfielCoren.

perfer el abdüra, lat. verdraag en lijd; — perferéntie (spr. lt;=/s), f. (later lat. per-ferenlïa) het verdragen, tiet lijden.

perficiëeren lat. {perfieëre, v. per, en faelre, maken) tot sland hrengen, voleinden; — perfect, adj. (lal. perféelus, n, um) volkomen, volmaakt, voltooid, voleindigd, klaar; — perféetum, n. (Irani, do lydvorm dor voleindigde handeling ia don legenwoordigen lijd, de voleindigde tegenwoordigheid, volmaakt verleden Hid, h. v. Ik heb gelezen, enz.; —perfectibel, adj. nw.lal. voor volmaking vatbaar, volmaakbaar; — perfectibiliteit, f. de volmaakbaarheid; — porfectibilisine, n. ilo leer van eene voortgaande volmaking des mensebeiyken geslaehts, het geloot aan den vooruilgang der menschonwereld; perfec-tibilisten, m. pi. aanhangers van die leer;

— perféetie (spr. I=s), r. lat. [perfethn) de voleinding, volkomenheid, volmaaktheid, voor-treiteiijktieid; perfectioneeren (spr. /=»), nw.lal (fr. perfeclionner) volkomener maken, volmaken, voltooien, de laatste hand aan Iels leggen; perfectioneering, f. de volmaking, verbetering; - perfectionist, m. die zich voer volkomen houdl, een puritein;

— perféllo mmln, 11. Muz. volkomen lUdmaat (zoo heet de drledeoilge maal, omdat het ge-lal II nlel julsl verdeeld kan worden).

perfide, fr. (spr. perfiéd\'; van \'1 lal. per-ftdus, a, um) trouweloos, onlrouw, valsch, argllsllg, verraderlijk; — perfidie, f. (lal. Iier/idia) of perfiditeit, f. nw.lat. trouweloosheid, onlrouw, trouwbreuk, verraad

perfnlialus, a, um, adj. lat. Bol. doorgroeld (van een blad dat zich rondom om den stengel sluit, zoodat deze er uitziet als ware hu er doorheengegroeld).

perforeeren, lal. (perfarare) doorhoren; inz. van papier, waarvan strooken moeten ge-scheuid worden, hel op de plaats waar de afscheuring moet plaats hebben met de perfo-reermachine doorboren om bel afscheuren te vergemakkelijken; — perforatie (spr. /=(.?), f. nw.lal. de doorboring; - perforatief of perforatorium, n. eene heen- of schedelboor, hersenboor; — perforatief-tre-paan, in. eene boor, waarmede men een been eenvoudig doorboort, zonder er een rond sluk uil te horen; — perforalus, a, um, lat. Bot. doorstoken of doorboord.

Perfórmer, m. eng. uitvoerder van mu-zlekslukken, kunststukken, enz.; — perfór-mance, f. (spr. —mens) uitvoering daarvan; by wed\'enuea; performances, hetgeen een renpaard op de baan vermag, de ten ullvuer gebrathle wedloopon.

perfrictio (sin-. lt;=s), f. lat. {perfricUo, van perfriqeseüre, koad worden) de koudwor-ding, verstyving; — perfrigorïum, n. nw. lal. (v. lal. perfiigerSre, afkoelen) een hooge graad van koudegevoel in koortsziekten.

Porfünetie (spr. I-s), f. lal. {perfuncdo, v. perfmiii, vorrlctitea, beheeren) het beheer, de vorrlebilag; — perfunctörisch, adj. (lat. perfunelonus, «, um, en als adv. per-funclorïe) oppervlakkig afgemaakt, nalatig, Ier loops.

PefÜBie (spr. s=r), f. lal. {jierfusto, van perfundSrc, begieten) de begieting, overglellag.

Pergamént of perkament, n. (gr. pergamene, lal. peruumina, sell, charta, d. 1. papier van de slad Porga m us in Azië, alwaar het als surrogaat voor papyrusbladeren vervaardigde, wier uil voor all Egypte door de yverzucbilge IHolemascn verboden werd, loen Unmenes II van Porgamus ook een hibilothook ging byeenverzamelon) schrytleder, gelooid, met kalk gebeten en op eene eigenaardige wgze toebereid ezels-, schape- of kalfsleder, enz. inz. om op Ie schrijven; — perkamentdruk-ken, boeken die miasteas in eenlgo exemplaren op perkament z.yn afgedrukt; — perka-menttoon, m. de loon by de auscullatlo (\'z. aid); — perqamenHus, lal. Bot. pergament-achtlg.

perge, lal. ga voort! verder! — pergee-ren (lal. perqtre), voorlgaan, voortvaren, inz. in \'t sproken, eaz.

per genilivum, z. genilivus.

Pergola, f. it. (v. \'I lal. penjula, latwerk voor wynslokken) loofprlüel, wyagaardprieel; een met loof overdekte booggang in lulnen; een prieelvormlge aanbouw by een huis; — pergolato, n. Arch, bindwerk, Irallewerk.

Pergoleze, f. de pareldruif, eene byzon-dere soort van druiven, zoo genoemd naar hel vlek Pergola, in het berlogdom Urblno.

per governn, v.. ond. go n v e r nee ren; — per firadus, lal. langs trappen, trapsgewys, al-


-ocr page 949-

PAR HABITUM

PKHIHKLIUM

923

longs; — per uralo govérno, i. onil. gouvor-ii c c r c n.

\\inr /iiibïlum infiisum, i. ond. Imliltus.

perhorrosceeren, lat. [perhomscgre) olg. voor ids slddci\'on, onlslollon, U/.en; lots vorufscliuwon, iifworon, nfwdzcii; Jiir. wiakmi, vcrwerpon, voor parlUillg verklaron (eeiion rech-lor of gotulgo); — porhorrescéntie (spr t=ls), f. nw.lat. Jur, vroos voor de pariydlg-lioid eens redders, enz,, gorocllleiyke verwerping of wrakliiK van den reehler; — per-horrescentio-ood, in. de verzekering onder eode, dal men oonen reehler of getuige niet voor onpariydlg kan houden.

Peri, in. en f. pi. poris, perz. (v. peri, lievleugeld, van per, vleugel) Mylli. zaelilzln-nige, llefelUke, naar feeen of elfen gelUkende wezens, die hescliormengelen dor menschen legen do dews (z. aid.) zlin.

pori, gr. voorzetsel: om, rond, over, wegens, enz.; in samenstetllngen lieteekent liet inz. omgeving, ulllireldlng, ook voleinding van eenen cirkelloop, z. v. a. om, rondom, om-iieen; verder een oversciiryden, overlreilen, eene opklimming of versterking, z. v. a. over, zeer.

Perifierësis of periroroso, t. gr. (van peri-airiin, in de rondte wegnemen) Med. af-snydlng van verzweringen,afneniliig vaneenlglld.

Poi\'ialgio, f. gr. (v. «/««.«, n. smart) Med. eene zeer lievige, algemoene pijn; — porial-gisch, adj. daaraan lydend of daaruit voorl-sprnitend.

Periamma, n. gr. (van pcri aplein, om-lilnden). z. v. a. amulet (z. aid.).

Perianthïum, n. gr. (vgl. anthosjiiet Idoemliulsel, de liloemscheede, het hloeinlio-kleedsel.

Poriautologïe, f. gr. (van au/ós, zelf, en léyein, spreken) zelliof, eigenlof, grootspre-kery, poeliery, snoevery; - poriailtoloog, m. een pocher, praallians, snoever, blaaskaak.

Poriblema, n. gr. (van pcri-ballein nm-vverpen; vgl. perliiolo) de omslag, liet om-liangsel, tiulsel, de omhulling; de band van een bock,

Periblépsis, f. gr. (v. blépcin, zien) liet omzien; Mod. hel angstig, verwilderd heen en weder zien der krankzinnigen.

Peribolo, f. gr. (v. peri-baltein) omwerpen, omleggen) de omvang, omtrek; Log. do tooi, waarmede men eene gedachte omkleedt; een omweg, eene wljdlooplge heschryving; Med. z. v. a. p er I ka rd Ion; - peribólua, m. de omvang. Insluiting, eene met hoornen of vvynslokken hezctle, afgesloten plaats rondom eenen tempel der Ouden.

Peribrösis, f. gr. (v. bibróskein, vreten, knagen) eig. liet rondknagen; Med. eene klierachtige, kwaadsappige ontsteking of verzwering der oogleden of ooghoeken, ooglldschurft.

Pericardium, z. perlkardton; pericarpium, z. perl kar pion.

Pericharïe, f. gr. (v. chaircin, zich verhengen) verrukking, groole, levendige vreugde.

Pericholio, f. gr. (van chilos of rhoU-, gal) Med. overmaat van gal; — poriohó-lus, m. een gaiznclitige.

Perichondrium, n. gr (van rlnindros, kraakheen) liet kraakheenvlies; — perichondritis, I. de kraakheeiivllesonlstekhig.

Perichorösis, f. gr. hel hestaan van do drie personen der godheid in elkander.

pericliteeren, z. ond. p e r I c u 1 u 111.

Pericranium, z. perlkranlon.

periciilum, n. pl. periciila, lal. do proefneming, proef; het gevaar, perikel; — ]icri-ciïlum in mora, lal. (fr. /icril en demure) gevaar hij verwijl, vertraging met gevaar verhouden, dringend gevaar hy tahnon of toeven; — periculeus, adj. (lat. periculom, «, urn), gevaariyk, hacheiyk; periculositeit, f. de gevaarlijkheid; pericliteeren (lat. perlclildri) gevaar loopen, in gevaar zyn; wagen, heproovon; periclitant, adj. (peri-clilans) wagend, gevaar loopend; pericli-tatie (spr. Iic=hic), f. (lat. pcriclilaltn) het In-gevaar-stellen, het waagstuk, de proefneming.

Peridesmïum, n. gr. (v. ilemns, hand) Anal, hel celweefsel, dat de handen omgeeft;

— peridesmitis, f. ontsteking van het celweefsel der handen.

Peridót, m. fr. z. v. a. chrysollth.

Peridromis, f. of peridrömos, m. gr. (v. drómns, loop, v. Iricheln, loopen) elg. de omloop, omweg; een zuilengang, gang tus-schen zullen en muur; ook een soort koordedans.

Periëgösis, f gr. (v. peri-eqclitlliai, omvoeren) het rondleiden en aanwyzen van merkwaardigheden; de plaats- en landheschryving;

— periëgeet, m. (gr. perieuilcs) een rondleider, aanwyzcr en verklaarder van het merkwaardige; sleden- en landenlieschryver.

Periörgie, f. gr. (v. Jieri-ernos, overvty-llg, overdreven zorgvuldig) overmallge zorgvuldigheid, kleingeestigheid en angstvalligheid, Inz. de al Ie gekunstelde, gezochte schryflraiit.

Perigeeum, n. gr. (peri-union: vgl. gma) de aardnahyiicld, het standpunt eener plaiieot, In hetwelk zij de aarde liet meest imhykoml, hel tegeiigest. van a pogaju m.

Periglóttis, f. gr. (vgl. glosse) do tonghuid.

Perigonïum, n. gr. (van gone, liet telende, de teling) het liloemdek, de hlnnenste hloemkroon, het hloesemhulsel; — perigo-nalïën, pl. de hladeren, die de hlnnenste hloemkroon vormen.

Perigórd (spr. —griv) of perigueux (spr. —geiï), n. fr. zwartsteen, hriitnsteenerls, naar eene fransche provincie van getyken naam henoemd; — perigourdine of peregour-dine, f. een fransche dans in J maat in den vorm van den menuet.

Perigyniën, pl. (van \'I gr. «i/nf, vrouw, d I. stampertje) planten, welker hloesemge-slachtsdeelen op den kelk zitten; — peri-gyna, f. het vrnclilheglnsol.

Perihelium, n. gr. (\\. hilios, zon) de


-ocr page 950-

PERIORAMA

PEKIJKEL

024

zonsnuliyiield der planoten, hol logongosl. van u p hol I ii m.

Perijkol, n. (lal. pericultm) gevaar, z. p o r I c ii I ii in.

Perikardion nr pericardium, n. gr. (van kantin, liarl) hol harlzakjo; — peri-kardisch, ailj. Uil hel harlzakjo bohourondo, daarop holrokking helihendo (h. v. porlkar-(II se he arlerlon, enz.);- porikarditis, f. onlslekhig van hol liarlzakjo.

Perikarpion nf perioarpïum, n. gr. (v. kariins, vruchl) hol zaadhuisje, zaadhulsel, do zaaddoos hg de planton; Mod. (v. ftar/ios, de hundworlcl) een huldinlddol, dal om den handworlol gelegd wordt; — perikarpisch, adj. hol viuchlhulsol iietrcirondo.

Perikel, z, perükol.

Periklasis, f. gr. (van iterl-klaein, om-brekon) Med eone hrouk, In/., beenbreuk.

Perikline, f. gr. (van iieri-klinës, zich rondom neigend, aflioiiend, mol opzicht tot de ligging van do elndvinkkon dor prisma\'s) kio-zolspatilii, eeno soort van veldspaalh.

Perikochlion, n. gr. (v. kochlins, siak, schroot) do moorscliroof.

Porikópe, t. gr. (van perikniilein, rondom iiosnljdcn, afsnUilon) eeno nfdeoiing, inz. oono afdeoiing uil de evangeiicn en lirlovon der apos-tolen, die bostomd is om op zon- en foeslda-gon voorgoiozon en vorkiaard to worden.

Perikranïon of pericranium, n. gr. (vgl. kranion) liet schedoiviies, liet boenvlios van iioi bokkoneel

per il violinn, it. Muz. voor de viool, perimadi\'irisch, adj. gr. (van madarós, kaai) Mi\'ii. buidhfdorvond, huidinvrelond.

perimoeren, lal. (/lei-imTc) vernicligen, vernielen, doodon, omiirongon.

Perimeter, m. gr. {peri-meiros) do omvang, omlrek; perimétrisch of peri-motraal, adj. tot don omtrok liohooronde, omtiekmotond, in don omvang, volgons den omtrok.

per im/iocco, z. im/iacrn.

Perimysium, n. gr. (v. mffs, muis, spier) Anal, hel spiorviios.

Perineeum of perineum, n. gr. (pc-rinuinn of perineon) Anal, de bilnaad, de verbinding tusscbon het schaamdoel en don aars; — perinoeocöle, r. oono jjjpandshreuk.

petinde ac cadaver, lal. ais oen lijk (vgl. cadaver) wordt inz. gezegd van de iydoH)ko, volstroklc geboorzaainlioid goiyk van de Jezuïeten verlangd wordt, wier devies het wol eens gezegd wordt te zün.

per indireclum, lal. z. Indirect; — per inducliönem, z. ond. inducoeron; — per in-spiralionem, i. onder Insptrecren; — per inlervalla, z. in tor val.

Perinyktidos, pi. gr. Mod. z. v. a. e p 1-n y k t ides (z. aid.).

Periócha, f. gr. {perioclm, v. peri-échein, omvnllen) do omvang, omgeving; hot kurl begrip, de saamgodrongon, verkorte, zakelüko inbond, li. v. van een boek; ook een op zich zoivo slaand gedee\'te, een slak uil een geschrift, dat een geheel uilniaakt.

Perióde, f. gr. (periudos, van hodós, f do weg; lat. perlódus, eig. omweg, omgang, omloop) Aslron. do cirkelloop, rogolimitlge omloop eencr planeet; Chronoi. oono reeks van Jaren, na welker verloop dezelfde gebeurtenis of betzelfde tydleekon terugkeert, z. cyclus; Mod. de maandoiyksche zuivering van huwiiaro meisjes en van vrouwen; Mist. een lijilkrlng, tydpork, dal tusscben Iwee lioofdgolioiirtenissen in iigl; Log. een volzin, een uil onderscheiden zindeeiBn of enkele voorstoiien beslaande ull-drukklng, een iogiscli sumeniiangoiide zin van onderscheiden leden; — periodout, in. pl. periodeuten (gr. iierioileulrs, v. perideuein, rondroizen) rondlrekkers, omzwervers; rondreizende arisen, enz.; in do mlddoleeuwen ook rondlrekkonde lieipers dor lilsscboppeii; — pe-riodeutisch, adj. rondiiokkend, oraloopend; kwiikzaiverachlig; periodiciteit, f. nw lal. do omloop, do terugkeer in bopaablo tyd-rulmteii; de kringloop dor natuur;—periodiek, periódisch, ad), (gr periodikös, lt;, tin) omloopend, kringvormig, cirkelvormig, op zekere tyden rogoimallg wederkoerend; wisselend, afwisselend, voorhygaand; periodieke schriften, tydscliriften (niaundwerken, week-biaden, J o u r n a 1 o n, enz.); pe r io d 1 ek o z i o k-ten, geregeld woderkoeronde, afwisselende ziekten; periodieke winden, tydwinden, wls-selwinden, op gezette tyden waaiende winden; p e r i o il i e k e m a a n d, de iydsoniloo|i der maan van liet lentepunt af gorokend tol aan hetzelfde piiiii terug (vgl. slderlseiio maand); pe-rlódisch schryvon, In welafgerondo volzinnen en daardoor weiliildend schryvon; periodist, m. (fr. périodisle) een lydschrift-schryver; periodiseoren, in perloden verdeelen, de perloden vaslstolien; - perio-doloog, ui. Iemand die zich bezighoudt met de leer van den periodeuhouw; poriodo-logie, f. de leer van de weiafgeroade, goed gebouwde, geregeld samenhangende volzinnen, leer des redebouws; — periodológisch, adj. redelioiiwkunsllg.

Periodynie, f. gr. (v. odync, snuirt, pijn) Med. eeno hevige pyn door liet gebeelo llchaain, z. v. a perlaiglo.

Periceei, m. pi. gr. (peri-nikni, van nikos, woning) omwoners, naburen(leogr. de rond-omwoners, omwoners, zulke aarilbowoiiers, die dezelfde parallel of dezelfde breedte hebben, doch twaalf uren iu lyd verscliillen, d. i. een tegengestelden meridiaan liebhen.

Poriópe, f. gr. (v. dps, geziclit) het rond-omgeziciil; oen slerronloreii; perioptriek, perioptnka, r. de omslriilingslecr, de leer van do buiging der llchlstrnlen aan de opper-viakte der liehamen; perióptrisch, adj. lol die leer belrekkoiyk.

Periorama, n. gr. (van periorun, rondomziend ecu rondomgoziciil, eeno bewcegiyke


-ocr page 951-

PERISTKRION

PERIORBITA

925

schilderij, die den Ransclion omtrek rondom een punt te zien geeft; vgl. piinonitnii.

Periorbita, t. «r.-lnt. (vul. orlillu) Anat. tiet lieenvlies, dat de oogholten Ijeklocdt.

Periosteum, n. gr. (van os Won, heen) liet boon vlies; — periostitis, f. do ontsteking van hel heenvlies; — periostosis, f. een beengezwel, dat zleli rondom het boen uitstrekt

Peripatos, m. gr. (v. peri-pallïn, rondomgaan) de wandeling on de daartoe bestemilo plaats; - peripatëma, n. of poripatë-sis, f, do omwandeling, hel romlomgaan, wini-delen; een ernslig onderhoud-, peripate-ticiiB, in. pl. peripatetici, aanhangers der leer van Aristotcles, die op oone wandelplaats, hel Lykeion (Lyceum) bü Athene, gewoon was onderwijs le geven (vgl. lyceum); onelg. wandelaars, liefhehhers van wandelen, menschon, die gaarne wanilelen en het laag kunnen ultlioudoii; — peripatetisch, ailj. lot do loer en de school van Arlstotoles ho-hooronde, al wandolend omlerwUzende; — pe-ripatetisme, n. do leer der perlpatelicl.

Poripetfisma, n. gr. (v. petannynni, ult-lirolden) de omliulllng, hel In de rondte uitge-breldo, oen tapijt, voorhangsel.

Peripetie, f. gr. (spr lic=lste) {peripéteia, van peripiplein, omvallen, omslaan) ile plotselinge ommekeer der fortuin, de onverwachte verandering, de oplossing van den knoop In looneolspelon, de uitslag.

Periphacitis of periphakïtis, f gr. (v. phakc, Uns) Med. onlsleking van hel llns-beursje des oogs.

Peripherie, f. gr. {periphéreia, v. peri-pherein, ronddragen, pcriphéreslliai, zich rond-bewegen) de omtrek, clrkelomlrek ; onivang, hel gebied, district; poripherie-hoek, m. een door 2 koorden gevormden hoek, welks boekpunt in den cirkolomlrek ligt; peri-phérisch, adj omloopend, aan don omtrek aanwezig; — periphoriseeren (spr. s=z), in omtrek melen.

Periphrasis of periphrase, f. gr., z. v. a. paraphrasis; periphras-tisch, z. v. a. pa ra p li ra sl 1 sc li.

Periphrlxis, f. gr. (v. phrissein, huiveren, koud zijn) Mod. de huivering van koude, lillibering.

Peripleröma, n. gr. (vgl. plcroma)do aanvulling vergoeding.

Periplóce, f. gr, (pcriplokf, van pcri-plékein, omwikkelen) hel omwikkelen; Log. de kunstmatige omhiiliing of Inkleodlng van dingen, die men niet ronduit of platweg mag zeggen.

Periploes, m. gr. (van pinos, ploes, de scheepvaart) de omvanrl; kuslhescliryvlng.

Peripneumome, f. gr. (vgl. pneumonie) de longontsteking; — peripneumó-nisch, adj. lot de longontstckliig tieboorende, ■of daaraan Hjdende.

peripolygonisch, adj. gr. (vgl. polygoon) veelkantig, veelhoekig, veelvlakkig.

Poripsëma, n gr (van peripsan, afwis-scben) elg. afgewiscble onreinheid; een slecht, ondeugend mcnsch; een zoenolTer.

Peripsyxis, f. gr. (v. psfjxis, verkoeling) volledige afkoeling of verkonding; Mod. eene algemeene tiuivering, hel zoogenaamde klppevel.

Periptëros, in. gr. (elg. rondom bevleugeld, v. plerón, vleugel, vlerk, vgl. dipteros) een gebouw, ilal rondom door zuilengangen Is omgeven; — peripterium, n. een uilwon-digc zuilengang.

Poriptosis, f. gr. (van peripiplein, om-vallen, omslaan) Med. da beslissende wending; het omslaan eoncr ziekte.

Peripyëma, n. gr. (v. pJtnn, etter) Med. de omelterlng, de verweeking of hot onlstunn van etter roiidoni eenlg deel.

Perirrhantërion, n. gr. (v. perirrhai-nein, besprengen) een sprengval of een gereedschap Int besprenging, een w ywatervat; wijkwast.

Perirrhëxis, f. gr. (vgl. rhexls) Med. de iifscheuring, afhreking, h. v. van een been.

Peril\'rhoea, f. gr. (pcnirlmia, v. perir-rhfin, rondom oniviieion) Med. de afscheiding van vochten over den gebeelen omvang des II-chaams, waardoor het van de overtollige vochten wordt bovrljd.

Pèris, f. gr. (van pera, zak, tasch) Anat. de moederscheede.

Periscii, m pl. gr. (peii-skioi, van skid, de schnihiw) Oeogr. omschiiduwlgen, dicht tiü den pool wonende monschcn, voor wie de zon vele dagen of maanden lang In het geheel niet ondergaal, zoodat Imnno schaduw In lii uren naar alle zyden om hen heen loopt.

Periscythisme, n. of periscythisis, f. gr. (periskylhimós) hel villen, zoo als het bü de Scythen in gebruik was, het afstroopen der huid van liet bekkeneel (s c a I p e e r e n, z. aid.).

poriskópisch, adj. gr. (v. peri-skopcin, rondoinzien) rondomziende, omzichtig; — pe-riskopischo glazen, rondoinschouwliiRs-glazen) convex-coacave kijkglazen (door ol-Iaston uilgcvonden), hu welke men aan de randen even goed /.iet als in hel midden.

Perisperm um, n. gr. (v. spérma, hel zaad) ■/.. v. a. perl kar pion.

Porisphynon, n. gr. (v. sphyrón, knokkel) een baad of ring om den knokkel, een voetring als sieraad.

perissabel, adj. tr. {péiissahle: spr. pcri-s—: van périr, omkomen) vergankelijk, broos.

Perissologie, f. gr. (v. perissns, e, ón, overmatig, en léqein, spreken) de woordenkraam, overvloed In woorden of In rede, de wydloo-plgheld; — perissoma, m. z. peril 1 oma.

peristaltisch, adj. gr. (van pcristéllein, omgeven, omvatten) Med. wormvormig, z. mollis pcrilnllirus.

poristatisch, adj. gr. (van perislasis, de omstandigheid) omstandig, uitvoerig.

Peristonon, n. gr. (verklw. v. perisleró.


-ocr page 952-

PERISTIGMENISCH 926 PERMEABEL

f. duif) woloor eciic lioveii \'I altaiir zwovondo kunstmallKO iluil lor bowarlng van do (jewydo hoslllin.

poristiginénisch, adj. (,\'r. tusschon plinten slaande; — poristigmenische dipla,

oen krlllsch toekon tusschon twoo pnnloti staande,

l)g vorsclilllonde loeswUzon of verworpen verzon (gt; »f lt;)■

Peristole, f. gr, (vgl. perlstaltlscli) Mod. do wormsgewUzo, kronkolomlo tiowoglng der darmon.

Peristoma «t peristomïura, n. gr. (v. stoma, do mond) .Mod. do mondrand, monding, mond.

Periströma, n. gr. z. v. a. p o r i p e-1 a s m a.

Peristróphe, f. gr. (vgl. strophe) do omkoerlng; l.og. do omkooring van hol liewys der togenpnrtü lol haar olgon nadoel.

Peristyle, f. of peristylïum, n. gr.

(perislgion, van statos, zuil) Arch, eon zuilengang, cono open plaats, rondom met zullen omgeven.

Perisyllogisme, n. gr. (vgl. (syllogisme) Log. oeno sluitrede, welker eerste voorstel het heslult van eono onmlddellyk voorat-gaande sluitrede Is.

Perisystole, f. gr. (vgl. systole) Mod. de stilstand des harten, de lijd, die tusschon twee polsslagen, tusschon de vorwyding en vernauwing der slagaderen plaats heeft, de pols-pau/.o, Inz. Iiij stervenden opmorkelük.

perilc, ■/.. perilus.

Peritonaeum, n. gr. (perilönainn, olg. het daarover gespannono, van pcri-leinein) Med. het hulkvlios, darmvlies, dnt al do doelen, tol do chyihoreiding hehooreude, omvat; perito-nseaal, nw.iat. of peritonseisch, adj. tot het huikvlies liohooreude-, — peritonïeitis of peritonitis, f. do liulkvllesontsleklng; — peritoneeorrhéxis, f. do scheming van het hulkvlles.

Peritrochion of peritrochïum, n. gr. (v. Irochós, rad) de as van een rad of wiel; ook een aan zyn as bevestigd rad.

Perittöma, n. gr. (van pcrillós = peris-sds, c, dn, overvloedig) hel overgehleveno, ovor-schot; Mod. het overhlüfsel van spüs en drank na de spijsvertering, drekstof en pis; overhlijf-sel van ziekten.

per/lus, (i, um, adj. lat. ervaren; per\'/1us urlis, een kunstkenner, in de kunst hedrovono, zaakkundige; — penlus juris, een rechlskun-dige; — perilc, iidv. met doorzicht, met hedre-veu liand.

poi\'izöma, n. gr. (van peri-dzonnyimi, omgorden) elg. gordel, schort; Mod. een hreuk-hand aan naveihreuken, naveliiriMikhand; ook het middelschot, middelrif; — perizozis, f. de omgording, omhinding.

per jncum, lal. uit gekheid, uil Joks.

per Jovcm.\' lat. liy Jupiter!

Perjurlum, n. lal. (fr. parjare, eng. perjury) een meineed, valsche eed; — pcenu per-jurïi, f. de straf des meineeds; — perjuriëus, adj. inelneedlg; — perjureeren (lat. perju-raro) vaisch zweren, eeueu meineed doen; zy-uen eed breken; — perjuriitie (spr. l=ls) f. nw.iat. het vaisch zweren, de meineed; — perjürus, m. een inelneedige.

Perk, z. p a r c.

Porkaal, n. (fr. percale, v. \'t perz. par-gölah, grove stof) oostind. katoen, eene dicht-geweven hooniwollen slof, lljuor dan mitkal (z. aid.)

Perkan, z. horkan.

PorkinLsmo, n. eone hyzondore genees-wyze door Perkins (gest. 17(1!)) In M.Amerika uitgevonden, tiestaanito in liet iiestryken der zlekoiyko deelen met twee naaiden van ver-scliiliendc meialen.

Perkins-kanon, liet door Perkins uitgevonden sloomkanou; Porkins-ma-chino, de sloominacliino van unhepaaide drukking.

Perl., hij hoianische namen afk. K. J. Per-leli (gest. ISiS).

perla, f. mid.lat. (ook perüla, pin/la, peertje) de parel; Med. eene niqlkwlite, pareiach-llge vlek op het hoornvlies; — perliet, n. parelsteen; perlure, f. fr. de parelachtige kiiohiieitjes op \'t hertsgewei.

per litt/ras, lat. z. oud. Illlfra. perludeeren, lat. (van ludlfre, spelen) scherlsen, voorspiegelen; — perlusörisch, lal. (perlusorïus, a, um) schertsend, spelend, voorspiegelend, in schyn, hegoociioiend.

perlustreoren, lat. (perluslrare) iloor-loopen, duorwandolcii; doorzien, nauwkeurig doorloopen en hezichtlgen; perlustratie (spr. lie=lsie) f. nw.lal. liet doorzien, monslering. Porma, n. oen rnss. gewicht = :i;iH2 kilo. per mnjura, lat. z. ond. major, per mnmlalarïum, z. ond. manilamwi. permaneeren, lat. (permanêre) voorldu-ren, verhiyvoii; permanent, adj. (perinu-nens) voortdurend, heslendig, liiyvend, onveran-deriyk, onafgehrokeii; hel tegengest. van lu-ter 1 in 1 s11sOil; zich permanent verklaren, niet uiteengaan (van landsvergaderingen, enz.); permanentwit, n. eene ijiyvende waterverf, uit zwaarspaaili of witlierlel vervaardigd, ook liarytwlt gelieeten; per-manéntie (spr. t-ls) of permantie, f. nw.iat. de voortduring, hestendlgliehl, voorlilu-rendiieid; de stilstand, het aanhiyvon, h.v. eener wetgevende of uitvoerende vergadering; — n permanence, fr. (sjir. —ndiis\') op den duur, hij vooridurlng.

Perm, perme, f. lurk. [peremch, van \'i gr. pdrrima, piaals Ier overzelling, ovorvaarl, waarvan onk ons praam) een klein vaartuig ter overvaart naar AziU, naar eene gondel geiykende.

per me, lal. mynentwege; -per me licel, z. Heet.

permeabel, adj. lat. (permcabYlis, e, van


-ocr page 953-

PERPENDICULAIR

i)27

PER MESE

permenre, iloorhcóiiRiuin) (looiilrliiKlmar (pc^io-t ru li el); — permeabiliteit, f. nw.iai. ilc (loordrinKbimrliclil; — permeatie (spr. l=ls) f. hot wodorkoorlg doordrlnRon van Iwoe II-cliamcn.

per mese, ■/.. meseper mille, per duizend, vun ile duizend.

Permossidon, f. pi. nlmteii; ook muzen of zanptBOdlnnon, naar iI(mi Per moss us, eeno book in liieollii, waar men mede hare woon-plaals onderslulde.

per mille, ■/.. mille.

per min, t. min rnnln.

pei\'inisoeoren, lat. (per-miseüre) vennen-Ken, verwarren; — permiscibol, adj. nw.lal.

vennengl....... — permixtie (spr. /=/») t.

(lat. permixtto) de vormenKlriK.

Permischo formatie, r. do inz. in hot gouvernement Perm In Kuslund ontwikkelde, tusschen de steenkolenronnatle en hot zoogenaamde lilas liggende gohoi\'gle-formatio, die In Dullschland het roodliggend en liet zechslein omvat.

permitteeren, lat. {jicrmiltcre) veroorloven, vergunnen, toeslaan, toolateii, hewllligon; — gepo r mil teerd, adj. veroorloofd; — permissie, f. (lat. permissin, fr. permission, spr. —mi-sjdii) de vergunning, hel verlof, de loola-ling. Inwilliging; — auec permission, fr. of con pennissinne. It. met verlof, met vergunning; — permissu superiörwn, hit. met verlof of vergunning der oppersten, oversten, der regoering, enz.; — permis, n. (elg. in.) fr. (spr. —mi: lat. permissus, verlof) een vorlofiiriefje, vrü-hriefje, geleihrlefjc; — permis de séjour, n. (spr. penni-d\'sezjner) do verhiyfkaart; — porinis-gold, wisselgeld, eeno (gelingeorde) rekonmunt, In welke Ie Ani werpen, Brussel, (lent, enz. wissels worden gelrokken; — permissie-ton-nen, het hopanide gelai scheepstonnen, dal in Spanje de raad vim Imllö vergunde, aan waren met de galjoenen naar Amerika Ie verzenden ; - pormissioniston, pl. vreemdelingen, die verlof hehhen lol Inwoning in eene slad; —permissive, adv. nw.lal. hg wijze van verlof, onder toeluting.

Permixtie, z ond. pormisceeron. per mudum, enz. z. ond. m o d u s. pormovoeren, lal. (pcr-»ioigt;/ re) liewegen, roeren, treilen, opwekken; — permötie (spr. I=ls) f. (permnfto) de bewoging, aandoening, opwekking.

permuteeren, lal. {pennulare) omzeilen, verplaatsen, verwisselen; permutabel, adj. nw.lal. omzethaar, vcrplaalshaar; permutant, in. (lal. pernuilans) de omzeller, ruller, verwisselaar; permutatie (spr. lie =lsie) f. lal. [permulaho) de veiTUiling, ver-plaalsing, verwisseling; Malh. de omzeiling of verplaatsing der groolheden.

Pornambuk,z. v. a. fer nam huk, z. aid pernegeeren, lat. (penwjare) volstrekt ontkennen, geheel en al looehenen.

pernicious, adj lui. (pvrniridsus, a, um.

van pernicfcs, het verderf) scliadeiyk, verdorfe-lijk, vernieligend; hoosaardig, li. v. Med. per-li i e I e u s e wisselkoorUcn.

Perniciteit, f. lal. (pernictlas, van pernix, hehendig, snel) de hehendigiield, vlugheid, snelheid.

Pernio ten, m. pl gr. (van pérm, ham) vei\'sleendo seliolpdieren, die den vorm van eene ham hehhen.

Porniónen, pl. hd. {pernio, pl perniunes) zoogeiiaamile winters aan de voeten, wlnter-hlolen, kakblolen.

pernoctoeron, lal. (pernorlure, van nnx, geuit, nmlis, de nacht) overnaelden, zijn naehl-verhiijf houden;—pemoctant, in. (pernne-lans] een overnaehler; pornootatie (spr. tie=lsie) f. (later lat. pernnclaCin) de overnachting.

Pei\'O, It. mansn. z. v. a. Piet er.

per nliïlum, z. obltus;-/)«• nbhquum, z. o h 111| u u s; — ju\'r occasiónem, z. o c c a s 1 e.

Perodél, n. een geelachtige, met grauw vermengde topaas in Itrazilie.

Porodynïo, f. gr. (van pêrn, zak, voor maag) Med, maagpün, z. v. a. kar dl a iglo.

Peroma, n. gr. (van pcroen, verlammen) Med. verlamming, boscbadiging aan de zins-werktuigen of organen; — porosis, f. do verminking.

per om nes passus el inslantlas, lal. Jur. door alle gorechlslioven en luslanlittn (h. v. Iels winnen of verliezen).

Poróne, f. gr. (peróm) elg. spils, long eener gesp, spil; Med. hel kuitheen, do kleine heen-pijp; - peronéen, pi. (nw.lal. musnili ;»■-ronëi) de kuitheenspleren.

per ora, 11. Ie dezer ure, voor het tegenwoordige, thans, voorshands.

peroreeren, lal. (per-orüre) eene openbare redovoering houden; eene rede ten einde brengen, besluiten; — peroriTtie (spr. I—Is) f. de slotrede; eene openharc redevoering, Inz. eene school- of oefeningsrede.

per ornuménlo, ter versiering, voor den sehUn, voor de leus,

per os, z. o.9.

Porosis, z. ond. peroma.

per otium, z. oil n m.

Peroxydo, z. oml. o \\ y il e.

per pedes, z. pes.

perpendeoron, lal. {perpewWre) elg. nauwkeurig afwegen; overwegen, onderzoeken.

Perpendiculair, r. (fr. perpéndiculaire, lal. perpendieiilnm, n. van pendere, hangen) de loodlijn, loodreehle Ujn, die lijn, welke met de lijn of het vlak, waarop zij valt, rechte hoeken maakt, de verticale Ujn; als adject.; loodrecht, le lood, rechlslandig, naar geene zijilc^ overhellend, Hjnrecht naar het middelpunt der aarde gerichl ; perpendicularisoo-ren (spr. ,«=.*) loodrecht opzeilen, den loodrechten sianil geven; porpendiculari-teit, f. nw.lal. de loodrechte sland, hel loodrecht z(|n.


-ocr page 954-

PERSEVANTEN

PERPÉSSIK

928

Perpóssie, f. lal. {perpessïo, v. perptli, ilulili\'ii) lii\'t dulden, vcnlriiKon, Igilon, ultslium.

perpetreeron, lal. (perpelrare) hcKaan, bedrüvon, volbroiigen, Inz. cenc slochlo daad;

perpetrant, m. nw.lal. do bcdryvor, vol-lircnfjer, ullvocrder; — perpetratie (spr. tie =tsie) f. de volvoerlatt, lid liodrUvon, volhren-gen, liet begaan eener misdaad; — perpetra-tor, in. do vollrekker, liedi\'Uver, dader.

Perpetua, f. lui (van perpetfius, n, um, onafRehroken, liestendljj) vr.nanni: do lioslen-dlge; — in perpetuum, voor altijd, ten oouwl-Ron dage; • perpetuum mobile, z. mo-hlle porpotuuin; — perpetuum silenCfum, z. silent in in; — perpetuane, perpe-tuélle, ook sempilérno, f. fr. olg. altijddurend, nooit vorslytend, eono zoor sterke, duur-zamo iiortugeesclie wollen slof, eene soort van serge; — perpetuélle, f. ook z. v. a. I in mort ol I o; ook oene paplorliloom; —perpetueel, adj. (fr. perpétuel) alUjddurenil, onafgebroken, onopboudolUk, bestendig, levenslang, eeuwig; — perpetueeren, lat. (perpetuare) voortdurend ondorboudon of voortzotton, vereeuwigen, altijd doen voortgaan, op de lange liaan scbulvon; Ininior voortduren; —perpe-tuatie (spr. tie=tsie) f. nw.lal. altyddurende voorlzottlng of voorlgang, bestendige duur; — perpetuïteit, f. lat. {perpetuitas) onafge-lirokon voortduring, bestendigbeld; — d perpé-tuiié, fr. (spr. —tmllé) voor altijd, voor eeuwig; — perpetuïteiten, f. pl. elg. onophonde-lykboden; liggende sllclitsgoedoron, onvorvreemd-Jiare grondbezitting.

perpléx, adj. lat. (perpléxus, a, um, elg. verwikkeld, liieengevloclilon, verward, van pier-tére, vleoblen) verward, verlegen, bedremmeld, ontbutsl, verbluft, bedeesd; - perplexee-ren, verbluiren; — perplexiteit, f. (later lal. perple.ntns) de vorlogenbold, bedremmeld-beld, heslulteloosheld, angstvalligheid.

per posla, z. ond. post; —per procuratiö-nem, perprncurnlorem, z. ond. procureeren.

perquireeren, lal. (pcrquirêre, v. qme-rüre, zooken) onderzookon, nazoeken, ultvor-scben; — perquisitie (spr. -zi-tsie) f. nw. lat. bol geroobleiyk onderzoek; — perquisiCta domesttca, liiilszooklng; — perquisitie-pro-tést, oen protest In don wind, de wisselverwerping, wanneer do lietrokkone op don ver-valtyd des wissels niet te vindon is op de plaats dor beialing; — perquisitor, m. lal. de na-vorscber, onderzoeker.

per riedpitn, it. z. r Ie a pi to.

per risum multum enz., z. ond. mus. Pérro, in. de bond; perro vnlailnr, vliegende bond of vampyr.

Perron, n. fr. (spr. perronvoor pieren, van pierre, steen) oen stoonen oplrod, trap, tiordes, sloep voor een buis; op spoorwogsta-llons: de verhoogde plaats om uit- en in te stappen (fr. quai).

Perroquet, m. fr (spr. perrokè) oig. de papegaai (II. parroechclto, niisscbieri z. v. a.

paapje, van \'tint. pnrochus, sp. pdiroque, paap, omdat do goeslel\'jken bet eerst dien vogel gehouden liebiion; gelijk hot sp. piipdudyo, \\[. pn-pagaltn, letieriyk papenhann beilulden) eene soort van. veldstoel, vouwstoel mot oene rugleuning; scheepssteng; — perruche, f. (spr. perrütLyquot;) do langstaarligo papegaai.

Porrotine, f. eene door Per rot te Uouaan tol bet bedrukken van stolten iiligovonden machine, door welke ;t kleuren te goiyk kunnen opgodriikt worden.

Perruche, z. ond. perroquet. Porruque, f. fr. (It. per rara, parruea sp. peluea, van peln = lat pilus, baar) pa-ruik, pruik, oen boofddeksoi van vreemde baren, baarmnts, baarkap-, — perruquier, in. (spr —kjé) oen pruikmaker, Imarkapper.

Perry, eng. (fr. poiré, van poire, iioer = lat pirum) porenmost; ook een roode Cham-piigne-wUn.

Pers., bij iiolanische bominiingon afk. voor (1. II. Persoon (gest. I8;n te Kaapstad).

per saldo, it. z. saldo; — per sallum, lat. z. sallus.

Persan, m, fr. elg. oen Perzor, inz. oen bewoner van \'t hodondaagsobo PerziB; Arch, een beeld, slavonbeold als drager of zuil, een balk-dragor (vgl. porziscbe orde, ond. Porzlê).

perscribeeren, lat. (perseribfre) opschry-von, opteekonon, aiinteekenen; overscbryven; — perscriptie (spr. t=s) f. (lat. perscripCio) de opleokening,tor-nedor-schryvlng,lo-iiook-slclilng. per srrutintum, z. ond. scrullnlum. perscruteeren, lat. {perscrulare) doorzoeken, iiilvorsobon, nauwkeurig onderzoeken;

- perscrutatie (spr. iie-lsie) f. (perscru-lado) het nauwkeurig onderzoek, scherpe doorzoeking.

per se, lat. op zich zelve, door zich zelve, van zelf; - perseïteit, f. barii.-nw.lal. het op- of door zleli zelven-zyn.

porsecutant, persecutie, enz. z. ond. porsoqueoren; — per series, z. series; — Persephone, z. Prosorpinn. Perseïteit, z. ond. per se, Persenning, f. z. prosenning. persequeeren, lat. (pers(qui) enper-sequiteeren, fr. [persécuter) vervolgen, voortzetten, uitvoeren, tot sland brengon; gcrochteiyk vervolgen, lastigvallen, in do engte dryven, be-nauwen; — persecutie (spr lt;=(s) f. lat. (perserufio) de vervolging, najaging, nazetting;

— persecütor, m. later lat. do vervolger, najager, een indringend, lastig nionscb; — per-secutant, adj. fr. vervolgend, opdringend, lastigvallend.

Perseus, m. gr. (spr. uit als 2 leltergre-pon) Mytb. een griekscbo hold, zoon van ,lu-piler en Danaë, die de Gorgone Medusa bedwong (mi Andromeda bevrydde.

Persevanten, m. pi. (v. t fr. pnursui-vants, elg. partle. v. poursuivre, vervolgen, najagen, nagaan, lat. prosequi) de helpers van oenen heraut.


-ocr page 955-

PEIlSPICIËKIiEN

PERSEVERKKRKN

029

porsevoroeron, Int. (jierseverare) volharden, sliiiKiviislig lilijvoji, volhouilun, voel liij stek (of sink) houileti; porsoverantie

(spr. /=/,?) f. hit. (iwrscverunhn) du volhiirdliiR, standvastlKlicld, volliuudhiK.

Persico, f, (olg. ni.) It. {van pérsica, perzik, sp. pérsiiin, v. \'t lat. persicum, (gt;\\g. peiv.l-sche vrucht; fr. persicol) brandew\'Oii op pcrzlk-plltcn nelrokken, perzlkhrnndewijn; — perskus, «, win, lat. Bot. Perzisch; —perslcaefolius. Hol. porzlkliladcrlg.

Persia, porsienno, enz. z. l\'erzië. porsifleoron, fr (perxifler, elti. altllullen, van xiffler, Hulton, van \'t lal. siMl.ire, sissen. Hullen) op eene lljne wüs hespotten, ieiuund tot voorwerp en sluehtollor (dupe) van de spollernU maken. Iemand hoonen, hespollen, lie-lachelUk maken; uitjouwen, voor den k\'ek houden; foppen; - persiflage, f. (fr. m.) (spr. —flddzj\') hespollliiK, spotternü, hoonende pla-Kery, lljne hespotllns, hespolteinlc lof, fopperU;

— persifleur, in. een scherp hespoller. Persil, m. (spr. persi] peterselie (Apium

pelroseiinum).

Porsimon, in. de diidelprulm, de vIirIiiI-sche lolusboom, een pronkKewas uil Amerika met trroote hladeren en purpeiroode liloemon {Dinspyrns virginiana).

Persio, z. cud hear; — persisch, z. perzlscli, oud. Porzlü.

persisteeren, lal (persist Tc) op Iels biy. ven slaan, aanhouden, aiimlrliiKcn, volharden;

— ;)mrv/ens, lal. Bot. hlüveinl; — porsistén-tie (spr. /ic=t.\\ie} f. n\\v hit. het aandringen op iels, hel volharden; ook hardnekkigheid, olgenzlnnlghold.

persolveeren, lal. (persolu\'rc) belalen, geheel afdoen, len volle vei\'oirenen.

pers.jnn, f, lal. (elj;. eon masker) een persoon, d. I. oen zodeHJk, vi\'U, U|i zleli zelve slaand wezen, Inz. met hetrekklng lot zijne slandplaals In bel leven of do rol, die hü in bel leven of op het loonoel speoll, inenscbelUk wezen, zonderonderscheid van ondenloin, kunne of stand; .lur. een persoon of mcnscli, In zoo verre hij bevoegd Is in de burgerlgke maal-sehappij zekere reclilen te hebhen (leder, die geen slaaf Is); ook bel uileriyk voorkomen van een inenseb, h. v. grool of klein van persoon zijn; pennna infamis, een eerloos persoon; p. miurabilis, oen niedeiydenswaardlg, ellendig persoon, b. v. een wees; p. publfca, Iemand, die een openhaar amlil bekleedt (In hetrekklng lol dal ambt); een slaalslieamble, sehiijver, loo-neelspoler; ook Iron een veil vrouwspersoon, eene boei\'; p. suspócla, een verdaebl persoon; p. lurpis, een beruebt persoon; in persona, in persoon, persoonlijk, zelf; pm penann, per persoon, per hoofd, per ninii; porsonalicn, pl. persoonlijkheden, persooalyke beleeillgingen ; Inz. de nadere omslamliglieilen of levenshyzon-derheden van een persoon, h. v. van een overledene ; — pinnnnhun persmmha, z. ond. proil o m e li-, personaliseeren (siir. —tee—) viminu nni K fr. (personnaiiser) persoonlijkheden zeggen, op den man aan spreken, heleedlgingen zeggen of toespelingen maken; personaliteit, f. uw. lal. de persooniykheld, elgensehap van een persoon; ook hel op zich zelve beslaan van een verslandlg denkend wezen; — personaliteiten, f. pl. persoonlijke heleedlgingen, loespo-llilgon, scherpe beleedlgende zeilen, ilie Iemands persoon raken-, personaat, n. eene ker-keiyke waardigheid of prove in eene dom- of slicblkerk; bloot persoonlyke voorrang zonder kerkeiyk gezag (het legongest. der ware dlgnl-tell met kerkeiyk gezag); —/«vsona/us, a, um, lat. Bul. gemaskerd; personeel, adj. fr. (personnel) als adv. lal. personat/ler, fr. per-sonnellemenl (spr. personell\'mnii) persoonlijk, In eigen persoon, zelf; personeel-arrest, persoonlyke gevangenhouding; personeel crediet, n Kml. persooniyk verlrouwen; — personeelo crediteur, wie voor zyae schuldvorderingen geen onderpand beeft; — porsonoelo belasting, belasting, die men voor zijn persoon niuel hctalen, hoofdgeld; — personeelo unie, f verbinding van tweo landen door de omslandiglieid, dat zy een vorst bobben; — personeel, als subsi. n. het aantal personen, waaruil een culiege, een bureau, eene werkplaats, enz. beslaat ; ook z. v. a. porso-n e e I o belasting;- personifl ciiëeren, verpersoonlijken of porsouniyk maken, in oenen persoon veranderen, algemeene begrippen, eigenschappen enz., levenlooze, onbezielde dingen, of ook dieren als nienschen voorstellen, als personen sprekend invoeren; personificatie (spr. I=ls) f. de voorstelling eener zaak als persoon, persoon van verdichting, persoonsverbeelding, z. v. a. pros o p o p ie I e; — per-so(n)nage, f. en n. fr. (Ie pcrsonnane, spr. personritttj\') een persoon, niensch, inz. een vuor-naam persoon, de rol, ille Iemand op hel loo-neel le spelen lieefl; dlkwyis ook iron, een zonderling mensch, oen vreemd slag van een niensch.

per sorlem, z. ond. sors.

Perspectief, n nw.lal. (van perspieüre, z. persp 1 e 1 eeren) een verrekyker, kyker; de verle-leekenlng, di^ vergezlchlscldider-of loe-kenkunsl; de doorzichlkunde, de kunst om de voorwerpen zoodanig af te beelden, geiyk zy zich van een gegeven slandpnnt In vorm en kleur aan hel oog voordoen, en de leer van de grondbeginselen dezer kinisl; ook hel uil-zicbl in de verte, in de loekomsl, hel voorkomen der veiafz.ynde dingen; vogeI-perspec-llef, voorstelling, leekenlng of gezichl op een voorwerp schuin van hoven; k I k v orsc h-p er-speel lef, belzelfde schuin van onder; ruller-pe r spe c l i e f, hetzelfde half van buven, half van Ier z.yde; perspect.visch, adj in de verlo geleekend of gescliilderd, doorziclil-kundlg, van verre gezien.

perspiciëeren, lal. (perspirtre) doorzien, doorschouwen, nauwkeurig bezien, bozlebligon,

erkennen; perspicaciteit, f. (lal. per-

»»


-ocr page 956-

PRRSPIREEREN

930

PERVIGILIKN

sitkacila.i) de sdiorpzlnnlRhold, do schorpo, liel-clcrc lillk; — iicrsjricfie, udv. lui. iluldelUk, licl-der, zonneklaar-, — perspicuïteit, f. (lat. penpicuflas) do duldclUkheld, klaarheid, ver-slaanlmarhold.

perspireoren, lat. (penpimrc) uitdampen, zweeten, uitwasemen;— perspirabel, adj. nw.lal. ulldampliaar, uitdampend, zweelond; — perspiratie (spr. t=ls) t. de uitdamping, het zweet, de onmerklmre ultwasomlng; — per-spiratoriseh, adj. do ultwasomlng bevorderend.

per stirpes, z. end. stirps. perstringeeren, lat. {penlrinaSn) elg. sh\'rk hinden; doorhalen, scherp berispen, hekelen.

persnadeeren, lat. (persuadére, v. xnn-ilere, raden, aanraden) overreden, overhalen, overtuigen; doen gelooven, wijsmaken; —zich persuadeeren, zich Inbeelden, gelooven; — persuasibel, adj. (lal. persunsibflis, e, tr, persuasible) overtuigend, duldeHjk; ook licht Ie overreden, te overlulgen ; — persuasie (spr. s=r) f. (lat. penimw) de overtuiging, overreding; — persuasief, adj. overredend, over-tulgend; — persmmo ilolosa, sluwe of arglistige overreding; — persuasorïa nf persuaso-rïën, n. pl. nw.lal. overredingsgronden, overredingsmiddelen.

per sub- el obrepliönem, z. ond. subrepl-c e r e n.

perle, r. fr. of pénlila, It. verlies, schade; Kmt. verlies, Inz. aan wlsselbetallngen; perle tlu llhi\'ine, de streek waar de rivier de Khóno zich in den grond verliest, onder rolsen ver-dwünt; l(i perle des dents (spr. dè ddii) het verliezen der landen;/a perle des illusions (spr. li-tjilmjon) hel verliezen der droombeelden.

perterreeren, lat. (perterrere) verschrikken, vrees aanjagen.

per terlium, z. ond. terlius; — per Icslamcn-lum, z. testament, ond. testeeren.

Pertïca, f. lal. eene slang, meetroede; it. eene voormalige lengtemaat, Inz. in Noord-lialiü, van verschillende groolle; la Sardinië = ll,Os;i M.; — pertica quadrata, een veld- of vlakiemaat, Ie Milaan = «,!iis are, le Placenza = 7,u:i are,

Pertinax, m. lat. (van lemx, vasthoudend, z. aid.) een halsstarrige, hardnekkige; — per-tinaciteit, f. nw.lal. hardnekkigheid, hals-siarrigheld, verstoktheid.

pertinoeren, lat. {perlinëre, van lencre, liouden) op Iels betrekking hehhen, daartoe be-hooren, betreiren, aangaan; — pertinent, adj. lat. (periïnens) gepast, lot de zaak liehoo-rend, doelinailg. Juist, recht, iiiliyk, hehooriyk, naar den eisch; pertinéntie (spr. Iie=lsie) f. gepaslbeid, geschiktheid, schikkeiykheid; — pertinentlön (spr. —tinintsien) pl. (lal. per-HnenCin) hel ioeheiiooren, de liijslnkken, byhe-honrende gronden, akkers of velden; rum per-linentiis, uicl loebchooren.

Pertizaan, z parllsane.

per Iradiliunem, z. ond. t r a d e e r e n; — per transactionem el cessiönem, z. transactie.

perlransiil benefaeiendo, lat. Iiü ging (liet land) door goeddoende (door Petrus gezegd van Jezus). Pertuisane, z. par tl sane, porturbeeren, lat. {perlurbnre) sloren, verontrusten, vorwarron, in verwarring brengen, ontstellen ; —perturbatie (spr, lie—lsie) f. do storing, onrust, verlegenheid, ontsteltenis, wanorde, verwarring; — porturbatïën, f, pl, \\slron, storingen, afwijkingen dor planeten op hare olliplische banen om do zon, door den Invloed van andere planeten veroorzaakt; — perturhatfo criiïca, Med. de spanning, opwekking, welke de hesiissing (crisis) eenerziekte voorafgaat.

per lurnum, z. turn us.

perlusus, o, wi», lat. Hot. doorslooten, hier en daar van galon voorzien.

Peru, n een goud- en zilverrijk land In Zuld-Amorlka; de schatten van Peru, do goud- en zllvermynen van dat land; onelg. groote rykdoni, verbazende schallen;—peru-aansche balsem, m. (lat. hnlsilmum peru-viSnum) een welriekend, dikvloeihaar hars, dat vooral uit het peruaanscho halsemhout (My-roxylon peruiffrum) gewonnen en hg de chocolade gevoegd of tot reukoliën gebruikt wordt;

— peruaanscho bast, z, kinabast; peruvienne, fr, (spr, peruwjinn\') of ji r u s-slenne (spr, prusjènn\') f, gebloemd gros de I o u r s,

Perula, f, lat. (verklw, van per», ransel, knapzak) een zakje; Bot, oen vliezig of hast-achlig omhulsel van eon plnntdeel, 1). v, van een knop,

per unanimin, z, unaniem, Peruvienne, z, ond. Peru. pervageeren, lat. {permigare: vgl. va-geer c n) doorzwerven; zich uitbreiden, uitspreiden of verbreidon.

per varios casus, enz, z. ond. varia. Pervüsie (spr, ,?=:) f, nw.lal, (van\'1 lal. pervndire, doorgaan) de doordringing.

perverteeren, lal. (percerlfre ,■ vgl, verleer o n) verdraaien, vervaischen, liederven, verleiden, ten kwade veranderen; — pervérs, adj, (lat. perrérsus, a, urn) verward, wonder-lijk, verkeerd, verstokt, verdorven, sllnksch; — pervérsie, f. (perversfn) d(^ verergering, het bederf; de verplaatsing uil een goeden toestand In een minder goeden; — perversiteit, f, (lat, perverstlas) de verkeerdheid, verdorvenheid, slechthold, h, v, van het hart,

pervestigeeron, lal, [penestigure, van vestiijSre, opsporen, v. vesliqtum, voetslap) ull-vorscbon, opsporen, doorzoeken, onderzoeken;

— pervestigiitie (spr. Iie=lsie) f. (perves-liqnlfn) de doorzoeking, uitvorscbing, opsporing,

per vlam, enz, z, ond, via.

Pervigiltën, pl, lal, (peniftifin, cig, nachl-waken) nacbteiyko plochllgbeden of feeslen, die door de Ouden ter eere van Geres, Venus, Apollo enz, gevierd werden.


-ocr page 957-

PKRVOLVEEUKN

9:31

l\'KTARAÜE

pervolveeren, lal. (pervolvüre: vgi. vol-voeron) doorhludcron, doorzoeken.

per voslrn, z. imlro— per vnla majora, z. oud. votum.

porvulgeoron, lat. {pervulgare, vkI. vut-lius enz.) nemoen maken, liokoml of ruchtbaar maken, ulllireiden, onder do mensclien brengen;

— porvulgatie (spr. t=is) f. nw.lat. do verbreiding, ruchlbaarmakliiK.

Perwane, m. turk. vlinder; ook de van illl zegel voorziene kalilnetsbovelen,

Perzië, n. (gr. Per sis, lal. Penis, Persia) een land in Azlö; — perzisch, adj. tot 1\'erzie boboorendo; daar Inheoinscb, vandaar komend;

— perzlsclio aarde, bet engelscbe bruinrood; — perzlscb blauw (fr pers ot bleu ile Perse) groenblauw, donkerblauw; — perzlscb rood, koraalrood; — de perzlsclio orde, eone bouworde, in welke slavenbecldcu de plaals der zuilen vervangen; persienne, f. fr. (spr. —sjènn\') lijn gedrukt perzlscb slis; ook ecno soort van zonneblinden van schuins In een raam gezetto plankjes, bullen de ven-slerranien.

lies, m. pi. pedes, lal. do voel, Inz. versvoet; lies eiiuinus, Med. de paardevoel, borrelvoet;

— per pedes, lo voel; — per pedes upnsloln-rum, le voet, gelijk de Apostelen.

Pesiido, f. fr. (spr. petdail\': van peser, wogen, door oen gewicht nederdrukken en opheffen, v. \'t lal. pensilre, \\l. pesdre) \\n de rüknnst: de beweging van bel paard, waarbü hel de voorpoolen opheft zonder de aeblersle le bewegen, hel steigeren; — pesiint, adj. (spr. pezan) zwaar, wichtig, lastig, bezwaarlijk; — pesdnle (spr, s=z) It. Mnz. zwaarmoedig, zeer langzaam en met waardigheid; — posantour, f. fr. zwaarte, logheid.

Pesce, m. II. (spr. pésje) visch; — posca-dëro, m. sp. viscbhandolaar; pescatore, m. 11. vlsscher.

Posóta, f. (spr. s=z: verklw. v. peso, z. abl.) sedert ISquot;I de grondslag van hel spaan-scbe maulslelsel; eene zilvermunt = 1(10 centl-mos = i7.J cent.

PGsjïto, f. syrlsch (eig. de eenvoudige, ge-Irouwe) benaming van de oude syrlsche over-zetling van bel oude en nieuwe leslamenl. Pésjmok, m. lurk. suikerwerk.

Posma, f. serv. volkslied.

Peso, m. li. (spr. s=j: van \'I lal. pendüre, wegen, pensum, het gewogene) Kml. de last, zwaarte, wicbllgheid, hel gewichi; in Itologna en Brescia vroeger een handelsgewichl van -ili libbre ii 3UI,8!il gram, ilus = 9,flili kilo; - nl peso, naar de zwaarte, naar \'I gewicht, z. v. a. al nulrco (z ond. mark; onderscheiilen van al nuineroy, — peso qrosso, zwaar gewicht, scheeps-gewicbl; peso soltile, licht gewicht; poso, vroeger ook eenesp. rekenmunt, thans nog een mexicaanscbe en zuidamerikaansche rekenmunt genilddetd = 2,!!0 a gulden; — poso duro, oen spaansche piaster harde daalder (gewooniyk kortaf duro, harde genoemd) 4,80 a -i,!!quot;) gulden; — poso do plata, de zilvorpiasler, een vroeger in den handel gebrul-kelUke rekenmunt = 4 peso duro.

pessartwn, pessülum en pessum, n. pessiilus en pessus, m. lal. (gr. possós, pessun) Med. een moederkrans, eene wiek, een langwerpig rond dotje uil wol, z.yde enz., van hars of was gemaakt en met geneesmiddelen gemengd, om In de mooderscheede of den aars le brengen.

pesstme, \\ul. (superi van IK jas, z. pejor) zeer erg of slecht;--possimiame, n. nw.lal. de leer of liet gevoelen, dal de wereld door en door slecht is; de neiging om alle dingen van do slechtste zijde le bezien, om van alles liet ergste te vreezen; —possimist, m. een verdediger van liet pessimisme; Iemand die alles van den slecblsten kant beziet, van alles het ergste vreest; het tegengest van optimisme enz. (z. aid.); — possimistiach, adj. met liet pessimisme overeenkomende, dal huldigend, geneigd hel ergste le vreezen; — res pessimi eximpU, eene zaak, die een zeer slecht voorbeeld geeft.

pessulus, passus, z pessarium.

Pestiol, n. in de streken der Zwarte zee: oen zeer sterk ingekookt prnimenmoes.

posteoron, fr. {pester) zijn ergenls door vloeken tuchtgoven.

Postilóntio (spr. Iie=lsie) f. tal. (pesli-lenha = peslis) de pest, pestziekte, besmettelijke ziekte; — postilentiëel, fr. posti-lontiaal, nw.lat. (spr. -lilénlsi—) peslaardig, naar pest gelijkende; aan ile pest liloolgesleld; verpest, aanstekend, giftig, verderrelUk, gevaarlijk, scliadeiyk; postilontiaris, m. een oppasser van pestzieken; pestpredlker, de geestelijke, die de peslzleken tiezoekt; posti-lontio-wortol, m. hel boefblad.

Potalon, gr. of potalum, nw.lat. n. (fr. pélule, m.) een blad, Inz. een bloemblad; potalismo, n. eene verbanning voor vyf jaren uil Syracuse, waarbü de stemming voor den te verbannen persoon op olljtbladeren (pé-lala) geschreven werd; vgi. ostracisme; — potaliot, n. eene soort van veidspaatb; potalisch, potaloidisch, adj. naar bladeren, Inz. hloeiniiladeren geiykemle; pota-lokeron, pl. kerfdieren met bladervormlge voelsprieten; petalosömen, pi. btadvis-schen, imndvlsschen; potalürg, m. gr. een Idikmunler, hilkslager, goudslager

Potarado, r fr. (van peler, een tiooriiaar geluld met het achlerdeel geven, oneig. kraken, kneltoren, lat. peilfre, pedïluin) elg. hel acb-iergeblaas van piiard of ezel, met aebterultslaan gepaard; bespotting, door nabootsing met den mond van \'l bedoelde getuid; - potardo, f. of potard, m. (fr. pHunl, m. it. en sp. pe-Idnln) eene springims, een poort breker, een kegelvormig sin!» geschut om er poorten, muren enz. mede te doen springen; voetzoeker, zwermer, klapbus, st Ink- of st root pol; c h I n e e s c b e pelarden, eene soort van vuurwerk, dal in de kamers kan afgestoken worden , potar-


-ocr page 958-

PKTASUS

PITiriK

93i2

dooron (fr. pi\'tmler) sprlriKcescliul iianwcn-(Idn; — potardior (spr. —dji) m. con kunst-vunrwerkcr.

Potasus, m. gr. {peltixos) eon hood mel broodón rand; inz. do govluuRcldo hoed van Murcurlus; oneltf. hot lircedo sclionnlilad van volo plaid en.

Petaud, in. rr. (spr. p\'tn) voIkohs een sprookjo: con konliiK die idols to zonnen heoft, wiens onderdanen naar eisen wolKCvallen Ie werk «aan; hl cnur du rui Peluwl: hol lint van koning 1\'., d. i. waar ieder haas wil zün.

Petaurist, m. gr. (van pelaurUkein, op oene koord dansen, pélaurnn, de slellaKO dor goochelaars enz.) een koordedanscr, luclilspiin-ger, goochelaar.

Pütoch on, f, pi. (II. pelecchfa, fr. petichie-, nw.lat. pclecliïa, inld.lat. peteccfa, van \'I lal. petign, hiildullslag) Meil. Kleine rondo vlokken op do inonschenhuld, gcwooiilgk hol voorleoken Conor soorl van zcnuwkoorls;—potochialo koorts, f. vlekkoorls.

Pot-en-rair, lil. fr. (spr. petaidèr) oen nachlIUrje voor vrouwen, nachljak met lange panden; slaapjapon.

Potónt, z. ond. pi\'hre.

Pctonuoho, f. fr. (spr. —nüü.ij\') oene soorl van fransche /ijde, geringer dan lloszydo; men noend ze ook galet Ie.

Peter, ■/.. 1\'lot er.

pelëre lied, lat {pet re, streven, zooken; vgl. politie) hidden is geoorloofd, men mag vry verzoeken, aanzoek doen, naar oen posl din gen; —petént, in. (lal. pélens) con aanzoeker, verzoeker.

Peterselie, f. (van \'I lal. pelroselïnum, gr. pelroxéhiwn. van pclru, steen en «(quot;//non, cppo) ilc steen- of rotseppe, het eppekrulil, een lie-kend iiiingowas.

Petersinïsten, in. pi. oene door l\'ctor-sin gesliciile eliillastlscho socte in Dnltschland in do ISde eeuw.

Petostér, in. een turksehc wijn.

Peticülae, pi. nw.lat. v. a. po toch 1# ii

petilleeren, fr. (péliller, spr. pcttelj—\\ v. pelcr; vgl. polerade) knctleren, knappen, kraken; van wijn: sohuimen, paaricn; fonkelen; oneig. hij petilieert van geest;—po-tillant (spr peli-ljdn) id petilloerend, adj. schniniend, paarlend, oplirulsond; vurig, levendig, fonkeieiiil.

Potinét, ii. een lijn, naar kaal goiykend weefsel van zijde, kaloen en linnengaron lid opschik.

Petinotheologie of petenotheolo-gie, f. gr. (van pel nóx, ■, rin, gevleugeld) vrome, gceslelUke hosciionwing der vogelen; howUs voor liet hestmin en ind werken van God nil do vogels.

Petiólus, m. lal. eig. een vodje (verklw. van pes) de hladsteel, vriieiitsloei; - petio-lair, adj. lol den iiladstoel hehoorenil, (Inar-nii voorkomend, enz.; — pcllolalus, tl, urn,

lat. liot. gesteeid, met een Idadsleel voorzien.

petiotiseeren (spr. s=j) zuren wyn ver-lieteron, doordion inen de gek neusde druiven horiiaaideiyk mei suikerwater laat gielon (naar do handelvvyzc van Potlot In liourgondic).

petit, adj. fr. (spr. p\'ti: misschien van lat. pehlum, iels afgohedelds, klelniglield; waar-schijniyk echter van colt. oorsprong; vgl. wallis. pih\'i, pillü, klein, zeer klein, pid, puilt) klein, gering, nielig, onlioduldend; ook; lief, h. v. mn peiile femme, lieve vrouw, vrouwtje! — petit, f. hy de hookdrukkers: oene soort van letior (7J- ii s punten) tusschen garaiond en hrevier; vgl. druk 1 e11ors; — pclil a petit (spr. p\'ti la p\'ti) laiigzaniertiaml, allengs, on-gemerkt, van lieverlede; — petit-bour-gogne, in. (spr. hnerqtinj\') geringe iiourgügne-wyn, een fransche mode wijn, die ook als ta-vcl, ilrac enz. iiekendis; petit-crevé, z. ond. da ad in ea gomaieux; — petite-flllü, f. (spr. —fielj\') kleindochter; — petit-fils, m. (spr. —fies) kleinzoon; — petits-frères (spr. —fvèr\') inoniiiken van oene orde, wier hoofdtaak hot onderwys dor jeugd is; — petit-grain, n. eene soorl vaa gros de Tours; petit-gris, n. (spr. —f;ri) grijs hnnl van sihorisclie eekhorens; — petite guerre, f. kleineooring, z. v. a. guerila; — potit-loup (spr. —Ine) in. een half masker, dal alleen ongeil en neus i.edekt; — petit-maitre, m (spr. p\'limêtr\') een pronkeiije, modegek, windhuii, een jnng opgepronkt, winderig, ingoheeid heertje, oen gokje; vgl. elegant; petits-pates, pl. vicesch- en andere kleine paslciljes; petit-verre, m. horrel, inz. glaasje ahsinl; petit-lait, m. wei, hui; — petit-vide, m. geheel (geoste-lyk en iioliamoiyk) vervallen potit-crevó, die alle sporen van de helere elgonsciiappen verion n heefl; petit-volonrs, n. (spr.

rn\'loer) hel Maiiehesler-ilnwccl; — petite— misère, /.. misère; — petitos-écoles, |il. (spr. p\'ticrzeliór) d. i. kleine sciioieu: kos-leiooze klcliikiniiorscliolcn in frankryk; — pe-titóase, f. de kieinlieid, goringheid, nieligheiil.

Petitie (spr. -ti-Me) f. lat. (petitm, pe-i. re, streven, zoeken, verlangen) liet verzoek, de hede, het verzoekschrift, smecksclirlfl, re-(|uesl; petitto principii, do scliijngrond, liet aanvoeren als hewysgrnnil van datgene, wat zelf eerst howezen moet worden (eene soort van drogrede, eene fout in hel gevolgtrekken); — petition nj\' riijtits, eng. (spr. pétisjen nw mits) verzoekschrift om herstel van rechten, het door liet eng. parlement in lii2S aan koning Karei I Ingeillende verzockschrifl, hetwelk de herslelling der oude, dlkwyis gesclmnden reelilen en vrij-heden len dool had en verkreeg, en later door de ha heas-co r pu s-a cte en de deel a ration of rights hevesligd en uttgohreld word;

petitie-rocht, hel reelil lol het Indienen van sinoeksclirlfleii; ook di^ groiidwolllge he-voegdheid der siaalshurgors, om hunne iiezwa-ren, grieven enz. aan do rogeering to doen too-


-ocr page 959-

PMTIT-LOUP

PAVARONI

;):}3

komon; — petitionaris (spr. —lilsi—) in. nw.liil. (fr. pétilinnndire] oen smcokondc, ilio een verzoek hij hnuger ticzay Indlont; — po-titionoeren, oen vcraoekschrltt indieiion, aanzoeken, aunliuuilea; — potitum, n lal. hel verzoek, aanzoek, de hedc, hel verlangen; cum annéxo iiehln, mcl hijyevocyd verzoek ; snh petilo mnhstónis, oniler verzoek of mei de hode om leruKzendhiR; potitor, m. lal aanzoeker, dinner naar een amhl; Jur. elscher in civiele zaken; — petitorium, n. Jur. elsch of rechlSBedlnu Ier zake van de reehlsverkry-KlriK zelve (in onderscheiding van possessnnum, waarin voorinopiK alleen do vraag over \'I he-zil der zaak hehandeld wordl).

Potit-loup, petit-maitre, z. onder pelil.

potrrpisch, adj. (lal. pelraem, n, urn, gr. pelviios, a, on, van jiélra, rols, slet\'n) rotsig, sleenaclilig; pelriclsch A ral) 10, sleenach-llg Arahiü.

Potrarcha, een Hal. dlchler uil ile llde eeuw, hoi oeind om zgae zuiver plalonische liefde voor I.a ii ra, enz,; onolg. een echl ornlisch dichter, een roin minnezanger; potrarchi-seoren (spr s—z) op de wyzo van Pelrarcha zijn hart in liefdesklachten uitstorten.

Petrofact, n. pl. potrofacten (lal./ie-Irefacla, gr.-lal. van \'1 gr. pélrn, steen, en l lal, facürc, factum, imikcn) versteeningen, versteende llcliamen.

Petréi, m. fr. en eng. (lal. als \'I ware pelrellus, de kleine l\'elrus verkhv. van l\'el rus, Peter z, aid.) de slonnvogel, onweersvogel, een zwemvogel van de grootte eens leeiiwriks,

Potroloeum, f. z. v. a. petroleum.

potrifleeeron, nw.lal. (van \'i gr. irflm, steen, on facürc, maken) versteenen, tot steen worden, in steen veranderen; — gepelrlfl-ceerd, adj. versteend, in steen veranderd; vgl. calcinecron en mo l al I Isee rc n-, pe-trificatio (spr. /ie=l.iie), f. de versteening, verandering lu steen; — potrilith, in. gr. veldspaalli.

Potrinors, m. pl. de in kleine monnikenorden levende wereldlijke geeslelpen hü de K. Kalh., die in hof- en huiskapellen voor een hepaald loon ih\'U godsdienst verrlchlen.

petrinisch, mij. van den apostel Petrus afkomstig; petrimamo, n. nw.lal. de door Petrus vertegenwoordigde leer van hel oorspr. jodenchrlslendom; vgl paulluisme.

Petrobrusianen, m. pl. eeno secle der Ijde eeuw in Languedoe, die den kinderdoop en hel avondmaal verwierp en de kerken vernielde. zoo goheclen naar haren laslcller Ple-l e r li r u y s.

PotrographiG, f. gr. (van /x\'/rn, steen) sloenhescliryving; — peti\'ographisch, adj. steenheschryvend; — p e I r o g r 11 phis c h e k a a r 1 e n, landkaarlen, waarop de bergsoorlen en hare grenzen aangewezen zyn; — poti\'o-loum, f, nw.lal. slcenolie, hergollo, aardolie, Inz. uit Amerika komende en gezuiverd als zeer goede lichlslof dienende; vgl. naphthn; — potroloum-bonzino, f daaruit horeldo henzine (z. aid.); - potroloum-spiri-tus. m. sleenollegeesl, hel liü het zuiveren van de petroleum het eersl in dampvorm over-gaanile heslanildeel, als surroganl voor terpen-tynolie gehruikl; potrolour, m. en po-trolouso, f. fr. de (inannelUke en vrouwe-lyke) moordenaars en hrandslichlors te Parijs in 1S71; — potrolooron, met petroleum hrandslichlen; — potrologio, f. de leer dor steenen, der gesteenten, sleenkunde,

Potro-Johannieton, m, pl ........ secle

der 12de eeuw, die den doop niet als een genademiddel heschouwde (geslicht door Pierre-,1 ea n.

Petroloum, potrologio, z. ond. polo g r a p h i o.

Petronolla, Potrowitsoh, z. onder Piel e r.

Potrosilox, m. lal. klezolspaalh.

Pot. Th., hy holanische namen afk. voor du Pelit-Tliouars (gcsl. is:il^.

Petticoat, in. eig. (spr. —kool) (vrou-wen)onderruk.

Potto, m. it. (van \'1 lat. pcilus) do horst, boezem, het hart, idnnensle; iels in petto hehhen of honden, In hi\'l harl hehhon, hij zich hehouden, geheim lioudeu, verzwijgen,

petulant, adj. lal. [pcliilam) moeilwilllg, uilgelaten, dartel; lichtvaardig, onheschaamd, hrooddronken; — potulantie (spr. lic—lsie), f. de moedwil, iiehlzinnigheld, lichtvaardigheid, uitgelatenheid.

Petum, ii. nw.lal. rooklahak; tahak om te kauwen of Ie pruimen (eig. de inhoemscho naam van de rooklahak op hel eiland Tahago, onder welken hy het eerst in Kuropa hekend werd ; oudsp, iielun)-, potlima, f. harh,lat, (v. pclum) Hol. eene plantensoort uil de familie dor nachlschaden, die de lahak nahy-koml.

Potixntse, ii. in (\'.hina; wil veldspaalli, dal men ter vervaardiging van hel porselein gehruikl.

pen, adv. fr. (van \'1 lat. paucum) weinig; — jinur peu (spr, poer—) om weinig, hol scheelde niet veel, op een haar af; — pen a pen, allengs, langzamerhand, onnemerkt. van lieverlede.

Poucodanum, n. lal. (van \'l gr. peu-kédanon) Hol. varkensvenkel, eene soorl van schermdragendo planlen; — poucodanine, f. nw.lnl. (quot;.hem. eene scherp hittere stof uil den worlel dier planl getrokken.

pouplooron, fr. {pcuploi-: van peuple = lat. pupillus, volk) hevolken; — g e p e u p 1 e e r d, adj. hovolkt; pouplado, f. een volksslam; ook volkplanllng, kolonie.

Peur, f. fr. vrees; aan( peur el sans re-prochc (spr. «i» peur i\' shh reprosf), zonder vrees of lilaam.

pout-être, adv. fr. misschien.

Povarólli, pl. tl. In azyn ingemaakte peperkorrels


-ocr page 960-

PHALAKRA

934

PEW

Pew, in. oiik. (spr. pjoe) kerkbnnk.

Pewter, 11. cuk (spr. pjnel\'r) ecu llnlo-St\'ciiTid (tin, aiilinioniuin, lilsmutli en koper).

Pëxis, f. (?!■. (van pcgnynai, vast, siyt o[ hard makcn, Inlcn slollon (if slremmoii) Med. hel stollen, de stolling, stieinmliiR.

Peys, m. eene looden rekenmunt te Bombay, iels meer dan 1 cent; vgl. pelsa.

Peza, f. port. (peca = tr. pièce, stuk) eene rekenmunt te Cambnja, Delhi en Surata =

ropU of ongeveer 2 centen.

Pezza, f. it. (= fr. piltce) eig, een stuk; eene veld- of vlakleinaat te Uomo; eene voormalige rekenmunt in Toscnno = Sf toscaansche lire = f 2,112-, op Malta vóór tiet jaar tsno = f 2,05 lol /\' 2,07; alia petza, stuksgewUs; — pezzo, m. it. in het algemeen een stuk, h.v. pezzn d\'urtiijlerta, een stuk geschut; un pmo ili donna, een flink (stuk) wijf; un p. d\'uomo, een geweldig groot (stuk) kerel of spottend: een mooi stuk vent; un bel pezzn, een goede poos; pl. pezzi, in/., munten, geldsoorten; pezzi nmnnianh, gt;1 u/, concert- of orkeststukken, waarin obligate passages voor enkele instrumenten voorkomen; pezzi di bravura (spr. u=oe), bravoerstukken, /.. bra vour-aria enz.; — al pezzo, liü hel stuk, stuk voor stuk, stuksgewijs; — pezzolajo, in. een kleeding-stuk der vrouwen in Genua.

Pf., by natuurwetenschappeiyke benamingen afk. voor C. Pfeiller (gesl. 18K2).

Pfennig, m. lioogd. penning, eene kleine kopermunt, het van een ryksmark = J

cent (z. aid.; z. ook penning en penny).

Phacéllus, in. nw.lat. (v. \'tgr. phdkeln.t en phakéllos) een bundel, zakje.

Phaciet, m. gr. (van phakc, linze, lens) linze-, penning- of vruchtsteen, eene versteende kamerslak, z. v. a. 1 ent iculiet; — pha-citis, f. Med. leiisontsteking, ontsteking der kristallens.

PhcCakon, m, pl. (gr. phaiahes) de fabelachtige oud-gr. bewoners van hol eiland Scheria (Gorcyra), by welke, naar hel verhaal van Ho-merus, Ulysses te land kwam, en die zich door zeevaartkunde, rykdom en gastvrpeid onderscheidden; vandaar mietg. ryke, in weelde levende mcnsclien.

Phsedra, f. gr. (Phaidra) Myth, gemalin van Theseus, zuster van Artadne, dochter van den kretenzischen koning Minos, vermaard door hare liefde voor haren behuwdzoon lllppoljtos en hare wraak op dien jongeling, toen z.y zich door hom zag afgewezen.

Phasnaustiskoop, m. gr, een optische spiegel met eene draaibare ligurenschyf daarvoor.

Pheenokalligraphie, f. gr. de kunst om in korten lijd schoon te loeren scliryven.

Phaenokistoskoop, m. z. v. a. stro-li o s k o o |i.

Phcenomeen, n. (gr. phaimmlnon, van phaineslhai, ziebthaar worden, verschijnen) ver-schynsel, inz. luchtverscbynsei, lucht-of hemel-teeken; voorval, gebeurtenis; ook eene zeldzaamheid, een vreemd en merkwaardig ver-scbynsel, een woncier; — phscnomenoge-me of phsenomenogonie, f. liet ontstaan, de voortbrenging van vcrschynselen ; — phffi-nomënogonologie, f. de leer van \'t ontstaan der vcrschynselen, Inz. hy ziekten; -phfenomënographie, f. de boschryving van verschynselen; — pheenomënologie, f. de verscbynselleer, de leer der nalnurvcr-scbynseien, of van de verschijnselen, werkingen, krachten, enz. des geestes in hunne ontwikkeling en hunnen samenhang; — phsenomeno-skopie, f. de waarneming dor verschynselen.

Phaët(h)on, m. gr. eig. de lichlende (v. phaélhein, lichten, vorllchlen) Myth, de zoon des zonnegods, die, toen bij op zekeren dag van zyncn vader 1\'bocbus de vergunning had afgeperst, zelve den zonnewagen te mennen, zich zoo slecht van die taak kweet, dat hy de aarde byna verbrandde en door Zeus met eenen bllksemslraal werd gedood; een hooge, lichte, offledokte wagen; ook een ryinig, aan bolde zijden open en alleen van boven met een zonnedak voorzien; — phaëthoniseeren (spr. s=z), roekeloos wagon, veel op \'1 spel zetten.

Phagoena, f. gr. (phdfiaina, v. phagiin, eten) Med. de geeuwhonger, vraatzucht; — phagedwna, f. gr. (phariédaina, eene voort-knagende, hoozo zwoer; — phagedrenisch, adj. invretend, hytend; phagedsenische middelen, geneesmiddelen tegen invretende zworen; — phagedsenisch water, (lat. iu/iia p/iagedaenïca) eene oplossing van bijtend suhtimaat (chioorkwik) in kalkwaier; - pliago, in. lal. (van \'I gr. plmqun) een vreter.

Phai-noeng ook painoeng, paï, m. een goud- en zilvergewicht in Slam = ^ hal of likal = 32 soga = 0,239 gram.

Phakos, m. gr. (phakós, eig. linze, lin-zeplant) Med. eene lensvormige liuldvlek, inz. in \'l aangezicbl, zomorsproel; — phakocy-stitis, f, Med. de ontsteking van bet beursje der kristallens in \'t oog; — phakódisch, adj. (gr. plmküdes), linsvormig, met lever- of zonnesproeten; — phakopalingenëse, f de wedervooilbrenging der lens In het oog; — phakops, m. een zomersproetige; — pha-kópsis, de gevlektlieid met zomersproeten; — phakoptisane, f. (vgl. ptisan c) een afkooksel van linzen, linzendrank; — phakosis, f. eene linzovlek, donkere vlek in het oog; — phakoskotöma, n. de verduistering der kristallens; — phakötos, m. een linsvormig heelmeesters mes.

phalDeciseh vers, n. ook h c n d e k a s y 1-labus, m. gr. een eiflettergrepig trochaïscb-daktylisch vers, naar den gr. dichter IMialaekos henoemd: (j- —/_!_ —^-/j- —/-l. —/^i. -=).

Phalsenen, f. pl. gr. (phdlaina, v. phalós, ón, licht, beider) iichtmotten. nachtvlinders.

Phalakra, f. gr. (van phalakrös, d, ón, kaal) Med. di^ kaalheid; ~ phalakrodisch, adj. (gr. phalakródcs), kaalhoofdig; phala-kröraa, a. een kaalkop; — phalakrosis.


-ocr page 961-

PHARJZyEËR

935

PHALANX

f. hel kaalwordon, uitvullen ilor luironj — pha-lakrótës, f. do kiuilliooMlKtiolil, kiialhcld.

Phalanx of phalange, f. gr. lt;lc gesloten krygshenilc; ile legci kern, kcurlienile vim liet inacedonlsch voetvolk, een In liet vtorkunt nauw Ineengesloten geduchte troep (van i, 8 tot lOdulzend man), met lange spiesen gewapend, die door hol geweld van haren aanval doorgaans de veldslagen liesllste; pl. phalan-gen, krUgshenden, troepen voetvolk; Anat. de kootjes der vingers en teenen; — phalange, f. ook de voetzool-straf (liastonnado), eene in \'t Oosten zeer gelirulkeiyke straf; — pha-langarch, m. een bevelliehher over eene phalanx; — phalanger, m. (fr. phalunaer en phalatifiisle, wegens de eigenaardige plaatsing zyner phalangen of toonleden zoo genoemd) het oosterschc huldeldler, Inz. op de Molukseho eilanden; — phalangósis, f, z. v. a. trichiasis; — phalanstermm, n. harh.-lat. of fr. phalanstère, m. phalanx-kazerne, gemoonscliappoiyko woon- en werkplaats voor eene phalanx, d. 1, eene samenwoning van iOO huisgezinnen, naar het stelsel van den franschen socialist Fourier (gost. 18;n).

Phalarïka, r. gr. of phalarïca, lat. (v. phalaros, helder, lichtend, glanzend) hraud-fakkel, een soort hrandgeschut.

Phalaris, f. Hot. glansgras.

Phalarisme, n. gr. eene wreede regeering, gelük die van den tyran l\'halarls in Sicilië, in de Ode eeuw vóór Ohr. Iierucht door den koperen stier, in welken hij zijne slachtolfers opsloot, wier jammerkreten dan naar het geloei van runderen geleken.

Phallos of phallus, m. gr. (phallós) het manneiykc lid, de roede, hU de oude Grieken een zinnebeeld van de teelkracht der natuur, dat, In hout of steen nagebootst, hü de baccbus-feesten in statige omgangen werd rondgedragen; vgl. llngum; phallika, n. pl. de gezangen bü opgenoemde omgangen; —phal-lagie, f. pün In bel mannelijk lid; phal-lanastrophe, f. verdraaiing der manneiyke roede-, — phallankylósis, f. do kromming der roede; — phallitis, f. ontsteking van het manneiyke lid; — phallokarcmoma, n. de kanker aan de roede; — phallo-kampsis, f. de roedekromming; — phal-lophoor, m. een pballusdrager hg feesteiyke optochten; — phallorrhagïe, f. Med. bloedvliet uil de vaten van hel mamuigk lid; — phallorrhCBe, f. een druiper, de zaadvloellng uit de roede.

Phanerogamen, n. pl. gr. (van pha-«mis, d, oh, zichtbaar, en i/rimns, huweiyk) of phanerogamische planten, Hot. planten met duldeiyke, zlchttiare geslachtsdeo-len (het tegengest. van kryptogamlsche p 1 a n l e n).

Phansigaren of Phansegoeren, m. lil. hlndost. Indische roevers en moordenaars, z. v a. thugs, z. aid.

Phantasie, f. gr. (phanlhasia, elg. hel zichtbaar-maken, vertoonen, len-toon-stellen, en het zichtbaar-worden, versebgnen, van /i/mn/u-dzein, zichtbaar maken) de verbeeldingskracht, hel menscheiyk vermogen om zich heelden of gestallen te scheppen, de verdlchtings- of ult-vlndlngskracht, bet scheppend, dlchleriyk vermogen; verdiebting, inbeelding, luchtgestalte, bersenscblm, droombeeld, gril, luim, kuur, vreemde inval; Muz. z fantasie; — phanta-seeren (spr. s—z), met zgne gedachten rondzwerven, zich aan levendige voorstellingen overgeven; verschgningen heliben, gezichten zien, lucbl beelden, droombeelden of bersenscblmmen opwekken; In ziekte raaskallen, glen, onzin spreken; Muz. z. fantaseeren; — phan-taskoop, m. eene tooverlantaarri; - phan-tasiasten, m. pl. eene secte, welke men meer algemeen den naam van 1 n corrupt 1-helen, onverderfeiyken, geeft; — phan-tasma en phantoom, n. een schynheeld, eene hersehenscblm, een geducht schrikbeeld, spook, eene schim; — phantasmatiëk, f. de verklaring dor ulteriyke verscbUningen; — phantomist en phantasmatist, m. een droomer, dweper, geestenziener; ook droomuitlegger; — phantasmagone, f. do scbyn-tooverg, of de kunst om door brandspiegels, rook en ilgl. middelen inenscbelgke gestalten te laten versebgnen, de geestcnhozweiing; ook z. v. a. hallucinatie (z aid.); phan-tasmoakopre, f. eene soort van verslands-verbyslorlng, waarbij de lyder spookbeelden ziet; — phantast, m. een dweper, grillig menscb, die de gewrochten zijner verbeelding voor we-zeniyk hondl en als zoodanig behandelt; iemand met overspannen verbeeldingskracht; — phan-tastikon, n. bel Inbeeldlngsvcrmogon; — phantastisch, adj. op iiibeebling berustend ; zonderling, dwepend, wonderlgk, grillig, nvon-tuuriyk, mal; Phantasus, m. Myth, de droomgod, een broeder van gt;1 o r p h e u s, die den menschen aangename beelden in den droom voorspiegelt.

Pharamund, z. F a r a m u n d.

Pharao, m. (bebr. paroh, koptisch pnuro, v. ouro, koning, mot hel mannelgke lidwoord P: gr. pharao) in \'tonde Kgypte z. v. a. koning, vorst; pharaonsmuis of pha-raonsrat, z. 1 c b n o u m on; — pharaons-vijg, z. v. u. parad y sap pel; — pha-rao-slang, f. een kleine kegel, die hoven aangestoken wordende, in slangvormige kronkelingen zich uitbreidt, misschien naar den staf, dien Mozes voor Pharao lot slang laat worden, aldus genoemd; — pharao-spel, ook pharao en faro, n. een h a z a r d- of kansspel met frausche kaarten (zoo gobeeten, omdat eertyds op een der kaartohladen de 1\' h a r a o, die in de geschiedenis van Jozef voorkomt, was afgebeeld).

Pharizeeër, farizeër, m. (kerkeiyk lal. Phariswi, rabhynscb paroesjim, van \'t hebr. pii-roesch, schelden, afzonderen, v. bebr. pArasch, schelden, afzonderen) elg. afgezonderden, zonder-


-ocr page 962-

5)3(1 PHENAKISTOSKOOP

PHARMAKON

hngcn, ci\'iic scelo omlor do voorin. Joden, die meor wiuirdo turn don ultoriyken dan aim don liinei\'Iükoii godsdienst lioclitlon on do moznischo wot door cone monlgto van wlllokeurlgo lo-vonsrcgolon, veelvuldig vasten on bidden, vaak enkel met schUnhiiro stljitliold on liolllgheld, vereerden; Imleholaars, seliljnliclllgen, werkheiligen, iillaarbyiers; — pharizoeïsch, fari-zeosch, adj. hiilelielachllg, schUnholllg; — pharizceismo, farizeïsme, n. do luil-eholary, scliUnlielllghold

Pharmakon, pharmiicum, n., pi. pharmaka, gr. eon artsenUmlddel, toover-nilddel, tooverdrank; vergift; — pharma-ceum, n. (gr. pliarmaltcion), ■/.. v. a. apo-I h o o k; — pharmaceut of pharma-ceuticus, in. (gr. phdnmiltcus of pharma-kcults) in. oen apotlieker, arlsenijlierelder; — pharmaceutika of pharmaeie, f. do apothekerskunst; - pharmacoiitisch, adj. arlsenUkundig, do artsenykiindo lietreirendo; — pharmacites, m. (gr. phununkiUs) krul-donwyu; pharmakochemio, f. do arlse-ny-scholkundei — pharmakodynamiek, pharmakodynamïka, r de kennis van de kracht dor aitsenyen: — pharmako-gnosie, pharmakognostiok of phar-makognost ka, f. do lierkennlng dor ge-neesmlddelon, do artsenykiindo; —pharma-kokatagraphologie, do leer van \'1 voor-schryvon dor arlsonyen, ook enkel k a la graph o I ogle, /.. aid ; — pharmakolith, in. glflsteen, arsenlk/ure kalk; — pharmako-logio, f. de kennis dor artsenyen, arlseny-loer; — pharmakomame, f. arlsenyzuolit, het overdreven gohrulk van of verlangen naar arlsonyen; — pharmnkométer, in. do art-senyniaat ; — pharmakometrie, f. doiirt-sonymeetkinidei — pharmakopoea, f. hot apothekersvoorschrifl, voorschrift dor artseny-hereldlng, eene verzameling van voorschrUlon tor hereldlng van eenvoudige en samengesloide artsenyon, hot hook dor arlsenyhereldlng (dis-pen s a I o r I ii m); pharmakopöla, m. (gr. plmvmakopoles) eon arisengverkooper; — pharmakopolïum, n. do iirisenyvvinkel, z. v. a apotheek; — pharmakoposie, f. hel arlsenydrlnkcn of -Innemen; het gifilrlii-ken; — pharmakosideriet, n. leerllng-erts, uit arsenlkziiur en yzer liestaande; — pharmakotheek, f. eene huls- en reisapotheek, eene arlsenyklst; pharmako-triba of pharmakotrips of pharma-kotript, m. eon artsenywryver of stamper.

Pharos of pharus, m. gr. (oorspr. do naam van oen ellanii hy Alexandrie aan den mond des INyis, waarop een zeer hooge vuiir-haak of vuurtoren stond, die onder do wereldwonderen wen! geteld) een vuurtoren, eene vuur-liaak of -haken, een zeevuur hij eene zeehaven.

Pharynx, m. liever f. gr. (van phdrein, spiyten) Anal, het huofii des slokdarms, de keel; — pharyngemphraxis, f. Med. do verstopping van hel siokdarmshoofd; — pha-ryngeurisma, n. do zlokoiyke verwydlng van hel slokdai\'iislioofd; — pharyngitis, f. do onlsleklng van het siokdarmshoofd; pharyngocöle, f. eene verslapping, hreuk van het hoofd des slokdarms, waardoor aan zyae wanden zakken of gezwellen ontslaan; — pharyngographïo, r de hescliryvlug der keel; — pharyngolysis, f. de verlaiiiniing van de spieren dos siokdarinslioofds, keeiver-lumniing; - pharyngopalatinisch, adj. keei en verhouielie lietreifende; — pharyn-goparal^sis, f. verlaniming van \'tslokdarms-lioofd; — pharyngoperistöle, f. do vernauwing van hot slukdarmshoofd, keelvcrnau-wing; — pharyngoplegie, f. z. v. a. pha r y ii go I y si s; pharyngorrhagïe, f. Iiioodliig uii de vaien van het siokdarmshoofd; — pharyngospiisme, n. de kramp van het siokdarmshoofd, keelkramp; — pharyn-gostenie, m. de siokdarmsvernaiiwiiig; — pharyngotomie, f. de snede van het hoofd des slokdarms; — pharyngotoora, o. het werktuig voor do kiinslhewerking der snede van het hoofd des siokiiarms of de opening van hot spyskanaal.

Phase, f. pi. phasen (spr. s=j), gr (p/ia.vis, pi. phaseis, d. i. schyn, vorschyning; v. phainesthm, zlchlhaar worden, verscliynon) ili\'higestaite, lichlafwisseling, scliyngestalle, Inz. de verscliiliende gesliillen, waarin de maan, ten gevolge van hare onderscheiden slanden legen de zon en de narilo, zich aan ons voordoet; in \'I algemeen voor; veranderingen, geregeld afwisselende versehynselen of gedaaniewisselln-gen in do toeslanden van \'I mensclieiyke leven, iotwlssellngeii, enz.; phasma, n. pi. phas-mata, eene vorsciiyning, geslallo, eeu gezicht, spook, enz.

Phaseólo, f. gr. {phasclos, pluisiolos, lat. plmclm, phasen lus) een plantengeslaehl met peiilvruchten of iioonen, van welke verseheiden soorten zeer voedzaam en welsmakend zijn, h. v. de turksche hoon, ook faseole of flsole; — phaseoliet, m. Iiooiiestoen, erwtesteon.

Phasma, z. end. phase.

Phatagin, m. (fr. phalunin, van \'t gr. phalldqcs, liet sehuhdier) het langstaailige of vlervliigerige sciiuhdier in Azië.

Phatne, f. en phatmon, n. gr. (plmlnr, eig. kriii, trog) de taiidiiolle; — phatnor-rhagiü, f. de hloeding uit do tandkassen.

Phebus, z. p h ie h u s.

Phelloplastiek, f gr. (van phellós, de kurk) de kiinsi om heelden uit kurk te sny-den, liel lieeldsnyden uil kurk, uitgevonden door eenen kunstenaar ie Komo en door den iiouw-kinisteiiaar Mei tol hooger volkomenheid ge-hracht; — phelloplastisch, adj. tot die kunst hehoorende.

Phenakistoskóop, m gr. op de voortduring van den llehllnilriik gegrond toestel, om In rust verkeerende, in versehlilendo stellingen geteekonde voorwerpen als in lieweglng te laten verschyiieii.


-ocr page 963-

PHKNülKT

mil,ip

lt;):}7

Phongiot, n. sr. (v. /ifidnflox, Rlnns) do (jlanaslecn, kalksimalh, eon (looiscliyiicnde leor-llnKvormlKe, stcrk oplnulsonile slcon; phon-gophobio, f. Mnl. do Klimsschuwlielil, ilc utkcoi \\aii hlitikcndo vodrwcrpca, cca tcckcn di\'i\' liondsdollicld; van daar ook voor liydro-pliolilo; — phongophóbisch, udj llciit-of Klansscliuw

Phenol, n. nvv.lal. (v (ir. ii/ialnein, llcli-tcn en lat. n/ urn, ollc) in/, iihénnl sodique, fr. (spr. sodiek) cca nlcuw alKomcoa Ronoes-mlddcl, Inz. ook tc^ca cholura, allvladlng van ilea fransclien chcmlst Holicuf; — gephe-noleerd wator, n. daarniodc vcrnioiiKd wa-le|i — phenyl, n. nw.lal. (v gr. hylt, slof) cca oadcrstcld, uil koolslof en walerslof he-staand radicaal; — phonylhydi\'iiat of phenylzuur, n. /.. v. a. c a r li o I /. u u r; phenylamine, f. ■/.. v. a. aniline; — phenylwaterstof, f ■/.. v. a. licnzlno.

Phorekratisch vers, tea zovenleltor-(irepif; troclialsch-ilaktvlisch vers: (^ ~ I ■ ■— — nam\' dea gr dichter I\'licre-

krates bonuemd.

Pherra, f. cene O.lnd. munt voor rUst van vorschlllendc grootte.

Pheugvdron, n. gr. (v. phetifiein, vlieden, on Injdor, hot water) de watervrees, z. v. a. liydropliohie; — pheugydros, m. cca walcrseliuwo.

Phiale, f. nr. z. v. a. phi ooi (z. aid.).

Phidias, m. gr. ecu nitmuatend liceidhon-wer (naar den hcrneindcn alliconsclica beold-houwer van «lien aaam, die in de Sdc eeuw voor Christus leefde).

Phidit.a of phiditïën (spr. I—In), n. pi gr. (phetdilia, v. itheideslhai, versehoonen, oatztea), oponliare, gcmcenschappciüke snhere maalUjdcn der mannen cu Joagciingen in \'I oude Sparta, ook s y ssl I ia.

Philadélphon, m. pi. gr. (v. iihilns, lief, vriend, en udeliihós, brocdci\') liroederllevondcn, sedert lso:t een Kchclm verhond in \'1 frauscho legor om hot keizerrijk omver te worpen en de repahliek weder te horstelloa; — phila-delphio, f. gr. hroedoriicfile, naaslcullefdc;

— philadélphiseh, adj liroedcrmlunend; vandaar do p li 11 ad e I p h Ische hroed er-schap in Engeland en Zweden, welke weldadigheid ten doel heeft; — philalêthes of philaleeth, m. een waarheidsvriond; philalothïo, f. do waarheidsliefde; philander, z. o p o s s u m; — philandrïo, f. (gr. iiMInndria) mannenliefde; — philan-thl\'oop, m. (gr. philanlhrttpos) een mensclien-

vri.....I; — philanthropic, f. do inensohcii-

liefde, measctiilcvendheld; — philanthro-pinum, n. nw, lat. olg. cene inensohlievondo lastolling, monschcnsehool; oen opvoedlngsgo-slielit naar Hasedows grondiieglnsolen, onder dozea naam het eerst In lquot;7i Ie Dessaa gesticht;

— philanthropinismo, n. het slelsei van opvociling en onderwys van Basedow en zUao vrienden, volgens hetwelk de zuiver mensche-lijke natuur en de oorspronkelijke, zuiver men-sehelijke vorhoudlngen tol gromlslag gelegd en de vorming der kweekelingea tol praktisch hruikhare, opgeruimde en wellevende menschen tol hel doel der opvoeding gomaakt moet worden, — oen stelsel, dat echter, hij de keuze en veelvoudigheid der leermiddelen en het streven naar naluui\'IUkheid en gemakkelijkheid der leerwijze alsmede hij de overwegende richting op hel praktisch nullige, niet volkomen proefhoudend kun hevonden worden; vgl. humanisme; — philanthropisch, adj......nsch-

lievend, minzaam, liefderijk, vorgovingsgezind, lankmoedig; — philanthropomanie, f. de dweepachlige, overdreven uienselieniiefdo; — philargyr.e, f. (gr. jihykiriiijrin, \\. (irnyros, zilver, geld) gcldliofde, gouddorst, gierigheid, hehzacht; — Philaster, m. en Phila-ster.a, f. mans- en vr.nanm: llefhehher, lief-lieiistor dor sterren, heinolvriond, -vriendin; philatelist, m. verzamelaar van poslzegels;

— philautie, f. (gr. philaulin, van imliis, zelve) de eigenliefde, zeifzuclit, liel egoïsme;

Philemon, innnsn.; de liofliehhende; -Philemon en Baucis, gr. Mylh. een paar echtelingen in de gr. oudheid, heroomd door hunne vvederkoerige liefde tot in hun hoogsten ouderdom; vandaar eea paar oude. trouw ca eendrachtig levende eclilgenooten; phil-harmonisch, adj. do loonknnsl iHMninnendc;

philllGlloen, in oen «rickcnvrlciid, voorstander der Orlokon en hun vrüheidsoorlof;; — philholl 3nisch, adj. de (Iriekon beminnende, hen voorslaande, prieksgezlnd; philiator, m. (v. ij Ir ós, een arts) een vriend »f liefheb-her der arlsenywelenschap.

Philip of Philippus, m. KI*. {Philippos, van philns, lief, vriend en hippos, paard) bij verkorting nip, inansn., woordelijk; paardenvriend; f. philippine, vr.naam: paarden-vriendin; - bonjour Philippine: fr. troeden morden, Philippine! de woorden, waarmede een lieer of dame een dame of heer van hnnne kennis bemoei, ten^cvoi^e van eene afspraak hy het deelen eener dubbele amandel aan tafel; die liet eerst dien proot toebrengt, wint van den ander gewoonlijk een klein geschenk (het woord is aan het duitsch viellichchcn, d. I. allerliefsto Ontleent, peiük de gewoonte van duit-sebeherkomst is); philipp.ca, f. eene hevige strafrede, eene kraehtige redevoerin}?, waarin iem tentoongesteld, ontmaskerd, dooruehaald wordl, Kelük die de atheensebe redenaar Demosl bene s te^en konint; IMï Hippus van MaeedoniO uitsprak, om de (krieken af Ie raden xich aan hem te onderwerpen; philippicce, f. pi. gr. goud- en /.ilvermnnlen, hebbende aan de eene zijde bel beeld van Philippus van Macedonië en aan de keer/.yde een paard; — phi-lippiston, m. pi. leerlingen en aanhangers van IMiilipp Mel a neb ton, die men van kryplo-ealvlnisme beschuldigde; — Philippi-nGïi, pl. eene secle van oostersche christenen;

— Philipponen, m. pl. eene russische secte.


-ocr page 964-

PHILOSOOF

938

PHILIP

illo ooii Koostoiyk opporhoofd, do hciliKO synoilo on do prloslorwüdliii? dor russ. gooslolUkhold nlot orkonnon, zoo golioolon nuur I\'hlllp I\'usloswlait, die haur in noo ult Knsland muil\' I\'oolscli-Lllthauon voordo; philippus-daalder, oon spaunsolio duuldor, omtrent = 3 gld., ondor Philips II vim 18(10—181)5 voor do Nodorlnndon geslagen.

Philip., Iiij nntuurwolonscli. lienainlngen afk. voor It. A. I\'lilllppl.

Philistijnen, in. pi. (helir. IHischlhi, pi. I\'lisclilim, v. pdlasch, rondzwervon, omdolen; vgl. Pa I lost Inn) do. oude grensnahuron dor IsraClieten in zuidwcsloiyk PaliBslimiphi-listers, m. pi hoogd. In Diiitscliland in do studenlontaal oono veraclileiyke lionaming van gemoeno burgers of ook wel van alio niol-stu-doorouden. (Doze lienamliig ontstond, naar men vvll, in te Jena, alwaar by oono vocht-party tussclien studenlen en burgers con stu-dont dood op do plaats lilocf en eon geostoiyko den zondag daaraanvolgenile in oone hoftige preek tegen deze daad zoide: quot;hot Is hiorliy gegaan, goiyk in den liybei (Kloiiteren, XVI) gosclireveii staat: de l\'liillstynen over u, Slm-son!quot; waarna de studonton do Imrgors van Jena Pliilistyncn of l\'hiiistora noemden); — philis-ter, in \'I alg. ploert, een laaggezind inonsoli, niensch van lieperkten goost en gonieeiio, plat-liurgoriyko denkwys; in ongeron zin: do hospes van een student; voorts oen paardenverhuur-dor; oen geloond of golmurd paard; ook oen oud ovorschotjo van labak in een püp; —phi-listerei, f. hoogd. ploertigheid, hoporklo, he-krompon, plaihurgeriyko denkwys; vgl. Iianau-sie; — philistresso of phileuse,r. hgd. iiy de studenten: hospita; - phüisterhaft of philistreus, adj. Iigd. ploertig, van bekrompen geesl, kiclnzioiig, onvryzliinig, laag, onedel; — philistermm, n. Iigd. bot iiloer-tendom.

Fhill., by natuiirwetcnsohappoiyko benamingen afk. voor John l\'liilllps.

Philodoxio, f. gr. {philotloxia, van plnlos. Hof, vriend on dóxa, meening, roep, room) eor-nf roemiiefdo; — philoenus, m. een llefhob-ber van don wyn (gr. oinos), oen drinkebroer;

— philofenian, in. aanhiinger dor f e n 1 a n s (z. aid.); — philogormaan, m vriond dor Duilscbors; —philogyn, m. (gr. philiigj/nos, van f/i/nê, vrouw) een vrouwenvriend, liofbob-lier van do vrouwen; — philogynie, do vrouwenliefde, neiging Int liet andere geslacht;

— philoikos of philaecus, m. ecu Imis-vriend, familievriend; — philokalio, f. liefde voor het schoone, oorbare, zedige; — philo-loog, in. (gr. philóloaos, van /óflos, rede) een taalvriend, taalgoloerdo, iaaikundlgo, taal- en oudheidvorsclier; Inz. wie zicli aan do weten-sobappeiyke studie dor talen, letterkunde en ge-schledenls van de klassieke oudheid (der oude Grieken en Komeinen) wydl; — philologio, f. de taalliefde, taai- en oudhoidkundo, taalwetenschap; inz. klassieke pliliologio, de wetonschap of geleerde kennis der oud-gr. en rom. iaat, ielterknnde en geschiedenis;-phi-lológisch, adj. Iiuilllevond, taai- en oudheidkundig, taalgeleerd; tot de taal- en oudlioid-kuiiilo behoorende of die bolrolfendo; - phi-lomachie, f. strydiust; - philomathie, f. (gr, philnmatheia, van manlhdnein, loeren) do leerlust, loerbegeerte, weetgierigheid; — phi-lomatisch, adj. leerlustig, leergierig, weetgierige; — Philomële, f. gr. (eig. do appel-of ooftniinnonde, v. melon, de appel) Myth, do naani dor dochter van l\'andlon, koning van Athone, die, nadat Tereus, do gemaal van hare zuster Prokne, haar verkracht on vervolgens, opdat zyne wandaad bedekt niocht blyven, haar de tong uitgesneden had, in oonon nachtegaal werd veranderd; vandaar voor: de nachtegaal;

— philomëtor, in. oen moederilevondo, moe-dorvviend; - philomimesïo, f. (vgl. mime enz.) de iiavolgliigszucbt; — philomüsos, m. oen muzenvrioiKl, lioniinnaar der schoone kunsten, kunstcnviiend.

Philonïum, n. lat. (van \'l gr. p/iilonion, soil, pharmaknn, z. alil.) oon pyiistillond iniddol (naar een ouden arts Phllon henoemd).

Philoptedio, in. gr. (van jihilns, lief, vriond en pais, geuit, puidns, knaap, kind) de liefde tot jonge lieden en liunne opvoeding; — phi-lopaBS, in. (phihijiais) een kindorvriond; philopaedisch, adj. kindortlevoml, dor op-voodlng toegodnaii; — philopatör, m. oen vaderviiond, do vaderlleveiido, iron, bynaam van Ptoleniams, koning van Egypte, die zynen va-dor vergiftigd had; — philopatridalgie of philopatridomanie, f. Mod. z. v. a. nostalgie (z. aid.); — philopatrie, f. de vaderlandsliefde; — philophysicus, m. een natuurvrieiKl, naluurvorscher, - philopina-cium of philopinakïon, n. een stamboek; — philopolémisch, adj. (vgl. polemisch) slrUdiiovcnd; - philoposie, f. drinklust, liefde tot drinkgelagen — philo-psychie, f. llefdo tol het leven; lafhiirtig-hcid, vorsaagdliold; — philoristie, f. (van horuhem, begrenzen, bepalen) de vorklarings-zucht; woordenvlltcry; — philorthodóx (vgl. orthodox, enz.) een vriend of aanhanger der reclitzlnnigheld of ortliodoxlo; — phi-losarkie, f. de vleescbiicfdo, de neiging tol vleescheiyko lusten; — philosomatie, f. llcliaamsllofde, overdreven lyfsverpleging, 11-cliaanisz.org.

Philosoof, m. gr. {phih\'mphos, van philos, lief, vriond enz., en sophós, wys, sophia, wys-hoid; lilt. pInlos/lphus) eig. een wysiieidsvriond ; wysgoor, wyzo, een navorscher door hot versland, een denker, volstands- of wyslieidsleeraar ; by de Duitschers: wereidwyze (welt weisor);

— philósdphus non rural, lat. een wysgoor lelt dat niet, vorlieft zich daarboven;—philoso-phaille, f, fr. (spr. —fdlj\') hol wysgoorig ge-peupel, de groolo hoop der zoogenaainde wij-zon; — philosophailleeren (spr. -faljec-ren) den philosoof spelen, uithangen;- phi-


-ocr page 965-

PHILOSTOIIGIE

PHLEGMA

939

losophant, in. nw.liit. {phitosöjihans, vun philnsophari, pliilosopheoron) «on vorstundskrii-inor, liiindworksmatlBO wUshcldvcrkoopcr; — philosophastor, in. ecu schyriwU/.o, wiiun-wU/e; — philosophëma, n. ecu wysRccrlg ■onderzoek, cone plillosophlschc vriint;, liescliou-wliiu, inoenlng, IiowciIiik, eenc vcrstands- of wushcldsspreuk j — philosopheoren («r. Iihilosoiihein, Int. philosophSri) KiondlK, vcr-slandlK denken, niivorsclicn; nit Riondcn Inzien, lieslulton, licwUzen; zlcli duldeiyke lioRrlppen en voorslclllrigen vun Iels zoeken le iiuiken, wUsgecrlj? eenc slof belmndelen, de oorzaken dor dlnKen nasporen; hot philosopheoren, hel grondlK navorsclien, hot verslands-omlorzock; philosophio, f. ftr. (philoso-phia) do wyslieldsllefdc, wysheldskundo; wys-Jiolds- of waarlielilsleer, wysbegeerle, verslamls-wetcnschap, kennisleer of do welenseliap der wellen en voorwaarden van de rcdeiyke kennis van God, den incnseli en de wereld, dc welenseliap, die licslaal in hel kennen der dingen In hunne oorzaken on gevolgen; studie der natuur en der zcdelccr; het stelsel van dezen lt;if genen heroemden wysgeer; zekere geestkracht, waardoor dc mcnsch zich hoven den Invloed van de wisselvalligheden des levens weet to verhellen; ook eenc lettersoort, z. v. a. li revierphilosóphisch, adj. (lal. pMloso-pliïcus) verstandswctenschappoiyk, wysheidmln-nend, redematlg; grondig onderzoekend, denkond; philosophische teokons, hy de astrologen; de Steonliok en de WDternian; — phi-losophismo, n. nw.lat, de gewaande of schynphilosophio, de leer der valsche wysgcc-ren, sehynwysheld, q na si-verlichting; — phi-losophïst, m. een schynwyze, waanwyzc, Iemand, die, onder voorwendsel van alle voor-oordeelen af le schudden, do algemeen aangenomen gevoelens en grondbeginselen trotseert; — philosophisteeren, schynwysgcerlg spreken, schynwyze stellingen voordragen, phi-losophlscho beuzelpraat voeren.

Philostorgie, f. gr. (van slérgein, tceder liefhebben) neiging lol liefde, vcrlicfdbeld; — philoteehnio, f. de kunsiliefde; - philo-téchnisch, adj. kunstlievend; ook; do industrie beminnende, kunst en Industrie begunstigend (vgl. techniek, enz.); — philo-téchnos, in een kunstvriend, liefhebber der kunsten; — philotéknos, m. een kindervriend; — philotoknie, f. de kinderliefde, liefde tot kinderen; — Philothëus, m. mansnaam; z. v. a. (ld dl lef; — philothëa, f. de (led llefhohbcndc; — philotimïe, f. dc eerliefde, roemzuclit, eerzucht, eergierlglicid; wedjRer; — philoxeme, f. de liefde tot vreemdelingen, gnslvryhcid; — philozoie, f. de liefde tot het leven, z. v, a. p h 11 o psy c h I c.

Philtrum, n. lat. (v. \'1 gr. philtron, van philtin, beminnen) een llofdemiddcl, een liefdedrank, tooverdrank, een drank, eenc kruldery enz. om liefde op le wekken; — philtro-manie, f. de ingedronken liefdewoede, de verliefde bedwelming of roes, door een philtrum voortgebracht.

Phimosis, 1 gr. (van phimoen, snoeren, binden) Med, de vernauwing der voorhuid, spaan-sche kraag; phimusux feminarum, de vernauwing van de vrouwelyko schcede.

Phiool, f. (misvormd uil het lat. phiülu, v. \'t gr. phidle, schaal, urn) eenc kogelllesch, een hulkvormig glazen vat mot langen, nauwen huls, door scheikundigen gebruikt; Mil. eenc soort van stormpotten, niet bandgranaten enz. gevuld; s to r m p h I o I e n.

Phlasis, f. gr. {phtdsis, van phlaein, platdrukken, kneuzen) Med. de breuk van een plat been.

Phlebemphraxis, f. «r. (van phlebs, genlt. phlebós, bloedudcr) Med. verstopping der bloedaderen; — phlobeurysma, n. of phleboktasis, f. de ullzclllng der bloedaderen, aderspat; — phlebi\'on, n. een liloed-lulcrlje; - phlebitis, f, de bloedader-ontsteking; — phlebödes, adj. vol aderen; naar aderen geiykend; phlebographie, f. dc bloedaderljcscbiijving; — phlebolith, in. de adcrstcen, stccnachlig lichaam in de bluedade-ren; — phlebolithiasis, f. zickciyk onlstuan van aderslcenen; phlebologie, f. de leer van de bloedaderen; - phlebopalie, f. dc blocdaderpols, beweging der bloedaderen;

— phlebophthalinotomio, f. juister optil hul mo phlebo t o in Ie, f. kunstmutige opening der oppervlakkig liggende aderen van het oog, aderlating aan bet oog; — phle-borrhagie, f. en phleborrëxis, f de scheuring eener bloedader, aderbreuk; — phlo-botoom, n. het laalijzcr, het werktuig, waarmede men de ader opent;—phlebotomio, f. dc aderlating; — phlebotomist, in. een aderlater; — phlobotomame, f. de ader-latlngszucbt, overgroote neiging lot aderlaten;

— phlebotrauma, n. eenc bloedadcrwond.

Phledome, f gr, elg. snapucliligheld,

praatzucht (van phlcdön, snapper, van phléo, Ik snap) Med ijlhoofdigheid, verstandsverbys-terlng; - phlodonódos, adj. yiend, raaskallend.

Phlegëthon, ook pyriphlegeion, m. gr. (van phtcgélhcin = phlégein, branden) Mytli. een fabeliicbllgc vuurvloed, hellevloed, die, in plaats van water, vuurstrooinen met gloeiende rolsbrokken voortstuwde.

Phlegma, n. gr. (van pliléncin, branden, verbranden) oorspr. brand, vlam enz.; Med. slyni, bet siyndg, taal vocht in hel bloed, taaie siym (misschien daarom zoo gchccten, omdat vloclstolTen, over het vuur gekookt, taai en siymig worden); siymhlocdlgbeid, koud-, lauw-hloedlgiield, naluuriyke ongevoeligheid en traag-held, onverschilligheid, onopgewektheld; Gliem. het waterige, sniakelooze, dat na de overhaling van dc geestige doelen, b. v. van den lirandc-wyn ovcrbiyft; — phlogmagogi\'cum, n. nw.lat. pl. phlegmagogïca, liever phleg-magöga, Med. siyniafvoerende of -vcrdiinnendc


-ocr page 966-

PHLEGR/EISCH 940 PHCENIX

mldilolon; — phlogmapyra, liever phleg-inatop^ra, f. de slümkooiis; — phlograa-

sie, t. ■/.. v. a. |i IiIorosi s (■/. niil.); — phleg-matl\'cua, in. (nr. ithlenmnlikós) een slijmliloe-dldt\', koudliloedlRü, onjfevoollRe en truge; — phlegmatio (s|ir. I=ls) f. Med. water- of slUniRezwel; phlenmatta ulha dnlens puerperd-rum, de witte, pijnlgke dUzwelliiift der kriiain-vrouwen; — phlegmatlsch, udj. voi timio slijm, siUmiiloodig; kouiliiloeiiiR, liiuwhloeilig, onvorsclillliü, uevoeiloos, onopgewokl, onwerk-zanni, IraiiR, lui, lamlondlR; traan, koud van natuur (vgi. Iemperamont); — plilegma-t i s c li e t c e k e n s, iiü de aslroloiten: de Kreeft, de Schorpioen en de Vissehen; phlegma-torrhagie of phlegmatorrhaje, r Mod. slUmvlood, aileidliiK of afvoering van vochten liU verkoudheid; —phlegmóne, f. Med. mot gezwel optredende en gowooniljk in ettering overgnnnde ontsteking van het celweefsel; — phlegraonodes, adj. ontstekingachtig, aan eeno ontstoken zwelling gelijk; —phlegmy-monitis, f. {van plilegina on hymen, z. aid.) eeno sUjmviiesontsioking.

phlogrffiisch, adj, (int. phleqraem, «, urn, van \'t gr. phleurrïïns, «, on) van Phlogra (ontstaan uit phlenyrd, scii. qê, d. i. iirandcnd land) van een iandschap in Macodoniö, wimr do met do goden strijdende (llganten door den hiiksem van Zeus vernietigd werden; In \'t algemeen voor hrandig, vurig; — phlügra\'ischo velden, de imindveiden, luz. eenc zw;ivetrijke vinkte lui CuniiB in iicnoilen-ltaiiö,

Phlógiston, n. gr. (van phloflidzein, li runden, ii\'ilor, vlam) in de oudere scheikunde do hrundstof, het hrandimre iieginsei, do zuiverste cn eenvoudigste lirandhare grondstof, door Statii In liet geliied der chemische wetensciiap op den voorgrond gepliiaisi, manr door Lavoisier uit die eereplaals verdreven; --phlogistisch, adj. Iirandhaar, met brandbare stotfen opgevuld; — phlogistiseeren (spr. s=t) met lirandstof verldnden; gephlogistisoerde lucht of gophlogistiseerd gas, z. gas; phlogistiek of phlogurgie, ook phlo-

goehemie, f de ieer van do ........limre licim-

inen; — phlogödos, mij. ontstoken, viammig;

phlogopyra, f. eeno ontstekingskoorts; — phlogósis, f. Med. ptanlsoHjke ontsteking; cone vliegende hitte, voorhUgaande roodwoniing van liet nangezicht ; phlogoskoop, in. d. i. eig. viammentooner; oen door Tiiilorior in 18(11 uligevonden rookverlirnlillende spaar-kachel, die niel alleen moei verwarmen, maar ook vorliclitcii; een instrument, dat den liitte-griiad aanwijst.

Ploioplastie, f. gr. (v. phlniós, schors, en plassein, vormen, plaslikós, vormend) schors-vorming, eeno door den franschen docier Ku-gène Kobert ultgovonden kunsiiiewerklng aan hoornen, waarbU men de door Insocton he-schadigdo schors tot op don bast wegneemt en daardoor eeno nieuwe schorsvorming teweegbrengt.

Phlorais, f. gr. (phlnmis en phlómos, voor phlotimis en phlofimós, van pMéqein, liranden, omdat de dikke en vette htaderen in plaats van pitten in de lamp dienden) Hot. de wolhioom, het kaarskruid, jeruzalomsclic sniie, een pronk-gewas van vele soorten, b. v do loeuwestaart, liet leeuwenoor, de sallesiruik

Phloridzino of liever phlorrhizino, f. barb.gr. (v. \'t gr. plilolórrhidzos, met scliors-achtlgen wortel, v. phlniós, schors en rhiilzn, wortel) Cliem. de wortelliaststof, oene indilto-rente krlstalltnische stof in den verschen wortel-bast van appel-, pere-, kerse- en prulmehoomen.

Phlox, f. gr. (eig. de vlam, v. phlégein, liranden) de vlambiooin, een pronkgewas uit Nieuw-iloliand van velerlei soorten.

Phlyakographie, f. gr. (van pliliia.r, gezwets, pots; ook de grappenmaker) een kluchispel.

Phlyktgena, f. pi. phlykttenDe of phlyktides, gr. {phlijklaina, phli/klis. pl. phlyktainai, phlyklidcs, van phljcin, phlytlzein, zieden, overkoken, opliorrelen) Med. waterbiaas-jes, inz. in liet oog; — phlyktoenödes, adj. blaar- of hiaasaclitig;--phlysis, r. hel ullbreken van waterblaasjes op de huid; — phlyzakion or phlyzaeium, n. z. v.a. p h 1 y k t ie na.

phobodipsos, adj. gr. (van phóbos, vrees, schrik en ilipsu, dorst) Med. eig. dorsischuw; waterschuw, hondsdol; phobodipaon, n. do watervrees, lioiidsdolheid.

Phoca, f. lat. (v. \'I gr. plióke, de rob, zoe-linnd; — phocoena, f (gr. phokaina) eeno walvischsoort, do dolplign.

PhoeCBa, f. gr. eene oude zeeslad In lonië, waarvan Marseille afstaint; Astr. eene in 18311 door Cliacornac ie Marsollle ontdekio asteroïde.

Phoebua, m. gr. {Phóïlm] d. 1. de Uch-tondo, glanzende, een iiynaam van Apollo, de zonnegod, de zon; onolg. gezwollenheid in de rede, hoogdravende solirijflranl, bombast; — PhcDbe, f (gr. Phnibe) d. i. de heldere, llcht-govende, een bijnaam der maangodin Artoinls of Diana; — phcebolepsie, t. de dichterwoede, poëtische ra/.eroij.

PhcBnice, f. gr. de poolster, certyds zoo gehoeten, omdat de PtuEiilciörs, een volk, dat een smal kustland aan de Middel la ndscho zen bewoonde, liü hunne zeetocliien zlcli hoofdza-keiük naar deze richtton.

Phoenicme, f. gr. (van phoinix, purper, purperrood) Indigopurper, een purperroode ne-dorslag, die by oplossing van den indigo in zwavelzuur door bUvoeging van zoiitzuurkalk wordt verkregen;—phOBnicisme, n. Med. de mii-zelen en het roodvonk ; — phODlligmus, in. Med. de ziekeHjke roodheid van hei aangezicht; ook een roodmakenil inlildcl voor bet vol.

Phoonik, m. oen kleine lurk. zilvorinunt van verschillende, maar geringe waarde.

PhoDnix, in. gr. {phoinix, d. i. de purperroode of vuurkleurigc) do zonnevogel, een fa-bolachtige wondervogel, van wien men verhaalt.


-ocr page 967-

IMIOSÜKNIHM-GAS

941

1\'IIOIS

ilat hij »00 Jaar leofile on (Inn up een door liem zclven lierold logei\' zich vcrhranildi), om uit zijne ach weder Ie voorschUn Ie komen; liij ons dal ilcr zehlzaamhuid, voiii lrcllciijklicld en on-vornankeHikiield; — phcenix-compagnie, een hranilwaarborK-miialscliapiiU in KiiKcland en Dnitschland; - phasnix-poriodo, f. Cliro-nol. een lydriilmte van SOU Jaar.

Phöis, f. Kr (v. phóiltein, roosten, verldt-ten) Muil. eene hrundldaar; — plioïdes of phödos, pi. Iirandhlaren.

Pholiido, f. gr. (/j/iu/ós. van iihnUm, zich verschuilen, In sluiphoeken IIkbcii) [il. pho-ladon, lioorschOipdieien, steonboordors, zeedadels, die In de hardste oeverrotsen horen en In het duister licht «even; — pholadioten, pi, versteende hoorschelpdioren.

Phonascie, r. «r. (Iihonaskia, v. phum-, KBluld, slem, en usltfin, oefenen) cIk. stem-oereniiifr, zanK- en redekunst der Onden; — phoniiscus, m. (gr. phunushiis) een zangmeester, stemleider; — phonautograaf, f. toestel om de trillingen van een geluidgevend lichaam op te teekenen (op een draaiende en tegelijk langs een schroef voortgaande met roet liesmeerde trommel); — phonêtisch, adj. (v. phoii\' in, klinken, toongeven) klankgevend, liet geluld, inz. de spraakklank voortlircngend of lietretrend; — phonêtisch schrift, klank-schrlfl; - phonetiek, phonotïka, f. do klankleer, stemteer, hel Juiste gehraik der slem hy spreken en zingen; — phoniok, pho-nika, f. de klank-, gehoor- of toonleer; — phonisch, adj. klinkend, h.v, hel phoniscli middelpunt, tiet stern- of klankpunt, eene plaats, waar de roepende persoon hg eene enkelvoudige echo moet slaan; — p lionise lie kateidoskoo p, z. kaleidoskoop; pho-nisme, n. het kunslgelulil; — phonogino-niok, phonoginonrka, f. de stemkunde, de gevolgtrekking van de stem of spraak van een mensch op zijne denkwijze; — phono-graaf, f lt;le klank-, geluid- of toonschrgver, een in isn door Thomas tidlson in Mevv-Versey ullgevonden spreekmachine, welke door hemld-deling van een kunslmatig trommelvlies (een paplervliesjo) en een metaleii stift luid gesproken woorden in den vorm van kleine groeven op liladtin opteekent en naar welgevallen liet gesprokene hoorlmar teruggeeft; phonographïe, f. kiimkseiirin; pho-uographlka, f. de klankschryfkun-l, de voor-sleliing der woorden door scliryfleekens voor de spraakgeluiden; — phonographisch, adj. klankschryvend; — phonographisch schrift, zulk schrift, dat geheel met de uil-spraak overeenkomt, daar het alleen de vver-kelgk uitgesproken geluiden doorliepaaide scliryfleekens voorstelt; phonokampsie, l de stemiiutging, khinklireking; phonokiimp-tisch, ailj. stemhiiigenil, klankiirekenil; pho-n ok a m p 11 sc li m I it it e I p n n I, iiel stemliut-gingspuiit, de plaats, van welke het geluid iiy eene echo wordt teruggeworpen; phono-klilstisch, adj. stenihrekenil, inz. van echo\'s; phonolith, m. de klanksteen, porpliyrsclde-fer, eene gemengde steensoort; - phonologic, f. de klankleer, de wetenschap van de spraakklanken; phonometer, m. de klankmeter; phonometrio, f. de ktauknietlng; — phonosophie (spr. s=z) f. de klankleer, de klankkunde; - phonurgie, f. de leer van de werking van hel geluld of de tonen, de wetenschap van de tonen en den weergalm

Phoranthium, n nw.liit. (v. \'I gr. pUö-rein, dragen, phórimos, draaghaar en (iiilhos, de liloem) Bot. de Idoeinhodem.

Phorkos of Phorcus, ook Phorkys, m. gr. Myth, een zeegod en vader van won-dertiare zeegeslallen; — Phorkiden of Phorkyaden, f. pl. (gr. Phorkiiles) de itocli-ters van t\'liorkys, de drie Gorgonen (z. aid.)

Phórminx, f. gr. (v. pltérein, dra gen, phó-rimns, driiagtiaiir) de draaghare cither, eene soort van harp of cither, liet oudste snaarspeel-tulg der oude grieksche zangers.

Phormium, n. uw lat. (v. \'1 gr. phomion, vlechhverk van lilozen of riet, ook de naam eoner ons onhekende plant, verklw. van plmr-mós, iets uil liiezen of riet gevlochten) de vlaslelie, liet nieuw-zeelandsche vlas, lig ons hoofdzakelijk een pronkgewas.

Phorométer, m. gr. (van pMrcin, dragen; voeren, hewegen) draagkraelitmetcr, een werktuig ter liepiiling van tiet draagvermogen van liruggen, gewelven enz.; ook in den landhouw: een leelkraehlineter; phoromotrie, f. de loer dor lastmolliig en iastdraglug, een gedeelte der hoogere wcrkluigkunde; — phoronoinie, f. gr. de heweglngsmeetkunst, welensehap van de heweging der vaste en vloeihare lichamen, een gedeelte der hoogere werktuigkunde; — phoronómisch of phoronométrisch, adj. lioweglngmeteiid of de wellen der heweging en de liewegliigsmeetkunst hetrcirende.

Phosgonïum-gas, phosgoengas, n. gr. (van phox, hel licht, ea génein, voorliren-gen) door het llehl verwekte lucht, de door hel zonnellehl liewerkle verliindlng van kool-oxydegas met chloorgas; phosphorus m. of phosphor, n. (v. \'I gr. phusphórns, lielit-hrengend. van phérein, dragen, hrengen) llclil-drager, lichtstof, eene In ItHMt door Urand Ie llamlmrg onldekle, nlel-melalltsclie grondstof; pl. phosphoron, llehl dragers, llehtende II-cliamen (in vroeger tijd zeer verschillende II-cliamen heteekenende); phoxphurus bimnuWnsis, de lichtsleen, glanastoen, z. Iiotogn ces er-spaalh; — phosphnten, m. pl. plios-plioszure zouten; phosphioten, n. pl. phospliorigziire zouten; phosphoronö-sis, f. de ziekte alt gebrek of overmaat van phosphorzure kalk In de beeudereii; — phos-phorehalciet, n. een groen, phospliorznur koperoxyde, meest in luilvormige massa\'s voor-koinende; — phosphorosooeron, In hel donker of duister llehl geven, geigk li. v. de gliinworm en vete zeedieren; — het phos-


-ocr page 968-

PHOTINIANEN

942

PHRENESIE

phoresceeren «r do phosphorescén-

tie (spr. (■--/,«), r, hol licht neven in het duister of de olgorischnp vim vele llclminen om zonder verhrniidlnn In het duister llehl te versprolden;

— phosphoriot, n. eene soort van a pallet (z. aid); — phosphornekrose, f. de klnnehukoler, een hy het werken met phosphor ontstaande heendorzlokte, Inz. van de kln-nohakken; phosphoroskoop, m. (gr. skopéin, zien) een door Becquoret nllgevonden toestel, om zeer zwakke graden der phospho-rescontle zlehthaar le maken; - phosphor-zuur en phosphorigzimr, verhlndlngon van het phosphor met zuurstof lot zuren.

Photinianon, m. pl, eene secle van den bisschop I\' h o 11 n n s In Pannonii), In do ido eeuw.

Photochalkographio, f. gr. (v. phös, gen. pholós, het licht) de voorthrenglng van phototvpen op metaal; — photochromie, f. Ilchtschllderkunst In natnuiiyke kleuren, hel teruggeven der kleuren langs photographlschen weg; — photodiaphanie, f een langs photographlschen weg verkregen doorschynend glasheeld; — photofacsimilë, n een door pholographlo voortgehracht facsimile (/,. aid.);

— photogalvanographio, f. het voort-hrengen van drukplalen door miildel van pho-tographle en galvanoplastlek; — photogeen of photogenmm, n. licht voorllirengcnde slof, eene kunslmallge minerale olie;—pho-togénisch, adj. door licht voortgebracht (h. v. teekenlngen, heelden); — photograaf, m. een llchlleekenaar, vervaardiger van lichtbeelden en pliologrn pillen; photographeo-ren, lichtbeelden van een voorwerp vervaardigen; — photographje, f. llchlleekenlng, het llchtscbllderen, do kunst om lichtbeelden voort te brengen, de handelwyze om door Inwerking van het licht op daardoor oplosbare stoffen beelden te vervaardigen van de voorwerpen, die hel Hebt afzenden; ook zulk een lichtbeeld, Inz. op papier /.. v. a. photo-gram, n. (verschillend van phototype of daguerreotype); — potographie in-stantanée, f. fr. sneipholographie, pbotogra-plile in zeer korlen tijd; photographisch, adj. In lichtbeelden voorgesteld; ook tol lichtbeelden dienstig (b. v. photographisch papier); photographomóter, in. een door Clandel uitgevonden instrument om de gevoeligheid van photographiscbo preparaten voor het licht te melen; photogravure, f. gr. fr. gravure door photographle; pho-tokampsis, f de buiging of breking der lichlstralen; — photolithographie, f. het teruggeven van phototypen opsteen; — pho-tolithographische kaarten, pl. naar verheven hewerkle gipskaarten gephotograpbeer-de en door steendruk vermenigvuldigde kaarten; — photologio, f. de llchlleer; — pho-tomagnotismo. n. het door Inwerking der lichlstralen verwekle inagnellsme; — pho-tomotoören, n. iii. licblgevende luchtver-schtjnselen; — photométer, m. een lichtmeter, llchtkracblineter; — photometne, f. de llchtmeelkunst, meting van de sterkte des lichts; ook meting naar pbologrupblscbe opneming; — photométrisch, adj. Ilchtmetend;

— photophobie, f. de llchtschuwbold der ooglijders; — photophóbisch, adj. lichtschuw; — photophobophthalmus, m Med. een lichtschuw oog; - photophobo-phthalmie, f. de oogontsteking, met grooto lichtschuwheid verhonden; — photopsie, f. een ziekeiyk llchtzien, het nikkeren van de oogen uit Inwendige oorzaken; z. v. a. ma rang Ie;

— photorrhéxis, z. v. a. photokamps Is; — photosculptuur, f. gr.-lat. do mechanische toepassing van photographlsche opnemingen voor plastische doeleinden h. v. lor vervaardiging van bustes, slandheelden, enz. (doordien uit ii geiyklUilig van alle zUden van een voorwerp genomen lichtbeelden door een ph Uographlsch toestel een lichameiyk geheel samengesteld wordt) volgens Villème te l\'arys;

— photoskiateriek, photoskiate-nka, f. de leer van licht en schaduw; — photoskoop, m. een lichtbeschonwer, lichtmeter; — photospheer, f. do lichtkring, het lichthuisei dat de zon omgeeft; — pho-totechniek, f. de verlichtingskunst; phototype, n. het door de daguerreotype (z. aid.) voortgebrachte beeld, lichtbeeld;

— phototypïo, f. de kunst om zulke lichtbeelden le vervaardigen; - phototypist, m. de vervaardiger vaa zulke beelden; pho-toxylographie, f. de voortbrenging van zulke beelden op bont; — photozincogra-phio, f. het overbrengen eener piiotograpbie op een zinken plaat.

Phoxos of phoxus, m. gr. (v. phoxós, c, ón, spits) Med een spilsboufd, een mensch met een zeer spits toeloopcnd hoofd.

Phrase (spr s=t), f. gr {phrnsis, van phrddzein, spreken), pi. phrasen of phrases, de spreekwyze, uitdrukking in het spreken; minachtend; zinledige, schoonklinkende uitdrukkingen; Muz. korte passage; — phra-seologie, f. eene verzameling van spreekwijzen; ook de leer van de eigenaardige, niet letteriyk over te brengen zegswijzen eener taal;

— phraseologisme, n. zinledige, bioem-ryke taal, fraaiklinkende, maar weinig zeggende woordenpraal, en de neiging daartoe; — phra-seur, m. phrasenmaker, mooiprater, zwetser;

— phraseeren, Muz. een muziekstuk of een gezang kunstvol uitvoeren

Phratrïa of phratne, f. gr. {phrdlra, phralria) In bet oude Griekenland: een oorspr. door stamverwantschap verhonden volksufdee-llng, een geslacht, gilde; In Al bene; eene on-derafdeeiing der pbyle (z. aid.); — phra-triarch, m. stam-, gildehoofd; — phra-triast, phrator of phratër, m. slam-nf gildogenool.

Phrenesie, f. (lat. iihrcnvsis, fr. (rénésie) en phrenitis, f. gr. (v. yiftrtn, oorspronke-


-ocr page 969-

PHRIKASMK

PHYLK

943

lijk ; middelrif; dan goesl, zin, gomood, vcrstund) ilu horsenonlstoking; krnnkzlnnlglield, vei\'stands-vorbUsloi\'Ing, ruzerny, dolzinnigheid; — phre-netiok, phrenëtisch nf phrenitisch, adj. onzinnig, raaskallend, inzond-, — phre-nogastrisch, adj. mlddelrir en maag be-trolTende; — phrenologio, t. de hersenleer, leer van don houw der hersenen; verslands- ot gemoodsloor; phrenopathie, f. hersen-lyden, geesleskrankheld; — phronosplë-nisch, adj. middelrif en mill hetrclferide.

Phrikasme, n. ot phriködea, m. gr. (v. phrix, gen. phrikns, ruwe oppervlakle, het rnw-worden) Med. de koortskoude, koortsrilling, hel zoogenaamde klppevol.

Phronosis, t. gr. (v. phronëïn, denken, verstandig zün) vorstand, wysheid. Inzicht, holeld.

Phi\'ontïst, m gr. (phronlislfis, v. jihron-liduin, nadenken, overleggen), pi. phron-tiston, nadenkers, navorschers, uilpluizers; heschouwonde Christenen; — phrontisto-rion of phrontisterram, n. gr. de over-peinzliigspiaats; de scliooivosserU, sehoolpedan-lerie, geleerdheldskrainery (een Iron, gevormd woord); later ook: gehoorzaal, school van eenen phrontlsl.

Phryglo, n. (gr. en lal. Phryqla) voorm. naam van een landsdiap In Voor-Aziü; — phrygisch, adj. in Plirygli! te liuis hehoo-rend of vandaar afkomstig; phrygische muts, eene liet hoofd omsluitende, van voren overhangende muts op oude kunstwerken; roode muis van dezen vorm, ais zinneheeid der vrijheid in de eerste fr. revolutie; phrygische steen, een sponzige steen, dien men lot roodverven gebruikt; p li r ygisch e I oon soo rt,eene toonsoort der oude Grieken van hevig opwekkende werking.

Phryne, f. gr. do naam eener boeieerster Ie Athene, de geliefde (onder andere) van Praxiteles en ilyperldes, eene om hare uiisiekendo schoonheid en i\'Ukdom vermaarde vrouw ; vandaar in \'i algemeen eene verleidelijke, boelee-rende schoonheid.

Phtha, m. gr. of Phthas, m. nw.lai. egypiiseho godheid, zinneheeid der wereldziel of \'I naiuurvuur, voorgesieid mot een dikken laiik, groolen mond, groote oogen en ooreu, welke godiieid in \'i oude Memphis werd vereerd en door de Grieken met ICepluostos (z. aid.) gelijkgesteld werd, als symbool van het naiuurvuur; — Phthuünon, pi. een ren-zengeslachi uil de egypl. inylhnlogle, opvolgers der Kmophimen, wier kruin bUna de sterren raakte, en gevolgd door een kleiner reuzenras, de (1 y glne n.

Phtharetïciim, n. gr. (van plilharhis, to vernleilgen, slerfeHjk) oen vergitt, dat spoedig doodt.

Phthinodes, z. onder p b l li l s i s.

Phthiriasis, f. gr. {phlhcirinsis, v. phlhei-riff», luizen holibon, v. phlheir. de luis) Meil, de lulsziekie, luiszuchl. phthirophaag, m. luizeneier; pi. phthil\'ophagon, scheldnaam van een volksstam In Klel«-.\\zie, welke do katjes der dennen at; — phthiropha-gie, f. het luizenoton.

Phthisis, f. gr. (van phlhieln, phthinein, uitteren) de uiilering, tering; phthisis abdoini-nalis, lal. de buiktering; phth. bronchiulis, de luchlpilptering; phth. hqmtfea, de levertering; phth. taryngëu, de strottonhoofdstering; phth. tienatis, de miltlering; phth. ocularïa, het verdwenen, wegteren van den oogappel; phth. putmonatis of putmonnria, ook phth. simplex, do longiei\'iag (onderverdeeld in phth. pituitusa, exutcerata en tuberculosa, siym-, citer-, en knob-beitering); plitb. rentttis, de nieriering; phlh. trarheatis, do tering van do iuchtpyp; phth. uterlmi, moedertering; — phthisïcus, in. een ieringiyder; — phthisisch of phthinodes, adj. gr. leringaciitig, teringzuchtig; — phthisiologie, r. de leer of verhandeling over de tering; — phthisiopneumie, f. eiterachtigü longtoring mei ontsteking; — phthisiurie, f. de uiilering door overmatige pisioozing, z. v. a. diabetes.

Phthoë, f, gr. z. v. a. phthisis; — phthóisch, adj. z. v. u. pblhlsisch.

Phthora, f. gr. (phthird, v. phlheirein, bederven) hel verderf, de verwoesting, vernietiging; — phthoncum, n. (gr. phthoriknn) Med. een uil- of afdryvend geneesmiddel; — phthor, n. phthoro or phthorme, f, de basis van liet vloelspaathzuur (zoo geboeten, omdat dii zuur de klezeihoudendo stollen verleert en doei verweeren), z. v. a. tl u or (z. aid.).

Phyciot, m. pi. phyeioton, gr. (van phyhm, zeegras, zeewier) versteend zeewier; — phykochroom, n. gr. de groene verfstof in sommige wieren; phykocyaan, n. gr. eene blauwe verfslot in sommige zoetwa-lerwlcreii; — phykologie, t. de leer van de wierplanlen.

Phyganthropro, f. gr, (van phipjein, phriitp\'in, vlieden) de rnenscbenschuwheld.

Phygéthlon, n. gr. (phfiliclhlon) Med. een onisloken roosachtig gezwel, iuopende roos.

Phykochroom, phykologio, z. oud. p h y c I e i.

Phylax, m. gr. (van phyldssein, waken, bewaken) een wachter, bcscbutior, ais hondennaam geiiruikeiyk; — phylacist, m. (lal. phytucistd, van \'tgr. pliytakistcs) de gevangon-hevvanrder, kerkermoesier, cipier; — phy-lakterium, n. (gr. Iihulakterinn) een wachi-posi, wachthuis: een helioedmiddel, afwerings-middel; een middel legen loovery, vgl. a in u I e I; eene gedenkcocl der Israelicien met de Hen ge-boilen, die z.y aan bet voorhoofd of op de horsl droegen; een reliquiiJnkisije; — phylak-tisch, adj. (gr. jihi/laklikós, lt;■, ón) hewakend, beschermend, hoschutlend.

Phylo, f. gr. (plifltc) in het oude Giie-keniand eene voiksafdeeiing, orde, klasse, van welke er ie Albene aanvankeiyk i, vervolgens sedert de staalsregollng van Klislheiies een dis-trict of gouw, in lu getal, die in lquot;i demon


-ocr page 970-

PHVSIOGNOOM

PUYLLON

044

(vgl. (I e in o s) of Komeonton verdoold werden; tiok eono loKonifdeeliiiK; — phylarch, in. min voerder uf liiiofd eulior iiliylo; In/.. In don oorlog; — phylotisch, «dj. den slam hc-IrolTende.

Phyllon, n, gr. hot lilad, In/, kolkblnd;

— phyllanthus, in. do Iduderhloeni, eone soort van rull; Phyllis, r d. I. de groelonde, liloolendo, eon gr. vr.naani; hel was de naam der dochler van don lliraclsclion kunlng Slllion, welke Demoplioon heinlndo, en stlcrr, omdat deze hare liefde idol heantwoordde, vandaar dal deze naam zoor dikwijls In liordersdlclilon als naam eener llefdeskranke liorderln werd ge-lirnlkl; - phyllieten, in. |il. versteende liluntenhladoroii of afdruksels van hladoren; — phylloblaston, pi. Idadkleinen, z. v. a. dl- en po I y k o I y 1 ed o n e ii; phylló-diseh, adj. hladvonnlg, naar een lilud gelijkende; phyllodium, n. lat. Hot. hlail-sloelblad, Ijladvonnlgo verlireeding van den hlad-steel; — phyllophagen, in. pi. loufolors, loofetende dieren; Inz. eene familie der Inildel-dieron; phyllorrhodomantie (spr. t=ls), f. waarzeggery uit rozeliludoreii, die men op do hand doet stuk klappen; — phyl-lostóma, n. pl. phylloatomata, hlad-mull, bladneus, eene soort van vloennnizen;— phylloxera, f. (van xmis, droog) de hlad-verdorrende wijngaanlhils, die aan \\\\IJnslukken door het verdrogen der liladeren schade doel.

Phylon, n. gr. pi. phyla, phylen, vgl. phvle) slam, gcslachl, soort, familie, verwantschap, maagschap; phylogonïo, f. geschiedenis van den slam of geslachl.

Phyma, u. gr. elg. gewas, van

phyei», voorlhrengen) Meil. leder gezwel; uitwas of harde vorlievenhcld, Inz. kliergezwel;— phymatisch, adj. gezwelachllg, gezwollen;

— phymatïon, ook phymatödos, n. een klein gezwel, klein ullwas, Imilije.

Physa lt;]( physiilis, f. gr. (v. iihysnn, blazen) elg. ademloclil, wind-, Med. eene blaas, blaar, wateriilaas; physagögum, n. pi. physagoga, nilddelon lot verdrüvlng der winden, z. v. a. cannlnailef; physa-lioton, m. pi. blaassiakken, kievitseieren, eene siakversleenlng; physalith, of p \\ ro p h y-salllh, m. elg. blaassteen, eene soort van topaas, die In de soideeriamp luclilhlnzen ontwikken ; physöma, n. of physosis, f. do opblazlng, opzelllng van ilea lillik door winden, de trommeiznelit; physöter, m. een blaasbalg; ook do spnitvisch, eene soort van wahlsch; physharmomka, f. een in IN21 door II an kei ii^ Weeiien, uligevon-den orgeiacblig speeiinlg, welks tonen door middel van metaloii longen worden voorlgebracilt door den wind.

Physcon, Physconia, z IMiyskon.

Physoma, enz. z. ond. pbysa.

Physiliter, m. gr. (van phHsix, naluur, en inlrns, de arls) een naliiurarls, die inzonderheid op de genecskraclil der natuur verlrouwt;

— physiatrïe, f. gr. (van plijsis en ialreiu, genezing) natuurgene/lng, beelkracbl der naluur;

physiatrisch, adj. zciflieeleiid; phy-siautokratïe (spr. lle=hie) f. (vgl. autokrat lo) elg. de zelfheorsehappü der natuur, do geneeskracht der natuur.

Physiek, phyaïka, f. gr. (iihysikc, van liliüsis, naluur, en dll van phyein, voortbrengen iaton groeien, telen) In \'1 algom. natuur-kunde, nalnnrweienscliap; doorgaans in enge-ren zin de weionscbap van de weiten en oorzaken der nalmirvei\'schijnseien, In zooverre deze niet van organische en clieinlsche gromikracb-lon afhangen, de naiuurleer; e x perl me n t a lo p by si ca, z. experiment; — physisch (gr. iihyxikds, c, (in), physiok, adj. naluur-iijk, zinnelijk, llcliameiyk, dierlijk, nlierlgk, ook somwijlen aardseli (in dezen zin gewoonlijk ph v-slek); overeenkomstig met de naiuurleer, daar-toe beluorende, naluurkundlg (in dezen laat-sten zm gewoonigk pliysiscli); physiek onmogelijk, wat volgens de iiatnurwoltoii niet uitvoerbaar is; pliysiscli beeld, hot beeld, dal door werkelijke wodervereenlglng der van éen punt komende ieruggoworpen of gebroken slralen ouislaal; physicus, m. lal. pl. physici, een naiuurkundlge, natuuronderzoeker; ook een door de overheid aan-gesioide slads- of plaileiands-geneeslioer; — phyalco-mathematlsch, adj. de naluur-en wiskunde tegelijk iielreilende, naluurkundlg mei wiskundige berekening; — physico-me-dicalisch, gr.-lai. naluurkumllg, met betrekking op de geneeskunde; physico-tho-ologiQ, f. gr. de natuui\'kuiiilige godgeieerd-lield of de leer van God, uil de verslandeiyke besciiouwing der naluur en bare doeleinden geput ; physico-thoológisch, adj. daarop betrekkelijk, daartoe beboorend; liet pliysleo-I lioologlsch bewys voor liet aanzijn van (lod, bel bewys voor Oods beslaan, dat uil de gesteldheid en ordening der dingen in de tegenwoordige wereld wordt genomen.

Physiogenie, z. pliysiogonio.

Physiognoom of physiognomist, m gr (van plijsis, naluur en ipiuinjii, kenner, beoordoolaar; elg. de naluur beoordeeleud of naar do natuur oorileeleiid, vandaar hei karak-ter dor inenscben naar zijne naiuurlijke vorming of zijnen lichaamsbouw en Inz. uil zijne gelaatstrekken beoordeeleud) een golaalkomier, gelaal kundige; physiognomio, hot nli-ziehi of aanzien van een inenscb, en In ruimer beleekenls ook van een dier, eone plant, een oord enz., ais uiidrukking der luneriyko gezondheid en weivaarl; Inz. de gelaatslrekken, gozlehisvorni, In zooverre die eene blyveade, naluuriyko gesleldlieid van den goesl uiidrukl; de geiaalsuildrukking; physiognoiniok, physiognornika, liever physiogno-momka of phy siognomonio, t. de ge-laalkiinde, verklaring der f\'Oliialslrekken of de widonschap om uil de trekken van bet aange-zlcht lol do eigenschappen van \'s menscheu


-ocr page 971-

PHYSIOGONIE

045

PHYTA LIE

Pteost on gemood, zün iiiuilcn onz. Ie besluiten, Kciyk zulks L a v a I e r hecfl hoproefd; — phy-siognomisch of physiognomonisch, julJ. Roluatkumllif, lot ilc Beliiulkunde lietrek-klng hobbondo; — physiognomisoeren lt;s|)r. s=z) /.Icb mot do gelaatkunde bezlgbou-don, don Kolaatkundtgo spelen of ulthangon; — physiognomist, z. pbyslognoom; — physiognosie, f. natuurkonnts, natuuronderzoek ; — physiognotype, n. of fr. phy-sionotype, f. eon nieuw uitgevonden werktuig tut spoedige opvatting der gelaatstrekken cn uitvoering van borstboeldon.

Physiogonio of physiogenïe, f. gr. (van physis, natuur on gineslliai, worden, ontstaan) do elgonlgko goscbledenis dor natuur ot do loer van bot ontstaan der natuur-, — phy-siograaf,m. oen naiuurbesebryvor; — phy-siogi\'aphie, f. de natuurbeschrUving; — physiographisch, adj. natuuiboscbiüvond; — physiokeramiek, r. (vgl. p b y sI og n o-typo) de kunst om modailionpórirotton naar pbotograpbiün te vervaardigen; physio-kratio (spr. 1=1.9] t de natuurkracht, bot vermogen der natuur; — physiokratisch, adj. de naiuurkraobt liotreffendo of daarop go-grond; pbysiokraliscb systeom, in do staatswetonsobap: liet leerbegrip, volgons welks grondboginseion de boogste bloei van den landbouw do oenigo bron van den rijkdom des volks is, welks zuivere opbrengst alzoo don Staat roebt geeft lot oone enkele belasting (grond-bolasiing); het draagt ook don naam van agrt en 11 nu r-sys t eeni; vgl. m er conti ei-systoom; — physiokraten of ajcono-m Is ten, aanhangers van dat siaathulshoude-iUk stolsel; physiokratismo, n. de wüs-georigo beschouwing, volgens welke de natuur do hoogste workondo oorzaak is; —physio-loog, m. (gr. physiológos) oen natuur- of 11-chaamsonderzoekor, eon kenner of onderzoeker der monscbeiyk-dieriyke natuur; — physio-logïe, f. olg. natuurleer (phy si ca), Inz. do natuurleer der dieren- en plantcnitchamon, vor-liandellng over do cd c o n o m i e dor dieren en planten, monschonnatuurloor of leer van do go-sieldlioid en inrichting van hot monschoiyko lichaam; ook do openlegging van de gosteld-boid en Inrichting dor matttscbappeiyko vorliou-dingon enz., van hot burgoriyko lichaam eoner stad enz., b. v. do physlologlo van Ani-sterdam;— physioiógisch, adj. tot de physlologlo beboorendo; physionomio, f. (vgl. n o m o s i) do loer of konnis dor natuurwetten; — physionomie, physio-nomisch, physionomist, on/.., liever p b y s 1 o g n—, z. onder p li y s 1 o g n o o m; — physiophïlos, m. oen natuurvriond, beminnaar der natuur; — physiophilosoof, m. een natuurwUsgoor; — physiophiloso-phïe, f. z. v, a. natuurpbilosoplile, z. aid.; — physioplastiok, f. do natunriyko vormvorvaardiging; - physioskoop, m. een werktuig, door hetwelk lovende wezens in over-VtBRDE IIIIUK.

groote afbeeldingen aanscbouwoiyk worden voorgesteld ; — physiosophïo, f. do natuurwys-beld; — physiosoof, m. oen natunrwyze;

— physiotoloológisch, adj. (vgl. teleologie) op de doelmatige Inrichting dor natuur borustondo; pbyslololeoiogisclio ge-loofsgronden, zulke, die uit de doelmatigheid dor natuur geput, dus o|gt; ervaring gegrond zyn; — physiotype, n. gr. z. v. a. physio not y po (z aid.)

physisch, z ond. pliyslok.

Physithosioton, m. pi. gr. aanhangers van Hallis, die omtrent do op de godheid toegepaste woorden physis en thesis afwy-kondo begrippen bad.

Physkón, m gr. (v. phi/skc, hot ondor-lyf mot den dikken darm) oen dikbuik, dik-pons; - physkonïo of lat. phyuconfa, f. de huikopzwelling, opzetting van het ondoriyf; In \'I algemeen; opzwelling van een orgaan.

Physocöle, f. gr. (van phS-ta, ■/.. aid.) z. v. a. pneumatocele; — physocopha-lus, m. Med. do hoofilwindzuchl, een wind-iioofd; — physocoelie, f. do trommelzucht, wlndbuikighoid; — physödes, z. v. a. om-physoma; — physomötra, f. Mod do trommelzucht dor baarmoeder; — physón-cus, m. hot windgezwel, incidgezwol; —phy-sospasmo, n. de trommoizucht, door kramp van de darmhuls veroorzaakt; —phy sospo-phïe, f. de met geruisch verbonden ontlasting van winden of van luchi; — physothörax, m. hot windgezwel der longen en dor borstholte.

PhytaliO, f. gr. (phylatia, van phylón, plaid, van phyein, voortbrengen, laten wassen, groeien) planting en pianttyd; — phytouma, n. (van phyteüein, planten) hol geplante, do plant; — phyteumakólla, f. plantoniyui, oone gomai\'htlgo plttntonstof; — phytousis, f. bot planten, zaaien; phyteutërion, n. oone boomkweokory; — phytobiblïa, pi. versteende plantenbladercn of biadafilrukkon; — phytobiologie, f. de leer van hot plantenleven; — phy tochemïe, f de plantonscbet-kundo; — phytochlorainon, n. z. v. a. chloropliylle (z. aid.); phytogeen, phytogonium, n. het plantenteionde, plant-vervvekkondo, do plantonstof; — phytoge-nisch, adj. uil planten voortgebracht of verkregen; phytogoographïe, f. do pian-ten-aardrykskunde, do wetenschap van de ver-spreiding dor planton op aarde; — phyto-goographisch, adj. die wolonscliap hoiref-fende of daartoe l)ehooreudo; — phytogly-phen, m. pl. stoonen met plantonafdrukken;

— phytognomoniok, phytognomo-nïka, f. do plantonkonnls, de wetonsehap om de planten en hare krachten naar hare uiter-lyke gesteldheid te hooordeolon; — phyto-gnosio, f. do natuuriyko geschiedenis der planten; — phytograaf, m. een planton-of gewasbesebryver; phytOgraphïO en phytologie, f. de plantenheschryving, plantenleer, gewas- of plantenkunde (boianika);

00


-ocr page 972-

PICA

946

PI

phytographiseh, adj. plnnlonbosclirU-vend; — phytolithen, m. pi planlonvorslec-nlnRonj — phytologie, f. phytogra-phio; — phytomórphen, m. pi. slecnon mot naar plantun gelijkende tookonlngen-, — phytonomie, f. do leer van ilen planton-wasdom, van do wetten dos plantonlovens; — phytonymie, f. do plantonhenoomlng; — phytopaleeographio, f. lieschiüvlng dor voorworeldlUko planton; — phytopatholo-gie, r. leer dor plantcnzlokloh; — phyto-phaag, m. oen plantonoter; — phytophy-iacïum, n. oeiio broolkas; — phytophy-siologie, f. do planlonnaluurloor; — phy-tosaurus, m. do plantonhagodls, cono aitgo-storvon hagodlssoort; - phytotheologie, f. do plantongodgoloerdhold, do loor van God nil do vorstandolüke bosohouwlng dor gowusson; phytotherapie, r. do planlonhoolkundo; phytotomïe, f. do piantonontloding; — phytotopologie, f. do loor van do stand-plaatsen dor planten; — phytotrophie, f. plantenvoeding; — phytotropie, t. do iilanl-verandorlng, do kunst oni planten to veranderen, Inz om zo door cultuur lo vorodoloa; — phytotypolithen, m. pi. plantoaafdrakkon op sleenon; — phytozöon, n. eon plantdier; — phyturgie, f. do planlontoolt, do kennis dor plantenkweeklng; — phytür-gisch, adj. daartoe liohoorende.

pi, f. grloksclio naam der letter p (it! II)-In do meetkunst (als atkorling van perip/iéreia) do verlioudlng van don omtrok eons clrkcls tot do mlddellUn = 3,IUS.... : I.

Piagaba, z. p 1 assa v a.

pia causa, f. lat. z. causa.

piacere, II. (spr. pialsjere = lat. placere) bevallen, behagen; — a of al piacere of «/ piaciménlo, ook onkel piaciménlo (spr. pialsji—) Muz. naar welgevallen, naar believen; z. v. a. lal. «(/ lihitum— piacernle (s|ir. piatsjéwole) of piacevnlménle, Muz. bevallig, aangenaam.

Piacülum, n. lal. (van piure, verzoenen, \\. pius, vroom) eon zoenoirer, verzoeningsmiddel ; — piaculair, adj. verzoenbaar, tor vor-zoealng dienende; — piatie (spr. I=s) f. (pi-nlin) de verzoening, zoen

Piadeh of naar fr. scbryfwljs piadét, f. lurk. (v. \'1 perz. piidah, oen voetganger, lakei) een snolroelond vaarlulg, oeno gondel; lurksclio sloep.

;)ia Uesiderta, lal. z, doslderlum; — piae memoriae, z. memnria.

piaffoeren, fr. (piaffer) lier stappen, van bel paard gebrulkeiyk, wanneer bet, zonder van de plaals te gaan, de voorscbenkels zoor boog ophofl en mol kracbl neerzol, lerwljl bel door de achterbeenen zich In evenwicht houdl, ook de spaanscho pas geheoten.

pia (raus, z. [raus.

Piali-pasja of piri—pasja, eene voorstad van Constantlnopel aan gene zUde dor haven. pia maler, ■/. ond. maler.

piamente. It. Muz. vroom, godsdienstig, nederig, ootmoedig (- oor Ie dragen).

piangere, pianuendo, pianuevnle, piannevol-mente, It. weencn, woenende, treurende; droevig, naar.

piano, 11. (= lat. plumis, a, urn, elg. vlak, elfen) Muz. zacht, zwak, stil; chi va piano, va sano, wlo zacht gaat, gaat veilig; — pianissimo (spr. —niés—), zeer zacht, b(J uitstek zacht of stil; — piano, n. z. v. a. piano-forte, z. f orto-p 1 a no; — pianino, f. of fr. piano droit (spr. —droa) eeae kleine plano mei op-waarlsslaande snaren; — pianist, m. en pianiste, f. een forle-planospoler of -speelster.

Pians, naam eener soort van venerische ziekte, In zuldwestelUk Afrika en op de Antlllon.

Piaristen of Piaren, m. pi. loer- of scboolmonnlkon, eene geestelijke orde in bet begin der 17de eeuw te Rome gesticht, welker leden zich patres scholdrum piilrum, d. 1. vaders van vrome scholen, noemen en de jeugd In de volksscholen om niet onderrichten.

Piassava, piagaba, f. eene van de Antillen komende, Inz. voor bezems gebruikte hles-soorl; ook een voor bezems, borstels enz. aaa-geweado vezelstof van eene zuldamerlk. palmsoort [Mtalëa [mi[era. Mart.)

Piasten, m. pl. eene oude familie van pool-sche regenten, afstammelingen van l\'iasl, die In de !»de eeuw uit een lagen stand tot hertog van Polen verheven werd; zyne nakomelingen regeerden lot i;istgt;.

Piaster, m. (II. piastra, d. i. elg. metaalplaat; nilil.lat. piastra) eene voormalige rekenmunt In verschillende landen en van verschillende waarde, b. v. la Halte = -2 gld. 14 lol \'2 gld. 114 ct.; la Spanje = i gld. 54 tot 4 gld. Ui cl.; In Turkije aanvankelijk meer dan I gld. sn ct., thans II ct.; vgl. gersj; -piastri-no, m. eene vroegere zilveren rekenmunt In Toscane, ongeveer lt;10 ct. courant.

Piatie; z. ond. p 1 a c u I u m.

Piatta, f. It. (van piatto, plat, vlak, verwant met hot gr. plalf/s, plat, breed) een plat vaartuig, zonder masten en zeilen, op de rec-don lol bel lichten van groote schepen gobrui-kelUk; — piatto, m. pl. piatti, (elg. een tafelbord) bekkens, In gebruik by de janltsaren-muzlek.

Piazza, f II. (spr. piri/ta: provenc. plassa. van \'1 lat. platia, plalêa, straat, broede plaats, gr. plateia, straat, v. plalys, plat, brood; vgl place) eeae openbare plaats, marktplaats, eene marktplaats la Italië; eene breede straat.

Pibroch, m. eng. (spr. pibhrok, v. \'tgaei. pinbaireachd, een muziekstuk op den doedelzak, v. piohair, een doedelzakspeler, v. pioh, do doedelzak) de strijdzang, krijgsmuziek der Derg-scbolten voor den doedelzak.

Pic, m. fr. z. v. a. plco; ook eene el, lengtemaat op verschelden plaatsen In het Oosten; z. pik.

pica, I (v. \'t lat. pica, de ekster) Med. belustheid der zwangere vrouwen naar dingen.


-ocr page 973-

PICADIL

PIÈCK

947

die men aiulors niet eet (naar de wijze der eksters),

Picadü, n, fr. (apr. pikadiel) ceel of don-korftroen «las.

Picadór, m. sp. cIk. de steker (van picar, steken) de met eene lans gewapende kampvechter te paard liy de stlerengevechton In Spanje-,

— picade, f. liet hakken van een weg door een maagdeiyk woud.

Fical, m. eene rokonmunt op de kust van Koromandel, omtrent !l cl. courant.

picant, z. piquant, oud. piqueeren;

— picanterie, /.. pi coterie, oud. pleeteer on; picarden, z. a dam la non.

Picaro, in. sp. (oud-it piccdro) een spitsboef, schurk, schelm; vandaar pica rise he roman, oen schelmen- of bedeiaarsroman, gelijk de Spanjaards Mendoza en Queveilo die leverden.

Picatie (spr. l=s) t. en picatum, n. lat. (van picare, met pik of pek, pix, bestrijken) eene pekpleister.

piréus, a, um, lal. Bot. pikzwart.

Piccante, in. It. (eig. scherp, stekend, van piccare, steken; vgl. piquant) eon Hal. wUn uit do omstreken van l\'avla.

Piccollétto of piccolét, m. Hal. wijn uit Frlnii en do omstrekon van (lürz.

piccolo, piccoHno, it. (van jiiccn, sp. pico,

spits, punt) klein; ......laar picoolo-fluit,

een kleine dwarsllait van lieldoren toon; piccolo, ook picciolo, m. eene oude rekenmunt, te Venelie = 1,5 cent, op Sicilië iels meer dan J cent.

Pichi of piki, nw.gr. {pèchi, spr. pichi, v. \'I oud-gr. pvchys, elleboog) do grioksche ei, sedert IKIIll = 1 meier = l,8i3 oude zoogenaamde kleine plkl (of endaseh) = l,i9S oude zoogenaamde groole plki.

Pichnainaz, m. pi. geestelijken liü de Perzon, ongeveer wal de imams bij do Turken zyn.

Picholines, pi. fr. (spr. pisjnlien\') olijven van do kleinste soort, ook ingemaakte olijven.

Pickles, pi. eng. (spr. pikkels; v. pickle

— pekel) in azijn Ingemaakte, sterk gekruide planlenspUzon.

Picknik of pickenik (fr. piquenique) z. piken 1 ek.

Pickpocket, in. eng. (v. piek, plukken, bestolen on pocket, zak) een zakkenrolder In Engelnnd.

Pico, m sp (It. picco, fr. pic, vgl. piccolo) elg. een spils; een booge, spitse berg, p 11\' k.

Picol, z. pi kol; — picoleto, z. pic-coleto; — pico tago, z. oud. pl co toeren.

Picóte of picótte, f. (waarsch. van \'I fr. picoter, z. picoteoron) een anjelier mot Eenkleurige zachte zUstropon aan den rand der bladeren, op een willen of geien grond. Heslaan deze zyslrepon niet uil eene enkelvoudige, maar uit verschillende kleuren, dan heet de bloem een plcol-blzard.

picoteeren, fr. (picoter, van piquer, z.

piqueeren) steken, prikken; plagen, beethebben; door middel van hel pIcotoory/,er in do houton platen voor de katoendrukkerU stiften zetten, om daarmede lijne punten op te drukken; — picotago, f. (spr. pikntaazj\') een uit enkel lijne punten beslaande grond van een teekenmodci; — picoterio, f. (niel, geiyk men doorgaans hoort, pica nier ie) stekelachtige rede, hekeling, plagery, twist om kleinigheden; — picots, pl. (spr. pikó) lijne punten, puntjes, tandjes aan kantwerk; smalle garenkant.

Picotin, m. fr. (spr. —teh; elg. verkiw. van picol, lioomstomp; panthanior, v. picoter, prikken, steken, z. picoteeren) een niaalje, eene franscbo maat haver, de hoeveelheid haver, die men hel paard doorgaans op eenmaal geeft.

Picrine, picrinozuur, z. pik r—.

Picro -, z. pikro—.

Pictographie, f. lal.-gr. (v. \'I lat. pictus, geschilderd, v. pim/ëre, schilderen en urnphein, schryven) de scbryfschildcrkunsl, de kunst om leder bandsclirift en eiken afdruk sneller dan door de boekdrukkunsl te vermeerderen; de kunsl om te drukken zonder telkens zwart op te dragen; — pictotnaan, m. een schilder-vriend zonder talent, schllderyengek; — pic-tomamo, f. de overdreven zucht voor schll-deryen; — pictüra, f. de schilderkunst; het schilderwerk.

Picus, m. lal. (elg. de specbl, die hg de Ouden als een voorspellende vogel gold) een oud-Hal. profellsche boscligod, zoon van Sa-turnus, vader van Kaunus, die door Circe, wier liefde by versmaad had, In eenon specht werd veranderd.

Pie, eng. (spr./wi) 1) paslei; -2) ook pice, oostlndlscho kopormnnl = ^ anna - - 1 ^ comp. ropy = Iels meer dan J cent.

Pió, m. sp. ifr. pled, van 1 lat. pes) de voet; een voet ais lenglemaat, voor 18quot;)2 de grondslag van de sp. lenglematen (van 1*2 pul-gada\'s, elk van li linea\'s, die eik li punto\'s hadden) = n,jquot;!i M

Pièco, f. fr. (s|ir piè\'ss\' = 11. pc,z:a, pezzo, provenc. peza, pessa, mld.lal. pecia, pechia, petia, petium, v. colt. oorspr ; wallis, peth, m. een ding, iels, een deel, armor, pez, pech, m. eon sink, een deel, gaol pios, m. een sluk, lap) een stuk, geidsluk; een sluk geschut ; een looneelsluk; een muziekstuk, een nummer van een concerlprogramma ; klein geschrifi, los blad, vlugscbrifl; eon gerecbUdljk bewyssluk; een kamerlje, kalilnel, vertrek, b. v. eene woning van 12 pieces, van li vertrekken, — pi6ce d liroir (spr. —tiroar) elg. een schuiiladesluk, een onsamenhangend looneelsluk, waarin men meer de uitwerking van enkele tooneelen, dan de eenheid der iiandeiing op bet oog beeft gehad; vgl. comedio;—piècette, f. fr. (verkiw. van pléce: sp. pezela, ■/.. aid.) eene oude spaansche zilvermunl = i realen of ruim IH cents.


-ocr page 974-

PIGNUS

948

PIED

pied, in. fr. (spr. iijé: van \'I lal. pes) do voel; ook do grondslag van do oude fr. leng-temaat {pied du roi, spr. —rod, konlnkiyko voet) = 0,325 M.; — ó pied, Ie voel; pied a tern, m. oplrek, oplrokjo, kleln vorliiyf, klelno woning, die men ergons heefl, cm or nu en dan korl lo vertoeven; — pieds-courts, pi. (spr. pjé-koer) fransche lluwoelaclillge meiiliol-stoiroH; — piedostal, n. fr., pedestal (d.l. pied-eslal, van pied en e.ilaler, Maler = stellen; vgl. o t a I o e r o n; It. piedestdtlo) het voetstuk, voetgestel van ceno /.uil, van eon standbeeld.

Piéde, in. It. de oude Hal. voet. In Sar-dlnli! (p. liprandn) = 0,514 M.; te Milaan = 0,i:i3 M.; (e Venelle = 0,348 M.; le Komo = 0,2(18 M.

Piek, z. pi co;—piek, r. (fr. pique, up. en port, pica, it. piccavgi. pikoeren) do spies, lans mot een langen steel of scliaft; — piekenier, m. (fr. puiuier) een spies- of lansdrager.

piéno. It. (= lat. plenus, a, um) Muz. vol, volstemmlg; pieno óri/ano, mot volle werk; con suono pieno, met vullen toon; coro pieno, vol koor.

Pier, in. eng. op pijlers rustende lm vendam, steiger, liaveniiootd; — pierhead, n. (spr. —Zied) oinde, kop van don liavendam.

Pieriden, f. pi. gr. {Pierides) benaming der Muzen (z. aid.), als dochters van l\'lë-ros, of naar den haar gew(|den herg Pier os In ThraclB.

Piéro, m. It. naam (= fr. Pierre) z. v. a. Pieter; op hel 11. tooneel: de rol van den onnoozelon bediende (vgl. pierrot).

Pierrier, m. fr. (spr. pjirjé: van pierre, steen) Mil. een steenstuk, klelu kanon op de galeien enz., om steenen te worpen.

Pierrot, m. tr. (spr. pjérró: verklw. van Pierre, Pieter) elg. Pietje; do onnoozele, altijd gefopte, vaak afgeroste hansworst van \'I fransche tooneel (vgl. harlekijn).

Pióstrum, n. gr. (piéslron) een werktuig om de lioofdbeenderen eener doode vrucht te verbryzelen.

Piëteit, f. lat. {pittas, van pius, a, um, vroom, nauwgezet, plichtmatig) do vroomheid, godzailglield; ook kinderlijke liefde, liefdevol aandenken, dankbare liefde en onderdanigheid jegens ouders, weldoeners enz., inz. overledene; Ital. piëta, ook eene voorstelling van het lyk van Jezus, dat, van \'I kruis genomen, op den schooi der moeder rusl en door haar beweend wordt; piété, f. fr. ■/.. v. a. p IB t e 11; — mant (spr. moti) de piété, lombard, lommerd; — pietist, m. nw.lat. [pietista) een fijnvrome, fljnman, schynlielllge kwezel; In de lulherscho en gerefonn. kerk (sedert Spon er Itnfl) eene socle, die bijzondere samenkomsten lol oefeningen der vroomheid houdt; een pilaarbgter, bld-broer; - piëtisterij, f. of piëtisme, n. fijnvroomheid, kwezelarij, wonderbekeerlngsge-loof, de neiging om don godsdienst \'gt; door het gevoel op te vatten, als ook de zucht lol bUzondero, geheime vroomheids-oefeningen; cenc ziekelijke godsdlensllnrlchllng, aan welke de men-sclielijke naliiur als geheel verdorven en al hei door menschen verricht wordende goede als een werk van onniiddellUko goddelijke genade ver-schijnt; —piëtistisch, adj. Iljiivroom, kwezelachtig;-pie/oso (spr. s=z) it. Muz. vroom, slalig, plechtig, medoHjden opwekkend; — piëus, adj. (fr. piëta:, lat. pius) vroom, enz. z. pius.

Pieter, Poter, in. (v. \'1 gr. Pitm, een steen, rots) inansn.: rolsman, onwankelbare, bestendige; verklw. Piet,Pietje; — Pietje, ook de naam eener voorin, nederl. zilvermunt, een zevend\'halfje = 325 cent; 1. ook pit is;

Peter-Simonswijn, eene soort van sp. wijn, uit druiven van den KUn gewonnen, dio een Hollander, Pi 0 ter SI mo 11 sz, naar Spanje bracht; — Petronélla, gem. Pieternél, vr.niiain; de rotsvaste, bestendige; - Petro-witsch, rass. z. v. a. Peters zoon;—pieterman, 111. eene zekere soort van zeevlscli {Trachinus draco).

Piéton, 111. fr. (spr. pjelóii: voor piedon,

II. pedone, van \'1 fr. pied, lat. pes, genii, pedes, voel) een vooiganger.

pieloso, plëus, z. end. piëteit.

Piezometer, m. gr. (van piédzein, drukken) de drukmeter, een werkiulg tol meting van de sameiidrukbaarhold der vloclstolfcn.

Piffero, m. en piffera, f. it. (spr. pie(—\\ pi far 0, ook pifara, v. het dullsch pfeifer, lluii-speler) Hult, dwarsllull, ook een dwarsilailspe-ler; ook een orgelregister-, — pifferino, 111 een dwarsllulije; — pifferari, pi. püpers. Heden met Huil en doedelzak.

Pig, 11. eng. de big, hel varken-, ook een blok ruw ijzer.

Pigeon, n. fr. (spr. piijóh, oudfr. pipion, provenc. pyon, it. piccione, v. \'1 lat. pipVo, een jonge piepende vogel, een duifje, enz., y.pipire, piepen) de duif; eene soort van lijnen appel; ook eene soort van fransch papier; z. ook gorge de pigeon; — pigeonnet, m. fr. (pizjoné) de drulvenappel; - pigeonnier,

III. (spr. pnjonnjé) een duivenslag, duivonliok.

Pigmeën, z. iiigmicën.

pigmént, n. lal. (pigméntum, v. pinqtrc,

schilderen, malen) verfstof, verf; kleur, blan-kelsel, bestryksel; adjecllove pigment en, verfstolfen, die, om op doek ie hechten, een bülmlddel noodtg hebben ;substan lieve pigmenten, zulke, die onmiddeilUk op hel doek hechten; — pigménlum indXcum, n. z. v. a. Indigo; — pigménlum nigrum, n. hel oog-zwart, aan de hlnnenvlakte van het adervlles des oogs-, — pigmontooren, nw.lat. verven, blankotten.

Pignóle, f. 11. {pignólo, m. spr. pienj—), z. v. a. p 1 n 1 e, z. p i n I ë n.

pignus, n. pl pignöra, lal. een pand, onderpand; pandverdrag, pandrecht; pignus imperii, een ryks- of regeerlngsonderpand; — pigno-


-ocr page 975-

PIGRAMENTA

PILOOT

049

roeren (lat. pinnorari or pignerSii), vorpan-den, Iels tol pand nomen of geven; — pig-noratie (spr. I=ls), l. (pignoraiïo) de vcr-pandliiK; — bonu pignoratitta, z. oud. honus-,

— pignoratief, adj. uw. lat. piindsgewU»;

— pignorator, m. lat. cimi pundneiner.

pill ramen la, It. Mnz. lauw, koel, traaf?; —

(con) ingrizia, (mot) lauwheid, koelheid, traagheid.

piis manïlius, ■/.. ond. plus.

PijP, f- (sp. en port, pipa, It. pippa, wo-fiens do hulsvormlKO gedaante) oen lang smal vat ter verzending van wgn en olie, Inz. In Spanje en Portugal; een maat voor natte waren (pipe, spr. paip) In Engeland (ook hutt gehooten) = H74,\'illl L. (vgl. tun); een voormalige maal voor natte waren in Spanje = ongeveer 43i L., In Portugal = !iO\'2 L., op Madera = 410 L.; — pijphout, n. in don houthanilel: eiken staathout of dulglioul Ier vervaardiging van püpen en andore valen.

Pik, m. turk. piki, nw.gr. de el, een tot 1S71 in Turkije en nog thans in (Iriokonlaml gohrulkte lengtemaat; vgl. plehl, end a sell en h i\'i Ie hl; — z. ook ond. plqueeren.

pikant, z. piquant ond. plqueeren;

— pikanterie, z. p 1 e o t o r 1 o en |) 1 q u n n-terie.

Pikeniek, m. (fr. piquenlque) een gemeen-schappeiyke maaltyd, waartoe ieder deolneinor bljdraiigl, een liolje-liy-iiotjo.

Pikót, z. piquet, ond. plqueeren.

Pikol, pikoel, n. malolsch (van pikoel, dragen; een lasl) een handelsgewicht In Aoh-ter-lndli), de Soonila-oilandon, China, enz. = 100 ka Ill\'s = 00,!) tot 01,8 kilo, doorgaans op 00 kilo gerekend; vgl. ook tan.

Piki\'ine, f. gr. (v. pikrós, n, lt;in, hittor) een eigenaardige hittere stof uil de Dlgllalls purpurea = d I g 11 a 11 n o; — pikrinezuur, n. ook pikrine-salpeterzuur, nitro-phenylzuur, n. kooistofstikstofzuur, hitlor-zuur, oono gele bladorigo, krlslalllnlsclio, licht ontplofhare verfslot, samengesteld uit indigo, toer, salicino, enz.; vgl. kali pik raat; — pikroeholisch, adj. gr. (v. pikrós, hilter en cholós, gul) hiltergalllg, opvliegend, driflig;

— pikrochólos, in. oen giilzuchlige; — pikroglycion, n. (van nlukm. zoel) het hitterzaot, eene eigen stof van den hitterzool-stengei (van Solatium dulcamura) - pikro-lichenine, f. korstmoshittor, een uil de /\'«-riolarm amara door verdampen van liet alcoholische aftreksel der gepulveriseerde kostmos-son verkregen slot; — pikrolïth, m. idt-torsteon, oono variatie van don serpent (in;

— pikromëli of pikromél, n. de hit-terstof, galstof, oeno hyzondore stof In de osse-gal; — pikrotoxine, f. (vgl. toxicum) hol lilttorglft, een eigoniuirdlg Imslsch planton-vormend doel in do kokkelskorrels (van Meni-spérmum cocciilw).

Pikul, z. pikol.

pita, f. lat. een hal, speelbal; Med. oen hal of bundel van pluksel; — pilac marinae, jii. in ile IVIidilellandsche zoo: door de golven sa-mengerolde hullen uit de vezels der gestorven Posiilonfa oceanïca, een zeegewas.

Pilaar, m. (v. \'I lat. pila, sp, pilar), een pUlcr, oen stounzull; — pilaar-dollar, m. spaanscho dollar; In onze Wesllndlscho ko-ionicn vastgesteld op i gl. SO cl.; — pi-lade, f. pi. piladen, nw.lal. bouten py-lers in \'1 midden der ryhaan, om welke men paarden aan de Ion ge of lange lelreop laat ronilloopen; — pilaster, m. (fr. pilaslrc, sp. pilaslra) een vierkante pilimr, kantige of hoekige zuil.

Pilatus, lat. (van pilum, werpspies) fr. Pilatre, mansn.: de met eene werpspies gewapende, krygsbaftlgo.

Pilau of pilaw, n. perz. en turk. (porz. piliw) rystmoos, eene geliefde spys der Turken en andere Oosterlingen, rysl in vleoschnat gekonkl, waarover gesmolten boter wordt gegoten.

Pilchard of pilcher, m. eng. (spr. pillsjerd, pillsjer) een naar den haring geiy-kende vlsch, die Inz. aan de zuidkust van Engeland gevangen en even als de baring toebereid wordt (Clupea finlu of pilchardus).

pileus, mij. lal. {pilosus, a, urn, pi/us, het haar) boliaard, harig; — pilositeit, f. nw.lat. de harigholil, riilghcld.

pilcus, in. lat. de hoed (In do Med. en Bot.);

— pilehla major, f. (van \'t lat. pileatus, a, urn, mot oenen bood voorzien) Mnz. oono « lot Iflvoets-orgolstom; pil. minor, zulk eene van 4 voet.

pilleoren, fr. {piller, spr. pi-Ij—, v. \'1 lal. pilare, cxpilarc, enz.) plunderen, rooven; — pillerie, f. (spr. pi-Ij\'rie) do phmdoring, be-rooving, afpersing.

Pillory, n. eng. (spr. pilleri-, mld.lat. pi-lorium, van het lal. pila, pilaar) In Engeland de kaak, de schandpaal, hel halsyzer; — fr. pilori, ni. in Zwitserland; do sehandsteon;

— pilloreeron (eng. lo pillory, fr. pilorier), aan de kaak stollen.

pillow, ii. eng. een hoofdkussen, peluw; — pillows, pl. (doorgiians gehoord als p 11 o) eene geschoren stof van iialf linnen en half katoen.

Piloot, m. (fr pilole, 11. pilnlo, pilola, waar-scnyniyk van germaanschcn oorsprong; vgl. hot noilerl. pollen, do diepte moten, on lood, peillood) een stiiurman, loods, loodsman, wiens taak bel Is om door zyne kennis van de havens en de omliggende slreek den uil- en bin-neiiloopondon schepen den weg te toonoii; IN. II. een kleine vlsch, die den haal vergezelt en hem naar z.ynen luilt schynl te geleiden [Ccn-Ironólus of Naurrdtes duiior); — pilotee-ren, fr. (piloier) loodsen, schopen over en door gevaarlgke plaalson te brongen; Arcb. holen, palen Inslaan; — pilotage, f. (spr. —ladzj\') hel loodsgeld, loodsloon; Arch, bel paalwerk, inholon der palen, h. v. tot den grondslag van oenen waterbouw; — pilotiden, pl. de ah-


-ocr page 976-

I\'lLOSiTKIT

950

r

PINIKN

str ucton of ah ré gés in een orgel, smalle latjes, lt;llu aan lt;le klavieren van hel orgel vastgehaakt zyn, en naar de welhorden en windladen loopen, om liij liet noderdrukken der loel-sen de ea ncel-v en t llon Ie openen.

Pilositeit, z. ond. pi Ie us.

pihila, f. pi. pih/hic, lal. verklw. van pita, i. aid.) pillen, halletjes.

Pilum, ii. lal. do werpspies van het oud-romeinsche voetvolk.

Pimelith, in. gr. (onjuist gevormd van pimelê, vet, en lithos, steen) vetsteen, groene ehrysopras-aarde, eene uit nikkel, kiezelaarde, enz. hestaaiule steensoort; — pimolorrhooa, f. Med. een ziekelijke velafgang.

Pimént, n. fr. (sp. pimienln, peper; mid. lat. piqmenlum, kruiderij, kruidonwUn, lal. verfstof, kruldensap, en vandaar iets spocoryaehligs of geurigs; vgi. pigment) Jamaïea-peper, won-derpeper, speccrgmengsei, de onryp gedroogde, zwarthruine en kruidige bezltin van de Myrlus pimeula in O. Indie; — pimontolie, f. eene daaruit hereide iethéflsche olie.

Pimpeltje, n. Mar. maatje drank; vandaar pimpelen, met kleine teugjes drinken, pooien.

Pimpernel, z. p lm pi nolle.

Pimpernoot, f. (van \'i hoogd. pimpeln, klapperen) elg. de klappernoot, z. v. a. pistache (z. aid.).

Pimpinélle, f. (nw.iai. pimpinello, mid lal. hipinnella, bedorven uit bipinnüla, i\\. i. duii-hel gevederd; doorgaans ook pimpernel,fr. pimprenelle) eene als geneesmiddel gehrulkle plant met eenen wortel van scherp hrandenden smaak (hevornél); ook eene soort van keik-blocm, een goed voederkruld; de pimpinel-roos, pimpernelroos, eene soort van laagwassende rozen-, — pimpinellifolius «, urn, lal. Kot. pimperneihladerlg.

Pimpleiden, f. pi. gr. naam der Muzen, naar de geheiligde hron en hergstad I\' i in p 1 a of IMinploia, in \'t macedonisch landschap Pleria.

Pinakotheek, f. gr. (v. pinax, m. lafel, tafereel) eeue verzameling van schilderyen, platen, heelden, enz., een kunstkahinet, museum, inz. de aldus gohoeten kunstverzanieling te Munchen.

Pinang, maieisch, z. v. a. a re ka (z. aid.).

Pinas, n eene oosiind. slof uit boombast of uil de vezels der ananas-bladeren, (/ie ook \'I volgende woord).

Pinasse of pinas, f. fr. (sp. pinaza, It. pinassa, pinima, eng. pinnace: v. \'t lal. pinus, fr. pin. pynhoom, schip van dennenhout) eene soorl van sloep (z. aid.) met ten minste lt;i riemen; ook een lang, smal Jacht of postschlp (korvel), mol plat achlerdeel en riemen; voorts een klein Iweemaslvaarlulg, ongeveer als een schooner betakold.

Pinaster, in. lal (v. pinus, pUnboom) de gemeene demieboom of pynhoom.

Pincé, fr. (spr. pcusé .■ van pincer, kny-pen) Muz. mei do vingers geknipt (op snaarinstrumenten); — pince-nez, m. (sp». pems\'né) de knupbrii; — pincétte, f. fr. (spr. peiisélt) de haarlang, het nypertjo, eene kleine tang der wondbeeiers.

Pincérna, m, lat. de schenker.

Pinchbeck, n. eng. (spr. pintsj—) een metaal, dat het goud nabootst, geelkoper, p I n s-hek, een gemengd metaal, geiykende naar hel prinsmetaal, similor, enz., uil koper, iin en yzer bestaande, en zoo geheeten naar don uitvinder I\'1 n cli iioc k, een eng. werktuigkundige uil de 18de eeuw.

Pincher, m. eng. (spr. pintsjer; van lo pinch, knypen) eene soort van eng. iionden met scherp gebit.

Pincops, pi. eng. op de klossen dor spinmachine opgewonden kaloen garen z. pinkops.

Pindarees, ni. pi. eng. (spr. piniieries), d. i vruiiiiilers, naam der roovorhenden te paard in britscli O. indie, welke in IStti overwonnen en verstrooid zyn.

pindarisch, adj. in den smaak van IMn-darus, een uitstekend gr. lierdichter (gesl. 441 Jaar vóór dir.); hoogdravend, gezwollen; — pindarisme, n. de navoiging van den pin-dariscben siyi; — pindariseeren (spr. s—z), idoeinryk, opgesmukt spreken, verbeven, dicb-loriyko uildrukkingen gebruiken.

Pindus, m. gr. (Pindos) een Muzenberg, de aan Apollo en de Muzen geheiligde iierg in \'tonde Griekenland (tegenwoordig Mezzovo)

Pinée, f. fr. de eerste en beste soort slok-vlsch.

Pineolen, pingelen, z. ond. plnien.

Piney-talk, f. (eng. piney-laltow) een witgeel, aangenaam riekend pliinlenvet, van Valeria inih\'ca.

pingue remedmm, n. lat. (v. pinf/uis, pingue, vet), z. ond. re medium; — pingufor emlor, m. een vetter, d. i. een heler kooper; — Pinguecula, f. nw.iai. Med. een velvlies in bet oog; — pinguin, f. N. II. de vetgans, een zwemvogel in Afrika, Amerika en Xuid-IndIS; — pinguïet, n. de vetsteen, oen niel-kris-tallinisch, uil kiezelzuur, yzoroxydo, yzeroxydui en water bestaand mineraal.

Pinhoën-olie, f port. eene sterk buikzuiverende olie uit Brazlllft, waarseh. uit de vruchtpittcn der Jalrupha mulliflda.

Pinie, f. pi. iiiniCn, z. aid.

Pinlek, pinïka, f. gr. (v. pinein, drinken) de drinkieer, leer van bel drinken; — pinisch, adj. lot de drinkieer behoorende (iron, gevormde woorden).

Piniën, pingelen, pi. (fr. pignons, spr. pi-njóit. van \'t lal. nux pinra, v. pinus, pynhoom) de zoele noten van den piniepynbooni [Pinus pinca) in /. Kuropa, die in smaak en grootte naar amandelen geiykeii; — piniólen of pineólen, die vruchtkernen der plnien, plnle-noten; — pinine, f. nw. lat. het dennenhars; — pinine-zuur, n. donnenhars-zuur, een heslanddeel van \'l koiopboniiini.


-ocr page 977-

PINK * 951 PIQUE Kil EN

Pink, f. (ciik. pink, fr. pinque) oen plat, Kroot vriichtsclilp, met tang en Iiook acliterdcel; In de Oostzee een driemaster met razeilen, dat van onderen tamelUk scheef gebouwd en van acbteren hoog Is; een miss. oorlogschip met is tot ii zesponders, algemeene naam dor vlssehers-vanrtnlgon aan de nederlandsche kusten; ook eene jonge koe.

Pinkops, f hU wevers; overgohleven katoen, dat niet verwerkt kan worden; poetska-toen; vgl. plncops.

Pinkster, pinksteren, n. (van \'t gr. pentccostc, sell, kimera; d. 1. de vUftlgste dag, n.l. na paschen) hg de oude llehriBön het feest van den oogst; hy de Christenen het feesl der ultstorlliig van den li Geest.

Pinkzout, n. (van eng. pink, lichtrood) ammonlum-zlnkchlorlde, een In katoendrukkerijen als hUtmlddel gehrulkt krlstalllnlsch poeder.

Pinnace, eng. (spr. pinnees), z. v. «. p I-nasse, pinas.

Pinnacidïën, pl. de vizieren of kykga-ten op de lineaai van eene meettafel.

Pinnant, penant, m. een inuurstgl, tussehennuuir.

pinnalus, a, urn, lat. Bot. gevind; — pin-nati/idus, Bot. vlnspletlg of vindeelig.

Pinnieten, m. pi. versteenlngen eener soort van lange spllse schelpdieren.

pinnipêden, pl. lat. (van pinna, vin en pis, voet) vinvoelers, vindleren.

Pinoline, f. harsolie om te hranden.

Pinsbek, ■/,. p I n c h h e k.

Pint, f. (fr. pinle: sp. en port. pinlu, eng. pint, een teeken; vochtmaat) eene oude nederl. vochtmaat, i mengel of \\ stoop; ook eng. (spr. pinl) eene Kngelsche maat voor droge cn natte waren = 0,508 liter (vgl. quarter en tun); — pinta, f. 11. eene voormalige vochtmant in Italië; — pinte, f. fr. (spr. pén/\') eene vroegere vochtmaat In FrankrUk — o,(i;il L., de thans nog in den groothandel gehr. pinte = 0,»SI L.; — ook een kroeg, knip.

Pintados, m. pl. sp. {pintado, geschilderd, van pinlar, schilderen) geschilderde of gedrukte katoenen of linnen stolTen.

Pinte, z, p 1 n t,

pina-il, lat. (van pingüre, schilderen), ufgek. pinx., hg heeft het geschilderd (op schliderUen hy den naam des schilders).

Piómbi, m. pl. it. (van den sing piombo — lat. plumbum, lood) loodslukken; looden daken, h. v. aan de voorin, kerkers In Venetli).

Pion, m. fr. (spr. pióii: elg. oen voetganger, provenc. peon, pezon. It. peilone, v. \'I lat. pes, geuit, pedis, voet, fr. piert) do looper of hoer in liet schaakspel; eene schyf op het dambord; — pionnier, m. oorspr. een voet-soldaat; een schansgraver; een woglmnor; — pioneers, m. pl. eng. (spr. paionién) de schansgravers of weghaners, In N. Amerika de eerste kolonisten In een nog ongebouwd gebied, die den later kotnendon als \'I ware den weg banen-, — pionneeren, fr. in het schaakspel ; boeren nemen; ook schansen opwerpen; den weg hanen.

Pipa, f. (Inhoomsche naam) de surlnaam-sche schildpad; z. ook p ij p.

Pipala, f. oostind. (ptpaf, in.) de heilige vUgehoom [Ficus religiusa) In Indie, ook as-watt ha gelloeten, en de vrucht daarvan.

Pipe, ■/.. pijp-, pipétte, f. fr. pijpje-, oene in \'t niiddon lot oenen bol ultgehlazen glazen huisje om vloeistoffen, die op andere dryven, oji te zuigen en weg te nemen; een proefglaasje, trechtertje, pipet; een steokhe-veltjo of kleine wynkooporspomp.

Piper, n. lat. peper-, p. album, wille peper; p. (Blhiopicum, lethloplsche peper; p. ja-maicense, Jamaïca-peper; p. longum, lange peper; p. nigrum, zwarte peper, — piperine, f. nw.lat. (van \'t lat. piper, peper) de peperstot, eene bijzondere slof, eene kristahichtige zelfstandigheid in de zwarte peper; — pipe-rinen, f. pi. pepermunlhlaadjes of -koekjes; -- piperlno, m. il. ■/,. v. a. peper I no (z, aid); - piperitis, f. lat. po per kruid.

Piperie, f. fr. (van piper, d. I. elg. vogels met de lokllult lokken, ecu klanknuhool-send woord = pie |i e n) hedriegory In het spel;

— pipeur, m. een valscb speler.

Pipetto, z. onder pipe.

Pipeur, z. ond. piperie.

Pippin, eng. z. pippeling.

Pipot, in. fr. (spr. pipó) oon fust te Bordeaux, iuz. voor honig.

Pippeling, pipping, in. eng. (pippin, v. pip, punt, plekje, wegens de gevlekte schil een zeer kruidige appel; inz. In Engeland.

Pipris, f. sloep van de Mogers aan de kust van Guinea en aan de Groene-Kaap.

Piquenique, z. pikeniok.

piqueeren of pikeeren, fr. ipiquer-, vgl. ons pikken, steken, prikken) tot toorn prikkelen, bcloedlgon, helgen, krenken, gevoelig trelfon; — fjoplquoerd zyn, gevoelig beleo-digd zyn-, zich piqueeren, zich eene eer uit Iets maken, trotsch, tier op Iets zyn, zich Inhoolden, laten voorstaan op iets; —piqueeren, f. of picceeren, (itai piccare) Muz. op éeiien streek mot den strykstok vele op elkander volgende noten zeer kort afstooten ;

— piquant of pikant, adj. stekend, prikkend, hytend, prikkelend, scherp, puntig, stekelig, Irelfend, raak; plquante saus,scherpe saus; — piquanterie, f. z pl coterie; ook wel voor horoops-, amiiachtsjaloezle, brood-nyd, wangunst (de fransche laai heeft hot woord niet); — pique, f. (spr, plek\') de hoimeiyke haat, hodekto nyd; eene pique (een pik) 0|i Iemand he bh on, hol op Iemand geladen bobhen, hem niel genegen zyn, enz.; ook voor spies, z. piek; nog in het kaartspel: de kleur, welker toeken liet yzer eonor plek Is, schoppen; — pique-madrille of-medrille, n. een soorl piketspel; — piqué, n. (spr. jiiké) eene katoenen stof, welker weefsel gestikt schynl te z.yn, voor vesten enz., met in-


-ocr page 978-

PIR . 952 PISTOLE

(tewoven piUronon, fr cotiin piqué, clu. quiltin k genoemdj — als adj, geslikt, gestoken; — piqviet, n. (spr. pikét) Mil. eene vehlwaclit, iegcrwaclit, een troep soldaten (gewooniyk 30 man), om den vyand gade tu slaan en eene onverhoeilscho ovei\'rompoling te voorkomen; een bekend kaartspel tusschen twee personen niet 32 hinden; ook eene voorin, fr. Inhoudsinaat, ongeveer = () liter; — piquétton, pi-kétten, liet genoemde kaartspel spelen; — piquétte, f een geringe, slappe, zure wün In don fransclien handel, wün van de tweede persing; — piqueur, m. een Jager te paard; jachtkneetit by do partoreo-Jacht; ook een voorryder; beryder, paarden-afrlchter, paarden-dresseerder-, ook wel Iron, een meisjesjagor, liefliebber van vrouwen, enz.; — piqure (spr. kuur\'), In den handel met ruwe bulden: wonn-stekigbeid; al naar den graad onderscheidt men; eerste, tweede, dorde piqure.

Pir, m. turk. de oude (Inz. ais eoretitel).

Piraat, m. lat. [piruta, gr. peirules, van peiran, beproeven, zyn geluk beproeven, op avontuur of bult uitgaan) een zeeroover; — piraterie, f. fr. de zeeroovery-, — pira-teeren (fr. piraler), zeeroovery dryven, roo-ven; — piratisch, adj. zeorooveracbtlg, op zeerooverswüze.

Pirasjki, z. onder pi roggen.

Piri-pasja, z. ptall-pasja.

Piróggen, pl. russ. (slng. piróg) een gebak met gehakt vleesch gevuld, eene pastei; — pirasjki, pi. (russ piroshki) kleine vieesch-gebakjes of -pasteitjes.

Piróguo, fr (spr. pirng\': sp. piragua, eon oorspr. amorlk. woord) eeno prauw, een roeischuitje der Indianen In /.. Amerika, uit een ultgeboldeii boomstam vervaardigd, z. v. a. c a not.

Pirol, z. bul o w.

Pirouette, f. fr. (spr. piroe-él(\'; elg. het draairadje, van pieil, voet, en roue, rad, dus rouelle, radje, omdat bet op een spil ais op een voet staat) In de danskunst: de kringdraaiing, draaisprong, omdraaiing op den hiel van tienen voet; In de rykunsl: eenesoorlgeiyke zwenking van een paard, zonder van plaats te veranderen ; — pirouetteeren (fr. piroueller), zich in eenen kring omdraaien, eene cirkelzwenking maken.

pis-uller, n. fr. (spr. pi-zalté: v. pis, erger, te pis, het ergste, en aller, gaan), het mislukken, het ergste geval ; ook iets dat men neemt by gebrek aan iets beters; — au pis aller (spr. o—), In het ergste geval; als alles mislukt.

Pisang, f. malelsch, de paradys- of Adams-vygeboom, een pronkgewas In Azie, Afrika en West-lndie, vgl. banaan; — de pisang-lijstor, eene amorlk. lyslersoort.

Piscatie (spr. I=ts), f. later lat. {piscaCto, van piscari, vlsschen, van piscis, m. do vlsch) de vlschvangst, vlascberlj; — piscatörisch, adj. (lat. pismlnnus, n, urn), de vtsschery be-treltend of daartoe behoorend; — pisrem mtare doces, lat. gy loert een vlsch zwemmen, d. I. gy zegt of doet iels dat men al weet of kont;

— piscicultuur, f. nw.lat. do kunstmatige vischteelt of vermenigvuldiging der vlsschen; — piscina, f. lat. oen vlschvyver, eene viscb-kaar; priesterwasclibekkeii in kerken; — pis-civórisch, adj. nw.lat. vischotend, zich met vlsschen voedende; — pisces (pi. van piscis) de vlsschen, liet laatste der 14 teekens van den dierenriem.

Pisé, in. fr. (spr. pizé: van \'t lat. pinsHn, pisCre, stoolen, stampen) Ineengeslagen aarde, waarvan men soms de muren van huizen maakt, stampaarde; vandaar plsébouw, plsé-muren, gebouw (.f muren van gestampte aarde of met kiezelzand gemengde kalkmortel.

pisiferus, a, um, lat. Kot. pouldragend.

Pisolith, in. gr. (van pisos of pison, lat. pisum, erwt) de erwtsteen, een rondkorrelige kalksteen.

Pispotten, n. pl. Mar. naam, dien men aan de brassen van de bezaansroede geeft.

Pissar, m russ. de schryver.

Pissasphalt, n. gr. (van pissa, pik, en dsphallos, z. asphalt) bergteer, bcrgplk; — pisaelceum, n. gr. verbinding van hars en olie, ook teer; — pissophaan, n. eeu in versciion toestand kleverig, bruingeel mineraal, uit zwavelzuur, leemaarde, yzeroxyde en water beslaande.

Pissoir, m. fr. (spr. pi-sodr; v. pisser = pissen) eene pis- of waterplaats, een pishoek;

— pissotière, f. een pishoek.

Pistache, f. fr. (spr. pi-s/dsj,- gr,pistakc,

pislakton, lal. pislanum, van \'I perz. pislah, arab. foeslak of foesloek) de groene amandel, do olleaciitige, welsmakende, naar de hazelnoten geiykende vrucht van den pistache-boom [Pislacia vera, I,.), In liet Oosten en Europa; do wilde pistacho {Slaphylcu pinnala, L.) heet ook pimpernoot, klapper-noot ; — pistaciet, n. eene meestal pistache-groene steensoort.

Piste, f. fr. (spr. piest\': sp. pista, it. pesta, van \'I sp. pistar, it. peslure — lat. pislare, stampen, vertreden) het spoor der paarden; het spoor van het wild.

Pisteodike, f. gr. (v. pistis, f. het geloof, en dike, het recht) rechtvaardiging of verdediging van \'t geloof;pisteologie, f. de geloofsleer; — pistëvon of pistëüon, m. (van pistcüein, gelooven, vertrouwen) de geloovige; — pistlka, f. do geloofsleer, ge-ioofsverdcdiglng.

Pistil of pislitlum, n. lat. de stamper, loo-per, wrytlooper (In apotheken); Hot. de stuifweg, bet bevruclitlngsbulsje, het vrouweiyke bevruchtingswerktuig in de bloesems dor planten, dal uit drie dooien, n.l. den stempel (stigma), hel styilje {stilus) en het vruchlbeglnsel (ovarium) bestaat; vgl. a n t li e r en; — pistillair, wat daarop betrekking heeft.

Pistole (spr. pislól\') of chamhre d la pistole, f. fr. byzondor vertrok In eene gevangenis, waar-


-ocr page 979-

PISTON

953

PIX

voor do gobruiker betaalt, met verpleging op eigen kosten.

Piston, in. fr. (spr. pi-slóii ■, it. imlonc, een grooto stamper, van pasldre, lat. pistare, stoeten, stampen) de pompstok, zuiger; do stempel, liet stlfljo voor slaghoedjes uan slaggeweren; ook een blaasinstrument, z. cornet Ji piston, onder corno.

Pistool, I) f. (fr. pislole) eene voormalige transclie en spaansclie goudmunt van verschillende waarde, doorgaans echter ongeveer 9 ii 10 gl.; ook pistolótto; zoo men wil dus goheeten naar Pistoja in Italië, alwaar zij het eerst zouden geslagen zyn; — 2) n. (fr, pistolet) een kort schietgeweer, zadoigeweer, zakgeweer (misschien van het lat. pistillum, vyzelstamper, wegens do overeenkomstige gedaante; v. a. mede van de stad l\'lstoja); par pistolet, fr. (spr. -pi-stotè) in liet hiljart-spel: zonder de hand of de keu op het hll-Jart te leggen (stooten).

Pistor, in. lat. stamper, treder, bjlkkor; — pistrinum, n. lat. hy de oude Romeinen een molen, rosmolen, waarin het koren gestampt werd, en waarheen men overtreders en iioosdoeners verwees; ook hakkery.

Pite-hennep, in. vezels dor Agaee ame-ricana.

Pithanologïe, f. gr. (van pithanós, lt;?, dn, gemakkelijk overredend, v. peithein, overreden) de overtulgingsleer, overredingsleer; — Pitho, f. (gr. Peithó) Myth, de godin der overreding lijj de Grieken; vgl. Suada; ook de gave der overreding; overtuigende welsprekendheid.

Pithométer, n. gr. (v. pithos, m. vat) een vatmeter; — pithomotrio, f. de vat-meting, valmeetkunst; — pithométrisch, adj. die kunst betrolTendo.

Pitis, m. inalelscli (ook pietjes, naar holiandsche schrgfwUze), eene kleine (soms loo-ilen) munt (vei. Hang) op de Oost-lnd. eilanden; ook in \'t algemeen voor klein geld, pasof lirnkkeigeld.

Pito I), m. sp. de Hult.

Pito i), n. een uit maïs gebrouwen hier in het hinneniand van \\frlka.

Pitoor, putoor, m. (fr. hutor) roerdomp, een vogel {Antea stellaris).

Pitot-buizen, f. (spr. pito—) een door den franschen waterliouwknndigo II. Pltot In nili heschreven Instrument om de sneilieid van stroomend water te bepalen.

pitoyable, adj, fr. (spr. pUoajnbl\'-, van pitié, inedeiyden = lat. pivtas) erhamielyk, jamineriyk, hekiaaglijk, ellendig, armzalig.

Pitre, m. fr. (spr. pietr\') hansworst.

Pitrepite, m. fr. (spr. pi-tr\'piét\') een zeer sterke drank in do fr. koloniën van Amerika.

Pitsjaar, m. (v. \'t maieiscli bitjara, overlegging, raad, raadsvergadering) Mar. eig. sein van een vlootvoogd om de bevelhebbers hy zii\'h aan boord te ontbieden om te beraadslagen; sein om het volk of de passagiers, die aan wal zyn, aan boord te roepen, of ook om do sloep naar boord Ie doen terugkeeren, plts-Jaarving; —pitsjaren, door middel van bepaalde seinen aan boord roepen; ook voor een dag aan wal gaan, passagieren.

Pittacium, n. lat. elg. eene pleister, een mot zalf bestreken, samenroibaar tafoitjeof blad, waarop do dagteekening van de ordinatie der geestelijken weleer geschreven en hun overhandigd word.

Pittah, in O. Inilie eene afgesloten stad of voorstad.

Pittakal, n, gr. (v, pitta, pek en kdllos, schoonheid) een door Roiciieniiacb in IN:i:i nil teeroliên samengestelde, prachtig blauwe stof. Pitte, f. z. p i t a - h e ii n e p Pittiziet, ii. (v. pittidtein, naar pik ge-lyken, v. pitta, pissa, pik) yzerpikerts, zwavelen arsenlkziiur ijzer.

Pittorósque, fr. of pittorésk, adj. (It. pittoresco, als kwame \'t van een lat. woord pidoriscus, v. pidor, schilder, en dit v. pingöre, pidum, schilderen) schiiderachllg schoon, schli-dorachtig, tot eene sciilideruciitigo hehandeiing geschikt, I). v. eene landstreek; schilderachtige voorsleilingeii bovaltendo, de vcrbccidingskracht zoo levendig en aangenaam doendo werken, alsof men het beschrevene werkelijk voor oogen had, li. v. zulke gedichten, reizen, enz.; — pitto-rósken, f. pi. schildoraclitlge voorsleilingen.

Pituïta, f. lat. Mod. siym, laai vocht in hel lichaam; — pituiteus, adj. (lat. pitui-tusus, a, urn) slijmig, versiymd, vol slijm.

Pityriasis, f. gr. (van jiitjjron, zemelen) Med. de scliilfcraciiilge liaarworm, zomeiaclitigo huiduitslag op liet hoofd.

Pityusen, pi. (v. gr. pitys, den) de den-neiieilanden, eene sp, eilandengroep In de Mld-(lollandsche /.ee.

piu (spr. pioe), II. (= lat. plus) meer; h.v. piu addoio (spr. —ihjo, Muz. langzamer; piu nlleijro, vlugger; p. forte, sterker; p. lento, langzamer; p. molo, p. mosso, p. presto of p. slrdto, sneller; p. piano, zachter; — p. tosto, vroeger, eerder; — p. vicino il denteche nesso-parente, it. sprw. de tand is nader dan eenig bloedverwant; het hemd Is nader dan de rok.

pi us, a, um, vroom, godvruchllg, plichtmatig, pieus; — Pius, mansn.; do vrome, ge-wyde; pius «sus, m. z, v, a. pia causa (z. cama); — pium corpus, n. eene inenschlievende of weldadige stichtliig; — pium desiderïum, n. desiderium; — pi is nmiühus, aan de zalige zielen der afgestorvenen.

Piva, f. It. zakpUp, doedelzak (fr. corne-muse); muziek in |j maat in het karakter van dal inslrument.

Pivori, m. de cassnve-brandewyn. Pivot, m. fr. (spr. piwó: voor pipot, van pipe, pijp; 11. piuolo, pin, nagel; laddersport) de spil, duim, har, het draaipunl.

Piwo, n. slav. het hier.

pix, f. lal. pik of pek-, pix atba, wil pek; p. burfiundïca, liourgondisch pik; p. liquida.


-ocr page 980-

PLAGIAAT

PIZETE

954

vlnciond itlk, teer; navalis, scheopsplk; p. niiira, zwart pik.

Pizete of pisét, n. liong. een vnormiillK jicwichl voor waschRoud in llonniiryc, Zeven-licrgen, enz. = S,408 gram.

phiicimlo en pizzicaln (hU verkortliiK pit.), it. (spr. piels—t van pizzicdre, knippen, knü-pen; vgi. plncé) Muz. met dc vingersgoknipt, niet met den slrijkslok aangestreken (op muziek voor sli\'Ukinstrumenten), waarna gewoonigk voigt colt\'arco (z. aid ).

Pjatak, m. russ. (van pjntj, vyf) ot meer geiir. paotasjok, m. een vyikopekenstuk (vgi. kopek e), eene russische pasnumi in ziiver en koper, iiüna cent waard; — pjatjaltyn-nik, m. russ. een russ. ziivermunt van IK kopeken (= K aitin, z. aid.).

plaan, z ond. planus.

Plaat, f. (v. p i a t, fr. plat, verwant mot liet gr. plulys, plat, iireed) een min of moor lireed en vlak iichaam; eene dikke plank, iio-demplank, regel; eone vlakke zanduphooping voor haven en riviermonden, hank, zandbank; vlak stuk metaal, waarin lots gegraveerd of geelst Is; de afdruk daarvan, prenl.

placabol, adj. lat. {placabllis, e, v. pla-cüre, hevredigon, siilien) verzoenlijk, vredelievend; — placabiliteit, f {plncahititax) de verzocniUkhcid; — placabile, placabilmenle, ii. Muz. vreedzaam, bedaard, kalm.

Placage, f. fr. (spr. piakadzj\': van pUi-quer, heieggen, hekieeden, piatleoron; v. plaque, piaal; noderi. p I a k k e n) Ingelegd (geforneerd) houtwerk; — placard, m. (spr. —plakar) eene sleriüke liouthekiccding hoven eeno deur; ook •/.. v. a. piacanl, z. plakkaat.

Place, f. fr. (spr. plaas\'; provenc. plassa. It. piazza, sp. plaza, van \'t lat. platea, nr. pla-tcia, d. i. eig. de hreedte, voorts In \'I lat. de straat; later de voorhof, de hofrulmle, enz.; vgi. piazza) do plaats, elke vryo, open ruimie, het plein, inz. hol marktplein; voilure de place (spr. wodluur\' de pinas\'), fiaker, stationeerend huurrijtuig; — place d\'armes, f. (spr. — darm\') eeno wapenplaats, oefeningsplaats, exerceerplein voor eene hezetting; — place de ralliement (spr. —ralli\'mdh), do verzamei-plaais; — place de repos i—r\'pó), eene rustplaats; — placement, n. (spr. plaas\'-man) de plaatsing, uitzetting van geld; het uii-gezotle geld zelf; — placeeren (fr. plarer spr. plaas—), plaatsen; Iemand placeeren, hem eeno plaats aanwyzen, aan zUno plaats zetten of stellen, h. v. In eene hedienlng, oenen post; heieggen, uitzetten, b. v. geld; — pla-ceering, f. plaatsing, uitzetting, enz.

placénla, f. lat. (gr. plakoes, plakneis, vlak, platte koek) de koek. Mod. de moederkoek; Hoi. de zaadkook, zaadlob; — placénla sanguinis,!. Med. do bloedkoek; pl. ulcrinu, de moeilerkook, nageboorte; — pl. amyudalarum, amandcikoek, overhiyfsel van geperste amandelen; pl. Hui, lynkoek; — placentaal, adj. nw. lat, tot don moederkoek beboerende; — placentatie (spr, lie=tsie), f. Hol. de vorming der zaadlob; — placenliformis, lat. Hoi, koekvormlg.

Placentijn, m. nw. lat. (van \'t lal. pla-are, behagen, bevallen) een bohaagzuchtlgo, oogondlenaar, jabroer; — placet, lal. hel behaagt, wordt Ingewilligd, toegestaan, goedgekeurd; — placet, n. nw.lal. z. v. a. pia-cilum; — placet of placêlum regtum, n. ko-nlnkiyke toostommlng, Inwilliging dor landsre-goering, h. v. tol bekendmaking en uilvoering van pauselijke verordeningen; — placét, n. fr, (spr. plasè) een vorzoeksciirifl, smeekschrift, request; ook een stoeltje zonder leuning, placeeren, z. ond. place.

Placer, n. eng. (spr. pleéser) goudveld (In N. Amerika),

Placét, enz., z. ond. pla cent Un. Plache, f., fr. (spr. pldsj\') grof doek of linnen slof; Jacbldoekon.

Plachmal of plachmfthl, », hoogd, (ee\'i woord alt do smellhulten) doorzwaveid zilver, zwavelzilver,

Placïdus, lal. {placidus, a, urn, zacht, vreedzaam) mansn.; de zachte, vrlendeiyke, zachlmoedige; — Placïda, f. vr.naam: de zachte, vreedzame; — pldcido en placidaménte, it, (spr, platsji—) Muz, bedaard, zachl, licfe-iyk; — placiditeit, f, lat, (placidttas) zachl-moedigheid, goiatonbeid.

Placïtum, n. pl. placïta, lat. (v. pla-cure, behagen) liet goedvinden, do wilsmeenlag, verordening; ad bene placttum of ex bene pla-cï/o, naar welgevallen, naar believen; vgi. a bene plan/o: — placïtum imperii, eeno ryks-vorordenlng; — placiteeren, nw.lal. goedkeuren, bewilligen, loestemmon.

Placoïden of liever plakoiden, pl, gr, (van ptax, genil, ptakós, plaat, blad, hord, enz.) kraak heen vlsschen.

Pladaröma, n. en pladarösis, f. gr, (van pladarós, u, dn, nat, pliidns, n. vochlig-lield, zwammigbeld) Med, een week spekge-zwolletjo in het celweefsel der oogleden.

Plafond, n. fr. (spr, plafnii ■. ontslaan uil plat fond, d, 1, platte grond of bodem) dc kn-merzoldoring, hel bovengedeelte van eene overdekte plaats, van eene zaal, een vertrek, enz,, gewooniyk mol pleister bedekt on soms met schilderwerk versierd, de glpszolderlng; oen dekstuk, dekschlldersluk; — plafonneeren (fr, plafonner), de zoldering eener kamer hekieeden, z, faux-plafond onder faux,

plaga, f, lal, (gr, plrgc, v, pl ossein, slaan) een slag, lioaw, stool; Med. een gezwel dooi\' slag, val, enz., bull; In de tniddeleeuwen een langwerpig vierkant versiersel van den iiais- of schouderdoek des geeslciyken {parura).

Plagiaat of plagium, n. lal. Jur. men-schenroof, menschendieWal; gew. onelg. een ieUerdicfstal, gedachtenroof, de ullschryvlng, bookenpiuiidering, de onrechtmallge toeeigening van eens anders iollorarheid; — plagians of plagiator, m. Jur. een monscbenroovor, zleiverkooper; oen hookenplundoraar, gedach-


-ocr page 981-

PLAGIAULOS

955

FLANEUR

tondiet, Idlcrdicf; pronker mot eens anders vederen; - plagiarisch, ndj. ultxeschre-ven, gestolen (van geschrirten); — plagi-arisme, n. de zucht tol letterdieverij, de gewoonte om nf te schryven.

Plagiaulos, m. gr. do dwarsfluit.

Plagiëdron of plagiódor, n. gr. (v. plaglos, «, on, dwars, scheef) een dwarsvlak;

— plagiostóma, n. de schoefmond, dwars-mull; verscheiden schelpsoorten; — plagi-ostómi, pi. dwarshekken, eene orde der vis-schen (haaien en roggen).

Plagioniot, n. nw. lat. een uit zwavel-lood on zwavoiantimonlum bestaand mineraal.

Plagium, plagiaat.

Plagoskopmm, n. plagoskoop, m. gr. (v. planos, lal. plöga, zijde, streek, oord) clg. een aanwyzer van de hemelstreek, oen windwijzer.

Plaid, 1) in. eng. (spr. pleedvan het gieliscli plaide, heddodoken, grove wollen stof, samengetr. uit peul laid, schapevel) oen doek, op do wijze dor Hergschotten in plaats van don mantel omgeslagen, gewoonlijk mei honte ruiten; ook z. v. a. plaiding (spr. plé—) een grove, bontgoruilo omslagdoek voor vrouwen; — plaid, 2) m. fr. (spr. plé, vgi. pia-t\'iium) In do tniddeloouwon; vergadering tor belmndeling van gowlchtlge staatszaken; ook z. v. a. pla Ido yer.

plaideeren, fr. {plaidcr, spr. plèd—; v. plaid = lat. planlum |z. aid.]; mid.lat. pla-cilare, plallare) pleiten, hepleiten, proce-(loeron, een reebtsgeding voeren, inz. mondeling als advokaat voor do hallo verdedigen; gerechtelijk woord voeren; — plaideur, m. p lol Ier, woordvoerend rochtsverdediger; — plaidoyer, n. (spr. plèdnajé) eene verdedigingsrede van oenen advokaat voor de recht-tiank, een pleidooi; — plaidoyeeren, (lat. ais \'t ware placilicare, prov. plaideiar) z. v. a. piaideeren.

Plain, adj. fr. (spr. pleit: vgi. planus) en eng. (spr. pleen) vlak, elfen; eenvoudig enz..; plain-chant (spr. —sjah), het eenvoudig koraalgezang (tegenover chant figuré)\\ de plain pied, gelgkvloors, zoodat men er heen komt zonder op- of af le stijgen; ook oen plain-pied, n. verdieping van een gebouw inz. do geHjkvloersche; — plain, n. eng. (spr. pleen) vlakte vgi. plalne; - plain-nets, pi. eng. (spr. pleennels) eng. gladde ongeworkte kant.

Plaine, f. fr. (spr. plein\'), plein, do vlakte, olTcn plaats, hot vlakke veld, vlak land; vgi. montagnnrd onder mons.

Plainte, f. fr. (spr. pleiil\'; van plaindre) klacht, inz. aanklacht by hot gerecht; Muz. klaaglied.

plaisant, adj. fr. (spr. plèzdiiv. plaire

— lat. placère, behagen) behaaglijk, vermakelijk, aangenaam, grappig, schertsend, boertig, koddig; belaclieiyk, zonderling; plaisan-teeren (fr. plaisanler), schertsen, hoorton, kortswyien, gekscheren, beethebben; — plai-santerie, f. (spr. plézaiil\'rie) do scborts, korts-wyi, boertory, snakorü, grap; — pUiisanterie d pari (spr. —apar), sclierts ter zijde, in vollen ernst, alle gekheid op een slokje; — plai-sance, f. genoegen, vermaak; maisnn (spr. mèzriii) tic pluisanre, lusthuis; jardin de plai-sance, Yiloizioriuln; - plaisir, n. (spr. ji/ètter) vermaak, vergenoegen, vreugde, verlustiging, welgevallen, genougle, grap, plelzler; tyd-verdryf; gunst, vriendschap, dienst; — lel esl nolre plaisir (spr. lel h nolr\'—), ilat Is ons welgevallen, zoodanig belieft of gevalt het ons; In de kanselarytaal dor oud-franseho regoeritig do voorvaderlijke slolformule der verordeningen, enz..; mailre tie plaisir, z. onder ma it re; menus plaisirs, z. onder menu; — plaii-il (spr. plèli): wat belieft u? wat Is er van uw dienst? wat zegt go? ook als subsi, euphomis-tlsch gebezigd voor sekreet, geheim gemak, in de wandeling de pla Ulo, platte, plette. Plaket, z. p I a q u e 11 e.

Plakkaat, n. (mid.lat. plarulum, v. placare = plakken) een openbaar afgekondigd en aangeplakt bevel van de regeering, plakschrift; In hol algemeen: een aangeplakt bcricht, schotschrift enz.; — placardeeren (fr. placarder) openiyk aanplakken; eene stof mei een byi-mlddel overtrekken en van patroon voorzien. Plakoiden, z. placoïdon plamoteeren, fr. [plamoler) de ondervlakkon dor sulkorbrooden met borstels reinigen.

Planche, f. fr. (spr. plansj\'; provene. planca, plancha, v. \'t lui. planca, noderl. plank) eene plaat, metalen latei in de munt; ook eene gegraveerde koperen plaat; — faire la planche, by het zwemmen: op den rug zwemmen, zonder merkbare beweging te maken; — plan-chette, f. (spr. plaiisjélt\') oen meetlafoitje; hot plankje ol do haloia voor in een rygiyf of korset, hel planchet; de borstplaat van on-dorscholden ambachlslloden by zwaar boorwerk.

Planconcaaf, planconvex; pla-neerhamer, z. oml. planus.

Planeet, f gr. {,planètes,m. van planSslhai, ronddolen) eene dwaalster, een hemelbol, die, goiyk de aarde, op zich zeiven donker is, zich om do zon van het westen naar het oosten beweegt en van haar hel licht ontvangl, b. v. Mercurius, Venus enz.; — liet planeet-jaar, do omloopstyd eenor planeet om de zon; — planëtisch of planetarisch, adj. ronddwalend. omdolend; op planeten betrekking beb-bondo;— planetarium, ii. nw.lat. oeneiyst der planeten; ook een kunstwerktuig om de bewogingen dor phineton, Inz. do woderzydsche verhouding van de aarde lol do maan aanschou-weiyk le maken; planetoïden, pl. z. v. a. asteroïden (z. abt.); — planetolabi-um, n een dwaalslermetor, werktuig tot waar-noining der planeten.

pianëte, f. mld.lat. en sp. (planéla, van \'I gr. planèlis, omdolend; vgi. planeet) oen lang misgewaad.

Planeur, planiglotaium, planime-


-ocr page 982-

PLANIETEN

956

PLATA

trie, planirostrum, enz. i. oud. planus.

Planioton, pl. (v. \'t lat. planus, vlak) zoo-ooron, opnii slukvorslooiilng.

plano (in), z. otul. planus.

Planodie, f. Kr. {planodia, v. planos, dwalend, op oon dwaalspoor loidond, on hodós, weg) oen vorkeordo weg, dwaalspoor.

Planorbieten, pl. uw.lat. (van planus, a, urn, vlak on orbis, kring, scligf) versteende tafelhonlvormlge schelpdieren; — planospi-rieten, pl. (van \'l lal. splra, krul, kronkel) versleendo schyfschclpdleron.

Plantage, z. p 1 a n l e e r o n. Plantagenet, in. eng. (spr. plcntedzjenel, v. lal. planla qenista, do liremplunt) liynaam van hel van 11B4 tot 1390 In lingeland regee-rondo lulls van Anjou, naar de liremplant ge-noemd, welke Hendrik II (1151—1180) op zyn liaret droog.

Plantago, t. lat. de weegbree;—planta-gineën, pl. weegbreosoorten.

planla pedis, lat. de voetzool; —plantair, adj. (tal. plant/Iris, e) do voelzool betrotTonde; — plantigradus, adj. nw.lat. op de voetzolen gaande; — plantigrada, pl. nw.lat. zoolgangers, eeno afdoellng der roofdieren (beren, enz.)

planteeren, lat. {plantim, van planla, plant) planten, stellen, zetten; onelg. (fr. planter) Iemand ergens laten steken, bom als ware \'t ergens plaatsen en verlaten ot in den steek laten-, — plantage, r. fr. (spr. planlaazj\') do beplanting, het plantsoen, Inz. eene streek lands door de Europeanen hi I), en W.lndle met tabak, rijst, suikerriet enz. beplant; — plan-taruim, n. eeno boom- of pliintkweekerg;— planteur, m. fr. een planter, aanbouwer, Inz. boomkweeker.

Plantigraden, z. oud. planla pedis, planum, enz. z. ond. planus.

Planune, f. gr. (van planos, omzwervend en oernn, pis) Med. de plsloozlng langs ongewone wegen.

planus, a, urn, lat., plaan (plan) vlak, elfen, geluk, glad, plat; onelg. algomeon verstaanbaar, duidelijk, bevattelijk; — in plano, In goboele, ongevouwen vellen of bladen papier ; — de plano, Jur. kort en goed, dood eenvoudig, zonder omstandigheden; — plan, n. (lat. planum, fr. plaine, elg. de vlakte, vlakke plaats) bol ontwerp, de schets, omtrek van een gebouw, platte grond, grondteokenlng; bet ontwerp, voornemen; — planum inclindlum, n. lat. eene schuine of bellende vlakte, oen afgaande grond ;—plan de site, m. fr. (spr. plait d\'siel\') de grondvlakte, grondteekenlng; — plancon-caaf, z. concaaf;- planconcaafglas, zulk een glas, dat aan de eeno zijde plat, aan de andere bol gebogen Is; — planoonvex, z. convex; — planeeren, nw.lat. (fr. planer) etfenen, gelijk, elfen of glad maken; —bU boekbinders: lijmen, door met aluin gekookt lijmwater (planeerwater) balen; — pla-neerhamor, een hamer dor goud- en ko-persmedeu t(,t het gladmaken des metaals; — planeur, m. fr. een elfen- of gladmaker (po-lUster); — planiglobïum, ook plani-sphEerium, n. of planisfeer, f. nw.iai. een aard- of hemelbol op een plat vlak vooi -gesteld; eene wereldkaart; — planiméter, m. lat.-gr. de vtaktenietor, een werktuig ter bepaling der uitgebreidheid van vlakke figuren, door welke rechte of kromme lijnen zij ook mogen omsloten ziju, uitgevonden door Ernst te Parijs; — planimetrie, f. do vlaktemeetkunst, vlaktemeting, do leer van de in éen vlak liggende liguren; — planimétrisch, adj. vlaktemetend; vlaktemeetkundig; — plani-pénnen, pl. nw.lat. N. II. platvleugellgen, eene soort van Insecten; — planiróstrum, n. nw.lat. eon plat- of vlaksnnvol.

Plaque, f. fr. (spr. plalc\'; vgl. placage) do plaat, bot blad, blik, 1). v. cijferblad, steck-blad, beslag enz.; — plaqueeren (fr. pla-quer) of plateeren,platteeren, met plaatjes beleggen of overdekken, Inz. met goud- of zilverblaadjes vergulden of verzilveren; - pla-qué, n. goplaqueerd, goplatteerd werk, met zliverblaudjes belegd, overzilverd werk.

Plasdank, nederd. (verbasterd van playx-danck, van ptaire, behagen) dankbotooning, om daarmede Iemands gunst le winnen.

Plasma, n. gr. (van pldssein, vormen) bet beeld, beeldwerk; N. 11. eene lookgroeno variëteit van den cbalcedoon; Med. z. v. a. bloed-vocht, bet vloeibare, stofvormende bestanddeel van bet bloed; — plastiek of plastische kunst, f. (gr. plas tike, sell, teclinc, kunst) de kunst om uit harde of weeko slolfen beelden en liguren te maken; de boetseerkunst In gljis, leem, was, enz-, In \'talg. voor lichamelijk vormende kunst, ook de beeldhouwkunst (sculptuur) en beeldgieterij omvattende; — plastisch, adj. (gr. plastikós, lat. plasticus, a, urn) lichamelijk vormend, gedaantegevond; schoppend, boetseerend; ook; voor een vorm vatbaar, vormgevend, tot vormgeving geschikt, b.v. plastische lympba, Med. vormstof, eeno vloeistof, die tengevolge van ontstekingen of ook In wonden uitzweet, dan stolt en een or-ganlschen vorm annneeint; — plasticiteit, f. nw.lat. gesehiktbeld tot vorming, vormbaar-beid; — plasticisme, n. do vormdrift, do wet der algemeeno vormdrift; — plastidul, n. het kleinste organiscbe levensdeeltje, dat zoowel de boogslo als de laagste schepselen samenstelt (volgens lliickel); — plastograaf, m. gr. een scbrlftvervaischer; — plastogra-phie, vervaischt, nagebootst schrift; gescbrift-vorvalscbing; — plastoloog, m. een leugenaar.

Plastrón, n. fr. (It. piaslrone, v. piastra, metalen plaat, mid.lat. piastra) een borstharnas, borststuk der schermmeesters; ook het stcekblad.

Plata, f. sp. (elg. metaalplaat, oudfr. plate, verwant met bet gr. plali/s, plalcla, plalö, plat.


-ocr page 983-

PLATANUS

957

PLAY

lirood) zilver, hy munten In togenst. met vellen (koper) gebruikt.

Platanus of plataanboom, ook plataan, in. (Int, pldlnnus, gr. pldtünos, f. van plalys, lireed, wegens de breedte zijner Milderen of de uitspreiding zijner takken) de Imlten-lundsclio ahorn- of mustbooni; — platanoides, Kol. plataanachtlg.

Plat de menage, ■/.. pi ut me na ge.

Plate, f, ook pelote, plotar, een lompe, groote, vierhoekige zwoedsche ko[icrmuiit, ongeveer van hot midden der nrte lol het midden der 18de eeuw, ter waarde van 10, 8, 4, ■2, I en J daler (daalder = f i.TS) geslagen.

Platëa, I. (van\'t gr. plulys, ptatcia, plaly, plat, breed) Med. do breede llntwonn.

Plateau, n. fr. (spr. —tó\\ van plat, plat) eene houten weegsclmal; eeno tafelplank, oen Iheehlad; ook eeno bergvlakte, hoogvlakte, la-felland; — plate-bando, f. (spr. plal\'bdiid\') smal tuinbed langs een heining of muur of om een bloemstuk vgl. r a b a I; — plate-forme, f. (spr. platform\') Arch, een plal huisdak, plat op een huls; eene rU balken, die het llrnmer-bout van liet dak dragen; lig horlogemakers: do deelscbyr lot afdeellng der raderen; Fort. de bedding voor \'t geschut op eene hoogte; In tuinen, wandellanen enz.; eene kunslmallg op-geboogde en vlak gemaakte plaals, vanwaar men een vrU uitzicht heeft; vgl. terras; In Amerika (ook platform) pnrUjvorgaderlng, po-lillek pariyprogram voor verkiezingen.

plated, adj. eng. (spr. plcet\'il, van lo plale, met een blaadje van edel melaal overtrekken, platteeren) met goud- of zilverblaadjes overtrokken; als subsi.: geplatleerd melaal, pleet.

plateeren, z. v. a. pla que er en, z. aid.

Platfond, z. plafond.

Platform, z. oud. plateau.

Platforterésse, f. Mil. oone soort van bolwerk, op het midden der lange courtlne, by onregelmatige werken.

Platidsmo, n. gr. {plaleiasmós, van pla-ieiddtein, plat of brood uilspreken, van plaljs, plat, broed) het gebrekkige breedspreken, do breede uitspraak met opgesperdon mond, ver-oorzaakt door oen gebrek der tong.

Platie, z. pla 11-11, oud. plalsanl

Platilles, pi. fr. (spr. plnW\'lj\': sp. platillas) verscheiden soorten van lijn sliozisch en bo-hoomsch, ook fransch en engelscb lünwaad.

Platina, f. sp. (van plain, zilver) n. elg. klein zilver, half zilver (als verkiw. van igt;lala, zilver) wit goud, oen zeer zwaar en moeiiyk vloeibaar, slaalgrys edel metaal, In niltl in itra-zllië ontdekt en in 175-2 als afzonderiyk metaal erkend, hetwelk ook In Peru, aan den Oeral enz. gevonden wordt; — platina-amal-gama, n. piallna-kwlk, eene verbinding van platina en kwik, door middel waarvan men platineeren, d. 1. met platina overtrekken kan.

Platine, f. fr. (verkiw. van \'I oudfr. plale: vgl. plnla) oen metaalplaalje; slolplaalje van eene deur, van een geweer.

Platitude, f. fr. (van plal, plat) de platheid, eene gomeone, lage uitdrukking.

Platmenago, f. elg. plat-de-me-nage (spr. Igt;lu d\'m\'nddtj\'; van Ic plal, de schotel, v. plul, plal) oen tafelstel met allerlei vaatwerk voor suiker, peper, olie, azyn enz. (In Prankryk niet gehrulkoiyk, maar in denzelfden zin: surlnul).

platonisch, adj. wat Piato (een beroemden grlekschen wysgeer, leerling van Socrates, gest. ItiS v. C.) betreft, van hem afkomt, met zyne wysgoerlgo leer overeenkomstig Is; — p I a 1 onisch Jaar, Aslron. de om-loopsiyd van den ganschen slerrenhemel; — platonischo liefde, eene bovenzlnneiyke, louter geestetyke, van al het zinneiyke ontdane liefde; — platonische maalt yd, een maal-tyd, waarby meer over geleerde zaken gehandeld dan gegeten wordt; ^ platonische republiek, bet voorbeeld eener volkomen staats-Inrichting, geluk l\'lalu die ontwierp; — pla-toniseeron (spr. s=j) l\'lalo navolgen, vry van alle zinneiykheid beminnen; — plato-nisme, n. de leer en bet slelsel van l\'lalo; hel streven der kerkvaders om de platonische wijsheid met de chrlsleiyke leer in verband te brengen.

Platrométer, m. gr. een werktuig om de breedte der plaatsen door de electrlcltolt te kennen.

Platta, platte, f. z. plat e. platteeren, z. pliuiueeren. Platteuse, f. fr. kantworksler, die platte bloemen maakt.

Platürua, m. gr. (van plalys, plal, breed en ocra, slaarl) platstaart, breedslaarl, eene slangensoort; — plalyrarpm-. Bot. breedvrucb-llg; platycephalus, m. broedkop, platkop (een vlsch; ook een kever);- -platykri-nieten, m. pl. eene soort van e n k r I n I e t e n, z. aid.; — plali/pus, ni. platvoet, eene soort van schorskever; ook het snaveldier; — plalj/jihyl-lus, Kot. breedbladerlg; — platyrrhyn-chus, m. platsnavel, eene soort van zangvogels; — platyspérmen, pl.plalzadlgen, eene soort van schermplanten; — platysma, n. eene breede vlakte.

plaiuftlc lat. (van plaudtre, in de handen klappen, loejuiclien) klapt In ile handen. Juicht toe! Inz. bet einde van een looneelspel aamlulden; - plausibel, adj. (lat. plausibilis, e) elg. toejulchenswaard; aannemeiyk, geloofwaardig, sehynbaar, waarsehyniyk; — plausibiliteit, f. nw.lat. de waarschyniykheid, aanne-metykheld; - plausus, m. lal. het goedkeurend handgeklap, de hyval.

plaveien (met Ingeschoven I, van \'I oude pa velen, fr. paver, eng. In pave, van \'1 lat. pavirc, z. p a v 6) bevloeren, bestraten, met stee-nen beleggen; — plavei, f. vloertegel.

Play, n. eng. (spr. plee) spel, Inz. looneelspel; z. ook end. fair-, —player, m. (spr.


-ocr page 984-

PLEONASME

PLAZA

958

lileeër) spokir, Inz. tooneoUpelcr; — plaithing, n. (spr. Ih als Kollspte s) speelgoed.

Plaza de tores, f. sp. (vgl. place en toreador) een plein voor stlorengovechten.

Ploa, n. eng. (spr. plie: oud-eng. ;i/c, plet, v. fr. plaid, mld.lat plucilmn) een rechtsstrUd, een proces, Inz. de verdediging of liet antwoord van don beklaagde; — court (spr. koort) of common pleas, civiel gerechtshof voor private zaken; — pleading, n. (spr. plieding: van plead = fr. plaider, ■/. p la ld eer en) het voeren van een proces; pi. pleadings, rechts-verhandellngen, processtukken, pleidooien enz.;

pleasant, adj. eng. (spr. plèteni) aangenaam ; — pleasure, n. (spr. ptbzjur) vermaak, genoegen; vgl. plalslr.

Plebs, ii. lat. (elg. f -, gonll. plcbis) gemeen volk, gepeupel; — plobanus, m. mld.lat. een H. Kalli. geostelUko, die de sacramenten aan\'t gemoene volk uitdeelt; stadsprediker, die van geen sticht afhangt; — plebejer, m. een hurger of liurgerman, In \'t oude Rome leder, die niet tot den stand der senatoren en ridders hehoorde, in tegonsl. met pat riet Br; de ge-meene man, burgerman, in minachtende tegenst. met den adel; — plebejisch,adj. onadellijk; gemeen, lot bet gepeupel, bet grauw beboo-rende, daaraan eigen; plebejische gevoelens, zeden, gebruiken enz., gemeene of hige gevoelens enz; — plobiscitum of plebisciet, n. een volksbesiuil; voi\'ordenlng van den burgerstand by de oude Komeinen; iu Krankryk {plibiscit, spr. pkbies.iiel): eene volksstemming, eone directe stemming door bet volk zelf, met voorhygang der constitutioneole voiks-verlegonwoordigers; — plobokratie (spr. l=ts) f. lal.-gr. gepoupelheorscbappl), de regeering van bot gemeen (liever ochiokratie).

Plectrum, n. lat. of plektron, n. gr. (plcklron, van plëxscin, slaan) een elpenbeenen, houten of metalen stift of slaafje, waarmede do Ouden de snaren der cither sloegen of tokkelden; een oud-gr. muzleklnstrumenl, door Sap-p b o uitgevonden; — ploctranthus of plok-tranthos, n. de harpbloem, een pronkgowas van de Kaap.

Pledge, n. eng. (spr. pledzj) pand; handgeld ; plcdfle of temperance (spr. —réns) gelofte van matigheid.

Ploot, z. piatod.

Plogorrhiza, f. gr. (v. plègc, slag, wond, v. plcssein, slaan) wondworlel.

Plein, z. p ia ine.

Ploinpouvoir, z. p 1 e n 1 p o I e n 11 e, oud. p len us.

Pleit, f. (mlil.lal. platlea, hoogd. platte of platte) eene soort van platte vaartuigen, weleer op de binnenwaleren In gebruik; — ook n. z. v. a. rechtsgeding, pleidooi, z. plaldoyer.

Plejaden, 1. pi. gr. [Pleiades, van plein, varen, dewyi de scheepvaart mei den opgang van dit gesternte begon, met zyiien ondergang eindigde) het zevengeslernte, een gesternte iu liet slerrenbeeid van den Slier; volgens de

Myth, de door Zeus onder de sterren verplaatste 7 schoone dochters van Atlas en Plejóne.

Plektopóde, m. gr. (v. plektós, gevlochten, en poes, gonll. pmlós, voet) dieren met ineengevlochten voeten of saamgewassen achtor-vinnon; — ploktoptëra, m. pi. dieren met vcreenigde vleugels of buikvinnen.

Ploktranthos, plektron, z. plectrum.

Plommyrie, f. gr. (ptemmyris of plcm-myria) Med. de vloed, bel overvloeien; do voi-sapplgheld, opbooping van vochten; — plom-myrisch, adj. volsapplg, uil volsappigheid voortvloeiende.

Plemp, f. vissciiersscbultje, zooals men weieer op het Haarlemmermeer gebruikte (vandaar de naam van \'1 beroemdo gosiacht der Plempen); — plompe, f. eene kleine vlsschorsboot In de Noordzee.

plenus, a, um, adj. lat. vol; — plenum, n. lal. de gezamenHikiioid, voltallige vergadering; in pleno, in voile vergadering, voiUiliig; ex pleno, uit liet voile, n.i. glas; — plena po-téstas, z. v. a. pionipolentie; — plena pro-priëlas, z. proprieteil; — plenum dominïum, z. dominium, end. dominusplenus venter non studet libónler, sprw.: een volle bulk studeert niet gaarne, of met eene volle maag gaal hel loeren niet wel; — pleno chora, Muz. met vol koor, met alle stemmen; pleno jure, mei voile recht; pleno litiilo, met vollen illei; — plenarfe, adv. uw.lat. len volle, geheel; ple-narie res 111 u eer c n, ten voile vergoeden, teruggeven; — pionair congres, plenaire vergadering, voilaiilg congres, volledige vergadering; — plenaire zitting, eene zitting, waaraan alle leden van een college bebooren deel te nemen; — plenaria fides, f. volkomen, rechtsgeldig geloof; — plena-rium, plenaar, n. een boekvormlg reli-quienkistje; — plenilumum, n. lal. de volle maan; — plenipoténtie (spr. tie=tsie) f. nw.iat., plena potéstas, f. lat. of ploinpouvoir, n. fr. (spr. —poewodr) de voimachl, on-beperkte macht lot uilvoering van ecnig werk; ook een macblbrlef of eene scbrifleiyke voi-mucht; — plenipotentiaris (spr. ti=tsi) nw.iat. of plonipotentiair (spr. —tansièr), m. (fr. plénipotentiaire) een gevolmacliligde, gevolmachtigd gezant; — plonist, m. een wijsgeer, die beweert, dal er in de naluur geene ledige ruimte is (Cartesiaan); — plonisoeren (spr. s=i) barb lal. voilaiilg vergaderen, samenroepen.

Plenty, n. eng. (spr. plénti) volheid, overvloed.

Ploochroïsmo, n. gr. (v. pldon, meer en chros, chrons, kleur) de eigenschap van vele gekristalliseerde delfstoffen, om verschillende kleuren te loonen, al naardat de stralen In de richting der eene of der andere as of schuins er door gaan.

Pleonasme, n. gr. (pleonasmós, in \'talg. overvloed, overmaat, van pleonddzein, overvloe-


-ocr page 985-

PLEONEXIE

PLICA

959

(IlK zijn, v, filéón, plenn, moer) I.ok. (1(! woordon-ovorvloed, overlolll«ü ultdrukkliiK, opoonhooplnK van Kciykhctockoncnde woorden; In/, de toovoo-(ilnjt van woorden, wier heteekenls reeds In hel hootdwoord begrepen Is, li. v. oen oude nrys-anrd; Med. te sterke ontwikkeling van een II-chaainsdeel; — pleonastisch, adj. overvloe-(Uk, ovcrtolllK, overladen mot geHikboteekcnonde woorden of uitdrukkingen j — pleonast, m. zwarte spinel, yzorsplnel, eene variatie van hot spinel.

Pleonexïo, f. gr. {pleonexia. van pléon, meer en érhein, lielihen) hebzucht, gewinzucht, onverzadclUklield; — ploonékten, m. pi. hehzuehtlgen, begeoriykon, elgenhatlgen; — pleonéktisch, adj. hebzuchtig.

Pleorama, n. gr. (van plein, varen en hórama, vortooning) een scheepvaartboeld, oevor-beolit, een boweegiyk tafereel, dat zich voorby den beschouwer scbynt te bewogen, alsof liy zelve In een schommelend vaartuig de tegenovergestelde voorworpen voorhyvoer.

Pleroma, n. gr. (v. pleroen, vullen, plens, vol) elg. volheid, aanvulling; do llchtzee, naar do loer der Gnostieken de woning van God, den oorsprong van al het goede; — ploro-phorio, f. de volledige zekerheid of overtuiging aangaande eene onderzochte zaak; — plo-rósis of plerose, r. Med. do valling eener wond, herstelling van verloren doelen; het aan-slerkon eens genozoiidon; — plerotlka, n. pl. opvullende, vleeschmakende middelen; vgl. sarkotlka.

plerumque fil, lat. hetgeen het meest geschiedt .

Plesiosaurus, m. gr. (elg. de hagedis nu-bykomend, v. plisios, nahy en saiïros, hagedis) de zeedraak, do halshagedis, eene voorworold-lyko hagedissoort van t,f) tot H M. lengte, niet zeer langen hals en kleinen kop.

Plessograaf, m. gr. een toestel ter om-schryvlng der klankruimte hy percussio-ondor-zoeklngen; vgl. percussie; — plossome-ter, m. een kleine, ronde plaat, die de arts op de llchaamsdeelen legt, die gepereuteerd worden.

Plethi, z. Krot hl.

Plethomerie, f. gr. (van plsthos, n. volheid, menigte, en méros, n. deel) Mod. het over-lal van do deelen dos llchaams, b. v. zes vingers; — plethora, f. (gr. pUthörê, vim p! -thein, zich vullen) do volheid, aanvulling; Mcd. de volbloedigheid; opvulling der bloodvnten; — plethörisch, adj. volbloedig, ovorryk aim vochten.

Pléthron, n. eene oud-gr. lengtemaat (= J stadion) on vlaktemaat (= jugerum).

Plotka, f. russ. (spr. pliotka. vorklw. van plet], zweep van samengevlochten riemen) eene kleine, van voren gospiitsto zweep tot tuchtigingen in Kusinnd.

Pleumödos, m. gr. (van pleümun — pneii-mun, long) Mod. een longzuchtige, een iongiy-der; — pleumödisch, adj. longzuchtig; — pleumome, ■/.. v. a. pneumonie.

Pleura, f. gr. (pleura) de zijden dos llchaams, de ribbon, het borst- of ribbenviies; — pleu-ralgie, f. Med. zydewoo, pyn onder do ribben ; — pleuritis, gr. of pleuresie, fr., ook wel pleuris, f. do ontsteking van het ribbe- of borstviios, zydesteek, zijdewee, bepaalde, stekende, oppervlakkig zittende zydepyn, aam-borsligbelil, droge hoest met koorls; —pleu-ritisch, adj. min horslvliesontsteking lijdend of d an ruil voortspruitend; — pleurodynie, f. uitwendige borstpijn, onecht zydewoo; — pleuronêctae, pl. (v. mlths, zwemmer, nérhein, zwommen) zyzwemniers, schollen, plui-visscben; plouropneumonre, f, eene longontsteking, gepaard mot die van liet iiorsl-vlies; - plouropyösis, f. borstvllesverotte-ring; pleurorrhooa, t. opbooping of zie-koiyko uitstorting van eenig vocht In do borsi-vileszakken; — pleurorthopnoaa, f. (vgl, o r I li o p n ie a) beiemmerde ademhaling door eene borslvlieskwaal, zydewee, dat door bet ademhalen in opgerichte houding vorllcht wordt; pleurospasme, n.do kramp In hot horstvlies, een vaak voorkomend verschijnsel In do vrysterzlekte; — pleurostösis, f. de veriiee-nlng van tiet borstviios; pleurothotó-nus of pleurototónus, m. de kromming des llchaams naar éene z.yde, rochtstyvlgbeld aan de zyde.

Pleures, f. pi. fr. wol van doode schapen.

Pleureur, m. fr. (van plaurer = lat. pin-nnr, weenen) iiuller, huilobaik; — ploureuso, f. fr. (spr. —rem\') een treur- of rouwband, rouwlloers; do zwarte rouwrand aan papier

Pleuris, pleuritis, enz.; — pleuro-tonus, z. ond. pleura.

Plexeobliisten, pi. gr. (van piexis, bet slaan, stoolen, sptyten, scheuren, van plissein, slaan, stoeten enz., en Waste, kiem) Hol. planten mot dubbole zaadlobhen.

Plexus, m lat. (van pleclSre, vioehlen) liet vlechtsel, weefsel; inz. Mod. een vlechtsel of weefsel van vaten en zenuwen; — plexus sn-laris, do zonnevlechl, bei weefsel dor poosknoo-pen In den uiiddeibnik of in do maiigslreek; — plexifórm, adj. nw.iat. vlecblaciitig, ais Ineengevlochten.

Pli, in. fr. de vouw, plooi; do buiging, hot gewricht; de gewoonte, viiardigheid, hulgzaam-held, gemakkelykheld in de manier van zich voor te doen, bevnlllgo ulterlyke lionding, welgemanierdheid; ook de omslag of \'t couvert van oen brief, z. faux-pll, ond. faux; — pliëeren (fr, plier, van \'1 lat. plicüre) vouwen, In vouwen leggen; huigen, inz. van speelkaarten; Mil. wankelen, deinzen, wyken, terugtrekken; in de rykunst: een paard gewennen om vaardig links en rechts te zwenken; — pliabel, pliant, adj. buigbaar, buigzaiim; gedwee, inschikkoiyk, gehoorzaam, kruipend; plioir, n. (spr. pliwdr) liet vouwbeen.

Plica, f. nw.iat. {plicn polonïca, fr. plique, van \'I lat. plicare, vouwen) de poolscho vlocht, eeno In Polen vaak voorkomende haarziekte.


-ocr page 986-

PLlttKREN

960

PLUS

ille uil onzuivere siiiipou linron oorsprong neemt; — plicarïa, f. do gowoiie wolfskluuw {Lyco-podium clavalum) als vormcend gonoesmlddol tegen do poolsclie vlocht; — plicabel, uw. hit. (van \'I lal. plicdre) z. v. a. pllahcl (z. ond. pil); — pliculm, a, urn, lal. Bol. gevouwen, geplooid; — plicatuur, f. (lal. plicu-lüra) liel vouwen, de omhulglng, vouw. pliëeren, z. ond. pil.

Plin., bU naluurwelcnsi\'hnppeiyke henainiu-gen afk. voor l\'llnius Socundus of Major (gestorven quot;U).

Plint, f. (gr. plinthos, f. eig. oen tichel, haksleen) Arch, cone plaat In den vorm eener vierkante tafel aan de liasls of aan hel kapiteel dor zullen; ook de platte strook, die om een gebouw loopt en de verdiepingen afscheidt, gording.

PliocEBn of pliocoen, z. ond. eocoen. Plioir, z. ond. pil.

Plissé, in. fr. (spr. pliesée; van plisser, plooien, in plooien leggen; vgl. pil) een geplooid of geribd belegsel aan vrouwenkleederen ; — n. plooldoek, wit katoenen slof, die van zelf zich plooll.

pioce of ploko, f. gr. (ploki, van plé-kein, vlechten; eig. hel vlechtsel) verwarde rede; Log. do herhaling van een woord In verschillenden zin.

Plomb, n fr. (spr. ploii: van \'I lat. plumbum, z. aid.) het lood, looiigewlcht onz.; li plnmb, Tiaur hel lood, te lood; loodrecht, rechtstandig, perpendiculair; — plomb, n. of plombe, f het lood, zegellood; — plombeeren (fr. plomber: eng. to lead) met lood sleinpelen, verzegelen, niet het zegellood of loo-den zegel voorzien, een looden leoken aanhangen; mot lood aanvullen of volgletoh (holle landen); ook in hel alg. voor: holle tanden opvullen; — plombage, plombeering, f. (spr. —badtj\') hel verlooden, de zegeiing of opvulling met lood; — plombene, f. do loodgieterU, het loodvverk; de loodzegeilng.

plongeeren, fr. {plnnger: spr. plonzj—, provenc. plombar. Indoopen, doen zinken; 11. piombdrc, loodrecht nedervallen, v. \'llnt.pfum-hum, lood) duiken, onderduiken; Mil. de mond van hel kanon laten (luiken of zakken, nedor-waarls schieten; plongeerschot, oen duikschol; plongeerbad, oen stortbad;—plon-gée, f. fr. (spr. ploinjé) Mil. de afhelling der horslwering; — plongeur (spr. plonzjeur) in. een duiker.

plorübel, adj. lat. [plorabflis, c, v. plo-rarc, klagen, weenen) beklagenswaard, bewee-nensvvaard. Jammerlijk.

Plot, m. russ. (van plólnilj, dicht, vast; plolilj, planken samenvoegen) hel vlot, de pont; plótnik, m. de timmerman.

Plotar, z. plate.

Ploton, z. polo to n Plotus, m. gr. (plot ós, vurend, drijvend) ile zvvenimor, slangvogel, eene soort van moe-rasvogel.

ployeeren, fr. {ployer; spr. ptoaj—t v. \'1 lat. plicïïre, vouwen, = plier, z. pllöoren) huigen, plooien, samenvouwen; — ploye-mont, n. (spr. ploaj\'mdii) de plooiing, samen-vouwing, op elkander schlchtlng.

Pluche (spr. pluusf), of pluus (eng. plush, fr. peluche, 11. peluecio, v. \'I lat. pilus, haar) woinuwooi, balflluweel, een samenweefsel van keinoishaiir en vlasdraden.

Pluim, f. (fr. plume, lal. pluma) veder, pronkveder, z. plume; — pluimage, f. z. plumage; — pluimgraaf, m. Iron, titel van den man, die aan boord met de zorg voor \'t piulmgodierto Is belast; — plumage, z. ond. plume.

Plumbum, n. lat. het lood, looden zegel, zegellood; plumbum album, bij de oude Romeinen voor I in; pl. areïïrum, azijnzuur lood, loodsuiker; ;gt;/. carboiifcum, koolzuur lood, lood-wil; pl. chromfcum, chroomzuur lood, chroom-gooi; pl. fut nu nans, knallood; pl. ustum, gebrand lood, loodasch; — plumbago, f. potlood, looderts, z. v. a. graphiel; ook viooicukruid; — plumbagine, f. eene slof, die uil hol uitgodainpte aftreksel des wortels van Plumbago europaea verkregen wordt; — plumbata, f. nw.lal. eene mol lood voorziene worpschicht; de met lood voorziene geeselkoord of -riem; — plumbatie (spr. lt;=/.«), ofplumbatuur, f. de verlooding, [ilomlieoring, z. v. a. fr. p I o m-bago; — plumbüus, a, urn, lat. Hol. loodkleurig, loodgrijs.

Plume, f. fr. (— lat. pluma) de pen; Inz. de pronkveder, pluim; — plumeau, m. (spr. plumó) een vederdek, een licht veeren kussen om loe te dekken; ook een uit voderen bestaande slottor met steel; — plumet, n. (spr. —plumè) de boodveder, hoed- of muls-pluini; de pluimhoed; — plumage, f. (spr. —mddzj\') het gevederto; de vederbos, plulmon-lool, liet pluim- of vederwerk op hoedon, mutsen, helmen, de pluimage; — plumerie, f. nw.ial. iplumcrla) eene hooge, schoone broel-kasplant nil W. ladle met groolo roode of witte welriekende bloomen; — plumeeren, lal. (plumare) bevederen, met vederen bedekken of versleren; — plumeus, ailj. (lat. plumdsm, a, urn) bevederd, mot vederachtige haren bezet (van planten).

Plumpudding, m. eng. (v. plum, pruim, razijn) ecu pudding (z. aid.) met pruimen of razijnen, een groolo razijnkoek.

Plumula, f. lat. Bot. biadpiulmpje.

Pluralis, enz. z. ond. plus.

Pluranium, n. een door Osann In \'t oerallsch platina ontdekt metaal, dat nog weinig onderzocht Is.

plus (genlt. pluris), lat. meer; in de rekenen stelknnst gebezigd voor: geteld hü; hel plustoeken, het toeken van de samentelling of van den positieven toestand der grootheden, zijnde een rochlslaand kruisje ( ); — plus, n. een overschot, te veel, meerder bedrag; plus minus, meer of minder, ongeveer zooveel; plus


-ocr page 987-

PLUTARCHUS 901 PNEUMOMÉTER

olferénti, uun don moer of moest hieüondo; — plus-elektriciteit, r. z. v. a. positieve elektricltolt z. nld.; — plusmaker, in. lat. ooii geldsnoolor; — plusmakerij, f. goldsiioolei-y; — plusquamperféetum, n. (d. i. eig. moor dan vololndlgil) Gram. de voleindigde verlodonliold of nauwkeuriger: do tUdvorm (liet toni pus) de vololnillgdo luindo-llng, do volnmakto verloden tüd, li. v. Ik had gesolirovoii; — pluralis, lat. (plumtis nu-iiurus) of pluraal, Ir, Iilnnel, n. (Iram liet mcorvoud, meervoudig gotal (vgl. singularis);

— pluralis mujestuCicus, in. do inanicr van spreken, volgens welke oen hooggoplaatsto in het meervoud van zich zolven spreekt, als »w(jquot; in plaats van »ikquot; enz.; — plurale lunlum, oen woord dat alleen in liet inoorvoud gebruikt wordt; — pluralisme, n. nw.lal. do gemeon-goost, liü Kunt het tegengosl. vaaegoïsme;

— pluralisten, m, pi. zü, die moer dun óeiio geestoiUko provo heblien, — plurali-toit, f. (iilurutflus volurum) do moordorheld, steinnicnmeerdoriioid, do moeste stemmen; — pluradter, adv, lat. in het meervoud; plurïmu valu valent, do nieoste stommen golden.

Plutarchus, in. oen gr. schrgver, Inz. beroemd als samenstollor van vorgelgkendo le-vonsbescliryvingen; vaiiilaar In liet alg. blogrnaf en als titel voor hlugrtipbisoho vorzamolingon.

Pluto, lal. of Pluton, gr. m. Mylh. do bellegod, do god of koning van de omienvereld, van bot dooden- of seliimmonrUk, iiij do Grieken ook 11 ad os, do hroodor van Jupiler en Neptunus, en gemaal van 1\'rosorpina. ISe-balve do farcen en Kurlen, hohoorden tot zgno hofhouding Minos, ïEacus en Kbada-maiitbus, die uitspraak doden ointront het lot van do sehlmnien, die in do onderwereld aankwamen en door don veorman (\'.baron werden overgevoerd. Aan den Ingang van het scblmmeni\'uk (den Tartarus), vóór l\'lnlo\'s paleis, lag Cerberus, een driehoofdige bond, om aan iedereen don terugkeer tot de bovenwereld to beletten; — plutonist, m. nvv. lat. iemand, die de aarde ais nit vuur ontsliian boscliouwt, ook vul kanist; — plutönisch, adj. In bet binnenste dor aarde door onder-aardseb vuur vooiigobraclit en daaruit opgerezen, verselilllend van vulkanisch; — plu-touium, ii. nw.lat. i\'liys. z, v. a. harium.

Plutos ui Plutus, in. gr. {philos. de rijkdom) Mylh. de god des rykdoms; — plu-tokratïo (spr. l=ls: v. krul cm, heersehen) de geldlieerschtippU, de macht, do regeeiing vau bet geld; — plutokraat, m. een geld-boerscher, leiiKind die door zün geld regeert, die voor de lieerscbappU der rykon Is, geld-aristokraat.

Pluvialo, ii. nw.lat. (van pluvia, regen, pluvialis, e, den regen bel reilende) oen regenmantel; naar een mantel gelykend, van voren open priestergewaad, dat by don r. kulb. namiddag-godsdienst en by eenige andere plechtige verrichtingen huilen de mis wordt gedragen;

VlEHDË imuit.

— pluviëus, adj. (lat. pluviosus, «, um) regenachtig; — pluviometer, in. lal.-gr. do regenmeter, een werktuig om de hoeveelheid gevallen regen te bepalen; — pluvióse, m. fr. (siir. pluwióót\') do regenmaand, de 3de maand in den kalender dor eerste fr. republiek, van don -ia Jnnuari tut den is Februari; - Plu-vius, m. lat. de regengever, een bijnaam van Jupiter.

Pluvier, m. fr. (spr. plutojd) een waterhoen, lil u vier, een trekvogel van de grootte eener duif {Churailrius).

pluviëus, pluviometer, pluviose, enz., z. oud. pluvialo.

Pneuma, n. gr. de adem, wind, lucht; de levensgeest, ziel; ook de heilige Geest; -■ pneumatias of pneumatödos, m. een korludomige, uamliorslige; — pnoumatïci, z. mo ut a n Is t en, oud. mons, - pnevima-tiëk, pneumatïka, f. do luchtbewegingsleer, of de leer van liet gewichl, de drukking en beweging der lucht- of gassoorten; dc geestenleer, geeslenkumie; - pneumatisch, adj. daartoe behoorend, luchtaardig, lot de geeslen-kunde behoorendo; ook bet ademen helrelfende; pneumatische machine, de luchtpomp; pneumatische seete of school, geneeshoe-ren in do oudheid, die alle Icvensvorscbynsclen uit eene het llcliaiim doordringende lucht verklaarden; pneumatischo spoorweg, een gewooniyk onderaardsche, Inz. pakketten door lucbtdrukking vervoerende spoorweg; pnou-ma Ilse he telegraaf, een lucbldiukklngste-legraaf, waarby herichten als rolletjes in inclit-ledige hulzen voorihewogen worden; p n e u m a-tlsch of compressie-vmirtuIg, beslaande uit eene liuis met beweegbaren zuiger, die door sterke samendrukking der lucht een daaronder bevestigd sluk zwam doet onlvlainiiien; — pnoumatisme, n. z. \\. a. s pi ril uai isme (z. aid.)-, — pneumatocele, f. Med.

....... lucht- of windbreuk; — pneumato-

chemio, f. de chemische bearlieldlng der gassoortoii; - pnoumatochórde, f. de windharp; — pneumatódes of pneuma-tödisch, adj. opgeblazen, opgezet -, ook: eng-borslig; pneumatologie, f. leer der lucht en der gassoorten; pneumatoma-chus, m. een bestryder van de persooniykheld en godheid des heiligen Geestes; — pnGU-matomaohïe, f. diens gevoelen of stelsel; ook geestloochening, verloochening van bet gees-teiyk deel in den mcusch; pneumatom-phiilus, m. of pneumatomphalocele, f de navelwindhreuk; — pneumatoperi-cardïum, n. Inchlopbooplng in den hartzak;

— pneumatophobio, f. de geestenvrees, vrees voor geeslen; — pnoumatórrha-chis, f. Inchtophooping In de ruggegroiitsbolle;

— pneumatosis, f. de opzelling van het onderiyt, windgezwel; pnamatothörax, f. de luchtborsl, de aanwezigheid van ingedrongen lucbl in de borstholte.

Pneumomóter, n. gr. (van imcümon

01


-ocr page 988-

PODOLATR1E

PNIGALION

962

Ioiik) de lonnmetpr, oen door Kentish ullgo-vonden en door Himly verhoterd werktuig, om de ruimte (e a pa cl telt) der longen voor lucht In don gezonden en zieken toestand te bepalen; — pneumomotrie, f. de longmeting (mot betrekking tot de grootte der lucht-ruimte); — pneumonalgio, f. delongpUp; — pneumonemphraxis, f. do longverstopping; — pneumonie, r. eene longziekte, Inz. z. v. u. pneumonitis, f. longontsteking; — pneumónisch, adj. do long be-treilend; — pneumonische middelen of pneumonika, n. pi. longmiddelen, long-artsenüen; — pneumonoeële, r. do long-breuk; pneumonogastriseh, adj. de long en de maag betrolTondo; — pneumo-nographie, f. de longboscbrüvlng- — pneu-monolithiasis, f. de vornnng van long-slcenen, het longstecniyden; — pneumono-logie, f. de leer van de longen; — pneu-monomalacie, f. longverwooklng; —pneu-monomantie {spr. (=/.«), f. waarzegging of voorspelling uit de longen; longproet; — pneumonometer, z. v, a. pneumome-ter, z. hoven; — pneumonoparal^sis, t. de longverlnmmlng; — pneumonopa-thie, f. longzlekle, longlijdcn; — pneumo-nopathisch, adj aan longziekte lijdend; — pneumonophthïsis of pneumono-phthóë, f. de longzucht, longlering; — pneumonopleuntis, f. borst vlies- on long-ontsteking; — pneumonorrhagie, ook pneiimorrhagie, r. de bloedvliet uit de longen, bloedspuwing, het bloedhoeston; — pneumonorrhoce, f. het bloedspuwen; — pneumonoscirrhus, m. do longverharding; — pneumonospasmus, m. long-kramp; — pneumonotomie, f. de long-ontleding; — pneumonotömisch, adj. danrloe beboorendo.

Pnigalïon of pnigalïum, n. gr. (van /miffcin, verstikken) Mod. de nachtmerrie; — pnigmus, n. (gr. pnigmós) hel stikken, verslikken-, — pnigma, n. de sllkvloeling.

Pnyx, f. gr. de plaats tot volksvergaderingen In het oude Athene; ook de volksvergadering zelve aldaar.

Poacioten, m. pl. gr. (van pod, gras, kruid) verstcenlngen of afdrukken van grasneh-tlge planten.

Pöbel, m. boogd. (spr. ii=cu; mld.hgd. imvcl, bovel, van lal. pninilus, fr. peuple, eng. Iieoiilc, volk) het gemeeno volk, Inz. het ruwste en onbescbaafste gedeelle er van, bel gepeupel.

Pocaal, z. bokaal.

Poche, f. fr. (spr. posj\': provinciaal pnque, poiuiue, eng. poke, parket, angels, poka, poha, pocca, (jsl. pnki, mid.lat. pochta) zak; — pl. poches, zakken, rokzakken; — ilicltnnnaire de poche, eng. packet-dictionary (spr. (liksjanérri) een zakwoordenboek; — poeha do, f. fr. (spr posjaad\') het eerste ontwerp van eon afbeelding, omtrek, schets; — poechetta, it. (spr. patsjétta), fr. poche, f. eene zakviool,, ten ge-brulke van dansmeesters; — pochette, f. (spr. pnsjétt\') een kleine zak voor vrouwen; eene zakviool, kleine viool.

parltissimo, z. oud. poco.

Pochwerk, n. hgd. do stampmolen om erts te kloppen.

Pooillator, n. later lat. (van pocillum, verkiw. v. paculum, z. aid.) de schenker.

pocket-dictionary, n. eng. z. end. poche.

paco, 11. (= lat. paacwn) Muz. weinig, eenlgs-zins; a poen a poco, allengs, langzamerliand; — un paco (spr. oen—), een weinig; — un poco al/éf/ro of poco allégro, eonlgszlns vrooiyk; p. (arte, eenigszlns sterk; p. lento, eonlgszlns langzaam, niet Ie langzaam; p. piano, eenigszlns zacht; — jiaco pia (spr. pioe) en paco meiio, iels meer en Iets minder; p. presto, eonlgszlns snel; — pochissimo (spr. pokies—), zoor weinig.

PO\'JÜlum, n. pl. pociila, lat. do beker; de drank of dronk; inter poen la, bij de bekers, hy het drinken of het drinkgelag; — poetihtm hilaritotis, n. de beker der vrooiykheld, do vrooiykheldsdronk; — pocütum comitorïum, een braakdrank van spiesglans; — poculeeren, nw.lat. bekeren, lustig en ruim drinken, zuipen.

Podagra, n. gr. (van poes, podós, voel) de voetjicht, het voeteuvel, gein. pootje; — podiigrisch, podagreus, adj. (lat. po-dayrtcus en padagrösus, a, urn) voetjichtig, met de voeljiciit behept; — podagncus of podagrist, m. een voetjlcbliyder, mot het voeteuvel behept persoon; — podalgie, f. gr. zenuwachtige voetzoolpyn; voeteuvel, z. v. a. podagra; — podarthntis, f. z. v. a. podagra; — podarthrocace, f. Mod. onlsleklng van do gewricbtsvlakken van den voet; — podari, nw.gr. een voet.

Podding, z. pudding; — podding-zak, m. met kabel gareus, enz. gevulde zak, die aan de bultenz.Ude van\'t scheepsboord wordt afgehangen, om de gevolgen van een schok ie voorkomen, wrijfworst; — poddingstoon, ui. een samonklonterlng van gerolde sleenon van velerlei soort en kleur, welke door een steenachtig deeg of bindmiddel met eikander tot eene harde massa zyn verbonden.

Podósta, ook podestaat, m. it. (van podesld, f. = lal potestas, macht) een machthebber; ambtman, landvoogd; stadsrechter of burgemeester In Itailfi.

Podetium, n. nw.lat. verkiw. v. gr. poes, podiis, voet) Hot. de vruchtsteel iter loofmossen.

Podewilsgeweer, n. een naar don uii-vlnder, den majoor Podewils, genoemd vérdra-gend geweer.

Podex, m. lal. (v. pedlre, een wind loo-zen) bet achterste, de aars, de stnll.

Podium, n. lat. (van \'l gr. pódion, verkiw. v. poes, podós, voet) eig. een optrod, een verhevenheid, het voorste deel van hetlooneel, dat door het goriiyn wordt afgesneden.

Podolatrïe, f. gr. (v. poes, podós, voet) de voetvereering, voetaanbidding; b. v. als ba-


-ocr page 989-

P01\': 903 PÜ1DS

Idykc uimduldlitK van liot kussen van ilon voel ilus pausoa; — podologio, f. de leer van do voelen; — podomótor, m. eon voeline-tor, schreden- of paslollor, womnctor; ook hoet-inelei\'i — podonipton, pi. (van niptein, wassclica) voelwasscliers, dweepzieke wederdoo-pers in de Hide oeuw, ilie aan do voolwasschlng oen hüzoadore waarde hochllon; — podo-phthalmos, m. oiR. vooIook, naam eener soorl van kreeft; — podophyllon, a. Bot. voothliid, eene plant; — podoptöra, pi. N. II. voetviouKoilKOii, platvoeline zwemvogels; — podoptórisch, ndj. vieugolvoetig; — po-dorrhöuma, n. .Meii. oen geringe graad van voetjicht; — podosperraïum, n. Hot. do nit iict klcmkuiltjo voortgannde kiemonlwikkeling; — podozöon, n. pl. podozöa, voet-dleron, voelvoeters, eene dierklasse, weiko de Insecten, schaaldieren, spinnen, enz. bovat; — podüron, pi. (van oer», staart) N li. voet-staartdlortjes, zeer kieine insocton.

Poo, z. pu.

PcDCile of pcBküe (scii. stoa), f. gr. (imikill, v. imikilos, hont) do iionte zaai, eene hcroomdo zniloDzaal in liet oude Athene mot wandschilduryen van t\'olygnotos.

Pood, n. een russisch gewicht van 40 russ. pond = 1(1,381 kiio.

Pooddy, n. eene oostind. maat te Madras voor koren = i parali = 1,830 I..; ook voor olie en melk van denzelfden Inhoud = TJffkaiidy.

Poodor, z. pouilre.

Poëot, poëma, poëtisch, enz. z. oud. p o e z 1 e.

Poel of poill, m. in l\'erz.ie de aigemeene naam voor kopermunlen; voorheen een Perzische en georgische rekenmunt = sjahi = io\'irir Ionian en van versciiilleiide maar geringe waarde (nauwelijks cent).

Pooliahs, z. oud. p a r i a li.

Poöma of poëem, n. gr. (imicmn: vgi. poézle) een gedicht, dichtwerk.

Ikiciki, f. lal. (gr. iwinë) straf, hoele; Jur. iwena arbilranu, eig eene willekeurige straf, d. i. eene straf, die niet door de wet vastgesteld, maar van het goedvinden des rechtors afliankeiyk gemaakt is; ji. rfipitalis, de icvons-slraf of doodstraf; cerla, eene iiepaalile siraf;

coni\'énlu of convenlluiuilis, de rouwkoop;;). corporis nffliclivd. licliaamsstraf, lyfslraf; ecclr.tidafica, kerkstraf, kerkhoete; /». jicciiitidna, geldstraf; /(. saiifininis, doodstraf; — poenuc aflliravalin of exasperalio, verzwaring of ver-sciierping der straf; prn poena, lot straf (h.v. drinken, li(| de studenten); sk))/loenn, op straiTe; suh poena rnnftfssi el ronricli, op straffe van voor hekemicnii en overiuigd te worden geliondea; suh poena praeclusl of pneclusiiinis, oii straiTo van ultsiulting {■/.. priociudeoren); — poenaal, penaal, adj. (lat. poenülis, e) de straf lietref-fend ofdiiartoe heiioorend, lytslralTelijk; poe-nale codex, m. fr. rode juhiitl) hel slrafwel-iioek; - poenale wet, sirafwei, poenaal vonnis, sirafvonnis, enz.; pennitóntio.

penitentie (spr. Iie=lsie), f. (lal. poenilenlta, v. poenilcre, berouwen) het berouw; de iioeie, boetedoening; straf, püa, marteling; poe-nitontiale (spr. li—tsi), n. nw.iat. een hoet-boek, korkiiook der K. Kalli. over iiiecht, boete en aHaat; — poenitentiarïus (spr. lt;i=/.si), in. een boetpriester, bootrechler, strafrechter, bieciilvader, inz. het iioofd der pauselijke re-gciiten, die in hyzondero gevallen in naam van den paus dispeiisatio verleent; — poeniten-tiarïa, f, of poenitontiaire kamer (it. In penizentiaria) de pauseiyke vierschaar over piBiiiteiiiie-zaken, die (iispensatleii ultreil)t en aflaatbuiion uilvaardlgi.; — poenitet, n. Iioe-tedrank (iiy inaaityden als straf opgelegd). Poerim, z. purim.

Poeschtoo, ii. perz. de inheemsche naam In l\'erziB van de taai dor Afghanen.

Poesta, z. pusehta.,

Poet, n. een aeiiloriiuilsch gewicht = t; eng. pond = t)S0,3SS gram; ook eene munt van lia.

Poëzie, poëzij, f. lat. (pocsis, v. \'t gr. poiisis, van poivm, maken, voortiirengen, ver-dlciiten), fr. poésie, de dichtkunst, tiet dieh-ten; diehteriyk gevoel, do aanleg tot dichten; eene verdichting, een gedicht; het tegengestelde van proza; poésie ile circonsiance (spv. d\'sier-l(oiislaiis\'), gciegeiiheids-poezie; - poeët, m. (lat. poëlu, gr. poielês), eon dichter-, — podia laureulus, lat. een gelauwerd, met den lauwerkrans hekroomi diciiler; — poëtaster, m. nw.lal. een pruidlchier; verzensmid, rymelaar; — poëtastorij, f. do vorzonmakery, rymc-larij; — poëterij, f. het dichten, do dlch-lery; — poëtessa, f. it. dichteres; — poë-tika, f. (lat. poslica, gr. poieliké) do dichtkunde, leer dor dichikunst, dichlwctenschap of ilieorie der diciitkunst; — licenlia poelica, z. licentie; poëtïcus, m. een dichtkun-dige, kenner en leeraar dor diciitkunst; - poëtisch, adj. (lat. poclu\'tis, a, um, gr. poielikós) diehteriyk; op de wüze van een gedicht; de liaardvisch; nuk de iiaarkoineet; poëti-seoren (spr. «=;), dichten, verzen maken; de dichteriykc voorstciiingswys naiiykomen.

Pognerée, f. fr. (spr. ponjerée\') eene ouiio maat te Monipoilior = T\'r set ier of ongeveer i,s I„; — pognou, ni. (spr. ponjoe) eene wynmaat te Luik = seller of t.lti I.

Pogonïas, in. en f. gr. (van pofion, de baard) de gehaarde, iiaardigo; pogonia-sis, f. Mod. de zwaargehaardheid, zware iiaard; de vrouwoniiaard; — pogonologie, f. de haardioer; pogonophïlus, m. een haard-vriend, haardiiofhehher; — pogonotoom, in. een iiiiarilafsnijder, liaardsciieerder; — pogo-notomïe, f. liet baardafsnyiien, iiaardafnenion;

pogonotrophïo, f de iiaardverpieglng, hot lateii-grocien van don baard.

paiils, n. fr. (spr. pon ■ ondfr. pnis, pes, pro-venc. pes, pens, it. en sp. peso, v. \'t lat. pensum, wichtig of zwaar ding, v. penthlre, weten, zwaar, /.yn. nw.fr. poitis, verwisseld met het lal. pimdus) hel gewicht; po ids de (er.


-ocr page 990-

POIGNÉE

904

POLAK

zwtiiir BPwIchl poiils de mare, mink gewicht.

Poignóe, f. rr. (spr. poainjé\': van iioing = lat. iiiunus, de vuist) oono handvol; de groop, lid hochl, gevost.

Iioil, m. ti\'. (spr, ;)»«/; van \'I lal. pi lus) hot haar; do streek van \'1 laken; tiet nnvo haar aan \'I 11 uwoel; — puil de rhévre (spr. sjéwr\'), elg. geitenhaar, een stof uil wol en katoen; ook: angora-goltenhaar, vtgognewol; — poildc laine (spr. —lèn\') d. 1. elg. wollen tiaar; lljno struisvederen als modetool.

Poinciilna, (nw.lat. poinciana), f. Bot. paiiwostaart, eene hroelkasplunl uit \\V. Indlo (zoo getieeten ter eore van den transchen gouverneur-generaal van W. Indie Pol nel, omstreeks 1(150, die de natuuriyke historie dor Antillen heeft hewerkt).

Poin^on, m. fr. (spr. poainsnii; elg. do priem, stilt, drevel, graveersllfl, sp. pumon, 11. punzone, van \'t lat. puucho, de steek, liet steken, v. punglre, steken) eene wyn- en hian-dewynmaat In Frankryk.

Point, m fr. (spr. pnaiii.- provene. pninl, ponk, van \'t lal. punctum, z aid.) een punt; steek, stool; een nog op dohtielsleenen, op kaarten; a point of op hol point zyu, op hel |innl zyn, gereed staan, vottrncmens zyn; point, ook niets, vandaar « pninl, op niets (hy hot hlljart); — puinl d\'alignement (spr. -dali-nj\'mdii) Mil. hel inlddelpunl; jininl d\'al-pui (spr. —dapwi) het rustpunt, steunpunt; — p. d\'al laqué (spr. —dalldk\') hot aanvalspunt, punt van aanvul; p. de devanl, (spr. d\'wdii\'), de voorsteek (hy \'t naaien); p. d\'t\'quilihie (spr. dekiliebr\'), ovenwiehts- of zwaartepunt; p. de direction (siir. direksjiiii), het richtpunt, rleli-lingspunt; p. de paste, de poststeek (hy \'1 naaien); p. d\'honneur (spr. doneur), het eerepunt, punt van eer, eergevoel, de zaak van eer; — p. de ralliemenl (spr. rallïmdii), het verzamellngs-puut; — p. de repos (spr. repó), rustpunt; — p. ile réunion (spr. re-u-njóii), het heroenigings-punt, do verzamelplaats; p. de section (spr. sekjoti) of d\'interject ion (spr. dehterseksjóii), suypunt; p. d\'orgue (spr. dorg\'), orgelpunt; points eardinaux (spr. kardinó), hoofdwindstreken; p. culminant (spr. kuulmindii), eulmina-tiepunt; saillant (S|)r. saljdii), hoofdpunt; — p. du tout (spr. —toe), In geenen deele, volstrekt niet; — p. de «ue (spr —«m\'), gezlehts-punt, oogpunt, doelwit; — points, m. (van point, voor steek hg \'I naaien, naaiwerk, enz.) pl. genaaide kunt, kantwerk; points d\'Aiencon (spr. datansoii), Alenconsehe kant; p. d la reine (spr. rén\'), elg. kant als de koningin, kantwerk zonder hoog; p. de Fntnce (spr, il\'frons\') wille garenkant uil Frankryk; p. de Turquie (spr. tuurkie), lljno zyden kuut die In de lurksehe iiarems gomankl wordl; p. de Valenciennes (spr. toalansieii\'), kant uil Valenciennes; ji. de i\'enise (spr. wenict\'), Venellaansehe kant; — pointe, f. (spr. poüiit\', lal. als \'l ware puncla) splls, punt, stekel, scherplo, luz. gedachlen-selierpte, scherpzinnigheid, vernuftige, schrandere zot. Inval, steek; — polntoeren (fr. pointer: spr poaiiit—), stippen, hesprenkelen, pun te eren; rlchlen, h. v. een stuk gesehui; onelg. trach-lon, streven, bedoelen; toonon, wyzen; lu lia-zardspelen; oi) eene kaart zetten, wagen, vgl. pun te ere n; — pointer, m. eng. (spr. pwainter) aauwyzer, wyzer; ook: hond die den Jager het wild wyst, als .slaande hond, palrys-hond (z. setter); pointeur, m. de kanonnier, die hel geschut richt; in liet pharao-spel: de tegenspeler, die op een kaajeldad eeno som golds zet; — pointilleeren (fr. pointiller; spr. poaiiiti-lj—), elg. hestippen, mei puntjes voorzien; onelg. zich mei nietige kleinigheden ophouden en daarover twisten, heu-zeleu, vitten; stekelige zeilen doen; —poin-tillerie, f, twistzucht, twisl over kleinigheden; vitiusl, muggonziflery; — pointillour, in. een viller, muggenzlfler, haarkloover, gor-leutellor, heuzelaar; — pointilleux, adj. (spr. poainti-ljéu) spitsvondig. Iels al te nauw nemerid, klhhelzlek, kllleloorlg; — pointu-ron, f, pl, hij hoekdrukkers: voorwerpen die aan weerszyden der llmpaan hy den weerdruk het vel houden, z. punctuur.

Poiré, in. fr. (sp. pouré; van tu poire = lat. pirum, de poer) perendrunk, perenmost.

Poison, n. fr (spr. poazóit) vergift; h.v. als woordspeling: poissons scins hoison sont poison (s|ir. poasón sail boasóii soii poasóii), vlsch zonder drank Is vergif (vlsch wil zwemmen).

Poissarde, f. fr. (spr. poassard\'; v. poisson, vlsch, 11. peseione, een groole, sterke vlsch, v. pesee, lal, piscis, vlsch) een fransch vlschwyf. eene vrouw uil het gepeupel; luz. de naam der doeineenisters aan do volkshewegingen In de groole fr. omwenteling (dames de la hall e); — poissard, adj. (spr. poassdr) gemeen, als \'1 gepeupel.

Poitos, m. pl. sp, Indlaansche slaven (uil wilde Indianen lot slaven gemaakt).

Poivro, m. fr. (spr. podcr\') peper; — poivrier, m. (spr. poavrji) peperslruik; pe-perhus.

Pójas, m. russ. (poolsch, pas) de lyfgordel. hy den lioogen adel doorgaans uit goud gewerkt.

Pokaal, z. bokaal.

Poker, m. eng. pook, yzeren stang of haak om het vuur op te porren,

Polacca, II, (vgl. polak) een poolsclie volksdans = polonaise.

Poliicera, li. polacre, polaque, fr. of polakker, m. eene soort van groole vrachtschepen, luz. op de Middeiiandsche zee, met :t masten en vierkante zeilen;—polak-kermast, m. mast uil 11 afzonderiyke masten samengesteld (alleen op de Mlddell. zee In gebruik).

polair, z. oud pool i).

Polak, m. (van hel 11. I\'olacco, fr. I\'nla-que) een Pool, poolsch ruller; poolsch rondreizend geneesheer, kwakzalver, wonderdoctor ; — alla polacca, it. op /.yn poolsch, naar poolsclie danswys.


-ocr page 991-

POLAKKER,

965

POUSSON

Polakker, polakkormast, z. onder po I il cc ra.

Polariteit, polarisoeren, z. onder pool i).

polei, f. (van \'I lilt. initef/ïum, pulejum, van pulex, vloo; It. puleimio, pnleimw, provenc. puleni, fr. ptmliol) eiü. vloolenkruld {wegens zyne werking legen de vlooien) eene hltlero, spoceryachllK sinakende on sterkriekende planl.

Polemaroh, m, gr. (v. pulemös, oorlog) een veldheer, opperveldheer, heervoerder; krijgsraad hij de oude Grieken; — polomarchio, f. de waardigheid van opperhevelhehher of oorlogsminister; — polemiek, r. de twistleer, de kunst des woordensiryds, der verdediging, lie hekwaamheid om een wetenschappeiyken stryd of geleerden redetwist ie voeren; hel voeren van dien redetwist zeiven; ook verdediging van zyn geloof, zyne Inzichten, meeningeii tegen andersdenkenden; polemicus, m. een iwlstleeraar, wetenschappeiyk stryder, geleerde klopvechter; Inz. geioofsstryder; — poló-misch, adj. twistend; polemische schriften, twistsclirlflen; polemiseeren (spr. .v=j), stryden, twisten, inz. over geloofszaken of wetenschappeiyke gevoelens; — polemo-graphie, r, de krygshesehryvlng; — pole-mographika, f. de krygsheschryvlngskunst;

— polemographisoh, ailj. krygshesclii-y-vend; — polemoskoop, m. een krygsver-rekyker, wal- of krygskijker, oporakyker, inz. In den krüg, in do schouwhurgen, enz. },re-hruikoiyk.

Polenta, f. It. (v. \'1 lat. polenta, gepelde gerst, verwant met pollen, lijn meel) een hrij-spys, een dikke hry van kastanje- of ander geroost meel, met boter, olie of spek en parmezaankaas gemengd, eene lievellngsspys der lla-ilanen.

Poleographie, f. gr. (van pólis, stad) sladheschryvlng; — polóographiseh, adj. sladiieschryvend

Polepónze, f. hoogd. (bedorven uil bowle punch .\') een drank uil brandewyn, suiker, muskaatnoot en citroensap bereid.

Polöten, m. pi. gr. {pulclni, v. den slng. pölêlcs, v. pölrin, verkoopen) eig. verkoopers; in \'t oude Athene Hen overheidspersonen, die de staatsinkomsten en openbare helaslingon te verpaciiten hadden.

poli, adj. fr. (lal. poliliu: = gepoiysl) glad gemaakl, geslepen, gewreven, gebruineerd, gepoiysl; beschaafd, beleefd, bolfeiyk, welgemanierd, nel, sleriyk, aardig; ook lislig, poliet;

— polijsten (lat. pol,re, fr. polir) glad, blank of glanzig maken, bruineeren; beschaven, wellevend, welgemanierd, henscb of beleefd maken, vgl. civillseeren, vandaar pul y sl v ij 1, pol U sik elf, pol yst tand, enz., werktuigen om blank en glail Ie maken; — polimént, n. een mengsel uit roodaarde, roode bolus, waterlood en hoomnlie, om daarop Ie vergulden; ook bet polijsten of siypen (van gesteente); glans, luister; polisseiir, fr., polijster, m. een bruineerder, gladslgper; — polissoe-ren, /,. poiy.sten; politoer, poli-tuur, f. lal. (poHtura) gladmaking, glanzing, poiysiing, gladheid, glans; ook z. v. a. poli-tósse, f. fr. gladheid, lijnheld, hoifeiykheid, beleefdlicid, weigemaiderdheld, heschaafdheid, verfijnde zeden, do toon der groole wereld.

poliater, m. gr. (v. pólis, stad, en iutrós, arts) oen sladsarls, sladsdokter.

Police, f. fr. (s|)r. poliés\'), 1) de politie (z. aid.); i) ook polizza. It., polis (eng. policy, sp. poliza, mid. lal. polelum, polelicum, polcclicum, misvormd uil het later lal. pohjp-lychum, polypli/chu, rekenboek, lijsl, v. het. gr. polyplychon, vele bladeren hebbende, v. plychê, vouw, schicht, laag, blad, v. plyssein, vouwen) een verzekeringsiiewgs, een verzekerings- of as-suranliehewys, polis van assurantie, het bewysstuk of de oorkonde, waaruit de deelbeb-bing In de vorzokeringsmaatschappy en den aard, de waarde, enz. der verzekerde goederen hiykt; vgl. assurantie; — policeeren (fr. poneer), goede orde (politie) Invoeren, wei in-richlen.

Polichinel, m. fr. {potichinelle, spr. po-lisjinél), pulcinella, m. li. (spr. poellsjinélla) de grappenmaker of hansworst, eene maskerrol in de Hal (Inz. napolilaanscho) kluchtspelen (waarsch. ontstaan uit den naam van een misvormden ilal. potsenmaker; I\'aolo Oinieilo, of v, a. 1\'uccio d\'\\niel 1 o; waarsch. echter oorspr. oen woord van liefkoozing, ais poesje, liefje, kindje, enz., verklw. v. pulcina, pulcino, jonge ben, boenlje, kuiken).

Poliep, z. polyp.

poliet, polijsten, enz., z. ond. poli.

Polikliniek, f. gr. (van pólis, stad), de stedeiyke heelkunde, zlektehehandeilng onder liet oog der sladsregeering ol politie; — polior-oëtes, m. (van polinrkètn, eene slad belegeren) de sladheiegeraar, een stedendwinger; — poliorcetika, f. de heiegerlngskunde, wetenschap om naar eisch bet beleg voor eene sterkte Ie slaan; —poliorcëtisch, adj. be-legkundig.

polimént, z. ond. poli.

Polina, n. een door Osaun in liet oerali-scbe pialina-crls ontdekt metaal.

Poliosis, f gr. (van poltocn, grys maken of worden; polios, n, ón, grys) Med. bet zie-keiyk grys of wit-worden der haren; — po-liötes, f. hel grysz.yn, grys haar.

Polisander-hout, f. p a I i x a n d e r-b out.

Polisseeren, z. pol y sten, ond. poli.

Polisson, in. fr. (spr. poli-sóii. oorspr. een banilwerksjongen, die leis glad of blank inaakl, mlssciilen ook Iron, een die de straat glad maaki, aliyil siraalsiypt, slraalsiyper, van 1 lal. poliho, het gladmaken, v. pnlire, glad maken) een gull, dengniel, straatjongen; — polissonneeren (fr. polissonner), straaljon-gensstreken bedryven, gulienstukjes uilvoeren; vuile aardigheden dehileeren; - polisson-


-ocr page 992-

POLITESSR

966

POLTURA

norio, t. jjullcry, JonBCiisslreok, stiaalechen-dorlj; Reinocne taal.

Politosso, z. oud. poll.

Politio (spr. /=/.?), f. (fr. en ong. police, lioogd. politei, van \'1 gr. politeia, lal. politia, slaalsbclioor, slant) de slaatslnilclitlng, dli\' ile oponliare orde on do volllglicld dor personen en elgendonnncn handhaad ; de staats- of stadsorde, Yotksluelil, hot gerecht voor de openbare ordo, rust en velllglield; de polltle-welenschap; — medische politie, hel geneeskundig orde-toezlehl, de openhare gezondhelds-verplegtng; — politio-eommissaris en politio-in-specteur, ni. ordehoudor, handhaver der Imrgerlyke orde, velllgheldswaehler; — poli-tie-directeur, politie-prosidónt, n, het hoofd der politie; — politio-Staat, ni, een staal, waarin do admlnlslralle onheperklo niaehl heeft, In tegenst. mot rechtsstaat.

Politiek, politika, f, gr. (poHHke, van pólis, stad, slaat) de staatswetenschap, stnal-kunde, staatsleer; staatswijsheid, wereldkennis, hedrevenheld, geslepenheid in den omgang, sluwheid, list; — politiek, n Imrgerkleedlng (tegenover de niitltalren), I). v. officieren in politiek; - politiek, politisch, ;idj. staatkunillg, tut de staatkunde hetiooreude; slaats-hurgeriyk, hurgerlUk, h. v. politieke (hur-gerlüke) Inrichting; politieke verhoudingen, enz., stnalsverlioudlngen; politieke kieeding, hurgoriyke kleeding, In legensl. met militaire unifurm; politieke geographic, z. geographic; politlsche verzen (van \'I gr. pnlHikds, voor votksmatlg) naar het aceent gemeten gr. Jamhlsche verzen, die In de middeleeuwen, volgens de toenmalige volkstaal, gehrulkeiyk waren; ook heteekeut politiek als ad), en adv. In \'t gemoone leven: schrander, listig, doorslepen, dourtrapl, omzichtig, sluw ; — politica, n. pi. lat. stuntsaangelegenheden, staatszaken; politicus, m. een staatkundige, staatsman, man vol wereldkennis, wereldkenner; onelg. een schrander, gevat, geslepen mensch; in verachtelgken zin; een hahheiaar over staatszaken, een sehynstaal-kundlge, een staatkundige, tinnegieter; — po-litiseeren (spr. s=z), harh. lat. over staatszaken spreken, den staatsman, den staalkundige uithangen, linneglelen.

Politoer, polituur, z. ond. poll.

Polixander-hout, z. palIxander-li out.

Polizza, z. police 2).

Polk, poolk, m. (russ. jioll;, poolscli. puleli, pulk: lurksch. hoeloek, misschien verwant met volk) een troepeuafdeellng, regiment, een troep of vendel, inz. kozakken;—polkównik, m. de russlsche overste.

Polka, (. tiaam van een dans, die In l\'o-len (vandaar de naam, van l\'nlka, poolsciie vrouw, poolscli meisje) en verder in Uohemen en Hongarije hij \'t volk in zwang was, en die sedert ISH ook in Daltschlaud, Frankryk, Nederland, enz. veel opgang maakte; — polkalikeur, f. een eigenaardige tljne hrandewyn.

Poll, u. (spr. pnnl) eng. elg. hoofd; de naamiyst, liet aantal stemmen; de stemming hU de verkiezingen van parlemcnlsleden; —poll-tax, f. hoofdgeld.

Pollen, n. lal. stuifmeel; l\'iiys liet hloesoin-stof, zaadstof aan de meeldraden der hloemen; — pollemne, f. uw. lal. een hijzonder bestanddeel dor planten, uit hloesemslof te verkrijgen.

Pollicitatie (spr. Iie=lsie, lal. pnllici-(alio, v. polliciliirl, beloven) Jur. de eenzijdige holofte, gelofte; - pollicitator, m. de lie-lover; — polliciteeren, beloven.

Pollinctuar, f. nw.lat. (van \'I lat. pol-lingüre, lyken afwasschen) de lykwasscbing, het luollBn van doode licliameu.

Pollütie (spr. l—ts), f. lat. {pollutio, v. polluüre, bezoedolen) bevlekking, veronlrelui-glug; inz. onwillekeurige, nachteiyke bevlekking of zaaduitstorting; jiollulio tempU of ecclesiae, Jur. do veronlrolnlglng of ontwyding eens leni-pols of kerkgebouws.

Pollux, z. K a s t o r.

Polly, f. veil, van A polio nl a

Polnosmin, m. (halve osmin, z. aid.) russ. graanmaat = 82,470 L. (z. ook tsjet-we rt).

Polographie, z. ond. pool.

Poloesehka, russ. (verkl. v. iwel, poelo = perz. en turk. poel, vlschsebub, kleine munt, penning) eene russ. koperen munt = T ^ ri roebel of A kopeke = J cent.

Poloepoltina, poloopoltinnik, z. ond. poliIna; — poloetsjetwerik, m. (halve tsjetwerik, z. aid.) een russ. koren-maal = 111,12 L. (z. ook tsjetwert).

Polonaise, f. fr. (spr. -nèt\': \\. polonais, f. polonnisa, poolscli; een pool, een poolsciie vrouw) een poolsciie nationale dans en de muziek daartoe In | maat; een vrouwenpelsmantcl of pelskraag naar poolsciie wijze.

Polónico, m. it. (v. \'t mid.lat. polnnlcus, poolscli) eene oude graanmaat te Triest.

Poltina, f. russ. (v. pol, helft) een halve roebel of lil) kopeken, eene russ. zilveren rekenmunt = 07 cents; — poltinnik, m. een half-roehelstuk; - poloepoltina, f. een vierde roebel; — poloepoltinnik, m. een vierdo roebeistuk.

Poltron, m. fr. (spr. pollróii11. pollróne, een luiaard, pollro, lui, pnllrire, lu \'1 bed luieren; v. \'t oudd. imhlai-, polster, iKilster, peluw; gew. onregelmallg afgeleid; van \'1 lat. pollice Ir uncus, d. 1 aan don duim verminkt, devvyi men in bei oude Home den lafaards den daim afkapte) oen lafaard, bloodaard, latharllgo, versaagde; — poltronnerïe, f. de lafheid, lafhartigheid, versaagdheid, bangheid, hloobeid.

Poltura, polturak, poolsch. póltorak. ecu anderbalf-groschenstuk, van póllora, russ, pollorii, andcrluilf, van \'i poolscli pol, russ. pol-half, en poolsch wtóry, russ. wtoröi, voor i/iwi-lorói, de tweede, andere) eene voormalige re-


-ocr page 993-

POLYDYNAM1K

907

POLUS

konmunt In Hoiikiii\'Uo quot;u Ooslciirijk = „quot;j, llia-ler üf omtrent i ct. courant.

pnlu.i arclicus en antarclicus, ■/.. onder pool 2).

polyadelphi\'a, n. pl. gr. (v, pol ijs, polli, pnlfi, veel, vgl. nde I plilo) veolbrocderlge iilun-ten, welker moeldruden In drie of meer hundels zijn samengeKioeld (In het slelsel vun l.lnnaius do 18de klasse); — polyadolphisch, udj. veelhroederlg; — polyadolphiot, m. üzer-grnnaat; — polyoeraio, r. (v. haimu, bloed) Med. de volbloedigheid; — polysemisch, adj. volbloedig; — polyakanthisch, adj. (v. dkanlliu, doorn) veeldoornig, mei vele stekels;

— polyandrie, f. (van atiir, gen. andrós, man) de veelmannerU; — polyandria, n. pi. eig. veelmannigcn, veelhelinige planten, met ■2(1 lol urn vrije meeldraden op den vruchlho-dem of aan de bladeren der bloem (in het slelsel van I.innicus de 13de klasse); polyan-drisch, adj. veelmannig; polyangion, pl. (van dngos, vat) veelvakklge planlen, met vele zaadvakken; polyanthöa, f. (vgl. anthos) eene bloemverzameling; bloemlezing, verziiineling van allerlei schoone stukken; — polyanthisch, adj veeibloemig; — po-lyarohïe, f. (van érchetn, heerschen) eene veellieerseliappij, siaalsinriciiting, waar velen heersehen, rcgocring van velen; — polyilr-chisch, adj. veelheerselieml, veel heei en heb-bende; — polyautographïe, r. (vgl. a n I o-gruaf) de knnsi om teekoningen, enz. door afdrukken op marnieren platen, enz. ie vermenigvuldigen ; ook voor lil hographlek, steendrukkunst.

Polybïus, gr. (van poljj, veel, en bios, leven) mansn.; de langlevende; — Polybia, vr.naam; de langlevende.

Polgt;blastio, f, gr. (van poly, veel en blaslns, klem, spruit) veellakkiglield, vollieid van wasdom; — polybliVstisch, adj. veoiiakklg;

— polyblennïe, f. (van blénna, siym) Mod. de sterke vorsiymlng.

Polycarpus, z, polykarp.

polycophi\'iliseh (van piilf/, veel en Ac-p/mlr, hoofd) veelhoofdig; — polychosïo, f. aanhoudende buikloop; - polycholio, f. (van chólos, gal) Med. overloop van gal, Ie groole hoeveelheid van gal; — polychórde, f. of polychórdon, n. (vgl. cliortie) een speeltuig mei veel snaren; — polychröst (van chrcslós, bruikbaar) lot veie dingen bruikbaar, veelzydig of algemeen miliig, veelhelpend, veelgenezend, h. v. pol yell resi-p 111 e n; • polychroatzout, z. sul pnhjtiireslus, oud. sal-,- polychrome of polychroïet, n. saiTraangeoi, do ultgcirokken verfstof van de sa Uraan; — polychroom of polychro-iniltisch, adj. (vgl. chroma) veelkleurig;

— polyohromïum, n. phosphorlooderls, groen of bruin looderts, phosphorzuur lood; ook z. v. a. aescuiine, z. oud. aescuius; — polychromie, f. voeikicurigiieid, inz. de be-schihlering van oude gebouwen en heeldiiouw-werken mei verschillende kleuren; — poly-chromographie, f. de kun.-l om op de boekdrukpers verscheiden kleuren geiilklUdig te drukken; polychrónisch, adj (van clini-hos, l(|d) veel-of iangiUdlg, langdurend; — po-lychylie, f. (vgl. cbylus) overvloed aan voedingsstof, die veel melksap, gevolglijk veel voedsel geeft; — polychylisch, adj. saprijk, ryk ia voedingsvocht; — polychymie, f. (vgl. chymus) de veel- of volsappigheid, volbloedigheid; — polyeyoaro, f. (van kticm, zwanger zijn: Med. veelvoudige zwangerschap;

— polydakryio, f tranenvloed; - poly-daktyliseh, adj. (vgl daktylus) veelvin-gerig; — polydaktylisme, n. veelvingerlg-held, liet aanwezig zilii van een zesden vinger aan éene hand, aan beide handen of aan handen en voelen; — polydipsio, f. (v. ilipsa, dorst) groole onmatige, tegennatuurlijke dorst.

Polydoor, m. Polydöra, f. gr. (van poly, veel en ilóron, geschenk) mans-en vrou-wenimani; de milde, vrijgevige.

Polydynamie, f. (v. poly, veel en lt;/;/««• mis, kracht) groole kracht, volledige kracliis-outwikkeiing; - polyódron,polyëdrum, n. of polyeder, m. (van hédra, zetel, grondslag, basis) een veelvlak, veeliioekig geslepen glas, dat een voorwerp vermenigvuldigt; — polyédriaeh, adj. veelzydig, veelvlakkig, geruil;—polygala, f. lat. (v. i gr. poljga-Ion) liel nieikkruid, de kruisbloem, kruisvvorlel, een planiengeslacht van vele soorien, waaronder inz. de geneeskrachilge l\'olynülu amSra en I\'. seiicf/a .■ — polygalme, f. kruisworlelbll-ter, eene ,uli den worlel der Polygula senega golrokkeii slof; — polygalaktie (spr. I=s) of polygalïe, f. (van gala, gen. galaklos, melk) Med. de iiovenniatlge zogafschelding; — polygalaktisch, adj. meikryk;—polygamie, f. (van gauws, eclil, huweiyk) de veelvoudige eelil, veelinaiinerU (polyandrie), of veolvvyvery (po 1 y gynie); polygamïa, n. pi. Hol. zulke planten, hy welke op den eeneii stengel volkomen bloemen (waarin moehlradDU en slampers vereenlgd zun), op den anderen slechis vruchlbloemen (met slampers), of ook op eenen en denzelfden sieugel volkomen (man-neiyke en vrouwelyke bloemen), alsmede eeu-siachilge Ie geiyk gevonden worden (in I.In-mens\' slelsel de üllste klasse); — polyga-misch, adj. veelgadig, veelwyvlg, veelmannig;

- polygamlst, lil. een verdediger van bel veelvuldig huweiyk, van de veehvyvery, veei-mannery; polygastnca, n. pl. iiiaagdie-reu, eene soort van Infusle-dierLjes; - poly— glótte, f, (vgl. glosse) een in vele talen gcsclireven boek, Inz. een bybel in verschelden ialcii, ook polygloi-bUbei; polyglót-tisch, adj. veeltalig; — polygoon, m. (van gonos, hoek) een veelhoek; — polygonaal, adj veelhoekig; op eea veelhoek betrekking hebliende; — polygonaal-getallen, veelhoekige geiallen, die soori van gefigureerde geiallen, welke zich door even ver van elkander vervvyderde punlen In hel vlak van een


-ocr page 994-

POLYHYMNIA

968

POLYPtEDIE

rcgolmnllRCii veelhoek laten voorstellen, li. v. van een quadraat of vierkant (quailraat-petallon); van een vytlmek\'Cpe n t a so n a a 1-getnllen); van een zeshoek (hex a go na alge tall en) enz.;—polygónisch, adj. veel-hoeklR; — polygonometrio, f. de veelhoek-meting, de leer van de meting der rechllünlge llgurcn van meer dan :i zyden; — polygo-nie, f. (van qüneia, leling) groot lellngsvenno-gen of groote vruchthaarhold; — polygonum, n. Kol. duizendknoop, een plantengeslacht van vele soorten; — poly gramma, n. (van gramma, schrltl, teekenlng; uraphein, schrijven, en/..) eene door vele zijden licgrensdo figuur; — polygrammatisch, adj, vocllcl-lerlg; — polygraaf, ni. een veelschrijver;

— polygraphiO,f. de veelschryverij; — po-lygraphisch, adj. voclschrUvend; — po-lygyme, f. (van f/i/nr, vrouw) de veelwijverij ; ~ polyhidrio, f. (van hidrös, zweel) Med. het te sterke zvveelen; —polyhistor, m. (van hislur, de kundige) een veelwotor, een In vele wetenschappen bedreven mensch; dik-wyis In afkeurenden zin vnn Iemand, die velerlei maar ten kosle der grondigheid hesludeert;

— polyhistorio, ook polyidrie, f. de veelweterij, liet veoiwelen, groole helezenheld;

— polyhistórisch, adj. veelgeloerd; op veelweterij gegrond.

Polyhymnia of Polymnïa, f. gr. (van jinlfj, veel en hymnos) de gezangryke, eene der Muzen (z. aid.); naam van een door Chacor-nac In isiil onldekle planetoïde.

Polyidrïo, f. z. polyhistor Ie; Med. z. v. a. po 1 yhidrIe, z. aid.

Polykarp of Polycarpus, m. gr. (van pnlfi, veel en karpós, vrucht) mansn.: de vrucht ryke.

polykophalisch,z. p o 1 y c e p h a 11 s c li.

Polykoprie, f. gr. (van pnllj, veel en kfipros, drek) Med. de onliasling van eene Ie groote hoeveelheid drekslof; — polykotylo-dónen, pl. gr. (vgl. kotyledonen) veel-zaadlohhlge gewassen, zulke planten, die meer dan Iwee zaadlohlicn liehhen; — polykoty-ledónisch, aiij. veelzaadlohhlg; — poly-kraat, m. (gr. pnlykrules) een veldheer, niach-lig heersciier; ook wie met velen gemeenschappelijk heerscht; — polykratse (spr. t=lx) f. de voelhecrschnppU, z. v. a. po ly arch Ie; — polylomma, n. een meerledig lemma; — polylogio, f. (vgl. logos) vcclsprekery, snap-acliligheld, hahhelznclit; polymnthus, m. (gr. polymallus, van malluin, leeren) wie veel geleerd heeft; ook z. v. a. polyhistor;

— polymathio, f de veeiwelery, veelzijdige kennis; — polymathisch, z. v. a. polytechnisch, z aid; — polymone, f. (van méros, deel) vocUleeligheid; Chem. de toestand van twee of meer verbindingen, die wel is waar een geiyk relalief, maar ongeiyk ahsoluut aantal clicmiseh gelyksoortlge atoim ii liehhen; — polymórisch, adj. (van mérns, doel) veel-deelig, veelledig; — polymorismo, n. de veeiledigheid, voeldeeiiglieid; - polymëter, m. (vgl. metrum) een veelvoetig vers; ook; de veeimeler, een werktuig lot melen of maat-nemen; — polymetrie, f. veelheid der maat, Inz. der syllahenmant; - polymétrisch, adj. veelmeiond; velerlei voetmaat hovattende;

— polymotroskoop, m. een werktuig om den afstand van niet al te groole voorwerpen, welker grootte men kent, in een oogonldik te meien; Polymnïa, z. Polyhymnia;

— polymnieton, m. pl. door hruinstoen-oxyde geteekondo dendrieten; — poly-mórphisch. adj. (van morphc, gedaante) veelvormig, van velerlei gedaante; poly-morphismo, n. de veelvormigheid; po-lymythio, f. (vgl. myliios) eig. veeiver-dichling; opeenhooping van dichtcriyke vonden, overlading van ingewikkelde voorvallen in too-neelslukken; — polymythisch, adj. met veel voorvallen overladen.

Polynesïö, ook OceanIB, n. gr. (van pnly, veel en nfsns, eiland) veel-eilanden-land, z. v, a. Austral lis (■/.. aid.); — Polynesisch, adj. lot de eilanden der Zuidzee he-hooronde of aldaar Inheemsch; — Polynesische talon, v. a. oceanische.

polynómisch, • adj. gr. (van polü, veel en nómos, z. no mos i) veeldeelig, veelledig, van veelvoudige grootte, li. v. een polynoml-sche (veelvuldige) quadraat- of kuhiek-vvortel, van meer dan Iwee cyfers (vgl. mo-nomisch en hl nom 1 sch); — polynomï-um, n. eene veehleelige, veelledige gelaiien-groolheid; — polyoniem, adj. (vgl. anoniem) veeinamig; — polyonymie, f. de veelnamigheid; — polyopïo of polyópsis, f. (van dplein, zien) liet veelvondig-zien, duli-helzlen, een gezichtsgehrek; - polyóptor of polyóptron, n, (van óp/ein, zien) een veel-zichlig glas, vermenigvuldigingsglas, op do eene z.ydo met veie holten geslepen, waardoor men elk voorwerp verkleind zoo vele malen ziel als er van die hollen z.yn.

Polyp, poliep, f. (gr. polypocs, van poly, veel en poes, voel) de vcelvoei, veelarm, kleine gelciaehllge plantdierijes niet vele armen of voel-dradeii; Med. een vleescliprop, vleeschgewas in of aan hel menscheiyk lichaaai, doorgaans In holligheden met een siymviies hekleed, h.v. een hart poliep, neuspoliep enz.; — polyparïum, n. nw.lat. eene poliepen woning; — polypeus, adj. lal. [polyposus, a, um) poliepachlig, met een vleeschgewas hehept; —polypieten, m. pl. z. v. ii. korallieten; —polypodïum, n. gr., ook aspidium. Hol. het gemeene engel-zoel, puntvaren, op oude iioouislammen, muren, enz.; — polypodiolithen, m. pi. afdrukken mei versteeningeii van varenkruiden.

Polypoedio, f. gr. (van poly, veel en pais, pniilós, kind) de veelheid van kinderen ; — po-lypathie, f. (vgl. pnliios) het veelvoudig lydeii;— poly pathisch, adj. veelvuldig ly-dead; — polypetaal, adj. (vgl. petaIon) veel Idoemhladeren helibende, moer dan zes


-ocr page 995-

POLYPHEEM

POMADE

OGO

liloernhliiricmi lielilienile; — polyphaag, m,

(van iihafiöm. clen) een vcelolor, veelvraal; — polyphagie, r. de vcelolerU, ile vraalzuchl;

— polypharmacio, r. de veelvuldistheld der arlscnUen, onmclliodlsche veiinen^iiiL\' van arl-senüstollen; «verdreven pelirulk van arlsenyen;

— polypharmakon «f cum, n. (vgl. pliarmakon) Med, een veelvoudig samenpo-sleld, voelvoudl? nul Uk geneesmiddel; po-lypharmacus, in. een arls, die vele of zeer samoiiKeslelde arlsenüen vonrsclirjltt.

Polypheom, in, gr. (Polyplumos, v. pnly, veelen pliümc, faam) mansii.: de veelberoemde of hefaamde; Mvlh. de vreeseHjksle onder de Cyklopon (/.. aid.)

Polyphihe, f sr. (v. puhj, veel en philcin, llefliehlien) de veelllefde, liefde lol velen, me-nlgle van vrienden; — polyphomsme, n. ;vuil phuw, geluid, loon) voelloulglieid (liette-gengesl. van liomoplionie)^ pólyphö-iiisch,iiilj. veelstemmig; —polyphórisch, adj. veelilrageiid of voorliirengend, vruchllinar;

— polyphyllisch, adj. (vgl. p li y 11 o n) veel-bladerig; — polypüisch, adj. gr.-lal. (van liilus, liaar) veelliarig; — polypionïe, f. gr. (van pion, vel) Med. dele groole menigte vet, overvetheid; polypirio, f. {pnlypciiia, van pê/ra, ervaring) de veeiervarenlieid, leveuswljs-lieid; polypioton, /,. ond. polyp; — polyplasiasme, n. (van pnluplasios, veelvoudig) de vorveelvuldlglngskunst, vermenlgvul-diglngskunst van teekciilugen enz, z. v a. po-ly au log ra pli Ie; — poly podium, po-lypodiolithon, ■/.. oud. polyp;—poly-polium, o. (vim pulcin. verknopen) de veel-verkoop, liet tegengest. van monopo 11uui; — polyposïo, f.. (van pósis, f. dronk) de drink-zuclit, (Iriinkziielil, neiging tot veel drinken, tol dronkenscluip; — polypragmaticus, m. (vim prdipna, beziglielil, werk) een veelbedrlj-vige, onriistlge, woelgeest; — polypragmil-tisch, «dj. voelbedryvig; — polypragmo-syne, 1. de veelbedryvigheld zonder beroep, veelwerkoi\'U; — polyptöra, n. pi. (van plc-rrin, vleiigelwerk) veelvleiigeligen; vcelvliiiiigeu;

— polyptérisch, adj. veelvleugellg; veolvln-nig; polyptöton, ii. (vun ptosis, vul) de veelvuldige opeikundervolging of lierlialing van een woord niet veruiiderden iiilgiing; — po-lyptychon, n. (eig. veelvuldig gevouwen, van pluche, vouw) eeu uil vele binden liestiiund geschrift of sclirUfboekje; Inz. weleer erne lijst der kerkgoedereu (pnlyplychon ccclcsiiisiïcum)-,

— polypus, z polyp; — polysarkio, f. (vun sdrjr, gen. sarkós, vleescli) de veelvlee-zigtield, voibeld van vleescli, ongewone dikte of lUviglield, splerkraelit; polyschomatis-tisch, adj. (vgl. se lie ma) vun velerlei gc-daante, van verscliilleiide vormen; polyscbe-iii a 11 s 11 se li e verzen, verzen van met den regel schyubuur slrydlgen vorni; polyschi-dio, f. (v. srhi\'itfiii, splijten) de deelingszuclil, verdeelingsziiclit; — poly siaiiO, f. (v. sinlon, speeksel) Med. Ie sterke afsclieidlng van liet speeksel, speekselovervloed; — polyskoop, m. (van skopêm, zleu, besclionwen) de veel-kijker, een verveelvuldigingsgliis; polyso-matie (spr. lt;=/«) f. (vau sonut, n. lyf) lyvig-lield, (iikiyviglieid; — polyspast, m. (van spdein, trekken) eeu iiiok, katrol, eig. een veei-trekker; polyspormio, f. (van spinna, n. zaad) zaiidvollield, veelzadiglieid; — poly-spórmisch of polyspormatisch, adj. veelzadig, zauilryk; - polystóma, veelinuli, eeue soort van zeekwallen en Ingewumlswor-meu; — polystylisch, adj. voeizniilg; — polystylon, li. een veelznillg gebouw; poly syllabon of poly syllabum, u. (vgl. syllabe) een veetlettergrepig woord; po-lysyndosie, f. polysyndóton, n. (vgl. syndesis) Log. de veelbeld of opbooplug der voeg- of koppelwoorden, overlading door eeuer-lei koppelwoord, een mei voegwoorden overladen volzin, bel tegengest. van asyndeton;

— polysynodio, f. (vgl. synode) veeima-11 ge samenkomst; — polysynthótisch, adj (vgl. s y n I li e 11 s c b) veel verbindend, veelvoudig sumengesleld; — polytochniok, I. (vgl. lectin lek) de leerkunst der hoogere werkge-scbiklbeid of eigenlijk vun veie kunslvuariligbe-den, leer der kunslen eu indnslrleeie veniciiliu-gen; — polytéchnisch, adj. veelknnslig, vele kunstenen wetensebupiien omvallende, b.v. de po 1 y 1 ecbn 1 sebe of pol y m a 1 b iscbe school, ook p o 1 y I e c b n i c u ui, d 1. de hoogere beroeps- of umbaelUsscliool, induslrieele lioogescbool, eeue school, wuiir vele kunsten en welenscbiippen worden onderwezen; — poly-tokuio, f. (vim W/dimi, kind) z. v. a. poly-p ie d 1 c; — polytheïsme, n. de veelgodery, vereering vun vele goden, bet tegengest. van m o n o 1 h els in e (z. abt.); polytheïst, m. oen uunhiinger vuiulal slelsel; polytheïstisch, mij. veelgodiscb, vele goden vereerend;

— poly theorie, f. (vgl. Ibeorle) de veel-leer, meer leerkunst dun loepiissing; - poly-theorïst, m. een leeruur vim veel eu allerlei; — polytokio, hel veelvuldig buren, de vrucblhuarheld; — polytómisch, adj. veel-snedig; - polytópïsch, uilj. op vele plaal-sen bel rekking hebbende, b.v. pol y 1 o pi sr, b e klok, een zonuewyzer, die den lyd van ver-schebleii sleden uanwyst; polythl\'ophie, f. (van Irophr, voeding) Med. vele eu Ie sterke voeding; overvoeding; — polythróphisch, adj. sterk gevoed, overvoed; veel of sterk voedend, ui ie voedzuum; polytropie, f. smuak, die op velerlei dingen gerichl is; — polytypic, f. (vgl. I ypus) verveelviiiiliging vun den druk; druk vun sleruden, vignelten enz.;

polyuresio, f. gr. (vgl. uresis) menigvuldige pisloozlug, te sterke ontlasllng van pis;

polyxeon, n. (d. 1. eig. zeer guslvry) (|zer-houdend plutinu. met iindero inelalen gemengd platina.

Pöma, u. gr. bet deksel; de kleinbedekklng.

pnma, lui. iilur. van pnmum, z. aid.

Pomade of pommade, f. (fr. pommade,


-ocr page 996-

POMERANS

070

PONCHO

II pomala, vim pnmmc, porno, appel, dowUI men ze weleer mol uppelscligfjcs bereidde) limirzalf, haurwiis; ook I lp pcn pü ma d e; In de laai der (dullsclie) sludfltiteii: znclit lui gemak, rust;— pommade nluckile, do doorscliynondo »1 yspo-mado; — pomadooron (fr. pomnmler) mot pomude lieslryken, zalven.

Pomerans, lioogd. pomoranzo, (. (spr. -rantse-, uil hol It. porno d\'arancio, nw.lal. pomum awantium, d. I. goudappel; vandaar ook hot fr. orange [z. orange 1]) de goudgele vrucht van don oranjehooni; — pomerans is ook do naam, dlou men ten onzent aan hot leèren dopjo op hol dunno einde van do kou of don blljartslok geefl, en dal lu hol fr. procédé wordl gohcolon; — pomoranson, don hlljarlhal mol éon stool maken.

pomeridianisch, adj. lat. {pomeridiünus, voor postmeridiSnus, «, um, van merulfes, middag) namldilaagsch van planten: alleen des namiddags hloolend.

pomiferus, pomiform, z. ond. pomum.

Pommade, f. fr. (van pomme, pommcau, zadelknop) in do rUkunst: oen sprong over \'1 paard, waarhy men zich aan don zadelknop vasthoudt; z. ook p o in a d o.

pomme, f. fr. (van \'t lat. pomum) do appel; pomme d\'amour, de liefdesappel, panuiysappol, oen voorlroffeiyk hoogroodo, lotwal znursma-kende appel, inz. in de Krlm on In /.uid-Kns-land; — pomme de Chine (spr. —sjien\') of sine (spr. sicn\') chlnoosche appel, appelsina, sinaasappel.

