-ocr page 1-
-ocr page 2-

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE

GROOTE CATECHISMUS

VERKLAARD EN TOEGELICHT

door

-A.. LEIJSJBJLl, I •jiBtooi*

TE ZEDDAM.

------

G. MOSMANS Senior.

\'M-Hogcil,

D 147 ZUIDWILLEMSVAART. 1086.

-ocr page 6-

Emmmsi

1

ÊÊÊ

-ocr page 7-

i gt; i :i igt; I gt; o.

EERSTE LES.

OVER DE OPENBARING.

1. Welke kennis is den mensch het noodzakelijkst?

De kennis van God en van hetgeen Hij wil, dat

wij gelooven en doen moeten om zalig te worden.

Er zijn uienschen, die zich vele wetenschappen hebben eigen gemaakt, maai* de meest noodzakelijke missen, ter wijl anderen weinig geleerdheid bezitten, maar in werkelijkheid de gewichtigste wetenschap de hunne kunnen noemen. Deze laatsten zijn de geleerden bij uitnemendheid, daar hunne wetenschap tot het laatste doel geleidt, en zij bestaat in de kennis van God en godsdienst. Keizer Sigismundus vroeg eens den Aartsbisschop Tbeodorich van Keulen naar den besten weg des hemels. Deze antwoordde: »Zoek hem niet in aardsche dingen!\'\' »Maar langs welken weg kom ik dan tot de zaligheid?quot; vroeg hij verder: »Langs den rechten weg,quot; zeide de Bisschop. En wanneer bewandel ik den rechten weg? hernam de Keizer. En de Aartsbisschop sprak: » Wanneer gij God kent, Hem hemint en Hem dient.quot; Met recht vraagt dus de catechismus:

2. Waarom is die kennis voor ons het noodza-kelijkst ?

Omdat wij zonder die kennis niet zalig kunnen wTorden.

Niemand komt tot die kennis en door die kennis tot den dienst en de liefde van God, tenzij hij krachtig met de genade medewerke, want; »niemand kent den Vader, tenzij de Zoon en hij, aan wien de Zoon hel wilde openbaren.quot; Eischt

-ocr page 8-

2

God nu die kennis tot voorwaarde om zalig te kunnen worden, dan volgt daaruit van zelf, dat een ieder zich moet beijveren om haar, gesteund door Gods genade, te verwerven. Inderdaad, hoe dieper wij in die heilige wetenscliap doordringen, des te duidelijker zal Gods beeld voor ons treden en wij aangespoord worden, Hem te beminnen en Zijne voorschriften en wetten nu te leven; en hierin bestaat de eigenlijke, de eenig ware godsdienst. Godsdienst is immers de band, welke God met Zijn schepsel en het schepsel met zijn God verbindt. Hij is de gewijde en noodzakelijke wetenschap, welke ons leert, wat God is, wat Hij voor ons gedaan heeft, wat wij gelooven, doen en laten moeten, wat dit leven is, en wat ons wacht na dit leven. Een hoveling, die, zoo als zoovelen, onbezorgd voor de eeuwigheid had geleefd, beval op zijn sterfbed, tot waarschuwing voor anderen, op zijn grafzerk te beitelen: Hier rust een man, die in de wereld geleefd en baar verlaten heeft, zonder te weten, waarom hij er ingekomen was.

3. Waaruit kunnen wij God Icercn kennen?

Door het licht onzer rede, uit zijne werken, en uit hetgeen Hij ons zeit door zijne gezanten heett laten zeggen.

Door het licht onzer rede, welke getuigt, dat wij ons zeiven en alles, wat buiten ons bestaat, niet hebben voortgebracht en ook niet in staat zijn, dat alles te scheppen, en dat er een ongeschapen wezen moet bestaan boven en geheel onaf han-kelijk van ons, uit zich zelf bestaande van eeuwigheid; een wezen, dat ons en de geheele schepping het aanzijn heeft geschonken. Ja, door de taal der rede kan zelfs een onge-loovig mensch er toe komen, een wezen boven zich te erkennen, van wien hij zich in alles afhankelijk gevoelt, tot wien hij, met ontzag en eerbied, aanbiddend moet opzien; d. i. tot God.

-ocr page 9-

3

De invloed, en de voorlichting der rede deelt zich ook noodzakelijk aan het geweten mede, liet welk ons toeroept: Er is een God, die uwe handelingen kent en doorschouwt, en voor de zonde strat en vooi- de deugd loon zal toekennen. Vandaar de achting voor de deugd en de vrees voor de gevolgen van het kwaad, hetgeen niets anders is dan een uitwerksel ran de natuurwet, door God onzen zielen ingeschapen, waarop alle overige menschelijke wetten steunen. En daar het geweten ons altijd en in alles Gods tegenwoordigheid doet ontwaren, blijft ons ook steeds eene geheime vrees bij voor God, al staat het ook in onze macht, het kwaad vrij en ongehinderd te bedrijven. De rede en het geweten zijn dus twee hulpmiddelen, om tot de kennis van God te geraken, maar ook het gevoel des harten is daarmede in overeenstemming.

Ons hat l tracht en weuscht tevreden en gelukkig te zijn, maar het gevoelt tevens, dat er niets op aarde leeft of bestaat, dat dit verlangen, die zucht naar rein en bestendig geluk kan bevredigen, wijl alles onbestendig, onvolmaakt en vergankelijk is. Daarom zoekt het hart, voorgelicht door de rede, zijn steunpunt en stelt zijne eenige hoop in het volmaaktste Goed, in God, die alleen in staat is \'smenschen hoop en verlangen te bevredigen. Terecht zegt daarom de H. Augustinus: »De mensch streeft onwillekeurig naar geluk en tevredenheid, en daar deze buiten God niet bestaan, zoekt hij God zonder het te weten, somtijds zonder het te willen.quot; Zoo is het; ofschoon een blind mensch de zon niet ziet, die het licht voortbrengt, wenscht hij evenwel het licht te aanschouwen. Eveneens verlangt een dorstig mensch naar lafenis, al kent hij den drank ook niet, welke zijn dorst zal lesschen. Zoo ook verlangt ons hart naar God en dringt onwillekeurig tot Hem. Deze inwendige hulpmiddelen in ons wezen gelegd, om tot de kennis van God op te klimmen, ont-

-ocr page 10-

vangen uitwendige kracht en steun door de ons omringende natuur.

3. Uit Gods schepping huiten ons. Waarlijk, alles wat bestaat, predikt Gods bestaan, Gods almacht, wijsheid en liefde. De zon prijkt aan het uitspansel als een troon voor Zijne majesteit. »11 ij heeft op de zon zijn tabernakel gebouwd.quot; igt;De hemelen verkondigen door hunne heerlijkheid zijn lui-ster.quot; »De hemelen verkondigen zijne gloriequot; aldus spreekt de psalmist. Wanneer wij bedenken, dat de onmetelijke ruimte, waarin we de zon en de sterren opmerken, maar een klein gedeelte is van \'t heelal, en er zooveel ruimten bestaan, als er vaste sterren zijn; dat die sterren in grootte en eigen licht zonnen zijn, dan zijn wij opgetogen en als buiten ons zeiven van bewondering over de grootheid en majesteit des Scheppers. De aarde en alles, wat zij bevat: bergen en dalen, velden en bosschen, dieren en gewassen, regen en wind, donder en bliksem, de zeeën en de wonderen in haar schoot verborgen, alles roept dan ook met ons: wij zijn het werk van Gods handen. Beschouwen wij de ontzaglijke uitgestrektheid van den aardbodem, bewoond door zoovele geslachten, volkeren en natiën, gescheiden door eene menigte zeeën en landen, die, ofschoon verschillend in kleur, aard en taal, toch allen onder zekere tucht en orde leven, zoodat de een den ander gehoorzaamt, de een door den ander leeft en zijn onderhoud vindt, dan worden wij gedwongen Gods bestaan te erkennen en Zijne liefde, wijsheid en almacht te bewonderen. De H. Franciscus Borgias sloeg, op zijn wandelingen, dikwijls met zijn stok iegen steenen, boomen en struiken en riep dan uit: Spreek toch niet zoo luid, ik ben des ondanks van Gods bestaan overtuigd.

Te zeggen, dat al die wonderen der schepping, waaruit Gods grootheid en wijsheid ons tegenblinken, door en uit zichzelven ontstaan zijn, is grooter dwaasheid dan te bewe-

-ocr page 11-

ren, dat paleizen zichzelven optrekken, schilderstukken, beelden,^enz. zichzelven maken. Het is derhalve onbegrijpelijk, dat f iemand met rede en verstand begaafd, niet door en uit de schepping den Schepper erkent. Wel mocht de iï. Paul us zeggen: »Sedert de schepping dev wereld is de onzichhare God in zijne werken zichtbaar geworden, zoodal zij, die Hem niet kennen, geen verontschuldiging hebben.quot; » Vraagt het de dieren, zij leeren het n, en de vogels des hemels, zij verkondigen het; of vraagt het de hoornen des velds, zij zeggen het u, en de visschen der zee, zij verhalen het n. Wie weet niet, dat Gods hand ze gemaakt heelt,quot; aldus spreekt de vrome man Job. Inderdaad, de duivel zelf gelooft iu een God, de dwaas alleen zegt: »Er is geen God.quot; Een boom, eene bloem, ja elk grasscheutje moest voor ons voldoende zijn, om Gods bestaan, almacht, wijsheid en majesteit te erkennen, te bewonderen en te aanbidden, daar alla engelen en menschen tezamen niet in staat zijn één enkel grasscheutje of bloempje te vervaardigen. Koningen en machtigen dezer aarde, door duizenden gevreesd en gehoorzaamd, zijn niet bij machte eene enkele vlieg te maken, een enkelen waterdroppel uit de wolken te persen. Zeer juist zeide Tertulianus, dat de kennis van God eigen is aan onze ziel, wijl alles wat binnen haar is, Hem verkondigt, en al wat buiten haar is. Hem predikt. Daarom bracht de H. Antonius geheele nachten door in de beschou-wing van Gods grootheid, macht eu wijsheid, wijl, zooals hij terecht zeide, de wereld een groot boek is, waarin ons duidelijker van God gesproken wordt dan vele leeraars dit vermogen.

Maar\'dat alles is nog slechts de natuurlijke openbaring, welker kennis zooals de H. Thomas van Aquino zegt, aan men-schelijke dwalingen is onderworpen, door hartstochten, vooroordeel, onkunde en verkeerde toepassingen daartoe gebracht. Of zien we niet, dat de kennis van den waren God onder de heidenen verloren is gegaan en zij dientengevolge geen waren

-ocr page 12-

6

godsdienst en geen gezonde, redelijke sscdealeer bezitten, zoodat ze afschuwelijke afgoden vereeren onder de belachelijkste en soms afschuwelijkste vormen, teneinde de overtuiging van eene Godheid en het verlangen naar een God te bevredigen? Deze afdwalingen waren een gevolg van het bederf der zonde, waardoor Gods tusschenkomst noodig werd om zelfs de natuurlijke kennis van God onder de menschen te bewaren. Maar God wilde ons eene kennis schenken, geheel onbereikbaar voor de natuurlijke krachten van eenig schepsel en daarom heeft Hij zich in Zijne oneindige goedheid geopenbaard. Wij kunnen dus den Goeden God het volmaakst leeren kennen:

3. Uit hetgeen Hij zelf ons door zijne gezanten heeft laten zeggen.

Persoonlijk heeft God in de vóórchristelijke tijden niet tot ons gesproken, maar zijne heilige geheimen, waarheden en geboden, op verschillende tijden aan onderscheidene heilige mannen of gezanten geopenbaard, bv. aan Adam, Noë, Abraham, Izaiik en Jakob. Aan deze personen openbaarde God vele geheimen en waarheden, omtrent zich zelf, Zijne natuur en Zijn wezen en wat Hij wilde gedaan of nagelaten hebben. Hij gaf hun te verstaan, dat de mensch door de zonde van \'t eerste menschenpaar ongelukkig geworden, door den beloofden Verlosser gered worden en door Hem het recht op den gesloten hemel en de vriendschap Gods terug erlangen zoude. Later zond God Mozes en de profeten, waaronder Daniël, Elias, Isaïas en anderen, door wie Hij vooral zijn volk, den Joden, vele openbaringen gaf, aangaande den persoon des Verlossers, wie en wat Hij zijn zoude, uit wien, wanneer en waar Hij geboren zou worden, en ook omtrent zijn lijden en dood. Door Mozes gaf God den Joden ook de Tien geboden en de bevelen, hoe de Israëliet Hem op eene waardige wijze moest aanbidden en dienen. De waarheden aan Patri-

-ocr page 13-

arclien of Aartsvaders geopenbaard, werden tot uan Mozes\' tijd, dus gedurende 2400 jaren mondeling overgeleverd en door hem en door profeten opgeteekend, welke leeriugen bijeengenomen » Goddelijke openbaringquot; genoemd worden. De openbaring des Ouden Verbonds was ecliter niet genoegzaam, om Gods liefdevolle plannen in ons te verwezenlijken, omdat ze niet alles bevatten, wat tot ons heil noodzakelijk was.

4. Door wien heeft de goede God dan ons alles geleerd, wat wij gelooven en doen moeten om zalig te worden ?

De goede God heeft ons dat alles geleerd door zijn eigen Zoon, onzen goddelijken Zaligmaker Jesus Christus. [God met den Vader en den H. Geest.]

Het kan God niet onverschillig zijn, op welke wijze Hij gekend, aangebeden en vereerd wordt, want dan zouden de joden en heidenen met de christenen op ééne lijn staan, waarvan de eersten, Christus, den tweeden persoon der H. Drievuldigheid verwerpen en de laatsten, den waren God zelfs niet kennen. Zeker, wij moeten den waren God aanbidden en vereeren op eene Hem aangename, welgevallige en voor ons voordeelige wijze. Die wijze nu kan de meuschelijke rede alleen niet dan moeilijk: en onvolledig bepalen of omschrijven, wijl de rede onder de zonde geleden heeft en nog immer lijdt, alsook, wijl voor de rede slechts de natuurlijke orde van zaken toegankelijk is en niet de bovennatuurlijke. Jesus, dePro-ieet der profeten, door Wiens komst op aarde de rij der profeten en Godsgezanten gesloten is, heeft door Zijne leer en Zijne openbaring dat gebrekkige en onvolledige aangevuld. Hij leerde ons den éénen, waren God, drievuldig in personen, in Zijn wezen en Zijnen natuur kennen, en tevens, wat wij moeten doen en gelooven om God op eene waardige wijze onzen verschuldigden eerbied en onze aanbidding te brengen. Die

-ocr page 14-

8

leer bijeengenoiuen, door Christus ons verkondigd, eu voor een ieder noodzakelijk ter zaliglieid, noemen wij »de christelijke leer of openbaring,quot; in tegenstelling met de openbaring des Ouden Verbonds.

TWEEDE LES.

OVER KERK, OVERLEVERING EN BIJBEL.

5. Op welke tvijze is de leer van Jesus lot ons r/e-kornen ?

Christus heeft eene Kerk gesticht, welke Hij met zijn goddelijk gezag bekleedde om ons op eene onfeilbare wijze zijne leer te verkondigen.

Zooals de joodsche Synagoge, door God als de draagster eu bewaarster der openbaring en leer van het Oude Verbond werd aangesteld, zoo werd ook de Kerk van Christus, door Hem met dezelfde taak belast, d. i. om zijne leer ongeschonden te bewaren, onfeilbaar te verkondigen en tegen de aanvallen harer vijanden te verdedigen. Wat zij verwerpt, moet ook door ons verworpen, wat zij op goddelijk gezag voorstelt te gelooven, moet ook door ons als waarheid aangenomen worden. Daarom zeide de goddelijke Heiland: »Die u hoort, hoort Mij; die u veracht, veracht Mij en Degene, die Mij gezonden heeft. Op haar moeten en kunnen wij ons in geloofs-en zedenleer veilig verlaten, wijl zij door den bijstand des H. Geestes, evenmin als haar goddelijke Stichter, dwalen of bedriegen kan. »/A- zal met u zijn tot aan de voleinding der tijden.1 ^

6. Wie waren de personen in de Kerk, die Jesus met het leerambt belastte ?

De Apostelen, aan wier hoofd Jesus, den H. Petrus aanstelde en hunne wettige opvolgers.

*

-ocr page 15-

9

Bewast, dat Hij korten tijd na ziju openbaar en persoonlijk leeraarsambt, den zoendood aan \'t kruis zon sterven, koos Jesns uit zijne volgelingen twaalf mannen van deugd en godsvrucht, en belastte lien met de taak, na Hem, in Zijn naam en in Zijne plaats den volkeren liet Evangelie te verkondigen. »IIij riep Zijne leerlingen op en koos er twaalf uit, die Hij ook apostelen noemde. (Luk. 20, 21). Deze zond hij als gezanten de wereld in, zeggende: »Zooals de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Ik U.quot; (Joan. 20, 21) en legde hun door een uitdrukkelijk bevel den ambtsplicht op, om te prediken, met de woorden: »Mij is alle macht gegeven, in den hemel en op aarde; gaal dus heen en leert alle volkeren. (Matth. 28: 18—19). De apostelen voerden dit bevel ook werkelijk uit, overtuigd, dat hun woord »Christus\' woord,quot; en hunne prediking ambtsplicht was, gelijk de H. Paulus zegt: »Voor Christus dan zijn wij gezanten, als vermaande God door ons.quot; (2. Cor. 5: 20) (Vgl. Rom. 1, 5 en 25, 18.) »En Hij heeft ons bevolen den volkeren te prediken en getuigenis af te leggen.quot; (Hand. der Ap. 10 : 41.)

De Apostelen kozen op hunne beurt weder andereu en droegen hun \'t zelfde ambt en denzelfden plicht op. Verneem hierover den H. Paulus: »Bewaar het goede toevertrouiude pand door den 11. Geest, die in n is.quot; (2 Tim. 1: 14.) »Predik. het woord, laat niet af, tijdig of ontijdig.quot; (2 Tim. 4: 2.) Eindelijk gaven zij hunnen onmiddellijken opvolgers het bevel, weder anderen te kiezen en hun denzelfden ambtsplicht, om het ontvangen woord Gods verder te prediken, op te leggen. »En wat gij gehoord hebt van mij andere vele getuigen, draagt dat over aan getrouwe nwnschen, als die bekwaam zullen zijn ook anderen te prediken.quot; (3 Tim. 2. vgl. Tit. 1: 5 en 9.) Het is dus een feit, dat Jesus een leeraarsambt heeft ingesteld, als \'t levend middel om Gods woord als levende leer voort te planten, aan alle volkeren en door

-ocr page 16-

10

alle tijtien tot aan zijne wederkomst op den jongsteu dag.

7. Waarin is de leer van Christus vervat ?

Die leer is in haar geheel vervat in de Overlevering en grootendeels opgeschreven in een boek, hetwelk men de H. Schrift of den Bijbel noemt.

Deze twee zijn de eenige keribronnen der geopenbaarde waarheid en even goddelijk, en daarom ook even verplichtend om aan te nemen; zij steunen en verklaren elkander en maken te zamen de alleenzaligmakende ieer der Katholieke Kerk uit, zooals we later zullen hooren.

8. Wat is de Bijbel?

Een boek, door de gezanten Gods, volgens ingeving van den H. Geest, geschreven.

De boeken, waaruit de Bijbel bestaat, zijn tezamen en afzonderlijk door God ingegeven, niet slechts de voorzeggingen, die er in voorkomen, maar ook de waarheden. Vele waarheden in de H. Schrift vervat, konden de schrijvers door natuurlijke hulpmiddelen kennen. Dit belet echter niet, dat zij op ingeven des H. Geestes geschreven zijn. Door den geest Gods aangespoord, schreven zij, en de genade en bijstand van dienzelfden Geest bestuurden hen in de keuze der waarheden, welke ze moesten opteekenen. Door dienzelfden bijstand werden zij tegen dwaling gevrijwaard, èn in \'t opteekenen van feiten, èn in \'t omschrijven van geloofs- en zedenleer. Daardoor is de wonderbare overeenstemming te verklaren, welkem en bij die gewijde schrijvers op elke bladzijde aantreft.

9. Uit welke twee voorname deelen bestaat den Bijbel ?

Uit het Oude en Nieuwe Testament

De naam van Oude Testament (of Verbond) vindt zijn

-ocr page 17-

11

grond in liet verbond of de overeenkomst tusscben God en zijn volk, en de belofte aan de Aartsvaders en aan Mozes gedaan, dat uit bet joodsebe volk de Messias zou geboren worden, en God de joden naar \'t beloofde land voeren en met tijdelijke goederen zegenen zou. Van hunne zijde moesten de joden, voor dat alles, God plechtig beloven, Hem alleen te aanbidden en te dienen, en Zijne geboden na te leven. Het is dus een verdrag of verbond, dat eenerzijds de beloften Gods, anderzijds de verbintenissen van \'t joodsebe volk jegens God inhoudt Dat verbond zou echter slechts van kracht zijn tot aan de komst van den Messias, door wien God met de menschen een nieuw verhond zou aangaan, om \'t oude te volmaken. Jesus immers belooft ons zijne genade, vergiffenis van zouden en de eeuwige zaligheid, terwijl de menscb van zijn kant alles moet gelooven, wat God door Zijn Zoon ons geopenbaard, en alles onderhouden, wat Hij geboden beeft. Dit is dus eene overeenkomst met wederzijdsclie verplichtingen, ofschoon van Gods kant genade en barmhartigheid ten grondslag ligt en geen eigenlijke verplichting, wijl Hij ons niets schuldig is.

10. Door wie zijn de hoeken des Ouden Verhonds geschreven\'?

Door gezanten Gods die vóór Christus komst leefden.

De boeken dei- Schriftuur zijn 72 in getal en bevatten 1324 hoofdstukken, geschreven door 39 schrijvers,-in een tijdsverloop van 1000 jaren. De boeken des Ouden Testaments zijn verdeeld als volgt:

a. In historische boeken, waartoe de werken van Mozes, in vijf boeken vervat, worden gerekend, welke men te zamen »Pentateuchumquot; noemt. Het eerste boek » Gertesisquot; genaamd, (boek der Schepping) bevat de daadzaak der schepping en de gebeurtenissen tot aan de verlossing der Joden uit de slavernij

-ocr page 18-

12

vau Egypte; het boek »Exodusquot; (boek des uitgaugs) geeft ons de lezing van de wonderdadige reis der Israëlieten door de woestijn en de afkondiging der »Tieu geboden Godsquot; op den berg Sinaï; het boeit »Leviticusquot; schrijft de plechtigheden en ceremoniën voor, bij de godsdienstoefeningen in acht te nemen, benevens de verplichtingen en levenswijze, dooide priesters en leviten te onderhouden. Het boek »Numeri,quot; (boek der getallen) behelst de telling van Israel\'s kinderen, alsmede regels en voorschriften, in betrekking tot de tucht en orde. Eindelijk bevat het boek »Deuteronornium,\'\' (boek der tweede wet) een kort overzicht van reeds bestaande wetten, voorzien van verklaringen ten dienste van hen, die nog niet volledig onderwezen waren; verder behooren daartoe het boek »Jozuëquot; het boek der »Rechterhquot; en de vier boeken der »Koningen quot; welke meer in \'t algemeen de geschiedenis van Gods volk inhouden, terwijl de twee boeken »Pacalepome-nonquot; genaamd, een aanhangsel of vervolg zijn van de boeken der »Koningen.quot; Verder de boeken »Esdrasquot; en »Nehe-rnias\'\' en de twee boeken der »Machabeën,quot; waarin de strijd, welken eenige heilige en vermaarde personen, voor God, godsdienst en vaderland voerden, verhaald wordt. Eindelijk de boeken Ruth, Tobias Judith, Esther en Job, welke de geschiedenis bevatten van de personen, wier namen zij dragen.

God wilde, dat de geschiedenis van Zijn volk zou opge-teekend worden, teneinde de waarheden van den godsdienst ongeschonden te bewaren en den joden de trouw te toonen, waarmede Hij van Zijn kant. Zijn verbond met hen onderhield. Hij wilde hun bewijzen, dat Hij in den loop der tijden nooit in iets van Zijn kant was te kort geschoten en overvloedige zegeningen, welvaart en rust hun deel waren, wanneer zij van hun kant de voorwaarden van \'t verbond naleefden, d. i. in den waren en eenigen God geloofden en Hem dienden, terwijl ze bij schending daarvan, door de vreese-

-ocr page 19-

13

lijkste straffen bezocht werden. De geschiedenis moest altijd voor hen staan als een onwraakbaar getnige van tronw of ontrouw.

h. De onderrichtende boeken zijn de »Psalmen Davidsquot; 150 in getal, het boek der spreuken, de »Ecclesiastes,quot; het vllooyliedquot; van Salomo, het boek »der Wijsheidquot; en de »Ecclesiaslicus.\'\' God stelde zich niet tevreden met alleen de voorwaarden vast te stellen van Zijn verbond met Zijn volk, maar wilde het ook helpen die voorwaarden te vervullen, door hunne harten tot deugd en godvrucht te stemmen. Vau-daar de bovengenoemde boeken, vol van de wijste grondregels en raadgevingen, zoodat de heidensche wetgevers, met Mozes, David en anderen vergeleken, verre op den achtergrond staan, wijl deze op goddelijke ingeving en gezag, gene op bloot menschelijke berekeningen steunen.

c. Tot de Profetische hoeken behooren de geschriften van »lsaiasquot; »Jeremiasquot; »Ezechiêlquot; ^Daniëlquot; alsmede de boeken der twaalf kleine profeten, aldus genoemd, omdat ze, of minder schreven, öf minder werken vau bunne handen tot ons zijn gekomen. De namen dier profeten zijn: »Oseequot; »Jo(ïlquot; »y{mas,quot; vAhdiasquot; Michaeas,quot; »Nahum,quot; vllabacukquot; »Sophoniasquot; Aggaeusquot; »Zachariasquot; en »Malachias.quot;

De inhoud der profetiën was in Gods hand het middel om zijn volk te overtuigen, dat het verbond met hen aangegaan, slechts tijdelijk was en de joden het oog moesten gericht houden op een verhevener verbond, te sluiten door en met Hem, Dien de profeten voorzegden, en zij derhalve geen onvoorwaardelijk vertrouwen moesten stellen op schaduwen, voorafbeeldingen en offerdieren, daar dit alles slechts diende, om hen geschikt te maken, den Verlosser, bij Zijne komst op aarde, waardig te erkennen en geloovig aan te nemen. Daarom deden de profeten het ongenoegzame van \'t Oude Verbond en vau hunne eigene krachten, met betrekking tot God en

GR. CAT. 2

-ocr page 20-

14

heil, ook duidelijk uitkomen, en wekten zoodoende liet Imi-telijk verlangen nuar den Messias in hen op en hielden de verwachting op Hem steeds gaande.

14. Door wie ts het Nieuwe Testament geschreven? Door de Apostelen en Evangelisten.

Van de boeken, waaruit het Nieuwe Testament bestaat, zijn de Evangeliën en de Handelingen der Apostelen, wetge-vend-historisch, de verschillende brieven onderwijzend en de openbaringen van den H. Johannes projetisch of voorzeggend.

a. De Evangeliën zijn wetgevend-historisch en geschreven door de vier Evangelisten: Maüheus, Marcus, Lukas en Johannes. Evangelie beteekent in onze taal »bUjde boodschapquot; en geen gelukkiger noch verrassender boodschap kon ons geworden, dan dat de Zoon van den Koning der koningen. God met den Vader, voor ons is mensch geworden en onder ons heeft geleefd; dat Hij, na ons met Zijn Vader en ons heil bekend te hebben gemaakt, ons door Zijn dood en Zijn lijden uit Satan\'s boeien verloste, den hemel opende en den weg daarheen door woord en voorbeeld heeft aangewezen.

b. Historisch zijn de handelingen der Apostelen door den H. Lucas beschreven, waarin Lij ons mededeelt, hetgeen dooide Apostelen, vooral door den H. Paulus, voor Gods Kerk is gedaan, hoe ze op Jesus\' bevel uitgingen om zijne leer te verkondigen en hen, die deze leer aannamen, door het Doopsel in de Kerk opnamen, terwijl hij in levendige trekken da uitbreiding en vestiging der Kerk over de geheele aarde beschrijft.

c. De brieven dor Apostelen zijn onderwijzend. In het geheel kennen wij vau hen een en twintig brieven. Veertien dezer richtte de H. Paulus tot de inwoners van verschillende steden, tot natiën en volkeren. Van de zeven overige schreef de H. Petrus er twee, de H. Jacobus één, de H. Johannes

-ocr page 21-

15

drie en de H. Thadaeus één. Daar de brieven dezer laatsten niet uitsluitend aan bepaalde steden of volkeren gericht zijn, maar een algemeen karakter dragen, worden ze ook wel ka-tholieke of algemeene brieven genoemd. De Aposlelen ontvouwen in gezegde brieven der christenen van dien tijd, de leer, zooals ze die van Jesus hoorden en ontvingen, en pasten haar deelsgewijze toe, naarmate omstandigheden, plaatsen en personen zulks vorderden. Het is als eene terugwijzing op hunne mondelinge leer, waardoor den geloovigen het geloof was geworden.

d. De openbaring van Johannes heeft een profetisch of voorzeggend karakter. Zooals het Oude Verbond een nieuw en volmaakter voorbereidde, hetwelk daarin werd aangekondigd en voorafgebeeld, evenzoo moest het Nieuwe Verbond, door Jesus met de christenen te sluiten, hen ten richtsnoer verstrekken, om eene nauwere vereeniging tusschen God en den mensch, in den hemel en op de aarde, tot stand te brengen. Te dien einde koos God, Johannes, den profeet der nieuwe wet, om ons bekend te maken met het lot van Jesus\' Kerk op aarde, tot aan de voleinding der tijden en tevens te wijzen op de onuitsprekelijke vreugde, welke ons ten deel zal vallen, wanneer wij met Jesus manmoedig in die Kerk zullen hebben geleden en gestreden, totdat de volkomen overwinning op den duivel, de wereld en het vleesch behaald zal zijn. Ziedaar in korte trekken \'t doel en den inhoud van den Bijbel aangegeven.

12. Wat is de Overlevering?

De overlevering is de leer, door Christus raonde-ling aan de Apostelen bekend gemaakt en van do tijden der Apostelen af, voortdurend in de H. Kerk onderwezen.

Het is, zooals boven gezegd werd, ter zaligheid niet voldoende, alleen de waarheden te gelooven, welke in den Bijbel

r;;

mi

■MS

ff: vi

Ifi.

1

iii T

m

m

-ocr page 22-

•lü

staan opgeteekend, zooals de protestanten dat meeneu, maar wij moeten ook de overlevering of erfleer in haar geheel ge-looveu, d. i. die geopenbaarde waarheden geloovig aannemen, welke de Apostelen mondeling geleerd, maar niet opgeschreven hebben. Daarom schreef de H. Johannes 20, 30: dJesus heeft, nog vele andere teekenen gedaan in het bijzijn zijner leerlingen, welke in dit boek niet zijn opgeteekend.quot; Bovendien, de Iverk bestond reeds jaren, alvorens de Bijbel geschreven was, eu gevolgelijk kon deze niet de eenige ken-bron des geloofs zijn, zooals onze dwalende medebroeders beweren. Beantwoorden wij ter verduidelijking en bevestiging dezer waarheid, de volgende vragen:

a. Welk middel bezigde God in den voorchristelijken tijd, om Zijn woord, Zijn wil en Zijne wet den mensch kenbaar te maken ?

Toen Mozes, de heilige wetgever, zijn dood voelde naderen, sprak hij tot Israel\'s kinderen: »Gedenk de oude tijden, beschouwt de geslachten; ondervraagt uw vader en hij zal u onderrichten; uwe voorouders en zij zullen u onderwijzen.quot; (Deut. 39, 7). Hij zegt niet: leest mijne boeken, welke ik n in schrift zal nalaten, omdat hij overtuigd was, dat ze zonder de verklaring der overlevering niet te verstaan waren.

b. Hoe hebben de Apostelen de eerste gemeenten gegrondvest, door te schrijven of door te prediken?

Door de mondelinge leer nlleen. Er was immers nog geen letter van Jesus\' leer opgeteekend : wat zouden de menschen dus anders gelooven, dan de verkondigde erfleer? De eerste schriften des Bijbels zijn eerst van 12—25, de openbaring van Johannes van (30—70 na Christus\' dood vervaardigd. Is de Bijbel dus eenige kenbron des geloofs, dan volgt, dat de christenen, levende in de eerste jaren na Christus\' dood, van alle openbaring verstoken, niets behoefden te gelooven ter zaligheid.

-ocr page 23-

c. Gaf Christus den Apostelen last ora te schrijven of wel om te prediken?

Hij beval Zijn woord te prediken ; want van \'t bevel om te schrijven, wordt nergens melding gemaakt, maar wel om te prediken. Jezus zeide; »Ganl en onderwijst alle volkeren.quot; (Matth. 23, 16). » Predikt aan alle scViepselen liet Evangelie.quot; (Mare. 16, 15). Wanneer liet in Gods plan had gelegen om Zijne openbaring door een boek of door papierrollen bekend te maken, dan had Jesus niets geschikter knnnen doen, dan zelf Zijne leer in een boekdeel te vereenigen en den Apostelen te geven, met de woorden: »Neemt dit en bekeert er de wereld mede, want dit is de eenige bron der waarheid,quot; of wel, zorg te dragen of\' te bevelen, dat die vereeniging door de Apostelen tot stand werd gebracht; maar Hij heeft het niet. gedaan.

d. Volgens eene andere veronderstelling, had de Heiland Zijnen leerlingen den inhoud des Bijbels kannen dicteeren of voorzeggen, toen Hij nog met hen op aarde leefde, maar ook dit is niet geschied.

Na Zijne verrijzenis verbleef Hij nog 40 dagen bij Zijne leerlingen, niet om hen te onderwijzen, hoe ze den Bijbel moesten samenstellen, maar om Zijue mondelinge leer aan te vullen en \'t reeds gehoorde in hen te versterken en te bevestigen. Nergens een spoor van Bijbel of Schrift. Jesus zelf sprak: »Zoek m de Schrift, zij is het, die getuigenis van Mij geeft,\'quot; aldus zeggen de protestanten om door dien tekst hun stelregel »de Bijbel eenige kenbron des heils,quot; te redden. Die plaats is ons wel bekend, doch wanneer ze daardoor willen bewijzen, dat God den Bijbel liet vervaardigen, om als eenige kenbron des geloofs te dienen, dan verdient hunne onwetendheid medelijden. Het gezegde kan immers niet slaan op \'t Nieuwe Testament, daar er op dat tijdstip nog geen letter van geschreven stond. Jesus wilde

-ocr page 24-

18

daardoor alleen de joden, die twijfelden aan de godheid van Zijn persoon, overtuigen, zeggende: »Ik ben Degene, waai--voor Ik Mij uitgeef; slaat het Oude Testament open; daar vindt ge oretaifrenissen in overvloed om de waarachtigheid

O O O O

van Mijn persoon te staven.

Overigens staat het beginsel vast: Alle sekten over de wereld verspreid, hebben hun leerstelsel vooral door levende, mondelinge erfleer of overlevering voortgeplant, en met behulp van den familiekring, van de school of van \'t bijzonder leerambt of wel van twee of meer van deze te zamen, in de harten hunner volgelingen overgestort. Neen, de Koran alleen maakt nog geen Mahomedanen, de Bijbel alleen geen Protestanten, maar de dwaling plant zich van den vader op \'t kind over en wordt op school en door eene dwalende omgeving en dwalende leer aangekweekt, gevoed en versterkt.

Is deze mondelinge overlevering in later tijd ook opgeschreven ? Ja, en dit geschiedde voornamelijk door de Kerkvaders* Acht worden by voorkeur genoemd;

a. Vier Oostersche, die in het Grieksch hebben geschreven: Athanasius 373; Basilius 379; Chryssostomus 407 en Gregorius Naziazenns 390; b. Vier Westersche, die in het Latijn schreven : Ambrosius 397; Augustinus 431; Hieronijmns 420 en Gregorius de Groote GOt na Christus overleden.

Men telt de Schriften der Vaders niet tot de H. Schriften, wijl hetgeen ze schreven, niet onder de inspiratie of ingeving van den EL Geest geschreven is. De H. Schrift bevat niets dan waarheid en in de Schriften der Kerkvaders kunnen naast de waarheden ook dwalingen voorkomen.

Wat moet men nu van de Schriften der Vaders of van de mondelinge overlevering met betrekking tot de goddelijke openbaring honden? Datgeen, waarin alle Vaders met elkander overeenstemmen, en wal ten allen tijde, op alle plaat-

-ocr page 25-

10

sim en door allen geloofd is — »qiiO(l semper, quod ubique, quod omnibus credilura est,quot; moet als goddelijke ■waarheid worden aano-enomen en erkend, zoowel als het geschreven Woord, den Bijbel.

13. Waardoor kunnen wij met zekerheid weten, welke waarheden in den Bijbel en de Overlevering vervat zijn?

Door de onfeilbare Kerk van Christus.

Daar het vast staat, dat de Overlevering zoowel als de H. Schrift Gods woord is, zoo volgt daaruit duidelijk en klaar, dat de inhoud van beide even waar en derhalve door ons even onfeilbaar moet geloofd worden. Wij moeten dus alles ge-looven, wat God geopenbaard heeft en de fl. Kerk voorstelt te gelcoven, hetzij geschreven of niet d. i. overgeleverd. De Kerk alleen kan onfeilbaar en moet de geopenbaarde en de te gelooven waarheden aangeven, daar zij alleen onfeilbaar weet, hetgeen God geopenbaard heeft. Van haar hebben wij de H. Schrift en de Overlevering ontvangen en zij alleen gt;de zuil en de grondslag der waarheidquot; (1 Tim. 3, 15) kan den waren en diepen zin des Bijbels en der erfleer verklaren.

Hieruit volgt daghelder, dat niemand zich verstouten mag, aan den inhoud der H. Selirift en de Overlevering eene andere verklaring te hechten, dan de Kerk eraan geeft, hetgeen niet anders zou zijn dan zich boven den TL Geest plaatsen, die door Zijne Kerk den eenigen waren zin verklaart. Waartoe de vrije Bijbelverklaring, helaas! al voert, leeren ons de honderden sekten, die buiten de Kerk staan, welke juist aan die vrijheid hunne ongelukkige geboorten te danken hebben, en teeren elkander, elk voor zich, de vermeende waarheid van hunne dwaling, uit den Hijbei trachten te bewijzen. En geen wonder, want: »ve.el staat daarin, moeielijk om te verstaan, hetgeen onkundige en lichtvaardige menschen tol hun eigen

-ocr page 26-

20

verderf aanwenden,quot; zegt tie H. Petrus (11. 3,16). duisternissen der diepzinnige plaatsen van de 11. Schrift zijn als eene diepe bron, waaruit moeielijk te putten is. Velen hebben zich te diep gewaagd en zijn daarin verdronken,quot; aldus de H. Jolmnnes Damascenus. De H. Basilius de Groote zeide eens tot den kok des keizers, die zonder de minate aanleiding altijd in den Bijbel bladerde: » Vriend! het stond u beter de soep smakelijker toe te bereiden dan in den Bijbel, welke oneindig veel hooger staal, dan uw fornuis, rond te bladeren.quot;

Met bet oog op bet gevaar, dat de onbevoegde Bijbelverklaring oplevert, en geleerd door de ondervinding, beeft de II. Kerk, als eene wijze Moeder, verordend: a. dat niemand, verstoken van de noodigc kennis on godsvrucht, den Bijbel mag lezen, en h. dat de Bijbel, welke van geen kerkelijke goedkeuring en genoegzame verklaring voorzien is, in de moedertaal niet mag gelezen worden.

Vertrouw in geloofszaken dan niet te veel uw eigen oordeel, maar boor bovenal de Kerk, want haar gelooven, is God zelf gelooven; sdie u hoort, hoort Mij,quot; want uw eigen oordeel onvoorwaardelijk volgen, is uzelven boven den H. Geest plaatsen. Het gaat niet aan, met liet bloote oog, zonder bedekking, in de zon te zien, en die bet evenwel doet, verzwakt zijne oogen eu wordt ten laatste blind. Evenzoo zal bij, die bet waagt, zonder de voorlichting der Kerk, in de geheimen des Bijbels te willen doordringen, zijn verstand vruchteloos geweld aan doen, het zal hem beginnen te schemeren en eindelijk zal volslagen duisternis, d. i. verlies des geloofs, het gevolg zijn. »Wie de heerlijkheid Gods wil doorgronden, zal door haar glans verblind worden.quot; H. Aug.

Wilt ge evenwel den Bijbel lezen, weluu, vraag de vergunning daartoe van uwen herder, en neem dan den door de Kerk goedgekeurde ter hand en verbrand alle geschriften, ook de Bijbels, welke u soms door colporteurs

-ocr page 27-

21

voor weinig of niets ia de hand worden gespeeld. Lees dien, maar lees om er beter van te worden, d. i. leef ook in overeenstemming met liet goddelijk woord. Dc II. Schrift is eene goede weide, en de dagelijksche lezing wekt op, voedt en versterkt, indien we hel gelczene verduwen en herkauwen. Op deze iveide wordt de kudde des Ileeren verzadigd,quot; zegt de H. Ambrosius.

14. Hoe kan men de christelijke leer op eene ye-makkelijke wijze verdeelen?

In drie hoofddeelen, waarvan liet eerste ons leert, wat wij moeten gelooven, daar we door het geloof God leeren kennen; het tweede, wat we moeten doen en laten, en hierin ligt de dienst van God opgesloten; het derde, welke genademiddelen wij (totdat einde) moeten gebruiken, om onze wederliefde aan God kenbaar te maken en daardoor tevens voor onze zaligheid te zorgen, nl. de Sacramenten en het gebed.

-ocr page 28-

EERSTE HOOFDSTUK.

WAT WIJ MOETEN GELOOVEN.

DE APOSTOLISCHE GELOOFSBELIJDENIS.

15. Wat is gelooven?

Iets met zekerheid aannemen op getuigenis van een ander.

Wanneer ons iemand dus iets zegt, mededeelt of belooft, die liet kan weten, en wij in den zegsman geen reden van bedrog of misleiding vinden, dan slaan wij geloof aan zijn woord, dan gelooven wij hem. Zeer gevoegelijk vraagt de Catechismus nu verder:

18. Wat wil zeggen in God gelooven?

Wij gelooven in God, ais wij met zekerheid aannemen, wat God geregd en ons bekend gemaakt heelt, omdat God het gezegd heeft

God kent en weet immers alles, en heeft volstrekt niet de minste reden om ons te misleiden of te bedriegen, ja, is daartoe zelfs niet in staat. Zijne openbaring en leer heeft Hij ons gegeven, niet uit eigenbelang, maar uit liefde en erbarmiug voor ons arme schepselen. »Hel is God, de eeuwige waarheid, Die openbaart,quot; zegt de H. Ambrosius; wanneer wij Hem niet gelooven, Wien zullen wij dan geloof schenken? Dal geloof nu in God en zijn woord is :

a. Eenegave, door de werking des H.Geestes, ons geschonken. Aldus schrijft de H. Paulus aan do Eph. 2, 8; »Uil genade zijl gij gered, door het geloof, en dat niet uit u

-ocr page 29-

DE «nOOTE CATECHISMUS,

zeiven, want het is eene gave Gods.quot; De rede en het verstand zijn hulpmiddelen om liet redelijke en het ware van het geloof in Christus in te zien en te begrijpen; zooals onder wordt aangetoond het geloof zelf wordt ons als eene gave geschonken.

b. Tot dat geloof is noodig eene inwendige verlichting, welke ons verstand verlicht om de waarheid en redelijkheid des geloofs te zien. Maar ook het geloof zelf is een licht. »Ons geloof,quot; zegt de H. Thomas van Aquino, »is eene lamp, welke geestelijk verwarmt en verlicht.quot; Zooals eene lamp het vertrek verlicht en alles daarin doet onderscheiden, zoo verlicht het geloof de ziel, omdat zij de waarheid erkent. »liet geloof is het licht der ziel, de deur des hemels en de grondslag van ons eeuwig heil,quot; aldus spreek de H. Chrysostomus.

c. Beweegt de goddelijke genade ook den wil, zoodat de mensch het ware en redelijke van \'t geloof ook werkelijk als zoodanig aanneemt; waat om te gelooven is het noodig, dat men wil gelooven; niemand kan gelooven, wanneer hij niet wil. Daarom wordt ook Let geloof in God door Hem als verdienste aangemerkt en beloond; want, »die gelooft, zed zedig worden,quot; terwijl het ongeloof door Hem gestraft wordt; die niet gelooft, zal verdoemd worden.quot; (Marc. 1G, 16.)

Is het geloof dus ter zaligheid noodzakelijk1?

Ja, daarom schreef de H. Paulus aan de Heb. 11, 6: »Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen.quot; De H. Thomas van Aquino drukt zich aldus uit: Het geloof is een altaar; niets is God aangenaam, wat Hem niet op eene geestelijke wijze in het geloof wordt opgedragen.quot; Eu de H. Johannes schrijft in 3, 18; »Die niet gelooft, is reeds geoordeeld.quot;

Inderdaad, zonder geloof is er geen zaligheid te ver-

23

-ocr page 30-

DE GUOOTE CATECHISMUS.

wachten, en zonder geloof is er ook geen waar geluk op aarde. Neem het\'geloof uit de wereld weg en gij hebt er een roovershol, eene schuilplaats voor allerlei boosdoeners van gemaakt, »waarin men om de schoonste vrouw of lekkerste peer elkander zal vermoorden.quot; (Napoleon I.) Toen op zekeren dag de aartsschelmen Alembert en lt; \'ondorcet bij den grooten booswicht en kerkvervolger Voltaire het middagmaal gebruikten, begonnen zij ten gevalle van hun meester, hun spot en haat tegen God en godsdienst te botvieren. Voltaire legde hun echter voor een oogenblik het zwijgen op en zoide: 2 Wacht even, ik zal mijn bediende wegzenden, want ik ben er nog niet aan toe, dezen nacht te willen vermoord worden.quot; Zoo is het, het ongeloof geeft den moordenaar het staal in de hand, het ongeloof baant den weg tot opstand, het ongeloof beroert, in onze dagen niet het minst, tronen, landen en volkeren, dompelt de wereld in ellende en ontketend de vreese-lijkste hartstochten, zooals de ondervinding, helaas! maar al te duidelijk leert.

18. Ia het onverschillig, wat men ter zaligheid gelooft ?

Neen, maar het ivare geloof alleen, door Jesus geloerd, maakt zalig.

Vandaar schreef de H. Joh. 3, 36 : »i)ie aan den Zoon gelooft, heeft het eeuwig leven; die achter den Zoon niet gelooft, zal het leven niet zien, maar Gods toorn blijft over hem.quot; Met recht zegt daarom de heilige martelaar Ignatius: »Broeders, bedriegt u niet; wanneer iemand in een ander (dan het ware) geloof wandelt, zal hij het rijk Gods niet erven.quot; Zonder dat geloof kunnen wij geen deel aan Christus hebben en zonder Christus is geen heil te verhopen; »want er is den mensch onder den hemel geen anderen Naam gegeven waardoor hij zalig kan worden.quot; (Handel, der Ap.)

24

-ocr page 31-

1)15 GliOOTE CATECHISMUS.

Hoe strafwaardig is dan liet gedrag dergenen, die durven zeggen of slechts\'denken: Het komt er niet op aan, hoe, wien of wat men gelooft, als men maar gelooft; want daardoor wordt God veracht, Die ons het ware geloof geschonken en Zijn Zoon Jesus Christus in de wereld heeft gezonden, om er ons mede bekend te maken. De heidensclae volkeren, die van de Openbaring verstoken waren en nog zijn, vereeren en aan-bidden niet den éénen waren God, maar vele goden, houten eu steenen beelden, en velen zijn er, die aan dieren, boomen, zon en maan goddelijke eer bewijzen. De joden verwerpen den Christus, den Zaligmaker en eenigen Verlosser uit de zonde; en die Hem als zoodanig niet aanneemt en gelooft, verwerpt zijn heil en zijne zaligheid. En het zou hetzelfde zijn, welke God en/we God gediend wordt! Dwaasheiden ongeloof alleen kunnen zoo spreken.

19. Welke Kerk bezit dan het door Christus geleerde geloof?

Dat geloof bezit alleen de katholieke Kerk, zooals we boven zagen, wijl Christus haar alleen het geloof, als een hemelsch goed, door bemiddeling der Apostelen heeft toevertrouwd, en dat bewaart en leert zij tot op den huidigen dag nog onvervalscht. (1 Tim. 2, 16)

Terecht zegt daarom de H.Hieronymus: »Zoek en geloof Christus niet in de woestijn des heidendoms of in de vertrekken der dwalenden, maar neem aan, dat Zijn geloof van het begin tol het einde in de katholieke Kerklichten schittert.quot; Wel mocht Thomas Moore, na eene grondige studie over de katholieke waarheid en zijn overgang iot haar, uitroepen; » Wees gegroet, gij eenig »ware Kerk, wees gegroet! Gij zijt de eenige weg, welke ten leaven voert en de eenige Kerk, wier tabernakel de verwarring »der verschillende meemngen niet kent! Tn de schaduw van

; ï

li

1 1

I

I

lil, { ■

m:.

IIMi\'\'

m I

illn f

1

-ocr page 32-

UK UROOTE CATECHISMUS.

»uwe heilige geheimen, vindt mijne ziel de gezochte rust. »Verre zij de goddelooze aanmatiging, oyer het duistere der »goddelijke geheimen te spotten; verre de vermetelheid, om »te gelooven, de diepten uwer mysteriën te kunnen doorgron-»den. .Anderen mogen navorschen — ik bewonder; anderen »mogen strijden — ik echter zal gelooven; ik zie de hoogte »en diepte, ofschoon het mij ontgaat, tot aan hare uiterste «grenzen door te dringen.quot;

Het is dan ook opmerkelijk, dat katholieken, uistekend door naam, afkomst, wetenschap of kunst, nooit of zelden tot het protestantisme overgaan, en zoo dit ook al een enkelen keer gebeurt, dan zijn het na an-katholieken, die in hun gedrag reeds lang den rok hebben omgekeerd en feitelijk protestant zijn geworden. Integendeel zien wij, voorgelicht door de geschiedenis, dat vele protestanten van grooten naam, van wetenschap of afkomst, zich met vreugde in de armen dei-katholieke Kerk wierpen, o. a. Graaf Stolberg, Schlegel, Werner, Laemmer, Overbeek, Lord Ripon, de kardinalen Wiseman, Manning en vele anderen, zoodat zeker soldaat wel recht had, toen hij zeide: »De godsdienst is verdacht en te verwerpen, die zulke groote deserteurs aanwijst.quot; Die menschen werden tot dien overgang gebracht door ernstige studie en onderzoek, en zij bevonden, dat de niet-katholieken hunne geloofsleer niet van Christus ontvangen hebben, daar zij eerst jaren na Christus werd uitgedacht en opgeworpen. Zoo is het: Vóór den dwaalleeraar Valentinus waren er geen Valentianen, vóór Arius geen Arianen, vóór Luther en Cal-vijn geen Lutheranen en Calvinisten te vinden. Rechtgeloo-vige christenen echter waren er ten allen tijde, van Christus en de Apostelen af tot op onze dagen, en zij, die niet kunnen bewijzen, zooals de katholiek dat kan, van Christus en de apostelen af te stammen, zijn blinden en geleiders van blinden, die heden dit en morgen dat gelooven en leeraren.

26

-ocr page 33-

D1C GROOTE CATECHISMUS.

naarmate hun verward hoofd en wellicht bedorreu hart, dat ingeeft. Dit verschijnsel bespreekt en daarover klaagt de beroemde protestant Binet in een zijner werken en zegt; »Het »protestantsche christendom is gedesorganiseerd; de balken »van dit gebouw zijn verstrooid; het gebouw kraakt langs »alle zijden. Er zijn protestanten, maar er bestaat geen pro-»testantisme meer. Het is een feit, dat dit rijk zichtbaar in »zichzelf verdeeld is.quot;

Daar nu het ware geloof noodzakelijk is ter zaligheid, en geen ander dan het katholieke het ware is, zoo volgt daaruit, dat wc God niet genoeg danken kunnen voor de genade, katholieke christenen te zijn, en dit vooral te toonen door te leven volgens het geloof. Hoe wij ons geloof moeten belijden, zullen we in het eerste gebod vernemen.

20. Waarin is op eene beknopte wijze vervat wat wij moeten gelooven ?

In de Apostolische geloofsbelijdenis. (Het ))ge-loof in God den Vader,quot; of ook wel ))Symbolum des geloofV genoemd.)

Welke menschelijke overlevering beslaat er omtrent den oorsprong der geloofsbelijdenis?

»Gaat over de geheele wereld en ■predikt het Evangelie,quot; aldus luidde het bevel door Jesus aan Zijne leerlingen gegeven, en zooals de H. Marcus getuigt: »lrokken zij uit cn predikten allerwege.\'\'\' Doch alvorens aan \'s Heeren bevel gevolg te geven, verdeelden zij, volgens het gevoelen van den H. Uier-onymus, terzelfder tijd, toen zij door het lot Matthias in de plaats van den verrader kozen, ook de landen, waarheen zich ieder hunner zou begeven, opdat geen enkel deel der wereld, verstoken zoude blijven van Jesus\' leer en Evangelie. Gedurende de drie jaren, dat do Heiland met hen verkeerde, deelde IJij hun echter zoovele geheimen mede, gaf hun zoo menige

27

-ocr page 34-

DE GROOTE CATECHISMUS.

vermaning en sprak zoo dikwijls over het Kijk Gods, dat de H. Evangelist Johannes schrijft: »Maar er is nog veel meer, hetgeen Jesus gedaan heefl. Zoo men dit in bijzonderheden zonde beschrijven, meen ik, dat de wereld zelve de hoeken niet konde bevatten, die er te schrijven waren.quot; (Johan. 21, 25.) Hoe zouden zij, den ongeloovigen wilden volkeren, dat alles nu mededeelen? Hoe deze leer zoo eenvoudig en bevattelijk voorstellen, dat ze zelfs bij de min-ontwikkelden, ingang zou vinden, noodzakelijk tot hun heil? Zij voegden totdat einde de twaalf grondwaarheden des geloofs, door Jesus geopenbaard, bijeen en stelden die leerringen als geloofsregel voor allen die de leer van Jesus zouden aannemen. Persoonlijk onfeilbaar zijnde, hadden de Apostelen daaraan geen behoefte, maar het koa voor hen toch ook een hulpmiddel zijn om altijd en overal Jesus leer eens luidend te verkondigen.

Twijfelde men, ten tijde der vervolging aan de goede trouw van iemand die zich als christen uitgaf, dan werd hem de Apostolische geloofsbelijdenis afgevraagd. Wordt iemand christen of toegelaten tot de eerste H. Communie, dan moet hij eerst de geloofsbelijdenis afleggen, in zijn geheel aannemen en bezweren.

