/
/S¥ V^pV.
DE VERBANNING VAN DEN LAATSTEN APOSTOLI-SCHEN VICARIS DER HOLLANDSCHE MISSIE,
Dr. W. P. C. KNUTTEL
Bij vonnis van 3 Mei 1718 werd de laatste Apostolische Vicaris der Hollandsche Missie, Joannes van Bijlevelt, door liet Hof van Holland verbannen. De aanleiding tot liet proces en het rechtsgeding zelf leveren eene merkwaardige bijdrage tot de toch reeds zoo belangrijke geschiedenis der Katholieke kerk in ons vaderland in het eerste vierendeel der achttiende eeuw, ook omdat zij een eigenaardig licht werpen op de houding, door \'s lands overheid en de justitie — welke laatste de plakkaten der eerste tot richtsnoer had te nemen — destijds tegenover de Katholieke kerk aangenomen.
Op de eerste Staten-Vergadering, in 1572 te Dordrecht gehouden, was bepaald, „ dat gehouden zal worden vryheyt der religien zoe wel der gereformeerde als der roemssche religiequot;, maar reeds in 1573 was deze resolutie teruggenomen, en langzamerhand werd in alle provinciën de uitoefening van den Katholieken godsdienst verboden. Men wilde wel vrijheid van geweten in dien zin, dat niemand ter zake van zijne getrouwheid aan het oude geloof zou worden lastig gevallen, maar men gunde den Katholieken
II. 15
226
niet de vrijheid, bevrediging hnnner godsdienstige behoeften te zoeken. Dat op die vrijheid van geweten ook wel inbreuk is gemaakt, kan blijken uit de bijzonderheid, dat men o. a. soms de Katholieken dwong, hunne kinderen door een predikant te laten doopen. Wil men echter billijk zijn in de beoordeeling der door de Regeering gevolgde gedragslijn, dan mag men de tijdsomstandigheden niet buiten rekening laten.
Intusschen reeds in 1639 werd in een request, door J. Wtenbogaert aan de omgeving van prins Frederik Hendrik ingediend, gewezen op de noodzakelijkheid, dat uit de vrijheid van conscientie vrijheid van eeredienst moest volgen, „vermidtsquot; — wordt daarin niet onaardig gezegd — „\'t selve soo veel sonde wesen (gelyck die van de gereformeerde religie voor desen Sijns Majst. van Yranckrijck wel hebben weten te remonstreren), als off men henluyden seyde, dat zij souden moghen leven, maer niet eetenquot; 1). Er zouden echter nog heel wat jaren moeten verloopen, vóórdat dergelijke wenschen in vervulling gingen. Toch heeft men van den aanvang af niet altijd streng de hand gehouden aan het verbod. De talrijke plakkaten, tegen de Katholieken uitgevaardigd, zijn daarvan het bewijs. Immers hadde men de eenmaal uitgevaardigde plakkaten werkelijk krachtdadig uitgevoerd, die verbodsbepalingen hadden niet altijd weder behoeven te worden hernieuwd en verscherpt. Zeer vele maatregelen, ten opzichte der Katholieken genomen, strekten tot bevrediging van predikanten en synoden, die niet nalieten telkens en telkens weder klachten te doen hoeren over de „ stoutichedenquot; der papisten. Toen in 1651 na den roemrijk volbrachten tach-tigjarigen oorlog de G-roote Statenvergadering bijeenkwam, werd wel de uitoefening van den Katholieken eeredienst verboden — alweder niet zonder dat eene deputatie van predikanten daarop had aangedrongen — maar het was toch in den meerquot; gematigden, door Holland voorgedragen
1
Zie H. C. Rogge in het Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, dl. 11, blz. 4.
227
vorm. Aitzema verhaalt zelfs, dat „ Holland ende anderen snstineerden, dat men de Wapens om de vryheydt van conscientie hebbende aengenomen, ende self in tydt van Oorlogh ende rigueur, niet zynde op de wyse der Spaansche Inquisitie geprocedeert, dat men oock nu niet behoorde daer in te excederenquot;1). Laatstgenoemde provincie en vooral het machtige Amsterdam vreesden van te gestrenge uitvoering der plakkaten nadeel voor hunne handelsbelangen, welke door eene ruimere opvatting slechts konden worden gebaat. De tweede helft der zeventiende eeuw bracht den Katholieken nog menig moeilijk uur, maar toch konden zij op vele plaatsen, vooral aan bet einde dezer periode, zich in eene betrekkelijke vrijheid van godsdienstoefening verheugen, al moesten zij voor die meerdere vrijheid zich groote geldelijke opofferingen getroosten, daar de ambachtsheeren, baljuws en verdere officieren zich voor de zoogenaamde conniventie of oogluiking ruimschoots lieten betalen. Ten opzichte der Jezuïeten wilde deEegee-ring van geen toegeeflijkheid weten, wat niet verhinderde, dat hunne orde — ofschoon in de Eepubliek verboden — telkens meerdere leden als missie-priesters naar onze gewesten zond. De Staten beschouwden de Jezuïeten als vijanden van het gemeenebest — en gedurende den oorlog met Spanje zeker niet ten onrechte — en vreesden derhalve, dat hun invloed op de overige Katholieken voor den staat niet dan verderfelijk kon zijn. Ook bracht de in de zeventiende eeuw zoo dikwijls herhaalde beschuldiging van vorstenmoord er het hare toe bij, om deze orde in een kwaad daglicht te stellen. Verder verweet men haren leden hebzucht, en dit gaf aanleiding tot de vrees, dat zij voor hunne stichtingen veel geld uit het land brachten. Vandaar, dat het edict der Staten van Holland van 26 Februari 1622 Loyola\'s volgelingen bepaald van de overige priesters en monniken onderscheidde; zij werden verklaard „voor goeden prinse en rantsonabel als Vyanden van den Landequot;. Mannen als prins Maurits en Willem Lodewijk beschouw-
1
Van Aitzema, Saken van staet en oorlogh, dl. III, blz. 509.
228
den hen als gezworen vijanden van het land en verspieders van den Koning van Spanje. Al moge nu ook de meerdere verdraagzaamheid, welke aan het einde der zeventiende eenw valt op te merken, in zekere mate ook den Jezuïeten zijn ten goede gekomen, toch meende men hen te moeten uitsluiten, waar aan de overige Katholieken — zij het dan oogluikend — meerdere vrijheid werd gegund. Zeker is het, dat zij in ons land eene buitengewone werkzaamheid aan den dag hebben gelegd, en dat voor een groot deel hun de roem toekomt, de Katholieke kerk in Nederland voor den ondergang te hebben bewaard.
Wil men met enkele woorden den toestand aan het einde der zeventiende eeuw samenvatten, dan kan men zeggen: de uitoefening van don Katholieken eeredienst was verboden, en de Katholieken werden door verschillende bepalingen in hunne vrijheid van beweging belemmerd, b.v. door de wetgeving op het huwelijk, de school en ten opzichte van de vrije beschikking over hunne nalatenschap. Ook was het bekleeden van de meeste openbare ambten hun ontzegd. Door de toenemende verdraagzaamheid waren echter vele plakkaten feitelijk buiten werking gesteld; althans op vele plaatsen genoten de Katholieken voor de uitoefening van hunnen eeredienst eene zekere mate van vrijheid.
Zoo stonden de zaken, toen in den aanvang der achttiende eeuw de scheuring onder de Katholieken in ons vaderland plaats greep. Het is mijn doel niet, hier die geschiedenis — zij het ook in het kort — te verhalen. Slechts enkele punten wil ik in herinnering brengen, voor zooverre dit, tot goed begrip van hetgeen in het jaar 1717 geschiedde, noodig is, terwijl daarbij vooral in het oog gehouden zal worden de houding, door de Eegeering bij deze voorvallen aangenomen.
Sedert het einde der zestiende eeuw stond aan het hoofd der Katholieke kerk in Nederland, of liever der zoogenaamde Hollandsche Missie, een Apostolische Ticaris. Gewoonlijk werd deze benoemd tot Aartsbisschop van Utrecht, ofschoon hij dezen titel met voerde, maar gewijd
229
werd op den titel van aartsbisschop van het een of andere bisdom „in partibus infideliumquot;. Van den aanvang af hadden de geordende geestelijken, en in het bijzonder de Jezuïeten, zich tegen deze hun lastige instelling verzet. Gedurende de geheele zeventiende eeuw beklagen de Yi-carissen zich over de aanmatigingen der ordens-geestelij-ken, en trachten de laatsten de hoofden der Missie te Eome verdacht te maken. Sedert 1688 bekleedde Petrus Codde de waardigheid van Apostolisch Vicaris met den titel van Aartsbisschop van Sebaste. Op uitnoodiging van den Paus was hij in 1700 naar Kome vertrokken, waar intusschen door de tegenpartij eene aanklacht tegen hem aanhangig was gemaakt. Den 13ilcu Mei werd Codde gesuspendeerd en Th. de Cock tot Provicaris aangesteld. Deze gebeurtenis bracht in ons land de grootste opschudding te weeg. Terwijl de aanhangers van Codde weigerden, zich bij \'s Pausen besluit neer te leggen, ook wijl zij meenden dat dit in strijd was met het canonieke recht, juichten hunne tegenstanders over de eindelijk behaalde over-winning. Zonder in bijzonderheden te treden over de onderscheidene punten van verschil, zij hier slechts opgemerkt, dat Codde en zijne aanhangers door de tegenpartij van Jansenistische ketterij werden beschuldigd, welke beschuldiging de daardoor getroffenen verre van zich wierpen. Wordt in de volgende bladzijden van Jansenisten gesproken, dan geschiedt dit niet in den zin, alsof zij werkelijk dien naam verdienden — ik laat dit thans onbeslist ■— maar alleen, wijl deze benaming, te recht of ten onrechte, nu eenmaal burgerrecht heeft verkregen De vraag aangaande de kerkleer was echter niet de hoofdzaak. De Jansenisten hielden met hand en tand vast aan de rechten van het ütrechtsche Kapittel, welke aanspraken door de tegenpartij niet werden erkend.
1) Het is bekend, dat do officieele naam voor de aanhangers der oude kerkorde is: leden der Oud-Bisschoppelijke Clerezy. De naam is echter wat lang om hein te gebruiken, terwijl do benaming Oud-Katholiek minder juist is.
230
Welke houding werd nu door de Regeering in deze aangelegenheid aangenomen? Zij was in eene eigenaardige positie gebracht. Immers geen der plakkaten was buiten werking gesteld. In theorie bestond er dus voor haar hier te lande geen Katholieke kerk, maar wel Katholieke ingezetenen. Evenwel was het gemakkelijk na te gaan, aan welke zijde de Staten zich zouden scharen. Over de vraagpunten van kerkleer en kerkrecht konden zij niet beslissen ; daarmede lieten zij zich ook niet in. Sedert een meer verdraagzame geest was beginnen te heerschen, was het vooral het streven van \'s lands overheid geweest, slechts ingezetenen des lands, geborene Nederlanders, als priesters toe te laten. Het moest haar dan ook aangenaam zijn, als een door het Utrechtsche Kapittel voorgedragen Apostolische Vicaris het bewind voerde over de Nederlandsche Katholieken. De Staten wilden niet dulden, dat een bui-tenlandsche vorst zich rechten aanmatigde over hunne onderdanen, dus ook niet de Paus te Eome. Daarbij kon het der Regeering niet verborgen zijn, dat vooral de gehate Jezuïeten ijverig gewerkt hadden, om den Apostoli-schen Vicaris te doen vallen. De geschillen toch, die tus-schen dezen en de wereldlijke priesters bestonden, waren bekend, en in de zeventiende eeuw komt, als er sprake is van eene verbanning van alle geordenden, ook wel de klacht voor, dat het de wereldsche priesters waren, die hierop bij de Regeering aandrongen.
De ongeregeldheden, door de suspensie van Codde en de benoeming van De Cock o. a. te Leiden in het leven geroepen, waren der Regeering hoogst onaangenaam. De bemoeiingen van een buitenlandsch bewind, dat, zonder de goedkeuring van \'s lands overheid te vragen, de tot dusverre bestaande kerkregeling had omvergeworpen, niet willende dulden, koos zij beslist voor Codde en het Utrechtsche Kapittel partij. Den 17den Augustus 1702 vaardigden de Staten van Holland een plakkaat uit, waarbij verboden werd, de bevelen van den Paus te gehoorzamen, of iemand als Vicaris te erkennen, tenzij deze „na de ordre van deese Landen gebruyckelyck behoorlijker wijse sal weesen
231
geeligeert, en bij de Heeren haar Edele Groot Mog. Gecommitteerde Eaaden sal wceseii geadmitteertquot; Aan De Cock werd derhalve, als niet aan deze voorwaarden beantwoordende, het uitoefenen van het vicarisschap verboden, en de maatregelen, als zoodanig door hem genomen, bijv. het aanstellen of afzetten yan priesters, werden „voor nul ende geender waardequot; verklaard. De Kaadpensionaris ïïeinsius stelde persoonlijk De Cock hiervan in kennis, en het plakkaat werd met bijzondere plechtigheid overal afgekondigd. Hoezeer de belangstelling was opgewekt, kan hieruit blijken, dat de uitgevers van couranten ter nau-wernood aan de aanvraag naar de nummers met het plakkaat konden voldoen. Yolgens de partij van De Cock hadden de Jansenisten dit stuk door middel van veel geld van de Staten weten te verkrijgen. Ongelukkig voor De Cock viel een brief, door hem aan de Kardinalen geschreven en waarin de Voorzitter van de Staten van Holland, Wassenaar van Duivenvoorde, als omgekocht werd aangewezen, in handen der Regeering. Deze was ten hoogste gebelgd, en van oordeel zijnde „ dat seekerlyck van den voorschreeven Brief veele Copien ende Afschriften gemaackt, en allerweegen gedissemineert zijn; dat daar door mercke-lyck werdt gelaedeert de eer, goede naam en faam, niet alleen van den voornoemden Heere van Duvenvoirde, maar oock gekrenckt de hoogheyt en de digniteyt van liet Collegie van haar Edele Mog.quot; 1), stelde zij eene premie van drie duizend gulden op het in handen der justitie leveren van den schuldige. Intusschen hadden de Staten bewerkt, dat Codde, die nog altijd te Eome werd opgehouden, naar \'t vaderland kon terugkeeren. In de eerstvolgende jaren werden door de Eegeering verschillende maatregelen genomen tot bescherming van den gesuspen-deerden Apostolischen Vicaris en zijne geestelijkheid. Vandaar het verbod aan geestelijken, om in eeu andere parochie, als voor welke zij waren toegelaten, dienst te doen (10 Hei
1
Plakkaat van 8 Augustus 1703 (a. w., dl. V, blz. 560—561).
232
1704 !); de last, aan de officieren van justitie gegeven, om de geordenden, die na het plakkaat van 1702 in \'t land gekomen waren, te doen vertrekken, en een bedreiging met verbanning voor de destijds daar reeds aanwezigen (24 Pebr. 1703 1); het verbod om pauselijke bullen of brieven af te kondigen (25 Mei 1703 8), waarbij de Staten van Holland zich beriepen op een dergelijk besluit, den 9\'-ic|i Mei van dat zelfde jaar door het Parlement van Parijs genomen, dat eveneens de publicatie der genoemde stukken zonder uitdrukkelijke toestemming des Konings verbood. Terwijl de Staten van Utrecht den 23sten Mei 1703 een plakkaat uitvaardigden van gelijke strekking als dat van de Staten van Holland van 17 Augustus 1702, werd dit laatste in 1704 nog eens hernieuwd, en moesten eenige priesters in verbanning gaan. Den 27sten Maart
1705 namen de Staten van Holland eene resolutie, waarbij werd bepaald, dat, tot herstel van de rust, onder de Katholieke ingezetenen mot den 15den Juni een begin zou worden gemaakt met de verdrijving der Jezuïeten, indien Codde op dien datum niet in zijne waardigheid was hersteld 2). Een oogenblik scheen het, of werkelijk aan den strijd een einde zou komen, toen G. Potcamp in 1706 tot Vicaris werd aangesteld. Ook Codde en de Kegeering namen met deze keuze genoegen. De nieuwe Yicaris stierf echter reeds den 16den December van hetzelfde jaar. In December 1707 werd Daemon tot Vicaris aangesteld, maar de Jansenisten weigerden hem te erkennen, ook wijl de Eegeering hem niet als zoodanig wilde toelaten. Toen hij toch trachtte zich te handhaven, verscheen den 26sten April een nieuw plakkaat van de Staten van Holland, waarin het o. a. heet: „ .... soo zijn Wy nu al eenigen tydt gewaar geworden, dat den voornoemden Adam Dame sich voor Vicaris traght uyt te geeven, oock dat den
1
a. w., dl. V, blz. 559—560.
2
a. w., dl. V, blz. 563.