Pommeri, pi. gowerkle zydon slaapjapons uil China.

Pómo, in It (lat. pomum) appel; p. di terra, aardappel.

Pomoerlum, o. lat. (ontstaan uil posl-moerium, van post, achter en moerus, oud-lal. voor murus, muur) de walgang; de stadsgracht, ruimte Uisschon de slad en den stadsmuur, hot siadsgehled, do Jurisdictie.

Pomoloog, m. lat.-gr. (van \'I lat. pomum, hoomvruoht) oen ooftkonnor, ooftkundige; — pomologie, f. de ooftkunde, leer van de hoomvruchlen; - pomológisch, adj. oofl-kuadig, de ooflkumlo iiolroirondo; — Pomöna, f. lat. iVlylh. de ooft-of tuingodin; ook heschry-ving der luinvruchlen, of oen geschrift over don tuin- of ooflhouw; Astr. ook eon in 1854 door Goldschmidl iinliloklc asteroïde.

Pompadour, in. fr. (spr. -dóér) een kleine brei- of werkzak dor vrouwen (naar do marquise de Pompadour, de ma It rosse van Lodcwijk XV, henoomd.

Pompe, f. fr. (lal. pompa, van het gr. pompê, d. i. eig. zonding, goleido, optocht) pracht, slaatsio, pronk, praaivertooning, statige optocht — pompeus, adj. (laler lat. pompusus, fr. pompeiu) prachtig, schiltorond, pronkend, heer-igk, luisterrUk; hoogdravend; pompóso,ii. Muz. praclitig, plechlslallg.

Pompelmoes, f. (eng. pumplemoosen puin-plenose) eene soort van oostindische sinaasappelen, die de grootte van een menschenhoofd bereiken [Citrus decumüna).

Pompernikkel, m. hot zonder gisi uil roggemeel bereide grove zwarte brood in West-phalen, soms 110 kilo zwaar (oorspr. uit Osna-brück, waar do stedeiyke regeering by een hongersnood omstreeks het Jaar lino hrood voor ilc armen liet bakken en dal bona punicula Hel noemen.)

pompeus, z. ond. pompe.

Pompholyx, f. gr. (pomphólyx — pom-phós, blaas, watorhluas) zinkbloemen, gaimei-hloeinen, lichte vlokken van zinkoxydo; — pom-pholygödes. m. dio veie blazen opwerpl.

Pompier, m. fr. (spr. poiipjé, van pompe, pomp) do opziener over de openbare pompon en spuiten eener stad, de pompmeester, do spuii-gast; —pi. pompiers, spuilgasten, de manschappen, die geroepen zgn, om liy brand de spuiten in werking te brengen; te l\'arys en In iindore grooto steden eene soort van politic-soldaten.

Pompon, m. fr. (spr. poiipóii) kleine sieraden lol hoofdlooi dor vrouwen, opschik; Mil. de wollen kuif op do soldalen-schako, enz.i ook het zydon overtreksel tot beveiliging van het geweer voor den regen; pomponneeren (fr. pomponner) met kleine sieraden looien, opsieren.

Pompóna, f. sp. eene mindere soort van v a n 111 e.

pompöso, z, ond. pompe.

Pomptinische moerassen, z. |)on-t y n s c b e.

pomum, n. lal. boomvrucht, Inz appel; pl. poma, oofl; — pomum Adümi, n. lal. de adamsappel, paradgsappel, eene soorl van oranjeappelen; ook de luchlpypknohhcl, keolknobhol;

— pomum auranhum, n., pi. poma aurantia, z. po mera ns; — nos poma natcimus, lat. sprw. z. aid (hl. sia, kol. J); — pomiferus, a, um, lal. Kot ooftdragend; — mo pomifera, holtei-roos; pomifórm, adj. nw.lal. appelvormig, kogelrond mei eene kegelvormige imlicplng.

Ponceau, n. fr. (spr. poiisó; van \'I lat. punicius, verklw. punicéllus, gr. phoinikeos, donker- of purperrood) de klaproos; het hoogrood, klaprozerood, z. v, a. coquellcot.

ponceei-en, fr. [poneer: van ponce, 11. po-inice = lat. pumex, puiinsleon) met puimsteen afwiyven of gladmaken; doorsluiven, doorgeprikte teekeningon, enz. met kolenstof sponzen;

— ponce, f. fr. (spr. pons\') of verklw pon-cétte, een met lijn houtskool gevuld zakje om door middel van een doorprikt papier lynen of de trokken van teekeningon voorl Ie brengen.

Poncelot-brug, f. (spr. poiiselé—) wip-hrug met veranderiyk tegenwichl.

Ponch, ponsch, z. p u n c h.

Poncho, m. sp. (spr. pónlsjo, uil de arau-canischo of cliileenische taal) eene soorl van groven mantel, beslaande uil een vierkant sink slof met eene opening in het midden, door welke men het hoofd steekt, inz. in Peru en Chili gehrulkeiyk.


-ocr page 997-

PONCTUEEL

971

PONT-LEV1S

ponctueel, iiilj. fr. {ponctuel, van hut lat. punctum) stlpU\'liJk, nauwkeurig.

Pond, ii. (hooKil. pfund, «iir. jiounil, zw. en deonsch pund, hou),\', fmit, van liet lat. jion-dus, punilo = fr. potds, gewielit) de gowichts-«onhold In vele landen. Hel nodcrlandsclio pond of kilogram heeft de zwanrte van eene ku-lileke palm godlstllleord water en komt overeen met oude umslerdamsclie ponden of met 4,00;m8Sl marken holl. troolscli; of omgekeerd: liet amsterd. pond liouill (l,4#i09 en liet mark liollandsch Ironisch n.iiiliis nederl. ponden; het medicinale pond doel In Nederland 0,975 kilo; pond-storling, hy verk. L. St., eene engelsche denkbeeldige (gefingeerde) munt, verdeeld In 20 shillings of 240 pon co, omtrent = 12 gulden; —pond vlaamsch, hy verkort. L. vl., eene getlngeerdc neder-landsche munt = lgt; gulden.

ponderabel, enz. z. ond. pondus. Pondichery, n. fr. (spr. pnndisjeri) eene halfzyden slof uit liet gelijknamig gelileil der Franschea in O IndlB.

pondus, n. pl. pondira, lat. het gewield; tnulflc pondus Icrrae, een onnutte lasl der aardo, onelg. voor een ledig, onnut, enkel genietend mensch; pondus civile, hurgerlUk, d. I. gewoon gewichl; p. medicinule, medicinaal gewicht; ad pondus omnïum, op recepten: zooveel aan gewicht als al het overige samen; — ponde-reeren (lat. ponderüre) afwegen; overwegen, overleggen; — ponderabel, adj. (later lat. ponderabilis) wceghaar, wat men wegen kan; — ponderabiliön, m. pl. iponderabilïa) weegbare lichamen; ponderabiliteit, f, nw.lal. de wecghaarhelil; pondoratie (spr. l=ls) f. lal. (pondcmiïn) ile afweging, helwegen, afwegen; Plet. hel evenwicht la de houding en heweglng eener figuur; — ponde-reus, adj. (lat. ponderósus, a, urn) zwaarw ichtig-, nadrukkeiyk; der overweging waardig; — ponderométer, m. een lastmeter, Inz op straatwegen; — ponderóso (spr. s—z) It. Muz. met nadruk, zwaar; — ponderositeit, f. nw.lal. de zwiiarwiclitigheld, zwaarte.

Ponént, m. Int. (v. ponens, genlt. ponénlis, partlc. v. pnnerc. stellen, aangeven, zeggen) do verklaring afleggende, hy, die eene verklaring of getuigenis allegl, Inz. voor de rechtbank; — ponooren, zetten, stellen.

Ponerologïe, f. gr. (van ponerós, n, dn, slecht, boos) het sproken van slechle dingen, een onbelameiyk gesprok; de leer van het kwade, het verkeerde, b. v. In de nienscheiyke natuur. Poney, z. pony.

Pongo, z. bar ris.

Ponjaard, m. (fr. poignard, 11. purpwle, sp. punnal; van \'t lal. punio, pungo, steken) een korle spannsche dolk.

Ponnes, ponni of ponny, eene oost-Indische rekenmunt = „V comp. ropy = 15 cl, pons asinórum, m. lat. elg. eene ezelsbrug, d. I. een hulp- of verllchtlngsiniddel voor onwetenden, mlnkunillgen of zwakken.

Pons, f. z. punch.

Pont, punt, eene chineesche longlemaal, z. pant.

Pontac of pontiik, m. een fransclie don-kerroode, zware wijn, naar bet oord van den-zelfden naam in /., frankrijk

Ponto de\' sospïri, 111. ll. (v. ponlc, lat. pons, de brug en sospiro, de zucht) de brug der zuchlen In Venetie, waarover de ter dood veroordeelden geleld werden.

ponteeren, z. oud. ponto 1).

Ponti, pi. van ponto 2).

Pontia, z. ond. I\'onlius.

Pontieollo, 11. II. (spr. —Isjdllo verklw. van ponle = lat. pons, brug) Muz. elg, een brugje, de kam aim strykspeeltulgeii ; - sul pon-ticélln (siir. soel—) IMuz. (met den strykslok) dicht hy de kam.

Pontifex, m., pi. pontifices, lat. (elg. brugmaker, van pons, brug en facUre, maken) een priester of opzichter over hel godsdlensl-wezen In het oude Kome, medelid van het college der pontlflces, aan wie oorspronkeiyk het gewichtige werk van den bouw en hel onder-boud der Tiberbrng was opgedragen (langza-merhand tot lü leden gehraclil); een opperpriester, bisschop; pontifex maxi mus, de opperste der pontlflces in het oude Kome; priestervorsl, pans; - pontifloaal, adj. (lal. ponlificulis, e) priesterlijk; hoogeprlesleriyk, hisscboppeiyk; de pontificale ring, de koslliare ring, dien de paus, de bisschoppen en andere priesters hy de booge mlshediening plegen te dragen; als subsi pontificaal of pontificale, 11. een kerkboek, dat de plichlen of verrichtingen eens bisscliops bevat, onder Clemens Mil In 189(1 versclienen; ook hel pauselijk, blsscboppeiyk plechtgewaad; een staatsiekleed, het beste pak; — pontificalien of pontificalia, n. pl. blsschoppeiyke kleeding; priestergewaad; staatsiekleed; In ponlifiaihbus, in plechtgewaad, In de amblskleedlng; — pontificaat, n. (lat. ponlificalus, m.) het amhl van eenen pontifex, het opperpriesterschap, pausschap, do piiuselgke waardigheid; —pontificeeren, nw.ial. hel limbi van opperpriester bckleeden; de booge mis lezen

pontijnsche, pontinïsche of pomp-tinïsche moerassen (lat. pah/des ponti-me. of pomptinac, ontstiian uit pometinue, van de stad Pometin, de machtigste der 33 steden, die vroeger aldaar lagen; it. paludi pontine] eene moerassige landstreek van 3 vierkante myien in den voormallgen Kerkeiyken Staal, zuidwaarts van Home.

Pontlus (spr. t=ts) gr. (van pontos, zee) mansn.: de man der zee; — Pontïa, f. een byniuini van Venus, ais nit de zee geboren.

Pont-levis, 111. fr. (spr. poii l\'wi: van le pont = lal. pons, brug, en tevis, prov. levaditz, sp. leradizo, lal. als \'l\\\\»re levaftcus, \\. levüre, opllchlen, ophalen, fr. lever, prov. en oudsp. levar: vgl. le vee ren) eene ophaalbrug; — pont-neuf, de nieuwe brug te Parijs; ook ;


-ocr page 998-

POPLITISCH

PONTO

972

gomcen liedje, slrHiildeiinlJe; — pont-sus-pendu (spr. suuspaiiilü) ImiijtbruK; — pont-tournant, n. (spr. imii toernaii) de dnial-Iiiuk;-pont-volant,m. (spr. —wolaii) de vIleKondo hruff, KlerhriiR; — ponton, in., pi. pontons (spr, pniilóii) eeno vlothriiR, brug-gcscliullcn; eeno soort van klelno koperen vanr-lulgon, die men In een leger mei zich voert en waarvan men zich als onderlaag hedlont om sclilpbriiggea (ponton-lx\'nggen) over eeno rivier to slaan; onttakeld schip, Ingericht tot bewaring van kiygsgovangonen; — pontonnier, m. fr. (spr. pniilnnjé) schlplirngmakers, soldaten met hel slaan dor pontons belast.

Ponto, 1) f. (fr. pniile, m., spr. poiit\': sp. punln, v. lat. pmclum, vgl. point, p o I n t e e-ren) een aas (harten- of rnltcnnas), als vierde troef In bet omhei-spel; pontooron (fr. ponier) oenen prys op eone kaart zetten In het pharao-spel togen den bankhouder.

Ponto, 2) m., pl. ponti, eene oude re-kenimml op Slclllc = scudo of ongeveer li cent.

Ponton, pontonnier, enz., z. ond. p o n t -1 e v l s.

Pontus, m. lal. (gr. póntos) de zee, Inz. z. v. a. Pnntiis lluainus, m. do Zwarte zee.

Pont-volant, z. ond. pont-Ie vis.

Pony. m. eng. (uit hel gadlscli ponaidh, klein paard) eeno byzondore soort van kleine rtjpaarden, een klepper.

Ponzine, r. It. ilimune pomino of /in/izi-ndln: van \'1 lat. intnineus: vgl. ponceau) de donkorroode sinaasappel: ook eene variëteit van den citroen.

Pool, l) n. eng. (spr. pnrl) een handelsgewicht te Callcoet = eng. pond.

Pool, 2) f. (lal. imlus, m. van \'1 gr. pnlns, d. 1. draaipunt, van p^lcin, draaien) bet draaipunt ; naam der eindpunten van de as eens bols, b. v. van de aarde, om welke zü zich draalt. Met ullerste punl der aardas naar het noorden heel n o o r d p o o 1 of arctische pool [pnlue arrïïcus); bet andere naar het zuiden; de zulilpool of nntarctische pool (pn/ux nn/arcffcus); — polen des hemels of wereldpolen, de draulpunten, om welke zich de schdnhare hemelbol In 21 uren schtjiit te wentelen; l\'bys. de punten of plaatsen, die de zetel van tegenovergestelde eigenschappen of krachten zun, b. v. de polen van den mag-neel, de Irekpunten of de naar tegengestelde richtingen strevende plaatsen van den magneet, In welke zyne aantrekking bet sterkst Is; vgl. magneel; poolshoogte van eone plaats, z geograpblsche breedte;—poolcirkels, de helde cirkels, die men zich verbeeldt op cenen afstand van 23J- graad van de helde polen gelrokken Ie z.yn; — poollanden, n. pl. de om de noord- en de zuidpool lot aan de poolcirkels gelegen landen; — poollichten, n. pl. iioonler- en zulderllcblen, lichtverschijnselen In de atmosfeer dlchl by de aardpolen, magnelische onweders; pools-distantie (spr. Iic=lsie) .poolsafsland, de afstand des pools van het toppunt eener plaats; — poolster, de noordster, aan bet uiterste einde van den staart des kleinen Heers, weleer eene geleld-star voorde zeevarenden (vgl. cynosura); — poolstroom, n. de beweging van het zeewater van de polen naar den aoquator; — poolvos, m. ysvos, blauwe vos, een sneeuwwitte, In den zomer grüze vos van het hooge noorden,- met liooggescbatlen pels;—polair, adj. nw.lat. den pool holrelTende, van de polen af; legenovergesteld, recht tegenover; —polaire projectie, z. projectie;-pola-riseeren (spr. s=2), polariteit mededee-len of aannemen, — polarisatie (spr. -za-lsie) en polariseering, f. medodeellng van polariteit; ook de aanneming daarvan; polarisatie van hel licht, de door het breken (Inz. in duhhelhrekende lichamen, h. v. kalk-spaath) aan den lichtstraal medogedeolde eigenschap van naar twee loodrecht op elkander staande richtingen hetzy volkomen of lo \'t geheel niet teruggekaatst of gebroken te worden; — polariteit, f. do neiging of richting van vry zwevende magneten naar de magnetische polen der aarde; in ruimeren zin; liet bezitten van twee polen of tegenovergestelde plaatsen met strydige (nantrekkende en afslootende) elgen-schappen, vandaar magnetische en elektrische polariteit; In \'talg. de verdoellng eener kracht In twee tegenovergestelde en naar wedervereeniging strevende werkingen, de tegenstelling van twee eigenschappen of krachten, die in wederkeerlge heirekking tot elkander staan; — polograpliie, f. de poolbe-schryving.

Poop, n. eng. (spr. poep: fr. pnupc, lat. puppis) het achterdeel van een schip, achtersleven, spiegel.

poor, adj. eng. (spr. poer: lal. pauper, fr. pauvre) arm; als subsi, de iirnie(n); — poor-law, f. de armenwet; — poor-rates, pl. (spr.—ree/s) arinenbelastlng; — z. out-poor, onder out.

poover, adj. (fr. pauvre = lat. pauper, arm) arm; armzalig; gebrekkig, nlelig, onbeduidend.

Popans, popanz, m. hoogd. (spr. pn-panls) een schrikbeeld, bullebak, boeman.

Pope, m. russ. (pop, van \'t nw.gr. papas, priester, van \'t gr. pappas, vader ; vgl. papa) een priester der grleksche kerk in Uusland.

Popeline, f. fr. z. v. a. pa pel ine.

Popïne, f. lat. (popïno) eene gaarkeuken, kroeg.

Popieens, póplins, n. pl. eng. half-z.yden slolTen uit zyde en wol, inzonderheid In Ierland vervaardigd, z. v. a. het fr. papeiine of p O pell n e,

Poplifugiën, pl. lal. (pnpiifuqia, v. po-pulim, volk en fuutire, vluclilen) bel feest der volksvlucht In hel oude Rome.

poplitisch, adj. nw.lal. (van \'I lat. poples,


-ocr page 999-

POPOCATÉPÉTL

973

POHPHYR

genlt. iiopltlis, do knleljooK) tot den knloboog of do haze behoorcnde, aan don kniehoog aanwezig.

Popocatópétl. in. (van hot aztceksch /w-pocani, rocken en léjiell, berg) rookende berg, vulkaan (In Analiuuc).

Popowka, f. russ. een soort rondo pant-sorschepen, naar den russ. admiraal Pupoir genoemd.

Popolano, m. it. volksvriend; — populo,

m. It bet volk.

Populace, f. fr. (spr. —lass\': als ware \'I van (sen lat. woord populacëa, v. populacem, populadus, don grooten volkshoop betrellende, v. popi/lus, m. volk) het gemeen, gepeupel, de volkshoop, het grauw; — populacier, adj. (spr. —lasjé) gemeen, laag, onedel, gelük hel gemeene volk zleh gedraagt; zich op onedele wüs vernederend of gemeen makend; — populail\', adj. (lat. popular is, e, fr. jiupu-laire) volksinatig, gemeen; algemeen nuttig, algemeen verstaanbaar, onder de bevatting van den grooten volkshoop vullende; volksllevend, voiksgunstlg, volksbellevend, mlimeiyk, gemeenzaam, genaakbaar, by het volk liemlnd;—populariteit, t. (lat. iiopuldnlusj de volksma-tlgliohl, volkstaal, volkstoon, de algemeene verstaanbaarheid, bevattelükbeld, algemeene nuttigheid ; volksiieileving, minzaamheid jegens ge-rlngoren, gonaakbaarhelil, volksliefde, volksgunst ; popularisooren (fr. populariser) Iets volksinatig, algemeen bevaltelgk, verstaun-baar of nuttig maken; — zich populari-soeron, zich bil het volk bemind maken, zieli In de gunst van liet volk dringen; —popu-leeren, nw.lal. (het lat. popular! hetoekent verwoesten, plunderen, ontvolken) of fr. peu-ploeron (peupkr) bevolken; —populatie (spr. l—ts) f. (later lat. populuho) de bevolking, volksmenigte; — populationistiok, f. bevolkingskunde, de leer van de verhoudingen der bevolking; — populationisten, pl. In Engeland: de tegenstanders van Maltbus\' leer der overbevolking; — populous, adj. lat. {populusus, n, um, volkrijk) tali\'Uk, sterk bevolkt; — populositoit, f. (laler lat. po-pulosilus) de volksmenigte, de sterke bevolking; — Populonia, f. Myth, een bynaam van ■luno, onder welken de Koinolnon haar vereerden.

Populïne, f. nw.lal. (v. lal. pupillus, f. de populier) popullerslof, uil den bast en de bladeren van den ratelpopuiler (Popfilus trc-mula) getrokken; — populifolius, u, urn, lal. Bot. popullerbladerig.

Pópulo (jf pópulua-wijn, m. (v. lal. popiilus, bet volk) een kruidenwijn, uil ryn-sehen en spaanschen wijn met suiker, kaneel, kruidnagelen enz. bereid.

Popülus, m. lal. bet volk; inz. het ge-zameniyko volk der Komelncn, de pal helers en plebejers omvattende; — populm /lomanus, bol romeluselie volk.

Porcelein, z. porselein.

Porche, f. fr. (spr. porsj\': provene. porge.

van I lal. purdrus) voorportaal aan kerken en andere groote gebouwen.

Porfier, z. porphyr.

Ponen, f. pl. of poren, m. pl. gr. (van póros, m., pl póroi, d 1. elg. doorgang, uitgang; lal. porus, ni., pl. port) de kleine tus-schenrulmten, openingen uf gaatjes der lichamen; de zweetgaaljos in de huid;- poreus, adj. nvv.lat. (fr. porewc) met poriën of kleine tussclieiiruiinten, sponsaehtig, vol kleine openingen ; — poropooio, f de door geneesmiddelen bewerklo opening der zweetgaatjes; —porositeit, poreusheid, f. de eigenschap der poreuze lichamen, doordringbaarheid, spons-aebtlgheld.

Porisma, n. gr (pórisma, \\an porklzeln, teweegbrengen, aanvoeren) eeue gevolgtrekking, besluit tot bet voorgaande; — pl. poris-mnta of porisraon, gevolgtrekkingen uit eono reeds bewezen slelllng, b. v. In de meetkunde; — porismiitisch, adj. gevolgl rekkend ; — poristiok, poristika, f. de leer der gevolgtrekkingen, der besluiten; — poris-tisch, adj. gevolglrekkend.

Pornio, f. gr. (pomeia) hoererij, hoelce-ring; — pornograaf, m. een schrijver over boererü; ontuehtig seiiryver; pornokra-tie, f. (spr. /=/.«) de iioereiiregeering.

Porocêle, f. gr. (van poros, m. de tufsteen; eeno soort van marmer; onelg. eene steomiehlige verharding, eelt) Med. eene steen-breuk, kraakboenbreuk, eene vaische, uil ver-hardlngon ontstane breuk; — porompha-lon, u. of poromphalus, m. ook porom-phalocölo, f. eene uitpuiling, uilzelling of zwelling van den navel, waarin steentjes of verhardingen aanwezig zyn, naveisteenbreuk; — poröma, n. (v. porocn, versieenen, verharden) Med. een hard, ecllaclilig deel; — porosis, f. gr. verliardlng; Med. vergroeiing van gebroken beenderen; lig de nleuweren ook voor luchllge op/.el 1 Ing; ook hot gierstokorrellje, eene verharding in hel oog; — porotïcum, n. eeu geneesmiddel, dal de voorlhrenglng van heenvveer (callus) liisschen de geiiroken beeneinden bevordert; — porötiseh, adj. verhardend.

Poropceie, porositeit, z. onder poriën; porosis, poroticum, z. onder p o r o c e 1 e.

Porpeziot, n. een uil gedegen goud mei i percent zilver en Itl percent palladium beslaand metaal In Brazilië.

Pórphyr, porfier, n. gr. (fr. porphyre, eng. porphyry, lal. porphyrites, v \'t gr. por-phyritcs, naar purper gelykend, van porphyra, purper) de purpersteen, een gemengd gesteente van oiulerscbelden grondstof met Ingegroeide veldspaaliikrisialicn, enz.; — porphyrcus, a, urn, Bot. roodbruin; — porphyrisch, adj. purperen, purperkleurig; — porphyriseeren, purperaclilig maken; — porphyrisma, n. Med. de scbarlakenkoorts, purperkoorls, purper-uiisiag; — porphyristiseh, adj. de schar-


-ocr page 1000-

PORPHYRIANEN

974

PORT

lakeiikoflrls liotroltondo, (liiarull onlstniin; — porphyritis, m. of porphyriet, n. mar-mor met iiuiinTslrciicn; — porphyrogon\'-tus, in. Ki\'.-Int. een In hel purpor Rolioreno, ecu liUnimni ilor prinsen van hel grlokscho kol-zoi\'rUk na Conslaniyn, die geduronile de rogeo-rint! des vaders geboren werden; — porphyr-slak, eono rolstuk In ItrazlllB.

Porphyrianen, m. pl. aanhangers van l\'orpliyrlus, Arlanen der tide eeuw.

Porpieten, m. pl. gr. (van por pc, ring, spang) eone soort van cirkel- of eirond versteende sponskoralen.

Porporino, m. It. (d. I. purperen) purpersteen, eene kunstige gekleurde steenmassa, weleer in llalie inz. lot opsiering der kerken geiiruikt; ook z. v. a. hroniatlnon.

Porréctie, z. ond. porrigeeren.

Porréo, m. (fr. porreuu of poireau, it. pnrro, van \'t lat. porrum, look) prei, spaanscli lonk, aschlook, eon ajnlnaehtig moosgewas (Allium porrum).

porrigeoron, lat. (porriaire) overhandigen, overreiken; — porréctie (spr. lt;=.5)^10 overhandiging, overreiking.

Porrïgo, t. lat. Med. de zemeluitslag, z. v. a. pityriasis; — porrigineus, adj. (lat. porriginosm, a, urn) daarmede lieliept.

Porrum, n. of porrus, m. lat. look; — porrus, Med. eene lookwrat, eene wrat met knohhels en tanden.

Porselein, porcelein,n. it. {porcclluna, fr. pnrcelainc: oorspr. de naam eener slak; de porseleinslak, lat. porcellam, rnnrha cypraea, naar welke het porselein 0111 zyne gladheid en melkwltten glans zyn naam heeft gekregen of omdat men geloofde, dat het daaruit vervaardigd werd) eene In het vuur half verglaasde, doorschynemlo stof en het daaruit herelde kunstige nardewerk; - porselein-jaspis, m. eene knnstinatig herelde, naar jaspis geiykende steensoort; — porsellanieten, m. pl. versteende porseleinslakken.

Port, I) m. fr. (spr. pnr: van \'t Int. por-lus] eono haven, zeehaven; een toevluchtsoord, plaats der rast en veiligheid, een enge bergpas, Inz. in de {\'yreneen; z, v. a. puerto (vgl. col); — port, 2) n. z. porto; — II) in. ook bü verkorting voor portwyn (z. aid.)

Porta, (. lat. poort, deur.

Portaal, n. (oudfr., proveac. en sp. pnrlul, nw.fr. porlail, mld.lat. porlale, v. \'t lat. porla, de deur) do hoofddeur, hoofdingang van eene kerk of ecnig ander groot gebouw, met do houwkunst-slcradon, daaraan verbonden; ook wel eene afdeellng van een gebouw of eene woning, eene riilinte voor de gangen, by de deur (voorportaal).

portabel, adj. lat. (porlahïlis, e, van por-lilre, dragen) en portatief, adj. uw.lat. draagbaar; — vandaar portatief, als subst. 11. een zakboek; — portage, f. fr, \'spr. —tddzj\') ook pacotllio, f. (spr. —HéIj\') de byiast, vrypak-kage, vrUgood, de weinige waren en goederen.

welke de op schepen aangestelde personen mogen medevoeren; ook bet recht om byiast te mogen laden; — portamónt, n. it. porta-méntn di wee (spr. —wiitsje) Muz. het dragen en allengs wegsmelten dor stem; — porta-ten, pi. (It. portahi, f. sclieopsladlng) In zce-bavens en haiidelsstoden; Igsten der dageiyks aankomende goederen en bunner ontvangers.

Port d\'armes, in. fr. (spr. pi)r d\'drm\'; van porter = lat. porlSre, dragen) een vorlof-brlofje om wapenen te dragon; een vrührlef om te Jagen; — porte-aiguille (spr. port\' c-gwiélj\') do naaidboader, oen chirurgisch werktuig; — porte-assiotto, n. (spr. porfasjéll\') een schotelring; — porte-bonhour, m. (siir. —honnéiir) dg. goiukaanbrenger: een platte zilveren of gouden armljanil zonder scharnier, meest met eene InscriptlO; — porte-bouquet, n. (spr. port\'boekè) een bloemkorfje, hloenischaiiltjo op bet dames-toilet; — porte-ohaise, f. (spr. pnrt\'sjèz\'. fr. chaise d porteurs) de draagstoel, draagzetel; ook m. de drager; — porte-clefs, m. (spr. —klé) kerkerknecht, die de sleutels beeft; ook; sleutelring; — porte-crayon, n. (spr. —kréjnii) een potlood- of stifthouder, eene teekenpen, z. era yon; —porto-croix, m. (spr. port\'kroa) de kruisdrager, by, die by r. kalb. processlën bet kruis draagt; —porte-Dieu, m. (spr. —iljeu) elg. een goilsdrager; een r. kath. priester, ille do gowydo hostie naar de zieken brengt; — portee, f. omvang, strekking (van lets); belangrykbeld eener zaak; (IrUfkracht, schotvvydte, bereik; — porte-épóe, m. (spr. porl\'epé\') elg. een zwaarddrager; draagband voor een zygeweer, degenkwast;

— porte-éperon, m. spoordmger (aan de laarzen); —porte-faix (spr. —fi), m. Inst-drager; — porte-fouille, f. (fr. m ; spr. —fculj\') de hrleventasch, bel zakboekje; Inz. de tasch voor staatsstukken van een niiiiister; vandaar ook voor hel ambt van minister; b.v. zyn port e-feu 11 ie ned e rl e ggen, z-Un ontslag nemen als minister; Kmt. geldtasch, omslag voor bankpapier; do bewaarplaats, waarin openbare llnandUelo Instellingen hunne papieren van waarde bergen, en deze gezameniyke papleren;—porto-foudro, fr. (spr. —fnedr\') elg. een bliksem- of doaderdrager; bet kanon;

— porte-guignon (spr. -uienjim), porte-malheur (spr. —malléür) een onheilsbode, ongeluksvogel; — porte-jupe, m. (spr. zjuup\') Japonhouder, gordel der vrouwen om do Japon op te schorten; — porte—lettres, f. de hrleventasch ; — porte-manteau, 111. (spr. -man-tó) een mantelzak, valles; — porte-mon— naio, f. (van mommie, inunt, gold) een geld-taschje van leder, dat aan oen stalen raampje bevestigd is; — porte-respoet, m. (spr. —respè) elg. ontzagwokker; een dolk, korte stootdegon; — porteur, m. een drager; de houder of vertooner van een wisselbrief, enz., de overbandlger van eenen brief, van eene boodsciiap;

— au porteur, aan toonder; — porte-voix, m. (spr. -wad) spreektrompet, scheepsroeper.


-ocr page 1001-

POSADA

975

PORTK

Porte, f. fr. (spr. port\': Int. porta) doilcur; jnirfe d deux hnllanls (spr. —deu baldii) vleugeldeur; — porte-brisóo, r. elu. unhrokon deur: iluhhclo deur; — porte-dórobóe, uc-licime deur; - porte-cochère, Krootedeur wnar do rytulRen blnnenrUdoii; ook fousso-porto; — ottomanischo of verheven porte, /.. ond. ol to ma n Isc h.

Porténtum, n. pi. (pi. pnrténta) lat. oen Rodrocht, wansclicpsol, monster; ecno inlsgc-lioorto; In \'t algemeen lets, dat als een voortoeken geldt; vgl. proillglum.

Porter, m. eng. (spr. poorter) een stork eng. hier (naar men wil zoo genoemd, omdat liet wegens zljno kraehllghold inz. voor lastdragers [porters] geschikt Is).

porteoren, fr., zich voor iemand portoeren (se porter of être porté d quel-ijiie chose, tot Iets geneigd zijn), voor Iemand In de bres springen, z(|no zaak verdedigen, met hom Ingenomen zün; —voor iemand geporteerd zijn, mol hem Ingenomen, hem genegen, gunstig, hevorderiyk zyn.

Porteur, ■/.. ond. port d\'ar mes.

Portfólio, n. eng. z. por I e-fo uil Ie.

Porti, pl. v. porto (z. aid.)

Portions, f. doorgaans m. (pl. portieus) lat. eeno zaal, zuilengang, gewelfde of overdekte gang lid wandelplaatsen, samenkomsten, enz.; galerU.

Portie (spr. t~ts) f. lat. {pm-tto, fr. portion) hot deel, aandeel, wat leder toekomt; een erfdeel; do hooveolheld der op eenmaal toegediende nf ullgerelkle spijs, mondgeileelle, spys-glfl; — pnrCio firaUalis, Jur. eea genadedeel, genadcgeld; p. hereditnna, liet erfdeel; p. Ie-HiCfmn, het wettig erfdeel, verpllehto deel; p. statutarta, hot aandeel, dat naar landsgelirnik of landswetten eeno weduwe van haren overleden man toekoml; p. vinlis, mansdeol, gelijk erfdeel, khidsgedeolle; — portiunciila (spr. I=t.t) f. een klein gedeelte, deeltje, Inz. van het eten; ook eeae kleine kerk niet verre van Asslsl, l»t eeno Keiiodieiyncr-ahdy hehoorendo en door de inoniilktn portiunciila gonoomd, omdal zü op oen klein, hun toehehooread stuk lands lag; door Frans van Asslsl In 1207 herslold, en later door eene groo-lere kerk overhouwd; in oude kalenders de he-namlng van den iden Augustus, dewyi op dezen dag aan de hozoekers der Portlunculn-kerk aflaat werd verleend.

Portier, l) in. fr. (spr. portjé: provenc. portier, II. portiere, sp. portero, mld.lat. por-tarius, van \'t lat. porto, deur) een deurwachter, poorthowaarder: — porller, Anat. de he-nedeninoud der maag (pj/ro/ws); — i) n (fr. por-tiire) de deur van een rytnlg, do koetsdeur; — portière, f. fr. (spr. portjir\') do portierster, deurwnchtster; hel cordyn voor deuren.

Portique, m. fr. (spr. —tiék\') z. v. a. portieus,

Portimicula, z. ond. porti e.

Portlandstone, m. eng. (spr. —stoon\') portlandsteen, een o|i het eiland Portland gedolven dichte oolithische kalksleon; — port-landeement, n. uit porl la lidsteen gehrand of nok kiinstmatig door hranden van kiel en kalk hereld cement (z. aid.); — Portlandvaas, f. vroeger Barharlna-vaas, oen lus-schon Mi2:t en Mi\'ii lo Home gevonden oud-romelnsehe vaas uit glasvloed, door den hertog vnn Portland voor het liritscho museum aiin-gekocht.

Porto, n , pl porti. It. (van pnrtare, dragen, weghrengen), port, n. hel vracht-, voer-of draagloon, hodeloon, do vracht ; Inz. hot postgeld, hrlevengeld, liriovenport; — porto-franco, it., port de franc, tr. (spr, —;«))■) of portvrij, postvry, franco; — porto-vrijdom, he-vrydlng van het postgeld, postvryiield.

Porto-franco, m. 11. (van porto = lal. portui, haven) eene vryhaven; - porto-morto, eene doode haven, waarin het den koopvaaniyschepen verhodon Is hlnnen te loo-pen; — Porto-rico, f. (sp. puerto rico) d. 1. ryke haven, naam van een spaansch eiland In W.Indli1, en van de rooklahak, die van duur komt.

Porto-vrijdom, z. ond. porto.

Portret, n. (fr. portrait, oudfr. portraiet, elg. het deelwoord van \'1 verouderde portrdire, afhcelden, van \'1 lat. protrahtre, protractum, d. i. te voorschyn, aan liet llchl brengen), de beeltenis, Inz. die van eenen mensch, door het penseel, de toeken- of graveersllfl voortgebracht; onolg. de levendige, natuuriyke, jnisle voorstelling, hescliryving of schildering van eenen persoon door woorden; — portraitist of por-traiteur, m. een schilder van portretten;

por traiteeren, port rel I eeron, het gelaal op doek, paneel, enz. afbeelden.

Portugalozer, m. (van Portugal) eene portugeesche goudmunt van verschlllenile gehalte; ook eene hamburger medaille, 10 dukaten waard.

Portülak, f. (lat. portutiica, ontsl. uit het oorspronkeiyke porcitnca, 11. en provenc. ook portutaca) do porselein of postelein, eene bekende Jarige liiinplant als moeskruid en salade.

Portulaan, m. fr. (11. portutdno, porto-/duo, de sluurinan, en het boek, waarin de zeehavens beschreven worden; v. porto, fr. port = lat. portus, haven) Mar. het graadboek, dat de ligging der kusten en havens bepaald opgeeft-, Portümnus of Portünus, m. lal. Mylh. de havengod, de god en beschermer der zeehavens; by de (\'.rieken Pa ia-mon.

Portuurlijn, partuurlijn, f. Mar. lang louw, dat door den kraanbalk loopl, hoven welken het met een knoop wordt vaslgeliouden, en dat het anker by uitwerpen en ophalen met den ring vasthoudt.

Portwijn, m. een portugeesche roode wyn, die uil de stad Oporto of Porlo wordt verzonden.

Porus, m. gr, (poros, vgl. poroeele, enz.) de liifsteen; Med. beenderiiltwas, eell,

Posada, f, sp. (van posar, zich nederzet-


-ocr page 1002-

POSADNIK

976

POST

tun, uUi\'uslon, enz,, van I hit. pausare, prov. pausar, it. pomre; vgl. posé) eono herberg, een lOKcmont; — posftdéro, in. do waant, tiortiorgtor.

Posadnik, in. slav. dorpsrechtor, schout.

Posatamonto, It. (fr. posément, vgl. post\') kalm, bodiuird.

Posca, t. lat. azijnwater, z. v. a. o x y k r a a t.

Poschoga-tabak, f. eone lijnc tabakssoort uit Hongarye.

posé, adj. fr. (v. poser, it. posare, sp. po-sur, provenc. pausar, rusten en doen rusten, nederzetleii, van \'t tat. pausare, stiihouden) dettig, ernstig, bedachtzaam, van gelgkinatigc, ernstige gcmoudsgoslcldlicid; — pose, f. fr. (spr. pnoz\') ilchaainsstand, bonding, inz. in ar-tistleken zin (= attltudo, z. aid.); — poseur, in. posouse, f. fr. (spr. s=t) Iemand die voortdurend poseert, d. I. steeds er op uil is om elt\'ect te maken.

Poseidön, m. de gr. naam van den zee-god Nop tun us (i. aid.); — poseideön, m. eene herfstmaand der Athoners.

Positie (spr. -zi-lsie), f. lat. (posilïo, v. pongrc, zetten, stellen, enz.) de stelling, ligging, plaatsing, toestand, stand; in do danskunst; do voetonplaalsing (eerste, tweede, enz. positie); Muz. z. v. a. uppiicatuur; Poot. het samentrelTeii van twee of meer medeklinkers, waardoor in \'I grloksch en lutyn eene lettergreep lang wordt; — positioner capliüsae, pl. Jur. arglistige stellingen of rechtsvrngen, strikvragen; — positie-krijg, een stellingskrüg, hoschoiinlngs- of verdedigings-oorlog; — positief, adj. {posilivus) vastgesteld of bepaald, aangenomen, uitgemaakt; vast, zeker, gewis, werkelijk ; bewerend, bevestigend, bet tegengest van negatief; positieve elektriciteit, z. elektriciteit; — het positieve recht, het vastgestelde, slelllgo recht (In tegenst. niet natuurrecht); positieve religie, de vastgestelde, geopenbaarde en overgeleverde godsdienst (in tegenst. met den natuurlUkon of den natuurgodsdlonst); — de positief of po-sitivus, dram. de toestand van het bijvoeglijk naamwoord zonder vergelijking gebezigd, de stellende trap der byvueglljke naamwoorden, z. grudus, ond. graad; — hel positief, een klein handorgel, kamerorgel; — positieve, f. de gezonde, normale toestand der zinnen, Ji. v. niet bü zyn positieve z y n, niet wel hy \'t hoofd zyn; — positivisme, n. de positieve pbllosophle, het aannemen als grondstelling en liet by voorkeur aannemen van het po-sllieve, in tegeiistelling met hloole verstandsbegrippen ; — positivist, m. aanhanger van het positivisme (in tegenst. met idealist); — positiviteit, f. nw.lat. de he[iaaldheld, zekerheid; de bevestigende verhouding, in tegenstelling met n e g a 11 v 11 e 11; — posito, gesteld of aangenomen, dat enz.; posïlo, sal non con-césso, gesteld, maar niet toegegeven of aangenomen ; posilis ponéndis, bet vooronderstelde aangenomen z.ynde; — positmir, f. (lat. po-situ ra) de stelling, stand of houding des llchaams, de loestand; zich in posltuur of in pus-tuur z e 11 e n, zleh lot Iets gereed maken, «p iets bereid of gewapend houden, een plechtige houding aannemen.

Posologie, f. gr. (v. posos, boe veel, hoe groot) de leer van de grootte der artsenygiftoii, z. v. a. dosiologle; — posológisch, adj. daarop betrekking hebbende.

posse, lat. (samengetr. uil polis esse) kunnen, vermogen; u posse ail esse. Log, het onjuist besluit of de verkeerde gevolglrekking van het mogeiyke lot het werkeiyke eener zaak; ullru posse nemo obliijulur, niemand behoeft meer Ie doen, dan bij kan; tot het onmogeiyke Is nie-mand verplidil; — posse, als suhst. n. de gewapende macht (Inz. In Engeland); — pos-sibel, adj. lat. (possiliïlis, e, fr, possible) mo-gelgk, dueniyk, doenbaar; — possibilist, in, socialist die zonder geweld le gebruiken zijne beginselen tracht le verwezeniyken; — possibiliteit, f. (later lat. possibttttas) de niogoiykheid; — z. ook non póssümus.

possedeeren (fr. posséder, lat possidere, v. po, by en sedire, zillen) bezitten, in bezil, in eigendom hebben; — possessie, f. (lal. pussesslo) het bezit; de bezitneming; de bezitting, havo; — possessio apprehénsa of capla, Jur, een aangetast bezit; p. bonue ftdei, bezit te goeder trouw, voor reelitmalig geacht bezit; p. bunoruin, goederenbezit; ook liet erfrecht of de erfopvolging naar biliykbeld, d. 1. die vorm van bet erfrecht, welke de rom. pnetor uil bliiyklield nevens het strenge erfrecht invoerde; p. bonorwn ventris nomine, het goederonhezil eener zwangere weduwe voor hare vrucht; p. extincta, le-nlet-gogaan bezit; p. injüsla, onrechtmatig of wederrecbteiyk bezil; /i. justa, rechlniatlg bezit; p. liligiosa, sliydig, helwisl-haar bezit; /i. malae fidëi, onredelijk of bewust onrechtmatig bezit; p. praescripla, verjaard bezil ; — possessief, adj. lat. {possessivus, a, mim) het bezit betrellend, bezilthig aanwyzend; — pronomina possessiva, z. pronomen; — posséssor, m. of fr. possesseur, de bezitter, eigenaar; — possessor bonue jidei, Jur. bezitter te goeder trouw, wie een reelitmalig bezitter gelooft le zyn; p. malae /idd, een bewust onrechtmatig bezitter; — possessó-risch, adj. (possessorms, «, urn) bet bezit betreifende of daartoe beboorende; — possesso-rmm, n. possessorisch proces, bezit-thigsproces, een rechtsgeding, dat enkel hel bezil betrefl.

Post, 1) m. (11. posla, van \'1 lal. pon/re, zetten, stellen) eene voor leis bepaalde of uitgegeven geldsom, In zoo verre z.y in rekening wordt gebracht, de aanteekening in een koopmansboek; scbuidpost, schuldsom; — i) f. (fr. la paste), de openbare Inriehling tot bezorging van brieven, goederen en personen, liet openbare postwezen; ook voor bericht, tydlng b. v. een kwade post); 3) m. (fr. le posle, il. poslo, van \'l lat. pon, re, stollen) de stand, plaats ;


-ocr page 1003-

POST NUBILA LUX

977

POST

cenc uitgezette wnclit; schildwacht; ook do plaats, waar do schildwacht (testcld wordt; on-elR. hodlenlnK, amht, plaats; — postdirecteur, in. hot hootd van hot postkantoor; — poststation, z. station; — per posla, It. mot do post; — poxle resldn/e, fr. op de post to hiyven (oni afgelmald Ie worden); —pos-teeron (fr. poster) plaatsen, stellen, Iemand op een bepaalden post stellen, hom eeno plaats, hedloidng, enz. aanwUzen; (hel laken) In de hreedte rouwen, vooral de randen of zelfkanten ultrouwen, hetgeen met de p o s t e e r in a c h I n o geschiedt; — posteoring, r. de steliing;— postillon, fr. (spr. posli-ljnii) postiljon, oen postknecht, postrUdor-, — postillon d\'amour {spr. d\'amóér), een overbrenger van mlnnehrloven.

post, lat. na, later dan—; ex posl, achterwaarts, achteraan; — posl hor, ergo propter hor, daarna, cn derhalve daarom (de valsche stelregel, dal wat op elkander volgt, ook uil elkander volgt).

Postage, n. enp;. (spr. pó/tHlkj) briefport;

— postage-stamp, m. (spr. —slemp) postzegel.

Postaki, pl. russlsche schapcvcllen uil de streken dor Zwarte zee.

Postamént of postemént, n. (van hot lat. imnire, zetten, stellen) hel voet- of onderstuk, onderstel (pedestal), het voelstuk van eene zuil, de zuilstoel.

posl coenam stabis, enz., z. oud. erena. Postcommünie, f. nw.lat. (vgl. communie) in de r. kath. Kerk een gebed of gezang na hel avondmaal.

postdateeren, nw.lat. (vgl. daleeren, ond. (latum) later dagleekenen, eene vroegere dagteekoning geven, een vroegeren, reeds ver-loopen dag ondorteekonen.

postdiluviaansch, postdiluvia-nisch, adj. nw.lat. (vgl. diluvium) na den zondvloed gebeurd of onlslaan, het tegengost. van a n tod 11 u v I a a nsch.

Postdirecteur, z. ond. post post efllilxum (sell, lermtinm), z. ond. terminus.

Postement, z. postament.

pnsle restante, z. ond. post.

posteri, m. pl. lat. (van poslürus, a, um, later volgend) de nakomelingen; — posterïus, n. hel latere, achtorzyndc; het achtorzindooi, nazindeel; — n posleriuri, van achleren, uil de ervaring, van de zinnon nf van de ervaring afhankeiyk, h, v. een zoodanig hcwijs; liet te-gengest. van n priori: — pnstertor termmus, do nazin, hel nazindeel; poaterióra, n. pi. de achtordoelen; liel aciilersie, hel doei, waarop men zit; ad pnsteriorn, op liet aciilersie; — posterioriteit, f. nw.lal. hel laler-zyn, jongor-zyn, het tegcngesl. van p r 1 o r 11 o 11;

— posteriteit, f. lat. (poslertlns) de nakomelingschap.

Postexisténtie (spi lie=lxie), f. nw.lal. (vgl. exist o a lie) liel toekomstig aanzgn, de toekomende voortduring.

VIKItllE Dlll\'li.

post festum, lat. na het feest, d. 1. achler-aan of te laat, ook ex posl.

postglaciaal, adj later dan de üsüjd; vgl. praogiaclaal.

Posthia, f. gr. iposlhin) Med. een bard boursgezwel aan \'l ooglid, een gerslekorrei.

Posthioplastiok, f. gr. (van póslhé, pósthion, hel niannelük lid) Med. kunslmallge vorming der voorliuid; — posthitis, f. gr. de onlsleklng der voorhuid; poathóncus, m. een gezwel der voorhuid.

post hor, enz., z. ond. pnsl.

post homtnum memoriam, lal. sederl mon-schengcheugen.

posthumus of liever posliimus, m. (superi. van posterus) en posthiima, f. lal. een nakn-monde, een na des vaders dood gohoren kind; — lihrri posthumi, pl. nageboren kinderen; o;ms post hu mum of posliimum, een werk, dat eerst na des schryvers dood In bel lichl komt; pl. opfra pnstluima, »1 fr. reuvres posltiumes (spr. mvr\'poslüüm\'), nagelaten werken, schriften.

Postiche, f. (spr. postUsj: 11. postirrio, apposticcio, sp. poslizo, apostizo, proveni;. aposlilz, als kwame \'l van een lal. woord nppositirius, In de plaats gezel, v. apponfre, liijzclten, hy-Ieggen) laler hygeknmen, nagemaakt, valsch aiin-of ingezet, geliorgd, ontleend, b. v. van valsche landen of haren gehruikeiyk; — homme postirhe, m. (spr. omm—) do valsche of schynmonsch, d. i. de aap.

Posticum, ii lal. (van postirus, n, um, van achleren aanwezig) een acblerliuls, achler-gehouw; ook achlerdeur.

Postila, f. russ. eene zekere rass. imllo-nale conliluur, uil rype vruehton met honig loehoreid.

Postiljon, /.. posl Ulon onder posl. Postille, f. (mid.lal. en II. poslitla-. fr. aposlitte, postille, sp. poslita, kanlaanleokening) een predlkhoek over de zon- of feesldag-evan-gellön, enz. (van \'I lat. post itta li\'cHia], naar die woorden van den leksl, d. I. naar aanleiding van de leksl woorden, dewyi de preek uil de vooraf gelezen woorden dos hyiiels wordl afgeleid); — postilleoren, den bUbei verklaren; postillant, in. een iiyiielverklaar-der, uilgever van preeken e. a. sllchleiyke werken.

postillon, z. ond. posl. Postliminium, n. lal. (v. Urnen, genll. li minis, de dorpel, drempel, woning) eig. de lelniiskomsl; jus postlimini, Jur. liel wedorln-Iroden in hel vorig hezil, hel rechl, dal voor Iemand door zyn lorugkeer uil de gevangenschap of uil vreemde landen weder onlslaal.

Postludïum, n. nw.lal. (van \'I lal. ludus, het s|iel) hel naspel op hel orgel by liel uilgaan der kerk.

Postmeridiaansch, z. pomorldia-n 1 s e h.

post mihi In lux. na de nevelen liel lichl, op dulslernis volgt lichl; ook de naam eener on-wclllge vrynu\'lselaarsliigi\' to Amsterdam;

«2


-ocr page 1004-

POSTNUMEREEREN 978

POTENT

posl nubila Phoebus, lal. sprw.; na ilc wolken do zon, na regon volgt zonnesdign.

postnumoreoren, nw.lat. (van num-rare, tellen) nabetalen, natellon, het tegengestelde van p r ie n u m e re e r e n; — poslnume-rdmlo, nabetulond.

Posto, in. It. (van \'t Uit. pnnürc, stellen) vaste stelling, post, stand, plaats; — posto vatten, post vatton, eene plaats bozetien, vasten voel krygon.

Postplioceen, adj. na de pliocene tor-malles ontstaan, vgl. eocasn.

postponeoron, lat. (poslponëre) naplaat-sen, acliterzotton, geringer acblen, beneden stellen, verscbulven, ultslolloii; — postpoaitio (spr. -zi-tsie), r. nw.lat. de uebterstelllng, acli-toraanplaatslng; Gram. een betrekkingswoord, dat aebter, en nlel, gelp de prjepositlfin, voor bet te bepalen boofdwoord, wordt geplaatst, b. v. in de tlnsche talon; — poslposïlis pnxl-ponéndis, met aebteraanplaatsing van bet goon achteraan geplaatst moet worden, enz.

postrimus, u, urn, lat. (superl. v. posterus) de of bet achterste, laatste; — postrëmum, n. het laatste; bet laatste woord voor de rechtbank (een recht, dat den beklaagde toekomt); postrema, ton laatste, elndeiyk; — postro-miteit, r. later lat. (postremilas) de toestand of de verhouding van den laatste, achterste.

Postscenmm, n. lat. (vgl. see no) de ruimte achter bet tooneol.

postscribeeren, lat. {postscribcrji) achter of onder schrijven, aan een geschrift iets toevoegen, aanhangen; — postscriptum of postscript, ii. bet naschrift in brieven, afgekort gewoonlijk S., ook JV. S. = naschrift.

Poststation, z. station.

post Trinitdtis, z. oud. triniteit, postuloeren, lat. {postulure) vorderen, elsehen, als bepaling of voorwaarde vooropstellen, begeeren, om iels aanhouden, naar Iets dingen; bil de boekdrukkers; naar de hoedanigheid van gezel dingen; vgl. cornuut; ook buitengewoon tot bisschop lienoemen; — postulant, in. een aanzoeker, dinger, die naar eenen post, eene bediening, enz. staat, ilie in eene orde, een genootschap, enz. weiisebt opgenomen te worden; — postulatus, in. een benoemde, boroepene, Inz. tol een bisdom; — postulaat, n. pi. postulata of postulaten, hel goBlsehlo, het verlangen; de stelling, die zonder bewijs aiingenomen on als gel-ilig beschouwd iiioct worden, uil hoofde van eene andere noodzakelijke en zekere slelling; Math, eene vordering, opgave, een verolscblo; — postulatio (spr. tie—tsie) f. (postulatto) het aanzoek, verlangen, begeeren; inz. de benoeming van eenen persoon tol eene goeslolUke waardigheid, lot welke hü eigenlijk naar hel kanonleke recht nlel benoemd kan worden. Postuma, postumus, z. posthumus. Postumaat, n. later lal. {postumatus, m.) de laatste plaats, laatste rang.

Postuur, f. (II. postüra), z. v. a. posi-tuur.

Pot, m. fr. (spr. lui) een pol, eene kan; eene oude vuchlmaat In Frankryk = i pinles (z. aid); — pot, in. ouk de eenheid van de deonsche maten voor mille waren = j\'j deen-sche kubiekvoet = 5i deensche kubiokdulm = o,!ioijii L.; — pot de chambre, m. (spr. pn d\'sjaiibr\') een kamerpot, nachtpol, waterpot, nachtspiegel; — pot de vin, m. (spr. po d\'weit) geschenk dat boven den bedongen prijs gegeven wordt, wgnkoop; — potasch, f. (Imrb.lal. potassa, fr potussc) koolzuur phin-lenloogzoul (kali), uit planlenasch geloogd en vroeger In pollen verzonden; — potvisch, ■/.. cachelot; — potpourri, n. (spr. po-poerri; v. pourrir, vergaan, bedorven, verrollen) eig. een hederfpol; een reukvat; oneig. een mengelmoes, mengsel, allerlei, hulspol, allegaartje, vgl. olla p oir Ida; Muz. een uil veie reeds bekende stukken samengesteld muziekstuk; — potrozijnen, pl. de besle spaun-sche rozynen In potten.

Potage, f. fr. (spr. potaatj\'; v. pot, pol, eig. iets dal lu een pot klaargemaakt Is ; il. potaqgio, sp. potaye, mid.lal. potagtum) eene soep, vleeschsoep mei allerlei groenten; friin-scbe groenten met verscliilcnde spyzen, inz. i\'ljsl of grutten met hiilletjes, koolrabi, asperge, |ieu-len, wortelen, enz. allerlei; -- potage-lopol, een groolo soeplepel, opschepper; — potago-schotel, een groole soepschotel; — Jean-potago, z. oud. Jean; — potagor, in. (spr. —zjé) de soepkacbel; de soepschotel; de moestuin.

Potaki, m. lurk. asch, potasch.

Potamiden, gr. (van potamns, vlood) riviernimfen (z. ny in pb); — potamograaf, in. een vloed-, stroom- of rivlerbeschryvor; — potamographio, f. de rivlerbescbryvliig;

— potamologie, f. de leer van de rivieren en slrnomen, rivierleer, rivierkennis.

Potasch, potassa, z. ond. pol; — potassium, n. barli.lal., z. v. a. kalium.

Potatie (spr. lie=tsie), f. lal {potado, v. potdre, drinken) het drinken, zuipen, drinkgelag.

Potato, m. eng. (spr. potéto) de aardappel.

Poteau, m. fr. (spr. pntó: oudfr. en prov. postel, mid.lal. posteltum, v. lal. postis, de posl) Arch, een post, siyi, bouten zuil of kolum.

Potenco, f. fr. (spr. potdiis\') do galg; Mil. en potcnce stellen, haaks zetten, als oen rechten hoek plaatsen

potént, adj. lat. {pétens) maciilig, vermogend; — potentaat, m. (niid.lal. potentalus) een machthebber, gekroond hoofd, koning, keizer, enz.; — pl. potentaten, de machlcn, niachthebbers, gezagvoerders; — potontille, f. nw.lat. (potentitla, v. potens, dus gonoeind wegens de geneeskracht) naam van verscboUlone planlen: zllverkruld, ganzerik, vyfvlngerkruld;

— poténtio (spr. Ue=tsie), f. lal. (po tent ia) de macht, mogendbcld; de bezielende, hel leven behoudende, werkende of bewegende krachl.


-ocr page 1005-

POTERIE

979

POULR

teelkracht; Arch, de waarde, getalwaarde, macht, het product van een twee of meormalon als factor Kcsteld getal (de tweodo potentie = qua-draatgetat; do dorde poteiitlc = kuhlekgctal, on/..); stralende potentliin, l\'hys. doonweegbare onkelvoudlgo stolTon, n.l. de luchtstof, warmtestof, eloktriselio en magnetische slof, z. v. a. 1 rn p o n d o r a I) IIIB n en Incoörclhlllên; — potentiaal, uw. lat. df potentieel (fr. imlcnliel), vermogend, werkend, werkende kracht liehbendo; Inz. niet onmlddollUk, maar verhor-gen werkende, h. v. zulke geneesmiddelen (In tcgonst. met actueel); — potentialis, m. (sell, modus) Gram. de mogeiykheldswUs, de wUzo van het werkwoord, die leis als rnogoiyk of waarschyniyk voorstelt (In liet nederlandsch gewoonlUk door kunnon of mogen gevormd); — potontiëeren, nw.lal. macht geven, volmachtigen; verhoogen, een hoogeron ran!; of eene meerdere waarde geven; versterken, kracht geven.

Poterie, f. fr. (van pol, pot) pottenhak-kergwaren, pottengoed.

Poterïum, n. gr. {polei-ion = pnler) een heker; de bekerhloem, eene broelkasplant uil l\'atestlna, mot kleine knoppen van roodachtige kleur.

Potérne, f. fr. (vroeger posterne, poslerle, prov. postcrla, It. poslierla, mld.lat. poslerna, posterla, v. lal. poitleriiln, zyweg) eene slulp-poort, holmeiyko deur, ultvalpoort, verborgen of geheime poort In cone vesting, door welke men ongemerkt eenen uitval kan doen; ookile uitval zelf.

Potestaat, f. lat. (polésta.i) kracht, macht, vermogen; potestas imperii, igks- of staatsmacht ; p. putna, hot vadcrlgke recht of gezag, de vaderiyke macht; — in poteslate, In de macht, In de handen.

Potichomamo, f. fr.-gr. (spr. ch=sj: van \'t fr. polichc, een boschildord chlneesch porseleinen vat) do kunsl nm glazen vaten iloor opplakking van bont papier, teekenlngen, bloemen, enz. hot voorkomen van echte chineesche en Japansche porseleinen vaten te geven.

Potin, n. (fr. polin) hot geelkoper, een metaalmengsel van koper, lood, tin en galmei.

polio, f. lal. (v. pnlüre, drinken) hot drinken; de drank; — polio mortifSra, een doo-deiyko drank; — p. Rivcri, z. Riveriscb-dra nkje.

potior, pofius, lat. (compar. van polis, vermogend, In slaat) verkiosiykor, gewichtiger; — u potiori, naar het meer gewichtige, naar de meerderheid; a potiori fil (lenominatio, naar do hoofdzaak of do meerderheid geschiedt de benaming van oen voorwerp; — imCior creiKtor, Jur. een bevoorrecht schuldoischer; — iioCfor tempore, potwr jure, sprw.; wie vroeger koml, gaat voor, of die eerst komt, die eerst maait.

Potïphar, m. naam van een Kgypilsch ambtenaar, wiens vrouw Joseph tot onkulsch-held wilde verleiden, vandaar l\'otiphars vrouw, benaming voor eeno onkuische vrouw, ontrouwe gade.

Potniaden, f. pi. gr. (Potnidiles) benaming der ISaccbantinnen, ook der Kume-n1d e n.

Potographie, f. gr. (van potón, drank) eene boscbryving dor dranken; — potolo-gie, f. de drankenleer, leer dor dranken; — potológisch, adj. de leer der dranken he-trelfende; — potomanie, de drinkzuchl, het zuipen.

Potpourri, z. ond. pot.

Potrida, z. olla.

Pottle, n. eng. (spr. potl\'h = het fr. bouteitte, ons bottel) eene llesch, eene eng. maal voor droge waren = i,ili L. (vgl. (| u a r t e r).

Pouce, m. fr. (spr. poes) duim; Tom Pouce (eng. Tom Thumb) klein Duimpje, inz. van dwergen.

pou (ook pout, poult of poux) de snie, fr. (spr. poe de sodi: eng. Paduasoy, naar men wil van Padua in llallü en oudfr soye, z.yde) eene soort van sterke, op het uros de Naples gelykende zgden slof.

Poudre, n. fr. (spr. pnedr\'-, van \'Hal. pulvis, geuit, putolris) lijn meelpoeder, baar-ineel, haarstof, poeder; kruil; poudre aux yeux, (s|)r. otjéü) zand in de oogen; poudre d\'Artes (spr. darl\') een soort snuif uit de fr. slad Arles; poudre de rit (spr. n\') rystpoeder, oen schoonheidsmiddel; poudre de succession (spr. su-ksesjóh), een langzaam werkend vergift voor iemand, van wien men erven wil (afkomstig van de marquise de itrinviliiors); — poudre d\'or, goudzand; — poudre de sympathie (spr. séiipalie), oen poeder, dat op eene verborgen w|)s op afwezige dingen werkt; — poudrier, in. (spr. pnedrji1) do zandkoker, hot stroolbusje;

— poudrotte, f. fr. (spr. poedrélt\') mest-poeder, stofmest, tol slot geworden of kunst-mallg verdampte monschendrek, een voortreffe-lyk bemestlngsinlddel; zoo ook de tot voortref-feiyko mest bereide pis; uraat; — pou-drette-fabriek, f. Inlichting, waarin mest tol moslstof wordt verwerkt.

Pouillerie, f. fr. (spr. poetjerie) In een gasthuis of hospitaal de kleerkamer, de plaats, waar men de kleederen der armen of zieken bergt; do hoogste behoeftigheid.

Poulain, m. fr. (spr. poeteii ,■ elg. oen veulen, provonc. polin, v. \'t lat. pullus, jong, een jong dier; vandaar pullus equinus, een veulen) eene venorische liesbuil.

Poulan, m. fr. (spr. poetah) toevoegsel, dubbele Inzet van den kaartgever by sommige spelen.

Poularde, f fr. (spr. poeldrd\': v. poule, hoen, van het lat. pullus, jong, Inz. jong hoen, kuiken) een kapoen, jong gesneden en gemest hoon-, poulardene, f. eene plaats, waar eene menigte kapoenen en ander piulnigedlerte gehouden of gemest worden, eene kapoonery-,

— poulardier, m. fr. (spr. —djé) hoenderfokker, kippenmester; — poulet, m. (spr. —Ié) jong hoen.

Poule, f. fr. (spr. poel\'; van lat. pullus.


-ocr page 1006-

980 PR/EA PPR EHÉNSIE

POULIAHS

hot liocn) liet hlljarlspol om eon In/.ct of oon potjo; liet potspel met twoe witte ballen; z. ook luit de poule, onder lalt.

Pouliahs, z. oml. parlali.

Poulpoton, m. fr. (spr. poelpelóii; van pnuliw, Int. ;)«/;»(, liet vleezlgo, liet vaste vlooseli aan dloriyke lichamen) een vleosclilioi, eeno vlooaclipastei mol ootlmren rand; (,\'ohakt vloosch met snoetjes kalfsvleoseh overdekt.

Poul, poel.

Poultrologie, t. (van oiir. iinullnj) do leer van do hoondoi\'teoU; — poultromanio, f. overdreven voorliefde voor (vreemde) hoenders.

Pound, n. eng. een pond, als avoirdiipois-pond — Iti oas (ounces) — iiit! drachmen (drams) = 1511,593 Kram; ais troy-poad = 13 ons = •2ifl penningwicht (penny-weighl) = 5700 grein (f/rains) = gram; ook een pond ster

ling; — poundage, a. eng (spr. póiimlidzj) do pondcyns, een ia Engeland gehrulkeiyko tol van allo uitgevoerde waren.

Pouni, z. poe ai.

Poupon, m. fr. (spr. pnepóii), pou-ponno, f. (spr. poepónn\': verklw. v. poupée, van het lat. pupa, meisje on pop) pop, popje; dol, dotje.

iwur, fr. (spr. poer: van \'1 lal. pro) voor; om, om te; — jiour acquit (spr. —uki), voor ontvangst, als hewgs van ontvangst; — pour-boire, n. (spr. poerbodrwoordeiyk; om to drinken) drinkgeld, fooi; — pour faire visite, z. visite; — pour féliciter (spr. felisilé), om golnk le weaschon; — pour la rareté du fail, z. onder raar; — pour la bonne hauclie, ■/.. bnuche-, — pour le mérite (spr. —meriel\'), voor do verdienste, eono dus genoemde orde, orde van vordlonslo; oen pour-parler, n. (spr. —parlé) oiideriiiig gesprek, ondcrhandelliig; eone woordenwisseling, twist; — pour passer le temps, z. oud. passeereii; — pour peu, hot selioeido niet voel, op een haar af; — pour prendre conné, z. oml. congé; pour rire, om le lachen, uit schorls; — pour-sopt, n (spr. pnersét) een franscli gezoischapspel om pand of om \'l gelag, daarin heslaande, dat hy iiel lellen in den kring rond in plaals van \'t gollil 7 en iedor door 7 deelhaar getal het woord pour mod gezegd worden, enz.

Pourpro frangaise, f. fr. (spr. poerpr\' fraiisèz\') eene uit steenkolenteer gewonnen kar-mynroode vloeistof.

poursuivooron (spr. poerswi-), fr. (pour-suivre, inid.lat. prosevire, voor \'t lat. prosequi) vervolgen, najagen; naar Iets dingen, stroven, aanzoek doen om iels; doorzeilen, voilioudon, aanhouden; - poursuivant, m. (spr. poer-swiwau) een vervolger; aanzoeker, najager; — poursuite, f. (spr. poerswiét\') do vervolging; sterke aanhouding, najaging, doorzetting.

poussooron, fr. (pousser, spr. poess—, provene. polsar, sp. pulsar, van \'t lal, pul san\') stoolon, duwen, dryvea, voorlschulven; oneig. iemand poussooron, liem vooillioipen, bovordoriyk zyn, hem bevorderen, oadersleunea ;

— iots poussooron, iels doorzetten; — zich poussooron, zich opbelTen, voortgang, opgang maken, verder komen, door eigen kracht en inspanning lol fortuin geraken; — pous-soir, m. (spr poessodr) een cbirurgisch werktuig om by eene Iraanllslel aan do tranen doorgang te verschaiton ; — pousso-oafé, m. fr. (spr. poes\'-kafé) een glaasje cognac na de kollie.

Pouvoir, n. fr. (spr. poewodr: v. poumir, kunnen, oudfr. pooir voor podoir, provene. en sp. podér, 11. potére, lat. posse voor polis esse, z. posse) de maclil, krachl, het vermogen, bewind; vgi. pl e In-po u v o Ir; pouvoir exéculif, uitvoerende macht; pouvoir ligislalif (spr. letji-slaliéf) welgevende macht.

Povorino, m. 11. (verklw. van povere, arm) een arme iliiivel, arme drommel.

Powdor, n. eng. (spr. pau—-, vgi. pou-ilro) poeder; h. v. gun-powdor, buskruit.

Poworloom, m. eng. (spr. —loem) ma-chinale weefstoel.

Powiazka, russ. (v. pouiiaïdy, omliinden, omwinden) de voorlioofdhand, een iioofdlooi van ongehuwde vrouwen.

Pozzolana, pozzolaan-aardo, ■/.. p uzzol a na.

praaion, nederl. Mar. (eea schip) In zoo ontmoeten en aanroepen, om bericblon In le winnen of mede le doelen.

Praam, nederl. f. een plalhoomd vaarluig, Inz. tul het llchlon en ontiadon der schepen;

— een platboomd kustvaartuig, mol s lol lil kanonnen gewapoad.

Practjjk, practisooron, eaz., zie p r a k t y k.

Prado, m. sp. elg. eene weide (= lat. pralum) een wandelweg, liisthoscli, lusthof, piel-zierlulii; du voornaamste wandelweg te Madrid.

prae, lal. voorzetsel, botookont: voor, vooraan, vooruit, enz., zoowol wat do plaals, ais den tyd en don rang of voorrang holrefl; — oon pree hobbon, don voorrang, de voorkeur hebben.

PrBoadamioton, in. pl. nw.lal. nionschen, die ondersteld worden reeds vóór A il a in geleefd le hebben; — preeadamitisch, adj. wal op do prieadamielen betrekking heeft; vóór Adam gebeurd.

Pneadvios, n. barb.ial (vgi. advies, a v i s) voorlooplgo iiieenlng, voorioopig ullgo-sproken gevoelen of raad.

praeambulooron, later lat. (praeambu-tare, vgi. ambulooron) eeno voorrede of inleiding vooruitzenden. Inleiden, voorafspeien, voor-bereldon, oniwegen maken; — prajambü-lum, n. of fr. proeambulo, f. (spr. —«//-huul\') de Ingang, inleiding, voorrede, hel voorspel, oneig. de wydioopiglleid.

Preeantocóssor, m. nw.lal. (vgi. ante-codeeren) de voorlaatste voorganger, hij, die don voorgaande is voorafgegaan in een anibl.

Prffiapprohonsio, f. nw.lat. (vgi. a p-prehondeeren) vooraf opgovalle meening, vooroordeel.


-ocr page 1007-

PR/ECLTJDEF;REN

PRyFBENDK

981

Prrobondo, f. mld.lat. (praebdnda, v. \'I lui. prachrre, Kcvon, ovorhiindluon, verlconon) ild prove, kcrkoiyko vorzorKlnt?, sliclilsplauls, een zoker JiiiirlUkscli Inkumon vim eene geestelijke silclitliK!, alsook oen «eeslelijk ambt, waaraan oen doel dor kerknoedoron ot Inkomston Is loo-bedoeld; ook Hjfrenlo; — prffibondaris of prebondaat, oen provonlor, sllchl- of dotn-hoor; ook do Ronloter oener lUfronto; — pree-bondooron, mot eene provo liesclionkcn, ho-«aastlgon; — praebitor, m. lat. do ultdeelor.

prrecavooron, lat. {praecaoere: vrI. ea-v eer en) zich voorzien, zich voor Iels hoedon of Inachlnemon; voorkomen, verhoeden, voorzichtigheid Rehruikon, enz.; — prtBcautio (spr, l—ls; later lat. praecauCfo, fr. précaulinn) de voorzIchtlKheld, voorzorg, hohoedzaamheld, voorliodachtzaamhold; pl. voorzichllghcldsmnat-regclon; — par préraulinn fr. (spr. —kosjóh) door of nil voorzlchllgheld of voorzorg; — proe-cautioneel, adj. (fr. précaulionnel) voorzichtig, liehoedzaam, voorzorgen gehnilkendo.

prtccedeorGn, lal. {praecedirc: vgl. codec ren) voorgaan, den voorrang liohhen, over-trollon; preecodont, n. voorafgegaan geval, vroeger genomen licsluil of maalrogel, die voor het vervolg hlndendzgri;- prteCGdén-tie (spr. l--ls) f. nw.lat. don voorrang; vour-Ired; — jus pruerclenhnc, n. hel recht des voorrangs; prsecóssio, f, de vooraangang; Astron. de verplaatsing of verschuiving des eve-nuars op de ekllpllka, ten gevolge van de langzame verandering die de omwentellngsas der aarde In hare ligging met hel rekking lol do slerren ondergaat (welke verplaatsing echler In-dordaad een achlerullgang Is. met hetrekklng lol do rlchllng, waarin zich de zon aan don hemel hcweegt, en tol de volgorde der H he-melteokens), het voorwaartsgaan der nachleve-nlngen; - - proecéssor, m. de voorganger In een ambt, z. v. a. antecessor.

proecelleei\'en, lat. (pracccUUre) uitmunten, nllblinkcn, voortreffoHjk z(jri in ceiu! zaak, overlreilen, voorgaan , prcecollóntie (spr. I=h) f. (lalor lat. praecellentïa) de voortrelTo-lykhcid.

Proecéntor, m. lal. (vgl. c a n I or) de voorzanger, Hiel van oenen koorheer

Prcecopta, prceceptor, proDcop-tum, enz. z. ond. prroclpItieren.

Prajcossio, prtccessor, z. ond. pne-c e d e e r c n.

prtecios, iidj. {praecisus, a, urn) of als adv. praccise, lal. (van praeeïdire, i\\. i. afsnijden) of procios (fr. précis), eig. afgesneden; nauwkeurig, Juist, slipt, bepaald, vaslgesleid. ier-slond, onverwijld, punteHjk, ais subsi, précis, n. fr. (spr. presi) hel korl begrip, de zakelUke nf wczeniyke inhoud, boofdluhoud; — pi\'OO-cisio, f. (lal. praecisin) eig. de afsnüding van het ovcrlolllge; precisie (fr. prérision) nauwkeurigheid, Jiilsibclil; sliplheid; nauwkeurige bepaling en hepaaiilheld der begrippen; liondlge kortheid der uitdrnkking ; — prsecisoeron of prociseoren, nw.lat. zich Jnislcr verklaren, bepunider uitdrukken; — prsecisist, m. een sirong, ijverig zodoleeraar.

preecingeoron, lal. {praecingere ■, vgl. einguium) omgorden, omgeven, omringen.

proecipiëeron, lat. [praecip. re: v. captre, vangen, nomen) voornilnemen, voorafbokomen; ook voorschrUven, voorschriften geven; — prao-céptum, n. proecépta, de leer, het voor-achrift; de regel, hel richtsnoer, gebod; ook gereelilelijke oplegging; pracceptum de demo-liéndn, een hevel lot slooping; pr. de non aliü-nnndn, hevel van niet-vervreemding; pr. de solvéndo, een bolaiingsgobod; pr. de non sol-eéndo, een belalingsverhod ; pr86COptief, adj. (lal. praeceptims, a, urn) voorschriftmatig, leerend, onderwUzenii, vermanend; praercplive, mij. hevelsgewys, gebiedend; prsBCÓptor, m. eig. do beveigever; de leeraar, leermeester, onderwijzer, Inz. aan liiiynsclie scholen; in de ridderordes; overste van een ordeshuis; — pr86-ceptoraal, mij. nw.lal. den schoolmeester eigen; schoolmeosteracbiig, p cd n n 1; — prse-ceptoraat, n. nw.lat. hel leeraarsmnlii, leer-meesterwerk, de leermeosterspiaats, inz. aan laiynsche scholen; — prsecoptoreeren, schoolmeesteren, den leermeeator spelen.

Prsecipitïum, n. lal. (van praeceps, d. I. eig. met hot hoofd vooraan, bals over kop, overiiaasl; steil, sclinin), précipico, fr. (spr. presipiés\') de sieille, afhelling, rotshelling, nf-grond; ook het verderf, de ondergang, bel ploi-scling groot gevaar; — prsecipiteoron (lal. pmecipilure, eig. afstorten) Chem. nedorsiaan, nederploilen; ook ton bodem vallen, bezinken; oneig. te zeer overhaasten, overyien, voorwaarts-snellen; — praecipilando, lat., precipilandn, pre-cipilalo, precipilaménle, precipilriso, 11. (spr. prelsji—) Muz. haastig, snel, vonrultjagend;— prcccipitilnt, mij. lat. {prneripVans) voor-barig, overyiend, iiuls over kop, onbedachtzaam; praecipïtans, n. pl. proecipi-tantïa (spr. Ii=lsi), Cbem. neerslaande of neerpiolTendo middelen; Med. neerslaande, zuur-verdolgeruie middelen; — preecipitantio (spr. lie—lsie) f. de nedersioriing van eene steile plaals; oneig. do overyting, voorbarigheid, on-bediicbizaamiieid; proecipitaat, n. {prae-ripildlum) (ihem. de nederslag of hel nederge-plofic, het ten bodem gevallene, bezonken II-cbaam, hei ipezinksel; — prcecipitatie (spr. lif—lsic] f. (praecipilaïïo) de afslorling, nedor-storiing, overyilng, ytvaardigbeid, groole iianst, jachi; (\'.hem. de nederplotllng, scheiding eener opgeloste zeifslandighcid van liaar oplossings-midiiel, door middel van eene toegevoegde derde slof; precipitator, m. eig. de afsloricr; een loesiel lig de gasveriiebting.

Prrocipimm, n. lat. (van praerlpi/us, a, ion, uitstekend) .lor. iels vooruit, datgene, wal iemand lig erfenissen of iiocdelscheidingen vooruit ontvangt; vgl. pr ml eg a at.

proecis, prcecisio, enz. z. pnee 1 es. prcecludooron, tal. (praecludüre) sluiten.


-ocr page 1008-

PTLEDICEEREN

PÏLECO

982

uitsluiten; Jur. atwyzon on wol voor alt yd, oen recht, cone aanspraak voor vorvallon vor-klaron; ml praecludétidum, tol uitsluiting; — preeclüsie, r, (praeclusfo) lt;lo rochtsultslultlnf! of nfwüzlni?; — prseclusiof, adj. nw.lat. uitsluitend, ton volle atwUzend; praecluslevo terniUn, oen ultslultondo tormün, na welks veiloop Iemand zyn recht o( zyao aanspraak verliest; — p ratel uslof vonnis, oen uitsluitend vonnis, oono atwyzendo uitspraak; sub poena praecliisi el perpel/ii silenlti, op stratTo van uitsluiting of afwyzlng on eeuwig stilzwy-gen, of op stralfo dat men met zyiie rechton, aanspraken, ontscliuldigingen, rechtvaardigingen, enz. niet moor zal gehoord worden (wanneer men binnen een bepaalden termUn daarmede niet mocht optrodon).

Prseco, m. lat., pl. prseconen, oen uitroeper, heraut in hot oude Home; praeco verin divini, do verkondiger des goddeiykeu woords, do predikant.

Preecociteit, z. p ras cox. preecogiieoren, lat. {praecooitnre; vgl, cogltoeron) voorafhodenken, te voren overleggen; — preecogitatie (spr. Iie=tsie) f. (later lat. praecoi/ilaïïo) het voorafhodenken, overleg.

Prcecognitie (spr. t=ls), f. later lat. {praecogniCfo, vgl. cognitie) de voorkennis, hol voorweten, z. prognose.

prseconcipiëoren,nw.lat. (vgl. concl-piëeren) zich vooruit Inbeelden, eeno vooraf opgevatte meenlng hebben, oono vooringenomenheid hebben;—prseconcópt, adj. te voren opgeval, vooringenomen, bevooroordeeld Prffieonen, pl. van praico, z. aid. Preeconïum, n. lat. (van prajeo, z. aid.) eig. de uitroeping, bekendmaking; de lofrede, lofpryzlng, lofverbclling; — prEeconisoeron, barb.lal. (fr. préconiser) uitroepen; pryzon, roemen, verhollen, verhemelen; iemand tol bisschop voorslaan, liem daartoe lievoogd, bekwaam of waardig verklaren; — prseconi-satio (spr. -za-lsie) f, do iofverholling; eeno overdreven lofspraak; de pauseiyke hevoegdver-klarlng voor oen bisdom.

prceconsumoeren, lat. (vgl. con sunt cere n) voorullverleron ol opteren; — prac-consümtie (spr. l=s] f. nw.lat. de vooruit-vertering.

Preecordien, pl. lat. (praccordia, van rnr, gordt, cordis, \'hot hart) de streek om hol hart, de harlkuli, maagstreek; — prsccordiaal, adj. nw.lat. lol do maagstreek be-hoorendo.

praccox, lat., genll. praecucis, v. praecoqutre, voorafkoken) vrocgrgp; vroegiydlg; — ingentum praerox, z. in geril urn; — praccox partus, ■/.. partus; — proecocitoit, f.nw.lat. de vroeg-rypheid, vroegtydigo, ontydlge rypheid, zoo van vruchten, als van lichaam en geest.

prBecurreoren, lal. \'praecurrere) voor-ultloopen, voorkomen; — prBecürsus, m. eu prsecursie, f. (lal. praccursfo) het voorult-loopen, voorkomen; — prsecürsor, m. een

voorlooper, kondschapper, voorbode; — precursorisch, adj. vooriooplg, inleidend.

Prsedatnnatio (spr. l=(s) f. later lat. (pracdamnatto, van prae-damnare, vooruit ver-doornen) de voor- of vooruil-verdoeming.

PrBediitor, m. lal. (van praeditri, buitmaken, rooven; praeda, de buit) oen bullmakor, plunderaar, roover; — prsedatörisch, adj. (lat. praedatortus, a, urn) plunderend, roofgierig.

PrfBdecóssor, m. later lat. (van \'t lat. dccéssor, voorganger, v. deccdüre, weggaan) de voorganger Irr do arnblsbedlonlng.

prsedeliberooren, nw.lat. (vgl. delibereer on) vooraf overleggen, van te voren beraadslagen, vooruit overwegen; — preede-liberatie (spr. I=ls) f. do voorloopigo beraadslaging.

Prcedolinoatie (spr. l=ls) f. nw.lat. (vgl. delInlBeren) do voorloopigo teekening, de schets by voorraad.

prsedostineeron, lal. {praedestinïïre, vgl. doslinooron) voorafbopalen, te voren ullkio-zon, voorbeschikken; — praedostinatio (spr. tic—tsie) f. (pracdestmaCto) de voorbeschikking, nltlezlag, de genadekeus, de verkiezing of verordineering dos monschcn tot zaligheid of lot verdoemenis; — proedestinatiaan (spr. -ti-natsi—) m. nw.lat. oen voorstander van de leer dor onvoorwaardeiyke genadekeus, van de praulestInalie-loor, of van bel pnode-l or m 1 n 1 s m o.

proedotorminooron, nw.lat. (vgl. de-l e r m I n e o r o n) voorafbopalen, vooraf besluiten;

— preedeterminatie (spr. decisie) f. do voorafbepalhtg, bet te voren genomen besluit;

— proedotorminisme, n. de leer der vonr-afbepaling, dor voorhoscbikking, volgens welke do inenseh, zonder Inachtneming van zynen wil, niet slechts lol geluk of ongeluk, maar ook tol deugd of ondeugd, lol zaligheld of verdoemenis lo voren zou beslomd zyn; — prffideter-rninist, m. oen aanhanger van do loer der voorbeschikking; — prBedetorministisch, adj. overeenkomstig die leer of daarop gegrond.

Prsedialist, praediale lasten, ■/.. ond. p rmdi n m.

prsedicoeren, lal. {praedicare) eig. iets openbaar verkondigen of bekendmaken; beweren, voorzeggen, voorspellen, verkondigen; loe-konnen, tooclgenon; — gepnodlceerd, adj. eon eernaam dragende; —prsedicabel, adj. (pmedicabtlis, c) roemvol; toekenbaar, beweer-baar; — prsedicabïle, n. hetgeen aan een voorworp kan toegekend worden, do daaraan byteleggen eigenschap; oen algemeen begrip, afgeleid zuiver vorstandsbegrip; pl. prsedica-biliën; — prsedicabiliteit, f. nw.lal.de goschlktheld ter byiogging of toekenning eencr eigenschap; — prBedicamént, n. hel toeken-nirrgsbegrlp, de eigenschap, ilie Iemand toegekend, of datgene, wat van Iemand gezegd kan worden, h. v. iemand door allo pr ie dien mentoir pryzon of laken, d. 1. hem


-ocr page 1009-

PR/EGNANT

983

PREDICTIE

nlle mogoHlko goedo of kwado clBonschappcn tookonnon; l\'lillos. do boKiips- of dcnkboolds-klusso, do atdocIliiK of ordo, v. a. catof?o-rio; — proedicant, in nw.lal. z. predikantprsedicaat, n. nw.lal. {praedica-(urn) liet tooBIgonlngswoord, lid toogokondo, do aan een voorworp toegekende eigenschap; ook do oer- of ambtsnaam, lltel; — pr86dica-teeron, met een oerotltel voorzien.

Proedlötio (spr. /=.lt;) f. lat. (prncrlirlln, van pracdlciïre, voornltzeggen) do voorspelling, voorzegging, waarzegging, profetie.

Prsedigóstio f. nw.lat. (vgl. digestie) de te vroege vertering.

Prsedilóctie (spr. lt;=.?) f. nw.lat. (van dilecRo, liefde, dtligüre, ultleien, llefheMien) de voorliefde, voorgunst, voorlngenomenlield, lilimle toegenegenheid, het gunstig gevoelen voor eene zaak of oenen persoon.

preedisponeoron, lat. (praedisponUre; van dispone er en) voorafhesehlkken, ordenen, Inrlehten, voorbereiden; voorat genegen of ont-vankoIUk maken; — prDedispositie (spr. —z -l.tie) f. nw.lal. de voorlooplge aanstalle, do voorbereiding, het toebereidsel; de voorbeschlkt-held, aanleg, b. v. tot eene ziekte.

PrJKdmm, n. lat. (elg. eene Intestollen be-zlttlng, v. praes, genlt, praedls, de borg, die met zline bezitting borgbiyfl) een landgoed, landhoeve, Inz. voor de veetecll; — pi\'oedia-list, m. nw.lat. een grondeigenaar; — prse-dialo lasten, pl. grondbelastingen.

preedomineeron, nw.lat. (vgl. dominee ren, ond. domlnns) hoersehen, de over-band, het overwlcbt hebben, den meester spelen, het hoogste gezag hebben-, — praedo-minatie (spr. /=lt;s) f. de overbeorseiilng, op-perheorscbappU, oppennaebt, hel overwicht.

proeömineeron, lat. (van praevmincre, vgl. e mi nee ren) vooruitsteken; overlreilen, uitblinken; — prSBëminént, adj. voorullste-kond, uitstekend, uitblinkend, voortreireiyk, in \'t oog vallend; - praeëminóntio (spr. t=ts) f. (later lat. pracOmincnlm) de voorrang, voorkeur, do voortreifeigkhcid, uitstekendheid, het voorrechl.

Praiömtio (spr. t=s) f. nw.lal. (vgl. emtio) de voorkoop.

praeëxistoeren, nw lat. (vgl. exislee-ren) voorafbeslaan, vroeger aanwezig zyn; — prfeëxistóntio (spr. tie=lsie) f, hel vroeger bestaan, do vooraanwezigheid; inz. vroeger bestaan der ziel voor bet tegenwoordig leven; — Prceöxistontianon (spr. li-lsi) pl. diegenen, welke beweren, dal de menscbe-l(|ke zielen reeds vóór de gebourte van den mensch bestaan bobben; — proeëxiston-tianismo, n. do leer daarvan.

Proefabulatie (spr. l=ls) f. (van fuhiila, f. do fabel) do verklaring of moraal, die eene fabel voorafgaat.

Proefatie (spr. t—ls) f. lat. (imwfutfn, van praefari, voornfzeggen) de voorrede, inleiding; het voorbericht; — prsefatiuncula (spr. li=tsi) eene kleine voorrede, kort woord vooraf.

Proefeet, prsefectuur, z. ond. prai-f iel 6e ren.

proeforoeron (lat. prneferre, fr. préfércr) voortrekken, hooger achten, den voorrang geven; — proeforabel, nw.lat. (fr. préférable) of preeferént, adj. vorkioslUk, den voorrang waard, de voorkeur verdienende; — prsefe-róntie (spr. t=ls) f of fr. próférenco (spr. —rdiis\') de voorkeur, voorrang; In bet kaartspel; de beste kleur, z. couieur; — jwr préférencc, hij voorkeur, by verkiezing.

preefe8tineoron,lal. (pra-feslinare) zeer bespoedigen, overbansten, overyien; — pree-fostinatio (spr. lie—lsie) overhaasting, over-yiing.

Prsefica, f. (pl. praeficae) lal. eene rouw-klnagster, geiyk die hy oud-rom. begrafenissen tot rouwklagen en weenen gehuurd werden.

preefleiëoren, lat. (pme/irfrc, van prae en faccre, maken) vooraanstellen, voorzetten, tot Iemands meerdere maken; — prseféetus of prseféet, m. de aan het hoofd geplaatste, bevolhebhor, stadhouder, landvoogd, gouver-n e u r; ook elders oen voorzanger of toonlel-der; — preefectuur, f. (lat. praefedura) het stedehouderschap, do heveihebbersplaats, de landvoogdU; ook: het huis en hel bureel van een prefect.

prseflgooron, lat. (praefigtre) elg. van voren aanhechten, vooroppiaatsen, b.v. eonolet-lergreep; bepalen, vaststellen, b.v. oenen dag, vandaar preefixie, f. de vooroppiaatslng, voorzetting; voorstelling, bepaling; — prcefixum, n.. pl. preeflxa, liet voorgeplaatste, de voor-lettergreep, bel voorvoegsel, In tegenst. met sufflxuni; — praefixo lermino, binnen den voorafbepaaidea termyn.

prEeftgurooren, later lal. Iprne-fifiurare: vgl. figureoren) vooraf afbeelden, tot voorbeeld dienen.

prceflnieeren, lal. (praefin/re) vooraf bepalen of vaststellen, voorschrüven; — prsefl-nitio (spr. l—ls) f. (praefiniiïn) de voorbepaling, liet voorschrift.

Prseflxio, prfefixum, z. ond. prasfi-gee ren.

Proefocatio (spr. /^ls) f. lat. (praefn-care: verstikken, v. fam, keel) Med. het verslikken, de verstikking.

prseformeeren, lat. (praeformare; vgl. form, enz.) vooraf vormen of fclieppen; — ge-pra1 formeerd, adj. te voren gevormd; — preeformötie (spr. I=l.i) f. nw lat. de voorvorming, voorafgaande vorming of ontwikkeling in do kiem; pi-Beformativum, pree-formatiof, n. («ram. een voorgevoegd woord.

proeglaciaal, adj. nw.lal. (v. glacis, ys) voor den ysiyd ontstaande of ontstaan.

proegnant, adj. lal. (prnrgnanx) zwanger, dracblig; onelg. vol, gewichtig, sterk, veelzeggend, voeihoteokend, ryk in gedaclilen, ryk in gevolgen, zinryk, van groot gehalte; —pr8B-


-ocr page 1010-

PRyEGRAVRERKN 984

PRyEMEK

gnantie (spr. lt;=/s) f. nw.lat. hot zwangor-zyn, do vruchtlmiuliolil, volholil; oiioIk. do vol-lield dor goduclilcn, bogrlppon; prfegniitio (spr. l=ts] !. Int. (itraegnaCfo) do bozwango-rlng, bovrurlillng; do zwaiigerscliap.

proegravooron, lal. (praegravure ■, vgl. gruvoeron i) liovcn andoron bolaston, ovor-ladon, bozwaroii; — prrogravatie (spr. l=ls) f. nw.lal. do ovorladlng, hozwarlng.

praegrodiëoron, lat. vooraf-, voorbUgaan.

Prcegüstus, m. nw.lat. (vgl. gustus) oen voorsmaak; pröogüstoüron, lat. (prac-Uusturc) vooratproeven, voorproeven; — proe-gustator, in. do voorproever, schonkor aan \'I hof dos rom. keizers-, — prsegustatie (spr. Iie=lsie) f. bol voorproeven.

PrcBjudicmm, n. of prrojuditio (spr. l=ls) f. lat. (praejiuticfuin: vgl. Judicium) eon voorafgaaiul oonlool, voorlooplg boschold, voorbeslissing; vooroordeel, vooraf opgevatte mooning; Jur. nadeel, schade door niet-opvol-ging van een wotk\'lijk voorschrift of eono roch-terlüke verordening; — praujudiciaal, adj. (later lat. praejudicitilis, c) of proejudiciëel, vóór de hoofdzaak to ondorzookon en Ie heslls-son; — proejudiciëerGn (lat. praejudicare) voorlooplg oordooien of voorafbeslisson; voor-oordeelon bübrongen, voorinnemen; lionadec-len, niuleelig of schadelUk zyn, afbreuk doen; door een voorstel andere voorstellen op z()dc schuiven of doen vallen; —prsejudiciabol, adj. schadelUk, nadoeilg; — de non praejudi-ciando, zonder benadeeling van eens anders rechten.

Preclaat, m. (van \'t lat. praelHlus, voorgetrokken, van pracfcrrc, voortrokken), pro-laat, een voornaam goestoiyko, dlo eono eigen jurisdictie beeft, b. v. Idsschop, alit (niet alleen in do r. kalli. kerk, maar ook in proloslaol-sche landen, b. v Wurtomherg, Hannover; de geestoiyko waardlglieidshekleodors aan het hoofd van goseculariseordo kloosters en slichlen; ook een van bourgogne-wUn horeidedrank; pro-laatkouson, pi. vloiollo zyilon kousen voor do hoogei o katholieke geesleiyken; precla-tuur, f. nw lal. do waardigheid en liet ainhl van oen prolaal; prspltitio (spr. I-Is) f. lat. (pmelaClo) do voortrekking, hot rocbl des voorrangs;—jus praelalionis, v.. jus.

prailogooron, pra^logatooren, lal {pracleiidn: vgl. legeeren I) Jur. vooruit vermaken; pi\'EElogaat, n. {prneleqnlum) eono voorullmaking, iels vooraf goorfds; prue-leqalum (lolis of dnlis mliluéndac, een vermaking, die oen ontvanger van don bruidschat aan do vrouw maakt en die haren bruldschiil Inhoudt; vorschlilond van legalux dolis consli-luendae, ■/.. oud. loge er on I).

pra\'lovooron, nw.lal. (vgl. Ie voeren) vooraillchton, helton.

prselibeoron, lat. {praelibare: vgl. II-batlo) voorafproeven, voorproeven; prro-libatio (spr. I—Is) f. {praclibattn) de voorproef, voorsmaak; z. ook c ui ago.

prseliminair, adj. nw.lul. (praeliminarïus a, um, en ais adverb, pracliminane, van prac liniïne, d. I. vöoi den drempel) inleidend, voorlooplg, don weg biinond; — prscliminarion, pi. of preliminaire artikelen, inleidingen, voorboroidliigon, Inioidlngspunten, voorioo-pige punten van overeenkomst; — vrodos-p r ie 11 in I ii a I r e n, vredos-voorborcidlngen, voor-looplgo punten van overeenkomst; prscli-minaristen, n. pi. nog niet ingescliroven sludenton to Christianla.

pricloquoeren, hit. (prncloqui) vooraf-sproken, eono voorrode of inleiding maken; — prteloquïum, n. nw.iiit. de voorrede. Inleiding.

prrelucoeron, lat. (v. lurfre, licliten, v. hu-, het licht) vóorilciiten; — preelucidus, adj. vooiilchtend.

prseludeeren, lat. (praelwllre) vooraf-spelon, oen voorspel maken; Inleiden, voorhe-reldon; — prBBludl\'um, n. nw.lal. bet voorspel, inleidend spel; ook voorteeken, voorloo-per; — proolüsie, f. (lui praelusfo) hel voorspel.

prcematuur, adj. lat. (praemalurus, a, um, en als adv. praemalure; vgl. m at n roeren) vroegtydig, vervroegd, oniydlg; — praJ-matureeren, nw.lal. te vroeg doen i-ypon, Ie snol doorzetten; vervroegen; — gepra\'ina-tureerd, adj. Ie vroeg, ontydig, ovoryid, verhaast, vervroegd;—prsematuriteit, f do vroegrypbeld. vorbaasto of afgedwongen rijpliold, ontydigheld, overyilng.

prcemediteeren, lal. {pramcdiluri: vgl. mediteer en) vooraf bedenken, van Ie voren overleggen; — go p ra1 mod 1 toer d, vooraf overlegd, voorbedacht, opzelloiyk, adj. voorbo-dacliloiyk; — preeraeditatie (spr. lie—Isie) f. (praemedilnho) de voorafgaande overlegging, voorbcdaclilzaamheld.

prcemeloeren, lat.-fr of premelee-ren, fr. (van móler, inongen; vgl. me loeren) het eenc spel kaarlen hy hel spel vooraf doorschudden, lerwyi met hot andere kaarlen gegeven worden.

Prcumie, f. (van \'I lal. pramfum, n.), premie, de prys, hel ooreloon, de helooning, vergooding; de vorzekerlngsprijs, assuranlie-prys, hot geld voor do verzokering van eon schip enz., z. assuranlle; In loleryon en dgl.: do hüwinslen, hypryzen, dlo aan zokere noniinors toevallen, welke onmiddeliyk v6or of nn boogo pryzon gelrokken worden; —/iinraiïum virlnli cl pieldle, boiooning der deugd en vroomheid, zinspreuk dor orde van Sl.-.lnbannog van I.nlo-raaii; premie-affaire, f. by den eifec-lonliaiulol: lovorln^conlnicl, waarhij en» der coiitraclanlün (gt;r heide hel reehl itehoudei) te-Ken een vei\'KoediiiK of rouwkoop (pnemlo) van de overeenkomst af Ie zien; — promioleo-ning, f. eono looning met liijzonilcri\' voordoe-ion of ulllolingen; premie-obligatiën, pi. scliuldbewy/.cn met kans op byzondere winsten-, proomie-daalder, eon dubiielo


-ocr page 1011-

PRyEMITTKEREN

085

PR/EPONRERKN

siikslsolip spcclo-dnntdori — preemiëoren, nw.lat. Iiolooncn, don prijs tookonncn;—prse-mifint of liever prsemiaat, m. oen he-loonde, de ontvnnfjer van liet coroloon.

preeraitteeron, lui. (pracmilhre) vonraf-zenden, vonrnllzenden, vooraanzetlon-, — prac-missis itraemillémHs, nfftek. I\'. d. I. vooruit of vooropfteplaalsl, wat vooropKeplaatst moet worden (In hrleven In plants van de aanspraak of den titel gelmilkelUk); — praemissn liliiln, met vooropgoplaatsten titol, of: de verelschto titel worde voorop geplaatst; — prromisso, f. nw.lat., pl, prtEmisson. liet voornltgozon-done, vooropgeplaatste; do voorafgaande voorstellen of stollingen eener sluitrede.

prsemoneoron, lat. {praemoncre: vgl. monoeren) vooraf herinneren, waarschuwen, aantoonen; — prsemonïtio (spr./=/,?) f. (later lat. praemnnitto) do voorherinnering, voor-loopigo waarschuwing; preemomtor, in de waarschuwer, voorlooplge herlnneraar.

PriBmonstraténsen, m, pl. monniken eener geestoiyke orde, die do heilige Nor hert (vroeger kluizenaar en naderhand aarlsldsschop van Maagdenburg) In 1120 stichlte, en dus ho-noemd naar liet hem door den hemel aangewezen welland (fr. pré monlrd, ondfr. pré monslré, lat. pralum monslralum) In \'1 hosch van Coney, alwaar hot eerste klooster l\'ró-montré moest gebouwd worden.

praomonstrooron, lat. (pramonsirare) vooraftoonon, voordoen; — prwmonstra-tor, m. een voordoener, voorganger, loz. hij lichaamsoefeningen, veorsprlnger, voorzwemnier, enz.; — proemonstriitie (spr. /ie=/sle) f. (later lat. praemonslrafto) do voorlooplge aan-wüzlng

prosmunooren, lat. (praemunire: vgl. mu neer en) elg. te voren of h(j voorraad he-waren, welhewaren, verzekeren, wapenen, verschansen;—prBBmumtie (spr./=/.«) f, Iprnc-muniiïn) de verschansing; verzekering hij voorraad, voorbehoud.

Prsenömon, n. lal. de voornaam, die vóór den familienaam staal.

prcenoteeron, lat. {pmennlarc: vgl. no-toeren) vooraf opmerken, aanmerken, oplee-keneii; --proenotatie (spr. tie-lsic] f. nw, lal. de gereclileiyke voorafgaande herinnering of waarschuwing der sehuldelschers hy vermoe-deiykc hiinkroeten.

Prwnótio (s|ir. l—ls) f. lal. (prnennfln ■. vgl. nolle) liet voorloopig hegrip, voorhegrlp; voorafgaand denkbeold; de voorsmaak, voorkennis.

pvasmimorooron, nw.lat. (van numcrare, lellen) voornlthelalen; prncnumcrdndn, door voorullhetallng, voorullhelalend; — promu-rnorant, m. een voorullhelaler; ook z. v. a. a h o u n e n t; — preenumenitie (spr. i -is) f. de voorulthetallng; ook z. v. a. ahoniie-m ent.

prajnunciöeron, lal. (prnc-nuncmre! vgl. n unci us, enz.) vooraf aankondigen, melden, aantoonen; — prepnunciatio (spr. I=ls) voorafgaande aankondiging.

prcooccupeeron, lat. {prneoccupare: vgl, occupoeren) vooraf hezellen of Innemen, voorkomen ; bevangen maken, vooroordeelen Inboezemen, voorinnemen; — ge p no occupeer d z y n, een vooroordeel of eene vooraf opgevatte meening hebben, bevooroordeeld zyn; — pvse-occupiitio (spr. I - Is) f. (lal, praeoccupalïo) ile voorinneming, voorafbezelling eener plaals; het voorbegrip ; ook hel vooroordeel, het vooraf opgeval gevoelen, de vooringenomenheid, bevangenheid.

Preeopinant, m, nw.lat. (van npinari, meenen) een voorstemmer, by, die het eerst zyne stem uitbrengt of zyne meening zegt.

prreordineoren, nw.lat. (van nrdinure, vgl. ordIneoren) voorbeschikken;— prse-ordinatio (s|ir. I=ls) f, de voorbeschikking, pi\'Depareoron, lal, {praepnmre: vgl. pa-roeren I) voorbereiden, toebereiden, klaar of gereedmaken, vervaardigen, loerlchten; Mod. ook z. v. a. seceeron; — zich pruepareeron, zich voorbereiden, toerusten, zlcli op iels geval, gewapend, voorbereid houden; — do pree-pareerstoon, in apolheken, z. v. a. wrgf-steen; — priBparandus, m. een voor te boreiden persoon, hij, die voorlioroid moei worden b, v, lot de allegging der geloofsbelijdenis, lot een examen;—proeparande, f. nw.lat. eene voorbereidingsschool; — prooparant, m. lal, [praepiirans) een voorbereider, loebereidor, arlsenyberelder; — prseparaat, o, (lat. prnc piinilus), pl, proeparaton, toeliereide zaken, bereide arlsenyen en dgl.; Inz. anatomische p raipa ra 1 en, d. I. Ier verlnonlng en bewaring afgezonderde en kunslmallg loebereide men-schelijke of dierlijke lichaamsdeelcn; prce-paratie (spr. /=/.() f, (lal, praeparalto) de voor- of loebereldlng, toerusting, aanstalle; — prsoparatórisch, adj, lal. (praeparalnrfus, lt;i, um) voorbereidend, voorloopig; — prtepa-ratona of preeparatonen, o, pi, voorlooplge aanslallen, toerustingen, voorbereidingen; prseparatuur, f, (lal, prnepamlura) de voorbereiding, loebereldlng.

prncpildhis, lal. (van pila, bal) geknopl, mei een knop van voren; goprrepiloordo wapons, sloolwapens, dlo aan de puni met eenen knop of een ballelje voorzien z.yn.

pra\'pondorooi\'on, lal. {praepnndemrc, vgl, pondereeren, ond. pon dus) meer wegen, overwiclit liebben, zwaarder wegen; ge-wicbliger zyn, nverlreHen, booger geacht worden; — prmpondorant, adj overwegend, overlrellend, beslissend; priepondoran-tio (spr. l—ls) f, of fr. própondoraneo, f. (spr, prepoiid\'rihs\') hel overwicht, do over-machl, meerderheid.

prroponoovon, lal (prmpnnirc: vgl. positie) voorzetten, vooraanplantson; — pra?-positio (spr. -ti-lsie) f, (lat, praqmsiCin) dram, een voorzetsel, betrekkingswoord, de woorden, welke de betrekking van de voorwer-


-ocr page 1012-

PR^EPOSTEREEREN

986

PRESERVE EREN

pon op elkander nnndulilen, on die In den re-Kol vóór do door hen bepnnldo woorden gezet worden, h. v. unn, op, In, hü, van, en/.,;— prseposïtus (spr. s=j) m. een vooruango-pluntslo opziener, overste, proost; —pi\'BBpo-situur (s|)r. s=z) f. nw.lat. do proostdy, het ambt en de waardigheid van eenon proost; hol sllehtsambt, opporkorkambt.

proepostoroeron, lat. iimteposlerare, van prttcposlere, verkeerd, ondoelmatig) verkeerd handelen. Iets omkeeren, verplaatsen, hol achterste voorzetten; — preepostoritoit, f. (pruepnslertlas) ilo verkeerde orde.

proepotént, lal (praepulens: vgl. p o t e n I) overmaclitlg; — prsepoténtie (spr. tie=tsie) f. (lator lat. praepotentia) de overmacht, hoo-gero macht, bovenmatige hoolkracht.

Prceputium (spr. l=ls) n. lat. da voorhuid; — geproputiëerd (spr. t=ls) lat. (praepulidtus) adj. do voorhuid hebbende, nlet-besnedon.

proeripiëoron, lat. (praeripSre, van ra-pire, wegnomen, roeven) to voren wegnemen, wegkapen; — preeréptie (spr. I=s) f. nw.lat. de ontneming, wogkaplng.

prserogooron, lat. (pracrogare, van ro-llure, vragen) elg. vooraf vragen; vooruit be-geeren, als voorrecht vorderen; —pi\'Eeroga-tief, ii. of prserogative, f. (lat. praero-fjativa, f.) elg. de voorkeur; een voorrecht (pr Ivileglum); — praerogativa piQnörum of hypothecarum, f. do voorrang van het pandrecht by hot concours der pandschuldelschers.

preesagiëeron, lat. {praesagire, v. sagïre, Iels spoedig vatten of merken) voorgevoelen, vermoeden, vooraf bemerken; voorspellen, pro-fetceren; aanduiden, beduiden; — pi\'ajaa-gïum, n. het voorgevoel, vermoeden, de gissing; hel vnorteeken, voorheduldsel.

Prsesciéntie (spr. I=ls) f. nw.lat. (van praescire, vooraf weten; vgl. sclent te) het vooraf-weten; — prsescibel, adj. vooraf weelbaar.

prtescribeoron, lat. {praescribcre) voor-schrüven, verordenon, bevelen, gebieden; Jur. verjaren 011 voor verjaard erkennen; — ge-pi ii\'sc r I hoe rd, adj. verjaard; —proBscrip-tibel, adj. nw.lat. verjaarbaar; — praescrip-lio of proescriptio (spr. l=s] f. lal. het voorschrift, enz.; Jur. do verjaring, het verlies van een rocht, dewyi men niet te behooriyker tyd gebruik daarvan hoefl gemaakt; ook, van den andoren kant: de verkryglng van het recht, iluor zulk een verzuim van een ander; vandaar praeseriplin annalis, eenjarige—; pr. biennalis, tweejarige—; pr. Iriennalis, driejarige verjaring, d. 1. de verjaring, die binnen I, i of jaren plaats heeft; praeseriplin immemoriaiis, di^ onheuglijke verjaring; pr. inlcrnipla, de af-gebrokon verjaring; pr. legalis, de wetteiyke verjaring; pr. longi ot longissimi lemporis, ocno, lange of zeer lange verjaring; pr. mlhibiliónis, de verjaring dor teruggave.

Proesons, n. lat. (praesens, tegenwoordig.

v. prae-esse, vóór Iets zyn) Gram. de tegenwoordige lyd, tegenwoordigheid; m. eon tegenwoordige, aanwezige; pl. praeséntes, do tegonwoordl-gen, aanwezenden; praesenlibus N. A\'., In te-genwoordlgliold van N, N.; pro presénli, voor hot tegenwoordige, voor alsnu; praesens hislo-rleum, historisch tegenwoordige lyd, het verhaal van \'1 verledene In den tcgenwoordlgen lijit geplaatst; praesente medico nihil nocel, sprw.: in het huzyu van don arts schaadt niets; praesente eadavire, In tegenwoordigheid van het lijk (b. v. een testament lezen); — proesént, fr. présent (spr. pretdii), volgens do nederl. uitspraak present (eig. bot aangebodene), n. het geschenk, de gift, gave; als adject, tegenwoordig, aanwezig, het togengestelde van a h-sent; — prsesént-gelden, z. v. a. do-nat lof-gelden; praesenlïa, lat. of pree-sóntie (spr. l=ts) fr. presence (spr. pre-zdim\') de tegenwoordigheid, aanwezigheid, het byzUn; — in praesenlia, lu tegenwoordigheid;

— presence d\'esprit, f, fr. (spr. —despri) • tegenwoordigheid van geest, bezonnenheid, welberadenheid; — preeséntie-golden, aanwezigheids- of daggelden, die b. v. een domheer gedurende zyn oponthoud by een stift ontvangt;

proesenteeron, lal. (iiracscnture) of pre-senteeren (fr. présenter) voorbehouden, aanbieden, overreiken, voorstellen; het geweer presenteeren, het geweer voor zich houden, richten; — zich presenteeren, zich voorslollen, vortoonen, zich good of kwaad voordoen, good of kwaad In do oogon vallen;

— presenteer-bord, -schotel, -trommeltje, een hord, enz. waarop men Iels ten gohruike aanbiedt; — prsesentabol, nw.lat. of presentabel (fr. présenlable), adj. vertoonbaar, voorstelbaar, dal aangeboden kan worden; — prosentant, m. do vertooner en houder van oenen wissel; de voorsteller tot eenon post, een ambt; — presentatie (spr. lie—lsie) f. (later lat. praesenlaCto) de overrel-king. Indiening, veriooning, h. v. van eenon wissel; hel recht der voorstelling tot een amid, Inz. tot eeno predikantsplaats; presontatlo-recht, z. jus praesentdndi-, presontatlo-iyd (ook -dag), door de wet bepaalde tyd tot vertooning van eenon wissel bij den betrokkene; — praesenlalum (afgek. praes.) voorgelegd, aangeboden. Ingediend, overgegeven.

Prgesónsio, f. lal. {proesénsio, van prae-senlire, vooraf gevoelen of gewaarworden) het voorgevoel.

preesent, prsesenteeren, enz.; prte-sentio, z. end. pnnsens.

Prcesëpe of propsopïum, n. lat. (van prae-sepïre, van voren omlulnen of afsluiten) do krib; by schilders; het tooneol der geboorte van Jezus in de krib; — prsesopïën, pl. In Italië voiksvertooningon in den adventiyd, waarbg do geboorte van Jezus voorgesteld wordt, en kribbe, stal, herders, huls, heilige familie enz., alles uit hout gesneden, om niet Ie zien z.yn.

prseserveoren, nw.lat. (praeservare; fr.


-ocr page 1013-

987 PR/ETERMITTEKREN

PRESES

présencr) licwiiren, vorhoeilon, voorkompn, ii(-woren, hoschutton, IwIhhmIcii ; — prBBsorva-tio (spr. t=s) f. do hownrlnu, bohoodlriK, voor-komliiB, iifworliiR; — pr8esorvatiof,a(lj. verhoedend, voorkomend, liewarond; — preBsor-vatiof, ti. of preeaervatiof middol, een bewarlngs-, voorkomlngs- of behoedmiddel.

PreDses, m. lat. (praeses, gentt. praesïdis) of preesidént, presidént, m. (Int. prac-sidens, van praesidêre, vooraanzltten) een voorzitter, het hoofd In een college, In eene vergadering; In N.Amerika; do hoogste vertegenwoordiger der uitvoerende macht over de Unie;

— preesidéntuur, f. nw.lat. of preai-déntschap, n. lat.-nederd. hot voorzitterschap, het ambt en de waardigheid des voorzitters ; — prsesidiaal, adj. (later lat. prae-sidlnlis, e) wat lot de voorzitting, tot de waardigheid van voorzitter behoort; — presidoo-ren {praesidêre), voorzitten, bel voorzitterschap bekleeden, het hoofd zijn; den toon aangeven, het woord voeren; — pra-nidium, n. \'iet voorzitterschap, het oppertoezicht; de bescherming.

prffisignifleooren, lat. (prae-tignifienre) vooraf aanduiden; —proesignificatio (spr. lt;=lt;s) f. (later lat. praesignificaïïo) de vooraan-wüzlng, voorlooplgo aankondiging.

prEestabel, z. ond. prtostoeren.

prsestabiloeren, nw.lat. (vgl. stabl-1 oeren) vooraf bepalen of vaststellen;— ge-praostablleerdo harmonie, z. harmnnia praestabilila, ond. harmonie; — prsesta-bilismo, n. de leer der voorbestemming of het geloof aan eene door God gedane vooraf-bepnling of voorbestemming.

preestoeren, lat. {praeslare, elg. voorstaan; dan voor leis Instaan, borgblyven, enz.); alleggen, vervullen, doen; b. v. oenen eed; — prtBStabel, adj. nw.lat. verrichtiiaar, alleg-baar; — prcestandum, n. hel te vervul-leno, wat gedaan, verricht moot worden, de pllchtvervulllng, kwgiing; pl. preestanda, wat men verpllehl Is te doen, te vervullen, te betalen, pllchtvervullingen; praeslanda pi\'DG-steeron, zynen plicht doen, zich van zynen plicht, zyne taak, /.(jne schuld, enz. kwijten;

— pvacsttla cnulinne, na gestelden borgtocht; praeslilis praesldndis, na vervulden of gekweten plicht, na gedane pllchtvervulllng; — praB-stanten, pl. Muz. de vooraanstaande groole tinnen orgelpUpon, vgl. p r 1 nc 1 pa a 1; — prse-stantio (spr. lie=tsie) f. Int. (praestanCid) de voorlrelTeiükheld, uitnemendheid; waanligheld, het deftige, statige voorkomen van eenen persoon; de voorrang, voorzitting, de hoogste plaats;

— prsestatie (spr. lic=tsie) r lat. {prnosla-Un) de kwyiing, vervuiling, verrichting, aflegging, borghiyvlng, plichlvervuiling, levering, afdoening oener verschuldigde zaak, betaling eener schuld, belasting, enz.; pracstatto riamni, de schadevergoeding, scbadeloosslelllng; pr. doli, de vergoeding van do opzetteiyk toegebrachte schade; pr. evictlonis, z. ov 1 c11e; — pracs/n-lione.i nnnuae, pl. jaariyksche betalingen, renten, belasting, opbrengst der onderdanen of der pachters; pr. publicae, pl. openbare lusion, dienst-pilehten of verscbuidigdbodon.

Preestigïön, f pi. lat. {pracsliijtae) begoocheling, tooverwerk, goochelwerk, verblinding, misleiding, zinsbedrog; prsestigiatie, f. (spr. —tsle) goochelary, goochelkunst; — prsestigiator, m. oen goochelaar hij de oude Komelnen; — preestigiëus, adj. (lat. prae-sligiusus, n, um) vol begoocheling, bedrlegiyk, misleidend.

prsestituooren, lat. {prueslituUrc) vooraf bepalen, vaststellen, voorscbryven.

prseatrueoren, lat. (prae-slruUre) elg. vooraf samenvoegen; voorbouwen; onelg. voorbereiden; ontoogankeiyk maken.

prsesumoeren, lat. [praesümUre) elg. vooraf nemen, aannemen, onderstellen, vermoeden, gissen; zich inbeelden, zich verstouten, zich vermeten; —preesumabel, nw.lat. of fr. prosumablo, adj. vermoedeiyk; — prse-sümtie (spr. lt;=s) lat. (praesumfto) of fr. presómptio (prémnplinn, spr. presoiisjnh), f. de op waorscbyniykheld berustende onderstelling, gissing; de verdenking, argwaan; de Inbeelding, liet zelfbehagen, de waan; prae-sumllo juriilïca of pr. juris, een gerechteiyk vermoeden ; — prsesvimtiof of als adverb. praesumlive, nw.lat. vermoedeiyk; — prse-sumtueus, adj. aanmatigend, ingebeeld, verwaand. trotsch.

preeaupponoeron, nw.lat. (vgl. sup-ponoeren) onderstellen, als waar aannemen; — prsesupposïtuin, n. bet onderstelde, aan-genomene-, — prsBsuppositie (spr. -zi-lsie) f. de onderstelling.

prtetondooren, lal. (practend\'ére, elg. voorspannen, voorhouden; fr. prélendre) voorgeven, beweren; iets vorderen, eischen, verlangen of hegeeren, naar Iets slaan of dingen, aanspraak daarop maken, zich iels aanmatigen; — praotondónt, m. een aanspraakmaker, vor-deraar, elscher; dinger; kroonvorderaar, hl), die aanspraak op den troon maakt, een prins, die z.yne rechten op een hem onthouden troon doet gelden; — prseténsie, f. nw.lat. (fr. prélen-lion) het verlangen, de vordering, eiseh, aanspraak op iels; de aanmatiging, waan-, ook het voorwendsel; — proetontiëus (spr li =si), adj. (fr. prélcnlieux) aanmatigend, ingebeeld.

proPtGriöeron, lat. (prader-ire, van prae-Ier, voorhy) voorbygaan, overslaan, ultlalen; — prastorïtie (spr. Iie=lsie) f. (later lat. prae-leriCin) het overslaan, de verzwijging, voorliy-gang, niliaiing, overslapping, niet-vermeiding-, de spraakvvemllng, waarhy men zegt, dal men leis niel wil vermeiden en liet daarby zoor na-drukkeiyk doet uitkomen; - preaterïtum, n. (iram. de verleden tyd, verleilenheid, tydvorm van liet verledene; — pro praelerilo, voor liet verlodene.

prEetermittooron, lat. (praelcr millüre ,-vgl. mil teer en) voorbyiaten, nalaten, over-


-ocr page 1014-

PRAETRR PROPTER 988

PRATRIR

slaan; — prwtormissie, t. {praelermmio) du vdorliijlnliiiK, ulUallliK.

praeler propter, lat. ongovoor, oinlront.

Prretóxt, ii. lal. (praeléxlus, van prae-lexirc, il. I. clg. voorwoven, ilan voorwonden) hot voorwendsel, voorgeven, dc schijngrond, sehyn van recht, do uitvlucht, hot voorwendsel j — praeléxla toga, z. oud. toga; — sub praeléxlu, onder voorwendsel of voorgeven; — suh pructéxlu juris, onder den scliyn van recht;

pr8Btoxtoeren,n\\v.lat. (fr. prétextcr) voorwenden, voorgeven, lot voorwendsel nemon.

Proetor, in. lat, {praetor, ontstaan uit prnci-lor, van praeire, vooraangaan) ia \'t algemeen een hoofd, opperste; oorspr. In/, de aanvoerder In don oorlog, veldheer; dan de opperrechter, stadsrechter, stad- of landvoogd, het hoofd der rechtcriyke macht, de voornaamste ma-glslraatsporsoon naast de consuls In het oude Kome; — prsctorianon, m. pl. ipraeloriani) of prsetoriaansohe cohorte [rohon prae-torta), do lUlwacht dor oud-rom. keizers, die zich onderscholdde door overmoed en gewelddadigheid, zelfs keizers vermoordde en nieuwe koos; vandaar-. protorianon-hoerschap-pij, f. soldatonregeering■, - preeton\'um, n. de veldheerstent, het rechthuis, gerechtshof;— praetuur, f. (lat. praeti/ra) het aniht van den praetor, het stadsreclilersamht, enz.

pr£Bvalooren, lal. (praeoahre; vgl. valeer en) hel overwlclit, don voorrang of de overhand liehhen, meer zijn of golden; Kmt. zich prsevaleeron, zich weder doen lie-talen, zgn uitgezet geld terugnemon, zich iets ten nutte maken, zich schadeloosstellen; — preevalónt, adj. (lal. praevülens) ovormach-tig, sterk, meer geldend, verklesHlk; — pi\'OG-valóntio (spr. I=t.i) f. (later lal. pracvalentia) deoverniiichl, overhand, het overwicht; — pra3-valatie (spr. /=/s) f. iiarh.lat. do schadeloos-lionding, schiuloloosstoliing.

prsevaricooron, lal. {praevaricari, elg. in de dwarste gaan) of fr. provariqueoron (prévariijucr) legen trouw en pliclit of trouweloos handelen, niet rond en eeriyk te werk gaan, hot verlrouwen mishrulken, hot met helde pariyen houden; -■ prcevaricatie (spr. I=ls) f. (praevaricatio) do valschheld, pllciitsclionding, pliclitvorgi\'tcnhcld, ainhlsoiilrouw, Irouweloos-lield, verradory; — prsevaricator, of fr. prevarioateur, m. een pllchtverzaker, ontrouwe, trouwoloozo, verrader; valschaard, In-I rlga nt.

praoveniëoron, Int. {praa\'min-, fr. pré-uenir) voorkomen, verliooden, verhinderen, lie-lellen; vooraf berichten, opmerkzaam maken, van iels vonvltligen, waarschuwen; — goprfB-vonicord, mij, te voren liorlchl, gewaarschuwd, verwittigd; próvónaneo, f. fr. (spr. prew\'ndns\') vonrkomendheld, gedlenstlg-heid, wellevendheid; - provonant, adj. (spr. prcw\'ndii) voorkomend, Iniiemeiid, dienstvaardig, lieloefd, wellevend; — preevóntio (spr. /=/s) f. nw.lat. het voorkomen, vorhoeden, verliinde-ron, helettnn, de verhoeding, enz.; de wederlegging van vooruitgezleno legenwerplngeii; vooraf opgevatte inoenlng, bevangeniiold, vooroordeel, voorlngenomeiihold; liet wnarschuwend herlchl, de waarschuwende kennisgeving, vroegere lus-schenkomst van liet gerecht en de daarop ge-grondo rechtsaanspraak; prtcvontiof, ndj. voorkomend, verhinderend, verhoedend.

praema admonitione, lat. (v. praevtus,a, urn, vooruitgaand, vooiioopig) Jur. na voorafgegane of voorlooplge lieiinnering; prnenia aestimatione ar lis perilorum, na vooraf \'I gevoelen der zaak-kundigen te hebben ingewonnen; — praema causae cognilióne, na voorafgegaan onderzoek van de gesteldheid dor zaak; pr. collaliöne, na vooraf plaats gehad hebbende vergeiyking, op voorafgegane tcgcnelkanderhoudlng; pr. legiti-matióne, na voorafgegane wettiging iif geldigverklaring; pr. moderatióne, met voorafgaande matiging of verzachling; praevto examine, na voorafgegaan onderzoek.

ProBvigiliën, pi. nw.lat, (vgl. vigiliën) do dag vóór den vooravond van een hoog feest.

prrevisie, f. nw.lat. (v. praevidcre, vooraf zien) het vooruitzien; \'I voorzien van toekomstige gebeurtenissen en de daarop gegronde voorzichtigheid.

Pragma, n. gr. (v. prussein, doen, lian-delen) hel gedane, de daad, het bedryf, de zaak, enz.; pl. pragmata; — pragmatïka, pragmatiek, f. do bedrUfswerkzaamheid, lieroepskiinde, zaakkennis, algemoen-niiliigheid;

pragmatisch, pragmatiek, adj. gr. {pragmalikós) elg zaakkundig, werkdadig (pra k-11 sc h); aniiwcniiliaar, algemeen-nul lig, leerzaam, leerryk, loerryke oplossing gevend; vandaar pragmatische of pragmatieke geschied sc h ry v 1 n g, zulk eene wyze van de geschiedenis te schryvon, vvaarhlj men onderzoek doet naar do oorzaken en gevolgen der goiieurleulssen en daaruit loerryke gevolgen trekt; - pragmatieke sanctie, eene algemeen-nuttige iandsverórdeulng, eene algemoene wet lot openbare welvaart In geeslelijke en vve-reldiyke zaken; inz. d(^ vorordoning van keizer Karei VI in \'tjaar 1713, door welke hy de erfopvolging in zyne staten vaststelde; — pragmatisme, n. nw.lat. de manier van zoodanig de geschiedenis voor te dragen, dal men met liet verhaal der geiieurtenlssen beschoiivvln-gen nmtrent hare oorzaken en gevolgen verbindt.

Praguerie, f. fr (naar den hussieten-opstand te Praag genoemd) de samenzwering van den franschon adel legen koning Karei VII In liet Jaar liin om den loenmallgon dauphin, la-Ier koning [.odewijk \\l op den Iroon te verhelfen.

Prairie, f fr, (spr. préri: prov. pradaria, sp. praderia, 11. prnteria, mid. lal. pralarla, pratcna, een vvcldestreek, v. lat. pratwn, welde, fr. pré) eene weide, een welland, dreef; eene groole grasvlakte In N. Auierika; vgl. savanne; — prairial, m. (spr. préridl) de weldemaand, grasmaand, de :iile lentemaand of \'.lile maand in den nieuwen kalender der eerste fr. repu-


-ocr page 1015-

PRAKRIT

989

PRECAIR

lillek, van den üOslen Mei lol den INden .Innl.

Prakrit, n. (van liet sanskrlt prdkrila, Komeoniyk, gowoonlUk) lionainliiK der ondor-scheldcno volksspraken (provlnclalü dlaloclen) In Indlë, oorspr. uit hel sanskrll onlslaan, maar zeer veranderd en vorliasterd.

Praktijk, mld.lat. practica, r. gr. (van praklikós, c, ón, ulloofenend, werkdadig, van prussein, doen, liaadülen) de ullootcnlng, loe-pas^lng van de regelen eonor kunst, enz.; ook praxis; de liandolwUs, ultoetenlng, ocfenlngs-wljs, beoofenlng, overleg; de beroeps-workzaam-Iteld van oenen geneesheer ol licelineestor, van eenen roclitsgolecrde; praktijk ot ita-liaansche praktijk, eoiio rekenwijze tot gemakkelijker of korter oplossing van eenen regel van drioBn, welks eerste term I Is; — practica est multiplex, lat. sprvv.; do oefening, liet overleg Is menigvuldig, do kunstgrepen zgn velerlei; — pl. pi\'aktijkon, ongeoorloofde kunstgrepen, listige streken, gelielme versland-lioudingon, knepen, sclieimeryen; prakti-cus (gr. praltlilcós) of practicus, m. een Iets uitoefenend en daarin ervaren man, een ervaren geneesheer, advokaat, enz,; — praktisch, adj. (gr. praklikós, e, ón] uitoefenend, werkdadig, h. v, zulk eene wetenseliap of leer, (hei tegengost. van theoretiscli); werkzaam; het praktisch verstand, hot vermogen om de wilskracht door de rode te hopnlen, of liet verstand als welgover voor dun wil; — prak-tisoeron (mld.lat. pmclicare) oefenen, uli-oefencn, zaken doen, laz. ais rechtgeieerde of geneesheer; ook voor: bodenkea, verzinnen; wegprakttseeren, ongemerkt uit den weg ruimen, ter zUde zetten; — praktiseorend, adj. uitoefenend, Inz. van artsen; — practicabel of prakticabol, adj. harii.lai. (fr. praticabte) doeidyk, uitvoerhaar, aanwendhaar, doelmatig, hruikiiaar; gaaghaar, beloop-, iiery-, bevaar-, bereisbaar; — prakticabilitoit, f. ile utlvoerbaarlieid, doentyklieid, mogeiUkheid; — praktikant, in. in voraciiteiUken zin: een slechi geneesheer, kwakzalver; ook een jong rechtsgeleerde, die lig ecu gercehlshof zonder jaarwedde ariiehit; — praktizijn, m, (fr. praticien) een uitoefenend of prakilzeerend arts, inz. een advokaat, procureur, ziiakhezor-ger; praxis, f. gr. de uitoefening, oefening, toepassing, het doen, handelwijs (praktijk), liet togengost. van theorie; — in praxl, nw.lal. In do nitoefenlng, aanwending of toepassing.

Pralines, f. pi. fr, (spr. pralión\') gebrande of In suiker gerooste amandelen (naar men wil dus goliceten naar oenen bediende van den maarschalk du /Vmi.v-t\'ra si 1 n, die zo in den tijd van t.odewuk \\l\\\' bel eersi luelieroidiie); ook dfokkorreltjes met oen kalkkorst, die zich by deslnfectios vormen

Pralltriller, m. hoogd. Mnz. een korte triller zonder naslag.

Pramnion, z, morion.

Pramnischo wijn, m. een sterke, wrange, by de Grieken zeer gezochte wyn van de kust van Kleln-AzlB.

Prangen, nederi. Mar. bij harden wind zyno zeilen blijven voeren, om boven zeker punt te geraken.

Pranso, pranzo, m. II. hel middagmaal. Prasom of praser, m. (lal. prasfus, gr. prasios, d. i. lookgroen van pnison, look) do iookstoon, eene lookgroene, doorschijiKMide va-riailo van het kwarts; — pras-opaal, m. do apiiólgroeno, gemeono opaal {■/.. aid.).

pratensis, c, lui. Hot. In weilandou voorko-mende of groeiende.

Prater, n, (van \'1 lat. pratum, weide; sp. prado, z. aid.) openiiare wandeling of iustbosch by W e e n e n.

Pratica, f. it. (elg. z. v. a. praktyk, uitoefening) liet verlof van te landen en Ie bandelen, Inz. wanneer men uit een land komt, waar gewooniyk de pest of eene andere be-smetteiyke ziekte beersebt.

Prauw, f. mal. {praline) Inlandsch vaartuig in Indle, inz. tot lading en lossing van schepen.

Praviteit, f. lat. (pravftas, v. pravus, a, urn, elg. krom) do slectitbeld, boosaardigheid, boosheid, verdorvenheid des harten.

Praxeanen, m. pl. de aanhangers van l\'raxeas ia de 2de eeuw, die de veelheid der personen in de godheid loocheude.

praxillische versmaat, do hrachy-katalektlsche trimeter van den Slcyoniër 1\'ra-xiila, waarvan de tweede voel een trocineus Is. Pi-axis, z. ond. pra k t y k.

Prayer, n. eng. (spr. prééjur) gebed; — prayerbook, n. (spr. —hoek) gebcdenhook. pré—, fr. voorzeisei - - iai. prae, z, aid.

NB. He timnlen die men te vergeefs op pre— mocht zoeken, :\\jn op pra;-- te einden. prealiible, adj. (fr. préntahte. v. pré, en aller, gaan) voorioopig, voorafgaande. Prebende, enz., z. prmbendo. precair, adj. fr (van I lat. precanus, a, um, v. precari, bidden) afgebeden, afgotiedcld, afgesmeekl; door begunstiging, bij vergunning (bezittende of geiilelende), tot woderopzeggens toe afgestaan of ioebcdoeld; afiiankoiyk, onzeker, ongewis, twyfelacblig, wankelend; ais adverb. ook precarfo of precarfo moilo: - pro-carïum, n. Jnr. de vergunning, toelating van een recht op verzoek, zonder op eeneaanspraak In rechten to steunon; Iels dat toegestaan, vergund wordt, toestand die tol wederopzeggens toe duurt; — precarïa, pl. verzockdlenston, diensten op verzoek; procariën, f. pl. mid.lal. [precarïa, f. pl. precariae) goederen, welke den vruchtbruiker niel erfeiyk en eigen tocbehooren; — precarie-handol, de handel, die door een ouzydig volk met de In oorlog zynde machten gevoerd wordt; — pre-catief, adj. later lal. (prccahvwi, a, urn, en als adverb, preciitivc) biddend, verzoekender-\\v(|s; - precativus (sell, modus) of verkort


-ocr page 1016-

PRECEDENT

990

PRESSEEREN

precatief, m. do verzoekende wUzo, die wyze van \'t werkwoord, welke \'l verzoek, de bede uitdrukt.

Precedént, n. fr. (spr. —sedan: v. précéder; vrI. priBCedeeren) oen vooratgannd voorbeeld.

Précoptour, n. fr. de leermeester, z. v. li. Int. prajcoptor.

precieus, z. p r e 11 e u s ond. p r e t i u in;

— precipice, precipilando, enz. z. pnuci-p111 u in.

Precis, m. fr. (spr. presi: van \'tlat. prac-cidire, nfsnyden, vui. prieel es) liet kort begrip, de lioofdlnlioud.

Precisie, z. prieelsle.

Precist, nw.lat. (van \'1 lat. pre®, genlt. precis, bede, preenri, bidden, smeeken) z. v. a. panlst, z. aid. onder panis.

Predikant, in. nw.lat. (van praedicare, Iets openlijk verkondigen) een leeruur, godsdlenst-leeraar, evangelie-verkondiger; In Dultscbland ook z. v. a. hulpprediker; — predikiinten-orde, f. de predikorde, orde dor predikliee-ren, z. v. a domluikanor-orde (z. aid.).

Preface, fr. z. prajfatlo.

Préférence, f. fr., z. prasfercntle, ond. prieforoeren.

Prefisso, n. It. (van \'tlat. praefixumi vgl. pncfIgeeren) Kmt. wisselbetaling zonder uitstel, lietallng ep zlebt.

Prehónsie, f. lat. [prehensïo, van pre-hendlre, iiangrUpen, vatten) de aangrllpliig, gry-plng, het vatten; Med. de vorsHJvlng, zlnvang, z. v. a. ka tale ps le.

Prehniet, m. voorbeen groene schorl, oene naar don nederl. overste van Pre ha (die haar van de Kimp herwaarts bracht) benoemde groene steensoort van bet kiezelgeslacht, kaapsche chry-sopras.

Prei, z. porree.

Préjugé, n. (spr. —zjuzjé) een vooroordeel, z, v. a. pnejudltle.

Prémeleeren, z. p r ie in e l o e r e n.

Premices, f. pl. fr. (spr. premiés\', van \'I lat. primiliiae) do eerstelingen.

Premie, z. p ras mie.

Premier, m. fr. (spr. pre-mjé: v. \'t lat. primarius, de eerste, voornaamste) de eerste, opperste, voornaamste; de eerste minister, do voorzitter of formeerder van een kabinet; In couranten; het vooropgaande hoofdartikel; — première, f. (spr. pre-mjèr\') eerste voorstelling van een tooneelstuk; eerste klasse op spoortreinen; In den handel: directrice van een mo-demagazün; — premiers, m. iii. premières, f. pl. (spr. —mjés, —mjères) de eersten, d. 1. de 8 eerste slagen of trekken In verschillende kaartspelen.

Prenditóre, m. it. pl. prenditeri, de nemer, afnemer, kooper (inz. van loterijbriefjes);

— prenditorio, m. winkel, (loterij)kantoor.

Preneur, m. fr. (van prendre, nemen, v.

lat. prendlre, prehendlre, vatten, grijpen, nemen) de nemer, afnemer of verkooper van eenen wissel; — prenez narde (spr. prené gard\') pas op! neem u in acht.

prepareeren, enz. z. praspareoren.

Prepositie, enz. z. end. prieponeeron.

Presbyedochïum, n. gr. (v. présbys, oud) een verploglngsgosllcht voor ouden; — presbyopie, f. de vérzlchtighold (Inz. van oude lieden, die alleen In de verte kunnen zien);

— presbytes of presbiet, m. een v«!r-zlchtlge (het tegongesteldo van m y o p s); — presbyter, m. later lat, (van \'t gr. préshy-lüros, de oudere) een oudste, kerkelijk hoofd, aanzienlijke (niet priesterlijke) kerkheambtcn bij do eersle Christoiien, die door de gemeenten aangesteld werden; priester; — Presbyterianen, nw.lat. ook Puriteinen en Nonconformisten, Protestanten In Engeland, die geenen bisschop erkennen, maar die de kerk, even als in do eerste tijden, door oudsten willen geregeerd hebben, enz.; — presby-terianisme, n. de leer van deze niet bisschoppelijke engelsche Christenen; — presbyterium, n. de kerkeraad, de vergadering der kerkoudsten, der kerkopzieners; — pres-byteriaat, n. bet oudstonambt, do waardigheid van kerkopziener.

prescriptible, prescriptie, enz., z. ond. p r ie s c r 1 b e e r e n; — présence, presentie, enz. z. onder prussens.

Presenning, ■/.. prezenning.

Preserved meat, n. eng. (spr. miet] geconserveerd vleesch, in Amerika voor uitvoer naar Europa geprepareerd.

President, z. pneses; — president of the Hnyal Academy, eng. voorzitter van do ko-nlnkiyke academie; — Pres. of Uie Hoyal Society (spr. .Sosaiily), voorzitter der koninklUko maatscbappü van wetenschappen te Londen.

Presidio, in. sp. (v. lat. praesidium, bescherming, bedekking, bezetting, schans) eeno kleine vesting, waarin oen garnizoen ligt, inz. de 4 sp. vestingen op de afrik, kust in Ma-rocco; Couta, Melilia, Pciion de Velez en Al-hucomas).

Présis, f, of presma, n. gr. (van pre-lltein, verbranden) Mod. ontsteking, gezwel mot ontstoking.

Presomptie, z. pr ie sum tie, ond. pne-sum eer o n.

pressant, z. ond. prosseeren

Pressentiment, n. fr. (spr. pre-saiili-mdü: v pressentir = lat. praesenlire) het voorgevoel, vermoeden.

presseeren, fr. (presser, van \'t lat. pressure, versterkingswoord, v. premtre, drukken) drukken, persen, pressen, dringen, noodzaken, dwingen; bij iemand aandringen; ook overhaast of dringend zijn, baast hebben, geen uitstel lydon (b. v. bot presseert, het Is dringend, beeft haast); verhaasten, h. v. de maat van een muziekstuk; — gepresseerd zyn, dringende zaken bobben, haast bobben;

— pressant, adj. dringend, haastig, In groeten haast, geen uitstel lydende; — pressie,


-ocr page 1017-

PRESTATIK

991

PRIMUS

f. dn druk, drukking, dwang; — prossuur, f. Int. (pmswra) ilruk, bezwaar.

Prestatie, prestoeren, z. oud. pric-s tec ren.

Prestidigitateur, m. fr. (spr. ii=zj: een snolvlngorlgo, van it. presto, snel, en hit. diuitus, vinger, intssclilen wel ontstaan door vortiastorlng van presligiulcur) een goochelaar.

Prestige, n. fr. (sp. —stiézj\'t van het lat. praesligia, vgl. pncstlglcn) de ticgoochcllng, do loovcrachtlgo verhllndlng, liet wonderbaarlijke ; ook; verheven en machtige positie, aanzien en Invloed, waarlegen de anderen met ontzag opzien, het geloof aan iemands macht, schUnhare moerderhebl; — prestigiateur, m. (spr. —zjialeur) z. v. a. praisllgiator.

presto. It. (provene. prest, fr. prêt, v. \'t lat. praeslus, praesto, tig do hand, bereid) Mnz. zeer gezwind, snel; presto assdi ot prestissimo (spr. —ties—), uiterst snel of gezwind.

presumtie, enz. z. p r u; s u in 1 i e, oud. p nes ume eren.

pretendent, pretendeeren, pretentie, enz. z. oud. pr ie t endeere n.

Pret, m fr. (spr. pré) het leenen; het geleende; — prêteeren, fr. (préter, v. t lat. praestire) leenen, te leen geven; vorschatfen;

— zich prêteeren, zlcli schikken naar, toestemmen; zich verdraagzaam, handelbaar be-toonen.

Pretext, enz., z. p net ext.

pretia, z. ond. pretlum.

prétintaitles, pl. fr. (spr. —teiildlj\') ullge-tande sieraden als boordsel aan dameskleederen.

Pretïum, n. (pl. pretia: spr. li=ts\\) lat. de waarde, prys, koopprijs; tiet loon, de belooning; pretïum affeclionis, tiotdeswaiirde, eene waarde, die niet werkelijk In de zaak zelve ligt, maar die haar toegekend wordt wegens de liefdevolle toegenegenheid des gevers of do bijzondere liefhebberij des bezitters; — preCfa rerum, pl. prijzen der waren, Inz. der levensmiddelen; — pretiëus (spr. ti=tsi: van \'t lat. pretiósus, fr. préeieikt, s|)r. — sjeu) kostbaar, kostelijk, schatbaar, vul waarde; oneig. opgesierd, gemaakt, gedwongen, gezocht, geaffecteerd; — eene pretiëuse of pré-cieuse, f. eene opgesierde, opgesmukte, gemaakte vrouw; - Pretiösa (spr. —Isiiha) vr.naam: do kostelijke, voortretreiijke; pretiösa, pl. kostbaarheden, juweeion, edelgesteenten; — pretiositeit, f. (lat. pretiosttas) de kostbaarheid; ook voor: opgesmuktheid, ge-mnakthoid, preutsehheld.

preuve, f. fr. liet bewijs, de proef, prevalent, enz. z. ond. praevaieeron. prevariqueeren, z. p r ae v a r 1 c o e r e n;

— preveniëeren, prevenant, enz. z. p r ae v e n I i) o r e n.

Prevot, m. fr. (spr. preieóII. prevosto, van \'1 lat. praeposftus) oen aan het hoofd geplaatste, In do oudere staatsinrichting van Frankrijk de titel van verscheidene hooge gerechtelijke i ambtenaren; inz. z. v. n. proost (z. aid.);\' ook provoost (z. aid.); — provotaai gerecht, eene soort van buitengewoon crimineel gerechtshof In Frankrijk, dal over zekere misdaden in zeer verkorte vormen rechtspreekt.

Próvoyanco, f. fr. (spr. prewoajdiis\', van prévoir, vooruitzien) het vooruitzicht, de voorzorg, voorzichtigheid.

Prezónning, f. Mar. dekkleed van geteerd zeildoek, tot overdekking der scheepsluiken, goederen, enz.; — prozenning-spijkers, de kleine spijkers, waarmede dal doek wordt vastgeklonken.

Priiipus, lal. of Priapos, gr afgek. Priaap, m. Myth, de wijngaardgod, luin- en veldgod, god der vruchthaarbeld en geilheid, zoon van Itacchus en Venus, ook voor: een geil, onluchllg mensch; de mannelijke roede;

priapisch, ailj. I\'riapus belrelfende; geil, ontuchtig, li. v. priapischo liederen of priapoja, n. pl. lal. ontuchtige liederen of gedichten; — priapismo, n. eene aanhoudende stijfheid of opiichllng van do mannelijke roede, zonder wellustige aandoeningen en som-wyien met pijn verbonden; — priapïtis, f. ontsteking van hoi mannelijk lid; — pria-polith, m. gr. een prlaapsleen, lidsteen, eene steensoorl waaraan men ecnigo overeenkomst met het mannelijk teellid meende te vinden.

Priel, nederi. m. Mar. nauwe doortocht.

Prièro, f. fr. (spr. prjèr\') gebed.

Priester, in. (van \'t lal. presbyter, 7.. aid.; oudfr. prebstre, prestre, nu prttre) een geestelijke, Inz. in de r. kath. kerk (vergelijk pa a p).

Prijscourant, f. nederi.-fr. (vgl. courant) prijzenlijst, opgave van de warenpryzen, van den koers der ellectcn, enz.

Prikasen, m. russ. (v. prihas, last, tie-vel; gerechtshof, van kasdtj, toonen, spreken; boslralfen) de russlsche kamers van koophandel, do gorochlshoven, vóór welke alle handelszaken behandeld worden.

primus, a, um, lat. do of het eerste;—primus, in. de eerste, hoogste, loz. in schoolklassen; primus omnïuin, de oersto van allen (Inz. de eerste In de hoogste klasse eener school); primus inter pares, de eerste onder gelijken (d. 1. van gelijken rang); — prima, f. (sell. classis) do eerste klasse of indoeling in eene school; Kuit., z. v. a. prima soc/c, II. de eerste, boste of lljnslc soori van waren; — allti prima. It. t\'ict. in eens, zonder voorafgegane gronding (geschilderd); prima donna, f. it. do eerste, voornaamste vrouw; do eerste toonccl-speeistor, zangeres, enz.; primo facie, lat. volgens het eerste gezien, schijnbanr; — prima vice, lat. voor de eerste maai; — prima vista of a prima vista, it. (spr. —wiéstn) Kmt. op zicht (betalen); Muz. op het eerste gozlcht, van het blad weg, h. v. leis spelen; — prima volta, li. Muz. eerste maal; — prima wissel, eerste wissel, z. tralie; — prima deméntn, prima principïa of rudiménta, n. pl. lat. de jaanvangsgronden, eerste beginselen, h. v. eener wetenschap, enz.; — primae tineae, f. pl. de


-ocr page 1018-

PRINCIPIUM

092

PRIMUS

eerste lynon, omtrekken, groniltrekkon; — )»•/-mtie viae, I. pl, Med. de eerste wogen, n.l. mimg en dnrmon; — primo of prn primo, vooreerst, ten eerste; — primo cuntaute. It. de eerste zunger, lioofdzanger eener opera of kapel; ook primo uomo, d. I. elg. de eerste man-, primo inluilu, op liet eerste go/.ldit, liü den eersten aanhltk; — pritnum esse, turn pliilosophari, lat. eerst zyn. dan ptillosoplieeren d. I. eerst moot men toch kunnen lieslaan, eer men ptdlosopheo-ren kan; — primum mobile, lat. n. de eerste beweeggrond, do hoofddrütveder; Astron. de eerste nf dagetyksche (scliijntiare) beweging dos hemels niet al do sterren in 44 uren; — primage, f. fr. (spr. —maazj\') de verzekeiingsprys, z. v. a. (assurantie-) praemte (z. atd);— primair, adj. (lat. primarius, a, urn, voornaam, voortrelTeiyk; fr. primaire) oorspronko-tyk, z. v. a. primitief, h. v. prlmalro gebergten, oorspronkeiyke, eerste of grondgebergten, de eerste of oudste gebergten; primaire vorm, de grondvorm van kristallen; primaire vers eb u nse I e n, oorspronkeiyke, niet van andere afhangende verschgnselen b.v. van ziekten; primaire scholen, de lagere scholen in Frankryk; — primarius, m. de eerste of opperste, h. v. pastor primarius, de eerste prediker of opperpredlkor; — primas, of gew. primaat, m. pl. priinü-ten (lat primütes) de eerste, opperste of voornaamste aartsbisschop van een ryk; — primaat, n. (lat. primalus) de hoogsle plaats, bet opperblsdom; de waardigheid en het gebied van eenen primas; In \'I algemeen de voorrang;

— primaten, pi. lat. de eerste klasse der zoogdieren; ook pl. van primas; — prime, f. (van \'tiat. prima, de eerste) Muz. de eerste toon van een octaaf; de eerste stem, eerste viool, enz.; In kloosters: liet eerste biduur, s\' morgens ten •gt; ure; In de schormkunst: do eerste stelling of positie; de houw van hoven naar tiet hoofd; by boekdrukkers: du schoondruk, de eerste zyde van ieder gezet en ge-drukt vel; by landmeters: het tiende deel van een geheel, inz. van eenen duim; Kuit de al-ierlljnste spaansche wol; — primeoron, fr. { primer) de eerste zyn, don voorrang, de eerste plaats hebben; zich hoven anderen verhellen;

— priomgotallon, Aritb. zulke getallen, die door geen ander getal (behalve door do eenheid en zleb-zelven) deelbaar z.yn, eerste getallen, grondgetallen, nndeolbarc getallen, als 7, II, 13, n, enz.; primeurs, pi. fr. vrucii-ten, groenten, enz.; als eerstelingen vim hot seizoen, die als zoodanig wegens de zeldziuiin-beid alleen op de tafels dor ryken komen; ook: in liet algemeen de primeur van Iels heli-ben, het eerst iets ontvangen, met Iets hekend worden, enz.; — primicerms, m. lat. een opperste, chef; de eerste domheer tiy een stlclit;

— primiceriaat, n. de waardigheid der oudsten; — primidi, fr. z. decade; — primitlER, lat. (primiliae) of primitiën (spr l—ls), pl. de eerstelingen, de eerste vruchten; de eerste mts eens jongen priesters; het eerste werk, eerste geschrift eens schryvers; — primitief, adj. (lat, primilivus, a, urn) oor-spronkeiyk, aanvankelijk, allereerst; — pri-mitivum of verbum primitivum, n. Onim. een wortel- of stamwoord, oorspronkeiyk woord, eerste of grondwoord, pl. verba primilivn, pri-miliva ecclesia, do eerste Kerk, de christenkerk In de drie eerste eeuwen na Christus; primitieve zenuwen, zenuwtakken, die onmlddeltyk van de hersenen of bet ruggemorg uitgaan; — primogonïtus, m. de eerstgeborene; — primogonituur, f. nw.lat. de eerstgeboorte; ook bet eerstgeboorterecht {jus primogeni/lirae); — primoplast, m. lat.-gr. de eerstgevormde; — primordmm, n. lat. pl. primordïa of primordïën, lat. de aanvang, oorsprong, gronding, grondvesting; — primordiaal, adj. (later lat. primordialls, e) oorspronkeiyk, allereerst; — primordia-iiteit, f. nw.lat. oorspronkoiykheld; - pri-müla veris, lat. elg. de eersteling der lente; de sieuteltiloem.

Princeps, m. lat. (v. primus, de eerste, en capSre, nemen; dus elg. de eerste plaats innemend) de eerste, voornaamste, het opperhoofd, do aanvoerder, voorste, vorst; pl. principes, ook de tweede ry der romeinsche slagorde, vgl. hast allo en lila ril; — principe, m. 11. (spr. prienlsjijte) een vorst, prins;

— principóssa, f. vorstin, prinses; — prin-cipaat, ii. (lat. principiilus, m.) de voorrang, de eerste of opperste plaats in eenen staat of In een leger, het opporbovelhebherschap; de oppermacht, heerschappy, alleenheerschappy; het vorstendom.

principaal, adj. lat. {principalis, e, van princeps, z. aid.) oorspronkeiyk, voornaam, hoofd-zakeiyk, als adv. principaliler; - principaal, in. de hoofdpersoon, voornaamste, heer, meester, het hoofd; de laslgover aan eenen makelaar, enz.; ook de gevolmachtigde; de hoofdzaak, het hoofdwerk, hoofdpunt; het principaal, in een orgel het voornaamste pijpwerk, gewoontyk van voren; de hoofdstem van \'torgel, waarvan de moeste overige stemmen afhangen; — principale bas, de hoofdbas;

— principale schuldeischer, de eerste of voornaamste schuldvorderaar, enz.; — principalitoit, f. (later lat. princlpalilas) de voortretreiykheld, opperbeerschappy, opper-niaebt; hulsheerscliappy.

Principaat, principe, principes-sa, z. onder princeps; — principe, z. ook bet volg. art.

Principium, n. lat. (v. princeps, z. aid.) of fr. principe, m.; principïa of prin-cipiën, of fr. principes, de aanvang, oorsprong, tuoii; de grond, grondoorzaak; verder: de grondstof, eerste of oorspronkeiyke stof; de grondslag, grondregel, grondleer, bel grondbegrip eener wetenschap; de kennisbron, kennisgrond; elndeiyk ook: de grondstelling, de ver-houdingsregel (m a x 1 in c), beweegoorzaak of he-


-ocr page 1019-

PRIVAAT

PH1NS

993

weegRrond van do Itanddlngon oons menschcn; omne principium dilficfle (of wol onjuist grave), allo begin Is nioolHlkj — principium cognoscéndi, do kennisgrond, het grondbegrip, do grondstelling; pr. conlradiclionis, de grond dor tegenspraak; — principals nb.iln, wedersta de eerste lieglnselen, n.l. verzoekingen, verleidingen, dwalingen, valselio grondbeginselen, enz.; principieel, adj. (lat. principialis, e) oorspronkelijk ; volgens do eerste gronden.

Prins, in. (fr. prince, van \'I lat. princeps, de eerste, voornaamste) vorst, vorstenzoon; — prinses, r. (fr. princesse) vorstin, vorsten-doebter;—prinsmetaal, n. geelkoper, een mengsel uit 4 doelen koper en I deel zink, naar zünen uitvinder den paltsischen prins Robert (gest. tOSij benoemd.

Printers, pi. eng. (v. prinl, drukken) glad, ongobleokt katoen, dat later bedrukt wordt.

Prion, m. gr. (prion, van priein, zagen) do zaag; Cblr. do schedelboor, scbedoizaag;— prinodes, adj. zaagvormlg.

prior, prins, adj. lat. ile of bet eerste, voorgaande, vroegere; —prior tempore, prior jure, lal. z. v. a. potior tempore, euz., z. aid.; — prins, n., pi. priura, liet voorgaande, eerste (bet tegengest. van posterius); vroegere zaken of voorvallen; a priori of aprioristisch, van voren, vooruil, door zlcb zelve of uit ver-standsgronden (zonder ervaring) erkend (bel le-gengest. van posteriori)-, — prior, m. priores of priorin, f. de eerste, opperste, bet boofd, in/.. In een klooster; - prioraat, n. de eerste plaats, bet voorzitterschap, het |)rior-schap, het ambt, gebied en de waardigboid eens priors of eener priores; — prioriteit, f. nw.lat. (fr. priori té) de voorrang, voorkeur; de voorrang ten opziciito van den lijd, do eerst-beid, bet oudiT-zijn, vroeger-zyn; p r I o r 11 e 11 s-aandeelen of -obligaties, schuldbrieven van leeningen van een maalscbappy op aan-deelen, wier renten eerst betaald of verrekend moeten worden, oer van het dan overschio-lende bedrag de actlonarisson bun aandeel (dividend) bekomen; prior 11 ei Is-roe hl, bet recht des voorgangs of voorrangs, naderreebt; pr I or i tel 1 s-scb u 1 d e n, dezulken, die by een concours het eerst in aanmerking komen; priorltelts-uitspraak (locatie- of c 1 a s s I f I c a 11 e - v o n n 1 s, colloc a tio-uit-spraak, enz.) do beslissing des voorrangs of de gerechteiyke uilspraak, welke sciuildeischers by een concours aan de anderen zullen voorgaan.

Priscillianisten, m. pi. de aanhangers van Prlsctlllanus, bisschop van Avila, in de 4de eeuw; — priscillianisme, n. de leer van gezegden bisschop.

Prisons, in. lat. {prisms, a, urn, oud, voormalig) mansn.: de oude;--Prisca, vr.naam; do oude; —prisca, n. pl. oude zaken, voormalige toestanden of gebeurtenissen; — Pris-ciunus of Prisciaan, een beroemd lat. laailoeraar (ten tyde van keizer Juslinlanns);

VIEBDK DIIUK.

I\'rlsciaan eene oorvyg geven, d. I. tegen de spraakkunst zondigen, taalfouten begaan, onjuist sproken of schrijven; Priscilla, f nw.lat. ile oudachtige; — Priseillianen, z. I\'riscii 1 ia nist en.

Prise, f. fr. (van prendre, nemen, vatten, pris, genomen, enz.) eene groep, een greepje, snuifje, neusvel snuiftabak; de vangst, roof, p ry s, buit, het weggekaapte, veroverde, prys-gemaaktc, inz. een veroverd of genomen schip en de daarop aanwezige koopwaren; iets voor bon no prise verklaren, d. I. voor goeden prys, goede vangst, goeden buit verklaren, het wegnemen of zich toeeigenen; — tiet prise-recht, prysrechl, dat gedeelte van het zeerecht, dat de weUenoverdo wegneming en uitlevering van bullgemaakte schepen en goederen bevat; — prise d\'eau, f. fr. (spr. priez\'dó) vergaarbak, plaats waar men het water haalt voor eene leiding; — priseeren (spr. s—z) een snuifje nemen; — ook (fr. pri-ser, van prix = lat. praetium) schatten, waar-deeren, den prys of de waarde van leis bepalen; — priseerder of fr. priseur, m. schatter, waardeerder.

Prisis, f. gr. (van priein, pridzein, zagen) Med. tiet zagen, schedelboren; ook het krampachtig knersen met de tanden-, — prisma, n. gr., pi. prismata, ook prisma\'s, hot gezaagde, gevyide, geraspte, zaagsel of vyisoi; Malh. eene kantzuil, hoekige zuil, een lichaam, begrensd door :i of moer pa rel I e iogra m-men (z. aid.) als z.yvlakken, en door Iwee ge-lyke en evenwydige veelhoeken als grondvlakken; In de l\'bys een glazen prisma, een langwerpig driekanl, zeer glad geslepen glas toi breking van liet licht in zeven verscbiileml gekleurde slralen, enz.; — prismatisch, adj. kantzuilig; aan bet prisma eigen of daardoor voortgebracht, b.v. pris ni a t i sc li e k I e u r e n, regenboogskieuren, enkelvoinlige of grondkieu-ren, geiyk die door een glazen prisma ontstaan; — prismoide, n. een ilchaam met evenwydige recbliynige grondvlakken, die evenveel zy-den hebben, maar ongeiykvormlg zyn.

Prison, f. fr. (spr. prizóii. prov. preisó, sp. prision, li. prigione, v. lat. prenfio, pre-hentio, aangryping, gevangenneming; vgl. pro-li e n 11 o) de gevangenis, kerker, Inz. voor soldaten, de hechtenis; — prison privée, butsar-rost; — prisonnier, m. (spr. —njé) een gevangene, krygsgevangene.

Prisstau, m. russ. (van prisstatj, landen) landingsplaats, steiger voor schepen.

Prisstaw, m. russ. (v. prisstdwitj. Iemand aanstellen, tot opziener maken) de opzichter; b.v tjurémnUj-p)isstaw, opziener der gevangenis.

prisiïnus, a, um, lal. vorig, voormalig; — pr. status, m. de vorige of voormalige toestand; in prist (nu m statuin redigeeren, In vo-rigen staat terugbrengen.

prins, z. oud. prior.

privaat, adj. lat. (priratus, a, um, van privare, beroovcn; afzonderen, Inz. van bel staats-

«3


-ocr page 1020-

PROBEEREN

PHIVADO

994

vcrliiiml) In SHmcnstclUngcn; niet opciilgt;iiar, lig-zondor, alleen, golielm, helmeiyk, verborgen, eenzaam; ambteloos, hulseiyk, In legenst. mot liet openbare en algemeene; b. v. privaataudiëntie (spr. —Isie), t. bijzonder gehoor, geheim onderhond, h. v. met oenen vorst; — privaat-biecht, de oorhlecht; — privaat-college, n. z. privaat-voorlezing;

— privaat-correspondéntie (spr. —(sic) f. hUzondere briefwisseling; — privaat-do-oént, m. een hulsonderwyzer, lesgever; op de hoogescholen In Duttsebland; een leeraar, die nog niet openiyk aangesteld professor Is; — priv aat-leven, hot ambteloos leven; — privaat-nut, het byzondcr of eigen nut; — pri-vaat-lossen, privaat-onderwijs, het ondorwys aan ufzonderiyke personen, het huisonderwijs, hot lesgeven; — privaat-per-soon, een ambteloos of onhoamht man, eeti afzonderiyk persoon; — privaat-voorlezing, r. of een privatum (n.l. collegium) n. oene voorlezing voor zich aanmeldende en betalende toehoorders; het tegengost. van publicum of openbare voorlezing; — privaat, als suhst, z. v. a. privé (z, aid.)-, — privalim, byzondor, In het hyzondor, afzonderiyk, In het geheim, voor zich alleen; — privalissïme, adv. geheel alleen, In hot grootste geheim; —pri-vatissïmum (sell, collegium), n. oeno geheel hyzondere voorlezing voor Iemand alleen of voor slechts weinigen; — privatie (spr.

f. de beroovlng, afzondering, onttrekking. Intrekking, versteking, afzetllng; onlbloollng, ontbering, het verlies, het gebrek aan hel nood-zakeiyke; ook de afwezigheid, hot nlet-bostaan eener eigenschap; — privatief, ad), lat. (pri-valivus, n, urn) beroovend, uitsluitend, ontlrek-kend; afzonderiyk, afgezonderd; alpha prival Ivum, z. onder alpha; privatieve Jacht, eigen, afzonderiyko Jacht; een privatief recht, een uitsluitend recht; privative, adv. uitsluitend; ultslultenderwUs; — priva-tiseeren (spr. .i=z) barb. lal. ambteloos, ambt-vry leven, onheambt zyn; — privauté, f. fr. (spr. priwoli) vertrouweiykheld; — privé, n. fr. (mld.lat. privata) het geheim gemak, secreet, privaat; eigen persoon: voor zyn p r 1 v (! optreden, In zyn privé handelen, voor zyn eigen persoon, voor zich zeiven, voor zyn eigen belangen optreden, handelen; — pri-veeren (lal. prlvnre) berooven, onttrekken;

— privy council, n. eng. (spr. privvt komsel) de geheime raad.

Privado, m. sp. (= lat. privatus) de gunsteling, vertrouwde, de eerste minister In Spanje.

Privatie, privatief, privatiseeren, privatissimum, enz. z. ond. privaat.

Privignus, in. lat. do stiefzoon; — pri-vigna, f. de stiefdochter.

Privilegmm, n., pi. privilegïa of privilegiën, lat. (van privus, afzonderiyk, eigen en lex, wet) privilege, oen eigen recht, voorrecht; vrybelds- of verlofsbrlef, vor-steiyke vergunningsbrief; ook beschormlngsbrlcf;

cum privilegïo, met verlof, met hUzondere vergunning ; — privilefiium de mm appclldndo, ook pr. de non evoedndo, de door keizer Karei IV aan de zeven keurvorsten enz. gegeven vergunning, dat zy geen beroep hunner onderdanen op de ryksrechtsbanken behoefden toe te laten; pr. exclusivum, een uitsluitend voorrecht, alleenrecht; pr. oratidsum, een geschonken voorrecht ; pr. onerósum, een met lasten verhonden of aangekocht voorrecht; pr. personate, een persoontyk voorrecht; pr. prioritatis, z. v. a. prioriteitsrecht; pr. red te, oen za-keiyk, d. I. aan een grondeigendom verbonden voorrecht; — privilegiëeren, nw.lat. bevoorrechten of een voorrecht ultdeelen of toekennen, met eene vryheld voorzien, bevryden, verzekeren, beveiligen ; — geprivilegieerd, adj. (lat. privilegidtus) bevoorrecht, met een voorrecht beschonken.

privy councit, z. ond. privaat.

Prix, m. fr. (spr. pri: provenc. pretz, 11. prezzo, sp. precio, v. \'t lat. pretïum) de prys, waarde eener zaak; — prix fijce (spr. pri fieks\') vaste prys; — (i prix fixe (spr. apri fiéks\') tegen vastgestelde pryzen, op welke niets af te dingen vail; d nnn prix, beneden den prys, met schade (verkoopen); — hors dc prix (spr. hórd\' pri) boven den prys, zeer duur; — ó tout prix (spr. atoepri) tot eiken prys, hel koste wat het wil, ook voor eiken (ook den gerlngslen) prys (Iels verkoopen); — sans prix (spr. saiipri) niet gevraagd, niet gezocht.

Prize, m. eng. (s|ir. praiz\') een te winnen prys; — prize-fight (spr. —fait) wedstryd, wedkamp; — prize-fighter, m. (spr. -fditer) wedkamper, deelnemer aan een wedstryd.

pro-, gr. voorzetsel in vele samenstellingen, beteekent: voor, voorwaarts, voort; te voren, vroeger, liever, eer.

pro, lat. voor; ook naar, met betrekking tol, krachtens, overeenkomstig, enz.; pro et contra, voor en tegen; het pro en contra eener zaak, d. I. het voor en tegen, wat zich daarvoor en daartegen laat zeggen.

Proserösis, f. gr. (proairesis, v. proairëln, voornemen) hel voornemen, oogmerk; — pro-serétisch, adj. opzeiteiyk.

Proagogïo, f. gr. (v. prodyeln, voorleiden, toevoeren) de toevoering, koppelary.

Proapodósis, t. gr. (van proapodidónai, vooraf teruggeven) Log. eene woordvoeging, waarby eene herhaling van bet eerste woord aan het einde van den zin plaats heeft.

pro oris et focis, z. ond. ara; —proanha, z. arrha.

Proaulïa, n. pl gr. de dag vóór de bruiloft. Proaulïon, n. gr. (van «u/os, fluit) bet voorspel op de fluit.

Proavus, m. lal. (v. anus, de grootvader) de overgrootvader; — proavïa, f. de overgrootmoeder.

probeeren (van \'t lat. probSre) beproeven, de proef nemen, onderzoeken, navorschen; In het muntwezen en de smelthutten: hel ware


-ocr page 1021-

PROBITEIT

995

PROCERES

Kohalte der metalen uf ertsen otiderzueken en liepalen, toetsen; — proboerkunst, f. de proefkunst, toetskunst («r. doklmastiek) de leer van de beproevlnu der ertsen, enz. ten opzichte vun hun gehalte, de leer van de toetsing In het klein;—proboermoel, n. zeer lijn Bestoeten erts om het te beproeven; — proboornaalden, toetsnaalden, uit hekende verhoudingen van goud en zilver of van zilver en koper vervaardigde naalden, welker streep op eenen toetssteen met de streep van onbekende metaalmengsels vergeleken wordt; — probeersteen, de proefsteen, toetssteen, doorgaans klezelschiefer, ook basalt, tot toetsing van liet gehalte der edele metaalmengsels; — probdbel, ailj. lal, {probabilis, e) of probable, fr. bewijsbaar, te bewijzen, geioollük, waarschljnliik, vermoedelijk; probabili-teit, f. (lat. probabiiïlas) lie waarsehijuiyk-heid, geloofbaarheid; — probabilisme, n. nw.lat. de meeningsgeldigheid, de verderfelijke stelregel, volgens welken de enkele meening, dat oene daad wellicht goed kan zijn, reeds genoegzaam is om haar te ondernemen; ook de waarschijnlijkheidsleer, volgens welke er geene volkomen zekere kennis, maar alleen waarschiju-lijkiieid zou te verkrijgen zijn; - Probabi-listen, in. pi. de aanhangers van dien stelregel of van die leer; — probaat, adj. lal. {probatus, a, urn) ot probatum, beproefd, onderzocbi, getoetst, echt, goed, bewezen; pro-halum esl, het Is goed, op de proef goed bevonden, echt, te vertrouwen; probatie (spr. t—ls) f. (lat. prohaCto) de beproeving, proefneming, proef, het onderzoek, de toetsing; bet bewijs; probutfo arlificiusa, een gekunsteld, kunstig, sluw bewijs; Jur. oen bewijs door gevolgtrekkingen, het tegengest. van een onmiddellijk bewijs door getuigen, acten of oorkonden, oogen-scbijn of eed; pr. conlradictorta, een legen-sprekend bewijs; pr. Aesérta, verzuim van het rechterlijk bewijs; pr. legilnna, oen rechtmatig, wettelijk bewijs; pr. perfécla of pléna, bet volkomen bewijs; pr. semiplcnu, bet halve bewijs; pr. per /Vimam, bewijs door een algemeen gerucht; pr. per impeclionem oculBrem, hewys door oogenschouw of door bezichiigliig der zaak; pr. per imlruménla of documénla, bewijs door oorkonden en brieven; ;)/■. per praesumplidnes, bewijs door rechterlUke vermoedens; pr. per testes, bewijs door getuigen; — probater, m. een beproever, naziener, h. v, van rekeningen;—probatorïum, n. nw.lnt. de proef, het bewijs, hewysschrifl, bewijs- uf getuigschrift van criiliielii.

Probiteit, z. ond. pro bus.

Problèma, probloom, n. gr. {problcma, elg, het voorgeworpene; van proballcin, voorwerpen, voorleggen) een cip te lossen vraagstuk, oene voorgelegde strydvraag, een te ontbinden opgave of voorstel, twyfelaebtige vraag, oen raadsel; problematisch, adj. twy-felachtig, onzeker, onbesllsl, onullgomaakt, duister, moeliyk; — probölo, f. (elg. het voorwerpen) Med, het uilstoeksel, h. v. van een been; — probólos, m. eene vooruilsprin-gende rotspunt, een voorgebergte; Med. been-doruitstek.

pro bono publico, z. ond. bonus.

Probóscis, f. gr, (prohosHis) do snuit (van een alifant, enz.); de vangers van de inktvis-schen, van vele insecten, enz.

Probrachys (van pro, voor en brachys, kort) in. gr. I\'oet. een versvoet van i^ene korte lettergroep en vier lange (-^---— —).

Probrum, n. lat. eene schanddaad; smaad, beschimping, hoon, lastering; pi. probra; — probreus, adj. (lat. probrusus, a, urn) sma-

deiyk, schandeiyk, hoor....... - - probrositeit,

f. (later lat, probrosllas) de schandeiykheid, smadciykheid.

Probus, m. lat. {probus, a, urn, rechtschapen, braaf) mansn.; de bravo, rechtschapene, eeriyke; — probiteit, f, (lal. probtlas) de imiafbeid, rechlsehapenbeid, eeriykheid, goede trouw, oprechtheid.

Procaciteit, f. lat. {procacilas, v. procax, onbeschaamd, moedwillig) de onlieschaamdheld, uitgelatenheid, moedwil.

Procancellaris, in. nw.lat, (vgl. can-ceilarls) de plaatsvervanger des kanseliers.

procedeeren, lat. {procetUre) voortgaan, voortrukken; te werk gaan, bandelen; een rechtsgeding voeren; — non procetlfilur, Jur. men ga niet verder; — procédé, n, fr, handelwyze, manier van doen, werkmanier; vgl procos; ook-, pomerans eener blijartkou; — proce-duur, nw.lat. of procodüre, fr, f. liet rechtsgeding, de rechtsjiloglng;—procés, n, (lal, procéssus) de voortgang, ontwikkelingsgang, wyze van ontwikkeling, van plaalsgryping (b.v. een chemiseli of scheikunstig proces) , de han-delwys, werkmanier, Inz. de recbtshandel, rechtszaak, hel rechtsgeding, pleidooi, pleit; — procéssus, m, Med. een beendoruitstek; —procéssus summnnus, Jur. een verkort rechtsgeding; — processus verbalis, fr, procis verbal (spr. prosé werbdl) of proces-verbaal, n. eene mondelinge reclitshehandellng, een gereehteiyk verhoor; do schrifteiyke iiedorstelling of uiteenzetting van een voorval, do ambtshalve nederge-schreven toedracht eener zaak, amhleiyk verslag, akte van feiten en handelingen; In hel fr. rechl, z. v. a. protocol; — processie, f. (lat. processto, elg. liet vooruit gaan) een plechtige optocht, statige of feosielgke omgang, Inz. lykslaalsie; liy de K, Kath. eene plechtige bede-of kerkvaart.

Proceleusmatïcus, m. gr. (van proke-leüein, door toeroeping aandrijven) i\'oet. elg. de aandrijver, een verslid of versvoet van vier korte lettergrepen (-\' — — w).

Procellarïa, f. nw.lnt. (van \'t lat. pro-cella, slormwlnd) de stormvogel; — procel-leus, adj. (lat. procellusus, u, urn) stormachtig.

Procent, z. cont t).

Procöres, m, pl. lal. de voornaamsten van eene stad of een land; In Spanje de medelo-


-ocr page 1022-

PROCUHEKRKN

PROCKRITEIT

090

don van het Hoogorhuls of van de Eerste Kamer, z. v. a. pair s.

Procoriteit, f. lal. (procmlas, van procerus, a, urn, liouK, slank) do Iiooko wasdom, slankheid.

Proces, processie, i.. ond. proco-dceron.

Prochïla en prochilidïa, n. pl. gr.

(próchella, procheilidia, van chèilos, lip) do voorllppen, llpponranden.

Prochonisme, n. pr. (van chrnnos, tyd) eene vervrooginR, oone foul In de lydrekenlng, waardoor oono gohourtenls lots vroeger geplaatst wordt, dan zy zich heeft toegedragen (vgl. a n a c li r o n I s m o).

procideeron, lat. {prncidëre, van catlürc, vallen-, vgl. cadenl) uitvallen, nodorvallea; Med. uitzakken, doorzakken (van llchaamsdco-lon); — procidéntie (spr. /=(.v) f. (lat, procidentia) Med. hot uitsteken, ullwUken of doorzakken van een lichaamsdeel; vgl. prolapsus.

procinclus, lat. (van pro-ctngöre, vooraf aangorden, toeruston) toogerusl, herold; als suhst. m. hot aangorden, de toerusting, het gereed-maken tot Iets-, — in procinclu, op het punt, gereed, op sprong, h. v. om Iels te doen.

proelameeren, lal. (proclamare, van c/o-mare, schreeuwen, roepen) uitroepen, openiyk bekendmaken, verkondigen, verbreiden, verklaren; verloofden van den kansel afkondigen; — procldma, n. nw.iat. of proclamatie (spr. t—l.t) f. lat. (proclamatw) do uitroeping, openlyko bekendmaking, aOeztng, afkondiging, het aflezen of uitroepen dor gelioilen van twee verloofden; —proclamiitor, m. oen uitroeper hy verkooplngon.

proclineeron,lat. (proc/inare) voorwaarts huigen, nelgen; — procliniitie (spr. I=ls} f. (lat. proclinaCio) hot vooroverhangen, overhangen van gebouwen, enz.

Procoelms, m. nw.lat. (van \'I gr. pro-koilios, van koilia, buikholte) Mod. een dikbuik, hangbuik.

Procoeton, m. gr. {proknilun, y. koilê,\\e-ger) bol voorvertrek, de voorkamer.

prn compleet, lat. In den boekhandel: voor het geheel; als hy de eerste afleveringen de volle prys gerekend wordt, waarhy de latere gratls-lovorlng van het overige (als rost) van zelf spreekt.

pro confésso ct convicto, z. ond. confessie. Procónsul, m. lat. (vgl. consul) by de oude Komolnen een gewezen consul, die na afloop van zyne ambtsvervulling eene provincie bestuurde, een stedehouder, onder- of vlco-consul; — proconsulair, adj. (lat. procon-sularis) stailhouileriyk; door oen proconsul bestuurd; — proconsulaat, n. (proconsula-lus) do stadhoudorlyke waardigheid en hel stad-houdorsambt eens proconsuls.

pro contante, z. ond. conto. pro conlinuatione, z. continualle, ond. conllnii uni; — pro copfa, z. ond. cop Ie. procrastineeren, lal. (procrastinare.

olg. lot op morgen verschuiven, v. eras, morgen, crashnus, u, um, dal tot morgen of lot den volgenden dag behoort) uitstellen, vcrlra-gen, verschuiven, talmen, dralen; — procras-tinatie (spr. tie=lsie) f. (procrastinatïo) Jnr. do vertraging, verscbulvlng, het ullslel van den oenen morgen of dag tol den anderen; — procrastinator, m. nw.lat. een uitsteller, verlrager, talmer, draler.

procreëeren, lal. IprocreBre; vgl. cro-oeren) telen, voorttelen, voortbrengen; — procreatie (spr. I=ts: lal. procreaho) f. de voortteling, voortbrenging; — procreator,m. de teler, voortbrenger, vador; — procrea-trix, f. de barende, do moedor.

Proctagra, z proktagra.

Proctor, ni. eng. (spr. prökter: samengetrokken uil procurator) oen zaakvoerder, opziener.

proeul, adv. lal. verre, wyd; proeul obsit, moge hy verre van bier zyn! — proeul a Jove, proeul u fulmfne, sprw ; verre van Jupltor (don donderaar), verre van don bliksem, of ver van bet vuur, ver van den brand; een middelmatige, nederige staat Is do veiligste.

proculceeren, lat. IproeulCdre, van cal-care, treden, en dit van cn/x, genlt. calcis, hiel) nedortreden, mot don voet treden.

procumbeeren, lal. (procumbSrc) neder-vallon, nederzlnken, bezwijken; — procumtiens, hot. nedorilggend, gestrekt, mol den stengel langs den grond.

pro eura, lal. z. ond. cura.

procureeren, lat. {procumrc, vgl. cu-reeren, ond. cura) bezorgen, besturen, behee-ren, verplegen; verschalfen, teweegbrengen, tot stand brengen, ergens aan helpen; — pro-cüra, f. nw.lat. of procuratie (spr. t=ls) f. lal. [pracuraho) hot beheer, bestuur, de plaatsvervanging, zaakwaarneming, bezorging, ver-schalllng, overneming eeaer zaak; schrlfleiyko lastgeving of volmacht; - procuratie, f. In de R. Kalh. kerk inz. de visilatlc-gelden der hlsschoppon; procuraCfo abórlus, de bevordering dor te vroege gehoorte, hel afdryven der lichaamsvrucht; — proeüra, f. Kml. de belooning voor gedane diensten, verrichte commission; ook hel recht, door het hoofd van een handelshuls aan een ander gegeven, om In zynon naam te onderteekenon; — proeüra-houder, procurant, proeurist, m. Kml. de gevolmachtigde of zaakvoerder van een handelshuls; — per procurationem, lal. of per procura. It. door of by volmacht, of door een gevolmachtigde, een plaatsbekleeder, zaakwaarnemer, enz.; — procurator, lal., fr. procureur, sp. procurador, m. oen zaakvoerder, zaakbeheerder, zaakverzorger, hy, die belast Is mol In Iemands naam le bandelen en zyne volmacht heeft; do verzorger, verpleger van een stift; gevolmachtlgdo, afgevaardigde; rechtszaakvoerdor, pleitbezorger; do kol-zeriyke stadhouder In romolnsche provinciën; — procuradöres, m. pl. In Spanje do mede-


-ocr page 1023-

PROËDRIE

PROCYON

097

leden der Tweede Kamer, afgovaurdlgde volks-vcrlogonwoordlgers; — per procuralorem, lat. door een gevolrnaclillgdo of plaatsvervanger; — procureur uénéral o( procureur lt;le lu lUpu-blii/ue, weleer: de l\'Empereur, fr. (spr. -zje-nertil, de la republiek\' of de laiip\'réür) In Frankrijk procureur-generaal, staalsadvocaat, hij, die met liet openhaar ministerie hy het oppergv-reehtshot is heiast; — procuratorium, n. nw.lat. de hUzondcro volmucht eens iirocuru-tors; — procuratuur, f. de hezorging, hot zaakheheer, do zaukwaarneinhig.

Procyon, m. gr. eig. de voorhond (omdat hü hij het opgaan Stilus voorafgaat) eon ster der eerste grootte, midden In het sterrenbeeld van den Kleinen Hond.

Prodataris, n. nw.lat. opperste der pau-seiyko prohendonkamer; vgl. dataria onder da t u in.

pro Deo, eig. voor God; om Gods wil, om niet, gratis.

prodest, ■/.. prosit.

Prodigia, prodigious, z. ond. pro-digi u m.

prodigooron, lat. (produjérc v. pro en uglre, eig. het voortdrijven, vandaar verdoen) verkwisten, doorbrengen, onnoodlg verteren, verdoen, door de keel lappen; — prodigaal, adj. verkwistend, doorhrengend; — prodlgus, m. {prodiyus, a, urn, verkwistend) een verkwister, doorbrenger; -- pro prodino vork 1 arcn, voor eenen verkwister verklaren en derhalve onder voogdysehap of onder curateele stellen; — prodigalitoit, f. (prodmiilas) de verkwisting, doorbrengingszuclit.

Prodiglum, n. lat. (ontstaan uit prodi-cium, v. prodieüre, voorzoggen), pi. prodigia ol prodigiën, een wonder, wonderteeken, wonderwerk, een verbazingwekkend verschijnsel, buiten den gewonen loop der natuur (to gen den gewonen gang der natuur is liet oen mi-ra kol); een monster, wonderdier, oene misgeboorte, een gedrocht; ook in goeden zin: een wondermonseh, enz.; — prodigious, adj. (lat. prodigiusus, a, urn), wonderbaar, wonderlijk, verbazingwekkend, buitengewoon, ongeloo-feiyk, monsterachtig, gedroebtelijk.

Prodigus, z. ond. prodigeeren.

Proditio (spr. t=ls), f. lat. (prodilio, v. prodrn, eig. voor of aan de hand geven, bekend maken, verraden) do verraderij, het verraad ; prodilio civiln/is, het landvorraad; — proditor, m. een verrader; — proditó-risch, adj. verraderiyk.

pro dolor, z. proh.

Prodominium, n. nw.lat. recht op uitoefening dor leenheerl(jkheld; prodominium sublime, n. do opperleenheerscbappU van den vorst.

Prodómos, in. gr. (v. domos, huis) het voorhuls, voorzaal z. v. a. atrium.

pro domo sua, lat. voor zijn (eigen) hals; z. ond. oratie.

Prodótto, m. It. (= pro due t) Kint. hot zuivere bedrag van wissels en waren.

Prodrómus, in. gr. (prodromes, on, voorloopend, v. dramem, tréchein, loopen) een voor-looper, voorbode; eene voorrede, voorioopige behandeling.

produceoron, lat. {productre, v. ducire, voeren; vgl. du x) voorleiden, voorbrengen, voorleggen, toonen, te voorschyn of voor den dag brengen, openleggen, byhrengen, b. v. bcwijzen, getuigen, enz.; voortbrengen, werken, veroorzaken, telen, kweekon, bouwen, h.v. vrncli-ten, enz.; leveren, vervaardigen, maken; — zich good of slecht producoeren, zich goed of slecht voordoen, vertoonon, gedragen of doen kennen; — producooring, f. de voorlegging, bybrenging; verwekking, teling; — producent, m. (producens) loder die door zyn arbeid iels voortbrengt, een voorthrengor, teler; een veld- of akkerbouwer, vruchtenteler, kweekor; het tegongest. van consument; Jur. de voorlegger, aanbrenger, aanvoerder van getuigen, bewijzen, enz.; ml prnducéndum, pro-fiKmlum el liquiddndum, lol aangifte en In-ordo-hrenging of helegging van (h^ zaak, van do aanklacht, van den eisch; — producibel, adj. nw.lat. vertoonbaar, geschlkl of waardig om voor den dag geliracht te worden; teeibaar, kweekbaar; — product, m. lat. {prodiiclus) Jur. de tegenparty van den producent (z. aid.); — product, n. iprodüclum) het voort-hrengsel, b. v. van het land, de natuur (na-t u ii r-p roduc t, natuurvoortbrengsel, natuurgave) of van de kunst (kunstproduct, de teelt, het gekweekte, voorigehrachte, het werk ; do werking, vrucht; het bedrag, beloop, het te vinden getal, de uitkomst in de rekenkunde, ■/.. v. a. bet facit, inz. het door vermenigvuldiging (m u 111 p 11 ea 11 e) verkregen getal; weleer In de schooltaal ook eene klap. kastydlng op het achterdeel; Cbem. (liet iegengest. van o du et) een hij een chemisch proces nieuw voortgebrachte samengestelde stof; — pro-ducten-handol, de handel met natuur- of landsvoorthrengseleii; — producton-kaart, f. eene kaart waarop de voortbrengselen van oen land aangetoekend zyn; — productie, f. (spr. I=s) (produciïo, n. In oud-lat. alleen voor uitrekking, verlenging) Jur. de voor- of hy-brenging, b. v. der geluigen {jiruductio leslJum), of der bewysstukken of oorkonden (pr. docu-menlorum): de voortbrenging, leling, schepping; ook het voortgebrachte, z. v.a. product; — productie-tonnijn, de tydrnlmte iiy een proces, binnen welke de hewyzen te berde geliracht worden; productief, adj. nw.lat. voortbrengend, scheppend, telend, werkzaam, vruchthaar; productieve vorbeoldings-krachl, z. v. a. phantaslo; productieve a ssoeiatie, vereeniging lot gozaineniyke voortbrenging, vereeniging tot uitoefening van een handwerk of lak van nyverlield; - productiviteit, f. bet werkingsvermogen, de voort-brengingskraeht, scheppende kracht, vruchtbaarheid.

Proëdrie, f. gr. (proedria, v. hedru, ze-


-ocr page 1024-

PROËGUMENA

998

PROFLUEEREN

tol) du voor/.ltliiiK In den raad, In ilo volksvergaderingen, enz,; — proëdros, in. ilc voorzlllor, i.. v. a. president.

Proëgumëna, n. pl. Kr. (van prohe-gêislhai, vooraangnan en don wegtoonen) Med. verwyderde ut voorbereldendo oorzaken cener ziekte; — proëgumónisch, mij. aanvoerend, voorbcreidenil, vooropgaand.

pro emenlo, lal. z. o m c r 11 u s. proëminént, adj. nw. lat. (vgl. e m i-n e e r e n, enz.) vooruitstekend, uitstekend; — proöminéntie (spr. lt;=lt;s), t. het vooruitsteken, de uitstekendheiil; liet In liet ook vallend gedeelte eener zaak.

Proëpizouxia, r. gr. Gram. do plaatsing van het werkwoord tusschen zUne belde onderwerpen (subjecten) of voorworpen (objecten), ot ook de plautsing van bel suliject ot objecl tusschen ito twee werkwoorden.

pro el contra, z. ond. pro; — pro cxcusso, z. ond. exeuloeren.

pro exprésse posdis, z. ond. exprimeoren. profaan, adj. lal. (profanus, n, urn, van pro ea funum, tempel, dus olg. voor of bulten den tempel) ongewyd; onheilig, onthelllgoiul, ont-wUdead, goddeloos, roekeloos, bel beiilgo niet eeronde, met don godsdienst spottende; ongoos-tolijk, wereidiyk, niet kerkelijk; gemeen, onedel; — als snbst. oen profaan, een onln-gewyde, inz. niot-vrymotseiaar; profane ge-sciiiodonls, de woreldiyke, burgeriyko, algo-moeno geschiedenis, In tegonst. mol de gewyde kerkoiyke of bUboisohe gesctiiedcnts; profaan seti ry ver, profaan sort bént, m. een wereldlijk schryvor, enz.; — profaneoren (lat. profanare), ontwydon, oiillioillgon, lol onodolo doeleinden misbruikon, woroidiyk maken, vor-ontwaardigon; ontooren, geheimen verpralon on algemeen maken, misbriilkon; — profanitoit, f. oniielllgboid, weroidschgezindhcld, goddcioos-bold; — profanatie (spr. t—ts), f. do ont-wyding, onlbeliiging, het misbruik, do onloerlng; — profanator, m. een onlwyder, iieillg-scbender.

Profèctus, z. ond. proficlBeren. Profeet, enz. z. propheet, profereeren, lat. {proférre; fr. profinr) uil- of voortbrongon; spreken, woorden voortbrengen ; lo voorsebyn brengen.

Profés, m. nw.iat. {proféssus, van \'t lat. prnfil\'ri, oponiyk vorkiaron, bokenaon, boiydon; zlcb voor iets uitgeven) de hciydonis, ordesgelofte van oenen monnik of oeno non; — ex profésso, lat. opzettetyk, met voorbednebt, uit eigen aandrift; heroopsbalve, ainhlshalvo, b. v. iets ex profosso doen of voeren, enz.; -proféssie, f. (lal. profossin, olg. oponiyke verklaring, bekentenis, boiydcnis), 1) z. v. a. profos; — \'2) bot beroep, bodryf, handwerk, ambacht; zyne professie van iets maken, iets beroep- of bandworkmailg dry ven; ook iets openbaar en zonder vroos of schaamte uitoefonen, uitvoeren; — professioneel, adj. nw.iat. beroep- of handwerkinatig; — pro-fessionist, in. oen handwerker, ultoefonaar van een ambacht; — proféssor, m. lat. fr. professeur, oen openbaar loeraar op eeno boogescbool, iiooglooraar; professor ipubiicus) extra-ordinarius, buitengewoon iioogloeraar; professor (pubtïcus) ordinarius, gewoon boog-leoraar; — professeur, ook in Frankryk en België ieder, die oonige kunst of kunstvaardig-hold uitoefent ea daarvan zya beroep of bestaanmiddel maakt (In tegonst. met don a m a-t o u r of llofiieiiber) b. v. eea professeur de billard, een meester op \'I iiiljart; ■ profes-suur, f. of professoraat, n. nw.iat. bot openbaar ieeraarsambt, do tioogioeraarsplaats, hel hoogleeraarsainbt; — professoraal, adj. nw.iat. daartoe boboorende.

proflciëeren, lat. (proficlre, v. pro en [aclre-, dus olg. voortmaken) voorigaan, vooruli of vorder komen; iels uitworken, uitrichten, bewerken, nul doen; — proficiat! wol bekome het ii! God zogeno u! — proficient, m, (lal. proficiens) wie vorderingen maakt, lots uil-rlcht, vooruli koml; — prollcióntie (spr. t=ts), f. nw.iat. of profèctus, m. lat het vooruitgaan, do voortgang; de wasdom, loene-mlng, toename; bol voordooi, nut; — pl. profèctus, vooruitgang in kennis, enz.

Profiel, z, profil.

Profijt, n. (fr. profil: spr. profi; v.\'l lat. profèctus, z ond. p r o f i c I o o r e n), de winst, bet voordeel, nut, do opbrengst, hel genot; — profil tout clair (spr. proft toe klèr\'), fr, zuivere winst; — profijter, in profijtertje, n. een werktuig om kleine eindjes kaars af te branden, zuinigje, liebtspaarder; — profitee-ren (fr. profiler. It. profilldre, prov. profeilar) winnen, voordeel of winst doen of Irokkon, toe-nomen; leeren, vorderen; milllg of winstgevend /ijn; — profitabel, adj. (fr. profitahte), voordeoiig, winstgevend, niillig.

Profil, n. fr. (spr. profiél: tl. profilo, sp. per fit, v. \'I lat. fitum, draad, onoig. do omtrok van de gedaante, van \'I gelaat) bel zydeboeld, balf-goziciit •, Arcb. de doorsnede, do aflookonlng van een gebouw, zoo als bet zich doorgesneden zou voordoen; ook: borduurwerk, dal niol in de slof maar er boven op genaaid wordt; — en profit (spr. au—), volgens bot gezicht van tor zyde, In doorsnede geteekend; — profi-leeren (fr. profiler, li. prnfilare, sp. perfildr), de doorsnede van oen gebouw en dgl. aangeven, leekenen, In doorsnede voorstellen.

profitabel, profiteeren, z. onder profyt.

profiigeeren, lal. (profligHrc, v. fiiqere, slaan, nederslaan) nodorslaan, nederwerpon, te gronde rlchlen, ovorwoidigen; - profiigatie (spr. I—Is), f. (later lat. pi\'ofliqaCto) do noder-werping, overweldiging, vorniollging.

profiueeren, lal. (proflutre, van fluüre, vloeien; vgl. fiuldo) voortvloeien, onlspringen, zyn oorsprong nomen uil lots, uit iets volgen; — profiuvïum, n. Mod. eone (logennatuur-lyke) uitstorting van vioolstoiTon of vochten,


-ocr page 1025-

999 PROGYMNASIUM

PRO FORMA

b, v. firoflavium album, wille vlocd, siymvloed; })/•. alvi, huikvloed, doorloop; ;»■. cruénlum of sanguinis, blomlvlooilng, lilocdvllol, z. v. a. hajmorrliaglo; pr. seminis, zaudvlocd, zaad-ullstorllng; pr. urime, pisvloed, z. v. a. dla-botes.

pro forma, lal. z. forma.

profugeeren, lat. {prn-funrre, v. fugüre, vlieden, vluchten; vgl. fuga) ontvlieden, ontvluchten; — profügus, in. lat. oen vluchteling, voortvluchtige, verhannene, banneling, balling.

profünd, adj. lal. (profundus, a, urn) diep, diepzinnig, grondig; — de profandis, d. 1. uit de diepte, de aanvangswoorden, en vandaar ook de naam, van een r. kath. boelpsalm; c profundi*, uil de diepte (b. v. zingen); — pro-fundiinetrio, f lal.-gr. de dieptomoting;— profunditeit, f. (lat. profundi/as) ile diepte, grondigheid.

pro fulüro, z. ond. fulurus.

profuus, atlj. lat. {profusus, a, urn, v. profundcre, vergieten, oncig. verkwisten, enz.), verkwistend, verspillend, overdadig, ovormatig, kwistig, spilziek, te mild, Ie vrijgevig, te ruimschoots; wydlooplg, omstandig; — profüsio, f. (lat. profusio) eig. de verglellng, ullgiellng, de verkwisting, verspilling, overdaad, overvloed.

Progiistor, m. gr. (v. gaslcr, buik) Med. een hangbuik, dikbuik.

progenorooren, lat. [progenerure, vgi. gencreeren) leien, voorlbrengen; — progeneratie (spr. I—Is), 1. (progeneralia) de voorllollng; — progenies, f. de afstamming, bel geslacht; iemands kinderen nf nakomelingen; — progenitor, m. de stamvader, voorvader; — progenituur, f. nw.lat. de nakomelingschap; kinderen, jongen, looll, weipen, gebroed.

progerminoeren, lat. (pro-germinurei \\gl. germineeren) uitspruiten, ontkiemen.

Proglössis, f. gr. (van glössa, long) do tongspits, punt der tong.

prognaath of prognathisch, adj. gr. met voorultstekendo kaak.

Prognosis of prognose, f. gr. (vgl. gnosis) de voorkennis, vooraanwijzing, voorzegging, Inz. van den afloop eencr ziekte; — prognöst, m (gr. prognóstes) of progno-stïcus, een voorafweter, voorzegger, voorspeller; — prognostiek of prognó-stica, f. de kunst om vooraf te kennen of te voorzeggen; — prognostikon of pro-gnosticum, n. een toeken der toekomst, voorteeken, voorbode, eene vooraanduiding, voorspelling; een kenteeken; ook eene soort van weerglas, dat het weder door het trocbelwor-den der vloeistof, waarmede hel gevuld Is, moet aaiuvgzen, ook baroskoop genoemd; Iemands prognoslicuin trekken, d. 1. hem Iels vooraf verkondigen, voorspellen, inz. zijne lotgevallen; vgl. nallvltelt en boro-skoop; — prognosticeoren, vooruitzeg-gen, voorspellen, voorzeggen; — prognostisch, adj. voorbeduidend, voorzeggend, voorspellend.

pro gradu disputeeren, z. oud. graad.

Programma of program, n. gr. [pró-gramma, pl. progrdmmala, v. firogriiphein, open-lUk uitschryven) elg. eene openiyke schrlfteiyke bekendmaking, eene openbare aanplakking; inz. eene gedrukte aankondiging of ultnoodiglng tot eene plechtigheid op hoogescholen, enz. hij een feest de opgave van de op-elkundor-volglng der verschillende feesteiykheden; Uist der muziekstukken by eene muziekuitvoering; In ilesiaat-kunde; de openlegging van de grondsleliingon eener politieke party of eens ministeries; — programmataris, m. nw.lat. oen program-menschryver, schryver van gelegenheidsschriften aan hoogescholen.

progrediëoren, lat. (progredi) voort-slappen, voortgaan, vorderingen maken; — pro-grós, n. (int. progréssus, rn.) pl. progrés-SOM, de voortgang, voorlschrydlng, opklimming, wasdom, de vorderingen, trapswgze voortgang, inz. van de oorzaken lot de gevolgen;— progressie, f. (lat. progressio) de vooruitgang, trapsgewyze opvolging; Arilh. eene reeks, eene rij van gelallon, die naar dezelfde wet of naar eene gegeven verhouding voorlloopen, b. v. eene ar 11 hmel 1 sche progressie, eene reken-kunsllge reeks, of zulk eene, van welke Iedere twee op elkander volgende groolheden helzelfde verschil hebben, b. v. I, il, B 1, ll, enz.; of e e n e geometrische p r o g r e s s l e, eene meetkunstige reeks, of zulk eene, van welke Iedere twee op elkander volgende grootheden dezelfde verhouding «f reden hebben, b. v. I, i, 4, 8, Iti, enz.; of eene harmonise he progressie, eene rij van groolheden, van welke iedere drie op elkander volgende termen In eene zoodanige verhouding lol elkander slaan, dal het eerste lot hel derde dezelfde reden heeft, als het verschil der twee eersten lol dat der twee iaalslen, b. v. -i j, 3, 1, (i, li; Muz. de herhaling eencr llguur In verschelden loon-soorlen; — progressibel, ndj. nw.lat. lol vorderingen geschikl, voor volmaking vatbaar; — progressibiliteit, f. nw.lal. de vatbaarheid lol volmaking; — progressief, adj. nw.lal. (fr. progressif) voortgaand, toenemend, opklimmend, trapsgewyze, voor en na; progressieve belasting eene belasling, welke In verhouding tot hel opklimmende Inkomen of vermogen stygl; - progressist, m. pl. progressisten, barb.lal. vooruil-gangsvrienden, mannen des voorullgangs, naam eener politieke pariy in Spanje sedert isii; — progressistisch, adj. daartoe behoorende b. v. de progressistischo pariy.

Progymnasïum, n. gr. (vgl. g y m n a-s i n m) eene vooroefeningsschool, eene voorbereidingsschool lol do gymnaslén; by ons le lande; Instelling van hoogor onderwys met ija-rlgen cursus, geiykslaando met do \'i laagste klassen van een volledig gymnasium (dal een zesjarigen cursus heeft); In Pruisen: gymnasium.


-ocr page 1026-

PROKTAGRA

PROH

1000

waanuin de iirliim onlbrookt; — progym-nasma, n. eene voorocfenln),\'; pl. progym-nasmata, voorootenlngcn.

prnh «r pro, lat. uitroep van verwondorlng ot klacht, o! ach! — proh dolor! o srnarlc! o weel helaas! proh pudon o schaamte! o schande!

prohibeeron, lat. (prohibère, v. habere. hebhen, houden) artiouden, verhinderen, helet-ten, verhoeden, sluiten, stremmen, verbieden, ontzeggen; — prohibïta, n, pl. verboden dingen; — prohibitie (spr. t=ls), f. lat. (prohibitw) de verhindering, wering, ontzegging, weigering, liet verbod, beletsel, do stremming; — prohibitie- ot prohibitief-aysteem, n. de In- en ultvoerbcperklng, handelsstrem-mlng, eenc op het verbod des In- en ultvoers van waren gegronde staatsinrichting; — prohibitionist, m barb.-lat. de aanhangers van do handelsbeperking en do beschermende tollen;— prohibitief, nw.lat. en prohi-bitörisch (lat. prohibilorlus, a, urn) adj. terug- ot afhoudend, verbiedend, belettend, ver-binderend; — prohibitorïum, n. een verbod van In- of uitvoer van waren.

pro hospile, z. hospes.

proh piulor, z. ond. proh.

pro insolrénle verklaren, z. ond, in sol-va bel.

projiceeren, lat. (projicêre, van jactre, werpen) elg. voorwerpen; voortwerpen, verwerpen, versmaden; later ook ontwerpen; — projéct, n, nw.lat. (fr. projel) een ontwerp, plan, voorslag, aanslag, het voornomen, oogmerk, de bedoeling; — projecten-maker, m. een plannen- of ontwerpen-mnker; — pro-jéetie (spr. I=s), f. (Int. projecCfo, bet voorwerpen) Median, de worp, het worpen eens llcbanms; In de teekenkunst: de schets, bet ontwerp, do teekening, afbeelding van de schyn-bare ligging en gedaante van oen voorwerp; inz. bet ontwerp van landkaarten; dll laatste viervoudig; I) centrale projectie is het ontwerpen eener kaart, wnarbU men liet ong in liet middelpunt der aarde denkt en van dat punt de landen rondom zich heen ziet-, i) or-tbographische project Ie, waarbü men het oog op een oneindlgen afstand van de aarde denkt en de landen als op eene vlakke tafel nevens elkander ziet; il) storeograplitsche projeclio, by welke men hot oog In een punt van do oppervlakte des bols denkt, en door de aarde been bet tegenoverstaande halfrond opneemt, als of het zich afspiegelde op een vlak, dat de aarde In -2 helften deelt; \'■) homalographlsche of isograplilsclie projectie, waarbU men liet oog op oenen aardradlus boven de aarde denkt. — Ten opzichte van het gedeelte der aardoppervlakte, dat men projecteert, Is de projectie of; polaire projectie, wanneer men zich tegenover een der polen, of aequatorlaie projeetI e, wanneer men zich in den evenaar, of li o r I zo n t a 1 o projectie, wanneer men zich in eenig punt naar welgevallen van de oppervlakte der aardo denkt geplaatst te z(jn en dat punt lot nild-delpunt van liet ontwerp maakt; — projec-tie-vlak, n. bet vlak van hot ontwerp, het grondvlak; — projectie-as, f. de doorsnede er van; — projecteeren (fr. proj eter), ontwerpen, afbeelden, door eenc teekening voorstellen; plannen, voorslagen, ontwerpen maken, iets voorhebben, van plan zyn, bedoelen; — projectiel, n. een werptuig, ieder door de eene of andere kracht voortgesilngerd of weggeworpen lichaam, Inz. de werptuigen der artillerie; — projectuur, f. lat. {project»ra), of projócta, n. pi. Arch, het vooruitspringende, uitstekende, b. v. van lystwcrk, van eene kornis.

Prokatalopsis, f. gr. (vgl. k a t a 1 e p s 1 s) cig. eene voorafgegane in- of wegneming; Log. eene figuur, waarby datgene, wat iemand te laste kan gelegd worden, ais verontscliuldiging wordt bygebracht.

prokatarktisch, adj. (vgl. katarktl-kon), te voren aanvangend, voorafgaand, voorbereidend, gelegenheid gevend; — proka-tarxis, f. do voorbereiding, de gelegenheid gevende oorzaak.

Proklitika, n. pl. gr. (van proklinein, voorwaarlsnelgen of bulgen; vgl. p rok li nee-ren) ile toonlooze woorden, die bun accent op het volgende woord werpen; — proklitisch, adj. den loon op het volgende werpend, in te-genst. mot e n k 1111 s c li.

Prokrfistes, m. gr. (v. prokroeein, door slagen uitstrekken, In \'1 alg. met geweid uitrekken en pijnigen) de uilrekker, pyniger, do naam van een fabelocbllgen wreedaard in Al-lika, ilie twee bedstcdon had, eene korte en eene lange. Mail hij concn gast van eene lange gestalte te herbergen, dan legde hy hem In de korte bedstede, en hieuw zooveel van hem af, lot hy er in paste; was de gast klein, ilan werd by naar de lange bedstede gevoerd, en daarin zoolang uilgerokt, totdat hy den adem niliilies; vandaar spreekwoordeiyk: liet heil van 1\'rokrustcs, d. I. een willekeurige vorm, in welke men een voorwerp met geweld besluit of Inkleedt.

Proktagra, n. gr. (v. proklós, de aars) Med. de Jiclillge aarspyn; — proktalgie, f. aarspyn, pyn aan den aars; — prokt-atre-sie, f. verstopping van den endeldarm; — proktitis, f. ontsteking van den aars; — proktocêle, f. uilzakking van den endeldarm; — proktóncus, m. een aarsgezwel; — proktophantasmist, m. wie ten gevolge van lyden In den aars of liet onderiyr verschyningen heeft of spoken ziet (In Gölhes Knust); — proktoptoma, n. de uilzakking van den endoklarm; — proktorrhagie, f. de bloedvloeiing uil den aars-, — prok-torrheuma, n. rheumntische aarspyn; — proktorrhosa, f. de ontlasting van bloed of siym uit den aars; — proktostenösis, f. vernauwing van den endeldarm.


-ocr page 1027-

PROLABEEREN

1001

PROMETHEUS

prolaboeren, hit. (prolubi, v. labi, vullen, KHJdcn; vgl. la bont) uitzakkon, to voorschUn komon; — prolapsus, m. nw.lat. de uitzakking ut doorzakking van woekc llclmamsdeo-len, I), v. prolapsus om\', do ultzakkliiR van don ondcldarni; pr. ocuti, ullzakkhiK van het uug; pr. umbilici, uitzakking van den navel; pr. utëri, doorzakklilK van de baarmoedor, enz,; vgl. p r o c I d e n 11 o.

Prolabium, n. nw.lat. (van labium, z. aid.) do vooillp, de voorste roodo strook van elke lip.

Prolapsus, z. ond. prolaboeren. Prolatie (spr. l—ls), t. lat. {prolutio, v. proferrevgl. proforeoren) de voortbrenging, vertelling, vormoldlng; do ultzotllng, vcrwUdlng, verschuiving; In den zang: do toonverlenglng, uitrekking, aanhouding van eenen toon.

Prologaat, ni. nw.lat. (vgl. legaat ond. lego eren t), pauselijk stadhouder in ecno provincie van don voorinaiigen Korkoiykon Staat.

Prolegomena, n. pi. gr. (van prolénein, voorafzeggen) hot voorafgezegde, vooropgeplaat-ste, de voorrede, voorherinnoringen, voorlooplgo aanmerkingen, inleiding, voorbereiding tot eene wetenschap

Prolepsis of prolöpso, f. gr. (vgl. iep-sis) do voorwegneming, het vooraf-wognemen; Med. het vroeger Intreden, b. v. van eonen aanval der koorts, do koortsvervroeging, het nalaten; Log. do vóorkomendo iieantwoordlng van eeno mogelijke nf waarscliijniijko tegenwerping, ook anticipatie; — proleptisch, adj. voorkomend, van voren beantwoordend, voorlooplg.

Proletariërs, m. pi. lal. (prolelarïus, pl. proletani, v. proles, kinderen, kroost, nakoiue-lingschap) in \'tonde Rome: arme burgers, dio den Slaat niet mot geld, maar enkel door hunne kinderen van dienst kuilden z(|n ; vandaar la \'t alg. voor; geheel onbemiddelde, arme monschen uit lagen stand; — proletariaat, n. nw. lat. do sland der prolelariérs, de gezamenlgko proletariërs; dat deel der hurgerg dal niets bezit ; do arme van do hand in den land levende volksklasse, de arboldorsbevolking; - proletarisch, adj. lot do geheel onbemiddelde volksklasse bebooronde.

pro libiln, z. ond. libilum pro licenlia, lal. voor het verlof (b. v. om te prediken).

proleflek, adj. nw.lat. {prolificus, a, urn, van proles, nakomeiingscliap en facfrc, maken, fr. prolifique) vruchibaar, tot voorlleling ge-schlkt, kinderverwokkend; vruchthaarmakend; — proliferatie (spr. l=ls) f. het vorschU-nen van eenen knop of eeno hloein op eene ongewone piaals; — prolificütie (spr. I=ls) f. do bovruebting, leling;- proliflcoerende bloemen of vruchten, zulke, die uit andore bloemen of vruchten aan een afzondorlU-ken steel groeien.

pro li f/a In ra, z. ond. ligoeren.

prolix, lal. {prolixus, «, um, en als adv.

prnlixe, v. prn en laxus, wUd, ruim) wgdloo-pig, omslachtig, langwUlig, ie uitvoerig; — pro-lixiteit, f, {prnlixdas) do wydlooplgbeid, om-siaebtigheid enz.; — prolixeeren (lat. pro-lixare, uiitrokken) wyiliooplg zijn.

Prolocutor, m. (van prnluqui, uitsproken) de redenaar, woordvoerder, spreker; — pro-locutorïum, n. nw.lat. eene openbare spreekplaats, plaats van onderbond.

Prolögus of proloog, m. gr. {prólouos: vgl. logos) do voorrede, inieidingsrode, openingsrede; inz. eene tot bot publiek goricbto toespraak vóór do opvoering van een toonoel-spel; prológus nalenlus, lal. {(jaha, een helm of storinhoed) gehelmde, geharnaste openingsrede (tot verdediging tegen de aanmerkingen en tegenwerpingen zijner party).

prolongeeren, nw.lat. [proloniiare, fr. prolonuer) verlengen, verlragen, nitsiellen, uitstel geven, oenen lateren lijd of termijn bepalen; oon geprolongeerde wissel, zulk oen, waarby de bepaalde betaaldag mot weder-zydsdie hottiiliging luier gesleld wordt; — pro-longabel, adj. verschuifbaar, tot verlenging, vcriraging, uitstel gescliiki; — prolongatie (spr. lt;=/.«) f. do verlenging van den tyd, do vertraging, liet uitstel, de later gestelde ter-myn; Kmt. de by den verkoop van elTecten bedongen terugkoop daarvan; effecten in prolongatie geven, ze In bandon eensgeld-sciilolers laien om ze later in ie lossen; — prolonge, f. fr. (spr. —lóiizj\') het sleeptouw, inz. tot voorttrokken van \'t geschut.

pro lubilo, z ond. libilum.

proludeeren, lat. (proludcrc, v. luilüre, spelen; vgl. In sus) voorspelen, vooroefenen; - prolusie, f. (lat. prolusfo) liet voorspel, de vooroefening; ook een iiitnoodigings-of aan-kondigingsschrifi; — prolusief of prolu-sörisch, nw.lat. vooroofenend.

Promachos, m. gr. (v. pro en mdchcsthai, stryden) een voorvechter, een stryder in bet voorste gelid; ook; voorvechter, verdediger. Promemoria, z. ond. memoria. promeneeren, fr. (promener, rondleiden, se promener, wandelen; oudfr. pourmener, se pourmener, v. lal. prominare, voortdryvon, voor zich niidryven, v. min/tre, dreigend aansporen, fr. mener, leiden) wandelen, zich eene beweging geven, zich vertreden; —promenade, f. ilo wandeling, de gang voor vermaak of voor gezondheid; ook do wandolbaan, wandelweg, wandeipinais; - promeneur, in. prome-neuse, f. een wandelaar, wandelaarsier-, ook; oon bandblaker.

Promesse, f. fr. (van promellre = lat. promillrre, beloven) liolofle, loezegging; Kmt. eeno voorlooplgo belofle om op een bepaalden tyd te betalen.

Prometheus, m. gr. (spr. Iheus als éeno loitorgreep) de voorbedachtzamo, voorzorgheb-bendo; Mylh. de zoon van don titan Japetos, nitvindor van veie kunsten, inz. der beehlendo. Mij vormde monschon uit leem en water, en


-ocr page 1028-

PRONOMEN

PRO MILLE

4002

slal, om lien to bezielen, hol vuur van den hemel, waarom Jupilor hom In gramschap aan oone rots van don Caucasus Hot vastklinken, alwaar een gier hem de telkens weder aangroeiende lover moest ult|iikkon; deze verschrlk-kolüko straf stond Promotheus zoolang door, totdat Hercules hem van do rot» LovrUdde, enz.; vandaar een verstandig, bekwaam kunsfonaar, Inz. beeldliouwer, liootsoorder.

pro mille, z. \'mille.

prominént, ad), lat. (promtnens, vanpro-minvre, vooruitsteken) uitstekend,\' vooruitspringend j — prominéntie (spr. t=ls) t. lat. {prominentia) z. v, a. proem Inent Ie; ook hot vooruitstekende, do uitbouw.

pro minislerio, z. mlnlstorlum. promiscue, lat. (van mi scire, mengen; vgl. mtsceeren) vermengd, gemengd, door elkander, zonder onderscheid of orde; — promiscuïteit, f. uw. lal. gemeenschap der vrouwen.

promitteoren, lat. (promitlire) beloven, toezeggen; — promittént, m. (lat, promil-lens) v.. v. a. pro missor-, — promissair, m. nw.lat. (promissartus) de betover, by, die iets toezegt of belooft; ook de ontvangeroener belofte, hü, wlon oone belofte gedaan Is-, — promissio, f. lat. {promisstn) de belofte, toezegging; — promissor, m. do betover, toozegger (het togengest. van acceptant, z. aid.); — promissorisch, adj. nw.lat. belovend, oone bolofte bevallende; — promis-sum, n. bet beloofde, toegezegde; — promissa cadunt in debïlum, beloften maken schuld; — promissory notes, pi. eng. z. v. a. promessen.

Promontonum, n. lat. (van mows, genlt. mantis, de berg) een voorgebergte, kaap. pro mortiio, lat. z. ond. mortüus. promoveeren, lat. (promovcre, elg. voorl-of voorwaarts bewegen; vgl. mo voeren) bevorderen, verhoogeri; op boogescholcn: iemand promoveeren, hom oone geleerde of academische waardigheid mededeelen of opdragen; ook promoveeren, zulk eene waardigheid aannemen of zlcb doen opdragen, doctor of magister worden; — promovendus, m. bu, die bevorderd zal worden; vgl. doctorandus; — promotus, m. oen bevorderde, die tot eene waardigheid verheven Is;—promotie (spr. t=ts) f. (later lat. promodo) do bevordering, verholTIng, standsverhooglng, Inz. de bevordering tot eene geleerde of academische waardigheid op hoogescholon (doctorale promotie); in limïne promotiónis, op bel punt zijnde van te promovooren; — promotor, m. nw.lat. de bevorderaar, waardlgbelds-ultdeeler; de aanlegger, aanstoker, roervink; — promoto-riSles (lithrue) of promotorialon, pl. een berlnnerlngs- of bevordorlnjjSscbryvcn van een boogeren rechter aan oen lageron rechter; ook berlnnerlngsschrUven van een gerechtshof aan een bultentandsch gerechl.

promt of liever prompt, adj. lat. (promp-lus, a, urn, en als adverb, prompte, van pro-mc\'re. uitnemen, uithalen, aan \'t licht brengen) boreld, vaardig, toegerust; onverwijld, gezwind, spoedig, haastig, snol, ras, lllnk, vlug; puntc-lyk, stipt, gereed, baar, b. v. prompte heta-llng; lets in promptu hebben, In gereodheld, voor de band hebben; vgl. Impromptu; — promtuménte. It. Muz, stipt of nauwkeurig voor te dragen; — promptitude, f, fr, de gezwindheid, snelheid, vlugheid, vaardigheid, behendigheid enz.; stiptheid In betalen en dgl.; — promtuanum, n. lat, eene spijskamer, bot-telarU, etenskast, spinde, schapraai; een handboek, ook hulphandhoek, raadgever, eene hulpbron.

promulgeeren, tal. (promulgare) kond doen, bekOHdmaken, verkondigen, afkondigen, verspreiden, b, v. eene wet; — promulgti-tie (spr. t=ts) f de openbare bekendmaking, konddoening, verkondiging, verbreiding; — promulgator, m, de bokendmaker, afkondlger, verkondiger, verbrelder,

pro mundo, lal, z, ond, mundum, Promythïon of promythïum, n, gr, (vgl, mythos) voorvertelling, inleiding tol de sage of overlevering, voorsage; pl, promy-thien.

Pronaos, m, of pronaon, n, gr, (van Jiaós, lompel) de voorhof eens tempels. Ingang, Pronatie (spr. t=ls) f, nw,lat, (pronatïo, van proniire, voorwaartsbuigen) Mod, de voor-waartsdraallng of -buiging (h. v, der haarmoe-dor); Inz de beweging der armpUp om den el-lohoog, zoodal de binnenste handvlakte naar beneden ligt, bet tegengestelde van supi natie; — pronator, in. de voorwaarlsdraaler, de spier, die de hand naar voren draalt.

proneeren, fr. {prAner, elg, oone verma-nlngsprodlkatle houden, van le prune, predikatie, rede; voorts; roemen, prgzen, van \'l lat. praeconium; z, aid.) overmatig loven, lofprijzen, uitbazuinen, zwetsen; veel praats, veel woorden over Iets maken; op eene lastige of vervelende wgs zwetsen of snappen; — pro-neur, m, een bovenmatig lofredenaar; zwetser enz,

Pronëpos, m, lat, (v, )ie;)os, de kleinzoon) de achterkleinzoon, zoon des kleinzoons,

Prónik-getal, de som van een quadraat-of vlorkantgetal en zgn wortel; do zoodanige zyn, b, v, 2, 8, 14, 2fl, 110 enz,, omdat (1X1) 4-1=2, (2x2) 2=8, (3X3) 3 = 12, (5Xi) -f- i = 20, (5VB) -|- ü = 30 is. Pronomen, n, pl, pronomina, lal, (v, pro, voor on nomen, naam, naamwoord) Gram, voornaamwoorden, plaatsvervangers en begeleidende bepalende woorden der zelfstandige naamwoorden, welke do voorworpen naar zekere re-deverhoudlngon aanduiden; pronomen substan-tnmm, bet voornaamwoord dal als plaatsvervanger der zclfsl, nw, het voorwerp zelf In for-moele betrekking aanduidt; p. adjectlvum, het voornaamwoord, dat sommige formeele betrekkingen der voorwerpen als begeleidend bepalend woord der zelfsl, nw, uitdrukt; prononüna personnïïa, persoonlUke voornaamwoorden; 1 k,


-ocr page 1029-

PRONONCEERKN

PROFETIE

1003

KÜ. I\'U. wU, enz.; pr. possessïva, liczltlclUke voornw.: myn, uw, zyn, enz.; pr. demonstra-hva, uanwUzendo voornw.: die, do zo, dal, enz.-, pr. delerminaliva, hepulondo voornw.; d o-gene. dezcltdo, zulk, enz; pr. indefinila, onbepaalde voornw.: iemand, n lomand, men, tets, nlels, enz.; pr. inlcrrogat/va, vragende voornw.: wie? wolko? wat? enz.; pr. re-yZcjvwi, terugwerkende of wodorkeerondo voornw.: zich; pr. relativa, bctrekkoiyko voornw.: dlo, dal, welke, wat; — pronominaal, adj. {pronnmindlts, c) op de wyze van een voornaamwoord, voornaamwoordelgk; — prono-minali\'a, n. pi. vormen, dlo In oenlge lillen ter aanduiding van liocveellield en hoedanigheid, van grootte of getal dor voorworpen dienen; — pronominatio (spr. l=ls) t. (lat. pro-nomimilto) vcrm(|dlng van hel noemen eens naams door aanduiding eener omslandlglield, li. v. held van Qnalre-lira», voor koning Willem do tweedo; de Agrlppynsche zwaan, voor Vondel.

prononceeron, z. pronunclüoron Pronopiograaf, f. gr, eeno camera ohscura, welke de voor haar liggende voorwerpen vorloont, een pantograaf voor \'l landschapleekonen.

pro novitale, lat. als nieuwtje, als pas verschenen (hij niet bestoldo zenillngen der hoek-bandolnnrs).

Pronüba, f lal. (van nubSre, trouwen) do hescherinslor dor buwelUken, huweiyksstlcblster, een bynaam van .1 u n o.

pro nunc, lat. voor het tegenwoordige, voor-looplg.

pronnnciëeron ot pronuncooren,

lal. (pronunciUre) of fr. prononcooron (pro-noncer, spr. pronoii.i—) uilsprcken, beslissen, uitspraak doen; — zich prononceeron, zich bepaald, krachtig uitdrukken, duldoiyk verklaren, hesllssonil uilen; — ge p ro n o n co er d, adj. sterk ullgedrukt, scherp afgedrukt, uilko-inond (van spieren, gelaatstrekken); — pro-nunciabol, adj. later lal. {pronunciabtlis, e) ultspreekliaar, uil te spreken;—pronun-ciamiénto, n. sp. openbare verklaring en liekendniaklng, acte van verzot, protest, Inz. openbare opstandsverklarlng; — pronunciutum juris, lat. eeno rechtsuitspraak, een rechteriyk bescheid; - pronuncidtie (spr. I=t.i) f. (lal. pronunciaiïo) de uitspraak, uitspreking; ook openbare bekendmaking.

proódisch, gr. (van hodós, f. de weg) voor-tooplg.

ProcBinïun), n. lal. (van \'t gr. prooimion, van ofmos, weg, gang) do Ingang, voorrede; bet voorherlcbl, voorspel; — prooemiëeren, eene voorrede maken.

Proof, f. eng. (spr. proef) pi. proofs, proef, inz. proefvel, proefdruk, proefbladen van teller-, koper- of steendruk.

Proost, m. (hoogd. prnbsl, van \'l lal. prn-postlm of liever praeposïlm, van praepoture, voorzeilen, vooropplaatsen; vgl. provoost) een opperste, kloosterhoofd, stiftsvoorstander, op-pergoesleiyke-— proostdij, f. liet ambt, de woning en het district van eenon proost.

Propsedoutïka, f. gr. (vgl. p as d e u 11 k a) de vooroefening, voorschool, de voorbereidende kundigheden tol eene wetenschap; het voorbereidend onderwys, do Inleidende wetenschap, de voorticreidings-wetenschap; propEt\'dou-tisch, adj. vooroefonend, voorbereidend; het pro piede utlsc h examen, het onderzoek naar de kundigheden, die als voorbereiding tot dezen of genen tak van geleerdheid beschouwd worden; ook verkort: zyn p ro paode ut isch doen, het voorbereidende examen alleggen, alvorens lot dquot;c elgeniyke vakstudio over te gaan.

propagooron, lal. (propaaare) voortplanten, verbreiden, uitbreiden, vermenigvuldigen, vermeerderen; — propaganda of propa-gundo, f. nw.lal. d. I. conqregalio de propa-ganda fiilc, z. congregatie; ook in \'l algemeen ieder genootschap Ier uitbreiding Tan ker-keiyke of politieke leerstellingen; p r o pa ga n da maken, voor de verbreiding eener meening, van een plan enz. werken; — propagan-dismo, n. nw.lat.de grondstellingen en han-delwyze eener propaganda, de verbreldlngs- of bekoerlngsyver; — propagandisten, m. pl. medeleden of aanhangers eener propaganda; — propagatie (spr. t—ts) f. lat. (prnpnnaiïo) de voortplanting; uithrelding, verbreiding; — propagator, m. een voorlplantcr, vcrbrel-der; propagülum, n. Hol. hel voorlplan-tlngsslof der mosplanlen, klemslof, klemmeel.

propalooron, lat. (propalure, van propu-lam, openbaar) openbaar maken, verpraten, onder do menschen brengen.

pro parte virïli, z. ond. viriel. Propathio, f. gr. (vgl. pa 1 hos) hel voorgevoel, de eerste gewaarwording eener ziekte.

pro pair ia, z. pallia; — propatria-papior, eene soort van schryfpapler, met do woorden pro patria als walermerk.

Propéllor, m. eng. (v propél, lat. pro-pelltlre, voortdryven, voorlsloolen) elg. de of hel voortdryvende, vandaar = screw-propeller (van screw, spr. skroe, de schroef) do ar-chimedische schroef als beweegkracht hy stoomschepen.

Propomptïkon of propemptïcum,

n. gr. (van propdaipcin, heenzenden, begeleiden) een bogeleidlngs-, afscholds- of reisgedicht, door de achterbiyvenden aan den scheldende gericht; hel tegengest. van apopcmllkon.

Propénsio, f. lat. (propensio, van pro-pendïre, nederhangen, zich nelgen) de overhelling, neiging, zucht; propondóntie (spr. l—ls) f. nw.lal. de neiging, genegenheid; — pro-ponsitoit, f. nw.lal. de geneigdheid, zucht, proper, enz. z. pro pro.

Próporty, f. eng. eigendom, bezltllng. Propotio (spr. I—Is) f. gr. (propeteia, elg. hel voorwaarlsvallen, van propiptein) voorbarigheid, onbezonnenheid; Med. een gebrek van


-ocr page 1030-

PROPORTIE

1004

PROPHASIS

do sprank, wnnrbU do woorden nis to Ki\'lijk worden ultpostooten.

Prophasis, f. «r. (van prophainein, doen vorscliynon) eon voorwendsel, voorgeven, schljii-grond, eene ullvluclil; ook oono (Inz. verwilderde) annleldlng, gelogonhold gevende oorznnk; Med. do verwilderde of moer verborgen oorzaak eener ziekte.

Propheet, m. gr. (prophttes, v. prophanai, voorzéggen) of profeet, een voorzegger, ziener, voorspeller, voorofverkomllgor, waarzegger; een godsdlenstleernar van het Joodsclio volk; — prophetés, profetés, f. do zieneres, voorzegster, waarzegsier; — prophetïe, profetie (spr. l—ls) r. (gr. propheleia) de voorspelling, oponlmrlng; — prophëtisch, profetisch, adj. voorspellend; vol voorgevoel; — propheteeren, profeteeren (gr. pro-pheteüein) voorspellen, vooraf verkondigen, toekomstige toevallige dingen voorultzeggen.

prophylaktisch, mij. gr. (vgl. phylax, pliylaktlsch) Med. verhoedend, voorkomend, afwendend; — prophylaktieum, n. een voorhehoodiniddel; —prophylaxis, f, de verhoeding, de voorkoming, h. v. eener ziekte door gepaste geneesmiddelen.

Propinatie (spr. t=ls) f. lat. (propina-ffo, het toedrinken, van propinare, toedrinken, ook iemand te drinken geven) In Dnltsehland het uitsluitend reeht tot hierhrouwen en drank-stoken, aan een landgoed hohoorende; — pro-pina, f. sp, het drinkgeld.

Propinquiteit, f. lat. (propinquHas, van propinquus, o, urn, nabU; verwant) hel nalgt;y-zijn, de nabijheid; de verwantschap.

Propionzuur, n. eene kleurlooze vloeistof, zoo helder als wnter en van zuren reuk, o. a. ontstaande door inwerking van scherpe kaliloog op suiker.

propitiabel (spr. l—ls) lat. (propiliahï-lis, c, van propiliure, hevredlgen, verzoenen) verzoenlijk; — propitiötie (spr. —Isialsie ; lat. propiliaffo) de verzoening, hevredlging; — propitiatörisch (spr. li=lsi) adj. nw.lat. verzoenend.

Proplasma, n. gr. (vgl. plus ma) een voorheold, model van loom, waarnaar de kunstenaar Iels howerkt;- proplastika, f. do kunst om zulke modellen te maken.

PropoBtlden, pi (lat. Propotiïdes, gr. Propoilïilcs) gr. Myth, meisjes te Amathus op \'t eiland Cyprus, lt;lle de godheid van Venus loochenden en deswege door die godin In schaam-teloozen minnegloed ontvlamd en eindeiyk in steenen veranderd werdon; vandaar voor; geile, schaamtelooze vrouwen.

Propólis, f. gr. (van pólis, stad) eene voorstad ; een bouwwerk aan den ingang; maagdon-honig.

Propolïum, n. nw.lat. (van \'t gr. propo-lêtn, voorafkoopen) de voorkoop, het voorkoop-recht ; — propolist, ook propóla, m. de voorkooper, opkoopor; wie Iels uit de eerste hand koopt en dan In het klein weder verkoopt.

Propóma, n. gr. (van póma, drank, van pinein, drinken) voordrank, dronk by het ont-byt, inz. een drank van wyn, azyn en iionig.

proponeeren, lat. (propönëre, eig. voorzetten) voorstellen, voorslaan, voordragen, voorleggen, opwerpen, opgeven; In het écartiS: hel spel aannemen; — proponent, in. {propü nens) de voordrager, voorsteller; een tot het pre-dikambt onderzocht en bevoegd verklaard, doch niet geplaatst persoon, oen prolestantsch can-didaat, die bel recht heoft om te prediken, maar niet om de sacramenten uit te doelen; —propositie (spr. -zi-lsie) f. (lat. prnpnsiCfo) do voorslag, hot voorstel, aanbod; de stolling, hoofdstelling eener redo; pro/iosifi\'n mnjor, hel mttar-dero voorstel, de boven- of hoofdstelling; pr. minor, het mindere voorstel, hot ondorvoorstet (In eene sluitrede); proposilum of fr. propos (spr. propci) propoost, n. de rode, woordvoering, uitdrukking, de voorslag, hol voorstel; bet aanbod; het voornemen, oogmerk, besluit;

— ail proposilum, lal. tol de zaak zelve; — ó propos, fr. juist van pas, juist ter snede, ter rechter tijd, als geroepen, tot de zaak bohoo-rend; ook dikwyis In hol gesprek als overgang voor: eer ik liet vergeet, of wat Ik zeggen wilde; mal d propos, ten ontyde, ongepast, ongelegen; — proposant, m (fr. proposanl, spr. proposdii: van proposer, voorslaan, lol Iets voordragen, Inz. tot een ambt) hy de franscho gereformeerden, z, v. a. proponent; — pro-pósta, f. 11. de voorslag, het voornemen; Kmt. een voorstel, aanbod; Muz. hel eerste koor in beurtgezangen.

Propontis, f. gr. do «voorzeequot; van den Ponlus (z. aid.) of de Zwarte zee, de zoo van Marmora.

Proportie (spr. l—ls) f lat. {proporÏÏo, v. pro en porti o: vgl. portie) do evenredigheid, gelijkmatigheid, overeenstemming; Math, de gelijkheid van twee verhoudingen of redens, redongeiykheld; de arithmétischo pro-pórtie, do rokonkunsilge evenredigheid, waar-blj het verschil dor Iwee eerste termen geiyk Is aan het verschil der twee laatste, b. v. iH : •21 40 ; no, d. i. -2«-21 = id-itti; de geometrische proportie, de mcolkunsligo evenredigheid, waarbg do bolde eerste termen tot elkander dezelfde verhouding of reden hebben als de heide laatste, h. v. 4; 12 = 7:21; de harmonische proportie, of do evenredigheid van drie gelalleu, waarvan hel eerste tol het derde slaat geiyk het verschil der beido eerste tot het verschil der heide laatste, h. v. (I, 4 en 3 (want 8:3= (1—4 : 4—3); propor-lio conliniia, eene gedurige evenredigheid, In welke bel derde lid geiyk aan het tweede Is, b. v. 4 :(gt; = (gt;:!• of 12-8= 8—4; propor-Ito discréla, een ongebonden of ongedurige evenredigheid, waarin liet derde lid van het tweede verschilt, h. v. i : (l =2; 3 of 18-8 = 7-8;

A proper lion, fr. (spr. —sjón) naar proportie, naar evenredigheid, naar verhouding; — proportionaal, adj. lat. (proporlionnlis, e)


-ocr page 1031-

PROSARMA

1005

PROPOS

of proportioneel, tr. (proporlionnel) in verhouding, in ovenroillBhcId staande, golUknialln, cvenrcillK; — proportioneolo grootheden, groolliodcn, die ocncrlel vorluiudlng tot elkander lielibcn; proportionaal-pas-ser, verlioudlnRspasser -, proportionaliteit, f. do evcnredlglield, goiykhold dor vor-lioudlngon; — proportioneeren, nw.lat. (tr. proporliomer) In verhouding stollen, evenredig maken, afineten, naar zekere verhouding of zekeren maatstaf Inrichten; — geproportioneerd, adj. naar verhouding, geiyk-of evenmatig; welgeordend ingericht of Ingedeeld, weiafgemeten, welgeordend, welgehouwd, welge-groeld enz.

Propos, proposta, z. onder proponeer en.

Proposant, propositie, z. ond. proponeer e n.

Propotisma, n. en propotismus,

m. gr. (van pro-polidzein, ecnen drank overreiken) Mcd. een geneesdrank en zijne toediening.

pro praesénli, z. end. pra\'sens.

ProprfEtor, m. lat. (vgl. pra;tor) een oud-rom. landvoogd of opperrechter In een wingewest

propre, adj. Ir. (= lat. proprfus) eigen; doorgaans voor zindelijk, rein, lief en net, proper; — propre- of properhandel, Kmt. eigen handel, d. I. de handel met zelf geproduceerde waren, zelf uitgegeven hoek en dgl.; ook een voor eigen rekening gedreven handel; — propreté, f. Zindelijkheid, reinheid, sler-lyklieid, netheid, properheid.

propria, enz., propriëtair, proprië-teit, enz. z. ond. proprius.

pro primo, lat. z. ond. primus.

propnws, a, um, lal. eigen, eigenaardig, hy-zondcr; eigenigk, in den eigeniyken zin genomen ; — proprium, n. hel eigene, eigendom; cx proprtis, uit eigen vermogen, uil eigen inzichten; — propria laus sordel, sprw.: eigen lof stinkt; — propria aucloritale, uit eigen macht, eigenmachtig, op eigen gezag; propria causa, eigen zaak of aangelegenheid; — pr. manu. z. ond. ma ft lts: propria Marie (d. i. elg. met eigen Mars, z. aid. als zlnneheeid der kracht) uit eigen kracht, zonder vreemde hulp; pro-prio molu, uit eigen aandrift ; proprlis verbis, met eigen woorden; — propriëteit, f. lal. ipropritlas) hel eigendom, het eigendomsrecht; de eigenaardigheid; — plena propriilas, Jur. volle eigendom; — propriëtaris, later lat. of propriëtair (fr. proprielaire) m. de eigenaar.

pro proilifio, enz. z. ond. prodigeeren.

Proptöma, u en proptösis, f. gr. Med. z. v. a. lat. procidenlle

propugneeren, lat.\' (propugnare) voor-vechten; voor iets vechten, het verdedigen, he-schermen; — propugnaculum, n. een schutsweer, een voormuur; —propugnatlo (spr. I=ls} f. (propugnatlo) de voorvechllng.

hescherming; — propugnator, m. de voorvechter, verdediger.

Propülsie, f. nw.lat. (v. propellëre, voort-dry ven) hel voortdry ven, voorlstooten; —pro-pulseeren, lat. (prnpulaarc) terugdryven, afhouden, afweren, afwenden; uitstoolen; — propulsatie (spr. I-Is] f. (lat. propulsalloj de terugdryving, afhouding, uitstooting, het afweren.

Propylajën, pi gr. [propf/laia, van pro-pylaios, a, on, voor de deur, jiylr, aanwezig) de voorhof, voorplaats, hel hoofdportaal, de prachllngang van een groot gciiouw, inz. de rijk versierde Ingang van den hurg in \'t oude Athene; vandaar ook: Inleldlngsgesclniften, inleidende werken,!), v. voor kunstverzamelingen.

Proquaestor, m lal hy de oude Romeinen een quaistor (z. aid.) of staatsontvanger in een wingewest.

pro quota, z. quota.

pro rata, z. rata; — proratiseering

(spr. .«=:) harh.lal. Jur. afdeellng in aandee-len; — pro raio et uralo, z. ratus.

pro recognllis cl liquidis, z. recogno-s c e e r e n.

Prorector, in. nw.lat. (vgl. rector) een plaatsvervangend hoofd aan eeno hooge- of la-tynsche schooi; in Duitschiand; de jaariyks gekozen en door den vorst hevestigde hoogieeraar, die als hoofd In den academischen senaat de plaats van den vorsl (den reclor der universiteit) vervangt; — prorectoraat, n. helamhl en de waardigheid eens prorectors.

pro redimenda vexa, lat. z. ond. redimee-ren;— pro re nula, z. ond. res.

pro reqe saepc, pro palria semper, voor den koning, dikwyis; voor hel vadeiiand, altyd (devies van Golhert).

prorogeeron, lat. (proroqare, v. rogSre, vragen, hy liet volk liekraclitlging vragen van een wetsvoorstel) verschuiven, uilstellon, verlengen, verdagen, vertragen, h, v. oenen wissel, vgl. prolong eer en; — prorogatie (spr. l=ls), I. het uilstel, do verschuiving, verdaging, verlenging, h. v. van eenen termyn (proroiiaho lermini), — prerogatief, adj. (lat. prorof/allvus, a, um, nllstei lydend of he-IretTeml) verscliuiveiid, verlengend, verdagend. pro roslris, z. ond. rostra, prorumpeeren, lat. (pr or umpire, vgl. rum poe ren) uit hersten, uithreken; proruphi audarla, eene rookeiooze stoutheid; — pro-rüptie (spr. I—s), f. lat. (piorK/Wïo) het uithreken, de ulthrank.

pros-, gr. voorz., heteekent: aan, tot, tegen, lieen; daarhy, (ianrenijoven; hy, naast, nevens. Prosa, z. proza.

pro saldo, i. saldo.

Prosapodösis, f. gr. (van pros-apodi-diinai, nog daarenboven teruggeven) Khol. de byvoeging van bot bewys hy elke der opge-noenide stellingen.

Prosarma, n. gr. (prósarma, van pros-aircin, lot zich nemen) het genotene, de spys; artseny.


-ocr page 1032-

PROSOPALGIE

PROSCENIUM

1006

Proscenïuin, n. lat. (van \'iRr. prnskê-ntort; vol. see no) lid voorloonool, het voorste Keileelle van hot scliouwlooneol.

Proschematisme, n. gr. (v. schemali-ihein, vormon, oono gedaanto govon) Gram, verlenging van eon woord iluor liet aanhangen van eene lettergreep.

proscindeoron, lat. (proscindire) aan stukken snyden, doorsnydon, vaneenscheuren.

proscribeeren, lal. (pro-sonWre, elg. opunlgk uitschreven, schrlfleiyii hekend niakon) In den ban doen, voor vogelvry verklaren, ver-banncn, huilen eon gezelschap sluiten, iemand als gebannen of ook als voortvluchtig misdadiger op do uitspraak eens vvereldlykcn rechters openiyk bekend maken, vorvolgen, van de veiligheid des levens en der goederen horooven; — een goproscriboordo, of fr. proscrit (spr. proskri), een in den ban gedane, goban-nono, vogelvry verklaarde; — proscriptie (spr. t—s), r. (lat. proscriplio) de ban, verbanning, vogelvry verklaring-, verwerping, afscbat-llng; — proscriptief, adj. nw.lat. verbannend, verwerpend.

Prose, z. proza.

Prosécoo of Proseccer Rijnval

(hoogd. —Itcinfatl), m. een zoetaclitige, don-kerroode wyn, van liet dorp Proseca in de omstreken van Gürz in lilyrlö.

Prosector, m. lat. (v. pro-sccarc, voor-snyden, aan stukken snyden; vgl, seceer on) de oponsnyder, opperontledor van menschelUke lichamen onder opzicht van eenen leermeester der anatomie, do tweede leeraar der ontleedkunde op hoogescholon.

pro secundi), lat. z. ond. secundus. Prosecutie, prosecutor, z. onder proscqueeron.

proselënisch, adj. gr. (van selfnè, de maan) ouder dan de maan.

Proseliet, m. gr. [pros-ëtytns, er by gekomen, van pros-ércheslhai, er hy komen) een bykomellng, nleuwbekeerde, overlooper in \'t geloof; wie van de eene party, Inz. godsdienstparty, welke eene vroegere aanspraak op hein had, lot eene andere overgaat, In welke hy niet dan na hel losmaken van de vorige handen wordt opgenomen; — proselietenmaker, een hekeerlngszuchtlgo, geloofswerver-, — proselitisme, n. of prosolietenma-kerij, f. bekoeringszucbt, geloofswervory, het streven van hen, die anderen door onoeriyke en slechte middelen tot hunne godsdlenstparty zoeken over to halen; — proselietisch, adj. aan nieuw bekeerden eigen; bekeerings-zuchtig; — proselitiseoren, tot eenen proseliet maken.

Proseminatie (spr. lt;=lt;«), f. nw.lat. (van \'t lal. proseminare, uitzaaien; vgl. seinen) de uitzaaiing, liezaallng, voortplanting door zaden.

prosequeeren, lat. (prosequi, v. sei/ui, volgen) volgen, begeleiden ■. voortzetten, voortvaren; vervolgen; ook gerochteiyk betrekken, aanklagen, achtervolgen; — prosecutie (spr.

lt;=lt;■?), f. de voortzetting, vervolging, volvoering, doorzetting; ook gerechlelyke aanklacht, vervolging; — prosecuCio arrésti, voorlzottlng van het arrest-proces-, — prosecutor, m. later lat. een begeleider-, vervolger, aanklager.

Proserpina, f. lal. of Persephone, f. gr. Myth, de dochter van Ceres en .lupiter, Pluto\'s gemalin en koningin der onderwereld; vgl. 1\' I u t o; Astr. de naam van een door Luther te liilk in Iks;i ontdekte planetoïde.

Proseucha, f. gr. (pros-euche, d. 1. eig. gebod, bede, van eücheslhai, bidden, smeeken) een Joodsch bedehuis aan wegen, bronnen, enz.; ook z. v. a. s y n a g o g e.

prosit: lal. (van prosum, prodésse, nuttig, voordeelig zün) elg. het doe u nul of voordeel! wel bekome hel u 1 God zegono u! uwe gezondheid; vgl. is fècil cut prodesl, op bladz. 8iS, kul. 1.

Proskynosis of proskynese, f. gr. (v. pros-kyniin, aanbidden, aanroepen) de aanbidding, de voetval, de slaafsche verootmoediging voor de gebieders In het Oosleu, z, v. a. p ros ter n at 1 e.

Prosodie, f (gr. prosodia, d. I. eig. toezang, v. pros, toe, liy. en ode, gezang; vandaar oorspr. de syllabonloon, z. v. a. accent, dan bet loonteeken, zoowol als andere leekens, die do uitspraak bepalen, Inz. de leekens van do lengte en kortheid), do ioltergreepmaal, syllaben-maat, de regelmaligo uitspraak der woorden, ovoreenkomstig het accent en quantitelt; de leer der letlergreepmeling, tyd- of toonmeting, een gedeelte der metriek of verskunst; prosodiek, prosodïka, f. de loer der lettergreepmaat en toonzetting; — prosodisch, adj. daartoe behoorendc, de syllabenmaat en toongeving belrelTemlo; -- pro-sodomanie, f. de rymelaurswoede, poelen-koorts.

Prosonomasïe, f. gr. (prosonomasia, benoeming) Khet. gelykheld in de woorden, over-eenkomsl in de woorden van verschillende talen (die op gelykon oorsprong kan vvyzen), ook pa-r o n o m a s 1 e.

Prosopalgie, f. gr. (v. prósupon, gezicht, persoon) Med. de aaugezlchlspyn; — proso-palgisch, adj. de gozichlspyn betrelfende of daaraan lydondo; — prosopographio, f. persoonsbeschryving, karakterschildering; — prosopokai\'cinöma. Mod. de aangezichtskanker; — prosopolepsie, hel aanzien des persoons, do piiriydlgheld, hel in aanmerking-nemen des persoons; prosopologie, f. do leer van het aangezicht; vgl. physiognomic k; — prosopomant, m. een waarzegger uit het gelaat, gezichtskyker; — proso-pomantie (spr. l=ls), f. de gelaatswaarzegger; — prosopopcoie, f. Log. de persoonsverdichting, de voorstelling van het onporsoon-lyko en levonlooze als persoon, z. v. a. personificatie; bezieling; — prosoposkopie, f. de gezichtsbeschouwing, hel geiaatsonder-zoek, inz. de leer van het zlekeiyk uitzicht, z.


-ocr page 1033-

PROSPECT

PROTEA

1007

v. a. pnlholof;lscho pliysiOKtiom 1 ka. Prospect, ■/. ond. prosplcltteron. Prosper, lal. (prosper, prospera, prnspt-rum, golukklK) munsn.: do gclukklno; — pro-sporeoren, lat. (prosperure) gelukkig rnakon; gewoon lijk; gedyen, gelukken; gelukkig zün, goed voortkomen, liloelen, zijn fortuin maken, goede zaken doen, In bloeiende of gelukkige omstan-dlgboden komen; — prosperiteit, f. (lat. pros pert las, het gedyen, de welstand, hloel, welvaart, fortuin, het geluk, de voorspoed.

Prosphoromena, n. pl. gr. (van pro-sphércin, hydragen, brongen) elg. bUgebrachte dingen; Med. van bulten Inwerkende geneesmiddelen, ook voedsel, spys en drank, al wat men nuttigt.

Prosph^sis, f. gr. (v. pros-phyein, aanwassen) Mod. de aanecngroellng, samenwasslng der doelen, het vergroeien.

prospiciëeren, lat. (pro-splcère) vooruitzien, heenzien, voorwanrtskyken; voorzien, voorultzorgen, voorzorgen gebruiken, voorzich-tigheidsniaatrogolen nemen; — prospiciént (lat. prospictens) vooruil zorgend, voorzichtig; — prospiciéntio (spr. lt;=/.«), f. (prospicientta) de voorzorg, voorzichtigheid; — prospéetus, m. veelal n. prospect, n. de aanblik, het aanzien, uilziehi, vergeziebl; de teekening, schots, omtrok, voorstoiling van een gebouw zoo als liet zich uitwendig voordoet; prospérle, adj. voorzichtig, bedachtzaam; — prospéetus, ook eetie voorloopige aankondiging, openbare bekendmaking; het programma of de voorloopige uitoenzetling van een werk, inz. boekwerk, dat gew. by Inteekening wordt uitgegeven, en waarin men een denkbeeld geelt van hel onderwerp, dat liet behandelt, van hot formaat, de letter, liet getal deelen, den prys, enz.

próssimo (mese) it. (= lat. proxtmus, z. aid.) Kmi. dor volgende, eerstvolgende (maand); pros-si mo passaio, van de Jongstvorloopen maand; prossimo venlüro, voor do eorstvoigondo maand.

Prostaphoerosis, f gr. bet onderscheid van de ware en de middelbare beweging eener planeet.

Prostasis of prostasio, f. gr. (v. pro-stemi, vooraanstaan) liet vooraanstaan, de voorrang; — prostaat (gr. prostates, of lat. pro-sluta, in. een voorstander, aanvoerder, voorop-geplaatsto, hoofd; in het oude Atlieno: de ho-schormer, zaakvoerder, advokaat van ieder, die geen burger was; Med. hel vooruiistekende;— f. (sell, glandiïla) do voorstandorkiier aan hol bovendool der pisbuis; — prostatalgie, f. Mod. de pyn aan de voorstandorkiier; — pro-stathelkösis, f. de verzwering dier klier; — prostatisch, adj. vooruitstekend, vooraanstaand; — prostatitis, f. Mod. de ontsteking van do voorstanderklier; — prosta-tóneus, n. gezwel dier klier.

prosterneeren, lat. (pro-sternere) uitstrekken, nederwerpon; — zich proster-noeron, zich nederwerpon, oenen voetval doen, noderknielen; — prosterniitio (spr. Iie=tsie) f. barb.lal. en fr. lat liever prostratie f.

(prostrnlïo) de nedorwerping, kniebuiging, do vootval; proslratio virïum, Mod. liet verval der krachten.

Prosternidïum, n, gr. (v. slémon, de borst) Med. eeno borstpleister.

Prosthesis, f. gr. (v. stcthos, n. de borst) Mod. liet vieozige deel vïior op de borst by sterke mannon; ook bet vieozige aan handen en voeten, do zoogen. muis aan de band en de bal onder den grooten leen.

Prosthesis of prothesis, f. gr. (van pros-lhêinai, or by voegen, pro-thcinai, voorzetten) dram. do voorzotling, de toevoeging eener letter of lettergroep aan het begin van oen woord; — prosthesis, Med. de kunsl-matige aanzetting van oen lid, b. v. van oen houten heen, een neus, eeno lip, enz.; — prosthëta, n. pi. Mod. uitwendig aange-hraebte middelen, omslagen, enz., inz. eene zetpil voor de baarmoeder.

Prostibdla prostibilis, f. of pro-stibülum, n. lat. (v. pro-slure, openiyk te koop staan) een straatmensch, eeno boer, oen veil, openbaar vrouwspersoon.

prostitueoren, lal. (pro-stituére, d. i. elg. vooropstellen; vgl. statueeren) openiyk prys geven, schonden, onteeren, schandvlekken, te schande maken; gemeen, verachtelijk of be-lacbeiyk maken; aan de ontucht prys geven, tot ontucht aanzetten of verleiden; eeno geprostitueerde, eene aan ontucht prys gegeven vrouw, een veil vrouwspersoon, eene boer; — prostitütie (spr. lie—tsie), f. (pro-stituflo) de scbending, ontoerlng, schandvlekking- het ontuchtig loven, zedenbederf, do staat der zodeiyke vordorvenbeid inz. in sexueeie betrekking.

Prostratie, z. ond. prosterneeren; — proslratus, «, um, lat. Kol. z. v. a. pro-c u m li e n s.

pro studio et Inbare, lat. z. ond. slu d iu m.

Prostylon, n. gr. (van stgios, zuil) eeno zuliendour of -poort, een zuileningang; — pro-styliseh, adj. met een zullcnlngang.

pro suhstnita materia, z. ond. suhstralum.

Pi-osyllogisme, n. gr. (vgl. syllogisme) Log. eene voor-sluitrede, eeno Inleidende sinllrede, zulk eene, die tot hewys eener stelling in eeno andere sluitrede gemaakt wordt.

Protagonist, m. gr. (prot-agonistes, v. prölos, do eerste, en agontslss, kampvechter) do eerste kampvechter; eerste overwinnaar, eerste zogebehaior; ook de tooneotspoler, diode hoofdrol speelde op bel oud giieksche toonoel.

Protasis, f. gr. (v. pro-leinein, elg. voor Iets uilliroideii; voorboudOl), voorleggen, opgeven) eeno voorgelegde vraag; I.og. bot voorzindeel; ook de inleiding of bel eerste gedeelte van een looneelspel, In hetwelk bel leggen van den knoop boginl.

Protêa, f. nw.lat. do zilverboom, oen gewas van verscheiden schoono soorten (naar Proteus, z. aid., benoemd, omdat sommige


-ocr page 1034-

PROTEGEEREN

1008

PROTIM ESIS

soorlon IIuwoollichtlBe, van kleur verwlssolondo Mttduroii hobhon); — proteacóën, pl. zll-vorl)oonisourton.

protegoeren, lat. (pro-tegëred. I. oltt. vim voren hedckkon; now, naar hot fr. proté-gcr, ultgcspr. prolezjeeren) boscliormon, lioscliut-tcn, IiovoIIIkoii, hcgunstlKon, ondor /.Uno liocdo of LosclionnlnR nomen; — protogé, m. fr, (spr. prolczjè) oen gunsteling, Losctiormollng, bognnstlRdo; — protéctio (spr, lie=sie), f, lat. {protcctio) do boscliormlng, beschulllng, ondersteuning, hoede, verdediging, liegunstlglng, hot hoschermhoorsehap; jus prolecliotiis, het hoschenulngsrecht; — protectief, adj. he-scherniend; — protectionisme, n. het streven om den landbouw en de Industrie van zijn eigen land door regeorlngsmaatrogolon, Inz. Iiooge Invoerrocbton tegen hullonlandseho con-currontlo to hcschormen; — protectionist, m, barb.lat. aanhanger van hot bosclier\'mond stelsel, nanlianger en verdediger van heschor-mcnde Invoerrechten ton voordeoio van den landbouw en de Industrie van het eigen land, in Ungeland oene politieke partij onder bet uil-nlsterle Kohert Peel (isiti); — protectionistisch, adj. op bot proteellonlsmo betrekking bobbendo, hol hescberniend stelsel toegeilaan of verdedigend; — protéctive silk, n. ong. (elg. boscborinonde zgde) Mod, oen mot hars overtrokken dun weefsel tol boschuliing der wonden (bü bot antlsoiitlsch verband van Lister); — protector, m, eon boscbormer, bo-scbuiter, begunstiger, hesehorniheer, patroon; rUksbosebermer (do titel van Cromwell); — kardinaal-protector, de kardinaal, dio te Rome beiast Is mot do kerkelijke zaken eenor natie of met de belangen van zekere geoslelüke orden; — protectoraat, n nw. lat, bet ambt, de plaats en waardigheid vaneenen protector; — protectorium, n, of pro-tectuur, f. bot bosehormlioorsamiil, do beschermbrief, sehutbrief; de boschormliig.

Proteïne, f. nw,lat. [proteinum, van \'l gr, protos, de eerste?) Cboni, do grondslag of basis (liet radikaal) van de plantaardige en dierlijke eiwit-, kaas-, vezel- en pisstof.

pro tempore, z, oud. tempus.

Proténsie, f. lat. (prolensto, v, prnlen-dire, voor-, uitstrekken) de uitstrekking, uitrekking; ook z, v. a. protasis; — pro-tensief, ndj, of als adv, protensive, nw.lat. volgens den duur, duurzaam.

Proterviteit, f. lat. (protervïlas, van protérvus, onbeschaamd) do onboschaamdhoid.

protestoeren, lat. (proteüari, eig, betuigen, openiyk, plechtig verklaren; vgl. tes-toe ren) zich tegen iels verklaren of verzetten, tegen Iets opkomen, oene kwetsing, schending of benadeeling van zijn rechl tegenspreken, zich daartegen in rechten of vormeiyk verzetten; oenen wissel protestoeren, do botullng er vau weigeren, hem verwerpen, hem afwy-zen, maar ook, wegens niot-betallng, oenen wissel als bindend voor do borgen (glranlen) verklaren; bet prolest daarvan doeu opmaken; oen geprolestoei\'do wissel, oen afgewezen, mei protest teruggezonden wissel, een bU gebreke van bclaling voor de borgen verbindend verklaarde wissel; — protest, n. nw.lat. de tegenspraak, bol rechtsvoorhohoud; de afwijzing of verwerping, de weltelgke acte, waardoor men aan horn, die oenen wissel of ander handelspapier weigert to accepteeren of te betalen, verklaart, dal by en zgu correspondent vorantwoordeiyk zullen zyn voor alle daaruit voortvloeiende schaden; senza protista, li. Kmt, zonder protest; sopra protesto, boven \'I protest, d. i. ter eero, uil vriendschap (oenen wissel aannemen); — Protestant, m, (van liet lat. deelwoord protéstans) tegenspreker, vrygeloovige, oorspr. alleen do henauiing der Lutherschen, sedert zy op den ryksdag te Spiers in 1849 togen de besluiten der Kallio-lieken een protest Indienden, sedert don wesl-pliaaischen vrede ook aan de Gere form eerden gegeven; — protestantisme, n. de leer en hel geloof der Protestanten, bet door Luthers reformatie verworven recht der evangelische Christenen, om zich mol betrekking lot hun geloof enkel aan de oorkonden des eluis-tendoms te houden, en zoo min in de uillegging daarvan, als In de gevolgen dezer verklaring, van cenlg gezag boegenaamd af le hangen; In togenst. met hol kathol lel sin 0; — pro-testantsch, adj. ovoreonkomsllg mei dll geloof of rechl, daartoe behoorende, vrygeloovlg; — protestatie (spr. lie-tsie), f, lal, (pro-testatio) de belulglng, openiyke of plechllge verzekering; het voorbehoud, de vrywaring van zyne rechten door eene vormeiyke tegenspraak, door oen wetleiyk verzet; afw yzlng, weltoiyke verwerping van oenen wissel; cum prolestatione, mol tegenspraak, met verzet; — protesta-torium, n, nw.lat. een afwyzings- of ver-werpingsgescbrlfl, de scbrifleiyke verklaring, dal men de handhaving van zyne rechten Inroept, een sehutbrief.

Proteus (tweolotlorgrepig), m. gr. Myth, oen zeegod, die de gave der voorspelling en bel vermogen bezat, zich in allerlei gedaanten te veranderen; onolg. een onhostondlg, vcran-deriyk menseb, godaanto-verwlsselaar; in de alchemie hel kwik, omdat het de verscbillondste gedaante aanneemt.

Protevangolïum, n. gr. (van prolos, protc, proton, do of tiet eerste, en evange-llum, z, aid.) bet eerste evangelie, do oerste voorspelling van den Messias, die men in Oo-nesis III, vs. IK meende te vindon.

Prothesis, z. prosthesis.

Prothymie, f. gr, {prnthymia) geneigdheid, beroldwilligbeld; gunsl, genegenheid.

Prothyrum, n. gr. {prnlhyron, v. thfini, do deur) de plaats voor de deur, do voorhof.

Protiatros of protiater, m. gr. (van prolns, eerste en iiitrós, arts) oen opperarls = a r c h 1 a t o r en prol o m o d 1 c u s.

Protimësis, f. gr. (v. pro-liman, boven


-ocr page 1035-

PROTRÉPTISCH

PROTOCOL

lOOt)

andoren ocron, voortrokken) de voorrang; do voorkoop (■/.. jus prolimiseos of prolimeseos).

Protocol, ■/.. prolokol.

Protogala, n gr. (van prdlos, de of liet eerste, en ijata, melk) .Meel. de eerste (moeder-) melk, het eerste zog, do hiest; — protogeea, f. eerste gedaalde der aarde (naar Leibnitz), do oorspronkeiyko aarde; — protogénisch, adj. liet eerst geteeld, voortgeliracht, gevormd;

— protographio, f. de eerste teekening, pianteekenliig; liet eerste geschrift, voorschrift;

— próto-joroj,ni. russ. opperpriester = pro-t o p o |i o; — protoklopht, in. nw.gr. (vgl. klephlen) een roovorhoofdman, aanvoerder oener nieuwgrlekscho rooverliende.

Protokól, n. mid.lai. {protocóUum, later gr. protókollon, van \'I gr. proton, de of het eerste, en kollan, lUmen, vastkleven, dus oig. het eerst of van voren aangevoegdo, liet eerste hluil, dat eeno chronologlsclie opgave hovatte en aan lt;le notarliiolo oorkonden niet onthreken mocht) in \'1 algemeen eeno schrlfloiyk opgetee-kende handeling, verklaring of uitspraak van ondervraagde personen enz. in burgerlijke aange-legonheden; een hericht van het voorgevallene, verhandeldo, liet baiidelingsblad; Jur. hot boek, dat ai de noiarieele acton bevat; bet formulierboek ter opmaking van de openbare aden, de rechtei\'Hike berlchien enz.; het register der beraadslagingen en liamlellngeii van oenen rijksdag, een congres, eeno conforenile enz.; dik-wyls die beraadslagingen en handelingen zeiven ; ook het vcrhoorschrlfl; — tul prolncntlum of ton protocol brongon of protocol-looron, gercciitelgk opleekenen of nederschry-ven, een zakelyk bericht schryven; oiienliaro handelingen terstond opsebryven of schetsen; oen verlioorschrift maken; protocolla-risch, ad), volgens het protocol, daarmede overeenkomstig; — protocollist of proto-colhoudor, m. do verhoorschryver, gerechts-hoek hou der.

Protokisten, m. pl. gr. volgelingen van Or 1 gen os, die geloofden, dat de ziel vóór het ilcbaain was geschapen.

Protoloog, m. gr. [prötn-lófins, eerst sprekend) di\' eerstspreker, eerste tooneelspeler; — protomartyr, proto-martelaar, m. de eerste inartelaar (z. aid.) of liioedgeluige des chrlstoTuloms, Stop h a n u s.

Protömo, f. gr. iiirolnme, van protémncin, voorsngiien, van voren afsnyden) de voorsnede; ook een borsthecid, eeno busle; — protö-muS, ril. de voorsnydor, z. v. a. prosector.

Protomedïcus, m. gr.-iat. (van \'tgr. iiru-los enz., de eerste, en \'t lat. medicus, z. aid.) een opperarls, eerste geneesheer; — proto-notaris, in. opperschryver, oppergeheimschry-ver, sladsschryver; ook de eerste goesteiyke naast don patriarch In Constanllnopol; aan \'t roomsclie hof: U lol een ambtgonootscbap verhouden voorname geesleiyken ter hesliiring van alle zaken, die bel pausdom en de Kerk he-treiion; - protonotariaat, n. ambt en waar-

VlElllli: lltlUK.

digheid van een protonoiarls; — proton-psoudos, ui. gr. oig. eerste lengen ; eeno val-scho priem Is se in eene sluitrede, valsche vooropgaande stolling in een bewys; — pro-topapas, m. de eerste priester, kardinaal der grleksche kerk; — protopaschioten, pl. eene kettorsecio, die liet Pascha vroeger vierde dan de overige christenen; — protopathie, f. de voorliefde voor iels; ook hel eerste ly-den, de eerste ziekte, die niet door eene andere voorafgegaan of veroorzaakt is; — pro-topathiach, adj. eersl lijdend, eerst zlek-wordend; — protoplasma, u. het oorspronkeiyko beeld of voorbeeld; protoplasten, m. pl. de eerstgevormde (mensclien), eerste men-schen; — protoplastisch, adj. oerstge-vormd, iu den oorspronkelyken vorm; wat dn eerste mensclien beirefi; — protopópo, m. gr.-russ. (vgl. pope) een russlsch opperpriester; — protopraxio, f. Jur. het recht om by een concours hot eerst door den schnide-naar betaald te worden; — protoprosbjS-ter, ui. gr. z. v. a. areh 1 preshyter by de domkerken van eenige sliften, nu gevvoon-lyk deken-, — protoprovinciiüis, m. gr. lat. opperiandverzorger; — protoscholarch, m. gr. een opperschooiopzloner, Inspectiuir van hot onderwys; — protoscholarchaat, n. bet ambt van opperschoolupzlener; — pro-tosobast, m. de eerste minister van het hof te Constantlnopel; protosecrotaris, m. gr.-lat. de opper- of eerste golielmscliryver; — protosomitor, m. gr.-lat. do eerste raadsheer of siadsschepen -. - protoslavisch, adj. lot de eerste Slaven beliolirende {weleer in Thra-clö; vgl. Slaven); — protostasio, f. gr. de opperste plaats, eerste rang; — proto-syncollus, in. do vicaris van eenen patriarch, van oenen bisschop in de gr. kerk; — pro-tosyndïctis, m. gr. opperadvoeaal of opper-reclilor; — prototype, f. het eerste voorbeeld, oorspronkeiyk model; de eerste afdruk of vorm van eis-of snywerk; — protoxydo, z. oud. oxyde; - protozougma, n. Log. eene soorl van zeugma (z. aid.), waarby het woord, dat in den loop der uitdriikklug verzwegen wordt, aan het hoofd staat ultgodrukl, b. v vleit pndorem libido, tlmorem andacia (sell, vleit), de scliaamlo overwint of bodwlngl de wellusllglield, de vrees (over-wlul of heilwlngt) do sloutheld; protozöon, n. een dier op den laagsten trap der orgaul-sclie ontwikkeling, hot onvolkoiuenst hewerk-tulgd dier, aanvangsdlor; ook liet eldiertje.

protrahoeron, lal. (pro-lrah/re) voor-waart si rekken; op de lange bnau scliulven, vertragen, verschuiven, nllsleiion, verlengen; — protractio (spr. Iie=s1e) f. [prolractln) de voorniltrekklng; vertraging, verlegging, het ver-wyi, ulislel; —protractor, m. uw.lal. de voorhaler, een werktuig tot zuivering van wonden ; de iiookopnemer, graadiioog.

protréptisch, adj. gr. (prntreplikm, c, dn, van pro-ln\'pein, voorwaariswenden, aaiidry-

04


-ocr page 1036-

PRO TRIBUNALI

PROVIDENT

1010

ven enz.) opwekkend, aanmanend, vermanend, aanprlkkelend.

pro Iribunali, z. ond tri lui naai.

protubereoron, lal. (pro-tuberare, van tuber, hull, huil, gezwel) op-of ullzwellen;— protubenVntiG (spr. tie=tsie) f. nw.lat. Med. oeno ringvormige verliooglng, oen gezwel, een uitwas, hult; Astron. eene liclitvorliooglng In de llrhtcnde omliulsols der lienielllcliameii;

— protuberanffa oculorum, kalfsoogen, ossen-oogen.

Protutöla, r. lat. (vgl. t u l e 1 a) de plaats-vervangende voogdy; — protütor, m. nw.lat. een hUvoogd, toeziende voogd.

protypographisch, adj. gr. (vgl. I y po-g r a p li I e) vóór do uitvinilliig der hockdrukkunst gemaakt.

Protjfpus, in. ofprot^pon, n. gr. (vgl. typus) voorbeeld, model, monster; — pro-typisch, iiilj. als voorheeld or model dio-nendo of lieslemd; oorspronkelijk.

Prouésso, f. fr. (spr. proe—) dappere daad, dapperheid.

prouveoren (spr. o«=oe) fr. {prouver, v. lat. probare) hewyz.en, pleiten; dit prou-veert voor hem, dat pielt ten zijnen voor-deele.

Provasallus, m. mid.lat. (vgl. vasal) plaatsvervangend leenman, ter verrieliting van de leendiensten.

Provatüra, f. pi., provature (spr. it= oe) it. hulTolkaas, inz. eene soort van goede kleine kaas op Sicilië; — próvelos, pi. it. eene soort van napolitaanscho kaas uit do melk der liuirelkoo.

Provo, z. v. a. prehende (z. aid.); — provenier, z. v. a. prebendaris; — proveniershuis, het gesticht, waar dezulken samenwonen, die voor hun gcheeie leven uit eene geestol(jke slicliting hun onderhoud trekken.

ProvonQulon of provencaalscho dichters, de ridderUjke dichlers der tide en 13de eeuw in /..Frankrijk, d. 1. in Provence en in N.oosteiyk Spanje. Zg heeien ook romantische dichters en tronhadours (z. aid.); — provencaalsch, provencaalscho taal, de eigen taal van /.Klankrijk, thans enkel nog een dialect, voorheen eene zelfstandige schrijftaal naast de noonl-fransche; vgl. occltanische taal; — Provonce-olie, f. (spr. prowdhs—) olijf- of hoomolio uit Provence, d. i. /.Frankrijk, dat oudiyds nis romeinsche provincie den naam Provtncïa (vandaar Provence) voerde.

Provónda, f. it. (eig. mondgedoeite, mond-vooi\'ruad, mid.lat. provenila; vgl. proviand) eene graanmaat in Ancona, van iiyna U I.. Inhoud.

proveniëeren, lat. {pro-vemre) eig. vooruitkomen; daaruit voortkomen, opbrengen, unt of voordeel aanhrengon, opleveren, afwerpen;

— provenióntie (spr. l-li:) f. nw.lat. de herkomst, oorsprong van een uil den vreemde ingevoerd product; — provenu, n. fr. do op-hrengst, het voordeel, de winst; het heifrag.

Proventriculus, m. lat. de vóormaag.

Proverbium, n. lat. (van verbum, woord) een spreekwoord; — pl. proverbïaofpro-verbïën, spreekwoorden, gedenk- of zedespreuken, h. v. die van Salomo; pro-verbe, n.fr. (spr, prowérb\') een spreekwoord; Inz. een loonoelspei, dat op een spreekwoord gegrond is, eene ligzondere soort van fransche dramatische stukken; — proverbiaal, adj. (lal. proverbialis, en als adv proverbialller) spreekwoonleiyk; — proverbiëus, spreek-woordenryk, met spreekwoorden opgevuld, doorspekt, I). v. zulk een sclirgfliant; — prover-baliseeren (spr. s=z), nw.lat. tot een spreekwoord maken.

Proversie, f. lat. (v. pro en verlüre, wenden) de voorwaartsbulglng.

Proviand, f. (il. providnda, provénda, oudfr. provendc, mid.lat. provénda, providénda dus van providcre, hezorgen, aanschalfen) de mondvoorraad, teerkost, levensmiddelen, levens-liehoeften; — proviandhuis, proviandkamer, proviandmagazijn, een huls, eene kamer, een pakhuis enz. voor of met mond-helioeften; — proviandeeren, met spyzen of levensmiddelen verzorgen of voorzien.

Provicaris, m. nw.lat. (vgl. vicaris) een onder- of medepiaatsvervanger; — pro-vicariaat, n. het onderplaatsvervangerschap.

provident, adj. lat. {prooïdens, van providcre, vooruitzien, zich voorzien, zorgen) voor-zienend, voornitzorgend, voorhoilnciilzaam; — providentie (spr. I=ts) f. (lat. promdenCm) de voorzienigheid, voorzorg (van God); provi-den/iae memor, gedachtig aan de Voorzienigheid (zinspreuk op het kruis der koninklyke sak-sische krulsorde der It a u t e n k r o n e); — providentieel, adj. nw.lat. vooruitziend, voor-zorgend, door de Voorzienigheid beschikt; — provideeren, het laatste oliesel toedienen; — provisie (spr. s—t) f lat. (provixïo, het vooruitzien, de voorzorg) de voorraad, Inz. mondvoorraad, verzorging met levensinlddelen (proviand), b. v. winterprovisie, voorraad voor den winter; ook In do r. kath. Kerk eene aanstelling tot een kerkeiyk ambt met eene prebende; Knii. liet recht van zooveel percent, door de bankiers, eommisslonnairs, expediteurs, enz. voor de zaken genomen, die zy verrichten, het hozorgingslooii; — provisie-conto, n. Kmt. de hezorgings-rekening, do rekening van de provisie-geiden; — provisioneel, adj. (fr. provisionnel) en als adv. provisionattler, soms ook wel provisorisch, nw.lat. voorzorgend, voorbehbedend, by wyzo van voorzorg; by voorraad, voorloopig, ondertusschon, tot op nadere bepaling, nader orde, ad interim, enz.; — provisioneel decreet, n. provisioneele uitspraak, f. do beslissing, door welke eene partij voorloopig la hel bezit der betwiste zaak wordt gesteld; — provisor, m. lat. een toeziener, bezorger, meesterknecht; de bevoegde waarnemer, inz. van eene apotheek, van een fonds


-ocr page 1037-

PRO VINCI !•:

PROZA

ion

enz.; provisor impcni, do rijksvoogd, rijkslie-stuurdcrj — provisoraat, n. nw.lnt. dv post van conon provisor, hot wuurnomorschnp-, — provisorisch, z. ond. provisioneel; — provisorto nodo, uil voorzlchtijilield, Ijij wgze vim voorzon,\'; — proviaonum, n. cene acte of een geschrift, waarhU men zlcli voorlooplg tegen toekomstige voorvallen hehoedt, oen he-hoedlngsstuk; ook de loesland van voorlooplgo aanstalten of Inrichtingen.

Provincie, f. lat. (provincia, van vincSre, overwinnen) oorspr. hij de oude Komelncn: een door verovering of erfmaking verkregen gehled, een wingewest; hot gewest, landschap; een ge-deello liimls van oenen Stial, dat een gonver nomen t voor de Justllle, llnanciBn, enz. uitmaakt: een grondgehled hulton liet hoofdland of de hoofdstad van een rijk; In do r. kalh. Kerk ook het district of gehled van eennarts-hisdom; —provincie-roos, f. de gemcene roode tuinroos; — provinciaal, adj. (lat. provinciulis, e, fr. provincial) gewesleiük ; Gram. wat tot oen tongval hehoort; provinciaal hlad, hlad, dat alleen voor de behoeften van een bepaald landschap Is Ingericht; — pro-vincialis of provinciaal, m. uw.lat. de oppertoeziener of overste van de kloosters in een kerkeiyk district; provincialaat, n. liet amiil eu de waardigheid van znik oenen; — provincialisme, n. een gcwosteiyk, land-schappeiyk woord, een taaleigen van een gewest, oen landschap, oord; liet gewestelijk taat-gobrulk, de eigen landscliapsspraak; pro-vincialisooron (spr. s—t), tot een provincie maken.

Provisie, provisor, enz. z. ond. pro-vide n t.

provocoeren, lat. {provoeüre: vgl voce er en) iemand provocoeren, hem uitdagen, tot Iets opwekken, opolschen; iets provocoeren. Iels veroorzaken, daartoe aanleiding geven, het te voorschgn roepen; op iets provoceer on, zich op Iets beroepen; ook hooger huip Inroepen, daarop aanspraak maken (appel loer en), gcrochtoiyk aanspraak op iets verlangen; — provocdmlo, door beroep, beroepend; provocdmlo ml acta, door beroep op do acton of reciitsveriiandelingen; — provo-Cant, m. (prmucans) ,lur. een uitdager, ler-ger, niteisclior, klager, w ie lot rechtertyke handelingen aanleiding geeft, daarlóe uitdaagt; ook = appellant; — provocaat, 111. (provo-cotus) wie opgeroepen, opgeëlsclil, nllgedaagd, getergd wordt; — provocatie (spr. /=/.«) f. (lal. provocatfo) de uildaging, voorroeping, nan-tiltslng, torgliig; uitdaging tot een Iweegevecht; opvordering lol het inbrengen eener klachl lilj liet goreclit; het beroep op een hooger gorechls-liof (a ppel I a t ie); — provocatief, adj. nw lal. beroepend, uitdagend, tergend.

Provoost, m. (oudfr. prevos, provost, pre-vosl, nw.fr. prévdl, provenc. prebosl, sp. prc-bosle, 11. prcvoslo, preposlo, preposilo, v. \'t lat. praeposilus) eig. een voorop of aan \'t hoofd geplaatste, fr. prevÓt (spr. prewó) z. v. a. proost, z. aid.; ook de titel van onderscheiden olllcieren, belast met de zorg, de liaudlia-ving der orde, het bestuur van iets, opziener, overste, voorstander; p r o v o o s t d e r s c b e r m-zaal, danszaal, de voorvechter, voordanser (eene soort van onder-loermeostor); oneig. het strafverblijf der soldaten, waarin zy door den provoost van het regiment gezet worden; Mar. stille rondo, lantarenwachter hij do kruitkamer, cipier, slokkeknocht, roliozor enz,

Proxeneet, m. gr. {proxcmti s, v. proxc-ui\'in, iemand als pró-xems, d. i als oponiyk gast bystaan, in \'I alg. voor hem in do bres springen, zich zyner aantrekken, voor hem iets bemiddelen, bom Iets verschallen) een bemiddelaar, ondertiaiidelaar, inakelaur, koppelaar; — proxeneticum, n. later tal. (gr. proxeni-li-kón) bet inakeiaarsioon, de courtage; — proxenio, f. gr. by de oude (Irieken: staats-gastvrijiieid, bet recht en de verhouding van den openbaren gasl, d. I. van eenen gezant of zaakvoerder van een anderen Staal, omtrent wien, door oenen daartoe door den Staat be-noomden burger (pr exen os), at de pllcliten der gastvrijheid volbracht werden.

proxtmus, u, urn, lat. de of het naaste; proxtmus est siOi quisque, sprw.; leder Is zich zelven de naaste, het hemd is nader dan do rok; proximus sum enamel mihi, Ik hen niy zelven het naast; proarimwt succéssor, ni. de naaste opvolger of erfgoiiaam; —/DWimo (sell. men se) of it. próssimo, Kmt. van do volgende maand; — proxima, f. Kmt. de eorstvoigemle, naaste tijd, dien de trekker van eenen wissel bepaalt; ad proxtmum {sessiunem), tot de eerstvolgende zitting of vergadering; — proxtme, adv. eerstvolgend; — proximiteit, r. (lat. proxi-mïlas) de nabytieid, iiahuursctiap; nauwe verwantschap.

Próxy, f. eng. (samengetrokken uit procuracy: vgl. p r oen roero n) het beheer, do zaakwaarneming, de procuratie; — m. de gevolmachtigde, zaakgotiisllgde, zaakwaarnemer, zaakvoerder.

Proza, f. (lat. prosa, ontstnan uit prorsa, sell oratio, d. i. de voorwaarlsgerichte, recht-ultgaando rede, van prorsus, a, um, naar voren gericht, rcclituil) ongebonden rede, de taal van hel gewone loven, tiet onrijm (In tcgen-slolllng met poëzie); ook eene lal. lofzang in do r. kalh Kerk, waarin bet rym en het gelat der lettergrepen de qnaiitileit vervangt; in do middeioenwen de (aanvaiikoiyk prozaïsche) lekst der sequentlfin (z. aid.), sthhteiyke schilderingen van het leven en de werken der liciilgeii; prozaïsch, adj. (later lal. pro-saicus, a, um) ongebondon, handeloos, In on-rgm, rymeloos, in de taal dos gewonen levens vervat; ook: ailedaagsch, plat, gemeen; pro-zaisme, o. nw.hil. eene eigenaardigheid van den ongebonden, niet dlehteityken styi ; ook de nliedaagschhold, h. v. der uitdrukking, de een-toiiigbeid, h. v. van het teven; — prozaïst,


-ocr page 1038-

PROZY MIETEN

PSALLEEREN

-101\'2

m. ccn schryvor in ongoliondon, nlot dli\'liter-H)kon styi; oon book, wimrln do soquontten staan.

Prozyinioton, pi, (.\'r. (v. zyme, zuurdeeg) clirlstcnon, dlo bU liet Avondmaal gezuurd brood gebruiken; zoo werden de grlokscho chrlslonen door de lalUnscho genoemd; vgl. A z y in Iele n.

prude, adj. fr. (oudtr. prod, prud, fern. pmle, prude, braaf, deugdzaam, wys, v. \'1 lat, probus, zedeiyk goed, deugdzaam, met Invloed, van \'t lal. prwlens, omzichtig, wys) schynzcdlg, zeer Ingetogen, proutscb, schynlielllg; als subst. prudo, f. do scbynzedlge, prcutsebe, stuur-scbe sclioone, schynvroine, sebyiibolllgo; — pruderie, f. de scbynzedlgbeld, preutschbeld, Ingetogonbeld voor het oog der wereld, schyn-eerbaarheld, gemaaktheid.

prudens, lat. (samongotr. uit provtdens) voorzichtig, omzlcbllg, bedachtzaam, verstandig;— prudentie (spr. l=ls) f. (lat. prudeniïa) of prudence, fr. (spr. pruddiis\') t. do vooizich-tighold, onizicbligliold, bedachtzaamheid; — pru-dénter, adv. omzichtig, wgseiyk; — Pruden-tius, m. Prudent:a, r. mans-ou vr.naam: de bodachtzamo, omzichtige.

Pruderie, z. ond. prude Prud\'homme, m., pi. prud\'hom-mes, Tr. (spr. prudómm\'; van oudfr. prml, rechtschapen, vroed; prud\'homme, oon roebt-scbapon, eeriyk man; vgl. prude) zaakkundi-gen enz., scbeldsreclilers ter bemiddeling van oneenigheden tussclien tabrlkanlen, arbeiders, enz. in de fransche fabriekssteden; — Prud\'homme of Joseph Prud\'homme, fr. deftige, steeds in spreuken zich uitende enon-noozolo burgerman, een door llenri Monnlor geschapen type.

Pruina, f. lat. (van prunum, pruim) hel dauwachtig waas over do pruimen, prnlmen-siof; — pruinosus, a, urn. Hot. Iiedauwd, bc-rypl, als met een dauvvachtig waas overtogen, b. v. de pruimen.

Prunél, n. (eng. prunettn, fr. prunelle, f.) eene fijne dichte zyden slof; eene wollen stof, ook lasting gehocten.

Prunéllen, f. fr. pi. {la prunelle, de slee-pruim, verkiw. v. prune = lal. prunum, pruim) v. a. brunellen, liever brignolen (fr. briiinoles, spr. brienjól\' of prunes de liriijnoles) Katbarlna-prnlmon, byzonder schoone, eerst van de pit ontdane, geschilde en dan gedroogde pruimen, die in/., in en by de stad IUI-gnolos In Krankryk, maar ook in Franken-ianii groeien.

Prunélzout, n. (nvv.iat. sul prunellae, van \'t lat. pruim, gloeiende kool) eene witte massa van grofstralige breuk, uit salpeter, die In de roode gloelbilte gesmollen is, en eenig zwavel herelil.

prunus, f. lat. de prulmehoom; prunus ar-meniura, de abrikoos; p. avium, kriekeboom; p. cerasus, morelleboom; p. domeslica, do gewone prulmeboom; p. laurocerasus, io laurier-kerseboom; p. padus, de troskersehoom; p. spinusa, de sleeboom; — prunifolius, n, um, lat. Bot. prulmhiaderig; — prunine, f. nw. lal. de gomstof alt pruimen, ook per as Ine, z. aid.

Prurigo, f. of pruritus, m. lat. (van prurïre, jeuken) do buidjeuking; eene ontydige aandrift, ontydlg verlangen, hevige begeerte;— prurieus, lat. Bot. jeukend.

Prussiacum acidum, n. nw.lat. (van Prussta, Pruisen) Cliem. eig. Pruisisch zuur; het blauwzuur; — prussiiiten, n. pl blauw-zuurzouten; — prussienne, z. p e r u v 1 o n n e;

— prussino, f. of prussiaan, n. een radicaal in Beriynsch-blauw, van yzerliiauwzuur, enz.; — prussophiel, ial.gr. een Pruisen-vriend.

Prytanen, in. pl. gr. {prylunis, pi. pry-laneis) in het oude Athene eene commissie van quot;)\'i raadsleden, ilie in den raad en de volksvergadering voorzalen; — prytanêum, n. (gr. prylanCïon) een openbaar gebouw le Aihene, waarin lie pry la non hunne maaliyden biel-den, en waar levens de mannen, dlo zich om-trent den Slaat verdlensteiyk gemaakt hadden, levenslang ondorliouden werden; — prytanée, in. fr. eene groote krygsschool te Parys voor de kinderen, die op koslen van den Staat worden opgevoed; — pry tanie, f. gr. iprylaneia) de Ujd van :iquot;gt; of :ilgt; dagen, gedurende welke do grleksche p r y 1 a n e n de zaken des volks bestuurden.

Psalis, f. gr. (psnlis, van psdeln, schaven enz.) de schaar; het gewelf, de boog; —psa-lidium, n. (gr. psalidlon) een schaartje; een klein gewelf, hooggewelf; Med. het zoogenaamde gewelf In de hersenen; — paalidóma, n. het gewelf; de binnenste schedelviakle.

psalleeren of psalteeren (lat. psai-hre, v. \'tgr. psdllein, in \'talg. aanraken, inz. de snaren tokkelen, een snarenspeeliulg bespelen) psalmen zingen of lezen; met luider stem bidden; —psallénda, n. pi. lat. eig. het te zingene, gezangen, een beurlzang op lielllgo dagen in de r. kalh. Kerk; — psallétte, f. fr. eene school voor koorknapen, koorzangersscliool;

— psalm, in. (van \'tgr. psalmós, eig. snarenspel) een vroom lied, plechtig gezang tot Gods eer; inz. de grootendeeis aan koning David toegeschreven geesteHjke gezangen in den hybel;

— psalmist of psalmograaf, m. gr. de maker der psalmen in den byhel; ook In\'t alg. een psalmzanger, maker van geosteiyke liederen ; - psalmodie, f. het afzingen der psalmen, bet psalmgezang, de zangwyze dor psalmen; — psalmodieeren, zingen, psalmzingen; zonder stomhulging zingen of lezen, verzen of proza op eentonige wys voordragen, opdreunen; — psalmograaf, m. een psalm-schryver, psahudichter; — psalmographie, f. de psalmdichimg; — psallodes of psal-lödiseh, in de gedaante van een psalto-rio ii, citbervorralg; — psalter, in. of psal-terïon, gr. en psalterium, lat. n. een


-ocr page 1039-

PSEUDO -

PSAMMOS

101.3

zeer oud snarenjpoolliilg In ilcu vorm van con Keknul Ion driehoek mot lil rgen snaren van ijzer- ol koperdraad, waarop men met een (jze-ren rootje of krom staafje sloog; hel bybelsthe psalm- of gezunnlioek; een zeer lange rozenkrans der nonnen In sommige kloosters; de dorde maag der herkauwende dieren; — psaltrïa, f. oene eitherspeolstor en zangeres liü de oude Romelnon.

Psammos, m. gr. hol zand; Mod. liet graveel, de zandachtige slof, ille zich In de nieren of In do plshlaas ontwikkelt; — psam-mismo, n. de loozlng van zandige pis liij den niersteen; ook oen warm zandbad; — psjllll— modes of psammödisoh, adj. zandig of gruizig; psammomantiG (spr. t=ts) f. do zandwaarzeggerU, voorspelling uit zand.

Psapharösis, ook paaphorósis en psaphyrosis, of psatharosis en psa-thyrósis, f. gr. (v. pstipharos, pmthurns of psalhyrós, murw, los) Mod. hel hrosworden der hoenderen; psathyrótes, f. murwheid, llJnwrUfliaarlield.

Psatyrianen, m. pl. eeno arlanlseho serie van de 4de eeuw.

Psolaphetiok, pselaphotika, f. quot;(van pscluiihnn. aanraken, betasten) de leer of kunst om Iets door helasllng le onderzooken en Ie konnon; — pselaphie, f. de hetasting, wrg-vlng mol ile handen.

Psellisme, n. gr. (van psellidzein, stiimo-len, psellós, stamelend) hel slainelon, stotteren.

PsophLsma, n. gr. {pmiihima, van psr-phiiheslhai, met een steentje, psrphos, stemmen) een volkshesluil, bij mocrdei held van stemmen in de volksvergadering genomen; pl. pso-phismata; psophokratisch, adj. door meorderheld van stemmen regeoreude; — psophopaektao, pl. sieonspelers en pse-phokloptao, pl. sloendieven, guoctielaars liij de oude (\'.rieken

psoudo - of psoud—, gr. (van pscii-lt;lns, ii. leugen, verdlelitliig, pseudes. onwaar, gelogen, enz.) valscb, onechl, misleidend, bo-drloglUk enz., in sumonstoilingcii geliniikel(|k, h. v. psond-akóë of psoud-aküsis, f. do gehoormlslebllng, oen gehoorhedrog, waarby de lydor lonen boort zonder nitwoiKligo aanleiding ; — psoud-cesthesis, f. de gevoelsmisleiding; - pscudali\'u.i, adj. verdiclil, schijn-haar, h. v. morbus pscudalcm, eeno sebynbare

zleklc; psoud-angolio, f. vatsche 1......1-

scbap; — psoud-aphio, f. (vgl. ha pil scb) misleiding van bet gevoel of den tastzin; — psoud-apostöma, n. Mod. een valscli et-tergezwel; paoud-arthrösis, f. een valsch, onwaar gewriehl; dc^ iiü een nietgo-heeidi! bcenderbrouk btyvende hewecglUkbi\'id der gehroken elndon legen elkander ; psoud-asthma, n. valsehe (door een gezwel veroorzaakte) ongborstlglioid; - pseud-iater, m. (van iulrós, geneesheer, arts) een kwakzalver, valseh, voorgewend geneeshoor; — paoudo-apostol, m. een valsebe apostel; — psoudo-blepsïe, f. hot valsehzien, de gozlebtsmlslcl-dlng; elk ooggebrek; paoudo-chriaten, m. een onechl elirlsten, schyncbrlslen; — paou-dochrysolïth of bout elite-steen, onechte chrysoltth, groene obsidiaan (z. aid.);

— psoudocyêaia, f, de onware zwangerschap; - paeudo-diptéroa, m. (vgl. d 1-pteres) een tempel, wier col slechts met eeno zuilenry Is omgeven, torwyi do liissclion-ruimto tusscben cel en zullen twee ryen liet \\er-waebten; — psoud-odontöaia, f. ziekeiyko

of vatsche 1.....Ivormlng-, — psoudodoxie,

f. (van (lóxu, meening) valsebe meening, ilwaal-hegrip, dwaalleer; paoudodoxologio, f. de leer van de dwalingen of vatsche meeningen; — paoudo-epigrapha of liever pseud-opigrapha, pi. (van epinniphein, opsebryven, een opschrift geveh) verkeerd of valsch loegeschrevon, d. I. niet van den als zoodanig benoemden schrijver afkomsllge schriften; — psoudogousro (van neusis, het proeven, smaken) valsebe smaak, smaakmlsleidlng;

— paoudograaf, m. do schrlftvcrvalschor;

— paoudographio, f. de schrift vervaiscblng;

— paoudographvim, n. een valsch, ondor-geseboven goschritl; — paoudo-Iaidorua, m. de vatsche Isldorus, scbryver van eeno pau-setyke verzameling van d e c r e 1 a i e n (de p s e u-do-lsidorische decretalen, tussction Kilt en H.\'gt;7; vgl. bl spa na) onder den naam van den heiligen isldorus, aarlshlsscbnp van Se-vlila (gost. uittil-, paoudokardiófïtnus, m. valsebe harl- of maagpyn-, paoudoka-tabróais, f. (van kulabrosis, het stikken) tiet zoogenaamde door \'I verkeerde keelgat slikken;

— psoudokloteia, f. (van kh leücin, voor hot gerecht roepen) valsebe dagvaarding voor de rechtbank; valsehe getuigon-ondorloekenlrig;

— paotidokrisia, f. vatsche, onvolkomen krisls; — paoudoloog, m. een leugenaar; — psoudologio, f. het valsehsprekon, de leugen, onwaarheid; valsehe leer; paoudo-mantia of psoudomant, m. een leugen-aebtig voorspeller, een leugenprofeet; — psou-domartyrio, f. de valsehe getuigenis; — paoudo-modïcua, m. gr.lat. z. \\. a. pseu-dlater; psoudomombraan, f. gr.lat. of paoudomóninx, t. gr. een valsch vlies, door \'I uitzweeten van stromhare lynipha ontstaande; paoiidomoaaïas, ........vatsche

m ess las (z. aid.); — paeudomola, f. gr. lal. Med. een valsebe of schynhare moederkoek; — paoudomorphoom, n gr. (van mnrplwen, vormen, gedaante geven) een valseh of zieko-lyk gevormd doei; paoudoraorphóais, f. ziekelijke vorming; — paoud-on^mua, m. (v. Anyma = aiioma, naam; vgl. anoniem) een vaisehnamige, onder een valschen naam verborgen persoon; een sctiryver, die een ver-dielilen naam aanneemt; paoudoniom of paoudonymiaoh, adj. valschnamlg, mol verdichten naam; paoud-onymio of paoud-onimiteit, f. de valsebnamigheld, verborgenheid onder een valschen naam; paoud-


-ocr page 1040-

PSYCHE

PSI

1014

opaal, m. ecu oneclilo npnal, kuttonoog; — pseudo-paradisiseh, ndj. vnisch piiradUs-achllg, wordt Riilirulkt oin die volken aan Ie dulden, aan wlen do natuur alios, wat /.U voor liet loven beliooven, ook nu nog verschaft, ten gevolge waarvan zü echter In diepe harbaarscli-lield IdUven voortleven; — psoiidoparasie-ten,pl. woekerplanten of-dieren In scliyn, zulke, die wel op organische llelianieii leven, maar niet hun voedsel uit deze trokken; — psou-doperipneumonie, f. z. v. a. psoudo-p n e u in o n 1 e; — psoud-opie of pseud-opsie, f. (vgl, opsis) het valschzlen, do go-zlchtsmlsleldlng; — psondophilosoof, m. een valscho, onechte wijsgeer, zulk een, die de wysbegoerte tot nadeel van den godsdienst aanwendt; - psoudophthïsis, f. valscho lering, schUnterlng; - psondoplasma, n. val-sclie vorming, ziekelijke vonnlng; — pseudo-plouritis, t. het onecht zijdewee; — pseu-dopneumonie of psoudopnoumoni-tis, f. de scliynlmre longonlsteklng; — pseu— dopoliop, f. een scliynpoliep; — psondo-profeot, m. een valsche profeet; — pseud-opsio, z. p s e n d - o p i e; — psoudorasis, f. (van hnrasis, hel zien) hol ingobeolde zien, de geziclitsmisieiding; — psoudorchoocö-le, f. de schünliaie Imilireuk; — psoudo-ro-publiek, f. schUnropuhiiok; — pseud-orexie, f. (vgl. o r e x 1 o) do valscho hongor-prikkel; — pseud-orizon, m, valsche horizon; — pseudoskoop, m. de valsciikijker, een optisch werktuig, door \'I welk men de voorwerpen anders meerit te zien, dun zij wezenlijk z.yn, h. v. hollen als hoogten, en omgekeerd; — psoudo-Smerdis, m. de valsche Smerdls, een magiër, die zieh voor Smerdis, don vermoorden hroeder van Kamliyses uitgaf;

— pseud-osmie of psond-osphrasie, f. de ingeheelde reuk, reukmlsleldlng, ontwaarwording van nlel aanwezige riekende dingen; — pseudostöma, n. eene valsche heenvorming; — psoudostudiósus, oi. een naam-student; — psoudosyphïlis, f. venerisch gelykende zweren; — psoudothanatos, m. de schyndood; — paeudothyron, n. oono valsche of lilinde deur, de aclilerdeur, gelielme deur; — psoudotoxio, f. cone In de hei ia-do n n a ontdekte slof; - psoudo-turkoois, m. groen geverfde fossiele lioonderen, lot sieraad aangewend, valsche of oneciiie turkoois;

— pseud-ydropisio, f. (vgl. hydropl-sl e) valsche of schynliare waterzucht; psou-dozöisch, adj. schynhaar dierlijk;—pseu-do-zoanën, n. pi. naar dieren gelykende planten.

psi, do grioksche letter !ƒgt;quot;, V (ps); een dagvlinder.

Psilöma, n. gr. (van psi los, é, An, kaai, psiloen, kaai maken) een kalo plek, hel kaal-zyn; — psilósis, f. het kaalmaken, het verlies van haar, van wenkhrauwen on oogharen, het kaaiworden; — psilöthron, n. z. v a. d e p 11 a t o r I u m; — psüöthrisch, adj. ontharend, kaal makend; — psilometrie, f. (v. psilós, onelg. naakt, hioot, zonder gezang) het niet door muziek begeleide heldendicht (epische poiSzlr) by de oude Grieken.

Psimithos, psim^thos, m. of psi-mithion, psimythion, n. gr. hel loodwit.

Psittacisme, n. (v. \'1 gr. psillakos, lat. psillucm, hoogd. psitlich, de papegaai) papo-gaaigosnap, de vaardigheid in liet gebruik van woorden, die men niet verstaal, het onverstandig napraten; — psittacmi, pi. op den papegaai gelykende vogels; — psitlacinus, a, um, Kot. papegaai-groen, levendig, geeiacblig groen.

Psóa, f. gr. de lende- en nierstreek; — psoas (sell inusculus), m. de lendesptor; — psoas-abcés, n. verettering in de lende-spier; — psoitis, f. de ontsteking van de londespier.

Psóra, f. gr. (v. psdein, schaven, krassen) Med. de schubbige sehurfl, ruldlglieid, volgens It a line man de onderdrukte sehurfl, uil welke de meeste chroniscbo ongesteldheden zouden ontslaan; — psoralëa, r. sehurfl kruid; — psoriasis, f. het schurfiig- of ruidig-worden; de schurriachtlge melaalschheld; — psoncum of psorïkon, n. pi. psorïka, scliiirftnild-delen, geneesmiddelen legen de schurft; — psorisch, adj. schurfiig, ruidig; — psoro-miasma, n. de aansiekingsslof der sehurfl, het sciiiirftvergifi; - psor-ophthalmie, f. de schurfiaciiligo onistekliig der oogleden, oogschurft; — psorospermïën, n. pi. vvoc-korwormen der visschen.

Psyche, f. gr. (psychc, oorspr. iidom, v. psychcin, ademen) de ziel, de geest; ook een vlinder, ais zimieheeid van het leven en de on-sterfeiykheld der ziel; Myth, de minnares van Amor, die ais eene uitstekendo schoonhcid met vlindervieugelen wordt voorgesteld; ook: een grooto staande spiegel, die door dames by hel aankieeden gebruikt wordt; Asir. een in ls;gt;2 door de Gasparls onldekie asteroïde; - psychisch, adj (gr. psychikós, c, ón) den geest, do ziel iietreilende of daarin gegrond, b. v. psyehiscbe ziek 1 en; - psychagoog, m. ziel bestuurder; zieivorkooper; — psycha-gögisch, adj. {psych-aiiogós, ón) zieibesiu-rend, levenbehoiidend; — psychagöga, psychagogika, n pi. Med. middelen tegen onmacht en schyndood; — psyehagogie, f. de zielbesturing, de levensonilerliouding; — psyeh-ontonie, fr. (vgl. entonie) overmatige geostinspannlng; — psych-ontó-nisch, adj. geest-inspannend; psychiater, in. (van iatrós, arts) eon zieioillirts; — psychiatrie, f. de zielgeneeskundo; — psychiatrisch, adj. zieigeneeskuiidlg; — psychisme, n. do piillosophischo leer, dat de ziel iels sloiïeiyks of vioeiliaars is; ook do loer, dat z.y Iets zuiver geestelgks en iioven-zinneiyks Is; — psychist, m. aanhanger van die leerstelsels; — psychognosio, f. do kennis van de zlelekrachl, van \'i zielsvermogen; — psycholoog, m. een ziollooraar.


-ocr page 1041-

PSYCHROLOG IE

1015

PTYALALOGA

zlolkumllgo, onderzoeker der ziel; — psychologie, f. de zieleleer, zielkunde, de welenseliap ■van den luird, do vermogen», de veranderingen en werkzaamheden der ziel, als de draagster van liet geestelijk leven; — psychológisch, adj. tot de zielkunde lielioorende, zielkundig; — psychomachio, f. een ziels- of gemoeds-stryd; — psychomantis of psycho-mant, m. een geestenbezweerder, geesten-liarmer; — psychomantio (spr. t=ls), f. lt;le gewaande geestenbezwering, geestenlmnnlng;

— psychonomie, f. de leer van de wetten der ontwikkeling van het zleleleven; — psychonosologre, f. de leer van de zielsziekten; — psychopannychio, r (van pan-njchins, geheelnaehteiyk, elg. den garisehen nacht durend) de zleleslaap; doodslaap lot aan lt;lo opstanding; — psychopannychieton, m. pi. ziele- of doodslapers, zij die aan den ziele- of doodslaap gelooven; — psycho-physiok, t. de leer van de heirekkingen tusschen lichaam en ziel; — psychopóm-pos, m. (van pémpcin, zenden, geleiden) de zloiengelelder; Myth. hUnaam van Hernies of Mereurlus, die de zielen der overledenen naar de onderwereld voert; ook de hijnaam \\an Charon (z. aid.); — psychosis, f. lt;van psychoen, hezielen) de hezieling.

Psychrologie, f. gr. (van psychrös, d, én, koud, koel) koude, smakelooze rede, platte taal; — paychrolusie, f. hel koudhadm;

— psychx\'olutron, n. een koud had; — psychrometer, m. elg. koudometer; een werktuig om de voehtlglieid der lucht Ie melen; — psychrometrie, f. de koudeme-llng, de meling van de voehlighehl der lucht;

— psychrophobie, f. de vrees voor koud water; — psychrophobisch,adj. de koude schuwend, bang voor koud water; — psy-chroposïe of psychropósis, f. bet koud-lt;1 rinken; — psychrospermasio, f. de koud-zadlgheld, het zoogen. koude zaad; — psy-chrospormatïcxis, m. iemand, die koud zaad heeft, een koudzadige; — psychro-spermatisch, adj. door een te koud zaad •veroorzaakt; — psyehrotër, in. een afkoe-ler, waaier; — psychrótisch, adj. (van psychroen, koud maken) verkoelend, uil koude voortspruitend.

Psydracïum, n. gr. (psydrdkion, verkiw. van psydrax, van psyilrós — pseiulas, leugenachtig, valsch) Mod. een jeukend waterblaasje of -hianrlje, inz. op don neus en de punt der tong, elg. leugenblaasje, omdat men geloofde, lt;ial het ontstond, wanneer Iemand gelogen had);

— psydracïa, n. pi. vaische schurft of rul-diglield, schurfiachtige uilslag.

Payktor, m. gr. (van psychcin, ademen. Moten; afkoelen) een verkoeler, koelvat, — psyktïka, n. pi. Mod. verkoelende geneesmiddelen; — psyktisch, adj. verkoelend, koudmakend; — psyxia, f. de verkoeling, Jifkooling.

Psyllion, n. gr. of psyllium of psyl-liekruid, n. (van psyllu, f. vloo, bladvloo) vloolenkruld, vlooienzaad; — psyllia, n. pi. Mod. huidvlekken, bloedvlekken (om de geiy-kenis naar de viooionboet).

Psyxis, z. oud. psykter.

Ptarmicum, n., pi. ptarmica, gr. {plarmikd, van ptaircin, niezen) niesmiddelen, nieskruid; — ptarmisch, adj. tilezingver-wokkond; ook door nlozen veroorzaakt.

Ptelöa, f. gr. (pleléa) de lep, do olm, de olmboom; de d r 1 e li 1 a d e r 1 g e piel e a, de lederbloem, een slruikachtlg pronkgewas la \\. Amerika.

Ptoris, f. gr. (van plerón, veder, wegens z.yne gevederde bladeren) hel varenkruid, varen; pleris aquihna, arendsvaren; — pleH(lt;li)folius, a, urn. Bol. vleugelbladerlg.

Pterodaktylus, m. gr. (v. pliron, veder, vleugel, en ddklylns, vinger) z. v. a. or-n 11 li o e e p h a I u s, z. aid.; pteroidisch, adj. vieugeivormig; — pteröma, n. de vleugel van eea gebouw; ook z. v. a. porilcus; — pterophórisch, adj. vleugeldragend;— ptóroptis, m. pi. ptoropóden, voetvleu-geligon; de vliegende hond, eene soort van groolo vleermuizen in O.indiö; — pteryx, f. do vleugel; Anat. neusvleugel; — pterygium, n. (gr. plerygion, elg. een kleine vleugel) Med. de nagel of vleugel op hel hoornvlies; — pterygödea ot ptorygódiach, adj. vieugeivormig; — pterygopalati-nisch, adj. led de vleugolsgewyze uilslceksels van hel wiggehoen en hel verhemelte behoorende.

Ptilöaia, f. gr. (v. plilon, donsvedor) bel ruien der vogels; hel uitvallen der haren; Med. inz. het verlies van wenkbniuwen en oogharen; ook de eoltachtlge ontaarding der oogloden (omdat een gevolg daarvan niet zeiden liet uitvallen der oogharen is).

Ptisano, f. gr. (plisdnf, v. plisscin, gerst, enz. pellen) of 11 sa no, f. fr. gerstewater, een gerstedrank, koeldrank, gezondheidsdrank; verdund afkooksel of opgletsel.

Ptochiater, ni. gr. (van ptochós, bedelaar, en iülrós, arts) een armondokler; — ptochiatne, f. do armengeneeskundo; — ptochodochium, n. (van iloclüinn, een berg- of hewaarinlddel) eene armoniieriierg, een hedelaarsdoelen; ptochokomium en ptochotrophöum, n. een verploglngsbuis voor armen.

Ptolemeeus, gr. {I\'lolemaios, v. plnlcmos = pólemos, oorlog) inansn.; de krygshaftlge.

Ptosis, (. gr. (v. piplein, vallen) de val; Med. de zakking, b. v. van hel bovenste ooglid; ook voor uit- of doorzakking, z. v. a. prolapsus; (Irani, z. v. a. casus (z. aid.)

Ptyalalöga, n. pi. gr. (v. plya/on, speeksel) speokselafvoerendo middelen, geneesmiddelen, die de lluimloozlng bevorderen;—ptya-Irne, n. Cbom. de spoekselslof; — ptya-lisme, n. gr. (van plyulid:ciii, veel spuwen) Med. menigvuldig spuwen; de speekselvloed (sa 11 val ie).


-ocr page 1042-

PUERIEL

1016

PTYSIS

Ptysis, f. gr. (vim pljein, spuwon) het spuwen; — ptysma, n. het uitgespuwde, opgchruchto, de opwerplng viiu tluimeii; — ptysmagöga, n. pi. geneesmiddelen, die de afscheiding van het speeksel hevordoren-, — ptysmatischotisch, adj. door onderdrukking van de lluhnloozlng ontstaan.

Pu, eone chlneescho lengte- of wegmaat, ongoveei\' = { tsjang = 1,428 M.; ook een chlneescho vlaktemaat = -i.K M\' (z. k I n g) en een Japansche vlaktemaat (z. tsjoetio).

Pubos, f lal. de schaamstreek, schamel-held; het haar der schaamdeelen ; de manbaar-helil; — pubëros, pl, manhare, liuwhare Jonge personen; — puberteit, f. (lat. pit-bértas) de manhuarheld, huwhaarheld, geslochts-rüpheld, mondigheid, do rijpe, ter voortteling gcschlkle leefiüd; — pubesceeren (lat. pubcsr(re), manhaar worden; — pubescent, adj. {pubéscens), manhaur wordend, r(|pend; l$ot. met lijn zacht haar hezet; — pubosoóntie (spr. l=ls), f. nw.lat. het ontkiemen van het schaam- en baardhaar; het manhaurworden; de heklecdlng niet zacht haar of dons.

pubUcus, a, urn, mij. als adv. pubfice, lal. (afgek. publ.), ook publiek (fr. public, pu-blique), oorspr. wat het volk, den slaat, de gemeente hetreft; openiyk, openhaar, voor aller oog, Iedereen, algemeen; algemeen hokend, wereldkundig; — pubfica auclorilale, met openhaar gezag, d. 1. met de toestemming of goedkeuring der overheid, of volgons hooger hepallng; pu-blicue concnrdiae pignus, onderpand der open-hare eendracht (opschrift der medaille tot aandenken van de fransche Jull-rcvolulle); pubffcum meritorum preiïum, openlijk loon der verdienste (zinspreuk der honganrsche Si. Stepli!Ïnils-orde; — publica, f. eeno rekenmunt in Napels, ongeveer •gt;; cent ncderl.; — publicum, publiek, n. hel algemeen, het gezamenlijke volk; do grooto gemeente, Inz. de leeswereld, do schouwhurgwereld, het grooter of kleiner getal personen, dal leest, den schouwhurg bezoekt, enz., de menschen; tot welzijn van \'I publiek, tot algemeen welzijn-, in \'t publiek komen, zich openlijk verloonen o( laten zien; een publicum (sell, coll eg In m), eeno openbare voorlezing, vrije voorlezing op hoogoscholen (In tegenst. met prl va tu m, privaat- of bijzondere voorlezing); — publicaan, in. (lal. publkiinm) een tollenaar, oad-romeln-scho lol of belaslingpaebter; — publicee-ren (lal. publicare), openbaar maken, openlijk bekend maken, afkondigen, verspreiden, ullge-ven, in \'1 licht geven, algemeen verkrijgbaar stellen, h. v. boeken, lydscbrlflen, enz.; — pu-blicandum, n. pi. publicanda. Iets dat bekend gemaakt moet worden; — ad publican-dum, tol naricht; — publicolum, openlijk bekend gemaakt, afgekondigd; — publicatum of publikaat, n. bet hekend gemaukto; — publicatie (spr. l=ls) {pubHcaCio), pu-bliceoring, f. do bekendmaking, openlljko aankondiging, afkondiging, uitgave, verschijning.

b. v. van een dagblad, een boek; publicatfn bonürum, de openlljko verbeurdverklaring (co n-flscatle) van bet vermogen; - publicist, m. nw.lat. een slaalsgeleerde, een slautsrccht-kenncr, hU, die over het staatsrecht schrijft, daarin onderwijs geeft ; een schrgver over openbare aangelegenheden, z. v. a. journalist; publicistiek, publicistika, f. de leer van bel staatsrecht, de staatswetenschap; — publicistisch, adj. slaatsroclitelljk; — publiciteit, f. do openlljkbeid, openbaarheid, ruchtbaarheid, algenieene bekendheid.

Puce, z. couleur do puce.

Pucelle, f. fr. (spr. pu-séll\'; mid.lat. pu-cella, II. pulcella, oud-mid.lat. pulicella, verkiw. van \'1 lat. pullus, Jong, Jong dier, en dit van puellus, samengelr. uil puerülus, verkiw. van puce, knaap, kind) de maagd; lu puccllc il\'Or-léans, de maagd van Orleans (Jeanne d\'J/r, die onder Karei VII de stad Orleans, welke door de lingelschen belegerd word, ontzette); — pucelage, f. (spr. —pu-s\'ladzj\') de maagdom, de maagdelijke staat, soort van klelno porseielnscbeip; ook een halsband van chenille met van voren afhangende kwasten.\'

Pud (s|ir. poed), n. russ. z. poed.

Pudding, m. eng. elg. de In eenen dook beslagen en gekookte meelklomp, koek In den zak; ook eene lljnere, in een vorm bereide meelspljze van verschillende soort; — puddingsteen, m. een uit roinio stukken vuursteen en een kwarlsachtlg bindmiddel bestaande steoasoorl, Inz. In Engeland.

Puddlingwerk of het puddling-frisschen, n. (van \'1 eng. puddle, morsen, omroeren) In de inotaulsmellerljen of sinelihul-ten; hot roorwerk, de wyze, die men in lin-gehinil volgt om het Ijzer in don vlamoven te frlsschen, d. I. uit hol ruwe Ijzer het smeedbare yzer, staalijzcr, to bereiden; — pud-dlingoven, m. een roeroven, een vlamoven voor roorwerk.

Puddy, z. poeddy.

Pudenda, pi. lat. (v. pudijre, zich schamen) de scbaamdoolen, geslachlsdeeleii, scba-melheid; — pudendagra, f. lat.-gr., pijn In de schaamdeelen; — pudeur, f. fr. (lat. pudnr) de schaamacbtlgheld, schaamte, eerbaarheid, kuiseiilield; — pudica, f. lat. [pudlcus, a, urn, schnauiachiig) de schaamachllgc, kul-sclie, eerbare-, pudiceeren, zich schamen; — pudicitia (spr. l—ls), f. of pu-dicitoit (fr. pudicilé) f. do scbaaniaciitlgheld, oerbaarheid, kulschbeld; — Pudicitia, f. ook de godin der knlschheid, enz

Pueblo, m. sp. plaats, vlek, dorp.

pueriel, lat. {puenlis, e, v. pucr, knaap, kind) kinderachtig, Jongensachtig; — puorilïa, n. pl. klnderacbtlgboden, klndergrappon. Jongensstroken; — pui\'ri pueritta tructunt, kinderen doen als kinderen; pueriliteit, f. (lal. pucriiïlas) klnderachllgheld, kiaderachtlg gedrag; — pueritïa, f. de kindsheid, do knapenleeftljd.


-ocr page 1043-

PUERPERA

1017

PULSUS

puerpora, r. lat. (v. puer, kind, en pa-rere, Imron) eeiiü kruumvrouw; — puorpo-raal-koorts, do kimunvrouwonkooils; — puerponum, n. liet kruumbcd, kinderbed.

Puorta, f. sp. do poort.

Puérto, m. sp. (= lat. partus, it. pnrlo) de haven, zeehaven; ook oen enge pas tusschen twee berucn, inz. In de l\'yronoBn, z. v. a. port.

PufiF, m. en)?, (elg. Iets opgolilazens, opgezwollens) eene pochendo, kwakziilverachtlge aanprijzing, lottaltlng, enz.; eene op leugenachtige overdryvlng herustende grap.

Pugilatus, m. pugilaat, n. of pu-gilatie (s|ir. I=ls), f. {puniluCIn, van pugil, de vuistvechter, v. puynus, do vuist) het vuist-vechten, de vuistkamp; — pugilist, m. uw. lat. een vuistveciiter, karniivechter, worstelaar, hokser; — pugilistisch, adj. op vulstvech-terswyze; — pugilismo, n. de vuistkamp, worstelsirüd, tioksparty; — pvigillus, in. lat. eig. eene kleine valst; eeno handvol; Mod. eene vingermaat, zooveel als men van kruiden, liloe-men, enz. met duim en twee vingers grijpt, een greepje; — pugilomótor, m. de vuist-krachtnieier.

Pugnacitoit, r lat. (puunaeftas, v. pu-gnax, strydiustig; pugna, f. stryd, gevecht) do strydlust, strydzuciil.

Puissance, r. fr. (spr. pwi-saiis, als ware \'t lat. possentia voor polentta, v. possens voor polens, v. posse, kunnen) de macht, liet vermogen, de heerschappy, hot gezag; do vermo-gondiieid; — puissant, adj. (spr. pwi-saii), machtig, veelvermogend; pulssan t-ry k, schatryk.

Puits, m. fr. (spr. pwi) hroa, put; puits arlésiens (spr. —tièii) z. artesisch o putt e n.

Pul of poul, aigemeeno henaming der perzischo koperen munten; weleer eene perzl-scho en georgische rekenmunt = ^ sjuhi = jnVff \'oman en van verscliillende maar geringe waarde (iels meer dan | ceni).

pulchellus, (i, nut, pulcher, -ehra, -rhrum, lat. bot. sleriyk, schoon, fraai; — pulcherri-mus. «, urn, lal. Hot. zeer schoon, zeer fraai.

Pulchomis, m. en Pulchena, f. (v. \'tiat. Jiulcher, schoon), mans- en vr.naam: de schoone, iiefeiyke, aanminnige; — pulche-rino, f. nw.lai. een scliooiibOidsmiddei voor de huid.

Pulcinella, m it. (spr. poellsjinélla) de potsenmaker, hansworst in \'I Italiaansche Idg-spol, z pollchlael.

Pulogmm, n. lat. het vlooienkruid, z. v. a. polei, z. aid.

Pulgada, f. sp. (spr. poel—, van pulgnr, duim, van \'t hit. pollex) vóór IHM een sp. duim, t\'j voet (plé, z. aid.).

Puliahs of pooliahs, z. oud. paria h.

Pulk, m. (rass, polk, poolsch pólek, pulk, missciilen verwant met volk) een troep, vaandei of oscadron kozakken; ook In \'t algemeen z. v. a. corps, regiment.

Pullariërs, m. pi. lat. {pullarfw!, v. pullus, jong hoon) iiocnderoppansers lgt;y de oudo Romeinen, de verzorgers van de gewydo hoenders, uit welker eten de wichelaars de toekomst voorspelden; ook die kiekenwichelaars zeiven;

— pullomantïo (spr. l=ls), f lat.-gr. do waarzeggerij door hoenders.

pullulOGron, lal. (jiiillularv, v. ])nlluliis, een Jonge tak, spruit) welig groeien, opschieten, sterk verrnonigvuidigeii; pullulatio (spr. l—ls), f, nw.iat. de welige ontkieming, sterke vorinonigvuidiging.

pulmonaal, adj. nw.iat. of pulmo-nair, lat. (pulmonanus, a, um, van puhno, genii, pulmonis, de long) de longen hetretlendo of ilaartoe helioorende; de longziekte genezende;

— pulmonana, f. het longkruid, eene tuinplant van ondersclieidene soorten;- pulmo-mo, f. nw.iat. de longzucht, longtering; ook longontsteking; — pulraonisch, adj. lat. (pulmonéus, u, um) longznciitig, de longen be-trelTcnde.

Pulpa, f. lat. liet vleezige aan dieriyko lichamen; in apotheken: liet vleezige of iiel merg der worlds en vruchten, liet moes; in het dageiyksch leven pulp, f. (fr. pulpe) liet voor veevoeder gebruikte, van de heetwortcl-suikorfuhrleken afkomstige uitgeperste vruehten-vleesch of-moes der beetwortels; pulpeus, adj. (lal. pulpusus, a um) vieezig, mergachlig;

— pulposus, a, um. Kot. bryachilg, pappig; — pulpositeit, f. nw.iat. de vieezigheid, merg-achtighehl.

Pulpét, n. (van \'t lat. pulpflum, z. aid.) een lessenaar, een standaard of knaap met een schuin, afbangend vlak, om daaraan te lezen, te scbryven, muziek ie maken.

pulpous, z. oud. pulpa.

Pulpïtum, n. lat. een lessenaar, een sprookgestoelte, kansel (katheder); inz. do verbeven plaats op liet voorlooneel (proscenium) de oud-roni. schoiiwinirgen, alwaar do sprekende personen slonden.

Pulque, m. sp. (spr. poelke) een aige-moone drank in Mexico, uit het gegiste sap der agave. (Aguve mexicana); afgetrokken zijndo wordt (lil sa|i een hedweimemie drank, mexi-cal geileden; — pulqueria, f. een winkel, waar die drank verkocht wordt.

pulsate el aperielur vnhis, lat. klopt en u zal opengedaan worden.

pulsus, m. lat. (van puUt\'re, stooten, slaan) do slag, aderslag; de slagader (arterie), wegens de kloppende beweging, pols; — pul-simantie (spr. l=ls), f. lat.-gr. de waar-zeggery uil den polsslag; — pulsimóter, m. een polsmeter, werktuig om de snelheid van den polsslag te bepalen; — pülsie, f. (later lat. pulsto) de slingering; de stoot, slag;

— pulsoeren (lat. pulsurc), slaan, kloppen;

— pülsans, m. eig. de kloppende; donaasto tot bel vervullen oener opengevallen pastorlo in do r. kath. Kerk; pi. pulsanten, aan-kioppers, zy, die in een kiooslcr wensclien opgenomen te worden, eene openslaande pastorlo


-ocr page 1044-

PULT1PHAAG

1018

PUNCTUM

to vorvulloii; ook wol op sommige plaatsen de klokluiders, die hy de sladskorkon zyn aange-sleld; — pillsatiof, adj, kloppend j pul s a-lleve pyn of bcwoging, Med. pünlijke klopping van ontstoken gezwellenpulsa-tille, r. nw. lal., do koukenschel, liytwortel, liet windkruld, een langlevend peulgewas; — pulsatie (spr lt;=/«), r. lat. (pulxafïo) hot slaan, kloppen, In/, van het hart, de polsslag; het periodiek zwellen en samentrekken van den straal van nilstroomond water; — pulsatio aurtum, t. Med. het oorkloppen; capitis, het hootdkloppen, Inz. hot kloppen der slapen; p. cordis, het hartkloppen; — pulsometer, m. of pulsomoterpomp, f. een door den Amerikaan VV. Hall uitgevonden watorpomp-werk, (not stootsgewyzen (op den pols gelg-kenden) stoomdruk zonder aanwending van oen mlgor.

Pilltiphaag, m. Ial.gr. (pulliphtiuus, v. \'t lat. puls, meelhry, en \'I gr. phagein, eten) een hryeter, papeter.

Pultarak, z. p o 11 u r a.

Pulver, n. lat. pulvis, m. (genlt. pulvëris) elke, naar slof gelykende, fljn gewreven zelfstandigheid, Inz. als geneesmiddel, poeder, slof; pl. pulvcres, poeders; pulvüres composili, samengestelde, gemengde poeders; pulvis nero-phurus, hrulspoeder; pulvis Alqarolhi, Chem splesglanspoeder (naar zijnen nitvindor henoenul); p. anglicus, eng. poeder tot sehooiunaklrig van metalen voorwerpen; p. mlimoniulis, spiesglanspoeder; j). Charl/iusianörum, v. a. karthulzerpoedor, z. aid.; p. chrysocerau-mus, z. v. a. aurum falmimns: p. denlifricius, tandpoeder; p. fulminans, slag- of knalpoeder; p. grossus, grof poeder; p. slomachicus, maagpoeder; p. sublilissimus, allerfijnst poeder; p. tempSrans, neerslaand, hodarend poeder; p. lormenlarius, buskruit; — pulveraticum, n. (van pulvis, f. veld, kampplaats; oneig. arbeid, moeite) Jur. arbeidsloon, Inz. hel loon der landmeters; — pulverine, f. liet klaringspoeder van Appcrt; — pulveriseeren (spr. s=2), nw.lat. lot poeder maken, In stuf veranderen; — pulverisiltie (spr. -ta-lsie] poedermaklng, het veranderen eener stof in poeder; — pulvlrülentus, a, urn, lat. Itot. slollig, bepoederd.

Pulvinus, m. lat. een kussen, bolster; Hot. eene kleine verhevenheid, een uitstekend deel; — pulvülus, m. lat. (verklw. v. pulvinus, kussen) Med. een verbandkussen, grooto ronde plukselwiek, plukselkoek; — pulvil-lutn, n. nw.lat. een meslbcd; — pulvi-narium, n. een met geneesmiddelen gevuld zakje of doosje; ook hij de Ouden een kussen of bed, waarop de beelden der goden hy de ollermaaltyden rondom eene tafel vol kosteiyke gerechten geplaatst werden; —pulvinifórm, adj. Dol. kussenvormig.

pulvis, enz. z. pulver.

Pulwilne, m. bgd. (wellicht verbasterd uit poolscb polowanio, de jacht?) een opgezette berkhaan ten gehrulke hy de jacht op berkboenders.

Puma, m. peruaansch, do amerikaansche leeuw of roode tyger, ook p a g 1 en k u g u a r geheeten.

pumex, m. lat. (genlt. pumïcis) de puimsteen;

— pumiceeren, (lat. pumicure, met puimsteen afwryven, schuren.

pumilus, lat. Itot. klein, dwergachtig.

Pun, n. eng. eene woordspeling; — ook een japansch gewicht z. meh.

Punaise, f. fr. (spr. pméz\') weegluis-, ook: kleine koperen sllflje met lijne punt en zeer grooten platten kop.

Punamu-steen, de byisteen, niersteen, van hel talkgeslacht, in Nieuw-Zeeland gevonden.

Punch, 1) f. eng. (spr. puntsj) een bekende drank, pons (uil bet hlndostansch pantsj, sankr. panlsja, vijf, omdat deze drank 3 be-standdeelen telt: suiker, arak, lliee, water en citroenen); — punch-bowl, m. (spr. —hooi), de punschkom, ponsbeker, ponsscbaal; — punch-essence, f. (spr. cssans\') of punch-extract, n. geest van punch, punchulttreksel, de bestanddeelen van punch of pons zonder water; — 2) m. de hansworst of polichinel in bet eng. poppenspel (eene afk. v. Punchinello, van \'t it. pulcinella, z. aid.); zyne vrouw beet Judy, d. 1. Judith; ook de naam van een boertig en spottend eng. lydschrlft.

Puncheon, n. eng. (spr. pmtsjen: fr. poincnn, z. aid.) eene vochtmaat = 381,001 L. (vgl. tun).