Bij de samenstelling zeide ieder hunner, wat bij, door den Geest Gods voorgelicht, voelde:

1. De H. Petrus, als vorst der Apostelen, en het zichtbaar Opperhoofd der Kerk, begon met de belijdenis van de eeuwige en onbegrijpelijke Godheid des Vaders, en zeide: »Ik geloof in God, den almachtigen Vader, Schepper van hernel en aarde.quot;

2. De H. Andreas, te Patras aan het kruis den marteldood gestorven, beleed de Godheid vun Christus en de door Hem verworven verlossing der zondige menschheid, en sprak: »en in Jesus Christus, zijn eeniggeboren \'Loon onzen lieert

3. Den H. Jacobus de oudere, die te Jerusalem onthoofd

28

-ocr page 35-

DE GROOTE CATECHISMUS.

werd, wordt liet derde artikel toegeschreven, waarin de wonderbare ontvangenis en geboorte van Christus wordt uitgesproken: »die. ontvangen is van den II. Geest., geboren uit de II. Maagd Maria.\'quot;

4. Het vierde artikel kwam uit den mond van den H. Johannes, den lieveling des Heeren, die te Ephese gestorven is: »IIij heeft geleden onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven.quot;

5. De H. Thomas, in Indië met eene lans doorstoken, voegde hieraan toe: »11 Ij is nedergedaald ter helle en ten derden dage is Hij verrezen van de dooden.quot;

C. De H. Jacobus, de jongere, van de tinnen des tempels geworpen, liet hierop volgen: »Hij is opgeklommen ten hemel, zit ter rechterhand van God, den alrnachligen Vader.quot;

7. Daarna sprak de H. Philippus, in Phrygie gekruisigd en daarna gesteenigd: » Vandaar zal Hij komen oordeelen, de levenden en de dooden.quot;

8. De H. Bartholomeus, in Armenië den marteldood gestorven, ging voort: »Ik geloof in den 11. Geest.quot;

9. De H. Matheus, die in Ethiopië de martelkroon ontving, sprak het negende artikel des geloofs uit, met de woorden: »üe 11. katholieke Kerk. gemeenschap der heiligen.quot;

10. De H. feimon, in Perzië gekruisigd, zeide: » Vergiffenis der zonden.quot;

H. De H. Thadeus: » Verrijzenis des vlceschesf\' terwijl

12. de H. Matthias het geheel sloot, zeggende: »En het eeuwig levenquot;

Het is bovenstaande geloofsbelijdenis, waaraan alle Bisschoppen, alle Vaders, alle Kerkvergaderingen hebben vastgehouden, omdat ze de geheele Kerk omvat. Wat door de Patriarchen was voorafgebeeld, wat in de Schriftuur verkondigd wordt, wat de Profeten van den Vader, den H. Geest, of van de geboorte, den dood en de opstanding des Zoons

GR. CAT. 3

20

-ocr page 36-

DE GROOTE CATECHISMUS.

hebben roorspelcl, dut leert de Apostolische geloofsbelijdenis in korte trekken.

VIERDE LES.

HET KERSTK AETIKEL DER GELOOFSBELIJDENIS.

22. Hoe luidt het eerste artikel der Geloofsbelijdenis ?

Ik geloof in God, den almachtigen Vader, Schepper van hemel en aarde.

Beschouwen wij die woorden wat nader.

a. »Ik geloof.quot; Daarmede zeggen wij: ik beken voor God, reeds bij den aanvang, openlijk en plechtig, dat alles, wat in deze twaalf artikelen vervat is, ontegensprekelijke waarheid is, welke ik als christen, met goed en bloed, met lichaam en ziel moet verdedigen.

b. »lk geloof in God.quot; Met deze woorden belijden wij, zóó vast als Petrus te gelooven, dat er één God bestaat. Wij zeggen niet, ik geloof in de goden, om te toonen, dat wij slechts één God belijden en aanbidden, in tegenstelling van de heidenen, die het begrip van den waren God verloren hebben, en dieren, planten en steenen als zoodanig aanbidden en goddelijke eer bewijzen.

c. »Ik geloof in God den Vader.quot; Met deze woorden belijden wij tegelijk het onderscheid der goddelijke personen en de eenheid in de Godheid. De eerste persoon in God is immers de Vader, die iiüar Zijn persoon, van den Zoon en denH. Geest onderscheiden is, doch evenwel met hen slechts één God is en ook niet ouder, niet grooter, niet meer is dan de Zoon en de H. Geest.

d. »Jk geloof in God, den Vader, den almachiigen Schepper.quot; Hierdoor belijden wij, dat die Vader almachtig is, zoo machtig, dat Hij alles kan, alle kracht en macht heeft, om te doen, te verordenen en te maken, wat en zoo als Hij wil, alleen door te willen.

30

-ocr page 37-

DE GliÜOTK CATECHISMUS.

e. »Ik geloof in God, den Vader, den almachtije Schepper van hemel en aarde.quot; d.i. van alle zichtbare en onzichtbare schepselen eu dingen, welke zich in en aan den hemel, op of onder de aarde bevinden, bestaande uit stof of geest en reeds bestaan of nog ontstaan zullen. Verder bekennen wij door deze woorden, dat Hij in den beginne de wereld en den hemel uit niets, alleen door Zijn woord gemaakt heeft; hetgeen engelen en menschen niet vermogen, maar God alleen doen kan. Later hierover uitvoerig.

23. Wat is God ?

Grod is een oneindig volmaakte Geest, Schepper van hemel en aarde, van Wien alle goed voortkomt.

Dat God een geest is, leerde ons Jesus, toen Hij zeide: »God is een geest; die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.quot; Een geest heeft wil en verstand en geen lichaam, dus heeft God geen lichaam, maar wil en verstand, en wel den volmaaktsten wil, het volmaaktste verstand. Daarom kent en onderscheidt Hij ook op eene volmaakte wijze het goed van het kwaad, en kan niet anders dan altijd het goede willen en het kwade haten. Als geest zijnde en geen lichaam bezittende, kan God dus door het menschelijk oog niet waargenomen worden, zoomin als de engelen eu de menschelijke ziel, door dat oog kunnen waargenomen worden.

Alle geesten nu, buiten God, ook de zielen der menschheid, verscliillen in volmaaktheid, zoodat eenigen een grooter verstand en beteren wil bezitten dan anderen. De mensch nu, die het ijverigst het kwaad vlucht en het nauwgezetst de deugd beoefent, bezit een geest, die God het meest en volmaaktst gelijkt in zedelijk opzicht. Zulk een geest(ziel) is schooner dan alle schoonheden der geheele stoffelijke natuur te zamen.

De engelen zijn als zuivere geesten, d. i. vrij van het stof,

31

-ocr page 38-

DE GROOTE CATECHISMUS.

boven den menschelijken geest (ziel) verheven, onder anderen ook omdat zij gemakkelijker het goede van het kwade onderscheiden en het goed, dat zij willen, krachtiger willen, omdat ze een volmaakter wil bezitten. Evenwel zijn de engelen onderling ook weer verschillend in schoonheid en volmaaktheid, daar de H. Panlus negen koren van engelen onderscheidt, die elkander in volmaaktheid overtreffen. Hoe schoon en volmaakt moet dan een engel uit het hoogste koor niet zijn? Maar wat zijn alle geesten in vergelijking met God? Daarom vraagt de Catechismus:

24. Waarom noemt gij God oneindig volmaakt?

Omdat God alléén alle goede eigenschappen in den hoogsten graad bezit, en alle goed van Hem voortkomt.

Alle overige schepselen zijn maar in zekere male goed, zoodat ze somtijds de edelste en schoonste eigenschappen missen en altijd van eenige verstoken zijn; maar God bezit alle goede eigenschappen, zonder getal en maat. »Het verstand en het geweten,quot; zegt rertulianus, »ge ven ous zulk een begrip van God en zeggen, dat Hij het grootst van alles is, wat er groots bestaat, onafhankelijk, alwijs, zonder begin en zonder einde. Wanneer wij dus een voorwerp of schepsel ontmoeten, bij wien wij begin, onderworpenheid, zwakheid, onwetendheid of verandering waarnemen, dan geeft ons dat het recht te zeggen: »Gij zijt niet God,quot; daar het verstand ons leert, dat God een wezen is, uit zichzelven bestaande, dat alles kan, alles maakt, voor alles zorg draagt, alles onderhoudt en daartoe geen andere hulp behoeft; een wezen, hetwelk van geen ander wezen afhangt, en van Wien omgekeerd alles afhangt, wat bestaat.quot; Al het goede, schoone en verhevene, dat men bij de schepselen aantreft, is slechts eene flauwe schaduw van Zijne goedheid, schoonheid en verhevenheid. Hij is de eerste

32

-ocr page 39-

DE GSOOTE CATECHISMUS.

oorzaak en het hoogste doel van alle dingen, inzonderheid van den mensch, Zijn evenbeeld, geschapen om Hem eenmaal in den hemel te bezitten. Dit is het grootsche en verhevene begrip van God, hetwelk het geloof ons leert en Jesus Christus, den Zoon Gods zelf, ons heeft geopenbaard.

24. Wat zijn wij aan den oneindig volmaakten God verschuldigdquot;/

Dat wij Hem als het opperste goed, boven alles beminnen, en jegens Hem eerbied en gehoorzaamheid betoonen

Wij moeten dus God beminnen en dit door daden toonen; niets doen, wat Hem kan beleedigen en altijd doen wat Hem behaagt. Zoo is het; wij beminnen God, wanneer we Hem aangenaam willen zijn en Zijne bevelen naleven; en het is tevens plicht, daar alles, wat we bezitten en zijn, van Hem komt, Hem toebehoort en tot Hem bestemd is. — Eerbied en ontzag bezielt ons tegenover 07ize meerderen, en zouden wij eerbied weigeren aan God, voor Wien de engelen uit ontzag hunne aangezichten met vleugelen bedekken ; voor Wiens naam alle knieën buigen van hen, die in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn?

Zon en maan gaan op Gods bevel op en onder; de dieren volbrengen de levenswet, door den Schepper hun voorgeschreven ; bliksem en donder, regen en wind, ja alles gehoorzaamt aan Gods bevel, wenk en wil, alles volgt Zijne bevelen en zouden wij gehoorzaamheid weigert nV En toch wordt deze zoo dikwijls aan God opgezegd, als men zonde bedrijft.

25. Noem eemge der oneindige volmaal-heden Gods.

God is eeuwig en onveranderlijk, almachtig, oneindig goed en barmhartig, oneindig wijs_, alwetend en heilig, rechtvaardig en alom tegenwoordig.

33

-ocr page 40-

DE anOOTli CATECHISMUS.

OVER GODS VOLMAAKTHEDEN.

VIJFDE LES.

26. Waarom noemt men God eeuwig?

Omdat God geen begin heeft gehad en ook geen einde hebben zal.

a. Die iets maakt, moet bestaan, voor hij het maakt, dus moet ook Hij, die de wereld geschapen heeft, vóór haar bestaan hebben. God nu, die de wereld geschapen heeft, was er dus ook vóór de wereld. Vóór de schepping der wereld was er immers niets of niemand aanwezig, zoodat ook door niemand iets kan geschapen zijn. Hij heeft Zijn ontstaan en bestaan ook niet aan het toeval te danken. God is veel heerlijker en voortreffelijker dan de wereld; en de geheele schepping en alle toevallen en omstandigheden te zamen genoemd, zijn niet in staat een grasscheutje te scheppen, veel minder God. Is God dus niet toevallig ontstaan en door niemand geschapen, en toch vóór de wereld geweest, dan moet Hij ook immer en altijd bestaan hebben, en eeuwig zijn zonder begin.

b. God is eeuwig in zijn voortbestaan. Wij menschen hebben verschillende zaken noodig voor levensonderhoud, znoals spijs en drank, lucht, enz. en zijn daarom niet in staat uit en door onszelven te leven. Maar ook aangenomen, dat we alles bezitten om te leven, dan kan een ander en zal de dood eenmaal ons dat alles met het leven ontnemen. God echter was reeds vóór dat die levensbehoeften bestonden en heeft ze dus nu in de toekomst ook niet noodig. Wanneer God niets van noode heeft om te leven, maar door en uit Zichzelven leeft en bestaat, en Zijn leven als zuivere geest zijnde, door niemand of niets kan genomen worden, dan besluiten wij met

34

-ocr page 41-

DE GROOTE CATECHISMUS.

grond, dat Hij altijd zal zijn, en nooit zal ophouden te bestaan. God is dus eeuwig.

Alle dingen hebben een begin gehad en alles zal weder een einde nemen. Het gras en de bloemen des velds ontkiemen in de lente, ze worden afgemaaid en strekken het vee tot voedsel — dat is hun begin en einde. De dieren worden allen zonder onderscheid geboren, leven eenigen tijd, en worden dan geslacht of sterven: dat is hun begin en einde. De menschen worden geboren, en allen zullen na korter of langer tijd sterven; waarschijnlijk leeft over honderd jaar niemand meer van alle menschen, die op dit oogenblik in deze gemeente, in ons geheele vaderland leven. De huizen, welke wij bewonen, storten ten laatste ineen, of wel, zij worden afgebroken. De bergen, de bosschen, de rivieren, de zon, maan en sterren, alles, wat begonnen is, zal een einde nemen en ophouden te bestaan. De ziel alleen van den mensch zal die algemeene verwoesting ontgaan, en niet Grod, Wiens evenbeeld zij als geest is, blijven voortbestaan, en in zooverre is zij dus, als geest of Gods evenbeeld, ook eeuwigdurend.

Komt alle goed van God voort, èn naar de ziel èn naar het lichaam, dan kannen wij Zijne hulp en Zijn bijstand ook nooit ontberen. Troostrijk is derhalve de waarheid: »God is eeuwigwant de toegang tot Hem, om hulp te vragen, staat nu altijd voor ons open. Verlaat u dus niet te veel op vergankelijke schepselen, maar stel bovenal uw vertrouwen op den goeden God, die altijd en eeuwig leeft, en verzeker u door een braaf leven, meer en meer Zijne vaderliefde.

27. Waarom noemt men God onveranderlijk ?

Omdat Hij a. eeuwig dezelfde blijft en b. omdat Zijne raadsbesluiten niet veranderen.

et. God blijft eeuwig dezelfde. Wij allen, zonder onderscheid zijn heel wat veranderd sedert onze geboorte. Ons

05

ftv

Ti

i-:

Uil

I

II

14

^ ü

iiir:

:»v.. ; ..

sK

-ocr page 42-

DE GROOTE CATECHISMUS.

licbaam is grooter en ouder geworden; wij hebben veel aangeleerd, maar ook weder veel vergeten, terwijl de ontwikkeling onzer ziel, met dat alles, naarmate onze talenten en het gebruik ervan waren, gelijken tred hield. »Bij God echter is geen wisseling en geen schaduw van veranderlijkheid,quot; aldus zegt de H. Jac. 1,17. God verandert nooit. Zooals Hij thans alwetend en al wijs is, zoo was Hij het immer; voor 1000 jaren als op dit oogenblik; Hij weet en kan thans niet meer dan Hij toen wist en vermocht, en was toen even wijs, almachtig en alwetend als Hij thans is. God verandert dus niet.

b. Maar zijne raadsbesluiten ziju ook aan geen verandering onderhevig. Niet zelden is dit bij ons geheel anders. Vandaag nemen we ons voor dit of dat te verrichten, maar bij nader overleg laten wij het geheel achterwege, doen het half\' of het tegenovergestelde. Ziekte, weer, tegenspraak en andere omstandigheden steken niet zelden een spaak in \'twiel en verijdelen of veranderen onze voornemens en besluiten. Is dat bij God ook het geval? Neen, Hij behoeft geen overleg of bezinning bij Zijne raadsbesluiten, niets kan ze verijdelen of veranderend tusschen beide treden; want Hij is van eeuwig-beid alwetend. Vandaar, dat Hij Zijne besluiten nooit verandert. »Bij God is geen wisseling en geen schaduw van vcr-anderlijkheid.quot;

Dat God heden onze vijand is en morgen onze vriend, vindt zijne oorzaak, niet in God, maar in de zonde van den mensch, die door berouw en boetvaardigheid zijne zondige wegen verlaat; door de zonde maakte hij God tot zijn vijand, door boetvaardigheid tot zijn vriend! »Ninivé zal vergaan,quot; aldus predikte Jonas op Gods bevel en toch bleef het gespaard; niet, omdat Gods raadsbesluiten veranderd waren, deze stonden vast: »Als Ninivé zich niet bekeert, zal het vergaart;quot; de inwoners bekeerden zich en hunne verandering ten goede was hun behoud.

Laten wij hier leeren, het vergankelijke gering te schatten

36

-ocr page 43-

TIK GUOOTK CATECHISMUS.

en vooral naar het eeuwige te trachten. De mensch verlangt naar geluk; maar het geluk van eenige tientallen jaren, hem door geld en goed, grootheid en genoegens verschaft, valt weg bij den dood, en daarom moeten wij leven voor God, Die ons een eeuwig geluk heeft toegezegd. Hoe dikwijls verkoo-pen wij, des ondanks, de eeuwige vreugde voor een kortstondig genoegen, door oukuischheid, haat, diefstal enz., evenals Ezau zijn eerstgeboorterecht voor een bord linzensoep. Zeggen wij met David; igt;God is in eeuiüigheid de God mijns harten en mijn deel.\'\' Ps. 72, 26.

28. Waarom noemt men God almachtig ?

Omdat Hij alles kan, wat Hij wil.

»Alles wat Hij wil, maakt de Heer in den hernel, op de aarde, in de zee en in alle diepten^ Ps. 134, G. Deze waarheid wordt ons duidelijk uit de schepping van \'t heelal in zes dagen, liet wonder van den zondvloed, alsmede de wonderen door Mozes, in Gods kracht, in Egypte en de woestijn gewrocht. Terecht zegt de fï. Luc. 1, 37: ;gt;/lt;;)\' God is geen ding onmogelijkquot; en dat bewees Jesus, God met den Vader en den H. Geest, schitterend door Zijne talrijke wonderdaden. God kan alles en wij kunnen zonder God niets. Regen na zonneschijn te laten volgen, een nietig bloempje of grasscheutje te maken, daartoe is geen mensch instaat. De dood van onszelven of van anderen tegen te houden, of een doode levend te maken, daartoe zijn wij niet in staat. En wil de smid, de schoenmaker of de timmerman iets vervaardigen, de materialen, de kracht en den tijd daartoe moet God verstrekken. God alleen heeft niets noodig dan deu wil om iets te maken. Dat de zon schijnt, dat bet regenj-, bet stormt en dondert, de vruchten groeien of bederven, Zijn wil werkt dit alles uit. Hij geeft en neemt het leven; ziekte en gezondheid, armoede en rijkdom ontstaan, omdat God het zoo wil. »Sta op,quot; zeide Jesus

37

-ocr page 44-

DE GBOOTE CATECHISMUS

weleer tot deu acht-en-dertig jarigen zieke, en terstond was hij genezen. »Kom te voorschijn,quot; sprak Hij tot den dooden Lazarus; en tot den jongeling van Naïm: «Jongeling, ik zeg n, sta op!quot; En Lazarus en de jongeling keerden tot het leven weer.

De H. Lodewijk, koning van Frankrijk, werd door zijn zoon op eeue wandeling verzocht eene onweersbui te doen bedaren, maar hij antwoordde: »Hoe machtig ook, mijn zoon! ben ik evenwel niet in staat één regendroppel tegen te houden of te maken.quot; En Canutus, koning van Denemarken, beschaamde hen, die hem vleiden met zijne heerschappij over landen en zeeën, door het volgende: Hij plaatste zich aan \'t strand der zee en zeide: »Zee! daar ik uw heer ben, verbied ik u mijne voeten nat te maken.quot; Doch zijne voeten werden evenwel doornat. Toen sprak hij: »Ziet vleiers! hoe machtig ik ben, een droppel water weigert mij gehoorzaamheid. Eén slechts is machtig: de Almachtige God!quot;

a. Wanneer we dus ziek of in nood zijn, en lijden, kommer of armoede ons drukken en alle menschelijke hulp onmachtig is, gaan we dan met vertrouwen tot dien Almachtige, Hij kan en zal hulp verschaffen; den rechtvatirdige strekt de geheele hemel ten schild. Met het stof der aarde, dat gewoonlijk het oog schaadt, geneest Jesus blinde oogen. Daarom roept David uit: »Stelt uw vertrouwen niet op rnen-schen, die u niet kunnen helpen. Gelukkig, die zijne hoop op God, den Heer, stelt.quot; Ps. 145, 2. 5.

b. Gods almacht moet in ons tevens eene heilige vrees opwekken en ons verootmoedigen in onze zwakheid en onmacht, zoodat we Zijn wil nooit wederstreven; want aldus spreekt de Almachtige: »Wanneer Ik het zwaard der wrake zal scherpen, den bliksem gelijk, en Mijne hand het recht grijpt, dan zal Ik al Mijne wederstrevers de vergelding geven.quot; Deut. 32. En welk een zwaard der wrake is het, dat den

38

-ocr page 45-

DE GROOTE CATECHISMUS.

A Inmchtige immer ten dienste staat ? Alle krachten der blik-semschicliten in den schoot der wolken yerborgen; de woede en roofzucht der wilde dieren; de afgronden in zeeën en stroomen; de krachten der verschillende elementen in \'t algemeen, berusten in Zijne hand, en wat weerhoudt Hem deze vreesol ijke wraakmiddelen tegen Zijne wederstrevers los te laten? Erken dan uwe onmacht en zwakheid, vrees en bemin ! God wendt evenwel Zijne almacht aan, om ons met weldaden te overladen, want:

29. Waarom noemt men God oneindig goed? Omdat Hij vol liefde is en uit liefde ons alle goed geeft.

a. Gods liefde is het best af te leiden uit Zijne menigvuldige gaven, waarmede Hij ons begiftigde. Beschouwen wij ons lichaam, dat kunststuk van Gods schepping, versierd met vijf zintuigen en geadeld door eene onsterfelijke ziel, Gods evenbeeld, dan voelen we ons gedrongen uit te roepen: Hoe goed, hoe oneindig goed is God ten mijnen opzichte. Hij schonk licht en kleurenpracht aan mijn oog; muziek en liefelijke tonen der vogels streelen mijn oor; den smaak bevredigt Hij door onverdiende spijs en drank; de reuk wordt vergast door den aangenamen geur der bloemen, en moet tevens dienen om het bederf van de niet bedorven spijs en drank te onderscheiden. Het gevoel heeft Hij ons geschonken tot nut, vermaak en om als middel van bestaan te dienen.

h. In dat kunstig gebouw plaatste God eene redelijke op Hem gelijkende ziel, vatbaar voor goede en kwade indrukken ; want zij heeft verstand om te vatten en te begrijpen, een vrijen wil, waardoor zij het goed en het kwaad, wat het verstand onderscheidt, kan willen of niet willen, en zij bezit geheugen om het aangeleerde en verledene en de van God ontvangen weldaden, dus ook geloofsleer en geboden te ont-

39

-ocr page 46-

DE GrROOTE CATECHISMUS.

houden en zich eigen te maken. Bovendien schonk Hij ons de spraak, waardoor wij onie gedachten aan anderen kunnen mededeelen. Vergelijkt nu de redelooze dieren, verstoken van die redelijke ziel en dus zonder verstand, zonder vrijen wil, met den mensch, en Gods liefde en goedheid jegens ons zal n helder tegen schitteren,

c. Maar Gods goedheid ging nog verder; Hij bestemde den mensch, met ziel en lichaam, voor de eeuwige zaligheid. Welk een geluk voor Esther, het arme joodsche meisje, dat ze verheven werd tot koningin. En tocb, de kroon ons weggelegd, is schitterender, het rijk, waarin wij eenmaal met God zullen gebieden, oneindig grootscher en machtiger. Vanwaar dat geluk ? Gods oneindige goedheid gaf het ons, doordien »Uij zoozeer de wereld beminde, dat Hij Zijn eenigen Zoon niet spaarde, maar overleverde lot den zoendood des kruises.quot; Hij vervulde zoo de belofte, den gevallen mensch in het paradijs gedaan. Wel mocht de H. Johannes zeggen: •jgt;God is liefde.quot;

d. Shtan wij een blik buiten ons om Gods goedheid in de natuur te bewonderen. Beschouw de millioenen dieren in soorten en verscheidenheid. Begin van af de mier en den vlinder tot den leeuw en den arend. Verplaats u met uwe gedachten in de diepte der zeeën en tel de ontelbare schepselen, die allen Gods scheppingskracht en goedheid verkondigen; want wie toch schonk hun leven, schoonheid en kracht? God, de Algoede ! Wie zorgt, dat ze hun voedsel vinden? God, de Algoede! Voor den woudkoning zoowel als voor het eekhorentje, voor het voorntje zoowel als voor den walvisch, voor de huismusch zoowel als voor den valk beeft Hij als het ware, Zijn disch gedekt, zonder één hunner te vergeten of uit te sluiten.

En om de verschillende vruchten bij naam te noemen, daartoe gevoel ik mij niet in staat. En om de verscheidenheid der

40

-ocr page 47-

DE GROOTE CATECHISMUS.

bloemen en hare kleurenpracht te beschrijven, dat kan ik niet. En om maar eene kleine schets te geven van de ontelbare soorten heesters en boomen, daartoe gevoel ik mij onbekwaam. Maar, wat ik weet, is, dat God die geheele schoone natuur met duizenden schepselen heeft ingericht, tot een aangenaam woonhuis voor den mensch. En hoe danken de menschel! God voor al dat vermaak, genot en nut? Ach! duizenden denken niet aan Hem, duizenden vloeken Zijn naam en — helaas! ook de beteren zondigen nog alle dagen.

e. Hiermede neemt Gods liefde en goedheid echter nog geen einde; want niet alleen geeft Hij ons alle goed, maar Hij wendt tevens veel kwaad van ons af. 0! wie zal het zeggen, wat rampen en ongelukken ons al getroffen zouden hebben, had God ze niet afgewend! — Om zalig te worden, stelde Gnd ons bovendien de voorwaarde, het goede te doen en het kwade te verafschuwen. Het licht nu om beide te kennen, de kracht en de wil om het goede te doen en het kwade te verwerpen is eveneens eene gift van Zijne goedheid. Hij geeft niet alleen geboden, maar helpt ze ons ook volbrengen.

Bewonderen en aanbidden wij die goedheid, zoo groot, dat geen engel of mensch haar kan vatten, maar wel met een gebrekkige wederliefde vergelden. Wanneer Hij nu en dan ons gebed niet verhoort, of toelaat, dat ons rampen of kruisen treffen, denk dan: het is zoo goed en nuttig voor mij, anders zou die goede Vader zulks niet toelaten. Gods goedheid jegens alle schepselen en menschen schittert vooral uit, door de bijzondere goedheid, welke Hij aan de zondaars betoont. Daarom vraagt de cathechismus dan ook verder:

30, Waarom noemt men God barmhartig?

Omdat God den zondaars, die zich oprecht be-keeren, gaarne vergeeft en hen weder in zijnevrien-schap aanneemt.

f

l\'lquot;\' l\'f

41

ij

WÏI

méi

ii ■

fes

ir:

|:

Mf

WM l

M

iip .| \' 1

ri

I

JL

-ocr page 48-

DE GHOÜTE CATECHISMUS.

Daar God, de Vader aller menschen en algoed is, lieeft Hij als van zelf medelijken met onze ellende, behoeften, ongelukken, rampen enquot;smarten; maar Zijne goedheid en barmhartigheid toont Hij vooral den zondaars, want:

a. Hij straft ze gewoonlijk niet terstond na de zonde, maar schenkt hun tijd om zich te hekeeren. Hoe is het mogelijk ! Dagelijks, ja op elk uur, beleedigen Hem millioe-nen zondaars, wien Hij niets dan goed bewees; aardwormen geven Zijn goddelijk hart in plaats van dank. smaad en hoon. — Hij behoeft slechts te willen, en zij storten in de hel neder, maar Hij straft niet en laat Zich hunne beleedigingen soms 10, 20, 40 jaren, enz. welgevallen, en wacht lankmoedig. Honderd jaren moest Noë aan de Ark bouwen, om 100 jaren Gods lankmoedigheid en barmhartigheid te prediken. Met recht sprak de profeet Ezechiël 33, 11 : )) Zoowaar ik leef, spreekt de Heer. Ik heb geen welgevallen in den dood des zondaars, maar dat hij zich hekeere en leve.,, En de H. Petrus in zijn tweeden brief 3, 2, voegt hieraan toe: sDe Heer wil niet, dat iemand verloren ga, maar dat allen boetvaardigheid plegen.1\' Waar is de brave vader, die zijn kinderen dagen, weken, jaren ongestraft zijne bevelen laat bespotten? God is die Vader! Hoe heet de vorst, die honderden malen duldde, dat we straffeloos zijn naam en persoon bespotten? God is die vorst! Nog meer;

b. Hij bewijst den zondaars nog goed en roept hen zelfs tot boetvaardigheid. Gelijk de barmhartige Samaritaan op den weg bij den beroofde en gewonde nederknielde, zoo is het God, die den door de zonde gewonden en van de heiligma-kende genade beroofden mensch liefderijk zich aantrekt, om hem het leven der ziel terug te geven. Door ziekte en lijden, door plotselinge sterfgevallen, door zijn vermanend woord op preek- en in biechtstoel, door ouders en vrienden, door allerlei middelen klopt de goede Herder aan het hart van Zijn

42

-ocr page 49-

DE (JHOOÏE CATECHISMUS.

gewond en verloren schaap en zoekt, tot Hg het reddend op Zijne schouders kan nederleggen en tot den schaapstal terugvoeren.

De parabels van den verloren penning, het verloren schaapje, den verloren zoon, heeft Jesus ons als zoovele bewijzen voor deze waarheid achtergelaten. Al waren uwe zonden zoo rood als scharlaken, Ik zal ze ivit maken als sneeuw f »zoo menigvtddig, als de zandkorrels aan de oevers der zee, Ik zal ze wegnemen,quot; Wat hooren we hier anders dan de vaderlijke roepstem van den barmhartigen God? Hij doet als eene moeder, die haar kind nog liefkoost en met weldaden tracht te winnen op \'t oogenblik, dat het zich weerspannig aan hare bevelen toont. Dan, dit is nog slechts een schaduwbeeld van de goddelijke barmhartigheid en liefde, die Hij alleen bewijst op voorwaarde, dat de zondaar

c. zich oprecht bekeert en boetvaardigheid doet. Hoe schoon treedt hier het voorbeeld van den vader des verloren zoons voor onzen geest, na diens terugkeer. Hij doet hem geen bittere verwijtingen, hij bestraft en verstoot hem niet, wijst hem zijne plaats niet ouder de dienstboden, maar loopt hem tegemoet, omarmt hem en geeft hem den kus des vredes, en terwijl een nieuw kleed en een kostbare ring de verzoening met zijn vader getuigen, moet een feestmaal die aan vrienden en buren openbaren. Doet God anders? Neen, want niet alleen dat Hij den zondaar verdraagt eu hem tot boete aanspoor\', wil God hem alle zonden en beleedigingen vergeven en zelfs aan den disch der engelen toelaten, mits hij boete doe en zijne zonden oprecht belijde. Tot vergiffenis van zonde eischt God slechts berouw, biecht en eene kleine voldoeningen het heeft den schijn, dat God zich zooveel aan onze bekeering laat gelegen liggen, alsof Hij er behoefte aan had. De beleedigde doet alles en de beleediger soms weinig om de

43

-ocr page 50-

IJE GROOTE CATECHISMUS.

verbroken vriendschap te lierstellea en hei wonderbare, scboone kleed der lieiligmakende genade terug te krijgen. Een beleedigde vader laat somtijds zijn weerbarstigen zoon, eenige dagen zijn recbtmatigen toorn gevoelen, maar God is altijd en op elk oogenblik tot vergiffenis bereid. Ja, God is liefde!

1) Wanneer God nu zoo goed en barinbartig is, dan moeten wij Hem dankbaar zijn en uit gebeel ons hart weder beminnen. Zooals de H. Johan. 4, 19 zegt: »Laat ons God beminnen, daar Hij ons het eerst heeft liefgehad.quot; Dank den Heer, want Hij is goed en iu eeuwigheid duurt Zijne barmhartigheid. Het kleinste bewijs van medelijden en barmhartigheid, dat iemand ons schenkt, vindt ons, als wij rechtgeaard zijn, tot dankbaarheid gereed, en wij trachten wederliefde te toonen; zouden wij God dankbaarheid weigeren? Wat zegt men van een kind, dat zijne ouders dagelijks zwaar beleedigt en zelfs zijne hand dreigead tegen hen opheft? Het is een monster, niet waar ? Maar is de mensch (niet) minder, die in stede van dankbaar, dagelijks er op uit is Gods liefde en barmhartigheid met de zwartste ondankbaarheid te beloonen. De hond, een redeloos wezen, is jegens zijn meester dankbaar, vriendelijk en trouw voor het schrale voedsel; elk dier looft en prijst op zijne manier den Schepper. En de mensch, alleen in staat om Gods barmhartigheid naar waarde te schatten, zou ze weigeren? Laat ons dan God beminnen, daar Hij ons \'t eerst heeft liefgehad, en

2) wanneer we gezondigd hebben, verlrouvuvol vergiffenis smeekenquot; en met den verloren zoon zeggen; »i/c zal opstaan en tot mijn vader gaan.quot; Luc. 15, 18. Dwaasheid is het, de bekeering van dag tot dag uit te stellen, wijl we geen minuut zeker van ons leven zijn; afschuwelijk is het gedrag van hem, die zegt; »God is zoo barmhartig, dat, al zondig ik ook voort, Hjj mij later toch wel vergeven zal,quot; want dat

44

-ocr page 51-

DE GROOTE CATECHISMUS.

is boos zijn, omdat (Joel goed is: eene zoude tegen den H. Geest. Kan men uu iets afschuwelijker deuken? Het is waar, God is barmhartig, maar tevens, vergeet liet niet, oneindig rechtvaardig. Bovendien, is iemand in eene doodzonde gestorven, dan zal do verdoemenis zijn loon zijn, maar 10, 20 en meerdere doodzonden zullen ook zooveel malen dieper ongelukkig maken en verdoemen; naarmate men verdient, zal de straf of het loon groot of klein ziju.

Tegenover dat vermetel vertrouwen staat de kleinmoedigheid, welke ons met Caïn doet zeggen: heb te veel gezondigd, dan dat ik vergeving zou durven hopen,quot; terwijl een ander zegt: »Ik heb mij zoo dikwijls bekeerd en ben altijd in dezelfde fouten hervallen, God zal mij niet meer vergevenquot; Zijn deze gedachten vrijwillig, dan ook beleedigen wij God daardoor op verregaande wijze, daar we niets ander zeggen of denken, dan: »God wil, dat ik verloren ga. Hij heelt mij van Zijne barmhartigheid uitgesloten,quot; en zulks te denkeu of te zeggen, is den christen onwaardig. Werp een blik op een kruisbeeld en vraag; Wie is gekruisigd, en voor wie¥ en vertrouwvolle gedachten zullen uw loon zijn.

Is God goed en barmhartig jegens ons, dan ook moeten wij

3. jegens onze medemenschen medelijdend en barmhartig zijn, volgens het woord van den Evangelist Luc. 6, 36: »Weest barmhartig, gelijk uiv hemelsche Vader barmhartig is. »Daaraan zal men erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt, dat gij elkander (werkdadig) lief hebt,quot; sprak onze goddelijke Verlosser tot Zijne leerlingen. Inderdaad, zooals men de kinderen van de rijken dezer wereld erkent aan hun uitwendigea tooi en opschik, zoo ook moeten de kinderen van Jesus\' Bruid aan hun weldadigheidszin en hunne barmhartigheid met hunne lijdende natuurgenooten kenbaar zijn. Wie verfoeit niet het gedrag van den onbarmhartigen knecht des Evangelies, die, na zelf kwijtschelding van schuld ontvangen

OU. CAT. 4

45

-ocr page 52-

D2 GnOOTE CATECHISMUS.

te hebben, zijn medeknecht, die hem schuldig is, de keel toe-nijpt en hem als gijzelaar in de gevangenis doet werpen totdat hij zijne schuld zou voldaan hebben. Hoe schoon staat hier tegenover het beeld van den barna bartigen Samaritaan, hoe verfoeilijk tevens het gedrag van den joodschen leviet! «Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeren onzen schuldenaren,quot; aldus bidden wij dagelijks in het »Onze Vader,quot; en wij zouden schimp en laster niet vergeven? »Geef ons heden ons dagelijksch brood,quot; zoo bidden wij verder, en na het ontvangen te hebben, zouden wij een dael er van aan onzen hongerenden natuurgenoot weigeren? Welnu, wees dan barmhartig en vergevingsgezind, zooals God, uw Vader .jegens u is.

31. Waarom noemt men God oneindig wijs? Omdat Hij alles op de beste wijze weet in to richten, om het doel, wat Hij wil, te bereiken.

Wij lezen in het eerste boek der schepping, dat God na de schepping. Zijn blik over het geschapene liet rondwaren en zeide: »Het is goed,quot; d. i. Mijne almacht heeft alles zoo geschapen als mijne wijsheid en liefde, voor elk schepsel, dat beoogde. Beschouw nu eens uwe zintuigen, en zie hoe wijselijk God die inrichtte, om elkander te ondersteunen, ons tot nut. Wij hadden behoefte aan spijs tot levensonderhoud, en wonderbaar : God wilde, dat het verteerde zaadkoren honderdvoudige vrucht zou afwerpen. Met welk eene schitterende wijsheid heeft Hij de beweging van zon, maan en sterren, de afwisseling van dag en nacht en der vierjaargetijden, vastgesteld! Ja, in de geheele natuur heeft God alles naar regelmaat en orde ingericht, zoodat het eene dient tot onderhoud, nut of vermaak van het andere; alles is op zijne plaats, en zoo dit niet ware, b.v. als de aarde meer de zon naderde of zich verder van haar verwijderde, dan zou alles noodzakelijk

46

-ocr page 53-

DE GROOTE CATECHISMUS.

te groude gaan. Welnu, God heeft deze orde en natuurwetten zoo ingericht en moest derhalve met de gunstige en juiste gevolgen dezer inrichting en wetgeving, alsmede met het gevaar van eene andere inrichting ook bekend zijn. En dat Zijne beschikkingen en schepping de geheele wereld, als goed en schoon, zou ten goede komen, wanneer Zijne almacht en wijsheid alles zoo maakte als het bestaat, ook dit ging van Zijne oneindige wijsheid uit en kon Hem niet verborgen zijn. Waarlijk, de geheele natuur predikt Zijne onovertroffen wijsheid. Wat lap- en brokwerk brengt de menschelijke wijsheid dikwijls voort. Wat van daag bij ons als hooge wijsheid geldt, wordt soms morgen als onzinnig ter zijde geworpen, en de wijsheid, die we bezitten, komt nog van boven: »Alle goede gaven komen van den Vader des lichts.quot; En helaas! wij prijzen dikwijls het vernuft en de wijsheid van groote geesten, en we denken er zoo weinig aan, den Meester te loven en te prijzen, die hen de wijsheid schonk en het kunststuk der natuur zoo wijselijk en met orde ineenzette!

Gods wijsheid is eveneens duidelijk zichtbaar in het leven van den mensch, waarin Hij alles zoo inricht, dat zijn doel, wat niet anders is dan zijne verheerlijking en\'s menschen eeuwig heil, bereikt worde. Dit zien we uit de geschiedenis van Jozef. God liet toe, dat hij door zijne broeders verkocht en naar Egypte gevoerd valsch aangeklaagd en in de gevangenis werd geworpen, en eindelijk tot de waardigheid van onderkoning opklom, om de redder van vader en broeders en van \'t geheele volk te zijn. Wie denkt hier niet aan de geschiedenis van Mozes en den braven Mardocheus, die \'s konintrs

\' O

gunst verwerft, terwijl Aman aan de galg sterft, welke hij voor Mardocheus had doen oprichten. Hoe menigmaal bezoekt God ons met ziekte en wederwaardigheden, met armoede en lijden, omdat wij in gezonde dagen en in dagen van welvaart zoo dikwijls God en Zijn dienst vergeten. Door die kruisen

47

-ocr page 54-

DE GROOTE CAÏECfflSJUJS.

roept Hij ons tot den waren weg terug en redt ons voor de eeuwigheid. Schrijver kende weleer een jeugdigen losbol, die spotte met vermaningen en bedreigingen. Maar zie, God werpt hem, als een anderen Paulus, van \'t paard en hij brak een been, dat later moest afgezet worden, en zich geslagen ziende, riep hij ook met Paulus: »Heer, wat wilt ge, dat ik doe?quot; en werd een geheel ander mensch. Zeggen wij dus altijd: »ivat God doet is welgedaanquot; daar, »die God dienen, alles ten beste komtquot; Rom. 8, 28. Immers »geen haar valt van ons hoofd en geen musch van \'t dak, zonder Zijne toelating.quot; — Dat de mensch door zijne wijsheid en zijn verstand gelijkt op God zijn schepper, blijkt duidelijk, als men hem vergelijkt met het redelooze dier; ook in dit opzicht is hij Gods evenbeeld.

32. Wat wil zeggen, God is alwetend?

Dat God alles met zekerheid weet, 4 hetgeen gebeurd is; 2 wat nog gebeurt; 3 wat gebeuren zal en 4 zells onze geheime gedachten.

1 God weet, wat gebeurd is. Eenige dingen en zaken, die voorbij zijn, weten wij ook; andere hebben wij geweten, maar weder vergeten; weer andere en de meeste zaken kenden en wisten wij nooit en zullen wij nimmer kennen. God echter weet, wat geschied is van den beginne der wereld af, in de duisternis, in de diepte der zee, door menschen en andere schepselen; Hij weet al het voorbijzijnde nu, alsof het op dit oogenblik voor zijn oog geschiedde en wel allernauwkeurigst, in al de onderdeelen en geheimen, en daarom is Hij alwetend, terwijl onze kennis slechts brokwerk is. Zoo b.v. weten wij, dat de aardappelen in den grond groeien, de appelen aan den boom, maar hoe dat geschiedt, ontgaat ons grootendeels. God weet, wat alle menschen, met Adam en Eva te beginnen, tot op dezen dag, gezegd, gearbeid, gedaan en nagelaten

48

-ocr page 55-

DE GROOTE CATECHISMUS.

hebben, alsmede al hunne zonden, juist alsof ze nu geschiedden. De menschen, en gij zelf kunt weieens uwe zonden vergeten, maar God niet. Elk zondig werk of woord zal Hij u bij \'t oordeel voorhouden en straffen, maar ook de goede werken zal Hij het loon waardig keuren. — Dat wij boven de redelooze schepping redelijk geheugen en denkvermogen hebben, zegt ons weer, dat we hierin ook op onzen Schepper gelijken.

2. God weet het tegenwoordige. Honderdduizenden dieren en diertjes omgeven ons en leven met ons, waarvan wij zonder studie ternauwernood honderd kennen, veel minder, wat zij doen; God echter is het bekend: Hij is alwetend. Wij zien dagelijks de beweging van zon, maan en sterren, zonder dat zij van hare baan dwalen of elkander daarop belemmeren, en wij weten er niet veel van, noch wat die hemellichamen zijn, noch welke de wijze is, waarop ze zich bewegen. God kent echter elk dier ontelbare hemellichamen in \'t bijzonder. De boomen en het getal hunner bladeren; de waterdroppels der zeeën, beken, rivieren en stroomen kent Hij in \'t algemeen en afzonderlijk; wat elk mensch op dit oogenblik zegt of doet en wat hij nalaat te verrichten; terwijl de mensch slechts in staat is te weten, wat in zijne onmiddelijke nabijheid gebeurt.

3. God weet ook de toekomst. De toekomst is voor ons geheel verborgen; het staat slechts in onze macht uit eenige gegevens andere feiten af te leiden, welke dikwijls nog falen. Vele toekomstige zaken laten zich zelfs niet vermoeden. God echter vermoedt niet, leidt niet af, maar weet met volkomen zekerheid alle gebeurtenissen, die tot aan \'t einde der wereld zullen plaats hebben en hetgeen alle menschen tot aan dien tijd zullen denken, spreken en doen. nEén van u zal Mij verradenquot; zeide de Zaligmaker, en »alvorens de haan tweemaal gekraaid heeft, zult gij Mij d rid in aal verlochenenquot;, sprak Hij tot

49

-ocr page 56-

DE ÜROÜTE CATECHISMUS.

Petrus. Zijne hemelvaart, de nederdaling van den H. Geest, het lot Zijner Apostelen en van Zijne Kerk zijn even zooveel getuigen om Gods alwetendheid in de toekomst te staven.

4. God kent zelfs onze geheimste gedachten en begeerten. Door \'t uiterlijke is \'t ons soms gegeven, de inwendige gedachte van den mensch te raden, maar niet zelden vergist men zich of merkt men niets van hetgeen er inwendig in den mensch omgaat. Maar God weet niet alleen onze gedachten en inwendige gewaarwordingen, maar ook die, welke ooit bestonden en bestaan zullen en zal die nooit vergeten. Dat Judas\' hart vervuld was van verraad, deed Hij hem immers gevoelen ? Wel mocht David zeggen, Ps. 138: » Heer! Gij doorschouwt en kent mij____ Gij kent al mijne gedachten uit de

verte.quot; »Gods oogen zijn helderder dan de zon en doorschouwen de diepe afgronden van het menschelijk harV Sir. 23 vs. 28.

De gedachte aan Gods alwetendheid moet ons aansporen, om steeds de ondeugd te vluchten, de deugd te beoefenen en getroost te zijn in ons lijden. De mensch, die zondigt, doet als de oude booswichten, die Susanna wilden verleiden tot zonde: hij slaat de oogen neder om den hemel niet te zien, alsof God daardoor zijne schanddaden niet wist. Leef dus zóó, dat God uwe zonden niet kan weten, d. i. bedrijf geen zonde, verricht veel goed, d. i. bid, geef aalmoezen, leef voorbeeldig, want ook dit zal God dan weten, tot voor het oordeel. — De H. Cyrillus verhaalt, dat hij eens door eene slechte vrouw tot zonde werd aangezet. Goed, antwoordde de heilige man, maar laten wij ze op de markt bedrijven. Wel, antwoordde de vrouw, dan zouden de menschen het zien, en weten. Hoe, hernam de heilige, voor de menschen schaamt gij u en voor God niet, die alles ziet en weet? Inderdaad, als God alwe-t end is, dan moeten wij heilig leven zooals de volgende eigeu-s chap Gods zal leeren, want:

50

-ocr page 57-

DE GBOOTE CATECHISMUS. 51

33. Waarom noemen we God heilig?

Omdat God alleen de deugd wil en de zonde haat.

God haat en verafschuwt, krachtens Zijne oneindige heiligheid alles, wat kwaad en zonde is, terwijl Hij niets anders wil dan wat goed en rechtvaardig is. Vandaar, dat Hij ook door de heerlijkste beloften tot de deugd aanspoort en door de vreeslijkste bedreigingen den raensch een afschuw van de zonde tracht in te storten. Terecht zegt daarom de koninklijke profeet David: 3Gij zijl geen God aan ivien de ongerechtigheid behaagt; Gij verdraagt geen boosdoeners in uw bijzijn, de onrechtvaardigen erkent Gij niet en de zondaars haat Gij.quot; Ja, zoover gaat Zijn haat tegen de zonde, dat Hij den lof, door den zondaar Hem gebracht, niet kan verdragen. Daarom zegt Hij door den mond van den profeet David, Ps. 49 16,17 : 3gt; Wat gaat n de verkondiging Mijner geboden aan\'? Hoe komt Mijn verbond op moe lippenquot;? Gij zelf haat de tucht en verwerpt verachtelijk Mijne geboden ? Daarom kou Hij de jood-sche priesters en schriftgeleerden niet verdragen, die de wet op hunne borst droegen, in het openbaar baden, maar inwendig de wet niet volbrachten. Zijne geboden op Sinaï gegeven, leeren ons Zijne heiligheid duidelijk kennen, daar zij allen tegen de zonde en voor de deugd pleiten. » Weest heilig, gelijk Ik uw God heilig benquot; roept Hij ons toe in het derde boek van Mozes 19, 2.

En Jesus\' leer, wekt zij niet uitsluitend tot deugd en heiligheid op? Wat anders beoogen Zijne gebeden en voorschriften? Alle roepen ons toe, matig, rechtvaardig en godvruchtig te leven, en de wereldsche begeerten te verlaten. Waarom anders heeft Jesus de zeven Sacramenten ingesteld, dan om onze zwakheden te hulp te komen, en middelen aan de hand te doen om \'t kwaad te vluchten en deugdzaam en heilig te leven? Dit alles roept ons toe: vdieheilig is, worde nog heiliger.quot;

-ocr page 58-

DE GROOTE CATECHISMUS.

En wat predikt de natuurwet, ons geweten? Ook liet geweten in ons spreekt geen andere taal, liet spoort ons aan tot deugd en waarschuwt tegen de zonde. Wie onzer hoorde nu en dan die waarschuwende en aansporende stem niet? Wee den uieusch, die deze stem door verstoktheid en zonde heeft versmoord; voor hem is bijna geen heil, geen zaligheid meer te hopen. Ja, het geweten zegt met den 11. Paulus; » God. wil, dat gij heilig wordt.quot; 1 Thess. 4, 3, terwijl dezelfde Apostel, Heb. 12, 14 ons toeroept: »ileiliglieid is de roep van den christen; want zonder deze komt niemand tot de aanschouwing Gods.quot; Merk hier wel de zware verplichting op, om God, door een heiligen levenswandel gelijkvormig te worden. Om gelijke reden hebben wij bij \'t Doopsel, by monde van Peter en Meter verklaard, zonde, duivel, wereld en vleesch te verzaken, en rechtvaardig en heilig te leven, en later zelf die verklaring bij de eerste H. Communie, plechtig en vrijwillig herhaald, voor God en de menschen. Leef dan heilig en niet in brasse-rijen, ontucht, dronkenschap, enz., want God is rechtvaardig.

34. Wat wil zeggen, God is rechtvaardig ?

Dat Hij ieder naar zijne werken beloont of straft.

1. Door de zonde te vluchten en de deugd te beoefenen, worden we aan God gelijkend en heilig, terwijl de zonde en het nalaten van werken van deugd, ons tot de afzichtelijkheid van een duivel, in menschelijke gedaante verlaagt, zoodat zijne straf ook eens die des zondaars zal worden, want: ■»God vergeldt een ieder naar zijne werken,quot; Kom. 2, 6. Het is waar. God duldt soms, dat de zondaar jaren en jaren zijne ingevingen en genade van zich stoot. Hieruit volgt echter niets anders, dan dat we daaruit Gods oneindige goedheid en barmhartigheid leeren kennen, waarmede Hij de zondaars afwacht en hun tijd van bekeering schenkt, zooals ons de geschiedenis van den zondvloed leert. Honderd jaren

;quot;)2

-ocr page 59-

DK GROOTK CATECHISMUS.

duurde Gods lankmoedigheid en geduld, maar ook daarna verdelgde zijne rechtvaardigheid al wat leven bezat, terwijl dezelfde recht vaardigheid de deugd in Noe en de zijnen beloonde. Wie denkt hier niet onwillekeurig aan Gods wraak over de steden Sodoma eu Gomorrha? David moest zijne zonde met den dood zijns innig beminden zoons bekoo-pen. Een kleine twy fel aan \'t bevel Gods sluit Mozes, den vriend Gods, buiten het beloofde land. »Gelukkig nog, die hier de tuchtroede Gods gevoelt; want, het is verschrikkelijk te vallen in de handen van den levenden God.quot;

Liet God ons aan ons lot over, zonder vermaning, loon of straf, dan zou Hij daardoor toonen, dat ons geluk Hem niet bijzonder ter harte ging, daar er geen andere wegen ten hemel leiden dan de weg der onschuld en boetvaardigheid. Daarom zet Hij ons tot deugd en volharding in het goede aan, door de belofte van tijdelijke en eeuwige belooning: Hij zelf zal ons loon zijn. En daar vele menschen zich door de hoop op loon niet ten goede willen laten geleiden en in het kwade volharden, moet God, als goed Vader, die onze zaligheid wil, wel straffen aanwenden, opdat ze zich beteren, en anderen, op \'t zien van hunne straf, van \'t kwade terugschrikken.

2. Maar hoe is het dan met Gods rechtvaardigheid te rijmen, vraagt hier iemand, dat zoovele bekende zondaars, zich verheugen in stoffelijke welvaart en voorspoed, terwijl vele braven in ellende hunne dagen slijten? Ik antwoord: dat is juist een gevolg van Gods rechtvaardigheid. God wil, krachtens deze eigenschap, alles en zoo ook het natuurlijk goed des zondaars beloonen. Dat nu kan Hij niet in de eeuwigheid en daarom neemt Hij den tijd te baat om hem zijn loon te geven, zonder hem evenwel gelukkig te maken; want voor den zondaar is geen vrede. Deze waarheid zien wij in den rijken vrek bevestigd, terwijl de arme Lazarus ons eene gelukkige tegen-

53

-ocr page 60-

DJS GROOTE CATECHISMUS.

stelling doet zien; hij was immers arm en ongelukkig op de wereld en werd lijk en gelukkig in de eeuwigheid. Welk lot zoudt gij het uwe wenschen, dat van de martelaren of dat hunner beulen? Welnu, dezen werden geacht en bezaten welvaart en macht, genen werden bespot en aan de woede der laat-sten opgeofferd,iuaar thans is recht gedaan. De beulen boeten in de hel, en hunne slachtoffers deelen in de vreugde Gods.

b. Wat een geluk voor de wereld, dat God rechtvaardig is, want ware Hij dit niet, dan zou het lot van den sluipmoordenaar hetzelfde zijn als dat van zijn slachtoffer; de dief zou eenzelfde toekomst hebben als de bestolene, de verleider evengoed zijn als de verleide onschuld, de dwingeland en beul met de verdrukte onderdanen op ééne lijn staan, en de ge-heele wereld weldra een pest- en moordhol zijn. Doch God zij lof, elke boosheid zal bestraft, maar ook elke goede gedachte of daad, elk woord, elke zucht, elk verdragen onrecht, elke druppel water lt;er liefde Gods gegeven, zonder twijfel beloond worden, hier of hierna in den hemel.

Dat we dan vaardig en met vreugde dien goeden, lank-moedigen Vader gehoorzamen en ons leven beteren; en dwingen we Hem niet Zijne wraak hier of in de eeuwigheid over ons los te laten, waar wij dan eenmaal in de hel de getuigenis zouden moeten afleggen: God wilde met aandrang mijne zaligheid. Hij heeft genoeg geduld met mij gehad, maar ik heb vrijwillig mijne verdoemenis gezocht. Het woord: »God zal ieder naar zijne werken beloonen,quot; zij dan steeds onze leus bij al onze handelingen, en de deugd zal zulk een voortgang in ons maken, dat de ondeugd en zonde geen plaats meer overblijft, en God, die altijd en overal getuige is van al onze handelingen, zal eenmaal voor het oordeel overvloedige redenen vinden om ons de kroon der vergelding op \'t hoofd te drukken. Is Godes alomtegenwoordigheid de reden -waarom Hij ons de kroon geven kan of geven wil ?

54

-ocr page 61-

DE GROOTE CATECHISMUS.

35. Wat wil zeggen: God is alomtegenwoordig?

Dat Hij overal is, in den hemel, op de aarde en op alle plaatsen.