233
Nuntius van den Paus tot Keulen, alomme binnen dese Provinciën, soo met het verleenen van Missiën, het sen-den van Bullen, het schryven van Brieven, als andere Actens te pleegen, de Punctie van het Vicarisschap effective quam waar te neemen, niet tegenstaande Wj tegens soodanige infractien van Onsen voorschreeven Placaate soo meenigmaal hadden voorsien, met het removeeren van soodanige afgesondene Priesters, als meede dat Wy by Onse respective Placaten al het selve soo ernstigh verhoeden ende geinterdiceert hadden, en geconsidereert dat daar door de ruste onder de Eoomschgesinde Ingezeeteuen binnen deese Landen noch meerder wordt getroubleert, Soo ist...hier volgt het verbod voor Daemen, om het vicarisschap uit te oefenen en in het land te komen, zoolang hij deze waardigheid niet heeft nedergelegd; een ieder wordt gewaarschuwd, hem of den Nuntius te gehoorzamen, terwijl wat zij hebben bevolen, nietig wordt verklaard, en opnieuw aan de leden van geestelijke orden het recht wordt ontzegd, in de provincie te komen 1).
Toch gelukte het der Kegeering met hare plakkaten en resolutiën niet, het daarmede bedoelde oogmerk te bereiken. Hadden de gestrenge maatregelen, in de eerste jaren der jeugdige Republiek tegen de uitoefening van den Katholieken godsdienst genomen, wrellicht ten doel gehad, dezen in onze gewesten te doen uitsterven2), men had dan voorbijgezien, dat ook de Katholieke kerk na de Hervorming een verjongingsproces had ondergaan en, zelfs in ons vaderland, geen stuiptrekkende stervende was. En waar nu de Regeering opnieuw den strijd met Rome aanbond, vergiste zij zich, zoo zij meende door hare verbodsbepalingen de Eoomsch-Katholieken er toe te kunnen brengen, om hunne gehoorzaamheid aan den Paus op te zeggen.
Heeft de tegenover de Katholieken gevolgde politiek gefaald, dan is dit zeker voor een deel toe te schrijven
1
a. w., dl. V, blz. 567—568.
2
Zie Fruin, Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog, Amst. 1861, blz. 291.
234
aan den weinigen ernst, waarmede ook nu weder de plakkaten werden ten uitvoer gelegd. De verbanning der Jezuïeten, waartoe de Staten van Holland in 1708 waren overgegaan, bracht niet veel verandering in den toestand. De aan Rome getrouwe partij trachtte op alle wijzen, de geloovigen van de Jansenistische priesters af te trekken. Aan middelen daartoe ontbrak het haar niet. De door de Jansenistische vicarissen aangestelde pastoors werden door de Eoomsch-Katholieken voorgesteld als onwettige priesters, als afvalligen en verdoemden, die de sacramenten niet mochten bedienen. „Refractariiquot;, „Jansenistenquot; en „staatse priestersquot; werden de verdedigers der oude kerkorde door de tegenpartij genoemd, terwijl deze laatste aan hare eigene vrienden den naam van „morigeriquot; gaf. Kan men bevroeden, hoevele eenvoudigen uit bezorgdheid voor hun ziele-heil angstig waren, om zich aan de zijde der Jansenisten te scharen, de Katholieken wisten ook, hoe men de plakkaten kon ontduiken. De uitvoering dier besluiten toch was grootendeels toevertrouwd aan de ambtenaren der justitie, en dezen hadden gedurende den loop der geheele zeventiende eeuw getoond, dat zij niet bestand waren tegen argumenten, welke in hooge mate bevorderlijk waren aan het stijven hunner beurs. Vandaar de klacht van het Hof van Holland in eene memorie, den 29sten Juni 1717 bij de Staten dier provincie ingediend 1), dat het herhaaldelijk voorkwam, dat de officieren zich lieten omkoopen, om den Roomsch-Katholieken ter wille te zijn en hun de behulpzame hand te bieden bij het verwijderen van Jansenistische pastoors. Wij zagen boven reeds, dat in de zeventiende eeuw de Katholieken voor de zoogenaamde conniventie of oogluiking jaarlijks eene zekere som betaalden aan baljuw en schout of aan den heer der plaats. Dat afkoopen van lastige vervolgingen werd „componee-renquot; genoemd. Ofschoon de Regeering herhaaldelijk tegen dit euvel strafbepalingen had uitgevaardigd, was het langzamerhand eene erkende, ja zelfs door de Staten beschermde
1
Zie hieronder, blz. 258.
235
gewoonte geworden, die eerst in 1785 werd afgeschaft. Nu kwam het herhaaldelijk voor, dat op plaatsen, waar de Katholieke gemeente voor een groot deel uit „loopersquot; bestond, d. w. z. uit gemeenteleden, die, omdat zij met den Jansenistischen pastoor geen vrede konden hebben, in eene andere parochie ter kerke gingen, dat — zeg ik — op die plaatsen de recognitie niet of slecht werd betaald. Hieruit volgde, dat de persoon, die daardoor een deel van zijn jaarlijksch inkomen moest missen, er belang bij had, dat de Jansenistische pastoor door een van de tegenpartij werd vervangen. De Jansenisten daarentegen hadden de Kegeering op hunne hand en wisten van die hulp goed gebruik te maken. Is het wellicht overdreven, als de tegenpartij steeds de oorzaak der door de Staten tegen de Roomsch-Katholieken genomen maatregelen in het aanstoken van de Jansenisten meende te moeten zien, een feit is het, dat dezen telkens met klachten bij de Regeering kwamen. Begrijpelijk is dit zeker, daar de steeds kleiner wordende kudde zonder den steun der Staten onmogelijk tegen den machtigen arm van Rome bestand zou zijn geweest. En Rome spaarde geene moeite, om aan de scheuring een einde te maken. Herhaaldelijk werden Jansenistische priesters door den Nuntius te Keulen opgeroepen, om zich te komen verantwoorden. In hooge mate wekte dit de ontevredenheid op der Regeering, die het als een inbreuk op hare souvereiniteitsrechten beschouwde, dat hare onderdanen voor eene buitenlandsche rechtbank werden gedaagd. Ten strengste was bij plakkaat van de Staten van Holland van 14 December 1708 verboden het drukken van, of gehoorzamen aan „ Brieven, Bullen, Bil-letten ofte andere Geschriften, streckende tot ontrustinge van de Roomsgesinde Ingezeetenen binnen deese Provinciequot;, waarbij nog afzonderlijk melding werd gemaakt van de stukken, „behelsende evocation en daghvaardingen buyten \'s Landtsquot;1). Deze dagvaardingen waren de oorzaak, dat opnieuw moeite werd gedaan, om voor de Hollandsche
1
Groot PLacaathoek, dl. V, blz. 566.
236
Missie een Apostolischen Vicaris te verkrijgen en dezen door de Staten te doen erkennen. Eerst had men getracht, de moeielijkheid te ontgaan, door in 1716 aan J. van Bijlevelt, pastoor der voornaamste statie in Den Haag en aartspriester van Delfland, de opdracht te geven, om de gedaagden te hooren. Dezen beklaagden zich opnieuw bij de Staten, en toen door den Nuntius steeds meerdere personen werden aangewezen om gedagvaard te worden, ontving Van Bijlevelt van de Staten de aanzegging, dat hij had te zorgen dat die citatiën ophielden; zoo niet, dan waren nieuwe zware vervolgingen voor de Katholieken te duchten. Op last der Staten schreef Van Bijlevelt over deze questie aan den Nuntius. Het gevolg was ten slotte, dat, bij pauselijke breve van 2 October 1717, de Haagsche pastoor tot Apostolisch Vicaris werd aangesteld. Het was nu maar de vraag, of het zou gelukken van de Eegee-ring de admissie te verkrijgen. Werkelijk schijnen volgens den heer Vregt1) de kansen een oogenblik niet ongunstig te hebben gestaan, toen het gebeurde te Assendelft en het daarop gevolgde proces alles in duigen deed vallen.
Het hier volgende verhaal dier gebeurtenis is ontleend aan de processtukken en andere bescheiden over deze zaak, allen in het Rijks-Archief berustende.
ïe Assendelft was sedert omstreeks 1681 als pastoor gevestigd C. van Poelenburg. De man was Jansenist en stond op zeer gespannen voet met den Heer der plaats, Mr. Jean Deutz te Amsterdam. De oorzaak dezer on-eenigheid schijnt voor een groot deel gelegen te zijn geweest in de zijde, door den pastoor in de troebelen, welke de Katholieke kerk verdeelden, gekozen. Wel is dit ook door de in het proces betrokken personen tegengesproken, maar andere redenen werden niet opgegeven. Er wordt gespro-
1
De heer J. F. Vregt plaatste in dl. I—V van de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem eene reeks van belangrijke artikelen over het Apostolisch- Vicarisschap van Joannes van Bijlevelt. De voorvallen te Assendelft komen daarbij wel terloops ter sprake, maar de schrijver kende de processtukken niet, terwijl deze juist onontbeerlijk zijn voor de kennis van de ware toedracht der zaak.
237
ken over \'s mans onhandelbaarheid en koppigheid. Wellicht is dit in dien zin bedoeld, dat hij zich niet alleen als aanhanger van Codde en diens partij deed kennen, maar ook als ijveraar voor zijne zaak optrad. IJit de processtukken blijkt, dat de door den pastoor gevolgde gedragslijn een deel der gemeente van hem had vervreemd. Dit schijnt niet zonder invloed gebleven te zijn op het betalen der recognitie. Dat deze slecht betaald werd, zal later blijken, en dit heeft er zeker toe bijgedragen, om bij den Ambachtsheer den wensch te doen ontstaan, van dezen pastoor ontslagen te worden. Hoe dit zij, meermalen had de heer Dentz de kerk doen sluiten, zeer tot ongerief van de Katholieken, die — voor zooverre zij niet reeds om andere redenen van den pastoor afvallig waren geworden — nu gedwongen waren, op andere plaatsen bevrediging hunner godsdienstige behoeften te zoeken. Ook in het najaar van 1716 was de kerk gesloten geworden. Den 2|leii Januari 1717 richtte Mr. Deutz een brief aan Hugo van Heussen, den bekenden Vicaris van het Utrecht-sche Kapittel, waarin hij schreef, dat tusschen den pastoor en de Katholieke gemeente van Assendelft groote oneenig-heid heerschte, dat hij herhaaldelijk getracht had eene verzoening tot stand te brengen zonder het beoogde doel te bereiken, en dat hij daarom verzocht, een anderen pastoor te willen zenden 1). Uit dezen brief, welke vergezeld was van een verzoekschrift der geestverwanten van den pastoor, heeft men willen opmaken, dat het bij de gebeurtenissen te Assendelft niet, of althans niet in de eerste plaats, te doen is geweest om een Jansenistischen pastoor te verdrijven. Mijns inziens levert de brief daarvoor niet het bewijs. Immers de schrijver was protestant — trouwens een goed Koomsch-Katholiek zou zich niet tot Van Heussen gewend hebben — en dat hij zich tot den Vicaris van het Utrechtsche Kapittel wendde, zal wel geweest zijn, omdat hij niet wist, tot wien hij anders een dergelijk ver-
1
Deze brief is afgedrukt in de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem dl. II, blz. 245—SiV;
238
zoek moest richten. Dat de Jansenisten zeiven dit verzoek steunden — hun verzoekschrift schijnt verloren te zijn gegaan — bewijst nog niets tegen den pastoor. Uit het verhoor van Katholieken voor het Hof blijkt, dat het hun verdroot, dat de kerk steeds gesloten bleef, en dat zij alles wilden aanwenden, om weder üi hun dorp ter kerke te kunnen gaan. Het was hun niet te doen om van den pastoor ontslagen te worden, maar om hun bedehuis weder geopend te zien. De Heer der plaats schijnt daarvan niet te hebben willen hooren, zoolang Van Poelenburg pastoor was. Vandaar hun verzoek om een anderen priester. Wat hier echter alles afdoet is, dat Van Bijlevelt en de priester Van Gerven dadelijk — zooals wij zien zullen — de gelegenheid hebben aangegrepen, om de door een Jansenist bezette pastoorsplaats of statie te bemachtigen. Dat is in het proces tegen den eerstgenoemde hoofdzaak, terwijl de wijze, waarop Van Gerven te Assendelft optrad, de zaak der beschuldigden zeer verergerde. Intusschen Van Heussen ging niet in op het tot hem gericht verzoek. Het liep tegen Paschen, en de Katholieken, die uit hun midden gecommitteerden hadden benoemd, om hunne belangen voor te staan, wenschten vurig, op het hooge kerkelijke feest de deuren hunner kerk weder ontsloten te zien. De Heer der plaats had den 2den Februari 1717 den baljuw Boos, vergezeld door twee getuigen, naar de pastorie gezonden, om Van Poelenbnrg aan te zeggen, dat hij binnen acht en veertig dagen de heerlijkheid Assendelft moest verlaten Deze was er echter de man niet naar om te wijken, tenzij voor geweld. Toen tegen Paschen nog geen verandering in den toestand gekomen was, wendden de Katholieken zich tot Mr. Deutz om hulp. Deze had inmiddels vernomen, dat hij in deze aangelegenheid moest
1) Processtukken in liet Rijksarchief. Deze stukken zijn in een bundel vereenigd. Op den buitenkant van het bovenste stuk staat: Aquot;, •1718. Articulen, Informalien etc. ten laste van Den Baüliuw Johan Roos, de Priester Johan van Bijlevelt en den Priester Caspar Anthonij van Gerven. Eerste verhoor Roos.
239
aankloppen bij den pastoor Tan Bijlevelt in den Haag. Tot hem richtte hij nu het volgende schrijven 1):
......? 20 Maert 1717.
Eerwaerde Heer.
Hebbe alle vlyt aengewent, meerder als 6 a 8 jaeren om deu priester van Assendelft Cornelis van Poelenburg\' met sijn gemeynte, met dewelke liy meerder als 20 jaeren in groote vijantschap en onenigheyt geleeft heeft, te verenigen, maer liebbe het noijt niet konnen te wege brengen, maer ter contrarie is het daer mede nu soo verre gekomen dat hy nootsaekelyck mogt werden verplaets, want alle godsdienst van de Koomse gemeinte is uytgebannen, willende genoegsaem niemant van syn gemeynte, de welke omtrent wel 2000 Pers. sijn, meerder by hem ter kerke gaen en hy wil naer geen proposition luysteren, en is koppigh en ongemaelijek in de hoogste graet, soo dat iek met de gecommitteerde uyt de gemeynte hebbe best gedaght, dat UEerw. een priester met een sendinge gelieft te besorgen, maer niet verder als by provisie, en tot die tyt toe, dat ten prineipaelen anderen ordre sal sijn gestelt, Wy oordelen dat het enigste en spoedigste middel te syn, om de Roomse gemeinte weder in staat te stellen van haer godsdienst te verrigten. Hiermede verblyve
Eerwaerde Heer
UEds ootmoed6 De brengers deses sullen UEerw. Dienaer
verder van alles onderrigten. Jean Deuts.
Deze brief werd aan Van Bijlevelt door twee Katholieke ingezetenen van Assendelft overhandigd. Hij vatte blijkbaar met beide handen de gelegenheid aan, om een der zijnen de plaats van den Jansenist te doen innemen. Wel verklaarde hij in het verhoor, den mannen gezegd te hebben, „dat hij geen macht hadde om haer te helpenquot;, maar de beide afgevaardigden verklaarden aan het Hof, dat zijn antwoord was geweest: „Ik zal een priester zendenquot;. Het laatste is meer overeenkomstig de waarheid, want denzelfden dag zond Van Bijlevelt een zijner kapelaans,
1
Processtukken in het Rijksarchief.
240
Casper van Gerven, naar Assendelft, en gaf hem voor den heer Deutz het volgende schrijven mede 1);
Hoog Edele Heer Mijn Heer
Op UHEdlens versoeok laete ik toekomen een mijnder Cappe-laenen Casper van Gerven, om bij provisie te sijn tot dienst van de gemeynte van assendelft, ik twijffel niet ofte sijn H: Ed; sal hem begunstigen met sijne protectie en indien ik bequaem soude mogen sijn, om de voornoemde gemeynte te bevredigen, UHBd; belieft maer te gebieden; ik sal mij altijt toonen te sijn Hoog Ed: Heer
Hage den 22 Maert 1717. UHEdste ootinste dien:
J. V. Bijlevelt.
quot;Weinig heeft de schrijver van dat briefje zeker vermoed, dat dit document hem eene verbanning op den hals zou halen. Yoor het Hof echter was dit het voornaamste bewijsstuk, dat Van Bijlevelt zich had schuldig gemaakt aan iets, dat door de Staten ten strengste was verboden, nl. het zenden van priesters, zonder daartoe van de Regeering de bevoegdheid te hebben ontvangen.
De genoemde Van Gerven had op verzoek van Van Bijlevelt van den Internuntius te Brussel eene zending ontvangen, echter alleen om goedgezinde priesters te helpen in het waarnemen van den dienst, mits met hunne toestemming 2). In dit geval was hiervan geen sprake. Van
1
De eigenhandige brief van Van Bijlevelt in de Processtukken, t. a. p.
2
Het officieele stuk, met het zegel van den Internuntius voorzien, werd door Van Gerven aan het Hof overgegeven en berust onder de processtukken. Daar het wellicht voor sommigen niet onbelangrijk is te weten, in welke bewoordingen eene dergelijke zending was vervat, moge het hier eene plaats vinden:
„Vincentius Santinus Abbas S. Joannis Baptistae, in Belgio ac Bur-gundiae Comitatu cum facultatibus Nuncij apostolicus Internuncius, et ad Regimen missionum Hollandicarum a Sanctmo. D. N. specialiter depu-tatus etc.