Punctum, n., pl. puncta, lat. (van pun-steken) of afgek. punct., elg. de sleek; oneig. eene stip, een iiliel, punt, Inz. het sluitieeken van een geBindlgden zin, ook bel afkorlingsteeken hy een afgebroken woord (vandaar punctum! ais uitroep: klaar, \'lis uil!) Geom. de grens, de aanvang en het einde eener lyn; ook een bepaald deel, afdeeling van een gescbrifi -, het onderwerp van de rede of hel gesprek, de omstandigheid, zaak; betrekking, op het punt zyn, enz.; vgl. polnt; — punt-diertjes, z. ond. monas; — pnncla diaere-süos, pi. lat -gr. deel- of scheipunten boven klinklellers, b. v. poBet, i\'haelon, enz.; punctum litis, lat. hel voorwerp van den twist, den stryd, inz. den reehtsstryd; p. salicns, n. bot sprlngpunt, broeipunt, de tred In bet el der vogelen; oneig. bel boofdpunl, waarop alles aan-komi; in punclo of enkel puncto, ten opzichte, betrelTende; punclo adullcni, wegens echtbreuk; p. ilebïti, ton opzichte der schuld; p. furti cl vilac vagac, wegens diefstal en omzwervende levenswijze; p. liomicidïi, wegens moord of doodslag; scx/i (sell, mandali, ge-bods) ook wel punclo puncli, met betrekking tot het Ode gebod of tegen het Ode gebod; p. slupri, wegens verkrachting; — puncticüln, n. pl. nw.lat. puntjes; Med. z. v. a. pet echo n;

— punctie (spr. l—s) of punctuur, f (lat. punclïo, puncliira) de steek, pl. puncturen. Mod. eene opening door middel van eenon prik


-ocr page 1045-

PURGEEREN

PUNDIT

1019

ot sleek, of do doorboring van con Igdonildeoi; tiU hookdrukkers: Iwoo nan de llmpann der pers aangosclirocfdc punten om licl lo bodruk-ken blad vast tc houden en den schoon- en weerdruk juist tegenover elkander te hrengen, ook de daardoor In bet blad geprikte Raatjes, pu net ii u rgaa IJ es, slIftRaatJes; — punc-toeron, pvinteoren, uw.lat. met punten lieteekoncn, hestippen, stippelen; de voorlooplRe voorwaarden van eene overeenkomst opteeke-nen; Kmt. zyne betalingen ullstellen; punc-teerkunst, punteerkunst, stipreken-kunst; de waarzegkunst uil stippen ot punten; by graveurs; gepuneteerde manier, do gestippelde wijze, gestippeld; Muz. gepunc-teerde aoten, geslipte noten, zulke, die door aehterplaatslng eener slip de belli langer worden; — puuctütio (spr. lie=lsic) r. het eerste ontwerp, plan, verdrag of overeenkomst; ook de stippolkunst, eene soort van waarzeggerij door puiilen;—immialus, a, um, lat. Hot. gestippeld; — punctuatie (spr. tie=lsie) I. de puai- of toekenzeiting, de zinscheiding door hel piaaisen der zin- en scbeilcekens; punctueel, adj. (tr. poncluel) punielUk, slipt, zeer nauwkeurig, streng; —punctualist, ni. een zeer slipt, nauwkeurig menseb; — punctualiteit, f. de siipliicid, nauwkeurigiieid, gestrengheid iu het handhaven der orde, grooto opiettcndheid.

Pundit, m. ijui. een iirahmaansoh schrifl-geieerde in imlië.

Punodar, m. turk. sjaal om iiei hoofd.

Pung, n. eng. in Amerika eene slede met lt;Scn paard bespannen.

Pungal, m. een Indisch feest, dat icr eere van do zon in Januari wordt gevierd. (De naam beteckent eig. rystenbrU, en wordt aan dit feest gegeven, onuiat men deze spgs dan der zon tea oiTor brengt).

pungént, adj. lat. (pünoens, van pung Ure, steken) stekend, scherp, butend.

punicaefolius, a, urn, lat. ISot. granaatboom-Waderig.

punisch, adj. lat. (punïcus, a, um) de l\'u-niërs of PlioenieiBrs, en inz. de Kartiiagers be-treiTende, van lien afkomstig, bun eigen of toe-bohoorende; valsch, trouweloos, verraderlijk, ■woordiireukig (omdat de Kartiiagers, naar de ])08chuldlging van liunne vyandon, de Koinei-nen, zich gedurig aan verraad en woordschen-ding schuldig maakten); vandaar punisclie trouw, z. ficle.i punica: punisch (eleodo-rlsch) was, schilderwas, waszeep tot scbilde-ren, door de PiimniciCrs uitgevonden en tut ingebrand wasschilderwerk gebruikl, z. en-ka u s 11 e k.

punissable, adj. fr. (v. punir, stralTen) strafbaar; — punitie (spr. l=s) f. lat. (pu-tiihn, van punire, siraffen) de hestrailing.

Punn, m. eene oostind. munt in liengalen = comp. ropy = IJ cent.

Punsch, z. punch.

Punt, enz. z. p o i n I. p u n c 1 u m en punta.

punln, f. li. (spr. poenla = fr. pointe, van \'t lat. punutre, steken) de punt, spits; ]gt;unlii il\'arcn of p. dell\'arco, Muz. de punt van den strijkstok; — puntóllo, n. eene slui aan houw-of beeldwerk tot bevestiging en verbinding van vrijstaande deelen.

punteeren, enz. z. oud punctum. Punto, m. sp. de punt of streep, vroeger de kleinste spaansche lengtemaat = iinea = T|T puigada (z. |)ii5).

Pupil, m. en pupille, f lat. (pupillus en puptlla, eig. verkiw. van/(«pus, knaap,

meisje, pup) de voedsieriing, pleegzoon en pieeg-docbier, de onmondige wees onder liet toezicht eens voogds; —pupil, f. (lat. papilla of ;»i-piilu, d. I. eig. klein meisje, of in \'t aig. kindje, menschje, zoo geheeten wegens het spiegelbeeld des beschouwers in liet oog van een ander) Anal de gezichtsoponing, do oogappel; — pupilvorming, de vorming van een nieuwen oogappel, wanneer de naiuuriijke vóórhel licht onioegankelijk is geworden; - pupil-lair, adj. (lat papillaris, e) weezen of on-mondlgen betrelTende; ook iot den oogappel lie-hoorende; - pupillariteit, f. nw.iat. de minderjarigheid.

Puppis, f. lat. achtersteven, spiegel van een schip; — in prnra cl puppi, voor en achter, overat.

Puranas, pi. (sankr. sing, parana, n., als adj.: ini de oudheid behoorende, van poerd, oudigds) eene soort myiiiologisciie gesciiriflen der Indiërs, die te geigk historische sagen bevatten.

purchase, eng. (spr. parisjees) koopen. pure, pure pule, ■/.. oud. p u u r.

Puree, f. fr. (v. purer, afschuimen, v. par, zuiver) Kookk. een moes of brij van door een zeef gewreven erwten of andere peuivrnchten; — purée de pomme.i, iijngewreven aardappel-moes; ook = jaune indien (spr. zjoon cii-didii) n. kameeipis, een uil Indië en Ciiina komende geie verfstof, die volgens sommigen uit huiïelpls of kameeigai gewonnen wordt, volgens anderen hel met talkaarde ingedikte sap eener onbekende plaid is.

purgeeren, lal. (purqare, v. purus, rein, schoon) reinigen, schoon, zuiver maken; inz. het iichaam, den iiuik of de ingewanden reinigen, afvoeren (laxeeren); ,lur. zich van eene heschuidiging zuiveren of bevrijden; zich reclit-vaardigen, zich willen sciioonmaken; zgde ter opneming van verf toehoreiden; bet purgeer-v I a s, eene vlassoorl in Ziild-liuropa; de p u r-g eer kers, eene soort van kruisdoorn, ook eene iiangkers; purgeerkorreis (qrana li-fllii) do zaadkorrels van een oostlndlscben boom; het purgeorkruid of de purgeerwinde, eene soort van winde in Syrië (ai de genoemde producten dienen lot purgeormlddeien, d.i. middelen lot buikzuivering); de purgeernool, do hraaknoot, do vrucht van een amerikaan-schen boom; do purgeer pruim, z. my roll a la nu s; purgeerzout, bilterzout; — pur-


-ocr page 1046-

PURIFICEEREN

PUTREDO

lO\'iO

gantïa (spr. I=ls) n. pl. Mcil, hulkzulverondo «f afvoerondo mlrtilelon; — pürgans, f. nw.-lat. oen afvoorond, hulkzulvorond mlddol, üük oen purgatief en pui\'KOOi\'mlddel, n.; — purgatie (spr. 1=1.1) I. (lal. purnatlo) bulk-zuivorend miildel; do Koroclilolljke rcchtvaardi-KliiK, zuivering, vcronlschaldlKlnK, verantwoording;— purgalfo alvl, Mod ImIkzulvorlnR; p. conlumaiïue, do vorontscInddlKlns voor den roch-ler wegens ongohoorziuim wegblUven; /). men-slnïa, maandolykscho zuivering or reiniging; morae, de opholUng dor nadcollge gevolgen van een met liet recht strydig verzuim; purgatorium, n. z. v. a. juraménlum purgalo-rium, z. aid.; ook oen zuiveringsmiddel; hy dn K. Kath. liet vagevuur.

purificooren, lat. {puri/irare, van pu-rus, u, um, rein, zuiver, z. puur) of fr. pu-rifiëeren [purifier) zuiveren, reinigen, seiioon-maken, louteren; — purifloatie (spr. /=/.«) T. de reiniging, zuivering; purificaCfo Marine, liet feest (2 Fehr.) dor reiniging van Maria, haren tempelgang na hare hevaillng; puriflcall e-eed, de zulveriiigseed; — puriflcato-rïum, n. nw.lnt. een handdoek der r. kalh. priesters lot kerkelijk gehrulk; — purisme, n. taalzuivering, het zuiveren der taal van on-noodige vreemde of verkeerd gevormde woorden; do overdreven IJut lot taalzuivering, do taalvlttery; — purist, m. een taaizuiveraar, taalzifter, taal- of woordonvilter (In togens. mot lm purist, een taalhevlekker, taalvorhasleraar); — puristerij, f. de overdreven zucht voor taalzuiverheid; puritoit, r. lal. ipunlns) de zuiverheid, reinjiold, gelouterdheld; zuiverheid van zoden, kuischheld, onschuld; — Puriteinen, m. pl. nw.lat. reingeloovigen, z. Pre shy terlanen; — puritanisme, n. het puriteinendom, do leer der reingeloovigen.

Pürim of purimfeest, n. hehr. (van poer, lat., een perz. woord; vgl. het perz. pii-raft, sluk, deel, en bnhrah, deel, aandeel, lot, noodlot) eig. het feest der loten, dat de Joden in Maart (den tiden en ifiilen Adar) lot aandenken van den hun door Naman tocgedach-ten ondergang vieren; zie het hoek Esther, hoofdsluk l\\

Purisme, purist. Puriteinen, enz. z. ond. purificooren; — puros, m pl. sp. elg. do reinen; volhiood-koningsgozindon (royalisten), oeno polllleke party in Spanje.

Purper, n. (lal. purpiira, van het gr. por-phyra, f. elg. de purperslak) purperkleur, do kosthaarste hoogroode kleur, in de oudheid uit hel vocht der purperslak horeld; een purper of purperkleurig gewaad, purperkleed, purperman-tol, iiiz. der kardinalen, onelg. schoonheid, glans, prachl, kosthaarhoiil enz.; — purpiira, f. Med. de purporkoorts, scharlakenkooris; — purpu-rascens, lal. Itnt. purperaclitig; — purpura-ton, m. pl. (lal. purpura lus, In het purper gekleed) in het purper gekicode kardinalen; ook Ghem. purperzure zouten-, — purpurfus, n, um, lat Bot. purperkleurig, donkerrood; — pur-purine, f. nw.lat, Chom. het kraprood, niee-kraprood; — purpurino (spr. pnerpne—) of porporino, m. II. oen door koperrood bruin geverfde, oiidoorzichlige glasvloed; — pur-puriet, m. nw.hil. eeno versteende purperslak; — purper korrels, ■/.. kermes; - pur-perzuur [purpuncum aefdum), een dleiiyk zuur, uit de pis voortgebracht.

pur-sang, fr. (spr. puursdii) volbloed, van echt ras (Inz. van paarden).

purulént, adj. lat. [purulénlus, a, um, van pus, genlt. purts, otter) etterend; — pu-rulónta, n. pl Med. ottormakendo of -voort-brengende middelen; — puruléntie (spr. 1= Is) f. (later lat. puruleiifta) do ettering, het etteren; — purulescóntie (spr. t-ts) f, nw.lat. de verettering.

purus, z. p u u r.

Puschtu, n, z. pocschtoe Puseyisme, n. do leer eoner godsdienstparty, gesticht (sodeit ISllll) te Oxford door professor Pusey (spr. pjnezi), die door aanneming van de kerkeiyke tradition, door wederinvoering van de vasten, de kerkboete, de mis, enz. er naar streeft om do angiicaansche of bisschoppeiijko Kerk het katbolicisme naderbü Ie brengen en bet rationalistische prolestantlsmo te licslrydeii; nu gewoonlijk ritualisme ge-hoeten; — Puseyiet of Puseyist, m. aanhanger van die loeren godsdlenslpariy; ook Tractarlaan (eng. Traclarian, omdal deze leer bet eerst in de sedert isilil uilgcgevon tydtractaten [Tracis (or Ihe limes] to voor-schyn trad).

pusillaniom, adj. lat. (.pusillanimis, van pusillus, klein en aiïfmus, goesl, gemoed) kleinmoedig, versaagd, blonde, bevreesd, laf; — pu-sillanimitoit, f. (laler lal. pusilldiiimflas) de kieiiimoedigheld, versaagdheid, iafharligheld.

pustulous, adj. (lat. puslulusus, a, um, van puslülu, puist) puisiig, puisterig, vol uitslag.

Puszta, f., pl. Puszten (spr. u=oe) bong woeste, maar ten deele grasiyke heiden, steppen in Mlddon-lfongaryc, met afzonderiyk liggende boerenwoningen en inz. als weidon voor \'I vee gehruikt.

Put, z pool.

Putana, z. pull a n a.

Putatie (spr. Iie=lsie) f. later lat. (pulaiïo, van puliire, moenen, geiooven) do meening, het daarvoorhouden; — putatief, adj. (laler lat. puldUvus, n, um) vermeend. Ingebeeld, daarvoor geacht of gehouden, vermoedeiyk; put a-liet buweiyk, een huwciyk, dat door een der pariyen wordt aangegaan zonder kennis te dragen van een wcrkoiyk bestaand beletsel

Putrêdo, f. lat. (van puier, pulris, pulre, rot, verrol) do verrotting; — putrofleooron (van \'tlat. pulrefucUre) tot vorrotting brengen, ontliinden, doen vergaan;—putrefactie (spr. lie—sie) f. nw.lat. de verrotting, bederving, ont-biniiing, hei vergaan; — putresoeeren,lal. (pulresclre) verrotten, rotten, llt;d verrotting overgaan, bederven, verduiTeii; — putrescén-


-ocr page 1047-

PYRA MI UK

PUTTANA

1021

tie (spr. tie=l.iie) r. nw.lat. hot verrollen, bedervenputrescibol, mij. verrol liaar, aan de verrotllng onderworpen; — putrïde, adj. (r. (lal. putridus, a, urn) rol, verrol, bedorven; lol vcrrolllng genolKd; — putridi-teit, f. nw.lal. do verrolllngsloesland, de rotlioid.

Puttana of putana, r. ll. (van pulla, meisje) eene boor, veile deern j — putto, in. pi. putti, kleine knaap. Jongen; In de beeldende kunsl; naakte, dlkwyis gevleugelde kln-dergeslallon, engeltjes, enz.

Puttings, f. pl. of puttingwant, n. Mar. louwen, die, aan de pu 111 ng-yzors vaslgemaakl, van onder den masl schuin afdalen en, door \'t onderwant gaande, aan den masl bevestigd z.yn, en tot vastzetting van bet slenge-want dienen.

puur, adj. (lat. piirus, a, wn, en als adv. pure) rein, zuiver, onvermengd, onvervalscbt, klaar, beider, schoon; onvoorwaardelijk, zonder beperking, b. v. eenen wissel pure accepteeren; bloot, enkel, louter, niets dan, enz.; puruspu-lux, niets dan oen kenner van zyn vak, die van andere dingen niets verstaat; pure pule, louter, slechts, enkel en alleen.

Puzzolana of pozzolana, f. it., poz-zolaan-aardo, vulkanische tufsteen, eene vulkanische aardsoort, waaruit een mortel bereid wordt, en die Inz. by l\'ozzuoll of l\'uz-z.uoio In Hallo veel voorkomt.

Pyanepsiön, m. een lierfstmaand der Alheners, waarin de pyanopsia, hot boonen-feost, ter eere van Apollo en Artemis gevierd werden.

Pyeeraie, f. (v. gr. pflnn, otter en halma, bloed) Mod. ellorbloed, een soort van bloodbe-derf; — pysemiach, adj. daarop betrokko-tyk, daarmede behept; — py-okchysis, f. gr. Med. de etterullslorting; — py-omosis, f. hel etterbrakon of ettorspuwon; — pyësis, f. (van pyrin, etteren) de ottorlng.

Pyoniet, m. slangsteen, een soort van topaas.

Pygmeeën, m. pl. gr. (slng. Pygmaios, d.1. als \'1 ware een ventje als eene vulat, v. pyi/mc, de vuist) Myth, fabeiachllge dwergmenschen; zeer kleine, nleligo menscbon; — pygrnö, f. eene gr. lenglemaat (van den elleboog lol aan de gesloten vulsl); — pygmoGïseh, adj. dwergachtig, zeer klein, nietig, onbeduidend; — pygmaeus, a, urn, lat. Bot. dwergachtig.

Pygmalion, m. gr. een fabelncbtlg koning van Cyprus, oon bekwaam lieeidluni-wer, die, daar hy geen meisje naar zgn zin kon vinden, zich zeiven er een uit elpenbeen vervaardigde, en nu zoodanig op dit meesterstuk verliefde, dat hg V e n a s smeekte, dit te-veniooze beeld te bezielen. Do godin verboorde zyn gebod, en dit bokooriyk wezen werd zyne gade.

Pykniet, m gr. (van pykniis, lt;7, dn, dicht, stevig) slangsteen, eene soort van topaas; — pyknoakoop, m. uen door Zomock uitgevonden werktuig ter bepaling dor soorigoiyko zwaarte van poedervormige lichamen; — py-knostylos, adj. dicbiziiiiig; — pyknosty-lon, n. Arch, een dichtzullig bouwwerk, waarin do zullen anderhalve zulldikte van elkander staan; — pyknósis, f (vanpyknoen, verdichten) de verdielilliig, verdikking; — pykno-tika, n. pi. iMoil. verdikkende gonoosiniddeion;

— pyknotisch, adj. verdlkkerul; — py-knotroop, m. een soort van serpeniyn.

Pylados, gr. mansn.: de trouwe vriend en onafscheideiyke gezel van Orestes (z. aid.), voor vvlon by in den dood wilde gaan; vandaar oen trouwe, zlcb opolferonde vriend.

Pylon, m. gr. (van pyle, dear) do deur, poort, ingang; do deur- of voorzydo, gevel; Inz. een hoog, byna lorenaeiitlg gebouw aan don ingang van ogypllscbo palelzen en lompcis; — pyloklastrum, m. oen werktuig om poorten te doen openspringen; — pylorus, in. {pyl-urös, eig, do deurwachter) do portier, het recblerelndo van do maag, waar zy hi den twaalf-vingerigen darm overgaat, de henodonslo maag-mond; — pylörisch, adj. tol den poriier tio-hoorende; — pylorieton, m. pl. tweeschallgo scheipdiereii, welker scliaion niet recht op elk-ander passen.

Pyocarcinoma, n. (v. pgon, etter) Mod. do etterkanker; — pyocêle, f. gr. Med. de etterbreuk;—pyocenösis, f. ellerontiasting;

— pyochosïo, f. etterbuikioop, ollerafgang;

— pyocooliG, f. de ettorbuik, vorzamellng van etter In do bulkliolle; — pyooystis, f. de ellerzak; — pyoëmësis, f. braking van etter;

— pyogoncsis of pyogenie, f. de etter-vormlng; pyogénisch, adj. otlerverwok-kend, eitormakend; pyohpemio, f. de ol-torigheid van hot bloed; - pyomötra, f. ver-zaïnollng van otter in de baarmooder; — py— ophthalmic, f. de etterige oogonlstoking;

— py-ophtgalmus, m. een etteroog; — pyoplame, f. do ettorverdoling of -verzakking; — pyopoösis, f. z. v. a. pyogene-sis; — pyoptysis, f. de loozing vaa etter-iluiiuen; — pyorrhagie, f. de sterke ettor-afseheldlng uil eene zweer; — pyorrhoea, f. ellerafvloeling, elteraclillgo buikloop; py— ösis, f. ettering, vorelioring; pyothorax, m. do ettorborst.

Pyramo, m. fr. eene kleine soort van kort-barlge bolognoezer hondjes.

Pyramido, f. (gr. pyramis, van \'1 egypi. pirnmi) egyptischo spilszull, zonnDziili, straal-zull, groolc, overoude sleonen gevaarten, welker vier opwaartsgaande zyvlakkon zich ia eene spits voreenigen, eene pronknaald, grafnaald, tydnaald; Math, de spitszuil, een lichaam, dat door een rocliiiynig grondvlak begrensd eu door driehoekige zyvlakken Ingesloten Is; —pyra-midaal, adj. {pyramidulis) spitszuilig, splts-tooloopend, als eene pyramlde; — pyrami— daal-dodokaödor, z. oud. d o d o c a d I e k;

— pyramidïon, d. I. eig. kleine pyramlde; Arch, de pyramlodvorniige spits cener obelisk;


-ocr page 1048-

PYRAMUS

1022

PYRIA

— zich pyramidoeron, den vorm conor pyramldo hchhen, spils tooloopon.

Pyramus on Thisbo, tir. een pnar min-nenden le Babylon, wier teodere liefde, zoo min dour du ouders als duur het lol bOKunsllgd, een uriKelukkl); einde nam.

Pyrargyriot, n. (van gr. pyr, vuur en drgyros, zilver) anllmunlumzllverlilende.

Pyrauliok, pyraulika, f. gr. (van pf/r, vuur en autós, buis) de vuurbewoglngsloer, leer van de beweging ut duurvloeling van bet vuur.

Pyronoeiot, m. eeno variatie van den granaat, In de 1* y r e n ic ü n; — pyrenaeicus, o, urn, lat. Hot. van de l\'yreneen.

Pyretêrmm, n. gr. (van pyr, vuur) de vuurhaard, dat gedeelte van ecu ebemlseben oven, dat bet vuur bevat; — pyréthrum, ii. (gr. pyrclhron) de tiertrum (welker naam uit pyretbrum ontstaan ts), het bertramkruld, de kwülwortel; — pyrethrine, f. eene eigen stof van den bertramwortel; — pyrotine, f. brand-luirs, eene uit de lampolie afgezonderde, naar een plantenhars gelijkende stuf.\'

Pyretlka, n. pi. gr. (van pyrtlós, kourts-liltte, koorts, van pyr, vuur) Med. kourtsver-dryvende middelen; — pyrétisch, adj. koortsachtig; kourtsverdryvend; — pyretïon, n. eene lichte koorts; — pyrotogonio ut py-retogenesio, f. bet ontstaan en de ontwikkeling der koorts; — pyretographie, f. de koortsbeschryvlng; — pyrotoloog, m. een koortskenner, beoefenaar der koortsloer; — py-rotologio, f. de koortslecr; - pyretoló-gisch, adj.de koortsleer betreltende; — py-rexie, f. (gr. pyrexis, v. pyréssein, de koorts hebben of krygen) de koortsaanval, bet koorts-krygen.

Pyrgos, m., pl. pyrgoi, gr. een toren, Inz. vestingtoren, een torchaclitlg gebouw; ook een op raderen beweegbaar belegeringswerktuig;

— pyrgoom, n.een op auglet gelykend mineraal.

Pyrheliometer, m. gr. (v. pyr, vuur, hehos, de zon en mi-tron, maat) een zonne-warmtemeter.

Pyrta, f. gr. (van pyr, vuur) Med. een droog zweetbad, heet zand-of stuumhad; een warme omslag; — pyriphlegotön, z. v. a. p b l e-getbon, z. aid.; — pyrisch, adj. vurig; — pyriet, n. (gr. pyrites) eig. vuursteen; zwa-veikies, kattengoud; — pyrieten of pyri-toidon, in. pl. kiezelstukken in schelpkalk, kryt zand; — pyritologie, f. beschryving iler kiezelsoorten; pyritueus, adj. kiezelacb-tig; — pyroballist, m (van hdllein, werpen) een vuurwerker; — pyroballistiok, py-roballistika of pyrobeliek, pyro-bolïka, t. vuurwerp-en vuurwerkerskunst; — pyrobologio, f. vuurwerkerskunst;-py-rodmalith, z v. a. p y r u s in a 111 li (z. aid.);

— pyrodynamïka, (. de leer van de krachten der vnurs; — pyro-oloktricitoit, f. do duor vuur en warmte ontwikkelde elektriciteit, Inz. In kristallen (toerniaiyn); — pyro-elektrisch, adj. door warmte elektrisch go-worden ; — pyrogalluszuur, n. door sublimatie uit goed gedroogd galnoten-extract als witte, blnderlgo, reukoloozo massa vorkregen, by de pbotograpble ter oplossing der zilverzouten dikwijls aangewend; — pyrogonosïe, f. bot ontslaan, de voortbrenging dos vuurs; — pyrogenétisch, adj. vuurverwekkend; — pyrogónisch, pyrogoen, adj. uit hot vuur ontstaan; — pyrolater, in. een vuuraanbidder of -vereerder; — pyrolatne, f. (van lalriia, dienst, godsdienst) do vuuraaulilddlng, vuurveroering; — pyr-oleïne, f. met monio gekookte raapolie, soort maclilnosmeer; — pyroligniet, n. azynzuur looduxydo, looil-sulker; — pyrologie, f. do vuurloer; leer van bot vuur , — pyrológisch, ailj. tot de vuurloer beboorendo; — pyrolusiot, n. gemeene bruinsteen, eene soort van inangaanerts; — pyromachioten, m. pi. (van pyrómachos, hot vuur weerstaande) veidspaatbaebtlgc mine-rallen;—pyromamo, f. do vuurwuedo, de zucht om vuur aan te leggen, brand te stichtenpyromant, m. een vuurwaarzegger;

— pyromantio (s|ir. I=ls) f. do vuurwaar-zoggery, vourspoliing, Inz. uil hot ulVervuur; — pyrométer of pyroskoop, m. oen vuurmeter, werktuig tot meling van booge bitle-graden, of eig. van de ultzottlng der vaste 11-chamon door bet vuur; — pyromotrie, f. de vuurmol Ingsloor, vuurmoetkunst; — pyro-morphiet, n. groenloodcrls of pbosphorzuur loodoxyde; — pyronomïo, f. de vuurleiding, kunst der vuarvordeoling; — pyroop, m. eig. vuuroog: een bloodroode, schuhblgo granaat uit Uohemon; — pyrophaag, m. oen (voorgewend) vuureter, vuurvreter; — pyropha-gie, f hot vuureten, vuurslikkeii; — pyro-phaan, m. (van p/iainein, scbyiien) een opaal, ilie dour inznlglng van gesinultoii was duorzicli-tig wordt; vgl. liydrophaan; — pyro-phórus uf pyrophoor, m. eig. vuurdra-ger; zelfontbrandor, eene sluf, die van zelve In de lucht ontbrandt, geiyk b. v. de phosphor (z. aid.); — pyrophórisch, mij. vuurdrn-gond; zelfonlbrandend; — pyrophotogra-phie, f. vervaardiging van llchtlieeldon up sinoll-baar grondvlak met smelthare kleuren; — py-rophysalith, m. z. v. a. pbysalltb; — pyrosideriet, n. schubbige brulnyzorsteen;

— pyrosis of pyrosie, f. (van pyrncn, branden) In \'talg. het branden, do brand, de ontbranding; Mod. do ransige oprispingen, branding in de maag; gloeiende aangezicblsrood-beld; — pyroskaaf, f. pyroskaph, n. (v. sluiphos, schip) een vuurbuot, een stuum-viiartuig; — pyroskoop, z. pyrumoter;

— pyrosmaüth, ook pyrodmalith, m. parelglimmer, eene steensoorl, die zoulzuur yzer, mangaan, enz. bevat; — pyrosöma, n., pl. pyrosömon, liehtwormen, lichtende zeedieren met een kraakheenacbllg, byna duorzlchtlg liebaani; — pyrosophie, f. de vuurwyshold. Iron, voor scheikunde; pyrostatika, f.


-ocr page 1049-

PYRRIIA

4023

Q

do leer van liet evenwicht des vuurs; —py-rotochniek, pyrotechmka of pyro-tochnio, f. do vuunvork- of vuurwerkerskunst, do vuurworkerU; — pyrotéchnisch, adj. daurtoo belioorendo, vuurwerkkunst!).\'; — pyrotelegraaf, f. (vgl, telegraaf) oen vuunvgzer, vuursolnor, een werktuig, om hU nacht don afstand van oonon brand te hopa-len; — pyrothoologio, f het howUs voor Gods hostaan uit hot vuur ontleend j — py-rothonide, f, paplorollo, de hrulne, hrandlge stof, dlo zich uit samongorold, langzaanr ver-hrandend papier ontwikkelt; — pyroticum, n. (gr, pyrutilión, hrandond, van pyrocn, branden) Mod. oen brandend, hijteiul, Invretend go-neosmlddel = adurens, h. v. spaansebo vliegen ; — pyrötisch, adj. brandend, onlstokond, hytend, invretend; — pyroxanthine, f. z, v. a, eblanino; — pyroxoon, n. (van x(!iios, do vreemdeling) elg. een vreemdeling in het vuur, z. v. a. auglet; — pyroxé-nisch, adj. do eigonseimppon daarvan liezlt-tomlo; pyroxylino, f. door snlpoterzunr explosief gemaakte planlenvozolstof, b, v. schietkatoen.

Pyrrha, z. Deukallon.

Pyrrhichius, m. gr. (van pyrrhichê, een wapeadans, en ook het daarbij gezongen bed) 1\'oet. do danser, een versvoet van tweo korto lettergrepen (— —),

Pyrrhonismo, n gr. do twijfelleer van Pyrrho, een oud-gr. philosoof, die loerde, dat men aan alles moet twyfolen om de waarheid uil te vorscben; vandaar in \'t alg. voor Iwij-folzucht, vgl. scepticisme; — pyrrho-niaan, m. twijfelaar aan alles; vgl. scepticus; —pyrrhönisch, adj. twyfelzuchtig, hvyfolziek.

iPyrrhotïne, f. gr. (v. pyrrhótcs, vuur-kieurig, roodaciilig, van pjjr, vuur) het mag-nootklos.

Pyrrhua-zege, t. oen vruchtelooze of schünovorwinning, die meer den overwinnaar verzwakt dan den overwonnene; zoo genoemd naar don koning l\'vrrhus van lipirus en zijl»! In bet jaar 2quot;» v. C. hij Asculum bevochten overwinning.

Pyrrol of heter pyrrhöl, n. gr.lal. (v. pyrrlws, vuurkiourig en lat. otium, olie) rood-

Q, als gelalieoken = öno, y = 800,000; in latynscho opschriften eene vorkoriing van de eigennamen Quirinus, Quinlus, Quinclius, of van de woorden quaestor, que, quinquennalis, quirilcs; — Q. A. lat. quod alleslor, heigeen ik getuig; — Q. Igt;. /••. /•\'. S. of ook Q. II. /■\'. /•\'. Q. S,, lat. z. quoil bonum, felix fauslunique sil; — q. ch. of (/. c. fr. quelqm chose, iels; — Q. I), ll. i. quod Deus bene verlal;

olio, door Kunge In bet sloenkolenleer oiddokt Pyruliet, m. (nw.lal. iiynilu, fr, pyruk) versteende vijgeslak, z. v. a. bul liet.

Pythagoras, m. een beroemd grlekscb vvUsgeer omstreeks 000 jaar voor Christus; — Pythagoriston, Pythagoröërs, (gr. Pythagöreioi, lat. Pylhagoréi) leerlingen, aanhangers of vrienden van i\'ylhagoras; — py-thagórisch, adj. van l\'ytliagoras afkomstig, mot zgno leer eenstemmig; de pylli ago rise he tafel, de tafel van vermenigvuldiging met de producten van alle enkelvoudige getallen; de pythagorisebo stelling, z. ma-yislcr malheseos; — pylhagorisino, n. do leer. het wUsgeerig stelsel van i\'ylhagoras.

rPythïa, f. gr. (PyIhia), de priesteres van Apollo, dii\' Ie Delphi of 1\'y t li o, eene beroemde, aan don Parnassus gelegen slail in (iriekenlnnd, orakelspreuken deed iiooren, ook do pythisch e priesteres gobeeton; — pythisch of d ei-pli 1 sell, adj. Apollo beireitonde, hom geheiligd, li. v. pythische spelen, feestspelen en wed-strgden, die \'ter cere van Apollo allo S jaron te Delphi gevierd worden; — Python, m. eene faheiacblige, vreesolyke slang of een ge-duchio draak, wiens nederlaag door Apollo aan dezen den naam van Pythius deed verwerven ; — pythonissa of pythomsse, f. eene profetes, waarzegsier.

Pyulkie, f. gr. (v. pfinn, elior, en IttHkein, trokken) Med. de uillrekking of ontlasting van den elior; — pyülkon, n. een werktuig om den etler en de scherpe vochien uil de diepte der pUpzweren te ontlasten, een etterhuisje; — pyuno, f. (van ocrein, pissen) de oniiasiing van dier mot de pis, hel etierpissen.

pyx kui lux, gr. met handen en voeten, met allo krachten.

Pyxis, f. gr. (pyxis, v. pijxns, buksboom) elg. eene doos uil buksboombout; eene vaas of doos, waarin de Kalh. de gewijde hostie bewaren; — pyxis nautica, de scidppersdoos, d. 1. hot scheepsknmpas; — pyxidium, n. oen doosje; — pyxödos of pyxódisch, adj. doosvormlg, naar eene doos of een bekertje gelgkende.

Pz., hy naiuurblslariscbc benamingen afk. voor O. Panzer (gosiorven ISM).

— Q (op recepten), d. I. quinla essentia, z. ((ui n tessens; ook z. v. a. quod est;

— Q. IC. IK, d. 1. quod eral demonstrdndum, z. oud. domonsireeren; — q. /., z. quantum libet: — qn. fr. quelqu\'un, iemand; — Q. I\'. of q. pi, z. quantum placet-, — q. q., z. qualitate qua; — q. z. quantum satis of sulficili Q- T. of quat. =-■ quatertemper, z. aid; — q. v., z. quantum vis-, — quaer., z.


-ocr page 1050-

1024 QUADRIENNIUM

QUA

quaerïluri — quaesl. = quaeslionis, z.quicstle. — Q als munttooken, en wol op ouilero fran-sclie muntoii: Chalons, op nlouworo: PorplKimn.

qua, lat. als, In zooverre, in zyuc liocdanlg-lield of q u a 111 e 11 van—, I), v qmi koning, qua rechter, als koning, als rwliter; — qua talis, als zulk eenen, als die hij zyn moet.

Quaas, v.. k w a s.

Quacamilyas, in. do mexlcaansclio papegaai.

Quacquero, m. it. eon kwaker (z. aid.)

Quaden, in. pi. de zuldoosteiyko snevl-sclie volksstam, die van de eerste lot do vierde oeuw In liet tegenwoordige Mornvlli en aan den westeiyken zoom van Mongai\'Uo woonde.

Quader, in. (v. lat, quadra, f. eon vierkant stuk, van quadrwt, a, inn, vierkant) eon vierhoekige steen; — quadorzandstoen, n. een zandsteenforniatie in het mlddol-viotgo-liergte.

Quadernano, m. it. (van t int. qualer-nart us, a, urn, viervoudig) Poet, eene vierregelige strophe van het klinkdicht, z. v. a. fr. qual ra i n.

Quadraat, n. tat. (quadralum, van qm-drarc, vierkant maken, z. quad roer en) con rogolmatigo vierhoek met vier geigke zijden en rochlo hoekon, een geiykzUdlgo rechtiioek, hot vierkant; als iidj. (soms ook quad ra tl us) vierhoekig, vierzijdig, vierkant; — quadraat-getal, tiet vierkant getal, het product van oen met zich zelve vormenigvuiiilgd gelui, dat men quadraat-wortel noemt, in zoo vorre het een vierkant getal vormt; quadraat-voot, do vierkante voet, voet in \'t vierkant, do vlaktevoet; — quadraat-roede, do vierkante roede; — quadraat-mijl, de vier-kanto mijl; — quadraat-vorgolijking, tweede-machts-vergeiyking, vergeigking van don 2den graad, waarin de onhokende in de tweede macht staat; — z. verder ond. qua dra Ion.

Quadragona, f. nw.iat (van \'t lal. qua-dragêni, ae, a, tiy veertigen, van quadraqinla, veerlig) oeno veerügdaagsche hoetedoening hy de K. Kath., ook een allaut van 10 dagen;— quadragenarïus, m. lat. een veertiger, een man in de veertig Jaar; — quadrage-sïma, f. (van quadragesfmus, u, urn. de of hel veertigsto), 1) (sell, pars) liet veertigste dool, inz. als ophrengst of hoiasling hy de oude Komelnen; -2) (sell, dies) de zesde zondag voor pasehen, ook zondag invocavit (z. aid.) ge-heeten, Sn dagen voor goeden vrydag; — qua-dragosimale, n. nw.lal. de veeriigdaagsche vasten vóór puschen hy de K. Kath.

Quadrangiilum, n. lat. (vgl. angulus) leis vierhoekigs, oen vierhoek; — quadran-gulair, adj. nw.lal. vierhooklg, vierkant; — quadrangulooron, vierkant of vierhoekig maken.

Quadrans, m. lal. (eig. liet deelwoord van quadrarc) oen apothekcrsgowichl van 3 onsen of (i looden; ook het vierde deel eener erfenis; — quadrant, n. (int. quadrans) liet vierde gededte van een geheel, inz. van een cirkelomtrek, de bookmeter, grnadhoog, lioogto-nieter, een matheinatisci» werktuig; ook een gereedschap der sleensnydors en stnuisiyiiers;

— quadranten-elektrométer, m. een toestel om do elektrische spanning op den conductor te meten.

quadrat [/ioc], hoe non quadrat, z. onder quad re o re n.

Quadraten, n. pi. lat. (van quadrare, vierkant maken) hy lioekdrukkors: de aaiivnl-sols, liet wil tot aanvulling van de uitgangen of niet met letters gevulde rogcis; — qua-drateoron, /., q u a d r e e r e n; — quadr a-tie (spr. l—ts), f. lat. de deelhig in vieren; liet vierkant; — quadratisch, ndj. vierkant, In \'t vierkant; — quadrato, m. it. eene voormalige toskaansciic vlaktemaat = lli,0(15 aro; — quadratorist, m. nw.iat. eig. vior-kiintschiidor; een muur- of wandscliilder; — quadratrix, f. eene kromme iyn, door middel waarvan men een rcclito lijn vim gelyke lengte met een willekeurige cirkellioog vindon en die men daarom tot mcclmnischo quadraluur van den cirkel gehruiken kan; — quadrdtum maglcum, n. het toover-quadraat; — qua-dratuur, f. lat. (quadralura) ile verandering iu een vierhoek; Asiron. die stand van een planeet met heirekking tot de zon en do aarde, door welken aan de aarde oen roeiiten hoek gevormd wordt; Math, de inhoiKisliepuling van vlakken, door kromme lynon begrensd, h. v. dc quadraluur dos cirkels, do verandering van liet cirkciviak iu een vierkant van gelijke grootte; in \'t alg. do lierekoning van liet cirkoivlak, welke op de verhouding van den omtrek tot de inlddellijn dos cirkels liorust; onelg. (dcwyi men dit vraagstuk niet volkomen juist, maar slechts hij bonadering kan oplossen) iels onmogeiyks. Iets onnitvoerliiuii\'.s, eene hersenschim; quadratus homo, z. onder qua-d r o e r e n.

quadroeren (lat. quadrarc), ook wel quadrateeron, vierhoekig of vierkant maken, in hel vierkant brengen, den inhoud van een vlak berekenen; met zich zelve vermenigvuldigen of multipllceeren; onelg. wel samen pussen, overeenkomen, rljineii; — hoc quadrat, dat schikl zich, dat huil zich liooren; — hoe non quadrat, dal komt niet uil, houdt geen steek; — quadrülus homo, m. een kort, gezel menscb, een vierkante kerel.

quadricyele, fr. m. vierwielige vcioci-pède, vierwieler.

quadridentatus, a, urn, lal. Hol. viertnmtig.

Quadriënnium, n. lat. (v. annus, hel jaar) vier jaren, een Ujd van vier jaren; — quadriëunaal, adj (lat. quadriennatis) vierjarig; — quadrifidisch (lat. quadrifïdus, a, urn) vlerspletlg. in vieren gespleien; — qua-driflnïum, n. later lal. (van /mis, grens) eene plaats, waar vier grenzen samenloopeii;

— quadrifolium, n. nw.iat. (vgl. folium) een vierhlad; — quadrifólisch, adj, vier-


-ocr page 1051-

QTJyERKNTEN

QUADRILLE

1025

bladerlg; — quadrifórm, mij. nw.hit. van vierderlei Koduanto; — quadriga, f. Int. (sumcnKetr. uil quadri-juna-, vgl. IiIrh) oen vierspan hU feestelijke oploeliten en de plasll-sehe nflieeldliiR ervan; Clilr. een kruisverband;

quadrigalisch, adj. viorspannig; — quadriganus, ni. de wageiuneiiner van een wedrennend vierspan; — quadrijügisch, adj. (lat. quadryiigm, a, wn, v. juuum, juk), vlerJukkiK, aan vieren gepaard; — quadri-lateraal, adj. (lat. qmdritatcrus, «, um, v. lulus, zyde) vlerzijdlK, vierkant, dal vier zijden heeft; — quadrilatero, n. it. (eis. vier-zijdiK) de vestlnusvierhoek in Venelie; — qua-drilnrularis, hot. vlerhokklj;.

Quadrille, f. fr. (s|)r\'. Uadriélj\') een dans met vier personen; liet oinlierspel inet vier in plaats van drie spelers; ook eene party of af-deelinR ridders hij I u r n o o i e n, enz.; — quadrille-taf, n. taf met veelkleurige Strepen; quadrillioon, n. duizend maai duizend trlllloenen, een mlliioen trillioenen, een millloen Int de vierde niaciit verheven (1,0(10000, 000000,000000,000000 of 1,000000quot;).

Quadrimanen, z. I| u a d r n m a n e n.

Quadrin, m. sp. eene kleine kopennunt, een ponniuK-

quadrinómisch, adj. lat.-fir. vlerdeellg, vierledig, vfjl. hinoniiseh; quadrino-mmm, n. eene vlerdeeliue, vierledige Ki\'ool-hold; — quadripartoeron, lat. {qtuidri-imrture) In vier doelen sehelden of verdoelen, vlereadeolon ; — quailriparlilm, a, hui, adj. lat. vierdeetiK; — quadripartitie (siir. lie-lsic) f. (qmdri/iaiiilfo) en nvv.tat. quadrisóctie (spr. /=«), f. do vioreudoelinK, viordooilnK in vieren; — quadriphyllisch, adj. lal.-sr. vierhladorig; — quadrirêmisoh, adj. lat. (qundririinis, van remux, riem, roeispaan) met vier roolimnkeu; — quadrisyllabisch, adj. nw.ial. (v. .lyllüha, lettergreep, s y 11 a h o, ■/.. aid.) vieilottorgroiiiK; — quadrisyllii-bum, n. oen vlorletterKreplf! woord; qua-drivalént, adj. Cheni. vienvaardig; qua-drivalvisch, adj. (v. valva, valvula, klap, huize) met vier klappen, vier lohhen of huizen;

— quadrivasculair, adj. (van vasculum, vaatje) vlervatU, vlerhuizig, vlorkelkig; qua-drivïum, n. lat. (van via, de weg) eene plaats, waar vier wegen elkander kruisen, een kruisweg, viersprong; oeriyds ook de vier doelen der wiskunde; rekenkunde, meetkunde, sterrenkunde en muziek, welke met liet trivium: grammatlka, dlalekllka en rholorlka, de zeven vrye kunsten der middeleeuwen uitmaakte.

Quadro, n. it. z. v. a. quartet; ook do teerling van eenen zuilstoel (posta in e ut).

Quadroon, m. eng. (spr. —droen), v. a. sp. quart er on, z. aid.

Quadrumanon, pl. lal. (quadriiniinn, quadrumnnn, v. inanus, hand) dieren met vier handen, vierhandige dieren, apen, havianen, enz.;

— quadrupèden, pl. (lat. quadruptdes, sing, qmdriipes, v. pes, voet) viervoetige dieren.

viKimi; nnt\'K.

Quadrüplum, n. lat. (van quadn/plus, n, nm, viervoudig) het viervoudige, viervuldige; — quadrüpel, adj. (fr. quadruple) viervoudig, viermaal zoo groot; qua drupel (in liet whislspei) wordt eene party gewonnen, als de tegenspelers geheel nlels geteld hehlien; — quadrüpel, fr. quadruple, n. viervoudig gelui of viervoudige grootheid, welke viermaal zoo grool is, als eene andere, h. v. eene spaan-sehe gouilmunt van vier pistolen; als adj. viervoudig; quadruple alliantie, f. lat.-fr. een viervoudig verhond ; quadruple, n. fr. hy het iilijartspet: het quadrupleeren van een hal, vgi. douhh1; — quadrupliek, f. nw.lat. Jur. het tegenantwoord of verant-woordingsseiirift des hekiaagden op het derde kinugselirift of ile triptiek des klagers; vgl. dupliek; quadrupliciitie (spr. I=ls) f. lat. de verviervoudiiilng; quadrupli-ceeren of quadrupleeren, lal. (quadru-pliciire en qmidrupl\'/re) viervoudig maken, verviervoudigen; quadrupliceeren, ook Jur. eene quadrupliek indienen; quadru-pliciteit, f. nw.ial. de viervoudigheid.

(jime nocenl, docent, lat. sprw.; wat schaadt leert, of door schade wordt men wys.

quae, quulis, quanta • lat. wat, hoedanig, hoe groot? ito :i hoofilvragen omtrent de elgenscliap eener zaak; ook gehruikeiyk als uitdrukking der vorwondering.

Quserénten, tn. pl. lal. (van quaerire, zoeken, vragen) eene dweepzieke serie in Kn-peland, die eene verhorten en dus te zoeken kerk wilden, daarom ook zoekers (entf. seekers) geheel en; — qmerens quem devnret, zoekende wien hy kan verslinden (hyhelwoord, als Petrus van den duivel spreekt); — qmerllnr, lat. er wordt gevraagd, men vraagt, of het is do vraag; — qucesïtor, m. lat. elu. zoeker: onderzoeker, aanzoeker, reehtzoeker; — quoe-Situm, n. het gezoehte; quaesitum jus, z. jus quaesitum, —- quöRStio, f. (lat. qmesiïn) of fr. quostie (question, spr. kesljóii) de vraag, twistvraag, opgave, het onderzoek, stryd-punt; de pUnhank, foliering; — quneslio fncii, de vraag naar het feiteiyke, in tegenst. niet het onderzoek naar den rechtsgrond; de persoon of de zaak quaestionis of in qunestie, de persoon of de zaak, waarvan gesproken wordt, de behandeld wordende, hewuste, gedachte, vermelde persoon of zaak, onze man, onze zaak; dat I y d I gee n q u a e s t i e, dat spreekt van zelf, behoeft geen navraag, geen onderzoek; —ques-tionani, m. pi. scholastieken (z aid.) in de 13de eeuw, die eene menigte moeliyke vragen in de theologio opwierpen; —qus0stione0-ron, nw.lat. (fr. questionner) vragen, ondervragen, uitvragen, iemand met vragen bestormen ; pynigen; — qnsestor, m. in hel oude Kome een regeeringspersoon, die het opzicht bad over de schatkist en de Inkomsten van den Staat inde [quaerebal)-, een schatmeester, penningmeester, rentmeester, rekeninghouder van de ontvangsten en uitgaven; op universiteiten;

«5


-ocr page 1052-

QUARRÉ

QUAGGA

1026

de onlvaiiffcr der honoraria voor de colleges;

— qiisestuur, f, het ambt en het bureau van eenen qu ros tor.

Quagga, m. (hottentotscb qmntja of uua-chu) een zuld-afrlkaansch, het naast aan den zebra verwant dier, maar Iels kleiner.

Quai, in. fr. (spr. kè) de kade of kaal (oorspr. een celtlsch woord) de muur langs bet water, oever- ot havendam, de gemetselde rand van een rivier ot haven, naast do geplaveide plaats, waar de schepen laden en lossen; — quaiage, t. (spr. —aatj\') het daarvoor te betalen recht.

Quaker, z. kwaker.

qualibet ex re, lat. uit allerlei dingen, uit zaken naar welgevallen.

qualis, quule, lal. hoedanig gesteld, van welken aard; — quatis persona, talis iierizuma, gc-luk do persoon, zoo ook het voorschoot: uien geeft leder schoenen naar zijne voeten; — qualis rex, talis qrex, zooals de koning, zoo ook de kudde, d. 1. de onderdanen: zoo heer, zoo knecht; — qualis vir, talis oraïïo, gelijk de man, zoo de rede, d. 1. uil de rede of redence-rlng kent men de menschen; elke vogel zingt, geiyk by gebekt Is; — qualïter, lattier, evenals

— zoo, d. I. hoe het ook zy of bU zy zoo het wil; — qualiteit, f, (lat. qua lilas) do gesteldheid, eigenschap, deugdeiykheld, waardigheid, boedanigheid; de tllel, stand, rang; — de (jualltelt van den toon, Phys. de van den aard van hel medetrlllend lichaam afban-keiyke en door de boventonen bepaalde klank;

— quatitate qua, lal. (afgek. q. q.) In hoedanigheid of qualllclt van; — qualitatief, adj. nw.lal. volgens de waarde, bet gehalte, de gesteldheid eener zaak hetrelTendo; — quali-fieeeren, elgeaschappen toeleggen of toekennen; benoemen, betitelen; — zich qualifl-ceeron, zich ergens geschikt loe maken, zich bekwamen lot eene zaak of zich die waardig maken, of geschikt, bekwaam en waardig bevonden worden; — gequa 11 f 1 ceerde diefstal en dgl. Jur., ■/.. delictum en furtum qualified turn ■, een goqua11 flceerde beken-Ie als, een bekenlenls met beperkingen en toevoegsels; — qualifleutie (spr, l=ts) f. do bijlegging, toekenning eener eigenschap, benoeming, betiteling; ook deugdelykheld, gescbikt-heid, vatbaarheid; Jur. de verzwaring eener misdaad, eener straf, enz. door byzondere, verergerende omslandlgbeden; — qualifleatief, adj. nader bepalend, bescliryvend; — quali-flentor, m. do berichtgever (referent) In crl-mlneele zaken.

qua mandatarius, z. ma n data ris, onder m a n d a in u s.

Quamasch, noord-ainer., de eetbare en door de inboorihigen van N.Amerika gerooste worlel van Anthericum escuténtum.

Quan of kwan, m. (elg. de draad) een re-kenwyze in Oochlnchlnn, bestaande uit liOO aan een draad geregen dongs (bronzen, looden of zinken munten) en ongeveer in conten waard.

quand même, fr. (spr, kan mém\') ondanks alles, al was \'t ook nog zoo, In elk geval, er gebeure wat er wil.

Quando, n. lat. (quamtn, wanneer, als) bel wanneer, de tyd van eene gebeurtonls.

quanüoque bonus dormilal Homerus, lat, de goede Homerus dut somwyien, d, I. leiler maakt op zijn beurt wel eens een fout.

Quang of quoan, chin., z. v. a. regenten, benaming der mandarynen In China.

quant us, (i, um, lat. boe groot, hoeveel; zoo groot of zooveel als, enz.; — quantum, n. de grootheid, veelheid, menigte, de mnat; het bedrag, aandeel, de som; pi. quanta; — quanta ennteniia, sanieniiangende of hlyvendo grootheden; quanta discrcta, onsamenhangende ofgeialien-grootbedon (vgl. discreet); — quantum in me, zooveel In my ligt, zooveel ik vermag; quantum est, quod nescimus.\' booveel Is er, dat wg niet weten! quantum libel of quantum placet, of quantum ui.s (afgek. q l. of q. pt. of q. v., op receplen), zooveel men wil of verkiest; —quantum satis of quantum sufficit (afgek, q. s.), zooveel als genoeg Is, zooveel als loerelkend is; — quantum mutalus ab iltn, wat Is liy veranderd, hoe verschillend van wat hy vroeger was (citaat van Vlrgillus); — in quantum, in zooverre;— in quantum de jure, zoover liet recht of rechtens Is, In zooverre do wellen liet vergunnen; — quanti(sell, pretii) tot weiken prys? hoe duur ?—quantiteit, f, (lat. qunnïïtas) de veelheid, menlgle, groolte; liet gewicht, de maat; Gram. de syllabenmaat, de duur der lellergrepen, de lengle of kortheid daarvan; Muz de lydmant, loonmaat; de door hel gelal der slingeringen bepaalde hoogte van den loon; — quantitatiof, adj. nw.lal. volgens de menigte of de groollo, naar \'l gelal;

— quantitativa (scil, nomina) eene hoeveelheid aanduidende zelfst, naamwoorden; — quan-titooren, de versleden naar lengle en kortheid vormen.

Quarantaine, f. fr, (spr, karantin; It. quarantiua, mid,lat, quaitraqintana, v, lilt, qua-draqinta, veer lig, fr. quarante, li. quarantn) een gelal van veerlig; Inz. de veerligdaagsche (of ook kortere) leg- of proefiyd van schepen en reizigers, die uit vreemde, van pesl verdachte plaatsen komen, ook c o n I u m a c I o (het eerst In Venetië In de tSile eeuw opgekomen); quarantaine houden, genoodzaakt zyn le biyven liggen om de gezondlieldsproef le ondergaan;

— quarantïa, f. it. (van quardnta, veertig) bel gerecht der veertig In \'I voormalig Venetië.

quarderonneeren, fr. (quarderonner, spr. kar—) elg. in den vorm van een vierde gedeelte eens cirkels brengen; Arch, boeken aan balken en planken afronden.

Quaresima, f. It. z. v. a. lat. quadra-geslma, end. quadragenn.

Quarré of carré, n. fr, (spr. kar ré, van het lat. quadra turn, z. quadra at) hol vierkant; Inz. de vierhoekige soldatensleiiliig; — en quarré (spr, ««—) in het vierkant; — quar-


-ocr page 1053-

QUARTO

QUART

1027

reau, n. (spr. /tared) z, v, u. curroau; ook con llneaal van vlorliookiKc gedaante tot hel trekken van evcnwyillge HJnen; — quarroo-graaf, f. fr.-gr. een werktuig tot hot opnemen van perspectlef-teekenliigen.

Quart, n. lat. (van quarlus, a, um, ile of het vierde) eon vierdedeel; vierde maat, eerie voormalige duUsche vochtmaat in Engeland thans nog een Inhoudsmaat voor droge en natte waren = 1,130 L. (vgl. quarter en tun); ook eene oude graanmaat in Pruisen enz., eeno rekenmunt te Genève, omlrcnt = j cent; — quart, r. z. nuarte; — quarta, f. (sell. classis) de vierde klasse of afdeellng, inz. eoner iatUnsche school; — quartaal, n. uw.lat. oen vlerendeeljaars, do onlvangst of uitgave van een vlerondoeljaars; qmrtnUter, adv. eik vlerendeeljaars, alle drie maanden; — quartaan, lat. {quurliinus, u, um) vlerdaagscli, h. v. quar-taankoorts of quartiina, de vlerdaag-sche koorts; — quartair, adj. nw.lat. de vierde phials In eene volgreeks innemende, h.v quartaire steenvorming, goh erg ten; vgl. 1 o r 11 a 1 r; — quartaire periode, f. de laatste of legeuwoordlge vormingstyd der aarde; — quartanua, m. lat. het vierde van eene maat, een maalje; quartario, m. 11. eene vochtmaat In Vencllö, ook eene korenmaat; — quartaro, m. vroeger een vochtmaat in LombardUo en Messlnu; — quarta-ruöla, f. voormalige koren- en voclilmaat te i\'arma en Kologna = 11I,«18 l,.; quarta-tie, f. z. oud. quarloeren;- quartant, m. fr. (spr. karldii) een vierendeel, een kwart-toon = {- feuillelle = !, muid (z. aid.); — quarte, f. Muz. do vierde loon van oen aangenomen grondtoon, de derde vioolsnaar (A); eene uit qnini en octaaf gemengde orgelstem; in het schermen: de vierde sloolmanier; in het piketspel: vier op elkander volgende kaarten in ëene kleur-, — quarter, n. eene engelsclie Inhoudsmaat voor droge waren = -i cooms = s bushels = li pecks — til gallons = ün pnllles

— 4SU quarts = ÖH iiinles = iOis qills = itl0,7892i I..; voorts een eng. kwart-centenaar = 12,701 kilo; eene inuiii in Malahar = 30 cl. courant; — quarter-eagle, m. eng. (spr. kwdrler ien\'l) een vierde adelaar: eene goud-numt der Vereenigde Sinten van Noord-.Vmerlka, geldende 2.; dollar of 0 gl. •gt;« cl.; — quartéra, f. sp. eene korenmaat en quartéro, m. eene vochtmaat te Itarcclona, Mahon en Palmn; — quarterólla, f. eene graanmaat Ie Kome-,

— quarteron, m. fr. (spr. karlenïii) een voormalige fransche en zwllsersche korenmnnl;

— quarterón, m. sp. (spr. kwurleroon) een afstammeling van eenen Kuropeaan en eene Terceronin of mesties, z. aid.; —quar-teróne, m. In Spanje vroeger een oliemaat van 0,120 L.; ook een gewicht van 115,023 gram;

— quartét, n, it. quartétto, en qua-dro, fr, quatuor (van hel lat. qmtmr, vier) Muz. een vierstemmig zangstuk; ook een muziekstuk voor vier Instrumenten (gew, 2 violen, een alt en een violoncel of wel piano, viool, alt en violoncel); ook z. v. a. qundernarlo, z. aid.; — quartettino, m. een klein vierstemmig stuk; — quarticeno, in. it. (spr. —Isjéno) eene korenmaat te Itologna;— quar-tidi, fr. z. decade.

quarteeren, nw.lat. (v. lat. quartus, de vierde) goud en zilver In de verhouding van 1 tot 3 samensmelten, om liet ihm te schelden door de qxiart, de quartatio of quar-teering, f d. i. de schelding des gouds van het zilver door salpeterzuur (slerkwater), wanneer de verhouding dor heide metalen als 1 lol :t is.

Quarteron, quarterono, quartet, quartétto, enz.; — quartidi, z. onder q u a r 1.

Quartier, n. (van \'1 fr. quarlier) kwartier, het vierde van een geheel, een vierdemaal, z. v. a. quart; het wapenveld; het zool- of hleiieder aim de schoenen; Mar. de tgd der wacht lol op de allosslng, ook kwartier-wnchl; inz. eene sladswijk en in \'talgemeen het gronilgehleil der stad; vandaar voor ver-lilijfplaais of woning; liy de soldaten de Inlegering, herherging, het nachtkwartier, hel naclitverhlUf; de overnachting; oneig. Mil. de sparing van het leven; b. v. om kwartier li i il d o n, om lyfsgeiiade vragen; lemiind k w a r-lier geven, hem liet leven schenken; — quartieren of inkwartieren, soldaten inlegeren, hun herherging, verblgf of hulsdak versehaifen of aanwijzen; inquartiering, inkwartiering, f. de inlegering, lehuisleg-ging; quartiornieostor, kwartiermeester, de militaire of burgerlijke Inlege-raar, de beanilite, die voor de Inlegering zorgt; op schepen de sluurniansmaal, opzichter di\'r schcepswaehleii, enz.

Quartijn, z oud. quarlo.

Quartilla, f. sp. (spr. —lielja) een voormalige spaansche korenmaat = } fancqa -13,87:1 I.; ook een wijn- en braiidewynniaat = iikiijo = \'i,o;il I,.; — quartilho, m. voormalige porlugeesche voehlmant = -j;1,, almude = 0,38 L; — quartillo, m. sp. (spr. Mijn) eene spaansche kopenminl — ■ reaal; ook een spaansch gewicht, ongeveer kilo; eene voclilmaiit = J quartilla = O,!i0i I,.; een ko-renmant = T1Ï quartilla - 1,180 L; nok een vlaklemaat = faneqada — 1,311 are; — quartinho, m. porlugeesche gomliminl = 1200 reis, nf nngeveer 3 gl. 00 cl.; quar-tino, m. il. eene vochlmnal In Alessandria en Florence = l\'.lj pnrysche kubiek duim; eene voormalige rekennuint Ie Napels, leis meer dan •; cent courant; — quartirólo, in. II. eene vruchtniaiit te Hologna = J stajo = 1,018 L.

Quarto, m. sp. en it., eene rekenmunt van verschillende waarde, in Spanje, (\'.Ibrallar, Marokko en In Mexico; eene vochtmaat Ie Barcelona; ook eene Hal. graanmaat; — quarto, lat. ten vierde; een in quarto of een quartijn, oen hoek, hoslaandc uit tweemaal toe-


-ocr page 1054-

QUATTUO

1028

QUARTS

govouwon vellen, (). I. mei vollen van 4 lilnden nf s liliidzyden.

Quarts «f kwarts, in. Iigd. cone sleen-soorl uit moer of minder znivor klozelznnr lio-stiiiindo, dlkwUls in kilslnlvonn.

Quartuecio, in. 11. (s|ir. —laitsjo) eon vochtrmiiil to Messina, liel aclilste Kodoollo van con kan; In Toskiinc vrooKer eon korenmaal = tJ,, staja = o,l»o I,.; ook oen wynmaal = TJD barile da vino = 0,488 L.

qmrlus, a. urn, lat. de, hot vierde (vgl. quart; — quartus, in. de vierde, Inz. do vierde leermoesler of leeraar van de vierde klasse oenor iaHjnsclie school.

Quas, z. k w a s.

qutisl, adv. lal. als ware \'t, «oiyk, als, hyna, conisermate, ongcvoci\', even alsof; in samenst li. v. een (|iuisl-gcleerde, quusl-doctor, een schijn- of halfgeleerde, een slecht geiicos-heor, kwakzalver, een sink van een KCleerde, van een doctor enz.; quasi-afflniteit, f. ceno schynvcrwanlschap; — quasi-contract, ii. cone rcclilsvci\'hondiiiB, die als een verdrag hehandeld wordl, zonder con we/.eniyk contrail lo zyn-, — quasi-doUet, n. oone naar nilsdryf gciykcnde, door verzien hegano daad, die In hare hyzondore nil werkingen als

een mlsdrüf wordt heli.....leid; — quasi-

desértio of quasi-deseriïo, f. (vgl. (Icxeiiio) eene veronachtzamiiig der vrouw van den kant des mans, die naar verlating gciykl, de verzaking van den liuweiyksplii hl; - quasi-do-mimum, n. een schyn-elgendom, dat voorshands als een wczcnUjk eigendom wordt hehandeld; — qvxasi-lcgitimiteit, f. schyn-hare rcchlinatlglieid; quasi-possóssio, f. een oneigeniyk bezit, een liezil van onliclia-meiyke dingen, hij welke een hezil in den en-geren en eigeniyken zin des woonls niet denk-haar is; - quasi-traditie, f. eeno handeling, die de plaats der vormciyko overgave ver vangt; quasi-ususfructus, m. liet aan iemand gegeven recht om eene zaak naar welgevallen te gehrulken, onder de voorwaarde van haar eenmaal in gciyko soort en dezelfde dengdelUkheld, of wel in de waarde daarvan terug te geven; oneigeniyk vruchtgehrulk, daar dit in den eigenlUken zin tut zaken hepaald is, die gchrnikt en teruggegeven kunnen worden; — quaaimodogonlti, de eerste zondag na l\'aschcn (elg. quasi mndo qcnili, quot;ovennls de eerslgehorenenquot;, naar de woorden der la-tynschc mis, I Petrus 11, i); — quasi re bene {nplimc) qesla, even als ware alles goed gegaan.

Quasimodo, in. fr. een vreeseiyk leeiyk, niismaakt mensch (naar den klokluider in V Hugo\'s Notro-Dame).

Quassia, quassio, f. of kwassie-hout, Idllerhoiit, lillterworlel of hittorhast van eenen hoom In Suriname, dien de inhoorilngen tegen venünige siangenijclen gehrulken en die hy ons als een middel legen de koorts pleegt aangewend te worden Naar men wil zou liet dus gehceten zyn naar eenen neger Coassi, die het ontdekt heeft; quassie-beker,

m. een alt quasslehout gedraalde hekor, die aan don W\'Un, dio er een lijd lang in staat, de liltlerheld en de geneeskracht der epiassia mededeelt; quassia-oxtract, n. een dik sap, verkregen door uitkokliig van quasslehout;

quassino, f. de hUzondere piantvormende stof in de quassia (Q. amara en excelsa).

qua talis, z. oud. qua.

Quatérne, r. nw.lat. (van \'tlat. qualémi, ae, a, vier aan vier) in hel lotto-spel vier he-zette en te gelük iitlkoniünde nommers; hü hoekdrukkers; vier heschreven of bedrukte hinden ineengeschoven, vgl. q u a t o r n I o; - qua-ternair, lal. (qualernarius, a, urn) viervoudig, in vieren, uil vier bestaande; quater-naire formaties zyn do vierde en laatste lagen In de hergformaties; - quaternarius, z dimeter; - quatornio, in. nw.lat. een uil vier stukken bestaand geheel; Inz. in oude hiiiidscbrlften en hoeken eene laag van vier in elkander gestoken duhhele bladen; qua-tornitoit, r. nw. lal. vlervoudigheid.

Quatoroon, m. z. v. a. sp. quarte-ron, z. aid.

Quatertémper, quatémper, m. (mid. lal. quatempdra, uit liet lat. quatuor tempora, vier tyden) bet vierde des Jaars, z. v. a. quar-laai; de dag van i vlercndoeljaars, de dag, waarmede een vlereudeeljaars nanvangl; hy de K Kalb. een strenge vastenilag op den eersten vrydag van leder vlereudeeljaars.

quatre, f. fr. (spr. knltr\', v. i lat. quatuor) vier; — en quatre couteun (spr. aii kattr\' Uoe-léür) In vier kleuren; — ii quatre épinqtes (spr. « kattr\' epènut\') elg. mot vier spelden, d. I. zeer netjes, propertjes (gekleed); opgesierd (van eene rede); — a quatre mains (spr. —mén) voor vier banden (op de plano te spelen); -- \'lUütri\'-mains, pl. (spr. kattr\'men) inuzlekstiikken voor i handen gezet, om op de pinno uitgevoerd te worden; — lt;iualre mendians (spr. —maiidiaii pl. elg. vier hedeltuirs; bedelaarssnoepgoed, een mengsel van vierdeiiel vrnebten voor het nagerecht, n. I. aiiiandclen, bazelnolen, vygen en rozynen; — nations (spr. —nasjifi) elg.

vier natiën, ecu college te l\'arys, door Mazarin gesticht voor het onderboud van 00 Jonge edellieden, geboortig uit do door Lodewyk \\l\\ veroverde landseliappeii, die lot Halte, Dullsch-hind, Nederland en Spanje helioorden; quatrain, m. fr. (spr. katrcii) eeno strophe of klein gedicht van vier verzen.

Quatricimum, n. nw.lat. Muz. eoh muziekstuk voor \'i horens of trompetten; —qua-tricröma, noot of pauze-, — quatri-düum, n. lal. een vlcrdaagscho termUn, een tijd van vier dagen.

quattro, 11. (v. lat. quatuor) vier; a qualtrn of a quatro roei (s|ir. vntxjl); — quattlO-contiston, pl. ilailaansrlio schryvers, kim-slenaars, enz. van liet quattrocento (toen men 100, namelijk boven tnon schreef) d. i. van de 18de eeuw; — quattrino, in. 11. eene


-ocr page 1055-

QUIÜPUOQUO

•102lt;)

QUATUOFl

klcino i\'ekoiimunt viin oiKlüischeldcri waiirdo, In don KorkclUken Slnal, Klorunco, l\'lünionl enz., zuo Kcnoomd, oindal zij vier do na rl (z. ald.)Koldt.

(/mlunr, lal, vlei1; — quatuor, n. z. i| n a r-tet; — quatuórvir, m. lal. eon vierman, medelid van een Cüllego van vier mannen in hol oado Komo, pi, (imtuorvtri: ook een regee-lingsposl in de voormallno rijkssleden; - qua-tuorviraat, n. hel vlermanscliap, do waar-iliKheld van vierman.

qu\'en diru-l-nnfr, (spr. kaii diratdii) wat zal men er van zeggen V d, 1, do praatjes der mensehon,

Quoons-bench, f, eng. (spr. kwiins-benlsj; van quecn. koningin) eig, bank der koningin, het opporliufgerlclil in Londen onder ile regeerlng eoner koningin (vgl. kings-hench); — quoons-metal, n. een gemengd metaal nit tin, lood, spiesglansen liismutli-, quoona-pipo, f. (spr. —imip) een pakhuis Ie Londen, waarin de In beslag genomen goederen bewaard worden, spollendenvijs do püp der koningin golieelen; — quoons-pur-voyor, m. (spr. —Iiurvéjer) do leverancier van liet vloescli voor het hof; — queens-waro, f. (spr. —weer) een soorl van aardewerk.

Quoi, eene oude ehineesehe munt in den vorm van oen iangwerpigen rechthoek mot een vierkant gal,

Quekkor, in, een zeer vurige palmwijn, (/uelque chose, fr. (spr. keilt\'sjóót\', gemeenlijk kek\'sjoui) iels, hol een of ander-, — quol-quechosenën, f. pi, kleinigheden, kleine, geringe waren.

Quemadéro, m. sp, (van quemur, ver-lirundon, lal. crcmtre) do plaats, waar de lot den vuurdood veroordooide kotters verbrand werden.

Quentchon, n, hgd. oen duilsch gewicht van | loud = 3,tt gram.

Querous, f. lat. de elk, oikeboom; — (luercifoliwt, «, urn, lal. Bot. eikebladerig; — qtiorcino, f. nw.iat. do oikenslof, in den bast van den steeneik {Quercus robur) gevonden kristullyne bittere stuf; — quercitrine of quorcitroïno, f, harh lal,, ook quorci-trongeol of quercitrine-zuur, eene gele kleurstof van den gemalen basl dos nooni-amerlkaanschen ververseik (Quercus lincloria).

Querél, f, (fr. querelle, spr. keréll\'; lat. ijuercla) do klacht, hel bezwaar; do twist, strgd; pi. queréllen, twist en geküf, on-eenigheden; — querita nullitatis, z. v. a. nai-litolts-klacht, z. aid., qiierollooren, fr. (quercller) twisten, kijven, barrowarrou; — quorollour, m. een twister, twistzieke; — quoruloovon, nw.ial. (van \'l lat. queriïlm, klagend, klaagiyk) gaarne klagen, zonder rocht-mallgo oorzaak geschil zoeken; — quoru-liint, m. oen kiaagzuclilige, geschilmaker; .lur. (zonder liateHjk byiiegrip), wie eene klachl liü het gorechi indieul; quorolaat, m. hij, legen wien eene klacht, eene reclitsvordering wordt Ingediend.

Quostie, z. lt;|uaesile.

Queue, f. fr. (spr. keu\'; oudfr. roe, provenc. con. It. coda, van \'1 lat. CUudd) de staart; de paardostaarl van den lurksciien stadhouder; de biljartstok, sloolslok, gewoonlUk kou geschreven; ook eene franscho w ijnmaal; Mil. de laatste afdeeilng, hel einde, de laalste soldaten-troop, b. v. opmarsch la d(( queue, up-marseh op liet einde, by opeulgke pieciillghe-den, in schouwburgen, aan de bureaux der spoorwegstations, enz.; do rU der achter elkander slaande personen, die elkaar om la to treden, naderbU Ie komen, om plaatsbrlefjes te krygen, om boter te zien, enz. op den voel volgen; ook eene golraiiede ruimte voor don ingang lot de bureaux der schouwburgen en dgl. lor voorkoming van den aandrang der men-sclien; quoue-de-rat, f. fr. (spr. keu-de-rd) zeor duimo sigaar.

Quibblo, ii. ciik. (spr. kwibbcl) oeno woordspeling, (iono goesllge, mocdwilligo dubliolzln-niglioid, een zot.

qui bene dislinfiuil, bene docel, lat. dlo wel onderscheidt, leert (onderwüst) wel.

Quibus or k wllius (elg. de datlvus meervoud van het lal. qui, quis, wie) een zot, een gek.

Quichua, n. sp. (spr. kielsjoea) of kochua (spr. kelsjoea) de Inlandsche taal van Peru sedert de heerschappij der Inkas, die nog thans door vele Spanjaarden gesproken wordt.

quid, lat. (neutr. van quis, wie) wat? — quid ad me.\' lat. wat gaat hel my aan? — quid ad te.\' wat raakt het u?

Quidam, m. lal. {quidam, quacdam, quod-dam) een zeker Iemand; ook wel z. v. a. qui-bus, /.. aid.

quiddltas of quidditoit, f. harh lat. (van \'t lal. quid, wat) In do voormalige phllosophi-sehe kunsllaal eig. het ahslracte of afgetrokken begrip der bewering, dal eene zaak iets is.

quid faciéndumlat. wat is er le doen? wat nu gedaan? — quid facicmus nos, wal zullen wü doen? — quid hoc sibi vuil.\' wal wil dal? wat moet dat beduidenf/uif/Ji/m, wat rechtens is; — quid jurat adspéclus, si non conce-dilur usus.\' wat helpt het zien, ais men quot;t niet mag genieten? — quid jural, amisso daudöre sepia gregewat helpt hel den stal te sluiten, als hel vee er uit is? of den pul te dempen, als \'t kalf verdronken is .\' — quid noriwal nieuws? wat nieuws is er? — quid prodesi / waartoe dient hel, waar is hel goed voor? — quid rei .\' wat is hel ? wal is er gaande of aan de hand?

Quidproquo of qui-pro-quo, n. nw.iat. een wie-voor-wal, hel eene voor hel andere, een verzien, misverstand, misgreep, eene verwisseling van personen, namen of begrippen; — quidquid aqis, prudénler agas, el respice fi-ncm, wal gy ook doen moogt, doe hel met beleid en zie op heleinde; quidquid deliranl reges, pleclünlur Arrhiri, de fouten der vorsten moeten de onderdanen boeten; —


-ocr page 1056-

QUIESCKEllEN

1030

QUINQUEVIR

in buccam veml, nl wul hom in dun mond komt; — quidquitl sit, \'t zU Will het wil; — quid, si caelum rml\' wat to doen, als do lio-mol Invalt ?

quiescoeren, lat. {quiescare, van quies, gcnit. quitlis, de rust) rusten, hodaard of rustin zgn; zich ncruststollon, hevredigen, stlllon, hodaren; quioscént, m. eon rustende, tol rust nobrachte; — quiescéntie (spr. I=ls) f. de rust, toestand des rustens; - Quietis-ten, pl. nw.lut. ruslvrlemlen, eone dweepzieke dir. socle, In de 17de eeuw door een spaan-sclien priester, Michael Mollnos, gesticht;

— quiotismo, n. de loer van genoemden secte-stlchler; de volkomen horusllng dos ge-moods In (\'gt;od en do daaruit voortvloeiende ongestoordhold der ziel; do gemoedsrust; — quiéto, It. Mnz. met kalmte voorgedragen, bedaard, gelaten.

qui est sine pecrnlo, lat. wie Is zonder zonde?

qui hahel aures auiiiendi audial, lat. wie ooren hooft om to hooien, hü hooro.

Quijote, z. don Quixote.

Qliilat, quilate, m. sp. en port (spr. kildte, ontstaan uit het arah. /tlralt; = karaa I, z. aid.) een karaat, d. 1. als goudgewicht marco = «,5SS gram; als gewicht voor odel-gosteenton ons of onca = 0,1»OU»3 gram; In Portugal vroeger als proofgewlcht voor goud = j\'-j marco = »,503 gram; als gewicht voor Juweeion en paarlen do eenheid = fl,405H3 gram.

quilibel forliinuc sune /aber, elk Is do maker of hewerker van zyn fortuin; — quilihct praesumitur bonus, doner probetur conlrarium, lal. van leder mensch omlersloll men, dal hy goed is, zoolang niet hel tegendeel wordt bewezen; en omgekeerd; \'quilibel praesumtur malus, donee prnbclur conlrarium, ieder houdt men voor slecht, zoolang nlol het tegendeel bewezen wordt.

Quillage. f. fr. (spr. kilddtj-, van quille

— kiel) het kielreclit, klolgohl, lol van handelsschepen, die voor de eerste maal In eeno franscho haven hlnnonloopen.

Quillot, m. fr. (spr. ki-ljii] killo, kilo, chiló of ohiló, oene voormalige turkscbe korenmaat van | fortin = ;tK lot 37 L.; (vgl. killo).

Quilting, n. eng. (van lo quilt, door-naaien, doorstoppen) z. v. a. piqué (z. aid.).

Quimos, m pl. (spr. Ai—, In de taal van Madagaskar anachimoesse, dwerg) een voorgewend dwergenvolkje op Madagaskar (eeno soort van c rel 1 ns).

Quina, z. k i n a.

quinair, adj. lat. (quinartus, a, urn) uit gt;ijf beslaande, vyfvoudlg.

Quincaillerie, f. fr. (spr. kehkalj\'rie-, v. quincaille, allerlei kleine metaalwaar = f/in7ua(//e, v. \'t oudfr. clinquer, en dit v. ons klinken?) yzorkramoryon, allerlei uit yzer, staal, koper, enz. vervaardigd wordende kleine waren.

Quincunx, n. lat. (v. quinque, vyf, en um ia, z. ons) T\'r van een geheel; een gewicht van 8 onsen; eeno munt van r5, as; de gedaante eener romelnsche V, de vyfvorm, b. v. boomon enz. in quincuncem, d. 1. in don vyfvorm of In het kruis planten: (!•\'•\'■.); do wyze van opstelling dor romelnsche soldalen.

Quindocagoon, m. lat.-gr. (van \'I lal. quindecem, vyftion, en \'I gr. qunia, boek) een vyfllonboek.

Quino, f. fr. z. qui nl er neond. qui n ta. qui nescit dissimulnre nescil regnare, lal. wie nlol weel te veinzen, kent de kunst van rogeeron niet.

Quinótte, f. fr. (spr. A\'i-ii— ,■ sp. quinele) eene soort van kumelol, óf gehool van wol, n( mei geilenliaar vermengd.

qui nimiwn probat, nihil probat, lal. wie Ie veel bewust, bowyst nlols.

Quinine, f. (van hel sp. i/uina, voor china) z. kina.

Quinoa, f. (sp. quimia, piM uaansch kenoea) wllziidige ganzovoel {Chenopndhim quinoa), eeno giersiachlige plant In l\'eru, welker voedzame zaadkorrels lol bry, soepen, ook lol goglsle dranken, aangewend worden.

Quinola, r, sp. (spr. ki—) oen spaansch kaarlspel mol vier kaarten; ook de hartenboer In hel reversl-spol.

qui non habel in acre, lual in corpöre, lal. z. ond. lual.

qui non null intelliqi, non debit leqi, lal. sprw. wie niet verslaan wil worden, moei men ook niet lezen.

quinque, lal. vyf; - Quinquagonanus, m. (van quinqunqinla, vyflig) oen vyftlgjarlge, vyfllgor; — Quinquagesima, f. (sell, dies) of zondag quinquagesimte, de 7do zondag (elg. de SOslo dag) vóór paschon, gewooniyk oslomlhl (z. aid.); vgl. sepluageslma;— quinquangülum, n. nw.lal. eenvyfhoek;

— quinquangulair, adj. vyfhoekig; — quinquecentisten, m. pl. nw. lal. (II. cinquecentisli) II. scbryvers van de Hide eeuw;

— quinquedentalus, n, um, lal. Hol. vyftandlg;

— quinquefottus, n, um, lal. Bol. vijfbladerlg;

— quinquennium, n. lal. (v. «nnws, jaar) een vyflal Jaren, do vyfjarigheld, ocno lydruimle van vyf jaren; — quinquonnaal, adj. (lal. quinquennalis, e) vyfjarig; — quinquen-naal, n. of quinquenelle, r. nw.lal. vrü-hcid, of uilslel voor vyf jaren, vgl. moratorium, onder mora-, — quinquennaliën, pl. feeslen uil den rom. kelzertyd. die allo !gt; jaar gevierd worden; — quinquertium, n. lal. of po n lat h Ion, n. gr. do vyfslryd, of do vyfderlel soort van slrydoofonlngen by de Ouden; hel springen, schyfworpen, spiesworpen, wedloopen en worstelen, welke do kampvechter alle zegevierend moest volbrengen, wanneer hy don prüs wilde bebalon.

Quinquets, pl. fr. (spr. keiiki) Argand-sche lampen mol dubbelen lichtstroom (naar don uitvinder Qulnquol zoo benoemd).

Quinquevir, m. lal. oen vyfman, vyf-heerscher, een van de vyfmannen, die samen


-ocr page 1057-

QUINQUILLE

QUISQUIS

1031

een overheldscollege uitmuken — quinque-viraat, n. het vyflicvrsambt; hot vijfmanschap, vgl. pont archie.

Quinquille, z. cinquiIIe.

Quinquillioen, n. een mllllocti quadi illi-oencn, ofde vüfde macht van een mlllloen (1,000(1(1«, 000000,000000,0(10000,000(1(1(1 of 1,0000(101).

Quinquina, f. (sp. quinaquina) elc, de bast dor hasten, do amorlkaanscho naam van den koortshast of de kina aid.).

Quinta, f. lat. (van quinlux, a, urn, do of hol vijfde) do vgfdo klasso oonor latynscho school; sp. en port. (spr. /t/enfa), oon landhuis, eene hoordory (zoo gehoeton, omdat de pactitor woloor J van do opbrengst aan don elgonaar moest betalen); — quintanus, m. oen leerling der 8de klasse; — quintana, f. do vijf-dendaagscho koorts; — quinte, f. (van hol lal. quinla) Mnz do (|uint of kwint, de 5de loon van don grondtoon; de vgfde, mi de vierde of tljnste, diinslo vioolsnaar (E). do altviool; in het piketspel vyf op elkander volgende kaarten van dezelfde kleur; in hel schermen: de vgfde stoolmaiiier; vandaar pl. quinten of kwinten, eig. schormstreken; listige streken, knepen; k \\v I n t e n m a k e r, een doorslopen niensch, kulperyenmaker; — quintèrne, f nw.lat. ook quino, hü hel lollospel of in do polallenlotery: het uitkomen van vgf bezette nommers, van vyf op eene rij goplaalste nom-mers; vgl. q u a t e r n e; — quintèrne, ook eon weleer In Italic gebruikeiyk, naar de cither gelykend snarenspoollutg; — quinternio, m. 5 In elkander gelegde dubbele bladen papier (vgl. quaternio); — quinterón, m. sp. elg. een vyfde-neger; een nakomeling van eene Europeaun en een quartoronne (vgl. quarle-ron); — quintesséns, f. (fr. quintessence, van \'Hal. quinla essentia) de keur of kern, bel tljnste, beste, edelste en krachtigste van eene zaak, elg. de door chemische kunst vytmaal overgehaalde geest van iets; — quintét, n. it. Muz. een vyfspel, vyfgezang, vyfslernmig muzleksluk; — quinticlavus, m. nw.lat. (fr. quinticlave) hel heweegtiare gedeelte aan den waldhoorn, Ier verandering dor lonen; — quintidi, in. fr. (spr. keiilidi) de vyfde dag der decade (z. aid.); — quintilis, in. lat. do vyfde en later de zevende maand in den rom. kalender, die toen J u 11 us (Juli) genoemd werd; — quintille, z. etnqullle; — quinteeren, fr. (quiliter) Muz in quinien voortloopen; mei den proefstempel leekenen, stempelen, Inz. goud en zilver; — quintólo, f. Mnz. eene notenDguur uit vyf tonen, die samenhangend voorgedragen, de waarde van i zulke tonen verkrijgen; — quintüpluin, n, nw.lat. tiet vyfvoudlge-, — quintuple alliantie, f. vyfvoudig verbond, verhond lusschen 5 mogendheden; — quintuplieeoren, ver-vyfvoudlgen; — quintupliek, f. Jur. hel vyfde tegenschrlfl; — quintus, lat. de vyfde, inz. de vyfde leeraar of de leermeester van de vgfde klasse eoner school.

Quintal, n. fr. (spr. /cental. ook sp. quintal, van \'t arah. kintdr, eene maal, oen gewicht van 100 pond, en dit van \'l lal. centenarius, uil honderd beslaande, waarvan ook ons ceule-naar afkomt, mid.lat. cenlenanus, centenartum) oen centenaar van 100 pond.

quintanus, quinte, enz. — quintille, ond quinla.

Quintinisteu, m. pl. naam van de loden eener secle, gesticht In de Kide eeuw door een kleermaker, genaamd Jean nu ent In, uit l\'l-cardlë, die geenerlel hyzonderen vorm van eere-dienst aannamen; men noemde hen ook Libert y n e n.

Quintole, quintuplum, enz. — quintus, z. ond. q u I n I a.

Quinze, f. fr. (spr. keiiz\') vyflien; oen hazardspel met kaarten; — quinze-et-le-va, het vyfllenvoudlge van den Inzet als winst In het pharaospel, z. pa roll; — quinzo-vingts (spr. kiin\'wèh) elg. driehonderd; een hospitaal voor (:i(iO) blinden lo 1\'args; ook een daarnaar genoemde wyk.

Quipos of quippos, m. pl. (spr. ki/ios: van het peruaansch quipoe, knoopl bet knoo-penschrlft der oude Peruanen, gekleurde snoeren, op vele wgzen saaingoknoopt en ineengevlochten, welke den Peruanen als schrgfteekcns dienden.

qui proficit in artihus et deficit in mnrfbus, plus deficit quam prnficit, wie In kennis toeneemt en In zeden afneemt, neemt meer af dan toe, of zonder deugd schaadt de kennis.

qui pro quo, z. quldproquo.

Quirat, n. (= arab. Id nit, z. karaat en qui lal) in Egypte een modtcluaal gewicht en een gewicht voor edelgesteenten = drachme = (t,7quot;2 gram.

Quirinus, m. tal. (v. \'t sahlnlseb quiris of ruris, speer) hy de Sahgnen een bynaam van Mars, lig de Komclnon een bynaam van den vergoden Romulus; — quirinaal, n. hel voormalige pauselgk, thans koninktyk palels op den goiykiiamlgen heuvel (lal. collis Quiriihilis) te Rome; — quirinalia, n. pl. een aan Romulus geheiligd feest in het oude Rome; — Quirieten, m pl. (lat. Quirites) een eero-naam der oud-rum. burgers, Inz. in openbare volksredevoeringen, sederl zich met hen de Sa-bynen hadden vereenlgd, van geiyke afstamming als Qulrlnls, of, v. a., omdat zy eene stad Quirts of Cures bezaten.

qui scribil, bis tegit, wie schryfl, leest tweemaal.

quisque, quaeque, quodque, lal. leder. Iedere;

— quisque sibi proiimus, lal. sprw.: leder Is zich zeiven do naasle; — quisque suurum ver-burum oplïmus intérpres, leder is de besle uitlegger of verklaarder van z.ync eigen woorden;

— quisque praesumitur bonus, doner probetur ronlrarium, z. v, a. qui libel praesumitur, enz.

quisquilïën, pl. lat. (quisquiliae) slechte, onbruikbare afval, vodderyen, tuig, aanveegsel.

quisquis umat ranam, runam putat esse Dia-


-ocr page 1058-

QUOT1DIANA

QUITTE

1032

nam, woordelijk: wlo oen klkvorsch bemint, meenl dat die klkvorsch Dliimi Is, d. 1. leder houdt z||iie vrouw voor schoon; lt;/uis tulerit Gracchus, enz., z. onder Gracchus.

quitto, adj. fr. (spr. kief: |irovoii(\'. quili, sp. iiuihi, hoogd. quitt, eng. lt;iuil, van \'I lat. quietus, rusllg, verwant aan ons k\\v(jt) vrg ot bovryd, kamp op, even; los, ontslagen, vry van do verplichting om te hetalen, zonder vordering; — quitte ou double spuien, fr. (spr. ki toe docbl\') vrg of duhhel, hot verlorene In het geheel niet of duhhel betalen; onelg. alles op het spel zetten, alles wageu om zich uit eene verdrietelijke, netelige zaak te redden; — quitteoren (fr. quitter, In \'t alg. verlaten), vry, ontslagen of van de vordering, do ver-pllchllng los maken, zich van eeno verplichting kwyten; ontslaan, de ontvangst eenergeldsom schrlfteiyk getuigen, als voldaan onderteekenen, oenen kwytbrief, qultantio geven; eenen post, een spel, een vermaak, enz. qui toeren, d. 1. nederleggen, opgeven, verlaten, laten varen, er van afzien; quitantie (spr. lt;ic= tsie), f. (fr. quittance, spr. kitdii*\'), de, kwyilng, kwythilef, het ontvanghewys, liet hewys van voldoening iler schuld.

qui lucet conséntil, lat. sprw., wie zwygl stemt too, of stilzwygen Is ook oen antwoord,

qui-Ka-ta.\' of qui vive.\' fr. (spr. kiwata, kiwiw\') woordelijk: wie gaal daar? wie leeft?

— werda? wledaar? (de aanroep van franscho schlidwuchteti, wanneer er Iemand nadert); op zgn qui-vive zyn, op zyne hoede zgn, zeer opleltend op alles zgn, nauwkeurig toezien.

Quixote, z, don qnixote.

quoad, lat. hetrelTende, wat aangaat; quoad toruni et mensam (schelden of gescheiden) van tafol en bod.

quoeünque modo, lal. op wat wgzo het ook wezen moge, op elke mogelgke manier, het ga zoo \'t wil.

quad, lat. (neutr. van qui, wie) wat; — (juod bene (of ;»o/)t\') notdndum, lal. wat wel op te merken Is, waarop men wol acht moet geven; — quod bonum, fetix faustum(.fortuna-tum-)que sit! afgek. Q. II. I\'. /■\'. Q. S., wat goed, gelukkig en gezegend zg! of God geve over dit werk zynen zegen 1 — quod cilo fit, cito peril, wal snel komt, vergaat ook snel;

— quod Deus bene eertal, z. ond. Deus: — qund di omen avertant, do goden wenden dat voorteeken af; — quod dubitas, ne fecSris, z. op dubltooron, ond. dublum; —quoderat detnonstrandum, z. d e m o n s t r e o r en; — quod fiïri potest per puma, non debet per plura, wat met weinig geschieden kan, bohooft hel vele niet.

Quodlibet, n. lal. (eig. (juod libel, wat bellefl of behaagt) een wat-men-belleft, wat-mon-wll; iets, ilal zonder orde en samenhang of toch mot schynbaro willekeur samengesteld Is, b. v. zulk een muziekstuk, zulk eene schll-dery, enz., een allerlei, mengelmoes, poespas, ook een lalfo woordspeling, platte dnbbelzln-nigboid.

quod licet Joei, non licet boni, wat Jupiter veroorloofd Is, slaat daarom den ossen niet vry, (1. I. heizelfde is niet gepast voor uilen; — quod non opus est, usse curuin est, lal. wat men niet noodlg beeft, Is duur, al kost hot slechts oen cent; — quod quis per atiuin facit, id ipse fecisse pulutur, wat men door een ander doel, wordt zoo aangezien, als had men het zelve gedaan; — quod scripli, scripsi, wat ik geschreven heb, bob Ik geschreven (gezegde van Pllatus); — quod tibi non vis fieri, id allèri ne fecdris, wat gg nlot wilt, dat u geschied, doe dat ook aan een ander niet; — quod tua nihil referl, ne cures, wat u idet aangaat, bekommer u daarom niet; — quod cult Deus, lal. wat God wil (moge geschieden)!

quomodo, lal. hoe, op welke wijze; qaomoiio vales, hoe gaal het, hoo vaart u? de quomodo, f. do handelwyze, do wgze waarop, de manier van uitvoering.

quondam, lat. weleer, voorbeen, wgleu. Quorum, n. lal. (gen. pi. v. qui, welke) een welteiyk aantal leden, dat in een volks-vortogonwoordirig aanwezig moet zgn om een besluit le kunnen nemen; — quorum pars mnqna (of pareu) fui, waarvan ik een groot (of klein) aandeel gehad heb.

quos ego! lal. ik zal je...! woordeiyk: die ik (n.l. streng bestralfen zal), afgeiirokoii dreigende loorocp van Neplunus aan ile winden, die legen zynen wil gestormd hadden (in Virg. ■Kneis l. 13S), spreekwoordelUk geworden voor eene strafbedreiging in \'1 algemeen.

quos vult jierdi re Jupiter, dementat prius, lal. wie Jupilcr verderven wil, oalneemt hij eerst bel versland.

Quota, f., ook quotum, n. lat. (van quotus, a, urn), de hoeveelste; — quota, sell. pars, hel hoeveelste gedeelte) het evenredig aandeel of het hehooriyke, gevorderde gedeelte, wat door leder naar verhouding by le dragen of le betalen Is; — pro quota, naar verhou-ding, evenredig; quota detiaclionis, aandeelsbedrag In de korting; — quota litis, f. het aandeel In de winst, bet deel aan do betwiste zaak; — z.yn quo tam con tri hue eren, zyn aandeel bydragen-, — quotoeren, Jnr. naar evenredigheid verdeden; het hoeveelsle aanteekenen, opleekonen; geschriften met ge-lallen, volgnommers of teekens voorzien, nom-meren (vgl. coleeren); — quotiént, n. nw.lul. (van \'Hal. quoCiens of quoCies, hoe dlk-wyis, hoe veelmaal?) Aiilb. de uitkomst, het antwoord op eeno deeling of divisie— quotatie of quotisatie (spr. -za-tsie), f. de aandeelsberekening, aandeolsbepallng en -verdeeling; — quotiseoren, naar verhouding verdoelen, ook cotiseeren, (z. aid.) •, — quo-titoit, f. de uaadeelsveiiioudlng.

quod cuptta, tol census, lal. zoo veel hoofden, zoo veel zinnen.

quoteeron, z. ond. quota.

quotidiuna ciléscunt, lal. (quolidianus, a, uiu, van qunlidïe, dageiyks) het alledaagsche wordt


-ocr page 1059-

QUOTIENT

1033

RABAT

geminucht; — quolidiitnus typ us, in. do dage-lyksche (stlpt e) terugkeer van eene ziekte (vgl. typus); — quolidiuna (sell, fcbris), tie alle-daagsehe keorts; — quotidienno, f. fr. (spr. koliiliènn) een dagelgks versehynend blad, eene alledaugsehe courant.

Quotient, quotisatie, quotisoe-ren, quotiteit, z end. quota.

quo lilulo, z. ond. titel.

Quotum, z. ond. quota.

quoüsque tandem! lal. hoe lang toch..., of hoe lang nog (u.l. /.al het duren of zoo voortgaan) ! de aanvangswoorden der eerste redevoering van Cicero tegen Calilina.

quoois modo, lat. z. v. a. quocunque modo, z. «ild., of modus.


Tl

It. als (jriekscli getttlleckcn = 100, \' = 100,000; als rom. gotal II. = so, n = 80,000; als afkorlltiK up rom. Immlsclirillen, lal. = Horna, Itomanus, regxa, reunum, reslilulor: i)|] receplon: recipe: In inuntworkon = rarus, zeldzaam en liij zeer groule zeldzaamheid slaal li K en II It K, hij uanwyzlng \\an warmtegraden K. = Kéaumnr; — Jl. A. — enj;. run al Academy, koninklijke academie; — II. !gt;., af-korllng van Ileverendus Dominus: — /(3. 1)°., d. 1. Heverendo Domino, z. aid.; — Hec. = recensent; Hed. = redactie et redacteur;— Hef. = referent; — ren. lat. afk. voor reunla, regel, of voor regfus, koninklijk; — rel. = re-liquu; — repr. = refiroduculur, z. onder reproduceer en; — m;)., afkort, van respondeat ar, respousuin, respect en respectu, ook respective, z. aid.; — It. I\'. S. /\'. I\'. = fr. ré-ponse favorable s\'it vous plait, verzoeke vriendelijk gunstig antwoord; — It. I. = Khode Island in Noord-Amerlka; — II. I. I\'. — re-quiescat in puce, z. ond. requiem; — II. I. S. A. lat., afk. van Itomanurum Imperulor Semper Aunilslus, de romelnsclie keizer, altyd vermeerderaar (des rijks); — II. K. = ruomscli katholiek; — II. M , verk. van Ileum Majéstas of Hefiiae Mnjestaiis, do of van de koninklijke majesteit; — r. m., afk. van reiierendum mini-slerium, z. m luist er i u m; — II. M. C. — Heverendi Minislerii Candidalas, z mlnlste-rlum; — II. .V. = eng. royal naoy, koninklijke marine; — II. O. rdlione olfwii, ninhlshalvti; — r0. = rech), op de voor- of eerste zijde Ides Iliads); — II. P., fr. afk. van Hévérend Père (s|ir. re-w\'raii pèr\') eerwaarde vader of pater; — r. r. — resermlus reservandis, z. reserveeren. — Chemische teekens zijn: II of tlh — Wiodimn. Ilh = llubidiain. Itn = Ruthenium. — li. als muntteeken en wel op fransclie munten: Orleans; op pauselijke: Home; np portugeesche en hrazlliaansehe: Klo de .la-nelro.

Hu, 1) f. nederl., lange ronde spier, die aan een mast of steng hangt en dient om een zeil op Ie houden.

Ra, 2) n. fr. de oogenhlikkeiyke trommelslag, zeer korte rodel.

Ra, 3) m. egypt. (koptisch re, met hel lidwoord li lire, de zon) de egyptlsche zonnegod.

de hoogste en oudste dor egypllsche goden, wlen de sperwer geheiligd was, en die daarom ook meestal met een sperwerkop wordt voorgesteld.

raar, adj. (lat. rarus, u, um, elg. niet dicht bijeen, dun, afzonderlijk) zeldzaam, kosthaar;— rara avis [in terra), f. een zeldzame vogel (op de aarde) Iets vreemds, een wonderlUk mensch;

— rati nanles in liuryite vasto, eenlge weinige schlphreukellngen hier en daar drijvende op den wijden afgrond(zee); — rarissime, zeer zeldzaam; — omne rarum est rarum, alle zeldzame dingen zijn duur; — rarum conlimjens, n. eene zelden voorvallende zaak; - raritoit, f. (lal. raritas, fr. rarilé) do zeldzaamheid, kostliaar-held; ook een zeldzaam, vreemd, aardig ding; lil. rariteiton, zeldzaamheden, uanliglieden;

— raritas denCium, f. Med. liet al te ver uit elkander staan der tanden; — pour la rarete du fail, fr. (spr. poer In rar\'ti du ft) om de zeldzaamheid van de zaak, voor de aardigheid, om de grap; rarofaciontia (spr. l=ls), pi. (van rarefacére, dun of ijl maken) geneesmiddelen, die de zweetgaatjes nf poriën verwijden; — rarofactio (spr. l—s), f. de verwijding der poriën; verdunning, verdeeling of uitzetting der lucht door warmte.

Rab, n. helir. Muz. het liakkeliord of tym-panon der lletineen.

Rab. of Rabonh., hij liotanische hena-mingen afk. voor 1.. Rahenhorst.

Rabab, f. nrah. Muz. eene arali. vlooi, een Instrument van den vorm cciier schildpad, hebbende een krommen steel en drie paardenharen snaren, die met eenen strijkstok bespeeld worden (vgl. rebab).

rabaissooron, fr. (rabnisser: spr. ra-Mss—: v. aliaisser, nedorlaten) verlagen, doen dalen, zinken; kml. In prijs verinhnleren, goed-kooper worden of maken, afslaan; — rabais-sement, n. (spr. rubèss\'mail) de verlaging, prijsvermindering.

Raband, m. Mar. kort touw, dienende om voorwerpen samen te lilmlen.

Rabanno, f. eene soorl van Irommel der Negers aan de (gt;01111- en Slaveukusl In Guinea.

Rabarber, z. r li a h a r li e r.

Rabat, n. (van \'t II. rabattere, aftrekken, In t Hal. zelf echter ribasso, fr. rabuis) de aftrek, afslag, korting van den bepaalden prijs


-ocr page 1060-

RABATTUE

4 034

RACQUIT

ccnor wnur; — ook eeiio soort van schaaf; — rabat-conto, n. do attrokrokonlng; — ra-battooron, aftrekken, afkorten; ook den bal in het kolfspel achter den paal tegen het schot spelen; — rabat, n. fr. de overslag, op- of omslag, een omgeslagen zoom of rand aan den kraag of de mouwen van een manskleed; een hef of kraag voor geosteiyken uf rechters; smalle strook hoven eone gordijn; lederen rand aan de kap eoner koets ter heschulllng legen den Invallenden regen; ook een smal tuin- of hloemhed, zoomhed.

Rabattue, f. fr. dun Lyonscli behangsel-linnen.

Rabaut, m. (fr. ribaud) wellusteling, deugniet, schelm.

Rabbi of rabbijn, m. bebr. (van rub, d. I. veel, groot, ouder-, de opperste, voornaamste, meester) eig. mgn meester; een joodsch leeraar of verklaarder der Joodsche wet, schriftgeleerde; — rabbinisme, n. nw.lat. de joodsche schrift- of godsdienstleer, het stelsel der ra hbiinsche schrift geleerdheid; — rabbijnseh, rabbiniatisch, adj daartoe behoorendo; de rabbunscbe taal, bet door de rnhbynen omgevormde bohreeuwsch, loz. de wetenscimp-pelgke schrijftaal der joodsche schrijvers sedert de 10de eeuw; — rabbinieten, z. I a I m u il; — rabböth, pi. de oude joodsche uitlegging der bijbelsche boeken, inz. de boeken van Mo-zes; — rabbooni, m. onze leeraar, onze heer en meester (de titel, waarmede de discipelen van .tuzus dezen aanspraken).

Rabbit, n. eng. (spr. rébbil) konijn.

Rabdologie, z. rhabdologle.

Rabenh., z. Kab.

rabes de morue, pl. fr. (spr. raab\') schel-vlscbkuit, aas bij de sardellenvisscherij.

rabêteeren, fr. (rabêler, v. bêlc, = lat. beslia, beest, dier) verdierlijken, verheesteiijken, gelijk aan een redeloos dier maken of worden.

rabies, I. lat. de woede, razernij; — rabies cumna, f. de hondsdolheid.

Rabiuet, z. ond. rahldoquln.

Rabulist, m. nw.lat. (van \'t lat. rabtila) een rechtsverdraaler, rechtsvorknoeier, advocaat van kwade zaken; — rabulisterij, f. rechts-verd raaiing.

Racahout, n. (spr. —hiU) turk. een uil /.etmeel en chocoladepoeder mei allerlei toevoegsels bereid versterkend voedingsmiddel voor zieken,

Racaille, f. fr. (spr. rakdlj\',■ óf van \'I gr. rnkns, lomp, Harde, óf beter van \'t oudn. rarki, hond, eng. mek: vgl. ons rakker, rekel, houd, en \'t fr. canaille, v. ranls, bond) bet lom-pengespuls, gepeupel, janhagel, gespuls, grauw, klompenregiment; hel uitschot, wrakke goed, het hedorvene, onzuivere, slechte van eene waar, de afval.

Raccólte, f. It. (raecólla, v. racróf/liere, verzamelen) de inzameling, de oogst.

raccommodeGren, f. (raecommoder, v. re—, z. aid. en aceommoder; vgl. a c c o in m odeeren) verbeteren, herstellen, opknappen, oplappen, weder In orde brengen, verhelpen, weder goed maken; — raccommodage, f. (spr. —dadtj\', de verbetering, berstelling, opknapping, het herstelwerk, lapwerk; — rac-commodemont, n. (spr. —mdii) de ver-belplng, vcrellenlng, verzoening, herstelling, b.v. van de vriendscbapsbreuk tusschen oneenszijnde personen.

raccordeeren, fr. {raccorder, van reen aecorder-, vgl. accoord, enz.) speeltuigen weder stemmen; weder vereenigen, hereenlgen, aaneenhecliten of voegen; weder eens worden; schilderijen opknappen, verhelpen ; - raccor-dement, n. (spr. —mdii) de hereeniglng; het elfen- of geiyk maken, verhelpen, inz. het sa-menstemmou dor tinten by hel opknappen van scliilderyen.

raccrochooron, fr. [raenveher, spr. ra-krnsj\'—; van re— en aerroeher; vgl. accro-ohoeren) weder aan- of ophangen; weervinden, bcetkrUgen, betrappon, aan don haak krg-gon; — zich raccrocheeren, zlrh weder aansluiten, zich verzoenen-, — raccroc, m fr. (spr. rakrö) een gelukstoot, foriuiniyko stoot of worp in hot spel.

Race, t) f. fr. z. ras; — raco, 4) f. eng. (spr. rees) wedren, wedstrijd; — racehorse, n. renpaard ; — racer, m. (spr. reeser) renner, renpaard; — racing, n. (spr reesing) hei rennen, do wedloop.

Racematie (spr. l=ts) f. lal. (van rare-marl, nalezing houden, roei mus, druif) de nalezing, Inz. van druiven, enz.

racemosus, a, urn, lal. Bot. trosvormig, wat don vorm van oen tros hoeft.

Racha (bebr. eig. rukd: waarsch. verwant met rak, dun, dor) een bebr. scheldwoord, dat een sloclii, nietswaardig monscb aanduidt; vgl. Matib. V, 42.

Rachat, z. ond. racheieeron.

Rachel, bebr. (rdchil, d 1. scjiaap, ooi) vr.naam: do geduldige.

racheteoren, fr. [racheler, spr. rasj\'l—) ierugkoopen, losknopen, vrgkoopon; — rachat, m. (spr. rasjó) de herkoop, wederkoop, vry-kooplng.

Rachitis, ■/.. rbachlils.

Rack, m. eng. z. v. a. arak (z. aid.)

Rackasira, oen Indlaansche balsem, dio, ontstoken zyndo, een aangenamen geur geeft.

Rackoen, z. co a li.

racleeren, fr {rader, oudfr. rasder, 11. raschiare, v. \'1 lal. rodere, rasum, schrappen, krassen) scbrahhon, afkrabben, afschaven; af-slrükon, b. v. eone gevulde korenmaat; slecht spelen, rammelen, zagen op eone viool; — ra-clour, ia. oen slecht vioolspeler; — racloir, m. (spr. raklodr) een schraapyzer, krabber.

Racontar, m. fr. vertoisoi, verzinsel, kletspraatje, inz. in couranten.

Racquit, m. fr. (spr. raki: vgl. acquit) hot wedergewonnone, do ierugwlnsi, berwlnst; — racquitooren, fr. {racquiller) hot ver-


-ocr page 1061-

RADDOLCÉNDO

RADOUCEEREN

1035

1oren« torugwlnnen, zijno sclmdo herstellen.

radilnlcéndó, 11. (spr. c=lsj ■, vim raddolcire, verzoeten) Muz. vorzachtcnd, llcliyk.

raddoppidlo, It. (van raddoppiare, verdubbelen) Mn/., verdubbeld; — raddoppiaménlo, in. du verdubbcllntt

Rado, t. fr. (It. en sp. rada; van dultscben oorsprong) de ankerplaats, re ede, ■/.. aid.

Radeorijzor, radeerkunst, enz. z. ond. ra doe ren.

Radegast, in. (russ. Hadoqaslj, van rad, vroolük, vergonoeRd en unslj, gast, dus; de god der gastvrybeld?) een god der oude Slaven of Slavonen, wlen hel paard was toege-belllgd (volgens Orlmm de slavonlsche Mer-curl us).

radeeron, lat. {radire) schaven, afschaven, afkrabben; uitkrabben; hü |)laatsnljders; etsen; radeorgrond, de etsgrond; — radeorijzor, een beelmeesterswerktuig bü bet Ire pa nee ren (z. aid.); — radeerkunst, de etskunst; — radeermes, een krabmes; - radoornaald, de etsnaald-, --radoorpoedor, een poeder om uitgekrabde plaatsen op het papier weder beschrijfbaar te maken, sandarak; — radoervornis, n. bij liet plaatsnijden; liet etsvernls; — radeer-water, bet ctswater; — radir-gummi, n. hgd. gom-elastlek om Inkt- en potloodscbrlft uit te vegen.

Radosygo, f. deensch (van \'I verouderd rade, hevig, boosaardig en syf/c, pest, ziekte) eene zeer langdurige en boosaardige, naar de molaatschheld gelijkende ziekte in Noorwegen, Zweden, op IJsland, enz.

Radhen, m. een adellijke titel op Java. radiaal, radiatie, enz. z. ond. rad lus. radicaal, radiceeren, enz. z. onder r a d I x.

Radicüla, f. (vgl. radix) lat. worteltje. Radius, m. lat, pl. radii, radiën of radiussen, lal. de straal, spaak of speek-, Anat. de kleine annpUp; Math, straal, de halve middellijn des cirkels; vgl. diameter; — radius osctili, boogere Math, die rechte lyn, met welke men een oneindig klein gedeelte van eene kromme lijn als cirkelvormig beschreven denken kan; — radius vedor, die rechte lijn, welke uil hel brandpunt eener kromme Ign naar een punt In baren omvang getrokken wordt; inz. Astron. do reclile lijn uil bel brandpunt der elliptische baan in bet middelpunt der bewogen planeet; ook Mecli. de lijn uil hel middelpunt der krachten In bel zwaartepunt van het bewogen lichaam;—radiaal,adj nw.lat. strallg, stralen hebbende; ook Anal, de kleine armplip belrelTendo, daartoe behoorende, b. v. radiale arteriën, radiale z e n u w en, enz; rad la al-k roo ii, straalkroon; — radi-arïën, pl. versteende straaldlereii; — radialus, a, um, lal. Hot. gestraald, straalvormig; — ra-diaten, strnaldleren-, — radiatie (spr. I—Is) f. lat. {radiafio, van radiarc, stralen) de straling, uitstraling, straalworplng; ook het door-slrljken van eenen post In eene rekening; — radiöus, adj (lat. radiósux, a, um) stralend, glanzend, schuierend; opgeruimd, vroolijk, blij te moede; — radiolith, m. lat.-gr. eene ver-steening van een straaiscbelpdier; ook z. v. a. natrolith;- radiometer, m. een graadboog, poulslioogte-meler (Jakobsstaf); ook een door VV. Crookes in lHquot;\'i uitgevonden vleugeltoestel, om de beweging voortbrengende kracht der licht- en wunntestralen aan Ie toonen.

Radix, t., pl. radices, lat. de wortel; do oorsprong, stam; Arilb. bet wortelgetal, de machtsworlel, wortel; vgl. potentie; Gram. de wortel, wortelvorm, de wortel- of stanilet-tergreep, het oorspronkelijk bestanddeel, dat aan eene geheele faitillie van woorden ten gronde ligt; — radicaal, nw.lat. Ingeworteld; oorspronkelijk, grondig, diep, aangeboren, van nulure; ook met den wortel, van den wortel af, uit don grond op; radicaal, als snlist. n. Chem. eene grondstof, de basis der zuren, een lichaam, dat in slaat Is om met een ander oen zuur of eene basis te vormen; Jur. titel, bo-naming, b. v. het radicaal van Nederlander bezitten;— radicalis, lal. Hot. worlelstiindlg, aan don wortel; - radicale azijn, hoogst zuivere, verdichte (geconcentrecrde) azyii; — radicaal bederf, grondbederf, grondkwaal;

— radicale kuur, eene grondige of volkomen genezing, In tegenst. met palllalleve kuur-, — radicaal kwaad, het grond-kwaad, de erfzonde; - radicaal toeken, hot worteiteeken (i/)-, - radicaal woord, een wortel of stamwoord; — de radicalen of eng radical-refórmers, m. pi. de naam eener volkspartij in Kngeland, Frankryk en andere landen, welke eene algeheele, grondige verandering of borvcrmlng van de constllullo en de wetten verlangen;- radicalisme, n. de grondstellingen en pogingen van deze party; — radicatfler, adv. (lat. liever radialus) met den wortel, ten gronde toe, b. v. Iets vernietigen -,

— radicalemenl, adv. fr. (spr. —maii) grondig, In den grond, b. v. genezen; — radiceeren, lat. (radicdrc) wortelen, wortelscblelen; tot zy-nen oorsprong terugvoeren; —gcradicocrd, adj. (lieji geworteld, gegroeid; radican-dus, in. Arith. dal getal of die groollield, uil welke deze of gene machtswortel moet getrokken worden.

Radja, z. radsja.

Radomontade, liever rodomontade, z. aid.

radoteeren, fr. (radoler -, oudfr. rcdolcr, v. oud-nederl. daten, eng. dole, bazelen) beuzelen, onnoozele, lulfe, smaaklooze taal voeren, zonder samenliang spreken, sulTen, gein. lullen;

— radotage (spr. Iiiazj\') of radoterie, f. beuzelpraat, zolteklnp, mallepraat; - ra-doteur, m. een dwaas snapper, sutler, raas-kaller.

radouceeren of radoucissoeren, fr.

(radoucir, s|ir. radoeseeren of radaesi-s—, van re— en adoucir; vgl. adouceeren) vorzncli-


-ocr page 1062-

RABATTÜE

1034

R ACQUIT

epnor waar; — ook cenc soort van schaaf; — rabat-conto, n. do aftrokrokenlng; — ra-battoeren, aftrokken, afkorten; ook den bal In liet kolfspel achter don paal togen hot schot spelen; — rabat, n. fr. de overslag, op- of omslag, een omgeslagen zoom of rand aan den kraag of de mouwen van een manskleed; een hef of kraag voor geeslelüken of rechters; smalle strook hoven eene gordijn; lederen rand aan de kap eenor koets Ier heschuUlag tegen den Invallenden regen; ook een smal tuin- of hloemhed, zoomhod.

Rabattue, f. fr. dun I.yoiiscli holmngsel-llnnen.

Rabaut, m. (fr. ribnud) wellusteling, deug-nlot, schelm.

Rabbi of rabbijn, m. Iiehr. (van rah, d. 1. veel, groot, ouder; de opperste, voornaamste, meester) elg. myn moester; een Joodsch lecraur of verklaarder der Joodscho wet, schriftgeleerde; — rabbinisme, n. nw.lat. de Joodscho schrift- of godsdienst leer, het slelsel der rahhUnscheschrirtgeleordlield; — rabbijnsch, rabbinistisch, adj daartoe hehoorendo; de rahhynsche taal, het door de rahhynon omgevormde hohroouwsch, Inz. de wetenschappelijke schryftaal dor Joodscho schrgvers sedert de lodo eeuw; — rabbinieten, z. I a I m u d; — rabböth, pl. do oude Joodscho uitlegging der hglielsche hoeken, Inz. do hoeken van Mo-zes; — rabbooni, m. onze loeraar, onze heer en meester (de titel, waarmede de discipelen van Juzus dezen aanspraken).

Rabbit, n. eng. (spr. réhbil) konyn.

Rabdologie, z. rhabdologlo.

Rabenh., z. Rah.

rabes de morue, pl. fr. (spr. raah\') schel-vlschkult, aas hy de sardollonvlsschory.

rabêteeren, fr. [rabUer, v. Mie, - lat. bestla, heest, dier) verdleriyken, verheestoiyken, geiyk aan oen redeloos dier maken of worden.

rabies, f. lat. do woede, razerny-, — rabies cumna, f. de hondsdolheid.

Rabinet, z. ond. r a h 1 d o q u 1 n.

Rabulist, m. nw.lat. (van \'t lat. r-abnla) een rechtsverdraaler, rechtsverknoeler, advocaat van kwade zaken; — rabulisterij, f. rochts-vordruallng.

Raeahout, n. (spr. —hóé] turk. een nil zetmeel en chocoladepoeder met allerlei toevoegsels hereld versterkend voedingsmiddel voor zieken.

Raeaille, f. fr. (spr. rakdlj\'; óf van \'l gr. rnkns, lomp, Harde, óf heter van \'I oudn. racki, hond, eng. rack: vgl. ons rakker, rekel, hond, en \'t fr. canaille, v. canis, hond) het lompengespuis, gepeupel. Janhagel, gespuis, grauw, klompenregiment; hel nllschot, wrakke goed, liet hedorvene, onzuivere, slechte van eene waar, de afval,

Raccólto, f. II. (raecólia, v. raccögliere, verzamelen) de Inzameling, de oogst.

raccommodeoren, f. {raccommoder, v. re—, i. aid. on accommoder; vgl. accommodeeren) vorheteren, herstellen, opknappen, oplappen, weder In orde hrengen, verhelpen, weder goed maken; — raccommodage, f. (spr. —dadzj\') de verheterlng, herstelling, opknapping, liet herstelwerk, lapwerk; — rac-commodemGnt, n. (spr. —man) de vor-holplng, voreffonlng, verzoening, herstelling, h.v. van de viiendschapshrouk tusschon onoonszynde personen,

raccordooren, fr. {racconler, van reen accorder: vgl. ace oord, enz.) speeltuigen weder stemmen; weder vereonlgen, hereenigen, aanoonhechten of voegen-, weder eens worden; schllderyen opknappen, verhelpen ; - raccor-dement, n. (spr. —ma») do heroonlglng; hot eiïen- of geiyk maken, verhelpen, Inz. het sa-menstemmen dor linten hy het opknappen van schllderyen.

raccrochooren, fr. {racn-ocher, spr. ra-krósj\'—; van re— en accrocher-, vgl. accro-c he eren) weder aan- of ophangen; weervinden, heetkrygon, hotrappen, aan don haak kry-gen; — zich raccrooheeren, zich weder aansluiten, zich verzoenen; — raccroc, m fr. (spr. rakró) een gelukstool, fortulnlgkc stool of worp In het spel.

Race, 1) f. fr. z. ras; — race, 4) f. eng. (spr. rees) wedren, wedstryd; — racehorse, n. renpaard -, — racer, m. (spr. reeser) renner, renpaard; — racing, n. (spr reesing) het rennen, de wedloop.

Racematie (spr. I—Is) t. lat. (van race-muri, nalezing houden, racemus, druif) do nalezing, Inz. van druiven, enz.

racemosus, a, urn, lal. liet. trosvormig, wat den vorm van een tros heeft.

Racha (helir. elg. rdkd; waarsch. verwant mi\'t rak, dun, dor) een hehr. scheldwoord, dat een slecht, nietswaardig mensch aanduidt; vgl. Matth. V, 22.

Rachat, z. end. racheteeron.

Rachel, hehr. (rdchfl, d I. scjiaap, ooi) vr.naam: de goduldige.

rachoteeren, fr. (rachder, spr. rasj\'t—) terugkoopon, loskoopon, vrykoopen; — rachat, m. (spr. rasjd) do herkoop, wederkoop, vry-kooping.

Rachitis, z. rhachilis.

Rack, m. eng. z. v. a. arak (z. aid.)

Rackasira, eon Indiaansclie halsem, die, ontstoken zgnde, een aangonamon geur geeft.

Rackoen, z. coatl.

racleeren, fr (rader, oudfr. rascler, It. rnsrbiare, v. \'I lal. radere, rasum, schrappen, krassen) schrahhen, afkrabben, afschaven; af-stryken, b. v. eene gevulde korenmaat; slecht spelen, rammeien, zagen op eene vlooi; — ra-cleur, m. een slecht vioolspeler; racloir, m. (spr, raklndr) een schraapyzer, krabber.

Racontar, m, fr. verlelsol, verzinsel, klets-praatjo, Inz. In couranten.

Racquit, m fr. (spr. raki: vgl. acquit) hel wodergewonnene, de lerugwlnst, horwinst; — racquitoeren, fr. (racquitter) het ver-


-ocr page 1063-

RADDOLCÉNDO

4035

RADOUCEEREN

lorene leruRwInnen, z(jno scliuile licrstollon.

raddnlcémió, It. (spr. c=tsj: van raildnlcire, verzoeten) Muz. veiziichtend, Heil ijk.

raddopimlo, it (van raddoppiare, vordul)!»)-len) Muz. verdubbeld; — raddoppiaménlo, m. dv verdubbeling

Rade, f. fi, (II. en sp. rada: van dullscbon ourspruiiK) du ankerplaats, re ede, z. ubl.

Radeorijzor, radeerkunst, enz. z. oud. ra dee ren.

Radogast, in. (russ. Iladogaslj, van rud, vroolük, vergenoegd en goslj, gast, dus: de god der gastvrljliold?) een god der oude Slaven of Slavonen, wlen bet paard was toege-bclllgd (volgens lt;• r I in in de slavonlsche Mci -curlus).

radeeron, lat. (radSre) schaven, afsclia-ven, afkrabben; uitkrabben; bg plaalsnyders; etsen; radeergrond, de etsgrond; — radeorijzor, een beelineesterswerktulg li(| bet tropaneoren (z. aid.); — radeerkunst, de etskunst; — radeormes, een krabmes; — radoornaald, de etsnaald; — radoorpoedor, een poeder om uitgekrabde plaatsen op hel papier weder bescbrUfbaar te maken, sandnrak; — radeervernis, n. bU bet plaatsnyden; bet etsvernls; — radeer-water, het etswator; — radir-gummi, n. bgd. gom-elastlek om Inkt- en potloodschrift uit to vegen.

Radesyge, f. deenscli (van \'1 verouderd rade, hevig, boosaardig en sync, pest, ziekle) eeno zeer langdurigo en boosaardige, naar de nioiaatschhold geiUkende ziekte in Noorwegen, Zweden, op IJsland, enz.

Radhen, m. een adellijke titel op Java. radiaal, radiatie, enz. z. ond. ra d 1 us. radicaal, radicoeren, enz. z. onder rad i x.

Radicüla, f. (vgl. radix) lat. worteltje. Radius, m. lat., pi. rariït, radïën of radiussen, lat. de straal, spaak of speek; Anal, de kleine armpUp; Math, straal, de halve niiddeilUn des cirkels-, vgl. diameter; — radius oscüli, hoogere Matii. die rechte Ign, met welke men een oneindig klein gedeelte van eene kromme lyn als cirkelvormig beschreven denken kan; — radius vector, die rochte lijn, welke uil het brandpunt eener kromme Ign naar een punt In haren omvang getrokken wordt; Inz. Astron. de rechte lijn uil het brandpunt der elliptische baan in liet middelpunt der bewogen planeet; ook Mech. de lijn uit hel middelpunt der krachten In het zwaartepunt van hel bewogen lichaam;—radiaal, adj nvv.iat. stralig, stralen hebbende; ook Anal, de kleine armpgp betreltonde, daartoe behoorende, b. v. radiale arteriën, radiale zenuwen, enz; radiaal-kroon, straalkroon; —radi-arïën, pl. versteende straaldleren; — radialus, a, um, lal. Bot. gestraald, straalvormig; ra-diaten, straaldleren; - radiatie (spr. l=ls) f. lat. (radiaïïo, van radiare, stralen) de straling, uitstraling, straalwerping; ook het door-stryken van eenen post In eene rekening; — radiëus, adj. (lat. radiosus, a, um) stralend, glanzend, scbilterend; opgeruimd, vroolük, biy te moede; - radiolith, m. lal.-gr. eene versteening van een siraaisclielpdicr; ook /. v. a. nat rol II h; radiomótor, m. een graadboog, poolshoogte-meter (jakobsstaf); ook een door W. Crookes in ISTi uitgevonden vleugel-toestel. om de beweging voortbrengende kracht der licht- en warnilostralen aan te loonun.

Radix, f., pl. radices, lat. de wortel; de oorsprong, stam-, Arllh. bel «ortelgetal, de machtswoiiel, wortel-, vgl. potentie; Oram, de wortel, wortelvorm, de wortel- of stamlettergreep, bet oorspronkolük hostanddeel, ilat aan eene gebcele familie van woorden ten gronde ligt; radicaal, nw.lat. ingeworteld-, oor-spronkeiyk, grondig, diep, aangeboren, van nature-, ook met den wortel, van den wortel af, uil den grond op; - radicaal, als subsi. n. Chem. eene grondstof, de basis der zuren, een lichaam, dat in staat Is om met oen ander een zuur of eene basis te vormen; Jur. Illel, benaming, b. v. het radicaal van Nederlander bezitten-, — radicalis, lal. Hot. wortelslandig, aan den world; - radicale azijn, hoogst zuivere, verdichte (geconcentreerde) azgn; radicaal bederf, grondbederf, grondkwaal;

— radicale kuur, eene grondige of volkomen genezing, in tegenst. met pa lila lieve kuur-, — radicaal kwaad, hol grond-kwaad, de erfzonde; - radicaal toeken, hel worteiteeken d/), - radicaal woord, een wortel of stamwoord; — de radicalen of eng. radical-rofórmors, m. pi. de naam eener volksparig In Engeland, Frankryk en andere landen, welke eene algeheele, grondige verandering of hervorming van de constitutie en de wetten verlangen , ■ radicalisme, n. de grondstellingen en pogingen van dezcparlg; — radicatflcr, adv. (lal. liever radicltus) met den wortel, ten gronde toe, b. v. Iets vernietigen-, —- radicalcmenl, adv. fr. (spr. —mnii) grondig, in den grond, b. v. genezen; — radicoeren, lat. {radicarc) wortelen, worlelschlclen; lot zy-nen oorsprong terugvoeren; — geradlc eerd, adj. diep geworteld, gegroeid; - radican-dus, m. Arllh. dal getal of die grootheid, uil welke deze of gene inachtswortel moei getrokken worden.

Radja, z. rads ja.

Radomontado, liever rodomontade, z. aid.

radoteeren, fr. {radoler -, oudfr. redotcr, v. oud-nederl. dolen, eng. dole, bazelen) beuzelen, onnoozele, lalle, smaaklooze taal voeren, zonder samenhang spreken, suffen, gein. lullen;

— radotago (spr. —Iddzj\') of radoterie, f. bouzelpraal, zolleklap, mailepraat; ra-doteur, m. een dwaas snapper, suffer, raas-kaller.

radouceeren of radoucissooren, fr.

(radoucir, spr. radoesceren of radoesi-s—, van re— en ndoucfr,- vgl. adouceeren) verzacb-


-ocr page 1064-

KA DO WA

RAISON

103(i

Icn, stillen; doen budiiron, bovmllBen; aan een metaal zyno liroslielil henetiiun, liet smodtg maken.

Rtldowa, /,. rogdowa.

Radsja, raja, radjah, sanskr. ridsjan, Nomln. rdilsjd, koning = lat. rex) een ooslln-ilisclie stamvorst of Inlandsch vorst der Hindoes, Ihans grootendoeis van do Kuropcanon af-hankciyk (vgl. maharudsja).

Reeps of raps, m. hoogd. wijn, dien men weder op versche druiven gegoten en daardoor sterker gemaakt heeft.

Rafalo, f. fr. (vgl. «//quot;a/er, af-, nederliiten, I). v. touwen) de rukwind, valwind, windvlaag.

raffinooren, fr. {rafliner, van re- en ulfiner, vgl. afflneeron) louteren, zuiveren, vertljnenj — op Iets raffinooren, op Iels peinzen, denken, Iels zoeken uit te vorsehen, nil te pluizen, lislig of slim iets liedenken; — geraffineerd, adj. verlljnd, gelouterd, gezuiverd; doorslopen, doortrapt, listig, doorkneed; — rafflnadour, ni z. raff Incur; raffinage (spr. —ndatj\') ook rafflnade, f. de loutering, de zuivering, Inz. der suiker; gezuiverde, lijne suiker, geralllneerdo suiker; —raffinement, n. (spr. rafien\'mdii) liet uilplulzen, liaarkiooven, vitten, do muggenziflerlj, spitsvondigheid, gezoclillicid of te groote sliptlield In liet gedrag, het gesprek, enz.; - raflflnerïe, f. de zuivering, de plaats der zuivering of loutering, inz, de ra ff In ader ü, de sulkerznive-ring, de suikerziedery, ook z. v. a. raffinement;—rafflneur, de zuivoraar, leuteraar, inz. de raffinadeur, de zuiveraar of zieder der suiker.

Rafflesïa, f. (Hiifllcsia Armhli) de renzen-idoem, een gewas, in ISIS op Sumatra ontdekt door Dr. ,los. Arnold, op eene reis, die de eng. gouverneur Raffles In hel hinnengodeeite van dli eiland deed; de hioesoms van dil gewas zyn ointrcnt s voet in doorsnede.

Raffl., liij natuurhislorlsclie henamingen afkorting voor Sir T. S. Kallles (gestorven IS^ti).

Rail, Rafldieton, z. v. a. Schiïoten (z. aid.)

Rafian, f. klein vaartuig met een enkel ia-tynzell, oii de Mlddeliandsche zee in gehrulk.

Ralln., iilj natuurhistorische henamingen afkorting voor O. !•\'. Kallnesque Schmalz (gestorven ISiO).

rafraichooron of rafraichisseeron,

fr. [rafraichir, siir. mfritsj—, van frais, fmirltc, frlsch, versch) verfrissehen, verkoelen, afkoelen, verkwikken, vervorschen, vemienweri; — ra-fraichissant, adj. verfrisschend, verkoelend, verkwikkend; rafraichissoment,n. (spr. —sjis\'mdii) de verfrissching, verkoeling, lafenis, verkwikking, verversehing; — rafrai-Chisseur, in. de verfrlssehor, een toestel om zich afkoelend en verfrisschend water door middel van lijne pupjes In \'1 gezicht Ie spuiten.

Rage, (, fr. (spr. ranzj\': van\'t lat. rabies) de woede, razernij, dolzinnigheid, dolheid; de overgrooto begeerte naar, of de verzotheid op iels, do manie.

Ragione, f, it, (spr. rudzjióne; van \'t lat. ratio: elg, rede, oorzaak, rekening, verhouding enz.) een handolsgozolsclmp, z. v. a, firma, In hel fransch ook ral son, z. aid.; het ra-gione-boek, in sommige groolo koopsteden een op de beurs of bet raadhuis openliggend hoek, waarin ieder handelshuls zijne lirma enz. nedersclirljfl.

Raglan, m. eng. (spr. reulmi) een naar onderen smal toeloopende overrok, naar den eng. hevelhebber der landmacht in den Kriinoorlog genoemd.

Ragout, in. fr. (spr. ragoci van rayoüter. Iets op nieuw smaak geven, iemand nieuwen eetlust bUhrengen, als \'1 ware lat, re-udguslare, v, uustus, smaak, ijuslare, proeven, smaken, fr. goüt, ijoMcr) een opgewarmd, door gekrulde saus smakelijk gemaakt vleescligorecbt, gekruid vleesch; — ranoüt /in, n. (spr. —fcii) een lijn gemengd gerecht, bestaande uil goed vleesch, gevogelte, oesters en dgl. en gewoonlijk in schelpen opgedragen -, — ragoül a la (liable, een poespas, mengelmoes van allerhande spgzen dooreen;—ragoutant (spr. ragoeldii), den eel-lust opwekkend, smakelijk.

Raguet, m. fr. (spr, ;•«(;((,■ eig. uitgeschoten kabeljauw, v. vaguer, afwrijven, ysi. rahi) eene soort van kleinen gezouten kabeljauw.

Ragusino, ragusme, ook tallaro of vislino, m. tot IS(i« eene rokonmunt te Ra-gusa, van 1{ ducati, hyna = 1 gi, 80 cl. courant.

Rail, f. eng. (spr. reel: samengetrokken uit angels, raegel. oudd. rigel, richel) richel, regel, dwarshout, scheen; pi. rails, de ijzeren schoenen der spoorwegen, over welke de wagenraderen rollen; vandaar rail-roads (spr. -roods) of rail-ways, pl. (spr. —oeees) yzerbanen, spoorwegen.

railleeren, fr. (railler, spr. ralj—, óf sa-mongetr. uit het mid, lal. ridiculari, belachen, bespotten, v. \'t lat. rUlicülm, lieiachiyk, óf van \'tsp. rallar, port. ralar, wryven, onelg. lastigvallen, plagen) schertsen, beerten, kortswyien, den gek scheren; iemand bespotlen, heelheb-hen, plagen, voor \'l lapje houden; — raille-rie, f (spr, ralj\'rie) scherts, boert, korlswyi, spotterny, plagory; — par ruillerie, uit scliorls of gekheid, uit joks, scherlsenderwys, voor de grap; — railleric a pari (spr. —a/mar) scherts ter zyde, gekheid op een stokje; — raillour, m, (spr. raljeur) een spotter, spotvogel, snaak,

Rainette, z. reine tie, oud, reine.

Raisa of reisa, f, oudd. (= hoogd. reise, oudfr. raise, rise, reis) voor heervaart, veldtocht; Inz. de voormalige graven- en legerdienst in Dultscblanil.

Raisiné, n. fr. (spr. réziné: van raisin, druif) druivenmoes, druivenconlituur; — raisins secs (spr, rèzeii sek) rozUnen.

Raison, f, fr. (spr. rizóii. van \'l lal. rallo) de rede, bet vorstand, do kennis; verstandeiyke voorsleliing, verslandsgronden; oorzaak, roden.


-ocr page 1065-

RAMBKRGK

io;{7

IJAITZKN

yrond; recht, gelUk; vcrlioudliin, hctickkliitt of reden; Kml. ilc linndolsnasim, z. v. a. firma, II. raglone; —a raison, naar vorhouding, lopen, naar den maalslaf; — raison d\'ötro, f. fr. (spr. r6ui/i d\'itlr\': v. élre, /ijlt) lid reclil van heslaan, hel rechl «in In aanzün gehraehl Ie worden; — un fint de raison, fr. (lal. ens raliunis) een redewezen, ondlnK, eene hersen-sclihn; mariage lt;le nisnn, z. ond. marlaffo;

raison d\'état, n. (spr. —de/ri) hol voordeel van den Slaal; raisonnablo of row. raisonnabel (spr. rèznnnahel) verslamllti, lilllijk; redeiyk; lameiyk, inallü; edel, grootmoedig, vrijgevig, mild; raisonnoeron (fr. raisonner) redencoren, verstandig heschoa-wen, verstandig sproken, oordoelon cn hoslnl-ten; volgens de tioginsolen der rede Iets onderzoeken on heoordoelen; ook in oiignnsligeri zin; veel redeneerens maken, spitsvondig redencoren, tegenspreken, tegenwerpingen of tegenspraak maken; ook lasterlijk over anderen spreken; cataloguo raisonné, uitvoerige catalogus, tieredcneerde lioekenlijst, waarin liij zeldzame werken de waarde, de intgevaiicn. de hczllters er van of liet merkwaardigste van den Inhoud of van eene dnarovor versehenen critlek aangeeft; — raisonnoment, n. (spr. rfconn\'-man) hot oordeelen of oordeelvellen, do heoor-doellag, vorsiandige heschouwing; versiandige gedachte, verstandshesluii; sluitrede; In vcracli-totyken zin: de ullpiuizerij, iiaarkloovery, schiju-redoneeiing-, ook tegenspraak, tegenwerping; — raisonneur, m. (spr. riznnneur) een haar-kioover; snapper, kakelaar; ihvarsdryver, verdrie-lig redeneerder; tegenspreker, tegenstrihheiaar.

Eaitzen, of elg. Ratzon, Rasciërs, (naar de rivier Ra se a In Servië) in. pi. oen slavonlscho volksstam, die thans in Slavonic\', Nedcr-tlongarije, /evenhergen, Moldavië en \\\\ a-laehije verspreid Is.

Rajah, raja, ■/.. radsja.

Eajas, m. pi. (arah ra\'yuh, weidend vee, kudde; onderdaan; van cn\'a, weiden, hewaken) schalptlchlige onderdanen, die niet de leer van Mohamed lictyden, lnz.de Christenen, die onder den druk der \'ruiken leven.

Rajóca, f. eene harde witte gtcensoort, weleer vaak voor heeidhouwwerk gehezlgd.

rajusteeren, fr. (rajusler) weder in orde lirongen, weder aanpassen.

Rak, I) n. nedcri. Mar. met leder lieklced en niet vet hesmeerd touw, waarmede de ra tegen den mast of de steng wordt gehangen; — S) gedeelte van oen weg, van eene rivier enz., dat recht of hijna recht loopt; — D) zeegat, plaats waar zeeOn gemeenschap met elkander hohhen; strooinmondlng In zee.

Raka, z. raeha.

Rakchasas, in. pi. tnd. Mytii. eene soort van hooze geesten, die allerlei gedaanten aannemen en door sommigen als vampiers worden voorgesteld; hun aantal is onberekenliaar; — rakchasis, pl. naam van de vrouwen der rake h a s a s.

Rake, m. eng, (spr. reek] een onverlaat, een schurk, een woesteling = fr. rnué.

Rakót, f. 1), (van \'t 11. rocchello, de spil spoel, eng. rocket, als In \'I fr. fusie, rakel en spil- of kiosvol, fuseau, klos) een slraaivuur, eeno \\uurpijl, een opstygend vuurwerk, he-staando nil eene mot krolt gevulde papleren iius of kardoes, die mei oen langen vurigen staart In de hoogte stygt enz.; — 2) rakót, n. (II. rarrhella, fr ruiiuelle, als ware \'I lal relirhella, van role, net) een tialncl, slagnet hij hel halslaan of kaatsen; — II) ook rankot of ranquet, n. Muz. een voormalig kori houten pijpwerk, van den toon eener duhhole fagot; ook een snorwerk in orgels, dat den toon van dal speolluig nahootste.

Raky, f. slav. (vgl. het russ. rakd, de voorloop van hrandewyn en rak, arrak) prulmen-hrandewyn in Slavnuie.

ralonteeren of ralontissoeron, fr. (ralenlir, spr. ralniil—, II. raUanlnre -, van lenlo, fr. h\'nt — lat. lentus, langzaam) vertragen, langzamer maken, verzwakken, verflauwen ; talmen, afnemen, verminderen; —rallentando, li. Muz. vertragend, langzaam, dralend, in liet langzamere vallende.

ralliëeren, fr. (rallier :\\a\\\\ re— en atticr, vgl. a llleeren) weder vcrcenlgen, hyeentrek-ken, herzamelen; — ralliemont, m. (spr. rali\'maii) Mil. do wedervereenlglng, horzame-llng, hel wederhyeentrekken van di\' door den vgaod verstrooide troepen ;-rallio-papior, n. fr. (spr. rali\'-paitjé) z. v. a. paper-hunt.

Ralph, eng. iminsn. z. v. a. Kudolph.

Rama, ind. Myth, eene dor viceschwordin-gen of inca mal Ion van Vlschnoe; hy was koning van Avodhya cn veroveraar van (\',ey-lon; ramajana, m. ind. de wandel of levensloop van Kama, de titel van een groot, In hel sanskrit geschreven episch gedichl van ongeveer MOOO verzen.

Ramadan of Ramasiïn, m. arah. (ramadan, van ramidn, zeer heel zyn) elg. de hecle maand (omdat ten tyde van de invoering des naams ileze maand In hel heetste jaargetyde viel) di\' vastenmaand, ile negende maand In den arah. kalender, In welken de vastentyd der Mohamcdanen valt; de groolc vasten der Turken.

Ramadoo, m. de Ichneumon, z. aid.

Ramajana, z. ond. Hainn.

Ramasan, z. ond. ramadan.

ramassooren, fr. (ramasser, van re— en amasser: vgl. amasseeren) verzamelen, oprapen, samenrapen; — gcra masse erd, adj. elg. verzameld ; sterk, gespierd, Ineengedrongen, h. v. ecu geramasscerde vent.

Rambado, f. fr. z. v. a. re geil n g, z aid.

Ramberge, f, fr. en eng. (spr. raubfrtj\' en rembérdzj; van \'I fr. rame, riem, en berde, z. harque) een voorin, eng. oorlogsschip, Inz. Ier verkenning eener haven; eene soort van lichte roeischepen, een postsrhlp, inz. op de eng. rivieren.


-ocr page 1066-

RAMBOUILLET

Ions

liANTSOF^N

Rambouillet, m. fr. (spr. rahboeljè) een wllto, roodKestreepte appel, zoo genootnd naar de geiyknamlRe stad In hot fr. departement Scliu\'-ct-Olse; eene perzlksoorl.

Raraboors of rambour-appelon, pl. fr. (spr. raiiboer) eene soorl van Rroote (?e-ribde zomerappelen van aaagonaam zuuraelitl-gon smaak; zoo gehoeten naar Ram li ures hg /Vinlens.

Rambourrago, m quot;fr. (spr. raiiboerddzj\'; vgl. hour re) do bereiding der geverfde wol voor gemengde lakens.

Rameau, m. fr. (spr. ram».- van \'1 lat. ra-mus, vorklw. als \'t ware ramelles voor ntmii-lus) een lak, twUg, eene spruit, loot.

Rameh, f. eeno noteiplunt In Ned.-lndlö (Boehmeria javanica)-, vgl. ram Ié,

Ramónta, n. pl. lat. (van raménlum, een spaander, splinter enz.) Med. de kleine splinters van geiirokea heenderen ; hel draderige, dat tiij den huikloop afgaat; afschaafsoi, stukjes, brokjes; — ramentacius, «, um, lat. liot. strooachtlg.

Ramoquin, m. fr. (spr. ra-m\'keh) een knasgeiiak, eene met kaas, eieren enz. bedokto snede iirooii.

Ramox, m. lat. (pl. ramlces: v. ramus, de tak) ile lak; Med. eene hreuk, een ilehaams-gehrek; - raraifleeeren, nw.iat. (v. \'Mat ramus, tak, twijg) vertakken; — ramifloatie (spr. l=ls) f. de vertakking; ook wel de uit-hrciding of verdooling in takken, In kleine aderen enz.; oneig. de talrijke onderverdeelingen van eene wetenschap, die men ontleedt of Indeelt ; nok de verschillende takken of draden eener samenzwering; — ramiférisch, adj. nw.iat. takken dragende.

Ramió, n. doop vlas goiUkende spinvezeis uit den \'stengel eener van Java afkomstige plant (lioehmeriu lenacissima)-, z. rameh.

Ramolade, t. fr. eene soort van dans; ook eene saus, z. re mol a do.

ramollissant, fr. (van ramollir, weder week worden; vgl. mollis) weekmakend, verweekend; —- ramollitiof, n. imrh.ial. eea weekmakend middel.

ramonooren, fr. (ramimcr,- van ramon, stompe hezem, hoender, van \'I lal. ramus, lak) den schoorsteen vegen; — ramoneur, m. een sclioorsleenvegor.

ramosus, u, um, lal. Bol. takkig, vertakt;— ramosissimus, a, um. Bot. zeer vertakt, diciit-takklg, slerk getakt.

Rampaard, oudlUds meestal rappaert, n. schoopsaduit, rolpaard, z. affuit.

Rampe, f. fr. (v. ramper, kruipen, oudfr. klauteren, rampant, In de wapenkunde: klimmend, opstijgend) Arch, eene schuin opgaande vlakte, de aan- of optred, h. v. op den wal; hel trapgedeelle lusschon twee trapportalen; de rU voetlichten aan een lat of stelling aan \'t voortooneel.

ramponoeren, fr. (vgl. het oudfr. ram-poner, hoonen, tergen, plukken en trekken, pro-venc. ramponar, li. rampognare, hoonen, van rampone, haak) vernederen, hespollen; beschadigen, bederven; vandaar ontramponeerd, adj beschadigd, bedorven, gebroken enz.

Ran of Rana, oudn. Myth, de zoekoningin, Kgirs gade, die als leelUk en boosaardig slaat hoschreven.

rana, verkl. ranüla, f. lat. olg. kikvorsch, kikkertje; Med. benaming van eene tongzweer, bet vorschgezwel; — rana in fahtela, de kikvorsch in do fabel, d. 1. hij blaast zich op als de kikvorsch, die ten laatste berstte.

Rancheros, m. pl. sp. (spr. rdntsjero: eig. een bewoner van een rancho, oen alleen-liggend huls) in Mexico; landlieden van spaansch-indiaansche afkomst, die uitmuntende ruiters en Jagers zgn en het grootste gedooite van de bereden troepen uitmaken.

rancide, adj. lat. (ranrïilus, a, um, van ra li cc re, ransig zyn) ransig, rans, tot aanvan-kelük bederf overgegaan, kwalükriokend; -ranciditeit, f. nw.iat. de ransigheid, ransige reuk of smaak.

Rancune, f. fr. (oudfr. rancune, rancure, rancore, rancor, provenc. en 11. rancura. It. rancora, provenc. rancor, mid.lat. rancura, ran-cuna, van \'t lal. rancor, ransigheid; oneig. oude haai) diep ingewortelde haai, wrok, belmeHjko vyandschap.

Riind, n eng. een garonmaat = ti leas of 1800 yards.

Randglosse, z. glosse.

Rang, m. (uit het fr. rang, maar oorspr. van duilschen stam, verwant met hol mld.hgd. ring, kring, kringvormige rU) de rü, orde; de plaais, eerepiaais, stand, de waardigheid; In den schouwburg een rü van zitplaatsen, die op geiyke hoogte de voor de toeschouwers bestemde ruimte rondloopt;—rangeeren, fr. {ranger, spr. ramj—) schikken, ordenen, in orde brengen, zetten of plaatsen; loz. spoorwaggons verzetten en tot treinen vereenigen; — iemand rangeeren, hem eene plaats aanwijzen; ook wol; lot zijnen plicht brengen, terechtzoltcn; — zich rangeeren, zgne huiseiüko aangelegenheden In ordo brengen; —rangeering, f. bet ordenen of rangschikken; Mil. het plaatsen der soldaten in de gelederen eener compagnie.

Ranger, m. eng. (spr. réindzjer; v. range, rondwandelen) de boschwachter; de spoorhond.

Rani, of naar eng. schrUfwüze somtijds ranee, f. (hindost. rdni) eene Indische prinses of koningin.

ranimeeren, fr. (ranimer : vgl. a n l moeren) weder bezielen, opwekken, opvrooiykon, ophalen of opfrissehen, h. v. eene kleur.

Ranket, n. z. raket 3).

Ranónkel, f. (van \'t lal. ranunculus, d. i. olg. klkvorschjo, kikvorschkruld) een bekend pronkgowas, hanevoel.

Ranquet, z. raket 3).

Rantsoen, 1) n. (hoogd ramion, uit het oud-lt. ranzóne, fr. ranfon,- van\'t lal. redemtto) hel losgeld, de prijs, die betaald wordt voor


-ocr page 1067-

IIANULA

1039

RAS

do vrUkoopltiR van ««n gevangono, van ecno plundering, onz.; — i) (lioogd. en fr. ration, van \'t lat. mïïn, regel, regelmatige Inrichting, maat), ook ransoon, do dagoiykscho hoeveelheid spys en drank voor de manschap op de schepen; de dagelyksche hoeveelheid voeder voor de paarden hy de landmacht, in onderscheiding van de hoeveelheid voedsei der soldaten, die portie genoemd wordt; — rantsoeneeron (fr. ranconiwr), lossen, loskoopen, iiovryden of aan de gevangenschap onttrokken door hetniing van liet losgeld; ook op rantsoen stellen; — een gerantsoeneerde, in. een losgekochte, een uit de krygsgevangenschap verloste of onl-vlodone; rantsoenhouten, n. pi. Mar. twee overliellende en voreenigdo stukken iioui, die op den achtersteven dragen, naar de hoogste spanten van don achtorhoeg opryzen en zoo een deel uitmaken van den spiegel, ook wel eenvoudig rantsoenen gehoeten ranula, z. ond. rana.

ranunciliflorus, lal. Hot. ranonkelbloemig. ram des radios, m. fr. (spr. ran dè wasj\') de koere en (hoogd. kuhreigen) een hy de Zwitsers geliefd lied, dat do koeherders op den doedelzak spelen.

Rap, eng. z. v. a. iea.

Rapatóllo, rapatél, f. fr. paardenharen stof voor zeven. Lullen, enz.

Rapax, m. Int. [rapax, genit. rapScis; roofgierig, van rapfre, mot gewold ontnemen, roeven) een\'roofgierig mensch; — rapaciteit, f. (lat. rapacflas) de roofgierigheid, roofzucht.

Rape, f. fr. de rasp, raspvyi; — rapeo-ren (fr. rAper = il. raspare) raspen, hevy-ien; — rapé, f. geraspte snuiftahak; — rapures, pi. i—piiur\') raspsol, vyisel.

Raphael, hehr. (v. rapha, heelen) mansn.; God heeft geheeld; inz. een dor drie aartsengelen (Raphael, Gahriüi en Michael); ook een der grootste schilders (K. Sanzio, goh. lisil) en een schildery van hem.

Raphanie, z. rhaphanle. Raphanus, m. lal. en gr. de radys, de ramenas (gr. de kool).

rapied of rapide, adj. lat. (rapïdus, n, urn, fr. rapide, van \'I lal. rapëre, wegrukken, roeven) snel, snelioopend, gezwind, rasch, haastig, scldeiyk, snelvlietend; — rapidaménIe, ra-pidi), ii. Muz. snel, ras, vlug, vluchtig; — rapiditeit, f. lat. {rapid,las) snolheid, gezwindheid, haastiglieid; — rapids, n. pi. eng. (spr. réppiils), rapïden, snelst roomingen, snelle, geweldige stroomen in sommige Inz. amerlk. rivieren.

Rapier of rappier, n. (fr. rapière, van het duitsch rappen, raufen, vechten, piuk-liaren) do schermdegen, liet stootwapon Ier oefening in het schermen, de fleuret of floret.

rap ma, f. lat. (v. rapëre, rooven, roof, straat-roovery, plundering; iinii.

Rappahtlnock, f. (naar eene geiykna-mige plaats en rivier) eene soort van iatmk in N. Amerika.

Rappel, fr. (v. rappe ter, terugroepen, van re— en appeter, vgi. a p p e I) de terugroeping, het terugonthleden; Mil. het terugroeplngstoeken met de trommel, enz ; l\'ict. de terugstraling van liet licht; zyn rappel bekomen, d. i. teruggeroepen worden; rappeleeren, terugroepen, doen wederkomen; ook voor den geest terugroepen, herinneren; Piet. liet licht laten terugstralen.

Rappen, m. kleine kopermunt in eenigo zwitsersche kantons = ruim 5 cent.

Rappier, z. rapier.

Rappiston, m. pi. een door den Duitscher it a pp gesticht socialistiseh-pietlstisch genoot-sciiap hy l\'lttsliurg in iN. Anierika.

Rappórt, n. fr (van rappnrler, terug- of wederhrengen, van re— en apporter -, vgl. a p-port eer en) eig. het terughrengen; het liericht, naricht, de melding, het verslag; de oorhlazery, valsche aantyging of hetlclitlng; ook iietrekking, opzicht, wederkeerig verhand, verhouding, samenhang; overeenkomst, gelijkheid, gemeenschap, h. v, in a g n e t i s c h rapport; — rapporteoren, wederhrengen, terughrengen of voeren; herichlen, berlciit geven, melden, aan-hrengen, vortelien, overbrengen, verslag doen; heirekking helihen, in verhand staan; Kuil. pusten uit het eene hoek In het andere overdragen; — rapporteur, m. een herichtgever, verslaggever, inz. die voor het gerecht van een geding verslag doet, de referénl; een aanhanger, verklikker, oorhiazer, overdrager, klapper; ook een werktuig in de meetkunde, een hoekmeter, (transporteur); de riciitcirkei der horlogemakers.

rapprocheeren, fr. (rapprocher; spr. raprosj—: v. re— en approcher, naderen) weder naderbrongen; verzoenen, weder vereenigen; — rapprochement, n. (spr. -man) de wederhyeenbrenging nf -toenadering; het nnderbybrengcii; de verzoening.

Rapsodie, z. rhapgodie.

raplim, adv. lal (van rapëre, rooven, wegvoeren, enz.) ia der haast, yivaardig, vluchtig, in grooten haast, hals over kop; — raptus, m. lat. de roof, do ontvoering, schaking, vgi. (Tim™ raptiis: ook de geestvervoering, opgewonden stemming, begeestering; een aanval van razeray, van yihoofdigheid; de kolder.

Rapures, z. ond. rape.

Raquette, z. raket, i); — raquit, z. r a c (| n 11.

Rarefacientia, rarefactie, rariteit, z. ond. raar,

Ras 1), 11, (fr, la race, provenc, en sp. rata, it. razzn, van \'t lat. radix, genit. radi-cis, wortel, gelgk hot fr. raeine nit radieina is ontstaan; een ander leidl hel af van \'t oud-hoogd. reiza, lyn, streep) de stam, het geslacht, de afkomst, soort, aard, slag (van menschen en dieren).

Ras 4), in. it. een el (vgl. ra so).

Ras 3), arah. hoofd, kop; vorst, eene kaap, een voorgebergte.


-ocr page 1068-

RATIO

1040

RAS

Ras i), f. Mar. dranlknlk, wlollnB, wiel.

Ras ») (if rasch, n. (ong. rash, fr. ras-, naar men wil verkort uil arms van ile transclie slad Arrasj moor waarsoh. van \'I lat. rasus, fr. ras, 11. raso, Bosolinron, Rlail, kaal) Kmt. Rokoperdo, zeer elfen wolloa nf zijden stof, waarvan men Keen wol of haar ziet.

Rasado, rasant, /.. ond. ra zee ren.

Rasbooten, Rasbonten of Ras-button, z. ra spoot en.

Rasotto, rasour, z. ond. razee ren.

Rasgado, m. sp. Muz. een voorspol of p ratI ud I li m op de fiallar, eene soort van arpcRKlo met den ilnlin

Rasière, z. onder ra zee ren.

Raskolniks, m. pl. eene pr. serie In Rusland aan den Wolca, enz., die eene zeer strenge zedeloer helihen, russlseh-grieksrlie oud-fieloovlgen.

Rasnosjtsjik, m. russ. (van rasnossilj, rondbrengen, Ie koop lileden) de straatkoopman, de marskramer.

Raso, in. It. (van I 11. raso, fr. ras, gestreken) eene voormalige lengtemaat In Noord-Italle, eene el = o.üm M.; ook een soort van zwaar atlas.

Raspatio (spr. I=ls) of raspatimr, f. inld.lat. (vgl. liet. II. raspare, selirapen. raspen) Chlr. het afvglen, afschaven; — raspa-torium, n. of ratüla, f. een schaafwerk-tulg-, de licenvyi, tandvyi.

Raspooton, rasputon, pl. Indiërs, die aan de zielsverhuizing gelooven.

Rassside, f. fr. glaspaarlen, glaskoralen voor halssnoeren, enz., die men den negers la ruiling aantiledt.

rassurant, adj. fr. (v. rassurer, elg. weder veilig maken, van re— en assurer) geruststellend, weder moed Inboezemend, vrees he-nemend.

Rastól, n. fr. Fort. eene uitspringing met eene borstwering naar het veld; een (pniran-talne-hals, eene afgesloten ruimte In de qaa-rantalne-plaatsen op de oostenrüksche militaire grenzen tegen de Turken.

Rastraal, minder Juist rostraal, n. nw.lat. (van \'I lal. raslnm, egge, hark) een Hjnentrekker voor noten, een werktuig om vijf lijnen of een notenlmik In eens te trekken; — rastreoron, noteniunea trekken; — ras-treorwork, n. hel Hinentrekken in koopmansboeken.

Rastrójo, m. sp. maïsslroo, voeder der niulidicreri en paarden In Mexico.

Rasuur, z. r a zuur; — rasura, f. door rasping klein gemaakte apotliekerswaren, h. v. rasura lignl nuajari, nuris vomicae, sucrini, geraspt guajakhoul, geraspte hraaknoot, geraspt barnsteen.

Rata, f. (van het lat. ral us, a, urn, uiige-rekend, van ren\', rekenen; vandaar rata, sell. pars) de evenredige hyilrage of hel naar ver-hoiiding bepaalde aandeel van leder In \'I h|j-zonder; pro rata (sell, parte), naar evenredigheid, naar verhouding; pro rata temporis, naar gelang van den iüd.

Ratafia, rataffla of taffla, f. (It. sp. fr. eng. ratafia: uil het maieiseli arak (z. a ruk) en tiifhi, een uil sulkerbezinksei getrokken geestryk water; vandaar sp. ea fr. tufia, de suikerbrandewyn, rum) een drank of likeur, bereid uit liraniiewyn, gegist suikersap en het sap van onderscbelden vruclilen.

Ratanhïa, f. (sp. ratauia) een wortel in Amerika van slerk sa ment rokkenden smaak, als bluedslelpenil middel gebruikt.

Rataplan, n. fr. een klanknabootsend woord voor het golulil der trommels, het rom-bombom.

Ratapoil, m. fr. (spr. —poat-, van rat a poit, rat met haar, bebaarde ral) een aanlian-ger van Napoleon lil, een gezworen Honapartlsl.

Ratatouille, f. fr. (spr. ratatnitj\') een geringe hutspot van vieeseh en groenlen; hei doiireengeslampl middageten der milltalrea (platweg ratjetoe gehoeten).

Rat do cave, m. fr. (spr. ra de kidv\') els. keidorroi. Iron, benaming der kommiezen of pellders, omdat zy vaak in de kelders hun ambiswerk uitvoeren; een gebeime boodschapper of spina; eene soort van lantaren.

Ratel of rattel, m. (van ral?) de ho-nlgdas, lionigwoztd, aan de Kaap de (ïoede (loop.

Ratol of rottol ook artal en rotal, (arah. rat hl), en een ooslersch en luz. marok-kaanscb gewield, 1 pond van li ons = ongeveer Sift gram

Ratelior, n. fr (spr. rate-ljé, lat. als \'l ware rastettarms, v. rastéttus, bark, ryf, ruif. fr rAteau) een geweerrek, eene sleilage voor geweren in wacht- en Inigbuizen; ook de lan-denry, een gebit van vaiscbo landen.

rati cauda, z. cautio rati.

ratiftceeren of ratihabeeren, nw.lat. (vgl. ratas: fr. ratifier) goedkeuron, bevestigen, welilgen, volirekkeii; — ait ratiflcdiulum, Ier liekracliilging; ratificatie, ook ratiha-bitie (spr. tie=tsie) f. de goedkeuring, wel-liging, iievestiging dat de gevoimnchtigde in den geest van den gever der opdraclil heeft gehandeld, bekrachtiging; de stavings-oorkomie.

Ratin, ratijn, n. (fr. ratine, f van \'l oudfr. ratin, vareakruiil) eene gekeperde, gevolde wollen stof, waarvan men bel baar doorgaans ais kleine knopjes krult, nopjesgoed; — ratineoren, laken en andere wollen stolfen noppen, op de eene z.yde van nopjes voorzien, ook friseeren.

ratio (spr. t=ls) f. lat. (v. rrnr, rat us sum, riri, elg. rekenen; gelooven, oordeelen) rekening, rekenschap; heirekking; overleg, meening. rede; grondstelling, regel; regelmatige Inrichting, aard en manier, maai; de oorzaak, grond; contra ratiunem, legen do rede, sirydig met het gezond versland; Jur. ratio leijis, de grond der wel, weltelyke grond; ook het doei, bet oogmerk der wel; r suffletens, een toereikende grond of reden; — ratiöne, ion opzichte, met


-ocr page 1069-

RAVISSEMKNT

RATIS

1041

IjelrckkliiK; ralinne conscientfae, gewetenshalve; r. o$cïi, iimlils- of pllchlsliulve, pllclltmutlK; rationes decidéndi, LesllssIngSKionden, de redenen waiirom zoo en niet anders hesllst, geoordeeld of gevonnist wordt; ralidnis dubitdndi, twyfolgronden; per rationes dubildnili cl deri-déndi, door twUteladitlge en beslissende gronden of volgens redenen van twijfel en Ijesllsslng,

1). v. vonnissen of rechten; rationes pro cl contra, gronden voor en tegen (eone zaak); — ration, n. f. (spr. rasjóii) z. v. a, rantsoen

2) (z. aid.); — ratiocinoeren (spr. ti-lsi) lat. {raliocinari) gevolgtrekken, sliiltredonen maken, overleggen, herokenon; — ratiocinïum (spr. ti=tsi) n. en ratiocinatio (spr. li eti lie, als Isi en luie) f. herekenlng, verstandig nadenken, overleg; een vorstandsheslult, eetie howUsvoerlng, gevolgtrekking, de sluitrede, het hoslulten; een zinswending, waarhü de selirü-ver of redenaar zlchzelven oproept om den grond van oene voorgestelde hewerlng aan te geven; — ratiolatrie, f. lat.-gr. de aanhlddlng of eeredlenst van het versland; — rationabol en rationaal, adj. lat. (ralionabïlis en ra-tionatis, e) ook rationool (fr. ralionnet), redelijk, redematlg, op verstandelijk Inzien, op redelijke overtuiging gogrond, wetensehappelUk; Arith. ten \\olle ullrekenhaar (hel tegengestelde van Irrationeel; — rationabilitoit, f. de gesteldheid overeenkomst ig niet de rede, redematlgheid; — rationalisme), n. nw.lat. de noodwendige toepassing der rede op alles, wat den menseh in de ervaring gegeven Is, ten einde het daarnaar te heoordeolen, te toetsen en te hegi\'ilpon; rationalism e In den godsdienst ; de grondstelling van geen geloofspunt zonder verslandeiyken toets aan te nemen; do overtuiging, dat alleen do gezonde rede de hoogste sclieidsreehter in zaken van godsdienst is, liet redegeloof, de godsdienst der rede, in tegenstelling met supernatu ralisme; — rationalist, in. een redogeioovige, Iemand, die de leer en gronden van zijn geloof uil de rede afleidt en den geopenhaarden godsdienst door het verstand poogt te hegrypen; — rationalistisch, adj. overeenkomstig met het redegeloof; liet verstandsonderzoek; —■ rationaltstiscli denken of rationalisoeron, eig. z. v. a, philosopheeren; — rationaliteit, f. do redelgkheid, het denkvermogen; de verstan-deiykheld, de eigenschap van al wat rationeel Is; ook licrokenhaarhold.

Ratis, n. een oostlnd. gewicht voor edele nietaien, parelen en Juweelen = tola = 0,1^1 gram.

ratishonensis, lal. Kot van Regenslmrg afkomstig.

Batissoir, in. fr. (spr. rati-sodr\', v. )■«//»-see, schrappen, afkrahhen) een kraliher, schrapper of schraapijzer, schroliher.

ratiuin Jus, n. Int. het vlotrecht.

Ratnik, m pl. ratniki, russ. (v. veroud. Slav, rdtai, krijgsman, soldaat) de tot den krijgsdienst verplichte, maar niet in actleven dienst VIKHIIE nni\'K.

staande russ. landweerman, het tegengest. van opoltsjénetz, z. aid.

rato, de rato, enz. zie ond. ratus.

Ratofkiot, n. Min. aardachtige vloei- of glasaarde, zoo henoenid naar de plaats, waar men haar vindt. Ra tof ka In Rusland.

rattenendo, rattenulo, It. Muz. terughoudend, aarzelend.

rattrapooron, fr. [ratlrapcr, v. re— en attrupcr, vgl. at tra pee ren) weder hetrappen of vatten, weder Inhalen, terugkrijgen; weder hcdrlegen of hetrekken.

Ratula, z. raspatorlum, ond. ras-li a 11 e.

ratus, u, urn, lat. (doelwoord v. rear, ratus sum, rori, rekenen; daarvoor houden) eig. uitgerekend; onveranderiyk vast, geldig, tiosioten, uitgemaakt; — ratum, ook de raio, Jur. he-sloten, goedgekeurd, bepaald; ratum cl u rat urn, hekraclitlgd en goedgekeurd; — pro rato cl grato, voor hekraclitlgd en aangenomen (houden of rekenen); — ratum, n. het goedgekeurde; gebiliykte; bepaalde; — de rato caveoron, voor de goedkeuring en aanneming borgliiyven; zorgen, dat het boslotene zyn beslag kryge, instaan; — sub spc rati, in de hoop van goedkeuring, of met liet voorbehoud, dat een ander, In wiens naam men ondorteekend heeft, het zal biliyken; — cautionem rati stellen, slechts voor zyn aandeel borgstellen.

Raucodo, f. nw.lat. en raueïtas, f. lat. Med. de heeschheld,

Ravage, f. fr. (spr. rawadzj; van \'l lat. rapcrc, roeven) de verwoesting, vernieling, toebrenging van schade on bederf; — rava-goeron (fr. ravager) verwoesten, vernlolen, plunderen; — ravageur, m. (spr. —tjeur) een vernieler, verwoester, bederver

ravaudeoron, fr. (ravaudcr,- spr. ra-wod—i als \'I ware vaa lat. rc-ad-vatidarc, v. validus, gezond, sterk, mid. Int. valid are, gezond of sterk maken, fr vatidcr) stoppen, lappen, verstellen; niet zotteklap het hoofd warm niakon; uitluchten, de nietten lozen; — ra-vaudago, f. (spr. rawnddazj\') het lapwerk, verstelwerk; knoeiwerk; — ravavideur, m. een lapper, versteller; — ravaudories, f. pl. prullery, lorrenkramery; zotteklap, beuzelpraat.

Ravelin, n. fr. (spr. raw\'tcii) Mil. de voorschans, halvomaniigclians, een walschlld, buitenwerk cener vesting, dat in den regel vóór de courlino tusschon twee bastions ligt.

Raviggiuolo, in. it. (spr. rawi-d:joeólo) een soort van kleine en vette geitenkaas uit do omstreken van Itrescla.

Ravigoto, f. fr. (spr. rawigiil\', v. ravi-gnler, weder versterken, verkwikken) eone verkwikkende saus der fransche keuken, uit sja-lotten en andere kruidige planten toebereid.

Ravin, in. fr. (spr. rawe/\'i), l\'avijn, een holle weg.

Ravis, f. lat. z. v. a. raucodo, z. aid.

Ravissement, n. fr. (spr. rawi-s\'mdii;

Ut!


-ocr page 1070-

RAVITAILLEER EN 1042

REAAL

vnn ravir = lal, ra/tire, roovon, wegnomen) de vcnukkliiK, vorvoorinii.

ravitaillooren, fr. (spr. rauiilalj—: vgl. a v 11« 11 leoron) Mil. weder met levensmiddelen voorzien; — ravitailleoring, f. do lierliaaUlo verzorging eoner piiiiils met levensmiddelen; — ravitaillemont, n. (spr. —witalj\'indn) de nienwe proviandeering.

rayoeron, royoei\'on, fr. (ruyer) doorhalen, doorschrappen.

Rayon, m. fr. (spr. tejéit ,■ 11. raggio, sp. rayn, van \'I lal. radius) do straal, speek; do halve middellijn eens cirkels; het rayon n. van eene vesling, de landstreek ecner vesting tot waar zich hare tactische werkzaamheid niislrckt; in het hUzomler, do verboden kring, waarhin-nen liet bouwen aan zekere bepalingen is onderworpen, opdat by een beleg do verdediging niet belommerd zou worden (men onderscheidt do omgeving eener vesting in ee rste, t weode en derde rayon naargelang van den afstand van do buitenste verdodiglngsiiiiie); — rayon-nant, adj. (van rayonner, slraion) stralend, glanzend, sclillterend, prachtig.

Raypour, eene soort van oostlndische zydo. razeoron, fr. (raser, sp. imar, it. rasare, van \'I lat. raden, raswn, scliaven) scheren, afschoren, afnemen (den baard). nedorwerpen, sloopen, slechten, met den grond geHjkmaken (vestingwerken); even aanraken, afschampen, diebt voorliijgaaii (van kogols); — i\'azeer-mos, scheermes; — rasade, f. fr. (spr. razddd\') bet boordevol geschonken glas; — rasant, adj. fr. (spr, ra.-ri») nt razoorond, Mil. rakelings langsgaand, afscliampen (van kogels), langs eene vlakte heen strykend; — rasétto, f. fr. (spr. s=z) het krabijzer; ook eene zekere (Ijno en gladde slof; — rasour, m. fr (spr. s=z) de scheerder, baardscheerder, barbier; — razeoring, f het sloopen, nedorwerpen van veslingwerken; — vanicra, f. it. oen strijkstok; schaalijzer; ook een slclll-aanscbe en sardinischo korenmaat = restii!ra z. aid.; — rasière, f. fr. (spr. ratjèr\') een oude lirusselsche koromnaat = \'iS,7(l L,

Razia of razzia, f. (arab. rnazil, rgaziS, kamp, slrijd, veldtocht, Inz. van ile Mobamo-dancn tegen do ongeioovigen, v. rgeza, slrüden, aangrijpen) een plunder- of strooptocht der fran-sche troepen In iN. Afrika; in het algemeen; onverwachte en algemeene aanval of ovorvaliing.

Razuur, f. lat. {rasüra, van radi\'rc, zie radeeren) bot schaven, afschaven, de ultdei-ging, uitsclirnppliig, uilkrabblng in goschrifton; eene uitgekrabde plaats; hij K. Kalh. geestelijken: het plechtig afscheren der baron; bet afscbaafsel, vijlsel

Rchb., iiü naluurwotonschappelijke benamingen afk. voor II. G. f,. Kcicbenbach.

Rchb. lil., iilj uatnurwetcnscliappeHjko lie-namingen afk. voor II. (1. Keicbenhach, de zoon des vorlgen.

re—, lat. en roman, vooriettergreep (Hal. ook ri—), hoteekont in de daarmede samengestelde woorden: t o r n g, I o g e n, w e d e r, n o g m a a I s. In bet fransch slaat voor woorden, die met a beginnen, en voor en, in plaats van re, enkel r, welke letter somtijds oebter slechts eene versterkende kracht heeft; zoo b. v. rabat, rac-commodeeron, raffinoeron, enz.

re, lat. ablat. van res, zie aldaar.

Ro, m. 11. koning; — re galantuomo, z. onder gal an.

Reaal I), real, m. sp. en port. (v. real = lat. rcgiilis, koninklijk), pi. porl. reis (vgl. mllrels), eeno rqkonmunt in verschelden lan-den en van ullceniooponde waarde; voor IWii inz. in Spanje eon real de veil on (spr. weljnón) of koperen reaal (door een zilveren muntsluk vertegenwoordigd) = i;i cents; een roal de plat a of zilveren reaal (niet door een muntsluk vertegenwoordigd) = 21J cl.

Reaal 2), n. bij boekdrukkers do stellage der letterkasten (vgl. regaal) I).

reaal, adj. nw.lal. (realis, e,) van \'t lat. res, de zaak) zakelijk (In tcgenst. mot verbaal en personeel); ook workeiyk, wezenlijk, waar (in tegenst. met Ideaal; vgl. reöel); ook wezenlijk, dadelUk; gangbaar (In legensl. met nominaal); — reale deflnitie, f. eene zaakverklaring, zakelijke bepaling; — realo encyclopedie, f. eeno samenvatilng van alle zakelijke wetenschappen; — reaal geld, gemunt geld (in legensl. met pa pie re n gei d en gefingeerde immt); — realeilljurio, f. eene beloediging door dadelijkheden (niet door woorden); — reale kenis, zaakkennis; — reaal-school, bgd. eene sciiool, waarin In plaats van de oude lalen, inz nieuwe talen, malhesis, natnurwelenschiip enz. ais ontwikkelende middelen gebruikt worden; — reaal-gymnasium, n. bgd. eene hoogere leerschool, die het doel en de leerstof der gymnasia en der reaal-scbolen zoekt Ie verccnigen, meeslal een gymnasium met gesplilste hoogere klassen; — realo of reöele waarde, de zakelijke waarde, gelialtewaarde, werkelijk gehalte der munlen; de waarde der eiïecten volgens don cours; — het realo of iels reaals, iets waars, werkeiUks; — realia nf roaliën, n. pi. zaken, wezenlijke dingen (in tegenst. met verballen); ook zakelijke wetenschappen, zaakkennis; — roaliseoren (spr. s=z) (fr. réaliser) verwezenlijken, wezenlijk of workeiyk maken, uitvoeren, bewerken, bewerkstelligen, in het aanz.yn roepen, lot werkeiykbeld brengen; vervreemden, verkoopen, tot geld maken, Inz. papieren geld, enz. voor klinkende munt omzeilen; Log. eene erkende waarheid uit de ondervinding staven en hoven allen twyfel ver-heiTen ; realisatie (spr. —rn-/sie) en realiseering, f. do verwerkeiyking, verwezen-lyking, uilvoering; de omzetting In klinkende munt; — realisme, n. de werkeiykbeldsieer, de philosophischo leer, die aan de dingen buiten ons oen workeiyk wezen toesehryft, dat onafhankelijk is van onze voorstellingen (het tegengest van idealisme); — realisten,


-ocr page 1071-

READER

REBEL

1043

m. pi. aanhangers dozor loor, zaakKeloovors; In do middelcouwoii dlo scholnslleken, welke do algomoono hegrlppon dor dliiKon voor iels reëels of werkeiyks Idoldon (In leKerist. mel do n o m I n a 11 s t o n); — realiteit, r. do workeiykliold, wezonlUklield, zakoiykheld, hel ware wezen van een ding (In legonst. mot den schUn); uok waarheid, vcrlrouwhaarheld on reehtschapoiiheld van hel karakter (vgl. refiel); subjectieve realiteit, (lonklmarhoid; oh-jectiovo realiteit, werkeljjkhcld, uitvoerbaarheid; — realiter, werkelijk. In zieti zelve, in de daad, In waarheid, waarachiig.

Reader, m. eng. (spr. «i=fe) de lezer-, — reading, hot lezen; — readingdosk, lessenaar; — roadingroom (spr. roem), leeskamer, looszaal.

readopteeren, weder aannemen, (vgl. adopteo\'ron); — readoptie (spr, l—s), f. nw.lat. wederaamiemlng.

Ready, adj. eng. (spr. raWi) gereed, klaar;

— all ready, alles klaar.

reageeron, nw.lat (van re— en aglre-,

vgl. ageer en) tegenwerken, terugwerken; io-gonsiroven, tegenstand bieden; — reagens, n. pl. reagentia of reagentiën (spr.

terug- of tegenwerkende dingen; Chem. lichamen, die door de zluneiyko waarneembare veranderingon, welke zy zeiven ondergaan, of door de werkingen, dlo zij teweegbrengen by het samentrelTon van andere sioiron, tot hol opsporen dor laatste in hare voriilndlngen aangewend worden; — reactie (spr. lt;=s), f. de tegenwerking, lerugworklng, do tegenstand of tegendiukking van een bewogen of gedrukt lichaam togen oen ander; Med. de werkzaamheid, die In een prikkelbaar lichaamsdeel wordt te voorscbyn geroepen door oenen daarop werkenden Indruk; Jur. do vernieuwing van een rechtsgeding; in polilick opzicbi; het terugdry-ven eóner beweging of rlciitliig, inz. het op-zetteiyk veriilnderen van den voorullgang lol hei betere In liet siaatsieven en het vornleli-gen van liet reeds bestaando hetero, om daarvoor hot vroeger bestaande, maar verouderde en reeds te niet gegano mei gewold in de plaais to stellen; — reactionair (spr. t=s), adj. terugwerkend, tegenwerkend, tegensirovend; — reactionair, m. oen tegenstrever, wodor-strever, tegonsiandhieder, terugdringer; — re-activeeren, opnieuw in werking brengen;

— reactiviteit, f. de vernieuwde werkzaamheid; ook de ierugwerkondo krachl.

Réalgar, u. tirab. (fr. réalgur, real na!, sp. rejalgar, ii. risiunlln, risaqutlo, nw lal. risigul-lum) robynzwavcl, rood zwavei-arsenik (vgl. a rs en i k).

Realia, realisme, realiteit, roali-seeren, enz. ■/.. ond. reaal, adj.

reappelleeren, nw.lat. zich opnieuw beroepen, andermaal appoliecren; vgl. appelleer e n.

reappreciëeren, nw.lat. (vgl. a pp re c I-ooren) opnieuw scliatten; — reapprociii-tie (spr. f. de lierscliatiing, horliaaldo

schatting van oen voorwerp.

Rear-admiral, m. eng. (spr. rier-édmi-rel: van rear = fr. arrière) z. v. a. coni road mi raai, de schout-by-nacht bij de Kngei-schen, omilat liij do achterhoede (rear) der vloot aanvoert.

rearmoeren, nw.lat. (vgl. ar moeren) weder of opnieuw wapenen; een schip weder uitrusten.

reassumeeren,nw.iai, (vgl. assumoo-ren) weder opnemen, weder ter hand siellen; — reassümtie (spr. (=s) f do wederopneming, vernieuwing, b. v. van een proces (re-assumCto Itlis).

roassureeren, nw.lat. (vgl. assuree-ren) wederverzekeren, herverzekeren; — reassurantie (siir. I=ls) f do lierverzekering, wanneer een verzekeraar of assuradeur hot risico zyner assuranlie weder door een ander iaat verzekeren.

Reatus, m. lat. (van reus, de beklaagde) de toestand eens aangeklaagden, hel aangeklaagd zijn; een vergi\'Up, moedwillig bestaan.

Réaum., hg natniirwelenscbappoiyke benamingen afk. voor Keaumur (gest. IT!i7i,

Réaumurs thermometer, z. therin ome ter; - réaumurs porselein, z. de v 11 r 1 fl co e ren.

Rebab of roebab, n. (arali. rabdh, perz. roebdb: vgl. ra bah) een iurksch sirykinslru-ment mei hoogstens II snaren.

rebaptiseeren, nw.iul. hordoopeii, weder-doopou; rebaptiaatie (spr -za-tsie) f. de herdoop, wciienioop ; —rebfiptisator, m. do iiordnoper, wederdooper.

i-ebarbatief, adj. nw.lat. onvrlondoHjk, te-rugsioolcnd, zuurziend.

Rebattement, n. fr. (spr. man. van rch(i(lrt\\ dg. weder slaan; dikwijls herhalen) het dlkwyis lierlialon van dezelfde tonen of woorden.

Rebbes of rebes, joodscli (raiiliynsch ribbis, van rovav, vermeerderen, rav, veel) winst, voonlcel; rente, woeker.

Rebebe, eene graanmant in Alexandria.

Rebec, III. fr. (il. ribera, ribeba, port. ra-beca, provene. rabey: vgl. rebab) de driesna-rige viool.

Rebókka, hebr. (IliliM, van het cliald. rdbuk, mesten of aanbinden; itrah. riblitil, slrlk met eene los) vr.naani; do volte, lyvige, of wei: de door hare sciioonheid boeiende; ook do naam van den aanvoerder des opstands In U alils. in ISllü, tegen do lollen op de openbare wegen (siennonde die naam op Gen. X\\1V, 110); — Rebekkaisten, pl. de aanhangers en deelnemers aan dien opstand, welke des nachls in vronwenkleederon en met zwartgomaakio gezichten ile siagboomen, tolhuizen enz. vernielden.

Reból, m. lal. (rebéllis, d. 1. eig. wie den oorlog vernleuwl, van bellum, oorlog; fr. rebellc) een oproermaker, oproerling, niiilier, weerspannige, weerbarsiigc; robellecren (lat. re-bellUre, eig. den oorlog vernieuwen) een oproer


-ocr page 1072-

RECHERCHEEREN

1044

REBI

verwokken, oproerig worden, muiten, aan \'t imil-ton slaan, zich met Rowold verzetten; — rebellie, f. (lat. rebeltfo) het oproer, de mul-terjj, het gewelddadig verzet, de opstand, die aan de bestaande regeering gehoorzaamheid weigert en haar dreigt omver te werpen; — re-béllisch, adj. oproerig, weerspannig, weerbarstig.

Rebï, m. arah. de lente; naam van de 3de en ide maand In den arah. kalender, van welke de eerste rehl-ol-ewwol (do eerste rehl) on de laatste rebI-el-acher (de laatste rehl) heet.

rebondeeren, fr. {rebondir, v. bondir, opspringen) opspringen, terugstooten, opstuiten (van kogels en ballen gebrnlkeiyk).

Rebózos, pl. sp. (v rebozar, omhullen) In Mexico: lange omslagdoeken.

Rebulla, m. een wgn uil bet graafschap Görz.

Rebus, m. fr. (spr. rebü: v. \'tlat. rebus, ablat. v. res, d. 1. door zaken, n. 1. gedachten-uitdrukking door boelden In plaats van scbryf-teekens of lettors) eon teekenraadsel, figuurraadsel, cene woordspeling In afbeeldingen, eene soorl van beeldschrift, dat ontraadseld moet worden.

rebus sic slanlihus, z. res.

Rebut, n. fr. (spr. rebü, elg. de terugworp, terugstoot; vgl. de bul) afwüzlng, weigerend antwoord; uitschot, uitvaagsel, Inz. by kooplieden: wrak goed, slechte, bedorven waar; by do posteryen: ter /.yde gelogde, niet hestelbaro of geweigerde brieven; — rebuteeren (fr rebuler) afwyzen, van zich wyzen; uitschieten, verwerpen; afschrikken, voor bet hoofd stooten, den moed benomen; — rebutant, adj. (spr. rcbula/i) afschrikkend, barsch, norsch, terug-stootend, ternederslaand, moed- of lustbenomend, verdrietig.

Recadóntie (spr. l-ls) f. nw.lat. (van recculcre, voor reridire, terugvallen) do terugvalling, terugkeer, b. v. van een recht aan zy-nen vorigen bezitter.

recalcitrant, adj. lat. (van re-catcitrare, elg. mei den hiel, calx, achteruitslaan) woder-spannlg, koppig, tegensporrelend, tegenstrevend; — recalcitrantie (spr. t\\c=tsie) f. de weerspannigheid.

Recambio, z. rlcam blo. recanteoren, lat. {re-cantare, elg. terugzingen) borroepen, terugnomen; — recanta-tie (spr. lie=lsie) f. nw.lal. de herroeping, terugneming van dalgone, wat men gesproken of geschreven beeft, ook retractatlo.

recapiteeron, recapite, z. r I c a p i t o. reeapituloeren, nw.lat. (recapilulSre: vgl. capittol) Iels volgens zijne hoofdpunten of zijn zakeiyken Inbond nog eens doorloopen, kort en pnnisgewys herhalen, bet gesprokene of geschrevene hoofdzakeiyk samenvatten; — recapitulant, m. eon herhaler; — recapitulatie (spr. He=tsie) f. de korte herhaling van den boofdlnlioud of de hoofdpunlen van een verdrag, Inz. aan hot slol eoner rede, om met nadruk o[, de toehoorders te werken; hy-eenvoeglng der verschillende hoofden eener rekening om bet overzicht gomakkeiyk te maken.

recedeeren, lat. (medln; vgl. cedee-ren) terugwUken, terugtreden; Iemand Iets weder afstaan, weder ovorlalon.

Receiver, m. eng. (spr ei—ie) ontvanger, z. recipient, oud. rcclpieeron.

recenseeren, lat. [recensere-, vgl. censeer en) Iels onderzoekend doorloopen; Inz. een boek booordeelen, toetsen on daarvan bericht geven, het beoordeelend aankondigen; — reeensent, m. afgek. ree., oen openiyk boekof sehrlftbeoordeelaar of aankondiger, boekrech-ter; — recénsie, f. (lat. recensYo) hel onderzoek, de beproeving; Inz. de boekheoordeollng, de uitspraak over de waarde of onwaarde van een hoek of gescbrifl, van een komedlevoorslel-llng of concert; ook de vaststelling der oude teksten naar de handscbrlflon en de daarnaar genomen nieuwe uitgave van een gescbrifl.

recént, adj. lat. [réccns, geuit, recéntis: fr. récent) nieuw, versch, pas gebeurd, onlangs; — recentiören (spr. I-Is) m. pl. (lat. re-renliores) de nleuweren, jongeren, inz. de nieuwere, latere, liedendaagsche schrüvers.

Recepisse, recept, receptief, enz. z. ond. reclpleeren.

Recés, n. lal, (recéssus, elg. teruggang, terugtocht ; van recedere, t. r e e e d o o r e n) do uiteenzetting, bet verdrag, en bel daarvan gemaakte scbrlfleiyk opstel, het scbrifteiyk ver-geiyk; de afloop, het resultaat of elndgovolg van gehouden onderhandelingen; Kml. aebter-stand van niet betaalde gelden, verzuimde be-tallag, schuldige som; vandaar In reces z.yn, In achterstand, ten achteren zijn; hg bergwerken heet recosboek hot rekeningboek over de koslen, den voorraad en do schulden van een bergwerk; rocesscliryver, de persoon, die dit hoek houdt ; by wetgevende vergaderingen: verlof, verdaging der zittingen; op reces uiteengaan, tol nadere byeonroeping scheiden; — recessus oralis, cene mondelinge voordracht lot protocol, la tegenstelling met recessus scriplus, die schrifleiyk als grondslag tot een protocol wordt gegeven; — recessee-ren, nw.lat. een elndverdrag maken, een slot-vergeiyk IrelTen, ook afslullon.

Recétte, f. fr. (ontst. uit hel oudfr. recepte) de ontvangsl, ontvang; het ontvangorsambt; — receveur, m. (van receuoir, = lal. recipüre) do ontvanger, gaarder.

rechangeeren, fr. {reclmnger, spr. re-sjninj\': vgl. cbangeeren) weder veranderen of verwisselen; ~ rechange, m. z. ricam-b io; — rechanges, pi. voorraadstukken om te verwisselen of in plaats te stellen (b. v. wagenraderen, enz.)

Rechaud, in. fr. {réchaud, spr. resjó: van re— en échauder, verwannen) een kool- of vuur-bekken, vuurpan, bordwarmer, komfoor, rechercheeren, fr. {reclierchcr, spr. re-


-ocr page 1073-

RECIDIVEEREN

1045

RECIPROQUE

sjersj—, v. chercher, zookon) elf?. liorlinaldeHlk zookon j nazookon, navorsohon, opzoeken, onderzookon, vervolgen; aanzooken, aanzoek doen; verzoeken, najaden, verlangen; — goreclier-cheerd, adj. (fr. recherché] gezocht, gewild, 1). v. van waren, boekon, enz.; gezocht, gemaakt, gekunsteld, al te klosch (In woorden, kleeding enz., In tegenstelling met natuuriyk);

— rochércho, f, (spr. resjénj\') het onderzoek, ile navorschlng, navraag, nasporing en opgespoorde waarheid; het aanzoek, do vi\'Uery;

— rechercho-vaartuig, n. vaartuig met rijksiinlitoimreii aan hoord, om aan ite zeegaten ea op ite grooto blnnonwatoron de schepen te onderzoeken, en tegen slulkei\'U te waken;

— rechercheur, m. (spr. resjersjéür) een polltlehoamhte, die Inz. heiast Is met het onderzoek naar mlsdrUven en hel opsporen der schuldigen.

recidiveeren, nw.lat. (v. \'1 lat. recidlre, terugvallen, fr. recidicer) weder Instorten (van oen zieke); dezelfde zonde, feil of misdaad begaan; - recidive, f. (v. \'lial. recidivus) het wederbi drijven eener zonde enz.; In hel fr. ook rocbulo, f. (spr. resjuul\'-, v. chute, de val, bet valion, provone. cazulu, li. cailu/n, sp. caida, v. \'lial. cadére, vallen).

Recief, recif, ook ressif, rescif, n. fr. eene onlvangceel, een bewijs van ontvang (z. v. a. rocepisso); Inz. In Nederland: de schrlflolUke verklaring van don schipper of kapitein omlront de door hom overgenomen en geladen goederen.

recipiëeren, lat. {recipüre, v. re— en ca-pcre) elg. terugnemen, aannemen, opnemen In een gozeischap, tooiiiton; ne recipialur, lat. Jur. het worde niel aangenomen; — recipian-gülum, n. lal. een door Tobias Mayer uilgevonden hoekmeter (vgl. transporteur); — recipient, m. (lat. recipfens) de opnemer, ontvanger; Ghcm. de ontvanger, een vat ter opneming vaa do zelfstandigheden of vochten, door de dlsUllatlo voortgebracht; ook de glazen klok up liet hord der luchtpomp, uit bet-welk de lucht wordl gepompt; — recipión-dus, of fr. recipiendaire, m. (spr. -;«■««-dér\') de opnoineiing, de aan te nemen persoon, liü, die zich aanmeldt om In een gezelschap, genootschap, enz. opgenomen ie worden, de candidaal; — rocepisse of rocopis, f. (van den lat. Inlinii. recepisse, dat Is ontvangen hebben) een ontvangbewijs, bewijsschrift van ontvangen waren enz., bewys van overneming; — recepissooren, barb,lat. zulk een bewijs schrijven, uitreiken; recept, n. (van\'t lat. receptum, genomen. Ingenomen, enz.) bel voorschrift tot toebereiding, h. v. van eene spijs enz.; Inz. hel artseuij-voorschrifi, bet voorschrift des goncoshoeren, naar hetwelk de apotheker in de samenstetilng en bereiding van bet ge-neesinlddol moet te werk gaan; ook het re-Cïpe (elg. recipe, neem!) afgekort iv, op art-senijbrlefjcs de eerste letter; reccpta sentent ia, j. of recept um juris, n lat. de aangenomen meening, rechtsregel; — receptacülum, m. eene verzamelplaats, een vergaarbak, inz. watervergaarbak; liü do planten dat gedeelte der liioem, waar de bevruchtlngsdeelcn zijn samengegroeid, vruclitbodem, het zaadhulsel; —receptaris, m. nw.lat. de opziener over de artsenijvoorschriften In groole apotheken; — recepta-tor, m. iat. (van receptdre) de opnemer; Jur. de heter; — receptiboi ut receptief, adj. nw.lat. opneembaar; ontvankelijk; recep-tibiliteit of receptiviteit, f. opneom-baarheld; ontvankelijkheid, de vatbaarheid om iets aan- of op te nemen; — receptie (spr. lt;=s) f. (lat. recepCfo) de opname, opneming, aanneming, b. v. tot lid van een genootschap enz.; de ontvangst, inleiding In een gezelschap;

— receptie-bewijs, het schriftelUk bewijs van ontvang, de (|ultantlo, Inz. voor waren; — recepteeren, nw.lat. artsenijen voorschrijven en naar bet vooractirlft gereedmaken; — recepteerkunst, de kunst om recepten te schrijven, een gedeelte diir toegepaste of praktische geneeskunde; — receptitien, n. pi. of receptitia bona, lat. z. bona, ond. bonus;— receptor, m. ontvanger, gaarder van zekere geiden;—receptoraat, n. nw.lat het ontvangerschap, gaanierscbap der tollen en accUn-zen enz.; ook weide recep t u u r; — recep-torïum, n. nw.lat. de bewaarplaats der ge-wijde voorwerpen in de r. katb. kerk, de sa-crlslle; ook het receptenboek der apothekers;

— rocéptrix, f. de heelster; — receptuur, f. de ontvang, ontvangst; ook de kunst van het artsenyvoorschryven (recepteerkunst), en liet toebereiden en aileveren van artsenyen in apotheken.

Rechimdar, z. resjimdar.

reciproque, adj. (spr. —prók. van liet lat. reciprócus, n, um) en als adverb, rectpröce, weilerzydscli, wederkeerig, onderling; op elkander betrekking hebbende; terugvoerend, terugwerkend, terugwyzend; reciproque getallen, getallen, die, met eikander vermenigvuldigd, do eenheid geven, b. v. quot;i X j = I; 3 x t t; — reciprócum, n. (of cer-bum reciprócum) een wederzyds terugvoerend, terugwerkend of wederkeerig werkwoord, b. v. o I k a n d c r d o o d e n, weleer ook genomen voor reflexlvum, z. verbum; — recipi\'oci-toit, f. nw.lat. de wederkeerlghcid, weder-z.ydschheld, de onderlinge, wederzydsclie betrekking, de terugwerking, heantwoording, vergelding; — reciproceeren, lat. {reciprocure, elg. teruggaan, herbalen) of reciproquee-ren, fr. (réciprnquer) beantwoordon, wedergeven, vergelden, met geiyke munt hotalen; — reciprocilbel, adj. nw.lat. verwisselbaar, gelykgeldend, h. v. zooiianige uitdrukkingen, begrippen enz.; — reciprocabiliteit, f. de verwisselbaarbeid; — reciprocatie (spr. 1= Is) f. bit. (reciprocalin, elg. het teruggaan op denzelfden weg) de wedeiv.ydsche afwisseling, terugvoering of vergeiillug; wederzydsche betrekking, wcderkecrigboid.


-ocr page 1074-

RECOMMANDKEREN

MECITKEKEN

1046

rociteoren, lui. (rcciture) opzeggen, voor-dragon, voorlezen of uitspieken In den rede-mmrsloon; verhulen; — recildmlo, II. (s|ir. relsji-) Muz. in gesproken ziing, In znngspraak voor Ie dragen; — recita, t. II. (sjir. rélsjila) de opvoering van een looneelsluk; — recitatie (spr. lie=lsie) f. lat. (rcciluiïo) liet opzeggen, voorlezen, de voordracht van een gedicht of prozastuk in den mlennarslranl; — recitatief, n. nw.lat. (il. recilalivo) de verhalende zang, zangsprank, zingende spraak, ille soort van gezang, welke ais het midden houdt lus-schen zingen en spreken of den spreektoon na-derhy komt en doorgaans zonder voislemmlge begeleiding (aecoinpagnement) Is; In ite Cantate dient tiet Ier samenhlnding van de verschillende gedeeilen van het sluk, om do aria Ie doen uitkomen en de verwarring Ie verhinderen, die de aanhoudendheid van hel voile geluld zou veroorzaken; • recilalivo ar-compagnalo, II. (spr. rclsjilulivo nccompanjdlo) de zangspraak met begeleiding; — r. obligdlo, eene zangspraak, liegeleld door ohligaal-lnstru-mentale muziek; — r. parldnle, eene meer gesproken dan gezongen zangspraak, mot enkel has-acconipagnement; — r. semplice (spr. semiilt-tsje) of secco, eene zangspraak, waarhü uileen de hootdaccoordcn worden aangeslagen igt;ü de tonen, die zingend gesproken moeten worden; — r. slromenldln en r. ron (jli slroménli (spr. Illi als IJi) zangspraak met begeleiding dor mu-zlekinslrumenteri; — recitativisch, adj. naaide wgze of in den vorm van een recllatler of eene zangspraak.

reclamooren, lat. (rcrlamare, eig. daartegen roepen of schreeuwen, van clamare, roepen; fr. réclamer) lulde terugvorderen, tegen Iets opkomen, z.iiii daartegen verzetten of zich daarover bezwaren, züne bezwaren Indienen, hulp, herstel, vergoeding enz. inroepen, afsmee-kon; — reclamant, in. {rccliimans) een te-rugelscher, ierngvorderaar, tegenspreker, opwer-per en Indiener van bezwaren;- reclamatie (spr. /=/.v) of reclameering, nw.lat. ook reclame, f. de lerugvrage, terugvordering, Indiening van bezwaren; Jur. de kiacbl, elk bezwaar wegens schending van hel recht; ook de rechtmatige aanspraak; — recliima. Mar. de zorg, waartoe de assuradeurs en de ver-assureerden verplicht zijn om een gekaperd sciitp te bevrydeii;- -réclame, f. fr. hoven-matlg aanbevelende aankondiging, kwakzalver-achtlge aanprijzing van waren, geneesmiddelen, kunstverlooningen enz. (soms gebuid lu den vorm eener vertelling).

roclinoeren, lat. {rec/innrc, van cl inure, balgen) terug- of nederwaarts bulgen, ombuigen; afwijken, hellen; Med. eene staar ombuigen; die zonnewUzer reciineort, it I. wijkt van de loodrechte richting af, bescbryfl een grooteren of kleineren boek dan de poolshoogte; — reclinatie (spr. lt;=(*•) f. nw.lat. de ombuiging, overbniging, oinlegging; Med. eene slaar-operalle, tiij welke men de staar ombuigt;

— reclinatormm, eene plaats tot neder-llgging, oen rustbed.

recludeeren, lat. (rccludëre, van rlau-dure, sluiten) opensiuiteii, openen, ontsluiten, ontdekken; ook opsluiten, Insluiton;-reolü-sie (spr. s=j) f. nw.lat. de opsluiting, bet In verzekerde bewaring nemen; de beslotenheid, hel in zich /.elven gekoerd zgn; ook uitsluiting uil de plaats, waar men lot dusver verblijf beeft gehouden.

recogiteeren, Int. (reenailare: vgl. co-gltoeron) terugdenken, zich hozinnon, In zijne gedachten terugroepen; recogitiitie (spr. lie—luie) f. (lat. recogilaho) de overdenking, overweging

rocognoscoeron, lat. {recognoscZrevgl. c ogno sc e e re n) herkennen; erkennen, na voornfgegaun onderzoek voor juist, goed, echt verklaren; Mil. uitvorsehen, op kondschap uil-(,\'aan, de ligging of stelling bespieden; — bezlcil-tigen, onderzoeken, monsterenjiro rerogiii-lis el liquidis, Jur. voor erkend en bewezen (verklaren), van schuldvorderingen; — recc-gnoscibel, adj. herkenbaar, te erkennen; — recognpsceering, f. de kondschap, bespieding, opneming der stelling of tiggliig; — recognitie (spr. lic—lsie) f. lat. (rccognilio) Af herkenning, erkenning, de gerechleHjke erkenning vaa cencn persoon, eene zaak of een geschrift voor datgene, waarvoor men die uitgeeft; hot onderzoekend en verheterend nazien van een geschrift; - rocognitie-geldon, er-kenningsgelden, d. i. dezulke, die de erfpachter aan den grondeigenaar hetaalt eu waarmede hij illens recht van grondeigendom er-kent; - recognitie-bewijs, hel gcbrifle-lijk liewijs, waardoor men zich tot eene ver-richlliig vorpliclit; ook ■/.. v. a. interims-li e w U s.

recoleeron, 1° Jur. (fr ricoler, mld lat. recnldre) tegen elkander vergelijken, b. v. twee geschriften; aan de getuigen hunne getuigenis nogmaals voorlezen, om Ie zien of /.() daarliü berusten; iquot; (lal. recnlare) weder doorzijgen; vgl. c o I e e ren; — recolemont, n. tiet vergelijkend overzicht, h. v. van een origineel niet de cople; de voorlezing der altestatie aan do got uigea.

recolligooren, lal (recolligtre: ytf. colli geer en) weder verzamelen; — zich ree—, zyne zinnen hyeenroepon, zleh weder bezinnen, züne hedaardiield hernemen^ zich herstellen;-recollóctie (spr. l=s) f nw.lat, verzameling der gedachlen, inz, liü geestelijke bescbouwin-gen; vandaar Recollécten, fr, Recollets (spr. reUnlè) eene monnikenorde, leden der fran-clscaner-orde (Mlnorloien van de slrlcle observantie), die blootsvoets op klompen gaan.

rocommandooren, fr. {reconmander; vgl. com ma ndee r en) aanbevelen, aanpryzen, opdragen; ook rocommendeeren, nw.lat, (vgl, com mead eer en) Inscherpen, Inprenten, gelasten; /. Ich aan Iemand ree om man-


-ocr page 1075-

RECOMPA RAT1E 1047

RECOUVJIIOEUEN

do ure n, zich in zijno liorlnnorliiK nnnbovolcn, hom om ilo voorldurliiK zU\'icr gonogonliold ver-zix\'kcn; oon go recu in maiidoo rdo of a anno look end o Iji\'lof, oon annbovolon liricf, van. wclkon do afzonder zich een liowüs van ontvangst door de post laat uitrolkon; — ro-cominendabol, adj. nw.lat. of rocom-mendable, tr. iianliovelonswaardlg, lofwaardig, prüsoiyk, prgzonswaard; — rocomniGn-datie of recommandatie (spr. I=ls) f. do aanliovollng, aanpruzlng, voorspraak; lgt;ü ilo postorgen: aantookonen ; — r o c o in m a n d a 11 o-lirlof, do aanhovollngsbrlof.

Reconiparatio (spr. 1=1.1) f. nw.lat. (v. \'I lat. comparare, verwerven, aansclialfen) de wodorvorworvlng, do woderkoop of voorkoop.

recompenseeron, nw.lat. (re-com/m-sure; vgl. co in pe n sooro n; fr. récompenscr) schadoloosstollon, vergoodon, vergolden, beloo-non; — roooinpens, f. nw.lat. (recnmpeim) of recompense, f. fr. (spr rckniipahs\') do scluidoloosstolllng, lieloonlng, vergoeding, vergelding, liet loon; cn récompensc, h. (spr. uii rekoirpdiis) tor lieloonlng; recompensu dolis, f. •lur. z. v. a. a. donatio propter nuplias, z. d o n a 11 e.

rooompingeeron, nw.lat. (van \'t lat. compiiigire, sanienvoogon, en dit v. pnngëre, he-vosllgon, inslaan) wodor samenvoegen, weder-liocliton, vvederzelton.

recomploteeron, nw.lat. (vgl. com |)lo-teeron) weder voltallig maken.

recomponeeren, lat. (rc-componüre; vrI. componoeron) wodor samenslcllcn, omwerken; — rocomponist, m. nw.lat. of re-compositour, m. fr. (spr. s=t) oen om-werker •. — recompositio (spr. —

f. lat. do wodervereoniging dor doelen eens llchaams.

recompteeren, fr. (reeampler, spr re-koiil—; vgl. compto) natoliën, li. v. ontvangen geld of don inhoud der kas

reconciliëoren, lat. (re-coneili/irc: vgl concl I iliore n) weder vereenigen, verzoenen, hovredigen, verelfenen; — reconciliabel, ailj. nw.lat. verzoonliaar, verzoeniyk; — reconciliatie (spr. I =lx), f. (lat. rcconritiaCio) de wodervereoniging, verzoening, liovreiliging; ook di\' plechtige afwassching of reiniging van een ontheiligd gedeeiie der kórkciyko zaken.

Reconeinnator, n. nw.lat. (van \'1 lat. re-coneinnSre, vvodcrinrichton) de wedorlniiclitor, lierstoiler,

reconfronteeren, nw.lal. (vgl. con-fronteeren) Jur. andormaal tegenover elkander stellen; de boklaagdon en getuigen vergo-Ulkend verhooren; — reconfrontatie (spr. Iie=lsie) f. de lierhaaldo tegenovcrsieilliig.

Reconnaissance, f. fr. (spr. r\'knnnè-■idiis\'; van reconnailre, herkennen; erkennen, vgl. connalssa nee) de herkonnlng, erkenning; erkenteiykheld, dankhanrheld, helooning; Kuit. liet schrlfleiyk hewUs van ontvang; ook z. v. a. reeognoscoering; — reconnaissance de liquidation, (spr. —liklda-sjóii), oone soort van franscho staatspapieren; - roconnaissant, adj. (sjir. r\'konnè-san), erkenteiyk, dankbaar.

Reconstitütie (spr. tie=tsic) f. nw.lat. (vgl. co list it u ooro n, enz.) de wedersamen-stelling, herstolling; ook ronte-overdraging; Intrede in eens anders rechten.

reconstrueeren, uw. lat. (vgl. co rist moeren) elg. wodorophouwen, liersteilcn; uit afzonderiyke stukken of overhiyfsels het oor-spronkeiyke geheel opsporen en weder samenstellen; — reconstructie (spr. tie=sie) f. de wedoropliouwing, herstelling; ontbiiKlIng dor eigenaardige woordopvolging eeuer taal.

reconvalescoeren, nw.lat. (vgl. eon-valesceeren) herstellen, weder gezond worden, genezen, aan de heterhand zyn; — ro-convalescónt, m. een genezende, herslel-lende, wie aan de heterhand is; — recon-valescóntie (spr. l=ts), f. de wedergeno-zing, liorsieiling, hot weder gozondvvorden, do hotorlngstoiwland.

reconveniëoren, nw.lat. (van \'t lat. conventre aliquem, voor: Iemand aanklagen; fr. reconvcnir) Jur eene tegenklacht Inhrongen, met eene tegenklacht legen eene aanklacht optreden, tegenklagen; — reconveniént, m. de togenklnger; — reeonvént, m. de to-genhekiaagde; — reconvóntie (spr. I—Is), f, de togen- of wodorklacht. hot tegeuopkomon, do klacht, die de heklaagdo tegen den klager hij hetzelfde gerecht indioni.

récopiëeren, fr. (reenpiervgl. copl-ëOren) andermaal of opnieuw afscliryvon.

recoqueeren, lat. {re-enquëre, van co-qutire, koken) vvedorkokon, opkoken, opwarmen.

Recórd, n. eng. (spr. rekoord-, van\'t mld. lat. record urn, fr. record, getuigenis, onherroo-peiyk vonnis, herinnering, van \'t lat. recordiri, in liorlnnerlng lirengen, in \'t gelieugen terugroepen, oudfr. recorder, do getuigen verhuoroii; horlialen, opschryvcii; vgl. recordeeren) do hU een gerechtshof (court nf record) hewanrdo oorkonde omtrent eene reeiitshandelliig en do daarop gevallen uitspraak, zoodat die later voor oon getuigenis of hevvys kan dienen; - re-CÓrder, m. de gerlclitsschryver, sladsscliry-ver, liewaarder dor oorkonden (z. v. n. archivaris, registrator); in grootore steden, Inz. in Londen, een mot rochteriyke macht ho-kleede, aanzienlijke amlitonaar, vrodereciiter.

recordeeren, lal. (recorduri: van cor, geuit, cordis, het hart) in gedachton herhalen, zich herinnoren; ook hel rondzingen of omgang houden, waardoor In Dultschland woloor do leermeesters met de scholieren oenige malen \'s jaars vóór de hulzen aan het to geven go-schenk herinneren (re cor de er en), en het dus, als een gedeeiie van hun inkomen, voor de deuren inzamelen moesten; recordti-tie (spr. I=ts) f. (lat. rccordaCio) do hcrinnc-rlng, hei aandenken.

Recours, z. oud. recur ree ren. rocouvreeren, fr. {recouvrer, spr. re-


-ocr page 1076-

RECRASTINATIE

10/t8

RECU KIL

koewr—; van \'t lat. recuperare, vgl. rocupc-r oor on) wodorbokomon, weder- of torugkrü-gen, weder aan zich lirongen of veroveren; — recouvroment, n. (spr. r\'koewr\'mdii) de wedorkryglng, torugbokoinltig (lal, rocuporatio) — recovery, f, eng. (spr. rikówweri) lerugverkrügltig.

Recrastinatie (spr. Ue=lsie) f. nw.lnt. (van \'1 lal. crus, morgen, crasfinus, tol morgen of den volgenden dag lielioorende) de verschuiving, verdaging; — recrastineoron (lat. recraslinSre) verschuiven, ullstollea.

Recreatie, recreatief, z. onder roer e e e r e n.

Recreditief, n. nw.lat. ile terugrocplngs-hrlof van een hof aan zyneu gezant, waardoor het credit lef (z. aid.) krachteloos wordt gemaakt.

recreëeren, lal. (recreare, van (retire, scheppen, voorlbrengon; fr. récréer) elg. weder voortbrengen; opvrooiyken, verkwikken, verfrls-schen, laven; vermaken, vorlusllgen, zich ontspannen ; — recreatie (spr. t=ls), f. de verkwikking, verfrissching, lafenis, opvrooiyking; de uilspanning, verlusiiging, vermakeiykheid, hel vermaak; récróations, pi. fr. (spr. —sjóii) Alnz, zekere hevailige muzioksiukjesj— recreatief, adj nw.lat. (fr. récréallf) verkwikkend, verslerkend, verfrlsschend, vermako-lyk, verlustigend

Recreméntum of rocremónt, n lat. (vgl. excromenl) do afgang, stoelgang; vuil, vuiligheid, onluig, uitwerpsel, schuim; slak (der smelthutten); Med. bet vocht, {lat zicli van het bloed nfzonderl, h. v. liet speeksel, do gal, enz.

recresceeren (lat. reeresoire, van cre.t-et re, groeien, wassen) wedergroelen.

recrimineeren, nw.lat. (fr. récriminer, vgl. crimineoren, ond. crimen) weder beschuldigen, of legonbeschuldlgingen maken, zy-nen aanklager ook aanklagen; weder scheiden of hoonen, smaadwoorden, enz. beantwoorden; — recriminatie (spr. l—ls), f. de tegen-boschuldlglng, tegonklacht; teruggave van ontvangen beschimpingen en smaadredeaen in ge-iyke munt.

Recrudescéntie (spr. 1=1/:), f. nw.lat. (van \'t lat. recrudexrfre, elg. weder rauw worden, van crudus, idoedig, rauw) elg. het we-doropenbreken eener wond; Mod. de wederver-ergcring eener ziekte na ingetreden beterschap.

Recruut, m. (fr. la recrue, de recruten, elg. de nawas, van re-croilre, weder groeien; II. reclüta) een nieuw aangeworvene, een pas aangeworven soldaat, die nog geoefend moei worden; — pl. recruten, aanvulllngs-inan-schappen; — recruteeren (fr. recruler), aanvullen, weder voltallig maken ; werven, aanwerven, lichten; — recrutement, n. (spr. —mdii) of recruteering, f. de vollallig-making of manschapsaanvulling, aanwerving, lichting.

recta, rectangulum, rede, rectifl-coeron, enz. z. ond. rectus.

Rectie (spr. t~s) f. int. {recCin, v. rcgüre, vgl. regeeren) Gram. do regeering, verbinding of samenvoeging van regeerende en geregeerde woorden; het vermogen van een woord, om in de woordverbinding een ander van zich afhankeiyk ie maken; — rector, m. eig. een regeerder, leider, in \'1 alg. een opziener, hoofd van eene latynscho school of een gymnasium; In Ungeland een opporpredlkant; in Duilsch-land; een schoolopziener; — rector magnificus, de eerste bestuurder van oen aka-domischen raad of senaat; rectoraat, n. het ambt, de waardigheid, de woning van oenen rector; — rectory, f. eng. (spr. y=i) de kerke-iyke gemeente aan wier hoofd een rector staat.

rectus, a, urn, adj. lat. (elg. partlc. v. re-gcre, richten, leiden, besturen; vgl. regeeren) recht, rlchtig, hehoeriyk. Juist; — recta (sell. via), rechttoe, rechluit, langs den rechten weg, zonder omwegen; ree la-wissel, Kmt. een wissel, die alleen aan den persoon des eersten houders (niet aan order) betaalbaar luidt, en dus aan geen ander kan worden overgedragen;

— rectum (sell, inlestinum), Med. de endeldarm; vandaar reclitis, f. barb.lal. endeldarmsonlsle-king; recto folto, op de rechler-, d. i. op du eerste of voorste zgile van een blad; — recto en recte bene, adv. recht. Juist, wei, nauwkeurig; — rectangulum, n. pl. rectangula, nw.lat. een rechthoek, rechthoekig parallelogram; — rectangulair, adj. rechthoekig; — rectascónsie, f. (vgl. ascensle) de rechte klimming of opklimming in de sler-renkunde, de van liet snypunt van don iequator en de ecliptica naar het oosten toe op den ioquator gemeten stand van een sier; —rec-tiflceeren, verboteren, verhelpen, in ordo brengen; Geom. kromme lynen met rechte ver-geiyken of hare lengle bepalen; Chem. eene afgetrokken vloeislof door herliaald aftrekken nog meer zuiveren, louteren en verslerken; go-rectificeerde spiritus, hoogst gezuiverdo of overgehaalde wgngeesl; — rectiflcabel, adj. geiyk of recht te maken; —rectificatie (spr. t=ts), f. de terechtbrenging, verbelering, verhelping; Geom. liet rechliiiakeii of do leng-lebepallng van kromme lynen; Chem. grootero zuivering, ontwatering, herhaalde disllliatio ut overhaling, ook roctificeering, co neen-tree ring en de phiegmatiseering; — rectittcatov, m. een Instrument om te zuiveren en Ie verbeteren; — rectilineair, adj. rcebtiynig; — rectilinëum, n. eeno rechtiynigo figuur.

recu, fr. (spr. r\'su; v. recevoir = lal. reci-püre) ontvangen, genoten; — een recju, n. een schrlfleiyk bewys van ontvang.

Recueil, n. fr. (spr. r\'keutj\') de verzameling; — recueil militaire, verzameling van reglementen en voorschriften voor den kr(Jgs-dienst; — recueilleeren (fr. recueillir: spr. rekeulj—; van het lat. recoUUjtre, z. re-col li gee ren) verzamelen, byeenvergaderen;

— zich recueilleeren, zieii bekorten; zgno


-ocr page 1077-

10/1.9 REDHOSTIMENTUM

RECUL

zinnen vergaderen; zlcli tot stille «andacht of ovorrtcnkiiiB hegeven; — recueilloment,

n. (spr. —mail) de verzamelinK der gedacliton, der /.innen, enz., innerlijke aandacht, stille lie-spicgoiinK, overpeinzing.

Rocul, m. fr. (spr. r\'kuul) Mil. het terug-wijkeo, de terugstoot van een kanon iiü hel loshraniicn; — reculooron (tr. reenter, it. rlneulare, v. \'t lat. cuius, het achterste, fr. en provenc. eul, it. en sp. cit/o) terugtrekken, te-rugstooten; terugspringen, terugloopen; terug-wljken, zich terugtrokken; — roculado, f. de .terugtocht, tiet terugwijken; — a reculons {spr. —lóii), rugwaarts, ruggelings.

rocupereeren, lat. (recupemre), z. v. a. recouvreeren (z. aid.); — recuperatie (spr. t=ls), f. z. v. a. recouvrement.

recurreoren, lat. [recurrire, v. currfre, loepen) eig. terugloopen; op of tot iemand ree—, zich tot hem wenden, zyne toevlucht tot hem nemen, zich aan hem houden; — rc-cürrens series, f. Math, de afdaieruic reeks; — febris reeurrens, ■/.. ond. fehris; — recur-rént, m. een iiulpzoekende, loevluchtnemendo-, Jur. inz. wie van hel rechtsmiddel gebruik maakt, dat den naam draagt van rocours, m ; het volg. woord; — roeours, m. fr. (lat. reeürsus), ook regres, m. en regre-dièntie, f. it. recovero, m. do teruggang, terugtred; de toevlucht; .lur. het hultengowoon heroep op een Iiooger, of het indienen van bezwaren tegen een lager autoriteit by een iioo-ger, inz. ais reclitsniiddel in belasting- en ud-mlnistratieve zaken-, ook het recht van verhaal van schade op iemand, schadeverhaal, vergoeding; z(jn recours of regres tot iemand nemen, z. v. a. tot hem recurreeren (z. boven), zich aan hem als waarborg wenden of houden; zijne toevlucht tot hem nemen, zich door hem schadeloos doen houden; re cours-wiss el, tegenwissei; — reeürsus ad eomiCfa, eert yds: beroep (appellatie) op eenen ryksiiag.

reeurveeren, lat. (reeure»re) terug- of rugwaartskrominen of buigen; — reeurvalus. a, um, lat. Hot. teruggebogen, eingekromd; — RecurvirostrfB, pl. nw.lat. (v. lat. recur-vus, teruggebogen) sabolbekken, vogels met naar boven omgebogen snavel.

recuseeren, lal. (recusUre) weigeren, afstaan, afwyzen, verwerpen, niet aannemen; — recusübel, adj. (later lat. recusal) 1 lis) weigerbaar, verwerpeiyk, af te slaan; — recu-santen, pi. (iat. reensans) weigeraars van den godsdiensteed, tegensianders der Idsscliop-peiyke kerk van lingeiand in do He eeuw; — recusiitio (spr. -za-lsie) f. (iat. recusafïo) de weigering, verwerping, het afslaan; — rc-cusatto juiCtcus, Jur. de verwerping, wraking van eenen rechter, enz., dien men van eenzy-diglieid verdenkt; r. juraminli, weigering van den eed.

Recüssie, f. nw.lat. (van \'t iat. reculüre, recussum, terugslaan) het terugslaan; do terugkaatsing.

Reeutitie (spr. lie—lsie) l. nw.lat. (van \'t iat. cutis, huid) Med. herstelling der voorhuid door de vorming eenor kunstmutigo.

Red, adj. eng. rood; — Rod river (spr. riw-wcr) roode rivier.

Redacteur, redactie, z. ond. redl-geeren.

Redan, m. fr. (voor redent, v. dent, lal. dens, gen. dentis, land) Fort. naam van zekere werken, die omtrent als zaagtanden zyn ingericht, zoo ilat zij elkander flunqueeren of wederzyds verdedigen, zaagwerk, een vestingwerk met enkel faces en court i nes.

redanimeeren (later lat. redanimüre; vgi. aai moeren, ra nl mee ren) weder bezielen, borlovondigcn, opwekken, aanmoedigen.

redargueeren, lat. {red-ara ui re: vgi. a rg u e 0 r e n) wederleggen, bewyzen.

rodateeren, nw iat. (vgi. dateeren, ond. datum) de dagteekenlng van oenen brief vervroegen.

redde Caesari quae sunt Caesaris, et quae sunt Dei Den, lat. geef des keizers wat des keizers Is en Oodo wat (lodes is.

Redditie, f. lal. (reddiCto, van reddire, weder- of teruggeven) de teruggave; b. v. eener vesting; Log. hot nazindeel eener periode of eenor gelijkenis.

Redecüla, f. sp. (spr. -si-tja, verklw. v. red, lat. rete, bet net; vgi. reticulum) oeno hoofdbedekking in den vorm van een net, ge-brulkeiyk in (latalonie.

Redemtie, redemtor, z. ond. redi-m ee re n.

redensoeren, nw.lat. (vgi. de risee ren) weder dicht maken, vcrdicbien.

Rederijkers, m. pl. (verbast, van rhete rik ers) benaming dor leden van voormaiigo en hedendaagsclie gezelschappen in Nederland, ten doel iielibende om zich in de dichtkunst en in de redekunst of rhoorIca, of wei in de uiteriyko voordracht le oefenen; — rederijkerskamer, f. de vereoniging van die rederijkers.

redovabol, fr. (rede«able, van redevoir, nog scliuidig zyn-, vgi. devoir) eig. nog schuldig, In aciitersiand; erkenteiyk, vorpiiclit; — redevance, f. (spr. —wdiis\') do grondcyns, leonpacht; do verpiichling, goboudenheid.

redhibeereu, iat. (red-hibere) teruggeven of terugnemen, b. v. hel gokocble tegen betaling van het koopgeld; — redhibitie (spr. t=ls) f. de teruggave, terugneming eener gekochte zaak; koopvernietiging of ontslag; — rodhibitie-oisch, Jur. eisch wegens teruggave van den betaalden prys tegen teruggave der waar; — redhibitórisch, adj. (latei-lat. redhihitortus) de terugneming hetrelTonde.

Redhostiméntum, n nw.lat. (van \'t oiidlat. redhnstire, weder geiykmakoii, vergelden, v. hostire, door een olTordier verzoenen, goiykmaken, vergelden, v. hosiïa, oiTerdier) Jur. de wedervergelding; redhostiménti toen, in piaais van oeno wedervergelding.


-ocr page 1078-

REDUCEEREN

REDIF

1050

Rodif, m. (drill), rcdif, «It;. oen aclitor-lumkomciulo, v. radafa, imvolRen) du turksclio lundwour, dlo alleen in oorlogslUd opgorociion wordt en 13 jaren «clitoroon verpllclil Is 1« dienen.

redigeoron, Int. (redigSre, van re— en ai/fre) elg. lerugdryvon of lirenifon; vervolgens samenhrengen, verzamelon, in orde lirengen of rangschikken, naar elseh Inrleliten en In \'t licht geven, den druk bezorgen, voor de pers gereed maken; in ordïnem rodigeeron, In orde brengen; rodactcmr, m. fr. (lat. reilar-lor) een verzamelaar, rangschlkker »1 samen-voeger, drukbezorger en ullgover van scbrlfte-hjke opstellen, Inz. de rangschlkker en uitgever van werken, die uit do bydragen van velen z(jn samengesteld, de schlkker en uitgever van lyd-scbrlften (maandwerken, dagbladen, enz.); fein. redactrice; — redactie, f. (spr. I=s) ileze hyeenbrenging, verzameling en seblkklng; het opstellen, gereedmaken en bezorging van bel drukken; de gezanieniyke scbryvers die hy de uitgave eener courant belrokken zyn; ook: bot lokaal waar een courant, enz. wordt opgesteld en gereedgemaakt; de siyi, vorm, wyze waarop iels gesteld Is: b. v. de redactie van dat wetsarllkel is niet duldeiyk.

redimeeren, lat. {rcdimlrc, van rc— en emlre, koopen) loskoopen, weder Inlossen, bo-vryden (ranlsooneeren); — pro ndiménda rixa, lilt. Jur. lol veroiïcning of hijlegging der oneenlgbeden, of lol afsnyding ophelllng, ver-myding iles rechtsgedings; redómtie (spr. I—s) f, (lat. redcmlto of beter redempho) de bovryding, loskooping (rantsoen), verlossing; — redémtor of redémptor, m. een be-vryder, verlosser, redder; — rcdemlor Ut turn, een proceskooper, hy, die recblsgedingen aan zich brongt; Rodemptioners, m. pi. eng. (spr. ridémsjüners) landverhuizers of kolonisten naar N. Amerika, die hunnen overloclit niet kunnen betalen en daarom verpliclit zyn hunne schuld aan Ie werken; — Redemto-riston of Redemptoristen, m. pi. leden der orde van den heiligen Verlosser (re-domtor), z. v. a. Mgorianen (z. aid.).

Redingote, f. fr. (spr. r\'deiigól\') van \'I eng. ridingcoat (spr. raidinnkool; van lo ride, ryden, en coat, rok) een ryrok, reisrok, lange overrok; — redinunle anfllaise, (spr, —uii-lllèz\') een overtreksel of foedraal, van den blinden darm der lammeren gomnakt, dat ge-hrnikl wordt om het manneiyk lid logen de werking der venerlsebo smetstof Ie behoeden (ook caiwle nnijiuise en condom geboeten).

redintegreeren, lal. (red-inleorüre: vgl. Integrooron) weder herstellen of volledig maken, hernieuwen; weder in vorig ambt of bezit stellen; — redintegratie (spr. Iie=slc) f, de wodei\'bersleliing, vernieuwing, woder-vol-komen-making.

redisconteeren. Kuil. door disconto verkregen wissels vóór den vervaldag weder ver-koopen

redilus, m. lat. (v. red ire, terugkomen) de terugkeer, lorugkoinst, wederkomst; pi. redHus, inkoinsten; — redilus anniii, pi. Jaarlgkscbe inkomsten; — r. irrcdimibltes, nw.lat. onaf-koopbare renten i — r. redimibïles, ufkoopbaro of afloshare renten.

redivivus, n, um, lat. (vgl. vivus) weder herleefd, opgewekt, hernieuwd.

Redondiliën, sp. vcdondillas (spr. ~di-Ijas) pl (van redóndo = lat. roluiuius, rond) oen spaanscbo en purtugeoscho versvorm van vier, zes of iicldietlorgrepige rymregels, later in \'1 alg. zes- of achliottorgreplgo verzen.

redoppeeren, fr. hot paard mot de halve volte laten wenden, een redop lillen maken.

redoutoleeren, fr. (miouWcr, spr. r\'docbl-, vgl, double, enz.) verdubbelen, vermeerderen, versterken, met meer kracht of nadruk herbalen; redoublement, n. (spr.—ma//) de verdubhellng, verslorking.

Redoute, l, fr, (spr, redoel\'; van \'l lat. reducla, reduclm, d. 1. eig. ecne teruggetrokken plaats, v. mluclrc, vgl. reduce eren en roduil) 1) eeiiü veldsebiins, kleine vierkante vci\'sclianslng, ook door sommigen vertaald door schriksciians, omdat zy \'I woord alkomsiig wanen v, redouler, vreezen, duchlon; i) een gemaskerd bal, maskerdiins (II. ridollo, eig. plaats van oponthoud, verzamelplaats, inz. de openbare plaats in Veneiic, op welke gedurende hel ear-nevai door gemaskerde personen kansspoion gespoeld werden).

redoutoeron fr. {redouler, als ware \'t lat. redubihire, v. dubiture, onzeker z.yn, twyfeien, fr. dnuler) vreezen, duchlon, onlzlen, schuwen; — redoutabel, adj. (fr. redoulable) vreese-lijk, gediiebt, onlzaglljk.

Rédowa, f. z r o g d o w a; — redo-wazka, f. oen boheemsche dans, afwisselend in | en f maat; vgl. regdowa.

redresseeron, fr. {redresser-, vgl. drosse er en) weder recht maken of Ie recht brengen, weder in orde, in \'1 gelid, in den beboor-lyken vorm of op den rechlen weg brengen, wederherslellon, goedmaken, verbeleren, verhelpen; ook verachlerend maken; Kuit. z. v. a. s t o r n eo re n.

Rodruthiot, n. koperglans, zoo gebeeten naar Kedrulli in Cornwallis.

Redsjeb, m. arah. (redsjeb, oorspr. vereering, eerbied, v. radsjaba, vreezen, seliuwen) de naam der 7do inannd in den moiiamedaan-schen kalender (omdat in deze maand de slryd verboden was).

Redt., bij nntunrwelenschappeiyko benamingen afk. voor L. Rodlenbacber.

reduceeren, lal. {reducsre, van ductire, lolden, voeren) terugvoeron, terug- of weder-brengen; verkleinen, verlagen, verminderen, afzeilen, b. v. do waarde eener munl; beperken, onttrekken; lierieideii; Muz. ecne parllluur reduceeren, de barmonlo van vele inslru-menlen op eenige weinige terugbrengen; Cbeni. motalen uit hunne verbindingen met zuurstof.


-ocr page 1079-

IIKDULCERKEREN

1051

UKFEIIEEUEN

zwavel of con andore eloklro-noRiilIcvo slof zuiver te voorscliün lirengen; de r o d u c e e r-ovon, een oven, .waarin do inetalen ulthunno natuur-lyke verlilnillngen afeescholdon worden; ro-ducibel, adj. nw.liil. herleldliaar, lierslelliaarj — roducidos, pi sp. (spr. u=oe) liekeer-don, dezulken, die onder do follorlngon dor Inqulsllle hunne (zoo Kehoelen) dwalingen herriepen ; — roducooring of reductie (spr. I=s) (. lal. (rcduclio) de lerugvoerlng, herstelling, lierieidlng lui den vorlgen vorm; Chlr. ilo herzolllng van ledemalen-, lieperklng, lie-snoeilng, verniindering, h. v. van hei getal der troepen; verlaging, vermindering, I». v. van den prgs eener waar; In de teekenkiinst: de ver-luindertng, verkleining eener liguur; uiirekening, verg\'eHjklng, overhrenging der maten, gewichten en niuntsoorten van een land in die van een ander huid; Aritli. de herleiding van lircu-ken van vorschliicmle noemers lol den zelfden noemer; de iierieiding van gelieelen tot (lllllel■■ ileelen cif omgekeerd; (liiein. heisieillng of voort-lirenging der zuivere metnten uil liiimie verhln-dingen met zuurstof, zwavel, enz.; Muz. uiltreksel van eene parliluur; ook wel: het overdragen uil eene vreemde loonsoort In eene moer Ilekende; — roductio-tabél, een tafel lol verandering of overlirenging en vergelyking der verscliillende munten, maten en gewiehleu; — redüctor, m. een heelmcesteis-weiktiiig lol hel zetten van ontwrichte (i[ geliioken ledematen; — rodllit, ii. fr. (sjir. redwi, vgl. redoute) Fort. eene toevluchlsversclmnsing, eene kleine halve maan, in cono groot e aangelegd voor den aftocht der verdedigers, waaneer deze wordt veroverd; eene snort vim ciladei,heslaande uit een iiastion, waarvan men de keel naar den kant der plaats versterkt; ook een vertrekje, kaiilnetje, liockje.

redulcereeren, (lal. rcdnlrerarc, vgl. ulcus), Med. weder nan \'1 zweren maken.

redundeeren, lat. (redundare, cig. te-ruggolven of vloeien, van re— en umlare, golven) overslroonien, overvloeien, in overvloed zün; redundantie (spr. /=-/.*), f. (lat. reilunduniïa) de overvloed, overlolllgiicid, overmaat; de te groote woordenrijklield, wydloo-lilghcid.

redupliceoron, lat. (re-diijilkare ,■ vgl. d u p 11 ceer e li, onder ilupluni) weder ver-duhlieien; lellcrgrepen of letters licriialen; — reduplicaat, n. een noginaals verduhliold afschrift; — reduplicatie (spr. I -Is) en reduplicoering, I de wodorverduliiieling; (Irani, de letter- of sylhiheiiverduhiieiing nf -lierlmlliig; roduplicatief, adj. nw.lat. verduhbelend, verduliliclliig hewerkend.

Roduvïa, t. lal. de iiU(d;iiiigol (aan den vinger).

Réd-wing, m. eng. »roodvleugelquot;, roede Ulster.

Roede, saniciigelr. roê, f nederl. (van reed, gereed, z, v. a. de plaats liiilten de haven, waar men \'l schip reedt of gereed maakt; hoogd. rchdc of rhede, fr. rade, il. en sp /■()(/«, ijsl. reidu, eng. road, zw. redd) oen duor land ingesloten gedeelte der zee, dal aan de vaartuigen eene ligplaats verschaft, waar zij meer of min tegen wind en stroom hevelligd liggen; liesloten re ede, geheel hesehulte roede; open roede, gedeeltelijk nan den zeewind Idoolgestelde roede; — reeder, m. hu, die oen vaartuig Ier koopvaardy of lor kaapvaart uitrust of helpt uitrusten; —reodorij, f. de uitruslliig van schepen door de reeders; eene maatschappU van roedère.

reëel, adj. fr. {rt\'cl, vgl. reaal) werkelijk, wezenlijk, waarlijk, waarachtig; grondig; geloofwaardig, zeker.

Roof ut rif, o. nederl. Var. do zeilslrook, waardoor hol zeil hij Ie slerken wind kan In-gekorl (gereefd) worden.

Rooi, in. eng. (spr. riel) eig. een haspel; een levendige scholsche en lersche dans.

Roömtie (spr. I s) f. uw.lal. (vgl. emtio) de terugkoop, herkoop, wederkoop.

Roos, pi. onregelmatig voor reis (z. aid.) re et eorpure, lal. aan Igf en goed (stralfen), met goed en hioed.

roëxhibooren, nw.lat. (vgl. ex hi hoeren) weder vertoonen, weder overhandigen.

roëxportoeron, nw.lat. (vgl. ex portooren) vvcdcrniivoeren; — reexport, n. wederuitvoor; reëxportatie (spr. lie=lsie) f. de weüoi\'ullvoer, hel wedoruilvooren van Ingevoerde waron.

refabricoeren, nw.lat. (vgl. tahricee-ren) wedormaken, wederliouwon, herhouwen, hermaken.

rofnQonnoeron, fr. (vgl. fa con nee-ren) eene nieuwe gedaante, een ander fatsoen geven, vervormen, omvormen.

Rofactio (spr. t—s) f. fr. Kml. do korting van holaling voor tieschadigde waren, z v. a. fusti.

rofairo, fr. (spr. —fèr\') overdoen, overmaken ; c\'csl n refaire, dat moot overgedaan worden, wy moeten van voren af aan heglnnen;

— refaits, pi. fr. (spr. -/i1) oiiheslislo spellen hij trenle el qunrnnU\' of roi/flö et noir.

Rofan, z. r e n I a n.

Rofe, op Madagascar [refi, rc/fe — nialolsch en javaansch i/cyi», lagaiisch dipu, laliilisch reu) eene lenglomaat van verschillende grootte, ongeveer = I vadem.

Rofectio,refectorium, z. oud. refi-c 1 fiere n.

rofelloeron, lat. (refellïre, v. re, weder en fallfre, misleiden) wederleggen, tegenspreken, met redenen het tegendeel hewgzen

rolerooron, lal. {referre, olg. Icriigdragen of hrongen, wederhrengen; fr. ré(ircr) horlch-ten, herlcht geven, melden, voordragen, verhalen; verslag doen voor de lochthank; — re-fereerkunst, do kunst van verslag doen;

— referaat, n. nw.lat. hel versliiggevorsamht, horlchtamlit; hel herlcht, de voordracht, do verslagdoening; — reference, f. eng. (spr.


-ocr page 1080-

REFORMEEREN

REFEREIN

1052

réffevens) Imd. reforénzen, pi. (spr. z=ts), uok nodoiï. roforóntiön (spr. t=ts) Kmt. informal lén, KolulRenlsson; In lingolaiul; nnnbo-volinRon van bekondo cn hoougoschullu linlzon;

— réfóronce, r. fr, (sin-, —mits\') palroon-lioek— roferént, n. lat. [refdrens), referendaris nf roforondair, in. uw.lal. con borlchlor, borlchlgover, buiiclilstollor, voor-ilracbtsvoordoi\' or voonlragor uil den inhoud der aclen, enz.; — roferondaris, Inz. eon voordragend ambtenuar aan een ministerie, hy ons to lande eerste ambtenaar na den socre-taris-generaai; — roferént, m. die verslag doet aan bet publiek van uitgekomen werken, zonder zo oigeniyk te reconsoercn; —re-foroudanus, m. in Duitschlnnd een jong recbtsgeioordc, die bet tweede examen by een gerechtsbof beeft volbracht en zich tot bet ambt eens onderrechters bevoegd beeft gemaakt; vandaar referendariaat, n. diens verworven graad on ambl; — referendum, n. hetgeen ie berichten is; Iels ml referémlum nemen, iels aannemen om daarvan verslag te doen, iets ter gorecbtciUke overweging nemen, om daarover hy de bevoogde aiitorileit van bericht te dienen, iets ter bespreking of tot naricht aannemen; — referte, f. vcrwyzing naar iets, beroep op Iels.

Referein, ■/.. refrain.

reficieoren, lat. {reficlre, van facSre, maken, elg. wedermaken) berstolion, verbeteren, verhelpen; oprichten, ophearen, verkwikken, vcrfrlsschea; — reficienffn, n. pi. Mod. verkwikkende, versterkende artscnljeii; — reféetie (spr. I=s] f. (lat. ri\'fer.tto) de herstelling, verbetering; de verfrissching, versterking, lafenis; lilj It. Kath. een verkwikklngsmaal, lafenismaai ten lijde der vasten in kloosters en in \'t alg. by R Kath.; ook Jur, do verbotering, hei\'stol-Ung, wederoprichting van een gebouw;—re-fectoriaal, adj. tot do eetzaal behoorendo;

— refectorium, n. nw.lat. de celzaal, eetkamer in kloosters en andere geestelijke ge-stlchten; — refectuur, t. nw.lat. liet recht om ter verbetering van een gebouw hout uit liet bosch te nemen.

rofigooron, lat. (refiggrc-, vgl. figeeren) bet aangeplakte, aangeslagene weder afnemen; ook andermaal aanslaan, aanplakken.

Refin, m. fr. (spr. r\'feii) of refino, m. sp. (elg. in \'I algemeen zoor lijn, supratljn) do lljnsle spaanscho wol en de daaruit vervaardigde stol

refloctooren, lal. (rc/Jec/frc, d. I. elg. terughuigen; vgl flecteer en) lichtstralen terugwerpen, terugstralen, terugkaatsen, weerkaatsen, afstuilen; nadenken, overwegen, hcoordee-len; terugdenken; — op iots refloctooren, iets in aanmerking nemen, er op letten, er acht op geven; —reflectant of reflec-toerondo, m. die Iets op het oog heefl, er op iet, die op iels acht slaat; — roflóetor, m. nw.lat. de terugwerper der llclilstralen,slraal-werper, een spicgelinstrurnent, om gegeven nachtseinon duideiykcr zichtbaar te maken, sp i ogel-tetosk oo p; — reflex, m. do door refloctooren .\'terugstralen) voortgehrachte werking, Inz. van geluid en licht; Physiol, on-wilickeurigo op peripberische prikkeling gevolgde beweging, vandaar roflox-howeging enz.; - refléxie, f. lat. (reflexio, ombuiging) de terugkaatsing, terugwerping der lichtstralen, terugstraling; de wcerschyn, gloed; onelg. de terugwending van de werkzaamheid der ziel op zich zelve hg de toetsing en beoordeeling van de door zlnneiyke waarneming verkregen voorstellingen, bet nadenken, overwegen, de overweging, het overleg, do beschouwing, overdenking, iiespiegeling; do opmerkzaamheid op, de inacblneming van Iets; — rofloxie-gonio-motor, m. een door Wollaston uilgevoadcn hookmeter voor kristallen, die op de terugkaatsing des lichts is gegrond; — rofloxio-cir-kel. m. een door Itorda uilgevonden instru-men\' om hoeken te nieten; — reflexie-punt, n. bet punt in den spiegel, vanwaar een lichtstraal in het oog komt; — reflexlc-hoek, de terugslralingslioek, hoek van terugkaatsing, de boek, dien een teruggekaatste lielit-straal maakt aan het afkaatsend vlak, en die gelijk is aan den hoek van Inval of inciden-tlo-hoek (z. aid.)- — reflexie-vormogen, hot vermogen des nadenkens, overdenkingsvermogen; ook bet vermogen der terugkaatsing;

— reflexibol, adj. nw.lat. voor terugkaalslng geschikt; — rofloxibilitoit, f. het vermogen der terugkaatsing of de eigenschap der stralen om af te kaatsen; — reflexief, adj. terugwerkend; — reflexieve pronomina, Oram, wederkeerlge voornaamwoorden; — verbum re-flexivum of enkel refloxivum, ■/.. verbum;

— rellexus, a, urn, lat. Hot. teruggeslagen, omgeslagen, omgebogen.

refloreeren, ook rofloroscoeron, lat. (vgl. fioreeren) weder opbloeien, tot nieuwen bloei geraken.

reflueoron, lat. (refluüre, v. ftuere, vloeien) terugvloeien, terugtreden, terugwerken; — ro-flüxns, m. nw.lat de terugvloeiing van hel bloed des llchaains naar liet hart; ook de e iih e.

Rofónte, f. fr. (spr. r\'fiiiil, van rcfondre, ovcrsmelten) de omsmclling, oinglellng, het smellcn, h. v. van oude munten om er nieuwe van te maken; onelg. de omwerking van een geschrift.

roformoeron, lat. irefnnnarc: vgl. for-meeren) omvormen, een anderen vorm, eeno andere gedaanle geven, veranderen; verbeteren (misbruiken enz.), zuiveren-, — de Gereformeerden, ook C a i v 1 n I s t e n en Zwinglianen, Hervormden, aanhangers en volgelingen van de geloofsleer, zooals zy door Galvyn en Zwlngllus In een nieuwen vorm gebracht is; — reforme, f. nw.lat. (fr. rc-forme) de omvorming, verandering, verbetering van eenen toestand, zonder het wezen der zaak to veranderen; Mil. de herleiding der ambtenaren van het gouvernement of der troepen van


-ocr page 1081-

REFORMIDA BEL

10513

REEUSEEREN

don Sliuit lut ooii inlmlur Kdal; iifilaiikliiK, ont-sliig, ullmonslorlng; ook i. v. «. reformatie (spr. (=/.?) f. lit/, do loer- of korkvorhoto-rlng, ilo loor- or goloofsrelnlglriB, liorstollliiR der zuivere chrlstoldko leer, geiyk dlo door Lu I h e r, (; ii 1 v ij ii on undorou werd begrepen en tot stand geluncht; — Reformaten, pi, z, v. a. Recollocton; — reformator, in. lat, een omvormer, vervormer, horvormer, voranderaar, verbeteraar; inz. geloofszuiveraar; — reform-banketten, pl. niaaliyden, waarbU de lltie-ralo kamerleden te Parys in de Jaren IHiquot; en 1Si8 voor eene lierzioning der kieswet werkten en door welker verbod aanleiding werd gegeven lol de Februari-revolutio; — refórmbill, (. In Engeland elke bill (z. aid.) die do eono of andere iiorvormlng bedooll, inz. eciiter die welke do parleniontsliervorniing op den 23sten November isiifl voorsloeg; — reformer of reformist, m. eng. een verbeteraar, inz. die de veriietering, bervorming van de constitutie verlangt, aanlmnger van de party dos vonrult-gangs of der beweging, in tegenstelling mol do conservatiovon; in Frankryk diegenen, die boofdzakeiyk met betrekking lol ito verbetering van den toestand der ariieidersbevoiklng ber-vorniingen verlangen; — reformistisch,adj. wal do Reformisten oC liunno leer en grondstellingen betreft; refornilsllscli banket, reformistische maaltyd.

reformidabel, adj. nw.lat. (van \'I lat. refonnidarc, ten hoogste vreezen) vreeseiyk, verscbrikkciyk.

Reformisten, reformistisch, z. ro-f o r m e e r e n.

refourneeren, fr. (refourmr; spr. nu=oe) weder of nieuw voorzien; opnieuw mei lijn bout Inleggen; vgl. four nee ren.

Refractaris, lal. (van refringUre, d. i. eig. woderbteken, verbroken, vernietigen) of re-fractaire, fr. m. een weerspannige, verzel-toling, ongoboorzame, inz. tegen don verplichten krygsdtonst ; ook als adj.; wedorspannig;— refractie (spr. I=s] f. n\\v.lal. (vgl. fractie) de broking der llchlstrnlen, straalbreking; — refractor, m. een straalbrekor; oen vorre-kyker, die, door de lichtstralen te breken, de vergrooting voortbrengt, dioplrtscbo verre k y k e r; — refractief, adj. straalbrekend, straalbreking bewerkend; — refraclus, a, urn, lal. Hol. omgebogen.

refrageeren, lal. (nfragart) wederstreven, zich verzotten.

refraicheeren en refraichisse-ment, liever rafralcheoren en rafral-c h Issem e n I, z. aid.

Refrain, n. fr. (spr. r\'freiiprovenc. rc-franh, refrim, v. \'I mid.lat. refrimg\'érc, in plaats van refiingürc, by herliallng breken, oudfr. re-fr (li ml re, provenc. refranher, refrinher) de keer-regel of keerregels, keerwoorden, die aan liet einde van elk couplot van een lied, ballade, rondeel enz. herhaald worden, bet slotvers, siot-rUm, keorrym.

refranglbel, adj. nw.lat. (van \'l lal. fran-gSre, breken; vgl. refractie) breekbaar, le breken; — refrangibiliteit, f. l\'hys. de breekbaarheid der llclilslrnlen.

refreneeren, lal. (refrenare, v. frenum, de toom) met den loom of touget terughouden, leugolen, in toom houden.

Refreshing, f. eng. (spr. s/i=s;; vgl. ra-fraicbeoron) vorverscliing, verfrissciiliig; — refreshing-room (spr. —mem) verver-scbingslokaai.

refriceeren, lal. {refricaro, van fricare, wryven) wederwryven, openkrabiion, opryien (van wonden).

refrigereeren, lat. (refrigenire, van fri-(/(«, n koude) of fr. rofroidisseeren (re-froiilir, spr. refroadi-s—) afkoelen, verfrisschen, weder koet of koud worden; koud maken, van warmte of hitte berooven; —refrigerantïa (spr. l=ls) ii. pl. verkoelende middelen, koel-middelen; — refrigeratie (spr. t=ls) f. (lat. refrigeraiïo) of fr. refroidissement, m. (spr. —mdii) de afkoeling, koudwording; — refrigerator, m. nw lal. de verkoeler, koeiiiuls, een werktuig tot het sneller afkoelen des sterken dranks by het stoken; — refrigerato-rïum, n. het koelmiddel, koelvat; — refri-gerïum, n. later lal. do verfrlssching, het koolmiddel.

refringeeren, lat. {refrimjire) breken, opbreken; —refringént, adj slraailiulgend, slraalbrekond, wat de stralen terugkaatst.

refriseeron, fr (struisvederen) opkrullen, weder friseeren.

Refugium, n. lal. (v. rcfuglre, terugvltc-den, van fugire, vluchlcii; fuga, vlucht, fr. rc-fuge) de loovlnchl, uitvhiebt, de scbullplaals, hel toevluchtsoord j—refugiëeren, lal. [re-fugi\'re, fr. se réfugier) vluchten, uitwyken, ontwijken; züne toevlucht nemen; - refugié, m. fr. (spr. rcfmjii) een vluchteling, uitgewekene, Inz. een vluchteling om \'I geloof; naam, dien uien aan do llcrvornidcn gaf, wolko onder Lodewyk XIV in HiSS Krnnkryk ontweken.

Refulgentie (spr. f=/.?) f later tut. (re-fulgenha, van refulglre, leniggtiuizen; vgl. fulgent) de woerscliyii; do heldere scbyn, stralende glans.

refundeeren, lat. {refiitiilUre, eig. weder-gieten, uitgieten, van funiUre, gieten) teruggeven, leruglietaleii, vvedervergoeden; — refusis expénsis, Jur. na de tenigiictating der kosten; maar ook; onder weigering der kosten, welke men veeleer door de togenparty wensclit gedragen to zion; — refviaie, f. (lat. refusto, uitgieting) de teruggave, lenigiietiiling, weder-vergoedlng of vergelding; — refusin e.r/iensSrum of sumhium, .lur. vergoeding of loruggave der kosten; afwyzing der kosten; — rum refusióne sumhium, met afwyzing of weigering der kosten,

refuseeren, fr. {refuser; provenc. refusar, II. rifusdre, v, \'I iat, recusare, afstaan, onder Invloed van refulnre, tenigwyzen) afslaan, wel-


-ocr page 1082-

REGKEREN

UEFUSIF,

1054

Keren, oiitïogKen, afwyzen, vim de hnml wij-zon, niet aaiinoincn, niet willen; — rofus (spr. rtfii), KewoonlUk noderl. refnus, n. het wciRerend antwoord, do welgoriiiK, ontzojjglnu, oon noenwoord, een blauwo scheen, hlauwtjo.

Rofusie, z. ond, rofundeeren.

refuteeron, lat. (refulare, elsr. torugwy-zon) wederlegKOii; — rofutiïtie (spr, lie=lsie) r. [refuliiffo) do woderle(,\'(!in(f; ook do opzegging van het loon.

Rogaal, n. (van \'1 mld.lal. reqa, oudd. riga, i\'tnquot;, ry) eene hoekenplank (reposl t o r i u m); een orgolrogUtor ot snorwerk In hel orgel, do zoogen. menschenstem (vox humüm). (Zie do andere hotookonlsson onder de holde volgende woorden.)

rogaal, adj. (reqatis, e, van rex, genii, regis, de koning) of royal, fr. (spr. rnajal) konlnk-iyk rogaal of royaal-papior, koningspapier, oeno zeer grooto soort van papier voor landkaarten, platen, enz. (vgl. imperiaal-papier; — regaal, rogaio, n., pl. roga-lïën, regalia, konlnkiyko of landsheoriyko rechten ot voorreehten, hoogheldsroeliten, heer-iykheden; vandaar in Dultscliland herg- of horg werk sregaa I, hot nllsinltond recht van den Staal om de onder \'s aardryks oppervlakte liggende motaien te doen opsporen, zoo ook; post-, zout-, munt-, stempel-rogaaI enz.; — rogaliön, ook de teekens der konlnkiyko waardigheid; —regaal, n, koidngslolter, eene grooto drukletter, die 0|i hot imperia ai ot do kolzersielter volgt; — regalia, f. eene soort van sigaar van hyzondere grootte, koningssigaar; — regalitoit, f. nw.lat. hel rociil der rogeerlng om regallon lo hezitton.

Regain, m. Ir. (spr. rycii) de otgroen, liet irnhool.

regaleeren, fr. (rónnler, ital. regalare, sp, regular, waarscli. van gala, dat ook «hel nit-gelozenste, voikomonsto; do howezen aciiling en eerquot; hedullt;ll; v. a. van \'l goth. gailgan, verheugen; misschien mol Inmenging v. \'1 lat. regalis, konlnkiyk, dus olg. koninkiyk onliiaien) kosloiyk ot hooriyk onthalen, oen prachtig gastmaal geven; onthalen, vergasten, t racleoren; vermaken, verheugen; — regal of rogaal, n. (fr. régal: sp. regain, ook voor geschenk, vermaak, iokkorbeetje) een gastmaal, eene smul-party, gasiory.

rogardooren, fr. (reganler, van ganler, liewaren, hehoeden; vgl. garde) aanzien, aanschouwen, aankijken, lieschouwen, hozlen, he-trachlen, iiekykon, waarnomen; o|i Iets lellen of zien, lots In aanmerking nemen, er acht op geven; aangaan, holroilen; rogardoz-moi, n. (spr. r\'ganlé-lnoa) olg. hokgkmyioen vooriioofdssleraad voor vrouwen; — regard, n. (spr. r\'gdr) de aanliilk, de iilik, wenk, oogopslag; holrekklng, annmorking, aanzien, opzicht; opmerkzaamheid, achting, oerhied jegens Iemand; l\'lcl. hol logonsluk, de (ten onrecht zoogenoemde) tegenhanger; — en regard (spr. aii—) ten opzichte, met holrekklng, ten aanzien, wegens, uit achting; ook op do tegon-ovorstaande hiadzyde

Regatta of rogatte, f. It. (regalia en rigatia, van riga, do ry, heart, oudd. rige, rhga : vgl. het sp. regale, m. tiet ontsluipen, de ontsnapping, regalear, wodroelon) eene wedvaart mol gondels, roei- en zoilwodstryd op hel grooto kanaal le Venolio, die tor oero van vreomdo vorston, enz. mol veel pracht wordt gehouden; ook wol in fransche havenplaatsen ge-Imiikoiyk.

Rógdowa, gew. radowa, f. hoh. (reg-dowdk en regdowdk, verwant aiot ons rei, reidans) f, een lioiicemsche dans, oeno soort van wals in ï maat; — rogdowaika, f. (hoh. reydowalschka) eene variatie van dien dans.

rogooron, noderl. (van \'t lal. reglre: fr régir) olg. richten, leiden, sturen, voeren; lioer-schen, iieheerschou, hosluroii; Oram, vorderen, vereischon, hy zich verlangen, ten gevolge hoh-hen, h. v, een datief of accusatief eens woords (\\gi. roc tie); — rogooring, I. de leiding, richting; heerschappy, hel iiehoor, hesluur; ull-oofeidng van het hoogste staatsgezag; een he-sturond lichaam en de gezamoniyko hosturondo staatscolleges; rogooringsvorm, m. de wyzo waarop In ecnen Slaat de opperste macht wordl altgcoofead, mol heirokking tot liet getal der personen, die haar ailoefonon en tol do mate van macht, welke deze la handen hch-hen (vgl. aal ok ratio, monarchie, arls-I o k r a 11 e, oligarchie, d e m o k r a 11 e, ochlocratie en anarchie); — régens, m. ial do lieerschendo; oon opporloeraar, opziener in r. kath. stiften; — i\'Ogént, m. do heerscher, laadsheer; rykslicwlndvoerdor; ryks-hostnurder; de tiloi der liesluurders van godshulzen (vr, regentes); ook de naam van don groolston diamant in eene vorsteiyke kroon, Inz. dien van de fransche kroon, welke op tl mii-lioon guldens waarde wordt geseiial en door den regent Philips van Orleans werd aangekocht;—(«ter da régent, snulftalmk mot aromaten loohoroid; — rogontonstuk, n. schiidery, voorslollonde de afheoldseis van rogenion (eener liefdadige instelling, enz.); —regio, 1. fr. (spr. r\'zjl) hel hoheer van zekere handelstakkoa, ladlrocie helastlngen en slaals-Inkoniston, verhondon met voranlwoordeiykheid en allegging van rokoning, h. v. hot ijeiioer van hot hout, hol zout, de talmk enz.; ook do leiding of hel hesluur van een schouwtooneel met holrekklng lol do kunst; do daarmede ho-laslo personen; — rogimen, m. lal. of fr. régime, n. (spr. rezju\'m\': prov. regime) hel staatshostuur, de rogooring; do levensregel, eetregel, hot voodingsvoorschrllt (dieet); —ancien régime, n. (spr. ahsjeii—) de oudo voormalige staatsregeling of regeeringswyze, Inz. vóór d(^ fr. revolutie; do vroegero lovonsrogel, de voormalige toestand; — rogimént, re-gemént, n. (later lal. regimdnlum, fr. regi-menl, II. reggimenlo, sp. regiinienlo) do hoor-schappy, het iyks- of staalshestuur (regeo-


-ocr page 1083-

RKGION

REGEL

1055

rlnf!); MM. oono scliaar ot krUgsschnnr, oono grooto troeponufilcoliiig (corps) van i lol ;toon man voetvolk (Intaiitorlo-roBlmonl), of omstreeks 11)00 man rultcrU (cavatorio-roRl-m o ii I); — regisseur, n. fr. (spr. rezji-séür) een lielicenler, bosluurdor, tolgaanlor, rekeningvoerder; hij schoiiwtooneelon: de rangschikkcr der stukken en nltdeeler der rollen, de too-noelbestuurder.

Regel, m. (v. \'I lat. reotila, d.1. elg. meetstok, liniaal, fr. ritule) liet richtsnoer, voorschrift, eene grondstelling, die een hegrtp of eene lian-delwü/.o tiopaall; — in reiiüla, In den regel, gewoonlük, naar de orde, meerondeels, meestal; — nulla renula sine meplione, geen regel (Is) zonder uitzondering; — n\'fiula juris, een rechtsregel ; — regel do tri (elg, reiiüla tie tribus, sell, numeris of lennfnis) Arlth, de regel, volgens welken men uit drie bokendo grootheden de tot deze In verhouding staande vierde onhokonde vindt, de regel van drleön, de ver-houdlags- of ovenredlgheldsregel; rci/ulu cocci, de hllnde regel, eene soort van gezelschapsrekening; — n\'fl. de quinque of duplex, de regel van vijven, de duhtiele verhoudlngsregel;— rca. falsi, de valsche regel, eene vernuftige rekenwijze, waarhij men voor de gezochte grootheid eene willekeurige aanneemt en uit de daaruit volgende font lot do ware grootheid tiesiuit; ~ reij. multfiilex, de kettlngregei; — ren. scp-tem, de regel van zevenen of van drievoudige verhouding; — regulair (lat. reiiuhiris, e) fr. regulier (spr. requ-lji!) adj. regelinallg, geregeld, In den regel, juist, ordelijk, regulier; reguliere troepen, linietroepen, staande troepen, in legenst, met de militie; — m/ii-lares of reguliere geestelijken, ordes-geestotljken of monniken, die een zekeren ordesregel volgen; — reunlanlcr, adv. regelmatig, volgens of in den regel, naar orde;—regu-larist, m. iiw.lat. een regelaar, regelgever;— regulariteit, f. de regelmatigheid, geregeldheid, Juistheid, ordelijke Inrichting, inachlae-mlng der regelen; — regieoren daler lat. regulure), roguleeren of regularisee-ren, fr. (réqler, rdnulariser) regelen, schlkkea, ordenen, rangschikken, in orde hrengen, voorschrijven, hepaien, vnslslollen; — regulari-satie (spr. -za-tsie) of rogulooring, f. do regeling, ordening, rangschikking, in-orde-stei-ling, hepaling; — regulator, m. een regelaar, rangschikkcr, Inricliler; lig verschelden machines, h, v. hg zakuurwerken; do onrust mei hel snekrad, hy slingeruurwerken: de slinger met zyne lens; ook eene bijzondere soort van zeer regelmatig gaande uurwerken; by biaasinrlchtlngen: een werktuig ter bewerking van een regeimaligen windslroom, enz.; hy stoommachines: een toestel dal den toevoer van den stoom in den cylinder bepaalt; In Noord-Amerika: een verkozen crimineci ma-gislraatspersoon, die tcgeiyk rechter, polilie-dienaar en uitvoerder der vonnissen Is; regulatief, n. het voorschrlfl, richtsnoer; do verordening, bepaling, vaststelling (vgi. regie-in e n t).

Regeling, f. nederi., pi. regelingen,

in den scheepsbouw: de kroipme, met snywerk voorziene lijsten, die den zwaanshals zijdelings schoren, de masten van \'t galjoen vormen en lot steun dienen van den botteloef of den balk, waar de fokkehals op vaart, z. v. a. liet fr. ram ba de

Regence, f. fr. (spr. rezjdns\'-, van régent, regent, ond. regeer en) het regentschap, de regeering, het rykshewlad gedarende de min-derjarigheid, ziekte of afwezigheid van den regeerenden vorst; inz. hel tusschen de regeering van l.odewijk KIV en I,odewijk W vallende regentschap van den hertog Philips van Orleans, beracht om z.yae zedeloosheid.

regenoreeron, \\td. (renenerure : vgi. ge-neeren) weder leien, weder voorttirengen opnieuw hezleien, vernieuwen, omvormen, vervormen; wedergroeien of nawassen; regeneratie (spr. l -ls) f de wedervoorl brenging, vve-dorgelioorte, omvorming, herschepping, wederherstelling; — regenerator, m. nw.ial. of fr. regenerateur (spr. r\'zje-) de wedor-voorthrenger, herschepper, liersieiler; een uil draadzeven bestaand toestel, waardoor de lucht der caioriferiselie machine heeaslryken moet. Regens, regent, z. oad. regeeren. rogereeren, tal. {re-nerf rc, elg. lerugdra-gen of -brcagen; later ook: boeken, inscbry-ven, z. v. a. referre) opnieuw labrengen, legen-werpen, hernemen, anlwoordea; regósta, n. pi. (van den sing, reqeslum, liet geboekte) mlil.lal., ook reqistra, laler acla renislrala, none verzameling of boek met pauseiyke bevelen of ballen; verzameling van aden of oorkonden, de in boeken vereenigde afschriften van alle beiaagi yke geschriflen, oorkonden, brieven, enz. in de kanseiaryen en archieven van kuninkiyke hoven, in bisschopszelels, ia kloosters, enz.

regerminoeren, lat. {reqerminare; vgi. germineoren) weder uiisprailea, opnieuw »11-loopen; regerminatie (spr. l-ls) de we-dei\'uiisprulting, iierhaaide altlooping.

renin mnjeslas, f. lat. Koidnkiyke Hoogheid of Majesieii.

Regicidïum, n. nvv.lai. (fr. réqicide, van \'I lal. rex, koning en caedtre, nederbouwen, doodeu) een koningsmoord;—m., pi. régicides, fr. (spr. rezjisiéd ) koningsmoorders, inz. de beaaming van hen, die voor de ter-doodbreaglag van l.odewgk XVI liaddea gestemd; — regifugium, n. lat. de konlngs-vtucht of het verdryven der koningen te Koine, :i0» v. C.

Rogidör, m. sp. (vgi. regens, ond. regeeren) regeerder, bestuurder, inz. ais naam van magistraatspersoon.

Rogina of regine, f. (van lat. regtna) vr.naam: de koningin, heerscberes.

Region, f. fr. (spr. retjinii ■. v. \'I lal. ccf;»!) het oord, de landstreek, tiet gewest, de kring, kreits, liet district; de luchtlaag, luchlkreils.


-ocr page 1084-

RKHAUSSEEIIEN

REGIS

1050

lid luchlgowosl; — e regióne, lilt. Typ. rctiil togenovor, ilu wijze van drukken In 2 of meer kolommen, wimrby de doelen ol alinea\'s van versiiilllende talen roclit of juist naast elkander komen.

retjis ad exemplar, lat. (vul. rex) naar liet voorbeeld des konlngs, d. 1. leder regelt zich naar liet voorbeeld door zUquot; meester gegeven.

Regisseur, z. ond. rogee ren.

Register, n. (fr. en proven;, regislre. It. en sp. regislro, port. regisle, van \'I mld.lat. regislrum, ook regeslrum, regeslorium, van re-geslum, bet geboekte, opgeteekende; vgl. re-ge ree ren) de lüst, naamlyst, Inboudsopgavo van een boek, lijst der bebandelde woorden ui zaken, de bladwyzer; Kmt. een alphabotlscb Ingericht koopmansboek; een gerecblshook, ac-tonbuok (doopregister, trouwregister, doodregister, enz.); ook cone reeks van velo dingen van oeno soort, vandaar ook de naam van de ondorscholdon, tol éone soort van geluid bohooronde püpon; de schuif, waarmede de organist den wind toegang geeft of afsluit; een lucht-of trekgat mot eone schuif aan smeltovens (regis te rov o ns); rogl ster pa p lor, groot sterk papier voor rokenbocken, enz.; regis! er-sch I p, een sp. koopvaardyschlp, met openbare bovoogdhold tol handel op Amerika; — registreeren, miil.lal. (regixtrarc) In bet register schryven, inschryven, hookoii; — registrande, f. een Insclnyfhoek; registratie (spr. Iie=lsie; mld.lat. regislraCto) f. bet Inschryven van oorkonden of aden; bel to betalen recht voor do iiischrUving; — registrator, m. do houder van bet boek, waarin do aden wottoiyk worden Ingeschreven; do schriften- of oorkondonschikkor; — registratuur, f. bot gerochteiyko inscliryflioek; do netenkamor, bewaarplaats der oorkonden, acton, enz,

regtus morbus, m. lat. elg. de koninkiyke ziekte, de geelzucht.

Reglemónt, n. fr. (van rögler, regelen, rangschikken) de schikking, verordening, bepaling, het voorschrift, richtsnoer, inz. voor dienst of bestuurzaken; — reglementair, adj. mot hel reglement overeenkomondo, volgons voor-scbrifl.

regieeren, z. ond. regel.

Reglisse, f. fr. (provonc. regalida, regu-lecia, 11. regolizin, legorizia, sp. en port, regain, v. \'I lat. liquirilia, glycyrrhiza, ur. glykiirrhidta, zoelwortel, van glykys, zool, on rhiiha, wortel; vgl. lakkris) zooihout; In zoethoutsap, enz. opgeloste suiker, mot eiwit vermengd, drop (;«.? de réglisse).

regnum, n. lal. hel ryk; regnum animale, hel dlorenryk; r. vcgelahilc, hel plantonryk; r. minerale, hol delfsloiïenrijk; -- regnator, in. de heerscher, de koning; — regnicóla, m. (v. colr\'re, bewonen) een rykshewonor, een ryksgenool; — regnicolair, adj. do inwoners dos ryks holrelTemle of daarvan uitgaande.

regraciëeren, fr. {regracier; vgl. grace) weder genade schenken, andermaal In genade aannemen; — regraciatie (spr. l-ts), f. de vernieuwde genadosclienkhig.

Regradatie (spr. I=ls) f. lat. (vgl. gradatie ond. graad) de lorugzotting in eero-posten.

regratteeren, fr. (regraller, v. gr aller, krabben) weder openkrabben, opkrabben, afkrabben, oppoetsen, opknappen, van oud nieuw maken, een muur afhlkken om hem vol te rapen of lo voegen; In \'t klein vorkoopen, uit-venten, leuren; — regrotterie, f. do kieln-kramery, uitventing In \'t klein; krameryen; do voddenkraam.

regrediëeren, lat. (regrldi, van gradi, slappen), en regresseeren, nw.lal. terug-slappon, teruggaan; — regredióntie (spr. l=h) f. nw.lal. on regrés, m. lat. {regressus) de terugkeer, teruggang; de toevlucht, Jur. z. v. a. rccours, z. aid.; — regressus proba-liitnum, bol wlssoliicwijs (in do logica);—re-grediént- of regrés-erfgenaam, by, wlen eone erfenis wordt voorbehouden, in go-val zy nlol aan oen ander ton doel valt of door don dood van een ander weder beschikbaar wordt; — regressief, adj. teruggaand, terugwerkend; — regressieve methode, z. v. a. analytische, z. aid.

regretteeren, fr. {rcgrelter, v. re— en lal. gueritari = querl, klagen) beklagen, ho-treuren, bejamnioren; vurig verlangen, zich te-rugwenscben (b. v. het vaderland re grot-teer en); — regret, m. (spr. r\'grè) het leedwezen, do smart, spyt, kommer, droefheid, aandoening, hol berouw, do zuclil naar hot verlorene ; — d regret, ongaarne, mot weerzin; — regrettabel, adj. (fr. regrettable) betreurenswaardig, terugwonsdionswaard.

reguta, regularis, regulariteit, regu-leeren, regulier, enz. z. ond. regel.

Regulus, m. lat. (vorklw. v. rex, koning) elg. kleine koning; het winterkoninkje; Chom. de koning dor melalen, volkomen zuiver, van vreemde bestanddoelen geheel vry (rognli-nlsch) metaal; b. v. regulus nnlimonti, zuiver spiesglans of anllmonluni; — regulinisch-, adj. geheel zuiver, gereinigd.

regurgiteeren, nw.lal. (van \'Hat. gurges, genlt. gurgftes, oen kolk, draalpool) braken of overgeven; — regurgitatie (s|ir. I=fs) f. Mod. de braking, hot braken, overgeven; ook het wederinsllkkon.

rehabiliteeren, nw.lal. (vgl. ba bi li-teer en ond. ha biel) weder In den vorigen stand of toestand plaatsen; weder In goeden naam brengen, In eer of aanzien herstellen; — rehabilitatie (spr. tie=tsie) of rehabiliteering, f. de horslellliig in den vorigen stand, staat, eer of aanzien, terugbekoming van don goeden naam, oerhorslolling.

rehausseeren, fr. (rchausser, spr. re-hoos—; v. hausser, vorlioogen; vgl. hausse) verhoogon, doen ryzen, optrekken; l\'ict. vorlioogen, hoogsols maken, doen uitkomen; —


-ocr page 1085-

HELATA

4057

REILEN

rehauts, pi. (spr, r\'hó) IioorscIs, vorhoogin-gon, lieldero, llclito plaulson In schlldoryon.

reilen, oudnodorl. waarscli. dnialen (eng. to reel), nog over In de zegswUze: zoo als liet re 111 en zeilt, zoo als liet daar Is, niet al z.(jn toobeliooren (wolllclit staat echter reilt hier voor treilt, z. treilen; — reiltop, m. vlaggostok.

reïmponeeren, nw.tat. (vgi. imponco-ren) weder opleggen (liclastlngen, enz.).

reïmporteeren, lat. (vgl. lm portee-ren) wederinvoeren; — reïmportiitie (spr. tie—tsie) r. do wederinvoering.

reïmprimeeron, nw.lut. (vgl lm primeer en) wodordrukkon, wederoploggen (een boek); — roïmprimatur, n. het verlof, do vergunning tot don hordruk; — reïmpróssio, f. de herdruk, het herhaald afdrukken.

reïncorporeoren, nw.tat. (vgl. Incor-p o r o o r e n) wederlniyvon; - reïncorpora-tie (spr. l=ls) f. de woderlnlgvlng.

Roino, f, fr. (v. \'t lat. regtna) de koningin, li. v. In het schaakspel; — roino-claude, f. (spr. rein\'klood\'; elg. koningin Claudia, naar men wil, omdat de gemalin van Frans 1, die zoo heette, er veel van hield) de konlngsprulm, eene soort van zeer sappige, groene pruimen;

— reinétto, f. de koningsappel, of rainette, f. (v. mine, rainelle, loofklkvorsch, wegens de kleur) do re nét, eeno roestkleurige, zeer smakelijke, oorspr. fr. soort van appel.

Roinhard (oudd. Itaginharl), Reinier, niansn.: de raadstorko, sluwe raadgever, In de oude dlerenfahel do naam van den vos (vandaar het fr. renani), hu ons verkleind tot K e I n t J o;

— Roinoud, z. K e 1 n w a 1 d.

Reinmar, later Reimer (oudd. liaijiu-

mar) m. mansnaam: de door raad beroemde, hoogberoemde.

reïnstalleeron, uw.lat. (vgl. Inst a 11 ee-i\'on) wederaanstcllen, opnieuw In een ambt zetten; — roïnstallatie (spr. lie=lsie)t. de wederlnboïllgevlng van een ambt enz. Reïntegratie, r e d I n t e g rati e. Reintje, z. oud. Kelnbard.

Reinw., by natuurwotenschappoiyke benamingen afk. voor C. (1. Kolnwardt (gosl. 183\'i).

Reinwald, Reinold, Reinheid (oud-dultseli Ilnfiinotl, /liif/inald, Jtef/inwall), Rei-noud, mansn.: de sterk en vast heersebeiido (vandaar het fr. Hefftiaull, spr. renó).

Reis, port., pi. van real, z. reaal en vgl. in 11 r o 1 s.

Reis (spr. re-is, van \'t arab. reis, rées, hel lioofd, de aanvoerder) m. turk. de kapitein of gezagvoerder van een koopvaardyschlp; — reis-efendi, ond. efendl.

reïtereeren, nw.lat. (re-ikrure■, vgl. li e-reeren) herhalen, vernieuwen ; —reïtera-tie (spr. lic=lsie) f. de herhaling; — reïte-ratief, adj. nw.lat. herhaald, tindormaal. rei viniiicaiïo, z. ond. res.

rejieiëeren, lal. (rejiefre, \\unj\'icSre, wer-

VlEllbE IIIIUK.

pen) terugwerpen, verwerpen, uitwerpen, ver-stoolen, afslaan, afwijzen, niet toelaten ; — re-jéotie (spr. t=s) f. (lat. rejeciïo), ook rejet, n. fr. (spr. r-zji) de verwerping, afwyzlng, versmading; — rejectorïum, n. nw.lat. Jur. de afwyzonde uitspraak van het oppergereclitshof op bet beroep eener procedeerende party; — rejeton, m. fr. (spr. rezj\'lóh .■ van rejeler, voor wederultioopen) de spruit, loot, telg, na-komellng.

Rejon, m. sp. werpspies, by stlerengevecli-ten; — rejoneador, m. sp. werpsplesslln-geraar.

Rejouissance, f. fr. (spr. rezjoeï-saiis\': van rejouir, verheugen, verlustigen) verlustiging, verlieuglng, vermakeiyklield; vreugdbetoon, vreugdgeschreeuw; de zetkaart in bet lans-li u n et-sp e 1.

Rejuvenescóntie (spr. I Is) fr. lat. (v. juveneseüre, Jongworden, v. juvinis. Jong, Jongeling) bet weder-jongworden, het verschynen van Jeugdige elgensehappen in den ouderdom, b. v. bet uitkomen van nieuwe tanden enz.

Rekiet, z. rikat.

relabeeren, lat. (re-lubi: vgl. labent) terugvallen, wedervallen; — relapsus, m. een terugval; ook een wederafvailige, inz. die na eenmaal de keltery verlaten of afgezworen te hebben, andermaal afvalt.

relacheeren, fr. {relicher, spr. r\'lasj—, vgl. lacheoren) iets, dat gespannen is, vieren, loslaten, slapmaken, ontspannen; verslappen, verflauwen, verniinderen, nalatiger worden, vermoeid worden; op vrye voeten stellen, loslaten, bevryden; - relaehe, m. (spr. r-luasj\') de uitspanning, afbreking van hel werk, rust, het ophouden; — relachement, n. (spr. r\'lu-sj\'-man) de verslapping, vermindering, slapheid.

Relais, n. (spr. /■\'/(!, v. relmjer, In \'l werk allossen of afwisselen) pnardenverwlsseling, nieuw voorspan, versehe paarden (of bonden); de wisselplaats, de plaats, waar men versehe paarden (ook Jaclilhonden) In gereedheid houdt om te verwisselen, poststation; oneig. de rustplaats; uilspanning of rust na dea arbeid; In de vestingen: de weg tussehen den wal en de gnicbt; by eieklro-niagnetische telegrafen: een toestel om den stroom der locale battery op telegraafstations te sluiten; reials-paarden, voorspan- of wissel paarden; Manuf. de lusscben-rulmte In den ketting, waar de tapytwerkers van draad, kleur of llguren veranderen.

rolanceeren, Ir. (rdancer, spr. r\'laiis—, vgl. lanceereu, ond. lans) Jachtterm: een ontkomen sluk wild wederopdryven, opjagen; onelg. Iemand opzoeken, om hem tot Iets aan te dryven.

Relapsus, ■/.. ond. relabeeren.

relargeeren, fr. (rélargir, spr. lanj—, Iirrf/e, breed) verhreeden, wyder maken.

re lala refcro, lal. (van refüro, retiili, relu-tum, reférre, vgl. referee ren) het verhaalde of vernomene vertel ik weder, of ik vertel wal

üquot;


-ocr page 1086-

RELAXEEREN

1058

RELIGIE

of zooals ik nelioonl hob (vgl. mmila)-, — relatie (spr. l—ls) I. (lui. rclaiïo) i\'Ir. do teniR-(IruRliig of -bronglng; hot bericht, mirlchl, verhaal, verslag, do molding, hel rolaas; do verslaggeving, gerechtelUke voordracht (vgl. refe-rons); betrekking, verhouding; vorkoor, verbintenis, verbond, gemeenschap; relafin jura-ménli, Jur. torugscbulvlng van oen eed; —relatief, adj. (lalcr lal. relalivus) botrckkeHjk, betrokking op lols hebbende, In betrekking of verhouding tot Iets—; relatieve begrippen, botrokkeiyko of botrokklngs-bogrlppen, die oorst uit de vergolUklng van het voorwerp met een ander ontstaan, in togonst. mot do absolute; relatieve waarde, eeno waarde, die al naar de omstandigheden zeer verschillend zUn kan, In tegenst. met absolute waarde;

— relatieve pronomina, z. pronomen;

— relative, adv. belrekkeiyk, met betrokking;

— relativiteit, f. nw.lat. ile betrekkelük-hoid; — relator, m. lat. do vorlmier, de voordrager; — rolatonum (sell, collegium), n. nw.lat, op dultscho hoogescholen; voorlezingen over de kunst om lierlchlen te ontwerpen.

relaxoeren, lat. {relaxan: vgl. /as, enz.) ship, los of losser maken, uitzetten, verwUden; ontbinden, bevrUden, verlichten, verzachten; — relaxantïa (spr. f=l.i) n. pi. Med. ontspannende, verslappende, weekmakende middelen;

— relaxatie (spr. t=ls) I. do losmaking, ont-hindlng, b. v. der zenuwen, uitzetiing of ver-•wyding; verlichting of verzachting, b. v. van eeno straf (vgl. relachement); — rclaxuRo arrésli, .lur. do ophelllng van het beslag; r.ju-raménli, de oni binding van den eed, vryspre-king van het alleggen eener (afgedwongen) belofte onder eede; r. juris, de niet-toepassing eener wet In een hyzondor geval.

Release, f. eng. (spr. rilies: v. /case, verpachten, pachtverdrag) de wotteiyke overdracht van een recht op landeryen of pachteryen aan een ander, die reeds door middel van een pacht-conlract in hel bezit daarvan was; ook een pachtcontract op langen termyn.

relegeeren, lat. {relegnre; vgl. legee-ren 1) bannen, verbannen, vcrwyzen, voort-Jagen, wegzenden, b. v. van hoogescholen; — relegntie (spr. I=ls) f. ircleuaCto) de verbanning, verwyzlng, verdryving uit de slad of land, de wegzending, wegjaging, inz. van hoogoscbo-len; relegaCfn rum fn/omïa, de smadelyke wegzending van de hoogcschooi, ilie het uitsluiten van elke andere hoogesehool kan ten gevolge hebben (vgl. rum infumia, oud. Infaam); r. in perpeliium, de wegzending voor alltjd.

releveeren, lat. (relevure, vgl. 1 e v e e-ren; fr. rclerer) eig. wederophelTcn, verlichten; van oenen last of eeno verplichting bovry-den, vryspreken, ontslaan, ontheffon; verhoo-gen, doen uitkomen, verheven of uiistekond maken, verheffen, in \'toog doen loopen; afhangen, afhankeiyk zyn, lot een rechtsgebied, eene heerlljkheiil behooren, leenroerig, leenpliriillg zyn; van lom and releveeren, van boni afhankeiyk zyn; — relevant, adj. nw.lat. gewichtig, uitstekend; ter zake dienstig, bondig;

— relevantie (spr. t=ts) f. do belangryk-held, gewichtigheid, inz. van eene rechtszaak;

— relevatie (spr. 1—l.c) f. do ontheffing, he-vrydlng, ophelllng, verlichting; — relevé, n. fr. een uittreksel, Inz uit rekeningen; Kookk. (ook relevée) een tusschengerecht; — re-levailles, f. pl. fr. (spr. —walj) eerste kerkgang eener vrouw na hare bevalling.

Relicta, f. lat. {reliclus, a, um, partlc. van relinquëre, achterlaten, nalaten) do nagelatenen of achtergeblevenen, n. I. gade, de weduwe; — relicten, m. pi. (lat. relicti) de nagelatenen, achtergeblevenen, n. 1. vrouw en kinderen, ook de nalatenschap (lat. relicla, n. pi.); ~ relic-tie (spr. l=s) f. (lat. reliciïo) de achter- of terugiaiing, weglating.

Relief, n. eng. (s|ir. rilief) hulp, vorlich-l\'ng, ondersteuning; — poor-relief-act, de engelscho armenwet.

Reliëf, u. fr. (spr. reljif, van \'t it. rilievo, van rilevare --- lat. relevure, verheffen) verhevenheid, uiisiek; glans, roem; hoogsel, verheven werk In marnier, metaal enz., dat mot do vlakte samenhangt of daaruit opgewerkt is-, — bas-reliëf (spr. ba—) vlak- of half verheven werk, waarhy zich de figuren slechts zwak boven den grond of het vlak verheffen; — haut-reliëf (spr. //n—) hoog of geheel verheven beeldwerk, waarhy de flguren sterker boven den grond uitkomen; — rei ie f-d ru k, z. oktypo-g ra phi e; rel lef-gl o b es, roll ef-ka a r ten, enz, kunstige aardbollen, kaarten met verhoogingen of hongsels enz. (voor blinden).

Religie, f. lat. {religfo, fr. religion) In \'talg. de erkenning en vereering van God I) als wetenschap: godsleer, godskennis, godzaligheids-leer, goloofs- en deugdenleer, ook theoretische religie, reilglo-leor of religlo-woten-schap; ook een bepaalde geloofsvorm, geioofs-steisoi, geloof, b. v. cbristeiyko, Joodsche religie enz.; i) als gemoedsstemming, gevoel en uitoefening: praktische religie, ook religiositeit (later lat. religiosilas) godsliefde en vereering, godsvrucht, godzaligheid, godver-oerende stemming; ook Inz. In vcroouiging mei anderen: godsdionstoofening, godsdienst, gc-meensehappeiyko godsvereering en aanbidding;

— religie-edict, n. een goloofsgobod, ge-loofsbevel, geloofsvoorschrifl; — religie-partij, godsdienst- of goloofsparty, kerkgenool-schap; — philosophic dor religie, f. do wysgcerigo kennisleer van de godheid en het geloof aan God; — religieus (lat. religiosus, a, um, fr. rclifiieux) godvrcezond, godvruchtig, godvereerend, godzalig, godsdienstig, vroom, nauwgezet van geweten, vol pllchlgevoel; ais subsi, religieux, m religieuse, f. fr, (spr, relizjeu en -zjeuz\') in de r. kath. Kerk: leden der geostoiyko orden, ordespersonen, monniken en nonnen; — religiosaménle en religiose. It. (spr. n—iizj en s=j) Muz. ernstig, plechtig.


-ocr page 1087-

RELINQUEEREN

1050

KKMIS

stutlK, vol WiUiriliKholil, rnvt iilldrukkliiK en vroom govool.

relinqueeren, lal. (relinqurre) luton, vor-luton, begeven; uchlcrluten, nuhiten, lgt;. v. /.yn vonnogon; -- roliquïö, ook roliok, f. (lat. reliqufa, t. van reïïquus, u, um, uchlergoble-ven, overig, v. reiinquirei vgl. rellcta) een overliiyfsel, overschot of rost, In/., van oen ge-beonto (In de r. katli. Kerk), gebeente, asch, kleederen enz. van heiligen; — pl. reliquïën, heilige overbiytsois; — roliquanum, n. nw. lat. eone verzameling van heilige overbiUfsels; — retiquus, pl. reliqua, bet overige, nog onl-hrekende, b. v. achter titels; el reliqui, en wut er verder by belioort, en de overige titels, en zoo voorl.

reliqun, z. oud. rolin(|ueeren. Rollianiaton, m. pl. aanhangers van Johanna Kelly In Engeland, In do IKde eeuw, die de sacranienlen voor zinnebeelden hield ; — relUamsme, n. do leer van Kelly en hare aanhangers.

Rolocatie (spr. /=/.v) f. nw.lat. (van re-toean, «ederverbnren; vgl. loceeren, onder locus) de wederverhuring, verlenging van den pacht- ot liuurtijil.

rolueeron, lal. {n-Ufre) woderinlossen, vergoeden; — reluéndl jus, n Jnr. bet recht van Inlossing; — reluitio (spr./=/.s) f. nw.lat.de wederlnlosslng van eon pand.

rem aeu leligisli, z. ond. res. Roraanoipatio (spr. l=ls) f. nw.ial. lt;lo vernietiging van oenen door coëmlle (z. aid.) gesloten echt.

romanént, adj. lal. (remunens, van renin-uëre, terugbiyven) terngbiyvond, achterhiyvend, overhiyvend.

romarqueoron, Ir. (remarquer, s|)r. 7«= Hi vgl. markeoren, ond. marque) opmerken, aanmerken, aanmerkingen maken, waarnemen ot gewaar worden, gadeslaan; — ro-marque, f. (spr. r\'mark\') do aanmerking, opmerking ; — romarquablo, adj, opmerkenswaardig, merkwaardig, aanmerkeiyk; aanzien-lyk, groot.

rembarqueeren, ri. (remtmrquer, spr. rahbarlc—, van re— en emburquer, vgl e m-harqueeren) woderlnscbcpon, weder scheep ot aan boord gaan; rombarquomont, li. (spr. —mdii) de wederinseheping.

Rombourrago, f. fr. (spr. rahhneraazj\'. vgl. hourro) de bereiding der geverfde wol lot gemengde lakens.

remboursooron, fr. {remhaurser, spr. ranhoers—, vgl. e m bourse e r e n), of rim-borsooren, II. (rimborsiire) wedervergoeilen, teruggeven of wederhetalen; dekken, de dekking toezonden of overmaken (h. v. van eeno iraiie); — romboursomont, n. fr. (spr. rnhbocrs\'mdii) by kooplieden ook rembours, n. (spr. rniiboers\') il. rimbórso, m. de we-derbelaling, terughelallng, vergoeding, lerug-gavo van het gereede uilscliot; de dekking (voor een gelrokken wissel).

Romodium, lat. (van meden\', genezen, heeleii; vgl. medicus), of remódio, n , pl. remodia, of romédios, romodïen, bet

middel, togenmhldel, hulp- of genoosmiddel; Jur. een rechtsmiddel; in liel muntwezen; de, hoeveelheid alliage, ilie men by hol munten van goud en zilver gebruiken mag boven hetgeen de wet bepaald beeft, het veroorloofde minder-gehalte aan goud en zilver, - remclt;Ciuin devo-iulivum, afwentelingsmidilel, een recblsmiddel, waardoor men de beslissing van een geding aan eeno andere (hoogere) Trhibank brengt (devol-oit) ■, r. juris, een recbl smiddel; r. nulliliitis, z. n u 1111 e 11 s-v o r d e r I n g; jiiiique remeihum, een vet, d I. een voorlreileiyk, werkzaam rechtsmiddel; remedium iiossessorium, een lot bezit lielpend, in bezll stellend middel; remedium susiiensiuum, een gerechtsmlddel, waardoor een geschil in oen of ander punl zwevend gehouden wordt, zoodat de zaak voor alsnog geen voortgang kan hebben, een opscliorlingsmiddel, ver-tragingsmldiiel; romodiëoron (lal. reme-diare) vcrlKJlpen, raadscliairen, terechthrongen, hcrstollon, hulp of raad verleenon, ^(Miezon, heo-Iüii ; remodieoring, f. vcrliclplim, her-slellliiK en/..; — reineduro, f. nw.lat Jur. «e-rechlciyko verhelpmir, arschallluK van een misbruik, verhel erlnj?.

remembor, eniz. (spr. rimémbev) herinneren; — remémbrance, r. (spr. —hr\'ns) herinnering-, in loving remembrance, elp. Ier llef-hehhende herinnering: ter herinnering aan een lieven afgestorvene.

Romercimont, n. fr. (spr. —ma//; van mnmft\'/,danken; vgl. merci) dankzegging, dankbetuiging, dank.

Remosse, f liever rlmesse, z. aid. Romigos, f. pl. nw.lat. (van \'t lat. remex, roeier) de slagveeren (eens vogels).

romigroeron, lat. {remUjrare; vgl. migreer en) terugkeeren naar hel vaderland; — remigrant lt;»f goremigreordo (fr. ré-mifin1) een teruggekeerde uilgewekene.

Remington, n. eng. een naar den uitvindergenoemd geweer (achterlader); — reming-toniet, n. een mineraal, dal in de lerpenlijn voorkomt, zoo geheet en naar den mynopzlchter lüluard Keminglon in Maryland.

Reminiscére, lat [reminisctre, herinner u, imperalief van reminisci) de gedenk/ondag, tweede Zondag In de vasten, naar «Ie eerste woorden van Ps. WV. r» in den latünsehen hyhel: reminiseëre Domine, enz.; — remi-niscéntio (spr. l-ls) f. (lat. reminisceniïa) de herinnering; de herinneringskraeht, hel herinneringsvermogen; iels uil de herinnering ge-pul, van anderen (gewoonlijk onbewust) ontleend, niet zelf gevonden.

romis, adj. fr. (spr. r\'mi: van reme Ure, wederleggen, plaatsen, in den vorigen stand brengen; verschuiven, uitstellen; kwytschelden, enz.), doorgaans remise, in het kaart-, schaak-en damspel: geiyk, noch gewonnen noch verloren, evenveel slagen of punten gehaald, on-


-ocr page 1088-

REMPAILLEEREN

KEMITTEKRFiN

iOOO

licsllsl goblovon j lig hol ombro, boston, roverst, hotzolfdo will nion in iimlcro spellen Mte, hoesl, noomt: onkolvoudlg verloren, wannoor I), v de speler of l\'hombre zooveel slagen mnakl als een iy|ner lenenspelers; maakt liy cr evenveel als zgne belde tegcnspolors, dan heet men dit wel remise royale; vrI. codlllo; — remise, f. fr, (spr, remiez\') het uitstel, de op-schortlnt! van den 1 yil; de vermindering, afsla)?, kwytscheldlng van schuld; Knit. z. v. a. rimes se, z. aid,; wagenhuis of -schuur, koetshuls, bergplaals, Inz. voor spoor- en tramwagens; by jagers; een boscbje of struikgewas, waarin het wild hy sterke vorst gevoederd wordt; ook de rust, dal Is: do plaats, waar ztcli de patryzen na hunne vlucht hebben nedergezet;

— remiseeren (fr. remiser) onder dak, in de schuur brengen;—remissie, enz. z. ond. \'t volgende woord,

remitteeren, lal. (rmitllre; vgl. mit-1 eer en) terugzenden; weder lor hand stollen of overhandigen, overleveren, overlalen; Kuit. gold of wissels overmaken, overzenden; iels van eeno vordering lalen vallen of kwylschelden;

— remitténda, n. pi. terug te zenden dingen; lig (duilsehe) boekhandelaars; het eom-mlsslegoed, dal den uilgevers wordt teruggezonden (ook in het ligd. krebso, d. 1. kreeften. geheoten); remittént, m. (remilte.ns) eon overzondor, ovennaker; Kmt. do eerste wisselhouder, wlsseikooper of -onlvanger; — remis, n. nw.lal. uitstel van een hetalings-terinijn; vermindering, kwytseheldlng bg eeno belaling, Inz. van paehlgelden; afslag van een gedeelte der koopsom, z. v. a. rabat; —re-missibül, ailj. lat. {remissilnlis, e) vergecf-lyk, loe te geven; — remissie, f. lat. (re-missto) de terugzending; de toegestane mindering, afslag, korting, verzachting, toegevendheid, z. v. a. remis; do oplielllng van een verbod; het uitblijven, afnemen, nalaten van eenen zlokleaanval; Jnr. remissto jumménte, ontslag van den eed; — romissorialos of remissoriales (Uttlrac) f. pl. nw.lal. lerugwg-z.lngs- of terugzendings-scliryven, waardoor een rechtsgeding van het hoogere gerechtshof naar het lagere tor verdere behandeling wordl te-ruggezonden; — remissiof, adj. (later lal. rmissivus, a, urn) verzachtend, toegevend, le-rugwyzend; — remissionair, m. nw.iat. (fr. remissinnnnire) een begenadigde.

Remolade of remoulade, f. fr. (siir. ou—oe; van \'1 lat. mollre, fr. moudre, malen) eeno scherpe (pii|uante) saus, gekrulde, saus, van mosterd, suiker, citroensap enz.; eeno zalf voor paarden, hoornzalf.

Remolliëntia, n. pl. lat. (van remoll/re, weder weck worden; vgl. mollis, enz.) Med. weekmakende, verzachtende middelen.

remonstreoren, nw.lal. {remonslrUre, v. monslrare, loonen, liewgzen) legenvoorslelllngen, tegenwerpingen maken, tegenwerpen, onder \'t oog brengen; — Remonstranten, m. pl. le-genvoorstellers, legensprekers, eene godsillonsl-parlg der gereformeerde kerk In Holland, die In mail aan de Statoa van dit gewest eeae rein on stmt Ie overgaven, welke de vyf voornaamste stellingen van linn geloof bevatte; de tegenparty noemde ben ook Arnilnlanen naar den Leldschen hoogleoraar Jakob Ar min lus (goh. isoo, gest. i«09); — remontratie, f. of remonstrantie (spr. Ue=lsie) f. do te-genvoorstelllng, bet logeiiliotoog, de wederlegging, het voorstellen, waarschuwen.

remonteeren, fr. (remonter -, vgl. mon-teoren) in \'t algemeen wederinrlchten, weder-opmaken, do ontbrekende ilooien aanvullen, do doelen weder tol een geheel voreonlgon. Inzonderheid weder in den zadel helpen, het verlies of tekort dor paarden van een regimenl door nieuwe vergoeden of aanvullori; een kanon remonleeren, hel weder op zijn alTuit leggen;—remonte, t. (spr. r\'mónl\') de aanvulling, vornlouwlng, nieuwe uitrusting, vollallig-nnklng, het voorzien dor ruitory mot nieuwe paarden; — remonte-dopOt, n. het aanvul-llugs-magazgn; vgl. depó 1; — rem on te-pa a r-don, aanvulllugspaardcn; — remontanten of remontant-rozen, pl. rozen, die altyd door nieuwe bloemen krygon; — remontoir, n. (spr. r\'montoar) een bijzonder toestel aan horloges, om ze op Ie vvlndon en geiyk Ie zol-ten door oen rad bullen aan den oogknop; ook: met dergeiyk looslel voorzien horloge; re-montüre, t. het schouderstuk aan vroawen-kloederen.

Remoraal, m. nw.lal. (v. \'I lal. remus, de roeiriem) (it1 opzichter over de roeiers op de galeien.

Remords, m. pl. fr. (spr. r\'mór: van re-morilre = lal. remonlêre, wodorbyion, of onolg. kwellen plagen) gewetenswroegingen, -knagingen, -angst.

remoreeren, lat. {remorSH .• vgl. mora, enz.) ophouden, verlragen.

remorqueoren, fr. {remorquer, spr. re-morfc—, it. remorchiare, sp. remolcar, als ware \'I lal. reinuli1 are, v. remulcum, het sleeptouw) op het sleeptouw nemen, z v. a. hoegsee-r e n; — remorqueur, m. eene sleepsloom-bool, een sleepsloomwagen, trekker, de rein o r k e r, loco m o 11 o f.

Remoulade, z. r o m o I a d o.

removeeren, lat. (rcmnvëre; vgl. in o v e e-ren) terug- of afwaarlsbewogon, vorwydoren, Ier zgdo stellen wegruimen; afzetten; — re-molm, a, urn. Hot. rutin zittend, verwijderd staande; — remote, adv. van verre, verwijderd; — remotis arhtiris, ,lur. na verwydering der ge-lulgon, zonder getuigen, gelieim, onder vier oogen; remolis paiiibus, na hel wegzenden van belde pari gen; —romötie (spr. t=ls) f. (lal. remolia) de verwijdering, wegzending, ter-zyde-stelling; ontslag nil oenen posl legen den zin des poslbokleoders, afzetting; remolin ah «ffi-rïn, amblsontzelling.

rempailleeren, fr. (rempailler, spr. raii-palj—: vgl. om pa li loeren) weder met stroo


-ocr page 1089-

REMPAQUEEREN

RENEGEKKEN

lOfil

omwlkkolcn, omvlechten; — rompaillage, f.

tr. (spr. rahpuljuatj\') liel omwikkelen met stroo, het wodermntten ot bevlecliten dor stoelen.

rompaqueoron, fr. (spr. ranpali—, van rempaquer, v. paqucr, harliiKOn In tonnen [jakken; vul. puk kot) de haringen (.wodor) In tonnen pakken; — rompaquomGnt, m. (spr. raiipak\'mdii) het pakken, herpakken der haringen.

rompaquotooron, fr. (rempaqueler, spr. rniiptili—, vgl. empaqueteoren) wederln-pakken.

romparoeron, fr. {remparer, spr. raupttr-; s\'einiMror, zich meester maken of hemachtlgon; provenc. en sp. cmparar, amparar, aangrypen, in bezit nemen, heschnttea, mid.lal. amparare, bcschutlen, als ware \'l lat. emparare, adimpa-rare, v. parare, horeiden, toebereiden, inlichten, zich toerusten) verschansen; — rempart, in. (spr. raiipdr) de wal, hoofdwal.

Romphan (Handelingen der Apostelen, VII, i:i) waarscliyniyk de zon, die door de Israëlieten, als navolging van den cgyptlschen afgodendienst, onder den naam van liemelkonlngln werd vereerd.

romplacoeron, fr. (remplacer, spr. ruii-;)/as—; vgl. omplaceeren) vervullen, weder-bezetlen (eene plaats); vervangen, in eens anders plaats treden; wederuitzetten of plaatsen (gold); — rornplacant, m. (s|ir. raiiplasdü) do plaalsbekleeder, plaatsvervanger, inz. die een ander in den krijgsdienst vervangt.

Romplago, f. fr. (spr. raiiplcunj\': v. rem-plir, vullen, aanvullen) liet vulsel, liet opvulsel, de vulsteenen hy metselwerk, die men in do tusselienruimten Invoegt.

Rompli, n. fr. (spr. raiipli) de inslag, liet opnaalsel der kleederen.

romployoeron, fr. [remployer, spr. /•««-ploaj—, vgl. employee ren) weder aanwenden, weder aanstollen, weder in iliensl nemen.

romplumooron, fr. {rempluiner,a\\)r. )■«/gt;-. vgl. e m |i 1 u in i* e r e n) weder met vederen voorzien, weder bovederen; zijne schade herstellen, er weder opkomen.

romunoroeron, lat. {remmerdri, v. mit-ncrilrl, schenken) vergelden, beloonen, vergoeden; — remunerabel, adj. nw.iat. beloo-nenswaardig; vergeldbaar; romunoratie (spr. /=/.«) f. lal. (remuneniïïo) de vergelding, belooning; — romunoratief, adj. nw.iat. vergeldend, heloonend.

Ronaissanco, f. fr. (spr. r\'nè-sd/is\': van rcnailre, wedorontslnan, herleven) de wedergeboorte, het lierleven, h. v. der weienschappen, kunsten enz., inz. een tijdperk van do fr. kanst-goscliiedeuls en don kunstsmnak sedert de lilde oeuw, vooral onder Frans I; de styi der renaissance of a hi renaissance, Arcii. eene moor of minder gelukkige vermenging van den styi der middeleeuwen en dien der Ouden.

renaal, adj. lat. (van ren, de nier) wat lot de nieren betrokking heofl; —renaal-arte-riën, pi. nierarterien (vgl. anerlBn).

Ronatus, m. lat. (v. rendsri, weder geboren worden) mansn.: en Ronata, vr.nuam; do wedergehorene; fr. Kom!.

renchorooron, ronchorissooron, fr. [renchilrir, spr. raiisj—) duurder maken, den prys verhoogen; overbledon, opjagen, hooger myneii; — renchorissomont, n. (spr. rah-sjeH-s\'mdn) bet opslaan, duurder maken dor waren; het opbod.

roncontrooron, fr. [renconlrer, spr. raii-konlr—, van \'t verouderde enconlre, logen, het voorval; als ware \'t lat. re-in-contrare, v. contra, tegen ; vgl. maleneontre) Iemand of iets ronc—, aantreiren, treilen, samenlreiren, ontmoeten, bejegenen, legenkomen; Kml. in een Imndelsboek op een ander buck met aanhaling van hot bladzyde-noinmer verwgzen; — ren-eontro, f. (spr. ranknnlr\') do onlmoelliig, toevallige samenkomst, het onverwacht samentreffen; het onverhoeds op-elkander-stooten van vy-andeiyke krygsbendon ; de oneenlgheld, een klein toevallig gevecht, eene schermutseling in den oorlog, eene vechlparty, een kleine twist, twee-goveclit, eene vyamleiyke onlinoeling; ook toestand, gelegenheid, omstandiglieden; Kml. hel vorwyzen van het eene hoek of blad naar een ander; het verwysnommor aan den rand van een artikel in hel dagboek, of van do rekening des schuldenaars op die des schuldeischers, en omgekeerd.

roiicouragooren, fr. [rencourauer, spr. raiikoerazj—, vgl. encouragoeren) weder bemoedigen of moed inboezemen, nieuwen moed geven.

Rondant, m. (fr, rendanl, van rendre, teruggeven, afgeven, overgeven; 11. réiulere, van lat. reddcre, leruggeven, met ingevoegde n vgl. route) een rekeningvoerder, allegger van rekening (rendanl van rekening); ontvanger en ulthetaler van openbare golden, schalmoes-ter; — rendooron, opleveren, opbrengen, voordeel geven, bedragen (inz. van de winst eoner zaak, de ophrengsl van een land, enz.); — rendage, f. (spr. raiidddzj\') wat de munt-speclBn door hel alliage, dal men er inmengt, rondeeren hoven den wezenlyken prys van hot edele metaal; — rondomont, n. (spr. raiid\'mdii) de opbrengst, winsl ; — rendoz-VOUS, n. fr. (spr. raiidewóé, d. 1, eig. begeeft u daarheen, van se rendre, zich ergens heen begeven) de heslelling of hel bescheid aan eene plaals; de afgesproken plaals dor hgeenkonist. do verzamelplaals, inz. by verliefden gehrulke-lyk ; el ka a r een re n d ez-vou s geven, eene samenkomst ter bepaalde plaatse en ure afspreken, elkander ergens heschciden; een ron-dez-vous-huis, een geheim bordeel, eene stille knip.

Roné, 11 e n a 1 u s.

ronogooron, nw.lal. {rmcnarei vgl. ne-goeren) wederverioochoiien, afvallen; — renegaat, m. een geloofsverlooclienaar, geloofs-verzaker, afvallige, inz. een cliristen, die tot het mohamedaunsch geloof overgaat.


-ocr page 1090-

RENUMICREK11EN

KENEGHIDA

1002

Ronegrida, f. sp. (vim renegrido, zoor zwart, van nef/ra, zwart, ou ile vorstorkende vooriottorgrccp re: vgl. niqer) in do zon ro-droogdc on daardoor lirulnroodo cochenlllo. Honot, z. r o I ii o 11 o.

Rënfan, rëfan, f. {van \'t oudn. hrelnn, doonscli on zw. ren, rein, on fnna, do vaan) do IioIIIkc viian dor Noormaimoii.

Ronflemont, n. fr. (s|)r. rahftmahvan ren/Ier, opzwollen, v. re- on en/Ier = lat. in-flare, oplilazon) Arcli. de hulk, of hot dtkko oeiior zuil.

ronforcooren, fr. {renforccr, spr. raiifors-) vorstorkeii; — zich ronf , sterker worden, toenemen; —ronforcé\'s, pl. (s|ir. raiiforcees) oeno soort van dlohtgowovon zijden lint; — renfort, n. (spr. raiifnr) de versterking, hulp, ondersteuning, h. v. van krijgsvolk.

Rong., hij natuurwetonsi\'liappoiyketienanitn-gon afk. voor I K. RonnBer (gost. 183S).

reniëoren, fr. (renier — lat. renegire) verloochenen, afzweren; afvallen, ontzeBgoii; — reniabel, mij. (fr. rcniuble) loochenhaar, wat zlcli laat loochoncn of ontkennen.

Roniflard, in. fr. (sjir. r\'nifldr: v. rcnifler, snuiïelen, snulvon) de iilthlaasklop aan sommige ouderwelscho sloommacliliios.

reniform, mij. nw.lat. (reniftirmis, v. ren, do nier; vgl. ronnal) Bot. nlervornilg (van hinderen.

renitooron, lal. [renïli, vun nili, pogen, streven) wederstreven, zich verzetten, weerhar-stti;, weerspannig z(|n ; ronitónt, in. iren/-lens) een wederstrever, verzottor, weerspannige; — reniténtie (spr. lie-tsie] f. nw.lut. de wederstand, tegenstnnd, togondruk, tegenweer, hot verzet, do weerspannigheid, het wederstreven, de tegenstand.

Ronkött, n. zw. (v. ren, rendier, en klilt, vlecsch) het uit Lapland In Zweden Ingevoerd gezouten rendlorvleescli.

ronommooron, fr. (renommee, d. I. elg. tierhaaldeiyk noemen, vun re- en nummer, noemen) Iemand heroemd maken; gow. zich ho-roemd, ook vermaard, befaamd, berucht maken, zich oenen naam maken of verworven, zich op aller tong brengen; ook zich groot voordoen, pralen, den grooten heer, den man van gewicht ulthungcn of spelen; — gerenommeerd, adj. heroemd; bcfasimd, boruclit, ter kwader faam staande, als de bonte hond he-kend; ~ renommée, f. de faam, naam, het gerucht, de roep, mare; de beroemdheid, vermaardheid, befaamdheid, roemruchtigheid; par renommée, door \'I gerucht, door de faam, volgens het algemoene zeggen; —ronommist, m. een vechtersbaas, baldadig twistzoeker, (jzer-vreter; Y II. een naar den kievit geiykende vogel In ile noordelijke landen, kemphaan.

renonceeren, fr, (renonrer, spr. renoiis—, van \'I lat. renunriure: vgl. ronuncIBoron) van oene zaak afzien, haar opgeven, laten varen, vaarwel zeggen, afstand doen ; In het kaartspel: verzaken, niet bekennen, de kleur niet bijspelen, niet hebben; — renonce, f. (spr. r\'noiis) hot missen of verzaken van eene kleur In het kaartspel, de onthrekendo kleur; ook een terugstootend, onzen tegenzin opwekkend persoon; renonce maken, eene kleur wegwerpen, zonder van dezelfde weder In te keepen; — reuoncemont, n. (spr. r\'noiis\'mdii) de verloochening, verzaking, afstanddoening, afstand.

renoveeren, lat. (renovare, v. novus, z. abt.) vernieuwen, verbeteren, opknappen; conen wissel renoveeren, hem vernieuwen, z-Unen vorviiltyd later stellen; — rcnnvïïtum, udj. vernieuwd, verbeterd, opgeknapt; — renovatie (spr. I=ls] f. de vernieuwing, verbetering, lier-stelllng, opknapping.

Renseignements, m. pl. fr. (spr. raii-seinj\'mdn: v. renseigner, herbaahleiyk loonen, v. enseigner, onderrichten, leeren, sp. emeiiar, port, ensinar, II. insignare, als ware \'I lat. in-signïïre, Intoekenen, inprenten, v. signum, tee-ken) aanwyzingen. Inlichtingen, berlcbten; opgave der ulteriyko kenteekenen van eenen persoon of eene zaak.

Rente, f. (mld.lat. rendu. It. rendila, van réndere, fr. rendre, lat. reddlre, wedergeven. Inbrengen; vgl. rendant) elg. do opbrengst van den arbeid eens anderen, aan wlen men eene zaak ton gebrulke heeft overgelaten; in \'t alg. jaariyksch Inkomen, jaariyksche geldinkomsten, Inkomsten of opbrengst van kapitalen, landeryen, enz., interesten; — lyfrenten, pl. (fr. rente viagère) verhoogde interesten, die Iemand van een uitgezet kapitaal voor zich zei-ven bedingt, terwyi het kapitaal na den dood des uitzetters aan den rentgever ton deele vult;

— rentenier, m. (fr. rentier, spr, raiitjé), in. Iemand, die van zyne renten of inkomsten leeft; — renten of renteeren, opbrengen. Interesten of renten opbrengen, winst opleveren;

— rentenieren, van zyne renten loven; — rentiibel, adj, barfflat. rentegevend, interest opleverend, wlnstaanhrengcnd, voordeellg; — rentabiliteit, f, de rentogevende gesteldheid, het vermogen, de eigenschap om renten op te brengen; - rentmeester, hy, die de renten ontvangt en berekent, de bestuurder ocner r e n t k a m e r.

rentoileeren, fr, (spr. rautonl—: van re— en entailer, v, toite, lynwaad) eene oude schiidery op nieuw doek overbrengen, weder verdoeken,

rentreeren, fr, {renlrer, spr. rantr—, vgl, ontroeren) elg, weder binnengaan, terugkeo-ron; laken of dook zoodanig samenvoegen, uan-oennaalen, dat men den naad niet\'ziet; — rentrant, m fr, (spr, ra lit ran) Fort, de Inspringende boek van een bolwerk,

renueeren, lat, (renuère) neen zeggen, afslaan, weigeren, niet willen.

renumereeren, lat, [re-numerure: vgl, nurnorooron, ond, numerus) wederbotnien, torughetalen of wedoruitbotiileii. Ingekregen of gebeurd geld weder uitgeven; natellen; re-


-ocr page 1091-

RENUNCIËEREN

10013

HEPELLEKREN

numeratie (spr. lt;=/«) t. nw.lnt. do woder-lietallriK, torugbolullng, iiuIoIIIiik; toruggavo, wo-derullguvo.

ronunciëeren, lal. (renunciSrc; vgl. nun-cli!or«ii, oud. nuiiltus) antwoord of berlcbt loruglirongon, lierlchlen; lots opzoggon, tiol ver-dor golirulk woigcrcn; ceno zaak opgovon, haar laten varen, er van afzien, vgl. renonceoren; — renunciatie (spr. l=/s) t. (renuncia/ïo) de oveiiirongliig, hel berlclil; de opzegging eonor zaak; do ontzegging, opgevlng, afstanddoening, afstand, het afzien van eono zaak ; — renun-ciatio-acte, f. de afstanddoening van een overgeërfd roelit, Inz. do acte van koning Philips V van Spanje, waarin liü van zijn recht op de erfopvolging in frankrijk afzag; — re-nunciafto litis, de opliolllng van een rechtsgo-dlng; — r. successiönis, afstand van do nala-tonsclmp; — renuncialortwn (juraménlum) n. een afstandsoed.

renverseeren, fr. (renverser; spr. ran-wen—: van re— en envers = lat. inversum, oingekoord, vorkoord) omkeeron; omwenden, om-vorworpon, overlioopwerpon, in wanorde brengen, liet onderst boven kooron •, — ó /« renverse (spr. ruiivers\') Muz. omgekeerdj — renversaal, ii. schriflelüke tegenboiofte of tegonvor-zekerlng.

Renvi, n. fr. (spr. raiwi; v. envi on a /\'envi, om stryd, ais ware \'t ton spijt van oen ander, v. envte, do nyd, lat. invidïa) het oji-liod, ovorbod, ilo voriioogdO inzet bg soininlgo kuartspolonj ieux de renvi (spr. :jeu—) opbod-spelen.

Renvoi, n. fr. (spr. raiiwoa vgl. o n v o I) do wogzoniling, torugzondingj ook nodori. renvooi, n. do vorwyzing of torugwljzing in boo-ken, pianteokenlngen, onz.; wgstoekon van waar men in oen muziekstuk weder moet boginnon of vervolgen; hot stellen In handen of hot verzonden naar (oone commissio, enz.); — ren-voyooren (fr. renmyer, spr. raiiwoaj—) to-rugzenden, terugwyzcn, vorwyzon; wegzonden, hot afscheid geven, afdanken, ontslaan; verwg-zon; stellen in handen van . ..

Renvooiletter, f. verwyzingsiclter, nool-lettcr, kleine letter, die naast oen woord wordt gezet, dat op den rand dor bladzyde of helleden aan de bladzyde wordt verklaard; — ren-vooiteeken, n. verwyzlngstookon.

rooceupeeren, nw.lal. (vgl. occupoeren) weder of opnieuw bezetten of innemen; — reoccupatie (spr. t=ts) do wederhezottlng reo negante, onz. z. ond. reus. reordineeren, nw.lal. (van \'l lat. onli-nare, ordenen; vgl. or dl nee ren) weder of herordenen; andermaal wyden; - reordina-tie, f. (spr. l=ts) do horliaaide priosterwUding.

reorganiseeren (spr. s—z) barb.ial. (fr. réorganiser: vgl. organise e r o n ond. o r g a a ii) opnieuw inrichten; vervonuen, oone andere gedaante geven; — reorganisatie (spr. —ta-tsie) f. do wcderinrichtlng, nieuwe inrlcliting. reoxydeeron, lat.-gr. (vgl. oxydoero n) woder verzuren of met zuurstof verbinden, weder vorkalkoii; — reoxydatie (spr. l-ts), do wodorverzuring, verniouwdo verbinding mot de zuurstof.

repandeeren (spr. rejiaud-), fr. (répan-die, van \'t lat. panihre, ultbrolden) vergieten, storton, plengen; verbreiden, uilhroiden, vor-stroolon, uitstrooien; zoor gerepandeerd z y n, aan vele plaatsen hekond zyn, veel kennissen, voel omgang hoblion.

repareeren, lat. (rc/mrure: van parare, bereiden) iiorsloiion, vormakon, verboteren, vergoeden, weder goodmakon; — reparatie (spr. t=ls), f, [reparatw) de hcrstolling, vernieuwing, vergoeding, do schadeioossleillng; — réparation d\'honneur, fr. (spr. reparasjóh donéür) oerher-stoiling, voreortyklng; — reparatuur, f. nw.lal. de horslolllng, verhoterlng, inz. van eon huls.

Reparón, m. vias van de tweede of middelsoort.

reparteeren, nw lal. (vgl. parleoron; fr. répartir) vordeeieii; — repartitie (spr. tie—lsie) f. do vordeeiing.

Repartie, f. fr. vlug en geestig wederantwoord.

Repas, n. fr. (spr. r\'pó: oorspr repast, inld.lat. repastus, van \'i lat. paseüre, weiden, voeden) do maaityd, tiet maal, gastmaal.

repasseeren, fr. (repasser-, vgi. passoe-ren) terugreizen, terugkomen, weder voorby of doorgaan of doorryden, doorvaren; aanzetten (een mes); strykon (h. v. iinnongood); oen nieuw uurwerk voor bet gebruik nauwkeurig nazien; rekeningen, geschriften, enz. nazien, onderzoekon, horhaaldeiyk doorloopen, vorbete-ron; — repassage, f (spr. —saazj\') bot woder door- of voorbygaan; hot aanzetten of strykon; liet nauwkeurig nazien, rogoling van uurwerken.

repatriatie (spr. tic=lsie) f. uw.lat. (v. lat repatriure, in liet vaderland terugkeoron, v. re~ en patria) de terugkeer of wedoropno-inlnc in liet vaderland.

Repeal, n, eng. (spr. ripiél, v. peal, geschal, geraas, roep; v. \'l fr. appel, roep, sa-mefirooplng, v. appeler, roepen; fr. rappel, de terugroeping, v. rappeler, torugroopon; vgl. a p-pellooron) de herrooping, afwyzlng of op-holling, Inz. der vorooniglng van lingoiand mot Ierland; juister: do opliolllng der thans bestaando vereenigiiig van de wetgovondo niaciit en bot roclitswezen van Ierland met dat van Groot-Briilanjo; — repealer, m. {ripiélcr), d. I. herroopor, ophelTor, do lorscho niodoledon van hot eng. parlemenl, welke de herroeping of op-liefling der vereonlglngs-acte lusschen Engeland on Ierland vorlangon; — repeal-association (spr. — essosjéésjen), de vorblnding of vorooniglng tor oplieilliig; defenders ond. d e f e n d e o r e n.

repelleeren, lat. [re-pellSrc] terugdryvon, afwyzen, versmaden, verstooteni — repellenda, n. pi. Med. tcrugdryvendo gonoesmlddoien.


-ocr page 1092-

REPLY-LETTER

REPENS

1064

repens, lat. Hot. kruipend, vgl. rcptans. repenseeren, lat. (repensare) vergolden, vergoeden, goed maken; — roponsatio (spr. t--=ls) f. de vergolding, vergoeding; —ropon-sütor, m. de vergelder, vergoeder.

Ropontina, pi. later lat. (v. repenlinus, o, um, plotseling) Jur. dringende zaken, inz. aunkiaciiteii hu do rochtbanken.

roporcuteeron, lui. [re-pcrcutgre: vgl. percutcoren) terngstooten, terugworpen, af-stulten; — repercussie, f. (repercusslo) (ie terugwerping; de terugstoot; het afkaatsen, b. v. van liet geluld, van dc liclitstralen, enz ; — repercussief, adj. terugdryvend, terugstootend.

Repertorium, n. pi. repertoria, of repertorïën, lat. (v. repenre, vindon) een opslagbeek, aanwyzingslioek, zaakregister, uittreksel, blaiiort; fr, repertoire, n. (spr. —loar\') do lijst dor rollen, welke een tooneei-speler of zanger bestudeerd beeft, rollijst; ook: de lijst der stukken, welke aan oen schouwburg opgevoerd of in studio zyn, Hjst van stukken; de weeklUst, oene lijst der In oono week op-tovoereu tooneelstukken In grooto steden.

repeteeron, lat. (repetëre) bcrbaion, herzeggen ; — repetent, m. (repalens) eon herhaler, herballngs-leermeester; op dultsche hoogo-scholen een onderleeraar lot herhaling van do lessen of colleges; Arllh. een of meer cyfers eener repetént-breuk, d. 1. terugkeeronde tlendeeilgo breuk, berhalingsbreuk, welker cyfcr of cyfers tot In het oneindige wederkeeren, b. v. het cyfcr 3 in de breuk 0,333, enz., de cyfers 1 en 8 In do breuk O.tsists, enz; — repetitie (spr. lie=l.iie) f. (lat. rcpe/iiïo) de herhaling, de prootberhaling van uit te voeren tooneelstukken, muziekstukken, enz.; repetilio esl mater studiorum, do herhaling is do moeder der studién, d. i. do herhaling isby\'laan-leoren van cone wetenschap de hoofdzaak, of door het herbalen wordt de wetenschap eerst geboren; — repetitïën, pi. de verklaringen van byzondere wetten der Hal. rechtsgeleerden uit do tide en tüdc eeuw, omdat het enkel herhalingen van de cominentariön en nllspra-ken hunner meesters waren; — repetitie-geweer of -pistool, n. geweer of pistool, waaruit men na ëenc lading verschelden schoten kan doen; — repetitie-horloge, n. oen slaand zakuurwerk; — repetitor, lal. een herhaler, iemand die liü de stnille der rollen in den schouwburg behulpzaam Is; leer-ineestcr, die de lessen der hoogleeraren met de studenten herbaalt; — repetiteur, m. fr. een schip, dat de seinen van het admiraalschip herhaalt; — repotitonum, n. nw.iat. een borhaiings-onderriebt, eene hcrbalings-voor-lozlng of -college; — repelundae (sell, res of pecuniae), zaken of golden die teruggevorderd kunnen worden; — crimen repetundarum, z. ond. crimen.

repignoreeren, later lal. (repiijnnrnre, vgl. pignus) tegenverpanden; — repigno-ratie (spr. t=/s) f. Jur. do weder- of tegen-verpanding, pandlossing.

Eopit, m. fr. (sjir. r\'pi; oorspr. respit, provenc. respieit. It. rispilto, rust, tyd om zich te herstellen; van \'t lal. respectus, terugzicht, en vandaar toegevendheid, van respictre, vgl. respiclBoron) do verlenging, hot uitstel, do latere tormyn, het respyt; — lellre de répit, f. gratiebrlef, vorsteiyko boschermlngsbrlef, die don scbuldelschers verplicht don schuldenaar respyt te geven of tyd tot betaling te laten.

replaceeren, fr. (replacer, spr. r\'ptas—; vgl. placeeron) wodcrplaalsen, weder rangschikken.

replaideoren, fr. (replaider, siir. replèd—: vgl. plaideoren) weder voordragen, een jiro-ces opnieuw voeren of verdedigen.

Replantatie, f. (spr. lie=tsie) lat. de woderinplanling b. v. van getrokken tanden.

replatreoren, fi-, {replamp;trer, van plamp;lre, gips, ouilfr. piastre, ptaistre, emplastre, em-plaistre, mot gips overdekte grond; pleister op wondon, mld.lat, plastrum, amplastram, v. \'t lat emplastrum, gr. émptastron, pleister op wonden, zalf ter opsmering, v. empldssein, daarop vormen of smoren) overgipsen, weder met gips bedekken; bemantelen, vorontschuhllgen; — re-platrage, f. (spr. r\'plalrdazj\') overglpslng, volwerping, aanstrgking, volraplng met gips; bemantollng.

Replëtie (spr. /=(,*) f. lat. {repteftn, van replcre, opvullen) de opvulling, opgevuldheld, volbloedigheid; ook overlading, b. v. der maag.

replicoeren, later lat. (replicare, d. i. oud-lat. elg. terngvouwen, terugliulgon, v. pli-ciire, vouwen; fr. réptiquer) antwoorden, hervallen, hernemen, daartegen Inbrengen; — ad reptiedndum, tol tegenantwoord, om iegonwer-plngen voor Ie dragon; — si réplica. It. Muz. wordt herhaald, te herhalen; — replicato, herhaald ; — repliek, f mld.lat. [reptlra: fr. réplique) hel tegenantwoord, Inz. een IrctTcnd of geestig antwoord, hot legenhescheld; do herhaling, de namaak (cople) van een kunstwerk; Jur. het wederantwoord van den elscher op de verdediging des gedaagden (de oxcepllo), en hel geschrift, waarin het verdedigingsschrift wordt beantwoord, lat. replicatto (vgl. dupliek); — réplica, f II. Muz. do herhaling eener zang-wgzo (melodie) van eene stem, welke vroeger door eene andere stem werd voorgedragen, ook réddita.

repliëeren, fr. (replier: vgl. pllëoren ond. pil) weder samenvouwen, weder in plooien leggen; MM. zich terugtrokken, terugwyken, deinzen, lot op ecnen post achterwaarts trekken; ook o;» iels steunen, zich op Iets verlaten; — repli, m. het torugtochtspunt der troepen; reserve of dekking voor afzonderiyke vooruitgeschoven poslen door een grooter aantal troepen.

roplumbeeren, barb.lat. (v. plumbum, het lood) lood van zilver schelden, zilver van lood zuiveren.

Reply-letter, f. eng. (spr. riplai—, v.


-ocr page 1093-

RKPRKHKNDEEllEN

REPOLON

1005

replu, het antwoord; vgl. repltcoercn) de respijt- of ultslelllngslirlof der engolsche koningen Ier gunste van eenen veroordeelde.