1. Wij lezen in de Hand. der Ap. 17, 27, 28: » God is van ieder onzer niet verre; want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij.quot; Met het oog hierop onderscheidt de H. Thomas van Aquino, Summal, Hoofds.8, en3 eenedrievoudige tegenwoordigheid Gods; door Zijn wezen, waarin wij leven; door Zijne alwetendheid, waardoor Hij alles ziet en door Zijne almacht, daar alles apn zijne heerschappij onderworpen is, en Hij overal alles doet en werkt naar Zijne goddelijke plannen. Omdat Hij nu overal is, door Zijn wezen leeft alles ;n Hem; omdat Hij overal is, door zijne alwetendheid kent Hij ook alle behoeften en handelingen; omdat Hij overal is, door Zijn macht werkt Zijne almacht ook overal middelijk en on-middelijk in en door alle schepselen; Hij geeft alles levenskracht en beweging. Wij kunnen natuurlijkerwijze maar op ééne plaats te gelijk zijn en op eene plaats, waar we niet zijn, kunnen we zonder middel ook niets doen. Hieruit kunnen wij besluiten, dat God althans door Zijne alwetendheid en almacht overal zijn moet, in den hemel, op aarde en op alle plaatsen, wijl Hij alle schepselen, over en boven den aardbodem verspreid, onderhoudt, bestuurt en beweging geeft. Elk redelijk en onredelijk schepsel, elk plantje, ieder bloempje, alles schenkt hij leven en wasdom; de zon, de maan en de sterren ontvangen van Hem haar licht en hare krachten. De mensch en de dieren op \'t veld, de vogelen in de lucht, de visschen in het water, kortom alle redelijke en onredelijke schepselen leven en bestaan en blijven bestaan, zoo lang God het wil, omdat Hij ze onderhoudt. En dat zou God niet kunnen doen, ware Hij niet tegelijkertijd op alle plaatsen en bij elk schepsel, in het bijzonder tegenwoordig.

55

-ocr page 62-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Iets onclerlioudeu, iets doen, iets weten ontgaat ous, wanneer we er niet bij zijn. Schoon zegt de koninklijke zanger David in den 138n psalm:.... »Waar zal ik mij verbergen voor uw geest? En tvaarheen vluchten voor uw aangezicht? Stijg ik ten hemel, dan zijt Gij daar; stijg ik in de hel, dan zijt Gij daar; bediende ik mij ook van vleugelen en woonde ik ook aan de uiterste grenzen der zeeën, dan zou uwe hand mij ook daarheen voeren en uwe rechterhand mij steunen.quot;

Niemand had God bekend gemaakt, dat Adam en Eva van de verboden vrucht gegeten, noch de plaats aangewezen, waar ze zich verborgen hadden en evenwel kende Hij hunne zonde en hunne schuilplaats. Toen Caïn, door afgunst en nijd gedreven, het snoode plan opvatte, zijn broeder Abel te vermoorden, dreigde God hem met de zwaarste straffen, zoo hij er uitvoering aan gaf. Hij was dus in Cam\'s hart; want Hij kende zijne gedachten. En nauwelijks had Caïn zijn haat in het bloed zijns broeders gekoeld, of God vroeg Hem: Waar is uw broeder Abel ? Hij was dus getuige geweest van zijn broedermoord.

En Jezus zelf zegt bij Matth. (J : » Wanneer gij bidt, ga dan in uwe kamer en sluit de deur en bid tot uio Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.quot; Wanneer gij aalmoezen geeft, dan moet uwe rechterhand niet weten, wat uive linker doet, opdat uwe aalmoes in het verborgen zij en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.quot;

2. Met de leer van Gods alomtegenwoordigheid in gezegden uitgebreiden zin, staat of valt alle godsdienst. Immers, is God niet alom tegenwoordig, dan ook kan Hij geen getuige zijn van onze zondige en godsdienstige handelingen; dan zijn Hem onze inwendige gebeden en verzuchtingen onbekend, en de band ligt verbroken, die het redelijke schepsel met den Schepper verbindt, en het gevoel van onderworpenheid en

66

-ocr page 63-

DE GROOTE CATECHISMUS.

liefde, dat de mensch voor God en zijn Schepper koestert, kan niet meer bestaan.

3. Wanneer God ecliter overal is, waarom bidden wij dan »Onze Vader, Die in den hemelen zijlquot; en niet, »Die overal zijt?quot; Ik antwoord: waarom bidden wij het liefst in de kerk ? Waarom zegt men; »Goi woont in het hart van den deugdzame, maar niet in dat van den zondaar ? Omdat God in den hemel, in de ziel van den rechtvaardige, vooral ook in de katholieke bedehuizen op eene bijzondere wijze tegenwoordig is, waar Jesus met godheid en menschheid in Zijne tabernakels troont en woont.

4. Er is derhalve geen plaats, hoe duister en afgelegen ook, voor Gods tegenwoordigheid verborgen. In de zee, op aarde en in de lucht, aan de uiterste grenzen der aarde, overal is God, tot zelfs in de hel, om de verdoemden te straffen, en in den hemel, om de zaligen te loonen. Zouden wij het dan durven wagen in Zijne heilige tegenwoordigheid kwaad te doen, wij, die ons schamen in het bijzijn van zwakke en zondige menschen te zondigen? Wanneer ons dus de lust bekruipt, om te zondigen, denk dan, zooals Caïn en Adam hadden moeten doen: »God is bij mij en ziet mij,quot; en de aanvallen uwer vijanden znlt ge overwinnend afslaan. De II. Cy-rillus verhaalt van zekere heidenen, die de zon goddelijke eerbewijzen, dat ze hunne schanddaden bij dag niet durven bedrijven, uit vrees, dat hun God ze zien zoude. En wij christenen, zouden voor onzen God, voor Wien de nacht even helder als de dag is, niet zooveel eerbied bezitten, als die heidenen voor hunne vermeende godheid?

o. Denk ook aan Gods tegenwoordigheid, als u lijden en kruis drukken, als het u moeilijk valt, de deugd te beoefenen en die gedachte zal ons geduldige kruisdragers en vurige beoefenaars der deugd maken.

Tot dusver heb ik u gesproken over één God, maar die

!:• I

-ocr page 64-

DE GROOTE CATECHISMUS.

één God bestaat in drie personen, de Vader, de Zoon en de 11. Geest, zooals het volgende zal 1; eren.

ZESDE LES.

OVER DE H. DRIEVULDIGHEID.

36. Waarom zeggen wij, ik geloof in God „den Vader ?quot;

Omdat in God meer personen zijn, van welke de eerste persoon Vader genoemd wordt.

a. Naast God, hebben wij eeue groote verplichting jegens onze ouders voor leven, kost en kleeren, maar wat is dat alles, vergeleken met het leven der ziel, met de spijs der engelen, met het kleed der heiligmakende genade, door God, den beste der Vaders ons geschonken, terwijl onze natuurlijke vader alle giften ons gedaan, eerst van dienzelfden Vader moest ontvangen. Daarom noemen wij God onzen Vader, ter onderscheiding van onzen natuurlijken vader en tevens om aan te geven, dat we kinderen zijn van God bij uitnemendheid, geschapen om eenmaal met onze aardsche vaders. Zijn Vaderhuis in den hemel te bewonen; maar

b. ook om de personen der H. Drievuldigheid te onderscheiden, want de Vader, Wiens Zoon, God, gelijk Hij, van alle eeuwigheid uit den Vader geboren is, en den H. Geest, die van alle eeuwigheid uit den Vader en den Zoon voortkomt, zijn alle drie God. Ter verdere onderscheiding in de personen, schrijven wij aan den Vader de schepping, aan den Zoon de verlossing en aan den H. Geest onze heiliging toe, door de Sacramenten. Wanneer wij derhalve bidden: »Tk geloot in God, den Vader,\'\' dan noemen wij de eerste onder de drie goddelijke personen. Wij toonen daardoor aan: in God zijn meer personen, en de eerste dezer personen heet: God, Vader! (verg. 4\'ie Les. vrg. 1.)

58

-ocr page 65-

DE GROOTE CATECHISMUS.

37, Hoeveel per nonen zijn er dan in God?

Drie personen zijn er in God: de Vader, de Zoon en de H. Geest.

De wezens, die eene redelijke natuur bezitten, d. i. verstand en vrijen wil, liet vermogen hebben om te kennen, te onderscheiden en te willen of niet te willen, zijn personen, of elk voor zich verstandige -wezens. Al de overige schepselen, welke deze hoedanigheden missen, zijn geen personen, maar eenvoudig zaken of dingen. Vandaar is ieder engel, als verstandig wezen, een op zichzelf staand persoon. En daar wij eene menschelijke natuur (eene menschelijke ziel, vrijen wil en verstand) bezitten, de engelen echter een engelachtige natuur (een engelen-geest, vrijen wil en verstand) bezitten, daarom zijn wij menschelijke en de engelen engelachtige personen. De ziel, ofschoon een verstandig wezen, is toch geen op zich zelf staand en in zich afgesloten wezen, dus geen volkomen persoon, maar zij maakt met het lichaam de menschelijke natuur uit, en daar, waar die vereeniging plaats vindt, wordt de mensch als volkomen persoon aangetroffen. De op zich zelf staande vereenisnng dus van ziel en lichaam maakt den

O O

nienschelijken persoon. In God zijn drie, die eene verstandelijke natuur hebben, d. i. het vermogen bezitten te kennen en te willen, en wel de goddelijke natuur. En deze drie heeten: de Vader de Zoon en de H. Geest.

Vanwaar nu weten wij, dat er drie goddelijke personen zijn? Uit de zichtbare wereld en uit het geweten is slechts het bestaan van één God af te leiden, maar God zelf heelt ons die verhevene waarheid geopenbaard.

a. In het Oude Verbond liet God reeds eenige aanduidingen over het geheim der H. Drievuldigheid doorschemeren. Zoo lezen wij 1 Mozes 12: »Iii den beginne schiep God hemel en aarde.... en de geest Gods zweefde horen de wateren.quot;

-ocr page 66-

60 DE amp;RÜOÏ1S CATECHISMUS.

En in hetzelfde boek vers. 26: tgt;Laat ons den mensch maken wij zullen den menscli maken, bijgevolg worden er meer personen aangeduid. » Tot lof van den driecenigen God heffen de Serafijnen driemaal vheiligquot; aanquot; aldus Isaias 6, 3.

b. Overvloedig zijn de bewijzen, welke het Nieuwe Testament ons aangeeft voor die waarheid, den hoeksteen van ons geloof. Toen de engel Gabriël, Maria de menschwording des Verlossers aankondigde, zeide hij, gezonden te zijn door God (den Vader), en dat zij zou ontvangen van den II. Geest, en een Zoon baren, die de Zoo/i Gods genoemd zou worden. Bij Jesus\' doop zag Johannes den »Geest Godsquot; in de gedaante eener duif over den Christus nederdalen, en eene stem werd gehoord (des Vaders): gt;Deze is Mijn welbeminde Zoon, in Wien Ik Mijn welbehagen hebquot; Matth. 3, 16, 17. Vóór Zijn lijden sprak Jesus aldus tot zijne leerlingen: »7/c (de Zoon) zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster geven, den geest der waarheid,quot; Joh. 14, 16. Op het punt om deze wereld te verlaten en ten hemel te varen, zond Jesus Zijne Apostelen uit met de woorden: * Doopt alle volkeren in den naam des Vaders en des Zoons en des II. Geestes,quot; Matth. 28, 19. Wanneer er dus slechts één God is, en toch^ drie God zijn, dan zijn er ook drie, die de eene goddelijke natuur hebben, dus drie goddelijke personen. Daarom de vraag:

38. Zijn alle drie personen God ?

Ja, de Vader is waarachtig God, de Zoon is waarachtig God en de H. Geest is waarachtig God.

De Vader is waarachtig God, wil zeggen, dat Hij niet slechts aan God gelijkend is, maar een oneindig volmaakte geest, de Schepper en Heer van hemel en aarde, van wien alle goed voorkomt, die alles bezit, wat tot God behoort, d. i. die alle goddelijke eigenschappen, n. 1. eeuwig, onverander-

-ocr page 67-

UE GROOTE CATECHISMUS.

lijk, almachtig, alwetend, enz. te zijn. Alles nu, waardoor de Vader waarachtig God is, is ook het eigendom des Zoons en des H. Geestes, en zij zijn dus met den Vader waarachtig God, gelijk Hij. Hoe erbarmelijk en treurig staan hier voor ons oog de onmachtige goden des heidendoms, die maaksels van menschen handen.

39. Zijn er dan geen drie Goden ?

Neen, er is maar één God; die drie personen zijn slechts één God.

Bij gelegenheid, toen ik vroeger over de openbaring sprak, leerden wij, dat er slechts één God is en nu heet het; de Vader is waarachtig God, de Zoon enz. Hoe is dat te rijmen? Zijn er dan geen drie Goden? Neen. Merk hier wel op, er wordt niet gezegd; de Vader is een ware God, de Zoon is een ware God, de H. Geest is een ware God, maar »de Vader is ware God,quot; enz. Ook zou men kunnen zeggen: de Vader is (de eene) ware God, de Zoon is (de eene) ware God, de H. Geest is (de eene) ware God. Of wel, de eene ware God is tegelijk Vader, Zoon en H. Geest. Maar

40. Waarom zijn de drie personen slechts één God ?

Omdat ze alle drie maar ééne en dezelfde natuur of één en hetzelfde wezen hebben,

Natuur en wezen drukken hier in hoofdzaak beide hetzelfde uit; bezigt men beide namen, dan dient dit slechts om ons krachtiger en duidelijker uit te drukken. (Evenals stand en beroep, doel en einde dezelfde beteekenis hebben.) Wat tot den mensch behoort, is de natuur des menschen, en tot den mensch behoort lichaam en ziel met al hunne vermogens, bestauddeelen, krachten, enz., b.v. ledematen, verstand, enz., deze maken de natuur en het wezen van den mensch uit. Ieder mensch bezit elk voor zich zijne eigene mensche-lijke natuur. Willem, Jan en ik, zijn drie menschen, drie

ou. c.vr. 5

Ijl

-ocr page 68-

DE GROOTE CATECHISMUS.

personen en alle drie verheugen wij ons in \'t bezit der men-sclielijke natuur, d. i. lichaam en ziel met al hunne krachten, enz. Maar hetzelfde lichaam, hoofd, handen, voeten, enz. hebben wij niet. Ook in het verstand en den wil verschillen wij; wij weten, denken, willen en doen zeer uiteenloopend. Elk onzer (ja elk mensch) heeft dus zijne eigendommelijke natuur. Daarom zijn wij te zamen drie menschelijke naturen, drie mensehen.

Bij God is dit geheel anders; de drie goddelijke personen hebben maar ééne natuur, één wezen en wel de goddelijke natuur, d. i. zij bezitten, in gelijke mate, alle goddelijke volmaaktheden, zoodat de Vader hetzelfde verstand, dezelfde alwetendheid bezit als de Zoon en de H. Geest, en de H. Geest heeft dezelfde wijsheid, heiligheid, barmhartigheid en liefde als de Zoon en de Vader. Daarom getuigt de H. Johannes: »Driti zijn er die getuigenis geven in den hemel; de Vader, het Woord (dat vleesch geworden is, de Zoon) en de H. Geest, en deze drie zijn één,quot; 1 Joh. 5. Hij zegt niet: deze drie eenerlei, (een persoon), maar één. Merk hier wel het onderscheid. Als ik u vraag: Wie zijt gij? dan meen ik uw persoon en gij antwoordt: N. N.; wanneer ik u echter vraag: Wat zijt gij? dan meen ik uwe natuur en gij antwoordt: een\'mensch. Vandaar, dat Christus ook zeide: »Tk en de Vader zijn één,quot; Joh. 10, 30.

41. Kan de eene \'persoon ook iets meer zijn dan de andere persoon ?

Neen; omdat zij allle drie ééne en dezelfde natuur of één en hetzelfde wezen hebben, daarom zijn zij alle drie even volmaakt, even wijs, even machtig, enz

Uw vader is ouder, kan wijzer, machtiger zijn en meer eigeoschappen op u voor hebben, wijl hij eene andere men-

62

-ocr page 69-

DE GROOTE CATECHISMUS.

schelijke natuur heeft clan gij, terwrjl de drie goddelijke personen maar ééne goddelijke natuur bezitten en dus ook alle eigenschappen en hoedanigheden in dezelfde mate eigen hebben. Deze goddelijke natuur is immers eeuwig, almachtig, enz., en gevolgelijk bezitten de Vader en de Zoon en de H. Geest dezelfde eeuwigheid, almacht enz.

42. Is er dan geen onderscheid tusschen Vader, Zoon en H. Geest ?

In hun wezen is geen onderscheid, maar wel in de personen, zoodat de Vader niet de Zoon, de Zoon niet de Vader, en de H. Geest niet de Vader of Zoon is.

Dat persoonlijk onderscheid bestaat nu hierin, dat de Vader van alle eeuwigheid bestaat en door niemand is voortgebracht : dat de Zoon van alle eeuwigheid uit den Vader arebo-

O O

ren is, en de H. Geest van alle eeuwigheid uit den Vader en den Zoon voorkomt.

43. Hoe noemen wij dit geheim van één God in drie personen ?

Wij noemen dit het geheim der H. Drievuldigheid.

Nog duidelijker wordt dat geheim uitgedrukt door een ander woord: Drieëenheid. Dit woord is samengesteld uit drie en één, en wil zeggen, dat de drie goddelijke personen één God zijn. In stede van: »de heilige Drieëenheid,quot; zegt men ook wel: »den drieëenigen God.\'\'

44. Kunnen wij dat geheim begrijpen ?

Neen, dat is verre boven ons zwak verstand verheven.

1. Hoe zullen wij dat groot geheim begrijpen, daar wij slechts eene onvolmaakte kennis van de geschapene dingen hebben. Maar zegt iemand, zoo min als drie menschen één

63

-ocr page 70-

DE GROOTE CATECHISMUS.

meusch kunnen zijn, zoo min ook kunnen drie personen één God zijn. De stelling: drie menschen zijn één menscli, is zeker valscli, zoowel als de bewering: drie goden zijn één God ; of: drie personen zijn één persoon. Maar de waarheid is: drie personen zijn één God. En dit is zoo min valsch als de stelling: drie zijn ééne familie.

2. Wat ik niet begrijp, neem ik niet aan, zegt wederom een ander. Ik antwoord: Begrijpt gij dan hoe uit een zaadkorrel een boom opgroeit? Kunt ge vatten, hoe het licht dei-zon in een kwartier uurs een weg aflegt van 21 millioen mijlen? Gij snijdt of brandt u, dat doet de ziel wee, zonder dat zij getroffen wordt. Kunt ge begrijpen, hoe zulks geschiedt? Vanwaar komt de wind en waarheen gaat hij? Kortom, gij begrijpt niet de wegen der natuur, maar gelooft gij niet, dat zij rusteloos werkt aan voor ons onbegrijpelijke dingen?

3. Gij wilt niet aannemen, dat er één God, drievuldig in personen bestaat, omdat gij het niet begrijpt, maar wel in een God gelooven, dien ge begrijpen kunt. Geloof mij, een God, dien gij begrijpen knnt, die niet grooter is dan uw beperkt verstand, is volstrekt geen God. Hij is toch oneindig groot en volmaakt, bezit oneindig meer volmaaktheden dan ons verstand kan vatten. Wilt gij de katholieke Kerk met al hare kinderen en Kerkvaders, ja zelfs de onfeilbare openbaring Gods, leeren, wat te gelooven is of niet?

De H. Angustinus wandelde eens langs den oever der zee, zich moeite gevende om niet zijne gedachten door te dringen in \'t geheim der H. Drieënheid. Daar zag hij een zeer schoo-nen jongeling, die met een lepel water uit de zee in een kuiltje schepte. Angustinus vroeg den knaap, waarom hij dat deed ? Hij antwoordde: Ik wil de geheele zee in dat kuiltje overbrengen. Knaap, dat is onmogelijk, sprak nu de heilige man! Toen hernam de jongeling, ik zal toch eerder slagen in mijn voornemen, dan gij met uw verstand het ondoor-

64

-ocr page 71-

DE GROüTE CATECHISMUS.

grondelijke geheim der H. Drievuldiglieid zult begrijpen.

De schepping zelve biedt ons evenwel een flauw denkbeeld aan van dit ontzaglijk geheim. Een stelregel is het, dat men aan het maaksel den maker kent, zoodat een meester meesterstukken, een kladschilder kladwerk levert. Dit gaat door in alle mogelijke takken der wetenschap en kunst; dat is het beginsel voor de geheele natuurlijke orde. Maar dat moet ook waar zijn voor de bovennatuur. En zoo doet de Schepper zich ook in al Zijne schepselen eenigermate kennen, als eene eenheid in eene drieheid, als een God, Schepper, drievuldig in personen. In eene bloem, hoe nietig ook, onderscheidt men vorm, kleur en geur. In de zon zijn drie krachten: groeikracht, licht en warmte. In een boom: wortel, stam en kruin. De toon heeft drie grondtonen: hooge, lage en middeltoon; de vorm drie grondvormen: groot, klein en middelsoort; de ruimte drie afmetingen: lengte, breedte en hoogte. De tijd wordt zelfs verdeeld in drie tijdvakken: in verleden, tegen-woordigen en toekomenden tijd. Het familieleven bestaat uit drie leden: man, vrouw en kind. Onze ziel, als evenbeeld Gods, geeft ons ook het schoonste denkbeeld van dat geheim der geheimen, wijl hare grondkrachten drie zijn, nl. verstand, geheugen en vrije wil, en hare hoofddeugden, geloof, hoop en liefde. Overal ontmoeten wij dus in de schepping de flauwe schaduw van dat groot geheim, één God drievuldig in personen, zóó zelfs, dat het een spreekwoord geworden is: alle goede dingen zijn drie.

De leer der H. Drieëenheid is voor ons van het grootste gewicht, omdat ze de hoofd- en grondleer van het christendom uitmaakt, zoodat we, met haar te verwerpen, het christendom over boord werpen. (Nader verklaren).

Dragen wij dan een grooten eerbied, een groot geloof in ons hart voor dat eeuwig aanbiddenswaardig geheim, tot welks bijzondere verheerlijking de Kerk een eigen feest heeft

65

-ocr page 72-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ingesteld nl. Drievuldigheids-Zondag, en vergeten wij den dank niet, verschuldigd voor schepping, verlossing en heiliging. Maak steeds met eerbied het teeken des krnises als belijdenis van dat groot geheim; herhaal met den eerbied-waardigen priester Beda, dag en nacht; »Eere zij den Vader, den Zoon en den H. Geest!quot; Roep dikwijls in vervoering met den H. Pranciscus Xaverius: »0, allerheiligste Drievuldigheid!quot;

Tot hiertoe spraken wij u over één God, drievuldig in personen en zijne eigenschappen; nu zullen wij Hem verder beschouwen als Schepper, enz.

ZEVENDE LES.

OVER DE SCHEPPING, REGEERING EN ONDERHOUDING DER WERELD.

45. Waarom noemen wij God, Schepper van hemel en aarde?

Omdat God hemel en aarde en al, wat daarin is, geschapen heelt.

1. God schiep den hemel en al wat daarin is. Er bestaat een hemel, welken wij boven ons zien, het blauwe hemelgewelf, waaraan wij bij dag de zon, bij nacht de maan en de sterren ontwaren, terwijl wij hem nu en dan met lichte en donkere wolken bedekt zien. Doch er bestaat ook een hemel, welke nu nog voor ons stoffelijk oog onzichtbaar is, het verblijf van God bij uitnemendheid en van Zijne vrienden» en waarin wij ook eenmaal, na een braaf leven en een zaligen dood zullen binnengaan. Ook dien hemel heeft God geschapen en al wat daarin is, d. i. de engelen en de zielen der rechtvaardigen, de heiligen.

66

-ocr page 73-

DE GROOTE CATECHISMUS.

2. God schiep ook de aarde, waarop we leven en wonen, en alles wat zich daarin en daarop bevindt, leeft of beweegt. Ontelbaar zijn de soorten van boomen, bloemen, gewassen, insekten, vogels, zee- en landdieren, steensoorten, mineralen, enz., die zich op de aarde bevinden, daar wonen en aanwezig zijn, en dat alles is door God geschapen; maar

46. Wat beteekent het woord ygt;Scheppen?quot; Scheppen beteekent iets voortbrengen uit niets.

Ambachtslieden, die iets vervaardigen willen, hebben behoefte aan grondstoifen of materialen, en bovendien aan de noodige gereedschappen, gepaard met het verstand en de kracht om deze naar behooren te hanteeren. Verder moeten ze soms uren en dagen besteden om een werk te maken, en hebben dus materialen, of bouwstoffen, gereedschappen, kracht en tijd noodig. Zij worden daarom ook makers en geen scheppers genoemd! Had nu de goede God, toen Hij hemel en aarde schiep, ook behoefte aan al die zaken ? Maar wat zou Hij daartoe gebruiken, er bestond immers vóór de schepping niets, wat Hem van dienst kon zijn? Er was nog geen bouwstof aanwezig en Hij kon dus de wereld van iets niet maken.

47. Waardoor heeft God alles dan geschapen? God heeft alles geschapen door Zijn alraachti-

gen wil.

Uit het niet en met niets riep Hij hemel en aarde te voor-schijn; Zijn almachtigen wil was voldoende, gt; Gij sprak en het was.quot; »Gj hebt alle dingen geschapen en door Uw wil werden zijquot; zegt het boek der Openb. 4, 11. Het stond in Gods almacht, hemel en aarde op ééu enkel oogenblik te voorschijn te roepen, maar Hij bezigde daartoe echter zes dagen. Het eerste Boek Mozes 1, enz. verhaalt ons dienaangaande het volgende: »De aarde was woest en ledig, duis-

67

IliliSi 1

\'è

-ocr page 74-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ternis lag over den afgrond, en de geest Gods zweefde boven de wateren.quot; Op den eersten dag schiep Uod het licht, en het werd dag en nacht; het werd avond en morgen den eersten dag. Op den tweeden het firmament. Den derden dag schiep God de aarde en het water en scheidde deze vaneen, terwijl Hij tevens allerlei soorten van gras, kruiden, bloemen en hoornen, uit den aardbodem te voorschijn riep. Den vierden dag besteedde God om zon, maan en sterren te scheppen. Op den vijfden dag vulde God de lucht met vogels en het water met visschen. Op den zesden dag werden door God de ontelbare dieren geschapen, welke wij landdieren noemen. En eindelijk, toen God op den aardbodem alles zoo goed had ingericht, dat de mensch vergenoegd en gelukkig op de wereld zou kunnen leven, sprak Hij: »Laal ons den mensch maken naar ons beeld en gelijkenis.quot; Hierover spreken wij later.

48. Tot welk einde heeft God de wereld geschapen ? Tot zijne verheerlijking en tot geluk van den mensch.

Meen dus niet, dat God de wereld schiep, omdat Hij haar noodig had. Neen, Hij is oneindig rijk en gelukzalig in en door Zich zelt, en heeft geen behoefte nan dingen buiten Hem, zooals de psalmist c. 15, 2, zegt: »Mijn God zijt Gij: mijne goederen behoeft Gij nietquot; maar Hij schiep de wereld, wijl Hij oneindig goed is, en ons ook deelgenooten van Zijne goedheid wilde maken. Daarom schreef de H. Augustinus. Wijl God goed is, zijn wij.quot; God schiep derhalve de wereld, ten beste der schepselen.

Dezelfde Kerkvader zegt op eene andero plaats: Niet door nood gedrongen schiep God, wat Hij schiep, maar dat, wat Hij wilde, schiep Hij. De grond van het bestaan aller dingen is dus Gods wil en goedheid. Gij laat u een huis bouwen. Dat is wel. Bouwt gij echter geen huis, dan bezit gij

68

-ocr page 75-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ook geene woning. Da nood dwingt u dus. Gij bedekt u met kleederen: doet gij het niet, dan moet ge naakt loopen. De nood en niet de vrije wil noodzaakt n aldus te handelen. Wij zaaien, poten en planten om tegen gebrek gevrijwaard te worden en handelen zoo uit eigenbelang. Inderdaad, de mensch handelt altijd door nood gedrongen, maar God handelt uit liefde en goedheid. Wat Hij gemaakt heeft, behoeft Hij zelf niet; het was uit liefde voor ons, dat Hij alles heeft geschapen.

Met recht spoort Hugo van St. Victor ons met de volgende drie woorden tot dankbaarheid aan; »Neem, geef, en vlucht.quot; Neem de weldaden Gods dankbaar aan, schenk God uwe gehoorzaamheid en liefde en vlucht vooral Zijne straffen. Wanneer de H. Theresia een boom, eene bloem of bron, enz. beschouwde, schaamde zij zich over hare flauwe liefde tot God, die dat alles voor den mensch geschapen heeft. En een vroom kluizenaar geloofde hetzelfde verwijt te hooren van de kruiden en bloemen, die hij op zijn weg aantrof, en sprak tot hen : »Zwijgt, zwijgt toch. Gij noemt mij een ondankbare en zegt mij, dat God uit liefde tot mij u geschapen heeft, en dat ik Hem evenwel zoo weinig bemin. Ik versta u! Zwijgt en geen verwijten meer!quot;

God heelt dus de wereld geschapen, maar bekommert Hij zich nu niet meer over haar, laat Hij haar aan het lot over ? Zeker niet en daarom vraagt de catechismus:

49. Wat doet God, opdat de wereld in stand blijve en aan haar doel beantwoorde ?

God onderhoudt en regeert de wereld.

1. God onderhoudt de wereld, d. i. Hij zorgt, dat ze blijft bestaan en door dezelfde kracht van Zijn wil, waardoor Hij haar heeft geschapen, doet Hij haar voortbestaan, zoo lang als Hij het wil; want, »hoc zou iets bestaan zonder Zijn wil?quot; (Boek der wijsheid 11, 20). Een uurwerk is uit zich zelf niet

69

-

i\'-\': 5 • \'l

|| ■ :\'i J?

• \'SS

.fó.*: n -t

Ü

.1!

i i Mil

-ocr page 76-

DE GROOTE CATECHISMUS.

gangbaar, maar moet zulks gemaakt worden. Een huis, hetwelk niet onderhouden wordt, stort ten laatste in puin. Zoo is het. Zal eene zaak ordelijk blijven bestaan, dan moet er voor haar geregelden gang en onderhoud zorg gedragen worden. Welnu, toen God de wereld schiep, wilde Hij tevens, als Bouwmeester van \'t heelal, dat ze bleef bestaan tot aan het einde, door Hem alleen bepaald en gekend.

2. God regeert de wereld, d. i. God zorgt voor alles en bestuurt alles, tot bereiking van het doel, waarom Hij de wereld geschapen heeft, volgens het woord uit het Boek der wijsheid 6, 8: God hep.ft het kleine en het groote gemaakt, en zorgt op gelijke wijze voor alles.quot; Daar de wereld uit en door zich zelve in de orde en regelmaat niet kan voortbestaan, zooals wij haar dagelijks zien voortgaan, kan het niet anders, of er moet iemand zijn, die alles regelt en bestuurt en de wetten der natuur uitvoert. Welnu, die wetgever en uitvoerder is Hij, die alles door den wil Zijner almacht schiep en als een alwijs en goed Vader ook alles regeert en bestuurt. Zijn vaderzorg strekt zich uit over alle schepselen, groote en kleine, over elk dier, eiken boom en elke plant. De afwisseling van dag en nacht en der vierjaargetijden, de geregelde opvolging van koude en warmte, van regen en zonneschijn, de wasdom in het aardrijk gelegd, het verschil van standen, zoodat de een leeft door den ander, het eene dier tot onderhoud strekt van het ander, dat alles is de voor ons oog levende getuige, dat God alles regeert en bestuur!. Inderdaad, wanneer we zien, dat alle dingen, zelfs de schijnbaar overtollige, blijven bestaan in volkomeu overeenstemming met het geheel, dan worden wij gedrongen te zeggen: God onderhoudt niet alleen, maar regeert en bestuurt ook alles op de wereld van af het kleinste tot het grootste. Niets wijkt van de baan, door God bepaald, en schoon en ordelijk als op den eersten dag na de voltooide schepping, leven, loopen en werken alle schep-

70

-ocr page 77-

DE GROOTE CATECHISMUS.

selen volgens de wetten door den Schepper ia elk schepsel gelegd. Dat onderhoud en bestuur heeft voor God niets bezwaarlijks , want Hij kent den. toestand en de behoefte van elk schepsel en richt door Zijne almacht alles naar Zijn wil en vaste wetten om Zijn doel en het levensdoel van elk schepsel te bereiken. Deze regeering en leiding Gods noemt men de Goddelijke Voorzienigheid.

50. Wil God ook het kwaad, dat in de wereld geschiedt?

God wil het kwaad niet, noch als doel noch als middel; maar Hij laat het toe, en zulks niet om reden dat Hij, maar op voorwaarde dat Hij uit het kwaad het goed kan trekken. Het kwaad te willen, dat druist tegen Zijne heiligheid in.

Dit autwoord strijdt niet tegen Gods voorzienigheid, want God wil het kwaad niet, maar Hij laat het toe als toetssteen van \'s menschen vrijheid en om uit het kwaad het goed te trekken, d. i. Zijne raadsbesluiten te doen uitvoeren. Daarom zeide Jozef, de onderkoning van Egypte, ook tot zijne broeders, 1, Mozes 50, 20: vGij beraamdet kwaad tegen mij; maar God wendde het ten goede.quot; En naar waarheid. Immers, was Jozef niet verkocht, dan ook zou Pharao\'s droom niet uitgelegd zijn geworden; Egypte en omliggende landen zouden versmacht zijn van honger, en de Israëlieten, na een lang verblijf onder de Egyptenaren, niet onder de treffendste wonderen door de woestijn naar het beloofde land getrokken zijn. De wonderteekenen door Mozes en Aüron gewrocht, hadden niet plaats gehad; niemand ware droogvoets door de Roode zee gegaan; de rotsen zouden geen water, de hemel zou geen manr quot; ■ God op den berg Sinaï geen wetten gegeven hebben. eene bijzondere wijze blijkt deze waarheid uit het gro verk der verlossing: èn het veraad van Judas, èn de or vaardigheid der rechters, èn de schanddood van

71

-ocr page 78-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Jesus, richt God tot heil der wereld in. »God heeft de boosheid niet gemaakt,quot; zegt Origenes, anderen hebben haar door misbruik der vrijheid uitgevonden. En ofschoon God zulks verhinderen kan, doet Hij het evemvel niet, en laat den mensch vrij.quot;

Meent ge niet, dat God ziekte, pest, oorlog, hongersnood, vervolging voor Zijne Kerk toelaat, om zoo geheele landen en volkeren tot nadenken en inkeer te brengen en op het pad der deugd te voeren? Zeker, God doet soms mannen opstaan, die we inderdaad geeselroeden Gods kunnen noemen, vergelijk Napoleon, Bismarck enz., en die door hunne handelingen. Zijne plannen dienen, tot welzijn des menschdoms, en daarom vraagt de Catechismus:

51. Waarom zooveel lijden, als God toch als een goed Vader voor allen zorgt ?

1. Opdat de zondaars Gods tuchtiging erkennen en met voor eeuwig te gronde gaan; en 2. de rechtvaardige meer bepi oefd en zoo meer verdiensten zou vergaderen, om daarna grooter loon in den hemel te ontvangen.

1. Lijden en kruis zijn dikwijls de eenigste middelen in Gods hand om den mensch tot boetvaardigheid en verbetering des levens te brengen. Inderdaad, de straf opent de oogen, welke door de schuld gesloten waren. Meent ge, dat de verloren zoon zijne booze wegen verlaten zou hebben, wanneer hem niet zooveel kommer en elleude getroffen had ? Met recht zegt de H. Chrysostomus: »Wat de tuchtroede uitwerkt in de kinderschool, dat doet het kruis in de wereld. Wij kunnen aan weerspannige kinderen zien, hoe heilzaam de tuchtiging werkt, daar zij zonder strenge behandeling niets goeds zullen leeren. Die bestraffing past in nog hoogere graad op de volwassenen, want de misstappen der kinderen

72

-ocr page 79-

DE GROOTE CATECHISMUS.

zijn niet zoo groot als de onze. En vandaar blijft het waar: Onze tuchtmeester en opvoeder is vliet lijden.quot;

2. De H. Schrift leert op vele plaatsen, waarom de rechtvaardigen dikwijls moeten lijden. »Zilver en goud worden door vuur gezuiverdquot; Sirach 2, 5, »de lievelingen van God ecliter in den oven der beproeving.quot; En de Heiland zelf roept ons toe: »Zalig zijt gij, wanneer u de menschen Versmaden en vervolgen en onrechtvaardig kivaad tegen u spreken, om Mijnentwille. Verheugt en verblijdt u, want u loon is groot in den hemel.quot; Denk hier verder aan Jesus zelf en zijn woord: »De knecht is niet heter dan de meesterquot; en zie eens wat schromelijk lijden vele heiligen ter liefde Gods ondergingen. »Die zijn kruis niet opneemt en Mij navolgt, is Mijner niet waardig,quot; ziedaar de proefsteen van Jesus\' kinderen. »Wanneer alles voor den wiud gaat, is het geen kunst om braaf te zijn, maar in het kruis wordt de christen erkend. Bij goed weer en stillen wind kan men allicht stuurman zijn, maar bij storm en onweder komt liet verstand des schippers vooral uit. »Goed goud doorstaat de vuurproefquot; Drexel.

73

ACHTSTE LES.

aj OVER DE GOEDE ENGELEN.

52 Welke zijn de redelijke schepselen, die God geschapen heeft?

Dit zijn de engelen en de menschen.

Behalve de zichtbare wereld, waarin wij ons bewegeu, heeft God ook nog eene onzichtbare geschapen, namelijk ontelbare geesten, die wij engelen (boden Gods) noemen en wier aantal, volgens den profeet Daniël 7, 10, legio is: »Duizendmaal duizend dienden Hem (God) en duizendmaal hon-

\'H

-ocr page 80-

DE GROOTE CATECHISMUS.

derdduizend stonden voor Hein.quot; Zij worien verdeeld in negen klassen of koren, en wel in engelen, aartsengelen, krachten, machten, heerschappijen, opperheerschappijen, tronen, cherubijnen en serafijnen. Zij worden boden Gods genoemd, omdat ze Zijn wil en Zijne openbaring den menschen bekend maakten.

53. Hoe waren de engelen, toen God hen schiep ?

Zij waren alle goede en gelukkige geesten, met de heerlijkste gaven, ook met vrijheid, voorzien.

De H. Dionysius beschrijft de heerlijkheid en het geluk der engelen op de volgende wijze: ïEen engel is het levendigste en schoonste beeld der goddelijke schoonheid zelve, de helderste spiegel, wiens stralen vau het goddelijke uitgaan en daarop terugkaatsen.quot; Voorzien van verstand en vrjjheid, maar als geesten geen lichaam bezittend, hebben zij het vermogen om het goed van het kwaad te onderscheiden door hun verstand, en het als zoodanig erkende, te ivillen of niet.

54. Welke is de bestemming der goede engelen ?

De bestemming der goede engelen is God te dienen en te loven en de menschen in het werk des heils behulpzaam te zijn.

Daarom zegt de Schriftuur: »De Heer heeft Zijne engelen bevolen, opdat zij u, op alle wegen beschermen.quot; En op eene andere plaats lezen wij, dat de engelen voor Gods troon geknield liggen en Hem in eeuwigheid het driewerf »heiligquot; toezingen.

De engelen, die meer van nabij, ons geestelijk en tijdelijk welzijn behartigen, noemt men engelbewaarders, die God aan ieder mensch schenkt. Deze zijn zeer met ons heil begaan; zij beminnen en beschutten ons; zij bidden voor ons, vermanen ons om deugdzaam te leven en boezemen ons een afschrik

74

-ocr page 81-

DE GROOTE CATECHISMUS.

tegen de zonde in; zij troosten ons in droefheid en lijden, en staan ons bij, van af den beginne des levens, tot aan het graf. Wel moclit dan de H. Bernardus zeggen; »jDe engelen dragen ons zweet en onze tranen tot God, en zij brengen ons weder-keerig Gods gaven, genaden en zegenquot; Een engel redde Lot uit Sodoma\'s ondergang. De engel Raphael vergezelde den jongen Tobias op zijne reis, beschutie hem in de gevaren en genas zijns vaders blindheid. Deze engel zeide ook tot Tobias : » Toen gij onder tranen baadt, en uw eten liet staan om de dooden te begraven, heb ik uw gebed voor den Heer gedragen.quot; Gabriël bracht Maria de boodschap van haar goddelijk moederschap. Petrus werd door een engel uit den kerker verlost en Jezus zelf in de woestijn door engelen gediend.

55. Wat zijn wij aan de goede engelen verschuldigd ? Wij moeten hen godvruchtig eeren, hen voor hunne zorgen danken en hunne ingevingen volgen.

De H. Bernardus vermaant ons daartoe met de volgende woorden: »Hoe groot moet uw eerbied, uwe aandacht en uw vertrouwen voor uw bewaarengel niet zijn? Eerbied moet gij hebben voor zijne tegenwoordigheid, aandacht met betrekking tot zijne goede gezindheid en vertrouwen met het oog op zijn steun en zijne hulp. Waar ge u ook bevindt, in eiken hoek, heb eerbied voor uw engel.quot; En in het 2e Boek Mozes 23. 20—21, lezen wij: »Zie, Ik zend mijn engel voor u uit, geef acid op hem, hoor zijne stem en wil hem niet versmaden.quot; »Een ieder onzer,quot; zegt Origenes, »staat een engel ter zijde, die ons bestuurt als een wijs raadgever, die ons vermaant als een vriend, die ons leidt als een machtig en ervaren aanvoerder.quot; Wie onzer zou zulk een raadgever, vriend en aanvoerder afwijzen? Eu dit geschiedt evenwel door de zonde. Ja, door de doodzonde verlaat hij ons, in zekeren zin, en de engel der duisternis neemt als \'t ware zijne plaats in. God behoede ons voor dat ongeluk!

75

-ocr page 82-

76 DE GROOTE CATECHISMUS.

h! OVJSli DE KWADE ENGELEN, DE DUIVELS.

56 Zijn alle engelen goed en gelukkig gebleven ?

Neen; eenia;e zijn aan God ongehoorzaam geworden en daarom in de hel gestort, en deze worden duivelen genoemd.

De profeet Isaïas en de Apostel Joannes schilderen ons in beeld hun val. Is. 14, 12—16, Op. 12, 7—9 als volgt; «Lucifer, de volmaaktste en heerlijkste onder de engelen, die gelijk de morgenster opging, (vandaar Lucifer, lichtbrenger), sprak in zijn hart; ik wil ten hemel opstijgen en mijn troon boven de sterren Gods opslaan; ik wil mij boven de wolken verheffen en den Allerhoogste gelijk zijn. Toen greep er een groote strijd in den hemel plaats. Michael streed met zijne engelen tegen (Lucifer) den draak en de draak streed met zijne engelen; maar zij zegevierden niet en ia den hemel werd hunne plaats niet meer gevonden.quot; De duivel weigerde God de verschuldigde gehoorzaamheid en wilde Hem gelijk zijn. Door de afschuwelijke zonde van trotschheid en hoo-vaardij werden zij een gruwel in God\'s oog; Zijne heiligheid belette Hem hen verder te beminnen en Zijne rechtvaardigheid stiet hen voor eeuwig in de hel. »(rud heeft de engelen, die zondigden, niel gespaard, maar hen in de banden der hel. in den afgrond nedergestort en aan kwellingen overgegeven.quot; Pet. 2. br. 2, 4. En in den brief van Judas 6 vers, lezen wij; » Ook de engelen, die hunne waardigheid niel bewaarden, en hunne woning moesten verlaten, heeft Hij tot den algemee-nen oordeelsdag w el eeuwige banden in de duistern is yekelend.

57. Doen de kwade engelen of duivels ook iets om ons ongelukkig te maken ?

Ja, zij trachten op alle wijze ons tot zonde te brengen en van God en Zijn dienst af te trekken.

Zoo rusteloos de goede engelen zijn om ons tijdelijk en

-ocr page 83-

LIE GUOOTE CATECHI3MJS.

eeawig geluk te bevorderen, even ijverig zijn de duivels er altijd op uit om ous voor tijd en eeuwigheid ongelukkig te maken. Van zelf doet zich de vraag op : wat voor reden de duivels toch hebben om, gelijk de H. Petrus I. 5, 8, zegt, rond te loopen als brullende leeuwen, zoekende wien ze kunnen verslinden ?

Eene eerste reden is nijd tegen den mensch, wijl zij weten, dat de mensch, voor een gedeelte uit stof geschapen, bestemd is, eenmaal hunne plaatsen in den hemel te bezetten, waaruit zij voor eeuwig verbannen zijn.

De tweede reden is haat tegen God, die hen naar verdienste gestraft heeft. Daarom trachten zij Gods werk in ons af te breken; want door Gods barmhartigheid en liefde zijn wij geschapen, verlost en geheiligd voor den hemel, en de duivels willen, tegen Gods bedoeling in, verdoemeliugen van ons maken en God zoo in ons treffen. Met dat doel zien we hem reeds werkzaam bij het eerste menschenpaar en helaas! zij schonken hem geloof en zondigden.

Ben groot bewijs zijner werkzaamheid (door Gods toelating) leveren ons de bezetenen, wie hij niet alleen htt gebruik hunner zielskrachten roofde, maar ook vreeselijk in hunne lichamen pijnigde. Marc. 1, 2, 3; 5,2. En van Judas, den verrader, leeren wij: »de duivel gaf Judas in het hart om den Heer te verraden;quot; — »en na het avondmaal genuttigd te hebben, voer de duivel in hem.quot; Joh. 13, 2 en 17.

Bij onze gebeden en verrichting van andere goede werken, legt de duivel ous dikwijls allerlei hindernissen in den weg om zoo onze verdiensten te rooven. Schoon zegt daarom de H. Petrus Damianus: »Wanneer wij bidden of God lofzingen, dan dragen wij God een offer op. Als roofvogels vliegen de helsche geesten rondom dat offer en bezoedelen en bevlekken het door ingeving van verkeerde en slechte gedachten . ... Wees dus op uwe hoede en weer, even als Abraham bij zijn offer, de muggen af.quot;

gr. gat. 0

77

-ocr page 84-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Dan weer stelt hij ons de zonde als kleinigheden voor, te klein, om door God, die zoo goed is, zoo zwaar gestratt te worden, en nauwelijks heeft hij ons verstrikt, of bij fluistert ons in: »wat hebt gij gedaan ?quot; »Ik zou ze niet duiwen biechten,quot; of wel; »uwe zonden zijn te groot om vergiffenis te hopen (wanhoop), of; gij kunt u toch niet oprecht bekeeren en braaf leven, zondigt maar toe (verharding in de boosheid), of; met ééne biecht is alles weer goed te maken (zondigen op Gods barmhartigheid). En zoo tracht bij van ons bart een poel van boosheid en bederf te maken. Waarom laat God zulks toe?

God laat de verzoekingen van Satan toe, opdat ze strekken tot heil van den mensch. Immers op het zien van Jesus\' macht, waarmede bij de duivelen uitdreef, stonden de joden verbaasd en zeiden: »Wat is dat voor een woord, dat zulk eene kracht bezit, dat Hij (Jesus) met macht en gezag de onzuivere geesten gebiedt, en zij gaan uit.quot; Luc. 4: 33—37. Dit wonder was een der middelen om het geloof aan Jesus\' Woord meer en meer te bevestigen.

De H. Cbrysostomus leert: »God heeft den duivel niet vernietigd op het oogenblik van zijne zonde uit zorg voor ons zielenheil. Was den duivel zooveel macht gelaten, dat alles voor bem moest onderdoen, dan zou het tegen Gods goedheid en wijsheid strijden, dat Hij hem niet vernietigd heeft, maar des duivels macht kan slechts, wat. God toelaat; hij kan verzoeken en bekoren; het ligt aan ons, met Jesus te zeggen; Wijk Satan, niet uw, maar Gods wil moet alleen volbracht worden. God wilde ons zoo eene voortdurende seleffenheid

c3 O

geven te overwinnen en voor elke overwinning eene nieuwe parel aan onze kroon te verdienen. Waarom mort ge dan over de heerlijke gelegenheid, uw moed te toonen en den hemel te verdienen.

Dat we dan waken, bidden en op Gods bijstand vertrouwen, en de aanvechtingen des Satans zullen ons ten goede komen.

78

-ocr page 85-

DE GROOTE CATECHISMUS.

»Grijpt voor alles het schild des geloofs, waarmede gij alle vurige pijlen van den hooswicht kunt uildooven.1\' Epli. 6: 16, en: » Weerstaat den duivel en hij zal vluchten.quot; Jac. 4: 7 en wacht u, dat ge door de zonde Satan niet gelijkend of zijn ntedelielper wordt.

NEGENDE LES.

OVER DEN MENSCH.

57. Wat is de mensch ?

Een redelijk schepsel Gods, naar Gods evenbeeld geschapen, bestaande uit eene onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam.

1. De menscli bestaat dus uit twee bestauddeelen : ziel en lichaam. Zijn lichaam is niets dan stof en zal tot stof weder-keeren; want zoo sprak God: nGij zijt stof en zult tot stof wederkeeren.quot; 1 Mozes 3: 19. Naar liet lichaam overtreft de mensch alle overige zichtbare schepselen door zijn wezen en door zijne gestalte.

De mensch is eene wereld in het klein, d.i.: alle stoffen en krachten der wereld zijn als het ware in hem ver-eenigd, zoodat hij met alle andere schepselen iets gemeen heeft, met de steenen het zijn, met de planten en dieren het leven en voelen, met de engelen het begrip.

In zijne gedaante overtreft de mensch alle overige zichtbare schepselen in schoonheid. Er bestaat niets schooner dan het gelaat van den mensch, niets kunstiger dan zijn lichaamsbouw. Al de onderdeelen van zijn bouw werken geregeld samen. Alle deelen werken, lijden en verheugen zich te zamen.

En, daar de mensch door rechte houding (gang) even ge-

79

1:1

-ocr page 86-

DE GROOVE CATECHISMUS.

makkelijk naar boven als naar heneden ziet, blijkt dat God hem daardoor uitwendig beteekeude, dat liij niet slechts voor deze benedenweveld, maar ook voor eene hoogere, den hemel geschapen is. Daarentegen heeft de Schepper den blik van het dier naar heneden gericht, omdat het alleen voor deze wereld geschapen werd.

2. Het tweede bestanddeel, waaruit de mensch bestaat en wat hem boven de andere zichtbare schepselen verheft, is zijne ziel, en deze is naar Gods evenbeeld geschapen en onsterfelijk.

Naar Gods evenbeeld geschapen zijn, wil zeggen: de mensch heeft iets met God gemeen en dat gelijkende kan niet bestaan in \'s menschen lichaam, wijl God geen lichaam heeft; het moet derhalve bestaan in zijne ziel. En terecht, want de ziel is een geest, een niet-stoffelijk wezen, dat verstand, geheugen en vrijen wil bezit of wel, dat denken, willen en volbrengen kan. Die ziel heeft God uit niets geschapen; Hij blies haar in het lichaam.

Ter verduidelijking: Wat is de ziel? De ziel is een ondeelbaar wezen, d. i. een wezen, dat niet bestaat uit deelen, zoodat zij noch te ruiken, noch te voelen, noch te hooren, noch te proeven, noch te zien is, en toch is het de ziel met het lichaam, die ziel, hoort, proeft, enz. Zij ziet door de oogen, zij hoort met da ooren, zij ruikt met de neus, zij proeft met de tong, zij gevoelt door liet lichaam.

Daar nu het lichaam zonder de ziel niet zien of hooren kan enz., maar de ziel hoort en ziet met het lichaam, zoo is het de mensch, die hier zegt: »Ik heb u verstaan.quot; Zij bezit dus verstand.

Wanneer ik u nu vraag: Waaraan weet gij, dat de ziel en het lichaam den mensch maakt, dan zult ge antwoorden : Wijl het lichaam van de ziel gescheiden is en gij geeft den grond van uw antwoord en dat noemt men de

80

-ocr page 87-

DE GI100TE CATECHISMUS.

rede. De ziel Tbezit dus iets redelijks, is redelijk, en het dier is niet redelijk (bewijzen).

De herinnering aan iets, wat ge vroeger gezien of gehoord hebt, wordt nu en dan in u opgewekt, en dat noemt men geheugen. En ook dit werkt de ziel uit, Zij bezit dus geheugen.

Verbeeld u, daar staan twee spijzen voor u, waarvan de eene vergiftigd is, de andere niet. Het is u vrijgelaten te nemen, welke gij wilt, niemand dwingt u; dan zult ge zeker de niet vergiftigde verkiezen. Welnu, dat noemt men vrijen wil. Niet een ander, maar gij zelf hebt vrijwillig de spijs gekozen. De ziel bezit derhalve drie eigenschappen, verstand, geheugen en vrijen wil.

De gewaarwordingen en aandoeningen, welke de mensch niet zelden, zoowel ten goede als ten kwade, ondervindt, vinden alle hun oorsprong in de ziel. Bewondering en afkeuring, hoop en vrees, medelijden, gierigheid en hardvochtigheid, treurigheid en blijdschap, schrik, koelbloedigheid, liefde en haat, nijd en tjorn, verhardheid en schaamte, deugd en boosheid, enz., alle vinden hun uitgangspunt in de ziel.

3. Waarin bestaat nu de natuurlijke gelijkenis van den mensch met God, wijl die niet in het lichaam bestaan kan?

De mensch heeft een geest, en God is ook een geest. Onze ziel bezit eene geestelijke ondeelbare natuur. God eveneens. Er is maar één God, drievuldig in personen, de Vader, de Zoon en de H. Geest en ook hierin gelijkt de ziel op God, wijl zij één en ondeelbaar zijnde, evenwel uit drie krachten bestaat : verstand, geheugen en vrijen wil. God is almachtig. Hij kan alles, wat Hij wil; de mensch kan niet alles (dan ware hij God), maar in macht staat hij boven alle redelooze schepselen, daarom is hij op God gelijkend. God is oneindig goed en barmhartig; ook de ziel bezit het vermogen, zich goed en barmhartig jegens zijne naasten te betoonen, daarin is zij we-r

81

-ocr page 88-

DE GROOTE CATECHISMUS.

der op God gelijkend. God is oneindig wijs, en ofsclioon de wijsheid des menschen beperkt is en niet oneindig, richt en bestuurt zij toch andere schepselen in de menschelijke samenleving. Ook hierin gelijk zij dus op God. God is alwetend: Hij weet alles. De mensch staat in zijne wetenschap en kennis ook boven alle stoffelijke schepselen en is dus in zijne kennis op God gelijkend. God is alom tegenwoordig. De mensch is door zijn denk- en herinneringsvermogen ook in staat, zich met zijn geest naar verschillende en verafgelegen plaatsen te bewegen. Ziedaar de ziel van den mensch als natuurlijk evenbeeld van God geteekend, d.i. met zijne aangeboren gaven.

4. Waarin bestaat de bovennatuurlijke gelijkenis van den mensch op God?

Hierin, dat God zijne ziel heilig en rechtvaardig maakt, en haar met deze bovennatuurlijke eigenschappen, boven en behalve de natuurlijke gaven versierde. Zoo is het: het natuurlijk evenbeeld brengt de mensch mede op de wereld, het bovennatuurlijk niet; het natuurlijk evenbeeld zijn is eene natuurlijke gave, het bovennatuurlijk evenbeeld kan men verliezen, het natuurlijk niet, zooals uit de geschiedenis van het eerste menschenpaar zal blijken.