Dilecto nobis in Christo Gaspari Antonio von Gherwen Sacerdoti Ru-remondensi ad missiones Hollandicas assumpto, salutem in Domino sem-piternam. Ut missionarijs morigeris tantum in Missionibus faederati Belgij allaborantibus, de consensu tarnen ipsorum assistere possis, et ualeas tam
241
Poelenburg behoorde niet tot de goedgezinden, en had evenmin de hulp van Van Gerveu gevraagd, of hem toegestaan in zijne kerk dienst te doen. Den 23sten Maart kwam laatstgenoemde te Assendelft en begaf zich naar de woning van den pastoor; op zijn herhaald geklop werd evenwel niet opengedaan. Yergezeld van den baljuw deed hij eene nieuwe poging, om toegang tot het huis te verkrijgen, doch met even weinig gevolg. De pastoor was voorbereid op hetgeen zou volgen. Hij had eonige kerksieraden naar zijn zwager Hoogwout te Alkmaar gezonden, en dien zwager en zijn broeder aldaar van een en ander in kennis gesteld. Op hun verzoek richtte den 23sten Maart de burgemeester van Alkmaar, J. van Oudensteyn, lid van Gecommitteerde Eaden van het Noorderkwartier, zich tot den Procureur-Generaal Nobiling, om te klagen dat de pastoor door den baljuw „met vehementie is behandeldquot;. Hij verzoekt hulp voor dien priester, en voegt er de veel-beteekenende woorden bij: „besonderlyck om dat het van de wehneenende isquot;. Deze magistraat zal wel geweten hebben, dat de overheid en vooral het Hof niet best te spreken waren, waar het maatregelen gold, door de Eoomsch-Katholieken tegen de Jansenisten genomen.
Voor de Katholieken was er geen tijd te verliezen. quot;Witte Donderdag viel dit jaar op 25 Maart, en op dien dag wenschte men de kerk weder in gebruik te hebben. Toen de priester Van Gerven te vergeefs getracht had, toegang te verkrijgen, ging hij den volgenden dag, 24 Maart, met den baljuw en twee Katholieke ingezetenen van Assendelft naar Mr. Deutz te Amsterdam, om te overleggen, wat nu gedaan moest worden. Van Gerven deelde daar aan den
in Verbum Dei praedicando, Confessiones Sacramentales excipiendo, quara in caeteris Pastoralibus Sacramentis administrandis, facultatem in Dno concedimus et impertimur, ad nostram beneplacitam quandocunque reuo-caturam. Voluraus autem ut ad Confessiones Sacramentales excipiendas iam alibi approbatus existas. Datum Bruxellis hac die sexta Julij 1710 Pontifieatus Smi D. N. Papae Clementis XI, anno XVI.
{gei.) quot;Vincentius Santinus Abbas S. Joannis Baptaequot;. H. 16
242
Heer der plaats ten aanliooren van den baljuw mede, dat hij eene schriftelijke, in het Latijn gestelde zending had. Hiermede werd genoegen genomen, ofschoon de betrokken personen moesten weten, dat de stukken, welke de priester kon overleggen, volstrekt niet voldoende waren, om hem als pastoor te Assendelft toe te laten. Mr. Deutz gelastte nu den baljuw, de kerk met geweld te openen. Hieruit schijnt dus te volgen, dat, ofschoon de kerk op last van den Heer gesloten was, de sleutels in het bezit van pastoor Van Poelenburg waren. In elk geval, nog denzelfden avond werd het bevel ten iritvoer gelegd. Yergezeld o. a. door Yan Gerven en door acht gecommitteerden der Katholieken, liet de baljuw de deur der kerk en die van de kosterskamer openbreken, en den toegang, door welken Yan Poelenburg gewoon was uit zijn huis in de kerk te komen, dichtspijkeren. Den volgenden dag deed de nieuwe pastoor dienst.
De zaak was hiermede nog niet ten einde. Yan Gerven had nu wel de kerk tot zijne beschikking, maar Yan Poelenburg bleef de pastorie bewonen, zoodat de eerste genoodzaakt was, bij een der ingezetenen zijn intrek te nemen. Tevens bleef hij verstoken van de kerksieraden en andere voorwerpen, welke hij bij het verrichten der kerkelijke plechtigheden noodig had. Men wendde zich toen tot de schepenen, om van hen een bevel te krijgen, dat Yan Poelenburg uit zijn huis gezet moest worden. De meerderheid van de schepenen, te recht inziende dat de zaak niet zuiver was, weigerde aan dit verzoek te voldoen. Toen werd een andere weg ingeslagen. Den 17den April richtten Yan Gerven en de acht gecommitteerden een verzoekschrift aan baljuw en leenmannen der vrije Heerlijkheid van Assendelft. Ten onrechte noemt Yan Gerven zich in dat stuk „rooms priester tot het bedienen en waarnemen van de roomse Statie en gemeente van Assendelft wettelyk afgesondenquot;. In het request wordt vermeld, hoe Yan Poelenburg dooiden Heer der plaats gelast was, kerk en pastorie te ontruimen, maar dat hij, in plaats van te gehoorzamen, „integendeel op een veragtelijcke wijse de voorse: ordres
243
komt te handelen, en alle tekenen van ongehoorsaemheijt en disrespect te bewijsen in soo verre dat als de heer bailliuw roos met de ondergete; gecommitteerdens geassisteerd den voorse: eornelis van poelenbnrgh tot sijn pligt hier omtrent hebben aangemaand hij snlcx heeft (gelijck men seyd) sijn dove ooren laaten aanhooren, ja dat verder gaat op den 23 en 24 maart laastleeden met de uijterste veragtinge buijten de deur laten staan kloppen den voorse: heer bailliuw, twee schepenen van assendelft ende gesa-mentlijke Supplianten sonder de deur te willen openen ofte in te latenquot;. De kerk was nu geopend, maar Van Poelenburg bleef nog steeds onwillig, het kerkhuis te verlaten. Daar zij te vergeefs bij schepenen hulp verzocht hebben, verzoeken de adressanten, dat aan Van Poelenburg zal worden aangezegd, de pastorie binnen vier en twintig uren te verlaten en aan Van Gerven de kerksieraden over te geven. Mocht hij ook hieraan niet voldoen, dat de baljuw dan gemachtigd zou worden, hem uit het huis te zetten en de kerksieraden te doen uitleveren.
Zooals wij zagen, werd dit verzoekschrift ingediend door Van Gerven en de gecommitteerden. Uit alles blijkt ecbter, dat de laatsten slechts figuranten waren, gebruikt om het te doen voorkomen, alsof de zaak van de gemeente uitging.
Staan wij een oogenblik stil bij hetgeen vijf der gecommitteerden den 8sten Februari 1718 bij hun verhoor voor het Hof mededeelden. Op de vraag, of zij niet behooren tot degenen, die Van Poelenburg hadden verlaten, om in andere parochiën ter kerke te gaan, antwoordden allen ontkennend. Zij hadden bij dien pastoor gekerkt tot den laatsten dag toe, totdat de kerk door den Heer der plaats gesloten werd. Op vraag 17: „Of onder verscheyden roomschge-sinden tot assendelft niet is besloten dat men alle mogelijke middelen sonde in \'t werck stellen om den voorn priester poelenbnrgh uyt syne statie tot assendelft te verdrijven of doen vertreckenquot;, luidde het antwoord van allen ontkennend. Wel zijn er acht gecommitteerden benoemd, niet echter om den pastoor te verdrijven, maar om den
244
Heer te verzoeken, dat er weder kerk zou mogen gehouden worden. Eén verklaarde zelfs, dat zij benoemd zijn, „niet om hem Poelenburcli te doen vertrecken, maer om bij hem weder te kerckenquot;. De gecommitteerden verzekerden, dat het gebeurde op 24 Haart door den baljuw is volbracht op bevel van den Heer der plaats. Zij hadden er geen last toe gegeven, ofschoon zij er bij tegenwoordig waren geweest. Allen erkenden, het request aan leenmannen te hebben onderteekend, maar sommigen verklaarden, het stuk niet gelezen, en ook niet geweten te hebben wat er in stond. De een beweerde, geen verzoek tot schepenen te hebben gericht; Mr. Deutz had dat gedaan. Een tweede wist niets van een verzoek aan schepenen, en een derde kwam verklaren, dat hij twee briefjes had onderteekend, zonder evenwel te weten wat er in stond. En dit waren de menschen, die gezegd werden, uit naam der gemeente den pastoor te hebben willen verdrijven!
Leenmannen, die te voren geweten hadden dat een dergelijk request bij hen zou worden ingediend, en daarom adviezen van advocaten uit Den Haag en Haarlem hadden gevraagd, zonden nog denzelfden dag, waarop zij het verzoekschrift ontvingen, den bode naar Van Poelenburg, om hem uit te noodigen, voor hen te verschijnen, ten einde over het bezwaarschrift te worden gehoord. Hij weigerde te komen en gaf als reden op, dat volgens de ordonnanties eene dergelijke dagvaarding hem drie dagen te voren had moeten worden toegezonden, en dat hij in dat geval een procureur zou hebben gestuurd. Toen de bode driemaal te vergeefs getracht had, Yan Poelenburg te doen verschijnen, besloten baljuw en leenmannen om — zonder den pastoor gehoord te hebben — dadelijk eene beslissing te nemen. Maar alvorens hiertoe over te gaan, hadden leenmannen eerst den baljuw gevraagd, of Van Gerven Avel eene behoorlijke en wettige zending had. Het antwoord luidde bevestigend; de baljuw verzekerde, dat de zending in orde en door den Heer van Assendelft geapprobeerd was. Hij gaf tevens te kennen, dat het voor hen geen nut zou hebben, het stuk te zien, daar het in het Latijn gesteld was. Zoo althans
245
luidde de eenstemmige verklaring der leenmannen, toen zij den 9den Februari 1718 voor het Hof gehoord werden. Zij erkenden, dat zij in deze zaak zich niet tot de Gecommitteerde Kaden van het Noorderkwartier hadden gewend, maar verklaarden tevens, in de meening te hebben verkeerd, dat zij door de verzekering van den baljuw voldoende gedekt waren. De baljuw van zijn kant verklaarde den lOden Februari 1718 voor het Hof, wel gezegd te hebben, dat Yan Gerven eene zending had, maar er niet te hebben bijgevoegd, dat die zending behoorlijk en door Mr. Deutz goedgekeurd was. Daarop werden leenmannen binnengeroepen, die in tegenwoordigheid van den baljuw bij hun getuigenis volhardden, terwijl ook de baljuw bij zijne ontkenning bleef. Hij verklaarde trouwens zelf ook, de zending niet gezien te hebben, maar Yan Gerven tot den Heer van Assendelft te hebben hooren zeggen, dat hij eene in \'t Latijn gestelde zending van Yan Bijlevelt had.
In de beschikking dan op het request van Yan Gerven c. s. machtigen de leenmannen „ mits desen den heer bail-liuw Eoos omme met en beneffens de supplianten den persoon van Cornells van poelenburgh te insinueeren en aan te seggen ten eijnde hij Cornells van poelenburgh aande Supplianten de facto en aanstonts sal hebben over te geven de ornamenten en meubelen tot de statie off roomse kerck van assendelft ent excerseeren der kercke-lijcke diensten behorende en voorts dat hij binnen den tijt van 24 uiren uijt de voorse statie en kercken buys sal hebben te trecken en alle het selve over te laten ter dispositie vande supplianten en bij weygeringe dilaij of resistentie word de voorse heer bailliuw vorder geauthoriseert omme den voorse: Cornelis van poelenburgh de facto na verloop vande voorse: 24 uijren uyt het voorse: kercken huijs te setten met de goederen hem particulierlijck toe-behoorende, dogh alles ten pericuelen vande Suppliantenquot;. De clausule „ dogh alles ten pericuelen vande Suppliantenquot; was er bijgevoegd op advies van de geraadpleegde advocaten. Leenmannen tocli waren niet zoo geheel zeker, of zij in deze wel eene beslissing mochten nemen, en meen-
246
den nu door deze toevoeging tegen mogelijke slechte gevolgen beveiligd te zijn.
Gewapend met het „ appoinctementquot; der leenmannen, gingen nog dien zelfden ITden April de baljuw Eoos, de priester Yan Gerven en de gecommitteerden der Katholieken naar de pastorie. Toen zij niet werden binnengelaten, begaven zij zich weder naar de leenmannen met de vraag, hoe nu verder gehandeld moest worden. Dezen antwoordden den baljuw, dat hij dit aan de requestranten moest vragen en de zachtste middelen gebruiken. Daarop zijn de genoemde personen met geweld de pastorie binnengedrongen, waar de baljuw door den secretaris aan Van Poelenburg het stuk deed voorlezen. De pastoor verzocht copie, en zeide te appelleeren aan zijn competenten rechter in Den Haag, waarop de baljuw antwoordde: „Appelleert aen den Haegsen toorenquot;, terwijl Van Gerven den pastoor toeduwde: „ Al appelleerde jij aen den Grooten ïurck het selje niet helpenquot;. Zonder zich verder om het appel te bekreunen, kwam de heer Roos den lOd6quot; April terug, en gelastte aan Van Poelenburg, „die ongekleed en in sijn Japonse Rock wasquot;, dadelijk te vertrekken. Een verzoek om uitstel werd geweigerd. Op de vraag, waar de kerksieraden zich bevonden, luidde het antwoord: „Bij mijn zwager Hoogwout te Alkmaarquot;. Van Poelenburg vertrok, en Vau Gerven nam zijn intrek in de pastorie. Toch was het wel te voorzien, dat hij er niet ongestoord zou blijven wonen. Want aan welke zijde men zich ook in den strijd tusschen de Katholieken mocht scharen, of hoe men ook oordeelde over de door de Staten uitgevaardigde plakkaten, het moest aan ieder duidelijk zijn, dat het gebeurde te Assendelft lijnrecht in strijd was met de landswetten. Van Gerven was niet wettig afgezonden; Van Bijlevelt — hoezeer de man uit licht te verklaren geloofsijver handelde — had van de Staten niet de bevoegdheid ontvangen om zendingen te doen; ook de zending van den Internuntius was niet voldoende; Gecommitteerde Raden waren niet in de zaak gekend. De tegen Van Poelenburg genomen maatregelen druischten
247
in tegen alle voorschriften eener wettige rechtspleging. Dit alles mag men niet uit het oog verliezen, wanneer men een oordeel wil vellen over de zeker gestrenge wijze, waarop het Hof van Holland in deze zaak optrad. Een staatsburger der Kepubliek was onrecht aangedaan; dit staat vast. De bijzonderheid, dat het hier maatregelen gold van Katholieken tegen een Jansenist, zal zeker het Hof niet zachter hebben gestemd, maar men vergete niet, dat de houding, door den priester Van Gerven aangenomen, van zeer weinig eerbied voor \'s lands overheid getuigde, en de handelwijze van Van Bijlevelt in deze was — wij zullen dat straks nader zien — op zijn zachtst gesproken zeer vreemd.
quot;Wij zagen boven dat de Procureur-Generaal Nobiling reeds in Maart was onderricht van hetgeen te Assendelft voorviel. Daags nadat Van Poelenburg uit de pastorie was gezet, verscheen in het dorp een eerste deurwaarder van het Hof met een „ appoinctement van surcheancequot;. De man Averd door Van Gerven zeer onbeleefd behandeld. Toen hij de stukken uit den zak haalde, zeide de priester ongeveer: „ Ik ben ook in den Haag geweest, en ik weet wat die vodden beteekenenquot;; een ongepast gezegde, waarover het Hof zich zeer gevoelig betoonde.
De verdreven pastoor Van Poelenburg deed alles, om de verloren parochie opnieuw te bemachtigen. Als tegenhangers van de beschuldigingen, die tegen hem werden ingebracht, zocht hij in zijn dorp getuigschriften van goed gedrag te verkrijgen. Onder de processtukken vond ik drie dergelijke attesten. In het eerste van 21 April 1717, verklaren negen en zeventig Katholieken, onder welke twee kerkvoogden, dat zij zeer gaarne „ pastoor Cornelis van Poelenburg in dese gemeente souden willen houden, als sijnde een man, van goed eerlyk en godtvrugtig leven, hebbende nu al 36 jaren dese statie, getrouwelijk ende wel bedientquot;; daarna spreekt het attest over de Katholie-
1) Blz.. 241.