Repolón, in. fr. In do rijkunst: de halve volte, vollo In vyr tempo\'s, z. volte.

repondeeren, fr, (répondre, van\'tint. responds re) nnlwoorden, beantwoorden, overeenkomen, overeenkomstig zün met eene zaak, daarmede overeenstemmen; goedspreken, liorg-hiyvon, voor Iets Instaan, verantwoordelijk zijn of lilüven.

roponooron, lat. {reponüre, van pom\'rc, zetten, plaatsen, leggen, enz.), terugleggen, weder op do plaats leggen of zetten, wegleggen, ter z||de leggen, bewaren; Med. een uitgezakt deel, I). v. oene lireuk, weder Inbrengen; een verrekt of ontwricht lid zetten; — roposi-tarïs of repositair, m. nw.lat. een bewaarder, opzichter van akten, enz.; — repo-sitio (spr. -zi-lsie) f. het weder op zijne plaats brengen, de weder- of herzetting b. v. van uitgezakte of verrekte en ontwrichte leden; — repositorium, n. pi. repositoria of —tonën, n. lat. eene boekenplank, boekenkast; eene bewaarplaats.

roporteeron, lat. (reportarc, v. por tare, dragen; fr. reporter), tcrugdragen, terug- of wedorbrengen; overbrengen, overdragen, b. v. een totaal van de eene bladzyde naar de andere; — report, m. eng. (spr. ripoort) Jur. bericht, verslag, berichtgeving, verslagdoenlng (z. v a. relatie); In den elleeten-handel; het onderscheid tusschen den koers Van koopen d comptant en op tyd (op twee verschillende dagen); In lingoland de opgave van bet onderscheid tusschen het gehalte van een haar edel metaal en het munt- of standard-metaal;— reportooring of report-affaire, f. verkoop van een elfect onder verplichting van la-teren hoogor terugkoop; — repórter, in. eng. (spr. li poorter) een verhaler, berichtgever, verslngdocner; inz. verslaggever van couranten.

Ropos, m. fr. (spr. van \'t lat. reen pausare; vgl. pauseeren) rusl, stilstand, rustpunt, rustplaats; Arch, de plaats van eene trap, waar de treden zün afgebroken door een vlak, geschikt om er uit Ie rusten, rustplaats op een trap, trapportaal; — repos, als militair cominnndowoord; rust! repos en place (spr. repn tan plas\'), plaats rust; mnn repos, müne rust, rustplaats, naam van veel buitengoederen; — reposoir, m. (spr. repozndr) by de H. Kalh. een altaar, ilat men In eene straaj, onz. opricht, om er bet heil. sacrament by zekere processlen op te zetten, een rustal-taar; een hezlnkval, do derde knip voor het maken van Indigo; een wastrog; — ropo-seeren, rusten, slapen , — zich rep—, berusten, zich verlaten (op Iemand).

roposeeoren, lat. (re-poscfre) weder-elschen, wederverlangen, terugvorderen.

ropositaris, ropositie, enz. z. re pone er en.

ropoussoeron, fr. {repousser; spr. re-poes—; vgl. po uss eer en) lerugstooten; terug-dryven, terugdringen of terugdrukken, terugkaatsen of terugzenden; b. v. den spot, de scherts;

— repoussiibel, adj. terugdryfbaar, terugdringbaar, enz., wat zlcli laat terugdryven of afweren; — ropoussoir, m. (spr. repoe-sodr) een doorslag, drevel, drglljzer; l\'ict. een donkere voorgrond, om de andere voorwerpen eener schlldery des te meer op een afstand Ie doen voorkomen of hen te doen wyken.

reprsesenteeren, lat. [repraesentare: vgl. praisentoeren, ond. pnesens) tegenwoordig maken of vertegenwoordigen, voorstellen, opvoeren; een afwezigen persoon vervangen of voorstellen; ook Iets vertoonen, ulteriyk aanzien, waardigheid, gewicht hebben, zich voordoen; — reprajsentandus, de voortestel-len, te vervangen, te vertegenwoordigen persoon;

— reprgpsontant, m. [repraeséntans) een vertegenwoordiger, plaatsbeklooder, plaatsvervanger eens af we/enden; inz. de vertegenwoordiger van een gewest, eene stad, enz., een volksvertegenwoordiger, vgl. godeputeerde op de-puteeren-, — reproesenttitie (spr. tie= tsxe) f. (lal. repmesentutio) de vertegenwoordiging, bet legenwoordig-maken; de plaatsvervanging of plaalsiickleeding, afbeelding, voorstelling; opvoering van een tooneelstuk; — re-praesen t a tie-k os t e n, kosten om de eer van zyn ambt, van den vertegenwoordigden persoon op te houden (voor gezanten, enz.); — r e p nose n t at i e - re c li 1, het recht van plaats-bekleeding; by erfenissen, het Intreden In dn plaats van eenen reeds gestorvenen asc e n d ent;

— reprcesentatiof, adj. nw.lat. tegenwoor-digmakend, voor oogen sieilend, voorstellend; plaatsvervangend, vertegenwoordigend, ook ro-praïson teorend; — repraisontatiof-systeem, het stelsel der vertegenwoordiging, der staatsinrichling, volgens welke liet volk door eene vergadering van afgevaardigde vertegenwoordigers van het staatsbeheer en de wetgeving deelneemt.

reprehendeoren, lal. {reprehendtre, eig. terughouden of terugtrekken, van prehendëre, vatten, grypen, houden) berispen, laken, doorhalen, verwijlen; — reprehensibol, adj. (later lal. reprehensibflis) berispenswaard, to berispen, lakenswaardig; reprohénsie, f. lal. {reprehensto) de berisping, de doorhaling, hel verwyt; de best railing; repressaliën, of fr. réprésailles (siir. —zAlj\'i sp. repre-satia, II. ripresafilia, rappresaglia, oudfr. repre-hemaille, mld.lat. reprensaliae, eig. terugneming van \'l genomeno, v. reprehendrre, repréhensum terugnemen) pl. tegengeweld, legenbeleediging, weerwraak, schadeverhaal, wraakneming, wraakoefening, Inz. liet beantwoorden van de harde en onrechtvaardige bandelwyzen of beleedlglngen van den eenen Slaat legen een anderen; ook vergelding, genoegdoening; r e p re sa 111 e-b r l e-ven, verlofbrieven van eene regeering, om tegen de onderdanen van een anderen staal weerwraak te oefenen.


-ocr page 1094-

REPUBLICEEREN

REPRESAILLES

1066

Represailles, repressaliën, z. mul. r o p r o h «ii d o o r o n.

represonteeren, enz. z. oud. r op ree-sonlcoron.

Repressie, repressief, /.. oud. roprl-iii c o r o ii.

Reprieve, f. ong. (spr. ripricw\'. oud-eng. repreve voor reprove, van lal. reprobare, vcr-werpon) hel ullstcl van eene lercelilslelliiijt, hel aan een Ier doud voroordoelde bewilligd ullslelj ook: liet lievel tol dit uitstel.

Reprimande, f. fr. (spr. —mand\': lal. als \'t ware reprimemla, v. reprimüre, tr. ré-primer, z. r op r I mee ren) do terechtwy/.lng, berisping, liet verwijl, de doorlialing; iron, eon lange nous, bokking; — reprimandeeren (fr. réprimunder) borlspen, doorhalen, verwytiyi.

reprimeeren, lal. (reprimüre, van pre-mere, drukken) ondordrukkon, terugdringen, dein-pen, hedwingen, betougolcn, sluiten, strommen, in toom houden, weron, vorhlndoren; — re-préssie, f. nw.lal. de onderdrukking, sluiting, streinniing, woèrlioiuling, bolougcling; — repressief, adj. (fr. répressif) terugdrukkend, -drgvond, streininend, voihlndorond, boloinnie-rond; roprossieve inaalrogolen, sluitende, afwerende miiatregelon, maalrogolen om Iels lo ondordrukken of te keer Ie gaan.

Reprise, f. fr. (spr. —priez\'; vgl. pi l se) de liernoming, herovering van een schip, oeno plaats; hol hoi wonnen voorwerp zelf, do lier-wonnen pigs (schip); de horlmling, de wederopvoering van een schouwspel, enz.; Muz. de horhallng van een hoofdgedeelte van een sluk; ook hot liorhalingstoeken; Kmt. het slUgen der gedaalde koersen; do liervattlng, hol wodorho-glnnen; lierslolling, roparatie, laz. van weefsels; do koop In hel lansquoiiet

repriseeren, fr. {repriser, v. prix, prys, waarde; vgl. prlsoero n, ond. prlse) opnieuw waardeoren, andermaal sclinlten, liersclmllen.

Repristinatie (spr. tie=lsie) f. nw.lal. (van prisCfnus, ■/.. aid.) de herstelling van Iets vroegers, van Iels, dat afgeschaft was.

reprobreeren, lat. {reprobare van pro-bare, lililukon) verwerpen, mishilUjkon, veroor-dooliMi, niet aannomon of goodkouroii; Jur. hel tegonbewUs leveren; — reprobatie (spr. t=ls) I. (luier lat. reprobatto) do vorworping, voroordeellng; Jur. hot togeiihewys.

reprocheeren, spr. {r\'prosj\'—) fr. {re-procher: van proche, nabij, hit. prope, dus als \'l ware nahyioggen; vandaar provonc. nog re-propchar) iemand leis verwijten, lot verwijt maken, onder don neus wrijven, voor do schenen werpen, boscbuhiigen; — reprochabel, adj. (fr. reproehable), borlsponswaard, verwUtoiijk, bestralfeluk; — reproohe, f. (eig. m.) (spr. r\'piósj\') bol verwijt, de beschuldiging, laking, wraking, horisping.

reproduceeren, nw.lal. (vgl. produ-ceeren !), weder voorlhrongen of leien, weder te voorschyii roepen; volledig maken, lier-stollen, weder voortbrengon; .lur. tcgonbewü-zen, legonRoluigen voorhrongon of aanbrengen; oono reproduceer en de kunst, is die kunst, welke iets dal reeds goscbapon is to voorschijn brengt, zoeais b. v. de tooneolkunsl, In tegen-steliing mol do produceorondo; — zich reproduceeren, zich opnieuw vertoonon, weder verschünon; — roproducatur, Jur. het (nl. het document) worde weder Ingediend;

— reproducént, m. oen wedervoorhrengor; Jur. oen tegenbowysvoorder; — reprodüct, in. de tegenparty, logon welke een bewijs gevoerd wordl; — reproductie (spr. l=.i) f. de wodervoorlhronglng, herstelling of aanvulling van vornieido of beschadigde deolon aan dierlijke llchamon, geiyk mode uil de organische lichamen afgezonderde slollon; — reproductief, adj. wodorvooithrengend, woderscheppond, aanvullend, herslellond; — réproductivi-teit of reproductiekracht, f. do hor-stellingskracbl, het aanvullings- uf lierslellings-vermogen van verminkte of geheel verloren 11-cliaamsdoolen hy planion en dieren, in/., wormen en amphihliin.

repromitteeren, lal. {repromillüre: vgl. pro m 11 tee r en), daarlogon bolovon of eene legenhoiofte doen; — repromissie, f. (lat. repromissto) de tegonbelofte.

Reproseliet, m. lal.-gr. (vgl. proseliet) een wederloruggekoordo, oen teruggekeerd ge-loofsoverlooper.

reprusil! nw.lal. (vgl. prosit) bel hekome oek u wel! (boantwoording van bol prosit).

reprotesteoren, nw.lal. (vgl. protesteoren) eene togonvoorsteillng Inbrengen, of tegen het protest van een ander legenverkla-ringen doen en ze voor krachloioos vorklaren;

— reprotest of reprotestatie (spr. lie— tóe), f. do togenvoorstoiling, legoiiverklarlng (vgl. protest).

reptans, lat. (van rept/re, kruipen) l!ol. ki\'uipend, z. v. a. repens.

Roptilïën, pi. lat. {replilta, van repêre, kruipen) kruipende dieren, wormen, ook z. v. a. ainphlhltin, die klasse dos dierenryks, welke de dieren bevat, welke kruipen, helz.y dat z.y geone poolen hebhon, of ilat deze zoo kort zyn, dal zy schyncn op don hnlk lo kruipen, h. v. slangen, kikvorscbon, hagedissen, schildpadden; rep-Htm Paiiidssi, hot gowormte van don l\'arnas, d. 1. kreupele dichters, geleerde hrokeboonon;

— reptilienpors, f. hgd. de in dienst der regeering slaande couranten tor bestrydlng van geheime staatsvyanden; — reptilïënfonds, n. de ter ondersteuning dezer bladen le^- he-schikklng dor rogooring staande geldsom (afkomstig van oono uildrukking van hlsmarck In de zitting van do Pruisische kamer van ;iii Jan. IHliU, toon hy deze geheime staatsvijanden met quot;hoosaardige roptllienquot; vergeleek.

repubesceeren, lal. {repuhescire) weder jong worden, verjongen, z.yne eerste krach-ton wederkrygen.

republiceeren, nw.lal. (van puhlicoe-ron, z. aid.) hy horhallng of opnieuw bekend


-ocr page 1095-

REQUIREEHEN

1067

REPUBLIEK

maken; — republicatie (spr. I=ls) f. de lierliiialdo bekendmaklni,\', vernieuwde, openiyko afkondiging.

Republiek, t. (fr. république, van \'t iat. res pubfica) eig. de openhure of aigemeene zaak, «en gemeonebosl, vrgstaat, oene slaalsinrieliting, waarbU het iioogsto gezag en de heerscliappt) over oono hurgeriyko maalscliappy, óf aan een Jiepaaid lichaam van aan/.ieniyke lieden is toevertrouwd (artstok rat io), óf door het volk-zelf en de uil /.yu midden verkozenon wordt uitgeoefend (de mok ra tie); — republi-quette, f. fr. (spr. —kètl\') een klein gemec-nchest, vrystaatje, geiyk li. v. St.-Marino; — republikein, m. (fr. rejiub/icain) een burger van eenen vrgstaat, een gemeenotjostgezlndc, een voorslandor van den veeihoofdigen regee-ringsvorni, vryiieidsvriend, vryiiurger; — re-publikoinsch, adj. wat lot eene republiek behoort, gemcencbcstgezind, vryburgcriyk, vrg-heidlievond; — republicanisme, n. barb, lat. de gehechtheid aaa den republikeinsellen regeeringsvorm, bet vrybiirgorscliap; — repu-blicaniseeren (spr. s=z), tot een gemee-nebest of oenen vrystaai maken, daartoe genegen zyu; genieenobestgezlnde gevoelens bubren-gon; — republicomanie, f. do overdreven zucht voor do republikeinsche staatsinrichtliig.

repudiëeren, iat. {repudiare, v. pudcre, zich scbainen) verwerpen, versmaden, verstoo-ten; van ile iinnd wyzen, b. v. oene erfenis; het buwoiyk ontbinden, scheiden; — repu-diatie (spr. l=ls) f. (lat. repudiafio) of re-pudium, n. de vorsniading, verstooling, te-rugwyzing; .lur. de opbelling van eene wettige verbintenis, echtscheiding; de verklaring van oerdge noordanierikaanscho repuldleken, dat zy de siautsscbuldcn en de renten daarvan niei lot liet volle bedrag wildon betalen; — repudium necessarium, eene noodzakeiyko, gebodene, op recht gem onde echtscheiding j rep. vo/itiilarïuin, een vrywilligo oplieiUng van bet echtverbond; — repudiëus, adj. vcrstooleiyk, verwerpeiyk.

repugneeren, lat. {repuunare, van pu-gnare, kaïnpon, stryden) wederstreven, tegenstreven, zich verzotten; tegenstaan, afkeer of tegenzin gevoelen, tegen de borst stuiten, walgen; — repugnant (re/)ii(;nans), tegcnslry-dend, wedorslrovend, afkeerwekkend, sluitend, hlnderiyk, wulgiyk; — repugnantie (iat. repuonantia), repugnatie (spr. I=h) f. (la-Ier lat. npuunalw) de weüerstrovigbeid, legen-streving, verzetting, het verzot; do tegenzin, afkeer, walging, walg.

Repuls, ni. lat (repülsus, m. en gew. re-puim, f. v. repellère, terngdryven, ierugstooien) de atwyzing, hot weigerend antwoord, hoofd-stooton, vgl. refus; — repulsie, f (latei-lat. repulsto) de terugstoot lag, de af- of terugstoot, torugdryving, afwyzlng; — repulsief, adj. nw.iat terugstootenil, terugdryvend, afstoo-tond; — repulsieve kracht, de terugstoo-tingskracht; — repulseeren, (lat. repuharc), terugstoolon, afslaan, afwyzeii, oen weigerend

antwoord geven, een blauwtje noen loopon.

Repurchase, f. eng. (spr. —Isjeez\') terugkoop, rouwkoop, afstandsgeid.

repurgeeren, lat. {repurnüre: vgl. iiur-g eer en) weder reinigen, anderniaal afvoeren of purgeeren.

Reputatie (spr. lie=lsie) f. (van \'t fr. répululion, répuler, voor iets houden, achten; het lat. rcpulatto, lioteekont overweging, herekoning, overleg) ile naam of faam, inz. goede naam, het aanzien, de achting, de eer; — re-putabel, adj. nw.iat. eerbaar, eervol, in achting of aanzien slaande, een goeden naam hebbende.

Request, n. (spr. rekést ; van t fr. requite, oudfr. requesle, van \'I mld.lal. nquesta, voor renpisila, van \'l Int. requirire, fr. requérir, aan-zocten, verzoeken; vgl. re(| u ir eere n, requi-silus) de bede, hel verzoek, bet verzoekschrift, smeek- of klaagschrift (suppliek); — re-questmeester, of mailre des requtlfs (spr. mèlr\' dè rekèV), de verslag- of beriebtgover over do ingekomen verzoekscbiifion by don staatsraad in Frankrük; — requestreeren, hast.fr. een verzoekschrift Indienen, zich schrlfieiyk met zyne bezwaren en bede om borstel of opholllng tot hol bevoegd gezag wondon; — reques-trant, m. requestrante, f. onderleeke-naar, -sier, van een vorzoekschrifl.

Requet, m fr. (s|ir. reki) eene soort van breed lynwaad uil Itretagne.

Requiem, n. lat. (elg. accus. v. requies, do rusl) kath. zielmis ter eere van oenen overledene en het daarby behoorendo muziekstuk (naar de aanvangswoorden; quot;requiem aelemam dom eis, Oomfne etc., geef hun de eeuwige rusl, o Heer! enz.quot;); — requiosceeren (lal. requiesclre), rusten, zicli gerusl, tevreden stellen; — requiéscal in pare, afgek. /I. I. P., by (of zy) ruste in vrede! — requietorï-um, ii. nw.iat. de rustplaats, het graf.

Requinterón, m. de zoon van een (|uln-1 er on (z. aid.) en oene europeesche vrouw, of omgekeerd.

requireeren, lal. (requirh-e, van quae-rére, zoeken) wederzoekeii; verlangen, vorderen, verzoeken, bidden, Inz. eene vreemde regeering of rechtbank om medehulp verzoeken, b. v. lol opsporing van een ontvlucllten misdadiger; — terugvorderen, elschen in rechten; ook ondiji\'-zoeken, navorsclien. Iels op het spoor willen komen; Mil. levoranllen vorderen of ultschry-ven; — requirént, m. {requirens) oen onderzoeker, mivorsdier; — requisilus, a, um, adj. verzocht, gevorderd, besteld; — requi-siet, ii. (lat. requisilum), pi. roquisita of requisioten, het gevorderde, hel loebehoo-ren, nameiyk al die kleine voorwerpen, welke behalve de decoratie lot opvoering van een tooneelsluk noodzakeiyk zyii; een verelsclilo of eene noodzakeiyke elgensciiap, voorwaarde; — requisiteur, m. requisitrice, f. fr. (spr. s=j) hy of zy die de gevorderde voorwerpen (voor scliouwtooneolen) aanbrongt of


-ocr page 1096-

RESCRIBEEREN

1068

HES

verscliiift; — roquisitie (spr. -zi-lsie) f. lal. (requisitio) hol aanhouden, aanzoeken, bo-Keorcn; Inz. de opelsehin^ dor oono aulorllelt aan de andore om Bromlwotteiyko luilpverloo-nlntt; de ullschrUvIni? van leveraidlen, het hoslag of de aanspraak op personen ot goederen, h. v. lots in r o q u 1 s 111 o n e m o n of s t o 11 o n, er-gons beslag op loggen, or aanspraak op maken; hot tengevolge van dergelijke ultschryvingon geleverde zelve; onder de tr. republiek de oproeping aan de jonge lieden tot den krygsdienst, vandaar ook wel voor loting; — roquisito-num, n. of roquisitorialon, pl nw.iat. {requisiloriaies, sell, lilhrae), fr. reqiüsi-toiro (spr. rckitilodr\') een sc.hliflelijk aanzoek of verlangen van ile oono mitoritolt aan de andere; — requisitoir, n. Jur. eiseli van het openbaar mlnlstorio (by oen proces); — re-quisitionair {spr. li=lsi) m. (fr. réquisi-tiomaire) die op iels aanspraak maakt, ergens beslag op legt; ook die tol de roquisitie of de krygsopscliryving lielioort.

res, f. gonit. en dat. rei, acc. rem, abi. rc: pl. ook res, gonit. rerum, dat. (üi ahl rebus) lat. de zaak, het ding; vermogen, goed, enz.; rei vimlicatto, de eigendomseisch, waardoor men de aanspraak op hel eigendom oener zaak doei golden; — re vera, inderdaad, in waarheid; — rem acu leligisli, elg. gy hebt de zaak met don naald aangeraakt: gy bobt don spykor op den kop geslagen, gy bobt hel gelrolVen, geraden; — ml rem, ook e rc, ter zake passend, gepast, bohoorlUk, dienstig; — e of pro re nata, naar den aard der zaak, naar bevind of gesteldheid van omslandighedon; — rebus sic stantibus, de zaken zoo staande, liy zoodanige omstandigheden, of daar do zaken zoo gesteld zyn; — rerum dlvlsio, f. zaakindeeling; — rerum permutatio, f. zaakomzetting, zaakom-ruiling; — Jur. re el corpnre, aan havo en iyf ;

— re et corpnre ar roste oren, persoon en goederen in beslag nemen; — res accessorta, byzaak, z. v. a. accessorinm; — /■. alicna, vreemde zaak, vreemd goed; — r. alienabYlis, vorvroemdhare zaken; — r. allniialis, eon vrij erfgoed, vryo erfgrond; — r. altioris in/ldf/ïnis, oeno verder of dieper to onderzoeken zaak; — res communis, een gemeen goed; — res enn-trovérsa, eeno betwiste zaak; — res decisa, oóno besliste zaak; — res ilubta, oono twyfoi-achtigo zaak; — r. ecclesiaslicae, pl. geesteiyke goederen, kerkegooderen; — r. facit, feiten, gebeurde zaken; — res famitiaris, de hulshouding, hnisboudeiyke zaken; — res fisci, goed of eigendom van den Slaat, scliatkistgoed; — r. funqibflis, oono verlmiikbaro, verteerbare zaak;

— r. furtim, oen gestolen zaak; — r. immn-bilis, oono onbeweegiyke, onroerende zaak; — res indeeïsa, eeno onhosllsto zaak; — r tndi-visibitis, oono ondeeliiare zaak; — r. intcura, oono nog onveranderde, in haar geheel gebleven onaangetaste zaak; — r. judicata, z. end. Ju-dlcoeron; — r Ittif/iosn, eeno betwiste of hangende zaak (die reeds werkoiyk in proces

Is); — r. merae facuttatis, eeno goheol onvor-schllilgo of willekeurig Ie behandelen zaak; — res mobflis, oono beweegbare, roerende zaak; — r. naturdtes, pl. natuurtyko dingen; — r. nultius, een goed zonder meester, dat alzoo door iedereen in bezit kan genomen worden; — res nultius cedit | primo] occupanli, oene zaak zonder meester behoort of vervalt aan den eersten inbezltnemor; — res praeternalurates, pl. bo-vennatuuriyko dingen-, — r. pubtfea, het openbare, gemeone welzgn; — hel gemeenohest, de Staat; z. ook republiek; — res pu-biïcae, pl. staatsgoederen; — r. redit adtriarios, elg. ile zaak komt aan de trlariers, het derde gelid der rom. slagorde; sprw. nu komt het or op aan, de zaak is op het uiterste gekomen ; — r. retiqiósae, en r. sacrae, pl. kerke-zaken, kerkegooderen; — r. spirit utiles, geos-toiyko zaken t^n aangelegenbeden.

rosaerooron, nw.iat. {resacrare, fr. re-sacrer: vgl. sacreeren) weder wgilon of zalven; — resacratio (spr. t=ts) f. veralouwde wydlng.

Rosaluëeron, resalutoeron (v. lal. satutare) oene begroeting beantwoorden; — resalutatie (S[)r. tie=tsie) f. Int. [resalu-tatïo: vgl. sa In tal ie) do wodorbogroeting, tegengroet.

rosanoscoeren, lat. {recanescire, v. sa-neseëre, gezond worden) weder genezen uf herstellen, zyne gezondheid herkrygon.

resarcooren, lal. (re-sarcire) elg. weder opknappen, verbeteren; vergoeden, schudeloos-stollen.

rescindoeron, lat. [re-scindrre) elg. van-eenryten, aan stukken scheuren-, vernietigen, opbellen, omstooton, voor ongeldig verklaren, h. v. een testament; — rescissio, f. (lat. rescisslo) do oplossing, onthindlng, ophelling, gorochleiyko omstootlng of verwerping (casseer in g, cassatie) van een leslament.

Boscontro, f. (vgl. scoutro) afrekening, verrekening (inz. In don effectenhandel); — roscontrodag, m. dag daartoe bestemd; — rescontreoren, afrekenen, verrekonen, ver-olfenen.

rescriboeron, lat. (re-scritiüre; vgl. scriba) terugsclu-yven of antwoorden, een besluit of bevel uilvaardigen, inz. van besturen aan byzondero personi\'ii; ook: weder beschry-ven, vgl. codex rescriptus, onder c o d o x; — rescript, n. (lat. rescriptum, pl. rescripta) bet teruggeschrovene, hol antwoord, bescheid, het sciuiftoiyk goedvinden van oenen vorst of een bestuur aan ondergesclilkten, als antwoord op aanvragen, verzoeken, enz.; ook |)auseiyk bevel of verordening, als antwoord op deze of gene theologische vraag, als bul ie of moni-torium goheelen; - roscriptie (spr. t=s) f. (laler lal. rescriptlo) bet terngschryven, !iel goedvinden, hovel; Knit, oen scbriftoiyko lasl lol inning of ullhelallng oener geldsom; re-scriptiën, f. pl. (fr. rescriptions) franscho staatsschuldbrlefjes, gegrond op ile nationale


-ocr page 1097-

RESECEEREN

1009

RES IN A

domolnon, gedurcndo do omwontcllng Ingevoerd lot ulldclKlng der asslgnnton.

reseceoron, lat. (re-secure-, vgl. secec-ron) nfsnUden; — reséctie (spr, (=s) f. liel afsnOden, Inz. in do nieuwere heelkunde; het verwijderen van heenderen of gewrichten, ter-w(jl de weeke deelen als do voortzetting van liet skelet hehouden hiyven.

Reseda, t. lat. (reseda, v. resedure, weder stillen, doen hedaren, omdat dit kruid weleer als iignstlllend middel werd gohrulkt) een hekend welriekend gewas, oorspronkeiyk uit Egypte; — resedacéën, pl. nw.lat. (reseil(irlae) resedagewassen, reseda-soorten.

roHercoron, int. {reserare, van sera, de grendel) ontgrendelen, ontsluiten, openen; me-dodeelen, openharen, onldekkon; — resoraat, n. het ontsluiten; het medegedeelde; — re-serantia, n. pl. Mod, openende, ontslultendo geneesmiddelen.

reserveeren, lat. (reservarc, v. servare, waarnemen, houden, behouden) hewaren, hesparen. terughouden, wegleggen, lot op oenen anderen Uid hehouden; voorholiouden, hedlngen, vaststellen, beveiligen, h. v. zyne rechten; gereserveerde maanden (menses pajxiles), ti maanden des jaars, daarom zoo geheeten, omdat do paus zich voorhehouden (g e r e s e r v o e r d) heeft, de daarin openvallende lagere geestelgko prebenden of proven zelf te vergeven; zlchge-r o s e r v e e r d houd o n, e e n e geroservoo r-de houding aannemen, zich terughoudend gedragen; — reservdndo, voorbehoudend, met voorbehoud; — reservdlis reservandis, afgok. e. v., met voorbehoud van datgene, wat voorhehouden moet worden, of met bet noodlgo voorbehoud; — roservage, f. (spr. —vaazj\') pappen of zelfslandlgheden, die beletten dat de kleuren zich op zekere deelen der slof hechten (hg bot drukken); - reservaat, n. (lat. re-sorvulum) het voorbeboudeno, hedongene, ook z. v. a. reservatie (spr. l=/s), f. nw.lat. en reserve (spr. s=i), f. fr. ook bedachtzaamheid, behoedzaamheid, omzicbtigbeid, ingetogenheid, terughouding, acblcrlionding, gebelm-houdlng; ondersteuning, noodhulp, aanvulling en wat daaitoc dient; Mil. die manschappen, welke hun tgd uitgediend hebben of van te voren zijn ter zgde gesteld en die alleen in geval van oorlog onder de wapens geroepen worden; — en réserve, fr. (spr. an rezèrv\') In voorraad, noodhulp, lot aanvulling, tot ondersteuning, uit voorzorg, In geval van nood; — suns réserve (spr. —sa/i—), zonder voorbehoud, zonder uil-zondering, onvoorwaardeiyk; — reservecorps, z. corps; — reservo-fonds, n. fonds dat uit de winst gevormd wordt, om er In tgd van nood gebruik van te maken; — resenalum ecelesiasCfcum, n. hel kerkelijk voorbehoud van IS\'iii, volgons hetwelk ieder tot hot protestantisme overgaand katlioliek goestetyke van zgn ambt afstand doen moest; — cum re-servaliönc, lat. niet voorbehoud; — reservaffn meniuUs, f. een gedachten-voorbehoud, een be-driogHJk, arglistig voorbehoud In gedttóhten, b. v. hg het eedzweren, wanneer Iemand aan /.ijne woorden in de gedachte eene andere dan bare natuurlgke uitlegging geeft; — r. honoris, eere-voorheboud, eerheboeding, waardoor de Iemand door oen vonnis toegekende straf geene schade mag toebrengen aan zgne oor; — reserva-tie-elausüle, z. v. a. clausula salvalorla,■ — r. reservalive, adv. nw.lat. voorbehoudend; — reservoir, n. fr. (spr. rezerumr) oen bak, waterbak, eene waterkom, visebkom, viscbheun of vlsclikaar, In \'t algemeen eene bewaarplaats.

rosideeren (spr. s=z), lat. (residere, v. sedïire, zitten; fr. résider) wonen, zich ophouden, zgnen zetel bobben, Inz. van vorsten, ook van notarissen, enz.; — resident, m. een afgevaardigde, govolmacbtlgde van eene regeering, oen zaakvoerder, zaakvertrouwde van eene regeering aan eene bulienlandscho plaats, van minderen rang dan een gezant; landvoogd, he-stuurder eener provincie In IN. Indie; — re-sidóntie (spr. l—ts), f. nw.lat. (fr. residence) de woonpiaats, woonstad, zeiel, bofslad, de gewone verhiyfpiaats van oenen vorst, enz.; — residentie, f. of residentschap, n. gewest in Ned. Indlë, onder bet bestuur staande van een resident; — residuum, n. lal. (re-siiluus, a, urn, terugblgvend) de rost of het overschol; — residentïa (spr. I—Is), n. pl. nw.lal. hel overblgfsel, hel bezinksel in een dls-tliloorvat; — in residiio, nog overig, als overschol oi rost.

rosigneeren, lat. (resigndre, v. signare, toekonen, bezegelen; vgl. signeeren) elg. oni-zogolon, openen (een lestamont); ongeldig maken, breken, afstand doen, afslaan, nederleggon (een ambt); zich onderwerpen, met gelalcnbold zich schikken in zgn lot, enz.; - resignant of rosignatarïs, m. nw.lal. een afslanddoe-ner, inz. van prebenden; — resignatair, m. fr. (résignalaire) degene, aan wion een amhl, eene prchendo, enz. wordl afgestaan; resignatie (spr. I—Is), f. fr. (insinuation, elg. do ontzegellng, opening; de afstand, afstanddoening, nedorlogging van een ambt of oenen post; onderwerping, ovorgeving aan don god-doiyken wil; zelfverloochening, opoiTorlng; — resiiinnltn fcudi, Jur. ile afsiand van een loon.

rosiliëoron, lat. (resilire, v. sahre, springen, fr. résilicr, oudfr. résilir) lerugspringen, nfsprlngen, Jur. lorugtreden. Iels ophollen, weder afgaan van eon contract of verdrag, enz.; — resiliatie (spr. /-=/.«), f. nw.lat. de te-ruglrodlng, o|ibelling of vornlellglng van oen verdrag.

Resilla, f. sp. (siir. —tielja) en resille,

f. Ir. (spr. reztélj\'; van \'t sp. redecilla, z. aid.) een nel van zyde, Hul, enz., als hoofdtooi der dames, Inz. In Audalusle.

Resina (spr. s=z), f. lal. hol bars; — resinn alba, wil bars, gedroogde terpontyn; — r. balsiimi cnjmïvae, copaïvahaisombars; — resina cupri, koporhars-, — resina caulsjuk ela-slica, veerkrachtig hars, z. qummi elasticum;


-ocr page 1098-

RESIPISCÉNTIK 4070

IIESPIR KEREN

— r. (juajan, gunjaklinrs; — resi na pini of communis, pynboomlmrs; — rosineeren, nw. lat Imrscn, met hars overtrokken-, een stuk hars In don wyn hangon, om hem een plquan-ter smaak te geven; — resinaat, n. het harszoul; — resineïne, (. do hursolle; — resiniot, m. v. a. rot In let; — resi-neus, lat. {resinusus, a, urn) harsig, harsachtig.

Resipiscóntie (spr. t=ls), f. later lat. (v. \'t lat. resipisctre, zich wodor hozlnnen, weder tot zich komen, hükomen) het hekomen, hykomen (uit oone flauwte, onmacht, tiartvang, enz.); de gemoedsverandering, hekeerlng. Inzicht, herouw en betering van zgne verkeerdheden.

resisteeren, lat. (rc.ii.il,\'re: vgl. slstee-ren) woderstaan, togonstaan, zich verzetten, tegenstand hledon, zich tegenaan kanten-, verdragen, ullhouden, verduren; — resisténtie (spr. lie—lsie), t. nw.lal. of resistance, f. fr. (spr. rezisldiuï) de tegenstand, wederstaml, het verzet, de tegenweer; do duurzaamheid, sterkte

Resjimdar, m. of naar fr. schryfwyze rechimdar, turk. (v. perz. resjmch, een zilveren ketting als kopsleraad van het paard, en dar, houdend) de toomhouder des sultans.

Resool-Alliïh, m. urah (van moe/, gezonden, van rasala, zonden -, vgl. A 11 a h) de gezant Gods, een hünaam van Moliamod.

re snl. It. Muz. de verandering, volgens welke op den loon (/ of u niet meer re, maar sol gezongen wordt.

resolveeren, lat. (resolvüre: vgl. solve eren) oplossen, verdoelen, ont hinden, schelden; hesluiten, voornemen, vaststellen, hepaloa;

— geresolveerd, adj. opgelost; besloten; dapper, koen, moedig, onvervaard, van kort beraad; — resolveer-tabóllen, vergelijkingstafels van verschelden munten, gewichten en maten met betrekking tol hunne waarde en bedrag; — rosolvontïa (spr. I=ls), pi. Mod. oplossingsmiddelen, oplossende, ontbindende of vordeelende middelen; — resoluut, adj. nw. lat. (II. risoluto-, fr. résolu: hot Int. resolülus heteekenl; opgelost, slap, uitgelaten) beraden, vastberaden, kloekmoedig, slandvastlg, onbeschroomd, onverschrokken; ronduit, vrij uit do borst; — resolütie (spr. /=/.«), f. lat. (re-snlulto) de onlbiniling, oplossing, verdeiding, schelding; nw.lat. (fr. résoMinn) het besluit, de beslissing, het bescheid, antwoord, de me-dodoellng; vastberadenbold; standvastigheid, onverschrokkenheid; — resolnho dominii, .lm\', ophofllng van het eigendomsrecht; — rcsnlutio nervorum, Med, verlamming de zenuwen-, — resolutto pignótis, .lur. ophofllng van bet pandrecht ; — resoluto, -la, -tamente. It. Muz. man-neiyk, krachtig, vastberaden, met vastheid van toon uit Ie voeren.

resoneeron, lat. (resonare, van sonure, klinken) lerugkllnken, weergalmen, weerklinken, terugkaatsen; ook inedekllnkcn, -resonant, adj. (resonans) weerklinkend, klinkend, weergalmend, naklinkend; resonantie (spr. t=ls), resonans, f. (lat. resonanCfa) de weerklank, weergalm, naklank; de geluidversterking door do weerklinking van een lichaam; —resonans-bodem, wcerklankliodem, klankbodem, zang bodem van een klavier, eene forto-plano enz -,

— resonans-tonon, pl. bytonen; — resonator, m. toestel om de bytonen waarneembaar te maken.

resorbeeren, lat. (resnrbëre, van sorbère, slurpen) wederopslurpen, inzuigen of intrekken; In het lichaam uitgestorte vochten wederopzui-gen-, — rosorbentia (spr. 1=1.1) pl. opzuigende, Inzuigende geneesmiddelen; — resórp-tie (spr. l=s) f. nw.lat. hel wederopslurpen, intrekken ol inzuigen, h. v. van eeno vloeistof door het kryt enz.; het opzuigen van eonlg vocht In het lichaam.

respiciëeren, lat. (respiclre) terugzien-, In aanmerking nemen, acht op iels geven, op Iets letten; — respiciëntie (spr. I=ls) f nw lat. hel in aanmerking nemen, de zorg, hel opzicht; — respect, n. (lal. respéclus, eig. het terugzien, omzien) bet in acht nemen, onder\'t oog houden; de betrekking, hot opzlchl, oogpunt; de adding, hoogachting, eerbied, ver-eering; de rand aan kopergravuren enz,-, met respect, met verlof, mot eerbied (te zeggen);

— respéclus parenlêlae, m, eig. de wetteiyke verhouding lot do broeders en zusters of on-middeliyke zyverwanten van ouders, eerbied voor ouders, klndcriyke eoridod; — respéclu, met betrekking, ten opzichte, len aanzien van eeno zaak; haar helrellende; — respect-dagen, ook respijt-dagen (vgl. re pit), respiro (It.), honnour-, faveur- (fr.) of discretie-dagen, Kmt. toegift-, na-, eere-, uitsteldagen, wisselullstel, dal na den vervaldag van een wissel nog wordt toegestaan-, — respectief, adj, en als adv. respeclive, nw.lal. of afgek. resp., betrekkeiyk, in versebiilond opzicht of naar verhouding of gesteldheid der omslandlgheden; we-derkeerig, onderling, wederz.yds(ch); — respec-tueus, adj. (fr. respeclueux) eerbiedig, vol eerbied -, — respecteeren, lal. (respecture, eig. terugzien; fr, respecter) Iemand in aanmerking nemen, hem achten, eeren, In eere hou den, vereeren, eerbiedigen, onlzlen; verschoo-nen, ongemoeid laten-, Kmt, eenen wissel aannemen en Indalen; — respectabel, adj, nw, lat. (fr, respeclnble) aanzienlijk, eerwaardig, achl-haar, aclitonswnardig, veieerend; respectabiliteit, f, de achtbaarheid, aciitonswaar-dlgheld, bet aanzien,

respireoren, lat, (respirure, van spirSre, ademen) ademen, ademhalen, weder tol adem komen, lucht scheppen, zich herslellen, idl ruston-,—respirabel, adj. nw.lal. inademlmar, ter Inademing dienstig of geschikt; respi-ratio (spr. lt;=(.?) f, lal. (mpfrafto) liet adem-halon, ademen, luciitscheppen; de verademing, herstelling, het uitrusten-, — respiratoren, nw.lal een ademliaiingswerktuig, een werktuig, geschlkl om de ademhaling Ie bevorderen; ook een werktuig om hel onmiddcliyk binnendringen


-ocr page 1099-

RESTAUREEREN

RESPON DK EREN

1071

in do longen van al to ondo of In ander opzicht scliadolijko lucht to vorhlndoron, lonKho-schutter; — respiro, tn. It. olg. do adom; Kint. do verlengde botiiltnBstUd, liet uitstel, vandaar res p I ro-da en, z. v, a. ros pee t-of rosplit-duRen, z. end. rospIcIBeron.

rospondeeren, lat. {respontlere, elu. daartegen beloven, van spondcre; vgl. spondeeren) antwoorden, heantwoorden, hernemen, hervatten, wederleggen; overeenkomen; horghlU-ven, z. re pondoor on; — respondeBtur, er worde geantwoord of men antwoordo; — re-spondént, m. (lat. respóndens) de antwoorder, verdediger van een geleerd twistschrift op hoogescholen; — respondentia (spr. t=ls) n. pl. nw.lat. de zekerheid voor goederen, dlo Ier zee uitgevoerd worden; —responsales, m. pl. geoslelijke zaakvoerders of gezanten, Inz. In de 4de eeuw;- respónsum, n. pl. ro-spónsa, het «ntwoord, heschold, goedvinden, teder schrlttelük antwoord aan oimi hestuur of eene overheid op aanvrage van hljzondere personen: Inz. ■/.. v. a. resiiómum juris, het ge-rechleiyk untwoordschryven, de rechtsuitspraak, het goedvinden of de meenlng van eene rechtsgeleerde facullelt op hoogescholen; — ro-spons-gelden, pl. horg- of zekerheldsgel-den, helastlngen, welke de ridders of komman-deryen JaarUjks aan hun orde betalen; — ro-sponsabol, adj. nw.lat. on mid.lal. {respon-sabflis, van \'t lat. responsure; fi\'. responsable) verantwoordelUk, aansprakelijk voor Iets; — ro-sponsabilitoit, f. (fr. respomalriHU) de ver-antwoordelljkhelil; - responsief, adj. antwoordend, antwoord gevend of hovattend; — responsorium, n. een kerkoHike beurlzang, antwoordend kerkgezang tusschen den geestelijke en hel koor of de gemeente.

res pulilica, f. lat. /. republiek.

respueeron, lal. (eig. terugspuwen, van spuëre, spuwen; vgl. sputum) van zich stooten, verwerpen.

Ressaut, m. fr. (spr. resri; v. sauler, springen) Arch, het vooruitspringen, uitsteken, het uit- of overstek aan oenen muur of een ge-bouw; vgl. r Isa liet.

Ressemblance, f. fr. (spr. ressaiibltihs\'; v. resscmbler, gelUken, overeenkomst hebben, v. sembler, scbynen, v. \'l lat. simuUtre, geiyk aan iets maken, van siimlis, geiykonde) de geiyke-rds, overeenkomst; — ressomblant, adj. ge-iykend, overeenkomend; — re i/Hi se ressemble s\'assemble (spr. s\'lti se ressanbl\' sttssiiibl\') wat op elkaar gelykl vergadert zich; soort zoekt soort.

ressontoeren, fr. (ressenlir, spr. resdiil—, van senlir, voelen) nagevoelen, levendig en onaangenaam gevoelen «f gewaarworden, kwalijk nemen; gevoelig, geraakt over iels zyn; — res-senti, adj. (spr. resdiili) l\'lct. en Arch, scherp uitgedrukt, sterk aangeduid, duideiyk in \'I oog vallend; —ressentiment, n. (spr. resanli-mdii) het nagevoel van leis onaangenaams, smar-lelijke berinnering, bet nawee; de gevoeligheid.

bet misnoegen, de wrok, wraakzucht; de wraak, het botaaldzetten.

resserreeren, fr. (resserrer, van serrer, snoeren, drukken) samentrekken, toetrekken, toesnoeren, verstoppen; — resserremont, m. (spr. —mdii) de samenlrekking, samendrukking, beklemming, toeslulting, verstopping.

Ressort, n. (eig. m.) fr. (spr. resAn v. res-snrllf, wederuilgaan, v. sorlir, uitgaan enz.) de veder, veer, dryfveer, springveer; do spankracht, veerkracht; bel dryfwerk, hel in bewoging brengende of houdende deel; het gebied, rechtsgebied, grondgebied of district van eene rechtbank; bet vak, hot gebied, 1). v. eener wetenschap; dat is niet van mijn ressort, dat behoort by my niet Ie huis, is niet van myn vak; ook: dal valt niet onder myn begrip; — ressorteoren (fr. ressorlir) onder een recbls-geblod, lot eene rechtbank, tot een bepaalden werkkring bebooren, van een bestuur, gerecht enz. afhangen, onderboorlg zyn, bebooren.

Ressource, f fr. (spr. re-sóérs\', v. source, bron) de hulpbron, bel hulp- of redmiddel, de hulp, toevlucht; bel bestaanmiddel; een middel ter ontspanning, verpoozing; ook eene plaats van ontspanning; een besloten gezelschap, gezelschapshuls; veel ressources hebben, veel middelen van bestaan hebben, ook veel redmiddelen, nitvlucblon weten, voor vele dingen raad welen.

Rost, f. (it. realo, fr. res te, m., van \'t lal. reslürc, terugblyven) hel overige, overschot, over-biyfsel; ile achterstand, achterstallige schuld; Arlth. hel getal, door de aftrekking (suhstrac-lie) verkregen; — au resle (spr. n rést\') cm/u rente, fr. overigens, voor bet overige, daarenboven, daarby, bovendien; — resteeren (fr. rester) over zyn, overblijven, nog aciitorstalllg of schuldig zyn; — restant, n. bel overschot enz., z. v. a rest; ook m. de achlerslaillge scbuldenaar; — pl. restanten, niislaande schulden, ten achleren gebleven betalingen; Kml. ook de niet verkoelde waren, de voorraad, die Is blijven liggen; de obllgall8n der uitgestelde nederi. staatsschuld.

restaureoren, lal. {restaurnre) wederher-sleiien, verbeleren, wederoprichten of opbouwen; verfrissehen, verkwikken, versterken; — restaurant, m. fr. (spr. restordii) een versterkend middel, Inz. een krachtige bouillon of soep; huls, waar spyzen en dranken te verkry-gen zyn, vorverscbingslokaal, eelhuis, gaarkeuken, z. rest au ra I Ie; — restaurantia (spr. ti=lsi) pl. Med. herstellende, versterkende middelen ; — restauratie (spr. tie=tsie) f. (la-Ier lal. restnuratto) de herstelling, verbetering van kunslwerken enz.; de herstelling eener door revoluile of overweldiging verdreven dynastie op den troon, inz. van de Stuarts in IliliO en van de Bourbons In tsii; in Frankryk do regeering dor Bourbons van lsis--ls;iO; verfrissching, verkwikking, versterking; ook een spyshuis, een liuis, waar men op elk uur van den dag en by portion kan eten; vgl. restaurant; —


-ocr page 1100-

RETARDEEREN

RESTEEREN

4072

restaurator, int. ot restauratour, tr.

(siir. reslo—) m. oon liorstollor, wodoroprlchter, wodoropbouwor, vorliolimuu1; Inz. wie besclm-dlgde kunstvoorworpon, schlldcrüen enz. verbc-tori en borstelt; een gaarkok, ile bestuurder, tiet hoütd oonor rostuuratlo of van eon rost a u ra nt.

restooren, z. ond. rost.

Rostiéra, f. ook rasiêra, r. of rug-goro, in. It. eoiie koreiimaat op hot eiland Sardinië = 11«,quot;3 L.

restinguoeron, lat. [reslinauürc) ultblus-schon, dompon.

Restio, m. lat. {ei);, do touwslager, van mil\'s, touw, strik, wogons liet gebruik dat men er van maakt voor strikken) cono plant aan do Kaap en op Nlouw-llolland, (i lio ml ro p e-t al u in.

restipuloeron,lat. (mtipuluri; vgl. stipule oren) daartegen beioven ot bedingen; — reatipulatie (spr. lie=lsie) f. do togenbe-tofto; bot togoiibcdlng; do vordering eenor te-gonbeiofto.

restitueeron, lat (resliluUrc, v. slaluere, vgl. statueeren) wcdorlierstollen ot in zijnen stand of staal zotten; vergoeden, teruggeven, wedergeven; —«lt;/ resliluémlum, ter teruggave, vergelding, vergoeding; — restitutio (spr. lie=lsic) t. (lui, nsliluCfo) de liorstoiling; teruggave, vergooding, vergelding; — resliluCfo ex-pemarum, do teruggave, vergoeding dor kosten; reslilulio in inlêgrum, de berstelling in don vo-rigon stand, slaat, bezit enz.; r. naluralium, de voroorHiking van oneelito kinderen; — rosti-tutio-odict, n. een gebod van keizer Ferdl-iiami II van liet Jaar lii-ii), volgons lielwolk de Prolestanten ai do sedert liet verdrag van l\'as-sau (I55i) ingetrokken stiften en kerkgoedoren aan de Katiioiioken moesten teruggeven; — rostitutie-oorlog, m. de oorlog van Lo-dewljk XIV legen Duilseliland sedert 1(194; — restitutie-stolsel, n. bot stelsel, hetwelk de anti-revoiuiioiiairon liier te lande weiisclion ingovoord te zien, tot vergoeding uit de staatskas van de kosten, die zy zicli voor bun scbo-len met den liübel getroosten.

restornoeron, Kmt. oen lierwissel trekken, zieli revaleeren (na protest, enz.); — restorno, f. oen lierwissol.

restringeeren, lat. (nslringlre, v. sfrin-gën, vgl. sirlngoeren) oig. terugtrekken of binden; beperken, bepalen, begrenzen, verkor-ton ; rostri ii g e o r o n d e m 1 d d e I e n. Mod. samentrekkende of stoppende iniddeleii; — restrictie (spr. lie~sie) f. do beperking, bepaling, inbiiiding, verkorting; hot voorbehoud; — restrictief, adj. nw.lat. beperkend, bopaleiui, voorbohoudenil.

resulteeron (v. \'t lat. mulinre, d. I. oig. terugspringen, van sallBre, springon; fr. résul-Ier) uit eone zaak ontspiingen, volgen, ontslaan, voorlvlooien; —resultaat, n. nw.lat. do uitslag, hol gevolg, do iiilkomsi, olnduitkomsl; de vrucht, opbrengst; bet oindo, hosluil, de lioofd-inboud, liet eindgevolg van een onderzoek; — resultante,f.of rosuileorondo kracht, grootheid, lUn, enz., do door samenstelling van verscheiden gegeven krachten, grootheden enz. verkregen kracht, groothoid enz.

rosumeoron, lat. {resumire, oig. vveder-nomen, van sumére, nemon; fr. résumer) kort herhalen, samenvatten, in oen klein bestek brengen, nalezen en goedkeuren; — resumé, n. fr. (spr. rei—) ook resumtie (spr. lt;=s) f. nw.lat. de samenvalllng, ineengedrongon of korte herhaling van do hoofdpunten, een beknopt overzicht, korte inhoud;—resumist, m. (fr. ri-sumistc) maker van korte overzicliten; — re-sumtief, adj. (later lat. resumiiltvus, a, urn, v. resumire, voor: verkwikken, lierstellon) Mod. tot verkwikking, versterking dienstig; versterkend ; — rosumtief, n. een versterkingsmiddel; pi. rosumtïva.

Resupinatie (spr. t=ls) f. nw.lat. (van \'t lat. resupmare, terugbuigen; vgl. supina-tie) de torugbulglng, acliterwaartsclio krom-niing; — resupinalus, a, urn, Hol. omgeslagen, omgekeerd, \'l onderste boven of achtorovor gebogen.

resurgeoron, lat. {resunjtfre, Minsurgëre, zich oprlebieii) wederopslaan, verryzen; weder boveiiopkomeii; — rosurréetie (spr. t—s) f. de opstanding der doodon; ook eono schll-dery, die deze opstanding voorstelt; — rosur-rectionisten, m. pi. of rosurrectie-mannen, opslandlngsmannen, lykilieven in Engeland, ille lijken opgraven, om zo aan do ontleedkundigon te verkoopon.

rosusciteeren, lat. (re-suscllare; vgl. suscitoeren) wedcropwekken, weder gaande of wakker maken; —resuscitatie (spr. lie =lsie) f. (later lat. resuscilatto) de wederopwekking van don dood, do opstanding; de vernieuwing, het wederophaleii, b. v. van een rechtsgeding.

Rotable, in. fr. rotable, m. sp. hot altaarblad, een sieraad, waartegen In eene kerk of kapel het altaar steunt, en ilai doorgaans eene scbildory bevat.

rotabloeron of rotablisseeren, fr. {rilahlir, van \'I mid.iat. re-stabilire; vgl. stabiel, enz.) herstellen, wederoprlciiteii, weder-instollon; — gorotabiisseerd, adj. (fr. ré-labli) hersteld, genezen; — i\'Otablisse-mont, n. (spr. —bli-s\'mdü) do hörstelling, ge-nozing.

Retail, eng. (spr rilédl) kleiniiandol, ■/.. v. a. detail-handel; — retailer, m. kleinhaiido-iaar, detaillist.

retaliëoron, lat. (relaliure-, vgl. talio) wo-dorvergelden, geiyk met geiyk vergolden of beantwoorden ; — retaliatio (spr. lie—lsie) f. nw.lat. de wedervergelding.

retapeoren, fr. (relaper, van taper: vgl. tapeoren) wodoropstyven, omstulpen, opzetten, b. v. do randen van oonen bood; omkrullen; doorhalen, hekelen, dnchtig bootlioliben. retardeoren, lat. {rctardürevgl. tar-


-ocr page 1101-

RETOUCHEEREN

4073

RETAXI\'I\'RKN

(loeren) de snelheid verminderen (it woerhou-den, ophouden, vertragen; talmen, dralen, ach-lorhiyven, te laat of te langznain Kaan, naloo-pen (van uurwerkon); — retardaat, n. {re-lurdalum) achterstand, nog te heialen holas-ting of opbrengst. Interest; — retardatie (spr. tie=lsle) f. (lat. rcUmUilio) do vertraging, vonninüering dor iiewoglng, uitsloi, verhindering, lioleimnoring; - retard, n. (spr. r\'tAr) aanduiding op tiet kompas van horlogos om den kant aan te wUzcn, naar wolken een daarhU hehoorenden wijzer verzet moet worden, als het horlogo langzamer moot gaan; — rotarde-ment, n. fr. (spr. r\'lurd\'maii) do vertraging, het vertoef, nitstei, verzuim, oponihoud.

retaxooren, nw.lat. (vgl. taxecren) opnieuw of nog eenmaal schallen.

reteneeren, retentie, retentief, rc-U\'nutO, z, ond. rettneeren.

Retentissemont, n. fr. (spr. gt;■\'lahlies\'-mdii) do weergalm, do weoi klank.

Reteporen, pl. Ial.gr. (v. \'I lat. vele, tiet nel, en \'t gr. poros: vgl. poriën) eene soorl van nolkoralcn; — retoporieten, m. pi. z. v. a. csciiarteten.

Rotian\'örs, m, pl. lat. (re(iarïu.i, pl. re-liani, van rele, net) nelvechters, eene soort van vechters hd de oude Uomeluen, die zich van een nel tiediendon om humio legenpariy daarmede Ie vangen.

reticeeren, lal. {rcliccrc, van laccrc, zwijgen) verzwijgen, mol stilzwijgen voorhggaan;— retioéntie (s|ir. tw=lsic) f. (lal. relkcnha) de verzwijging; Log. z. v. n. a po slop es Is.

Reticulum, n. lal. (verklw. van vete, net) Mod. oen netje; — reticulair of gereti-culeerd, adj. nw.lat. (lal. relirul«lus, u, vm) netvormig; — reticule, f. fr. een kleine zak dor vrouwen, eerst uit scherts en later hijver-hasloring en uil onkunde ridicule {■/.. aid.) geiieoten; — retina, f. het netvlies in \'t oog, liet hinnensio vlies van don oogappel; — retinitis, I. nw.lat.-gr. Mcd. nelvlles-onlsleking;

- retipódon, pl. nw.lat. nelvoelers, vogels mol een netvormig vlies aan de voeten.

retineeren, lal. (relinirc, v. tenure, houden) of reteneeren, fr. (retemr) terughouden, wederhoudon, onthouden; hehouden, bewaren; voorhehonden; hesprekon, huren, li. v. eonen wagen, oeno plaals; — retentie (spr. Ue—lsie) f lat. (reien! 10) de terughouding, voor-hohondlng, liet voorholioud; liet opliouden, opstoppen, h. v. van hot water; — relentm alvl, hulkverslopptng, hotommerdo stoelgang; r. uri-nae, plsverslopplng; — rotentie-rocht, z.

a jus retenliunis, 7. aid.; retentief, adj. uw.lal. lerughoudend, samentrekkend; — reténtum, n. lat. ,lur. een voorholioud,\'ge-helm hijvoogsel, een niet uitgedrukt artikel In een vonnis, maar dat or niettemin een gedeelte van uitmaakt en van kracht is; eene hedrleg-lijke voorwaarde hij hol sluiten van een contract; eene ultvliichl. oen voorholioud, oen .slinger om den arm; — retenu, 111. of rote-VIKIIDK IIIIUK.

nue, f. Jur. do eerste post op de rekening van een advocaat, ten Idyko, dat tiij liet hom op-godnigen geding heeft aangenomen; — relenülo, 11. (spr. —nuetn) Muz. vaslgehoudon, lerugge-houden.

Rotiniet, n. gr. (v. rhelinc = lal. res ma, hars) of retien-asphalt, n. een uil plantenhars en aardhars hostaand lichaam in hiuln-koolgehorgle; ook: reslnlel; retinoide, n. eene artsenij met samengestelde harsige ha-sis; — rotinol, 11. artsenij met enkelvoudige harsige hasis; — rotinyl, n harsolie.

Retinitis, retipedon, z. ond. reli-c 111 u m

retireeren of zich rotireoren, fr. (se

relirer, van lirer, trekken) zich terugtrekken, wijken, afdeinzen, aftrokken, terugtreden, hoon-gaan; zich Int rust hegeven, van de wereld, de hezlgheden afzien; — geretireerd, fr. retire, teruggetrokken, afgezonderd, Ingelogen, eenzaam, op zich zeiven levende; — retirade, f. (in hei fr. elg. oen toevluchtsoord, eene wijkplaats lu holwerken) de terugtocht, aftocht, vlucht; toevlucht, toovluchtsoord, rustplaats (fr. retraite, z. aid.), Inz. hel geheim gemak, de hostokamer, hel sekreet; Kort. eene verschansing op een hastlon enz., om den grond voet voor voel te helwlslen, als de vUand het werk lieeft heklonimeii;--rotiratie (spr. Uc—lsie) f nw.lat. en fr. hy hoekdrukkers; weerdruk, de hodrukklng van de tweede of keerzijde eens hlads.

Retiro, z. h 11 c n.

Retoor, enz. z. retour.

retorqueeron, tal, {relorquire, vgl. tor-(|ueei\'on) terugdraaien; iemands redenen tegen hem zeiven keeren, hem mol zijne eigen gronden wederleggen, mol zijne eigen wapens heslrUden of slaan; ontvangen helcediglngeu enz. teruggeven; — relorquéndn, hij wijze van wedervergelding; — rotórsie, f. mv.lal. de te-rugschulvlug, terugslouting; teruggave, heaat-woordtag, vergelding van ontvangen helcediglngeu; — rotorsie-systeem, n. iaz. de hooge liolasling van den uilvoer naar een slaat, die zelf den uitvoer verhollen heeft; — jus retor-sidnis, z. jus; rctorsiunis jure, naar tiet rectil der wedervergelding.

Retórt, f. fr. {relnrle, van \'l lat. retort us, a, urn, toniggedraald, hij herhaling gedraald, parlic. v. relorquire, fr. relordfi) Chem. een kromhalztg vat, de kuif. kollltescli, liet kolfglas, de helm, kromhals.

retoucheoron, fr. {retoucher, *\\)V r\'loesj-; van toucher, aanraken of aangrijpen) een of ander werk weder doorloopen, doorzien, overwerken, verheleren, do laatste (land, de liescliavende hand of de vul aan Iels leggen; eene schilderij weder opwerken, opfiisschon; hij eene pliolo-grapiile do lichte punten en andere getiroken verhetereu; eene afgehruikle koperen plaat weder opwerken; retouche, f. de overwerking, verholorlng, nazleniiig; ook eene overgewerkte, verheterdo plaats van oeiie selilldery enz.; — rotouchour, m. een op- of hywer-

«s


-ocr page 1102-

RETOUR

RETRO

1074

kor, vcrliolonuir, Inz. van pliotoginplilönj — ro-tourehoorponsool, hel penseel, wmmnedo de schilder de luulsle hand aan zyn werkt legt.

Retour, n. fr. {Ie retour, spr. r\'loer, vgl, tour) de terugkeer, omkeer, wederkeorlng, terugkomst, terugreis, terugvaart, t\'huisvaart; — retour, f, pl. retouren, Kmt. terugvoer van goederenladingen; ook geld-of wlsselterug-zcndlngen (tegen-rlinessen); - retour-biljet, n. -kaart, t. briefje of kaart voor heen-en terugreis-, — retour-brief,fr.nederl een met de post aan den afzender terugkee-rende hrlef; — retour d\'eau, n. (spr. —dn) verzanu\'lhak voor de lol water verdichte dampen hü stoommachines; — retour-vracht, de terugladlng, do goederen, die een schlii voor z.yne terugreis Inlaadt en ruilt tegen die, welke het heeft aungehraeht; —retour-rekening, de terugrekeiilag, — retour-schepen, retour-wagens, enz., lerugkeeremle schepen, wagens enz.; retour-vloot, naam, die men vroeger gaf aan de vloot der Compagnie, die uit de koloniën naar \'I moederland terug-ke\'erde; - retour-wissel, z, v. a. ricam-h 1 o; — ile retour, terug, naar huls, to huis gekeerd; — retourneeren (fr. rctnurner, vgl. tonrneoren) terugkeeren, omkeeren, terug-of wederkomen, weder terugreizen ; terugzenden.

retraceeren, fr. {relrucer, v. tracer, teekenen, onl werpen) weder of opnieuw leekenen, weder in aandenken nf in herinnering brengen.

Retract, retractie, retracteex-en, enz. z. oud. relrabeoren.

retradeeren, lat. {retradürc: vgl. trade eren) teruggeven, weder overleveren; — retraditie (spr. tie=tsie) f. nw.lat. de teruggave, de wederoverbandlglng.

retraheeren of retracteeren, lat. {retrahëre, relrnctare, van trahlre, trekken) terugtrekken; zga woord enz. terngnemen, herroepen, terug- of Intrekken; ook eenen herwissel trekken; — retract, n. (later lal. retrdclus) hel terugtrekken, aan zich trekken; Jur. bet intreden in de rechten eens voorkoopers; na-derkoop, voorkoop; ~ j\'iti re//\'(iclt;us of retractie—recht, het nader- of vooikoopsrecbt; — retractie (spr. Iie=.iic) f. (lal. retrnetio) de terugtrekking; Meil. de samentrekking, optrekking, verkorting van spieren en zenuwen; — retractatie (spr. tie=t.iie) f. (lat. retractw) de terugneming van zijn woord enz., de herroeping; retrartio Juraménte, de bestrijding van eenen eed, omdat by valsch was; —retractor, m. een ternglrekkende spier; ook een werkliilg by hel ampuleeren tot het terugtrekken der spieren, do terugtrekker; — retraito, f. fr. (spr. r\'trèt\') de terugtochl, aftocht (retirade); bet vaarvvelzeggen dos bedryvigen levens, verlaten der beroepsbezigheden, de afzondering van de wereld, afgescheidenheid, eenzaamheid, rust, bet sllllo leven; de eenzame wyk of rustplaats, bet loevinchlsoord, eene toevlucht; de retraite blazen of slaan, het sein tot den terugtochl, aflocht blazen of trommelen, do taptoe slaan-, — en retraite (spr. «« r\'trèt\') afgezonderd, eenzaam, van liet gewoel vern ederd -, — retraite-pensioen, n. eene jaarwedde voor oude, tot den dienst onbekwaam geworden krygslieden.

retrancheeren, fr. [retrancher, spr. r\'transj—, vgl. Irancheeren) afsnyden, afzonderen ; besnoeien, verminderen, beperken; verschansen-, — retranchement, n. (spr. r\'lraimj\'mdii) de verschansing, leger- of veld-schans.

Retratta, Hover ritratta, z. ahl.

Retreat, m. eng. (spr. ritriet) z. v. a. retraite.

retribueeren, lat. (re-iribufrcvgl. t r i-bueoren) wedergeven, vergoeden, vergelden;

— retributie (spr. Iie=tsie) f. (later lal. retributfo) de teruggave, vergelding, wederver-goedlng.

Retriment, n. lal. {relriméntum, van reen terire, wryven) afval, verlies op brosse, vvryfljaro dingen.

retro, lal. terug, rugwaarts; — ui retro, olg. als rugwaarts, d. I. als ommestaand of als op de vorige bladzydo; retroageeren (lat. retra-ufjëre, van nui\'re, handelen, voeren, weiken enz.) terugdryven, terugwerken, achterwaarts doen gaan; — retroactie (spr. tie— sic) f. nw.lat. de terugwerking; — retroactief, adj. terugwerkend; — rotroactiviteit, f. de terugwerkende kracht, het terugwerkend vermogen-,- retrocedeeren, lal. (retro-eedire, vgl. cedeeren) lerugwyken; Iels weder afslaan;— retrocóssie, f. nw.lat. de woder-afsland; — retrochorus, m. mid.lal. (vgl. koor) eene achter bot koor gelogen kapel, In de kloosterkerken der benodlciynen; - retro-dateeren, nw.lat. (vgl. dateeron, oml. datum) terugdagtoekenen, de dagteokeuing terugzetten, eene vroegere dagteekening schrUven;

— rotrodateering, f. de terugdagleekening, vervroeging van de dagleokening-, — retro-feudum, n. mlil.lal. (vgl, feudum) het achterleen; — retroflóxie, f. uw.lal. de terug-buiging; — retronru\'l\'»* of retrogradief, adj. nw.lat. rngwaailsgaand, achterwaarlsbewegend, terugioopend; — retrogradeeren, lat. (re-tronradi) rugwaarls, achlerwaarts of teruggaan, den kreeflengang gaan; — retrogradatie (spr. tie—tsie) f. (latei- lat. retrofiradatïo) de teruggang, lerugioop, de sebynbaar acblorwaart-sche beweging eener planeet -, — retrogrado, II. iMnz. rugwaartsgaande, allengs langzamer; — retrorsus, lat. rugwaarls, lenig; — re-trospéetie (spr. tie=sie) f. nvv.lal. (van re-trospierre, terugzien) hel terugzien, de terugblik, berinnering; retrospectief, adj uw. lal. {retrospeehvus) lerngziend, lerngidikkend-,

— retrovaccinatie (spr. tie—tsie) t. de we-dervernlenwing der pokstof door lerugenten op kinderen (verschillend van re va e el n a I ie);— retrovendeoren, nw.lal. (van reudrre, ver-koopen) wederverkoopen, terugverkoopen; -rotrovenditie (spr. tie-tsie) f. de weder-


-ocr page 1103-

RETROUSSEEREN

1075

REVERHKIiKEIlKN

verkoop; — rotrovortooren, lal. (retrmer-Idre) teruKWO\'Mdcii, Icruuliiili/eii; weder overat-ton; — rotrovórsio, f. lal. de leronvertu-liiiK; Mod. de teniKluiiKhin, riiBwaartswendirift; relroversl uliri, de ombulglns: der liaarrnoeder nuar achteren.

rotrousseoron (spr. r\'lroes-) fr. [retrnm-ser) terugslaan, opslaan, omslaan, opschorloti {mouwen, kleederen enz.)

Rotrozijn, m. (vorbasterd nil fr. rhelori-den) rederyker, z. aid.

rotudooren, lat. (reludire, van lantlfre, stooten) teruBstoolen, terugdryven; — re/iisus, «, urn, lat. Hol. liiKedrukt, afaestompl.

Rotz., Iiij natuurwelenschnppelUko benamingen afk. voor A. ,1. Ketzlus (gesl. ISil).

Rouchlinischo uitspraak van bet grloksch, de door en In navolglug van Keiiehltn In het begin der tilde eeuw aangenomen, niet het nleuw-grlekseh overeeukumonde ullspraak daarvan = Itaclsmo, z. aid.

roünieoren, roünisseoron, nw.lal. (v. unite, veroenlgen; 1v. réunir) wederveroenlgen, verzoenen; zich reün , zich verzamelen, vergaderen, l)yoenkomen; — reünie, f. de we-dervoreeiuging, hereeniging; de verzoening; ook do vereeniging, als naam van gezellige hüeen-konisten; Med. de samonheebling eenor wonde; -reünie-kamers, r. pi door I.odewijk xiv iugeslelde collegia van i\'oi\'btsgeieerden, om ie onderzoeken, welke stukkon grondgebied eenmaal lot l\'Yankryk behoord hadden, door welke by onder andere van Duitscbland op Slraals-hurg en den lilzas aanspraak mankto en door verraad ook werkoiyk verkreeg.

rells, rn. lat. Jur. de beklaagde, voor het go-reebt gedaagde, verweerder, scliuldige; rells est almlréiulus uclure non probniile, wanneer de aanklager idels bewijsl. hehoeft de gedaagde geen tegonbewys te leveren; reo negante aclori ineiimbit probntto, wat de hekiaagdo loochent, mooi de aanklager bowyzon.

reüssooren, fr. róussir, van \'I oudfr. «.«/)•, cissir, 11. uscire, escire, uilgaan, uit-, voorkomen, van \'I lal. exire) goed nilvaileu, goed van de hand gaan, gelukken, slagen, een goeden of gelukkigen voorlgang hebben, wel groeien. Horen, bloeien, voortkomen; ergens gelukkig in zynj zgn doel iioreiken, ceno zaak lot stand brengen; — gereüsseerd, adj. geiukl, geslaagd; — retiasito, f. oen gelukkige at-loop, goede ulisiag, ceno gowenschie ullkomsl, een verlangde voorlgang, het welgelukkeu.

rovaccinooren, nw.lal. (vgl. vacclrtee-ren) bij herhaling de koepokkon inonleir, rovaccinntie (spr. I ts) r. de berhaaldo koepokinliniing (vorsclllllend van relrovaccl-n all e).

revaleeren, nw.lal. (van \'I lal. viihrr. gezond zün, zicli welbevinden, vermogen, geldon; il. rivutere) Kuit. wegens een uilschoi of eene belaiing zicii op lem.iad verhalen, zich weder doen botaien, zich sciiadoloos houden; - ro-valénta arabica, r. zoogenaamd aralilsch gozondheidsmlddel, uil meel van penlvrncbicn heslaando, als geheim middel ter vorslerklng aanbevolen.

revalidooren, nw.lal. (vgl. valide, va-lidoeren) weder geldig maken, opnieuw voor geldig verklaren.

Revanche, f. fr. (spr. rwdiisj\': van liet lat. rc-viiidicatïn, het nanst van \'1 lat. vinilielu, als ware \'t re-vindicta werkwoord remncher, oudfr. reveiKjer, van render, wreken, v. \'I lal. vindicare; vgl vindiceeron) de genoegdoo-uing, wraak, wedorvorgeldlng, bel verhaal; Inz.

een Iwoede spel, waarloe men zijne legenparlij nilnoodigt of uildaagi, om hel geleden verlies te horstellen; iemand revanche geven, hem door een tweede spel gelegenheid geven zyn verlies te hersieilen; —revancheeren (fr. remncher) vergelden, wrekon, betaahlzollon, t\'hnis zoeken; — zich rev , zich wreken, zich genoegdoening verscball\'en.

Revèche (spr, rli=sj) f. fr. (van rerfche, slug, onhandelbaar, ruw, oudfr. revnis, v. I lal. revenus, omgokoerd, 11. rivescio, reveseio, do keerzgde, verkeerde zijde, fr. rerers, z. aid.) eene grove, lichle llanelachtigo wollen slof lot voering, voeringsatyn.

Roveillo, f. fr. (spr. r\' irélj\'; van réreitter, opwekkon, doen ontwaken, v. re- en éreiller, wekken, v. \'I lat evigiltirej Mil. de wektrom-mel, de morgenroirel, hel signaal voor bet ontwaken, als leoken om op ie slaan; — re-veillense, f (spr. r\'wetji\'ii:\') cone soorl van sofa; — reveillon, m. (spr. r\'weljnii) een vóoravondeicn of -botcrhani; ook een nachle-iyke maaliyd na een bal of ook eene vroolyko pariy; hg schilders; oen krachlige penseelslreek, waarmede men zekere voorwerpen meer licht en kracht geeft; — n\'vcil dn peupte, m. fr. liet onlwaken iles volks, naam eener franscho, door C.avaux goconiponeorde volkshvmne, die na den val van Itohesplerre in de pinats der Marseillaise (z. aid.) kwam.

reveleeren, lal. (revelare, v. rrttire, om-bullen) onlhulh\'n, onldekken. onlhloolen, onl-sluleren, openiiarcn, verkondigen, verraden; — revelatie (spr. t=ls) f. de onlhnillng, oni-dekking, onlsiuioring, openharing; revo-lantisme, n. nw.lal. de openbaringspidloso-pliie; - revelajltist, m de operdiarlngspbi-losoof.

Revenge, z revanche, revenieeren, lal. [rerenive, v. ren/re. komen; fr. revenir) lerugkomoii; weder lol zich komen, zich herslellen; revenant, m fr (spr. rcw\'iuin) een wederkonieling, een afgescheiden, ierugkeerende geesl, een spook, geesl;

revenant-bon, in. fr. (spr. reilfnan-lwn) loevaliige winsl, byverdiensie, huilcnkansje, he-neflelje; hel saldo, hei bedrag der kas; revenu, n. of revenue, bel Inkomen, voordeel; pi. revenuen, inkomslen (rcuicii!. re vera, z. oud. res.

roverbereeren, lal. rererhert/ro, vgl. verhereereni lerugslaan, llehlslralen lenig-


-ocr page 1104-

REVERÉNDUS

REVIVALS

1076

werpen, doen leniRktmtsen, (Mik lorugslralen, woderkiiaisen; — roverbereer-lantaren,

oeno spleKelliiiilureii, groote struullimlaren, welker llclit van een lillnkend melmilhllk lerUKkaatsl;

— roverboroer-vuur, sliijkvuur, con vuur zonder ullwog van bovon, waardoor ilo vlam zieli omhulgl of hoonrolt over do voorwerpen, die aan hare Inwerking zün hlootgoslold; — revoi\'boroer-ovon, slrgkovon, smelloven, waarin de vlam g ere v er liereerd wordt; — reverberatie (spr. /=/.*), f. nw.iai. de terugstraling, weersthljn, terugkaatsing; — ro-verbère, r fr. (spr. rcwerbèi\'\') een llchl-weerkaatser, lichtscherm, een stuk gepolijst hilk, dat de opvallende licht- en wamitestralon versterkt tiaar éene zijde terugwerpt.

reveréndus, a, urn, lat. (van revercrl, vcr-cercn) eerwaardig, vereerenswaardig, inz. als titel voor geesteiyken; — reveréndus (lomïnus, afgek. /(. /)., de eerwaardige of hoogwaardige heer; — reveréndo domfno, afgek. /fquot;. I)°., aan den eerwaardlgen heer; — reverendissimm, hoogwaardigste; — reveremlum ministemim, de eerwaardige geesteiykheid (z. in 1 n 1st erl u m);

— rovoróndo, f. uw. lat. een priesterrok, koorrok, lang zwart overkleed van do evangelische geestelijken; ■- revorónt, adj. lat. re-vSrens, eerwaardig, \\(d eerliled; — reverénlcr, adv. eerliiedig, met eerbied; — rovoréntio (spr. I=ls] f. (lat. revcrenCfa), ontzag, eerliled, oerbetuiging, eerhiediglieid; hulging, neiging (fr. révérence).

Rêverie, f. fr. (van rêver, droomen) de droomery, sulfery, inboelding, gril, hersensehlm, de mymering, diepe gedachte; ook een niuziek-stnk van droomerigo steinming; — rêvour, m. een droomer, dutter, sutTer, mymeraar, gek; als adj. droomend, inymerenil, iu gedachten verdiept, verstrooid.

Rovers, m. nw.lat. (van \'1 lal. revert ere, omkeeren; fr. revers) de keer- of rugzgde van ecne munt of medaille, op welke tiet wapen, zinneheeld of opschrift is gestempeld (liet le-gengest. van avers) do averectiische of verkeerde z.yde; omwending der fortuin, tegenspoed, ongeval, ongeluk; de omslag of opslag op een mansrok; Jur. een legenhewys, do tegenverzekering, eene schrlfteiyke tegenhelofle; — re-versaliën, f. pi. of Ullürae revenu les, ver-zekeringsschryven, waarhorghrieven, In welke een vorst zich verlilndl, de recliten zyner onderdanen niet aan te tasten; — reverse, f. een op laken geiykende wollen slof; — re-verseeren, zich door een togenhewys vor-hlnden, eene schrlfteiyke tegenverzekering geven; — rovérsie, f. lat. (reversin) de terng-keer-, het ierugvullen van een goed aan zyaen heer; vandaar reversle-rechl, het recht van terugvalling of wedcrkeerlng; - rovorslbel, adj. nw.lat. terugkeerend, dat torngvalt of terugkeert, h. v. zulk oen leen; — reversibiliteit, f. de iiuedanigheld van weder te vervallen aan den eigenaar, die or over lieschlkt heetl, wederkeerbaarheid.

Rovórsi, revorsino of rovórsi-spel (fr. vermis) eene soort van kaartspel tusschon vier personen, waarby degene, die de minste slagep haait, de party wint, en hartenboer de voornaamste kaart is.

reverteeren, lal. (revertére, omwonden; wederkeoren, terugkomen.

revesteeren, tat. (revestire, van veslire, kleeden) weder kleeden, opnieuw hekteeden, weder In een vorig ambt plaatsen; — reve-starïum, n. nw.iat. of revestiaire, fr. (spr. —Mr\') de kamer, waar de priester zyn plechtgewaad aandoet; — reveteoren, fr. (revétir) bekleeden, voeren, bosclileten; — ro-vêtemont, n. (spr. —mdii) Fort. do beinan-leling, de bekleedlngsmuiir.

Rêveur, z oud. rêverie.

revideoron, lat. (revidcre, van videre, zien) Iets weder doorzien, nazien, herzien, nogmaals onderzoeken om te verheloren; — ro-vidént, m. nw.lat wie zich van het rechtsmiddel der revisie bedient; ook z. v. a. revisor, in. nw.lat. een onderzoeker, doorzoeker, narekenaar, naziener, b. v. van rekeningen; ook de inordehrenger der drukproeven; — revisie, f. (later lal. revisio, hel wederzien) de ber-haaide doorzage, herziening, iiermonsicring; Jur. een reehtsmiddel lot berbaaid doorzien der ac-ten en verandering van het gevallen besluit; het herzien en veranderen van wetten, verdragen en grondwetten; Typ. liet iwecdo proefblad, do verbeterde proef om nogmaals nagezien en vorhelerd te worden.

Revier, n. (vgl. rivier) district, gebied of landstreek.

Review, f. eng. (spr. riwjde; v. fr. revue, z. aid.) de monstering, het overzicht; inz. een letterkundig en critisch tydscbrlft (1). v. The Monthly Heview, The Quarterly Iteview) ,■ — reviewer, m. (spr. riwjoeer) sciiryvor in een dergeiyk week- en maandiiiad, of de uitgever er van.

revindicooren, nw.lat. (vgl. vindicoe-ren) op iets weder aanspraak maken, iels, dal verloren of onlnomen is, weder tooOigoneii, terugvorderen, herelsehen; — revindicatie (spr. t=ts) f. de terugvordering of wederbeko-ming van oenen eigendom.

Reviremont, n. fr. (spr. r\'wi-r\'maii, v. revirer, van virer — lal. gyrare, la een kring draaien, draaien, omdraaien) Mar. hel wonden, overstag werpen van een schip; Kuil. de afre-koning tusschen vorsebeiden scimldenaars en sciiuidelscbors door overdracht en verelfening; in lie fr. administratie: bel gehraik vandoovor-scliotlon op een artikel der begrooling lot andere uiigaven die niet by de hegrooilng voorzien of althans niet toegestaan zyn.

revivals, pi. eng. (spr. rivdiwels, v. revive, weder opleven of lovend maken) eig. we-dorloveiidmaklngon, opwekkingen, in Noord-Ame-rika de reiigieuse verscbynselen in oono kerk, waar in korten tijd de vroomliolil opnieuw herleeft en vroegere ongeioovige clirisleiion zich


-ocr page 1105-

REVIVIFICEERKN

1077

UHABDION

plotscllnB liokooron; — viindaiir revivalis-ton, pi. zlelopwekkurs; — rovivalismo,

ii. zlolopwokking.

reviviflcoeron, Inter int. (v. vivtficare, loveml iniikcii, woiler liczlDlon) wodcr levend maken of In \'lieven leruRroopen; — rovivi-ficatio (spr. I—Is), f. nw.lal (vtil. vlvlfi-callo ond. vlvus) de wederlioziollng, wedor-levoiidiKiiinkinj?; Clioin. hcislellln({ van liet kwik in zün natuurUjken slaat; revivlcatle van \'t lioOnzwart, wcder-lierstolllng der hy do sulkerzledory tot ontkleuring golirulkio heender-koot; - revivisooeren, lat (reviviseïre) weder levend worden of maken; Inz. verkalkte ertsen weder tot hunne vorige, natuuriyke gedaante terugbrengen; — roviviscóntio (spr. f -=/\\) f, nw. lat. liet wederlevend worden, lier-teven, ti. v. der raderdiertjes, enz.

revocooron, rovoqueoren, lat. irc-voeüre, v. vocarc, roepen) terugroepen; herroepen, zün woord terugnemen; - rovoetlbol, adj. (lat. revocabllls, e), wederroepolUk, her-roeptiaar, wat teruggenomen kan worden; — rovoeabilitoit, f. nw.lat. de lierroepelgk-lield; — revocatie (spr. I-Is) f. lat. (ccro-calto) de lerugroeplng, herroeping, terugnenilng, intrekking, terugnanie; — revocatonum, n. pt. revocatona, de herroeplngs- of te-rugroepingslirlef.

revnir, fr. (spr. r\'wodr; v. voir = lat. ri-dcre, zien) wederzien; — d of au revoir (spr. o—), tot wederzlens.

Revolte, f. fr. (spr. rewnll\': van \'1 lat. revolvcre, ierugwentelen, omwentelen) de opstand, hel oproer; — revolteeren (fr. rd-voller) doen opslaan, In opstand hrengen, hel gemoeil tegen iets doen opkomen; ook oproerig worden, opstaan, in opstand geraken; - revoltant, adj. iioogst hinderiyk, ergerlijk, tegen do horst sluitend.

revolveeren, lat. (revolvrre) terugrollen, Ierugwentelen, van zich afwentelen h. v. he-schuidigingen; - revólvor, f. eng. (spr. ri—.-v. revolve, omdraaien) een draaiplslool, pistool met verscheiden, tol éenen cylinder vertionden ioopen, die hij leder schot omdraaien of met (\'en loop en een draaihare laadsehyf voor verschelden schoten; -- revolutie (spr. I—Is), f lal. de omwenteling, omverstorting, omkeering, omdraaiing, omwending; Astron. de he-weging van een kleiner llchaani om een grooter; geheele verandering of omvorming, h. v. van hel dleriyk organisme, van de aarde door groot e watervloeden, aardhevingen, enz.; inz. politieke revolutie, sliiatsomweiileling, staals-vervormlng, verandering van de gansehe slaats-inriclitlng langs den gewelddadigen weg; — revolutie-tribunaal, n. tribunal révo-lulinnnaire) een hloeddorsHg gerechishof In de eerste fransche slaalsomwenteilng (den 11 Maart 1703), eerst onder den naam van eeno huilengewone criminecle reclilhank ontstaan, dat de vervolging en heslratting van alle legenslrevers der revolutie en aanhangers van tiet Konlnkiyke huls ten doel had; — revolutionair, adj. (fr. révolulinnnuire), omweiilellngsgezlnd, oproerig; ook wel z. v. a. elgendunkoiyk, mei verandering van de hestaande orde; als suhsl. m. een staalsomwenlelaur, oniwenlellngsgezlnde, vriend, voorstander, hevorderaar der staatsom-wenieling, opstandeling; — revolutionee-ren (fr. róvolulionner) omwentelen, onivorinen, veranderen; eene staatsomwenteling verwekken of hewerken; ook grondstellingen verspreiden, die tot zulk eene omwenteling den weg hanen;

— revotulus, «, urn, lat. Hoi. teruggerold, omgeslagen.

revoqueeren, /.. revoceeren.

Revue, f. fr. (spr. r\'wu\': v. revoir,, wederzien, doorzien) de monstering, lieer- of legerschouw, wapenschouw; het overzicht, titel van verschillende tijdsetirlften (eng. review, ■/.. aid.) li. v. Kevue tirllta n nl(|iie, hrltscti overzicht; do r e v u o doen p a s s o e r n, overzien, liezlchllgen, de verschillende deelen nauwkeurig heschouwen of onderzoeken.

Revülsio, f. lat. (revulsïn, van revellüre, weg-, afrukken) do afrukking, losscheuring; Jur. hoschouwing van eene andere zijde, verschillend doorzicht; Med. hevige heweglng der lichaamssappen; ook atleiding en verdeeling der vochten In tiet lichaam; — revulaief, adj. verdee-tend, atleidend.

rewasis, pl. lurk. ketters.

rcx, m. lat. (genit. ren is, |d. reges) de koning; — rcx aiiosloticus, de apostolische koning (van liongarye); — r. ralhodeus, de kathnlleke koning (van Spanje); — r. clirislimissfmm, de allerchrlstidykste koning (van Frankryk); — r. convivfi of r. mensne, gasten- of lafelkoning;

— r. fidelissimus, de allergeloovigsto koning (van Portugal).

Rey, m. sp. de koning.

Rezal, in (fr. resal, nild.lat. resale, rcsal-lum, rusdllum, oud-fr. rusal, re:eau, v. \'1 lat. rasus, glad gestreken; vgl. ra sIé re, ra so) eene oude fr. graanmaat.

Rez do ehaussée, in. fr. (spr. ré il\' sjossi: v. ret, oud-fr. raiz, res, rus, \'t water-pasvlak; als voorzetsel; dicht aan, mei den uardhodem geiyk, v. \'I lal. rasus, a, urn, parlic. van radrre, schaven, stryken, aanraken, langs gaan, en ehaussée, ■/.. aid.) de henedensle verdieping, de woning gelijkvloers, lienedenwonlng, het sou terrein.

Rhabarber, f, (gr. rhv of rluon, n. nw. lal. rheum, rha of rheum ponïïeuin: dus genoemd naar den stroom It ha, d i. Wolga, en het. gr. hdrbaron, vreemd, uillandsch,ullheeiuseti) eene hekende plant, welker maagsterkende en hulkzulverende worlel veel In de geneeskunst getirulkl wordt, de iiesle In Azlé en op den llimalayu llhcum emudi)-, rhabarbarine, f. ook rheïne- of chrysophaanzuur, n. eene eigenaardige plantvormende stof In den rhatiarher, de rhaharherslof, het rhaharherzuur.

Rhabdfon, n. gr. (verklw. van rhabdos, f. roede, staf) eene sllft tot Inhrandlng van hel


-ocr page 1106-

RHACH1AGRA

1078

RHKGMA

was liü o li ka usl Isc h « (z. aid.) sclillilei\'Ucn; dc slaarjcsri\'kcnkiiiisl; «uk rhabdologio, f. do kunst uin mei stiiaOos, Kclgk li. v dlu van den scliiitscliuii Imron Noiicr (n e |i«r I a n n s c li o slaafjes) le rekenen; rhabdoidisch, adj. slarverinlK; — rhabdomachie, f. hel schennen niet slokken of rapieren in schcrni-sciioien; — rhabdomantie (siir. t=ls), f. de wnar/eggorU uit slaafjes, oiildekking door middel van slaafjes (met de wichelroede) van onder de aarde veriiorgen diiiKen, in/, der ertsen en des waters; — rhabdomant, m. een stafwaarze^Kcr, ieniand, in hel ffehruik der wichelroede ervaren.

Rhachiugra, n. ^r. (v. rhdchis, f. rug-gegraal) Mcd. de jichtige rngge|iUn; rha-OhialgiO, f. de rus-Tegraatspgn;--rhacbi-algitis, f, ontsteking \\aii het ruggemerg; — rhachiokyphosis, f. kroinniliig van de ruggegraal naar achloreii; — rhachiolor-dösis, f. kroniintng van de ruggegraal naar voren -, — rhachiomyolïtis, f. ruggeiiiergs-ontstektiig; — rhachiomyolophthisis, rugtering; — rhachioparal.Vsis, f. de rug-gomergs-verlaiiimliig; — rhachiophyma, n. ruggegraaisgezwet; — rhachioplogio, f. vorlammtiig der ruggemergszenuweir rha-chiorrheuma, n. het lendewee, de tende-|i(jn, het spil; rhachiotoom, in. een analomlsch werktuig lot opening vim de rug-gegraalslifltle; rhachisagra, f verstUving van de ruggegraal ten gevolge Kan jichlige aandoening; — rhachitis, f. de kromming van de ruggegraal; de engeisclie ziekte (dus geaoemd omdat zü In IliH en 1(120 algemeen in Knge-hind heerschle); ook eeiie ziekte der tarwe; — rhachitisch,a(lj. met cngolsche ziektetiehepl.

Rhadamanthus, m. (gr. Hhadamunlhys, Myth, een zoon van Jupiter en Kuropa, broeder van Minos, wegens zgne rechl vaardigheid tol rechlcr in de onderwereld heiioemd, z. oud. Pint o.

Rha3tiziet, in. eene variatie van den cya-nlol, zoo geheelea naar hel vaileriand, hel oude Khiet 11\' (Graiiwhunderlanil).

Bliagados, pl. gr. (ging. rhauds, f.) Med. huidkloven, spleten, ook wel venorische kloven aan de geslachtsdeelen en in de nahUheid van den aars; — Rhagadimn, n. eene kleine huidkloof.

rhagodos of rhagoidisch, adj. gr. (van rhax, geuit, rhiiijos, hezie) lies- of druif-vormlg; rhagodos, f. Med. het driitvc-vlies van hel oog (lat. uvüa).

Rhaköma, a. gr. (v. rhakoon, verscheuren) Med. eene opgereten, gescheurde, gekloofde plaats; — rhakósis, f. het oprijten, hel slap en rimpelig worden der huid; do slapheid van den lialzak.

Rhamadan, z. ramadan.

Rhamnus, f. gr. (r/idmnos) de krulsdoorn; — rhammno, f de In den krulsdoorn he-viitle verfstof; — rhamnéon, f. pl. (uw.lat. rhuinniac) krulsdoornsoorieu; rhamno-xanthme, f. de gele kleurstof van den gladden krutsiloorn.

Rhamphastus, m. gr. (van rhamphos, n. kromme snavel) eene soort van vogels met onevenredig groolen snavel, h. v. de pepervre-ler; — rhamphostóma, n. de snavelmuil, snaveikrokodii, eene krokodilsoort in den Ganges, z. v. ii. gaviai.

Rhantören, pl. gr. {rhanlcres, van den sing. rUanlcr, v. rhainein, liesproelen, hespren-gen) eig. hesproelers, hevochligers: de inwendige ooghoit,éii.

Rhaphanie, f. gr. (v. rhaphanis of rhd-phanos, raap, kool, omdat men deze ziekte van de oiili\'einiglag des korens door liet zaad eener soort van raphanus aileldde) Med. de kriewel-zlekle, droge versterving, russische kata rrlms;

— rhaphahódon, n. de gladde dwarshreuk van een heen (gelijk die, waaneer men eene raap doorbreekt).

Rhapho, f. gr. (ravhc, v. rhdplein, naaien) Anal, de iiiuut, h. v. de naad der hekkoneei-heenderen, de plooivorinige naad van den balzak, de naad hg wonden; — i\'haphosym-phj^sis, f. vergroeiing der bekkeneelnaden;

— rhapsodon, m. pi. (gr. rhapsöiiós, pi. —oi\', v. rhdptcin en udt, gezang) eig. samen-naalers of sainenvoegeis van gezangen, rund-Irekkendo volkszangers hü de oude (Irieken, die inz. de afzonderiyke gezangen van llonierus lol groolere geheelen verbonden en openlgk voordroegen; — rhapsodic, f. (gr. rhapso-dia) hel door eenen rap so dos voorgedragen gedicht, inz. de afzonderiyke doelen der gedichten van Homerus; vandaar in \'1 algemeen een uitgenomen stuk, fragment van een grooler gedlchl; een uil verschillende slukkeii hijeen-gebracht geheel, verzamelwerk, mengelmoes, romnielzoo; — rhapsodiseh, adj. onsamenhangend, stukswijze; uil verschiileiuie doelen hgeeiigebracht, samengellansl, samengetapt; — rhapsodist, m. een verzamelaar, hgeenbren-ger, sainenllaiiser, prulschrgver; rhapso-domantio (spr. (=/s), f. waarzegger^ uil een vers, dal zich bg liet openslaan het eerst aan hel oog voordoel.

Rhapóntik, m. rhapontikwortol, in. z. v. a. r ha bar her, z. aid.

Rhathyinio, f. gr. (van rluios, rhadios, licht, en Ihjjmós, gemoed; vgl. thymus) de zorgeloosheid, llchtziiinigheid.

Rhéa, f. gr. (= dra, aarde) Myth, eene der Tl la niden (z. aid.) de gade van Kronos of Saliiriius en moeder van Zeus (vgl. Cy hele);

— Rhea Sylvia, f. rom. Myth, de dochter van koning Nuniilor van Allia, die hg Mars (z. aid.) de tweelingen Romulus en Kemus, stichters van Home, baarde.

Rhcgma, n. of rhegmos, in. gr. (van rhlt;finjjnai, breken) Med. eene berst, spleet, scheur, kloof; eene kwetsuur, nllstorllug van liloeil onder de huid; de trekking, kramp; — rhêxis, f. hel scheuren, openbreken, h. v. van zweren, aderen, enz.


-ocr page 1107-

RHEINE-ZUUIl

1079

UllODKL/KON

Rhoïno-zuur, z, v. 11. r li a h n r li a r i n e,

aid.

Rhombiismo, n. nr. (rliembasnws, van rhémhdn, rhemüddzein, ronddiaalen, ronddiU-von) hot ronilzwoivcn; Mod. z. v. a. n y k t o-1) a to sis.

Rhoophoor, in. nr. (van vloed,

cn phérein, dragon, lirongoii) do vlooddragor, do gololdraad liü don galvanlschon loostol; — rhooskoop, in. oon strooinaunwU/.or, oon loostol otn de aanvvozlgliold van oleklrlselio slrno-inon aan Ie wUzon (klkvorschdy mot daarnll go-lireiiareerdo zenuw); — rhoostaat of ago-motor, in. een door Whoalstone iiilgovondon worklulg, waardoor men den gelelddraad zondor afbrekoii van don galvanisclien slroom vorlen-gon of vorkorlon en daardoor zonder opening van de keten den leidlngswoersland in den slul-tlngshoog vermoerdcren of verinindoren kan; — rheotoom, lil. een door Jaeohl iiltgevonden worklulg, waardoor een galvanlsclio kelen snel achter elkander gesloten en atgehrokon wordl.

Rhötor, in. gr. (rhilor, v. rh/u, cro, Ik spreoK) oen redenaar; leoraar dor welsiirokend-held, redekunglenaar; rhotoriek, l\'ho-torïka, f. (gr. rhetoriko) de redekiinsl, loer dor welsprekendheid; — rhetorikor, z. rederijker; — rhothoricatio (spr. Iie=lsie) f. nw.lat. het mishruik van de aanwending dor rlietorlscho ligiiren; — rhotóriseh, adj. gr. (rhcloriliós, c, nu) rodekunslig, overeenkomsllg mol do redekunde; op redenaarswijze; mei woorden pralend; — rhetorismo, n. de rede-kunsllgo wUzo van iilldrukking of voordrachl; in verachtoiykon zin: de woordenpronk, gemaakte weisprekendheid, ijilolo, pralende, maar vaak zinledige woorden; Rhotorianen, m. pi. eone socio van ooslersche Chrlsleiion, zoo gelioelen naar K li e I o r 1 u s; — rhetra, f. eeno orakelspreuk, Inz. toegepast op de wetten van Kykurgus In Sparta, de\\vijI deze voor uitspraken van liet delplilsch orakel {■/.. aid.) golden; oen wotsvoorslag, oene wol; oen so-iiaalshosluit Ie Spuria.

Rheüm, n. z. v. a. rhaliarher, z. aid.; — rheümine, t. ■/.. v. a. r ha har har ine, z. aid.

Rheuma, voorheen ook rhevma, n. gr. (v. rheln, vloelon) oig. het vloelende, de vloed, stroom; Mod. oene in liet iicliaam omioopondo ziektestof, ook z. v. a. rheumatisme, n. en rhoumatalgie, f. do vloeiing, vociit-vloeiing, zinking, ledenpUn, eene eigenaardige aandoening van hot celweefsel; pi. l\'hounia-tismon, vloeiingen, zliikingen, door koude onl-slnne pUniyko kwalen, die iiuniicn zetel vooral in de gewriclileii, pozen, peesschoden, handen, spieren en spieriiciitige dceien helilieii; — l\'hou-matisch, adj. door eeno vloeiing onlslaan, met vloeiingen, zinkingen gekweld; — rhoil-matopyra, f. eene rheuinatisclie koorts, eene zinkingskoorts.

Rhöxis, z. oud. rhogma.

Rhigométer, m. gr. de koudemeler, een door U. During uitgevonden toestel Ier hepa-ling der laagste temporaturon.

Rhiknosis, f. gr. (v. rhiknós, c, dn, sigt, dor, rlinpeiig) hel riinpellg-vvordon, do gerim-poidhoid, gefronsliieid.

Rhinalgio, f. gr. (van rhis, pi r/i/nes, neus) Mod. de neuspijn; — rhinanchóno, f. de neusvernauwing; — rhinanthus, m. Hot. do hanekani; — rhinenchysio, (. hot inspuiten in den neus; rhinonchytos, m. hot neusspiilije; - rhinoblonnorrhoDa, f. een nousslUmvloed; — rhinocóros, m. (gr. rhinnken\'is, v. Itéras, hoorn) do neushoorn;

— rhinokarcinöraa, n. de neuskanker; -rhinoknösmus, n. hel neiisjeuken, de kit-toiing of jeukte in don neus; — rhinoló-phus, m. do liladneus, eone soort van vloer muizen; — rhinophidon, pi. neusslaiigen, slangen met siiiiiivorinigen nens; rhino-phome, f. hot spreken door don neus; — rhinoplast, lil. de neusvormer, neusmaker;

— rhinoplastiok, f. (vgl. plastiek) Mod. de iioiisvormliigskunst, of de kiinsl om iiesclia-digde of verloren neuzen weder Ie iiersteiion;

— rhin-optie (spr. /=/.«) f het scheelzien over den neus; — rhinorrhagio, f het neusiiioeden ; — rhinoatognosis, f. do neus-vcfslopplng door Ie veel slijm, door eenen poliep, enz.

Rhizagra, f. gr. (v rhiza, wortel), (lliir. eene vvortellang der tandiiicesters; ■ rhizan-thóën, pi. uil ilen wortel Idoelondo planton;

— rhizïas, m. wortoisap; uit wortels liereldo artsenij; — rhizobliiston, pi. Uid. worlel-ktemors; — rhizodisch, adj. vvorleinchilg, op eenen wortel geiükonde; — rhizollthon, in. id. worlelsleeiien, versieeningen van hooin-woriels; — rhizoloog, in. oen worteikenner, wortel verzamelaar; rhizóma (v. rhi(l:nen, inwortelen) de slam van den wortel eens hoorns of eener plant, paaiworlei, wortelstok;- rhi-zomórphen, pl. worleiachtige planleii; in diepe aai\'dlieddingen voorkomende; l\'hizo-mórphisoh, adj. wortelaclitig, naar wortels geiykendo; rhizophaag, ui. een wortel-eter, een van wortels levend iiiensch; —rhi-zophóra, f. de vvortelhoom, miiiiglehoom in W.Inilie, met tairyke in den grond afdalende inciitwortels; — rhizoais, f. liet wortelen, vvortoikrügen; — rhizospórmon, pl. varenkruiden, welker zaad (sperma) aan den wortel verschUnt; — rhizotoom, m. een vvortel-sngder, verzamelaar van geneeskundige wortelen; — rhizotomio, f. de vvorlelsnUding, wnrieloniieding; — rhizotrogua, m. de Junikovor.

Rhodaan, n. Chom. zvvavelcyaan.

Rhodokcon, n. gr. (v. rluidmi, n. roos, en i\'ldion, olie) rozenolie; — rhodinon, n. en rhodia, f een rozennilddei, rozenpleister, rozenpoedcr; — rhodisch hout (hedorven uil lignum rhodtnum, van \'I gr. rhoiliiwn, dal Is rozig) rozenhout, zeer lijn witgeel hout met oon rozengeur, op het eiland Kliodus (dat Is


-ocr page 1108-

RHCEADÉËN 1080 RIA

rozenellund), enz.; illt limit levert de kosltiuro rozütilioutüllo; - rhodischoriddors, z. v. a. J o hu ii n tol er ■ ridders; — rhó-disch zoorocht, do op liet eiland Uliodus (jeldine zee en seheepviiarlwot, welke In vele andere landen tot rlelilsnoer Is genonicii; — rhodieton, pl, koiaalversteenlnseii In rozen-vorm; — rhodites, m. de rozongalwesp;— rhodïlim, n. een door VVollaslon In 1804 In het platina ontdekt enkelvoudig metaal; — rhodochrosiet, n. rood-lirulnsteenerts,dicht nianfiaanspaatli; — rhodocrinus, m. do ro-zenhaarstoon, tot de crlnoïdoBn helioorendo; — rhododaphno, r (vgl. daphne) laurlcrroos ot de rozelaurler; — rhododéndrum, n. (v. déiulron, boom) do rozohoom, atpenlialsem, alproos, hergroos, een pronkgewas, een struik van onderscheiden soorton; — rhodologio, r. do rozenleer, rozenliescliryvlng; — rhodo-mél, n. rozenhonig; — rhodomëlon, n. rozenappel; — rhodoneën, pl. zekere kromme in een cirkel geconstrueerde lijnen (om do geiykcnis op een roos aldus genoemd; —rho-doniet, n. rozensteen, roodsteen, mangaan-spaalh, eene soort van klozel-mangaaii; — rho-dosacharon, n. rozonsiilker; — rhodo-stagma, n. rozonwiiter; — hic Wiodus, hic salla, z. hic, enz.

Rhoeadéön, pl. nw.lat. (rhoeadice, van lat. rhaa, rlimis, wilde papaver) mankopbloe-semaclitlgo planten.

Rhomb of rhumb, m. (eng. rhumb, fr. rumh, sp. rumbo, it. rombov. \'tgr. rhnmbos, kring, rad, v. rhémbein, In een kring draaien) hy schippers eene windstreek of eene van de 32 streken op het zeekompas of de windroos; — rhombus, m. gr. {rhombns) Geom. eene ruil, een vierhoek mot gelijke zijden doch scliccve hoeken; zeker heelkundig verhand, om zUne gedaante zoo geheeten; ud rhombum, eig. naar de ruil; geschikt, lirulkhaar, deugdelijk; — ad rhombum nihil facit, dat dool niets ter zake;— rhombisch of rhombifórm, adj. rult-vormig; — rhombus-phylliot, n. straat-erts, slraalkopor, nrscnlkziiur koper mot arse-nlkzuur yzer; — rhombieton, pl. versteeningen van sclieeve, gelijkzijilige vierhoekige godannlo; — rhomboédor, n. (van hédrn, zetel, grondslag, grondvlakte) een lichaam met 0 rnitvormigo vlakken, een scheove teerling;— rhombaïdaal, adj. gr.-lnl. langwerpig rnlt-vormig; - rhombaïdalo dodokaëdor, z. end. dodokadiek; — rhomboïdes of rhomboïdo, f. gr. eene langwerpige ruit met i lange en 2 kortere zyden, een scheefhoekig parallelogram (z. aid.); — rhom-boïdisch, adj. z, v. a. rhomholdnal.

Rhomma, n. gr. (van rhophein, slurpen) Med. een opslurpmiddel, lols dat geslurpt wordt.

Rhonchus, m. gr. {rhónchos, van rhhi-chein, snnrkon) Med. het snorken, rochelen.

rhopalisch, adj. gr. {rhopalilm, è, ón, van rhniUilnn. knots) knots- of kolfvormig; — rhopalïscho vorzon, zulke, in welke ieder volgend woord eene lettergrcop langer Is; — rhopallsme, n, liet slaan met de knotsf.

Rhopograaf, m, gr. (rhupogrdphos) een schilder van allerlei kleinigheden, geilik planton, struiken (van rhupion, een struik); — rho-pographio, f, de hesciirijving van struiken en heesters.

Rhotaclsmo, n. gr r/wlukismós, van rho-takidtein, de letter rho, d. i. de v gebruiken) iiel gebruik of misbruik van do letter 11; het brouwen.

Rhubarbo, f. fr. eig. ile rh a bar hor (z. aid.); de schrapselkaas, eene uit kaassetmip-sei bestaande soort van kaas in den kogelvorm.

Rhumb, z. r li o m b.

Rhus, in. gr. z. v. a. sumak, z. aid.

Rhusma, z, rus ma.

Rhyas, f. gr. (rhyas, van rhein, vloeien) de Iranenvloed, het druipen dor oogen; eeno on-geneeslijke traanlistel.

Rhynehos, in. gr. (van rlnjdzcin, knorren, grUnzen) de snuit, Iromp; — rhynchophó-ron, iii. snuit kevers; —rhynchospöra, f. het snavelzaad.

Rhypana, f. gr. (van rhyparós, d, dn, vuil, smerig, rhijpos, vulltgbeiil) Med. onzuiverheden In de eerste wegen; — rhyparograaf, m. een kladschilder, knoeier; ook een schilder van ontuchtlgo, vuile toonoeleii; — rhypa-rographie, f. do kladschiidciij; — rhypïa, f. Med. eene onaanzIcniUke liulilvlechl, die oen vullen etter afscheidt; — rhyptika, pi. (van rhyplein, de vuiligheid wegnemen, reinigen) Med. reinigende middelen ; — rhyptisch, adj. reinigend, zuiverend, in/.. Idoodzulvei end, de scherpte van tiet idoed verminderend.

Rhysis, f. gr. (van rhein, vloeien) Med. liet vloeien, uit vloeien, sijpelen.

Rhythmus, m. gr. (rhylhmós) In \'I alg. de geiykmatige, afgemeten beweging; Muz. en 1\'oei. de tydmaat, de naar liepaaide maat- en Inon-verhoudlug geregelde rodegang, evenmatige welluidendheid der rede, klankmaal, vers-lael, vgl. n u m e r u s en tact; — rhy thmisch (gr. rhylhmikós, r, (in) mij. afgemeten, evenmatig, versmatig, welgeordend; — rhythmiok, rhythmïka, f. de leer van den rliylhmus, de tyd- en loonmaiiticer; riiythmiscii gezang, z. v. a. koraiilgezang; — rhyth-momachïo, f. een getallonspel, mei stcenen op het schaakliord uit te voeren; rhyth-momótor, m. een lactmeter, werktuig, dat elke beweging der tijdmaat op het nauwkeurigst aangeeft; — rhythmopoeio, f. ile leer van den rhvUimus In ile toonzotiing.

Rhytidosis, f. gr. (van rhylis, rimpel) Med. het rimpelen; de rimiieling vuil liet lioorn-viles, afneming van den oogappel door verdroging van liet vocht.

rf-, II. voorieltergreop, z. v. n. re-, z. aid.

Ri, f. japansehe wegmaat van ongeveer 300» M.

Ria, f. gr. (van rin, rivier, ot voor riba, v. \'t lat. ripa, oever, 11. riva, ook doel, dus doel


-ocr page 1109-

RIDER

1081

RIAL

des strooms) do riviermond, de zeearm, de bocht.

Rial, mi. ilo loouw, een niet iluor imint-slukkon vcrleKeriwoordlgilo rokenwaiirdo in Per-zlü, vim 1{ kriin (/,. aid.) of iS sjalil; — rial boodsjoo, in. een oudere, maar nog gohrulkelgke rekenmunt in Algoilii enz. = DO cents.

Riala ot rialeh-boy, m. (lurkseli, ontleend van \'I it. rcalc, of galera rcale, de voornaamste galei, het admiraalschip; vgi. realo) de derde hovolheliher In de turksche vloot, de c o ii I re-a dm 1 ruil I, z. aid.

ritilto, adj. It. verhoogd; als suhst. verhooging, iioogto.

Riasat, m. araii. (van /•(!«;, oefenen, tein-men) de zelfiiedwinging, eeno iiooto-oofcning In \'t Oosten.

Ribab, m. taiaarsch: soort roastiilof.

Ribadiivia of rivadavia, m. oen spaan-scho witte wijn, zoo gohocton naar de geiyk-namigo plaats In (lalllclU.

Ribas of ribos, m. eon spnansche rooilo wijn van III lias in Calalonie.

Ribasso, in. It. Kml ■/.. v. a, ra hal.

Ribattuta, f. it. (spr. u—oe) Muz. de terugslag.

Ribbonmon, m. pi. eng. (van ribbon, llni en men, mannen) linlmannon, ccne goheimo politieke vereenigliig in Ierland, die nu ook over Engeland en Schotland verspreid Is, en zich door een lint ondcrsciieldl; — ook ribbon-society, f. (spr. -sosanli) liei llnigcnooisciiap.

Riboa, z. rilt as.

Ribotillos, pl. sp, (spr. —licljn\'s: v. ribde, boordsel, heicgsei) zijden en iluweoien linten op de wostkust van Amerika.

Riblétto, f. fr. een op don rooster gehra-den en gekruid vieeschreepje ; eenspekpannekoek.

Ribólla, in. een wijn uil IslrliS; vgl. re-li u 11 a.

Ribordago, f. fr. (spr. ribordaazj) Mar. de overzeiling, het stooien der schepen tegen elkander; ook de schade of averij, daaruit ontslaan.

Ribs of rips, n. eng. (iil van rib, rlhbo) een soort kaloonen slof, welker ketlliig uit getweernde draden van walerlwistgaren hestaat.

Ricambïo, in. 11. (vgl. eanihio) ook rl-cors-w issel of rotour-wlssol en re-change, fr. Kml. een koorvvissol, tegenwissei, herwissel, die mol prolost toruggaal.

rioaneoron, fr. (ricaner, oudfr. recancr, provene. regunar, reganhar, sp. regaiïar) iioo-nend lachen, grijnzen; zonder rodon laclien; — ricaneur, m. een dom, onheschaamd lacher, grünzer.

Ricapito,m. 11. hel opschrift, adros; do plaals, waar een wissel wordt afgegeven; do aanneming of vereoring van oenen wissel; per ricapilo, door allevering of ovorhandlging; — ricapitooren (li ricapildre) Iels aan zUno plaals afgeven, ovormakcii; Kml. overschryven, liczorgen, hesteilen, oenen wissel aannemen, he-talen, vereeren.

Ricavio, m. II. (van ricavdrc, ultnonien, nul trekken) Kml. het zuivere hednig van vor-kochto waren.

Ricercata, f. 11. (spr. rilsjerk—) elg. het opzoeken (van ricercire — fr. rcchercher) Muz. Iiel kunstig proef- of voorspel op hol orgel.

Richard, m. fr, en hgd. (oud-hgd. /lihhart, lAchart, Illc-harl, nw.hgd. Itcichard), Rijkaard, inansn.; do zeer krachtige.

Ricinus, ni. lal. do wonderiiooni, eeno plan-tensoori, Inz. do gomeeno wonderiiooni i/tici-nus communis), ook Chrisluspalni genoemd, uil welks zandkorrels gcelachlig-groone rlcinus-ollo, woiideriioomolie, wordt gewonnen, die als artscny, inz. togen wormen, hardnekkigo verstoppingen enz. goliruikt wordt; vgl. castor-olic.

Ricochet, m. fr. (spr. rilcosjè) do opstuil, het keilen, herhaald afkaalsen van een geworpen steen op de vlakte van hel water; onolg. par ricochets, van hooren-zeggen, uil do derde hand; — ricochot-batterij, f eeno hallory, die loodrecht op do verlengde liinneiikruin van de faces, flanken of liranciios van een liodektcii weg, welke men wil lieschleten. 11 aangelegd ; — ricochot-schot, ee. si nol, waarhy de kogel herhaalde malen op do aarde of op het water afstuit en zich weder verheft; — ricochetooron, zulke scholen doen, verschelden malen opspringen of afstuiten.

Ricognitóri, m. pi. 11. (spr. —/tonji—; van het uw.lal. recognflor: vgl. recognoscee-ron) opzieners of nazienors (hij de verkiezing van oenen paus).

ricoloeron (van \'l li. ricolare, woderdoor-z.ygen = lal. re-cola re) diepe groeven of voren lol afloop van hol water trokken.

Ricórso, m. 11. (= lal. recursus) Kml. (■/.. roc ours en rlcainlilo).

Ricos-hómbros, m. pi. sp. (van rico, rijk, voornaam, en hombre, man) do grooten, do lioogartcliUken In Spanje.

Ricotta, f. 11. (van ricollo, parilc. van ri-cuócere, woderkoken) eone soort van lljno en zoete kaas; — ricotta forte, een schapen-of geilenkaas uil Olranlo. ,

Ricóvero, in. it. (van rico vera re = lal. recupenire, wedorverkrygen) dr wederverkry-ging, wederliekonilng; Kml. de schadeloosslel-ling, z. v. a. regres en rocours.

Ridoaii, n. fr. (spr. riiló: wolllchl v. arah. roedlmt, Icnlgordyn) do voorhang, gordijn; Mil. cone kleine hoogte, van welke eone plaats ho-scholen kan worden, gordijn; ook eeno in der liaast opgeworpen versciiansing.

ridéndo dicfre veriim, lat. (v. ridire, lachen) ladicnd de waarheid zeggen; — ridicule, adj. fr. (van \'I lal. ridio/ilus, a, urn), ridi-kuul, lielachiyk, lielachenswaard, liospollc-lyk; — ridknilo i) n. het liolachiyko of ho-spolleiyko; zich ridicule maken, zich lie-lacliiyk aanstellen, hespolleiyk maken; 2) f. (veiiiastord uit réticule = lal reticulum, oen nelje, nelvormlg zakje) een werkzak, eeno work-hours der vrouwen.

Ridor, m. eng. (spr. mi—) rydor, ruller.


-ocr page 1110-

lUDlNGCOAT

RIMÉSSE

1082

Bidingcoat, rod in go to.

Ridótto, in. It, (= Int. mliiclus) ppiio af-gozondordo plaat», tocvluchtsoonl; spcolkainor voor gomaskordo porsonon (vgl, rodouto).

rien, fr. (spr. rjeii.- van lat. rem, arc. van res, do /.aak, hot ding) nlotsj — rien ilu lout (spr. rieii du loc) In hot gcliool nlots; — rië-nist, in. Imrli.lat. z. v. a. nihilist.

Riours, pi. fr. (v. fi\'. rtre, lat. ridere, la-chcn) in do fr. Ilioaters: jlodon, die lioslold wordon om hy do grappen lo lachen, lachers;

— avoir U\'s rieurs de son cólé, do lacliors op zyno y.Udo liohhon.

Rif, n. nodorl. (vorwant met roof, rlf onz.; In \'I alg. lots, dat zlcli In do longto uitstrekt ; eng. reef) eene lange rots- of zandbank, kllpponrceks In do zoo, verliorgen klippen; z. ook r e c f.

Riflorimenti, pi. II. olg. vorhlnemlngen; hloeinpjos; Muz. willekeurige versierselen liü de voordracht.

Riflo, n. eng. (spr. raifl: van hot dullsch riefe, eene halfronde groef) hol gegroefde of getrokken schlotgowocr, de links, Inz. ook hU de N.anierlk. volkplanters; — riflemen, m. lil. de scherpschnllers.

Rifóndo, in. 11. (vgl. rofun deer en) Kmt. de legennansclialllng voor getrokken wissels.

Rigaudon, z. r 1 go do n.

Right-boys, pl. eng. (spr. rail—, van rujhl, recht en hny. Jongen, knaap) de rechle Jongen, knaap; de rechte jongens, ■/.. v. a. vvhIto-ho ys, z. aid.

ridht of pelilinn, eng. (spr. rail of pilisjon, z. v. a. pe1111 e-reeht, aid.; — right of search (spr. —surlsj) hot doorzoeklngsreelit.

rigido, lat. {rigfdus, n, urn, van rinire, verstoven) en fr. (spr. rizjiéd\') slijf, vast, strak, tiros; streng, hard, scherp, ruw, onliuigzanin, oiiverhiddelük; - rigidisten, pl. eene slren-gere parly der Jansenlslen (z aid.); — rigiditeit, f. lal. (riiiiditas) slyflielil, strakheid, in tegensl. met tie vloeibaarheid; ook z, v. a. riuor, m, lat, of rigueur, f. fr, (spr. riijeur) de strengheid, hardheid, scherpheid; de rigueur z.yn, d I. volstrekt noodzakeiyk, stipt In acht te nemen zyn; — riyor. ook de ver-styvlng van koude; — rifjui\'e juris, naar gestreng rechl; — al rigóre di tempo, II. Muz. in allerstlplsle tydmoat; — rigorisme, n. nw.lat. de zedeiyko gestrengheid, te strenge ze-deleer, die do zcdeiyke vorplicliling zoo verre iiltslrekl, dat zy niels ais onverscliiilig aanziet;

— rigorist, in. oen gestreng zedeleeraar, iemand, die overgestrenge grondstellingen heefl (het togengesl. van la 111 a dl na r Is); In het lyfslraffeiyk rechl: een aanhanger der strengere grondbeginselen van het strafrecht;—rigorous, rigoureus, adj. (uw.lal. rifinru-■sus, fr. rifiourcux; spr, rigoe—) en rigoris-tiseh, hard, gestreng, scherp, ernstig; on-liarmhnrtig; - rigorösum, n. sell, ex a inen, z. aid.; — rigorositeit, f. geslrenglieid, scherpte, hardheid.

Rigooephalus, m, lal,gr, (v, \'I lat, n-

tiare, eene vloeistof ergens heenleiden, en \'I gr. kephale, hoofd; fr. rinocéphale) een door B I a-tlne uitgevonden toestel, om hy ziekten een door water voortgehrachten kondestroom op het hoofd te lelden.

Rigodon of rigaudon, n. fr. (spr. -no-dóii; zoo men wil van het refrein van een oud danslied: ric-din-don; vgl. echter ook het It. rigodére, zicii weder verheugen) een in Italië en het zuldeiyk Krankryk gebruikeiyke dans en de daarhy hehoorende muziek.

Rigole, f, fr. (v. cell.-wallis, rhigol, voor, greppel, rhii/, lasnyding; vgl, ricoloeren) de geul, de greppel, afvoerkanaal.

Rigolétto, m. 11. reidans.

Rigor, rigorisme, enz. z. ond. rigide.

Rigsbank, f, deensch: de deensche ryks-hank; — rigsbanktegn, n. ryksbankleeken, banknoot; — rigsdaler, m. een deensche ryksdaalder van (i mark of lilt skiilinger = ssn deensche penningen (pengen) = f 1,3B; vgl. r 1 x da 1 e r; — rigsort, m., pl, rigsorter, oen vierde ryksdaalder

Rijder, m, eene voorin, nederl, goudiunnl = li gulden.

Rijkaard, mansn. z. It Ichard.

Rijksdaalder, ai. eene voorin, en tegenwoordige ned. zilverinnjil, de zilveren dnkaal = 2J gl.; de vroegere bollandschc ryksdaalder mede = 2 gl. SO cl.; de zeeuwsche ryksdaalder = i gl. 00 et.

Rikat ofrekiet, m, Inrk.-arah, (v. \'I arah. rahaa, buigen) de buiging liy \'I gebed.

Rikiabdar of rikiabdar-aga, m.inrk. arnb.-perz, (v. \'1 arah. rikiab, de stygbengel, en bet perz. dar. Iemand, die boudl, vasthoudt) de styghougelhouder van den suilan.

rilasciando, il. (spr. rilasjdnilo: v. rilasciAre = fr. relAcher, z. reincheeren) Muz. allengs langzamer, in sterkte en snelheid van lieverlede afnemend.

Rilé, in. (russ. rgljé) de eenvoudige lier der Russen, dorpslier.

Rima, m, de hroodhoom op OUihelll.

Rima, f. lat, de spleet, reel; rima ijlolli-dis, de stemspleet; r. pudendórum, de schaam-spleet.

Rimailleur, m. fr. (spr. rimaljéür, v. H-mailler, rijmelen, rime, de rym) een rymer, ry-meiaar, verzensmid,

rimborseeren, rimbórso, 11, Kmt. z. r e m b on r se er e n.

Rime, f. fr. bel rym, de geiykluldendheld dor hialslo lettergrepen In i of meer verzen; — sans rime ui raison, zonder zin of verstand, zonder slot of zin.

Rimósse, 11. (rhnessa, van riméllcre = lat. remillire, v.. rein UI cere n, fr. remise) Kmt. overgemaakl geld, overzending van geld of wissels, wissel- of geidverzending of -hetaling;— rimessarélle, f. (verklw. van rimessa) een kleine, loegevoegde wissel, die over eene geringe som loopt; — rimóssenboek, hel handels-


-ocr page 1111-

IlISTORNEKHEN

RIMPEL

1083

hoek, waarin tillc wlssollirlovcn onz. worden op-Kolcckond.

Rimpel, m. ceno koreninaiit in llonu\'arijc

Rina, f. sp. (spr. rienju) slryd, I wist, ruzie.

Rinaldo, tn. It. nuani = UeRltiald, Koln-hold, Keinnul.

Rinconada, r, sp. (v. rincon, hoek) zuld-amerlk. sluTKOud.

rinfonando of rinfondln, It. (spr. rinforli—, van rinforzare = fr. renforcer) Muz. versterkend, sterker, weder krachtiger.

Rinfivinco, n. It. (spr. rien—; v. rinfran-cdrc, sterken, vrijwaren, sehiideloosstellen) Kmt. vergoeding, leruggave van uitscliottoii; — rln-franeo geven, uitgeschoten gelden weder-vergoeden

rinfuso, It. gemengd; — alia rinfusa, door olkander, gemengd

Ring of rin, /.. sjakoo en meh.

Rio, m. sp. (spr. rin) on port. (s|ir. rioo, v. \'t lal. rivus, vloeiend water) de vlood, stroom; 1). v. Rio do la Plata, sp. de zllverstioom; — Rio do Janeiro, port. (n\'oc de zjanélro) di^ Januari-rivler; — Rio-huidon, pl. runderhuiden uit Itrazllle, zoo genoemd omdat z|j Inz. over Kin de Janeiro iillgevoerd worden.

Rions, m. (spr. rióii) cene soori van willen fr. wijn, zoo geheelen naar het gelgknamig sladje in het departemonl der Olronde.

Riool, n. (fr. rif/o/d, v.\'t celt.-vvalllsch Wif-linl, groeve, geul enz.; vgl. ochter ook rlcoleer en) afvoeringshiils, viillnlspüp.

Riot, in. eng. (s|)r. ral-ui; v. \'I oudfr. rinlc, geraas, gedruis; provenc. n\'ola, 11. rioHn, twist, gekUf; oudfr. rio/er, II. rinllare, stryden) het oproer, de opstand; — riot-act, f. (spr. rui-ul-rkt) de oproeracte, eene pariementsacle, die sa-inenroilingen verliiedt.

riiiarius. a, um, lal. Hol. aan oevers groeiende.

Ripaticum, n. mld.lat. (v. 1 lat. ripa, de oever) hei oevergeid, de watert ol.

Ripiéno, in II, (van iiiénn = int. plenus, vol) Muz. de aanvulling, slemvnlllng; als adj. vol, mei vol koor; ripióno-stom, de aanvullende slem; de ondergeschikte, hegelehlende en versterkende slem (la iegenst. met solostem); — ripiéno-bas, z. basso ripieno, oud. has; ripienist, m. een loon- of slem-«anvuiier, die geen solo zingt of speelt, maar alleen do slem iieipi vershuken en zich nauw-kemlg naar den voorspeler moei richten.

Ripopó, n. of ripopóo, f. fr. sainenge-goten overhiljfseis van wgn; overschotlen, mengelmoes, poespas.

Ripóso, ii. it. \'spr. .v=j.- = fr. repos, z. aid.) rust, stille; Plet. een silllovon.

Riposte, z. risposte.

Riprésa, f. it. (spr. s=z: = fr. reprise; van repréndrre, weder- nf lenignemen) Muz. her-iuiilng eener voorname passage; In de dichl-kunst een soort van stanza.

Rips, z. rlhs.

Ripuanërs, m. pl. lat. (van ripa, oever) oeverhewoners, oud-rom. hennming der Franken, die aan den KUnoever van ile l.ahn lot aan de i.ippe woonden.

Risaliet, m. (spr. s—z: 11. risdllo, v. risa-lire, risnlldre, vooruitspringen, misteken) Arch, een niistekend gedeeile van een geliunw, een vooruitstek, doorgaans in liet midden der facade of. hy aamnerkeiyke hreedte van deze, aan eiken der hoeken.

riscant, z. ond. risico.

Rischi, z. risjl

Riscóntro, m., pl. riscóntri, il.(ri«o«-Irn, elg. ontmoeting, naricht, aanwyzing enz.; vgl. se on Ir o) Kmt. wisselhetullngen; aanwy-zingen op wlssellielaiingen; — riscontroo-ren, z. scout ree ren, ond. scontro.

risenlito, It. (van risenlire, gewaarworden, gevoelen) Muz. vol nildrnkklng, levendig. Risotto, z. ond. riso.

Risico, n. It. (spr. s=z) risque, in. fr. (spr. ricsk\'i sp. riesgo, v. risen, slelle rots, klip, dus eerst liet gevaar ter zee, dal den schepen door klippen en rotsen liedreigt) hei gevaar, waagstuk; hy assuranilen; hel gevaar waarvoor geassureerd is, ook liet verzekerde voorwerp zelf; — risqueoren (fr. risiiuer) ook wel risi-quooron, wagen, In gevaar hrengen, op het spel zetten; gevaar loopen, In gevaar zyo; — risqntvnt ut riscant, adj. gewaagd, gevaar-tyk; —ook risquable (spr. rieskabl\').

Risji, m. ind. (v. \'1 sanskr. risji, wgs heilig) een wgs en heilig man, Inz. een opvoeder van koningszonen; de naam eener klasse van de door hrahnia (z. aid ) hel eerst geschapen wezens (It of ill), die door hunne heiligheid liet vermogen verkregen om goden, menschen en dieren voort te hrengen.

riso finrillo, m. II. (spr. rizo—; provenc. ris, fr. riz, ryst, van \'I lal. nrjjza, gr. (iri/:u} elg. hhiemrysl, de lljnste soorl van rysl; — ri-sétto, f. (spr. s j) de geringste soort van rysl.

risolülo, II. (spr. rizolóélo = lal. resohilus, a, um, vgl. resol veeren) Muz. stout, krachtig.

rispodiöeren, II. (vgl. sped leer en) Kmt. wederafzenden, waren enz. verder zenden of verzenden.

Rospot-ntrospit-dagon, z. respect-d a gen, end. res p I c 1 eeren.

Rispósto of ripósto, f. II. (rispnsla, van rispóndcre, antwoorden en ripnsla, van ripn-nrre, ripnrre, weder wegleggen) een snel en Irelt\'cnd anivvoord, een tegenzet; In de seherin-

kiinsi; ...... tegenstoot; — risposteoron of

ripostooren, op eene spollerny snel, levendig en treilend antwoorden, dadeiyk hervatten; In het schermen: na den gedanen stool aan de pariy eenen legenslool loehrengeii; hel achler-uiislaan der paarden, als men hun de sporen geefi.

risquooron, z. oud. risico.

Rissólo, f. fr. (van rissoler, lirulnhraden) een vleesehpaslellje; — rissolótten, pl. ge-roosie, met vleesch gevulde sneeljes hrood.

ristornooren, li. (vgl. si or nee ren) Kmt. terngschryven, af- en loescliryven; In hot


-ocr page 1112-

RISTRÉTTO

ROB

1084

assuriintlo-wozon: van eono roods gesloten vcr-zokerliiK logon oeiie vcrgooillnK weder afzien;

— ristorno, z. r i t o r n o.

Ristrótto, m. It. (= lat. restriclum, van

reslringtre, 11. mlringere, samonlrekken) oen kort ulttroksol, do liootdlnlioud eenor rekening enz.; ook IdilDksto prijs ocnei\' waiir; — riürélta di conto, rokonlngsulltroksel; — staats-rl-s trol to, kort verhaal dor politieke voorvallen. ris us, in. lat. (v. ridtre, lachen) hol lachen;

— risus sanloiifus, in. z. s a r il o n I s c h o I a c h ;

— visum Icneflfis nmici i lat. onthoudt a van lachen, vrienden! lacht niet!—een gewono uitroep hu helachiyko uitdrukkingen;—peerisum muil urn ilebes coijnosclre mullum, sprw.: aan hel vele lachen herkent men den dwaas.

rismjlidln, 11. (spr. ti-sweljalo: van risve-gliare, opwekken, aanwakkeren) Muz. opgo-wekl, levendig, mot toenemende vroolyklield ot levendigheid.

Riswan, m. perz. een ongel, hoeder van het paradys.

rilardaniln, rilanldlo, 11. (van rilurddre, vertragen; vgl. rotardoeron) Muz. dralend, vertragend, In snelheid vennlnderond.

rile, lal. (vgl rit us) ordeiyk, vormeiyk, wel-leiyk, naar golirulkeiyke wyze, voorschrlflmallg, gepasl, liehooriyk.

rilenülo, II. (spr. u—oc-, van rilenére = lat. rilenire; vgl. retlneeron) Muz. terughoudend, Ingehouden.

Ritórno, m. II. (van ritonmre = fr. relnur-ner: vgl. retour, enz. en rist om eer en) elg. de terugkeer; Kml. de lerugschryvlng, hel at- en hysehryven van eenon posl In het grootboek, ook ristorno en slorno;—ritornel, n. (II. rilorndllo) een heihallngslhenia, meermalen wederkoererid gedeello van een zang- of au; dor muziekstuk, door do begelehhindo luslru-menteti gespoeld; Poel. eene soorl van kleine drloregellgo Hal., Inz. romelnsche volksliederen.

Rltratta, f. Hal. (vgl. I ral la, oud. tras-seoron) Kml. de keer- of herwissel, de terugtrekking van een getrokken wissel.

Ritus, m., pl. ook ritus, lal. het gelirulk, Inz. feest- of kerkgelirulk, de vorm dor godsdienstoefening; — het rituaal (van \'l lal. ri-lunlis, c) de gehrulken lielreiïeiide, do regeling van kerkeiyko gelirulken, kerkorde, het kerkboek; vgl. agendo; ook degezameniyke voorgeschreven of gehrulkelijke ceremoniën, die op de vrymelsolarU belrekklng hehhoii; - ritu-alismo, n. z. v. a. puseylsine, z. aid.; — ritualist, m. nw.lal. een kenner der kerkgebruiken; ook een verdediger daarvan; — ri-tualistiëk, ritualistika, f. de leer van de regeling der korkgehrulken; ritucol, adj. tol hel kerkgehruik hohoorende, by ceremoniën gobrulkeiyk.

Riva, f. II. oever, strand.

Rivadavia, z. r 1 b a d a v 1 a.

Rival, m. fr. (van l lal. rioalis, dat Is dg. eene boek (nuiii) op den akker met Iemand gemeen bebbondo, en daarover met hem vaak oneenlg wordende) een mededinger, inz. in do liefde, moilevrger; medestryder, wodUveraar;— rivalisoeron (fr. rimliser) wedyveren, mededingen, om de meerderheid slrydoii; — rivaliteit, f, (lat. rivaiïlus, Ir. rivalilé) do mededinging, Uverzuclit, de wedslryd, wedyver.

Rivalso, m. 11. (van H-valerc, zicli horstellen) Kml. de sciiadolnossleiilug wegens een voorschol, verhaal (regres).

River, f. eng. (spr. riivwev: v. fr. viviève, iiiid.iat. vivcvn, rioevia, ripnrla, van lal. vipa-viis, aan den oever gelogen, v. vijm, oever) de stroom, de rivier, In geograplilscho naaien b.v. llic lied ttivev, de roode rivier.

Rivörisch drankje, n. een naar den arts Klvlère (liivevius, gest. 10811) henoemil bedarend middel togen maagkwalen, boslaando uil koolzure kali en cllroonzuur.

vivévso, 11. (van viverlüre, onikeeron) of ri-véscio (spr. —wésjo, van rivesciarc, oaiwovpon; vgl. rovóche) Muz. omgekeerd, van acbtereii af lo spelen.

Rivesaltes, in. (woordoiyk: hoogoever) muskaatwyn uil hel fransche vlek of sladje van dien naam, depart. Oosl-l\'yreneen, do boste soort van Kousslllon-wijn.

Riviera, f. II. oever- of kuslland, Inz. de door haar warm kllniaal ullmmitende kuststreek aan de Mlddellandsdio zoo, aan den voel der Zoo-alpen, niet do plaalsen Mzza, Monaco, Mon-tone en San-Kemo.

Rivièl\'O, f. fr. (spr. vivjóv\') rivier; — ri-Dlèro ile (liamnnla, halssnoer, heslaando uit gevalle dlamaiilcn.

Rivolgiménto, n. 11. (spr, —ilzji—, vaa rivólgere, omwenden = lal. revolvivc) Muz. de omkeering der sleminen in hel dulihele conlra-punt; — vinollalo, Muz. omgekeerd.

rixa, f. lal. Iwlsl, slryd, recblslwist; - aulor rixac, in. do aunliiggor van oonoa twist.

Rixdalor, elg. riksdalor, m. zw. een rijksdaalder, eene rekenniiiiil In Zweden van Iflfl are = Oil centen nodeii.; vgl. rlgs-d a I e r.

Riz, m. fr. (spr. ri) de rysl; — riz-au-lait, in. fr. (spr. riotó) melkryst, eene koude zoete spys.

Rizzato, II. (v. vizzave, oplichten, lal. als t ware rccliare, v. ver/us, rechlop, rocht, v. vcgrrc, richten, leiden) gefriseerd lliiweol.

Rjad, in., pi. rjady, russ. (do ry, de reeks; sanskr. radii, rangschikken, perz. rèd-è, orde, rang) een ry winkels of kramen op russ. marktplaalsen.

Road, m. eng. (spr. rood\') weg, straat; — commevciul (spr. knmmérsjel) vond, handelsweg; vgl. rail r o a d.

Roastboef, n. eng. (spr. róóslhiof, v. roast, braden en beef, riindvleesch) ros tb lof, geroosterd, slechls halfgohradeii riiiidvleesch.

Rob, I) of roob, Mover robb, arnb. (vqbby Mod. verdikt of ingekookt vruiiilensap, -moes,

doorgaans mot suiker gekookt; ..... vob cydonió-

rum, k weemoes ; — rob junipëri, joiioverliessoii-


-ocr page 1113-

ROCAILLE

1085

HOB

siroop j — rob sambüci, verdikt vliersap, vliersiroop.

Rob, 2) in. neder), algomoono bonainlng cener soort van vischaclillgo zoogdieren, illnop liot land on In hol water leven: zeehond, zeekalf, zoeheoiquot;, zeeleeuw enz.; — 3) demuag van groole vlsschen.

Roba, f.,pl. robo, it. in den zeehandel: goederen, waren.

Robber, liever rubber, in. (eng. dewi\'ü-ver, schaver) de dnhhele party, drie hUeenho-hoorende purlUon, tnz. In hot whistspel.

Robo, f. fr. (verwant mei ons roof, oud-hoogd. roup, nw.hoogit. raub, vgl. tiel angels, reu/\', mld.lal. rauba, huil en kleed, on het fr. Hérober, herooven) een lang kleed, sleepgewaad der vrouwen; ook een lang opperkleed dor vcclilsgelecrden In Krankryk, oen lahhuard, eono slaalsleklocdlng, en vandaar do gezameniyke rechlsboanililen iles Slants; — hommes de robe, inaiinen van den talihaard; — robe de chambre (spr. rob\' d\'sjtuibr\') een slaaprok; — robe de cour (spr. —koer) hofkleed; —r.de deuil (spr. —duilj) rouwgewaad; — )\', de noces (spr.-nos\') hrultoftskleed; — l\'oborondo, f. (spr. robe-röi/d\') een wyd overkleed der vrouwen.

Robert, oudil. mansii. (ond-hoogd. Ilniod-perl, of •bert, van hruod, roem en perl enz., Iillnkend): de mei roem oinslrnntde, van roem hllnkende (hynaain van Wodan); — Robert Macaire, fr. (v. \'t gr. maltdrios, gelukzalig) de hold uit hol toonoelSpel »de Hond van Auhryquot;, toegepast op olkon vennetolon, voor niets te-rugdelnzenden hooswleht; soms echter ook voor pronker, modegek, dokter enz. optredende; het llovellngsmasker der l\'aryscho theaters, vandaar vaak eene Iron, henamlng voor hel franscho volk In \'l algemeen.

Robespierrlsme, n. (spr. —pjèr—) het staatkundig stelsel van Maxhnlllaan Rohc-splerro, hel schrlkhcwlnd; — robospier-rist, in. een aanhanger van dat stelsel.

Robijn, in. (It. rubitw, sp. rubin, rubi, pro-venc. robin, fr. rubls, van \'t mld.lal. rub/nus = lal. rubem, rubus, rood) een doorzlchtlgo roode edelsteen, de hardste en koslhaarste na den diamant, hot schoonst In Ceylon, Pegu enz. De schoonste hoogroodo heel al mad In, ul-madln of karhonkol, omdat hij naar oeno gloeiende kool (rarbo) gelijkt; de vlololroode heet spinet; de hleekroode ha la Is (z. aid.), ook hallas of ha las, en de roodgele ril hl-col, welke minder geachl wordt; ook draagt de naam robijn eene zeer kleine soorl van drukletter, tusschen parel en diamanl (zie drukletters); — robijnglimmer, m. z.

a. pyrosideriet: — robijuzwavel, rood rulscligcel, z. realgar; vgl. arsenicum;- robijnspaath, n. z. v. a. rhodo-nlet.

Robillard, f. fr. (spr. rnbi-ljar) een lljne parysche snulflahak, nam- den naam des vervaardigers zoo geheel en.

Robin, in. fr. (spr. robeii; vul. robe) rechls-gewaad; tahherdman, tahherddragor, Iron, henamlng voor oenen rechlsgoleerde.

Robinet, m. fr. (spr. —né) de kraan aan een val, aan eene waterleiding enz.

Robinhood\'s society, f. eng. (spr. róbbinhoeds sossai-illi, zoo geheeten naar It o-hin-llood, verhastord van Koherl Filzood, de aanvoerder eener rooverhende, de held van vele engelsche volkssprookjes) hlerdrlnkersgezolschap, zooals dlo in Kugeland, zonder onderscheid van standen, vaak In liorhergen hyoonkomen om over staal en godsdienst te spreken; een politieke tliinegieteisgozelschap, een kring, waarin men, vaak zonder toereikende kennis, over slaal-kundo handelt.

Robinia, f. de valsche acacia (z. aid.); naar den fr. holanlst Kohln henoemd, die In de nde eeuw deze plantensoort het eerst uit amerlkaansche zaden teelde.

Robinokratie fs|ir. /=/,() f. fr.-gr. (vgl. roll in) Iron, woord om den overwegenden invloed der mannen van den iahliaard [robe] aan te dulden, advucatenheersciiappy.

Robinsonade, f. (naar den heroemdon, het oersl In ni!l verschenen roman van den Kngelschman De Foe: Uohinson Crusoe) eene Uohirisunsgcsehiedenis, avontuurlUko geschiedenis of verlelling van verongeluklo zeevaarders.

Róble, n. sp. (elg. do elk, steeneik; van \'l int coffl\') eene zuidamerlkaansche houtsoort, die onder water goed hlijfl, en tot houwhout dient.

roboreeren, lal. {roborUre, van robur, elg. steeneik, eikenhout, dan hardheid, sterkte) versterken, kracht geven; — roborantia (spr. I—Is) ii. pl. versterkende middelen; robo-rïitie (spr. l=ls) t. uw.lal. de versterking;— roboratief en robórans, m. een versterkend middel; — robuust, adj. lal. (robtis-lus, ii, hi») stork, krachtig, welgespierd, kloek, stevig.

Robót, ook robat, m. (een slavonlsch woord, poolsch en hoh. robóla, russ rubóla, ar-heid, knechlschap, van rob, rob, knecht, slaaf) de leendienst, hofdienst, de werkzaamheden, waartoe de onderdanen jegens hunne overheid en landsheeren verplicht z.yn.

robuust, z. ond. r oho roer en.

Roe, m. fr. de rots; — roe of rocho, m. het kasteel of de toren in het schaakspel (sp. m/nc, II. rocco, eng. rook: v. \'I arah. roch lt;if rurli, z. rok); — roeheeren of roquee-ren, in het schaakspel: den koning met hot kasteel doen omwisselen.

Roga, f. port. In de hraziliaansclie koloniën een in hrand gestoken stuk hosch om hel te ontginnen; — rocéiros, pl. planters in liraziile.

Rocaille, f. fr. (spr. rokolj\', v. rnr, rols. It. rocca, rocrin, als \'I ware van lat. rupïcus of rupilus, ii, urn, v. lal. rupes, de rots) grotwerk van schelpen, koralen, steenen enz.; — ro-cailleur, m. een grolwerkmaker.


-ocr page 1114-

ROCAMBOLE

1080

ROESALK1

Rocambóle, f. fr. (van hel dullscho roc-konbollo, (1. I. roggolook, omdat de stongol met dien der roKRe overeenkomt) de spaansclio sjalot, liel slanncliiiik, slangoknotlook ; oaeltf. hot heste aan of liij cone zaak; ia liet omlier-spcl eon zeker Rolal vlsclijos (tlchos), waartoo leder, dlo oca spot wlat, moet hUdragcn, on dio later niet elkander op hot spel gezet worden.

Roccella, f. It. (spr. rolsjélla, do beste soort van tarwe in llalic en Sieillé; nw.lat. cone mossoort: hot cehte liikniocsmos (v. rotra, rots, omdat liet op rotsen Kroelt).

Roecotto en rocchotto, m. it. (spr. rolsjélla en rakkillo) en rochot, m. fr. (spr. vosjb: sp. roquele, mid.lat. rochelum, waarsch. van ons rok, dullsch rock, ond-hoogd. roc, mld.ial. rocctts) eon kort koorhemd der hls-schoppon.

Rocchotta, 11. (spr. roUkéthi, van rocca, rots) cone rolsvoslinw of vesto.

Rocéiros, m. pi. z. ond. roca.

Rochamboau, m. fr. (spr. ro-sjuiibo: oor-spronkeiyk een persoonsnaam) ecne soorl van gebak.

rocheoron, z. ond. roe.

Rochot, z. ond. roe hel la.

Rochotto, f. fr (spr. rosjéll\': It. rochella) levaniselie zoutaseii, ter bereiding van \'t glas.

Rochus, mansn : do verhevene.

Rocks, pi. eng. soort suikergebak met vrueh-tensap.

roco, it. (= lat. raucus, a, urn, hecsch) Mnz. ruw, dof.

Rócoco, n. nw.-fr. (waarsch. van roc, rocaille, z. aid., dus eig. de smaak voor schelp-of grotwerk; v. a. zou een fransche prins, dio In HUi te Cobionz naar een koopman in oudo meubelen vraagde en daarop len antwoord kreeg, dat er een rok voor zyn winkel hing, lachend uitgeroepen hebben; oui, oui, roe, roe, rococo,■ — dozo inval, lijdens de restauiatie aan de ko-nlnkigko tafel Ie Parijs verteld, werd geestig gevonden, cn zoo kwam de uitdrukking in de mode) oudorwetsclic voorwerpen van allerlei aard nit den lijil van Lodowyk XIV, die naar den nleuwsten smaak des lijds weder mode zyn geworden; in liet algemeen; heigeen behoort tot den geest en smaak van het op de zooge-noemdo renaissance volgende lydperk; vandaar roco co-s I y I, ro co c o-s m a ak, enz.

Rod, m. eng. z. v. a. perch, z. aid.

Roderik, oudil mansn. (waarsch. uit II ru-oderih onislaan; vgi. Robert); de roemryke.

Rodomónto, m. II. of rodomónt, fr. (elg. rndamonle, d. i. hergoimvenlelaar. Iemand dio zich als het ware vermeel, zelfs bergen van hunno plaats Ie bewegen en voort te rollen, van \'t loinbardlsch woord rodnrc, in een kring onidraalcn en als een rad voorlrollen, v. \'t lat. rola, rad, en \'I Hal. monle, berg) oorspr. de naam, welken Itojardo cn later Arlosto in hunne dichtstnkken {Orlmuin innainonilo en Orlando fiiriosi); aan cenen snoevenili\'n Ik ld gaven; vandaar in \'t algemeen een grootspreker, opsnyder.

pocher, snoever, windbreker, yzcrvreler-, — rodomontade, t. fr. (It. rndomonlala) de pra-lery, opsnyderU, groolsprekerij, snoevery, snor-kery; vgi. fun far o n nado; — rodomon-tooron, groolspreken, pochen, snoeven.

Rodóndos, in. pl (van liet sp rednndo = lal. rolundus, rond; liemo redondn, lijnwaad in ronde balen) ecne soort van wit vlaamsch linnen.

Rodrigo, m. sp mansn. z. v, n. Roderik.

Roob, m. arab. (roeb, een vierde, v. iirha, vier) ecne turksche munt = ! piaster ef 10 paras (z. plaste r).

Roobol, m. rnss. (meld, oorspronkciyk een afgehouwen stuk, van roebilj, snijden, houwen; v. a. van bet arab. roeb (z. ahl.), daar de rochel oorspr. i grlwna of ecne mark zilver was) ecne rnss. zilvermunt van 100 kopeken = /\' 1,90 nederl.; lt;le zilveren roebel is vjrschlllond van den papieren roebel, die weinig meer dan zilveren rochel geldt.

Róébio, f. (vgi. roeb en ro p y) ecne voormalige gouden rokenmunt In Algerle.

Roodo, f. ecne ned lengtemaat voor afstanden = 10 ellen of meiers; vgi. de ka meter; do rynlandscho roede, verdeeld in 12 voelen - 1),7(188502 meter; de amstenlam-sche roede, verdeeld in lit voeten =11,0701098 meier.

Roedorer, m. soort champagne (naar den fabrikant genoemd).

Roof, f. nederl. elg. dak (eng. roof) over-dekto plaats tegenover den stniirstoel in poslof Irekschultcn en andere kleine liinncnvaar-tulgen, waarin zich gewooniyk do passagiers bevinden.

Roofai, voefaai, m. pl. turk. hullende derwischen, bekend wegens hunne aan verhy-stering grenzende dweepzucht (naar den slich-ter Ahmed Roefaal. gest. Ilsi na dir., benoemd).

Rookoo, z. o rl ea n.

Roeland, oudd. {Ilulnnd, Hudland, llrunr-land, van \'t oudhoogd. hruod, ysl. hn\'idr, roem) mansn.; roemland; Inz. een falielaclilige held, dien men als oen der paladijns van Karei den Orooten vermeld vindt en die ecne grooto rol speelt In de rlddergcdichton der nilddeleeuwen; it. Orlando; — roelandszuil, f. (misschien hodorven uil ru gel andszuil, van hel dultsche rnge, rtlgo, voor gorlclil) een zln-nehceld van bel recht der strafoefening in vele steden van noordeiyk Dultschland en ook hij ons (li. v. de Stoeiien Roeland te Amsler-dam, die nog voor eenlge Jaren daar aanwezig was), bestaando In een reusachtig slandbeeld eens geharnaslen mans.

Roemenen, Roemecnon, zie Ro-m am e n.

Roepij, z. ropy.

Roesalki, f. pl. rnss, (roesalka, v. roesuï, hlond) woud- en walemlnifen by de Slavoncn, naar welke hij do Russen de weck voor Pinksteren nog de Roesalka-week heet.


-ocr page 1115-

KÓM AN

4087

KOG

Rog, m. ook rocli, iiortorl. (ent!, roach en ray, lal. raja) eciio bokeiulo soorl van kraak-boenvisch.

Rogiite, lal, (rogUte, linpor. van rogürc, hidden, vurzookon) do bidzondag of zondaf; voor llomclvaarlsdaK, naar liet lick\'ln der laljjnsche liybelvvoordcn; royntc etc., IjIiII enz., Joh. XVI, ü; — rogatio (s|ir. l=s) f. lal. (rmjuhn) eene hedo, oen smceksclirlft; eene voorbede voor afKeslorvenen; een bededag lol alwendlng van zware rampen; — rogaloriales (sell, lil-lerae) pi., ook rogatorïum, n. nw.lal. Jur. smoekselirlft, verzoekselirin, sebriflciyk aanzoek;

— rogiitum, n. een smeek- of bodelhrlcf.

Rogatiston, m. pl. eene ehrlslensecle In

ile id11 en öde eeuw, naar haren sllchlor II o-galus benoemd.

Rogatóns, m. pl. fr. (spr. rnqulóii) over-gescboten brokken, opgewarmde spUzen, klieken; onbeduidende papieren of gesehrlflen, prullen.

Rogior, ui. (fr. en romiiii. Hoger, oudd. Hüdiger, vau \'1 oudhoogd. Ilruodgdr, llródgér) mansn.: de roemspeer, d 1. de door de speer boroomdo.

Rognuros, pl. Tr. (spr. ronjmr\'-, v. ro-gner, snoeien, prov. redonhar, oorspr. ronden, v. lal. rolumlus, rond) de afsnijdsels, hel snoeisel of ih\' snippers, afval van papier, munten, enz.

Rogosja, f, pl. rogoaji, russ. (v. rogos, rlel, hies) i\'ussische mallen of dekken uil boomschors, rlel of andere planlen.

Roguo, in. eng. (spr. roog\') schelm.

Rogus, in. lal. de brandstapel.

Roi, m. fr. (spr. rod: v. lal. rex) koning;

— Ic roi est morly vive Ie roi.\' (spr. Ie void è mor, wieiv\' Ie rad, do koning Is dood, leve do koning! — Ie roi rèfine el ne fiouverne pas (spr. rènj\' é ne goevenï /)«), do koning rogeerl, en heslnnrl mei (grondstolllng der conslllulloneelo monarchie); — roi fainéant (spr. fè-nó-dii), nlols-doendo-konlnii; — Hoi d\'urm es, n. fr. (spr. roa d^rm\'; van roi, koning, on arme, het wapen) de wapenkoning.

Rojirn, pl. hebr. zieners, profeten.

Rok of roc, in. (arab. en perz. rock of roeeh, dat ook /.. v. a. roche, roe, in \'1 schaakspol Is) een fabolachllge vogel van onlzetlende groolle en kracht In de arablsche sprookjes.

Rokosz, m. poolsch (spr. rólwsj; naar men wil aan \'t hong. onlleend) de opsland desadels legen den koning en den senaal.

Roland, z. Koeland.

Rölo, ni. fr. (spr. roo/\') rol; d loer (spr. loer) de role, op de beurt.

Rolotto, f. fr. vlaamsch hal 1st lijnwaad.

rolleeron, z. r o u I ee r e n.

Rolpaard, ook roopaard, n. schpeps-affull, z. af full.

Rollo, II. z. v. a. rouleinent.

Rolls, pl. eng. (spr. rools; v. roll, de rol) eene soort vnn rood lijnwaad, inz. uit Hessen en VVestphalon.

Romaansch, z. ro manisch onder r o m a n.

Romcenon of roo ma enen; m. pi \\ Home ni, Jiomoeni], de Inhoemsche naam der Wal-lachen of WallachUers, dien zij zich nog wegens hunne afkomst van de Komoinen geven.

Romagna, f. it. (spr. —mdnja) het noord-ooslolijk gedeelle van den voormallgon kerkelijken staat (de dlslrlcten Bologna, Ferrara, Forll en Kavenna; — romagnolo, m. een inwoner van dat gebied.

Romaika, f. (nw.gr. rhómaika, v. rho-maikos, nw.gr.) een nieuwgrieksche volksdans in het rond, meestal alleen door mannen gedanst.

Romaino, f. fr. (spr. romeii\'; v. romain, romaine, romolnsch; 11. romano, het gewicht aan don wecghaak of unster) de romolnsche balans, (h; weeghaak, do unster.

Roman, m. (f. fr. roman, 11. romanzo, eng. romance, oorspr. alles wat In eene roman Ische taal Is geschreven, van \'Mat adj. romanfeus, adv. romanicc, romolnsch) sedert do invoering van den Amadls uil Frankrijk in Dullschiand, omstreeks IjHO, eene op oud-epi-schen achtergrond ruslende avonluuriyke hei-den-, ridder- en liefdegeschiedenis; dan in t alg. eene verdichle geschiedenis, de voorstelling van verdichle monsehelijke voorvallen, welker hoofdoogmerk karaklertoekening is, daarom inz. de lolgevallon van een byzonderon persoon bevallende; in engeren zin: eene avontuuriyke llefdogeschledenls; oenen roman spelen, oenen liefdehandel of eene vrijerij op hot louw zeiten en doorzetten; - romance, f. fr. eene korle avonluuriyke geschiodonis, overlevering, oen riddoriyk voorval, enz. in den vorm van oen lied, eene zanggesehiodonis, zangsprookje; vgl. ha Had e; romaneéro, m. sp. verzameling van romancen; romaneior, m. fr. (spr. romaiisjó) een romanschryver; ook ro-mnncondlchlor; fem romaneière, roman-schrijfsler; romanésk, adj. (fr. romanos-que), wal naar don roman zweeml, op de wyze dor romans, overdreven als de romanhelden, verdicht, fahelachlig, onnatunrlijk. ongeloofeiyk;

— romaniseh, romaanseh, adj. (van \'l lat. roman us, romolnsch) van hot oud-romeln-scho of laiynscho afslammondo, gelijk de in do middeleeuwen uil de laiynscho laai onlslano r o ma an se ho of roman Ische talen: do Italiaansche, spaansebo, poiingeesche, fransebe, provoncaalscho, enz.; romaanscbo honw-styi, de rondhogonsiyi in de bouwkunsl, die zich van de 10e lol do IJ5o eeuw ontwikkelde

byzaniynsche houwslijl; - voma-nisoeron, romans ontwerpen of schryven; eene ware geschiedenis als oenen roman inkleo-den; — romanomanio, f. lal.-gr. romanwoede, overdreven zuchl lol romans lezen; romantiek, f. en romantieisme, n. de middoleenwsche en door de nieuwere dichters en kunslrocbtors nu weer opgewokle (romanli-sche) smaak in kunst o\\\\ leltereu; roman-tiens, m. een aanhanger van dozen smaak;

— romantisch, adj. (fr. romunlique) eig. In eene dor romanlische talen opgesteld, ge-


-ocr page 1116-

ROMAN-CEMÉNT

1088

ROQUETTK

sclircvcn on voorgodingenj In \'I iilu. in don uoosl cn smaak dor chrlstoHjko mlddoleouwon, in logonsl. mot hel antteko of klussioko on modorno; vandaar do romanllsoho school in vorschlliondo landon, ilio lollorkun-dlgo rlohtiiiK, wdko /lch hy voorkour riohtlo tol do ciiristoiyke middoloouwon; ook dichtcr-lijk schoon, hokoorigk, hotoovorond, vorrukkolgk, wonilorsohoon, (li v. oon romantisch landschap);

— romanzo, n. It. (= lingua romama) do romanlscho taal.

Roman-comónt, n. ong. romolnsch co-monl: nalnnriyko hydraulischo kalk, door hran-lt;len oil nlorvormlgo stukkon kiezolzuro kalk on leem hereld on vorschlllend van hol in hopaaldo vorhouding gomongd on kunstmatig gofalniceord p o r 11 a n d - c c m o n t.

Romanélla, r. it. oono goodo tnrwsoort in do napolilaanscho provincie Terra dl Lavora;

— romanésco, m. il. een goodo wUn in \'I gehlod van Homo; — romanosko, f, oon it. dans van vroolgk karakter on snolio howoging.

Itommi Imperii Semper Augustus, in. allgd vermeordoraar dos romelnsclion ryks, eon titel dor Duitsche keizers.

romanisch, z. onder roman; — romanisme, n. nw.lat. do r. kath. godsdienst, zyn loorslelsel on groiulstolllngen; - 1\'Oma-nisten, pi. aanhangers der roonisch-katholleko kerkleer, roomscheii; aanliangers en vordedigers van hot romolnsclio recht, in logonsl. mot gerin an Ist en; ook konnors der lomaanscho talen; — romanistisch, adj. do kennis der roinaanscho laleri lietroironde; romantiek, romantisch, enz. z. onder roman.

Romein, ook Romer, m. oon howoner van do stad Komo; Typ. romein, oono hoofdsoort van drukletters, nok antlqua ge-lieelen (z. aid.); — romeinsch, adj. wat tot Komo hehoorl, daarloe betrekking hooft, sa-mengotr. roomsch, inz. wat don godsdienst liotreft, wie den godsilionst lieiydl of tot do al-gomeene (katholieke) kerk liohoorl, welker op-porhoofd, do paus, zUnen zetel in Homo hoeft;

— romeinscho bouworde, do Jongste der liouworden, samengesteld uit do Ionische cn korintliischo (z. aid.).

Romenen, z. r o m a e n o n.

Romestécq, n. fr. zeker kaartspel tus-schen twee, vier of zes porsonon.

Romuliden, m. pi. lat. (Komutidae) nakomelingen van Komuius, den grondvester on eersten koning van Home, Knmoiiiou.

Ronas, (porz. rónds) do syrischo of per-z.isclio moekrapwortel.

Rondas, n. oon rond schild.

Rond, n. fr. (sjir. róii\'; v. rond, rond, van \'i lal. rotundas) hel rond, do cirkel; —rond d\'eau (spr. rondo) oon groot, rond waleriiok-kon mol grasperk omgeven; — rondo, f. (spr. rond\') do omgang; Mil. londgaando wacht, patrouille; rondedans, kringdans; rondgoznng; oon staand fransch schrift, het logengosl. van couléo; — « /« ronde, in de rondle, In een kring rond; ook oono soort van hlijarlspel met 12 kioino hallen en éonon speoliial; — rondeau, n. (spr. roiidó) oon rondeel, rond-godiclit, rondozang, eene soort van lyrisclio go-dichton met een naar hopaaldo dlchtwotlon te-rugkeorend referein; Muz. (ook rondo. It.) oen muziekstuk, gewooniyk in tweo dooien, waarin oen hoofdthema als roforoln torugkoert, ook sioithoma oenor sonate; — ronde-bosse, f. rondwerk, rond verhoven werk, vgl. hosso; — rondeel, z. rondeau; ook oon rond hultenwerk of rondo sterke toren, die wei eens de plaats van oen holwerk vervangt; oono door veie kringvormige gebouwde huizon ingosloten vlakte-, — rondïno of rondolétto, n. it. Muz. een kort, nlot zoor uitgevvorkt rondgezang, een klein rondo.

Rongerie, f. fr. (spr. roinj\'ri, v. ronger, knagen) In de kaloendrukkeryon hot wegbyton dor kleuren door bytnilddolen.

Roob, z. rob.

Rookories, pi. eng. (spr. oo=oc,-v. eng. rook, oono zaadkraai, rookery, kraaiennostol-plaats) iegorplaats dor zoovogols, ii. v. op do l\'\'alklands-ellanden.

Room, f. eng. (spr roem) kamer; b. v. diningroom (spr. dainiengrocm) eetzaal, etc.

Roopaard, z. rolpaard.

Roos, f. (lat. rosa) eene aliorwogo liokendo schoono bloem, van velerlei soorten; eene huidziekte, ook SI.-Anlhonio-vuur golieelon; eene soort van diamant (z. aid.); — roos van Jericho, z. Jorichoroos; — do roode roos en witto roos, benaming van tweo vyandlge pariyen, die van Vork en Lancaster, wolko lingoiand eene reeks van Jaren door burgeroorlog geteisterd hobbon en eerst in 1438 onder Hendrik VII een einde namen; — rozemarijn, beter rosmaryn-, rozen-hout, z. r bod isch bout; — z. verder onder rosa.

Rope-grass, n. eng. (spr. róóp gres; v. rope, louw, en grass, gras) hot parclgras [Mclica nutans, ƒ,.) voor viscbnolton.

Ropij, liever ropy of roepio, f. (hindost. en porz. roepiyah, van \'I sanskr. rocpyn, schoon, schoonbold; vervolgens zilver, Inz. bewerkt zilver) oono oost.-lnd. en porz. mnnt; in Oost. Indië sedert 1835 wettelijk de (zilveren) com-pagnies-ropy van ill anna\'s, elk van 12 pies = f 1,15 nedorl.; — lakropij, eene rekenmunt te Calcutta = 100,0110 zilveren ropyon; z. lack.

Roquelauro of roquelaur, m. fr. (spr. rók\'loor\') een manlel, reis- of regenrok, rogen-inanlol, naar zijn franschon ultvlndor, don hertog van Koquolaure, benoemd.

roqueoren, z. ond. roc, roc be.

Roquetin, m. fr. (sjir. rok\'lek) eene kleine rol, waarop zydo on gouddraad gewikkeld worden, de zyspool, de klos.

Roquetto, l fr. (spr. rokill\', sp. ruquela, II. ruehella: van \'t lat. ernrn) waterkers, een mooskrnld, dat men als salade oei; ook z. v. a. r 0 c h 011 e.


-ocr page 1117-

R0TALITI1

RORATE

1080

Rorate, Int. (v. rnrdre, dauwen, hedrop-polon) clR. diiuwl: hcniimliiK, vim oono In do i\'. kiitli. Kerk gedurende den lyd der ndvenl cclioudon mis, nmir hare niuminKswoorden; rorale coeli, dauwt of droppelt, kU liemolen! die uil Jes. XLV, K ziju Rouornen-, rora-tie (spr. /=/,s) f. liet dauwen; de meeldauw nan den wljnslok.

rosa, f. lat. de roos; — rosa, of fr. rosé (^pr. rozé) rozenrood, roodkleurlx; — sub rosa, onder de roos (het heold der verlrouwelijkheld) il I. la vertrouwen, In Icehelni; rosa-céon, pi. uw,lat. {rnxacilue) rozensoorlen; — rosaciïus, a, urn, Int. Hol. roosvorinlR; - ro-salia, pl. uw.lal. Med. de mazelen; Rosalia of Rosalindo, uw.lal. vr.naam: de rezlce, de sehcone als eeue roos; — rosalio, r. fr. ;\\luz. de herhallUK eeuer muzikale passage hi hooier of lapier loon; ■ rosarium, u. een rozenkrans, Idilsnoer; rosarii fa-ternitas, f, de hroedersehap van lU\'ii rozenkrans; — roseïno, r de rozenslnr, (^eue roodo kleurslof; - roselith, m. lal.-gr. (gr.

sleen) een In Saksen (levonden mineraal van rozeroode kleur; - rosonóblo of rozonó-bol, m. ld. I. elji. edele roos) een rozenstuk, voorin, van 1,\'J2S lol IiiiU ^cslflgcn jjoud-munt, mol con schip cn ccnc roos gestempeld, omlrcnl 11 sl. waanl; r o z c n o h c l-po n d, goud, dal slcclils T|3 zilver hoval; rosétte, f. fr. ccnc kleine roos, een roosje, roosvormlfjc sieraden in pond- of zilverMIK, enz., een roos-vormlge slrik, ccnc linlroos; de roos of riciil-schijf in horloges; ook roosstcen, een van onderen plal cn van hoven hoekig geslepen (in rnilvormige of driehoekige vlakken verdeelde) diamant; als vr.naam: Koosje; — rosottoe-ron, met goudroosjes hezetten, versleren; den diamant zóo slijpen, dal hy enkel rnitvormigo of driehoekige vlakken vertoont; Rosilda, vr.naam: de aanminnige roos, liefelijke onschuld; Rosino, vr.naam: de rozenroode, de hloeiendc.

Rosboyor of Rosbayard, m. het paard der vier heemskinderen, ha yard genaamd; on-eig. een woesteling, een wild schepsel.

Bosciade, f. (naar Itnscius, een herocm-den rom. tooneclspcler; een cngclsch leerdicht van Churchill over de toonoclkunst.

Rosconne, n. fr. wil lynwaad uit Hretagnc.

Roséo do flours, f. fr. eig. hlocmen-dauw: een fijn reukwater.

Rosoliot of rosolith, n. een naar (i. Hose genoemd, aan kohaithloem verwant mineraal in Saksen.

Rosonobol, rosette, Rosilda, zio ond. rosa.

Rosoroaux, pi. fr. (spr. roz\'ró) russisch houtwerk voor mutsen, mntsenhont.

Rosewood, n. eng. (spr. 00=00) rozen-hout, palissanderhout.

Rosinant, m. sp. {rocimtnlc, fr. ross in ante, van \'I sp. rocin, fr. rosse, slecht paard, knol, van het duitsche ros, cn anle, voorheen) een vnciuu: DIU K.

slechl paard, magere knol, Inz. het ellendig rü-paard van Don (Quixote (z. aid.), doorhem zelvcn dus genoemd.

Rosino, z. ond. rosa.

Roskólnik, z. heter raskólnik.

Rosmarijn, ook wel minder goed rozemarijn, m. (van het lat. ros mar mus) eig. zeedauw, een hekend welriekend gewas, dat in hel Oosten en in Z.liuropa, inz. dicht aan zee, in hel wild groeit; — rosmarinifolius, a, urn, lat. hot. rosmarijnhladerig.

Rosólio of liever rosóglio, m. Hal. ro-zenhrandewijn, een Hal. gekruide hrandewijn, uit rozenhladercn hereid; v. a. is de naam onl-staau uit ros sol is, omdat men vroeger voor een dcrgeiykcn geestrijken drank de hloem zonnedauw gehruiklc; vgl. drosera en rossóli; - rosölzuur, n. lal. (uil ros rus, rozenrood cn olrum, olie) een uit tccrolie of carholzuur verkregen schoone roodc vloeistof.

Rosomak, m. (poolsch rosonwk, hong. ro-^omak, russ. rossomdcha) de veelvraat, een roofdier van hel herengeslaclit iu N.Kuropa enz.

Ross, m cell, in zee uilstekende landtong.

rossidus, a, urn, lat. Hot. hedauwd.

rosso anlico, in. it. d. i. eig. oudorwelsch of aid lek rood (rosso, rood, v. quot;1 lal. russus) roodachtig marmer.

Rossóli of liever rossólis, m. fr. zonnedauw, ecu lijne gekruide hrandewijn, inz. getrokken op liet kruid zonnedauw (te .vo/iX lal.)

Rostbcef, n. z. roast heef.

Rostéllum, n. lat. (verklw. v. rostrum) een snaveltje, snuitje.

Rostoptschen-olie, f. een samengestelde aMherische olie ter likeurhereiding (naar den russ. generaal henoemd, die gezegd wordt hovel gegeven te hchhen lol den brand van .Moskou).

Róstra, n. pl. lat. (van rostrum, de snavel) eig. de snavels; het spreekgestoelte op de markt in het oude Home, zoo gehceten naaide daarop geplaatste schcepssnavels van de veroverde schepen; vandaar pro rostris, van hel sprcckgestoclle (in \'t openhaar spreken); -roslralus, a, urn, lat. Hol. gcsnaveld, mol ccnc snavelvormige verlenging.

Rostraal, liever rast raai, z. aid.

Rot, n. (mid.lat. rota, n\'la, ruplu, v. lat. pari. \'ruplus, gebroken ; mid.hgd. role, rollc, russ. róla) kleine schaar, afdceling van ecu leger, ccnc compagnie soldaten.

Rota of ruota, f. 11. (eig. rad lat. rota; zoo genoemd, omdat ,1e gcrichlszaal met rader-vormigc platen is hevlocrd) hel hoogste pauselijke appellalic-gerecht, de opperrecht hank te Home over de gc/amenlijkc r. Kath. christenheid ; het rad of de draaier aan kloosterpoorten ; een ronde kerkmantcl.

Rotabiiga, rotabagge of rutabaga, f. een zweedsche verscheidenheid van de koolraap.

Rotacisme, z. rhotacismc.

Rotalith, m. Iat.gr. (van \'I lat. rota, rad cn \'I gr. lil hos, steen) een radcrslcen, straalstcen.

OU


-ocr page 1118-

ROUSSELET

ROTANG

1090

Rotang, n. (sp, rota, puk. ralan -, van \'l malolsch rótan) het ooslIndische ot zoogen. spiian-sclie riet, eene palmsoort, rotting.

Rotütio (spr. lie—sie) t. lat. {rnlntio, van rolare, In eonon kring ronddraaien, van rola, liet rad) de raddraaiing, raderloop, de omloop, omdraaiing, omwenteling, de kringvormige he-weglng om de as, h. v. van do zon, de aarde enz.; — rotatio-as, t. draallngsas; — rotatie-vlak, n. het vlak, dat zich om een vaste rechte lyn howeogt; — rotatie-kogol, in. do door omdraaiing van een hoek om zUn éeno vaste hoen omschreven ruimte; — rotatie-magnetismo, n. de hewogingshetrekkingen tusschen magneten en elektrischo geleiders: — rotatie-machine, f. stoommachine, waarin de door den stoom bewerkte heweging onmld-delUjk eene rotoerende /.gn moet; — rotatoria, pi. nw.iat. (zoo genoemd, omdat zij zeer hewecgiyk zUn) raderdiertjes, opgletsoidlertjes; — roteeren, lat. (rolure) zich in een cirkel ronddraaien, zich om zgn eigen as hewegen; — rolalus, a, um, lat. Hol. radvormig.

rothamaqensis, lal. Hot. Kouaansch, van Kou-aan afkomstig.

Rotonde, z. rot undo.

Rotta, r. eene voorin, vochtmaat In Madrid. Rottel, z. roti oio.

rotten boroufihs, pi. eng. (spr rnlt\'n bórroos) vervallen marktvlekken, in welke hel recht om afgevaardigden in het pariemenl ie zenden in de handen van enkele giondeigennars was gekomen, wien het stemrecht door de parlements-reform In is:il werd ontnomen; vgl. ho rough.

rotteoren of liever rotten (van rot, miil.lat. rotta, ruta, rupta, een hoop, eene schaar, v. lat. rumptre, breken; in verachteiy-ken zin: cenige personen, die zich lot een onedel doel hebben vereenigd) een rot vormen, zich tot een slecht oogmerk veroenigon, samenscholen.

Rotting, rotang.

Róttolo, m. (van \'tarab. ratht, pond; vgl. ratel) een handelsgewicht In het Oosten van verschillende grootte,

Rotülus, m. mld.lat. (In plaats van rotüta, verkiw. van rota, alzoo eig. radertje; voorts iets samengewikkelds, eene rol) een linndel of pak acten of gereclitciyko verhandelingen; ro-tiitus mortuórum, in de r. kiith. Kork bot\'boek, waarin men de namen der overledenen, voor welke zielmissen gelezen worden, opteekent; rot//lus test turn, het getuigenverhoor of de uitspraken der getuigen; — rotüli of rntiitae, pi. artsenijballetjes; — rotuleeren (mld.lat. rotutare, d. 1. eig. rollen) acten naar hunne volgorde teekenen en samonnaaien; — rotu-latie (spr. tk=tsk) f. hel ordoiyk hyeenvoe-gen en Innaaien van schrifteiyke stukken.

rotiinde, lat. (adverb, van rotundas, a, um, rond) .lur. rond, rondweg, zonder omwegen; ook in rond gelal; — rotünde of rotónde, f. (11. rotonda, fr. rotonde) een rond gebouw; teder van bulten en binnen rond gebouw, inz. het beroemde anlheon (z. aid) te Koine; Mod. een ronde kraag; een ronde damesmantel; — rotmdatus, a, um, lat. liot. afgerond; — ro-tundifotius, a, um, lat. Hot. rondbladerig.

Rotüre, f fr. (van \'t mld.lat. ruptura, een pas geploegde akker, klein goed, boerengoed, van \'t lat. ruinjifrc, lirekem de onadeliyke stand, burger- en boerenstand; — roturier, in. (spr. rotu-rjé: mld.lat. rupturartus, iemand, die den akker breekt of bebouwt) een burgeriyke, onadeliyke ; — en roturier (spr. an rotu-rjé) als een burger, burgeriyk, hoersch, gemeen.

Roucou, z. o r 1 e a n.

Roué, n. fr. (spr. roe-é-, van rouer, radbraken) een geradbraakte of radbrakenswaar-digo schurk, galgebrok, nietswaardige kerel; in het Jaar nül door eene toevallige aanleiding tot modenaani geworden van de voorname, galante wellustelingen, z. v. a. 11 her tin; — aimable roué (spr. èmdbt\') een beminnenswaardige loslini, een mensch van slechte beginselen, die by uilslek zyne wereld verslaat.

Rouennos, pi. fr. (spr. roe-in\') halfkatoenen stolTen, zoo benoemd naar de stad Rouaan (fr. Ilouen), waar zy vandaan komen.

rou/ie, adj. fr. (spr. roezj\'; v. \'t lat. rubcus = ruber, rubfdus) rood; — rouge, n. fr. rood, rood blanketsel; — rouge el noir (spr. roezj\' è nodr) rood en zwart, een fr. kansspel met ballen en kaarten; — roufle végétal (spr. mezjetal) plantcnrood, blankclsoirood, portugeesch blanketsel, uit saltloers bereid.

rouleoren, fr. {router, spr. mei—, pro-venc. rottur, 11. rololare, van \'1 mld.lat. rotu-tdre, v. \'t lat. roti/lus, rotiela, een klein rad) rollen; oniloopen, in omloop of in zwang zyn, gangbaar zyn; — roulade, f. iels opgerolds, oen rolgebak, opgerold kalfsvleesch; Muz. een loop, een versiering der tonen, toonlooper, eene rolling dor lonen; —roulage, r. (spr. roelddzj\') het voerloon, de vracht voor het vervoer met wagens, karren enz.; — roulance, f. (spr roetdiis\') de geldsomloop; — rouleau, m. pi. rouleaux (spr. roetó) rol, rolstok, rol-hout, wals, rolblok; de rolgordyn voor vensters;

— roulement, n. (spr. roei\'ma it) de rolTei op de trommel, met de pauken; het trillen of trein bi eer en met de slem; — roulette, f. eene rolscbyf, oen rolraadje, werktuig der graveurs; ook een kansspel met kogeltjes of halletjes; - roulier, m. (spr. roctjé) een voerman, vrachlryder, goederenryder, vraebtvoor-man; kruier.

Roundheads, pi. eng. (spr. roundheds: van round, rond en head, hoofd) de rondkoppen, spotnaam van de Puriteinen of de party, die koning Karei 1 van Engeland vyandig was, dus genaamd wegens hun rond afgesneden haar.

Roupino, z. r u s p o n o.

Rousselet, m. fr. (spr. roes\'té: v. raus, roussc = lat. russus, a, um, rood) de suikerpeer, eene naar muscadel smnkende peersoort;

— rousseline, f. fr. eene peren- en een wyndrulvensoort.


-ocr page 1119-

1091 itUBICON

ROUSSETTR

Boussotte, f. fr. (spr. roe-séll\') de loc-borcldo vlschhulü, hel sugrün voor hoiiORekus-lon, enz.

Roussillón, m. fr. (spr. roe-si-ljóii) een zeer slerko, zoele fransche wijn, uil de provincie K ousslllon In /,.Frankrijk.

Rout, in ent;, (spr. mul-, elg. rol, hoop, schaar; vgl. rolleeron) een lalrijk engolsch avondgezolscliap, praalgezolschap, Iheegezel-schap, speelgozolsehap.

Route, f. fr (spr. rod\': van \'I lal. ruiiln, sell, via, lt;1. I. gebroken baan, gebaande weg) de weg, reisweg, gemeene weg, slraalweg, loehl, rlchllng der reis, koers-, relsroule, marsch-ronle der soldalen, de hnn aangewezen weg;

— routier, m. (s|ir. roetjé) e(Mi zeewegwyzer, wegwyzer voor zeevaarders, zeespiegel, boek met zeekaarten, zee-alias, graadboek; —routiers, in. pi. de in de lide eeuw voor -oldij dienende avonlurlers in Krankryk, die hel land verwoestend doortrokken; — routine, f. (spr. rnetk\'n\') de vaardigheid, vlugheid, gemakkelük-held, door gedurige oefening of bohanilellng verkregen, do sleur, slender, gewoonte, hel handelen naar regelen dor ervaring zonder Inzlchl der gronden; — routinier, m. (s|)r. roeli-njé) een orvaringsinan, geoefende, oen vlug uilvoerder, die onkel ten gevolge van oefening handelt ; enk oen knoeier, beunhaas, die enkel door afkyken beeft geloerd, maar geenerlei grondige kennis bozll; zich routineeren, zich vaardigheid of vlugheid In eenige bezigheid bg-brengen, zich oefenen; — geroullnoerd, adj. (fr. rouliné) geoefend, bedreven, ervaren, vlug, doorkneed.

Roveseiaménto, n. II. (spr. —toesja—, van rnoesriarc, omwerpen; vgl. ri verso) Muz. de omkeering of verwisseling dor slemmon In bet contrapunt.

Rowdy, m. eng. (spr. inutli) pi. rowdies (v. row, geraas) doorbrengers en levenmakers der laagste soort, ruwe en onbeschaamde leogloopors, inz. Jonge, op avonturen en bai-dadlghoden uilgaande leogloopors in do groote steden der Vereen. Staten van Noord-Ainerika (vgl. loafer).

Roxb., Iiij naluurwetcnsebaiipeHjke henaniln-gon afk. voor W. Koxburgh (gest. isli).

royaal, adj. fr. (royal, sp. roajal, v. \'1 lal. regalis, gelijk roi van rex, koning) koninklUk; vgl. regaal; - royaal-papier, koningspapier, oeno zeer grooto papiersoort; — royaal-puneh, koningspuncb met wijn; — royal-assént, n. eng. (spr. rói-cl) de konlnkiüko bekrachtiging eoner bill; — royaliseoren (fr. roi/ali.ier) koningsgezind maken, volgens ko-nlnkiUke (monarchale) grondbeginselen in-ricliien; ook koningsgezind of monarchaal zyn;

— royalisme, n. harb.iai. (fr. royaliwie) de koningsgezindheid, koningsliefde; aanliankelUk-iield aan de koninklijke party; — royalist, m. (fr. royaUstc) een koningsvrienii, konlngsman, koningsgezinde of aanhanger des konings; — tire plus royalislc que Ic roi, fr. meer koningsgezind zyn dan de koning zelf; — royalistisch, adj. don koning of liet koninkrijk toegedaan, koningsgezind, koninklijk; royauté, f. (spr. roujoié) de koninkiyke waardigheid, het koningschap.

royeeren, z. ray oer en.

Rozenhout, z. rodlsch iioul; —rozemarijn, z. rosmaryn; — rozettee-ren, rozenobol, z. ond. rosa.

Rozijn of razijn, f. (van \'t fr. raisin, druif, wyndruif, lal. racemus) gedroogde zeer suikerrgke druif (hetzy in de zon of door ovenvuur); vgl. cl be be ii en kor I n then; — ro-zijnmede of rozijnwijn, een welsmakende gezonde drank, uil rozijnen, honig en water door gisting bereid.

Ruade, f fr. hel achleruilslaan van een paard; ook de achlerultslag dor voeten bü het dansen; oncig. de grofheid, onbeseboflbeid, ruwe uitval.

Rub, z. roe li.

Ruban, in. fr. (spr. —M») het lini.

rubulo Icmiio, 11. (van rubdre, roovcn) Muz. elg. de geroofde tijdmaat, eeno eigenaardige soort van gevoelvolle voordracht, waarby men zich In de bovenslom niet streng aan ile maat iiiiidl.

Rubber, z. robber.

Rubbia, f. of rubbio, m. 11. (spr. u=oe) eeno voormallgo korenmaat in Ancona en Koine, ongeveer 2S0 lot ifl!) L.; eeno voormalige veldof viaklemaal In Kome; ook een voormalig Hal. gewicht van i\\\\ pond ii li onsen; —rubbia-télla, f. eeno voormalige graanmaat Ie Rome = J rubbio.

rubefacienfta, pi. lat. (van rubefaccre, rood-maken) Med. bytende, roodheid en bilte verwekkende middelen; — rubescoeren, rood worden.

Rubelliet, n. (van bet lat. rubéllus, a, urn, roodaclilig, van ruber, rood) eene onsmelt-hare soorl van schorl van perzikhloesemkleur, vezelscliorl.

rubens, rubescens, lal. Hol. roodaclilig, rood-wordend; — rubentia (spr. t=ls) f. nw.lat. (vim \'Mal. rubens, rood zijnde, rood gemaaki, rooii) hel roodbout.

Rubezahl, m. hoogd. (sjir. rocbe-lsaal) de berggeest in bel Ueuzengehergle, volgens hel oude bygeloof dor Duilschers, die dezen geest hel vermogen toekenden om allerlei gedaanten aan Ie nemen en de mensclien ie kwellen of gelukkig Ie maken.

Rubia, f. lal. (v. lat. rubius, rood) de meekrap, n. I. Hubin linclorum: rubiaeeën, pi. nw.lat. (rubinrrae) meekrappliinlen, krap-soorten; rubiaoino, f. de oranjegele verfstof van de meekrap.

Rubicél, m. z. robijn.

Rubicon, in. oude benaming der rivier 1\'Isaleilo, die weieer lol grens diende voor Clsaipynsch flallli) en elg. liailU; den Kulii-con overtrekken, zich op eene onherroepe-lyke wijze lot iels verbinden, oen niet Ie her-


-ocr page 1120-

RUHIDIUM

i 09\'2

HUMKX

roopon stap doon (mot zlnspollnt? op do daild van Cn)8ur. dlo dezo rivier ovdl\'ti\'ok om liij /ijnn tcruffkomsl uil Gallic!, ill jaren vóór dir., le-gen den senaal op Ie trekken); v)?!. jacta est alen.

Rubidium, n. nw.lal. (v. lat. rubidus, rood) eon door llunsen en KlrchliolT ontdekt alkall-molaal, naar twoo roode lUaen, dlo zgn speclram vorloont, aldus Rcnoenul.

Rubio, ■/.. roe hl.

rubittcooron, nw.lal. (lat. ruhefacere) roodmukon; rubifleatie (spr. /=s) f. liet roodmaken.

Rubriek, f. lal. (nibncn, voor ruhevfcü, van ruber, ntlji a, rubrum, rood) ook rilbrum, n. (d. 1. cIk. liet roode) liet opsclirlft, hoven-selirlft, do lllel van oen boek, lioufilsluk, wot, acteiisluk (voorheen niet roodki\'UI, rubrica, ko-teokond); de afdeellnu, klasse, soort, de aamvy-zliif; van helleen verhandeld zal worden; — rubricooron, nw.lal. niet een (rood) op-schrifl voorzien, met roode tellers Imvenschrij-ven, heiteloii; naar afdecllngcn, vakken, enz. rangschikken of Indeelen, ardeoloii;- rubl\'i-caat, n. afdeellnir, geinerkte ardeelliiK, ook een gehodenhoek der r. kalh. geesteiyken (wegens de daarin roodgedrnkle tellers en woorden);— rubricator, m. oen roodsehrüver nitddel-oeuwseh sehrüver, dlo de groole aanvangslel-ters der Resehiirten la lionle kleuren schilderde; — rubricélle, r een r. kalh. mlsgeheden-hoekje; — rubricaulis, lal. Hol. met roode stengels of stelen; — rubrifoftm, «, urn, lat. Hot. roodhladorlg.

Rubus, m. lat. de hraamliozlostnilk.

Ruc, in. een faljelachllge reuzenvogel In Z.Afrika, wien men hel vermogen toekende om eeneii olifant met zich omhoog te voeren (hetzelfde als rok, roe).

Rucho, f. fr. (spr. ruusj\'; v. ruche, de liljen-korf, weleer nil lioomliast verviianllgd; prov. ruscu, ruHha, de ha-I) een dlehlgeploold en rochlopstaand lielegsel der japonnen, enz.

Ructatio (spr. tie=lsie) f. ook ructus, m. lal. (van ruclare, oprispen) Med. liet oprispen van de maag.

Rudbort, z. Ho bert.

rudo, adj. fr. (v. \'I lal. ruilis, c) ruw, bard, grof, ongevomid, ongeslopen, onheschaafd; plomp, onhandig, ongoscblkt, onervaren, onwetend; — ruditoit, f, lal. of rudésse, fr. de ruwheid, grofheid, onbescbanfdheid, onwotondbeid, lonipbeid; rudiménten, pl. lat. (rmli-ménlu) de aanvangsgronderi, oersle knndigheden, grondtrekken, de grondslag van tiet omlorwys, bel oersle ondeiTlcht; — rudimónta, ook de spraakkunst, hel boek, dal de allereerste gronden der laai, inz. der latUiische, beval; — rudimentair, mij. op de eerste lieginselen bolrekking hobiiende, nog in wording /-Undo; — ruilis iiificsldfjite mute, een ruwe, ongeordeiido klomp (hel eerst door Ovidius van den chaos gebniikl).

Rudöra, pl. (van den slug, ruilux, n.) lal. eig. puin, puinhoop; gew. z. v. a. ruïnen (z.

aid ); — ruilcrulis, lat. Bot. pnluacblig; — ru-deratie (spr. I=ls) f. (lat. ruderaiïo, vau ru-derare, eenen vloer uil puin enz. maken) de vloer-, dorsebvloerbereiding.

Rudiariërs, pi. lat. (rudiuni, van rutlis, een scherinstokjo, bouten zwaard) b(i de oude Romeinen: zwaardscliermers, die bunnen tyd hadden uitgedioad ea teu toeken van bun ontslag een bouten zwaard ontvingen.

Riidigor, m. oudd. naam, z. Rogier.

Rudimenten, ruditeit, z. oud. r u d e.

Rudolph of liever Rudolf, dullsehe niansn. (oudil. Ilrumlnlf, llruodulf, naslaan uil llruodwolf, d. i. eig. i\'oemwoif; vgi. Hohorl) de lioogboroomde, vermaarde held; Ru-dolphine, vr.naamt de boogherooiude; — rudolphinisohe tafels, naam, door Kepler aan zijne tafels van den planetenloop, ter ooro van keizer Hudoipbus II. gegeven.

Rufai, z. roe fa ai.

Rufflano, II. (sp. en prov. rufian, fr. ru-fien, rulflen, eng. rulfian) oen koppelaar, hoe-renwaanl; oorspr. eeu twistzoeker.

Rufus en Rufinus, m. lat. (van rufus, roodacblig, ros) niansn.: de roodtlelilige, rood-liarige, rosse; — rufcscens, lat. Hot. bruinroBal aetiilg.

mgOUS, adj. lat. {ruffósus, u, «m, van rimpel, plooi) rimpelig, met vouwen of plooien; — rugositeit, f. (lat. ruoonlus) do rlmpelig-beld, bel limpelen.

Ruggóro, m. z. rest 10ra.

Rugghio (spr. roeifio) of ruggio (spr. roedsjn) m. een voormalige ilal. korenmaat = r u h h 1 o

Rugositeit, end. rugeus.

Ruïne, f. lal. {ruinii, fr. mine) bot lie-derf, verderf, de ondergang, verwoesling, verdelging, hel verval, de nederstorling; bouwval; de overbUifsols, wrakken, een geheel of ten deele Ingesloii gebouw; ruïneoron, nw.lal. (fr. miner) bederven, vernielen, verwoesten, verdelgen. lernederstoiien, ten gronde helpen, in den grond horen, In\'I verderf storten; ~ ruïneus, adj. (lal. ruinosus, u, urn) hoawvallig, op \'I Invallen slaande; verderllijk; — ruïno-siteit, f. de hnuvvvalllgheld.

Rule Britannia, eng. (spr. roei brillen-iiie) een geliefkoosd eng. volkslied, naar de beide oersle woorden van het refrein (z. refrain) zoo genoemd, lielvvelk volledig luidt; /luie Urilnnnin, llrilunnia rule Ihe waves! Ilri-luns never shall lie s/ows\' (Hebeersch Hrlltaajo, beheersiii de haren! Hiillon zullen uooll slaven zijn!) geschreven door Thomson, don dicb-ter der Jaargetyden.

Rum, m eng. (naar men wil eeu ameri-kaanseb woord) snikerbrandewyn, oorspr. uil hel sap van bet suikeniel of den suikernfval boreld.

Rumb, /.. rhomb.

Rumex, m. \\ f. lal. de zuring; — ru-mieine, f. het extract nil den wortel van llumr.r iialienfïu, dat In z.yue eigenschappen de rbabarliariae op zijde kond.


-ocr page 1121-

RUMFORDSCHK SOEP 1U93

lUJSTIKK

Rurafordscho soop, r. do door don Kn-BOlschman Kum tord (goal, isll) ultffovoiideti on hel oorsl In oen door lictn Ki\'sllchlo annon-sooplnrlcldlng In liclemi In I(K\'|iiis8Iiik ucliniclito goodkoopo «n voedzaino soep uil heenderen, ülood, groenten enz

ruminaal, adj. lal. op de godin dor zoogondo vrouwen bolrokklng hebbendo, In/., de rninl-nale (vygge)hoom, do boom, waaronder Ko-mnlns en Kenius gezoogd werden en van welks behoud men tnoonde dal het hell van Kome afhing.

ruminooren, lal. (luminiire, v. ruinen, hol keelgat) herkauwen; leis weder overwogen, bopelnzon, doordenken, rijpelijk overleggen, wikken en wegen; — ruminantia (spr. I=ls; sell, unimalïa) pl. de herkauwende dieren, herkauwers; — ruminatie (spr. I=ls) f. [ru-minntio) hel herkanwon-, de herhaalde overdenking, overpeinzing, hol wikken en wegen.

Rlimoor, n. (hel naast van \'1 II. rumiire, onlleenit van \'i lal. /\'«mor) hel alarm, oproer, verward geraas, gedruiseh, gejoel, hel geruehl, het In snellen omloop zynde nieuws; do goede of kwade naam; — rumooron,,alarm maken, godrulscb maken, razen en lieren.

rumpooren, lal. {rwnpëre) broken, van-eenscheiden, verscheuren, tenietdoen, vernietigen; hü \'t schermen: ontwapenen; — rup-tuur, 1. uw.tal. de breuk, vaneenrijiing; vredebreuk, oiieoniglield, schoiding, vriendschaps-

klovo; - ruptonum, n. Mod. een bijl.....I

middel, dat de huid doorknaagt en daardoor eene zweer verwekt.

Rumpsteak, m. eng. (spr. —sleek) een rompstnk, een gebraden of goroosterd stuk ruud-vleosch van de romp.

Run, n. eng. in Auslralie; buiten iiol gekadastreerd geiiled liggend weideland, welde-dislrlcl der si|u al l e rs.

Rundiet of runlet, n. eng. een vaatje, een eng. maal voor natte waren = S|,7S3 1,., als biermaat kilderkin geheolen (vgl. tun).

Runen, pl. (golh. rll»a, geheimenis; oudd. rtlna, angeisaks. ritn, goilnisier, gesprek, letter; verwant mei hel oudd. rünên, tioogd. raunen, llulsleren) rechtlijnige letters, waarvan zicli de germaansche volkoren bodlenden, alvorens z(i hel iatynscho alphabet loerden kennen;—runenkalender, m. mol rnnenschrifi op slaven geschrovon kalenders nil don cbrislentyd, in Skimdluavie gevonden; — runographie, f. dnllscb-gr. bel runenschrift, toovorschrift.

Runot, pi. linsch (sing, runn, verwant mol runen, z. aid.) linscho volksliederen, die op de kanlele, hot mol vijf metalen snaren bespannen nationale speeiluig, gezongen worden; — runolainon, runoja, runottaja, runosoppoG,runomokka, de zangers van die lledoi\'on.

Runsen, pi. (ondd. num, v. riniwn, vloeien) bergbeki\'u in Zwitserland.

Ruolz, n. (naar den ullvlndcr den graaf De lluolz genoemd) galvanisch verzilverd nienw-/.ilvvr (Ir. iin/i\'ii/i\'rir Chrislnlle, z. ebrislofie).

Ruota, ■/.. rota.

Rupert, Ruprecht, m. z. Ilobort.

ruigt;eslris, tal. Bol. rolsacblig, rotshowonend, op rotsen groeiende.

Rupia, f. nw.lal. z. v. a. rhypla.

Rupicöla, f. nw.lal. (v. \'t lal. rupes, rols, en cottre, bewonen) bet rotshocn In (iulana.

Rupr.,by imtnurwetcnschappeiyke benamingen alk. voor I\'. .1. Kuprechl (gesl. IS7II).

Ruptorium, ruptuur, z. ond. rum-pee r e n.

ruraal, adj. lal. {rurdlis, e, van rus, ruris, land, veld) landoiyk, veldciijk, iioersch;- ru-raalkapittel, n. elders de janriykscho sa-menkomslen der r. kalh. geeslelijken om over hunne aangelegenheden ais zielverzorgers lo spreken;—rurale excursie, f. een landelijk uitstapje; rurale gedichten, landelijke gedichten, veldzangen, veiddicblen; — rurale gomoonte, landeiykegemeente; — rurograaf, m. ial.gr. een schryver over do akkers en hunne bebouwing; rurogra-phiO, f. een geschrift daarover.

Rusalki, z. roesalk I.

Ruse, f. fr. (spr. cuwt\'. v. \'I oudfr. n\'iiser, rémser, provene. retlsar, rclnuar, ullwyken, byvorm van \'1 fr. refuser, provene. refusar, sp. rehusar, weigeren; vgl. refuseeren) de list, sluwheid, arglistigheid, loosheid, streek.

Rush, m. eng. (spr. rusj) een piolsolinge, snelle ioevloed van vele personen naar een plaals.

Rusma, of onregclm. rtiusma, n. hel oostersch onlharlngsmlddol, zalf ter onlbaring, beslaande uil I deel renff/ar en li—8 deelen kalk.

Ruspo, m. It. (spr. «=oC; als adj.; ruw, geheel nieuw) eene vroegere loscaansche gouden rekenmuid, ook zochino gigliato, d. I. leliedukaal, genoemd, z. v. a. zochino = /■ ii,so nederl.; ruspóno, ruspóne, m. eene vroegere gouden rekenmnnl in Toscane, een driedubbele zechino en lquot; gid. SO ceni waard.

Russienne, f. fr. (spr. ruusjen , v. Ilussie, Kuslaud) ile rnsslsche mantel, een bonten inan-tellje mei armsgaten; rusaiüceoren, rus-sisch maken •. — russificatie (spr. I=ls) f. hel lol Kussen of russlsch maken; Rus-siénen, ook Rusniaken of Ruthénen, pi. Klein-Uussen, een van de Kussen verschillende slaviscbe volksslam in (iaiilcli1. Noord-llongarye, l\'odoiie, Volbynle en l.illhauen; — russomanio, f. hovenmalige voorliefde voor Kusland; — russophiel, m. een Kussenvriend; russophobie, f. ile vrees voor do Kussen; Rutheniö, n. hel gebied der Kusslenen; — rulheiüeus, a, um, lal Hol. rus-slsch.

rustiek, adj. lal. {rushcus, n. um. v. rus, land, veld; fr nts/fi/np) boerseh, landoiyk; lomp, plomp, onbeschaafd ; rustica, f. lal. Arcli. een boerseh gebouw uil ruw gelaten, slechts aan de voegen hebonwen vierkante sleenen; — rusticiteit, f. (lal. ruslieilus) boerschheld, iomplieid, ruwheid, onbeschaafdiieid, bolheid; —


-ocr page 1122-

RUTABAGA 1094 S

rusticaal, iidj. nw lat. liocrsch; landolUk;

rusticeeren, lat. (rusticari) op hot land or landolyk loven, eon landlovon, liultonlovon of l)ooronlevon lolden j — rusticatie (spr. tie= hie) f.. (rustica/ïo) do woning op hot land, hot landleven; huilonleven, ook hot hoerschworden. Rutabaga, z. rota ha ga.

rula mesa, pi. lat. (olg. ru/a cl cacsa, d. 1. wat zich laat afrukken en afslaan; van rulre, afrukken en caedire, houwen) Jur. roerend goed, al wat aan gehouwen en goederen nlel muur-en nagelvast Is.

Rutacéën, pl. lat. (rulacüae, van nUn, ruit, een hlttorkruid) rultachtlgo planton, ruit-soorten.

Ruth, hehr. vr.naam; (misschien samonge-trokken uit rëül/i, aanzien, schoonheid, van raah, zien).

Ruthenen, Ruthenië, z. oud. Hussion o II.

Ruthenium, n. oen door Claus In IS4quot;gt; In \'I platina ontdekt metaal.

rulilam, lat. Bot. roodglanzend, roodachtig mot metaalglans.

Rutilium, n. nw.lat. (van\'t lal. ru(tlus,a, urn, roodachtig) hot tytanlum-zuur, In den vorm van hel lln-oxydo gokrlstalllsoord, hrnlnroode tytanluin-schorl.

Rutscher, in. hgd. (spr. roelsjer) Muz. eene soorl van wals, waarhg do voelen niet op-gohoven, maar over den grond voortgoschovon worden, vlug van tempo, In J of J maat.

Ruttee, n. eng. (spr. ee=ie) z. v. a. rails, aid.

Ruwaard, m. (eig. re waard, v. oudfr. regard, opzichter) do titel van een voormalig bestuurder van con nedorlandsch landschap.

Ryakolith, m glasachtige veldspaath, ys-spaath, oen niet hot labrador verwant mineraal.

Ryno, m. celt. (gad. raoinnc, v. rami, het veld, de vlakte) inansn.; de veld- of viakte-hewoner.

Rynt, m. een Indische hoer, landman.

Ryparographie, z. op rhyp—.

Rype, f. (zw. snliripa, het sneeuwhoen = fjallripa, het rotshocn) het sneeuwhoen op de noordeHike goiierglen.

ryptisch, rhythmus, z. op rhyp—.


s

S. ais getalteekcn: gr. ó = 400; quot; = ano.ooo; lal. S. — M; s = — S. als afk. van

sneer, sanclus, senalus, signum, salulem voor sa lus: op eng. horloges = slower, langzamer j

— S. of St., afk. van Saint, fr. of Sint: ook Sri., afk. van sanclus, lat.; — .S\'. Muz. = solo;

— S. = slère, kuhieko el; — s. — signa of signctur, lat. z. ond. signum; — s. ook seu of sire, lat., of;— s. o.. Mod. /. secundum ar-tein*, ook sine ando, zonder zuur;— sacch. = sarcliaruiu: — salv. rur., z. salvis mrialibus;

— salv ral. = salva ralificalione— salv. rem. = salva remissione: — Sam. = Samuel (het hü-hidhoek); — S. A. II., fr. = so» allesse royale. Zijne of Hare koninklijke Hoogheid; — .S\'. A. S. fr. — son allesse sérénissime, /.yne of Hare Doorluchtige Hoogheid; — .S\'. C. = senalus con-sullum, aid.; ook = Zuid-Carolina in Noord-Amerika; — sc. of scii, z. scilicet; — sc. ook sculpscil; — scr., z. sci ipsit: ook: scriba, schry-ver; — S. C. M. = sacra caesarea tnajeslass — S. /). C. = soli Deo gloria, z. ond. solus: ---S. IC., fr. = son excellence, Zyne Excellentie of son éminence, Zijne Eerwaardigheid; —J. e. of s. e. c., salvo enure ralcüli; — sec. — secans, snyiyn; — secr. = secretaris, schryver;

— sem. — semen; — sen. — senior; —sequ. ot sg. = sequens; — sf. of sfz. = sforzando; — s f, r. = sub fide remissionis, ■/,. ond. fides;

— S. (i. /). ti. = fr. sans garantie du gouvernement, zonder door de regeering gewaarhorgd te zyn (ais opsclirift op gehreveteerde voorwerpen); — s. li., z. salvo honore; — sh. = shilling; — sign. = signatum, z. ond. signum;

— S. ./. = societas Jesu; — Sin. = sinus; — Sing. — singularis; —s. t. = s«o loco; — Sld. = saldo; — s. I. e. a. = sine loco et anno;

— s. I. r. = sub lege remissionis, z. ond lex;

— s. m. = salvo metiore; — S. M., fr. = sa majesté, zyne Majesteit; — .?. O., servus ob-senanlissïmus; ook summa observanfïa, z, aid.;

— solv. = solvatur, liet worde opgelost (o|) recepten); — .S. P. Q. It., lal = senalus popu-Iusque Homanus, de romeinsche raad en hel romeinsche volk; —.S. I\'. T. = salvo plena ti-tulo, met voorbehoud des (vollen) lilels, zonder schade aan rang of lilels; — sq. en seqq., z. sequens, sequentia; — s. q. = suflictens quan-fitas, d. i. do toereikende hoeveelheid (op re-eepien); — s. r., z. salva ralificalione-, — Sr. fr. = steur, heer; — S. II. E., lat. = sacrae liomdnae ecclesiae, van de roomsehe kerk; — S. S. of S. Scr., z. sacra scriptura— S. s , fr. = sa saintclé, Zyne Heiligheid, de paus; — S. s. = eng. screw steamer, schroofstoomboot;

— ss. = scriplores; — Ss. lat. = semis, de helft (op recepten); — S. S. lat. = sine stipi-tibus, zonder stelen (op recepten); — s. s. n. = signa suo nomïnc, z. ond. signum; — S. T. z. salvo lilulo of SS. TT. = salvo tilulorum;

— stacc. = staccato; — siert. = sieriing; — St. N. lat. = slili novi, van of naar den nieuwen styi; — SI. 1\'. = slili veteris, van of naar den ouden siyi; — s. v., z. salva vcnïa of 11. si volli, keer (het muziekblad) om; ook sub vore en sotto voce; — s. V. p. of s. v. pl. =


-ocr page 1123-

SACCAUE

s.

1095

fr. s\'il kous /ilail, uls \'I u beliort; — s. v. r. = sub voto remissionis, i. und. votum. — Cliemlsclio leekens zU»; 5 — sulphur, zwavel j

— sb = slibium, anllmonlum; — Sc = Scandium: — Se = selenium: — Si = silicium, kiezel; — Sn = slunnum, tin; — Sr = slron-Hum. — S. als muiittccken cn wel op spaan-sclio munlon; Sovllla; op fiansclie: Klielms cn (cekroond) Troves; op ooslcniUkscho: Schmtill-nltz; op oude prulslsclie: Scliwalmch.

S romauum, n. lat. (d. 1. cl},\', romeinscho S) Med. de .S\' vornilgo kromming van den dikken darm, tor plaatse waar liü In den endeldarm overgaat.

Saa, m. (arat). v. saa, meten) eene oude korenmaat in liet oosten, inz. In Tunis = TJr casis = 4,883 L.

Sab., liU natuurwelcnseliappoHjkc benamingen afk voor II. Sabino.

Sabadilla, sabadillmo, t z. v ra-tri n e.

Sabajers, m. pi. 1), (lat. Sabuci) voorheen de bewoners der tegenwoordige provincie Jemen in Arabic, welker buofdslad Saba lieette; 4) (van \'1 bcbr. zdbd, boer, leger, inz. Iicl bcmel-schc lieer der engelen, en de gesternten) stcr-aanbiddors; ook Joiiiinnosvolgelirigen, aanlian-gers van eene godsdlonstsecto In liet Oosten, welke zich vormde uit die jongeren van Joban-nes den Dooper, welke niet tot bet cbristen-dom overgingen, z. v. a. Sa bits rs; — sa-baeismo, n. dc sterrendienst, de aanbidders der gesternten, inz. der zon cn maan, de oude godsdienst in Arable, Egypte, enz.

Sabah, m. arab. (v. sabuha, vroeg zyn) de morgen, ochtend, bet aanbreken van den dag.

Sabaillon, m. fr. (spr. sabaljóii) de met suiker verzoete witte wyn.

Sabak, m. russ. de hond; dc hondshaai.

Sabattine, f. tr. ccnc kleine piiilosoplii-sche sti\'Udocfening der bcglnnaars In de wgs-goerlgo scholen, op Zaiordag; schcrlscnd: een zatcrdagavondpariytjo.

Sabbath, m. bcbr. {sjabbdlh, v. sjdbath, van den arbeid uitrusten; doorg. Joodscb: sj a lilies) dc rustdag, vierdag, bU do Joden dc Zaterdag; ook de fccstoHjko (met wild cn woest godrulscb verbonden) samenkomst der heksen cn geesten, in eig. zin cn hg overdriving gezegd; — sabbathsjaar, het vrijjaar hg do oude Joden, elk quot;de Jaar, dewijl daarin de dionstbodon vrijgelaten, de scliulden kwyigc-scholden werden; — sabbathssnoor (bcbr. Aireph) bot op Joodsche plaatsen of In door Joden bewoonde stadswUken van dak lol dak of over de straten heen getrokken snoer of koord, binnen \'t welk dc Joden op den sabbaih alios In zakken cn handen mogen dragen, wat hun daarbuilen te dragen verboden is; sab-bathsvrouw, eene Christin, die de Joden bedient op den sahbath, als wanneer hunnen joodschen bedienden geen arlield veroorloofd is;

— sabbathswog, een eind weegs van ongeveer een half uur, zoo verre als zich een

Jood op don sabbathdag van zijne verblijfplaats mocht verwijderen (z. Ilandolingon der apostelen I, 12); — sabbathianon, sjabba-tianon of sjabsis, m. pi. eene inz. In Rusland bloeiende joodsch-cbrlstclijke socio; — sabbathina, f. It. eene sinulparty op Zaterdagavond, z. sabattine; — sabbathi-nischo vraag, een moolciyk jurlsllsch vraagstuk, zoo gchecten omdat dc rechtsgeleerde 1\'ylcus in zgne dlsputcercolloglCn op Zaterdag avond doorgaans moelciyke vraagstukken opwierp.

Sabol, z. sab Ie 2).

Sabellianen, m. pl. ecno soctc, aanhangers van den afrlkaansclion bisschop Saliel-lius, In de Sde eeuw, die in liet goddelgk wezen sloclils oenen persoon aannam; — sa-bellianisme, n. dc loer van Sabolllus.

Sabiërs, z. v. a. Sabicörs (z. dat woord).

Sabina, lal. 1) vr.naam: dg. eeneSabyn-scho (naar don tulrykon oud-llallaanschon volks-slam der Sabynon); 4) de zevenboom; — sa-binaefolhis, a, urn, lal. Hot. savel- of zeven-boombladcrlg.

Sabitan, m. lurk. olllclcr.

Sable, m. fr. 1) (van \'1 lal, sahiilum, zand); 2) n. In do wapenkunde (van hel dullscho zo-bel, de russ. marter mei een kostbaar zwartbruin vel) sabel, do zwnrleklenr; ~ sablon-nens, adj. zandig.

Sabón, n. cone grooto soort van druklot-tors, voor titels, biljellon, enz., groolo kanon (z. drukletter s).

Sabords, m. pl. tr. (spr. sabór) do ge-schulpoorlen of schlotgalon van een schip.

Sabot, m. pl. sabots, fr. (spr. snbri; naar men wil van het mliUal Sabaudia, Suvoye, als zyndo het bg/.onderc schoeisel dor Savoyors; juister van Iborlsclien oorsprong, sp. tapalo, provenc. sabata, mld.lat. snbuhm, de scheen; vgl. sa val lo) holblokken, klompen, houten schoenen; ook oen drytlol; — sabotière, f. (spr. —Ijér) een dans op klompen; — sabo-teei\'on (fr. saboler) eig. mot den drgflol spelen; plagen, voor den gek houden, beel hebben.

sabreeren, fr. (sabrer, v. sabre = sabel, sp. sable. It. sciabla, sciabola, slav. sabla) ne-dorsahelen, met don sabol nodorhouwon; — sabrade, f. iiodcrsabellng, siaclillng niet den sabel; — sabreur, ui. een nederbouwer, yzervreler, woest slrydcr, houwdegen.

sabulosus, n, urn, lat (vgl. sa blo) Hol. zandbowonend, In zand groeiende.

Sabürra, f. lal. (v. sabulum, zand; vgl. sable) eig. scheopszund, liallaslzand, Med. onreinheid, vuiligheid In hel darmkanaal; — sa-burraal, adj. (Int. saburralis, zandig) met die onrelnhold sainenliangend, daaruit voorlko-mond, b. v. sa burr ale koliek.

Sacbenito, z. s a n b e n 11 o.

Saccade, f fr. (van \'1 oudfr. saquer, sa-chier, sp. sacar, Irokkon, ullrekkon, van \'l lat. saccus, zak) de hevige ruk, dien men het paard mot don loom goeft; onclg. eene vinnige bo-stralllng, doorhaling; Muz. een vaslc slrock mot


-ocr page 1124-

SACCAGK

1090

SACRA

don sli\'ükstok, die vorsclioldon nolon tc «elgk spcoll; — saccadoeren (fr. snerader) het piuird ooncn ruk mot iIimi toum rovoii.

Saccago, f. fr. (spr. sakadtj\': v. sac = lat. saccus, zak) liet zakgeld, ziikrecht, oono holflng van lict In zakken ter markt Kübraclito Kraan, — saccagoeron (spr. sakazj—: fr. saccaiier, mellre sue, it. sacco, plundering, van \'I lal. saccus, zak, en vandaar in den zak gepakte Imit) plunderen; — saccagomont, n. (spr. —mail) do plundoring, uitplundorlng.

Saccato, m. of saccata, f. II. eene veldof vlaktemaat In Toscane; 1 saccata zaailand — li sliori = KI are.

saccalus, a, um, lal. Hol. zakvormig.

saccliürum, n. lal. (gr. sdkchar, d. I. cig. liet uil de knodden van liamhoesriet ullzweo-lende sap, sanskr. carkaid, suiker) suiker; sac-charum amyli, zclmoelsiilker-, .v. camli, kandy-sulkor; s. hnrilealum, gerslcsulker; sacchürum laclis, molksulkei\'; s. melilénse, melissuiker; s. mucosum, siyinsulker; sacchanim .SWiinii, loodsuiker, azgnzuur lood; -• saccharaat, n. nvv.iat. zoulaclitlgo verlilndlng van rietsuiker mol verschelden liases; — saccharittceo-ren, nw.ial. in suiker verandoren; — sac-charificati© (spr. t—h) de verundering in suiker, snikorhereiding; saccharine, f. do suikerslof; — saccharina, pi. nw.lat. suikerhoudende geneesmiddelen; — saccha-rolactas, gewoonlijk eelder vorkoord sacho-lactas, m. (oen door fransclio chonilslen liar-haarseh gevormd woord) een molksuikerzuur zoul; — saccharométer of sacchari-mótoi\', in. gr. een suikormelor, werktuig tot bepaling van den graad dor suikorzoelliold; — saccharometrie, f. ile sulkormellng, bo-paling van de in hol sap der heotwortels, van liet suikerriet en aanwezige krlslaliisoerliaro suiker.

Sacco, m. of sacca, f. II. (= lal. saccus, zak) vroeger eene korenmaat in Hallo; een voormalig zoulgewiohl op Korfu on l\'axo; ook eene voormalige hnulmaat In llalle en Zwilserlaiid.

Saccophoron, z. sakkophoren.

Sacculanus, m. lat. (v. sacculus: zakje, huidei) een zakkenrolder, heurzeiisnyder, goochelaar.

saccus, m. lal. de zak; Med. saccus heniió-sus, de lireukzak; s. lacrymatis, de traanzak.

Sacéllum, n. lat. (v. saccrvgl. sacra) oen kleine kapel met een allaar, aan oen heilige loegowyil; — sacellaan, m. nw.ial. v. a. kapelaan; — sacollanua, in. nw. lal. oen kerkschalmeeslor; Inz. oen der voornaamste dienaren des pausen.

Sacérdos, m. lat. (gen. sacerdolts) de priester; — sacoi\'dotaal, adj. (sacerdutulls) priesteriyk; — sacordotmm, n. lal. hel prieslersehap.

Sachom, m. de aanvoerder, hot stamhoofd hy de wilden In Noord-Anierika; v. a. de vergadering dor oude krygslioden hy de Indianen.

Sachot, in. fr. (spr. sasji; verkiw. v. sac, = lat. saccus, zak) pi. sachets (spr. sasjès) oen zakje, inz. een kruidenzakje.

Sachibaronos, z. sagi liarones.

Sacki, ni. eene rekenmunt In Samarkand, = 3 (iiï lolordack of hyna 1 et.

Sacra, pi. lat. (van sacer, sacra, sacrum) heilige zaken, lieillgdommen, verrlchllngon van godsdienst of kerk, h. v. de sacra a dm lui-s 1 r o o r e n, heilige, lot den uitwendigen godsdienst liohoorende he/.igheden verrichten, naineiyk den doop looilienen en het avoiiilmaai nitdeelen; — sacra cucsaria majéslas, f. heilige keizeriyke majesteit; — sacra consulta, f. hoogste erlmi-neelo gerechtshof en hof van cassatie le Itomo voor de ondorilanen van den pausoiyken sloel; — sacra scriphira, f. afgek. S. S. of Sc;-., do heilige Schrift; — sacrum collcfifum, ■/.. collo-ghm sacrum: — sacrum ns, n. Med. hol hol-ligheen, dal op de wervelhoendereii volgt en oiider do schaam hoenderen ligt; sacraal, adj. nw.ial het lielllgheen liolrelTendo; — sacrament, n. lat. {sacraaténlum, pl. sacra-menla, elg. een middel, waardoor men zichzel-ven of oen ander lot iets verhindt, Inz. oen eed) oen chrisloiyk godsdionslgehruik, eene gods-dienslplecliliglielil, plechtige godsdlonslhandeling, een genademiddel; in do protostansclio Kerk alleen: doop en avondmaal, in de r. katli. Kerk daarenhoven: vormsel, hoelo, laatste oliesel, prleslerw Ijillug en huweiyk; In engeren zin inz. hot heilig avondmaal (h. v oenen zieke hot heilig sacranienl loedienen); In do plallo vólks-laai als vloekwoord niisiiruikt en doorgaans verbasterd lol sak rome nl, sapper ment; sacramentsdag, m. zeker kath. foesl, ter eere van Olirisliis\' lichaam door paus rrhanus in li:» ingesieiil; — sacramentshuisje, z. v. a. mon slni ns; Mil. weleer eene soort van galerij ter beveiliging van de mineurs; — sacramontsstrijd, m. de sli-yd tussciion de Lulheranen en gereformeonhm over de II-ehamciyke legenwoordigliold van Clirislus hij liet Avondinatil; — sacramentaal of sacramenteel, adj. nw.ial. tol de pleclillgo godsdlenstvei\'riehlingen belrekkeiyk, barer waardig, heilig on oiionlhliKlbaar, ploclilslallg, ern-siig; sacramentoele gedaanten of gestalten, benaming van hot brood en den wün hij bel bollig avondmaal; — sacra-mentiilen. iii. pl. z.y (He onder code do onschuld van oen ander helulgeii; — sacramentaliën, pl. in de kath. kerk al die heilige handelingen, die geen sacramenten z.yn; — sacramentanum, n. bol boek, dal do aaiiwyzlng lot hel ulldeelen der sacramenloii bevat; — sacramentoeren, vloeken, zweren, lasteren; saoramentïsten, m. pl. de aanhangers van hel zwltsersche gevoelen In den sac ra mo ntss 1 ry d (z. aid.); — sacra-rïum, n. lal. elg. hel heiligdom, bedehuis, do tempel, do plaals waar hel hoogwaardige of do gowyde hostie bewaard wordt; sacro-Dieii, fr. oen vloekwoord; ook sacre-nom-de-Dieu, in do volkslaal verbasterd tol-


-ocr page 1125-

SACKNIKT

1097

SA DAK

snkkorju, sapporju,silkkcinondcjquot;; — sacrooren, hit. (sacrare) heiligen, wyiicn, zalven; ook ■/.. v. a. sucrumcntooroa; — sacrificïum, n. lal. of fr. sacrifleo, hei oiïor, dt\' oircrande; — sacriflceeren (lal. sacrificSre), otforon, opoiruron; sacrilo-gïum, ri. pi. sacrilegïa of saorilogfën, eono lielllKSchoiiMls, ccn kerkroof, de (.\'odslusle-rliiK, onllicillsiiif! of untwyillnn, schendliiK van een heiligdom; — sacrilögus, m. een I empel of kerkdief; lielllKdoinscliender; (,\'odslasleraar; — saoristij of sacristie, f. mid.iat. (,««-crislia) de kerk^erenlschiipkamer, kerkekamer, hel vorlrekje, waarin do kerkoiyke Kereedsciiai)-pen in de r. kalh. kerk hewaard worden, waar de geeslclükü zieii opiioudi, wanneer iiy in de vergadeririK niel werkzaam is, en hy zijne amhls-hekleediaK aantrekt of verwisselt; — sacris-toin, sacrist, m. (miil.lat. sacnslunus) do kerkbewnarder, kerkdienaar, koster, iiij de K. Katii een geesteiyk persoon van lageren rung, die met de iiewaring en verzorging der kerke-lyki1 gereedschappen is heiast; — sacristi-tïum (spr. —slilsi—) n. nw.ial. een stilstand of eene schorsing van alle upenhare godsdienstoefening door striifverhod; — sacrokoxal-glO, f. lal.-gr. Med. pyn in de kruis- en dy-gewrichleii; sacropolitiok, f. lat.-gr. de verhindlng van het geesleiyke met het wereid-lyke geiyk In liet pausdom; — sacrosanctun, lat. heilig, iioogiieliig; — sucrosaitclae possen-siones, pi. onschendhare hezitiingen; — sacro-sancla pnlésla.i, f. onaantasihare, hoogheilige niaciit; — sacrnsuncluo theoloyica, f. de heilige godgeleerdlieid.

Sadiik, I) turk. morgengave; — i] serv. nauwsinitend vrouwenkleed.

Sudder, in. perz. {sad-dnr, de honderd posten of wegen, v. sad, sanskr. (aid, honderd, en dar, poort, deur, weg) het heilige boek, geloofsboek der Geberen (z. aid.) de perzl-sche vuuraanbidders.

Saddle, n. eng. (siir. sédd\'l) de zadel; — saddlinghouse, n. (s|ir. séllinaiKias) hel gebouw waar by wedrennen de paarden gezadeld worden.

Sadducocors, pl. (Iiebr. zaddnekim, doorgaans afgeleid van den naam des stichters Za-dók, een leerling van Antlgonus Sochious, in de 2de eeuw voor (\'.iirlslua) een oud-Joodsche secte, die do mondelinge overlevering verwierp en noch aan engelen noch aan onsterfeiykiield der ziel geloofde, doch in een zcdelyk opzicht gestreng en onberispeiyk was; — saddll-cceismo, n. do leer der Saddnca-èrs,

Sade,turk. by deTataren; troep van 100 man.

Sadi, pi. (van \'t arab. idhid, onthoudzaam, vroom; kluizenaar, monnik) lurkscho monniken zonder vaste woning, zeer bygeloovig on he-driegiyk.

Sadrach, in. hebr. (SJadrac/i, cliaidecuw-scho naum, dien (Ihananla of liananja, Daniels metgezel aan hel huhylonlsche hof ontving, zie Daniel 1, quot;) eig. geestenvorst, satan; doorgaans genomen voor een woesteling, boosaardig, wordend mensch.

Sadi\'i-asara, m. lurk. (van \'t arab. xcidr, en asem, grooter, de grootste) de grool-vizicr.

Soeculair, stBcularisatie, enz.; z. ond. sec u i u m

Safe, adj. eng. (spr xecf) zeker, veilig; als subsi, safe, f. ijzeren veilighcidsklsl, geldkist.

Safer of safar, m. nraii. (sn/V/c) de Iweedo maanil in den maliumedaanschen kalender.

Safïlan, m. turk. (poolsch en holi. safinn, rass. siifjcm, waiad\'. safUan, lui k. suchlim, arab. sichljnn, perz. sachtjan, v, sacht, liard, stevig, vast, ilik; v. a. van de siail Salil of Sail in Marokko) z. v. a. marokkijn (z. maroquin).

Saffier, z. suphlr.

Saffloers, n. (v. salfrann en \'1 lat. //or, bloem; vandaar ook hioem-sairraan, eng,

xocr, genoemd; sp, al(izor) 1 . dlslelgeel, dislel-saifraan, de gedroogde Idoemkronen van den verfdislel of den zoogen wilden sail\'raan (Car-I hum us linctortus, L.) dien men lol rood- en geelverven gebrulkl; 2) gefoosl en nieesl mei zand vermengd kobaiterts, waaruit het smult, (z. aid.) bereid wordt.

Saffraan of safraau, f. (fr safran, sp. aznfraii, 11. zalfcrano: van \'t arab. en perz. za\'farAn), /.. krokus.

Saga, f. oud-noordseh, of sago, lioogd. verhaal, volksoverlevering, eene legende, met fabelea of wonderbaariyke voorvallen gemengde geschiedenis uit vroegeren lyd (mytiie); per-sooniyk gedacht is Saga de ood-noordsclie godin der saga en geschiedenis, eene geliefde van O din.

Saga, n. pi. saga\'s (eig. roode boonen, het zaad van Ahrus precalnrïus 1,.) hel kleinste goud- en zilvergewiclil in Slum = 1

kal = 0,015 gram.

Sagaai, f. (fr. sitgnic, sp. ea porl. zaïjuy», 11. zacjuntiu, v. arab oorsprong) de lange spies der Negers, Kaders en llullenlolien.

Sagaciteit, f. (lal. sai/ac/lns, van sagaj-, opsporend, scherpzinnig) ile opsporings- of na-vorschiagskraeid, scberpzinniglieid en sciierp-zlchligheid, die gave van liet versland welke de meest verborgen kenmerken en byzonderhe-den aan eene zaak opspoort.

Sagadis, m. (fr. saaalis, eng. sacjalhy) eene soort van wollen slof,

Sagan, m hebr, de plaatsvervanger van den oppersten oiTerpriesler.

Sagapeen, sagaponum, n. saga-poen-gotn, f. (lal. sacapcnfum, sunaptnuin, gr, saipipéiion, fr, sQgupin), siymhars van het perz, priemkruld (ferula persten), gomhars in den vorm van geslolde tranen.

Sago, f. z. saga.

suge, fr. (spr. saazj\'. v. \'I lat. sacjus, sagax) vvys, verstandig, voorzlddig; deugdzaam, vroom, geschikt; hupsch, braaf, zoel,

Sagoniet, n. (v. \'t gr. saginc, nel) z. v. a. I it a n 1 um-schorl, eene metallische delfstof; vgl. titanium.


-ocr page 1126-

SAGGIO

1098

SAIÏ

Saggio, m. it. (spr. sadtjo, d. 1. proof, monstor, fr. essai, provonc. essay, vnn \'t mld. Int. exagfum, schnllliig) con Rcwlclil In Vono-lio, = J (ins «Iduiir.

Saghalino, f. oon vun liol Japanscli olland Saglmlln Insovcord waschpoodor on mlddol logon vlokken.

Saglbarönos of sachibarönes, m.

pl. (v. hot dultscho sagen, en \'I mld lal. en oudd. Iinro, man) rechlsReleordon liü do oude Franken.

Sagina, f. nw.lal. (lal. sag ma, mesl, meslint;) lgt;ol moslkruld.

Sagittarius, m. lal. (v. sagitla, f. pUI) de pijl- of boogscliullor; de scliuller; hol Ode leeken of slorrenbeold van den dierenriem, voor-gesleld onder de gedaante van oenen eenlauras, die gereed staat oenen pyl af le sclilolen;

— sagittarïa, f. nw. lal. hol pijlkruid; — sagillatus, n, um, lal. liol. pUlvormlg; — sa-gillaefotius, a, um, lal. Bol pyihladorlg.

Sago »1 sagoe, f. (mnlolsch enjavaaiiseh saune) palmmeel, palmmerg, hol voedzame merg van den sagopalm (nw.lal. sagus) In Azlü, als voorlreltelUk horslmlddel hekend, en waarvan men de kennis le danken hoeft aan Mareo Polo, die de cerslo monsters daarvan naar Venetië bracht.

Sagoma, f. II. (lal. sacöma, gr. sêkoma, v. schoen, afwegen, In evenwicht hrengen) hel tegenwlchl der unsters; de kogelmal, de kali-her; do diameter eener zuil.

Sagra consulta, f. Hal (= lat. sacra rnnsulta) do heilige raad; een piiuseiyk ge-rechtshof voor alle ondordanen hullen Homo.

Sagum, ii. lal. krygsmanlel, reismantel dor oude Uomolnon.

Sah, een perzisch gewiclil, de oude Sah

- 1200, de nieuwe = I2S0 mis kal (z. aid.).

Sahara, f. arah. {snhrd, wijile vlakle, woo-

siyn, v. sahara, wyd uilgeslrokl, vrü en open zijn) eene iillgeslrokle, vrye vlakle, vvoostUn, zandwoestyn, naam van de moor dan it\'iii mll-lioen 11. A. heslaando groole woostyn In N.Afrika. (Daar dit arah. woord reeds woestyn heduidt. Moert men niet le zeggen »de woesiyn Saharaquot;, maar enkel «de Saharaquot; of »do groole woesiyn.quot;

Sahba, arah. (van sab/id, roodachtig) een mode wyn in hel Oosten (vgl. k ha mar).

Sahib el sjorta, m. arah. (sahib-esc/i-sjorul) hevelhehher der lyfwarhl, polllioheslnnr-der onder de khaliferi; — sahibiletwa, in. heer der voimissen, lurksclie benaming van den groolen muf 11.

Sahliet, z. sail el.

Sahm, in. (hong, szam, getal, rekciilag) eene oude kolonmaal in llongnrye, ongeveer = 0,21« M1.

Sai, z. ond. sjoo.

Saïk of Saïok, z. saïl.

Saïok, saiko, saiquo, z. Isjaïke.

saillant, adj. fr. (spr. saljdin v. saillir = lal. satire, uilspringen) Arch voornilslekond, uitspringend; in het oog vallend; Ireffend, nll-slekend; — als subsi, saillant, m. een uil-springende hoek hy vestingwerken; —saillie, f. (spr. salji) Arch, een uilslek, uitsprong, voor-nllsleeksel; onelg. een vcrnufllge, zinryke, Irof-fende Inval, geestige zei; ook oploopendhoid, ophrulsendlield, scblciyke toorn, jeugdig vuur.

Saiman-basji, m. lurk. de derde slaf-oincler hy de Janllzaron.

Saimo, eene rekenmunt in Algiers, -- 50 aspers of ongeveer S4 cent.

Saïméni, pl. lurk. hoogschutlers to paard, met lyger- en panlherhniden over do schouders.

Sainéte, f. sp. (verkiw. v. sain, provonc. sol», sagin, lal. sagina, vel; sainele, een weinig vol, lig. een lokkerhoelje) oen na-spel, slot-of lusschoii-.spol, met hegolelding van muziek en dans.

sainl, sainle, fr. (spr. seii, sent\'; van \'t lal. sanclus, a, um) by verkorting SI. en Sic., heilig, heilige, b. v. Sl.-I\'ierrc, de heilige l\'elrus, Sle-Marie, de heilige Maria; - Saint-Grilles, m. (spr. zjiel\') een fr. roodo wyn uil Collo ; — saint-simonisme, n. de geiyklieidsicor van den fr. graaf Claudo llearl de Sa in l-S lm on (gest. IS2ö), de leer van do vereenlging der nion-scbon lol eene groole zedeiyk-pollllscbe maal-schappy; — saint-simonisten, m. pl. aanhangers van die leer of dat slelsel.

Saioera, f. eene soort van lier in Oost-lndlB.

Sais, m. paardonknechl in Egyplo.

saisoeren, saisissoeren, fr. (spr. sit—, sèzi—: fr. saisir, provonc. sazir, il. sagire, v. \'t oudhoogd. sazjan, hisazjan, bezeilen, in bezit nemen) grypen, vatten, aanlasten, pakken; Jur. In bechtenis of in beslag nomen, beslaan, de hand opleggen; — saisio, f, (spr. sèzi\') do beslaglegging, beslagneming, bel beslag, de liuiid-oplegging, aanhouding van personen en goederen; — saisine (spr. sizién\') f. bezilnemlng van de zyde des rociilmallgen eigenaars.

Saison, f. fr. (spr. sHóii -, v. \'I lat. saiïo, de zaaliyd, provonc. sazoii), seizoen, n. liet Jaargetydo, Inz. do bron- of hadiyd, de tyd, waarop do liaden hel meest bezocht worden; ook do relsiyd; de tyd der wintorvermaken; de tyd dal de schouwburgen spelen; — hauto-saison, f. (s|ir. hool\'sèzóii) de levendigste, drukste, voornaamste lyil op badplaalson, het glanspunt van den hadiyd; bel heetste van don zomer; — mi-saison, f. (vork. van demi-) hot middelbare Jaargetyde, do overgangsiyd lus-schen winter en zomer en omgekeerd; ook de voorjaars- en najaarsmodes b. v. een cha-peau de mi-saison, een voorjaarshoed; — morte-saison, f. (spr. morl\'sczón) of saison-morte (spr. sézóii-nwrl\'), de slille lyd, lijd dat er geen zaken gedaan worden, gewooniyk de komkoimneriyd genoemd; — ó la saison, de saison, tydlg, juist van pas; — hors de saison (spr. hór—) buiten hol jaargetydo; len onpas, len oniyde, ontydlg, hulton tyds.

Saizoen, z. saison.

Saït of saïk, m. Inhoudsmaat in Birma en Pegu, 4 sails = I ton (korf), die aan gepelde rysl 2U,\'i,.l kilo beval.


-ocr page 1127-

SALANA

1099

SA1ZY

Saizy, pi. russ. (v. sajaz, spr. sajels, ile Imas, sanskr. zaza, van zaz, springen; arab. khouziz) wltto liazovcllon.

Sajét, z. sayotto.

Sajotta, f. drank van \'t vleosch der vrucht van den palm Manrllla.

Sakali-sjorif, lurk. (v. mhAl, liaard, en \'I arab. sjeri(, edel, lielllji) de lieillgo baard, baren van Mohameds baard, welke leder jaar aan bel volk van Conslanllnopol plecbllg ver-loond worden.

Sakar, arab. (van sakara, sterk branden) pene van de zeven bellen der Mobumcdanen, voor de Mailers en (le be ren.

Sakardanenhout, eeue Indlscbe welriekende houtsoort, van bruine kleur, mei zwarte strepen.

Sakei\'hets-tandstickors, pl. zw. vel-llgbelds-luclfers.

Saki, n 1) een uil ryst bereide llevolln(?s-drank der Japaneezen, eene soort van bier; 2) (van \'t arab. sakni, besproeien; vul. sn/tM) eene waterleiding in Egypte; 3) de derdo soort van araldscho kollle.

Sakir-basji, m. turk. voorbidder der derwiscbon.

Sakka, m arab. (v. sakai, water aanbieden, besproeien) de waterdrager In bet Oosten.

Sakkophóren, m. pl. gr. (van sakkos, zak, en phércin, dragen) zakdragers, boetelingen In zakken of grove baren kleeding.

Saksisch blauw, n. eene blauwe verfslot beslaande iu eene oplossing van wit kobalt In vilrluoioile, onder bijvoeging van indigo.

sul, m. en n. lal. zout; sal amUnim, bitter-zout; — sat ammoniacum of ammoniacus, sal-ammoniak, salmiak, ammoniakzout, zoutzure ammoniak, uil keukenzoutzuur en vlucli-llg loogzout bestaande; — sal-ammoniak-bloemon (lal. /lom sa/is ammoniüct), door suljlimeering, enz. gezuiverde s«l-amnionlak; s. carolinense, karlsbader zout; s. catliarttcum, zuiverend of afvoerend zout, billerzont; s. cornu cervi, hertsboornzout; s. culinari, keukenzout; s. digeslivus Sihm, ook s. [ebrifu(jus Silni en d 1 g es 11 e fz o u t, cbloorkallum; s essenllule larluri, zuiver wijnsteenzuur; s. qemmae, kris-talzout; s. Marlis, yzerzout, Uzervllriool; s. mi-crocosmicus of m 1 kroskomiscb zout, pis-zout. pbosphorzoul, pbospboizure soda en ammoniak; s. mimliT/is glauberzout, won-derzout, zwavelzure soda; s. uilri of jielrae, z. salpeter; s. pnli/rhrrslus (llasfri, ook pol y-chrost- of dup11 caat-zouI, ouzydlgo zwavelzure polaseb; s. polychreslus Scignelli, z. Se 1 gnelI e-zouI; s. serlahvum llomheri/ïi, z. s e d a t i e f-z o u I; s. /arlnri, wynsteenzoul; sa/cs deliquescenles, vervloeiende zonlen; sales falis-cénlcs, verweerende, uilbloelondo zouten; — salificatie (spr. /=/.?), f nw.lal. de zoutvorming; — saline, f lal. (salma) eon zoutwerk, eene zoulmyn; de zonlziodery; — sa-linisch, adj. zoulig, zilllg, zoulbevaltend, zoulaebtig; - salinogradus, m. nw lat.

de zoulweger; — salinometer, m. de zout-moter.

Sala of liever salah, n. arab. (sn/o/i, v. sala, bidden) liet gebed der Turken, des morgens ie II ure.

Salaciteit, f. lal. [salacïtas, van salax, geil) de geilheid, wellust, onkulschheld.

Salado, 1) f. (lt;p. celada, 11. celala, van \'t lal. cassis caelala, een met verbeven werk versierde lielm, v. caelare, veriieven werk maken) weleer eene soort van helm, die de oogen mei een Irallewerk bodokle.

Salado, 4) f. (sainengelr. en verkort sla; v \'I 11. salah), saldla, gezouten, v. sal are, zouten, fr. salade, 11. insalala, salade) oorspr. eene gezouten, doorgaans met azijn en olie aangemaakte spys; inz. de luiniatuw; — saladière, f. of liever saladier, m. fr. (spr. —djé; v. la salade), een saladescbotel.

Saladéro, n. sp. (eig. plaats, waar men vieesch zoul, v. sa/a), inzoulen) gevangenis voor slaatsndsdadigors tc Madrid; — saladóros, pl. sp. de groote slacblplaalsen in Buenos-Ayres.

Salaison, f. fr. (spr. salèzón, van saler, inzoulon) hel inzouten, de ingezoulcn eelwaren.

Salam, ook salom en selom, in. arab. (saldm) eig. vrede; vredewenseh, begroeiing, groet ; benaming van de In het Oosten gebruikelijke manier van groeien, beslaande in eene buiging, waarby de beide banden samengevouwen lot aan liet hoofd worden opgeheven: in Indlé ook de benaming van de ooslersehe roby-nen; turk. bloemenspraak, of de kunst om gedach-ten en byzondere gewaarwordingen door eenen ruiker van naluuriyke bloemen uil le drukken, eene bezigheid van de vrouwen des harems; — salam-alok of salom-alek, turk. arabl-sche ulldrukklng: vrede zg met u! als turksche begroeiing gebezigd; vandaar ook de diepe bul-ging, beleefde groot j — salamdragor, m. een bediende In O.indlé, die begroetings- of compilinonlkaartjes overbrengt.

Salamander, m. (gr. en lat, salamiimlra, sanskr. salamandala, perz. samandcr, sa mandel) eene zwarl en oranjegeel geviekle hagedis, ter lengle van eene span, van welke men vroeger beuzelde, dal ze in liet vuur kon leven; vandaar ook de vuurgeest (z. e I em en I a Irgoes-len); — salamandrijn (Laeerta salaman-drïna) do salamander-hagedis, eene naar den salamander gelykendo hagedissoort.

Salamanie, f. (fr. sulumanie) de rlelllult der Turken.

Salame, m. pi. salami, li. (v. salare, zonlen) eene soort van llallaansche mei worst.

Salamine, f. eene eenkleurige, zware fran-sche z.ydeslof.

Sal-ammoniak, z. sal ammoniacum, onder sal.

Salampóre, n. (fr. salam/wuris) oosl.-iml. katoenen slof (benoemd naar de stad Salam-pores op Ooromandoi.

Salami, f. nw lal. naam der hoogeschool aan de Saaie te Jena.


-ocr page 1128-

SALISCHE WET

SALANGANE

liOO

Salangane, f. (van \'teil. Siilans hU \'t schinrcil. Malakka) do oost-lnd. zwuluw, liekcnd wogons hurt\' ootlwre nesten (Indische vogolncston or t o n k I n s-n o s I o n).

Salaris, n. Int. (anlarïumwiuivsch oor-spronkelUk zonlceld, van sal, zont; tr. salaire) de Jaarwedde, het jaargeld, Jaurlükscli loon, de hezolillKliiK; — salariöeren, nw.lat. (fr. sala-rier) hozoldljten, heloonen, eeno Jaarwedde «oven.

Salasjon, pl. (Iionn. sziillds) kleine lioer-dei\'Uen In Hongarije.

saldeoi\'Gil (It. salddrc, van \'I lat. soliildre, vastmaken, sdlidus, vast) rekeningen atslulten. verollenen, eeno rost opmaken of zien, hoeveel er nog (van de eeno of andere zijde) haar Ie betalen hlijfl, eeno schuld ulldelgen; — sal-doorbook, een koopmans-hnlphoek om er de maandeHjksclio atslulllng van rekeningen In over te hrengen; — saldooring, f. do af-slulllng van rekening; ook ultdelglng, vereire-nlng, hetallng ecner schuld; saldo, o. It. datgene, wat er na afslulllng der rekening nog te hetaien overhlijtl, hel rokenlagsovorschol, ook ilo nrslulllng der rekening, z. v. a. sa Id cor I ng; de rekening Is saldo, Is afgesloten of vereffend; — In saldo hl y ven, In achterstand hiyven, nog schuldig of de hel zyn-, — iter sahlo en pro snhlo, als overschot of rest van de overige ot laalslo rekening; — saldo-bo-taling, helaiing van een verscliuidigd overschot tot volledige vereirenlng van eeno rekening; — saldo-contobook, n. een lian-delshoek waarin voor lederen handelsvriend eeno rekening geopend wordt, opdat men geniakke-lyk kan zien, hoe men met hem slaat.

Salobreus, adj. lal. (salcbrosiis, 11, urn, v. sdlfbra. Iets ongeiyks, hohlioligs) ruw, on-elTen. holiheiig, hullig

Salem, zie sa lam.

Salency, n. fr. (spr. Salaiisl) gestoofd gevogelte.

Salep, ook saleb, m. arah. {sahleb, turk. salleb) de wortel van verscheiden soorlen van orchis, en iiot daaruit horehle poeder, dut, met water gekookt, een gehouden, voedzamen drank oplevert, inz. lig de Turken in gebruik; vgl. s a I o e p

Salernitaansche school (lat. srhota salernihina), de leerschool voor de geneeskunde, die In hel Jaar lt;gt;ii Ie Salerno In Italii! werd geslicht en in de iniddeloonwen zeer vermaard was; ook do gezondheidsregelen, zoo als die door de artsen Ie Salerno zyn voorgeschreven.

SalozianorinnGn, pi. (fr. saléslennes) nonnenorde van Maria-Visilatio (z. Visit audi nes), voor weduwen en zlekeiyko vrouwen en tot nitoefoning der ziekenverzorging en der opvoeding van Jonge meisjes, li. v. Ie Wconon en te lireslan, gesticht door l\'rans van Sales Ie Annucy in Savoye.

Salgan, in. pl. Salganen, russ. (van ssaln, lalk en misschien van nmjulj of unalj, dlstille(!ren) de grooie laikzlodorijen In en om Odessa en In ilo stoppen van /.Kusland.

Salio.riseho gedichten, z. oud. Sailers.

Salibazari, eeno voorstad van Gonstan-linopel, aan gene zyde der haven.

salicifoCtm, u, urn, lat. Bot. wilgeliladorig.

Salicïno, f. nw.lat. (v. \'t lat. salix, gonit. salicis, de wilg) Ohem. de wilgenstof of het wllgenblttor, oen uil don hast en de bladen der wilgen getrokken IndilVerenle bitterstof; — sa-licinéon, pi. (nw.lat. salicim\'ae, salielnac) wilgonsoorlen; — saliciot, m. do wilgeblad-steon, een steen met afdrukken van wilgebladeren; — salicyl, n. saligenine, sali-retine, t salicylzuur, n. uit de saiiclno hereide stallen; het laatstgenoemde zuur, door Piria ontdekl, onlangs door II. Kolbe wegens zyn anllseplische (gisiingwerendu) werking aanbevolen, komt In de bloesems van Spiraea ut-marïa voor.

Salicoquea, pl. fr. (spr. —kok\') zeegarnalen, zoogkreeftcn, een op do kusten van Frank ryk en Hallo menigvuldige zeer smakeiyke kreef-tensoorl, grauaalkreett {l\'alwmon squilla),

Salieornia, f. nw.lat. (fr. salicnrnie, m-liconic, salicnr, salicol) hot zoutkruid, glaskruid; — salicor, n. de daaruit bereide soda.

Salio, f. (van \'I lat. salvia, dat v. salvus, hehouden, gezond, worilt afgeteld) een hekeml welriekend specery- en artsenijgewas met rood-achlige, dikke bladeren.

Salièl-o, f. fr. (spr. su/iir\': v, lat. sal) een zout vat.

Saliërs, pl. lat. (.S\'«/Ti, v. satire, springou) priesters van Mars bij de oude Romeinen, die op den Isten Maart krijgs-of wapondansen uitvoerden; zie ook salische wet; — salia— rischo gedichten, die gedlchlen, welke tor core van Mars op zyne feesten door zyno priesters gezongen werden.

Saliet of sahliot, n. (naar desladSala of S a b 1 a In Zweden) iiiadorige a u giet (z. aid.)

Saliflcatie, saline, salinogradus, z. oud. sal.

Saliktar, m. turk. de sabeldrager van don Groolen-lleor.

Saliretine, z. ond. s a I i c I n e.

Salisatie, r. (spr. i—ls) lat. (salisattn, v. als \'I ware lat. salisare, sallssare, van sahrc, springen) bet springen, hel sidderen, de bup-poionile beweging der spieren.

Salisb., by natuurweletisch. henainlngeu afk. voor U. \\. M. Salisbury (gest. nut).

salische wet (lal. leqes sattcae), lt;le ver-zamoiing van de rechtsgebruiken van den duil-schen volksstam de Sailers ofSaalfran-ken, salische Franken, welke verzameling tegen het einde der 5de eeuw byeengehraebt werd en de oudste Is, die er van de dultsclio wetlen bestaat; inz. het (IJslo ariikei van deze wetten, waarby de dochters worden uligesloten van de erfenis en troonsopvolging; vandaar salische gooderen, zulke, die alleen op manneiyke erfgenamen overgaan; salisch land of Saalland, Salland, lal. term


-ocr page 1129-

SALSAMÉNTEN

1101

SALIVA

satfca, liet land boliooroiido 1)U cen vryen lioofd-(if Saalliof, waarop do licomiwonliiK (sn/a) slonil en dal door drxo liebouwd en lielieerd word; later do ceërfdo KrondelKcndoni In \'I algemeen.

saliva, r. lat. hot speeksel; — salivSlis ductus, m. Anal, do speokselwon; — salivoeren (lat. salivarc), door don speekselvloed zuiveren; veel speeksel uitwerpen, kwUlen; middelen ter lie-vorderlng van den speekselvloed gebruiken; — salivantïa (spr. /=/.*), pi Med. goneosmld-delen, die den speekselvloed bevorderen; — salivatie (spr. l=ls), f. (later lal. salivatfo) of salivoering, f. do speekselvloed, speek-selkuur; — salivmo, f. de speekselstof, liet voornaamste beslanddoel van bel speeksel.

Salma, r. II. In \'t algemeen last, vraebt; inz. een voormalig gewlibt van H lol U kilo, verder een vroegere Hal. maat voor natte waren van ttiO.ïüll I..; ook een vroegere kon\'n-muat In Itarcelona, Malla en Messina, van ongeveer \'27\') I,

Salmagundi of salmigóndis, n. (\\iin bet lal. salqama condila, pl. met zout Ingemaaklo M\'ucbten, enz.; v. a. naar do gravin Sa Imago mil, bofdame van Maria van Medins, benoemd, die ook voor do ullvindsler der baringsalade wordt geliouden) oorspr. cene salade van baring en appelen, enz., Inirlngsalade. enz.; gemengde spys, poespas, liulspot, een overgesebo-ten gerei\'bt, een opwarmsel; oneig. voor gewa-wei, oiisamenbaiigendo rede.

Salmi, ii. (fr. salmis, waarscli. samengclr. uil salmiiiondis) een gekruld gerecht (ragonl) van gebraden wild gevogelte.

Salmiak, z. v. a. sal-amnion lak, z. ond. sul.

Salmigóndis, ■/.. salmagundi.

Salmonöns, m. gr. ftlylh. een koning van I lls, die, In zijn Irolseben waan zich met ,lu-liiter willende gelijk sleiien, den donder zocht na te bootsen door over ecne koperen brug Ie l ijden, doch deze vermeleiheid met zgnca dood lioetto

Saloeng, n. cen goud- en zllvergewicht in Slam = ^ likal = -2 foeang = 3,800 gram.

Saloop (-- sa lep, z. aid.) een voortref-feliike drank der Oosterlingen.

Salóg, in. russ. (\\ . saloshilj. Inleggen, wegleggen) hol pand, bel ondorpand, do can lie, Inz. Igt;|| loverantlen aan de russ. kroon.

Salomo, bebr. {Sj\'lt\'tmAh, v sjildm, heil, geluk, vrede, van sjdlum, in rnsl leven, enz.) mansn.; de vreedzame, vrederijke, Frederik, Inz. de naam eens konlugs van Israel, benoemd om zline wUsheid; vandaar In \'I algemeen een wijze; — Salomo\'s sloiitol, lal. clavicula Salo-monis, een oorspr. In \'I hebreenwscb geschreven en aan koning Salomo verkeerdelUk toegekend kabbaiislisch looverboek; — Salomo, f. vr.naam; de vredelievende; — salomo-nisch, adj. vvys ais* koning Salomo; lol Salomo heboorende.

Salón, n. fr. (v. salie. It., sp. en provcno. sala, zaal, van \'I oudboogd. sul, huis, woning) oorspr. eene groole, booge zaal (= sa/dne); nu gewoonlijk eene kleine zaal, eene elegante ge-zelscbapskainer, ook in hotels; eene sclillderU-zaal, zaal van lenloonstelling voor schliderijen, Inz. dal Ie l\'arijs; oneig. de voorname of groole wereld; vandaar salo ml a me. f. eene beschaafde, eieganle dame; — salonwagon, m. een als gezelschapskamer gemakkelijk inge-rlchto hyzondere wagen by spoortreinen; — salonnier, m. fr. (spr. salonjé) verslaggever (In couranten enz.) over de lenloonstelling van schilderyen.

Salong, z. saloeng.

Salonichi, n. cen in de gelijknamige slad van Macedonië vervaardigde ongekleurde wollen slof.

salópo, fr. (vgl. bet eng. sloppy, smerig, modderig, slap, klad, smeervlek, eelt. slaopach, slupnfi, vuil, smerig, sluib, siyk, drek vuil, morsig, onzindeiyk, smerig; als subsi. f. eene morsige vrouw, slelje, totehei, slons; ook een vronwcnnianlel, oorspr. misschien lot liedek-king van on/.indeiyk nacblgcwaad, cen huis-of ochleiidkleed; salopoi\'io, f. onzindeiyklieid, morsigheid.

Salpótor, n. (van \'I lat. sal pc\'lrac,t\\»l is; rots-of steenzoiil, dewyi het liyzonder aan vochtige muren nilbloeil) of sal nilrum, muur- of aardzoul, verbinding van salpeterzuur met cen alkali of eene alkalische aarde; In engeron zin: salpeterzure polascb; salpotorgas, n. slik-slofoxvde; salpotorplantllgos, pi. gronden, aangelegd tol bel voorl brengen en winnen van bel salpeter; salpeterzuur of sal-potorgeest, een slerk, uil slikslof en zuurstof liestaand zuur, In verdunden locsland: slerkvvaler; - salpotrièro, f. fr. eene sal-pelerziedery-, ook een vroeger als salpelerzie-dery gebruikl verplegingsbuis voor arme vrou-woiyke krankzinnigen, alsmede voor gebrekkige of oude vrouwen le l\'arys.

Salpicón, n. fr. (sp. salpicnn, provene. en sp. sulpicur, met zout, peper, meel heslrooien, van sul, zout en picar, steken, prikken; vgl. hel fr. saupnudnr, niet zout bestrooien) een gereclil, nil augurken, ham, Irulfcls enz. mei az.yn bereid

Salpinx, f. gr., pl. salpingon, eene Irompel; eene zeemossel; Med. de buis of ironi-pel van Knslacbins; salpingomphraxis, f. Med. de vcrslopptng der buis van liuslacbius; — salpingopharyngêus, m. de spier der irompel; salpingostaphylinus, in.de bulgspicr, de spier, die ile Irompel mei de huig verhindi; salpingostonochoi\'io, f de vernauwing van de buis vaa KuslachUis; — salpiston, pi. Irompellers.

Salsamonton, pl. lal. {salsamdnla. sing. salsnmcnlum, als \'I ware v. lal. salsare, van sulsus, gezoulen, zoul) Ingezoulen dingen, inz. spUzeii; sal so, f. (II. en sp. salsa, v. \'I lal. salsus, u, urn, gezoulen) eene zoulsoep; eene saus voor spyzen; — salson, pi. (11. salse) slykviilkancn, klelee vulkanen of kralers, die


-ocr page 1130-

SALTACÉLLO

SALVUS

1102

in plaiils van lava siyk en zwavolgas uitwerpen; — salsóla, t. nw.lnt. (v. sal, z. aid.) het zoutkruid, van welks soorten Inz. Salsoin kali en S. soda door verlirandliiB tot asch hü de lierddlnR van soda getirulkt worden.

Saltacéllo, ni. It. (spr. c=tsj: v. \'I lat. en It. sallare, springen, dansen) een rom. volksdans in trippelende heweglng, liU afwisselende gebnron (dor armen), meestal door de hand-trommei begeleid; Muz. eene linppetendo nolon-llguur; -- saltantes, pi. Mod. groote hlaren, meestal aan de voeten, door scherpo stoffen

veroorzaakt, die den Igder van pün doe.......

spri ngo n; — saltatie (spr. Iie=lsie) t. lat. (saltafio) liet springen, huppelen, dansen, de dans, inz. de geharendans hij do Ouden; liet slaan ot kloppen der polsaderen; — saltiïtor, m. de danser; geharenkunsieimar; — salta-ton\'a, i)l. springers, eene familie dor recht-vleugellgen; — saltatrix, f danseres.

Salterio, m. it. (=psallerlum, z.aid.) Muz. eene soort van itakkehord.

Saltirabanque, m. fr (sfiv. salleiMnk\': v, \'I li. sall-im-bancn, die op eene hank springt) een kwakzalver, goochelaar, hansworst.

sail us, in. lat. (v. sulire, springen) do sprong; — siillus in cnncludénilo. Log. een sprong in het maken der sluitrede; — per saltum, door eenen sprong, sprongsgewUs, I). v. 1)0 het gevolgtrekken; — salto, m. 11. de sprong; — salto mortale, m. een doodeHike sprong der koor-dedansors; oneig. oen te groot waagstuk, eene halsbrekende onderneming.

Salubriteit, f. int. {salubrtlas, v. salnier, beilzaam) de gezondheid, gezonde gestotdiicid, holizaamheid, Inz. van do iuebt.

saluëeren, fr. (saluer, van \'t lat. salus, z. aid.) groeten, begroeten, eer bewijzen.

Salup, z. saloep.

Salus, f. (geolt. sul»lis) lat. de gezondheid, de welvaart, bet welzijn, gedyen, heil, getiik enz.; Myth, de gezondheidsgodin, eene allegorische godheid der Komelnen, z. v. a. ilygltta tiij de Grieken; — salus pubhea, f. de openbare of \'stands welvaart, welke insgelijks dooide Romeinen als eene godheid vereerd werd, en ter wier eere mon eenen tempel had gebouwd; — salus pubiïca supritna lex cslo, de welvaart van den Staat moet de hoogste wet zgn; — salulum (accus. van salus) sell, iliro, welzijn, gezondheid, heil, voorspoed enz., n. I. wonsch ik (als formulier van begroeiing); — salut, in. fr. (spr. salü) doorgaans als neder!, saluut, groot, begroeting met kanonschoten; ook gehrulkelUk hy\'t afscheid nemen: vaarwel! \'t ga u wol! —salul ilu In\'me, begroeting van eenen op den troon zlttenden vorsteHjkon persoon liij plechtige gelegenheden, h. v. echtverbintenissensalutair, adj. (lat. salularis) hoilzaani, tot do gezondheid dienende; — sa-luteeron (lat. salulare) groeten, begroeten, verwelkomen; Inz. op militair» wijs begroeten, ook mot kanonschoten (vgt. salvo)-, — salu-tatie (spr. tie=lsie) f. lat. (salnlatfo) de begroeting, groet; salulalio ecclesiaslUa, de ker-keiyke begrooting, de priostergroet mei het afzingen der woorden; -Dntmms mbiscumquot;, d.l. de Hoer zy met u! - salutatoriuin, n. do bogroetlngs- of spreekkamer In kloosters-, do kapel, waarin de bisschop voor de godsdienstoefening ontvangen wordt.

sa/ra, enz. z. ond. salous; — salvage, f. fr. (spr. salwaazj\'; mUl.lat. saluiii/mm) Mar. liet borggeld, hot bergloon -, — Halvilt.cl-ad.or (niid.hit. salvalclla, fr. salvalellezoo geheeten, omdat men het openen van doze ader in zekere ziekten voor zeer licllziiain hield) Med. do niiltbloedader; —salvatie (spr. I=ls) f. nw. lal. redding; verdediging; — salvatie-schrift, een verdedigingsgcscbrift, inz. ter aantoonlng, dat men liet verschuldigde bew-ys hoeft geleverd; — salvation-army, f. eng. (spr. salwécsjun drint) liet rcddlngslogor, oen nieuwe op militaire wUzo Ingerichio godsdienst-sccte In Engeland; —salvator, m. later lal. do redder, verlosser, holland-, — salvator-bier, n. vcrlossorsbior, een In de passio-tyd in Heieren in den liaiidol komend uitstekend bior; — salvatorïum, m. nw.lai. oen schut-brief, beschormbrlof, geleibrief; — salve.\' lat. (Imponitlef van saloëre, gezond zyn) oig. wees gezond! vaarwel! vandaar als groet woord; wees gegroet of welkom ! siilre rei/m [misericordiaej, woos gegroet, koningin [der liarmhariigboidl een aan de maagd Maria goriclit gezang in do K. Katli. Kerk; — salvo, f. fr. of salvo, n. oen eoroscliot, vrougdeschot, licgroellng door kanonnon; onoig. ook bd gciyktydlg afvuren van oen grooter of kleiner aantal geweren, oen geiyktydig afschieten van kanonnen of geweren, b. v. by militaire begrafenissen; — sal-veeron, lat. (salvare, van salms, z. aid.) reilden, in voillKhoid in-engen, vluchten; — salvegardo of sauvegardo, f. fr. (spr. sono\'gdrd\') do veiligheidswacht, de boscherni-wacht, bedekking, het vrijgeleide; ook z. v. a salvator la m (/.. boven).

Salvia, f. lat. de salie (z. aid.)-, — sal-viati, f. eoae suikorzocto, sappige zomerpoor;

— salvifotius, a, urn, lat. Hot. saliobladerlg.

Salvinor-wijn, een zwartblauwe soort

van drnlven in Oostem-yk.

salvus, a, um, lat. ongedeerd, onbeschadigd, veilig, behouden, gered ; —sa/üiis condücius, m. oen vrygololde, do boschoriiionde vorgezelling; ook een geleibrief; — salvus locus, in. eene onbelaste, van alle schattingen vrygesteide plaats-,

o salvo, Kmt. welbolioudcn, onbeschadigd (op vraclitbrleven); in salvo, In veiligheid, veilig, zeker, welhelioudon, geborgen, gered; — salvo erróre calculi, afgek. s. c. c., met voor-beliond van eene mogeiyke rekenfout; ook; zonder fout in liet rekenen; — salw errdre el omissióne, mot voorbolioad van (Iwaling en uitlating ; — salvo Aonore, «fgek. s. li., bolioudons de oer, of met verlof gezegd; — salvo honóre el slipemtfo, mot belioud van eer en jaarwedde;

— salvo jure, met voorlioiioud of zonder schade


-ocr page 1131-

SAMUEL

1103

SAM

van zijn roclit; — s. jure ciijüsvis, zonder lomnnds rcchton to verkorten ; — s. jure qunemque, mot voorholiond van eens Ieders recht of van alio reeliten hoegenaamd; — s. juri lerCH, met voorbehoud van do rechten eens derden; — s. me-/(óre, met voorhehoud van beter of ondor 011-derwerpiiiR aan l)eterc Inzichten; — s. reqréssu, met voorhehoud van terugkeer; — s. respéclu, zonder schailo aan de achting; — salvo Hhïla, ook sa/i\'u plena lilfilo, afgek. op hrleven S. T. met voorhehoud of zonder nadoel des lltols, zonder schade aan den rang en titel (uok pl. sulrum lilulorum, afgek. SS. TT., met voorhehoud dor titels); — salva apprnbulione, onder voorhehoud der goedkeuring, der hekrachtiglng; — salva uuctoritule judiciuli of salvo honore jutïïcis, zonder nndeol aan do rechterl(jko eer of achthaarlieid; — salva conscienCfa, niet goed geweten; — s. fama, zonder nadeel aan den goeden naam; — ralificaliune, afgek. salv. rat. of s. )•., met voorbehoud der hoogore goedkeuring of hekrachtigtng; — salva remissione, afgek. salv. rem., met voorbehoud van terugzending; — salva verifa, afgek. s. v., met verlof gezegd; — salvts curialfbus, afgek. salv. cur., onbeschadigd do formalllcilen; — s. ex-cepliomhus, met voorheboud van de aanmerkingen of wederlegglngen; — s. omissis, met voorbehoud van bet weg- of uitgeialene; — s. ullcriorfbus, met voorbehoud van bet verdere.

Sam (Undo), z. Samuel.

Samaar, f. (fr. simarre, ook cimarre, it. zimarravgl. het sp. zamarra, schapevacht en hot arah. sammoer, pels, een sloopkioed der vrouwen; lang overkleed der presidenten en prelaten.

Samadan, m. do negende maand by de Arabieren.

Samanaeërs of saniassi, pi. Indische boetelingen en heiligen.

Samar, m. vrnchtmaat in Georgia = 1} russ. tsjetwert of 3,1185 bectoliter.

Samaöl, z. Samiei 2).

Samaritanen, |ii. do hU de Kabyionische gevangenschap acbtcrgehleven en onder do ingevoerde heldonscho bewoners vermengde inboorlingen van Palestina, welke bij de teruggekeerde Joden zeer gehaat waren; volgens de In I.uc. X, :t:i verhaalde gebeurtenis beteekont Samaritaan in do kerktaal z. v. a. bann-harllg mensch.

Sambak, m. perz. (zamhak, uw. lat. nyclan-thes sambac, arah. full) de arabischo jasmyn, de oostindlsche nacbi bloem.

Sambal, f. mal. toespijs, bestaande uit groenten, kruiderijen, gedroogde visch, garnalen enz.; Inz. met sp. peper vermengde groenten.

Sambos, liever z am bos, z. zambo.

Sambüca, f. lat. \'gr. sambykc) een driehoekig snarenspeeituig met zeer scherpe ionen, eeno soort van harp; ook een belegeringswerktuig van dergelijke gedaante ter beiaddering of bestorming van sterke plaatsen, stormbrug, stormladder.

Sambücus, f. lal. de vlierboom; — s. nigra, de gewone vlierboom; — sambucifotfus, a, urn, lat. hot. vllerhoombladorlg.

Samet, m. russ. (spr. samjtll: v. sameldlj, met sneeuw toewaaien) eeno hevige sneeuw-jacbl in de steppen van Z.Kusland; de geweldigste soort daarvan, waarbij de sneeuw van boven naar beneden en van beneden weer naar boven wordt gevoerd, heel tujoega, sneeuw-wervciing.

Sami\'a, f. gr. bijnaam van llera of Juno, naar bet eiland Sa mos, alwaar deze oenen tempel had.

Samicl, t) z. samoom-, — liever Samaöl, een booze geest of duivel, oorspr. naar oosiersch begrip; een engel, die do mensclien verleidde en deswege uit den hemel werd ge-worpon; iiü de Joden; de opperste der duivelen.

Sumischo aarde (fr. lerre samienne) nier-gelaarde van \'1 grlekscbe eiland Sa mos.

Samita, f. een zoele drank in liarharUe, uit lionlgraat en water bereid.

Samkin of samookin, f. (fr. samequin) een turkscli vaartuig, dat enkel lol kustvaart gebruikt wordt.

Samkyd, turkscli kustvaartuig.

Sammolsurium, n. bgd. (spr. zammel-sóerioem, v. sammeln, verzamelen, scbertsender-wUs van een lat. uitgang voorzien) een rommelzoo, mengelmoes, poespas.

Sammto, f. (van \'i lat. Samnis, Samnilis, uit Samnlum In \'1 oude llailii?) een huiskleed der vrouwen met siyvea kraag; samnio-ten, ui. pl. eeno soorl van zwaardvechters, op de wijze der Sainnielen gewapend.

Samookin, z. samkin.

Samoom, m. arah. (samoem, van samma, vergiftigen, samm, vergif) of Sam-Yeli (sn-mlel, van bet turk. yel, do wind) ook cham-sin, kamsin, m. een gloei-, zeng- of gifiwind, een schier verslikkende heete, dikwijls doode-lijke wind, Inz. In Noordoost-Afrika, Arable (do woesiyn), Syrië enz

Samojédon, pl. een tol den altaïsclien stam hehoorend \\oik in noordelUk Kusland en Siberië; —samojéde, f eene soort van vrou-wen-overrok of overmantel met wijde, lange mouwen.

Samólus, f. lal. (v. eelt. oorsprong; fr. samole) Hol. de sirandpnage.

Samovar of samowar, z. s s a m o w a r.

Samoreus, f. (fr, samoreux) een lang en plat vaartuig op den Kgn en de nederl. rivieren, voor den houlhandel, groote aak, zoo ge-heeton, omdat z.y oorspr. op de Sambre (lat. Samara) voeren.

Samsjoo, m. (fr. samsou) een uit ryst bereide, zeer bedwelmende geeslryke drank la Clilna.

Samuel, m liebr. (Sj\'mdél, v. sjdma\', hoo-ren en él. God, z I Samuel I, 20; gew. op zynjoodsch samengeirokkenlot SJmoei) mansn. do door God verhoorde: v. a. liever; denaam Gods-, — Sam, eng. afkorting voor Samuel;


-ocr page 1132-

SAMOUH KUSK

4104

SANDSJAK

Uncle Sum, scliorlsoiulo LoiuiiiiIjik voor do N.-AniDilkuncn on hiiiine rcgoorliiK. In don nounl-amorlk. vrUholdsoorlop was Klborl Anderson lo-vcnincicr vim \'I logor, on Sanmol Wilson, bekend onder den naam van I \'ucle Sum, de doer de rogeorlng aangestelde opzlchtor over den go-leverden legorvoorraad. De ingepakte voorraad werd steeds met de lettors li. A. (liljiort Anderson) en IJ, S. (United States, Vereealgde Staten) geteekend. Op de vraag, wat die letters hedniden moesten, gat tiij, die ze er opzette, ten antwoord: Klbcrt Andurson en Uncle Sam. Deze grap werd alras door de pers allerwegen verhield.

Samouronso, z. v. a. sa m o r en s, z. aid. Sampan, f, klein cliinooscli of japanscli vaartuig, zonder spykers of bouten, en alleen met bouten nagels vastgezet.

Samum, z. s am oom.

san, 11. en sp. afkorting van santo, heilig, de bolilgo.

Sanachios, m. pl. ecne soort van scbot-sebo bulsdlcblcrs, die weleer door do stamhoofden gehouden werden, om de daden hunner voorvaderen en hunne eigene Ie bezingen. sanue mentis, M. met of hij gezond vorstiind. Sanas, n. fr. on oosllnd. katoenen stof. Sanbenito of sambenito, sp. ook sacbonito, n. (van \'l lat. saccus beneiliclus) een marlelaarshemd, een geel hemd, mot een rood Andrles-kruis en met vlammon en duivels bcsehiidcrd, dat den kotters of andersdenkenden C.brislenen. die do spaansche inquisitie Ier dood veroordeelde, weid aungoirokken; ook ecne muts, welke men zuiken ongclukkigen opzette.

sanctionoeren, nw.iai. (lat. sannre: fr sanctinnner) ecne wel heilig en onschemlhaar maken, bevestigen, kracht van uitvoering geven, bekrachtigen, hiliyken, goedkeuren; iels vast-slellcn, tot wel maken, kracht van wel geven; — sanclux, a, um, lat. afgek .S. of SI. (hg do Duitschers Set. = Sa net us) b. v. S. of St. l\'aulus, de beiilgo l\'aulus, Sint Paulus; — Sinto-Barbara, fr. Salnte-Darbc, z. op I! a r-bara; — osanr/a simplicttas, o heilige eonvou-digbeld; — snnr/«m offjcTum, n. clg. liet lieliigo ambl, de lieliigo pllcbl, benaming van bet af-schuwclUk kettergericht in Spanje; vgl. iiuiul-silie; — sanctflus, f. heiligheid, oiischendhaar-hciil van een persoon of zaak, ook onhcrispe-Hikbcld, waarheid; — saneCftas vcstra, Uwe Heiligheid, do titel, waarmede de paus wordt aangesproken; - sanotus, n. het heilig, een met ilil woord beginnend gcdeello van het misgezang In de r. katti. Kerk; — sanetissï-mum, of sanctum sunclnnum, m. hg de K. Knth. liet allcrbelligsle, hoogwaardige, de ge-w(jilo liostio; — sanctie (spr. lt;=.s) f. (lat. suncCfo) de bovesiiging, billijking, goedkeuring, vaststelilng, weltige bekrachliging of wcltclijk voorsclirift; loekeiming der kracbl van wet; — pragmatioko of pragmatische sanctie, z. ond. prag.....ttscli; — sanctuarium, n. lat. of sanctuaire, n. fr. (spr.

su/iktutr\') hel beliigdom, allerheiligste In den tempel der oude Joden; ook bel Inwendige koor in kerken; de ruimte om liet lioofdaltaar; de hewnarplaals van rellquien en beiilgo zaken; de onschendbare plek, do vrijplaats; — sanc-tificeeren, lat. (.sanclificdre) heiligen, helllg-spreken; — sanctiflcatie (spr. tie=tsic) f. de iieiilging, helligspreking, heiligmaking, wg-ding; — sanctimonmm, n. nw.ltil. een beliigdom.

Sanctis, m. lat. eeno oud-iiallaanscbe god-

beid.

Sandalen of sandaliën, pl. gr. («ih-(/«/«, van den slng. sündulon: lal. sandalïa, v. den sing, sandaffum, perz. sandal, misscblen van \'1 gr. sunidalnn, v. sum\'s, plank, bord; vgl. sail i d i n) bind- of snoerzolen van hout bij de oude (\'.rieken, liet gewone schoeisel in warme landen; lederen snoerzolen, riem- of moimlks-sclioenen; later ook eene soort van neile vrouwenschoen ; pronksokken met goud en paarlen bezet voor aanzicnigkc r, kaili. gceslelüken hg pieclilige gelegenheden; ook eeno soort van lichters in de Middollundscho zee enz.; — san-dalme, f. of sandallum, n. Chlr. eon hevelverband, hg verrekking van bet springbeen in gebruik; — sandalme, f. eene venellaan-scho wollen stof; — sandaliot, m. ecne versteende pantoifeisclielp; — sandalioliet, in. eeno fossiele zeekoraal, een fossiele poliep.

Sandang, f. do koninklijke el van Birma = 0,\'i8i) M.; vgl. taïm.

Sandarach, sandarak of sandrak, n. (gr. sandarachquot; of sandaraliè, U. sandaraque, perz. sandarah, sundaroes, sunder, sanskr. sin-doem) I) rood rusgcel, rood zwavelarsenicum, z. arsenicum; 2) (v. perz. sandarah) eene wille gom of bars, die uit don jeneverboom vloeit en die, tot poeder gcbracht, onder luidere dient om do plaats van op het papier uit-gesciiraple woorden weder bcschrgfhanr ie maken; ook de melige slof, die de bUen lol bare voeding in de cellen brengen; — sandara-cïno, f. sandanikslof, liet sandarakhars.

Sandb., hij uiilmirwelenschappelgko benamingen afk. voor (i. Snndberger.

Sandel- of santelhout, n. (nw.iai. santutum, anih. sandel, van \'l sanskrlt. tsjan-tlana, mulciscli en Javaansch tsiendana) een lijn bout, Inz. viin de eilanden der Zuidzee; hol wordt tot herooking en ingelegd werk, liet rondo (cullatoerliout) tot verven gebruikt;

— santalme, f. het sandclrood, do verfslot uit het roode samlelhoul.

SandiG, f. (sp. sandia) de znidiimerikaan-sebe vvatormeloen.

Sandix of sandyx, f. gr. menie of een naar menie gelgkend rood; roodnciitlg loodgoel; vgl. massicot.

Sandrak, z. sandarach.

Sandsjak, m. turk. eig. vonii; bet stnd-bonderscliap over een klein lurkscb landsclinp;

— sandsjak-bey, de stnilliouder daarvan;

— sandsjakuat, n. bet gebied van zulk


-ocr page 1133-

SANS-NUANCE

SANDWICH

1105

conon sUullmudor; — sandsjak-sjorif, m. (van \'t a nil), sjerif, IicIIIk) Molmmods lielllgo vaan In Constantlnopcl, die In oorlogstijden openlijk wordt tentoongesteld.

Sandwich, in. eng. (spr. séndoeïlsj of sén-ditsj; naar den graaf Sandwich dus genoemd) een broodje met boter en op- of lussclienge-iegd koud vleescli.

Sanfediston, pi. It. (v. sanlo, heilig en fede, hel geloot) de leden eener politieke en godsdienstige vereenlglng In den Kerkeiyken Staal, ter bevestiging der pauselijke macht, welke In alle opstanden van de IUilen van Napoleon tot na ISiO als tegenslanders der Ca r-honarl (z. aid.) streden.

sung, m. fr. (spr. sa»; van \'l lat. sanyuis) het hloed; — sumj de dmunn, n. drakenbloed, een rood bars; — sangfroid, n. (spr. suiifrod) koud bloed, kuudbloodlgheld, koelzlnidgbeld, koelbloedigheid, bedanidbeld; — sanglant, adj. (spr. saiigldii) bloedig; ook bülend, gevoelig.

Sangareo, n. eng. (spr, sengerie) ook sang-gris, een drank uit water, rum, suiker, ellroe-ncn en kruiderijen.

Sangfroid, sanglant, ■/.. oud. sang, sanguiflcooron, nw.lnl. (van \'l lal. snit-guls, geuit, sangutnis, bot bloed) hloed verwekken ; — sanguifleatio (spr. de liloedverwekklug, voortbrenging des bleeds in de dieriyke lichamen; sanguinarisch, adj. lal. (sanguinanus, a, urn) bloeddorstig, bloedgierig, mooi\'dzuebllg, wreed; sanguineus, m. (lat. sanguinrm, a, urn, bloedig) een bloedruk, volbloedig, vurig, zeer levendig, licht geraakt, vurig inensch, een heel hoofd; — sangui-nius, a, um, lal. Hol. bloedrood; — sanguinisch, adj. bloedrijk, sapi\'Uk, liebtbioedig, zeer levendig, vurig, liebl val baar voor vrooiyko en treurige stemming; ook lichtzinnig, hoopvol, dwepend; sanguinisch lo mpera men l, llcbl-bloedlge, levendige licbaains- en zlelsgesleldheid (vgl. lemperament); — sanguinokra-tïo (spr. /—/s) f. lal.-gr. de IdoedheersehappU, b. v. lu tïankrUk onder Hobesplerre; — san-guinnlenlus, u, um, lat. Hol. bloedvlekklg, mei roede vlekken; sanguisórba, f. nvv.lal. Hol. sorhenkriild, groote weide-pimpernel, een goeil voederkruid, vroeger als bloedslillend middel gobruikl.

Sanhedrin, z. synedrinin.

Saniassi, pl. z. sa ma na\'eis Saniciila, t. uw.lal. (v. l lat. mnus, gezond- sa nik el, berenoor, ineosterwoitel, eene nis heelmiddel aangewende planl.

Sanidin, n. (van gr. sunis, gen. sanidos, de planl, verklw. sanidion, hel plantje) hel glas-ucblige vehls|)aath in plalle prisma\'s enz.

Sanïos, f. lal. iMed. bloedig ettervochl, de bloedige otter; saniëus, adj. (lat. sanidsus, a, um) vol bloedige etter.

Sanitoit, f. lal. {saiulas, van sanus, a, um, gezond) de ge/.ondbeld, welsland; — sa-lliteits-collogo, n. de gezondheidsraad; — sanitoits-good, n eene soort van porse-

VIKIIDE IIHUK.

loin, dal l witte klelaurdo in hare samenstelling heeft en veel gebruikt wordt voor mortieren, ulldampsebalen, spatels, enz.; — sani-toits-politie, z. v. a. modi se be politie.

Sankhja-philosophio, f. suuskr. (v. sankhjA, nadenken, bespiegeling, v. Uhja, zeggen, verbalen, met hel pnellx sam, samentellen, berekenen) een Indisch philosophisch stelsel, dat, In slede van de eenheid van\'I beslaan, alleen de veelheid daarvan als werkelijk erkent (vgl. mimansa).

Sanlei, Sanloi-wortol, m. chincescb kalmoes, een geneesmiddel voor den heel van vergiftige dieren.

suns, fr. (spr. sanoudfr. sens, oudsp. sines, van \'I lat. sine) zonder; — suns rdrémonle en suns compiimcnls (spr. —md/i), zonder omslag, zonder pllcblpiegingen of omstaiidighcdeii; — suns comparaison, z. oud, com par oer 011; — sansculotte, m. fr. (s|ir. saiikutóll\'vgl cu lotte) elg. een bi\'oekeloozo; weleer een leu-gelloos aanhanger der repubilkelnsche regeering of liever gemeene-volksheersehappU in l\'ianki\'Uk; — sansculotterio, f. ook sansculot-tisme, n. de hroekeloosheld; do sland en gezindheid der sansculotten, het aanliangen der party en dor grondstellingen van de sansculotten; — sansculóttisch, adj. op de wyze dor sansculollen, de leugeliooze volksheersebappU aanhangende; — sansculottisoeron (spr. s=z) fr. {sansculnlliser) tot cenon sansculot of leugelloozen vriibeidsdwepor maken; sansculóttisch gezind zUn; — sans duule, fr. (spr. su/i dciiflquot;) zonder twijfel, gewis, zeer zeker, alleszins; — suns fttcon, z. faeon; — suns gfne, zonder dwang, zonder slUve plichtplegiiigen, als of men thuis ware.

Sanskrit, n. do sanskritscho taal, sanskrita, f. (d. 1. elg. uitgewerkt, voleindigd, volkomen, in hel oorspr. sans kil tam, d. I. de volkomen (klassieke) taal, de oade laai der Hindoes of lirabminen In llindoslan, in welke hunne godsdienst- en welhoeken, gelgk mede hunne oude dlcblwerken zyn geschreven.

Sans-nuanco, n. fr. (spr. saimiahs\') zware zyden stof mol gouden bloeinen; — sans liurdon (spr. saii ininloh) zonder genade, zonder vorschoonlng; — sans purcil, (spr. stiii parél\') zonder goiyke of weerga, onvergeiUke-iyk; — sans peine, n. (spr. saiipèn\': d. I. elg. zonder moeile) eene soorl van gesireeplo kaloenen stof; — suns peur el smis niirnche, z. peur; — sans phrase (spr. san fraai\') zonder omhaal van woorden; aansproil-dre (spr. suiiprdiidr\'), d. I. elg. zonder te nemen, In hel omberspel, z. v. a. solo spelen, d. 1. mei de eersl gekregen negen kaarten zonder aankooplng van andere kaarten van don talon of slok een spel oiidernenien en met 4 of \'i slagen bet spel trachlen Ie winnen; — suns rime el suns raison (spr. —r/tzón), zonder rym en zin, d. 1. zonder grond en oorzaak, zonder kop of staart; — sanssouci, n. (spr. suiisoesi, wooMeiyk: zonder zorg, van souci,

70


-ocr page 1134-

SANTA CASA

SARACENEN

1106

zorg) con zorgenvry, do naam van con koninklijk lustslot hij Potsdam.

sanla casa, z. and. sanla.

Santaline, z. ond. sandelhout.

Santé, r. fr. (spr. saiilé, van \'t lat. saiiHus) ilc gezondheid; een gozondheldsgordol, mfgordel ter voorkoming van eene vcrkomlinj; des omleriyfs.

San telhout, z. sandelhout.

Santiago, z. ond. san to.

mnlo, sanln, sp. en 11. (= tut. sanclus, enz.) ticlltg, de helllKe; oen edele goudgele wgn uit liet venotiaansche; — sanla casa, I sp. (casa, het huls) het Inqulsltlo-gohouw te Madrid; — santa fodo, r. It. eig. Iieilige geloot; het onliesehaafile, hllndgeloovlgo volk; — santa hermandad, z. hermandad; — Santiago, sant.jago, m. sp. do helligo Jaeohus; de oorlogskreet der Spanjaurden tegen de Moeren; — sanlo-oficio, sp. z. v. a. sanctum offl-ciuin, z, ond. san et Itlceereu; — santon, m. sp. (een versterkende vorm, v. san/o, heilig) een turkseh hcllige of monnik, een derwisch.

Santonino, f, hot alkaloïde van worm-zaad (lal. sanlonicum, gr. sanlnnion).

santorio, f. Bol. ■/.. v. a. eentanrea.

Santorino ot santorine-aarde, t. eene vuikanlsehe aardo van het gr. eiland San-torln, die voor waterwortel en cement gebruikt wordt.

Soaria, f. een ahysslnischc plant, hoor-zuurhoudemi en als middel legen lintworm gebruikt.

Sapa, f. lat. het druivenmoes, mostsap, lot op een derde of op de heitl Ingekookte most.

Sapajeau, m fr. (spr. —zjó) een drank uil citroenen, suiker, eieren en wille wijn, die gekookt en met roetjes op liet vuur geklopt wordt.

Sapajoo, m. een kleine rolslaarlaap in Z. Amerika, waartoe, h. v. de coalta of heel-zehuh hehoorl, die zeer veel bohendlgheiii In zijn langen rolslaart liczlt.

Sapan- or sappanhout, n, sp. (sapan) oostindisch roodhoul, donkerrood sandellioul, eene soort van verfhoul, dat naar hel fernambuk gelUkl.

Sa po, z. sappe.

sajiëre awle, lat. waag bet, wijs to zün, lie-procf bet, verstandig te wezen.

Saphëna (sell, row) f. nw.lat kwalUk gevormd van het gr. saiihês of saphints, openbaar, duldeiyk) Med. elg. do duidelijke bloedader; de boofdbiocdader aan den voet, rozonader.

Saphir, liever sapphir, gew. saffier, m. (van hol gr. sappheiros; hchr. sappïr, chald. s/implr, arab. .tnfir) oen booggoscbiitte edelsteen van hinuwe kleur.

sapldus, u, urn, lat. Kot. smakelijk.

sapiens, lat. verstandig, wys; — saplénti sat! lat. voor den wijze genoeg, genoeg voor den verstandige! een woord is den wüze genoeg; — sapiénza, f. li. (spr. —lui: elg. do wUsbeid) eene universiteit of hoogeschool, h. v. te Homo, te l\'isa; de verzamelplaats der romeinscbe makelaars.

Sapin, m. fr. (spr. sape/n van \'liat. sapt-nus) 1) do denneboom; 2) z. v. a. fiacre.

sapo, m. lat. de zeep; sapa anlimoniticm, spiesglanszee|); s. domesCfcus, gewone zeep; kenkenzeep; s. hydrargj/ri, kwikzoop; s. medi-rinalis, zeep tot heelkundig gebruik; s. saba-clus, lalkzoep; — sapindus, m. de zoep-hoom op de weslindische eilanden; sapindus-t ra non, pi. bel bars van den ooslerscbeii den; — saponaria, f. nw. lat. zeepkrnlil, eene tnlnplanl van voierlel soorten-, — sapo-nificeoren, ia zeep veranderen, tot zeep doen overgaan, verzeepen; — saponificatie (spr. l=ls) f. do zeepvorming, verzeeping; — sa-ponino, f. de zeepstof, in de wortels van het zeepkruld, enz.; — saponiet, m. lt;te zeepsteen.

Sapota of sapotilboom, in. nw.lat. (mexlc. cnchil -zapotl) ile hryappeliioom, een

Amcr. boom nu\'l niclksaprijke vruchten.

Sappar, m. (fr. sappare), z. v. a. cyantet.

Sappo of sapo, f. fr. (sa/ie; II tappa, sp. za/id, wallach, cape, houweel, schoiTel; vgl. het oudd. sappen voor aangriipen, rapen, en hel gr. s/taj)lt;ciii, graven; wallaclr Ik graaf) Mil. eene mün, eene loopgraaf, een onderaard-sche gang lig eene vesting; — sape couverte (spr. —Icoewért\'), eene bedekte loopgraaf, dak-of stormloopgraaf; — ». double (spr. doebl\'), eene dubbele loopgraaf ; — s. pleine, eene volle loopgraaf met opgevalde schanskorven; — s. louriKinte (spr, —Inemn/ilquot;), eene slang- of keerloopgraaf; — s. volante (spr. —woldiil\'), eene loopgraaf, welker ledige schanskorven eerst tater worden opgevuld; — sappoul\', m. een loopgraver, nulograver, loopgraafmaker hij he-legeringen; sappeeron (fr. super), ondergraven, (indermijnen, onderaardsclio gangen maken.

Sapphir, z. saphir.

Sapphisch vers, n. eene naar do gr. dichteres Sappho, omstreeks (100 jaren vóór Christus, benoeimie verssoort: —

— / _!. — -, de sapphischo strophe beslaat uil drie zulke verzen ou éea a(Ionisch (z. aid.); — sappho, f. een in ISiii door l\'ogson ontdekte asteroïde.

Saprop^ra, f. gr. (van saprós, u, ón, vuil, rot, en jijjr, vuur, koorts, hilte, hevige koorts) Mod. de rotkoorts; — saprophyt, n. (v. phytóii, plaat, gewas) een rotlingsgewas, oen woekerplant.

Sara, f. hchr. (sdrdh, v. sdrar, bcerscben) vr.naam: do vorstin, heerscheres; v. a. do vruchtbare.

Sarabande, f. fr. (it. sarabanda, sp. za-rahunila) een spaansche op de menuet golUkeiide ernstige dans en de danrhU hehoorende muziek; ook een loopen op de maal door hel paard ia de ryscbool.

Sarabaren, pi. (lal. on gr. snrabare en sarabulla, tataarsch sjatawar, bong, salawnri) de lange en wyde broek der Perzen en Meden.

Saracënon, pi. (lat. Saraccni: fr. Sana-sins: vnn \'1 arab. sjarlti, oosteiyk, sjaraka, op-gaan, van do zon) Oosterlingen, Morgenlanders,


-ocr page 1135-

SA UK ASM US

1107

SARA F

/. v. a. oriénlalon; oorspr. benaming dor Arabieren in linropa; verder in i algomoon voor Muliainedanen, Turken en alle niel-cbris-lelijke volken, legen welke de krulsloeblen ondernomen werden, oneig. ruwe, verwoestende, onliandiKO troepen.

Saraf of sarraf, m. arab. {sarraf, van sarafa, wenden, aanwenden, uitgeven) een wisselaar (bankier); in Turkije: een makelaar.

Sarafan, m. russ. (gr. sdrupis, een perz. kleed, v. het perz. sérdpd, d. i. van liet hoofd lot de voeten) een rok der russisclie boerinnen, die tot op de hitden noderhangt en van voren wordt toegeknoopt.

Sarapus, m. gr. (van saircin, vegen, en poes, voet; eig. wie met do voeton veegt) Med. een breedvoel, platvoet.

Sarasin, f. (waarseh. van \'l fr. Sanmin, Saraceen; ook boekweit) eene middelmatiggroote soort van boterpeer.

Sarasse, z. se ras se.

Sorat, z. adat.

Sarbas, m. (van \'I perz. sarbdz, dapper, onverschrokken) een perziseh krijgsman te voet.

Sarcasme, sarcepiplocolo, enz. z. sarkasme, enz.; sarcidium, n. nw.lat. (van \'t gr. sarx, vleesch) Med. een vloesch-wraije; — sarcitis «tf sarkitis, f. vleesch-ontsteking; — sarco-, z. sarko-, oud. sar-k a s m e.

Sarcollo, f. fr. (spr. sarssï) taling, kleine eend.

surctna vcnlrict/li, f. lal. Med. eig. last der maag, een klein rondachtig liehaam, een kleine gistingszwam in de ultgebraehte stolTen van den maaginhoud.

Sard, sardor of sardachaat, m. (gr. sdrdion of sdrdios, sell, lil hos, d. I. sardische steen, van Sardes, de hoofdstad van L\\die) een vleeschroode of bruinaelitige agaat, earneool.

Sardanapalus, m. eig. do naam van den laatslen en wellustigslen koning van Assyrië In de Ode eeuw vóór dhr.; vandaar oneig. een wellustig, verwijfd vorst, een wellusteling; -sardanapalisch, adj. verwijfd, weitusiig, uitspattend.

Sardéllo, sardijn, f. (it. sanlina, sar-(lelln, sp. surdina, fr. sardine, gr. sardine, lat. sardina, sarda, naar het eiland Sardinië benoemd) eene soort van kleine haringen in de .Middeilandsehe zee, die ingezouten en in vaten gopakt verzonden worden; vgl. ansjovis; — sardines d rimile, fr. in olie ingelegde sardy-nen; — sardines d mixed pickles, fr. eng. (vgl. mixed pickles) sardijnen met scherpe spe-ceryen ingelegd.

Sardon, pi. bewoners van het eiland Sardinië of ook van het Sardinlsch-Savooisch ko-ninkrük; sardo-fransch, adj. Sardinië en Frankryk bet reilende, sardo-itali-aansch, adj. Sardinië en Italië betrelTende.

Sardor, z. sard.

sardonisch lachen, gr. (lal. risas Sar-dontus, oorspr. sdrdanios yélos, misschien van saircin, do landen knersen, grynzen) een gedwongen, krampachtige, biltere tacb, spotgelach, ook een naar het lachen geiykend vertrekken der gezichtspieren, naar men wil van een vergiftig gewas op Sardinië {Sardoiïfa herba), welks gebruik den mond, en/, als tot lachen doet samentrekken; — ook sardoniasis of sardiasis, f. de hondskramp, /.. v. a. para strém ma (z. aid.).

Sardonyx, m (samengetrokken uit sar-dios en onyx, vgl. sard en onyx) een uit veelkleurige lagen bestaande onyx, «lie door de Ouden inz. tol ca meen werd gebezigd.

Sargassum, n. nw. lat (port, sargasso, sp. sanjazo) het drijvend zeegras, zeewier, dat, op de Atlantische zee drijvende, vaak eilanden van vele duizenden vierkante mijlen vormt sar-gasso-ba nken, sa rgasso-zeeen of wier-velden genoemd, en door welke o. a. Columbus zich veertien dagen achtereen een weg moest banen.

Sargon, z. zirkoon.

Sari, f. hindosl. omslagdoek, als mantel en onderrok door de hindoesche vrouwen gebruikt.

Sariama, f. een hoenderachtige moerasvogel in /uid-Amerika.

Sariboopalin, m. malelsch (sariboe) de rondbladerlge schermpalm [Sarihas rolundifotius, Corypha rolundifotfa), welks bladeren tol zonneschermen en waaiers dienen.

Sarkasmus of sarcasmo, n. pl. sar-kasmon, gr. {sarkasmns, \\. sarkddzein, open-ryten, in toorn op de lippen byten; van sarx, sarkns, vleesch) eig. openryting van hel vleesch; het hoonend gelach eens loornigen, de bytende spotternij, vinnige spotrede, bittere gezegden, die door merg en been dringen; — sarkas-tisch, adj. ontvleeschend; snijdend, stekelig, scherp; hoonend, spottend, bytend, bitter; — sarkitis, z. sarcitis; sarkoeële, f. Med. eene vleeschbrenk, zieketyke verharding der teelballen; sarkoëpiplocölo, liever sarkopiplocólo of sarcopiplocëlo, f. de vleeschnetbreuk van den navel; — sar-kohydrocölo, liever sarchydroccle, f. eene vereeidging van de vleeschbrenk met de waterbreuk; sarkokólla, f. vieeschiym, een gom- of siymachlig planlvormend bestanddeel uit den afrlkaanschen struik Penaea sar-cocolla, sarkologie, f. Med. de vleesch-leer, de leer van de vleesehachtige of zachte deelen van het lichaam; sarkológisch, adj. de vleeschleer of de vleeschkunde betreffende; sarkoma, n. een vleeschultwas; — sarkomateus, adj. gr.-lat. met een vleeschultwas behept-, sarkomphnlus, m. of sarkoinphalon, n. eene vleeschna-velbreuk, vleeschbrenk aan den navel;- sar-kophaag, m. (gr. sarkophdijos, v. phaqvm, eten) eig. een vleescheter, vleeschveiieerder; by de Ouden eene doodkist, vervaardigd uit een sponzigen, bytenden, het lijk spoedig verterenden kalksteen In Voor-Azie, verder in \'t algemeen eene sleenen kist, een doodkistvormig


-ocr page 1136-

SA«MATEN

SATIJN

1108

Kiatteckon; — aarkophaga, ook sarko-phagioa (sell, medicaménla) pi. Mod. hgl-mlddclon, vlceschknanendo mlddolonj — sar-kophyïa, f, do vooi lliroiiKliiK oonor vorscho ïolfsliindiRlioid, do vleesclivormlng in wondon en zweren; sarkophyma, n. oen vloosch-ulhvns, eono zlokeiyke vlcosclivoorlhrenBinü; — savköais, r. (v. sarkoen, vloosch verwekken) do vleesclivormlng; — sarkostösis, f. do vloesclivorlmrdlnj,\', vlooschverbceninn; — sar-kothlasis of sarkothlasio, f. spler-vlcoseliknouzInR; — sarkothlasma, n. een gekneusd, vleozlg deel; — sarkotisch, ndj. (gr. snr/fo/iAuï, t\', nu), vleeseliuanzetlend, vleeseh-verwekkond; — sarkotïka, n. pl. vleoscli-voiwekkonde of vleesclilieelonde middelen.

Sarinaton, pi. (gr. Sauromdlai, Snnnnlai, lat. Sannalac) in de oudlioid de slnvonisclie volken, die Sarmallc, d. i. hel noordeiyke liuropa en Azie liewoonden; vandaar sarmallselio (pooischo) ziekte, de poolsclie vloclil, z. jtlica polonfca.

Sarmentum, n. lal. oen rys, een rank, worlelrank; — sannontaceao, pl. nw.lat. wUnslokgewassen; — sarmentifërae, pl. zieli door ranken voortplantende gewassen; — sar-vienlosm, a, urn, lal. Hol. rankend, wortol-ranklg.

Sarong, f. mal. en Jav. kokorvormig klee-dingstuk, beslaande uit een lap katoenen slot, waarvan do helde einden worden aaneengenaaid en die, door een gordel vaslgehonden, als een soort van rok in Ned.-lndle door helde seksen wordt gedragen.

Sarnschos, pi {tr. mraches: spr. mrnsj\') eene soort van sardellen inde Sllddellandselie zee.

Sarraf, z. s a r a f.

Sarras, m. (II. van Sararem, fr. Sarrasin, ot meer waarscliUnHjk van \'1 mtd.lat. en gr. sarissa, eene lange lans) een groote sahel, houwdegen, geiyk die hy de cavaierio in gebruik is.

Sarsaparillo, z. sa ssa pa rille.

Sarsonót, n. (oudfr. sarcenet, mid.lat. snm-centum, oorspr. hy de Saracenou geweven stof, taf) lichte llnnenaclitlg geweven, geverfde en geglansde katoenen slof, voeringstof, eenkleurige vooringkatoen; ook hy het hoekhindon gchruikl.

Sartor, in. lal, (van sarcire, naaien) de naaier, snyder, kleermaker; vandaar Sarto-rïus, m. als naam voor kleermakers; — sar-torms, Med. ile spier aan de hovendij, do snydorspier.

Sas, n. waterkom {bassin) In de lenglo eener vaart uilgegraven, om daarin hol water te vergaderen, dal men naar verelschten door de sluis, hoven welke hel geliouwd is, laat atloopen.

Sasd, f. either, snaarinstrument van arme-rdsche en tataarsclio zangers

Sasi, z. sjakoo en sjoo; — sasji, z. sjako e.

Sasjon, in. russ. {sasjenj) een russische vailem.

Sassafras, m. (sp. salsafras, salstfrax, sal-sifraoia, saxifragia = lat. saxifraga, z. aid. dewyi men aan illt gewas ook hel vermogen van hiaassteonon klein Ie maken en uil Ie dry-ven toekende; vgl. pa va me) eono soort van laurleraclitlge gewassen; inz. de sassafras-boom in N.Amerika en diens geeihruin, spc-coryachtig, als geneesmiddel gehrulkt hout; — sassafrashout, venkelliout; vandaar sas-safrashontolio, f. een (Btherlsche olie.

Sassaparillo of sarsaparillo, f. (sp. zanaparilla, naar men wil van zarza, hraam-hezioslrulk, hask. zarlzia, enden arts l\'ariilo, ille haar onldekle on het eerst naar Kuropa lirncht; hotor echter van \'1 sp. parrilla, een kleine wynstok, een Jonge wynrank) de gonees-kriichtige wortel van do anierlkaaiisehe wludo (Smilax sarsaparilla).

Sassinet, n. z. v. a. sar se nel.

Sassolmo, f. natuuriyk waterliondend ho-rax-zuur (z. aid.), dal aan do hoorden van heete hronnen hy Sasso, niet verre van Florence voorkomt.

Sastawa, f. russ. (v. saslawilj, versperren, afsluiten) de slaghoom, de stadspoort.

sat of satis, lat. genoeg, toereikend, zat; — sat (\'ito, si sat bene, wat goed gedaan wordt, gaat spoedig genoeg; — in mannis rnluisse snl est, hy groote, moeilijke zaken is reeds de goede wil genoeg; — sa! ;»•«/« biberunl, de weiden liehhon genoog gedronken; scherlsoud voor: ik heli genoeg.

Sat, eene siameescho graanmaat van 28 k a-nang = l:i tot li Uier.

Siitan, m. hehr. [sétan, v. sit an, arah. sja-tana. Iemand tegen zyn, hom vervolgen) eig. een woderstrever, vijand; gevallene, hoezo engel, duivel, inz. het lioofd der gevallen engelen, de opperste duivel; onolg. als scheldwoord; een hoosaardig, kwaaddoend schepsel; — sa-tanino. It. verklw. van satan: een kleine satan, een duiveltje; — satansch, satanisch, adj. duivelsch, iioosaardig; — sata-nifinon, pi. eene secte, die den satan vereorde, wegens zyne maehl om kwaad te doen ; — satanismo, n. nw.lat. do satanische, dui-velsche gezindheid.

Satelliet, m. (van \'I lal, satéllcs, genlt. salclhlis; fr. satellite) een hegeleidend en he-schermeiul hediende, lyfwachter, wachter, trawaal; een ondergeschikte, die oen voornamer persoon als zyne schaduw volgt; Astron. eene hyplaueet.

Sator, saterspol, z. s a I y r.

satiabol. adj. nw.lat. (van \'1 lal. salitirc, verzadigen te verzadigen, vorzadlghaar; — sa-tiabilitoit, f. de verzadeiykheid; —satië-toit, f. lat. {satiütas) de voiheld, zalheld, verzadiging; oververzadiging, walging.

Satijn, n. fr. [satin, 11. setino: van \'t it, en mlil.lal. seta, zyde, oorspr. sera, serïca, d.1. zyden haar, v. \'1 lal. seta, sterk haar, horstels; vandaar provonc. en sp. soda, fr soie, nederl. zyde) eene zyden slof, atlas; — siltin de laine


-ocr page 1137-

SATIRE

1109

SAUCE

(spr. —Icii\') gokopm\'do Jassenslof, wollen alias;

— sal In lure, lurkscli atlas, oono naar hel al-las geHlkondo /ware zyilen slof; — satijnhout, n. kaslanjenccl allaslioul; — satimido, r. Ilclil halfzydoli alias; — satinet, n. eeno geslreoplo halfzijden slof, half alias; — sall-neoren (fr. saliner), als saiyn maken, een zaehlen allasaehligen glans geven; gouddraden op verheven borduurwerk naaien; gladmaken, glaceeren (Inz, papier); — gesatineerd, adj. (fr. xalind) atlasaclitlg, naar atlas geHJkende, gladgemaakt.

Satire, minder goed satyro, f. (v. \'I lat. sattra, oud. sah\'ira, van xnlur, zat, vruchtliaar, vol; oorspr. [sell, lam] eene met allerlei vruchten opgevulde frulischaal, vandaar een mengsel, allerlei, poespas; eene mengelpoëzie) het liekelschrlft, hekeldicht, spotschrift, waarin de dwaasheden en ondeugden der mensclien aan de kaak worden gesteld; — sntira mrroniunu, eene satirische voordracht, waarin rym en onrijm mot elkander afwisselen, naar den Komeln Varro;— satiricus, m. een spotter, hekeldichter, spolschriftstelier; narrengeesel; — satirisch, adj. spottend, liijtend, gooselend, hekelend; — satirisoeron {fr. saliriscr) door spot helachlijk maken, geeselen, hekelen, over den hekel halen, doorhalen.

Satis, z. sal,

satisdoeron, Int. {salisilare, d. 1. eig. genoeg geven) ofnw.ial. satisdatooron, horg-idijvcn of stellen; — satisdiitie (spr. l=ls) f. (lat. salisdafio) Jur. de horghiyving, horgslel-llng;— satisfacoeren (lat. salisfactlre ■, fr, mlisfalre) genoegdoen, levredensleilen, genoegdoening geven; tevredenstellen, hevredigen; voorheen ook; vergenoegen; — satisfactie (spr. I=s) f. (lat. suitsfaciïo) de genoegdoening, voldoening, hovrediging, schadeloosstelling, afrekening met oenen schuldenaar, de schadevergoeding; — satisfaisant, adj. (spr. sati-sfzaii] genoegdoend; hevredigend; satiafait, adj. (Spr. sali-sfè) lievredigd, tevroden, vergenoegd; ook als suhsl. tevredene, Inz. Iemand, die mei zyn socialen en polllieken loesland tevreden is, In legenst. met malcontenten.

salivus, a, um, lal. Hol. gckweekl (met liet doel om tol voedsel te dienen).

Sato, f. eene hooi der koraalvlsschers de Levant,

Satraap, m. gr. (salmpïseen oorspr. perz, woord; sllmb, een perziscli sladlionder, landvoogd, landhestuurder; onelg. een weelderig, overmoedig en heerschzuchilg mensch; — sa-trapie, f, (gr. Siilraima) hel stadhouderschap;

— satnipisch, adj. heerschziiclilig, nienschen-plagend en weelderig levend; satrapisoo-ron (spr. .«=;) als een sal raap ia groolen glans leven en zyne onderdanen onderdrukken en kwellen.

satureoron, lat. {saturnre, v. sulur, zal) verzadigen; aanvullen; — saturantia (spr. Il—lsi) n. pl. geneesmiddelen, die hel zuur der maag opzuigen en afvoeren; - saturatie (spr, lle—lsie) f, (later lat. suluratfo) Chem, de verzadiging.

Saturday, m. eng. (spr. séllcrdee, uil Sa-lurn, Salnrnus en tlui/, dag samengesleld) de Zaterdag-, Saturday-Review (spr, rc-ivjoe] de Zaterdagavond-revue, een zeer algemeen verspreid engelsch weekhlad,

Satürnus, lat. Mvlii. volgens ond-rom. overlevering: de oudste koning van l.allum, vervolgens vereerd als god van den akkerhouw en der geregelde menscheiyke samenleving; later = gr. Kronos, m. de lydgod, de goil en hel beeld van den alversllmlenden tyd, een zoon van Uranus on Giea of van den hemel en ile aarde, vader van Jupller onz., heheerschle voor dezen den hemel, eer hij door Jupilcr onllroond werd; onder zijne heerschappy nas hel de gouden eeuw of de salurnische tyd; ook de op Jupller In grootte, alsmede in zonsafstand volgende planeet van ons zonnestelsel, met een duhhelen ring en K manen; Chem, hel lood; vandaar saturnmisch, adj. lood hevallend; ook duister, somher, treurig; ongelukkig; — saturnaliën, pl. (lui. saltinmfta) liet Satur-nusfeest, een in Decemher gevierd romcinscli vreugdefeest of volksfeest van vryiield en ge-lykheld, waaihy men elkander door gezellige vrooiykheld en hel geven van geschenken als het ware voor eeidge dagen in de gouden eeuw poogde terug te plaatsen; — non semper erttnl sulurnatfti, sprw; \'1 Is nlel altyd kermis; — saturnia, f. een hijnaam van Juno, ais dochter van Saturnus; ook ih\' dlchteriyke hena-mlng van Ilalie, omdal Salui\'nus gerekend wordt eenmaal daar geregeerd ie iiehhen; — satur-nilabïum, n. een aslronomisch werktuig om don stand van de manen van Saturnus voor eiken lyd gemakkeiyk Ie vinden; — satür-nisch, adj. (lat. saluntfus, a, um) overoud, tot de hooge oudheid hehoorende (hel satur-n 1 s c h e v e r s, het overoude, eigen vers der oud-romeinsche volksdichling ; eenvoudig, gelukkig, onschuldig;— saturniet, n, nw.lai, liruln looderts, hruin loodspaalh.

Satyr, m. gr. (sdiyrtis) ook wel sater, Mylh. een veld- of woudgeest, woudgod mei hokspooten, kleine horens en staarl, een zinne-heeld dei\' ruwe, grofzinneiyke, halfdieriyke men-schonnalnur; ook z. v. a. ora ng-oel a ng;— satyrisch drama of saterspel, eene soort van parodisch naspel der oudgr. tragro-die, waarin satvrs hel koor\\ormden; satyriasis, f. onnalnuriyke, ziekeiyke geilheid der mannen, paringswoede, hel geli-z.yn als een satyr; — satyro, z. sa lire

Sauce, f. fr. (spr. som-\' mid.lat., provenc., sp. en II. salsa, vgl. salsa) saus, het vloeibare toevoegsel lol vele spyzen; — satire re-tnottlaile, remouiade- of koude kruidensaus; — sauee aux cltatnitltjnutts (spr, o sjttuplcitjnii) saus mei paddensloelen; sauciére, f, eene sauskom, sausnap of -schaal; — saucisse, f. (spr, so-siés\'; il, salekeia, sp, sulehieha, als ware \'I lal, salslffa) of als verklw. saucijsje.


-ocr page 1138-

SAUF-CONDUIT

1110

SAXIFRAAG

n., fr. sauoisson, in. (spr. sosi-sóii) oeno kleine liniadworsl, een hraiulworslje; Mil. oen takkenlios, mutsorl, eon lange zak van lodor on/.., mol krull (fovuld on waaraan cono lont wonll hovosllKd, oni zou cono mijn aan Ie stoken.

sttuf-comluil, in. Ir. (spr. soof-kondwi = lal. salvux mndurlus, ■/.. sulrus) oen vrygelolde, ne-lolhrlol,

Saul, helir. (sju\'oel) niansn : do afj-\'eliedono.

Sauviën, pi. nr. (van suüra, de hasedls) do vorsoldllondo soorlon van liauodlssoiu — sauriet, m. do iiaBodissiooii; — sauroktö-nos, in. (van lilcinein, dondon) de hagedissen-doodor, een liünaam van Apollo; — sauro-graphio, f. de liagodishosoliiüviiK!; sau-rolithon, pl. vorsloenliiKon van liatroillsson ol van enkele deolon er van; — saiirologie, f. de nalmirlijko ftoscliiedoiils dor liacedisson.

Saus, r. z. san co; - sausen, mot oen saus doortrekken, li. v. rook- ol smilttaliak.

Sauté, n. fr. (spr. solé; v. snulcr = lat. sallare, springen) soort van ragoilt ol gekrulde en gesloofde vleosrlispijs; — sautooron, vleeseli op sterk vnur snol op lielde zUden in lioler enz. braden en gaar maken, li. v ge-sa iiIeenlc kalfsnioren.

Sautereaux, pi. fr. (spr. .voOri, v. suulcr, springen) de 1 a ngeni e n, die hij hot iiespelen der klavieren, forto-piano\'s, enz. opspringen en de snaren aanslaan.

Sauternes, m. fr (spr. soWitT) eene soort van lljno franselie wille wijnen, naar het ge-lyknaniig inarktvlok In het departemonl der Glrondc.

Sautoir, m fr. (spr. sntodr: v. sunhir = lat. sallare, springen) 1) oen schuin kruis, een Andrles-kruls; 2) een omsliigdoekje, omknoop-doekje; — en sauloir (spr. «/i—) kruisgewUs, om den iiais ol over de horst gekruist (van or-dotlnton en lianden).

Sauvagoi\'io, I. Ir. (spr. sowazj\'rie: v. sau-vaf/r, wild, inenschonscliuvv; sp. salvage, pro-vene. salrulue, II. salvaggio, selrafifiio, v.\'t lat. siloaïïcus, lot liet woud iiehoorend, in i wild groetend, wild, van sllva, tiet woud, iioscii) do niensciii^nseliuwheld.

sauvocron, fr. (suuveri spr. .s«-r—, lal. salfarr) redden, liehouden, verlossen, veilig af-hrengen; hesparen, uil»innen, uit halen; zich sauvocron, zich redden, hergeii, in veiligheid stellen; zyne schade door iels vergoeden;

— sauvi; qui peul, redde zich wie kan, ieder denke slechts om zijn iyfshehoud; — sauve-gardo, f. z. s a I v e g a r ii e, oud. sa I v o e re n;

— sauvomont, n. (spr. snv\'maii) of sau-vago (spr. somazj) redding, heil; liet redloon, liorggeld ; — droit de sauvemenl (spr. drnd—) of de sauvane, liet strandreclit, het recht om de goederen, die van verongelukte schepen zyn gered, voor de eigenaars zoiveii tol op de utt-keerlng van eene evenredige heloonlng te mogen hewareii; — sauvour, m. fr. z. salvo t o r.

Savanna, savanne, f (sp. sa cd na, uil do taai van Haïti) eene groote grasvlakte ol woudweide in N.Amerika.

Savantasse, m. fr., it. savantaccio

(spr. —Idlsjn) Iemand, die den geleerde ullhangt, maar slechts eene verwarde kennis liezli, een geleerde priller, letterkundige windhuil.

Savatte, f. fr. (sandlc, ii. ciaballa, sji. za-pala, van \'t mid.iat. sapata,■ vgl. sahol) oude schoen; slof.

Savingbank, f. eng. (spr. séewinijhanh, v. snm, sparen) de spaaiiiauk, de spaarkas.

Savitïën, pl. lal. {saeviCtae, van saevus, wreed, gruwzaiun, wild) Jur. harde liehandeiin-geu, wieedtieden, mlsliandellngen.

Savoir-faire, n. of hot savoir-fait-e, fr. (spr. sawoar (if: v. saeolr, weten, prov. en sp. sah\'r, it. sapérc, saoére, v. lat. saplre, verstaan) woordoiyk; hel weteii-le-doeu, liet doen-kiiniien, de geseliikiheid, hekwaamheld, hedre-venheid; ■ savoir-vivro (spr. sawnar viévr\') n. eig. het weten te leven, de lovenswyshctd, levenskunst, de gosehikle tevonswyze, de he-kwaauiheiii om zich jegens andoren vvelvoegiyk of heliooiiyk Ie gedragen, li. v. iiy lieeft geen sa volr-viv re, d i. hij woel zich in de uiual-schappy niet hehooriyk voor ie doen.

Savón, in. fr. (= lat. sapo) zeep; — sobom au sur de lui lui: (spr. — o snuft rf\'/é/ti) lutuw-zeep; - sur nu d\'amandes amères (spr. —d\'a mand\' ainèr) iiiliere-amandeizeep; — swwn de Maples (spr. —napl\') Napelsche zeep;— sar on de rit (spr. -ri) rystemeelzeep; — suunM en tables (spr. n/i tahl\') zeep in koekjes, In stukken;—sa-«o» ponce (spr. —poiis\') puiinsieenzeep; — sa-vonnerie, f. eig. eeno zeopziedery; inz. eene turksciio tapyifahriek te l\'arys, die in een vroeger voor zeopziedery gehrnikt gehouvv gevestigd is; savonnerie-tapijton, lurksche ia-pyteu niet lluweeiachilgen grond en levendige kleuren; savonnétto, fr. een zoepiiai, wasclihai, ter reiniging van vlokken enz.; nok een klepdekset over hei glas van sommige zakuurwerken (Jaclilliortogos).

savouroeren, Ir. (savourer, v. saveur = lat. sapor, smaak) met hyzondoren smaak ge-hruiken. iaugzaam en sniakeiyk nuttigon, recht genieten.

Savoyard, m. fr. een Savoyer, man of knaap uil Savoye; een kleine sehoorsieenveger, liedjeszanger, inarmoljongen; nok oen ruw, on-iiohheiyk iiiensch; savoyokool, een lie-keiul nioesgewas, oorspr. uil Savoye.

Sawah, f. niai. rysiveld, Inz, rijslveld, dal op kuuslniatige wijze onder water gezel wordt.

Sawjet, z. sowjet.

Sawny, z. ond. Pat of l\'atrik.

Sawod, m. russ. (v. sawodilj, sticiilen, aanleggen) de falniek.

Sawoohout, u. ecu zwaar, fraai, hruln-actillg rood lioul, dal zoo hard is, dal het metaal afsiyi, van den sa w o e lioo m in Med.-lndii\'.

saxalilis, e, lal. Hol. op sieenen groeiende.

saxifraag, adj lal. (siuifrrtqux, a, urn,slee-


-ocr page 1139-

SCANDINAVIË

11«

SAXON IA

lien verbrekend, van sax UI II, rols en frunqlre, lireken) Med. den steen oplossend; — saxi-fraga (sell. Ucrba) f. de steenbreko, een lal-rijk plunletigesluehl; — saxifragéën, pi. nw. lal. do Rowasscn van \'I (teslaclil der steenbreke.

Saxonia, f. lal. naam voor Saksen; — saxoniónno, f. fr. («won, sakslsch) éonklou-rlge zyden slof mei lijn patroon.

Sayótte, f. fr. (saietle, vei klw. v. safe, pro-venr. on sp. saya, 11. snju, rok, lijfje, wollen overkleed en de daartoe gehezlKde slof, v. \'I lal. saga, sanum) of sajet, eene wollen slof, eeno soort van serge; sajetgaren.

Saynoto, z. s a I n e t e.

Sbaglio, m. It. (s|ir. sbiiljo) Knit, ocne feil, vergissing, dwaling, rekenfout; de vergoeding daarvoor.

Sbirro, m. It. (simro, birro, sp. esbirro) een gerDClitsdlenaar, diender, polltle-bedlende in llaliü.

Sbiton of sbitjen, russ. (v. sshiij. slaan, mengen, brouwen) een russ. drank uit water, honig en laurierbladeren of salie; — sibonsjt-sjik, m. de verkooper van dezen drank.

sborsoei\'on, It. (sliomrc, eig. ontbourzen, van borsa, beurs, buldel, en s = lat. ex) Kuit. iilliietalen, geld uilleggon, voorseliielen; — sbor-so, rn. bet voorscbot, ultseiiot, de uitgaaf voor een ander.

Scabóllum of scabillum, n. lat. (vor-klw. van scamnum, bank) of liet schabél-letjo, een voetbankje; een ondersiel of voetstuk voor borstbeelden, pronkvazen enz.; bel bankje, waarop misdadigers op bel schavot tentoongesteld worden of te pronk slaan; ook oen eentonig speeltuig der Ouden, dat mei den voel In beweging werd gebracbl; — scabollon, n. fr. (spr. —lóii) een iioog voetstuk voor sland-beeiden.

Scabies, f. lal. (v. scubSre, krabben, schaven) Med. de scliurfl, ruidigheld; — scabious, adj. (lal. scabiösus, n, um) scburfilg; — acabiösa, f. nw.lat. een schurflkruld, een tuingewas van velerlei soorten.

Scabiims, m., pi. scabmi of scabi-non, inld.lal. (van liet iluitseh sch/ijt^e, schlille, oudsaks. scepeno, oudhoogd. sff/Zeno, ons se liepen, wie reclil schaft of verseliaft, d.i. spreekt of doet) schepen, gerechtelijk bijzlltrr; — sca-binaat, m. (inbl lal. scabinulus) bet gereebis-iimbt, do schepenstoel, de waardigheid van schepen

scabrous, adj. lal. (scabiösus, a, um, van scaber, ruw) ruw, hobbelig, onelfen, niet glad gemaakt; niocilgk, be/.waariyk, neielig, gevaarlijk,

scadooren, li. (seddere, van .? = lat. ex (gt;n cadtire, vallen) Kmt. vervallen (van wissels); — scadénza, f. hol vervalien of de vervaltyd eens wissels.

Scaevola, m. lat. (elg. verklw. v. scaeca, de llnksehc, van scaevus, gr. slmins, linksch) de llnkscho, een bynaam der faniilie Mucins in liet oude Kome.

Scagliola, f. li. (spr. sknljoln; elg. kleine schub, verklw. van scdglia, schilfer, korst, verwant met ons schaal) eene vermenging van lijn gips en lol poeder gebracht gilnimer. dal door inidili\'i van lijm lot een deeg wordl verbonden; vandaar se a g 1 lo la-w er k, steenschil-derwerk uil deze slof; eene soort van mozaïek.

Scala, f lat. en 11. de ladder, Irap; Muz. de toonladder, loonschaal, de onafgebroken volgrij der tonen; ook de griiadverileeling, gradenschaal aan weerglazen en soorigetyke werktuigen; — sea tares mni, pl. Irapjareii; — scalana, f. nw.iat. de trapsebelp.

Scaldo, z. skaide; — scalonisch, z. sk a len Isc h.

scaloeron, II. (v. scauliare) afscliubhcn; onelg. leniand belasteren.

scalpeoron, lat. (scnlptre) snyden, Ingrlf-felen (1). v eene beeltenis In steen enz.); villen, de huid met hei haar van de hersenpan allrek-ken, gel ijk de noordamerikaanschO w ilden liun-nen vyanden iilegen te doen ; — bei scalpeoron, de scliedelvililng; — scalp, m. (eng. scfflp) de hoofdliuid, Inz. de door de noonlauie-rlkaanschc wilden aan hunne vyanden afgetrokken scliedelhuid; — scalpél, n. lal. isnilpét-lum) een ontioodmos der woniibeelers mei vaststaand icinmer (ondorscboiden van histouri, waarhij het lemmer wordl loegeslagen); — scalp-tuur, f. (lal. scdlplt/ra) hot snyden, griilolon mot de graveornaaid, inz. de kunsl om klein verheven werk (relief) op sleenen en stempels voort ie brengen (onderscheiden van sen Ip-t u u r).

Scalzi, pl. li. Iiarrevoelgangors, z. dlscal-

c e a l e n.

Scamlllon, pl. lal. (scuniillus, bankje, verklw. van saimnum, bank) Arch, uitstekken, |ila-ten aan zullen.

Scaminonïum, n. lal. Med. eene bijlendo en sterk afdrgvende bars van de scaraino-nium-windo of harswinde (lat. scum-monia, gr, skamöiiïa).

scamnum llipitocratis, n. lal. elg. de baak van llippokrales, een werktuig tot het zetten van onlwricbie ledematen, inz. van een ontwrichten opperarm.

scandaal,scandalous,z schandaal. scandooron, lat. (scandUre, d. i. elg, klimmen) een vers volgens z.yne leden afmelen of verdeelen, volgens de tydmaal afdeolen, naar de versvoeten opzeggen of allezen, zonder den inbond van hel vers daarby In achl Ie nemen; — scandens, lal. Hot. klimmend;-scan-sie, f. (lat. scansfo) de versmeihig, versver-deeling;— scausorcs, pl, nw.lal, kloutervogels Scandinavië, n. (lat. Scandia of Scandi-nnma, f.; waarschijniyk v.sanskr. skuml, springen, zoodal de Skanden of Scariillnaviörs oor-spronkeiyk = Scythen, d. i. nomaden waren) hel noord-europeesche schiereiiaad, dat Denemarken, Noorwegen en Zweden beval; vandaar Scan dlaa v Ische talen, letterkunde, enz., noordsche, Inz, oud-noordsche talen enz,,;


-ocr page 1140-

SCELALGIE

SCANDIUM

1112

— seandinavisme, n. hot slrevon om doze drlo rükon tol oen goliool of ulthans tot i\'en liond to maken.

Scandium, n. nw.lnt. eon door Nllson ontdekt elBennaidlK metaul, 7.00 gonoemil, onidnl de minoralen, waaruit hol lot dusver vervaardigd word (ga d 011 n Ie I en ouxcnlol) nlloen in Seandlnavlli (z. aid.) voorkomen.

Scandix, f. lat. (gr. skdndlx) de kervel.

Soapha, f. lat. (van \'t gr. skdphl\', v. s/iri;)-tein, graven) In \'t alg. oen uitgehold lichaam, een trog, eene kuli), hoot, een sehlp; Med. de ultwcndlgo oorholte, de sleufvormlge verdieping van het uitwendig oor tusselion den hulton- on hlnnonzoom (h 011 x on a n t li e 11 x) j ook hol weleer hy ito aderlatingen aan het voorhoofd gohruikoiyk srhuitgow(js verhand; — senpham scapham dicfre, eig. eene hooi hooi nooinen; d. I. hot klnil hij /iju rechten naam noeinon, ronduit sproken, er geone doekjes om winden, h. v. oenen schurk schurk noemen, enz.; — scaphnndor, liever skaphandor, m. gr. een zwemkleed, zwemgordel van kurk enz., een middel om zich hoven water te houden; — scaphietcn, pi. eene soort van hootvomiigo a m m 0 n 1010 n; — scaphoïdiach, adj. hooi-, kaan- of schuitvormig.

Scapijn, m. it. (Scapino: van scaitpino, oudfr. esrajiin, escarpin, sp. escorpin, ook: korte kous, lichte schoon, v. \'til. scaivm, schoen; op komische wgs zoo geheeten) de geslopen ho-diendo, de hodlemlonrol, als slaand karaklor-inaskor op hot lial. schouwtooneol.

sedpilo, in. 11. (van scapilare inhoeton, pro-venc. descaplar, v. \'t lat. nipul, hoofd, enz.) hot verlies, do inhooting, schado.

Scapiilalgio, f. lal.-gr. (van \'t lat. sca-piila, sohoudorhlad) Mod. schouderpyn; — scapulier, n. (nw.hit. scapulare of scapulartum) een schouderrok, schouderkleed van de r. kath. ordesgoostoiyken, hetwelk van voren en achteren over de schouders afhangt; ook do rozenkrans, paternoster (fr. chapelel).

Scarabcua of scarabajus, m. htl. (gr. knrubns) pi. scarabëen of searabceen, N. II. kevers, h. v. Scarabwus slerrornnm, do drekkevor; ook keverstoonen, oude egyplische, voor heilig gehouden gosnodon steonon (gem-m e n), die op do verheven züde don vorm eens kevers, in hunne holte een klein godonhoeld vortoonon.