58. Kan men de onsterfelijkheid der ziel op de volgende gronden betvijzen ?

Ja; want

a. De ziel is iets geheel anders dan het lichaam, iets anders dan de dieren, steenen, kruiden en bloemen. Bloemen en kruiden, boomen en planten verwelken en sterven en ook de mensch sterft. Waarom? Omdat de mensch met die schepselen iets gemeens heeft. Hij groeit op als de bloemen, enz. hij bloeit als de bloemen en bezit, even als zij, verschillende kleuren. Vandaar is het natuurlijk, dat hij, evenals de bloe-

82

-ocr page 89-

DE GROOTE CATECUISilUS.

men, in de kindsheid kiemt, in de jeugd groeit ,en bloeit, in den mannelijken leeftijd vrachten draagt en in den hoogen ouderdom afvalt, sterft en vergaat.

Het mensclielijk lichaam heeft ook iets met het dier gemeen, namelijk: vleesch, bloed en beenderen. Hij groeit op, gevoelt en leeft als de dieren; maar zijn lichaam kan ook gewond, zwak, ziek worden en moet eindelijk sterven.

b. De ziel echter niet. Wanneer de ziel in het menschelijk lichaam is, dan leeft het; verlaat zij het lichaam, dan is het dood en het is alsof een huisheer zijn huis verlaten heeft, na alle deuren en vensters gesloten te hebben. Er moet derhalve iets levendmakends in de ziel zijn. Wanneer iemand met meer gemak en vlugger wil arbeiden, ontdoet hij zich vau zijne bovenkleeding. Dit is ook het geval met de ziel. Wanneer zij door den dood van het lichaam bevrijd wordt, dan denkt, verstaat en werkt zij vlugger en beter.

c. Wat geschiedt er bij den dood des lichaam? Het valt uiteen en wordt stof en asch, juist zooals een huis in puin valt, waaronder het fundament wordt weggenomen. Maar de ziel is een één en ondeelbaar wezen, en bestaat dus uit geen deelen.

d. De ziel is een geest en God is een Geest, en zoo staat zij tot God gelijk, als esn kind tot ziju vader. God nu is eeuwig, altijd geweest en zal nimmer ophouden te bestaan en zoo ook zal de ziel nimmer sterven; want kon de ziel sterven, dan was zij geen evenbeeld Gods, of God moest ook sterven kunnen en dit is niet mogelijk. Vandaar zegt ook het boek der Wijsheid 12:7: »liet stof (het lichaam) keert lueder tot de aarde, waarvan het gemaakt is, en de geest (de ziel) keert terug tot God, die haar gegeven heeft.\'1

e. Een verder bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel vinden wij in Gods rechtvaardigheid, waardoor Hij het goede beloont en het kwade bestraft. Brave menschen slijten soms hunne

83

.JRII

r-

\'

li

1:1 \' .JU

\'l \\.

■p

§

Ir

:|;j \'/v.:

Ifa

lit.:

r t

I

i

-ocr page 90-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

leversdagen in armoede, ellende, kruis en lijden, en sterven eindelijk in den toestand, waarin ze leefden. God nu blijft geen loon schuldig, krachtens Zijne rechtvaardigheid, ja, geeft zelfs honderdvoudig loon. Hoe nu Zijne rechtvaardigheid en Zijne vaderliefde voor alle menschen te verklaren, wanneer de ziel niet voortbesiaat in de eeuwigheid? Is de ziel niet eeuwig, dan is het lot van den dief gelijk aan dat van den bestolene; dan is de moordenaar evenmin te beklagen als zijn slachtoffer; dan is het lot van den verleider even goed als van de onschuld. De hoop op de eeuwige belooning en op een zalig wederzien, droogt immers de tranen van den kruisdrager, van weduwen en weezen, van den belee-digde, en doet de onrechtvaardigheden en beleedigingen vergeven en vergeten. Zeker, is er een rechtvaardig God, dan zal Hij hier of hiernamaals de deugd beloonen en de ondeugd en boosheid straffen.

f) God zond Zijnen Zoon om de menschen te verlossen en zalig te maken. Welnu, die zaligheid vindt de brave mensch niet op deze wereld, want gelukzalig zijn heet, in bestendige vreugde leven, eu deze kan hier niut bestaan; vandaar, dat de ziel tot over het graf moet leven om Jesus\' komst op aarde en Zijn verzoenend verlossingswerk tot waarheid te maken. De ziel is derhalve onsterfelijk. Daarom zegt Jesus ook: » Waar Ik hen, zal ook eens Mijn dienaar zijn quot; In Mijns Vaders huis zijn vele ivoningen. Ik ga u voor, om eene plaats voor u te bereiden.1\' Op het voortbestaan der ziel doelt het geheele verlossingswerk, aan de eeuwige zaligheid der ziel arbeidt de geheele Kerk, ja om de zalige onsterfelijkheid der zielen te bewerken, is zij door Jesus gesticht, want, verlost zijn, is nog niet zalig zijn. »Verlost zonder ons toedoen, zullen wij toch niet zalig worden, zonder onze medewerking.quot; (H. Aug.)

Wat een gevaarlijk spel spelen zij dan, die leven alsof ze

84

-ocr page 91-

[JE GROOTE CATECHISMUS.

geen ziel te verliezen of te behouden hadden. O! bidden wij dikwijls, bidden we dagelijks om een zaligen dood, opdat, als het lichaam ons ontvalt, onze ziel toegelaten worde tot de eeuwige zaligheid, die Jesus voor ons kocht en betaalde met Zijn kostbaar bloed. — Nu wij weten, wat de mensch is, komt de vraag:

59. Waartoe is de mensch geschapen?

Om in dit leven God te kennen, te dienen, te beminnen en Hemna dit leven eeuwig te aanschouwen.

Wij zien dus, dat de mensch niet alleen op aarde is om te arbeiden, te eten en te drinken en ten laatste te sterven en geheel tot stof weder te keeren. Neen, zijn doel, zijne bestemming ligt veel iiooger; hij is op aarde om door kennis, dienst en liefde van God, bekwaam te worden Hem eeuwig in den hemel te aanschouwen. De ziel moet dus onsterfelijk zijn. Welk een schoone toekomst heeft Gods liefde den menschen bereid; terwijl alles zal sterven en tot stof wederkeeren, is de mensch bestemd om eeuwig Gods glorie en zaligheid in den hemel te deelen.

Opdat de mensch echter aan zijne bestemming kunne beantwoorden, moet hij God kennen; want zonder die kennis kan hij Hem noch dienen, noch beminnen. Immers »onbekend maakt onbemind,quot; zegt het spreekwoord, ja, wij zijn zelfs niet in staat, iemand liefde toe te dragen en zijne bevelen te gehoorzamen, wanneer bij ons volstrekt onbekend is. Vandaar, dat we voor alles moeten trachten. God, het volmaakte Wezen, den Heer en Meester van leven en dood, te leeren kennen zoodat Hij het wijste is, die Hem het beste kent. Wat zal het baten voor Gods rechterstoel alles gekend te hebben, maar God niet?

De kennis van God leert ons, dat we hier en in de toekomst geheel van Hem afhang en en ons lot voor tijd en eeuwigheid

85

-ocr page 92-

86 DS GROOTE CATECHISMUS.

in Zijne handen berust en daardoor bevangt ons heilige vrees, die ons tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aanspoort.

Beschouwen wij, door die kennis geleid. God als de opperste goedheid in Zichzelven en ook tegenover ons; zien wij de giften en gaven, waarmede Hij ons naar ziel en lichaam als overstelpt, dan gevoelen wij ons gedrongen, Hem innig weder te beminnen, die ons het eerst heeft liefgehad. Waarlijk, die God kent, zal Hem om Hemzelven en uit eigen belang, geen gehoorzaamheid weigeren, en die Hem gehoorzaamt, toont daardoor ook, dat hij Hem oprecht bemint en aan die liefde is de hemel toesezesd.

J,

60. Wie waren de eerste menschen, door God geschapen?

De eerste menschen waren Adam en Eva.

Na de schepping der dieren sprak God: vLaat Ons den mensch maken naar Ons beeld en Onze gelijkenis.quot; gt; Dat hij heersche over de geheele aarde en alles, wat zich daarop beweegt, over de vogelen des hemels, over de visschen der zee en over de dieren.,, »En God schiep den mensch naar \'/lijn evenbeeld: naar het evenbeeld Gods schiep Hij hem.quot; Het lichaam van den eersten mensch vormde God (volwassen) uit leem der aarde en blies in het aangezicht den levensadem, d.i. Hij schiep eene onsterfelijke ziel en ver- enigde haar met het lichaam, en de eerste mensch was aanwezig. God noemde hem Adam (Aardman) en voerde tot hem alle dieren om hen een naam te geven.

Daarna sprak God: »Het is niet goed, dat de mensch alleen zijquot; en Hij schiep de vrouw. Tot dat einde nam God uit den slapenden Adam eene rib, bouwde die aan tot een lichaam (schiep de ziel daarin) en Eva (mannin), — zoo noemde God de eerste vrouw — was geschapen. God bouwde uit eene rib des mans, de vrouw, opdat zij elkander oprecht zouden be-

-ocr page 93-

DE GROOTE CATECHISMUS.

minnen, en zóó vereenigd zouden leven, alsof zij beiden slechts één mensch uitmaakten. Op deze wijze werd het huwelijk ingesteld, wanrom de Schriftuur zegt: »Daarom zal de man zijn vader en zijne moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en de twee zullen zijn tot eenen mensch.quot; Van deze twee men-schen stammen alle menschen af, die sedert het begin der wereld geweest zijn en ooit zullen zijn.

61. Waar plaatste God de eerste menschl

In het aardsche paradijs, eenen aangenamen en schoonen lusthol (of tuin)

De tuin, door God zelf tot een lusthof gemaakt, zal zeker over-schoon geweest zijn en in alle deelen hebben nitgemuut. Zijne wijsheid en almacht waren overal zichtbaar, opdat Zijne vrienden niets ontbreken zou. Die tuiu was immers bestemd voor den koning der geschapen wereld!

62. In welk een staat schiep God de eerste menschen ?

In staat van onschidd en heiligheid, van geluk en onsterfelijkheid.

Niets ontbrak hen; zij hadden geen lijden, geen ziekten, seen kommar of ellende te verdragen en waren niet aan den

O O

dood onderworpen, zoodat ze volgens de leer der Vaders, na eenigen tijd geleefd te hebben, met lichaam en ziel aan de zaligheid deel zouden gekregen hebben. Hun verstand was verlicht in al hun doen en laten, hun wil ten goede geneigd en rechtvaardig, en zij bespeurde niet de minste neiging tot het kwaad.

63. Wat moesten zij doen om in dien gelukkigen staat te blijven ?

Ze moesten aan God gehoorzaam zijn en Hem getrouw dienen.

87

-ocr page 94-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Onder de vele boomen, die het paradijs versierden, was de boom des levens, waarvan zij moesten eten en ook de boom der kennis van goed en kwaad, nldus genoemd, omuat de mensch, in dien hij er van at, zou verkrijgen een kennis van goed en kwaad uit ervaring of ondervinding, dat is, uit het voelen van de gevolgen dier zonde. Het eten van die vrucht was in zich zelf geen kwaad, maar omdat het verboden was. Immers:

64. Waardoor heeft God hunne gehoorzaamheid willen beproeven!

Door hun een gebod te geven, dat ze van de vracht eens booms (der kennis van goed en kwaad,) die midden in het paradijs stond, niet zouden eten.

God had diquot;n boom midden ia het paradijs geplaatst, opdat ze hem, van welke zijde ook komend, altijd voor oogen zouden hebben en zij zich daardoor ook voortdurend zijn verbod zouden herinneren. zEet van alle boomen in het paradijs,quot; aldus sprak God tot Adam en Eva, ernaar van den boom der kennis van goed en kuiaad moogt gij niet eten; want op den dag, dat gij daarvan eet, zult gij sterven.quot; Dit was het kleine bewijs van gehoorzaamheid en dankbaarheid, dat God voor al Zijne weldaden van hen verlangde, behalve hetgeen zij God van zelf als menschen verschuldigd waren krachtens de natuurwet, aan welker naleving bovendien een gelukkig leven op aarde en een eeuwig zalig leven in den hemel verbonden was.

TIENDE LES.

OVER DE ERFZONDE.

65. Zijn Ad am en Eva aan Godgehoorzaam geweest!

88

-ocr page 95-

lit urtOOTE CATECHISMUS.

Neen, zij hebben van deverboden vrucht gegeten.

Verneem, hoe zij daartoe gekomen zijn. Het overgroot geluk naar ziel en lichaam, door God den mensch toegedacht, was Satan een doorn in \'t oog. Zal de mensch, zoo dacht hij wellicht, voor een gedeelte uit stof en aarde gemaakt, onze ledige plaatsen in den onvergetelijken hemel, die wij eeuwig moeten derven, innemen, en zal God de vreugde genieten, dat alle redelijke schepselen aan het doel beantwoorden en zalig worden, wij verduivelde engelen alleen niet, wij, die voor den hemel geschapen zijn? Dat nooit; zoo mogelijk zal ik het beletten. Het gebeurde eens, dat Eva laugs den boom ging, welks vruchten God verboden had te eten en in hare nabijheid eene slang zag onder welke gedaante de duivel zijne afschuwelijk wezen verborgen hy,d, en die met haar het volgende gesprek hield: » Waaromeet gij niet van alle vruchten uit denhof.quot; » Wij eten van alle vruchten, maar van de vrucht des booms, die midden in staat, heeft God ons verboden te eten, en gezegd, dat we zidlen sterven, wanneer we daarvan etenquot; antwoordde Eva. De duivel hernam: »Neen, gij zult niet sterven, zoo gij er van eet, maar weten, wat goed en kwaad is, (helaas ! maar al te waar) niet langer aan God onderworpen zijn en uw eigen wil doen? Door die schoonklinkende woorden en beloften verleid, welke hare trotschheid prikkelden, zag zij opwaarts naar de vrucht, vond haar schoon, plukte ze, at en gaf er Adam ook van te eten ; helaas ! de eerste zonde, de oorzaak van alle andere zonden en ellenden was bedreven en had vasten voet op de wereld gekregen.

66. Was die ongehoorzaamheid eene groote zonde? Ja, omdat zij den duivel meer geloofden dan God.

Daar de eerste menschen een onverzwakt verstand en een onverzwakten wil bezaten, was de kennis, welke zij van God en Zijne grootheid en majesteit hadden, veel vollediger dan

89

-ocr page 96-

DE GROOTE. CATECHISMUS.

die, welke wij bezitten. Daarom ook viel liet hun veel gemakkelijker dan ons, Zijne geboden ua te leven en Hem te dienen, en hunne bestemming te bereiken; maar daarom ook was de overtreding van Gods gebod, eene onbegrijpelijk zware zonde, wijl zij de slang meer geloof en vertrouwen schonken dan God en zoo hunne rede en hun verstand misbruikten en het onmogelijke wilden, namelijk aan God gelijk zijn. 1 Mo-zes 3. Om de grootheid dezer zonde begrijpelijk te maken, schrijft de H. Augustinus, de civit Dei, 14e boek, 15e Hoofdstuk; »God werd beleedigd, die het gebod gegeven, die den mensch geschapen, die hem naar Zijn evenbeeld gevormd, die hem boven alle andere schepselen verheven, die hem in het paradijs geplaatst, die hem de volheid aller genade en de zaligheid geschonken, die hem noch tot meerdere noch tot zwaardere geboden verplicht had.quot;

Nauwelijks was de verboden vrucht gegeten of de oogen gingen hun open, zooals de duivel maar al te waar voorzegd had. Eene groote vrees beving hen en zij bemerkten, dat ze naakt waren, en verborgen zich uit vrees en schaamte achter de boombladeren. Maar wat helpt het, zich voor een alweten-den God, den getuige van hunne zondige daad, te verbergen? Weldra verscheen God in het paradijs en riep: gt;Adam, waar zijt gij ?quot; Adam antwoordde: Ik vrees, mij aan U te vertoo-nen.quot; »Waarom vreest gij,quot; sprak God, »is het omdat gij van den verboden hoorn gegeten hebt?quot; Adam antwoordde: gt;De vrouw heejt mij daarvan gegeven.quot; Nu richtte God het woord tot Eva en vroeg: Waarom hebt gij dat gedaan?quot; Zij antwoordde: ygt;De slang heeft mij verleid.quot; Beiden verontschuldigden zich. Adam gaf de schuld aan Eva en deze aan de slang. Ook beiden trof de vloek des Heeren en den verleider eveneens. In Zijn rechtmatigen toorn sprak God tot de slang: *Zijt vermaledijd onder alle dieren der aarde, omdat gij dit gedaan (verleid hebt tot zonde) hebt. »Op uw buik

90

-ocr page 97-

DE GROOTE CATECHISMUS.

zult gij kruipen en u met aarde voeden. Nu moest Eva haar ongelukkig vonnis vernemen : Gij zidt, ter wille van uwe kinderen veel smart te verduren hebben en door mv man heheerscht worden. Vergramd richtte Hij zich nu tot Adam en zeide: ygt; Wijl gij naar de vrouw geluisterd hebt, zij de aarde vervloekt om uwentwille\', distelen en doornen zal zij voortbrengen en in het zweet uws aanschijns zidt gij uw biood eten, totdat gij wederkeert in de aarde, waarvan gij gemaakt zijt; want gij zijt stof en zult tot stof wederkeeren.quot;

Bevend van schande en schaamte staan de, nog kortgeleden, zoo gelukkige menschen voor God en wachten met angst af, wat hun verder zal overkomen. Nadat God hunne naakte ledematen bedekt had met kleeden uit huiden vervaardigd, werden zij door Gods wraakengel met het zwaard uit het paradijs verdreven, om de aarde te bebouwen. Merk hierop: Voor de zonde gaf hunne naaktheid geen aanleiding tot zonde, maar helaas! nu ze het kwaad kennen, moet door de kleeding zooveel doenlijk tegen de ergernis gewaakt worden.

67. Welke straffen heeft die zonde hun naar ziel en lichaam berokkend ?

1°. Naar de ziel verloren zij de genade Gods en en het recht op den hemel; 2° naar het lichaam werden zij aan lijden en dood onderworpen.

a. Naar de ziel verloren zij het bovennatuurlijk evenbeeld Gods, d. i. onschuld en heiligheid, in wier plaats schuld en boosheid kwamen, en ten gevolge daarvan ging het kindschap Gods en hst recht op den hemel geheel verloren; want door de doodzonde wordt de heiligheid en rechtvaardigheid uit het hart en de ziel uit den hemel gebannen.

b. Het natuurlijk evenbeeld Gods werd door de eerste zonde ook ten deele in de ziel verwoest, naar het schijnt, wel niet in zich, maar dan toch door het verlies der bovennatuurlijke

91

-ocr page 98-

DE UltOOTE CATECHISMUS.

gaven. Om verstand werd verduisterd en wij kunnen het goede en de waarheid niet zoo gemakkelijk als voor de zondeval, van het kwade en den leugen onderscheiden. Onze wil is zóó verzwakt en tot het kwade geneigd, dat het ons groote moeite en inspanning kost, te willenen te doen, wat God wil, zoodat wij in onzen tegen woordigen toestand, zonder de hulp der genade, niet de geheele natuurwet kunnen onderhouden. De H. Paulus zegt: Dik gevoel in mijn lichaam eene wet, die de wet van mijn geest weerstreeft. Kom. 7: 23.

2. Naar het lichaam heeft de eerste zonde ook vreeselijke gevolgen veroorzaakt: Kou en hitte, honger en dorst, gebrek en armoede, lijden en kruis, ziekte en eindeljjk de dood. Ziedaar, zooveel erfstukken der zonde. Op het zien en ondervinden van al die plagen roepen wij uit: »De wereld is een tranendal.quot; Schreiend wordt de mensch geboren en weenend verlaat hij de wereld, die hem veel beproeving en misleiding opleverde, wat hij echter gedeeltelijk aan eigen begeerlijkheid te wijten heeft. (Door voorbeelden ophelderen.)

Eene zware kastijding en bestmffing veronderstelt ook eene groote misdaad; hoe groot moet dan de ongehoorzaamheid, die ééne zonde van Adam en Eva dan niet geweest zijn, daar zij door God, den beste der Vaders, met zulk eene zware straf geslagen werd.

68. Heeft Adam alleen zichzelven door de zonde ongelukkig gemaakt?

Neen, hij heeft al zijne nakomelingen in het ongeluk medegeamp;leept.

Adam heeft alle menschen in het ongeluk medegesleept, wil zeggen, dat alle menschen die ooit geleefd hebben, nog leven en eenmaal leven zullen, in een zondigen toestand worden geboren en de gevolgen van Adams eerste zonde, ofschoon

92

-ocr page 99-

de groote catechismus.

niet alle met liom gemeen hebben. Adam was onschuldig en heilig, gelukkig en onsterfelijk vóór de zonde, en die bovennatuurlijke en natuurlijke aangeboren gaven zouden ook wij, zijne kinderen van hem erven; zij zouden de onze zijn geworden; gelijk de goederen des vaders op liet kitul overgaan. Maar, helaas! hij zondigt en daardoor wordt hij schuldig en boos, ongelukkig en sterfelijk, en die vreeselijke verandering is nu ook van hem op ons, zijne kinderen, overgegaan, behalve, voor zoover die zonde zijne persoonlijke daad was en de daaraan verbonden pijn der hel. Het is geen schuld van onzen persoon, maar een schuld der natuur, die ook wij bezitten. Wij hebben geen zonde gedaan, maar wij verkeeren (bij onze geboorte) in een zondigen toestand of staat. Wij worden nu geboren, 1°. beroofd van de heiligma-kende genade en met verlies van het daaruit volgend kind-scliap Gods en het recht op den hemel; daarom leert de H. Paulas: » Wij waren van natuur kinderen des toorns.quot; Eph. 2, 3. — 2°. Wij worden nu geboren in onwetendheid, begeerlijkheid en neiging tot het kwaad, in een soort van slavernij des duivels; en 3°. zijn wij aan lijden en dood onderworpen. Dit vinden wij treffend uitgesproken by Sirach 40, 1: Veel ellende is den rnensch aangeboren en een zwaar juk drukt Adam\'s kinderen van den dag hunner geboorte tot aan het graf.quot; En in bet boek der Wijsh. 2, 23: ygt;God heeft den mensch onsterfelijk geschapen, maar door den nijd des duivels is de dood in de wereld gekomen.quot;

De zonde nu, die door Adam bedreven, op alle menschen overgaat, noemt men erfzonde, in tegen stellingvan de dadelijke zonde, welke de mensch door eigen daad bedrijft, welker gevolgen aldus in \'t kort kunnen saauige-vat worden; zij heeft ons van de bovennatuurlijke gaven beroofd en onze natuur gewond, wel niet in zich zelve, maar wijl zij haar berooide van de haar bovennatuurlijk geschon-gr. cat. 7

93

-ocr page 100-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

ken gaven. Maar vraagt hier wellicht iemand: Heeft de zonde de natuur ook geschonden? Zeker, ook zij deelt in den vloek door God na de zoude uitgesproken : » Vervloekt zij de aarde (natuur) om uwentwillequot; zoo luidde het doemvonnis. 1 Moz. 3, 17. Ook hier geen vermindering in zich zelve, maar op de wijze als bij de menschelijke natuur. De vruchtbaarheid der natuur, werd immers zóó verminderd, dat ze distelen en doornen zou voortbrengen en dat tegenover de goede eigenschappen, welke ze voor de zonde bezat, zich daarna ook kwade deden gelden. Wie deukt hier niet aan misgewas, hagelslag, vuur- en waterschade, storm, bliksem, onweer enz. ?

Den mensch werd zij ook in eenige opzichten vijandig en weerspannig. Toen hij God de gehoorzaamheid had opgezegd, weigerden eenige schepselen ook hem onderdanigheid, en terwijl de natuur thans den mensch in vele opzichten van dienst is en tot nut verstrekt, tracht zij van een andereu kant hem tevens te schaden. De heerschappij van den mensch over de natuur werd dus ingekrompen, maar niet geheel opgeheven.

69. Zijn alle rnenschen zonder uitzondering met de erfzonde bevlekt?

Ja, behalve onze Verlosser Jesus Christus en zijne Moeder, de H. Onbevlekte Maagd Maria.

(Dit antwoord wordt later verklaard en toegelicht.)

E L F D E L E S.

DE BELOFTEN VAN EEN VERLOSSER, enz.

70. Hoe zou het nu na de zonde van Adam in eeuwigheid met de rnenschen gaan, indien God hen uiet geholpen had?

94

-ocr page 101-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Ware God hen niet te hulp gekomen, dan zou niemand den hemel zijn binnengegaan.

71. Heeft God ook hulp en redding aan de inen-schen beloofd?

Ja, Hij beloofde een Redder, die de menschen van de zonde verlossen en hen helpen zou om wederom den hemel te verdienen.

Terstond ua den val sprak God zijn vonnis uit en ging liet in vervulling. Maar zoo als liet een goed vader wee doet, wanneer liij zjin schuldig kind moet straffen en het na de straf weer vergiffenis belooft, zoo ook had God medelijden met de diep beklagenswaardige menschen en zeide tot de slang: »Ik zal vijandschap stellen iusschen u en de vrouw, tus-schen uw zaad en haar zaad, en zij zal u den kop verpletten en gij zult zijn hiel belagen.quot; Deze woorden treffen den duivel, die in de gedaante eener slang Eva verleid had. De zin schijnt: Gij hebt nu in uw nijd over de vrouw en haar nageslacht gezegevierd en ze ten val gebracht, maar zie, de vrouw en haar nageslacht zullen zegevieren over u en u met de uwen volkomen verslaan. Deze algemeene voorzegging is volmaakt door Jesus Christus, en in meerdere of mindere mate door andere menschen vervuld in afhankelijkheid van Jesus Christus. Deze (Jesus) zal u deji kop verpletten, d. i. uw heerschappij en uw rijk als zoodanig vernietigen; gij zuil zijn hiel met list belagen, d.i. door de zonde en de booze menschen zult gij den Verlosser trachten te benadeelen in Zijn verlossingswerk, maar zonder gevolg, want juist zijn dood, welken gij als gewin zult aanmerken, zal u onttroonen (namelijk als vorst dezer wereld), en Hem de verheerlijking zijner niensch-heid en den inensch genade en zaligheid verdienen. God beloofde dus Adam en Eva te midden van hunne bittere smart en in hen aan ons allen om de verdiensten des Verlossers,

95

-ocr page 102-

DE GROOTE CATECHISMUS.

vergiffenis van zonde, lieropeuiug des hemels en de wederopname als kind van God. Met wat dankbare liarten zullen zij deze beloften, hunnen kinderen verhaald en deze tot geloof en vertrouwen opgewekt hebben.

72. Werd die belofte spoedig vervuld?

Neen., eerst minstens vier duizend jaren daarna.

Opdat de mensch echter het geloof in God en den Verlosser, in den loop dier tijden, niet geheel verliezen zou, hernieuwde God Zijne beloften aan den aartsvader Abraham, 2000 jaren vóór Christus en zeide : »Iii uw zaad (nakomelingen)

zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. 1 Moz. 22, 18. Aan Jacob: *Bc scepter zed niet van Juda ivijken, tot Hij komt, die gezonden zed ivorden, op wien de volken hopen.1\' Aan Mozes, 1500 vóór Christus: »Een profeet als ik, zal de Heer, uw God, voor u opwekken; Hem zult gij hooren.quot; 5 Moz. 18, 1.

Daarna worden de voorzeggingen duidelijker en meer bepaald. Door den profeet Isaïas werd (700 v. Chr.) voorzegd, dat de Verlosser eene maagd tot moeder zou hebben: »Z/c, de maagd zal ontvangen en een Zoon haren, en Zijn naam Emmanuel (God met ons) genoemd worden.quot; Is. 7, 14. Duidelijk en klaar voorspelde hij ook het lijden en sterven des Verlossers.

Door Micheas (700 v. Chr.) werd de plaats zijner geboorte aangegeven: »En gij, Bethlehem, weliswaar zijtgij klein, onder de duizenden in Juda, maar uit u zal voortkomen de Heer-scher in Israël, wiens uitgang van den beginne is, van af de dagen der eeuwigheid.quot; Mich. 5 : 2.

Door Daniël (500 v. Chr.) werd de tijd Zijner komst aangegeven: Zeventig weken (d. i. 70 jaarweken = 490 jaren) zijn afgekort over uw volk en over uwe heilige stad.... opdat aan de zonde een einde gemaakt.... en de Heilige der Heiligen

96

-ocr page 103-

DE GROOTE CATECHISMUS.

gezalfd worde.quot; Dau. 9: 24. De laatste eu duidelijkste voorzegging deed de engel aan Maria, en met Christus is de rij der profeten gesloten.

Dat alles liet God voorzeggen en opteekenen, om daardoor de hoop op den beloofden Verlosser levend te houden en opdat de menschen Hem bij Zijne komst als Messias, zou lea erkennen, daar alles aan Hem vervuld zou worden, wat door de profeten van dezen Messias voorzegd was.

73 Waarom wilde God eerst na 4000 jaren den Verlosser zenden ?

Onder anderen ook hierom: het gevoel van diepe ellende moest de overtuiging van eigen onvermogen en het verlangen naar verlossing in hen opwekken.

Even als het goud door \'t vnnr gezuiverd wordt, zoo ook moest de langdurige ellende, de harten tot boetvaardigheid stemmen en den rechten geest in den mensch opwekken, om den Verlosser bij Zijne komst met liefde te ontvangen en geloof te schenken. Immers, die zich verbeeldt, alles te weten, verlangt geen leermeester; die meent gezond te zijn, wijst de hulp van een geneesheer af eu wanneer het kind alleen kan loopen, stoot het de hand terug van hem, die het leiden wil. Wie echter zich zijner onwetendheid bewust is, zijne ziekelijkheid en machteloosheid gevoelt, zal met verlangen naar een leermeester, geneesheer en geleider uitzien en hunne hulp met vreugde aannemen. Daarom verscheen Jesus ook niet terstond na den val, op aarde, niet op het einde der wereld, om wanhoop en vertwijfeling te voorkomen, maar in het midden der dagen, toen de geschikte tijd, door God bepaald en door de profeten voorzegd, was aangebroken.

74. Moesten dan alle menschen, die vóór de komst des Verlossers stierven, eeuwig van den hemel beroofd blijven.

97

-ocr page 104-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Die menschen konden, wel is waar, vóór den Verlosser den hemel niet ingaan, maar met de genade, die God hun schonk ter wille van den toe-komstigen Verlosser, waren zij in staat het hemelrijk te verdienen om dit later met Hem te bezitten.

Op vele plaatsen des Ouden Verbonds worden ons duidelijk de uitstekende genaden aangegeven, waarmede God de Israëlieten begiftigde, on weer anderen doen ons do lieilige en rechtvaardige wensclien kennen, die onder lien in den loop der tijden, vóór Cliristus\' komst, leefden. Ook de heidenen bleven niet verstoken van Gods genade, maar Hij vermaande hen op verschillende wijzen tot boetvaardigheid en verbetering des levens, en wel 1° door de ingeving der werkende genade, door de stem des gewetens ; 2° door weldaden in het rijk der natuur. Hand. der Ap. 14, 16. Daar lezen wij, dat God zich bij de heidenen niet onbetuigd heeft gelaten, maar hen zegende met stoffelijke weldaden; 3° door straffen, b.v. door den zondvloed, door den ondergang van Sodoma en Gomorrha en door de vele straffen, welke Hij over Epypte zond, 4° door de buitengewone mannen, die Hij onder hen verwekte of tot hen zond, b.v. Job, Balaam, Jonas, Daniël, enz.; 5° door de Israëlieten, die Hij met hunne heilige wetten en hun godsdienst onder hun verspreidde. Vandaar schreef reeds ïobias 13, 4 : »Daarom heeft God u (Israëlieten) onder de heidenen verstrooid, die Hem niet kennen, opdat gij Zijne iconderen verhalen en hen zoudt overtuigen, dat er geen andere almachtige God bestaat dan Hij; 6° somtijds ook door engelen, zoo b.v. werd de hoofdman Cornelius door een engel bekeerd. Hand 10.3; door droomen, zooals Nabuchodonosor, Dan. 2. 4; door wonderbare verschijningen of gebeurtenissen, en zoo werd Balaam door eene ezelin, Balthazar door eene geheimzinnige hand gewaarschuwd en tot levensverbetering aangemaand.

98

-ocr page 105-

DE OnOOTE CATECHISMUS.

75. Bleven de eerste nakomelingen van Adam en Eva voortaan aan God getrouw ?

Neen, al spoedig maakten zich eenigen aan groote zonden schuldig en later gaven zich bijna allen aan de zonden over.

Dit blijkt duideljik uit den broedermoord vau Caïn; en zijne nakomelingen en tijdgenooten waren even goddeloos als hij. Het bederf en de goddeloosheid werden zoo groot, dat God zeide: vliet spijt mij, den mensch gemaakt ie hebben,quot; en Hij besloot, het ontaarde menschdom door een watervloed (zondvloed) van de wereld te verdelgen; en Noë met drie zonen en hunne vrouwen, benevens paren van alle gedierte, ontkwamen alleen aan den algemeenen ondergang.

Maar ook die gevoelige bestraffing werd ras vergeten; want Noe\'s afstammelingen gaven zich weldra aan de gruwelijkste zonden en ondeugden over, ja, gingen zoover, dat ze God ge-Jieel vergaten, en beelden, van hout en steen gemaakt, (af-godsbeelden) zon,\'maan en sterren, boomen, dieren, enz., als God vereerden en hulde brachten. Tegen elkander gingen zij afschuwelijk en barbaars te werk, daar do drijfveer hunner handelingen eigenbelang was; broederliefde kenden ze niet, of beoefenden die ten minste niet. De afschuwelijkste zonden werden gepleegd, somtijds zelfs om daardoor hunne afgoden gelijk zij meenden, te vereeren en te dienen.

Maar was er dan niet één volk, dat de kennis van den ivaren God bleef bewaren, vraagt gij wellicht?

Ja, de Israëlieten door God in Abraham, Izailk en Jakob, tot Zijn volk gemaakt, waaruit de beloofde Verlosser zou voortspruiten.

Maar ook zij verliet ;n niet zelden den waren godsdienst hunner vaderen en vervielen in afgoderij en zonde. Ofschoon op Zijn bevel door Mozes tot een zelfstandig volk verheven, en begiftigd met maatschappelijke en godsdienstige instellin-

99

-ocr page 106-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

gen, en bestuurd door weldadig werkende wetten, was de herinnering aan dat alles nu en dan niet in staat, hunne hartstochten te breidelen en hen van de zonde te weerhouden. En toen de teekenen en tijden vervuld waren, welke de komst van den Messias moesten voorafgaan, was het bederf onder de Israëlieten eenerzijds groot. De joden, die den waren God erkenden, werden door de heillooze sekten der Farizeën en der iSadduceën in hunne godsdienstige opvatting heen en weer geslingerd, terwijl het zedenbederf in alle rangen en standen was doorgedrongen. Boosheid en ontucht, haat en nijd, twist, moord en doodslag, liefde- en trouweloosheid, ziedaar, hoe de H. Paulus ons den toestand van de zeden dier tijden schetst. Kom. 29, 31.

76. Wie waren de stamvaders van dat uitverkoren volk?

Abraham, Izaak en Jakob.

TWAALFDE LES.

HET 2e ARTIKEL DER GELOOFSBELIJDENIS.

»Ik geloof in Jesus Christus, Gods eenigen Zoon, onz\'.n Heer.quot;

77. Wie is dan de groote Verlosser, dien God beloofd had te zullen zenden?

Die beloofde Verlosser is Jesus Christus, Gods eenige Zoon, onze Heer.

Wij zullen trachten, dit antwoord nailer te ontleden en toe te lichten.

1°. »Jesusquot; beteekent «Zaligmaker, Heiland of Verlosser.quot; Daarom zei de engel tot Jozef, Matth. 1, 20: »Jozef, Zoon Davids, vrees niet, Maria, uwe vrouw, tot u te nemen, ivant, wat in haar geboren is, is van den 11. Geest; en zij zal een

100

-ocr page 107-

DE GnOOTE CATECHISMUS.

Zoon haren, dien (jij Jesus zult noemen ; want Hij zal Zijn volk van hunne zonde verlossen.quot; Alle overige namen, waarmede de profeten den Zoon Gods aanduiden hebben betrekking op den éénen naam Jesus; want zooals de overige bet beil betee-kenen, dat ze ons zullen aanbrengen, omvat de naam »Jesusquot; de volledige en gebeele kracbt en werking der menscbelijke verlossing. Zoo wordt de Heiland ook genoemd de Almacb-tige, de Algoede, de Rechtvaardige, de Vreeselijke, de Barmhartige, de Schepper der natuur en der geestenwereld, de Redder uit den nood, de Koning en Gebieder aller schepselen, de Rechter en Belooner van levenden en dooden, en al deze benoemingen kan men in het kort samenvatten in het woord » Jesus.quot;

2°. ^Christusquot; beteekent ^Gezalfde.quot; In het Oude Verbond werden drie soorten van menschen met olie gezalfd, nameliik: de profeten, de priesters en de koningen; en Jesus vereenigde in Zijn persoon alle drie hoedanigheden; vandaar wordt Hij met recht de »Gezalfdequot; genoemd. Hetzelfde beteekent Messias.

a. Hij is de grootste profeet wijl Hij ons Gods geheimen openbaarde en tevens ons alles leerde, wat wij gelooven, hopen, doen en laten moeten om zalig te worden. Niets hield Hij ons verborgen, wat betrekking had op ons heil.

h. Hij is de grootste priester, daar Hij tegelijk offeraar en offerande was aan het kruis en nog dagelijks dat offer hernieuwt, op het altaar voor ons heil en onze zaligheid. gt; Hij leeft altijd om onze Voorspreker te zijn, zegt de Apostel.

c. Hij is onze Koning, wijl Hij een geestelijk rijk (de Kerk) stichtte, welks onzichtbaar Opperhoofd Hy is en eeuwig blijft. Door den V ader is Hem alle macht gegeven in hemel en op aardei Hij is Heer en Meester over leven en dood. Hij is zóó Koning, dat alle koningen aan Hem macht en gezag ontleenen. Daarom schreef de profeet: nDoor Mij regeeren de koningen.quot;

101

-ocr page 108-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

Bij de overweging, dat Jesus de Gezalfde des Heeren, onze Koning en Priester is, riep de H. Epbraïm in vervoering uit: »Zou ik van mijn Heer en Heiland niet alles verwachten ? Als koning begiftigt Hij ons met Zijn koninkrijk, en als de hoogste priester schenkt Hij ons alle vergiffenis.quot;

3°. Gods eeniggeboren Zoon. Jesus Christus heet de eenig-geboren \'Loon Gods, omdat Hij als de tweede persoon der allerheiligste Drievuldigheid, de eeuige, ware en eigenlijke Zoon Gods, d. i. Zoon Gods, niet door aanneming, maar van nature, niet door de wet, maar door geboorte, van eeuwigheid is en één en dezelfde natuur en één en hetzelfde wezen als de Vader heeft. Ook wij zijn kinderen Gods, maar niet van natuur en niet van eeuwigheid, maar in den tijd als zoodanig door de genade aangenomen. De ware, de eigenlijke Zoon Gods is dus Jesus Christus, en daarom voegden de Apostelen, bij de woorden »Jesus Christus,\'\' het woord ïGods eeniggeboren Zoon.quot;

Deze alles afdoende grondwaarheid des geloofs, in onze dagen zoo heftig aangevallen, zelfs door lieden, die zich nog christenen, dus Zijne volgers, noemen, leert ons:

a) de II. Schrift. Zoon Gods noemde Hem de engel, die Maria haar goddelijke moederschap aankondigde. Luc. 1,15. De eeuwige Vader noemde Hem Zijn Zoon, bij gelegenheid van Zijn doopsel in den Jordaan, Matt. 3, 17; en bij Zijne verheerlijking op ïabor. Matt. 17, 5. Nathaniel, Martha, Petrus, Thomas, allen belijden Hem als de Zoon Gods. Deze waarheid bewees Jesus door woord en werk (wonderen), en vandaar zeide Hij ook tot de Joden: » Wanneer gij Mij niet wilt gelooven, gelooft dan Mijne werken.quot; Joh. 10, 38. »En dit is het eeuwig leven, dat zij die ü kennen, den eenigen waren God, en dien Gij gezonden hebt, Jesus Christus.\'quot; Joh. 5, 5. Jesus zeide: »Ik en de Vader zijn één.quot; Joh. 10, 30. ilJie Mij ziet, ziet den Vader. Joh. 14, 9.

b) De leer der Kerk. Het algemeen Concilie van Nicea

102

-ocr page 109-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

spreekt deze groote waarheid aldus uit: »Ik geloof in éénen Heer, Jesus Christus, den eeniggeboren Zoon Gods, die uit den Vader van alle eeuwigheid geboren is, God van God, licht van licht, ware God van den waren God, geboren eu niet gemaakt, één van wezen met den Vader, door wien alle dingen gemaakt zijn.quot; Daarop laat de Roomsche catechismus vol-lt;rea: gt;dit moet men dus «jcelooveu, dat de Zoon eenzelfde

o \'

natuur, macht en wezen bezit als de Vader.quot;

c) De Vaders leeren ons dezelfde waarheid. De II. Ful-gentius schrijft: »Jesus is de wijsheid en kracht Gods, God van God geboren, uit den Onmetelijke een Onmetelijke, Hij is Gods Zoon, van eeuwigheid uit het wezen des Vaders geboren, en wel God van God, lieer vau Heer; niet uit nietsi maar van den Vader, niet een oogenschijnlijke, maar werkelijke Zoon, niet van eene andere natuur, maar van eeuwigheid.quot; Met andere woorden belijdt de H. Irenaüs dezelfde waarheid, terwijl Lactantius zegt: »Men kan den grootenGod slechts door Zijn Zoon aanbidden. Die den Vader alleen wil vereeren en niet den Zoon, hij eert ook den Vader niet.quot;

78. Waarom noemen wij Jesus Christus vonze lieer ?quot;

a) Omdat Hij als God niet den Vader, de wereld en ons heeft geschapen en bijgevolg de Heer van alles is b) als mensch is Hij onze Heer, wijl Hij ons in de menschelijke natuur heeft verlost, en ons met Zijn bloed als eigendom heelt gekocht; en omdat Hij eenmaal onze Rechter en eeuwig ons Hoofd en onze Koning zijn zal.

Gebruik en spreek dan steeds Jesus\' zoeten naam met eerbied en godsvrucht uit; want, in dien naam huigen alle knieën van hen, die in den hemel, op aarde en onder de aarde zijn.quot; Eoep vooral in de bekoringen, in kruis eu lijden eer-

103

-ocr page 110-

DE GROOTE CATECHISMUS.

biedig en met vertrouwen dien heiligen naam aan; want hij is een machtig wapen tegen dea boozen vijand, een zoete balsem voor den kruisdrager en eene versterkende lafenis op den weg ten hemel. Bezig dikwijls den schoonen groet: ^Geloofd zij Jesus Christus! In eeuwigheid, Amen!quot; en, overtuigd van uwe schulden; aMjjn Jesus, barmhartigheid!quot;

Wanneer zal de gelukkige tijd aanbrekeu, dat men elkander weer groet, met de schoone lofspraak: »Geloofd zij Jesus Christus!quot; en het antwoord ontvangt: »In eeuwigheid. Amen!quot; Laten wij te minste dien zoeten naam steeds voor oogen, in het hart en op de tong hebben, en heil voor tijd en eeuwigheid zal ons loon zijn!

Wij veroorlooven ons hier eene kleine afwijking van den catechismus, om de letters I. H. S. gewoonlijk als teeken, voor den naam Jesus gehouden, te verklaren. Sommigen verklaren het als: Jesus. J. H. S. zijn dan de drie letters van den 2 aam Jesus in het oude Grieksch. De letter H is hier dan niet onze H, maar de Grieksche e als hoofdletter, dus onze E. Deze verklaring schijnt de geschiedkundige te zijn. Andere vertalen : Jesus hominum Salvator, d. i. Jesus, liedder der menschen, terwijl de Jezuïten ze als ordesspreuk aangeven: »Jesum habemus Sociumquot;, d.i. wij hebben Jesus tot bondgenoot. De oorsprong dier letters meenen anderen te moeten zoeken in het jaar 311, toen keizer Constantijueen kruis in de lucht zag zweven, waarop de letters I. H. S. V. prijktea, d. i. »iu hoe signo vincesquot;, »in dit teeken zult gij overwinnenquot; en werkelijk de keizers Maxentius en Maximus werden door hem geslagen, terwijl het kruis in de voorste ffelederen werd omhoosjarehouden.

O OO

104

-ocr page 111-

DE GROOTE CATECHISMUS.

DERTIENDE LES.

HET 3e ARTIREL DES GELOOFSBELIJDENIS.

»Dic ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de maagd Maria.quot; Wij lezen ter verduidelijking aldus: »B:.geloof ia Ju-sus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer, die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de maagd Maria.quot;

79. Wat heeft Gods Zoon gedaan om onze Verlosser te worden ?

Hij is voor ons mensch geworden.

Hij heeft derhalve een lichaam en eene ziel aangenomen, zooals wij menschen hebben. Dit geheim noemen wij: gt;de mensch wording van den Zoon Godsquot;, hetwelk de H. Joh. 1, 14, aldus uitspreekt: »het Woord (de eeuwiggeboren Zoon des Vaders) is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond.quot; Christus is ons in alles gelijk geworden, uitgenomen in de zonde.

80. Hoe is Gods Zoon mensch geworden ?

Hij is ontvangen van den H. Geest, geboren uit de maagd Maria.

De menschwording van Gods Zoon, wordt aan de werking des H. Geestes toegeschreven, daar zij op eene bijzondere wijze eene uitwerking is der goddelijke liefde en genade jegens ons arme menschen. Immers, ^zoozeer heeft God de wereld bemind, dal Hij Zijn eenigen Zoon voor haar ten beste gaf.quot; Joh. 3, 16.

Laten wij hier een oogenblik stilstaan eu zien, hoe die ontvangenis zich heeft toegedragen. Ten tijde, dat Herodes de Groote in J udea regeerde en Augustus Komeinsch keizer was, leefde onder het Joodsche volk eene heilige maagd, Maria genaamd, die aan een heilig man, met name Jozef, verloofd

105

-ocr page 112-

DE GROOTE CATECHISMUS.

106

was. Zij woonden te Nazareth, eene kleine stad, van Gali-lea, eene provincie van liet land Israël. Maria en Jozef stamden beiden nifc liet koninklijk geslacht van David, en des ondanks moest Jozef door timmerarbeid in hun onderhoud voorzien. Deze betrekkelijk arme maagd koos God tot Moeder van Zijn Zoon. Het was dus geen stoffelijke rijkdom, geen glans en grootheid dezer wereld, waarop God zijn oog liet vallen; geene dochter, die groot ging op afkomst of schatten, was in Zijne wijsheid de gewenschte en waardige persoon, om moeder te worden van zijn Zoon, maar de arme, de ootmoedige, de onschuldige en niet- gekende dochter van Joachim en Anna, was de eenige, waardig genoeg, om den glorievollen naam van moeder Gods te voeren en metterdaad ook te zijn. Tot haar alleen zond Hij Zijn aarts-engel Gabriel, om haar deze heuglijke tijding mede te deelen. Toen de engel bij haar kwam, sprak Hij haar aldus aan: » Wees gegroet, vol van genade! De Heer is met u; gij zijt gezegend hoven alle vrouwen f Verschrikt en onthutst, dacht Maria een oogenblik na, wat die woorden toch beduidden. Maar de engel ging voort: » Vrees niet Maria, vjant gij hebt hij God genade gevonden Zie! gij zult in uwen schoot ontvangen en eenen Zoon haren en Zijnen naam zult gij Jesus heelen. Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden en de Ileere God zal Hem den troon van Zijnen Vader David geven; en Hij zal over het huis van Jacoh heerschen in eeuwigheid, en Zijns rijks zal geen einde zijn.quot; Luc. 28-34. Maria maakte bedenking daartegen-, wijl zij geen man bekende. En de engel antwoordde op haar bezwaar: »De II. Geest zal over u homen en de kracht des Allerhoogsten zal u overlommeren,; daarom zal ooi; hel »Heilige,quot; dat uil u zal geboren worden, de Zoon Gods genoemd wordenquot; {en zijn.) Na die geruststelling zeide Maria: »Zie de dienstmaagd des Heer en, mij geschiede naar uw woord.quot;

-ocr page 113-

DE GROOTE CATECHISMUS.

81. Wie is dus de moeder van Gods Zoon, uit wien Hij als mensch geboren werd?

De heilige onbevlekte Maagd Maria.

Maria wordt de onbevlekte maagd, bij uitnemendheid, genoemd, daar zij altijd eene onvergelijkelijke, zuivere en on-geschondeu maagd was en bleef, zoowel vóór als in en na de geboorte van het goddelijk kind, zooals uit de woorden van den profeet Isaïas is af te leiden: »Zie eene maagd zal ontvangen en een Zoon baren,quot; enz. Maria was dus maagd vóór en in de geboorte; maar ook na de geboorte is zij maagd en onbevlekt gebleven, en de uitdrukkingen der H. Schrift, waar er sprake is van de broeders van Christus, waarmede onze protestantsche broeders schermen om Maria den eeretitel van voortdurende maagdelijkheid te rooven, bewijzen niets. Dikwijls immers noemt de II. Schrift aanverwanten en bloedverwanten »broedersquot;, zooals Lot en Abraham ; eveneens werden Jesus\' neven Zijne broeders genoemd. Matth. 12, 4G.

Door het 3e Concilie van Ivonstantinopel en het Concilie van Lateranen onder Paus Martinus I, werd de ban uitgesproken tegen hen, die de voortdurende maagdelijkheid vau Maria durfden loochenen, terwijl Paus Pius IX, de onbevlekte ontvangenis van Maria als een dogma of geloofswaarheid, vaststelde. Met recht zingt deKerk: »Gij zijl fjchcel schoon Maria en jeen vlek is in Z7.quot;

Hare ziel was reeds bij de ontvangenis leliewit, witter dan sneeuw, en nooit heeft ze dat witte kleed der onschuld, door de geringste dadelijke zoude bevlekt. Dat zuivere engelengewaad behoorde haar alleen, omdat zij de moeder moest zijn van Gods Zoon, den eeuwig reine, zuivere, den vlekkelooze bij uitnemendheid. Eva, de moeder van ons ongeluk en onze ellende werd door God rein en vlekkeloos gescliapen, en zou nu Zijne almacht en liefde te kort schieten, om de tweede

107

ll^ï:

hR t ;■ ■■;gt;

-

lim

.

-ocr page 114-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Era, de moeder van onze verlossing met dezelfde voorrechten te bedeelen ? Eva was bovendien de moeder van een zwak menseh aan haar gelijk, Maria de waarachtige moeder van Gods Zoon.

82. Is de H. Maagd Maria dan waarlijk de moeder Gods?

Ja, omdat ze Jesus Christus, die tegelijk God en mensch is, heeft ter wereld gebracht.

Ofschoon Jesus slechts de menschelijke natuur van Maria aannam, heet ze toch met recht »moeder Gods,quot; daar Jesus, die uit haar nair het vleesch geboren werd, waarachtig God is. Nestorius, een beruchte dwaalleeraar der vijfde eeuw, beweerde dat er twee personen in Christus waren, en dat het kind van Maria geen goddelijk, maar een menschelijk persoon was. liet algemeen Concilie van Ephese veroordeelde deze stelling en verklaarde plechtig, dat »Maria Moeder Godsquot; is, omdat Zij naar de menschelijke natuur. Moeder is van Jesus, die een goddelijk persoon is.

83. Is de H. Jozef ook de vader van Jesus?

Neen, hij is slechts zijn voedstervader.

Een voedstervader wordt oolc wel pleegvader genoemd, en is geen eigen vader van de kinderen, welke hij verzorgt; maar hij heeft de taak op zich genomen om voor voeding, kleeding en opvoeding te zorgen van hen, wier pleegvader hij geworden is. Verwaarloosde kinderen en weezen hebben veeltijds zulk een vader. Toen de tijd was aangebroken, dat Jesus zou geboren worden, koos God, een man naar Zijn hart, den H. Jozef uit, en droeg hem de vereerende taak op om pleegvader te zijn van Zijn Zoon Jesus. Naast Maria moest bij den kleinen Jesus opvoeden, zorg dragen voor zijne voedingen kleeding en Hem tegen gevaren beschermen. Welk eeu

108

-ocr page 115-

de groote catechismus.

geluk, welk eene onderscheiding, welk een verheven ambt, om uit alle menschen gekozen te worden tot opvoeder en beschermer van Gods Zoon! Welnu, als God den H. Jozef op aarde zoozeer vereerde en hem waardig achtte, om de voedstervader van Zijn Zoon te zijn, zouden wij hem dan onze vereering en liefde weigeren, nu hij troont en woont bij zijn pleegkind in den hemel? Wij lezen van Jesus, dat Hij aan Zijne ouders onderdanig was en hen gehoorzaamde, en zal Jesus hem dan nu in den hemel iets weigeren, te meer, wanneer Hij zich de diensten herinnert, door Jozef Hem bewezen? Inderdaad, de H. Jozef wordt zekerder verhoord dan andere heiligen, te meer, nu hij bij monde van Paus Pius IX, tot patroon over de geheele Kerk is aangesteld. Vereer en bemin hem dan uit den grond uws harten! Houdt zijne beeltenis in eere; roep gaarne en dagelijks ziju bijstand in, opdat hij ook voor u een pleegvader bij God moge ziju. De H. ïhe-resia wil ons daartoe aansporen, als zij zegt: »Alles, wat ik God gevraagd heb, door den H. Jozef, heb ik ook altijd ont-vaugen.quot; Vereenigd leefden Jesus, Maria en Josef in het huisje te Nazareth, en thans zijn ze onafscheidbaar in den hemel vereenigd; laten wij hen daarom niet scheiden zonder ze echter als gelijken te beschouwen, maar in één adem hun bijstand en hunne voorspraak inroepen en dikwijls de schietgebeden herhalen: 11

Jesus, Maria en Jozef, ik bemin u !

Jesus, Maria en Jozef, ia uwe handen beveel ik mijne ziel en mijn lichaam!

Jesus, Maria en Jozef, sta mij bij in den doodstrijd! (300 dagen aflaat.)

Bestaat in de parochie, waar we verblijf houden, de Congregatie der H. Familie, verzuimen wij dan niet om lid te worden, en zóó ons te verrijken met de genade, welke de

en. cat. 8 \'

109

-ocr page 116-

DE GROOTE CATECHISMUS.

leden van dat heilig huisgezin ruimschoots ten deel vullen, op aarde en in den hemel.

84. Is Gods Zoon, toen Hij mensch iverd, ook God gebleven ?

Ja, en daarom is Hij God en mensch tegelijk, waarachtig God en waarachtig mensch.

Deze waarheid des geloofs drukt de H. Cyrillus aldus uit: »Christus is God en mensch tegelijk; want zonder het geloof aan Zijne Godheid, zou ons het geloof aan Zijne mensch-heid niets baten, en het geloof aaa Zijne Godheid zou voor ons heil even nutteloos zijn, wanneer we niet aan Zijne menschheid geloofde. Wanneer Hij mensch en geen God ware, dan zouden Zijne handelingen en daden geen genoegzame kracht bezitten om onze schulden te delgen, en wanneer Hij slechts God en geen mensch ware, dan had Hij de door ons beloopen straften, niet op zich kunnen nemen.quot; God is Hij van eeuwigheid en mensch is Hij in den tijd geworden. Zegt Christus dus: sJ/c en de Vader zijn één,quot; dan spreekt Hij van Zich cds God, en als Hij zegt: »De Vader is cjrooier dan Ikquot; dan spreekt Hij van Zich als mensch.