248
ken, die tegen den pastoor zijn opgetreden, en eindigt: „wel versekert sijnde, dat op onsen pastoor, met reden en regtmatigheydt gesproken, niet het minste valdt te seggen, maer dat sij de enigste oorsaek sijn van alle dese onheij-len gelijk het selve in veel voorgevallen saeken genoeg-saem is gebleken. quot;Weshalven wij niet anders wenschten, als dat onse pastoor, wederom in rust en vrede mogt werden hersteldtquot;. Een tweede attest met denzelfden datum, door twee kerkvoogden en de kosteres onderteekend, dient om rekenschap te geven van het wegvoeren der kerksieraden. Daarvan wordt gezegd: „ ende dat onse jegenwoor-dige pastoor Cornells van Poelenburg, door raed, ende goedtvinden van verscheijden andere personen, met approbatie van ons ondergeschreven: staende dese troubelen en dangereusen tijdt van diefstallen en invasion, voor dewelcke men niet sender reden vreesden, ende in cas enighe van de voorsz goederen op sodanige maniere weg-gehaelt, ofte op een onbehoorlyke wysen wierden ontvreemt, het aen den pastoor en costeres sonde werden geweten; geresolveert is geweest om alle periculen dienaengaende voor te komen, enige van de kerckelijke goederen, op een andere veijliger plaets in bewaringe te laeten brengen, wel wetende ende versekert sijnde dat onse pastoor daer inne geen ander oogmerck, als voren verhaelt is, beeft gehad, bereydt wesende op ons versoek indien men sulcx nodig en veijlig oordeeldt, de selve wederom tot het kerckelyck gebruyck te doen wederbrengen. Alle \'t welck wij getuygen verklaren (des noodts) onder ede nader te bevestigenquot;. Een derde getuigschrift van 22 April was onderteekend door achttien Gereformeerde ingezetenen van Assendelft; drie van ben waren schepenen, en zeven leden der vroedschap. Ook zij verklaren zich bereid, hunne afgelegde verklaring onder eede te bevestigen. Het stuk luidt aldus: „Wij ondergeschreven (Schepenen, vroedschappen en andere) van de publiqe kerck, tot assendelft, verklaren ende getuygen bij desen ten versoeke van Cornelius van poelenburgh, sijnde een inboorling van holland, burger en wereldts priester in onse plaets, dat bij ons niet anders
249
is bekent, of de selve heeft sig, als sijnde nu 36 jaren alhier priester geweest, altydt eerlijk en vreedsamig gedragen, wetende niet het minste op sijn gedrag en leven te seggen, ende wat sijn leer aengaet, horen wij van de roomse, dat hy is, een jansenist of Staetse priester; waerom ook vele van sijn gemeente in andere parochiën te kerck gaen. Voorders dat de roomse gemeente, en ook onse gansche dorp, in grote decadentie is geraekt; soo door de sware sterfte van \'t rundvee, als door \'tjnbreken van onse dijcken, nu voor de derdemael agter een voorgevallen; waer door de landen naulijckx halve vrugten hebben voortgebragt; dat ook de roomse gemeente voor een groot gedeelte, bestaet uijt rolwevers, en andere on-magtige personen, die naulykx de kost met haer handen konnen winnenquot;. Hoe vreemd het moge schijnen, dat Protestanten hier den pastoor een bewijs van goed gedrag komen geven, voor den betrokken persoon was een dergelijk stuk •—■ vooral tegenover het Hof — veel waard. Immers als zelfs schepenen en leden der vroedschap getuigden, dat er op zijn gedrag niets viel te zeggen, dan lag daarin opgesloten, dat de man zich niet aan overtreding der plakkaten had schuldig gemaakt. Dit was juist het sterke punt der Jansenisten. Werden de Roomsch-Katholieken herhaaldelijk op overtreding der landswetten betrapt, hunne tegenstanders konden in dit opzicht de Eegeering vrij onder de oogen komen. Men vergete hierbij niet, dat de Roomsch-Katholieken in een veel minder gun-stigen toestand verkeerden. De aanhangers der oude kerkorde hadden de Eegeering op hunne hand, en de plakkaten, welke in de laatste jaren ter zake van den Katholieken godsdienst waren uitgevaardigd, beschermden hen meer, dan zij hen hinderden. De Eoomsch-Katholieke priesters daarentegen werden door die plakkaten zeer in hunne vrijheid van beweging belemmerd, en liepen elk oogenblik gevaar, zich aan overtreding schuldig te maken. En hoezeer het begrijpelijk is, dat zij vele gevaren trotseerden, om hunnen geloofsgenooten van dienst te kunnen zijn, zoo is evenzeer waar, dat zij, zoodra zij er kans toe zagen.
250
de verordeningen der Regeering overtraden en trachtten te ontduiken. De bijnaam „ Staatse priestersquot;, door hen aan hunne tegenstanders gegeven, zal dan ook wel in dien zin zijn bedoeld, alsof de Jansenisten gehoorzaamheid aan de Regeering hooger stelden dan het belang der Eerk. Dat het Hof er zoo over dacht, blijkt uit de straks te noemen dagvaarding, waarin wij lezen, dat te Assendelft sommige Katholieken tegen den pastoor zijn opgestaan, „ enckelijck en alleen om dat den gemelte poelenburgh sig selven quam te gedraegen agtervolgens en in confor-mite vande ordres en placcaeten bij de Ede. Groot Mogende Heeren Staten van Hollant ende Westvrieslant op het stuck der roomsche priesters en ingesetenen alhier te Lande gegeven en geemaneertquot;. Voor den lezer, die niet mocht begrijpen, welk verband er in de hier besproken verklaring der achttien Gereformeerden kan zijn tusschen het goed gedrag van den pastoor en de sterfte onder het vee of de doorbraak der dijken, zij hier herinnerd, dat de recognitie te Assendelft niet of slecht betaald werd. De onderteekenaars willen het nu blijkbaar doen voorkomen, alsof niet de kerkelijke richting van den pastoor, maar de rampen, welke het dorp getroffen hadden, de oorzaak van deze nalatigheid waren geweest.
Inmiddels waren de baljuw Roos en de priester Yan Gerven naar den Haag ontboden en den 27sten April ondervraagd. De voornaamste feiten, zooals die uit het verhoor bleken, deelde ik reeds mede. Op de vraag, of er behalve de kerkelijke richting van den pastoor nog andere redenen waren, waarom vele Katholieken hem ongenegen waren, antwoordde de baljuw, dat er verscheidene waren. Uitgenoodigd om er eenige te noemen, luidde het bescheid: „ dat onder andere Redenen een is, dat de gemelde Poelenburg de Ornamenten van de kerck wel ter waarde van ses duysent Gulden _ heeft ontvreemt. En dat meerder andere Redenen sijn vervat in verklaeringen daer van belegtquot;. Den priester Van Gerven werd o. a. de vraag voorgelegd : „ Op wat missie of sendinge hy aldaer tot Assendelft is gecomen en ter selver plaetse in die roomsch
251
pastorale functie is getredenquot;. Hij deelde mede, door Van Bijlevelt gezonden te zijn, en gaf den brief over, door dezen aan Sir. Dentz geschreven. Hij werd voorloopig op de Gevangenpoort in hechtenis gehouden.
Den 4den Mei werd door het Hof de acte van beschuldiging, of zooals het heet „ Mandement van dagvaardinge in persoonquot;, opgemaakt. In dit stuk wordt betoogd, dat te Assendelft sommige Katholieken tegen den pastoor waren opgestaan, alleen omdat deze zich aan de plakkaten hield en Jansenist was, „ dat off wel om die reden niemant bevoegt was te vervolgen, of te helpen vervolgen den voornoemde Cornells Poelenburgh; min den selven om die reden te removeren off te helpen removeren uytdevoors: statie of bedieninge, en in desselfs plaets een ander priester te introduceren, off te helpen introduceren, op private authoriteyt, en sender dat denselven voorsien was van eene sodanige missie off sendinge, als volgens de voors: placcaeten wert vereyscht, dat egter den bailliuw van de heerlyckheyt assendelft.... als mede agt Mannen vande
roomsche religie____wel hebben derven bestaen, verscheijde
seer ver gaende middelen en feytelijckheden te ondernemen en met de hulp van andere werkstellig te maeken, die alle gestreckt hebben, om het voors: onbehoorlyke oogwit te bereijcken, en de voorgeinelte Placcaten en resolntien vanden Staat te infringerenquot;. Het Mandement gaat de te Assendelft plaats gehad hebbende voorvallen na, en, van het appel van Yan Poelenburg gewagende, wordt den baljuw de onbeschaamdheid verweten, waarmede hij daarop een antwoord heeft gegeven, dat van de „uijtterste disrespect voor de Justitiequot; getuigt; ook het daarbij door Van Gerven den pastoor toegevoegde wordt in herinnering gebracht. Leenmannen Avordt ten laste gelegd, dat zij de stoutheid hebben gehad, de hand te leenen tot zoo strafbare daden, en dat nog wel terwijl de zaak niet tot hunne bevoegdheid behoorde, en dat zij zich in de zaak hebben gemengd „ op een wijze meer hebbende de natnijr van een open-baer geweld, als van administratie van Justitiequot;. De laatste, die genoemd wordt als „ in dit stout bestaen de
252
hand gehadt te hebbenquot;, is Joh. van Bijlevelt, daar uit de door Tan Gerven overlegde missive blijkt, dat hij de man is geweest, die den nieuwen pastoor heeft gezonden. Allen hebben zich dus schuldig gemaakt aan overtreding dei-plakkaten, terwijl hun misdrijf „ nog niet wijnig wert ver-swaert, als daer bij geconsidereert wert, dat te gelyck oock soo veele feytelyckheden en daeden van gewelt syn gepleegt tot verjaeginge van een priester, die soo veele jaeren aldaar sijne statie hadde gehad, alleen bij een oproerig gedeelte vande gemeynte gehaet wiert, omdat hij proffessie maekte van te sijn een goet en gehoorsaem onderdaen van den Staat, derselver bevelen in alles obedierendequot;.
Ten gevolge van dit mandement werden baljuw, leenmannen en de acht gecommitteerden der Katholieken den 7den, en Van Bijlevelt den Mei gedagvaard, om den
31 sten Mei voor het Hof te verschijnen. Een gestrenge straf scheen de beschuldigden te wachten. Dezen trachtten daarom, de zaak aan het Hof te onttrekken; de Heer van Assendelft, de baljuw, leenmannen en gecommitteerden dienden daartoe een request in bij de Staten van Holland. Dit stuk is niet van gewicht ontbloot, al ware het alleen, omdat het de aanleiding was tot de hoogst belangrijke Memorie over deze zaak, door het Hof aan de Staten van Holland toegezonden, waarover straks nader. Het is den onderteekenaars vooral te doen, om bij de Staten de overtuiging te vestigen, dat in deze van een crimineel proces geen sprake kan zijn. Daarom trachten zij zooveel mogelijk, de tegen den pastoor van Assendelft genomen maatregelen te verdedigen. Het request begint met eene schildering van den toestand der gemeente onder pastoor Van Poelenburg. Van hem wordt gezegd, dat hij „ sigh al voor veele jaren onaangenaam gemaackt hebbende gehadt aan deselve Roomsche gemeente, die verwyderingh eyndelyck soo groot is geworden, dat.verre het meerendeel van deselve gemeente (die andersints vry considerabel is, en al in eenige duysenden bestaat) denselven Poelenbnrgh en syne kercke heeft verlaten, ende dat niet uyt, ofte om eenige discrepantie van Theologische sentimenten, die t\' sedert
253
eenigen tydt in de Koomsche Kercke, meer als te vooren, oorsake tot particuliere bewegingen hebben gegeven, maar enckel ende alleen ter sake van conduiten waardoor die van de gemeente vermeenden door hem Poelenburgh t\'onreght en onlydelyck beswaart en benadeelt te werdenquot;. Is het niet opmerkelijk, dat hier al weder geen bepaalde reden wordt opgegeven van de oneenigheid tusschen den pastoor en zijne gemeente? De beschuldigden zouden hunne zaak aanmerkelijk verbeterd hebben, als zij bepaalde feiten hadden genoemd. Maar in het geheele proces wordt nooit uiteengezet, waarin dan toch wel die slechte „conduitenquot; van den pastoor bestonden. Wel wordt telkens ontkend, dat de pastoor verdreven werd, omdat hij Jansenist was, maar zoodra het er op aankomt, andere redenen op te geven, verneemt men slechts algemeenheden. Het request vermeldt verder, dat de Heer der plaats herhaaldelijk getracht had, eene verzoening tot stand te brengen, maar dat zijne pogingen telkens waren afgestuit op den onwil van den pastoor. Dien ten gevolge was eene groote scheuring ontstaan onder de Katholieken, en deze was zelfs overgeslagen naar de Gereformeerden, van welke sommigen voor Yan Poelenburg partij trokken. Daarbij waren nu in den laatsten tijd nog materieele rampen gekomen, als sterfte onder het vee en doorbraak der dijken, zoodat het dorp met grooten achteruitgang werd bedreigd, „wanneer namentlyck eenige uyt noodt, andere om in rust en vreede hun gemoedt en Religie te mogen beleven, sigh van daar elders quamen te transporteren, soo als dat wel seeckerlyck te waghten staat, indien de sake niet en werdt gebraght op een andere voet, als die tot noch toe is geweestquot;. Om nu een einde aan de zaak te maken, had Mr. Deutz zich gewend tot „ de Eoomsche Geestelyckheyt tot Leyden, als tot Amsterdam, ofte wel aan dengeenen die van de moderaatste, ende hier te Lande, aangenaamste maximen zynquot;, evenwel zonder gevolg. Terwijl men nu op andere middelen bedacht was, om het beoogde doel te bereiken, had men vernomen, „dat door J. v. Bijlevelt seer veele missiën en bestellingen van Priesters en Pas-
254
toren van tydt tot tydt hier te Lande waren gedaan; ende wel soodanigh gedaan, dat den gameiden Bijlevelt, hebbende zyne residentie en kerckelvcke Statie alhier in den Hage, ende doende alsoo de voorschreve missiën en bestellingen niet alleen in den Hage onder het oogh en in het gesighte, soo ran UEd. Groot Mog. als van den Hove van Justietie, maar oock met kennisse ende by gedogen van de respective Magistraten en Officieren van de Steden, Plaatsen
ende Dorpen----zij onderteekenaars gemeend hadden,
zich niet aan eenigerlei misdrijf schuldig te maken, door zich tot Yan Bijlevelt te wenden. Het kan niet ontkend worden, dat de beschuldigden hier zeer handig argumenteerden. Immers liet is, alsof zij tot de Kegeering zeggen: quot;Wij begrijpen er niets meer van; gij en de heeren van het Hof hebt ongestraft Yan Bijlevelt allerlei missies laten doen, en nu wij — daardoor in den waan gebracht dat hij, Yan Bijlevelt, derhalve niets strafbaars deed — ons tot hem wenden, worden wij plotseling in staat van beschuldiging gesteld. Maar aan het Hof moet dit argument toch minder aangenaam in de ooren hebben geklonken, want er lag dan ook een bedekt verwijt in, dat de justitie nalatig was geweest in het volbrengen van haar plicht. quot;Wie echter het minst gebaat was door dit gedeelte van het request, was zeker Yan Bijlevelt. Er wordt hier toch niet minder beweerd, dan dat hij — die de vereischte toestemming van de Eegeering niet bezat — bij herhaling zendingen aan priesters had gegeven, en zich dus even zoovele malen aan overtreding van de plakkaten had schuldig gemaakt. Yan Bijlevelt heeft later bij zijn verhoor die zendingen ontkend. Maar men bedenke, dat — zooals wij zien zullen — hij ook ontkend heeft, Yan Gerven naar Assendelft gezonden te hebben. Is het ook niet vreemd, dat geruchten van die missies tot Amsterdam, waar Mr. Deutz woonde, waren- doorgedrongen, indien dit alles slechts uit de lucht gegrepen was? En doet de bereidwilligheid, waarmede Yan Bijlevelt dadelijk gereed was, aan het verzoek van den Heer van Assendelft, om een priester te zenden, te voldoen, niet vermoeden, dat het
255
niet de eerste maal was, dat hij zich tot zulk eene daad leende? Zou hij zich in dat geval niet nog weieens bedacht hebben, vóórdat hij zich op dit voor hem gevaarlijke pad begaf?
Keeren wij nog even tot het verzoekschrift terug. De handelwijze van baljuw en leenmannen wordt op de volgende, uiterst zwakke wijze verdedigd. Het heet van hen, dat „ by deselve niets anders is gedaen als \'t geene sij jure magistratus, ter goeder trouwe hebben gemeent ge-hadt te behooren: En dat deselve daer in mogelijk wel souden cunnen hebben gemist, (: soo als oordeelen van Menschen veelligt en doorgaans komen te verschillen:) Maer dat met reeden alle Magistraeten en Officieren souden moeten hebben een afschrick om eenigh ampt in de republijcq te bedienen, wanneer een soodaenigh pretens misverstand aanden procureur generael off andere officieren regt soude geven om hen daar over Criminelijck in persoon te actionerenquot;. quot;Wat nu de gecommitteerden betreft, hunne handelingen worden verontschuldigd door er op te wijzen, dat zij niets op eigen gezag hebben gedaan, maar daartoe alleen door baljuw en leenmannen gemachtigd. Hadden zij wellicht hierbij niet alle formaliteiten in acht genomen, dan Avas dit — meenen zij — toch nog geen reden, om een crimineele actie tegen hen in te stellen. Ook werd er op gewezen, dat Van Poelenburg weder in zijne statie was hersteld.