Scaramoucho, m. fr. (spr. slmramóésj\': it. scaramuccitt, s|). esrarumma, oorspr. de eigennaam van een horoomdon komischen tooneel-spoicr; vgl. hel II. scaramüccia, scaramüccio, fr. escarmouc/ie, sp. en provenc. escaramuza, schermutseling; 11. scaramuccidre, scliermulse-len, v. schennire, vochten, schermen, oud-hoogd. scirmun) een hansworst, grappenmaker, de staande karakterrol van den pocher op do oude Hal. en fr. schouwlooneelon, doorgaans geheel zwarl, in spaansche draciit.

Scardamygmus, enz. z. skard—.

Scarfs, pi. eng. (van srarf, sjerp) honte, sinalle sjerpen van lijno wol, uil Norwich afkomstig.

scariflceoron, lat. [scarifienre] Ghir. koppen; kerven, mot het lancet openryten, h. v. het tandvleesch; — scarificatie (spr. l~ls) f. (scarificaCto) het koppenzotten, koppen; — scarificator, m. nw.hit. een wondheelers-werktulg tol hel openryten der huid, ook hel kopyzer, korf- of sny-yzor; oen eng. landhouw-gereedschap lol hol oprijion en losmaken van den hodem, z. v. a. exil r p a 10 r; — scari-ficatoriën, pi. samengostelde werktuigen om te koppen; —smriosMs, n, um, lal. Hol. droog-huidig, droogsohuhhig.

Scarlatina, f. nw.lat. hot schar in ken (z. aid.), de scharlakenkooris; — scarlatinous, adj. van scharlaken, scharlakenachlig.

Scarlievo, ■/.. schortlevo.

Scarpo, z oscarpe.

scarso, 11. (proveno cscars, escas, oudfr. csrurs, sp. escaso, eng. scum, ons schaars, schaarsch, v.\'t niid.lat. scarpsus, excarpsus, voor \'t lat. excerplus, v. excerptre, uittrekken, in \'i kort of in \'1 klein samonlrokkon) gering, krap, karig; Kml. schaarsch, rnooliyk te hoko-mon (van wissels en speoion).

scartooron. It. (scarldre = fr. scarier) ullschioion, afzonderen, ter zijde loggen; hel onhrnikhnro of hedorvone h. v. van eene koopwaar wegworpen, de kaarten in hol spol voor andero van don lalon of slok verruilen (écarté er en), enz.; — scarla faccia, f. (spr. fdlsja) Kml. oen uillroksel of eene lyst dor op mark-ton, hourzen, duilscho missen, enz. voorhauilon waren; — scarlo, n het uitschot; hot wegwerpen of koopon van kaarten In het spol.

scarus, m. lat. (gr. skdros) do papegnaivlsch.

Seat, n. (hoogd. scatl, van \'t oudfr. csrnrl, nu icarl, hot rullen in \'t kaartspel; do weggeworpen kaarten) een dnltsch kaartspel tusselion drie personen; — scat loggon, z. v. u. e c a r l e e r e n.

scnhila, f. inid.iat. (11. scdlola, doos) Mod. eene artsenijdoos.

Scaurus, m. lat. z. v. a. hol gr. sarapus.

Scavago, f. (spr. skewidsj) hol staangeld, de sladshelasling op kramen in Londen.

Sgavia of scavi\'o, ook cavïa, f. (van \'I hrazil. cabiai, fr. cabiai, eng. cary) het half-konyidjo, varkenskonyidje, zoevarkonljo, roodachtig geel of zwart en wit gevleki, In 7,.A.nio-rika, Inz. in Hraziilö.

Scavissón of cscavisson, m. fr. (spr. 0n=0H; van II. scavezzone, hrok, sink, li. v. do cannella, van kaneel, v. scavezzarc, scapezzare, hrekon, sp. descabezar, v. sp. cdbezu, hoofd, 11. cavczza, halster, paardekop) roodachtig gele kaneel.

Scoau, m. fr. (sjir. son) het zegel.

Scolalgto, f. of skolalgio, gr. (v. sltélos, n. iiy, schenkel) Mod. do dypijn; — scolón-CUS, m. oen gezwel aan do iiy; — scolo-tyrbo. f. do krachtolooshoid der dyon, hot waggelen der dyon uit ziekte; do SI. Vlius-


-ocr page 1141-

SCHARLAKEN

SC K LH RAT

1143

iluns, krlcuwolzlckle, vul. balllsmc nnd. hal.

Seolorat, sceleratesso, z, oml scc 1 u s.

scolleeren, fr. (sceller) vorzcgolon, luc-lakkcn.

Sceloncus, scolotyrbo, z. orul. sco-I a I g 1«.

Scolus, n. (pi. scelira) lat. ceac schmiil-daad, misdaad, con wanhedrüf; — SCOleraat, m. lat. (sreleriilus) ol tr. scélérat (8|ii\'. si\'lcrd), con liooswlcht, misdadiger, schurk, licit; — sceloratóssG, r. fr. schurkaclitlglicld; — sceleralus, a, um, lat. Hot. zoor vergiftig.

scemdndo, It. (spr. sjeinantlo; van scenuire, verminderen, verkleinen, provene. semar, mid. hit. simarc, oorspr. haiveeren, van \'t lat. smis, half) Mnz. verminderend, afnemend, vordwynend.

Scono, f. (lat. scena, van \'t gr. xklt; iu-, eig. tont, hut) hot tooneel, seliouwtooneoi, de seiiouw-hurg (theater); een tooneel, oone kleine af-dooling van oen looneelspol, eene voorstelling, een voorval, eene handeling; een tafereel, eene schihlerU; de plaats, waar eene handeling vour-valt; in scene hrengen, een stuk voor de opvoering ten tooneele geschikt maken; — soenarïum, n. nw.lat het toonoelenhock, de opgave der vorandcringen, tooneelen, enz. in schouwspelen; — sconorio, f. het tooneei-werk, de tooneclstellage; het tafereel; landschap, oord; — sconioton, pl. gr. tenlliewoncrs;

— scenisch, adj. (lat. snenicus, a, um) het tooneel hotron\'eudc of daartoe hehoorende, too-neolmatig, toonceikuustig; - sconograaf, f. een werktuig, dut do perspoctlevo teekoning van oen voorwerp gemakkeHjk maakt; — scono-graphie, f. do tooneclschiiderkunst; het door-zicht- of vergezichtschilderen, de perspectievi-sche afhcelding van een geiiouw of eene landstreek; — sconographisch, adj. vergezicht schilderend, doorzichlachtig, pcrspec11 o-vlsch, z. perspectief; — scenopogie, f. tent- of huttoniinuw, joodsch loofhuttenfeest.

Soopsis, scopso, of skopsis, skop-sg, f. gr. (van sképlesthai, heschouwen; eig. hoschouwing, onderzoek) detwyfel. tw(|felzuclit;

— seoptïcus, m. gr. {skciilikós, eig. tot hoschouwing of onderzoek geneigd) een twyfelaar, twyfelzuchtige; Inz. eene phiiosophlsclie school in de oudheid; — scopticismo, n. do leer van do sceptici, IwUfelloor, vgl. pyrrho-nlsme; de twiifelzucht, twijfelgcest; - -sceptisch, adj. aan alles twyfclend, twyfelzuchtlg.

Scoptor, ook scheptor, n. (lal. scep-(rum, van \'tgr. skiptron, staf, slok, v. skip-kin, steunen) do heerschersstaf, koningsstaf, sedert do middeleeuwen een leeken van de vorsleiyke macht der keizers en koningen.

Scepticus, sceptisch, enz. /.. ouder s c e p s I s.

Scevophylax, m. gr. een lager geoste-lUke, die ia de gr. kerk hot loozlcht hoeft over de gewyde zaken en zo den dienstdoenden patriarch aanhiedt; — scevophylacïum, n. de plaats, waar de gewyde voorworpen hewaard worden.

Schaak (van het perz. sjdh, koning) of schaakspel, u. (It. scacco, provene. escar, ondfr. eschec, fr. échec, eng. chess en check, van \'1 perz. sjdh, koning, ais hoofdfiguur) hot koningsspel, een overoud, uil l\'erzlc naar Europa gekomen, vernuftig uitgedacht spel; — schaak geven of zotten, den koning door een ander stuk noodzaken zijne piaals te verlaten of zich door oen ander stuk te dekken; — schaakmat, (perz. sjdh mat) de koning Is Ingesloten, vastgezet, overwonnen of dood; — onelg. hedorven, geheel krachteloos; — schaakpat of pat (fr. dchec pal, van I Hal. pnllo = lat. pac/um, verhoud, verdrag; ook mal su/foqué) heet de koning, wanneer men hom moet spelen en toch niet kan, omdat de hem omrlngeudo ruiten of velden alle of In hol schaak liggen of liezot zyn.

Schabrak, f. en n (van liet turk. Isjaprak) een sii\'rlgk paardedek, zadeldek (fr. chubraque).

Schach, z. sjacii.

Schachei\'on, enz. z. sjacheren.

Schacht of schaft, eene oude llcliaams-maat voor aardwerk, - lli kuh. rynl. voeten of \'i,i55S ncd. kul), ellen.

Schadehkam, z. sjadolikam.

Schaelf., iiy naiuurwelenscliappeiyke be-namingen afk. voor J. Schaetfcr (gesl. 1190).

Schaft, z. schacht.

Schako, f. ook shako, chako, zcako, z. hel taaiste woord.

Schakoe, z. sjakoe.

Schakal, z. sjakal.

Schalmei, f. (van \'l fr. chalumeau, oadfr. chalumel, en dit van \'1 lal. calünius, halm, rlel) de lierderslluit, rletllult, horderspyp, ilepypann den doedelzak, hot snorwerk in de orgels

Schamanen, z. sjamaaen.

Schandaal, n. (later lal. scandiilum, van \'1 gr. skdmlulnn, eig. het stelhout in eene val, de valstrik) de ergernis, aanstoot, steen des aanstoots, opspraak; eene ergerlyke, schandeiyko zaak, schandeiyklieid; — scandiilum accéplum, n. eene genomen ergernis; sc. datum, eene gegeven ergernis; — schandaleus, adj. uw. lat. [scandalcu.c) schandeiyk, ergeriyk, aanstoo-teiyk; - schandaleuze kronijk, z. chronique scandaleusc, ond. c h r o n 1 c a ; — schandaliseeren(lal. scandulisltrc, fr. scan-daliser) ergeren, ergernis of aanstoot geven; ook wel gehezlgd voor schondon, eerroovon, holastoren.

Scharbe, f. oudd. {scarbo, scarha) z. v. a. cormoran (z. aid.).

Scharlaken, n. (It. scaiidllo, sp. escar-lale, provene. escarlal, fr. écarlale, eng. scarlcl, mld.lat. srdrlalum; waarschyniyk van oostor-schen oorsprong, turk. iskcrlel, perz. sakarldl) de vuurroode kleur; laken van die kleur; — scharlakenbezie en scharlaken-worm, z. kermes en cochenille; — scharlakenkoorts, eene met koorts ver-honden kinderziekte .waarhy het gansche lichaam met scharlakenrood uilslag hedekt is — schar


-ocr page 1142-

SCHARN I KR

SCHIIETEN

1114

lakonlelie, f. do afrlkannscho imrclslollo met purporroodo Wocmen.

Seharnior, n. z. cliurnlèrc.

Schasis, f. kr. (v. schddzein, sicken, opscheuren, opruien, enz.) Clilr. liet opryton, In-anyden, koppen; — schasma, n. do Ingesneden of nekopte piauls; — schastorion, n, liet liiiil- of kopUzer.

Schaviolon (wnnrscli. van schaven) of stukschavielon, door gestadiKi^ vvrgvliiR, schuring of scha ving slUlen en bedorven.

Schavot, n. (fr. ichafaud, oudfr. escudnfuut, eng. scalfold, sp. cadufalso, mld.hU. cscafaldus, 11. calafatco, vgl. k a t a fa I k) het straf- nf hloed-looneel, de stellage, het gollminerto of do verhevenheid, op welke do misdadigers oponhnar worden terechtgesteld.

Schobok, f. ■/.. sjeheck.

Scheda of verklw. schcdüla, f. lat. (ook scida, van scindSre, gr. srhidzcin, spiyien, afscheuren) een afgescheurd hlad, een hrlofje, open briefje; erqu schcdam of sc/icrfH/nwi, legen een briefje of vorlofbewys (verboden hoeken lezen of koopen); ew schediïla, van \'1 briefje of \'l blad weg (lezen).

Schodiasma, u. gr. (van sclmdiddzein, Iels voor de vuist maken) een korl, vluchtig opslel, een ontwerp.

schedula, z. scheda

School, of nw.lat. scheelium, i. v. a. wol-framium (z. aid.), naam door llallv aan illt metaal gegeven Ier eere van zynen ontdekker, den beroemden chemist Schoele; schoo-liet, ii. tungsteen, zwaarsleen, eene inetalllsche delfstof.

Schoor, f. (v. sktir, klip, rots) naam der klippen of rotseilanden aan de zweedscho en linsche kusten; — schoronvloot (zw skar-tiardsfloltu) de uil enkel kleine schepen beslaande vloot lol dekking van deze eilanden.

Sehog, f. nederl. Mar. getlnimcrte, dat aan den voorsteven vooriillspringl en tot steunpunt strekt voor de waterstags en de woelings van den boegspriel.

Schoich of schoik, z. sjoch.

Scholom, z. v. a. slam (z. aid.)

Scholling, m. (hgd. schillino, deensch en zweedsch .ikillinq, eng. shillinn, gotli. skilligs, oudd. scillinc, v. scellan, schallen, klinken, dus elg. klinkende niunl, oudtyds bij ons ook kllnkae.rl geheeton) als oude nederl. zilvermunt = ;in cl., als eng. munt = j\'d pond sterl. of #0 cl.; vroeger ook een (lullsclie rekenmunt = 0 p f c n n I g e.

Schéma, n. gr. pi. schemata, (v. schein of échcin, hebben, honden, zich verhouden) de houding (habitus), gostaite, vorm; het beeld, voorbeeld; de schets, bet ontwerp, model; Oram, en Log. z. v. a. figuur (z. aid.); schema f/c-nealoglrum, de stnmiioom; — schematisch, adj. schetsmatig, ontwor|imallg, hg wijze van voorbeeld of model; schomatisoeron (gr. schemtilidzein), In beeld voorstelion, een begrip verzinneiyken, bevallelUk maken, iels als voorbeeld uitleggen of verklaren-, ook In oenen schotsmallgen vorm brengen, ontwerpen, rangschikken; — schematisme, n. de vutbaar-held en neiging om zich voorbeelden of schaduwbeelden (sc he men) te maken, het vermogen dor voorschetsing; de verklaring of opheldering der zlnneiyke voorheelden, vormgeving; de schels- of ontwerpmntige vorm ; ook do styve, eentonige gang van dc^ beroepszaken; In eenige landen ook de staalskaiender, waarin alle aulo-rilelten dos lands slaan opgeleekend; — sche-matographio, f. bet schetsen- of heehltee-kenen; — schomatopceio, f. de voorstelling eener handeling door gebaren, de kinisl des gohareninakers, der panlomlihen.

Schoool, z. sjeooi.

Schepel, n. (hoogd. schclfcl, oudd. skapil, mlil.lat. uaiihula, scaitellus, van \'t lal. scapha, scheepje, boot, enz.) eene nederl. graanmaat = tV nederl. mud of heclollter, verdeeld in ia koppen; hel oude Amsl. schepel was = quot;2,781117 ned. schepel.

Schopter, z. s c e p t e r.

Scherbasti, m. Kmi. do beste soort der levanlsclie zyde.

Schorbet, z. sorbet.

Scherif, z. sjor if.

Schorliévo (spr. scli=sk) of scarliévo, II. de sedert 17110 In de kuslslreken van lllyrie en Dalmalie vnorkomcnde svpliilillscho ziekle, ook Grobinilier ziekte, Islrlscho of lilyrisciie kusl-ziekle geheeten.

Schermutseling, f (van \'l 11. scara-muccio, fr. escormnuchc, dat echter oorspr. van ons schermen, oudd. scirman, vandaar 11. schermare, sp. csQrimir, fr. escrimer, schynt af te stammen; vgl. scaramouclio) een klein geveeld, eene handgemeenschap tiisschen kleine partyea volk; — schonmitsolon, In kleine troepen vechten, eene kioppariy honden.

Schoröma, m. (van \'I gr, scherós, vast, droog, vandaar vast, droog land) Mod. droogheid der oogen, beter x erom a z. aid.

scheno, n. 11. (spr. skerlso; van ons scliorts ontleend), pi. scheni (mits/cd/i), schertsende, iai-mlge muzlekslukkeii; —schenando (spr. skerls—) Muz. schertsend, hoertend, los en vrooiyk.

Schesis, f. gr. (van schein of échein, hebben, zlcli verhouden) Med. aanleg, neiging (vgl. hex Is).

Schets, f. (hoogd. skiizc, van \'t 11. schitzo, m. pl. schitzi, z. aid.; eng. sketch, iï. esquisse) eeno vluchllg onlworpen, niet uiigevoerde lee-kening; de omtrek, het eerste vlueiilig ontwerp, de grond- of hoefdl rekken eener zaak.

Schibboleth, z. sjibboletb.

Schidacödum, n. gr. {schidakcdón) Cliir. de ovoriangsclie beenbreuk.

schii\'lln, schiellainénle. It. (spr. ski—) In \'1 aig. echt, zuiver, rein; Muz. eenvoudig, zonder versiering.

Schnoten en Sonnieten of Sunnio-ton, pl. twee mobamedaansclio seelen, van welke de eerste sleehis den koran, de laatste


-ocr page 1143-

SCHILDBURGER

1115

SOUOLA

daurcnliovon hob do mondolhiKo overlevering (soiinii, soenmi, assonali) tiannoonil.

SchildburgOlquot;, m. (IioükiI. Schiltlburucr) «\'It.\', do met een sclillil gewiiiiemle burger; lioo^sl onnoozel luonsc.li, liolleilk, lomporil, uimoozolo wins, lieotlér; - schildburgor streok, «rove lomplielil, doinine inlsvultlni-\', plompe on-noozelhelil, ■/.. v. a. Mj ons kamperslreek.

Schilling, lioo(?il. sehelllnf,\'.

Schindaiósis of schindalmus, m, t!r. (schindylesis, van sMmlyliin, splijten) de lanRwerplKC breuk, spleethreuk.

Schippond, een veelvoud van liet oude pond, liij ons = in lUspond {/.. aid.) of :I00 pond.

Schisma, n. sr (v. schidzcin, spiyten) de spiytlng, seheldlnj,\', In Kerk- of «eloofssrliehlinfi, de Reloofsseheurlrn.\', geloofstwist; — schismaticus, m. een selieurmakor, afvallige, cen-lieldsverstoorder, tweespallstlihter, goloofsver-deeler; — schismatisch, adj. de scheuring lielrelfende, seliolirmakend, afvallig; kettersch; tweedrachtig, eendrachlstorend; schis-matisoeren, sc helden, afzonderen, scheuren; scheuringen in de kerk maken; schistus, m. (v, \'I gr. schislós, gespleten, S|dythaar) de klelschlefer, schllferklel.

Schiwa, ■/.. Slwa.

Schiza, f, gr. de spleet; ook de scheiding van ecnlg deel In zUnen samenhang; schi-zopodisch, adj. met gespleten voeten; schizotrichio, liever trichoschisis, f. gr. (v. sr/iuhcin, spiyien, en l/irij:, haar) Mcd. de vorkvormlge gespletenheid der haren aan de punt.

Schizzi, pi. II. (spr. skietti .• van slug. schizzo, v. \'t lat. srlielt;tfus, gr. schédios, overhaast, lichtzinnig, onachlzaam, vooi\' do vuist gemaakt) leokentngen of ontwerpen met pen, krill of kool, z. v. a. schetsen, z. schets.

Schk., hij natuurwetenschuppelUke hena-mlngen afk. voor (l. Sclikur (gest, lSquot;t).

Schlachzitz, m. pooisdi (stlachcic, russ. sjlachlilsch: v. sclilachla, adel, van het duitsche geschlccht, geslacht) een pooisch odelnian.

Schlaratfe, m, iioogil. voorheen ook SChlauraife (van hel oudd. siAreu, sc/ilau-ren, ledig loepen, en «//i\', aap; of liever van schlarfcn, sleepend gaan) een zorgeloos levend, geheel aan zinneiyk genot overgegeven mensch, vandaar een s c h 1 a r a f f e n-1 e v e n, het s c li I a-ra ff en-land, vgl. Utopia.

Schlocht. of Schlochtond., iiu na-tuurwctensch. heimmlngen afk. voor I). I\'\'. L. von Schlechiendal (gesl. IS(iil)

Schlog., hy natuurwetensch. henanilngen afk, voor Dr. II. Schlegel (gest. tssi),

Schleifor, m. hoogd. Muz. zeker snort van voorslag van i of II nolen; een oude dullscho dans, die vryage en wederliefde ulldrnkte,

Sohlomm, hoogd. z. stam.

Schlickdaalder, m. naam, dien de daalders (hoogd. thaler) aanvankelijk droegen naar den graaf von Sc lil lek, die deze munt inliet Joachlmslhnl In Itohemen ten Jure töts

In menigte en heter dan vroeger liet slaan.

Schmollis (naar men wil ontstaan uit het lal. sis mi hi mollis, wees mij genegen) in de taal der hoogd. studenten; de drlnkgroeto hij het vrlendschappeiyk drinken: vgl. flduclt oud. fides.

Schn,, hy niituurwetenscliappeiyke henanilngen afk. voor .1. (1. Selnielder (gest. 1824).

Schnau of schnaue, f. laagduitsch, eig. snuit, snavel; eene soort van kleine, van voren spits toeloopende zeeschepen met twee masten, eene snauw (eng. snow).

Schnick, m. hgd. (spr, sjnielc) de hran-dewyn uil kernvrnehten of aardappelen.

Schooner, z. schooner.

SchCBiiobaat, m. gr. (srhoinobalës, van schuinos, de koord, en bainein, gaan, stappen) de koordedanser.

Schohariot, in. zwavelzure zwaaraarde.

Schok, n. (hoogd. schock, zweedseh skock, een zestlglal.

schuld, f. lal. school (van \'t gr. scholl, rust, welenschappeiyke heziglieid, school); — scho-larch, m. gr. {.schol-anhès) een sehoolliostuur-der, schoolopziener; scholarchaat, n. gr.-lat. hel schoolverzorgers-, schoolopzleners-amlit, de schoolverzorging, het schooltoezleht; — scholastiek, scholastika, f. ile schoolleer, schoülwysheiil, inz. der niliideleeuwen, z. v. a. sehoiastieke phllosophlo-, - scho-lastica, f. (v. \'t lat. sr7iote(Tcu.s tot de school hehoorende, enz.) eene kloosteriyke schoolon-derwyzeres, leernoii; - scholasticus, m. pl. schulashci of scholastieken, m. lal. schoolgeleerden of schoolwyzen; i\'hrislenwysge-ren der middeleeuwen, die door de wyshegeerte van Aristoteles en l\'lalo hel leerstelsel der ehr. kerk zochten te hovestlgen; In verarhteiyken zin; woordenkrainers, pedanten, schoolvossen, wier wysheid of woordenkrainery moer voor de school dan voor liet leven herekend is; scholastisch, scholastiek, adj. sdioolsch, sclioohnatlg; spilsvondig; scholastische vragen; sclioolvrngen, spilsvondlge vragen; — scholastieke philosophie, f. of scholasticisme, n. het leerstelsel, de hegrippen en grondslellingcn der scholastieken In de middeleeuwen; scholastieke theologie, f. de godgeleerdheid der mhldel-eeuweii, die volgens de scholastlsehe melhode werd liehandeld; het onderzoek der waarheid, heperkl door hel geloof, eene vercenlgtng der dia lek tl ka en th OOI ogle, in tegenst met de moreele of positieve of dogmatische piiiiosopiiio; — schollen, n. gr. of scholie, f. pl. schoLa of scholiën, geleerde nllleggingen, ophelderende of verklarende aanmerkingen, korte woordophchleringon of -uilleggingen; inz. lt;ie ophelderende tianmer-klngen der oude spraakkunstenaars op gr. en lat. sehryvers; Math, eene aanmerking en ge-volglrekking, aan eene vourafgaande propositie of stelling ontleend; — scholiast en scho-liograaf, m. een schrijver van schollen.


-ocr page 1144-

SCIROCCO

1116

SCHOOL

oudon-vorklanrdor, ultlcggor van oon oudon gr. of Int. schi\'Uvor.

School, r. ong. (spr. skoal) school, vgl. schol ii; — schoolroom, in. (spr. oo=oe) schoolknmcr.

Schooner »1 schooner, m. (van liet ong. schooner, spr. skoener) oen smal, klein snolzollond I woeniast-vaarl nig.

Schoot, r nodpil. het touw nun do he-nodon hookon dor zeilen, waardoor zy in znlk eeno ricliling gezet kunnen worden, dal do wind zo vniien kan.

Schoppen, in. lioogd. (spr. sjoppen) ccne mant voor viooislolTen In veie oorden van Dullscii-land, ooiio halve pint.

Schorl, m. Min. (van \'I hoogii. schlhi) eeno sieenacliiige, soms melallisciio /.oirslandlghold, mei schlirorucliligo en glazige lireuk, welke nion in do granieiliergen cn andere oorspr. iieddin-gen vindt.

Schorpioen, z. «korploen.

Schorseneer, z. scorsonoor.

Schostak, ■/.. szoslak.

schotsch collego, 11. oene pauselijke instoiling ie Homo uil hel iiogln der ISdo eeuw, ten doei heiiliende liet onderiioud der geeslelü-ken, die don r. kaih. godsdiensl inz. in Schotland moesten handhuveu en ulllirolilen.

Schout-bij-nacht, m. Mar. titel van ileii iioordollicier hij do mnrine, die In rung up den vico-admiraal volgt (van sell ouwen, toezien, onidai hom weieer de taak was opgedragen hij nachi toe Ie zien); iron, de vroedvrouw.

Schrad., hij nntuurwetenseh. Iiennmingen ark. voor II A. Sehraiior (gest. isilil).

schraffeeren, (it. sgralfiarc, = lal. ex of dis, en umlfiare, kratsen, vgl. gratflto) liU leekenaars en graveurs: schnduwiynen Irckken ut griiTeien, nrcooron; - schraiFeoring, de lioschaduwlng, het schaduwen, areeerlng.

Schrob., iiij naiuurwetenscii. honaraingen afk. voor .1. (I. I). von Schrohor (gesl. isiO).

Schreckenberger, m. eene oude Saksische munt = i\'2 a 2:) eenten, zoo geheoion naar don Schreckonborg, uit welks zilver z(i geslagen waren; ook engolsgrosclien geheeteu, naar den engel, waarmede zg gestempeld waren.

Schrode, f. nederl. (lioogd. schrill, van sc li rij den) stap, pas, eene lenglemuat van verschillende groollo, en wel do gewone of enkele schrede van i lol ;t, de groolo of duh-helo van 1 tot s voel; — geometrische schrede, z. oud. g e 0 m 01 r 1 e.

Schrk., iiij naluurwetcnschappelüko hena-mlngen afk. voor F 1\'. von Seluank (gesl. Is:i5).

SchUbl., lui natuurwetonscli. lienumingen afk. voor (1. Scliühler (gest. INlti).

Schuit., hij naluurwolensch. henniningen afk. voor J. A. Schnlles (gesl. ISlli).

Schütziet, m. hoogd. zwavelzure stron-liaan.

Schw., hij naluurwelonschappciyko liona-mlngen afk. voor A. 1\'. Scliwelgger(gost. is,\'i:i).

Schwabachers, 111. pi. henaming van eene zekere soort van drukletters van zeer volte snede.

Schwachmatïcus, m. hgd. (v. schuiach, met laiynsehen nllgang) iron, voor; een zwakkeling, zwakke held.

Schwadron, f hoogd. z. v. a. esca-dron (z. aid.); schwadronoeren, in es-cadrons op elkander stooton; met den degen om zieli heen houwen, don degen rondom zich zwaaien; oneig. snoeven, veel en onhodaclit zwetsen (in deze lieleekenis waarscliijnlUk van liet opperdultsch schw adorn, voor zwetsen, mot een vreemden nllgang gevormd); —schwa-dronneur, m. een snoever, grootspreker, pocher, snurker.

Schwaeg., hU naiuniwelenschappeHjko lie-namingen afk. voor C. K. Schwaegrichen (gesl. iss:!)

Sdaena, f. lal. (gr. skiaina) de omhervlscli, zeeadelaar; — sciacnoUti, pl. uw.lal. omher-visschen.

Sciagraphie, enz. z. ski a g r a p h 1 e.

Scibilo, n. later lat. (van scire, welen) liet weelliare, wal gekend kan worden; in omni scihïlc of in scibilibus geverseerd z(jn, in al hei weelliare liedrovon zgn, In nlle vakkeu vau wetenschap en kennis ihuis zijn; — sciën-tie (spr. l—ls) f. (lal. scienCfa, fr. science, spr. sidiis\') hel welen, de wetenschap, kennis; — sciöntifiek, adj. (fr. scientifiquo, eng. scien-liftc[(il\\) wetenschappelijk, geleerd, op welen-schap gegrond; ook = s y s l e m a 11 s c h (z. aid.)

scilicet, lal. (onlslaan uit scire licel, men kan of moet weten) afgek. .sr., scil., nameiyk, le welen-, ook Iron.: el, el! denk eens! nu nog mooier!

Scilla of sqiülla, f. Int. (gr. skilla) do zeeajuin, hlauwe storrehloein, een ajuingewas van oniiersciielden soorten; — scillitine, f. inv.lal. de zeeajuinstof, eene bUzoiulere In den zeeajuin hevallo krislaliinisclie blllerslof; — scillitisch, adj. zeeajulnsap bevallend; — scillocephalus of scillokephalos, m. gr. een zeeajuinkop, een grootlioofd.

Scimpodium, n. lal. (van \'I gr. sftim-poes, skimpódion, van skimplein, iiederhnrkon en poes, voel) een draagsloel, veldlied, klapstool; kraamsloel.

sclncus, ?.. stink.

scintilloeren, lat. (scinlillare, van scin-lilla, vonk) fonkelen, lliitelen, scbllloren, nikkeren; — scintilliitio (spr. tie=lsie) f. (sein-liilafio) de fonkeling, ilikkerlng, bel vonken-schieten; scintillometer, m. vonkenmeler.

sciollo, it. (spr. sji\'illn, v. sciógliere, losmaken, van \'1 lal. exsolvSre en ilissolvcrc) IHuz. vry, ongebonden, met vrye,lleblo voordracht; — ron sciollézza (spr. —telsa) met vryiield, ongobon-denheld.

Sciölus, m. laler lal. (van scire, welen) Iemand, die voorgeefl, alles te welen, een nous-wyze.

Scirócco, II. (spr. sji—) of sirócco, m.


-ocr page 1145-

SCIRRHUS

1117

SCOTISME

(provonj. en fr. siroc, van \'I arali. sjoroek, v. sjark, ooslon) oon /.«er lieelo, drone zulilooslen-wlrul, dlo in llallü newodniyk in liot voorjaar on don herfst ooiiIko weken lang waalt.

Scirrhus, m. «r. (skin-hos) Mod. do vorhar-ding van odnig licliaamsdcel, dio de gcnoigd-lioid liezll in kanker ovor to gaan, hot knoest-gozwol, do kliorvorliarding; — scirrhous, adj. gr.-lat. liard gezwollen, verhard ; —scir-rhocölo, f. gr. Mod. ocne kwaadaardige \\ ieoseli-lirouk; —scirrhoma, n. oeno kankoraehiigo verharding, oon knoestgozwei; — scirrhonen, pi. kleine, seider onziehtliaro liuidwornipjos;— scirrhopthalmic, r. de oogkanker; — scir-rhösis, f. do vortning van don scirrhus, verharding.

Scissaliön, pi. nw.lat. (mid.lat. scisalltue, .icissilïae, v. lat. scindlre, splylon), scissio, f. (lat. scissTo) de spiyting, schelding; vgl. schisma; — scissibol of scissiol, adj. nw.lat. spuitbaar, te splglon; — scissionair, in. hU. ■lie eene scheuring veroorzaakt, scheurmaker; — Scissionisten, m. pi. nw.lat. voorheen in l\'oion; diegenen, welke zich van do party des konings scheiddon; — scissuur, f. lat. (scissüra) de splijling, schelding, vordee-ling; spleet, scheur, insnede.

Sciurus, in. lal. (van \'I gr. skioeros, van skin, schaduw en oera, staart) het eek- of elk-hoorritjo; —sciüren, sciuriden, pi. nw.lat. isciunna) dieren, die naar eekhoondjos gei ijken, ookhoornachtlge dleion.

Sclerotica, enz. ski—,

scoloitendriifolius, n, urn, lat. Bot. niet hla-deren als de steenvaron (het iniilkruid of de liartstong).

Scombor, m. lal. (gr. sknmhros) een voor-treifeiyke zoevisch in do oudheid, de makreel;

— scombero\'Uiét, pi. nw.lat. niakréOlon, makreel-soorten.

Sconto, it. z. v. a. disconto (z. aid.);

— scontooron (it. sconlare) i. v. a. disco n t o o r o n, afrekenen; inz. waren, dlo op tyd verkocht zgn, onder aftrek eenor vergoeding terstond met gereed gold hetalen.

scontreoron en rescontreeren, of liever riscontrooron (II. sconhdre, riscnn-Irare, eig. ontmoeten, aantreiren, van s = lat. ex, en conlra, tegen) Kuit. legen of met elkander afrekenen, verellenon. schuld en vordering tegen elkander houden en op gelyken voet lirengen; ook door annwyzlngen of wissels ver-eironeii; — scontro en roscontl\'o, of liever riscontl\'o, n. II. (elg. onliuoeling) we-derzydscho vereironing, afrekening van schuld en vordering; — scontrobook, een koop-nianshook lol dageiyksch hoeken der wederzjjd-sche haiidelsverrichtlngen, dio op zekere voorwerpen hel rekking heidien, waarnaar men s c ii u 1-d e n-, wissels-, goederen- enz. scontro-ii o o k c n heefl; scontrodagon, veref-fenings- of afrokoningsilagen, holaaldagen in den tyd der handelsmisson in Dnitschiand; — scontrino, m. conlro(dpas, vergoHjkingshlad, een stuk perkament, zigzags- of tandsgewys uit oon hoek gesneden, dal do proefmaat hevat (hü hot vredesluiten met de harharysche zoeroovors gehruikeiyk, opdal de reis of kapiteins dor kaperschepen, wanneer zy niet kunnen lezen, door vergeiyking met hot uilgesneden blad |srnn-Irino], hel wolk den koopvaardyschepen wordt

medegogevei.....ogen zien, wlen het schip too-

hohoort enz.)

Scop., hy nalnurwelensclmppeiyko lienamln-gon afk. vool\' .1. A. Scopoli (gesl. HSS).

scoparius, a, um, lal. hozemachtig.

Scorbüt of scorbuut, n. (nw.lat. scor-bülus, fr. scorhul, hgd. scharbock, zw. sklirbjugg, eng. scurry) schoiirhulk, hel hiauwschull, tand-vleeschhoderf, eene uil hodorven, scherpe vochten ontstane kwaal, die Inz. do zeevarenden bezoeki; - scorbutiok, scorbutisch, adj. scheurbulkig, blauwschultlg, mot de scheurbuik of het landvloeschhedorf behept.

Scordatuur, f. li. Muz. het anders stom-meu eenor gitaar of viool.

scordium, z. skordle-kruid.

Scoro, n eng. (spr. skoor-, verwant met scheren, angels, en oudd. sceran, scar, enz. snijden) elg. het kerfboul; oen getal van twintig; eene steenknionniaiit te 1,ouden = 21 chaldrons (elg. slechts 20 ch. mot 1 eb. overmaat).

Scoridor, m. itallaanscb vaartuigje, dat maar Óen masl en een zeer groot zeil voert.

Scoriflcatio (spr. f=f.«) z. oud. skorle; — scorpioon, z. end. skorpioen.

Scorso, m. II. (van scórrerc, vloeien, vervloeien = lal. cxcurrérc) Kuil. de verloopen maand, z. v. a. passaio; ook Ae vervaliyd eens wissels.

Scorsonoor of schorsenoor, f. pi. (it.

sing, scononéra, van sconóne, zwarlo adder; sp. escorzon, escuerzo, pad; fr. scnrsonèrc) do spaanscbo havoiwortel, het adderkruld, zwarl-kruid, slangegras, slangekruld, eene bekende plaid, welker worlel gogolen wordt.

Scoi\'tuin, n. lat. een llederiyk vrouwspersoon, geineene deern, hoor, slraalhoer; sehand-jongen; scortatio (spr. Iic=lsie) f. nw.lat. de vleescbeiyko vormenglug hullen bel huweiyk.

Scorzo, ni. li. eene voormalige graanmaat te llmue = ruhblo = 13,385 I..

Scossio, f. (v. It. scossdre, sciiudden = lal. als \'l ware cxcussare, v. cxcussuS, parlic. van exculïre) huil. de geldlnning, de onlvangsl. Inz. van wisselgelden.

Scotatio (spr. Iic=lsie) f, mld.lal. (van hot duitseb schosz, ysl. skaut, zw. sMH, eng. sco/, shot, schalling, holasllng, nederl. schot, nog overig in schol en lol) een ouil-dultseho en oud-noordsehe vorm om den olgolldom van oon sluk gronds over te dragen, waarhy do overdrager oen weinig aarde of eene handvol pla nlon in (icn school wlorp van hom, aan wlen hu hel ovordrocR.

Scotismo, n. uw.lal. (van hol lal. ato/j, do Schuilen) oono scljolscho laaioigonhoid.


-ocr page 1146-

SCOTISTEN

SCURRA

1118

Scotiston, in. pl. Duns Scotos, eonoclnts-Icnsoclo sedurl hol cimlo ilor Mlilc oouw.

screalus, m. lat. (v. screnre, rocliulcn, s|iu-wen) oplmlen uil il(^ keel, horlumld spuwon.

Screw-steamer, m. ciik. (spr. skroe-slie-mer) schroofstooiuhool.

Scriba, m. lat. (van svribëre, schi\'Uvon) een sell 1\'li ver, socrclarls; — scribax, in nw.lnt. een sclirUfKiiige, voelsclnUvcri — scrilii-lur mi narrdmtum, non ad iirobandum, hit. men siiirgfl om te vorliijjên, niet\' om lo he-wgzpn (In/., tuogopasl op ilo Koscliledonts); — Bcribomanie, f. liit.-nr. ite sctirijfwoede, sclirUfJoukloj — scribent, in. (lal. senbens) of scriptor, pl. scriptóres, vork SS., oen sclnüver, samensteller van een werk; — soriplorcs nraeci, ({rleksclio schrijvers; — scr. Itistorfae auyüslue, de schryvers van de oud-romeinsche kelzerKesehledenls; — scr. rei rus-Cfcac, sclnyvers over de (oudromelnsehe) Innd-Imlshoudliij.\'! — scripsit, verkort scr., hy hoeft hut (josi\'lirevon; - scribonon, pl. nevot-iiiiichllftden der latere rom. keizers h(| de lo-Rors In de provinciën, om aan do aanvoerders hevelen over te hreiiRen of die ook zelf uil te voeren; —scriptum, n., pl. scripta, het geschrift, geschreven opstel, een hoek; ccno sclioolocfening In hel overzetten enz.; — SCl\'ip-tuur, f. (tal scrijilura) tiet schrijven, de schrüf-wgs, hel geschrevene, geschrift ; — sn-ijihira sacra, de heilige Schrift, de hijhel; — scrip— turen, pl. geschriften, allerlei geschryt; scripturist, m. nvv.lat. een schriftonderzoeker, schriftgeleerde; Iemand, die zich enkel aan de schrift houdt; scripturiston, 111. pl. eene secte onder de wederdoopers, die niets als getoofsregel aanneemt, dan wal met uildrukke-lyke woorden in de Schrift slaat ; -- scrip— tureeron of skrittureeren, it. {scritlu-rare) Kmt. in de koopmanshooken overdragen, hoeken.

Scrimum, n. lat. eene kust, kist, Inz. lot bewaring van hoeken en oorkonden (oud-ned. schrUn).

Scrips, pl. eng. (afk, van inscriplions) Kmt. in lingoland do cortillcalen van niet volgestorte papieren en voorlooplge hewyzen voor do nog niet In delinitlevu litels uitgegeven eiïoclen.

scriptureoren, skrittureeren, z. ond. serlha.

srrobkulalus, a, um, lal. Hot. met kleine groeven.

Scrophel, of liever scrofel, f. (lat. scro-liliidn of scrofula, van scrofa, zeug, varken, omdat do zwynen dikwUls daarmede hohopt zyn) hel kliergezwel, halsgezwel, do klierziekte, gezwollen en verharde klieren aan don hals; ook een krop, kropgezwel; — scrophuleus, adj. nw.lat. met klieren hohopt, aan klierziekte lijdende; kropachtig; — sorophularia, f klior-krulil, hot kleine schelkruid, eene plant van verscheiden schoone soorten; — scrophu-lisme, n. uw.lal. de klierachtige gestehliieiil.

Scrotum, n. lat. do halzak; — scrotaal, adj. lol don halzak hehoorende; — scroti-fórm, adj. halziikvornilg; — scrotocële, f. lat.-gr. Med. eene halzakbrouk.

Scrubber, m. eng. elg. schrohbor, schrap-Uzer; eene met stukken cokes gevulde ruimte, waardoor men hol lichtgas iaat stroomon om het Ie zuiveren.

Scrubs, pl. eng. do onderste, geringe soort tahakshladeren, hol zandgoed.

Scrupel, I) n. lat. {scrip/ilum of scrupi,-lum, n. van scrihüre, schryven, elg. een streepje, eene lyn) Goom. het inde deel eener lijn (z. linie); ook het llOslo deel van een graad, eene minuut; oen apothekersgewiclil, J drachme of 1,1102 gram, verdeeld In 10 greinen en op recepten uitgedrukt door 3; — scrupule, f. fr. (lal. scrupülus, elg. een puntig steentje) do twyfel, hedcnkeiykhcid, bezorgdheid, angstvalligheid, gowelenstwyfei, nauwgezetheid van ge-welen; — scrupuleeron, nw.lat. nadenken, bedenkciyk zyn, iicdeiikingon en Iwyfellngen maken; — scrupuleus, adj. lat. (scruimlósus, a, um, fr. scrupuleux) bodonketyk, vol heden-koiykbcden, leedor en nauwgezet van geweien, Iwyfelachllg, twijfelzuchtig, angstig, angstvallig, schroomnclillg, al te niiuwgezel, overbe-hoedzaam of -voorzichtig; scrupulosi-teit, f. [scrupulosflas) de hodenkeiykheid, angsl-valllgheld, te groole bekommering, angstvallige nauwgezotheld.

scruteeren, lal. (scrulari) of scruti-neeren, nw.lat (li. scrulinare) doorzoeken, nazoeken, ultvorscben, doorgronden, nasporen; sloinmen inzamolon of opnemoii; — scrutii-bol, adj. nw.lat. navorschbaar; — srmlalóre, m. It. (spr. u=oc) in \'I alg navorschor, onderzoeker, inz. een sloinineulnzainctaar; pl. srru-lalóri, de drie slemmoninz.anieiaars by de keuzo van eenen bisschop of paus; scrutinium, n. lat. (fr. scru/in) do doorzoeking, navorsoliing, bot onderzoek, Inz. vóór de opdi\'ucbt van een geesleiyk ambt; de bisschopskeus door de stom-monlnzamellng In de r. kalti. Kerk; vandaar in \'l alg. keuze door middel van verzegelde stembriefjes of haltoleerballeljos; stemnienvor-zamellng, verbonden mei hel onderzoek naar de geldigheid der stemmoii; — per scrutimum, door slcmmonlnzamellng, Inz. hij do keuze van eenen pints.

Scudo, 111,, pl. scudi, II. elg. een schild, wapenschild (van het lat. scutum: vgl. hel fr. écu, provenc. escul, sp. escudo) een scliilddaal-der, de oude Hal. daalder van zilver en van goud, In vorschlllende slaton van uileonioopende waarde.

sculpsil, lal. (van door steken, grif

felen, siiydcn of houwen Iels vorinen) afgek. sculps, of sc., hy heeft het gegraveerd (op koperen platen achter don naam des graveurs); — sculptuur, f. lal. (sculplnra) de beeldhouwkunst, do beeldvorming door mlddol van den beitel; hel beeldhouwwerk, beeldwerk, snijwerk; do graveerkunst, etskunst.

Scurra, 111. lal. een polseninaker, grappen-


-ocr page 1147-

SCUSKKREN

1419

SEliKZI

maker, spolvofjel; — scurriel, scurn-lisch, iiilj. lui. {srurnlis, e) urof scliorlsoiiü, pint lioerlld, putsioriyk; - scurrilia (if scur-riliën, pl. grovo, gomooiic Brappon, poison, platheden, onktoscho annllgheilen (vgl. burlesk); — scurrilitoit, r (Int. scurriMas) ile polsonmakerU, grove selierts, gemeene grnp-plghcld.

scusooron (spr. skoez—, van \'t II. scusare, fr. excuser, lat. excusare), (zich) verontsehuldl gen; wegsluipen, lielmelUk heengaan uf /.(Ine lilezen pakken; - SOUS, z. tarok.

Scutollioton, in. pl. nw.lat. (van het lal. sculella, acliaaltje, seliotoltje, verklw. van xcu-Ira, seliaal, schotel) eene soort van ronde of eironde, vlak gewelfde versteende zeeiigels; — sculellalus, a, um, Int. Hot. seliotelvormlg.

scutum slomarlitcum, n. Int. {senium, sehlld) elg. een ninagsehllil; Med. een op de lining gelegd kruldenzakje, kruldenkussen; ook eene maagplelster; — SCUtQllum, n. lat. Bot. het schildje; — sculiformis, Int. Kol. schild-vonnlg.

Scybiila, pl. gr. (v. skjjbalon, mest, drek) Med. verharde drokballen In de darmen.

Soylla, f. lat. (gr. Slijlla) eene gevaarlUke klip hy Messina In de Middeliandsctie zee, tegenover de gevanriyke draaikolk (iharytidis, in de gr. Mvih. voorgesteld als een vrouwelijk gedrocht, dal do voorbyvarende zeelieden verslond; oneig. dreigende gevaren; vandanr tiet lat. sprw. inctdil in Sryllum, (/ui ruil vil ure (\'Imruhdin, wie Charyhdls ontwüken wil, vervalt op Scylla, d. I. geraakt van den wal in de sloot, uit den regen in den drup.

Scypluis, in. lat. (v. \'t gr. skjjphos) een heker, drinkvat, wijnglas; weleer de avond-nmalskelk, dien de prlesler In de hand hield, ter onderseheldiiig van dien, uil welken de com-munleanten drunken; scyphus llerciili, een on-inntlg groote drlnkliekor met twee ooren hü de Thoiianen; — scyphati of scyphali nummi, pl. middeleeuwsehe, golhlsche zilvermunten in den vorm van een horlogeglas (meestal ia Spanje gevonden), hoimunteii, hekermunten; —scyphi-formit, lat. Bot. bokervormig; — scyphoïdo, f, (van \'I gr. skuiihneidcs, iiekervormig) de he-kerlün; - scyphoïdon, pl. hekervormlge versteeiilngeii.

Scytalo, f. gr. {skylalc, In \'I alg. staf, slok; Inz. eeu om oenen stat gewikkelde lederen riem, waarop de oude Spartanen geheime heriehten sclireveii; vandaar een geheime brief, geheim hevel.

Scyth, in., pl. Scythen (lat. Scylhue, gr. Sliylhal, wellicht van den duilschou wortel ski u/dn, jaculari, naar \'I gebruik van speer en boog ouder de Scythen; dus z. v. a. boog-schnilers; nicer waarseh. ecliler z. v. n. nomaden, v. \'I celt, senile, snuit, een zwerver, rouddoler) In de oudheid; nomadische volks-staminen noordwaarts van de Zwarte en Kaspische zee tot diep in oostelijk Azlc.

Scytitis, f. gr. (van skjjlos, n. huid, toiler)

Med. de linidontsteking; — seytogonium, n. de looistof.

sdeijnnsn (spr. sdenjdzo), ook con sdeijno, eon isdenno, II. (van si/ef/no, veraehling = fr. dédain) Muz. tiotsch, onwillig, toornig.

sdriicciole, versi sdrüecioli, pl. it. (spr. sdróél-sjoli, v. sdrueeioln, glijdend, struikelend, glibberig, verwant met ons struikelen, duitseti slrauchcln) springverzeu, Itai. verzen, die op een kortlettergrepig woord eindigen;—sdrucci-oldiulo, Muz. over do toetsen glijdende.

Soa, f. eng. (spr. si) de, zee; - soa-is-land, f. (spr. —uilend) zee-eliandwol of lange Georgia, de bcslo noordanierikaaiiscbo soort boomwol; — seaman, m. (spr. —men) zeeman.

Seal, ii. eng. (spr. siel) zegel; - soakalf, n. (spr. —kufj zeekalf, zeehond, rob.

Seam, n. eng. (spr. siem — zoom) eene eng. maat, inz. eene korenmaat van 8 bushels; ook oen oud gewicht.

Séance, f. fr. (spr. sed/is, van senir = lat. sedöre, zittell) de zitting, dngziitliig (sessie); — séance lenunle (spr. Vnaiil\') gedurende de zitting, op staanden voet.

Seapoys, eug. (spr. .vie/jols) z. sipoys.

Search, f. eng. (spr. surlsj) onderzoek, doorzoeking, z. oud. right.

Season, f. eng. (spr. sies\'n) z. v. a. sa 1 sou.

Seb, m. eene egypi. godheid, vader van Ty-phon, door de (irieken iiij Kronos (Saturnus) vergeleken; Sobak, m. een egypt. god, wlen de krokodil was geheiligd, ca die daarom met een krokodilshoofd wordt argcheehl.

seOiicüus liquor, lat, (seliueeus, van ongel of smeer gemaakt; liiiuor, vocht enz.) een kleverig voclil, dat door de klieren tusschen de volte huid en de eigenlUke imid wordt afgezonderd; sehacéus humor nculurum, de ougdraclit, een kleverig vocbl, dut tegonnaluuriyk In do oogon wordt afgezonderd.

Sebak, z. ond. Sob.

Sobaldiis, z. Baldus.

Sebaptiston, pl. lal.-gr. (van \'t lat. se, zich, en \'I gr. haplidzcin, doopoii; vgl. baptist) zelfdoopers, eene party van wedordoo-pors, reeds in do lilde eeuw bekend.

Sebastiaan, m. gr. (Sehasliunós, v. scbtis-lós, eerwaardig, sébas, ontzag, eerided) niansn.: de eerwaardige, verhevene; sobastïa, f. oen griekscii feest ter core van de roni. keizers, lijiiens (Iriekenland een rimieinsch wingewest was geworden; Sobastos, z. v. a. jVugusins, op romeinsche munten hot toeken van vergoding.

Sobchach of sobchat, m. turk. (arab. soehehid, van sabacha, (iuil loven, hidden) een groote rozonkrnns, met duizend bollen of kralen tor grootte van een duivenei.

Sobóston, pl. (nw.lat. scbostes, fr. sebesle, eng. sebcslen, v. \'t perz. supisldn) zwarte borstbeziën, c o r d t e.

Sebozi, m. turk. (elg. dsjebeilsji, v. \'I perz. dsjeheh, pantser) eene soort van turksche rui tors, naar onze knrassiers gelykendc.


-ocr page 1148-

SEC 1120 SECTE

Soc, m, it. (v. \'I tl. rinn secco; vgl. sceco) «ok liudorvoii tol SGCt, «en utt godroondo (trut-ven geporsto koslctyko wyn iilt Spuiijo, Ituttti enz.; ulgomoone nanni (ter zoete wynen utt Spanje en de Ciinartselie ottnnden; vandaar Canarte-sec, t\'atm-sec (naar hot ettand 1\' a t in a).

sccalc, n. tut. de rogge, liet koren; ». cornïi-lum, tiet moederkoren; — socaline, r, rogge-kteotstof (vgl. gluten).

Socans, z. oud, soceeron; — socca^ tuur, z. ond. sec™.

Socchia, r. it. (spr. sékhiu: v. \'t lal. silfila, provone selha, oudtr. setlle) oen emmer; eene oudo voelUmaal in tüitte van SHO -750 parysehe kuli. duim.

secco, it. (= fr. sec, van tiet lat. siccus, a, um) droog; nl secco seliildoreii, dl. opdrogen grond scliitderen (tn logensl. mot al fresco)-, — soccooron or secqueeren (tl. seccare) otg. drogen, uitdrogen, verteren; tiezwaren, lie-laslen, kwotion, plagen; — Beccatuur, f. (11. seccaltiru) droge, tangwUtigo praal; ptngerU, kwelling.

Socodors, in. |it. eng. (spr. sisuiilcrs: van secede, van \'1 lal. secetlëre, sclieiden) eene secle in Setiotland, die zicli in n:i:i van do lieer-scliemle presbytertaansclie kerk lieert gescheiden en sedert ITii in tnirgliers en antl-tiurgtiors is gospitlsl; vgl. seccs, enz.

socooron, lat. (secüre) snijden, in stukken snydon, verdoelen; onltoden, opensiiUdeii (doodo ttcliamen); — sécans, f. lui. Matti. de snUHia, d. i. de rochte tyn, dlo eene krommo in twee of meer punten raakt; iuz. in do (Irleliookgme-ting do lijn, die uit tiot middelpunt des cirkels tol aan den lop dor tangens (z. aid.) getrokken wordt; — secfïo, f. de snede, do snijding-, (ililr do clilrurgtsclie Insnede; tnz. de sleen-suodo; nauwkeuriger: sectfo mariann (naar oen zekeren Maiianus Sunclus do Riirlotla In de lilde eouw; seclio caesarH, de kolzersnedo;— sectio (spr. lt;=j) f. do lykopening, ontleding, liever dissect te (lal. dissevl id) ; do afdeeting, tndeeting, eon onderdoet van een boek; de wijk eener stad; Mil. do liolft van oen pololon, de kleinste ardoellng van eono coinpagnto voetvolk; — soctor, m. elg. do oponsnUder; dal gedeelte van eonon cirkel, lielwetk liegrepen Is tusschen twee stralen en liuiinon hoog; de en-gelscho naam van den proportie-passer; ook een astronoiiitsch werktuig.

socornooren, lal. (sccerntre, secrfvi, se-crilum) arzonderen, scholden, ufsnUden, verwij-deron. onderscheiden, zifton, ulilezoii; socroet, n. (lal. secrïtum, eene argezonderde, goheinio plaats; lielmelükheid, geheim) hel geheime gemak, de (zoogoiiaanide) boslokanior, hol sllllotje; ook z. v. a. secrclum siriilluin, tiet goliolinzegot van een vorst; — en secret, Ir. {uii s\'krè) In vertrouwen, heimoiyk, in \'tgelicim;— socre-tairo, f. fr. eene schrijfkast, schryrtafel mot laden, oen hokend slak huisnuid; - socro-tairerio, secretarie, f. do geheime kan-selary of scliryfkamer van eenen vorst, van een gouveriiemoul, enz., iuz. die der gemeen-loregeerlng; — secretaris, m. I) (nw. lat. secrelunus, fr. secrétaire) oen goüelmschryver; dikwyts mlsliruikt voor een gewoon schryver, afsctiryver (coplist); vandaar hel helacheiyke pleonasme ge he luie secretaris, geliolmo gotielmschrUver! — eeno soort van valk met lange vederen aan tiet actitertioofd; — secretariaat, n. nw.lal. de post en waardiglield van eenen gotietiiisohryver, liet gehelmschry-versamtil; — secretarmm, n. lal. eono afgezonderde, gotietnio plaats, gohelmkanior, ver-hoorkumor; — secrete, f. iiw.lat. [secrota, fr. secrete) hol sltlle gohed vóór de mts; — secreteeren, nw.tal. getietui lioudon, verher-gon, verzwUgon; — secretie (spr. t=ts), f. lat. Isi\'cretïo) de afzondering, af- of iillscheiding van lichamotyko voolileu; hot afgozoiidorde;— seoretisten, pt. afgozoudordeii, afgoscholdo-non; ook gehelmwerkers, getielnitiowiiiirders in fabrieken en dgl.

Socés, m. lal. (secéssus, van secedlre, ter z.yde gaan, heeugaan, sclieiden) do scheiding, verwijdering; de vorwijdorde, afgologon, eon-zame plaats; do stoelgang; — socóssie, f. (lal. secessw) de scheiding, vorwydering, ont-wyking, het tieengaan; ook afscheiding, ulttro-ding (li. v. van staten uit een houd); — secessionist, m. Iemand die zich ufseheidt, afgesctietdeno (tnz. do naam iu tsiil aan do zuidetyke howoaors van do Noordetyke staten dor /Vmorlkaansche Unie gegeven tijilons tuin oorlog met do noordotyken); ook de naam van fraclieu van politieke parlijou, dlo zich afscliel-den ou op ztchzolf gaan staan tnz. iu Duitsch-lund oen groep der nallonaal-tlboralen.

Sechir of chequis, een lurkseti gowtctil = i okas (z. oka).

secludeoren, lat. {secludtre, v. claudüre, sluiten) ultslulleu; — soclüsie, f nw.tal. do uilsiuillug, afzondoring; — seolusie-acte, do oorkonde vaa uitsluiting, li. v. vaa de troonsopvolging.

Second, fr. en eng. (fr. spr. s\'gón, eng. sékkund, van \'1 lat. secundus, z. aid.) do tweede;

— second-lieutenant, tweede luitenant (vgl. Heul e na nl); — second siqht, eng. (spr. sékkund suil), z. d o u l e r o s k o p i e; — secondair, secondant, seconde, secon-deeren, enz. z. ond. secundus.

secoureeren, f. (spr. ou—oc: v. secourir,

— lat. succurrüre) lor hiilpe komen, helpen, hUslaan, bUspringeu, onlzolleu; - socours, m. (spr. s\'koer) hulp, bijstaiid, oudorstund, on-dersteuulug, ontzei.

Secreet, secretarie, secretaris, secretie, enz. z. ond. socoriieoron.

Sect, z. see.

Socio, f. lat. {secla, scit. via, d. i. otg. do botredon weg, v. secnre, doorsnydeu, doorloopon, enz.; verder: handel- of lecfwyzc; tiarty, aan-hang) vorceniging van vele personen, die dezelfde mooning volgen, dezelfde leer hetyden, aanhang,


-ocr page 1149-

SEDANTIA

SECTIE

1121

Boloofggonootschiip, eeiic kleinere RoloofsparHI, die zich van de Rroolere lieorscliende godsdionst-puriyen afzondert; de aanvang; — secla non timenCfum Down, secle der God-nlel-vreezen-den, lt;lc aanhangers van don llolionstoinschon vorst Krederlk II In Dullscliland, dewijl zü voor don paus geen eerbied meer hadden; — secto-SChool, r. school waar het onderwijs Is Ingericht met het oog op do behoeften cener bepaalde godsdlenstsecto; — soctaris, n. nw. lat. (fr. seclaire) een aanhanger cener secle, inz. van ecne pas opgekomen sectc, die /.leb beyverl hare leerstellingen voort te planten; — sectarisch, adj. op oeno secle betrekking behben, daartoe bebourende of daarmede overeenkomende; — sectdtor, m. lat. (fr. sec-Intcur) aanhanger, volgeling der leer van een wijsgeer, sectestlchter.

Sectie of sector, z. ond. s e c e e r c n.

Seciilum of ssecülum, n. pi. seciila, lat. oene eeuw of honderd jaren. In I alg. ecne lange tydrulmle, een menschenleefiyd; in de middeleeuwen: wereld, tydelükheld, aardscb leven; in secula scculnrwn, in alle eeuwigheid;

— seculair of soeculair, adj. (lal. secu-ISris, c) liondordjarlg, ecne eeuw betreirendo; tydeiyk, wercldiyk, nlel-gccsteiyk, onkcrkeiyk; seculalr-fcost, een honderdjarig feest, eeuwfeest; — hrachium seculSre, z. brachium; — secularitoit, f. do stand van een wereld-lyk persoon, het wercldiyk loven, liet wercldiyk rocblsgebled eener kerk; — secularisoo-ren, nw. lat. (spr s=t; fr. séculariser) we-reldiyk maken, verwcroldiykon, ontwydon, een geesleiyk gebied (b. v. bisdom, klooster, enz.) In een wercldiyk veranderen, geesleiyke goederen lot wercldiyk aanwenden of intrekken; — secularisatie (spr. -za-tsie), f. de verwe-reldiyklng, ontwydlng, do verplaatsing uit den gecsteiyken sland In den woreldiyken, inlrokking van gcoateiyko bezitingen, stlflen, staten, enz.

secüiulux, o, urn, lat. (van sequi, volgen) de of het volgende, tweede; —secundus, m. de tweede In sclioolafdeelingen; — secünda, f. de tweede schoolklasse of-afdeollng; socun-da-wlssel, de tweede wissel, z. trallo; so-cunda-wol en dgl., minder lljne wol enz.;— secunda Petri, f. /.. v. a. beoordeeiingsvermo-gen, oordeel, h. v. «hem ontbreekt de serumla (sell, pars) Petri,quot; afgeleid van de logica van Petrus Kam us, In welke het tweede gedeelte over do oord celen handelt); — secundo, f. (d. 1. secunda, sell, pars of divisio) of seconde, fr. dus In \'t algemeen oene maat, die de tweede plaats na oeno andere lig ecne Indeeling bekleedt; bel (Mlsle deel van ecne ml-nuut (vandaar sec o ndon-b o r I oge of -uur-w or k, second on w y z e r, enz.); ook bet innsle gedeelte van ecne minuut naar do centesimale vordceling der graden (e e n t o s 1 m ale s o e o n-de); Muz. de tweede loon na den grondtoon; in hot schermen; do tweede stootmanier; — pro secundo, ten tweede, In de tweede plaats;

— secundanus, m. lat. by de oude Ko-

VIEIIIIË DBUK.

inclnen een soldaat van bot tweede legioen; een leerling van de tweede klasse; — secundair (lat. secundarïus, a, urn) lt;if secondair (fr. secondaire) adj. de tweede plaats, den tweeden rang in ecne volgreeks bmcmeml, navolgend, ondergesciilkt, afbankeiyk, hot tweede, middelbare; vgl. primair; — secundaire zie k I eversc b y nsel e n of gevolgen, zoodanige zieklovorscbynselen of gevolgen, welke door do eerste (primaire) te voorschyn geroepen worilen; b. v. secundaire gel)orgie n, overgangs- en vlolgcbergton, middoige-bergten; secundaire scholen (fr. école secondaire) middoiharo scholen, scholen van middelbaar omlerwys; — secundaris, in. de tweede na den abl of proost In sllciilen; de tweede prediker, middagsprediker in de evangelische kerk; — secundina, f. nw.lat. do nagelioorte; secundina relénta, de toruggobio-vcn nageboorte; — secundeeren, Int. (se-cundure) of secondeeron, fr. {seconder) lie-gunstlgen, helpen, ondersteunen, byslaan of by-stand geven, tot getuige dienen, Inz. lid twee-gevoclit; Muz. do tweede stem spelen (op een Instrument), begeleiden, accom pagnee ron; — secundant (seaindans) of fr. secondant, m. een bysland, helper In den tweo-stryd, duelhulp, kampgetuigc; — secondant, ook voor ondermeester; — secundttie (spr. lt;=(.?) f. nw.lat. do viering van bet vyfligjarig mislezen van r. katb. pricsiers; — secundo-genituur, f. de rechten van den tweeden zoon; — secundum, bit. ten gevolge, naar, overeenkomstig; secundum ar tem, afgok. s. a , Med. naar de kunst, kunslinatlg; serunilum nrflïnem, naar de orde of rü; secundum vuUjaiti jura, naar de bekende rechten.

secureeren, nw lat. (securSre, van \'t lat. secitrus, a, um, zeker) verzekeren, In zekerheid, in volllgheld slellen, gewis maken; — securiteit, f. lal. (secuntas) de zorgoloos-lield, onliekoimnerdbeid, inz. Ie midden van gevaren, onbovrccsdlielil; vast vertrouwen, gewisheid, zekerheid, gowelcnsrusl; — securilas pu-bhea, do openbare velilglicid; — secuur, adj. lat. (seciirus) zeker, onhekommerd, vast vertrouwend; — animus seciirus, m. een goed geweien.

securiformis, lal. Hot byivormig.

Sedaal-kork, z. ond. sod os.

sedaat, adj. (lat. sedalus, a, um, van sail ure, maken dat iels lu rust komt, stillen, geruststellen) gelaten, bedaard, rustig; — se-diimen, n. lal. Med. een sliiiend of bedarend middel; — sedantia (spr. l=ts) pi. siii-lende of bedarendo iniddcieri; — sedatief, adj. nw.lal. geruststellend, lievredigend, pynslii-lond, iieiiarend; — sedatief-zout, pyiistii-lend, licdarend zout, borium- of bornxzuur;— sedatief-spaath, z. hor act et.

Sedanoise, (. fr. (spr. sedanoamp;z\') eene der kleinste soorten van drukletters, ook parl-sienne gebeeton, parel.

Sedantia, sedatief, z. ond. sedaat.

■Jl


-ocr page 1150-

SEIGNETTE-ZOUÏ

SEDER

1122

Seder, m. perz. do opperpriester van do secte vim All.

sedes, f. lat. (v. seclere, zitten) do zetel, woonplaats; — sedes apostottca, f. elu. do apostolische zetel, pnusclUko stool; — sale vacante, by openstaimden puuseHjkon stool, gedurendo hot openslaan des stools; sedes belli, hot eorlORS-toonool; sedem fij-am hebben, cone vastc woonplaats bobben, ergens gezeten zijn; — pl. sedes, Med. stoolgiing, lyfsoponlngi per sedes, door den stoelgang; — sedaal-kerk, f. z. v. a. kathedrale kerk; — sedisvacan-tie (spr. t=s) I. nw.lat. (vgl. va can tie) do openvalling van don stoel na don dood van oenen paus of bisschop; — sedentia (spr. t=ls) n. pl. Int. (van sedere, zitten) onbewoog-lyko zaken; —sedentair, mij. (lal. sedenla-rïitó, n, urn, fr. sédenlaire) zittend, aanhoudend zittend; ook op éene plaats biyvond, daar gezeten zyn, gozetenj een sedentair loven (vila sedenlarïa) een zittend leven; — seden-taris of sedentair, m. oen veolzlttomle, iemand, die oen zittend leven leidt, zittend werk vcrrlcbt; — sedimént, n. (Int. sediménlum) liet bezinksel, do nederslag of bet zetsel van eeno vloeistof; — sedimentair, adj. nw.lat. (sedimenlarïus, fr. .tédimenlaire) bozlnksolachtlg; naar opgespoolilen grond geiykende; — sediment- of sedimentair gebergte, n. vtotgebergte; — sedimenteus, ndj. nw.lat. troebel, oen neerslag of oen bezinksel opleverend.

Sedecimo, n. lat. (van sedectmus, a, um, de of bet zestiende, van sedicim, zestien) liet zestiende tormaat van een blad of lioek, waarby het vol papier 4 malen Is toegevouwen en 32 bladzyden heeft; in sedecimo of in 10°, in bet formaat van een zestiende vel papier.

Sediment, sedimentair, sedimenteus, z. ond, sedes.

Seditie (spr. l=ls) f. lat. (seditto) de opstand, bet oproer, do multory, rustverstoring; — seditious (spr. t=ts, lal. seditiósus, a, um) oproerig, onrustig, woelig, muitend; —se-ditiositeit (spr. —Isiozi—) f. nw.lat. niuit-zucht. neiging tot opstand.

seduceeren, Int. (scduclre) verleiden, misleiden, verlokken; — sedüctie (spr. l=s) f. (seduclio) de verleiding, misleiding, verlokking lol liet kwade; — sedüctor, m. oen verleider ; — seduisant, ndj. fr. (spr. seduizih partic. van séduire) verleldeiyk.

Seduliteit, f. lat. {sedufftas, van sedü-lus, a, um, yvoiig) de viyt, naarstigheid, hodry-vigheid.

Sedum, n. lat. huislook van onderscheiden soorten.

Seekers, pl. eng. (spr. siékers, van In seek, zoeken) de zoekenden, lat. Quaerenles, oene socle onder de Presbyterianen In de lldo oenw, welke beweerde, dat do ware godsdienst nog moest gezocht worden.

Seor, eer, sier, eer, ceer, celr, n. hindost. {s(r) ecu gewicht In Hlndostan van 850—080 gram; te Suriito eon goud- en zllver-gewlchl van lii.Sti.\'t gram; als perz. el, z.

g u e z e.

Sogest, in. oudd. mansn.: de verheven overwinnaar.

sepelalis, lal. Rot. zaailanden bewonend, op zaailanden voorkomende.

Segmént, n. lat. (segménlum, van secure, snyden) eene snede, een afgesneden sluk, inz. Math, een cirkelstuk, begrepen tusscben eeno koorde en don boog, dien z.y ondorspant.

segno, tl. (spr. senjo = lal. signum) Muz. hel toeken; dal segno, afgok. D. S., van hel tee-ken af (n. I. te spelen, te herhalen); — fin at segno (spr. fien—) Muz. lot aan bot toeken.

Segoviana, f. sp. (van de stad Segovïa) tljno spaanscbe wol; — segovia\'s, pl. eeno soort bodrukle gekeperde lianellon; — sego-via-laken, n. oen lijn soort dubbel ballia-ivon; — segovienne, f. fr. (spr —wjénn\') spaansch linnen, naar dezelfde stad benoemd.

segregeeren, lat. (segregüre, van grex, kudde, schaar) van do kudde afzonderen, schei den; — segregaat, n. de afgoscheidone; — segregatie (spr. l=ts-, v. later lat. segre-galw) f. de afzondering, scheiding; verdooling van gemeonschappeiyko groiulolgondommon; — segregatonum, n. nw.lat. oen afzondorlngs-of scheldlngswerktulg voor onderscheiden vloel-stolfen, een glazen llltrum, zUgdoek.

Sogrijn, n. z. chagrin 1).

ségue, 11. (spr. ségoeü, van seguire, sp. seguir en scgre — lal. sequi, volgen) Muz. bol volgt, nu volgt; — seguidilla, f. sp. (spr. ségidielja,■ verklw. van seguida, volgry, muzikale fugo) oen spaansch nationaal gezang in stropbon uil vier, by afwisseling uil zeven en vyf lottorgrepon lie-slaando, assonneorende verzen In £ maal, mol dans verbonden of mol begeleiding van gitaar of cnstagnotton; — seguidillera, f. (spr. se-gidieljéra) oono vrouw, die do soguldllla zingt of danst.

Soh, f. een japanscbo vlaktemaat van (l ken g lenglo on (1 kong broedle = 30 t sjoc 1) o = 0,»!m are.

Seiche, f. fr. (spr. seizj\'; z. v. a. sèche, f. v. sec, droog) I) eeno zandbank, oen zandrlf; wakende klip, droogloopondo klip; — 2) naar vlood en eb gelykondo stroomlngon, plolsollngo verandering van walorsland In \'l meer van Genèvo.

Seïde, m. arab. (seïd) heer, vorst, gobiodor, eernaam dor opvolgers van Mobamod; familie-opporboofd In do nakomollngscbap van All; ook do naam van een slaaf en dweepzieken aanhanger van Mobamod, dlo onbewust een vadermoorder word; lig. een blind werktuig dor go-loofswoedo, eon blind yvoraar, dweepziek moor-domiiir (vooral In \'l fr. In dien zin gobruikoiyk).

Seidlitzer-zout, n. oen lilltorzout (zwavelzure magnesia), dat mon door verdamping uit do wateren van Soldi ilz verkrygl.

Seign, n. fr. (spr. seii) ondortoekoning.

Soignette-zout, n. fr. (spr. seiijétt\') ook pol ych rosl-zoul, sodawynsleon, oen


-ocr page 1151-

SELIKÏAR AGA

SEIGNEUR

1123

zuurbrekond, zacht afvoerend zout, uit wynsteen-Iook cn koolzure soda bereid, en naar zynen franschon uitvinder Seignotte (te Kocbello 1074) benoemd.

Seigneur, m. fr, (spr. sehjeur -, sp. seuor, port. en provenc. senhor, it. signore, v. \'t lat. senior, d. I. olg. de oudere; dan: hoofd, gebieder) lieer, voornaam heer, gebiedend heer, grond-heer, leenheer, erfbeer; iemand, die den groo-ten hoor uithangt, sI njeur; — seigneurie, f. heeriykheid, als titel; gebied van een voornaam lieer.

Seikhs, eng. spelling voor Sikhs, z. aid.

Sein, n. z. v. a. signaal (z. aid.)

Seismograaf, f. gr. (v. seismós, schudding, aardbeving, en grdphein, schrijven) een toeslel ter waarneming van aardbevingen, boofd-zakclük bestaande uit oen konlschon slinger, wiens Uns een zware metalen bol is; — soismo-méter, m. gr. een aardbevingsmeter, een tot hetzelfde doel dienend werktuig, uitgevonden door Cncciatore le Palermo.

Sdizi-zilver, cliin. zeer lijn zilver In staven.

Seizing, f. Mar. min of meer breede, platte, met eene punt uilloopende streng, dienende om oenig voorwerp ie seizen (eng. seize) of le vatten.

Seizoen, z. saison.

Sejm, z. Seym.

Sejour, n. (spr. sezjoer) do zetel, liet verbluf, oponthoud, bet wonen of verwijlen, ver-loeven aan eene plaats; — sojournGeren (fr. séjnurner, van \'I mid.lat. diurnare, verwijlen, vertoeven, samengesteld met sub, z. aid.; provene. sojornar, 11. soggiomare) zich ergens ophouden, verioeven, verwglen.

sejungoeren, lal. (sejun(iere) afzonderen, afscheiden; —sojünct, adj. (lat. sejünclm, a, urn) afgescheidon, afgezonderd; — sejünctio (spr. I=s) f. (lat. sejuncCfo) de afscheiding, afzondering.

Sekkel, z. sikkel; — sekkeeren, z.

se cc eer en, oud. secco.

Sekte, z. sec te.

Sela et Solah (v. \'t hebr. sdldh, rusten, zwijgen) een liebr. muziekleeken In de psalmen, gew. aan liet einde eener kleine afdeeling; mis-schieir. tusschcii- of naspel; v. a. verandering van den rhythmus of van ile stem.

Séladon, in. sp. (Seladón, fr. Célmlou : uit den roman Astree van d\'Urfó) een verliefd herder, smacliiend minnaar; — n liet zeegroen, met blauw en grys vermengd groen; sol a d o n-groen, meigroen (zoo gebeeton naar de meigroene kleeding der schaapherders in de fran-sche herdersspelen van de Hde eeuw).

Selage, f. fr. (spr. seladtj\') eene bü de Druïden heilige plant, het lieksenkruld.

Solah, z. sela.

Selam, liever sa lom \'z. aid.)

Selamlik, m. arah.iurk. (v. \'I arah. selAm, saldm, z. saleni, en den turkschen subslanlie-veti uiigang lik) de gezelschapszaal, de gelioor-zaal, begroetlngskamer.

Selderij, z. sell er (j.

Sóldsjoeken of Seldschoeken, pi.

een uit Hoecbarije afsiainmenil lurksch geslacht, dus gebeeton naar zijnen stamvader Seld-sjoek, en dat In de llde en 12de eeuw vele rijken In Aziü stichtte: seI ilsjueksclie dynastie n.

solóet, adj. lat. (scléctus, a, urn, van seli-güre, uitlezen) uitgelezen, uilgezoclil, uitverkoren; — solécta, f. (sell, purs) de keur, het uitgelezen gedeelte, puik (sell, classis) de lioog-ste schoolklasse oi hovenste afdeeling in vele scholen; — selectanus, lal. eon leerling dezer afdeeling; — selectie (spr. I=s) f uille-zlng, keuze; — Boleetio-theorie, f. de leer dor teeltkeuze, ontwikkeiingsleor = ila rwi-n\\ame,i — seleclissimus, u, urn, lat. Bol. zeer uilgeiezen.

Selöne, f. gr. {selini, v. sélas, lichl, glans) de maan; Myth, de maangodin, z. Lu na en Diana; ook eene witte vlek op den nagel; — seleen, selenmm, n. nw.iai. eene door Berzelius in 1SI8 ontdekte niel-meiailisclie grondstof; — seloniilten, pi. sclenluinzuro zouten; — seleniet, in. gr. (selenilcs) maanburger, maanbewoner; — n. maansleen, maneschijn kleurige steen, inz. moskovisch glas, vrouwenüs of glpsspaath: kunstmatig gips of zwavelzure kalk; ook selonium-koper; selonitisch, adj. gipsaeliilg; — seleniasis, r. of sole-nogamio (d. i. eig. maaniiuwelijk, maanpa-ring) Med. de maanzuclit, hel nachlwandcien; vgl. som na in li n I ism e; — solonograaf, m. een inaaiibesclirijver; - selenograpliio, f. de maanbesclirijving; - solenogniphisch, adj. maanbeselirijvend; selenolabïum, n. z. v. a. lunarium; — selenostaat, m. een aslronomiscii werktuig ter waarneming van de maan; — selenotopographio, f. de piaats-beschrUving van de maan; sel enoi opeg ra-phi sc ho fra g in e n t e n, losse stukken alt de plaalsbeschrijvlng van de maan.

Seleuoianen, 111. III. eene seete der 1 ide eeuw, die onder andere God als lichamelijk en de slof als eeuwig beschouwde; dus genoomd naar baren silcliier Seleucus.

Self-actor, 111. eng. (v. self, zelf, en ac-lor, de handelende) een zelfspinnendo garen-maebine; — self-govornment, n eng. (spr. self-guww\'rnménl: v. self, zelf, en government, regeering) zelfregeering, het bestuur dor volksof gemeente-aangolegenheiien door het volk of de gomeenie zelf; — selfmade (spr.—meed\') zelf- of olgengemaaki, solfmado man (spr. —men) Iemand, die alles aan zich zelf te danken heelt.

Selichöth, pi. hebr. (pi. van sellrhdh, vergeving, van samp;ldch, vergeven) boelgelieden (voor den grooien verzoendag).

Solig., bij iiatnurwelcnseliappeHjke benamingen afk. voor Seligor (gest. isü).

seligoeron, lal. (seligërc-, vgl. select) uitkiezen, uitlezen, uitkippen; keuren.

Seliktar aga, z. sillhdar.


-ocr page 1152-

1124 SEMI-PELAGIANEN

SELIM

Selim, m. arah. {selim, Roheol, volledig; zacht, vreedzaam) mansnaam: do zarhtzlnnlge, vreedzame; — selims-korrels, zwarte peper.

Selindo, f. (oudd. Sigilinl, zegeslang) vr,-naani: de overwinnende.

Selinusi\'sche aarde, eene glinsterende, brosse kiel op Sicilië, oertyds In de schilderen geneeskunst In gehrnlk.

scl/a cur»lis, t. lat. de curullsclie stoel, do met Ivoor Ingelogde vouwstoel der hoogste over-heldsporsonen In \'t oude Komo.

Sollerij of selderij, f. (fr. réleri, m.; v. \'t lat. selinum, gr. .télinom, eppe, In \'t latere gr. selleri) een wortelgewas van liet geslacht der peterselie; Inz. do tuin set terg of zoete eppe met oetbaren wortel.

Sellétte, f. fr. het hankje, waarop in do gerechtshoven een heschutdigde zich nederzet om gehoord en gevonnisd to worden, de hank der beschuldigden; ook hot voetenbankje, dat schoenpoetsers by zich hehbon.

Selma, f. eelt. vr.naam: de gegoede, gelukkige.

Semainier, m. fr. (spr. semé-njé: van se-maine, week, provenc. selmana, it. seUimana, van \'t lat. sepltmana) die de week beeft, don weckdienst verricht, h. v in kloosters ; de we-keiyksche tooneelopzlchter.

Semaphoor, semaphore, f. gr. (van sêma, n. teeken, en phérein, dragen; fr. séma-phore) een signaalstang, seinpaal, kusttclegraaf, zee-telegraaf; op spoorwegen; een teekengever of seintoestel, dat men des daags en dos nachts gehruikon kan; — aemaphórisch, adj. do semaphoor hetreffende; — aemasie, f. (gr. sëmasia) bet teekengeven; Mod. aanwijzing, ken-teeken; — semasiologie, f. gr. (v. sëmasia, bet kenteeken, v. scmainein, door een teeken kennetyk maken, merken) de leer der heteeke-nissen, een door vele nieuwere spraakkunst-sehryvers behandeld gedeelte der grunimatika; — semasiologisch, adj. de heteekenis hetreffende.

Semblant, m. fr. (spr. sahblaiivan win-bler, sCbUnen, van \'t lat. simuhire, sp. semblunle, provenc. semblan. It. sembianle) schyn, ulter-tyke vertooning.

Someiographie, f. gr. (van sémcïon = scmn, teeken) toekenschrift, snelschrlft; de tee-kenleer, loer der teekens; Muz. do leer der muzikale teekons of do kunst om de tonen op noten te zeilen; — semeiologie, z. semo-Iogio; - semeiösis, z. somlosls.

Semële, f. gr. Myth, de dochter van koning Kadmus en moeder van Bacchus, van wien zy uit ontzetting voor Jupltors bliksem ontydlg beviel, waarbü zy hel leven verloor; Astron. een In IStitl door Tlotgen ontdekte asteroïde.

semel pro semper, lat. eens voor altyd.

semen, n. lat. (genlt. semfnis, pl. semtna) het zaad; h. v. semen einae, het worm- of zedoar-zaad; semen contra, zaad tegen de wormen, wormzaad; semen lycnpntln, z. lykopodium;

— seminaal, ailj. lat. (seminalis, e) het zaad betrelTend; bevruchtend, bezielend; — seminarrum, seminarie, n. elg. eene hoom-kweekery; kweekschool, voorbereidingsschool, Inz. voor geestelgken; — seminarist, m. nw.lat. oen leerling op een seminarie.

Seméstre of seméster, n. lat. (van se-méstns, e, zes maanden lang, van sex, zes, en mentis, maand) een half Jaar; — semestre aestï-vum, het zomerhalfjaar; — sein. hihémum, het winterhalfjaar; — semestraal examen, n. het hnlfjaariyksch examen.

semêtrisch, adj. nw.lat. (v. metrum, maat) zonder hehooriyke maat, niet synunetriek.

semi, lat. (= gr. hcini—) half, in samenst., als: semt-amplexus, lat. Bot. halfomvallend;— semibrovis, f nw.lat. I\\luz. de geheole maatnoot; — semicircülus, rn. lal. een halve cirkel; — semidiamëter, m. lal.-gr. de halve middeliyn eens cirkels, gew. radlus, de straal; —semidóetus, lat. halfgeleerd; m. een halfgeleerde; — somifüsa, f. nw.lat. Muz. een zestiende; — semikölon, n. lat.-gr. (vgi. kolon) een kommapunt of puntkomma (;).

Semi-arianen, m. pl. nw.lat. (vgi. semi) balf-Arlanen (z. aid), de aanhangers van l\'.u-sehlus van Nlkodemië, die beweerden, dat Christus niet aan God geiyk, maar alleen naar God gelykend is.

Semieten, pi. de oosterscho volken, van kaukaslsch ras, die van Sein (een der 3 zonen van Noacb) afstammen; vandaar somitische talen, de talen van die volken, inz. de he-breeuwsche, syrlsche, chaldeeuwsche, urahlsche taal, enz.

semillant, adj fr. (spr. -mi-ljnn ,■ van \'t celt.-walliseh sim, vol beweging, licht, los) dartei, vrooiyk, woelig en onrustig, zeer levendig; als stilist, een wild, maar goed kind. Semilor, z. similor.

semilunaris, adj. nw.lat. (v. semi, z. aid. en twin, maan) halvemaansgewys, in den vorm eener balve maan; — semiluxatie (spr. I=ls; vgi. luxeeren) f. eene halve verrekking; — sémiminïma, f. (vgi. minïma) Muz. eene vierde noot.

seminaal, seminarium, enz. z, ond. semen.

Semiologie of semiotïka, f. gr (van simêion, bot teeken, semeioen, beteekenen) Mod. de leer der ziekteteekenen, dat gedeelte der arlsenywetenschap, \'twelk over do teekens der ziekte en gezondheid handelt, en niet slechts de ziekten loert kennen en onderscheiden, maar ook baren afloop juist heoordeelen; — semiotisch, adj, aanwyzend, kenmerkend; — se-miösis, t (gr. semeiusis) de aanduiding, cr-konning der ziekte.

Semi-pelagianen, m. pl. nw.lat. (vgi. semi) half-pe ia g la ne n (z. aid.), ccno cbr. secte der 5de eeuw, die de leerstelling van do volslagen verdorvenheid des menschen eenigs-zins verzachtte door aan te nemen, dal de erfzonde enkel bestaat In eene zekere aangeboren


-ocr page 1153-

SENDERBEGLI

SEMIPITE

1125

zwakheid, welke de mcnsch kan uverwinncn.

Semiplte, f. tr. (vgl. seinl) halve pile (ontstaan uil pite, fitte, picle, kleine munt der graven van Pollou = | denier) voormalige kleinste rokomnunt lu Frankrijk; — somipla-ta, f. elg. halfzllver (van \'l sp. plala, zilver) een metaalmengsel uit geiyke deelen zink en tin; — semipli-nu iirobaCfo, f. lat, Jur. een halfvol, d. I. ontoereikend, onvoldoend bewijs; — semitéstes, pl, haltgetulgon, d. I. halfgeldlge, verdachte getuigen.

Semiramis, de naam eener koningin van het oude Assyrlscho rijk, die zich door krygs-heleld, moed en vooral door eene wijze regeering onderscheidde; vandaar soms voor eene kloeke, wijze vorstin; ook eene lichte zydestof voor vrouwenkloederen.

Somispecülum, neen heelrneestorswerk-tulg om hy de steenoperatie du wond in den hals dor blaas wyder te maken.

Semitische talen, z. oud. Semieten.

Semitomum, n. lal. (vgl. semi) een halve toon; pl. semitonia, halve tonen of half-tonen; — semivocaal, r. een halfklinker, halve zelfklinker of vocaal; de vloeiende medeklinkers /, m, n, r on de smeltende w, z, j.

Semljanka, f. russ. (v. semlja, de aarde) eene aardwonlng, aardhut, inz. van de steppen-bcwoners In Z. Rusland.

Semnologie, f. gr. (van semnós, «, «n, eerwaardig, plechtig) hel sproken op deftlgen, voornamen toon; — semnótis, f. hel hoogdravende, woldsche karakter In den schrUfstyi.

Semnönen, pl. een germaansch volk, het aanzloniykste onder de Sueven, dat aan de heide oevers der Spree woonde.

Semonce, f. fr. (spr. s\'mdws,- van het oudfr. semondre, provenc. semondre, somomlre, ultnoo-dlgen, v. \'1 lat. submonêre) ultnoodlglng, bede, verzoek, vermaning; de opelschlng door oor-logssclicpcn of kapers aan koopvaardyschepen gedaan om zich te laten onderzoeken; ook coup d\'assurance.

Semoule, f. fr. (spr. smoel\') deeg van lljne tarwebloem of rystmeel, dat In Frankrijk oven vaak als de vermicelli gebruikt wordt, maar dlkwyis niets anders Is dan aardappelzetmeel.

Semovéntia, pl. lat. (v. sc movëre, zich bewegen, niet van semovêre, verwyderen) de beweegiyke dingen, wier howeegiykheid een go-volg dor In hen wonende kracht als levende wezens Is.

semper, adv. lat. altyd. Immer; semper «/i-i/uid haeret, er hiyft altyd wat hangen, h v. van valscho aantygingen, laster, uitgestrooide geruchten enz.; — semper Augustus, altyd vermeerderaar des ryks, In den keizerlijken titel; — semper idem, lal. aliyd dezelfde, zich zeiven altyd geiyk; — semper virens, altyd groenend of Immer groen; — semperllorens, lat. Hol. steeds bloemdragend, altyd bloeiend; — sempervïvum of sempervivum, n. (d. I. elg. Immer levend) buisiook, een gewas van velerlei soorten;

— sempervrij, beteekent In Dultscbland z. v. a. hoogst vry, onmiddelbaar aan het ryk onderworpen; tot de raadsheeriyke posten In de steden verkiesbaar (waarsch. komt dit woord niet af van het lat. semper, maar Is ontstaan uit sendha r-frel, d. 1. zoodanig vry, dat men gerechtigd Is, by de sonden (z. send), by do ryksvorgaderlngen, gerochtshoven, enz. tegenwoordig to zyn.

Sompitérne, f. (van \'t lat. sempilérnus, a, urn, altyddurend) z. v. a. pe r pet u a na;— sempiternél, n. eene grove gekeperde stof;

— sempiterniteit, f. de bestendige duur, altyddurendbeld, eeuwigheid.

sémplice. It (spr. —plilsje = lat. simplex) Muz. eenvoudige voordracht; — semplicis-Simo (spr. -tsji-simo) Muz. met de hoogste eenvoudigheid.

sempre. It. (= lat. semper) Muz. aliyd, voortdurend; — sempre pianissimo (spr. —nies—) voortdurend zeer zacht; -sempre piu (spr. pioe) mosso, streltn, presto, viro, telkens of by voortduring sneller.

Sempronms en Cajus, twee vermaarde rechtsgeleerden in hol oude Kome, wier namen nog dlkwyis In rechtszalen worden gebezigd, wanneer mende belde pariyenzelven nlel noemen wil.

Sen, m. 1) sedert ISquot;I Japanscho rekenmunt = TJ0 yen = 4 gid. SO ct.; de vroegere sen (soul, zenl, chln. Islon, hy de Amerikanen en Engelsehen cash [spr. kesj], by de Nederlanders pit Is of pietje genoemd) was een koperen, later yzeren scliijt met een vierkant gat in het midden en van zoor geringe waarde; i) eene lengtemaat In Slam = joel a of myi.

Senaat, m. lat. {setuilus, van senex, genll. senis, de oude, grgsaard) elg. de raad der Ouden, stadsraad, staatsraad; — senatus populusque Humanus, de senaat en bel volk van Romo; — senatus academicus, lat. de academloraad, de raad der boogeschool; — senatus consüllum of senatus-consult, n. het raadsbesluit, do raadsverordenlng; — senator, fr. senateur, m. een medelid van don senaat, raadsheer, lid van den raad; — senatoriaal, adj. raads-hoeriyk, oenen raadsheer belamendo of toekomende;- senatorie, f. fr. het gebieden de waardigheid van oenen ryksraad (onder Napoleon I).

Senaculum, n. lal. vergaderplaats van den senaat, der hoogo stadsregeoring.

Senarïus, m. lal. (van senanus, a, um, zesdeelig, zesledig) z. v a. t r 1 m e I e r (z. aid.)

senatus, senateur, enz z. oml. senaat.

Sénberok, m. turk. veldkanon.

Send, m. of sende, f. (oudd. sened, senel, ontstaan uit synode, z. aid.) eene beraadslagende geesteiyke vergadering In de middeleeuwen in Dultscbland, een geesteiyk gerecht, sendgereeh t.

Senderbegli, m. pl. lurk. vrywllllgors in de turksche legers, die men lol de eerste snelle aanvallen gebruikte.


-ocr page 1154-

SENSUS

H26

SENDT.

Sondt., by mUuurwctensclmppeiyko benamingen alk. voor O. Sendtnor (gost. 18S»).

Sone, z. sunn c.

Senechal, z, senescbal.

Senecio, m, lal. krulsworlol, een pronk-gewas van onderacbolden soorten.

Sénega-wortel (ook seneka, mlsscblon van de Seneka-lndlanen in N.Amerika) de wortel dor noordumer. plant Polygüla senega (vgl. pol y ga la) ratelslangwortel, die tegen de ge-vaariyke gevolgen van den beet der ratelslangen wordt gebruikt; — senegine, f de zwarte stof van den senega-wortel.

Senescóntie (spr. /=/.«) f. nw.lat. (van \'t lat. senesc re, verouderen) liet oudworden, verouderen, vervallen.

Sonochal of fr. sénéachal (spr. —sjdl provenc en sp. senescal, It. siniscalco, oudd. senescale, senescalh, seneschall, mld.lat. senis-catrus, siniseateus: van bet dultscbe stamwoord sin, dat kraebt, duur, ouderdom, enz. belee-kent, en sale, schalk, d. I, kneebt; vgl. maarscbiilk: dus elg. de oudste or opperste buisdienaar) voorbeen een hooge bof- of ryks-beambte In Krankryk en Engeland, die het Inwendige van \'s konlngs huishouding niocsl bezorgen; vervolgens ook opperste gcrechtshe-ambte van een district en aanvoerder ridderschap, landvoogd, rldderbootdman.

Songo, z. mook.

Senhor, m. port., Senor, sp. (spr. senjoor; van \'t lat. senior, z. aid. en vgl. seigneur) heer, gebieder-, — sen/iora, f. port. en scTwra, sp (spr. senjora) vrouw, gebiedster; se-norita, f. een jong aanzleniyk meisje; — se-norito, rn. een jong voornaam heer.

Soni, in. z sen.

seniol, adj. lat. {senilis, e, van scnex, grys-aard) eenen grysaard eigen, geiyk een oud man; — senior, m. (elg. comparatief van senex) afgek. sen., pl. de oudere, oudste; senior mi-nislerïi, de oudste der geesteiykheld in eene stad; — collegium seniorum, n. de raad der oudsten; — senioraat, n. nw.lat. het ambt en de waardigheid van oudste; de opvolging naar ouderdom; Jur liet voorrecht des oudsten In de familie by erfenissen (eene soort van majoraat).

Senne, sene of sonebladeren (li. en

sp. sena, fr. séné; van I arab, send) een hekend afvoerend middel van den sennesboom of sonesboom (sennes-cassia. Cassia senna, L.) een struikgewas in Kgyptc, Syrië, enz.

se non é vero, é hen Irovd/o, II sprw.; als \'t idel waar is, is het toch goed gevonden of verzonnen.

Seiïor, z. senhor.

Sonsaal, n. (It. sensale, fr. eensal, van \'t lat. censualis, cynshelTer, ontvanger der belastingen) een makelaar, onderhandelaar; — sensalio en sensane, f. (fr. censerie), z. v. a courtage.

Sonsatie, z. ond. sensus.

sens commun, n. fr. (spr. san komuih) z. sensus communis onder sensus.

sensibel, adj. lat. (sensibïlis, e, van sen-lire, gevoelen, gewaar worden), of fr. sensible (spr. saiisiebl\') voelbaar, tastbaar, waarneembaar, merkbaar, bespeurbaar, merkelijk, wat onder de zinnen valt; oogenschyniyk, dui-deiyk, klaar; gevoelig, prikkelbaar, licht ge-raakl, leer, aandoeniyk, lijn of loeder gevoelend; erkenleiyk, dankbaar; — sensibiliteit, f. (fr. sensibililé) de voelbaarheid, merkbaarheid; do prikkelbaarheid, gevoeligheid der zenuwen; de gevoeligheid, aandoeniykheid, bet teeder gevoel, de lichtgeraaktheid; do erkenteiykheid;— sensiblerie, f. overdreven, gemaakte gevoeligheid, s e n t i m e n t e e I b o 1 d.

sensus, m. lat. (van sentire, voelen, gevoelen, gewaarworden) de gewaarwording, het ge-veel der zinnen; — sensus communis, m. bet gemeene, gezonde menschenverstnnd, de gezonde rede; — eo sensu, ia dien zin, met dien verstande, met liet oogmerk; — hoe sensu, in dezen zin; — sensu bono, In goeden zin; — s. mulo, in kwaden of verkeerden zin; — s. latiari, in ruimeren zin; — s. slrictióri, in nauweren of engeren zin; — s. slrirlisstmo, In den eng-slcn zin; in de beperksto beteekenls; in sano sensu, in goeden (elg. gezonden) zin, in goed vorstand; — sensatie (spr. l=/s) r. nw.lat. de zlnneiyke gewaarwording of waarneming; do indruk, het opzien, geruisch, de opmerkzaamheid, beweging, gisting; — sensatie-bericht, enz. bericht enz. dat er op berekend Is om opzien te baron; — sensificeeren (later lat. sensificure), gevoelig of voelbaar maken, verzlnneiyken, zinnciyk voorstellen, voor de zinnen aanschouwoiyk maken, lot zlnneiy-ken oorsprong terugbrengen; — sensitief, ailj. (fr. sensilif) zinneiyk, gevoelig, met zinnon begaafd, voor gewaarwordingen val haar; — sonsitiva, z. mimosa; — sensitiviteit, z. v. a. sensibiliteit (z. aid.); inz. de vatbaarheid om bet od (z. aid.) waar te nemen of do ontvankeiykheid voor deze door K. von Reichenbach aangenomen eigenaardige natuurkracht ; — sensitieven, pl. de dragers of liozillers dezer valbaarheid; — sensorïum, n. het werktuig van do zinnen of van bet go-waarwordingsvermogen, de zetel des gevoels in de hersenen; — sensonum commune, de alge-mcene gevoelszetel of dal punt In de hersenen, waar do door alle zinnen opgewekte gewaarwordingen samonloopen; — sensorïaal, adj. den gevoeiszelel betreiTendo; — sensuaal, adj. later lal. (sensuulis) of sensueel, fr. (sensuel) zinnciyk, wellustig; — sensualisme, n. de neiging om naar zlnneiyke aandrift te bandelen, de zinneiyklield, weliustlgheid; ook de leer der sensualisten of sensuaal-philosophen, die de waariicid en hel wezen der dingen in de zlnneiyke waarnemingen, indrukken en gewaarwordingen zoeken, In te-genst. met de intelieclualisten; — sensualist, m. ook een zinnciyk mensch, wol-


-ocr page 1155-

SENTÉNTIE

H\'27

SEPEDON

lustcllnt,\'; — sensualiteit, f. dc zlnnelUk-lieid, nciKiiiK tut zlniiRlük ^cnot, liet zinnelijk aanscliouwliigsvermogon.

Senténtie (s|ir. tie=lsie) r. lat. (xentenfia) in \'t aig. mccniiiK, gevoelen, oordeel; uitspraak, cene gedenkspreuk, zin- en zedespreuk, merkwaardige gedachte ot spreuk, kernspreuk; inz. cene rechtoriyke uitspraak of boslissliig, rech-teriyk bescheid, vonnis; — senlenlta ubsolutorfa, een vonnis van vrijspraak; — s. comlemnalorla, een veroordeeiend vonnis; — s. confirmatoria, «en hokraclitlgcnd ot bevestigend vonnis; — s. dectaralona, eene verklariiigsuitspraak; — s. definihva of finalis, een eindvonnis, eene einduitspraak; - s. denegatorla, een afslaand, afwUzend vonnis, ontkennend bescheid; — s. inlcrlnculona, een neven- ot bijvonnis, tusscben-uitspraak; — s. localona, eene regelende uitspraak; — s. purgalona, een zuiveringsvonnis, cene zuiverende, eerlierstoliende uitspraak; — sententieus, adj. lat. (senlen/iosm, a, urn) sprcukryk, gedachtonryk, leer- uf zinryk, spreukmatig, kernachtig, pittig, kernspreukig, bondig, b. v zulk een schryftrant; — sententio-neeren, nw.lal. beslechten, oordeel vellen; — senlentiondndo, in of liy het beslechten of oonleel vellen; — sententionant, m ,lur. een oordeelveller, beslechter, vonnisspreker; — sententiositeit, f. nw.lat. de gedachten-rykdom, zinrykhcid, hondighold.

Sentiment, n. fr. (spr. saiilimdni van senlir = lat. senlire, voelen, gewaarworden) hel gevoel, gevoelend vermogen, de gewaarwording, die de ziel van de voorwerpen ontvangt door middel van de organen der zinnen of van do zintuigen (onderscheiden van sensatie, die zich slechts tot de zinnen bepaalt, niet bulten bet physische treedt; van perceptie, die tol liet vorstand betrekking heeft), het zedeiyk gevoel; Inz. in plur. sentimenten of fr. sentiments (spr. sanlimdn), gevoelen, oordeel, de meening, gedachte, denkwyze; gevoelens, iiieeningen en de scbrlftelüke uitdrukking daarvan; — con scnliménlo, it. Muz. met gevoel; — sentimenteel, adj. gevoelig, gevoelvol; in minachtenden zin: overdreven, be-lacbeiyk gevoelig; hel sontimenleeie, inde schoone kunsten, Inz. in dc poëzie; hel legen-gesl. van het n a i v e; —sentimentaliteit of sentimonteelhoid, f. Kevoeligheld, over-gevoeilgheid, do geaardheid, liet vermogen van loeder Ie gevoelen, do kcnneiyko neiging en aanleg tol teedere en overspannen gevoelens; in dlchleriyko voorstellingen: hot overwicht van bel subjectieve over hel objectieve, in tegenstelling met naïviteit; — sentimenta-liseeren, overspannen of belacbeiyk gevoelig zyn.

Sentma, lat. of sontine, f. fr. Mar. do durk, vuilnlszyp, bel scheepsrlooi, de beneden-■ ulmtc in het schip, waar zich de onreinheden vergaderen; die onreinheden zeiven; vandaar ook: gepeupel, Janhagel of schuim, uitvaagsel der monschheid.

Sentinólle, f. fr. (spr. saiitméWi van \'t it. senlinella, v. sentim, onderste scheepsruinito, welke de senlinalor, wegens hel Indringende zeewater voortdurend moest bewaken; naderhand van de vloot op bel leger overgedragen) de schildwacht, scbildwacht ie voel (In legenst. mol vedette); senlinelle perdüe, do verloren scbildwacht, die op eene zeer dicht by liet gevaar gelegen plaats Is geposteerd en als verloren mag geacht worden, do uiterste scbild-wacbl.

sema, 11. (spr. sentsa=-■ lat. sine, fr. sons) zonder; sema obb/igo, z. obligo; senza orna-ménle, zonder versieringen; — sema prolésto, Kmt. zonder tegenspraak, zonder protest; — senza repelilione, zonder herlialing; — sema sordini, zonder demper, z. ond. sordo; — sema tempo, Muz. zonder bepaalde tydmaat.

Sëo, m. sp. domkerk.

Sepalum, n. lat. Bot. hot kelkblad.

sopareoren, lal. (separare) afzonderen, schelden, verdoelen; — separaat, adj. lat. (sepunilus, lt;i, urn) afgezonderd, gescheiden, op zichzolven, bgzonder, onderscheiden, li. v. een sopa raa t-vrede, een af/onderlyke vrede, die eene enkele mogendheid mei cene andere sluit zonder deelneming der overige bondgenooten; — separiibel, lal. {separabtlis, e) of separable, fr. adj. scheidbaar, afscheideiyk, oplosbaar, ontknoopbaar, ontbindbaar; — ad separatum verwyzon, Jur. lot eene afzonder-lyko uitvoering of hchandoiing vorwyzen; — separalim, af/.onderiyk, gesciieiden, elk op zichzolven; — separatie (spr. t=ts) f. (lat. se-paratln) of separeering, f. de afzondering, scheiding, oplossing, verdeeling, ontbinding; — scpnralio a thora ct mensa of sep. quoad tho-rum et mensam, de eohlschelding van tafel en bed; sep. quoad vinculum, volledige echtscheiding of ontknooping van den buweiyksband;— separatie-recht, het recht van zekere schuldelschers om liy een concours voor alle andere voldaan te worden; — separatief, adj. afzonderend, sclieidend, sciieiding bewerkend of uitdrukkend; — separatisme, n. nw.lal. de afzonderingsgeest in geloofszaken of de staatkunde; — separatist, m. een afgescheidene, iemand die het separatisme bevordert, inz. ieder, die zich afzondert van het algemeene kerkgeloof, die zich van den godsdienst der heerschendo kerk afzondert en zyn eigen sanionkomsten en godsdienstoefeningen houdt; In Nederland thans dezulken, dlo zloh van de gereformeerde kerk hebben afgezonderd, afgescheidenen; — separatistisch, adj. naar do wyz.e der afgescheidenen; — separatief, adj. later lal. {sepa-rativus, a, um] afzonderend, scheidend, scheiding uildrukkende; — separatorium, n. Chem. oen val (vaas, kolf, trechter, glas) om vochten te scheiden; schelkoif, scheiglas, enz.; ook een lieelmeestcrs-nies, lot afscheiding of afzondering.

Sepedon, f. gr. (scpedön, v. sèpein, bederven, verrollen) Med. het bederf, eene vuile,


-ocr page 1156-

SEPHARD1M

1128

SEPTEM

booze zwoer; — sepedogenësis, Hover sepodonogonosis, r. hel ontstHuti van lic-derf In liet dloriyk llcliaum; — sepedónisch, adj. met bederf gepaard.

Sephardim, pl. holir. de Spanjaarden (naar s\'phirad, naam eener op Spanje toene-pasle, anders onbekende streek, vgl. Obadju, iO).

Sepharieten, m. pl. leden eener molm-medaansche secte, die beweren, dat (lod eene menscbelUke gedaante en llcbameiyko ilooli on-verderfelUke zintuigen beeft; zü beeten ook so pb a t Is.

Sopher, z. v. a. sater (z. aid.).

Sepia ot sopië, f. gr. (sepia) de Inktvlscb, zwarte vlscb, zeekat, ook z. v. a. aepia-inkt, m. bet zwarte bruine sap van den Inktvlscb (vgl. ca 1 mar); — sepla-toekonlngen, teekonlngen met sopla-vert; — sopalieten, pl. eene soort van versteende scbaaldleren.

Sepimént, n. lat. (v. sepire, ombelnon) de ombolnlng.

Seplasiarius, m. later lat. (v. Scplasm, eene straat te Capua, waar zalven verkocht worden; vandaar seplaslum, sell, unguenlum, soplaslscbe zalf) elg. de handelaar In soplaslscho zalf; vandaar vroeger de rondreizende artsenU-verkooper; nu een artsenyverkooper In \'t groot, z. v. a. drogist, z. aid.

seponeeren, lat. (seponSre) Ier zydc leggen ot zetten, verwijderen; — seposïta, n. pl. ter zyde gelegde zaken; — sopositie (spr. -zi-lsie) t. de torzydelegging, atzondering; — seposflum, ter zyde gelegd.

Sepoys, z. slpoys.

Sepsis, t. gr. {sêpsis, van srpein, bederven, verrotten) bot bedert; — septisch, adj. bedervend, bedert ot verrotting bewerkend, doorknagend; vervuild, hedorvcn; — septika, n. pl. Med. bytendc, doorvretende, bedert of verrotting bevorderende middelen; — septikffi-mie, t. bet voorkomen van bedervende stollen In het bloed; — septiksemisch, adj. die ziekte bcireltende ot daarmede behept; —sep-tochymie, t. (gr. chynuis, vloelstot, sap) do neiging dor vochten tot bedert; — septon, n. de heilertstot, rotstot; — soptop^ra, t. (ook septorrhep^ra) de rotkoorts.

Septarïa, t. nw.lat. eene soort van bulsbewoners ot boorwormen-, — septariën-leem, n. een vele soptarlün bevattend zand-vry leem met kalkmorgelnleron.

Septem, lat. zeven-, — septaan-koorts, t. (nw. lat. sept(ina) de zevendaagscbe koorts, eene koorts die om do zeven dagen terugkeert; — septangiilum, n. nw.lat. van \'t lat. septem, zeven, en anqiilus, hoek) een zevenhoek; — septanguiair, adj. zevonboeklg; — sep-tarchie, z. boptareble; — september, m. lat. do hertstmaand, In den ouden rom. kalender do 7de, hij ons do 9de maand; — septembriseeren, tr. (septembriser) sop-temhergruwelen begaan, onschuldlgon met scbul-illgen zonder gerechteiyk vonnis vermoorden (ge-iyk dit op den jden en llden September \\TM in do gevangenissen te 1\'arys goschleddo); — vandaar septembrisdden (tr. seplembrisa-des) moordtooneelen, slaclitingen, gruweldaden te 1\'arys; — septembriseur, in. (spr. -laii-brizéür) een septembermoordenaar, een mede-pllcbtige aan genoemde gruwelen; — sep-tembrist, m. in Portugal een aanhanger dei-grondwet van 1SJ0, eene tractie der llherale party (naar don opstand van (.l September Iftlli zoo genoemd); — septempunctata, I. nw.lat, (Coccinélla seplempunctuta) de zevenpunt, met zeven punten ot stippen getcekende zonnekever, marla-kever, vgl. cocclnella; — septém-vir, m. pl. septemviri, lat. een zevenman, zevenheerscber, medelid eener regeering van ^ mannen; — septemviraat, n. het ambt, de waardigheid van een zevenman, bet zeven-manscbap, bot staatsbeheer door 7 verbonden personen; septemvlraats-tatol, do tatel der zevenmannen, bel hoogste hongaarsche ryks-gestlcbt; — septenanum, n. lat. (van scp-lenartus, a, urn, zevendeeiig) hel zevendeellgo; do zoven sacramenten of hondzegolen der r. kath. Kerk; — septëna, f. lal. (v. seplênus, a, urn, by zevenen) eene zevendaagscbe kloos-terstrat door vasten en geeselen; — septen-nium, n. (van seplem en annus, het Jaar) eenen tyd of lormUn van zeven Jaren , —sep-tennaal, adj. nw.ial. zevenjarig; — sep-tennaat, n. zevenjarig regoerlngstydperk, Inz. de 7Jarlge ambtsduur van den president der tegenwoordige tr. republiek; — aeptenna-liteit, f. do zevenjarige duur, inz. van hel eng. parlement; — septentrio, m. lat. (elg. seplem Iriunes, d i, de zeven ploegossen, benaming der 7 sterren, die liet slerrenboeld van den groolen hoor ot Wagen aan den noordpool uitmaken) bot noorden, de niiddernacht; — septentrionaal, adj. (lat, seplenlrionalis, e), noordeiyk-, — septét, n, nw.lat. (11. sel-téllo) ot tr, septuór, n een muziekstuk,\'uitgevoerd door of gezet voor zeven stemmen ot zeven speeltuigen, een zevenstcnimig muziekstuk; — septidi, tr. z. decade; — sepli-düum, li. nw lat. zevendiiagscho tydottormyn; — s. dupliculum, verdubbelde, d. i, veertien-daagsche termyii; —- septilatëraal, adj. zevonzydig; — seplimus, u, um, lat, do ot bel zevende; — septimus, in, do of bet zevende (b. v. de 7de leerling eener klasse); — sep-tima (sell, classis), f. de 7de schoolklasse; — septime, f. Muz. de 7de toon van een octaaf, de 7de toon van den grondtoon afgerekend; de kleine septime bestaat nil i heeie en i halve lonen-, do grooto septime bestaal uit ü heeie en eene grooto halven toon; de verminderde septime uit :i heeie en \'l grooto halve tonen-, — septliiien-aceoord, n. vierklank, bestaande uil grondtoon, terts, ijulnt en septime-, — septimana, f laler lal. eene week; —• septimanus, in. lal. oen leerling dor zevende klasse of afdeeling; — septiméstrisch, adj, zevenmaandscb-, — septimole of septole, f, Muz. oono llguur


-ocr page 1157-

SKPÏ-ET-LK-VA

1129

SERDAR

van 7 nutcn, ille als i noten van KclUku wuardo zijn to nemen.

Sept-et-le-va, z. pa roll.

septisch, soptika, septopyra, enz. z. onil. sepsis.

Septizomum, n. lat. (v. septem, zeven, en liet ki\'. dzónê, iturdel, fries aan zullen) een Iiüok celiouw van zeven verdiepingen.

Septuaginta, lal. zeventig; vandaar de 70 overzetters, of de grleksche overzetting van liet Oude Testament, die door 72 geloerde Joden te Alexandria (\'200 Jaren vóór Chr nehoorto) op hevel van den egyptlschen koning l\'tolemieus IMiiladelplins werd vervaardigd, ook de a I e-xandrUnsclie versie of vertaling geheeten;

— septuagenanus, in. een zeventiger; zeventigjarige; — soptuagosima, f. of zondag aeptuageslmoo (v. seplmgesmus, a, urn, de of liet zeventigste) de «de zondag vóór paschen; elg. de 70ste dag vóór pasclien, zoo geheeten ter gedachtenis van de zeventigjarige hahylonlsche gevangenschap; daar echter die zondag slechts de lilste dag vóór paschen Is, noemt men hem nauwkeuriger; dominica in sepluagrstma of infra sepluagestmam.

septum, n. lat. (van sepire, omtuinen) Med. de vliezige scheldswand tusschen twee holten; sepia, n. pl. door eene omtuining of eenen muur omsloten plaatsen; — septulum, n. nw. lat. (verklw. van septum) do kleine scheldswand.

Septuor, z. oud. sopte m.

Septiiplum, n. lat. liet zevenvoudige; — septupleeren, nw.lat. verzevenvoudigen.

Sepulcraal, adj. lat. (v. sepuknim, graf, en dil van sepehre, begraven) lol het graf of de begrafenis liehoorend, die aangaande; — sepultuur, f lat. (seputtura) hegraven, begrafenis, beaardlng; — seputtura asinina of cantna, elg. eene ezels- of liondenbegrafenis, lig. eene smadelgke, niet-eeriyke begrafenis; seputtura hnnéstu, eene eervolle of fatsoenlUko begrafenis.

Sequéla, f. lal. (van sequi, volgen) het gevolg, de sloet, tros, legertros; — sequé-len, pl. de gevolgen.

Séquens, m. lat. (van sequi, volgen) af-gek, .«.v/it. of sq., de of het volgende; Muz. vervolg of voortzetting van een mollef In een bepaalden zich herlialenden vorm;; — vivat sequens, do volgende leve! by drinkgelagen der studenten, als men op de rü af drinkt of zingt;

— pl. sequéntes, de volgenden; — soquén-tie (spr. t—ts), f (lal. sequenCfa), de volgorde, reeks, rü; In verscheiden kaartspelen: ry van opeenvolgende kaarten; — soquénza, f. II. mld.lat. (sequenfiu) eene soort van iiiel-iiielriscbe gcesleiyke gezangen In de r. kath. Kerk; — sequitur, lat. daaruit volgt, er volgt uil.

Sequester, in. lat. (in \'l alg. middelpersoon) of sequestrator, m. de heslagopleg-ger, do scheidsman of derde man, die betwiste goederen bewaart; ook wel z. v. a. hulsbewaarder; — sequester, n. (later lat. sequestrum of sequestre) het gerecliteiyk beslag op een goed tot op de ultwyzlng of beslissing der betwiste zaak; Med. bet afgestorven heen, dal in de nieuw gevormde heenmassa nog vastzit; — sequestreoren (later lat, sequestrare) een betwist goed gerechteiyk in beslag nemen en hel aan eenen derde ter bewaring of beheer overgeven; — sequestratie (spr. l=--ts) of sequestreering, f, de heslagiegging, do gerechteiyke overlevering of verzekering van Iels, waarover getwist wordt, in de derde hand.

Soquin, m. fr. (spr. s\'ke/ï) eene sequlne of ze eh I ne (z. aid.).

sequitur, z. ond. sequens.

Sér, z. Se er.

Ser,, hij natuurwetenscliappeiUke benamingen alk. voor N. Seringe (gest. 1858).

Serab, sarab of sirab, n. arah.-perz. (v. \'t arab. saraba, vloeien) de luchtspiegeling, z. lala in o r g a n a en in I r a g e.

Seraf, z. seraph.

Serail, n. fr. (spr. seratj: provenc. ser-rath, It. serraglio, elg. afsiulling, afgesloten plaats, verder voor \'l perz. scraï, palels) of turk.-perz soriiï, bet palels des lurkschen keizers; de woning van een oostersch aanzleniyk heer en zgne vrouwen, waarvan de harem (vrouwen woning) slechts een gedeelte Is; vgi. ssaral; — serails en seraillakena, pi. losgewe-ven halllakens van lijn garen; — seraï-agasi, m. luik. de aga van hel serail, de opziener van liet palels des sultans.

Seraph, m. pl. seraphim, hehr. (van sdrdph, verbranden) vuur- of lichtengelon, boo-gere geesten, engelen mei zes vleugels, seru-f gn en; — Seraph ne, vr.naani; de op een seraph gelijkende, de lichtgevende, edele; — seraphiseh, serafl.jnsch, adj. engelachtig, heeriyk, iioog verheven; — seraphijn-sehe orde of orde dor seraphijnen, de orde der Franclskaner moimlken; — pater seraphfeus, m. nw.lat. de seralische of seralljn-sche vader, oen naam des stichters van de franclskaner-orde.

Serapie, f. lat. en gr. {serapïas) het nles-hlad, nieskruid, eene plant uil de familie der orchideUn.

Serapis, in. eene godheid der oude Egyp-tenaren, het zinnebeeld van den vruchlbtmrheid sclienkcnden Nyl, later ook als Jupiter Serapis in Kalle vereerd; - serapöum, n. lat. (gr. Sarupeinn, Sarapicion) een tempel van Serapis, inz. Ie /Vlexandrie.

Seraskier, heler seriasker en se-rasker, in. lurk. (perz. ser\'asker van ser, hoofd, en het arab. anker, leger) il. I. hoofd des legers, een lurksch krggsoverste, opperveldheer, generalissimus; — seraskeriaat ot soraskieraat, n. de ambieiyke woning van den seraskier, hel gebouw van liet ministerie van oorlog te Constanlinopel.

Sorasse of sarasse, f. eene soort van oostindisch katoen.

Sorbet, z. sorbet.

Serdar, z. sir dar.


-ocr page 1158-

SERPYLLUM

SERENA

H30

Serena, z. ond. Seronus.

Serenade, fr. of serenata, it. f. (van \'tit. sera, fr. soir, uvond, van \'t lat. serus, a, «m, laat) een avond- of nuchtmuzlok, ecu concert van stemmen of speeltuinen, dat des avonds of des nachts onder de vensters van Iemand gegeven wordt.

Serënus en Sorona, lat. {serênus, a, urn, helder, vrooiyk, klaar) mans- en vr.naam: lt;lo heldere, vroolUke; — serine, It. Muz. vroo-lijk, vergenoegd; — serenissimus, m. lat. (superlatief van serênus) als titelwoord voor vorsten: de doorluchtlgste vorst of zyne door-luchtlgheld; — ad Serentssfmum, aan den door-luchtlgsten landheer-, — serenissima, f. do doorluchtlgste, regeerendo vorstin.

Seroschaners of seresstiners, pi. uitgelezen manschap uil leder regiment van de oostenryksche hoven-militaire grenzen, luz. tot gendarme-dienst aldaar bestemd.

sereus, z. oud. serum.

Serge, f. fr. (spr. senj\', It. sarnia, mld. lat. sargia, sargïum, van \'t lat. serieus, a, urn, van zyde; oorspr. eene z.yden stof) eene lichte Kekeperde wollen slof van verschillende soorten en benamingen volgens de plaats, waar zü het eerst werd vervaardigd, b. v. serge de Berry, serge de Home, serge de Nimes.

Sergeant, m. (spr. serzjdnl; fr. serqenl, van \'t lat. serviens, dienend, partlc. v. servïre, dienen; vgl. serveeren) de eerste onderolti-cler hy het voetvolk; — sergeant-majoor, m. de eerste onderofllcler eener compagnio, de opperste wachtmeester in eene vesting; — sergeant at arms, m. eng. (spr. sérdzjént cl arms) de stafdrager in het parlement; — sergeant at law, m. (spr. /d) de pleitbezorger, rechtsgeleerde van den eersten rang; — sergents de ville, pi. (spr. senjin) te 1\'arys, de dienaren of agenten van politie, die eenen degen dragen en op openbare plaatsen de goede orde handhaven, stadsdienders.

Sergi-emini, m. turk. (v. serfff, hel kleed, waarop het te ontvangen geld wordt uitgeteld, en het arab. emin, veilig, zeker, trouw, als subst. bestuurder, opziener) eig, de bestuurder of opziener van het betaalkleed; de schatmeester der vloot; — sergi-naziri, m. de controleur van de ontvangsten en uitgaven der schatkist.

Serhadd-aga, m. turk. (van \'I perz. ser-hadd, grens, grensvesting, en aga, z. aid.) bevelhebber eener vesting, vestingcommandant.

Seria, z. ond. ser lus.

seticius, a, urn, lat. Bot. zydeaebtig; — serieus, a, um. lat. Hot. z.yde of iluweelaclilig; — sericultuur, f. fr. (séricullure) de zydciteelt.

Series, f. lat. ook série, fr. de reeks, ry, getallenreeks; — series negoCti, do gesteldheid van den ganscben handel; — series rerum ge-starum, de Inlioud der gebeurde zaken; in una serie, In i\'ene reeks, onafgebroken.

serieus, z. ond. sertus.

Serinótte, f. fr. (van serin, sysje, kanarievogel) een klein draaiorgel tot africhting der kanarievogels en andere zangvogels, het vogel-orgeltje.

Sering, afk. z, Ser.

serïus, a, um, lat. ernstig; — seria, pi. lat. (van sertus, a, um. ernstig) ernstige dingen;— sério, serióso, it. Muz. ernstig, statig, afgemeten, nadrukkeiyk; — serieus, adj. (fr. séricux), ernstig, deftig, statig, gewichtig; — sérieuse-menl, adv. fr. (spr. serieuz\'mdii) ernstig, in ernst, zonder gekheid, welgemeend.

Sermoen, n. (van \'t lat. sérmo; fr. sermon) eene rede, redevoering, voordracht, preek, inz. eene langwyilge, droge redevoering, predikatie; — sermoeinatie (spr. t=ts) f. lat. {sermorinalio, v. sermocinuri, redevoeren) het spreken, gesprek; de rede-Invoering, eene log. iigunr, volgens welke iemand sprekend wordt ingevoerd; — sermologmm, n. nw.lat. eene verzameling van preeken.

sero, lat. (adv, van serus, n, um) laat; — sprw. sero saiiiunt Phrygcs of Trojdni, de Phry-glürs (of Trojanen) worden (te) laat wys; sero veniénhbus ossa, den te laat komenden (belioo-ren) de beenderen, d. 1. wie Ie laat komt, krygt niels of het slechtste; — serotinus, a, um, lat. Bot. laat.

Serokowoi, z. sarokawoi; — sereus, z. ond. serum.

Serons, pl. (fr. serrons) seroen, portu-geesche benaming der balen, waarin spoceryen en drogeryen naar elders verzonden worden z. s u r o n s.

Serositeit, f. z. ond. serum.

Serpent, n. f. fr. (spr. serpdii) ook als nederl. —pént, elg. de slang = lat. serpens, van serpëre, kruipen, sluipen) een slangvormig gekromd blaasinstrument by de veldmuziek, de slang-basbazuin; — serpentarms, m. nw. lat. de slangondrager, ais sterrenbeeld; ook een valkensoort; — serpenteeren (fr. serpen-ter), kronkelen, slingeren, slangsgewys bewegen of voortloopen; - serpentist, m. die bet serpent blaast, de slanghoornblazer; — ser-pentijn, f. een oud stuk geschut, dat iiponders schoot, eene veldslang; — serpentijn of serpentijnsteen, n. (van \'t lat. serpen-tinus, a, um, slangachtig) gr ophiet, de slangsteen, een zwartgroene, slangachtig gevlekte talksteen, die lot allerlei vaatwerk wordt gedraaid ; — serpentinisehe verzen, slangverzen, d. z. zulke verzen, die met hetzelfde woord eindigen, waarmede zy beginnen; -- ser-pentósen, pi. (v. it. serpenlóso, vol slangen) eene soort van zwermpotten voor vuurwerk.

Serpigo, f. nw.lat. (van \'t lat. serpSre, kruipen, zich uitbreiden) Med. de kruipende ringworm, haarworm; — serpigeneus, adj. daarmede behept of daarnaar geiykende; — ser-pulieten, m. pl. (van \'t lat. serpüla, kleine slang) eene soort van versteende dierplanten.

Serpyllum, n. lat. (gr. Itérpyllon, fr. ser-polet) de veldthym, veldkomyn, kwendel, onze-lieve-vrouwen-bedstroo.


-ocr page 1159-

SESQUIOXYDE

SERRA

1131

Serra, t. port. z. v. a. sierra z. aid.

Sermtüla, t. lat. (elg. kleine zaag, van serra, du zaag) liet schaarkruld, slkkelkrulü, groot wild duizendblad, eene tuinplant van ver-schlllendo soorten; — serralm, u, urn, lat. Bot. gezaagd, zaagtandlg; — serralifolim, a, urn, lat. Bot. gczaagdbladerlg; — serrulatus, a, urn, tut. Bot. fljngezaagd, met kleine zaagtanden.

Serrons, pl. fr. z. serons.

Sertoës, pl. port. (van den slng. serlcio, liet binnenste van een onbebouwd land) ullge-strekte beuvellge stoppen en grasvlakten In Brazilië.

Sertularïa, f. nw.lat. (v. sertiïlum, ver-klw. v, sertum, krans, ruiker) eene soort van koraal of zeewier, do blaaskoraal, oen koraalachtig vvonnengeslacbt; — serlulalus, a, urn, Bot. op een bloemruiker gelijkende.

Serum, n. lat. waterige vloeistof, wel; — scrum laclis, n. wel, kaaswei; s. I. facliClum, kunstmatige wel tol artsenygebrulk; s, l.dulce, zoete wel; serum sanguinis, bet bloedwater, waterige deel des bloods-, — serous, adj. nw.lat. (fr. séreux) waterig, watoracbtlg, bloed-waterig, naar bet bloedwater gelijkende; — serositeit, f. wateracbtlgo gesteldheid.

Serval, m. mgorkat (/•W/s capensis).

Servant, adj. fr. (spr. serwdnv. servir, dienen) dienend, den dienst hebbende; — sor-vante, f. fr. (spr. serwaiil\') eene dienares, dienstmaagd, dionstbode, meld (In Frankrijk is bet woord voor vrouwelijke bediende verouderd; men zegt liever dotnestique); ook een stel voor koppen, borden, enz., een dien- of aan-rlchtlafeltjc; — sorvanten, pl. bedienden;

— servants d\'armes, w a pen-so r vanten of serviënten, in do orde van Malta degenen, welke de llde klasse der leden uitmaakten.

Servatus, in. lal. (van senure, waarnomen, hoeden, behoeden) een beboudene, geredde;

— servata, f, de beboudene; — Servatius (spr. t=ls) of Servasius, nvv. lat. mansn.: de behouder; — Servatïa, f. de behoudster, redster; — sörvatitmm (spr —tilsi—) n. het behoudlngs- of reddingsioon, bergloon voor gestrande goederen.

Servolaatworst, z. c e r v e 1 a a t w o r s t.

Servet, n. van het fr. serviel Ie, z. aid.

Servetisten, m. pl. leden eener secte, gesticht In de Hide eeuw door den Spanjaard Michel Servet us, die In 1553 te Geneve op aandrijving van CalvUn werd verbrand; zü loo-chenden de drlciienbeld en beweerden, dat do mensch zalig kan worden, zonder gedoopt te zyn.

Service, f. fr. (spr. serwiés -, van \'I lat. serviiïum] de diensi, bediening, dienstlielooning, hot dienstbewijs; n. een stel tafelgoed, het lig «Ikandcr beboorendo vaatwerk, waarvan men zich bedient om te eten, om Ibee to drinken, servies, theeservies; Mil. alles, wat de huisheer den bij hem ingelegerden (ingo-kvvartierden) soldaten beeft te geven; ook z. v. a. service-gelden, iniegcrlngsgeiden der

Imrgers tot verpleging der soldaten; — ser-vidümbre, f. sp. (spr. w=oe, elg. de dienst, bediening, bedienden) bel uil granden bestaande konlnklgk gevolg in Spanje.

serviel of servilisch, adj. (lat. senilis, e, van servus, slaaf) slaafsch, laag, kruipend, slaafachtig; al te letleriyk, le getrouw (vertaald); — de sorvielon, als polltieko party z. v. a. absolutisten; — servilis-me, n. en serviliteit, f. nw.lat. doslaafsch-iieid, kruipory, laaghartigheid; ook z. v. a. absolutisme.

Servieten, z. oud. senir.

Serviétte, f. fr. (v. servir, dienen, bedienen, enz.) ile vinger- of monddoek, betservet.

Serving, f. (van \'l eng. lo serve, bewaren, beschuiten) eene van strengen gevlochten bekleeding.

servir, fr. (van \'l lat. serv/re) dienen; bedienen (de tafel), aanrichten, opdlsscben, de spy-zen opdragen, enz.; — serviteur, ni. fr. do dienaar, bediende; de bulging (vgi. c o nip lime nt); — servieten, m. pl. nw.hil. dienaars der heil. maagd Maria, monniken van eene in Ha;i le Florence gesllchle orde, die tol de bedelorden behoort; — servitmm (spr. /=ls) n. lal. dlenslbaarlield, slaverny; — pl. ser-vitia, heerendiensten, vroondiensten, leendiensten; — servitors, pl. eng. (sjir. sérwi-ters) arme studenten op de eng. Uoogoscliolen;

— servituut, n. (lal. servitus, f.) de dienstbaarheid; zakeiyk recht op hel eigendom van een ander; dwang, dwangpilcht, het verband, de gehoudonhcld, bet bezwaar, de last, dien de bezitter van eentg goed zich moet laten welgevallen, b. v. iloorgang door zyn buis of z.ynea tuin, enz., erfdienstbaarheid; servitus aquuedüclus, hel recht van waterleiding; s. aquaehauslus, liet recht op eens anders nabu-rlgen grond water te scheppen; s. juris pas-eéndi, hel weide- en dryfrecht; s. prospédus, bel recht van vry (onbebouwd) uilzlcbt; s. siil-licidii, het recht van waterdrup; s. viae, bel recht van overpad.

servus, m. (pi. seni) de dienaar, knecht; — servus observanlissïmus, onder brieven afgekort S. O., gehoorzaamste dienaar; — servus ser-vorum Dei, een dienaar der dienaren Gods, knecht van Gods knechten (bynaam van den paus);

— servum pecus, lat. de slanfsche kuilde (inz. van navolgers, lellerdiev\'en, hovelingen, enz.).

Sesam, f. (gr. scsümon, lat. sesamumi arab. simsim), ook kunscliut, m. de viasdotter, egyptlsch oliezaad, een oosterscb peulgewas, alt welks zaden de zeer heldere en zoete sesamolie geperst wordt; -- sesambeentjes (lal. ossa sesamoïdüa), kleine beentjes in de pozen der gewrlchtslreken, die de beweging gemak-keiyk maken.

Sesquioxyde en sesquioxydul, n. (van sesqui, anderhalf; vgl. oxyde) oxyilalie-graden, die op de gelyke hoeveelbeid van bet radicaal anderhalf maal zooveel zuurstof als hel oxyde of oxydul bevatten; — sosquipodaal.


-ocr page 1160-

SEXTUS

1132

SESSIE

adj. lal. (sesquipedtilis, e, v. sesqui, anderhalf, en lies, voel) elg. anderhalf voel lang; «eer lang, ellenlang, langdruvend (van woorden go-lirulkoiyk; lal. sesquipedatfa verba).

Sessie, f, lui. (sosjTo, v. sedire, zitten) do zilllng, Inz. rechlszllllng; ook ziltingslljd; in Schotland een hoog gericht; sessie-dag, zittingsdag, enz.; cum cessióne el nota, mol zitting en slem.

tessilïs, lat. Itot. zittend, ongesteeld; — ses-sifolius, u, urn, lal. Bot. ongesteeld, steelluo».

Soster, m. opperduitscli (van \'t lat. sexlti-rïtts, sp. sextario, 11. sesliere, provenc. seslier, fr. setier, z. aid.) eene voormalige maal voor droge voorwerpen (in den lilzas = 4 quart) en voor natte waren (In Zwitserland = f kan).

Sestértie (spr. tie=tsie) f. lal {.leslerCtus, sell, nummus, v. seslerlius, a, um, derdehalf, v. semis, half, en lertïus, de derde) eene ond-rom. zilvermunt = 4J as, liet vierde deel van een denarius ongeveer li ct. in waarde; ook sestertium, pi. sostertïa, eene rekenmunt van toon sestertiën, omtrent 00 gl.

seslello, z. sextet.

Sestine, f. it. (seslina) eene by do Pro-vencalen ontstane door Dan. Arnaud liet eerst gelirnikte soort van Hal. en spaanschon diclit-vorm, die uit lgt; strophon bestaat, leder van 0 regels, met zeer kunstige dooroenvlechllng van hel rljiii.

Setacëum, n. pi. aetacoa, nw.lat. (van \'l lat. sela, styf haar, borstel) een borsloltller; Med. een haarsnoer.

Seth, m. behr. {sjêth, eig. het achtcrdeel, de sluit; het zltbeen, v. sjoelh, zetten) mansn.: de vergoeding, of liever de spruit, loot; — sethieten, pi. de nakomelingen van Sutli; ook eene varilelt der gnostlselio opliielenscctc.

Setier, in. fr. (spr. se-ljé -, van \'l lat. sex-lanus: vgi. sester) eene oude fransche en nederl. graanmaat van zeer versebillende grootte; eene wijnmaat, ook veile genoemd = ^ touilletle = 4 pots of 8 pinten.

Sétnik, m. poolscb (van slo, pi. sla, geuit. sel, honderd) de hoofdman, kapitein; vgi. sol ni k.

Soton, m. fr. (spr. s\'lón) Chir. oen haarsnoer, zijden snoer, dal men door hel celweefsel haalt, om vochten af te lelden.

selosus, a, um, lat. Hot. borstelig.

Setter, m. eng. patrgshond.

seu of sive, afgek. s. lal. of.

seveer, lat. (seuents, a, um, fr. sévère) ernstig, streng, gestreng, hard, sluurscli, ruw, onverbiddelijk; — Severianen, m. pi. aanhangers eener gnostische socio, In de 14de eeuw door Severus gestlciit, die leerde, dal de wereld bel werk van allerlei machten was, dat de slang den wynstok had voortgebracht en men alzno geen wyn moest drinken, dal hol tiuweiyk ongeoorloofd is en er geene opstanding beslaat; — Sevennus, m. nw.lat. mansn.: do ernstige; ook eene munt, z, v. a. soevo-reln; — severitéit, f. (lal. severllas) de ernst, ernstiglield, gestrengheid, scherpheid, hardheid.

Sevek, m. z. v. a. se bak.

Severambte, n. soort van voortreileiyk land, een Utopia (z. aid.), een land, dal met du zoo volmaakt mogviyke staatsinrichting bedeeld is.

Severianen, Severinus, severi-teit, z. ond. seveer.

Sévigné, f. fr. (spr. sewi-njé) eene soort van kleinood, baakspeld, door vrouwen voor de borst gedragen, dus gebeelen naar mevrouw van Sévigné, eene beroemde fransche scbryt-ster der ndo eeuw.

Sèvres-porselein, of by verk. sèvres (spr. söwr\') ii. beroemd porselein uit de fabriek in de fr. stad Sèvres.

Sevum, n. lat. bet smout, de talk; seüum bovmum, rundertalk; s. cervinum, hertenlalk; s. hircinum, bokslalk; s. nvinum, schapcntalk.

Sewer, m. eng. (spr. sjne-ër) een riool, afvoerkanaal; — sewage system, n. (spr. sjoewidzj) bot spoelstelsel voor den afvoer van faecallên.

Sewings, pi. eng. (siir. sjoe-ings) naaigarens.

sex, lat. zes; — sexaginla, zestig; sexagênl, by zestigen; — sexagenarius, m. een zos-tigjarige; — sexagosïma, f. (spr. s=z,- v. sexagesimus, u, um, de of hel zestigste), of zondag-soxagosïmiB (ook dominïra in sexagesma of infra sexugesimain), do 8ste zondag voor pascben (vgi. sepl uagesima); — sexagesimale verdeeling, de verdeeling van een geheel In 00 doelen, li. v. van den graad en hel uur In UO minuten, van do minuut In 00 seconden, enz.; — sexagesimale rekening, de rekening met sexagesimale breuken, d. i. zulke breuken, welker noemer, tio, «oo, enz. Is; — sexa-goon, m. lat.-gr. liever hexagoon, z. aid.;

— sexangülum, n. lal. (van sex, zes, en angiitus, hoek) een zeshoek; — sexangu-lair of sexangulürisch, adj. nw.lat. zeshoekig; — sexennium, n. lal. (v. annus. Jaar) een zestal Jaren, eene tydruimte van (v Jaren.

sextus, a, um, de of hel zesde; contra sex-lum (sell, mandatum of praeceptum) peccee-ren, lal. logen bel zesde gebod zondigen; — sextus, m. de zesde (h. v. leerling oener klasse);

— sexta, f. (sell, classis), de zesde schoolklasse; — sexte, f. Muz. de zesde toon van de toonladder; in liet kaartspel; zes opeenvolgende kaarten van éene kleur; — sextiinus, m. nw.lat. oen leerling der 6de klasse; — sextant, f. (lal. séxlans), een aslronomiscli werktuig, dat hel zesde deel eens cirkels of (in graden omvat; — sextarius, m. eene oud-rom. maal voor vloeistotren In droge dingen, = J conglus of omtrent } liter; —sex-tét, nw.lat. of sestélto, n. II. of sextuor, n, fr. eon zesspel, zesstemmig muziekstuk; — sextidi, fr. z. decade; — soxtillioon.


-ocr page 1161-

SHODDY

SEXUS

n. mllliocn quinllllonnoti; — soxtilis (scil. mensi.v), m. de zesde maand, van Maart atue-rekend, ile oud-rojii. bonamlnK van do maand Augustus; — sextólo, f. nw.lat. Muz. eene groep van 8 tonen, die Kelüke tijdswaarde als 4 van Imn teekea hebben; — SOXtuplum, n. het zesvoudige; — soxtupleeren, verzesvoudigen.

Sexus, in. lat. het geslacht, natuurgeslacht, do kunne, sekso; — sexuaal, nw.lat. or sexuoel (fr. sexuel) adj. het aatunrlgke ge-slacht heteokenond en hetrefTend; — sexuaal-systoom, n. do rangschikking or vordeellng der planton volgons hare goslachtsdeelen (van i, 1 n lueus); — sexualist, m. een aanhanger van hot sexuaal-systoem of volger van de plan-tonrangschlkklng van Llnnaius; — sexuali-teit, f. het geslachtsleven.

Seybani, m. pl. oene soort van turkscho soldaten, die met onze dragonders overeenkomen.

Seym of semj, m. poolsch: do (poolsche) ryksdag.

Seys, pl. oene soort van heilige lieden In l\'crz.10, die zich onder andere nimmer met oene leugen hozoodelcn, geen hond aanraken, geen wlln drinken of hulton hun geslacht trouwen.

Sfeer, sfinx, enz. z. sph—.

sforzando of sfnnalo. It. (spr. forts—, van sforzare = fr. c/forrer, Inspannen) Muz. versterkt, slerker, trapsgewijs en als onmerkhaar van hel plano tot het forle overgaande, hy verkorting uitgedrukt door sforz. en sf.

sfumdlo. It. (spr. sfoe—, van sfumare, verdampen, vervliegen) Plet. als omneveld, met on-hepaalde omtrekken geschilderd.

Sgontsjik, russ. (v. sgimidlj, samendrijven, gonirilj, dryven) de ossendryver.

Sgraffito, m. II. (vgl. schraffeeren) gokrnhd schilderwerk op natte kalk of gips.

Sguardio, m. 11. (spr. «=oc; v. sguardare, aansehouwen, heschouwcn) hel hoogste ridder-gerechlshof dor Maltezer orde, waaraan zelfs de grootmeester onderworpen was.

Shakers, in. pl. eng. (spr. sjéekers; van shake, schudden, sidderen; vgl. quaker) sid-deraars, eene kwakorsecte in de Voreonigde Staten ; — shake-hands, n. (spr. sheek-hénds) het handschudden (als hegrociing).

Shakespeare-galerij of shake-speare-litteratuur, f. enz. (spr. shékspier) kunstwerken, gesehrlfton enz., die op den glooien ongelschen dichter VV. Shakespeare (goh. IStli, gcst. IHKi) holrekkinghehhon; — shako-spoaromaan, m Iemand, die dweept met dezen dichter, hartstochleiyk vereerder van Shakespeare; — shakespearomanie, f. dwepory met Shakespeare.

Shampooing, f. cng.-ind. hy kappers: hel wasschen en inwryven van liet iioofd met eene op zeep geiykende vloeistof tor reiniging van het haar.

Shanty, m. eng. (spr. sjénli: van shanlu, janly, wild, vluchtig, ilciitzinnig) eene soort van hul of idokhuis dor N.Amerikaanscho achter-woudwoners.

Share, f. (spr. sjeer) hel aandeel, do actie.

Sharper, m. eng. (spr. sjdrper) een listig bedrieger, spilshoef, zakkenrolder in Engeland.

Shawl, f. eng. (spr. sjaal: van \'t perz. sjdl, fr. cbdle, nederi. gew. sjaal) eig. de fijnste wollen slof, In hel Oosten uil de wol van eene in Tibet thuis behoorende geitensoort vervaardigd; verder oen in Kasjemir daaruit vervaardigd doek (Ka sj em 1 r-sha w 1 of turksche shawl), en In \'l alg. een manteldoek, grooto omslagdoek der vrouwen; — longshawl, f. (fr. rhdle lonii) ecu lange, grooto omslagdoek.

Shea-boter, f. (spr. sjic—) ook p 1 a n t e n-talk of neger vel, eene voltige zelfslandig-heid, gewonnen uil de nootachtige vruchtkernen van den westafrlkaanschen boom llassia Parrii.

Shoep, n. eng. (spr. sjiep) hel schaap; — shepherd, m. (spr. sjépperd) sciiaapiierdor

Sheetings, pi eng. (spr. sjie—) linnen voor tyken of i)eddelakens.

Sheriff, m. eng. (spr. sjérrif, van \'l angels. scir-gerefa, scire-gerefa, van scir, scire, eng. shire, landschap, en i/erefa, eng. reeve = g r a a f, lt;1. 1. bestuurder, voogd, een landrechter in Kn-geiand, de opperaml)lenaar van een graafschap (shire), die de scbattingon, boelen en andore golden aan de regeering moet leveren, de gezworenen moot kiezen enz.; z. ook sjerif.

Sherry, m. eng. (spr. sjérri) de Xeros-wyn, Xeres-sec (van de stad Xeros in Andu-luzic).

Shilling, m. eng. schelling (z. aid.)

Shinners, pl. (spr. sh—sj, v. shin, scheen, scheenbeen, to shin, zich aan \'t schoenbeen stoeien) kooplieden in IN.Amerika, die van den cenon bekende naar den andoren loopen, om geld Ie Iconen, heizy dan uil verlegenheid of wel uil bedrlegiyke winzucht; — shinning, f. het Iconen op die wyzo.

Ship, n. eng. (spr. sjip) liet schip; — ship-chandler, m. (spr. —tsjéndter) kleinhandelaar in scheopsbohoeflen; ship-owner, m. (si)r. —óóne.r) sciioopsoigonaar, reeder; — shipping, f. de scheepvaart.

Shire, m. eng. (spr. sjicr: angels, scir, scire, van sceran — scheren, snydon, verdoelen) een engoisch graafschap, landschap.

Shirting, n, eng. (spr. sjur—; v. shirt, hel hemd) oorspr. eene soort van linnen voor hemden, Ibans mooslai lljne katoenen stof voor hetzelfde doel.

shocking, eng. (spr. sh=sj) schokkend; annstootoiyk, ergeriyk.

Shoddy of shuddy, n. eng. (spr. sA= sj en j/=i) de grove lompenwol, wol uit afval, kunst wol, die door scheuren der lompen uil ongevolde, geweven en gebreide wollen stoffen wordi vervaardigd, verschillend van inungo (z aid.); ook de daaruit bereide slof; ook oneig. een naar bel uiioriyk beschaafd, maar karakterloos mensch, windbuil.


-ocr page 1162-

SICILIAAN

SHOP

1434

Shop, f. ong. (spr. sjop) ccn winkel; — shopkeeper, m. (spr. ee=ie) wlnkoller; — shopping (ens. tn go a shopping) In alio wlnkols I(ki[i(im, do wiiron omhulon, naar don prUs van allerlei voorwerpen vragen en niets koopen (eeno onliclilielUkheld der voorname vrouwen to Londen, New-York enz.)

short, iidj. eng. (spr. sjort) korl; — shorthand (spr. —hend), short-writing (spr. —railing) korlschrill, ste n ograph Ie (z. aid.); — short-whist, soort van whistspel.

Shot, ii. eng. (spr. sjot) het schot, het projectiel.

Shout, m. eiift. (spr. sh=sj) hot vreugdegejuich, gejulicl, lioezeGgorocp.

Show, f. eng. (spr. sjoo) de vertooning, de praal; Inz. de optocht van den lord-mayor; — show-room (spr. —roem) plaats, waar waren geëtaleerd zyn.

Shrapnels, pl. eng. (spr. sjrépnels) eene soort van granaten, die hij do losbarsting eene menigte geweerkogels met alverdelgcnd geweld verspreiden (zoo geheeten naar den uitvinder, den In 1842 overleden engolschon artillerie-overste Shrapnel).

Shrimps, pl. eng. zeogarnalen.

Shrub, m. eng. (spr. sjrub) ecu eng. drank van hrandewljn, citroen- of sinaasappelsap en suiker.

Shuddy, z. shoddy.

Siachbandar, in. perz. de ontvanger der lu- en ultgnando rcchlcn In PerzIS, eene soort van genoraal-pachtcr.

Siagonfigra, n. gr. (van slagon, kinnebak) Med. lie jlchl In lie klnnehakken, jichtige aandoening In het gewricht der onderkaak.

Siaka, siako, z. xaca, xaco.

Sialagöga, pl. gr. (van sialon, speeksel) Med. middelen, die de afscheiding van het speeksel bevorderen; — sialagogisch, adj. speek-solafscheldend; — sialisme, n. ook sialor-rhCBa, f. lt;le speekselvloed, kwyivloed, z. v. a. p t y a I i s m e; — sialóchus, m. die eenen speekselvloed heeft; — sialologie, f. de leer van het speeksol; —sialolögisch, adj. tot die leer behoorendo;—sialoschesis, f. do onderdrukking dor speekselafscheiding; — sia-losyrinx, f. eene gpoeksel-pUpzweer, speek-sel-tistel; eene mondspull; — sialosemiG, f. speekselverlies.

Siamet, n. turk. (van \'t arab. sadmat, adel, groot erfdeel) een krUgsleen, dat 20,000 aspers eu meer opbrengt; vgl. timar.

Siamoise, f. fr. (spr. —modi\') eene stof, uit zijde en katoen gemengd, oorspronkeiyk uit Slam.

Siüni, m. eeno rekenmunt te Aleppo, waarvan -ii stuks een turk. piaster doen.

Sibar, m. helir. de Ode burgerlijke en de ;iile kerkelijke maand der Joden.

Sibbons of siwons, u. eng. (v. celt.-giDl. sub hag, frnmboos, wegens het voorkomen van de zweer) een soort vau vonerlsche ziekte In tiet schotseho hoogland.

Siberiénne, f. fr. eeno naar het kalmuk

gelijkende siof voor winterjassen.

Siberiet, n. roode edele schorl uit Si-berie.

Sibïlus, m. lat. bet sissen, gesis, fluiten, schuifelen, piepen, sgfelen; — sibilant, m. (van sibitare) Gram. sisklank, sis- of llulttoon, b. v. s, f: sibilatie (spr. l=ls) (. of si-bilisme, n. uw.lat. z. v. a. syrlgmus.

sibiricus, a, «m, lat. Hot. slberisch, uit Sl-beric afkomstig.

Sibylle, f. gr. {Sibylla, naar men wil va» het dorisehe Sids bóla = Diós bulc, d. I. liet raadsbesluit van Zeus-, derhalve: do door/eus Ingeblazen, lat. Siliylla) van do Ouden eeno door de godheid aangedreven vrouw, eene waarzegster, profetos, verkondigster des goddeiy-ken wils; iron, voor; een oud wijf, eene oude heks; — sibyllijnsch, adj. waarzeggend, voorspellend; de sIhy11 (jnsche boekon, in bet oude Rome: drie boeken met oude voorspellingen, welke door de sibylle van Cuniagt; aan koning Tarqulnius den Trotschen werden verkocht, en dio men iu bodenkeHjko omstandigheden van staatswege raadpleegde; slhyi-lynsche orakels, pl. iu ehrlsteiyken tyd door heidenen, joden en ook christenen tegen het heldendom opgestelde voorspellingen; — sibyllist, in. benaming van zulke christenen, die in de sihyliynsche boeken profetlön betreffende J. C. meenden Ie vinden.

sic/ lat. zoo! alzoo! aldus! dus staat er woordelijk I el! (gew. In recension by uitdrukkingen, die men daardoor als gebrekkig wit kenmerken).

Sicambren, z. Sigambren.

Sicamor, m. fr. In de wapenkunde: de hoepel.

Sicarius, m. lat. (v. sicu, dolk) of si-caire, fr. de sluipmoordenaar, bandiet.

skcanCta, n. pl. lat. (van siccSre, drogen, «ic-cits, a, urn, droog) Med. opdrogende geneesmiddelen; — siccatief, adj. (siccativus) opdrogend ; — siccatief, n. een opdrogend middel uit loodsuiker, lynolievernis en terpentyii-olle by olieverven en lakken; — siccatif zuma-tiqiie, n. (spr. sumatiik) loodwit niet hoorzuur mangaan-oxydul.

Sicca-ropij, z. sik ka.

Sicchasie, f. gr. (sikchasia, van sikchd-dzcin, walgen) Mod. de walg, afkeer.

Sicëra, f. lat. (gr. sikera, n. helir. sjtkAr) een hedwelmeude drank liy do Hebreen, sjerbet.

sic éunt fata /lomïnum, zoo gaan do mon-seboiyke zaken of lotgevallen.

Siciliaan, Siciliër (It. Sicitidno) bewoner van bet groote eiland Sicilië In de Mid-delhindsche zee; — siciliane of fr. sici-liénne, f. de siclliaanscbo berderdans; de wys en tydmaat daarvan; alla Sicilidna, II. (spr. sitsji—) op z.yn siciilaansch, In sicliiaan-scbo kleoderdracht; naar de wyze van den si-ciliannscben herdorsdans; — siciliaansche vesper, de moord op Sicilië, in de April-


-ocr page 1163-

SICILIMÉNT

SlftSTA

i 135

muand van liHi uan 1-200 Franschon of Franco-Normandlërs geploegd, en tol welkon de ves-|)er-klokken op Paaschmaandag 110 Maart het sein gaven.

Sicilimént, n. lat. (siciliménlum, van xi-cilire, met de sikkel [sialis] afsnyden) de tweede snede, het gras, dat na de eerste maaling wordt afgesneden, de nalezing.

Siclnnis-dans, m. (gr. sikinnis, lat. si-cinmum) een aan \'t satyr-drama eigen dans; — sicinnist, m. (gr. sikinnisUs, lat. sicinnista) oen gobarendanser.

sic Uur ad aslra, i. ast rum;—sic transit gloria mundi, z. gloria;—sic volo, sicjubdo, z. volo.

Sicyëdon, n. (gr. sikyedón, d, 1. eig pompoenachtig, inz. wanneer liy eene heenderhreuk het heen glad zonder splinters breekt, v. si-kija, pompoen, kalabas) de dwarsbreuk van een been, z. v. a. kuuledon.

Sida, r. nw.lat. (v. gr. side, dat echter een granaat en een soort waterplant is) de lluweel-maliiwe (Sida abulilon).

Side, f. eng. (spr. said\') de zydo; vgl. outside, ond. out.

Sidera, liever sidrah, r. (hebr. seder, rahi). sidrdh, ry, rangschikking; afdeeiing, van sddar, rangschikken, afdoolen) eene tekslafdee-ling in den hebreeuwschon byhel.

sideraal, adj. lat sideralis, e) of siderisch (van sidus, m genit. sidiris, pi. sidera, gesternten) de gesternten betrelfende, tot de sterren behoorende of door baar bepaald; siderisch Jaar, het sterrejaar, do tyd van den schynharen omloop dor zon van eeno vaste ster af gerekend, totdat zy weer hy deze komt; — siderische maand,sterremaand, omloops-tyd der maan met opzicht tot den tyd, binnen welken zy baren omloop van de eene vaste ster af gerekend tot aan dozeifdo vaste ster volbrengl, n. I. il dagen 7 uren en i;i minuten, welke ovenwei door de dubbele beweging der maan (omdat zy ook do aarde om de zon volgt) met 2» uur vermeerderd wordt; vgl. s y-nodischo maand; — sideraal-licht of hydroöxygoon-gaslicht, het knalgas-licht, een door Heale te Londen uitgevonden nieuwe verlichting; — sideraal magne-tlsmo, n. de magnetische invloed der sterren op zieken; — sidera tie (spr. I=ls) f. (lat. sideralio) do stand der sterren; Astrol. de (gewaande) invloed van den sterronstaad op liet leven enz. van eeiien menscli; Med de beroerte, plotselinge verlamming, het volkomen afsterven van oen lid of bet koudvuur (eig, een door do gesternten veroorzaakte ziekte); — si-derisme, n. t) nw.lat. de leer van den invloed der sterren, bot geloof daaraan.

Siderisme, n. i) gr (van \'I gr. sidcros, yzer) eene eigen magnetische behandeling der ziekten door middel van oen geleidend vat, waarin Uzer en andere stolfon /.yn, eene soort van dier-lyk magnetisme; — sideriet, n. een door phosphorzuur yzer blauw geverfd kwarts, saf-flerkwarts; eene met hel blauwspaalli (lazu-lltb) verwante delfstof, die phosphorzuur yzer bevat, soms ook ruwe zeilsteen geheoton, moorasorts, natuuriyk beriynsch blauw, blauwe yzeranrdo; — siderocalciet, n. gr.-iat. yzer-kalk, hruinkalk; — siderodéndron, n. gr. yzerboom, oen moekrapaciitig gewas van Martinique, enz.; — siderographie, f. do kunst om op yzer of staal Ie gravooren, de staalgravure ; — sidorograaf, m. een staalgraveur; — siderokoniet, n. oen uit koolzure kalk en yzcroxydebydraat bestaand mineraal; — si-dorolith, m. eig. yzersteen, eene uit steen-stof gebrande massa voor vaatwerk; — side— romantïe (s|ir. 1=1.1] f. de waarzeggerij door middel van een gloeiend yzer, of door waarneming van de wyze, waarop stroobalinen daarop verbranden en hunne vonken afgeven, de von-kenwaarzeggory; de vuurproef door middel van gloeiend yzer; — sidoroskoop, in. de yzer-wjjzer, een door Baiilif uilgevonden, door Bec-quorel en Salgey gewyzigd werktuig, dat in licbainen, die er bg gebracht worden, de kleinste sporen van yzer aantoont; — sidero-techniek of siderurgio, f. de kunst om bet yzer te bewerken, de yzerbuttonkunde; — siderox^lon, n. yzerbout, naam van eenigo zeer harde boutsoorten; onelg iets legenstry-digs, iets, dat zich zelve tegenspreekt.

Sidi, m. arab. {sajjid; nw. arab. sejid.seïd, vgl. seide) heer, als titel van stamhoofden, vorsten, stadhouders enz.

si Olis iilacet, z. ond. Deus.

Sidonia, f hebr. (naar de stad Sidon, hebr. Zldón, il. 1. eig. vischvangst, van zoed, vangen, jagen) vr.naam; de visschores, jageres.

Sidrah, z. sidera.

Sieb., by naiuunvetenschappeiyko benamingen atk, voor F. von Siebold (gest. 18(10).

Sief, n. arab. (niisvonnd uil schijaf) een droog oogmiddel, oogzalf.

Siècle, 111. fr. (spr. sièkl\'; v. lat, saeculum) de eeuw; ook als naam van couranten.

Siöge, m. fr, (spr. sièzj\') de belegering, hel beleg.

Siegfried, III. oudd. (oudlioogd, Sigufiid, Sigifriit, oudn. Sigurdh, it. Si/fredo) niansn.: die door overwinning den vrede bezorgt; — Siegmund, m. oudd. (oudlioogd, Sigimunl, Sigismunt) maiisn.: de door overwinning be-schermendo.

Sieniet, z, syeniet.

Sier, z. s e r.

Siërra, f, sp. (provonc., port. en oud-lt. sena, eig. zaag = lal. serra, eelt, searr: vandaar wegens de getande gednanle, de bergtop) een gebergte, eene bergketen in Spanje; — sierra de las Grullas, het Kraanvogel-geberglo in Amerika; — sierra Moréna, de lirulne bergketen; — siorra Nevada, het Sneeuwgoberglo in Spanje

Siésta, f. sp. (port. ses/a, van \'t lat. sexla, sell, hora, dus eig. liet zesde uur des daags, n. 1. na zonsopgang, dus liet middaguur) de


-ocr page 1164-

SIGNUM

SI EUR

1136

middagrust, liet middag- of namiddagslaapje, gedurende de sterkste zonneliltte In Spanje en Italië; ook wel enkel een middagslaapje-, iron, een dutje, knapuiltjo.

Sieur, m fr. (spr. sjeur; door afkort, ontstaan uit seigneur, i. aid.; vgl. liet eng. sir) lieer, grondeigenaar, leenheer; ook een titel, door meerderen aan hunne minderen in hrlc-ven en/., gegeven (vgl. monsieur); — sieu-rie, r. lieeriUkheid, domein.

si fnhulu vera, lat. als het verhaal waar Is.

siffloeren, fr. (siffler, spr. si-/\'—; van \'t lat. sibilare, lliilten) ulliluiten, uitjouwen; — sifflabol, adj. ulllluilenswaard; — silïlet, in. (spr. si-lU) een iluilje, oene orgel ilultstem;

— silïleur, m. een Huiler; ultllulter; ulljou-wer, bespotter.

Sigaar, f. z. c 1 g a r r o.

Sigaléon, m. gr. (van siqe, f. het stllzwg-gen) ■/.. v. a. Harpokrates (z. aid.)

Sigambren of Sikambren, m. pi. een oudduilsch volk aan den Ityn en aan helde zy-den van de Koer, tegen welke Oiesar In 55 vóór Chr. een krügsiociit ondernam.

Sigarette, ■/.. cigarrlto.

sigiliatim, lat. In het liüzonder, aan ledereen afzonderlyk.

Sigillum, n. lat. (verkiw. van signum, dus «ig. klein toeken of hoeld) het zegel, verzeke-ringsteeken; — Inro sigilli, afgek. (/,. S.), In plaats van het zegel; — sigillum confessionis, elg. het hiechlzegel, het verzwijgen van toevertrouwde geheimen, de sliptste geheimhouding; sub sifiillo confessionis, s. s. silenïïi, onder het zegel der hlecht, der stilzwUgendheid of geheimhouding; s. s. rolnnle, onder vliegend, d. i. open zegel; — sigillum hermeïïcuin, do luchtdichte verzegeling of sluiting, het toesmelton of toe-lakken van noschhiiizen (vgl. hormetisch);

— sigillarïa, f. lut. varenslronk, voorwereld-lyke hoomstammen In stecnkolenheddinBen, met op zegels geiykende hiadnorvcn; — sigilla-rïën, pi. een oud-rom. feesldag, hy den feestdag van Saiurnusgevoegd; de geschenken (heeld-jes, ringen enz.), die men elkander dan placht te geven; — sigillala terra, f. nw.lat. zegelaarde, eene soort van kleiaarde uit den Archipel, gewooniyk met een zegel gemerkt, z. ho-lus; — sigillatie (spr. l=ls) f. nw.lat. de hyvoeglng, opdrukking, aanhanging van hel zegel; — sigillatief, ndj. nw.lat. geschikt om te zegelen; tot een zegel vereisclit; — sigil-leeren, nw.lat. zegelen, verzegelen.

Siglen, pl. lat. (sigla, van den slng. siglum, samengetr. uit sigillum) afkortingsteeken, de eerste letter van een woord, om daarmede dat woord uit te drukken.

Sigma, n. degriokscho S (.v of C)-, eene soort van lied of rusthank iiy de Ouden, van halfronde gedaante, waarop 7 personen plaats konden nomen; — sigmatisme, n nw.lat. de afwerping der s van de eindlettergrepen is en us vóór consonanten, hu de oudere rom. dichters, om de lengte van positie te voorkomen; — sigtnödos of sigmoïdos, adj. gr. haivemaansgewys, cirkelvormig, wat den vorm der grleksclio C heeft.

signa, enz. z. ond. signum.

Signaal, n. fr. (spr. gn—nj: fr signal, mid.lat. signale, van \'t lat. signum) het toeken, waarschuwingsteeken, sein, de toeroep door een geluidgevend werktuig; de leuze, hel wachtwoord, parool; — signaal- of seinboek, n. een lyst der gehruikeiyke signalen; — aigna-leeren, signaliseeren, hoteekoncn, het signalement van leinand opgeven of neder-schryven, liet afgesproken teeken geven, door leekens lierichton of aanduiden, seinen, h. v. een schip; — zich signaloeren, zich onderschelden, merkwaardig maken, gunstig voordoen, ulthllnken, uitmunten; — signalement, n. de heschryving van Iemands ultcriyk voorkomen, om hem daaraan ie onderscheiden, nauwkeurige persoonslieschryving in passen, steek-hrleven enz.

Signatuur, signeeren, signet, enz. z. ond. sign u m.

Signétte, f. fr. (spr. si-njélt\') of siguette, f. (spr. sigélt\') eene soort van gelande kaproen of neusnypor (voor paarden).

signillceeren, significatie, enz. z. ond. signum.

signodëus, a, um, lat. Hot. S-vonnlg.

Signore, m. 11. (spr. si-njóre) of iifgekort signór (van het lat. senior, vgl. seigneur) heer, gelileder; — signora, f. (spr. si-njóra) vrouw, meesteres, gehledster; — signoria, f. (spr. si-njoria) heerigkheld, heerschap, Inz. nis Hiel hy hot aanspreken van voorname personen, evenals Uwe Excelientio, doch van alge-meener gohruik; ook de adel; hot voornaamste regeeringscollege In de voormalige republiek Venetië.

Signum, n., pl. signa, lat. het teeken, merk, kenieeken; de wenk; het wonderteekon; sub siijnn, onder of met het teeken; signum exclamdndi of exclamalionis, uitroepingsteeken (!); signum inlerrogdndi, vraagteeken (?); signum repelilidnis, herliallngsleeken (:,;); in hor signa vince of vinces, In dit teeken zult gy overwinnen, het opschrift op hel vlammende kruis, dat aan keizer Conslantyn aan don hamei verscheen; — signét, n. mid.lat. {signclum) het handzegel, cachot; Inz. het lllolvlgnet van uitgevers; hot liliidteokon In oen boek om do plaatsen te kenmerken, die men wil wodervln-don; — signeeren (Int. signare) teekenen, heleokenen; bezegelen, stempelen; onderteeko-non, onderschryven; — signa of signêlur, tee-kon of hot worde getookend; signa suo nomfne, toeken bot met den verolschten naam; signs-tum, afgek. sign., op oorkonden enz., onder-teekend en gezegeld; — signatuur, f. (lal. signatura) de merking, kentookonlng (by koopmansgoedoren); onderleekenlng, bezegeling on handteekenlng van eene openbare acte, oorkonde enz.; inzonderlield de onderleekenlng niet een enkel naomcyter; by iioekdrukkers: de


-ocr page 1165-

SILLERY

SIKHS

dl37

hladloekonlng, lid hladtceken door lettors of Kolallon; ook liet korfje In do drukletters, wuar-iian do zotter hare boven- on ondorzUdo kent; liet opschrift, het hrlofje, dat hot gebruik voor-scbrljft, aan artsonyilosschen, -doozon enz.; Muz. de betookonliiK der noten door cijfers (Inz. bü de has); ook do sleutel, bet voorteeken; — signiflceoren (lut. sinnificarc) aanduiden, aatitoonen, kond doen, verkondigen, Ie kennen of te verstaan geven, aankondigen, aanzeggen; — significaut, of fr. signiflant (spr. si-njifia/i) en signiflcatief, adj. nw.lat. Ie kennen gevend, aanduidend; nadrukkoiyk, duidelijk, zinrijk, vol boteekcnls; — signiflea-tie (spr. l=ls) f. lat. {significatto) de helee-kenis, boduUlonis, zin van een woord; gerechtelijke aanzegging, bekendmaking; — signi-ücator, m. nw.lat. hot punt der ekllptlka, waarmede de astrologen een toekomstig voorval verbinden.

Sikhs, tiaar eng. spelling ook Solkbs, m. pl. blndost. (sikh, v. \'t sanskr. siksja, een leerling. Jongere) eeno door Viïnak of Nanak In de lliilo eeuw gestlcbte godsdlenstsecle in noor-di\'lijk tndlü, die In den Pundsjnb een eigen slaat gevormd beeft, welke sedert IHüi tot hot Indo-hrltsche lijk boboort.

Sikka of sikka-ropij, f. perz. (van nik-kah, de muntstempel) eene oostlnd. rekenmunt (z. ropU).

Sikkel, m. tiebr. {sjekel, v. sjdkdl, wegen) een goud- en zllvergewlcbt; ook do naam van vreemde munten, die met dat gewicht overeenkwamen; de gewone sikkel was van dc groolte van een flankstuk en woog 11} gram; de sikkel des bciilgdoms was Itlj gram zwaar.

Silbeof sylbe, f. boogd.: lettergroep, syllabe (z. aid.)

Sileen, lat. Silcnus, m (gr. Seilanós) Mylh. do opvoeder en gezel van liacchus, gewoonlijk met dikken buik en kaal hoofd, dronken en op eonon ezel rijdende voorgesteld, het zinnebeeld der dronkenschap.

Silentïum (spr. t=ts) n. lat. (van silëre, zwijgen) het stllzwdgon; als uitroep: stil! zwygl — silenlium imponecren, stilzwijgen opleggen, stille gebieden; — altum sileniïum, diep stilzwiigeu, diepe stille; — perpetüum si-leniïum, allUddurend zwijgen; — silontia-ners, pl. (lat. silenfiarti) elg. zwijgers, zwg-gendon, eene soort van voornamo beamblen aan het bof der grleksche keizers, z. v. a. geheimraden ; tot zwiigeit verplichte monniken, die gelofte van een voortdurend stllzwygcn hebben afgelegd, waartoe b. v. do trappisten be-hooreii; — silentiëus (lat. silen/iosus, «, um) sill; karig in woorden, zwijgend; — silont-fan, m. eng. (spr. saïlenlfeii: v. fan, waaier) een zonder gcrulscb werkende ventilator.

Silenus, z. Siloon.

Silesien, n. fr. (spr. silesjeiiv. silésien, silezlsch?) eene sterke parUsche maagtlnctuor uit alo«, gember, gentlaan, sallraan, gom-am-VIËRDE IIIIUK.

monlak, venetlaanscho triakel, agarlcus en spiritus.

Silhadari, m. pl. turk elg. zwaarddragers; de oudsten en eersten onder de spahls (vgi. sipoys).

Silhidsjoh, z. soelbidsjeb.

Silhouette of gew. silhouet, f. fr. (spr. silnc (tl\') een schaduwonitrek, scbaduwbeeld, een zyportret (profil), geschetst naar de omtrokken dor schaduw (naar den zuinigen fran-scbon minister van financliSn Kllenne do Silhouet Ie ia lie ISile eeuw, zoo gobeoten naar haar goedkoopheid); — silhouetteeron (fr. silhoueller) In schaduwbeeld voorstellen; — sil-houetteur, m. een teekenaar van schaduwbeelden.

Silicaten, z. ond. silicium.

Silieermum, n. lat. een doodmaal, Igk-of rouwmaal bij de ouile Homeineu.

Silicïum, a. nw.lat. (van \'l lat. silex, kiezel) de tot de niet-metailiscbe grondstoffen be-hoorende grondslag van het kiozelziinr of vroeger zoogenoemde kiezelaarde-, — silicium-oxyde, n. klozolzunr «f kiezelaarde; — si-liciaten of silicaten, n. pl. verbindingen van kiezelzuur, klezelzure zoulen; — silicifl-ceeron, In kiezelaarde veranderen; — sili-ciflciitie (spr. lt;=(s) f. verklozeiing, verandering la kiezelaarde.

Sillcula, f. Hot. het hauwlje, eeno korle droge vrucht, overlangs openspringend en van een tussclienscbot voorzien, waaraan de zaden bevestigd zyn; — siliculosen, pi. nw.lat. (van siliqua, z. aid.) algemeene benaming der plaiiten met bauwljes.

Silihdar of silikdar, silikdar-aga, m. turk. (van \'t arah. silAh, wapen, en perz. ildr, houdend) de wapendrager en tuigmeester des sultans.

Siliqua, f. lat. de bauw, de peul, bast van peulvrucbtoa; fenegriek; de St.-.lansbroodboom en z.yne vrucht.

Silk, n. eng. do zilde; — raw silk, ruwe z.yde (z. gr6ge); - silk-worm, zydeworm.

Silkadeh, z. soelkadeh.

Silkeon, n. eng. (spr. silkien; v. silk, zyde) eene soort van zwaar, geribd manchester, zydeachlig op gekleurden grond, z. v. a. thickset, z. aid.; — silk-nankeens, pl. eng. (spr. —nankiens) halfzyden nanking, bont atlasachtig gestreept.

Sillabub of somtyds sillibub, n. eng. een zoete drank uit molk, wyn of rum, en suiker.

Sillen, pl. gr. (silloi, van den sing sillos, hoon, spot; lat. silli) eeno soort van spotgedicht der oude Grieken, waarin de uitspraken van beroemde wgsgeeren bespot en do verzen van vermaarde dichters In een belacbiyken zin op andere voorwerpen loegepast worden; — sillograaf, m. een spotdlchler, spotscbryver, hekeldichter, pasqu i 1 ia ut.

Sillery, in. fr. de beste soort vaa wilton Oliampagne-wyn uit de wyngaarden van Verse-

quot;•2


-ocr page 1166-

SIMPEL

SILO

1138

nuy, Mallly enz., wolko vroeRor aan zekeren markies van Sillery looliohoorden; — /icurtie Siltery, do bloem van Sillery.

Silo, m. sp. (v. Iberlsclion oorsprontt, bask. silnn, ciloa, zuloa, chuloa, rilla, bel f,rat) eeae onderaurdscbo luelildlchl Besloten bewaarplaats voor Kranen, Braankcldor In Spanje, nu ook in Dultscbland, b. v. in \'I Maijsffildscbe.

Silometer, ia. «en toestel om de snelheid van de beweging van een scblp aan te wijzen.

Silphe, z. sylpbo.

Silurische formatie (spr. I=l.i) f. (naar \'i oude briisciie koninkryk der SiluriBrs dus Re-aoemd door den cngeiscben geognost Murcbi-son) de middelste afilcclliiB van bet ovorgangs-ot grauwakgeborgte, boven de canibrlscbe en onder de dovonlscbc formatie.

Silurus, m. lal. (van bel «r. silüros) de wenlelaar (een rlvlervisch).

Silvanus, Silvaan, m. lat. (van silva, bel woud) iMylh. de woudgod, god dor bosscben en herders, enz.; - silvaticus, a, urn, lal. Hol. boschbewonend, in bosscben groeiende; — Silvester en Silvïus, m. nw.lal mansii.; de woudman, woudvriend; — silvester-avond, de laatste avond des Jaars, zoo gebeelen naar paus Silvester I, {lie op den laatsten dag des jaars ;i;trgt; stierf; — silvester-maand, do laatste maand des Jaars; — Silvostrmen, pl. leden eener goesleiyke orde, gesllcbt In 1231 door Silvester (Jerzolaao, en In lquot;gt;\'28 door paus Innocenlius IV bevestigd; — Silvia, f. vr.naam: de boschvriendin; Aslron. een in 18(10 door Poyson ontdekte asteroïde.

Silver cords, pl. eng. elg. zilveren koordjes; smal geribd manchcsler voor pantalons.

Silveret, n. fr. (spr. sietw\'rè) eeno gekoperde stof, met zyden ketting en katoenen Inslag.

Simarre, f. fr. (ookrimarre.- 11. zimdrrn; vgl. bet sp. zamarra. iumnrrn, lamspels, en het arah. sammoer, hermeiyn, sabelboal) oen sleepkleed der vrouwen, eene samaar (z. aid.); oen lang opperkleed dor presidenten en prelaten.

Simaruba, f. (inheomsche naam In (iul-nea) eene lot do rultgowasson behoorende bui-tenlandsche plaid van vorscblliende soorten. Van don boogen s 1 ma ra ba-boom op ,1a-maïca komt bet (juassle-bont; van eeno andore soort op Cayenne, Jamaica enz. bel sima-ruba-boul en de zeer hiltoregenooskracbligo si m a ru ba-ba si.

Sirabipuri, slangekopje, z. kauri.

Simeon, z. S I m o n.

similis, simfle, lat. overeenkomstig, gelijk; simflis simt li unwlct, woordelijk: de gelUko vor-beugt zich In don gelUko; soort zoekt soort, geiyk zoekt geiyk; — simile, n. eene geiy-kenls, vorgeiyking, overeenkomst, geiykvonnig-bold; simile clnuitfcam, n. eeno hinkende, mank-gaande, d. i. ongopasie vergeiyking; omne simile clatullcal, sprw.: allo vergeiyklng gaal mank, d. 1. te ver voorlgozet zyndo, past zy niet meer geheel op het vergeleken voorworp; simiffa si-mltfbus cognoscilntw, goiyke dingen wordon door gelyke gekend; similïa simitfbus curdniur, goiyke (kwalen) worden door goiyke gehooid, oen sloiregel der homu) opa then (z. aid.); — si-milair, adj. fr. (nw.lal. sfmi/nrius) geiyksoor-tlg; — similor, n. fr. (van \'l lat. similis en hol fr. or, goud) schyngoud, halfgoud, Mann-holmer goud, een gemengd metaal uil i deelon koper on I dool zink; — similargent, n. (spr. —arzjdii) schynzllver, balfzllvor.

Simon of Simeon, m. heb. (sjimón, vor-hoorlng, van sjdma\', hooien) mansn.; de verhoorde ; — simeonskruid, de rozen- of oogappel {Malm alrea, L); — simonie, f. aw. lat. do slmonszondo (zoo goheelon naar den cbaldoeuwsebon magus Simon, gow. Sbnondo toovenaar genoemd, z. Handel, der Apostelen VIII), strafbare verwerving of uitdeeling van eoa kerkelijk ambt, woeker of winst mol goos-letyke ambten; — simoniacus, m. Iemand, die zich schuldig maakt aan s i in o n 1 e, die oen geesteiyk ambt, eeno prebende of prove door goscbenken, enz. zich weel le verwerven (vgl. crimen amhilus); — Simonianen, m. pl. aanhangers van genoemden Slmon den loovo-naar, dlo onder anderen do gemeenschap der vrouwen leerde en de opstanding der dooden loochende.

Simoni-seni, eene koperen rokonmunt In Japan, ongeveer = IJ cent.

Simonisten of St.-Simonisten, m.

pl. aanhangers van het simonisme, d. i. do loer van don overledenen franscbon graaf St.-S 1 m o n, oone gedurende deze eeuw In Frankryk ontstane godsdlcnstlgo-staatkundlge socio, welker maalschappeiyk en pbllosopblsch stelsel onder andere ten grondslag had: de afscballlng van al de voorrechlen der geboorte, de geiykheld der beide seksen, de gemeenschap van goederen, enz.; overdryvlng van dit stolsel had zyne ontbinding ten gevolge; vgl. salnt-s 1 m o n i s m e; — St.-Simonienne, f. eene dansllguur, waarby ieder boor z.yne dame mot die van den tegenovorstaanden hoer (zynon vis-n-vis) vorrullt.

Simos, i.. s I m u s.

simpel, adj. (van \'I fr. simple = lat.sim-plex), eenvoudig, niet samengesteld, enkel; kunsteloos, ongekunsteld, onopgesmukt; onnoozol, dom; — simplex sigillum veri, lat. de eenvoudigheid Is hot zegel of bot kenmerk van het ware; — simplex, m. lat. of simplioius, nw.lat. een eenvoudig menscb, bloed, bals, domkop, schaapshoofd, sukkel; — simplicissi-mus, in. (suporl. van simplex) de zeer eenvoudige, titel van oen beroemden dultscbcn roman uit den tyd des 3flJarlgon oorlogs, In bet jaar 100» verschonen on aan (Irimmolsbausen toogescbrovon; — simplicia, n. pi. lat. eenvoudige of enkelvoudige gonoesmlddolon; — sim-pliciler, lat. of simplemcnl fr. (spr. senpl\'mdii) oonvoudig, zonder omwegen, zonder arg of Hst, onvoorwaardoiyk, zonder beperking; — simpli-cifallus, a, ion, lat. hot. onkel- of cenhladerig;


-ocr page 1167-

SINGULARIS

1139

SIMSON

— simpliciflonix, a, urn, lat. Bot. onkclliloemlK;

— simpliciteit, f. lat. (sim/ilia/as) de oen-voudlgheld, kunsloloosheld, ongodwonKcnhold, onRckunstoldheld, onschuld, oprec.litlicid, opon-hartlKhcId; onnoozolhold, stompzinnigheid, holheid, domheid; — Bimplilicoeren, nw.lat. veroenvoudlRcn, eenvoudiger maken; — simplificatie (spr. t=ls) f. de vereenvoudiginK;

— simplum, n. pi. simpla, iat. het eenvoudige, enkelvoudige; de enkelvoudige ophrengsl of lielastlng (in tegonst. met il u p i u m).

Simson, hehr. (Sjimsjón: verwant met sjemesch, zon) mansn.

Simulacrum, n. Int. een beeld, afheeid-sei, eene heeitenis, sciiaduwiieeid, schUnheoid simuleeren, lat (simulare, eig. gelijk of geiükvormig maken, v. simïlis) iets nahootsen, voorgeven, voorwenden, veinzen, verdichten, zicli den schUn geven, huichelen, zich gelaten alsof enz.; — simulatie (spr 1=1quot;} f. (lat .ii-mulatto) de nabootsing, seliün, liet voorwendsel, de veinzerij, bel bedriegigk voorgeven (b. v. dal men eene ziekte heeft, die men in werke-iykbeld niet beeft) de vaiscbe vertooning.

simultaan of simultanisch, adj. nw. lat. tsimultniv us, u, urn, van \'t iat. simul, samen, gelijk; fr. simullané) gemcensciiappeiijk, geiyktydig, samenireiTeiui; simultanëum, n. een gemeen of gemeenschappelük ding, inz. hel gemeenscbappolgk gebruik van eene kerk door twee verschillende godsdiensipartyen {si-multanfum reliylonis exeiriiïum); — simul-taneïteit, f. liet geiykiyiiig aanz.yn, voor-handen zyn of samentreiten van twee of meer dingen, de geiykiydigbebi.

Simus, m. lat. of simos, gr. een slomp-neus, platneus.

Sina, andere schryfwyze voor China (z. aid.).

Sinaasappel, m. appelsina, (weieer appeisyne) zoete oranjeappel, porlugecsche oranjeappel.

sinatcus, a, um, lal. Hol. van Sinaï afkomstig. sin ul fine, li. Muz. lol bel einde (Ie herhalen), lol aan bel slot.

Sinapïum, n. nw.lat. (van \'t iat. sinapi, gr. sinupt, mostaard) eene mosterdsaus; — sinapismus, m. lal. (gr. sinapismns, eene mosterdpieister, een mosterdomslug; — sina-pisatie (spr. -za-lsie) f. buldprlkkel en hubi-roodheid door moslerdpleislers; — sinapi-seeren (gr. sinupitlzein) met mosterdomslagen of -pappen bedekken; sinapelroon, n. gr. [tlnap-élaion) mosterdoiie; — sinapine, f, kristaliinisch extract van mosterdzaad; — sinapoline, f. eene oniliinding van de mos-terdolle met ioodnxyde-bydraat.

sincerus, «, um, adj. iat. (fr. sincère) oprecht, ongeveinsd, onvervalscbi, braaf; — sincère cl consldnler, lal. oprecht en siandvaslig (spreuk van de pruislsche roode adelaarsonle);

— sincoriteit, f, (lat. sincccïïas) de oprechtheid, ongoveinsdiield, goede trouw, openbariig-heid, braafheid, onvervaisehtbeid; — since-ratie (spr. lt;=lt;S) f. nw.lai. de schUnhare eer-iykheid, scliUnoprechtiiold.

Sinciput, n. iat. (ontstaan uit semicapul, eig. het halve hoofd) iiei voorste gedeelte van bel hovonhoofd, de kruin.

Sindon, n. gr. (si mi on] zeker boomwoiien weefsel, eene soort van mousseline of neieldoek;

— sindon, m. fr. (spr. schdnii) Chlr. eene ronde plukselwiek, die men in de opening brengt, door de trepaan gemaakt.

sine, iat. zonder: — sine unno, zonder jaar of zonder jaartal; - sine Cerlre et Itaecho frigel renus, eig. zonder Ceres en Itacciius bevriest Venus, d. i. zonder wyn en brood Is de liefde dood; - sinecure, gcwooniyk sinecuur, f. (eng. sinecure: van \'l lal. sine curu, zonder zorg) eig, een zonderzorg, zorgenvry; een ambt zonder ambtsbezigheid, schynanilit, luiaardspost, inz. eene kerkelijke bediening zonder daaraan verbonden bezigheden; — sine die el constiIe, lat. zonder dag en consul, d. I. zonder dag en jaartal, dewyi nameiyk hij de Itomelnen de jaren naar de regeerende consuls benoemd werden; — sine duVto, zonder twyfel;

— sine ira el studio, zonder liaal en voorliefde, d. 1. onpartydig, onbevangen; — sine loco el anno, afgek. s. I. e. a., zonder plaats en jaar;

— sine morn, zonder twijfel, zonder vertraging of uitstel; — sine nomine viilgus, de groole hoop zonder naam; — sine prucjudino, zonder nadeellge gevolgen; — sine qua non, z. oud. c o n d i 11 e.

Sinees, andere schryfwyze voor chinees.

sinensis, e, iat. Bol. chtneesch, uit China afkomstig.

Sinfonie, z. symphonie.

Sing-académie, f. iigd. (spr. zieng—) zangschool, conservatorium; — sing-verein, n. zangvoreeniging.

singerie, f. fr. (spr. seiizjerio; van si)if;e = lat. simia, aap) apenkuur, apenstreek, apery, gekke polsen, apenspel; naiiping, nailpery.

Singhaleezen, m. pi. de oorspronkeiyke liewoners van \'i ell. Ceylon, wier taai daarom de singbaieesche beet.

Singleton, f. eng. (v single = lat. sin-Hnlus, eik In \'i hyzonder) in bet wbistspcl de eenige kaart, die men van eene kleur heeft.

sinnulnris (sell, numerus), m. üram. het enkelvoudig getal, enkelvoud, de eenheidsvorm (in iegensl. met pluralis); sinnulare een

woord ilat alleen In bei enkelvoud gelirulkt wordt; — singulier, fr. (iat. sinnulnris, e) zonderling, ongemeen, wonderiyk, vreemd, zeldzaam; in dil singuliere geval, in dii hy-zordere of enkele geval; — singulariteit, f. (lal. sinniilardas) bet enkel- of alieenzyn; de zonderlingheid, byzonderheid, wonderiykbeid, vreemdheid, eigenaardigheid; — sinqularflas les-Ctum of lesles singiili, Jur. de enkelvoudigheid van de geliiigenissen, wanneer voor elk te he-wyzen feit sieehls een geinige voorhanden Is;

— singularium, n. Meil. een hyzonder, of hyzonder werkzaam middel tegen eene zekere


-ocr page 1168-

SINGULTUS

SIHIUS

mo

ztokloj — zich singulariseeren, zlcli uitzonderen, zich van undoron niulerscholdcn, den iciideilliiR spelen.

Singultus, in. int. (vim sinniilus, elk In \'I l)(|zandor, dus elg. hel iiltstoolon van op zlch zelven slaande nelalden) de hik, snikkende adem-halhm.

Siniscalcus, mld.lal. of siniscalco, II.

m. (vrI. seneschal) weleer de kiooImeester der Johunnleter-rldders op hel eiland Malla.

sinister, adj. lat. (sinis/er, sinistra, sinis-Irum) llnksch, verkeerd; oiikuiisIIk. ongelukkig, onzalig, onheilspellend, schrikkelijk, vreeselUk, hoos, kwaad, rampspoedig, nadeelig; — rn/la sinistra, it. Muz. met de linkeihand.

slnile parrulns venire ad me, lat. iaat de klnderkens tol my komen.

Sinjeur, m. z. v. a. het fransche seigneur (z. aid.).

Sinking-fund, ii. eng. ultdelgingsfonds, henamlng der gelden, ille In Kngeland nil zekere Inkomsten voortspiuilen en aangewend worden tot delging dor staatsschuld.

Sinóple, fr. of sinopel, n. (naar de oude stud Si nöpe aan de Zwarte zee; vandaar reeds In de ouilheid sinopis, cene roode aard-verf) in de wapenkunde: de groene kleur, het groen; Miner, eene soort van groen of rood krUI, dat men eertijds van SI nope haalde; ook Uzerklezel, jaspis en ijzeriioudende hoornsteen.

Sinsonte, f. (mexic. elg. cenkontli, d. I. vierhonderd, afgek. van centzmtlatolli, de vier-honderdwoordige, van llalolli, woord), de ame-rlkaansche nachtegaal, spotlUsler.

Sint, afgek. St., van het fr. saint = lal. sanc/us (/.. aid.)

Sinto of xinto, de oorspronkelijk In Japan heerschendo godsdienst, bestaande uit hoed-dliisme en den Kami-godsdienst; — Sintoïs-ten, m. pi. ook ka noest, neg l-ka noes ie, wereldigke en gehuwde priesters lijj de tempels der vergode zielen in Japan, die voor hot volk prediken en de kinderen onderwijzen.

Sinumbra-lamp, f. (van t lat. sine umbra, zonder schaduw) eene soort van in Kngeland uitgevonden lampen, die geen schaduw werpen.

sint ut sunt, aut non sint, lat. laat zy z.yn, wat ze zyn of laat ze anders niel zyn.

Sinus, m. lal. in \'I alg. de hoezem, school; de zeehoezem, golf. Inham of bocht der zee; Med, eene zweer- uf wondhoite; Math, de hoek-punlsiyn, hoeksteun of bOOgsteun, de loodiyn, die uit het punt, waarin een straal den omtrek des cirkels snydl, op een anderen straal vult, of elg. de verhouding van deze loodiyn tol den straal (welke de sinus Is van den door belde stralen Ingeslolen hoek of hoog); — sinus tntus, de hoofdsteun of de sinus van den rechten hoek, die geiyk Is nan den straal; — sinus versus, de dwarssteun of het gedeelte vim den straal, dal begrepen is tusschen den sinus en de tangens; — sinuskompas, n. magneetnaald met beweegiyken stroomlelder ter meting van den galvanlschen stroom; — si-nueus \'lat. sinuösus, a, urn), bocbtlg, gekromd, Ingebogen, slang- of golfvormig; — Bi-nuositeit, f. uw lat. de boogvormige kromte, kromming, bocht, golfvormlgheld, golving; — sinusoïde, f. de evenwichtsiyn.

Sion, z. 7,ion.

Siöna, t oudn Myth, dc godin der aanvalligheid en liefde en dor eerste zoete gewaarwordingen.

Sipahi, z. s p a h 1.

si imrra Heet coinponüre magnis, lat. als het veroorloofd Is kleine zaken met groote te ver-geiyken.

Sipho, ui. lal. (van \'I gr. siphon) siphon fr. (spr. sifon) en syphon, eng. (z. aid.) cene zulgbuls, oen bevel, wynhevel; de spuilliuls; zenuwbuis, verhlndlngsbuls, b. v. hij eenige schaaldieren; — Siphom\'a, f. uw.lat. de vederharsboom, kaoelsjookbeom; — siphonoï-de, f. een onlangs uiigevonden, als een bevel gekromd hefwerklulg om water door werking van den stoom, zonder machinale lusschengele-dingen op te zuigen en voort Ie drukken.

Siphylis, z. syphilis.

si placet, lat. ais hot u belieft.

Sipoys, pi. (eng. seapoys en sepoys ■. van \'I perz sipdhi, lol hot leger beboorendo, een soldaat, v. sipdh leger; = turk. spnhi,■ v. a. van een Indisch woord sip, hoog) troepen Infanterie der oostindische compagnie, uil Inboorlingen gevormd; vgl. spa hl.

si quid ferisli neun, of nega quoii fecisti, ook afgekort fecista neun, lat. zoo gy Iets begaan hebt, loochen hel, of loochen wat gy (kwaads) gedaan held.

Sir, eng. (spr. sur -, v. \'I fr. sieur, z. aid.) heer! mUnheer! als woord van toespraak; ook nis lllelwoord dor ridders en baronets In Kngeland, vóór den doopnaam, h. v. Sir Waiter Scot I.

Sirdar, m. perz. (liever scnldr. d. 1. elg. hoofdhouder, van sar, ser, hoofd, lop, en ildi-, houdend) een stadhouder, in 0. Indie en Turkye.

Sire, fr. (van \'tlat. senior, gelijk sleur en seigneur, z. aid.) de titel waarmede men eenen keizer of koning aanspreekt; — pauvre sire, m (spr. póio\'r ■ elg. arme heer) een domme man, een boporkt versland, een sukkel.

Sirene, f. (lat. Siren, van \'I gr. Seirên), gr. Myth, eene der zeenimfen of meerminnen, v. s. half vrouw bnif viseb, v. a. half vrouw half vogel, die door haar hetooverend gezang do zeevarenden lot zich lokten, om hen dan te dooden; verrukkeiyke zangeres, hekooriyke verleidster; een door Oagnlnrd-I.atour uitgevonden werktuig ter verklaring van het ontslaan der tonen en lot moling van hel aantal ge-luldstrillingen; — sirenenlied, lokzang, loo-verlled, verlelileiyke woorden.

si réptica. It. (v. replicdre, herhalen), Muz. hel worde herhaald, men herbale.

Sirih, mal. z. betel.

Sirïus, m. lat. (van \'l gr. Seirios, v. seirós.


-ocr page 1169-

SI VA DIP;RE

1 lil

SIUKAR

d, ón, heot, brandenil; v. u. vim uriil). sjira, als \'1 ware haarster, wogen» zijne stralen) de liondsster, de schünbaar «reotste en helderste vaste ster (In het sterrenheeid van den Gruoten Hond), ille In de hondsdagen het dichtst hy de zon staat; — siriusperiodo, r. z. v. a. c a n I e u I a I r o p e r I o il e\' ■/.. aid.; ■ siriasis, r, ((;r. seiriasis) Med. elK. hondsdaBenzlekle, de zonnesteek, ontsteking van de hersenen en het hersenvlies.

Sirkar, in. (van \'1 perz. sarkdr, opzlenor, v. sar, ser, hoofd, en kdr, sanskr. kdra, han-delliiK, hezlKhold, arlield) een opzichter, opziener, ook opperslaaf In O. Indlt).

Sirocco, z. s c I r o c c o.

Siroop, minder goed stroop, r, (fr. strop. It. siropjw, en)?, sirup: nw. lat. surüpus; sp. xarabe, van \'t arah. sjarab, drank, siroop, van sjariba, drinken) In \'t alg. eene zelfstandlKlield, nil het sap der vruchten, krulden of bloemen bereid, dat men met suiker of boni» lol op zekere lUvlglield heeft laten verkoken; Inz. de bruine stof, die uit de suiker In dit vormen druipt, suikersap; — sirop de capillaire, fr, z. capillaire siroop; — sirop ile Charpentier (spr. siró de sjarpahljé) oen uit de Jasliria pecloralis bereide siroop, die op de Antillen als borst middel gebruikt wordt; — simp dc Parmenlier (s|ir. —maiiljé), siroop uit druiven, naar l\'armontlor genoemd, die haar In hot Jaar isn heeft uitgevonden; — syriipus simpler, nw.lat. zuivere of wille suikersiroop.

Sirsacas, eene oostlnd. gestreepte stof uil zijde en boomwol.

Sirte, z. syrte.

Sirvéntes, n. pi. provonc. (van servir, sirvir. Int. servire, dienen; II. scrvenlesc: eig. een ilienslgodicht, aanvankelijk en geestelijk, in den dienst der heiligen en der moeder (lods, later ook oen wereldlUk in den dienst der vorsten, edelvrouwen, enz. eersi lot lof, later echter dlkwUls scherp bokolend) eene soort van kleine lyrische gedieblen der t ro u ba don rs (z. aid.), doorgaans spot- of hekelzangen, soms echter ook minne-, inf- en krUgsllederen.

Siser-orwt, f. (van \'I lat. deer, boogd. hicher) eene soort van oenigszins spitse kleine erwten In het Oosten en In Z. Europa.

Sisétspol, z. s I z e 11 e.

Sismisoh, adj. nw.lat. (van gr. seismós, schudding) de aardbevingen betrelTendo, daarvan afkomstig, enz.; — sisniograaf, z. seismograaf; — sismometor, z. sols-m o in e tor; — aismothoologio, f. bewUs van bet bestaan van (iod uil de aardbevingen.

Sisono of sisonno, f. een danspas, nil gevonden door den graaf de SI so nu e, slsonspas.

Sisser, z. siser-erwt; vgl. cl eer.

Sister of sistrum, n. lal (van \'I gr. sHtlron, van seiein, schudden, schokken) een schcllenslok of klappervormlg iniizlekinslrument, beslaande nil eene van boven omgebogen me-lalen staaf met veie beweegbare dwarsstaafjes van helzelfde metaal, die men door schudding geluid deed geven en welke bij den dienst der godin Isls gebruikt werden; thans nog in Ahys-sinie gebruikelUk.

sisteoren, lal. (sislUre) tegonhouden, stul-ten, beletten; zich laten vinden, verschijnen (voor bot gerecht); — sistoering, tegenhouding, heleinmering.

Sisymbrium, n. lat. (gr. sisymbrion) de waterkers z. v. a. nasturtium.

Sisyphus, m. gr. een fahelacbtlgo held der oudheid, zoon van .Eolus, stichter en koning van Korinthe, een berucht boosdoener, die wegens zyne veie euveldaden In de onderwereld werd veroordeeld om oenen zwaren steen tegen een stellen berg op te wentelen, van welks top deze echter terstond weder naar beneden rolde; — Sisgphi saxum voloSre, den steen van Sisyphus wentelen, Slsvph us-arbeid verrlchlen, moeieiyk werk doen, ilal gee-nerlel uilkomst geeft.

si lace, z. onder I a c e.

si lacuism, philosophus mansisses, lat. spr. wanneer gu gezwegen badt, zoudt nij een wys-geer zyn gebleven of vorder voor wys zijn gehouden, d. I. zoo zoudt gij uwe onkunde niet verraden hebben.

Sitakratio (spr. tie=isie), f. gr. (v. silos, spys, en a krat Ie, z. aid) Med. het onvermogen om de spyzen hehooriyk by zich te houden; — sitologie of sitiologïo (spr.

gr. silion, spys van graan, brood, van stlos) voedlngsknnde of kennis der levensmiddelen; — sitométer, m. een door Wolssenhacb Ie Dresden uitgevonden en door Lubisch vervaardigd werktuig om koren te wegen.

sil illi (lihi) terra levis, lal. hem (u) zy do aarde licht, of zacht ruste zyne (uwe) asch. Sitologie, z. oud. s 11 a k r a 11 e.

Sits of chits, n. (hoogd. tils, eng chintz, hlndosl. elihinl) lijn bont kaloeii; elg. oostlnd. Iljne slof van boomwol, welker bloemen en II-guren niet, gelijk hy \'I gewone katoen, opgedrukt, maar gosehlidord zyn.

Sittingroom, f. eng. (spr. no=nc) de woon- of bulskamer.

situoeren, nw.lat. (fr. siluer: van \'1 lat. situs, a, win, liggend, gelegen; — situs, in. oord, ligging) stellen, leggen, plaatsen; — go-situoerd, adj. gelegen, gesteld, In een zekeren toestand zich hevindonde; — situatie (spr. lic—lsie), f. de ligging, stelling, plaatsing, sland; toestand, gesteldheid, de verhouding van oenen persoon, de fortuins-omstandighoden; — situatie-toekening, f. een pianieekening, leckening van de plaatseiyke gesteldheid; — situatie-toekenkunat, z. v. a. het plmi-leekenen, kaarttcekonon; — silus obhquus ulëri, scheve ligging der hanrinoedor.

sii venta verba, lal. woordel.; er zy verlof of toelating aan hel woord (vergund); men ver-gunno het woord, met verlof gezegd.

Sivadière, f. fr. (spr. simadj/tr\': prov. cimier, oudfr. civadier, mid.lat. civaderïutn, v. prov, civada, haver, mld.lat. cinaln, sp. ecbada,


-ocr page 1170-

SJAZADE

SI VI\'

1142

port, cevada, ttorst, v. hit. ciltalus, pnrtlc. van ribare, vuodoron, v. rihus, spys, voeder) ceno ouile franscho graanmaat, inz. In l\'rovencc, ongeveer 4,5 kilo.

slve, z. seii; — si vnlli, z. vol/i.

si vis parem, /mra helium, lat. zoo gU vreile wilt, rust u ten oorlog.

Si wen s, z. slbhens.

Siwa, Siva of Sjiwn, in. (snnskr. Siwa, (I. i. olg. gelukkig, naar tie hcilondaagsche lien-gaalsche uitspraak sjiwa) eene der hoogste godheden der Indiërs, vvaarschynlUk oorspr. de vuurkracht, als bezielster en vernielster des heeluls.

Six-et-lo-va, z. pa roll.

Sixpence, eng. t! pence (z. penny), een halve shilling of ;tl) centen.

Sixtijnscho kapel, r. de onder paus Slxtus IV in im gebouwde liotkapel in het Vaticaan te Koine; het muziekgezelschap, dat daarin op hooge feesten groote kerkelijke muziekstukken uitvoert.

Sizótte-spol of sizét-spel, een kaartspel tusschen zes personen leder met zes kaarten, ook sixte gebeeten.

Sjaban, in. arah. ile achtste maand in den mobaincdaanscben kalender, bet einde van Mei en bet begin van Juni.

Sjabbes, joodsch, z. v. a. sabbatb, z. aid.; — sjabbes-goï, m. de christin, die op den sabbatb de den Jood verboden verrichtingen voor hem doet; vgl. gojim; —sjab-bes-sjmoes (v. \'i hebr. sjamö, hooren) eene nietige en doorgaans ongegronde rede.

Sjabi, m. bij de Thibetanen en Mongolen een kloosterdienaar, ieekenbroeder, geeslclUk kweekeiing, novice.

Sjach, m. perz. liever sjah, koning; ook de naam eener perz. rekenmunt, = 5^5 toman of ongeveer IN centen.

Sjacharith of voluit tophillat sja-charith (van \'t hebr. sjach ar, de morgen, en tephiütih, gei)ed) bet morgen- of avondgebed in joodsclie scliolen.

sjacheren, Joodsch (van \'t hebr. sdrhar, rondtrekken, en als suiisl. winst door handel) bundelen, handel dryven, negotie doen, Inz. kleinhandel dryven; ook wel voor; woekerwinst bejagen, woekeren-, vandaar sjacheraar, voor woekeraar.

sjachten, Joodsch (van \'t hebr. sjdchal) slachten; — sjiichter, m. een Joodsch vee-slachter.

Sjadehkam, perz. (van sjadeh, vrooiyk, vergenoegd) het land der verlustiging, naam van een gebied iu liet land der feeen uit de oostersche sprookjes.

Sjahindsji-basji, m. turk. (van\'t perz. sjdliln, de valk) de oppervalkenler.

Sjahnameh, n. perz. (vgl. sjach) elg. koningsboek, een in \'t nw.perz. geschreven groot episch gedicht van 170,000 verzen, dal de oudste met fabelen doormengde geschiedenis van l\'erzie bebandeid, opgesteld door i\'erdoesl, omstreeks lann Jaar na Christus.

Sjakal, sohakal, of jakal, m. (perz. sjaf/iil of sjif/dl; sanskr. srigdla: vgl. bet hebr. sjüdl, vos) ook tliös, gr. de goudwolf, een naar don wolf gelykend roofdier met gryze en goudgele baren, in Azië en Afrika.

Sjakoe, isjakoe, sasi of sasji, m. de voet, de eenheid van de Japansche lengtemaat, elk van 10 so eng (of soen), verdeeld in 10 boe (of boon), elk van 10 ring (of rin) gewooniyk ais kano sjakoe (metalen voet) = o,;toi m. ; — koedsjira sjakoe, (visebbeen-sjakoe) of koedsjira sasi, de Japansche el = o,;isn m.

Sjalótte, z. échalotto.

Sjalótte, of gew. sjalót, f. (fr. escalatie, échalolle, 11. scalogno, sp. escalona: lat. cepa ascaloim, naar de slad A ska ia in l\'abestlua benoemd) eene soort van kleine, roodachtige, welsmakend uien, lookulljes, cscblook.

Sjamanen, in. pi. (van \'1 sanskr. sjama, medelyden met dwalenden en opmerkzaamheid omtrent zichzelven) ia Tarlarye, Mongolië, enz. de laagste klasse der boeddhistische priesters, die tegeiyk voor artsen, loovenaars en bezweerders gelden ;—8jamanisohe godsdienst, de «yze van godsvereering der opgenoemde volken.

Sjames of sjammes, 111. (rabbynscii sjunmdsch, een dienaar, inz. Iiij den godsdienst, priesterbeiper, v. sjammêsch, dienen) een Joodsch koster of klokkenist, lgt;y welken zich vreemde aangekomen Joden moeten aanmelden.

Sjammata, hebr. de groote banvloek, die by de Jodeu over de afvalligen van bun geloof wordl uiigesproken.

Sjampanen of sjampans, chineesche booten of barken, kleiner dan Jonken.

Sjam-yeli, een verstikkende, naar den sclrocco geiykende wind In Tnrkye, ook naar de streek, uil welken liy ie Constanlinopel waait, wind van Damascus gelieeten.

Sjan, tsjang of xang, een siameesch gewicht, = l,21!t kilo.

Sjangallas, m. pi. naam van een afri-kaansch negervolk, dat aan de bronnen van den Nyl woont, geheel naakt gaat, priesters noch opperhoofden heeft, enz.

Sjang-foe, naam van het heilige boek der Chineezen.

Sjanker, z. chancre.

Sjap, f. een gewicht in Georgit) voor wyn, enz. = il toenga = 12 tsj u rek = 11,087 kilo.

Sjapka, f. russ. (van bet turk. sjahha, hoed) eene muts, pelsmuts; — sjapska of chapska, f, de vierkante sjako der pooi-scbe lansiers, ook eiders en by ons voor sommige troepen cavallerie aangenomen.

Sjarab-emini, m. turk. (v. \'1 arab. sja-rdh, wyn en emtn, opziener) de vvynopziener.

Sjai\'azat, iienaming van een der machtigste stammen onder de Arabieren.

Sjatirs, m. pi. lurk. de eerewacht van den grootvizier en den pasja.

Sjazade, m. turk. een prins van den bloede.


-ocr page 1171-

SJEBAT

4143

SKA DA

Sjobat or sjobath, m. heiir. de vyMo maand van liet hurgorlUke, do elfde van het kerkelijke Jaar in den Joodschcn kalender, mot Februari ovoreonkomondo.

Sjobeck, f. (fr. chebéque of chebec, oiik. shelee, xebec, sp. mhciiuc, port. jrafiero, It. scia-beccn, zambecco, van hot turksch soembeki, eono soort van azlatlsch schip, een duiker, perz. en arab. somboek, oen klein sclilp) een lang, smal (iriemast-ooriogsschlp van li tot in kanonnen, op de Middellandschc zeo ^t\'hi\'uikflijk.

Sjech, sjeich of sjeik, 111. arah. eig. griisaard, oud man; een oudste; onderhevelheb-her eener arahlsehe horde; — sjoik-al-islam (of sjdrh-ul-islum) liet turkscho hoofd der ge-toovigon of uitverkorenen, do voornaamste geestelijke, titel van den moefti.

Sjegar, m. de sullnn of opperheer van \'i afrl-kaansehe rijk Toinhoeklne.

Sjoich, sjeik, z. sjeeh.

Sjekel, z. sikkel.

Sjemhamphorasch, m. joodseh (van \'thdhr. sjem, de naam, hu, de, en pdrnsck, verklaren, uitdrukken) de uitdrukkelijke, eigen naam van God, d. i. Jehova, die, naar ile kahhala (z. aid.) uitgesproken en gesciireven, van wonderkracht Is.

Sjeool, m. hehr. het dooden- of schimmen-rijk, lt;le onderweroid (vgl. Mades en Orcus).

Sjerbasti, m. Krui. de hoste soort derie-vantsclio zijde.

Sjorbot, z. sorhet.

Sjoreffe, sjoreft «f sjerafl, eono perz. goudmunt, ongeveer = II gld. quot;0 ci.

Sjerif, m. arah. (sjerif, elg. edel, heilig, v. sjarafu, voornaam of uitstekend zijn) z. v. a. emir; vandaar een titel der opvolgers van Mohamed; ook eono perz. en turk. goudmunt = 3 gid.

Sjerp, f. (oudfr. cschurpe, nw.fr. écharpe. It schiarpa, darpa, eng. scarf: oorspr, dnitsch van scheren, si\'har hen, snijden, das eig. eono afgesneden strook) de lijfgordel, anihts-gordel, dienstgordel eens oiltciers.

Sjowwal, in. arah. de inde maand in den moharnedaanscheu kalender.

Sji, z. sjoe.

Sjibbóleth, n. iieiir. (sjibbólclli, d. i. aar) hot herkenningswoord, liet herkennlngsleeken, wachtwoord, parool, eene hyzundere uitspraak, waardoor men verraadt, niet tot deze of gene partij te hehooren (z. het hoek der Kichieren XII, vs. 0).

Sjibook, z. tsjihoek.

sjicker, joodscii, z. v. a. dronken, sikker.

Sjicksol, n. Joodsch-dnitsch (van het hehr. sjAkat, verfoeilijk zijn, sjikkaz, verontreinigen, verfoeien, vandaar sjeker, xjikzah, elg, gruwel, afschuw, leis onreins; joodseh voor: christen-knaap, chrlstonmetsje) gem. een nog niet iiuw-haar meisje; een jodenmeisje.

Sjijakoe, ■/.. sjoo.

Sjikai\'gahs, pl. (van \'t perz. sji hor, de Jacht, liet wild) groote woudperken der indisctie

vorsten voor het wild, inz. In de prov Slnd

Sji-king, ii. d. i. het hoek der liederen, een van de gewichtigste gedenkteekens der oudere chiiieesche lilieratuur; vgl. sjoeking.

Sjimpanse, z. harris.

Sjimsjirlik, in. turk. (v. \'t perz. sjimsjir, de sahel) de wapenzaal, honaming van de vertrekken der ottoniansche prinsen.

Sjipowka, f. russ. (van xjipuk, de wilde roos, afgeleid van sjip, stekel, doorn) een sterk hrulsende en hedwelniende drank, die door eenige silierlsche volksstammen uit de hladeren der wilde roos hereld wordt.

Sjlemihl, Joodseh (van I hehr. sjlumiêl, mijn heil (is) God, v. sjalom, heil, f, mijn, en vl. God) de ongeluksvogel, elg. die steeds zijn hell van God verwacht.

Sjmoe, m. joodseh; een plat woord voor winst, voordeel, pnilijt; — sjmoezen, onderhandelen, loven en hieden, winst zoeken; ook voor vertellen, spreken.

Sjoo of sji, m. vóór tS7l eene gehruike-lijke japansche zilvernmnl, eene kleine rechthoekige plaai = l ;i J iioc = 2! tot 21! et

Sjoobka, f. russ. (verklw. v. sjneba, pels) het pelsje, een korte vrouwenpels.

Sjoedy.a, m. de kasle der kunstenaars en haiiitwerksiieden In O.lndie.

Sjoe-king, n. de kanon der gesehiedenis, een der il oudste en heiligste hoeken (kings) dor Ghineezen, dat de oudsie chineeschc geschiedenis, ia/., die der keizers ^ ao en Sjun, en der ilyniisiieii lila, Sjang en Tsjeu hevat; vgl. Sji-king.

Sjofar, ni. pl sjofaröt, hehr. de tram-pet, do liaziiln.

sjofel, Joodscil (van \'1 hehr. sjdfdl, laag, gering, van sjtifil, zinken, vernederd worden) ten iiilcrsle slecht, armzalig, zonder waarde, nergens toe deugende; als sulisi. m. slechte, ellendige waar, iiilsehot.

Sjofetim, pl. hehr. (v. sjuftl, riciiter, xjd-fal, richten) de llicliieren (vgl. suffeten).

Sjolam lechom, joodseh (verdorven van \'i hehr. sjalom alechein) vrede zy met ul de hegroeiing der Joden.

Sjoo, in. (Jap.-chin. sjlni/ of masoe, door de Nederlanders qanlang geheeien) de eenhelil van de japansche iniioiidsmaat voor droge of natte waren = in ngoo = Hill sjijakoe (sjak\', sasi) = 1000 sai; hij heeft l,lt soeng in \'t vierkant ais grondvlak, i,l soeng hoogle en is = 1,815 I,.

Sjorbadsji ot tsjorbadsji, m turk. een kapileln, lioofdman, aanvoerder eener compagnie Janttsaren.

Sjosja, t. een onder opzicht der regeering staande handelniaalsi\'liappU op aandeelen In Jeddo (Japan).

Sjlirfeh, f. lurk. (van \'t arah. sjaroefa, voornilsleken) de galerij om den minarei eener moskee, vanwaar de muezzin het uur des ge-heds afkondigt.

Skada of Skade, f. noord. Myth, dochter


-ocr page 1172-

SKLER1A

1144

SKALDE

vuil don reus Thlusso, vrouw vuil Nlonl en moeder van Kroy en F reu.

Skalclo, m. (oudnoordscli en zweeilsch skald) een dlchlor of zanger der oude noordsche volken.

skalênisch, udj. gr. {skaUnós, e, dn, olg. hinkend, wuggelend) onellen, schoof, ongeiyk, Inz. ongeiykzUdlg (van driehoeken gohrulkolUk);

— skalonoëdor, n. een door (8 of li) on-geiykzydigo driehoeken begrensde krlslulvonn.

S kal sis, f, gr. (v. skdlleiii, krabben, hakken) gt;1ed. hel hukken, krabben.

Skandinavië, scan—.

Skandix, m. gr. de kervel.

Skaphander, skaphioten, z. ond. scap ha.

Skapolith, in. gr. (v. skapas = skêpos, slat, lat. scapwt, stengel) stengelsteen, eene aan het veldspaath verwante steensoort; ook wer-n er let, en als hy kleurloos Is: me Ion lot.

Skardamygmus, m. of skarda-myxis, f. gr. (van skardamyssein, blikkeren, knlpoogen) het knlpoogen, blikkeren der oogen;

— skardamyktës, m. een knipooger.

Skatingrink of -ring, m. eng.-amerlk.

(spr. skee—, van skale, schaats, (o skate, schaal-senryden, en ring, amerik. rink, gesloten kring) de rolscbaatsenbaan, de zomorschmitsenbaan, een de ysbaan vervangende aspbaltvloer, waarop mot rolscliaalsen gereden wordl.

Skatomyza, f gr. de drekvlieg; — ska-tophiigisch, adj. drekvretend, op drek azenil;

— skatophaginen, pi. de drekvliegen; — skatophüus, op drek wassend of levend.

Skazon en skazóntisch, gr. (van ska-dzein, hinken) z. chollambus.

Skein of skain, eng. (steen) /.. lea.

Skelalgie,skoloncus, skolotyrbo, z. s c e I—.

Skelot of schelet (fr. squelelle, sp. c.vi/iic-lelo, it. schelelro; van \'t gr. skelelös, c, dn, d. 1. uitgedroogd, dor, van skéllein, ultilrogen; vandaar skeleton, sell, soma, een uitgedroogd lichaam, eene niumtnle) het geraamlo, gclieento van een dood en ontvleesd llcliaam, zooals bet in zünen natuuriyken staat samenhangt, het beengehouw; — skoletteeren, het geraamte eens llehaanis reinigen en ulldrogen, een dler-lyk llchaam lol een geraamte makenske-letousis, f. het droogworden of uitteren van een lichaam; het toebereiden van eene niuin-mle, Inhalsemeii; de geraanitelooberelding; — skolotist, m. IMel. een geraauite-schilder, een spotnaam voor dezulken, die, om liet men-sclielyk lichaam toch met alle waarheid voor te stellen, overal liet grondgebouw en de spieren daarvan zeer scherp laten doorsebynen;— skeletiet, m. eene geruuinteversleoning;— skeletographie, f. hescbrüvlng van geraamten; — skeletopcoïe, t. de kunst om de beenderen van een dleriyk llciiaain van liet vleosch te ontblooten en ze weder beliooriyk samen Ie voegen.

Skenographie, enz. z. scenograplile, ond. scene.

Skepastenon of skepastron, n. gr.

(van skepddzein, bedekken) Mod. een bedekkend boofdverhand.

Sketches, pl. eng. (spr. skélsjes) schetsen.

Skiagraphie of skiographie, f. gr (van skid, f. de schaduw) een sehaduwomtrek, de afschaduwing; het zygezlebt, profiel; grondscliets, ontwerp; ook de kunst om den tyd naar de schaduw te bepalen, de zonne-wyzerskunst; — skiamachie of skioma-chio, f. een schaduwgevecht, spiegelgevecht;

— skiathor, m. (gr. skialhiras, eig. schaduw-vanger, van theran, vungen) de schaduwwyzer;

— skiatrapha, skiatröpha, m. een wee-kellng, vertroeteld mensch, wittebroodskind. Iemand, die la do schaduw (binnen \'s kamers) opgevoed Is; — skiatrophie, f. de opvoeding in do schaduw, d. I. in de kamer, zonder den weldiidigen Invloed der buitenwereld; vandaar; weekelyke opvoeding of levenswys; ook kamergeleerdheid; — skieropio, f. (van skic-vós, d, dn, beschaduwd) Mod. het schaduw-z.len, een gezlchtsbeilrog, waarhy den lyder alle voorwerpen duisterder, h. v. het wit geel, het rood blauw voorkomen; — skiomantie (spr. t—ts) f. het waarzeggen uil do schaduw, de schadu wull legging; ook z. v a. nek roman tie.

Skldlöpare, skiölopare, m. zw. en noorvv. (v. skid, eene soort van houten schaatsen, om daarmede over do sneeuw spoedig voort te komen, en Idpare, een looper, v. l/ipa, loo-pen) een schaalsryder over de bevroren sneeuw, in Noorwegen en l.iipland ook onder de troepen.

Skin, f. eng. do huid.

Skindapsus, m gr. zinledige woorden.

Skink, z. stink.

Skioldung, in. lid der oudste dynastie der koningen van Denemarken, gesproten uit eenen held der fahelaclitlge tyden, Skiold, zoon van Odin.

Skirophorïa of skira, f. gr. een aan i\'allas gewyd feest te Athene, dat In een gedeelte van Maart en April (de maand sklro-pliorlön geheel en) gevierd werd.

Skirten, pi. russ. (v. russ. skird, poolsch slyrl, styrta, lioo|i) de groote, In de vrye lucht opgestelde hooi- of korenhoopen, -schelven of -oppers der sleppenliewonors in Zuld-Kuslanil.

Skjoets, m. zw. (spr. sjnets) het voorspan, de postpaarden; — skjoetsbonde, m, de postboer, de postiljon.

Sklörïa of skleriasis, f. gr. (van sft/c-rds, d, ón, droog, hard, ruw, enz.) Med. het eelt, de likdoorn, hel eksteroog, de eellachtlge ontaarding van de randen der oogleden; — sklerï.tis, f. de ontstoking van het hoornvlies;

— skieroma, n. Med. eene verharding; — skleromêter, in. een door Orallieb en l\'e-karek nltgovonden toestel om de hardheid van kristallen te melen; — skleronyxis, f. eene oogoperatie met doorsteking van de sk Ie roll ka (z. aid.); — sklerophthalmie, f. do knoestachtige verharding der oogleden, oen verhard ooggezwel; — sklerosarköma, n. een


-ocr page 1173-

SK0KPTSJ1NA

1145

SLATE

zcor hard vloeschRczwol; — sklorósis, t. (v. skieroen, verhardiMi) do droKliiK, vorhurdliiK;— sklorotïka, f. hel hardo onuvlics, het on-doorschyueiid hoornvlies; — sklorotïka, n. pl. ultdroKendc of liardmakendo mlddolenj — sklorótisch, verhardend, ulldroKend; — sklerotitis, f. liever ski er ll is.

Skoeptsjina, f. serv. (v. skóépili, verRa-deren) de lieraadslaRende verRaderlnK, volks-vorteRenwoordlgliiK of landdat! hij de Serviërs.

Skog, m. /.w. dicht hosch.

Skol, in. noord. Myth, naam van een vervaarlijk grooten wolf, die de zon vervolgt.

Skolokiasis, t. nr. (v. skulex, de worm) Mcd. de wormziekte; skoleködisch, adj. wonnachtlK; — skolokologio, f. de naluur-lyke historie der iIiikwormen.

Skoliodoxie, f gr. (van sköliós, a. dn, krom, verdraaid enz.) verkeerde meenliiK, dwars-hoofdiKheid; — skoliöma, n. of skoliö-sis, f. (v. skolioen, krommen) Mcd. ccnc zij-dellriKSCho kromming van de niKRCKi\'aat, zij-liochcl; — skolion, n., pl. skolia of sko-liön, tafel-of rondezanBcn dor oude (\'•rieken, die hij Kastmalon niet op do rij af, maar naar welgevallen dorRasten door leder RezoiiKen werden (vandaar do naam, als zeiile men slhiRer-of zigzaRliederen): — skolionirósis, f. (van skoliós, verward, en iineirns, droom) het verwarde of zware, liemuiwdo, vorschi ikkeiyko droo-nien als ziektetoestand.

Skolopendor, m. gr. (sknlopémlra, l) Ae duizendpoot, een insecteiiReslachl met zeer vele poolen; Hot. stecnvaren, InirlstoiiR.

Skomma, n. gr. {skummu, van sltoji/cin, nailpen, bespotten) eeno spotrede, een liytend woord; scherts, plagerli; skommatisch of skoptisch, adj. (gr. skoptilins, f, im) vin-nig, stekelig, spottend, hgtend, hoonend; — skopticiis, in. een spoiler, tieieediger, plager; — skoptiseeren (spr. .?=;) spotten, gekschqren, plagen, heleodigen, hoonen.

Skopétz, m. pl. skopzy, skopzon, russ. (v. sskopilj, gr. képlcin, kappen, liesnU-don, castreeren) zelfvorminkers, oene godsdienstige secte, wier leden zich van het vermogen tot voortteling lieroovcn.

Skopie, f gr. (skitpr of skopta) de hescliou-wlng, liezlchiiglng, het Inzlchl; de schouw; — skopus oi skopos, m. gr. (skoptis: sknpcin, boschouwen; liespieden) liet oogmeik, wil, doel; een hespleder, wachter.

Skordio-kruid (van \'1 gr. slcórdinn. lat. senrdfum) het moeras-manderkruld, eene soort van knollook, eene voortrelfeiUke zweetdryvende artsenyplant.

Skordinêma, n. z. v. a. kordlnema (z. aid.)

Skonë, f. gr. (sftun\'n, van skür, vuiligheid, drek, 1.11. scorfa) de slak, yzerslak, het scluilm of de onzulverbedon van de bergslolVen; — skorisch, adj. siakaclitig; skoriflea-tie (spr. 1=1.1) f. nw.lal. de versliikkliig, het veranderen in slakken; — skorokrasïo, f.

Med. onwillekeurige ontlasting der drekstolfoii.

Skorodiot, n. gr. (van skirodon, knoflook) knoilooksteen, eene groene metallische delfstof, die voor de blaas- of soldeerpyp eenen knotlookgeur van zich geeft en uil nrsenikzunr yzer beslaat.

Skorokrasie, z. ond. skorlo.

Skorpioon ot schorpioen, m. (van \'t gr. sknrpios, lat. senrpfn en scorpfun) een kroeftaardig kerfdier of insect met oen geleden staart, waarvan de met venijn gevulde angel dikwyis gevaariyke wonden loeiirengl; Astron. een van de li sterrenbeelden des Dlerenriems; In ile oudheid ook een krygswcrkUiig, dat men by belegeringen enz. gebruikte; ook een door Ingevlochten stukken hoen en metaal zeer pgn-iyk werkende geesei; — skorpiodöxis, r. of skorpiostigma, n. de scliorploenbeet, scliorploensieek; skorpionilieten, pi. op schorpioenen geiykende versteeiiingen.

Skotasma «r skotöma, n., skoto-mïo, f. gr. (van skolddzein, skotoen, verduisteren) of skotodinie, f. gr. (v. sknlns, duisternis, en dinê, duizeling) Med. de verduistering, het donker- of zwart-worden vóór de oogen, oene duizeling, waardoor liet vermogen van te zien wordt belemmerd; — skoto-graaf, f. een werktuig om in donker te schryven.

Skulda, f noord. Myth, eono der Nor-ncn (z. aid.) of scuiidinuvischc schikKodinncn.

Skumbrija of skumbra, f. russ. (van \'I gr. skómbros, lal. scomber) de makreel, In/., die van de Zwarle zee.

Skuptschina, f. z. skoeptsjina.

Skuta (verwant met schuit), een spits toeloopend linscli vrachlschip met i\'onen mast.

Skyth, z. scyth.

Slaak, n. nederl.: stroom, kil: ook: plaats, waar de zee li(j onstuiniig weder stil en effen is.

Slabber, lil. oude benaming der kleine ter liaringvangst uitvarende buizen, buisje.

Slam, m. eng. (spr. slem. van slum, plat woord voor verslaan, dooden, en alssuhst nederlaag; fr. chelein) in liet whistspel: al de slagen, ook slem en schiem; — slam of slem maken, al de slagen halen.

Slang, n. eng. (spr. slenq) de aan eiken stand eigen kuiistiaai, de byzondere uitdrukkingen, li. v. li(j wedrennen, haneiigevccbten, hoksparlijen enz., de voor den leek onverstaanbare kunsttaal der geneesbeeren, advocaten, de eigen taai der dieven, bedelaars enz.

Slant, m. pl. slantar, zweedsch; in het algemeen kopermunt, Inz. een rekenmunt van It Ore kopermunt.

slaruando, It. (van slarnare = fr. élartjir, wyder maken, ulizetten) Muz. afnemend, wegstervend.

Slate, I) n. eng. (spr. s/cc/) lel, leisteen, schiefer.

Slate, i) m. eng. (spr. sleet) een vrye neger In Afrika, die in slaven liandeit.


-ocr page 1174-

SMERGEL

SLA VA

1146

Slava of slawa, f. oIr. roem, als Jubelgeroep der Slaven: hoezee! hoera!

Slaven, Slawen of Slavónen, pi.

(new. afgeleid van sluwa, roem; v. a. van slowo, woord; meer waarsch. Iieleekent liet oorspr.de zelfslandlKen, de vrUon) oen groole, in/. In oostelijk Europa verspreide volksstam, waartoe de Kohemers, Moravll\'rs, Russen, Groalen, Slowa-ken, Servlürs, Kosnlaken, Dalmaners, Menleae-grlJnen en Kulgaren liehooron (men wil, dat ons woord s 1 a a f, hoogd. s k I a v e, afgeleid Is van dezen volksnaam, dewijl de Slaven door de oude Dultschers gevangen gemaakt en als slaven verkocht worden); vandaar slavlsehe of slavonlsche talen, letterkunde, enz.; — sla-viseeren, slavlseh of tot Slaven maken; — slavismo, n. het Slavendom; ook z. v. a. panslavlsmo, z. aid.;— slavomaan, m. Iemand, die dweept met het Slavlsme; — sla-vomamo, f. overdreven voorliefde voor hi*l Slavische; — slavophiol, in. een vriend der Slaven.

Sleipnor, m, noord. Myth, hot paard van Odln, 8 voet liooj; en verhazend snol van loop.

Slom, z. slam.

Slondor, slenter, m. (hoogd. schlen-drlan, van schlendoren) do sleur, do go-dachtelooze verrichting van zekere lelkens we-derkeerende hezigheden, het hllndellngs volgen der oude voorschriflen, regels of gewoonten.

Slong, f. een koromandelsch vaarlnig,

slcntdmlo, 11. Muz. dempend, klankdoovend.

Slibowiets, z. s 11 w o w i e 1 z a.

Slips, pi. eng. (van slip, eeno soort van strop of las) lange Imlsdooken met groote afhangende punten.

slissdlo, 11. Muz. zacht, gesleept.

Sliwowiétza, slav. (v. \'truss, en poolsch sliuia, pruim) prulmenbrandowUn, uil pruimen horelde hnindewijn.

Slobóde, f. russ. {slohndd) oen groot, uit éene straal beslaand dorp; lange straat, voorstad.

Sloep, f. (fr. rhalnupc, eng. sloop, doensch slupe, nedorsaks. slaup, waarsch. van sluipen, omdal zy overal licht doorsluipt) een snol-varend roeivaartuig, dal aan boord gehouden wordl ton dienste van het schip op zee of op de roede; ook een oorlogsvaartuig met schoe-nerinlg.

Slogan, m. eng. on schotsch (van \'t gad. slogan, samengetr. uit sluau-ohairm, slag- of krygskreel-, scholscli ook slugnorne, slughnrne) het overoude rhylhmlsche krijgsgeschreeuw der celtlscho Schollen of Hooglanders, de verza-nielkreet der strydors van oenen clan.

Slöka, sanskr.; In de holdcndichten der Indiërs een dubbelvors, uil twee zestienletlergre-pige regels beslaande, die leder in \'I midden eeno cicsunr (z. aid.) hohben.

Sloop, eng. (spr. sloepz. sloep) een en-gelsch klein snelzeilend vaarlnig, inz. dienende om op kondschap uil ie gaan.

Slops, pl. eng. (van ons slap, hoogd.

schlapp, schlaiï) wgde schippersbroek, malro-zenbroek.

slow, adj. eng. (spr. slu) langzaam.

Slowaken of Slawiiken, m. pl. de

slavonlsche bewoners van Noord-llongaryo; — Slowénen, Slowénzen of Slowinzen,

pl. de in Sllermarken, Karlnlhle, Istrlö en Krain wonende slavonlsche stammen, oen lak der Noord-Slaven In Oost-Moravlë en Noordwest-Mongarye.

Slurp, in. nederl. Mar. Incengedraalde punl van een louw.

Sm., by naluurweleaschappeiyke benamingen afk. voor J. li. Smilh (gest. 1828) of W. Sinilii (gest. 18S7).

Smak, 1) f. nederl. (eng. smack, fr. semaque) eene soort van vaartuig, met éonen mast (inz. bij de Nederlanders), dat zich in de Noordzee met kustvaart en vischvangst bezighoudt.

Smak, 2) f. z. sumak.

Smala, f. (arab. semalali, sa ma lat) de familie en liulsgenooten, hel hof, de bedienden en het gevolg van een arubischen om Ir of vorst, z. deïra; ook: lentdorp in N.Afrika.

small-beer, n. eng. (spr. smdf-fiier,- van small, klein, slap, dun) dun bier, iialfbier.

Smalt, n. (uit liel It. smaltn, mld.lal. smal-lum, sp csmallc, fr. émail, dat echter van smelt, brandverf, afstamt) smellblauw, blauwverf, ko-bultglas, lol poeder gebracht en door koliail-oxydo blauw gekleurd glas, dat men als verfstof gebruikt.

smaniöso en con smdriia, it. (van smania, woede, v \'t gr. mania, z. manie) Muz. woedend, razend, tierend, mol do ulldrukklng der krankzinnigheid.

Smaragd, m. (van \'l gr. mdragdos, smd-ragdos, groen krislal, lat. smarni/dus,\'deze echter van \'l porz. soemoeroed, soemroed, sanskr. marnkata en marakta) oen groono edelsteen, uil klezeizunr, kleiaarde en berylaarde bOSlnunde;

— smaragd-opaal, m. een groenachtige opaal; — smaragdiet, n. een korrelige straal-sleen uit Corsica; — smaragdtnus, a, um, lat. Hot. smaragdgroen; heldergroen; — smarag-dochalciet, n. zoutkopererts.

Smarting, f. nederl. Mar, geteerd zeildoek, waarmede men, om \'l schavielen voor te komen, een kabel of hel rondhout hekleodl.

Smeesche ketting, een galvanische kellini.r, waarvan het negatieve metaal uit zilveren plalen bestaat, die op den galvaolschen weg met eene laag lijn verdeeld platina overtrokken z.yn.

Smëgma, n. gr. (van smechein, wryven, smeren) zeep, smeer; Med. de door de huid-kliertjos afgescheiden veile vloeistof, zooals tus-scben de voorhuid en liet roedohoofd — Binük-tïka, n. pl. Med. reinigende, afspoelende geneesmiddelen ; — smektine, f. do zeepsleen;

— smóxis, f. hel afwryvon, reinigen.

Smergel, m. (hoogd. smirgcl, II. smcriglio,

sp. esmeril, fr. émerivan \'t gr. siniris, smy-ris) z. v a. amaril; Inz. een mocliyk smeltbare yzererts; korrelige corundum.


-ocr page 1175-

SMILAX

1147

SOCIUS

Smilax, m. nr. bcniunlnK van verscholdon powassen, z. s a s 8 a p a r i 11 e; — smilacine, con krlslalllseorliaar licslanddccl uil den sassa-parlllo-worlol; — kina-smilax, /.. klna-wortol, ond. kina.

Sminthëus, m. pr. (Sminlheüs) con liij-naam van Apollo: do smlnllilsche Apollo, van Smlnllio, cene stad in \'I sollied van Trojo; v. a. zoovool als mulzcndoodor, van \'I oudo kro-tonslsche woord minlhns, cono voldmuls.

siminuémlo, siminuito, It. (spr. u=oe: i. v. a. diminuendo, diminuln) Muz. afnoinond.

smokkelen (hoopd. schmungelen, ent. lo smuggle; vorwanl met smul gen, sluipen, he-dektolijk doon) slulkon, do Ix\'lii-linu\'cii ontduiken ; — smokkelaar, m. stulker, die vorlio-den waren Invoert, of op andere wyze do lie-lasttngen ontduikt.

Smollis, z. se li in o II Is.

smoréndn, It. (v. smorire — lat. einori) Muz. wegstervend.

smorzdndo of smorzato, It. (spr. £=lt;«,• van morzAre, ulthtussctlon, v. mnrire, sterven, afsterven, uitgaan) Muz. verdwynend, steeds zwakker, allengs wegstervend.

Smyrna-steek, m. keizersteek, een soort van tiorduurwerk met kruissteek.

Snauw, f., snauwschip, n. groot twee-mastschtp, dat een kleinen mast, doodemau go-lieeten, voert, die aeiiter den groolen mast onder diens mars slaat.

Sneer, m. eng. (sjir. snier) de hoon, spot, het hoonond, spoltend gelach, neusoptrekken; stekelige zet, schimpscheut; lii\'t grynzeu.

Snees, n. als visscherstcrm: het getal van twintig (visschcn); — als verkorting van Si-nees, C hl noes wordt dll woord aan boord ook geliruikt voor schachoraar.

Snob, m. eng. Iemand, die voor oen oio-gant lieer wil doorgaan, zonder de middelen en het latent daartoe Ie bezitten, ploert; — snobbisme, n. ploeriigheld.

Snotra, f noord. Myth, de godin der wetenschappen, dor wisheid.

sodve of suave (spr. K=oe), ook soaveménle, it. (van \'I lal. suavis, e, zoel, liefelijk) Muz. liefelijk, zacht, aanvallig.

sober, adj. (fr. sobrevan \'t iat. sabrïus, (i, urn) niatlg, nuchter; tiezonnen. iiedactitzaam, voorztehtig; eerhaar, heschelden; — sobriö-toit, f. lat. (solirii\'las) de matigheid, matiging, nuchterheid; gelatenheid, hedachtzaaniheld, he-zonueniield, iinsciieidenhoid, rustige houding, eerbaarlicid.

snhnliferus, a, um lat. Hot. wortoispruillg. Sobriquet, n. fr. (spr. snbrikè weleer solbriquel, samengotr. uit liet fr. snl, dwaas, en \'t oudfr. briquet, dom, onnoozel, verklw. v. bric, schelm) een spot-, schimp-, scheldnaam, hospoitciyke toenaam.

Soc, n. of sock, eone slameeschc lengte-maal (de armlengte, ei) = { ken = i wa = n,.quot;) M.

Soccolanten, pi. it. {zoccolanlc, v. znc-min, holshlok) holshlokmonniken, harrevoeters, franciskanen, z. v. a. rccolleclen.

Soeeus, m., pi. sncci, lal. do sok, hroos, een lage, lichte schoen, Inz. voor iooneelspe-Iers in liet hiyspcl der Ouden; vandaar oneig. voor do laat of uitdrukking (styi) van liet hiy-of kluchtspel (In tegensl. met kot h urn).

sociaal, sociabel, socida, socie-teit, enz. z. ond. seei us.

Socinianen, m. pl. aanhangers van do godsdicnst-niecningen van Lielius en Fauslus Sociiius, die de godheid van Christus loochenden, In de lOdo eeuw; — socinianis-me, n. de loer en grondslelllngon der socinianen; sociniaansch, adj. daarmede overeenkomstig, daartoe hehoorende.

Socius, m., pl. socii, lal. een genoot, gezel, medelid, metgezel, deelnemer, makker, maat; — sociaal, adj. (lat. sodalis, e) ge-zelschappeiyk, gezellig, maalschappelljk; — sociaal contract, aiaaischappciyk verdrag;

— sociaal-democraat, m. aanhanger der sociaal-democratie, leinand, die door eene volks-regecring de horvorniliig der maatschappy wenschi te heworkon; — sociaal-demo-cratie, f. (spr. /=/.lt;), staatkundig stelsel, strevende naar een volksrogeoring, gegrond op maaischappeiyko of politieke geiykheld, gepaard met eone regeling van arheld en ver-iirulk van woge den Staat; sociale hervorming, f. eene geleideiyko verheterlng en verandering der maalscliappeiyke verhoudingen;

— sociale politiek, f. een wetenschap-peiyk staatkundig stelsel, gegrond op de lie-hoeflea der Imrgeriyko maatschappy; — sociale revolutie, f. geiieele omkeering in de maalscliappeiyke verhoudingen; sociaal recht, n. een maalschappelljk recht; — socialisme, n. nw lal. maaisctiappoiyk stelsel, dal de maatschappy hervormen w il op den iluh-lielcn grondslag van de gemeenschap des ar-helds en de evenredige verdeeling van de op-hrengsi; - socialist, in. aanlianger van l so-ciailsine; ook lid eener godsdlensl-vereeniging voor philaathi\'opisme en rallonallsiiie la linge-laad; — socialistisch, adj. overeenkomstig met het socialisme of daarin gegrond; so-cialiteit, f. (lal. sociatflas) de gezelligheid, maatschappelijkheid; — sociabel, adj. (lat. snciabflis, e: fr. sociable) gezellig, gonicenzaam, voor den gezelligen omgang geschikt; vereenig-haar, verdraaglyk, passend ; sociabiliteit, f. de vordraagiykheid, gezelligheid; — sociable, m. fr. eene soort van open pleizlerwagen voor 4 personen, een speeiwagenije van vieren ;

— sociativus, m. nw.hil. (\'■ram. la eenige talen, h. v. hol iioiieomscti, ito naamval, die gemeenschap, hegoleiding, enz. ulldrukl; — SO-Clda, f. of conlraclus soefdae, mld.lat. (li. soccila, van \'I lal. snciülas) oen gezolscliapsver-drag, eene soort van paciitverdrag, waardoor do pachler den inventaris van de goederen, Inz. het vee, legen eene schaltlng overneemt, dus eig. koopi; — sociëeren, lat. (sociare) sa-


-ocr page 1176-

SOERSAT

SOCK

1148

tnenvooRen, voroenlson, imren, ({ezelscliappeHJk verblmlon; — sociëtaire, rn. fr. (socielir\') ven gezolsiimpslld; invdullil van oon ROzelschnp, genoolsclmp, in/., van hot toonoulKczelscliap van liel Th(!i\\tro franoals to I\'arUs; — sociëteit, r. (lat. socillus, fr. sociélé) hel ro-zolschap, do vorhlndlng, Komeonschap, vereenl-KliiK, het Koaoolschap, do maatsehappU, oono handelmaalschappü (com pa «ale); geleordon-voroonlglng, een hesloloa Kezelsdiap, dal lol uUspunnhiR, vermaak en spel byeonkoml, he-slolen koillohals; - sociëtoits-eontract, z. v. a. soclaul-coa Iract; - sociëteits-ürina, de (Irma (z. aid.) van eone vcanool-schap of van eon Keaieeaschappoiykon haadol;

— sociëtoits-handol, oon Kozelschapshan-dolj vgl. coaipaknIo; — soritlas Jesu, f. lat. of afgek. S. J., hol gezelschap of do maatschappij van Jezus (zoo noemen zich do ,1 e-zutoIon); — soc. leonlna, z. loonlnlseh gezelschap: — sociélé des tlroils des hommes (spr. dè drna ilézómm\') li(!t gonoolschap der rechten van den monsch; — sociologie, f. do leer van do hoofdvoorwaarden dor moascho-lijke samoaloving; — sociologisch, ad) daartoe bohooreado, die hel rolronde; socioloog, m. Iemand, dlo zyne studio mliakt van de wollen dor maalschappy.

Soek, z soc.

Socle, ai. fr. (van \'I lal. soccülus, verklw. van soccus, schoon) Arch, onderstol, zullvoot, oen vierkant stuk, meer hreed dan hoog, dat lol hasls dient voor onderscheldon voorwerpen; ktelao pedestal voor borsthoeldon, vazen enz., sokkel.

socratisch, z. sokr—.

Soda, f. t) (fr. sonde, li. en port. sodo, sp. sailu, sosa, zoutkruid, zontasch, van \'t lat. sa/sus, zilt; nw.lat. salsola, zoutkruid, verklw. v. sat sus ■ mld.lat. salsa, een krnlil) zontasch, aschzoul, een vuurhestendlg loogzout, verkro-gea uil do verbranding van oadorscholden planten, laz. van het sodakrnld of zoutkruid, do onzuivere koolzure soda, zooals zü in don handel voorkoait (ook kelp, va roe h, tiy de Ouden natron, in harbaryo trona, In 1\'erzlB boroch genaamd; de boste spaansche soda hoot barilla; — -2) (mld.lat. en provene. sorfa, arab. soedda, van saduu, sptytoa) de hoofdpyn;

— sodalith, m. nw.lat.-gr. aschzoutsteen, oone soda-bovalteade, mol don lazuursleon verwante steensoort; — sodawater, ii. koolzuur (d. i. mot koolzuur bezwangerd) water met oon weinig opgeloste koolzure soda; — sodawijnsteen, z. seignetlo-zo ut; — sodïum, z. v. a. natrium, z. oad. natron

Sodalis, lal. of sodiile, m., pi. soda-len (lal. sodales) eoa genoot, gezel, makker, kameraad; — sodalitoit, f (lat. snilalitns) de kameraadschap ; do (geesleiyko) broodorschap, het gonoolschap, gild; sodalitium (spr. I=ls) n. de inaaityd, hol partytje, door veie metgezellen gemeonseliappeiyk gegeven (ploko-nlek).

Sodézza, f. It. (v. sndn = solido, lat. so-ndus, vast, enz.) sterkte, vastheid, dogeiykheld.

Sodom, n. eone stad in Palestina aan do Doodo zee, welker lawoaors zich ondorscheid-don door hun sloehton levenswandel; vandaar In hot algemeen: eone stad, waarin hel grootste zedenbederf lieerscht; — sodomiterij, sodomie, f. tegonnatnurtyko bovrodiglng van do geslachtsdrift, zooals die eens te Sodom (volgens Genesis Xl\\) gedreven werd; —so-domiet, m. die zich aaa die wandaad schuldig maakt; — sodoms-appels, waarsch. tabelachligo appelen in do omstrokon dor voormalige stad Sodom aan do Doodo zoo, die. wanneer zij aan den stam verdrogen, Inwendig vol stof zga.

Soebah, m. perz. eone uil verscholdon dis-triclon bestaande provincie; — soebah-dar, m. stadhouder of onderkoning van oone provincie, laz. In IndlB.

Soedeniér, soldenier, m. voor soldij dienend krygsman, soldaat.

Soedra of soudra, m. saask. (soedra) pl. soedras of soudras, do vierde on laagste volksafdoeling of kaste h(| do Hindoes, uit handwerkslieden beslaande.

Soefl, soefisme, z. sofi, sofisme.

Soek, m. arab. markt, bazar.

Soelamith, bobr. (v. sdlóm, vrede, heil?) vr.naam; de vrodellovende.

Soolhidsjeh, en in den vorbogon naamval silhidsjeh, n. do twaalfde of laatste maand ia liet tnrksclio maanjaar.

Soeliöten, m. pl. een uil lllyrlörs en (\'.rieken gemeagde clirislonvolksstain in \'l zuiden dor provincie Janina in\'t gebergte vaa Soeli.

Soelkndeh, en in den vorbogon naamval silkadeh, m. de elfde maand in het Inrk-scho maanjaar.

Soen, f. chiaeesch oortogs- of koopvaardij-schip.

Soenah, soenna, f. z. s n a n a.

Soera of soeri, ( malabaarsch: oen geestrijke drank, uit liet sap der kokosnoot bereid.

Soeradsji, in. pl. lurk. benaming der op europeoschon voet goorganisoorde turksche artillerist ea.

Soere, soera, f., pl. soeren, arab. (soe-rdft, eig. toeken, spoor; eerelrap, graad) de af-doolingen of lioofdstukkon dos korans, waarvan er 115 zya.

Soer-emini of soerrah-emini, m.

lurk.-arab. (van \'l arab. soerrah, geldbeurs, en emin, opzichter) do schatmoestor der pelgrims of eonor karavaan naar Mokka; hy wordt door den sultan benoemd.

Soerra, f. lurk. (waarsch. = arab soerAh, toeken, z. soere) do stenipol met hel kelzer-tyko naamcyfer; vgl. toogra.

Soerrah-emini, z. s o e r-e in 1 n I.

Soersal, eone algenieono belasting by de Turken.

Soersat, n. turk. (ook sersit; samengesteld uit de belde imperatieven soer en sdl, d.i.


-ocr page 1177-

SOESLIK

mo

SOL

voer uit en verkoop) ccnu mm ile koo|illi\'ilon gegeven sihrittelljke vergunning tot uitvoer en verkoop vun granen.

Sooslik, m. russ. (sstlsslik) N. II. lt;lc veldmuis, steppenrut (Cileltus vuluuris, Mus imnli-cus) een lu /.Kuslund veelvulillg voorkomend dier, tnet oen sleriyk gevlekt vel, dat uls pelswerk op de Lolpzlgor missen onder den naum van Susselchen bekend Is.

Soesoohoenan, m. titel van de vorst van Soerakarla (op Java).

Soetane, z. s o u t n n e.

Sootra, n. sanskr. {soelra, draad, zegel, wet) liet heilige boek met do godsdlenstslciiln-gen der Hindoes.

Soeur, f. fr. (spr. sear) zuster; titel, dien de Clirlsten-koningen aan de koninginnen in liunne brieven geven en wolken deze ook gebruiken liü liet schrUven aan elkander; naam, dien men aan de nonnen geeft: soeurs tic In charilé (spr. —sjarilé) zusters der imrmliarlig-lieid, barmhartige zusters; soeurs (jrises (spr. —griét\') grauwe zusters, enz.

Soewa, in. de god der Jacht hü de .la|ian-ueezen, ter wiens eere jaarlijks op den Dden ilag der lide en Ude maand prachtige feesten gevierd worden

Soeza, f. mal. (soesah) onrust, onrustiglicid; drukte.

Sof, turk. (v. \'I araii. snef, wol) oene stof uil kemelshaar, z. v. a. kemelstof, z. aid.

Sofa, z. s o p li a.

Sofïitte, f. it. (snltilla, f. en soffilln, m. eig. het daaronder bevestigde, v. filln, vastgemaakt, lievestlgd, van figflere = lal. figfre, aanhecli-ten-, fr. snlfille) Arch, eene vakzoldering of plafond, paneelwerk, eene door verheven lys-ten in vakken verdeelde zoldering, welker vakken met snü-, beeldhouw- of schilderwerk zijn voorzien; inz. op het tooneel de beweegbare dekstukken, b.v. blauwe, roode luchtsollltten enz.

Sofl of soefi, n. perz. (van soefi of sö/i, een tnohatn. monnik of kluizenaar, v. \'I arab. soefi, in wol gekleed, vun soef, wol, omdat lig zich, overeenkomstig zgne strenge levenswys, alleen in wol kleedt; vgl. sof) een mohame-daansch aanhatiger van \'1 sofisme of soefisme, de mystieke leer eener geioofspartü in \'I Oosten, vooral in Perzië en Indlé, volgens welke alles in deze wereld als Identlsch verscliUnt, de tnensch een uilvloeisel (vgl emanatie) van God is en steeds streeft om zich weder tnel hem te vereenigen.

Sofradsji. m. lurk. (van \'I arah. soefral, reiskost; disch) do tafeldekker aan liet hof des sultans.

Softa, m. pi. softas, turk. {snflnh, van \'t perz. sóchlah, van suchlan, branden, In brand steken) eig. onivlamden, gioelcnden (voor de wetenscliap), studenten of leerlingen der hoo-gere scholen (z. medrlssa); grafmonniken of goestelüken, die aan do graven der overleden sultans dagelyks voor hen bidden.

sognelld of suggello, m. It (spr. sodzjélln, soedzjétto = lat. subjeclum, fr. sujet; vgl. sith joct) In \'t alg. grond, grondslag, slof, enz.; Muz. een tekst, die toonkunstig uitgevoerd (gezet of gecomponeerd) moet worden.

soi-dlsanl, adj. fr. (spr. soadizdii) zoogenaamd, naar men voorgeeft, een zich nootnende, zich uitgevende, wanende.

soigneux, adj. fr. (spr. snninjeu) en als adverb. solgneusemenl (spr. soainjeut\'md/i: van snin, zorg), zorgvuldig, liezorgd, zorgend, oplettend; — soigneeren (fr. soigner, miil lat, son ia re, waarschyniyk naast sain en hesoin, met Inacht-tietnlng van het lat. vidêre, prnvidëre, zorg dragen, v. gothlsch siuns, gezicht af ie leiden; vgl. besogne) bezorgd z.yn, zorgvuldig gadeslaan, waarnemen, oppassen of verplegen, iets met zorgvuldigheid behandelen.

Soiree, f. fr. (spr. soaré: van soir, II. sern, avond, v. \'1 lat. serus, a, urn, iaat) de avond, avondtyd; ook avondgezelschap, avondfeest; snirée musicale, avotidmuziekpariy.

soil! fr. (spr. soa) het zy zool laat het geschieden! \'I Is my wel! goed!

Soja, soja-boonen llmïïchos soja, L.) eene in Japan groeiende, naar de lupinen of wolfslioonen geiykende boonensoorl, welker meel in plaats van boter hg de spyzen wordt geliruikt, tcrwyi de daaruit bereide sojasaus op de tafel der europeesche lekkerbekken verscbynt.

Soje, z. soy.

Sok of soek, z. so c.

Sokkel, z. socle.

Sokratïka of sokratisehe leerwijze, f. de leerwijze van dett grieksciien wyze Sokrates, die daarin bestaat, dat men de denk-boeldon en begrippen uit den geesl des leer-lings zelven ontwikkeil, tenvgl men item door gepasle vragen allengs er heen brettgl, om zelve hel begrip ie vinden, dat men hem duldeiyk wil maken; —sokratisehe ironie, f de lijtio manier, om zich onwetend te houden, ten einde de denkbeelden van een ander des Ie heler te leeren kennen; sokratisehe scholen, de phiiosophische scholen der oudheid, die uil de leer van Sokrates zyn voortgevloeid.

Sol., liy natinirwetenschappeiyke benamingen afk. voor I). Solander (gest. lquot;sj).

Sol, 1) eene fr. iiuinl, z. sou.

Sol, ï) m. lat. de zon-, de zonnegod, z Helios; Oiiem. de naam van het goud; sol lucet omnibus, de zon schynl voor allen; — solair of solarisch, adj. (lal. salaris, e) tot de zon beltoorende of haar hetrellende; — solair-mikroskoop, n. een zonne-ver-groolglas (vgl. mik ros koop); solair-olie, f. zonne-olie, een uil britinkolen gewonnen olie van grooie lichtkracht; — solair-tubus, m. een zonnekyker; solarianen, m. pi. zoiineiicw\'otiers, de onderstelde bewoners der zon; — solstitium (spr. Ii=lsi) n. (van sol en sislrre, stellen, lol staan brengen) pi. solstitia of solstitiën, ook solstiti-aal-punten, zonnestanden, zonneslilslatids-


-ocr page 1178-

SOLIDK

SOLA.

1150

puiitun, zonnekcerpunton; zomcr-solstltium (solstitium aestivum), het zomer-zonnekeorpunt (op iIimi aislon Junl); wlntor-solstllium (solslilium hibérnum of brumale), Met wlnlor-zomiokoorpunt (up don ilston Docomlicr).

Sola, Z. Ollll. solus.

Solaks, in. pi. turk. weleer ile lioogschut-tors van de l(Jt\\vilclit des sultans, die nil Ja-iiltsaren-rcgimeiilen «ckozen werden; — solak-basji, de aanvoonlor (Iter tioogschutters.

solamen, n. Int. (v. so(«n, Irooston) do troost; sotamen misiris (of miserüm) soeïos habuisse maloruin, sprw.; liet Is oen troost voor ongo-lukklgen (of der oiigolukkij,\'on) doelgenooton in liet ongeluk te hebben; dikwijls veranderd In; sotamen misSrum s. h. m., \'t is een treurige troost, dcelgenooten in \'t ongeluk lo hebben.

Solandgans, t. (eng. soland-qoose, solan-(joosc, noorw. sute, (jsl. sula, haf-sula, nw.liit. sula) de seliotsche gans, z. v. a. hassaner.

Solano, m. sp. (lat. sotanus, sell, venlus, wind, van sol, zon) elg. de zonnewind, eon warme wind uit Afrika, welks nadeellge invloed zich soms in Spanje doet gevoelen.

Soltinum, n. lal. nachtschade of nachtschaduw, een pluntcngoslaclit van zeer vele soorten, inz. solanum nigrum, de zwarte nachtschade; sol. tuberosum, de knolachtlge nachtschade, do aardappolplant; — solanéën, pl. nw.lat. {solanëac, sotunaclae) sirnik- en krnid-achtigo gewassen van dezo soori, meest mot verdoovende kracht; —solanine, f. een basisch plantvormend ileel (alkaloïde) in de stengels en bladeren der nachtschade, inz. in do zwarte morel.

Solarium, n. I) (sell, vectigal) lat. (van solum, de grond, bodem) Jur. de grondhoins-tlug, bodenic(|ns; — i) (van sol, de zon), de zonnewUzor, eone aan do zon blootgestelde plaats, oen plat dak; — solarianen, solarisch, z. oml. sol -2).

Sola-wissol, m. It.-nederl. (van solo, sola, alleen; fr. scule de change, eng. single bill, it. sola ill cumbio) een in een onkel exemplaar getrokken wisselbrief, die dour geen secunda, t o r t i a, enz. gevolgd wordt (vgi. I r a 11 e); gewoonlijk verstaat men daaromlor den, stoeils slechts in éeu exemplaar aanwezigen eigen, drogen of do O don wissel, fr. billet de change, eng. promissory note, den wissel, waardoor do trekker zich verbindt, zelf een som gclds op een bepaalden tijd aan een genoemd persoon te betalen.

sold, eng. (spr. soold\'; partic. v. to sell, vorkoopen) verkocht.

Soldaat, m. (it. soldata, fr. sohlal, mld.lat. soldat us: van sold, en dit van \'tiat. s^fïdus, munt) een krijgsman, die in een staand leger voor sold of soldy, d. i. voor betalingdlont, eon soedenicr, soldenier, krijgsknecht; — aan boord wordt soldaat gemeenzaam gezegd van oen of ander iiiotsheduidend voorwerp, eindje touw enz., dat Ie veel in de tuigage in \'toog loopt; — soldatósque, f. fr. (it. soldalesca) hot krijgsvolk, de krygsmanschap, krijgslieden, inz. me\' bet denkbeeld van teugelloosheid; — a la soldatesque, op zijn soidaatscb, 0|i krijgs-mansmanler.

soldeeren, Kmt. z. v. a. sal de eren (z. aid.); ook: met gesmolten metaal aaneenhechten of dichtmaken.

Soldo, m. II. (van \'I lat. sotüius, z. aid.; vgi. sou) het jV deel eener lira, eene Hul. rekenmunt van zeer verschillende waarde; ook de soldy, belooning.

Solduriërs, m. pi. in de galllsche oudheid: krijgslieden, die zich goheol en al aan oenen aanvoerder hadden toegewijd, o|i een ge-meenzamen voet met hem omgingen on met hom stierven.

Solëa, f. lat. de zool, de voetzool; do tong, eene tot de schollen hehoorende vlsch. Solecisme, m. fr. z. sol oo cis me. solemneel, fr. [solemnel, liever solennel, van \'t lat. solemnis, e) of solenneel, als advorh. solemn ter, elg. Jaarlijksch, wat leder Jaar plaats heeft, wat regelmatig wederkoeri, vastgesteld, gebruikelijk ; plechtig, feestelijk, statig, plechtstatig, lieerlUk; — solemniteit, f. (fr. solemnity, lat. solenmlas) de pleclitighoid, fecslelijkheld, praal;—sofciiwite leslaménli, Jur. de lot eene laatslo-wilsverklaring gevorderde gebrniken; — solenniseeren (fr. solenniser) vieren, plechtig godachtenis vieren; door wettelijke plechtigheden of fonnaliteiton liovesli-gon; — solennisatie (spr. t=ts) f. plecb-tige viering.

Solenieten, pi. gr. (v. sollt;ii, goot, buis) eene soort van versteende schelpdieren, naar eene messcheede gelijkende.

solenneel, solennitoit, enz. z. oud. sol e in n ee I.

Solenoïde, f. gr. (v. soldn, buis) buisvormige draadspiraal, die de elgonscbappon van een magneet aanneemt, als er een electrische stroom doorheen geleld wordt (= electro-dynamische cylinder).

Solfanaria of solfatara, f. it. (v. solfo = lat. sulfer, zwavel; fr. soufriire, v. soufre, zwavel) de zwavelgroeve; het zwaveimeer; de ketel van een vulkaan, die alleen zwaveldampen en luchtsoorten uitstort; — solli, pl. zwuvelafdrukken (van edelsteenen, gesneden stee-nen, rlngsteenen, enz.)

solveggiëeren, it. {solfeggiare, spr. sol-fed:—, v. solfa, de toonladder) «f solmisee-ren (van de Ital. toonnamen sol, fa en sol, mi gevormd; vgi. ut, re, enz.) de toonladder zingen (alleen met benoeming der noten of op vocalen); — solfeggiën (spr. solfédzjiun) of solfeggi, pl. (fr. solfège) oefeningsstukkon voor den zang zonder tekst; — solmisatie (spr. -za-tsie) f. het zingen dor toonladder, In \'t alg. iedere slemoefening.

Solfl, z. oml. sol fa nar ia.

Solicitor, z. oud. sol lie lieer en. solide, adj. lat. (soltdus, «, urn, fr. solide) vasl, dichl, sterk, gedegen, duurzaam, deugde-


-ocr page 1179-

SOLON

1151

SOLI

lijk, IioiiiIIk, houdbiiiir, boslondlR, biyvcnil; grondig, zokdr, vorlrouwlmar, waar, oclit, ooriyk, braaf, welgesteld; een solide monseh, solide koopinun, een menseh, dien men vertrouwen kan, hy wlon huofd en harl op de rechte plaats zitten, een koopman, die stipt zyne verplichtlrigon nakonil, enz.; — solidus, m. (sell, nummus), pl. solidon (lat. nwnmi sotfdi) eene oudroin., aan helde zydeti gestein-pelde Koudimuil, aan gehalte ongeveer = !gt; gid. 40 et. waard; in de middeleeuwen, sedert de 7de eeuw, eene zilvermunt, zlivergeldsluk (so-lidus arflenlius), dal ie minder waarde beeft, naarmate men later in den iyd komt; — so-lïdum, n. hel geheel, de gezatneniykheid;— in snlidum of solidair cavoeron of staan, voor het geheel gemeensehappeiyk en leder in liet byzonder horg of aansprakeiyk zyn, of allen voor éenen en een voor allen horg hiyven;

— solidaire pathologie, f. lat.-gr. de zlekleleor, die als grondslag dor ziekten de vaste dooien des Ikbaanis, inz. de zenuwen beschouwt, in tegenslelling met humorale pathologie, z. aid.; — solidaire pathologen, m. pi. geneesheeren, die deze leer aanhangen; — solidariteit, f. nw.lat. ge-meensebappciyke verplichiing van velen voor ieder der medeverpllchten op alle doelen van hel geheel (In tegensl. mol de verantwoorde-lykheld of horglocht jiro ra/a); — solidee-ren (lat. soliilSre) hevesiigen, verzekeren; — solidatie (spr. I—I*) f. (wliiluho) de bevestiging, verzekering; — solidesceeren (lal. snliilescSrc) vast, siyf of hard worden; — so-lidescentie (spr. I=ls) f nw.lal. het vasi-worden, verstyven, verbarden; — soliditeit, f. lat. (soliililas) do dichilield, vastheid, gedegenheid, duurzaamheid, biyvendheld, beslendig-held; do giundlgheld, grondige kennis, het bondig oordeel, de echtheid, waarheid, zekerheid; vertrouwbaarheid, gegoedheid.

xo/i Deo gloria, z. ond. Dans.

Solidüngüla, pl. uw lat. (van solïdm, dicht, vast en ungiilu, klauw) eenboevlge dieren.

Soliónglas, n. lafelgins van heiere hoedanigheid dan \'I gewone bohoemscbe, en daarom vaak Inl spiegels gebezigd.

Soliloquïiim, n. lat. (van solus, alleen, en toqui, spreken) eene alleenspraak, een zelfgesprek, gesprek by zich zeiven, z. v. a. gr. monoloog; — solipsisme, n. barb.-iat. (v. solus en ipse, z. «ld.), z. v. a. egoïsme;

— solipsist, m. /.. v. a. egoïst; allegorische naam der Jezuïeten, dewyi zy. naar men wil, allereerst aan zlchzeiven denken.

Solist, ■/.. ond. solo.

Solitarïus, n. lat. (solilanus, «, urn, eenzaam) of solitair (fr. solitaire), een eenzame, ongezellige, een kluizenaar, li e rem 1 et; — solitair, ook een alleen gezette diamant (zonder kleinere steenen omgeven); eene soort van qua-drilie-spei, waarhy men aliyd alleen speelt, zonder te horoepeu; eene soort van vlinder, alsook eene soort van vlieg; nog; een vogel van lie de Franco, wiens bostaan door vele naturalisten betwist wordt; als adj. eenzaam, ongezellig, teruggetrokken; — ver solitaire, m. fr. de lintworm, een platte, zeer lange, gelede worm, die alleen van zyne soort in de ingewanden ontstaat (Taenia solium); — solitaire, n. een spel, waarhy men alleen kan spelen met een tafelije, waarin :n gaten zyn, en met ;IU puntige pinnotjes, ook het melanchollespel gelieeien.

Solitude, f. fr. (van \'1 lat. solitüdo) de eenzaamheid, eenzame plaats, woostenU; de naam van verschelden eenzaam liggende landgoederen.

solttus, lat. gewoon, gebruikeiyk; more soltlo: naar gewoonte, naar oud gebruik.

sollécilo, II. (spr. —Isjilo= lal. sollicttus, a, urn) Muz. bekommerd, treurig, bedroefd.

solliciteeren, lal. [sotlicilare) in beweging zetten, verontrusten, bekommeren; Inz. Iels gerechteiyk bejagen, verzoeken, aanhouden, aanzoeken, om rechlsbuip verzoeken; naar eenen post dingen; — sollicitant, m. (solticïlans) een aanzoeker, verzoeker, dinger naar eenen post; een rechtszoeker, eischer; — solliei-tabel, adj. nw.lat. geschikt ter aanzoeking, ter mededinging; — sollicitatie (spr. He— Isie) lat. (sollirilatw) de verontrusting, bekommering; de dringende bede, het aanhouden, elschen, de gerechtelyke bede; hel aanzoek, het dingen, mededingen naar een ambt, naar eenen post; — sollicilalionis importunae, f. pi. lastige, allerdringendste aanzoeken; — sollicitator, fr. solliciteur, m. Iiovorderaar, voortzetter, verzorger van iemands rechtszaak, van zyne belangen hy de regeering; — solicitor, m. eng. (weleer sollicitor, spr. sollissiler; elg. de aanzoekende, de vrager) de procureur, de zaakwaarnemer ; — solicitor-general (spr. dzjénnerel) do procureur-generaal, liet openbaar ministerie.

solmiseoren, solmisatie, z. solfeggi eer en.

solo, tl. (= lal. solus) alleen, zonder begeleiding, zonder hulp; — solo, n. Muz. een alieenspel, alleengezang; in liet kaartspel: het alleenspel; ook de benaming van een kaartspel voor i personen; — solo-partij, f. een niuzlekpariy, door éene zanger uit te voeren;

— solo-zanger, solist, een alleenzanger;

— solo-tout, z. v o i o.

Soloocisine, n. lat. (van I gr. sololkis-

mós) pl. soloecismen, eene taalfout, Inz. legen de Juisle uitspraak en de woordvoeging, zoo geheeten naar de stad Soli (gr. Sóloi) In Cllicli), welker inwoners, onder den invtoeil der hen omringende vreemde volksstammen, hunne zuivere attlsche moedertaal allengs verbasterden; — soloecisch, adj. met de zuivere taal strydig; soloscist, m. de taaifouienmaker.

Solokraat, lat.-gr. z. v. a. monokraat, monarch, z. aid.

Solon, m. naam van den atheenschen wetgever, geboren omstreeks (i:)!t voor J. (1.; soms gebezigd om een verlicht en reehlscliapen wetgever aan te dulden.


-ocr page 1180-

SOMNUS

SOLOTA

1152

Solota of /.clol a (van \'1 slavonisch solotn, Koud, onidal dlo munt oorspronkelijk van kouiI was; fr helolle, z. nld.) oono turkschc zilvermunt van :io paras.

Solotnik, ui russ. (sololnik, van sólotn, (jouil) een handelsgewicht = j1,, russ. pond of cram.

Solo-tout, solo-zangor, z. oud. solo.

Solstitium, enz. z. ond. sol.

aolubel, solubiliteit, solutie, z.

ond. sol vee ren.

solus, a, «mi, lat. alleen, eenlg, enkel; — solus cum sola, liü met haar alleen, oonparlR;

— sola, f. (v. solo, sell, fide) door \'t geloof alleen) de leer van de rechtvaardiging door \'I geloof, In de luth. Kerk; z. ook sola-wlssel.

solvoeren, lal. {solvere) oplossen, onl hinden; onthullen, verklaren-, eene schuld verclfe-nen, afdoen, hetalen; — solve u{ solralur: af-gek. solv. (op recepten); los op! of hol worde opgelost! — sólvens, n. Med. hel oplossende;

— pl. solventïa of solutiva, oplossingsmiddelen, oplossende middelen; — solvént (sdlnens) en soln\'nilo (sell, idoneus) lal. of solvable, fr, adj. in staat om te hetalen; — solvéntie, r. nw.iat. of solvabiliteit, f. (fr. solmbililé) het hotaalvermogen, hel vermogen om te lielalcn; — in solulum, lal. in betaling of in plaats van gereeile, hare of co litanie helaling aannemea of geven; — solü-bel, adj. (lal. soluliïlis, e), oploshaar, onlhlnd-liaar; voor verklaring of uitlegging vathaar; — solubiliteit, f. nw. lal. de opioshaarheid, onthlndliaarheld; — solütio (spr. I=ls), f. lat. {solulio) de oplossing; iels opgelosts, onl-hoiidens; de verklaring, heanlwoordlng, ontwikkeling; Jur. solulio, de helaling, opiielling eener verplichting door helaling; soluCfo inilebfli, eene zonder gehoudenheld of verpllchling gedane helaling, die deswege kan teruggevorderd worden; s. particularts, eene gedeeltelijke of stuksgewijze helaling, helaling op afslag, in inindering; — s. contU/üi, Med. eene iiH lireuken plaatsgrijpende verrekking; s. conliniii, eene verrekking die hy eene wond of hy heenhreuken volgt;— solutivum, pl. —va, z solvons; - so-lulus, ii, urn, lal. Itol. los aangeliechl.

Som, f. (fr somme, hoogd. summa, v. \'t lal. summa, z. aid.) verzamellal, heloop, bedrag, de grootheid, die uil de samenvoeging van twee of meer andere ontstaat; zekere hoeveelheid gelds, geldsom-, reken- of alolkunsllg vraagstuk;

— sommeeren (fr. summer, hoogd. summi-ren, nw.lat. summare) samenstellen, optellen, oprekenen, de som van Iwee of meer grootheden vinden; — z. ook ond. sommeeren.

Soma, l) somma, r 11. (elg. last, vracht) eene oude koren- en vochtmaat In Opper- en Midden-ltalU1 van zeer verschillende waarde.

Soma, 4) m. lad. Mylh. god dor maan, vader van Hoeddha en eerste koning der maan-dvnastie. lig huwde de il dochters van Dak-cha-, maar dewyi hy ill van haar veronachl-zaamde voor hunne zuster Itnhlnl, Irof Dakcha hem mei eene kwaal, die hem op geregeld we-dorkeerende tyden deed wegkwynen.

Somaténen, m. pl. (van\'l calalonlsch m-malén, de slormklok, hrandklok) ile catalonlsche landweer In den spaanschen vryiieldsoorlog van 1 SOS—13, die op het lulden der stormklok hy-eenkwam.

somatisch, gr, (v. soma, lyf) lyfeiyk, llcha-moiyk, het lichaam holrelTende; — somatist, m. z. v a. materialist; —somatologie,

f. de llchaamsleer, de leer van het menscheiyk lichaam; — somatomimiek, f. de voorstelling van den zlolstoestand door middel van de heweglngen iles lichaams; — somatomie, f. z. v. a. anatomie, z. aid.

Somber, adj. (fr. sombre, spr. sonbr\'; vgl. het sp. sombra, de schaduw; v. \'I lat. umbra, met voorgeplaatste, uit het lal. sub ontstane s) duister, donker, treurig, zwaarmoedig, knorrig, verdrietig; — sombrero, m. sp. (van sombra, de schaduw) de schaduwhoed, de breedgerande spaausche hoed

Sombrerophosphaat of sombre-riet, n. een op pliosphoriel gelykende dleriyk bemestingsmlddel van het eiland Sombrero (lol de Anlillen hehoorende).

Summatie, z. ond. sommeeren.

Somme, f. (fr somme, some) een groot vaartuig der Siameezen voor den zeehandel, z. v. a. jonk.

sommeeren, fr. (sommer, oudfr. semo-ner, semomlre, provenc. semnnilre, somondre, eng. summon, en ilit van \'l lat. summonère, herinneren, mld.lat. = cilarc, mcare) gerech lelijk aanmanen, elschen, opvorderen, b. v. lol betaling; dagvaarden, opelsclien (eene vesllng);

— z. ook ond. som; — sommatie (spr. l—ls) f. gerechleiyke aanmaning, dagvaarding; opelschlng der verschuldigde belastingen; ook hel papier, dat die opelschlng heholsl.

Sommiet, m. (naar den berg Somma by Napels, als de plaats, waar men hem bet eerst vond), z. v. a. uepliellne.

Sommist, in. It. sommista, (v. sommare, sommeeren, z. aid. ond. som) een verzamelaar, compilator van theologische werken; een afschrgver, by die met de afvaardiging der pauseiyke bullen Is belasl.

Sommiteiten, pl. (van \'t lat. summf/as, fr. sommilé, top, splls; vgl. sum mil ell) de hoogston, voornaamsten, aanzleniykslen.

Somniatie (spr. I=ls), f. nw.lat. {som-niatto, v. \'I lat. somniSre, droomen, somnïum, droom) de inagnelische slaap-, somnialio in slalu vinili, hel droomen in wakeaden toestand, hel wakend-droomen.

Somnus, m. lal. de slaap; — somnambule, m. en f. fr. (z. v. a. nw. Int. n oc t a in bulu s, van \'I lal. ambulare, wandelen, rondgaan) een nacht- of slaapwandelaar, maanzuchtige; een in den slaap sprekende, sla-pendwakende, helderziende (cla I r voy a n 1 of —e) ten gevolge van hel magnetisme (z. aid.);

— somnambuleeren, somnambuli-


-ocr page 1181-

SOMPTUEUX

115;}

SOPHRON

seeren, nw.lal. slnapwundolcn, In den toe-stand d«s magndisclieti slaaps zgn; — som-nambulismo, n. hot nachlwandolen, do slaapwandelliiK; lid siapendsiireken, slapond-waken, holderzlcn, do liolderzlelitlKhi\'ld (c la I r-voyance); — somnifora, n. pi. lat. slaapwekkende middelen, slaapKOed; — somnilo-quo, rn. fr. (spr. —lókk\') con sjirekor in den slaap, Inlddroomer, Iemand, die slapend of droo-mond overluid spreekt; — somnolént, adj. lat. (somnolénlus of somnulénlus, a, um) sla-porlK, slaapzuchtig; — somnoléntie (spr. t—ts] r. (somnolentia of somnulenCta) de slaperigheid, slaapzucht.

somptueux, adj. fr. (spr. sonpMü-, v. \'t lat. sumtuosus, van sumtus, kosten, onkosten) prachtig, kostbaar, koslclük, wclilsch; — somptuaire wetten (lat. leuessumluarfae), wetten tegen de weelde; - somptuositeit, f. (fr. somptuosili) pracht, verkwisting, onmatige uitgave.

sonante. It. (van \'t lat. somire, klinken) Maz. klinkend, helder; — sonate, f. (II. sonata) olg. een klinkstuk, een muziekstuk voor het klavier of forte-plano alleen, of In begeleiding van enkele Instrumenten, bestaande uil i lol 4, gew. echter uit ;t doelen; een allegro, een andante of adagio en een presto of rondo; — sonatine, f. eene kleine sonate; — sonét of sonnét, n. (11. sonétto, fr. sonnet) een klinkdicht, bestaande uil tl doorgaans Jambische verzen, die In twee iregelige en twee 3regellge strophen zyn Ingedeeld, met eene bepaalde rymplaatsing; — so(n)netti8t, m. een sonottendlchter.

sonchifoïïus, a, um, lal. Bot. ganzendlstel-bladerlg.

Sonde, f. fr. Chlr. eene meialen, doorgaans zilveren, ook van gom-elasllek of gutta-percha vervaardigde sllft van velerlei gedaanten tot pelling der wouden, zweren, enz., het tentUzer, do pellslifl; Mar. het zinklood, peillood, lood, een werktuig om de diepte der zee te peilen of de gesteldheid van haren bodem te onderzoeken; de aardboor, bergboor; de peilstang der tolbeambten; — sondeeron ifr. snnder: sp. en port. somlar, waarschyniyk van lal. suh-undure, onder de golf of in de zee dompelen, v. undo, de golf) met hel peillood, bel tent-Uzer, enz. de diepte der zee, eener wond, enz., of den aard des bodems onderzoeken; onelg. Iemand onderzoeken, toetsen, polsen, ultvorsclien, ulthooron; ~ sondeer-roede, f. een werktuig om te onderzoeken, hoe diep onder het zand rotsgrond voorhanden is.

Sonót, z. oud. sonanle.

Sónica, f. fr. In bel pharao- en bassetspel; eene kaart, die juist Ie rechter tijd komt, om winst of verlies Ie beslissen; ook voor; Ie rechter Igd, van pas; dadelgk.

Sonna, z. Se hl ie ten.

Sonne., by natunrwelensch. benamingen afk. van 1\'. Sonnerat (gest. I8ti).

Sonnet, z. oud. sonante.

ViEIIUU IJHUK.

Sonnez, m. fr. (spr. soné) twee zessen In het triktrakspel

Sonnieten,/.. Sc h l iet en Sonométer, m. lat.-gr. (van \'t lat. sonus, klank, geluld) een klank- of geluidmeter, eene toonmaat, Inz. Ier bepaling van de relatieve trillingsgetallen, vgl. monochorde; een door Wakley uitgevonden werktuig om den graad der hardhoorlgheid hg iemand Ie bepalen; — — sonoor of sonörisch, adj. (lat. sono-ru.i, «, um) welklinkend, welluidomi, voltonlg, klank- of toomgk; — santin) of sonoraménle. It. Muz. klinkend, helderklinkend.

Soole, sole, f. hgd. het zoute water. Sopha of sofa, f (sp. en II. sofa, perz. sifah, van \'I arab solfah, van sa/fa, in ry en orde plaatsen) een turksch rustbed, kussenzetel, z, v. a. canapé; de met een lapyt belegde verhevenheid, waarop de grootvizier z.yne audlén-llen geeft en de afgezanten hunne plaats nemen; vgl. divan en eugareb.

Sophatis, z. v. a. se pha rieten (z. aid.). Sophér, m. hehr. (suphir, iiarllc. v. sdphar, schryven, tellen) een schrijver; schrlfgeleerde, wetgeleerde; een schoolmeester, tiengeboden-schrgver bü de Joden.

Sophi, m. perz. (van het arab. snrfii, In wol gekleed; vgl. sof en sofe, sofisten) een wyze, godsdienstige; vandaar titel des ko-nlngs van l\'erzlü.

Sophia, f. gr. (van sophós, ê, ón, wgs) cig. wysheid; een vr.naam; — sophisma, n. pi. sophismen of sophismata (van sophuhein, iemand wys, verstandig maken; so-liliulteslhui, wys, omzichtig zgn, listig handelen, leis kunstig verzinnen; iemand beet hebben) eig, iets schrander of listig verzonnens, een sluwe vond; Inz. Log. de bedrlegiykesluitrede, schyngrond, diogrede, een verstrikkend betoog, eene bedrlegiyke redeneering, waarbU óf in den grondslag óf In den vorm gezondigd wordl; — sophist, m. (gr. sniihi.ttcs) oorspr. oen man vol levenswüsheld en slaatkunde, oen wysgeer en redeneerkundlge der oudheid; later en tegenwoordig doorgaans een drogredenaar. Iemand, wiens redeneeringen niet dan valsche stellingen, verkeerde gevolgtrekkingen bevatten;

sophistiek of sophiaterij, f. de drog-redekuude, bedrlegiyke wgsheldsverloonlng, spitsvondigheid, spilsvondlge drogredenen, haarkloo-vergen; — sophisticatie (spr. I~ls), f. nw. lat. vervalschlng, b. v, van drogergen, edele metalen, enz.; — sophistisch, adj. spils-vondig, verstrikkend, bedrieglijk, sluw;—so-phistiseeren (spr. —ree—) den drogredenaar spelen, drogredenen maken en iemand daarmede zoeken te vangen, spitsvondigheden uil kramen.

Sóphron, m. gr. {suphron, by gezond versland, bezonnen) een matig, bezonnen, wys man, als mansn.; — Sophronïa, f. vrnaam; de onthoudzame, bezonnene, wgze; sophro-nist, m. (v. soplironi(l:cin, bezonnen of wgs maken, verheleren) een zedenmeosler, opziener

711


-ocr page 1182-

SORTE

1154

SOPOR

over ile zeilen, ccne soort vnti rBgoorlnKsporsoon In hel ouile Athene; — sophronistëres, lil. Meil. ile wUsheidstundcn, voistundskleïen;— sophronistenum, n. eon verhelerhuls, gekkenhuis; — sophros^ne, f. de hezon-nenheld, onthoudzaamhold, oulhoudlnRSKiive, ma-IIkIhk, knlscliliold.

Sópor, in. lat. de slaap, sluimering, ver-doovliiK, slaapzucht; — sopeoren of so-poroeron (lat. sopire, sopor arc), doen in-slapen, hedaren, verdooven, stillen, verzachten, z. v. a. as sou pee re n; — soporous, adj. In diepon slaap liegende; — sopiontïa (spr. t=ls) n. |il. Mod. stillende, vcrzachtendo geneesmiddelen ; - soporatief, adj. nw.lat. in slaap hrongend, slaapverwekkend; langwyilg, vervelend; soporifóra, n, pi. Int. slaapwekkende middelen, slaapmiddelen, shiapgoed.

sopra, II. (= lat. supra) Kmt. over, moer dan, op, hoven; — sopra agio, in. (spr. —ailzjin) Iiultengewoon opgeld liij koers hoven pari; — sopra proiésto, hoven het protest, d. I. ter eero of uit vriendschap ecnen wissel aannemen (a c-cept eere n); — sopro tara, do aflrek, die hoven de gewone tara (z aid.) wordt loogeslaan;

— soprano, m. of sopraan, f. It. (elg. de of het opperste hovenste, eerste) Muz. do liovenstem, hoogste stem, z. v. a. discant.

Sora, f. (fr. som, save, essera, mere, van aruh. oorsprong; socr) de netelkoorts mot por-solelnullslag,

Sorbaten, n. pi. nw.lat. (v. het lat. sor-hum, fr. sorbe, de vrucht van den sorhen- of Hjsterhessehoom) ook malaten (van malum, appel) appelzurc zouten.

Sorben of Sorbenwenden, pi. naam van een womllsch volk van slavonlschen oorsprong, dat In de nde eeuw In Dultschland, Inz. In hct land van Molszen en Altenhurg, doordrong.

Sorbét of sjorbét, n arah. (fr. sorbet, sp. snrbcln. It. sorbelle, eng. sherhel, v. \'t arah. sjerbet, sjnrbet, elg. slok, teug, dronk, van sja-riba, drinken) 1° een lurksche koeldrank van water, lljngestooten rozijnen, citroensap, suiker, ainhra, enz.; \'2° in llalle, enz.: eene soort \\aii frultUs als koeldrank; — sorbotière, f. fr. sorhetviias, tinnon koelvat voor het sorbet.

sorbifolïus, a, urn, lat. Hol. lysterhessohoom-hladerlg (vgl. sorhaten).

Sorbónno, f. fr. oorspr. het hoofdcollege voor geestelyken op de hoogeschool te l\'arys, en de daartoe hehoorende gehouwen naar Ko-hert vim Sorhon, hiechtvader en aalmoezenier des konings, welke dien naam droeg naar zyne gehoorteplaats, het dorp Sorhon In het dopartcinent der Ardennes, en stlchler was van deze school In HSfl); laler In \'I algemeen do gezameniykc godgeleerde (acultclt te l\'arys.

Sórdos, pl. lal. onreinheden, vuiligheden, onluig; sorties primurum viarum, Med. onreinheden der eerslc wegen, d. i. der spyskanalen;

— sordïdo, adj. (lal. sortlïtlus, a, um, fr. sordide) vuil, onrein laag, gemeen, snood, ver-achteiyk, laaghartig, gierig, vrekkig; — sor-diditeit, f. nw.lat. de onreinheid, vuilheid; laaghaiilglield, gemeenheid, snoodheid, vrekkigheid.

sordo, it. (elg. doof = lat. surrius) Müü. gedempt, mot verdoofden toon;- sordino, m. it., sordine of sourdine (spr. soerdién\') !. fr. de demper, klankliodwinger, toonvordoo-ver aan speeltuigen; d la sourdine, fr. z. ond. sourdine; enn sordino, 11. gedempt, met den demper, I). v. te spelen; - sordünen, pl. gedemiile orgeipypen.

Sorensknver, m. gezworen schryver, dis-triclsrecliter in eersle instantie, in Noorwegen.

Sorghum, n. (holcus sorghum, Ind. sorqhi) de indlaansclie glersl, eene graansoort, die inz. tot voeder voor de hoenders dient en welker stengel een merg beval, dat naar honig smaakt, vooral In Afrika, ook durra, f.

Sorgoedsch, f. turk. een pluimbos, vederhos, mei edolgesleenlen versierd, dien de Turken aan hunnen tulband dragen; de sultan heeft er drie; de groot-dignitarissen des ryks dragen er slechts éen.

Soria, sp. (zoo geheeten naar de sp. prov. Sorla) de gcmecne spaansche gewasschen lamswol.

Sorites, m. gr. {sorites, d 1. elg. opgehoopt, van sonis, hoop) Log. eene kotllngslult-rede, eene verkorte reeks van sluitredenen, welke den vorm oener enkele sluitrede heeft; eene verstrikkende gevolgtrekking.

Sornétten, f. pl. fr. (someties, verklw. van hel oud-fr. some, een sprookje) ongerymde taal, zolleklap, praatjes, sprookjes, grillen.

Soróche, f. sp. (spr. —ótsje) de hergzickle, door verminderliig der luchldrukklng, inz. by het bestygen der zuidomerikaanschD borgen ontstaande.

Sorokowoi, z. ssorokowol.

sororisooren (spr. —zee-) barb.lal. (van \'I lal. sornr, zuster) als zusters of zusteriyk met elkander omgaan; — sororiatio (spr. I—Is) f. nw.lat. de onlwlkkoling der vrouweiyko horsten; — sororicida, m. lat. een zuster-moorder.

sors, f. lat. (gen. sorlis) fr. sort, m. (spr. s6r) lol, aandeel; levenslot, noodlot, lolsbedeo-llng. lotgeval, stand, rang, enz.; ook de hoofdsom, het kapitaal; vandaar in sorlcm com-puleeren, lol do hoofdsom biTugen -. — sorte of per sorlem, door hel lol, door verloting; — sortilegium, n. nw.lat. (van \'I lat. sortilè-ijus, waarzegger) de voorspeiling door het lol.

Sorte, f. fr. (mld.lal. en 11. sorla, van \'I lal. sors) do soorl, bot slag; — sorteoren (it. sorlire) uitlezen, naar soorten afzonderen, af-deeien, uitzoeken, afzonderen, paren; vgl. assort eer e n;—ge so rl e e nl, adj. uilgczoclit, In soorien hyeengevoegd; wel gesorteerd, behooriyk van het verelschte voorzien, h. v. zulk een winkel; — sortimént, n. een voorraad van uilgezoclite, afgezonderde waren, eene soortmenigte, een goederenvoorraad; by (dull-


-ocr page 1183-

SOUCOUPE

SORTIE

1155

schc) boekhanilolaars; eon voorraad van iloor andoren ultptoKoven werken, vgl. assorll-mont; vandaar de sorllinents-handel, handel In hoeken, door andoren ultnegeven. In tegenstelling met die van eigen oplage; sortiment sstu k ken, pi. do groote on fraaie stukken barnsteen.

Sortie, f. fr. (van sorlir, ullgaan, en dlt van lat. xorliri, lolen, ecu lot trekken; dan In \'1 Hal. sorlire, fr. sorlir, In het algemeen: uit-trekken en Intransitief: uitgaan) de uitgang, uiltocht; Mil. de uitval, liet uitrukken der belegerden, om do belegeraars aan le vallen en hunne werken le vernielen; de ultvalpoort; Kint. de uitvoer, bet vervoer van waren uit stad of land; droits d\'enlrée cl de sortie (spr. drna danlré c d\'sorli\') In- en ullgaando rechten; soort van daniesniantel voor avoiidpartyen; kaartje, dal lgt;y voorslelllngen enz., die legen enlrée toegankelük zün, aan lemimd afgegeven wordt, die zich voor een oogenbllk verwijderen wil.

Sortilogïum, z. ond . sors; — sortiment, z. ond. sorte.

Sorting pack cloths, pi. eng. grove wollen stoffen tot bet Inpakken van laken

Sosie, I) (spr. son) f. fr. slof van boomschors uil de Indien, schorsstof.

Sosie, i) in. Iemand, die eeno volmaakte gelykenis met een ander beeft, sprekend op Iemand gelgkl, iemands weerga (met zinspeling op den Sosic in den Anipbllryon van l\'laulus en van Molière, die In Mercurlus een anderen Sosie, zijn eigen wederga vindl).

Sosïus, ni lal. (pi. Snsïi) naam van een beroenul liockhandolaarsgeslacht In het oude Home; vandaar in \'1 atg. voor boekhandelaar.

Sospiren, pi. II. (sing, snspiro - fr. snu-pir, v. \'I lal. smpirtum) zuchten; Muz. kleine rustpnnlen, pauzen in bel zingen, die voor de zangers noodig zijn om adem te halen; — so-spirdnilo, sospirdntc, snspisrdvole, sospiróso (s|ir. —zo) it. Muz. zuchlend, klagend.

Sospiteit, I. lal. (sosjitlas, van sospes, welbebouden, onverzeerd) het welzijn, de welstand.

Sostanza, f. II. (van soxtvnérc — \\a[. sui-tinire, In sliiml houden, uilboiiden) Kmt. welstand, gegoedheid, e red iel, soliditeit; — soslenüla, 11. (spr. n—oc) Muz. volgehouden, aanhoudend, met aangebonden tonen.

Sostrum, ook sotrum, n. gr. (scislron, van sodzein, redden) het reddingsloon, bebou-dingsloon; de holoonlng van den arls voor hot behoud des levens; arlsenloon.

Sot, m. fr. (spr. sn ,■ fem. sotle, mid.lat. sollus, angels, sol, sp. zote, van \'1 rabhynsch sjolch, dwaas) een dom, eenvoudig mensch, domkop, onnoozele ziel, bloed, zot; — sotïe of sotiso, f. eene salvrleke kluehl of een der-geiyk kluchtspel op het oude fr. looneel; — sottiso, f. (spr. sntlti\'z\') de zolheld. domheid, omioozelbeld. malligheid, doninie streek ; eene grofheid, lompheid, onhelameiykheid, de helee-lt;llgende laai.

sotiidisch, adj. (lat. soladtcus en snla-düus, a, urn) vuil, onluchlig, smerig, hoogst on-klesch; soilatische verzen, wulpsche, vuile, dartele, ontuebllge verzen (naar een oud-gr. dichter So lades zoo gebeeten).

Sóter, m. gr. (sntér, v. sódzein, redden) hynaam van Jupiter, Bacchus en Apollo, by-naam van l\'loleniieus I, koning van Egypte, en van Antlöclius 1, koning van Syrië; — sotê-ros, pl. hynaam van Castor en Pollux, als beschermers der zeevarenden; — soteriën, pl. reddingsfeeslen, dankolfers voor de uilred-ding; — sotorologie, f. de leer der zaligheld, helhindsleer, leer van Christus als den Sol er, redder en zaligmaker der menschen;

— soterisch, adj. reddend; behoudend, gelukkig of zaligmakend, zaligend; soterische munten, de oude inunlen mei bet kruis of hel beeld van Cbrlslus. geiyk de latere grlek-sche keizers die lieten slaan.

Sothis, m. Aslron. naam, dien de Kgyp-tenaren aan de schitterendste der vaste sterren gaven, onze hondster of Sir lus; — so-this-poriodo, z. caniculaire periode;

— sothiiichisch, adj. wal lot de hondster behoort; sothlachlsche periode, een tyd-vak van 1100 jaren, na welks verloop, het begin van hel godsdienslig en dal van het hur-gerlljk jaar der Kgyplennren samenviel.

Sotnie, f. russ. isalnja, van sin, honderd, genii, pl. sol) het honderd, b. v. kozakken; — sotnik, m. een hoofdman (over 10» man) vgl. s e 1 n I k.

Sotrum, z. sostrum.

sotlitc peso, II. {sollitc = lat. sublilis, elg. lijn, dun; vgl. peso) Kml. Ilchl gewlchl.

Sottiae, z. ond. sol

sotto voce, 11. (spr. —tmólsjc, sollo = lat. suillus, onder, beneden: vgl. sous) Muz. elg. onder de slem, d. i. met zachte, gedempte, bedwongen of weerhouden slem, met zachte lonen.

Sou of oorspr. sol, m.. pl. sous, fr. (spr. soc; van \'llal. sotfdus, /.. aid. = 11. soWo. sp. sucldo) eene oude fr rekenmunt = ^ livre of ongeveer i\\ cent, nu algemeen gebruikt voor het sink van 5 een linies of j1,, franc.

Soubassoment, n. fr. (spr. soebass\'mnu) Arch, de grondmuur; zullgrondslag. zuilvoet.

Soubrette, f. fr. (spr. soehréll\': voor so-hrellc, v. sobre, lal. sobrïus, nuchler; nucbler van geest, bezonnen, verstandig) kamenier-, inz. de rol van sluw diensimeisje of kamerjuffer op bet looneel;- soubrette-partij, f. de rol daarvan; — soubrette-zangeres, f. de zangeres der vrooiyke en komische rollen.

Souche, 1. fr. (spr. soesjquot;; elg. booinslomp) siamregisier. slamlysl. d. I. hel In een register, enz. achlerbiyvend gedeelte der zigzagvormig of mei bochten uilgesneden papieren, welker echiheid laler door legen elknnderhoiiden moet kunnen worden bewezen

Souchóng, f. eene lljne Iheesoorl.

Soucoupe, f. fr. (spr. soekóép.- van sous.


-ocr page 1184-

SOUDENIER

4156

SOUTANE

onder, en coupe, schaal, kop) liet ondersclmal-tjo, schoteltje, b. v. bü een kopjo.

Soudenier, z, soedetilor.

Soudrah, z. sooüruh.

souffleoren, tr. {souf/ler, spr. soefi—, pro-venc. en ouilsp. sujlar = lat. sufllare, l)lazen) toebluzen, toellulstoren, Inilulsteron, vóórzeggen — souffleur, m. (spr. soefi—) de Inbla-zer, toeduisternar, vóorzegKor, Inz. op bet too-neel; scbcrtsond ook souffleuse, f. toetluls-teraarster, voorzegster, tnblaasster; — soufflet, m. fr. (spr. soc/lè) een klap, eene oorvijg, muilpeer, een kinnebakslag; — souffletade, f. eene menigte klappen, eene dracht oorvijgen; — souffleteeren, klappen ot oorvijgen geven ; — souffleteur, m. een klappenultdee-ler, toedlener van muilperen.

SoufTrance, f. fr. (spr. soefrdns\': souf-frir, lijden, verdragen, dulden, v. \'t lat. su/ferre) het tijden, smartgevoel; Kml. een openstaande (niet verellonde) en met de wederzljdscbe rekeningen niet overeenstemmende post; — souffro-douleur, m. (spr. soefr\' ilnelédr) elg. een smarttydor; een zondebok, verschove-llng, verschoppeling. Iemand, die de schuld van alles krygt; Iels dat tot allerlei gebruikt of misbruikt wordt; — souffreeron, lijden, verdragen, uitstaan, ondergaan; gedoogen; toelaten, dulden.

soufre, m. fr. (spr. socfr\') zwavel; — sou-frage, f. (spr. soefrddzj\') liet zwavelen of do zwaveling, het blootstellen der stollen aan de werking des zwaveldamps; liet Indoopen ingesmolten zwavel; —soufreeron, zwavelen.

Souhait, m. fr. (spr. soe-ê) de wensch, begeerte, het verlangen; — souhaitablo, adj. wenscheiyk, wenschenswaard; — sou-haiteoren, wensclien, begeeren, verlangen.

soulageeren, fr. {soulager, spr. soelatj—, voor souléger, sp. soliviar, v. \'t lat. sublecian voor sublevare, verlichten, van levis, licht, niet zwaar) ondersteunen, opricliten, verlichten, verzachten, verminderen, bedaren, troosten, verkwikken, draaglijker maken; — soulage-ment, n. (spr. soelazj\'mdii) de ondersteuning, verlichting, verzachting, troost, verkwikking, hulp, vermindering van pijn, gem. soelaas.

Soulèvoment, m. fr. (spr. soelèw\'mdh v. soulever, opstaan, v. lat sublevare) do opstand, hot oproer.

Soumissie, t. Tr. (soumission: spr, soe—) z. v. a. submissie (z. aid.)

Soupgon, m. fr. (s|ir. soepsón: oudtr. soupe-con, provonc. sospeisso, van \'t lat. suspicto) do argwaan, verdenking, achterdocht, bet vermoeden; — soupgonueeren (fr. soup(onner) verdenken, verdacht houden, argwanen, vermoeden, gissen, voorgevoelen; — soupgonna-ble, adj. verdacht, aan verdenking nnderbe-vlg; — soupgonneux, adj. (spr. soepsonnéü) argwanend, mistrouwend, achterdochtig, erg-denkend.

Soupó, z. souper.

Soupente, t. fr. (spr. soepdht\'; van sous.

onder, en pendre, hangen, lat. suspendlre) de hang- of draagriem eener koets; Arch, een hangkamertje.

Souper of soupé, n. fr. (spr. soepévan la soupe, de soep, provenc. en sp. sopa, en dit van \'t oudtr. snup, oudhgd. suuf, oudnederl zulpe) het avomleten, de avondmaaltijd, het avondmaal; — soupeeren (tr. souper) het avondmaal houden, avondmalen; — soupière, fr. (spr. soepjèr) een soepschotel, soepkom.

Soupir, m. fr. (spr. soepier: v. lat. suspi-rium, vgl. sosplren) de zucht; Muz. een kwartmaat rust; soupir de croche (spr. hrosj\') achtste rust; s. de double croche, ^ rust; s. de triple croche, jlr rust.

souple, adj. fr. (spr. soepl\': v. lat. supplex, do knieën buigende; It. sojjire) gedwee, lenig, buigzaam, taal, slap, zacht, rekkelijk; volgzaam, toegevend, modogovend, handelbaar, gehoorzaam ; — souplesse, f. de gedweeheid, lenigheid, buigzaamheid, rekketykheid; onderdanigheid, volgzaamheid; vaardigheid, gezwindheid, rapheid der leden.

Source, f. fr. (spr. som\'; voor sours, beter sors, verouderd part. van sourdre, ontspringen, opwellen, van het lat. surgtre, opstijgen; prov. sorter. It. sórgere, sp. surgir) de bron, oorsprong, de oorzaak, het beginsel; oneig. Inz. do handelsbron, waar eene koopwaar uit de eerste hand wordt verkregen.

sourcilleux, adj. fr. (spr. soerci-ljéü van sour dl, wenkbrauw) hoog, steil (van rotsen, bergen); somber, zwaarmoedig, trotsch, hoogmoedig.

Sourdine, z. sordine;—ó In sourdine (spr. soerdién\') heimelijk, ter sluik, in stilte.

sous, fr. (spr. soe: In samenst. ook enkel sou-, van \'t lat. sublus, en ook voor sub, sus-) onder, b. v. sous bande (spr. —band\') onder kruisband (smalle strooken papier, waarmede men gedrukte bladen sluit, die men met de post verzendt); sous bande verzenden, onder kruisband, zonder volledig omslag of couvert verzendon; — sous-amendement, n. (spr. snesamahd\'mdri) een onder-amendement, tweede voorstel ter verandering van een aan-vullings- of verbeteringsvoorstel; — sou-scripteur, souscriptie, z. v. a. subscribent, subscriptie (z. aid.); — sous-lieutenant, m. onder-iultonant; — sous-maltre, in. (spr soemèlr\') ondermeester; — souspieds, pl. (spr. soepjéés) voetriemen, strooken van leder of andere stof, die onder den voet doorgaan en dienen om de broek of do slobkousen op den voet te houden; — sous-signó, m. (spr. soesi-njé) ondorgeteekende, onderteekenaar; — soussigneeren, ondertoe-kenen; — soustorrain, souterrain; — soustractie, f. z. v. a. substractle (z. aid.)

Soutache, r. fr. (spr. soelasj\') plat lijn koord voor belegsel.

Soutane, f. fr. (spr. soelddn: mid.lat. sub-lana, subluneum, sp. solana. It sollana, onder-


-ocr page 1185-

SPAMPANATEN

SOUTENEKREN

1157

rok, van sollano, onderst, van \'t lal. subtus, beneden, onderaan) dn lijfrok der r. kath. gees-teiykon, een onnoploold afliangendo rok mul nauwe mouwen onder het Ijovonkleed; ook dlk-wyis de Kcesleiyke stand zelve; — souta-nélle, f. een korte Igfrok der aankomende geestelijken.

souteneeren, fr. {soutenir, spr. snel—, van \'t lat. suslincrc) onderhouden, ondersteunen, onderschragen, onderstutten, schoren, versterken, kracht geven; heworen, slaande houden, verdedigen, voorstaan; — soutenable, adj. fr. (spr. soel\'ndb\'l) houdbaar, verdedigbaar-, — soutenanco, f. de kracht om zich staande te houden; — souteneur, ni. houder van een speelhuis, van een bordeel; — soutien, m. en n. (spr. soeljeii) de steun, sint, schraag, ondersteuning, bijstand; by kleermakers en naaisters: middelen ter opstyving, ter ronding; styfjo, strooitje of Uzerdraad om leis stevig te maken.

Souterrain, n. fr. (spr. soctemin van \'t mhkrranlus, a, um, onderaardsch) eon onder-aardsch vertrek, lage benedenverdieping, onder-aardsclie gang, keldorvordleping.

south, eng. (spr. sous, mol geadspireerde s) zuiden, zuid (in vele samenslellingeii voorkomende); — south-eastern (spr. —ieslr\'n) zuidoost, Inz. zuidoostenwind.

Soutien, z. onder souteneeren. Souvenir, n. fr. (spr. soew\'niér; van \'t lal. subvemre, elg. bykomen, te hulp komen; te binnen komen. Invallen) het aandenken, de ber-Innerlng, eene gedachtenis, een herinneringsgeschenk, gelieugen- of herlnneringsboekjo, memorie-boekje, schryfhoekjc, zakliockje.

souverain, fr. (spr. soew\'reii) of soeverein, adj. (It. sovrdno, van \'t mld.lat. supers-iius, supranus, van \'I lat. super, supra, hoven, op) opperst, hoogst, allerhoogst, oppermachtig, onbeperkt of onbepaald, ongebonden, vryheer-scliend, onafhankoiyk; als subsi. in. een onlie-paaid gebieder, opperheer, staatshoofd, onafhan-keiyk vorst, koning enz.; ook eene goudmunt in Engeland (sovereign) = -20 shilling sterl. of 12 gld.*, — souvereiniteit, f. (fr. soutie-rainelé) du onbepaaldheid of onafhankeiykheld van oenen vorst of Staat, oppermacht, oppor-beerscbappü, onbeperkt gebied, vrye en onaf-hankeiyke Staat.

Sow., by natuurwetonschappeiyko benamingen afk. voor Sowcrby (gesi. 1851).

Sowaa, n. (javaansch soewAsa, maleisch stvAsa) een gemengd melaal uit gouil en ja-pansch koper, waaraan door aanstryking eener blauwe of zwarte kleurstof eene waarde gegeven wordt, die het aan het lljnsle goud gelijk maakt.

Sówjet of liever sawjet, servlsch (van sdwjelowati, raden) lt;le rand, senaat; — sów-jetnik of sawjetnik, de raadsheer, senator.

Soy m. of soje, f. (oud-it. soja — sela, zyde, oudfr. snyc, mld.lat. essajum) eene wollen slof, de beste soort van ras of gladde serge j — soyeux, adj. fr. (spr. soajéü; van soie, zyde) zydeachiig, zacht als z.yde, zeer fijn.

Spaath, spath, n. Miner, onbepaalde naam voor verschelden ruitvormige of riiom-bolidrlsche mineralen, met bladerige, glanzige breuk, b. v. loodspaath, veldspaath, vloelspaath, gipsspaath, kalkspaath, z w a a r s p a a t li enz.

Spacie, spaciëus, adj. z. spatie, spatiöus, ond. spatlum.

Spadassin, m. fr. (spr. -sen; II. spadac-cinn, van spada, degen) een voorvechter, vechtersbaas, plukhanrdor, een man van de punt; — spadille, f. fr. (spr. spadiil}\'-, van \'t sp. cspadilla, verklw. van espada, degen) schoppenaas, de hoogste troef in het omberspel.

Spadel, z. spatel.

Spadille, ■/.. ond. spadassin.

Spadix, f. gr. (van spdein, trekken, scheuren) een afgereten tak, Inz. een palmtak; een arenbulsol, de kolf; — spado, m. lat. (van \'t gr. spddor) een ontmande, gesnedene, gelubde; — spadönisch, adj. ontmand, gesneden, gelubd.

Spagnolétte, f. (van \'1 sp. espaixolela) eene yzeren deur- of vensiersiang, tot betere slulllng; do spaansche menuet.

Spagyrie, f. (ars spagyrfca, In de middeleeuwen kwaiyk gevormd van \'t gr. spdein, span, trekken, afscheuren, schelden, en ageirein, verzamelen, vereenigen) weleer voor scheikunst (chemie), Inz. de scheiding tot veredeling der ertsen hot goudmaken -, — spagyrisch, adj. scheldend, veredelend, ertsveredelend; spagy-rische kunst of kunststukken, of spa-gyrlscho pbllosophle, de kunst of de kunstgrepen, door welke ertsen opgelost, gezuiverd en in edele metalen veranderd worden, bet zoeken van den sleen der wyzen.

Spahi, m. pl. spahis, 1) (vgl. slpoys) lurkscbe ruiters; thans ook in Algcrle een in franschcn dienst staand rultercorps, dal meest uit Inboorlingen beslaat, ook mamelukken en tegenwoordig chasseurs d\'Jfrique gebeelen; — 2) een bezitter van kroonleenen, een leenheer, grondeigenaar; vandaar spahilik, een kroon-lecngoed.

Spalier, n. z. espa l Ier; — spalieren,

oenen muur met boomlahverk bekleeden; In lioven-Dullscliiand voor behangen, bekleeden.

Spaliu, m. (It. spnlmo, fr. espa line) leer, scheepspok; kleefdeeg; — spalmeeren (fr. espalmer en spalmcr, 11. spalmare) leren; z. v. a. ka 1 fa te ren.

Spalniki, m. pl. russ. kamerbeeron aan liet russische hot.

Spalt, m. een blinkend wille steen, die naar het kristal zweemt en gebruikt wordt om de metalen lot smelting ie brengen, ook soms z. v. a. asphalt.

Spampanaten, pi. (li. spampandla, van spampandre, do ranken afnemen, afsnyden-, on-elg. opsnyden, pochen, en dit van pampano, pampim, wynrank, lat. pampinus) grootspraak, pralerij, pocherij.


-ocr page 1186-

SPAN/EMIE

SPATIUM

1158

Spanoemlo, f. «r. (v, spanós, gebrek ly-lydeml, knrlK, dun, en huima, blood) do /leke-lyke loesland van hot blood met vermlndorlnu der bloodbollotjos en der vezelstof.

spandeeron, v.. spendooron.

Spaniol, m. eng. (spr. spénjel; fr. épagneul, oudtr. espagneul, nw.lul. hispaniülus, v, //i.v/ia-niola ol lliiili, alwaar men do beste soort dier bonden vond) de puti\'Usliond, kwurtelhond

Spanish stripes, pl. oiik, (spr. a-ee-, i—ui) llclito lakonstollen, die voor uitvoer naar Cblua Kcfaljrlccerd worden.

Spanjool, spanjolet, ■/.. espagnol.

Spanopögon, in. lt. (van spanós, è, dn, scbaarscb, dun, en poaon, do baard) een dun-baard.

spanseoren (hoogd. spatzieren) wandelen ; - spanseerder, m. een liefhebber van wandelen; — spanseerplaats, wandelplaats.

Spant, n. nodcrl, (v. s p n n n e n; hoogd. spunn of spant) In den scheepsbouw; naam der dikke en dubbelo zystukken, waaruit het geraamte van een schip bestaat, do Inbouten, ribben.

Spar, f. eng. Mar. spier (z. aid.)

Sparadrap, m. (fr. sparadrap, nw.lat. sparailrüpa, sparadrUpum) Med. do fontanel-pleister, eone op belde zyden met was of kleefstof bedekte stof tol verhand van kunslzworon.

Sparügmus, m. gr. {sparanmus, van spa-rdssein, vanoonryton, verscheuren) een hevige kramp; — sparagmödisch, adj. Med. lot hevige krampen geneigd en daaraan lydendo.

Sparganösis, f. gr. {\\iin spdruanon, w indsel, sparganoen, Inwikkelen) de Inwikkeling, het omzwachtelen van een lydend lichaamsdeel.

spargeeren, lat. (spargire) uitstrooien, ruchtbaar maken, rondpraten, verspreiden, op aller tong brengen; — spargimént of spar-gemént, n. nw.lat. een uitgestrooid gernebt, uitstrooisel, volkspraatje; elders ook z. v. a. omslandighedon, omslag, ceremoniën (veel spargementen maken); — spargillum, n. de wykwast; — sparsas, a, um, lat. Hot. verstrooid; — sparsa, pl. lat. verstrooide dingen, ver-sproido geschrlflen (ook als titel van hyeenver-zamelde opstellen); - sparsim, adv. lat. hier en daar verspreid, wyd en onregelmatig uiteen-staande, I). v. zulke vlokken, pokken enz.

Spargósis, f. gr. (van spargan, zwellen, lot berstens vol zyn) Med. hot opzwellen; de sterke opzetting der vrouwenborsten mol zog.

Sparrm., by natuurwctonscbappciyko benamingen afk voor A. Sparrmann (gest. 178quot;).

Sparsa, z, ond spargeeren.

Sparsette, z. v. a. es parse tie, z. aid.

sparsim, ?.. ond. spargeeren.

Spartaan, m. Inwoner der beroemde slad Sparta in hol oude Grlokonlnnd; vandaar spar-taansch, adj. den Spartanen eigen of loe-behoorend; Inz. voor gestreng, hard, manneiyk, b. v. sparlaanscho kinderlucht, zeden.

Spartam cl Martham (hebben), een post en eeno vrouw, eene kool en een vogel (heb-hon); post Spartam sumire Martham, trouwen na eon beslaan te bobben verkregen.

Spartito, n. It. Muz. z. v. a. pa rtituur; hy do Ituilanen in bot algemeen z. v. a. compositie, muziekstuk.

Spartogras of spartïum, n. (sp. esparto, van \'t lat. spurtum, gr. spartas, spartón, spartion) spaansche brom, draad- of vlechtgras, waarvan de draailvormige laaie bladeren evenais hennep tot touw- en vlechtwerk, Inz. in Spanje, worden aangewend; — spartene, f. fr. eene matlenfabriek; het vlechtwerk; — sparterie-hooden, van sparlo-gras enz. gevlochten boedon.

Spasis, f. gr. (van spdein, trekken) Med. het trekken, de krampachtige bewoging; — spasma, spasme, n. of spasmus, m do kramp, hevige onwillekeurige samentrekking der spiervezelen; — spasmatie (spr. t=ts) r,. eene geringe, lichte kramp; — spasma-\'Cisch, adj. aan kramp lydend; ook kramp-stlllend, b.v, gonoesmiddeien (heler antispas-modlscb); — spasmodïka of spasma, n. pl. krampwerende middelen (liever anti-spasm odi ka); — spasmödisch, ook spastisch, adj. krampacblig, krampig, ook kriimpsllllend, b.v. spasmodiscbe middelen (liever anlispasmodisch); — spas-mologio, f de krampleer, leer van do kramp-pUneii; — spasmophilio, f. groote neiging lol krampen.

Spassaponsiére, f. li. Muz. do mondtrommel of hot bmniyzer, een speeltuig, dat met de landen vaslgehouden en door het aanslaan eencr stalen tong bespeeld wordt.

Spatangioton, pi. gr. (van spiitangos, zee-egel) eene soort van versleendo zeeögeis.

Spatel, f. (van \'t lal. spatula, verkiw. van spatha, gr. spathc, spaan; vgi. es pad 11 la) ook spadel, een werkluig, rond aan de eeno en vlak of plat aan do andere 7.yde, dienende hg do apothekers om de zalven uit to siryken, uil do pollen te steken enz., het strykmes, do picistcrstryker; by schilders een mes lot bet sarnenslryken der verven, bel tempermes; ook een geiyksoorilg werktuig iiy stukadoors enz.; — spatacéën, pl. nw.lal. (spathacfae) schee-de-loiien, welker bloem in eeno breedhiadigo scheede steekt;—spathutatus, a, um, lal. Hol. spadolvormig; — spat/iulacfoffus, a, um. Bot. spa-delbladerlg.

S|gt;ath, z. spaatb.

Spathaeéën, z. ond. spatel.

Spatium (spr, t=ts) n. lal. of spatie (spr. t=ts) f., pi. spatïa of spatïön, do ruimte, tusscbenruimle, lusschenwydlc; tyd, lyd-ruimto, lermijn; de schei- of aaiivuilingsstaaf-jes dor letlerzeltors (vgi. (|uadralen); spa-tïum dcliberdmli of deliherationis, de tyd dor overlegging; Jur do wolloiyk bepaalde lyil, binnen welken oen erfgenaam zich moot verklaren of hy de naialonschap al of nlcl aanvaardt; spatium internum, inwendige ruimte; spaliim vacuum, of onkel vacuum, z. aid.;\'


-ocr page 1187-

SI\'EC I MEN

1159

SPEAKER

— spatieus (spr. I=ls) mij. (lat. siialiusus, a, urn) rulm, wyd, breed, omvaltond, ullKOslrokl;

— spatsieron, lioogd. (spazieren, van hot lat. simliSri, el((. oeao ruimte dooi;waiideleri) langzaam gaan, slenteren; verinaakslmlve uil wandelen, ryden, varen Kauri, spa nseeren, vgl. odk p romenee ren.

Speaker, m. eng. (spr. spieker, v. speak, spreken) du spreker, de voorzitter In het eng. lagerhuis, omdat hy hg voorkomende gelegenheden voor het geheele huls het woord moet voeren.

Specerij, (. (mld.lat. espiciae, 11. spette, spetieria, fr. épiccs, éplcerie, van \'t lal. species, soort, In/., van krulden en dul.) welriekende krulden of drogeryen van verhittende, inikke-lomle kracht, geurige krulderyen ■ — spoce-rijhandolaar, koopman In getuige kiuhle-ryen, kruidenier; vgl, materia list.

Species, f. (pl. Insgelijks species) lat. (v. spectre, spieïre, zien) of bpocie, elg. de aanblik ; de gestuite, gedaanlo, gesteldheid, het ultoriyk aanzien, de scbün; liet begrip; gew. de byzondere soorl (van gerlngeren omvang dan genus); Arltb. eene hoofdrekenwijze, hoordre-gel of hoofdbewerking der getallen; ook loe-voegsel, bestanddeel van arlsenyen, spijzen enz.; Meil. Inz. een mengsel van grot klolngemaakte plantendeolen; geld- ut munlsooii, Inz eene geheele ot groote munt, In ondcrscbeldlng van klein geld of brokkelgeld en papleren geld, h.v. een speel e-da a Ide r, sp ecI e-d u k aat, s pe-ele-mark; — arf specfem, voor den schyn; in spene. Inzonderheid, vooral; ook In baar of gereed (coulant) geld; sub spene, onder de ge-daante, onder het voorkomen ut den schijn, h.v. sub specie nmicilïae, omler den schyn van vriendschap; suh una specie, onder eenerlel gestalte, nameiyk alleen die des broods, geiyk do Ka-tholleken het heilig Avoudmaal gebrnlken; sub [Unique specie ot enkel sub utrdque, onder beiderlei gestalte, nameiyk brood en wijn, by \'1 Avondmaal der Protestanten (vgl. Utraqnisten); species fucli, Jur. de voorslelling, openlegging van hot gebeurde, bel verhaal der tellen, de gang der zaak; species peclontlis, pl. borsllhee; — speciaal (lat speciulis, e) of specioel, adj. byzonder, afzonderiyk, eik o|i zich zelve-, bepaald, nauwkeurig; spocia-lis of speciaal, m. oen byzonder bekende, vertrouwde, boezemvriend; — speciale kaart, eene kaarl, die eene afzonderiyke landstreek voorstel!, la tegenst. mot generale kaart; — speciale rosolütie, f. een byzonder, afzonderiyk heslull; — speciale volmacht, volmacht voor eene byzondere zaak, aangelegenheid of verrlclillag; — speciale wapenen, de nrllllerle en bel geniecorps samengenomen, omdat deze hunne eigen lech-nlok en weienschap hebben; — speciaffu, ook specialiora, pl. byzondere oinstandlgbeden, bij-zonderheden; het nadere, moer nauwkeuiige; ad speciuliu, tot de byzondere omslandigheden ;

— speciulisstinu, n. pl. de kleinste of geringste en onbeduldendsle omstandigheden; speciulis-sfme, op het byzonderst, nmiwkeuriüst; — «pe-ciulïter, z. v. a. in specie (z. boven); — spe-cialiseeren (sjir. .lt;=«) nw.iat. byzonder kenmerken en aanduiden; byzondoren, op zlcb zelve bescliouwen; —specialiteit, later lat. {spc-cintilus, fr spécialiW] de bijzonderheid, byzondere elgenaurdlgheld, soortelyke eigenschap (In tegenst. mot ge n era 111 e It) b. v. de special! lelt moe! geen er lol Inbreuk maken op do gen e ra 11! e II, d. I. datgune, wat In het byzonder Is uilgedrukt, moei niet derogoeren of geonerlol scbado loebrengon aan belgene In \'! aluerneen gezegd Is; bel onderdeel van een handelstak of beilryf, waarvan Iemand byzonder Qf nlisinileml work maak!, li. v. speclalllell In boorden, stoelen enz.; he! vak van studie, van kunslviyi, waaraan men zlcb overgoefl, he! byzonder lievelingsvak; de persoon I...... dan specialist; — specifiek,

adj. nw.lal. (specificus, u, urn, fr. spiU\'ifii/iw) wal In het byzonder aan Iets eigen Is, wat bet kenmerk!, eigen, eigenaardig, in de bijzondere soort of eigenaardigheid gegrond, volgens den naluui\'lijken aard of de soortelyke elgenschup, soorteiyk, h.v, bel specifiek gewlchl van een lichaam, d. i. do verhouding of betrekking van het gewicht eener zelfslandigbeld lol da! van een ander van denzelfden rnlmte-inboud (n.l. lol dat van water voor vaste en vloeibare, of lol ile dumpkrlngslucb! voor luchtvormlge lichamen); goud Is specifiek zwaarder dan lood, d. I. hel overlrefl bij gelyken omvang of gelyke grootte hel lood in zwaarte; een specifiek middel, een geneesiniddel, dal op eene eigenaardige wyze werkt, da! in zekere bepaalde ziekte zlcb werkzaam beloonl, getyk b. v. de kina in wisselkoortsen, of da! bij voorkeur op oen bepaald orgaan werkt, gelijk h.v. digitalis op het hart; specifieke warmte, de ongelijke warmlo-hoeveelbeld, die verscbli-lende lichamen van geiyk gewicht liij gelyke temperatuur bevallen (vtil. wa rm t e-ca pa el-teil, onder capable; — specificum, n pl. specifica, Med. een geneesmiddel, dal bepaalilotyk eene ziekte of kwaal ticslrijilt en geneest, een zeker, eigen, doelmatig miildei;— speciftce, in \'1 iiyzonder, stuksgewys, stuk voor stuk, elk op zich zelve; - speciflceoren (fr. specifier) elk voorwerp In het byzonder, op zich zelve of nauwkeurig opgeven, bepalen, attn-teekenen of benoemen, van punt lol punt ken-netyk maken, by name optellen. sluksgewUze benoemen of nederschryven; specittctitie (spr. I—Is) f. eene nauwkeuiige, sluksgewUze opgaaf of lyst. de benoeming van leder deel eens geheels in hol byzonder, byzondere opgaaf, nauwkeuiige optelling, opnoeming of verklaring van sink tot stuk.

Specillum, n. lat. (van specSre, zien) Cblr. een zoeker of peller, eene zoek- of peilnaald, een leniyzer. z. v a. sonde.

Specimen, n pl. specimina, lat. (van speeëre, zlon, beschouwen) eene proef, een slaal.


-ocr page 1188-

SPEDIËEREN

SPECTABEL

1160

model, proefstuk, proefwerk, hewysj — spe-ciëus, udj. (lat. speciósus, n, urn) uanzlcn-Igk, schoon; scliynLnar, misleidend, sclioonscliU-nend, wat den schyn of glimp dor waarheid, dor waarschyniykhclil licett; — sjiedosus, a, um, hot. aanzleniyk, In vorgelUklni? met andere van aanzleniyke grootte en tevens van hyzondere sehoonhoUI.

spectabel, adj. lat. (speclatitlis, c, van sped are, aanzien, liosehouwen) hezlonswaard, aanzleniyk; — specluhilis, e, lal. Bot. uitstekend, fraai; — spectabiliteit, f. (lat. sperlnhiti-tas) aanzleniykheld, oen titel voor staatsdienaars In hel latere romelnsche keizerryk en voor de dckciis op de tegenwoordige (duitsche) hooge-scholen; — spectakel, n. (lal. speclacülum, fr. spectacle) eik voorwerp, dat de hilkken, de aandacht lot zich trekt, de oogen iioeil, het schouwspel, de vertooning, openhnre vertoonlag; dc aanblik, liet gezicht, tooneoi; gom. opzien, opschudding, geraas, verwarring; — specta-kelstukken, pl. (ooneelspelen, waarin hy-zonder veel to zien Is, zooals inarschen, optochten, dansen, om dc groote menigte te lokken; — spectaculooren, nw.lat. of spectakel maken, opzien verwekken, opschudding maken; — spectaculeus, adj zonderling, opzlenharend, schandoiyk; — spectator, m. lat. de toeschouwer, toekyker; waarnemer; ook eng. Illel van tydschrlften (spr. speklëëler)-, in navolging daarvan; de If ol I a ndsc he spec-tator, tilci van een der hesto geschriften van onzen Justus van Elfen (gest. 1135), een werk vol menschenkennis en ievenswysheid, met smaak ea oordcel ontleend aan den tyd, waarin hy leefde; — spoctaton\'um, n. nw.lat. een kring van aanschouwers, de gezamenlyke toeschouwers.

Spectrum, n. pl. spectra, nw.lat. (van \'tiat. speeëre, zien, heschouwen; spectrum, cm heeld In de ziel, oene voorstelling; fr. spectre) een spook, oene vcrschyning; eene begrensde plaats in de ruimte of op een vlak, op hetwelk zich eene of andere niet weegbare vloeistof als \'t ware afbeeldt, b. v. een kieuren-spec-t rum, zon ne-speet r u m, licbt-spectrum, warmte-spoctrum enz.; spectra ocutórum, oogmisleldingen, gezichtsbegoochelingen; - spec-traal-analyse, f. de door Hunscn en Klrch-hoff in Isoo Ingevoerde onderzoeking van stoffen iloor do haar clgca gekleurde strepen, welke zy (In een vlam vervluchtigd en door prisma en kyker onderzocht) In hel kleuren-spoctrum laten waarnemen; — spectro-colorime-ter of ophthalmo-spectroskoop, m. een door Prof. Vierordt uitgevonden toestel tot onderzoek van klcnrenblindbeld; — spoctro-skoop, m, oen alt een nauwe spleet, prisma en convexglas samengesteld toestel om de spec-traal-verscbynselen der stoffen te onderzoeken; — spectroskopisch, adj. dergeiyke onderzoekingen betrelTende.