85. Hoeveel naturen zijn er dus in Christus\'? Twee naturen: de goddelijke en de menschelijke

natuur.

Vandaar zijn er ook twee onderscheiden willen in Christus: de goddelijke en de menschelijke; maar de menschelijke wil is altijd volkomen aan den goddelijken onderworpen. Daarom bad de Heiland in Gethsemani\'s hof: » Vader, niet Mijn, maar Uw ivil geschiede.\'\'\' Op het vierde algemeen Concilie van Chalcedon werd de ketterij van Eutyches dan ook veroordeeld, die maar ééne natuur in Christus aannam, nadat de Kerk tegen Nestorius uitdrukkelijk had verklaard dat in Christus maar één persoon was. Ziehier de uitspraak: » Wij loeren, dat

no

-ocr page 117-

DE GROOTE CATECHISMUS.

men denzelfden volmaakten Jesus Christus in de godheid, den-zelfden volmaakten in de menschheid, onvervalscht, onveranderlijk, ondeelbaar, onafscheidelijk moet helijden.\'quot;

Zooals in onze dagen lie!aas! velen beweren, dat Jesus eenvoudig ineuscli is, zoo geloofden velen in de eerste tijden der Kerk, dat Hij alleen God was. Tot dezen zeide Alainan-darus, vorst der Agareners; »Zoo even ontving ik een brief, waarin mij den dood van den aartsengel Michaël bericht wordt.quot; Toen men aanmerkte, dat zulks onmogelijk was, antwoordde hij: »Hoe zou de Zoon Gods dan hebben kunnen sterven, wanneer in Hem geen twee naturen aanwezig geweest zijn, daar de engelen zelfs niet sterven ?

86. .Zijn er dan twee personen in Christus?

Neen; Jesus is slechts één persoon en wel een goddelijk persoon; de twee naturen zijn in één persoon onafscheidelijk vereenigd.

Hoe is dat mogelijk: twee naturen in slechts één persoon ? aldus redeneeren in onze dagen van zoogenaamde verlichting (beter verdichting) vele ongeloovigen en halfslachtige christenen. De H. Augustinus antwoordt hun: »Geef mij eerst rekenschap, en verklaar mij, hoe de ziel in hare vereeniging met het lichaam een eenig persoon en een cenig mensch kan uitmaken. Brengt de goddelijke almacht en wijsheid dat nu dagelijks bij de voortteling van den mensch tot stand, dan ook zal het wel in Gods macht liggen, ter wille van \'s men-schen verlossing, de vereeniging van de goddelijke en men-schelijke natuur in één persoon, den Zoon Gods, tot stand te brengen.quot; Brief 137 aan Valus, Hoofdst. 8.

Kon Jesus als mensch ook dwalen1? Neen? Was het ook mogelijk, dat Hij zondigde? Neen, Hij kon wel bekoord worden van buiten af, zooals in de woestijn met Hem plaats had, maar niet zondigen. Hij was vrij van erfzonde en iedere

111

-ocr page 118-

DE GROOTE CATECHISMUS.

persoonlijke zonde; de goddelijke natuur verhinderde dwaling en zonde.

87. Waarom is Gods Zoon voor ons mensch geworden ?

Om ons a) van de slavernij des duivels en den eeuwigen dood te verlossen en 6) om ons door zijn voorbeeld en woord den weg des hemels aan te wijzen.

aj Door de zonde liad de duivel een soort van heerseliappij over den mensch verkregen en allen, die als zijne slaven stierven, waren zijn buit. Van dat slavenjuk en dien eeuwigen dood moest de mensch verlost worden, alvorens God hen weder als kind erkende en den hemel opende. Alle menschen te zamen waren daartoe machteloos; de eene schuldige was niet in staat den anderen te redden. De schuld en straf was zoo oneindig groot, dat niemand anders dan een Godinensch daarvoor voldoen kon. Als God nu, gaf Jesus vooral door Zijn dood aan. God, en als mensch voor ons menschen de schuldige en oneindige voldoening, door de goddelijke rechtvaardigheid gevorderd; Hij verbrak de boeien, waarin Satan ons gekneld hield en schonk ons daardoor tevens den hemel als toekomstige woning terug. Inderdaad, wij hadden schuld en Jesus betaalt ze; wij hadden straffen verdiend, en Jesus ondergaat ze; wij moesten sterven, en Jesus beklimt het kruis en ondergaat in onze plaats den bittersten dood. Doch het was niet genoeg voor Zijne liefde; ons den hemel geopend en Satan aan boeien te hebben gelegd; Hij wilde ons nog hj door zijn woord en voorbeeld den weg des hemels aanwijzen, en wel door de beoefening van alle deugden in den hoog-

7 O O O

sten graad, b.v.

lo Door Zijn ijver voor de eer en glorie Gods, welke bijzonder uitkomt in de bestraffing der tempelschenders, die in Gods huis kochten en verkochten. De Apostelen herinnerden

-112

-ocr page 119-

DE GROOTE CATECIIISMÜS.

zich toeu het woord: »De ijver voor uw huis verteert Mij.quot; Joh. 2, 13-17.

2o Door Ziju ijver voor het heil der memchen, welke Hy zelf\' ons zoo schoou schildert in de parabel van den goeden Herder. »Ik hen de goede Herder; Ik ken de Mijnen en de Mijnen kennen Mij, zooals Mij de Vader kent, en Ik den Vader: en Ik geef mijn leven voor de schapen.quot; Joh. 10, 11-15. Drie jaren trok Hij al wel — en wonderdoende rond.

3o Door Zijne zachtmoedigheid. Toen de Apostelen, over eene stad der Samaritanen, waarin men Hem den toegang weigerde, het vuur des hemels wilden afroepen, sprak Jesus : Zoon des memchen is niet gekomen om de zielen te verderven, maar wel om zalig te maken.quot; Luc. 9, 52-5G.

4o Door Zijn ootmoed. Van af de kribbe tot het kruis bemerken wij in Hem den grootsten ootmoed. Vandaar kon Hij met recht zeggen: »Leert van Mij; omdat Jk hen zachtmoedig en ootmoedig van harte.quot; Math. 11, 29.

5o Door Zijne goedheid en barmhartigheid jegens allen, zelfs jegens Zijne verklaarde vijanden. Al weldoende trok Hij van de eene plaats naar de andere, en toonde zich jegens onge-lukkigen een barmhartigen Samaritaan; jegens zondaars en zondaressen een trooster en vader, b.v. jegens Magdalena, Zacheüs, enz. Het meest toonde Hij zich grootmoedig en vergevensgezind jegens Zijne grootste vijanden, zoodat Hij zelfs op Judas, den verrader, een liefdevollen blik sloeg en hem vriend noemde. En stervend bidt Hij: » Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doenquot;

7o Door Zijn gehoorzaamheid jegens Zijn hemelsdien Vader, tot in den dood. Op het punt van door Zijn schanddood Zijn werk en Zijne zending te bekronen, riep Hij uit: » Vader! niet Mijn, maar Uw wil geschiede!quot; vliet is volbracht!quot;

De vrome Petrus van Tessolano had eens een droom, welke meer waarheid in zich sluit dan ontelbaar wakende opmerkin-

113

-ocr page 120-

DE OROOTE CATUCmSMUS.

gen. Hij meende ia eeae groote kerk te zijn, wier vloor met stof ea asch bedekt was. De lioofddeur opende zicli en Jesus, in de gedaante van een behoeftig en lijdend menscli, trad binnen, ging naar het priesterkoor en nam plaats op een troon. Zijne voetstappen bleven zichtbaar in de asch. Na hem volgde Maria, die stap voor stap de schredea van haar goddelijk ld ad volgde en daarna naast Hem plaats nam. Daarop volgden de Apostelen en hunne medehelpers, maagden, martelaars, en belijders, en allen zetten hutme voeten in de afgeteekende stappen, en bij Jesus gekomen, werden zij liefderijk door Hem ontvangen, en ieder hunner werd een zetel aangeboden. Achter hen verdrong zich eene groote schare trouwe navolgers van Jesus, uit alle geslachten, natiën en volkeren, en allen plaatsten hunne voeten in de voetstappen van den Heer, en ontvingen daarom ook eene plaats in Zijne woning. Die droom had de gewenschte uitwerking op des iongelings hart; want met nog meer ijver werd hij nu navolger van Jesus. Volg dien jongeling na en treed in uwe gedachten, woorden en werken in Jesus voetstappen, en met hem zult ge eens ia de glorie van uw goddelijk voorbeeld deelen.

VEERTIENDE LES.

OVER DEN VERLOSSER EN ZIJNE GEBOORTE.

88. Waar is Jesus geboren ?

Te Bethlehem in een stal.

Dit Bethlehem, de geboortejilaats van David, was eene kleine stad in Judea, wa ir volgens de voorzegging van den profeet Micheas, Jesus, de Messias moest geboren worden. Omstreeks het tijdstip vnn die geboorte, vaardigde keizer Augustus een gebod uit, om alle inwoners van zijn rijk op te schrijven, dus eene volkstelling te doen. Volgens gebruik der

414

-ocr page 121-

DE OROOTE CATECHISMUS.

Joden was ieder gehouden, zijn naam in de hoofdplaats van zijn geslacht te laten opteekenen, en daar Maria en Jozef uit het geslacht van David stamden, begaven zij zich tot dat einde naar Bethlehem, de hoofdplaats van hun geslacht, wijl koning David daar van daan kwam. Of er in de logementen geen plaats meer was, want de menigte, welke zich te gelijker tijd en om dezelfde reden in de stad bevond, was zeer groot; of dat men zulke arme menschen niet wilde herbergen, in allen gevalle, zij moesten in een stal, even buiten de stad, een onderkomen zoeken om te overnachten. In dien gedenkwaar-digen nacht werd het mensch geworden Woord geboren en baarde Maria »Jesus Christus,quot; den Zoon Gods, »wikkelde Hem in doeken en legde Hem in eene kribbe.quot; Luc. 2.

Welk eene liefde, welk eene vernedering, wat groote geheimen liggen in de geboorte van Jesus niet opgesloten! De armste moeder heeft toch bijna altijd een onderdak en een wiegje voor haar kind; en het Christus-kind, zoo rijken machtig, de Heer van hemel en aarde, moest bij Zijne geboorte zich behelpen met een krib en een stal, overgegeven aau koude, honger en dorst, van alle hulp verstoken. In een ellendigeu stal zocht Maria herberging voor haar en haar kind en legt het neder, niet in eene wieg, niet op een zacht bedje, maar in een krib. En waarom heeft Jesus Zich diep vernederd, zoo\'n groote armoede en kommer verdragen? Hij, de Zoon Gods, werd menschenkind, om ons weder Gods kinderen te kunnen maken. Hij, de onschatbaar Rijke, werd arm om ons, die arm waren door de zonde, weder rijk te maken, door de schatten Zijner verdiensten en genade, en den eeuwigen schat der hemelglorie. Hij, de oneindig gelukkige, werd een land dei-smarten, opdat wij het lijden zouden leeren dragen en in kruis en lijden groot worden. Hij, de tweede Adam, wordt mensch, omdat de eerste Adam »Godquot; had willen worden. O! hoe arm zag onze Jesus het eerste levenslicht. Vergeet echter niet,

-ocr page 122-

DE GROOTE CATECHISMUS.

dat zij, die zwaar zondigen, veel ondankbaarder zijn dan de menschen, die Hem weigerden te herbergen, omdat zij Jesus kennen en door de zonde uit hunne harten verdrijven, nadat Hij door de heiligmakende genade er reeds Zijn intrek in genomen had.

Leeren wij hier bij de kribbe ook de armoede dragen; want hier begint reeds Zijn voorbeeld, en zeg; Jesus heeft zich arm gemaakt voor mij; ook ik wil arm zijn ter Zijner liefde! En gij, die meer gegoed zijt, kleed en voed in de armen, den armen Jesus; want zij zijn Hem hierin gelijkend. Daarom zeide Hij: » Wat gij den geringste der Mijnen gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan.quot;

89. Hoe heeft God de geboorte van Zijn Zoon aan de wereld verkondigd ?

Eene menigte engelen daalden van den hemel, en zongen het schoone loflied; ))Eere zij God in den hoogen, en vrede op aarde den menschen van goeden wil.quot;

Groot en wonderbaar waren de toebereidselen, welke God de geboorte van Zijn Zoon deed voorafgaan. Dat alles was inderdaad goddelijk! Profeten voorzegden honderden jaren van te voren Zijne geboorte. Een engel bracht Maria de tijding van haar goddelijk moederschap en gaf den naam aan haar kind. Eu nu het kind eenmaal geboren is, zingt een geheel koor van engelen God lof en eer en prijst de menschen gelukkig!

Zien we nu nog in het kort de beteekenis van het lied dei-engelen. Die ons de meeste weldaden bewijst, heeft ook de grootste aanspraak op onze dankbaarheid. Is dat waar, dan vraag ik u, was het niet billijk en recht, dat de engelen (vooral v,oor:ons) zongen: »Eere zij God in den hoogen,quot; omdat God ons, in Zijn eenigen Zoon, den Verlosser geschonken had en niet Hem alles voor tijd en eeuwigheid?

416

-ocr page 123-

DE OROOTE CATECHISMUS.

Maar verlost zijn is nog niet zalig zijn. Neen, zij alleen zullen zalig worden, die met de genade medewerken en het pad der deugd bewandelen. De engelen zongen ook; » Vrede op aarde den menschcn van goeden wil.quot; Door liet geven van den Verlosser werd op aarde immers vrede, en verzoening met God, aan het mensehdom, geschonken! Maar wat baat Gods goede wil voor ons, als wij niet zijn van goeden wil voor God! Wat baat eene goddelijke liefde tot aan wegwerping van Zichzelven toe, als die in onze harten geen weerklank vindt? En is de hel te erg voor zulk een onwil? Zoo is het; die in zonde blijven leven, Jesus leer en voorbeeld verwerpen, die Hem niet als Godmensch, Verlosser en Zaligmaker willen erkennen, voor hen is Hij te vergeefs mensch geworden. Dezen hebben geen vrede op aarde, geen vrede in de eeuwigheid te verwachten, omdat ze niet van goeden wille zijn, d. i. Jesus niet erkennen, niet beminnen, niet gehoorzamen; voor hen is Hij ten val en niet ter opstanding.

90. Wie waren de gelukkige mensdien, die het goddelijk kind in den stal het eerst kwamen aanbidden.

Vrome en eenvoudige herders, die van een engel gehoord hadden, dat de Verlosser der wereld geboren was.

Hoor, wat het Evangelie ons dienaangaande verhaalt. In dezelfden nacht, waarin Jesus geboren werd, zagen eenige herders, die bij de kudde de wacht hielden, een groot licht, dat hen omstraalde, en zij werden zeer bevreesd. Een engel verscheen hun, die zeide: » Vreest niet! Ziet, ik verkondig u eene groote vreugde, die allen volkeren ten deel zal vallen. Want heden is u, in de stad David, de Zaligmaker géborene die Christus, de lieer is. En dit zal u ten teeken dienen: gij zidt het kind in doeken gewikkeld vinden, liggende in eene

-ocr page 124-

DE GROOTE CATECHISMUS.

krih.\'quot;\' De herders, daardoor gerust gesteld, gingen vol vreugde naar den stal en bevonden alles werkelijk, zooals de engel voorzegd had.

Geen sckrifigeleerden, geen voornamen dezer aarde waren dus de bevoorrechten om Jesus liet eerst te zien en te aanbidden; maar vromen en eenvoudigen mensclien was dit geluk door God weggelegd. lu hun eenvoud gingen zij terstond op weg om het kind te vinden en te aanbidden. Na het goddelijk kind hunne aanbidding en vereering bewezen te hebben, keerden zij terug en verhaalden met blijdschap, dat ze den Messias gezien en aanbeden hadden. Zeker zijn op dit heuglijk bericht, vele inwoners van Bethlehem en ook vreemdelingen, die bij gelegenheid der volkstelling in het stadje waren, naar de grot gesneld om den armen Jesus te zien en Hem hunne hulde te brengen. Teruggekeerd, verhaalden zij hun wedervaren weder aan anderen, en zoo was binnen betrekkelijk korten tijd (Je tijding van deze wereldgebeurtenis over het geheele Joodsche land verspreid.

(Het is hier, dunkt mij, de plaats om den kinderen bekend te maken met en hen aan te sporen om lid te worden van de H. Kindsheid, en daar, waar ze nog nietbestaat, aan hare oprichting te denken, en zoodoende het kindje Jesus niet alleen vele lieve kleine vereerders maar ook ware aanbidders te bezorgen door het zware werk der Missiën te steunen.)

91. Wemneer viert de Kerk het groote feest van Jesus\' geboorte ?

Op Kerstmis.

Jaarlijks herinnert ons de H. Kerk aan Jesus\' geboorte om ons tot vreugde en dankbaarheid op te wekken. Om dat feest nog aanschouwelijker te maken, bestond in vroeger dagen, en thans nog op vele plaatsen, het gebruik om in kerken en huizen kribjes en Kerstboomen op te richten, versierd met snuisterijen als geschenken voor de kinderen, om daardoor de

118

-ocr page 125-

IJE GROOTE CATÜXHISJILTS.

geschenken in liet geheugen terug te roepen, welke Jesns ons door Zijne menschwording heeft aangebracht. Vandaar zegt men ook bij het overhandigen: Zie eens, lieve kind, wat schoons het kindje Jesus voor u gebracht heeft.

92. Wanneer werd het kind Jesus besneden ?

Acht dagen na zijne geboorte.

Evenals alle joodsche kinderen van het mannelijk geslacht werd Jesus acht dagen na Zijne geboorte besneden, volgens het gebod, door God aan Abraham gegeven, bij welke gelegenheid de joodsche priester hot kind eene kleine wonde toebracht. Die besnijdenis was als het teeken des Verbonds. Dit godsdienstig gebruik moest den joden de weldaden herinneren, welke zij van God ontvangen hadden en hen weder-keerig tot trouw en gehoorzaamheid aan Gods bevelen opwekken. ïe gehjker tijd ontving het kind Zijn naam, en de Heiland ontving den naam »Jesus,« zoouls de engel Gabriël bevolen had.

93. Wanneer hadden Simeon en Anna het gelul:, Jesus als den Zaligmaker der ivereld te erkennen fcn Hem hunne hulde te bewijzen?)

Veertig dagen na Jesus\' geboorte, toen Hij door Maria in den tempel aan God werd opgedragen?

God had den joden bevolen, alle eerstgeboren knaapjes, veertig dagen na de geboorte, in den tempel aan Hem op te offeren, en bij die gelegenheid, wanneer de ouders vermogend waren, een lam te offeren; waren zij arm, dan kon men met een paar duiven volstaan. Ingevolge dat voorschrift gingen Maria en Jozef, veertig dagen na de geboorte, met het kind naar den tempel te Jeruzalem om het aan God op te dragen, en offerden daar een paar tortelduiven, het offer der armen. Door den geest Gods geleid, bevonden zich op datzelfde tijdstip, de vrome Simeon en de godvreezende Anna ook in den

119

1

\' j,

?]!

\';:;ï

mmm

-ocr page 126-

DE GROOTE CATECHISJ1ÜS.

tempel, en erkenden, door dienzelfden geest, in dat kind hun Heiland en Verlosser. Met vreugde namen zij het op hunne armen en loofden en prezen den Heere met luider stem. fileerquot; riep Simeon in vervoering uit, »laat nu üw dienaar in vrede sterven, volgens Uw woord, want mijne oogen hebben Uw heil aanschouwd.\'quot; En daar zy allerwege veel over Jesus spraken, werd de geboorte des Heiland meer en meer verspreid.

94 Op welken dag wordt ons die opoffering van Jesus herinnerd ?

Op den feestdag van Maria Zuivering, ook wel Lichtmis genoemd.

De Kerk wil ons jaarlijks deze gebeurtenis herineren om ons de nederigheid en den ootmoed voor oogen te stellen, waarvan ons Jesus, Maria en Jozef bij die gelegenheid bewijs gaven, door zich aan eene wet te onderwerpen, welke niet op hen van toepassing wns.

Op dien dag worden ook de kaarsen gewijd, ten dienste der godsdienstoefeningen. De brandende kaarsen beduiden ons, dat Jesus »hct licht der wereld isquot; wijl Hij door Zijne goddelijke leer en door Zijn voorbeeld alle menschen tot de kennis Gods en tot het goede voorlicht, en als dank daarvoor worden eenige dier kaarsen Hem als offer opgedragen.

95. Maakte God de Geboorte van den Zaligmaker ook huiten het Joodsche land hekend?

Ja, God maakte ze bekend aan de drie Koningen of Wijzen uit het Oosten, door de verschijning eener buitengewone ster.

Er bestond eene overlevering onder de heidenen, gegrond op \'t vierde boek van Mozes, en versterkt en levendig gehouden door den omgang der heidenen met de joden, bijzonder gedurende hunne ballingschap, dat de verschijning van eene

120

-ocr page 127-

DE GROOTE C.VTECHtSMUS.

ster, welke men nooit te voren gezien liad, het teeken zou zijn van de geboorte des Verlossers. Daar zien de drie Koningen eene buitengewone ster, en God verliclitte hun verstand en gaf hun tevens te kennen, dat zij de geboorte van Jesus, den nieuwen Koning der joden aanduidde. De ster verlichtte hunne oogen, maar de genade nog meer hunne harten.

96. Wat deden de drie Koningen, toen zij de ster zagen?

Zij gingen terstond het kind opzoeken, eerst te Jeruzalem, vervolgens te Bethlehem.

Zij maakten zich reisvaardig om dengen e op te zoeken, die door de ster werd aangekondigd. Het eerst richtten zij hunne schreden naar Jeruzalem, de hoofdstad en residentie des ko-nings. Dit geschiedde niet bij toeval, maar door eene bijzondere beschikking Gods, opdat aan koning Herodes en aan de schriftgeleerden ook bekend mocht worden, dat de Messias werkelijk geboren was. En dat was juist ook het geval. De drie Wijzen vroegen immers overal en aan iedereen naar den nieuwgeboren Koning der Joden, zoodat het wel niet anders kon of de koning moest ook bekend worden met het doel hunner komst, hetgeen hem zeer beangst maakte, daar hij vreesde, dat de nieuwe koning hem van den troon stooten en aan zijn bestuur een einde zou maken. Daarom riep hij alle hoogepriesters en schriftgeleerden bijeen en vroeg hun, waar de Christus moest geboren worden. Zij antwoordden: »Te Bethlehem, in het land van Ju da.quot; Nu liet hij de Wijzen heimelijk bij zich komen, onderzocht nauwkeurig naar den tijd waarop hun de ster verschenen was en zeide: * Gaat naar Bethlehem en onderzoekt nauwkeuriy naar het kind en als gij het gevonden hebt, komt het mij zeggen, ik ga het dan ook aanbidden.quot; De Wijzen vertrokken en tot hunne groote vreugde zagen zij de ster weder, welke zij in het oosten ge-

-121

-ocr page 128-

DK GItOOTE CATECHISMUS.

zien hadden, en deze verstrekte liun tot reisgids (zij zweefde hun vooruit) tot fian Betlilehem, en bleef daar, boven de plaats, waar Jesus zich bevond, staan, ten teeken, dat de gezochte gevonden was.

97. Hoe bewezen de drie Koningen den Zaligmaker hunne vereering?

Zij vielen voor Hem neder, baden Hem aan en gaven Hem groote geschenken.

Wie bewondert hier niet het groot en levendig geloof dier heilige mannen? Die wijzen en machtigen dezer aarde, gewoon aan rijkdom en weelde, die de armoede slechts bij naam kenden, schamen zich niet de armoedige plaats binnen te treden, in de zoete hoop, te vinden, wat ze zoeken. Doch wat vinden zij ? In plaats van een rijk koningskind, gelegen in eene gouden wieg, omgeven door rijkdom en wereldsche grootheid, zien ze een, in onaanzienlijke doeken, gewikkeld kind, in het gezelschap van eene arme moeder en een armen voedstervader. Alles toont daar behoefte, nergens is een spoor van koninklijke grootheid te bespeuren. Wellicht dachten ze bij dat alles, bedrogen te zijn en keerden ze ontevreden naar hun land terug? Neen! voorgelicht door Gods genade, vergeten ze alles, wat ze anders in een koningskind zouden eischen, vallen op hunne knieën in het stof, aanbidden en bekennen zoo, dat het daar voor hen liggende arme kind, de Verlosser, de Messias der wereld is. Door de geschenken, goud, wierook en myrrhe, welke alleen koningen werden aangeboden, toonden zij tevens het kind te erkennen als den nieuwen koning der Joden.

98. Wanneer wordt de gedachtenis gevierd van de aanbidding der drie Koningen?

•122

-ocr page 129-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Op den feestdag der verschijning des Heeren, of Driekoningen-dag.

Op dien dag verscheen en werd Jesus voor het eerst geopenbaard door de verschijning der wonderbare ster, aan de heidenen (de drie Koningen), die op hunne beurt in hun land teruggekeerd, de geboorte van Jesus overal, als ooggetuigen bekend maakten, en zoo de eerste Apostelen der heidenen werden. Hunne namen zijn: Melchior, Caspar, Balthazar.

Dit feest is inderdaad een vreugdefeest voor ons allen. De joden dachten immers, dat de Verlosser alleen voor hen en niet voor de heidenen zou komen, en die meening wordt door dit feest gelogenstraft. Ware dat zoo geweest, dan ook zouden wij immers van de verlossing verstoken zijn, daar onze voorouders heidenen waren. God lof! terstond by Jesus\' geboorte toonde God zichtbaar, dat Hij Zijn Zoon den jood niet alleen als Verlosser had geschonken, maar dat Hij voor allen was mensch geworden. Het eerst riep Hij de Herders, die joden, een weinig later de Wijzen, die heidenen waren. Daarom moeten wij ons op dien dag ook oprecht verheugen en den Heiland dankzeggen, dat Hij ook ons aan het geluk dei-verlossing heeft deelachtig gemaakt en Hem uit dankbaarheid dagelijks, even als de drie Koningen, goud, wierook en myrrhe offeren. Ja, wees dankbaar en draag Hem goud op : verheft hart en mond door vurige gebeden en de geur van dezen waren wierook zal tot Hem opstijgen, en de strijd tegen de zonde hitter en zwaar moet het offer uwer myrrhe zijn.

99. Wat deed dejoodsche koning Eer odes, toen hij vernam, dat de Zaligmaker geboren was?

Hij wilde Jesus (uit vrees voor troon en leven) doodon, cn liet to Bethlehem en in de omstreken

123

-ocr page 130-

DE QROOTE CATECHISMUS.

alle kinderen ombrengen, die tsvee jaren, en daaronder, oud waren.

Gelijk bekend is, laad Herodes den drie Koningen verzoclit hem te komen zeggen, op hunne terugreis, waar het door hen gezochte en gevonden kind zich bevond, onder voorwendsel van het dan ook te zullen aanbidden. Doch de valschaard wilde het vermoorden, wijl hij vreesde, dat de nieuwe koning hem rijk en troon zou ontnemen. Toen hij eindelijk inzag, dat de koningen hem misleid hadden en zijn wreede en schandelijke toeleg mislukt was, werd hij woedend eu gaf bevel tot den kindermoord, overtuigd, dat, als alle kinderen in den omtrek vermoord werden, Jesus zeker onder dat getal moest zijn. Wat een geween en gejammer zal die gruweldaad den ouders gekost hebben, die zoo gaarne hunne lievelingen wilden redden, maar door de woeste soldaten onbarmhartig werden teruggestooten. Geen enkel kind, onder de twee jaren oud, ontkwam den wreeden moord, uitgenomen Jesus alleen.

100. Hoe kwam het, dat Jesus ook niet omgebracht werd ?

Jozef was, op waarschuwing van een engel, met het kind en Zijne moeder naar Egypte gevlucht.

Herodes had alles zoo voorbereid en ingericht, dat Jesus zeker als het offer van zijn moordzucht moest vallen. Zoo dacht hij ten minste, maar de mensch wikt en God beschikt; want door een engel in den slaap gewaarschuwd, vluchtte Jozef heimelijk met Maria en haar kind naar Egypte, en onttrok het zoo aan het vreeselijk bloedbad. Hoe pijnlijk zal het den goeden menschen gevallen zijn, familie, vaderland en woning vuarwel te zeggen en in een vreemd land een onderkomen te zoeken; doch God sprak, en terstond zijn ze gereed aan zijn bevel te gehoorzamen. Zij vroegen niet: wat zouden

124

I

-ocr page 131-

DE GROOTE CATECHISMUS.

wij wel willeuV Maar, wat is de wil van God; Zijn wil was de hunne. — Leer liier van de H. Familie stipte en vaardige gehoorzaamheid, ook met betrekking tot hetgeen u tegenstaat, te doen of te laten, en denk altijd: het is Gods wil, daarom ook wil ik het.

VIJFTIENDE LES.

OVER HET LEVEN EN LEERAARSAMBT DES VERLOSSERS.

101. Waar woonde Jesus, nadat Hij uit Egypte tuas teruggekeerd ?

Te Nazareth, in de nederige woning van Jozef en Maria.

Jozef bleef met liet kind Jesus en Maria in Egypte, totdat God hem door een engel den dood van Ilerodus liet bekend maken, en beval naar Palestina terug te keeren. Jozei en Maria trokken dan met Jesus naar Nazareth, waar zij voor de geboorte van Jesus gewoond hadden. Vandaar gaf men Jesus ook den toenaam: »Nazarenerquot; en liet Pilatus op het kruis boven Jesus\' hoofd de woorden schrijven: INRI »Jesus van Nazareth, Koning der Joden.quot; — Daar herbergt een armoedig huisje Dengene, die het heelal verzorgt, daar verblijft Hij ouder een nederig dak, die den hemel als schuttend dak over de geheele natuur heeft uitgespannen. Hij, wiens grootheid en macht niet te vatten, niet te beperken is, wordt daar omsloten door vier schamele muren. Ja, beminde\' lezer! de Vader v vau alles, wat leven heeft, eet daar het door handenarbeid verdiende brood van Zijn voedstervader. Welk eene afdaling, welk eene vernedering laat Hij Zich uit liefde en barmhartigheid welgevallen! In alles wil Hij ons gelijk worden, uitgenomen in de zonde, om oo.k in

OR. CAT. 9

125

-ocr page 132-

DÉ GROOTE CATECHISMUS.

alles voor ons te voldoen, en zelfs als kind, den kindereu een voorbeeld geven. Immers:

102. \\ an welke deugden gaf Jems ons in Zijne jeugdige jaren het schoonste voorbeeld?

Van gehoorzaamheid, godsvrucht en alle deugden, welke Hem bij God en rnenschen zoo welbe-hagelijk maakten.

Die Jesus als kind kenden, beminden Hem; voor ben, die die met Hem omgingen, was Hij een voorbeeld en voor Zyne ouders\'was Hij bet geluk en bet leven. Zoodra Hij er toe in staat was, bood Hij Zijnen ouders do behulpzame band in de dagelijkscbe bezigheden, en toen Hij wat ouder werd, oefende Hij zicb in bet ambacbt van Zijn voedster rader, die timmerman was.

Toen Hij twaalf jaren oud was, de leeftijd, die gevorderd werd om den tempel te mogen bezoeken, ging Hij met Zijne ouders naar Jeruzalem, waarbeen de joden zich driemaal \'sjaars moesten begeven, om in den tempel te bidden. Ingetogen en zedig was Zijn gang daarheen, en eenmaal in Jeruzalem aangekomen, hield Hij zich zoo met Zijn hcmelschen Vader bezig, dat Hij niet alleen den kinderen, maar ook den volwassenen tot voorbeeld diende. — Hij was alwetend, maar wat moet er dan in dat lieve kinderhart zijn omgegaan, toen Hij in de verte tusschen de heuvelen, waarop Jeruzalem gebouwd is, Golgotha ontdekte; toen Hij dezelfde poort binnen ging als knaap, welke Hem over eenige jaren met Zijn kruis beladen zou ontvangen; toen Hij de straten betrad, die weldra van Zijn bloed de sporen zouden dragen. De woord-kreet: »weg met Hem, aan het kruis!quot; trof daar voor het eerst Zijne heilige ooren, maar dat alles gaf Hem ook overvloedig, stof om in den tempel vurig te bidden en bij voor-

120

-ocr page 133-

DE GROOTK CATECHISMUS.

bant reeds Zijn liemelsclie?i Vader liet offer van Zijn leven aan te bieden.

Na afloop der feesten, die gewoonlijk drie dagen duurden, keerden Jozef en Maria naar Nazareth terug en bemerkten niet, dat de kleine Jesus was achtergebleven. Jozef, die volgens gebruik met de mannen, eene dagreis voor was, meende, dat Hij Zich bij Maria en de overige vrouwen bevond, die eene dagreis achterbleven; en Maria stelde zich gerust met de gedachte: Hij zal wel vooruit en bij Jozef zijn. Eindelijk bemerkten zij, dat Hij was achtergebleven. Troosteloos over dit verlies, gingen zij met een beklemd hart terstond terug naar Jeruzalem en vroegen overal aan vrienden en bekenden naar hun dierbaar kind, tot ze Hem in den tempel vonden te midden der schriftgeleerden, die Hij ondervroeg en door wie Hij ondervraagd werd. Aller oogen waren op Hem gevestigd en iedereen zeide: »het is een wonderkind!quot; Wat moet er uit dat kind groeien? Maria naderde Hem en zeide, om hare oprechte moederlijke bekommering te kennen te geven: vZoon! waarom hebt Gij aldus met ons gehandeld? Zie! Uw vader en ik zochten U met droefheid,Jesus antwoordde met minzaamheid: » Wist gij dan niet, dat Ik met de dingen Mijns Vaders moest bezig zijn ?quot;

Jesus leert ons hier, dat de wet van God strenger verplicht dan alle nienschelijke wetten en dat het ook onze vreugde moet uitmaken, gaarne in dè kerk te verwijlen, te bidden, met den hemclschen Vader te spreken of van Hem te hooren spreken, vooral in het christelijk onderricht of de predikatie.

Door zóó te leven, moest Hij wel aan Maria en Jozef, aan de menschen, maar vooral aan God, Zijn Vader, behagen, en allen ten voorbeeld verstrekken, en dat voorbeeldig gedrag nam toe tot aan Zijn dertigste levensjaar, om dan met nog meer kracht naar buiien te tooneu, wie en wat Hij was.

127

-ocr page 134-

DE GROOTE CATECHISMUS.

103. Wat deed Jesus, toen hij dertig jaren oud was ?

Hij liet zich door Johannes ((ien Dooper) doopen, vastte veertig dagen en nachten in de woestijn en trad daarna als goddelijke leer aar der menschen op.

a) Hij liet zich door Johannes doopen. —Jolmnnes, bijgenaamd de Dooper, was de voorlooper en wegbereider vau Jesus. Hij predikte en diende op \'sHeeren bevel, den men-schen liet doopsel van boetvaardigheid toe, en hield zijn verblijf in de woestijn, in de nabijheid eeu.u- rivier, de Jordaan geheeten. Daar leefde hij in de strengste boetvaardigheid, zoodat hij wilden honing at en water dronk. Een ruig haren kleed, omvat door een lederen gordel, bedekte zijn lichaam. Liefdevol, maar tevens berispend en bestraffend, waren de redenen voor hen gehouden, doch al zijne woorden beoogden niet anders, dan de harten tot boetvaardigheid te stemmen.

Velen geloofden, dat hij de beloofde Messias was, en werden daartoe gebracht door zijne strenge en vrome levenswijze en zielroerende toespraken, te meer, omdat de tijding van de geboorte des Messias overal verspreid was. Toen Johannes dat bemerkte, zeide hij: »Ik doop slechts met water tot boetvaardigheid en verbetering des levens. Weldra zal er echter één komen, die grooter is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben te ontbinden; deze zal u met den heiligen Geest doopen.quot;

Op zekeren dag kwam Jesus dan ook werkelijk tot Johannes in de woestijn en Hem ziende, sprak Johannes op plech-tigen toon aldus tot het volk: Ziedaar! het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Deze is het, van wien ik gezegd heb: na mij komt een man, die voor mij was; want Hij was eerder dan ik.quot; — Johannes noemde Jesus een Lam, wijl de joden tot boete der zonden in den tempel lammeren moesten offeren, en Jesus zich ook vrijwillig als een lam aan

128

-ocr page 135-

DE GROOTE CATECllteMUS.

het kruis zou slachtofferen tot vergiffenis tier zonden. Hij zeide, dat Jesus voor hem geweest was, en toch was Johanues als mensch ouder, maar hij doelde op Jesus godheid, die van eeuwigheid is.

Jesus verzocht Johannes om het doopsel, dat hij Hem na eenige tegenkantingen ook toediende, wijl hij zich daartoe onwaardig achtte. En terwijl Jesus het doopsel ontving, opende zich de hemel en de H. Geest in de gedaante eener duif, daalde over Hem neder en eene stem werd gehoord, die zeide: gt;Deze is Mijn welbeminde Zoon, in ivien Ik Mijn ivel-hehagen heb, hoort Hem.quot;

b) Jesus vastte veertig dagen en nachten in de woestijn. Na gedoopt te zijn, verbleef Hij veertig dagen en nachten in de woestijn en bracht, als voorbereiding voor Zijn leeraarsambt, dien tijd in streng vasten door. Als Zoon Gods en God mot den Vadar, wist Jesus alles, wat Hij zou leeren, en behoefde geen voorbereiding, maar Hij deed het om ons te leeren, niets gewichtigs te ondernemen, zonder ons door gebed en overweging daartoe voor te bereiden. Na verloop dier veertig dagen kreeg Jesus eindelijk honger en liet Hij toe, dat Satan Hem tot driemaal bekoorde, ter onzer onderrichting. De duivel zeide tot den Heiland; »Indien Gij de Zoon Gods zijt, maak dan deze steenen tot brood.quot; Doch Jesus op God vertrouwende, die Hem reeds veertig dagen zonder spijs onderhouden had, antwoordde: » Da mensch leeft niet alleen van brood, maar van elk luoord, dat uit Gods mond voortkomt.quot; Toen nam de duivel Hem op en plaatste Hem op een der hoogste punten van den tempel en sprak: »Zoo Gij de Zoon Gods zijt, werp U dan van boven neder, want er staat geschreven, de engelen zullen U op de handen dragen.quot; Jesus antwoordde, Er staat geschreven: dGij zidt God niet tergen.quot; Daarna toonde Satan den Heiland vele rijken en heerlijkheden der wereld en beloofde Hem dat alles te zullen

120

-ocr page 136-

DE GÜOOTE CATECII1S3IUS.

gaven, wuuueer Hij hem (n.1. den duivel) aanbad. Met verontwaardiging en gezag zeide Jesus: Wijk van Mij, Satan, loant er staat gcschreven: Gij zult God alleen aanbidden en Hem alleen dienen.quot; Verselirikt en geslagen vlood Satan weg en de engelen kwamen om Jesus te dienen en van spijs te voorzien.

Ook wij worden nii\'t zelden bekoord en tot zonde aangezet; voornamelijk in de eenzaamheid tracht Satan, evenals bij Jesus, zijn slag te slaan en ons aan zijn zegewagen te kluisteren. Zie dan, in die oogenblikken, op den strijdenden en overwinnenden Jesm, vertrouw op God en niet op uwe eigen krachten, en zeg: Neen Satan, ik wil God alleen en niet u dienen. Stel u dan levendig de tegenwoordigheid van God en van uw engelbewaarder voor oogen, maak het tee-ken van het heilig kruis, roep vertrouw vol: »Jesus, Maria, Jozef staat mij bij! en door de genade geholpen, zult gij met Jesus overwinnende. Hem ook nazeggen: Wijk Satan, Gods wil en niet de uwe, zal ik volbrengen.

cj En Hij trad daarna als goddelijke leeraar der menschen op. Toen de veertig dagen der voorbereiding voorbij waren, begon Jesus, dertig jaren oud zijnde, openlijk ts prediken en de zending te vervullen, Hem door Zijn Vader opgedragen. Bij Zijn vertrek uit de woestijn en de ouderlijke woning, keerde Hij nogmaals naar den Jordaan tot Johannes terug, die daar nog predikte en doopte, en deze Hem ziende, zeide andermaal tot het volk: »Ziedaar/ het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemtquot; en kort daarna verstomde die roepende stem in de woestijn.

104. Wie waren Jesus eerste en voornaamste leerlingen.

Zijn eerste twee leerlingen waren Andreas en Johannes, later Apostel en Evangelist.

130

-ocr page 137-

DE GUÜÜTli CATECHISMUS.

Jesas sprak tot !iea: »Vo1ig Mij,quot; on zij volgden Hom tor-stond, om van Zijne lippen lessen van levenswijsheid en waarheid te verneme\'J, en vertoefden den geheelen dag bij Hem. Daarna ging Andreas zijn broeder, Simon geheeten, opzoeken en verhaalde hem, dat de Messias gevonden was, en leidde hem tot Jesus. ToenJesus Simon zag, sprak Hij tot hem: » Gij heel Simon, maar voortaan zult gij Petnis (steenrots) rje-noemd worden.quot; Den volgenden dag ontmoette Jesns op Zijn weg nog zekeren Philippus, sprak hem aan en zeide: » Vair/ Mij,quot; en hij volgde Jesns op datzelfde oogenblik. Het gezelschap van Jesns beviel Philippus zóó goed, dat hij zich tot zijn vriend Nathaniel, ook wel Bartholomeus geheeten, spoedde, om hem deelgenoot zijner vreugde te maken. Hij trof hem aan, zittende ondor een vijgeboom en riep hem toe; » Wij hebben den Mesdas gevonden; hom en zie, het is Jesus van Nazareth.quot; Vervolgens gingen zij tot Jesus, die over Nathaniel aldus sprak: »Ziedaar in waarheid een Israeliet, in wien geen bedrog is.quot; Verwondert over dit gezegde, vroeg Nathaniel: » Vantvaar kent Gij mij?quot; Jesus hernam: » Voordat n Philippus onder den vijgeboom riep, had Ik u reeds gezien.quot; Nu zeido Nathaniel, overtuigd van Jesus alwetendheid: »Meester! Gij zijl de Zoon Gods, de Koning van Israël.quot; Jesus antwoordde: »Gij gehoft, daar Ik zeide, u onder den vijgeboom gezien te hebben. Gij zult nog grooter dingen zien dan dit. Voortvaar! Ik zeg u, gij zult den hemel open en Gods engelen boven den Zoon des men-schen zien opklimmen en nederdalen.quot;

Ziedaar, waarde lezer! de eerste zes volgelingen van Christus, en daarom de eerste christenen; het kleine begin der Kerk, die hare wortels over de geheele wereld zou schieten, onder wier weldadige schaduw alle geslachten en volkeren de gewenschte rust voor ziel en lichaam zullen zoeken en vinden. Gij ziet hier het kleine mosterdzaad, waaruit de boom

131

-ocr page 138-

DE GROOTE CATECHISMUS.

des levens zal groeien, welks takken zich zullen uitstrekken over alle eeuwen tot aan de voleinding der tijden, welks vruchten zullen blijven tot in eeuwigheid. Ziedaar, de eerste vruchten van het geloof in Jesus Christus, de Stichter der H. Kerk. Dank God, dat Bij ook u heeft geroepen, buiten zoovele anderen, die Zijne roepstem niet vernomen hebben, en toon dien dank, door te leven tot sieraad en niet tot schande van uw geloof!

105. Waarom koos Jesus, toen Hij als leeraar optrad, twaalf Apostelen of leerlingen uül

Opdat zij, als getuigen van Zijne leer cn werken, ook na Hem zouden verkondigen^ wat zij van Hem gehoord en gezien hadden, en doen zonden,, wat Hij hun bevolen had.

Jesus wist, dat Hij na drie jaren, door den smartelijken kruisdood Zija verlossingswerk zou voltrekken, en zorgde reeds bij voorbaat, dat er na Hem mannen waren, die Zijne leer van geslacht tot geslacht zouden verkondigen, daar niet alle en de toen levende, maar alle menschen, die tot aan de voleinding der tijden zouden bestaan, deelgeuooten Zijner leer en verlossing moesten worden. Daarom zeide Jesus op zekeren dag tot hen, die Hem volgden en dus Zijne leerlingen waren: »De oogst is groot, maar hel getal\'arbeiders klein. Bidt derhalve den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn wijngaard zendt;.\'quot; Den nacht daaropvolgende, bracht Jesus in het gebed verzonken op een berg door en riep tegen den morgen Zijne volgelingen bijeen, en koos er twaalf apostelen of gezanten uit, die met Hem en soms ook afzonderlijk rondtrokken om het Evangelie te verkondigen. De namen dier twaalf Apostelen zijn: Petrus en Andreas, zijn broeder; de

132

-ocr page 139-

iti

: f I

Mp *!l

hm flip

i

•133

f li! [\'af

jiPlf

II

Tsil® m

lp P

li;

tv

li

|IJ| f i\';

I

il\'.

IÉ il

li i ,11

I if % ilfci

Li;.

51 liquot; *

weet broeders Jacobus en Johannes; Philippus en Bartholo-meus; Mattheus en Johannes; Jacobus en Judas; Tbaddeus en Siraon en Judas. (Verrader.)

Jesus schonk hun ook de macht om zieken te genezen en duivels uit te drijven, waaraan Hij de volgende vermaningen en voorzeggingen vastknoopte: igt;Gaal den verloren schapen van Israel\'s huis prediken, dat het hemelrijk nabij is.quot; ïZiet! Ik zend u als schapen ander de ivolven.quot; »Weest voorzichtig cds de slangen en eenvoudig als de duiven.quot; »Om Mijnentwille zal men u op allerlei wijzen vervolgen.quot; »De leerling staat immers niet boven den Meester?quot; z V/ eest hen niet, die het lichaam kunnen dooden, maar Hem, die lichaam en ziel in de hel kan werpen.quot; »Belijdt Mij vrijmoedig voor de men-schen, ook Ik zal u dan voor Mijn Vader erkennen.quot; »Neemt uw kruis op, en volgt Mij na;quot; enz.

Daarna gingen de Apostelen uit en predikten in steden en dorpen de boetvaardigheid tot vergiffenis der zonde en het nabijzijn des hemelrijks, terwijl ze, even als Jesus, de waarheid hunner leer door teekens en wonderen bevestigden. Bovendien koos Jesus nog 72 leerlingen uit Zijne volgelingen, om twee en twee op die plaatsen, voorbereidingsoefeningen te houden, waar Hij later zelf zou gaan prediken, en ook zij ontvingen de macht, om ter bevestiging van hun woord en hunne leer, wonderen te verrichten. Was de prediking in deze of gene plaats afgeloopen, dan keerden zij tot Jesus terug en verhaalden Hem zooals wij met grond kunnen aannemen hun wedervaren, welke waarheden zij verkondigd hadden, hoe hunne woorden door het volk waren opgenomen en welke wonderen zij verricht hadden. De dagen, waarop zij uitrustten, benutte Jesus waarschijnlijk om henzelven te onderwijzen en Zijne leer nader te verklaren en op te helderen, daar zij geroepen waren, om na Zijne hemelvaart, in Zijne plaats, der wereld alles, wat ze van Hem gehoord en gezien hadden,

DE GHOOTE CATECHISMUS.

-ocr page 140-

DE GnOOTE CATECHISMUS.

te verkondigen; want op hen zouden Zijne woorden toegepast worden: ygt;Die U hoort, hoorl Mij.quot;

Merk kier wel, den aanwas der kerk en vergeet het niet. Het zestal, dat bij het begin van Jesns prediking aan den Jordaan, tot de geloovige gemeenschap toetrad, waarvan Hij zelf het hoofd was, is hier reeds zoo toegenomen, en tot zulk een groot getal aangegroeid, dat Jesus uit hun midden 72 medehelpers der Apostelen kiest; de vrouwen ongerekend.

106. Leerde Jesus slechts op enkele plaatsen en in het geheim?

Neen, Hij reisde met Zijne Apostelen het land rond, om overal openlijk Zijne leer te vei kondigen.

In het geloof aan Zijn woord is alleen zaligheid te vinden en daarom was Jesus rusteloos bezig om het zaad des geloofs in steden, vlekken en dorpen met volle handen uit te strooien. Den nacht bracht Hij vaak door in het gebed en de dag werd besteed om overal, door geheel Palestina, de leer Zijns Vaders te verkondigen en het verloren schaap op te zoeken. Intern-pels, op bergen en van af schepen, weerklonk Zijn bezielend woord, terwijl Hij elke gelegenheid aangreep om te leeren, nut te stichten en wel te doen, ::oodat met recht van Hem gezegd wordt: Hij trok al weldoende overal rond.quot;

107. Waardoor overtuigde Jesus de menschen van de waarheid Zijner leer?

Door de groote en ontegensprekelijke wonderen, die Hij allenvege en in het bijzijn van vele menschen verrichtte.

Ontelbaar bijna en dus te veel om alle op te noemen, zijn de wonderen en teekenen door Jesus\' almachtigen wil gewrocht. »Ik wil,quot; zoo sprak Hij en — melaatschen waren gereinigd, blinden zagen, dooven hoorden, doodeu leefden,

134

-ocr page 141-

DE GKOOÏE CAÏLCUISMUS.

ju, Hij gebood stonuon, zee en duivel?, en toonde Zijne heei-schappij over de geestelijk eu stoffelijke wereld, over dooden en levenden. Geen wonder dan ook, dat de roep van Ziiae wonderkracht heinde en ver weerklonk, en bij velen de begeerte opwekte, den Wonderdoener van nabij te leeren kennen en Zijne ongekende leer te hooren, terwijl de zieken van alle kanten toestroomden om genezing voor hunne kwalen bij Hem te zoeken. Zijne wonderen hadden derhalve een tweevoudig doel, n. 1. a) weldoen en h) de goddelijkheid Zijner leer en de godheid van Zijn persoon te bevestigen.

«) Een ongelukkige zien, deed Hora wee. De treurende weduwe van Naïm en de schreiende zusters van Lazarus, doen Hem tranen storten, cn Zijn medelijdend hart geeft Lun zoon en broeder terug. »Wat wilt gij, dat Ik u doe,quot; zoo luidde Zijne alles vermogende stem, en hoe omvattend daarop ook de smeekbede klonk, allen vonden bevrediging hunner wenschen. De zieken zelfs liet men door de daken heen voor Zijne voeten zallt;ken, wijl men wegens de menigte des volks belet werd door do deur tot Hem te naderen, en allen vonden genezing bij Jesus, den Wonderdoener en Vriend des volks.

b) Vooral verrichtt s Jesus mirakelen om daardoor de goddelijkheid Zijner zending en leer en tevens de godheid van Zijn persoon te bevestigen. Daarom wrocht Hij Zijne wonderen, bij voorkeur, na afloop zijner leerredenen, en in tegenwoordigheid van veie menschen, opdat zij door Zijne wonderkracht getroffen, het gehoorde woord als Gods woord zouden aannemen en erkennen. Zoo moest het volk immers redeneeren : Hij, die zulke dingen doer, moet meer zijn dan eenvoudig mensch; want God alleen, of Hij, die daartoe van Hem de macht ontvangen heeft, kan zulke werken ten uitvoer brengen: Zijne leer moet dus ook Gods leer zijn en Zijne zending inderdaad quot;an God uitgaan en Hij zelf datgene zijn,

1 !)quot;i

-ocr page 142-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

waarvoor Hij zich uitgeeft, God met den Vader: »Die Mij ziet, ziet den Vaderquot; »Ik en de Vader zijn één.quot; — Daarom zeide Jesus: tIndien Ik niet de werken Mijns Vaders doe, gelooft mij dan niet; doe Ik ze echter, zoo gelooft de werken, indien gij Mij niet gelooven wilt, opdat gij erkent en gelooft, dat Ik in den Vader hen en de Vader in Mij is.quot; — Vandaar ook, dat, toen de blindgeborene het gezicht van Jesus ontvangen bad, deze op de vraag van den Heiland: ^Gelooft gij in den Zoon Gods?quot; in vervoering uitriep: »./a. Heer, ik geloof!quot; ■—■ Wilt gij Mijne woorden niet gelooven, gelooft dan Mijne werken,quot; sprak Hij meermalen.

Zullen wij achterstaan bij den blindgeborene in de uiting onzer geloovige gevoelens? Neen, Heer! wij ook gelooven alles, wat Gij geleerd hebt; wij willen alles doen, wat Gij bevolen en nalaten, wat Gij verboden hebt. Met Petrus belijden wij: Gij zijt de waarachtige Zoon Gods, Gij zijt de Heiland en Zaligmaker der wereld, de Recliter van levenden en dooden. Versterk ons geloof, bevestig onze hoop en ontvlam ons bart tot vurige wederliefde.

108. Geloofden allen in Jesus, die Zijne leer hoorden en Zijne wonderen zagen?

Velen geloofden in Hem, maar ook velen (vooral onder de joodsche priesters) waren Jesus vijandig en vervolgden Hem.

Allen, die tot Jesus kwamen met een goede meening, ontving Hij zeer vaderlijk, voornamelijk de zondaars, die zich oprecht wilden bekeeren; doch de verharde zondaars, die zich niet wilden bekeeren, hield Hij vrijmoedig, zonder aanzien van persoon, hunne boosheid voor oogen en wees op de straffen, die hen weldra zouden treffen, hetgeen door velen hunner kwalijk genomen werd. Anderen waren tegen Hem ingenomen om Zijne geringe afkomst, want, ofschoon een

130

-ocr page 143-

DE GROOTE CATECHISMUS.

koningstelg naar goddelijke en mensclielyke afkomst, liiekl men Hem voor een eenvoudigen timmermanszoon. De vleesclielijke joden, die in den Msssias een groot koning ver-wacliten, konden zich zelf niet overreden, noch door Jesus daartoe gebracht worden, in Hem, een zoo arm en nederig mensch, den Messias te erkennen. Anderen haatten en benijdden Hem, wijl zij niet konden verdragen, dat de geheele wereld met lof van Hem sprak en aan Zijne lippen hing, en Hij hun bovendien openlijk hnune schijnheiligheiden ondeugden verweet, en hunne hoovaardigheid en hebzucht aan de kaak stelde. Weer anderen verachtten Hem, omdat Hij den ondergang van stad en tempel voorzegd had. Hoe hoog echter de haat ook steeg, niemand kon iets tot Zijne beschuldiging inbrengen, noch Hem van zonde beschuldigen. Vandaar, dat ze dikwijls beproefden, Hem in Zijne woorden te vangen, om zoo beschuldigingen te kunnen vinden, maar telkens moesten zij beschaamt afdeinzen. Eenmaal wilden ze Hem zelfs van een hoogen berg werpen, en tweemaal stee-nigen, maar de Heiland ontging hunne handen, omdat de tijd van Zijn sterven nog niet was aangebroken.