Met het minst belangrijk gedeelte van het request is het slot. Daarin wordt aan de Staten de vraag voorgelegd, wat zij ten opzichte der Katholieken nu eigenlijk wilden. Sedert den dood van Potcamp was er geen Apostolische Vicaris. De Eoomsch-Katholieken, die in aantal de Jansenisten sterk overtroffen, waren van de door laatstgenoemden aangestelde vicarissen niet gediend. Moesten zij dan verstoken blijven van priesters, en derhalve verhinderd worden, bevrediging van hunne godsdienstige behoeften te verkrijgen? Indien de Kegeering ooit gemeend heeft, door hare maatregelen de meerderheid der Katholieken te kunnen overreden, zich aan de zijde der Jansenisten te scharen,
256
de ondervinding had het tegendeel geleerd. Waarschijnlijk heeft het dilemma, dat hier der Regeering gesteld werd, niet nagelaten indruk te maken. Want onder de regenten waren er ook vele — al vormden zij niet de meerderheid — bij wie de strenge maatregelen tegen de Katho-lieken slechts weinig bijval vonden. Het slot van het request dan luidde aldus 1):
„ Ende dat oock nogh ten derden sij supplianten gesamentlijok (: voor soo veel de provisionele aanstelling vande wereldlycke priester van gerven, en het ecolesiast selft\'s betreft;) ter goeder trouwe en in alle opregtigheijt eunnen verclaeren niet beeter off anders te weten, off J. V. Bijlevelt was in alle manieren gequalifieeert, om de voorsehreve bestellingen en sendingen bier te Lande te doen, om redenen hier vooren geadvaneeert, immers voor soo veel aan deselve qualiteyt met relatie tot de regeeringe van dese Landen onvermoedelyck nogh yets soude mogen ontbreecken, dat sij supplianten in alle onderdanigheijt verhopen te mogen seggen vermits sedert het overlijden van den laasten vicaris Potcamp (: voorgevallen in den jaare seventien hondert vijff,) het vicariaat vande roomsche Kerck deser Landen wel was gebleven vacant, dat noghtans de roomsche Kereken, die door sterven off verplaatsen van hunne pastooren of andersints nu sedert meer dan twaelff jaaren herwaarts, mede vacant sijn geworden, nootsaackelijck inder manieren als in dezen oif op diergelijcke wijse hebben, en oock in het toecomende sullen moeten werden voorsien met andere pastooren en priesters ten waare men de roomsehgesinde wilde beletten hun gemoet in stilte te beleven, off ten waere men al d\'oude priesters soude willen veroorloven om (: mits de voorsehreve vaeatuijre van het vacariaat (sic):) met de roomsche gemeente, ten opsigte van het ecclesiasticq te leven en te handelen, nae hun welgevallen; saacken, die immers niet en sijn te compasseren met de Loffelijcke en goedertieren maximen vanden Staet opt Stuck vande
1
In het 11st\' Register vande Inkomende en: Uytgaande Missiven van, en aande lleeren Slaaten van Holland, en Zeelandt, fol. 91 vv. (Rijksarchief). Dit deel bevat afschriften, en werd door mij bij dit opstel gebruikt. Het stuk zelf is — evenals de straks te noemen — aanwezig in: Volumen der Docum: Ier vergad. geexhih; met derselver invent, en jndex 1717. Het eerste gedeelte van liet request is afgedrukt in de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, dl. II, blz. 249—251.
257
religie, off met de goede intentie van UEdele Groot Mogende eenighlyck altoos daar heenen hebben gestreckt, ten eijnde niemant door indirecte en onlijdelyoke usurpatien beswaert off overhart sonde werden; ende dat liet in alle gevalle ooek ( : onder reverentie : ) soude behooren te sijn een subjeet van politijeque deliberatie en niet van justitie, off en van wat operatie naementlijek de voor-selireve gepasseerde Conniventien van UEdele groot Mogende in en omtrent de sendingen en bestellingen der priesters soude sijn; En oiï deselve conniventie tegens de supplianten alleen buyten applicatie off effect soude werden gestelt contrarie als nu in veele jaeren herwaarts omtrent anderen is geschiet, en voor al oock hoe en op wat wijse de Magistraten vande Steeden, mitsgaders de Heeren en officieren ten platten Lande sigh souden hebben te ge-draegen omtrent roomsehe priesters die hen onaengenaam voorquae-men, off die sigh met die hunne gemeente in vriendschap niet en souden cunnen of willen verstaen, sonderlinge mede gelet, dat de roomsehe priesters ( : naar de originele ordre van den Lande : ) geene Staatien off kercken altoos alhier kunnen off mogen hebben anders off langer dan de Magistraten vande Steeden, off de Heeren en officieren vande dorpen off ten platten Lande yder in den zynen off haeren oordeele te convenieren: En dat aile \'t geene des ter contrarie mogte ondernomen werden, de facto heeft mogen werden, en oock met \'er daet is geweest, soo dat het gedogen van dien niet anders als voor een Conniventie uyt politijeque insigten geconsidereert is geworden, sonder dat over de stremming of steu-ringh van dien eenige de minste actie in regten, en min dan nogh in eas crimineel (: als in desen :) oijt gemaaekt is geweest. En waerom sij supplianten dan oock genootsaekt werden sigh mits desen tot voorkominge van meerdere opschuddingen, en van het totale verval vanden voorschreven dorpe van assendelft te keeren tot UEdele groot Mogende, versoeckende ootmoedelyck ten eynde het van UEdele groot Mogende geliefte sij omme vande voor-schreve saacke selffs kennisse te nemen, en vervolgens oock den eersten suppliant als Heere van assendelft de sterke hand te bieden, om den voornoemde Cornells van Poelenburgh de voorsz kereke, mitsgaeders het Huys en pastorie van assendelft te doen ruymen en veriaeten en voorts oock omme aan den voornoemde vai Gerven, off aen een ander wereldlyck priester UEdele groot Mogende aengenaemer sijnde, deselve en de ornamenten en verdere toebehooren van de kereke met \'er daet te laeten volgen; mitsgaeders den procureur Generael te gelasten, omme de voorschreve II. 17
258
reets geentameerde proceduyren Crimineel voorden Hove van Holland te laeten voeren, als mede de welgemelte Hove en de verdere Regters voor wien men de voorschreve saecke \'t sij int Civiel off int Crimineel reets gebragt heeft off nogh andersints sonde willen brengen, daer van met alle gevolgen ende aancleven van dien te ontlasten, ten minsten ten eynde, dat hangende UEdele groot Mogende deliberatie desaengaande alles blyve gesurcheert ende in staete \'t welck doende enz.quot;
De Staten zonden dit request met de volgende kant-teekening aan het Hof:
„ de Staeten van Hollant ende Westvriesland vinden goet, dat dese reqneste gestelt sal worden in handen vanden praesident ende Eaeden vanden Hove, omme deselve te examineren, ende haer Edele groot Mogende daer op te dienen van berigt, verstaen, dat voor den tyd van agt off tien daegen in te gaen met de eerste aanstaande ordinaris vergaedering van haar Edele groot Mogende vergaedering, alles de saecke daer inne geroerd concernerende sal worden gelaeten indien staat, daar inne het selve jegenwoordigh is ende Lasten een ijeder die het aengaan magh hun daer naar te reguleren; actum den vijf en twintigsten Meij seventien Hon-dert seventien. Ter ordonnantie vande Staeten (get.) Simon van Beaumont.quot;
Het Hof was weinig ingenomen met de wijze, waarop deze zaak door de Staten werd aangevat, en gaf daarvan onomwonden in zijn antwoord blijk. Deze memorie, den 2Qsten Juni aan de Staten toegezonden1), begint reeds dadelijk met de klacht, dat de Regeering in deze de vormen der Avellevendheid tegenover het Hof niet had in acht genomen. Tot dusverre was het gebruikelijk, dat de Staten van hun goedvinden over een stuk als het hier bedoelde request, aan het Hof per gesloten missive lieten blijken. In dit geval was eenvoudig op den rand van het document zelf de zienswijze van de Eegeering uitgedrukt.
1
In liet 22»\'« Register als boven, fol. 49—91. Het laatste gedeelte is afgedrukt in de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, dl. II, blz. 266—271.
259
Het Hof achtte zich hierdoor in zijne waardigheid te kort gedaan, en meende aan het hoofd van zijn antwoord dringend te moeten verzoeken, „ dat UEdele Groot Mogende int toekomende die voorsieninge wel sullen willen doen dat de saeke hier omtrent werde gelaeten op den ouden voet, en aan derselver Hoff van Justitie bij continuatie die eere werde gegeven, soo als uijt naeme van UEdele groot Mogende daar aan altoos is gedaan geweestquot;. Er was echter meer. Het request zelf vervulde het Hof met wrevel en verontwaardiging. Uit de Memorie is dan ook merkbaar, dat het hooge rechtscollege onaangenaam verrast was, dat de Staten het stuk niet eenvoudig ter zijde hadden gelegd. Hetgeen dienaangaande door het Hof in het midden wordt gebracht, is met het oog op de toenmalige rechtspleging wellicht niet van belang ontbloot. Over de poging, om de zaak aan de bemoeiing van het Hof te onttrekken, lezen wij het volgende:
„. ... soo moeten wij nu oock nog spreeoken vanden inhoude vande requeste bij den voornoemde Jean deutz, Heere van assendelft eutn suis aan UEdele groot mogende gepresenteert, en hebben wij dan daar bij met de uijtterste bevremdinge gevonden, dat de poginge en betragtinge van de supplianten aldaar wel voornament-lijk is geweest: om was het mogelijck UEdele groot Mogende in te boesemen, dat er niet wes by de supplianten soude siju bedreven waar over de voorsohreve prooeduyren soude wesen gemeri-teert, want daer op vinden wij ons verpligt met nadruck te moeten remarqueren, dat het is een seer ongehoorde maniere van doen dat de gemelte supplten in plaatse van op de daghvaardinge aan hun gedaan voorden Hove te compareren, en aldaar haere defen-sien tegens de aanolagte vanden procureur Generael te allegeren, ter contrarie bestaan hun regtdraats met voorbijgaan vau het Hoff van Justitie te addresseren aan UEd; groot Mogende, eu aldaer op pretext als off sij souden wesen onsclmldigli aan het geene haar wert te Laste gelegt, te versoecken, dat de procureur generaal soude mogen werden geordonneert dc voorschreve geentameerde proceduijren voorden Hove te laeten vaeren, en het Hoff vande judicatuijre van dien geexcuseert, wij sijn verpligt op de ordres van UEdele groot Mogende de feijten, waar over soodanige ge-daagdens in persoon werden gedaghvaart, aan deselve open te
260
leggen.... Maar wij bidden egter, dat UEdele groot Mogende ons oook niet gelieven qualyck te nemen, dat wij deselve met alle eerbied geven in bedencken, off het niet is van een seer verre gaande consequentie, dat wij genootsaaekt werden sulox te doen, niet alleen omdat daar door sodanige saaeken warden veragtert, maar ooek, omdat ter ontdeckinge vande waarheyt in criminele saaeken altoos necessair is, en vande uijtterste nuttiglieyt is ge-oordeelt geworden, gelyck als het oock regtens, en inde practijcque voorden Hove is gerecipieert, dat de saaken waar over ijmand in persoon voor het Hoff werd geciteert, werden secreet gehouden, ter tyd toe, dat deselve bij het verhoor aende gedaagdens werden voorgebragt, omme daar op derselver antwoorden en defensien in te nemen, en als dan die defensien soo wel als de aanclagte in consideratie genomen sijnde, te oordelen en te ordonneren het geene wij in justitie vermeijnen te behooren, het is immers notoir, dat de dagvaardinge in persoon de aldersagtste provision van justitie sijn, die den regtcr op een criminele aanclagte kan decerneren, en buijten sodanige dagvaardingen is het niet mogelyck, dat eenige aanclagte tot een subject van ondersoeck en decisie voor de justitie kan werden gemaackt, wij meynen het dan oock ten uijttersten chocquant te sijn voor het Hoff van justitie, dat de voornoemde Jean deutz (: want de verdere supplianten vertrouwen wij niet dat sulcx souden hebben derven Hasarderen :) de stoutheijt heeft ge-hadt desen wegh in te slaan, en op pretexten van onschult een versoeck te doen, soo als aanstonts is geseght: en daeromme sijn wij oock in verwagtinge, dat UEdele groot Mogende niet sullen naelaeten daar over tegen den voornoemde Jean deutz te doen sien derselver ongenoegen ter mainctien van de justitie en ten eynde dese maniere van doen, die andersints alle schuldige seer gaarne sullen willen opvolgen, niet tot een uijtlockent exempel voor andere magh verstrecken.quot;
Van meer gewicht is, wat in de Memorie wordt in het midden gebracht over de gedragingen der Eoomsch-Katho-lieken in het algemeen. Van oordeel dat het gebeurde te Assendelft — hoezeer op zich zelf reeds strafbaar — niet alleen staat, maar in verband met andere gelijksoortige voorvallen beoordeeld moet worden, staat het Hof uitvoerig stil bij de houding, door de Eoomsch-Katholieken in de Republiek aangenomen, om daaruit de slotsom te trekken, dat het hoog noodig is, dat er thans met kracht
261
worde opgetreden. Hoogst belangrijk acht ik dit gedeelte van de Memorie, vooreerst omdat het een. helder licht werpt op hot standpunt, door het hooggeplaatste lichaam in de twisten tusschen Eoomsch-Katholieken en Jansenisten ingenomen, maar ook als maatstaf ter beoordeeling van de gevoelens, welke destijds onder vele Protestanten ten opzichte der Katholieke kerk heerschende waren, terwijl het tevens bijdragen levert tot kenschetsing van de middelen, welke door de aan Eome getrouw geblevene ingezetenen werden gebezigd, om aan den druk der plakkaten te ontkomen. Dat het stuk een aan de Katholieke kerk zeer vijandigen geest ademt, is zeker. Maar men vergete niet, dat de maatregelen, in andere landen tegen de Protestanten genomen, niet geschikt waren, om hier een ver-draagzamen geest aan te kweeken. Het Hof had trouwens slechts te beoordeelen, of de plakkaten werden nageleefd. Het kan ook niet de vraag zijn, hoe wij thans oordeelen over de maatregelen, destijds door de Kegeering ten opzichte van de Katholieken genomen. Het standpunt, waarop \'s lands overheid zich toenmaals stelde, behoort gelukkig tot de geschiedenis. Maar juist daarom heeft de Memorie voor de kennis van de toestanden in de vorige eeuw hare waarde.