Specüla, f. lal. (van speclrc, zien, beky-ken) eene boogie Ier waarneming van de omliggende streek, een wachthuis op de hoogte, eene tinne; — speculae llercülis, pl. de tinnen van Hercules, twee bergen aan de zeeengte van Gibraltar, .Calpo In Europa en Abyla In Afrika, ook de pilaren, zullen of kolommen van Hercules geheoten.

spoculeeren, lat. {speculari) eig. rondzien, bezichtigen, kyken, bespieden, gadeslaan; in den geest beschouwen, nadenken, navorschen, diepzinnig denken, bovenzinneiyke beschouwingen maken; handelsplannen maken, gewin berekenen, op haadelsvoordeelen loeren, plannen, redeneeringen, berekeningen in zake van llnan-clen, handel, rijzing of daling der fondsen enz. maken; — speculant (van \'I lal, specütans) of fr. speculateur, m. een beschouwer, be-spiegeiaar, navorscber, overpelnzer; ondernemer, winstzoeker, winsthespieder; speculant a la hausse of a la baisse, z. hausse en baisse; — speculatie (spr. I=s) f. (later lat, speculufin) onderzoek, bespieding, navor-sching, geesteiyke aanschouwing of overpeinzing; vcrslandciyke beschouwing, diepzinnige overweging, bespiegeling, theorie; inz. het koopnians-wlnstzoeken, de winstboloering, berekening eener onderneming op waarscbyniyke winst of verlies; een lijn ontworpen bandels-voordeel; — speculatie-effecten, pl. handelspapieren van zeer onstandvastige waarde, die daarom by voorkeur voor speculatie gezocht worden; — speculatief, adj. navorscbend, nadenkend, peinzend, beschouwend, bespiegelend; diepzinnig; hoven- of overzinneiyk; ondernemend; op vermoedeiyke winst berekend; speculatieve philosophic, beschouwende verstandswelenschap, diepzinnig verslandsonder-zoek, dat, onafhankeiyk van de In do ervaring gegeven verschynselen, door den denkenden geest de waarheid zoekt, in tegenst. met emp 1 rise b e p b 11 o s o p li I e.

Speculum, n. lat. dc spiegel; Chir. een werktuig om zekere natuuriyke hollen des II-chaams open te houden, wyder te maken of daarin Ie zien, b. v. speculum ani, een instrument om den aars te vorwyden; — sp. matri-cis of utgri, een moederspiegel, werktuig om den mond dor baarmoeder Ie vorwyden; — sp. ncitli, de oogspiegel, oogopspalker; — sp. oris, mondspiegel, werktuig om den mond op te spalken of op te schroeven; — sp. luctdum, Anal, het heidcrhllnkend of doorschynend schot der hersenen.

spediëeren (boogd. spediren, van \'t lat. expeilire, vgl. oxpedlüeren) afzenden, verzenden, verder zonden (waren, enz. o|) rekening van anderen); — spediteur, m. (it. met franschen ullgang; fr expéditeur) dc verzender, goederen- of warenverzendor, de tus-sciicnhandeiaar; — spoditie (sjir. /=/.«), f. (it. spedizione) de afvaardiging, afzending of vorder-zendlag, warenverzending; s p o d 111 e-c o n I o, do verzendingsrekening; spoditie-handol of sped 11 ie-zak en, verzendingszaken; speditle-provisle, vorzendlngsloon;


-ocr page 1189-

SPHEEIl

4461

SPEECH

— spcdilo, speditaménlo, Muz. spocillu, Imastlg, vaardig, g«zwlnil; — con spedilezza, niet versnelling, verhaasting der beweging.

Speech, r. eng. (spr. spietsj\') de aanspraak, de rede, redevoering; z. maidenspeech onder ma ld.

Spelónk, t, lal. (spelunca) een hol, grol; nest, roofnesl; een donkere smerige woning ot hulshouding.

Spelter, m. eng. (mld.lat. pestrum, pcu-Ireum, oudtr. peulre, sp. pellre, 11. peltro, vgl. spla utcr) z. v. a. zink.

Spencer, m. een overvest, vestrok of korte rok zonder panden, naar zyn engolschen uitvinder lord Spencer benoemd.

spendeeren (door den vreemden uitgang eer en van hot dultsche sponden gevormd, dat echter zelf van hot lat. expendtre, spen-(Ure, ontleend Is), ook wol minder goed span-deeren, te koste leggen, besloden, er aan wagenj ultdeelen, ten beste geven, schenken;

— spendabel, adj. barb.lat. mild, vrijgevig, mededeelzaam; — spendage, t. (spr. —ilaazj\'; dultsch met fr. uitgang) de vertering, ultdec-llng, schenking.

Spenn., bU botanlsctio benamingen afk. voor F. C. L Spenner (gest. I8iI).

sperdma, I. It. (van \'I lat. en 11. sperdre, hopen) hoop! als opwekkende toeroep gebruikelijk; — speratus, m. cn sperüta, f. Int. hy of zy, die gewonscht wordt, do go-wenschle, verlangde.

Sperma, n. gr. (genit. spérmatos, van speirein, uilstroolon, zaaien) het zaad, Inz. hel dloriyko zaad, do slof, waarmede hot dier wordt geteeld; — spermaceti, n. gr.-lal. sperma celi, d. I. zaad van den walvlsch; walschot (z. cachelot); — spermakrasie (spr. s=z) f. gr. (vgl. akraste) Mod. slochlo monglng of gesteldheid van het zaad; — spermat-akratie (spr. Iie=tsie) f. (vgl. a krat ie) hel onvermogen om hel zaad op te houden, omvil-lekeurige zaadvlooiing of zcifbeviokking; — spermat-energie, f. (vgl. e n e r g 1 e) zand-kracht, sterkte van het zaad; — sporma-tias, m. «ene zaadryke vrucht, zadeling; — spermatme, f. do zaadslof, eeno byzondcro zelfstandigheid, uil liet zaad getrokken; — apermatis, f. do zaadader; — sperma-tisch, adj. tot het zaad behoorendo, van hel zaad ontstaan, zaadbevaltend, zaadvoorlbren-gend, b. v. zulk oen middel; sp or mails cho v a ton, zaadvalen; — spermatocele,f. Mod. «ene zaadaderbreuk; — spermatocystis, f. een zaadblaasje; — spermatographie, f. do zaadbeschryving; — spermatoklém-ma, n of spormatoklépsis, f. de on-morkharo afvloeiing van hel zaad; — sper-matologie, f. de leor van het zaad, zaadleer; — spermatopathie, f. hol zaadiy-den, eeno uil hel zaad onlslano ziekte; — spermatophthöra, f het zaadhederf; — spermatopcea, pi. zaadverwekkeado, be-vruciilonde genoosmlddelon, middelen ter bevordering van de zaadafscheldlng; — sperma-torrheoe, f. een zaadvloed; — sperma-toschósis, f de lorughouding van hot zaad; — spermatozemie, f. zaadvcriies; — spor-mogonie, f. zaadverwekking; — spermo-llthen, m. pi. zaadvorstceningon, versteende zaadkorrelljes; — spermoloog, m. gr. (sper-molnuos, eig. wie zaadkorrels verzamolt) een snapper, babbelaar, nieuwsvonter; een lafel-scliuimor, llikllooier; — spermologie, f. de snapachtlghoid, hahboizucht; schuimioopory; — spermophorum, n. Bol. zaaddrager; — spermostëmon, n. do zaaddraad; — sper-mozöon of spermatozoon, n. het zaad-diertjo (in bol manneiyke zaad).

Speronara, I. II. (v. sperone, sprone, de spoor, speronare, sprnnare, sporen, aansporen) eon snelzeilend schip; een mallezer zeiivaar-iuigje zonder verdek.

Spes, f. (genit. spci) lal. de hoop, ook als vrouweiyke godiieid voorgesteld; — spes sue-cedéndi, f. do hoop van op to volgen of op anibtsopvolging; — cum spc succedéndi, met hoop op amblsopvolging; — spes patriae, de hoop des vaderlands, de jonge staatsburgers; — spes votia, eeno ydeie, bedriogiyko hoop; — in spe, in do hoop; — inter spem el mcfum, lus-schen hoop en vrees.

Spesen, pi. boogd. (it spese, van \'I lat. expensae, v. expendSre, 11. spendere, uilgeven, verteron) do kosten, onkosten, uitgaven, inz. Kml handelsonkoslen; verzendlngskoslen, commissie-golden.

Sphacelus, m. gr. (sphdkèlos) Mod. hel koudvuur, de volkomen versterving; — sphace-talus, a, ion, lat liol. brandvlokkig; — spha-celeoren (gr. sphakelidtein), versterven, koudvuur krijgen; — sphacelïsme, n de versterving; — sphacetismus cerebri, hol koudvuur der hersenen; — sphacelödes of sphacelous, adj. aan het koudvuur geiyk.

Sphscr, sphaeroïdo, enz. z. spheer.

sphalma typograplifcum, n. gr. [sphatma, misslag, dwaling, ongeluk; lypographicum, lot de boekdrukkunst behoorendo), eeno drukfout, eig. doorgaans zetfout.

Spheer, sphscr, sfeer, f. lal. (sphaera, van \'I gr. sphaira) do bol, kogel, hel bolrond lichaam, Inz. de hemelbol of wereldbol, een bolrond, beweegbaar werktuig, uit cirkels bestaande, voorsleilendo die, welke de slerrenkun-digon zich verbeelden aan den hemel gelrokken to zyn, do kring, de loopbaan; gezichtskring; de ultgobroldheid, omvang, grenzen van Iemands zaken, macbl, kundlglieden, talenten, vatbaarheid, werkkring; dat ligt hullen myne spheer, dal ligt huilen myn bereik, builen myaen werkkring. Is my te hoog, gaal boven myn begrip; bullen zyne spheer treden, de grenzen van zyneu stand overschryden, te ver gaan; sphaera armillaris, o\\ii\\ arm lila; hoogere spberen, hovenaardsche werelden of streken; m u z I e k of h a r m o n Ie der s p h e-r e n, de hemelsche muziek, die volgens de voor-


-ocr page 1190-

SPICILEGIUM

SPHICN

11G2

sIcIIIiik van Pylliiigorus uil do boweglng dor homolllclmincii ontsiiiai; — sphterisch, spheriach, sferisch, mij. kogelvormig, holvortnlg, bolrond; kringvormig; sphaencus, a, «m, lat. Kot. kogelrond = g I o b o s u s; — eon splio rise bo boek, oen door Iweo clr-kolliogen gevormde book, klootscbo boek; een spherlsebo drloboek, een door drie cirkelbogen Ingesloten driehoek, klootscho driehoek; sphierlscb oxcés, i. exces, onder exco-deeren; sphiortsche polygoon. Iedere voelboek, die door bogen vim groote cirkels op do oppen lakte van een bol begrensd worden;

— sphcericitoit, r. nw.lal. de ronding, bolvormige gedaante der llcbamen; sphcerïka of sphcerologie, f. gr. de leer van den aard- en bemelbol, globenleer; — sphfüris-terïum, n. een plaats voor bet balspel; — sphseroido, I. een langwerpig ronde bol, bolrondacbtlg lichaam, ile onvolkomen ronding;

— sphoeroïdiciteit, f. neiging tol kogelvorming, bet streven naar den kogelvorm, b, v. van bet water; — spheroïdale toestand des waters, de holvormlge gedaante, die bet op heelo nietaalvlakten aanneemt, zonder te verdampen; — sphacroidisch, adj. (lat. sphaeroïdes, kogelvormig) bolrondachtig, naar oenen hol gelijkende, plat bolvormig; — sphoe-rolith, m. oen niersteen, korrelig afgescheiden parelsteen, aan poksteen en ohsldlaan verwant; — sphseroma, n. oen afgerond lichaam; — sphoeromachie, f. het balspel;

— sphiBromótor, m. een bohneter, kogelmeter, een werktuig om de mhldeliyn van een hol of kogel Ie vinden, van welks oppervlak slechts een klein stuk gegeven Is; — sphoe-rometrie, f. de bolmoting, meetkunde dos bols; — sphoerosideriet, n. spiiattiijzer-steen, staalsteon In kogel- en niervorm; ook Frankforter glas genoemd; - sphaïrulio-ten, m. pl. nw.lat. eene soort van versteende schelpdieren van bolvormige gedaante

Sphën, in. gr, {splirn, de wig; wegens de wigvormige kristallisatie), z. v. n. titan let (z. aid.); — sphënisch, sphenoidisch, «dj, wigvormig; Arllh. een getal met drie on-gciUke zyden, h. v. 45, als hebbende lol zijden 4, II en i; o,v sphennides (niet sphenniillum), liet wiggebeen; — sphenomaxillaris, Anal, tot het wigge- en kakebeen behoorende;

— sphenopalatïnus, tot bet wiggeheen en het verhemelte behoorende; — sphenósis, f. de vastzetting met wiggen-, het vastzitten van hot hoofd des kinds in hot bokken.

Sphondóne, f, gr. (sphetulrinè) do slinger; Chlr. een slingorvormlg hoofdverhand.

sphënisch, sphenoïdisch, enz. z. ond. sph en.

Sphingónta, |ii. gr. (v. s/i/iinf/ein, snoeren, samentrekken) Med. sterk samentrekkende middelen; — sphinkter, m eene sluitspier; sphincter ani, do sluiispler van den aars; sph. vesicae, do sluiispler van de pislilaas; — sphinxis, f, bet insnoeren, toesnoeren.

Sphinx, f. gr. Myth, oen roofgierig monster, hebbende het hoofd en den boezem van eene vrouw, doch overigens naar oenen leeuw gelykendo, somtyds ook met vleugels afgebeeld, dal op eene rots by Thehe zich ophield, den voorbyirekkondon een raadsel opgaf en ieder, die hel niet kon oni hinden, verslond. Oedipus (z. aid.) loste het op, waarna de sphinx zich van do rots naar beneden stortte, zy wordt nu eens ais liet zinnebeeld van do vruchthaar-lieid des lands, dan weder als dat dor wysbeid en dor verhorgonheden io do natuur aangezien. In Egypte was de uit een leeuweniyf en men-schenhoofd samengestelde manneiyke gestalte een symbool des konlngs-, N. II. een avondvlinder, nacblvlinder; pl. sphinges, ook sphinxen, vgl. pa pil Ion en pbalienen.

Sphinxis, z. ond sphingónta.

Sphragide, f gr. (van sphragis, bet zegel) zegelsteen, zegelaarde; — sphragistiek, sphragistïka, f. do zegelkunde, kennis van de zegels dor oorkonden; - sphragistisch, adj. zegelkundig, do zegelleer aangaande of be-treirende.

sphygtniseh, adj. gr. (v. sphyqmós, de pols, van sphjilzein, In hevige beweging zyn, koken, slaan) den pols betretlonde; — sphyg— modisch, adj. naar den pols gelykendo; — sphygmologio, f. do leer van den pols;— sphygmométor of sphygmoskoop, m. een polsmeter; — sphygtnoskopie, f. de onderzoeking van den pols; — sphymo-phoon, f. een geluidgevende polsmeter, een door Dr. S. Th. Sleln uitgevonden, met de te-lophoon verbonden toestel, om de polsbeweging en den hartslag ver hoorbaar te maken.

Spialter, z. s p i a u t o r.

spiandlo, it (v. spiandre, — lat. cxpUmare, verelTenen, verklaren) Muz. eenvoudig, ongekunsteld, uiteengezet.

Spiauter, spialtor, m. (fr. spiaulre, oudfr. peaulre, piaulre, peulre, eng speller, pewtervgl. spelter) z. v. a. zink.

Spica, f. lal. cig. eene korenaar, een korenhalm; Ghlr. een verbond, welks windsels eenigszlns naar eene korenaar goiyken; Astron. oen ster van de tweede grootte In de hand der Maagd; spica digilüla, gevingerde aar; sp. disticha, naar twee zyden gekeerde aar; sp. ramosa, takkige aar; sp. tetrastich», naar vier zyden gekeerde aar; sp. unilateralis, naar eene zyde gekoerde aar; — spica nardi of spikenard, elg. nardusaar, z. v. a. lavendel (z. aid.); — spicatas, a, urn aarvormig, geaard, als eene korenaar; — spicilegium, n. lat. de areniezing, naoogst, nalezing; verzameling van losse schriften, verhandelingen, oorkonden, enz.

spiccdto, it. (van spiccare, v. \'I lat. pieüre, met pek hesnieren of vast maken) Muz. duide-lyk, verstaanbaar uitgesproken hy het zingen; ook kort afgostoolon.

Spicilegium, spikenard, z. onder s pIc a.


-ocr page 1191-

SPIESGLANS

1163

SPI R ABEL

Spiesglans, spiesglas, v. u. anti m o n I u m.

Spillage, r. eng. (spr. spillidzj, ot als nodorl. spillaazje) Kuit. dalgeno wat van ilu waren door do naden der vaten, halen, enz. naar bulten dringt en In den hallast valt.

Spilmagen, m. pl. hloedvorwunten van moedcrszydo. In tegenst. met z w a a r d in a g e n; — spilzijde, moederszljdo (vgl. spil, do ronde pen, waarop Iets draalt, hier voor spinnewiel).

Spiloma, n. gr. (elg. vlok, smeer, v. sptloen, hevlokken) Med. oene moedervlek; — spilósis, t. do bevlekking, bezoedeling, do vlokzueht.

Spilzijde, z. ond. spilmagen.

Spin., by natuurwetonsch. benamingen ntk. voor M. Splnola graaf Kassarolo (gest. 1157).

Spina, r. lat. elg. doorn, stekel, graat; do ruggegruat; ook ilo met zullen en beeldwerk versierde dwarsmuur, die overlangs door eono oud-romelnscliB renbaan liep on om welken de wedloop zich bewoog; — spina bifida, f. Med. gespleten wervelkolom, de aangeboren splijting der ruggowervelen en \'I openstaan der wervel-holte; spina nodosa of venlasa, winddoorn, een kwaadaardige beeneter, seropbuieuse opzwelling van het gowriebtoinde der l)eenileren; — spinaal, adj. (lal. spinalis, e) tot de ruggegraat hehoorende; — spinale Irritatie, f. do ruggemergsprikkeling.

Spinagie of spinazie, f, (mhi.iat. spi-nachium, spinalhia, spinachia, spinaciu, spina-ei li in, spinarium, spinarnium, van \'i hit. spina, doorn, splis, wegens ile spitsgetakte bladeren; li, spinace, sp. cspinaca, provene. espinar, fr. ipinards, eng. spinage, hoogd. spinal) een iie-kejid moeskruid, spaansehe kooi.

Spinél, m. rr. (spinetle) z. robijn; — spinellaan, m. oene zwartbruine, grgze ot roodachtige, aan den iazuursteen verwante steensoort aan de oevers van den Kyn; — spi-nelline, f. z. v. a. titaniet.

Spinólle, f. (van \'t lat. spina) de stekel-bezie; — spinescens, lat. Bot. In dorens veranderende; — spinét, n. (It. spinetla, sp. espinela, rr. épinette, v. lal. spina) een klavier, waarvan de snaren met punten van penne-schachien geslagen worden; — spinula, z. v.a. spina bifida, (z. ond. spina); — spineus, mij. hit. (spinosus, a, urn, fr. épineux) doornig, slekellg; moeieiyk, netelig, bedenkeiyk; — spi-nosissimus, a, uni, lal. Hol. zeer doornig.

Spingéndo, It. Muz. drukkende, aanzettende, stoeiende (den slrijkstok op de snaren).

Spinozisme, n. het wysgeerig stelsel van Spinoza, een Joodscii geleerde te Amsterdam (goh. IKli), Inz. do pantheïstische grondstolilng daarvan, dat God en de wereld een Is, volgens welke (lod alzoo siechls als substaniio, niet als subject en geest bepaald wordt; — spinozist, m. een aanhanger van die leer.

Spinsbeck, z. v. u. pinsbek, z. p I n c h h e k.

Spinster, f. eng. elg. eene vrouw, die spint; een ongehuwde vrouw, een meisje, een Juifer, oene maagd, In Engeland zelve, de oili-circle en In acten gebruikelijke naam voor een meisje, dat nog geen man heeft gevonden.

Spint, n. eene voorin gruanmaat in sommige streken van Nederland: to Orunlngen = ■r1,, oud mud.

Spinthorisme, n. gr. (v. spinllür, vonk, spinlheridtein, vonken werpen) hot vonkenwer-pen, het afgeven van vonken; — spinthe-romóter, m. oen vonkenmeter, werktuig om de kracht der clektrioko vonken Ie bepalen.

Spinthriën, pl. lat. {spinthria of .yiinlrïa, m. een ontuchlig man) immien of gesneden stee-non, die onkuisclie voorwerpen verloonen.

spintiseeren (spr. s=z), hgd. met vreemden uitgang (misschien op eigenaardige wgs gevormd van spinnen, of van het duitsch «;)/«/, houlspaun, splinter, enz.) uitpluizen, lijn uil-spinnen. allcrnauwkeurlgsi nuvorschen.

Spión, m. (li. spióne, fr. en sp. espion. It. werkw. spiare, sp. en prov. espiar, fr. épier, oudd. spehón, nederl. spleen, spieden, hgd. spuhen, eng. spy, vgl. espion) een bespieder, beloerder, uitvorscher, kondschapper, iemand, die de oogmerken, do bewegingen van een vy-undeiyk leger, van byzondere personen in liet geheim gade slaat; m. en n. ook wel voor een straatsplogel, venslersplegel; — spionage, f. (spr. —naazjquot;: fr. cspionnage, m.) het bespieden, beloeren, hot verklikken; — spioneeren, hespleden, beloeren, bedekleiyk gadeslaan, ultvorschen.

spiraal, adj. nw.lai. (van \'i lat. spim, gr. spenv, omdraaiing, kronkeling) kring- of slak-vormig gedraaid, schroefvormig; als subsi, spiraal, f. ook de schroefdraad, d. i. een schroefvormig gewonden draad, om elektrische Induc-iien to voorschUn te roepen of Ier magnetiseering gebruikt; — spiraallijn, de schroeliyn, slakkeiyn, kruliyn, eene kromme lyn, die op een vlak verschelden wenleiingen rondom een punt doel, waarvan zij zich meer en meer verwildert; — spiraalvaten, nw. lat. (vasa spiralta) do lijne luchivoerendo, bnndelsgewyze samenkomende bnizen In \'t celweefsel der planten, welker wanden uit sciiroef- of ringvormige vezels bestaan en door welke het sap In ai de deelen der gewassen opstygt; — spiraal-veer, de siakkevoor, opgewonden veer In zakuurwerken.

spirabel, adj. (lat. spirabflis, e, v. spirurc, ademen) adombnar, vervliegiiaar; spira-biliteit, f. nw.lat. de geschikiheld der liiclit tol Inademing; vcrvlicgbaarheld van een lichaam; — spiracülum, n. lal. een luchlgat, eene opening; spirant, m. (s/iirans) pl. spiranten, Gram. do aangeblazen letters, do letters f, s, ch .■ — spirometer, m. lal. gr. adenmieter, zeker door lliilchinson uitgevonden werktuig, lioslenid om de hoeveelheid ullgeadem-de luchi op te nomen en aan te wyzen, len einde langs dien weg de iuchivalhaarbcid der longen Ie hepnlen.


-ocr page 1192-

SPLENALGIE

SPIRyEA

1164

Spiraea, f. lat. (v. nr. speireia) do spior-ftrulk, een pluntongoslaclit vim volo soorten;

- spiriEaïne, f. de «ele kleurslot in do bloesems vim Spine a ulmaria (relnotto, gelten-Iwurd of olmkruld).

spirdlo, It. (van spirdre = lat. expirare, i. oxsplroeren) Kmt. in do Jongst verloopon maand of het laatst verloopon Jaar.

Spiridïon en spiridius, m. (van gr. speirein, zaaien) mansnaam: een zaaiende, een zaaier.

Spiritus, m. lat. elg. do adem, ademtoclit, wind, liet leven, de geest, kracht; een atgo-trokken geestrijk vocht, geest, eene door over-haling uil vele zelfstandigheden verkregen vluchtige vloeistof; spirit us flat uhi vuil, de geest hlaast waarheen hij wil; spiritus promplus est, cam infinna, de geest Is wel gewillig, maar hot vleesch Is zwak; — spiritus asper on spiritus lenis, de scherpe en zachte aanhlazing in de grieksehe taal, aangeduid de eerste door de tweede door \'; — spiritus comu cervi, goetl van hertshoorn; — sp. familiaris, een heschonn-geest, geleigeest, geheime gedienstige geest; — sp. frwnénti, korenhrandewyn; — sp.nilri (luids of sp. uethSris nitrici, verzoete salpeter-geest of salpeler-ffithorgeest; — sp. rector, de bezielende geest, de levenwekkende, geestige kracht; de reukstof hu de planten; — sp. .talis ammoniuci causlicus, hytende geest van salam-monlak; — sp. sanclus, de hollige geest; — adréntus spiritus sdneti, do uitstortlag des II. Geestes; — sp. saponiïtus, zeepspirltus; — sp. silvéstris, koolzuur, koolzuurgas, luchtzuur, kryt-zuur, vaste lucht; — sp. vini, wgngeest; — spiritualen, m. pl. iiw.lat. byzondore opzieners der zedeiykheid in de prlestcr-semlna-rliSn; ook de gestrengere party onder de fran-clskanen; — spiritualïa of spiritualiën, n. pl. geesteiyke aangelegenheden, geloofszaken; ook Iron, voor sterke dranken (vgl. sptrttuosa);

— in spiritualibus, in geloofszaken; — spi-ritualiseeren (spr. s=z), Chem. tot geest maken, den spiritus of geest uit iets trekken; oneig, begeesteren, in vervoering brengen: ook eene verstandetyke, allegorische, inz. vrome of geestetyke richting geven, vergeesteiyken;— spiritualisiltie (spr. -za-tsie), f, Chem. do uittrekking van de geesteiyke deelen, geostma-klng, geestwording; — spiritualisme, n. do geestenleer, leer van liet wezen des geestes; ook de wysgeerige meenlng, dat alles geest is en hot llchameiykc uit don geest te voorscliya treedt, in tegenst. met materialisme; ook onjuist gebruikt voor spiritisme, n. de teer dor geostvorschynlngen en bol geloof daaraan; de klopgecslery, hel verkeer mol geesten door een zoogenaamd medium; — spiritualist, m. een aanhanger dor gcoslonleer ea spiritualistisch, adj. deze loer botrotfonde (la den zin van klopgoeslery boter spiritist on spiritistisch of spiritisch); — spiritualiteit, f. de geosloiykhoid, onllchamoiyk-heid, bel Innortyk leven, de unlbondonheid, hol loszyn van do wereld, do overpeinzing van goosleszakoa; — spirituadter, adv. op geestige, geestetyke wyze, goestotyk; — spiritueel, adj. (fr. spirituel) gcostig, goostryk; zinryk, snedig; goostetyk, oalichameiyk; — spiri-tueus, adj. (fr. spiritueux) geestryk, vol geest, vurig, krachtig, sterk (van dranken); — spi-rituositoit, f. Chem. hoedanigheid van een geestryk vocht, geestrykhoid, geoslgohalle; — spirillum of spiiilóso (spr. u=oe en sn=zo) ook con spiroto, it. Muz. met geest en vuur, of vurig, levendig voor le dragon; — spiri-tuósa, pi. goeslryko dranken d. 1. alle drank, waarin alkohol of wyngeost voorhanden Is (z. s p I r 11 u a 118 n)

Spirométer, m. z. onder s p 1 r a b e I.

spissïlas of spissilüdo, f. lat. (van spissus, dicht) de dichtheid, verdichtmg, verdikking van vloelendo dingen, omdat zy mlndor vloeibaar worden b v. sanguïnis, van het bloed.

Splauchnemphraxis, f. gr. (v. spldn-c/nwn, n. pl. splaitchna. Ingewand, en e m p b r a-xls, z. aid.) Mod. verstopping der ingewanden, ovorvulllng dor ingewanden; — splan-chnourysma, n. de tegennaluuriyko ver-wyding of uitzetting van een ingewand; — splanchnika, n. pl. middolen tegen do zlok-ton der ingewanden; — splanchnisch, adj. op do lagewanden heirekking hebbende; — splanchnod^ne, f. Ingewandspyn, kramp of pya In de Ingewanden; — splanchno-graphie, f. beschryving der Ingewanden; — splanchnolith, in. een ingewandsstoen;— splanchnolithïasis, f. do steeavorming ia do ingewanden; — splanchnologïe, f. do lagowandsleer, leer van de ingowandea; — splanchnolyse of splanchnolysis, f. do verslapping of verlamming der Ingewanden;

— splanchnopathïe, f een Ingowandsiy-dea; — splanchnopathisch, aan de Ingewanden tydomi; — splanchnophthar-sis, f. bederf of belcedlglng der Ingewanden;

— splanohnophthartisch, adj. inge-wandhedervond; — spldnchnophthóra, f. ingewandsbederf; — splanchnoskopie, f. hol onderzoek, do beschouwing der ingewanden; — splanchnotomïe, f. de ontleding der lagewanden.

Spleen, f. of n. eng. (spr. splien; v. \'I gr. en lat. splên, milt) Mod. de miltzucht, zwaar-moodigbold, cone soort van h y p o c h o n drie (z. aid.), die dikwyis levenszathold en zelfmoord voortbrengt en meestal een gevolg van verveling is; biyvendo kwade luim, vordrletoiykheld, gemotykheld, yzegrlnmilgheld.

Splenalgie, f. gr. (van splcn, milt) hot mllliydon, de mtltpya; — splonalgisch, adj. aan do milt lydond, door pyn ia ile milt veroorzaakt; — splenektomio, f. de mill-ullsnyding; — splenelkösis, f. eono milt-zwoer, miltverelloring; — splenemphnik-tisch, adj. millvorstoppend, iloor verstopping In de milt veroorzaakt; — splenemphni-xis, f. .Ie millverstopptng; — splenötisch.


-ocr page 1193-

SPLENDEUR

1165

SPONGIA

adj. nilllzuditlK, Kcmfiyk, zwaarmoedig, zwnrl-galllK, treurig, (jzogrlmmlg, knyzerlg; — sple-netïcus, n. een inlltzuchtigo-, — splone-tika ut splonika, n. pl. mlllinlddclen of mlddelon logen de mtltzuchl; — splenik-tërus, m. de mlllgeelzucht; — splenitis, de mlllontsteklng; — splenisatie (spr. -ra-We), t. verandering In een mlltaardlg weefsel; — splenocële, f. de mlltbreuk; — sple-nographie, t. de milthosciiryviim; — sple-nologïe, f. de mlltleer, leer van do milt; — splenóncus, m. het miltgezwel, de mllt-zwoiiing; — splenoparoktomre, f. do vergrooting van de nillt; — splenorrhagio, f. de bloedvloeiing uit de milt; — splono-tomio, f, de ontleding der milt.

Splendour, f. fr. (spr. splaiid—; = lat. splendor, v. splmlire, glanzen) de glans, pracht, praal, heerlUkheld; — splendent, lat. Itot, lichtend, holderglanzend; — splendor sdlis, de zonneglans, titel van een alchlmlstlsch hoek; — splendied, adj. lat (splendXdus, a, um, fr. splcndide) schitterend, prachtig, heerlgk, glans-ryk, kosteiyk; onelg. ook vrygevlg, kwistig; hy drukwerken: wyd ulteengedrukt, metgrooto tusschenrulmlon, het tegengest. van com prés.

Splonektomio, enz. — splonetika, z. s p 1 e n a 1 g I e.

Sploma, n. pl. lat. (slng. splenïum, van splen, milt, wegens do overeenkomst In gedaante en kleur) Mod. comprossen, druk-doeken, om o|) eene wond, enz. Ie leggen.

Splenika, enz. — splenorrhagie, splonotomie, z. ond. splenalgle.

Splint, Iron, voor; geld.

Spodlum, n. lat. (van \'t gr. spódion, van spodós, f. asch) metaalasch, z. v. a. tutia; beenzwart, gebrand of gecalcineerd Ivoor (s;)n-dium ni(irum)-, — spodomant, m. een waarzegger uit do asch; — spodomantie (spr. l=s) f. de waarzoggery uit de asch; — spo-dumén, m. gr. {spodumenon, van spodnen, tot asch verbranden) eene groene paarlemoer-glanzige steensoort, die, gebrand zynde, aan asch geiyk wordt.

Spoglto, m. It. (spr. spó-ljn = lat. spolium) elg. bult; reisgoed, kleederen; In (|uarantalno-Inrlchtlngon: het verwisselen en ultwasschen der kleederen.

Spoluim, n. pl. spolïa of spolïën, lat. de roof, bult; Inz. buitgemaakte, veroverde wapenrustingen, wapens enz. als zegoteekenen; Jur. ontzetting van bezit, uitwinning; — spo/ia opima, pl elg. vette, ryke buit, de wapenrusting, die een oud-rom. veldheer oenen door hem zeiven verslagen vyandeiyken aanvoerder had ontnomen; — spolïën, ook do rldderiyke eero-tcekenen, als schild, helm enz. hy lykstaatslBn en andere praalvertoonIngen; — spoliëoron (lat. spoltSre) berooven, plunderen, gewelddadig ontnemen; — spoliant (spnïïuns) of spo-liëerdor, m. de van roof aangeklaagde; — spoliaat, m. (spoliatus) liü, die een andor wegens roof aanklaagt; — spoliatie (spr.

t=ls) f. (lat. spnliaiïn) de beroovlng, plundering; — spoliator, m. een beroover, plunderaar.

Spondaïcus, ond. spondeus.

Spondo of bodsponde, f. (van \'t lat. sponda) do bedstede, legerstede, hol ledikant, de slaapplaats.

spondeeren, lat. (spnndèrc) beloven, toezeggen; — sponsus, m. do verloofde, bruidegom ; — sponsa, f. de verloofde, bruid; — sponsaliön, n. pl. (lat. sponsaiïa) de plechtige huweiykshelofte, trouwbelofte, de verloving, het echt verdrag, de ondertrouw, de viering daarvan, bruilolt; — sponsatfa rlamleslina, Inime-lyke trouwbeloften of verlovingen; — sp. pubCfca, openiyko verloving In tegenwoordigheid der ouders of andere getuigen; — sponseeren (van \'t lat. spomnre) vryen, naar de hand van een meisje of eene weduwe dingen, een hu-weiyksaanzook doen; ondertrouwen, trouwbeloften doen; — sponsie, f. (lat sponsfo) de plechtige belofte, toezegging, waarborging, gelofte; spnnsw de futuro, belofte of toezegging voor de toekomst; — sp. puhlïra, openiyke verloving of gelofte; — sponsor, m. een borg; sponsor fidfi, elg. oen goloofsborg, peet, doop-lietlor, doopvader, gevader, doopgetuige; sp. pacis, een vredeborg.

Spondeus, m. lat. (van \'t gr. spondeïos, d. I. olg. tot do plochtige plengolfers [spondat) behooronde, die door langzame ernstige molo-dlün begeleid werden) l\'oet. de geiyktred, twee-of dubbelslag, eon versvoet van 4 lange lettergrepen (--), b. v. maanziek; — spondaïcus of spondiacus, m. oen hexameter, welks vyfdo voet een spondeus is,

Spond^lus, m. gr. {spóndylos of sphón-ilylns) pl. spondyien, worvolbeon, inz. nig-gegraatsworvol, rugwervel; — spondylal-gie, f. ruggegraatspyn, wervolpyii; — spon-dylarthrokace, f. de vrywillige ontwrichting van een der rugwervelen, verzwerende rug-gograatsontstoking; — spondylexarthrö-sis, f, de ruggegraatsontwrlchting of verrekking; — spondylisch, adj. de ruggewerve-len betrotrendo; uit de ruggeworvelenontslaan; — spondylieten, m. pi. lazarusklappen, eene soort van versteende scbaaldloren; spondylitis, f, de worveiontstcking, ontsteking van eon of moor ruggeworvelen; — spon-dylolithen, m. pi. versteende vlscliworve-len; — spondylopathie, f. eono ziekte dor ruggowcrvelen; — spondylopathisch, adj, aan de ruggoworvolen lydondo, door ziekte dor ruggeworvelon veroorzaakt; — apondylo-zöën, pl. gewervelde dieren,

Spongïa, f, gr, en lat, do spons; —spon-qm otficinalis, lat, de gewone wasch- of glazenspons;— spongiëus, adj. (Int. sponqio-sus, a, um, fr. spongiewc) sponsachtig, wat de eigenschap van spons hooft, vol porten of gaatjes, los, luchtig; —spongiolithen of spon-gieten, m. pi, gr, sponssteenen, puimsteen, dryfstoen, versteende spouskoralcn; — spangio-


-ocr page 1194-

SS ASHEN

SPONSA

1160

sus, a, urn, lat. Bol. zwam- of sponsachllg j — spongiositeit, f. do sponsachlluliolil, porous-hiild; — spongosis, f. Med. hel sponsje-zwel, gowilchlssponsKezwel.

Sponsa, sponsalïën, sponseoren, sponsie, enz. z. ond. spon doe ren,

sponte, adv, of liever sua spon te, lat. vrU-wllllg, van zelve, alt eigen aandrift; — spon-tanlus, a, um, lat. Bot. in liet wild groeiende, noch gezaaid noch geplant; — spontaan, adj. (lat. sponlanüus, a, um) vrywllllg, ongedwongen, uil eigen heweglng, willekeurig; Med. spontane verrekking, d, I. de verrekking ten gevolge van eeno ziekte des gewrlchts zonder Invloed van ullwcndlge heleedlglng; spon-tun ra confessio, z. ond. confessie; genera-do spontanea, generatto roqulvoco, ond. gene roeren; — spontaneïteit, f. nw.lat. de vrye wilskracht, vrywerkendheld, zelf-werkzaandieid; willekeur, eigen goeddunken.

Sponton, m. (spr. spoiitiiii .■ fr, sponton, esponton, sp. esponlon, van \'I It. spontane of spuntóne, van spuntare, afstompen) de halve piek, spies der omlerolllcleren.

Sporüden, pl. gr. {Sporadex, van spords, verstrooid, v. speirein, uitstrooien, zaaien) verstrooid liggende eilanden, Inz. in den ürlek-schen archipel; — sporadisch, adj. verstrooid, op zich zelve en hullen gezelschap levende, alleenstaande; sporadIsche ziekten, zulke, die slechts weinige menschen hier en daar aantasten en niet algemeen lieerschende (epidemisch) zyn; — sporangium of sporangidïum, n. (van spnrn, zaad en an-gos, vat) een klein zaudvat, liet vruclithulsel der kryptogamen; — sporen, pi. (v. gr. spora, zaad) do kiemkorrels, het zaad der kryp-toganien.

sporco, it. (= lat. spurcus) onrein, iiesniet (1). v. In quarantaIneii: porto sporco, he-smette iiiiven); Kini. ■/.. v. a. bruto.

Sport, n. eng. (spr. spoort; vroeger ook disport, van \'I oudfr. despert, deport, it. diporto, verlustiging, vermaak) spel, scherts, grap, uil-spanning, tijdverdryf, kortswyi; landelijk vermaak, veidvermaak, Inz. alle lichaamsoefeningen en ultspiinnlngen in de open lucht, die vaardigiieid, kracht en stoulheid vorderen, ais: paardenwedrennen of harddraveryen, Jacht, wed-loopcn, wedsliyden vaniilleriel aard; — sportsman, in. (spr. —men) pi. sportsmen, lief-hehlier van jacht, wedrennen enz.

sportiila, f. lat. elg. een korfje, mandje, hennetje, waarin men lomand spgzen ten geschenke zond; verder In \'I nlg. geschenk, gerechieiyke iiyvoordoeicn, schryfgelden, verval; — spor-tein, pl. hoogd. gerechtskosten; — sportel-tax, f hoogd. liet wettelijke voorschrift omtrent de onkosten voor gerechieiyke stukken; — sportulant, m. nw.lat. de iieifer of ontvanger dier ongelden.

Spr., hy hotanlsclie lienamingen afk. voor C. Sprengel (gesl, 1833).

Spriet, f. nedori. (verwant aan spruit.

spruiten) Mar. de vooruitstekende steng aan sommige schepen, lange masihoom ter uil zetting van liet zeil; ook de voelhoorn van een Insect.

spumeus, adj. lat. (spumusus, a, um, van spuma, schuim) schuimig, schuimend.

Spurcitiën, f. |)i. (v. \'t lat. spurcitta, spur-citfes, onreinheid; vgl. sporco) vuile, oniielibe-lyke, onzedeiyke taai.

Spunus, m. lat. {spurtus, a, um, onecht) een onechte, huiten het huweiyk geteelde knaap, hastaard, hoerenjongen; — spuria, f. een onecht meisje, hoerenkind; — spurisch, adj. onecht, ondergeschoven, valscli; spur isch e ziekten, zulke, die den gewonen loop niet nemen, noch met de gewone toevatien vergezeld gaan.

sputum, n. lat. (van spuire, spuwen) het uil-gespuwde, spog, speeksel; — sputum cruénlum, het bloedopwerpen; — sputatie (spr. Ue= hie) f. nw.lat. (van spul are, spuwen) Med. speeksel-oiitlasting of speeksel-opbrenging; — sputatona, n. pi. middelen, die de afzondering van speeksel hevorderen, kauwmlddoion.

squamous, adj. lat. (squamusus, «, um, van squama, de schuh) schuhhlg, geschuild.

Square, n. eng. (spr. shuieer; van \'t oudfr. esquarre, vierhoek, als ware \'i lat. exquüdra, v. quadra, vierkant, oudfr. esquierre, nu équerre, winkelhaak, sp. esquadra, it. squadra) een vier-kant, inz. een vierkant, vaak echter ook rond met hulzen omgeven plein, met grasperken en hoomgroepen hepliint, dat den omwonenden ter tieweging in de vrüe luchi dient.

squarrosus, a, um, lat. Hot. rappig, schuhhlg. schuhachtlg.

Squatter, in. noordamer. (spr. skuiéller, van \'teng. squal, hurken, nederhurken, oudfr. esqmehier, li. quatto, gedoken, gehukt, v. \'I lat. codclus, samengedreven) een kolonist In VV, Amerika, die zich zonder eenige rechtinaiige aanspraak op nog niet gecultiveerde landen nederzet; in Australië hy, die, buiten de grenzen van \'t reeds hem aangewezen land, welland pacht, om daarop rundvee en schapen Ie fokken; vgl. hack woodsmen.

Squaw, f. eng. (spr. skwd) eene Indlaan-sche vrouw in N. Amerika.

Squilla, z. sell la.

Squire, z. v. a. esquire (z. aid.)

Ssalgan, m. russ. (van ssdlo, lalk en mis-schlen van gonjalj of nmilj, distilieeren) eene talkziedcrU In en om Odessa en in de steppen van /..Rusland.

Ssamowar, m. russ. (spr. samawdr: elg, zelfkoker, v. sam, zelf en ivaritj, koken) een kleine koperen keiel, inz. lot thcekoken, kook-keiel, Iheeketei, zelfkokende tbeestoof.

Ssarafan, m. z. sarafan.

Ssanu, m. russ. (uil liet perz seruï, palels, huls; vgl. serail) de winkel, de kraam, de schuur: vandaar ook karawanserai, ond. ka ra v a a n.

Ssashon of ssashón, ook sasjen, f.


-ocr page 1195-

STAGNKERKN

SS AliO UNO JE

1107

russ. (spr. sasjen; afeoleld van IidI niiKPlirui-kclijki\' sajagdlj, vatten, Ijoielkcn, aanraken) dn vadem, een russ. lengtemuat — I) arsjln (z. a r s j I n o) = 7 russ. voet = 18 w e r s j o k (z. aid ) = 84 russ. duim = 2,134 M,

Ssbórnoje Oolosjénije, n. russ. (van shónllt, uju, on, verzameld en oclosjénie, ver-ordenlng, wolliook) het oude, enkel uil afzon-deriyke verordonhiKen hestaande, alfemeene rus-sisclie landreclil; vgl. sswud.

Sso of SÜ, f. de kleine rekenmunt iu China (z. liatiK).

Ssig, m. pl. ssigi, russ. (spr. as—s, z\\v. sik) de zeeforel {Sulmo lavardus).

Ssirotskij ssood, z. ssoed.

Ssmotritel, m. russ. (v. smotrülj, zien, Inspecteeren) de opziener.

Ssood, m. russ. liet vonnis, het gerecht, 1). v. Bsirotski ssoed, m. (v. ssirold, de wees) liet weezongerecht; — ssoedja, m. de rechter; — ssoedjóbnooj ssliidowatel, m. (v. sslildowalj, volgen, onderzoeken) de rechter vim instructie.

Ssoedak, m. russ. de zandgrondel ILucio-jierca).

Ssoodarj, m. russ. (verk. van gossuitdrj, •/.. aid ) als aanspreking: münheer; — ssooda-rynja, f. (verk. van gossudarynja) mevrouw of jutrrouw.

Ssorokowoi, m. russ. (v. ssórok, veertig) cig. het veertigste, een russ. maat voor natte waren = 40 wodro = Kil,07! L.

Ssótnio, of heter ssótnje, ssótnik, \'z. sot n ie, sot ii i k.

Sswita, f. russ. (waarsch. van sswilj, inwikkelen, snmenrolien) een slavlscli overhemd, kiel, inz. de uit hruine schapenwol gewerkte, met kap voorziene mantel der herders In Kusiand.

Sswod, in russ. (elg. overoensiemming, ver-getyking, van sswodilj, samenhicngen, vergelijken) of sswod sakónow (spr. —n»/\', van sakow, wet, instelling) het nieuwe, sedert 18;i;i ingevoerde russ. welhoek,in tegenst. met ssbórnoje oelosjenge (z. aid.)

Ssynod, in. russ. (v. gr. synödos, vgl. s y-node) de hoogste adinlnistratieve en gerechte-Igke autoriteit der grieksch-ortiiodoxe kerk en Iegelijk de hoogste rechtbank in kerkeiUke twistvragen.

slahal maler, n. lat. d. I. de moeder (van •lezus) stond (aan liet kruis), een heroemd geestelijk gezang der r. kalh. Kerk, gedurende de week voor Paseiien, dat met deze woorden iie-glnt, op vooriretTeHlko muziek gezet door Pa-lostrinn, Pergoiesi, Haydne.a.

stabiel, adj. lat. (s/aW/fs, e, v. slare, staan) heslannd, standvastig, duurzaam, durend. Iieslen-dig, niet veranderiyk, vast, vastgezetsta-bileeron of stabiliseeron, vastzetten, vaststeiion, hevestlgen; — stabilist, m. nw.-iat. een aanhanger van het iieslaande, van het stelsel des hehouds, een behoudsinari; — stabiliteit, f. lat. {slabiiïlas) de vastheid, duur-zaainheld, duur, liesleniltgheid, bUhlUvliig, onwrikbaarheid, liet voortdurend bestaan; — sta-biliteits-systoem, n. bet stelsel des be-iiouds, des voiliardens iiü het oude.

Stablat, m. fr. (spr. slubld) eene woning, die de bewoners van zekere gedeelten der Alpen tegen den sneeuwiyd maken en iu welke zij zich lot op het einde des winters met bunne kudden opsluiten, eene stalwoning.

Stablazïërs, m. pi. eene secte van we-derdoopers, die een nfurijzen van den oorlog hadden en geen ander wapen gebruikten dan een stok, waarom zy ook Itacuiaren heetten (van ba cu lus, slok).

slaccaln. It, Muz. (van \'t Hal. slacmre, di-slaccare, provenc. deslacar, fr, délacher, losmaken; vgl. detacheeren en a 11 a c heer en) gestooten, afgestouten, kort, gebroken,

Stackh., hy boianlscbe benamiiiKen afk. voor J, Stackhouso (gest. 1810).

Stadöra, f. z. ond. oka.

Stadie, f. (lat. sladlum, van \'I gr, slddion) eene oude lengte- of wegmaat van 12S schreden of flflo griekscbe en (125 romeinsehe voeten = 1!)8,I581 meter; 40 stadiën = I geogr, myi; de ren- of loopbaan hy de wedspelen der oude (iriekeii; onelg. de tydrulmte in do voorlgaande ontwikkeling van een voorval of eenen toestand, h. v. van eene ziekte (stadium morbi), van eenen aanval eener tusschenpoozeiulc koorts.

Statïlér, m. (it. sluffiére, fr, esla/icr) geman-telde lytwacht der middeieouwsche ridders, die zynen meester te paard hielp enz.; ia \'t algemeen gewapend dienaar, lliftrawant.

Stage-coach, f. eng. (spr. slecdtj-kootsj, van statie, z. v. a. station; oudfr. cslage, provenc. estalge: it, slaggio, plaats, woning, verbiyf, als \'I ware lat. slatïum, v. stare, staan) eene postkoets, een postwagen; — stagiaire, in. fr. (spr. slazjiir\') een jonge rechtsgeleerde, die hy een advocaat zyn proeftyd (sldijc) heeft en hy en onder hein werkt tol verdere vorming, alvorens hij zelf als advocaat kan worden ingeschreven; — Stageoren (spr. u—zj) zyn proeftyd hu versciillleiide gereciilshovcn en advocaten ulldienen; — stagionair, adj. In dien proefiyd zich bevindende; vgl. étage.

Stagione, f. II. (spr. stadzjione) Jaarge-tyde, inz. de tyd der opera\'s (vgl. sa is o n); — slagione di sartello, de tyd, dat contracten gesloten worden met kunstenaars aan een tooneei.

Stagirioten, in. pi. aanhangers van Arls-toteies (geboortig van Stagna, eeno stad In Macedonië).

Staglio, m, II. (spr. sld-ljn, van slaglidre voor dislagliarc, fr, dflaitler, aan stukken sny-den; vgl. detail) Kmt. de gemiddelde rekening, raming, overslag.

Stagma, n. gr (sldgnia) eig, een druppel, vloeibaarheid; elk door distillatie of overlialing verkregen vocht,

stagneeren, lat. {slagnare) stllslaan, niet vloeien, liederven, verrotten (van water en andere vioeistoiren); — stagnant, adj stilstaand;


-ocr page 1196-

STAGNOOL

1108

STANZE

— stagnatie (spr. l=ls) l. nw.lal. do stll-stand, stremming, verhindering, schorsing; het bederf, de verrotting.

Stagnool, z. stanniool.

Stajo, m. It. (vgl. stnro) het schepel, eono voormalige Hal. Inhoudsmaat voor koren van ii tot 10(1 L.-, — stajólo, m. eene veld- of vlaktemaat In Florence.

Stake, n. |il. stakes, eng. (spr. steek, sleeks: van ons steken) de Inzet in \'I spel, hl) de weddingschappen; Inz. lig den paardenwedren.

Stakét, stakétsel, n. (het naast van \'til. slecclmlu, dit echter van ons staak, steken) paalwerk, palmheg, paienmnur, eene ry van palissaden; iuttenheining, rechtstandig geplaatst latwerk op muren enz

Stalagma, n. gr. (van slalddzein, druppelen) het druppelende, do drup of drop; het door herhaalde dlstlileering verkregen vocht;

— stalagmus, n. en stalaxis, f. het nf-druppeien, de afdruppcllng; — stalagmiet, in. dropsteen, op den hodem door opdruppeling gevormd; — stalaktiot, m. dropsteen, die aan het gewelf of aan de wanden van grotten door afdruppeling wordt gevormd en naar de Oskegeis geiykt, die men des winters soms aan de daken, ramen enz. ziet hangen; ook In \'t uig. dropsteen, een uit kalkwater afgezette of verharde kalksteen, h. v. in liet Bouwmanshol In den Hartz enz.; — stalaktisch, sta-laktitisch, adj. dropsteenachtig, yskegei-vormig.

Stallaggio, m. It. (spr. -aihjo -, v. stal-/are, hiyven, vertoeven, prov. en oudfr. eslul, it. slatin, plaats, verhiyf, v. oudd. stat, plaats) het staangeld, marktgeld, havengeld.

stalle, f. fr. (spr. stat\') stoel voor koor-heeren; op dergeiyke wyze Ingerichte zitplaats ia schouwhurgen op de voorste ryen geiykvioers: stalles d\'orchestre, de zitplaatsen vlak voor de muziek.

staltisch, adj. (gr. slaltikós, e, ón, van sléllcin, samentrokken) samentrekkend, terug-drüvend, stuitend; — staltïka, n. pi. Med. middelen, die het wlidvleesch weghyten, de wondllppen gelijkmaken en alzoo de wond sluiten.

Stamboel, n. turk. eig. Istamboel (ontstaan uit gr. eis ten patin, in de stad) eig. slechts de oude stad of het hinnendeel van Con-stantinopel, thans gewounlgk de geheele stad beteekenend; — m. ook eene lurk rekenmunt van goud, omtrent = 4 gld. 80 ets. courant;

— stambool-efendi-basji, m. opperrechter in hurgerlyke en lyfstralTeiyke zaken te Con-stanlinopel.

Stamen, n. pi. stamina, lat. (van stare, staan) eig. de schering of ketllng van een weefsel; Kot. meel- of stofdraden en In \'talg. de stofvaten, do bevruchllngswerktulgen In de hloemen der pianien, vgl. ani heren; oneig. voor aanvang, beginselen; — gostamineerd, adj. nw.lal. met meel- of stofdraden voorzien.

Stampa, f. it. (van stampare, opdrukken;

= oudhoogd. s/flinp/iifn, stampen, stempelen) de druk; de stempel eener munt; ook drukwerken; — stamp, f. eng. (spr. slemp) hot stampen; de stempel, het zegel, ook postzegel; — stampatore, m. It. boekdrukker; — stampe, f. fr. do stempel, waarmede de negerslaven door hunne eigenaars gemerkt worden;—stampille, f. (mid. lat. slampitla, fr. estampille) een stempel, Inz. voor naamtceke-nlngen onder oorkonden enz.

Stance, f. fr. z. stanze.

Standaard, stander, m. (eng. standard, fr. étendard, hoogd. standarte, provenr. estandart, estendart, sp. estandarte, oudfr. esten-dard, nw.fr. étendard, It. stendardo, van \'t lat. extendüre, fr. étendre, II. slémlere, uitbreiden, uitspreiden) de vaan, ruitervaan, z. ook het volg art.

Standard, m. eng. (v. stand, staan ; eig. een vrgstaande boomstam, een richlpost; vgl. evenwel standaard) standaard, elke door de wet bepaalde maat, ykmaat, legger of slaper; muntvoet; hel richtsnoer, model, de regel, maat; stand a a r il-g o u d, lijn goud van ii karaten; standaard-zilver, fijn zilver van 11.,^ penning; standaard-monster, n. Kmt. monster van waren, waarmede do leverantie moet overeenstemmen; standaardwerk, boekwerk, dat een model in zgn soort is, werk van erkende autoriteit.

Standchen, n. hgd. (spr. stendehjen) z. s e r e n a d e.

Stangiew, stongiew, f. poolsch (van \'t Slav, stojdti, staan) een waterstander, water-hak, tobbe, kuip; eene pooische vochtmaat = i beezka of tonnen = 400 L.

Stanislaus, m. slav. (poolsch Satanislam, v. sstan, stand, slaat, en sstawa, roem) mansn.: roem dgs Staats.

Stanitza, f. russ. sstaniza, v. sstan, standplaats, verhiyf, leger; statj, zich plaatsen) do uil 30 tot 300 buisjes bestaande woonplaatsen dor Kozakken, kozakkendorp.

stannum, n. lat. bet tin; hg de Ouden; werklood, eene verbinding van lood en zilver; — stannaten, pi. tinzure zouten; — stan-niet, n. het tinkles; — stanniool, nw.lat. of stagnool, n. (II. stannuótn, v. stagna, tin, v. \'t oud- en mld.lat. stagnum voor stannum) bladtin of tinblaadjes, tinfoelie.

slims péde in uiw, lat. op (Sen voet staande, d. I. Inderhaast.

stante, It. (v. lat. en it. stare, staan, bestaan enz.) Kmt. in deze of de tegenwoordige, d. 1. de loopemie maand; — stante pede, lat. op staanden voet, dadelgk, onmiddeilyk, oogen-blikkeiyk; — rebus sir stantibus, als de zaken zoo staan.

Stanze, f. It. {stanza, lat. als \'I ware slan-tw, v. stare, staan, zich ophouden, stilstaan) 1) de plaats des oponthouds, eene kamer, een vertrek; ook eene wandschilderg tot kamerversiering, inz. de beroemde wandtafreelen van Kafaél In het Vatleaan te Kome; i) bet rust-


-ocr page 1197-

STAPELIE

1109

STATION

punt of dn vcrsafdeollnf? In een godlcltl, ver-zengroei), doorKiuins kortweg vers gohooten, z. v. a. strophe; Inzonderheid de nchtrego-llso llallaunsehe strophe {oltave rime), he-staande uit H vytvoetlge Jamhlsclio verzen of versregels, waarin twee rijmen driemaal mot elkander afwisselen en dan met twee gepaarde sluiten; er z(jn ook onregelmatige, die met het rl)m naar welgevallen afwisselen en die daarom wilde stun zen heelen; .\'!) een stalen, verdiept gewerkte vorm, om dien door middel van een stempelwerktulg op metalen platen te drukken; ook een stalen cylinder om stukken metaal van verschillenden vorm door drukkraclit nil te snyden.

Stapolle, f. nw.lal. (slapeiïa, naar Bodeus Stapel, een hollandsch geneesheer, gest. 1UI6, henoemd) eene hroelkasplant van zeer vele schoone soorten, uit Z.Afrika.

Staphylagra, n. gr. (van slaphj/lê, druif; onelg. de huig, het lelletje In de keel) Ctiir. een tangetje om de huig te vatten, de tinlg-tang; — staphylëa, f. de pimpernoot, een tioom van verscholden soorten; staphy-lïon, ii. eene druivepit of -kern; Med. eene daarnaar gelijkende zweer op het hoornvlies van het oog; - staphylisch, adj. de huig hetreltende, van de huig ontslaan; — sta-phylodóndron, n. de drulvehoom; — staphyloma, n. hot druifgezwel, druiven-oog, een vleesehachtlg uitwas In het oog; — staphylomatous, adj. daarmede behept;

— staphylóncus, m. do zwelling der huig; -- staphylorrhaphiG, f. het naaien van de huig; — staphylotoom, m. de luiigsnU-der; — staphylotomie, f. do hulgsnede;

— staphylotomiseh, adj. tot de hulgsnede hehoorende.

Star of stser, m. (= li. slaro, z. aid.) eene graanmaat in Tirol = { Weener metze = 30,74 I,.; ook oen maat voor erts, zout enz.

Starboard, n. eng. (spr. —boord: misvormd van \'i nederd. stuur, eng. slccr; vgl. slribord) het stuurhoord, de rechterzijde van het schip; vgl. larboard en bak hoor d.

xlare sul la rorda, 11. op het koord staan, dl. in onzekerheid verkceren, in een onzekere positie zijn.

Starosjmon, m. pl. slav. (serv. starjésji-na, oudsiav. starjeisjina, russ. slarsjina, van \'i Slav, star, ouil) famlllehoofdon, stamhoofden.

Starie, f. fr. (v. \'t lat. en it. slare, slaan) de tlgtyd, de ligdagen dor schepen in de io-vantschi! havens boven den daartoe voorgeschreven tyd, en de daarvoor te betalen gelden.

Stare, m. It. (ook slajo, z. aid.; samen-getr. nit seslaro, seslujo, van \'1 lat. sexlarius; vgl. s es ter) z. slajo.

Staróst, m. (russ. sstainsla, van \'I slavlscb s/ar, oud) een poolsch oudste, landvoogd, voornaam staatsbeambte, stadhouder, gouverneur eener starosty-, In Kusland een uit de hoeren gekozen opziener ter liandhaving der orde, dorpsschout; in Lausitz: een opzichter over de ViEIUIE URUK.

byenhouders; — star ostij, f. de waardigheid en hel gebied van oenen starost, stadhoudor-sehap, landvoogdy; — starowórtson, pl. russ. {starowiér, een oudgeloovige, van miérilj, geioovon) oudgcioovigon, ■/.. v. a. raskoluiken of roskoinikon.

Start, m. eng. (spr. slaarl) ook starting-post, de post op het punt, waar by wedrennen het afrijden der paarden plaats heeft; — starter, m. (spr. a=m) by, die hy wedrennen het teeken geeft voor den afrit.

Startin, starting, m. of startine, f. hot vat, eene voormalige vochtmaat in Stiermarken = 10 oostenrijkscho elmer of 88S,80 U Stasimon, n. gr. (v. s/dslmos, vaststaand, v. slcnai, staan) een koorgezang in tiet oudgr. treurspel, dat gezongen werd, als tiet koor zyn standplaats In. do orchestra had genomen; — stasis of stase, f. gr. het piaalson, zetten, stellen; do stelling, stand; Med. de stilstand van vochten.

Stassfurtiet, n. een op tiet horaciet ge-tykend, te Slassfart voorkomend mineraal.

statarisch, adj. lat. {slalarfus, a, urn, v. slare, staan) staand, vertoevend, langzaam voortgaande; statarisch lezen, een lezen .met afbrekingen ton behoeve der verklaring, In le-gonst. mot cursorisch (z. aid.)

State, m. eng. (spr. sleet) do slaat; — stateroom, f. (spr. —roem) statiekamer; kajuit; — statesman, m. (spr, —men) staatsman.

Stator, m. gr. eig. gowlcht; verscheiden aziat. en gr. zilver- en goudmunten; In hot oude Athono eene zilvermunt van i drachmen; ook eene voorm. joodsche zilvermunt, do zilverling = M et.

Stathmiek, stathmika, f gr. (van slalhmós, m. stander, pilaar, deurpost; weegschaal, gewicht) de gewlchlkundo, de leer der weegschalen en gewichten.

Statief, n. (v. \'t lat. slalims, a, urn, vaststaand) een voetstuk als steun voor do meettafel en andere werktntgen by hel landmeten.

Statika, f. gr. (van slalikós, lt;\\ ón, doende staan, van slcnai, staan) do stand- of ovon-wicht steer, de weeg- of cvenwlchlskunile, de wotenscliap, welker voorwerp hel evenwicht der vaste licliamon is-, — statisch, adj. wal tol die welenschap behoort, in evenwicbi, evenwichtig; statisch moment, z. oud. moment.

statiëus (spr. li—/si) adj. tiarh.lat. (van slaat, voor staatsie, praal, pronk) pronkend, pratend, slaalslo-inakend.

Station, n. lï. (spr. slnsjón: van \'t lat. sldfïo, v. slare, slaan) in \'1 alg. lid slaan, de stand, liet oponthoud, vorhtyf, de stand-, ligplaats, aanleg, inz. in het postwezen: hel poststation, de pleisterplaats, toefptaats, stilstand op eene plaats, waar de paarden gewisseld worden; ook de afstand van zulk eene wisselplaats tol de andere, de postrust, rust; spoorwegstation) In Beiglii ook de statte) de plaats, waar op spoorwegen de spoortrein stilhoudt om reizigers en goederen op te nemen

74


-ocr page 1198-

STEAMBOAT

STATISCH

4170

or iif to zetten; ook liet stations-gebouw, onelg. de stations van het loven, d. I. lo-venstydperken, trappen des ouderdoms; In do r. katli. Kerk; üodegangen, voorstellingen uit do Hldensgesehledonls van (ihrlstus, by welke men stilstaat om to bidden; kerken, kapellen of altaren, waar men zekere geboden gaat verrichten om allaat te verkrygen, bodevaart j Mar. de uitgestrektheid der zee, welke den schepen wordt aangewezen om er gedurende een bepaalden lyd te kruisen; de standplaats, bet standpunt der landmeters; de post, bet ambt; — 8tatio(n)nair, adj. (lat. stalionarlus, a, um), stilstaand, b. v. van eene planeet, als zy In don dierenriem noch voor- nocb achterwaarts scbynt te gaan; vastgezet, bestendig voortdurend, biyvend, op hetzelfde punt slaande, geeno vorderingen makende; stationaire koortsen, zulke, die gedurende een of meer Jaren algemeener en aanhoudender heerschen dan de andere; als subsi. m. een stilstaande, een biddend persoon voor een heiligenbeeld; een hulpprediker, hulppriester; een wachtschip; oudltlds een garnizoenhoudend soldaat; — statio(n)-nairen, pl. pilaarheiligen, z. v. a. s t y 11 e-ten (z. aid,); — statio(n)neeren, nw.lat. op eene standplaats, ligplaats zetten, op schildwacht plaatsen; standplaats houden, op een bepaalde plek zich bevinden; als wachtschip ergens liggen; aanstellen; — gestationeerd, adj. aangesteld, geplaatst, gelegen.

statisch, z. ond. stallek.

Statist, m. nw.lat. (van slarc, staan) een stomme persoon, eene stomme rol op de too-neelen, vgl. 11 g u r u n 1.

Statistiek, statistïka, f, nw.lat. (v. status, toestand, en In do middeleeuwen ook Staat) de wetenschap dlo uit gezette, op tellingen berustende waarnemingen de politieke en maatschappelyke toestanden der staten aan eene beoordeelende berekening onderwerpt, statenkunde, statenbescbrUving; ook een leerboek dier wetenschap; — statisticus, m een kenner der statistiek, staatsllchaamkenner, statenkenner; — statistisch, adj. wat tot do wetenschap van de gesteldheid der staten ho-boort of haar betreft; statenkundlg, statenbe-scbryvende; vandaar statistisch bureau (spr. bun), een door den staat Ingesteld bureel, dat zich met bet onderzoek en de hyeen-voeglng der staatstoestanden, enz. bezlghoudl.

stat pro ratione voluntas, lat. z. vntuntas; — stal sua cUK/iie dies, lat. (hy Vlrgillus) aan leder Is z.yn dag gezel, ieder moet eenmaal sterven.

Statue, f. lat. (statüa, v. statulre, stellen, oprlcblen) een standbeeld Ie voet of te paard, eerehceld, beeldzuil; — statua equéstris, lat. fr. statue équestre, een ruiter- of ridderstandbeeld; — statua pedéstris, lat. fr. statue pi-destre, een standbeeld te voet; — statuarius, m. (fr. statuairc) een standbeeldmaker, iieelil-houwer, beeldgieter; — statuétte, f. (van \'t II. statuétla, verkiw. van statua) een klein standbeeld, standbeeldje

statueeren, lat. (statuëre) stellen, zetten, oprlciiten; vaststellen, bepalen, verordenen; het daarvoor houden, aannemen, toestaan, laten plaats vinden; oen exempel statueeren, oen voorbeeld ter waarschuwing geven of ophangen.

Statuette, z. ond. statue.

status, m. lat. (van stare, staan) de stand, slaat, gesteldheid, toestand; de slaat, liet ryk; status in statu, een staat In den staal ; st. ac-tivus et passivus, do verhouding van het vermogen tot de schulden, de staat der vorderingen en te doene betalingen, van credit en debet; st. utJinitatis, de zwagerschap; st. co-fjnationis, de verwantschap; st. conjufiUlis, de echtelyke staat, het huweiyksieven; st. causae, de gesteldheid der zaak; st. controversuw, de eigenlyke toestand van den stryd, den twist of he\'. geschil, de gesteldheid en nadere bepaling der geschilpunten; st. dignitatis, de waardigheid; st. insolventiae, liet onvermogen eens schuldenaars Ier betaling; st. naturatis et praeternaturalis, de naluuriyke of gezonde en do tegennatuuriyke uf ongezonde toestand; st. person ctrum, de toestand der personen; st. uti possidetis, woordeiyk; de toestand geiyk gy hem bezit, d. 1. de toestand van landbezit, ge-tyk die thans bestaat (in vredestractaten); ad statuin legéndi, ter doorlezing; in statu qua, In den toestand, waarin (eene zaak tot dusverre was), in denzelfden, vorigen toestand, onveranderd; in statu quo ante. In den toestand, zooals vroeger (de zaak was, n. 1. voor den twist, den oorlog, enz.) het status of sta/urn quo weder herstellen of eene zaak in pristfnum statum (In haren vorigen toesland) terugbrengen, alles weder op den ouden en vorigen voet brengen.

Statuur, f. lat. (statüra) de ilchatims-groette of -hoogte, lichaamsgestalte, stal, wasdom (onderscheiden van taille).

Statuut, n. lat {statulum, vastgesteld, v. statuëre, z. statueeren), pl. statuten, wetten, grondwelten, verordeningen, stadsrechten, Inz. een genootschaps-beslult, de stlchtlngs- en grondwetten van een genootschap, gezelschap, gilde, enz.; statutum opifieum, pl. handwerks-of giidewetten; — statutiirisch, adj. nw. lat. volgens de wetten of verordeningen, wetmatig, wetteiyk; — statutarische portie, z. portio statutaria.

Staurodulie, f. gr. (van staurós, paal, kruis, en dulie, z. aid.) aanbidding van het kruis, krulsvereerlng; — staurolater, in. kruisaanhldder; — staurolith, m. ookgra-naliet, krulssteen, kruisvormige schorl, eene aan den granaat verwante steensoort; — stau-rophóren, pl. kruisdragers, bij kerkeiyke optochten der K. Kalli.; stauróphylax, m. de krulsboeder, veertyds de titel van den patriarch in Jeruzalem, die de overblUfselen van het kruis van (iliristas bewaarde.

Steak, m. eng. (spr. steek) z. bee f-s teak, meer algemeen ook b. v. a n 111 o p (^- steak, enz.

Steamboat, f. eng. (spr. stiémhoot) stoom-


-ocr page 1199-

STENTANDO

STEARAS

1171

hooi, stoomschip; — stoamor, m. (spr. .«/ie-nier) strnmicr, z. v.«. 81 o a m 1) o a t; — stoam-cablo-towing, z. towing; — stoam-pot, m. (spr. sliempot), een stoompol, ook i nil a lor (spr. inheeler), d. I. Inadomer, adem-huls, om warme dampen In do long te lelden;

— steampross, f. stoompers.

Stearas, liever stoatas, n. gr. (v. sléur,

fjenlt. sléalos, vet, talk) talkzuurzout; — stearine, llevor steatine, f. de olgenaardlge talkstof; vandaar stearine-kaarsen, gezuiverde talkkaarsen, stearlne-zuur, talkzuur, parelzuur; — stearopteon, n. vaste adhe-rlsclio olie; — stoatiot, m. do speksteen, zoepstoon; — steatinisch, adj. talklg, talk-uclitlR; — stoatitis, f. Med. de vetzucht, overhodlgc ophooping van vet (h y p o r p I in e I e);

— stoatocölo, f. do vethiouk, een spekgezwel in de scheedevilezen van de zaadstreng;

— steatodos, spek- of tnlkaanilg; — ste-atoom, n. Mod. een spekgezwel, ecne spekbuil; — steatomatisoh, adj. door een spekgezwel veroorzaakt; — steatórnis, m. de spekvogei in /,. Amerika; — stoator-rhoba, r. vetvlood, zlekeiyke afvoer van vet hij den stoelgang; — steatosis, r, de spek-ot talkvorndng, inz. do ziekelijke.

Steekkan, f. nederl. ook verkeerdelijk stekan, t. eeno oude vochtmaat in Nederland.

Steen, m. hoogd. stein, een oud gewicht.

Steeplechase, r. eng. (spr. sliip\'llsjees: v. sleepte, kerktoren, en chase. Jacht) de wedren met hindernissen, eene sourl van harddraverij, waurhy men eenen kerktoren ot een ander hoog voorwerp ais doei hooft hepnald, dat men langs den rechtslen weg, over sloten, iieg-gen, enz. zuekt te herelken.

Steganographie, f. gr. (v. slenanós, lt;?, ön, hedekt, verliorgon, van slégein, dekken) de gehelmschrüfkunst, liet geheim teekenschrift, geheimschrift; de leer van het schaakspel; — steganographiseh, adj. geheimschrlfteiUk;

— stegiinopoden, pi. zoogdieren met zwemvliezen; ook; pelikanen, roeivoeters.

Stegnösis, f. gr. (v. slef/nds, c, ón, sa-mengetr. uit slcganós, hedekt, diciit; slegnoen, verdichten, dichtmaken) Med. de verdichiing; samentrek king, sluliing of verstopping h. v, der zweetgaatjes; stcgnosis viscérum, lal. de vergroeiing van de kanalen der Ingewanden; -stegnótisch, adj. gr. samcnlrekkeml, verstoppend; — stegnotika, n. pi. samentrek-kendo gonoesmiddeien.

Stegoptóra, n. |ii. gr. (van slégns, het dak, dek, de hedekking, en pléron, de vleugel) de dekvieugeilgen, eene nfdeeiing der Inseden.

Steiger, in. nederl. stelling, stellage, z. aid.; houten getimmerte langs den oever, dal tot aanlegplaats dient voor de vaartuigen.

Steirösis, f. gr. (van slciros, siyf, on-vruchthaar) Med. de onvruchthaarheid. stekan, z. steekkan.

Stöle, f. gr. istelc, v. slcnai, staan) oen opgerichte /.uil, pilaar of steen, inz. grafzuil.

een zuilvormige grafsteenstelographie, f. het zuilschrift.

Steleehieten, m. pi. gr. (van sléllchos, het stameindo) versteeningen van stamiiout.

Stellage, (van stellen met een franschen uitgang) f. een getimmerte van palen, sparren en planken, dat wordt opgericht van den grond tot op de hoogte, waar de metselaar, timmerman, verver, enz. moeten werken, stelling, steiger.

slellulus, lat. (v!in \'t lat. stella, ster) Itot. kranswgze, stervormig; — steUalim gaan, nw. lat. Iron, op liet sterrenkijken uitgaan, een nachtelijk plelzlertochtje, nachtelüke wandeling doen.

Stelliot, m. nw.lat. (v. \'t lal. slella, ster) eene versteende zeester.

Stellionaat, m. lal. (slcl/ionatus, v. sleliïo, iiagedis, ais beeld eens hedrlegers, wegens liare behendigheid en vluglield In hot ontsluipen) eene hedrlogerU, die niet tot de klasse der als valschheden gekenmerkte daden liehoort, h. v. een hedrlegiyk bankroet, het verknopen van een pand als onbezwaard, ofschoon er hypotheek op staat, enz.; — stellionator, m. een bedrieger, hedrlegiyk verkooper.

Stelographie, ■/.. ond. stele.

Stemma, m. pl. stemmata, gr. (van stéphein, omgeven, omkransen) eig. krans, hoofdwindsel; hy de oude Komelnen; de krans, waarmede de heelden der voorvaderen getooid waren; vandaar de reeks der voorvaderen, de siam-hoom, gesiaclilshoom, geslachts- of stamtafel;

— stemmatographie, f. de geslacht- of slamkunde; z. v. a. genealogie z. aid.

Stenagma, n., stenagmus, m. en sténaxis, f. gr. (van stendchein, slenddtein, stenen, zuciiten) het zuchleii, stenen, steunen.

Stenochorie, f. gr. (van slends, c, dn, eng. en chord, ruimte) Clilr. de tegennalnurlUke vernauwing eoner holle of opening, inz. der moedersciieede; — stenogram, n. verkort sciirifi, kortschrift; — stenograaf, m. een verkorlsciiryver, snelschryvcr; — stenogra-phïe, f. de snolschrytkunsi, de kunst om door middel van zekere teekens on verkortingen zeer snel te schryven; ook z. v. a. stenogram;

— stenographisch, adj. beknopt- of snei-schryvend; stenokardie, f. gr. Med. hurte-angst, horstheenpyn en horsthekiemming, horslziichl, ook sternodynlo; — steno-phyllisch, adj. dicliildiKlerig; — stenosis, f. z. v. a. steg no sis-, — stenostomie, f. vernauwing eoner opening; de mondklem, eene krampachtige samentrekking van den mond; stenothorax, m. een enghorstige; - ste-notika, n. pl. vernauwende middelen; stenotiseh, adj. vernauwend, vernauwd; — stenotrikographie, f gr. fr. beschryving van brelpatronen door stenographische teekens;

— stenotypie, f. slenognipliisclie druk; — stenotypiseh, adj. dien heireiTeiKle.

slenldniln, 11. (v. slenldrc: ialmen; ook moelle hebben, nood iyden, v. \'I lal. ahslcnlüre, voor ubslinSre, zicli onthouden) Muz. ialmend, ver-wyiend, dralend, saminciciid. lerugiioudend; slcn-


-ocr page 1200-

STENTEHELLO

STER I. ING

1172

lain, Muz. kommoiiUI». woenioDdlp, mot «en smarlullilnikkondon toon; 1\'lct. Kodwongen, siyf.

Stontorello, in. pi. stonterelli, 11.

hansworst.

Stentor, m. gr. niiain van ocn Rrloksclion krUpman voor Troje, wlens stem bovon die van SO man uitklonk; vandaar oen gowoldlg scliroouwcr, Iemand mot oono doordrlngondo, zeer zware stom; — stentor-stem, eciie bultcnKenieen sterke, zwafe, niannelUke stem; — stentórisch, adj. zeer luid, doordringend, geweldig schreouwond.

Steph., hg natuurwetonscli. lionainlngen afk. voor K. Steplian (gest. ISH).

Stophanus of Steven, m. gr. {slépha-nns, omkransing, krans, kroon, prys) munsn.; de bekranste, bekroonde; als vr.naam: Ste-phani\'a; — Stephanus-daalder, m. oen daalder mei bel beeld van den heiligen Stepbanus; — Stephanus-orde, naam van drie ridderorden, waarvan de bongaarscho de voornaamste Is; — Stephanieton, m. pi. benaming van al de volksspelen der oudbeld, waarby de prijs nit eene eenvoudige kroon bestond; ook de overwinnaars in die spelen.

Steppe, f. rass. (sslepj) hoogliggend, woest, onvruebtbaur land, belde.

stercoreeren, lal. (slercorare, y.slercus, genll. stereo lis, mest, drek) bemesten, bemls-ton; — stercoraal, adj. op mest betrokking hebbende; — storcologie, liever steroo-rologie, f. de leer der dreksloiïon, der be-mcsling; verhandeling over de. uitwerpselen;— stercorair, adj. wat lol den most, de drek-stollen betrekking been; wat op drekstoHen groeit of leeft; stereo ra ire stoel, de stoei, waarop men den paus bij zyne inwijding deed plaats nemen (een gebruik, door Leo X afgo-sebaft); — stercoramsme, n. de loer der stereoramsten, dat zün de leden eener secte, die meende, dat de stolTen, ille men hU bet heilige avondmaal nuttigde, oven als andere spyzen worden verteerd en In drek overgaan, waaruit de stereoranlstlsche twisten ontstonden; — stercoratie (spr. t=ls) f. (slennratio) de bemesting.

Stère, f. fr. (van \'t gr. slerens, stijf, bard, vasl) fr. benaming van de eenbeid der licba-meiyke of rulmtomaton, laz. voor droge waren = 1 kubieke meter of el, d. 1. oen teerling van oen meter zyde (als maat voor natte waren kl lol Iter gehoeten); dec ast ére, eene maat van 10 stères; beetostère = ion stères; kilostère = loon stères; myrlastère -= 10000 stères; — deelstère = stère; centlstère = stère; ministère = TiVff stère of I kubieke palm.

Stereochromie, f. gr. (van slereós, n, on, vast, siyf) eene In 1810 door J. N. v. Kuchs te Munehen, onder medewerking van Kaullmch en Schlothauor ullgevondon manier van nmnr-beseblidering, die, In haar wezen aan \'1 fresco-schilderen geiyk, dll overtreft doordien de kleuren het vuur en den loon der olieverven ver-krUgen; — stereochromisch, adj. die inuurhescbildorlng betreltende; — storeogra-phie, f. gr. de llebaamsleekenlng, teekenlng van vaste lichamen op een vlak. In togenst. met I c lui o g r a p b I e; — steroographisch, adj. wat tol de lichaamstookoning hoboorl, vgl. projectie; — stereomantie (spr. Iie= Isie) f. waarzegging uit eerste of grondstellen;

— stereométer, m. toestel ter bepaling van den llehameiyken Inhoad van poodervormlgo en poreuze llcbamcn; — storeoraotrïe, f. de meetkunst der llchnmen, llchaamsmetlng; do leer van de grootheden In de ruimte, tot wier samonstoliliig meer dan éea vlak verolscbt wordt, In tegenstelling met pianimetrio z. aid.; — stereomótriseh, adj. daartoe bo-boorende, lichamelUk gemeten; — stereoskoop, m. een llchaamskyker, een optisch werktuig, door middel waarvan twee, met de bolde oogen overeenkomende beelden tot éene llchanieiyke aanschouwing verbonden worden;

— stereötisch, adj. Med. dor, uitgedroogd of door uitdroging, uillering ontstaan; — Ste-rootomie, f. de ilcbaamssnydlng, leer van de doorsnedellguren der vaste lichamen; Arch, steenconstructie, het sayden en behouwen van grooto steenon; — stereotypen, pi. (van ty po) vastslaande drukvormen, letterplalen, nn-heweegiyke drukletters en de afdruk daarvan, eene uitvinding van den l\'ïanscliman Dldot don Jongeren; —stereotypie, f. plaal letterdruk; eene gletery van stereotypen; metallogra-phlscbe stereotypie, eene nieuwe bandol-wyze om letterdruk op metalen platen over te dragon, die men dan met zuren ulthyt; — storeotypiek, stereotypika, f. de kunsi om met vaste lettervormen te drukken; — stereotypeoren, vaste drukvormen vervaardigen en daarmede drukken; — stereotiep, stereotypisch, gestereotypeerd, adj. met vaste of onheweegiyke drukletters gedrukt; onelg. la biyvenden, duurza-men vorm, onverandoriyk.

Sterêsis, f. gr. (v. slerëin, borooven) be-roovlng, wegneming, gebrek; — sterëtisch, adj. beroovend, wegnemend.

steriel, adj. lat. {slerflis, e) onvruchtbaar, mager, schraal, dor, ledig, zonder gehalte; — steriliteit, f. (lat. slerilïtas) de magerbold, onvruchtbaarheid, dorheid

Stérlet, in. russ. {sstérliadj f.) de klolnsle soort van steur (Acipenser rulhënm) In de Kaspische zee en In de Wolga, die goede kaviaar oplevert.

Sterling, eng. (ontstaan uit cnslerlinu, d. 1, elg. oosterling, munt uil het Oosten, benaming eener munt la do mlddOloeuwoa, die lUchard I in 119« liet eerst door duitsche muntmeesters, ia do dultscbe zilvereenbeld, liet slaan, vgl. eslerlin: v. a. van slearc, regel, wet) bel ocblo geld naar don ongolscben muntvoet, de wetteiyko muntvoet, vandaar een pond (of livre) sterling, eene voorbeen workeiyk gemunte, nu slechts Ingebeelde of gefingeerde


-ocr page 1201-

ST K li M!

117:3

ST1.IL

munt = *20 oiir. shillings, ongeveer 1*2 gulden, tliims weder als sovereign geslagen; — sterling, ook In I alg. voor eehl, geldig, lioproefd

Stornb., 1gt;Ü nuluurwelenscli. henamlngen afk. voor K, M. v. Sternberg (gesl. ISIIS).

Stornum, n. gr, (stivmm) het horstheen;

— sternaal, adj. dat hetretrende; stor-nalgio en stornodynie, r. horstpyn; z. v. a. slenokardtc.

Sternutatie (siir. Ik=lsie) I. lat. {ster-nulaiïo, van slcrnutare, slcrnu/ire, niezen) het niezen; — stornutatorïum, n. nw.hit. een niesmiddel, niespoeder, nieskruid; - stornu-tatief, adj. niezing verwekkend.

Stor-pagódo, f. oene Indische goud- en zilvermunt met oene ster op de voorzijde, z. v. a. pagode, z. aid.

sleso moto, it. (s/eso, gerekt, v. sléndere = lal. exlendcre) Muz. met iangzanie beweging, langzaam, gerokt.

Stothodésmis, r. »r stothodos-mïum, n. gr. (van stclhos, n. de horst, en desmós, hand) Chir. een horslverhand; — Sto-thoskoop, in. Med. een horsthoorlulg of eene trechtervornilge houten hoerhuis lot «aarneming van geruisch in iiet Inwendige van hel Itchaam; — stethopolyskopmm, n. een stethoskoop, waardoor verschelden personen gelijk auseuitoeren kunnenstothoskopio, f. de horstonderzoeklng, de kunst (im den sle-Ihoskoop te gehrulken auscultatie z. aid.;

— stothoskópisch, adj. daardoor verkregen, daarop helrekkeliik.

StGVOii, z. S t e p h a a u s.

Steward, m. eng. (spr. Isjódwurd: ij-I. stivardr, angels, stiward, naar men wil ontslaan uit stede ward, d. i. piaalshouder, jdaatshekleeder) een hulsiiormeoster, renlmees-ter, bestuurder, ontvanger; provlandmeesler, bottelier op een schip; - lord-high-ste-ward (spr. —/mi—), de opperrechter, voorzittende lord, een der hoogste rijkslieamhten in lingcland.

Sthonie, f. gr. (v. s/Muos, n. kracht) de kracliilgheld, kracht, volkrachllgheld, sterkte, verhoogde levenswerkzaamheid van bel lichaam, lil tegenst. met asthenie; — sthtfnisch, adj. volkrachilg, krachtvol, met verhoogde krachtuiting; — sthenop^ra, t. of sthenische koorts, eene koorts met vermeerderde we-derwerklng, oaistekingskooiis; — sthoni-seoren (spr. —zie—), de levenswerkzaamheid verhoogen, sterkere kraciiliilting opwekken, in legenst. niet ast henlseeren.

Sthono, t. gr. (Slheino), eene der (\'gt;or-gonen (z. aid.).

slihtum, n. lat. (gr. slilii, slimmi), spiesglans of spiesglas, z. v. a. anti m o n 1 u m; — sti-bialïa, n. pi. nw.iai. Med. van of met spiesglans bereide geneesmiddelen.

Stichomantie (spr. l—ls), f. gr. (van slichos, in. i\'U, regel, vors) waaiv.eggcry door verzen, loten of briefjes; men schreef verzen uit de slhyiignsche hoeken of hrlefjes, mengde die door elkander en trok er een uit om zijn toekomstig lol te vernomen; - stichoman-tisch, adj. die waarzeggerij hel rellende; — stichometrio, f. de versniellng, versmoet-kunst; stichométrisch, adj. versafmo-tend, versrneetknnslig; — Htiohomy thïe, f. liet regel voor regel of vers voor vers opzeggen en elkander antwoorden, het onafgebroken voortverbulen.

Stiefeletton, pi, (iioogd. v. stiefel, laars, stevel, niet een franschen uitgang) laarsje, een middeiding tusschen schoen i\'ii laars, z, bottine; ook: slobkousen, overkonsen, knoopkonsen.

Stigma, ii, pi. stigmata, gr. (van sli-dzein, steken) do steek, punl, stip, vlek; het zoogenaamde lltteeken of hlocmmerk aan bet bovenste gedeelte vim bet stampertje der bloemen; lltteeken; merk, brandmerk, ingebrand schnndleeken; schandvlek, smaad, schande; ook de benaming van de uitwendige vverklolgen der rupsen; — stigmatias, m. (gr, sliumalias) een gebrandmerkte • stigmatisooron (spr, —zee—: gr, stinmaliitein; fr, sli(jmatiser) met litteekens, Inz. mei de ü iltteekens van den gekruisigden (iliiistus kenmerken; iirandmerken, onelg. lasteren, aantijgen, schandvlekken, kwaadspreken; — stigmatisatie (spr. —:a-tsie), f, de merklng der lllieekens, liranilmerklng;— stigmatograaf, m, een iiunienscbrijver. Iemand, die door iniildei van punten zilni1 ge-dachten uildrukl; — stigraatographio, f, de kunsl om met iiunlen le schrijven, pnnt-schrijfkunst; - stigmeologio, f. (v. stif/mr, f. het punten, slippen; ondersciieidlngsteeken, merk) z, v. a. a c c e n I u a 11 o; — stigmiet, m. een stippelsteen; — stixis, I hel steken; hraiiilmerken.

Stijl, m. (van \'I lal. stilus, eig, de sciirüf-stlft = gr, slfflos, d, 1, eig, zuil, paal, enz,) de schrijfwijze, de bijzondere wijze, waarop men scbrlftciyk zijne geiinciiten uildrukl, voorsiel-lingsiiianier, iilldrukkiiigswyze, voordracht en uitdrukking in bet schrijvoir, hel gebruik, de gewoonte; in de beeldende kunslen: ile kunsl-smaak, de voorsteiilngsvorm; inz, de zuivere, edele, ongekunslelde, naluuriijke vuorslelllng, In tegenst, mei inanler; onk de iijdrekeiiiiig, h, v. de oude en nieuwe stijl, z, juii-aaiische kn lender, ond, .Inlins; —stilus cun (ie, z. e u r laai- en kansel a ry-styi; — stiliseeron (spr. .?=?), heler stilooren, liarh.lal. Inkiocden, voordragen, door woorden, enz. uitdrukken ; goed ge si 11 (Is) eerd, goed gesteld, goed geschreven; — stilist of stylist, m. een schrijver mei belrekking Inl zijne schrijfwijze, li, v, oen goed stiiisi, kenner en meester der liesie scbi\'ijfwyze, die de goede uitdrukking in zijne macht heefl; stilistiek, f. de kunsl der schiifieiyke vnordraebt of der goede uildnikking; stilisticmn, n. eene voorlezing over de kunsl der schrifle-lyke nlldriikkliig of eene oefening daarin; — stilistika, n, lil, dingen, die tot de leer van


-ocr page 1202-

STILBE

1174

STOCK

de schrUfwUzc bolrckklng holiben; — stilistisch, adj. dozo kunsl l)etrolIeii(lc\', lot dc jjoedo schryfwUzo behoorondo; — stilét, n. (tr. sli-lel, II. slilélto) eon kleine dolk, moordpriem, stokdegen; hel steekyzer, de pyinanld der wond-beelers.

Stilbo, f. (van \'I gr. slilbe, ginos, schittering) een ultbeeinsch plantengeslacht met duh-helsluchtlge bloemen op den oenen en mannc-tyke hlocmcn op den anderen stengel; — stil-biet, n. hlader-zeollth, ecne soort van zeolith (z. aid.)

stileeren, stilet, stilist, stilistiek, enz. z. ond. styi.

Stillatie (s|ir. Ue—tsïc) f. Inter Int. (.s7i7-la(io, van het Int. stillare, druppelen, slilla, de druppel) de druppeling, bet sypelen, door-sypelen; — stillicidïlim, n. lat. het druppelen; het recht der dakatwaterlng; slillici-dTum lacrymurum, het tranendruppelen; slilli-drfïum urinae, het plsdruppelon.

Stilpnosidoriet, n. gr. (van stilpnös, blinkend en sidèros, gzer) \'slakachtlge bruln-yzersteen.

Stimulus, m. pl. stimuli, lat. de prikkel, spoor, stekel, opwekking, aanvuring, dryf-veer; — stimuleeren (lat. slimulure) prikkelen, sporen, aandryven, opwekken, aansporen, aanzetten, nopen, ophitsen, gaandomaken; — stimulans, n. pl. stimulantia (spr. I=t.i) ot stimuleerende middelen, prikkelende, opwekkende middelen; —stimulatie (spr. lie=lsie) t. (lat. slimulaiïo) de opwekking, aansporing, prikkeling.

Stink, m. (Lacerla stincus, lal. liever sein-cus, Scinrm marinus, van bet gr. skinnos, skin-kns) eene soort van hagedis In Arable, Egypte enz., die men, gedroogd zynde, als een tot wellust prikkelend middel gebruikt.

Stióro, m. II. (onslaan alt slajorn, slajuoro, slajuolo, van slajo, schepel, z. aid.) eene veldof vlaktemaat In Florence = ^ saccata = 5,2s are.

Stipiitie (spr. Iie=lsie) f. lat. {sllpaffo, v. slipare, stoppen) stopping, verdichting, dlcht-niaklng; volksgedrang, gewoel.

Stipendium, n. pi. stipendia of sti-pendïën, lat. (samengetr. uil stipi-pendium, v. slips, genlt. sfipis, geldhydrage en pcndcre, betalen) hy de oude Uomelnen do soldy, hcloo-ning; opbrengst, cyns (trihu ut), tegenwoordig: ondersteuningsgeld, stichtingsgeld, gelden uit eene stlcbling voortsprullende, die aangewend worden ten behoeve van minvermogende, Inz. sludeerende Jongelingen; by de R. Katb. ook een legaat of eene erfmaking om missen te laten lezen; familie-stipendium, ecne stichting, welke In de eerste plaats of uitsluitend slechts voor tol éene familie heboorende personen bestemd is; — stipendarms, m. een sohiytrckker, soedenler, soldaat; een cyns-plichtige, cynshare; ook z v. a. stipendiaat, m. Iemand, ilie stichtingsgelden geniet, daarvoor studeert.

slipflcs, pl. m. lat. (van den sing, stipes, genlt. stipWs) steel, stengel; cum slipiffbus, met de stengels of sleten (op recepten afgekort c. slip.)\', — slipilalus, a, urn, lat. Kot. gestoeld, gestyui.

.stipula, f. lat. Hot. het steunblad, bladachtig orgaan aan den voet der bladeren; — slipuiar/us, n, urn. Hot. met vliesachtig aan-hangsel; — slipuhic, pl. Hot. stoppeltjes;—ilt;i-pulalus, 11, um. Kot. sloppeidragend.

stipuleeren, lat. (s/ipulari) elg. zich Iets laten beloven; afspreken, vaststellen, bepalen, bedingen, by verdrag overeenkomen of het eens worden; beloven, zich tot Iets verplichten; — gestipuleerd, adj. vastgesteld, afgesproken, bepaald, bedongen, beloofd enz.; — slipulala hih/iw, onder handslag, b. v. iels beloven; — stipuliint, m. een bepaler, vaststeller, voor-waardomaker; — stipulatie (spr. l=ls) f. de vaststelling, overeenkomst, bepaalde afspraak; toezegging, belofte, gelofte; het verdrag, vergeiyk.

sliratn,sliracchialo, II. uil elkander getrokken, gerekt, verwrongen.

Stirösis, f. gr. {sleirosis, van sfê/rns, styf, dor, onvruchtbaar) z. v. a. sterillloll (z. aid.)

slirps, f. pl. stirpes, lat. do stam, stronk; in stirpes, z. in capita, ond. caputper stirpes, volgens de stammen (niet naar de hoofden), I). v. hy bet verdeelon van erfmakingen. Stixis, f. gr. z. ond. stigma.

Stoa, f. gr. elg. eene zuil, een pilaar, py-ler ; eene zuilenzaal, Inz. de bonte of veelkleurige zuilenzaal (stol poikile, z. p(DCile) te Athene, waarin de wysgeer Zeno en zijne opvolgers leeraarden; vandaar: de stoïcijn-sche school of de stoïcijnen, de door Zeno gestichte oud-grleksche school van wys-geeren, die zich door strenge deugd, verloochening van alle zachtere gevoelens, verachting van smart en geiykinoedtgbeid bij de wisselvalligheden dos levens onderscheidde; vandaar onelg. stoïcijn, m. oen standvastig, gestreng, onverzetteiyk, koelbloedig, onaandoeniyk man; — stoïcismo, n. de leer der sloïcynen, do leer der gelijkmnedighcid, standvastigheid, koel-hloedigbeld, onversehllllglield, ongevoeligheid In de grootste smarten enz.; — stoïsch of Stoï-cijnsch, adj. tot de leer van Zeno\'s volgelingen behnorende; hungeiyk. onverschillig, ge-lykmoedig, standvastig, koelbloedig, onverzette-Igk, onwrikbaar, gelaten, onaandoeniyk. stnccnln. It. z. v. a. staccato. Stochastïka, f. gr. (van slochadzesthai, bedoelen, op Iets mikken, gissen, raden, van sliichos, doel) do gissingskunst, leer der waar-schijniykheid; — stochastisch,adj. vermoo-deiyk, waarschyulyk.

Stock, n. eng. (= bel duilsche stock, stok, boevoelhold of verzameling van zekere voorwerpen) de goldstok, bet stamgeld (kapitaal); inz. bet staalskapltnal; pl. stocks, In Engeland de in omloop zynde staatsschnldbric-ven; ook /.. v. a. actIDn, z aid.; —stock-


-ocr page 1203-

STOPPINE

1175

STOCKING

toroker, in. eon engolsch makelaar In staatspapieren — stockchange, f. (spr. -tsjeendzf) verzamelplaats der by de stocks geïnteresseerden op de beurs te Londen; — stock-oxchango, f. (spr. —exlsjcendzj\') de effee-tenbeurs, de geldheurs; — stockholder, m. (spr. —hoolder) de houder, eigenaar van staats-sclmldbrloven; — stockjototoer, m. (vgl, jobber) actiewoekeraar, Iemand, die op onbeta-meiyke wüze winsten zoekt met den actiehandel, windhandelaar; — stockjobbery, f. ongeoorloofde schynhandel met staatspapieren, windhandel.

Stocking, r. eng. kous; vgl. bluestocking.

Stoebo, t. of stcebekruid, n. (lut. stnebe, van \'t gr. sloibf , d, I. elg. het stoppen, vullen, omdat de bladeren dezer plant tot het vullen van kussens enz. dienden) een pluntengeslaclit met samengestelde bloemen, die uit trechtervormige bloempjes bestaan, met een schuhbl-gen kelk.

StOBcharium, n. nw.lat. en nw.gr. een witte koorrok der hoogere grleksche geeslelük-beld.

Stoechaskruidof wel stocheskruid,

n. (lat. sloechas, van \'t gr. sloichds: naar men wil van de 3 Stoschaden, eilanden by Marseillewaarscbyniyk rechtstreeks van \'t gr. stoichds. op ryen staande, wegens de op ryen tegenover elkander staande bladeren) eene soort van lavendel.

Stoechiogonie of stoechiogome, f. gr. (van slokhcion, oorspr. staf, slifl; letter, boekstaaf, en vandaar pi. stoiclüia, onelg. voor de eenvoudigste grondhestanddoclen, aanvangsgronden) de vorming of het ontstaan der grondstoffen (elenienten); — StCBChiolOgïe, f. de leer der grondstoffen, z. v. a. chemie; — stoechiometno, f. de meetkunst der grond-stolfen, chemische meetkunst, leer van de verhouding der chemische verbindingen, de leer van de vaste gewichts- en ruimteverhoudingen, volgens welke ongeiyksoortige stoffen zich tot nieuwe, geiyksoortlge lichamen chemisch verbinden ; — stcechiométrisch, adj. de chemische meetkunst of verhoudingsleer betrelTende; stcBchlométrisch getal, een mengingsgewicht, ook atomen-gewicht of chemisch ie q u I v a I ó n t.

Stoeterij, f. (boogd. slulerei, van slule, merrie) de paardenfokkery.

stoflFoeren (nederd. met vreemden uitgang, fr. itoftcr, oudfr. esloffer, hoogd. slojfiren) met stof of toehehooren voorzien, uitrusten, bezetten, omzetten; versleren, optooien, van huls-raad voorzien, meubeleeren; Piet. met by werk opsieren; gestoffeerde kamers, van huls-raad voorziene kamers; — stoffeering, stoffage, f. de oplooling, voorziening, toerusting (b. v. van eene kamer met meubelen enz.); bezetting van een kleedlngstuk, opstyving van eenen hoed enz.; I\'ict. de opsiering, aanvulling eener schlidery met afzonderlijke llgu-ren of gelieele groepen van menscben, dieren enz; deze figuren zeiven; — stoffage, ook by kooplieden de omkieedlng, omhulling tot het Inpakken van droge waren; — stoffeerder, m. een aanstrijker, vergulder, kamerschilder.

Stoïcisme, stoïcus, stoïcijnsch, z. ond. stoa.

Stola, Stool, f. lat. (v. gr. slnlc, rusting, kleeding) een lang vrouwenkleed by de oude Romeinen; een breed lint, dat de dames over het kleed om den hals dragen; de prleslerklee-ding, koorrok, de lange, breede, over do schouders tot op de voeten afhangende band der r. kath. priesters; vandaar jura slolae, geesteiyk-heidsrechten.

Stoliditeit, f. lat. (slnliMas, van sloft-dun, a, urn, onnoozel, dom) onverstandigheid, onnoozelheid; domheid, verslandszwakte.

Stólnik, m. russ. (v. sslnl, lafel) de huishofmeester, een voornaam hofbeambte by do oude Czaars, die voor hunne tafel te zorgen had.

sloloniferus, a, urn, lat. Hot. wortolsprultlg of rankdragend.

Stomachale, n. nw.lat. (van slomachus, gr. slnmachos, de mond der maag, maag) een maagmiddel. Iets maagstorkends; de maagversterking; stomachaal-droppels enz., maag-droppels, maagsterkende middelen; — stoma-chalgie, f. gr. do maagpyn; — stomachi-ka, n. pl. maagmiddelen; — stomachee-ren, nw.lat. aan do maag lyden, met maag-pynen heboid zyn; — gostomaeboord zün (fr, s\'cslomaqucr) zich ergeren, boos worden, zich vertoornen.

Stomakace of stomalgïo, f. gr. (van slóma, n. do mond) Mod. de mondpyn; hot mondbederf, het bederf In do mondholte, mondver-zworing; — stomatika, n. pl. mondmidde-len, geneesmiddelen, die op eenig doel van de mondholte worden aangewend; — stomato-phyma, n. gezwel Inde mondiiolto; — stomatitis, f. de ontsteking der mondholte; — stomatorrhagie, f. het inondbloedon; — stomographie, f. do beschryving van don mond of de mundholte.

Stondisten, z. stundlston.

Stone, n. eng. (spr. sloon) steen, een on-golsch gewicht, inz. voor wol = 1 i pond (po u nd, z. aid.) = J hundredweight.

Stonehenge, n. do Druïdentempol by Salisbury In Engeland.

Stongiew, z. stanglew.

Stoof, eene russtsche vochtmaat = J we-dro = 1,837 L.

Stool, z. stola.

Stoop, f. eene voorm. nedorl. vochtmaat = «} I.

Stooter, m. eene voorm. nederl. zilvereti rekenmunt = 2} stuiver of 1\'2J cent.

slop\' eng. houd op! staak! stuit! (van stoppen, d. 1. stuiten, doen stil staan); slop him! houdl hom! houdt hein vast!

Stoppine, f. It. {slopinno, van sloppa = lat. sluppa, werk, vlas) de uit vlas of katoen-


-ocr page 1204-

STRATUM

STORAX

1176

draden snmcngedrnaldo lont; ook eeno blikken zundpUp; do kegel voor de percussion op geweren.

Storax, lal. ot gr. styrax, m., nodorl. liever f., een lialsenmchllg gomhars van den storaxboom In liet Oosten en In Z.Europa. Do vloeibare storax (Storax liqutdus) of v I o e I li a r e a m b e r komt van den amberboom [Liquldambar slyracillüu).

Store, 1) ii. eng. (spr. stoor) elg. de voorraad, een voorraadshuis, maga/.yiu lm. In N. Amerika een winkel, waarin allerlei levonsbe-lioeften te koop zuquot;.

Store, 2) t. fr. (van \'I lal. stored, mal) vensterscherm, rolgordyn, zoniieschenn voor vensterramen of koetsglnzen, die mon kun ophalen en laten vallen.

storneeren, 11. (sternare, elg. afwenden, tot wyken brengen) Kmt. In orde brengen, regelen, rangschikken; verbeteren (eene sclirijf-of rekenfout, doch niet door ullschrapplng of doorhaling, maar door eenen tcgenpost [contra-post] te maken, door af- en liysrhryven); — storno, in. verbetering van eenen verkeerd geboekten post door af- en bysc brij ven; ■/.. rl-t o r n o.

Storthing, f. zweedsch (van stor, groot en timj, gerechl, geding) do ryksdng, de ryks-of stendenvergadering In Noorwegen.

Stotsbasji, m. z. v. a. taikoen, z. aid.

stout, adj. eng. sterk, krachtig, h.v. stout porter, iloublo stout, zeer sterk porter-(bler); vgl. porter; — stouts, pl. sterke ruwe katoenen stoffen.

Strabo, m. lat. (van \'tgr. strabun of .«(ratios) een schele, scheelziende; — strabismo, n. gr. (slrabLtmós) of strabositoit, f. nw.lat. Med. het scheelzien, verdraaien der oogen, Inz. het hlnnennaarts scheelzien; — strabitisch, adj. scheelziend.

Stracchino, m. 11. een zeer goede, veile Hal. kaas, inz. in Lomhardye.

Stractio (spr. Iic=sie) f. (waarsch. van \'t nw.lat. extrucCio, het uittrekken) Typ. het lichlen of het onderleggen van regels ot woorden, die met eene andere kleur moeten gedrukt worden.

Stradioot, m. (it, stradiótlo, van \'t gr. slratiutcs, soldaat) een stroopralter, llchl allm-neeseli ruller uit Moren in de mlddeloenwon, inz. In venetlaanschen dienst.

Strait, f. eng. (spr. street) de zceengtc.

Stralcio, m. II. (spr. strallsjo) Kmt. het mlnneiyk vergeiyk, de overeenkoinst, uiteenzetting; — stralciëoren (11. slratriiire) verelte-nen, schulden en vorderingen in onle brengen (hü het ontbinden of het aangaan van eenen handel).

Stramien, f. (v. \'t lat. stromen, 11. strams, stroo, kaf, leger) lijne canevas (z. aid.) lot borduren van tapyten, borduurgaas, borduurpa-pler of -karton; ook eene dikke kiitoenen slof voor pantolfels enz.; — straminéus, lat. Hot. stroogeel.

Strangalie, f. gr. (strangalia, streng, snoer, van stranqein, snoeren, samondranien) de beklemming (van eene breuk); eene door he-klenimlng ontstane verharding; — stranga-liden, pl. melkknobbels in do vrouwenhor-sten;— stranguno, f. de moeliyke water-loozlag, koude pis.

stranguloeren, lat. (stranqulare, fr. étrau-(jter, gr. strangaliilzein, stranqalnen, verwant met ons streng) met eene streng of eenen strik do koel toehalen, verwurgen, ophangen;

— strangulatie (spr. t=ls) f. (strnnqutaCfn) de verworging; beklemming van eene breuk;

— Strang alatio-merk, n. do by verworging aan den hals zich vormende roodo kring.

Strangurie, z. ond. strangalie.

Strapatze, f. iioogd. (strapdze, v. \'I H.stra-pazzo, eene vermoeiende Inspanning, afinalllng, eer. zware arbeid; — strapatsoeren (hgd. stvapaziren, li. strapaztire, elg. bovenmate |ila-gjn, bespotten, van stra = lat. extra, zeer, buitengemeen, en puzza, dwaas, nar) verachle-lyk of hard hehandelen, mishandelen; pingen, kwellen, afmatten, vermoeien; — zich strap-, zich afwerken, afbeulen enz.

slruscicdndo, slroseindndo, II. (tpr. stra-sji—, van strascicdre, strascindre, sieepen; waarsch. v. prov. traisso, sleepnet, sleep, v. lal. tractnm, trahcre, trekken, sleepen) gt;luz, sleepend; — straseinandn t\'areo, met don strykslok sleepend.

Strass, n. hoogd. (fr. stras) hard kristalglas, dat tol basis van de gekleurde glasvloe-den dlenl; een iiageniuakte diamant (naar zy-nen uitvinder, eenen Straatsburger kunstenaar, zoo genoemd).

Strata, z. ond. stratum.

Stratarch, m. gr. (strat-archis, v, stratns, leger, en drchcin, heerschen) een heervoerder, opperbevelhehber, veldheer, generaal; — strat-arithmetika, f. de legerschaar-berekening; — strateeg, m. een krijgskundige, beoefenaar of kenner der strategie;- stra-tegeom (niel s 1 r a t a g e e m; gr. strateaema, van stratcucin, heervoerder zyri; eene krygslist gebruiken) in. de krygsllsl; eeno list, een listige aanslag, eene kunslgreepstrategie, stratogika of strategetïka, r. do heer-voering, de beervoerdorskunsl, veldheerswetenschap, krygskunst; — strategisch of stra-togctisch, adj. krygskundig; — strato-graphie, f. de legerheschryvlng, krijgsbeschry-ving, geschiedenis der oorlogen In \'I algemeen;

— stratokratie (spr. tle=sle) f. de leger-heerscliuppü, soldalenlieerselmppy; - strato-mka, r. de krygskunst; — stratopedio, f. (gr. stratopedeia, hel legeren, leger-opsiaan) de kunst van een leger op te slaan, de leer van de keuze oener legerplaats voor troepen en do wyzo van Inrichting daarvan.

Stratum, n. pl. strata, lat. (van sternare, slravi, strütum, uitstrooien, ultiirelden) elg. hol ullgehreide, uilgespreide, de laag, schicht;

— stratum super stratum, laag op lang, schlehl op schicbi, laagsgewyze; - stratifleooren,


-ocr page 1205-

STRAWBERRY 1177

STROPHE

nw.lal. liiaKsifowys op olkandor leggon; — stra-tificatio (spr lie—xie) I de ItiiiKs- of schtchts-gowUzu HuhImk (dor delfstoffen en/. )

Strawberry, f. enR. (spr. slrdberri) aard-liczle; — strawborry-jam, r. aardbczlo-golel.

slrazza, t. It. (v. mld.lat. en It. slrazzare, voor It. slracciare, scheuron, prov. extras sar, sp. cstrazar, lat. als \'t ware extraclinrc, uittrekken, v. lal. exlraclum, extrahlre, uittrekken) Knit. ■/.. v. a. Iiroulllon.

Strobloais, f. nr. (van slrebloen, draaien; verdraaien) Med. de verstuiking, verrekking, het verdraaien der ledematen, de onvolkomen ont-wrlchtlng.

Street, f. eng. (spr. slriel) de straat.

Strelitz, m. pl. strelitzen, russ. (slng. ssMeliéi, van ulrjtila, pijl, van \'t slavonisch sstreljatj, seliletcn) schutters, voorin, russ. soldaten van de Igfwaclit, sedert de laatste helft der IBde eeuw tot op de rcgeerlng van 1\'eter den Grooten.

Stremma, 1) n. gr. {\\an slréphcin, draalen) !\\led. verrekking, verdraaiing van een tld.

Stremma, 2) of stremme, f. eene nieuw-grloksche veldmaat = tnon vierkante meters.

Strenuïteit, f. lat (strenmlas, van sin-nnus, a, urn, lusllg, vrooiyk enz.) wakkerheid, hcdryvlgheld; dapperheid; nauwkeurigheid.

slrepllus, ui. lal. (van slreprre, gedrulseh maken, lieren) het gedrulseh, geraas; slrepflm aurïcum, het oorgesuls; — slrcpilósa (spr. so= zo), con slrdpilo, con islrépito, It. Muz. rul-sclicnd, tierend, met gedrulseh.

slrcllo, It. (= lat. slriclus) uauw, eng, smal; Kmt. schaars, zeldzaam; nauwkeurig,.nauw he-paald; Muz. kort, snel, gezwind; allu slrella, Muz. op samengetrokken wijze; — stretto, in. en stretta, f. een herg-eugle, pas.

Stria, f. lat. de streep, groef; — stria-tuur, f. lal. {slriuti/ra, van slriare, groeven, kerven) de nllholllug, groeving; — slrialus, a, urn, lat. Hot. gestreept.

Stribord, m. fr. (gevormd van ons stuur, sturen, stieren; vgl. starboard: angels. steórhonl) het stnurhoord, de rechterzyde van het schip, tegenover hel tiakhoord.

strict, enz. z. oud. strlugeoreu.

stridor, m. Int. (v. sMdin, stridcre, knarsen, krassen) het sissen, knarsen; stridor den-fJum, het tandonknarseii.

slrigosus, a, um, lat. hot. stekelharig, ros-kauimlg.

Strike, f. eng. (spr. strait!: van het ge-westoiyke to strike, weggaan, wegloopen) de werkstaking In massa van de zyde der arbeiders, om hnoger loon of vermindering van werk-Hid af te dwingen; vgl. gr(gt;ve; - strike-comité (vgl. comité) de tot leiding cener werkstaking, onderhandeling met de werkgevers, enz, henoemde commissie; — striker, ui. (spr. i=alt;) werkstaker (vgl. grevlst, oud. gróve).

Stringeoren, lat, {slriiuj/!rc) schavend aanraken, hezoeren, kwetsen; eng sunienlrekken, samensnoeren; nauw, nauwkeurig nemen; In het schermen; de kling van ile tegenpartij opvangen ; st r I n goe r eu de m 1 dd e 1 e n, samentrekkende middelen , Stringent, «dj. hon-dig, scherp, nadrukkeiyk, gestreng, h, v, zuil-een hewys; — striunindo, 11. (spr, slri-njdndo) Muz, samontrekkend, verkortend, eene oonlgs-zlns snelle heweglng aanwyzend; - strict, adj. lat. {slriclus, a, um) als adv, ook stride, eng, nauwkeurig, gestreng, punteiyk; — strlcto observantie, z. observantie; — slriclus, a, um, Hot, strak, stijf, rechtopstaande; — slricln jure, naar het gestrongste recht; — slricln sensu, In den nauwereu zin, streng genomen; — slric-lissunc, op het nauwkeurigst, in den engsleu of bepaaldslen zin des woords; — slriclissïmn sensu, In den allorheperksten zin-, — non slringil, het hindert niet, hel gaat de zaak niet aan\'; — strictuur, f. (lat. striclura) het langsscha-veu; de samentrekking, vernauwing van een natuuriyk kanaal, b, v. van bel darnikunaal en luz, van ile pisbuis.

Strips, ni, eng. eene zweep uil louw met knoopen; vandaar ook f. pl,: slaag, slagen,

slt;Hscf(i)i(/o, It. (spr. slri-sjandO: v, slriscióre, stryken, laugswryvon) Muz. sleepend, den oenen toon In den andereu overhalend.

Strobilus, olt;ik strobilus, m, gr, [stro-luids, van slrnhi in, In oenen kring drnalen, slrótms, dwarreling, maalstroom) een gedraald lichaam, tol; ~ slrnliitiformis, Itol, kegelvormig; — strobiloidisch, adj kegelvormig; — stroboskoop, m. scbytheeld, draalbeeld, draalgezlcht, een door Slampfer uilgevonden optisch speelgoed, eene schyf met afbeeldingen, die hetzelfde voorwerp In vorscbllleiide standen vertoonen, zoodal hel bg hol snelle draalen der schyf In den spiegel In heweglng scbgnl; — stroboskopischo schijven, optische draal- of loovorscbyven.

Stroma, n. gr. (van slronmjnni, uitspreiden) bet onderliggende; stroo, bedekking, ta-pgt; do tweede zaadbodem; pl, stromata, tapytcn, Inz. bont gewerkte lapuien; vandaar onelg. boekeu van gemengdon Inhoud; — stro-matiek, stromatika, f de tapUtwevery, tapytwerkerskunst.

Strombieten, pl. gr. (van slrómboes, slró-bos, krlug, dwarreling) versteenlngen van éen-schallgo, langwerpige schelpdieren.

Strontiaan, m. of strontiaan-aarde (spr. l=ls) eene In mio onidekte op haryt-aarde geiykende aardsoort, die. mot koolzuur verhonden, voorkomt In den atrontianiet, eene asperge-groene, doorscbijnende en vezelige steonsoort by Stront tan In Schotland, die ook aangetrnffen wordt In verbinding met zwavelzuur In den caMesllen, een grysiu\'htlg tilauwen of geelachllgen vezellgen steen In Sicilië enz.; — strontium, n, de melalllscho basis der slrontlaan-aarde.

Stróphe, f, gr. {strophe, van stréphein, wouden) olg. de wending van het zingende en


-ocr page 1206-

STUPEFACIËNTIA

1178

STRUCÏOR

dansende koor bU lt;le omlo Grieken, en de af-dcelini; van liet koorgezang, dat gedurende zulk eene dansbeweging werd gezongen; In \'t alg. do versatdeellng, vorskoppellng, doorgaans ver-keerdoiyk vors geheeten; elke afdoellng In een gedlcbt of lied-, vgl. couplot en stanze; Muz. ile veranderde borballng van de melodie;

— strophika, r, de rogels-afmetlng, afmeting der versleden In do poëtische hoeken van bot O. T.; — strophósis, f. de verkromming; — strophus, m. (gr. slróphos) Mod. buikpijn, dnrinkollek, waarhy de lydor zich wondt en keert,

Structor, m. lat. (van slruére, samenvoegen, houwen enz.) oen bouwmeester, metselaar, timmerman; een hofmoesler, opdlsscher, tafel-bedienaar en voorsnijder hij de oude Komel-nen; — structuur, f (lat. structura) do wijze, waarop oen huls enz., een lichaam gebouwd of samengesteld Is, de bouw, houw-wyze, bouwtrant, hel bouwwerk; de samen-stolling, Inrichting; rangschikking der doelen van steen- en aardsoorten; de samenhang van eene redo, de zinsbouw; vgl. constructie.

Struggle, m. eng. worsteling, stryil; struggle for existence (spr. ekzistens), for life (spr. laif), de sti\'Ud om het bestaan, om het loven (In hot darwinisme, enz.)

strüma, f. lat. het kropgezwel, halskller-gozwel; — strumeus, adj. (lat. strumosus, a, urn} Mod, mot eonon krop behept, daartoe behoorende; — strumositeit, f, nw.lat. de opzwelling van don hals, bot halsgezwel.

Strychnine, f. gr, (van stryclmos, nachtschade, een plantengeslacht) oen bijzonder basisch vergiftig nader bestanddeel In de Ignatlus-hoonon, in de braaknoton, In hot slangenhout (Slryrlmus coluhrïm) enz.; — strychnoma-nie, f, de door bot gebruik van belladonna veroorzaakte waanzin.

Stryphna, u, pl. gr. (slryphnós, ón, samentrekkend, wrang) z v. a. lat. adstrln-g o n 11 a.

Stucco, It. of stuc, fr. m. (ncderl. heter f.) (eng. stuck, sp. esluque, van \'t oudhgd. slucchi, korst) gips, pleisterkalk, uit gezeefd wit marmer en kalk bestaande, en die tot versleringen In verheven werk gebruikt wordt; — stucatóre, li., stucateur, fr., stukadoor, m. arbeider, kunstenaar In gipswerk;

— stucatuur of stucwerk, stukadoorwerk, allerlei werk en figuren van glpskalk.

Studbook, n. eng. (spr. —bock) het stamboek der renpaarden.

studeeron, lat. {studcre, zich beyvoren, streven, zyn best doen) zich op eene zaak toeleggen, haar zoeken te doorgronden, nauwkeurig onderzoeken of nadenken; Inz, zich op de wetenschappen toeleggen, zich daaraan toewy-den of overgeven. Iets loeren, beoefenen, daarmede geheel bezig zgn; zich met goloordon arbeid bezighouden; aan eene hoogeschool verblijf houden om eene wetenschap aan te loeren; — studeerkamer, het werk- of schrljf-vertrek van oenen geleerde; — studént, m, (van \'t lat. partlc. stüdens, zich bovlytlgond) of studiosus (lat. studiosus, a, urn, yverlg, vigtlg) Iemand, die zich op de wetenscbuppen toelegt, een leerling of kweekellng op eene hoogeschool, muzenzoon, academie-burger; — studentikoos, adj. (nedorl, naar het hoogd. burschikos) studentachiig; — studentikosi-teit, f, studentachtlgheld; — studie, f., lat. studium, n. In \'t alg. yver, streven, bemoeiing; Inz. de viyt, leery ver, zucht voor de wetenschappen, aanhoudend nadenken over Iets, geleerde of wetenschappeiyko aanleorlng. Inspanning, bezigheid, onderzoek, navorschlng; pl. studiën of studia, geleerde homoellngon, pogingen, navorschlngcn; wetenschappen, verworven kundigheden, geleerdheid; do geleerde of wetenscbappetyke loophaan, loortyd op scholen-, — studies, l\'lct. kunstproeven, oefenlngs-of proefstukken, voorbeelden lot nateekenon, enz.; ]ii\'0 studw ct luböre, voor gedane moeite en arbeid; —studiëus, adj. (stwllusus) viy-tig; naarstig; — Studïo, m. of n. It. werkkamer of atelier van oen kunstenaar, Inz. van een schilder of beehihouwer; — studiosus Heen-tiatus, z, ond. IIeet.

Stuiver, m. eene nedorl. rekenmunt = 8 centen of gulden.

Stukadoor, enz. z, ond. stucco.

stultus, a, urn, lat. dwaas, onnoozel, zot; — stuitus, m. lat. een dwaas, nar, zot, onverstandig menscli; — stuik, adv. dwaas, enz.; dum vitant stulti vitta, in contnina currunt, als dwazen fouten willen myden, vervallen /.y doorgaans In een tegenovergesteld uiterste (naar Horatlus); slultorum numerus est infmitus, het getal der dwazen Is oneindig; — sluttitïa, f. de dwaasheid, bet onverstand.

Stundist, m. russ. (pl, stundisty .• afgeleid van het bgd, slunde, in de beteekenis van lild-stond, 1)ybeloefenlng) stondonbroeder of hidbroeder, eene eersl na IStiO onder do hoeren van Z.Rusland ontstane, van de grleksch-ortbodoxe kerk afgevallen secle, die vergaderingen houdt om geestelyke gesprokken te voeren, geen priesterschap erkent en In hybeile-zlng verlichting door den H. (ïeest zoekt.

Stupefaciëntïa (spr. l=ts) pl. lat. (van stupefacére, verbazen, ontzetten, bedwelmen, van stujure, verbaasd, ontsteld, verschrikt, verdoofd zyn) verdoovende middelen; — stupe-factie (spr, t=s) f, nw.lat. de verdoovlng, bedwelming, verbazing, ontsteltenis, verslagenheid; stupéfait, fr. (spr. —fè) verbaasd, onthutst, ontsteld ; — stuiiénilus, a, um, lat. verbazend, won-deriyk; — stupete gentes, lat. verwondert u, o volkeren! — stupide, adj. fr. (lat. stupïdus, a, um, elg, verdoofd, gevoelloos) dom, bot, stomp, log en traag van geest,stompzinnig;— stupiditeit, f. (lat. slupidftas) de domheid, botheid, stompzinnigheid; — stupor, m, lat. gevoelloosheid, verdoovlng; domheid, botheid; verbazing, ontsteltenis; st. artüum, het slapen of


-ocr page 1207-

SUBALTÉRN

1179

STUPPEUS

do vordoovlng der lcdcmntcn; st. mm/is, de slompzlnnlKlicld; s/. vigï/ans, de zlnvang, bc-rocrlo In \'l hoofd.

sluppêm, a, urn, lat. (van sluppa, werk, rc-lilulsd touw) werkachtig, dikharig.

Stuprum, n. lat. de schonding, onteerlng, verkrachting van ecnc maagd. Jonge dochtorof vrouw; ontucht; stuprum sub spe matrimonii, verkrachting onder helolto van ImwclUk; si. voluntarïum, vrywllllge onteerlng mot toelating van do onteerdo; sl vinténtum, gewelddadige verkrachting; — stuproeren (lat. sluprare) schenden, onteeren, verkrachten; —stuprata, f. oene onteerdo, geschondono, Inz. eene met gewold vorkiaclite maiigd; ~ stuprdtor, m. oen maagdenschendor, vrouwenschender, onteerder.

Stuurboord, n. (fr. slribord, eng. starboard) Mar. de rochlorzydo van hot schip, als men van den achterstoven naar voren ziet.

stygisch, Stygius, z. ond. Stvx.

Styliet, m. (gr. stylilcs, van stj/tos, zuil; grillet) pllaarholllgo, henamlng dor kluizenaars, die als lioetodoenlng het grootste gedeelte van hun loven op don lop van hooge zullen door-lirachton; do eerste van die soort was een syrlsche monnik Simeon in de 5de eeuw; — stylobaat, m. Arch, een zullsloel, voetstuk; — stylodisch or styloïdisch, adj. griffel- of priemvormlg, stlftachtig; — styloglossus (sell, musnitus) m Anal, de priem-tongspior, die van hel priemswyze uitsteeksel van hot slaapheen hogint en tol aan den wortel der tong loopt; —stylolithen, pl. zuil-stoenen, zekere zuil- of stengelvornilge vormen In velerlei kalksteenen en mergolsoorten; — stylomóter, m. een zullmetor, zullvorhou-dlngsmeter, werktuig om de verhoudingen aan de zuilen gemakkeiyk te vinden; — stylo-metrie, f. do zullmeetkunst, kunst om zullen te meten; — stylopinakïa, n. pl. (gr. sing, slylopinakion) zulltafreelen, zullreliefs, die mythologische en historische tafreelen voorstellen.

Stylus, m. lat. de stül (z. aid.); — stylist, stylistisch, enz. z. ond. s I g 1.

Styma, n. gr. Mod. de oprichting (erectie) der roede, zonder gevoel van wellust; — stymatösis, f. (kwalijk gevormd van slï/mn) hloodviocilng uit de roede, doorgaans met erectie en wellustige gewaarwording, ook ure-i li r o r r li a g I e.

Stymphallden, pl. gr. {slymphalides) fabelachtige, ontzaglijk grooto roofvogels met Ijzeren klauwen en snavels, die zich In de dichte wouden aan het meer Stymphalis in Arkadiü ophielden en groote schade aanrichtten, totdat zU door Hercules gedood werden.

Stypsis, f. gr. (van stijphein, samentrekken, verdichten) Mod. het stgfmaken, samentrekken, verstoppen; dehardiyvighoid;— styp-tisch, adj. (gr. slyplikós) Mod. samentrekkend; verstoppond, hloodstillend; — styplirus, a, urn, lat. ISot. wrang; — styptïka of styp-tische middelen, n. pl. Mod. stoppende, bloedstillende middelen.

Styrax, gr. z. v. a. storax (z. aid.)

Styx, m. liever f. gr. (eig. de golialo, verfoeide, van slygèin, haten, enz.) Myth, eene hei-rivier, oen stroom der onderwereld, lig welks wateren de goden den helllgsten eed zwoeren (vgl. Acheron, Phlegethon en Kocytus); hU den Styx zweren, een versehrlkkellj-ken, duren eed doen; den Styx of de hoorden van den Styx bezoeken, sterven; — stygisch, adj. (gr. stygios) wat lol don Styx en In \'I alg. tot de onderwereld behoort; ge-haal, geschuwd, verfoeid, vreesol ijk ; ((hem, bijtend, invretend, gelijk h. v. sterkwater (wegens het gifthovattond en hijlend water van don Styx, nu Mavronero, In Arkadiü); — Stygius, m. een hUnaam van l\'lulo.

Suade, f. Int. (v. suadïrc, toespreken, overreden) of Suade, ook Suadöla, gr. Poll h o, Myth, de godin dor overreding; welsprekendheid, overredingsgave, redevloed, eene aangenaam vloeiende voordracht; In vorachtoiykon zin: het gesnap, gekakel; — suasórisch, adj. (lat. suasonus) overredend, aanradend; — suasoriën, pl. (lat. smsorla) overredingsmiddelen, -gronden.

sua sponte, lat. z. sponle.

Suiisse, n. In O.lndlB; een natuuriyk metaalmengsel van koper en goud; ook een kunst-mengsel uit koper, staal en goud.

suave, z. soave: — suaveolens, lat. Bot. welriekend; — suaviteit, f. (lat. suavtlas, fr. suavité) llefeiykhold, aangenaamheid, hevalllg-heid, zachtheid, gourlgheid; — suaviloquén-tie (spr. I—Is] f. (lat. smviloqucnlfa) liefeiyk-held In \'1 spreken, zoetvloeiende welbespraaktheid; — suaviler, adv. zacht, z. forliler, ond. forlis.

sub, lat. voorz.: onder, by, tegen, om; ook in vele samenstellingen, als wanneer het voor eene c gew. In suc—, voor eene f In suf—, voor eene p In sup— verandert.

Süba, f. hong. (spr. sjoeba; aan hol slav. ontleend ; russ. sjoeba) de pelz, inz. der hoeren.

Subactie, f. lat. {suhacfln, v. subigtre, d. I. onderbrengen ; doorwerken, doorkneden) do doorwerking, weeking, vermenging.

subacuut, adj. nw.lat. (vgl. ac u u t)eenigs-zlns heet, matig heel (vaa de koorts).

Subseraton, pl. lat, (van subaerïïlus, a, urn, Inwendig van koper, van aes, oris, koper) overzilverde munten, of koperen munten met zilver bekleed; de Inwendig yzeren munten hee-ten subferraten.

Subah of soobah, in. een uil vele dis-trieten iiostaand porzlsch landschap (provincie); ook z. v. a. subah-dar, soebdar, stadhouder of onderkoning eener provincie, Inz. In Indle.

subalpijnsch, adj. aan den voet der Alpen gelegen.

subaltérn, adj. mid.lat. {subaltérnus, fr. subalterne) afhankeiyk, ondergeschikt, onderhoo-


-ocr page 1208-

SUBAMENDEMENT 1180

SUBINGRÉSSIE

rlR, (imler een ander slaiindc;— een subal-térn, in. of subaltern ambtenaar, een ondoriimlitenmir; - subaltern officier, leder olllcier beneden den kaplleln, in teftenst. met slatofrielerenj — subalternitoit, 1. de ender^esi\'hikllield, undcrhoorlglield, de rnng van ondergeschikte; — subalternatie (spr. Iie=si(\') f. Log. do vorhoudlng van oen algemeen uordeel let de liyzondcro daarvan adian-kelgke ut daaraan ondorgesclilkto; Mn/., de plaatsing van een algemeen sink onder de hy-zondere.

Subamendement, n. orideramendement, z. 8 o u s-a m e n d e m ent.

subapennijnsch, adj. aan don voel der Apennijnen liggende.

subarktiseh, adj. nw.lat, onder do pool, d. I. in de koude luchlslreek voorkomende; vgl. a r k t Iscli.

subarrendeeren, mld.lat. (vgl. arren-d o er en) onilcrpaclitoil, woilcr In paehl nomen; — subarrénde of subarrendatie (spr. I—Is) f. de onderpaelit, wodorpaelillng, lier-paehllng; — subarrendator, m. de lier-pachler.

Subbas, f, lat.-lt. (vgl. sub en lias) d. I. ondorbas, een honlen gedekt orgelreglstor.

Subbranchiatcn, pl. (vgl. li r a n e h u s, h ranch ten) keelvlnnlgen, een soort van vissollen {Junulares, I.)

Subcollectatie (spr. Iie=/.iie) of sub-COlléetO, f. nw.lal. (vgl. collecte, enz.) eene onder-Inzameling; subcollocteur, m. onderont vanger, onilercollecteur, li. v. hu do loterU.

sub eolure juris, z, ond. color.

Subcomité, n. (vgl. comité), subcommissie, f. (vgl. commissie) een ondercomité, ondercommlssle, commissie nil eene commissie.

sub condilione, lal. onder voorwaarde.

Subconréctor, m. nw.lat. (vgl. conrector) een derde of vierde leermeester aan eeno geleerde school, onder-conrector.

Subconsequéntio (spr. t=ts) f. nw. lat. (vgl. consequentie) de gevolgtrekking uit een gevolg; onder-gevolgirekking, tweede gevolg.

subcontraheeren, nw.lat. (vgl. con-Iralieeren) een nieuw verdrag aangaan, door een nieuw verdrag (contract) verldnden.

subrulom us of subcutaan, adj. nw.lat. (van hot lat. sub, onder, en cutis, de huid; vgl. h ypodernial isch) hel naast onder de linld of het vel gelegen, onderhulilseli; — sub-cutane injectie (spr lie=sie) f. Med. In-spuiling van artsenUstolien (h. v. morphlum, quinine, enz.) in het onderhuldsch celweefsel; — subcutane ostootomie, f de doorsnijding dor heenderen onder de huid.

subdelogeoren, nw.lal. (vgl. delegee-ron) In de plaats van een ander afvaardigen en volmachtigen, ondorvolmocht geven, tot on-dergevolmaehtigde henoemen; — subdele

gaat of gesubdelegeerde, m. oen on-

dergevolmacullgde, ondorafgevaardlgde, iiijge-zant; —subdelegatie (spr, /^/s} l. de on-dorvolmachtlglng.

Subdiakónus, m. lat.-gr. (vgl. diako-nus) een geestelijke onderheipor, tweede hulpprediker.

Subdiale, n. lat. (v. sub dio, onder den vrüen hemel) eene niet ovorhouwde, open of vrye plaats, een alia a n.

Subdistinctie (spr. tie-sie) f. nw.lat. (vgl. distinctie) de fijnore onderscheiding, do onderafdeollng.

subdiliiïus, a, urn, lat. (van subdëre, onderleggen) ondergeschoven, onecht; subdililius infuus, een ondergosclioven kinii; subd. liber, oen ondergeschoven boek.

subdivideeren, lat. [sabillvidgrc, vgl. di-videoren) onderverdeeien, iels, dal afgedeeld of verdeeld Is, nader af- of verdoelen, onder-afdeeiingen maken; — subdivisie, f. de on-derafdeellng.

sub dlvo, sub dm of sub ./ore, lat. onder den vrüen hemel, In de open lucht.

Subdommus, m. nw.lat. (vgl. domi-n u s) een onderheer, achterleenheer.

subduceeren, lat. {sub-iiucüre, elg. van onderen wegtrekken) onttrekken,ongemerkt wegnemen of verwijderen; doorzijgen; — sub-düctie (spr. l—s) f. (lat. subdudlo) de onttrekking; do afvoering of ailciding der onzul-vorheden In het lichaam; ook doorzijging.

Suberaat, n. nw.lat. (van hoi lat. subar, kurk) kurkznur zout; — subereus, adj. (su-berosus) kurkachtlg.

sub-cl oreptto, z. suhr^ptio. Subferraten, lil! nw.lat. (v. ferrum. Ijzer en sub, ■/.. aid.) zilvermunten, met gzeren kern; vgl. subairaten.

subfeudum, n. mld.lat. (vgl. feudum) een achterleen; — subfeudutlo (spr. l—is) f. Jnr. de achterheleening.

sub hue rocc, z. ond. ro.r. subhasteeron, lat. (sublmlnre) of suk haslu verkoop en, d. 1. woordeiyk: onderdo jiiek of spies (hasla: omdat in hel oude Komo hü gereehleiyke verkooplngon,verpachiingen enz. eene plek in den grond gestoken werd) gerech-telijk bij opliod verkoopen, aan den meesibie-dende verkoopen; — subhastutie (spr. Ho =lsie) f. de openbare vorkooping, z. v. a. a u c 11 o.

sub hndiérno did, z. ond. dies.

Subiet, z. subï/o.

subigeeron, lat. (subigdre) onder het juk brengen, overweldigen, onderwerpen; Med. door elkander werpen, vermengen (vgl. subactie); vandaar op recepten: sulnfji\', afgok. sub., d. I. verwerk of vermeng bet.

Subinfeudatie (spr. t=ls) f. mld.lat. de verdeeling van oen leen van de z.yde des va-zals aan een ondervazal; — subfeudum, n. achterleen.

Subingróssie, f. nw.lat. (van \'t lat. in-


-ocr page 1209-

SUBINTELLIG E EII EN 1181

SUBLIMIS

flmsTo, liet Ingaan) de Intreding In oons anders plaats.

subintelligeoron, lat. (sub-inlelligSre, van inlelligcre. Inzien, verslaan) daaronder verstaan.

Submtrans,m. nw.lat. of subintrant,

fr. (spr. suheiilraii) Med. eenc koorts, welker aanval reeds l)e(!lnt vóór noi? de vorlgo geheel geweken Is.

Subintroducta, f. nw.lat. (vgl. Intro-duceeren) naam, dien men, nu do Invoering van hel cu\'llhaat, aan Iedere vrouw gaf, die oenen geesteiyke tor waarnenilng van zgne hnts-lioudlng vergund werd hy zich te nemen.

suhtlo, lat , subiot, adj. plotseling, eensklaps, onverwachts; .Muz. snel, gezwind.

subjiciëeren, lat. {subjicere, van jaclre, werpen, loggen) onderworpen, ondcrplaatsen, onder of lager zeilen of stellen: Inhlazon, In-tlulstoron; — subjéct, n. (lat. subjéclum) elg. het ondergolegde; de onder- of grondlaag; Gram. het onderwerp, hoofd- of grondwoord van eenen zin of een voorstel, het grondhegrlp, de handelende persoon of datgene, waarvan In een voorstel Iets gezegd, hevestlgd of ontkend wordt (In tcgenst. met praid leaa t); ook een persoon, In tegenst. met hel ohject of de zaak; een mensch met hetrekklng tot zyne hekwaam-held of geschiktheid voor eenlg (ondergeschikt) werk; In/., een hulp In eeneapotheek; — sub-jéetio (spr. /=.() f. lat. [subjecCtO) de onderwerping; Log. do zelfondervraging; — subjectief, adj. onderwerpeiyk, het onderwerp hetrelfende; persoonlijk, inneriyk, wat zynen grond en zyn wezen in den persoon heeft, niet in de zaak (In tegenst. met ohjoctlef); vandaar ook; eenzydlg, partydlg; Oram, subjectief werkwoord, dat oene werking uitdrukt, lt;lle zich tot het subject heperkt en waarhij dus niet op eenlg ohject hetrokken is; — sub-jectiveoron, persooniyk of inneriyk maken, In tegenst. met ohjectlveeron; — subjectiviteit, f. de gesteldheid en hyzomtere geaardheid van een onderwerp; persooniykhehl, innoriykheld, het aanwezlg-zyn In ons voorstel-llngs- en kenvermogen.

sub Jnve, z. sub divo.

sub juiïïce, z. ond. judex.

Subjugale toon, m. nw.lat. (van \'t lat. subjufiSre, d. t. onder \'I juk hrengen) een ondergeschikte toon.

subjungoeren, lat. {suhjunqtre) ondergeschikt verhinden, hgvoegen, aanknnopen; — subjünctie (spr. l=s) f. nw.lat. de hgvoe-glng, toevoeging, verhindlng; — subjunctief, adj. hygevoegd; verhonden; aanvoegend, verhlndend; — subjunctief, m, {subjunrti-cus modus) Gram. z. v a. conjunctief, conjunct! vus, z modus.

sublacinialus, a, urn, lat. Hot. eentgszlns gemeden.

Sublapsarïërs, m. pi. nw.lat (van sub en lapsus, val) naam, welken men aan zidke Galvintston gaf, die alle niet gopradestlneerde menschen beschouwden als gedoemd lot een on-vermydoiyk verderf, ten gevolge van Adams val, en dat ondanks hunnen doop. Hen, die meenden, dat God den val van den eersten mensch onvermydeiyk had gemaakt, om zyne gerechtigheid en lankmoedigheid jegens het mensebdom te toonen, heette men Supralap-9 a r i i! r s.

Sublatie (spr. /=/,«) f. lat. (v. Inlln, sus-hile, sublalum, ophellon) de verbelTing, op-hedtng.

sub W(/e libértas, lat. de vrUheld onder de wet, d. I. de vrybeld moet door de wet geregeld zyn.

subleveeren, lat. (sub-levare) ondersteunen, verlichten, hijslaan, opbeuren, de band reiken; Inz. ambtshuip verleenen; — suble-vallt, m. {subllvans) ecu verlichter, helper, ambtshuip; — sublevümon, n. nw.lat. eene vorilchting, ondersteuidng; — sublevatie (spr. I=ts) f. hit. (suWeuofïb) do ondersteuning, dlenst-of ambtshuip.

subliciteei-en, nw.lat. (vgl. licitoo-ren) aan den minstetscbonde uitbesteden; — sublicitatie (spr. lic-lsle) f. de uitbesteding aan den mlnstelschemle.

subliem, z. sublimis.

Subligacülum, n. lat. (van sub-ligare, onderhinden, van onderen binden) schort, onderbroek of zwachtel der oude worstelaars; Cblr. een breukband; — subligatie (spr. t=ls) f de onderbinding.

sublimis, lat. (fr. sublime), subliem, verheven, boog (van zedelyke of verslandeiyke zaken); — sublimiteit, f. (lat. suhlimtlas) de verhevenheid, het verhevene, hooge en groote in de rede, In do schoone kunsten, enz.; — sublimeeren (lal. sublimarc) opheffen, om-boogbell\'en, naar boven dry ven, vervhichilgen, door do kracilt des vuurs de vaste deelen van een lichaam als damp In do hoogte dryven, om ze dan weder op te vangen en opnieuw den vasten staat to doen aannemen; vgl. d 1st 11-leeren; — gesubl Imoerd, adj. in de hoogte gedreven, vervluchtigd en weder In vasten vorm teruggebracht; — sublimaat, n (sublimalum) het ombooggodrevene, vervluchtigde, wat In damp veranderd en weder In vasten vorm teruggekregen Is; In engoron zin = by tend sublimaat of hytond kwlksubIImaat, z o u t z u n r k w I k o x y d e, kwik c h i o r I d o of du hbo 1-ch I oor k w Ik, de door subltmatte uit een mengsel van zwavelzuur kwlkoxyde en keukenzout boreldo hoogste verhindingsgraad van kwik met chloor; natuuriyk of gedegen sublimaat, eerste ebloorkwik, zoete kwik; — sublimatie (spr. l—ls) f. nw.lat. de op-dryving, opwaartsvoeling, vervluchtiging van een lichaam met verdichting van zyn damp in vasten vorm; vgl. d t s 1111 a 11 o; — sublima-tonum, n. de plaats, ook liet vat (helm, retort), waarin de subllmeeiing plaats heeft; ook liet middel, waarmede men haar bewerkstelligt.


-ocr page 1210-

SUBLINGUAL!-:

1182

SUBPRIOR

Sublingualo, n. nw.lut. (van hot lal. sub, onder, on lingua, tong) Mod. ocn goneosmiddel, dal ondor do tout? gelogd wordt; — sublin-guaal-klioron, ondor do tong llggondo speok-solklloron.

sub liltera, lut. liltera.

subloeeoren, nw.lut. (vgl. locooron, ond. locus) wodorvorliuron, In onderpacht, onderhuur geven; — sublocatie (spr. l=ls) f. de onderpacht, onderhuur.

sublunurisch, adj. nw.lat. (v. sub, onder, en lunn, maan) ondennaansch, onilor do maan aanwezig, aardscli; vergankelijk, vcranderlUk.

Subluxatie (spr. t=ls) t. nw.lat. (vgl. lux allo) Mod. do verrekking, verdraaiing, verstuiking, onvolkeinon ontwrlchllng.

submarijn of submannisch, adj. nw.lat. (van sui), onder, en mare, zoo) ondor-zoesch, onder do zee aanwezig.

submaxillair, adj. nw.lat. (submuxillu-ris; vgl. maxilla Ir) ondor oon klimehakkon, inz. ondor liet beneden kinnohukkon aan don hals gelegen.

submentaal, nw.lat. (van mentum, do kin) ondor de kin gelegen.

submergoeren, hit. (sub-merglre) on-derdonipolon, doen zinken, verdrinken; ovor-stroomen, onder water zelteiij — submér-sus, m. oen verdronkene, drenkeling; — sub-mérsie, f. (luier lal. submersto) de onderdompeling, gehoole ovorstioomlng.

submikroskopisch, udj. bUna mi-kroskopisch {■/.. aid.).

subministrooren, lat. (sub-minislrare, vgl. minister en in l nis t ree ren) iiehulp-zaam zyn, dienen; ter hand doen komen of stellen, vorschalTon, levoron, hezorgon, voor-schiotoii; — subministratio (spr. lie=tsie) f. (later lal. suhministraCto) do levering, toe-rolklng, heliulpzuumheld, liet voorschot, de ondersteuning; handreiking, liulphledlng tot verduistering, do vorduislerlng zelve.

submitteeron (zich), lat. (mb-müiere) zich onderwerpen, verootmoedigen, vernederen, zwichten; — submis (lat. submissus, a, urn) fr. soumis (spr. socmi) udj. onderdanig, onderworpen, gehoorzaam, deemoedig, ootmoedig; — submissie, f. (lat. submissfo) do onderwerping, verootinoediglng; oolmoed, onderdanigheid, onderworpenheid, gehoorzaamheid, ly-deiykheld; — (fr. soumission) de levering van een werk of eeno zaak voor een hopnalden of don gorlngston prys; hy submissie eon werk vorkregen, door insehryving iiy eene uunbesto-ding een werk mm zich gegund zien; — sub-missanus (ook summissanus), rn. nw. lat. olg. oen plautsvervangor van eonon r. kath. domheer; oen gcestelyke, die in do plaats van een domheer oone kerkeiyke verrichting uitoo-fent; hier en daar ook do benaming vnn eenon looraar aan oone geioordo schooi; — submit-tént, m. (fr. soumissionnaire), liy, die de levering van eenig werk voor een bepaalden prys op zich noemt of wil nemen, aannomor, inschry ver.

submoveeren, lat. (sub-movere) torug-drUven, vorwydoren, plaats of ruim haan maken.

subnecteeren, lat. (sub-neclüre, v. nee-tere, knoopen; vgl. nexus) aanknoopon, uan-hlnden, byzetton.

subnivaal, adj. nw.lat. tot do lagere sneouwstroken behoorende.

Subnormale of subnormaal-lijn, f. nw.lat. boogere Math, bot door do normale (z. aid.) en de ordinaat begrensde stuk van eene abscissen-iyn, voor eenig punt oener kromme lyn.

sub numéro, lat. onder hot getal of nom-mer, b. v. sub numero I, 2, it etc., onder nommer I, i, enz.

sub oblutiane ad recipröco, z. o blut ie. SubofHciaal, m. nw.lat. (vgl. officia al ond. officium) oen piaatsbokloeder, plaatsvervanger, inz. do keurvorst liy de voormalige Kroning van duitsche keizers

subordineeron, nw.lut. (vun \'t lut, or-dinarc, rangschikken, in orde brengen) onder-scbikken, ondorplaatsen, onderwerpen, in gezag, rang, waardigheid onder een ander plaatsen; — gesubordineerd, udj. ondergeschikt, onderdanig, onderworpen, op ondorgoschikle wüze; — subordinatie (spr. I=ts) f. do onderschikking, de tussehen personen of zekere dingen vastgestelde orde, die bon ufbunkoiyk vun elkander maakt; afhankeiykhold, ondorworponheld, ondergescbiktlioid, dlonstgoboorzuamboid, Inz. by don soldatenstand; — subordinatianisme, n. do leer dor ondorgosehiktbeld, in do kerk-goschiedonis do loer, volgens welke In de Drie-oenbeld de Zoon aan don Vader, on do II. (Joost aan beide ondergeschikt is , — subor-dinatianen, pi. do aanhangers dezer leer, eeno chrisleiyko socle In de ide eeuw; ook; assur 1 tane n.

suborneeren, lat. (sub-omare, d. 1. elg. uitrusten, versleren) tut het kwade ufriehton, verloldon, vervoeren, heimeiyk annstoken, om-koopen; — subornatie (spr. t=ts) f. nw.lat. de belmeiyke africhting, verleiding tot hot kwade; Inz. belmeiyke omkooping.

Suboxyde, n. lat.-gr. (vgl. oxydo) Chcm. onderoxyde, die oxydatiegraad van een metaal, die minder zuurstof bevat dan de vun hetzelfde motaal gevormde basis; vgl. hyporoxyde. sub petito remissiónis, z. ond. petitie, subplanteeren, lut. {sub- of supplan-idre, elg. onderpiunton, omlerplaatsen) Iemand don voet lichten, hom oon boontje zetten, doen vallen, door list verschalken, ondersteek doen, ondermynon; — subplantatie (spr. t=ts), f. nw.lat. voetllchting, verscbalking, listige on-dermyning, onderkruiping.

Subpliunbaton, pi. nw.lat. (van sub, z. uid., en plumbum, lood) zilvermunten met loodon kern.

sub piBiui, enz., z. ond. pcena; — sub prue-téxtu, z. ond. p not ext.

Subprior, m. nw.lut. (vgl. prior) een onder-prior of ondor-opzlchlor; — subprio-


-ocr page 1211-

SUBSTANTIE

1183

SUB QUO

rés, f. de ondcr-opzlchlslor (In kloosters).

sub qmcünque lihtlo, lat. onder eiken titel, under welk voorwendsel liet ook /.y.

Sutaréctor, m. nw. lat. (vul, rector) onder-rector ot derde leermeester op latynscho scholen en gymnaslün, minder dan conrector;

— subrectoraat, n. het ambt van derde leermeester; zyne woning.

subropièeren, lat. {subreplre, van re-pirc, kruipen) langs sllnkscho wegen verkrijgen, lielmeiyk untsaappen, wegnemen; — subrép-tie (spr. t=s) f. (lat. subrepCfo) Jur. sub- el obrepCio, de verki\'Uglng, hemachtlglng door het vorzwUgen uf verminken der waarheid\', door verrassing, versclialklng; per sub- el nbreptiu-nem, uuk subrepliiïe of sub- cl obreplitte, steels-wUze verkregen, langs sllnksche wegen verworven, ter sluik, helmeiyk, hedrlegiyk; — sub-reptie-fouten, fouten In het denken en oordeelen, die uit zlnshegoochellng, uit gebrek aan opmerkzaamheid, uit ovcrgllng of onbezonnenheid onlstaan.

Subrovisie, f. nw.iat. (vgl. revisie) de herhaalde nazicning.

subrogeeron, lat. (subrogare) onderschuiven, In de plaats van een ander stellen; aan een auder zyn recht afslaan; — subrogatie (spr. l—ls) f nw.iat. de onderschuiving, plaatsvervanging, bet stellen In eens anders plaats.

sub rosa, z. rosn.

subrolundus, o, wn, lat. Hot. rondachllg, byna rond.

subacribeoron, lat. {sub-.tmhüre), fr. souscrlre (spr. soeskriér\') onderschrgven, on-dortcekenen, scbiifteiyk zich verhinden; — sub-scribónt, m. (lat. subscribens), fr. souscript e u r (spr. soeskriepl—), een ondertee-kenaar, inteekenaar; — subscriptie (spr. t=s) f. (lat. subscripCxo), fr. souseriptton (spr. soeskri-psjón), de onderscbryving, onder-teekenlng, inloekcning; — subscriptielijst, f. inteekenlysl.

Subsecieve uren of werkzaamheden (lat. tempura subseciva, opirae subseclme, v. subsecivus, elg. van onderen afgesneden, vandaar; wat aan de hoofdzaak onttrokken wordt, wat nog bovendien gebeurt) hyuren, bywerk;

- subsectie (spr. l=s) f. nw.iat. (vgl. sectie ond. seceeren) de onderafdeellng.

subsecutief, adj. nw.iat. (van \'1 lat. sub-seijui, navolgen) navolgend; — subsequens, n. lat. hel navolgende, dat op Iets voorafgaands betrekking heeft.

Subsellïa of subselliën, pi. lat. (sing. subselfium, v. sub, onder, en sella, sloel, zetel) lagere banken, banken voor aanscbouwcrs en toehoorders, Inz. in togonst. met de hoogero zilplaatseii en stoelen; ook de rechterstoel.

Subsemifusa, f.nw.iat.(vgl. semifusa) Mnz. eene ;i2sle noot.

Subsonïor, m. nw.lal. (vgl. senior) een onderondste, die in jaren op den oudste volgt.

Subsequens, z. ond. s u li s e c u t i e f.

Subsidóntie (spr. l=ls) f. lat. (subii-deuCiii, v. subsidlre, zich nederzetten, zinken) Med. het nederzinken. Inzinken, Inz. der pupil; bet bezinksel, neerslag.

Subsidium n. lal. of subsidie, f. en n. (v. substdüre, zich ergens nederzetten, In eene hinderlaag leggen) elg. het achtergehoudene, bewaarde, de spaarbenden (reserve); In \'talg. de hystand, hulp, ondersteuning; onderstands-gelden; pl. subsidlën (lat. subsUKa), hulpof ondersteuningsmiddelen, Inz. onderstandsgel-den, b. v. tot liet voeren van conen oorlog; — subsidïën-tractaat, n. oen verdrag tol onderstandverleenlng, hystandsverdrag; — in subsidium Juris, tor rechlsliuipo, tot gereebte-lyke medehulp, ondersteuning, enz.; — subsidiair, adj. (lat. subsidiarius, «, um. fr. subsidiaire), ondersteunend, hulpverleenend, behulpzaam, helpend, wat tut nadere hulp, on-derstand of verzekering dient, h. v. eene sub-s Id ia ire hypotheek, eene nadere pandstelling, in geval de eerste niet toereikend mocht zgn; subsidiair recht, welks voorschriften eerst van toepassing zyn, als een ander recht niet toereikend is; subsidiaire verplichting, die eerst dan Inlreedt, als een ander do zyne niet nagekomen is.

sub sigillo, enz. z. s 1 g 111 u m.

subsigneeren, lat. (subsignare, vgl. si-gneeren) onderteekonen, ondorschryven. Iets teekenon; — subsigniitie (spr. l=ls) f. do ondorteekenlng van zynen naam.

sub sii/nn, z. ond. signum.

subsistoeren, lat. {subsislëre; vgl. sis-t eer en) bestaan, voortduren, in wezen zyn of hiyven, bestendig zyn; genoeg om te leven hebben, z.yn onderhoud uf bestaan hebben, zyn levensonderhoud verdienen; — subsisténtio (spr. lie=lsie) f. nw.iat. do voortduring, bet hiyvend aanwezen van Iets; het onderhoud, levonsonderhoud, bestaan, levensmiddel.

suli sole, lat. oader de zon; — s. s. nihil (of nil) perfectum, er Is niets volmaakts onder de zon.

sub specie, z. ond. species; — sub spc rati, ond. rate.

Substantie (spr. lie—tsie) f. lat. {sub-slanCfu, v. substare, er zyn, beslaan) het wezen, een zelfstandig, op zieli zelve staand ding, de zelfstandigheid, de slof, hot geheel van een lichaam, in zoo verre het beschouwd wordt als uit geiyksoorlige deeion samengesteld te zyn (dus meer chemisch dan m e cha n i sell) on-derscholden van massa; de wezeniykheid, liet wezeniyke, gowichligsle, de wezeniyke Inbond of het werkeiykc gehalte, do hoofdkracht, de kern, pit, of het hoofdbestanddeel; bet beste, krachtigste van eene zaak; pi. substantïën, stollen, heslanddeeieii; wezeniykheden, zeifslan-digbeden; — salva subslantfa, Jnr. zonder dat de slof of zelfstandigheid zelve aangetast of verbruikt mag worden; — substantiaal (spr. ti=lsi) (lat. substantialis, e) of gew. sub-stantiëel (spr. lt;i=(si) (fr. substantiel), adj. wezeniyk, zelfstandig; voedzaam, krachtig; ook


-ocr page 1212-

SUBVENIÉEREN

SUBSTILAIRE

1184

substantiëus (»pr. li—tsi), nw.lat. j -sub-slanliaftler, adv. oii wozenHikü wüze, wczonlUk, zolfsluiiillff, volttons het wezen, don wezeniykcn iniiouü nf de huerdzaak; — substantiali-toit (spr. li=lsi) f. de wezeniykheld, z.elfslan-dlKlield; — substantïvum (if substantief, ii. Gram. een zclfslandlg naamwoord, hoofdwoord, zaakwoord (In tegensl. metntlrl-luitlef, adjectief); — substantief (later lat. subslan(ivus), adj. als adv. ook sub-xtanhve, zelfstandljt, als zclfstandlB naamwoord voorkomende of gebralkt; — suhstantlevo kleuren, die zich mot de stolfen voreenigen krachtons haro eigen votwantschap met het doek; vgl. adjectlevo kleuren.

Substilaire lijn, f. nw.lat. (v. sub, onder, en stilus, stift) do wgzeriyn op zonnewijzers.

substitueeron, lat. (substilu?re, v. sla-lulre, stellen) elg. onderplaatsen of stellen; In de plaats van een ander of Iets anders stellen, onderscliuivon, (Iemand) oenen oiideramlitgeiiout toevoegen, aanstellen; Jur. tot na- of tweeden erfgenaam (vgl. hens substilulus) aanstellen of henoemen, li. v. In geval de eerste erfgenaam vóór den erfmaker komt te overiyden-, rum farullale (of jure] subs/Utléndl, Jur. met do bevoegdheid of het recht, ecnen plaatsvervanger te henoemen, li. v. In volmachten; — substituut, m. (lat. subslilntus) een plaals-hekleeder, anihtsverzorger, hij- nf toegevoegde persoon In den post of het amht van een ander; - substitutie (spr. tie=lsie) f. (lat. subsliluho) de onderaanstelling; de plaatsvervanging, Inplaalsstelllng, toevoeging; Jur. de aanstelling tol erfgenaam na den dood des vruelit-hrulkers of des eersten erfgenaams; de navot-machtlglng.

Substratum of substraat, n. lat. (v. substemfn, onder ulthrelden) elg. het onder-ullgehrelde; de grondslag, de ten grond liggende stof, het grondvoorwerp, liet gegeveno, tegenwoordige of voorliggende geval (vgl. rusu subsirato)\', de laag, sclilcht; — pro subslrala materia, mol hetrekklng tot het gegeveno, het beschouwd wordende voorworp.

Substrüctie (spr. (ic=s(e) f. lat. (sub-slrucCïn, v. subslrufre, onderbouwen) het onderhouwen; de onderhouw, grondbouw, hel grond-gehouw, de grondslag.

subsumoeren, nw.lat. {subsumfre, van sumUrc) elg. daaronder nemen, er mede In be-grypen, onderplaatsen; afleiden, heslnilen, gevolgtrekken, het hUzondere op het algemeeno of dit op het eerste terugbrengen en loopassen; ook z. v. a. prffisuineereii; — subsümtie (spr. I—s) f. de inodeopnemlng, onderplaatsing, onderraiigschlkkliig; gevolgtrekking, terugvoering of aanwending van het hUzondere op Iets algemeens, enz.; onderstelling, aanneming; — subsumtiof, adj. onderstellend.

Subtangons, r. nw.lat. (vgl. tangens) boogere Miitb. liet door de tangens en ordinaat begrensde sluk der abselssenljjn vooreenig punt eener kromme lyn.

sub lede cocli, z. ond. ledum.

sub tegmine fagi, hit. onder de schaduw van een beuk.

Subtorfugmm, n. pl. suptorfugïa,

nw.lat. (van hel lat. subler-fugire, onder de hand of holmeiyk onlvluehton, ontsnappen) de uitvlucht, het voorwendsel, de ydele verschooning, uitweg, het doekje voor liet bloeden.

subleirandus, a, urn, lat. hot. onderaardsch, zich In den grond ontwikkelend.

subtiel, adj. lat. [subhlis, e) lijn, teeder, dun, nauwkeurig, scherp; listig, spitsvondig, sluw, lijn, scherpzinnig, snedig, kunstig, heben-dlg; — subtiliteit, f. (lat. subtil Has) de fijnheid, tcedorlieid; de nauwkeurigheid, scherp-zlnnigbold; de sluwheid, spitsvondigheid, liaar-klooverü; — subtiliseeren (spr. —zee—), barh.lat. lijner, dunner maken, verdunnen, verfijnen ; haarkloovon, muggenziften, de dingen lijn uithalen, uilsplnnen, uitpluizen, spitsvondig zün; — subtilisiitie (spr. tie=lsie) f. do vorlijning, verdunning.

subtraheoren, lat. (sublraUi\'re, elg. daaronder wegtrekken) aftrekken, afrekenen, een getal van een ander gelat afnemen, het verschil tusscbon twee getallen zoeken of vindon; — subtrahéndus, subtrahént, subtractor, m. hel af Ie trekken getal, liet getal, waarmede een ander moet verminderd worden, aftrekgotal, aftrekker, in tegensl. met mi-nuéndus; subtractie (spr. lic=sie) f. nw.lat. de aflrekking, afrekening, de arilhmo-tisclio iioofdregel, die een gelal met een ander loert verminderen, liet verschil tusschen twee getallen leert vinden; — subtractief, adj. aftrekbaar, wat zich laat aftrekken, afrekenen; Math, van grootheden, die van bel aftrekklngs-teeken (—) voorzien of negatief zyn, het tegen-gest. van additief.

subtropisch, adj. onder de tropen (z. aid.), In de boete luchlstrook of zone zich bevindende of voorkomende.

Subularia, f. nw.lat. (van \'t lat. subiila, de priem) waterprlenikruld of -plant; — su-bularisch, adj priem- of elsvormlg, In eene zeer fijne punl uilloopende; —subulutus, a, urn, lat. Bol. priem- of elsvormlg; — Sllbuli-róstrum, n. prieinsnavel, elssnavol, eene soort van niussohon met spits uitloopenden snavel. sub una specie, z. ond. species. subundalus, a, um, lal. Kol. oenlgszlns golf-achtlg.

Suburbanum (sell, praedium), m. lal. (v. suburbanus, a, um, nabij do slad gelegen, van sub, ■/.. aid. en urbs, stad) een landgoed naliij de stad, In de voorstad; — suburbanus, m. oen bewoner der voorstad; Inz. een gecsioiyko, die zyne ambisvorriclilingen In de voorsteden of de nnbygelegon dorpen beeft Ie verrichten; — suburbmm, n. de voorstad. sub ulraque dr., z. ond. species. Subvazal, m. mld.lat. [subvasdllus: vgl. vazal) oen onder- of aebterleonman.

subveniëeren, lal. (sub-venïre) te hulp


-ocr page 1213-

SUBVERTEEREN

SUCCUSSIE

1185

komen, onilorslcunen, bUsprlnKcn, hUstaan, liij-staml govcni — subvéntio (s|ir, t—ts) r. nw.lat. ilc liulp, bijstand; In/., staatsonüergtou-nlng, slautsliulp.

subvertoeren, lat. (subvcrlen) omkec-ren, omvcrworpon, omstooten, vorwooslcn, vor-ntelon, \'l onderst boven koeren; — subvér-sie, t. (later lat. subversïo) de ornstorllng, om-keerlng, omverwerping, ondergang, het verval;

— subvenfo slomachi, Mod. olg. omkeering der maag; sterke liraklng; — subversief, adj. nw.lat. omstortend, vernielend, verwoestend.

subvillosus, a, urn, lat. Hot cenlgszlns rulg-. ■ Imrlg.

\'i sub voce, l. ond. ww.

Succiide, t. (It. succada, van \'I lal. sue-, j cus, sap) dik gekookt fruitsap; Ingemaakte | vruchten, enz., In natte en droge gedaante; i ingomaakto oranjoselilllen.

- succedoeren, lat. (succedire, v. sub en

j ; cedëre, elg. onder Iels komen of gaan. Ingaan) opvolgen, volgen In amlit, regeering, erfenis, enz.: ook wel uitvallen, gelukken, slagen, goed van de hand gaan ; — succodaan, adj. (lat. 1 succedanius, u, urn), opvolgend, plaatsvervan

gend; — succodanöus, m. een plaatsvervanger, z. v. a. v i ca ris; — succedanéum, n. het noodmiddel, de noodhulp; l\'lmrm. een middel, dat men in de plaats van een ander kan geven, als hehhende ongeveer dezelfde krachten, een surrogaat; — succodént, j m. de opvolger; — succes, n. (lat. succéssus, Ir. succès) het gelukkig gevolg, do goede voor-uilgang, uitslag of alloop, hot geluk, de hyval;

— succès d\'eslime, fr. (spr. su-ltsè desliém\') een door achting verkregen hyval d. 1. een succos, dat een wel is waar achtenswaard, maar niet buitengewoon werk bohnnit, Inz. uil achting voor don anders verdieiisleiykon schryver; — succès de vogue (vgi. vogue), oen schitterende.

h goruciitmakonde byval, die evenwel meer van

de mode en do lydsgesteidheid, dan wel van i, j de wozoniyke verdienste eens works afhangt; _ — succéssie, f. (lat. succes sta) do opvolging,

ic ij volgreeks, Inz. troonsopvolging van regenten, i, ; ambtsopvolging; erfopvolging; de erfenis, nala-_ lenschap; successlo-poedor, elg. erfonis-

rl of opvolgingspoeder, d. 1. giftpoeder, vergift,

in zoo verre liet soms is toegediend om eeno erfenis meester te worden of eeno troonsopvol-f- ging te bewerken; — successie-recht, n,

recht van erfopvolging; ook: belasllng op de ,1. iialatonschappon; — successie-verdrag,

n, pactum successorïum; — untvorsoelo

gt;d succéssie, erfenis van liet gansche vermogen;

l_ —- singuliere succéssie, erfopvolging in

en eeno enkele of byzondere zaak; — successfo ab

do I inlestalo, do wettciyke of natuurlyke erfopvol-to ging zonder testament; — s. exclusiva, ultslul-

(I, lende opvolging; s. ex paclo el providenliama-

jorum, het In dultscho vorstenhuizen geldend j|. beginsel dor legitlmitolt, dat aan de afzonder-

lyko erfgercchtlgdcn op de ry af, waarin zy ilp worden geroepen (su c cess 1 e -o r d o) oen rocht

VIERKE DRUK.

tot erfopvolging (successie-recht) geeft; s. feudalis, do ieensopvoiglng; s. in capita, erfopvolging volgens de hoofden, d. 1. in geiyke deeion; s. pnclMi, de verdragsgewyzo erfopvolging; s. simullaniltt, gemeenschappeiyke erfopvolging; — successief, adj. (lat. succes-sivus, a, urn) en als adverb, ook successive, allengs, langzamerhand, opvolgend, onmlddoliyk volgend, op of na elkander volgend; — suc-céssor, m. de opvolger, ambtsopvolger, erfgenaam; troonsopvolger; successor allodialis, opvolger of erfgenaam van eon vry good; s. feudalis, een leonsopvolgor; — successorïum ediclum, n. verurdgning, uitspraak of vonnis omtrent de erfopvolging.

Succie, 1 (van \'I lat. succus, vocht, sap) het zuigen van tegonnatuuriyke vochten uit het lichaam door bloedzuigers.

Succin, succinaat, z. succinum. succinct, adj. lat. [succinclus, a, wn, v. succinglre, opschorten, opgorden) elg. opgeschort, kort, beknopt, ineengedrongen, homlig, kernachtig; — succinctorium, n. een gordel, Inz. aan de prlesterkloedlng; oen breukband.

succinum, n. lat. of fr. succin (spr. su-kseii) m. de barnsteen, het amber; — 8UC-cinaat, n. nw.lal. barnsleenzoul, barnsleen-zuur zout; — succiniet, m. de barnsteen; ook: eene soort van granaat van barnsteen-gelo kleur.

Succöth, pi. hebr. (van suHka, loofhut) het loofhultenfoest der Joden.

Succübus, m. nw.lat. (v. succubiire, onderliggen) een booze geest, die, naar men voorgeeft, in de gedaante cenor vrouw des nachts de mannon bezoekt en lastig valt; vgi. i a c u li u 8. Succulent, z. ond. succus. succumbeeren, lat. (succumbvre) onderliggen; bezwyken, onderdoen; verliezen (een proces); — succumbéntie (spr. I=ls) f. nw.lat. hel bezwyken, onderdoen; — in casum succumbenCfac, Jnr. In geval van hel verlies des rechtsgedtngs.

succurreeren, lal. (succurrüre, van sub en currlre, loopen) te hulp komen, byspringon, bystand vorleonen, holpon; — succürs, n. nw.lal. (fr. secours) de hulp, bysland, versterking, ondersteuning; inz. hulplroeiien;—succursale, f. hulp- of hykerk; hulp-ofhUliaak; hulp-, bykanloor, enz.; — succui\'salon, pi. {succursales, sell, ccctesuie) hulp- of bykorken; vgi. filiaal.

succus, m. lat. het sap, vocht; pi. succii succus uuslncus, het maagsap; succus inspis-sülus, dikgenuiakt sap; iets in succum et san-f/uïnem vertire (vgi. verteoren) liet in sap en bloed doen overgaan, d. i. het zich geheel eigen maken; — succulent, adj. (lat. sue-culéntus, a, um), sappig, sapryk; voedzaam, krachilg; - succuléntie (spr. I=ls) f. nw. lal. de sappigheid, saprykbeld; voedzaamheid, krachtigheid.

Succüssie, f. lat. (succussto, v. succuilre, opwaarts of in de hoogte schudden, opschud-

•ÏS


-ocr page 1214-

SUGILLEEREN

SUCK

1480

den) do opslandlng; Mod. Iiot gowoldlg scluid-don van eon zloko, om zokoro kwnlcn to or-konnon of le vorllcliton; — succussörisch, adj. (nw.lnt. succussorfus) opwnartiiscliuddond, atootond, schokkond, I), v. succussorlscho bowoglug vim eono aiirdhevlng, in togonsl. met u n d u t a I o r i s c h.

Suck., Ii(j natuurwetenschappelUko licna-mlngen atk. voor G. A. Suckow (gost. 1813).

Sucrerie, f. fr. (van sum, sulkor, It. zücchcro, sp. atücar, v. \'t aral). soekkar, perz. sjakar, sanskr. pirkai-d, gr. sakchar, sdkcharon, lat. sacchürum) eene sulkorrafflnadcrU; sulkor-good, suikergebak, lianket; — Sucre, adj. gesuikerd, zoet.

Sudamina, pi. nw.lat. (van \'I lat. sudarc, zweeten) Med. Iiltto-of z.weotlilaartjes; — su-darïum, n. lat. do zweetdoek; liet zweetbad; — sudatie (spr. I=ls) f. (hit. sudalio) het zweeten— sudatorium, n. eene zwoet-kas; - sudorifórum, n. pi. sudorifëra, nw.lnt. (van hot hit. sudor, zweet) Mod. zweet-inldilolon, ook sudorifica.

Sudeten, pi. eene bergrU tusschen Bohe-men on Sllozlö.

sudéllo. It. (spr. soe—; van su, boven, en dcllo = lat. diclus, enz. gezegd) bovongeiiield, bovengezegd; als suhst. do bovengenoemilo

Sudorifera, siidoriflca, z. ond. suit a m I n a.

Sudra, z. soe dra.

Kuqiliatn, z. sveglialo.

Sueldo, in. sp. (spr. soeildo= It. soldo, fr. sou, van \'I lat. solidm) eono oude spaan-sche rekenmunt = H dlneros, doch van on-goldko waarde; ook eene oude goudmunt, ongeveer = 1 dukaat.

Suëven, pl. (hit. Suêvi, oorspr. de vryen, naam aan dultsche naburen door do Sarmaten In bet oosten gegeven) een ouddultsche volksstam, later Zwabon geheoten.

Sulfënus, m. naam van een middelmatig, maar verwaand en bedilziek, hokoleml dichter In het oude Rome; vandaar soms voor oen bodiilor, viller.

Suffëten (hebr. sjófelim, sing. sjdfM, v. sjdfat, richten, hcerscbon) pl. do hoogste over-holdsporsoon In hot oude Karthago, ongeveer z. v. a. de consuls te Rome.

sullicil, lat. (van sulficlre, vorschairen; toereikend voorhaiideii zyn) het Is genoeg of voldoende; liet sulfïcit, als subst. bel toereikende, gonoegzaine, voldoende; sulficil cuique diei sua maliïïa, lat. elke dag heeft genoeg aan /.(in eigen kwaad (een hybeiwoord); sufïl-ciént, ad,|. (lat. su/firïens), toereikend, genoeg-zaam, voldoend; su/pciens quanCttns, f. de toereikende menigte; — suffleiéntie (spr. l-ls) f. de toerelkendlieid, gcnoegznainheld; — suf-flsanco, f. (spr. su-fi-zdns\') de trotsche zelf-gonoogzaamheld, zelftovrcdenbeld, liet zelfbehagen, do Ingeheoldlieid, lantdunkondbold, eigenwaan; — sufflsant, adj. (spr. sgt;i-fi-:dii), zelfgenoegzaam; Ingebeelil, trntsch, laatdunkend;

voldoende, genoegzaam, toereikende; een sufflsant men sell, een ingebeeld, verwaand, hiatdiinkend mensch.

sufflgeeren, lat. {sulfiuön) onder of ach-toraan bochton, aanvoegen; — sufflxum, n. pl. suffixa. Gram. eene aangehangen lettergreep, een aanhangsel achter oen woord (In tegenst. met praslixuni).

Sufflmént, SulFimen, n. (lat. sulfi-minium) reukwerk om le branden, borooking; — sufflöni, pi. 11. uit den aardbodem op-stllgondo waterdampen, welke boorzuren en verschillende gassen met zlcli voeren, bil Slena, enz.

suffoqueoron, lat. {suffocwe, van suh en faux, genlt. faucis, de keel) door toesnoe-rlng van do keel verworgen; In \'t algemeen verstikken; — sufïbcatie (spr. l=ts) f. (lat. suffocaCto) de verstikking.

Sulfragïum, n. lat. pl. suffragïa of aut\'fragïën (fr. sulfranc, spr. sufraazj\') do stom (In eene verkiezing) de stem, kiesstem, goedkeuring; suffrage universel, bet algemeeno stemrecht, hot door Napoleon lil den volken toegoschroven en door hem zelvon meermalen toegepaste recht, om hun rogooringsvorm door eene nlgeinoono stemining zelf te bepalen; suf-fragia sancturum, do voorbede, voorbidding der heiligen; — sulfragoeren (lat. su/fragari) Iemand door z.yne stom begunstigen, lot een ambt verkiezen, bevorderen, aanbevelen; — sutfraganöus of suffragaan, m. nw.lal. ieder tot zitting en slomgorocbligd medelid van een college van geesteiykcn; Inz. de aan eenen aartsbissehop ondergescliikle bisschop; — suffragaan-bisschop, onder- of wyiiisschop.

sulfrulknsus, a, urn, int. Hot. (v. suffrutex, halve slruik) baive-striilkachllg, don overgang vormende tusselien slruik en heester.

suffulceeren, lat. (suffulcïre, v. sub en fulcire, steunen) onderslcunen.

Suffumigatie, f. (spr. l=ls) lat. (van fumus, rook) de berooking, z. a pok a p n i sine.

Suffüsio (spr. —zie) f. lal. [suffuslo, v. su/fundire, oiiderglolen) de ondergicting, uitstorting, onderlooping (li v. van bloed); — suf-fusfo comöae, Med. de verdonkoring van hel hoornvlies in het oog; — s. lenlis cryslalhnae, de verdonkering der kristnilons, do grauwe staar; s. nigra, do zwarte staar; — s. sonffuTnis, onderlooping van bloed.

suggereeron, lal. (suggerdre, eig. ondor-brengen, onderleggen; ook opboopen, verhoogen; van suh en gerlre) ieniand iels inlilazen, ingeven, aan de hand geven. Insteken, liitlulslcren, hem overhalen, bepraten, vorioidoii; — suggestie, f. (lat. suggesCfo) de inlluistering. Inblazing, hclmeiykn Ingeving, enz.; — suggestief, adj. nw.lat Ingevend, Inboezemend, bepratend, vorleldend;?uggestleve vragen, strikvragen des rechters aan den aangeklaagde, d. i. zulke, waarin do te bekennen daadzaken reeds zyn opgesloten •, — suggóstus, m. verbeven optrede, spreokgesloollo.

sugilleeron, lat. (sugilKirc, ontstaan uit


-ocr page 1215-

SUICENT

1187

SUMAK

suhcillSre, v. suh, ondor, en cilium, oogharen) bont en blauw slaan; ook hoonon, besclibnpen, bospollen; — sugillatio (spr. (=/s) f. (sii-IlillaCfo) de nltslorllnj;, ondorloopliiB van bloed onder de huid, hel IdoodKezwol, de blauwe plek; cone beschiniplnu, bospotllng.

Suicent, ■/.. swl coat.

Suicido, ai. nw. lal. {sukiiia, fr. suicide, v. \'I lal. suf, zijner, van /.leb, on caedire, doo-dcn, caedes, vermoording) oon zeirmoordenaar, zolfmoorder; — suicidrum, n. de zeirmoord.

sui genlris, van zyn soorl, alleen aan hem eigen.

sui juris (zyn), z. ontl. jus.

Suiker ij, vorbasloring van cichorei, z. aid.

suisse, ndj. fr. (spr. siuies\') zwilsersch; — Suisse, als subsi. Zwilscr, Zwllsersciie vrouw, inz. een deurwaarder, por lier, dewyi inzonderheid Zwilsers zleb vroeger ais zoodanig in rrankryk verhuurden; — a In suisse, op zyn zwilsersch, op zwllsersciie wijze

Suite, f. fr. (spr. swiel\'; van suivre, volgen) liet gevolg, de begeleiding, stoei, nasleep van een groolen beer; do volgreeks van kamers; de voorizoltlag, samenhang, ry, reeks; Muz. een uil onderscheiden doelen beslaand muziekstuk, zonder noodwondlgen samenhang dezer deeion, zooals de symphonie of sonato vereiscbl; hy hel biljurien: een suite maken, zonder op ie houden de noodige punten maken; ó la suite, in \'i gevolg, van ollicleren, die voor \'1 oogenblik niet iiy eene bepaalde leger-afdeeiiog dienst doen, maar zich in \'t gevolg des veldheers, inz. des konings bevinden, of die voorsliands lol eene andere laak dan don wapenhandel geroepen zyn-, — de suite (spr. d\'swiet\'), op de ry af, aciiler elkander, achter-volgens; terslond, dadelijk; — ensuite (sjir. lt;i/i—), vervolgens, daiiraa; — suivante, f. (spr. smivdnt\') do begeleidster, voigjuifer, kamenier, kamorjuirer, baivo vertrouwde.

Sujet, n. fr. (spr. suzjè: van \'1 lal. suh-jéetum, vgi. subjocl) liel onderwerp, de slof van ecae rede, van een geschrifi, van een kunsi-werk, enz ; de onderdaan, oaderzual; de aan-ielding, gelegenheid, oorzaak, reden; Muz. do boofdvoorsleiling, z v. a 1 lie ma; ook een persoon (meestal in veracbieiyken zin): een sieclit sujel, een slecbl menseii; sujét-ten, pi. de gezameniyke diensldoende personen, het personeel li. v. van een iooneci; de eersie su je tien van bol corps de ballet.

Sukmana, pooiseh (v. suhno, laken) de uil grof laken vervaardigde iioerenrok der Polen en Gaiilcliirs.

Sulamith, liebr. (v. sjdllóm, vrede, heil.\') vr.naam: de vredoiievonilo, z, soeinmilh

sulcatus, ii, um, lol ito\', gegroefd, gesieufd, gevoord.

Sulfur, sulfer cd sulphur, n. lal. de zwavel, een bekend enkelvoudig, niel nielaliisch lichaam; sulfur nuriitum iinlimnnii, goudzwa-vei, roodgeel zwavel antinionlum; cilnnum.

gele slokzwavel; s. (/e/mr«/«in, gezuiverde zwavel, Idoem vim zwavel; s. nalirum, naiunriyke zwavel; s. itraecipitulum, neergeploft zwavel, ook maiiistcrlum sulf/iris; sulfas, m. of sulfaat, n. pi. sulfaten, ■/.. v. a. vilrio-len, zwavelzure zouten; sulfas ummoniiie, m. nw lal. zwavelzure animonlak, {(gt; I a u b e r s) geheime saluininonlak; s. ferrosus, yzervltriool; s. tixivae, zwavelzure polascli (duplicaat-of pol ycb re si zout); — sulfld, n. of sulphide, f. de vorbinding van een grondstof, Inz. van een metaal met zwavel; in en-geren zin: de iioogere zwavolingsgraad, lerwyi de lagere graden sulfuur of sulphuur heel; Borzolius noemde sulllden de eleklro-nogaliove, sulfurèten of sulphuréten de elekiroposiliove zwaveiverbliidingeri; — sul-fis iimnwniuc, in. zwaveiigzure ammoniak; — sulfiton, pi. zwaveiigzure zeulen; — sul-furator, m. de zwavelaar, een kleine machine om planlen mei lljne bloem van zwavel te besirooien; sulfur-auraatpastilles, pi. goudzwavei-baiieljes; — sulfuride, f, zwavei-verbioding, inz. zwavei-meiaai; sul-fureeren, lat. {sulfurarc) zwavelen, mei zwavel verzadigen; — gesulfureerd, adj. gezwaveld; sulfureus of sulphureus, adj. (lal. sulfurosus, a, um), zwavelig, zwavelachtig, zwavel bevattende; — sulphur, us of sulfureus, a, um, lal. liet. zwavelgeel; -sulfuratie (spr. t=ts) f. (lal. sulfuraho) zwaveling, verbinding mei zwavel.

Sulioten, z. soelloien.

Sulphur, enz. z. s u 1 f e r, enz.

Sulliv., Iiu iialunrwolonscbappeiyke liena-mingen nfk. voor \\V. S. Siiliivant (gesl IS7i).

Sultan, m. arab. (socttdn, d. i. eig. hevigheid, hevige opwekking, van salHa, bard, lievig zyn; vervolgens machl, laz. konliikiUke; kilning, vorsl) de lurksche niacbiliebher, beheer-scber. grooie heer, keizer, ook groot-sultan; sultan-achmed, sultan-me-hemed, sultan-selim, drie dervoornaam-sle inoskeèn in Slamboel (of (lonsianiliiopei);— sultune, f naaoi van de gemoliniien en doeb-iers des lurksciien keizers; — sultane, f. ook eene lurk. vrouwenkleoding van ryke slof gemaakt en van voren open, geiyk do lurk. vors-limien dragen; een vederhos of een enkele veder; eene soorl van zomerstof; een groul liirksch oorlogsschip, lurksrhe galei; eene lurk. goud-mmii, ook sultanine, f. (arab. suildni) ongeveer ti gid. ......... — sultane assaki,

liever chasseki of kbassekl (arali.

siithln) i. eiiasseki; sultane-valide (lurk. ledtideh sultdn, v. \'1 arab. irdlideh, d. i. de narende, en dit van walada, liaren) de moeder van den regeerenden saltan; ook eene der voornaamste moskeen in Siamlioel; — Slllta-nisch, adj. groolheeriyk, oppermachiig, als een dwingeland, iiraiiniseli, willekeurig.

Svunak, f. arab. (fr. en provenc. sumac, sp. zutniujiie, ii. snmmaco, v, \'i arab. .«oemmdft, v. samdlm, hoog, lang zijn) ook smak, de


-ocr page 1216-

SUPERASCENDEKREN

SUMATER

1188

l00lei\'sl)00m In Z.Europa, welks bladeren, be-zlBn, lolon, wortels en bast lot looi- en verfstof, ook ter bereldlriR van bet corduaan (z. aid.) gebruikt worden. Men wil, dat de ko-p a I k o in van eene soort van sumak, de k o p a 1-suma k, komt (z. ko pa I).

Sumüter, m. Mar. oen naam, dien men aan zekere stormwinden geeft, welke In de na-byiield van Sumatra ontstaan.

Summa, f. lat. (van summus, n, urn, z. ald.j vandaar; summa, sell, res, de hoofdzaak; vervolgens bet gebeel cener zaak) de som, bet verzamelgetul, gebeel, beloop, bedrag, de In-boud; in summa, In \'t gebeel, In \'I algemeen, te ztunon genomen; summa summSrum, de som der sommen, bet gezamenlUk bedrag, alles In alles, alles samen of by elkander genomen;— ad summam, In do som; — summair, summarise}!, nw.lat. of summier, ailj. naar den boofillnlioml, volgens de boofdzaken, saamge-vat, afgekort, beknopt, bondig; su mm Ier p ro-ci\'s, n. verkort proces, ilal zonder uitstel wordt afgedaan; — summarmm, n. lat. pl sum-maria of summarïön, opgave van den boofdlnboud; de korte Inboud van een gesclirlft; ook een prlesteroverbemd, koor- of misgewaad; — summeeren, nw.lat. samentellen, optet-ien, de som opmaken, tot een geheel samentrekken ; — summatie (spr. l=ls) of sum-moering, f. bet samentrekken, optollen, by-eenrekenen; vgl. additie; — summanden, pl. de op te tellen of te addeoren grootheden.

Summanus, m. lat. eon eorspronkeiyk etrurlscbe, vervolgens romelnscbo godheid, naar men wil een bynaam van IMulo, als oppersten gebieder over do ma nes of zielen der overledenen.

summa observantie, z. oml. summus. summariseh, summarium, summeeren, z. ond. summa.

summus, a, urn, lat. (superlatief van sw/ië-rus, a, um, boven liggende, verheven, boog) de of bet bovenste, hoogste, uiterste, voornaamste ; — summa observanlia, onder brieven afgek. S. O., met do grootste of meeste hoogachting; in summa (jradu, In den hoogsten graad, op de hoogst mogeiykc wijze; «(/ summum, op zyn hoogst, hoogstens; summum Iwinim, n. bet hoogste goed; summum jus, enz. z. jus: summus cpiscopus, de hoogste bisschop (In evangelische dultscbe stnlcn de vorst); — summiteit, f. (lat. summflas) de top, kruin, tinne, de grootste hoogte of oppermacht; een aanzleniyk man.

summuteeren, lal. (summulare) wisselen, rullen, verruilen, veranderen.

sum (/ui sum, lal. Ik hen die Ik hen, d. I. bol Opperwezen, God.

Sumtie of liever sumptie (spr. l=s) f. lal. {sumiiiïn, van sum ere, nemen) olg. bet nemen; de aanneming, onderstelling; Gram. oen voorwaardeiyk voorzindeel van een bepaald wordend nazindeel, b. v.; Indien ik wist —, dan —; by de H. Kath. hot nemen en gebruiken van de gewydc hostie door de mis-priesters; — sumtorïum, n. nw.lat. een lepeltje voor den avondmaalswyn In de gr. kerk; — sumptum, n. elg. bet genomeno; mid.-lat. een afschrift (c o p I e), In tegenst. met hot origineel; vandaar eene tweede afgifte of uitvaardiging In do pausoiyke kanselary, als de eerste verloren is geraakt; — sumtus of liever sumptus, pl. lal. de kosten, onkosten, uitgaven; sum[j))libus pelénlis, Jur. op kosten van den aanzoeker; suml. pubheis, op openbare of \'s lands koslijn; —/cflcs sumpiuaHfle, lat. sump-tualre wetten (z. aid.), wetten tegen de overmatige weelde, laz. de weelde van de tafel; — sumtueus, adj. (lat. sumpluusus, n, um) kostbaar, kosteiyk, prachtig, weldsch; vgl. somptueus; — sumtuositoit, f, (later lat. sumpluositas) de pracht, koslbaarheld, de groote en prachtige vertering of uitgave.

Sun, m. eene voorin, pommorscho rekenmunt = schelling lubsch, z. ook tsun.

Sunday, in. eng. (spr. sündee) de Zondag; sunday-pcopte (spr —piept\') zondagspubllok.

Sunderbund, n. een laagliggend, hoscli-acbtlg en meestal overstroomd oeverland la In-difi, inz. in de provincie Itengalen.

Sunna, l) f. (arab. soennah. wet, v. sanna, vormen. Inrichten, als wet voorschryven) de verzameling van alle berichten onitront Moba-meds loven, redenen en daden, welke door do daarnaar genoemde sunnieten of sonnio-ten naasl den koran als goddclyko wol beschouwd wordt; vgl. schiïeten.

Sunna, 2) f. noord Myth, de godin der zon, wier broeder M a n a of do maan Is.

sunt Incrymae rerum, lat. de zaken zelven ontlokken tranen (citaat uit de Aeneide). suo conto, z. ond. conto.

Suomi of Suomen-maa, m. (d. 1. mo-roaland) de Inheomscbe naam voor Finland; — Suomalaïnen, pl. de Finnen;—de suó-misehe taal, de lollerkundlgc taal der tot den 1\'lnscb-tsoediscben taalstam behoorendo voiksslammen.

sua tempore, lat. op zyn tyd. Suovetaurilïa, pi. lat. (van sus, zw-yn, o vis, schaap en taurus, stier) bot zoenoiïor, dat liy de oude Komelnen na eene afgeloopen volkstelling in gebruik was, en dat in een zwyn, een schaap en een rund bestond.

super, lat. voorz.: over, In sommige samen-steliingen ook mol nederdultsche woorden, b.v. su perfyn.

Suporabundantie (spr. /=lt;«) f. nw.lat. (vgl. abundant ie; fr. superabondance) overvloed, zoor groote overvloed, o verlolligheid; — superabunddnter, adv. len overvloede.

superans, lal. Hol. uitstekend, uitmuntend, superarbitreeron, iiw.lat. (vgl. arbi-t roeren, onder arbiter) over iets beslissen in booger Instanlle, nadat er reeds eenmaal uitspraak Is gedaan; — Buperarbitnum, ii. de beslissing in booger Inslantlo.

superaseendeeron, n w. lat. (vgl. a see n-deeren) overstygen, overkllmmon.


-ocr page 1217-

SUPERAT1E

SUPERIOR

1189

Superatie, ond. suporoeren, superbe, fr. (nlel superber) lal. su-pérbus, el),\', trolsch, lioovaardlK, hougmoedlg, fier; praclitlg, kostbaar, aanzlenlük, voortrelle-lyk, hoorlUk, zeer schoon; — superbilo-quéntio (spr. l—ls) f. lal. {superbiloqucnCfa) grootsprekerU, praal hanzery.

Supercargo, z. ond. cargo. Supercessiën, pl. nw.lal. vryspreklngen. Supercherio, f. fr. (spr. supersj\'rie; sp. supercherla, It. superc/iieria, soverchieria, van soverchio, overvloedig, overmatig, als ware \'t lat. supercülus, van super, hoven) hedrog niet Hst gepaard, scholmorU, valschheld, streek.

supereiliair, nw.lal. (supcniliaris, van supercitfum, n. wenkbrauw, onelg. voor ernst, trols), superciliëus, adj. lal. (superciliösus) te ernstig, somber, gestreng; trolsch, aanmatigend, laatdunkend; — superciliositeit, f. nw.lal. aanmatiging, laatdunkendheid.

Superdividend, n. een aandeel In de overwlnsl, een bedrag, dal het volgens contract verschuldigde winstaandeel le boven gaat (vgl. d I v I il e n d).

Superelécta, f. lat. (super-elecla, vgl. ellgeoren) de ultgelezenste, n.l. schapenwol, de hjnste soort van wol.

suporeminónt, adj. lat. (super-eminens, vgl. emlneeren) bovennltstekend, verre over-trellend, alles le boven gaand; — supor-eminéntie (spr. l=ls) t, de hoogere waardigheid, hoogste rang, voorrang.

supereeren, lat. (superare) oversiygen, overscbryden; overtreiren, de meerdere, sterkere, machtigere zgn; — superatie (spr. l=/s) I. (lat. superaiïo) bel overstygen, overtrell\'en, de voorrang; Aslron. hel meerdere van den loop eener planeet, datgene, wat /.ij zich sneller beweegt dan eeno andere.

supererogeoren, lal. (super-erogare) elg. overmatig uitgeven of ullhelalen; vgl. erogoe-ren, nw.lal., ook: supererogatief handelen, meer doen dan noodlg Is o[ pllcbl gebiedt, ten overvloede geven of doen, do maal doen overloopen; — supererogatie (spr. l=ts) f. do overpllchl, de rulmschoolscho, te ver gedreven plichtsvervulling, overdryvlng;— npm supererofialionis of o. supcrerogatum, n. een overvloedig, overtollig goed werk; by de scholastieken: de vordlensten der heiligen, die zy zich verwerven door de goede werken, welke de monschen hoven do van hen gevorderde male doen.

Superfieïos, f. lal. (v. super en facies, z. aid.) de oppervlakte; bullenzyde; Jur. do bovenbouw, alles, wat op de oppervlakte eens gronds of bodems gebouwd of geplant Is-, — superficiatis, lal. oppervlakkig; superfl-cialiteit, f nw.lal. de oppervlakkigheid, on-grondlgheld; — superflciarïus, m. later lal. .lur. de hehouwer van eens anders grond, by, die grond en bodem van een ander bebouwt en het daarop gebouwde of geplante legen oono jaariyksche betaling nf erfpacht mag gebruiken; — suporficiëel, adj. (lat. supcr-/irtalis, e, fr. super/iciel) oppervlakkig, niet grondig, b. v. su pc r f ld eo le kennis, oppervlakkige, geringe kennis.

Superfijn, lat.-nederl. overlljn, bullonge-meen of byzonder lijn, ex tra-fijn.

Superflüum, n., pl. superftiia, lal. (van super-flu/re, overvloeien) Iels overvloedigs, overtolligs, de overvloed, hot teveel; — super/liia non nocenl, hol overlolllge, de overvloed schaadt nlel, beter te veel dan Ie weinig.

Superfoedatie en suportecunda-tie (spr. lie—luie) f. nw.lal. (vgl. fa\'liis) de overbevruchtlng, over- of nabezwangerliig, bel ontvangen van moor dan een faitus in don moederschoot op vorscbiilendo lydoii; ook een welige wasdom, de weelderige plantengroei.

Superhumerale, n. nw.lal. (van super en humirus, do schouder) eene soort van prles-leriyk kleed, z. v. a. p a 111 u rn ; de opbod der joodsche hoogeprleslers.

Superieur, enz. z ond, superior.

Superimprscgnatio (spr. I=h) f. nw. lal. (vgl. 1 mpriBgnatle, enz.) ovorbezwange-ring, z. v. a. su perfecta tic.

Superindüct, n. nw lat. (van su/ierin-dueüre, (^lg. daarover trekken) eene buitengewone belasting, bybelastlng, die opgelegd wordt, wanneer de gewone belasting nlel toereikt om do staatsuitgaven te dekken.

Suporindumént, n. later lat. (v. super-indulre, daarover aanlrekken) hel overkleed, opperkleed,

superinspiciëeren, later lat. (vgl. In-splclöeron) het oppertoezicht voeren.

Superintendent, m. nw.lal. (van super-inlendin, over Iels het opzicht hebben; vgl. intondooren) een oppertoeziener, kerk- of schoolopziener In een district, die gewooniyk tegelyk ook het pastoors- en predlklambl bekleedt; — superintendentuur, f het ambt, do waardigheid, ook de woning en het district van oenen opperopziencr, bet opperloe-zlcht.

Superinventarium, n. nw.Uit. (vgl. in-vontanum) do ovorvoorraad, de vermeerdering van den Invenlaris; datgene, wat een pachter aan landhuisboudeiyke zaken verbeterd of vermeerderd heefl.

Sliperior, lal. (compar, van supgrus, verbeven, boog) de of het boogero, meer verhevene, meerdere, voornaam, voortrelTeiyk, ullsle-kend, sterker, machtiger, overtrolTend; do superior, lal. of superieur, fr. m. de opperste, eerste, oudste, meerdere, voornaamste, overman; do kiooslervoogd, vader of pater van een klooster; de superieure, f. de kloos-lervoogdes, de opperste; hel superieur, het overwicht, de overhand, b. v. een superieur op Iemand hebben, d.l. de overhand op hem hebben, liem do baas zyri; - superioriteit, f. nw lat. (fr. supérioiilé) de meerderheid, overmacht, oveihand, het overwicht, voorrecht, de voorrang, meerdere noorlrelTeiijklitiil, het hoo-


-ocr page 1218-

SUPERKATHOLISCH

1190

SUPPLEEREN

ger bczuk ; superiorflas lerrilorialis, de oppcr-miiclit van den lamllioor; — superm, Hot. imar hoven goneht, liovenslundli;.

suporkathólisch, adj. lal.-Kt\', overdreven kalliollek.

Superlativus (sell, uradux) of superlatief, in. lat Gram. do ovortrelfendo trap, hoogste graad, z. graad; in superlativo, In den hoogsten graad.

Supernatantie (spr. Iie=lsie) f. nw.lat. (van 1 lat. supernulare, hoven of overheendrü-ven) Med. overvolhold van vochlon.

SupernaturaUsme of supranaturalisme, n. nw.lat. (vgl. naturalisme) het hovoiinuUmrgeloor, hel geloot aan eeno omuld-deliyke, hovennalunrlgke, hoven den toets der menscheiyke redo verheven goddeiyko openharing van den godsdienst; In tegensl. mei natural I s m e en rationalisme; — supernaturalist, m. een openharingsgoloovigo, iemand, die aan de o|icnharlng gelooft (in tegenst. met naturalist en rationalist).

Supernumerarius, m. lal. (vgl. numerus, enz.) nf supernumerair, fr. surnumerair, een overlaliige. Iemand, die hoven het gewone of bepaalde getal van iieamii-ten, hedlenden enz. Is aangesteid; -supernumerair, adj. boven het gewone gelui, boventallig.

superorthodóx. Int.-gr. liever hyper-orthodox (■/.. aid.); — superoxyde, n. lat. z. hyperuxyde; — superoxygónisch, adj. z. ge by p er o x y g enee rd, oud. hype-r 1 d r lt;5 s I s.

Superpellicëum, n. nw.iat. (v. lat super, hoven en pellicius, uit vol of pels [pellis] gemaakt) bet linnen gewaad der priesters, dat y.ij iilj geestelijke vorrlchtingen over den peis-inantei (liettirium) droegen, het koorhemd; vgl. s u r p 11 s.

Suporphosphaat, u. overpiiospliorzure of zure phosphorznre kalk, met zwavelzuur he-iiandi\'hl beendermeel, een henieslingsmiddel.

Superpórte, f. nw.iat. (van \'I lat. super porta, hoven de deur) deurstuk, versiering of sehildei\'U hoven een deur; vgl. surporte.

Superpositie (spr. -ti-lsie) f. lat. (van superpnnm, daarover zeiten) over- of opelkan-derzclllng, opeikanderpiissing, b. v. van figuren in de meetkunde; de verlenging, hel doen voort-tluren hoven den voorgesciiroven tgd, h. v. van hel vasten.

Superpropórtie (spr. l=ls) f. nw.iat (vgl. proportie) de te ver gaande verhouding, oververhouding, overmaat.

Superpurgatie (spr. l=ls) f. nw.lat. (vgl. purgeer en, enz,) eene te sterke, ho-venimitigc zuivering of afvoering; — super-purgatief, adj. overmatig zuiverend,

Superrevisie, f. nw.lat. (vgl. revidee-ron, enz.) de herbaalde nalezing, het nogmaals onderzoeken, inz. van rekeningen.

Superroyaal-papier, n. lnt,-fr,-nedcrl. (van \'1 lal. super, over, liet fr, rnual, z, aid.) een zeer grool papierformaat, het midden houdende tusschen royaal- en huperiaal-papler.

supersatm-eeren, nw.lat. (vgl. salu-reeren) overvorzadigon; — suporsatura-tie (spr. lie=lsic) f. oververzadiging.

Superscriptie (spr, /=,?) f, uw,lat, (van superscribSre, daarover schryven) het boven-schrlfl, opsehrifl,

supersedeeren, lat, [supersedere, eig, over of op iels zitten) zieli van eene zaak ont-helten, haar ullslellen, verschuiven, nalalen; — supersedatief, adj. barb.lat, ultslolbaar; — supersedeas, n. nw.iat. (elg. men slelie uil) een gereeliieiyk hevel lol uitstel (in Enge-iauili; - superaóssie, f. nw.lat. bet uitstel.

Superstitie (spr. tie—tsie) f. lal. (super-sliCto, van superstore, dus eig. hot slaanhiy-ven over of iiy iets, het getrolfen zyn, de angst voor Iets) het hygeloof, dwaalgeloof; — superstitious, adj. (lat. superslitiosus, a, vin) hygeloovlg.

Sviperstructie (spr. He=sie) I. nw.lat. (van \'1 lat. superslruüre, daarover bouwen) de overbouwing, do bovenbouw.

Suportunica, f. nw.iat. (vgl. Innica) een overkleed, overrok, inz. de van goudstof ge-niuukle voor cenen koning van Groot-ltrittanje hy zyne kroning.

Supmum, ii. lat. (van supïnus, «, urn, rugwaarts gebogen) Gram. de doel- en elgen-schapsvorin dor lal. werkwoorden, dien men In het nederlandsch door den indnltlvus met te of om te uitdrukt; elg. een verhaal sub-slantief volgens de ide (lecllnalle, waarvan eeb-ter alleen de accusatief en de ablalief gebrui-keiyk z.yn; — supinatie (spr. I=ls) f. lat. {supinaiïo, van supintire, rugwaarisbnigen) de lernghuiglng, rugwaarlsdraaiing; het liggen op dun rug; inz. de beweging van het spaakbeen om de eilepyp. waurby de rug der hand benedenwaarts Is gekeerd, in tegensl. met pro-na 11 e;—supinator, m. nw.lat. de ncbler-overkantelnar, naam van twee spieren, welke die beweging voihrengcu.

Suppodaneum of supplantaneum, n. nw.lat. (van \'1 lat, sub, onder en pes, voet, planla, voetzool) Med. eene pap aan de voelen-, — supplantale middelen, voetzool-middelen; — auppediteeron, lal. isuppe-diture) eig. onderdon voel geven; aan de hand doen (b. v. een buipiniildel), overgeven, aanbieden, hehnlpzaani zyn, verscbalfen, beschikken, leenen, byspringen; - supplantoeren (lat. supplantare) den voet lichten, iemand onderkruipen, doen vallen, hem een beentje zetten, verdringen.

suppleeren, lat, {supplère: fr. supplier) naiivullen, vollailig, volledig of volkomen maken, by voegen, tiydoen, er hy denken; —sup-pleant, in. fr. een aanvuller, plaalsvervuller, plaatsvervanger, hy, die eens anders plaats In diens afwezigheid vervult; — supplement, n. lat. (suppleménlum) een aanvulsel, toevoegsel, aanhangsel, hyvoegsei en voliediginaking


-ocr page 1219-

SUPPLICIËEREN

1191

SURCOUP

van cüii boek of gosclirltt; Malli. do iiiinvulliiiK van coiion liook lol Iwoo rochlo hoeken;—in suppleménlum, Ier iianvullliiK, vollodlgniiiking;

— supplementair, uw. lat. (sujiiilcmcntu-rius; fr. supplémenlaire) aanvulllngs—, Ier aanvulling; — suppletie (S|ir. l=ls) f. aanvulling; — suppletie-troepen, pi. aanvui-llngslroepen voor hel Indische leger; —sup-pletörisch, adj. of als adv. supplelorfe, nw. lat. aanvullend, toevoegend, volledlgmakend, als locvoegsel, liij wüze van aanhangsel.

suppliciëeren (lal. supplicSre, elg, ne-derknlelcn, de killeen huigen, van sub en /ili-lt;■«»•«, vouwen), supplioeren, Ir. {supplier) ootmoedig hidden, aanzoeken, een sniooksehrlfl indienen, smcokoii; — supplicant, of fr. suppliant, een annzoekor, verzoeker, bidder, indiener van een verzoekschrift, request rant; Jur. wie eene supplicalio (z. aid.) voordraagt; iron.; een rare suppliant, een wonderlijk monsch; — supplicötio (spr. 1= Is) t. (lal. supplicalio) de vorootinoediging, Inz. voor (lod, een dankfeest, iioet- en bededag liij de oude Konicinen; llians gew. z. v. a. sup-pllck, n. (fr. sapplique) sicitliig, een verzoekschrift, aanzoek; Jur. Iierhaald onderzoek van liet recht eens beklaagden na eene voor hem nadeollge uitspraak; — supplicüm, n. lat., fr. supplice, elg. hei nederkniolen, ootmoedig bidden of verzoeken; de lüfs- of levens-straf, doodstraf, terechtstellliig; marteling, mis-handeling.

supponeeren, lal. (suppontre) fr. sup-poseeren (supposer) onderleggen, onderschuiven; ondersiellen, aannemen, vermoeden, mee-nen, gelooven, daarvoor houden, wanen; — supposïtum (spr. \\i=ri) n, liet onderstelde,

aange.....acne; — supposïta of supposi-

tïa (spr. —2f, -zi-lsia) ondergeschoven dingen; — suppositie (spr. -zi-lsie) I. (hit. supposiiïo) de onderschuiving; onderstelling, aanneming, bet vermoeden, de gissing, de aangenomen stelling (hypothese); supposido par-lus, de ondcrscbulving van eenen pasgeborene;

— suppositonum, n. Med. eene steek- of zetpil; suppositonum uterinum, zetpil voor de baarmoeder.

Suppoost, in. (v. lat. su/i/wsitus, suppos-lus, v, sub, onder en ponifre, stellen) oppasser, deurwncbtcr.

supporteeren, fr. (supporter) dragen, ondersteunen, onderstutten, schragen; verdragen, tyden, duiden; — support, n. (spr. supór) steun, steunset, stut, ondersteuning, hulp, iiij-sland, onderstand; — supportabel, adj. fr. (supportable) verdraaglijk, lUdelük, draagHjk, draagbaar.

Suppórto, n 11. (spr. u=oe) Inlcresl op wissels voor de maand en den dag.

Suppositum, suppositie, suppo-aeeren, enz. ■/.. oud. supponeeren.

supprimeeren, lat. (supprimüre, van /ire-mere, drukken) onderdrukken, dempen, inhouden, weglaten, uitlaten, doorsli kken; verbergen.

vorbelmelgken, aclitorhouden, afschatfen, opheffen, vernietigen, te niet doen; supprésso nomfne, met verzwijging van den naam ; suppressie, f. (lat. suppressio) de onderdrukking, terughouding, opstopping van slotlen, die ontlast moeten worden; vorbelmolUking, verzwijging, aclilerlioudlng, verheling; afsclialllng, ophetllag.

suppureeren, lat. (suppurare, van pus, genlt. puris, ile etter) etteren, etter geven, zweren, dragen, rüpw orden; — suppurantia (spr. t=ls) pl. en suppuratioven, n. he-vordcriiigsiniddclen voor het etteren; — sup-puratie (spr. t=ts) I. lat. (supiiurufio) Mod. de etlering, zwering.

supputeeren, lal. (supputare, van pu-tare, berekenen, meenen, gelooven enz.) rekenen, narekenen; overrekenen, eenen overslag maken, ramen; — supputatie (spr. (ie= /sic) f. de narekening, overrekening, overslag, raming.

supra, lal. hoven, bovenop, op; ut supra, afgek. u. s., als hoven.

Supralapsariërs, pl. barb.lal. onder de Calvinisten die parljj, welke geloofde, dat Ood reeds vóór den val de menschen tol zaligheid of lot verdoemenis bestemd bad; vgl. s u h 1 a p-sailers.

Supranaturalisme, z. s u p e r n a I u-rails m e.

Suprêmus, m. lat. (suprèmus, a, urn, su-perl. van suptrus, a, urn, boven) de opperste, hoogste; — suprematie (spr. t=ts) i (fr. suprématie) en supremaat, n. nw.lal. hel opperopzicht en de oppermacht, inz. van den paus over de bisschoppen en kerken; ook het recht van oppermaebt In kerkelyke zaken, dal zich de koningen van Kngcland (en ook koninginnen, die zulks door geboorte waren) heb-hen toegeëigend; — suprematie-eed, m. (eng. outli of supremacy) een eed, dien den koning van Engeland als opperhoofd der kerk moest zweren, en door welken men zich van Koines geestelgke opperheerschappij moest ont-slaan (door Hendrik VIII ingevoerd en in lquot;!)l afgeschaft).

sur, fr (spr. suur, van \'t lat. super, prov., sp. en port. sohre) over, op enz., In samenstellingen zooals surcharge, surporto, onz. (z. aid.)

siïr, fr. (spr. suur: oudfr. setlr, sefjur, prov. segur, van \'1 lat. secürus, enz.) zeker, gewis, zokcriyk, ongetwyfeld.

Sura, z. soera.

Surabondantie, fr. (surabomlanee) z. v. a. superabundanlie, z. aid.

Suradsjy, z. soeradsji.

Surbester-zijde, f. de tieste en tijnsle

Perzische züde.

Surcharge, f. fr. (spr. suursjarzj\'; vgl. charge) overlast, overlading; — surchar-geeren (fr. surchanjer) overladen.

Surcoup, m. fr. (spr. suurkói, vgl. coup) In liet kaartspel: liet leggen van een boogere troef op de troef van een ander, de overtroe-


-ocr page 1220-

SUSCIPIËEREN

SURDITEIT

1192

vlni,\'; — surcoupeoron (fr. surcouper) met oen hoogoro troef lomand conon sIhr afnemen, overtroeven.

Surditeit, f. lat. (surdilas, van surilus, a, urn, doof) do doofheid, liet sleciit gehoor; surdilas nervosa, do doofheid, die haren oorsprong In do zenuwen heeft; s. organica, de doofheid, die haren zetel In do gohoorwerktul-gen heeft; —surdomutitas, f. nw.lat. de doofstomhcld.

Sur-eminiof surah-omini, z. soer-u m 1 n I, enz.

Suren, z. soeron.

Surf, m. eng. de branding, de golfslag, hot zich aan den oever lot golven opwerpende zeewater.

Surface, f. fr. (spr. suurfass\': vgl. face) de oppervlakte, hultenzyde.

Surge, f. vette, ongowasschen wol uit de Levant en Harharye.

Surgeon, m. eng. (spr. sürdzj\'n) wondarts, c h I r u r g y n.

surge et ambula, lat. sta op en wandel (woorden van Jezus lot den lamme).

Surintondant, m. fr. (vgl. Intendant) een opporopzlenor (suporlntendant); — sur-intendanee, f. (spr. su-reülaiiddiis\') hot oppertoezicht.

Surlo of zurlo, m. een vroeger gewicht In Aleppo = *27,Ei rot tol = 63,lilt kilo.

Surmé, n. perz.-turk. oen lijn oogpoeder uit spiesglans, waarmede de turksche vrouwen den glans en de hekooriykheld van het oog verhoogen.

Surmulot, m. fr. (spr. suurmuló, van niu-lol, veldmuis, hamster) de groote woud- of trekrat.

suruumerair, adj. fr. [sumuméraire) z. v. a. sup e r n u m e r a I r.

Suron, n. fr. (vgl. het sp. sera, seron, groote korf tor verzending van koopwaren) oeno oost Indische ongelooide ossenhuid tot hel Inpakken van droge waren, h. v. amandelen. Indigo, enz.; zulk een goederenhaal zelve; so-roen, ceroon.

Surplis, f. fr. (spr. suurpli, voor surpe-lis, provenc. sobrepclilz, = nw.lat. superpelli-ceum, z. aid.) het koorhemd der r. kath. gees-teiykon.

surplomb, fr. (spr. smrplóht v. plnmb, lood; elg. over het lood uit) scheef; hellend, overhellend, niet loodrecht.

Sui\'plus, n. fr. (spr. suurplü-, van plus, meer) het overschot, overhiyfsel, overige, de rest; het tovool hetaaldo.

Surpoids, n. fr. (spr. smrpod; v. poids, gewicht) het overwicht, datgene, wat op het bepaalde gewicht wordt toegegeven.

Surporte, n. fr. (spr. murpórl\', d. I. elg. hoven de deur) Plet. het deurstuk; vgl. super-po r t e.

surpreneeren (spr. suw—i fr. surpren-dre) verrassen, overvallen, overrompelen; verhazen, verwonderen, ontstollen; — surpre-nant, adj. (spr. suurpr\'ndii) verrassend, ver-wonderiyk, wonderbaar, zonderling, verbazend;

— surprise, f. (spr. suwpriet\') do verrasslag, overrompeling, overval; do bevreemding, ontsteltenis, verbazing, de dwaling, hot verzien, de overyilng; ook; geschenk, Inz. met een devies omwikkeld suikergoed.

Surra, f. z. soera.

Surrah-emini, z. soera-emlnl. surripiöeren, (lat. surnpirei van ra-pere, rapen, rooven) hehneiyk wegnemen, ontfutselen, ontkapen.

surrogeeren, lat. liever subrogooren (z. aid.); vandaar surrogaat, n. nw.lat. een plaatsbekleoder, Iets, dat men in de plaats van een ander ding stelt of gebruikt, plaatsvervangend middel; Inz oono waar, die de plaats eener andere vervangt, doch In quailteit daarmede niet goiykstaat.

Sur sat, z. so or sat.

Surséance, f. fr. (spr. suurse-diis; van surseoir, uitstellen, verschuiven) uitstel, opschor-sing, termyn, verlengde hetalingstermyn. sursum, lat. opwaarts, In de hoogte, omhoog;

— sursum corda.\' lat. de harten omhoog, verheft do barton! In ilo r. kath. Kerk ecne opwekking tol de gemeente, die daarop antwoordt: habêmus ad domfnum, d. I. wy hebben ze tot don Hoer (gericht); — sursumvérsie, f. nw.lat. de opwaartshelling, inz. der oogen; kortzichtigheid.

Surtout, f. fr. (spr. suurlói) elg. een overalies-heon; een groote overrok, overjas; n. een tafelstel, dat suiker, zout, peper, enz. bevat.

Surtur, m. ouii-noordsch (van \'t üsl. surlr, decnscli sort, zwart) Myth, een reus, gewapend mot een gloeiend zwaard, die in Muspelheim (z. aid.) regeert en een onvorzoeniyk vyand van de A sen is; — surturbrand (ysi. surlar brandr, deensch sorlebrund), eene in IJsland gevonden delfstof, die voor versteend hout wordt gehouden en waaruit men kolen brandt, houtachtige bruinkool.

surveilleeren, fr. {sur veil Ier, spr. suur-weij—: van veiller, waken) over iets waken, het bewaken, een waakzaam oog daarop houden, opzicht hebben, acht geven, toezien; — surveillance, f. (spr. suumeljaiis\') het opzicht, toezicht, de howiiking, waakzaamheid; inz. het toezicht der poiilie; - surveillant, m. (spr. smrweljdii) een toeziener, bewaker; — surveillé, m. (spr. suurweljé) een bewaakte, onder toezlclit gestelde.

Survivance, f. fr. (spr. suuruiiwans ,■ v. survivre, overleven) de overleving, holoofdo opvolging van Iemand In geval men hem overleeft ; het recht om een persoon na zyn dood In zgn amht op to volgen, vgl. oxpectantle.

suscipiëeron, lat. [suscipUre) opnemen, op zich nemen, aan- of overnemen; suscipire el ftnire, ondernemen en ten einde brengen, devies van koning lirnst August van Hanover, staande onder het lianovorscho wapen; — suscéptie (spr. t=s), f. (lat. susceptïo) de


-ocr page 1221-

SUSCITEEREN

1193

SWAN-PAN

overnotnlng, ontvang, aanneming, Inz. van ecno geestelijki! ordening; — susceptibel, adj. nw.lal. (fr. susceptible) ontvangbaar, vatliaar om zekere wijzigingen te ontvangen, gevoelig, prlk-kelhaar; — susceptibiliteit, f. de ont-vankelykheld, vatbaarheid, gevoeligheid, prikkelbaarheid, llehtgoraaktheld.

susciteeren, lat. [suscilare) verwekken, berokkenen, aanrichten, stichten; opwekken, aansporen, opelscben, opruien, aanstoken; — suscitittie (S|ir. lie=lsie), f. opwekking, aansporing, aandrijving, opruiing.

Susótte, f. of Suze, n. vr.naam.; ver-kiw. van Suzan na.

sus Minervam (ilnccl), lat. sprw. elg. bet zwijn leert Minerva, d. 1. de dommere onderwijst den wyze, het kind den vader, of bel ei wil wyzer zijn dan de hen.

suspéct, adj. lat. (suspéclus, «, urn, van suspkere, d. i. elg. van onderen af aanzien; vervolgens verdenken) verdacht; in kwaad vermoeden, in verdenking; — suspicie, f. (lat. suspleïo) de verdenking, argwaan; — suspi-ciëus, adj. (lat. suspkiösus, a, wn) verdenkend, argwanend, wantrouwend, argwaan of verdenking koesterend.

suspendeoren, lat. (suspendtre) elg. ophangen; verschuiven, vertragen, onbeslist laten, opschorten, b. v. zyn oordeel; voor oen bepaalden lijd uit een ambt of eenen post zetten, iemand schorsen, voor eenen lijd lang bulten dienst stellen; Kml. de betalingen staken, uitstellen; iels in suspénso laten, hot onbeslist, hangende, In Iwüfel, onuitgemaakt laten; — suspónsio, f. nw.iat. het uitstel, de vertraging, opschorting, afbreking, stremming, onzekerheid, besluiiclooshcld, twyfel, bedenkeigk-held; Hjdeiyko dienstoni zegging, ambtsberoovlng, schorsing; Log. eene figuur, waardoor men de verwachting der toehoorders gespannen houdt, eene korte schorsing, afbreking der rede; — susponsief, adj. uiistellend, opschortend, vertragend; — suspensionist, m. harh.lat. eig. een ophangor; een acrobaat die zicii aan banden en voeten opbangl b. v. aan het trapezium; — suspensorium, lal. suspon-soir (spr. suuspamodr) fr. n. Mod. een draagband, breukhand; — suspemus, a, urn, lat. Bot. klimmende afhangend.

Suspicio, suspiciëus, z. ond. suspect.

susque deque, lat. op- en neer, boven en onder, oppervlakkig, onverschillig.

sussurando, it. Muz. suizend, lispelend, sustentoeren, lat. (sustentare) ondersteunen, onderhouden, voeden, verzorgen, verplegen; — sustentatie (spr. lie—lsle), f. {suslcntatfn) do ondersteuning, onderhouding, verpleging, verzorging, bet onderhoud.

sustinoeren, lal. (smlinêre) of soute-neeren, fr. soulenir (spr. sne—), elg. onder-of ophouden, ondersteunen; verdragen, lyden; beweren, staande houden, van gevoelen /.yn, meenen, denken; verdedigen, weerstaan; — susline el absline! lyd en myd! verdraag en ontbeer! — sustonü, n. bet beweerde, do meening, liet gevoelen, dal iemand voorstaat.

Sutra, z. so et ra.

Suttieh of sutti, f. pi. sutties (naar eng. schryfwyze, van \'t sanskr. sali, d. i. eig. de goede, deugdzame vrouw, van sal, waar, goed, enz.) in IniilU: weduwen, die zich mei het lyk van baren man laten verbranden of levend begraven. (Do verrichting zelve beet in hel pall; salya).

Sutuur, f. (lal. sullira; v. suire, naaien) de naad, voeg, verbinding, b. v, van de beenderen der hersenpan, van do lippen eener wond ; pi. sutüren, naden, voegen.

siius, u, um, lat. z.yn, zgne, zgn; do, bet zyne; suum cuKjite, lal. aan leder hel zgno, eik wat hem toekomt; sum cuique mos, elk beeft zyne wyze van doen; rum suis, met de zynen.

Suzanna, bebr. {sjoesjan, sjoesjannAh, lelie) vr.naam; de blanke, lelie-reine.

Suze, z. Susette.

Suzerein, m. (fr. suzerain: van sus, lal. susum voor sursum, opwaarts, boven, en gevormd naar bet voorbeeld van souverain) do opperleenheer; — suzoreiniteit, f. (fr. su-terainelé) de opperieonheerschappy, opperieen-beeriykheld.

Suziërs, m. pl. naam eener mobamedaan-sche secte, die gelofte van haraihartighcid, ook jegens de dieren heeft gedaan.

sveqlialn. It. (spr. sweljdlo: v. svegliare = fr. éveiller, opwekken, verlevendigen) Muz. vroo-igk, opgewekt, levendig, lustig.

svelte, fr. II. svelln (v. snéllere, uil-, losrukken, van \'t lat. evellïre) slank, spichtig; Plet. vry, ongedwongen, los en zwierig, stout, koen, met los penseel.

Sw., bij naluurwelenschappciyke benamingen afk. voor O. Swartz (gest. tsix).

Swaddlers, pi. eng. (spr. swed—) schuddebuiken, dikbuiken, veraebteigke naam der methodisten in Ierland.

Swaga (bengaaisch sóftdf/a; sanskr. soeh-liai/a), z. borax.

Swanboy, f eng. de zwanenbaal, een engeische zeer zachte en iijne baai;swan-down, f. zwanendons, eene zekere slof; — swanhilde, f. oudd. vr.naam: de zwancn-hesirydsier, de zwanenjuiTor.

Swanenburgon, m. pl. naam. dien men in Nederland vaak aan de makers van holklinkende, hoogdravende, maar zinledige verzen geeft (naar S wanen burg, die zich door zyne bombastische verzen eene biyvende vermaardheid heeft verworven).

Swan-pan, m. de reken-machine of rekenaar der Chlneezen, beslaande uit balletjes, die met koperdraden op verscheidene kolommen z.yn geregen, waarvan de eerste de eenheden, de tweede de Henlieden, de derde de honderdheden, enz. aanduidt. De zelfde decimale opklimming nemen zy in acht hg de malen, gewichten, munten, enz.


-ocr page 1222-

SYLLOGISEEREN

1194

SWANTOWIT

Swantowit of Swantewit, m. slavo-nlscli (vkI, het poolsch swienly, heilig, en wid, hel zien) het lielll{.ro licht, hü de Sluvonen en Wonden een (,roil der zon en des oorlogs.

Swarga, in. hul. Myth, het panuiys der Indliirs, hel verhiyf, door do goden en vergode inenschen bewoond. Het Is het rük van India, en ligt, gelijk dat van Brabma, op een der kruinen van den herg Meroe.

Swastika, f. Ind. een geheimzinnig toeken, dal men op oenen persoon of eene zaak maakt, om geluk aan te brengen.

Swedonborgianon of Swedenbor-gisten, m. pl. aanhangers van het swe-donborgianisme ut swedenborgis-me, de myslleke en theosophlscbe leer eener school, ille ilen naam van nieuw Jeruzalem aanneemt en zich grondt op eene openbaring, die de Zweed Swedenborg (geb. KiSS, gest. mi) zou ontvangen hebben. De Swedonborgianon zgn vrü talrijk in Zweden, Dultschland, Knge-land en de Vereeidgde Staten.

Sweepstakes, pl. eng. (spr. swiépsleeks van to sweep, vegen, wegnemen, wegstreken, en stake, de Inzet, z. aid.) eene soort van weddingschappen bij ile landbouwkundige vergaderingen in Kngeland, waarbü de eigenaars van de naar den prgs dingende dieren zekere sommen inzetten, welke ten deel vallen aan hem, die eigenaar is van een dier, dat door de prysreebters voor bel beste verklaard wordt.

Sweet, adj. eng. (spr. ee=ie) zoet; — sweetheart, (spr. swielhirt) eig. zoethart, geliefde, liefje; — sweetmeats, pl. (spr. ea=ie) Ingemaakte vrucht, conliluren, zoetigheid.

Swell, m. eng. (v. to swell, zwellen, zich opblazen) in Noord-Amerika een pronker, modegek.

Swicént, f. eene soort van rooktabak van \'1 west-lnd eiland SI.-Vincent (v. a. uit het eng. sweet scent, d. I. aangename geur, ontstaan).

Swita, f. russ. z. s s w 11 a.

Swod, russ. z. sswod.

Sword, n. eng. (spr. sorrf) hel zwaard;

— swerdbearer, m. (spr. beerer) zwaarddrager; — swordmaker m. (spr. meeker) zwaardveger.

Syalisme, z. s lal isme.

Syamsia, f. eene japansche gitaar met .\'t snaren.

Sybariet, m. gr. (Sybarites) elg. een bewoner der oud-gr. slad Syburis in Iteneden-HalIB, die wegens hare weelde, verwyfdheid en goede sier beruchl was; vandaar in\'t algemeen voor wellusteling, weekeling, verwUfde, aan zingenot verslaafde; — sybarietisch, adj. weelderig, weekeiyk, verwyfd, vertroetoid, wellustig;

— sybaritisme of sybarismo, n. de weekeiyke, wellustige lovenswyzc; verfijnde wel-Insl, de volslagen vertroeteling.

Syeniet, n. eene uit veldspaalh en hoorn-blende gemengde korrelige delfstof (naar de stad Svene In Opper-ligyple); — syeniet-porphyr, n porphyr (z. aid.), welker grondstof uit syeniet bestaat.

Syffert, m. eene oude oostfrlesche rekenmunt, = 1.J cent.

Sykörna, n. gr. (v. sykon, n. vyg) Med. een vygvormig vleeschuitwas, vygzweertjes, vyg-w ratten, eene her pet Isc he ruwheid der oogleden, welker Inwendige oppervlakte mot knob-beltjes Is bezet, die naar vygkorrels geiyken;

— sykosis, t. de vorming der vygwratten; ook vygwrattenzlekte, z. v. a. yaws (z. aid.) of sieosis indïca ,■ vygaelillge wratten aan den aars en In don omtrek van de schaamlippen;

— sykomantie (spr. t—ls) f. hel waarzeggen uit vygebladeren; — sykomóre, f. (gr. sykómoron, v. sykon, vyg, en móron, moerbezie ; sykómoros, f. inoerbezieboom) de moerbezie-of adamsvyg, de wilde egypllsche vygeboom en zyne vrucht; — sykophant, m. (gr. sykophdntis, van phainein, wyzen, aantoonen) elg een vygen-aanbronger, vygenvorkllkker, die in Athene by de regeering aanbracht, wanneer iemand tegen bet verbod onverimposte vygen uitvoerde of verkocht; In \'talg. een aanbrenger, verklikker, verrader, oorblazer, plulmstry-ker, kwaadspreker (vgl. c a I u m n 1 a n I en chicaneur); — sykophantie (spr. I=ls) f. de aanbrenging, verklikking, oorblazery, enz.;

— sykophantisch, adj. verklikkend, aanbrengend, plulmstrykend, kwaadsprekend.

Syllabe, f. (lat. sylluba, van \'1 gr. syllabe, d. i. elg. samenvatting) klankvereenlging, woordlid, lettergreep, de verbinding van vele letterklanken tot eene eenheid, in \'t algemeen leder woordlid, dat met öene stembeweging wordt uitgesproken; — syllabaruim, n. nw.lat. een ABC-boek; — syllabeeren, letters te zamen of by lettergrepen uitspreken, spellen; — syllabeering, t. de lettergreep-vorming, het uitspreken, plaatsing dor lettergrepen; — syllabisch, adj. (gr. syltabikós, i, óh), lettergreepsgewys, In of volgens afzon-deriyko lettergrepen: syllabisch gezang, zulk een gezang, waarby elke noot met eene lettergreep overeenkomt: — syllabïko-ide-ographisch, slechts lettergrepen en woordbeelden schryvend (geiyk b. v. de chlneesclie taal); — syllabus, m. kort begrip, uittreksel, overzichl, lysl; inz. de door paus Plus IX op « December istii openbaar gemaakte lyst der vooriiaainste verwerpeiyke dwalingen van onzen tyd, met betrekking tot den godsdienst, de staatkunde en de maatschappy.

Syllógon, m. gr. (syllégón, van syltégein, samenlezen) een verzamelaar.

Syllepsis, f. gr. (v. syllambdnein, samen nemen, vgl. syn—) Gram. de samenvatting van velerlei voorwerpen door een woord; samentrekking van twee lettergrepen tot éene; het gebruik van éen prajdlcaat van verscheiden subjecten, als het sleclils aan éen toekomt.

syllogiseeren (spr. —tee—) gr. (syllogi-dzesthai, v. syn, ■/.. aid. en logidzesthai, rekenen, besluiten) byeenrekenen, In den geest sa-


-ocr page 1223-

SYMPATHIE

SYLPHE

HOS

inonvnltcn, Kovolglickken, hesluilcn, gevolglrck-klnifen, hoslulten of sluitredenen maken; — syllogisme, syllogismus, n. (cr. syl-logimós) eeno sluitrede, vormeiyke of redekunstige gevoigtrekkiiiK, bestnunde uil voorstellen: het hootdvooistel of mcerdertenn {major), het urutervoorstel of mlndertcrin (minor) eu het lieslull (concluftto); syllogismus contractus, tut. eeiie samengetrokken sluitrede, waarin het miii-dor-hegrlp slechts kort aangeiluid is en do on-dorstelilngen volkomen aangegeven /ijn, h. v. Gajus is als men sell sterfeiyk; sytto-ilismus comiilus, eone gehoornde sluitrede, in welker meerderterm het nazindeel veelledig is (men bedient zich vaak daarvan om de legen-party te toonen, dat zy Iets ongerijmds heeft beweerd); syll, cryptic us, eene bedekte sluitrede, waaraan eejie der pnemissen ontbreekt; — syllogistiek, syllogistïka, f gr. de leer der sluitrodenen, aanwyzlng om sluitredenen of redekunstige govolglrokkingen tomaken;

— syllogistisch, adj. in den vorm eenor sluitrede, daartoe beboorendo.

Sylpho, ni. (waarscli. van \'t gr. silplu, mot, door Paracelsus zoo geheeten; fabelach-lige luchtgeest (vgl. el óme uta 1 r-geeslen);

— sylphide, f. vrouwciyke luchtgeest; on-elg. teedere, bevallige, vrouwengostalte.

Sylvanus, z. silv—.

Sylvester, sylvester-avond, ■/.. s i I-\\ os tor.

Sylvino, f. uw.lat. in do zoutlagen by Stassfurt, Ascborsleben, enz. voorkomend na-tuuriyk chloorkalium; — sylvine-zuur, n. (v. sylvn, bosch, ais een bestanddeel van woud-booincn) bet krislalllsoerbare zure bars van bet kolophonluni.

Sym., hy nntuurwetenscbappeiyke benamingen afk. voor Jeiinger Symons (gesl. INöt).

Symbiose, r. gr. (vim syn, z. aid. en bios, loven) hot gemeenschappelijk samenleven van twee of meer ongeiyksoortlge organismen, inz. de verhouding der parasieten let de organismen, waarop of waarin zy leven.

Symblepharon, n. of symblopha-rosis, f. gr. (van syn on blépharon, ooglid) Med. de vergroeiing van liet ooglid met den oogappel.

Symbool, of lat. symbólum, n. (v.

\'t gr symbulon, van symballein, sameiiwerpen of samenbrengen, vergeiyken. besluiien, gevolgtrekken, raden, enz.) een toeken, waaruit men Iels hosluil of kent, kenteeken, merk, onder-schelillngsteeken; zinnebeeld, zlnneiyk leeken voor een begrip; een afgesproken of bepaald mondeling leeken (parool), leuze, wachtwoord ; de lyfspreuk, zinspreuk; Keioofsbeiydenis (symbólum fidëi); symbolum apostoticum, de apostolische geloofsbeiydenls; symbolum Alhnnasia-num. At ha nasi us; — symbólisch, adj. (symbolikós) zinnebeeldig; ook de symboliek of de symbolische boeken betrelfemle, daartoe belioorende; — sy inbol isc he boe-k e n, boekon of geschriflcn over gcloofsbeiyde-nls, beiydenlsschriflen van eene gudsdlenslpurtU, die datgene bovatten, wat hare leer van linden...........................— symboliek, sym-

bollka, f. de leer of de wetenschap van de Inkleeding van godsdienstige begrippen In zln-neiyke teekens; de leer der zinnebeelden; ook bel onderzoek en de verklaring van de leerstellingen der cbrlsteiyko kerk; de wetensebap van de beiydontsschrlflen (gymbollsche hneken) eener kerkelijke party; — symbólious, in. een leeraar dor symboliek op hoogescholen; ook een onvoorwaardeiyk aanhanger der licllj-deiilsscliriflen, welke deze naast en hyna boven den hybel slelt; — symbolisme, n. de ver-eenlging, toetreding, snmenwerking van velen tut een doel; — symbolisoeren (spr. —zee—) vcrzinneiyken, zinnebeeldig voorstellen, in zeker verband met iets staan, verwant zyn, hy elkander passen; — symboloklastiek, f. gr. of symboloklasimis, m. het vernlolen of vorbryzclen der zinnebeelden, ziiinebcoldenslurni;

— symbololatrïo, f. de vereering der zinnebeelden; overdreven vereering der symbolische boeken; — symbolologie, r. leer dor ken-teekenen, Inz. van zleklen; — symboloma-chie, f. bestryding der zinnebeelden; stryd tegen de symholischo hoeken.

Symmachus, gr. (symmachos, van syn en mdchc. stryd) mansn.: een medesirüder; —• symmachie, f. (gr. symmachia, eig. het medestryden) een aanviillend en verdedigend verbond der griekscho stalen onder elkander.

Symmetrie, f. gr. (symmelria, van syn en métron, maal) de evenuiaat, geiykmatlglield, de ovcreonstemming of do nfgometen verbou-ding van do doelen eens geheels; — sym-métrisch, adj. (gr. symmelros, dn), even-matig, geiyitmalig, overeerisiommend, evenredig;

- symmetriseeren (spr. —zee-), evenmatig of goiykmallg maken, In eene hehoor-lyke verhouding brengen.

Symmikta, n. pi. gr. (sjimmikht) gemengde dingen, een mengelmoes, allerlei, inz. gemengde opstellen, kleine gesclirlflen.

Sympasma, n. gr. z v. a. kat a pas ma.

Sympathie, f. gr. (sympnlhcia, v. sym-pathes, medeiydend; vgl. pathos) het medegevoel, do overeenkomst en betrekking van In-borst en neiging tussclien i personen, In\'talg. bet gevoel, waiinloor men deel neemt aan de smarten en vermaken van anderen, wederkeerlg gevoel, medeiydendheiil, deelneming, natnuriyke gevoelsovereensteinming, zlelenverwanlseluip, geheime neiging, natnuriyke aantrekking tul een ander; de gewaande geheime of In 1 verborgen werkende kracht en invloed van het eene lichai.m op bet luidere, enz. •, — sympathö-tisch, mij medegevoelend, geiykgewaarwor-dend, deelnemend; golielnikrnebtlg, gehelmwer-kend; — sy m pa t h e t Isc h e kuren, genezingen door de gewaunde geheimvolle kracht van lichamen, die geene nrtsenyen zyn; — sy m pa t h et isc h e inkt, geheime of wnnder-Inkt, welks trekken niet dadeiyk, maar eerst


-ocr page 1224-

SYMPÉPSIS

1196

SYNAGOGE

nil zokoro towcogRObrachtc vcruntlerliiKon (h. v. door mlddol van ilo warmte u( ook door lict puplcr In ceiiu vloeistof to iloopen, 0117..) zli\'lil-bitar worden; — sympatliotlscli poe dor, itoudrc ilc sympüthio •* — sympathisch, adj. (nr. sympalhSs) Med. medolildond, medevoelend, aan liet lyden of de gewaarwording van een lletiaamsdcol, enz. deelnemend; — sympathiseeron (spr. —:ee—), met Iemand gelyke gewaarwordingen, gevoelens, neigingen lielilien, medegevoelen, medeiyden, overeen-stemmen.

Sympépsis, f. gr. (van syn en popsis) Med. elg. do samenkoklng, verkoking; vertering, bereiding dor vochten In het monscheHjko lichaam; Med. do zoogonaamdo rijpwording of rijpheid van een ettergozwel.

symperiëloktrisch, adj. slechts door mededeellng elektrisch (wordende).

sympetalisch, adj. gr. (v. syn en pélii-Inn, aid.) Bot. met de hloombladoren verbonden of saamgewasson.

Symphome, f. gr. (symphonia; van syn en plwnc, toon, stem) de samcnstoinmlng, sa-menkllnklng, samonklank, overeenstemming, welluidendheid; een veelstemmig muziekstuk voor speeltuigen, ook slnfonlo (It. sinfonia); — symphonion, n. een door Kaufmann uitgevonden llultwerk met klavlorbegeleiding; — symphönisch, ndj. (gr. symphanös, ón), samenkiinkend, samenstemmend; — sympho-mst, m. Iiü, ilie sympiionieen zot (componeert), ook die ze uitvoert

Symphorcsis, f gr. (van symphorêin, samendragen) de bUeonbrenging; de ophooping, inzonderheid van het bloed of andere vochten.

Symphysis, f. gr. (v. symphyein, samengroeien) Mod. de vergroeiing, do onboweogHjko vereenlging van twee beenderen door eene kraiik-been- of peosachllge zelfstandigheid, heender-verblndlng; — symphysiotomie, f. do scheiding der schaambeonderen in den schaam-hoog; — symphytisch, adj. samengroeiend, de snmongroeling bevorderend; — Symphytum, n. (gr. symphylon) Iets samengegroclds; verwassens; ook smeerwortel, waalwortel, oeno plant, die hot boelen der wonden bevordert.

Sympiësis, f. gr. (v. sympiédzein, samendrukken) hot samendrukken, persen; — sym-piesométor, m. oen luchtdrukklngsmotor, eene soort van ha rome ter.

Symplegadon, pl. gr. (sympleaadcs, v. symplêssein, samenslaan) Myth, twee dichtslaande rotsen by de invaart In do Zwarte zoo in den liiraclschen Bosporus, welke Orpheus gezegd wordt door zyn snarenspel onbeweegiyk gemaakt te hobhen.

Sympiogmata, n. pl. gr. {sympleytna, van sympléltein, sainonvlechton) standbeelden van worstelaars, die elkander met de armen omvat en omstrengeld hobhen; groepen uit verscheidene beelden en reliefs (z. aid.) samengesteld, b. v. l.aokoon, Nlobe; verbonden koppen en horstheeldon op munten, b, v. van den vorst en zyne gemalin; — symplexiasme,

n. samenvlechting, omarming.

Symplöce, f, gr. (symploks, v. symplé-hein, samenvlechten) de Ineenvlechtlng, samenknooping; (Irani, gedurige herhaling of samentrekking van woorden.

Sympodïa, f gr. (v. syn en pnes, genit. podïis, voet) de vergroeiing der voeten, eene misgeboorte met vlsch- of sirene-acbtlge samenvatting dor voeten.

Symposion of symposium, n. pi. symposïën, gr. (symposion, van sympincln, samendrinkon, smullen) eon gastmaal, eene sniul-party, een drinkgelag — symposiarch, m. do bestuurder of voorzitter van een gastmaal.

Sympsychie, f. gr. (v. syn, z. aid. en psyche, de ziel) de zielencondracht, de overeenstemming der gemoederen.

Symptoom, n. (gr. symptöma, elg. toeval; van sympiptcin, samen vallen of samontref-fen, zich toedragen) annwyzlng, kenteeken, voorbode, omstandigheid, inz. zlekteleeken, ziektetoeval, -verschynsel of omstandigheid, waaruit men tot den volgenden gang der ziekte besluit;

— symptomatisch, adj. aanwyzend, ken-toekenend, tot do symptomen eener ziekte be-hoorende; ook; van kwade beteekenls (h. v. symptomatische iiuikloop); sy nip to ma t Ische behandeling, zulk eene, dioslechts tegen de symptomen, niet tegen de ziekte-oorzaak Is gericht; — symptomatographie, f. be-scbryving der ziokto-teekenen en -toevallen; symptomatologie, f. do leer der ziekte-teekenen, leer van de aanwyzlngen en toevallen In byzondore ziekten; vgl. pathologie;

— symptösis, f. het samenvallen; Med. de invailing of samentrekking der vaten na ontlastingen, b. v. na eene bloedvloeiing, na de maandstonden ; de vermoeidheid en zwaarte der ledomaten, verslapping.

syn-, voor eene / syl-, voor b, m en p sym-, voor s en z sy-, gr. voorzetsel in veie sainenstelllngen, heteekent: met, samen, te gelijk, gemeenschappeiyk (= lal. cum, con—).

Synserosis, gr. synairösis, f. (van syn-alrctn, samenvatten) of synizêsis, f. gr. (van synidzein, samenzetten) Gram. de samenvatting of samentrekking van twee klinkletters In éene lettergreep.

Synoetie (spr. I=ts) f. of aynaetion (spr. lt;=(«) n. gr, {syn-aitin, syn-uilion, van ailia, ai/ion, oorzaak) do medeoorzaak, niedepllch-tlgbeid.

Synagoge, f. gr. (synagoge, van syndgeln, samenbrengen) de vergadering, gemeente, Inz. de jodenschool, jodenkerk, jodentempel; — syn-aktika, n. pl. gr. Med. samentrokkende inld-dolen; — synaktisch, adj. verzamelend, samentrekkend;—synaxarium, n. in de griek-sche kerk: oen helllgenhoek, dat de levenshe-schryvingen der martelaars en heiligen bovat, welke hy godsdienst vergaderingen voorgelezen werden; — synaxis, f. de vergadering, samenkomst, inz. kerkelijke.


-ocr page 1225-

SYNALLAGE

1197

SYNEDRIUM

Synallago, f. synallagma, ti. gr. (van syn-altdsseln, mol lomiiiid lols rullon, wisselen enz.) een woderzydsch verclniR; — synal-lagmatisch, ndj, wederzydsch, onderling ver-kindend.

Synaloipho ot synalocpho, (. «r, {sj/n-(iloipliS, van syn-aleiphein, siimeiisinelten) Gram. het samenvloeien, Ineonsmelten of vereenigen van twee klinkletters ot tweeklanken aan liet einde van \'t eene en aan \'t liegln van \'t volgende woord, I). v. deze aarde alleen, uitgesproken: d e e z-a a r d-a 11 e e n, z. v. a. k r a s 18.

Synanachrösis, f. gr. (van syn-anachro-nynni, de kleur mededeolen, aansteken) de besmetting door aanraking.

Synanastomosis, f. gr. (vgl. anastomosis) Med. Inmomllng, verbinding ot samen-liang der bloedvaten.

Synanche, f. gr. (van syn en dnchein, toesnoeren) Med. do keelontsteking, ontsteking van de Inwendige oppervlakte des slokdarmslmofds, ontsteking van de raak; — synanchisch, adj. de keelontsteking botrelfend, die bewerkend of daaruit voortkoniend.

Synaptós, z. e muls Ine.

Synarchie, f. gr. (synarchia, van synar-chein, medeheersclien) de medelieerscliappy, ge-meenscbappeiyke regeorlng.

Synarthrosis, f. gr. (vgl. arthrosis en dlarthrosls) Med. gewrlcbtsverblndlng, de onbeweegiyke vereenlglng der heenderen, geiyk b. v. die van het bekkeneel.

SynathroBsis, r. of synathroDsmus, in. gr. {xyndlhroisis, synalhroismós, van syn-alhroidzcin, verzamelen) Med. de opeonbooping of verzameling van vochten en dgl.; vgl. congestie; l.og. de opliooplng, b. v. van bewys-redenen enz

Synaxarïum, synaxis, z. ond syna-g o g e.

Syncéllus, n. gr.-lat. (van \'t lat. cclla, de cel, en \'t gr. syn, z. aid.) een ceihroeder, een hulpgeestetyke, een bulsgeesteiyke, een ambt In de grleksche en romelnsche kerk.

Synchitön, m. gr. (v. syn en chitön, z. aid.) bet blndvllos, verhindlngsvlles, geiyk dat van \'loog; vgl. conjunc11va; — synchi-tonitis, f. eene ontsteking van het hliidviles des oogs, z. v. a. conjunctivitis.

Synchondrosis, f. gr. (van chóndros, kraakbeen) do kraakbeenvoreenlglng, kraakbeen-hand, de onbeweegiyke samenvoeging van twee beenderen door kraakbeen of handen; — syn-chondrotomie, f. de scheiding of doorsny-ding van do scbaambeensvorooniglng hij moel-Igke geboorten.

Synchronïsme, n. gr. (sync/irnnlsmós, van synchronos, golyktydig, van chrónos, tyd) de geiyktydlgbeid, tydssamenioop, de samenstelling van geiyktydlge gobourtenissen In de geschiedenis; — synchronistisch, adj. geiyk-iydlg; synchronistische la bell en, bislo-rische tafelen, waarin de geiyktydlge gebeurtenissen byeengcbrachl zyn.

Synch^sis, f. gr. (van syn-chécin, sainen-glelen, mengen) Med. vermenging of versmelting, b. v. van inwendige oogdoelen; ook ontmenging, de oplossing van bel glasachtig lichaam (des oogs); dram. vermenging der te schelden woorden, verplaatsing van woorden, waardoor de orde In de deelen eens volzlns wordt gestoord.

Syndesis, f. gr. (van syn-déein, samenbinden) bet samenbinden, do binding; — syn-dósmus, m. bet verband, gewrlchtsverhand;

— syndosmitis, f. de ontsteking der handen; — syndosraologie, f. do bandenloor, leer van de handen der menscheiyke beonde-ron; — syndosmológisch, adj. lol de bandenleer hehoorondo; — syndesmopathio, f. het lydon of de ziekte der bandon; —syn-dosmopharyngóus (sell, musculus) m. Anal, de handkeelspier, een gedeelte van de onderste toosnoorende spier van bel keelgat;

— syndosmotomie, f. de leer van de ontleding der banden.

Syndicus, m. lal. pl. syndici (van \'t gr. syndikos, d. i. voor \'I gerecht byslaand pleitbezorger; van syn en dike, recht enz ) een stads- of raadsgovolmacbtigde, lands- of stads-pleitbezorger, hurgervoorslander, woordvoerder, raadgever, recbtsverdodlger van eene stad, hoofdman van een gilde enz.; ook schryver van den stadsraad, gorecbtsscbryver; In Kranscii-Zwil-seriand en weleer nok in Savolo: burgemeester, sdiout; — syndicaat, n. nw.lat. hol ambt of de waardigheid van syndicus; een college van syndici; Knii. vereenlglng van beurs-mannen of bankiers voor eene hopaaldo in-dustrleele ot tinancieeleonderneming, ook consortium gebeoten.

Syndrome, f. gr. (syndromê, van drómos, loop) elg. samenloop; bel samcntrelfen, sainen-inopen van vele onistaniligliedcn; Med. de op-hooping van vole ziekte-toevallen, de gezamen-lyke ziekie-verscbynselen.

Syndyasmvis, m. gr. (syndyasmós, v. sffn-doeadzein, paren) paring, koppeling, verhlnding tusschon twee voorwerpen; de hysiaap.

synéchisch en synóktisch, adj. gr. {syncchi\'s, és en syncktikns, c, an, van syn-échcin, samenbonden, bevestigen, vasthouden) Med. sa-menlioudend, sanienliangend; biyvend; — syn-echie, f. (gr. .vj/n^cAda) samenhang; Med. zie-keiyke verbinding of vergroeiing, inz. van hel regeiiboogsviies, lietzy naar voren met bel lioorn-vlics nf naar achteren met bet beursje van de linze; aanhoudende duur oener ziekte; —syn-echiologfe, f. de leer van den samenhang der dingen, van de duurzaamlioid der dingen in de rulmlo, of van don samenhang der slof.

Synodrïum, n. gr. (synéd/ion, van syn-edros, sameiiziilend, van hédra, zelol) de raads-ziliing of raadsvergadering; inz. hot voorin, joodsche goreebtshof of de hooge raad Ie Jeruzalem, uil \'i leden bestaande, ook sanhedrin, m. bebr.; — synedrium ecclesiasftcum, ie kerkeraad.


-ocr page 1226-

SYNKRETISME

SYNEKDOCHE

4198

Synekdöche, f, sr. (synekdochê, van syn-ekdécheslhai, incdeopnoincn, upvutten of verslaan) «Ik. Iml inedeverslaan; Lon. du woordonwlsso-linfi, oono llguur, door wolko inon li(!l moordoro to konnon Rooft, lorwyi men liet mindere zest of omnekoerd, of door welke men liet Reslacht voor do soort of do soort voor hot geslacht, het gohoel voor hot dool of Ml deel voor het üoheel noomt, I). v. honderd kielen voor lio n d e rd se h o p O n; d o st o rv o 11 n ue n voor do in on se hen, enz.; — synokdóchisch, adj. woordvorwlsselend, op zulk eene wgze so-sproken.

Synokdrömo, f. sir. (van sj/n en ekdrnmè, liet ultloopen) Gram. het gomoonseliappoHik ult-loopon of ultcaun van verschelden woordbegrlp-pen uit éon punt.

Synokphonósis, f. gr.(v. syn-ekphoncin, te gclgk uitsproken) do samentrekking der lot-torgropon, vereende uitspraak van gescheidon goschreven klInkleUers of lettergrepen van een woord.

synektisch, z. synoclilscli.

Synepheben, n. pl. gr. (van éphehns, z. op hol) o, en syn) iiiodojongolingen, medeopge-grooldon, gezellen der Jeugd.

Synergie, f. gr. (syneryia, van syncryós, inedearboldond, van érgon, werk, arheld) de inedearhoid, medewerking,hulp; — synergetisch, adj (van xynenjem, medearholden) he-hulpzaam, medewerkend; - synergisme, n. ile medoworklngsloor of do leer van de vrije modeworking der menschen tot hunno vorhote-ring on zaligheld; — synergist, m. oen aanhanger van ilie leer, oen medewerker lol iyne hekooring; — synergistisch, adj. In die loer gogrond of daarop holrekkelük, h. v. syn-erglsllsche onoenlgheden In de lUde eeuw

Synësis, f. gr. (van synicmi, eig. ik hrong samen; dan: Ik verneem, val, hogrüp) hogrlp-vermogen; versland, lioloid, oordeel, wUsheld; Gram. die woordvoeging, waarliy niet op het woord, maar op do meening of de gedachte van den volzin of de uiidriikking wordt gezien; — Synesïus, m. en Synesia, f. namen: de schrandere, versUimlige, wyzo.

Syngenesïe of syngenesis, f. gr. (.«;/«-Ilénesii, van syn-ginesthai, samen ontslaan of zgn) hel mede-onlstaan, gelüktydig ontstaan;— syngenosi\'a, n. pl. saniengogrpoide planten, welker holmknopjes lol een hol kokertje z.yn samongowasson, uit welks opening van hoven het stampertje uitsteekt, zaadlielmlgen (de lilde klasse in hel stelsel van l.lnnaius).

Synglosse, f. gr. (van glóssa, tong, taal) gezumeniyko laai; onderzoek naar den samenhang van do hegrlppon en vormen der men-sciioiyko taal; aauwy/.ing van de verwantschap dor tulen uit de wortelwoorden van gelyken klank en geiyko hetookonls.

Syngrdpha, f. lal. (van \'I gr. syngraphê, van syn-graphein, opschrijven, sclirlftoiyk opstellen) een handschrift, oono schuldhekentoiils.

ooii schuldhrief; — syngraphie, f. de kennis der schryvers.

Synizësis, f. gr. (van syn-idzein, samenzil-lon, -zinkon of -smellon) Gram. z. syntoro-sis; Med. de sluiting van don oogappel.

Synkiunpe, f. gr. (synkampc, liulging, van synkamplein, samonhulgen) Mod. oen zeer hulgzaam gewricht, Inz. liet ollohoogsgewrlchl.

Synkatathése, f. gr. {syn-kaldlliesis, van syn-kulalilhénui, sanionslolloii, loesteminen) over-oenltronglng van de mooning des oenen met die des anderen; goedkeuring of hyval, aan hel gevoelen van een ander goschonkon.

Synkategorëma, n. gr. (vgl. kalego-rlo, enz.) het in gemeenschap mot anderen van eenoii persoon of oono zaak gezegde; hel stopwoord, om h. v. oen vers vol te mukeii; — synkatogórisch, adj. heperkl, hepaald.

Synkinese, f. gr. (xynkinmis) de modeho-weglng; — synkinëtiseh, adj. modoliowo-gend.

Synklönus, m. gr. (van syn-klnncin, door elkander scliuddon) oono algeinoene kramp over alle dooien van hel lichaam.

Synkópe, f. gr. (synltupS, van synkóplcin, samonslaan, In stukken slaan; afkorten, sanien-Irekken) Gram. do woordverkorting, saaieiitrek-king van een woord door wegwerping vim eene midden-leltergreep of van oono klinklcllor tns-sclien twee consonanten (h. v. moed oog on voor me ded o ogen, dlorhro voor d Ier-ha re) Muz. hot aanslaan van eeiien toon In een licht maatdeel en het aanhondeii daarvan tot op het volgende zware maatdeel; Mod. de plotselinge ninchtolooslioid, onmacht, llauwte, waarhy het vermogen der zinnen geheel opgeheven Is en pols en adonihaling zeer zwak zyn; — synkopeeren, samentrekken (een woord, door weglating van eene of meer letters); — synkopist, m. de woordverkortor, afkorler, samonlrekker; — synkóptisch, adj. krachteloos, onmaclitlg.

aynkraniseh, adj. gr. (vgl. k ran ion) Med. mol den schedel verbonden.

Synkriisis, f. gr. (vgl. k r a s I s) de sa-menmenging, vermonghig.

Synkratie (spr. lt;=/.?) f. gr. (van sj/n-kralcin, ineilolieerschen) medehoerscliappy, eene staalslnrlclillng, krachlens welke het volk door zelfgekozen mlddolpersonon aan de ulloefenlng der hoogste macht aandeel neemt.

Synkretisine, n. gr. {.synkrclismiiii, waar-schyniyk van knlidzein, als een Krelenzer of hewoner van Krela spreken of handelen, d I. liegen en liedrlegen) de vereenlglng van twee slrydende partyen legen oenen derden vyand; Inz. de vereenlglng of overoonhrenging van ver-schlllenile goloofspartyeu, godsdienst ofgeloofs-vermonging, voroenighigsznclit; — synkre-tist, m. oen vereenlglngsstlcliter of overoon-bronger van tegenoverslaando geloofspuriyen. godsdionstvereoniger, geloofsvermenger; syn-kretistisch, adj. verinongend, overoenhren-geinl, geloofvereonlgonil.


-ocr page 1227-

SYNTERESIS

SYNKHISIS

1199

Synkrïsis, f. pr. (van syn-krinein, samenstellen, vcrgelUken, bijeenhouden) de verueHJ-klng, vergoiUkende heoaideollng; — synkri-tisch, adj. vergelükend, samenstellend; — synkritika, n pl. Med. verbindende of ver-eenlgende geneesmiddelen.

Synneurosis, f. gr. (v. syn en neuron, pees, hand, enz.) vorhinding nf vereeniglng van twee beenderen niet peesachtige banden of vliezen.

Synócha, f. gr. (synoché, samenhang, van syn échein; vgl. syneehisch) Med, eene aanhoudende koorts, weike eenige dagen afwisselend toe- en afnemend duurt; —synóchus, m. eene ontstekingskooris; hij sommigen ook: rotkoorls.

Synóde, of lat. synódiis, f. (van \'t gr. synödos, van syn en hodós, f. weg, gang) de samenkomst, byeenkomst, vereeniglng of vergadering, Inz. van geestelijken in religie- of kerkelijke aangelegenheden; algemeene kerkvergadering, inz. hij do hervormden (vgl. concilie);

— synodaal, adj. (later lat. synmlnlis, e) die vergadering bctreiïeiide, van haar uitgaande ;

— synodaal-deeroet, iiesiult eener algemeene kerkvergadering; — synodischo maand (van \'t gr. synödion, het samentreffen van do maan met de zon ten lijde der nieuwe maan), de volledige duur van eeue mnans-verwlsseling of de omloopsiyd van de eene nieuwe maan tot do eerstvolgende nieuwe maan, n. I. 2!) dagen 12 uren ii mimiieu (vgl. siderische maand); synodische omloopstijd dor maan, de tydrulmte tusschen twee »11 elkander volgende nieuwe of volle manen;

— synodieten, pl. z. v. a. coenobieten.

synoecisch, gr. (syn-nikos, van oikos,

huis) samenwonend. Inwonend.

Synólke, f. gr. {syn-olkr, van syn-élkein, samentrekken) Med. het samentrekken, de kramp.

synoniem, adj. gr. {synónpmns, on, van syn en ónyma = ónama, naam) elg. van ge-lyke benaming of beteekeids; zinverwant, in beleekenls gelijkende; — synon^mon of synoniem, n., pl. synon^ma of synoniemen, zlnverwnnle woorden, zulke woorden, die ongeveer dezelfde beleekenls hebben of die In het boofdbegrlp overeenkomen en enkel door bijbegrippen onderscheiden zilu, b. v. droefheid, verdriet, hartzeer, kommer, smart, leedwezen, enz.; — synonymie, f. de zinverwantschap, overeenkomst in beleekenls; — synonymiek, synony-mika, f. de leer der zlnverwanlscbap, verzameling en verklaring van zinverwante of In he-teekenls geiykende woorden.

Synópsis, f. gr. (vgl. opsis) het overzicht; eene schels, een ontwerp, het kort begrip eener wetenscbap, ulttroksei; samenstelling van verschillende geschriften over betzelfde onderwerp; vandaar synopsis der K van geilen. overzicht van de :i evangeliën van Mat-thêus, Marcus en Lucas, die het leven en de leer van Jezus op nagenoeg geiyke wyze verhalen; — synóptisch, adj. by wyze van overzicht, beknopt, ontwerpmatig, kort, bondig, saamgevat; — synoptici, m. pl. benaming, die men aan de :i eerste evangelisten geeft, omdat hunne berichten zich lot een overzich-telijk geheel laten samenvoegen.

Synorganisme, n. gr. (z. organisme en syn) een organisch wezen, dat uit een dier-lyk lichaam is voortgekomen, b. v. een ingewandsworm.

Synosteographie, f. gr. (vgl. osteo-graphie, enz.) Mei. hescbryving der beenverbindingen; — synosteologie, f. de been-dervorblndingsieer. gewricbisleer; — synoste-otomïe, f. scheiding of ontleding der been-dergewrichten; — synostosis, f. beenderver-bindlng, aaneengroeilng van twee beenderen dquot;or de verbeenlng van de kraakbeenachtige zelfslandiglieid, door welke z.y verbonden waren

Synovia, f. gr.-lat. (van \'t gr. syn ca \'t lal. ovum, el, eistof) ledewater, gewrlchtswater;— synoviale klieren, gewrlchtsklleren; — synoviale beurs, het vlies, dat het gc-writht omgeeft en bet gewricliiswater afzondert.

Synsarkösis of liever syssarkösis, f. gr. (van syssarkoen, met of door vieesch vereenigen, v. syn en san, geuit, sarkns, vieesch) Med. ile verblniling van vleezlge deeien of van beenderen door vleesehdeelen.

Syntagma, n. gr. (van syn-ldssein, samenvoegen) het samengestelde, een verzamelwerk, verzameling van allerlei sclirlften, opmerkingen enz., een allerlei; — syntagmatïcus, m. een verzamelaar, samensteller, rangscbikker; — syntaxis, f. de samenvoeging, rangschikking, ordelyke plaalsing der woorden, woordvoeging; de leer der woordvoeging, de regels van de samenstelling der volzinnen (perloden-bouw) volgens de regelen der spraakkunst; syntaxis omnia, de versierde woordvoeging, de verzameling en verklaring van zekere eigenaardigheden der uitdrukking, welker gebruik aan de rede haar nallonaal voorkomen geefl; syn-taxis rcuularis, de regelmatige woordvoeging; — syntaktisch, adj. samenslellend of rangschikkend, woordvoegend, tot de woordvoeging behoorende, daarin gegrond.

Syntasis, f. gr. (van synleinein, inspannen) inspanning, spanning; - syntatlka, n. pl. spannlngwekkemle middelen.

Syntaxis, z oud. syntagma.

syntëktisch, adj. gr. {syntrktikós, dn, van synlókein, elg. samensmellen, oplossen, verteren) Med. verlerend, ullierend; syntek-tikopyra, f. eene nitlerlugkoorls; — syn-töxis, ( de tering, uiliering, Inz. hy oude lieden.

Syntenösis, f. gr. (van ténon, band, pees) Med. de verbinding door gevvrlehlabanden, Inz. der knieschyf.

Synterösis, f. gr. (van syn-lircin, mede-bewaken) Med. het bewaren, behouden ; — syn-teretika, f de hehoudingskunst, de knust om de bestaande gezondheid ie onderhouden.


-ocr page 1228-

SYNTEXIS

SYSÏASIS

1200

Syntexis, z. oml. synloktlscli.

Synthëma, n. gr. {synthnma, van synli-thénai, samonslallen, vorblmlon; synlilesthai, af-sprokon) ccn atgosprokoii lockon, ccno korte, (luistere spreuk, welker zin men schier als een raadsel moet gissen; het verdrag; — syn-thomatisch, adj. op verdragen herustend; — synthomatographie, r. het gohohn tcckenschrlft, aanwyzlng om zich door afgesproken teekens zou duidclük als door eene taal uil ie drukken; — synthesisotsynthése, f, de samenstelling, hcgripsverhlndlng; aaneen-knooping van liet menigvuldige lot het geheel, voortgang van het eenvoudige tot hei samengestelde, overgang van de heginselen tot de gevolgen; in tegenst. met analysis; Chem. de samenstelling van een lichaam uit z.yno gescheiden elementen; l\'harm. de samenstelling der geneesmiddelen; — synthetisch, adj. samenstellend, verhiadend, in tegenst, met a na-, lytischj — synthetische methode, de leerwijze, die van de gronden of oorzaken tot do gevolgen leidt, ook synthotismo, n.

Syntomie, f. gr. [synlomia, van synlém-nein, samensnydon, hosnyden, afkorten) kortheid der uitdrukking, korte, beknopte uitdrukking.

Syntonine, f. gr. Chem. vleesch- of spior-vezoistof; vgl. fihrine.

Synulotika, n. pl. gr. (van synoelotikós, tocheelend) geneosiniddelon, welke de vorming van hel lilteeken hovorderen.

Synusiasten, m. pi. gr. (sing, synoesi-astis, eig. gezoischaphouder, v. synoesiddzein, samonzyn) leden van oono socle, die eene vermenging der helde naturen In Christus aannamen.

Syphilis, f, (In de middeieenwen gevormd van \'I gr. sys, zwyn en philos, lief. Do naam scliynt hot eerst voor te komen in hel latyn-sche gedicht van llloronymus Fracasloro, I3I10, getlleld Siplili is, doch als eene roods gangbare benaming, die de dichter van zpen verdichten held, oenen herder S y p h i i u s, afleidt) Med. de venerische ziekte, vonuszlekle (z. ond. V o n u s); - syphilltisch, adj. met die ziekte behept, daartoe bohoorende (venerisch, ve-n e r I e k); — syphiliden, |il venerische huidziekten; — syphiloklinicum, n. eene geneeskundige Inrichting voor dezulken, die aan de venusziekte lydon;— syphilomanie, f. eene soort van hypochondrio, waarbij do Igdor zich zonder oorzaak voor venerisch houdt.

Syphon, in. eng. (spr. sdifun: vgl. sip li o) waterbak, aan gasleidingen aangebracht om neerslag op te zuigen.

syriacus, «, um, lal. Hol. syrisch, uil SyriB.

Syriasis, f. z. elephantiasis, z. aid.

Syrigma, n. gr. (van syridzein, syrillein, fluiten) hel Hullen, gefluit, do lluilloon; — sy-rigmus, m. (gr, syrigmós) Med, bot fluiten, de fluitende of suizende loon In het oor, liet oorgesuis; — syrigmophome, f. de piepende slem; — syrinx, f gr. {syrinx, genii. syringos) buis, pup, roer, spuit, rietpyp, herdersfluit, pansfluit; Myth, eene najade, die de vervolging van Pan (z. aid.) ontvluchtte en In riet veranderd werd; aan dit riet ontlokte do wind ilefeiyk klagendo lonen, die hel hart van Pan troifon, waarom by zich daaruit eene fluit sneed, aan welke by den naam van syrinx gaf; Med. cone flstol, pypzweor; — syring, f. z. lilac;— syringaeftorus, «, um, lal, Hot. syringhloemig; — syringotomie, f. Med.de kunstbewerking van de pypzweor, llstclsnedo;

— syringotoom, m. liet fistelmes, een mes om de pypzweor te oporeeren.

Syrma, n. gr, (van syrein, slepen) een ouderwelscli sleepkleed, Inz. op het tooneel.

Syrmsea, f, gr, (syrmaia, van syrmós, hol braken) Med, een braak- en afvoorlngsmlddel;

— syrmaismus, m. het gebruik van een sterk buikzuiverend middel.

Syroop, z. siroop,

S.yrtO, f, gr, (syrtis, van syrein, sloepen; spoelen, slibben) zandband van saniongespoold, beweogiyk zand, gevaarlijke plaats in zee, ondiepte; — syrten, pi. naam van twee ge-vaariyke zandbanken aan de noonl-afrikaan-sche kusi.

Syspasis, f gr, (van syspUn, samentrekken) Mod. do trokking, kramp,

Syssarkósis, z, synsarkosis.

Syssitiën (spr. t=ls) pi, gr. {syssiCta, van den sing, syssilion, van syn en silos, spys) ge-zolsehapsmalen, eelvoroonigingon, gemoonschap-poiyke maaltyden, inz, bij de oude Spartanen.

Systalsis, f. gr, (van sy-sléllein, samentrekken) het samentrekken, vernauwen; — sy-staltisch, adj. samonlrekkend, vornauwond,

Systasis, f, gr. [van syn-hisldnui, systcmi, samenstellen, samenstann) op- of samenslolllng; voroonlglng, samenvoeging, rangschikking; sy-slattcae HttSrae, pl. gr.-lat. (v. gr. syslalikós, samenstellend, voorsloliend, aanbevelend) eig, een aanbevelingsbrief; vandaar goluigschriflen, dlo een goosleiyke of monnik van zyn superieur, Inz. van zyn bisschop moet medenemon, zoodra hy zich naar een andere diocese begeeft;

— systeem, n. (gr, systcma) eig. hel samen-gestolde; een gebouw, stolsel, dooimaiig samengevoegd geheel, sainenbaiig van geiyksoorlige dingen, b. v. weroidsystoein, wereldgebouw, zo n nes ysleom, zonnogohouw, zonno-ryk, zonnestelsel; een wolenschappoiyk loergo-houw, leervorm, leerbegrip- of leerstelsel; n o-tensystoom, de notenbalk of !gt; notoniynon, de toonreeks; Anal eene verzameling van II-chaamsdeeien, die ten aanzien van hun maaksel en hunne verrichting een eigen geheel uitmaken, b. v, hel zonuwsysteem; — systematisch, adj, In een geheel tol oono kunst of wetenschap gorangscbiki of samengesteld, stol-selmatlg, ordoiyk en samenhangend, wolenschappoiyk (b. v, boek, voordracht); — systema-tiseeren (spr. —zee—) wolensohappeiyk rangschikken of samenstellen, in wolenschappeiyken samenhang brengen; — systomatisme, n, het welenschappeiyk rangschikken, de kunst of de grondslagen daarvan, ook do neiging daar-


-ocr page 1229-

SYSTOLE

1201

ÏABALA

toe; — systomatologiG, r. do leor van dc wolcnsclmppolüko samcnslelllnK or rangschlk-kliiu, stelselleer; — systomatomanio, f. ile

overdreven zuelit om alios tot een stelsel te willen brongen.

Systole, f. gr. (van sysléllein ■, vgl. s y s t a I-sls) do samentrokklng van hot hart en do slagaderen, waardoor hot hlood wordt voortgestuwd (In togonst. met diastole); do hartspanning; (Irani, do verkorting, lettergroepverkorting, korto uitspraak eonor lange lettergroep; — systó-lisch, adj. door samentrokklng veroorzaakt.

Systróphe, r. gr. (van sy-slréplwin, sa-mondraalcn) samendraallag; verdraaiing; Med. gezwel; — systróphisch, adj. door verdraaiing (van een lid) veroorzaakt.

Systylon of systyl, n. gr. (van sj/ii, samen, ca s/j7/o.9, zuil) Areh. «en gebouw, eono zaal, waarvan do zullen slechts twee zulldlk-ten van elkander slaan; Minor, basalt-jaspis; — systyliën, pl. zuilgangen, Uolomzalon; — systylisch of systylous, adj. nauwzul-llg, met dicht büeenstaando zullen.

Syzygie, f. gr. {sydtygia, d. I. samenvoeging In het juk, tweespan, van syn en ilzygón, juk) Astron. de samenkomst en tegenschUn, sa-menstand cn tegenstand (conjunctie en oppositie) van eeno planeet mot do zon of van twee planeten met elkander; do lijd van nieuwe cn volle maan; Gram. z. v. a. conjugatie;

ook do weglating van oenc mlddelletlergreep; I\'oftt. z. v. a. dl po die.

Szogény Logény, m. hoog. (spr. segcen\' lef/een\', v. stegény, arm en leuény, jong gezel, jongeling, knaap) naam, dien do roevers In Hongarije zich zolvon geven.

Szoklor, m. (spr. sr=s; hong. székely, van székel, zltton, nik, do zetel, stoel) eon lig-zondoro bongaarsche volksstam In /ovojiber-gen, waarsch. oen ovcrbiyfsel van den eersten Inval der Hunnen, In vyf zetels ol stoelen verdoold.

Szokso of szikso, n. (s|ir. m=.v; van \'t hong. szék, stik, soda on sö, zout) onzuivere (glauber- cn keukenzout bevattende) soda of koolzuur natron.

Szolong of scholong, m. poolsch (= sell oiling) een poolsche schelling.

Szlachcic, z, s c h 1 a c h t z 11 z.

Szópa, m. poolsch (spr. sj\'o/ia) elg raad of raadzaal; oen groot houten gebouw, dal aan bel einde van het veld van Wola werd o|)ge-rlcht en waarin do gezamonlüke poolsche adel lo paard vergaderde om oenen koning io kiezen.

Szóstak, m. poolsch (spr. sjosl—, elg. oen sink van zessen, van stesc, zes) oene oude rekenmunt in i\'olen = | poolsche guldon of li cent; in HongarUe ongeveer 13 cent.

Szür of Szurdolmany, n. hong. (spr. sz—s) oen grove boereninantol.


T

7\', als getalteekon gr. = 300, lat. = 160; 7\', gr. = :ioo,noo; 7\', lat. = 100,000; — 7\'. afkorting van de lal. namen Ti lus, Tullus of Tultius; ook van tenor, leslamenl, tiluln, la-mus, tribuun, tutti (z. die woorden); — 7\'. op spaansche wolzakkon = Tercera ,• — I. a. of I. aa., 1. lestanlibus aclis: — tab. = tabula: — lang. of /;/. — tangons; — t. a. p. = ter aangehaalde plaatse; — d lt;. = fr. tout n toi, geheel dc uwe = tntus tuus: — Tcnn. = Tennessee In Noord-Amorlka; — ter. (op rocoplon) = tere, stamp; — Test. — testament (z. aid.);

— Tex. = Texas in Noord-Amerika; — 7\'. /•\'. (Ingebrand op don schouder van franscbo galeiboeven) = tramux forct\'s, fr. (spr. trawn forsi) gedwongen arbeid;—77i. (\'. — ttieolmjuic eun-iliilatus, candlilaai dor godgeleerdheid; — Thess. = Thessnlonlconson (hot hyboibook); — Th. l)r. = theotnqiae doctor, doctor in do godgeleerdheid; — \'I\'ll. S. — theolofiiae studiosus, student In do godgeleerdheid; — Ti. = Tiberius; — Tim. = Timotbeus (hel bUholbook); — Til. = Tilus (bet hübclbock); — 7\'. S. }\'. I\'. (onder aan een geschreven bladzijde) = tournez s\'il rous plait, fr. keer om (het blad) als \'I u belieft;— 7\'. 7\'. of I. t. = fotus tuus: — t. t.

— titulo toto: — t. u. — ten uwent; — l. w.

VIEIIDK DltlJK.

= to welen. — Cboniische teckens zgn; 7n — tantalum; — \'Tb = lerhlum; — Te = lellurlum; — Th = thorium; — Ti = litanlum; — 77 = thallium. — 7\'. als muntleokon, en wol op fr. munten; Nanlcs; op bongaarsche; Telkll)anya; op sp. kopermunten; Tarragona.

Taadil, arah. (v.\'«(/«/o, juist maken) markt-gcld, eono belasting op winkels cn kramen h(| de mosioinin.

Tabak, f. (sp. talmen, 11. tabacco, fr. ta-hac, eng. tobacco, hgd. lobaek of tatnick) eeno bokondo plant, welker loeheroldo bladeren, na gesneden, gekorfd, geraspt of tot poeder te zijn gohracht, gerookt, gekauwd (gepruimd) of go-snoven worden; zoo goboelon naar do provincie Tabac0 of Tabago op SI. Domingo, waar dil kruid in HOU hot eerst gevonden word; v. a. was ia do taal van liaïii labiico do naam van het gereedschap of de pUp, waaruit do Inboorlingen de bladen der plant rookten (zie ook nlcotlana); —tabagie, f. fr. (spr. tabazjie) eono labakskamer, vertrek of herborg voor do tahaksrookors; rookgezelschap;— tabatièro, f. (spr. tabaljèr\') snuifdoos; — luiïlc d labuc (spr. linat a tuba) tabaksdoos.

Tabala, f. (arah. labl, groolo trom) een I rommel dor negers.


quot;11

-ocr page 1230-

TABARDÉTE

1202

TABOURET

Tabardéte en tabardülo, m. sp. (spr. —dieljo) ocue kwaadiiardlgo koorts, scharlakenkoorts, illo de Europeanen in de zuld-amerl-kaansehe koloaien aantast.

Tabiirro, m. it. (mld.lat. Marrus, lobar-dus, fr. labard, sp. labardo, enfi. labard, wal-llscli labar, mld.gr. lamparion) de tatibord, tabbaard, een mantel, overrok (roquelaure) cl).\', een kleine mantel der Hal. harlekUns; vandaar ook een gemaskerd persoon In die klec-dlng In Italië; — tabarin, m. fr. (spr. Idba-reii) do hansworst; — tabarinage, f. fr. (spr. —nuazj\') dc hansworstery, polsen.

Tabatièro, z. ond. tabak.

Tabaxir (tabaschir), n. port. (oorspr. perz., vgl. het perz. labsjir, kiel, leem) oost-Indlsche hamhoossulker of riethonig.

Tabbaard, tabbord, z. ond. taharro.

Tabél, f. (van \'1 lat. labella, verklw. van tabfila, plank, bord, tafel) de tafel, overzichtstafel, een blad, waarop do zaken of personen methodisch zün gerangschikt, om zo met een oogopslag te kunnen overzien, h. v. li Is to rise h e, genealogische, chronologische tabellen, lijsten of tafels ter ovorzlealng van de geschiedenis, afstamming, tydrekcnlng, ge-schledtafels, gesiaehttafels, tijdtafels; — ta-bollanus, m. lal. een brlevenbode, overbrenger van brieven; — tabellarisch, adj. nw.iat in den vorm van eeno label, in vakken afgedeeld, labelvormlg; — tabellarisee-ren (spr. s—z) in tabellen brengen; — ta-bolleoren, by apothekers: door middel van suikerslof tot tabletten maken, b.v. chocolade; — tabellio, m. (lat labvlfio) de ultvaardiger van oorkonden, de notaris.

Tabérne, Mat. {labéma, fr. lavérne) taveerne, de kraam, winkel, kroeg, hot «ün-huls, do herberg; — tabernakel, m. (lat. tabernmi/lum) de tent, hut, Inz. die, waarin by do Joden de bomlsark bewaard werd, de loofhut, loovorhut; by de R. Kalh. liet sacramentshuisje, oen tcmpcivormlg kastje, waarin de monstrans met de gewydo hostie wordt bewaard; —het feest der taber na kolen, het loofliuilenfeest, het vyfde van do voornamo feesten der Joden, dal den löilen van de maand Tiscbrl (8 October) wordt gevierd.

Tabos, f. lal. (v. tabcre, allengs vergaan, ongemerkt verdwynen) Med. de tering, nille-rlng; tubes abilominSlis, de onderiyfsterlng; t. dorsuulis, de ruggo- of ruggegraatstering-, I. ossfum, de hcendertering; l. pulmonnlis, de longtering; — tabesceeren (lat. tabesclre) uitdrogen, verdorren, uitteren, uiiinergeieti.

Tabis, fr. (spr. tabi; van \'1 perz. oetabl, kostbare z.ydestof) of tabin, m. (It. tabi, la-bino, eng, hihby) tabyn, gewaterd dubbel laf.

Tablatuur, f. (vgl. tabulatuur, ond. tabula) Muz afbeelding van een blaasspeeltuig met gaten, om aan te dulden welke gaten gesloten of geopend moeten z.yn tot het voortbrengen van al de tonen.

/able, f. fr. (v.\'t lat. tabula) de tafel, dlsch;

— table d\'hóte, f. (spr. tabi\' dóót\') de herbergierstafel, open tafel In logementen en spys-hulzen; a la table d\'lu\'ile oton, de spyzen gebruiken in do volgorde, zooals zy voorgediend worden, In tegenst. met (i la carle, waarb(l men uitkiest welke men verlangt; — tahte ronde. ronde tafel, eene fabelachtige ridderorde In Oud Engeland; z.y telde 2i ridders, wier namen ge-grliTeld staan op eeno ronde marmeren tafel, die sedert 1 iso te Winchester wordt bewaard; ook In\'t alg. voor tornooi; een ridder van de rondo tafel, Iron, voor; een vriend van lang tafelen; — table rase, z. ond. tabula.

Tableau, n. fr. (spr. labló; v. i lat. tu-biila, tafel) een tafereel, eeno schilderg, afbeelding, afschetsing; schildering; ontwerp, lyst; rol, register, tabél; bord, schoolbord; op het tooneel: t a f e r e o I, eeno onlangs ingevoerde ver-deeliiig, slaande tussehen i)ed ry f en toon ooi;

— tableau vivant (spr. —wiwdii) een levend beeld, de voorstolling van een tafereel door levende personen.

Tabletten, f. pi. fr. (tablettes, van den sing, tabletle, plankje, bordje, tafeltje) liet schryf-boekje, momorleboekje; ook: koekjes, plaatjes, borst koekjes; — tablét-kramer, hetzelfde als tabulet-kramer; — tabletterie, f. ingelegd werk, kunstschrynvverk of kunstdraai-werk; — tablettier of tabletier, m. (spr. -tjé) een sciirynwerker, kunstdraaier, inlegger.

Taboo, n. by de Zuldzee-eilanders de heiligheid en onschendbaarheid van aan God gewydo voorwerpen, plaatsen of personen; naam van een hygeloovlg gebruik, dat door geheel l\'oiynesle heerscht; het bestaat In eene soort van vervloeking, die door de priesters of aanvoerders over oenen persoon of eeno zaak wordt uitgesproken; ook kan ieder het tahoe opleggen aan z.yn eigen goed, zyn huis, zekere spyzen enz, waarvan bü zich daardoor het gebruik ontzegt; het woord wordt ook ais adject, gebezigd, h. v. de koning der Sandwlchs-elianden was labo e.

Taboeltsjana, m. turk. de militaire begeleiding, die de saltan aan leder zyner olllcle-ren toestaat.

Tabor, m. hebr. {thdbór, elg. breuk, steen, van \'1 chald. thebar, breken) een berg In Ga-llltea; vandaar in \'I bohoomsch en hongaarsch; eene versterkte hoogte, vaste plaats, wapenburg, legerplaats; inz. de door Zlska tot wapenplaats voor de Hussieten Ingelichte berg-veste (nu stad) in Itoiiemen, naar welke do Hussieten ook Tahorieten genoemd werden; in den nieuweren tyd; eene volksvergadering In de slavlscbo landen van Oostonryk, inz. in Bohemen; ook (v. oudfr. labour) een trommel by do rultery; eene turksche afdeeling soldaten (ongeveer een bataljon).

Tabouret, f. fr. (spr. ou—oe: verklw. v. \'1 oudfr labour, tabor, nu tambour, provenc. labor, trommel, wegens de geiykvormlgbeld daarmede; sp. taborete: vgl. tamboer) een zetel.


-ocr page 1231-

TABULA

120:gt;

TAF

stnvl zonder lounliiK; ook eono soort vnn Ho-rolslof mot voolklouilno bloemen.

tabula, t. lal. plunk, lufol, in/.. schrUtlafel;

— tabulae, pi. sclirlfton, pupleron, oorkonden, rokonlngboeken j — tabiila Pylliagorfca, f. tie tuTel van verinenlKvul(ll(?lnK, ■/.. 1\' yt h an o ra s;

— tabula rasa, t. (fr. table rase) elg. eene go-schaafdo, gladKeboende wastafel; eene nog ledige, gladde, niet gegraveerde koperen of stee-nen plaat; een onbesclireven Idaü; l. votiva, /.. votleftafel; — tabulaat, n. (lui. labu-lütum, vun labulure) een met planken belegde bodem, het plankwerk in kamers-, een planken gang In een klooster; — tabularius, m. een schrijver, boekhouder, rekenlngbonder; —-tabulatuur, f. nw.lat. de nauwkeurigste orde en regelmaat; Muz. uanduhllng der tonen door lettors en cijfers In pluals van noten; oudtijds ook de zangwetten in de scholen der meesterzangers ; vgl. labial u u r; — taliulaeformis, lat. Hot. tafelvormlg; — tabulét, n. (van I mid.lut. tabulèta, kleine lufol) een licht houten kastje mot schullladen, eeno mars, marskraam; vandaar tabulót-kramer, een murskrumer, rondtrekkondo kleinhandelaar, die zijne waren in zulk een kastje ronddraagt.

Tabum, z. v. a. Ichor (z. aid)

Tabünon, pi. russ. (spr. u—oc) groote rondtrekkende stoeleiUen In de steppen van Kuslund;— tabvinsjstjik, m. de opzichter duurovor.

Tacamahaca, z. takamuhak.

face, lat. (van tacêre, zwügen) zwijg! stil!

— tacéndo, zwijgend, door of met zwggcii; — tacet, Muz. Iiy (zy, het) zwijgt, aanwijzing, dat eene partij moet zwügen, terwyi de andere zingen; qui tacet, consentil of consentïre viilitur, sprw.: wie zwijgt stemt toe of schijnt toe te stemmen; zwijgen Is ook een antwoord; — si tacuisses, enz. zie op si tac—, — lacilus, a, urn en als adverb, taaie, sllizwijgenii of zwijgend, geheim; — lactta liypothèca, t. z. hypotheek;

— lacilus consdnsus, m. eene stilzwijgende toestemming, inwilliging door stilzwijgen; — ex Tactlo of uit Tacitus antwoorden (eene woordspeling met lacilus, zwijgend, en Tacitus, den naam van een beroemden roiii. geschiedschrijver), d. i. zwijgen nf niets weten Ie antwoorden, b, v. op de by een examen voorgestelde vingen; — taciturn, adj. (lacilür-nus, a, urn) slilzwygend, van zwygenden aard, stil, karig in woorden, geheim, achterhoudend;

tacitürnon, m. pi. leden cencr secto vun woderdoopers, die zich het sliizwygca lol eonen godsillensipiiclit maakleii; taciturnitoit, f. (lui. tacilurnïlas) de stllzwygendhold, geheimhouding.

Tachhydriot, n. gr. (v. /ncAj/s, snel en hfjilor, wuler) eene te Stassfurt voorkomende, lichl vervloolbare natuuriyke verhinding van chloorcaldum, eliloormngneslum en wuler.

Tachino, f. sesumhoier, eene veilige, laaie, uit de sesamkorrels geperste massa, inz. in de vasten voor spyzen goiirulkt.

Tachmischanoh, m. aruii. (vun urab. la\'lmis. Int jieeder maken, malen, en perz. chdnah of cliditch, huis) do In iiot Oosten ge-bruikeiyke kolllestamper, waarin do kolllo eerst geroost en dan gestoolen of gestampt wordt.

Tachomötor, m. gr. (v. tachns, snelheid en metron, z. metrum) de snolheidsineter, een Instrument op machines, vaartuigen enz.

Taehyblastio, f. gr. (van larliys, snel en blastdnein, kiemen, uitspruiten) snelklemlng, snelle onlwikkeiing; — tachyblastiseh,udj. snelkiemeiid; — tachydroom, m. een hard-looper; - tachydromie, f liet hardloopen, de snelloop; — tachyopsoot, m. (v. hépsein, koken) een snelkoker, gesloten kookpot; — taohygraaf, m. een snelschryver; — tachy-graphiO, f. de snelschryfkunsl, het snelsciiry-vcn; — tachygraphisch, udj. snelscliry-vend; — tachypoot, m. de fregalvogel; — tachypétisch, adj. snelvliegend; — tachy-pyrïon, n. een snelontbrander, werktuig om snel vuur te oidsieken; — tachythanatos, adj. snelstervoml; sneldoodend.

tacite, enz., taciturn, enz. z. end. tare.

Tact of takt, m. (van \'tint. taclus-, van lanti/re, aanraken) I) het aanraken, bevoelen, betasten, liet gevoel, de luslzin, liet tustvermo-gen; onelg. lijn gevoel, zuiver en zeker oordeel in zaken van smaak en do gebruiken der wereld; 2) Muz. (In deze beteekenis waarsch. van het grypen of aanslaan der snaren ontieeml) de tijdmaat, loonmaul, geiykmalige lijiiverdee-ling, regelmatige beweging (1). v. hu den dans); ook eeno afzonderlijke tydinaat of tnonufilee-ling in eeno gelykmalig verdeelde toonreeks; — tuetmeter, z. v. u. chronometer of metronoom; — tuctlel, udj. (lal. taciïlis, e) voelbaar, lastbaar, waarneenibaar; — tac-tio (spr. lie—sie) f. de aanraking, het voelen, de gevoelszin; — tactiliteit, f. nw.iat. voelbaarheid, waarneembaarlield; — tactoeron, de lydmaal aangeven, de maat slaan.

Tadsjiks, m. pi. (perz. tililsjlk) de met vreemd bloed vermengde nakomelingen der oude Perzen, Meden en üaklriers, In tegenstelling met de heerscliende lalaarscho sliimmen.

tsedieus, lal. (laeiliosus, a, urn, van lae-ittum, afkeer, tegenzin, verdriet) walgiyk, vervelend, verdrietig, langwyilg, lastig, bezwaar-lyk; -- tsediositoit, f. nw.ial. de walgiyk-hold, langwyilgheld, langdradigheid.

Taol, z. tall.

Toenarus, m. lal. (van hel gr. Tuinaros) eig. eene slaii en oen voorgebergte In I.aconll\', met eene spelonk, die men voor den Ingang dor onderwereld hield; vandaar voor de onderwereld, hel (loodenryk.

Teenïa, r pi. toenïën, lat. {taenia, pi. taeniae) band, Hul, haar- ot hoofdlinl, Inz. do oude nirerhanilen; de linlworm; — toenidi-um, n. nw.iiii, een lintje, bandje; een kleine linlworm.

Taf, n. (fr. tajfetas, il. talfcltd, sp. taf elan, van 1 perz tAftali, d. i eig. gesponnen, gewe-


-ocr page 1232-

TALASSUS

TAFFIA

1204

von, purllc. van hlflan, draaien, spinnen) oenc llchlc, t-\'iaildi\' zydcslof.

Tallin of talia, m. z, ratafia.

Tagillon, m. pi. een mnlelsche volkssUun op do l\'liillppynsclie eilanden, welke de lot don malolsclien taalslain behoorendo la ga Ilse he taal spreekt, die zich In twee tongvallen splitst.

Tagliari, tagliarini, tagliatélli, tagliolini, in. pi, it, (spr. (//(=(/,• v. lagli-are, snydun, /.. tall loo ron) cone soort van Itallaansche noedels.

Taguan, m. N. II. do groole vliegende eekhoorn.

Tahvil-oalomi, ni. turk. de staatskan-selarg.

Taïaut, ü. lay au.

Taifoen, in. cliln ■/.. typhon.

Taikoen, in. Japan, het voormalige we-reldlüke opperhoofd van Japan (naast den mikado als geosteiyk opperhoofd), door de laatste revolutie afgezet; — taikoonaat, n. nw. lat. de waardigheid des lalkoens.

Tail of tael, ook tale, m. mnlolsch en javaanscli: een ons; vgl. Ilang, king en tan.

Tail, in. eng. (spr. led) do slaarl.

tailloeren, fr. {lailler, spr, Inlj—, provenc. /a/or, lalhar, laillar, it. laoliare, sp. Injar, mld.lat. laldre, talliare, taleare, v. \'1 Int. tah\'a, afgesneden twyg) elg. snuden, aan stukkon sny-den, snoolon enz.; de kaarton doorschudden en afnemen; —taille, f. (spr. lulj\') de snil van een kleed; do llchaanisgoslaltc, wasdom des llchaams, vorm van hol liovoniyf; Inz. het gedeelte van hel lichaam en van een kloodlng-sluk lusschen do heupen on de horst (onderschelden van statuur, dal elg. de hoogte des llchaams aanduidt, terwyi taille don vorm, do snede, gedaante daarvan uitdrukt); In het kaartspel, inz. In hot pharaospol; hol afnomen of koeren der kaarten, om te zien wie wint of verliest; ook de gezamentyke kaarten, die afgenomen worden; in hel muntwezen do verdeeling van con mark goud of zilver in eeno zekere hoeveelheid golyko stukken; Muz. do tenor, de altviool; in FrankrUk voor de revo-lulie; de gewone belasting; vandaar tailla-ble (spr. taljnbl\') holasllugschuldig; laillable et cnrvéahle a merci, naar goeddunken aan he-lastlng en hcerondiensten Ie onderwerpen; — taille douce (spr. —does\') cone koperen of stalen plaat, prent of plaat In koper of staal gegraveerd; — taille fausso (spr. —fnoss\') het valscli afnemen der kaarten; — taillan-dene, f. (spr. laljaml\'ric) snijdende yzerwa-ren of gereedschappen; — tailleur, m. (spr. lalj\'—) een snydor, kleermaker; bankliouder in bet pharaospel; — tailloir, n. (spr. laljoór; vandaar ons oude teljoor) een hakplank; — — taillon, m. (spr. laljóh) iiasoballing (vgl. a c c IJ s); — tailluro, f. (spr. tnljuur\') borduursel op belegsels.

Taïm, teem, toong of taong, to-üng of toöeng, (, de blriminiscbe id (als koninkiyko ol ook sandang gohoolon) =0,483 meter.

Taïpings, pi. chin, de naam der sedert issnin opstand togen de IMandsjoo-dynastie ver-keerondo rebellen.

Taï-tsing, m naam van do sedert IBÜ In China beorsciiondo dynasllo dor Mamlsjoes.

Tajussü (brazil. Inuarii, hel zwyn; port. tajacü) z. pekari.

Takamahak, n. eon geneeskrachtig, welriekend hars, dal uil O. en W.lndlB komt; liet oost-ind. van Cacophyllum lacamahura is gooi-aciitig groen; hel wesl-ind. van l\'agara nclnn-dra llchlhruln.

Takel, n. (van onzekere afleiding) ook talie, f. (van \'l oude talen, trekken) verzame-iing van touwen en katrollen, welker samenstel dient om met geringe krucblsaanwending groole zwaarten op lo Uilen; — takelage, f. het takelwerk, touwwerk van con schip.

Taklidi-seïf, f. turk. (van \'l arah. taklid, omgording, en seïf, de sa hel, liet zwaard) de sabolomgording dos suiians, eeno cercmonio, die de plaats der kroning vervangt.

Takos, m. eeno rekenmunt in Surale = ropy of ongeveer !i; cl.

Takt, z. tact.

Taktiek, f. (gr. laktikê, d. i. eig. do kunst der rangschikking, van tdssein, In orde plaatsen) de kunst of wetenschap der krygswendin-gon of krijgsbewegingen (e v o 1 u 11 e n), do kunst om een leger in de wapens te oefenen en in slagorde te stellen, de krygskunde, iegerstryd-kunsl, vvapenkunsl, onelg. de middelen, die men gebruikt, do weg, dien men Inslaal, om In eeno of andere zaak te slagen; — taktikograaf, in. de schryver oenor taktikographie, f. of verhandeling over do taktiek; — taktï-ous, m. een wapen-of krygskundige; — tak-tisch, adj. tol do krügs- of wapenkunst behoorendo.

Talaar, m. (van 1 lal. tatdris, e, tot op do enkels \\l(ili\\ reikende of afhangende) een lang plechtgewaad, sleepkleed, koningsmantel; lang opperkleed der r. kath. geesleiyken; — talarïën, pi. (lat. lulana) do gevleugelde schoenen van Mercurlus of van de boelden diens gods.

Talapoin, m. priester van Boeddha of F o (z. aid.) by do bewoners van Slam, Laos en I\'egu, oene soort van bedelmonnlkon, ongeveer wat in Cldna de bonzen zyu; ook een zeer kleine oosllndische aap.

Talar of taler, m. poolsch (van hel dullsch Ihalcr, daalder) oen pooischo daalder van zes gulden, van I7lli lot ISÜ, ter waarde van I gld. s» cent.

Talari ën, z. ond. la laar.

Talassus of Talassius, m. lal Myth, do god dos buwelyks, die sedert don sabyn-schen maagdenroof lo Home vereerd werd (ontleend van don naam eens Jongen Komeins, voor wien eeno der sabynsche schoonen werd go-schaakt).


-ocr page 1233-

TALBOTYPIE

i \'205

TALON

Talbotypio, (. (nanr den uitvinder, don Engdsclunan Kox Talbot) do kunst om llcht-liooldon op papier voort te lircngen = phot o-graphlo en kalotypio.

Talo, tall.

Talob, in. turk. (arab. Idlib, partlc. van lataha, zoeken) oig. een zoeker, onderzoeker, na-vorscber; een student; een geloerde; In licr-berye: een licentiaat in de rechten.

Taleman, m. zw. (van lala, sproken en mun, man) do taalman, spreker van den boerenstand op do zweedscho rijksdagen.

Talént, n. (lat. lulénlum, van \'I gr. Idlan-Ion, eig. weegscbaal, gewlcbt) 1) hy de oude Grieken en Joden; een bepaald gewlcbt en eene geldsom; — liet attlscii talent bedroog In ons geld ongeveer 217quot;) gl.; een talent goud deed naar attlscb gebalte tn talenten zilver; •2) sedert ISDU een gr. gewlcbt van 100 minos = 180 kilo; — 11) oneig. ais liet ware bet toegowogene, toebedeelde, bet aanvertrouwde pond (bUbolsch), de gave, naluurUjke aanleg, vatbaarheid en bekwaamiield, kunstvaardigheid, kunstvermogen; ook een niet hekwaamheid toegerust menscii, een talentvol man; — talentvol, vol mituuriykon aanleg en bekwaamheid.

Taloth, taleth gadol or liever tal-litll, iioiir. (rahbünsch lutlilh, van \'t bebr. Idlal, bedekken) do Jodensiuier, tompelsluler, bet vlerkunie iiuisel, waarmede de Joden bij liet gebed in de synagoge zich liet aangezicht bedekken; ook liet doodskleed, doodshemd; vandaar: lijj heeft zynen tal lis aan, bij krijgt don tall Is, d. i. iiü is nabij ^iln dood, zyn ondergang.

Tali, m. ind. een halssieraad, dal do In-dlör zijne vrouw bij het trouwen omdoet en dat zy tot aan zijnen dood draagt.

Talik, n. arab. (van \'aluku, zwevend ophangen) een liggende schrijfwijze der Perzen, later door de Turken inz. voor gedlcblen gebruikt.

Talie 1), z. takel; — taliën, optaliën, aan een takel of trektouw opbyschen.

Talie 2), oud-nederl lengtemaat, het zestiende deel eener oude el, = 0,013 meter.

luiïo, f. lat. (van lalis, zulk, zoodanig, zoo gesteld) de vergelding, beantwoording; — jus lalionis, z. ond. jmv, — talions-sy stoem, in het Hjfstralfelgk recht; het leerstelsel, dat op don grondslag der wedervergelding berusl; — taliönisch, adj. nw.lat. wedervergeidend, de wedervergelding bel reilende.

Talipes, m. nw.lat. (van \'t lat. /alus, de enkel, do klauw) de horrelvoet.

Talirton of taleron, n. pi. taliria, talora, nw.gr. (lalirion, van liet duitsch f haler, ons daalder, it. Idllcro) voor 18(M! eene grleksche zllvermunl van quot;gt; drachmen, ongeveer = 2 gl. 8 cl. courant.

talis, c, lat. een zoodanige, zulk een; lalis paler, qualis /11 ins, zoo vader, zoo zoon; — qua lalis, z. ond. qua; — lattier quaffler, \\al. zoo zoo, mlddelmalig, eenigszlns, ecnigermate, zoo wat.

Talisman, m. (fr. en sp. talisman, 11.

lalismano, van \'t arab. \'lilism, \'tilsam, loover-beeid, pi. \'lalüsim en \'Hltamul, ontleend aan \'t niid.gr. télesma, wijding, Inwijding, beloove-rlng, tooverforniulier, = gr. lélos) een toover-krachtlg voorwerp, dal met bügeloovlge fonna-lltelten onder eene zekere constellatie (/,. aid.) vervaardigd Is; eene melalen llguur waaraan de astrologen Ingeboelde krachten toeschreven; een toovernilddei, loovurbeeld, tooverring, enz.; vgi. a in u 1 e 1; — talismanisch, adj. looveracbllg; vgi. magisch.

taliler qualiter, z. ond. talis.

Talk, talksteen, m. (fr. tak, sp. hiko, mld.lat. talons, van \'t arab. tulq) eene weeke, vetachtlge steensoort van groenachtig witte kleur; — talk, f. (eng. tallow, deensch /«/lt;;(\', zw. hoogd. frlesch Uillt;i) het hardste vet der slachtbeesten, dat Inz. tot bot maken van kaarsen dient; — talkaarde, bitteraarde, z. magnesia; — talkspaath, n. hitterspaatb, rultenspaatb, uit koolzure bitteraarde en eenig koolzuur yzeroxydui bestaande.

Tallaro of talloro, in. II. (van het dnlt-scbo thaler, daalder) daalder, eene zilverinunt der voorin, republiek Ragusa, z. v. a. ragu-slno, vislino z. aid.; eene voormalige vene-tiaanscbe zlivernumt van 10 lire piccnle.

Tallovanon, pi. fr. Kuil. benaming der steenen potten, waarin men uil sommige oorden van 1\'rankryk de iioter verzendt.

Tallipotboom, m. (fr. tallipot, pori. Inland, coyl. talgalu, maleisch sariboe, nw.-iai. corypha) een palmboom met verbazend groote bladeren op liet eiland Ceylon en In Malabar, de schermpalm.

Tallith, z. ia ie tb.

Talmi, talmi-gond, n. een op eigenaardige vvyze vergulde soort van messing, naar den uitvinder genoemd.

Talmud, m. iiebr. (rahbynsch thalmoed, d. I. eig. mondelinge loer, inondellug onderricht; v. Idmdd, slaan, afgericht worden, lee-ren, zicli oefenen; limmad, loeren, onderwijzen; vandaar talmid, do leerling), liet wetboek der nieuwere Joden of do tusselien de 2de en 0de eeuw hUeengebracbte verzameling van joodscbe overleveringen en wetten, welke de geheele leer en wetenschap van de Joden, het godde-lyke en menscbeiyke recbl tievat. Zij beslaat uit de mi sch n a (ralib. mischndh, d. I. eig. herhaling, verdubbeling, z. v. a. deutenisls, van \'I bebr. sjdndh, zich veranderen, herhalen, n.l. herhaling en ontvouwing van ile goddeiyke wet), welke den eigenlijken leksl of grondtekst bevat, en de ge ma ra (i/eaidrd), welke do verklaring van den leksl, de opheldering der verschillende gevoelens en de beslissing van deze bevat, en ook bil uilsluiling tal muit heet;— Joden, die den lalmud aannemen, heeten Talmudisten of K a h b i n I e t e n, in onderscheiding van de Karmers of Karaleten, die den talmud en alle mondeling overgeleverde stellingen verwerpen.

Talón, in pi. talons, fr. (spr. lalóü. pro-


-ocr page 1234-

TANGA

1206

TALPA

vonc. en sp. talon, 11. Idllnne, van \'I lat. lalus, kool, hikkel, lilllik) do hiel, verzon; link van den schoen-, Mil. liet voorullslek des liullrn-muurs aan bastions; een spadovonnlg go-roedschap hy gipswerk; In Mei kaartspel; de slok, de oversehletendo kaarion, slokkaarton, koopkaarlen, die na hel rondneven ol verdoelen nog overhlUvon; hg slaalspapleren ol elteclen do paplerslrook, van welke de coupons atKOknlpt worden; — talonnier, in. fr. (spr. talonjé) de vaandelsehoeti, slandaardschoen, de hus of seheede, waarin de t a I o n of het honcdenelnde van hel vaandel hy hel drauen geslokon wordt.

talpa, f. lat. de mol; — talpa of talparia, f. nw.lat. Mod. hel molshoofdgozwol; de spekbuil aan het hoofd.

Talpatsch, ■/.. tolpalsch.

Talus, ui. pi. tali, lal. kool, boontje, speelkoot, hikkel; teerling, dolibolsloon; nw.lat. (ook taludi glooiing, helling; en lalus, fr. (spr. uii lalu) hollende, glooiende, schuin; — talutoeren, harh.lal. hollend maken, doen glooien.

Tamandoe of tamandooa, m. (hra-zil. tumandua, pml. lamandiiu, sp. lamamlóa) de miereneter, mloreiihoer, een landoloos zoogdier In /.. Amerika.

Tamarinde, f. (It. on sp. tamarimlo, fr. tamarin, nw.lal. lamarindus imlica, van 1 arah. tamr-hindi, d. 1. Indlscho dadel, van lamr, gedroogde dadel) de oosllnd. /.ure dadelboom of zonnehooni on zyne genoeskrachllge poulvrucbt; — tamarinden-merg (lal. pulpa tamarin-durum), hel zuurachllg zoete merg, tusschon de vliezen van de peulen liggende, heiwolk in apotheken gehrulkl wordt.

Tamarisk, f. of tamariskenboom, m. (lal. tamariscus, tamurix, lamarice, tamari-cum; gr. myrikg), een struikachtige boom lu het Oosten en in Z. Europa, welks zoulrUko aseh in l\'\'rankryk lol looien en verven gehrulkl wordt.

Tamboula, f. (vgl. t a ba la en tambour) eene trommel der negers van hot heul der trommolbooms of tam hou Is.

Tambour, m. fr. (It lamhüro, porl. /am-bor, sp. lambor, atambor, provenj. tabor, van \'I arah. en perz. tnemboer, timbdr, tamboer, d. i. eene soort van cither on de Irommol; vgl. hot arah. tabl, lebl, perz. lumbal, I rommel) elg. de Irommol; gowooniyk de Ironnnelslagor, la m-hoer, trommelaar; eene dichte vorschimsliig van palissaden; een uilhouwsol of overdekte schutting aan deuren om legen den wind te beschutten; - tambourin, ui. (spr. taiiboereü) tl. tamburino of tamburéllo (spr. u=oc), m. een lamhoeryn, kleine Irominel, handtrommel, heltrommer, oen trommel met éen vel en met hellen; een naai- of borduurraam; ook een spaansche en zuld-fr. vrootyke dans, op de gavotte gelykende, waarhy ile danser zich-zelven met de lamhoeryn hcgololdt; — 1 a m-b o e r y n - s 1 o e k, do haaksloek; — tambou-reoren, baken, met hol haakje borduren of knoopen; lambooroornaald, haak- of hor-duurnaald.

tamdiu, ial. zoo lang; Iron, een laindlu, een manneke nauwelyks zóo groot.

tarnen est lauddndu volmlas, lat. toch Is de wil le pryzen.

Taménes, pi sp. (slug lamén] Indische lastdragers.

Tamfana, ■/.. Ta n fa na.

Tamis, m. fr. (spr. tami; proven^, lamis, sp. tamiz, 11. lamiso, tainigio, mld.lat. tami-stum) eene baarzeef, teems of tems; ook eene geglansde wollen slof (fr. Inmise)— tamiseeron (spr. s=i) (fr. lamiser) zeven, doorzygon, ziften.

Tamoelen, pi. (inheomsch tamil) een volk, meer dan 10 millloen zielen sterk, in O.lndlfi, van dravldlschen of ilekanischen stam; vgl. dravldlscbo talen.

Tampon, f. fr. (spr. laiipnii ,■ sp. tapon, ook fr. tapon, v. tape, mld.lat. tappus, nedorl. tap = slop) de slop, tap, prop hy kanonnen; Med. een stopsel of eene prop van linnenpluksel (charpie), dal in de natuuriyke en ziekeiyke openingen des Uchaams wordt geduwd om het bloeden le stillen; - tamponoeren (fr. lamponner), mol zulk eene prop sluiten, toestoppen ; — tamponade, f. de sluiting mol oonon tampon.

Tamtam, f. waarsch. oen klankmihool-sond woord) oen inuzleklnstriimeiil der Chlnee-zen en andere ooslersclie volken, in de gedaante oenor cymbaat, dal met oenen stok geslagen wordt.

Tan, n. Chln. hel last, het grootste chln. en Japan, handelsgewlchl, ook plkol gehee-tou; hel heeft lllil kin of kali les, elk van Hl lang, elk van in tsl, elk van Hl ton ii 10 li = 00,45 lol 00,is kilo; ook een Japan, akkermaat (z. I a n g).

Tandak, z. ten dak.

tandem, lat olndeiyk; — tandem aliquando. olndeiyk eenmaal; tandem bona causa Iriüm-pbat, eindoiyk zegepraalt de goede zaak.

tandem, f. eng. eene soort van open cabriolet met twee paarden, het eene achter \'1 andere gespannen.

Tandoor, m. lurk. (van \'larab. lannoer, oven, gloedpan) eene vierkante, met een kleed bedekte tafel, onder welke men een kolenbekken zot, waarover degenen, die zich willen warmen, hunne voelen houden.

Tandstickor, pi. zw. lucifers.

Tanfana of tamfana, f. hy Tacilus do germaanscho godin van het vuur en den haard (= lal. t\'esta, wier woud en heiligdom door Germanlcus verwoest werd; de scylische Tabili).

Tang, 1) n. eene soort van oosl-indlsch nololdoek.

Tang, 2) n. (ook tan) oen Japan, vlaktemaat van 20 kong lengteen lli keng hroodle = »,9K7 are.

Tanga, f. eene rekenmunt te Ooa van 00


-ocr page 1235-

TANGEEREN

1207

TA O

van J xc ra tin of par do a -- « centen; In Toeran (onatliankelUk Tartarüc) ook tonge, tonga, tonga (elg. tjanjo) genoeimt, van verschtltonde waunlo, gemiddeld 113 centen.

tangeeren, lat. [tamSre) aanraken; treffen, indruk maken; vonneldon, aanstippen, van gewagen; — tangént, t, (van \'t lat. partlc. Idngens, aanrakend) de aanrakingsstlft, liet ha-merljo aan snarciispeeltulgen en speelwerken; — tangons of tangónte, f. Matli. de raaklijn, eene rechte lün, die eeno kromme (I). v. eenen cirkelomtrek) slechts In tien punt raakt, zonder die, verlengd wordende, te snijden; de tangens van eenen (door twee stralen Ingesloten) lioek of boog Is de loodlijn (perpendiculair), die op het einde van den oenen straal wordt gelrokken tol aan tiet punt, waar zy de verlenging van den anderen straal raakt, of elg. do verhouding van die loodlijn tot den straal; do lijn, welke door de verlenging des straals tot aan de doorsnijding van de tangens geboren wordt, heet de secans van den boek; — tangontale kracht, de kracht, door welke ile planeten In de tangens van hare haan trachten voort te snellen of zich van de zon te verwijderen, het tegen-gest. van centripetale kracht; — tan-glbel, adj. (later lat. tanflibllis) minraakhaar; voollmar; — tangibilitoit, f, nw.lat. de raakhaarheld; voelhaarbeld.

Tani, n. de lljnste hengaalsche züde.

Tank, m. oostind. een gemetselde waterkom tot wasschen en baden.

Tankrcd, oudd. mansn. z. Dankred.

Tannine, f. fr. (van tanner, looien, lan, run) de looistof, eene bijzondere zelfstandigheid, die men vooral in de ruu of elkesciiors vindt (z. v. a. scytogenium).

Tannim, pl. hebr. groote zeemonsters, draken, slangen, krokodillen.

Tansa, f. eene tataarsche zllveriiiunl, ongeveer = 75 cent.

Tansi, m. pi. geloltorden of geleerden In Tonking, die al de lagere graden doorloopen bobben.

Tansimat, tanzimat, m. arah. {Urn-sim, schikking, regeling, pl. ianslmdl, v. na/-sama, nw.arah. nasama, schikken, regelen, vgl. nlzam) de regeling, verordening van den op ;t Nov. ltd!) door den sultan Ahdoel Medsjld gegevene battl-sjeiif (z. halsjerif) van (Uil haneh of van do negerulo turkscbe grondwet.

tant, fr. ■/.. ond. tantum.

Tantalus, m. gr. {Tantatos) een fabol-achtlge koning van l\'hryglU, en stamvader der i\'elopiden, die door overmoed, verraad en vooral door wreedheid tegen zijnen eigen zoon Pelops de goden had beleedigd. In de benedenwereld was by gedoemd tot «ene straf, heslaande In het tyden van ilen ondrangHjksten honger en dorst, die hy vruchteloos zocht te stillen met de vruchten, welke boven zgnen mond hingen, en met het heldere water, waarin hü tol aan lt;len bals was geplaatst; onelg. een ryke vrek.

Iemand, die In den schoot des overvloeds gebrek lydt; — tantalus-bokor, l\'hys. een beker, waarin een hevel zoodanig Is aange-bracht, dal, wanneer men daaruit wil drinken, al hol vocht van onderen wegvloeit; doorgaans wordt de hevel verborgen door eene kleine II-guur, die Tantalus voorstelt, tot wiens lippen hel vocht rgst alvorens weg te vloeien; — tantalidon, pi. Myth, de afslaminellngen van Tantalus, Inz. Agamemnon, Menelaus en Nlöhe, ook bel geslacht der mineralen, dat het tantallum (z, aid.) bevat;—tan-talisch, adj. naar de straf van Tantalus ge-lykende, onbevredigd naar iets hongerend of dorstend, vergeefs naar iets verlangend; ook wordt hel woord gebruikt van een oxyde en van een zuur, door hel tantalum (z. aid.) voorlgehracht, en van do zouten, door dit oxyde gevormd; — tantalisooron (spr. s=zj, land-tergen, door misleiding de lusten prikkelen, vruchteloos doen smachten of watertanden, niet te bevredigen begeerlen inboezemen; — tantalum of tantaai, n. een in isot ontdekt eenvoudig metaal (door likeherg, dus benoemd, omdat zyn oxyde In zuren, die bel omgeven, als daarin onoplosbaar z.ynde, zich niet verzadigen kan), ook coiumbium; tantala-ton, pl. lanlaalzure zouten; — tantaliot, m. ook co In nih let, eene zwarte metallische delfstof, uil lanlalumzuur, mangaan- en yzer-oxyde heslaande.

Tantarella, f liever I a r a n I e 11 a (z. aid.)

Tanto, f fr. (met voorgeseboven t van \'I ondfr. ante, provenc. amda, van \'t lal. aniïta, eng. aunt) de moei, vaders of mooderszusler; de vrouw des ooms; — eene lastige I a n l e, een onverdraagiyk wyt.

tantum, lat. zoo veel; genoeg; — in tantum, Jur. op leder deel, zoo ver het sirekt;

— tanti, zoo veel waard, van zulke waarde;

— tanti non est, \'l Is de moeite niet waard; — tanti poenitcre non emo, tol dien prys koop Ik hot berouw niet; — non tanto, ilal. Muz. niet te zoor; tantos, pi. (van \'t sp. fanfo, pl. tantus) in \'topperduiiscb voor; speelmerken, rekenpenningen; — tant, fr. (spr. In it) zoo veel, zoo zeer; z. ook onder omelet te; — tant mieux (spr. lan injeu) des te beter; — lant d tant, fr. (spr. tan a tan) geiük op, oven veel (In hol spel); wy slaan hint d tant, wy hebben helden even veel pnnlen, even veel pariyen, ons spel staat gelijk; — tant pis (spr. —;)i), des te erger; — tantième, n. fr. (spr. tan-IJèm\') hel aandeel, iemands toekoniond deel; aandeel in een inkomen, aandeel In de winst.

Tanya, f. hong. oen alloonslaand huls, eene herberg, eene bolstede.

Tanzimat, ■/.. tansimat.

Tao, m. een der chinoesche namen van \'I Opperwezen; de volmaakte rede, beschouwd in hare daden, de w et; — Taotsees, m. pl. naam van do leden ooner wijsgoorlge godsdionst-secle in China, die den Schepper onder den naam van Tao aanhidt; hunne godsdlenstge-


-ocr page 1236-

TARANTULA

TAONG

•1208

voolons liolibon voel ovcreonkomst met illo itor Boeildhlslon— taotoking, m. woordoiyk: het boek der opperste redo, titel van tiet voor-nuumsto werk van l.ao-Tsou, een clilneescli wdsgeer.

Taong, z. taïm.

TiVpa, f. oone uit plantvezels vervaardlKdo stof op de Sandwkiisellamlcn, die om do schouders geslagen wordt en tot op de heupen ne-derhangt.

Tapabor, in. fr. (Iieilorvon uit cap fi boni, gerande muts ot kap) eeno reismuts, veldmuts met over do ooren nederslnande kleppen, karpoetsmuts, regenkap.

Tapage, n. fr. (spr. lapadtj\': van hiper, slaan, kloppen; tape, lik, klap met do hand) hel geraas, gedrulseh, gestominet, opschudding, teven; — tapagooren, razen, leven maken; — tapageus, adj. (spr. —zjens) vol geraas, lawaaierig.

Tapanhaokanga, n. eig. negerhoofd; een mengsel of conglomeraat van ijzersteen in N.Amerika.

Tapazooï, pi. naam van zekere dweepzieke vromen, die zich het vreeselijkst lichaams-lijilen tot een spel maken en zich ijzingwekkende hoeie-oefenlngcn opleggen.

tapeeron, fr. (taper) de haren met de kam opstrijken, opkuiven en krullen, ook ion-poeren (z. aid.)

Tapeinosis, tapinosis of tapinoso, f. gr. {tapeinosis, van lapeinoen, vernederen, lapeinós, e, ón, nederig, gering) vernedering, verootmoediging; Log. verzachting der uitdrukkingen.

Tapokong, n. chin, het afgodsheeld.

Tapeur, m. fr. (v. taper, slaan, kloppen) een h(j den dans spelende klavierspeler.

Tapijt, f. (van \'I gr. tapis, geuit. Idpltos, lat. tapes, tupitum, fr. lapis, provenc. tapit, sp. en port. tapete, tupiz, II. tappetn, hoogd. tapete,: oorspr. misschien van \'t perz. tabsch, labeh) kamer- of vloerkleed, ook wandhedek-king, behangsel; een gewerkt tafelkleed; vandaar Iets op het tapijt brengen, Iets voordragen, Ier overweging voorstellen, tot het onderwerp van liel gesprek maken, op do baan, ter tafel, ter sprake brengen; opwerpen; op het tapijt zgn, onder banden zjjn, behandeld worden, aan do beurt liggen ter eerste behandeling; — le lapis brille, fr. (spr. —tapi bruul\') olg. het tapijt brandt, uitdrukking, die men hU het spel bezigt, wanneer een der spelers vergeten beeft In te zetten; — tapissooron, f. (fr. lapisser, spr. lapis—) behangen, overtrekken, bekleedon (met tapijten, behangsels, enz.); — tapissono, f. tapijtwerk, behangsel, behangerswerk, kamerboklceding; eeno soort van borduurwerk, naar gewerkte tapUten gelU-kende; — tapissior, m. fr. (spr. tapiesjé) kamerhekleeder, behanger, tapytwerker.

Tapioka, f. het meel uit de lalroplta manihol, z. man lok.

Tapir, m. braz. (tapy\'ra), ook anta, m.

sp. en port, he! waterzwyn, do woudkoo, hot amerlkaansch rund mot snultvormlgon neus, het grootste landdier In Z.-Amerlka.

tapissooren, z. oud. tapls; — ta-pissendis, m. fr. (spr. lapi-samli) Kmt. geverfd katoen met doorloopendo kleuren.

Tapisserie, enz. z. ojkI. tapyt.

Tapsel, n. gestreept grof oostlnd. katoen, meestal van blauwe kleur.

Taptoe, f. nodorl. (van tap, tappory, olg. de herberg- of kroeg-toe) het getrommel, dat des avonds de soldaten naar hun nachtkwartier roept, en weleer den tappers gebood te sluiten.

taquineeron, fr. [tmiuincrspr. qu—k: van laquin, karig, schriel; eigenzinnig, dwars-boomend, it. tuccaqno) [dagen, kwellen, harrewarren over onbeduidende dingen; — taqui-nerïe, f. plagery, twist of gekibbel «ver kleinigheden.

Tara of tarra, f. it. sp. en provenc. (fr. tare, v. \'t arab. turah, d. i. eig. wyd, ver af, van laraha, wegwerpen, verwyderen) Kmt. do aftrek, hetgeen voor de verpakking (vat, zak, enz.) van het b ru t o-gewicht wordt afgetrokken; vgl. netto; sopra tara, 11. een boven de gewone tarra toegestane aftrek; — tara-of tara-rekening, de berekening van de tarra, van het zuiver gewicht eener waar vóór bare Inpakking In vaten, kisten, enz., aftrek-rekonlng; — tareoren, bet gewicht van do verpakking bepalen of berekenen.

Tarabat, m. arab. {d\'harabat, slag, van d\'haraba, slaan, fr. tarabat) een klepper of ratel, waarmede de kloosterlingen van sommigo orden des nachts tot hot gobed gewekt werden.

Tarabieten, pl. sp. en /uldamer. touw-bruggen.

Taraboeka, f. turk. een met klokjes of schelletjes omhangen tamboeryn, tor begeleiding van \'1 gezaag In \'l\'urkye, eeno handtrommel.

Tarai of Tarjani, pl. pestaardtge moerassen met den wollgsten plantengroei aan den voet vaa don Itlmalaja.

Tarakanen, pl. russ. [tarakiin, poolsch dragan en karactan) zwarlo hulskevers, kakkerlakken (z. aid.), by Blumenbach ook taro-k a nen gebeeten.

Tarant, m. eeno met de gentiaan verwante plantensoort; hlnuwe tarant {Suterlia perennis, I,.).

Tai\'antass, m. russ. een reiskoets.

Tarantula, r. (van \'t it. lardnlola) eeno vergiftige spin in llaiiü, Inz. by do stad Tara a to (Tarente); ook in het warme gedeelto van Azie en Amerika; —tarantisiue, ta-rantulismo, n. nw.lat. de tarantulaheet of ■sleek en ilo vermeende daardoor ontstane slaapziekte, die enkel door veel beweging, inz. door dansen, kan genezen worden, do tarantula-dans; danswoede, dansziekte, Sl.-Vilus of Veitsdans; — tarantélla, 11. of tarantólle, fr. f. een volksdans en de daarby behoorende wys, Inz. op Sicilië\' en in Calabrll1, naar de stad


-ocr page 1237-

TARTAAR

TAR AS

1209

Tarantu benoemd; — tarantóla, f. blauw laken, dat Ie Napels vervaardigd wordt.

Taras of tarras, m. (vgl. bet hotieemscb taras, bolwerk van aarde, aarden wal, torras, mld.lat. larrassaria) voorbeen eene soort van Krot gescbut.

Taraxis, f. gr. (van lardssein, oproerig maken, In opscbudilliiB brongen) Med. stoornis, wanorde, onrust, beroering; roering, Inz. In bet onderlUf; ook eene 1 llcble ontsteking van bet blndvlles des oogs; — taraxacum, m. nw. lat. of leontödon; de loouwcnland, paardon-bloem, een zeer heilzaam gewas (Lennlodon taraxacum, zoo goliceten, oaidat bet, bU groote giften gebruikt, roering In bet Igf en buikloop veroorzaakt).

Tarboesch, m. turk. (van \'l perz. sar-poesch, boofd-bedekklng, van sur, boofd, en poesch, bedekking, kleedlng) In ligyptc de roode wollen muts met donkorblauwon kwast, — turk. fes «f fez (z. aid.)

tarda venienlibus ossa, lat. die te laat (aan tafel) komen, vindon de boonderen d. 1. den bond in den pol.

tardoeron, lat. {tardUre, fr. larder) Inl-men, dralen, sammelon, vertoeven, vertragen, verwijlen, opbonden, lang ullhlgven; — lar-ddndn of lurddtn, 11. Muz. dralend, slepend; — tardif, fr. (spr. tardiéf) langzaam, traag, dralend, nalailg; laat rijp, zich laat onlwlkke-lend; — tardigradeu, pi. nw.lat. langzaam-loopors, Iraaggangers, luldleron, naam van zoogdieren, die door de bewerktuiging hunner voeten slechts zeer langzaam kunnen loopen; ook eene soort van Infusio-dlerljes; — tardigra-disch, adj. langzaam voortgaande; — tar-diloquéntie (spr. t=ts), f. bet langzame spreken; — tarditeit, f. langzaamheid, traagheid; — lardivus, «, mn, nw.lat. Bot. iaat; — tarda, 11. (lal. tardus, «, wm) Muz. langzaam, talmend.

Taro »f tarro, eene malahaarscbe zii-verinuat, ongeveer 2 ct. courant.

tareeren, z. end. tara.

Target, n. eng. (spr. tdrdzjil) bet schild der seholsclie bergbewoners, schotsch schild, beukelaar.

Targum, m. cliald. (elg. verklaring, van tarf/iin, verklaren, vertolken; vgl. dragoman) pl. targümen. (tarnuinim), de oude overzettingen der bUbelscho boeken van het Oude Testament In de chaldeeuwsche taai.

Tarhónya, f. bong. (v. tarhd, zure melk) een met melk en eieren bereide meelspyzo.

Tari, I) m. palml.randewUn uit i) IndiB.

Tari, i) z. taro.