»Toen eindelijk die tijd was aangebroken, belegden Zijne vijanden eene vergadering om te overleggen, hoe men Jesus het geschiktst zou kunnen dooden. De vraag werd voorgesteld : »Wat staat er ie doen, wijl deze mensch zoovele wonderen verricht? Indien we Hem laten begaan, zullen allen nog in Hem gelooven en wij miskend en vei acht worden.\', De hoogepriester stond daarna op en sprak: »//;}\' moet sterven, want het is heter, dat één mensch sterft, dan dal het geheele volk te gronde gaat.quot; Allen stemden daarmede in en er werd besloten, het moordplan zoo spoedig mogelijk te voltrekken en zeer geheim te houden, want lekte er iets van uit, dan zou waarschijnlijk het volk, dat Hem zeer aanhing en bij duizendtallen ter viering van het Paaschfeest,

137

-ocr page 144-

DE 6300TE CATEClllSja^.

in Jeruzalem was saamgestroomJ, ia opstjiucl komen en partij voor Jesus trekken. Zonder het te weten of te willen, sprak de hoogepriester hier een troostvolle waarheid uit, dat Jesus\' dood cene weldaad was, waut aan Zijn dood was de verlossing der zondige wereld als loon verbonden.

Zeven dagen vóór het Paaschfeest, dus vier dagen vóór Zijn lijden en sterven, ging Hij, tot verwondering Zijner Apostelen, die Hem wezen op het gevaar, dat Zijn leven bedreigde, naar Jeruzalem. In de nabijheid der stad gekomen, zond Jesus twee leerlingen vooruit, om eene ezelin voor Hem te halen, waarop Hij plaats nam en vervolgens stadswaarts toog; »Ziet uw Koning zittende op het^veulen van een lastdragend dier\'; aldus had de profeet gesproken, en ook deze voorzegging moest vóór Zijn dood eerst bewaarheid worden. Het gerucht Zijner komst had zich weldra verspreid en eene groote menigte kwam Hem te gemoet gesneld, spreidde kleedereu en boomtakken op den weg en begeleidde Jesus stadwaarts onder den jubelkreet: »Hosanna, den Zoon van David! Gezegend is Hij, die daar komt in den naam des Henren! Te midden dezer jubelende menigte, vervolgde Jesus peinzend Zijn weg, wijl Hij wist, dat dez.lfde volksmenigte, opgeruid door priesters en schriftgeleerden, over eenige dagen, den moordkreet zou aanheffen: » Weg met Hem! Aan het kruis!quot; terwijl de schrikkelijke straffen Zijn geest bezig hielden, welke stad en volk voor hun moord te wachten stonden. Diep greep dat alles in do liefdevolle ziel van Jesus, en Hij was zoozeer met het ongeluk dier menschen begaan, dat Hij begon te weenen en meewarig en bedroefd zeide: »Ongelukkige stad! Ach, dat ge op dit oogenblik nog erkendet, wat u tot heil verstrekt. Hoe dikwijls heb Ik uwe imuoners willen verzamelen, (tot geloof in Mij willen opwekken) gelijk eene hen hare kiekens liefdevol onder hare vleugels vereenigt.

138

-ocr page 145-

DE GROOTE CATECHISMUS.

maar gij hebl niet gewild.quot; Daarna voorzegde 13ij ueu sclirik-kelijken ondergang der stad door de Romeinen.

Jesns weende. Welk eene liefde en barmhartigheid! Zoo gaarne had Hij die menschen voor Zich gewonnen en gelukkig gemaakt, maar helaas! Zijn arbeid werd miskend, Zijne pogingen daartoe verijdeld en zijne roepstem door hartstocht en nijd, haat en afgunst versmoord. Wachten wij ons de partij dier ondankbaren te kiezen, maar danken wij Jesus voor elke poging, voor elk woord en werk voor ons heil gedaan of gesproken, en besparen we Hem zoo de tranen van droefheid over ons lot. — Jaarlijks herinnert ons de kerk op Palmzondag, den feestelijken intocht van Jesus binnen Jeruzalem\'s muren, en wijdt zij palm als zinnebeeld onzer vreugde.

109. Wanneer hield Jesus het laatste Avondmaal rit et de Zijnen en stelde Hij het heilig Altaarsacrament in?

Donderdag, den dag vóór Zijn dood.

Omdat de kerk op dien dag haar treurgewaad, de paarse kleur, aflegt en deze door de witte, de feestkleur vervangt, ter eere der instelling van het H. Altaarsacrament —- wordt deze dag ook wel witte Donderdag genoemd. Jesus begaf zich met Zijne Apostelen tegen den avond naar de zaal, welke op Zijn bevel, tot het nuttigen van het Paaschlatn was gereed gemaakt, en deelde zoodoende in het algemeen voorschrift der joden, om op Paschen een lam te slachten, tot aandenken aan den wonder vollen uittocht uit Egypte. — Toen het avondmaal d. i. het Pauschlam genuttigd was, nam Jesus brood in Zijne heilige hauden, zegende het, brak het, gaf het aan Zijne leerlingen en zeide; »Neemt en eet, dit is Mijn Lichaam.quot; Evenzoo aam Hij den kelk, waarin wijn was, zegende dezen en reikte hem den leerlingen over, zeggende: Drinkt allen hieruit: dit is Mijn Bloed, hetwelk roor u en voor

-139

-ocr page 146-

DE GROOTE CATECHISMUS.

velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Doet dit ter Mijner gedachtenis^ De Zaligmaker veranderde hier brood in Zijn licliaam en wijn in Zijn bloed en beval Zijnen Apostelen en hunnen opvolgers, Bisschoppen eu Priesters, hetzelfde te doen, aan welk bevel de priester voldoet, zoo dikwijls hij het H. Offer der Mis opdraagt. — Deze heilige handeling kostte Jesns even weinig moeite en inspanning als de verandering van water in wijn op de brniloft te Cana (zijn eerste wonder), en zoovele andere wonderen. Hij sprak of dacht slechts: »Ik wil,quot; wordt gezond, en de zieken waren genezen; »Ik wil,quot; wordt ziende eu de blinde zagen; »staat op doodenquot; en zij stonden op en leefden. Het was door diezelfde almacht, dat brood veranderde in Zijn lichaam en wijn in Zijn bloed.

Wanneer ge dan tegenwoordig zijt bij het H. Misoffer, denk er dan wel aan, dat daarin hetzelfde wonder geschiedt, hetwelk Jesns bij het laatste avondmaal verrichtte. Dan ook verandert de priester brood in Jesns aanbiddelijk lichaam en wijn in Zijn gloriens bloed. Aanbid op dat oogenblik den goeden Heiland met een heilig ontzag en geloovig hart en dank Hem voor Zijne liefde, u door de instelling van het hoogheilig Altaarsacrament betoond, waarin Hij tot aan de voleinding der tijden met ons wonen wil.

ZESTIENDE LES.

OVER HET LIJDEN EN STERVEN DES VERLOSSERS.

HET 4e AETIKEL DEE GELOOFSBELIJDENIS.

Alvorens tot de verklaring van dit geloofsartikel over te gaan, wil ik eerst eenige waarheden aangeven, die ons bij de overweging van Jesns lijden altijd voor den geest moeten staan.

140

-ocr page 147-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Jesus liad Zijne mensclilieid, om zoo te zeggen, als een kleed over Zijne godheid aangetrokken; dat was het boetkleed, waarin de Zoon Gods voor den mensch geboet heeft. Jesus Christus heeft dus wel geleden, maar niet als God; want God kun niet lijden, geen smart verduren, niet sterven. In Zijne menschheid heeft Hij dus alleen geleden naar lichaam en ziel. De persoon, die geleden heeft en gestorven is, is wel de goddelijke persoon, maar die goddelijke persoon deed dat niet naar Zijn goddelijke, doch in Zijne menschelijke natuur.

In Zijne ziel leed Hij droefheid, angst, spot en verachting. Meen dus niet, dat de godheid, die altijd met Zijne menschheid vereenigd bleef, den Heiland het zielelijden bespaarde, o neen; want neergedrukt onder die smarten, riep Hij uit: »Miju God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?quot; Dit is aldus te verstaan: Daar Zijne godheid, de menschheid alles zóó liet gevoelen, alsof zij niet onderling vereenigd waren, daarom scheen het, alsof God do menschheid verlaten had. Onuitsprekelijk was deze smart, en diep, zeer diep greep zij in de ziel van Jesus.

In Zijn lichaam leed hij honger, dorst, vervolging, naaktheid, doodsangsten, gevangenis, bespuwing, geeseling, kroning , kruisiging en dood, zooals later zal verklaard worden. Al deze ziels- en lichaamspijnen leed Hij in Zijne menschheid, en zij veroorzaakten Jesus zooveel smarten, deden Hem zooveel pijn, als ze ons zouden doen, wanneer men ons hetzelfde leed naar ziel en lichaam berokkende. Nu kunnen wij vragen:

110. Iloe luidt hét 4- artikel der Geloofsbelijdenis ?

Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven.

De joden zuchtten, op het tijdstip van Jesus\' lijden en sterven, onder het juk en do heerschappij der Romeinen en

GR. C\\T. \'IÜ

441

-ocr page 148-

DE GROOTE CATECHISMUS.

werden in imam des Romeinschen keizers door een landvoogd bestuurd en geregeerd, wiens maclit zoo groot was, dat hij zelfs over leven en dood beschikte, zoodat de joden geen doodvonnis konden voltrekken zonder diens toestemming. De man, die op dien tijd de waardigheid van landvoogd bekleedde, was Pontius Pilatus; en vandaar onder Pontius Pila-tus,quot; d. i. ten tijde dat Pontius Pilatus landvoogd was, is Jesus gekruisigd, met zijne goedkeuring en toestemming.

111. Had Jesus ook iets van Zijn lijden voor uitgezegd ?

Hij had voorspeld, wie Hem verraden, en hoe Hij, na vele mishandelingen, een bitteren dood sterven zou.

Nadat Jesus het heilig sacrament des altaars had ingesteld, sprak Hij droevig tot Zijne leerlingen: »Waarlijk, Ik zeg u, één van n zal Mij verraden.\'quot; Op dat gezegde ontstelden allen, en ieder hunner vroeg: »Heer! hen ik het? Eindelijk zag zich Judas gedwongen ook te vragen en Jesus antwoordde hem: »Gij hebt het gezegd;quot; wee den mensch door wien de Zoon des menschen zal verraden worden: het ware hem heter niet geboren te zijn.quot; Toen werd het Judas te benauwd in dat heilig gezelschap; hij vloog de zaal uit en, zegt de schriftuur ; *de duivel voer in hem.quot; Daarna zeide Jesus, dat hij ging sterven en tot Zijn Vader zou terugkeeren; dat allen in dien nacht in Hem geërgerd en Hij door Petrus zou verloochend worden, en helaas! zoo geschiedde het: de rots bezweek op de stem eener dienstmaagd.

112 Door wien en wanneer tverd Jesus verraden?

Jesus werd verraden door Zijn eigen leerling-Judas, toen Hij, na het laatste Avondmaal, in den hof van Gethsemanie gebeden had.

142

-ocr page 149-

ÜE GROOTiS CATECHISMUS. 143

Na het vertrek van Judas, sprak de Heilaud: »Kornt, laat ons gaan; ziel, die Mij ven-aden zal, nadert,quot; en Hij begaf zicli even buiten de stad, naar een tuin, Gethsemanie genaamd, om daar Zijn gewoon avondgebed te verrichten, welke gewoonte den verrader zeer goed bekend was.

Daar aangekomen, verzocht Hij den Apostelen, te waken en te bidden, liet allen aan de poort des tuins achter en nam Petrus, Jacobus en Johannes alleen met zich, omdat deze, getuigen van Zijne verheerlijking op Thabor, minder vatbaar waren, in Zijn ellendigen toestand verergerd te worden. Ook deze liet Hij daarna achter, vermaande hen te waken en te bidden, en een steenworp verder gaande, viel het lijden met al zijne zwaarte op Hem neder. Daar gevoelde Hij al de straffen onzer zonden op Zijne schouders gelegd; daar voorzag Hij, voorgelicht door Zijne alwetendheid, dat Zijn lijden voor duizenden te vergeefsch zou zijn, en op dat gezicht overmande Hem do vreeselijkste angst. Driemaal vroeg Hij Zijn Vader, dien lijdenskelk van Hem weg te nomen, maar voegde er telkens bij: Niet mijn, maar Uw wil jeschiede.quot; Driemaal begaf Hij zich tot Zijne Apostelen om troost in Zijne smarten te zoeken, en vond hen telkens slapende. Eindelijk door smart en angst geheel overstelpt, viel Hij machteloos ter aarde en Zijn verlossend bloedzweet viel in droppels neder op de gevloekte aarde. Eindelijk, na veel smeeken en bidden, verscheen een engel, die Hem troostte en versterkte. Zijn gebed was verhoord en met mannenmoed ging Hij nu met de Zijnen de soldaten te gemoe\', die in aantocht waren om Hem gevangen te nemen, onder aanvoering van Judas; en gaf zoodoende het bewijs, dat Hij zich vrijwillig gevangen gaf.

Judas, de trouwelooze leerling, was, zooals de Schriftuur zegt, een dief, de geldzucht maakte hem tot een verrader van Zijn Meester. Van een armen visscher tot Apostel verheven, had hij drie jaren niet anders dan weldaden van Jesus

-ocr page 150-

•144 DE GROOTE CATECHISMUS.

ontvangen en nu komt bij aan \'t hoofd der bende, om Jesns gevangen te nemen. En opdat men zicli door de duisternis niet in den persoon zou vergissen, had bij gezegd: Let op, »dien ik zal kussen, is het.quot; Nadat ze in Jesus nabijheid gekomen waren, trad Judas op den Heiland toe, kuste Hem enzeide: »Wees gegroet. Meester!quot; Jesus zag hem vol tee-derheid en medelijden aan en zeide: » Vriend! waartoe zijt gij gekomen? Verraadt gij den Zoon des menschen met een kus?quot; Blik noch woorden waren echter in staat, het verstokte hart van Judas te vermurwen of tot berouw te stemmen. Daarop wendde Zich de Heiland tot de bende en vroeg; gt; Wien zoekt gij?quot; Zij antwoordden; Jesus van Nazereth.quot; »Dia hen Ik,quot; hernam de Zaligmaker, en op hetzelfde oogen-blik werd de geheele bende, als door den bliksem getroffen, op den grond geworpen. Nog eens deed Jesus dezelfde vraag en gaf hetzelfde antwoord. Vervolgens hechtte hij het ooi-weer op zijne plaats, dat Petrus, in zijn ijver om Jesus te redden, met het zwaard van het hoofd eens dienaars had geslagen. Door die bewijzen Zijner almacht wilde Jesus hen zoo mogelijk tot inkeer brengen; maar het was het uur der duislernis; zij zagen noch hoorden. Toen niets baatte om hen van hun snoode plan te doen afzien, gaf Hij zich vrijwillig over, maar gebood om Zijne apostelen ongehinderd te laten vertrekken.

113. Hoe werd Jesus na het verraad en Zijne vrijwillige gevang eng eving door de Joden behandeld?

Hij werd gebonden, voor de rechtbank gesleept, gelasterd^ geslagen, ter dood veroordeeld en aan den Romeinschen landvoogd Pontius Pilatus overgeleverd.

Nu vielen Zijne vijanden als bloedhonden op Jesus aan, bonden en knevelden Hem in ketens en boeien;

!

-ocr page 151-

DE GROOTE CATECHISMUS.

het waren duivels in menschelijke gedaante. En, ofscliooji de streng aangehaalde boeien en koorden Jesus onuitstaanbare pijnen veroorzaakten, uitte Hij geen enkelen klaagtoon; zijne houding was als van een lam, dat ter slachtbank geleid wordt. Vervolgens trok de treurige stoet onder de vreeselijkste mishandelingen, vloeken en ver-wenschingen, uit den hof naar den oud-hoogepriester Annas en nadat deze ellendige grijsaard zijn haat verzadigd had in het gezicht van zijn geboeiden vijand, zond Hij den Heiland naar zijn schoonzoon Oaïphas, den hoogepriester van dat jaar, bij wien de joodsche raad vergaderd was, om Jesus, met of zonder bewijzen, ter dood te veroordeelea.

Nadat Jesus onder allerlei schimp, smaad en pijnen het huis van Caïphas genaderd was, werd Hij onmiddelijk voor Zijne onrechtvaardige rechters gebracht. Toen het verhoor der door geld omgekochte valsche getuigen geen grond tot beschuldiging opleverde, en Jesus zich zelf redde uit den strik Hem gespannen, door te zeggen: Vraag hen, die Mij gehoord hebben, en overigens zwijgen bleef, sprong de hoogepriester, als door razernij aangegrepen, uit vrees dat zijne prooi hem zou ontsnappen, van zijn zetel en schreeuwde den Heiland tegen: Tgt;Zeg ons, of Gij de Zoon Godszijt?quot; — Die vraag raakt de eer Zijns Vaders en nu zal Hij spreken; en Hij antwoordde kalm en waardig: »Gij hebt het gezegd ; Ik hen het.quot; — Dat antwoord schenkt hun het gezochte voorwendsel tot Zijne veroordeeling en als bezetenen schreeuwden allen: »Wat hebben wij nog getuigen noodig; Hij heeft God gelasterd en is dus des doods schuldig.quot; — Overgegeven aan wreedaardige krijgsknechten, werd de goede Heiland, gedurende den nacht van Donderdag op Vrijdag tot aan den morgenstond, op onmenschelijke wijze mishandeld. Zij spuwden Hem in Zijn heilig aangezicht, gaven Hem kaakslagen en vroegen dan spottend: »Zeg ons, wie heeft U

-ocr page 152-

nü GROOTE CATECHISMUS.

geslagen?quot; — O! Wie zal de veraederingen, smaad en spot beschrijven, welke den lijdenden Jesus, voor ons, in dien nacht der hel, werden toegevoegd! Leeren wij hier, ter liefde van Jesns, smaad en spot verdragen, dat is een groote troost, welken we Hem voor Zijne vernederingen, in dien nacht ondergaan, kunnen aanbieden.

144. WelJr smartelijk lijden moest Jesus verduren, nadat Hij in handen van Pontius Pilatus was overgeleverd?

Hij werd wreedaardig gegeeseld, met doornen gekroond en door hen aan den smartelijken en schandelijken kruisdood overgeleverd.

Onder de vreeselijkste mishandelingen brak de morgen na dien helschen nacht aan en werd Jesus naar Pilatus gesleurd om van hem de toestemming tot voltrekking van het doodvonnis te verkrijgen. Hier liet Zich ons lijdend Toonbeeld opnieuw de vernedering der valsche beschuldiging welgevallen, zonder een enkel woord ter Zijner verdediging in te brengen. Pilatus zag zeer wel in, dat hier geen schuld van Jesus, maar nijd en ijverzucht der priesters en Fari-zeën in het spel waren, en daarom zocht Hij middelen om Hem uit hunne handen te bevrijden, of wel, zich van de zajik af te maken. Vandaar, dat Hij Jesus, als zijnde een Galileër, naar Koning Herodes, den zoon van den moordenaar der onschuldige kinderen, zond, rlie over Galilea heerschte, en juist in Jeruzalem was. Herodes had zooveel van Jesus en Zijne wonderen gehoord, en was zeer verlangend om Hem te zien, wijl Hij meende, dat Hij in zijne tegenwoordigheid ook wel wonderen zou verrichten; doch op alle vragen en uitnoodigingen bleef Jesus zwijgen en werd door hem en zijne hofhouding als een waanzinnige behandeld en naar Pilatus terugsrezunden.

HG

-ocr page 153-

DE GUOOTE CATECHISMUS. Ml

Dat middel om zich van Jesus te ontdoen, mislukt zijnde, neemt Pilatus liet volgende te baat. Volgens oud gebruik was den joden bet recbt gelaten, tegen Pascben, de vrijheid van eene gevangene te eiscben. Daarom plaatste bij Jesus naast Barrabas, een beruebten dief en moordenaar, en vroeg bet volk; »Wien van dezen wilt gij, dat ik de vrijheid schenke\'?quot; En allen riepen: »Barrabas/quot;

Ook deze boop, om zóó Jesus te redden, is vervlogen. Tbans gaf hij bevel om Jesus ie geeselen, om bierdoor het medelijden op te wekken en Zijn leven te redden. Welk eene ongehoorde wreedheid! Overdekt met wonden en verscheurd van hoofd tot voeten, werd de Heiland meer dood dan levend van den geeselpaal losgemaakt. Toen wierp men een spotmantel over Zijne verscheurde schouders, gaf Hem een rietstok in de hand en drukte met felle slagen eenen doornenkroon op Zijn aanbiddelijk hoofd. Aldus als een spotkoning toegetakeld, vielen Zijne beulen voor Hem neder, begroetten Hem spottend als koning, terwijl ze Hem aan alle zijden kaakslagen gaven en in het aangezicht spuwden. Wreed en onverantwoordelijk is hier bet gedrag van Pilatus, den lastgever van die onbeschrijfelijke martelingen, doch hij beeft er zijn doel mede zoo als we zagen. Zóó misvormd, zóó onkenbaar door bloed en wonden, zóó vernederd en verguisd, toonde Pilatus Jesus aan het volk en zeide; »Ziet den mensch.quot; alsof bij zeggen wilde: ziet eens, in welk een toestand Jesus verkeert; weest daarmede te vreden en eisch niet langer Zijn leven. Maar helaas! hij Lad buiten den onverzoenlijken haat en wraak gerekend; want allen riepen als uit een mond: zKruisig Hem, weg met Hem aan het kruis!\'quot; Toen Pilatus geen uitweg meer zag en bedreigd werd met ongenade des keizers, gaf hij ten laatste toe en leverde Jesus over, om gekruisigd te worden. Hij wiesch zijne handen cn betuigde onschuldig te zijn aan

-ocr page 154-

DE GROOTE CATECIIIiJlUS.

het bloed vau den rechtvaardigen Jesus. Het volk riep: »Zy?i hloed home over ons en onze kinderen,quot; d.i., de wraak van Zijn dood dale op ons en onze kinderen neer. Die wraak achtervolgt werkelijk de Israëlieten tot op onze dagen, zoodat ze van hunne zelfstandigheid beroofd, verstrooid onder alle volkeren over de wereld leven, zonder vaderland koning, tempel, priesters en offers, geteekend met het tee-ken der wrake.

Wat Pilatus mislukte, daartoe zal Judas nu pogingen aanwenden, nu hij ziet, dat Jesus werkelijk ter dood veroordeeld is, en geen wonder wrocht om Zich uit de handen Zijner beulen te redden. Hij spoedde zich naar de priesters en oudsten des volks, wierp hun het bloedgeld voorde voeten en betuigde Jesus onschuld, maar zij antwoordden; »Wat gaal ons dal aan; hel is uwe zaak.quot; Toen Judas zag, dat de pogingen om Jesus te redden, schipbreuk leden, greep de wanhoop hem aan, en maakte hij door zelfmoord een einde aan zijn rampzalig leven, om in eeuwigheid de straf van ziju verraad in de hel te boeten.

Laten wij dankbaarder zijn voor Jesus\' weldaden en de joden niet volgen, die Hem vandaag onder jubelkreten stadwaarts begeleiden en morgen zijn dood eischen; dankbaarder dan Judas, die heden in Jesns gelooft en Hem liefheeft en kort daarna voor een ellendig stuk geld tot den dood verraadt.

115. Waar en hoe werd de kruisiging aan Jesus voltrokken ?

Hij werd gekruisigd op den Calvarieberg, in dc nabijheid van Jeruzalem, (en nadat Hij was uitgestrekt op het kruis, met handen en voeten daaraan vastgenageld, en vervolgens werd het kruis in den grond geplant.)

U8

-ocr page 155-

DK OROÖTE CATECHISMUS.

Nauwelijks was de toestemming tot den schandelijken dood gegeven, of men wierp met barbaarsche woede het kruis op Jesus\' verscheurde schouders en Hij werd genoodzaakt Zijn eigen marteltuig en doodsbed naar den Calvarieberg te slepen. Vreeselijk was die weg voor den lijdenden Jesus, zoodat Hij door bloedverlies en pijn, driemaal onder den last des kruises nederzees en ten laatste door Simon den Cirener, in het

o 7

kruisdragen moest geholpen worden. Alleen stortte het zien Zijner beminnelijke moeder, op Zijn lijdensweg, een weinig balsem in zijn gewond Hart. Op den lijdensberg aangekomen, trok men Hem met duivelsch geweld de kleederen van Zijn gewond lichaam en vernieuwde zoo de ontzettende pijnen der geeseling. Vervolgens wierp men Hem, geweldig op den kruisbalk terneer, en spijkerde met plompe nagelen Zijne gezegende \'handen en voeten aan het kruishout vast. Krimpend van pijn, leed Jesus al die folteringen zonder een enkelen klaagtoon te uiten. Terwijl Zijn verzoenend bloed van alle zijden uit Zijn heilig lichaam vloeit en de gevloekte aarde drenkt, wordt de kruisbalk opgeheven, en met een forschen smak in de gereed gemaakte groeve neergeploft. En, o schande! men hing Jesus tusschen twee moordenaars, die met Hem gekruisigd werden, om Hem als den grootsten boosdoener te brandmerken; maar dat diende tevens Gods plannen, om een moordenaar de eersteling te maken van Jesus\' zoendood; want tot den goeden berouwhebbenden moordenaar richtte Jesus, op zijne bede, stervend de woorden: vlieden nog zult gij met Mij zijn in het Paradijs.\'\'\'\'

116. Hoe lang leefde Jesus aan hei kruis?

Van \'s middags 12 tot 3 uur. Toen riep Hij tot God; j)Vader in Uwe handen beveel Ik Mijn geest; daarna neigde Hij Zijn hoofd en stierf;

U9

-ocr page 156-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Terwijl Jesus aan het kruis onder de hevigste smarten hing te zieltogen, verdeelden de soldaten Zijne kleederen in vier deelen, ongevoelig en zonder medelijden over Zijne pijnen, en wierpen het lot om het bezit van Zijn bovenkleed, wijl dit zonder naad vervaardigd was. Den gemirreden wijn, Hem toegereikt, deels om Zijn brandenden dorst te lesschen, deels om Hem te bedwelmen en zoo ongevoelig voor de pijnen te maken, proefde Jesus maar even omdat Hij den lijdensbeker tot den grond wilde ledigen. — Geen enkel troostwoord trof in die drie bange lijdensuren Zijn oor, maar men overlaadde Hem met spot, schimp en smaad; zelfs de moordenaar, aan zijne linkerzijde gekruisigd, duwde Hem toe: ïZoo Gij de Christus zijt, red U zelf en ons.\'\' — De oversten uit het volk schreeuwden Hem toe: * Anderen heelt 11 ij geholpen; Hij helpe Zichzelf, indien Hij de Christus, Gods uitverkorene is.quot; Luc. 23, 35. — De Heiland, in plaats van Zijne vijanden te vloeken, bad voor hen: Vader! vergeef het hun, want zij weten, niet ivat zij doen.quot; — Ten drie ure sprak Hij met stervenden mond: »Het is volbracht,quot; d. i., alles, wat de profeten, aangaande den dood van den Messias voorzegd hebben, is in Mij vervuld ; Ik heb God met den mensch verzoend en den mensch met God. Daarna liet Hij zijn hoofd op de borst zinken en stierf.

De geheele natuur ontstelde en wreekte den dood van haar Schepper. De zon weigerde haar licht, zoodat de aarde in duisternis gehuld werd. De aarde schudde en beefde op hare grondvesten. Het voorhangsel van het heiligdom in den tempel scheurde van een. Dooden herleefden, en het scheen, alsot de laatste dag der wereld was aangebroken. Angst en schrik greep allen aan, en velen, zelfs de bevelhebber der macht, riepen uit: » Waarlijk, Deze is de Zoon Gods. —

150

-ocr page 157-

TIE GROOTE CATECHISMUS.

Christus is vrijwillig gestorven. »77y is opgeofferd, wijl Hij het zelf wildequot; Isaïas 53, 7; en Hij wilde lijden en sterven, om de goddelijke gereclitiglieid te voldoen voor onze zonden; voor de zonde der geheele wereldquot; 1 Joh. 2, 2 en ons zoo te verlossen en zalig te maken. Die verlossing ■wilde Hij voltrekken aan den hoorn des kruises, omdat aan den hoorn des Paradijzes gezondigd werd. Vandaar schrijft de H. Paulus liotu. 5, 19: Zooals door de ongehoorzaamheid van den eenen mensch (Adam] de velen, zondaars geworden zijn, zoo werden ook door gehoorzaamheid des eenen, (Jesns Christus) de velen, rechtvaardig gemaakt.\'quot;

Deze voldoening Icon de Christus alleen maar geven, wijl de beleediging de oneindige majesteit Gods aangedaan, eene voldoening van oneindige waarde vorderde, en zulk eene voldoening is de voldoening, welke Christus gaf, daar een goddelijk persoon haar gaf; want hoe hooger de persoon staat, die voldoet, des te grooter zijn ook de waarde en de verdiensten der voldoening. Ja, het geringste lijden, de kleinste verootmoediging van Jesus was om de oneindige waarde van Zijn persoon voldoende geweest tot verlossing van het menschelijk geslacht, zegt de H. Thomas, maar voegt de H. Chrysostomus daaraan toe: »Dat was niet genoeg voor Zijne liefde. Inderdaad, Christus leed zooveel en zoo overvloedig, opdat wij o) de grootheid Zijner liefde zouden erkennen ; hj om ons de afschuwelijkheid en boosheid der zonde te toonen; c] om ons te leeren, geduldig ons kruis te dragen en in voor- en tegenspoed in het kruis ons heil te zoeken.

114. Hoe heeft Jesus Zijn bitter lijden en sterven verduurd?

Met de volste onderwerping aan Gods heiligen wil, met liefde en met een onbeschrijtelijk geduld, (zooals Zijn lijden ons leerde.)

151

-ocr page 158-

DE OROOTE CATECHISMUS.

115. Wie hebben Jesus\' lichaam van het kruis genomen en begraven?

Vrome mannen hebben het tegen den avond begraven in een nieuw steen en graf.

Daar de Sabbath op banden was, ging Jozef van Ari-mathea naar Pilatus en vroeg de toeamp;temming, om Jesus van het kruis te nemen en te begraven, betgeen hem werd toegestaan. Jozef, geholpen door Nicodemus en andere leerlingen en vrienden, begroef Hem in een nieuw graf in eene rots uitgehouwen, en sloot den ingang met een grooten steen. De joden, gedachtig aan Jesus\' voorzegging, dat Hij zou verrijzen, vroegen Pilatus om eene wacht bij het graf te plaatsen en verzegelden den steen, welke het bedekte, daar ze bang waren, dat de leerlingen Jesus\' lichaam zouden stelen en dan uitstrooien, dat Hij verrezen was; want dan, zoo zeiden zij, zou de laatste dwaling nog erger zijn dan de eerste; alsof zich de Almacht laat opsluiten en bewaken!

Denken wij hier bij Jesus\' graf ook een oogenblik aan het onze ; want het graf zal ons ontzielde lichaam ook eenmaal tot verblijf dienen tot aan den algemeenen oordeelsdag. Maar, lof zij Jesus Christus in eeuwigheid! die door Zijn graf ons graf geheiligd en den afschrik heeft weggenomen, als we ons tot een goeden dood hebben voorbereid.

119. Wanneer herinnert ons de Kerk den kruisdood van Jesus?

Op goeden Vrijdag.

Met recht wordt de Vrijdag, waarop Jesus stierf, goede Vrijdag genoemd; geen dag vóór dezen, noch na dezen dag, was zoo goed, en wel om eene tweevoudige reden. Hij was goed a) voor Jesus, omdat op dien dag Zijn lijden eindigde, goed, omdat Hij op dien dag, door Zijn dood, wereld, duivel en dood overwon; goed voor Jesus, omdat Hij op dien dag

152

-ocr page 159-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

Zijne zending en Zijn werk bekroond zag, n. 1. de verzoening van den mensch met God en de daaruit volgende verlossing van den mensch: goed voor Jesus, omdat Hij op dien dag voor Zijne mensclilieid het groote loon verdiende voor Zijn groot werk. Maar ook voor ons menscken is h) de sterfdag van Jesus een goede d;ig te noemen; want op dien dag zijn wij weer kinderen Gods geworden, en verlost van zonde en straffen; op dien dag zijn wij door Jesus ontrukt aan Satan en hel, en herkregen wij, door de verdiensten van Jesus, het recht op den hemel; —met het volste recht dus een goede Vrijdag.

120. Voor wie heeft Jesus geleden en den knus-dood ondergaan?

Voor alle menschen om allen te verlossen en zalig te maken.

Hieruit volgt, dat Jesus de genade en zaligheid niet slechts verdiend heeft voor hen, die werkelijk zalig worden, maar voor allen, zonder uitzondering, gelijk Hij voor allen, zonder uitzondering ook gestorven is. Daarom schrijft de H. Paulus ook, 2 Cor. 5, 14 : igt;Eén is voor allen gestorvenquot; en 1 Tim. 2, 6: »Jesus Christus heef t Zich voor allen als losgeld gegeven.\'quot; Tot nadere bevestiging dezer waarheid zegt do H. Joh. I Joh. 2, 2. »Hij is de verzoening voor onze zonden, maar niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de geheele wereld.quot; — Welk een troost, welk een zalige gedachte: Jesus is gestorven ook voor mij zondaar en voor alle menschen, die ooit geleefd hebben, die nog leven en leven zullen tot aan den laatsten dag.

121. Zullen dan alle menschen om Jesus verdiensten zalig worden?

Neen, allen zullen niet zalig worden, omdat niet allen deelaclitig worden aan de verdiensten van het lijden en sterven van Christus,

153

-ocr page 160-

UE GROOTE CATECHISMUS.

Wanneer allen niet zalig worden, ofschoon Christus voor allen gestorven is, clan ligt de schuld aan den mensch, omdat allen hunnerzijds niet doen, wat noodig is om zalig te worden, d. i. omdat allen niet gelooven, de geboden niet houden en de genademiddelen niet gebruiken. Daarom lezen wij in den brief aan do Hebreen 5, 9: »Allen, die Hem gehoorzaam zijn, is Hij (Christus) oorzaak der eeuiuige zaligheid gewordenquot; maar denkt er wel aan s/die u zonder u geschapen heejt, zal u niet zalig maken zonder zegt de H. Augustinus.

Daar nu de goddelijke Heiland uit barmhartigheid en overgroote liefde voor ons gestorven is, en zoo veel en zoo smartelijk voor ons geleden heeft, om ons naar ziel en lichaam te zaligen, laten wij daarom deze liefdebewijzen nooit vergeten en met ware wederliefde vergelden, setoor voor Hem ie leven, die voor ons gestorven en verrezen is,quot; 2 Cor. 5, 15. Onderhoud dan getrouw de voorgeschreven onthouding, tot dankbare herinnering aan het bitter lijden en sterven van Jesus, voorgeschreven. Volg Jesus dikwijls op Zijn bloedigen kruisweg, en maak eene eerbiedigige buiging of ontbloot uw hoofd, wanneer ge een kruisbeeld voorbijgaat, waaraan Jesus voor uw heil werd geslachtofferd. Sla hier uw blik op zoovele duizenden heiligen, die, wel is waar de martelingen des kruises niet ondergingen, maar door verstervingen en liefde zoo met Christus ver-eenigd leefden, als waren ze met Hem aan het kruis geslagen, h.v. de H. Paulus, Thomas en ontelbare anderen. Ja, volg hen; want bij Jesus aan het kruis vinden wij aj troost en sterkte in het lijden; hj Jesus aan het kruis wekt ons op, om onze vijanden to beminuen en te vergeven; cj Jesus aan het kruis zij de banier, waaronder wij leven en sterven willen; dl Jesus aan het kruis is de troost en de hoop voor den zondaar, die rouwmoedig aan Zijne voeten

154

-ocr page 161-

DE GKOOTK CATECHISMUS.

nederkaielt. Wee den zondaar, op wien de aanblik van den gekruisten Heiland geen indenk maakt, de verdoeme-lingen zullen eenmaal zijne lotgenooten zijn.

ZEVENTIENDE LEgt;.

HET 5e ARTIKEL DEH GELOOFSBELIJDENIS.

»Hij is nedergedaald ter helle, ten derden dage verrezen van de dooden.quot;

122. Wat beteekenen de woorden: ygt;Hij is nedergedaald ter helle?quot;

Dat de ziel van Jesus met de godheid vereenigd, is nedergedaald in het voorgeborchte der helle (Abrahams schoot), waar de zielen der rechtvaardige afgestorvenen zich bevonden.

Tot aan Jesus dood was de hemel door Adam\'s zonde gesloten en het zoenoffer des Verlossers eischte God als sleutel voor zijne opening, en toch ontelbaar waren de mensclien, die van af Adam tot aan Jesus\' liemelvaart rechtvaardig gestorven waren. Door de verdiensten van den toekomstigen Verlosser bleven deze bevrijd van de eeuwige straf, maar moesten ook de hemelvreugde missen tot aan Jesus\' hemelvaart; God had tot dien tijd voor de zieleu eene plaats bereid, het voorgeborchte der hel, ook Abraham\'s schoot genoemd, waar zij niets te lijden hadden cn Luuna vreugde vooral bestond in de hoop, door den Verlosser eenmaal bevrijd en den hemel binnengevoerd te worden. Terstond na Zijn dood, daalde Jesus ziel tot die wachlpluats der oudvaders neder, troostte hen en beloofde

quot;155

-ocr page 162-

DE GROOTE CATECHISMUS.

hun, dat ze ua veertig dagen met Hem teu hemel zouden varen. Welk eene vreugde voor die zielen, na honderden jaren smartelijk wachten en wachtend hopen, de tijding der verlossing te vernemen. Adam en Eva, die naar het gevoelen der Vaders, oprechte boetvaardigheid oefenden en dus in Gods vriendschap gestorven zijn; Abel, het eerste slachtoffer der zonde: Noe, Abraham, Izaak, Jakob, Jozef, Mozes, de profeten en ontelbaar anderen, die öf heilig leefden en stierven, of wel als boetvaardigen dit le ren verlieten, waren de blijde getuigen van Jesus beloften.

Op die bevrijding uit Abraham\'s schoot duidt in beeld de profeet Isaïas, als hij schrijft 47, 8—9: »Zoo spreekt de Heer: » Ten tijde der genade.... wil Ik tot die gevangenen zeggen: gaat hier weg! en tot hen in de duisternis: komt in het licht. Duidelijk spreekt de H. Petrus 1, 3, 18-19 deze waarheid uit, waar Hij zegt: Hij werd wel is waar naar het vleesch gedood, doch naar den geest levend gemaakt, »waarin Hij ook tot de geesten kwam, die in de gevangenis waren en predikte hen,\' d. i. Hij verkondigde hun de verlossing. »Het kruis moest eerst voor hen als ladder ten hemel gericht worden.\'quot;

Het was door Jesus\' toekomstige verdiensten, dat God hun alle zonden, ook de erfzonde had kwijtgescholden en het recht op den hemel verleende. Het is ook langs denzelfden weg van Jesus verdiensten, dat wij allen Gods genade, vergiifenis der zonden en na een rechtvaardig verscheiden uit deze wereld, het eeuwig leven ontvangen. Daarom zeide Jesus dan ook: ^Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.quot;

123. Wal beduiden de woorden: »ten derden dage verrezen van den dood?

Dat Christus op den derden dag na zijn dood,

156

-ocr page 163-

DL\' GROOTE CATECHISMÜS.

zooals Hij voorzegdeJoh. 2 19-21, door eigen macht, Joh. 10-18, Zijne ziel weder met Zijn lichaam vereemgde en glorierijk en onsterfelijk uit het graf opstond.

Jesus\' aanbiddelijke ziel vertoefde van Vrijdag na den middag tot Zondagmorgen (Paaschdag) in het Voorgeborchte der hel en Zijn lichaam rustte gedurende dien tijd in het graf; en Hij verrees toen, zooals Hij had voorzegd. De H. Schrift verhaalt ons dienaangaande het volgende :

Zondag, reeds vroeg in den morgen, gingen eenige vrome vrouwen naar het graf van Jesus, om Zijn lichaam met kostbare zalf te balsemen en zij vroegen elkander onder den weg: » Wie zal ons den steen van het graf wentelen?quot; God echter had daarvoor reeds gezorgd. In de vroegte schudde de aarde op hare grondvesten, en een engel daalde van den hemel en slingerde met de snelheid des bliksems den z waren steen van het graf, waaruit Jesus reeds glorierijk en levend verrezen was. Vol angst en schrik vielen de wachters ter aarde, en na een weinig van den schrik bekomen te zijn, liepen zij naar Jeruzalem, verhaalden, wat er gebeurd en dat Jesus verrezen was. Toen de vrouwen nu bij het graf kwamen, bevonden zij den steen dan ook reeds afgewenteld en naast het graf een jongeling in witte kleederen, waardoor zij zeer ontstelden. Die jongeling was een engel en zeide: » Vreest niet: gij zoekt Jesus van Nazareth, Hij is niet hier, Hij is verrezen, zooals Hij voorzegd heeft. Gaat en bericht dat den Apostelen.quot; ■— In heilige vreugde spoedden de vrouwen zich naar Jeruzalem en verhaalden den leerlingen, dat Jesus werkelijk verrezen was. Onderweg verscheen Jesus hun en stond hun toe, zijne voeten te kussen. Vóór hunne aankomst hadden zich Petrus en Johannes ook op weg begeven naar het graf, maar vonden daarin niets anders dan de doeken, waarin Jesus\' lichaam

gr. cat. 1 i

157

-ocr page 164-

DE GROOïn CATECHISMUS,

gewikkeld was geweest-, eu gaven, teruggekomen, den overigen Apostelen bericht van liunne vinding.

De moderne vrijgeesten, die daadzaken als fabels, en fabels als daadzaken en feiten bestempelen, rangschikken, in onzen tijd vooral, de verrijzenis van Jesus brutaal weg onder de fabels. De Apostel Panlus antwoordt hier: »Is Jesus (\'hristus niet verrezen, dan is onze leer valsch eu uw creloof

C

steunt op niets; dan zijn wij valsche getuigen en beleedigen God, daar wij tegen alle waarheid getuigd hebben, dat Hij Christus van de dooden heeft opgewekt.quot; — De Apostel is derhalve volstrekt niet bevreesd, dat men door bewijzen kan aantoonen, dat hij eu de andere ambtsbroeders bedriegers, en daarvoor bewijzen aanwezig waren. Wanneer er voorhanden waren geweest, dan was het zeer gemakkelijk deze op te sporen, daar Jeruzalem, opperpriester en hoofden des volks nog in wezen waren. Die bewijzen waren toen echter niet te vinden, en na een hardnekkig zoeken, gedurende 18 eeuwen, is nog geen enkel proefhoudend bewijs tegen Jesus\' verrijzenis gevonden, ofschoon de vijanden der waarheid met Panlus overtuigd zijn, dat met de verrijzenis het Christendom staat of valt. Om het groote gewicht derhalve, aan do waarheid verbonden, zullen we in het kort en onpartijdig het onomstootbare feit van Jesus\' verrijzenis nader bewijzen.

Het eerst, wat bewezen moet worden, is, dat Jesus werkelijk gestorven was, toen men Hem van hut kruis nam; want van een schijndoode kan men niet zeggen, dat hij, na zijne ontwaking, van de dooden is opgestaan. Dit wordt bewezen :

1° Door gelijkluidend verhaal der vier Evangelisten, die ons zeggen, dat Jesus met luider stem riep, als om de opmerkzaamheid der omstanders te trekken: » Vader in Uivr. handen beveel Ik Mijn geestquot; waarop Hij Zijn hoofd boog en stierf. Er bestond dan ook niet de minste twijfel bij de ooggetuigen omtrent Jesus\' dood; die het feit zagen, twijfelden

-ocr page 165-

Dli OROOTE CATECHISMUS.

niet, iiiiuir wel onze nieuwerwetsche geloovigen, die het niet zagen. Wie hebben hier gelijk?

2° Het tweede bewijs voor Jesus\' dood volgt uit het langdurige en vreeselijke lijden des Zaligmakers. Zijn doodsangst Zijn bloedzweet, Zijne geeseling en kroning, het vele bloed, dat Hij verloor alvorens zijne handen en voeten aan liet kruis genageld werden, het bloedverlies en de smarten gedu-

O O 7 O

rende drie uren aan het kruis, dat alles is wel in staat bloedarm en krachteloos te maken, en kan geen niensch doorstaan zonder te sterven. Zouden de heeren ongeloovigen de proef op zich zelf wel eens durven nemen ?

3° De twee, aan Zijne zijde gekruiste moordenaars werden de beenen gebroken, maar Jesus niet, omdat do\'soldaten zagen, dat Hij gestorven was. Een der soldaten stak Jesus met zijne lans in de zijde en er vloeide water en bloed uit, ten bewijze van zijn dood; en ware Hij nog niet gestorven, die steek was reeds doodelijk op zich zelve. Zonden de vrijgeesten ook de proef durven nemen ?

•1° De overtuiging aller aanwezigen. — Jozef\' legde Hem in een nieuw graf. Pilatus ontbood den hoofdman, die getuige was van de lanssteek, om van hem te vernemen of Jesus werkelijk dood was; de vrouwen gingen uit om Jesus\' lichaam te balsemen. Toen Jesus den Apostelen verscheen, meenden zij een geest te zien en ontstelden. De joden zelf verzochten eene wacht om het graf te bewaken, en verzegelden den ingang. — Maar zeggen hier de vrijgeesten, »het graf had een geheimen uitgang.quot; Dan is het wel wonder, dat men dien tot hiertoe nog niet ontdekt heeft. Het graf bestaat nog altijd en ieder, die wil, kan zich overtuigen, dat het in eene geheele rots is uitgehouwen.

Zoo zeker en gewis als Jesus\' dood, staat ook Zijne verrijzenis vast.

1°. Bewijzen Zijne vrienden zulks. De bewering, dat de

-ocr page 166-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Apostelen Jesus\' lichaam gestolen hebben, is onzin. Waar toch zou de diefstal voor dienen ? Niet als lijk, maar als verrezen Godmensch moest Jesus zich aan de Zijnen en de geloo-vigen toonen, en zijne voorzegging tot waarheid maken. Bovendien zijn de Apostelen zoo vreesachtig van aard, dat ze bij Jesus\' gevangeneming lafhartig de vlucht nemen, en vóór de nederdaling des H. Geestes, achter slot en grendel hun heil zoeken. Ja, Jesus\' vijanden verwijten Hem zelfs de ontrouw, zwakheid en vreesachtigheid der leerlingen. Vanwaar zijn die menschen op eenmaal zoo moedig en voortvarend geworden, dat ze het durven wagen Jesus\' lichaam onder de handen en de oogen van de soldaten weg te nemen, met verbreking van het keizerlijk zegel ? Zonderlinge mannen, die Apostelen! Bij het leven verlaten en verloochenen zij hun Meester, en na zijn dood stelen zij het lichaam, terwijl de soldaten sliepen, luidt eene andere onhoudbare opwerping. Een soldaat op wacht slaapt niet, slaapt hij wel, dan is hij des doods schuldig, zooals de soldaten ondervonden, die Petrus uit de gevangenis lieten ontsnappen. Die slaapt, ziet niets, merkt niets en — soldaten, die sliepen, zeggen, dat de Apostelen Jesns\' lichaam stalen, terwijl ze sliepen, en spreken dus leugentaal en hun eigen doodvonnis, en in plaats van gedood te worden, ontvangen ze geld om te liegen en de waarheid te bedekken. De hooge raad eischte dan ook geen straf tegen hen, omdat hij van hunne leugens overtuigd was. Waarlijk, wat de soldaten zeiden, was wel in staat, de oogen van den verblindsten jood te openen en hem voor Jesus te winnen, maar niemand is zoo blind, als hij, die niet wil zien.

De Apostelen hebben Jesus\' lichaam gestolen; maar waarom vervolgden de joden de Apostelen dan niet als lijkenschenders en zegelverbrekers ? Ontbrak het hun aan macht of aan verbittering? Aan geen van beide, maar wel aan de waarheid van het feit, aan recht. Wel worden ze aangeklaagd, omdat

160

-ocr page 167-

DE UÜOOTE CATECHISMUS.

ze Jesus, den Gekruisigde en Yerrezene hebben gepredikt, maar als lijkendieven of zegel ver brekers worden ze niet vervolgd.

Op Paasclnuorgen verscheen Jesus aan de heilige vrouwen en liet hun tot den voetkus toe. Magdalena zag Hem eveneens. Des avonds van denzelfden dag verscheen Hij aan de Emmaus-gaugers, daarna aan al de Apostelen, Thomas uitgezonderd, en Hij at en dronk met hen als te voren en liet zich door hen aanraken. Acht dagen later verscheen Hij weder aan de Apostelen en Hij liet toen Thomas Zijne wonden aanraken, ten bewijze, dat Hij, de Gestorvene, verrezen was. Daarna verscheen Hij nog verschelde malen, zelfs in tegenwoordigheid van vijfhonderd geloovigen. Uren lang bleef Hij bij hen, onderrichtte hen, verweet hun hunne ongeloovig-heid, deelde hun Zijne verordeningen en volmacht mede, ten beste der Kerk en ging met hen om als een ander mensch, die met ons eet, drinkt, spreekt en leeft, en zich van ons laat aanraken.

De Apostelen waren lichtgeloovige lieden, wien men alles op den mouw spelde, zeggen de moderne ongeloovigen. — Wel hoe! Petrus stond bij het ledige graf en nog begreep hij niet, dat Jesus moest verrijzen. Joh. 20, 9. De tijding van Jesus\' verrijzenis, door de vrouwen gebracht, werd als een sprookje aangemerkt. Luc. 24, 11. Thomas eischte als voorwaarde van zijn geloof in Jesus\' verrijzenis, zijne vingers in des Heilands wonden te steken. Waarlijk, bij alles, wat ze van Jesus gezien en gehoord hadden, waren ze wel wat al te voorzichtig en ongeloovig. Eindelijk echter werden ze gedwongen, door den drang der waarheid te getuigen: »Wat wij gehoord, wat onze ooyen gezien en goed waargenomen, en wat onze handen betast hebben, met betrekking op het Woord des Levens, dat verkondigen wij m.« 1 Joh. 1. 1, 2. — Handen, oogen en

161

. ■Ir lï\'-.

• i\' I

-ocr page 168-

DE GliOOTE CATECHISMUS.

ooren hebben hen geloovig gestemd voor den verrezen Heiland, en alle twijfel is weggenomen.

Verbeelding is hier niet denkbaar. Of is het aan te nemen, dat de Apostelen 40 dagen lang, niet goed gezien, niet goed gehoord hebben en een schijnlicliaarn aanraakten V Veertig dagen slapen en droomen; veertig dagen meteen ingebeeld persoon eten, drinken, spreken en wandelen, — dat te veronderstellen, kan alleen een krankzinnige.

De Apostelen bedrogen zich dus niet en konden en wilden ook anderen niet bedriegen; want daarin stak niet het minste voordeel. Integendeel, de prediking van Jesusquot; verrijzenis berokkende hun kwaad, vervolging, lijden en dood; dat was de munt, waarmede men hen betaalde, en men sterft 3iiet voor een leugen; men geeft zijn leven niet voor niets weg.

Te zeggen: zij moesten wel prediken om broodsgebrek te ontgaan, is eenvoudig lastertaal. Voor dat ze door Jesus geroepen werden, vonden ze hun kost door handenarbeid en gedurende de drie jaren, dat ze met Hem omgingen, keerden ze dikwijls tot hunne netten terug. Na Zijne opstanding trof hen Jesus zelfs visschende aan, en het was op Zijn voorstel en door Zijne macht, dat de wonderbare vischvangt plaats had. Joh. 21. — Waren ze dus vóór hunne roeping togen gebrek gevrijwaard, ook na dien tijd konden ze en zouden ze den kost wel verdiend hebben. Bovendien oefenden ze hun eerzaam handwerk uit, dan konden ze met werken onbezorgd, zonder door iemand lastig gevallen te worden, hun brood verdienen en des ondanks gaan ze prediken over de wereld, onder aanhoudende vervolging, met gevaar en lijden, honger en dorst, bedreigd in hun leven, iti bestendig doodsgevaar; v.g.l. Kom. 8.25.36; en eindelijk lieten ze hun leven voor hunne overtuiging van Jesus\' opstanding. » Wij kunnen niet nalaten, le spreken over

16\'2

-ocr page 169-

UK GI1UÜTE CATECHISMUS.

hetgeen wij gezien en gehoord hebbenquot; dat wns altijd hun laatste woord. Hand. 4, 20.

2° Bewijzen Jesus\' vijanden Zijne opstanding.

Het grootste bewijs daarvoor vindt zijn grond hierin, dat de woede der joden in het folie ongeloof der heidenen van ouderen en nienweren tijd, gedurende eeuwen, geen enkel steekhoudend bewijs daartegen in het midden hebben gebracht. Zijne leerlingen hebben Jesus\' lichaam gestolen, zeggen de joden, en hoe afgezaagd deze fabel ook zij, is ze evenwel de eenige grond, waarop de joden do opstanding bestrijden. Immers de Apostelen prediken alom de verrijzenis ; waarom overtuigden zij ben dan niet van longen en diefstal; het recht was dan zeker op hnnne zijde? Hoe klein en kinderachtig van de toenmalige en hedendaagsche joden om zich te beroepen op slapende getuigen! Waarom dan geen onderzoek ingesteld en het lichaam van Jesus opgespoord? Waarom eischten zij dan het lijk niet terug uit de handen der Apostelen? Uit medelijden met de gehate leerlingen of uit het gering belang, dat de synagoge bij de zaak had, zeker niet; want uit vrees voor diefstal plaatsten zij eene wacht bij het «ïraf. Wat was dan wol de reden? — - Ze wildon de soldaten niet laten klappen, want daagde men hen voor de rechtbank als schuldig aan plichtverzuim, dan was er gevaar, dat ze de waarheid zouden verklappen en zeggen, dat zij met geld werden omgekocht om te liegen. Vandaar vonden ze eerder steun dan vervolging bij den hoogepriester en de waarheid dei-daadzaak bond de synagoge handen en voeten ; want dooide vervolging der soldaten on het. gerechtelijk onderzoek tegen de leerlingen, konden slechts slaande bewijzen van de verrijzenis te berde komen, »wijl ze niets daartegen in wisten te brengen.quot; Hand. 4, 14. En zoo bewijst het onverklaarbare gedrag van Jesus\' vijanden Zijne verrijzenis.

3Maar,quot; zeggen de oude en nieuwe joden en heidenen,

-ocr page 170-

HE UtiOOTK CATECHISMUS.

»waarom versclieeu Jesus niet aan den hoogen raad en al het volk?quot; Daarmede meenen zij de waarheid der opstanding den nekslag gegeven te hebben. En inderdaad, zelfs verstandiger menschen lieten zich in dezen strik vangen en raakten aan het wankelen, en toch heeft ze werkelijk niets om het lijf. — Is het niet onbillijk te eischen, dat Jesus aan Pilatus had moeten verschijnen, die Hem onschuldig verklaart en evenwel aan den dood overlevert, of aan den joodschen raad, die, gedreven door haat en afgunst Hem het leven beneemt? Men moet wel krankzinnig zijn om te vorderen, dat Jesus verplicht was, met geweld de boosheid en verstoktheid dezer ziende- blinden weg te nemen. Christus is geboren voor hen •igt;die van góeden wille zijn.quot; Het schijnt, dat God Zijne macht en genadegaven aan de willekeur moet dienstbaar maken, als ware Hij hun onderdanige dienaar. Tot hen zij gezegd: »Onderzoekt de schriften, zij zijn hei, die getuigenis van Mij gevenquot; daar alles, wat van den Messias voorzegd was, in Mij de vervulling heeft gezien.