Het stuk geeft eerst een uitvoerig verslag van hetgeen te Assendelft was voorgevallen, waarbij wij thans niet langer behoeven stil te staan. Opmerkelijk is echter reeds de wijze, waarop de beide Katholieke partijen in het dorp worden aangeduid. De tegenstanders van pastoor Van Poelenburg worden „qnalijk geintentioneerde roomsch-gesindenquot; genoemd, terwijl zij, die den pastoor waren getrouw gebleven, worden omschreven als „die geene, die tot de pernicieuse factie en instigatie der jesuiten niet ten eenemaelen waeren overgegaenquot;. Nadat aangetoond is, dat de beschuldigden zich aan hoogst strafbare handelingen hebben schuldig gemaakt, en op de zooeven aangehaalde wijze de staf is gebroken over de poging, om de zaak aan het oordeel van het Hof te onttrekken, Avordt stilgestaan bij de bewering der adressanten, dat niet de kerkelijke
262
richting van den pastoor de oorzaak zijner verdrijving is geweest. Het Hof zegt, de bewijzen voor die meening gaarne te zullen ontvangen, maar tevens te moeten opmerken, dat nit de door den Procureur-Generaal verkregen inlichtingen blijkt, dat op het gedrag van den pastoor niets was aan te merken, terwijl ook de baljuw bij zijn verhoor in gebreke is gebleven, om behalve \'s mans richting iets tegen den pastoor in te brengen. Daarna gaat de Memorie aldus voort: „Wij weten niet off den voornoemde Jean deutz off desselfs Bailliuw, off eenig van beijde hun mede souden hebben cunnen schuldig gemaackt aan de handelingen met de oproerige ingesetenen van het voorschreve district, om voor het genot van een seeckere geit somme Haere authoriteyt werckstelligh te maacken, tot het doen verhuijsen van den voornoemde poelenburgh, maar dit weten wij, en daer van sijn ons niet duysterlyck ver-scheyde gevallen ter ooren gecomen, dat de Lacheteijt (si c) en geltsugt veele van die geene, welcke verpligt sijn de placcaeten van TJEdele groot Mogende op dit stuck te mainctineren soo verre heeft vervoert gehad, dat sij op de aanbiedinge van geit, die de qualijck geintentioneerde pausgesinden altoos gereet sijn te doen en oock te praes-teren, wel seer greetig de handen hebben willen slaan aan alle bedenckelyke middelen, omme die roomsche priesters, welke niet en sijn van de factiën der Jesuiten, haere staetien te doen veriaeten, en andere die aan de qualijck geintentioneerde aengenaam syn de plaatsen vande verjaegde te doen occuperen; En alhoewel wij verwagten dat de Heere van assendelft en desselfs Bailliuw sullen voorgeven, dat dit op haarluyden niet kan werden geap-pliceert, soo vertrouwen wij egter wel geinformeert te sijn, dat den voornoemde Heer van assendelft, en desselfs Bailliuw met waarheijt niet sullen cunnen seggen, dat Haeren ijver tegens den voornoemde poelenburgh eerder aanvangh heeft genomen als op die tijd wanneer de roomschgesinden van het voorschreve district quaemen te mancqueren hun ordinaire jaargeit ten behoeve vanden Heer off Bailliuw op te brengen synde dit een Conste-
263
narije die de Jesuitsche pausgesinden int werck stellen, om daer door de Heeren en officieren ter haerer intentie gaande te maaken en waar tegens die vande moderate partije, off schoon sy nogh sterck syn in getal, niet veel weten te voorsien, omdat sij niet werden gesecoureert gelyk die vande andere factie, en uijt hnn selven niet meer syn in staat, omme die geit sommen juijst soo precijs jaarlijcx te fourneren, de sterfte van het rundvee en andere desastres de luyden ten platten Lande merckelyck hebbende doen verminderen, gelijck als wij onderregt sijn, dat het district van assendelft daarvan wel sonderlinge heeft mede gedeelt, soo als dit bijde voorschreve requeste van de supplianten hoewel met een andere applicatie mede is aangetrocken gewerden.quot;
Vervolgens wordt op juridische gronden aangetoond, dat de leenmannen hunne bevoegdheid zijn te buiten gegaan, en dat zij, evenals de gecommitteerden der Katholieken, strafbare handelingen hebben gepleegd. Daarna geeft het Hof zijne bevreemding te kennen, hoe Mr. Deutz kan beweren, dat het gebeurde eene politieke zaak is, waarmede de justitie niet heeft te maken. Daarbij wordt herinnerd, hoe de Eesolutie der Staten van 10 Mei 1704 in het bijzonder aan den Procureur-Generaal heeft opgedragen, om ten opzichte der Katholieken het oog te houden op het platteland. Het Hof geeft toe, dat de zaak van Assendelft een „ subject van politycque Consideratiequot; had kunnen zijn, als namelijk de Heer van Assendelft voor de in het dorp gepleegde feitelijkheden zich tot de Staten had gewend. Nu hij dit niet heeft gedaan, maar op eigen gezag de hand geleend tot het overtreden der plakkaten en het plegen van strafbare handelingen, kan het Hof niet toegeven, dat de justitie hier niet evenzeer handelend zou moeten optreden, als bij andere misdrijven. Overgaande tot de door de Regeering tegenover de Katholieken tot dusverre gevolgde gedragslijn, herinnert het Hof, „ dat de oude maximes, (waarvan den voornoemden Jean Deutz c. s. mede hebben willen spreecken, hoewel seer verkeerdelyck) die van de eerste tyden der erectie deser Eepublicque
264
nopende het stuck van het Pausdom, altoos salutair ge-oordeelt zyn geworden, hierinne bestaan, dat wel de Kooms-gesinden niet moesten verjaegt, nochte van haren gewaanden Godsdienst gepriveert worden, doch dat echter omtrent de selve te dughten was, den bitteren haet van het Papendom in het algemeen, ende insonderheyt de arghlistige machi-natien van het Hof van Romen, dat niet anders voor hadde, als het soo by haar genoemde Ketterdom uyt te roeyen, ende met subversie van deze Republicque alle selfs Ingezetenen wederom onder slavernye en conscientie-dwang te brengenquot;. Deze overwegingen liggen aan de plakkaten, ten opzichte van den Katholieken godsdienst uitgevaardigd, ten grondslag. Bij oogluiking hebben de Regenten echter een aantal priesters toegelaten, „ met dat onderscheyt, en die voorsorge echter, dat men diegeene, dewelcke door eenige Prelaten of Kerckelyke Overheden buyten deze Landen gezeten, van daar herwaarts souden werden gesonden; hetzy Klooster-Monniken of andere Priesters absolutelyck souden weeren, en dat men alleen souden toelaeten wereldlycke Priesters van geen Klooster-Ordres of Praelaturen buyten dese Landen afhangende, en wel alleen sooveel mogelyck ware, desulcke, die hier te Lande souden wesen gebooren en gemaaghschapt, omdat van de selve te presumeren was, dat sy minder als andere aan de verderfiblycke maximes van het Hof van Romen souden wesen geattacheertquot;. Men heeft zich echter niet altijd aan dezen stelregel gehouden, zoodat „tegens deselve ordre veele staatien (soo de Roomschgesinde het noemen) van Munnicken en andere van buyten gesondene Priesters hier te Lande zijn geëtablisseert geworden, welckers toelegh altoos is geweest, gelyck als sy daarinne oock seerwelzyn gereusseert, niet alleen omme het geldt, dat zy door superstitie de Ingezetenen deser Landen weten af te perssen, na buyten te versenden, ende tot vermeerderingh van de macht van het tiranisch Papendom en tot nadeel van den Staat te doen dienen, maar oock omme deselve Ingezetenen oproerige sentimenten tegen alle Protestantsche Regeringen in te boesemen, als of die onwettigh zynde, sonde
265
moeten werden tegengegaan, ja verdelght, en dat sy in conscientie gehouden souden syn daar aan te helpenquot;. Het toenemend aantal dier van buiten komende priesters heeft bij de inlandsche geestelijkheid tot klachten aanleiding gegeven, maar in plaats van daarmede rekening te houden, is Rome nog verder gegaan, en zijn hare zendelingen begonnen, de gedulde wereldlijke geestelijken langs twee wegen aan te vallen. „ Do eene dat sy de ordre van de kerckelycke Regeringe, die in het ordineren en consacreren van nieuwe Priesters, het vervullen der vacerende kercken, als andere nootsakelycke bestellingen, sedert de erectie der Republicque door de algemeene Roomsche Geestelyckheyt of Cleresie hier te Lande altydt was gehouden, gepooght hebben te subverteren, ende deselve Cleresie op een soo absolute wyze van het Hof van Rome afhanckelyck te maken, als deselve noyt voor de Reformatie was geweest, en in de andere Nederlanden, ende in Yranckryk oock als nogh niet is, en alsoo deze Landen dan met Missionarissen te vervullen en alle priesters, die eenige moderate sentimenten voor de Regeringh mochten hebben, buyten bedieningh te stellen, gelyck sy airede seer veele Statiën der Roomsche Pastoren tot collatie van de Capittelen of haren Vicaris staande, de facto hebben geinvadeert, en met priesters vervult van een buytenlansche sendingh, het geene, soo ons bericht werdt, jegenwoordigh al soo verre is gegaan, dat twee derde parten der kercken, die van oudts onder deselve Capittelen hebben behoordt, door de nieuwe Missionarissen zyn geoccupeertquot;. Aangezien deze weg niet dadelijk tot het beoogde doel leidde — zoo gaat de Memorie voort — hebben de Jezuïeten een tweede middel aangewend, door bij de Katholieken de meening ingang te doen vinden, alsof de oude priesters niet rechtzinnig zouden zijn in de leer, vooral ten opzichte der aan den Paus verschuldigde gehoorzaamheid; zij wilden, door de bewering dat de Sacramenten, door die onrechtzinnigen bediend, niet van kracht konden zijn, de geloovigen overreden, hunne oude herders te verlaten. En toch had Rome dezen niet geëx-
266
communiceerd. Zoo zijn de troebelen ontstaan, welke in den aanvang der eeuw de Staten bewogen hebben, het bekende plakkaat uit te vaardigen, waarbij verboden werd, de bevelen van den Paus te gehoorzamen en iemand als Vicaris te erkennen, tenzij deze door de Eegeering als zoodanig was toegelaten, terwijl daarbij opnieuw aan geordende priesters werd verboden, in het land te komen. „quot;Wy zyn in het seker onderricht dat den Priester Bijle-veldt, aan wien den Heere van Assendelft selfs voorgeeft sigh geaddresseert te hebben, om den Pastoor Poelenburgh, die een Staatsche Priester is (soo als sy dat noemen) uyt dien hoofde alleen en om geen andere reden te helpen verdryven, en een ander in desselfs plaatse te introduceren, is een gesubstitueerde van den Nuntius Apostolicus tot Brussel die door de hulp van den gemelden Bijleveldt jegenwoordigh actueel besigh is de Roomsche Kerckelyke Regeringe, aan de Capittelen competerende, te onderkruy-pen, en de voorgemelde pernicieuse machinatien der Jesui-ten werckstellig te maken, en dat dit oock is het desseyn, vervat in de Requeste van den voorn. Mr. Jean Deutz c. s. hetselve blyckt evidentlyck, als sy hun daarby niet ont-sien te seggen, „ „ dat in gevalle men der manieren als desen, of op diergelycke wyze de vacerende Roomsche Ivercken niet doet voorsien, men alsdan de oude Priesters (dat syn de Staatsgesinden) met de Roomsche Gemeenten ten opzichte van het Ecclesiastische soude toelaten te leven, en handelen na hun welgevallenquot; quot;, even als of die oude Priesters, aan wien tot nogh toe de bestellinge met conniventie is toegelaten, nu omdat de Jesuiten ter begeerte van het Hof van Rome de Gemeente oproerigh hebben gemaackt, t\'eenemaal vande bestellingh behoorende te werden geremoveert en de gesubstitueerde van de meergemelde Nuntius, of een diergelycke Priester van buyten, daar inne soude moeten succederen, saken die wij vermeijnen, dat soodaenigh strijdigh syn met de intentie en gereitereerde placcaeten van UEdele groot Mogende, dat wij niet konnen begrijpen hoe dat per-soonen, dewelcke zyn onderdanen van desen Staat de
267
stoutheyt hebben derven nemen, van die voor TJEdele groot Mogende te alleguerenquot;. Daar de hier besproken inbreuk op de plakkaten niet alleen staat, meent het Hof, dat krachtige maatregelen moeten worden genomen, zoo de Regeering ten minste niet wil, dat het aantal geheime vijanden van den Staat steeds zal toenemen. Daarom be-hooren alle verzoekschriften, welke beoogen het ten uitvoer leggen der plakkaten tegen te gaan, van de hand te worden gewezen. Al de Katholieken hebben het oog gevestigd op hetgeen naar aanleiding van het gebeurde te Assendelft zal geschieden. Van de beslissing der Staten op het request zal het afhangen, of de stoutheid der Jezuïeten zal toenemen. Daarom wordt der Eegeering door het Hof in overweging gegeven, dat het zeer nadeelige gevolgen zal hebben, indien zij de zaak niet haren gewonen loop laat gaan, „en dat insonderheyt het Eoomsche Hof hier op is merckende, om na den uytval van hetselve hare mesures met de saken der Eoomschgesinden hier te Lande te nemen, en dat in cas UBdele groot Mogende gemelde hare Placaten niet vigoreus doen maintineren, hetselve Hof, om soo te spreken, met de uyterste verachtingh omtrent alle UEdele groot Mogende Placaten sal wesen aangedaan, en dat bet infallibel is, dat alle de moderate Priesters hier te lande sullen uytsterven of verdreven werden. En als dan alle de Eoomsche Priesters tot een toe niet meer sullen d epen deren van de Capittelen, bestaande uyt gegoede, en hier te lande bemaagschapte per-soonen, maar enckel en alleen van de Emissarissen van het Hof van Eomen, wiens ordre sy blindelinghs sullen volgen, UEdele groot Mogende onderdanen door valsche streecken van haar goederen beroven; ende deselve alder-hande oproerige sentimenten inboesemen, daar van de consequenten hier vooren meermalen zyn aangeroert, ende verders door UEdele groot Mogende wel sullen kunnen werden begreepenquot;.
Het is zeker wel een bewijs, dat de Staten niet meer door denzelfden geest waren bezield, welke de plakkaten uit de eerste jaren der achttiende eeuw had in de pen
268
gegeven, dat na dit uitvoerig advies van het Hof niet afwijzend op het request werd beschikt. Want bij alle overdrijving, welke in de Memorie wordt gevonden, blijft het toch waar, dat tegen hetgeen door het Hof over de zaak van Assendelft was in het midden gebracht, niet veel viel te zeggen, terwijl hetgeen over de Katholieke kerk in de Eepubliek werd aangevoerd, veelal juist was. Eerst den 23sten September werd bij secrete resolutie1) bepaald, „ dat de voorschreeve Kequeste en Berigt door de Heeren van Wassenacr Obdam, uit de Ordre van de Ridderschap, door de Heeren Gedeputeerden der Stad Haarlem ent andere haar Edele Groot Mog. Gecommitteerden tot de saaken van de Justitie, nader sal werden geëxanimeert en haar Edele Groot Mog. op alles van advise gediend mits bly-vende alles in state en surcheantie tot tien a twaalf daa-gen in de naast aanstaande Vergaderinge van haar Edele Groot Mog.quot;. Hetzelfde besluit werd dien dag genomen aangaande nog een ander request, aan de Staten toegezonden en waaromtrent evenzeer door het Hof een advies was uitgebracht. Dit stuk2) was den 23steri Juni aan het Hof toegezonden, en had zoo mogelijk in nog hooger mate het ongenoegen der raadsheeren opgewekt. En geen wonder ! Ditmaal waren het „ de vrienden en bloetverwanten van van Gervenquot;, die ten gunste van dezen priester de tusschenkomst der Staten hadden ingeroepen. Zij waren daarbij vrij onhandig te werk gegaan door de zaak zóó voor te stellen, alsof Van Gerven geheel onschuldig in den val geloopen was. Zij gaven namelijk aan de Staten bericht, dat er tusschen het Hof en den heer Deutz c. s. oneenigheid was ontstaan over de bevoegheid van laatstgenoemd lichaam, om zich in de kerkelijke troebelen van Assendelft te mengen, en dat Van Gerven, die naar het dorp gekomen was, „ omme de voorschreve gemeente van assendelft bij provisie en als adsistent te bedienen ende
1
Zie: Secreete Resolutien der Staten van Holland.
2
22quot;\'« Register als boven, fol. \'109 verso—H3 recto.
269
de oude ruste en vreede onder deselve, wast doenlijck, te herstellen, sonder ijetwes anders sigh te, noghte tonnen hebben aenmaetigenquot;, thans het slachtoffer van de zaak was, daar hij, zoolang het bestaande geschil niet uit den weg was geruimd, gevangen werd gehouden. Het behoeft wel geen betoog, dat het Hof door deze petitie zich in zijne waardigheid gekrenkt moest gevoelen, en zeker niet zachter gestemd kon worden ten opzichte der beschuldigden. In zijn antwoord van 2 Juli1) wordt opnieuw over een gebrek in den vorm geklaagd en daarna opgemerkt: „ Het continue van de requeste self aanbelangende is het met veel eerbied, dat wij geloven het selve bij ÜEdele Groot Mogende door belet van importanter occupatien sodanigh niet te wesen overwogen, als dat wel meriteerde, aangesien wij vertrouwen, dat UEdele groot Mogende die continue in naeder overweegingh nemende, met ons van begrip sullen sijn, dat de maniere van voorstel nu gehouden is sodaenigh indecent, dat die requeste niet in onse handen hadde behooren gestelt, maer sonder appoincte-ment weder uytgegeven te syn geweestquot;. Na aldus den Staten „ met veel eerbiedquot; eene terechtwijzing te hebben toegediend, geeft het Hof als zijne meening te kennen, dat het request geeue verdere overweging verdient, en dat, als de adressanten nog een nader verzoek aan de Staten svillen doen, „ deselve daer toe niet sullen werden gead-mitteert, voordat sij een andere requeste in decente termen gecoucheert aan UEdele groot Mogende sullen comen te presenterenquot;. Voor de zaak zelve wordt naar de Memorie van 29 Juni verwezen.
Maanden verliepen weder, voordat eene eindbeslissing op de requesten genomen werd. De hoop van vele Katholieken, dat de zaak zonder ernstige gevolgen zou afloopen, werd echter niet vervuld. Het advies der commissie, in welker handen de stukken gesteld waren, schijnt niet gunstig geweest te zijn. Althans den 24ste:i December
1
225\'f Register als boven, fol. 104—109.
270
1717 werd Van Bijlevelt crimineel gedagvaard, om den 17den Januari 1718 voor het Hof te verschijnen. Zijne vrienden gaven hem den raad, nog eene laatste poging te beproeven, ten einde een vonnis van het Hof te ontgaan. Op aanraden van zijn vriend Van der Dussen, burgemeester van Gouda en lid van de Staten van Holland, richtte Vail Bijlevelt een verzoek tot Gecommitteerde Raden, opdat dezen hem nog vóór 17 Januari over de aanklacht zouden hooren en daartoe alle noodige bescheiden van den Pro-cureur-Generaal opeischen. Hij grondde zijn verzoek op de omstandigheid, dat nog andere aanklachten tegen hem bij Gecommitteerde Eaden hangende waren, aanklachten, tegen hem ingediend door Jansenistische pastoors, die hij gedagvaard had om zich te verantwoorden1). Het request was vooraf medegedeeld aan den President van Gecommitteerde Raden, Van Starrenberg, die den Katholieken gunstig gezind was, en aan den Raadpensionaris Heinsius. Waren gecommitteerde Raden op het verzoek ingegaan, dan — meende men — zou waarschijnlijk eene gunstige beschikking te wachten zijn geweest, daar vele invloedrijke leden op de hand van Van Bijlevelt waren. Het is mij niet gelukt, het verzoekschrift te vinden, maar naar hetgeen de heer Vregt ons daaromtrent mededeelt2), zal men kunnen begrijpen, dat, indien de leden van het Hof inzage van dit stuk hebben gekregen, hun oordeel over den Haagschen priester niet gunstiger zal geworden zijn. Van Bijlevelt had o. a. geschreven, „ dat hy suppliant by syn-selve overtuyght ende ten eenemaale gerust is, dat soo-danigh eene sendinge by hem noydt en is gegeven, dat sulcx midts dien dan ook noydt en sal connen werden beweesenquot;. Nu hebben wij gezien, dat het Hof den brief in handen had, waarbij Van Gerven door Van Bijlevelt naar Assendelft werd gezonden. Is het wonder, dat na deze stoute ontkenning wellicht niet veel waarde gehecht
1
Zie boven, blz. 236.
2
t. a. p., dl. II, blz. 253.