Tarief, n (fr., eng. en hoogd. tarif; it. tarijfa, sp. tarifn, van \'I arab. \'ta\'rif, verklaring, naricht, aanwgzlng, van \'arafa, kennen, inzien; vorklaren, aanwUzen enz.) de waren-lyst, gocderenlgsl, warenaanslag, prijsopgave, eene Igst, die den prgs van zekere waren of wel de In- en uitgaande en doorvoorroebten op-geeft; in I algemeen bepaling van kosten, on-gelden enz.; tol-tarlef, tollijst, lyst van de verschillende Inkomende en uitgaande rechten; munt-tarlef, muntlafol over do verhouding en vergelijking van do munten; — tarifee-ren (fr. tari (er), tot een tarief brengen, vaststellen; — tarifeering, f. de schatting, waardeering.

Tarin, tarino, z. taro.

Tarini, m. een westindische boom, welks bout als verfstof wordt aangewend, onecht bra-zille-hout.

Tarja, f. sp. (spr. tare ha) pl. tarjas, eene oude spaanscb-navarreesche rekenmunt = koper-reaal.

Tarlatan, n. eene lljne, llcble mousseline voor halkleedcren van dames.

Tarm, m. (van \'t lal. terminus, grenspaal, eindpaal, uiterste) in den scheepsbouw, staan-man, naam der stutten, die boven de boorden van een schip uitstoken.

Tarraa, f. 11. (elg. mot, m(jt, van \'t lal. iarmes, houtworm) een gewicht in Venetiii = II s c r u p e I.

Taro, I) tarino, tarin, tari, m. it. eene voormalige rekenmunt op Malta = Tlj scudo, in Napels en op Sicilië van verscbii-lendo waarde.

Taro, 2) z. tarro.

Tarok, n. (II. tarócen, pl. lurocehi, fr, ta-rots) bet zevenkoningsspei, een waarschüidgk uit llgypte afkomstig kaartspel mot quot;S bladen, waaronder 22 taroks of troeven, onder welke de XX-l, do pa gat en de excuse do ge-wichllgsto matadors zijn; alle andere bladen, die niet lot de taroks en liguren heliooren, booten la dons; — tarok-hombro, n. een uit tarok en omber samengesleld spel, bet omberspel met tarokkaarlen, ilat In de plaats van het eigenlijke tarok Is gekomen.

Tarókan, z. kakkerlak.

Tarolos, m. oono turk. zilvermunt = t gld. SO ct,

Tarpejische rots, f, een gedoello van den Capiloiynscben heuvel te Rome, vanwaar de misdadigers neorgostorl wortlon.

Tarra, z. tara; — tarras, z. taras en 1 ra s.

Tarri, eene korenmaat to Algiers.

Tarro of taro, f. een onder water ia \'t groot aangebouwde holwortel op de Sandwicbs-eilanden {Arum of Caladlum eseuh uturn, I..), waaruit do eilanders hun boofdvoodsel, poé geheeten, bereiden.

Tarsia, f. II. ingelegd werk, houtmozaïek, z. inturslatura.

Tarsjiseh, m. heiir. een edelsteen, turkoois, cbrysoiilb of topaas.

Tarsus, m. gr. {larsós, in \'I alg, breede vlakte) de voetzooi, voetwortel; bet kraakbeen der oogleden; — taraoph^ma, n, Med, een gezwel aan den voetwortel; gezwel aan liet kraakbeen dor oogleden,

Tartaan, z, tart a no.

Tartaar, minder gehruikeiyk, maar beter


-ocr page 1238-

TATOUEEREN

TARTAGLIA

1210

Tataar, porz.-turk. {tdtdr, lalAr, lular) m. in do mlddolceuwon ecu vorzamdwoord (col-Iccllcf) voor vorscht\'ldcn ki\'UKsliaflIge volkshorden In Mlddon-Azio; lOKCnwoordlg: con mei de Turken vorwiinto volksstmn In do noonleiyke, uun de Zwiuto zee goloKon Inndon-, zy zyn wo-gons hunne snelheid en plaulsoiyko kennis he-roomd, wesluilve zü In Turkye nis koeriers tiohrulkt worden; — tartaronboricht, n. ongotfrond, weinig geloot verdienend herklit (sedert den Krlmoorlog, 1854—51), toen oen Tiir-tiiur hol valsclic horlcht van den vul van Se-hastopel hrncht); ~ a la Tartan, fr. (hU gerechten) op zyn Tartaarsch, half rauw; — tar-taarsch, heter tataarsch, adj. den Tartaren eigen, toebehoorend, enz.; — Tarta-rijo, heter Tatarije, n. hel land der Tartaren.

Tartaglia, m. II. (spr. -tdlja-, van lar-luijliiD\'e, stollcreii, stamelen; provonc. larlnuliar, sp. laiialear) ecu karaklonnasker van het na-polltuansche vulkshiyspel.

Tartan, r. scliolscho honte, geruite wollen of zyden stof; ook de scliotsche mantel, z. v. a. p I u I d.

Tartane, f. (II en sp. larldna, fr. larlane, van \'t arah. tarradoen, een klein snelzeilend schip) eene soort van kleine schepen met (ionen mast, voor de vlschvnngst op de kusten der Middelhindsche zee; In Spanje, Inz. in Calaio-nit! en Valencia: een reiswagen met -2 wielen, van voren on achteren open, van zyiianken voorzien en met linnen overdekt, een hank-vvagen.

Tartarus, m. lat. (v. \'I gr. Tdiiaros) liet dooden- of sciilmnicnrUk, de onderwereld, ook Orcus; Inz. de omieraardschc strafplaats der titans en doeniolingon, do hol, in tegenst. met liet o 1 y s i u in ; Chom. de wynsieen (vgl. ere-mor larlari)\', tartiirus albus, wille wynstcen; I. boraxutus, ijorax-wynsteen; I. crudtts, rauwe wyngteen; I. (lepuruhis, gezuiverde wynsieen; /, emellcus of slibialus, hraakwynsteen, wgn-stecuzure anllmonium-poiasch; I. ferratus, yzer-wyusteen; I. ruber, roode wijnsteen; l xolu-bïlis, oplosbare wynstoen; I. vilriolalm, onzy-dige zwavelzure polasch (ook duplicaat of polychrost-zout en natuuriyk voorkomend: tartarine); — tartarimóter, m. de wyn-sleenmeler; — tartariseeren (spr. .i=z), liarh.lal. met wynsieen zuiveren; — tarta-rieten of tartraten, pi. wynstoenzure zouten.

Tartelétte, f. fr. (van larie, taart) een taartje, room- of frulltaarlje.

Tartine, f, fr. (verwant met larie, taart) een dun sneetje brood, eene boterham.

Tartuffe, m. (fr. Tarlufe: spr, larlüüf\') elg. de naam van een schynhelllgen huichciaar, die de noolilpersoon is In een beroemd hiyspel van Moilóro (de naam Is ontleend van\'I Hal. Inrlufo, truitei, die de geliefkoosde spyze van dien huichelaar was); vandaar in \'I alg. een huichelaar, schynhcillge bedrieger en hooswicht.

een goddeiooze tijnmaii; — tartufforie, f. schynlieiilgheld, liulchelary, vaisebe vroomheid;

— tartufEsoeremtr. larlufier) huichelen enz.

Tas, in. (fr. tas, provonc. lalt, nngois. tass,

oudhoogd. zasi) hoop, stapel, Inz. van hooi, koren; — tassen (tr. lasser, entasser, reeds in mid.hoogd. lassen) ophoopen, opstapelen.

Tasajo, n. z. charqué.

Tascodrugioton, m. pl. eene niontanis-tisclie secte der 4ile eeuw In l\'iiryglö, die een voortdurend stilzwygen voorschreef.

Tasis, f, gr. {tdsis, van teinein, uitstrekken, spannen) de spanning, uitzetting, uitrekking.

Tassao, m. port. z. charquö,

TassO, f. fr. en hoogd. (11. lazza, sp. lata, van \'t urai). \'tds, \'lass, \'lassah, \'flassal, nap, hekken, van \'tassa, indoopen) een kopje, eene kleine schaal, drinkschaal, luz. voor warme dranken.

Tasten, pi. hoogd. (van tasten, 11, las-tare, oudsp. en provene. laslar, tr. Idler, van \'t later lat. tocure, aanraken; li. lasle, de greep aan de luit) de toetsen (tr, touches) klavieren, claves aan orgels, forie-piano\'s enz.; — tas-ten-instrumenten, snaar- of blaasspeeltuigen, die met toetsen of kleppen zyn voorzien; — tastatuur, f. (li. taslatura) liet loetsboni, klavier- of greepwerk (vgl. claviatuur, manuaal en pedaal); — tasln solo, 11. liet aanslaan der enkelvoudige baslonon, zonder ac-coiupagnement; — tastióra, f, it. bet loetsbord ; — sulla lasliéra (spr. soella—) heteekent by strykliislrumcnlen, dat de snaren zeer ver van den kam moeien gestreken worden.

Tataar, z. Tartaar;-tatar-aga, m, turk. de directeur der koerlerposien; - talari-cus, a, urn, lal. Hol. Tariaarsch, uit Tarlarye afkoinstig.

Tate, in. Joodsch-dullsch de vader.

Tatianisten (spr. ti=lsi), in, pi. eene gnostische secte, in de 2de eeuw door Tall-iïnus uit Assyrlii geslicht, ook Severlanen en E u k r a 11 e t o n gebeeten.

tatillonneeren, fr. (laliltonner, spr. ta-titj—, van Idler, aanraken, voelen) romlsnulfe-len, zich om kieinlgbeden liekomineren; ook wauwelen, klelsen, ai ie wijdloopig verbalen;

— tatillonnago, fr, (spr. tati-tjondazj\') snuf-feiary, kleingeestigheid; gesnap, gerei, gewauwel;—tatonneeren, fr, (Idlonner) rondlas-len; Piel. eene onvaste band bebbcii, mei vrees-aebtige of scbroomachtige band werken; wel-felenil handelen.

tatouoeren (spr. tatnc—, fr, tatouer, eng, to tattoo, tallow: van pollneslsciien oorsprong; In de taal van Tonga tuttaoe, van de Marquesas tatoe, van Tahiti tatnoe, dat in \'I alg lee-ken, tcekenlng, schrlfi, schilderwerk en, gciyk hot nleuw-zceiandsche tataoe, tellen, rekenen heduiili) bel lichaam met verschillende \'Iguren heprlkken, over welke men vervolgens een kleurend vocht wryn, geiyk vele wilde volkeren In Amerika en op de eilanden der Zuidzee plegen te doen.


-ocr page 1239-

TEATOTALER

1211

TAÏTERSALL

Tattersall, m. ciik. eon het eorst door It. Tattersall in lquot;quot;7 to Londen gostlchte, nu ook In andere groote sleden beslaande paarden-lieurs voor vrienden van turf en sport (i. «ld ), tol verkoop van paarden, HfrekcnInK van weddenschappen enz., z. corner.

Tatu, hraz. en port. (sp lato) hel gordel-dler, 7.. v. a. arm ad II.

Taurat, ni. hehr. hel Oude \'l\'eslament hg de Joden.

Taureadór, n. (van \'l gr. lauréi, dora, van (««ros, lat. taurus, slier en (lord, vel) elg. een vel van runderleder; eene zweep, geesel, liullepees; — tauriliën, lal. (lauriha) en taurobolïën, gr. pl. sllorenoircrs ter eere van Gyhele of Kliea; — taurokólla, f. gr. (van kólla, lUin) sllerenlUm, uil de poolen, ooren en pozen van hol rundvee, do heste dlereniym;

— taui\'omachie, f. hel siicrengevecht, de kunsl om slieren le hovechlen; — tauro-phaag, m. een sllereneler; - taurophö-uus, m. stlerendooder, hynaam van Hercules;

— taurus, m. het ide der 12 storrenheelden van den Dierenriem.

laurirus, a, um, lal. liol. T\'aurlsch, van \'l Taurlsche gehergto.

Taut, z. I\'hol.

Tautacismo, n. nw.lal. (van\'l gr. Inuln, samengetr. uil lo auló, hetzelfde) Log. hinderlijke gelUkluldendheld van illclil hüeenslaande lettergrepen of woorden, of ophooping van ge-lykluldende of In klank naar elkander le veel zweemende plaalson; tautochróne, f. gr. Malh. z. v. a. Isochrune (z. uld.); — tau-tochrónisch, adj. gclgkUidlg, geiykdurcnd;

— tautoelironisme, n. de gelUkHjdlgheld;

— tautogram, n. een gelgklellergedlchl, mei dezelfde nnnvangsletters der regels of woorden; — tautologie, f. (gr. laulnlonin) de on-noodlge herhaling van het reeds gezegde, woordverspilling, woordherhaling; vgl. pleonasme;

— tautológisch, adj. hetzelfde zeggend, ge-lykheduldend, onnoodlg herhaald; — tauto-motrïo, f. de geiykmnligheld, stipte en slaaf-sche herhaling van dezelfde versmalen; — tau-tophonie, f. de voorlgezelle herhaling van denzelfden loon, geiykluldendheld.

taveleeren, fr. {taveler, v. lablc, oudfr. lavele, hel bordspel, damspel, dus oorspr. het aanzien van oen damhord geven) Piel. spikkelen, vlekken.

Tavern, f, eng. (spr. Ié o vera) z. v. a. hel fransch taverne = t a heme, z. aid.; ook de tegenwoordige naam van zekere openhare eollnrlchllngen le London, waar men zeer goed en lameiyk goedkoop hodlenrt wordt; — ta-vernïcus, m. mld.lat. voorzllter-dor magnaten In llongarye, aai\'lssladhouder.

Tavöla, f. II. {Idvola = lal. tabula, plankje) In Noord-ltalIB vroeger oen vlaktemaat = I vlerk, port Ie a of jhq g I o r n a la (z. aid.); — tavo-letta of tavolózza, f. hot verfhord, palet.

Tawar, towar, m. ruslt;. waren, snuls-loryen.

Taxe, f. fr. (provenc. en mld.lal. laxa, v. \'I lal. taxure, schallen) de vastgestelde prys, schattlngprys, waarde-aanslag, waardehepallng, prysvoorschrlft of pryszeltlng, de hroodzoltlng; de helasllng, hel hoofdgeld; — tol slnlae, mld. lal. z. v. a. jura slolae-, — taxeeren, lat. [taxare) schallen, waardeeren, de waarde of den prys hepalen; aanslaan, eene helasllng opleggen; ook heschuldlgen, herlspen, wraken;— taxatum, m. het geschalle, hopaalde; — pro laxiito (Iels overnemen), voor hel geschatte of den geschatlen prys; — taxatie (spr. lie =lsie) f. (lal. laxutto) de prys- of waavdehe-pallng, schalling of waardeering eener zaak, aanslag; ook taxeering; - taxator, m. nw.lal. een schalier, pryszeller, waardehepaler, fr. I a x a t e u r.

Taxis, f. gr. van lassein, stellen, schikken) In \'I alg. rangschikking, plaatsing; Inz. de slagorde, het gelid; ook eene legorafdeellng; (jhlr. de kunslmallgo lerughrenglng van ile uil hunne natuurlgke ligging geweken doelen, h.v, van eene hreuk door enkele samendrukking daarvan; — taxiarch, m (gr. Inxiarchos) aanvoerder eener groote legerafdeellng, veldoverste; — taxiarchie, f. de post van zulk oenen aanvoerder, hel aanvoerderschap; taxider-mie, f (juister derm o- of der mal ola x U, van derma, huid) elg. hel schikken der huid; hel kunstmatig opvullen der dierenhuiden; ook de aanwyzlng om dieren naar den regel op te zeilen on to hewareii; — taxidermist, m. een opzoller van dieren; — taxiderm, f, een opgezel dier; — taxiologio en taxi-onomïe, f. de leer der rangschikking, system a l ie k.

Taxisboom, z, I a x u s.

Taxódon, n. gr. een mulsachlig voorwe-reldiyk dier, van de grootte des ollfanls, In Amerika gevonden.

Taxus of taxisboom (gr. Idxos. lal. Idxus) do gve, gvehoom, een naaldhoulhoom mei vergiftige eigenschappen.

Tayau, tayaut of taïaut, fr. (spr. lajó) ho, ha, ho! toeroep des jagers aan de honden, als hij hel lierl ziel.

Tay-toec, m. de lllel, dien in China de vermoedeiyke erfgenamen der kroon dragen.

tch— (russisrhc, lurksche en indische woorden, die soms, vooral door de h\'ranschen, mei deze aanvaniislellers geschreven worden, zoelte men op tsj -).

Te, henaming van vele inynfornuizen van den vorm eener T, om eenig werk te doen springen; ook een winkelhaak van don vorm der T.

Teakhout, ook tek- of tiekhout, n.

malahaarsch {Ihcka of lekka) een zeer vast en duurzaam hout voor den scheepshouw, van den reusaclitigcn oostind. liekhoom [Tccloma qran-dis) z. djati-hout.

Teatótaler of toatótaller, ook tee-tótaler, m. eng. (spr. lie—, v. lea, thee en lotal, geheel, dus woordelgk; geheel en al thee.


-ocr page 1240-

TEBERARAS

1212

TEKST

slechts thee; v. u. van hot lieweerdo lorscho teetotal, goliool on al) honnnitriK van do matlR-lioldsvrlomlon of lodon van do matlgholdsgo-noolsclmppon in lorland, die zich allo hcdwol-mondo dranken, gocn uitgezonderd, onliopaald on onvoorwaardelijk onlzegRcn en slechts thee drinken; —toatotalisme, n. hun stellingen on leefregel.

Toboriiras, in. pl. porz. hcdelmonniken in Porzili, op do wüzo dor Dervvlschon.

Tebéth, m do Ido maand van \'I hurger-lijke en do Hlile inaand van \'I kerkoiyko Jaar l)U de llehrnjeii, aan onzen Decemher heant-woordende.

Tebib, ai. arah. (thahib) eon arts.

Tecódon, f. (gr. tlkedon, v. lëkein, smelten, zich oplossen, enz.) tering, uillering.

Technematotheek, r. gr. (v. térimemn, iets kunstig hcwerkts, kunstwerk, van teclmBn, kunstig arhoidon, téc/ini, kunst) eone kunstkamer, kunstverzameling; — techniok, toch-nika, f. (gr. lechnilcë, van téchnc, kunst) in het alg. kunst-en liandworkshedrgviglieid\', uil-wendigo kunstmatigheid of kunsthodroventieid, kunstvaardigheid, handgrepen; kunstleer, loer der kunstregelen, leer van do regelmatige behandeling van het uitwendige (maleriBole) deel dor heeldende kunsten; de kunsttnal, kunstwoordenleer; — tochnïcus, m. een kunstkenner en kunstoefoniuir, kunstervarene, kenner on uitoefenaar der uitorll)ko kunstregelen; Iemand, die met den aanlog on de werking der inrichtingen en werktuigen voor industrie hekond Is, kenner van een bepaald bedryt; — téch-nisch, adj. (gr. technikós, e, nn) kunst- of handwerkmatig, lol do kunst behoorendo, volgens de kunsttaal; — lechnische uitdrukkingen (lat. termini technici, vgl. terminus), kunstuitdrukkingen, kunsl woorden, eigenaardige benamingen van voorworpen, die bijzonder aan eene kunst of aan een hodrijr toobohooren, de eigen bewoordingen van eene kunst, een he-dryf ot handwerk; — technische verzon, die gemaakt zyn om het geheugen te ondersteunen, gelieugeii-rymen; — technicisme, n. nw.lal. behandeling volgens do voorschriften der kunst; — tochnoglyph, m. gr. een kunstig gesneden steen; — technolith, rn. een kunststeen, eene kunstige steenmassa; — technologie, f. de kunstleer, kunst- en hand-werksbeschryvlng of -geschiedenis, hodrgfsknude, bedryfsleer; — technologisch, adj. kunst-beschryvenil, liedrijfskundig, tot de kunst- of bedryfsgeschledenis behoorendo; — techno-mórphen, pi. beeidsteenon; — techno-peegnion, n. eone kunst-aardigheid, kunstig speelwerk, Inz. eon gedicht van kunstigon, moct-lyken vorm, b. v. met rogels, waarvan do begin- of eindletters leis bijzonders hetoekenen.

Techum sabbath, m. hehr. de sahbatlis-grens, de sabliatlisweg, z. sabbath.

tectum, n. lal. (van tegtre, dekken) het dak; sub tectn coeti, onder het dak dos hemels, onder den vryen of open hemel, in de open lucht;

tecte, adv. bedekt, overdekt, verborgen, geheim, heimelijk, onder do hand; — tecto nomfnc, met bedekten, verzwegen naam; — tectuur, f. de bedekking, bel hedoksel, do papleren bedekking van een waszegel, van een artsenyglas enz.

To-Deum of Todéum, n. (van de lat. aanvangswoorden: 7\'c Deum taudamus, etc. d.i. U, o God! loven vvy, enz.) do ambrosiaansche lofzang, door don II. Ambroslus, bisschop to Milaan, in de ido eeuw gemaakt; in \'1 algemeen een lofzang, inz. hy behaalde overwinningen.

tediëus, z. liBdidus.

Teem, z. taïm.

Teetotaler, z. tea tot al er.

Tefoen of Tefnet, f. eene egyptischo godheid, die met een leeuwenkop wordt afgebeeld.

Tefterdar, z. deftordar.

tegeeren, lat. {teuire) bedekken, veilioi-meiyken; — tegumónt, n. (lal. teijuméntam) in \'t algemeen bedekking; Inz. huidvlies, vliezig bekleedsel.

Teint, n. fr. (s|ir. te in van tcindre — lat. timjere, verven) de kleur, tint, gezields-of huidkleur; Piel. do graad van sterkte, dii\'ii men aan de kleuren geefl; huid, vel; — teinte de passage, fr. (spr. teiit\' de pussaazj\') overgangsklour, eone l)y het draaien van den analysalor in den saccharimoter zich snel vor-toonende en weder verdwynendo kleur; — teintuur, f (spr. tciitmir) verf, het kleurend vocht, do vloeiende verfstof, de verving, kleuring (vgl. tinctuur); onelg. de oppervlakkige kennis.

Teiresias, z. Ti ros las.

Tekkie, turk. (tekkiéh) oen klooster van derwlschen, monnikkiooster in Turkye.

Tekmarsis of tekmarse, f. gr. (van tekmairein, aanduiden, kenmerken; uil kentee-kens vermoeden; van tékinur, kenleeken) hel gissen, vermoeden of opmakon uil kenteekens; inz. Mod. do gissing, liet vermoeden aangaande do vorhorgen zlokleverschynselen of -loovallon.

Teknogonio, f. (van téknan, kind) de kin-derleling of -verwekking, kindorwording, ook teknopoeie; - teknoktonie, f. gr. kindermoord; in liet strafrecht: do kindermoord, dien eene moeder aan haar pasgeboren kind begaat.

Teko, m. naam, dien men op Hanka geeft aan het kind van eenen Chinees en eene Ma-lelsche.

Tekst, m. (van het lat. leitus, elg. bet geweveno; vervolgens in bet algemeen samenvoeging, van texlre, weven enz ) do samenhangende woordverbinding van eene rede of een goschrlft, do grondtaal, hot hoofilgeschrlfl, hoofdwoord eens sehryvers, in tegenstelling mot de aanmerkingen, noten, kanttcekenlngen, glossen enz; Inz. eene bybelsche grondspreuk, hybel-piaats, de grondslag, grondstof oener leerrede; vandaar onelg. eone vermaning, terechtwyzlng, bestralling, b. v. lomand den tekst lezen, hem zynen iilieht voorhouden, doorhalen enz.;


-ocr page 1241-

TEKT1SCH

TE LING A

I\'213

de WDordon van cen zmiRstuk, in tegensl. met lt;ln muziek, lgt;. v. oporn-tekst, tokslliook enz.; ook ili\' heniiinliiK ooner soort van ilruk-lotlors tussclion paragon en uugustUn (z. druklottcrs); — textuur, f. lat. (textüra) hot weefsel, sa men voedsel, ile verliiiullng, sclilk-klng, wyze van aaneenvoeging der moleculen of samenstellende deolen van cen lichaam.

töktisch, adj. gr. (Uklikós, ê, dn, v. léklein, smelten) smeltend, oplossend.

Tektoniek, tektomka, f. gr. {Ichlo-niki, elg. de kunst van den lékton, den llm-mennan of schrynwerkor) de kunst om op houten of metalen voorwerpen beelden aan te brengen.

Tokwimi-Wakaï, pl. turk. (van\'t arah. lakwlm, schrijftafel, dagboek en wakdx, pl. van wakyal, geheurtenis, voorval) dagboek der gebeurtenissen of voorvallen, de naam van de sedert ls:il opgerichte oltlcleele turksche courant.

Tola, 1) f. lat. weefsel; Ital. weefsel, Ign-waad, linnen; — i) (perz. lild, goud) een per-zlscli goudstuk, dat In den aanvang van leder Jaar en hij veranderingen van regeering geslagen werd en t perz. dukaat ot ongeveer S gid. 7S centen waard was.

Tolamon, rn. gr. {lelamun) een lederen draagriem, bandelier; Med. een linnen band, inz. tot ondersteuning en lol dnigen; — tela-mönen, pi. Arch, draagimlken, dragers, lastdragers, mannelijke heelden, die een gebinte dragen = a 11 a n t e n.

Telehinen, pi. (gr. Telclmm, woliicht van Ihélflcin. hetooveren) metaaikundigo zwarle-kun-stennar op Kreta en Rhodus; in het alg. too-venaar, heksenmeester.

Teléga, f. russ. cn poolsch, een lichte lioe-renwagen.

Telegraaf, t. gr. (van Iele, ver, veraf en iirdphcin, schrUven) een vérschrUver, eik (opliscli en elektromagnetisch) toestel ter snelle mede-dooling van berichten op groote afstanden; — telegrafist, ni. een beambte van de telegraaf; - telegram, n. hel door de telegraaf medegedeelde, het tclegrapblsch bericht, een drandbericht; — tolegrapheeren, met de telegraaf berichten mededeelen; — telegra-phio, f. de vérschrijfkunst, de wetenschap der telegraphon;tolegraphisch, adj. lot die welenschap bebooremte; — teloïkonogra-phio, f do kunst om hooiden van zeer ver verwydordo voorwerpen op te nemen; — te-lelaal, m. (v. lulcin, spreken) een vorreroo-per, scheepsroeper; — telelalio, f. de verre-spraak, de kunst om naar verren afstand de stom over te brengen; —telemeter, m. een afstandsmeter; — telometrie, f. do afstandsmeting; — tolemikroskoop, m. werktuig om oen beeld van verwijderde voorwerpen te vergrooton; — telephoon, f. een verrespreker, spreeklelegraaf, een toestel om geluiden door een olektlschon stroom voort te leiden en •over te brengen; — telephoneeren, door middel der telephoon lierichten; — telepho-me, f. de vorreroeperU mot spreekbuizen; thans inz. de overbrenging van geluiden door den elektlsclien stroom; — tolephoniek, f. de kunst der teiephoiile; — tolophonisch, adj. op de teleidioon of de teiephonie betrekking hebbende; — telophrasje, f. de verrespreekkunst; — teleskoop, m. (van skopcin, beschouwen) oen verrekijker, inz, spiegelverrekijker, een groote verrekijker met oen woorkaat-sendon spiegel; — teleskopïe, f. do leer der verrekijkers, dut deel der optica, dat over de leleskopen, hun samenstelling on gebruik handelt; — teleskópiach, adj. wat den teleskoop betreft; slechts door den teleskoop waar te nemon, 1). v. zulke sterren (teleskopische sterren); — telestereoskoop, m. een door Holmhoitz uilgevonden, op groote schaal onder aanwending van spiegels ingeriebte stereoskoop (z. aid.), om llehameiykc gezieli-ten op verwijderde voorwerpen (landschappen, enz.) te verkrijgen.

Telemachus, gr. (Tèlémclm, de uit de verte strijdende) mansn : de zoon van Ulysses (z. aid.)

Teleobranchiën, pi. gr. (van télfos, a, on, volkomen, geheel, en brdnehion, vlschkieuw) kraakbeonvtsschen met volkomen kieuwen of met kleuwbedekkingon en kieuwvliezen; —te-leobranchisch, adj. met kieuwdeksels en kteuwvliezen voorzien; — toleosaurus, m. gr. (vgl. sauriërs) een voorwereldiüke fossiele krokodil.

Teleologie, f. gr. (v. lélos, n. doel, oogmerk) de doelleer, loer van de eindoogmerken der dingen en der doolmatlgheld iu de inrichting dor wereld; — teleológisch, adj. het doel of de doelleer betrelfondo.

Telephïum, n. Mod. eene hoosaardige, ongonoosiyke zweer (naar men wil van Telc-phus, een zoon van Hercules, die van Achilles voor ïroje een wond ontving, die niet wilde genezen); — telóphisch, adj. moeteiyk genezend, kwaadaardig.

Telephoon, teiephonie, enz. teleskoop, z. oud. telegraaf.

Telésrna, n. (van \'i gr. tetim, voleinden) de voleinding; een loovorihliidei (vgl. lalls-m a n).

Telosphórus or telosphoor, m gr.

(leleshörns, lot het doel brengend, voleindend, van lélos, doel, en iihérein, dragen, brengen) de voleinder; Mvtb. de god der genezing, de ztokle-eindlger, gewone begeleider vnn lisku-laap en van tlyglea, naast wie hij als oen kleine knaap mei eene muts op bel hoofd en in oenen rnantot gehuld verschynt.

lel esl nol re iilaisir, fr. (spr. lel !■. nolr\' plè-zier) dal is ons genoegen, zoo gevalt hot ons, zóo willen wy hel; In di\' kaïiselarytaal der oud-fr. regeering het sloiformulier der verordeningen, enz.

Telestereoskoop, z. ond. telegraaf.

Telinga, z. teloogoe.


-ocr page 1242-

TELLE QUELLE

1214

TEMPEREN

lelie quelle, fr, (spr. IcII\'kiUI\') i. v. a. lati-ler qmtfler (z. aid.).

Telline, f. Kr. (lellinè) eene soort van vlak, Iwoeschallg schelpdier; —tellinieten, m. pi. vorsloenlngon daarvan.

Tellus, f. lat. (genlt. lelluris, de aarde, aardifodin. Oma, z. aid.); — tellurisch, adj. nw.lat. aurdscli, tot de aarde bohooreml, van hare kracht of werkzaamheid uitgaande; — tellurisine, n. het aardgoheel, aardwezen; de natuurkracht der aarde, hol aardstelsel; ook z. v. a. dierlijk magnetisme; — tellurium, n een werktuig tot aanschouwelükma-klng der aard- en maanheweglng; ook z. v. a. tellurium-metaal, een in ns2 ontdekt liyzonder motaal, naar het antimonium gelg-kende; in verhlndlng met zuurstof vormt het do tollurlge zuren en de toll uur zuren; — telluriden, pl. verhlndlngen van het tellurium met elektronogatlevo metalen; — telluroten, pl. verhlndlngen van tellurium met elektroposltlevo metalen.

Teloegoe ot Telinga, naam eener oost-Indische taal van don dravldlschen stam, die door ongeveer 1 mlllloen menschon wordt gesproken; vgl. dravldlsche tulen.

Telyn, f. do Hor der oudnoordscho zangers.

Tom., hü natuurwetenschappelijke hena-mlngen afk. voor J. C. Temmlnck (gost. IHöT te Lolden).

Teménna, m. arah. (v. minui, wensclien, lamanni of lamunna, wonschend) de oostcrsche hegroetlng, waarhy de haml eerst op het liart en dan op hot voorhoofd gelegd wordt.

lemëre, adv. lat. toevallig, zonder overleg, op goed geluk af; lem re ligtlans, moedwillig twister of procesvoerder; — temerair, adj. (lat. temerarius, u, urn, fr. téméraire), onhe-zonnen, onbedachtzaam, vermetel, koen, euvelmoedig; — temeriteit, f. lat. (temenlus) do onbezonnenheid, vermelelheld, onbesuisdheid, roekeloosheid; lementas liligdncli, moedwillige strijdzucht.

Temin, m. (turk. li min) eene kleine re-kenmunt te Algiers en Smyrna.

Temonatïcum, n. nw.lat. (van \'t lat. lernn, in. dissel) disselgeld.

Tempe, n. gr. elg. oen door de Ouden wegens hare hekoorlijkheld geprezen dalstreek In Thessallö tusschen de borgen. Olympus en Ossa; vandaar In \'t algemeen oon schilderachtig dal, lustoord.

Tempeest, n. lat. ilempéslus, f. 11. lem-pésla) een storm, onwedor, Inz. zeestorm.

Tempel, m. (van het lal. lemplum, n. oorspr. eene afgezelle heilige plaats) een godshuls, aan den godsdienst (Inz. den heldenscben en joodschen) gewijd gebouw, onderschelden van kerk; ook een groot gebouw Ie l\'arys, dal In als woning voor de tempeliers gebouwd werd, en later door de gevangenschap van Lodewük XVI algemeen hekend Is geworden; - tempeliers (mid.lal. leni/ilarïi), ook tempelridders, tempelhoeren, eene door de kruistochten In lil!) ontstane geestelijke ridderorde, die van koning Boudewijn II van Jeruzalem eeno woning in de nahübeld van den voorin, joodschen tempel verkreeg, en In den aanvang der tide eeuw door paus Clemens V en Pbillppus den Scboonen van Frankrijk werd opgeheven on uitgeroeid; de uitspattende levenswijs dier ridders heeft aanleiding gegeven tot het sprw.: drinken (z u I p e n) als een tempelier, onmatig drinken, zuipen.

Tempora- of « lempera-sohilderij, tempera-platen, enz. It. (van Umpera, d. I. elg. leder vloeibaar mengmlddel voor droge verven) zulke, waarbij de kleuren met de melk van jonge vygeloten en met eigeel zijn vermengd; — tempera al secco, schilderwerk op droge wanden.

temperen, tompereoren, lat. [lem-perare) matigen, verzachten, minderen, beperken; in de ijzersmelterijen: gegoten waren door gloeiing tusschen koolpoeder en boenderasch weeker en taaier maken, haar de brosheid benemen, ook adouceeron; getemperde lucht, gematigde, matig warme lucht; temporee r- of t e m p e r - o v e n, een koeloven; tempereer-poeder, koelpoeder; — tem-përans, n. Mod. een koelmlddel, verzachtend middel; pl. temperantia (spr. ti—tsi)-, — temporanee, f. eng. (spr. lémpenms) do matigheid, vgl. tempe ran tie; — tempe-rance-men, pl. leden der verschillende matigheidsgenootschappen In Amerika; — tem-poranco-hails, pl. maligbeldszalen, verzamelplaatsen dor leden van matigheidsgenootschappen; — temperament, n. lal. {tem-peraméntum) elg. een verzachtend, matigend middel, middelweg, bemiddeling, tusschenkomsl, matiging; Inz. de eigenaardige bloedmenging of de verbinding van het geestelijke en lichamelijke In den mensch, waarvan zijne wg/.e van gevoelen en denken afhangt, de blijvende, doorgaande toestand van bet gevoelvermogen, de natuurlijke gemoedsstemming, natuuraanleg, natuurneiging (de vier temperamenten: het cholerische, sanguinische, phlegma-t i s c h e en m e I a n c h o 11 s c h o, naar don voorslag van een der nieuwere wysgeeren te vertalen door: bet quot;kloekmoedige, biymoedige, ge-lykmoedlge en zwaarmoedigequot;) ook levendige zinneiykheld, overhelling tot wellust, b. v. voel temperament hebben, veel aanleg tol zln-neiykheld of wellust hebben; — tompera-montsfout, f. een fout waarin een mensch tengevolge zyner gemoedsgesteldheid licht vervalt ; temporamontsdeugd, f. eene deugd, die Iemand krachtens zyne natuur zeer gemak-keiyk valt; — temporantio (spr. tie=lsie) I. (lal. tcmporaniïa) do mallglng, matigheid, ingetogenheid; — temperatuur, f. (lat. temper at n ra) de matiging, verzachting; de warm-tetoestand, warmtegraad, Inz. der lucht, luchls-gesteldheid len opzichte van warmle en koude, droogte en vocht; Muz. de inrichting der toonladder, volgens welke men aan bepaalde tonen


-ocr page 1243-

TEMPÉSTA\'S

TENDER

1215

lets van hunne zuiverheid ontneemt, opdat alle Intervullen In hehooriyiio verhouding hlljveii.

Tempésta\'s, pi. (vgl. tempeest), Plet. onwedors- of stonnlnfereolen, schilderstukken, die stormen en onweders voorstellen, zeestormen-, — tempostatiof, nw.hit. (tr. tempus-lalii) of tempestuous, lat. (tempestuosus, a, urn), adj. stormnchtlg, IiuIIk; onelg. hulde-rend, razend en tierend, twistziek; lempestóso, It. Muz. onstuimig, stormachilg, zeer lievig; — tempé te, f. tr. (spr. laiipM\') een storm, on-weder; oen stormachtige dans.

tempestief, adj. lat. [tempestivus, u, um, v. tempus, z. aid.) tijdig, te rechter or bekwamer tijd, te gelegener tyd, van pas, ter snede.

Tempête, z. ond. tempestas.

Templinum-olie, f. (nw.lat oleiim tem-plinum) kromlioutolle.

Tempo, n. pi. tempi, It. (van \'t lat. tempus) de tyd, Inz. de rechte tyd; de tijdmaat In de toon- en danskunst; Mil. argemeten beweging, handgreep; — a tempo. It. of a temps, fr. (-ipr. « tail) of de tempore, lat. tüdlg, volgens de lydsomslandlghedon, te rechter tyd; — at tempo «f al rigóre (li tempo, Muz. nauwkeurig of gestreng naar de lydmaat of den tact;

— nel tempo, In de tijdmaat; — tempo cóm-modo, Muz. In gemakkeiyke tydmaat, In rechte beweging; — tempo di hallo, In dansbeweging;

— tempo di polacca, In do beweging der p o-lonalse; — tempo di prima [parte), beweging van het eerste gedeelte; — tempo giusto (spr. —dzjneslo) Muz. de roebte, gepaste maat volgens den aard e( den geest van het sluk; ook In gepaste bewoging; — o tempo primo, in de eerste tydmaat; — tempo rubato, z. rubato tempo-, — tempi passati: verledene ty-den! dat is voorbij; dat bobben wij gehad! — tempo-rekening, z, v. a. conto di tempo (z. aid.).

temporaal, lal. 1), (temporalis, e, van templus, pl tempura, do slapen) Med. tot de slapen bebooronde; lom por a a I-a rtc r lo, t. de slaappolsader; -2) z. ond. tempus.

tempteeren, temptatie, liever lenteeren, 1 en lal Ie (z. aid.).

Tempus, n, pl. tempora, lal. de tyd; tempus edax rêrum, de lyd die alles verwoest; tydvorm van een werkwoord (vgl. pr ie sens, prieierllnm en futurum); — tempus clau-sum, besloten tyd (vasten- enadventtyd) waarin liet hrulioftvieron verboden is; — ad tempus, voor eenen lyd lang, voorlooplg; — ad tempus mtae, levenslang, voor hot geheele leven; — de tempore, ■/.. ond. tempo; — ex tempore, zonder dralen, op staanden voel, voor de vuist, zonder bezinning; — hoc tempore, afgek. h. t., Ie dezer tyd, thans, nu; — pro tempore, afgek. p. t., thans, heden, voor het tegenwoordige; — o. tempora, o mores \' o tyden, o zeden 1; — tempura mulantur el nos mulumur in ittis, lal. sprw. -. de tyden veranderen en wy veranderen mei hen; — temporaal (lal. temporalis, e) of temporooi (fr. tem porei).

adj. tydeiyk, weroldiyk, vergankelijk, aurdsch;

— tomporalïën, pl. (temporaUa) wereld-lyke voordeeion, Inkomsten, die de geesleiyk-held geniet; — tomporair, adj. lal. (tem-poranus, a, um), voor eenen igd, voorbygaand, niet duurzaam, veranderiyk; — temporalist, m. een aanhanger en verdediger van de we-reldlyke niacht des pausen-, — tompora-rium, n. Iels vergankeiyks, onbestendigs j — temporisooren (fr. temporiser), op den tyd zien, zich naar den tyd schikken, zich naaiden loop der tyden of de tydsomstandlgheden voegen; eenen meer gunstigen tyd afwachten, dralen, talmen, opschorten; de huik naar alle winden hangen; — temporisatie (spr. tie— tsie) f. de draling, verschuiving tot geschikter tyden; — tomporisour, m. fr. draler, lal-mer. Iemand, die zich voegt naar den tyd.

tomulént, adj. lat. (lemuléiUus, a, um) tuimelend, suizebollend, dronken; — tomu— léntio (spr. tie—tsie), f. (lat. temulenCta) de dronkenschap, bedwelming, tuimel.

tonabol, adj. fr. [tenable, van tenir, houden) houdbaar, verdedigbaar.

Tenaciteit, tenaculum, z. ond. lenax.

Tenaille, f. fr. (spr. tenalj-, provenr. tenalha, II. tanagtia, van \'t lat. tenaculum, pl. tenacüla, v. lenax, vasthoudend, v. tenire, houden) de lang, nyptang; Fort. een tangwerk, schaarwerk, zulk een vestingwerk, dat twee faces heeft, die een Inspringenden boek vormen en dienen um eene cour 11 ne de dekken ;

— tonailloeren (fr. lenailler), mot gloeiende langen knypen of pynigeii; in den vorm eener wig of kegge afpiinten; — tenaillons, pl. (spr. tenaljóu) Fort. bolwerks-ooren, lunetten eener halve maan, die hare faces dekken en deze tot eene soort van dubbele con t rega rd o dienen.

Tonakel, ■/.. ond. lenax.

Tenant, in. eng. (spr. lénnentfr. tenant, van \'I lal. tenens, houdend, sell, locum, de plaats, dus oorspr. plaalsliekleeder) pacbler, pachlhoe-venaar; leenman.

lenax, lal. (v. tenire, houden) vaslhoudend; laat; vast, bedil, standvastig, iluurzaani; lerug-boudend, karig, vrek, deun; — tenaoitoit, f. (lal. /enaeïtas) liet vastiiouden, de kracht om iels vast te houden; de volbardendbeid, liard-nekkigheid, vaslhondendheld, karigheid, deun-beld, vrekheid; ook taaiheid, rekbaarheid der metalen; — tenaculum of tonakel, n. de liaiidscbrllihouder, nyper der letterzetters, een gespleten hout om het handschrift, dat gezel wordt, in vast te klemmen en liet oog des zetters eene bepauldo richting te geven; ook een lieelmeeslers-workluig, Inz. om gezwellen, die men snyden wil, vast te houden.

Tondak (malciscti tandal!, dans, danseres) een javaansch eenvoudig ballel, door naakte danseressen uilgevoerd.

Tendentie, z. ond. lendeeren.

Tender, m eng. (van to tend = attend, fr, allendre, wachten, bedienen, begeleiden) hel


-ocr page 1244-

TENDEEREN

121G

TENUTA

licgcloldlngsviuirlulg van eon Hnlosclilp tol ovcr-lirongliiK van bevolen en Hjdlngon; ook hol uan oenen sloomwagon toegovoogdc voertuig of de wagen, die sloenkolen en water niedo-voerl.

tendoeren, lal. (lemiere) spannen, ull-rekken; streven, trachten, doelen, licdoelen, het oog o|i leis hehhen; — tendentie (spr. lie= Isie), f. nw.lal. (fr. tendance) het streven, de helling, neiging of richting naar een doel, do strekking of hcdoollng, 1). v. van een boek; — tendenz-roman, m. hgd. een roman, die liepaaldo artistieke, politieke, religieuse of sociale ieerslelllngen ontwikkelt j — tónsie, f. lal. (tensfo) de rekking, spanning, uitrekking, gespannenheid.

tendinous, adj. nw.lut. (fr. temlineux; van liet nw.lat. temlo, fr. tendon, de pees) peesachtig, van den aard der pezen.

tendrc, fr. (spr. taiidr\': van \'t lat. lener) teeder, teer-, week, zacht, murw, malsch, gevoelig, weekhartig, weekeiyk, weemoedig; — tendre, n. teedere neiging of voorliefde (een tend re voor iets of iemand lie hl) en); — tendresse, f. (spr. taiulréss\') de teederheld, hartelijke liefde; zachtheid, fijnheid, weekheid; — tendreté, f. de zachtheid, malschheld, murwheid der spUzen; — tendrons, pi. Kookk. zachte doelen aan siachtheesten.

Tenebrarius, later lat. of tenebrïo, lat. m. (van lensbrue, pl. duisternis) een duis-teriing, lichtschuw mensch; tiodrleger; — te-nebrionieten, pl. nw.lat. slulpkevers, dus genoemd wegens hunne somhere kleuren; — tenebrositeit, f. nw.lat. de duisterheid, donkerheid.

lenëre (tenen) lupum auribus, lat. (Ik houd) den wolf hü de ooren houden.

tinero of teneraménte, ook ron tenerézza, 11. (van het lal. lener, teeder) Muz. teeder, week, vleiend, llefeiyk, met teederheld.

Tenesmus, m. lat. (van \'t gr. tcnesmós of teinesmus, van teinein, uitrokken, spannen) Mod. stoelporslng, neiging tot afgang; — to-nesmódisch, adj. door stoelporslng veroorzaakt; daartoe lietrokklng hehhendo.

Tenétte, f. fr. (v. tenir, houden, vatten) Chlr. hot tangetje der heelmeesters en steen-sngders; ook de steeniepel; — tenet ! (spr. tené) elg, houiit! vat aan! ziedaar! hou vast! daar helit gy \'t!

Tenge of tenga, z. tanga.

Tennantiet, n. eene soort van zwavei-kopererts In Cornwallis (naar don heroomden eng. scheikundige Tennant, die In 1818stierf, genoemd).

Tenochken of Tenóchchi, pi. z. v.

a. Azteken (z. aid.), van wie hunno hoofdstad T e n o c h 1111 a n (of Mexico) haren naam draagt.

Tenontagra, n. gr. (van ténon, pees, vlocht) Mod. de peesjlcht; — tenontogra-phie, f. de peesheschrUvlng; — tenonto-logie, f. de leer der pozen; — tenonto-mie of tenotomie, f. de poesdoorsnUding,

peossnede.

Ténor, m. lat. (van lenëre, houden) de houding, onafgohroken voortduring, voortgang; vandaar uno tenure, la éenen samenhang, onaf-gehroken, in eens door; verder: de Inhoud; ook do manier, vorm, wtys; Muz. (van \'til. tenure, d. 1. elg. wys, melodie) de hoogere mansstem; lyrische tenor, een zaciite, inz. voor hel lied geschikte tenorstem, In legensl. met heldentenor; tenore primo, m. do eerste, hoogo tenor; tenore secundo, m. de tweede, lagere tenor; tenore buffo, m. hy, die in de komische opera de hooge mannenstem zingt (vgl. buffo); — tenorist, m. een tenorzanger.

Tensie, z. ond. tendoeren.

Tenson, z. tonzone.

Tentacüla, pl. nw.lat. (van \'t lat. ten-tare, voelen; vgl. tenteeren) voelwerktulgen, voelhoorns of -sprjelen, voeldraden; — ten-taculieten, m. pl. (van \'I mld.lat. tenia, fr. lente, leut; verklw. tenlacülum) eene soort van versteende piantdiertjes la de gedaante van voelhorens of kegelvormige buizen.

Tente-abri, f. fr. (spr. taiit-abH: van lente, tent en abri, z. aid.) fr. naam voor de In Algiers en In \'t algemeen la \'t Oosten ge-hrulkeiyke schuil- of rusttent, die aan den scha-dawkant open Is en niet als woontent dient.

tenteeren, lat. {tenture) elg. betasten, bevoelen, aangrypen; proeven, voorproeven; in verzoeking brengen, tergen, verlokken, verleiden, verzoeken, bekoren, aanvechten; beproeven; — tentamen, n. proef, voorproef, voor-looplg onderzoek, voorexamen; — tentatie (spr. lie—lsie) f. (lat. tentaCio) de verzoeking, verlokking, verleiding, aanvechting; — tentative, f fr (spr. tan ) do poging, proef, ondervinding; — tentiicor, m. lal een be-proever, verzoeker, verleider, aandryver of aan-porder tot het kwaad.

tenture, f, fr. (spr. lantüür\': mld.lat. ten-tïira, v. tendêre, uitspannon) hot hehangsei.

Tenuo, f. fr. (spr. l\'nuj v. tenir, houden) de houding; de wyze waarop men zich voordoet en gedraagt; bel uileriyk voorkomen inz. de militaire kleeding, de uniform; vandaar; en grande tenue, In groot tenue, In parade-uniform; en iietitc tenue, in klein tenue, in gewone of dageiyksche uniform; marschtenuo, marschkloeding.

Ténuis, f. pl. tenues, lat. (van tenuis, e, dun, sell, lillera) do vaste en harde medeklinkers, p, t, k (vgl. meilia); — tenuifalius, a, urn, lat. Bot. dunbladerlg; ook; smal-of kleln-biaderig; — tenuissimus, a, urn, lat. Hot. zeer dun of lijn; — tonuiteit, f. lat. (lenuïtas) de dunheid, dunte, magerheid, tljnbeld; armoede, armzaiigiield, geringlield.

Tonuta, f. It. (spr. lenoela ,■ van lenére, houden, bezitten, bewonen, enz.) I) een landgoed, eene hoeve; 4) ook tonüte (spr. tenoete) Muz. een rustpunt in een muziekstuk; een toon,


-ocr page 1245-

TERMINUS

TENZONK

1217

dien men eonon tydluiiB niinlioudt; — tcnüto, aaiiROhouden, gerekt.

Tenzóne, f. (It. temone, lema, provenr, lenson, tensa, oudfr. lenson, lence, stryd, wed-zang, v. \'t provonc. lensar, oudtr. lencer, strijden, bestrijden, verdranlen, nw.fr. lancer, ull-sclielden, als \'t ware lat. lentiSre, van lenêre, lentum, vasthouden, staande houden) stryd- ot wedzang, eene soort van vernuftige poëtische spelen by de provencaalsche dichters.

Teocalli, n. niexlcaansch elg. godshuls, een pyranildalo tempel der oude Mexicanen of Azteken.

Tephillim of thephil lim, pl. rabbijnsch (van \'t liehr. tcphilldh, gebed) smalle, zwarte lederen bldrlemen, die do Joden by het gebed om hoofd en armen plegen te wikkelen.

Tephroïet, n. gr. (van léphra, asch) de ascbsteen, eene asebgrauwe steensoort, uit kle-zelzuur mangaanoxydul beslaande; — tophro-mantie (spr. tie=lsie) f, de waarzeggory uit ascli, Inz. by de offers = spodomantle.

Tepidarïum, n. lat. (v. leptdus, a, urn, lauw) een lauw bad, eene kamer, waarin lauw gebaad wordt; ook eene lauwwarme broeikast met 5 tol It0 It. temperatuur.

Toplizy, pl. (spr. I=ls) slav. (van lepla, warm) warme bronnen, vandaar de geiyklui-dende naam van badplaatsen, zooals Teplltz. enz.

ter, adv. lat. driemaal.

Teratologie, f. gr. (v. Urns, pl. lérala, wondertceken) de (bybeiscbe) wonderlecr, licl wonderverhaal; Med. do leer van de misgeboorte; Phys. de leer van do onregelmatige vorming der planten en delfstoffen; — teratológisch, adj. de leer van de wonderen betreffende; — teratolith, m. wonderaarde, stoenmerg, yzer-sleenmorg; — teratoskopie, f. bet won-derenzion, b. v. in gewaanden bloedregen, enz.; de wonderverklaring, wonderaltlegging.

Terbium, n. nw.lat. een nieuwelingsontdekt metaal, welks oxyde (terblum-oxyde, terbium-aarde) met de ytleraarde overeenkomt.

Tercero, f. sp. (v. tercero, de derde) de derde soort; — tercerón, m. pi. terce-rónes of terceróns, sp. afstammeling van cenen Europeaan en eene Mulallin.

Terebellieten, in. pi. versteende schelpdieren van de soorl terobóllum, n. boor-schcipdieren (van bet lat. lerlbra, boor).

Terebenthine, f. fr. terpeniyn; — te-rebinthe, m. de terpentynhoom (z. ler-P e n t y n).

Terébra, f. lat. do boor, inz. als hoel-meestors-werklulg; vgl. trepaan; — tere-bratülen, pl. nw.lat. {terebralulae) boor-scbelpdleren; — terobratulieten, pl. ver-sleende boorsciiolpdleron; — terebnitie (spr. lie—tsie) f. (lat. lerebratto, v. Icrebrare, boren) de boring, hot aanboren, b. v. van oenen iioom, om bet sap, hel bars daaruit ie winnen.

Teredo, f. lat. (v. \'I gr. lerêdnn) de bout-worm, paalworm; Med. z. v. a. spina vcnlosu;

VIERDE IIIIUK.

— teredienen, pl. nw.lat. eene soorl van verstaonde boorscheipdieren.

Terella, z. lorroila.

Teretn, m. of n. oud-russ. (spr. sjérum) de vrouwentoren, het vrouwenvertrek, de afiiee-ling der vrouwen in de burgen der russ. staren.

lens, lal. Hot. rolrond.

Terêsis, f. gr. (van lêréïn, waarnemen, hoeden, enz.) nauwkeurige waarneming, bewaking.

Terëtrum, n. gr. (teretron, van Urêin, boren) boor, z. v. a. trepaan (z. aid.

ternidh, ». lal. lernn, m. 11. de rug, rug-zyde, keerzyde; — in lernn, op den rug, op de keerzyde eens wissels (vgl. ondosseoron);

— tergiverseeren, lal. {lergiversuri, elg. den rug toekeeren) uitvluciilon zoeken, dralen, aarzelen, slopende houden, op de lange baan zoeken Ie schuiven; — tergiversatie (spr. Iie=lsie) f. (lat. Icrfiiversatto) de uitvlucht, draling, aarzeling, omweg; — tergiversator, m. een draler, uilvluchtzoeker, sammehtar.

Teriak, enz. z. I her lak.

Term, m. (van \'I lal. terminus, z. aid.) grens, dool; woord, bewoording, uildrukking;

— termen, bewoordingen, eigen uildrukkin-gon van een of ander vak, kunsttermen; gronden, redenen, beweegredenen.

Termen, pl. fr. (van hel lat. lermfnus) grenssleenen, grenskolommea, grenszuilen

Termieten, m. pl. (fr. termites, termès, van \'l lal. sing, termes, tormes, genlt. tarmJtis, houtworm) bulieniandscho witte mieren, houl-luizon, eene wegens hunne leetwyze byzonder merkwaardige soort van Insecten, die In Afrika in grooto maatschappyen loven, zich kegelvormige woningen van 3 lol i motors hoog uil klei on aarde houwen, maar ook aan allo houtwerk, enz. vrooseiyke verwoeslingen aanrichten.

Tormijn, terminatie, terminee-ren, z. ond. terminus.

Termlnthus, f gr. [lérminthos, elg. z. v. a. terpeniynhoom) Mod. de liruino, zwarte pokken, bondsblaren, zwarl blauwe bloedzweren, Inz. aan de dyen (zoo gonoomd wegens de geiykvormlgbold mei de lerpeiitUnvrucht).

terminus, m. lat. de grens, bet doel; als eigennaam; Terminus, de god der grenzen, grensgod by de oude Romeinen; vandaar termijn, m. een grenspunl in den lyd, bepaald tydpunt; ook tydrulmlo of uilslel tol op een bepaalden tyd; Inz. Jar. een vastgesloldo recblsdag, de lol eene gerechteiyke hebande-ling bepaalde dag, eortyds do dagvaart ; — terminus, m. pl. termini, eene bepaald begrensde, nauwkeurig kenmerkende uildrukking, woord, inz. kunslultdrukklng; hoofdhegriii in eene slullrede, doel of Ud oener vorboudlng; ante lenmnurn prae/lxum (vgl. prmfigeoren) voor den bepaalden rechtsdag of termyii; — in termïno, in ipso terminoot in prnefi.ro ter-minn, op don bepaalden of vaslgeslolden dag, ten bepaalden lermyn; — in terminis (biyven), binnen de bohoorlyko grenzen; — in suis ler-

ll


I

-ocr page 1246-

TERNAUX

1218

TERRA

minis (laten), by zyiie uitdrukkingen, In zyne grenzen, hy zyn ambt, enz.; — casus in terminis, z. casus; — terminus a quo, hel imn-vangspunt of tydpunt, van hetwelk men Iets moet rekenen, ile heglntyd, aanvangstyd; t.ad i/itcm, het tydpunt, tot op hetwelk men Iets moei rekenen, do elmltyd, cliultermlln; l. de-cretorlus, de tgd dor gorochtoiyko hesltsslng; I. edictülis, do termyn der dagvaarding; de-flüxo termhio ediclSli, na verloopen dagvaar-dlngslermyn; I. efflikcus of etdpsus, oen verloopen termyn; unie eldpsum termlnum, vóór het verschynen van den termyn of vóór den verloopen rechtsdag; post efllüxum termlnum, na verloopen termyn; medtus terminus, do middelterm, het mlddelbogrlp, vorhlndlngshegrlp, bel middelste lid In eene sluitrede; I. perem-tonus of peremtonsehe termijn, de laatste of beslissende reebtsdag, do niet le verzuimen termyn, ook t. praeclusirus, z. prieel u s 1 e v e termyn; t. praefixus, de bepaalde, vastgejtelde termyn; I. prnbntnrlus, do tot tie-wys gestelde termyn; I. prorogatus, een verlengde tormyii; I. solutionis, de betaaldag, be-tallngs- of atlosslngstermün; I. technicus, een kunstwoord, kunstterm, eene kunstuitdrukking (pl. termini technici: vgl. t e c b n I s c b); — ter-minalïën, n. pl. (lat. terminaffa) gronsfees-ten ter eere van den god Terminus; — lt;er-minalis, lat. ISot. topstandlg, elndellngs, aan de punt; — terminallter, met don termyn overeenkomstig; — tormineoren (lat. tenninare) begrenzen, grenzen zetten, eindigen, besluiten, afdoen, voleinden, uitmaken; alloopen, ophouden; ook van do bedelmonniken enz.: een zekeren omtrek alloopen, daarin rondzwerven om aalmoezen In te zamelen of te bedelen; Gram. eindigen, uitgaan; —terminan\'us of ter-minant, m. nw.lat. een bedelmonnik; — terminata, n pl. lat. Jur. voleindigde, afgehandelde zaken; — torminatie (spr. tie— tsie) f. (lat. lerminaïïo) de begrenzing, grens-zettlng, beperking, bestemming of bepaling; eindiging, voleindiging, afdoening; do uitgang van een woord; — termimsme, n. nw.lat. de leer der terministen, dut zyn dezulken, die geloovcn, dal God la en bullen do kerk In bet leven van eiken inensch eenen genadetermyn, een uitersten tyd van bekeering heeft vastgesteld, na verloop van welken liy hem geener-lel middel van berouw of zaligheld meer aanbiedt, al blijft ook zün loven nog voortduren; — terminologio, f. lat.-gr. de kunsttaal, de kunstwoordenscbat, de leer en de verklaring der gebrulkelyko kunstuitdrukkingen van eene wetenschap, kunst enz.; — terminoló-gisch, adj. tot de kunsttaal behoorende, de kunstwoorden betreffende.

Tornaux, pl. (spr. lernó) uit Ternaux-wol vervaardigde kasjmlr-sjaals (naar een in is;i;t gestorven fabrikant te Sedan, die thlbetaansche geiten In Krankryk Invoerde).

Terne, f. (fr. Ie terne. It. temo, m. van \'t lat. lemi, drie aan drie) een drietal bezette en uitgekomen nommors In de getalloterU; — ternair, adj. lat. {temurlus, «, um, fr. ter-Min) drievoudig, In drleen, drietallig; tor-aal re periode, de derde en Jongste periode der aardvorming; — leriialim, nw.lat. Hot. drie aan drie staande; — ternatus, a, um. Bot. drietallig.

terneeron, fr. (ternir, van terne, mat, dof) dof of mat maken; den glans verliezen.

Terpen, m. pl. naam, dien men aan do hoogten of heuveltjes geefl, waarop do eerste bewoners van deze landen hunne woningen oprichtten, om zich daardoor tegen overstroomln-gen te beveiligen.

Terpentijn, f. (van \'t lat. terehinthlnn, sell, resinaperz. lermenlin) vloeibaar bars of harsige olie van den t e rpent y n boo m of don terebinth (gr. terébinthos, lérminthos) opliet eiland Chio en Cyprus; ook van de lorke- en pynboomen, die minder deugdeiyk Is. Door overbating van de terpentyn verkrygt men torpen tyngoest en I erpe nt y n ol le, alsook de by de distillatie terugbiyvende donker-roode, harsige massa kolophonïum.

Terpodïon, n gr. (van térpein, verkwikken, vermaken, en ode, gezang) een door J. I). Buschmann le Frlodrlcbroda hij Gotha In t8i;t uitgevonden muziekinstrument, waarvan de tonen worden voortgebracht door de wry-ving van houtstaven tegen eenen cylinder, die door een pedaal In beweging wordt gebracht; het heeft een klavier van KJ octaaf ca ver-eenigt in zicli alles wat ilnit, klarinet, fagot, hoorn, enz. aangenaams hebben.

Terpsichore, f. gr. (van térpein, vermaken en chords, dans) de dansllevende, eene der Muzen (z. aid.); vandaar eene dochter, een loerllngvan Terpsichore, eene danseres, een danser; Astron. een in ISUl door Tempel ontdekte asteroïde.

terra, f. lat. aarde, land; — sil illi (libi) terra tevis, hem (u) zy de aarde zacht of licht I of zacht ruste züne (uwe) aseh! —terra colla, t, II. (van cotta = lat. coctus) eig. gekookte, gebakken, d. i. gebrande aarde, gebrande kiel, pottenbakkersklel; antiek beeldwerk uil deze stof, inz. aarden vazen; terra di Siina, Sleen-sche aarde, eene brulnachtig-rood aquarelkleur; z. ook lavoro; — terra firma, tal. vastland; terra incogntla, onbekend land; l. foliata, bla-derige, schilferige aarde; I. novalis, nieuw land, pas ontgonnen land; t. slgillala, z. bolus; — terrain of terrein, n. fr. grond, bodem, plaats, ruimte, plek gronds, Inz. Mil. ton opzichte van den Invloed, dien do grond op de stelling en beweging der troepen heeft; vandaar de ter re 1 n k u n do, terr e 1 n 1 oer, enz.; het terrein-kennen, onelg. met eene zaak, de byzondero omstandigheden, de personen enz. bekend zyn; terrein winnen, grond winnen, vooruitkomen; liet terrein tiet wisten, zich dapper verwerenterras, n. de trapsgewyze opioopendo aardverbooging, aard-heuvel, eene verheven, van aarde opgeworpen


-ocr page 1247-

TERUEEREN

1219

TERTULIA

en met zodon bcilekte plaats; cene vlakte lio-von op een huls; Plet, ile voorgrond, 1). v. van een landschap; — torrassooren (fr. terras-ser) aardheuvols opwerpen, met aarde ondersteunen of versterken, trapsgowys liouner maken; ook nedorwerpon, op den grond werpen, vellen of doen vallen-, onelg neerslachtig maken, den moed lienemeu; — terrassoerder, in, (fr. lerrassier) een schans- ot walgraver, op-werper van terrassen; — torrazzo, n. It. eene venetlaansche gobakken vloersteen ot eslrik; — torrélla of terrélle, f. nw.lat. (verklw. van terra) een holvornilge magneet tot aanscliouwe-lUkmaklng van het aardmagnetisme; — Torre-neuve, f. fr. Nieuw-laiid, nieuw ontdekt land, Inz. z. v. a. Newfoundland-, — terrés-trisch (lat. terréstris, e) of torróster (fr. terréstre) adj. aardscli, wat tot de aarde behoort; fitobus terréstris, dn aardhol,

terreoron, lat. (terrcre) verschrikken, schrik aanjagen, bevreesd maken; kokende sui-kormassa\'s door plotseling opgieten van koud water klaren; — terribol, adj. (lat. terribt-lis, c, fr. terribte) verschrikkeliik, vreesolUk, Uselijk, vervaarlUk, ontzetiend; yzingwekkond;

— territie (spr. tle=tsie) f. (lat. terrido) de sclirlkaanjaging, het verschrikken, bangmakeii;

— terror, m. de schrik; fr. terreur, f. inz. do lyd des schriksbewinds in de fr. omwenteling; — terror paritcus, z. panische schrik, ond. Pan; — terrorisme, n. nw. lat. het schrikbewind, regeering door schrik, do schrikiyd der fransche revolutie van nii;i—1quot;91, gedurende welken de party van den Borg {la Montagne) haar gezag wist staande te houden door FrankrUk met kerkers en seliavottcn als te overdekken -, — terrorist, in. een man des scbrikbewinds, een voorslander van die regeering; — terroristisch, adj. scbrlkinboeze-mond; — terroriseeren (spr. s=z), met vrees en schrik vervuilen, verschrikken, schrik aanjagen; door schrik in de uiting der vi-ye meening hinderen.

Terrier, m. fr. (spr. terjé-, van tem, aarde) de aardkuil, liel hol of leger van een dier; de dashond.

Terrine, f. fr. (van tem, aarde) een aarden soopschotol, eene soepkom, soepschaal.

Territorium, lat. (van terra, land), territoor, n. dc grond, bodem, bei gebied, grondgebied, rechtsgebied; in de Vereen. Sinten van Noord-Amerika een door eene congres-acte afgepaald grondgebied, dal nog niet bet tot opneming In den Statenbond verelsebte aanlai inwoners telt en dat door een stadlionder wordt bestuurd, dien de regeering der tinie honoemt (eng. térritory); — territoriaal, adj. lot een gebied behoorende, dat bel reirende; —territoriaal condominaat, n. de gezamen-lyke regeering van verschillende vorsten over (ton gebied; — territoriale politiek, die soort van staatkunde, welke bet eigen gebied poogt te vergroolen en den aanwas van andere staten le verhinderen; — territoriale rechten, gebiedsreebten, grondgereclitlgdbcden, landsheeriyke rechten met betrekking tot den grond en bodem, inz. In het voorin. Duitsche ryk, de rechten der iandsheeren, In tegenst. met die des keizers en dos ryks; — terri-toriaal-systeem, bet stelsel, volgons hei-welk de Kerk, als een deel in bet gebied van den Staal, geheel en al aan dezen Is onder-geschikt, in onderscheiding van episcopaal en collegiaal s y s t e e m.

Terror, terrorisme, enz. z. ond. terroe r o n.

tertfus, a, urn (spr. ti=tsi) lal. de of bet derde; — tertïus, m. do derde, derde school-leoraar; tertïus intervemens, een dorde tus-schenbeidekoinende, een schcldsman, schelds-recbler; iter terCfum, door oenen derde, b. v. Iets laten bezorgen; tertrn rire, ten derden male; — tertia, f. de derde schoolklasse; by de Duitscbers die soort van drukletter, welke bel midden lioinil tusscben paragon en augus-1 y n, by ons tekst geheeten (z. d r u k I e t-ters); — tértie of terts, f. (it. terza] Muz. dc derde toon van den grondtoon af; In bel schermen; de derde slootmanier; IMath. bet (10ste gedeelte van eene seconde; by het bil-Jarten: bet maken van een bal door een derden bal, ilio tusscben den bal des spelers en den te maken hal ligi; in hel kaartspel; :i op elkander volgende bladen van dozcifde kleur; In klooslers de bidtyd van !t ure des voorniid-dags af {tertia horarum canonirarum); — ter-tia-wissel (fr. trnlstème de change, eng. third of exctianue, 11. tertia di rambia) een derde wissel, dorde geiykiuidend afschrlfl eens wissels, z. t rat la, ond. I rasse eren; — ter-Hum, n. het derde; pro tertio, ten derde, ia de derde plaals; het tertium comparationis, het derde der vergoiyklng, liet vcrgoiykingspunt, punt van overeenkomst tusschen twee vergeleken dingen; tertium nou datur, een derde of derde geval vindl geen plants, d. 1. er Is geen derde of gemiddelde lusschen twee legenover-gestelde dingen; - tertiaal, n. nw.lal. een derde deel van een jaar; — tertianus, m. een leerling der derde klasse; — tertiaan-koorts (lat. febris tertidna) eene derdendaag-sclie koorls, eene afwisselende koorls, die telkens op den derden dag terugkomi; —- tertiair, adj. lal. {tertianus, a, nut, eig. het derde bevallende) do derde plaals ia eene volgreeks innemende, b. v. tertia 1 re gebergten, de jongste gebergten, tusschen de secundaire (z. abt.) en de diluviale formaties (z. aid.); vgi. ook eociiMi; — tertianus, m. een onder den provinciaal staande overste der Jezuïeten;—Tertiarïërs, m. pl. i\'ranciska-ner-nionnikon van de 3do klasse; — terzét, ii. (van bet 11. terzétto) een driegezang, Irio-innzlek voor ;i stenimeii; — terzine, f. it. drieilngsi-ymen, drierogciige, door de rijmplaal-slng saamverbonden slropben, uit vyfvoetigo jamiiische verzen bestaande.

Tertülia, f. In Spanje de galerij In den


-ocr page 1248-

TERTULLIAN1SME

TESTIFICEEREN

1220

schouwburg. (Dus noemde men sedert liet midden der Hde eeuw de loges van de hovenste ry In de lielde voornaumsle schouw hin gen Ie Madrid, die vroeger desvanes gehcoten hadden, en waarin In/,, de groole wereld en de geeste-lyken hunne plaats namen, \'t Was toenmaals In /wang, den kerkeiyken schryver Tertul-11 anus te hestudeeren, en de priesters plachten hunne prceken met plaatsen uit dien schry-ver op te sieren, weshalve men hen schertsen-dorwyzo Tertulllanten en hunne /11 plaatsen de Ter tul la noemden); — een avondgezelschap, kransje, avondpartytje.

Tertulliamsme, n. het gevoelen of leerstelsel dor Tortulliamston, aanhangers van Tert u II liï nus, nadat deze de kettery der Montanlsten was toegevallen.

Terzeról, n. (van \'t II. leneruölo, en dit van lenuo/o, hot mannetje van eenen valk of havik, provenc. lersol, Ir. tiercelel, mld.lat. ter-Hulus, v. \'I lat. lerhm, de derde, omdat naar \'I volksgeloof de derde in \'t nest een mannetje Is) een zakpistool, klein pislool, dat men ge-makkeiyk in den /ak kan dragen.

Terzeron, z. terceron-, — terzet, terzine, z. oud. tertius.

Tesa, f. it. plaals om netten te zetten, vogelvangst met lymroeden; ook eene sardlnlsche lengtemaat = 1.7125 meter.

Tesbih, arah. (spr. h hyna als chi van sahalta, hidden) het gehed; het gehrulk van den rozenkrans hy het hidden, en do turksche rozenkrans zelve.

Teschinen, pl. getrokken huksroeren, van Teschen (In oostenryksch SllezlB).

Tesjrifüdsji, m. turk. (v. \'tarah. lesjrifSl, eerhewy/en, gehrulksvoorschrlft hy feeslelijkheden) de ceremoniemeester.

Teskereh, arah. lesiskereh, van dsakar, zich herinneren, vermelden, gewagen) eene schrif-teiyke toezegging, een hewys, eene schuldhe-kenlenls; een getuigschrift (certificaat); turksche amhlsinzcttlng; — teakeredsji-basji, m. (vgl. hasch) een turksch beamhto, die de verzoekschriften leest, de eerste secretaris, eene soort van vlce-kansellor.

tessellarisch, adj. lat. {tessellartus, a, urn, van lessella, dohhelsteen, teerling, verklw. v. tessrra, vierkant sluk, teerling) teerllngvormlg, met dohhelsteenen, geruit; — tesselleeren, nw.iat. mozaïekwerk (z. aid.) vervaardigen.

Test, f. eng. (van \'t lat. tcstari, betuigen, getuigen) de proef; proofeed, de afzwering van den paus, een eng. religie-eed, wnarmedo leder, die oen openhaar ambt wil aanvaarden, he-tulgt, dat hy geen helmeiyk Koomsch-Kalboliek Is; vandaar de test-acte, eene wel, welke de af/woiing van do pausplyke opperheerschappU voorschryft; vgl. acte.

Testacéën, n. pi. lat. (leslatla, van losla, aarden pot; schaal der schaaldieren, en/.) schaaldieren; — testacieten, m. pl. versteende schaaldieren; — leslacius, n, urn, lat. Hol. scher-vcnhruln, vaal.

Testament, testator, enz. z. ond. t e s-t e e r o n.

Tostao of tostao, port. (spr. —tamn), teston, sp., testóne, li. m. (van het sp. en It. tesla, hoofd, kop, omdat de stempel eenen kop vertoonde) eig. een kopstuk, eene rekenmunt, In Portugal thans een stuk van IftO réis = 25 centen; vroeger 30 a 35 centen noderl. waard; in ItalIB (testone) = 11 h quot;9 centen waard.

testeeren, lat. {tcstari) getuigen, hetulgen, hekrachiigen, staven; Inz. zgnen lantsten wil scliiifteiyk getuigen of vaststellen, een testament maken; — leslanCfbus actis, afgek. I. a. of I. a. n., lur. naar luid dor acton, geiyk de oorkonden luiden of getuigen; — Icstuto, met achtorlaling van eene laatste wilsbcsclilkking (sterven); — testamént, n. (lat. testaméntum) de laatste wil, uiierste wllshepallng; hel wollig sluk, dat Iemands beschikkingen omtrent /.(ine nalatenschap bevat; ook het /.oogen. god-deiyke gonadeverbond en de godsdienst-oorkonden. waarin dll vervat Is; het Oude en Nieuwe testa ment, hel oude en nieuwe verbond, degeloofs- of religio-voorschrlflcn;p«r testaméntum, door wettoiyke lantste-wilsheschlk-king; testaméntum ad pias causas, een testament tol weidadigo stichtingen of godvruchtige oogmerken; I. dcstihüum, een opengevallen of vervallen ultersto wil, door den dood of de afstanddoening der erfgenamen; t. hntnarüiilium, oen door den erfrnaker eigenhandig geschreven testament; I. inofliciosum, liefdeloozc wilsbeschikking, t. invatldum, een ongeldig testament; I. nmcuputivum, oen mondeling testament ; t. pactiiïum, een erfverdrag; t. paren-turn inter tibëros, een testament der ouders onder hunne kinderen, of ouderiyke verordeningen; t. reeipröcum, wederkeerig lostament, erf-verhroodering tusschen twee personen, die elkander woderzyds lot erfgenamen benoemen; t. ruptum, krachteloos geworden laatste wil; I. scriptum, schrlfteiyko wilsbepaling; l. snlénne, een plechtig, onder gelulgen gemaakt testament ;

— testamentair, adj. fr. (lat. testumentarfus, a, um) don laatsten wil helrelfend; —executeur-testamentair, /.. v. a. testamen-tarius, m. een voltrekker van den laalsten wil;

— testator, in. de erfmaker; — testatö-risch, adj. nw.lot. naar den wil des erfma-kers, door hem verordend; — testatrix, f. erfmaakster.

Testicülen, rn. pl. lat. (slag. testicütus, pl. teslictiti) de teelballen; — testioulair, adj. nw.iat. wat de teelhallon betreft.

testifleeeren, lat. (testifieSri, van testis, /.. aid.) door getuigen bewyzen of slaven, ge-tulgen;—testifleatie (spr. tie—tsie) f. (lat. testificaCfn) de betuiging, bekrachtiging, het hewys door getuigen; — testimonium, n. pl. testimonia, lat. de getuigenis, het getuigschrift ; testimonium integritatis, een getuig-schrifl van onberlspoiyk gedrag, Inz. de getuigenis van den ongehuwden slaat der personen.


-ocr page 1249-

1221 TETRAPETALISCH

TESTIS

die In lict hnwciyk willen treden; teslimnnium malurildtis, golulgenls dor rUpliold; lest, mo-rum, getuigschrift vim zedelijk gedrag; teal, paupertulis, een gelulgsclnlft van behoettlgheld, hewya van onvonnogeri; lest, pracsentiae, ge-tulgschrlfl van aanwezigheid; — leslimoniüles, pi. (sell, lillerac) getuigschriften voor reizende monniken.

testis, m., |il. testes, lat. een getuige; testis unus, testis nullus, éen getuige Is geen getuige; testis auntus, een oorgetuige; t. de re audita, een getuige van hooren-zeggen; l. idn-nSus, een geldige, te vertrouwen getuige; l. jurülus, lieSodlgd getuige; I. mere negalivus, een liloot ontkennend getuige; I. ocularis, een ooggetuige; t. omni exceptiöne major of t.cUis-sïcus, volkomen geldige getuige; l. suspéclus, een verdacht getuige; l. uufcus, oen eenlg getuige; — testium deposttio, z. depositio, ond. depone eren; — t. examinatio, z. examen testium.

teslo di lingua, in. II. leder taalkundig als model geldend (classlek) geschrift, meesterstuk.

Toston, tostono, z. testao.

Tostudo, f. lat. (gentt. teslwtlnis) de schildpad; een snarenspeeltuig, oorspr. van de schaal eener schildpad gemaakt, de luit, cither; een schild of stormdak, dat men In ile oudheid hy belegeringen gehrulkto; Mod. hel schlldpadge-zwel; Ghlr. een verhand, dat liU beleodlglngen der knie wordt omgelegd.

Tetanus, m. lat. of totanos, gr. (van letanós, c, tin, gespannen, van leinein, spannen) Mod. de rechtstyvlgheld, ecne voortdurende kramp der spieren, met styfliold en hewege-loosheld daarvan verhonden, doodkramp; s|ian-nlng, styfheld, Inz. van den hals (tetanus col-laris), een styve nek; — totanisch, adj. recht-styvlg; — totanóthron, n. oen middel tegen het rimpelen der huid.

Totartsoa, r. gr. (tetartaia, van létarlos, de vlenle) Med. de vlerdaagsche koorts;—te-tartine, f. (vnn létarlos: wegens de wüze van kristalliseerlng) klczelspnath, z. v. a. al-hl et (z. aid.); — totartoëdrio, f. gr. do vlervhikkige pyramidale gedaanle; - totar-toëdrisch, adj. vlervlakkig pyramidaal; — totartop^ra, r. vlerdaagsche afwisselende koorts.

Tête, f. fr. (oudfr. leste, provenc.. It. en sp. testa, van I lat. tesla, schaal, hersenpan, schedel) het hoofd, de kop; het voorste, ho-venste gedeelte, de spils, top, kruin; (i la tête, aan de spits, h. v. van een leger, slaan; a tile reposée, met hedaarde zinnen, met overleg, op zyn gemak; — têto maken, het hoofd of de spits hleden; zich tegenkanten, tegenstand hleden; lête li tête, hoofd aan hoofd, van aangezicht tot aangezicht, onder vier oogen; — een tête-a-têto, ecne geholme samenkomst, een gesprek onder vier oogen; — tete-oar-rée, f. eig, een vierkant hoofd; een dwars-hoofd, met wlen niet veel te heglnnen Is; — lite dc pont (spr. -priit) een hruggehoofil, hrug-geschans; — têtes dc lettres, pi. hrlevenhoof-den; letterkoppen In koper- of steendruk.

Tetérka, z. tjetjérka.

Tethrippon, m. gr. (van léttaru, létra-, vier, en hippos, paard) een vierspan, een niet vier paarden hespannen wagen.

Tothys, f. gr. (verwant met Utlf, voedster, min, dus z. v. a. dc alvoedende, de al-moeder) Myth, de gemalin des zeegods Ocean us (z. ond. oceaan); te onderschelden van \'i\' h e 11 s (z. aid.)

tetracérisch, adj. gr. (van lissara, tél-lura, In samenst. lilra-, vier en héras, hoorn) vlerlioornlg, met i hoornen; — tetrachord, n. (van chordc, darmsnaar) een speeltuig met 4 snaren; een op vier snaren voortgehracht aceoord; — totradaktylisch, adj. (vgl. da kt y lus) vlervlngerlg; — tetradl\'ach-mon, ii. (vgl. drachme) een oud-grieksch vler-drnchmeii-stuk, ongeveer = 1 gid. 45 ct.;

— totradynamia, n. pi. (van dynamit, kracht) Itol. vlermachtlgen, planlen met i lange en i korte meeldraden, ook wel krulshloemigen geheeten, omdat de 4 bloemhladeren van hare hloemkroon eene soort van kruis vormen (de liide klasse in hel stelsel van Lliuiicus); — tetraëdron of tetraëder, n. Math, een vlervlak, een door 4 gelykzydige driehoeken he-grensd lichaam; — tetraëtie (spr. lie—tsic) f. (van étos, jaar) eene tydruimte van i jaren, jarenvlerlal; — tetragoon, m. een vierhoek;

— tetragonaal-getal, vierkant-getal, qua-draal-gelal; — tetragonometne, f. de wetenschap om met vierkant-getallen te rekenen;

— tetrugomsme, n. tiij sommige schryvers de hennmlng van de quadratuur (z. aid.) des cirkels; — totragrammiiton, n. (van lirdmma, lelter) een vlerletterlg woord, Inz. de naam van God, dewyi die in vele laten uit i

letters liestaiit, li. v. gr. Otog, lal. Deus, fr.

Dieu, sp. /gt;io.5, hoogd. Gott; — tetragy-mën, pl. Hol, gewassen, welker hloemen vier stampertjes hehhen, vierstyilgeii; — tetraktl-ka, f. de kunst om met slechts 1 getalmerken (O, I, i en ;i) Ie rekenen, het gotiruik van het vlerlalllg stelsel; — tetraktya, f, het getal vier, het geheimzinnige viertal, waarliU de l\'ythagoristen zwoeren-, — tetralémma, n. (vgl. lemma) eene vierledige hypothetische sluitrede; — tetralogie, f. het vlerspel, de verhinding en opvoering van een sntyrspel en een trilogie (z. aid.); — tetrameter, in. I\'oüt. een vlermeter, vierledig of achtvoeiig (jam-hlsch of Irochaïsch) vers, ook Int. octonanus, achtvoeter; — totrandria, n. pl. Bot. vlermannlge planten, vlerhelmlge, welker hloemen 4 even lange meeldraden hehhen (de ide klasse In liet stelsel van l.lnmeus).

Totrao, m. lat. (gr. letrdon] het korhoen, de herghaan, trupgans; in\'1 algemeen het woud-hoen.

totrapetalisch, ndj. gr. (van tittaru, létra-, vier, en pilalan, z. aid.) vlerbladcrig.


-ocr page 1250-

TETRARDIETEN

1222

THAN

mot 4 bloombliuloron; — tetrapharma-kon, n. (vgl. pharraakon) Med eon vlor-voudlg of uit vlordorlol illngon hostauml (.\'oneos-mtdilel; — tetraphyllisch, ndj. (vrI. p li y I-lon) vlorbladorlg, mot i kolkhliideroti; to-trapla, r. do viervoudige liyiieloverzetllng, samenstelling dor 4 grleksche overzettingen van liet Oude Testament; — tetraplastomö-nisch, adj. mot viermaal meer meeldraden dan hloomhladoren; - tetrapneiimönisch, adj. mot \\ler longen-, — tetrapóda of to-trapóden, pi. (van poes, geuit, pndós, voet) viervoetige dieren; — totrapodolithon, m. pl. verstoonlngen van viervoetige dieren; — tetrapodologie, f. de leer of de weton-sclia|) van do viervoetige dieren; —totrapo-diG, f. de vlervootighcid der verzen of het meten dor verzen naar 1 voelen; ook 1 tot een geheel verbondon versvoeten; — tetrapoli-taansch, adj. gr.lat.vlorstadscb, vlorsteedscb;

— lelrapolitana cnnfessïo, f. vlerstoodsohe go-loofsbeiydonls (dor 4 steden Straatsburg, Con-stanz, Meinmlngen en Lindau, van liet jaar 1530); — totrapteriën, pi. gr. (van pléron, vleugel, vlerk; nw.lat. Ictraplüra) N. II. vlor-vleugollgen, insecten mot 4 vleugels; — to-traptérisch, adj. vlorvieugeilg; — totra-ptöta, pl. (vgl. jilosis) woorden, die sloebts 4 buigingen of naamvallen bobben; — tetrarch, m. (gr. letrdrclüs, \\an arrhein, beer-scben) een viervorsi, boheersober van bet vierde deel eens lands; — tGtrarchïe, f. (gr. Ic-Irarchta) of nw.lat. totrarchaat, n. debeer-scbappü en waardigheid van oenen viervorst; ook diens gebied, bot viervorstendom; — te-trarrhynchus, m. (vgl. rbynohos) een lintworm. Ingewandsworm met 4 sprielen; — tetras, f. (gr. lelras) het viertal; — tetra-spérmisch, adj. (vgl. sperma) vlerzadig, mot 4 zaadkorrels; — tetrastichon, n. een vierregelig godicbl, oene strophe van 4 regels;

— totrastróphon, n. een uit 4 strophen beslaand gedicht; — tetrastylon, n. een op 4 zuilen rustend gebouw; — tetrasyllabon, n. een vierlettergrepig woord; — tetrathïon-zuur, n. (van \'I gr. Ihcion, zwavel) dubbel gezwaveld onderzwavelzuur; — tetrobolön, n. oene oud-grieksche munt van 4 obolen (z. oho lus) ongeveer = 24 cl. courant; — to-trödon, m. (van odoes, mlun, de land) de vlorland, stokelbuik, oen kraakhoenige vlsch met \'i tanden.

Tetrardioton, m. pi. aanbangors van Tetrardius, die hot lichaam van J. C. voor verdorfelük hield.

Totrarrhynchus, tetras, enz. z. end. 1 o t r a p el a 1 Isc h.

Totrifatsji-eiréndi, m. de turksche opper-ceromonlemeester.

Tetrix, f. gr. bet berkhoen.

Totrobolon, tetrodon, z. onder te-tra p e t a 11 s c h.

Teuorïum, n. lat. (van \'t gr. leükrion) manderkruid, een struikachtig pronkgewas van velerlei soorten, b. v. 1 o u c r i u m m a r u m, z. ma rum verum.

Teut, m. naam van een fabelachtlgcn vergoden krijgsheld der oude Dullschers, vgl. Tuisko; — Teutónon, m. pl. (lal. Teulüni, en Teulones) een volksslam der oude Dullschers;

— teutónisch, adj. oudduilsch; — teu-tomanio, f. overdreven voorliefde voor het dultscho.

Töxis, f. gr. (v. Isltein, smolten) de smelting, oplossing; Mod. de tering.

Text, textuur, z. ond. tekst.

textilis, c, lat. Hol. geweven; vgl. tekst, enz.; — textiel, adj. spinbaar; — textiele industrie, f. het spinnen en weven.

Thaborieten, m. pl. leden eenor socle van llussielen, die onder aanvoering van Zlsea naar oenen berg In liohomen trokken, alwaar zU oen kasteel bouwden, dat zy Th ah or noemden (naar den berg T h a b o r In beneden Galilea, thans bel pasjalik van Acra); zU verwierpen het vagevuur, de oorbiecht, bol vormsel, bel laatste oliesel en do werkelijke legenwoordlgheid In bel heilig avondmaal.

Thaddoeus, syrische mansn.: do wyze.

Thalamus, n. gr. illialamos, olg. slaapvertrek, huwoiyksbed) Hol. de vruchtbedding, liet zaadhed, dal gedeelte des bloemkelks, waarin het vruchtbeginsel is vervat.

Thalassarchie en thalassokratie (spr. l—ls) f. gr. (v. thdlassa, de zee) de zee-beerschappl), zeebebeersching; — Ihalassinus, a, urn, lal. Hol. zeegroen; — thalassométer, m. oen zoemoler, werktuig tol moling van ebbe en vloed; zoedioplemotor.

Thaler, m. hoogd. daalder, een duitsch muntstuk, gemeenlgk (do pruisiscbe) = 1 gld. 80 cent.

Thali\'a, f. gr. (thalia, olg. bloesem) Mytb. oene der bevalligheden of GrallUn (z. aid.);

— Thalia, f. (gr. Thdleia) oene dor zanggodinnen of Muzen (z. aid.), de muze van hot tooneolspel, vandaar; Thalia\'s tempel, leerling enz. voor schouwburg, looneeispolor, enz.; Aslron. een in IHIii door ilind ontdekte asteroïde.

Thalliet, n. groen epidoot = p I s t a c i e t.

Thallium, n. nw.lat. (van gr. Ihallós, groen lak) een door Crookes in ISlil onldekl, In bel slyk der loodkamers van zwavclzuurfa-brloken voorkomend eigenaardig meiaal, dal In het spectrum groene strepen vertoont.

Thallophóren, pl. gr. (v. ihallós, lak, twyg, en phérein, dragen) In \'l oude Athene; lieden, ilio op feesten, inz. op de Panalbenaien (z. aid.) olyflakken droegen, twygdragers.

Thalpsis, f. gr. (v. Ihdlpcin, verwarmen) verwarming, inz. vochtige, vrucblbare verwarming; — thalpos, n. (gr. thdlpos) vochtige warmte.

Thammoez, hobr. naam van eeno maand der Joden, de 4de van bun gewyd, do lOdo van bun hurgeriyk jaar.

Than, Thane, m. In Seholland (Thane: angels. Iheucn, Ihügn, llièn, dienaar, dienaar dos


-ocr page 1251-

THEKABOOM

THANATOS

1223

konlnKs, cdolman, ridder) een adeliykc titel, met den rang vim oenon gravenzoon overeenkomend; uok voor landvoogd, stadhouder.

Thanatos, m. gr. de dood; Myth, do god des Doods, een zoon van do Nacht, onvcrbld-deluk gestreng; — thanatoiden, pi. naar den dood gelukemlo ziektetoestanden, zoo als de schijndood, onmacht, slaapzucht; — tha-natologio, t. de doodsleer, leer van de natuur en de oorzaken des doods; ook gedenkwaardige zaken botreiïendo doodon; — tha-natomóter, m. een doodmeter, een toestel lot het constateeren van den dood; — tha-natösis, r. Mod. het versterven van een lichaamsdeel ; — thanatophobie, f. de overdreven vrees voor den dood; — thanatusïa, n, pl. doodonfoost. lykteest.

Thanksgivingday, m. eng. (spr. Ihenks ilitvwinfisdee) dankzeggingsdag, algomceno dankdag, een feest der Aruerlkiinen (op -iii Novein-her) voor de herstelling hunner onafhankelijkheid.

Thara, z. tara.

Thargolión, m. gr. een lenlemaand der Athcners, het einde van Mei en het hegln van Juni.

thai is the question, eng. (spr. kwésljun), dat Is de vraag, daar zit de knoop (citaat uil Shakspeare\'s Hamlet).

Thaumatologie, r. sr. (van lliaima, pl. llmumüta, wonder) de wonderleer, leer van de wonderen; — thaumatológisch, adj. do wonderleer liotrell\'endo of daartoe hehoorende;

— thaumatomachie, r. de wonderhoslry-dlng; — thaumatoradchus, m. een won-derhestryder, wederspreker van wonderen, won-dervyand; — thaumatroop, m. de wonder-draalcr, wonderschyt, eeno op helde zyden mot do hestanddeelon van een hceld hoschllderdo schyr, die hü snelle omdraaiing de afheeldlng meer volkomen doet verschynen; — thau-maturg, m. con wonderdoener, wonderman;

— thaumaturgio, f. liet wonderen doen;

— thaumotiirgisch, adj. wonderdadig.

Thaut, z. T hot.

Thb., hy natuurwetenschnppeiyke honamln-gen atk. van G. 1\', Tliunherg (gest. IS2S).

Theagoog, in. gr, (theagögós, van theós, (lod, en (igcin, voeren, enz.) een godenhanner, godonhezweerder; — theagogio, f. het han-nen, oproepen (clteoren) of hezworen der goden; — theandrisch, adj. (v. ancr, genlt. andrós, man, menscli) goddeiyk en menscheiyk te geiyk, godmenscheiyk; — theilnthröpos of thoanthroop, m. (v. anlhroims, mensch) de godmensch, hynaam van Jezus Christus;— thoanthropio, f. de vermenscheiyklng der godheid, z. v. a. an 1 hropomorphlsmo;— theanthropologio, f. de godmensch-leer, de leer van de vcrecnlglng der godheid en inenschlield la J. O.

Thoiitor, n. (van \'I gr. Ihéalron, elg. do plaats iler aanschouwors, v. IheHslliai, beschouwen) het tooaeel, schouwtooneel; de plaats, waar Iets voorvalt ; de schouwburg, do looneel-kunst en hare regelen; — theater-coup,

m. (spr. —koe), fr. (coui) tic théatre■, vgl. coup) een tooneelstreek, toonoelkunslje, verrassend oogenhllk of voorval van een tooneelstuk; Iets, dat geheel onverwacht en toch voorbereid Is; lltealrum anatomicum, lat. eene zaal, waar iy-ken ontleed worden, ontleedzaal, a nat om Isch theater; Ihealrum mundi, theater der wereld, een klein theater met toebeliooron, waarin ge-heele landschappen en steden met bun bewoners door ineclianlek voorgesteld worden; — theatraal, adj. (lat. Ihealralis, e) tooneel-matlg; misleidend, oogverblindend, bedrieglijk;

— thoatromanie, f. bartstochteiyk schouwburgbezoek ; — theatika, f. de zlensleer, leer van het beschouwen.

Thoatinon of Theatijnen, m. pl. leden eener monnikenorde, verplicht tot het prediken tegen de ketters, lot zielverzorging, ziekenverpleging, enz., gesticht la l!^. door den lielllgen Cajotanus en den bisschop van (^bletl of Theate, later paus l\'aulus IV.

Thebaïne, f. (naar opium thebaic urn, eene goede soort opium en deze naar de oud-egyp-tlscho stad Tbelie genoemd) een in liet opium gevonden organische zouthasls.

Theca, f. lat. (gr. the ka, van tithénai, zetten, leggen) eene doos, bus, tascli, In \'t algemeen een voorwerp om Iets In te bewaren;

— thöke, f. In Dultschland aan den Kyn: eene ladetafel.

Theo, f. (hoogd. ttiee, fr. thé, m. It, tè, sp. té, eng. lea, russ. tsjaf, van l chlneescb tsjd, in zuldclyken tongval the) naam van de gedroogde bladeren van den chlneescben en ja-panschen theeboom of thoestruik, als ook van den daaruit bereiden drank; ook voor een thee-gezelschap; ook In hel algemeen een aftreksel van krulden, Inz. voor geneeskundige doeleinden; — thee-acte, f. de wet, volgens welke de Amerikanen i pence voor liet pond thee betalen moesten en waardoor de noonlamerl-kaansclie vryheldsoorlog ullbarstte; — thee-boe, theeboei, f. (fr. thé-bou, eng. bnhea, naar eenen berg Woei In China benoemd) bruine of zwarte thee; — thé dansant, m. fr. (spr. -dan-sdii) eene dansthee of tlieedans, een dansfeest, waarby hoofdzakoHjk thee wordt aangeboden;

— theïne, f. de In de Mice voorhanden eigenaardige slof = caffeïne.

Theïsme, n gr. (v, Theós, God) het geloof aan bet beslaan van eenen God, de erkenning, beiydenis van do godheid; — theïst, m. een godgoloover, godbeiyder, Iemand, dlo bet aanzyn van eenen God erkent (In tegenst. met atheïst), voor zoo verre die erkenning algemeen Is, zonder nadere bepaling van den aard dezes geloofs (onderscheiden van dels in e, z. aid,); — theïstisch, adj. goderkennend, godbeiydond; — 1 holstIsche systemen, algenieene benaming van alle stelsels van wys-begeerle, die de werking eens Gods op het heelal erkennen.

Thekaboom, m, (vgl. teakhout) een


-ocr page 1252-

THEODOSIUS

THERE

1224

uosllml. hoogc boom, welks (liiurziiinn hout, ook iljatl-liout Konuornd, Inz. tut den scheepsbouw brulkbunr Is.

Theke, i. oml. thoca.

Thokla, r. later nr. vr.naam: (van \'t sr. Theoklcs, Godsroom, = oudd. Godomar; vgl. T hook los) do beproefde, voortreirelUko, wakkere.

Thekoephe, f. helir. in den Joodschen kalender do lietiamlng der i punteu, waar do vier JaarRctydcn beginnen, n.l. de dag- cn nacht-evonlngon on de zonnestilstanden (equinoxen en so 1st I tllin).

theldsis, f. or thelAsme, n. gr. (van thcladzein, zoogen, thcle, tepel, moederborst) Mod. bet zoogen; — thollthis, f. de tepel-ontsteklng; — thelóncus, m. opzwelling der vrouwenhorst; tepelopzettlng of tepelzwerlng; — thelygome, f. de voortteling van meisjes, vrouwoiyk kroost; het aandeel der vrouw aan de voortteling.

Tholematologie, f. gr. (van théiema, wil, Ihéleln, willen) de leer van \'s tnenschen wil, een doel der psychologie (z. aid.); — thelosiognosie, f. gr. do kennis van do uitwerkselen des wils; — thelesiographie, r. beschrijving van do versch(|nselon dos wils; — thelesiologïe, f. de wetenschap, dlo do objcctlove grondslagen van do zedeiyke waarheden ten dool heett.

Thelkterion, n. pl. -ia of -iën, gr. (v. Ihelgein, hetooveron) oen toovonnlddol.

Thelygonie, z. ond. t h e I a s 1 s.

Théma, n. pl. themata, gr. (clg. het gestelde, opgezette; v lilhénai, zetten, stellen) do hoofdstelling, het onderworp, de stof, hot voorstel, de stelling, die men zlcb voorstelt te hewyzon, op te helderen, do hoofdgedachte eener rode, enz.; de opgave tol een opstel, eene verhandeling en dgl.; de grondgedachte van een muziekstuk; op de scholen: een stuk ter vertaling, do gemaakte vertaling; thema proband urn, lat. eene to hewyzen stelling; — thematisch, adj. wat de thema\'s uf muzikale grondgedachten hotreft; thematische katalogus, eene lyst van de stukken eener opera, waarin men alleen do eerste muzikale uitdrukking opgeeft; — thematographïe, f. de wetenschap van \'t vervaardigen en ge-hruikon dor astronomische tafels.

Thémis, f. gr. (elg. besluit, wet, gewoonte, v. lilhénai, zeilen) Myth, de godin der wetto-lyke orde cn der gerechtigheid. Hare drie dochters, de Horen hoeton: Dike, gerechtigheid ; I\'. u n o m i a, goede, wettelykc inrichting, en Iröne, eendracht. Ook Astrasa, de godin van \'t eigendomsrecht, word eene dochter van Themis genoemd; Astron. oen In is,Ut door l)r. Gasparls ontdekte asteroïde; — Tho-mistiaden, pl. nimfen in het gevolg van ïhomis.

Thenardiot, n. (naar den transcben scheikundige Thénanl benoemd) natuuriyk gekristalliseerd zwavelzuur natron, te Espartlna in Spanje voorkomende en ter bereiding van het koolzuur natron (soda) gebruikt.

Théobald of Theubald, oudd. mansn.: du dappere (oudd. Theudobald, Thiolbald, Diol-bald, de volksdappero.

Theobröma, f. gr. do kakao; — theobromine, f. de eigenaardige stof der kakao-hoomen.

Theobul, m. gr. naam (van The As, God, en boele, raad) do mot God beradende; vandaar Theobuline, f.

Theodicéa, f. gr. (van Theós, God, en dike, recht, gorochtighcid) de godsverdediging, rechtvaardiging van do goddoiyke voorzienigheid ten opzichte van hot in de wereld bestaande kwaad.

Theodoliet, m. (oen woord van onzekere afkomst; waarschyniyk kwaiyk gevormd van gr. Iheanmai, Iheomai, ik kyk of Ihéo, ik loop en dolichós, lang) eene meotschyf, een werktuig tot hoogtemetingen, een verbeterd astro-I a li i u m met vorrekykers in plaats van diopters.

Theodoor, m. on Theodora, f. gr. (van Theós, God, en dor on, geschenk) mans-en vr.naam: godsgeschenk of godsgave.

Theódorik, oudd. mansn., z. v. a. Diode rik, z. op Dirk.

Theodosïus, m. Theodosïa, f. gr. (van Theós, God, en dosis, gave) mans- en vr. naam: godsgave; — Theodulius, m. en Theodulia, f (van doelos, knecht, dienaar) mans- en vr.naam: Gods dienaar en -dienares, vrome; — theoduhe, f. de godsdienst; — theogamio, f. elg. godenhuweiyk; een lioog-tydgezang op of voor goden; — theogno-S»e, f. godskennis, kennis van God; — theogonie, f. de godenwording, leer van do wording of afstamming der mythologische godheden ; — Theoklës, mansn.: godsroem, godsoer; — theokratïe (spr. Iie=lsie) f. do godshocrschappy, onmlddoliyko rogooring van God, het godsryk; de prlcsterrogooring, lieer-schappy dor prlosiers als rechtstreeksche dienaren Gods, golyk bij do oude Joden; — the-okratisch, adj. daartoe bohoorendo, daarmede in verhand staande; — theolatrie, f. (v. lalreia, dienst om loon; latris, loonbediende, in \'t alg. bediende) godsdienst, godsvoreering; — theolatreutiek, f. de leer van de gods-vereering of van den godsdienst; — theo-lepsie, f. goddelijke ingeving, heg oost e-ring; — theologant, theoloog, m. een godgeleerde, religie- of geloofslooraar, geeste iykc; — theologaster, m. een gewaand godgeleerde; — theologie, f. de godsleer; do godgeleerdheid, religie- of geloofswetenschap, wotenschappelyke behandeling van don godsdienst ; — theológisch, adj. godgeleerd; — theologiseeren (spr. s=t) over God en goddelijke dingen geleerd spreken, den godgeleerde vortoonen of uithangen; — theolo-gumënon, n. (v. Iheoloijèin, van God, enz. sproken) eene opgave uit do godgeleerdheid; pl theologumena, godgeleerde opgaven of


-ocr page 1253-

THEORBE

THERMAE

vorhandollngcn; — theomdchen, pl. iioilen-bestrUdors, reuzen, die de goden lievoclitcn j — theomachie, f. de mytliuluglsclie noden-slrUd; — theomagisch, adj, (vul. manie), z. v. a. tlicosoplilsch; — thoomanie, f. (vgl. manie) goddelijke woede, verslands-verbUslerlng uit overdreven godsdlensthegrlppen;

— thoomantio (spr. lie=tsie) f. voorspel-llng door goddeiyke Ingeving; — theomantis, m. een door (iod begeesterde, voorspeller door goddelijke Ingeving; — Theöne, vr. naam: de goddelijke; — theonomie, f. (vgl. no mos 2) gods-wetgeving; — theophanio, f. (gr. theoplidneia, v. phaneUthai, verscbynon) godsverscbUnlng, b. v. In bet O. ï.; ook het feest der drie koningen, z. v. a. e pip ban le;

— theophant, m. die zlcb beroemt op goddelijke openbaringen, o[ voorgeeft die te hebben; — theophilanthropen, pl. (vgl. pbllanthroop) gods- en menschenvrlenden, een godsdienst-genootschap, dat zich ten jare 1795 en 1790 In Frankrijk vormde en alleen den nutuurlgken godsdienst erkende, doch dut sedert de wederinvoering van bet katholicisme In het jaar imii niet lunger geduld werd; — thoophilanthropisme, n. de Inrichting, leer en godsvereerlng van dit genootschap; — Theophilus, n. gr. (v. phUns, lief) mansn.: godllef; — theophobiü, f. (v. plwbós, vrees, phoboisthai, vreezen) de vrees voor God; — theophl-oon, m. de goddeiyk gezinde; — theopista, f. de In God geloovlge (de naam van een godsdienslig tydsclirift); — theo-plastiek, thooplastïka, f. (vgl. plastik a) de voorstelling der godheid door beelden;

— thooplegie of thooplexie, f. elg. gods-slag; Med. eene plotseling doodende beroerte;

— theopneustïe, f. (vgl. pneumu, enz.) de goddeiyke ingeving, begeestering (In-spiriille); — theopornie, f. (vgl. por-ule) paponontuclit, papenhoorery; — the-OpsiO, f. (vgl. opsis) de godenvorscbyning;

— theosebie, f. de godsvrucht, echte vroomheid; — theosoof, m. (vgl. sop lila, enz.) een godsnyze, ervarene in goddelijke zaken, gewaande geestenziener, dweper, Inz. zoo als Jakob li ü b m e en S w o d e n b o r g; — the-osophie, f. de gewaande godswysheld, gees-tenzleuery en dwepory, de leer der thooso-phen; — theosóphisch, godswys, gees-tenkundig; — Theotiinus, m. gr. (v. tme, eer), mansn.: eeregod; — theoxeme, f. (v. xénns, gast, xenia, gastvry onthaal) goden of godsouthaai.

Theórbe, f. (fr. théorbe, léorbe, luorbe, sp. leorha, liorba, li. liorba) de groote iiaslluit, een spooltulg met li lot lli snaren, tegenwoordig hulton gebruik gerankt.

Theorema, n. gr. (theorema, elg. liet beschouwde; van Iheorcin, beschouwen), eeno door beschouwing of bespiegeling gevonden, te bewyzon ieorsieiling, grondstelling, zuiver bespiegelend voorstel, in togenst. mei probiema, d. I. een voorstel van zuiver praktische waarheid; — theorematiach, adj. uit leerstei-lingen bestaande; — theorie, f. (nr. Iheurta) elg. aanschouwing, beschouwing; bespiegeling, verslandsbeschouwlng, onderzoek. Inzicht; do leer der regels en grondbeginselen eener wetenschap of kunst, grondkennis, de wetenschap-peiyke beschouwing als grondslag van eene bepaalde handeling (bet tegengest. van praxis, praktyk); dlkwyis ook enkel leer (b. v. dat Is in de til co lie en praktyk — in de leer en toepassing — geldig-, — theoretisch, adj. (gr. Iheorclikós, c-, dn), beschouwend, aanschouwelijk, volgens de beschouwing, of bespiegeling, wetenschappeiyk (het tegengest. van praktisch, enz.); —theoreticus, m. een beschouwer, bespiegelaar, onderzoeker of grondkenner eener wetenschap, zonder zich met hare uitoefening bezig te houden; — theo— retiseeren, IboorltSn opwerpen, daarover nadenken ; — theorist, m. Iemand, die de theorie verstaat.

Theosoof, enz. z. ond. Theodosius;

— thephillum, z. tepblllum.

Therapie of therapeutiek, thera-

peutïka, f. gr. (l/ierapeia, dienst, verpleging; Iherapeiieiu, dienen, verpleging), elg. kran-kenverploglng, zlekenoppasslng, krankenboban-deling; de geneeskunst, geneeskunde; — therapeut, m. (gr. t/wrapeulcs) elg. een dienaar, bediende, oppasser, verpleger; by de oude Is-raBiieton z. v. a. Essajer, z. aid.; een geneeskundige, uitoefenend arts; — therapeutisch, adj. geneeskundig, genezend.

Theresia of Therëse, f. (van \'t gr. l/iêran, wilde dieren Jagen) vr.naain: dieren-vriendln, jageres; — Theresia-orde, eene militaire orde, door Maria Theresia In 1757 gesticht.

Theriak, m. gr. (thcriukón, sell, anlido-lon: elg. een togenmiddel logen dieriyk vergift, v. thêrion, een wild dier) een dieriyk geneesmiddel, iegengifl, uit deeien van vergiftige slangen, enz. gemaakt, en legen den beet van vergiftige dieren als geneesmiddel by de Ouden aangewend; ook een voorheen aangewend, zeer samengesteld en Inz. opium-bevattend geneesmiddel, dal in Venetië bereid werd, triakel;

— theriilki, pl. opiumeters in hel Oosten;

— theriakalisch, adj. gr.-lal. theriak bevattend; — theriakologie, f. gr. do leer der dleriyke vergiften, wolenschap der gifibe-reldlngen; — theriodöxis, f. (v. dexis, het byien) de beet van wilde en vergiftige dieren;

— theriödisoh, adj. (gr. thërióAes), elg. dieriyk, wild; Med. hoosaardig, zeer hevig en gevnnriyk; — theriolithen, m. pl. dier-stoenen, versieeningon uit het dierenrijk; — theriöma, n. eene kwaadaardige omvretendo zweer, Inz. longzweer; — theriomorphie, f. (gr. morphê, gedaante, vorm) dierachlige misvorming of misgeboorte; — theriotoom, m. een diererionlieder; - theriotomie, f. de dioronontleding, unlleedkninle der wilde dieren.

ThermBe of thermen, pl. (lal. thermae.


-ocr page 1254-

THEUM/E

THÉSIS

122G

gr, Iht\'vmai, van den sIiir. Ihémi, warmte, v. thermós, lt;?, ón, warm) wanne liadon Inz. hij de Romeinen prachtige, daarloo ingcricbto gebouwen; — thermaal, adj. nw.lal. warme lironnon hel rellende of daartoe hehoorendo; — thermantoria or thermantika, n. pi. ftr. (v. Ihcrmainein, verwarmen) Med. verwarmende middelen; — thermantiet, tn. z. v. a. porseloln-jaspls; — thermasie, f. (gr. Ihennasia) verwarming; — thormasma, n. iets verwarmds, een verwarmende omslag; — thormastris, t. elg. eene_vuurtang; Chlr. oonotandtang; — thermidör ol fervldör, in. de warmteiimand, hittemaand, tide maand in den nieuwen kalender van de eerste fran-selie republiek, van ii Juli lol ii Augustus; — thormobarométor, in. een werktuig om te gelük den graad der warmte en de drukking der lucht te hopalen; — thermocho-mio, f. de leer van de helrekkiugon tusschen warmte en chemische vorschynselen; — thor-mochroso, f. gr. (v. chrua, kleur) de eigenschap om slechts zekere soorten van warmtestralen door te ialen; — thormochroïseh, slechts zekere soorten van warmleslralen doorlatende, gedcelteiük diathermaan (z, aid.); - thermoëlektriciteit, f. door verwarming opgewekte eieklriclteit; — thermoë-léktrisch of thorinolóktrisch, adj. de door warmte teweeg gebrachte eioktrieitelt he-treirende, daarvan lierkomsiig; — thormo-genium, n. de warmtestof; de grondoorzaak der warmte; — thormograafheterther-mometrograaf, z, aid.; — thermoko-lom, f. eene verbinding van samengesohleerde staven van hlsmuth en antimonium om Iber-moislektrlcllell op to wokken; — thormo-lamp, f. gr.-nederl. een warmiiebt, een verwarmend en llchlgevend voorwerp, spaarlamp, spaarkachel, die te geiyk verlicht, verwarmt en machines in beweging brengt; — thor-mologie, f, de leer van de warme minerale bronnen en van de baden in \'1 algemeen; — thormolusio, f. het nemen van warme baden; — thormomagnetisme, n. door verwarming opgewekt magnetisme; — ther-mométer, ook thermoskoop, m. gr. de warmtemeter, warmlewüzer, warmtohescbou-wer, eene mei kwik of wyngeesl gevulde, luchtdicht gesloten en In graden verdeelde glazen buis ter bepaling van den warmtegraad; I b e r-m a m o t e r van R é a u m n r (van den fr, na-luurkundige Réauninr, spr. rcfimüür, gost. 1787), de (tusschen vries- en kookpunt van hel water) in 8fl graden verdeelde thermometer: therm, van Fahrenheit (van den Duitschor Kiihrenhelt, gest. 1730), de in ISO graden verdeelde; therm, van Celsius (een/weed, gest. 1711) of centesimale thermometor, do honderddeelige tbcrmomoter; — thermo-motrograaf, f. een thonnometor ter waarneming van de hoogste (-n ile laagste temperatuur der lucht; ook een zelf rogistroorende thermometer, die op een papierstrook allo veranderingen der luclitwarmte aangeeft; — ther-momultiplicator, m. eene soort van thermoskoop als die van Nohlil; — therinopha-gie, f. het warm- of heet-eten; — ther-mophoor, m. een warmle-overbrenger, een door Müilcr en Waller uitgevonden, aan geen onlplolllng blootstaand toestel om stoom te maken; — thormopodium, n. toestel voor warme voetbaden; — thermopoh\'um, n. lat. (van \'t gr. thennopólion, van poleïn, ver-koopen) in de oudheid eene plaats, waar warme dranken verkocht werden; — thermoposie, f. gr. bel heoldrinken; — thermopylen of therrnopylffi, pi. (v. pylê, de poort) heeto poorten of deuren, een door den heldendood van Leonldas en zyn :iiin Spartanen beroemd geworden bergpas-, — thermosiphon, n. (vgl. slpho) eene Inrichting lol verwarming der broeikasten en mestbedden voor huizen, in welke warm water rondloopt; — thermoskoop, m. z. thermometer; — thermostaat, m. werktuig, dat ten doel heelt, eene bepaalde tomperaluur gedurende langen tgd onveranderd te houden;—thermosta-tiek, f. (vgl. stallek) de loer van het evenwicht der warmte; — thermosterösis, f. (vgl. ster es is) warmteberooving, warmteont-trekking; — thormosterëtisch, warmte-beroovend; — thermotiek, thermotika, f. de warmteleer, leer van de warmte; —-thermótisch, adj. door warmte ontstaan; — thermoxygenüim, n. de verbinding van warmtestof en zuurstof.

Thersites, m. gr. naam van don leeiyk-sten man, naar lichaam en ziel, en tevens den grootslen snurker en zwetser van al de Grieken, die naar Troje trokken, door Odysseus geslagen eu door Achilles, dien hy belasterd had, gedood; vandaar in \'talg. voor een leciyk, mismaakt, kwaadsprekend, onbeschaamd monsch.

Thesaurus, m. lat. (v. \'I gr. Ihesaurós) een schat, nedergeiegde en bewaarde voorraad; de plaats, waar een schat bewaard wordt, schatkamer, ook thesaurie; — thesaurus ecclesiae, de kerkschat, by do It. Knih. de overtoiilge goede werken (oplra supererogaliönis) van de heil. maagd Maria, van de heiligen en vau alle monniken en nonnen, welke werken den leeken te goed zuilen komen; thesaurus erudilionis, oen schat van geleerdheid (een groot, veel bevallend woordenboek), — thesaurarïus, thesaurier, m. een schatmeester; — the-saureeren, nw.lal. (gr. thesauridzein) schatten verzamelen, petton.

Thëseus, m. een der heroomdslo vergode helden (vgl. heros) der oudgr. mythologischo geschiedenis, zoon van /Egeus en koning van Athene.

Thésis of thóse, f. pi. theses, gr.

{thesis, pi. théseis, van tilhénai, stellen, zetten) elg. hel zetten, stellen; de stolling, grondstelling, inz. eene te bewyzen stelling, oen door woorden uitgedrukt oordeel of voorstel, waarvan de geldigheid moet beredeneerd worden;


-ocr page 1255-

THESMOPHORIKN 1227

THORAX

de stclllnR, (11« In lid opcnlraiir mm do hooge-scholon verdedigd wordt, het strUdvoorstel; de nedorslng, hot dalen der stom In de dicht- on toonkunst (liet togengest. van arsis); — in lliesi, In \'t algemeen of In don regel, als algo-mocno stelling aangenomen {liet tegengest van in hypothesi, In de toeimsslng 0|i het tegenwoordig geval); — thetiek, thotika, r. de verzameling van leerstellingen, in/, geloofsleer-stellingen; — thetisch, adj. (gr. Ihelikós, «, ön) stellenderwys, stellend fposlllef).

Thosmophoriën, pl. gr. (Ihemophória) een overoud gr. feest, dat de lUhoenscho vrouwen ter core van I)emeter(z. aid.) vierden, naar haren liUnaam Thosmophóros, d. I. wetgeefster (van thesmós, stelling, wet, en phirein, lirengen), In zooverre zij door Invoering van don akkerhouw den grond tot de hur-goriyke maatsehappy on de wetgeving legde ; — thesmothoot, m. gr. (themolhétcs) de wetgever.

Thospis, m, de vinder of grondvester van \'l grleksche treurspel, omstreeks B10 jaar vóór Clir.; vandaar: de wagen of kar van The-spls (plaustrwn Thespis, hü llorutlus) voor een rondreizend tooneel, dewijl Thespls, naar men wil, met zijn klein tooneel heeft rondgereden ; — thospiade, f. een e o u p d e t li é-aire (z. coup); ook een looneelgcschledenis, grappige vertolling of avontunr uil het theaterleven.

Thotika, thetisch, z. oud. tliesls.

Thétis, f. gr. eene zeenimf, dochter van Ner e.u s, gade van i* e leus en moeder van Achilles; onderscheiden van Te t h y s (z. aid.); Aslron. oen In IN\'i2 door I.uthcrnnldekleasteroïde.

Thoudolindo, f. oudd {newlelinila, The-odolimia, v. Ihiol, dint, goih. Ihluria, volk en lint, slang of llnd, liron) vr.naam; de volks-slang; — Thondorik, z. Dirk.

Thoürg, in. gr. (Ihcncrgós, v. Theós, God en érgon, werk) wie met goddelijke hulp ho-vennatuuriyke dingen doel, een gewaande wonderdoener, wonderman, toovenitnr, geestenziener, goestenhanner; — theurgie, f. (gr. tUcoeraia) de voorgewende wonderkracht, wondergave, won-dcrwerking, toovery door goejtönliulp, geesten-zienery, geesteiiliaiining; — theürgisch, adj. geestenziend, geosieiiliaiinend, wonderdadig, wonderkrachtig.

Thibet, z. Tl het.

Thicksot, n. eng. (woordelijk; dik gezet) eene soort van zwaar manchester (z. aid.) z. v. a. silk eon (z. aid.)

Thierry, m. fr. (spr. litrri-, van oudd. dioltlh) mansnaam ; z v. a. Diedcrik, Dirk (z. aid.)

Thinonhout (van \'1 gr. Ihyinon), eene Imllenlandsclie welriekende hoiiisoort (z. Openh. Joh. XVIII, 12) van eenen afrikaanschen iioom (gr. Ihyia, lal. cilrm).

Thing, n. oudn. (deensch on zw. finn, oudd. ding) volks- of gereclitsvergudering, gerecht; vgl. lagthing en stortiling.

Thisbe, z. end. l\'yramus; Astron. een in IKliO door. Poters ontdekte asteroïde.

Thlasis, f. gr. (van Uitdein, kwetsen) Mod. de heleedlging, kneuzing van eenig deel, met indrukking gepaard; — thlasma, n. het gekneusde, de door eene drukking heleedigdo plaats, z. v. a. c on t us ie.

Thlipais, f. gr. (van thlibein, drukken, persen) de druk, drukking; Med. eene sanieiidruk-king der vaten In het monschoiyke lichaam, welke den omloop der daarin voorhanden vochten vorhinderl.

Thnetopsychioten, pl. gr. (van ttme-Ids, sterfelijk en psyche, ziel) z.y, die de ziel voor slerfelgk houden, die geiooven aan den zieledood.

Thóadar, m. een lurkscho kamerheer van den sultan.

Thogra, z. toegra.

Tholus, m. lat. of thole, f. (van \'1 gr. Ihólns, f.) koepel, koepeldak; Arch een helmgewelf, ketelgewelf; de siuithDik, siniisteen, hlnd-steen, waar zich al de hogen van het gewelf vereenigen.

Thoman, z. I o m a n.

Thomas, hehr. (later gr. Thdmds, van \'t hetir. theiim, tweeling, van thAam, duhhei zijn) mansn.; de tweeling, 1 weeiingliroeder; naam van een der twaalf apostelen, die aan de weder-verscliynliig van Jezus na zynen kruisdood niet eer wilde geiooven, dan nadat hü zelve hem gezien en heiast had; vandaar sprw.: een on-geloovige Thomas, iemand die niet licht Iels gelooft; — Thomas-christenen, m. pl. eene tol de Neslorlanen (z. aid.) hchoo-rende christenpartU op do kusl van Malahar in O.lndie, werwaarls men wil, dat liet evangelie door don apostel Thomas gehracht zoude zijn; — Thomiston, m. pl. voorin, aanhangers van Thomas van Aquino in de IMe eeuw, in tegenst. met do Scotlslen.

Thomsoniet, ook comptoniot, n. een aan het zeolith verwant kristalllnlsch mineraal, uil klezeizuur, kleiaarde, kalk, natron en water liostaande (naar den eng. scheikundige Thomson, gest. is.quot;i2 te Glasgow, zoo he-noemd).

Thoptsjy, z. toptsji.

Thor, m. oudn. (vgl. Do nar) Myth, de dondergod, naast Ddin de machligsle der skan-dinavische goden, van wien de naam Thorsdag (eng. Thursdau, Donderdag) afslaml.

Thora, 1) f. nw.lat. (van \'I gr. phl/iord, verderf, d. I. vorgifi, van phiheirein, verderven) de gitiranonkel, vergiflige ranonkel; vgl. a n I h o ra.

Thora, 2) f, hehr. {Ihói-dh, leer, onder-richl; wet; van jórili, werpen, de hand uitstrekken, toonen, ouderwüzen) hel ninzaïscbe welhoek, de p en t a 1 e u c li n s, waaruit de voorzanger in de synagögen op den sahhath een sink zingt.

Thorax, m. gr. liet horstliarnas, horst-schlld; Med. de horst, horstholte, liorstkas; —


-ocr page 1256-

THORBASJI

1228

THYMUS

thoracika, n. pi. horstmlddclcn; — tho-racici, m. pi. vlsschon, welker buikvinnen juist onder de borstvinnon gepluutst zyn; — thorak-odynio, f. Med. de borstpUn; — thorakocystis, f. liorstwntorzucbt; - tho-rakopathie, f. borstlijden; — thorexis, f. de bepantsering, versterking.

Thorbasji, m. (vrI. l)ascli) een turksch krUBsbevelbebber, olltcler.

Thoriet, n. (nitiir den dondergod Thor zoo gebeeten) een In Noorwegen ontdekt ml-nermil, uit klezelzure kleltmrde nn wulor l)e-stunnde; — thor-aai\'de, de daarin vervatte aardsoort; — thorium, n. bet door Herzollus verkregen yzergrauwe metaal, dat de basis van die aarde uitmaakt.

Thoros, m. gr. [Ihorós) bet zaad der dieren.

Thos, z. sjakai.

Thot, Thaut of Taut, ni. eeno egyp-tiscbe godbeid, god der wgsbeld en wetenschap, regelaar van den loop der sterren, viistsleller van het astronomische jaar, ook uitvinder van het letterschrift, met oenen ibis- of sperwerkop afgebeeld; vgl. ihis; ook de eerste maand van bet egyptische jaar.

Thraso, m. gr. (van Ihrasys, stout, dapper enz.) de naam van een snorkenden oillcter in een lilgspel van Terentlus; vandaar in \'tal-gemeen snoever, pocher, grootspreker, ijzervreter (Bramarhas); — thrasönisch, adj. pochend, grootsprekend; — thrasonisme, n. de grootspraak.

Thrëni, pi. gr. (Ihrlnoi, van den sing. Hire-hos, het weenen, weeklagen) klaagzangen, klaagliederen ; inz. de klaagliederen van den profeet Jeremias; —threnodio, f of threnodïon, n. een klaagzang, treurlied.

Threpsis, f. gr. (van Iréphcin, voeden) de voeding; — thropsiologie, f. dat deel der physiologle, dat over de voeding handelt; — thropsiológisch, adj. tot de voedingsleer behoorende; — throptisch, adj. voedend.

Thrombus, m. gr. (thrómbos, f.) een brok, stuk, klomp; Med. een geronnen binrdkioinp, die de bloeding verhindert, een bloedgezwel, opbooping van ultgevaat en gestremd bloed in hot celweefsel; — thrombódes, adj. naar een geronnen bloedklomp gelUkende; — throm-boschësis, f. de belette opslorping van gestremd bloed; — thrombosis, f. de vonning van oenen bloedklomp,

Thrypsis, f. gr. (van thruplein, breken; verbrgzelen) do verbreking, verbrljzeilng, liet week- en murwmaken; — thryptisch, adj. verbrekend, verbryzelend, lljnmakend.

Thugra, z. toegra.

Thugs, pi. (van \'t hlndost. than, een bedrieger, roover, v. lliagna, bedriegen) Bohoiine mooril- en roofgenootschappen in Indil\', wurgers, die de reizigers overvallen en verwurgen, en wel uit grondbeginsels van godsdienst, volgens de voorschriften hunner godin Bhawanl, die menschenoirers vordert; — thuggisino.

n. het planmatig gedreven moordenaarsbedrUf van do oostindische wurgers.

ThuilL, liij botanische namen afk. van .1. I-. Thutliier (gest. 1842).

Thuja of thya, f gr. de levensboom, een altydgroene, welriekende boom, Inz. in Noord-Afrika; vgl. thlnenhout.

Thuiskon, z. Tutsco.

Thüle of Thyle, f. gr. en lat. een fa-holachtig eiland, dat aan do uiterste grens der narde naar het Noorden geplaatst wordt; men verslond er nu eens Noord-Schotland, dan eens de nourweogsche kust, doch gewooniyk IJsland onder.

Thumb, m. eng (spr. sum, met geadspl-reerde s) de duim. Duimpje; — Tom Thumb, z. pouce.

Thummim, z. urlm.

Thunn, m. of thunvisch (gr. Ihjnnos, van tlijncin, zich snel bewegen, springen; lat. Iliynnus «f Ihunnus) de springer, de spaansche makreel^ welker Ingezouten vleescli onder den naam van tonyn van Slijlle veelvuldig wordt uitgevoerd.

Thur., by botanlsctie benamingen afk. van (1. Thuret (gest tim).

Thuribulum, z. t u r 1 b u 1 u m.

Thusnólda, f. oudd. vr.naam; (voor Tus-sinhiltlu, Tursinhilda, \'t ondhoogd. turs,ilurs, mid.hoogd. tune, angels. Ihyrs, ysl. Ihuss, lliurs, reus) de reuzenbevecbtster, de gade van Ar-ininius, den overwinnaar der Romeinen.

Thyaden, pi. gr, (thyudes, van den sing. Ihyas, van llijjein, tieren, razen) z. v. a. niie-naden, liacebanten, dweepzieke priesteressen van liacchus.

Thylax of thylacus, m. gr. (Ihjjlax en thylakos) vorkl. thylacium, n. (gr. Ihyld-kion) eene beurs, een buldei, zak, beursje.

Thym, in. (hoogd. thymmn, lat. lliymusr gr. thy mos, van Ihyein, verbranden, als reukwerk verbranden, oiToren) roomsclie kwendel, eone welriekende, kruidige plant; — thyma, n. gr. het verbrande reukwerk, offer; Med. eeno lilttepuist, -blaar; ook thymalóps; — thy-mifo(fus,a, urn, lat. Bot. thymbiaderig; — thy— mion, n. een hlttopulstje; wratje, Inz. aan do oogleden; — thym-zijdo, vlasz.ydo, voor zoo verre zy op den thym wast; — thymiama, n. gr. (van Ihymian, lierooken) liet rookwerk, een rookmlddel; — thymiasis, t. de beroo-king; — thymiósis, f. de vorming van hit-topuisljos.

Thymborplant, f. (gr. thymbra) een bitter, nroimitlsch moesgewas, dat in zuidelijk Uuropa Ie huls behoorl, boonenkruld.

Thymiama, thymion, enz. z. ond. 1 h y m.

Thymitis, z. end. T h y m u s 2).

Thymus, I) in. gr. {Ihymos, In \'t alg. hart, ziel, gemoed, als zelel der gewaarwordingen en liiirtstochten; van Ihyein, in hevige beweging zyn. opbruisen, enz.) hartstocht, toorn, gramschap; Med. droge biaasboest; — thymopa—


-ocr page 1257-

THYMUS

Ï1MAR

1229

thie, f. (v. \'1 «r. imlhêm, lyden) lict gemoods-of zloloiydon; — thymösis, f. Iiel loornlg-wordcn, do vcrgruinmlni?.

Thymus, 2) m. gr. (Ihymos) een lillte-l)liiartje (z. v. a. lliymn), do Ihyinkller (nnar men wil zoo gonoomd wegens de gelpvonnig-hold met do hlocsomknopjos vim don Ihym);

— thymisch, adj. lot do thymklior liclioo-rondo, daarvan ontstaan; — thymitis, f. tliym-kllorontsteklng.

Thyreóncus, m. gr. (van thyreds, dour-stoon; deurvormig, vierhoekig schild) Med. de /wolllng van de schlldkllor, do krop; —thy-reophyma, n. hot schlldkllergozwel.

Thyrsus, in. gr. (van thyrsos) de wijn-gaardstat, wUnrankstuf, oen mot klimop en \\vijn-loot omwondon stat, dlen do It a e e li a n t e n lilj do llacchusfooston droegen; — thyrsi\'ger, lat. den wijngaardstaf dragend; Ihyrsiglri mulli, paucos afllBvit Idcclms, er zün vele stafdragers, maar weinige met Bacchus geest hezlclden, d. I. velen zyn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Tiara of tinro, f. gr, (tiara) do eigenaardige hoofdhedekklng der oude Perzen, Inz. de hoofdtooi der perzlscho koningen; ook hot pauseiyk hoofdtooisel, de drievoudige pausctyke kroon, hetoekenonde de drlevoudlgo heorschappu dor pausen over de slrgdende, lydcndo en zegepralende Kerk, of de zielen op de aarde, in hot vagevuur en In den hemel.

Tibet, n. een groot hoogland In zuldeiyk Mlddeii AzlC, dal de hoogste borgen der aarde hevat; — tibetaansch, adj. Tlhet hetref-fende, tot Tlhet of zyne bewoners hehoorendo;

— Tibetanen, m. pl. de Inhoorllngen van dat land; —tibet, m. pl. tibets (spr. iibè) cene soort van zeer lljne dichte wollen stof.

lihta, f. lat. bet scheenbeen; de rechte fluit der Ouden, oorspr. uil do pijpen der scheen-boenen vervaardigd; — tibiaal, adj. (lal. li-biiilis, e) lot bet scheenbeen beboorende; — tibialo, n. pl. tibialia, scheenhekleedtng, kous, beenbarnas, laars; Chlr. bel scheenbeen-verband.

lihi itraïïa.i, lal. dank u!

Tibose, f. de oostlndische dubbele ropy.

Tic, m. fr. (spr. Hek) het krlhbebUlon der paarden; de krampachtlgo golaatsverlrekklng; eene zonderlinge, belachiyke gewoonte, leeiyk aanwensel, luim, gril; tic douloureux (spr. dne-loerdii) zonuwiicbtigo gelaalspyn, z. v. a. pros-o p li I g 1 e.

Ticket, n. eng. (= fr. éliquelle, z. aid.) briefje, stembriefje, tootje, kaartje, toegangbe-vvys; hiijet op spoorwegen, enz.

Tiedm., by natuurwotcnscbappciyke hena-mingon afk. van F. v. Tledemann.

Tiokhout, z. teakhout.

Tien, m. cbln. hemel; Ood.

Tierce, f. fr. (spr. Ijers\'i van tiers, tierce, de of bet dorde) z. v. a. terts; derdedaag-sche koorts; ook oen eng. maal voor natte waren van ; pipe = 100,830 L. (vgl. lun)j — tiers-état, m. (spr. Ijerzela) de derde stand, burger- en boerenstand in Frankryk; — tiers consolUlés, het kapitaal der fr. staalsronten, den 30slen September 1707 tol bet derde terugge-brachl, de drlo-percents goconsollseerde renten; — tiercelet, m. fr. (spr. Ijerscli) naam, dien men aan het mannetje van sommige roofvogels geeft,als zyndeeen derde (tiers) kleiner dan de wytjes, inz. de mannetjes-valk (zie echter ook lerzerol); ook Iron, voor Iemand, die veel minder Is, dan bü waant to zyn, h. v. een tiercelet ile dortcur, een sluk van een doctor; — tiercelinen, f. pl. nonnen van de derde (tiers) orde van St. I\'ran-clscus, van de strlcle observantie; — tier-ceeren (fr. liereer) lot op een derde verminderen of terugbrengen; — tierceering, f. de vermindering tol op een derde, bet betalen van slechts een derde gedeelte der reiden van de sloatsschuldhrleven, geiyk dit door Napoleon tydens onze Iniyvlng met hel kelzerryk werd verordend; tiercon, m. (spr. tjersnn) he-nanilng der kisten, waarin de stukken witte en gemarmerde zeep worden verzonden, z. v. a. derde kist.

Tieretein, z. tl re la ine.

tierra caliente, f. sp. heet land, de heete en ongezondste kustlanden In spaansch Amerika; t. frin, koud land, do landschappen op de hooge vlakten in \'I binnenland; I. templdda, gematigd land, de tusschen belde gelegen gehleds-deelen.

Tigre, m. fr. de tyger, de kleine bediende van een fransch modoheertjo, In \'teug. groom, z. aid.

Tijm, z. thymus I).

Tikal of bat, m. do niunteenheld In Slam, Pegu (Birma) enz., ongeveer I gld. so els. tut 1 gld. lis cis. waard- ook hel grootste gouden zllvergewicht aldaar = 18,ifl gram.

Tilbury, f. eng. (spr. tilberri, waarscb. van de vesting Tilbury-fort In \'t graafschap Essex) cene soort van lichte, doorgaans open cabriolet met i wielen en een paard.

Tilde, n sp. (port. til, van 1 lat. Htiitus, hovenscbrifl, teoken; tittel, eng. HtHe) een streepje, toon- of klanktevken, Inz. Gram. een gebogen teeken, dat men in bet spaansch op do lettor n plaatst, wanneer deze tusschen i klinkletters staat en als de (in der Franscben moei uitgesproken worden, b. v. do na, spr. dónja.

Tilia, t. lat. do liiiile(boom); — liliaefottus, a, urn, Hot. llndebladcrlg; — tilineifus, a, um, Bot. Ilude-achtig.

Tillet, m. fr. (spr. li-IJé) de leverantle-ceél der hoekhandelaars.

Tilma, n. gr. (van lillein, uitrukken, uitplukken) Iets utlgeplukts, z. v. a. pluksel; — tilmos, ui. bel plukken, uitrukken; — tilos, m. de vezel, vlok.

Tiraar, n. lurk. (llmtir, nw.gr. limari) een turksch leengoed of eene prove, die minder dan 40,000 aspers (z aid) jaarlyks ophrengl en


-ocr page 1258-

TIRAILLEEREN

TIM A HIST AN

1230

die aan een mlliliilr wordt gogovon onder voorwaarde, dat hy voor olko Moo aspors Jaariyk-sctie Inkomsten oenen ruiter In \'t void zal stellen en zolvo mede te veld trekken; vgl. sla-met; — timarioot, m. nw.gr. de bezitter van zulk oen goed.

Timaristan, n. (van \'t perz. limAr, ziekte, ziekenverpleging enslt;d;i,oord, plaats) een turksch krankzinnigenhuis.

Timbang of tompong, m. (van \'t ma-lelscli timbang, wegen) een gewicht in Aeliter-Indle van oo chineescho kattl\'s.

Timbre, n. Tr. (spr. leiibr\': v. lat. hjpi-panum, gr. lympamm, een klankbekken) 1° een klok zonder klepel; vandaar [Vluz. de toonscha-keering der stem; \'2° hel slagwerktuig; vandaar de stempel, zoowel het werktuig ais liet afgedrukte toeken; ;i0 de helm op het wapenschild, de t lm her; — timbre-posto, m. de postzegel.

Time, m. eng. (spr. luim) de tijd; lime is money (spr. münni) tyd is geld; — Times, pi. eng. (spr. (aira.s) de tyden, de naam der grootste eng. courant; — timekeeper, m. eng. (spr. Idimkiperv. lime, tgd en lo keep, houden) benaming vau den chronometer (z. onder chronic a).

timeo Danaox (el ilona (erentes), z. onder Dau a ers.

timldo, adj. fr. (van quot;t lat. üinïdics, a, um) vreesachtig, beschroomd, schroomvallig, bedeesd, bloode, schuw, schuchter, moedeloos, versaagd; — timiditeit, f. (lat. timulïlas, fr. limidilé) de vreesachtigheid, bevreesdheid, beschroomdheid, schroomvalligheid, schuchterheid, versaagdheid, moedeloosheid; — timorosaménle en limo-róso, it. (spr. .*=j; van \'t lat. limor, vrees) Muz. vreesachtig, schroomvallig, zacht en trillend.

Timokratie (spr. lic-lsie) f. gr. (limn-kralia, van limr, schatting, waardebepaling en kralcin, heerschen) een Staal, waarin de bedieningen en eereposten naar schatting van het vermogen of aan de ryksten worden opgedragen, eene fortuin-regeering.

Timon, m. gr. de naam van eenen Athe-ner ten lyde des I\'eloponneslschen ooriogs, die door de trouweloosheid van zijne vrienden een menschenhater werd; vandaar in \'1 alg. een menschcnhater, menschenvUand; -timönisch, ad), menschenhatend, wrevelig; — timonï-um, n. (gr. limonion) een pruilhoek.

limomo, z. ond. 11 m i d e.

Timothëus, iti. gr. (van liman, eeren, en Thios, (Jod) mansn.: eeregod, godsvreeze, z. v. a. hot hoogd. Ftirchlegott; — timo-theua-gras of timothy, n. het groote lischgras {Phleum praiense, L.); — Timo-theanon, Timothéërs, m. pl. benaming eener keitersche secto van de tide eeuw, zoo gebeeten naar Tlmothous .Klurius, doch meer bekend onder den naam van Monophv-s 1 e t e n.

Timpaan, n. z. tympaan.

Timpano, m. it. (van \'t lal. lympünum, ■/.. aid.) do keteltrom, pauk; — pl. timpani, keteltrommen, pauken.

Timpost, in. op Celebes eene naar \'t bevergeil geiykende dieriyke stof, die daar als artseny wordt gebruikt.

Tinctorïus, tinctuur, z. ond. tingeer en.

linëa, f. lat. de mot, houtworm; linea copy lis, Med. hoofdzeer, erfzeer; linea favosa, geel hoofzeer; linea maligna, kwaadaardig hoofdzeer.

Tinésmus, z. v. a. tenesmus.

Ting, m. een chlneesch tuinhuisje.

tingeeren, lat. (HngSre) indoopen, verven, eene tint geven; — linctonus, a, um, Bot. verf-stoillg; — getingeerde munten, rom. kei-zersmunien, die slechts oppervlakkig verzilverd z.yn; — tinctuur, f. lat. (linclura) de verving, kleuring, tintgevliig (vgl. teint ure); Med. een gekleurd krachtig vocht, een geestryk kruiden-aftreksel; — tint, f. de kunstige of samengestelde kleur, die do iiatuurlgke kleur van een voorwerp nabootst; de graad van sterkte, die schilders aan hunne kleuren geven; zweem, geiykenis; — halve tint, middeltint, tus-schenkteur, ile halve schaduwing, het midden tusschen llclil en bruin; — tint, m. sp. en 11. tinto (spr. liénlo: vino linlo, van linlo, gekleurd) tintwyn, roode spaansche wyn, inz. de beste wyn van Alicante en die van Kola aan de golf van Cadix.

Tingka, f. jav. zeden, manieren, gedrag-wyze; Inz. kuren, grillen.

Tinkal, in. maleisch (lingkal) z. borax.

Tint, tinto, z. ond. tingeeren.

Tintenague, tintenak, z. t u t a n e g o.

Tinusboom, een boom op Jamaica mei bundelvonnlgo bloesems en een gladde, bleekgele of groene hes {Tinus occidenlalis, L.)

liquelé, fr. g etiq ueteerd, adj. gespikkeld, geplekt, gesprenkeld.

Tirade, f. fr. of it. tirata, f. (van \'til. lirare, fr. lirer, trekken, v. gotb. lairan) Muz. oen loop, het sleepend verhinden van o|)- of afgaande tonen, reeks van diatonische noten, waarmede men den afstand, die twee noten van elkander scheldt, aanvult, een sprongloop; Log. eene lange woordenreeks, een gedachten- of woordenvloed, onnoodige tusscbenvoegsels, gemeenplaatsen; loul d\'une lirade (spr. loe d\'uun\' lirddd\') in éenen adem, alles op eens, met éenen streek.

tirailleeren, fr. {lirailler, spr. liralj—, van lirer, schieten, eig. trekken, spannen, z. tirade) Mil. op verschillende punten verstrooid zyn en den aanval beginnen met een vuur, dat door geen commando wordt geregeld; met verspreide sciiorpschutters aantasten; vele schoten na elkander doen; Kmt. wisselrultery dry ven, wissels heen en weder trekken, om zich daardoor geld te versclialTeii of geldverlegenheid te verbergen;—tiraillement, n. (spr. liralj\'-man) het ongeiyke schieten; — tirailleur, m. pi. tirailleurs (spr. liralj—) sciierpschut-ters, verstrooide soldaten, die op verschillende


-ocr page 1259-

TIÏUBEEREN

4231

TIRAN

punten met gowoerscholon iianviillon cn den vUiinil verontrusten; kooplieden, die godurifj wissels trekken op lango termynon, ten einde zlcli fondsen te verschalTen, welk wlssclhedrag /.U vóór den vervaldag aan den betrokkene doen geworden, wlsselrulters.

Tiran, enz. z. tyran, enz.

Tirana, t. sp. (v. lirana, een eigenaardig hoofdtooisel) een op du fandango geiykende dans.

Tiras, m. (fr. la lirasse; van lirer, trekken) een striknet, stryknet, troknet, kwakkel-net, een vierkant net vour de vangst van pa-tryzen, leeuwerikken, snippen enz.; — tiras-seeren (fr. tirasser) niet zulk een net vogels vangen.

Tirata, z. tirade.

tiré a qualre épingles of enkel ó quatre épin-(jlcs, z. épinnle.

Tireballe, fr. (spr. tier\'ball\': van lirer, trekken) of tirobourro (spr tier\'bóér\') m. een kogeltrekker, krasser; — tirebótte, m. een laarzentrekker, laarzenknocbt; — tire-bouchon, m. (spr. lier\'boesjóii) een kurke-trekker; — tirofond, in. (spr. lier\'(6k) Med. een hodemlrekker, wondheelorswerktulg liy liet schedelboren; ook de tandtang; — tireligne, m. ;spr. lier\'liénj\') een tyntrekker, eene trekpen; — tiroliro, m. (verbasterd van 1 h eil ard) een spaarpot; ook een klanknabootsend woord voor don zang des leeuweriks, bet tlre-lleren, gettereller; — tiretête, m. (spr. lier\'-lèl\') een hoofdtrekker, hy verlossingen.

Tiresias, gr. {\'I\'eiresias) volgens de oude overlevering: een beroemd hliml waarzegger In Thebe.

Tiret, n. fr. (spr. lirè ,• oorspr, waarschyn-lyk lirez, trek, v. lirer, trekken) een verbindingsstreepje.

Tiretaine, f. fr. (van \'1 sp. lirilana, van lirilar, sidderen) tleretein, tie ren taal, eene zekere stof van half wol en half garen.

Tiretöto, z. oud. tireballe.

Tiro, m. pi. tirönen, lal. {liro, pi. li-rönes) voorin, een aanvanger in do krygskunst, jong soldaat (re cru ut), elk Jong Romein, die op zyn Hde jaar tot den krygsdienst geschikt verklaard werd, ook In \'t aig. eea leerling, beginner in kunsten, wetenschappen, hedryven; — tironïum, n. eig. de eerste krygsdienst of veldtocht ; de leerjaren, icertyd; een proefstuk; leerboek voor beginners.

Tiroonaal, n. een feest der Hindoes ter eere van Vischnoe of van Sjiva (z. aid.), wiens beeld op oen ryk versierden wagen gezel en onder \'I geluid van speeltuigen rondgereden wordt.

Tiroir, m. fr, (spr tirodr; van lirer, trekken) de iade, sciiuillado; — pièce a liroir, z. ond. pi (ice.

Tirolionne, z. tyr—.

Tironischo noton nf tookons, pi. (lat. nolae Tironiiinae, door Tiro, een vryge-latcne van Cicero, uitgevonden of vermeerderd) benaming vim tiguren, letters of teekens, die éen of meer woorden voorstellen, en die men in plaats van de gewone letters gebruikt om met grooter snelheid te schryven, de stenogra-phische teekens der oude Komelnen; — tironischo of tironiaanscho kunst, do kunst om met die teekens ie schryven, de stenographic der oude Komelnen; — tironisch alphabet, alphabctische cn verklarende lyst van de 1 Ironische noten.

Tisane, z. ptIsaac.

Tischri of tisjri, f. Iieiir. (fisj\'ri, van \'t chald. sjeró\', openen, aanvangen) de eerste maand van liet burgeriyke jaar der Joden, de 1de van hot heiir. kerkjaar, een gedeelte van onzen September en October.

Tisiphóne, t. gr, (van Hein, wreken en phonos, moord) de moordwreekster, eene der :t Furiën (z. aid,); oncig. een ondeugend wyf.

Tissu, n. fr. (spr. li-stl; van toer = lat. lexêre, weven) weefsel, vlechtsel, b. v. goud-tissu, weefsel.

Titan, m. Titanis, f, pl. Titanen en Titaniden, gr. Myth, een vroeger godengeslacht, de zonen en dochteren van Ijranus en Gam, hemelbestormers, die Jupiter beoorloogden, doch door dezen la den Tartarus werden geslingerd, terwyi hy hunnen aanvoerder Atlas veroordeelde dca beinei le torsen; — Titan, ook in bet byzonder de naam van den titan Helios: zonnegod, zon; onelg. een zeer hoovaardlg, verwalen mensch; een titans-a r li e 1 d, een hoogst bezwaariyk werk; — Ti-tama, f. de ellenkoningin, gemalin van Olie-rou (z, abt.); — titanium, n, nieuw koper, een door Gregor in nut gevonden cn door Klaproth In 17114 nader bepaald eigenaardig metaal; — titanium-schorl, z. sage niet; — titanaten, pi. liianiumzure zouten; — titaniot, a. eene metallische delfstof, uil tl-tanlum-zuur, kiezelaarde en kalkaarde bestaande.

Titel, z. lilulm.

Titi, f, schertsende benaming van de vriendin des paryschen students, z. v. a. grisette, ■/.. aid.

Titillatio (spr. lt;ie=s(e) f, Int. (IHillaho, van kittelen) het kittelen, de kitteling,

de gewaarwording van het kittelen.

titreeron (v, fr. Hirer, betitelen, v. Hire = lat. litülus, titel) sorteeren, in orde brengen ; inz. zyde sorteeren naar de lijnheid of dc verhouding van het gewicht cn de lengte van den draad; — titrage, f. (spr. —aatj\') bet 111 r e e r e n; — titreermethodo, f, Chem. de maat-analyse, door welke de hoeveelheid eener In eene gegeven oplossing aanwezige slof bepaald wordt door de hoeveelheid eener andere, Juist bekende oplossing (gctil roerde oplossing), die tot het ophouden of optreden oener zekere reaclie by de eerstgenoemde oplossing gevoegd moet worden.

Tittho, titthis, t, en titthos, m. gr. de tepel, speen, tiet.

titubeeren, lal. (lilubare) wankelen, waggelen, tuimelen, niet vast staan; stamelen, stol-


-ocr page 1260-

TITULUS 4232

TOEFENKSJI

teren, hiikkclon; onlliulst zijn, niet weten wat te zeggen of Ie doen; —tituba tie (spr, lie =tsie) f. liet waggelen; stotteren, stamelen.

lih/lus, lat., titel, m. het o|)- of bovcn-sclirifl aan hot hoofd van een hoek, van een hoofdstuk enz., en dat daarvan de slof, den hoofdinhoud te kennen geeft; benaming, amhts-of cerenaani, waardlglioldshenamlng; Jur. een rechtsgrond, do grond van liet ontslaan eens rechts, de aanspraak, hol recht, dat men heeft 0111 Iets lo hozltten, te elsehen, Ie doen enz.; litulus pouessiönis, do liezllslllel, d. I. de rechtsgrond of rechlerlgke aanvang des hezlls, of die verrichting, waardoor men In hot reclilniotlg liczll (b. v. van een sluk gronds) komt; quo lilulo? fr. ó quel litre.\' (spr. —kei—) met welken rechtsgrond? met wat recht? onder welk voorwendsel; — sn/ro liluln of S. T., z. salvo; sub quocrinque lilülo, onder lederen titel of rechtsgrond, onder welk voorwendsel het ook zü; — lilulo emlianis, als koop of als aangekocht; — liluln gralióso, by wijze van schenking, om niet; — I. honoiabfli, eershalvc; I. juslo, op rochtmallge wyze; — I. oneröso, z. ond. onus; — I. plena of Inlo, met vollen of volledlgen titel; — I. praemisso, met voorop-plaatsing of voorannzetling des titels; — I. s;ie-ctöso, onder een schynsclioon voorwendsel; — titulair, ailj. nw. lat. naar den naam, volgens den lilcl, den iilel en het recht van eene waardigheid hebbende, zonder haar workeiyk te iie-•zitlen of hare funcllBn te verrichten, h. v. 11-tulair professor, die enkel den titel van professor heeft; — titularis, m. een lilel-man. Iemand, die slechts eenen titel, zonder ambt, heeft; — tituleoron, benoemen, he-tileien, niet ambts- of eerennmen voorzien; — titulatuur, f. de belitellng, de voile benaming, liet volle opschrift; — titulomanie, f/ lat.-gr. de liteizucbt, titelwoede.

Titus, lal. mansn.; de geëerde; — titus-kop, een hoofd of kop mot kort gesneden kroeshaar, naar de nianicr van den romelnschcn keizer Titus.

Titjfus, m. gr. (Tilyós) Myth, een vree-seiyke reus, zoon van G;ea, die Latöna wilde schenden en deswege door den vertoornden .lu-piter in de onderwereld veroordeeld werd lol eene geduchte straf, beslaande daarin, dat twee gieren zgne sleeds weder aangroeiende lever uil pikten.

Tivóli, n. eig. eene stad In de nabUheld van Home aan den Teverone of Anio, op eenen berg gelegen, door oiyfhoomen omgeven en met veie landhuizen; vandaar een eerst te Napels, vervolgens te Pnrys, Weenen, licriyn. Utrecht en andere voorname steden gehezigde naam voor eene plaats van uitspanning met groole tuinen enz., een openbare plolziertuin; ook eene soori van balspel op een schuine lafel met stiften ; -Tivoli-theater, n. in bovengenoemde tuinen veelal opgeslagen zomer-theater.

Tjadamo, m. een bengaaisciie rekenmunt = | peys of ruim een haivo cenl.

Tjalk, f. een friesch, smal en plat gebouwd vaartuig lot de kust- en binnenvaart, inz. op de wadden tusschen Hamburg en Nederland.

Tjambok, ui. karwats (In Z, Afrika) om ossen voorl lo dryven.

Tjanje, z. tanga.

Tjetjérka, f. russ. bel berkboen (Telrüo lelrix).

Tmesis, f. gr. (van lémnein, snyden) Gram. de woorddeeiing, scheiding van een samenge-sield woord door een ander daarlusschen te plaatsen; b. v. igt;y Virgiilus; circum ilea fwiil amiclu, voor dea circumfudil umirla; — tme-tïka, pi. Mod. verdeeiende geneesnilddelon.

To, ii. eon Japansche iniioudsinaat van III sjoo (z. aid.) = 18,1quot;) !,.

Toast, I) m. eng. (spr. lonsl; van \'I lal. toslus, a, um, van Inrrcre, roosten) geroost lirood by de lliee, llieehrood; 4) eene gezondheid, liet instellen van eenen vriondschappeiy-ken dronk ter eoro van eenen aan- of afwezigen persoon, doorgaans mol eene korie toespraak van don instciler vergezeld (zoo men wil dus gehcolen naar \'t voormalig gebruik in Engeland, dat hy, die eene gezondheid instelde, een stuk geroosi brood in zynen heker deed, dezen dan de ronde liet doen en vervolgens, wanneer de beker lol hem teruggekoerd was, de rest uitdronk en \'t gerooste brood opat).

to be or nol lo be (spr. loe bie or nol loc bie), eng. ie zyn ol niet Ie zyn (citaat uil Shak-speare\'s Hamlet).

Tobias, m. Iiebr. (TóbtHjdh, \\i\\n 16b, goed en Jehovah) mansn.; goedheid des Heeren of («ode gevallend; — tobias-visch, de zand-aal of smelt.

Tobin, z. v. a. tabin, ia bis (z. aid.)

Toccata of toceatina, f. it. (van loc-care, fr. loquer, i. loqueeren) Muz. een klavier- of orgelstuk, waarin de beide handen in de voordracht eener notenfiguur gedurig afwisselen ; — toccategli, it. (spr. lokkalélji) ge-wooniyk toccatille, toccadille, tocca-dielje, n. (sp. locadillo. fr. jeu du loc) een Hal. spel, tusschen twee personen op een hord met dobbcisteenen, ook t rikt rak; — toc-cato, n. (fr. louquel) do vierde of grondstem in trompetterskoren.

Toccolino, m. II. eene soort Hal. steen-olie van ultstokendo hoedanigheid.

Tod, n. eng. in den woiliandel een gewicht van 28 eng. ponden = a stones (steen) = 14,7 kilo.

Toddy, m. eng. (ontstaan uil bel hindost. Iriri) wUnpaimsap, waaruit arak bereidt wordt, eene soort van punch uit water, suiker, rum en muskaat; — toddy-wijn, m. arak uil het sap van de pinnlensoort Mammea.

Todos, z. lont annoncó.

Toefenksji, m. pi. loefenklsjis, turk. (v. loerenk, nw.gr. loephéki, geweer, musket) geweerdragers (fuseliers) of karabiniers of buksdragers In Turkye; ook geweeriademaker, mon-leerder.


-ocr page 1261-

TOMAN

TO EG

123.3

Toeg, turk. rto turkscho pnardflgtanrt, oeno stiuiK met cen paardostaart en goudon bal, die als vaan dient.

Toogra of tooghra, per;,, [loegrd of In-tird, gew. Inera uitgesproken; vgl. soerra) liet naameyter van oenen vorst, dat vóór diploma\'s en verordeningen wordt gezet-, Inz. het naameyter van den turksellen sultan.

Toekan, in. (fr. toucan, sp. Inca, tulcan, port. tucana, oorspr. amerllwansch: aan ilea Amazonenstroom tulcan, la Guyana tuca, in Bra-zlliu luenno) de pepervreter, pepervogel In /., Amerika.

Toekea, oen gewicht In Moka.

Toel, z. tall.

Tooman, z. v. a. to man.

Toer, m. de kaukaslsche berggeit (Capra caucastca), zeer gewaardeerd om haar smako-Hik vleesch en haar tegen do koude beschuttend vel.

Tooranïscho volksstam, Toera-nischo taalstam, v. a. ilasch-lurksch-tataarseho volks- en taalstam (van To era a, al bet In \'I noorden van Iran, het perzischo Tafelland, gelegen land; vgl. Finnen, Tar-t a re a, I ra n Ische tal en).

Toerbeh, a. pl. toerbohs, arab. (van toerdb, aarde; stof) mohamedaanscho, van hoven opea gravea, Inz. de tomben of grafsteden der lurksche keizers In do moskoBa.

Toerbooka, f. eene turkscho pauk of ko-teltrom; vgl. tarahoeka.

Toermon, m. eene rekonmunl In Slam, = ii tot ill gulden.

Toewak, m. mal. palmwyn, eea bedwel-niende drank (la Ned. ladlfi).

Toewan, m. mal. do heer, meester, gebieder; — locwiin l/csar, de groolo heer, al-leenbeerseher; Inz. de gouverneur-generaal van Ned.-lndl6.

Tof, z. top hst oen.

Tolfana, ■/.. ond. (u/ua; — tolïanïa, f z. v. a. aqua toffana.

Toga, f. lat. een oudrom. wit wollen maas-overkleed, eene soort van mantel uil (\'en stuk, zonder mouwen, die alleen la vrodestyd en wol zoodanig gedragen werd, dat de rochlerarm er vry bulten hing; onelg. de vrede, vrodestyd; lona praeléxta, do met ooik^ purperslrook bezette toga, die de hoogero overheidspersonen en vrygohoren knapen tot op het Hde Jaar droegen; tnna pura, vinlis, eenkleurige, man-noiyke toga, welke de Jongelingen na het vol-braeble Hde Jaar aandeden.

Tohoebohoe, n. hobr (olg. Inline um-hohnc, d i. woest en ledig. Genesis, I, 4) woeste, groole verwarring, z. v. a. chaos.

Toilet, n. (spr. Inalét; rr. Imlelle, v. tnile, lynwaad, linnen; vandaar elg. tafelkleed, Inz. do bedekking der kaptafel) de kaplafel der dames; het aoodlge voor de kaptafel; sieraad, opschik, kleodlng; hol tollet maken, zich aankleedon, opschikken; en grande Inilellc, fr. (spr. nii grand\' toalét] in de fraaiste kleodlng, VIEKDE 1)HUK.

la groot toilet; — toilinet, n. (spr. Inalinè) eene soort van lijno wollen vestenstof.

Toise, f. fr. (spr. Indz\'-, aild.lat. lesa: vgl. het It. tesa, spanning, van \'t lat. Ienswt,a,um, gespannen, vaa tendtre, spuanen, uitrokken) eeao roede, een vadem, fr. lengtemaat van zes voeten = 1,01» meter; — toisoeren, iemand met do oogen meien, iemand uil de hoogte aaazlen.

Toison d\'or, in. fr. (spr. Inatnh ilnr: toison, it. tosnne, sp. tuson, olg. de scheerwol, van \'t lat. tnnsio, uo schering, v. londcre, fr. tondre, scheren) hel gulden vlies of ramsvel; ook de orde van het gulden vlies.

Tokayer, m. de beste hongaarsclie wyn uil hot marktvlek Tokay.

Toko, I chin, winkel, magazyn van allerlei koopwaren (In Ned.-Indlë).

Tokologie, f. gr. (van lókns, bet baren) Mod. de gehoorteieer, verloskunde.

Tola of tolah, ook tol, f, en n. de grondslag van het gcwichtssteisel in Hengalen (Calcutta) = 11,011 gram; oen guud- en zll-vergewlcht te Komlmy = 11,(1 gram; teSurate = j\'j ser of seer = 14,111 gram.

tolerabel, tolerant, tolerantie, z. ond. toleroeron.

Tolerdak, m. eene rekenmunt te Samarkand en la Itoecharye = 10 splaak uf ongeveer i gl. \'JO et.

toleroeron, lat. {tolerSn) verdragen, dulden, lyden, toeslaan, toelaten; —gelolereerd, adj geduid, loogeialon; — tolerabel, adj. (lat. Inlerabilis, c), verdraagiyk, lydeiyk, duldbaar, Ie duldea; middelmatig, lameiyk; — tolerant, adj. verdraagzaam, Inz. in het sluk van rede en godsdienst; — tolerantie (spr. tie=tsie) f (lat. tuleranCIa) verdraagzaamheid; — tolerance, f fr. (spr. -rans\') in het fr. muntwezen z. v. a. remedie (z. aid.).

Tollo! lal. noem weg! ook subsi n.; uil-roep van afkeuring li. v. een algemeen tollo aanhelTen.

Tolpatsch of talpatseh, m. heng. {lalpacs, spr. c$=tsj, breed- of platvoet; van tulp, voetzool; talpas, breed- of platvoet) spotnaam van \'1 hongaarsclie voelvolk; gew. voor eea lomp ea plomp monscb; ook grove haren overschoenen.

Tolteken, m. pl. een volksstam, die nog vóór de Azteken zich In Mexico hooft neergezet ea de eerste kunst en hesehaving in dit land gebracht heeft, daarom ook do l\'olasgen dor Nieuwe wereld gobeoten.

Tolubalsem, m. balsem uit Tolu aan de Karaïhlsche zee, van Myrospemum loluiferum.

Tom, 1) z. tomus.

Tom, 2) eng. afk. van Thomas, z. aid.; vgl. ook po nee.

Tomahawk, m. eene strydhyl dor Indianen in N. Amerika.

Tóman, m. perz. (lómdn, d. 1. elg. tienduizend) eene ooslorscbo rekonmunl, la i\'erzit! oen goudstuk (= 10 kran = too sonar =

•78


-ocr page 1262-

TOMATO

1234

TONUS

100 li I s 11 = 10000 (I i n »r) nu rulni quot;gt; gill. !gt;0 ct., vroeger tol 10 glil. waarde; ook eon land-district, dat 10,000 strUders kan stellen.

Tomato uf Tomaat, m. (eng. tomato, sp. port, en fr. tomate) de liefdesappel, goudappel, do oetliaro vrucht van den Solanum ly-coperslcum.

Tombak, n. (fr. tombac, It. tombacco, sp. tumbaga, port, tambaca, van\'t inalelsch tambdf/a, koper, javnansch tembaga, tagallsch tumbaga) geel koper, een gemengd metaal van roodachtig gele kleur, uit koper met wal zink en tin.

Tómbola, f. (v. tnmbolare, vallen, sp. en provenc. lumbar, port. en provenc. tombar, fr. tomber) een Ital. openhaar loterijspel, dat men op tooneelen pleegt te spelen.

Tome, z. to mus.

lomentosus, a, um, lat. Bot. vlltlg, donzig.

Tomin, m. sp. vroeger een goud- en zll-vergewlcht In Spanje van marco = 0,R09 gram.

Tommongong, m. mal. laagste titel van een regent op Java.

Tóinolo, m. It. (waarsch. van \'I lal. tumulus, heuvel, hoop) eene vroegere graanmaat In Napels = 85,SiS L. en op Sicilië = 17,388 L.

Tomus, m. of fr. tome, n. (van \'t gr. lömos, snede, afdeeilng, van temncin, snllden) eene afdeeilng, deel, hand van een hoek; Mod. do snede, wond, het afgosnedene; — tomo-manie, f. de snyzucht of snüwoede, overdreven voorliefde voor chirurgische operatics; — tomotocïe, f. (van tókos, de verlossing) do baarmoedersnede, keizersnede, verlossing door de keizersnede.

Ton, f. (hoogd. tonne, angels, lunne. lunnii, eng. tun, fr. lonne, tonneau, zwoedsch tunna, deensch leende, sp. en port. toncl, it. linn, tónna, lonetla, lat. Una) eene voorin, nederl. Inhoudsmaat last, scheopslast; ais inlioudsmant voor schepen tiians = lOOO kilo; h(j het melen van eng. schepen de register-too = 100 eng. kuhiekvoot; voor behouwen scheeps-kromhout = S0, voor onbehouwen = iO eng. kul), voet; voor zware goederen (by \'t gewicht) gewooniyk 2000, dlkwyis echter ook 2210 pond avoir dupol s.

Tonadilla, f. sp. (spr. —diclja ,■ verkiw. van lonada, lied, van tono, toon) een liedje, oen vrooiyk volkslied, dal gewoonlijk tusschon do bedrijven van eon looneelstuk op het too-neel gezongen wordt.

Tonca- of toncaboon, f. (fr. tonca, tonga) de welriekende vrucht van een ameri-kaansch gewas de loncaboom (nw.lat. Dlpllryx odorala): vandaar tonca of tonka, f. spaan-sche snulflahak, mol rijngewreven toncaiioo-n e n gemengd; — toncagras, iavendelgras (nw.lat. Jnthnxanthum odoratum) mei dorge-lüken geur.

Tonolada, f, sp. (van tonel, ton; vgi. tonnage) lonnemnal, tonneiasl; Mar. een last van 2,000 pond, of !»20, isn kilo, nu als 7\' de peso = 20 e]uin ta 1 os melrlcos of tnoo kilo.

Tonga, z. tanga.

Tonijn, z. Ihunn.

Tong-tsien of li, door do buitenlan-

ders kas (cash) of polis genoemd, do eonige chin, landsmunl, uit messingaclitlgo metaalmeng-sels gegoten, i Ji 5 gram zwaar, rond en in liet midden met een vierkant gat oni ze te kunnen rUgon en gewooniyk in bundels van 100 of 1000 aaneengeregen; looo tong-tsien wettelijk = 1 Hang (z. aid.), in werkelijkheid echter veel minder waard.

tonisch, adj. gr. (tonikós, v, ón, v, leineln, spannen, rekken) spannend, versterkend; — tonische middelen of tonïka, pi. Mcd. vcrslcrkonde middelen en wel do zoodanigen, die de spieren en pezen hare spankracht teruggeven; — tonica, f. nw.lat. Muz. de grond-of hoofdtoon, waarin bet gezaag of het spel van een stnk voortgaat on bel thema siuil; — tonograaf, f. de toonschryver, een In 1841 to Petersburg uitgovondon toestel; — tono-logie, f. do loonleer, leer van den toon; — tonometer, m. een loonmeler (van C h I a d n i en Vogier); — tonometne, f. loon of klankmcllng; — tonösis, f. (v. tonoen, spannen) de spanning, versterklag; — tonotïka, pi. z. v. a. toni ka, tonische middelen.

Tonkinsneston, z. lunkl nsnesten.

Tonnage, f. fr. (spr. —nadzj; v. lonne, tonneau. Ion, sciioopslasl, sp. land, provenc. Inna, oudhoogd. tunna, ton, vgi. Ion) de gezamenlijke scheepslading; eene opbrengst daarvan naar liet tonnonbodrag, lonnegeid.

Tonnerre, m. fr. (spr. tonèr\') do donder; ook als vloek.

Tonnine, z. ond. 1 ii a n n.

Tonologie, enz. — tonotika, z. ond. to ni sc b.

Tonsillen, pi. lal. (tonsillae) de amandelen aan den lials (z. v. a. hel gr. ainphi-b ra nc h 1 a).

Tonsuur, f. lat. (tonsüra, do schoring, van Inndcre, scheren) de, boofdschering, eene plechtigheid, waarbU de bisschop ecnigo baren afsnydt van don r. kalh. geesteiyko, die tot hel priesterambt wordt gewgd; de geschoren priesterkruin; tonsura Puuli, do vooriioofdsche-ring der gr. kath. gecstciykeii; t. Petri, de schcdolscbering dor roomsch-kalii. goesteiyken; — tonsureeren, nw.lat. den schedel of de kruin scheren.

Tontine, f. fr. (11. tontina) een iyfronlon-gezelschap, aangroeiende lyfrenten, waarby de iangerlovendo doelbobhors do ronlen van do vroogerslervenden erven, enz., naar iiaren nil-vinder, don Italiaan Lorenzo Tonll In do l7do eeuw, benoemd; — Tontinier, n. (spr. —njé) declbehher aan ocoe ton lino.

Tonus, m. lal. (van \'1 gr. lónos, v. teincin, rokken, spannen), loon, elg. het spannen, de spanning; spankracht, kracht, glorklo der zenuwen, spieren, pozen, enz.-, toon, liet naar verhouding van iiooglo en dioplo bepaalde geluid, klank, schal; In de laai: de nadruk der


-ocr page 1263-

TORCULUM

TOONG

1205

stom, z. v. a. accent (do syllaben-, woonl-cn rodotoon); do toonsoort, wijs van oen lied; do wUzo van toonzeUin^ en ultdrukkinK In do rede; do «(jzo van godragon, liet hoerscliend gebruik In de samenleving; l\'lct. de verhouding, ilc menging en overeonstommlng der kleuren, ile kleurongovlng; ook de hoorscliendo uf luinfd-kleur In eene schlldery, soinlljds, z. v. a. m a-nle r en si y l.

Toöng, z. taim.

Topaas, m (gr. lopadzos, lopiidzios, lat. loimzïus; naar men wil van een eiland T» pa-zus In den arablschen zeeboezem, dal echter meer waarscliyniyk omgekeerd zynon naam van den veelvuldig daar gevonden steen heeft ontleend; deze echter van het sanskrlt Inpoes, vuur) een bekende, meestal vuurgole edelsteen, uit kleiaarde, klezolzuur en vloodzuur bestaande.

Topi\'ireh, m. (gr. lóimrchos, van topos, oord, streek, enz., en drchein, heersclien) een oord- of landbeheerscher, hlndvorzorger; een burgheer, eigenaar van oenen burg; gebieder over eene toparchio, hurg- ot vryiioersclia|), ook riddergoed; — toparchisch, adj. Iiurg-heerlyk, stadhuuderiyk.

Topchana, f. turk. (van het lurk. lop, bal, kogel, kanon, en het perz. c h a na h, huls) de kanongleterU, stukgletory, het tuighuis, vandaar ook de naam oener voorstad van Oon-stantlnopel.

Topon, pi. (sanskr. sloepa, een aardhoop) grafplaatsen In Afghanistan of \'t oude liaklrlö, In welke oudheden en vooral oud-perz. munten worden gevonden, die onder den naam van baktrlscho munten bekend zyn.

Topong, m. javaansch; mom, masker; een vermomd tooneelspeler; een door zoodanig persoon opgevoerd tooneel-, biy- of kluchtspel.

Topottos, pl. fr. (spr, topöt; sp. lope, uiterste punt, knop, spits. It. lojiiia, hink, oudfr. eng. en kelt. lop, spits, top) glazen of Uesch-jes ter verzending van welriekende wateren.

Toph, z. a il u f e.

Tophsteen, tuf- of tiifstoon (lat. tophus of tof us; gr. tóphos) mortolstecn, zandsteen, dropsteon, oen kalkachtige, zeer poreuze steen, ook z. v. a. tras; — tophacüus, u urn, lat. tufsteenachtig; — tophus, m. nw.lat. Med. een hard gezwel, een knobbel of hull in eenlg deel van het lichaam, bestaande uil eene kalkachtige satnengroellng; z. v. a. porus; — topln putmunum, pl. steenachtige gewassen in de longen.

Topiok, topika, f. gr. {topiks, v. tópos, oord, streek; Log. gemeenplaats) de plaats- of vak-aanwUzing; do kunst om de bewysgrondon en gemeenplaatsen lol redekunstig gebruik te vinden en aan te wenden; de leer van de be-wysplaatsen, howysleer; (Irani, de leer van do woordplaatsing, woordopvolglngsleer; to-pica, pi. geschriften waarin hewysplaaisen verzameld zyn of aangewezen worden; vandaar de naam van een zoodanig werk van Olcero, topic of the ilay, eng. (spr. ilee) liet praatje van den dag, het algemeen onderwerp der gesprekken; — topisch, adj. (gr. topikós, l, ón), plaatseiyk, du plaats, het oord uf de ligging betreirende; Med. t op 1 s die m I ddelen of topika, n. pl. plaatseiyke of uitwendige geneesmiddelen, pleisters, enz.; — topische methode, in de preekkunst die preekwyzo, hy welke na eene korie verklaring van don tekst eene zoogenaamde geineenpiaais wordt hc-handeld; — topognoom of toposkoop, m. een plaatshepalor voor schepen en hij brand; — topograaf, m. een piaatsbeschrUver; — topographio, f. de iilaatslieschryving, iie-schryving van byzondere plaatsen en oorden; topngrupliïa anatomïrn, de anaiomische hoschry-ving van de ligging dor licliaumsdeclcn; — topographisch, adj. plaatsheschryvend;— topographlsche kaarten, grooie kaarten, waarop de gesieldheid van een afzonderlyko landstreek juist en tol in de kicinsle hyzon-derheden Is aangegeven; — topologie, f de plaatsleer; — toposkoop, m. z. lopo-g n o o m.

Topigi, topidschi, z. v. a. toptsji.

Topinainbóér, m, braz. (port. topinam-bor) de aardpeer, aardarilsjok, zonnebloem met eetbare wortelknollen {lletidnthus tuberoswt).

Topognoom, topograaf; — topologie, z. ond. tu plek.

Toppó, z. v. a. toupet; — toppoo-ron, z. v. a. to u pee re n.

Tópponant, m. Mar. zekere touwen, welke dienen om de ra\'s deels in horizontale richlirig le houden, deels um ze te toppen, d. i. een loodrechten stand to geven.

Topraky, turk. lichte troepen, die door de pasja s der provincil\'n worden in dienst gestold.

tnp.iy-turvy, eng. het ondersl hoven, verkeerd, averechts.

Toptsji, in pl. toptsjilar, turk. (vgl. topchana) artillerlsten, kanonniers; — top-tsji-basji, m. ultlclor der kanonniers; — toptsjilar-agar, m. de generaal der artillerie.

Toque, I) f. fr. (sp. toco, It. toccavan eelt. oorsprong; wallis, toe, v. tociaw, turiaw, afsnyden) een nauwslullend kapje (—calolte), dat onder den hoed kan gedragen worden; een kinderniutsje; ook een soort vrouwenmuls.

Toque, 2) eene rekenninnt in Pegu, ongeveer = 10 cent.

toqueeron (fr. tor/iter, it. torcare) aanraken, aanslooten, klinken, de glazen hy het drinken tegen elkander stooten; l\'ici. stoute en vette streken maken.

Tora, z. thora.

Toraille, f. fr. (spr. toralj\') ruwe, onbewerkte koralen.

Torchenez, m. fr. (spr. torsj\'né; v. tor-chcr, afvegen, schoonmaken en ncf, neus; dus eig. neusveger) neusklem, neusnyper, neuspran-ger, waarmede men den neus der paarden kleml.

Toroülum en torcülar, n. lal. (van


-ocr page 1264-

TORR1NGTONS

TOUKADOR

4236

lorquêre, drimlen) ilo wynpors; Cliir. ■/.. v. u. t (i u r n i i| u i\' t.

Toreadór, in. sp. (van loredr, stlorcngo-vecbten houden, van lom = lal. luurus, sllur) oon sllcrboveclilor to paard; — toréro, m. een sllorhcvoclitor vool; —toros, pl. oIk. stieren: do stlorengovecliton.

Toreuma, n. gr. (van toreüein, olg. doorboren; liiKrllIolon, Insnydon, onz.) gedraaldo, ko-snodon of godrevon kunstarbold; dryfwork, sny-work; — toreumatographïe, f. iioschry-vliiK en kennis van zulke kunstwerken; — to-reut, in. (gr. loreulës) een lioeldsnydor, graveur; — toreutïka, f. de draalkunst, he-worklng der metalen, ook van het elpenheen, niet scherpe werktuigen; de hooldsnydory en hoeldgletery hy de Ouden; — toroutisch, adj. door de draal- of snykunst vervaardigd; gedraald, rondgevormd.

toreus, z. ond. torus.

Tórgom, f. eeno voortrolleiyke gomsoort, die haren naam naar de arah. zeehaven Tor draagt = a ra hl se he gom.

Tories, pl. v. lory (z. aid.)

tormenteeron. It. (Inrmenldre, fr. Inw-menler, van \'I lal. Inrménlum, marteling) martelen, pynlgcn, kwellen, folteren, op de pyn-hank spannen; — tormónto, m. It. de ver-schrlkkeiyke sneeuwstorm der hooge Alpen; — torméntum, n. lal. pl. tormonta (van lat. lorquêre, draaien, kwellen, pualgen) oen marteltuig; ook; werpgeschut, grof geschut.

Tormentil, f. of het tormontil-kruid (nw.lat lormenlillu, van lormen, hulkpgn, om-dal zij deze moet stillen) zevenldad, het zeven-vlngerkruld, met samentrekkenden wortel.

Tormina, pl. lat. (van lorquêre, draaien, verdraaien) Mod. huikpyn; — lorminalis, lat. Bot. pynverwekkeml; — torminaria, f. nw. lat. (van lormïna, met opzicht lot de vroegere aanwending dor vrucht tegen den buikloop) de clshcsse- of moelhezleboom.

Tornado, f. pl. tornados, sp. (van lorndr, oorspr. draaien-, mld.lal. en It. lornnrc; vgl. tor no, turnus, tonrneeren, enz.) een hevige wervelwind, Inz. vreeselyke orkaan In den regentyd tusschen de keerkringen; — tor-nadüra, f. sp. een oude vlaktemaat van 10 vlerkante voel; — tornatüra, f. It. eene oude veld- of vlaktemaat In Bologna == 20,8 are.

Tornése, m. it. (= fr. lournois, z. aid.) eene voornialigo rekenmunt te Napels = ,„\'5 duralo lt;li reqno of ruim I cent.

Torneyamon, n. (prov. lorneyamen, lor-neiamenl, v. lorneiar, sp. en port. tnrnear, 11. lormare, fr. lournoyer, prov. lamel, II., sp. en port. lornéo, fr. loumoi, steekspel, rldderiyk kampspel; van de wendingen met de paarden zoo genoemd; vgl. tourneeren) eig. een tour-nool- of kampspol; een soort van tenzonon (z. aid.), waarin moer dan twee troubadours (z. aid.) optraden.

Tornister, 111. bgd. (vgl. poolscb taislra, liong. lariszuya, slav.-turk. lorba) een lederen

reiszak of ransel, inz. van de soldaten In bet veld.

Torno, m. It. (van \'t mid.lat lurnm, ■/.. aid.) de omloop, z. v. a. het fr. tour; ook de draaibare bak, waarin kinderen aan de vonde-iingsbuizen worden overgegeven.

Tornooi, z. 10 u r n 0 0 i.

Toros, /.. ond. toreadór.

Torpodo, f. sp. of torpille, f. fr. (spr. —pielj\') eig. verlamming; electrieke rog of sld-dervisch; eene onderzoesche helsche macbino, oen door oiectrische stroomen of door aanraking niet vreemde lichamen ontbrandend, met ontplolfende stoffen gevuld llchaani, dat onder de zee lot vernieling van vyandelyke schepen wordt aangewend; — torpedlek, f. de leer van dezo verwoestende toestellen; — torpo-disten, pl. de manschappen die de torpedo\'s bedienen.

torpide, adj. lat. [loriïidas, a, urn, van lo-pêre, verstyven) gevoelloos, ongevoelig, verdoofd. verkleumd, loom, vadzlg; — torpor, m. Med. lodenvorstyvlng, verlamming, gevoelloosheid, onprlkkelbaarbeid, zwakheid, traagheid, ook torpiditeit, f nw.lat.

torqueeron, lal. {lorquêre) eig. draalen, krommen, h. v. do tabak torqueeren (fr. torquer) de bladeren daarvan lot rollen draaien en spinnen; martelen, folteren, pynigon, beangstigen, kwellen; nw.lat. ook tortureo-ron (fr. torturer)\', — lorqualus, a, urn, lal. Bot. gedraaid; — torsie, f. (later lat. lorsto) de draaiing, kromming; ook de tegenstand, dien een gewonden lichaam aan kracht van huiten biedt; Med. de onidrnaiing van het einde eener afgesneden ader om de bloeding te suilen; — torsie-balans, f. oen door Hooke uilgevonden balans, by welke de balans rochthoeklg op een draad bevestigd is, Ier bepaling van zeer kleine gewichten; —torticollis, m. nw.lat. torticolis, fr. (van lat. torlus, a, urn, gewonden, van lorquêre en eollum, do hals) de scheeve nek; — tortueus, adj. (lat. lorlu-onus, n, urn) vol krommingen, verward, verdraaid, verwrongen; —tortuur, f. (lat. lor-tura) eig. kromming, verdraaiing; de foltering, marteling; gerechteiyke pynlging; do pyabank, palei; — lorhira faciei, Med. de gezlchtsver-draaiing; t. oris, de mondkramp, mondklem.

Torqueton, m. fr. (spr. lork\'tóii, van \'1 lat. lorquêre, z. torqueeren) een astron. werktuig, dat de dagoiykscho beweging des (equators In de zonnobaan aanwyst.

Tórre, f. sp. toren, kasteel; landhuis (om Barcelona).

Torrefactie (spr. Iie=sie) f. nw.lat. (van lorrefaclre, v. lorrêre, roosten, zengen, schroeien) de roosting, Inz. der ertsen.

Torricéllische buis (spr. —Isjel—) z. v. a, barometer, naar haren uitvinder Tor-riceili omstreeks het jaar I6U dus genoemd; naar hem heet ook de boven in den barometer voorhanden luehtledigo ruimte: het torri-ce11ische ydeI of ledig.

Tórringtons, pl. eng. wollen heddede-


-ocr page 1265-

TORSIE

1237

TOUIU

kens, naar Toni nu Ion In Dovonshlro lic-noomd

Torsie, z. ontl. toniuooron.

Torso, m. ook tors, r. It (olg. do stronk, liooinstoni|) enz.; sp. on port. Irnzn, provone. en ouilfr. tros, v. \'t hit. thyrsus, ur. Ihyrsos, stronk, stengel, oiulhgd. turso, nw.hgd. dorsche) de romp van oen verminkt standheeld, Inz. ile licroemde romp van een standheeld van Hercules In het Vatlcaan.

Tort, n. fr. (spr. lt;lt;)/•. van \'t lat. torlum, verdraaid; vgl. torqueoren) onrecht, hona-deeling, schade, verdriet, ongelijk; lom a n d een lort aandoen, hem verongelijken, hem schade toehrongen; d tort et travers (spr. « lór e a trauiér) zonder overleg; onhezonnen, plompverloren, In het wild, In het honderd.

Torticollis, tortuous, tortuur, ■/.. ond. torqueeren.

Tortuga, f. sp. en prov. (tr. tnrtue, van mld.lat. tortuca, van tortus, gedraald, gewonden ; wegens de kromme pooten zoo genoemd) de schildpad, Inz. een rlvlerschlldpad in /.uld-Amerlka.

Torus, m. lat. eene peluw, een kussen; rustleger, bed, Inz. huweiykshed; ook spier; tori conscensio, de hoklimmlng van \'t huwelijksbed; — toreus, adj. (lat. lorosus, a, urn) vleezlg, gespierd; torositoit, f. nw.lat.de vleezighcid, spierkracht.

Tory, m. eng. (spr. tori] pl. torios, ko-nlugsgezinden (aristocraten), aanhangers van de oude staats- en kerkregeling, lie hofparty in Kn-geiand; In de Vercenlgde Staten van Noord-Amerlka verstaat men daarentegen onder dil woord de democraten (oorspr. een scheldnaam, die van de tegenpariy, de whigs, Is ulige-gaan, ontleend aan \'t lersche woord tory, d. i. roever ; vgi. het giDlisch toir, vervolging, jacht); — torysme, n. de grondstellingen of gevoelens van eenen tory.

Toscaansche zuilorde (v. \'tlat. («s-canus, tuskisch, etrurisch, Tusci, de Tuskers, de bewoners van Hlrurlii, waarvan later de he-naming van \'t groothertogdom Toscane) de eenvoudigste, by de Etrurlörs ontstane zuiiorde met sterke, massieve schacht.

Tostao, toston, z. testae.

lol capita, tal sens us, lat. zooveel hoofden, zooveel zinnen.

lotus, a, urn, lat. geheel; latum, n. liet geheel; in totum, voor het geheel, geiieel en al, In \'t algemeen; tolo lilülo, r. tiluto toto ond. titulus; lotus tuus, of afgek. 7\'. geheel de uwe (ais onderschrift van brieven); — totaal, adj. nw.iat. (fr. total) en als adv. totatder of fr. lotalemenl (spr. —mdn) geheel, ten volle, geheel en al, ganscbeiyk; to la ie zon- of maan-ekilps, geheeie of volkomen zons- of maansverduistering; — totaal-indruk, m. (navolging van \'t hgd.) do eliui-indruk, de Indruk, die een voorwerp als geheel maakl; — totalisateur, fr. (eng. totulisalor) by wedrennen: Igsi, die de gezameniyke op de afzon-deriyke paarden gemaakte weddingschappen aangeeft ; ook het bureau, waar die lyst ter inzage llgl; ook in de techniek: totaiiseerende kraehlmeter, gangteiler en krachtmeter voor ro-teerendo machines; — totaliteit, f. de gezu-nieniykheld, liet geheel.

Touage, f. fr (spr. toe-aazj\', ontstaan uit het eng. towane, z. aid.) Mar. het voorttrekken van een schip door een touw. dus sleep-vaart; inz. de sleepvaart langs een ketting op rivieren en kanalen; — toueur, m. (spr. loc-eur) ile sleepboot, die langs een ketting vaart, een soort remorqueur (z. aid.)

toucheoren, fr. {toucher, spr. loesj—) aanraken, aanroeren, met de band bevoelen en onderzoeken (b. v. eene vrouw of zy zwanger Is); roeren, treffen, tot medelijden bewegen, aandoen; aangrUpen, aantasten, plagen, beleedi-gon; — touchant, adj. (spr. toesjdii) roerend, aandocniyk, treilend, beweegiük -, — touche, f. (spr. loesj\') de aanraking, greep, piagei\'U, be-leedlging, zot, streek; Piet. do kieuropbrenging, penseelstreek; do toets of proef; de klavieren of toetsen van een orgel enz.

toujours, fr. (spr. loetjuér) altyd; tou-jours perdrix, z. ond. perdrlx.

Toung, z. t a ï in.

Toupet, in., gew. f. fr. (spr. laepè: verklw. van \'toudfr. tap, oudn. topper, lok, kuif, nederl. toppet, hgd. zopf, hos, lok) de kuif, haar-knif, het opgezette en gekruide voorhoofdhaar; — toupeeren, krullen, eene baarkuif maken.

Touquet, m. fr. (spr. taekè) z. v. a. toc-ea t o, z. aid.

Tour, m. gow. f fr. (/e tour, spr. loer; van \'t mid.lat. lurnus, ■/.. aid.) in \'1 alg. de kring, omvang, omloop, omtrek; vandaar de haartoer, een rond haar vlechtsel, kUnsthaar-nei, kunsUruilen, vaisebe haarlokken; de wandeling, het uitstapje, reisje, toertje; de beurt, rondgang, h. v. de toer Is aan in y; in het dansen: de wending, dansverandering; de streek, pols, het sciiehnstiik; ook de moeiiykheid, het te overwinnen bezwaar, zware werk, de kunstgreep;— tour d tour, beurtelings, by heurlen, na elkander; — four de lidton, handgreep, gau-wigheiil, inz. ongeoorloofd winsliiejag in ambts-hcdienlug, jacht op zoogenaamde buitenkansjes;

— tour de force, een krachizet, maehlstreek, eene krachlverelschende Inspanning; eene stoute, moedige daad; — tour de passe-pusse, z. ond. p a s s e o r e n; — tourillon, m. (spr. loeri-tjóii) het draaipunt, b. v. van eene brug, een kanon;

— tourist, ni. eea rondreizend persoon, reizend handeisliediende; inz. een voor z.yn genoegen of zyne beschaving en loering reizend persoon, reiziger voor pleizler.

Tourbillon, in. fr. (spr. tnerhitjan) een rakotiiuls niet lading.

Tourbine (spr. ou=oc), z. iurliine.

Touro of turg, m. eene oude lotharing-scho zilveren rekenmunt, ongeveer = ts sols.

Touri, m. welriekende roode balsem uit


-ocr page 1266-

TOUIULLON

1238

TRABUCCO

den luist van don Mycodendron amplexicaule, dlo, verhard zündo, lot borooklug dlcmt.

Tourillon, tourist, z, ond. tour.

tourinontooron, fr. (tourmenler, spr. toermaiil—i vgl. tor in onteer on) pUnlgen, iniirtelon, foltoroli, kwellen, pliiRon, lasllKvullon.

Tourn., liij liotanlsclie lienanilngen afk. voor ,1. I\'. de Tournefort (gost. naK).

tournooren, fr. [loumer, s|)r. locrn—, y. \'I mld.lat. turn are. It. tornare; vgl. lurnus) draaien, wenden, koeren, of eene wonding, oenen draal geven, wentelen, zwenken, omslaan; Mil. den v(jand omtrokken, hem In den rug vallen;

— tourné! de kaart of liet hlad gekeerd, omgeslagen!—tourné, m. liet keerblad In het kaartspel; — tournet s\'it vous plait (spr. tncrné siel woe pté), (onder aan volgeschreven hladzij-den) sla om als hel u hollcft, zie ommezijde!

— tournée, f. do rondreis, handelsreis van eenon koopman, rondgaande visitatie van oenen nmhtonaar, enz.; — tournemont, n. (spr. tocm\'ma») een kunstmatige paard- of rulter-zwonking; — tournebroche, m. (spr. tnern -brósj) een loopond hraadsplt; de spltdraalor;

— tournosol, m. do zonnebloem; z. ook kroton; — tournovont,m, (spr. tocrn\'wdh) de zich naar den wind richtende wlndsclionn op oen schoorsteen; — tourniquet, m. (spr. tocrnikè) oen draalkruls, kruisboom aan den Ingang van een voetpad, weghaspel; een wervel; hy wondhoelers; een werktuig ter toewrin-ging van de blO(Mlvaten, schroefvorband liij liet afzeilen van ledematen;—tournooi, tornooi, n. (fr. tournoi, II. torneo, mld.lat. tor-neamcntum) een ridderkamp, foosteiyke lansren, krygs- of ridderspel, renspel, steekspel, van de tode lol de I(iile eeuw In gobraik; — tournure, f. de wending, geschlkle wyze van voor-draclit; liouding, gestalte, gcsleidhold van lichaam of geest; bevalligheid, fraaiheid; strook slyve slof lol opbolling van hel vrouwenkleed aan de heupen

Tournoois (fr. toumois, spr. tocrnnd)-, eerlyds eene In Tours geslagen kleine munt; ook do benaming van bet geld, dal naar den muntvoet van Tours of In de fr. stad Tours geslagen word en ! geringer was dan dat van Par 1)8, b. v. tivre toumois.

Tourtorolle, f. fr. (spr. loert\'réi\') do toi\'lelihilf.

Tout, 1) n. fr. (spr. toe: v. \'I lat. totum) bel geheel, alles; ai de slagen of het doorgaan in hel kaartspel, wanneer de speler by het omberen, na vyf slagen gehaald Ie hebben, ook de andere vier haalt; — tout annoncé (spr. toetanoi\'isé), ook todos, sp. (d. i. alle), de verklaring, dat men in \'I omberen ai de slagen wil balen, bel doorgaan (vgl. vole); — n tuut of atout (elg. op alles) troef in \'t kaartspel, troefblad; hot spel, waarby do speler al do slagen krygl; — atoutooren (spr. nu=oe) eenen troef inleggen, Iroeven, afbannen; — en lout (spr. nil toe), In \'I geheel, in alles, kortom, alles byeengenonien; — lout ensemble (spr. toelaiisdiihl\') alles by elkander, al te gador, bet geheel In z.yn verband; — lont, als adv.; geheel, ganseli, ton volle; vandaar lout d fait (spr. toetnfè), geheel en al; — loul n l\'heure (spr. toelaléür\') zoo dadeiyk, aanstonds, op het oogenbllk; — lout comme chez nous (spr. toekom\'sjenóé), Julsl zoo als hy ons, \'I Is by of mot my eveneens; — loul de bon (spr. toe d\'bóii), in ernst, oprechl, in vollen ernst; — tout de mime (spr. loed\' mèm\'), oveneons, juist zoo, net zoo; — loul de suite (spr. toed\'-swiét\'), zoo dadoiyk, terstond, oogonblikkeiyk.

Tout, 2) m. eng. (spr. tuut) hy wedrennen: iemand die de geheimen der renpaarden-slallen altulstort en die aan wedders en bookmakers verkoopt.

Toutenague, toutonak, z. tuta-nögo.

Towage (spr. ló-idsj\') of towing (spr. tó-ing) eng. (v. to low, trekken, sloepen) bet sleepon of voorttrekken van schepen, boegsee-ren; in het algemeen: de sleepvaart op rivieren en kanalen, vgl. tuage; — stoam-ca-ble-towing (spr. sliem-keebel-lorinu: van steam, sloom, en cable, kabel, louw) do draail-touw-sleepory, een verbetering van do touago (z. aid.) doordien men In plaals van een ketting oen draadlouw In de rivierbedding laat zinken.

Tower, I) m. eng. (spr. louw\'r, van \'I fr. la lour, II. sp. port. en provenc. lorre, Int. Iwris), do toren, een onder Willem den Veroveraar aangelegd, later allengs nilgebreid en versterkt kasteel in Londen, oersl de woning der vorslon, later eene stiintsgovangonis, tuighuis, enz.

Tower, 2) m. eng. (spr. loo-er) elg. een werklulg om te trekken, de trekker; Mar. de sleepstoomboot, do stoomsleoper, boogseordor, de sleepboot.

Townhall, m. eng. (spr. lounhét; van town, slad en halt, zaai, hel stadhuis; — township, n. eng. (spr. lóunsjip) stad of vlek, sladskwarller, sladswyk; in de Vereen. Staten van N.Amerika eene onderafdeellng van hel graafschap of de provincie {county).

Toxicum, n. pi. toxica, lat. (van \'1 gr. toxikón, d. i, elg. tol het geschut behoo-rend; van lóxon, boog, schielgeweor) elg. een vergift, waarmede men de pyien bestreek; verder In \'talg. vergift; — toxicatio, f. (spr. lie—tsie) de vergiftiging; — toxikoden-dron, n. gr. de vergiflhoom, waarvan hot inclkachtig bladervocht, na gedroogd lo zün, eene alierzwariste verf wordl; — toxikoloog, n. een verglftkonner, vergitlknndlgo; — toxi-kologio, f. de vergiftknndo, verglftloor, leer van de vergiften.

Trabiicco, m. il. (spr. Iraboekko) vroeger eene longlomaat in Noord-llallö van verschillende grootte, b. v te Milaan 2,lilt M., te Turyn 3,n«;i M.; — trabllCCO, in. eene korte buks mol wijden mond, eene karabyn; ook eene soort sigaren-, — trabucarios, pl. met ka-rabyaen gewapende spaanscho smokkelaars.


-ocr page 1267-

TRACASSEEREN

TRADITIE

1239

tracassooron, fr. (Irucusscr, vim traras, vorwnrrlng, wunordo, gowool) onrust ot on-oonlghdd sllclilon, lomuii\'l plagen, kwellen, af-slooven, (Irllien, ontrusten — tracasserie, f. de plugery, kwelling, boozo streek ; klbbclui\'U, geharrewar.

Traco, t, (r. (spr. traas\'; sp. Iraza, iirovenc. trassa. It. traccia, van \'I lat. IrahSre, trekken) liet spoor; voetspoor, de voetstap, liet kenmerk, de indruk j — tracé, n. (spr. trasée) de schets, do omtrek, de op den grond, hot papier of doek getrokken lynon om de teekenlng van een htoem-perk, van llguren, enz. aan te dulden; de at-gehakende lijn van oen ontworpen weg, spoorweg enz.; — traceeren (ir. tracer, spr. traas—), afteokenen, schetsen, ontwerpen, de omtrekken van Iets maken, afsteken.

Trachea of trachia, f. lat. (scii. arte-na : van hel gr. trachcia, van trachys ruw, ongelijk; dus eig. »de ruwequot;, zoo geheeten wegens de verheven kraaktieonrlngen) Anal, de luehlpgp; — trachoaal, adj. nw.lat. tot de luchtpUP hehoorende, haar holreltende; — tracheitis, f. gr. de ontsteking der luchtpijp;— traohooblonnorrhoeo, _f. de slijmvloed der luchlpUp; — tracheocele, f. de lucht-pijpzwelllng, luchtpljplireuk; trachoopyö-sis, f. do vcretterlng der luchtpijp; — tra-choorrhagie, f. luchtpUpliiopdiiiR; — tracheotomie, f. de lucliipijpsnede of snede In do luchtpijp; vgl. h ron c.ho t oml o; — tra-chiëlcus, m. ot trachiëlkósis, r. eene luchtpijpverzwering.

Tracholagra, n. gr. (van trdrhclos, de nek) de nekpijn ten gevolge van jichtige oorzaken ; — trachelopanus, m. de opzetting of zwelling der halsklleren; — trachelo-phyma, n. het halsgezwel.

Tracheoblennorrhcoo, enz.; — trachiëlkósis, z. oml. trachea.

Trachoma, n. gr. (v. trachnen, ruw maken, v. trachys, ruw), de ruwheid aan de hin-nenste vlakte der oogleden, de oogleden-uitslag, de ooglidschurfi; — ti\'acheomatïcum, n. een mhidel tegen die kwaal, oene oogzalf.

Trachyphonie, f, gr. (v. trachys, ruw), eene ruwe, tieesche stem; — trachyt, n. een gemengd gesteente, hestaande uit eene lijn-korrellge gemengde grundmassa en inilggende kristallen van glasachlig veldspaath; — tra-chyt-breccie, f. (vgl. Iirocchie) traehyt-puimsteonen, een mengsel uil blokken, stukken, enz. van trachyt.

Tractarianen, pi. z. Puseylet.

tracteeren, lat. {IractSre, d. i. elg. trekken, sleepen; v. trahlrevervolgens bohande-len, enz.; provone. en oudsp. tractor, sp. tra-tar, it. trattaro, fr. trailer) Iets behandelen, boarbelilen, afhandelen, verhandelen; omlerhan-delen; iemand hehamlelon, hem bejegenen; onthalen, opdlsschen, eene sauilpurty geven; — tractilbol, adj. (lat. traclubtlis, c; of fr. traitable (spr. tritld-hf), wat zich laat behandelen, gedwee, handelbaar, loe- of medege-vend, buigzaam, lenig, rekkeiyk, vrlendeiyk, zacbtzinnig; — tractamént, n. nw.lat. [trac-taméntum), of tractemónt, fr. traitcment, n. (spr. trèt\'mdh), de behandeling, bejegening; het onthaal, de verpleging; de smulparty, het eeremaal; de bezoldiging, beiooning, soldij, wedde; — tractant, m. de onthaler, de betaler van de smulpartü of den maaltyd; — traiteur, m. fr. (spr. trél—) een gaarkok, tafelhouder; — tractaat, n. lat. {tractntus) ot fr. traité (spr. trèlé), eene verhandeling, een geschrift, klein boek, kort opstel; eene onderhandeling, overeenkomst, een verdrag, vergelijk, eene verelTenlng, b. v. v redes-trac-taten, vrodesonderlmndelingen; — trac-taatje, n. een klein populair geschriftje, van godsdienstlgen, inz. van pletlstisciien en mystieken Inhoud; — tractatie (spr. tic—sic), t. (lal. tnictatln) de behandeling; een gastmaal, eene smulparty; — tractie, f. (spr. tie=tsic) hot trekken, inz. al wat lol de locomotieven behoort, eene afdeellng van den spoorwegdienst,

Tractoria, f. nw.lat. (van \'l lat. tracto-rfus, a, um, trekkend of getrokken, v. trahire, trekken) hoogere Math, de trekiyn, eene lijn van hoogere orde; — tractus, m. lal. elg. trek, uitrekking In de lengte; eene landstreek, streek lands, een oord; ook liet r. kalh. vas-tengezang tusschen epistel en evangelie; — traclu temporis, in verloop des iijds «f metiertyd.

Trade, m. eng. (spr. treed\') de handel, de nyverheid; — tradesman, m. (spr. men) bandelaar, winkelier; — trade-society (spr. sosaïti) handelsvereeniging, handelmaatscbappy; — trade-union, f. (sjir joeniun) vereenl-ging van werklieden van hetzelfde vak; — traders, m. pi. eng. (spr. treeders; van trade, handel, verkeer) handelaars, kooplieden; in Brltsch N.Amerika de door de lludsonshaal-compagnie over haar gebied verdeelde mannen, die den pelshandel dryven en tegciyk lagere amhlena-ren /(ju.

tradeeren, lat. (tradSre, van tra=trans, z, aid. en dare, geven) overgeven, overleveren, mondeling voorlplanten; voordragen, onderwy-zen; — traditie (spr. lie=tsie) f. (lat. tra-diïïo) de overgave, uil levering; de onbeschre-vene, van mond lot mond, van ouders op kroost, van voorzaat op nageslacht voortgeplante overlevering, voortplanting van leer, enz., sage, by monde overgeleverd bericht; — per Iraditió-nem, door overlevering; — tradifio judiciülis, de gerechteiyke overgave; — traditioneel, adj. (fr. tradit onnet) of traditief, nw.lat. door overlevering voortgeplant, hij wyze van overlevering, volgens overlevering of sage; — tradiitor, nw.lat. een overleveraar, ultleve-raar; inz. ultlovcraar van gewyde boeken en vaten aan de beidensche overheid ten tyde van de vervolgingen der Christenen onder Diocie-tianus.

Traders, z. onder trade.

Traditie, traditioneel, enz. z. ond. I r a d e e r e n.


-ocr page 1268-

TRAJICIËEREN

TUADUCEEREN

1240

traduceeren, lat. {traducüre, v. Ira = trans, 2. aid., en ducCre, voeren) overvoeren of -brengen; overzetten, vertalen; doorlmlen, de les lezen; — tradüctie (spr. Iie=sie) f. de overbrenging, overzetting-, overlevering aan liet gereclit; — traducianisme, n.nw.lat. of tradiictie-systoem, n. de leer der zlelevoortplantlng, of de meenlng, dut de zielen der ouders 011 du kinderen voortgeplunt worden; — traducianen, m. pl. aanhangers van die leer.

Trafiek, trafljk, f. fr, (Ie Irafic, provenu. Irafec, Irafey, It. Iralfico, sp. Irafico, tra-fago, mld.lat. tra/pcum, traftca; v. \'flat. tra = trans, z. aid., en fucüre, maken; vgl. liut nederlandscli uvermaken) de handel, luz. met zelfvervaardigde fabrikaten, bet kuopmuns-bedryf, do nering, do handel door koop en verknop of door verruiling der waren; — trafl-quoeron (fr. tra/ü/uer, 11. tralficdre), bundelen, handel, koopmanschap of nering drijven; — trafikant, m. (fr. trafiquant, II. Iraifi-cdnte) een hundelnur, die zelf verwerkte voorwerpen verkoopt.

Tragala, f. sp. (v. trana-la, d. I. verslind haar! van tranar, verslinden; voluit; tragata, perro, verslind huur, gg bond! welke woorden telkens In bet refrein van bet lied herhaald worden) hel vrijheidslied der Spanjaarden.

Traganth ook dragant, f. gr. (van trdyos, bok, en dnthos, n. bloem) of traga-kiinth, m. (van dkantha, doorn), boksdoorn, eene soort van peulgewas van onderschelden soorten; ook z. v. a. traganth-gom of dragant-gom, eene gele of roodachllge gom van den krelenzlschen boksdoorn of trngantb-struik; — traganth-werk, sulkerhakkers-werk uit traganth, suiker, enz., tot tafelpronk en dergelijke

Tragëa, f. of liever tragëma, n. gr. (v. traqcin of trógein, knabbelen) noten; amandelen, suikergoed, enz. bij bet nagerecht; Med. grofgestooteu maagversterkend poeder uit kruiderijen en suiker, z. v. a. t rise net.

Tragedie, z. tragusdle.

Trageiaphus of tragelaph, m. gr. {.tragdaphos, v. trdgos, bok, en élaphos, hert) bet hokkebert, een fabelachtig dier in de oudheid; ook een drinkbeker, waarop zulk een dier in verbeven werk was voorgesteld; ook een soorl anliiope.

Tragoedïo, f. (gr. tragüdia, d. 1. woordelijk bokkenzang, omdat de volksdichlen, waaruit de latere tragedie haren oorsprong nam, op de baccbusfecstcn door dansers, die eeniger-mate als bokken verkleed waren, werden voorgesteld; vgl. satyrdrama), tragedie (fr. tragédie), een treurspel, hoog-ernstig schouwspel of drama (z. aid.), het tegengest. van k 0 in m die; onelg. een treurig voorval; — tragisch, adj. (gr. tragikós, c, dn), lot de trag(D(lle behoorende, daaraan eigen of pussende, treurspelachtlK; treurig, droevig, beklniiglUk, deerlijk, jammerlijk, medelijdenswaardig; — tragicus, m. een treurspeldichter; toonceispeler in treurspelen, tragisch tooneelspeler; in ver-achieiuken zin tragCGdiant; — tragikomisch, adj. treurlg-vrooiyk, halftreurig halfvrooiyk, om te lachen en te weenen tevens;

— tragi-komoedie, f. een treurspel, door-mengd met lachwekkende tooneelen of voorvallen en waarvan de alloop niet tragisch is, een tooneelspel, waarin eene ernstige, tragische stof op vrooiyke w(|ze behandeld wordt.

Tragus, m. gr. [trdgos) de bok; Med. do bokkeureuk, okselslank; gruule geilheid; ook bel voorste kraakbeen van hel oor; de zoogenaamde oorhok; — tragomaschalie, f. (vgl. m a s c b a 11e) bokkeureuk, de eigenaardige reuk der okselen of schouderhollen; — tragoma-schalus, 111 wie als een iiok slinki; — tra-gophonie, f. de bokkenslem, bet sterke stotteren of smakken In het spreken -, — trago-pogon, n. de boksbaard, haverwortel (eene olant).

trahit sua quemque votüplas, lal. sprw.; elk heeft zUn zwak, leder beeft zijn stokpaardje.

Traille, liever l rel lie (z. aid.)

Train, fr., trein, m, (oudfr. train, it. traino, sp. tragin, provenc. train, vau \'1 lal. trahére, trekken) hel gezameniyk gcscbul, de sleep van kanonnen enz. hy een leger; de reeks van wagens op spoorwegen; bel gevolg, do tros, de zware bagage van oen leger (h.v. aril 1 Ier ie-, muuil Ie-, provland-lrel n enz.); ook de gewone loop of gang der dingen (slender); — en train (spr. ah treii) In gang, In vollen gang; — traineeren (fr. trainer, ii. trainare, proveiir. trahinnr, van \'t lal. Irahtre) trekken, sleepeu, talmen of dralen, op de lange baan schuiven; een paard traineeren, liet africhten, Inz. liet door hyzondere behandeling tol den wedren gesciilkl maken; ook eeneu persoon door byzondere opleiding en eigenaardige leefwyze tot zekere verrlchlingen geschikt maken, geiyk dat b. v. in Engeland met boksers, jockeys en duikers plaats heeft; — trainard, m. (spr. trènAr) of traineur, m. een ach-terbiyver (by een leger), slrooper (marodeur);

— traineur, m. de africhter of dresseerder van paarden; — training, f. eng. (spr. tree—) africhting eu dressuur van paarden.

Trait, m. fr. (spr. Irè: van \'t lui. tracttis, z. aid.) de trek in het gelaat en karakter, gelaatstrek, gemoedstrek, bowys of biyk van \'l gemoedsbestaan, van de handclwyze; een slreek, schelmstuk,

traitable, traité, traiteur, z. oud. tracteeren.

Traitre, m. fr. (spr. Irètr\', oudfr. traïtre, sp. traidor-, v. \'1 lat. traMor, d. 1. eig. over-leveraar, van trad!re, vandaar fr. trahir, verraden) een verrader; ook voor plager, sardcr, kwelgeest; — traitëren, treiteren, in de volkslaal voor plagen, sarren, moedwillig kwellen.

trajiciëeren, lal. (trnjicSre, van tra = trans, en jaeëre, werpen) eig. overwerpen; over-


-ocr page 1269-

1241 TRANSELEMENTATIE

TRALJO

hrenRon, overvaren, overzetten; — traject, n. (lat. trajéclm) of trajot, fr. (spr. Irazjè) ite overvaart, tiet overzetten, de overtocht; — trajectiol, ailj, nw.lat. tot overvaren dienende ; — trajectie (spr. lie=sle) t. (lat. Ira-jeclw) het overzetten; Chem. een soort van doorzyKliiR ; Oram, het verzetten van oen woord, Inz. uit den hoofdzin In een hetrekkel(|ken liij-zln (eene redekunstige llRtiur); — trajecto-rÏ6, f. nw.lat. hoOKere Math, elke kromme lijn, die een geheel stelsel van gelijksoortige kromme lynen onder een gegeven hoek snydl; ook z. v. a. lüquot; dor kegelsnede.

Tralje, z. treil Ie.

Tralies\' alkoholométor, m. oen wun-geestmeler, die het gehalte van spiritus, brandewijn enz. aan zuiveren alkohül In percenten aanwyst, naar den uitvinder genoemd.

Tram, f. (spr. trein) verk. van tramway (spr. Irémwee) eng. (v. Irani, tiet vlakke spoor on way, weg; v. a. naar den verheteraar er van, den eng. Ingenieur Outram genoemd) elg. groefhaan; een spoorweg op vlakke rails, waar liet wiel In eene groef of geul loopt, Inz. paardenspoorweg, straatspoorweg voor het personenvervoer in grooto steden; ook do tramwagen; — stoomt ram, f. tram, waarhü stoom als trekkracht wordt aangewend; — tramlocomotief, f. stoomtrekker op tramwegen.

Tramo, f. fr. (van \'I lat. Irama) de Inslag van het weefsel; — tramzijdo. Inslagzijde (In legenst. met o rga ns y n z ü de); — tra-moeren (fr. Immer) inslaan, Inschieten; on-eig. aanleggen, smeden, sluw voorwerelden (h.v. eene samenzwering).

Traminor, m. eene soort van witte en roode druiven van zoeten, specerljachtlgon smaak uit Tramln In Tyrol (de witte traminor heet wegens de gedaante zyner hiaderen ook ganzevoet; do roode I ra miner, franklscho druif); ook eene appelsoort.

Tramontane, f. ii. (Iramon/dne, van /ra = Irnns, en monte, berg, dus aan gene zyde van den herg zich hevlndend of vandaar komend) de noordenwind in Italië; do noordster, hot noorden, de noordpool; do tramontane verliezen of kwytraken, de richting verliezen, oneig. de tiozinning verliezen, in verwarring geraken, geen raad, geen uitkomst meer weten, het spoor hyster zyn (uit de taal der schippers ontleend, wlen de noordsier weleer tot richtpunt diende).

Tramp, m. (spr. Ircmp) pi. tramps, eng. landiooper, zwerver, vagebond, inz. in do Vereen. Staten van Noord-Amerika.

Trampolin, z. tromplin.

Tramway, ■/.. tram.

tranchoeren, fr. (trnnrher, spr. Irdnsj—, provenc. Irencar, Irenchay, trinijuar, sp. Irin-char, 11. Irinciare, wiiarsch. van \'1 lat. Irun-care, afsnijden, knotten) snyden, in stukken snyden, voorsnydon, onlieden; — IMnchnm Ie mol (spr. traiisjoii l\'mó) laat ons bet kort en goed zeggen, bepaald en duidelijk ons uitdrukken, de zaak niet langer bewimpelen; —Iran-c b e e r-m e s, een voorsnijmes; — tranchant, adj. (spr. trans jan) snydend, zeer scherp; — tranche, f. eene snede (van brood, vieesch, enz.); de rand, het randschrift eener munt; — tranchóe, f. loopgraaf, by belegeringen; gracht, sloot, greppel tot allelding van hot water; — trancheur, m. een voorsnyder.

tranquille, adj. fr. (spr. trankUt\'. v. \'t lat. Iranquillus, a, urn) bedaard, rustig, stil, gelaten, t ra n k ie I; — trunriuillaménle, it. Muz. bedaard, kalm, stil, rustig; — tranquilliteit, f. lal. (tranqaitntas) de rust, stilte, gelatenheid, bedaardheid, kalmte.

trans, lat. aan gene zijde, over, overheen, er door, in vele samenstellingen, waarin het ook afgekort tra heet (vgi. tra doe ren, tradu-ceeren, traj IcIBeren, enz.); het tegengest. van cis (z. aid.)

Transactie (spr. tie=sie) I. lat. (nw.lat. tramdetus, later lat. transaclin, van tramigi re, z. t ra n s igeeren) de verelfenlng, hyiegging, mlnneiyko schikking, hot vergetyk, de overeenkomst; eng. transactions, pl. (spr. trenséksjens) ook verhandelingen van geleerde genootschappen; — per Iransactionem et cessiónem, lal. .lur. door vergeiyk on afstand; — Iraiisachn judiri-nlis, eene gerecldelyke handeling; — lt;r. extra-judicinlis, eene buitengerechieiyko handeling; — transactor, m. een onderhandelaar, schikkingmaker, vergeiyktrelTer, scheidsman.

transalpinisch, transalpijnsch, adj. lat. (trans-alinnus, a, um) aan gene zyde iler Alpen gelogen, overaipisch.

transandinisch, adj. nw lat. aan gene zyde der Andes gelegen.

Transanimatie (spr. tic=sie) f. nw.lat. (van trans en animarc, bezielen) de zielsverhuizing.

transatlantisch, mij. nw.lat. aan gene zyde van de Atlantische zee gelegen, overzeesch.

transcalörisch, adj. nw.lat. (van trans en ca lor, z. aid.) warmte-geleldend. transcendent, z. transscondont. Transcolatie (spr. (ic=(sie) f. nw.lat. (van Irans en colSre, doorzijgen) de doorzyglag, tlltreorlng.

Transcorporatie (spr. tie=lsie) f. nw. lat. (van trans en corpornre, met een lichaam voorzien) elg. do overgang van hel eene lichaam in het andere; de zielsverhuizing.

Transcript, n. lat. (Iranscriplum, van transcriberc, overscbryven; vgi. transscri-beeren) overgeschreven sluk, kopie, afsdirift.

transdanübisch, adj. lal. (transdanu-binniis, a, um, van Igt;anulitus, de Donau) aan gene zyde van den Donau.

transfal, lat. (van Irans-ire, voorbygann enz.) het ga vooriiy, worde vergeten of niet verder vermeid; — transeal cum cctüris, het worde met de rest niet verder aangehaald, opgenoemd, tentoongesteld enz. (In recenslen); — transeündo, in 1 voorhygaan, korteiyk aangestipt. Transelementatie (spr. lie=tsie) f. nw.


-ocr page 1270-

TRANSLUCENT

TRANSÉPT

1242

lat. (vgl. olomonl) do gronüslofvorandorlng, cliomlscho veninderlng van do ocno grondstof of van hel eeno olomont in liet andere.

Transépt, n. eng. (v. \'t lat. trans [2. aid.] on septum, omtuinlng, van sepire, omtutnon) do kruisvlougel (In kerken of ook In andere gehouwen, I), v. In do ongolsche Industrie-paleizen), de vleugel, dlo dwars dour hot schip en den hoofdvleugel gaat.

tranaforooron, lat. {.trans-rem, fr. trans-férer) overdragen; overzetten; verzetten, verleggen, verplaatsen; uitstellen tot op een andoren tyd; op een ander overdragen, h. v. den eigendom, de hezlttlng; ook het hedrag eens wissels van het conto des betalers .ifsehrgven; — ail mum transforooren, gangbaar maken, In gebruik brengen.

transflgurooron, lat. {Iransfiiiurüre, vgl. figuur, enz.) vervormen, van gedaante veranderen, oone andere gestalte geven; — transfiguratie (spr. tie—tsie) f. (lat. transfigura-Iw) de vervorming, omvorming; de verbeerlg-klng van Christus op den borg Thahor; do schlldcry van Raphael, welke die verbeei\'iyklng voorstelt; — transfigurateur, m. fr. de omvormer, eene der benamingen van den kale Idoskoo p.

transformeoron, lat. {trans-formnre, vgl. form, enz.) omvormen, vervormen, een anderen vorm geven; aan een mathematische uitdrukking een andoren vorm geven, zonder hare waarde te veranderen; — transformatie (spr. tie—tsie) f. do gedaanteverandering, herschepping (gelijk die der rups In eonen vlinder); — Alg. do bewerking, door welke men in bepaalde vergelijkingen In de plaats der onbekende eeno functie van eene andere onbekende steil; Geom. de herleiding van eene figuur of van een lichaam In een ander van dezelfde oppervlakte of denzelfden Inhoud (b. v. van den vierhoek ia oonou driehoek, enz.)

transfugoeren, lat. (Irans-fttgëre, van (uijgre, vluchten) overloopen, tot don vyand overgaan.

transfundoeren, lat. (trans-fundtlre, van fundlre, gieten) uit het eeno vat ia bel andere overgieten, overslorlcn; — transfüsio, f. (lat. transfusfo) de oveigieling; overlapping van bot bloed van een dier of mensch in do bloedvaten van een ander; — transfusor, m. een door l)r. Kousscl te Genève bedacht werktuig om bloed over te tappen onder afsluiting der lucht.

transgangëtisch, adj. uw. lat. aan gene zijde van den Ganges gelogen.

transgrediëeren, lal. (tramgrldi, van liradi, stappen, overstappen; — transgressie, f. (lal. transfircssïo) de ovorslapplng; over-tredlag van eene wet, een gebod eaz.

transiëeren, lat. (Irans-ire) overgaan, voorbijgaan.

transigeeron, lal. (transigSre, van trans en df/Sre) clg, doorzetten, ten einde of lol stand brengen-, een vergelijk treffen, overeenkomen, vereilenen, lol eeno inlnnelUke schikking komen ; — Iransigéndo, langs den weg van inlnnelUke schikking; - transigibel, transi-geerbaar, adj. voor eene schikking, een vergelijk vatbaar.

transiliëeren, lal. (clg. Iraui-siUre, van satire, springon) overspringen, met stilzwijgen voorbUgaan.

Transilla\'s, pl. sp. (spr. —ielja\'s) soort van bollandscho kant.

Transitie (spr. lie=tsie) f, lat. (transitto) of transïtus, m. (van trans ire, overgaan) de overgang van hel eene onderwerp (of van den eonen loon) lol een ander; bel overslaan;

— in transitu, in\'l voorbijgaan, en passant;

— transito, n. 11. de doorgang, doorvoer van waren of goederen door het eene land la hel andere; traaslto-gooderen, doorgaande goederen, doorvoor-goederen •, I r a n s 110 - h a n-dol, handel met doorvoor-goederen; transito-101, doorvoerlol; — transiteeren, lat. \'Jransitare) voorhygaan, doorgaan (vaa waren gebruikelijk); — transitief,adj. uw.lal. (Iransi-tivus, a, urn) overgaand, overgankelgk; verbum transitivum of enkel transitivum, n. een overgankelijk werkwoord, bedrijvend werkwoord, waarvan de haadeling op een voorwerp overgaat of daarop werkt, h. v. beminaen, baten enz. (vgl. ver hum); — transitörisch, transitoir, transitoor, adj. lat. (transi-torïus, n, urn) voorbijgaand; vergankelijk, vluchtig, van korten duur.

Translatie, f. lal. {translatio, v. trans-ferre, z. transfereeren), translaat, n. de overdraging; overzetting, verlallag; trans-lafto juris, de overdraging van een recht op een ander; — translator, of fr. trans-latéür, m. een overzelter, vertaler, vertolker; translateur juré (spr. —zjuri), beüedlgd vertaler; — translateeren, nw lat. Kmt. overdragen, z. v. a. transfereeren; — translatóriseh, adj. voortscbriidend h. v. de translatorlsche beweging der planeten, baar omloop om de zon.

Transleithanië, n. de OostenrUksche landen aan gene zijde der Lelt ba, de niet-Duit-sche kroonlanden; — transleithaansch, transleithanisch, adj. aan gene zijde der l.eltba.

Translimitatie, f. (fr. translimitalion) Pol. soort van Interventie of tusschenkomsl, waarbij oen Slaat troepen op het oorlogsterrein zendt, doch enkel um bet veroverde te hezelten en te bewaren ten behoeve van de party, die men iiel|it.

translocooren, transloqueeren, nw.lal. (van \'Hal. torus, plaats) aan eeno andere plaats zetten, verpiaalsou; — translocatie (spr. lie—lsie) f. de verplaatsing, plaatsverandering, overbrenging.

translucént, adj. lal. {translücens, van translucüre, doorschijnen), ook translucide, doorsebUnend, doorzichtig; — translucidi-teit, f nw.lal. de doorsebUnendhcld, duor-zichtigheld.


-ocr page 1271-

TRANSSCRIBEERKN

TRANSLUN ARISCH

1243

translunarisch, translunair, adj. nw.lat. (v. trans on /una, i. aid.) bovonmaanscti, wal aan kcmc zyde der maan, hoven do maan is.

transmarijn, adj. lal. (/rammannus, a, urn, van mare, zoo) aan kciio zydo dor zoo, overzeesch.

transmigroeren, lat. {Irans-migrSre, vgl. inlgreeron) woulrokken, verhuizen, uillandig gaan (omlgrooron); — transmigratie (spr. He=tsic) f. (later tat. tranmigraCio) do uittrekking, verhuizing, landverhuizing, vulks-verhuizlng; ook zlolsvcrhuizing.

transmitteeren, lat. {Iransmilllre, vgl. inittooron) overzenden, ovcricvoroni tor hand stollen, overdoen; — transmissie, f. (truiis-missfo) de overzending, overlevering, terhandstelling; overdraging, voortplanting; transmis-sio hcreditutis, do overdracht der orfmaklng; — transmissibel, adj. nw.lat. overzend-liaar; ovordoenhaar; — transmissibili-teit, f. do ovordraaghaarhold.

transmontaan, adj. lat. {transmoiUBnus, a, um, van mons, herg) aan gene zgde der iiorgen (Alpen), overiiergsch; ook z. v. a. ul-trainen taan (z. aid.).

transmuteoren, lal. (trims-mutnre; vgl. muieoren) veranderen, verwisselen, verruilen, omzetten; — transmutabel, adj. verander-haar, verwisseihaar, voor omzetting vathaar;— transmutabilitoit, f. do veranderlUktieid, verwisselbaarheid; — transmutatie (spr. t=ts), r. lat. (transmuldffo) do verandering, verwisseling, letterverzetting; hij de alchhnls-lon; de verandering van oen metaal in een odeier; Math, de herleiding van eene figuur of een lleliaam In een ander, gelijk van oenen driehoek In een vierkant; de verandering van oene kromme lün In eene andere van dezelfde soort en dezelfde orde; — transmutatietheorie, f. de leer der vervorming, de afstammingsleer, de (reeds vóór Darwin, vgl. darwinisme) door i.amarek en andere natuuronderzoekers geopperde meening, dat alle organismen der aarde zich uit een of eenige weinige hoogst eenvoudige stamvormen hebhen ontwikkelt, z. v. a. d oseend en 1 le-l b eo r ie.

Transnominatie (spr. tie=tsie) f. nw.lat. de naamsverwisseling, overnoemlng; z. v. a. me-tonvmie (z. aid.)

transoceanisch, adj. aan gene zyde des Oceaans gelegen.

transpadanisch, adj. lat. (transimdü-nus, a, um, v. Padus, de l\'o) aan gene zydo van den l\'o, wat zich aan de andere zijde van den l\'o bevindt.

transparent, adj. nw.lat. (van /rans, z. aid., en jiarfrc, schynen) of transparant, fr. (spr. —pani/i) doorsebynend; helder, klaar; als subsi. n. een doorschynbeeld, doorscbynende sebildery, ook nachitafereel, geolied papier, waarachter men licht plaatst, by decora 11 en; iy-nenblad, oen blad, waarop zware lynen zyn gelrokken en dat men onder het papier legt, om reebt te schryven-, — transparóntie (spr.

tie=tsie) of fr. transparence, f. (spr. —rdtis\') de doorscbynlng, doorscbynendbeid; klaarheid.

Transpiratie, enz. z. transspiratle. transplanteeren, later lal. {trunsptan-tare, van iituntarc) verplanten, overplanten, verplaatsen; Meil. een lap van de bnlil losmaken en op oene andere plaats laten aangroeien; — transplantatie (spr. tic-tsic) f. de ver-plonting, overplanting, verplaatsing; Med. de vergoeding van een verloren licbaainsdeel door een ander, van elders onileend.

transponoeren, lat. (transponln, van pongrc, zetten) overzeilen, verzetten, verplaatsen; Muz. een sink In eene of andore toonsoort zeiten, omzeilen, liooger of dieper in den toon spelen; — transpositie (spr. -ti-lsle) f. de verzetting, om- of overzetting (In een anderen toon); Math, de verandering van plaats eener grootheid In eene uitdrukking, zonder de waarde daarvan Ie verandoren, verplaatsing der termen eener vergeiyking van de eene zijde van bet geiykheldsteeken naar de andere.

transporteeren (lat. transjinrtare, van portare, dragen) overbrengen, verder brengen, vervoeren, overvoeren; overdragen; — transporteering of transportatie (spr. lic= tsie) f. de vervoering, overvoering; — transpórt, n. nw.lat. (fr. transport) de verzending, bel vervoer van koopwaren; do vracht; ook hetgeen vervoerd wordt (b. v. een transport lo-vensmlddelen enz.); de overdracht of bet overbrengen van de slotsom In rekeningen van hel einde der eene bladzijde op bet begin eener andere; transportkosten, de verzendingskosten, bet vrachtgeld, vervoerloon, de vracht; transportscblp, een overvaar!-, vracht- of lastschip, inz. voor troepen; — transportabel, adj. vervoerbaar; roerend; overdraagbaar (van scbulden en verbintenissen); — transportatie (spr. tie—tsie) f. (fr. transportation) z. v. a. deportatie, z. aid.; —transporteur, in. fr. Geom. boekoverbrenger, hoek-, graadmeier, een halfcirkelvormig, In isn graden verdeeld meelkunsiwerkluig om boeken te meten en over te brengen.

Transpositie, z.ond. t ra nspo neer en. transpyronoeïsch, adj. nw.lat. aan gene zyde der l\'vrena\'en gelegen.

transrhenanisch, adj. lat. (transrhe-nanus, a, um, van flAenits, de KUn) overrynseb, aan gene zyde des Ityns gelegen.

transscendént en trunsscenden-taal, adj. nw.lal. (v. \'1 lat. trnns.trendüre, over-stygen, te boven gaan, van scandlre, stygen, klimmen) l\'blios. bet zinneiyke of bet gebied der ervaring te boven gaande of overschrydend, bovenzinneiyk, niet onder de zinnen vallende, 1). v. zulke begrippen enz.; Geom. door eene algebraïsche vergeiyklng niet te bepalen; — transcendant, adj. fr. (spr. tramaiiddh) verbeven, zeer Hllmuntend, wat uilblinki in zijne soort.

transscribeeren, lat. (trans-scribüre, v.


-ocr page 1272-

1244 TRATTORIA

TRANSSEPT

scribire, schrüvon) 1° oversclii\'Uvon, uit hol oono liook In ecu ander, uit den oenen vorm In den anderen; 2° overschrUven, sclirlttclUk ovordra-t-\'en, op oen andor overscliryvon, li. v. oene sctiuldvordorlng; — transscriptie (sin- lie= sie) f, do oversclirüvliiK van don eonen naam op don anderen; de overbronRliiK, b.v. van oen zangstuk voor de plano.

Transsept, z. transept, transspireeren, uw.lat. (van Irans, ■/.. aid., on spirare, adomon, wasemen) uitdampen, uitwasenion, zweeten; onolf;. rnchtlraar ot lio-kond wordon, zich verbreiden, uitlokken, uit-komen; — transspiratie (spr tie=lste) t. de ullwasomlns;, ultdampliiK.

Transsubstantiatie (spr. lie=lsie) f. nw.lat. (vgl. suhstantle on consulistan-11 a 11 o) do verandering van de ecno zelfstandigheid In do andere, verandering van hot hrood on den wyn hy het Avondmaal In hot lichaam en Moed van Christus, volgons do leer dor R. Katholieken.

transsudeeren, nw.lat. (van \'t lat. xu-dare, zweeten) doorzweeton; doorsypelen; — transsudatie (spr. lie=lsie) r. do doorzweeting ; doorsypellng.

transsumeeren, lat, {Irans-sumSre, van sumire, nemen) ovornomon, ontloencu, overdragen, afscliryven; — transsumt of liever transsumpt, n. Jur. een nutlionllok of door een hevoégd persoon gemaakt afschrift (eoplo).

Tranasylvanië, n. olg. aan gene zydo van hot woud: Zevenhergen.

Transtévere, it., liever Trastévere, n. (van Tevere, Tlher) het gehlod aan geno zyde des Tlhers, van Rome gerekend; — Tras-tevennen, de hewoners van dat gebied.

transveheeren, lal. (tvans-vehSre) overvaren, overvoeren, vervoeren; — transvéetie (spr. lie=sie) f. de overvaring, overvaart; ook leenpllchtlg vervoer, vroonvervoer.

Transvérse, f. lat. (van transvérsus, o, um, dwars, van Irans-verlSre, elg. over-of door-richten of wenden) z. v. a. traverse; — transversaal, adj. nw.lat. (transvenalts) dwars, overdwars; schuin, scheef; — transversaal of transversale, f. Muth. oene lyn of een vlak, waardoor een stelsel van lijnen of vlakken op de eene of andore wyze doorsneden wordt; Inz. scheefgetrokken rechte lynen ter lljnere onderverdeeling eener schaal; — transversalen, m. pl. Jur. zyverwanten.

transvistulanisch, adj. aan gene zyde van den Welschsol gelegen.

Trap, n. (zw. trapp, van Irappa, de trap, uit hoofde van de trapvormlge lagen, waarmede het overgangsgebergle de koepelvormige groensteen- en basalt hergen omgeeft) trapsteen, wak, do vroegere naam voor verschelden gemengde steensoorten, Inz. basalt, doleriet, ook groensteen.

Trapezium, n. gr. (trapédtion, elg. tafeltje, verklw. van Irripedzn, tafel) pl. trapezia of trapeziën. Math, een vierhoek mot ongetyke zyden, waarvan slechts twee even-wydlg loopen; ook een gyinnastlekwerklulg, de hangrekstok, hot zweefrek; — trapezoéder, n. een lichaam met vier en twintig geiyke, on-geiykzydlge vierhoekige vlakken; — trape-zoïde, n. (van \'tgr. Irapezoeiilés, Iets tafel-vormlgs) een vierhoek, waarvan al de zyden en hoeken ongciyk zyu -, — trapezophoor, m. een tafeldrager, tafelhouder.

Trapiche, m. sp. (spr. Irapi-tsje ■ van \'I lat. trupelum of trapes, genlt. Irapclis, de oliepers) een suikermolen; In Mldden-Amerlkn een landgoed, waarop uitsluitend de suikercultuur gedreven wordt; ook een hamerwerk voor erts.

Trapper, m. eng. (van Irap, val, valstrik, fr. trappe, provenc. en mld lat. Irappa, van \'t oudhoogd. Irapn, strik) een valdeurwachter In de kolenmyneii; een noord-amerlkaansch wilden pelsjager, Inz. van bevers en otters.

Trappisten, leden van de orde de la Trappe, eene monnikenorde, in de nde eeuw door den fronschen abt Rance gesticht (dus geheelen naar de alniy la Trappe, In een woest oord van ISormandle); zy onder-scheldt zlcb door de uiterste gestrengheid van hare ordesregelen, Inzonderheid ook door de verplichting tol een volstrekt zwygen.

traqueeren (spr. —koeren) fr. (Iraquer, van trac, het spoor van \'t wild) dryven, eene dryfjacht houden.

Tras of tarras, n. (misscblon van \'l fr. lerrasse, aardwal, gevormd) vulkanisch puin, tufsteen, oen mengsel uit brokken van vulkanische steenen, dat men als cement hy water-metselwerken gebruikt.

trasseoren, it. {trassdre, v. \'I lat. traclum, tra hire, trekken) hy iemand over geld beschikken, hem schrlfteiyk verzoeken eene betaling ie doen-, — op iemand trasseeren, op hem oenen wissel trekken; — appoint (fr.) of a panto (It.) trasseeren, de gelden tot op den laatsten penning betrekken; — trassant, m. een wisseltrekkor, uilgever van oenen wissel, trekker;—trassaat, m. de betrokkene, hy, op wlen eonen wissel ter betaling Is afgegeven, ook acceptant; — tratte, f. (11. t ral la) of traite, fr. (spr. trót\') een getrokken wissel (gewoonlijk worden onder kooplieden 2 of 3 geiykluidende traites, n.i. prima, secunda en tertin, eerste, tweede en derde wissel afgegeven, opdat, In geval de eene verloren gaat, de andere betaald worde); — trat-tarélle, f. (It. trattarélta) een wisseltje, kleine wissel van gering bedrug.

Trasteveren, Trastoverinen, z. T ran stove ren en ï r a n s t e v e r I n e n. Tratto, z. oud. trasseeren.

tratto di corda, m. It. (= lat. Ir actus, z. aid., ond. tractorla) de louwtrekking, eene straf voor misdadigers in llalit), waarby hun de leden met touwen uit elkander getrokken worden.

Trattoria, f. it. (v. Irattare = tractee-ren, z. aid.) restauratie, herberg.


-ocr page 1273-

TREMBLANT

TllAULISME

1245

Traulismo, n. «r, (Iraulismós, v. Imuli-dzein, hot lispelon of hrouwcn, iils gebrek der uitspraak.

Traumatika, n. pi. nr. (v. tniftmn, wond) Med. wondmlddolen; — traumatisch, udj. wonden lietrefTondo, van oeno wond ontstaan, met wonden hehept; — traumaticine, f. Med. oene oplosslnn van KUtta-percha in chloroform ; — trausis, f. do verwonding:.

Travade, r. fr. (vgl. bet sp. Irabado, sterk, Kosplerd, van \'t lat. /rafts, balk) Mar. oen onslulmlKO en ongestadlRo, met donder en bllksom gepaard gaande wind.

Travaillea, pi. (spr. trawaljes) fr. (travail, pl. Iravawci gow. afgeleid van \'tmld.lat. Irabale, Irabalium, dat, geiyk mede bet fr. travail, den noodstal voor paarden beteekent, van \'I lat. /rafts, balk) moeilijk werk. Inspanningen, bezwaariyke bezigheden; — travail forcó, m. fr. (spr. Irawalj forsee) dwangarbeid; — travailleeron (fr tramUkr, li. Iravanliare) arbeiden, Inz. met Inspanning; kwellen, afinallen; — travaille, travaljo, f, de noodstal, hoefstal voor paarden.

Travór8(e), f. fr. (vgl. transverse) de dwarsiyn, dwarsstreep, dwarsstong, dwarsbalk, dwarsgang, dwarswal, eene dwars ingelegde borstwering; een ongelukkig toeval, eene onverwachte verhindering, wederwaardigheid; — traversière, f. (elf:, flü/e iravmière) de dwarsfluit; — travoraeeron (fr. traverser) dwars doorgaan, doorkruisen ; dwars vóorkonien, verhinderen, in den weg slaan, versperren, hinderen; van paarden: dwarsspringen, dwarsspron-gen maken, zich zijwaarts werpen.

Travertine, f. or travertijn, n. it. {travertino, tibertino, tiburtinn, lat. talis Tibur-tinus, v. Tibur, eene overoude slad in Latlum, aan don Anio, nu Tlvoli) een door nederplof-tingof bezinking uil kalkhoudendo warme bronnen ontstane harde tufsteen, uitweiken de tempels en zuilen in Italië gebouwd zyn.

travesteeren (li. traveslire, van tra — trans, en vcstire, kleeden; fr. travestir) ver-kleeden door de kleeding van eene andere kunne of een anderen stand ie doen aannemen; be-lachlUk of lachwekkend Inklecden, een ernstig onderwerp in een bclachHlk gewaad steken of voorstellen, inz. een verheven dichtstuk in een lachwekkenden, bespottciyken, polsierlUken vorm omwerken; — ge tra ve s to e rd, adj. verkleed; belacblUk Ingekleed; — travestie of travesteering, f. verkleeding, omkleeding; lachwekkende inkleeding, een polsieriyk gcdiclil, dat oene ernstige, reeds dicbiorlUk behandelde slot in een nieuw komisch gewaad kleedl ; vgl. p a-r o d 1 o.

Traviata, ll. de verleide.

Trawl, n. eng. (spr. trilt) het grondnet, sleepnet, de kor(re); — trawler, m. korvls-scher.

Trawant (van \'t 11. en sp. trabdnte, hgd. trabdnt, dat van het dultscb trabcn, draven, afkomt : dus elg. een looper) een begeleider, Hjf-wacht van eenen vorst enz., Hjftrawant; eene maan, bUplaneet; vgl. satelliet.

tre, it. (= lat. tres) drie; a Ire, a Ire vnci (spr. wo-tsji) of « tre jxirti. Muz. voor drie stemmen of purl yen, driestemmig.

Treason, f. eng. (spr. triez\'n: v. fr. Ira-bison, v. lat. traditfo, overgave; vgl. trait re) het verraad; — high treason (spr. /tat—) het hoogverraad.

Treasure, in. eng. (spr. trezjur) z. v. a. tresor; — treasurer, m. z. v. a. treso-rier; — Lord High Treasurer (spr. bai—) do engeische groot-schatbewaarder of ml-nistor van flnanciiin.

trebucheeren, fr. (spr. Irebu-sj\'—, fr. tribueber, provenc. en sp. trabucar; vgl. trati uco) struikelen, vallen; ook; meer wegen, overwiclitig zyn; - trebuchant (spr. -sjan) overwiciitlg; als subsi, de overwicht, de doorslag (by munlen); — trebuchet, n. (spr. —sj\'è) het goudschaaltje.

Treeentisten, m. pi. naam, dien men den Mal. dichters van 1300—1100 geeft, en tot welke Dante en l\'atrarcba behooren.

Trechóma, n. gr. Med. ruw held, ruwwor-(ling, z. v. a. trachoma; - treohysme, n. bet ruwmaken, de bewerking of bet ontstaan van het trachoma.

Trèfle, n. fr. (oudfr. trefeul. provenc. tre-fueit, sp. trébol, 11. trifnglio, klaver, van \'I lat. trifohum, d. 1. drieblad) klaver of klaverblad; In bel kaartspel; klaveren.

Treil, m. nederi. (waarscii. v. \'t fr. tirait, en dii van Hrer, trekken; eng. In trail, een schip voorttrekken) eene lyn om een schip voort te trekken; bet gezameniyke touwwerk van een schip, b.v. een vaartuig met zeil en treil.

Treille, t. fr. (spr. Iretj\'; provenc. tretha, van \'I lat. trictilta, zomerpriliel), treillis, n. (spr. tretji) onk treillage, f (spr Ireljóazj) tralie, traliewerk, trallevormig latwerk voor wynstokken, pril\'eien enz.; ook wei tralje, t ra IJ e w e r k.

Trein, z. 1 ra In.

Treis, m. Mar. bras van de liliniie en schuifblinde ra.

Treize, n fr. dertien; de naam van een hazardspel met kaarten.

Trema, n. gr. (van Iran, titran, doorhoren) elg. het doorboorde gal, de opening; Gram. hei doeiteeken {punrla tliaereseos), twee punten, die op klinkletters gezet worden, om aan te duiden, dat met deze eene lettergreep lie-glnt, h. v. poBet; — trematóden, pl. (nw. lat. sing, trematuda, gr. trcmatndSs, doorboord, met veie gaten) zulgwormen, platwormcn, eene soort van Ingewandswormen; — tresis, f. Med. liet doorboren.

Iremando, Iremolando, II. (v. tremare, verkiw. tremoldre, sidderen; vgl. I rem u leeren) Muz. bevend, trillend, sidderend.

Tremblant, m. fr. (spr. traiibldii, van trembler, beven) z. v. a. tremulant (z. aid.);


-ocr page 1274-

TREMOLANTE

1240

TRIANDRIA

— trombleurs, pl. (spr. traiibléür) hovers, z. v. a. kwakers.

Tremolanto, n. It. (v. Iremoldre, trillen, sldileron; vgl. tro muioor on) hot klatergoud, waarmodo ile Italianen, nuilut zij \'t verkalkt hehhen, tiet glas blauw kleuren.

Tremoliet, n. nw.lat. (zoo gohooten naar Vul Tremuki, hel Tromola-dul in Zwitserland, waar mon evenwel dit mineraal niet meer vindt) wit amphlhool.

Tremor, m. lat. (van tremfre, sidderen) tiet sidderen, do schrik, vrees.

Tremplin, in. tr. (spr. Iratiplcn: II. trein-plino, van tremolare, sidderen) dikwijls ook trampolin, de springhank, springplank, aanloop, do sehuinliggendo loopplank voor springers en koordodansers; — trampolinsprong, m. z. v. a. salto mort aio.

tromuleeron, nw iat, (Iremulure, it. Ire-molarc, v. \'t lat. Iremiitus, sidderend, van Ire-müre) sidderen, trilion, inz. van do stem of den toon; — tremulant, m. do siddortoon, bevende toon, langzame triller; een register aan do orgels, dat aan do tonen oene trilling geeft;

— tremulatie (spr. lie-isie) f. do hoving, trilling, sidderende beweging; — Iremulus, a, urn, lat. Hol. sidderend, bootaehtig.

Trente-un of tronto-et-un, n. fr. (spr. Ir ant\'ui it of Iran-te-uiii) een-en-dertig, cn trente-et-quarante, n. (spr. tmii Ie kardiit\') dertig-on-voertig, twee kansspelen met kaarten.

Trepaan, m. (fr. tripan, it. Iré/iano, tra-imno, mid. lat. trepanum, van \'t gr. Irypümn, de boor, van trypan, boren) eene schedelboor, pnnboor, een werktuig dor wondheelers om de hersenpan te doorboren; eeno soort van drilboor, die met twee handen bewogen wordt; —tre-panoeren (fr. trépaner) de hersenpan doorboren; — trepanatie (spr. lt;(«=ta\'c) oftre-paneering, f. het schedelboren; — trephine, f. eeno korte, sleclits met éene hand in beweging gebraebte schedel- of panhoor.

Trepang, maleigch, z. holothurlön.

trepideeren, lat. [Irepidare, v. Irepuius, onrustig, angstig) sidderen, versagen, vreesachtig of verschrikt zijn; — trepidatie (spr. lie=lsie) f. (lat. Irepidutin) de siddering, ver-saagdbeld; Astron. de (schUnbaro) zwenking des sterrenbemcis van bet noorden naar liet zuiden en van het zuiden naar bel noorden.

Trepied, m. fr. (spr. Irepjee) de drievoet, Inz. aan meetwerktuigen.

tre.i, tria, in samenstellingen tri-, lat. drie; tres factunl collegium, drie maken (vormen) eon college, drie z(|n er tot een college noo-dig, drie zyn bevoegd tot het doen van uitspraak ; tria junctn in itno, drie in een ver-eenigd.

Trosalvo, in. sp. naam, dien men in de spaanscho koloniën aan do kindoren geeft, die geboren z(jn uit oenen Mesllos en oene Indi-aansche of alt oonen Indiaan en eeno Mostiozo.

Treseau, m. fr. (spr. Irezo) oen oud fr.

apothekers- en zllvergewlcht, een vierde ons.

Treséta, f. eene vroegere rokonmunt op Majorca = libra of ongeveer IJ cent.

Tresis, z. ond. trema.

Trésjak of trisjak, n. (naar men wil van \'I it. i Ire sciacchi of liever scacchi, de drie schaakfiguren of koningen) eene soort van kaartspel mot :) kaarten (in het fr. brelun genaamd);

— tresjakken of trisjakken, dat spel spelen.

Tresor, m. fr. (van \'t lat. thesaurus, z. aid.) trezoor, de schat, schatkamer; — tre-sorerie, f. fr. trezorie, f. de schatkamer, do plaats, waar de staats- of gemeentegelden bewaard worden; — tresorier, in. fr (spr. trezo-rjé) een sciialmeester, rentmeester; — tresoreeren, oenen schat aanleggen, verzamelen.

Tresquille, f. fr. (spr. treskielj\') de vette Levantynschc wol.

Tresse, f. fr. (provenc. tressa, it. treccia, van \'t gr. tridia, drievoudig, drledeeilg, dowyi tot eene vlocht drlo doelen bebooren) do tros, liet goud- of zilverhoord of -belegsel; de haarvlecht, het haarsnoer; — tresseeren (fr. tm-scr, it. Irecciare) haarvlechten; — tresseur, m. een haarvlechter; — tressouse, f. (spr. —seuz\') eeno baarvlechtster.

treuija Dei, f. mld.lat, (It., sp. en provenc. trefjua, fr. tr/tve, wapenstilstand, rust, eig. zc-korbold, borgtocbl, van bot duitsch Ireue, oudd. Iriwa, Iriuwa, gotb. triimvu) de godsvrede In de middeleeuwen, do stilstand of staking der veeten en rooveryen van Vrydag tot Maandag.

treve, joodsch; onrein, verwerpeiyk; het tegengest. van koschor (z. aid.)

Treve, f. fr. (spr. Irew\') do wapenstilstand, het bestand; — Irêoe de complements.\' maak geen complementen; — trêve de railterie, alle scberts tor zydo.

Troviren, m. pi. (lat. Treviri) oen cel-tlschc volksstam in bdglscb Gailifi, welker hoofdstad Trior (Augusta Tremroram) was.

tri-, gr. cn lat. in samenstellingen: drlo (vgl. tres).

Tri, n. fr. eeno soort van omberspel met drlo personen, waarby men van de rnilen al-loon don hoor boboudl.

tria, z. tres.

Triade, triadisch, z. trias, ond. tri-a n d r 1 a.

Triage, f. fr (spr. —ddzj\': van trier, uillozen, uitzoekon, provenc. triar, oud-lt. Mare, van \'t it tritdre, wryven, nauwkeurig onderzoeken, van \'t lat. trilum, terére, In stukken wryven, ook ultdorschon) bol uitlezen, ultznn-deren, scbltlen; het uitgezonderde, hel geschifte;

— trieur, m. sorteerder.

Triakontaéder, n. gr. (van Iridkonta,

dertig en hédra, zetel, grondslag, grondvlakte) een derllgvlak, een lichaam mot dertig geiyko ruitvormige vlakken.

Triandna, n. pl. gr. (van troïs, tria, in satnensl. tri-, drlo cn unir, man) dilemannlge


-ocr page 1275-

TRICHIASIS

1247

TRIANON

planten, drloholmlgon, welker lilooinen ilrie meel-ilriiilcn hobhon, ile ltde klasse In het slelsel van I.innatus, lot welke schier al onze graan- en grassoorten bohooren; — triangel, m. lat. (triangiilus, van angülus, hoek) do driehoek; ook een drtehooklg stalen slaK-Instrument In de turksctio muziek; — triangulair, adj. latei-lat. [Irianqultiris, c] drlehoekltt; —triangulaire ot trigonaal-gotallen, driehoekige getallen, do oenvoudtgsto onder de gefigureerde gelation, n.l. I, 3, tl, to, 18, 2t, 4«, :i« onz., welke men kan uitdrukken door even ver van elkander staande punten binnen het

vlak van een gelllkzUdlgen driehoek (. •., ,v. enz.), en welke men vorkrygt uit de som der rekenkunstige reeks 1, 2, 3, 4 enz., h.v. l-j-i = 3; l-f-24-3 = 0; I- -2-HH-4 = 10 onz.; — trianguloeron, inellngen door driehoeken verrichten, terwUl men zekere punten als hoekpunten van drlohoeten aanneemt; ook drle-hoeklg onion of grllTelcii, In eene driehoekige lusnode aan de zyde des stams het entrüsjo of do piiirel Inzetten; — triarchie, f. gr. de drlehoerschappU, liet drlomanscliap, do regeering van drie iiersoncn te gelijk; —triariërs, in. pl. de kerntroepen, de oudste en lieproefdste soldaten van \'t romelnsclie legioen, zoo gehee-ten, omdat zü In den slag het derde nelld vormden j — triade, t. fr. trias, gr. (trias) hot drietal, de drlohold; l\'hllos. eene verzameling ilrlo personen, drie eenheden; de Indische triade, z. tri moert I; — trias-idée, f. hgd. In do politiek liet plan om de dultscho kleine en middel-stalen In nauwere vereeniging naast de heldo dultscho grooto mogendheden te stollen; — trias-formatie (spr. tie=sie) of trias-groop, f. de rormatios van liet honto zandsteen, do schelpkalk en het keupor; — trias-periodo, f. de tyd van het ontstaan dezer rornialies; — trias hannoritca, de (harnio-nisclie) drieklank; — trindisch, adj. tot do trias liolioorondo; triadisclie hymne, een lofzang igt;|i de drleöenheid.

Trianón, in. fr. een paviljoen of vrystaand gehouw in een park; Groot-Trianon, een konliikiük lustslot in \'I park van Versailles; Kloin-Trianon, liet iievoilngslustsiol der koningin Marle-Antolnotte.

Tribado, f. gr. [tribés, pl. tribddes, van tribein, wrUven) eene vrouw, die met zlclizeive of met andoren van haar geslacht ontucht he-(trytt; — tribadisme, n. die soort van ontucht; — tribométer, lil. Wryvingsmeter, een werktuig om de graden der wrgvlng te bepalen.

Tribord, fr. z. strlbord.

Tri-boston, z. boston.

Triboulot, m. fr. (spr. tribneli: v. oudfr. Iribouler, tribouitlcr, iioflig bewegen, lal. tri-bulure, persen; vgl. tri ba loeren) een dryf-kegei, een slonipe kegel, waarop iels ronds wordt allgedroven (b. v. by goudsmeden).

Tribrachys, m. gr. (van tri—, drie, en brachys, korl) Poet. een gr. of lal. versvoet, bestaande uit drie korte lettergrepen, de snel-looper (— —

tribueoron, lal. (Iribulre) toekennen, too-olgenen, bewilligen; ook sclialting betalen.

tribuloeren, lat, {Iriüulan, persen, drukken, 11. tribolare, vgl het lat. tribulum, dorscll-machine, dorschsiede; gr. hibein, wry ven, dor-schen) dringen, drukken, plagen, kwellen, verontrusten, pynigen; — tribulatie (spr. tic= Isic) f. (later lat. IribulaCfo) do drukking, aanvechting, boangstlging, angst ; wederwaardigheid, ongeval.

Tribülkon, n. (waarseh. kwaiyk gevormd van \'t gr. Iri—, drie, fr. boute, kogel, en gr. tiélkein, trekken?) Med. een drievoudige kogeltrekker tol liet uittrokken van kogels uit geschoten wonden.

Tribunaal, n. (van \'t lat. tribunal, de verheven plaats, waarop zittend de pretor recht sprak) de rechterstoel; hel gerechlshof, de rechtbank, het gerecht, inz. hel opporgerecht; pro tribuun li, voor het gerecht; — tribune, f. fr. liet spreekgestoeito; de verheven plaals voor liet volk in de vergaderzalen; ook die, van welke ile grieksche en romeinsche redenaars tol het volk spraken; de galerg in kerken.

Tribus, f. pi. ook tribus, lat. eene af-deeling, Inz. vau het rom. volk, waarvan er oorspr. drie, ten laatste 3quot;gt; waren; volksklasse; — tribünus, of afgek. tribuun, m. do opperste of hel iioofd van eene tribus, gemeens-man; In het algemeen een hoofd, een opperste; tribunus mihtum of krijgstribuun, een krygsoverste hy de oude Koinelncn; tribunus ptebis of volkstribuun, een volksverdediger, volksspreker, geineensman; — tribunaat, n. het ambt van eenen tribuun of gemeensman.

Tribuut, n. (van \'t lat. tribulum, van Iribucrc, ■/.. I r i b u 1 o e r e n) de opbrongsl, schal-tlng, belasting, cgns, schot; — tributair, adj. (lal. Iribularius, u, um, fr. tributaire), cynshaar, sclialpliclitlg; — tributarms, m. een schatidiclitige.

Trica, f. inid.lal. {Irica, Iricta, lat. tricae, verwikkelingen, wederwaardigheden) verward of ineengewikkeld haar; Med. z. v a. pil ca.

Tricenmum, n. lal. (v. Iricêni, dertig, on annus, jaar) eene tydrulmlo van dertig jaren; — tricennaal, adj. (Iricenndtis) dertigjarig.

triceps, lat. (v. tri— en caput, hoofd) drle-hootdig.

Tricosimatie (spr. tie=lsic) f. lal. (van Iricësimus, de dertigste) de keuze of uilnoniing van den dertigsten man van een troep, ten einde enkelen voor allen te straiTon.

Trichiasis, ook ti\'ichösis, f. «r. (v. thrix, gonil. Irichös, haar) Med. haarziekte; Inz. eene ziekte van de haartjes der oogleden, waarbg de oogwimpers vorkoord of rugwaarts groeien; — trichine, f. (lat. trichina spiralis) de haarworm, een zeer kleine worm, die zich hevindt in de spiervezels van verschelden


-ocr page 1276-

TRICHORD 1248

TRIGLYPH

dieren, Inz. van varkens, ontdekt door Glllon on in 1KII3 door Owen liet eerst beschreven;

trichiniasis ut trichinosis, ook tri-chinoso, f. de trlclilneiulokle, eene pUniyke on illkwyis doodclüko zlekle, ontstaande door liet gebruik van trlcliineus vleesch, daar do wonnen de darmwanden doorboren en In de spieren doordringen; — trichineus, adj. met tiicblnen behept; — triehismo, n. de baarbreuk, spleetbreuk, waarby een been door beleodlglngen eene lljne spleet krygt; — tri-chitis, f, haarontsteking, haarziekte; — tri-cholabis, r. o( tricholabmm, n. haartang; — trichologïG, f. z. v. a. karpho-loglo; — trichoma, n. het bebaardzyn, de barlghold; de poolsche vlecht; —trichó-phthora, pi. middelen ter uitroeiing van het haar-, — trichophyëa en trichophy-tika, pl. middelen die den groei dor haren bevorderen; — trichophylloc, f pl. planlen niet blaadjes zoo dun en smal als haren; — trichophyllisch, adj. baarbladerlg.

Trichórd, n. gr. (Iri-chordos, on, drlo-snaiig; vgl. chorde) eene driesnarige kleine luit of mandoline.

Trichorrhceo en trichorrh^sis, f. gr. (v. Ihrix, genlt. Inchn.i, liaar) het uitvallen der haren; — trichoschisis, f. hel spiyten der haren; — trichösis, f. (v. trkhoen. bellaren) het hehaardworden; — trichotomio, f. I) hel haarspiyten, haarklooven; -2) {v. tri-chu, drievoudig), de deeling, splitsing in drie deelen; do voorstelling van een begrip In drie trappen, ook trilogie; - trichotómisch, adj. haarspiytend, drledeellg.

Trichroisme, n. gr. (v. tri—, drie, en chros, kleur) de driekleurigheid, drievoudige klcurvcrwlssellng.

Trichuride, f. gr. (v. thrix. genlt. tri-chós, haar, en oerd, staart) eig, haarslaart; de liaarwonn, eene soort van Ingewandswormen;

— trichus, m. styf, borstelig hoofdhaar. Tricinium, n. lat. (v. Ires, Irin, In sa-

mensl. tri—, en canlrc, zingen) Muz. een driestemmig nnizlekstuk, een stuk, gezel voor drie stemmen of speeltuigen.

Trick, m. eng. In hol whistspel; elke slag ol trek hoven de gevorderde zes slagen.

Triclinium, n. lat. (van tri—, drie, en bet gr. klim, leger) elg. drievoudige legerslede; oud-romelnsche spystafel; de zaal, waar die spyslatcls waren geplaatst.

tricolor, nw.lal. (vgl. color) driekleurig; Inz. draagt ilie naam de driekleurige amarant;

— tricolóre, f. fr. do driekleurige (wlt-hlauw-roode) cocarde.

Tricot, n. fr. (spr. Irikó) en tricotage, f. (spr. —latitj\': v. Iricoler, breien), breiwerk, gebreide kleedlng; eene gebreide of gewerkte, stof voor kleodlngstukken, die, onmiddeliyk op hel lyf gedragen, daaraan nauw slnilen; inz. dergoiyke vleeschklourige kleeding om de bee-nen (broek en kous uil een stuk) zooals ballet-en koordedansers dragen; en tricot (spr. an

Irikó), In gebreide kleedlng, in tricot; — tricoteuse, f. (spr. s=z) eene breister; ook een breivertrek.

Trictrac, z. toccatcgii.

Tricycle, m. fr. (spr. —siékf; van \'t gr. on lat. tri-, en cyclus, gr. kjjklos, kring, cirkel) een fransche wagen met drie wielen; ook drlewlellge velocipede; — tridaktylisch, adj. gr. (vgl. d a k t y I u s) met drie vingers, met drie toenoii; — tridéns of tridént, m. lal. (v. dens, genlt. denlis, tand) de drietand van Neptunus; — tridi, fr. z. decade; — tridrachmon, n. gr. een drle-drachmen-sluk, oen geldstuk van drie drachmen waarde;

— tridüum, n. lat. (v. dies, dag), 11. triduo, eeno tydrulinte van drie dagen; een driedaagsch gebed in de r. kath. Kerk; — triédisch, adj. gr. (v. hédra, zelel, grondvlak) drieviakklg; — triënnium, n, lal. (v. annus, Jaar), een Jarontrlts, een tijd van drie Jaren; triënnium acadeniïcum, het driejarig bezoek eener hoogescbool; — triënnaal, adj. nw.lal. driejarig; — triënnaal-acte, f. de door Karei 1 op 1« Februari tllii aan hol eng. parlement verleende bevoegdheid om uit eigen beweging ie vergaderen, als hot drie Jaar lang niet door den koning Is byeengeroepen; — triorarchie, f. het ambt en de werkkring der trierarchen, scheepsbevelhebbers of ult-rustors van liet schip, ryke athoenscbe burgers, die daartoe verplicht waren — triëtêris, f. gr. (van trietos, driejarig, van Hos, Jaar) een driejarige lydkring of tydrulinte, een driejaar-lykscb feest, een feest, dat om de drie Jaren gevierd wordt; — triëtërisch, adj. om de drie Jaren; — trifolium, n. lat. (vgl. follu m) drieblad, klaver; — triga, r. (samengetrokken uil Iryufia; vgl. quadriga) oen driespan, een met drie paarden hespannon rytuig of wagen;

— trigamïe, f. gr. (v. gómos, echt, huwe-lyk) drievoudige echt, het leven In bet derde buweiyk.

Trien, f. z. v. a. Tryn, spoinnnm, dien het gepeupel In Nederland aan de wostplmal-scho of bovonlandsche vrouwen geeft.

triest, triestig, z. trisle.

Trigantine, f. een klein grleksch vaartuig mot een enkel zeil.

trigastrisch, adj. gr. (van tri—, drie, en (laster, hulk) driebuikig.

Trigaud, II. (fr. —f/ri; van \'tlat. trico, een Intrigant, Iricae, verwikkelingen, intrigues, Iricuri, zwarigheden maken. Intrigeeren, fr, Iri-cher, 11. treccare, bedriegen) eon argllslig mensch;

— trigaudeeren (fr. triaauder), met streken onigaaii; — trigauderie, f, streek, valscbheld, hedrlegery.

Triglaw, m. slav. (v. tri, drie, en i/lawd, hoofd) oen voorname god der oude Wenden met drie hoofden, als heer des hemels, der aarde en der onderwereld, wiens aanzloniyksle iompel te Steltln was.

Triglyph, m. gr (triulyphos, van tri—, drie, en glyphis, vgl. glyph) Arch, de drie-


-ocr page 1277-

TRIONEN

ÏRIJN

124!»

kloof, lid met drlo lnkcrvliiKcn verslorde lid dor (lorlsclie zullenunlo; — trigönum of trigoon, n. (gr. IrigOtinn, vim f/unns, f/om\'a, hoek) een drieliock; — trigonaal of tri-gönisch, adj. drlohooklK; — trigonélle, f. nw.liil. (trifionélla, L.), uon |ilunlcngoslu()|t, wiiarvun do boksdoom eeno soort Is, fcneKilok, grloksch lioolj ook cent) gladde twecscliallgo mossol, waarvan do schalon lodor In drlctSn zijn verdoold; — trigonollioton, in. pl. vor-sloonlngon van zulko scholpdlercn, ook dona-clelcn; — trigonomotrio, f. gr. do driehoeksmeting, de wotoiisehap, die, wanneer van de zyden en hoeken eens driehoeks drie dingen (die echter niet de drie hoeken mogen wezen) gegeven zlin, de overige drie door berekening loert vinden; — trigonometrisch, adj. tol do driehoeksmeting hohoorende; — trigy-mën, pl. (van nynv, vrouw) piatden, welker Idoemen drie stampertjes hehhen; — triko-lon, ii. gr. (vgl. kol on) een drieledig ding, Inz. een gedicht mol drioderlei soort van verzen.

Trijn, f. verkt. Trijntje, m, vr.naam: vcrko-ting van Catharina (z. aid.).

Triktrak, z. toccatoglt.

trilateraal, adj. nw.lat. (van tri—, drie, lt;■11 lalus, genll. la! iris, zjjde) driezijdig; — tri-lómma, n. gr. (vgl. I o m m a en d 11 e m m a) eene op onderstellingen (h v po t hese n) gegronde sluitrede, met een drieledig nazindeel in den meerderterm of major; — trilinguisch, adj. (v. lingua, de taal) drietalig, in drie talen-, — trilittoraal, adj. drielelterig, in drie letters; — trilitterisme, n. het hestaan der woorden of woordstammen uit drie letters (h. v. in het hehreeuvvscli).

Trillioon, n. (mid. lat. trillw, fr. Irillion) een miliioen van den Sdeii rang, duizendmaal duizend h 111 loenen (i,o()n«no,onnonn,nnnnnn).

Trillo, m. it. (van Irillare, trillen) Muz. een triller, Ireniulanl.

Trilobiet, m. gr. (v. tri—, drlo, en lobós, loh, hulsel) versteenlngen van onliokeudo schanl-dieren met drie Imlsels; — trilogie, f. (vgl. logos) elg. eene drievoudige of drledeeiigo rede; inz. eeno verzameling van drie looneel-slukken, afzonderlijk vertoond, maar wier personen dezelfde zgn en wier onderwerp eenlgen samenhang heeft, geiyk li. v. de liendrlk VI van Sliukespeare, de Wallensteln van Scliiller; In het oude Griekenland drie treurspelen van (\'enen sclirljver, die samen een geheel uilmaak-ten of toch na elkander opgevoerd werden; ge-woontyk stoot zich nog een salyrspel daaraan, dut dan met gezegde drie treurspelen samen eene tetralogie of vlerheid van too-neelstnkken uitmaakte; — trilogogriph, m. een drievoudig woordraadsel; triméster, n. lal. (van trimistris, e, drlemnandsch, drle-maandeiyksch) een lyd van drie maanden, vierendeel jaars;\' — trimeter, m. gr. {trimetros, v. mitron, maal) i\'oel. een driemeter, drieledig of zesvoetig vers; inz. de jamhische trimeter, ook lat. senarius, zesvoeter; — viEtihii nnuK.

trimórph(isch), adj. (v. mnrphc-, .........te).

In of under drie gedaanten; - trimorphis-me, n. de drievoudige gedaante.

Trimoerti, m. (sanskr. van tri, drie, en moerti, f. lichaam) hid. Myth, de drieeenheid der vedas, voortgekomen uit den school van itnilmm, en lieslaande uit it ra li ma, den schepper, uil V1 sc li n o e, den onderhouder en Sivva of Sjiva, den verwoester.

Trin., hy natuurwelenschappeiyke henamln-gen afk. voor it. von Trlnius (gost. 1814).

Trincadoera, f. (sp. trincadura) eene soort van spaansche schepen.

Triniteit, f. later lat. (trinitas, v. trini, hy drleen, drie aan drie) de drlelield, drieöcn-held, drieeenigheid, drievuldigheid, drievoudigheid; — triniteits-feest, liet feest der Drieeenheid op den islen zondag na Pinksteren, waarvan de zondagen na trin lias {jinst trinitutis, sell, festum) Ininnen naam hehhen;

— Trinitariërs, Trinitarissen, m. pi. nw.lat. drleUenheldslielUders, eene in tins in Spanje geslichte geesteiyko orde, die de verplichting o|i zich nam, aalmoezen ter loskoo-ping van chrlslon-slnven te verzamelen; in Krankryk M a t h u r 1 ne n geheelen, omdat hun klooster te l\'arys naast eene kapel van den helt. Matliui\'lnns stond.

Trinoctium, n. de tyd van drie nachten.

trinómisch, adj. gr. (vgl. hi.....nisch)

drieledig, drievoudig, driedeelig; — trino-mmm, n. eene drieledige, drledeeiigo, drie-namlge getnllengroottield.

Trinquart, n. fr. (spr. treiikiri mls-sciiien v. prov. trinquar, trcncar, snyden; vgl. trancheoren) een fransch haringschip van ij tot IK tonnen.

Trinum, n. lat. het drievoud; omne Iri-num bonum, sprvv.: alle goede dingen bestaan In drieën.

Trinundinum, n. een tydperk van twee nundinen (tyd van s dagen) en den aanvangs-dag der derde nundlne, dus 17 dagen.

Trio, n. 11. een driespel, driestemmig muziekstuk (niet te verwarren met terzet); een drietal vrienden, een klaverblad, eene trits van vrienden.

Triobolus, m. gr. (van tri—, drie, en o hu lus, z. aid.) eene munt van drie obolen;

— triookie, f. (van oikns, huls) elg drieliui-zlgheld, drievoudige afzondering van planten, die manneiyke, vrouwciyko en tweeslachtige liloc-men hebben, de Me afdoeling van de £lstc klasse In hel stelsel van l.iniueus.

Trióle, f. 11. drieslag, drie verhonden noten, welke de tydswaarde van twee noten van gelijke beleekenlng hebben ; — triolót, n. fr. een drleklankdlehl, een klein diebtstuk van minstens acid, soms ook 9 of 1» regels, waarin de eerste In het midden en de eersle en tweede aan hel slot lerugkeeren.

Triomf, ■/.. tri u m p h.

Trionen, pl. lal. (triones, van trio, de ploegos; vgl. sept ent rlo) elg. de ploegossen,


-ocr page 1278-

TRIORCHOS

1250

TRISET

la\'t sterronbocld van ilcn Brootcii lieer, de Wagen of hol Zevengostornto.

Triórchos, m. gr. (vul. orchis) lomand mot drie teolhallen.

Tripang, malelsch, z. holothurlün.

tripartiet, lal. [Iripartitm, u, urn,- van part ire, dooien) driodoeiig, drievoudig; — tri-partitie (spr. lie—lsie) (. nvv.lat. de Indeeling in drleBn.

Tripel, m. (naar men wil dus genoemd naar ile stad Tripoli, omdat zU over deze slad uit N.Afrika In don handel komt; vandaar lat. terra tripolitana, tr. tripoli, eng. tripnlyi oeno grauwgoolachtige op hot gevoel rauwe, aardachtige steensoort, die men lot hot poltys-len dor molalon, stoonen enz. gebruikt.

tripol of triple, enz. z. end. tri plum.

Tripe-madarae, z. tripmadam.

Tripes, m lat. (van tri—, drio, on pes, voet) oen drievoet: — tripetaai, adj. gr. (vgl. pelaloii) drlobladorlg, met drie bioembhide-ren— tripharmakon, n. een uit drie bo-standdoeien satnongeslold gonoesmidde!; — tri-phthóng, f, ook triphthongus, m. Gram. een drieklank (vgi. d I p h I li o n g); — tri-phthóngisch, adj. drioklankig; — tri-phyllisch, adj. (vgl. pbyilon) drlobladorlg, mot drio kolkbluderon voorzien.

Triphaan, n. gr. z. v. a. s pod urn en (z. aid.); — triphylino, f. gr. oen uit drio vorblndlngon van pbospborzuur, n.i. met üzer-oxydul, mangaan-oxydul en iiiliion bostaand mineraal.

Tripliek, t. nw.lal. (van \'t lat. triplex, drievoudig) derde vorwoorscbrift, beantwoording dor dupliek (z. aid.); — tripliceeren, lat. {triplicure) verdrievoudigen, verdriedubbelen ; hot derde kiaagschritt indienen, op do dupliek antwoorden; — triplicaat, n. de dorde uitvaardiging, hot derde afscbrirt; — triplioiteit, f. nw.lal. do drievoudigheid.

Tripliet, n. nw.lal. (van \'I gr. triploes, drievoudig, met opzicht lol do drio mongings-doolen) yzerpok-orls, pbospborinangaan-orls, oone vorbindliig van phosphorzuur met (jzoroxydul en mangaanoxydul.

Triplum, n. lal. (v. triplus, a, urn, gr. triploes, drievoudig) bet drievoudige; — in triplo, drievoudig, driemaal, in driedubbel afschrift;

— tripel of triple, adj. fr drievoudig, drio-lodig, drlodui)bcl; in het whistspol wordt oone pariy tripel gewonnen, wanneer do logonspo-lors slochls twee slagen hebben; — triple-alliantie (spr. tie=sie) f. oen drievoudig verbond, vorblnlenls lusschon drie mogendheden;

— tripeltaet, m. Muz. drioledigo loonmant, oneven maal; — tripleeren, nvv.lat. (fr. Iri-pier) vordriovoudigon, venhioilnbhelen, driemaal nemen, drievoudig vermeerderen; op het biljart: een bal Iwoemaal legen do bandon spelen, ook Iroisoeron (spr./rori—); — triplé, n. iiol 1 weemaal spelen van den iial logen de banden, ook Iroisé genoemd.

Tripmadam of tripe-madame, f. fr.

(van tripe, godormte, sp. en port. tripa. It. trippa, eng. tripe, eelt.-wallis, tripa, cell.-ar-morik. stripen, pi stripon) lettorHik: vrouwen-gedarmle; bet kleine bulslook, oone saiadoplant.

Tripode, z. t r 1 p u s.

Tripol, ■/.. v. a. tripel, m. (z. aid.)

Tripot, n. fr. (spr. tripó -, van \'t lat. Iri-pudiwn, het huppelen, springen, dansen) balhuls, danshuis, speelhuis, knip, krol, slecht gezelschap; — tripotage, f. (spr. —tdazj\') een mengelmoes, mengsel van spijzen enz., poespas, hutspot; onolg. streken, treken, knopen; — tri-potier, in. (spr. tri pol jé) houder van oen knip of spoelhuis; — tripoteeren, knoeien, iels bekonkelen.

Trip of tripfluweel, n. (11. trippa, fr. tripe of tripe ile velours) Irüp, oone soort van ballliuwoei, wollluwoel van ruwe /.yde of wol op oen grond van linnen of honnop.

Tripsis, f. gr. (van tribein, wryven) do wryving, hot wryven; — triptisch, adj. door wryving bewerkt of ontslaan, gewreven.

triptérisch, adj. gr. (van Iri—, drie, on ptéron, vleugel, vlerk) drievlougollg; — tripto-rygisch, adj. (vgi. pteryx) driovinnlg, met drie vinnen voorzien.

Triptóton, n. gr een zelfslmidlg naamwoord met slechts drio naamvalsuitgangen.

Triptychon, n. gr. (v. triplychos, drievoudig) oen drioviougolig allaarhoold.

Tripudïum, n. lat. (v. Ier, driemaal, on pes, geuit, pedes, voel) het stampen, dansen, buppolon, springen; oen uit oen borbaaUl driemaal stampen op den grond hoslnande feest-dans der sallscbo priesters in \'toude Homo; do wapendans der Ion strijde trekkende mannen iiij do wilde volkeren.

Tripus of tripódo, m. pi. tripóden, gr. (tripnes, van Iri—, drie en poes, voel, pl. tripodes) do drievoet, inz. do gouden drievoet, waarop de delpbischo I\'ylbia zat en goïnspi-reorde uitspraken deed; vandaar de of ex tri-püde dictum, n. lat. oeno uitspraak van den drievoet, oone machtspreuk, oen orakel.

Trirégno, m. it. (spr. —rinjo) de drievoudige kroon van den paus, z. v. a. tiara, z. aid.

Triromen, pl. lal. (slug, triremis, sell. navis, pl. triremes, van tri—, drio en remus, riem) drlerlemlg vaartuig of schip mot drie roeibanken.

Trisagium, z. t r 1 s h a g i o n — trisjak,

z. tresjnk.

Triséctie (spr. tie—sie) f. nw.int. (van Iri—, drie en sectio, z. ond. seceeren) do deeling in drioon, de drlevoudigo dooling van oenen boek; — trisóctor, m. driedeelor, werktuig om eonon book in drie geiyke dooien to verdoelen.

Trisenét, n. fr. l\'harni. grofgoslooton poeder; lu de koukon: mot grofgestoolen spece-ryen en suiker hestrooido en in wyn geweokto willobroodjos.

Trisét of tresét, n. (van \'t it. tre setti.


-ocr page 1279-

TRISHAGION

1251

TROCAR

drie zevens; fr. Iré-sepl) een kuartspol mol 4(1 kaarion tusschcn :t personen, waarby men wint, wanneer men de ilrle zevens in de hand lieett.

Trishagïon ot trishagium, n. nr. (v. Iris, driemaal on higios, a, on, lioiiiK) liol driemaal iieliik\' in oen kerkBezang (naar Jesulas VI, 3); — trismegïstus «f trismegist, in. gr. (trisméfiistos, van mégistos, de grootste, suporl. van mégas, groot) do driemaal grootste, ovorgroote, verhovonsto; bynaam van don ogyp-tisclion liermos of Mercarius; Typ. de benaming van oeno grooto soort van drukletters, grooto kanon of sabon (fr. Irimigcsle, trismé-diste, z. d ru k lol tors).

Trismus, m. gr. [trismós) of trisis, r. (van Irithein, knarsen, krassen) Med. bet tandenknarsen; do kinnebakskramp, mondklem, kaakkramp.

Trispaston, n. gr. (van tri—, drie on spdcin, trekken) oen drievoudig katrol;—tri-spérmisch, adj. (vgi. sperma) driozadig, met drie zaadkorrels.

triste, alt;lj. iut. (trisles, e, fr trisle, it. trislo) triest of triestig, treurig, droefgeestig, bedroefd; somber, betrokken, duister, naar; — con tristézzu (spr. -tri-stétza) it. Muz. met treurigheid of droefheid.

Tristichon, n. gr. (van tri—, drie en stichos, ry, regel) een drieregelig gedicht, eene drieregelige strophe; — tristróphon, n. (vgi. strophe) een gedicht van drie strophen; — trisyllabum, n, (vgi. syllabe) een drielettergrepig woord; — triByllabisch, adj. drielettergrepig.

Tritams, m. gr. [trita/os, sell, pyrelós) of tritoeophja, f. Med. oeno diiedaagsche koorts.

Tritagonist, m. gr. (tritufionistes, eig. de derde sti\'Uder, v. agonidzeslhai, stryden) de derde toonoelspeler op hot gr. tooncel.

Tritérno, f. nw.lat. (tritérna) bU boekdrukkers-. drie zoodaidg gedrukte vellen papier, dat men die, oer zu gevouwen worden, in elkander moet stoken (vgi. qua ter no).

Tritheismo, n. gr. (van tri—, drie en llieiis, (lod) do drlogodery, bet geloof aan drie goden; inz. de aanneming van drie godheden in do Dricüenheld; — trithoist, m. die aan drie goden gelooft; — trithoistisch, adj. driogodig, tot de drlegodery bchooronde.

Trithïonzuur, n. (van I gr. tri—, drie en tliëion, zwavel) hi\'t gezwavelde onderzwavelzuur; vgi. tet ra t hlo u zuu r.

Triticine, f. nw.lai. (van \'t Int. tritïmm, tarwe) de kloofstof, do kleverige slof van het tarwemeel.

Triton, 1) m. nw.lai. (it. tritono, drie-klankig) Muz. do drieklank, de nil drie hoole tonen hoslaatido ovormatigo (|uarte.

Triton, i) m. gr. {Tnlon) Myth, een zeegod en begeleider van iNeplunus; pi. tritons, lagere zeegoden, somwyien met viscbstaartcn, ook wel met paardenvoeleu voorgesteld.

Tritonïa of Tritogonoia of Trito-gonia, f. gr. bynaam der godin Athene of Minerva, naar de rivier Triton, waar zy uit het hoofd van Jupiter werd geboren, of naar liet l.lbyscho meer Tritonis.

Trits, f. het drietal, z. v. a. trio (z. aid.)

tritureeron, lat. {trilurnre, van tritura, het wryven, dorscben, v. tritum, terére, wrg-ven) dorscben; lijnwryven, lijnstooten enz.; — triturabol, adj. nw.lat. dorschhaar; lijn te wryven; — trituratie (spr. tie—tsie) f. de dorsching, lijmnaking, lljnwryviug; inz. liet ver-bryzelen der spyzen tusschen de landen.

Triumph, m. (van \'I lal. triümiihus, = gr. thriamhos, d. 1. oorspr. een baccliisciie fees-teiyke oplochl en bet daarbij gezongen feestlied), triomf, liy de oude Komeinen een feesteiyke, plechtstatige Intocht van een oud-romeinschon veldheer In ile stad Home na oeno behaalde overwinning, overwinningsfeest; vandaar in \'t aig. voor feesteiyke praal, do zege, overwinning, bet zegefeest; t ri um f lioog, een zegeboog; — triumpheoren (lal. trium-p lui re), eea zegepralendeu Intocht houden, zegevierend binnentrekken, hel zegefeest vieren; zegepralen; juichen; — triumphoorond, triumphant, triumphantolijk, adj. zegepralend, juichend; — triumphant, als subsi f. oeno van zyde geweven en mei allerlei kleuren bewerkte sief; — triumphator, m. een zegepraier, d. i. een met feesteiyke praal blnmintrekkend overwinnaar.

Triümvir, m. pi. triumviri of tri-umviren, lal. (van tres, genlt. trium, drie, en vir, man) een drieman, drieheerscber in het oude Konie, een der drie mannen, ilie gemeen-sehappeiyk den Staat besturen; — tl\'iumviraal, adj. (lal. Iriumviralis, e) tot de driemannen of hei driemanschap bohoorende; — triumviraat, n. (lal. triumviratus) hel ambt van eenen drieman; lid drieinanschup.

Trivalent, nw.lai. Chem. driowaardig.

Trivium, n. lal. (van tri-, drie, en vin, weg) een drieweg, kruisweg, waar drie wegen samenloopen o( elkander kruisen; in de middeleeuwen de drievoudige kunst of scboolwe-tenschap; grammalika, rhoiorika en di-a 1 e k I i k a (vgi. i| n a d r 1 v i u m); — triviaal, adj. (lal. triuialis, e, d. 1. eig. op den openbaren weg te vinden) gemeen, gering, alle-daagsch, plat, laag, albekend; afgesleten, verbruikt, afgezaagd ; — triviale school, eene lagere school, voorbereidingsschool, volkssebool; — trivialismen, pi. nw.lai. algemeen bekende zaken, pialbeden, — trivialiteit, f. bel gemeene, lage, plalie ia de uitdrukking; de platheid, laagheid, gemeenbeid, onbeduldond-beld, ailcdaagscbbeid, nietswaardigheid.

Troc, ■/,. oad. troqueeren.

Trocar, troikar of troiscart (spr. troakAr), m. fr. (van trois quarts, il. I. drie vierdedeeien) eene driehoekige of driesnydende naald der wondartsen lol het aftappen des wa-iers van walerzucbligon, enz.; - trocaroo-ron, mei don irocar doorsteken en aftappen.


-ocr page 1280-

TROCHANTER

TROMUS

1252

Trochanter, in. fjr. (vim Irochddiein = Iréchein, loopen-, hoc hos, de loop; Irochós, kring, rad) elg. do loopor; Annl. do drnnlor van hot dUlJoon, ondorsoholdon in uroolo on klclno draalor; — trochantërisch, adj. lot do draaiers liohooronde, die botrelloiido; — tro-chseus, m. (gr. Irochaios), pi trocheoon, Poel. de snolvoot, oon versvoet niet oono lungo en eeno korte lettergreep li. vv lo-

v c n, 11 o f d e, enz. ook choröus, d. I. danser genaamd, in tegenst. niet Jambus; —-trochoeisch, adj. nil zulke versvoeten bestaande; — trochiliet of trochliet, m. een versteend gedraaid schelpdier; — tro-chisci of trochiskon, pl. (gr. sing, tro-chiskos, m. klein rad) by de apolhokors de klolne koekjes, onder welke gedaante men soms de geneesmiddelen loedionl; — trochiot, m. een vorstoende zeester ut raderstoon; vgl. on-k r I ii 1 o t; — trochlea, f. lat. _(gr. Irocha-Ha) de rol, liet kiilrol; — trochödos, f. gr. {Irochodcf, radvormlg) Mod. oono gowrlchtsver-bindliig, waarbU het been zich in een ander been ais in oono rol beweegt; — trochöido, f. z. v. a. cykloïde (z. aid.); — tricho-méter, m. een loopnietor, werktuig ter bepaling van den loop des schips; — trocho-tiek, trochotïka, f. de leer van de kringvormige boweging.

troebel, adj. (fr. trouble) onhelder, onklaar, drabbig.

Troef, f. waarseh. samengetrokken van Iriomf, lat. Iriumphus, fr. Ihomphe, hoogd. Iriumpf, eng. trump, zweodsch trumf) in vele kaartspelen die klour, welke gekoerd Is; ook een enkel blad van deze kleur, oen troefblad; — troeven, troef spelen, met Iroef balen; duchtig de waarheid zeggen, iemand do voile laag geven.

Troep, ■/.. troupe.

Troglodieten, m. pl. gr. (Iroglöilj/tai, van truijlr, hol, grol, en dyèin, duiken, indoo-pen, inkruipen) holkruipers, hol bewoners, In de oudheid de naam van een in aardholen wollenden agt;lhlopl8clien volksstam; later afdwalende Chrlstonen, die in bolen vergaderden; —troglodytes, in. nw.lal. N. II. winterkoninkje; sfmfa Ir-, de sjlmpanse, z. ha rils.

Tróïka, f. russ. (v. Iróc, Iroi, drie) een russ. span van drie paarden, driespan, een russ. wagen met drie paarden, inz. een driespaiinige slede, waarvan bet iiilddelpaard In hel loinoen draafl, torwyi de beide bultenpaarden (galo-plns) galopeeren.

Troikar, z. trocar; — trojaansch, z. Ir o Je.

Trojak, m. poolsch (elg. drietal, v. Iroi, drie) eeno poolsche rekenmuni, — J sjostack of ongeveer S centen.

Troje, in. eeno beroemde stad der oudheid, de hoofdslail van het elg. Troas, aan den .Skaiminder, Hiiileilialve ni(|l van de /Kgciscbe zee, iliclil by den ingang van den ileiiespont; zy werd door de Orieken verwoesl en herbouwd onder den naam van Illuni: men heette baar nog DardanïB, Te ucr ia, Perga mn8; tegenwoordig Hoenhar-llasjI; - trojaansch, adj. van Troje, daarloe hehoorende; — tro-jaansche oorlog, de krygstocht, door de (\'.rieken in de lilde eeuw vóór .1. G. ondernomen, om den boon te wreken, door Paris gedaan aan Menolaus, wiens vrouw llolena door dezen was geschaakt. Agumcmnon voerde hel grlokscho leger aan, dal tol duizend of twaalf honderd schepen werd gehraclit en ongeveer honderd duizend man moet geteld hebben; onder deze waren Achilles, AJax, Menolaus, Ulysses, Dlomedes, Protesllaus, Palrocins, Nestor, Neoptolenius, enz. liet beleg van Troje duurde tien Jaren, na verloop van welke de Grieken veinsden te vertrekken, latende op bet strand een ontzagiyk groot houten paard nchler, waarin bunne verniaardste krygslleden zich verbergen hadden, en dat men het trojaan-sche paard noemt. De Trojanen ineendeii. dat deze kolossus was opgericht om eene go-lofle ie volbrengen, sleepten liet biniieii hunne muren, en gedurende den nacht kwamen nu de Grieken uit den buik van het dier, openden de poorten voor iiiinne stryilgezellen en gaven Troje aan de vlainmen en de plundering over; vandaar het trojaanscho paard, voor allerlei hinderlagen; het trojaansclie paard inhalen, zelf zynen vynnil, het verderf, den ondergang, enz. hlnnenvooreii.

Trol of Trold, m. (zw. Irnll, deensch Irold, üsl. IrOII, reus, dirnion, duivel, toover-geesl) noord. Mylh. eene soort van booze geesten of duivels, toovenaars in menscheiyke gestalte.

Tromba, f. pl. trombe, li. ■/.. v. a. trompet (z. aid.); — troniblon, m. (spr. troiiblóii) Mil. eene donderlius; - tronabóne, f. It. pl. tromboni, bazuin, scliulflrompet; — trombonist, in Iromhonclilazer.

Trombe, f. fr. (li. tromba, oudfr. Irompc, sp. trompa, trompa, misschien van \'I Uil. turbo, wervelwind) eene waterhoos, water- of zeezuil; ook 1 y p b o n.

Trombone, z. end. tromba.

Trombosis, f. z. thrombosis onder tbrom bus.

Trompet, f. (bel naast van \'I fr. trompette, sp. trompeta: it. trombétta, maar wellicht oorspr. dultsch, verwant met trommel; of van \'I lat. tubii, mot inscliulvlng eener versterkende r en m; oiidduitscli, trumpa, Irumba, trumme: 11. en provenc. tromba, fr. Irompc, de Jacblhoorn) een bekcml iilaasliistrument; ook een orgelregister; iels troinpetvormigs, b. v. de trompet of buis van Eustachlus, eustachlsche trompet (z. ond. Kus lach lus); een moerasvogel In /.nid-Amerika, ook a ga ml en makukawa geheeleii; — trompetino, f. een kleiner soort van trompet met zachter toon.

Tromus, m. gr. «rrfmos, van Irdmetn, sidderen) Med. bel beven, sidderen, z. v. a.


-ocr page 1281-

TROU-MA D AM F,

TRON

■125:]

tremor; — trómulo df trómylo, f.

Irllslot.

Tron, f. con klein, licht vaartuig mot een verdok en een vierkant zeil.

Trona, z, so du.

tronqueoren (spr. troMeren), fr. [Iron-quer, van \'t lat. Iruncüre, vgl. truncus) uf-stoinpcn, vcnnluken, besnoeien.

trooisch gewicht, z. t r o y s gewicht.

Troop, m. z. tropus.

Tropa, r. (vgl. troupe) elK. een troep; In sp. en port. Amerika; eene karavaan van mulldloron.

Tropoeólum, u. gr.-lat. (van \'t Kr. Iró-painn, lal. Iropaeum, zegeteeken, omdat hot hlad sclillilvormlK en de hloein helmachtld Is; vgl. tropha\'o) de kapucüuerliloem, een pmnk-gowas van verscheidene soorten.

Tropo, z. tropus.

Trophsoe, liever tropceo, of tropee, f pl. trop(h)8eon of tropeeën (lat. Iropaeum, n. pl. Iropueai van \'t gr. trópaion, pl. Iröpaia, van tropc, het wenden, op de vlucht slaan; fr, Imiihée) zegetoeken, do hultgeinaakte wapens, standaarden, krygsvoorraad, enz., zegezuil; samengestelde wapenrustingen, die, gc-woonlük uit steen gehouwen of In erts gegoten, tol archltoktonische sieraden aangewend worden.

Trophologie, f. gr. (van Iröphc, voedsel, v, Iréphein, voeden) voedingsleer, leer der Icoforde, dor leefregelen; — trophonösus, f. ziekte dor voeding.

Trophömus, m. gr. {Trophönios) de fa-helachtlgo stichter van den dolphischen leinpel van Apollo, die, door do aarde verzwolgen, na zijnen dood als heros vereerd werd cn in eene spelonk van Hieolic orakelen sprak; van daar trophönisch hol, een huiveringwekkend hol met namvon Ingang; trophonischo ernst, zwaarmoedige, treurige ernst.

Tropioten, m. pl. eeno sectc, ille geloofde, dat de Logos hg do vleoschwordtng liad opgehouden God to zijn.

tivpim, 11. (= fr. Imp: van \'1 mld.lat. Irop-pm, provonc. trop, kudde; vgl. troupe) to zeer, al te zeer; non troppo, Muz. niet al tc zeer; (als nadere hepallng gohozlgd hü de woorden, die de tydmaat aanduiden, h. v. nlleqm non Iroppo, niet al te vrooiyk).

Trópns of trope, m. pl. tropen, gr. {Irópos, pl. trópoi: lat. Iropus, pl. lropi\\ van \'I gr. Irépein, wonden) eig. wending, omkeer; Log. eene omgekeerde, onelgenlyke, liguuriijkc uitdrukking, woordenkeer, redeslcraad, redo-hloom, verandering der voorstRlling in een aanschouwelijk hecld; — tropen, Geogr. de zon-nokeerpuntcn; — tropicus (sell, rirciilus), m. lat. (van \'I gr, tropikós, sell, kyklos) de keerkring, pl, tropïci; tropicus cancri, de kreeftskeerkring of noordciyko zonnekeerkring; Ir. caprlcdrni, de sloenhokskeerkrlng of zuldo-lyke zonnekeerkring; — trópisch, ad), (gr. Iropikh, c, ón, lat, tropicus, n, um), eig, do wending hotrofTondo of daartoe hehoorende; onelgeniyk, heeldspraklg, vorhloemd, llguuriyk; tot de keorkrlngon hohoorendo of daar Ie vinden, li, v, tropische gewassen, zulke, die men tusschon de keerkringen aantreft en hy ons alleen in warme kassen getrokken kunnen worden; tropische hilte, een zulde-lijke, voor de noordeiyke landen ongewoon sterke hitte; tropische ziekten, die welke hy voorkeur In de tropische landen hecrschen en van het eigenaardig klimaat het gevolg /.yn; tropisch Jaar, de lyd, dien de zon in hare schynharo haan van het lentopunt af gerekend noodlg heeft om daar weder te komen; tropische om loops! yd, de tijil der terugkeering oener planeet lot het leiiulnoctlalo punt of tot andere punten dor ekllptika; — tro-pologie, f de leer van de woordwendingen of onelgenlyke uitdrukkingen; — tropoló-gisch, adj. in onelgenlyke of verbloemde ult-drukking.

troquoeren (s;)!\'. trokeeren) fr. {troquer-, sp. trocar: eng. truck, een oorspr. spaanscb woord) ruilen, verruilen; wisselen, ruilhandel dry ven-, — troc of trok, m, een ruil, eene verruiling

Tros, 1) m, (hoogd, en zvv. tross, eng. truss, fr, trousse, sp. trom) de hoop, menigte; de zware bagage van een leger en de daartoe hohoorendo personen, krygspakkago.

Tros, 2) in. oen rekenmunt in Cochin-China = ü kwau of ongeveer 3 gulden.

Trot, m. (fr, en provonc. trot, 11, trotto, sp. trote) de draf; — trotteeron (fr, trnttcr, 11, trottare, sp, en provene, trolar, wellicht oorspr. duilsch van 1 rotte n, afgeleid van treden, of waarsch, v, \'t lat. tohitim, dravend; tolulartus = oudfr. trotier, draver, paard, dal den draf gaat) draven; — trottade, f, fr. een kleine wandclrii; —trotter, m. eng. een draver (paard); — trottoir, n. (spr. trotoar) een verheven sleenweg, verhoogd voetpad langs straten, bruggen en kaden, lot gemak en veiligheid der voeigangers.

Troubadour, m, pl. troubadours, fr. (spr, troebadóér; provene. trohairc, troba-dor, it. trovatore, d. i. vinder, uil vinder, van Irobar, 11. trovare, fr. trourer, oudfr. treuver, vinden; vgl. trouvóre) voorin, zuld-fransche dichters, minne- of meeslerzangers uit Provence in de middeleeuwen.

Trouble, m. fr. (spr. troebt\'; v. \'I lat. turba, verwarring; turbare, verwarren enz..; vgl. I roe-hel) de onrusl, onrustige beweging, stoornis, wanorde, verwarring; inz volksbeweging, volksopstand;—troubleoren (fr, troubter) troebel maken; verontrusten, beangstigen, verwarren, storen.

Trou-madame, n. fr. (spr. lroc—\\ van trou, pal, opening, prov. Irauc) eene soort van spol, waarhy mon dortion kleine Ivoren hallen door lit kleine openingen or poortjes, die met verschillende nommers getcekend zijn, traeht te s(ooien, het kamerspel, gekkenspel.


-ocr page 1282-

TSJARDA

TROUPE

1254

Troupe, r. fr. (spr. Ii-ncigt;: II. Iruppa, sp. Iropa, mid.liit. troppus, provenc. trap, do kmlilo, v. \'I Int. turba, door lioogd. ultsprmik In lurpii, cn vorvolgcns In Iruppa, Iruppus vernndord; vgl. trouble, van\'t lat. lurbula) troop, ocn hoop, eono incnigto menschon of dloron; oen gozelschnp, Inz. eon rondreizend gezolscluip loo-neelspolers-, — troepen, pi. (fr. Irnuim) krygs-benden.

Trousseau, in. fr. (spr. troessó; provoni\'. Irossel, van \'I fr. Iromso, bundel, puk, provenc. tmsa, sp. troxu, port, trnma, v. \'t fr. Irnusser, proveno. Irossar, sp. Iroxar, port, tromar, It. lorciare, samcndrniilcn, vastbinden, van \'t lat. lorlum, lorqucre, draalen; vgl. ons tros) do ult/.et, wal aan ocne bruid aan huisraad en kleedlng wordt niedogegevon.

Trouvaille, f. fr. (spr. Iroetvdlj\'; vaa Irou-ver, vinden; vgl. troubadour) do vond; — trouvère of trouverre, pi. trouverres (spr. Irnewèr\': — Irnuveurs, olg. vinders, uitvinders; vgl. troubadour) noord-transche dichters in de middeleeuwen, die Inz. volkssprookjes {fabliaux), romances enz. dichtten.

Troys-gewicht (naar de fiansche stad Troyes benoemd; das minder goed trooiscb go wie hl), eng. Iroy-weighl, bot handelsge-wiclil, waarvan men zich In Nederland, I\'Vank-ryk en Kngeland bediende; ook hel zwaarste goud-, zilver- en apothokersgewlcht; bot hoi-landsch pond troys-gewicht werd verdoold In i mark, hel mark In S onsen, liet ons In in engels en het engels In :ii azen; eeno mark-troys = il(i,ns:iKtl gram of wichtjes; in de medicijnen en de nutuurkundo werd hot mark troys-gewicht verdeeld in tt onsen, hol ons In S drachmen, de drachme in :t scrupels, de scrupel In 20 groin; thans nog In Kngelanil (troy-weight) het gewicht voor wotenscliappeiyko bepalingen, alsmede voor allo edele inotulen, munten, juweelen, In togenst. met het avoirdupois of handelsgewicht; het eng. hny-pound = 11711,212 gram; vgl. pound.

Truc, m. fr. (spr. trunk) kunstgreep, geheim van een handwerk enz.; list, sluwheid; looze vond, weihedacbie leugen; In den schouwburg: toestel voor iooneeivoranderingen.

Trucheman, m. fr. (spr. Iru-sj\'maii, v. \'t arab. lardsjamdn, tnrdsjnemdn, Inerdsjocmdn, uitlegger, overzetter; iardsjama, uitloggen, overzetten, en illl van laradsja, omhuld, donker zyn; vgl. dragoman) een tolk, uitlegger.

Truchsess, in. hoogd. (oudd. IruhsAzn, Iruhsaete: gew. afgeleid van t rube, schotel en set zen, zetten, dus elg. wie de schotels neerzet; waarsch. echter ontstaan uit Iruhlsdzn, huishofmeester, van truhl, d. I. troop, hoop he-diendeii; dus: de opziener over de hofhedlen-don) een voornaam hofbeambte In do inlddel-eouwen, die Inz. over keuken en huishouden hel toezicht hield en hU feesteiyke gelegenheden de schotels opdroeg ; eert yds eeno erfelyko waardigheid, hel nb-lruchsess-amt, lookoinende aan do keurvorsten in de KUnpalts en in lieloren.

Truckstelsel, n. (v. eng. truck, bedriegen; vgl. Iroqueeren) het beruchte ruilstelsel, volgens hetwelk fabrlokarhelders van hunne arbeldgevers, Inplants van hun loon In gold, ge-doeitoiyk waren en lovcnsiniddolen tegen willekeurig bepaalde pryzeu ontvangen.

Truffaldino, m. (v. It. truffare, nilslel-den, bespotten) een hansworst, grappenmaker (op hel Hal. tooneel).

Truffel, t. (eng. truUlc, provlnc. fr. tnr-toufle, mllanoesch tdrtuffnl. venei, tartufnln, vanwaar hel diillseh Itarlolfel, als provlnclalls-mus tnrtnlfel, aardappel; vorklw. van \'I It. tar-tufi), fr. trulft\', v. \'I lal. Icrrac tubcr, aurdknol, aardzwam) kleine ronde eetbare paddenstoelen, die onder den grond groeien en zich in hunne rypheld door den sterken reuk verraden (Tubcr cibarium)-, — truffeoren, met Iruffels vullen.

Trumeau, m. fr. (spr. trumó) pi. tru-meaux (olg. de schenkel van den os) do von-slerpyier, d. I. do wniiihulmle lusschen twee vensters; een groolo spiegel tor bedekking van de vonsterkoloin, poiumtspioRel.

Truncus, n. lal. een boomstam, tronk, stronk, blok; de romp van een lichaam; de armbus in de kerken; — truncatie (spr. tic =tsie) f. nw.lat. de vennlnklng; — truncatus, a, urn, lal. tlul. afgeknot, afgestompt.

Trusie, f, nw.lat. {trusTo, v. trudlre, stoo-ton) hel stouten, Inz. doslnotlioweglng van hel hart.

Trustee, in. eng. (spr. trüstie; v. Iruul, Irouw) de vertrouwde, govolmiichtlgde, eeno soort van ildoï-commissarls In Engeland; voogd, verpleger, curator.

Trutatören, m. pi. z. v. a. j o c u 1 a t o-ron, hongaarsche llcderen-dicbiors, die de daden hunner vorsleu en bortogen hy foostmalon en in de legers hezongen.

Trypêsis, f. gr. (van trypan, boren) Chlr, hol boren.

Tseki, n. chinoosch porselein.

Tsen, m. oen chineesciie rekenmunt; vgl. 11 a n g en s o n

Tsinse, in. chin, een geleerde van do 3de klasse by de Chliieczen

Tsjadir-mehteri, m. lurk. titel des of-ficlers, lieiast met do zorg voor de tenten des sultans; — tsjadir-mehter-basji, m. overste van de tontvorzorgers.

Tsjai, m. rass. (v. chln. txjd) de thee.

Tsjaïken, ook saïken (russ. slng. tsjdika, olg. de meeuw, lurk. sjaïka; vgl. sjeboek) lichte, zeer snel varende roeischepen der Hongaren, Turken cn Kozakkon op den Donau en don Dniester; — tajaikisten, pi. do scheeps-soldatcn voor die roeischepen.

Tsjako, z. ezako.

Tsjang, m. de ehineescho roede van 2 poe of 10 tsj I = 2,id M.

Tsjantadsji, in. tink. titel van don olli-clor, die den saltan eenon zak met geldstukken achlerna draagt.

Tsjapka, czapka.

Tsjarda, f. bong, (csdrrfn.- v. \'I perz. tsjir-


-ocr page 1283-

TS.TAUSCH

TUBBOO

1255

thamp;k, vlor zullen; vrI. tsjnrdak) cene cen-znum IIkkciiiIc horborg in de (?routc vlakten van lloiiRiiryo; — tsjardak, m. turk. (van\'tporz. tsjamp;rlhamp;k, vlor zullen) eenc naar alle zuilen open en dour vier pilaren Rcdrugon kamer op liet dak van ousterselie hulzen.

Tsjaiisch of tsjiaus, m. turk. een po-lltlo-dlenaar; staatsbode, hofkoerlor; turkscbe Hlfwiicbt te paard, die zlcb door zyden kleederen, elKenaardlgen tulband en sabel onderscheidt ; nu ook sergeant; — tsjausch-basji, in. (vgl. bascb) bun aanvoerder, die tegelijk rüksmaarsclialk Is, nu ook sergeant-majoor.

Tsjechen, z. Czech en.

Tsjerdak, m russ. (v. turk. tsjardak, z. aid.) de zolder, de zolderkamer.

Tsjóreda, f. russ. (tsjereita, slav. Isjmla, rü, kudde) eeiie groote kudde ossen In de steppen van Z.Uusland; — tsjerédnik, m. de ossenherder.

Tsjerkéssen of Circassiërs, pl. do bewoners van Clrcassle, een der volken van den Kaukasus.

Tsjertakon of eerdaken, pl. in Croa-tiü enz. op palen staande kleine en versterkte wachthuizen, om de strooptochten der Turken door schoten te kennen te geven (vgl. tsja rdak).

Tsjéta, f turk. (Isjeteh, Isjelah) een roof-toebt.

Tsjetwert, n. (russ. (sjélwerlj, In \'t alg. een vierdedeel) eene russlsche graanmaat, de grondslag van de russ. korenmaat = 2 osmi-na = 4 poluosmina (halve o.) = 8 tsje-werik = lii tsjetwerka = \'M garnltzi = S,09» II.L.; — tsjetwerik, n. russ. (van tsjelüre = sanskr. tsjaloer, lat. quatuor, vier) eene russlsche graanmaat = 4(1,24 liter; — tsjetwérka, f. als korenmaat (z. hoven) = 13,14 L.j ook een vierspan; tsjetwertak, m. russ. het vierroebeistuk, eene vroegere russ. zilvermunt «= 25 kopeken.

Tsji, m. cilin. (inde provinciën ook tsjla, tsjlk, tsjek, tsje, Isjcob, tsjlo, tsla, Isa, tsak, duor de Ëngeischen chlk, in de havens c o v 1 d geheeten) de eenheid van de chlneesche lengtemaat, de voet van ifl tsoen (duim), elk van in fen (streep), In ollicleel verkeer = 0,;UH M., als afstandsmaat slechts 0,24(1 M. (vgl. II); ook een cblnoesche korenmaat van loa tsj I ng en vau zeer verschillende grootte (ongeveer too L)

Tsjiaus, z. tsj au scb.

Tsjibooke of chibouque, f. turk. {tsji-bock, in \'1 alg. staf, roede) een püproer, eene turkscbe tabakspup.

Tsjiftlik, ii. turk. (van tsjift, veld) het landgoed, welks bezitter onbeperkt lieer daarover is.

Tsjimboerak, m. «en perzlsch kameel-kanonnier.

Tsjin, m. russ. (v. \'t chin, /.yin) de rang, corning, ceregraad; — tsjinównik, in. een lieambU;, ambtenaar.

Tsjing, m. een chln. korenmaat =

tsjl = ongeveer I L.

Tsjismen, pl. hong, (van csizma, laars) dc bongaarsche gekleurde laarzen.

Tsjitjernee, f. turkscli vrachUchlp op de Zwarte zee.

Tsjóban, in. turk. (v. perz. tsjobón of Ichnixini de schaapherder.

Tsjoo (eng. cboo) of masti (d. i. eene straat) f. een Japaneesche lengtemaat van uo keng of 300 sjakoe = 109,31 M.; ook een vlaktemaat van 00 keng lengte en !gt;o keng breedte ii 10 tang of 100 sell = 1)0,513 are.

Tsjoebo, tsoeboe of poe, f. de eenheid van de japanscbe vlaktemaat = 1 vierkante keng = 3,310 vlerkante meter.

Tsjoeden, m. pl. de in \'t russlche rijk verspreide lliische volksstammen, inz. een b(|na uitgestorven, nauw aan de listhen verwante volksstam in de nabUbeld van \'t meer i\'eipus, dat daarom naar ben in \'I russisch Tsjoedskoje Osero, d. 1. Tsjoedlsch meer, beet.

Tsjoemak, m. russ. (van tsjoem, de iiol-lepel) de knecht in eono herberg; een karavaan-leidsman la de steppen van Z.Kushmd.

Tsjoetora, f. hong, {csulora) eene In Hou-gai\'Ue gehruikeiyke houten, met ieder overtrokken drinkiloscb, die op reis en by den veldarbeid aan een riem om den bals wordt gedragen, eene veldflesch.

Tsjoga, f. hid. een wyd, laag afhangend, rijk geborduurd gewaad der indlsche siainhoofden.

Tsjomór, hongaarsch, eene uil bet gebruik van vette spyzen voortspruitende ziekte, bestaande In eene met neiging tot braken gepaard gaande koorts.

Tsjorba, f. turk. (v. \'I arah.-perz. sjorbah of Isjorbah, van \'I arah. sjariba, drinken) in \'talgemeen soep; een turkscli gerecht, uit rysi bereid; — tsjorbadsji, lurk. de aanvoerder of hoofdman eener bende Janllsaren (elg. de soepultdeeler, omdat de voornaamste posten hij dezen troep in betrekking tot de keuken stonden).

Tsjurek, n. het vierendeel, oen In Georgië gebruikeiyk gewicht voor wyn, enz. = 4 lil ra = 0,021 kilo.

Tsoeboe, z. tsjoebo.

Tsongtoo, m. chln. onderkoning.

lua res agitur, lat. bet geldt uw eigen zaak, uw eigen belang, het gaat u aan.

Tuba, (. lat. eene soort van trompet, krUgs-of vehltrompet by de oude Komelnen; luba Kustachla of Euslachidna, z. euslncbische buts; luba tnirum sparoens sonum, d. I. de bazuin, verspreidende een wonderbaren loon; dus noemt men de plaats van bel requlttm (z. aid.), waarin van de npstaiidliig sprake Is en die gewooulgk als de proefsteen van de componisten wordt beschouwd; luba slculorea (vgl. stentor), de spreekbuis, spreektrompet, roeper; luba rallo/iïi, Anat. de moedertrompet.

Tubboo, m. (waarscb. naar eng. spelling, dus lt;w=oc uit te spreken) de afrikaansche en


-ocr page 1284-

TUBKRCULUM

■1256

TUMULT

wosllndlscho anrdbclwriitten, do iiiirdhezlepok-ken, z. v. «. frumliooslo (z. nld.)

Tubercülum, n. pi. tubercüla, lat. (vcrklw. van luim-, n. knol, buil, Imll enz.) een uitwas, ceno kloino verhovonlield aan een been; zlokelUko knolibel In verschelden organen van bel menscbelUk llebaam, Inzonderbeld in de Ioiikoii (luücrcula pulmunum, longknob-bel); — tuberculeus, adj. nw.lat. knoblie-llg; gezwollen; longterlngacbtlg; — tuberculose, f. de longknobbclzlekte, gewooniyk longtering geheeten; — tubereus, adj, (lat. tubercisus, n, um) knobbelig, bultig, ruw; aan knobbelziekte lydende, daardoor veroorzaakt; — tuberoos, f. nw.lat. de oostlndlsclie berfst-byacintb (Polyanlhes) een bolgewas met witte, zeer sterk- en geurigriokende lollevormlge bloemen; — tuberositeit, r. de knobbeligbeld, ruwbeid, bulllgbeld; ook buil, gezwel.

Tubus, m. pi. tubi, lat. oeno buis, Inz. een kgker, verrekyker (tcleskoop); luhi capillU-res, pl. baarbulsjes; — tubipóren, r. Ial.gr. do buis- of pypkoralen; — tubiporieten, m. pl. versteende pypkoralen; — tubülus, m. Uit. een buisje, pUpje, b. v. om iels op te blazen; — tubularie, f. nw.lat. de pluimbospoliep, eon korauiaentig plantdier; — tu-bulieten, rn. pi. pypvormigo vorstoeningen van eeno soort van plantdieren.

ludesque, adj. fr. (spr. tudésk\'; It. ledescn; uit bet oudd. diutisc, duitscti) oadduitscb, oud-vaderiyk; ruw, bard, grof.

Tudor, eng. (spr. Ijnedor, verbasterd uit Tboodoor) naam eoner grooto engelsebo familie, die eeno dynastie beeft gevormd, welker eerste lid is Hendrik Vil, gekroond in 1485; baar laatste lid Is Ellzabetb, gestorven in 1803; ook een mot pauwevoderen gegarneerde damos-boed; — Tudor-stijl, m. oen overladen laat-Gotblscbe siyi.

Tuf of tufsteen, z. top listeen.

Tugend-bund, m. boogd. (spr. u=oe) deugdvorbond, een patriottisch genootschap, dat zich in Duitschland onder de studenten gevormd bad en vooi toegebracht beeft tot de verdry-ving dor Kranseben In 1813. Het is in 181» ontbonden.

Tuileriën, pi. (spr. Iwilcrien) fr. (tuile-rins, van den sing, luilerie, d. 1. pannen- of te-geibakkery, goiyk er op die plaats vroeger waren, v. tuile, togcl, oudfr. en prov. Icule, It. leiinld, legolo, v. lat. leun Ui, v. legere, dekken) een beroemd (hy den opstand der commune afgebrand) konlnkiyk palels to l\'arys, benevens den daarby behoorenden openbaren tuin; bot kabinet der Tullerttin, do franscbo re-georlng.

Tuisco, Thuiscon of Tuisto, ook

Teut, Tot of Theot, m. de uit de aarde geboren god en stamvader der oude Dultscbers of (lermanon (volgens Tacitus).

Tukan, z. toucan.

Tul., by natuurwotenscbappeiykc benamingen iifk. voor L. H. Tulasne.

Tula-motaal, n. eeno uit zilver, koper, looit en zwave\' samengesmollen massa, ilio op lijn gegraveerde zilveren doozen (I u I a-doo z o n), op sleriyke mossen en lepels enz. wordt Ingewreven en op do wyzo van email gebrand wordt; dus geheeten naar Tula in Kusiand, waar zy gevonden werd.

lu l\'us voulu, George Dandin, z. Da ml In.

Tulband, rn. (porz. dulhcnd, lulhend, oor-spronkeiyk moussellon of neteldoek; fr. turban) een turkscb hoofdwindsel, hoofdsieraad, bestaaado uit een stuk stof, dat viermaal om eone soort van muts wordt gewonden; oneig. ook een zeker gebak, ter wille van zynen vorm dus gebeeten; den t u I b a n d a a n n o m on, een mohamedaaa wordenget u 1 ban d, adj. met een tulband hedckt of gelooid; — tulben-toglan, rn. turk. de tulbandpage, de edel-knaap, die voor den tulband van don grooten Heer zorg draagt.

Tule of liever tuile, f. (fr. Ie lullc] oen netvormig garonweefsoi, naar men wil van de stad Tuile in Frankryk, alwaar deze stof het allereerst vervaardigd werd.

tülii aller honóres, lat. een ander heeft er de eer van gehad.

Tulp, f. (hoogd. tulpe en dichtoriyk luli-pane, fr. tulipe, eng. tulip, it. lulipann, sp. tu-lipa, lulipan, nw.lat. lult pa: van bet lurk.-per/.. tulban, lulhend, d. I. tulband [z. aid.], wegens do goiUkvormigheid der hioem mot dit boofdbedoksol) oen iiekend bolgewas, dat om zyne fraaie kelkvormlge bloomen wordt gekweekt; — tulipomame, f. nw ial.-gr. de luipenwoedo, overdreven tulpenzucht, de voonu. bartstocbteiyko iiefhehbory voor tulpen, inz. van do Hollanders in do eerste helft der 17de eeuw.

Tulus, in. nw.lal. (van \'t gr. tijlos, ooit, enz.) Med. z. v. a. callus.

Tumba of tumbo, f. lat. (v. \'I gr. hjm-bos, m. grafheuvel, grafplaats) oen graf, grafzerk la rooinsche kerken; eone groeve, Indle-plng; fr. tombe, de grafsteen, lyksteen.

Tumor, m. lal. (van lumcre, zwollen) een gezwel; tumor a/ftus, een wit gewrichtsgezwel, inz. aan de knie; I. aiihriCfcus, Jichtgezwel, Jichtknohbol; I. cysttcus of succnlus, biaasge-zwel; I. spongosus, sponsig gezwel; I. Iiumo-risCicm, een door vocht ontslaan gezwel; t. sanguineus bloedgezwel; I. sarcomalosus, een vleeschgowas; — tumesceeren (lal. tume-scüre) zwellen; — tumescóntie (spr. Iie= tsie] m. of tumefactie (spr tie=sie) f. nw.lat. do opzwelling, hot gezwel; — tumied, adj. (lat. tumfdus) gezwollen, zwellend; — tumiditeit, f. later lal. (lumliïïlas) bet gezwel, do gezwollenheid, het gezwollon-zyn.

Tumult, n. lat. (tumiiltus, m.) de onrustige, hevige bewoging eoner menigte, hot geraas, de opschudding, oploop, opstand, bol oproer, alarm; — tumultunrisch, adj. (lat. tumuttuarius, a, um) onrustig, woelig, oproerig, onstuimig; — tumultueeren (lat. In-


-ocr page 1285-

TURKOOIS

1257

TUMULUS

mulludri) opschudding vonvokken, opstiian, oproerig worden, zich verzetten ■, — tumul-tuant, m. [tumultiïans) oen onruststoker, opstandmaker, rustverstoorder, oproermaker.

Tumulus, in. pl. tumuli, lat. elg. een heuvel, eeno hoogo of verheven plaats, eeno hoogte; graven or grafheuvels; tumulus hom-rarius, i. conutaphIum.

Tun, n. eng. (vgl. tonnage) eeno ton, een vat, do grootste engelscho vochtmaat (niet te verwarren mot het handelsgewicht ton) — i pipes of hulls -= 3 puncheons = i hogsheads = (I tierce = li r u ndI ots = iüi gallons = lOOS i| ua i ts = 4010 pints = sniii gills = 11,48 II I,.

tunc el nunc, lat. toen en nu, voorheen on thans.

Tundor-Ilóna, hong, (eig, toover-He-lona, v. lunder, toovorachllg; toovergoilln, fee en Hom, Helena) do nationale fee of toover-godln der Hongaren.

Tunga, n. In GoorglB een gewicht voor wyn enz. = ; sjnp = I litra = 3,lgt;W) kilo.

Tungsteen, m. (v. \'toudd. tunne, zwaar, tunqcn, hezwaren) zwaarsteen, Uzerzwaarsteen, wolfrainlumzure kalk, een zeer hard en zoor bros halfmetaal.

Tunïca, f. lat. oen oud-rom. wilwoilon lüf-rok, onderkleed, dat door mannelgke personen onder de toga op het hloolo lyf werd godragen; de tunica der vrouwen was langer; ook een onderkleed der r. kath. geesteiyken; eeno soort van korlo vrouwenkleederen, fr. tu-nique (spr. tuniék\'y, — tunicaten, pl. eeno soort nlouwontdekte mlkroskopischo diorijcs; — tunientus, u, um, lat. Hot. gerokt, met over elkander liggende schalen.

Tünisbloom, f. de lUiweelhloem (naar Tunis in Afrika).

Tunkins-noston (naar het landschap Tun kin in Achter-indie) indischo vogelnesten, eethare nesten dor Indische zwaluw, z. sa-I a n g a n o.

Tunnel, m. eng. (elg. een trechter, van to tun, op tonnen of vaten gieten) een door oen berg of onder eene rivier door gelegde, opgegraven en gehouwen weg, eon onderaard-sciio weg.

lu quni/ue, lat. gU ook! (do woorden van Gesar, loon hy Urutus onder zijne moordenaars zag).

Tui\', m. do kaukaslscho berggeit (Cöjira caucasica), zeer gezocht wegens haar smakeiyk vleesch en haar legen de koude beschuttende huid.

Turacino, f. uw.lal. een roode koperhou-dondo, dleriyke verfslof, uit de vederen van don turuco of pisangvrotor gewonnen.

Turak, m. eene kleine rekenmunt In Hon-garyo, omtrent = 2 centen.

Turban, z. tul hand.

turbeeron, lat. (lurhilro) voronlrusten, storen, verwarren, beroeren; — turbatio (spr. lie=lsie) f. (lat. lurhufio) de verwarrlag.

stoornis, verontrusting; —turbator, m. een onruslstokor, opruier, oproermaker; — tur-bulént, adj. (lal. turbuléntus, a, um) onrustig, onstuimig, woelig, woelziek; — turbulentie (spr. tie—tsie) f. (later lat. turbutenliu) de onrustigheid, woeligheid, onstuimigheid.

Turbine, f. fr. (van het lal. turbo, genll. turbïnis, een draaikolk, wervelwind, lol) een imrlzontani waterrad, schroefrad (fr. rnuc en hélice)-, — turbimlus, «, um, lal. Kot. tolvor-mlg; — turbiniet, m. pl. tui\'binioton, nw.lat. versteende schroef- of kronkelslakkeu; — turbinoidisch, adj. tolvormlg, schroefs-gewys; — turbinolithen, m. pl. lat.-gr. versteeningen van kegelvormige sterkoralen (ma-d r o p o r o n).

Turbith, in. Hot. eene plant van Coylon, do Indische 1 u rb ith st r u 1 k, met eenon wortel van buikzuiverende kracht; — minera-lisch turbith, zwavelzuur geel kwikzilver.

Turbot, m. fr, (spr. luurbó; v. Int. Inrbo, lol, draaikolk) do tarbot, eene visclisoorl.

turbulent, turbulentie, z. oud. t u r-1) e e r e n.

Turco\'s, pi. fransche, op turksche wyze gekleede troopen

Turf, n. eng. (v. turf, graszode) de (begraasde) renbaan; verder alles wat met de wedrennen samonhangt, het spurt (z. aid.) der wedrennen; —• turfleten, m. pl. (eng. nentle-men nf the turf) vrienden of llofliebbors van wedrennen en harddraveryen.

turgeaceeren, lat. (turgesclre, van tur-llön\', opgezwollen, dik z.yn) zwellen of opzwellen ; — turgescóntie (spr. Iie=lsie) f. nw.lal. (lurqescenlia) de opzwelling, overvolheld, opzetting, opbrulsing van het bloed enz.

Turibülum, n. lat. (van lus, geuit, lu-ris, wierook) een wierookvat in r. kath. kerken.

Turk, m. (turksch: lurk, II. en sp. lurco, fr. lurc) een bewoner van Europeosch Turkye; lig. een wreedaard; vandaar fr. turquerio voor wreedheid (daar turk in hot lurksch zelf reeds barbaar, roover heteekent, noemen zich, len minste do westeiyke Turken, liever Os-manon, Os ma a lis, z. aid.); behalve de Os-manen hehooron tot de Turken (dlo eenen hoofdtak van do tataarscho volkeren-familie uil-maken) onder andere nog de Turkomanon, O e s h o k o n, N o g a I o r s, B a s c h k 1 r o n, KI r-glozen. Koemanen, enz.; — nllu lurca, 11. Muz. op zyn turksch, in turkschen smaak; — turken, m. pl. naam, dien men in den scheeps-houw aan de stelbouten geeft; - turkophaag, m. gr. een turken-eter, een yverlg beslryder der Turken; — turkophüus, m. gr. een vriend der Turken, turkenvriend; — turko-pólen, m. pl. afslammellngeu van Turken en (irlokinnen.

Turkoois, m. (fr. (turquoise, f., sp en provenc. turquesa, f., li. turchese, m., hoogd. tïirkis, van Vurco, Turk, omdat de eerste steo-aen van deze soort uit Turkye kwamen), I) de mineralische turkoois of kalaïet.


-ocr page 1286-

TURKOPHAAG

1258

TUTTI

con ondoorzichtlKO, lilauwgroono slcon, Inz. In i\'crzle on Indlu «Is cdclstocn geacht; ï) do animalische ot fossiele turkoois, do tandstcon, con blaawgroon, steenhard lichaam, waarschUnlük oen mot vitrloolachtlx kopcrwa-ler doordrongen en versteende vlschtund of grant, die men In Siheriü, Zuid-Frankrük, enz. vindt.

Turkophaag, turkophilus, enz. z. end. \'1\' u r k.

Turlupin, in. fr. (spr. luurlupeii) oen lalfo grappenmaker. Iemand, die gecslelooze en gc-meene aardigheden, lage woordspelingen zegt (naar oen vermaarden potsenmaker ton tyde van Lodewyk XIII; llenrl Legrand, met den liUnaam Turlupin, welke naam weder ontleend Is van do socle dor T u r I u |i I n s, die In do 11de eeuw ontstond en zich door schaam-loloosheld onderscheidde); — turlupineeren (fr. lurlupiner) grnppen maken, gemeene aardigheden zoggen; Iemand voor don gok houden, hom heethehhen, foppen, helaehiyk zoeken Ie maken; — turlupinade, f. de gemeene grap, latle aardigheid, zouteloozo geestigheid, kwaiyk aangohrachlo scherts of woordspeling.

Turma, f. (sell, cquitum) Int. oono romcln-sche en hvzanlgnsche rultcrhendo, aanvankeiyk, volgens Varro, slechts uit ito man hestaande.

Turmalijn of turmalien, m. (it. lur-malino, fr. tourmaline: waarsch. van slngalee-schen of Indlschen oorsprong, daar deze steen het eerst nil Ceylon door concn ilollandei\' In noil naar Europa zou gehracht zyu) schorl, Inz. edele schorl, asch-aantrekker, ook wel trip, ceylonscho magneet genaamd, oen uit klezclzuur, hoorzuur, leeinaardo, üzeroxyde enz. beslaand mineraal, welks kristallen hy temperatuurveranderingen elektrische polariteit ver-toonen.

Turmino, n. do zeven middelste vakken In de zetkast van hockdrukkers, omdat zy meestal do letters In do volgende orde liovntten: t ur m I n o.