Het is wel wonderbaar, dat de ongeloovigen zich altijd van de wonderen bedienen, die God niet gedaan heeft, om de wonderen, welke Hij wel deed, te verwerpen. »Wanneer Jesus zich aan alle joden herleefd had vertoond, dan zouden wij het gelooven,quot; zeggen de vrijgeesten. Neen, dan zouden zij het nog niet^geloove.i; of gelooven zij de wonderen, die door de H. Schrift worden aangehaald en welk de joden als zekere feiten aannemen, b.v. de wonderen door Mozes, Jozuë en de profeten gewrocht? Gelooven zij de wonderen, die Jesus in het openbaar, in tegenwoordegheid van duizenden menschen, somtijds zelfs in Jeruzalem verrichtte? Neen; zij verwerpen niet alleen Jesus\' verrijzenis en spotten daarmede, maar ook met alle daadzaken des Evangelies. Daarbij, God is niet verplicht zich goediger en barmhartiger te toonen, naarmate de mensch boos en hardnekkig is; want dan kon een ieder

164

-ocr page 171-

DE füiOOTE CATECHISMUS.

eische, om den verrezen Verlosser persoonlijk te zien. De gelegenheid om zich van Jesus\' opstanding te overtuigen, heeft God allen joden, waaronder de priesters en hoogeraad, toegestaan, maar die genade veronderstelde zeer zeker hunne medewerking. Dit blijkt duidelijk, wijl onder de leerlingen van Jesus zeer voorname lieden, zelfs leden van den hoogeraad, werden aangetroffen, b.v. Jozef van Arimathea, Nicodemus, Gamaliel, Paulus en een groot getal Farizeën en priesters. Het is derhalve een lage laster te beweren, dat Jesus\' aanhangers uitsluitend uit onwetenden en minderen des volks bestonden, maar wel uit degenen, die hun verstand aan het geloof onderwierpen, en vandaar dat vrijgeesten nooit onder de rij van Jesus\' volgelingen worden opgenomen.

3o. Bewijst de getuigenis der wereld Jesus\' opstanding\'. Van af eerste jaren des Christendoms beleden en aanbaden de geleerdste, wijste en braafste menschen Jesus\' godheid en dat geloof vindt zijn grond in Jesus\' verrijzenis. Duizenden joden en heidenen, uit alle standen en van eiken leeftijd bekeerden zich en geloofden met de leerlingen aan Jesus\' opstanding, ondanks de hardnekkige tegenwerking der s3-nagoge en de wreedaardige vervolgingen des heidendoms. — De gescliie-denis is bovendien verdeeld in twee groote tijdperken: de geschiedenis vóór en na Christus en de opstanding is het keerpunt. En is het geen wonder, dat de wereld gelooft in Hem, die met den haat en vloek der joden beladen, als een misdadiger den scbanddood des kruises sterft; dat de wereld een godsdienst aanneemt, die alle hartstochten veroordeelt en in tegenspraak is met de godsdienstige wetten en overtuiging van Joden- en heidendom ondanks de bitterste vervolgingen? En zoo belijdt de geheele christelijke wereld Jesus\' opstanding als één man; zij wordt bevestigd door vriend en vijand, door de geschiedenis en de christenheid. Op dit feit steunt en rust het christendom als op eene onwrikbare rots.

165

-ocr page 172-

L)E GROOTE CATECHISMUS.

Wmirom heeft de Heilaucl bij en na Zijne verrijzenis de tcekens Zijner wonden behouden?

lo Ten bewijze Zijner overwinning over de hel. — »In den hemel,\'\' zegt de H. Thomas, draagt Hij de teekens Zijner wonden altijd als zegeteekens met Zich. Gelijk eeu zijden kleed doorweven niet kleurige figuren meer schittert, zoo ook stralen Jesus\' wonden in Zijne menschheid, als in een kleed en, toonea daardoor hunne inwendige schoonheid.

2o. Ten bewijze, dat Hij met hetzelfde lichaam verrezen is, waarin Hij geleden heeft. Daarom ook sprak Hij tot Thomas: Steek uiu vinger hierin (in de plaats der nagelen) en zie Mijne handen, en leg uwe hand in Mijne zijde (wonde van het hart).

3o Tot een toevluchtsoord voor boetvaardigen en rechtvaardigen, opdat de eersten den honig der barmhartigheid en de laatsten de zoetheid der liefde zouden smaken.

4o. Om op den algemeenen gerechtsdag deze te toonen tot troost der rechtvaardigen en tot beschaming en straf der goddeloozen.

Nemen wij derhalve in den strijd tegen den duivel, de wereld en het vleesch onze toevlucht tot Jesus\' wonden; door haar heeft Hij overwonnen, ook wij zullen door haar zegevieren, en herhalen we dikwijls het schietgebed ; O Jesus door Uwe heilige vijf wonden, vergeef ons alle straffen en zonden!

124. Wanneer viert de Kerk het feest van Jesus\' verrijzenis ?

Op Paaschdag^ het feest der christelijke feesten.

Op Paaschdag is Jesus immers, door alle braven als dood betreurd, heerlijk uit het graf opgestaan. De Kerk heeft dan haar treurgewaad afgelegd, het boete- en doodskleed uitgetrokken, en gedost in haar best feestgewaad, roept zjj hare kinderen toe: uw Verlosser leeft, en gij zult leven door Hem! Het treurig »miserere* der lij Jens week wordt overstemd door

166

-ocr page 173-

DE GROOTE CATECHISMUS.

het blij »Alleluja«, en liet is alsof allen en alles een nieuw leven ademt.

Te vergeefs vieren wij echter het Paaschfeest, wanneer-wij niet tot een nieuw, boter en Gode welgevallig leven opstaan. Begraven wij, dan alle zondige gewoonten en hartstochten, on zoeken wij wat daarboven is, volgens Paulus\' vermaning: Kol. 3, 1—2: » Wanneer jij met Christus verrezen zijt, zoekt dan wat daarboven is!.... Houdt ooor uw geest, wat daarboven, niet imt op aarde is.«

ACHTIENDE LES.

HET 6e ARTIKEL DER GELOOFSBELIJDENIS.

»Hij is opgeklommen ten hemel, zit ter rechterhand van God, den almachtigen Vader.*

125. Hoe lang bleef Jems na Zijne verrijzenis nog op aarde?

Nog veertig dagen, welken tijd Hij besteedde om Zijne leerlingen te onderwijzen en in het geloof te versterken.

Op den veertigsten dag verscheen Hij Zijnen leerlingen voor het laatst; want liet oogenblik was daar, waarop Hij tot Zijn Vader zou wederkeeren, in gezelschap der rechtvaardige zielen, die Hij uit het voorgeborchte der hel had bevrijd. »Hj is opgestegen in de hoogte, heeft gevangen medegevoerd de gevangenschap.* Eph. 4. 8. En de H. Ignatius schrijft: »Alleen daalde Hi] after helle, maar bracht velen mede terug uitliet voorgeborchte en voerde hen ten hemel.« Immers:

126. Wat deed Hij den veertigsten dag na Zijne verrijzenis ?

Hij nam afscheid van Zijne leerlingen, zegende

167

-ocr page 174-

UE GROOTE CATECHISMUS.

hen, cn voer van den Olijfberg voor hunne oogen ten hemel.

Jesus geleidde Zijne leerlingen op den Olijfberg en sprak tot hen: Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde. Gaat alzoo en leert alle volkeren, doopt hen in den naam des Vaders en des Zoom en des H. Geestes; leert hun alles onderhouden, wat Ik u gezegd heb. Zie, Ik hen met u tot aan het einde der tijdenquot; d.i. Jesus, de waarheid en almacht zelf, belooft hier Zijnen Apostelen en opvolgers tot aan het einde der wereld bij hen te zullen blijven om heu te onderwijzen en tegen dwaling en vijanden te beschermen. Bovendien beval Hij hun naar Jeruzalem terug te keeren en daar de komst van den H. Geest af te wachten.

Terwijl Hij nog sprak en hen zegende, zagen zij Hem in de hoogte stijgen, zij staarden Hem ua, totdat eene wolk hun Heer en Meester aan hunne oogen onttrok. Eensklaps stonden twee Engelen bij hen, die zeiden: » Wat staat ge daar, mannen uit Galilea, den hemel te aanschouwen1? Deze Jesus, dien gij ten hemel hebt zien opklimmen, zal eenmaal (op den jongsten dag) zóó loeer komen, als ge Hem hebt zien opklimmen.,\'

Bedroefd keerden de leerlingen naar Jeruzalem terug, omdat ze voortaan hun Meester op aarde niet meer zouden zien; maar tevens waren zij verblijd en verheugd, en wij met hen, omdat Jesus 1° als overwinnaar van dood en hel, na zooveel leed en lijden, de vreugde des hemels, in Zijne menschheid (jimj (jenielen. ■— Met liet oog hierop schreef de H. Faulus, Phil. 2, 8 — 11: ■» Hij vernederde Zichzelf en werd gehoorzaam lot den dood, ja lol den dood des krwises. Daarom heel! God Hem verheven en een naam gerieven, boven alle namen, opdat in den naam van Jesus zich buigen alle knieën dergenen, die in den hemel, op aarde en onder de aarde zijn.

168

-ocr page 175-

DE GhOOTE CATECHISMUS.

en alle langen belijden, dat de Heer Jems Chrislus in de heerlijkheid van God den Vader is.quot;

Welk een troost voor ons in lijden en wederwaardigheden des lemens, dat Jesus gestorven, verrezen en ten hemel is opgeklommen.

1°. Door te lijden verdiende de Heiland immers, ook voor ons, de verheerlijking Zijner menschheid en de eeuwige heerlijkheid des hemels. »Moet de Christus niet lijden en aldus het hemelrijk binnengaan?quot; aldus sprak de Zaligmaker eens tot Zijne leerlingen. Laten wij dan met Hem kruis en lijden dragen, om daardoor waardig te worden, met Hem de kroon des hemels te dragen. Hoe gelukkig voor de christelijke lijders, dat op lijden verblijden volgt, en de christelijke droefheid de voorbode der eeuwige vreugde is. Daarom vroeg de H. Ludwina onophoudelijk onder tranen, met Jesus te mogen lijden, om zoo met Hem ook de verheerlijking te mogen genieten. En zie, in een visioen zag zij eene kroon van onschatbare waarde, waaraan nog eenige edelsteenen ontbraken, en deze, zoo werd gezegd, was voor haar bestemd. Nu bad zij God nog vuriger, haar lijden en hare beproevingen te verdubbelen, en zij werd verhoord. Daarna zag zij dezelfde kroon, maar nu geheel voltooid en eene stem sprak tot haar; »Zie hier de kroon afgewerkt, die gij vroeger onafgewerkt aanschouwdet: uwe tranen en ondergane beproevingen en smarten waren de edelsteenen, die er nog aan ontbraken.quot;

2°. Hij is thans in den hemel om bij zijn Vader onze Middelaar en Voorspreker te zijn. Daarom schreef de H. Joh. 1, 2, 3. »Mijne kinderkens! dit schrijf ik u, opdat gij niet zondigt. Wanneer echter iemand gezondigd heeft, zoo hebben wij een Voorspreker bij den Vader: Jesus Christus, den Rechtvaardige; en deze is de verzoening voor onze zonden.quot; En de H. Paulus, Hebr. 6 vr. 20: »Ünar (in den hemel) is als voorlooper binnengetreden Jesus, welke.

169

-ocr page 176-

170 DE GROOTE CATECHISMUS.

naar de wijze van Melchisedech hoogepriesler is geworden voor eeuwig.quot; »Niet in dal door memchenhande.i vervaardigde heiligdom, hetgeen eene afbeelding van het ware (heiligdom) ugt;as, is Jesus ingegaan, maar in den hemel zelf, om daar in het aanschijn Gods voor ons te verschijnen.\'1 Hebr. 9: 24. De IT. Thomas drukt zich dienaangaande zeer schoon uit, als hij zegt: »De Zoon Gods spreekt voor ons, daar Hij Zijn Vader, Zijne heilige menschheid, — alle geheimen van Zijn sterfelijk leven, eu het smachtend verlangen, dat Hij naar onze zaligheid heeft, voorstelt.quot; »Durft gij niet voor den Vader verschijnen, wendt u dan tot den Zoon, die ons als Middelaar gegeven is. Wat zal zulk een Zoon van zulk een Vader niet

o o

verkrijgen?quot; aldus de H. Bernardus.

3°. Om ons den hemel te openen en eene woning gereed te maken. »lk ga heen,quot; sprak eens de Heiland, »om u eene

woning te bereiden en wanneer Ik heengegaan hen.....zal

Ik wederkomen om u tot Mij te nemen, opdat gij zijt, waar Ik ben.quot; Joh. 14: 2, 3. Eindelijk:

4°. Om zijnen leerlingen den II. Geest te zenden, zooals Jesus beloofd had : »lk zeg u de waarheid: het is goed, dat Ik heenga (tot Hem, die Mij zond): want, wanneer Ik niet heenga, zal de trooster niet tot u komen; ga Ik echter heen, dan zal Ik Hem tot u zenden. Deze belofte werd op \'t Pinksterfeest vervuld, zooals we later zien.

Het tweede deel van het zesde geloofsartikel luidt: » Hij zit ter rechterhand van God, den almachtigen Vader. Door deze woorden wordt beteekend, dat Jesus als mensch, dus met lichaam en ziel deel heeft in de macht en heerljjkheid dei-goddelijke majesteit; mucht heeft over leven en dood, God alleen eigen, en alle schepselen, engelen en menschen Hem in Zijne verheerlijkte menschheid evenals God, Zijn Vader, moeten aanbidden, eeren en gehoorzamen. De heilige Vaders verklaren, om alle misverstand te voorkomen, deze woorden

-ocr page 177-

DÉ GliOOÏK CATECHISMUS.

aldus: »Wfinneer wij zeggen, Hij zil ter rechterhand van God, den almachtigen Vader, dan geven wij niet toe, dat de rechterhand des Vaders iets stoffelijks of eene plaats zij; van eeue eigenlijke rechter- ol linkerhand kan bij hen alleen sprake zijn, die aan eene bepaalde plaats gebonden zijn, docli dit kon niet van den Onmetelijke gezegd worden. Daarom beteekenen wij met de uitdrukking ^rechterhand des Vaders,^ dat de Zoon Gods de eer en glorie der godheid, die Hij met den Vader bezat van eeuwigheid, bij Zijn hemelvaart ook in Zijne menschheid deelachtig werd. Joan üamasc, de fide Lib. 4 cap. 11.

Koning Pharao liet Jozef ook op zijn staatsiewagen rondvoeren eu een troon, naast den zijne, aan zijne rechterhand voor hem opslaan, om zoo het volk te toonen, dat hij Jozef\', deel in zijne macht eu eer had geschonken, en ten bewijze, dat men hem moest eerbiedigen en gehoorzamen, zooals hij, Pharao, geeërd en gehoorzaamd werd. Jozef was de rechterhand : hetgeen men heden nog wel zegt om den invloed eu het gezag aan te geven, welke iemand bij zijne overheid heeft. In zijn brief aan de Eph. 1: 20—21 schrijft de H. Paulus; »(iod heeft in Chrislm gewo ld, Hem opwekkende uil de dooden, en zittende aan Zijne rechterhand in het hemelsche. Boven alle overheid en je:ult;i, en machl, en heerschappij en alle naam, die yenoemd wordl, niet alleen in deze eeuw (tijd) maar ooh in de toekomende. En alles heeft Hij onderworpen onder Zijne voelen, en Hem (je(jeven tot hoofd voor de cjeheele Kerk.quot;

Ofschoon Jesus ten hemel voer, hcefc Hij ons echter niet geheel verlaten. Als Godmensch is Hij te gelijk in den hemd en in het heilig Altaarsacrament tegenwoordig, maar volgons Zijne godheid is Hij overal, vervult Hij hemel en aarde, met Zijne tegenwoordigheid. Daarom kon Hij ook zeggen: »Zie, Ik ben met n tot het einde der wereld.a — Sla dan vertrouw-

171

-ocr page 178-

DE GP.OOTE CATECHISMUS.

vol uwe blikkeu ten hemel en denk er met ernst aan, dat ge slechts pelgrim en vreemdeling zijt op aarde. Daarboven, waar uw Heiland woont, daar wacht u loon, daar is uw vaderhuis en eeuwig rustoord: »Wordt niet moede (in den strijd) en en laat uw moed niet zinken: zie op Jesus, die het kruis verdroeg en nu ter rechter van Gods troon zit. »Heb. 11. 43.

Het feest van Jesus\' hemelvaart viert de Kerk op Hemelvaartsdag.

127. Hoe luidt het le Artikel der Geloofsbelijdenis ?

Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden

en de dooden.

128. Wat leer en ons die woorden ?

Dat Jesus eens uit den hemel zal wederkomen om alle menschen, die ooit geleefd hebben, te oordeelen over hunne gedachten, woorden en werken, waarvoor zij loon of straf verdiend hebben. Dat alles zal openbaar worden en Jesus zal daarvoor loon of straf toekennen.

s/Ik zeg uquot; zegt Jesus, s/dat de rnensch ten dage van het gericht rekenschap zal moeten geven van elk nutteloos ivoord.quot; Matth. 12: 3C. Hoeveel te meer dan van zondige woorden, werken en verzuiruenissen. Deze wederkomst van Jesus als Rechter wordt op verschillende plaatsen der H. Schrift aangegeven: »De Zoon des menschen zal in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijne engelen komen en dan een ieder naar zijne werken vergelden,\'\' zegt de Heiland, »God heeft een dag bestemd,quot; zegt de wereld-apostel, »waarop Hij het aardrijk zal richten volgens rechtvaardigheid.quot;

129. Wanneer zal Jesus komen om dat oordeel te houden ?

Op den jongsten dag of het einde der wereld. Wanneer die dag zal aanbreken, is niemand bekend:

172

-ocr page 179-

de groote catechismus.

»dien dag, dat uur weet niemand, zelfs de engelen des hemels niet.\'\'1 Matth. 24: 36. Evenwel zijn er vele teekens voorzegd, welke dien dag zullen aankondigen, opdat de geloovigen zich niet tot afval van liet ware geloof zouden laten verleiden ; zooals het volgende verhaal des Evangelies ons leert. »In dien tijd zeide Jesus tot zijne leerlingen; Er zullen teekenen zjjn »in zon, maan en sterren, en op aarde angst onder de volkeren, »van vervaardheid over het gebruis van zee en golven. En de »menschen zullen bezwijken van schrik en verwachting der »dingen, die de gansche wereld zullen overkomen, want de «krachten der hemelen zullen beroerd worden. En als dan «zullen zij den Zoon des menschen zien komen in eene wolk, »met groote macht en heerlijkheid. Als nu deze dingen be-»ginnen te geschieden, ziet dan omhoog en heft uwe hoofden «opwaarts, want uwe verlossing is nabij. En Hij sprak tot «hen eene gelijkenis; Ziet den vijgeboom en alle boomen. «Als zij alreeds uitbotten en vruchten toonen, weet gij, dat «de zomer nabij is. Zoo ook, wanneer gij deze dingen zult «zien geschieden, weet, dat het rijk Gods nabij is. «Voorswaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbij gaan, tot-«dat dit alles geschiedt. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, «maar Mijne woorden zullen niet voorbijgaan.quot; Luc. 25, 33.

Nadat de Zaligmaker kort te voren den ondergang van Jeruzalem en den geheelen Joodschen staat had voorzegd, maakte Hij, zooals we zagen. Zijnen leerlingen en ons, den toekomenden ondergang der geheele wereld bekend, gelijk Isaïas 13, 10, Ezechiël 32, 7, en Joel 11, 10 voor Hem gedaan hadden. Alle voorzeggingen des Zaligmakers zijn stip-telijk vervuld en Zijne alwetendheid waarborgt ons ook, dat Zijne voorzegging van den ondergang der zichtbare wereld, vervuld zal worden. — Aan hen, die hier opwerpen, dat het met de wijsheid des Scheppers niet overeenkomt, een zoo schoon werk als dit wereldgebouw weder te verwoes-gr. cat. 12

173

-ocr page 180-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

ten, zij gezegd, dut er vernieuwing en verheerlijking op volgt, eu dat diezelfde wijze Schepper ook waarachtig en onfeilbaar is en Zijne woorden zal gestand doen; dat Zijne inzichten en raadsbesluiten dikwijls onnaspeurlijk zijn voor den sterveling en het dus ons niet vrij staat. God voor den rechterstoel van ons bekrompen verstand te dagen.

Dat wereldgezicht zal, volgens de Schriftuur, op de volgende wijze plaats hebben.

1° Christus zal op de wolken des hemels komen en alle volkeren voor Zijn troon verzamelen; de rechtvaardigen zal Hij aan Zijne rechterhand, de zondaars aan Zijne linkerhand plaatsen. Daarom schrijft de H. Joh. Boek der Openb. 20, 12 : En ik zag de doodcn, groot en klein, staande voor den troon. En de hoeken iverden geopend, en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen geschreven was, in de hoeken, volgens hunne werken.quot;

2° Zal de Rechter het goed en kwaad, ja zelfs de geheimste gedachten van ieder mensch openbaren, en ook de genade, welke Hij hem verleende. » Want daar is niets verborgen, wat niet openbaar, niets bedekt, ivat niet aan den dag zal komen.quot; Luc. 12, 2 eu Mare. 4, 22. Na het oordeel zal Hij over allen het vonnis spreken, en tot de rechtvaardigen zeggen: »Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, bezit het rijk, dat u van af den beginne der wereld bereid is.quot; En tot de zondaars: » Wijkt van Mij, gij vervloekten in het eeuwig vuur, hetwelk voor den duivel en zijn aanhang bereid is.quot; — Alsdan zullen deze gaan in de eeuwige pijn, de rechtvaardigen in het eeuwig leven.quot; Matt. 25.

De H. Augustinus geeft ons, ter verduidelijking, de volgende vergelijking. »In den winter zijn alle boomen bladerloos en naar den schijn gestorven, zoowel de vruchtbare als »de onvruchtbare. Komt echter de lente, dan wijst zij ons »de vruchtbare eu onvruchtbare, eu ook de dorre en doode

174

-ocr page 181-

UK GUOUTE CATECHISMUS.

gt;boomen, welke uitgekapt en in het vuur geworpen worden. »Zoo ook leyen thans de menschen ouderling, zonder dat we »een merkelijk onderscheid bespeuren; maar op dien algemee-»nen opstandingsdag zal men de goeden en de kwaden leeren kennen.quot;

130. Wordt de mensch niet eerder geoordeeld dan op den jongsten dag ?

Ja, de ziel van den mensch wordt reeds terstond geoordeeld, zoodra de mensch gestorven is, en dat wordt het bijzonder oordeel genoemd.

Daarom lezen wij bij Sirach 11, 28-29: »77elt; is God gemakkelijk, een ieder op den dag des doods, naar zijne werken te vergeldenbij den dood des menschen zullen zijne werken openhaar worden.quot; De ziel van den mensch zal dus terstond bij den dood des lichaams alleen zalig oi verdoemd zijn, tot den jongsten dag en alsdan met het lichaam hereenigd worden, hetwelk dan voor eeuwig in hare zaligheid of haar eeuwig ongeluk zal deelen.

Dat er echter nu het hijzonder ook nog een algemeen oordeel zal plaats hebben, geschiedt vooral om de volgende redenen :

lo. Opdat Gods wijsheid en rechtvaardigheid door alle menschen gekend worden, gelijk de psalmist, ps. 49, 0, zingt; » Verkondigen zidlen dan de hemelen Zijne rechtvaardigheid, want God is Rechter.quot;1 Vele moordenaars, vertrappers der onschuld, verdrukkers vau weduwen en weezen, dieven en allerlei goddelooze menschen. sterven ongestraft, en op het zien daarvan vraagt de zwakke mensch: »Waar is Gods rechtvaardigheid?quot; •— Op dien grooten dag zullen wij Gods wijsheid en langmoedigheid bewonderen, maar tevens getuigen zijn van Zijne vreeselijke rechtvaardigheid.

2o. Opdat Jesus voor de geheele wereld verheerlijkt worde,

175

-ocr page 182-

DE GROOTE CATECHISMUS.

zooals Hij /zelf zegt: igt;Zij zullen den Zoon des menschen zien komen op de wolken des hemels met groote macht en heerlijkheid.quot; Matth. 24. 30. De rechtvaardigen zullen derhalve niet alleen Zijne heerlijkheid aanschouwen maar ook de goddeloozen. die Hera, van Zijne geboorte tot het kruis, versmaadden en vervolgden, zullen als getuigen Zijner vernedering, ook tot grooter straf, een oogenblik Zijne verheffing en majesteit aanschouwen.

3o. Opdat, de rechtvaardigen openlijk de verdiende eor en vergelding, en de verdoemden, de verdiende smaad en straf, voor eeuwig ontvangen. Schoon drukt zich hier de H. Thomas van Villanova uit: »De deugd verdient eer en loon voor »het goede, dat de mensch in stilte en in het verborgen heeft »gewerkt, en toch wordt zij hier dikwijls miskend en vervolgd, »terwijl de zonde, die straf en beschaming verdient, dikwijls »loon en achting inoogst. Daarom moet er een laatst geerecht zijn, dat alles zal vereffenen.quot; — Dan zullen de zondaars van angst des geestes verzuchten: »Deze zijn het, die wij uitlachten en mei smaadwoorden overlaadden. Wij dwazen achtten hun leven onzinnig, en hun einde voor eerloos. Zie, hoe zij nu onder de kinderen Gods geteld zijn en hun erfdeel onder de heiligen is!quot; Wijsh. 5.

Christelijke lezer! vergeet toch nooit den dag des gerechts. Bedenk, dat één oog al uwe gedachten, woorden en werken ziet, en dat ééne hand ze allen opteekent in de boeken, welke op den algemeenen oordeelsdag zuilen geopend worden; want talles, wat geschiedt, hetzij goed, hetzij kwaad, zal God eenmaal voor Zijn rechterstoel brengen.quot; Eccl. 12, 14. Denk dikwijls, denk dagelijks aan dien dag van wraak en barmhartigheid en vraag u zei ven, wat gij te wachten hebt, en houd bij al uwe handelingen de waarheid voor oogen, dat elke zonde Jesus, den Rechter, beleedigt, en elk goed werk Hem welgevallig en uwe ziel voordeelig is.

176

-ocr page 183-

DE CmOOTE CATECHISMUS.

Ik zucht als een die gaat ter dood. Van schulden is \'mijn aanschijn rood: Spaar, o Heer, ik smeek en wensch, Spaar mij toch, arm zondig mensch ! Strenge Rechter van de wrake, Eer ik rekening met U make;

Eer ik reize naar liet graf,

Neem mij alle zonden af!

NEGENTIENDE LES.

HET 8c ARTIKEL DER GELOOFSBELIJDENIS.

»Ik geloof in deu H. (ireest.quot;

131. Wat belijden wij door die woorden?

Dat wij met zekerheid aannemen, dat de H. Geest, waarachtig God en de derde persoon der H. Drievuldigheid is.

Zeer terecht volgt, op de leer der Verlossing, de leer van den H. Geest, want door den H. Geest wordt ons de kracht of de genade der goddelijke verlossing medegedeeld, en wel in de katholieke Kerk, aan welke Christus ook alleen den H. Geest beloofd en gezonden heeft. Het is immers voor onze zaligheid niet voldoende, dat door Jesus\' zoendood de bron des levens geopend is; wij moeten ons ook tot die bron begeven en daaruit putten. Doch, omdat onze natuur en wil zoo zwak zijn, daarom moest de H. Geest komen om onzen wil aan te sporen en onze zwakte te versterken, opdat wij niet alleen zouden kunnen, maar ook willen putten uit de bron des heils. »JIel is God, die het willen en het volbrengen geeft.quot; »God heeft ons niet slechts eene leer gegeven, in woorden vervat, maar ook een hart, om die leer op te nemen; Hij ontsteekt niet alleen een licht, maar opent ook de oogen; Hij gebiedt en geeft tevens de kracht nm te doen, door den il. Geest.quot; Hunolt. De bovennatuurlijke goederen liggen te

177

-ocr page 184-

DE GROOTE CATECHISMUS.

hoog en zijn door onze natuurlijke krachten niet te bereiken.

lo. De H. Geest is de derde persoon der H. Drieëenheid,

waarachtig God met den Vader en den Zoon; dit leert de H. Schrift.

De H. Petrus sprak tot Ananias: » Waarom heeft Satan uw hart hekoord, dat gij liegen zoudt tegen den H. Geest. Niet menschen hebt ge heiogen maar God.quot; Hand. 5, 3—4. — Verder worden in de H. Schrift, den H. Geest dezelfde namen gegeven als den Vader en den Zoon, en wat in het Oude Verbond als in- en uitspraak Gods wordt aangegeven, dat wordt in het Nieuwe Verbond den H. Geest toegeschreven. (Isaïas G, 9 Heb. 3, 8 Ps. 9, 4 7 Hand. 1, 2G; 2e Boek der Kon. 23, 2. Luc. 1, 6, 7.)

2°. De II. Geest heeft één wezen met den Vader en den Zoon en wordt daarom ook op één lijn gesteld met den Vader en den Zoon : »Leert alle volken en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.quot; Matth. 28, 19. — »Drip zijn er, die getuigenis geven in den hemel: de Vader, hel Woord en de II. Geest; en deze drie zijn één.quot; Joh. 5, 7.

3°. De H. Schrift kent den H. Geest dezelfde goddelijke volmaaktheden toe als den Vader en den Zoon. a) De eeuwigheid. In den beginne schiep God hemel en aarde en de Geesl Gods zweefde over de waterenquot; 1 Moz. 1, 12. Heb. 9, 14. b) De almacht. Aan een\' toch wordt door den geesl gegeven het woord van wijsheid; aan een ander hel woord van kennis naar dtnzelfden geesl, aan een ander het geloof in denzelfden geest; aan een ander de genadegave van genezingen, in den eenen Geesl; aan een ander de werking van krachten; aan een ander de profetie; aan een ander de beoordeeling van geesten; aan een ander de soorten van talen, aan een ander de uitlegging van talen. DU alles nu, werkt één en dezelfde Geest, loedeelende aan een iegelijk, naar dal

178

-ocr page 185-

BE GROOTE CATECHISMUS.

Hij tuil.quot; 1. Kor. 12, 8—11. c) De alomtegenwoordigheid. » Waar zal ik mij heenbegeven voor Uw Geest, en waarheen vluchten voor Uw aanschijn? . . . Ps. 138, 7. — d) De alwetendheid. De Geest doorvorscht alles, ook de diepten der Godheid; niemand weet, wat God is, dan alleen de Geest Gods.quot; 1 Kor. 2, 10, 11. »De 11. Geest zal u alles leeren en u cdles herinneren, wat II; u yezeyd heb.quot; Joh. 14, 26. — e) De waarachtigheid. »11; zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster (jeven, opdat Hij in eeuwigheid bij ic blijve, den Geest der waarheid.quot; Joh. 14, 16, 17. — /) De heiligheid. Op elke plaats der H. Schrift, waar sprake is van den H. Geest, wordt Hem de eigenschap gt; heiligheidquot; toegekend. Lnc. 1, 35. Joh. I, 32—33. Mare. 1,8, 10. Joh. 3, 5. Matth. 1, 18—20.

4°. Verder kent de Schriftuur den H. Geest goddelijke werken toe. a) De Schepping. »Door het Woord des Heeren zijn de hemelen bevestigd en door den Geest Zijns woords al hare sieraden.quot; Ps. 32, 6. »Gij zendt uw Geest uit, en zij worden herschapen en Gij vernieuwt het aanschijn der aarde.quot; Ps. 103, 30, 0. — b) De wedergeboorte. » Wanneer iemand niet herboren \'wordt uit water en den 11. Geest, zoo kan hij het hemelrijk niet binnengaan.quot; Joh. 3, 5. — c) De heiliging. » GIj zijt gehedigd, gij zijl gerechtvaardigd in den naam van onzen lieer Jesus Christus en in den Geest van onzen God.quot; 1 Kor. 6, 11. — d) Het bestuur der Kerk. * Geeft acht op u zeiven en op de ijansche kudde, waarover u de 11. Geest geplaatst heeft, de Kerk Gods te besturen, die Hij met Zijn bloed heelt verworven.quot; Hand. 20, 28,13,2—4. —■ e) De mededeeling aller geestelijke gaven. »Alles bewerkt één cn dezelfde Geest, toedeelende aan een iegelijk naardat Hij wil.quot; 1 Kor. 12, 11.

5°. Eindelijk leert de Schriftuur den H. Geest als een persoon van den Vader en den Zoon te onderscheiden. * Ik zal

179

-ocr page 186-

DE GROOTE CATECHISMUS.

den Vader bidden, en Hij mi U een anderen Trooster geven, opdat Hij bij U blijve, den Geest der waarheid.quot; Joh. 14, 16. Tgt;De 11. Geest daalde in de gedaante eener duif op Hem neder, en eene stem werd van den hemel gehoord: Gij zijl Mijn welbeminde Zoon.quot; Luc. 3, 22. De leer der Kerk: De H. Geest is één met den Vader en den Zoon, door de Mace-donianen aangevochten, werd door het algemeen Concilie van Konstantinopel (381), als katholiek leerstuk verklaard, en de Kerk heeft altijd de tegenspraak in dit opzicht veroordeeld, zooals we duidelijk zien uit de Athanasiaansche geloofsbelijdenis\'. —

De H. Cyrillus van Alexandrië, de H. Basilius de groote en andere Vaders, verklaren; »Dn H. Geest is één wezen met den Vader en den Zoonquot; en deelt met Hen alle kracht en werkdadigheid, gelijk een damp, die opstijgt uit het water, geen andere natuur heeft dau het water.«

(So. De 11. Geest komt van den Vader en den Zoon voort, als van één oorsprong. Deze waarheid geeft de Heiland zelf aan als Hij zegt: »J/f wil u zenden den H. Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat.... Hij zal van het Mijne ontvangen^ Joh. 15. 26 en 16. 15. »Zooals van het vuur licht en warmte uitgaat, zoo van den Vader de Zoon en de H. Geest.quot; Joh. Damascenus. »De H. Geest gaat van den Vader en den Zoon uit, gelijk de straal van de zon. De zon blijft in de straal en scheidt zich niet van haar, zoo ook scheidt zich de H. Geest niet van God. Hij is God van God, gelijk een licht door licht ontstoken wordt.\' Tertulianus.

7o. Tot nadere verklaring dient, dat, ofschoon de benamingen xjeestquot; en gt; heiligquot; ook op den eersten en tweeden persoon der H. Drie. uldigheid van toepassing zijn, »toch in het bijzonder de derde persoonquot; heilige Geest wordt geheeten, wijl Hem voornamelijk het werk onzer heiliging wordt toegeschreven en hij ons het geesteljjk leven der genade verleent;

180

-ocr page 187-

DK GROOTE CATECHISMUS.

7 ndaar noemen wij Hem ook de »Levendmakerquot; en de * Heiligmaker.quot;

Het is waar, dat het werk onzer heiliging gemeen is aan de drie goddelijke personen, en evenwel heeft het, als werk der liefde, eene bijzondere betrekking op den H. Geest, wijl Hij de persoonlijke liefde is. Een brave vader zat met zijn zoon onder een rijk beladen vruchtboom. »Miju kind,quot; sprak de vader, »wat is er noodig om die vruchten te krijgen?quot; De zoon antwoordde: »Eene hand, die de vruchten plukke.\'\' »Welnuquot;, hernam de vader, »de H. Geest is die vruchtboom, rijk beladen met genadeschatten, en de geloovige, goede wil is de hand, die hem van deze goederen ontlast.quot;

i^Maarquot;, werpt men mij tegen: »Is Christus, als onze Verlosser, niet de oorzaak onzer heiliging ?quot; Zeker, in zooverre Hij ons de genade daarvan verdiend en voorbereid heeft; maar de H. Geest in zooverre Hij ons, oiu de verdiensten van Christus, werkelijk heiligt, d. i. van zonden reinigt, rechtvaardig en Gode welgevallig maakt, hetgeen geschiedt door de bovennatuurlijke genade, welke Hg gewoonlijk door de sacramenten in onze ziel stort. Vandaar zegt de H Pau-lus: gt;Gij zijt afgewasschen; gij zijt geheiligd; gij zijt gerechtvaardigd in den naam van onzen Heer Jesns Christus en in den Geest van onzen God.quot; 1 Kor. 6,11. »Zooals het lichaam zonder de ziel dood en tot niets in staat is, zoo ook is de ziel, zonder de goddelijke Geest, dood voor het hemelrijk, zij kan niets voor God en den hemel verrichten.quot; H. Macarius.

132. Welke zijn de gaven, die den H. Geest op eene bijzondere ivijze ivorden toegeschreven ?

Ze zijn zeven in getal en reeds door den profeet Isaïas 11, 42 opgesteld.

1°. de gave van wijsheid, \'2°. van verstand, ti0 van raad, 4°. van sterkte, 5°. van wetenschap, (3°. van godsvrucht en

181

-ocr page 188-

DE GROOTE CATECHISMUS.

7°. vfin de vreeze Gods. — Deze gaven worden door den H. Bouaventnra. zeven vurige pijlen genoemd, die alles verlichten, verwarmen, doordringen en gloeiend maken. In \'t kort znllen wij ze trachten te verklaren.

lo. De gave van wijsheid verwarmt en maakt ons hart, dat koud en onverschillig voor God en Zij7i dienst, en gehecht aan het aardsche is, gloeiend voor God en deugd, doet het de wereld en hare aanlokselen verachten en stort het liefde in voor de godsvrucht en afschuw van het kwaad. Bestuurd en geleid door die goddelijke wijsheid kwamen zoo velen tot het besluit, de wereld en hare goederen vaarwel te zeggen, en in de eenzaamheid des kloosters of ook wel om te midden dei-wereld, te arbeiden aan het zielenheil van zich zelf en van anderen. Christus winnen is de zoete leus hunner ware wijsheid. Wijselijk verstaan zij de woorden; »Wat baat het den mensch, de geheele wereld te winnen, maar zijne ziel te verliezen.quot;

2o. De gave van verstand licht ons voor in de diepte der goddelijke leer en toont ons de daarin verborgen schatten in hunne ware schoonheid, d. i. zij geleidt ons in de kennis dei-goddelijke waarheden zoover als het voor onzen geest mogelijk is en onze staat van voorbereiding het toelaat, en laat ons een diepen blik wei-pen in de geheimen des geloofs en liunue schoonheid erkennen, zoodat wij ze vertrouwvol en geloovig aannemen, ofschoon ze voor ons verstand iets donkers en onoplosbaurs bezitten. gt;Gecf mij, o Heer! verstand, dan zal ik in uwe wet vorschen en haar met geheel mijn hart naleven,\'quot; aldus bad David, Ps. 118, 34, en mogen wij wel met hem bidden voor hen, die zich voordoen als uitvinders van het verstand, en helaas onophoudelijk arbeiden aan hun eigen ondergang en dien van anderen.

3o. De gave van raad heft onze wankel moedigheid op en zij bewerkt, dat, als onze geest en wil in de keuze tusschen

-ocr page 189-

DB GROOTK CATECHISMI\'S.

God en de wereld wordt heen en weer geslingerd, zich manmoedig voor God en Zijne eer en voor het zielenheil verklaart. Hierover zegt de H. Cyrillus van Alexandrië: »Het geschiedt dikwijls, niet waar ? dat een meisje eene goede partij afslaat, wijl de H. Geest haar de voortreffelijkheid van den onge-huwden staat leerde. Dikwijls gebeurt het, dat iemand met aardsche schatten gezegend en in eer en aanzien staande, dat alles vaarwel zegt, omdat de H. Geest hem de nietigheid en ijdelheid daarvan leert kennen. Niet zelden wendt een jongeling of meisje het hoofd om, ten einde het gevaar van de onschuld te verliezen, te ontgaan, en dat geschiedt, omdat de H. Geest opmerkzaam maakte op het gevaar.quot;\' Voegen wij hierbij, dat het onrechtvaardig bezeten goed dikwijls weer hersteld wordt, omdat de H. Geest leert, dat de bezitters van onrechtvaardig goed het hemelrijk niet zullen bezitten. Meermalen worden huizen, personen en plaatsen vermeden, wijl de H. Geest zegt: »Die het gevaar bemint, zal er in omkomen.quot; Hoeveel aalmoezen worden er uitgereikt, omdat de H. Geest leert; »Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.quot; En wie zal de goede werken schetsen in het rjeheirn beoefend, op raad en aandrang van den H. Geest, waarvoor eenmaal, ten aanzien der geheele wereld, eeuwig loon zal ingeoogst worden.

4°. De gave van sterkte bevestigt en versterkt de zwakken, zoodat de mensch het lijden en de wederwaardigheden des levens met liefde en christelijk geduld verdraagt, en alle hinderpalen en beletselen, welke hij op den weg des heils ontmoet, met christelijken moed bestrijdt, om elk offer, hoe groot en zwaar ook, gaarne ter liefde Gods te brengen. — De martelaar Jan Baptist Machado schrijft uit zijne gevangenis aan een vriend: »De gelukkigste dagen van mijn leven waren de dag, waarop ik lid werd vnu de Societeit van Jesus, de dag, waarop ik gevangen werd genomen en

•183

-ocr page 190-

DE GROOTE CATECHISMUS.

de dag, waarop mij het doodvonnis werd aangezegd. — Zoo even brengt men mij het gekroonde bericht, dat ik den marteldood moet sterven,quot; schreef hij aan zijn overste.

— Ik sterf getroost, omdat ik voor Jesus sterf.quot; — Die tevredenheid en blijdschap te midden van lijden en dood, de kracht en sterkte, die spotten met beul en marteltuigen, vond die heilige man niet in zich-zelf, maar in den H. Geest.

— De heilige Francisca de Chantal zegt haar vader en schoonvader, hare beide dochters vaarwel, stapt over haar eenigen zoon heen, die zich voor de kloosterpoort had neergelegd, om hare intrede te verhinderen, wijl God haar tot iets hoogers had geroepen, gedachtig aan de woorden; » Wie vader of moeder, of zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig.quot;1 Matth. 10, 37. — Wie had eene vrouw zoo sterk, wie eene minnende dochter, eene teedere moeder zoo heldhaftig gemaakt? Het was de H. Geest, die haar zoo met de (jave van sterkte vervulde, dat zij manmoedig alle hinderpalen uit den weg ruimde, die zij op het pad der hoogere volmaaktheid ontmoette.

5o. De gave van wetenschap heldert het donkere op, d. i. zij verlicht ons ten opzichte van onze godsdienstpdichten, toont ons den weg des hemels en s\'elt ons in staat hierin ook anderen te onderrichten. Vm deze gave zegt de H. Bernardus, Serin. 26: »Sommigen streven naar v eten-schap, alleen om te weten; dat is eene afschuwelijke nieuwsgierigheid. Anderen leggen zich op de wetenschap toe, om bekend en geacht te worden; dat is eene afschuwelijke ijdelheid. Weer anderen getroosten zich moeite om wetenschappelijke menschen te worden, om hunne kennis later te verkoopen, dat is een schandelijk beroep. Eindelijk zijn er, die zich met hart en ziel op de wetenschap toeleggen, om zich-zelven in hunne plichten als mensch en als christen te onderrichten, en om tevens anderen daarin

184

-ocr page 191-

DE GROOTE CATECHISMUS.

te kunnen onderrichten en dat is eene gave den H. Geesles.

Oo. De gave van godsvrucht verwekt het koude hart, d. i. zij bewerkt, dat het door de zonde verstokte en versteende hart week wordt door tranen van boetvaardigheid, en voortaan meer ware vreugde vindt in de beoefening van godsdienstige werken dan het vroeger genoot in den dienst der zonde, zoodat aJles, wat godsdienst ademt, aangenaam, beminnenswaardig en licht toeschynt, en de mensch zegt: Ja, Heer! Uw last is inderdaad licht, Uw juk zacht en zoet.

7o. De gave der vreeze Gods werkt uit, dat de mensch zich vernedert en verootmoedigt, al heeft hij ook den hoog-sten trap der volmaaktheid bereikt, overtuigd van zijne zwakheid, en bezield met de heilzame en hinderlijke vrees om God te beleedigen en Zijne genade te verliezen. Dilt;gt; gave doet den mensch zeggen: »Met en door Gods genade ben ik en zal ik blijven, wat ik beu; zonder deze, uit eigen krachten, was ik niets en zal ik nooit tot veel goeds in staat zijn. Aan U alleen, o God! zij lof en eer! — Het is deze gave, die ons niet redelijke vrees onze zaligheid doet bewerken, daar hij alleen zalig zal worden, die tot het einde volhardt. Daarom was de H. Isidorus, bij de vele genade, hem geschonken, altijd treurig, en toen men hem de reden vroeg, antwoordde hij: » VVie eene rijke erfenis verwacht, maar tevens vreest haar te verliezen, kan niet rustig zijn; wie in een proces gewikkeld is, waarvan rijkdom of volslagen armoede afhangt, lean niet rusten, alvorens de uitspraak gevallen is.quot; Daarom vreesde en beefde die heilige man bij al zijne handelingen, om God te beleedigen en de rijke erfenis des hemels en het proces tegen zijne vijanden, den duivel, de wereld en het vleesch te verliezen.

Denk er wel aan, waarde lezer! dat het geen dag wordt.

185

-ocr page 192-

UE GROOTK CATECHISMUS.

wanneer de duisternis niet wijkt en dus ook de gaven des H. Geestes uw deel niet zullen worden, als de duisternis der zoude niet door waaraclitig berouw wordt weggenomen. Neen, het goede kan in den inensch niet ontkiemen, zoolang zijn hart de zonde herbergt. Wanneer de zoude uit het hart gebannen is, dan houdt de Geest Gods Zijn fees-telijken intocht in den mensch en stort in hem liefde, die voert tot het leven, eu zelf reeds liefde is. Weg dus met alle boosheid uit liet hart, opdat Gods geest bij ons zijn intrek neme en in ons wone voor altijd.

133. Hoe luidt het 9e artikel der Geloofsbelijdenis?

De TT. Katholieke Kerk, gemeenschap der heiligen.

Dit geloofsartikel is tweeledig n.1. de H. Katholieke Kerk en gemeenschap der heiligen, en is dus ook tweeledig te verklaren.

Met de woorden; »Ik geloof in de H. Katholieke Kerkquot; belijden wij, dat wij met zekerheid aannemen, dat de katholieke Kerk de ware Kerk is door Christus gesticht en wij alles gelooven, wat die Kerk ons leert.

Het doel van Jesus komst op aarde was de verlossing en zaligmaking der gevallen menschen. Dat doel bereikte Hij volkomen door Zijn kruisdood, maar ook daarna moest dat verlossingswerk voortduren en de verdiensten daarvan (door den H. Geest) op den mensch worden toegepast, tot aan de voleinding der tijden; want Hij was niet alleen den zoendood gestorven voor de toen levende menschen, maar voor alle geslachten, die ooit zouden bestaan.

T34. Wat heeft Jesus tot dat einde gedaan ? Hij heeft eene Kerk gesticht, waarin allen, die in Hem geloofden, door hetzelfde geloof vereenigd,

186

-ocr page 193-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ééne kudde, onder een Opperherder, één rijk onder één Opperhoofd zouden uitmaken.

135. Waardoor wordt men lidmaat der Kerk aangenomen ?

Door het H. Doopsel.

De Apostelen vereenigdeu allen om zich, die in hun woord geloofden en zich lieten doopen en alles geiueenscliap-pelijk hadden, en slechts één hart en ééne ziel uitmaakten. Hand. 4. 34. 32. Die Kerk moest in Gods hand het middel zijn om in Zijne plaats de menschen te heiligen en naar den hemel te geleiden. Daarom moest zij den menschen leeren gelooven, wal Jems leerde, hetzelfde leeren doen, wat Jems gebood te doen, zonden vergeven en genade rnededeelen, en hierin ook haar goddelijken Stichter en onzichtbaar Opper-hoofd volgen. Zij, de Kerk, is dus het zedelijk lichaam, waardoor Jesus (na Zijne hemelvaart) leert, bestuurt en Zijne genademiddelen aan de geloovigeu uitdeelt.

136. Met welke ivoorden gaf Jesus aan Zijne Apostelen het hevelen de macht, om Zijne leer te verkondigen en Zijne Kerk uit te breiden?

Jesus sprak tot hen; Gelijk Mij de Vader gezonden heeft, zoo zend Ik u. — Gaat en onderwijst alle volkeren, en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes^ Matth. 28, 18-20.

Zij moeten dus ondenvijzen en doopen, en de gedoopten ouder het Opperbestuur van den H. Petrus besturen en regeeren. — Vroeger had Hij reeds tot hen gezegd: gt; Waarlijk Ik zeg u, al wat gij op aarde zidl binden, zal in den hemel gebonden zijn; tn al, val gij op aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijn.quot; Matth. 18, 18. En: »Wie n hoort, haorl Mij; en wie u veracht, veracht

187

-ocr page 194-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Mij. Luc, 10, 16. Hieruit volgt, dat Christus aan Zijne Apostelen een drievoudig ambl heeft toevertrouwd, n.1. lo. het leerambt, d. i. de volmacht om de goddelijke leer te verkondigen, de dwaalleer te veroordeelen, en de geloofstwisten te beslissen; 2o. het priesterambt, d. i. de volmacht om het H. Misoffer op te dragen, de Sacramenten toe te dienen, te wijden eu te zegenen, weshalve de Apostelen zich-zelven ook zuüdeelers van Gods geheimenquot; noemen, 1 Cor. 4, 1 eu 3o. het herdersambt, d. i. de volmacht om de Kerk te besturen, derhalve ook om wetten voor te schrijven en de overtreders met straffen te treffen.

137. Wat beloofde Jesus aan Zijne Apostelen, om hen bekwaam te maken, Zijne leer zuiver te verkondigen ?

Hij beloofde hun zijn voortdurenden bijstand, en dat zij den H. Geest zouden ontvangen, die hun alles zou ingeven, wat Hij hun gezegd had, en dien Hij hun tien dagen na Zijne hemelvaart, op het H Pinksterfeest, zond.

Wij leeren uit dit en het voorgaande antwoord, dat de leerende Kerk de plaatsbekleedster van den Godmensch Jesus Christus is. Daar nu Jesus twee naturen heeft, een goddelijke en eene menschelijke, zoo ook moet de leerende Kerk twee elementen of bestanddeelen bezitten: een goddelijk en een men-schelijk. En dat is zoo: het goddelijk element is de H. Geest. Hij bekleedt de plaats van Jesus Godheid, en het menschelijk element wordt vertegenwoordigd door den Paus en de Bisschoppen (Apostelen), die de plaats van Jesus\' menschheid vertegenwoordigen. Toen nu op het Pinksterfeest de H. Geest op de Apostelen nederdaalde, verbond zich het goddelijke element of bestanddeel met het menschelijk bestanddeel, en zoo werd de Kerk eene God- menschelijke instelling.

188

-ocr page 195-

DE OliOOTE CATECHISMUS.

Zooals gezegd is, zoud Jesus tien dagen na Zijne hemelvaart den EL Geest, op de volgende wijze: Op dien dag hoorde men in de luclit eeu liuileu als van een hevigen wind, welke liet geheele huis vervulde, waarin zij zich ter voorbereiding bevonden, en er verschenen vurige tongen, waarvan één boven ieders hoofd bleef staan, en allen werden vervuld met den H. Geest en begonnen verschillende talen te spreken, zooals de H. Geest hun die te spreken gaf. —- Bij die gelegenheid waren er vele menschen uit alle oorden in Jeruzalem, om het joodsche Pinksterfeest, dat is de wetgeving op Sinaï, te vieren. Het ongewone geluid, dat de nederdaling dos H. Geestes vergezelde, had dan ook eene groote menigte naar de plaats gelokt, waar de Apostelen en leerlingen vergaderd waren. Hoe stond echter iedereen op te zien, toen zij de Apostelen, elk in zijne moedertaal, God hoorden loven en prijzen en diens groote daden verkondigen! Verwonderd vroeg men elkander af: »Hoe is het mogelijk, dat deze Galileesche mannen in onze taal kunnen spreken ?quot;

Van dat oogenblik af waren de Apostelen letterlijk herschapen, kenden de volle waarheid en alles wat Jesus hun geleerd had. Nu gevoelden zij de brandendste liefde tot God en ook tot elkander in hunne harten. De nderlinge naijver om de eerste te zijn in Jesus\' rijk, heeft nu plaats gemaakt voor de grootste nederigheid; de lafheid hunner vlucht voor den grootsten moed; kortom ze zijn geheel andere menschen geworden. Immers:

138 Wat deden de Apostelen, nadat zij den II. Geest hadden ontvangen?

Zij gingen met moed Jesus\' leer aan de volken verkondigen, en namen hen, die aan Jesus geloof den, tot leden der Kerk aan.

üe H. Petrus nam terstond, als de eerste, het woord op en

GR. CAT. »•-gt;

189

-ocr page 196-

UE GEOÜÏK CATECHISMUS).

terugwijzend op de profeteien, bewees liij, dat Jesus, dien zij gekruisigd hadden, de waarachtige Messias was. Getroffen door zijne woorden, lieten zich omstreeks 8000 van hen deepen en werden alzoo tot ledematen der Kerk aangenomen.— Let hier wel op den wonderbaren groei van het mosterdzaad, op den aanwas van de Kerk, zoo klein en nietig bij den Jordaan begonnen. — Weldra verspreidden zich de Apostelen over de geheele wereld, om aan het bevel »rjaat en onderwijstquot; te voldoen, na eerst de geloofsbelijdenis gemaakt te hebben, die wij dagelijks bidden. De H. Jacobas bleefte Jeruzalem als bestuurder der Kerk aldaar. De H. Petrus sloeg zijn bisschoppe-lijken zetel te Antiochië op, maar verplaatste dien later naar Rome, alwaar hij gevestigd is gebleven. De H. Marcus toog naar Alexandrië, de hoofdstad van Egypte, oiu daar de Kerk te grondvesten, terwijl andere leerlingen zich met hetzelfde doel naar Italië en Sicilië begaven. De groote werkkring van den H. Panlus strekte zich uit over Syrië, Azië, Macedonië en Griekenland, en het is wonderbaar, wat deze Apostel voor Jesus en Zijne Bruid gedaan heeft. De H. Joannes predikte in Azië en wel voornamelijk te Ephese. Indië was het veld, door den li. Thomas voor Jesus bearbeid, en allen toonden metterdaad, dat ze Jesus\' leerlingen waren.

139. Hoe zorgden de Apostelen voor de besturing en bediening van hen, die zij allerwege tot Jesus bekeerden ?

Zij stichtten op verschillende plaatsen gemeenten, aan wier hoofd zij geschikte mannen als herders aanstelden.