271
is aan zijne verdere verklaringen, te meer daar de beschuldigde bij het tweede verhoor opnieuw op eene onjuistheid werd betrapt? In het laatste geval schijnt Van Bijlevelt werkelijk zich onbewust aan onwaarheid te hebben schuldig gemaakt; maar is het niet verklaarbaar, dat men in verband met het bovenstaande \'s mans verontschuldigingen niet al te zeer vertrouwde? De beschuldigde dan werd — nadat zijn verzoek aan Gecommitteerde Eaden niet het gewenschte gevolg had gehad — den 19den Januari 1718 door de leden van het Hof, Slicher en Beaumont, in tegenwoordigheid van den Procureur-Generaal ondervraagd. Uit den aard der zaak leverde dit verhoor weinig belangrijks op, ten opzichte van hetgeen ten vorigen jare te Assendelft was voorgevallen; Yan Bijlevelt was daar niet bij geweest en slechts medeschuldig, daar hij door het zenden van Yan Gerven aanleiding had gegeven tot het verdrijven van Yan Poelenburg. Nadat zijn brief aan den heer Deutz, waarbij hij dezen kennis gaf van het zenden van Yan Gerven, hem vertoond was, en hij erkend had dien geschreven te hebben, werd hem o. a. gevraagd, of hij zijne kapelaans ooit gebruikt had, om dienst te doen in Katholieke gemeenten, waar „oude priestersquot; waren? Eerst weigerde hij deze vraag te beantwoorden, voorgevende niet te weten, of het hem vergund was ook een anderen rechter aangaande dit punt te woord te staan, zoolang over de klachten, welke tegen hem bij Gecommitteerde Raden waren ingediend, nog geen beslissing was gevallen. Toen aan het einde van het verhoor de vraag opnieuw werd gedaan, antwoordde hij ontkennend. Yraag 39 luidde: „ of hij gede. sich ook niet bemoeyt heeft met de saken van die priesters, welcke die van \'t Hof van Romen of der selver Ministers over de wettigheyt van hare sen dingen in dese Landen wel hebben goetgevonden en alsnogh goetvinden te ontrustenquot; ? Hierop antwoordde hij, nooit priesters verontrust te hebben, alsmede over deze vraag zich niet verder te kunnen uitlaten, daar dit onderwerp tot de tegen hem bij Gecommitteerde Eaden ingebrachte klachten behoorde. Toen ook deze vraag ten slotte her-
272
haald werd, verzekerde de beschuldigde, ,, sig daer niet meede bemoeit te hebbenquot;. Ook hier is de houding van Yan Bijlevelt niet zonder dubbelzinnigheid. Immers hij erkent, dat de „ oude priestersquot; zich over hem hebben beklaagd. Deze klachten hadden geene betrekking op gefingeerde bezwaren, maar op werkelijk door \\Tan Bijlevelt, op last van den Nuntius gedane dagvaardigingen. Hij was o. a. persoonlijk naar Gouda geAveest, om twee pastoors ter verantwoording te roepen. Toch heette het nu, dat hij zich niet bemoeid had met de maatregelen, welke genomen waren om die priesters te verontrusten. Wellicht meende hij, de heeren door zijne handelwijze niet verontrust te hebben; anders is zijn antwoord onbegrijpelijk. Of het Hof er echter ook zoo over heeft gedacht? Hot verhoor der andere beschuldigden kunnen wij hier verder laten rusten.
Opnieuw kwam er thans vertraging in den voortgang van het proces door ongesteldheid van den Procureur-Generaal. Den 22sten Maart onderging Van Bijlevelt een tweede verhoor. Dit liep geheel over de door den Internuntius aan Van Gerven verleende zending. Over deze zaak ondervraagd, verklaarde Van Bijlevelt, die acte niet aan Yan Gerven bezorgd en er niet om geschreven te hebben. Nadat hem was medegedeeld, dat deze priester verklaard had, die zending door zijne bemiddeling ontvangen te hebben, bleef hij bij zijne vorige verklaring en zeide, niet te weten, dat hij met Yan Gerven gesproken had, om hem zulk eene acte te bezorgen. Don volgenden dag richtte hij een brief aan den Procureur-Generaal, vergezeld van eene nadere verklaring. Hij berichtte aan den magistraat, dat hij inlichtingen had ingewonnen, hoe de zaak van de acte van den Internuntius zich had toegedragen, daar hij ten gevolge van eene langdurige ziekte de juiste toedracht zich niet herinnerde. In de bijgevoegde verklaring gaf hij verslag van quot;hetgeen hem uit de bekomen inlichting gebleken was. Het stuk luidde aldus:
Ofte ik ondergeschreven op de vraegstucken op den 32 maert aeu mij gedaen door de Ed. M. Heeren Commissarissen van den
273
Ed: Hove van Holland op het subject van de algemeijne sendinge van de Heer Gaspar van Gerven niet klaer en duijdelyck genoeg mochte geantwoort hebben door gebreck van geheugenisse (want ik doen ter tijd seer swaek en sieck was) van \'t geene omtrent het bekomen van die sendinge was voorgevallen: soo ist dat ik mij daerop nader uijtte als vernomen hebbende naer de waerhijd: 1°. Het is waer dat de Heer van Gerwen mij versocht heeft, om voor hem te schrijven aen den Heer Internuntius om een alge-gemeijne sendinge te mogen bekomen, en gelijck ik onderricht werde, hem oc sulx hebbe bewilligt. Van al het welke ik ver-klare van mij selven geen de minste geheugenisse te hebben gehad ter oorsaecke van mijne kranokhyd in de welke ik bij nae anderhalf jaer hadde gelegen. 3°. Het is waer dat ik bewilligt hebbe voor Heer van Gerwen te schrijven maer te swack sijnde om het met mijn eygen hand te doen, moste daer toe gebruijcken een ander de welke mij van mijn voornemen diverteerde en uijtstelde tot de naeste postdag en gelyck hij mij verklaert, alleen eenigeti lof van Hr. van Gerwen heeft geschreven, en dat de Heer Heij-denfelt met hem wel was gediend en wel soude willen dat de gemelte van Gerwen syn familie mochte biecht hooren: verders isser niets geschreven. Op dezen brief heeft syn doorluchtighijd de Heer Internuntius de algemeyne sendinge aan de Heer van Gerwen gesonden: soo dat de Heer Internuntius mijn schryven voorkomen is en vervolgens waer is dat ik om die sendinge niet geschreven hebbe. Dat is \'t geen mij bericht word van die, dewelke mijn brief schreef in mijn sieckte aen wien ik geloof moet geven, want ik anders geen besondere geheugenisse of hebbe.quot;
Het onderzoek was thans afgeloopen, en de uitspraak van het Hof liet niet op zich wachten. Den 5den April 1718 werd de baljuw Eoos tot eene boete van vijfhonderd gulden veroordeeld. Den 8sten April werd het vonnis over Van Gerven gewezen; het luidde: verbanning en eene geldboete van duizend gulden. Ook Van Bijlevelt had den 5den April bevel gekregen, voor het Hof te verschijnen, ten einde zijn vonnis te vernemen. Daar hij op dat tijdstip ziek was, werd de uitspraak uitgesteld; drie gerechtsdienaren werden naar de pastorie gezonden, om den pastoor te bewaken, van welk toezicht hij echter tegen borgstelling werd vrijgesteld. De gezant van Portugal en de broeder van diens souverein boden Van Bijlevelt hunne goede II. 18
274
diensten aan, om een banvonnis te voorkomen 1). Hij besloot, nog eene laatste poging te wagen, en richtte zich opnieuw tot de Staten van Holland. Hij trachtte in dit request2) aan te toonen, dat hij zich niet aan overtreding der plakkaten had schuldig gemaakt. Hij grondde deze bewering op de volgende overwegingen. Mr. Deutz had hem om een priester gevraagd; hij had aan de overbrengers van dit verzoek „ eene simpel brieff tot Antwoordquot; medegegeven, „ daar en boven aan den selven van gerven ook mondelings blast dat hij aan den Heere van Assendelft soude zeggen dat den suppl\'. geen magt hadde om eenige sendinge te geven het welk den Heere van Assendelft door den voornoemde van Gerven verstaan hebbende sigh seer heeft verwondertquot;. Wij moeten aannemen, dat bij het opstellen van dit request het geheugen den adressant weder parten speelde; anders heeft het er veel van, of hij met de Staten een loopje wilde nemen. Met alleen toch dat zijne bewering lijnrecht in strijd is met den inhoud van zijn brief aan den Heer van Assendelft, waarin zeer bepaald gesproken wordt van het zenden van Yan Gerven, om den dienst in de gemeente waar te nemen, maar ook het optreden van Mr. Deutz en van den priester Van Gerven is niet overeen te brengen met de voorstelling van het gebeurde, welke in dit request gegeven wordt. Een tweede zaak, welke door Yan Bijlevelt werd te breede gebracht, was zijn briefwisseling met den Internuntius. Hier beriep hij zich op eene opdracht der Staten zeiven. Wij hebben boven3) gezien, dat dezen aan den Haagschen pastoor hadden gelast, aan den Internuntius te schrijven, om te bewerken dat de talrijke dagvaardingen van Jansenistische priesters een einde namen. Nu lezen wij in het request: „ Dat den suppl1. daar meede geen correspondentie heeft gehouden anders als met voor-
1
Zie J. F. Vregt in de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, dl. I, blz. 196.
2
22»^ Register als boven, fol. 236 verso—243.
3
Blz. 236.
275
weten en ook orders van Heeren Commissarissen van UEd. Groot mogende, gelyck aan UEd. groot mogende bekent is, dat den suppl4. niet eens maar te meer malen voor de groote besoinges ontbooden synde, aan hem als doen gelast is geworden, sowel met den nuntius tot Geulen, als internuntius tot Brussel te correspondeeren, ten eynde niet alleen, dat de Eust onder de Eoomsch gesinde binnen dese Landen soude worden herstelt, maar nogh spe-cialijck om bij de selve te effectneeren dat de buyten Landsche Citatien, waar door de priesters van deese Landen derwaarts wierden geciteert, soude worden gestrempt, en wel met comminatie dat indien den supplt. zulcks niet en effectueerde, hij suppR met meer Roomsche Priesters het Land soude moeten ruymen: soo als XJEd: groot Mogende nader en omstandiger uyt de mond van opgemelde Heere Commissarisse zoude kennen vernemen, en waar toe den suppl1. zigh reverentelijck alhier is Eefereerende. Dat den Suppl1. in dier voegen dan met den Nuntius en internuntius hebbende moeten correspondeeren, van tyt tot tyt de Missives aande Nuntius off internuntius gesz. aan de voornoemde Heeren Commissarissen heeft vertoont, en door die brieven ook heeft geeffectueert, dat alle de buijten Lansche citatien sijn komen te ecesseren zynde naar die tyt ook geen buijten landsche citaties aan eenige Priesters in deese Landen meer gedaanquot;.
Al wat hier door Van Bijlevelt wordt betoogd, klinkt zeer fraai, maar heeft toch niet veel waarde. De vraag, waarvan alles afhing, was deze, of hij zonder toestemming van de Staten eene briefwisseling had gevoerd met den Internuntius. De correspondentie, door hem op last der Regeering gevoerd, had met de zaak niets te maken. Immers die had betrekking op de talrijke dagvaardingen van Jansenistische priesters; uit de opdracht, naar aanleiding daarvan ontvangen, volgde evenwel volstrekt niet, dat Van Bijlevelt verlof had gekregen, met den Internuntius over zendingen voor Roomsch-Katholieke priesters van gedachten te wisselen. Want juist die zendingen
276
door een buiteulandschen prelaat wilde de Eegeering voorkomen. En die correspondentie was het juist, welke hem door het Hof als overtreding der plakkaten werd aangerekend. Hoe kon hij ook beweren, dat hij nooit zonder voorkennis van Commissarissen aan den Internuntius had geschreven, terwijl hij eenige dagen te voren voor het Hof had verklaard, dat hij aan Van Gerven had beloofd, voor dezen eene zending uit Brussel te verkrijgen, dat dit ook geschied was, al had hij wegens ziekte het schrijven van den brief aan een ander moeten overlaten? Intusschen hij meende, dat het aangevoerde voldoende was, om van de Staten „ abolitiequot; te mogen verzoeken, en er op aan te dringen, hem van verdere rechtsvervolging te ontslaan. Dit request werd den 22sten April door de Staten naar het Hof om advies gezonden, en den 28sten daaraanvolgende werd het antwoord1) ingeleverd. Het spreekt als vanzelf, dat het oordeel van het Hof niet gunstig luidde. De houding, door Van Bijlevelt aangenomen, wordt streng gegispt. Eerst wordt er op gewezen, „ dat het de eerste reijse niet en is, dat men in deese saken heeft getragt de Cours vande Justitie te stremmen, dogh evenwel met soo wynig succes dat UEd. groot Mogende naar een voor affgegaan ondersoek, het selve niet hebben gedult; enmaar den voortgangh der saken aan de Justitie gelatenquot;. Daarna wordt door het Hof aangetoond, hoezeer de beweringen, in het request vervat, in strijd zijn niet alleen met hetgeen den Procureur-Generaal gebleken was waar te zijn, maar ook met de door Van Bijlevelt zeiven bij zijne verhooren afgelegde verklaringen, zoowel ten opzichte van de aan Van Gerven verleende zending, als ook wat betreft de briefwisseling met den Internuntius. Uitvoerig wordt in het antwoord stilgestaan bij de rechtsgeleerde zijde van het verzoek. Zoo wordt o. a. met een beroep op het Romeinsche recht duidelijk gemaakt, dat een verzoek - om abolitie slechts kan worden gedaan
1
22«\'« Register als boven, fol. 219 vv.
277
bij den aanvang van een rechtsgeding, terwijl in dit geval het vonnis reeds was gearresteerd, maar de uitspraak uitgesteld ten gevolge van de ongesteldheid van Yan Bij-levelt. Daarenboven werd tot dusverre het toestaan van abolitie beschouwd als iets, dat slechts bij groote uitzon-deringe werd verleend, en daartoe vond het Hof hier geen termen aanwezig.
De Staten van Holland legden zich bij dit antwoord neder, en het verzoek van Van Bijlevelt werd van de hand gewezen ^ tegen de verwachting van de vrienden van den Haagschen pastoor. Althans de heer Vregt deelt mede, dat het verzoek aanvankelijk gunstig was ontvangen, dat de Raadpensionaris het zelf in de vergadering had voorgelezen en daarbij zich zeer gunstig over Yan Bijlevelt had uitgelaten1). Hoe dit zij, den 3den Mei had de uitspraak van het vonnis plaats. Het luidde: boete van duizend gulden, verbanning ten eeuwigen dage uit Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht, benevens veroordeeling in de kosten. De Heer Yregt deelt mede, dat dit vonnis nooit is openbaar gemaakt, en dat men destijds uit die bijzonderheid de gevolgtrekking afleidde, dat het Hof zelf met de zaak verlegen was, dat het vonnis eigenlijk het daglicht niet kou zien, daar Yan Bijlevelt veroordeeld was niet zoozeer wegens eenig misdrijf, als Avel ten gevolge van den haat zijner vijandens). Indien het vonnis werkelijk nooit openbaar is gemaakt, dan zijn evenwel de gemaakte gevolgtrekkingen onjuist. Men kan het afkeuren, dat de plakkaten in al hunne gestrengheid waren toegepast, maar de sententie was volkomen gegrond op hetgeen gedurende den loop van het proces was aan het licht gekomen. Dat geene zachtere straf werd toegepast, was ook daaraan toe te schrijven, dat het Hof van oordeel was — zooals wij boven zagen — dat eindelijk eens een
1
t. a. p., blz. 199—200.
278
voorbeeld moest worden gesteld, terwijl ieder lezer zal moeten toestemmen, dat de houding, door de beschuldigden in dit geding aangenomen, bij uitstek geschikt was geweest, om bij het Hof elke neiging tot toegevendheid te verdrijven. De overwegingen, waarop het in het Rijksarchief bewaarde vonnis berustte, waren de volgende. Het Hof achtte bewezen:
„ dat hij gedaeghde, ten versoecke van eene Gaspar van Gerven, een syner Cappellanen, heeft bewillight te schrijven een Brieff aen den Inter Nuntius tot Brussel, ten eijnde den voorn van Gerven van hem een algemeijne Sendinge mochte becomen, dogh dat hij gedaeghde, vermits swackheijt, in dien tydt buyten staet zijnde sulex met eijgen handen te doen, door een ander een Brieff ten voorgemelten eijnde aen den selven Nuncius heeft doen schrijven, en dat aen den selven van Gerven door den gemelten Inter Nuncius een algemeijne sendinge oock is toegesonden geworden.
Dat hij gevangen, alhoewel hem bekent was, dat de Eooms Priesterlycke Bedieninge binnen den Dorpe van Assendelft, sedert veele Jaeren was, en nogh wierdt bekleet, ende waergenomen door eene Cornells van Poelenburgh, hij gedaeghde, schoon dat hy daer-toe noijt door de Heeren Staeten, off Gecommitteerde Eaeden van Hollandt, ende Westvrieslandt, was geadmitteert, den voorn Priester van Gerven aen den Heere van Assendelft heeft toegesonden, omme bij provisie tot dienste vande gemeijnte van Assendelft voornoemt te zijn; gevende hij gedaeghde aen den voornoemden van Gerven mede een Missive, bij hem gedaeghde aen den voornoemden Heere van Assendelft geschreven, waer bij hij van deselve sijne Sendinge kennisse is gevende;
Alle het welcke sijnde saeeken strijdende tegens de speciale Beveelen, en Plaecaeten van haer Edele Groot Mogende, ende van seer dangereuse en pernicieuse gevolgen, die in een Landt van Justitie niet konnen werden geleden, maer anderen ten Exempele strafbaer zijn: Soo istquot; enz.