Turnip, f eng. hootwortel.

Turn-out, m. eng. (van lum, wenden, gaan en nul, nit) z. v. a. strike.

Turnus, in. mlfflat. (vgl. het mld.lnt. lur-vare, iorneare, wonden, II. tornare, sp., port. en provenc. tornar, fr. toumer, oudd turnjan, turnen, zich In oenen kring hewegen, zwaaien, zwenken; gr. lorneüein, lal. tornare, draalen) do kringloop, de orde of hourt, naar welke velen oen werk na elkander verrichten; —- in lurno, op do hourt, In volgorde; — per turnum, naar de heurt of ry -, — turnior, m. hoogd z. v. a. tournool, z. aid.; — turnen, ligd. gymnastIsche oefeningen verrlclilon; — turner, m. gymnast, hoocfonaar der gymnastiek; — turnvereeniging, f. gymnastiek-veroeni-glng.

lurpis persona, i. persona.

Turret, in. eng. toren, Inz. hy lorenschopen.

Turrilithen, m. pi. lat.-gr. (van \'I hit. lurris, toren, on \'I gr. tithns, steen) torenstee-nen, eerie soort vim versteende spiraal- of to-renvormlge schelpdieren.

Turrön, m. sp. gehak, contltunr.

Turtle, I) f. eng. (spr. turf I: fr. lorlue, vgl. lortuga) do schildpad; — turtle-soup, f. schlidpndsoop.

Turtle, i) f. eng. (spr. lurl\'l) do tortelduif.

Tusch, m. hoogd. (spr. toesj; van \'t op-porduitscli lusehen, il I. dof klinken) eeno fees-leiyko hegroollng mot trompet- en paukgesclial, inz. hy \'I gezoiidheid-drlnken.

Tusculanum, n. lat. de beroemde villa van Cicero, niet verre van T u s c u I u in (nu Frascatl) In het oude Latlum, alwaar hy de gelukkigste uren van uitspanning en rust smaakte; onelg. het stille landgoed van oenen geleordo of slaatsman.

Tussilago, f. lat. het hoefblad, ook hrand-latuw, maartsbloomon, paardokitiuw gohocteii.

fuss s, f. lat. de hoest; Imsis abdominalis, do hulkhoesl; tussis catarrhSlis, de vorkoud-heldshoest; t. convutsiva, de kramphoest; t. gutturalis, de keellioesl; 1. pectoralis, de horst-hoest; 1. putmonutis, do longhoest; t. stoma-chulis, de maaghoest.

Tutamen of tutaméntum, n. lat. (van tutari, beschermen, versterkingswoord van tuëri, z. lulela) een beschermend middel, be-schnlllng.

Tutanëgo, tuttanêgo (vgl. tuil a), ook tintenak, fr. toutenague of tin-tenague, voormalige benaming van hel zink, een uit het tutanogo-orts In China gesmolten metaalmengsel (pakfong, argentaan, t u tan ia-metaa I).

lutêla, f. lat. (van Mus, a, urn, veilig, wel bewaard, van tucri, aanschouwen, beschermen; fr. lutelle) de voogdyscbap, het opzlcbi over oenen onmondige; — tutelair, adj. (lat. tu-tetaris, c) beschorinend, als voogd handeloiid, lot do voogdy behoorondc; angc tutétaire, fr. (spr. amj\'—) beschermengel; — tutor, fr. tu-teur, in. een voogd, heschermer; — tutor, eng. (spr. Ijoeter) gouverneur, hulslooraar; opziener; — tutor honorarius, oen oorevoogd; t. idonüus, een degelyke, onbesproken voogd; /. testamentary us, een by laatsten wil benoemde voogd;—tutorïum, n. de gerochleiyke aan-stolling lol voogd; — tutono nomine, uit kracht der voogdyscbap.

Tuti\'a (spr. ti=tsi) f. perz. [toetijd; mid.-lat. tufia, eng. tutty, fr. tutie, 11. lütia) ook s podium, ii. zinkkalk, ovengalmel, wil- of grys-nlets, dat zich liij liet smelten van liet zink in dampen verheft eu als root aan de oven-wanden hangt.

Tutor, enz. z. ond. tuteta.

tutoyeeren, fr. {tutoyer, spr. tutoaj—) mot tu on toi, In plaats van mot mus toesproken, ju en Jou zoggen, iemand op do gomeon-zaamsle wys toespreken.

tutti, pi. It. (van tullo, geheel, al, = lal. lotus) Muz. allen, allo stemmen ie geiyk; een


-ocr page 1287-

TV HAN

1259

TWILL

tutti, n. oen spel of gozang van alien lo rc-lijk (In tcgonsl. mol solo); — tutti frutti, jil. (woordelyk: alle \\ruchten)eon Hal. Kcrcrlil nil vorscholdon vruchlon als hoofdbostanddoel licstaando, ll(?. een werk, dal allerlei opstellen beval; /.. v. a. polpourrl; — tutti quanli, H. alle Ie zamcn.

Twill, n. eng. gekeperde slof; — twilled, gekeperd.

Twino, f. eng. Ilclite overrok.

Twist, n. eng. (In \'I alg Iels gevlochlens, gesponnens, van to twist, vlechlen, spinnen, enz.) eng. katoengaren, op machines liereld of gesponnen; ook een drank uil brandowyn, hier en doren.

Tyburn, n. eng. (spr. taiburn) do naam eener voormalige gerechtsplaats te Londen; een candldaal voor Tyhurn, een galgebrok.

Tycho, f. gr. (tjchi) noodlol, toeval, geluk; ook de geluksgodin, z. v. a. lat. For-I u ii a ; — Tycho, maiisn.: de gelukkige.

Tyfon, z. typhon.

Tylöma, n. of tylosis, f. gr. (v. tyloen, oelllg worden, van tytos, z. lulus) Med. het eelt, de verharding, de likdoorn of het eksteroog; — tylötisch, adj ecllachllg.

Tylt, n. deensch ((jslanilscli ti/lft, v. lölf, deensch tolv, golh. tnitif, twaalf) een dozijn.

Tympaan, lal. tympanum, n. (van \'I gr. tympünón, oulslaan uil tyimnnn, van /;/-plein, slnan) ecne onderwelsclie handlrominel, een luikkebord; Arch, ecne hekkenvormige In-dleplng aan ecnen wand, door een slandheeld en dgl. aangevuld; Med. hel trommelvlies In het oor; ïypogr. vlerknnl raam eener gewone drukpers, legen hetwelk hel Ie hedrukken blad papier wordt gelegd; —tympanitis, f. gr. Med. de Iroinnielzucht, ecne opzameling van luchl in de hulkholle; — tympanitisch, adj. Irommelzuchllg, door de Irommelzncht ontslaan; — tympaniseeron (fr. tympaniser) elg. de kelellrummen slaan; opcniyk Iemand lenloonslellen, hem openhaar bespollen, In een kwaden naam brengen; — tympanoido, f. een lichaam van den vorm eener ketellrom.

Tyndaridon, m. pi. gr. de zonen van l.eda, de gemalin van Tynda rees; Kastor en Pollux (z. K a s l o r).

Typen, z. ond. I ypus.

Typhlösis, f. gr. (van lyplilncn, verblinden, typhtós, t, fin, blind) de verblinding, blindheid; — typhlötisch, adj. door hlindheld veroorzankl; — typhlotrophcum, n. (van Iréphein, voeden) Meil, ecne Imlchling voor blinden, een geslicht Ier opvoeding en verpleging van blinden, blliiden-liistltuul; — typhlo-typographie, r. verbeven lellerdruk voor blinden.

Typhomanio, z. lyphos.

Typhon, typhoon, in. gr. {Imihon en typhus, arali. locfdti, dal ook «groole vloed, al-gemeen slervenquot; enz. beleckenl; chin. Icï-fucn) een heele verdei llijke zuidenwind, hevige slorm-4it wervelwind, inz. In de groole Indische zee en langs de zuid- en oostkust van China, cy-kloon; vgl. Irombc; liij de oude Kgyplena-ren als een booze god, lijj de Grieken als een monster voorgesteld, dal de Aarde bU den Tarliïius had gebuard en waarvan al bel schadelijke en verderfelijke In de wereld zijnen oorsprong had.

Typhos of typhus, in. gr. (tyyhns, elg. damp, walm, van tjphein, rook maken, dampen) Med. gevoelloosheid, verdoovlng, waanzin; Iedere koorts met venioovlng, Inz. cene kwaadaardige, uanslekende zenuwkoorls; ook ty— pheuso koorts; — typhomanio, f. d. I. yihoofdigbeld met verdoovlng; — typho-phthalmie, f. de egyplisclio typheuse oog-onlslcklng, de oogpesl.

Typus, in gr. {typos, d I. elg. de slag en hel door den slag towcoggehracble, van tij-plein, slaan) hel typo, n. de afdruk, slem-pel, hel beeld eener munt; voorbeeld, model; gietvorm, modelvorm. oorspronkelijke vorm, grondgeslalle; Med. de regelmatige wederkeer der ziekte, de tüdsonle, waarin de aanvallen van ziekte, en wel vooniaineiyk van koortsige, plaats hebben; bü boekdrukkers: de type, f. eene gegolen ietter; pl. typen, voorbeelden; gegolen druklellers; — typiek, f. z. v. a. typologie (z. beneden); — typisch, adj. voorbeeldeiyk, als vooriieeid, afbeeldend, zinnebeeldig; ook op bepaalde lyden wederkeerende, z. v. a. perlodlscii; van slaanden, biyven-den vorm; — typograaf, in een boekdrukker; — typographïe, f. de hoekdrnkkunsl, liet boekdrukken; - typographisch, adj. duartoe behoorend; In sanieiislelllngen; druk-, h. v. typogra phlsche schoonheid, druk-schoonbeld, of schoonlietd van den druk; — typokónisch, adj. kegelvormig; — typo-lithen, m. pl. afdruksleenen, beeldsleenen, sleenen, waarop andere licliamen zich afgedrukt hebben; —typoloog, in. een voorheeldken-ner en -leeraar; — typologie, f. de voor-bceidenleer of loer van de voorbeeidon In het O. T., d. 1. van do Ivplsche zinspelingen in \'l O. T. op liet chrlsleiidoin; vgl. flgurlsmo;

— typomóter, m. oen worklulg lol nauwkeurige bepaling van don liiiiameiyken Inhoud en ile boogie der druklellers (door 1)1 dol uitgevonden); typometrio, f. of typomo-trïsche kunst, deliindkaarleiidruk, de kunst om landkaarlen evenals boeken te zotten en te drukken; — typotolograaf, f. een door Ito-nelll In 1811:1 uilgevondon telegraaf, welke de woorden van hel leicgrani meteen opschrüfl;

— typotheet, in. een lellerzeller of enkel zeiler.

Tyr, m, (angel. \'J\'iv, golh. Tins, oudhoogd. /Cf») oud-noord. Myili. de god dos ooiiogs en des roems, een zoon van Odin (van wieii de Dinsdag, hongd. Dienstay, noordd. IHcstac, angels. Tivesdao, eng. Tuesday, golh. ï\'icis-ihilis, ijsl Tysdnyr, ouiliioogd. /.iestac, /.iutots-tac, zynen naam lieefl gekregen).

Tyran, m. gr. {tyrannos, lal. tyrannus)


-ocr page 1288-

TYRAS

1260

UGLY

oorspr. In \'talKomoen con hoorsclior, geblodor, koiiliiK (rcRont), in du oudlieid olko alleen-hoorschor In oen vrooRor vrijen slant (overigens zonder hateiyk hgdenkheeld); nu Inz. eon olgen-dnnkoiyk, wIllokeurlK, wreed hoerschor, dwingeland (despoot); — tyrannio, f. (gr. hj-ramus) de aangematigde heorschappU, dwingelandij, gewelddadigheid, wreedheid, wlllokcurigo Imrdheld on strengheid; — tyrannicide, m. hit. (Ijjruiiniiitla) een tyranmoorder; — tyran-nicidium, n. tyrannonmoord; — tyranni-soeron (spr. .«=:) harh.iat. (fr. lyranniser) dwingelandU uitoefenen, hard of wreed behandelen, willekeurig en hard heheerschen of lgt;e-handeleii; tyranniach of tyranniek, adj. (gr, lyrunnikón, r, lia) gewelddadig, heorseh-zuchtig, wreed, willekeurig.

Tyras, z. tiras.

Tyrbe, f. gr [If/rhê = lat, lurba) verwarring, wanorde, stoornis, onrust; — tyrbasjo, f, (gr, tyrbasia, van lyrbddteln = lat. turbare, z, turlieeron) stoornis, verontrusting.

Tyro, m. eng, (spr, lair) krans, rand, trek-hank van (jzer of gietstaal, inz, wlelhand aan loeomot leven en spoorwagens.

Tyi\'-emosis, f. gr, (van IJ/nis, kaas en omesls, z, aid.) Med. het kansachiige hraken of overgeven der zuigelingen; — tyreusis of tyrosis, f. het kaasmaken, de melkstrem-mlng, Inz. In de maag ; — tyrödes, adj. kaasachtig; — tyromant, m. een kaaswaarzegger ; — tyromantio (spr. Iie=sie) f. de kaaswaarzeggerij; — tyromorphiet, m. een II-gunrsteen, die naar kaas geiykt.

T.yria of tyriasis, r, gr, Med, do slangenuitslag; uok /.. v. a. o I o p h a n t i n s I s.

Tyroliénne, f, fr, een Tyroler lied, Ty-roter dans,

Tyrrhonen, pl, een met de Polasgon verwant oud-llaliaansch volk, dat zeerooverU uil-oefende; — Tyi-rheensche zoo, f. dat deet der Middellandsche zee, dat do westkust van llalie hegrensl.

Tyrtoeus, m, (gr. Tyrlaios) de naam van een beroemden grieksclien dichter, die, in do 7de eeuw voor dir., door zyno vurige, goest-driftwekkendo krggsgezangen den Spartanen de zege over de Messenlers deed behalen,

Tzako, z, c z a k o,

Tzongarisof Tzingaris, z. Holdons.

Tzoonet, turk. de besnydenls hij do Muzelmannen, die, schoon niet In den koran geboden, gowooniyk op bot 13de Jaar wordt verricht.

Tzootri, pl. in Perziö do benaming der georgisclio Cbrlsleneu.


XJ

f\', = lat. V; In lat. opschriften, op munten enz., z. ond. V; — (J. C. = urbis condttae, lat. van de bouwing der stad (Rome) af gerekend ; — (J. ./. 1)., verkort, van ulrüsque Juris doctor, lat, doctor der beide rechten; — uil., afkort, van ullimo (z. aid.); — umj. = unguen-tum-. — u. s. = ul supra, z. supra: — V. S. = United Stales,. Voreeidgde Staten; — U als Chom. toeken = uranium. — U. als muntteo-ken en wel op voormalige fr. munten (onder Napoleon I): Turin; op hongaarscho: UJbanya.

Uanos of Hanos, pl. grooto boomloozo vlakten In /.Amerika.

Ubbonisten, m. pl. oene in 1S50 door Phil. Ubbo gestiehto socle van woderdoopers.

Ubortoit, f. lat. (ubérlas, van uber, vruchtbaar, rijk) do vrucblbaarlioid, welige voortiiren-gingskracht, volheid, overvloed, rykdom.

ubi, lat. waar; ubi bene, ibi palrfa, sprw.: waar hel mij wel gaat, daar is myn vaderland; ufii lex, ibi pnenu, waar oene wet Is, daar Is ook straf; ubi periculum, ibi lex, waar gevaar is, Is cf ontstaat ook oene wet; ubi rein meam invênio, earn vindiro, waar ik het mijne vind, neem ik het-, — ubicatio (spr. l=ls) en ubiëtoit, f. barb.lat. liet ergens zyn, de plaat-seiykhetd, do olgonschap eens dings aan eeno plaats te zyn; — ubique, lat. overal; — ubi-quitoit, f. nw.lat. {uhiquftas) de alomtegenwoordigheid; het allerwegen zyn; inz. de door Luther howeordo alnmtegenwoordlglioid van hel lichaam van (Ihrislus in hel brood des Avond-inaals; — Ubiquiston, Ubiquitiston of Ubiquitanërs, m. pl. beiyders van do al-omtogenwoordigheld des Ucbaanis van Christus in liet Avondmaalsbrood.

Ubiörs, m. pi. een germaansch volk, dat In Cffisars tyd aan don rechter-Kynoever tus-schen den Sleg en Labn woonde, doch, dooide Snoven opgedrongen, onder Augustus op den linker-Kijnoevor werd verplaatst; hunne iioofil-stad was colonfa ^yrippina, au Keulen.

Uralcfion ardet, panes cum proxtmus ardel, lat. Ucaiegon (d. 1. het buis van Ucalegon, een Trojaan) brandt (d. 1. gy zyt zelf in gevaar), wanneer uw hiiurnians huls in brand staat (naar ecu vers by Virgillus gevormd).

Ucha, f. russ. de visclisoep.

Uckia, z. okla.

Uditóre, m. It. (spr. it=oc) z. v. a. auditor (z. aid; uditóre (lella camera, kamer- of schatraad; ud. di rota, staats- eu kerkeraad (vgl. rota); ud. sanlissïmo, geosleiyk (ipperraad en rechter te Homo.

Udo, z. o do.

Udomotor, m. de regenmeter.

Ueba ot Uiba, z. lino ba.

ugly, adj. eng. (spr. üg-tie) leeiyk.


-ocr page 1289-

ULTKRIOR

12G1

UHIAAN

Uhlaan, ■/.. UI aan.

Uistici, m. (spr. oeï—; wojjons /.Un geluld dus gonoomd) een klolno gosluarte uiip In Z. Amerika, zlideaup, gestreepte ineerkat (Simia jacchus).

Uitlegger, in. nedorl., waclitschlp, dat op stroom gelogd wordt hultea do havens en zeegaten; In den sehoopsliouw; do lange lialk of vil), dio zlcli van \'I l)0gln tot aan \'t einde van \'1 galjoen uitstrekt.

Ukaso, uki\'izo, f. (spr, u=oe) liever ukaas, in. pl ukazen, russ. (elg. het uil-gesprokene, z. v. a. edict, decreet, van kasalj, aanwijzen, zeggen, en hot voorzetsel u) een russlseh, keizerlijk hovel, eeno verordening.

Ukowalllston, m. |il. eeno afwukemlo secte ondor do doopsgozinden (naar hunnen stichter U ko Wa I les).

Ukraine, t. russ. (ukraina, grensland, v. u, aan, liU, en krai, de raad, zoom) een landschap In Z.llushmd, de zetel van den klelu-russlscheu volksslam.

ul, arah. lidwoord, ■/.. al.

Ulaan of uhlaan, ui. (spr. u=oe) pl. ulanen of uhlanen (poolsch uhin, hulan, van hel turksch oyhldn, joiigmensch, knaap) lansier, eene hel eerst In Palen Ingevoerde soort van lichte ruiters mei pistolen, sahels, lansen enz., van tataarschen oorsprong; — ulanka, f. de wapenrok der ulanen.

Ulak, in. oen lurksclie renhodc te paard (vgl. estafette), die de hovoegdheid heeft om liet paard vau eiken hem ontmoetenden ruller voor zijn afgemat ros te verwisselen.

Ulalglo, f. gr. (v. oelon, het landvleescli) Mod. kovelplin, tandvieeschpUii; — nlitis, f. tandvlooscliontslekliig; — iilóncxis, in. taad-vleoschgezwol; — ulorrhagio, f. hloeding uil het landvleescli.

ulcereoron, eaz. z. ond. ulcus, iilciscooren, lal. (ulciscl) wreken, wraak nemen, straifen.

Ulcus, li. lal. (pl. nkéra) cone zweer, et-torhuil; ulcus arlhrilicum, eene Jichlhuil, jichtzweer; «. urlifieule, oono kunslzweor, eene door kunstmiddelen teweeggeliraclito zwoor, h.v. cone fontanel; u. curdinodes, eene kankeraclitige zweer; u. cariosum, eene beonhederveiide zweer-, u. sinuosum, oono pijp zwoer (llslel); u. varicu-sum, eeno kranipaderzwecr; u. venerïcum, eene vcnorische zweer; — ulceratie (spr. t—ls) f. (hit. ulceralio) do zwerlag, ottering; verette-riug, verzwering; verlilllerlng, hitterheld; — ulcereoren (lat. ulcerarc) zweren, etteren; — ulcerous, adj. (lal, ulccrosus, a, um) et-terlg, vol zworen,

Ulöma of ulemas, in. pl. (spr. u~nc ,■ «rali. oclcmd, pl. vaa alim, geleerd, van «/mm, welen, keniion) de klasse der turksche rechts-geleerden, die tegolUk als geestelgken, als uitleggers des korans en hestuurders van den gods-dlensl heschoiiwil worden; vgl. kadi en mol ia.

Ulevel, f, (van \'I 11, olivella, olijfje) eene hekendo lekkerny of snoeperij, doorgaans In een papiertje gewikkeld en van oen devies voorzien,

Uliginanen of Uliginóson, pl, (van \'t lat, uliyo, vucldighcid des hodeins) moeras-planteii; — uliginosus, a, um, lal, Itol. drassig, vooa- of inoerushewonond, in moerassige veengronden (oorspronkelijk) groeiende.

Ulitis, t) f, gr. z, ond. ulalglo; — 2) (v. oele, litlookon) cnlstoklng van een littooken

Ullor, m. noord Myth, god der Seandinu-vlers, zoon van Sisia en schoonzoon van Thor. Iiy had hel toezicht over lt;le hyzondore gevechten.

ulmifolius, a, um, lat. (van \'1 lat. u/mus, f. olmhoom, olm) Itot, olm- of lepehladerlg; — ulmine, f. iiw,iat. de olmstof, een plaalvor-inead liestanddeel, hel eerst afgozomlerd uil een ouden olm hü l\'aicrmu, volgens Mulder (Ie onderschelden van hunilne, z, aid.) de lirulue, in kaliioog oplosharo stof der teelaarde enz,; Is v.ij In kallloug oploshaar, dan heet ze nimine-z u a r.

Ulna, f, lat. de ellehoog, de el; Auat. de ellehoogspyp; — ulnmis, lat. Hot. op eene el goiykende.

Ulóncus, I) in, gr. z. ond. ulalgle; — i) (van oeU, lltleekea) de opzwelling van een lltteeken.

ulophyllisch, adj. gr. (v. oelos, kroes, gekruld en plijllon, hlad) krulhladerlg.

Ulorrhagie, z. u 1 a 1 g 1 e,

Ulotika, pl. gr. (van oeloen, een llltee-kea vormen, en oelc, lltteeken) Med. genees-inlddelcn, die lilleekens maken; — ulótisch, adj, door een lilteeken veroorzaakt, lltlceken-inakend,

Ulrich, in. oudd, (Vndalrih, Otlelrlh, \\a\\\\ uodal, MH, erfgoed, vgl, ()l I o) mansn.: do ryko aan erfgoed, gegoede; — Ulrika, vr.naam: de ryke, gegoede.

ulterior, ulleflus, lat, (comp. van uller, ul-tra, ullrum, aan geae zijde) de of het latere, verdere, nicer verwydenle; — ulterior citatio, f, Jur. eene latere of nieuwe dagvaarding; uil. dcilucth, f. verdere gevolgtrekking; uit. defen-ski, f. verdere vei\'dediglug; ulCimus, a, um (su-perl. van ultcr) de of het verst verwgderde, uilersle, laatste; — ultimus, m. do laatste, benedeusle; ultimo, afgek. uit., op don laat-sten, u,i. dag der maand, li, v, uil. ./au., op dea laatslea Jaaunrl; — ultima, f. do laatste lellorgrecp, eludletleigreep van een woord; ultima ratio, f. de laalsle hcsllssing, het laatste middel; ultima \'J\'hule, het uilersle T h u I e (z. aid,); — ultimum, n. hot laatste, uilersle; ail ultimum, eladoiyk, ton slulle; —ultimatum, n. avv.lat. de laatste verklaring, eind-verklaring of oindvoorwaarde, de laalsle voorwaarde tot slulllng van oen vorgeiyk; ook slot-of eindwoord, slotzin; ■ ultimatissimum, n, harli.lal, een allernllersto, het allerhialsto, allerlaalsle verklaring, allerullerslo voorwaarde, een la de nieuwere diplomatic gehruikl woord voor een verklaring, zelfs na hel ultimatum;


-ocr page 1290-

ULTOR

1262

UNDA

— ultimogenituur-rocht, n. het recht der latere geboorte, volgens welke hU erfver-deelltiKeii de oudste deelt en de jongere kiest.

utlor, m. lat. (van ulcisci, wreken) de wreker, beslralTer.

ultra, Int. (vgl, ulterior, enz.) aun gene zyde, voorbü, over, verder; — ullra utt\'rum tantum, meer dan nog eenmaal zooveel, meer dan het duhbole; — ullm cajitum, hoven hel hogrlp, boven de bevatting\', ultra (linMïuin, over do helft, b.v. benadeeld of verkort zijn; ultra posse nemo abtigatur ot tenïtur, aprw.; niemand Is verplicht of gehouden Iets boven zijn vermogen te doen-, — ultra, m. pl. de ultra\'s, nw.lal. als suhst. In de thans ganghure politieke lie-teekenls; overspanncnen, overdryvers, z.y, die In datgene, wat zy willen, uit bartstoebt en vooroordeel geen maat houden en het doel verliezen, omdat z.y het voorbUslreven; vandaar inz. voor ultrarovolutonnairen, ultraroyalisten, ultraliberalen, enz.; In engeren zin noemt men ultra\'s de ultra-royallsten of absolutisten (z. aid.), In tegenstelling mot de liberalen; — ultrais-rue of ultracisme, n. hunne gevoelens en grondstellingen; — ultramarijn, n. (v. mare, de zee, marïnus, a, urn, de zee betrelfonde) eig. overzee-kleur, hemelshiauw, bergblauw van den la zuurst een {■/.. aid. cn vgl. azuur) oorspr. over zee, Inz. uil China gebracht; — ultramonarchiston, pl. lal.-gr, barlstoch-teiyke aanhangers en vereerders van de alleen-heerscbnppy; — ultramontaan, adj. nw.lal. (van mans, herg, montanus. a, urn, een berg belreirende, enz.) overhergsch, aan gene z.yde van hel gebergte, Inz. der Alpen; vandaar ge-wooniyk: overeenkomstig met don geest en de grondstellingen van hot pausdom; — ultra-montanen, m. pl. verdedigers der onbeperkte kerkeiyke macht en onfellliaarhcld van den paus, z. v. a. c u r 1 a 1 i s l; — ultramontanisme, n. hunne leer en grondstellingen; — ultra-montanomanie, f. lat.-gr. (een kwaiyk samengesteld woord) elg. zucht naar het over-bergsche, hartstocht daarvoor; al Ie bartstoch-teiyke verdediging of erkenning der onbeperkte pauseiyke heerschappy; — ultramundaan, lat. (uttrammdanus, a, urn, van mumlus, de wereld) overworcldsch, hovenaardsch; — ul-traservielen, pi. nw.iat. over-onderdaidgen, slnafsclie kruipers.

ultra. Int. (vgl. ulterior, enz.) eig. aan gene z.yde, daarover heen, daarenboven; vrywillig, van zelf, ongedwongen, uit eigen beweging; — ultrn ritróque, over en weder, wederzyds, van den oenen en den andoren kant.

Ulysses, lat., gr. Odysseus, koning van Ithaka, een grleksch held, beroemd door zyno dapperheid en sluwheid In den trojaanschen oorlog, en door zijne lolgevallen op de langdurige thuisreis; niet minder bekend zijn zyne gemalin Penelope en z.yn zoon Tel (Sm a eh us.

Urnbólla, f. lal, (vcrklw. v. umbra, schaduw) elg. een zonnescherm; liet bloemschenn;

— umbellaten of umbelliféren, pl. nw.

lat. {umbellatae, umbeltifcrae) schonnhloemon;

— umbelliflórae, pl. seliermhloemlgen. Umber, m, umbra, f, of umber-

aarde (van \'I lat. umbra, schaduw; v. a. van terra Umbria, d. I. umhrlsche aarde, naar het ilal. landschap Unihrla) sclinduwkleur, bergbruin, bruin-yzeroker, bruine aardverf, oen als sehlidersverf gebruikt bruin mineraal, uil yzer-oxydo, mangaanoxyde, water, enz. bestaande, de Keulsche uinhra Is lljngewroven bruinkool.

Umbilicus, m, lal, (= gr. omphalós) do navel; ook het middelpunt, middelste; Jur. hol middelste (ide) deel der pandecten van hel \'2nsto lol hel ilsto lioek; eertyds z. v. a, focus, brandpunt; — umbilicus Venlris, de venus-nnvel, benaming eenor plant; — umbilicaal, adj. nw.lal. tot den navel hehoorendo; — umbilica-tus, a, um, lat. Bot, navelachtig, met een kelknaad voorzien; — umbilieiet, m. eene versteende navelslak, schoielslak.

Umbren, m. pl. (lat. Umbri) een oud-ilallaanseb machtig volk, dal omstreeks ;ioh vóór Ghr. door de Komeinen werd overwonnen. umbrosus, a, um, lal. Bol, scliaduwryk, Uminta, f, sp, een uit gekneusde jonge maïskorrels bereide hry, die met zout, suiker en krulderyen vermengd en in vvalor gekookt of In boter gebraden wordt, eene In /,Amerika geliefde spys,

unaniem, lal. (unanYmus, a, um, v, unus, een, en animus, gemoed) en ais adverb, ook unaniniltcr, eensgezind, oonslenimig, eendrachtig, eenparig; ook per unanimïa (sell, suffra-f/in); — unanimiteit, f, (lat. unanimilas) io eenparigheid, eenslemmigheid, eensgezindheid, overeenstemming in gevoelens en gezlndbeden. una serie, lal. z, ond, serie,

Unau, m, (naam van dit dier in Brazilië, nw.lal, Chalüpus diiiacli/lus) de tweevlngerige of twooteenigo luiaard In Z.Amerika, Inz. in («uiana en Noord-BrazlIIU; ook de ooslindische luiaard,

Unciaal-letters (van \'I lat, uneïa, een twaalfde deel, vandaar een duim; unriiilis, een-dulmlg) hy boekdrukkers; groole (elg, oenen duim breede) beginletters,

Uncinan\'us, z, ond. uncus.

Uncle Sam, z, ond. Samuel, unconditional, adj, eng, (spr, unlmn-(lisj\'nët) onvoorwaardeiyk, li, v, unconditional surrénder, onvoorwaardeiyke overgave (hynaam van wyien generaal Grnnl in Amerika).

Unctie (spr. t=s) f lal, (unrïïn, van un-llëre, zalven) de zalving, heiliging

Uncus, m. lat, (= gr. ónkos) de haak;

— uncinanus, m, nw.iat, (van uncinus, a, um, hakig) de baakworm, eene soort van ingewandswormen,

unda, f. lal. de golf, haar; mda maris, f. elg. do zeegolf; eene open lUiltstem In orgels;

— undine, f. nw.lal. (fr, ondlnc) een vrou-weiyke watergeest (vgl, e I e m e n t a 1 r g e e s-


-ocr page 1291-

UNDERWRITEIl

1203

UNIPOLAIR

lc n); — Undina, t. Aslron. oen in IHin iloor Poters onldoklo asloroïdo; — unduloeren, zich Kol(s(!c\\vys bowogon; golvon, dohheien, scliommelcMi; — unduldtio (spr. /=lt;s) r. do goUsgowdzo liowcglng, hel golven, schonimolen; — undulatie-theorie, f. de loer van do goKvonnlge howcglng vnn liet licht (ook v I-hratlc-thoorle); — undulatórisch, adj. golfsgowys, golvend, schommelend; — undatus, a, urn, lat. Bot. gegolfd, gelfaclitlg; — undula-lux, n, «m, hit. Hot. goKrandig, aan den rand gegolfd; — undulisme, n. de golfslag, golving; — undulisten, m. pi. l\'lct. die scliil-dors, welke hot weekeiyko zonder karakter he-mlnnen, en de golvende lijn lot voor- en 7.ln-nohoeld dor schoonheid nemen.

Underwriter, in. eng. (spr. underrailer) elg. ondorteokenaar; de verzekeraar, de assuradeur.

Unedo, in. lat. de liaagappelhoom. unfinished, eng. (spr. unfinnisj\'l) onvol-loolil, niet geëindigd, niet klaar, nlotgoappretccrd.

Unguéntum, n. Int. (van ungüre of mii-Qulre, zalvon) zalf, een mol vel loeherold geneesmiddelunguineus, adj. (lal unuui-nósus, a, urn] vet, vottlg.

unguis, in. lal. de nagel aan ilen vinger, do klauw; ad unguem, op don nagel, op de nagelproef, d. i. op \'1 zorgvuldigst, zeer nauwkeurig; ex ungue leönem. sprw.: uit of aan den klauw (erkonl men) den leeuw; muufbus et róstro, met klauwen en snavel, d. I. mol allo kracht; — unguiculalus, a, um, lal. Hol. genageld; — uniii/lu, f. (verklw. van unguis) de klauw, de hoef; ungulüla,\\\\. pl. hoofdleren, dieren met hoeven; — ungulieton, m.pl. klauw-schelpon; unguiculBla, n. pl. nw.lat. (van\'l lal. unguirulus, verklw. van unguis) de zoogdieren, die van nagels aan do voeten voorzien zyn.

uni, adj. fr. (van unlr, vereenigen; eiTeneu; v. \'I lal. uni re, vereenigen, v. mus, een) eenvoudig, enkel; geiyk, elfen, glad, eenkleurig; verhonden; — TJniati, pl. nw.lal. (v. uniare, z. unire) de Voreonigdcn, In Polen do naam dor gouniCorde Grieken, z. oud. unie.

unicolor, lat. Bol. eenkleurig.

Unicum, n. lat. (van wiïeus, a, um, enkel) iels oonigs In zijne soort, slechts eenmaal voorhanden, inz. een slechts nog In (Sen onkel exompliiiir voorhanden afdruk van oen zeldzaam hoek; een nog slechts in een exemplaar he-staand innnlsliik enz.; — uniciteit, f. nw.lal. de eenheid, onkeilieid.

Unie, f. laier lat. {un\'in, van mus, n, um, oen, fr. union) de vereeniging, eenheid, een-dracht, ceniglieid, overoenstomming, hei ver-hond, do verliintenis, Inz. kerk- of geioofsver-ecniging; ook siaien-vornDnlglng, h.v. do unie van Ulrecht, hel vorhond van vereeniging tussciien eenige noderlandsche provinciën ten Jare lino gesloten; thans inz de Noordamerl-kaanscho republiek; oek de In IKI7 het eerst in Pruisen ondernomen vereeniging van I.ulliera-nen en gereformeerden; by schilders; de geschikte verbinding en samenstelling der kleuren; unfn prolium, de aanneming der sliefkln-deren als lyfeiyk of eigen kroost; — uniëe-ren (lat. mire) vereenigen; geünieerde O riek e n, met de r. kalh. Kerk voreenigde Grieken, die den paus voor het opperhoofd der Kerk erkennen; — t\'niied Stales of Norlh-Aine-rico, eng. (spr. jocnaited steels oigt; nor\'s eemé-rikee) do Vereenigde Staten van Nooni-Ante-rika; — unionist, m. een vereenigor, ver-eenlglngssliclitcr, hieonsmelter van godsdienstige gezindheden of kerkgenootschappen; een aanhanger der Unie, In den noonlamerikaanschen burgeroorlog de aanhangers der noordeiyke staten, in tegensl. met de geco n fed er eerde n

— unionistisch, ailj vereenigond; lolde unionisten lieiioorond; — unilis virfbis of viribis unitis, met vereenigde krachten, met gezamen-lyke macht; — unitief, adj. nw.lat. vereenigond.

unifleeeren, nw.lat lol een maken, vereenigen; — unificatie (spr t=ls) f. do vereeniging, het lol een maken, b. v. van Duilsch-lund, van ll.ilie; gelijkmaking, b. v. der slaais-schuid; — unifórm, adj. lat. {unifiinnis, e, van mus, a, um, een en forma, vorm) eenvormig, geiykvonnlg; - unifórm, ais suhsl. f nw.lat. (fr. uniforme) gelyke of eenvormige dracht of kleodlng, dicnstkloedlng, inz. der sol-dalen ; ook ambls- of standsdraclit; ambtskleed, dienslrok; — uniformeoren, denzelfden vorm geven, gelyk kleoden; — uniformeering, f. de geiykvormlng, geiykinaking; Inz. de gelyke kleeding; — uniformiston, pl. men-schen, die voor allo slalen nl kerken denzelfden vorm weiischeii; — uniformiteit, f. lat. (mifnnmtas) ile een- of gelykvormighcid, overeenstemming, geiykheid; — uniformiteits-acte, f. eene verordening van liet eng. parlement in IIH12, volgons welke allo geesteiyken hunne instemming met de liturgie der hoogo bisscboppeiyke Kerk verklaren of hunne amli-ten neerleggen moesten; —unigenïtus, m. lat. (van gentlus, u, um, geboren, van gignire) do eeniggelioren (zoon van God); de unige-nitus-bul of bulle-unigenitus, eene met dat woord beginnende bul of verordening van paus (\'.lemens XI in liet Jaar 1713 tegen de .1 ansen Isten; — unilabisch, adj. nw. lal. (wiilabialus, vgl. labium) eenllppig; — unilateraal, mij. (vgi lotus) eenzydig, b. v. uni-lateraal-contract, een eenzydig verdrag, waardoor slechis eene pariy liij uilsiuiling verhonden wordt; vgl. bilateraaI-conlract;

— unilóbisch, adj. lat.-gr. eenlobhig; — uniloculair uf uniloculeus, adj. nw.lat. (van lonilus, plaatsje, vak) Bot. eenvakkig, niet meer dan een vak bebliemle.

Unionist, enz. z. ond. unie.

unipetaal, adj. lal.-gr. (vgl. petalon) een bloemblad hebbende.

unipolair, adj. nw.lat. slechis een pooi hetrelfendo (van lichamen, die slechis de éene soort van eiekiricileli geleiden).


-ocr page 1292-

UNIQUE

12(54

UR

unique, iiilj. fr. (spr. miék; van \'t lat. unlcus, a, urn) oenlg, enkel, alleen In /ijne soorl, zonder gelljko, uttslekeml, zeldzaam, won-derlinar.

unisoxuaal, unisexueel, adj. nw.lat. (van Mints, «, um, en sexus, v.. aid.) eenslarh-tig; — unisonus, m. nw.iui. of it. unisono (spr. u=ne) n. (v. \'I lal. sonus, klank, geluld) de overeenstemming van lonen, geiyk-klunklgheld, goiykstemmlgliold; all\' unisono, 11. In eenslenimlgheid, eonstenimlg, eenklankig, over-eonslenunend, geiykgezlnd.

Uniteit, f. lat. («ni/as, van «nut, a,um, een) de eenheid, elk ding op zlelizelve, ocnlg-lield, oendracht, geiykvornilgheld, overeenstemming; hroeilergemeente; — unitarïus, m. nw.lat. een eerdieldshelUder, hy, dlo slechts een persoon In de godheid aanneemt; vgl. trlnt-t a r I ii s.

unitief, umlis viribus, z. ond. nnio.

Univalven, pl. nw.lat. (van uiius, a, uni, een en valva, d. i. eig. deurvleugel) oensclm-llge schnaidioren; univalvisoh, adj. een-schalig, mot een hulsel, cene schaal; —uni-vasculair, adj. Bot. met don vat, kelk, Irochter.

Univórsus, n. lat. (van univérsus, a, um, geheel, algemeen) het ai of geheel, heelal, wereldgohouw, de gansciio wereld; — uni-versaal, lat. (universalis, e) of universeel (fr. universel) adj. het geheel hetreiTendo, aan allen gemeen, algemeen, aloinvatieiid, zonder uitzondering; — universoele erfgenaam, de eenige of aliiians do tioofitorfgenaain; — universeel genie, n. een algeost, een geest, die tot alles of aliiians lot zeer veel la-lent iiezit; — universeele historie, f. de algemoene, alle volken omvatlende geschiedenis, wereidgeschiedenis; — universeel instrument, een asironomiscli werktuig om de declinatie en rechte klimming der vaste sterren, ook hy dag, te vinden;—universeele katalogus, m. een algemeene lüst; — universeel lexicon, n. een woordenboek van alle of zeer vele talon; een woordenhoek over alle of allerlei onderwerpen;—universeele medicijn, een algemeen geneesmiddel; — universeel-monstrüum, hy de alchemisten een (Ingeheeld) vocht, dat alle lichamen kon onihinden, zonder zelve te veranderen; — universeele monarchie, do wereldhoer-schappU; — universale, n. algemeene oll-schryvlng, vorslelyke hrlef (ma nIfesl); — universalia of universaliën, II. pl. algemeene dingen, voorwerpen enz.; hy de scholastieke wysgeeren; het algemeene In onze voorstelling, inz. In de geslachten en soorlen; — universaliseoren (spr. —zee—) liarh.lal. algemeen maken, veraigemeenen; — universalisme, n. de kracht of het streven om alles te omvallen; inz. de leer dor alhegenadl-glng, de onderslelllng, dal Gods genade zich over alle menschen nilslrekl; — universalist, m. (fr. miversalisle) hy, die er naar streeft alles te omvatten; ook een verdediger van of geloover aan de algemeenheid van Gods genade; — universalistisch, adj. hol universalisme verdedigend of huldigend; — universaliteit, f. nw.lal. do algemeenheid, ge-zanieniykheld; alomvattendheld, onheperktheld;

— universiteit, f. lat. [universttas, algemeenheid, gezameniyk; Jur. gemeente, corporatie) elg. eene met gemeente-rechten beschonken leerlnrlchtlng, leergenieente; eene hooge-scbool, hoogere leerschool, 011 welke alle facnl-leiten vereenigd zyn, hy ons en elders vaak a k ad om ie (z. aid.) geheeteii; — universïlas non dclinquil, Jur. de gezamenlykiield vergrgpl zich niet, d. I. er beslaat goen vergryp van de gansche liurgermnalschappy.

univócus, a, um, nw lal. offr. univoque (van unus, a, um, een en vox, z. aid.) eonbe-leckenend, van eenerlei boteokenis; ook gelgk-lulilendbeid hy versclilllonden zin; — univo-oatie (spr. t=ls) f. de geiyke betoekonls, ge-iyke tieniimlng.

unmanageable, adj. eng. (spr. u it mén-uidtjibl\') onhandelbaar, tegenslrevend.

mo actu, lal. In éene (oniifgohroken) handeling;— min anïmo, eensgezind, met dezelfde gemoedsgesteldheid, een hart en een zin; — uno contéxla, in éenen siiinenhang, onafgebro-koo; — uno ore, met éenen mond, eeiimondig, eenparig; — uno lenöre, in éenen sanienhang, in éenen voort.

un (spr. oen) poco, II. Muz. een weinig, b.v. un poco allegro, een weinig gauw. untoward, eng. z. e v e n I.

a, um, lat. een, eene; unus post «/-ISrum, bet eene na het andere; ad unum (om-nes), elg. lol op oenen, d. 1. allen zonder nii-zondering; ab uno disce nmnes, naar éen kunl gy allen beoordeeien; unum idémque of unum el idem, lat. een en betzeifdo, belzclfile, eoneriel.

up, eng. op, hoven, bet legengost. van down (z. aid.)

Upas, z. ho a-u pas. Upland-(Georgia), korte Georgia, do kortere en sterkere soort katoen uil het binnenland der noordamerikaansche znldelgke Staten; vgl. Sea Island.

tipper, eng. opper-, bovenste; Ihe upper lens, in New-Vorks; de allerrykslen (mlllio-n a 1 rs).

Uprawa, f. russ. (elg. gerecbilglicid, van pro id, recht, waar = lal. probus, braaf) hel gerecht; — uprawa blagotschinija, f. russ. (v. blaf/olscliinjje, goede orde) de poliile;

— uprawljajoeschtsji, m. russ. (v. upraw-Ijnlj. besturen) de bestuurder, hulsbesllcrder, beheerder.

Upstart, in. eng. een parvenu, gelukskind. Ur, eene voormalige vocblmaal in /cven-hergen, een emmer = 11,87 L.

ur... (spr. oer) in bgd. woorden = eerst, oorspronkeiyk; b.v. urmensch,eersteniensch, oorspronkeiyke niensch; — urstoif, oorspron-


-ocr page 1293-

URGEEREN

URACA

12G5

kciyko slof, grondslof, cloinont; — urwolt, voorworolil, enz.

Uraca igt;r urnica, r. port. (sitr. u—oe-, vgl. aruk) oeno soort van wü» la IndlB, paimwUn.

XJrachus, ai. gr. {oerachns, van oeron, pis) Med. do hlaashaad. navolleldorj — ur-akra-sie, f. (vgl. ukraslo) sloclite pismonglng;— ur-akratie (spr. t=ls) f. (vgl. akratio) ile oawillckoailgo plsloozlng; — urremie, f. liet bloodplsscn.

uralensis, lat. Bot. vaa \'I Ilralgcliergte.

Uranus, m. (gr. oeranós) de licmcl; Mytli. de hemelgod, du oudste god, geniaal vaa Oa!a of de aarde enz.; oene door Herschel In lquot;St ontdekte planeet, voor de verstverwUderdo ia ons zonaesteisel gehouden, totdat l.o ver iters herekealngen in ISili ooao planeet deden ontdekken, die ziel) op veel grootcr afstand om de zon wciiteit, en die men No pt u n us heeft genoenid; — Urama, f. de hemelsehe, cene der Muzon (z. aid); Astron. oen in ISJii door Hind ontdekte asteroïde; — Uranïdes, m. de zoon van Uranus, een liyminm van Saturnus; — uranïkon, n. het liemelscho, een door von Mol lie In in 1110(1 te Weenen uitgevonden speeltuig, liestaande uit twee verhonden harpen, welker snaren door toetsen geraakt worden; — uranionon, pi. (oeraniünes) heniel-sehen, zaligen, heanming der oude grieksclie goden liü Honierus; — uraniscus, m. (gr. ocraniskos) een kleine liemel, tent- of troonlie-mel; de gewelfde zoldering eener kamer; Med.

het verhemelte; — ......laar uraniscitis, f.

ontsteking van liet verhemelte; — uranis-korrhaphö of uranorrhaphê, f. de naad van liet tandvleesch; - uranium, n. een in 1789 door Kiaprolh ontdekt enkelvoudig metallisch llchaaai; — uraniumglimmer, n. groen gllminer, uit phospliorzuur, uranluiiioxyde, koperoxydo (uf In plaats daarvan kalkaarde) en water heslaande; — uraniet, n. uranluniglim-nier, groen glimmer, phospliorzuur uranlumoxyde met water; — uranographïo, f. de hemel-lieschrijving, lieschrijving des sterrenhemels; — uranolatrie, f. de vereering der hemelllcha-men, een soort van veelgoderij;—uranolo-gie, (. de liemelkuiide, leer des hemels; — uranologisch, adj. de hemelkunde helret-fende; — uranometno, f. de liemelmeting, niclingdes hemels; — uranométrisch, adj. hemeinietend; — uranorama, n. henielzicht (door Jamhen uilgevonden); — urano-skoop, ia. een henielbeschouvvcr, liemolkijker, Iiemelwaarneinei\', slerrenkUker; ook een door Dr. J. IKilim te Praag uitgevonden werktuig; — uranoskopie, f. de hemelhe-schoiiwlng of waiirneming.

Urao, n. Zuld-Amerika z. v. a. troaa, z. oad. soda.

Urari, n. pülvergifl, een uit phinlensap-pen liereld vergift, waarmede de Indianen in Itrazille hiinne pijlen vergiftigen.

Uraton (van ocron, pis) Chom. piszure zouten; — urate, f. z. p oud rel te.

V1EHIIE IIIU\'K

urbaan, adj. lal. (urbSnus, a, urn, van urh.i, stad) steedseh, stedematig; heleefd, hof-felük, heseliaafd, welgemanierd, hiiiisch; — Ur-bünus of Urbaan, m. en Urbana, f. mans- en vr.naam; de heleefde, holleiykc, he-schaafde, enz.; — Urbanistinnon, f. pl. nonnen van de Kranclskaner-orde, die haren ordesregel van paus Urhanus IV liehhen; — urbaniteit, f. lat. (urbanïtas) de steedsehe hcschiiving, weigemanierdheld, wellevendheid, verdjiide levenswijze; — urbanisoeren (s|ir. ■i=z), nw.lal. steedseh, d. 1. heseliaafd en wel-gemiinierd maken; — Urbanos, in. pl. sp. (v. urbano, steedseh of tol de stad hehoorende) de tot aetieven dienst bestemde stads- of hur-gersoldaten.

urbi el or bi. Int. z. or hls.

Urda, f. oiidn. [Urdhf, elg. het gewor-dene, hel verledene, v. verdha, worden) Myth, eene der N o r n e n z. aid.

Urëa, f. of uncum, n. (van \'l gr. oer e Ju, pissen, oeron, pis) de pisslof; — urokchj^-sis, f. Med. de uitstorting van pis in hel cehveefsel; — urösis, f. Med. liet pissen; — uretöres, pl. (van den sing, uriltr, de |ils-lelders; — uretërisch, adj. de pisleiders hetrelTende; — ureteritis, f. ontsteking der pisleiders; - ureterodialysis, f. heleedl-ging, verscheuring van een of van heide de pisleiders: — uroterolïth, m. de steen in de pisleiders; — ureterolithiasis, r. het oiilslaan van steenen in de plswegen; — ure-torol.^sis, f. veriammlng der pisleiders; — urethra, f. de plslmis; — urethraal, adj. nw.lal. lol de plshuis hehoorende; — ure-thralgïe, f. pun in de plshuis; — ure-thromphraxis, f. verslopping der plshuis; — urethritis, t. onlsleking der plshuis; — urothroblennorrhoea, r de siumvioed der plshuis; — urethroph^ma, n. de zwelling in de plshuis; — urethorrhagie, f. do hloeding uil de vaten van de plshuis; — urethrorrhcea, f. de vloeiing uil de pis-laiis; — urethrospasmus, m. de kramp in de pisiiuis; — iirethrotomie, f. de pis-hulssnede, eene kunstliewerking hij den steen in de pisbuis; — urethrotömus, in. een mes tol opening van de pisbuis; — urötisch, adj. (gr. urctikos, f. on) de pis belrelfende; pisarzellend, pisdrijvend ; — uretika, pl. pis-drijvende iniddelen.

Urëdo, f. lal. (van urire, branden) brandend, jeukend uilslag; ook de brand In het koren; — wens, lal. Hol. brandend; —urai/To (spr. I=ls), n. pl. Med. bijtende middelen

Uresis, enz. — uretisch, z. ond. urea.

Urf, m. arah. (elg. bekend billlik, rechtvaardig, v. \'arafu, kennen ; bekend maken) een turk. keizerlijk kalilnelshevel; ook een ronde opgebolde lalhand.

urgeoren, lal. {ui\'nürc) dringen, drijven; aandrijven, sterk op Iels slaan of aandringen; nadruk daarop leggen, hel al te nauw of te gestreng nemen; — xirgónt, adj. dringend,

sa


-ocr page 1294-

USTAW

UHIAN

1261)

Koen uitstel godoogoiul; — urgéntie (spr. t=ls), nw.lal, (ifrr. urgenco (spr. uunjdin\'), f. ito ilrlngoiulo nood, nuodwoiKllgholil, Tli lngeiul-lield, nooddrniig, drung dor onistandlghedon.

Urian or Horr Urian, tioogd. (spr. oertaan) schcrtsondo liotmming van oen weinig geacht of ten onpas vcrsclienen menscll; In \'I nodordutlscli ook de duivel.

Urïas, f. gr. (v. oeron, pis) do plstlstolj

— urinsis, f. het pissen, waterloozen; — uricum, z. urea; — urisch,adj. plszuar.

Urïas, m. tielir. (gr. Urias, liohr. ur{jj(lh, van oer, vlam, vuur, lt;tr, licht) mansnaam: de vlam van Jehovah; — urias-briof, een voor don overbrongor govaariyk, schadelUk of verdortetUk schreven (naar den brief, dien David aan Joab schreef on door Ur la s overzond; z. -2 Sam. XI, li—11); — Uriel, in. de naam van oenen aartsengel; vlam Gods of de door God verlichte; — urim en thummim, hehr. (pl. van oer en van l/idm, volkomenheid, onschuld) licht en recht, do borstlap van den Joodschen hoogoprlosler, uit twaalf edolsteenen ot v. a. uit twee heelden bestaande, die op eene ons onbekende wyze als middel tot do godsprakon dienden, welke de boogeprlester In gewichtige gevallen uitsprak.

Urine, f. lal, {unnu) do pis; urim coda, gekookte |ds, welke de beslissing der zlekto aanwijst of vergezelt; u. cruita, rauwe pis; u. jiurulénla, etterpls; u. rubra, roodo pis; — urinaal n. nw.lal. een pisglas; — urinaat, n. een meststof, beslaande uit drek en pis; — urinoeron, pissen, wateren, zijn water afslaan; — urinous, adj. pisachtig; — urinoir, u. fr. jdstiak, openbare waterplaats.

Urne, urn, f. lat. (urna) eene waterkruik, een watervat; eeno aschkruik, lykhns ter bewaring van de a8Ch eens overledenen by do Ouden; eeno vaas tot sieraad; de slembus.

Urocele, f. gr. (v. oeron, pis) eene pisbreuk; — urochesie, f. oen pisacbtlgo buikloop, plsloozlng by den stoelgang; — uro-coelia, f. de pisbreuk, uitstorting van de pis in hel ondoriyf; — urocystis, f. de pis-blaas; — urodochium, n. een pisvat, pisglas; — urodynie, f. pün op \'t water; — uroklépsis, f. het ongemerkt atloopon der urine; — urokriterium, n. oen pisteeken, beoordcellng oener zlekto uit de pis;—uro-krisis en urokritiek, f. de pisbeoordoo-ling, hot pisonderzoek; — urokritischo teekenen, ztckto-teekenon, die uil do geloosde pis worden afgeleid; — urolith, m. de pissteen; — urolithiasis, f de pissteenvorming; — urollthisch, adj pissleo-nen betretfendo; plssteenzuur; — uromant, m. een piswaarzegger, waarzegger uit do pis;

— uromantio (spr. I=ts),l. piswaarzoggerU, het waarzeggen uil de pis-, — ur-omphd-lus, m. ile opzwelling van den navel door pis; — uroplanie, f do verdoiing dor pis, de uitstorting der pis in andere deelen; — urorrhagie, f. sterko pisvloed; — uror-rhooa, f. de onwillekeurige plsloozlng, pisvloed; — uroschësis, f. do pisopstopping,

— uresis, f. pisziokle; — uroskoop, m.

een pisbeschouwer, piskijker; — uroskopre, f. de pisbeschouwing.

Urphëda, urphëde of urféhde, f.

oudd. (spr. u=Qe; v. ur, uit; eig. het uitzUn of ophuuden-der voote(veede) of vyandsclinp), do zoen, zoencod, verzekering onder eodo van gocne wraak te nemen, o o r v e e d e.

Ursinus, m. (van \'t lat. ars mus, n, um, van ursus, beer) mansn.; de beerachtige, do sterke als een lieer; — Ursula, vr.naam; de niet licronkracht begaafde; — Ursuliner-nonnen, Ursulinen, r. pl. de leden eenor In de Kiile eeuw ter eere van de heilige IJ r-süla gestichte vrouweiyke orde, die zich inz. met de opvoeding van jonge meisjes en met do verpleging der zieken bezig hield.

Urticaria, f. nw.lal. (van \'t lal. urttca, do netel) do netelzucht, de neteikoorts; — urticatie (spr. l=ls), r. Mod. hot geeseien met nelels, een opwekkingsnilddel by verlamming en gevoelloosheid der ledematen; — ur-licaefnlius, a, um, lat. Kot. brandnctoitiindorig.

Uruku, z or lean.

Usage, f. fr. (spr. uzaazj\'), usance, f. (spr. mdiis\': van \'I lat. «sus, z. aid.), usan-tie (spr. I=ls) het gebruik, de gewoonte; het gewoonterecht, liandolsgolirulk; usayeilu monde. het wercldgeliruik, de wereldkennis; ook do manleren, de zeden, de toon der groote wereld;

— usance of II. uso (spr. oeto) m. Kmt. het wisselgebruik, de gewone betailngs- of wis-selterinUn, de termyn van eeno maand, oono maand zicht; uso-wlssel, een wissel, welks vervaltijd a uso bepaald Is; — a uso, it. (spr. oeii)} of ii usance, fr. naar het gebruik by wissels, op gewoiin zicht, op gewonen bolalings-termyn (van i tot i weken); a uso drippio, it. of n deux usances, fr. (spr. adeuzusdiis\') naar dubbelen liotalingstermyn.

Usbeken of Oesbeken, m. pl. (naar men wil dus genoemd naar een hunner khans IJsbek) een groote lataarsclio volksstam, die in Itokharn, Itiiikh, Khokand, Chiwa, Toerfan, enz, de heerschappU iiozit.

Uskoken, pl. serv. (spr, u=oc: van \'t slav. ii, weg, voort, en sfcn/cfl((, spiingen, s/toft, do sprong) onlsprongenen, voorlvluchtigon, sla-vonon, die In de 18de eeuw uit het tiirkscb gebied naar do gebergten van Hongarye en de Krain de wyk namen.

usque ad nauseam, lal, z. nauséa.

Usque bah of usquebaugh, m. eng. (spr. uskicibd; van coiltscben oorsprong, woor-dotyk levenswater, van \'I lersch utsge, water, en beatha, leven; hieruit ontslond door verbastering hel woord whisky, z. aid.) een kruldenliianilewijn in Ierland, sulTruanbrandewlln.

Usta, in, lurk. {oesld, van \'l perz. oeslAd\' meester) een turksch onderollicier liy de Janlt-zuren.

Ustaw, m. de grondwet In ServlU.


-ocr page 1295-

UTOPIA

(J STIK

-1207

Ustie, f. lal. {usiïn, van urlre, lirunden) Mod. de liran(llii({, liel lirandon, ook rUulloj — ustuleoron (lal. mluture), bruiidcn, zciikoii, rooslcii; ustulatio (spr. tic—hie) r. nw.lal. do zenglng, roostlnn.

Usuarius, usucapooron, usufruc-toeron, en/., z. ond. us us.

Usure, f. fr. (lat. usura, pi. .miirae, van uli, gebruiken, «sus, hot gohrulk) liol Bolirulk, gonol, hoi gcnolgold, do ronlo, Inlorosten; wookor, wookeigeld; wturu illegiCfmae, pi on-geoorloofde reiden; us tegitinuie, geoorloofde, gobrulkeiyko renlen; us. igt;roliihilae, verlioden rcnlen; usurOrum usRmc, pi. rente op rente. Interest op interosl, woekuirento; - usura-rïus, m. oen woekeraar; usunuui imivflas, do woekerende gewetouloosheld, ongeoorloofde, strafharo rontenenilng.

usurpeoron, lal. (usur/iare, olg. In \'1 alg. gelirulkcn, liandlmven, iiHoefeuen), lots usurpeeren, /.leli van eone zaak meester maken, haar henmchtlgon, overweldigen, zich op eeno woderreehteiyko wijze en niet geweld Iets taoBIgonon of aanmatigen, aan zleh trekken of In hez.il nemen; — usurpantie (spr. /—/s) f. nw.lal. do gewooale, het overgeleverd gebruik; — usurpatie (spr. I Is), f. lat. de wederrechtelijke of onreeblmatlge Inbezitneming, toeiiigening, lieaiaehtlging of aanmatiging, de gevvehldaiilge roof; hel onwellig bezit; .lui\'. muriniHn, Inz. de afbreking iler verjaring; usur-pütïn juris, de ongeoorloofde uitoefening van een vreemd en ous niet toekomend recht; — usurpator, m. of tr. usurpateur (spr. muur—) een overweldiger, onroebtmatig Inbe-zitnemer, troouroover, weilerrechlelgk roever van het opiiergezag.

Usns, in. lal. (van ulor, usus sum, uli, gebruiken, zich van eeno zaak beilleiien), hel gebruik, de gewoonte; ususesl lyrdnnus, spvw.: het gebruik is een tyrnn of dwingeland; usus eimnorlhottcus: f.og. de tennulleniaking (vgl. epiino rtho thi sch); usus fori, bet rechtsgebruik; us us Inriuémli, hel spraakgebruik; ad usum, lea gebrulke, ten dlensle, len nutte; ad usum transforooron, z. oud. 1 ranste roeren; uil pins mm = ad pins cnusas, z. onder causa; — cj\' usu, alt do gewoonte of bet gebrnlk, door oefening en gewoonte; ook volgens liet gebruik, gehniikciyk, nuttig, dienstig; — in usu of usueel (lal. usuulis, e, fr. usuel) adj. In gebruik, gowooniyk, ge-brulkelUk, naar do gewoelde; - in usum, ten gebrulke of ten nulle; -- in usum IM/ili/ni, ten gebrulke van (ion fnuiselien kroonprins of daupbyu Inionderbeid gediukt (eeno aanmerking op den titel van de voormalige fransclie uitgaven der lalijnsehe .schrijvers, uil welke de aanslooteiyke piaaison in den leksl weggelaten, doch aan het slol byeengeveegd z.yn); in usum liron uiu, ten gebrulke der begliinaars (vgl. 11 rol; — usuarius, m. een gein niknemer, vrucht-bruiker; — usucapooron (lat. usu raiirre), zich eeno zaak uil hoefde van haar lang onafgebroken gebruik of hez.lt toeéigenen, baai-voor z.yn eigendom verklaren, het verjaringsrecht uitoefenen; usuoaptie (spr. l=s) f. (lat. usuiapfo) Jur. de bezlltlng of verwerving vau enkel ilcbameiyko zaken door verjaringsrecht (vgl. prtcscrIp11e); ususfructus, m. (d. 1. usus cl fruclus), fr. usufruit (S|ir. utufrwi) gebruik en genot of vrucht, bet vrueht-gebrnlk, de vruebtlrekklng van eens anders

elgend....., lyftocht; usufructuooren,

nw.lat. het vruchtgebruik trekken of dat geven; — usus- of usufruotuarïus, m. de (gerechtigde) vruchtbruiker, vruchttrekker of -genieter, de gebruiker van een vreemd goed.

ut, lat. gelijk, zooals, h. v. ut infra, ut supra, ut retro, enz. z. infra, enz.

ut di\'sint vires, la men est laudanda vnliln-las, lal. al ontbreken de krachton, dan is toch de wil te pryzen.

Utonsiliön, pi. lat. {ulensilia, vau uien-si\'lis, e, bruikbaar) bruikbaar gereedschap, hulsof kerkgereedschap, huisraad; gereedschappen, werktuigen.

Uterus, in. lat. het nioederiyf, de baarmoeder; uleri inflatio, f. Med. opzetting der haarmoeder; — Utorion, adj. (lal. uterinus, a, um) uit éene moeder geboren; van de z.yde der moeder; — uterine (sell, fralres) pi. Jur. kinderen van éene moeder, lyfelyke broeders en zusters van mnederszyde; — utorina, n. pl. nw.lal. middelen legen baarmoederziekleu; — Uterinaal, adj. tol de baarmoeder behoorende.

uhte, n. lal. (van utliis, e, bruikbaar, te gebruik..... van uli, gehrulkeu) bet nuttige, bruikbare, nut, gewin, voordeel; «ff/c (/«/ci, liet nuttige met het aangename (paren); utitSter accepteeren, als bruikbaar aannemen ; —utiliteit, f. (lat. uliftlas) de briilkhnarheld, aau-wendhaarheld; nuttigheid, hel nul, voordeel; ulifdus pneiila, het byzonder of eigen nul; ut. publira, het openhaar nut of voordeel, liet al-gemeene of \'s lands wolzün; utilisooren (spr. s-t) nw.lat. (fr. utiiiser) ten nutte maken, aanwenden, gebruiken; utilisatie (spr. -ta-lsie) f. de tenultemaking, aanwendlug, gebriilkmaklug tol nul of voordeel; — utili-tiiris, m. nw.lal. (tr. ulililaire) oen aanhanger der nuttigbeiil of van hol algemeen nuttige; iemand, die alleen op het nul of do schade lel, die handelingen alleen naar het nut of het voordeel beoordeeil; utilitarisme, n. het slelsel der nultlgheld of van hel algemeen oiil-llge, een door .1. Hentham gegronde staalsleor, volgens welke hel algemeen belang zooveel mo-geiyk den voorrang moet liebben op beslaande rechten en wellen.

uitnam, lal. och of! och of (Jod gave! \'I ware te wenseben, dat, enz.

ul infra, lat. z. Infra.

uli possidetis, lal. zooals gy hez.il (diplomatieke fonnnle, heteekeneude den oogenbllkkol(|-ken toestand van bet bezit van twee oorlogvoerende partyen).

Utopia, li gr. (vaa ne, niet, en Inpas,


-ocr page 1296-

UTRALIST

1208

VACCINE

(toni, plauts) norgenslund, nergonshulzeii; lid lul-lokkerltmd, oen onkel (lenkbocUlIg land mol liet liyiieRiii) van eene nergens te vindon voortrofle-lyklield (liet eerst duur Thomas Morus in lölti boselireven en lionoenid); — utópisch, adj. norgensliuizig, een zoodimig land eigen «f daarop lidrekkeiyk, ingoboeld; — Utopist, in. een norgenst\'liuis, luilekkerland j een staatkundige, die zicli mot onuitvoeriiaro vorlieteringsplannen liozlghoudt.

IJtralist, z. v. a. lalitudinarls (z. aid.) Utraquisten, m. |il nw.lat. de gematigde iiarty der Hussieten, die liet gebruik des Avondimials onder de beide godaanten (sub ulraiiuc specie) verlangden (in tegenst. mot sub una specie, z. ond. spoeies.

ul, re, mi, /\'«, sol, la, si, de In Italië, Frank-rijk on ook bier te lande gobruikeHjke benaming van de tonen der diatunische klankladder. (Deze lettergrepon, hy welke de zevende eerst later gevoegd is, lieoton de g u 1 d on 1 s c li e syllaben, naar den llallaanscben Kenedictynor-mon-nik Ou ld o Aretinus, in do tide oouw, die ze uil hel volgend kal hollek kerkgezang nam, waarin do heilige Johannes, als patroon der zangers, tegen do heeschheld of schorheid wordt aangeroepen:

l\'t quéant lams It e-son are fibris Mi-ra (jcslurum Fa-müli Tuurum, Solve pollnli La-bli reuluin Sancte Joannes!

d. i. opdat uwe dienaren met verruimde borst uwe grooto daden kunnen bezingen, o delg de schuld der ontvvydo lippen uit, heilige Johannes! ).

ul relrn, lal. z. relro.

Utricülus, in. pi. utricüli, lat. (ver-

1\', als roineinsch getalmerk = 5; in rom. opschrifleii en op rom. gedenkpenningen bekleedt de plaats van de woorden: vale, veteranus, vir, virus, viscil, victoria, votum, enz. (z. die woorden), en van de eigennamen /\'«-terius en Fitellius; — ook afkorting van versus en verte, z. aid.; — ra. = Virginia, in Noord-Amcrika; — 1\'. A. = voire allesse, fr. (spr. woltraltéss\') Uwe Hoogheid; — /\'. ,■/. Jl. — voire allesse royale (spr. —roajaal\') I we Koninklijke iloogbold; — /\'. z. vostra conto;

— v c., z. verbi causa en v. (;. = verbi qra-tia, ond. verbum; — v. /)., ■/.. volenle Deo-,

— 1). M., verbi dj villi minister, ond. v e I\'ll u m; — ferm. en l\'t. = Vermont, In Noord-Amerika;-—/\'. T. of vet. Test., z. velus testament um : — vid., afkort, van vide en videatur:

— viz., z. videlicet; — o0. = verso, op de keer-, rug- of acblerzyde (van bet blad); — vol., z. volumen; — r. s., z. vol li subilO:—V(ll. of kiw. van ulquot;r, een lederen llescli of zak) lederen wnterllescbjes; de sapvantjos der planten j — ulrirula/us, a, urn, lat. Bot. idaasachtlg.

ulriusijue, lat. (gen. van ulerque, beide) van bolde; ulriusque Juris Parlor, doctor in do belde (d. 1. het kiiminieke en het romeinsclie) rechten.

Utsjitel, in. niss. (spr u=oe ■ van atsjilj, onderwyzen) een hulsleoraar, opvoeder, hofmeester ia luislaad.

ut supra, lat. supra.

Uvea, f. nw.lat. [uvea, sell, mcinbr\'dna, v. uva, druif) iMed. hot druivevliesje in het oog; — uvt\'ila, f. eig. het druifje; liet lelletje of tapje in do Keel; — uvulitis, f. de ontsteking van hel keellelletje.

Uwarowiot, m. een in Siboriö ontdekte groene, chronlumhoudcndo granaat, naar den russ. minister Uwarov benoemd.

«ïoc, f. lat. do vrouw, huisvrouw, gade, echtgenoot; cum xucürc, mot do vrouw, benevens de gade; uxorïo nomine, in don naam der huisvrouw; —uxoricïda, m. nw.lat. de moordenaar zyner vrouw, vrouwenmoorder; — uxo-riëus, adj. nw.lal. {uxoriösus) al te zeer aan zyno vrouw gebocht, aan haar te zeer onderworpen ; — uxorïum, n. lal. eene geidboote, die oertyds te Komo betaald werd door ben, die, tot huwbare jaren gekomen zynde, niet trouwden.

Uycu (spr. oeïkoe) een gegiste drank op de Antillen, uit aardappelen en stroop of suikerriet.

Uzaltun (spr. u=oe) eene vroegere rekenmunt in perz. Georgië = Ionian uf 3; it (i centen

vt., i. vidit, ond. vide: — v. v., z. vice versa.-— V ais cliemisch teeken = vanadium. — V als muntteekon en wei op oude fr. munten: Amlens; op lombardiscli-venetiaansclie: Vene-tle; op savooiscbc: Verceili.

va, fr. eig. ga! of bet ga, het zy zoo, bel gelde! uildrukking der spelers, wanneer zy geld op eene kaart zetten; va banque (spr.—bank\') bet geldt de bank! ra banque spel e n, alles op hel spel zetten; ra loul (spr. —loe) bet gaat om al bet op \'tspel gezette geld, om ai-les te geiyk, om den gansclien pol.

Va, z. wa.

Vaag, z. vague.

Vaas, z. ond. vas.

vacant, vaoantie, vacatuur, z. end. v a c e e r e n.

vncceltn, it. (spr. watsjitto) Muz. gematigd, matig snel.

Vaccino, f. nw.lat. (vaccina, sell, variola.


-ocr page 1297-

VACCINIKOLIUS

12()0

VAISSELLK

van liet lal. vaccïnus, «, urn, van ilo koo, vacca) do koopok; koopoklncnttng, InonlliiK der lievel-llglnsspokken; — vaccinooron, de koepokken Inenten; — vaccinatour, m. fr. oen koe-poklnenter; — vaccinatie (spr. I—lx) f. nw. lal. ile koepoklnenllnf,\', Inenllnu der koepokken (door Jeiiner op liet einde dor vorlKO eeuw ultROvonden); — vaccinoido, r. lat.-gr. do valsche ot onechle koepok, windpok.

vaccinifolius, a, urn, Int. Hot. hoaollhoslila-derlg.

vacooron, lal. {varair) openslaan, onvervuld zijn; — vacoorond, adj. amideioos, dien-steloos, openstaand; —tmn/, hel onlWeokt, is er niet of Is onlie/et; — vacant, adj. (lat. rnrnns) openstaand, oniiezei, onvervuld, oniie-kleed, ledig, open; ais subsi, de ledige lilad-/.yde aeiiter den litel; — vacantie (spr. lt;=lt;s) f. nw.lat. (il. vacama, fr. mcance) de opengevallen plaats, ook do rusttyd, lieroepsvi\'Uheld, opscliorllnK der werkzaainiieden voor leeraars en leerlingen, voor gereclitshovon enz.; - va-ciltio (spr. t=h) r. lat. [vacaCfn) de iievrij-ding of hot vryzijn van eeno verpilchilng, op-tirengst enz.; ook arlieid of lijd (door recids-personen of andere uinidenaren) aan iels besteed; - - vacatiogold, n. loon of salaris van een ainhteaaar voor liuvezen dienst of lieste-den I yd; —vacatuur, r. nw.iai. of vaca-tui\'O, fr. de openvalling van oenen post, het oniiezei of open zyn van een amiit of eene bodlening.

Vacho, f. fr. (spr. wasj\'; v. \'1 lat. vacca) elg. koe; koebuld. koeleder; vandaar een met ieder overtrokken relskoiror; eene mei leder bekleede mand of iiergpiaais op koetsen en reiswagens; — vachorio, f. (spr. wasj\'ric) de koestal.

vacillooron, lat. (vacillure) wankelen, waggelen; wankelmoedig, dobberend of besluiteloos zyn; vacillanle, it. (spr. ulalsjiel—) Mnz. onzeker, weifelend;- vacillatio (spr. I=ls) f. lat. {vncillafïo) bel wankelen, waggelen, do onbeslendlgheld, besluiteloosheid, wankelmoedigheid.

Vacuum, n. lat. (van vacuus, a, um, ledig) de ledige rnimle, het ledig, ydel; luehtle-diglield, inz. Iiovoa den inwcndlgen kwikzilver-spiegel bij don barometer, ook vaciium Tor-rlèel 1 ia ii n in of Tor r loei lis ledig genoemd; - vacüum-toostolnfvacüum-pan, f. VDrdampingspan, loestei voor bet snelle verdampen In eene ruimte, waar de iiielil verdund Is, Inz. In suikerfabiiekea; - vacu-ooron, z. v. a. evaeueeren (z. aid.); — vaculst, m. nw.lat. wie eene ledige rulmie in de naluur aanneemt; ook de waarnemer van hel va e an in by machines enz,.; vacuï-teit, f. lal. (vacuïlas) de ledigbeid, yiheid, bel ledig zijn; de uiellgiield, ydeiheid; Vacüna, f. by de oude Sabynen; de godin der rusl en ontspanning, aan wie de landman na volbrai\'b-ten veldarbeid ollerde; ook de godin des ledlg-gangs en dor luiheid; — vacunalïën, pi.

(lat. racunalta) rustfeeslen, ter eere van die godin in December gevierd;—vacuölon, pi. lal. bollen in de gelelmussa van sommige mi-croscoplsehe zeediertjes.

Vado, f. fr. (van \'tiat. vaiic, ga! Impera-lief van vaih rc, gaan -, vgl. va) de inzet by bet spel; bet wolkaandeel;—vadomêcum, n. nw.lat. (van \'I lat. vuile mecum, d. i. ga met inyi) een voorwerp, dat men sleods by zich draagt, inz. een zakboek, een boek met dagelijks bruikliaro zaken, met snedige gezegden, anecdoten enz.; — uade in pace, elg. ga in vrede; een inonnlken-kerker.

Vadom, samengotrokken vaam, nederl. (eng. fulhom, hoogd. (aden, elg. dal, waarmede men vatten, binden kan; oadiyds iiij ons, evenais thans lu \'1 hoogd. draad, louw) zooveel als men met wyd uilgestrekte annen bevallen, bereiken kan; eene lengtemnal van li anisierdam-sebe voelen = 1,0987 meier.

Vademecum, z. ond. va de.

Vadimonium, n. lat. (van vas, genii. wk/i\'.v, do borg) .inr. de borgtorhl, beloofde vor-schyning voor hel gerecht; vailimorifi desirtlo, f. hot vorzulmen daarvan.

vae, lal. wee! aeb! vue mihil wee my: o, ik ongelukkige! vae misiro! wee den ellendige! vae viel is\' wee den overwonneiien!

Vagina, f. lal. de scheede; Anal, de moe-derscbeede; —vaginaal, adj. nw.lat. lot de inoedersciieede belioorende ; — vaginapóron, pl. buis- of pijpkoralen, by welke eene nauwe buis in eene wydere steekl.

vague, adj. (fr. valine: van \'t lal. vagus, a, um) vaag, onbepaald, onbegrensd; wydioo-pig; Inzonderheid, onbepaald, onduidelijk, weifelend in ulldrukklng; l\'iet. dal liehle en aangename karakter, die loon van inciit en nevel, welke aan de voorwerpen eene zekere gelieim-zinnigbeid geeft; — in vago, lal. onbepaald, in het wild;— vageoren, lat. (rflf/«) i) omzwerven, ronddolen, landloopen; — vagant, m. (vagans) een rondzwerver; gauwdief; — vaganten, in. pl. in do middeleeuwen, en wel sedert de 12iie eeuw, rondlrekkende scholieren en zangers, die in laiynsclie liederen (vaganten-liederen) de liefde, den wyn en \'1 gezellig genot bezongen, eersi in Frankryk, vervolgens ook in Kageiaiid en Duiischland rond-irokken en aan de boven dor bisschoppen eu abten een gasivry oiilhaai en belooning zocli-ten; Z.y werden ook (loiiarden gebeeteii, naar een onderslelden bisschop (lulias, als den silciiter hunner orde; — vagabond, in. lat. (vagabiindiix, fr. vagalninil) een zwerver, land-looper, leniand zonder bepaald verbiyf of beroep; — vagabondcoron (fr. vagabondcr) als landiooper rondzwerven; — vagabondage, f. (spr. —ihii\'nj\') de landioopery; — vagrant, eng. (spr. wéegrenl) z. v. a. va-ga n I.

Vaill., by iialuurwetenschappeiyke benamingen afk. voor l\'. Le Vaiilant (gest. I82:i).

Vaissolle, f. fr. (spr. wesséll\': prov. vay-


-ocr page 1298-

VALLISNERIA

i\'270

VAK IA

sela, vaysclha, v. Int. rascel la, pi. v. vascellum, klein vat; van liet Int. rus, gonlt. rasis, vat) vaatwerk, tafelgoreeilschap, schotels en lioidcn, In/., van zilvei\'.

Vakia, wakoa of wakih, f. arab. (wakiyal) ceno rekeiiniunt in AliysslnlC, Adowa, Trawa, enz.; ook een gowlcht van ongeveer \'28 gram.

Val, 1) oen oostlndlsch gewicht tot hot wogen der piasters en gouden dukaton = tola {■/.. aid.)

Val, ï) f. slelllannscli (tr. val, in. it. nalle, f., van \'l lat. vallis, f.) hol dal; hot eiland Sl-eillö beslaat nil :i ralli of dalen; Val dl Ma/.-zara, Val dl Doniöiia en Val dl Nolo.

Vala, f. oudn. oeno zieneres, toovores.

valabel, nilj. fr. (valable, van valoir = lat. valere, golden) geldig, goldig in roclilon, reehls-goldig; aannenielyk, gegrond, b. v. eene vor-onlschuldigliig; van goed allooi (van mnnton).

rale.\' lal, (imperatief van ralère, gezond zijn, sterk /.(in, golden, enz. z. va le er en) eig. wees gezondI vaarwel! — ralvlef vaart wel! ook bene ralëte\' afseheidsweiiseb in brieven enz., door de pausen in den vorm van een monogram onder liuiino bullon gezet; — valodi— ceeren Oat. valeilicürc) vaarwel zeggen, af-scheldnemen; valedictio (spr. l=s) f. nw.lnt. het afscbeldnomen, do afscheidsrede;— Valentijn, mansn. (bedorven tot Vellen) do sterke, kraeblige, machlige; — Valon-tyns-dag, m. de lide Februari, In lingo-land en Scbolland de dag, waarop de jonge lieden aan \'I voorworp hunner genegenheid (in dat geval de Valentina) minnehrleven, zinryke gedichten en geschenken toezonden (een dooide Noorniannen ingevoerd gebruik); — Valen-tijns-ziokto, t. de vallende zlekle (epilepsie), do St. Vitus-dans (z. ond. Velt), omdat do lielllgo Valontlnus (Si. Vollen) daarhü als helper werd aangeroepen; — Va-lentinianen, in. pi. eene gnosllsche secte, aanhangers van hel zinryke stelsel des Ale\\an-(irijners Valontlnus in de2deeeuw; — Valerius en Valerianus, mansnamen, Valeria, vr.naam; de sterke, veelvermogende; — valeriaan, f. (lal. Valeriana, hgd. haUlrian) m. kallekrulil, een planlengeslaclit van onderscheiden soorten; - valeriaan-wortel, een krampslillend middel.

valeoren, lal. (valere; vgl. vale) gelden, waard zyn; — valor, in. uw.lal. (II. valóre) of valour, f. fr. do waarde, het gehailo, de geldigheid eener muntspocio; valor exlrinsecus, de ullerlyke waarde eener munt; t). inslrinse-ca», hare inneiiijke waarde; valeur en altente, fr. (spr. —ah allaiil\') of valeur en recouvre-meni, fr. (spr. —ah r\'koewr\'man) in wisselzaken: waarde in afwachllng; ad valorem, naaide waarde; valeur recue, de waarde ontvangen, waarde genolen (op wissels); valeur recue romplanl. fr. (spr. —kohldii) do waarde In go-reed geld of in contanten genolen-, valeur en marchandises (spr. —ah marsjahdiéz\') waarde in koopwaren; — valuta, f. It. (spr. u—ne) de waarde; do muntvoet; inz. de wisselwaarde, bet wissel bedrag ; — valut0eren (11. valuldre) ook valueeren, valveeren (uit liet fr. valuer, vgl oval veer en) schallen, waardee-ren, de waarde eener munt aanslaan;—val-vatie, valuatie (s|ir. heide t—ls) f. (fr. evalualion) do selialtlng, waardeerlng, waarde-bepallng eener rminl; valvatio-tabél, do waarde-lijsl, het waardc-overzlchl, inz. van mnnlsoorten.

Valencia\'s, pi. (spr. c=s) sp. duurzame winlorslolTon, naar do stad Valencia in Spanje genoemd.

Valenciennes, pi. fr. (spr. walahsjeh\') allerlei soort van kant, inz. smalle, naar do golUknamlge stad in franscb-Vlaanderen genoemd V alerianus, V alerius, V aleria, valeriaan, z. ond vale.

Vales, pi. sp. (van den sing, rale, schuldbekentenis, slaatsschulilbrlef, van vu/er, golden, waard zgn = lal, vahire) spaausch papieren geld, oorspr. assignaiien of aanw (jzingenop de uit Amerika te ontvangen zilver-piasters.

valei, ralele, z. ond. vale.

Valet, m. fr. (spr. walé: v. \'t ondfr. vaslel, varlel, cdelknaap-, mid.lal. varolelus, varlelus, voor rassus, diensimaun z. vazal) de dienaar, bediende, knecht; de boer In het kaartspel-, ook de yzeron slang of veer tor slulling of dichtvalling van sommige deuren, een deurge-wichi; — valet de chambre (spr. -sjdhbr\') kamerdienaar; — valotaille, f. (spr, wal\'lalj\') de gezamenlijke bedienden, liet hcdiendenvolkje of -pak (in verachtelUken zin),

Valetudinaris, in. lat. (van ralelfidn, gozondlieidstoesland, lichaanisgesleidlieid) of va-letudinair, een ziekelijke, een sukkelende. Iemand, wlon bel op don duur aan gezondheid en kracht ontbreokt; — valotudinarïum, li. een ziekenhuis.

Valeur, z. ond. valeoren; — Valhalla, z, W a i h a 11 a; — vali, z. w all; — valide siiltane, z, sultane, enz.

valide, adj. lat. (mlidus, a, urn, elg. gezond, sterk, krachtig, van valere, z. vale en valeoren) geldig, reebtsgeldlg, geldig in rechten; — validiteit, f. nw.lat. de geldigheid, rechtsgeldiglield eener zaak; — valideeren, nw.lat, (fr. valider) geldig of geldend maken, bevestigen, bokraclil igen ; Kuit. geldig zyn, voor goede betaling geldon; — validatie (spr. lt;= Is) f, op wissels; de goldlgverklaring, geldig-maklng, erkenning, goedkeuring, aanneming.

Valies, n. (fr. valise, II. vallgla, hoogd. felleisen, mid.lal, ralleuia: van vel = lal. vellus, waarvan bet gemaakt wordt) oen mantelzak, langwerpige lederen reiszak.

Valinga, z. wa 11nga; — valkyriën, z. w a I k y r I (mi ,

Vallatie (spr. l=ls) f, nw.lat. omwalling, verschansing.

Vallisnerïa, f. nw.lat. (naar den in n;iO te l\'adna gestorven naluurkenner V a 111 s u 1 é r 1)


-ocr page 1299-

VALUEEREN

4\'271

VARIA

,cone zuld-europocsclio walcrplunt, mcrkwaaidlg wegons liaro olnuimardlao wyzo van liovrudilliiB. valuooren, valuta, valuteeren, z.

ond. va to or on.

vulva, f. pi. vulvae, Int. dourvtougot, stag-dour; Hot. scliaal, klep, toti, tilait dor tilocni-schoodo; valva seminalis, zandtob; ud valvas curiae, aan do douron van liot raadtiuts; ad vulvas ecclesiae nf lempli, aan do (teuron dor kerk; — valvata, f. oeno soort van zootwa-torsctietpdicron; — mhiilae, f. pt. tat. (van don sing, valvula, vorklw. van valva) Anal, klap-vltozon; ook In do ptantkundo; klapvliezen; valviilae inleslinnlis, do klapvliezen der Ingewanden.

Valvatie, valveoron, z. onder vale o r e n.

valrulac, z. ond. valva.

Vampyr, vampir of vampier, in.

(II. vam/iiro, fr. vam/iire, sorv. wdmiilr) In tiet volksgeliKif van zuldelgk Kuropa; tyken, die des nactils ull liunne graven stijgen en den men-sehen tiet tdoed ultzntgon; N. It. do tdoedznl-ger, to grooto zuiit-anierlk. vlodorniuls, die slapende mensclien tiet blood nttznlgt; — vam-pyrisme, n. tiet overdreven aderlaten.

Vanadium, n. (van I\'miudis, oen liynaani van Freyja) een In ijzer- en looderts gevonden, op clirointuin getykend eigenaardig metaal, door Sefslröm la ls;tO ontdekt; — vanadiniet, n. naluiiriyk vanadtumznur looderts.

Vandalen, enz. z. Wan da ton. Vanille, f. tr. (spr. waniélj\'; van I sp. vainilla, d. i. elg. kleine peul, omdat do zaadkorrels In kleine peulen vervat z.yn; van ruina = lat. rafiinu, scheede, hulsel, peut) oen oosten wost-liidtscli gewas, en de peiitvonnige zaad-tiutsels daarvan, die Inz. tol de chocolade ge-tirulkt worden; — vanilline, f. de vanille-stof, oen door Tlemann en ilaarmnnn uit de c on i ferine (uil naaldliout verkregen slof) fa-tiriekmaiig gewonnen surrogaat voor do naluur-tyko vanille.

Vaniloquéntie (spr. I=ls) f. tal. (vani-loquenCta, van vanus, u, urn, ledig, ydet, en loqui, spreken) de pralery, windhiekery, pociiery, snoevery-, - vaniteit, f (lat. raiiïlax) ito ydel-tield, nietigheid, vorgankeiykheid; pralery, in-heeldtng, opgehlazentield, roomzuetit; — ranflas vaniliilum, ydcllielit der Udolheden, d. i. hot is alles ydet; — vaniteits-stuk, oono titoem-nf vruchtscliltdery; oude tienamlng voor een zoogenaamd silllevon.

vantoeren, fr. {run/er, provene. run/ar, U. vunlure, mld.lat. vamlüre, v. \'I tal. vunm, ydel, vanilas, ydellieid) pralen, roemen, snoeven, pochen; — van tone, f de snoevery, tiet gepoch, de grootspraak; — vanteur, m. een snoever, praler.

Vapours, f. pi. fr. (van den sing, la va-peur — lat. vapor, m. de damp) winden, op-stygingen, spnnningen in het onderlijf en daaruit voortkomende kwade luimen, grillen, Inz. der vrouwen; vgl. hy ster I sell en hypoction-drlscli; ook z. v. a. .spleen; ook een soort tijne moussolino; — vaporoeron, lat. (va-parare) dampen, vervliegen; — vaporatie (spr. /=/.«) f. z. v a. evaporatie; — va-porimétor, n. nw.tai. de dampmeter, een werktuig ter liepatlng van liet alkohotgohatte van vloetstotlen uit de spankractit der dampen;

— vaporisatour, in. fr de verdamper, een kleine tiiaaspyp om welriekende en luchtzuiverende vloelsloHen te vervluclitlgoii; — vapo-risatio (spr. -za-lsie) f. nw.tai. de verdamping, vervluchtiging, de overgang van een 11-ciiaam tot damp; — vaporiaeoren (fr. va-pnriser) door verdamping vei vluciitlgeii; — vaporous, adj. lat. (vaporusus, u, urn) vol dampen; aan vapours undoiiievig.

Vaquoros, pi. sp. hoeren- of planters-sigaren (uit Havana).

Vara, 1) f. sp. (vgl. \'I lat. vara, dwarshout) in t algemeen roede, staf; eene el, voormalige lengtemaat in Spanje = 0,831) M.; In Portugal = 1,1 M.

Vara, 2) f. noord. Myth, de negende van de twaalf godinnen der Scumlinavlers; zij liail liet opzicht over de geloften.

Varding, m. eene tynandscho rekenmunt

l\'ure, legifines reilde, tal. Varus, geef my mijne legioenen terug! (uitroep van Augustus na de nederlaag van Varus in Gormania).

Varec, m. (fr. varec, varech, van \'tarati. warak, hooinliliid, loof; perz. burn) soda.

Varónno, f. fr. eene voormalige graanmaat in Savoye = 22,1 I.

Vari of wari, n. een goudgewicht op tiet eiland Madagascar = 1,3 gram.

Varia, m. pl. lat. (v. mrtus, a, urn, menigvuldig, verscliehlen) gemengde zaken, allerlei, velerlei; per vartos casus, per Inl discrl-in/na rêrum, door menigerlei gevallen, door zooveel gevaarvolle leugens (een vers uit Vlr-gilius); — variëoren (lat. variare), afwisselen, veranderen; ondcrsctielden zyn, afwijken, oiitaal\'den; onstandvastig z.yn, weifelen;—variëteit, f (lat. varielus) de versclieidenheid, nienigvuidigheid; vorsciilliende soort, afwyking, speel- of liasterdsoort van dieren en planten;

— variabel, adj. (tater lat. variabilis, fr. vuriuble) veranderiyk, afwisselend, oniiestendlg;

— variabiliteit, f. nw.lat. voranderiyklieid, oniiestendigheid; — variante, f. pi. varianten (lat. varidnles of vanae leclionis) verselililende lezingen van eenen tekst; — variatie (spr. I-Is) f. (lat. variuCfo) de verandering, afwyking, versclieidenheid; Muz. de telkens veranderde lierhaling van een eenvoudig muziekstuk door ontiiliiding der tonen, iiiinge-hraclite steraden, enz., waar Insschendoor lie-stendlg de grondinclodle klinkt, vandaar ook in liet algemeen: variaties op hot zelfde thema (It. varimidne); l\'liys. afwisseling, on-geiykiieid, voranderiyklieid li. v. In den stand van don liaronietcr, der iiiiignoetnaftlii enz. in den loop der maan; — cnn variatióni, it. Muz.


-ocr page 1300-

VARICÉLLEN

1272

VAUCLUSE

met vernmlcrlngcn In do hoofilwUs; — variattn deléclul, lat. vorscliddcnholil belimigt, ntwlsso-llng Imart genoegen, vornndoiing vim spijs doet eten; — variatie-kompas, nfwuklngs-kompas, z. v. n. doclinaloriuin; — vartalo, II. veranderd; — ne varietur, lal. opdat er niets aan veranderd worde (op actcn, enz.); — variorum, pl. thg verkorting \\oor cum nolis variorum scrijilorum, d. 1. met aanteekenlngen van vorschlllende schryvors) lienanilng van de nodorlandscho uitgaven der klassieke seliryvers, met versclilllonde lezingen en aannicrklngen van ondorselioideno uitleggers; — varium el mula-bik, lat. iels verandoriyks en wispelturigs (gezegde van Virglius, inz. op do vrouw toegepast).

Varicéllon, z. oml. varloion; — va-ricocolo, varicositoit, enz. z. onder v a r 1 x.

variëeron, variëteit, z. ond. varia.

Varïnas, f. varinisclie rooktabak (naar de anierikaansclie stad Varinas In liet district Malnas van de provincie Quito)

Varióleu, pl. nw.lnl. {variólae, v. i lat. vanus, u, urn, menigvuldig, lionl; fr. In pelile i\'érole, sp. viruela) pokken, kinderpokken; — variolous, adj. nw.lai. pokkig, naar pokken gelUkendo; — varioloïden, pl. gewUzlgde pokken, cene afwijking der echte, Inz. hij vroeger ingeente personen; — varicéllon, pl. vaisclie pokken, windpokken, waterpokken; —

— variolith, m. Int.gr. poksteen, eene soort van donkergroene steen mot vlekken, geiyk aan die der pokken; ook eene soort van veldspaath.

Variorum, z. ond. varia.

Varix, (. lat. de aderspat, oen gezwel, door tegennatuuriUko uitzetting eenor ader ontslaan; — varicositeit, f. nw.lai. aderspat-tlglu\'id, liet voorlianden zijn van aderspatten;

— varicocele, r. lat.-gr. Med. eene ader-hreuk, aderspiittige opzeiling der aderen van den balzak, van den bübal, van de zaadstreng en van den zaadbal; — varicomphiüus, in. eene aderbreuk aan den navel.

Varnaccio, m. it. (spr. —nnhjo) een simi-ketyke witte w(jn op \'t eiland Sanliniü.

varrönisch, varroniaansch, ndj. Lilt. wat tot Varro betrekking heeft, aan Varro behoort, h. v. varronische biy-spelen, de 21 IdUspeien van Plantus, die door Varro zyn byoengezameld; varronische époque, Varro\'s tijdrekening van Home\'s stichting, waarby die geplaaist wordt in bel :ide Jaar der flde olympiade of quot;!i:i Jaren vóór Christus; v a n on isc li e satire, de menippeesche satire van Varro.

Varsebalio, f. nederi Mar. balie (kuip, toiilie), waarin vleesch, spek, vlscb, enz. ver-verselit wordt, nok vuiiebras geiieeten; ook de varensgast, die met dit werk lielast is.

Varsovienno, f. fr. (spr. warsowjin\': v. Farsnrie, Warschau) een pnolsche volksdans.

Vartïas, m. pi. oosllndisclie monniken, klooslerbroeilers.

Vartoebets, m. pl. armenisebe monniken.

plaatsvervangers der bisschoppen of zelvon bisschoppen en godsdienst-leeraars.

varus, u, urn, lat. dwars, schuin; Inz. scbeef-beenig, kroniboenig; — varus, 1), m. eene soort van horrelvoet.

Varus, 2) m. nw.lat. pl. vari, Med. kleine, harde en roodachtige puistjes of knoii-beltjes In het gelaat van Jonge menschen van vurig geslei, venusiiloenien.

«as, n. lal. (genit. vasis) een vat; pl. vasa, vaten, aderen; schuif- of trekladen; vas elcr-liotiis, Theol uitverkoren vat; vasa chylifcra, pi. Med. de chUlvaten, melksapvaten; ook Hot. de chUlvaten der planlen, z. I y m pha t Isch e vaten; v. sacra, bollige vaten tot kerkeiyk gebruik; v. spermutica, Itot. de zaadvaten der bloemen, enz.; - vascülum, m. een klein vat, ader; — vascularisatie, f. (spr. —zatste) de vaatvorniing; — vasouleus, adj. nw.lat. vol vaten, vaatryk, vol klieren; — vaas, f. fr. {vase, m. spr. waai\'), vaas, een vat, pronkvat, kunstige bloempot; inz. een lee-men vat uil de oudheid.

Vasal, z. vazal.

Vasoulum, enz. vase, ■/.. ond. vas.

Vaseline, r. lat. udeps petroteï, ook ozo-kerine of kosmoilne, by de distillatie van petroleum, alsmede uil paraillno-olie en ozoko-riet verkregen product, dat als volkomen reu-keioozo en vetvrye, aan ranzigwordeii niet onderhevige zalf in do pharmade en de industrio In den laatsten lyd veel gebruikt wordt.

Vat, n. (van va tt e n, be vatte n) in No-derland de benaming in het metrieke stelsel van de fransche hectolitre voor natie waren = laa nederi. kannen; liet oude vat wyn van 4 okshoofden was = It,;il;i2—; het vat traan van U steekkan = 2,;i2s;i—; hot vat zout = l,s;tsu —; het vat melk = 0,21)38-; het vat oiyfolle = S.OD.\'i nederi. vaten of bcc-toillers.

Vatel, m. eene voormalige zoutmaat In Lotharingen = Tl(r innld (z. aid.).

Va tos, m. lat. een ziener, dlchier.

Vaticaan, m. (it. valicdno) het pauseiyk palels en hof lo Home op den Vaticaiinschen berg (lat. mons /\'alieanus); ook de pauseiyke regeering zelve, z. v. a. curia romana, ■/.. aid.; vandaar; de bliksem van het voticaan, de pauselyke banvloek; — vaticaansch, adj. tot het vaticaan beboerende, dat betref-fende of daarin aanwezig b. v. vatlcaanscho A poli o, v a I i c a a n sc h e h 1 li I lo I li o e k, enz.

vaticineeren, lat. (vaticinUri, v. vales, een waarzegger, profeet) waarzeggen, voorzeggen, voorspellen; — vaticinïum, n. pl. vaticinïa, waarzeggeryen; voorspellingen, voorzeggingen.

va tout, z. ond. va.

Vaueh., by lioliintscho benamingen afk. van .1. 1\'. li. Vaucher (gest. tsit).

Vaueluso, f. fr. (spr. ivoklüüz\': van \'tint. vallis ckntsa, II. val chiusa, d. I. gesloten dal) eene bron by \'t geiyknanilg dorp in \'1 franscho


-ocr page 1301-

VAUDEVILLE

VKHIKEL

127:3

arrondlsscmont Avignon, borocind gowordcn door den dichter l\'elrnrclia en zijne geliefdo I.auru.

Vaudovillo, f. fr. (s|jr. wod\'wiél: lic-dorvcn «It l\'uu o( /\'«/ de l\'ire, d. I. het Vlro-dul In lienoden-Norninnilie, alwaar op het einde der tide eeuw Olivier Itasselln vroo-Igke drinkliederen dichtte) een volkslied met refrein, straatlied; een klein tooneelstuk met Ingevoegde liedjes naar hekendo zurigwijzon; — vaudevillist, in. oen dichter van vaudevilles.

Vaurion, m. Ir. (spr. wo-rjéii: ontstaan uit vaul-rien, deugt niets; van valoir, gelden, waard zyn, enz.) een deugniet, loshol, leegloo-per, dagdief.

Vauxhall, ti. eng. (spr. wóksltdl) weleer een dorp hü l.undea (naar de eigenares Jane Vaux In 1(115 henoemd), later eon groote, prachtlgo lusttuin hü Londen op hel einde der isde eeuw, verzamelplaats lot openhare ver-makclgkhedeu in wanne zomornaehlen onder fraaie vcrllchtlng, muziek, enz.; ook In het algemeen avondparty met Illuminatie, vuurwerk, enz.

Vazal, m, mld.lat. {vasdllus, vassal lus, fr. en eng. vassal: v. cell, oorspr. walllsch uwa-suwl, dienen, i/iods, jonn man, dienaar, mld.lat. vüssus; vgl. va I e 1) oen leenman, leendrager, dlenslmati; in \'t algemeen ondordaan, ondergo-schlkle, afliangellng; — vasallagium, n. de dienst of leenpllcht, de leeneed.

Voalstoak, in. eng. (spr. wielsleck) een kalfssluk, geroosterd of gehraden stuk kalfs-vleesch.

Voctis, m. Int. een hefhoom, yzeren koe-voel; oen wondhoclorsworktuig hy hot trc-panoeren; ook lal. de lienamlng van liet en-gelsche eiland Wight; — vector, m. lat. elg. wat draagt, vervoert; de voerman; ook de vervoerde, de reiziger; radius vector, z. r a il I n s.

Voda, m. govv. pi. de veda\'s, sanskr. véda, elg. kennis, wclenschap, verklaring, uitlegging, enz., van old, welen) heilige boeken, godsdienst hoeken der hranilnen In Indle, ten getale van vier, welke gchedon, lofzangen en aanroepingen aan de goden alsmede godsdienstige en zedekundlgo voorschriften, mythen en wysgcorlge heschouwingen hevallen, de oudsla monuinenton der sanskrlllllteriituur.

vodorëmo, it. wy zullen zien.

Vodétto, f. fr. (van liet 11. vedélla, wacht, wachttoren, v. vcdére = lat. vidire, zien; vgl. v eggh I a) de rullerwachl, de rondgaande schlld-wuchl te paard; ook hel schllderhnls op den wal oener vesting; — vodüto, f. It. {vedüla, siir. u=(ie) gezicht, in/.lcht, stad-en landtaferoel (z. v. a. prospect).

Voodo, z. voeto.

Veelvraat, in. (lioogd. vielfrasz; niet van veel vreten, maar hedorven van het llnsch flUlfras, d. 1. de rols- of herghewoner) een naar den heer gol||kcnd zoogdier In de noor-deiyke landen.

Veem, f. (ligd. felun of fehme, oudd. feme, veine, onk feim, oorspr. straf, dan strafgericht) elg. de afgosloten plaats, waar gerecht gehouden wordt, de rechthank en rechtplaats; de hloedhan of geheime reclithank In Westphalcn, inz. In de inlddeleeuwen (z. West ph a a 1 se h gericht); do gezamenlijke rechters, veem-rechlers; ook elk onderling verhonden gezelschap.

Veoto of voodo (lioogd. fehde, doensch feide, eng. feud, mld.lat. faidc, feida ■ verwant aan vechten) geveehl, stryd, vyandelykheden lusschen hyzondero personen, Inz. ten tijde van het vuistrecht; wrok, haal, vyandsehap, enz,;

— voodobriof, ultdaglngshrlef; — vee-deloos, adj. veilig voor veedo (van cone plaats gezegd); vgl. urpheda.

Voga, f. sp. (porl. reiija, van \'1 arah. hak\'fill, eene lage plaats, waar liet water stil staat, buka\', hoog en wyd openliggend land) eene vruchthare vlakte.

vogoteeron, nw.lat. (van \'t lat. vegèlus, ii, urn, wakker, hezlehl, vegelilre, kracht geven, hezlelen) als plant leven, een plantenloven lelden, als het ware Ingeworteld en werkeloos leven, enkel het leven hehhen zonder meer;

— vogotabilïën, pl. planten, gewassen; planlenspyzeii; — vogotabilisch, adj. iilanl-aardlg, lol de plaiilen hehoorendo; vegeta-hillseh alkali, planlonloogzoiil, z. kali; ve geta h 111 se h leven, een phinlenleven; vogota h 111 sell e spy zen, plantonspyzen, niooskrnlden ; — rei/iium venelubile, n. het plaiitenryk, het ryk der gewassen; — vege-tabiliteit, f. de phinlennaluur, eigenaardigheid dor planleii; — vegetariër, m. Iemand die uitsluitend plantaardig voedsel eet; —ve-getarianisme, n. de ultslnllende voeding met plantaardige stollen; — vegetatie (spr. tie=tsie) f. {vegelaffo) de planten-wasdom, levenskracht der planten, het plantenleven; — vegetatief, adj. groeiend, wassend; kracht en leven gevend; vegoto-animalisch, adj. te geiyk dieren- en plantennatunr hezlt-tende; — vogoto-minoralisch, adj. te geiyk delfslotreiyke en plantennatuur hehhcndc;

— vegoto-mineralo zoep, eene zeep-soort, uil mineraal alkali en zuivere oiyfolie vervaardigd.

Vogghia of veglia (spr. wél ja) r it. elg. het waken, = fr. veille, veilMe, provonc. vel ha, van \'t lat. vioilta, werkw. lal. vigilare. It. veijjthre, fr. veiller, waken) do avondtyd; Inz. een avondgezelschap, avondkransje.

vehomónt, adj. lat. (veligiiiens) hevig, heflig, geweldig, vurig, harlstochleiyk, onstuimig, storniachiig; voheméntie {s|ir. /=(,?) f. (lal. vehent!\'lifia) de hevigheid, het geweld; het vuur, de yver, drlfl, onslnhnlgheld.

Vehikel, n. lal. [vehic/fiaiii, van vehlre, dragen, voeren, vervoeren) een voertuig, toe-voorlugsmlddel, gelegenheids- of hezorgingsnild-del, hulpmiddel om Iels lot z.yne hesteminlng te voeren; Med. een vormgevend middel, eene niet geneeskrachtige slof, waarhy men sterke


-ocr page 1302-

VKILLE

4274

VENA

arlsonyon In gorlngo hoovoollield inoiiKt, om ilo niiissa, don vorm, onz. or van lo vorandorcn.

Voille, f. fr. (spr. wilj\': van lal, viyiiïa, hot waken, nachtoiyke vlorlng; vrI. vlgllliln) do vooravond, do avond lo voren.

quot;Veilleiise, f. fr. (spr. weljéüz\'-, v. vei lier, waken) een naclillampjc, dal levens dient om warm Ie honden helgono in een hoven do pil geplaatst voorwerp ztoli hevindt; ook een klein ruslhod.

Veit, nw.iat. Vitus, m. (= Guido, ■/.. aid.) een mansn : Inz de naam van oen heilige, vandaar de Vei Is dans of St. Vilns-dans (chorea sancti Fi/i), eonosoort van kramp met zulke hevige en menigvuldige hewegingen en trekkingen der ledematen, dat de daarmede heheple hel voorkomen van eenon dansende heeft. In 1271 was doze kwaal door geheel Duitsehland epidomisch en de lijders deden he-dovaarlen naar den heiligen Veil, patroon van het klooster Korhei (z. ook hall isme).

Vejovis of Vodi—jovis (een verhogen naamval van VeAim) rn, rom. Myth, een dor namen van l\'lntü; de naam van Jupltor als kind, of van Jupiter Anxur, die hU do Voiscen werd aangeia\'den.

vel, lal. of; vel quasi, of ongeveer zoo, of zoo iels dergelgks.

Velaccierre, f. it. (spr. welatsjërc) een vaartuig op de Mlddellandsche zee met ;) masten (aan den voorsten mol razeil, aan de andere iaiynseh zeil.)

Velajót, n. ook (verhaslerd) vilajét,arah. (v. weli, helper, overste; vgi. wall) eeno turk-sche provincie, geliied van een sladiiouder.

Voleda, z. Velleda.

veleeron, lal. (velare) omhullen, hedok-ken; — velamónt, n. lilt. (velnminlum of re-hinum: van velare, hedekken) elg. ai wal tot dekking gehrnikt wordl j een voorwendsel, sciiün-grond ; de holooning van eenon kunstenaar voor een geleverd kunstwerk; — velarïum, n. lal. over een amphitheater euz. uilgespannen grout doek; pl. velariën, ook zeil- of vlaggedoe-ken aan de louwen, die de verschillende masten verliinden.

Velijn of volijnpapier, n. (fr. vetin, nw.iat. charla vilulina, van \'t lal. Vilnius, fr. veau, oudfr. veel, van \'I lal. vilellus, verklw. van Vilnius:, kalf, (lus elg. perkament van kalfsleer; vgi. velot) pcrkamentpaplor, lijn en glad papier, naar hel heste perkament geiy-kende.

Voliten, m. pl. lat. {veltles, van den sing. viles) liclit gewapende soldaten.

Vollëda of Velëda, f. (vgi. het oudnoord-sche Vu la) eene oudduilsclie waarzegster uil hol volk der Bructoren in de eorsle eeuw voor Christus, wier uitspraken voor orakelen gehouden werden. Zij woonde aan den oever der Lippe in een lioogen toren, zonder zich zelve te laten zien.

veile en nolle, liet willen en niet willen; — volloïteit, f. nw.iat. (fr. velldilé) kracht-en werkeloos willen, halve wil, die zonder uitwerking hiyfi.

FellejSnum (senatus-consultum), n. lal. hol Veliejanisch (d. I. van den consul Gajus Vol-lejus Tutor afkomstige ruadsheslnll, liet verbod van den vrouwen-horglochl).

Vellon, m, sp, (spr. weljóón, v. rello — lal. villus, wolliaar) elg. afgeschoren schapewol, vacht; dan; kopergeld (naar men wil, omdat op de oude kopermunten een schaap gestempeld was); juisler evenwel als omvorming van billon, z. hiljoen; vgi. plain.

Velociteit, f. lal. (velocflas, van velnx, snel) snelheid, gezwindheid; velóee, con mocitd, 11. (spr. —tsje, —Isjild) Muz. gezwind, snel, vluchtig; velocissimo (spr, —tsjies—) Muz. zeer gezwind; — volocifère, f, fr. een franscho snelwagen, ijlkoels, zeer gemakkelijke en snel-rüdende wagen met lage raderen ; — veloci-pède, f, rUwlol, treewagen, snelwleler, wleler, oou door den Kngelschman Knight ullgevonUen voertuig met drie of twee achter elkander loopen-de raderen, lielwelk met de voeten In zeer snelle heweglng gehracht wordl; vgi, d ral sine; — velocipedeoron, wieleren; — volocipo-dist, m. een snchvlelerrijder.

Volot, n. fr. (spr. weló: van veau, oudfr. veel: vgi. vel (in) perkament van de huid van ongehoren kalveren.

Velours, n. fr. (spr. w\'lóér; v. \'I oudfr. velous, villuse, met Ingoschoven r, van \'l lat. villdsus, harig, ruig) lluweel; velours de colon, kaloeniluweel; rp/flurs suliné, allaslluwool; — velours-tapijton, pl. lapyten met nahool-slng van lluweelweofsels; — veloutine, f. een hlaukelsel uit rystemeci en hismuth; — V0-louteeron (fr, velnuler) lluweolnchllg hewer-kcii; — voloutoire, m, (spr. w\'lnelodr\') een lluweel penseel, peuseelvormlgo horstel om glad-geworden plaatsen op olieschilderijen ruw Ie maken.

Volte, f. fr. eene oudfransche vochtmaat, ook sol Ier geheeten.

Velten, mansn., hedorven uit Valeniyn (z. aid.)

Velum, n. lat. het zeil, de sluier; velum paluhnum, Aual. het oppergeiienielle, weeko verhemolle.

Velvantine, f. fr. eene te Amiens vervaardigde stof.

Vélveret, velvet, velveteen (spr. —lien) n. eng. (van velvet, lluweel, oud-eng. velouelle, mld.lat. velluclum, vellülum: \\g\\. ve-I o u rs) eene zware lluweelachtlge katoenen slof, eene soort van manchester.

vena, f. pl. venae, lal. de hloedader, terugvoerende ader, die hel hloed naar hel hart voort, in tegonsl. met artorio; vena iioeffca, de dlchteriyke ader, dlcliterkracht; — veneus, adj, (lal. venosus, a, urn) tol de hloedadoron hohoorendo; —-venoosectie (spr. I=s) f. (lat, venae seclïn, vgi. seceereu) de aderlating, oponlng eener hloedader; — venosus, a, urn, lat. liet. geaderd.


-ocr page 1303-

VENAAL

1275

VENTER

venaal, adj. lat. (venalls, c] veil, lo koop, lu bokoineii; urnkoo|iliuur; venule waarde, verkoopprys, loopende prysj — vonaliteit, f. (lal. venafilus) do vcrkoopliaarlield, veilheid, liet vcllzyn, do ünikoophaarhold.

veneesectie, z. ond. vena.

Venatie (spr. t=ls) f. lat. {Bcnafio, van i\'cnnrï, Jagen) het Jagen, de Jacht; — vena-törisch, adj. (lal. vcnalorïus) do Jacht or de Jagers lietrctrendo, daartoe hehooronde.

Vondango, r. fr. (spr. waialdiizj\': provenc. vendanha, v. \'I lal. riiuleiiiïa) de wgnoogst; — vondómiaire nr vindomiaire, f. fr. (siir. wande-miir\', en toetid—, van \'I lat. vimlerrita) do wynmaand, eerste inaaml In den voorin, kalender der eerste fransche republiek, van ii Septemlier tot it October.

Vendetta, f. it. (v. \'t lal. vindicla, wraak) de hloedwinak, de (loodeiyke haul en vyand-schnp, waarin weleer gehoele famiiKSn, inz. op Corsica, leefden, ton gevolge van een eersten inourd.

Vondidad, n. de zesde afdeellng der ze ml-avcstn (/.. aid.), die het hurgerlyke en tevens liet kerkolyke welhoek van liet /.endvolk lievnt, — vendidad-sado (van zddah, ge-horen, zoon) de tol liturgische oogmerken in éenen hand hyeengeschreven verzameling der drie zendhoeken gt;acna, Vispered en Ven-d 1 it a d.

Véndita, f. li. (v. \'1 int. on it. rend/re, verknopen) eig. verkoop; verkoopplnats, markt-plaats; vergaderplaats (loge) derCnrhonari, ook venta; ulla vendila, de opperloge der Car-honarl; — vendite, f. de voddenmurkt; — VOllditie (spr. / --/j) f. lat. (venditfn) de ver-kooping, verkoop; — vonditeeron (lal. ren-diture) len verkoop aanbieden, veil hebben, vellen; ook hoog vei\'lieifen, opvyzelen, roemen, iinnpryzeni — vendu, oudfr. (vendue, spr. nmiidil\') of vente, f. fr. (si)r. waiil\') verkoo-plng, vervreemding voor geld; — vendumeester, in. beamiito aan wien bel toovoor-zlcht over den verkoop van goederen Is opge-dragen.

Vendredi, m. fr. (spr. tvandr\'di; van \'1 lal. I\'mcris dies, vonusdag) de Vrijdag.

Venedienne, f, fr. (spr. wenedjen) eene lijne soort van gros de Tours.

Venefïeus, m. lat. (van veninum, vergift) een giftmenger; — venefica, f. eene giftmengsler; — veneficium, n. de giflmen-ging, vergiftiging.

venereeren, Int. (eenerarl) vereeren, eerbiedigen, eerbied betoonen, zeer hoogaclilen;— venernbel, adj. (lal. venerabflis, e) eerwaardig, vereerens- of eerhiedwonrdig; — hel ve-nerabïle, bet hoogwaardige in de r. kalh. Kerk, de ter vereering voorgebonden gewyde hostie; — veneratie (spr. I=ls) f. (lat. rc-neralio) ile vereering, eerbiediging, eerbied.

Venewe, I) f. fr. (van véner — lat. re-nari, Jagen, ter Jacht gaan) de jagery, hel jaebt-wozen, de jacht; liet Jagershof, het gebouw.

waar de otllcioren on de gansche vorslelijke juchlstoet buisvcslen — venour, fr. Jager. Venerie, 2) veneriek, venerisch,

z ond. Venus.

veneus, venosus, z. ond. vena.

venla, f. lat. de oogluiking, bet verlof, de verglifonis, kwytscbebling; cum venla, met verlof; hnnu venta of rum Onna venla, met goedgunstig verlof of loestemniing; sil venia verba, woordeiyk: aan \'I woord z.y verlof, verschooning (gegeven); men veroorlove de uitdrukking, of: \'t z.y met verlof gezegd; venia ne/d/ix, ge-rechteiyke insciiikkeiykbebi omtrent den ouderdom, Jareiikwyiscbelding, bel meerderjarlgver-klaren van lemnnd, die nog den gewonen, by de wet bepaalden ouderdom niet bereikt beeft; veniam aelalis bekomen, voor den tyd meerderjarig verklaard worden; — venia ronrinndndi, bet verlof om te prediken, het kanselrecht;— venia dncéndi of legéndi, bel verlof om te on-derwyzen of voorlezingen Ie houden aan boo-gescbolen; — veniam pelimus damusque vieissim, wy vragen verlof en geven het ook; — ve-niëel, adj. (lat. veniülis, e, fr. véniel) ver-geeliyk, k\\vyischeldhaar, te vergeven of kvvyt te schelden.

vent creator spin/is, lal. (van venire, komen) kom, Scheppergeesi; o kom. Heilige (leest! een met deze woorden beginnend oud kerkgezang; — venial, by koine; als subsi, hel ve-niat, de gerecbtclijke dagvaarding; — reni, vidi, viri, ik kwam, zag en overwon: gezegde van Ciesar, toen hy op koning l\'hiirnnces by Zela in l\'onius snel de overwinning behaalde.

Vonitienne, f fr. (spr. weni-sjènn\') een venei iaanscb lied der gondeliers.

Vennoot, veennoot, veinnoot, m. z. v. a. ve enige noot (z. veem), een medemakker, medewerker; deelgenooi, niedehan-deiaar; — vennootschap, f. de gezamen-lyke medewerking; bandelsgcmeenscbap, lian-delsgezelsciiap.

Vent., by botaniscbe benamingen afk. voor K. I\'. Ventenal (gest. tsnii).

Venta, f. sp. (eig. verkoop, verkoopplaats, van vendér = lat. vendëre, verkoopen) spnan-sche herberg, eenzaam liggende herberg aan den groeten weg; z. ook vendila; — ven-tarilla, f. (spr. —ru\'lja) eene kleine herberg van dien aard.

Ventai\'ólen, pi. ii. [venlanïla, venlarnóla, spr. went—, van vento = lal. venlus, wind) windwyzers, weerhanen; ook plaalsen tot koel-houding van spyzen en dranken, ijskelders.

venter, m. lal. de bulk, hel omleriyf; Jur. een zwangere liulk, eene zwangere vrouw, eene nog ongeboren licbaamsvrucbl; vandaar curafor ventris, oen voogd, die te voren over een nog niet geberen kind (na \'s vaders dood) wordt benoemd; — venti-aal, adj. op den bulk betrekking hebbende, daarloe hebooremle of dien bolreilenilo; — rentrimus, a, «m, inl. Bot. buikig; — ven trioülus, m. (verkivv. v. venter) de maag; —ventricf/li cordis, do Imrlkniners;


-ocr page 1304-

VERBENA

VENTIEL

1270

—vontriloquéntio (spr. lie=lsie) t. nw.lnt. hel buiksproken; — vontriloquist, m. oen bulksprekoi\'.

Ventiel, n. (mld.lul. venlile, van \'l lat. venlus, wind) olu. do luelil- of windklep, een nicchaalscli locstel om toogiin(,\'on voor lucht, gassen, dampen, vloelstollen, enz. te sluiten en te openen; — ventiloeren, lat. {ventihire) els;, luchton, lucht aanwulven; zorgen dnt voortdurend versche lucht toestroomt; Jur. onelg. tets rüpeiyk overleggen, van allo kanten hc-schouwen, onderzoeken, zlflen, schiften; gerechtelijk hehandolen; — ventilatie (spr. !ie=tsie) t. (lat. venlilaiïo) etg. hot luchten, do lucht-vernlouwlng of -vervorsclilng; do zifting, schifting, hot nauwkeurig onderzoek, do nltvoerlgo uiteenzetting; ook de schatting der goederen, die men doelen wil; — ventilator, m. oen luchttrekker, windvang, wludlnlatci\', wtudrad, een toestel om weg te zuigen on In te drijven, in het algemeen om lucht en andere gassen In heweglug to brengen on to verwijderen, Inz. toestel, waardoor voortdurend versche lacht wordt aangevoerdventilogium, n. lat.-gr. oen wlndaanwyzer, wlndwUzer, woerhaan; — ven-töse, m. fr. (spr. wa/i/oot\') do wladmaand, Hde maand lu den voorin, kalender der fran-sche reput)llek, van den tilden Februari tol den iOsten Maart; — ventouse, f. (spr. ttmiilóét\') een lucht- of trekgat; (^hlr. kop, laatkop.

Ventjager, m. nederl. Mar. vaartuig, dat, langs de schepen varenile, eetwaren, diauk, enz. uitvent, en dikwijls gestolen touw, zeildoek, yzer, enz. In lielaling aannoenit; ook haringjager, licht vaartuig, dal de eerstgovangen haring hinnonbrongl.

ventre bleu, fr. (spr. wiihlv—), venlre-snin/-ffris (spr. —séiidri) te drommel! allo duivels! sakkerloot! enz.

Ventr iculus, ventriloquentio, enz. z. ond. venter

Venus, f. lal. (geuit. Veneris) Myth, de aanvallige godin der schoonheid en liefde, hij de Grieken Aphrodite, de dochter van .lu-pller en moeder van Cupido; onelg. zlnneiyko liefde, schoonheid en aanvalligheid; ook wel-lust, onkulschhold; venter: do naar haar genoemde planeet, do naaste bij de zon na Mer-curlns, de morgen- en avondster; (Ihein. hol koper; de Venus van Medicts of inodice es cho Venus, do schoonsle voorstelling van do godin Venus, oen van de grootste moes-terslukkon dor oude hoeldhouwkunsl, dat /.Icti la de knnslkamer der groothertogen van Florence uit do famiilo der Medicoürs of hel huis van Medici bevond; d e V o n u s v a n Milo, een ander slandboold vangrootoschoonheid, In IS\'ili te Mllo ontdekt door franscho zeelieden, en thans la het museum van tiet Louvre; — Venus vulgivaga, lal. (van vuluus, volk, gemeen, en vngtlri, rondzwerven) of gr. Pandêraos, do gomoone rondloopende wellust, do ullomans-Venus, oeno straathoer;— venérisch of veneriek, adj. (van \'Hal.

venerüus, n, urn, Venus of do liefde botretfende, enz.) wellustkrank, met de voluisziekte besmet, tot do venusziekte bohoorende, daaruit voort komende; — venerische ziekte, venusziekte, venuskwaal, f. eeno uit ontucht en uitspatting voortkomende aanste-konile ziekte, hel gevolg van een onrelnen vleescheiyken omgang, liy do Kransclien ook mal de Naples (z. aid.) gohooteii; — ve-nusbal, m. zandbal, een zeker venerisch gezwel aan do teelballen; — venusberg, in. Anal, voorste gedeelte van het schaamboen; bij do c h 1 r o m a n t o n de vloozlgo verhevenheid in do hand onder den duim; — venushaar, n. vrouwenhaar, eeno plant {l\'Dlytrichum commune, L.); — venusheuvel, z. v. a. venusberg; — venusschelp, z. v. a. por-soleinschelp; — venus-vliogenknip, z. v. a. dlonaja {■/.. aid.); — venuliet, in. nw.lat. versteende venusschelpen.

venüst, adj. lat. (venüslux, lt;!, «m) schoon, bekooriyk, aanvallig; — venilslas, f. de schoonheid, aanvalligheid.

verabuseeren |zich|, nederl.-fr. z. v. a. zich ahuseeren.

voraccijzon of veraccijnzen, nederl.-lal. (vgl. accüs), hciasting op pacht opleggen, met accUs bezwaren; den accys botaicn.

veraccordeeren, ncderl.-fr. (vgl. ac-coord) bepalen, voorwaarden maken, eeu vor-geiyk Irollon.

voraciteit, f. nw.lat. (van \'1 lat. verax, genil. veracis, waarachtig) do waaraclitigheid, oprechtheid, geloofwaardigheid, waarheidsliefde.

veradoniseer en, nederl.-gr. optooien, opsmukken, zoo schoon als con A d o n I s (z. aid.) maken.

item incessu paluil dca, lal. haar gang doel haar kennen als een echte godin (gezegde van Virglllus bclrelfende Venus).

voralimenteeron, nederl.-lal. z. all-m o n l eo r o n.

Veranda, f. (eng. veranda, en dit liet naast van \'1 porl. varamla. sp. haranda, ver-klw. buraniUta, malelsch hdranda, boernnda, sauskr. waranda, hlndost. en perz. bar-dinadah, van \'I perz bar, op, opwaarts, en dmailah, gekomen, van dmadan, komen) eeno open voorzaal of een zomerprieel langs een huls; in \'t alg. een vooruitgobouwd, open gedeelte van oen huls.

vorassuroeren, nederi.-fr. z. v. a. assureer en, assecu ree ren, z. aid.

Veratrum, n. lat. nieskruid; — vera-trino, of sabadiHine, f. eeno byzondero planlvormende slof, uil het sahadlizaad of nlos-kruld {VerAlrum sabadilla) verkregen.

voi\'auctioneeren, nederl.-lal. z. onder a ii c 11 o.

Verba, verbaal, enz. z. ond. ver hu in. verbarricadoeren, nederi.-fr. (vgl. barricade) versperren.

Verbena, f. (lat. verbenara: daarentegen verbena, een lieillge tak van laurier-, olyf- en


-ocr page 1305-

VKKI KICKER EN

1277

VEKBEREEREN

inyrloliooincn) yzorkrulil, een pronkgowas van versclilllondo soorlon; liij de oude Komoinon het loof, dal hij de godsdlcnstplccldlglieden gebruikt weid.

vorborooron, lat. [verbenire, v. verher, n. goosel) geeseleti, slaan, afrossen; schokken, deen trillen; — vorboratio (spr. I—Is), f. (lat. verberalio) elg. de gcesellng, ninseting; de luclitschuddliig, luchtgolving, door het geluld veroorzaakt.

verbi causa, z. ond. verbum.

Vorbum, n. pl. verba, lat. het woord; Inz. (iram. hel werkwoord, tydwoord, het wourd hy uitnemendheid; het ver hum Is óf onovergankeiyk, zonder voorwerp (1 ntransit 1 vu m, neutrum), h. v. Ik slaap; of ovor-gankeiyk (transitIvuin), h. v. Ik prys, cn stimt wanneer het tol de laatste soort behoort óf in den hedryvenden vorm, als hedryvend werkwoord (activum), b. v. Ik prijs u, óf in den lydenden vorm, als lydeint werkwoord (passivum), h. v. gy wordt geprezen; by-soorten van het transltlvum zgn: het terugwerkende uf wederkeerende (reflexIvum), b. v. Ik verheug my, en bet wederzyds werkende of wedeikeerlge (reelproeum), b. v. wy beminnen elkander; — verbum anomülon of anomulum, een onregelmatig werkwoord; v, üuxiliarc, een hulpwerkwoord; v. defcclivum, een In de vervoeging gebrekkig of onvolledig werkwoord; v. deponens, een (latUnscb) twee-slacblig werkwoord in lydenden vorm met be-dryvende hoteekenis; «. desiileralivum, een be-geerend werkwoord, h. v. hongeren; v. facli-tivum, een werkwoord van bewerking, h. v. borooken, beslapen; v. frcquenlativum of ile-rulivum, een werkwoord van herhailiig of voortduring, b. v. klapperen, wandelen; v. imilali-vum, een nabootsend werkwoord, h. v. blaten; v. imjiersoiuile, een onpersooniyk werkwoord, b. v. het regent; d. inchoativum, een werkwoord, dal don overgang in eenen toestand aanduidt, b. v. het daagt, hy ontslaiipt; v. in-lensivum, een versterkend werkwoord, b. v. knypen van nypon; — verbi causa (elg. wegens het woord), by voorbeeld; verbi divini minister, afgek. 1\'. I). M., dienaar van het guddeiyko woord; verbi f/ralïa, hy voorbeeld; in verba magislri zweren, op de woorden des meesters of leeraars zworen, d. 1. diens stellingen en uitspraken onvoorwaardeiyk aannemen; verba minilanCia, pl. dreigende woorden ; i). praesciipla, voorgeschreven woorden; i). precaria, biddende, verzoekende woorden; n verbis ud verbSra, van woorden (of twisten) lot slagen (of vechten komen, overgaan); de verba ad verbum, van woord lot woord; — verba el voces, praelereaque nihil, woorden en nog eens woorden en anders niets (citaat uil Ovidius); i\'erbn volanl, sci iplu manenl, woorden vervliegen, het geschrevene iiiyfl; —verbaal, adj. (lat. verbalis, e). en als adverb. verbattler, woordelijk, de woorden beireifenile, bot tegengest. van reaal; letleriyk, van woord tot woord-, — verbale definitie (spr. i=ls) f. de woordverklaring, woordbepaling; — verbale exegese, f. de woordverklaring; — verbale injuriën, beleediglnge.....et woorden; — verbale nota, f. een niondeling voorgedragen (niet scbrilleiyk overhandigd) dl-plomatlek schryven; — verbaalsubstantief ei subslanlivum verbale, n. een van bet werkwoord, inz. van den irilinilicf cn liet par-llplcium onmiddeliyk afgeleid zelfsl. naamwoord;

— vorbaliseeren, nw.lal. (fr. verbaliser), moiidcling bebandeleii; ook onnultu woorden gehruikeii, snappen; — verbaliteit, f. de woordeiykheid, leileriyklieid; — verbiiintie (spr. l=ls) f. of fr. verbiage (spr. —««:ƒ), de woordenvloed, snapachtigheid, wooi\'di\'iikra-niery; — verbiagoeron, fr. (verbiauer) on-nutlo, overlolllge woorden gehrulken, zwetsen;

— vorbeus, adj. lat. (rerbosus, a, um, fr. verbeux) woordenryk, wydioopig; — verbositeit, r. de wooi\'denrykbeld, sniipaebtlgheld, woordenombaal, wydioopigheld; — verbnlénus, nw.lal woordeiyk, van woordje tot woordje.

vorooakon, z. ond. coaks.

verde anlico, n. 11. (v. verde = lal. vindis, e, groen) oud of ouderwetscb groen, oen mot kalksteen vermengde soort serpentyn; e. di Corsica, een met het gabliro verwant groen-aebtig gesteente op (ïorsika, enz.; r. d\'Egillo (spr. deedzjiln) elg. ogvplisch groen, een soort clpoilienmarmer.

verdestilleeren, nederl.-lat. (vgi. de-stllloeren) verdampen, verviuchllgcni verspillen, verkwisten, doorbrengen.

Vordhandi, f. oudn. Myth, eene der Nornon, z. aid.

Verdict, n. eng. (van \'1 lat. vere diclum, iels waars gezegd) de uitspraak, de beslissing, verkhirlng, inzonderheid de uitspraak der gezworenen, de jnry-nilspraak.

vergalopeeren, nederi.-fr. (vgi. galop, enz.) zich , zich overyien of voorbijloopen, een misslag begaan uil onboionnenheld of drift.

Verge, f. fr. (spr. wertj\'; = lat. virga) eene roede, meetroede; eene oude lenglomaal = paryscbo el; — vergette, f. (fr. rer-geiles: spr. werzjdU\') de borstel, schuier (oor-spr. van ryshoul gemaakt); oneig. geschoren voorhoofdhaar, kori afgesneden voorharen.

vergeeren, lal. {rrrgrrc) neigen, wenden, keeren; zich ergens heen neigen, overgaan.

verhypothokooren, noderl.-gr. z. ond. h y p o I b e e k.

Verieles, pi. fr. (spr. irenVW,- v. verre, glas, lat. vilrum) valsclie steenen, valscho dia-niunton.

verificeeren, uw.lal. (van \'1 lal. rents, a, um, waar, en faci\'re, maken) ook verifl-ëeren, fr. (vérifier) waar maken, bewaarheden, de deiigdeiykheld eener zaak staven, he-wyzen, bevesligen, liekrachiigen, doen hiyken;

— verificatie (spr. lt;=/«) f. de waarheld-slavlng, hei waarheidsonderzoek, de bevesliging, eclitverklaring, het bewgs; — verifieator,


-ocr page 1306-

V KItINTKU ESTEN

•1\'278

VERS

nw.lal. ot fr, verificateur, m. ecu waai\'-lichlsoixlorzookor, oclillieliUümleuooker, naspoor-der on liovesllKor der wiuirlichl of ochlholcl cn julstholil vim oorkoiulon, rokonlngon, onz.

vorintorosten, nodorl.-lat. (vgl. iiile-resl) du ronten van het kapitaal lalen oploo-pen-, ook: don Interosl verliezen door hel ka-pllnnl of pand ongolmilkt te laten.

Voritaino, f. fr. (spr. weritèn\') oen soort van wollen kamelot.

venlas, 1. lat. (van verus, a, urn, waar), de waarheid; ventas ilncuménli, de waarheid ut echtheid eener oorkonde; Veritas forénsis of juriiilca, gerechteiyko waarheid; Veritas odïum parit, de waariieid verwekt haat of maakt gehaat; — veritutem sequi et lucri justitiam, (men moei) ile waarheid zoeken en ook de gereehllgiieid niet uit liet oog verliezen; — en vérité, fr. (spr. o» werité) In waarheid, waar-iyk, werkelijk. Inderdaad; - veritable, adj. waarlijk, «erkelljk; oprecht, echt, onvervaischt, oiigcliulclield.

Verjus, ii. fr. (spr. werzjtl; van vort, groen, onrijp, en jus, sap) eig. cene zeer zure druif, hordeleezer druif (hnrdelais) geheeteii; zuur sap uil ourgpe druiven, waarmede men sommige spUzen toehereldl, sauzon aanmaakt, enz.

Verkoel\', n. (oorspr. aederl.; ver koeren, niet zinspeilng op de spoedige fortuins-wisseling; v e rk eer hord, fr. venjuier) een in \'t Oosten hij de Araiileren, Turken, enz. gebruikelijk hordspei, op de wijze van liet dam-en schaakspel; ook eeno soort van triktrak-spei, tydons het regoiitschap In Frankrük uil Duiisch-ianil Ingevoerd, verkeerdspel; eng. linekgamin o n.

verlatiniseeren (spr. s=z) nederi.-lal. (vgi. la 11 n I se ere ii) vorlaiynen, in liet latgn brengen.

verluteeren, nederl.-iat. (vgi. tutiim, enz.) illeiitsmeren, een vat, pot of iels dergelijks, dat men In het vuui\' wil gebruiken, met een Juist passend deksel sluiten en met kleefdeeg dichtmaken, opdat er niets uitdainpe.

vermaledijen, verbastering van male-diceeren (z. aid.) in de volkstaal soms saam-getrnkken tot verdyon.

Vermeil, n. fr. (spr. wermétj: prov. vermeit, port. vermetho, 11. vermiglia, van \'t lat. vermicütus, wormpje, dus eig. z. v. a. kermes of cochenille, z. aid. en vgl. vermiljoen, oud. ecraiis) roodaciitige kleur, verguld zilver.

vermis, m. lat. de worm; pi. vermes: vermis diijiti, in. de zoogenaanide fijt aan den vinger; — vorraicólli, pl. 11. (spr. wermi-Isjétti) eig. wormpjes; worm- of draadvormige meelknoedels, eeno soort van deeg in dunne en lange reepjes, liaiiaansche knoedels; — ver-miculair, adj. nw.lat. wormvormig; — vermiculatie (spr. t=ls) f. do wormsge-wyzo beweging der Ingewanden; vormi-culieten, m. pi. versteende buizen der ring-iliercu; — vormiljoon, n. (fr. vemitton) scliariakenworm; iijngewreven en toebereide cinnaber; — vermïna, f. lat. bulk- of darmpUn ais van wormen; — verminatie (spr. t—ts) f. hel dannweo; verwekking van ongedlerie;

— vermineeren, lat. [verminare) wormen hebben; nw.lat. wormen verwekken; — verminous, adj. lat. (veri/iino\'sus, u, um) voi wormen.

vernaai, adj. lat. {vernütis, e, van ver, lente) tot de lento bchoorendc, voorjaarsaclilig;

— vornatio (spr. /=lt;.?,■ lat. veniatlo, van vemUre, lente hebiien, zich In de lente als ver-Jongen) de verjonging, bet vervelien van zekere dieren.

Vernier, z. v. a. nonius {■/.. aid.)

Vornis, n. mid.lat. (vernlMi fr. vernis, eng. varnish, van fr. vernir, blanketlen, verlakken, ais ware \'I wcliicht gevormd van een lal. vi-trimre, van vitrum, glas; vgl. echter ook het sanskr. varna, verf) zeer dun, doorschynond hlinkond bestrgksel of lak; ulleriyke glans; — vernissen, met vernis overdekken.

Vorole, f. fr. (spr. weront\'; v. \'I nw.lat. variola, z v a r I o 1 e n) nauwkeuriger: la granilc vérole, de venuszlekie; la petite vérote, de kinderpokken.

Veronoescho of vorönisehe aarde,

fr. (véronile) aarde van Verona, een tot stof geworden berggroen, dat by gemelde stad gevonden wordt.

Veronica, nw.lat. vr.naani; (11. en sp. renin tea, fr. t\'éronique, nw.gr. Heronikc, van t macedoniscli Herenikc, voor \'1 gr. Phenerikc) de zege aanbrengende; Inz. de heilige Veronica, volgens de legende eene vrome vrouw, die don kruisdragenden Christus haren zweetdoek aanbood, op weiken zich bij bet afdrogen liet aangezichi des Hollands afdrukie (van waar ook de naam van veram icon, d. 1. hel ware beeld, wordt afgeleid; vgl. ikon); eere-prys, eene plant van ondoi\'sclieiilen soorten, die deels als arlsenypiant, deels als pronkgewas ge-hruikt wordt.

Veronische aarde, z. V e r o noes c li e aarde.

Vorp, n. eene oude graanmaal in Oost-Friesland = n,S L.

vorpallisadeoren, nederl.-fr. z. pa 1 li-sa d e e ren.

verprocodeeron, verprocessoe-ron, nederl.-lat. (vgi. p ro eed oe ren) door processen of recblsgedingen verliezen.

Vorrerie, f. fr. (spr. wèrerie ,■ van verre, glas, van \'I lal. vitrum) glaswaren; — ver-rillon, n. (spr. wèri-IJón) glasspei. z. v. a. harmonica; — vorrotorio, f. (spr. wèrot\'-rie) allerlei kleine glaswaren, b. v. glaskoralen, glaspaarlen enz.

verriicae, f. pi. lat. (van den sing, verruca) Med. wratten, inz. aan bet oog; verru-quous, adj. (lat. verrucosus, a, um) wrattig; — verrucositeit, f. nw.lat. de wrat-llghelil.

Vers, n. (van \'t lat. versus, m. pi. versus.


-ocr page 1307-

VERSA AL-LETTERS

VERTUMNUS

1279

(I. I. dp;, wcmllni?, omkocr; van verlSre, z. verloeren; vervoluens: voro, i\'U, regel) een go-illchlregel, eene rlivlhmlach gerogoldo woor-JonrU In een gedlchl; onk wel minder good gebruikt voor strophe, stanze en couplet (z. die woorden), Ja voor oen geheel gedicht; Iedere met oen nommor getoekende kleine af-deellng van een hoofdstuk des hyhels; versus rancrinus, ni. ooti kreeftvors, kreeftdicht (z. aid ), z. v.a, hot gr. pa 11 nd romo n; versus memoriales, pl. geheugenverzon, verzen, die hot geheugen moeten Ie hulp komen of onder-stounen; si nahira neuul, facit imlif/iia/ïo ver-sum, al ontzegt ook de natuur den dichtergeest, zoo doet toch do verontwaardiging een vors (een gedicht) maken (naar den lat. dichtor Ju-venalis); verso sciollo (spr. —sjóllo), pl. versi sciolle, of verso libero {soil, delta rima), pl. versi liberi, meestal eillottergropige i\'Uinlooze verzen (fr. vers blancs, spr. wèr blaii, eag. blank umes); — versétto, m. it. of verset, fr. (spr. wersPj eene afdeeling van een gedicht (sl ro p ho); — versótten, pi. tusschenspelon, inz. In zangwyzeii op orgels; — versifex, m. nw.lat. een verzenmaker, rgmelaar; vor-sificooron, lat {rersifirare) verzon maken; iets lu verzon hrongen; herijiuen; — vei\'sifi-catio (spr. t=ts) f. do vorshouw, de verzenvorming ; — vorsiücator, m. of fr. versi-licateui\', een vorzomnaker, iemand, die don versiiouw verstaal.

Vorsaal-lottors, z. versa Hen. Versado, f. fr. (spr. uwrsddd: van verser, uiigioten, omwerpen) liet omwerpen, omvallen mot oenen wagon.

Versahëridfvorsaal-lettei\'s, pl. nw. lat. (van rersus, regel, afdeeling) groote aanvangletters, licginielters.

versatiel, adj lat. {versatllis, e, van ver-sure, draaien, omwonden) hcwoogigk, waakoi-moedig, veranderigk, wuft, wlspeliiirig, onhe-slendig, aan verandering onderworpen; —ver-satilitelt, f. nw.lat. de dnialhaarheid, huig-Imarheld, gedweeheid; veranderiükheid, wispol-turlgheld, onliestoiidlgiicid, wnfliield.

vorseeron, lat. {versari, d. i. eig. zleli omdraaien, van versiire, omdraaien) zich mot iets bozlgliouden, daarmodo omgaan; in gevaar vorseeron, gevaar loopon, In gevaar zijn; in oeno zaak geverseerd zijn, daarin geoefend, ervaren, hcdi\'evon z(in.

Vorset, vorsifleoeren, enz. z. end. ver s.

versicolor, voraio, versin, enz., verso, enz.., versura, enz. z. ond. verloeren.

verso, enz. z. ond. ver loeren.

versus, z. vers.

verte, z. ond. verleer en.

vértebraal, adj. nw.lat. (van \'i lat. ver-tëbra, voor gewricht, wervelbeen, Inz. rngge-wervei) Mod. wervelhoeidg, lot de wervolbeon-deren iiolioorendo; vortebraal-artërie, f. de wervelslagader; vertebraal-sy-stoem, n. het van het ruggemerg uitgaande godoolte des zenuwstelsels; — vortebrata, pl. gewervelde dieren; —vertebrieton, m. pi. wervolstooaen.

verteeren, lat. (verU-re) wenden, koeren, omwonden, omdraaien, omkooren; overzetten, vertalen, vertolken; — in succum el samjuinem verlire, z. succus;—vertatur of ueWe, afgek. V., keer om, sla orn (hol blad, Inz. muziek-i)la(l); — verte, si placet, afgekort c.keer om, als \'t u belieft; — verso fot!n, op do koor-of rugzijde; versicolor, boni kleurig, van menigerlei kleur; ais subsi.: een klourwisselaai\', naar-den-mond-prater. Jabroer; — versie, f. (lat. versto) de wending; de vorm of richting van een verhaal, herlclit enz.; do vertaling, overzetting; — vcrsïo interlinearis, overzetting tusscben de rogels; versto in rem, Jur. de aanwending tot iemands voordeel, gebruik qeaer zaak tot hare eigenlijke bestemming, ook v. in utititalem : r. «WH, Med. de omkeoring van de baarmoeder; — versüra, f. hot omwonden; hel goidopne.mon, borgen; Kml. de omzetting van waren; in Colon de tijd om Sintjan, waaneer de grondeigenaars in do groote sleden komen om nllerlol zaken af ie doen; — versureeren, uw.lal. omzeilen, omslaan.

Vertex, m. lat. (genil. verlicis) bel as-punt der wereld; een draaikolk; dwarrelwind; de schedel, kruin, top, tinne; - verticaal, adj. nw.lal. scliodoiroclit, loodroebt (z. v. a. p e r p o n d i c u 1 a 1 r); — verticaal vuur, a. worpvnur, de in booge bogen gorlclito schoten mol bommen, granaten, enz.; — verticaal vlak, ii. loodrecht slaand vlak; — verticale cirkel, m. de groote cirkel des liemol-bols, die door het sehedel- en voeipunt (zenith en nadir) vaa den waarnemer gaat; verrekijker met ioodrechte clrkeiverdcoling ter waarneming der sterren; verticale lijn, eene loodlijn of ioodrechte iij11; — verticale hoek, een ioodreebte of sciiodeliioek; — ver-ticiteit, f. de lichtlugskrachi, b.v. der mag-nootnaiild.

Vertigo, f. lat. de ilnizciing, zwijmeling, draaling van liet hoofd;—vertiginous, adj. (vertif/inosus, a, urn) duizelig, suizelend, zwy-raolend.

Vertugade of vertugale, f. ook ver-tugadin, m. fr. (spr. —naden ■. onislaan uit vertu-navde, vevlii-tlunlien, d. i. deugdiioeder; In \'i eng. daarvan misvormd favlliinnale) een iioe-pei aan vrouwenkleedoron, een hoepelrok; een klein kussen, door de vrouwen boven de heupen onder den rok gedragen.

vertuien, nedorl. (van tul, een louw om de schepen vasl ie leggen; eng. In lie, binden; tuien, vasibindon, vasthouden) Mar. het lui-ankor nllwerpen; een vaartuig zoodanig voor twee ankers leggen, dat hot aan gceno Ie groote slingeringen is bloolgestold.

Vertümnus, m. lal. (van vevtcre, wenden) Myth, de kcergod, god dor verandering, der wisselende JaargeHjden enz.; onk de luin-god, wiens geliefde Pomóna was; — ver-


-ocr page 1308-

VETTURA

VERVE

1280

tumnalra, n. pi. lie feesten, die tcr ccro van dozen nod In Oclolior (tovierd werden.

Vorve, f. fr. (spr. ivcrw\'; van later lat. verva, iiimskop, wonens hot ptmiitasttscli uiterlijk daarvan; vgl. wat do lieBiliisontwikkelinK i)etreft caprice; v. a. van lat. fenor, gloed) clt!. wondoriyke lulni; neostdrlft, goeslvorvoo-ring, verljoeldlngsgloed, die den dichter, redenaar, toonkunstenaar, liocldhouwcr In de compositie hozieit, hugüosterlng, vuur, kuuste-naarsvuur, dlctilvuur.

vcsunia, lat. of vosanie, f. vorstandsver-liUstorlug, uitzinnigheid, dolheid.

Voscovado of voscovato, in. it. (= lat. espiscopiilus, z. eplskopaat) het hlsdom, de liisschoppetgkc waardigheid.

vesica, f. lal. de lilaas, do pisldaas; hluar;

— vosicale arteriën, pt. de pishlaasslag-aders; — vesicantla (spr. l=/s) n. pi, uw. lal. Med. Iiiaartrekkende middelen, trekniidile-len; — VGsicatie (spr. I=h) liet hlaartrok-kon; — vesicatorïum, n. eene tiekpielstor, spaanschevilogpleister, spaanschevlleg; — vg-siculair-systoem, n. lat.-gr. de tdaasjes-leer, volgens welke het opstygon der dampen in de lucht en de ophoudlng daarvan In do gedaalde van nevels en wolkeu uil hel ontslaan van holle hlaasjes wordt verklaard.

Vésper, f. tul. vesper, m. en mplra, f.) olg. avond, late namiddag; do uamiiidaggods-dienst, avondmis; In do r. katli. Kerk; de voorlaatste der 7 kauoulsche horen (vgl. hora) of daggetijden, lusschen do none en decompioto;

— sioiliaanschG vGsper, z. oud. sicl-liaan; — vespGrbrood, lal.-ncdcrl. hot ua-luiddaghrood, vóoravondhrood; — vGspGr-prGdikatiG (spr. l=ls) de nanilddagpreek;

— VGspëren, in den vooravond eten; — vos-por tij nor, m. (van I lal. vespertinus, a, um, wal des avonds goschlodt, \'s avonds) l)ij do K. Kath. namiddag- of avondprediker; — ves-portilio, f lat. eig. eone vleermuis, nachtraaf; Iemand, die heler li(j schcmerllcht dan hij dag kan zien; onolg. iemand, itie het licht schuwt wegens z.yu kwaad geweten.

Véssol, n. eng. (fr. vaisseau) ecu schip.

Vosta, f. lat. Myth, de godin van liet vuur, van don hulshaard, van hel hulsvuur, hel zin-neheoid van hel huiselijk geluk, do zedigheid en knlschheid, hij do (irloken Hcslia, eene dociiter van Saluruus en Khea; ook eeno door Dr. Others in ISOquot; ontdekte planeet; — vestalien, n. pi. (lat. festatiu) do romein-sche feosion, in do maand Juli lor eere van Vesla gevierd; — vostalen, vostaalscho maagdon (lal. restates, sell, virgfnes) priesteressen van Vosta, maagdon van onkrcuklmro kuischheld on strenge Ingetogenheid, die hol altijditureiKio heilige vuur In den teinpei dezer godin mooston onderhoudon, enz.

Vostiarïus, m. lat. (van vestis, kleed) een kloeronkoopman; hij de K. Kath. een opzichter over de kerkgereedschappen en misgewaden; — vostiairo, m. fr. (spr. vèstjór\') hewaarplaals voor klooderen, garderohe (in geroctitsiioven, enz.).

Vostibülum, n. lal. fr. vostibülo, f.

do voorhof, ingang In hel huis; de voorzaal, do ruimte hU den Ingang van hot hólei, enz., welke als toegang dient tot de andere vertrekken, het voorhuls j ook wol voorkamer.

Vostigïën, pt. lat. {vestigta, van den slng. vestigium) voetstappen, sporen, ovcrhtyfsols; vestigia me terrent, de voetstappen vorschrikken mü, d. i. ik vrees verdol\' to gaan (dus sprak do vos tot don zieken leeuw In do hokonde fabel); vandaar nee te vestigia terrent, laat naderende gevaren u niet verschrikken, zinspreuk van vorscheidon grooto nianneu; —e vesligfo, op staanden voel, terstond; — vostigooron (lal. vestigare) nasporen.

Vostituur, f. uw.lat. (v. veshre, kleo-deu, van vestis, kleed) de kleeding, inkleeding.

Vesuvius, in. lal. oen vuurspuwende berg hu Napels; — vosuviaan, u. nw.lat. oeno aan don granaat vorwanto steensoort van don Vesuvius, enz.

Veteraan, m. lat. (veteranus, van velm, geuit, vettris, oud) oen oud-soUtuat, uitgediend ki\'Ugsman, oud, tioproefd krijgsman; een oud, orvaron of beproefd geteerde, handelaar, kunstenaar, enz.; — veterantie (spr. tie=tsie) f. nw.lal. de dlonstrust, do stand des ultge-dienden.

Veterinarius, m. lat. (van veterinae, sell, bestiae, of veterim, sell, unimalïa, lasl-of trekvee, v. vetennas, dragend of trekkend, van tast- of trekvee gebezigd, waarsch. samen-getr. uit vehiterinus, v. vehëre, voeren, dragen, trekken) of veterinair (fr. vétérinaire) een veearts, dierenarts, paardondoctor, enz.; — veterinair, adj. (lal veterinarïus, a, um) elg. last- of trekvee hotretleiido: op de veeartse-ngkundo hetrekking hehhende; veterinaire sc h o o I, voeartsenyschool.

veto, lat. (intin. vetare) ik verbied, verwerp, willig niet In; hel formulier, dal te Home leder volkstrihuun gebruikte, wanneer lig zich togen de lioslullen des senaals verzette; vandaar het voto, het verbod, do mlsbiliUkliig, verwerping; hel verwerpings- of ontkenningsrcclit, h. v. van eenon moiiarch de wettige bevoegdheid om door zyne tegenspraak een hesluit, door eene vergadering genomen, krachteloos te maken; men omlorsclieidt tiet ahsoluto veto, bot vol-strokte, onvoorwaardetyke verhodsrecht en hot suspensievo veto, een opscborlend vcrwer-plngsrccht; lihürum veto, het vrye onlkennings-of welgerlngsrocht; — Monsieur et Madame Veto, fr. spotnamen, die de domokralen lu de fransche revolulle dikwyis aan t.odewyk XVI en Maria Antoinette gaven, Mynheer en Mevrouw Veto; — vetoteoron, nw.lat. afkeuren, z.yno goedkeuring weigeren, verwerpen.

Vettüra, f. it. (van \'1 lat. vectüra, voertuig, v. vehi, voeren, rydon) een voertuig, eone liuurkoets; — votturino, in. (spr. u—oe) een vrachtvoermnu, huurkoelsler io Italië.


-ocr page 1309-

VICIKUS

VETUS

•1281

rel us Teslaménlum, lat. afitck. vel. Test., of V. T., liot oude Tcstmnont, z. Icslamont, oiul. tos toeren.

Vouf, in. fr. weduwnaar; — veuve, t. weduwe.

voxeeren, Int. (vcxUre) pliiKen, kwellen, verontrusten, verdrukken, onreclit iiandocn, niet met vrede laten; roppen, beet heblien; v o x e e r-liekor, vexeor-doos, voxecr-splegol, enz., pliyslsche voorwerpen, kunstig Ingerlelit om Iemand te misleiden, Ie foppen; — vexatie (spr. l=ls) f. (lat. vexutto) de plagerij, foppery, kwelling, verontrusting, verdrukking, liet verdriet, de ergernis; krenking.

Vexen, z. v. a. fexen.

Vozier of elg. wozier, doorgaans minder goed vizier, m. (arati. wcslr, wnsir, elg. steun, lastdrager, v. wusiira, drngen) een ondersteuner, staatsdlenaiir of ininister des lurk-selien keizers; — groot-vezier (turk. weslri asem en weslr asem) oiipermlnister, do opperste staatsiinihteniiar in het turksclie rijk.

vezzosaménle, it (spr. welzo—; van vezzo, aangewende verkeerde gewoonte, iiiinwenscl, fout; lust, liefkoozing, hekoorlUklield, sp. rezo, vicio, provene. velz, van \'I lal. viiïum, fout, ondeugd) Muz. leoder, wcekelUk.

i\'i, lal. oud vis.

via, f. lal. de weg; liet middel; do w(|ze, manier; via, op hrieven, reispassen, enz.; over, door (aanduiding van den te nemen weg); via cntcis, de kruis- of krulslgingsweg, hij de K. Kath. een hidweg met heelden uit de lydens-geschledenis van J. C.; via fac/i, Jur. eigenmachtig, eigendunkelijk, gewelddtttlig; via nrati ae, op don weg dor genade; viae serrïtus, z. servilus: — in via, In don weg, d. I. door het middel, li. v. in via excculidnis, op den weg der gorechlolijke uitvoering of executie; in via Juris, op den weg der rechleii; — per viam, op don weg, door middel, I), v. per vium actionis, door middel eener aanklacht;jicrBt\'ara appellalionis, door horoep op een hooger ge-recht; per viam execpliunis, door middel van oene tegenwerping; per viam supplicationis, door middel van oene herhaalde opheldering en daarop herhaald verzoek; — viaduct, of heler vised Liet, m. nw lal. (riaeilurhis), fr. viaduc (spr. wiailuük), een kunstig nangelegde weg, oene hooghrug over eonen pool, een dal, oene rivier, enz. gelegd, ter dienste van eeiien spoorweg; — viaticum, n. lat. een rois-ponning, loerpomilng; hel laatste avondmnal, dat h(| de K. Kath. den slervemlen wordt toegediend; ook hot laalsle oliesel; — viato-num, ii. een wegmeler, z. v. a. li odonieter.

Viiidro, m. /.. wiadro.

Viaduc, viceduct, viaticum, z. oud, via.

vibrooren, lal. (rifmTrc)schudden, zwaaien, slingeren, schommelen, z. v. a. oscllleercn; sidderen, hoven, trillen; — ribriitn, 11. Muz. bevend, sidderend, Irillend; — vibrntiliteit, f, nw.lal. de alwissclendc spanning en vorslap-vikiuii; bliUK.

ping van licbaamsdoolen; — vibratie (spr. t~ts) f. (viliralïo) de schommeiing, slingering, z. v. a. oscillatie; het sidderen, trillen; — vibratie-systeem, n. elke loer, die zekere verschynsolen (h. v. die des lichts) uil schoinmellngen verklaart, welke zich In oene voorkrachlige nilddelstof (medium) voorl-planton (met heirekking lot de lichlverscbyn-solon ook unduIatie-theorio geheoten); — vibroskoop, m. do trlilingswaiirnomer, oen door A. Topler Ie Kiga vervaardigd Instrument.

vibrionon, pi. in onzuiver water, in hel bezinksel van hier, enz. ontslaando schimmoi-paiidenstoel.

Viburnum, n. lal. de meelboom, sneeuwbal, zekere kleine heester, een bekend pronk-gewas.

Vicarïs, m. lat. {vicunas, a, um, plaatsvervangend, van viec, z. aid.) een ambts- of piaatsvorvangor, waarnemer; inz. een plaatsvervangend hulpgeesloiyko; — vicar, m. (spr. wikker) in lingoland een ondorprodikant, een landpredikant, een geesteiyk, die alleen do kleine, en niet zooals do rector do geheelo Houden ontvangt; — ryksvicaris, ryksbesluurdor, re-gont; tiearfus apostoftrus, een vicaris van den paus, een plaalsheklooder van de hoogste gees-toiyko macht, waar geen eigeniyke bisschop is; v. a. castrénsis, een r, kath. opperste vehl-prioslor, oppervehlpfoost; — vicariaat, n. of vicane, f. nw.lal. de plaatsvervanging, ainhisvervunging; hel waarnemend liesluur; — vicariaat, Inz. het bisschoppeiyk opperge-rechishof, dat in don naam des lilsscbops of des aaiisblsschops uiispraak doet; — vica-riöeron, eens anders plaats bokieedon, zyn amiit waarnemen.

vice, lat. (van oenen niet gobniikelijken no-niln. viris, wisseling, lieurtwissoling, enz.) elg. in de plaats, in plaats; In samenst. ondor- of waarnemond, h, v. vice-admiraal, ondervlootvoogd; — vico-directour, onderbe-sluurdor, waarnemend of plaalsvorvangend he-sluurder; — vice-koning, onderkoning, enz.; — vice versa, of afgok. ». e., omgekeerd, been en weer, naar oene plaats hoen en van daar lenig, in het legoiigestolde geval; — vices, pi. beiirl wisselende amhlsverrlchtingeii, plaatsvervanging, b. v. Iemands vlees beklee-den, zijne plaals, zyn amht of zyne hodienlng waarnonion.

Vico, m. eng. (spr. «mis) elg. ondeugd, kwaad; de hansworst van hel oude eng. drama.

Viconnïum, n. lal. (van vicfes, Iwinlig-maal, eu hiihks, jaar) oene tydrulnile van Iwln-llg Jaren.

vicosimeeren, nw.lal. (van \'1 lat. vice-siinus, a. «hi, de, hel Iwiuligsie) den iwintig-slen man iiilioien en veroordeelon of Ier dood doen hrengen (vgl. doclnieeren); — vicosima-tie (spr. t=ls) f. lal. (vicesimalio) oud-rom. uilioliiig van den bisten man, om dien, by ovcrlrodlng vaa velen, leroclit ie stellen.

vicieus, z. vil leus oud. vilium.

Si


-ocr page 1310-

VICINAAL-WRGEN

VIGIE

1282

Vicinaal-wogen, lat.-nodcrl. (van \'t lat. ricinalis, e, naburig, vkinus, nabuur, buurman, enz.) buurt- or bywogon, die geone post- of hoofdwegen zgn.

vicit vim virtus, do deugd beeft bet geweid overwonnen (omschrift van hot stadswapen van Haaiiem).

Vicogne, z. vigogne.

Vicomte, m. fr. (spr. wikóiit\': ontstaan uit vice comic, mid.lat, vicecomes, eng. viscount [spr. weikount], vgl. vice) elg z. v. a. vice-graaf, ondergraaf, zoon van eon graaf, by bel leven zyiis vaders zoo genoemd; de bezitter eoner heerlijkheid (vicomté) in Krankryk; ook bloote «deiiUke titel.

■Victalïën, liever victualiën, z. onder viclus.

Victor, m. lat. (van vineëre, overwinnen) mansn.: de overwinnaar, zegepraler; — Victoria, f. de zege, zegepraal, overwinning; Myth, de zegegodin, z. v. a. gr. Nike; ook een vr.naam; de zegepralende; Astron. een in isöo door Hind ontdekte asteroïde; — Victoria rogia, f. de koningin der waterplanten, een groote en schoone soort van waterroos {yumphaeacSae), ter eero van koningin Victoria van Kngeland zoo genoemd; — victorieus, adj. (lat. victofiosux, a, urn), zege-ryk, zegevierend, zegepralend, overwinnend; — victorisooren, nw.iat. overwinnen, de zege behaion, zegevieren, zegópraien; — Victrix, f. lat. de zegepralende, de overwlnnares, een bynumn van Venus, omdat zy, door Paris lol de schoonste godin verklaard, ,luno en Minerva overwon.

viclus, m. lat. (v. vivlrc, leven) leefwyze; levensmiddelen, onderhoud, voedsel; viclus et amictus, in. voedsel en kieeding; — victualiën, pi. nw.iat. levensmiddelen, eetwaren, mondvoorraad; -- victualiobroeders, vi-taliënbroodors of vitalianon, pi. gevreesde zeeroovers der lide en 15de eeuw In de Oost- en Noordzee; oorspr. burgers uit Kostock en Wismar, die op bevel van bunnen hertog schepen uitrustten en van de hen ontmoetende vaartuigen victualiën afvorderden, die zy den belegerden inwoners van Stokholm toevoerden; — victualiowant, n. Mar. al wat aan boord als scbaflgereedsclmp gebruikt wordt: potten, pannen, lepels, vorken, enz., ook k o in in a 11 e w a n t geheeten

Vicunna, z. vigogne; — vidar, wi-d a r.

Vidamo, m. fr. (ontstaan uit bet lat.

vice-iiomïmsboogd. viccdom of vizlhum) een ollicler, die den bisschop ais lydeiijk heer vertegenwoordigde, een stadbeer, stadhouder, een bestuurder van geesteiyke goederen, oppor-ambtman.

Vidangour, m. fr. (spr. zjeur) sekreet-of becrputrnlmer.

vide of nidealur.\' afgek. v. of vid., lat. (v. vidêre, zien) zie, zie na, zie er op na, men zie! (nameiyk do aangehaalde plaats van een boek, enz.); vUlfant consüles, ne r/uiil resjm-bftca detriménti cajiiut, mogen de consuls toezien, dat do staat geen schade lyde! (iiij de Komcinen het nemen van een besiuit, waarby aan de consuls In gevaarvolle tyden grootere macht verleend werd; thans meer een vermaning lot voorzichtigheid); — video meliora pro-boque, deteriora aequor, ik zie het goede, ik keur liet goed en doe hot kwaad (citaat uit Ovidlus en inz. op den niensch toegepast); — videficct, afgek, vit. (ontstaan uit vidêre licet, d. I. men kan of mag zien), geiyk licht ie zien is; nameiyk; videtur, iiet scbynt, biykl, mij dunkt; — het vidötur, de meening, het gevoelen, b. v. Z.yn vldêtur geven, zUne meening of zyn gevoelen over iets uitbrengen;

— vidi, ik heb het gezien; — vidit, afgek. et., by beeft bet gezien, doorgezien; — vidimus, wy hebben liet gezien, doorgezien en vergeleken.; — vidimus, n. eene goed- of eclilver-klaring, sciirifleiyk bewys van bekrachtiging; oen bekrachtigd afschrift van een oorspronkeiyk stuk (mot dit woord geteekend); — vidi-meoren, nw, int. bekraclitigen, voor echt verklaren, gerecbleiyk betuigen en bevestigen, dal een met het origineel vergeleken afschrift nauwkeurig of gelijkluidend is; — vidima-tiü (spr. (=/s) f. de bekrachtiging, goedverklaring, vergeiyklng en hevesliging van een ge-scbilft; iivo vidimutiöne, voor doorzienbig en vergelijking, het bepaalde loon daarvoor.

Vidualitïum (spr. l=ls) m. nw.iat. (van \'tliit. vidtius, a, urn, gescheiden, beroofd; gadeloos; vandaar vidua, weduwe) bet weduw-geld, het aan eene weduwe naar haren stand verleende onderhoud; — viduiteit, f. lal. (ui-duilas) de weduwstaat, liet weeuw-of weduw-naarscbnp, bet gadeloos zyn.

Vie, f. fr. (int. vila) leven.

Vicllesso, f. fr. (spr. vjiljès) do ouderdom.

View, n. eng. (spr. vjoe) bet ulizicht, gezicht; z. dissolving.

vif, ndj, fr, (spr. wief; van het lat. vivus, a, um) levendig, wakker, liksch, vlug, opge-wekl, vurig.

Vigosuno-formaat, n, boekforniaat, ontstaande als men een vei tot in bladen vouwl.

Vigie, f. fr, (spr. wizjie: v, lat. vifiiliu, het waken, de wacht) deuitkyk op den mast;

— vigileeron, lat. {vifiilare, v. vigit, wakker) waken, waakzaam zyn, scherp waarnemen, oppassen; — vigilant, adj. waakzaam, opmerkzaam, oplettend, omzichtig, by do hand; vioiluntthus leges sunt scriptae, voor de wakenden zyn de wetten geschreven, d, i, om zyn recht ie hiinilbaven moet men waakzaam zyn ;

— vigilante, als subsi. f. een openhaar ry-tuig tot vervoer van personen in groolo steden, oorspr. uil Ünissel; — vigilantie (spr, t=ls) f, lal, {vigilanCfa) ile waakznanibeid, zorgvuldigheid; — vigilie, f (lal. vigitfa) het waken, nachtwaken; liij de Konielnen ook ile nachtwake, het vierde gedeelte van den nncbl, een tydduur van ilrli^ uren; de waakzaamheid;


-ocr page 1311-

VINDICKER KN

VIGINTIVIR

I28:i

vr.naani; do wankzimio; — vigiliën, pl. (lal. muittui\') nachtwiikon; Indo r. kalli. Kerk. vooravonden dor lioogo fooston, voortooslon, ziol-mlsscn, nachlciyko nehcdon voor hot zlolcholl eens ovorlodenen vóór do beaarding; — vigi-larius, m. nw.lal. een kloosterlyke ochtendwekker; de ondergeeslelyko, wiens taak het is lot de nacht- of ochlendgoheden lo wokken.

Vigintl\'vir, m. lat. (van vif/inli, twintig en vir, man) een twintigman, medelid van liet vigintiviraat, maglstraatscoiiejco, rogee-rinpsiichaam van 211 man.

Vigna, it. of vigno, r. fr. (spr. wknjn, wii\'nj\': van \'t Int. vinia, sell, terra, v. vinum, wyn) een wynherg; landoiyk lustliuis; — vignette, r. (spr. wi-njéll\') or vignet, n. druksieraad, drnkroosjo, klein plaatje als sieraad bij het hegln of einde van een hoek, hoofdstuk en/.., waartoe men voorheen inz, wyn-ga a r d h I a ad J es gehruikte.

Vigogne, f. fr. (spr. winnnj\') of sp. vicuna (spr wikninja: oorspr. peruaansch) hel schaapkameel in Pern, liet peruaansclie seliaap van de grootte eener geit; ook de schoonste, fijnste wol daarvan, vigogne-wol.

oif/oi\', m. lal. (v. vlficre, leven, levendig zyn) of viguour, f. fr. (spr. wifiéilr) de levenskracht, kracht lol lianilolon, sterkte, kloekheid, nadruk; — vigure, uit kracht, krachtens, enz., I). v. vUjörtt commissionls, .lur. uit kracht van den ontvangen last; elgore manilali of mcriplt, krachtens liooger hevel enz.; — vigoi\'eus, nw.lal. of vigoureux, fr. (spr. wifioeréil) sterk, rustig, kraolllvol, vol iovenskraehl, levendig, kloek, wakker, vroolgk, frisch; — vi-goróso, vidorosamdnle (spr. s--z) en con riQÓn\', 11. Muz. krachiig, met nadruk en levendigheid.

Viking, m. (spr. wi -) oudnoord. (niAingr) een slrijdcr, held, Inz. zeeheld; vandaar v I-k 1 nger-toch I en, do avonluuriyke zeetociiten der Noormaunen.

vilain, adj. fr. (spr. wileu; oorspr. villain, d. 1 hoor, hnersch, gemeen; provonc. vilan, II. en sp. villuno, mid.lat. villanus, v. villa, dorp; vgl. villa) laag, genieon, loolijk, schandeiyk, snood, smerig, vuil, slordig, onzedelijk, onluclitlg. Vilajót, heter vela,iet (z. aid.)

v/lis, e, adj. lal. veil; gemeen, laag, verach-teiyk, zonder waarde; — rilioris condilionis, lat. van slechte gesteldheid of geringe deugde-lykheid; experimenlum in corpora vili, iMed. een proef op een waardeloos lichaam, d. 1. toepassing hy wijze van proef van een gevaariyk iniddei op dieren van geringe waarde; — vi-liflcntio (spr. I --lx) f. nw.lal. de vernedering, verlaging, smadelijke liehaniieling; vilipen-deeren, lal. (vilipciidire) gerlngsclialten; — vilipendéntie (spr, I Is) f, do verachting, geringsehalllng; — viliteit, f do geringe waarde, nnheduidendheld.

Villa, f. lat. {villa, oorspr. verkiw. v. ri-cus, dus dorpje, plaatsje; fr. Kille, stail) een oudroni. of Hal. landhuis of landgoed; cone schooae hullenpiaats van nieuwere houwordo en minder ultgehreid dan een kasteel (jf slot; sp. (spr. wi-lja) een vlek, eene stad zonder stadsrcchton en hisschopszetel (In tegenst. met eind a d).

Villancico, m. sp. (spr. wi-ljansikn. v, \'t sp. villaiw = mid.lat. villanus, fr. vilain, z. aid.; oorspr. een landeiyk lied, volkslied) een spannsch kerklied met muzikale begeleiding op zekere feestdagen, in/., kerstlied.

Villanélla, f. li. of villanélle, fr. (v. III. vil/dm), mid.lat. villanus, boorscli, laiide-Igk) oen lierdorsllodjis cene soort van oudo, landelijke or don volkstoon nabootsende Helleren; eene soort van boerendans ; villGggia-tura, f. it. (spr. wlledzjialóéravan villefidi-are, op bet land leven; v^l villa) fr. vil-legiature (spr. wileczjialuur) landiust, landgenoegen; bet doorbrengen van bet scboone jaargetyde op bet land, op buitenplaatsen enz.; zomerverbiyf in IIalle.

villeus, adj. lat. {villosus, a, urn, van villus, lang dierenbaar) vlokkig, barig, vezelig, ruw; villosa tunica, f. nw.lat. ruige buid; — vil-lositoit, f. ruigheid, vlokkigbeid.

vi mi na lis, lat. Bot. reebt; teenaebtig; staf-of roedevonnig.

vin, in. fr. (spr. weh; v. \'t lat. vinum) wijn; vin brulé, gebrande wijn, een mengsel vim roeden wijn, suiker, foelie, kaneel, koriander enz., op gloeiende kolen niet een eetlepel rum, dien men boven den wyn aansteekt; vin de Hour-f/of/m* (spr. —(iHoordonj\') bourgogne-wün; vin de champannc (spr. —sjaiipdnj\') cbampagne-wün enz.; — vinaifire, m. (spr. winègf; il. i. eig. zuro wyn, van aigre, zuur) wyn-a/.yn, azyn; vinaifire d /\'(js/rafyon, lt;lragon-azyn; vinaiijrc des qualre voleurs, fr. (spr. —dè kallr uwleur) eig. vler-roovers-azUn, spilsboeven-azyn, pest-azyn, een door i movers uitgevonden azyn, uil ruil, salie, alsem, munt en lavendel bereid, waarmede zij zicli, naar men zegt, gedurende eene pest tegen besmetting beveiligd bebben; vin de toilette (spr. —Inah\'l) geurazijn, scboonbeids-azijn; vin sans pareille (spr. saii pavèlj) de lijnste tafelazyn; — vinaigrorie, f. deazün-makerij; — vinaigrior, m. (spr. winèarjé) een azünbandeiaar; de a zijn Hese b; — vinai-grótte, f. eene koude azynsaus, gemaakt van azyn, olie, peterselie, enz. en zout en peper; bet vieeseli met die saus bereid; — vinalien, pl. lat. z. oud. vinum — vinasso, f. fr. baif-wyn, na wyn, z. v. a. piquet te.

Vinca, f. lat. maagdenpalm, vinkoorde, een pronkgewas van vele soorten.

Vincent, m. nw.lat. rincenlïus (van vin-ccrc, zegevieren, overwinnen) mansn.: de overwinnaar, zegepraler.

Vinotuur, f. lat {vinduva, van vine,re, binden) bet bindsel, de band, zwacblcl; vinculum, n. een band, eene boei; vinculum conjugale, de buwelyksbami, eebtknoop; — vinculooron, nw.lat. verbinden. Vindomiairo, z. v e n d e m 1 a I r e vindicoeren, lat. {vindicdre) eig. wre-


-ocr page 1312-

VINEA

VIOOL

1284

ken, slrallon; reilden, vordedlKen, lioscluilton j lots vI ndlcocron, als olgendom aaninallsei), tooeiRone», iti liczlt nomen, als elRondom op-olsclion of torugvordorcn;—vindicatie (spr. I=ls) f, (lal. vimlicaffo) do wraak, roddlng, vor-dodluinir, oororoddliiK; do roclilinatlgo looüigo-nlng, opolschlng ot terugvordering eener /aak, de aanspraak daarop als oen elgondoni; vlndl-c a 11 o-r ec li I, het lerugvorderlngsrcchl van waren, wanneer de kooper In de betaling faalt; — vindicatief, adj. nw.lnt. strairoiul, wrekend, wraakïucldlg, wraakgierig; — vindi-ciën, pl. (lat. riniliciae) r. v. a. vindicatie;— vindicta, f. wraak, liostralllng; openlijke vervolging en bestralllng dor misdadigers; elscli wegens loogeliraclito schade; hg de oude Romeinen ook de staf, waarmede een slaaf, wien men de vrgheld schonk, werd aangeraakt.

Vinöa, f. lat. elg. wynherg; een schutdak voor belegeraars.

Vingolf, z. Wingolf.

vingl-wi, n. fr. (spr. weii-luiii) een en twintig, een bekend kansspel met fransclie kaarten.

viniferns, viniflcator, vino, enz. z. ond. rinum.

Vintem, vintin, m. port. (spr. wienie n ; van vinle = lat. viginli, twintig) eeno rekenmunt in Portugal = 20 reis of ongeveer 5 centen.

vinum, n. lal. wijn; vinum admissiönis, in-treewUn, hol gastmaal van eenon nieuw aangenomen domheer; d. nwum, z. meriiiii: v. misstlle, do miswUn, wijn, die by de mis gebruikt wordt; vino greco, m. 11. eig. griokscho wün (omdat de wUnstnkken daarvan uit Griekenland zgn gekomen); vino seccn, m. 11. w(jn van gedroogde druiven, vgl. sec-, vino Unto, z. li nl o; — vinaliën, n. pi. lat. {vinalïa) bot wUnfeest, hg do oude Uoinolnen op den iislen April en den lilden Augusius; — viniflcator, m. nw.lal. elg. wgnmaker; wynbeieider, een buisvormige blikken toestel tot hosiolen gisling van don wijnmosi, uitgevonden door Oall ie (lo-hienz, in isjii; — vinifleatio (spr. /=/.?) f. de wynbereidiiigskiinst; — viniferus, a, «m, lal. Bol. wyngaardachlig; — vinolónt, lat. (ri-noléntus) wyiidronkeii; — vinoléntie (s|ir. lt;=/.?) f. lat. (vinnlenffa) do wgndroiikenschap, wynroos; vinomóter, m. lal.-gr. een wyn-meter; werktuig lot onderzoek van de hooda-nigbedon dos wgns; vinophobie, r. de wynschuwheld, de baat legen wijn.

Viola, enz. z. v 1 o o 1.

vinlncëm, n, win, lat. Hol. paars, violet, violooron, lal. (rfo/are) schcudon, onibei-ligon, verkrachten, sehoileeren, met geweld onl-eoren; overlreden, de wellen hrekeii; violan\' jus territoridle, het roebt van den landheer le kort doen; - f. eone geschondene, ver-

kracblo, onimaagde; — violatie (spr. I=ls) f, de schending, onteering, nniwijding; verkrach-ling, schoiTeeriiig, gewelddadige onlmaagiling; eerroof; — violent, adj. (lal. violönlus, «, uni; fr. vinlenl) geweldig, gewelddadig, hevig, onstuimig, driftig, vinnig, als adverb, ook violt\'n-ler: violénlum sluprum, z. slap rum, enz.;— violéntie (spr. /=(s) f. (lal. viotentia) hel geweld, de gewelddadigheid, geweldenary, hevigheid, onstuimigheid.

Viool, l) f. of als vorklw. viooltje, n. (lat. riola, ii. viola, hoogd. vióle, fr. violétlc) ook violét, de bekende kleine welrlokondo lentebloem van donkerblauwe purperkleur, het zinnebeeld der boscboidenhoid en nederigheid; viola malronalis, bel vrouwen- of muagden-vlooltje, gevulde nachtschade; — violenstroop, Pharm. eone kinderarlseny uit viooi-Ijes enz. bereid, als borslmiddol tegen do spruw enz.; — violenwortel, een eenigszins biltere, geneeskrachligo wortel met een lieligkon vlooitjesgeur; — violaan, n. nw.lal. een lol de kiezelzuro verbindingen (silicaten) beiioorond mineraal van vloolblauwe kleur; — violét, adj. (it. violél/o, fr. violet) violetkleurig, paars;

— als subsi. f. (11. violétte) eeno soort van paarse perzik zonder dons, mot loszittenden sleen; — violine, f. nw.lal. de vioolslof, oen in verscheiden soorten van viooltjes aanwezige bra-kingwokkondo slof.

Viool, 2) f. (provenc. viola en viula, 11. en sp. viola, fr. violc, mld.lat. vitula, v.\'I lal. vitutari, springen als een kalf, zich vrooiyk aanstellen; vandaar lat. I\'iliila, de godin der vreugde, des Iriomfs) algemeono benaming van verschelden snarenspoeiinigen, welke mol eenen sirykstok gestreken worden, slrykinslrmnenten; inz. z. v. a. viola ili (a) bvaecio, f. 11. (siir. —brat.ijin) ot viola alta (vgl. ail a viola) armviool, all viool (in bet hgd. gewoonlijk bratsche goheeion); viola ili (n) gamba, do knieviool, basviool, z. gam he; viola d\'aittóve, f. ii. of violc d\'amour, f. fr. (spr. damói\'r) d. i. eig. liefdes-viool, een naar de viool gelykend spoeltuig van iiofeiyken loon, vroeger mei 1-2 lol li snaren, waaronder oenigo van meiaal, later slechls mei quot; snaren hospannon; —viool sleutel, m. dio aanwyzing der loongraden, volgens welke de oensgestroepie u op de tweede lijn komt; — vioolblok, n. Mar. eea langwerpig duhliei blok (om zijnen vorm dus genoemd); — vioolstukken, zware heplaakingen vóór don kop van den boegspriel gespijkerd om, des noodig, den kluiver le steunen; — violótta, f. 11. eone kleine viool;—violine, f. (ii. vinlino, m., fr. violon, in.) de discantviool, gewooniyk kortweg viool of vedel geheolen; — violinist, ook violist, m. (11. violimmta) een vioolspeler; — violino piccolo, m. II. de kleinsle viool, (piarl-viool; violino-primo, do eerslo viool; r. seciindo, de Iwoede viool; — violon, m. fr. (spr. wiolóii, eig. de viool ; naar bel Hal. rio-hine) de basviool (vgl. controhas), de bas;

— violonist, m. een basspeler; —violon-céllo, m. 11. (spr. —Isjdlln) of violoncel, n. (spr. wioloiisjil) do kleine basviool, knieviool, z. v. a. viola di gamba (ook cello, schelle, hoogd.); violoncellist, m. een basvioolspeler.


-ocr page 1313-

VIOOLSTEEN

-1285

VIS

Vloolstoon, m. ooii sclillforlBo stoon, dlo hij hol wrUven oenen your van vloolljos van ziuli gcefl. Vipera, lal. (sainennelrükken uil nivipüra, d. 1. lovondo Jonden barende) eene soort van Kittige slangen, die gezegd worden levende Jongen te Imretij ook in algemeen; kleine, vergiftige slang, adder.

Vir, m. lat. man; oir bonus, liraat man, ■/.. viriel, enz.

Virago, f. lat. oen manaciitig vrouwspersoon, niannin, grof gespierde, sterke, vierkante, manhaftige vrouw; gom. ook wol vrouweiyko liuzaai\', dragonder, driedekker, draak.

Virolai, n. fr. (spr. wi-r\'lè; van vir er, draaien, wonden on lui, lied) oen oud-fransclio liedervorin met korte verzen on woderkeerondo rümen; — viromont, n. (si)r. —man) liet wenden van een seliip; vircmenl des parlies (spr. —i/i! parli\') Kmt. liet afrekenen, voroifo-nen van seliuiden do eene legen do andore, aten aansclirUven der posten, overwUzing, overdraging, z. v. u. scontro.

vircns, virescens, lal. Hot. groonacidig. Viróy, m. sp. (spr. wirei: van lat. vice, z. aid., en vex, sp. reu, koning) de vice-koidng, onderkoning, stadhouder.

olrgalus, u, wn (vgl. vlrguiti) lat. Hot. roodovonnig.

virainlus morbus, m. lat. (riruini\'us, u, um, maagdelijk, van viryo, geidt. virgtnis, maagd) do niaagdenziekte, vryslerzlekte, hleekzueht;— Virginia, vr.naam; de ongerepte, maagdelijke; Astron. eon in is,\')quot; door Ferguson onl-dokle asteroïde; — l\'iryiniunus, a, um, lal. Hol. uit VirginiB (Vereen. Siaten); — virginiteit, t. (lat. virginïlas) de maagdeigkheld, maagdelijke staat, zuiverheid, roinheid, oniievieklheid, ongeropiheld, maagdom; — virgo, f. do Maagd, hoi zesde teekon des Diorenrlems.

Virgoulouso, t. tr. (spr. wieruoeléüz\') de gianspeer, yspeor, eene soort van zeer sappige wintorperen (naar liet dorp Virgoulée hu Limogos).

virgiila, t. lal. (verkiw. v. rirfta, takje, rysje, roetjo) eene kleine roede, eon slaafje; een klein streepje, komma; viruiilu mercuriulis of ilevi-nulortu, wichel- of tooverroode, in don vorm oenor waarmede men voorgat, verhorgen schatten en mgnen kunnen ontdekken; — virguleoron, nw.lal. aanstrepen, mei sireep-jes of aanlialingsioekens (,, quot;) insiuiton.

viribus unilis, z. end. unie.

viridis, lat. groen; — viridescens, Hoi. groon-wordend; — viriiliftorus, u, um, groenbioomig.

viriel, adj. lat (rinlis, e, van vir, de man) lilannclijk, manhaftig, kloek, tot den man he-hooiende; viriolo stem, /.. votum virile: — /in) parte vlf/li, eig. naar mannelijk aandeel, d. i. volgens kraehieii; Jur. naar de hoofden, in gelijke doelen; rinlis portui, f. z. ond. port ie; — viriloscéntie (spr. (-lt;«) f. uw. lat. het te voorseliijn lieden van manneiyke eigenscliappen hij vrouwelijke dieren in den ouderdom. Inz. hij vogels; — viriliteit, f.

(lat. eiritttas) de manneiykiieid, miinneiyke staat of ouderdom, voortteiende krueht; inanmoedig-lieid; manneiyke erven; — viripoténtie (spr. l^=ls) t. nw.lal. mannenkrneiit, manhaarheid, man-neiyk vermogen; — «fritfm, lat. man voor man, oen voor een, hoofd voor hoofd.

Virole, f. fr. ilo spiraairol in het horloge. virosus, u, um, lal. Hoi. venynig.

rirlus, f. lat. (genii, virhilis) werkende kraehl, degeiykheid, dapperheid; deugd; rirlus nobifl-tat, deugd adelt (zinspreuk der orde van den Nederlandsellen Leeuw); rirlus post nummos, de deugd na liet geld, d. i. liet geld geldt (hij hem, enz.) meer dan de deugd; rirl/tli et ?nerïto. Mi deugd en verdlensle (zinspreuk der sp. Kareis-orde); virluli in bello, aan de dapperheid In den kryg (opschrift o|i liet kruis der kon. saks. mllllaire SI. ilendriksorde); ririt cfm rirlus, z vleit, enz.; — virtuaal, adj. en als adv. virtmUter, nw.lal. of virtvieel (fr. virluel) kraclitlg, inneriyk vermogend; naar de kracht of hoteekenis, hegripmaiig, volgens zijn wezen geldend; v i r I u e e I e snelheid, de herekendo snelheid, zonder acht Ie geven op do vermindering door wryving en weerstand van hel middel; vir l ue el e kraehl, eene wel voorhanden, maar voor het oogonhlik niet werkzame kracht (in legenst. met actueel); virtueel (spiegel- of lens-) he el d, zoodanig beeld, dat alleen door geometrlselie achterwaarlsche verlenging der stralen gevonden worilt (In tegensl. met werkelijk of physisch beeld); — virtualitoit, f. de vennogende kracht, het werkingsvemiogon; wezeniyke geldigheid; — virtuoos, m. (van \'1 li. virtuoso, d. I. elg. krachtig, degeiyk) een meesier In zyne kunsl, inz. la ile muziek, groot kunstenaar, kunstheid, kunstmeesler, tooiikunstmeesier; — virtuóse, f. (It. rirluósu) nieesleros, groolo kunstenares enz; -virtuositeit, f. de kunstvaardigheid, bet kiinstnieestersebap, de meeslervaardiglieid, nieosterkraebt, volkomenheid in de uitoefening oener kunst.

virulént, adj. lat. (viitilénlus, a, um, van virus, n. sap; poelslank, vergift) etterig, venynig, vergitiig, vol scherpe, kwaadaardige sappen; — viruléntio (spr. l=ls) f. (later lat. virulenlta) de etterachtige gesteldheid eener wond, verglttlglield, hoosaardigheid; de bittere wrevel, wrok.

ris, f. lat. de kracht, macht, liet geweld; — vi, met geweld, gewelddadig; ook kraehiens, ten gevolge, lilt kraehl; ri alisolutlonis, uit kracht der vryspraak; ri adjudiculiunis, kraeh-tens de toowyzlng; ri cessiünis, kraehiens den afstand; ri commissiónis of mHtn/a/i, uit kracht van den bekomen lasl; ri coactus, door geweld gedwongen; ri praesidii, uil kracht van het voorzili erscbap en bet voorrecht als voorzliier; — in vim, kraehiens, uit kraehte, ten gevolge; in vim concipuémlue sentenliae, kraehiens het opmaken van liel vonnis; in vim rerisiunis, ten gevolge der doorziening; - ris armata, de gewapende macht; ris centrifiigo, z. v. a. een-


-ocr page 1314-

VISTA

VIS

1280

IrlfiiKiilo kracht (z. oud. contruni); vis comica, de komlsclte knichl, het vornuiKen om to doen Indien (li. v. in hiyspclon enz.); vis rompu/siiia, aiindrUvondo kratlit; ris ex/iulsiva, ultdi\'Uvende kniclit; ris inerliue, do kracht der volhardlii).\', traagheid, het volharden in denzelfden toestand, het volhaniingsvermofien; ris lc-(jis, kracht van wet; vis major, z. force majeure; vis molt;m, nw.ial. de howegende kracht, heweoKkracht; ris probrindi, de liewtjskrachl.

Vis, ook bis, bisso, wis, een «oud-en zilvergowichl in Itlnna en l\'cgu = l.ti\'M kilo, door de inboorlingen pesta of paltha gohoe-ten; een liandelsgewicht In Voor- en Achtor-Indle, inz. lo .Madras = J maund of mun = I,i2 kilo.

Visa, n. fr. (van \'I lal. visa, Iets geziens, pl. van visum, partlc. vun vidère, zien) hot geziene, do BetulRenis van iels gezien Ie hehlien en Ie IdiHjken; vgl. viseeren; — visago, n. (spr. witad:j\') hel gezicht, iiangezlchl, gelaal, de gezichtsvorm; do persoon; — vis d ris (spr. wizawi) oig. aangezicht legen aangezicht, tegenover; ais suhst.oen tegenover, eene smalle koels in den vorm eener horilno, doch die voor en achter slocllls ëene zilplanls heeft; een persoon, die tegenover een ander Is geplaatst, hü liet dansen, aan tafel, enz.; Muz. een duh-heivleugel, duhhelklavier, een door lloirmaan in lquot;quot;i( uitgevonden speeltuig.

viseüra, pi. lat. do ingewanden; — visceraal, adj. uw.lal tot de ingewanden helioo-rende of die hetreirendo, h. v. visceraal-artsenij of visceraaI-elixir, artsenij tot versterking der Ingewanden of van hot verteringsvermogen.

Vischnoo, Vischnou, Wisehnoo, m. Ind. oig. de doordringer, waarsch. do aitlier, als heziolenil beginsel des lieelais, do hehon-dende, liesohermende godheid der IndICrs, een der leden van do Tri moer tl, gehuwd met Lackma (vgl. Krischna en Slwa).

Viscine, z. ond. vise us.

Viscount, m. eng. (spr. wdikounl: = fr. vieomte, z. aid.) oen engelsche ondergraaf.

Viscus, m. of viscura, n. lat. de vo-geliym; — viscido, adj. (later lal. visnilus, a, urn), taal, kleverig (Inz. van lijm);—viscine, f. een kleverige planlenstof in vogel-lijm; — rismus, «, um, lal. Hot. siyinig, smerig; — viscositeit, f. nw.lat. (viscostlas) de klovorlgheld, taaiheid, laaie siym.

viseoron (fr. riser, van \'I lat. visüre), afzien, mikken, hot oogpunt nemen, turen, doelen; op \'I mikyzer nomen (vgl. vizier); gken, rooien «f rooien, den Inhoud van oen vat mot den visoorstok onderzoeken en moten; eenen pas en ilgl doorzien en door onderschrift en zegel goedkeuren en hokraclillgcn, er zun visa

onderschryveu: — viseerder, m. ...... vat-

meler, yker, rooier, ijknieesler; een onderzoo-kor van passen en dgl.; - viseerkunst, de ykkunst, vaalmoeikunsl, de kunst om don inhoud van een val te hepalen; do kunst van wel te mikken, mikkunst; — viseerschot, n. hy do artillerie; het lioogste hoogschot, waarhU hel geschut tot in don eorsten graad verhoogd wordt; — viseerstok, een maat-slok voor vaatwerk, roei- of roolstok.

viset- of flsethout, z. fustlkhoul. visibel, adj. lat. (visil/itis, c, fr. visible, van \'I lat. visum, vidcre, zien) zlclilhaar, openhaar, oogenschynlük, klaarhiykclUk; — visi-biliteit, f. zichthaarheid, oogenscliyniyklield.

Visie, f. lal. (visio, v. vidcre, zien) elg. hot zien, do aanhilk; gezicht; inzage h. v. tor visie liggen (van, stukkon, hostokkon, enz.); Log. de aanschouwing; — visioen, n. lat. (rf.sïo) een gezicht, droomheohl, nacht-gozlchl, spook, eene hersenschim, Inheeldlng, droomory; — visionair, m. nw.lat. (fr. vi-sionnairc) een ziener, geestenzloner, dweper, droomor, iomand vol zotto grillen, inheeidingen (vgl. p li a n la s l).

visis aclis, lal. Jur. na Ingozlene aclon of na iuzicning dor slrydschriflen.

visiteeren, lat. (risilnro, oig. liy herhaling naar iels zien, van vidcre, risfre, zien; fr. risiler) onderzoeken, doorzoeken, liezlchti-gen, hezoeken, een liezoek geven, gaan zien; — visitatie (spr. I=ls) f. de onderzoeking, heziclillging, huiszoeking; hezoeking, lucliliging; het liezoek der maagd Maria aan Kllwiholh; hezoek van kerken enz. door hoogere autoriteiten; — de orde der Visitatie-nonnen of der Visitandinen, eene orde van geesteiyko zusters, geslicht door SI, l\'ran-ciscus de Sales te Annecy in lliin, om de zieken te hezoeken en Ie ondersteunen; — visitator, m. nw.lat. een doorzoeker, gerech-toiyk onderzoeker of hezichliger van koopwaren, enz. do kloosleronderzoeker; — visite, f. (fr. visite) het hezoek, de opwachling; het hezoek der arisen hij do zieken; hel onderzoek of de opneming (der koopwaren, enz.); ook korte da-mosnianlel; — pour faire risile (spr. poer fèr\' wiziél\') afgek. p. f. d., om hezoek af Ie leggen, om zyne opwaeliling Ie maken; — visite-kaartje, hezoek-kaarlje; — visitekamer, hezoekkamer enz.; — visiteur, m. fr. onderzookor, kommies, hozioner, peller (der koopwaren, scheepsladingen, enz.): hij sommige orden de geesleiyke, die het opzicht heeft over vele gesticlitcn van dezelfde orde, do palcr-visitor; ook een vryinelselaar, die eene logo, waarvan hy geen lid is, liezookt, een hroeder-visllour; in \'I algemoen Iemand, die ilikvvyis liezoeken allegl.

Vislino, z. ragusino.

Visney, m. eng. (spr. wisni) do met hran-dewyn vermengde llnlvvyn, kersenlirandewyn.

Visorïum, n. nw lal. (van \'i lal. vidcre, zien) hot gezichtsdoel; liy lellorzetlcrs: do hand-schrlflhoudor, hol vizier, een plankje, waarop de Ie zeilen cople wordt vastgestoken.

Vista, f. 11. (spr. wiesla: van hel lat. vidcre, zien) Kuit. zicht, verloonlng van eenen wissel; — a vista, dadelgk op zicht, op vertoo-


-ocr page 1315-

VISUAAL

1287

VITRUM

ning lt;lcs wissels (to Ijotulcii; vkI, ajn ima visla, ond. p r I m u s); — vislaménle, zoor snel.

Visuaal, visueel, udj. nwlat. lot hot zien liolioorende, liet gezlolit botrollondo j — v tsuiiaI-ly n, de gczlclitslUii; — vlsuaiil-puiit, liet oogpunt, gozlclitsimnt; vlsua al-zenuw, do gezichtszenuw; — visualitoit, de zlonsknicht, hot zlensvoriiiogeii.

visum, n. lat. (van vidêrc, zien) liet geziene, de aanhllk, oogonschyn; ook z. v. a. visa (z. aid.); — visum repérlum, n, een liezlchllglngs-of onderzoeklngsliericlit, hel verslag van eonen geneeslieor of wondlioolor over don toestand, waarin hg gewonde ot doodo lichamen heelt gevonden, een schouwherlclit; — tiisus, m. het zien, het gezicht, de zlonskracht; cis us abnór-mi\'s, m. gebrekkig zien; v. colorStus, kleuren-zien, z. v. tl. chrupslo; i\'. (lefiauralus, z. v. a. inolainorphoslo; v. dimidinlus, z. v. a. hemlople; «. dupliratus, z. v. a. dl-ploplo; v. IucmIus, ■/.. v. a. photopslo; v. nebulosus, novolzlon; igt;. reliculalus, net- of lloerszlen.

Vila, I. lat. het leven; vlla anle-acla, hot voorheen gelelde leven, de vorige levenswandel; vi/a brevis, ars longa, het leven (Is) kort, de kunst lang; v. sedenlana, z. sodontarleh ond. sedes; acta de vita, liet levenshewgs, hot in rcchlen gevorderde liowysstuk, dat Iemand, h. v. die eene Jaarwedde trekt, nog In leven Is; vilae curriculum, n. de levensloop; vilae, non scholae, discéndum est, voor hel leven, niet (enkel) voor de school, moet men loeren; viiam impendcre vero, z.yn leven aan de waarheid vvyden (citaat uit .luvenalls); ud viarn aelernam, voor het eeuwige leven d. 1. In alle eeuwigheid; — vitaal, adj. (lat. vilu-lis, c), tot hot leven hehoorendo; lovend, voor loven geschikt, met levenskracht begaafd; levengevend, lovenwckkond, levenbevorderend of -onderhoudend; - vitaal principe, de grondoorzaak des levens; — vitale wannto, levenswarmte; — Vitalianen, pi. z. v. a. VI c t u a 11 e - b r o e d e r s; — vitalisme, u de leer van hel levend zyn van schynbaar le-venlooze llclmmen door daarin werkende geesten, de klopgeestory, de tafeldans; — vitalist, in. aanhanger dezer leer; — vitaliteit, f. lal. {vilalilas) de lovenskriicht, het levensvermogen, bel leven, hel lydslip, waarop bet leven aanvangt; legale vl lal Helt, dal lydslip, waarop hel kind wordl gerekend lol leven geschikt (viabel) te zyn, en waarvan de eerste term hy de wet hcpauld is op den I82slen dag; — vitalituim, n. mid.lal. het levens-onderboud, de llehaiimsbebocfto; bet schenken van zyn vermogen aan iemand, om daarmede een ander levenslang te onderhouden; — vi-taliseeron, nw.lal. levenskraehl geven, bezielen.

vilalba, lat. Hot. vuilwit (b. v. Clematis i)(-talba).

vitc, fr. (spr. wiet\',- oudfr. riste, II. vislo, vispo, llink, vlug) snel, gauw, ras, vlug, gezwind ; — vitósso, f. snelheid, gezwindheid.

viléllus, m. lat. (eig. kalfje, verkiw. van Vilnius, kalf) bel el-geel, de dooier; — vilei-linus, «, um, lal. Hol. geel als eierdooiers; dooiervormig.

vitiligo, f. lat. (van viCttis, gevlochten, van viërc, vlechten) eene soort van liiiidull-slag, wille huidvlek, Inz. de levervlek (vililigo hepaKca).

vilifolius, a, um, lat. liot. wyngaardbliiderig. Vitilitigiitor, m lat. (van vitium, z. aid. en litigUre, i. lillgeeren) een opzotto-lyk of moedwillig tegenspreker, twister (cbi-c an our), een liedilier, schreeuwer, blafkaak;

— vitilitigium, n. nw.lal gezwets, geblaf. Vitium (spr. ti—lsi) n. lal. pl. viti\'a,

eene fout, fell, eon gebrek, verzien, eene vergissing, dwaling, ondeugd, zonde; vitium cano-nïcuin, een licbaamsgeiirek, waardoor iemand lol het vervullen van eene geestelyke hedle-nlng in de r. kalh. Kerk ongoscbikl wordt gerekend; vitium congenftum, een afingeboren vorniingsgehrek, eene onregelinatigbeld, afwijking; vitium naturae, oen naluurgebrek, aangeboren gebrek; rit. remissidnis, Muz. het gebrekkig dalen der zangslcm; rit. subreptionis, .lur. het vergryp der valsche, eonzydige voorstelling; ril. trein//li, het sidderen der slem hy bet zingen; — vitiëus, adj. (lal. viliasus, a, um), gebrekkig, gebrekkeiyk, verkeerd; ondeugend, verdorven, goddeloos, slecht, zondig;

— vitiositoit, f. (lat. vllinsïlas) de gebrek-kigbeid, verkeerdheid, boosaardigheid of verdorvenheid van hel menscheiyke Imrl, bel bederf.

vitresceeron, vitrifleeeren, enz. z. ond. rilruin.

Vitriool, n. (fr. en provenc. vitriol, sp. vilriolo, 11. rilriuoto, mld.lat. vitriulum, vitreo-lum: van \'I lat. rilreulus, vilrius, a, um, van glas, glasachlig, v, vilrum, glas, wegens zynen glasglans en z.yne glasachlige gcsleldbeld) eeu gekrlslalliseerde verbinding van zwavelzuur niet het oxvde van ccn zwaar metaal, inz. van koper, yzer, zink, lood en kobalt; vandaar k o-p e r-, y z e r-, z luk-, I o o d- en k o b a It - v 1-triool of naar de kleur: blauw, groen, w 11 enz. v 11 r I o o I; — vitriool-aether, m. of vitriool-naphtha, f. op bel hoogst gezuiverde wyngecst met zwavelzuur gedislllleerd, ton ullorsle vluchtig, licht ontlirandbaar en van sterken, doordringenden reuk (vgl. iel her); — vitriool-olie, zwavelzuur; - vitriool-kies, zwavolkles, yzerkles; — vitriool-spiritus of vitriool-geest, oudere naam voor verdund zwavelzuur; — vitriolescee-ren, harb.lat. lot vitriool worden; zich In vilriool veranderen; — vitriolisatie (spr. -za-tsie) f. de zwuvelzuur-hereldlng, do verandering in vilriool.

vilriotatus morbus, m. lal. z. v. a. epilepsie (z. aid.).

vilrum, n. lat. glas; vilrum aiilimonïi, sples-glansglas; r. plumbi of igt;. Sütünti, loodglans;

— vitreseooren, nw.lal. lot glas worden,


-ocr page 1316-

VLAAMSCH

VITTATUS

1288

verglazen; — vitrescibel, adj. (fr. vilrifiahle), verKlaasbaar, wat door de werklui! des vuurs in glas kan veranderen; — vitrescibiliteit, f. de vergluasbaarheld; — vitrificooren, lol glas maken «f smelten, in glas veranderen, verglazen; — vitrillcatio (spr. tie=lsie) (. do verglazing, verandering in glas; — vitreus, adj. glasaelilig, glazig; — vitrine, t. glazen kast om waren uit te stallen; — vi-trométor, m. lal.-gr. een glasmeter, straul-breklngsmeter, een werktuig, waarmede men do vorschlllondo graden van breking on verspreiding meel, welke de lichtstralen liU hunnen doorgang door de ondorscheldeno soorten van glas ondergaan; — vitrotyple, f, do kunst om lichtbeelden op het glas voort to brengen

villalus, a, urn, lal. Hot. met banden ol breede strepen, bandvormig, met gekleurde strepen.

vituporooron, lat. (viluperüre) laken, mlshiliuken, wraken, misprüzen; — vitupo-rabol, adj. (lat. mluperabflis) lakenswaard, berispenswaardig; — vituporatie (spr. lie= Isic) f. de laking, wraking, mlspryzlng, versmading.

Vitus-dans jSint-| ofSl.-Veltsdans, z. V a I e n t y n s-z 1 e k I o, oud. vale.

Vitzliputzli, m. (mexlcaanseh lluiltilo-pochlli, samengesteld uit huilzilzilin, kolibrie, en opnrhlli, links, omdat het beeld van den god aan den linkervoet kollbrlevederen had) do krygsgod der oude oorspronkeiyke inwoners van Mexico, wiens feest in do lento gevierd werd; de mexikaansi\'lie duivel.

Vitzthum, z. vldnme.

viva, enz. lat. vivacitoit, enz. z. onder vlvus.

Vivandier, z. oud. vlvres; — vivarium, z. ond. virus.

viral.\' lat. (van vivire, leven) of It. vivat by (zy, hot) leve! lang leve....! vival ami-cilia1 rival amorf enz. lang leve de vriendschap, lang besla de liefde, enz.; het vivat, het hoilwenschend vreugdegeroep: hg leve! viranl, dat zy leven! ri-ri, ik heb geleefd; vlxil, by (zy, het) beeft geleefd; — vivdrcparvo, van weinig loven; — vlve valcque, leeft en vaarwel; — vivit sub peclore vulnus, de wond leeft In hel illepst zijns harten.

rire l\'mpereur, fr. (spr. aiip\'rcur), leve de keizer!

Vivórron, f. lat. (rirerrae), stinkdieren, een naar don marlor goiykond dierengeslncht, ook moufetto on cone pa tl (z. aid.).

Vivour, m. fr. (v. vim, loven; vgl. vlvres), z. v. a. bon vl va ut, z. aid.

Vivianiot, vivifleatio, viviparen, vivisectie, ■/.. ond. v i v u s.

Vivres, pi. fr. (spr. wiw\'v; van vivre = lal. vivtre, leven) levensmiddelen, mondvoorraad; — vivandier, m. (spr. wiwaiuljè van mld.lat. viranda, viamla, vivenda, 11. »i-vanda, fr. viande, levensmiddel, spys, vleesch tot voeding, -\'an lat. vio/\'re, leven) een veld-kramer, legerhandelaar met levensmiddelen, zoe-tolaar, niarkctenter; — vivandière, f. (spr. —djèr\') zoetolaarster, marketensier.

rirus, a, urn, lat. (It. vivo, fr. vif) lovend, levendig; viva vox, f. de levende slem, hel levendige woord, het mondeling onderwys; vivu voce, met lovende stem, d. i. mondeling; inlcr viros, onder de levenden, zoolang men nog onder de levenden Is of nog leeft, tydons het leven; — vivace (spr. wiwdlsje-. van \'1 lat. vi-rax, genil. vivücis, lang levend; levendig) ook vivo en con virézza (spr. —vélza). It. Muz. levendig, vurig, mei lovendigheld; — viracis-simo (spr. —Isjiés—), hoogst levendig; — vi-vaciteit, lal. (rivucilas), of fr. viracilé, f. de levendigheid, vlugheid, vinnigheid, vurigheid, wakkerheid, hedryvigheld, vrooiykiield; — vivarium, nw.lal. eene bewaarplaats voor le-venrie dieren, eene diergaarde; — Viviaan, m. n. Viviane, f. nw.lal. namen; do wakkere, levendige; — viviauiet, n. phosphor-zuur yzer, spalhig of bladerlg yzerblauw, uit phosphorzuur yzer en wator beslaande; — vi-viücatie, f. laler lat. {virificaïïo, v. vivifi-care, levend maken, bezielen) de bezieling, levend- en levendigmaking; — viviparen dal. viripari, v. pari)re, baren) |il. lovendbarenden, dieren, welke levende Jongen Ier wereld brengen ; — viviparisme, n. of vivipariteit, de slaat of gesteldheid der dieren, die levende jongen baron; — viviseceeren, nw.lal. (vgl. soceeren, enz.) levende dieren onlleden (voor physiologische proeven); — viviséetie, f. nw.lal. (spr. I=s) ontleding van levende dier-iyke lichamen; — viviséetor, m. de ont-leder van levende dieren.

vix credo, lal. nauweiyks geloof ik hol.

rixi, vixil, z. ond. rival.

Viz, m. eene rokenmunt In Bengalen = zllverropU of .\'IJ cl. courant; op Coroman-= t c. tt zilvorropy of j cent.

viz., afkort, van ridelicel, z. ond. vide. Vizier, 1) of clg. wezlr, m. arah. z. oji v z I e r.

Viziei\', i) n. (II. visiéva, f. fr. la vi.iière van \'I lat. vidcre, zien, visum, gezien) hel voorstuk van oenen helm mol de kykgalen, dat men kan opschuiven om beter Ie zien of ruimer adem te halen, de helmschulf, helmklep; hot oogpunt, mikyzer aan schietgeweer; aan moetkunstwerklulgen: de kijksplecl, /.. v. a. diopter; ook voor oog, gezicht, b. v. Iels In \'t vizier krygon, hel in \'l oog krygen; Iemand Iels In \'I vizier zeggen, hem In \'I aangezicht Iels beloedigends, grofs, onaangenaams, enz. toevoegen.

vlaamsch, van Vlaanderen, wat tol Vlaanderen behoort, daaraan eigen Is; ook weleer voor: nederlandsch, toen Vlaanderen hel be-langrykste gewest der Nederlanden was (geiyk men laler h ol la n d se h voor nede r I a n dsc b zeide en zegt), h. v. de vlaamscho school, do nedeilandscho schilders, de schilders van do


-ocr page 1317-

VLADIKA

1289

VOI.

iiedcrlanilsclie school; een pond vlaamsch, noderl. gelInBOcrde munt, = (i ruUIoii ; — Vla-mingon, liowonors der provlnclo Vlaundo-ron-, woloer ook Noderlundors.

Vladika ot wladika, m. (van \'l slav. wladali, russ. wladiélj, lioerschen, verwanl aan liet dullsclio wallen, lieersclicn, (jeumll, Ke-weld, maclit) titel van den vorst van Montenegro.

Vloot, f. nederl. (van vlieten, drijven) een vliet- of drijrnet voor de haringvangst, het haringnet als \'1 In zee ligt; ook allerlei vlsch-tulg; oen groot, ter walvlsehvangst uitgerust selilp; oen net vol, en vandaar de nlet-getoldc monlgte, waarhy de kleine vlsch verkocht wordt; hij de vleet, hij menigte, In grooto hoeveelheid te geiyk (als haring In het net).

Vlioboot, r. noderl. oorspronkelijk eene zeeschuit, die de wateren van \'t VIle bevoer; later de naam van de vaartuigen der Watergeuzen; een licht, wgdhulklg vaartuig van SU tol 1(1« ton, In/., voor de haringvangst.

Vüob, n. nederl. nauw verwant aan vel, valles) In \'t alg. zeer dun vel-, de huid van een dier met de haren, de vacht van een schaap, sclmpovacht; het gulden of gouden vlies, eene faheluchtlge ramsvacht (z. A r go na u I e n); de orde van het gulden vlies, eene hour-gondlsch-spaansche en ooslcnrüksche ridderorde, in li;m ingesteld door Philips den (Jocden, hertog van Itourgondiü, welker ordeteeken oen gouden lamsvel Is.

Vloot, f. nederl. (van vlieten, vlotten; fr. en hoogd. HnUc, eng. fleet) eene menlgle hUoenhehuarendo schepen, tot een doel bestemd en doorgaans onder een gemeenschappelijk hevel staande; — vlot, n. eene menlgle iiiin-eengebechle drijvende balken, inz. z.uo als die uil Oullsebland naar Nederland komen, houtvlot; — vlotschuit, vlotschuit, f. eene soort van phithoomde lichters, ten dienste van groote schepen, inz. Ie Amsterdam.

Vocaal, f. (van \'1 lal. vocalis, f. sell, lil-ISra, van vocalis, e, klinkend, geluidgevend, van VOJ\', stem) een zelfklinker, klinker, eene klinkletter, b. v. n, e, i, enz, (in tegenst. met eonsonant); als adject.: wat met de stom of overluid geschledl, h. v. vocaal gobod, een gebed, ilal overluid gedaan wordt in (ie-genst. met m e n taal g e h e d); — vocaal concort, n. een concert waar alleen gozang-voordrachton gebonden worden; — vocalo muziek, gezang (In legenst. met In si ruin c n I a I e m u ziek); — vocalisch, adj. zelfklinkend; — vooalismo, n. de gezanion-lyke zelfklanken en haren aard en verhoudingen-, — vocalisatio (spr, -za-lsie) of vo-calisooring, f, het lookenen van het be-breouwscbo schrifi met vocaal-tcekens,

vocabiilum, n, lat, pl, vocahnla (v, vnenre, roepen, noemen) een woord; — vocabularium, n, fr. vocabulairo, een woordenboek, eene woordenopgavo, woordenHjsl, Inz. om van hullen te leeren In de scholen; — vocabulist, m, een woordenhoekschrUver; een woordenkramer.

vocalisch, vooalismo, vocalisatio,

z. oml. vocaal.

Vocatie, vocatief, z, oud. voce oren. voce, f. it. (spr. woolsje-, van \'tint, vox, genlt. iioru\') stem, zangstem; voce ili petto, horststeni; voce lt;li lesla, hoofdstem, fausset-stem (falset); « voce «)/«, voor éene stem; — rocc, vocem, lat. z. oud. vox.

vocooren, lal, {vocürc] roejien, noodlgen, dagvaarden, voor de rechtbank roepen; — vocatie (spr, t=ts) f. (lal. vocalïo) de noodl-glng, ontbieding, dagvaarding; de roeping, nel-ging, aanleg; bel beroep of du beroeping tot een nmbt; bet ambt, de post, werkkring; — vocativus of vocatief, m. Gram, de roeper, z, casus; ook een schalk, looze vogel (dien men dikwyls berispend of waarschuwend moei toeroepen).

Vociferiitio (spr. I=tx) f. lat. (vocifera-tio, v, vociferari, schreeuwen) het lulde roepen, schreeuwen, geschreeuw.

Voet, m, eene voorin, nederl. lengtemaat; de rUnlandsche voel = 0,;tlll0 —, deam-sterdamsche voel = (l,2s;il meter; ook eene lengtemaat In zeer vele andere landen, die meestal Iets meer of minder dan :i palmen of decimeters lang Is.

Vootiaan (spr. l=ls) m. aanhangers van Voet of Vee tl us, een hekend godgeleerde, die In de nde eeuw te Utreebt loerde; Iron, een voetganger, voeleorder,

Voguo, f, fr, (spr, wón\'; van vaguer, II, vogurc, roeien, varen = het bongd. wogen) eig. golvende of schommelende beweging, vaarl, loop, gang; ondoo|gt;, gebruik, zwang, mode, trek, toeloop, naam, roem, achting, aanzien; In vogue of en vogue (spr. aii—) zijn, In zwang zyn, In goeden naam staan, gezocht worden, veel aflrek hehheii; toeloop hebben; vogue hi galire, vare de galei daarheen! d. I, \'1 mag gaan zoo \'I wil! er mag van komen wat er wil, \'I worde gewaagd! daar gaat hel!

BOid, fr. (spr. woasi) ziehier, hier Is, hier; voila (spr. would), ziedaar, daar Is, daar; voihi loul (spr. toe), dal Is alles.

Voio, f. fr. (spr woaj\', eig, weg, straal, = lat. nia) een voer, voeder, eene voormalige franscho Inhoudsmaat voor beul, gips, sleen-kolen, enz. = I.Hi M1,

Voile, f, fr, (spr, van \'t lal velum, n, voorhangsel, gordijn, sluier; zeil) sluier, doek van dunne, doorzichtige slof, die door de dames inz, vóór het gelaat wordt gedragen,

Voisinago, f, fr. (spr. woazindazj\': van voisin — lal, vicinus, buurman, nabuur) de nabuurschap, nabyiield, buuri,

Voitüro, f, fr. (spr. wouliiiir\': van \'I lat, vectüva, het voertuig, v. vehüre, voeren) een voertuig; inz, een ryinig, wagen, eene koets; voiture lt;le placc (spr, d\'plmis), een slallouee-rend bunrrytulg, z, v, a. tinker. vol., afkorting van volumen (z. aid.).


-ocr page 1318-

VOLABEL

1290

VOLTE

volübel, adj. tiw.liil. (v. volOre, fr. voter, \\IIok«ii) vluchtig; ook rr. [volatile, van voler, slolon) slocllianr, bestooljiaar; — volabili-toit, r. nw.lut. do vluchtlgliold; - volaille, f. fr. (siir. wolalj\') govogdlo, plulmRodlerlc;— volant, adj. (lal. vótans, fr. volant) vllcReiul, lladderond; — tn. fr. (spr. woldii) een plulm-Iml-, — volanto, f. eon lung, Held vrouwo-kleod; een Helde, niet gevoerde vrouwenovor-rok; — volatiel, adj. lat. {mlattlis, «) vliegend, gevleugeld; vluclilig, licht vervliegend, verdampend; volatiliteit, f. uw.lat. do vluohtlglield, vervllegiiaariieid; veranderUjkiioid, waiikelinoodigiiold; — volatiliseeren (spr. .t=z) uw.lal. Chem. vervluchtigen, vluclilig maken; — volatilisatie (spr. -zu-txie) f. de vorvluclitlglug.

Volapuk, n. (spr. v=w; u—uu) eeno zoogenaamde wereldtaal (vola, gen. van vol, wereld, puk, taai) uiigeduclit door pastoor J. M. Scliloyor te Ll/.zeistotleu hy Oonsianz In Maden, ilie daarvoor eeno spraakkunst en oen woordenlgst heeft gegeven; thans te l\'ards en elders zeer In de mode en op enkele plaatsen aan Inrichtingen van onderwas als leervak ingevoerd.

Vol-au-vent, ui. (spr. vol-oumh) pastei welks (boter)deeg hol (d. i. zonder den Inhoud) gehakken Is.

Volborthiet, n. een naar Dr. Vol hort li ia l\'elorshurg henoomd mineraal in Kusiand, quot;vanadlumzuur koperoxyde.

vol d\'oiseau, fr. (spr. —(loató) vogelviuchl; d rol it\'oiuau, in vogelvlucht, d. 1. voorgesteld of afgclioeld, alsof de tookoning van de plaats, het landschap, enz. uit het gezichtspunt des overvliegenden vogels genomen ware.

Volo, f. fr. (van voler, stelen, snel wegnemen; vgl. volorie) in het kaartspel; het halen van alle slagen door écu speler, ook ton t geheeteri; In vole annoncde of déctarée of solo tout, ile hü den aanvang van \'1 spel aangekondigde of verklaarde vole.

Voléo, f. fr. (v. roler, vllcgon) eeno vlucht, menigte, oen zwerm; eeno hui; de slaat, rang, jaren; la première volée of haute rolde, lieden van den eersten rang, do iioogcre klassen der maatschappU, de voornamen; — a In volée, ter vlucht; in \'l wild, onhezonnen.

volenle Deo, volenti, enz. z. oud. rolo.

Volorie, f. fr. (spr. wot\'ri\'; van voler, slelen; afgek. van \'1 lat. involare, In do vlucht wegnemen) dlcvciij, spitshocvory; — volour, m. een dief, gauwdief, roovor, spitsboef.

Volot, n. fr. (spr. umlè) een Idind, ven-sterhilnd.

Volière, f. fr. (spr. wo-ljèr\'; van voler, vliegen) eene vogelvlucht, liesloten ruimte, wnar men allerlei vogels tol zyn vermaak houdt ;groole vogelkooi, duivenslag.

Volik of wolik, f. lurk. {wotyk) een klein turksch vaartuig mot éenen mast, lol de kustvaart hestemd, eene hark.

Volltio (spr. I=ts) f. nw.lat. l\'hllos. de werking, door welke de wil zich tot Iets he-paalt, de wil, wilsuiting.

Volkaan, z. vulkaan.

Volkameria of volckameria, f. (zoo genoemd naar Joh. (i. Volckamcr, een ho-tanicus te Neurenherg, gest. KiM) een pronk-gewas van velerlei soorten, waarvan ééne (l\'ol-kamena jlagrans of Cterodéndrum flaarans, ook Volkmanrifa apontea) ito weiriokendslo liloemen draagt.

Volkmar, oudd. mansn.; de voiksbo-roemdc, volksroem.

rolo, lat. ik wil; sic volo, sic juhüo, zóó wil, zóó beveel ik bet, of In plaats van allo gronden, zal myn wil geiden; volénle Deo, lal. afgekort v. /gt;., als Ooit wil, met Gods wil; — volénti non fü injurïa, aan den willende geschiedt geen onrecht, of wie hot zoo hebben wil, dien wedervaarl recht.

Volontair, in. (siir. woloiitèr: fr. volon-Icire, van \'1 lat. voluntartux, a, urn, vrywllllg) een vrywiliiger, (soldaat); Iemand zonder dienst of meester, aan zicli zeiven overgelalene; — volontairement, fr. (spr. wolnutèr\'man) ongedwongen, vrywllllg, uil eigen vryen wil, zonder dwang; — volontó, f. fr. (spr. wo-loiité, van \'I lal. voluntas) do wil, bot willen, believen, welbehagen; — ó voionlé, naar belleven, naar welgevallen; — payahle a votonté (spr. pijnht\'—) belaaibaar als de houder (van den scbuldhrlef) de betnling verlangt; — vo-lontiers, adv. (spr. moto kt jé) gaarne, gewillig, gereedeiyk.

Volsolla, vulsella, f. lat. Chlr. eene korentang, een baarlrekker; ook teniyzer, pell-yzer.

Volscen, Volsken, m. pi. een oud lia-

llannsch volk In l.alium. aan helde oevers van do l.lrls, wier boofdstad Anllum was.

vntta, it. Muz. maal (op do parilill\'n gebruikt om herhaling aan te dulden: prima volta, seconda volta, enz.).

Voltaire, m. (spr. wottèr) een, wellicht naar den beroemden franschen diebtor Voltaire goh. Ititli, gest. tTJ8, genoemde soort van gemakkelijke si oei; — voltairianisme, n. do geest, de gevoelens, bet stelsel van Voltaire; — voltairiaansch, adj. wat Voltaire betreft, Inz. do neiging, overhelling, zucht tot spollende ongeloovigbeld.

Voltaïsche zuil of batterij, ■/.. oud. g a 1 v a n I s m e; — voltaïsch pistool, een door de elektiicltelt af te scbieten pisiooi; — voltaïsme, z. v. a. gal vanisme; — voltaïet, n. een naar Prof. Volta genoemd, aan yzeraluin verwant mineraal van de Snifa-tara bij Napels; — voltaméter, m. een naar derizeltden natuuronderzoeker genoemd toestel, om de door elektrolyse van bet water ontwikkelde hoeveelheden van waterstof- en zuurstofgas en daardoor (met Inacbtnemlng van den lyd) tegeiyk de sterkte van den galvanl-schen stroom te meten.

Volte, f. fr. (It. volta, van \'I lat. volütus.


-ocr page 1319-

VOLTIGEEREN

i \'201

VOTUM

n, urn, gerold, Küdraalil, enz., van oolvire, z. volvoeren) ile woikIIiir of de zwenking, hot krlMKSgcwyze oinrydon met con paard oi) de rijbaan; een oude dans, waarhy men, na zyae dame verscheiden wendingen Ie hehlien doen maken, haar liclmlp/aam Is in het doen van een luchtsprong-, de muziek lol dien dans; In liet schennen oone zekoro hewcglng of kunstgreep om de stooten der pariy af Ie keeron; lt;iok het onderslaan der kaarten, de kaarlkco-ring, kaartruillng, eene kunstgreep van goodie-laars on geoefende kaartspelers; vandaar do volte slaan; vollu-facc l,s\\)v. uwll\'fdus\') mn-k e n, zlcli plotseling tegen don nazettenden vijand wenden en hem liet hoofd hleden, geheel omzwenken; — volli of rnlln stilti/n (spr. it=oc), volli presto, It. afgek. v. s. of r. p. (op ma-zlekhladen) koer snel om! of snel omgekeerd! — .si volli, men koero om, sla om.

voltigeeron (spr. wolllzjeeren) fr. (rolII-iicr: II. rnltcudlarc) heen en weder zweven, lladderen; zich ii|i een paard slingeren of werpen, op-en afwerpen; kunslsprongen doen;— hot voltigooron, hel kunslsprlngen, op- en afspringen van een paard; — voltigeur, m. (spr. ivoUizjöür) een kunst- of luchlsprliigor, slingeraar op de koord (vgl. ajnuillhrist); pi. voltigours, onk eene soort van lieht voetvolk, geplaatst op den iinkervleugcl van het hataljon en voornameiyk heslemd om lolirail-Iceren en zleli snel heen en weder te hewegen.

volübol, adj. lat. {.voluhtlls, c, van rol-rërc, ■/.. volveeren) cig. lolhuar, draalhanr; liulgznam, lieweegiyk, lenig, vloeiend; vo-lubilitoit, f. (lal. roluhirtlas] do lieweegiyk-held, lenigheid, liulgzaamheid, gladheid, radheid of vaardigheid van long, vlugheid, vloelliaar-lioid in \'t spreken; veranderlijkheid, onhesten-dlKhehl; — volubïlis, f. ISot. soort van slingerplant.

Volümen, n. afgek. ml., pi. rolmnina, lat. (van volrire, ■/.. volvoeren; fr. volume) eene hoekrol, papierrol, siimcngoroid geschrifl; een puk of hundol geselirlflen; vandaar ook voor hoek, lioekdeel, hand of deel van een hoak; nok de omvang, ruimle, llchameiyke inhoud of omvang, de groot Ie, dikte, massa van een 11-chaain; — volumonométer, m eenerulm-tenieler, oen door Kopp uilgevonden instrument, om den riiimlo-lnhoud van vaste en vloolbarc lichamon Ie hepaleri; — vollimétor, m. een pliyslologiscli loeslel om rulmleveranderlngcn aan afzondoriyko deelen van hel levende menschen-of dlerenlicliaam lo meten; Chem. toestel lol maal-aniilvsc; volumotrio, 1 rulmtemeot-kunst; In do physiologic; do moling van rulm-tevcranderingen van enkele deelen van het men-scheiyk of dieriyk lichnani; (quot;.liem. clioniischo maat-analyse; — voluminous, adj uw.lal. (fr. rnlumhiciuc) veeldeolig, uit vele hoekdeelen heslaande; veel plaals heslaandc, dik of dik-lyvig, van nanzicniykcu omvang; — volumi-nositoit, f. lyvigheid, dikte, groolheld vim omvang.

volünlas, f. lat. (van rolo, z. aid.) de wil; slat pro ratiöne volunlas, de wil of de willekeur geldt voor redo of grond; lainen esl lou-ilaiulii volunlas, z. linnen, enz.; — volunlarïe, adv. .lur. vrywilllg, van zelf.

voluptuous, adj. lal. (volupluósus, a, urn, van vohiplus, genengle, weliusl; fr. rolupiucux] wellustig, aan do zlnneiyke vermaken overgegeven, vennakeiyk, genoegiyk, genot-ademend. Voluspa, z. oud. Wole.

volvooron, lal. (rolrüre) vventek.....■oliën, draalen, wikkelen (vgl. ook in vol voeren); — volüto, f. (lal, roliila) Arch, do wrong, eene krui of een sieraad aan het kapiteel der zuilen; N. II. de rolslak, toot, een slakkengesiachi; volutioten, m. pl. nw.lat. eene slakkeuverstcoulng met rolvormige ilraaiiii-gen; — volvulus, m. .Mod. de darmkronkot, hel in I s ((r o r o.

vomooron, lat. (romlrc, fr. romir) lira-ken, overgeven, spuwen, uitiiraken; — vomï-tus, m. liet overgeven, hraken; — vomilo ne-firo, m. sp. liet zwarte hraken, de gele koorts;

— vomitiof, n. nw.lat. en vomitorïum, n. lal. (\\au vomilorlus, a, um, braking opwekkend) ei\'n liraakmiddel.

Vomica, f. lal. eene zweer, bloed- of ettergezwel ; Inz. oen longgezwel; — nux romicn, z. ond. iiiw: — vomiqueus, adj. (int. vo-micoxus, ii, it»!) vol zworen, etterig of etterend;

— vomilorius, n, um, lal. Hot. hraakwekkend. Vomitiof, vomitarium, vomitus,

z. ond. vomeer en.

Vora, f. noord. Mylh. de 10de der twaalf scanillnavlsclio godinnen.

Voraoiteit, f. lal. (ronicthis; van rorax, vraalzuctilig, gulzig) de vraatzuciit, gulzigheid. Vorm, m. lat. forma, z. aid.

rorler, m. lat. (z. v. a. vertex) de wieling, draaikolk; wervelwind; vortex purulénlm, m. Med. de ellerprop.

rostro. Hal. (= lat. rest er, enz.) uw, uwe; vostro conto, 11. afgek. r. Kuil. uwe rekening; — per vostro (sell, conto) voor uwe rekening.

Votum, n. pl. vota, lal. (van vovere, z, voveeren) eene gelofte; eenzogcuwensch; In \'I alg. een Iillgosproken wensch; vandaar eene stem, kiesstem, goedkeuring, toestemming; ook de stoinuitbrcnging; advies, de meenings-uiting; vota colligooron, slemmen Inzamelen; — cuhi rolo, niet stem of slemreclil; rum nolo illimiliito, met onheperkle slemge-ving; — ex rolo, naar wensch; ten gevolge eener gelofte; vandaar: een geloftegift, een geschenk ter vervulling eener gelofte; — suh rolo remissionis, met den wensch der terugzending;

— meo rolo, naar myaen wensch of naar myne stem, wanneer het op my aankomt; — rntum caslihitis, de kloostergelofte van kulscliheld; rotum consultnlirum, eene hernadslagende, raadgevende stem; e. deeisïvum, eene hesllssende stem; e. olieillenffae, de ktooslergelofte van on-voorwaardeiyke gohoorzaamheid; r. piiupertii-


-ocr page 1320-

VULGUS

VÜUA

1292

lis, de Kdofto iler annocilo, door welke men zich allen persooniyken eigendom onlïegt; u. virile, cene stem, die lemiuid afzonderiyk heeft voor zk\'li alleen, niet voor vorscheldenen te za-men-, — vola mojdra, pi. de meeste stemmen, stcinmenmeerderlieid; pee vola majora, door meerderheid van stommen; v. saniöra, pl. do doelmatiger stemmen of voorslaBen; u. sectinrfo, de tweede echt; — votooron, nw.lat. (It. votdre, fr. voter) stemmen, zgno stom go ven; dour meerderheid van stemmen beslissen; — votant, m. een stemmende, stomhehljer, stom-ultlirenner, stemgevervotütio (spr, lie— tsie) ot voteering, r. de stemgevlng, stemming, slemopneming; — votiof, ndj. lat. (ro-livus, «, urn) door cene gelofte holoofd, volgens of krachtens cene gelofte; — votief-goschenk, votief »f oxvoto, n. (vgl. boven ex volo) een gelofte-geselicnk, een geschenk, dat ten gevolge eener gelofte aan oenen tempel, eene kerk enz. gedaan wordt; —vo-tief-tafel, de gelofte-tafel, op welke de aard van zulk een vollef wordt opgeleekend; — votieve mis, znik oeno mis, die niet tot den dienst van den dag behoort, maar aan ecnlg bijzonder oogmerk Is toegewijd, als h. v. voor eenen zieke, eenen reiziger enz.

Voua of vonah, ■/.. wa,

Voule, f. (van bel madienssisch vuula, volu, zilver) op Madagascar een spaansche daalder, piaster; ook oen gewicht, ongeveer ^ kilo.

voveeren, lal. (vaacre) gelofte doen, iets door gelofte beloven, plechtig verklaren of beloven ; wijden, toewijden.

vox, I. lat. (gonit. ooefs) de stem, klank; ook het woord; vandaar ad vocem, by het woord (valt mij te binnen, enz); assa voce (Int. assus, droog, bloot, enkel) met enkele stem, zonder begeleiding van een instrument; sub mee, onder of by het woord-, sub har voce, onder of by dal woord (hu. bij vorwUzingen naar oen woordenboek); vox clamdiilix in desérlo, de stem des roependen in de woesiyn (Johannes de Deeper); onelg. een woord der waarheid, dat geen weerklank vindl en geen uitwerking beeft; uoa humana, f. de menschenslem, een orgelregister; vox hyhnda of hibrtda (vgl. hibrida) een mengelwoord, een woord uil twee of meer talen samengesieid, b. v. verinteresten; — vox popi/li, vox Dei, lat. sprw.: de volksstem (is) Gods stem; vox viruinla, maagdenstom, een orgelregister, dal nog iiefeiyker en een octaaf booger is dan de vox humana: — viva vox, de levendige stem, het levendige woord, bet mondeling onderrlehl; viva vox docel, de levendige stem onderwyst, d. 1. heeft onderrichtende kracht; viva voce, met levendige stem, mondeling.

Voyageur, m. fr. (spr. woujazjédr: van voyufier, reizen, voyage, reis, van \'t lal. viaticum, het reisgeld; later lat. do weg, de reis; it. viafiuio, sp. viafie, provenc. vialqe; vgl. v o i e) reiziger, reizend man; wandelaar, pelgrim, zwerver ; — guide des vogayeurs, m. (spr. gied\' dè—) gids der relzigcs, reisboek, wegwyzer.

Voye, z. vole.

rogons, fr. (spr. woajón, v. voir, zien) laai ons zien; —oit, fr. (spr. wu) gezien (gewoon-lijk op relspassen); — rue, f. (spr, wit\') de aanblik, liet gezicht, uitzicht, iandeiyke streek ;in-ziebl, oogmerk, doel; d vue, op zicht (op wissels); — payable a vue (spr. pejdhl\'—) betaal-baar op zicht, d. 1. zoodra do wissel den be-Irokkene wordt aangeboden; de vue, na zicht, b. v. imgable d (gt; jours de vue (spr. —si ijoer—) belaalhaar tl dagen na zlciit; — « perie de rue, zoo ver bet oog reiki, onafzienbaar.

Voyou, ngt;. fr. (spr. roajóé-, vgl. veie) pa-rysclie straatjongen; leegiooper, laiderfanter.

Vuilobras, nedori. z. var scha lie.

Vulcanus ot Vulkaan, m. lal. Myth, in het gr. Ileplueslos goheeten, zoon van Jupiter en Juno, om zyne leeiykheld door zyn vader uil den hemel gesmeten en op liet eiland Lemnos nedergekomen, van weiken val by kreupel werd, enz.; by was de god des vuurs en der melaalarheiders of smeden, wier werkplaats men in den vuurspuwenden lierg .Kina stelde; vandaar vulkaan of volkaan, m. een vuurspuwende berg, brandende berg; aan Vulcanus of Vulkaan offeren, in hot vuur werpen; — vulcanaliën, pl. (lat. vulcana-iïa) romeinsciio feesten ter eere van Vulcanus;

— vulciinisch, adj. (lal. vulcanïus, a, urn) Vulcanus petrellend; vuurspuwend, van vuurspuwende bergen herkomstig (b. v. vu lean 1-schc producten); vuurhoudend; — vulca-niseeren (spr. s=z) uw.lat. in vuur zeiten, verhitten; horens opzetten (met zinspeling op heigeen Venus, de gemalin van Vulcanus, zich met den krygsgod Mars veroorloofde); ook Chom. met zwavel mengen en door groote biilo zoo verharden, dat de slof ook by iiooge temperatuur niet meer kleeft, b. v. liet vuicanlsoe-r e n der caoutchouc, der gutla-percha; — vul-oanisme, n. liet naar boven dringen van \\u-rig gloeiende steenmassa\'s nit het binnenste der aarde; het welenschappelijk gevoelen der Vul-canisten, z, ond. Neptunisten; — vul-canistisch, adj. met dit gevoelen ovcreeu-stemmend, daarop gegrond;—vulcaniet, f. de afstamming of afkomst van vuurbergen; ook de door de werking des vuurs teweeggebrachle gesteldbcld.

Vulgus, m. en n. lat. het volk, inz. ge-meene volk, de gemeene man, de grooto hoop, liet gepeupel, grauw. Janhagel; — pro fan uiu vulgus, liet oningewyde gemeen; —eig. by hel volk, in liet volk; gomecniyk, gewoon-iyk, doorgaans, naar bet gemeene spraakgebruik, in \'t gemeene loven; vulgo quaesitus, m. Jur. een hoerenkind; vulgus amiciCtas ulililate probal, hel gemeen schat de vriendschap naar hel voordeel (dal zy geeft); — vulgair, adj. (lat. vulgaris, e) gemeen, aliedaagsch, gering, laag, onbeschaafd; — vulgaris. Hot. gewoon, gemeen;

— vulgarisme, n. Neol. gemeenheid; ge-


-ocr page 1321-

WAGGON

VULNUS

129:3

mccne ulidrukkinn, gcilachtc; — vulgariteit, f. (Inter lat. vuluarilns) ile gemeenheid, laiid-held, platheid, plompheid, ruwheid, onhesclmafd-held; — vulgooren (lat. vuluare) en vul-garisooron (spr, s =:) nw.lat. Iiekcnd of ruchtbaar maken, onder de menschen hrengen, uitstrooien, verspreiden; — vulgata, f. de door hot concilie van Trente als Juist erkende gemeone hdljnsche hyholverlallng, waarvan zich ile II. Kath. Iiedlenen; In hd algemeen de gewone, gehrulkoiyke leksl van een geschrift; — vulgivaag, adj. (lat. vulgivtiqus, a. um) naar den gemeenen, lagen trant; omzwervend, rondloopend; — Vonus vulgivaga, z. oud. V e n u s.

vulnus, n. pl. lat. eene wondo; rul-

nus complicalum, n. eene samengestelde wond; tt. Iclnlc, cene doodciyke wond; v. letale per se, op zich zelve doodelgke wond; i). per nc-ruleivt letale, ecue door con toeval doodciyk geworden wond; vulnfrum spasmus, m. wende-kramp; — vulneraria [medicaménla) pl. wondmiddelen, wondartsenUon; — vulnoi\'ooron (lat. vulnerari) wonden, kwetsen ;—vulne-

Hr. = West, soms ook = wissel; — II\'. I

— West-lndlö; — Wise. — Wisconsin, In Noord-Amorikas - ir. i. = Wostorlongto; - W. ir. = Jl\'iener ll\'lihrunn, Oostenrgksch papiergeld;

— 11\' als ehemiscb toeken = woltrumlum. — ir als muntloeken on wel op fr. mualen: 1,111e of HUssel; op ooslenryksclio; Weenen; op vroegere silezische en prulslscho; (Wratlslavla) Hres-laii; op Kleefscbe en Trlersche: Wezel.

Wa, va, vouah, m. do eenheid van de slameesche lengtemaat = -i ken = \'lt; sok = i M.

Waal, 1) m. pl. Walon, fr. Wallons, hoogd. Wallonen (van \'1 oudil. waluh, ondn. val, oen vreemde, buitenlander; vatnlaar walise, hoogd wiilscb, vreemd, inz. van do (ialliers gebruikt] naam, dien men gaf en nog geeft aan de bewoners van België tusscben de Schelde en de Maas, welke van franschen oorsprong z.yn; vandaar ook wel voor Franschen; — waalsch, walsch of wallónseh, n. de laai van gezegdo Belgen, oen oud-franscb dialed, met hollandscho en spaansche woorden vermengd; de waalsch e kerken, die kerken of gemeenten in Nederland, waarin do dienst in do fransche laai wordt verricht en die van de vervolgingen der llugenoien onder Lodowyk \\IV dagleekenen.

Waal, i) f. nederl. kolk, walendo (draaiende) stroom; ook mot palen omgeven kanl, als ligplaals voor schepen in een zeehaven; vandaar de naam der nederl. rivier en van eonlgc der stadsgrachten te Amsterdam.

rabol, adj. (lat. vulnerabflls, e) kwetsbaar; — vulnorabiliteit, f. nw.lat. kwetsbaarheid; — vulnorant, m. (lat. vutnlrans) do woniltoebrenger; — vulnerant omncs, ultima ne-cnl, lat. alle kwetsen, het laatste doodt (van de uren sprekende; oud opschrift op wijzer platen van klokken); — vulneraat, m. (lal. vul-nercitus) de gewonde, gekwetste; — vulno-ratio (spr. t=ls) f. (lal. imlneraïïo) de verwending, kwetsing.

Vulpiniot, n. mei kwarts gemengde korrelige anhydrlet (z. aid.), naar de plaats, waar zij gevonden wordt. Vu lp Ine In Lom-l)ardUe, benoemd.

Vultispex, m. nw.lat. (van \'1 lat. vul lus, gelaat en spercre, beschouwen) gelaathescbou-wer, z. v. a. physiognomist.

Vulva, f. lat. Med. het vrouwelijke schaamdeel, do uitwendige opening der moederscheede, de schaamspleet; — vulra clausu, de gesloten moederscheede; — vulvana, f. nw.lat. Bot. schaanikruld; — vulvo-uterinisch (vgl. ulorus) lol do scliaamto en de baarmoeder heboorende of die hetreirendo.

Waardijn, m. (hoogd wardclti, eertyds ook gunrdein; van waardoeren, schallen, de waarde bepalen; v. a. van liet mid.lal. en It. duardare, fr. ijarder, bewaken, dus elg. z. v. a. gardlaan, z. aid.) een beeedlgd me-taiiltoetser (bergwaa rd y n) en inz. mnnt-toetser (muntwaardyn), belast met het onderzoek van den aard en de waarde der metalen, van het gehalte van goud en zilver.

Wachtparade, z. parade.

Waddon, f pl. (hoogd. wallen, lat. sing, vadum, ondieplo; verwant aan waden, wed) ondiepe plaalsen in de Noordzee aan de friesche klisten en elders; vandaar waddonvaar-doi\'S, eene soori van platboomile, weinig diepgang lielihende vaartuigen Ier bevaring van die kusten.

Wadi, n. arab. het dal, rivierilal, de rivier; vandnar als heslaiidileol van geograpbl-scbe namen, b. v. Wadi Moesn, d. i. dal van Mozes, in Sleonachllg Arable.

Wadmal, n. zw. (docnsch radmei, van angels, vned, ondn. rid, kleederslof, wal) een soort grove, ongeschoren wollen slof in Zweden en IJsland.

Wads, pl. eng. (van to wade = waden) nverkoUSrn voor visscbers en jagers.

Wag, z, wog.

Wagos, pl. eng. (spr. ocüedtj\'s) loon, ar-heidsloon.

Waggon of wagon, m. eng. oen wagen. lastwagen, cene landkoels; Inzonderheid spoorwagon, de grooie wagens voor perse-


-ocr page 1322-

WAGNERIET

1294

WAMPUM

non, die op spoorwogon «cbrulkl worden.

Wagnoriet, n. oen In hot Siilzburgsclio govoiKlail mineraal, uil pliospliorzuro blltoraurdo on lUionnasneslum hostiiando.

Wahabi of Wohabi, uuk Wahabio-ten on Wochabioten, m. pi. arah. (iVa-hdbi) volksslainmon van hol geloof dos sjeiks Mohamod, zoon van Ahd-ol-Walmb, die la de 18de oeuw leefde en alct dan gedeeltelük de goloofsvoorschvlflen van den koran aannam.

Wahl . en Wahlbg,, hy nalaurweten-scliappoiyko henamliigeii afk. voor O. Wahlon-horg (gosl. ISSI).

Waidalótton of Waidolóton, in. pl. eeno prloslerklasse van de oude holdenscho Pruisen.

Waisja\'s, pl. sanskr. (waisja of iiiix) loden van de derde kaste hy do Indiërs, waartoe do hnrger- en boerenstand hehooron.

Waiter, m. eng. (spr. neeeier) elg. wachter; hedieiule In een logement, oppasser, lafel-dekker, z. v. a. het franscho gureon, het dultsehe keil nor, ons Jan.

Wajang, mal. tooneelspel, tooneclvoorstel-llng,

Wakea en wakih, z. vak la.

Wakoof, n. turk.-arah. (vukoef, raki) eeno vrome erllallng, vrome stlehtlng; eigendom oenor moskee, als leengoed den moskeeBn eynshaar.

Walachon, pl. z v. a. Kiemen en.

Walck., hu natuurwetensch. henamlngen afk. voor (;. de Walckenacr.

Walde mar, oudd. mansn. (oudhoogd. ii\'al-domir) de mot roem heerschondo.

Waldénzen, m. pl. (fr. rawlnis: aanhangers van l\'etrus W\' a I il u s, een hnrger te l.yon ; v. a. elg. dallieden, dalhewoneis, van \'t lal. vallis, fr. vallée, dal) eeno In do 12de eeuw ontstane slllle en zodeiyk-gostrenge goilsdlenst-party In traiikrijk

Walen, pl. ■/.. Waal.

Walengang, m. Mar. gang op grooto schepen, die op het koehrugdek tegen hoord het schip rondloopt (er rond waalt), en dient om den timmorman hy een gevecht de grondschoten Ie doen sloppen.

Walhalla, f. noordsch Valhöll (d. I hal of zaal der verslagenen, van \'I oudn. vair, angels, nil, oudd. wal, hoop der verslagenen, nederlaag der lyken op hel slagveld, slag, en oudn. h\'lll, inv.hoogd. /utile, konlnkiyk slot) oudn. Myth, de hemel, hel paradys der oudo noordseho volken, waarin slechls diegenen konden komen, die oenen Idoedlgen dood In den kryg stierven (vgl. Nellhelm); imam vaneen door koning l.odewyk I van Holoren In ISllll gestichte eerotompel hy Donaustauf aan den Donau.

Wali, 1) m. arah, (wcli, elg. nahy, vriend, helper, voorslander enz., van wela, nahlj zyn, helpen, hesluren) ondersladlioudor of gouverneur eoner turksche provincie, door welke de emirs In de hun •toevertrouwde provincie het opzicht over de Inwoners en het Innen der he-lasllngen llodei. houden; — wali-alahdi,

m. arah. (elg. weli-al-ahd of weli-ahtl, v. «/»/, verdrag, verbintenis, verplichting) de troons-opvolger.

Wali, 2) noord. Myth, zoon van Odln en hlnda, een zeer bekwaam boogschulter, de lldo god uil het geslacht der A son (men boet hem ook Well).

Wilime, f. arah. (walimeh) gastmaal, smul-party, Inz, eene hrulloftspariy hij do moslems.

Walinga, f. russ. liever wolünka (van wol, os, omdat het instrument uil de huid van een Jongen stier gemaakt Is) eene russische zak-pyp, een doedelzak.

Walkover, m. eng. (spr. wdk—, van to walk over the course) hy wedrennen; eeno ge-makkeiyko zegepraal (door onklaar worden dor mededingers).

Walkuren, Walkyren of Walky-riën, ook Valkyrleu, f. pi. (oudn. valkyrja, angels, rdlryrie, v. oudn. vair, hoop der verslagenen, en kiöra, kern, kiezen; vgl. walhalla) oudn. Mylh. noordseho strydgodiunen, de noodlolsgodinnen der slrydenden. welke vooraf diegenen bepaalden, welke In den slag moesten vallen, hoodschapslers van Odin on dienaressen der gevallen helden in Walhalla, wien zij den godendrank loedieniien.

Wall., hij holanlsche benamingen afk. voor N. Walllch (gest. IHiii).

Wallach, m. hoogd. een gesneden hengst (zoo gehaeten, omdat men do eerste uit W a 1-I ach ye en uil llougarye leerde kennen; vandaar ook de franscho benaming hon(ire).

Wallons, z. Waal.

Wallosine, f. het uil spaansch riel kunsl-matig hoield balein.

Wallr., bij holanlsche benamingen afk. voor K. F. VV. Waliroih (gest. 18!n).

Walpürga, of gew. Walpürgis, f. oudd. vr.naam (van wul, z. Walhalla, en purafi, burg) elg. dooden- of lijkenhurg, hoscherm-ster in iIimi stryd; cone heilige in ile r. kalii. Kerk, de dochter van den engeischen koning Richard in de Ode eeuw, die ais abdis te iilch-stiidt, wegens het standvaslig doorslaan der vervolgingen, onder do belllgen gepiaaist en als heboedsler tegen de tooverknusten der boksen vereerd werd; vandaar Wa 1 p u rgis-a vond, WaIpurgis-nach 1, de eerste aan haar loe-gewydo mel-nachl, waarvan liet bygeloof weieer zooveel verdichtte.

Wals, m. (hoogd. waiter, fr. valse) een wel bekende oorspr. dultscbo dans van vrooiy-ken aard; — walsen, oenen wals dansen.

Walschland, n. hgd. (v. vmlsrh, vreemd; vgl. Waal) Italië.

Walther, oudd. mans. (oudhgd. irallhari, irallheri, van wallen, besturen, hari, her, hoer, leger) Wouter, de over \'I leger gehiedende, de heeraanvoerder.

Wampura, n. oen gedenksnoer of-gordel der noordamerlkaanscbe wilden, uit veelkleurige scheipstukjes samengevoegd.


-ocr page 1323-

WANDA LKN

1295

WEILKll

Wandalen,™, pi. (lui. randali, ^amlatti) een ilultsch-Kollilscho volksstam, ille sedert ile llde eeuw im Chr. do Romolnen aun don Itijn IjcoorlooKdo, /.leli Inter in Punnonli) (llonRiirye) nederzette, doch Inde Sde eeuw Onllie, S|mnJo en Itiille als ovorstroomde en in iSS Home veertien daijen Innn plundcrdo en alle kunstwerken vernielde; vandaar In \'t al», voor ruwe, vor-nlelzuclillgo barbaren; — wandalisme, n. de ruwheid der Wandalen. liart)aarscho vernle-ItiiRswoedo, aan kunstwerken geploegd, kunst-stormery.

Wanon, pi. oudn. Mytti. naam van een denklieeldig volk, «elks w ijsheid zoo groot was, dat het soms door de goden zelfs geraadpleegd werd.

Wungkang, f. kleine soort van chlnee-sche Jonk.

Wangsi, n. Ind. (sanskr. wanqsii, watigsi) het riet, hamboosrlet, de rlotstok.

Wanja, russ. (verklw. van don mansnaam Iwdn, .lohannes) Jan, Hans; — Wiinjka, .lansje, jannetje. Hansje.

Wara, f. oudd.. War of Wör, oudn. (elg. vorldntonls, verdrag; verwant met war, waar, hewaarheden, enz.) oudn. Mylh. de godin der beloften, overeenkomsten, verdragen en eeden, Inz. der bruiloften en huweiyken; zy was de üile godin uit bot geslacht der Asen.

Warando, r. elg. eon deelwoord van het oude waren, bewaren) gaard, diergaarde; lustwarande, ceno bekuoriyke dreef, een bevallig landschap.

Warandours, pi. {fr. = garamleun, \\tui liaranlir, oudnoderi. w aran d ee re n, waarborgen) te Duinkerken de naam van do door de regeering aangestelde lieden, die bet toezicht voeren over hot zouten van de haring en dlo de harlnglonnen mot het stadswapen stempelen.

Ware, f. eng. (spr. nelter) de waar; — waro-house, n. (spr. —hnus) winkel, ma-gazUn, verkoophuls, pakhuis.

Wari, z. va rl.

Warn fried, omld. (v. warnón, d. I. oorspr. bewaren, bescbormen) niansn.: do bewaarder of behouder van den vrede.

Warp, eng, z. lea.

Warplines, pl. eng. (spr. oearplains) kettinggaren.

Warrant, n. eng. (= garant, garantie, z. aid.) de volmacht; bel bevel tot In-liechtenisnemlng; - warranted, op eng. fabrikaten; gewaarborgd, gegarandeerd.

Warwickiot, n. een by Warwick In Now-Vork voorkomeiui mineraal, uit verbindingen van lluor met litanium, Uzer en yttrium beslaande.

Wasa-ordo, f. ceno zwoedscho ridderorde, ais helooning voor nuttige uil vindingen Ingesteld in ma door koning (Jusiaaf III.

Wassilij, m. russ. mansnaam (gr. Ita.n-lius) afgok. Wassja of Wassjka; — Wassilissa, f. russ. vrouwennaam.

Watagen, pi. russ. (wa/dga, schaar, fa-millo, van tataarsclien oorsprong) de nederzettingen der vlsschers aan den Oeral en aan du Kaspische zoo

WatorclüHOt, n. eng. (spr. oeaterkloos\'t, v. water, water, en closet, z. aid.) eeno soorl bestekamer met een watorlcldlng ter wegspoeling van hot vuilnis; — waterproof, eng. (spr. oealerproef) proefboudend of bestand tegen liet water; vandaar als subst m. een regen-mantol; — watertwist, n. (vgl. twist) garen van spinniachiaes, ilie door water in beweging gebracht worden, watermolen-garen.

Waterlanders, m. pl. naam van de ge-matlgdste party der Mennonieten (z. aid.) of Doopsgezinden, sedert hel midden der Itldo eeuw (omdat hare eerste gemeenten In Waterland in Noord-ilolland waren); ook iron, voor tranen.

watteeren, nederl. met vreemden uitgang, opvullen met watten (zwak gewalkte katoen of zyde); — gewatteerd, adj. met walton opgevuld, gevoerd; — wattons, pl. kussens van watten Ier opvulling van lichaamsvormen.

Wavelliet of wawolliet, n. een naar den ontdekker l)r. Wavell genoemd, uit alu-miniumlluorlde, phosphorzurc kleiaarde en water beslaand mineraal.

Waynangs, pi. chlueosche looneelspolen met dans.

Wealdenformatio, f. eng.-lat. (spr. ocehlen—) een groadformatlo, die in vele landen tusschen de witte Jura- en de krytforma-tle in ligt (b. v. In liet gedeelte van de graafschappen Kcnl, Surrey en Sussex, dat the ffcalil, het Woud, genoemd wordt; vaadaar de naam).

Web., tiij botanische benamingen alk. voor I\'. Weber (gest 1823).

Wechabieten, pi. z. Wahabl.

Weda, in. (= \\\\ oda n, aid.) een krygs-god der oude Friezen, afgebeeld met vleugels; z. ook Veda.

Wedana, m. Jav. een dislrictshoofd.

Wedgwood, n. eng. (spr. oeiiltjwocd) eene soorl van eng. aardewerk of steengoed, naar zynen uilvinder Joslah Wedgwood (geb. mo, gest. HOS) lienoemd.

Wedro, m. russ. (wetlró: vgl wladro) een emmer, eene russ. maat voor natte waren van 10 kroosjika of S stoof - 1M L.

Wega, m. (v. arab. el nesr cl wahi, do vallonde adelaar) een prachtige witglanzende ster der eerste grootte in de lier van Orpheus.

Wehabi, z, Wahabl.

Weigelinnen, m. pi. leden van eene secte In Duitschland, op hel einde der Hide eeuw, gesticht door Valentyn Wel gel, dlo onder anderen de erfzonde en de logenwoor-dlglield van Jezus Cliristus in het avondmaal ontkende.

Weigh, z. wey.

Weiier, m. en n. hoogd. een klein dorp, slechts uit enkele iiuizen bestaande; een gehucht in Oppcr-Duitschland


-ocr page 1324-

WEIMOUTHDEN 1290

WICHTJE

Weimouthden, m. z. Woymoutli-PÜ nboom on.

Welajét, wilajét, /,. voiajiU.

Welfen, ook Guolfcn of Guolplicn, pl. oudd. (vul. (luolph), naam van öcno lio-rocinde vorstonfamlllo, dlo, in do lldo oeuw uit Hallo naar Duitseliland verplant, oenen lyd lang over verscheiden gewesten van Duitseliland lieorsehte en in liet Imls van Brunswyk nog voortleeft; in ruimoro liotookonis ook do inachllge party, die zich in do middeleeuwen tegen de keizers en hunne aanhangers, do (li-hei lij non, verzette.

Welikij knjas, m. russ. (van wclikij, nja, oje, groot en knjas, z. aid.) de grootvorst, titel der prinsen uit het russ. keizershuis; — welikaja knjaghmga, f. de grootvorsten, titel der gehuwde of weduw geworden prinsessen; — welikaja knashna, f. (spr. sh~ftj) de grootvorsten, titel der ongehuwde prinsessen uit het russ, keizersliuis.

Welweléh, n. turk. (van \'1 arah. welwe-Ict, en dit van walala, treurig zijn, wahvala, hullen, weeklagen) hel klaaggeschrei der turk-sche vrouwen om oenen doode.

Weneeslaus, m. slavoniscli (poolscli JVen-ceslaw, van wieniec, krans, kroon, en slawa, roem) mansn.: de mol roem hekroonde.

Wenden, m. pi. een tak dor Slaven of Sla venen (z, aid.) In noordeiyk en ooste-lyk Duitscldand sedert de «de oeuw, waartoe de Oliotrleten, Hevoilers, Pommeranen, Lau-sltzers, enz. hohooren.

Wendl., hy liotanlsche bonainingon atk. voor J. Wendland (gest, IS28).

Wera, f. russ. (eig. geloof, vertrouwen, v. wernuj, oja, oje, trouw, waar = lat. verus) russ. vrouwennaam.

Werner, oudd. {umrndri, v. warna, waelil, warnón, bewaren, hoeden) mansn.: do wachter, of eig. schutsheer (oudhoogd. Warinhari).

Werneriet, n. oen naar A. G. Werner gonoemd mineraal = skapolith.

Wersjok, m. russ. (wenjók, eig. top, sjiits, einde) oene russ. lengtemaat, = arsjlne = 13 russ. duim - li,443 mM.

Werst of liever werste, f. (russ. wcrsld) oene maat voor afstanden = SiOll vadem of ssasjen (z. aid.) = Illlitl.S M.

Wesir, z. vezier; — wesir asem, z. v. a. groot vezier.

Wesnanka, f. russ. (v. tuesnd, de leide) do lontedans der Klelnrussen.

Westnik, m. russ. (spr. weeslnik: van wéslj, hericht) de hode, do horlchtgovor, do kondschapper; vandaar lilel van russ. couranten.

Wostphaalsch gericht, veemgericht, naam van oene geheime rechthank, die in Duitseliland tgilens de middcieonwen heslond en welker instelling men tot den lyd van Karei den Grooton hrengl; z.y deed onderzoek naaide misdaden en wanhedryven, door de machligo mannen gepleegd, en Hel den scliuldige door oene onzlchtharo hand trelfen. Zij heslond uil een groot getal IngewUden, onderling door vree-seiyke eeden verliondon; men noemde deze ook v r U r o c h t o r s.

Wey uf weigh, n. eng. (spr. wee) in Engeland een oud, maar nog gehruikeiyk eng. wolgewlchl = last = 182 eng. pond = 82,8K4 kilo.

Weymouths-pijnboomen, oene soort van groot o mialdboomen, door don eng. lord Woymouth liet eerst uit Virginia en Canada naar Europa gohracht.

Whig, in eng. (spr. hoe-ig) pl. whigs (door sommigen afgeleid vaa \'t schotsch whin, zure wei, als drank der laagste volksklasse in Schotland; of van wlriggam, een schotsclie toeroep om de paarden aan te dryven, whiggamor, een paardendryver of voerman, dewyi eon deel dier mannen in I()i8 onder aanvoering van den markies van Argyle op Edinhurg aantrok, om den koning wederstand te bieden; v. a. nog de voorletters der woorden we hope in God, wy hopen op God, als motto dor club, uit welke de whigparty ontstond) vryiieidsmannen, vryheidsvrienden, wier grondstelling is; bescherming van de rechten des volks met beperking der konlnkiykc macht, do tegenparty der lories (z. tory) in Engeland; in de Vereenigdo Staten verstaat men daaronder de aristocraten, vgi. tory; — whiggisme, n. barb.lal. (eng. wlii(iiiism) hunne grondsleliingen en gevoelens.

Whim, m. eng. (spr. hoe-im) oene gril, luim, zonderlingheid, een vreemde Inval.

Whipper, in. eng. (v. lo whip, zwepen) de zwepor, eea machine om boomwol losser te maken; — whipper-in, m. eng. ook enkel whip, de zwepor, inzweper, eig. eea Jacblterm, de man, die \'I opzicht over de bonden heeft en ze in de Jacbtlinio dryft; dan oneig. een persoon, die er voor Ie zorgen heefl, dat bet noodige getal mlnlslerlüole inedeleden zich in \'t engelsche Lagerbiiis bovindt, dus de byeendryver van do mlnislerioele medeleden lol slemmlngoii; ook de oppositie heeft dergelijke w li i p s.

Whisky, 1) in. (vgl. u s q u e h a h) in Schotland en Ierland: koren- of gerslonbnindewyn.

Whisky, ■2) f. eng. een eng. open wagen met zeer hooge kap, door één paard getrokken.

Whist of whistspel, a. eea oorspr. eng. kaartspel tusschen i personen (van \'I eng. whist, d. i. st.! stil! dewyi hel groote opiet-tendbeid en daarom stille vordert); — een drank van thee, suiker, citroen en rooilon wyn.

Whiteboys, pi. eng. (spr. hoémiitbois, van while = wit, en boy, knaap) pariynaam van de armere r. katb. volksklasse ia Ierland, wier bondssein de wille kleur is.

Wiadro, m. poolsch (= russ. wedro, z. aid.) oeno poolsche inhoudsmaat = 21) kannen of liter.

Wichtje, n. ncderl. lienaming van bel franscho gramnio, het tuVit l,(!el viln lquot;\'1 kilogram of nedorl. pond, verdeeld ia lil korrels of decigram.


-ocr page 1325-

WICLKFISTEN

WÖHLRIilKT

1297

Wiclefisten ot Wiklefloten, m. pi.

iiunliaiiKcrs van den en)!, (füdgelcordc .loliiuinos WI c I c f «f \\\\ i k 1 o t, eld. \\\\ I k I y f e, cun voorloopcr der kcrkliurvurnihiK inde llde eeuw, die leerde, dat de paus de uidlcln lst was, voorts hot vagevuur ontkende, de riictlKlieid van alia-ten en de ainiroepinf.\' der ticlllgen hewcerdc en in nog andere punten van de r. kalh. leeibe-(rrippen zeer afweek ; 10 Jaren tia zijnen dood (l:isquot;) veroordeelde het coneille van Cunslanz zijne leer en liet zyn «etieenle op(lt;raven en operdyk verhranden; wiclefïsrae, n. de leer van Wlclef.

Widar, in. oudn. Myth. Odlns zoon, de coil der stllzwüscndheid.

Wiedm., hij natuurwelenschappeiuke he-iiiimingen alk. voor Dr. Wiedemann (uestorven 1850).

Wigwam, uil de Alsonkin-laal) eenc le-gerhut of tent der Indianen in N. Amerika, gcwoonlUk van tiutrellmiden gemaakt.

Wiking, z. vi k i ng

Wiklofleten, z. VViciefisten.

Wila, f. naar \'I servisch volksgeloof; eene soort van zeer sehoone, vlugge nitnfen met lang golvend haar en luchtig wit gewaad.

Wilhelmus, Willem, m. (oudd. in-lihelm, v. willo, de wil, en helm, helm) eng William, luansn.; de «ilsterke helm, d. i. de heschenner, heschutter of verdediger; — Wilholmina, Willemina, Willo-mijn, vr.naam: do lieschormster; — Willi el min ia non, m. pl. aanhangers van de lioheeinsehe zieneres Wilhelm In a in de lilde eeuw, die voorgaf den heiligen (leest In zich te hehhen; — Wilibald, m. (van \'t oudd. balt, on^. hold, koon, sloul, li oud) de wil-koeno, die slerk van wil Is.

Wilis, f. pi. (vgI. W 11 a) naar I Slavonisch volksgeloof: hruiden, die, voor den lirullotlsdag gestorven zijnde, in \'I graf goon rust vinden, maar als liartslochtelUke danseressen te middernacht uil hare graven stygen, aan oenen kruisweg hyeenkomen on don man, dien zy hier aantrolten, noodzaken, zoo lang met haar te dansen, lol hy van uitpuiling dood nodervall.

Willd., hy tiotanischo hemiiningon afk. voor L. Willdenow (gest. lHli).

Willem, z. Witholnius.

Willemiet, n. naluuriyk kiozolzuur zink-oxyde, naar onzen koning Willem I aldus go-noemd.

William, z. Wil Helmus.

Willk., hu hotanischo honamingen afk. voor \\\\. W lllkdinm.

Wina, in. do koemlsshrandevvyn, vgl. koe-in i s s.

Wingolf, m. oudn. (ringi\'ilf, d. i. vrlen-donzaal) Myth, het pali\'is dor gndinnon. ilo »o(in-plaats van vriendschap en liefde, inz. Froya\'s woning; ook z. v. a. Walhalla In \'talg.; ook eene sludentonverooniging tor iiovordering van oen dirlsloiyk lovon.

Winibald of Winnibald, m. oudd. (v. vieiuie nnuK.

wint, vriend en bnll, koon) mansn.; de koene vriend.

Wisohnoo of Wischmi, z. Visch-u o e.

Wismuth, in. (spr. wiésmoel), de duit-sche henamiiiK van bismutli (/.. aid.).

Wisz, z. vis.

Witfriod, Witolf, Witold, Wit-tokind. oudd H\'iluvhintj, oudd. miinsnsimen (v. wilu, aiiKcls. vudu, ent:, wood, lioul, woud, af Ie leiden), de woudvrede; woud wolf; de over \'t woud lieersehende; de In l woud tichorene.

Witheriet, n. koolzure zwaaraarde of natuuriyke koolzure haryl, eene steensoort met zeer vergiftiKO eigenschappen, door Werner naar Dr. Wit heriiif; lienoeind, die liet eerst koolzure liarytaarde in dit mineraal aantoonde.

Wittonagomot, m. letterlijk; veroade-rinii der wyzen: naam van een staatkundig li-cliaam, dat liet parlement in lumeland vooraf-^Iiik, en welks instellintr door sominiKe geseliied-schrijvers aan Eduard den Belijder wordt toegeschreven; anderen beweren, dat het veel ouder is.

Wittinen, pl. (poolsch wicina) vlotten van halken met schuin afdak, die nil het rus-sisehe gouvernenient Littliauen, hehalve het hout zelve, koren, hennep, vlas, enz. naar Pruisen brengen.

Wjatsjeslaw, m. oudslav. en russ. mansnaam voor VVencislaus (poolsch irenccslaw).

Wjetkaer, m. lid van eene secte, die eenen tak van die der Kaskoiniks uitmaakt, en haren naam ontleent van het eiland W Jet ka, werwaarts hare aanhangers de wijk namen om godsdienstvervolgingen te ontgaan.

WjOGga, fr. sneeuwstorm, z. sa met.

Wladika, z. VI a d 1 k a.

Wladimir, m. slav. mansnaam voor \\\\ a I-demar, z aid. (v. wladiéfj, heerschen en m/r, de wereld, de menschheid); als verklw. Wa-lódja en Walodjenka; — Wladimir-ordo, f. eene russische zoo militaire als bur-geriyke ridderorde, in 1782 door Catharina II ingesteld ter gedachtenis van Wladimir den Groot en.

Wloka, f. poolsch, eene hoeve lands, eene veld- of vlaktemaat van 30 morgen of 10,8 hectaren.

Wodan, liever Wnotan, m. oudhoogd. of noordsch O din, oudd. en oudnoord. Myth, de door allo germaansche volksstammen vereerde opperste god, die de zege verleent; vandaar W oda n sda if (eng. Wednesday], W oensdag, dag van Wodan of Odin.

AVodka, poolsch en russ. {wodka, spr. poolsch woedka, verklw. van woda, water) brandew yn.

Woolock, z. orang-oetang

Woerali, z. v. a. t rari.

Wöhloriot, n. een naar den beroemden chemicus F. W ohler genoemd mineraal, uit verbindingen van kiezelzuur en tantaalzuur met zirkoonaarde, kalkaarde en natron bestaande.

82


-ocr page 1326-

WOl LOK

X

1\'298

Wóïlok, in. russ. (v. waliiilj, vlllon, Milieu) oono iliUc villstof uil koohiiiir uf wol, dio lui:. In Ruslaml lot ilckons, inuntols, on-(lorboddcii, fiiz. (iohnilkt wordl.

Wojt, in. poolscll: ilc dorpssclioul

Woiwódo of wojowóde, m. (poolscli on russ. irajewócla, van \'1 russ. ivoi, logor, licor, ou wndi/j, Mieren) eln. Iiourvoenler, lieer-vorsl, lierlHC; voorin, vorst vim Molilavlö en VVallailiUe; stndlioudor In \'t voorin. konlnkrUk Polen; ook lurk. pachter der lielasting van «ou district; — woiwodschap, n. eou stad-lioudorscliap, liindschnp.

Wokszall, in. russ. (vorlinsterd uil \\ a u x-halt, z. nld., zodiils een sedort ISUS aan hot station te l\'awlowsk liü 1\'etcrsliiirg zich aan-sluitond luinlokaat heette; uu algonioon voor:) station, vvachtkamor op russ. spoorvvoRon.

Wóldemar, v. a. \\\\ uldemnr, z. aid.

Wolo, f. oudn. (i\'rtVd, vtilra) ^tvlli. do he-sehenngoesl der aarde, de overoude zieneres; vaudiuir wolvispa of voluspa, r. (oudn. vlilus/ia, utilfuspa.- verwant mot sp 1 od o n, hospiodcn) d. i hot gezicht van Wola, lioiinining van hel oudste gedoetto dor Kddii, (z. aid.), dat tioofiizakeigk de schepping en don ondorgiing der wereld schildert.

Wolfgang, in. oiidd. niiinsn. van \\\\ oif, dal in sauiongest. eigoiinainon koenlioid, slmii-heid lielookoni : de sloui voorvvaarisgaando, koon vooruiidringonde, do oiidoniemcnde; Wolfhart, oudd. ninnsn.; de sterke, stoute ais een wuif; - Wolfram, m. oudi). iiiansn. (onlsi. uit wolfr/ihaii, do woifraaf); — wol-framrum, n. tiet zvvaarslecn-nielaiii, in lsquot;l in gooxvdoorden toestand (als wolfraiiizuur) ontdekt en lis:! hot eerst daaruit verkregen donkergrijs, zoor zwaar, en nmeilijk smell haar metaal (van wolf, en ra in, roei, dus eig. « o 1 f s-roet, onidai het nis een roofgierig oris den nielalen hiinno sinoediiaarlieid oiitneomt; ook de in do nnluiir voorkomendo verlilnding van wolframzuur mot Ijzer- en niiingnan-oxydo.

Wolik, z. vol ik.

Wollastoniet, n. iafelspaatli,scliiialsieon, een nnar \\\\ . II Woliaston genoemd niiiieraai, uit kiezelziiur en kiilkaardo lieslaaiKlo ; W^ol-lastonscho lijnen, pi. do door Woliaston in isns hot eersl ontdekte gekleurde strepen in de prlsinaiisclie kleurenlieeiden.

Wolost, of heler Wólostj, f, russ. iv. wla.tij, vrijheid in het haiKlelen, macht, heer-sctiappU het dlsii\'ici, een uil versclieiden ge-

V nis »et:ii in hol grleksrli ^ = 00, ^ «0,000; in hel lalün A\' = 10; v = 10,000; — als afkort int: in rom. Keschriflen = 10 as of een denarius; x in de malhesis voor eene

moenton bestaand gelded in de Wolost verga (ter log door afgevaardigden der gcmoenlen vertegenwoordigd, vveiks Juarlijks voor rechts-quneslien, wier waarde tienoden de tuil roebels bedraagt, een wolost geree li t vorkiozoii; — wolostnoi-starajina, m. (van sslarsjind, oudste, opperhoofd) liet gemoenlohoofd, do schout; vgl. s I arosj 1 no n.

Wolunka, z. wnliinga.

Wolvorings, pi. eng. (liever wol veil ns, v. ivolverin, de uiuerlkaansche veelvraat) amerlkaansclie voelvTaaisliiildon

Wombat, n. eono soort van iileuwhoi-landsche buideldiircn, zoo groot als een das (nw.lai. Phasmlumijs).

Wood, ii. eng. (spr. woeil) het houl; liet bosch.

Woolcord, m. eng. (spr. wnetkoonl: v. wnnl, wol, en conl, koord), wol koord eono vaste, gestreepte engelsche wollen slof inz. voor tiroeken; — woolsack, m. (spr. woehek) quot;Wolziikquot;; de zetel vim den lord-kanselicr in het Itoogerhuis van hol eng. parleniont (een groot vierkant kussen, met rood laken bodokl, en zonder rug- of zyieuning).

Woorara, z. v. n. urari.

Wootz of WOOZ, n. cone voortreifeiyke staalsoort in O Indié h(j Bomhay, indisch sinal, gedannisceerd sianl.

Wör, z \\\\ nra.

Wora, f. noord. Mvlii. de tode dor iwaaif Scandinavische godinnen, do godin dor wijsheid, voor wie niets verborgen liiyfl.

Work, n. rnii. hel work; —workman (spr. eon werkman; — workhouse

(spr. —hom), n. wefkliuls.

would-bo, eng. spr. woeil-bif) eig. quot;Zou gaarne zijnquot;: die gaarne het genoemde zUn zou, maar hel niet is, zich noemend, li. v. een ivouhl-lie aristocraat, enz.

Wrak, n. (van \'1 angels vreraii, iirckeii) in I alg. iels gebrokens, beschadigds; inz. de scheepsovcrhlijfsclen, do romp van een geslraad schip; — wrakgoed, do van een gestrand schip geredde goederen; licschadigde waren;— wrackors, ui. pi. eng. (spr. rékken) strnnd-diovcii aan de engelsche kusten.

Writ, n. eng. (spr. ril) het geschrifi, hel schryven, inz. een oliicleel stuk, de dagvaarding, het gerechleiyk bevel, ook de uilschrij-v|ng der verkiezing, enz

Wnotan, z. \\\\ (idan.

Wychuchol, z. des man.

onhekende Kioollieid. — .V als munlleo-ken op fr. nuinten sedert IJVIO; Amiens, vroeger; ViHefranclie.

X of i \\ c, in. fr. een lahourelje of vouw-


-ocr page 1327-

XIPHIAS

1299

XACA

slofiltje, waarvan ilc poolen de figuur ccner X vertoonen.

Xaca of Slaka, in. ccn god dorjapunce-zon; ook de van hein uitgevloeide godsdienst, welke de sterke dranken verbiedt, liet dooden van leder dier veroordeelt, enz.; — Xaco of S1 a k o, m. algemeen opperhoofd der bonzen, In Japan.

Xacara of, naar de tegenwoordige spaan-selie spelling. Ja ca ra (spr. x en j=ch ■, port. xacara, chacara, van \'t arab. schakara, danken, loven) eene soorl van romance, dln gezongen wordt; de zangwijs van zulk eene romance; een dans naar die wijze.

Xsünorphïka, f. gr. (v. xainein, krassen, strgken, en orphlka, z. aid.) de klavlcr-vlool,■toetsvlool, een door Kölllg ullgevonden speeltuig, met slrykstok en klavieren voorzien.

Xang, z. sjan.

Xanthippe, f. gr. (van xanthós, e, dn, geel, en hippos, paard) woordelijk; bel gele paard; naam van de twistzieke, booze vrouw van Socrates; vandaar een kwaad wijf, huls-draak, eene helleveeg, een huiskruis, eene broekdraagster; — xanthaan, n. overzwavelcy-aan; — xanthine, f. de geelstof, gele kleurstof der meekrap, het krapgeel; — xantho-genium, n. Cbem. een In de bladeren en bloesems vervatte stof, die met alkaliën geel wordt; bij sommige scheikundigen vroeger ook voor zwavelkoolstof; — xanthogenium-zuur, n. een meestal gele verbindingen opleverend organisch zuur, dat zich bli het vermengen van een geestrijke kallopiosslng met zwavelkoolstof vormt; — xanthokoon, n. (v. gr. konis, slof, wegens de gele kleur van zgn stof op den toetsteen) een uil zilver, zwavel en arsenlk beslaand erts; — xanthophylle, f. het bladgeel, de kleurstof der geelwordende bladeren; — xanthorrhseahars, n. geel hars uit den stengel van Xanthorrhaia artm-rea van Bolany-bay In Nieuw-lloliand; — xan-thogenïum, n. Cliem. zwavelkoofslof; — xanthox^lon, n. geelhout.

Xaraffen, pi. eene soort van wisselaars, die te (\'gt;oa op de straten, alsmede in de sleden van Malabar hunne zaken dryven; men vindt ze ook te Conslantlnopel (z. saraf).

Xarob, m. eene rekenmunt In Kez, waarvan ile twintig een mltskal of ongeveer 7!i centen doen.

Xaveriua en Xaverïa, arab. (sp. Xa-viér, Javiér) mans- envr.uaam: de schltterenile, glinsterende.

Xoboka of Xobock, f. andere spelling van sjebeck (z. aid.).

Xonolasie, f. gr. (v. xénos, de vreemdeling, gast, en èlffünein, verdrgven) de venlry-ving der vreenideiingcn; — xenïon, n. pi. xonïa of xoniën, pi. gaslgeschenken, geschenken voor gasten, die men na den maaitijd aanbood; onelg. eene soort van punt- of hekcldichlcn; Inz. die van den rom. dichter Marl lulls, en de In Schillers Muzen-almanak van 1797 verschenen disticha, In welke Goethe en Schiller verschelden letterkundige verscbUn-selen en richtingen van hun lyd geeselden; — xenios of xenïus, m. de gastvrije, beschermer der gasten «n der gastvrijheid, een bijnaam van Zeus; — xenodochium, n. (van déchcslhai, opnemen) eene Inrichting lot opneming van vreemden, herberg, eon nacht-verblljf, pelgrimshuls; ook z. v. a. ziekenhuis, hospitaal; — xonodóchus, m. (gr. xe-nodóchos) een opzichter daarvan; — xeno-graphie, f. het vreemde schrift; de kennis der geschreven vreemde talen; — xenograaf, m. wie zich oefent of wie bekwaam Is in hel lezen van het schrift der vreemde talen; — xenokratie (spr. l=ls) f. de heerschappij van vreemdelingen; — xonomanie, f. de vreemdenzucht, overdreven liefde lot, verkleefdheid aan of verdediging van vreemdelingen; — Xenophilie, f. de liefde voor vreemdelingen;

— xenösis, f. (v. xenncn, vreemd maken, vervreemden) de vervreemding, liet vreemd worden ; — xenotaphium, n. (v. Idphos, graf) eene grafstede voor vreemdelingen, begraafplaats voor vreemdelingen.

Xerafin of Xeraphin, m. (van \'tport. xerafim, spr. sjerafiéh, d. i. seraphim) eene rekenmunt te Goa en op Malabar = pardoa, z. aid.

Xeranthomum, n. gr. (van xerns, a, dn, droog; en dnlhenwn = anthos, bloem) de paplerbloem, stroobloem, de roode Immortelle; — xoraphïum, n. Med. een droog geneesmiddel tegen uitslag; — xerasie, 1. of xerasme, n. (v. xerainein, drogen) Med. de baarverdroging, dunbarlgheiil, gedeeltelijke uitvalling der haren, kaalhoofillgheld.

Xereswijn, Xeresseo, z. sherry.

Xerif, m. arab. (spr. sjeriéf, naar poring, schrijfwijze z. v. a. sjerif, z. aid.) eene \'-e-kenmunt te Marokko, = S okla\'s (z. aid.).

Xenon, n, gr. (van xirós, d, dn, droog) een droog geneesmiddel, inz. een strooipoeder, kruiilennmtras, enz.; - xoröma, n. of xo-rótës, f. gr. Med. droogheid, inz. der oogen;

— xerométer, m. de drogingsmeier, een werktuig om de gowichlsvermlndering lilj hel drogen le meten; — xoromykterle, f (vgl. mykteres) bet droogzyn van den neus; — xerophagie, 1. de droge voeding, droge kosl; hel gebruik van gedroogde vrucbien en brood gedurende de vaslen (liU de cersie Christenen) ; — xerophthalmïe, f Med. de droogheid der oogni, droge Dogontsl eking, eene met roodheid en pijn verbonden oogziekte; — xorophthalmos, m. een drong, onlsloken oog; ook z. v. a. x e r o p h I h a I m ie; — xerosis, f. het drogen, ultiirogen; — xerö-tisch, adj. uitdrogend, verdorrend; — xe-rotribïe of xorotripsis, f. het droge wrijven van een lijdend deel.

Xinto ui Sinto, eene van do drie hei-densche godsillcnslen In Japan; vgl. Sinto.

Xiphlas, m. gr. (v. xiphos, zwaard), do


-ocr page 1328-

YATSI

XYLIS

1300

zwaardvlsch, oen oetbaro vlscli, inz. liy Slclllii, welks Ingezouten vinnon cnllo hooienxi-phodónten, pi. (van oiloes, land) zwaard-tanden, oeno soort van zoogdlerverstoonltiKen uit do eerste wereld; xiphoidos of xi-phödos, adj. zwaardvormig.

Xylis, f. gr. do zwaardbloom, watorliloem-lolle, het wandlulzonkruld, stinkende llsch.

Xylander, m. gr. (van lylon, hout en anèr, gen. andrós, do man) mansnaam: houtman ; — xyliot, n. een h(jzondere soort van houtgeest; ook een uiterlijk op berghout geiy-kond mineraal, uil kiezclzuur, (jzcroxyde, kalken bitteraarde bostaando; — xylobalsa-mum, n. gr. halsemhout; — xyloglyph, m. (vgl. glyph, enz.) oen houtsnijder, houtgraveur; — xyloglyphiek ot xyloglyp-tiek, r. do houtsnUkunst; — xylographie, f. de houtschrUfkunst; hot drukken mot houten letters en platen; ook de kunst van het overdrukken op hout; — xylographeeren, z. v. a. do calque eren; — xylogrd-phisch, adj. met houten letters gedrukt; door overdruk op hout voortgebracht, of zich daarmede bezig houdende, daartoe behoorende; — xyloidos ot xyloïdisch, adj. huut-aciitig, naar het hout gotykende; — xyloï-dine, f. een houtvezelachtige stof, door inwerking van sterk salpeterzuur op zaagsel.

)\' als gctalteeken gr. u = 110, . = 400,000; lat. V = 150, p = 150,000; in de wiskunde de tweede onbekende grootheid; V als chemisch toeken = yttrium. — 1\' als munt-teeken en wel op fr. munten: Bourges; op engolsche; York.

Yacht, n. (eng. spelling van \'t neder-landsch jacht, van jagen) eeno soort van klein snelzeilend schip, snelzeiler, postschlp; — yacht-club, f. zeil- en roelvoroeidging (vgl. cl u b).

Yack, z. yak.

Yagoubo, m. een turksch geneesheer.

Yak of yack, m. de knor-os (Bos grun-niens) de huirel met een paardostaart, in de borgen van Thibet en in Mlddon-Azlii hu de Mongolen, Kalmukkon, enz.

Yakos, eene in Afrika te huis behoorendo ultslagzlekte.

Yam, eng. (spr. jem) of yamswortol, m. (westind. ihame, maleisch oebi, oostind. oebies, vgl. a\'h Is wort el) de broodwortel, oen dikke, ronde eetbare wortel van eene hulten-landscho plantensoort (Dioscorea), in Oost- en Wost-lndK! een gewoon voedingsmiddel; vgl. I g n a m e.

Yamaki\'s, f. pi. turk. (van yamak, hulp.

boomwol, lynvaad, enz. verkregen; — xylo-latrie, f. de aanbidding van houten beelden; — xylolater, m. een aanbidder van houten boelden; — xylolith, m. versteend bout; — xylologio, t. do leor of liescbryvlng der houtsoorten ; — xylophagus, m. do houtworm; — xylophylla, f. houtblad, eon struikachtig gewas uit Z. Amerika, met scboono waaiervormige bloemen; — xylorganon of xylorganum, m. (vgl. orgaan, enz.) do strooviool, hot hamororgel, coa speeltuig uit verschillende droge, met strooroiton verbonden bouten staven samengesteld, dat mot kleino stokjes of hamortjes ais een hakkebord wordt geslagen.

Xysis, f. gr. (van xyein, schaven, schavend glad maken, polystcn, zacbt bewerken) het schaven, krabben, kratsen; — xysma, n. het geschaafde, schaafsel; ook z. v. a. char-p 1 e -, — xystër, in. eon schnafjo, vyitje, krab-yzer; — xystos (gr. xystós, sell, tlrömos, d. 1. eig. geöirende baan) of lal. xystus, m. een overdekte zuilengang, een zaal, strydzaal, als vecht- of kampplaats der uthloten In den winter, ook tot wandelplaats dienende; —xy-StïCUS, m. een vechter in zulk eene strydzaal ; — xystarch, m. de opziener of bestuurder van oenen xystos of cene strydoefon-plaats.

gezel, enz.) grlekscho danseressen, die door ryko Turken onderhouden worden.

Yankee, m. eng. (spr. jénkicvgl. Jo-n a t h a n) pi. Yankees, spotnaam, waarmede de Engelschen gemeenzaam en met eene soort van minachling de bewoners der onder don naam van Nleuw-Kngeiand begrepen Staten van Noord-Amerika aanduiden, In lluropa In \'t alg. voor Noord-Amerikanen (ontstaan uit cnglish, dat de Indianen op gebrekkige wyze a\\sjenglis, jcmjli uitspraken); — yankoo-doodle, n. (spr. —iloed\'l) bet volkslied der Noord-Amerl-kanen, met eene zeer vrootyko, oorspronkeiyke zangwgze; het kwam ailereersl als zegelied na den slag hu Hunkershlli (17 Juni 1775) voor, vervolgens als marsch tydons do nedorlogging der wapens door \'t hritscho leger liü Saratoga (1« October 1777).

Yard, m. eng. (spr. j\'nanioig. gard, roede) de engolsche ei, eene maat van l) eng. voeten of 0,(11 i.TO M.

Yassa, het wetboek der Tataren.

Yatagan, z. jatagan.

Yatsi, liever yatsoo, turksch (van ydl-mok, liggen, zich nederloggen) de Igd van het naiir-bod-gaan hy de Turken, omtrent i uren na zonsondergang.


-ocr page 1329-

YAWS

1301

Z

Yaws, ii eng. (spr. jit; cIr. liet wnnkc-Ion, lulmelon) ile vonuszlekto; cono peslanrdlgo zlcklc, die dlkwllls In Afrika cn Wost-lndlö llOOI\'SClll.

Yellow-gum, z. acuroïdhars.

Yembie «r Jombie, n. nrah. een lang, krom, twoosnUdend, zoor scliorp mos dor zul-doiyko Araliloron.

Yen, m. sodorl IH71 do rokcnocnlioid In hot kolzorryk Japan = 100 sen = 2 gld. no conlcn.

Yenke, f, lurk, (van \'I arab. yenneh of enneh) do lirnldgeloldslor, dlo de jonggetrouwde naar \'Uiiils des mans golohll.

Yeoman, m. eng. (spr. jómen) pi. yeomen, een eng. nlol-adollUk landeigenaar, lio-zlller van oen good, eon groot pachtor; liof-liedlonde, Hjfwacht, koninklgke trawant ^yeomanry, f. (spr. jómenri) eene koninklijke lyr-wacht van i!!gt;0 man; ook de ongolsclio uil grnnd-olgonaars gevormde horeden landwoor, tot stilling van onrust, enz.

Yerba-mate, r (sp. yerlxi, krnld = tat. herba) do Pnraguya-tbco, z. mate.

Yeridi\'s, m. pi. dulvolaanlildders in Koor-dlstan, Arinenll\' en don zuldolükon Kaukasus, die wot Allah als (lod erkennen, maar toeli don duivel voroeron.

Yggdrasil, noord. Myili. do lielllge essclie-lioom, under welke do bouw dor wereld en de/.o zelf word ton aanzgn geroepen, de grootste en lioorUlkste aller booinon, lig welken de goden dagelUks vorgadoron om gorlclit te houden.

Yin, oen chineoscho lengtemaat = 51,550 M.; ook oen chin, gewicht, z. gin, \'2e art.

Y-king, m. cliin. eig. hel hoek dor veranderingen, een dor oudste voorthrongselon der letterkunde van China, eene soort van encyclo-piodic, welke over natuurkunde, zodeloer en ho-vonnatuurkundo handelt; men schrijft het aan keizer Fo-lil toe.

Ylang-ylang, f. cliin. (spr. ilnnsjilan) oen voor lljno reukwateren gehruikl, als hyacint riekende olie, die uit eene op het eiland Manila groeiende orclildoBnsoort (fnoiia mlorn-tissima) gewonnen wordt.

Ymor, m. noord. Myth, de stamvader van het reuzengesiacht of van de noordsche gl-ga nte n.

Ynka, z. In ka.

Yo, de chlnecschelUiit; ook een inhoudsmaat.

Yoe, m. chin. z. v. a. nophrlet, z. aid.

yo cl Hey, sp, (spr. ïn cl reïj ik de koning (ondcrteekenlng des konlngs van Spanje).

Yoeng, f. een hokkenachtlg speeltnig lig do Chlneozen, waarmede, door aanslaan met een houten klepel, de afwisseling der daggetyden wordt aangeduid.

Yoerook (vgl. hot lurk. yncroek, landloo-per, omzwerver) tataarsche ruitery, die, In plaats van soldy te trekken, met landeryon hotaald wordt.

Yoos-basji, m. turk. (van yocs, honderd en basch, hoofd, aanvoerder; vgl. basch) let-teriyk: hoofdman van honderd, een olllcior van liet torksclio leger.

Yogi, pl. Ind., naam, dien men aan Indische monniken geefl, welke zich ongevoelig pogen te maken voor alle uitwendige indrukken, uren lang onlieweeglgk op de punt van hunnen neus staren, langs dien weg In den reuk van lielllglield komen en soms tot den rang der lirahmlnon geraken.

Yokola, het vischhrood der Kamtsjadalen in oosieiyk Siheriö; gedroogde en loeherelde vlsch, die hy hen de plaats van hrood vervangt.

Yonke, z. jonk.

Ypsilon, n. (gr. y psilón, d. I. eig. naakte, niet aangehlazon //) de griekscho u of y ,• — ypsiloide, f. Anal, de wiggenaad, do derde naad in hol hokkenoel, dus goheelen wegens hare overeenkomst met de griekscho « (D-

Ysop, z. hyssop.

Ytteriot of ga dol in iet, n. oen zwarte, ondoorzichtige en glanzende, lot de silicaten hehoorendo steen te Vtterhy In Zweden. Oo-ilalln ontdekte het eerst daarin eene hyzondere aarde, de yttei\'aardo; — yttrium, ook wel ytterbium, n. de door Wühler het eerst gevonilen metallische basis der ytteraardo; — ytterspaath, n. natouriyke phospborznro yiteraarde; — yttortantaal of yttrotan-taliet, n. en yttrotitaniet, n. verschillende mineralen, waarin ytteraardo als bestanddeel voorkomt.

Yucca of liever yuca, f. sp. (uit dotaal van Haïti) de adamsnaatd, eene zeer prachtige noordamerikaansclie plant van verschillende soorten; ook de broodwortel, z. man lok.

Yllgada, f. (van \'I sp. ymjn, juk) eene veld- of vlaktemaat in Spanje.


z

als getalteeken in hot grtekscb: s = quot;, gt; = 700; In het lalgn soms =2000; — z la de wiskunde de derde onbekende grootheid;—j als afk. op lal. opschriften = ; as, «. = l a s; — = Zuid; In grleksctie manuscripten liet teeken van Z/yr.i, zoek, by verdachle plaatsen; —/). = Zuiderbreedte; — t. c. = z.yns erachlensj — r. i. — z.yns Inziens ; — z. o. = zie ommezyde; — H. = zilveren roebel; — z. z. (In calalogussen) = zeldzaam; — z. z. z. = zeer zeldzaam; —Chemische teekens z.yir. /n = zincum, zink; — Zr


-ocr page 1330-

ZABBATHAIKTKN 130\'2

ZEBOE

= zirconium. — \'/, als munttooken op fr. munten: Grenoblo.

Zabbathaïeten, m. pi. Iwlcn van ccno Joodsclie seele, die In do Hde eeuw eenen Jood Z sibh(ithai A se vI voor den Messias erkende. Deze verkondigde, dat hU gekomen was om de Joden van de overheorsclilng dor Turken lo verlossen, en vond vele leerlingen; docli gevangen genomen zyndo, werd hU, om niet gespietst to worden, muzelman.

Zabiërs, z. Sahieers, 2); — zabseis-me, z. s a I) 101 s m o.

Zabra, r. (tiask. tahrn) een spaansch schip van no tot in ton, cono soort van fregat, dat In do golf van Hlscaye gebruikt wordt.

Zacah, m. arab. bU de Muzelmannen dat gedeelte hunner goederen, \'t welk de koran lum gebiedt den armen te geven, en welks lioe-grootheld de wet niet bepaalt.

Zacharias, m. hobr. (Sekatjdh of Sckar-jdhoe) mansn.: jehova (jdft of jahoe) gedenkt (sukary, — Zachseus, mansn.: (hebr. sak/tof) de reine, onschuldige, vrome.

Zaffer of zaffra, n. (fr. zafre, safre, salfre, sp. zafra, II. zalfera) ter bereiding van het smalt gereedgemaakt, geroost en geklopt kobalterts.

Zagaai, f. z. sagaal.

Zagal, m. sp. (elg. een sterke, kloeke jonge man, van \'t arab. zu\'ila, wakker, kloek zUn) de helper van den mayoral, z. aid.

Zaïd en Za\'ide, arab. (van :dila, vermeerderen, aanwassen) mans- en vr.naam: de toenemende, aanwassende.

Zaïm, m. arab. (zatm, elg. een borg, van ta-ama, spreken, goedspreken) een vorst; leenheer, bezitter van een krygsleen, een tot don rulterdlenst verplicht leengoedbezlller in Tur-kUe; een turkschesclierprefhter,uitgezonden beul.

Zaïre, f. arab. (van zdrah, bezoeken) vr.naam: de bezoekende.

Zak, m. eeno voorin. Inhoudsmaat In ver-scbiilende gedeollen van Nederland; de am-sterdamsche zak was = last of S3,li11 liter.

Zalot of liever zolot, m. (turk. zolnlc of znlolhn, vgl. so iota) eeno oude turkscho munt = ;in para\'s.

Zambo, m. sp., pi. zambo\'s of zam-ben, naam, dien men in Amerika geeft aan do afstammollngen van Amerikanen en Negers; — zambaigo\'s, zambaigen, ook zam-boclaro\'s, m. pl. afstammollngen van Zambo\'s en Indianen.

Zambook, f. klein vracbtvaartulg in den Archipel.

Zambónischo zuil of kolom, 1\'hys. droge galvanische kolom, uit afwisselende lagen van onecht goud- en zilverpapier bestaande (naar haren In IHKi Ie Verona gestorven uit-vinder / amboni benoemd).

Zamiro, f. arab. (zdmirah, van zamara, np een blaasinstrument spelen) vr.naam: do spelende.

Zampogna, f. it. (spr. —ónja) de schalmei, herderslluit.

Zanana, perz. (zendneh, d. I. vrouweiyk, vrouwenvertrek, van zen, zan, vrouw) vrouwenhof, vrouwontlmmer der hurgeriyke Perzen (vgl. harem).

Zanella, f. soort stof, inz. voor para-plulos gebruikt.

Zannétta, f. eene napolltaanscho rekenmunt = i carllno (z. aid.)

Zanni, m. 11. (volgens sommigen van\'t lat. sannio, waarscbUniyk echter uit den naam Ci-ovanni, Johannes, ontstaan, daar de bewoners van Hergamo yi als z ultsprokon) do potsenmaker, grappenmaker, arlokyn, hansworst of goochelaar In hot 11. biyspel (vgl. bouffon).

Zapata, f. sp. (van znpnln, de schoen) het gebruik om voor de kinderen en de bedienden op den dag van St.-NIcolaas een geschenk In do schoenen te leggen; — zapateado, m. sp (van zapuledr, met den schoen slaan) een eenlgszlns onzedeiyke spaanscho dans, waarbg de maat met den schoen ut op de schoenzool geslagen wordt.

Zaptieh, m. arab. en lurk. de polltle-soldaat.

Zarab-khane-emini, m. turk. de al-gemeene opzichter of Intendant-generaal vaa de munten en mUnen in het Turksche rük.

Zaraguélles, pl. sp. (spr. —éljes) witle broek, wilde pantalon.

Zarandêo, m sp. soort dans met een heen en weer gaande beweging als die eener zeef.

Zarbat, m. arab. (van zaraba, slaan) eene soort van ratel of klapper, om de oostersche christenen (wien \'t gebruik van klokken verboden Is) tot bet gebed te roepen.

Zarëba, f. arab. een versterkt kamp.

Zarf, n. lurk.-arab. een metalen blad, waarop men in Turkije lid \'I kolttedrlnken de kleine kopjes zonder ooren aanbiedt, ecu presenteerblad.

Zarzuéla, f. sp. een tooneelspel van niet meer dan twee bedrijven.

ZatOO (In de taal van Madagascar elg. honderd, malelsch samloes) eene graanmaat op Madagascar van 100 woe I s = ongeveer 44,5 kilo.

Zawiye, f. arab. (zdwiye/i, elg. eeno verborgen plaats, van zawa, verwijderen, verbergen) eene kluis, cel, een klooster; een armhuis by de moslems.

Zoa, f. gr. (dzcd of dzeid) spelt, turksche tarw, maïs (Zi\'ii mais); — zeilithoido, f. de graansteen, eene uit graan bereide harde slof, waaruit men door oplossing en gisting bier verkrijgt; — zeino, f. een bijzonder plantvormend beginsel uil het zaad van Xea maïs verkregen.

Zobaoth, hebr. (zcbdólh, pl. v. zdhd, lieer-leger, v. ziiIiii, ten krijg uittrekken) de hemel-scho heerscharen, d. I. de hemellichamen by-eengenomen, de sterren, de wereld; vandaar: Ood of Johova-Zebaoth, z. Jehova.

Zeboe, m. do oostlndlscbo hult-os, de dooide Hindoes als heilig vereerde buitkoe, met oenen vellmlt op den rug.


-ocr page 1331-

1303 ZE RIM AH BO KB

ZEBRA

Zebra, in. (sp. en port, zebra, It. zebra ; do tmuin is zuld-utrlkaunscli) een lot tiet kc-slaclit van liet paard bohoorend fraai geteekcnd dler In Zuid- en Mlilden-Afrlka, kaupscho ezel, gestreepte ezel; — zebrinus, a, urn, lat. Bot. zebra-achtlg, gestreept, met min of meer regelmatige witte en gele strepen.

Zechine, t, (it. zecchino, m. van la Zccca, het munthuis to Vonetlö, waar dezo munt hot oerst In \'tjaar tiSO word geslagen; zercu zelf Is van arab. oorsprong, van sekkah, do stompol, do gestoinpclde munt) ecno voormalige gouden rekenmunt van verschlllendo waarde in llatil1, liariiary#, Arable, Egypte, enz.

Zodekïa, m. hebr. (Xidkijjdhoe, v. zeitek, zeddkAh, gerechtIglield, en jdhoe, voor Jetiovah) mansn.: Jehova\'s gerecbtlgheld.

Zedoarwortol, m. (nw.lnt. Amömum ze-(Inarm: fr. zédoaire, eng. zedoary: arab. perz. en hlmlost. dsjadwdr) een oostlndlsclie bittere, specerUaebtlge wortel mot verwarmende en oplossende kracht, maagwortel; — zedoarzaad (nw.lat. semen cinae of sanlonfcum) zeverzaad, woniizaad, wormkruid, groengeel roodachtig zaad, onaangonaam van reuk en van bitteren smaak, van den porztschcn alsom of byvoet, een der krachtigste wormverdrUverulo middelen.

Zoeuw, m. een inwoner der nederl. pro-vincio Zeeland; ook z, v. a. zoeuwscho rijksdaalder, een voorm. nederl. zilveren muntstuk = 2 gld. (in,

Zoilaniet, n. yzer-splnel, zwarte spinet van /eiian; ook pleonast.

Zeïne, z. ond. z e a.

Zeke, f. hong. een korte hongaarsche wapenrok.

Zekiat, n. arab. (v. zakd, vermeerderen, vroom zyn, aalmoezen geven) do door den koran voorgeschreven nrmenbelastliig, die uit hot veertigste deel van het Inkomen bestaat.

Zelamiro, aral). vr.naam: do stralende.

Zelosis, f. gr. (van dzèlos, IJver, nayvor, yverzuctit; dzetoen, nayverig zyn, benyden) do nay ver; nyd, Jaioorsebbcid; — zelósn of con zeln, it. Muz. met yver of inspanning, nadrukkeiyk; — zeloot, m. gr. (zelolês) oen (jveraar, wets-of geloofsijveraar; — zelotisme, n. de gver-zuchtlgheid; do gezindheden on grondstellingen eens geioofsyvoraars; — zolotypio, f. yverzuctit; in \'talg. hartstochteiyke yver, waanzinnige yverzuchi, jatoerschbeid, die in vorstands-verbysteriag oidaardt.

Zelota, Zolotte, z. v. a. Izelotte en So tola, z. aid.

Zema, n. gr. (dzéma, van dzéein, koken, zieden) iets gozodons, gekookts, afgokookts, liet afkooksel.

Zembi, z. Kaurl.

Zembos, z. v. a. zambos (z. aid.)

Zemindar, m. perz. {zeminddr of zml-ddr, d. 1. eig. landhouder, van zemin, aarde, land, en dar, houdcnil) de hoofdwachter en opziener eenor landstreek in Oost-lndle onder de mongoolsche heerschappij.

Zémstro, f. russ. landdag, provinciale vertegenwoordiging.

Zend-avésta, f. oud-perz. (zend, zand, zinda/i, levendig, loven, zind, ziel, en wasld, dbasld, vuur) eig. bel levende woord, hel hoi-ligo boek of godsdienstboek van het zend-volk, d.i. van de oude Perzen en iiunne nakomelingen de Parzea, (Jaiioren of Geboren, dat de leer van Zoroaster (z. aid.) bevat;

— hel zond, de zondtaai, de oud-perzl-sche taal, lot de arische talen behoorende, In de oorspronketyke schriften van Zoroaster ge-bozlgd en later de heilige laai der Perzen.

Zondaio, m. it. de sluiers der vrouwen te VenettB.

Zenith, n. (van \'t arab. seml, weg, pad; vandaar voluit seml-oer-rds, weg des hoofds, schedoioord, van rus-, hoofd) het schedelpunt, kruinpunt, toppunt, d. t. hot punt In tiet vlak des homelkioots, dat recht hoven den schedel dos waarnemers Is; bet daartegoiioverstaaiide punt des homels heel nadir of voetpunt; vgi. a z 1 m u t h; — zonithaal, adj. In liet zenith zich bevindende, b. v. zen li halo ster.

Zenobïus en Zenobïa, gr. (eig. door Zeus leven hebhende) mans- en vr.naam: de levenskrachtige.

zonönisch, adj. wat overeenkomstig Is met of behoort tol de teer van Z e n o, stoï-cynsch; zenonisciie punten, ondeelbare punten in de wysbegeerte van Zone, de monaden van Leibnitz; — zononismo, n. de loer van den wysgeer Zeno, don sliiliior van het stoïcisme (z. stoïcynsche s c li ooi, enz.);

— zononist, m. aanhanger van Zeno\'s leer, stoïcyn.

Zent, zontgericht, enz. z. cent, 2).

Zonzerli, m. eene lurk. rekenmunt = 115 piaster; in Alexandrie ongeveer = 4 gld.

Zoolith, m. gr. (van dzéein, koken, en lithos, steen, wegens het schuimen by hot smolten voor do soldeerpijp) de schuim- of bruis-stoen, meestal schitterend wit, straiig of bla-dorig, Inz. op IJsland on In Zweden, uit waterhoudende verbindingen van klezelzuur met kleiaarde, nairon en kalkaarde beslaande.

Zéphyr, m. (gr. dzéphyrns, in\'lalg. wes-ton- of nauwkeuriger noordwestenwind) oen koele, zachte westenwind, oen aangenaam koeltje, eene iicfeiyke zomerkoelte; ook (gew. ze-phir) eene soort fr. lichie troepen, moest uit lichtzinnig, teugelloos volk bestaande; — pas de zéphyre, m. fr. (spr. jia d\' zefier\') een danspas, die uil gevoerd wordt door zich op éenen voet te houdi\'ii en mot den anderen naar voren en achteren te balancecren; — zophyrisch, adj. zacht waaiend, suizend; Zophyrino, vr.naam; de zachte, zachtmoedige; — zophyr-shawls, pi. kleine vierkante sjaals; — zo-phyrlakon, n. lijn damesiaken; — zephyr-garen, 11., zophyrwol, f. lijn, zacht wol-leagaren, bonte stikwoi.

Zer, z. g 11 e z e.

Zorimahboeb, of onkel mahboeb, m.


-ocr page 1332-

ZODIACUS

1304

ZERO

turk. (van \'t porz. :cr, goud, on hoi nrul). wia/i-hiifb, gcllofd, llofclUk; ilus olg. llcfeiyk goud) hol zulvorstc goud j ook cono vroogoro goudeti rokonmunt In ligypte on TurkUo, ongcvoor 3 gld. waurd.

Zero, m. fr. (ook It. on sp. zero, v. \'I arab. (afroeii, (ifroen, lodlg, nulj vgl. eg for) do nul in hcl cUforon.

Zoroombeth, pcrz (teroembAd, zeroembd) wilde gemher.

Zésis, t. gr. (van dzéein, koken) lid koken, zieden, afkoken-, — zostSB (van zeslós, ë, (in, gezoden, ziedend heel) of zotte, pl, gr. wanne damplmdon; — zostolusie, f, het kookbad, het baden of wasscben In beet water.

Zest\'half, m. (voor zesde half) eene voorin, zilvermunt In Nederland = 27J el., later verminderd tot 98 et.

Zetetiek, f. gr. (van dzêleïn, zoeken, na-vorsehen) de navorschingskunst, de kunst om gemeensebappelük met anderen door vragen naar onbekende waarheden Ie vorschen; — ze-tëtisch, adj. zoekend, vorscbend (vgl. sok rail seb en dia I og I sch).

Zougma, n. gr. (van dzeunnymi, onder (\'en juk vereenigen, verbinden) juk, band, verbandmiddel ; Log. de verbinding of vereenlglng van twee zindeeien of ook naamwoorden door een werkwoord, dal slechts by een pasl; eene llguur, door welke een woord, dal In bet eene lid van een voorstel staat uitgedrukt, In bet andere by wyze van ellips er onder verstaan wordt (b. v. liet evangelie schynl myn eenige regel, de voorbeelden van J. G. myn model, voor: scbynon mg mijn model).

Zous, m. gr. Mylb de opperste god, koning en vader dor goden en monsebon, zoon van Kronos en Kbea, by de Komeinen; Jupiter.

Zevoaag, in. N. II. de goudwolf, Inz. In Noordeiyk Afrika en zuideiyk Azië

Zoyboks, pi. turk. eig. landloopers, vagebonden; kleln-azlallsch gepeupel uil de streek van Aïdln, als ongeregelde lurksche troepen gebezigd.

Zian, m. cone algcrynsclic goudmunt = ion a s p e r s.

Ziangi, m. eene oosiindische rekenmunt van zilver.

Zigouners, m. pl. (11. zlngani of zinnari iioheemsch cykani; hong, cziflany, reeds In de 15de eeuw zigani of zingarl gebeeten, waarscii. een Indische naam; vgl. de tegenwoordige Tsjinganen aan den mond van den Indus) lienaming, die de Dulischers geven aan het rondzwervend volk uil Indié, dat wy Heidens (z. aid.) noemen.

Zigzag (hoogd. zickzack) benaming van eene reeks van Ignen boven elkander, die scherpe boeken maken, Z-vormige lynen; geiyk b. v. de loopgraven vormen.

Zilla, f. Iiebr. vr.naam (zillamp;h, geklank, gezang, van zdlal, klinken) de zangryke.

Zimarra, z. simarre.

Zimbi, pl. kleine zeeschelpen, die in Angola, op de Maidivlsclie eilanden en In bei ryk Congo ais munt of kleingeld dienen.

Zin, z tong-tsien.

Zinckoniet, n. een naar den bergraad C. Zincken genoemd, in den llarz voorkomend erts, uit lood, aniimonium en zwavel bestaande.

Zindikieten, pl. arab. (sing, xendik of zimllk) do vrggeesten en atheïsten onder de Mohamedanen.

Zingarosca, f. II. (van zingaro, z. Zigeuners) een zigouneriled.

Zing(h)aleezen, z. Slngliaieezen.

Zink, n. (oudd. zinko; vvaarscbyniyk verwant met lin, hoogd. zlnn) een witblauwacli-tig enkelvoudig metaal, ook sp la nier; — zinkograaf, m. oen zinkbeeldsnyder; — zinkographie, f. do kunst om iieeiden in zinkplaten te sngden en af te drukken; — zinkographeeren, die kunst uitoefenen; — zinkvitriool, n. zwavelzuur zlnkoxyde; — zinkeniot, n. eene verbinding van \'1 zink met zwaveisplesglans.

Zinnïo, f. (uw. lal. ziniiïa, benoemd naar den botanicus Job. Goltfried Zlnn te (loilln-gen, 1750) eene \'zomerbloem uit Zuid-Amerlka, van verschillende soorten, met violette of gele straalbloemen.

Zinzolin, fr. (van \'t arab. djoeldjoeldn, spr. dzjoeldzjocldn, sosam-zaad; sp. aljonjolt, It. giufigiolcna) roodacbtlgiilauw, vloleirood; — zinzolinooron, vloleirood verven.

Zion, m. bebr. [xyjón, oorspr. heuvel) de iioogste, zuidwesieiykste heuvel van Jeruzalem met de burg (van David) en de hovenslad; on-eig. ook de kerkeiyke gemeente, de kerk, met bel bUbogrlp van reclitziiinigheid; vandaar Zl-onswachter, een gestreng voorvechter van \'I oude geloof; — Zionioten of Zions-broeders, pl. noorweegsche dwepers, die bet koninkryk Zlon wilden sticiiten en In i7i3 uil liel land verbannen worden.

Zirkoon, m. (ook Jargon) een roodachtig bruine edelsteen, uil kiozeizure zirkoonaarde bestaande, die met den hyacinth tol hetzelfde geslacbl behoort; — zirkoonaardo, eene In I7S\'.I door Klaproth ontdekte byzondero aarde, die In den zirkoon voorlmnden Is; — zirconium, n. de metallische basis van de zirkoonaarde.

zilli of zilln, II. (spr. Isiél—) slli! si! (een uitroep in ilallaansclio schouwburgen).

Zlö, zlot, zlotlis, m. poolscit (v. zlnlo, goud) pl. zloty, voormalige pooische gulden, nauvvelyks Ito cents waard.

Zmala, z. Smala.

Zoanthropïo, f. gr. (van dzüon, dier, en dnt/iró/ms, monsch) eig. diermenscbheid; Med. liet vaste denkbeeld van eenen mcianeiioilscben lyder, dal hg In een dier Is veranderd.

Zoccolanten, z. Soccolanten.

Zodiacus of zodiak, m. gr. (dzodia-kös, sell, kyklns, van dzódion, verklw. van


-ocr page 1333-

ZOOCHl\'MIE

ZO KAVEN

1305

ilzóon, dier) do dloronrlom, ilu cirkel of gordel aun don home! mot do moostnl naar dloron (ram, stlor, kreed, enz.) bonoemdo 12sler-ronlieoldon of lieniollookons, welke do zon Jaarlijks doorloopt (vgl. okllptlka); — zodia-caal licht, liet dloronrloinsllcht, eeno naar hot noorderllolit gelUkondo llclitscliomorliiK, van do zon DU haren op- on ondorgung In de rlcli-tlng dos dloronrloms opwaarts gaande.

Zooavon, Zouavon, m. pl. olg. do lie-woners van liet district Zoeavla in de prov. Constantino, die gaarne voor soidy in den krygsdionst van de bewindvoerders in Algorlö, Tunis en Tiipoli treden; vandaar de op ara-blscho wys gekleede vootsoidaton In Algorlo, welke door Fransclien onder do Inliooriingen aangeworven en onder fransche regimenten gestoken zün

Zooloika, f, arah, (zoeleïcliA, tcllchA) een oostorsclio vr.naam; oorspr. do naam der vrouw van Potlphnr (In .loz(!fs lotgovallon volgens den Kghel), wier geseliledonis door de oosterlingen romantlscli omgewerki Is.

Zoomboorooks, pl. kanieelkanonnen lig de Sikhs In Oost-lndili.

Zographie, f. z. zoographio.

Zoiator, in gr. (v. dtoon, dier, en inlrós, arts) een dierenarts, veearts; — zoïatrie, f, do vceartsenUkunde.

Zoïlus, ni. gr. een hittoro, nijdige of wangunstige herisper (naar den eigennaam eens he-dilzieken giiekschen geleerden omstreeks ilüvóor Christus, die de gedichten van tlomerus op hoosaardige wijze gispte en daarom ook IIo-inoroinasttx, d. I. goosel van Homerus, ge-hootcn.

zoisch, adj. gr. {dzdikós, f, dn, van dtöoii, (lier, en van dzoë, loven) dlorsch, dierlgk: van dieren afkomstig; lovonhohoudend, levenvoedend; — zoismo, n. liet illorlijk levensproces.

Zoisiet, n. een gryzo soort van e p 1 d o o t (z. aid.)

Zolhan, z.ond. ha I k; — zolot, z. za I o t.

Zomos, n. of zomidïum, n. gr (dzo-dzumtdion) eeno voedzame soep, viecsclinal.

Zone, f. (gr. dzuiu-, lal. zonii) de gordel; do aardgordel of aardstreek, een door twee parallelcirkels (z. aid.) tngosloton godoolte der aardoppervlakte; zona friifida, lat. de koude aardgordel, van do poolkringen lol aan den noorden zuidpool; z. temperata boreiiHs, di\' noorde-lyko gomallgdo luclitstreok, en z. temperata (iHslillis, de zuldclgk geniallgde luchtstreek, tussclion de keerkringen en poolcirkels;

t\'ida, do heete luchtstreek, do hecle aardgordel tusschen de helde keerkringen; — znnatus, n, um of zonalis, e, lal. Bot. gegordeld, met parallel loopomle gordelvormigo strepen.

Zonnar, m. (nw.gr. dzundri, goniel, van \'t oudgr. ilzonarlon, vorklw. van dzunvvandaar ook arah. zondr, zonndr) een zwarlledo-ren koord of gordel, welken do Chrislenen en Joden In Turkije ter onderscholding van de Mohaaiodaiien om het lyf dragen.

Zoochomio, f. gr. (spr. zo-o—, tweelettergrepig, van dzoon, levend schepsel, dier; van dzdein, dzên, leven) do scheikunst van dieriUke licliaamsdeelen, dlorchemle, dleriyke scheikunde; — zoodynamiG, f. het dieriyko levensvermogen, de dieriyko ievenswerkzaain-held; — zoogBGa, f. dleriyke aarde als eindproduct der verrotting; — zoogenie, f do dlerverwokking, do leer of wetenschap van do dlcrkweeklng, van liet ontslaan des dierlijken levens; — zoogen;on of zoogenium, n. eeno gelei (g e 1 a 11 r e), door chemische middelen uit beenderen verkregen, eeno uitvinding van den spiianschoii natuurkennor Olmber-nat; — zoogoographio, f. dat deel der aardrykshcschryvlng, dal van hel voorkomen van de dieren op deze of gene plaats handelt, de leer van het vaderland der dieren; —ZOO-glyphiet of zoomorphiet, n. een dle-renafdruksel in steen; — zoogonie, f. het baren van levende jongen; - zoographie, f. de dierheschrUving en -afbeelding; - zoo-graphisch, adj. dierbesehryvenil; — zooï-atriek, f. z. v. a. zoïatrlek en zoothe-raple; — zoolater, in. (v. lalris, loonarbeider, dienaar) een dlernanbldder, dierverecr-der; — zoolatrie, f. de dlerondlenst, dcdler-vergoding, aanbidding der dieren; —zoolith, m. (van lithos, steen) de diersteen, versteend dleriyk lichaam, eeno versteening van een dier;

— zoologie, f. de diorieer, dierkunde, na-luuriyke geschiedenis, of juister, natuurboschry-vlng der dieren; — zooioog, m. een dierkenner, een kenner en leeraar van de natuur der dieren; zoológisch, adj. dierkundig, lot de dierkunde belrckklng bobbende; zoologische tuin, dlerenlulii; —zoomagne-tisme, n. bet dleriyk magnetisme (z. aid.);

zoomórphen, pi. op dieren getykendo lichamen; — zoomorphisme, n. de dier-vormlng; — zoomorphiet, z. zoogly-pbiet;— zoonomie, f. de leer van do levenskracht, de kennis van do wetten des dicr-lyken levens; — zoonosologïe en zoopa-thologie, f de leer van de ziekten der dieren; — zoophsemenologie, f. de leer van de levensvorschyriseien der dieren in den gezonden en zieken toesland; — zoophagie, f. hel vlooscbelen, vleeschgobrulk, de vleesch-iintiiging; — zoophagen, pi. diereiivlcesch-eters; zoophagisch, adj. vleeschelend;

— zoopharmakologie, f. de kennis van

do .........................zoophielen, pl. dloron-

vrienden; —zoophórisch, adj. (v. jMrcin, dragen) dlerdragond; h. v. zoo p b o rise he zuil, eeno zuil, waarop een dier staat; — zoophyaiologio, f. de naluurleer der dieren;—zoophy ten, pl. (van ji/iy/ón, gewas, plant) dlerplanlon of plantdieren (pollepon);

— zoophytolithen, m. pl. vorsleendo dier-planleii; — zoophytologïe, f. de leer der dicrplanlen «f plantdieren; — zooplast, ni. navornicr van dierflguren; — zooplastika, zooplastiek, f. navormlng van diergeslai-


-ocr page 1334-

ZYTHOS

ZOPPO

1306

ton; — zooplastisch, adj. deiKuluke mivor-mlngen belrolloiide of bevallende, li. v. zoo-plastisch kabinet of m u s e u m, een rer-zaniellng van opgezette dieren; — zoösis, f. (van (hooe/i, bezielen) do levonsrodding, liet levensbehoud; — zootheologie, f. de erkenning van God uil do beschouwing der dieren; — zootherapie, f. dierhoclkunde; — zootine-zout, n. gr.-nederl. natuurlijk voorkomende salpetcrzuro soda; — zootóka, pl. gr. (van lokris, het liaren, van tiklein, baron) levendbarende dieren •, — zootokie, f. liet le-vendbaren, liet ter-wereld-brengen van levende jongen; — zootomïe, f. (v. lomé, de snede, lémnein, snUdon) de dierontleding, oniieding der dieren; —zootrophëion, n. gr. een plaats ter dleronverpieglng; — zootypolith, m. een steen met den afdruk eens diers.

zopiw, it. lam; vandaar; alia zoppa, Muz. (spr. —Isóppa) hinkend, ongelyk, met den slryk-stok rukken gevende.

Zop^ron, n. gr. (van (hoos, c, rin, levend, en pyr, vuur) brandstof; In \'t alg. een bezielend, aanwakkerend middel, dat de voortduring eener zaak, inz. die van het zwakke leven, onderhoudt; — zopyrie, f. de weder-aanwakkerlng van bet vuur, verlevendiging der krachten, enz.

Zoroaster of perz. Zordust (oud-perz. Zaralhuslra, d. I. goudster) een leeraar der wUsheid in liet oude PorziB (ongeveer «OO Jaren vóór Clir. geboorte) en verbeteraar van den volksgodsdienst, wiens leer tot op onze dagen onder de Geboren (z. aid.) in l\'erziü en In-dii! is in stand gebleven; vgl. zend-avesta.

Zoster, in. gr. (van dzónnynai, omgorden, vgl. zone) een gordel; Mod. de streek onder de ribben, en een uitslag in deze streek, de gordelroos.

zotisch, adj. gr. (dzolikós, c, ón, v. dtdein, ilzên, leven) levend, hel leven betreffende of dat bevorderend, bezielend ; — zotïka, f. (gr. dzulikc, sell, ilynamis) de dierlijke lovenskracht.

Zouaven, z. Zo e a ven.

Zubik of zybik, m. russ. eene theekist, 1 Ji i pud thee bevattende.

Zurlo, z. surlo.

Zuurzak, m. nederl.-ind., naam voor de vrucht van Artocarpus inlegrifolia (Inlandsch: na ngka).

Z-vormig, gevormd als eene Z, zigzagsge-w\'üs (zie zigzag); ook van een mensch: krom en mismaaki.

Zwaardmagen, m. pl. bloedverwanten van vaderszijde (vgl. spilmagen).

Zwavel-sether, m. nederl.-gr. (vgl. iel li er) een In den laatsten tijd in gebruik gekomen middel, waardoor men don lijder in oenen slaat van volslagen verdoovlng en gevoelloosheid bracht en hem in dien toestand de gowicliligste kunstbewerkingen deed ondergaan (vgl. chloroform).

Zwingliaan, m. een aanhanger van de leer van Zwlngllus; — zwingliamsme, n. de leer van don zwilserschen hervormer UI-r I c li /, w I n g 11 u s.

Zygia, f. gr. (van (Izynrin, Juk, verbinding) de cchtsiuller, bruiloftsgodin, een bynaaju van Ju no; — zygoma, n. (van dzygoen, onder een juk vereenigen, verbinden) het jukbeen;

— zygomatisch, adj. lol hol jukbeen be-hoorende.

Zyma of zyme, f. gr. izymc) de gisi-slof, hel zuurdeeg; — zymisch, adj. door gistlngstof veroorzaakt; — zymologie, f. de leer van de gisting, glsllngloer; — zymöma, n. (van dzymoen, verzuren, In gisiing brengen) een gistingmiddel (z. v. a. ferment); — zymosis, f. de gisting (z. v. a. ferm entail e); — zymosiométer, m. de gislingme-ter of afineier van de verschillende graden der gisting; — zymoskoop, m. een gistscbou-wer, werktuig om glsl te keuren; - zymo-techme of zymotechniok, f. de gis-tingskunsl, de leer en kunst der gisting; —zy-motechnicus, m. een kenner van de gisting; — zymötisch, adj. gistend, gisting voortbrengend; — zymurgie, f, de gistings-cliemie, de leer van de gisting.

Zythos, m. gr. een door glsilng bereide drank, Inz. gerstafkooksel, liter; ook azijn, enz.;

— zythogala, n. (van ijula, melk) bier- en azynwei; — zythopooie, f. de bierbrouwerij;

— zytotochnicus, m. bierbrouwer; — zy-totechnre en zytotechnïka, f. de bler-brouwkunst, de kunst van bierbrouwen.


-ocr page 1335-
-ocr page 1336-
-ocr page 1337-

w

.

- -..........

- , . .

WMM ^h-, ■-

!

\'MMM

0^ ■ .• ^ \'■:t;

WÊÊÊIÊmÊmÊ

• Iffjlffl •• 9 /v- \' ■■

\'

■.^V^\'^VÏ: . ,

\'

•■ • w

-ocr page 1338-
-ocr page 1339-
-ocr page 1340-
-ocr page 1341-