Hoe streng de straf, aan Van Bijlevelt opgelegd, ook was, toch is de geschiedenis van dezen man juist weder een nieuw bewijs, met hoe weinig ernst men de plakkaten tegen de Katholieken ten uitvoer legde. Immers terwijl in het vonnis uitdrukkelijk ook Utrecht werd vermeld, als plaats waar de veroordeelde zich niet mocht
279
opliouden, kon hij zich in 1719 in de hoofdstad dier provincie vestigen zonder te worden lastig gevallen. quot;Wel Averd hem in 1720 voor korten tijd ook het vertoeven in die stad ontzegd, maar deze uitsluiting duurde slechts kort. Van Bijlevelt is tot aan zijn dood het vicariaat blijven waarnemen, ofschoon hij dit in Holland niet dan met omzichtigheid kon doen. Met hem daalde in 1725 de laatste Apostolische Yicaris der Hollandsche Missie ten grave.
\'s-Gravenhage.
OORKONDEN,
BETREKKING HEBBENDE OP HET S. HIERONYMUS-KLOOSTER TE HULSBERGEN BIJ HATTEM, MEDEGEDEELD DOOR
D. VERBEEK Jr.
De hierachter volgende stukken vond ik in eene onuitgegeven verzameling afschriften van Yelmvsche oorkonden, door den bekenden Gelderschen oudheidkundige G. van Hasselt bijeengebracht. De heer H. Bouwheer te Barneveld had de vriendelijkheid, mij deze verzameling ter leen te verstrekken, om daarvan voor een werkje over de Neder-Veluwe gebruik te maken.
Tot recht verstand dezer oorkonden ga eene zeer korte schets van de geschiedenis des convents vooraf; ik volg hierbij eenvoudig de mededeelingen van Delprat op blz. 113—119 zijner „Verhandeling over de Broederschap van G. Grootequot;.
Het latere S. Hiëronymus-klooster te Hulsbergen bij Hattem was meer dan eene eeuw lang een fraterhuis, in 1407 opgericht door twee leeken (Johan Witte van Zons-beek en Johan Bode van Goch) en een geestelijke (Gobe-linus a Kempis, quot;broeder van den beroemden Thomas). Het terrein voor den aanbouw werd hun geschonken door Hendrik Bentink op eene plaats, Ellenhom geheeten, waar zekere Florens van Hulsbergen, een rijk landeigenaar.
281
eenmaal bij het jagen het geluid eener kerkklok had gehoord. Naar hem veranderde men den naam Ellenhorn in dien van Hulsbergen. De bouw geschiedde in alle armoede en eenvoudigheid.
Gedurende den eersten tijd van hun verblijf bleven de Praters in zeer bekrompen omstandigheden verkeeren; zij bezaten zelfs geen ketel om bier te brouwen, en toen de Suffragaan des Utrechtschen Bisschops, Matthias van Bi-duano, kapel en kerkhof gewijd had, kon men hem slechts tien gulden tot goedmaking der reiskosten en tot betaling van den wijdingsbrief aanbieden. De Wijbisschop, meenende dat dit niet genoeg was, ging toornig heen, zonder den brief af te geven.
Het aantal Broeders te Hulsbergen nam binnen weinige jaren aanzienlijk toe; tegen het einde der vijftiende eeuw waren er reeds honderd twintig Praters bijeen. Uit de bewoners van het Hattemsche Praterhuis werden soms oversten voor andere dergelijke stichtingen gekozen. Zóó goeden naam had dit huis, dat de Abt van het klooster aan de Laachersee bij Andernach zeven Praters van Hulsbergen bij zich ontbood, om de vervallen kloostertucht te herstellen.
De monniken van het insgelijks bij Hattem gelegen Benedictijner-klooster Klaarwater maakten in 1525 de Praters bij hertog Karei van Gelre verdacht en wisten hem te bewegen, het Praterhuis in een Benedictijner-con-vent te veranderen. Na het overlijden van genoemden hertog werden de Broeders wel is waar in hunne bezitting hersteld, doch de kort daarop gevolgde Kerkhervorming deed deze stichting verdwijnen, vóórdat de 17de eeuw was aangebroken.
De volgende oorkonden hebben op dezen strijd met de Benedictijner-monniken van Klaarwater betrekking.
\'s-Gr a venhage.
282
DIB FUNDATIE DER ABDIEN VAN HULSBEEGEN.
Wij Kairll, van der geaade Gaits Hertoige van Gelre etc. doen kondt; soa in onsen Convent Sent Hieronimusberch off anders Hulsbergen genoempt. dat eertijts Elhoern toe heyten plege, bis hertoe quaet Eegiment ende nyet as tot Gaitsdienst beboerde ge-halden is gewest ind Wij \'tselve aenmerkende ons mit onsen Dieneren op ten lesten dach van Aprill in den Jaer van vijff ind twijntioh in denselven Cloister ergeven hebben omb den gotlieken dienst to verbeteren ind om andere snnderlinge oirsaeken, ons daertoe bewegende; Bekennen wij Hertouch vurz. vnr ons, onse Erven ind naekomelyngen, dat wij ther Eeren des almechtighen Gaets, mit consent ind waill behaeghen des Eerwerdighen in Gaede, Hoiohgebaren Fursten onsen lieven Oehemen Heeren Hen-rick Elect \'t Utrecht Paltzgrevc bij Eijne ind Herthoigen in Beije-ren nae vermoigen Sijnre Lieffden Confirmatie brieven bij raede ind guetdunken onsselffs ind onser frunden van Eaede, oick mit believen ind guetdunken Johan Sander ind Henriek Bentyneks gebrueders, soe oer alderen ijrste medefundators onses vurz. Convents geweest sijn, \'t selve onse convent in eijne. abdye Sent Benedictus Oerdens van de TJnien van Buersfelt ind Procuratoren van Coilne voirtaen then ewighen daeghen toe te blijven geërigeert, gereformiert ind gefondiert hebben, erigieren, reformieren ind fondieren mits desen onsen apenen brieve ind hebben deshalven den weerdighen ind Eerbaren onsen lieven aendechtighen Heren Gaerdt Nijsen, abt tot LJborch in den Sticht van Osenbrugge, Hern Mat-theus van Goch, Abt tot Sente Pauwels bynnen Utrecht, Hern Everhardus, Abt tot Sent Laurens tot Oisbroek, ind Hern Johan van Lubeck, Praest tot Clarenwater, gebeden ind bewillicht onsen vursz. Convent tot vursz. oirden to ordiniren, Conventualen daer-ynne to brengen ind eynen Abt aldair to kiesen, omb Gaetsdienst ewelyck daeghs ind nachtes to halden, nae wijse der vursz. oirden, ind soe die Abbaten vurz. deels fraters in onsen convent gebracht ind den Weerdighen onsen lieven aendechtigen Heeren Pauwell van Bechem, nae vytwijsonge der acten dairvan gemaickt wesende, tot eynen abt gekaren hebben, Wij vur ons, onse Erven ind Nae-komelingen denselven gekaren Abt van onsen Oehemen den Elect vursz.. geconfirmiert ind gebenediciert mijt sijnen Confrateren, die nu mit hem in onse Convent gekomen sijn, ind alle anderen Abten ind Conventualen, die naemaels daerinne gekaren ind komende sullen werden omb den dienst vursz. to bether to mogen halden
283
gestalt ind stellen raits desen in allen onses Convents vurz. gue-deren, bewegelick ind onbewegelick, privilegien, herlicheyden ind gereehticheyden, nyet daervan vytgescheiden, gelick als die nu tot onsen vursz. Convent behoren, die selve then ewigen daeghe toe to hebben, to besitten ind to gebrnycken in alrematen, als die andere Conventualen desselven Convents in vurtijden tot deze daege toe gehadt ind gebruyekt hebben, vytgesondert alle guede-ren, die van onsen vurheren ind vaderen, laifflicker gedachten ind van ons denselven Cloister verpandt sijn, \'t zy dan Leenguederen, tijnsguederen, hoerige ind koermoitsche guederen woe dieselve ge-stalt mogen sijn, die wij, onse Erven ind naekomelyngen otnb alsulcken pennynck as daerop steet ind dairvur sij van onsen wegen verpant sijn, nae vermoigen der pantbrieven sullen moigen doin loessen ; welcken pennynch sy therstont wederomme tot profijt des Convents aen anderen guederen beleggen, dair wij die handt aenhalden sullen. Oiek soo den vursz. Cloister een guedt gegeven is, gelegen in den kerspell van Heerde, genoempt floris erve, \'t welck onse vrij guedt to sijn en ons jaerlix to herengulden to geven plege vierdenhalven golden gulden van gewicht myn anderhalve Stuyver brabants, Bekennen wij, dat wij \'t selve guedt tot onsen thijnsguedt gemaikt hebben ind maicken mits desen onsen brieff, soe dat sy ons, onsen Erven ind naekomelyngen alle jaer daervan to thijns geven sullen op Sent Mertensdach in den wijn-ther, as men ons onsen Thyns betaelt vierdenhalven golden gulden myn anderhalven St. br. Ind opdat die Abt ind syne Conventualen vursz. den Almechtigen Godt to vlijtiger laven ind sioh to bether in synen gotlicken dienst woe vursz. onderhalden; oiek vur ons ind onse vurvaderen zielen zeligheit ind om ewigen vrede bidden mogen, hebben wij Hertouch vursz. vur ons, onze Erven ind naekomelyngen onses vursz. Convents. Vythoff tot Vorchten gelegen mit allen sijnen toebehoer ind den meyeren, die zij dairop settende werden vrygegeven van allen onsen sehattonge ind diensten woe die genoempt syn off naemaels then ewyghen daeghen genoempt moegen worden mede bewilligen, dat sy van allen oeren anderen guederen, wair die gelegen sijn, die sij nu hebben, wanneer men pontschattynge geeft nijet meer dan alleene in den ampt van Heerde vier olde schilden Ons en onsen naekomelyngen ter Sehat-tynge geven sullen.
Voirt hebben wij onsen Convent vursz. tot eijne ewich segell gegeven eyn borstbeelde van Seinte Benedictus ind daironder twee klijmmende Lemven mit ommeschrifte: Sigillum Conventus in Hulsbergen Ordinis Benedicti.
284
Ind den A.bt tot sijaen abtsegell eyne staende beelde van Seinte Hieronimus Patroen onses Convents vurz. mit omraeschriffte Sigil-lutn Dni abbatis in Hulsbergen; speeificeerende den namen desselven abts. Oock hebben wij vur ons, onse erven ind naekome-lyngen den vnrgen. abt ind allen anderen Abten toekomende vur onsen ewigen Capellaenen, ind sij mit oeren Conventualen in onse ewige protectie aengenomen ind mits desen aannemen ind sullen sij then ewigen daegen toe in alle oere noetsaicken verantworden, verdedigen ind beschermen. Des sullen die Conventualen vursz. \'t allen tijden wanneer die Abdie vaciert ind sij eijnen nijen abt kiesen werden, ons, onsen Erven ind naekomelyngen denselven gekaren abt vurder Confirmatie presentieren ind sonder onser off onser erven ind naekomelyngen wille ind consent geynen Abt confirmieren laiten.
Oick den vursz. gebruederen van Bentijnck ind oeren erven halden bij oeren privilegien sy sus lange van den vursz. convent gehadt hebben, ind daervan behoirlike Eeversbrieff geven. Ind want mij Hertouch vursz. onsen vursz. convent alle vurgen. punten ind articulen, privilegien, heerlicheyden ind gerechticheiden volkomelick ind onverbreeckelyck gehalden to werden gelaefft hebben wy des \'t oerconde der waerheyt ind gantscher vaster stedicheit onser segell van onser rechter wetentheyt aen desen brieff doen ind heyten hangen, ind tot vorder vestenisse bevalen den vursz. gebruederen van Bentynck oer Segelen mede hijr aen to hangen. Des wij Johan Sander ind Henrick gebruederen vursz. dnrch be-veell vursz. ind soe ons die vurgn. Eeformatie zeer waell belieft geern gedaan ind hebben onse segell hyr aen gehangen; in dan jaer ons Heeren vijfftien hondert vijff ind tvvyntich op ten xii dacli maye.
VAN DE EEFORMATIE DES CONVENTS TE HULSBEEGEN.
Item op Sondaeh .Misericordiam Domini Anno xxv heeft mijn genedige lieve Heer Hertouch van Gelre etc. eyne Eenovatie in den Cloister Hulsbergen gemaickt vnd monnyken van dar oirden Sint Benedictus daerinne gestalt umb gebreken will der dagelix voele vermits den Leeken geschieden; Ind heeft eynen
285
ytliken van den Priesteren, Clercken ind Leeken hoefft vur hoefft vur doen halden off zy blijven wolden in den Cloister ind nemen die habijt van Sent Benedietus oirden aen, Syne Gnade wolde mijt hem dispensieren laten, dat zij etlioke daege ther weeke vleys eten solden. Weulden zij sulex nyet aennemen, Syne Gnaden wolde ze in andere Cloisteren in Synre Gnd. lantschap bestellen, dair zij oer leven lank guede onderhalt hebben solden. Ind wie niet ge-sind were een van beyde aen to gaen muchte trecken tot sijnen frunden; men solde hom weder laten volgen, hij daerinne gebracht lied. Ind hebben geantwoerd ut sequitur.
Heeft geantwoird die procurator desselven convents opt vurgeven myns gnedigen lieven Heeren, dat hij wolde blijven ind des Convents beste doen, wanneer hy blyven inucht in sijne habyt hij in gelaefft hedde totten dach vursehr.; ind dairop heeft hy meyster Hermen Knoppert die hand gegeven cum stipulatione.
Antwoirdc die Librarius ind begeerde to wesen to Nonnen bynnen Harderwijk as een socins ind den Convent trouwe sijn ind desselven vordell altijt vur keren.
Antwoirde die Koster Nycolaus opt vurz. vurgeven ind begeerde to wesen een socius ther Elborch of then Tssendoirn te Zutphcn.
Antwoirde frater Henricus Hattem. Vestiarius int begeerde tho wesen eyn socius te Zutphen in Adamanshuys.
Johannes Swolles gantfridi begeert to wesen ther Elborch in den Convent.
frater Nicolaus Trajecti maior petit locum in Boemel to Nonnen.
Esvelt antwoirt ind begert nergents to wesen in heeft sijn habijt mutiert, ind is durch Promocij mijns gen. lieven Here Pastoir geworden to Voirthuysen.
Nicolaus Trajecti Junior begeerde to wesen in den groten Convent to Doesborch tanquam socius.
Erater Cornelius de ïiela petit esse socius in het henrickshuys \'t Zutphen.
Hesselus Harderwyck noluyt manere sed remitti petyt ad alium Conventum salvo illo quod non cogeretur a conventu optato cedere.
286
CLERICOKÜM RE3PONSIONES.
Wolterus Elborch, Johannes Delden noluerunt manere nee alio mittj. Similiter henricus Doesboveh et Gerlacus Swollensis.
Wilhelmus Berghman noluit manere petiitque deliberationem, consilium amicorum expeetans quem Conventum optaret.
Georgius Dijnslaiken, Johannes Berghman, Johannes Anthony petunt deliberationem. Major pars Laycorum invita reeessit; nonnulli manserunt probationis tempus prebentes offieiaque sua exercentes.
(Uit Lib. xii der xiv Lib.).
Edoch, deze beschikking bleef na het overlijden van onzen Hertog niet onbetwist. Een ieder, die zich bij \'s Vorsten leven door hem mishandeld gevonden had, kwam toen met zijne bezwaren op en gaf die aan Ban-nerheeren, Eidderschap en Steden over; ook deze geestelijken. Hun verzoekschrift is te groot, om geheel uitgeschreven te worden, maar zij zeiden daarin onder anderen;
Dat omtreynt viertyen Jaereu nu verleden die Durluehtige ende hoichgeboren furst Hertoge van Gclre etc, hoieh loffelicker gedachten onuersiens ende durch quadé informatie van enighen zijner gen. liaide off anderen, myt gewapende kracht toe voet ende toe peerde, mytbrengende eenyge vitheymsche ende vitlendige mon-nyeken van Sinte Benedictus oirden, dairto willieh ende bereyt, die samende priesteren, klercken ende conventualen aldair versa-melt sittende ende wonende in een gfteden tijtell hem confirmiert ende mijt gueder older prescribierder^possessie ten allen rechten genoichsam gestareket, myt geweldige hant sonder manier van Rechten ende onverschuldig vytgedrongen ende als ballingen ver-jaget ende viantscher wijse spoliert hefft van oir eijgen aenge-kolften eriftal, van oir ingebrachte patrimonium ende van oeren zwetigen arbeyt, dair sij oeren priesterlicken tytell ende wyinge op ontfangen, vrunden ende magen verlaten hebben, enz. enz.
(Los ter Boven Seeretarye van Arnhem).