Toen gaandeweg de christelijke gemeenten zich vermeerderden, wijdden de Apostelen »oudstenquot; tot Bisschoppen, en als zij hun in elke Kerk priesters yesleld, en met vasten gebeden hadden, bevalen zij hen den Heer, in Wien zij geloo-

190

-ocr page 197-

DE GROOTE CATECHISMUS.

vig waren geworden,quot; Haud. 14, 22, en plaatsten hen overal als opperhoofden der nieuwe gemeenten, met den last, dat zij ook weer ouderen wijden en aanstellen moesten, weshalve de H. Paulus aan Titus schreef: »Daarom heb ik u te Crela achtergelaten, opdat gij van stad tot stad priesters zoudt aanstellen.quot; 1 Tim. 1,5.—

140. Waren die gemeeyiten met elkander verbonden ?

Ja, zij maakten slechts eene groote gemeente uit, omdat zij onder één opperhoofd stonden en hetzelfde geloof beleden.

Wat is dan de Kerk op aarde door Jesus gesticht?

Alle gemeenten, alle geloovigen, te /.amen, die onder hun wettig Opperhoofd den Paus van Uome, de ware leer van Jesus belijden.

Wat de Kerk is, wordt ons door het volgende duidelijk:

Christus heeft het schip der Kerk gebouwd en haar den Paus en Bisschoppen als stuurlieden, de geloovigen als soldaten, de sacramenten als wapenen, de deugden als zeilen, het kruis als mast, en — als de wind, welke naar de goede haven voert, den H. Geest gegeven. Schooner nog wordt hot wezen der katholieke Kerk door Hohenauer beschreven. »God is de grondvester der Kerk, Gods Zoon is haar Verlosser, God de H. Geest haar heiligmaker, Maria hare Koningin, de engelen hare beschermers, de heiligen hare voorsprekers, de Patriarchen zijn haar stam, de profeten haar orakel, de Apostelen hare grondvesters, de Paus is haar hoofd, de kardinalen zijn hare raadgevers, de Bisschoppen hare herders, de priesters hare stem, de diakenen hare huishouders, de subdiakenen hare dienaars, de martelaren zijn hare getuigen, de leeraars haar licht, de belijders hare versterking, de religieuseorden hare ondersteuning, de heilige maagden haar

191

-ocr page 198-

HE GROOTE CATECHISMUS.

192

sieraad, de geloovigen hare kinderen. Het Doopsel is ham-weg, het Vormsel hare kracht, het hoog heilig Altaarsacrament haar voedsel, de Biecht eu het laatste H. Oliesel zijn hare geneesmiddelen, het Priesterschap is baar bestaan; het Huwelijk haar kweekschool. De tien geboden zijn hare muren, en haar eigen geboden hare wallen ; de Evangelische raden hare buitenwerken. Het aanbiddelijk lichaam des Heeren is haar schat, de onfeilbaarheid haar kenteekenen, het evangelie haar borgtocht, de eenheid haar middenpunt, de algemeenheid haar zegel, de Schriftuur haar bewijs, de overlevering haar steunpunt. De Conciliën zijn hare waardigheid, de waarheid is haar richtsnoer, zachtmoedigheid haar geest, ijver haar bron, het gebed haar beschermend schild, geduld is hare overwinning. Het geloot\' is haar onoverwinnelijk bolwerk, de hoop haar troost, de liefde haar doel, de genade haar rijkdom, de kuischheid haar bloesem, rechtvaardigheid hare pracht, voorzichtigheid hare oogen, moed hare armen, matigheid haar lichaam. De recht vaardigen zijn hare vrienden, de zonde is haar afschuw en haat, de zondaars zijn het voorwerp van haar medelijden, de dwaalgeloovigen hare bekommernis, de joden hare levende getuigen , en de bekeering van allen is haar eene voortdurende oorzaak van zuchten en smeeken tot God, de volharding harer ledematen in het goede tot het einde is haar verlangen en onafgebroken streven; de verheerlijking Gods is haar vorm. De H. Drievuldigheid is het voorwerp harer aanbidding, de geslachtofferde Godmensch haar offer, de ceremoniën zij11 haar sieraad en uitwendige pracht. De aarde is haar verbanningsoord, het kruis haar aandeel, de hemel haar vaderland. Ergernissen zijn hare smart, boetvaardigheid is haar troost, vergiffenis der zonden hare goedertierenheid. Jesus Christus is haar Bruidegom, Zijne tegenwoordigheid binnen hare gewijde muren haar roem, en het einde der wereld hare bekroning. Haar

-ocr page 199-

DE GROOÏE CATECHISMUS. 193

strijd is op aarde, haar lijden in het vagevuur, haar triomf in den hemel.

TWINTIGSTE LES.

OVER HET OPPERHOOFD DER KERK.

141. Wien heeft Christus (het onzichtbaar Op-perhoofd) tot zichtbaar Opperhoofd der Kerk aangesteld?

Christus heeft dei] H. Petrus als Zijn plaatsbe-kleeder, tot zichtbaar Opperhoofd der Kerk aangesteld.

De Apostelen (en hunne opvolgers) moesten hun ambt onder de opperleiding of liet opperbestuur van den H. Petrus vervullen, wijl Christus tot onderhouding der eenheid en eenigheid, den H. Petrus alléén tot zijn stedehouder op aarde en tot zichtbaar Opperhoofd der geheele Kerk aanstelde. Wij zeggen het zichtbaar Opperhoofd, want Christus is en blijft het onzichtbaar Opperhoofd der Kerk. Daar echter de Kerk als zichtbare gemeente of vereeniging bestaat, zoo moet zij ook naast den Onzichtbare, een zichtbaar Opperhoofd hebben. Het is hiermede gelegen als met alle wereldsche besturen. Ofschoon alle rijken der wereld door God op eene onzichtbare wijze bestuurd worden, kan geen rijk echter zonder zichtbare regeering bestaan. Vandaar dat het protestantisme bij gebrek aan een onfeilbaar zichlbaar Opperhoofd, die eenheid en eenigheid bewaart, op sterven ligt, ja, reeds overleden is. Zoo is het: op een schijj moet een stuurman, in huis een heer, in een leger een aanvoeder zijn, op wiens wenk zich alles beweegt; en dat schip, dat huis en dat leger is de Kerk, en die stuurman, heer en aanvoerder haar zichtbaar Opperhoofd, de Paus.

-ocr page 200-

DE UROOTE CATECHISMUS.

194

142. Verklaarde Jesus dat niet duidelijk, toen

Hij tot Petrus zeide: „ijz j

(rots, funda

n

ment), op u zal Ik Mijn Kerk houwen en de poorten der hel zullen niets tegen haar vermogen?

Ja, op Petrus alleen staat de Kerk als op eene rots gegrondvest; op hem steunt zij alleen, van hem gaat hare kracht en eenheid uit.

Kort voor Jesus\' liemelraart sprak Hij tot Zijne Apostelen in het algemeen: «Mij is alle macht gegeven in den hemel en op narde. Daarom jo.o.1. leert (leerambt) alle volken, en doopt hen (priesterambt) in den naam des Vaders, des Zoons, en des 11. Geestes, en leert hen onderhouden (herdersambt) alles, wat Ik u gezegd heb.quot; Matth. 28, 18-20.

a) Petrus heeft echter dat drievoudig ambt, die drievoudige volmacht in een hoogeren graad ontvangen dan de overige Apostelen. Daarom sprak Hij alleen tot Petrus: *Ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof\' (leerambt) niet be-zwijke. Gij dan, wanneer gij dan bekeerd zijt, versterkt uwe broederen.quot; (d. i. in geloof en leer.) Luc. 22,32. {Het leerambt.)

b. \'jgt;En u zal Ik de sleutels des hemels geven. Alles, wat gij op aarde hinden zult, zal ook in den hemel gebonden zijn, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ook o)dhonden zijn.quot; Matih, 10, 19. En hij, aan wieu de sleutels eener stad of van een rijk gegeven worden, ontvangt daarin de opperste macht. (Het priesterambt.)

c. » Weid mijne lammeren (geloovigen), iveid mijne schapen \' (bisschoppen en priesters.) (Het herdersambt). Joh. 21,15—17. Deze woorden sprak Jesus uitsluitend tot den H. Petrus.

Zoo verhief Jesus »Petrusquot; tot den eerste onder de geloovigen, ja zelfs onder de Apostelen. De H. Cyprianus schrijft over dien voorrang het volgende: Op dezen eene bouwt do Heer Zijne Kerk en beveelt hem. Zijne Kerk te

1 I

llli

-ocr page 201-

DE GROOTE CATECHISMUS.

besturen en Zijne schapen te weiden. En, ofschoon Hij alle Apostelen eene gelijke macht geeft met de woorden; 5 Gelijk Mij de Vader gezonden heeft, zoo zend Ik u,quot; enz., heeft Hij toch ter wille der eenheid alles zoo geordend, dat deze eenheid van één uitgaat. 13e overige Apostelen waren dat, wat Petrus was, maar het begin gaat van de eenheid uit, en de voorrang werd aan Petrus gegeven, opdat er ééne Kerk van Christus en één leerstoel zou zijn. En dat Petrus werkelijk als opperhoofd optreedt, na Jesus\' verrijzenis, leeren wij uit de volgende feiten.

1°. Op het Pinksterfeest treedt hij het eerst in het openbaar op, om volgens het woord van den H. Bphraïm, zoowel de geloovigen als de aan zijne hoede toevertrouwde Apostelen, als een waardig Opperhoofd te verdedigen. 2o. Ter wille van van Jesus\' naam wordt hij het eerst met Johannes gekerkerd, oo. Hij wrocht het eerste wonder en past de eerste straf op Ananias toe: Hand. 3, 5. 4o Hij opent het eerst den hemel voor den heidenschen hoofdman Cornelius. Hand. 10. 5o. »Als een veldheer reist hij rond,quot; zegt de H. Chrysostomus, »om alle gemeenten te bezoeken en in het geloof te versterken. Hand. 9, 32. Go. Paulas achtte het noodzakelijk naar Jerusalem te reizen, om hem te zien en zijn eerbied te betuigen, en bleef vijftien dagen bij hem. Gal. 1, 18. 7o. Hij besluit op de eerste Kerkvergadering te Jeruzalem over de verplichting van het al ofniet naleven der Joodsche wet. Hand. 15 Derhalve gedroeg hij zich feitelijk als Opperhoofd, maar ook erkende de Kerk hem als zoodanig, zooals uit het volgende blijkt.

De Apostelen en leerlingen noemen hem gewoonlijk alleen met verzwijging van hun eigen naam, bv. »Simon, met degenen, die bij hem waren.quot; Mare. 1, 1(5. »Petrus en de Apostelen,quot; 5, ^9. De Evangelisten plaatsen hem aan het hoofd, ofschoon ze in de orde der overige Apostelen van elkander afwijken, en zijn broeder Andreas vóór hem door Christus

195

11

I

■n li

-ocr page 202-

DE G1100TE CATECHISMUS.

geroepen werd. MattVi. 102. Diin, niet alleen de Apostelen en leerlingen, maar de gelieele Kerk lieeft van af de vroegste tijden Petrus als zichtbaar Opperhoofd erkend, zooals de Vaders ons leeren.

Origenes noemt Petrus, »den eerste der twaalf, den Vorst der Apostelen, de onwrikbare rots, waarop Christus de Kerk grondvestte.quot; De H. Cyprianns, van hem sprekende, zegt: »Durft hij, die den stoel van Petrus verlaat, waarop de Kerk gebouwd is, nog gelooven tot de Kerk van Christus te behoo-ren?quot; En de H. Ephraïin schrijft; »Petrus is de tong der leerlingen, de stem der predikers, het oog der Apostelen, de wachter des hemels, de eerstgeborene, de sleuteldrager.quot; Op dergelijke wijze spreken alle Kerkvaders, en besliste het algemeen Concilie van Nicea, waar het zegt: »Petrus is de spits, het hoofd der Apostelen. Zelfs de dwaalleeraren der eerste tijden van de Kerk erkenden Petrus\' Primaat of voorrang; zij erkenden hem als Opperste, wijl zij, bv. zooals Manes, hun oppergezag over hunne aanhangers, van Petrus afleidden.

143 Heeft Jesus gewild,dat de Kerk, naden doodvan Petrus, altijd een zichtbaar Opperhoofd zou hebben?

Zeker heeft Jesus dat gewild, want de Kerk moet tot aan het einde der wereld zoo voortduren, gelijk zij door Jesus is gesticht.

Dat ligt ook in den aard der zaak. Immers, als Christus\' Kerk moest voortbestaan, dan moest noodzakelijk ook de rots blijven bestaan, waarop zij gebouwd is, en het Opperherdersambt, hetwelk Jesus zelf instelde om haar te besturen. Ten tweede, was er een zichtbaar Opperhootd noodig, toen de Kerk nog klein en in wording was, en er geene of slechts weinige dwalingen bestonden, hoeveel te noodzakelijker dan later, toen de Kerk wereldkerk was geworden en dwaling en afval vermeerderden? Inderdaad, het Pausdom is sedert de

-ocr page 203-

DE OROOTE CATECHISMUS.

oprichting der Kerk het levea der waarheid en de dood dei-dwalingen en ketterijen, en daarom moet het blijven bestaan.

144, Wie is sedert den dood van Petrus het zichtbaar Opperhoofd der Kerk ?

De Bisschop van Rome of de Paus is het opperhoofd der Kerk, omdat hij de wettige opvolger van Petrus is, die te Rome zetelde en stierf.

a. Sedert Petrus\' dood, werden zijne rechtmatige opvolgers op den bisschoppelijken zetel van Rome dan ook als zichtbaar opperhoofd der Kerk en als Stadhouder van Christus op aarde erkend. Aan historische bewijzen voor die waarheid is geen gebrek. De H. Ignatius, de opvolger van Petrus als Bisschop van Antiochië, begroet in zijn brief, ad Roman., de Roomsche Kerk als de sluitsteen aller kerken over clen aardbodem verspreid en als overste van den baud der liefde, d. i. der christenheid. In de tweede eeuw zegt de H. Ireneus: »Alle bisschoppelijke kerken moeten zich tot de Roomsche Kerk wenden en elke kerk m-t deze overeenstemmen krachtens hare overwegende volmacht.quot; In de derde eenw schrijft de H. Cyprij nus over de eenheid der Kerk: »Op Petrus is de geheele Kerk, terwille der eenheid, gegrondvest; deze Apostel is de oorsprong en het middelpunt der geheele Kerk, en dezen voorrang heeft Hij op de Roomsche Kerk overgedragen, en vandaar is de bisschoppelijke stoel van Rome, de zetel van Petrus, de Kerk van Rome de eerste en voornaamste; met haren bisschop moeten alle bisschoppen in verbinding staan.quot; De Vaders, die over de stichting der Kerk spreken, spreken ook allen in dienzelfden geest.

b. Op de eerste algemeene Conciliën werd den Bisschop van Rome of zijn gevolmachiigde de voorzittersstoel toegestaan, en het Concilie van Nicea erkende plechtig (eau. 6) \'s Pausen kerkelijk oppergezag, welke verklaring het alge-

•197

-ocr page 204-

UE GROOTE CATECHISMUS.

meen Concilie vfin Florencen er niet de volgende woorden mider omschreef: »Wij beslissen, dat de heilige Apostolische Stoel, de Roomsche Pans, het geestelijk oppergezag over de geheele wereld bezit en dat hij de erfgenaam van den Stoel van den H. Petrus, de ware Stadhouder van Christus, het hoofd der geheele Kerk, de Vader en Leeraar aller christenen is, en dat hem in den persoon van den H. Petrus, door Christus de volkomen macht is geschonken, om de geheele Kerk te weiden, te regeeren en te besturen. Nimmer werd er dan ook eene algemeene Kerkvergadering of Concilie belegd, waarin de Paus of zijn gevolmachtigde niet den voorzittersstoel innam, en nooit verwierf eene kerkelijke beslissing algemeene geldigheid, indien ze niet door den Paus bevestigd was, en hij, die weigerde den Paus als het hoofd der Kerk te erkennen, werd ten allen tijde door de rechtgeloovigen als afvallig aangemerkt.

145. Hebben de andere Apostelen ook opvolgers ? Ja, de Bisschoppen, die op behoorlijke wijze als Bisschoppen gewijd zijn en met den Paus in gemeenschap staan.

Het zichtbaar Opperhoofd der Kerk, de Paus, moest volgens Gods verordening en krachtens de behoeften van den mensch niet alleen voortbestaan; maar ook het drievoudig ambt van priester, van leeraar en van herder, den Apostelen gemeen, moest van de Apostelen op hunne opvolgers, de bisschoppen overgaan en onafgebroken voortduren tot aan de voleinding der tijden; want bij de overdracht van dat drievoudig ambt sprak de Heiland: »Zte, Ik ben bij u tot aan de voleinding der tijdenquot; hetgeen natuurlijk niet alleen op de Apostelen kan slaan, daar zij niet tot het einde der wereld zouden leven. Vandaar hebben die woorden betrekking op de opvolgers der Apostelen, de Bisschoppen, die rechtmatig gewijd en met den Pans in gemeenschap staan, d. i. de Bis-

198

-ocr page 205-

DE GROOTE CATECHISMUS. 199

schoppen der Katholieke Kerk. Met recht zeiile tluiirom de H. Oypriiiuus; »Wii zijn de Apostelen opgevolgd met hetzelfde gezag.quot;

Die Bisschoppen moeten noodzakelijk met den Paus iu verbinding staan; al wijl hij, die gescheiden is van het hoofd, geen lidmaat der Iverk, veel minder een opvolger der Apostelen kan zijn; want, »waar Petrus (de Paus) is, daar is de Kerk,quot; zegt de H. Ambrosius; en h\' wijl den Apostelen en hunnen opvolgers geen macht of gezag is geschonken, tenzij in verbinding met hem, die door Christus met het hoogste en volle gezajf over de geheele Kerk werd toegerust. Volgens goddelijke verordening moeten de Bisschoppen dus de Kerk besturen, maar slechts met en onder toezicht van den Paus, en wel dat deel der Kerk, hetwelk hun door den Paus ter besturing wordt toevertrouwd, d. i. in het aangewezen Bisdom of Diocees. In ons vaderland hebben we vier zulke Bisdommen en één Aartsbisdom, n.1. het Bisdom Roermond, Breda, Haarlem, \'s-Hertogenbosch en het Aartsbisdom Utrecht. Ter verduidelijking: de Paus heeft als algemeen Opperherder ons vaderland in vijf deelen verdeeld en aan het hoofd van elk deel een Bisschop aangesteld, om met eu ouder hem dat deel der Kerk te besturen. Nu en dan vergaderen de Bisschoppen om over het algemeen hei! der Kerk, hun toevertrouwd, te beraadslagen en, gemeenschappelijk met den Paus, beslissingen te nemen, bepalingen en verordeningen vast te stellen, en wetten uit te vaardigen.

Dat deze leer niet nieuw, maar van Apostolischen oorsprong is, loert ons het feit, dat de Apostelen daadzakelijk mannen kozen en in hunne plaats als Opperherders en Bisschoppen wijdden, en hun de volmacht overdroegen om de Kerk te besturen. Zoo zien we den H. Paulus »Titusquot; tot Bisschop van Creta en Timotheus tot Bisschop van Ephese wijden en hun de noodige inlichtingen omtrent hun ambt geven. Aan Titus

-ocr page 206-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

schreef hij: sik beb u Creta achtergehiten, opdat gij, wat uog ontbreekt, zoudt aanvullen, en \\an stad tot stad »oudstenquot; zondt aanstellen, zooals ik u (mondeling) bevolen heb,quot; 1, 5.

■»Spreek en vermaan en wijs terecht met alle macht\'\'\' (zooals een Opperherder betaamt) enz., 2, 15. — In zijn tweeden brief aan Timotheas i, 6 ; 1, 2 schrijft hij hem: ^lk maak u indachtig, de genadegave Gods wederom aan te vuren, welke in u is, door de oplegging mijner hemden\'\'.... ^predik het woord, dring aan, tijdig, ontijdig; overtuig, vermaan, bestraf in alle lankmoedigheid en leering.\'quot; Te Milete vermaant hij meerderen te gelijk, die hij in Klein-Azië als Bisschoppen aangesteld en om zich verzameld had, enzeide; »Geeft acht op u zeiven en op de gansche kudden, waarover u de H. Geest tot Bisschoppen heeft aangesteld, om de Kerk Gods te besturen, die Hij met Zijn bloed heeft verworven.\'\'\'\'

Met die woorden verklaart de Apostel uitdrukkelijk, dat de Bisschoppen de macht bezitten om de Kerk Gods te besturen, en dat de macht, ofschoon van hem ontvangen, onmiddellijk van God komt, zooals de zijne. Wat nu de Apostelen deden, datzelfde zien ve, eeuwen door, de door hen aangestelde en gewijde Bisschoppen verrichten, d. i in hunne plaats Bisschoppen wijden en aanstellen in Christus\' naam, en dat wel tot op onze dagen. Daarom zegt een leerling der Apostelen, Clemens van Rome: »De Apostelen stelden Bisschoppen als hunne opvolgers aan en bepaalden voor de toekomst de rij dier opvolgers, opdat, als deze gestorven waren, andere beproefde mannen in hunne plaats bun kerkelijk ambt konden overnemen.quot; »Door de Apostelen zijn de Bisschoppen en hunne opvolgers in de Kerk aangesteld tot op onze dagen,quot; zegt Gregorius de Groote.

146. Wal zijn Pastoors en Priesters?

Zij zijn medehelpers der Bisschoppen, bestemd,

200

-ocr page 207-

nlï GROUTK CATECHISMUS.

om onder hun toezicht te leeren en de H. Sacramenten toe te dienen

Daar cle Bisschoppen iu de onmogelgklieid verkeercn per-soonliik in alle parochiën van linn Bisdom hun ambt uit te oefenen, worden ze daurin bijgestaan door de van hen gezonden priesters en zielzorgers. Daarom is een priester slechts gerechtigd, zielzorg uit te oefenen, wanneer hij van zijn recht-matigen Bisschop zending en volmacht ontvangt. Dus niet door keuze der geloovigen, maar van God, door bemiddeling des Bisschops, ontvangen du pastoors en de overige priesters hunne aanstelling als herders, hunne wijding en zending.

Gelijk nu de Bisschoppen den Paus, de priesters den Bisschoppen ondergeschiktheid en gehoorzaamheid verschuldigd zijn, zoo zijn alle geloovigen den priesters gehoorzaamheid en onderdanigheid verschuldigd. Daarom schreef de H. Paulus: »Christus heeft ieder lidmaat van hel lichaam (der Kerk) zdjne plaats, volgens Zijn welgevallen, aangewezen. . . . Hij zelf heeft eenigen tot Apostelen, eenigen tot profeten; eenigcn echter tot herders en leeraars aangesteld, tot volmaking der heiligen (christenen), tot uitoefening van den dienst. Zijn nu allen Apostelen, allen profeten, allen leeraars?quot; 1 Cor. 12, 18, 29. Eph. 4, 11—12. De vergelijking, welke de H. Clemens hierop maakt, is treffend, als hij zegt: De Kerk gelijkt een krijgsleger, waarin de gewone soldaten den officieren, de officieren den oversten en deze den leger-commandant ondergeschikt zijn;« eene ondoordringbare linie, waartegen alle vijandelijke aanvallen afstuiten. Daardoor wordt eenheid, orde, en lucht in de geheele Kerk in eere en achting gehouden. Men kan de Hierachie bij een hais vergelijken, dat op zijne fundamenten rust en daardoor gedragen wordt, en waarbij de hoeksteen en alle andere onderdeden dienst doen, om één geheel te vormen. — Welnu, Christus zelf, waarde lezer ! heeft Zijne Kerk zoo wonderschoon gebouwd. Tot fundament van dat

201

-ocr page 208-

DE GROOTE CATECHISMUS.

heerlijk en lufijestueus gebouw nam Hij den H. Petrus en diens opvolgers als lioeksteenen en stutten, stelde Hij de Inssclioppen en priesters aan, terwijl ieder geloovige een steen van dat Godsgebouw uitmaakt.

Koester daarom steeds een diepen eerbied voor den beili-ligen Vader, den Paus, en de met hem in bet geloot\' ver-eenigde bisschoppen en priesters; want zij zijn in Gods plaats uwe geestelijke oversten, leeren u in Zijn naam de waarheid, dienen u Zijne genademiddelen toe en zij a uwe leidsmannen op den weg naar het hemelsch vaderland. Veracht nooit de geestelijkheid en sluit u nooit bij hen aan, die zich met woorden of daden tegen hun persoon of hunne verordeningen verzetten, want God wreekt Zijne gezalfden. Wee, driewerf wee! zulke ondankbare kinderen der Kerk! »Zij bewandelen den weg van Cam, en gaan te gronde in het oproer van Core. Het zijn dwaalsterren wien het donkere der eeuwige duisternis is voorbehouden.« Jud. 11, 13.

■202

m

I 1

; 11

II

EEN-EN-TWINTIG STE LES OVER DE ONFEILBAARHEID DER KERK.

147. Hoe weten wij met zekerheid,hetgeen Christus geleerd heeft ?

Dit weten wij, door de leerende Kerk, door de opvolgers der Apostelen, den Paus en de .net hem vereenigde bisschoppen

Door het onfeilbaar leerambt der Kerk werd en wordt tot op heden de goddelijke leer der Kerk rein, zuiver en onver-valscht bewaard en daarom noemt men haar ook de leerende Kerk, integenstelling der geloovigen, die men de hoorende Kerk noemt.

448. Waarom kunnen we zeker zijn, dat delee-

H 1

lil

-ocr page 209-

DE GROOTE CATECHISMUS.

rende Kerk ons de ware leer van Jems verkondigt ?

Omdat ze door den bijstand des TL Geestes in gelools- en zedeleer niet kan dwalen, en daarom noemen we haar onfeilbaar.

Christus Jesus heeft Zijne Bruid eene drievoudige verzekering in anke harer onfeilbaarheid gegeven : lo. Dat, »Hij hij haar (ook het leerambt) zoo blijven alle dagen tot aan de voleinding der tijden,quot; Matth. 28, 20. 2o. Dat »de geest der waarheid bij haar zou blijven in eeuwigheid.quot; Joh.14:16—17 en 3o. dat »de Kerk door de macht der hel nooit zou worden overweldigd.quot; Matth. 16, 18. En de Kerk zou inderdaad door den geest der leugen, dat is, door de hel, overwonnen worden, wanneer ze ooit ook maar eeue enkele dwaling leerde, liechtens noemde de H. Paulus haar dus: »de zuil en grondslag der waarheid.quot; Een zekere schrijver (iuillais verklaart ons de onfeilbaarheid op de volgende beknopte en duidelijke wijze.

»De Kerk kan zich zelve noch anderen bedriegen, wanneer er sprake is over geloofs- en zedeleer en wel om de volgende redenen:

1°. Christus, de waarheid zelf, sprak: »Ik ben bij u alle dagen tot aan de voleinding der tijden. Hoe dan, daar Jesus de waarheid zeil altijd bij haar is, zou zij dwaling kunnen prediken?

2°. Jesus zeide : »JJe poorten der hel zullen niets tegen u vermogen •quot; wanneer de Kerk zich zelve of een ander dus kon bedriegen, zou dit een bewijs voor den duivel tegen Jesus Godspraak zijn. Met de poorten der hel wordt immers niets anders bedoeld dan de macht des duivels en alles, wat de geest der duisternis aan macht en boosheid bezit, om de Kerk te vernietigen, b.v. vervolgingen, dwalingen, zedelijke ergernissen, godsdienstlooze vereenigingen, enz.

3°. De H. Paulus noemt de Kerk, ygt;de zuil en het /unda-

203

-ocr page 210-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ment der waarheidmaar is dat woord Lreen leugen, wanneer maar zelfs de mogelijkheid voor haar bestaat om te dwalen in geloofs- en zedenleer ? Zeker, dan zou die zuil, dat fundament niets anders dan puin zijn en de eene blinde den anderen leiden, zooals we dat bij ouze christelijke medebroeders aanschouwen.

4°. Zou Christus een wijs bouwmeester geacht kunnen worden, wanneer Hij zijn gebouw had blootgesteld aan iederen wind der dwaling? Zeker niet, maar veeleer paste op Hem dan de naam van den onverstandige en zinnelooze, die op zand en niet op hechte fundamenten zijn huis optrekt. En Dtoen viel er plasregen, er kimmen watervloeden, de winden staken op en beukten het huis en het stortte in, en zijn val was groot iquot; het lot van alle sekten buiten de ware Kerk van Christus. Matth. 7, 26.

5°. Was er tot het voortbestaan der christelijke gemeente, der Kerk. een besturend gezag noodig, dan ook moet dat gezag onfeilbaar zijn, krachtens hetwelk zij alleen in staat is om op alle aanvragen en twijfelingen van welken aard ook, 0)3 geestelijk gebied, beslist te kunnen antwoorden. Bezat zij de onfeilbaarheid niet, dan zou hare leer zijn blootgesteld aan het gevaar van vervalsching of geheele wegcijfering eu elk oogenblik gevaar looped, dat de fakkel des geloofs werd uit-gebluscht en duisternis en leugen de plaats van licht en waarheid innamen. Zoo waarborgt ons Gods wijsheid de onfeïl-baarheid van het door Hem ingestelde leerambt om het ware christendom staande te houden en Zijne leer zuiveren onver-valscht van geslacht tot geslacht over te leveren.\'

Ja, men zou haast kunnen zesgen: God heeft Zijne Kerk zoo wonderbaar opgetrokken, dat de natuurlijke inrichting bijna in staat is om elke dwaling, zoo niet te beletten, dan toch schadeloos te maken; zoo scherp en streng is de wederkeerige waakzaamheid in de Kerk over de overgeleverde leer en open-

204

-ocr page 211-

DE GROOTE CATECHISMUS.

baring. Het woord des leeraars van pastoors en kapelaans staat immers onder toezicht van hen, die onder hem, naast hem en hoven hem staan, d.i. de gemeente, zijne medezielzorgers, en de bisschoppen. Predikt hij tegen de aloude katholieke, overgeleverde leer, — want dit is mogelijk daar hij noch persoonlijk noch ambsthalve onfeilbaar is — terstoud zullen zijne gemeentenaren, zijne medezielzorgers en voornamelijk zijn bisschop zich daartegen verzetten, die hem, bij niet-herroeping, uitstoot en hem de zielezorg ontneemt. Datzelfde kan gezegd worden van een bisschop, die zich in de verkondiging der ware leer mocht te buitengaan. En zoo wordt de oude geloofsleer, die in de Kerk voortleeft, tot op onze dagen ook op eene natuurlijke wijze eenigermate tegen ver-valsching en afbraak gevrijwaard, waardoor de wijsheid des stichters nog schooner en duidelijker uitkomt.

149. Was het noodig dat Christus die gave van onfeilbaarheid aan zijne Kerk verleende ?

Ja, Christus heeft gezegd: »Die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden,quot; Mare. i/£ 16, en zonder eene onfeilbare Kerk kunnen wij niet weten, met zekerheid, wat wij moeten gelooven.

Zoo is het! De katholieke Kerk heeft zich dan ook alleen gedurende den loop der eeuwen getoond als de draagster, de bewaarster en verkondigster der waarheid, als de vraagbaak in geloofszaken. Achttienhonderd jaren leveren het bewijs, dat er buiten haar geen waarheid, geen blijvende en alle volkeren en eeuwen overlevende waarheid bestaat, dan bij haar. Alle christelijke, van haar afgescheiden sekten, bezitten geen bepaalde, uitgedrukt een vaststaande waarheid, integendeel, alle positieve geloof is bij hen aan de willekeur van het men-schelijk zeer feilbaar verstand overgegeven. De Kerk alleen hield steeds de waarheid onwrikbaar vast en omhoog gehe-gr. gat. 14

205

-ocr page 212-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ven, en was en is daarom nog de vraagbaak om waarlieid te vinden door hare onfeilbaarheid.

150. Is het Opperhoofd der Kerk, de Paus, ook onfeilbaar ?

Ja, wanneer hij, door den bijstand des H. Gees-tes, de gansche Keik onderwijst in geloofs- en zedenleer.

Staat de P)i/us dan niet onder toezicht, in de verkondiging van geloofs- en zedenleer? Wel zeker, maar hoe? Naast zich heeft hij niemand, want de Kerk heeft maar één hoofd. Do H. Cyprianus zeide reeds: »De Kerk, die één is, is door het woord des Heeren op één. die de sleutels des hemels ontving, gegrondvest.quot;

Boven hem staat Hij alleen, van wien hij zijne macht en waardigheid ontving, mens zichtbare plaatsbekleeder hij is, de eenige Heer en Meester.quot; Matth. 23, 8; die uit den zwakken Simon, de niet te verbrijzelen rots, de herder Zijner schapen en lammeren, gemaakt heeft, die voor Petras bad, opdat zijn geloof niet bezwijken mocht en hij zijne broeders in het geloof versterken zoude. De Bisschoppen, die heneden hem staan, zijn slechts zijne medehelpers en medebroeders, om den echten en waren zin en inhoud van de overgeleverde leer nader te omschrijven, te verklaren en te bewaren. Niemand toch heeft tot op dit uur beweerd, dat. de Paus de eenige leeraar der Kerk, maar wel de opperste leeraar is, hetgeen duidelijk blijkt uit de Conciliën, waarin de Paus het gezamenlijk Episcopaat nu en dan doet vergaderen, om, bijgestaan door hun raad en hunne hulp, de dwalingen te veroordeelen, en de ware oude leer met de meest mogelijke klaarheid te bepalen en te omschrijven, i;oo;i,ls v.\'ö vroeger reeds in \'t kort aantoonden. Daarmede is echter niet gezegd, dat de Pans volstrekt die voorlichting

206

-ocr page 213-

DE GnOOTE CATECIIISMÜS.

noodig heeft om als opperste leeraar der gelieele Kerk tegen dwaling gevrijwaard te zijn; want ware dit liet geval dan zou het vaste, onbeweeglijke, onfeilbare punt van het leeraarsambt niet in het zichtbare fundament der Kerk, maar in de onbegrijpelijke meerderheid der Bisschoppen opgesloten liggen. xDe eerste stoel wordt door niemand geoordeeld,quot; zegt een overoud beginsel. Vandaar ook, dat het Vaticaansch Concilie, den 18 Juli 1870, de aloude leer plechtig tot dogma of geloofswaarheid verhief: De Paus is onfeilbaar als hij (ex cathedra) de gansche Kerk in geloofs- en zedenleer onderwijst. De Kerk van Christus kan dus nooit in dwaling vervallen, staande op de onwrikbare rots, ons in Petrus en zijne opvolgers geschonken, tegen wie de poorten der hel, de machten der aarde, de dwaling en het ongeloof niets vermogen. De rots staat vi-st en deelt hare vastheid mede aan het geheele gebouw der Kerk. De onfeilbare geest der waarheid, die uit en door Petrus, den Paus, spreekt, deelt zich aan Bisschoppen, Priesters, ja aan de minst ontwikkelde geloovigen mede, die vasthouden aan de oude overgeleverde leer. Het leven der Kerk, de waarheid, vindt dus zonder twijfel zijn middelpunt in haar zichtbaar hoofd en verspreidt zich van daaruit door alle deelen, die dus leven door het leven des middelpunts.

De Paus bezit dan als opperste leeraar, de gave der onfeilbaarheid in de leer van geloof en zeden, maar daarmede is niet gezegd, dat hij als prmu t persoon, persoonlijk onfeilbaar zeker, de voorschriften des geloofs zal naleven, daarin kan hij dwalen. Bij hem hangt, zooals bij ieder mensch, de vooruitgang in de deugd en de volharding in het goede af, van het meer of minder waken, bidden en strijden. Wie nu beter waakt, bidt en strijdt dan de Paus, diens ziel zal ook meer genade geschonken worden. De mogelijkheid van in zonde te vallen bestaat dus oik voor den Paus, en zoo dit mocht gescliieden, zal zijne straf ook zwaar-

207

-ocr page 214-

DE GROOTE CATECHISMUS.

der zijn dan voor anderen, omdat hij meer genade ontvangt^ maar God heeft nooit toegelaten en zal ook nooit toelaten, dat hij het geloof der Kerk door dwaalleer schaadt of vervalscht.

151. Wat moeten wij doen als er in geloofszaken twijfel ontstaat?

Wij moeten ons aan de uitspraak der Kerk onderwerpen.

Daarom zegt de H. Paulus: » Christus zelf heeft ons leeraars en herders gegeven, opdat wij niet meer kinderen zijn, door de golven geslingerd en rondgevoerd ivorden met lederen wind der leenng, door de bedriegerij der menschen, door sluwheid tot de kunstenarij der misleiding.quot; Eph. 4, 11, 14. Deze beslissingen nu, waaraan we ons te houden en te onderwerpen hebben, geeft het kerkelijke leerambt, of aj door den Paus, als hij als Opperhoofd en opperste leeraar der geheele Kerk (ex cathedra) beslist; of hj door een van den Paus voorgezeten en ^ijeengeroepen Concilie (Kerkvergadering), dat steeds volgens den inhoud der H. Schrift en der overlevering, beslist, met den Apostel zeggende: »Wanneer iemand u een ander Evangelie verkondigt, dan gij ontvangen hebt, die zij verdoemd.quot; Gal. 1, 9. Hieruit, volgt dat de Kerk niets nieuws leert, wanneer zij over ontstane geloofstwisten of twijfelingen beslist, maar dat zij slechts het haar toevertrouwde woord Gods, vervat in de H. Schrift en de overlevering, verklaart en de daar tegengekante dwalingen en nieuwigheden verwerpt.

152. Gelooven wij dus aan God of aan de menschen, als wij ons aan de uitspraak der Kerk onderwerpen?

Dan gelooven wij aan God, omdat de H. Geest,

208

-ocr page 215-

DE GROOTE CATECHISMUS.

door de loerende Kerk, tot ons spreekt en ons de waarheid leert.

TWEE EN TWINTIGSTE LES.

OVER DE KENTEEKENEN DER ÉÉNE WARE KERK.

] 53. Hoeveel Kerken heeft Jesus gesticht ?

Christus heeft maar ééne Kerk gesticht.

Die ééne ware, door Jesus gestichte Kerk is de Roomsch-katholieke, omdat zi] alleen de vier kenteekenen bezit, der ware Kerk eigen; want zij is lo Één, 2o heilig, 3o katholiek, 4o Apostoliek, hetgeen wij afzonderlijk zullen bewijzen. Conc. van Nicea.

154. Waarom kent gij de eenheid toe aan de katholieke Kerk ?

Omdat zij immer en overal had aj dezelfde leer en hetzelfde geloof (leerambt); bj hetzelfde offer en dezelfde sacramenten (priesterambt) c) hetzelfde eenige Opperhoofd (herdersambt).

1 o. De Kerk is één in geloof en leev, daar zij ten allen tijde en overal dezelfde leer en hetzelfde geloof verkondigde. Nooit gaf de Kerk een vastgesteld en geleerd geloofsartikel op; nooit heeft ze iets te gelooven voorgesteld of het vond zijn grond in de H. Schrift en de overlevering. Het valt niet te ontkennen, dat de Kerk in den loop der tijden geloofsartikelen vaststelde, d.i. zij ontwikkelde duidelijk en plaatste eenige geloofswaarheden, welke immer en altijd bestonden, in een helderder daglicht, omschreef ze nader en bepaald, maar eene nieuwe geloofswaarheid, die niet in haar bestond en gegrondvest was, beeft ze nooit verkondigd, (Leerambt).

2o. De Kerk is één, omdat al hare ledematen aan een en het-

109

-ocr page 216-

DE CltOOTE CATECHISMUS.

zelfde offer en de Sacramenten deelnemen. Priester en lee-ken, allen staan om hetzelfde altaar en putten uit de zevenvoudige bron der genade (Priesterambt.)

3o. De Kerk is één, omdat al de geloovigen met hunne priesters met hunne bisschoppen met den Paus — één zijn. (Herderambt): Terecht zegt derhalve de H. Paulus: »Wij allen, die van hetzelfde brood gemeten, vormen slechts één lichaam.1\'\' 1 Kor. 10. 17. Vele zijn hare takken, maar één is de stam, geworteld in ééne onwrikbare rots. Bén is de bron en vela de beken, die vfin haar uitgaan en tot haar terug-vlo3ien.

De godsdienstige sekten buiten de Kerk missen dit kentee-ken der waarheid en zijn niet één, wijl zij geen gemeenschappelijk opperhoofd bezitten, zonder priesters en offer zijn en ieder aanhanger het recht toekennen, de H. Schrift naar eigen goeddunken uit te leggen en te gelooven, wat men wil. Zij zijn het, »die door eiken wind der leer heen en weer worden geslingerd.quot; Eph. 4, 14.

155. Waarom noemt gij de katholieke Kerk ^heilig?quot;

Wijl a haar Stichter, Christus heilig is, b wijl zij alle middelen tot heiliging van den mensch bezit: geloof en leer, offer en sacramenten, enz., c wijl haar doel, de heiliging harer kinderen is, dat ze werkelijk ook bereikt. — getuigen de duizenden en nogmaals duizenden, die door haar ^heiligenquot; zijn geworden.

De leer des Heeren moet heilig zijn en de wet des Ileeren is vlekkeloos; zij leert ootmoed, matigheid, wijsheid, rechtvaardigheid, kuischheid, liefde on alle deugden. De leer van de gemeenschap der heiligen, van bet gebed, vau de vergiffenis der zonde, van de sacramenten is zeker wel heilig; en

210

-ocr page 217-

DE GROOTE CATECHISMUS.

de middelen, v/elke zij ons biedt, zooals de H. Mis, de predikatiën, de bijzondere godsdienstoefeningen en feesten zijn zonder twijfel wel geëigend om den mensch te heiligen; en werkelijk beeft zij den hemel met heiligen gevuld, hetgeen God door wonderwerken beeft bevestigd. Eene Kerk, waarin men dan ook geen vruchten van heiligheid bespeurt, gelijkt een onvruchtbaren akker, die geen vruchten geeft, zij kan de Kerk van Christus niet zijn, zooals de sekten-kerken.

Maar, werpt men mij tegen, hoe zijn dan de zonden, de misbruiken, de ergernissen en bet kwaad, dat men in de Kerk ziet, met die heiligheid te rijmen? —• Christus zelf vergelijkt het hemelrijk met een akker, waarop niet slechts de tarwe, maar ook het onkruid groeit, met een net, waarmede men goede en slechte visschen vangt.quot; Matth. 13. Alle ledematen der Kerk kunnen, maar allen zullen dus niet heilig leven en sterven, doch dat is niet de schuld der Kerk, die alles voor allen is: zij wil en kweekt alleen het goede, hare vijanden willen en doen alleen het kwade. De H. Chrysostomus zegt daarom: »De Kerk is voortreffelijker dan de Arke van Noë. Door de Arke werden alleen dieren opgenomen en behouden, en de Kerk neemt dieren op en verandert hen. Zij treden binnen als gieren en gaan uit als duiven; ze komen binnen als wolven en vertrekken als lammeren; hunne natuur wordt wel is waar, niet veranderd, zij blijven menschen, maar hunne boosheid is gebannen.quot; Daarom vergelijkt hij de Kerk met eene geestelijke apotheek, waartoe een ieder vrijen toegang heeft om geneesmiddelen voor zijne zielewonden te halen; wij zijn verlost zonder ons toedoen, maar zonder medewerking met de aangeboden genade zullen we niet zalig worden.

Het merkteeken »heiligquot;, waaraan men de ware Kerk erkent, missen weder alle niet-katbolieke sekten, al wijl hunne

211

-ocr page 218-

DE GROOTE CATECHISMUS.

stichters geen heiligen waren; bj wijl zij vele geloofsartikelen en de meeste sacramenten hebben verworpen, en daarentegen tegen de heiligheid gekante beginselen opstelden; c] wijl zij geen enkelen, door wonderen bevestigden heilige, uit hun midden kunnen aanwijzen. Mannen als Luther, Calvijn, enz., afvallige priesters, die de heiligste beloften met voeten traden en hunne dwaalleer door staal en vuur, door moord en doodslag een weg baanden, zullen nooit onder de heiligen gerangschikt worden; bun leven en daden veroordeelen hen.

156. Waarom noemt men de ware Kerk ^katholiekquot; of ^algemeenquot; ?

Omdat zij a) van af Christus tot op onzen tijd bestaat met hetzelfde leer-, priester- en herdersambt ; wijl zij bj over de geheele wereld verspreid is zonder hare eenheid te breken, en c) wijl zij zich voortdurend uitbreidt volgens Christus\' bevel: »Graat en onderwijst alle volken\'^.

Niet alleen Judea en Samarië moesten dus voordeel trekken uit de prediking der Apostelen, maar hunne stem moest weerklinken tot aan de uiterste grenzen der aarde; alle volkeren moesten deelen in de rijke erfenis door Jesus ons geschonken. Die algemeenheid werd reeds door den profeet voorzegd, met de woorden: » Van den opgang der zon tot aan haren ondergang zal Mijn naam groot worden onder de volkeren en op alle plaatsen zal Mijn naam geofferd en een zuiver offer worden opgedracjen.1\' — Inderdaad, de Kerk kent geene grenzen, zij omvat alle menschen, geslachten en natiën, en draagt het helle licht des geloofs van af den eersten Pinksterdag onvermoeid tot op onze dagen over de geheele wereld, om allen voor Christus en de zaligheid te winnen. Getuigen zijn de missionarissen en de Broederschappen, b.v. der H. Kindsheid, opgericht ter verspreiding van \'t ware geloof, enz.

212

-ocr page 219-

DE GROOTE CATECHISMUS.

De sekten, die zicli ook christenen noemen, zijn echter geen katholieke christenen; d.i. zij missen de ^algemeenheidquot; omdat ze in lateren tijd ontstonden, en nauwelijks bestonden zij, of ze losten zich in eene menigte andere sekten op, waarvan weer geen enkele algemeen verspreid is. Eenige dezer zijn vóór driehonderd, andere vóór tweehonderd en sommige nog kort geleden ontstaan; en de meeste zijn met hunne stichters begraven. Wat niet uit God is, mist elk fundament. Dat ze algemeen zijn in haat tegen de Kerk, gelooft iedereen, die ze kent en ziet werken. Overigens bezitten de stichters niet de minste algemeenheid in de gewichtigste en meest bepaalde geloofswaarheden, en — hoe dan hunne aanhangers ? De Lutheranen nemen maar één persoon iu Christus aan; Calvijn en Beza twee, Calvijn noemt God, de oorzaak der zonden, hetgeen de Lutheranen als eene afschuwelijke godslastering en dwaling verwerpen. Luther predikt de alomtegenwoordigheid van Christus als mensch, hetgeen (\'al-vijn en Zwingli loochenen. Calvijn vindt in de H. Schrift drie sacramenten : Doopsel, Avondmaal en Boetvaardigheid; Zwingli maar twee, hij verwerpt het sacrament van Boetvaardigheid, enz. enz. Kan hier sprake zijn vau algemeenheid in leer, sacramenten en heilige bediening ?

157. Waarom noemt men de katholieke Kerk vApostoliek ?quot;

Omdat alles in haar tot de Apostelen opklimt en van hen afdaalt; a) haar leer en haar geloof (leerambt) b) haar offer en sacramenten (priesterambt); want leer en offer steunen op de overlevering dei-Apostelen, c) hare herders en leeraars(herdersambt), de Pausen zijn de opvolgers van den H. Petrus, de bisschoppen van de Apostelen.

Vandaar schreef de H. Paulus reeds: »Gij zijt gebouwd op

r

213

ilf

ip#» i : ! quot;fipi

■■r I

i-

i

!;;i Ji

-ocr page 220-

DE GROOTE CATECHISMUS.

het fundament der Apostelen en Profeten, terwijl Jesus Christus zelf de hoeksteen is.quot; Epli. 2, 20. Blijft in de Kerk, die door de Apostelen gegrondvest is en tot op onze dagen voort-bestaut,\'\' zegt de H. Hieronymus. De priesters ontvangen in de katholieke Kerk liuuue macht en zending van de bisschoppen, die hen wijden, de bisschoppen door den Paus en door de Consecratie (wijding) vaneen anderen bisschop. Thans regeert Paus Leo XIII; men kent al zijne voorgangers; men noemt hunne namen en den duur hunner regeering tot aan Petrus, en men weet, dat de tegenwoordige Paus de 260° is. Zooals van den Paus kunnen we ook van vele andere bisschoppen tot een der Apostelen opklimmen en afdalen tot diens tegenwoordigen opvolger.

Ook dit merkteeken der ware Kerk is bij onze christelijke maar anders deukende medebroeders niet te vinden; want eerst lang na de Apostelen en wel door losscheuring van de Moederkerk, zijn de sekten ontstaan en hunne steeds zwenkende en veranderlijke leer kan onmogelijk apostolisch zijn. De stichters dier sekten zijn dus volstrekt geen opvolgers der Apostelen en daarom ook geen leeraars of herders, door Christus gezonien, maar aanmatigende en trotsche volksleiders der latere tijden. Een katholiek, die alleen onder eene uitsluitend protestantsche bevolking woonde, werd eens gevraagd: »als ge hier sterft, wordt ge op het kerkhof der protestanten begraven; baart u dat geen zwarigheid?quot; »Niet in het minste,quot; was het antwoord, »graaf zijn graf slechts een voet dieper en ge stoot op louter katholieken.quot;

Katholieken, begrijpt uw geluk, ledematen der ware Kerk te zijn en toont uwe dankbaarheid door het werk der Missiën te steunen, door stoffelijke bijdragen en door gebeden. Maakt u zehen Apostelen, opdat overal het licht des geloofs de duisternis der dwalingen wegneme en werkt mede om Jesus\'

2U

-ocr page 221-

DE GROOTE CATECHISMUS.

woorden meer en meer de vervulling te doen zien; »Eeii Herder, één sctaapstal.

OVER DE ALLEENZALIGMAKENDE KERK.

158. Moet men dan tot die ééne ware Kerk behoo-ren, om zalig te worden ?

Ja, buiten haar is er geen zaligheid.

Wanneer de Katholieke Kerk de zending heeft om alle nienschen de zaligheid deelachtig te maken, eu zij tot dat einde van Christus genademiddelen, leer en gezag ontving, zooals we vroeger reeds verklaarden, dan ook is een ieder, op gevaar van de zaligheid te missen, verplicht om lid der katholieke Kerk te worden, haar leer te gelooven, hare genademiddelen te ontvangen en zich aan haar gezag te onderwerpen. Jesns zelf leert ons die verplichting nakomen, zeggende: gt; Wanneer iemand de Kerk niet hoort, die zij u als een heiden en openbare zondaar.\'quot; Matth. 18, 17. En »u)le niet gelooft, (de Apostelen en rechtmatige opvolgers) die zal verdoemd worden.quot; Mare. 16, 16.

Schoon zegt de H. Angustinns: »Wanneer iemand zich bniten de Kerk bevindt, dan behoort hij niet tot haar getal, niet tot den Zoon. En hi] zal God niet tot Vader hebben, die de Kerk niet tot Moeder hebben wil.quot; Dezelfde Kerkvader somt ook de redenen op, waarom er buiten de katholieke Kerk geen heil te hopen is eu zegt: sgt;lo de Kerk alleen bezit en draagt het offer onzer verlossing op; 2o slechts zij, die in s Heeren wijngaard arbeiden, ontvangen loon; 8o alles en allen, die zich buiten Noe\'s Arke bevonden, zijn te gronde gegaan; 4o een van het lictiaam losgescheurd lidmaat is levenloos; 5o een afgesneden tak groeit niet, blo -it niet on draaf t

215

-ocr page 222-

DE GROOTE CATECHISMUS.

geen vruchten; 60 eene van de bron afgeleide beek moet opdrogen. —

Bovendien, eene Kerk, die zich niet voor de alleenzaligmakende houdt, spreekt haar eigen veroordeeling uit. Dat begrepen Luther, Galvijn, enz. ook zeer goed en daarom noemden zij hunne, naar eigen goeddunken opgerichte kerken, theoretisch en praktisch »alleenzaligmakendequot;. Men denke slechts aan de ter doodbrenging van Servet, op last van Calvijn, en aan de verschrikkelijke vervolging en strijd der verschillende partijen onderling en de daden van geweld en wetsverkrachting, waaraan zich de kopstukken der reformatie tegen andersdenkenden schuldig maakten! Ook in de verschillende geloofsbelijdenissen der reformatoren, wordt bet beginsel der alleen-zaligmakende Kerk duidelijk uitgesproken. Zoo b. v. zegt de Helv. Belijd. D. 1. H. 17: »De gemeenschap met de ware Kerk achten wij zoo hoog, dat wij leeren, dat zij voor God niet kunnen leven, die met de ware Kerk niet in gemeenschap staan, maar zich van baar scheiden.quot; (Zij bedoelt de protestantsche kerk.)

Zeer duidelijk hebben de protestanten dat zelf verklaard door hunne afscheiding van de katholieke Kerk. Wanneer men immers in elke Kerk zalig kan worden, waartoe diende dan de betreurenswaardige afval in de zestiende eeuw ? Dat eenige misbruiken, de scheiding en losscheuring van de katholieke Kerk niet rechtvaardigen is duidelijk voor eeu ieder. En waartoe dan de volharding in de scheuring en den afval en de onophoudelijke bestrijding der katholieke Kerk, met alle denkbare wapenen, wanneer het onverschillig is voor de zaligheid, in welk geloof men leeft en sterft? Het valsche beginsel van Da Costa: »Wat ook verschil van dienen zij, wij dienen éenen God,quot; hebben niet de oud-protestanten, maar de nieuwerwetsche of modernen uitgedacht, die niets meer gelooven.

216

-ocr page 223-

DE GROOTK CATECHISMUS.

»Maar strijd liet beginsel der alleen-zaligmakende Kerk niet tegen de christelijke verdraagzaamheid?quot; hoor ik vragen.

Op deze vraag antwoordt een katholiek geleerde: »Men mag niet vergeten, dat dit de onverdraagzaamheid der waarheid is; en de waarheid is altijd onverdraagzaam tegenover leugen en dwaling, en zij kan haar macht en eigenschap aan de dwaling niet afstaan, zonder hare werkelijkheid en haar wezen zelf op te geven; hare onverdraagzaamheid is die van God en den Verlosser, die geen goden naast zich dulden. Deze onverdraagzaamheid tegen de dwaling beschouwt de Kerk als een erfdeel der Apostelen, die haar door hun voorbeeld leerden om zeer streng onverdraagzaam te zijn tegen alle dwaling, en de dwaalleeraars zeiven terstond uit hun midden te bannen. 1 Tim. 1, 20. II Tim. 2, 18. Tit. 3, 10.

Ofschoon de Kerk alleronverdraagzaamst is tegen de dwaling en haar onverbiddelijk, krachtens hare zending, moet veroordeelen, is zij, van den anderen kant, zeer verdraagzaam tegen de dwalenden zeiven; zij bidt zelfs voor hen, beschouwt ze als broeders en zusters, en leert hare kinderen, geen andersdenkenden te verachten, maar door gebeden en voorbeeld voor hunne bekeering te ijveren.

Daar nu allen, op gevaar af van hunne eeuwige zaligheid te verliezen, verplicht zijn, ledematen der katholieke en alleen-zaligmakende Kerk te zijn, en wanneer men het niet is, te worden, zoo is de vraag zeer gewichtig:

159. Wie is lidmaat der katholieke Kerk? Lidmaat der katholieke Kerk is ieder die door het doopsel tot ledemaat der Kerk is aangenomen.

Hieruit volgt, dat een protestantsch kind, goed gedoopt zijnde, tot de katholieke Kerk behoort. De gedoopten worden daarom ook christenen genoemd.

460. Wie behoor en dan niet tot de Kerk ?

217

-ocr page 224-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Die niet door het doopsel tot ledematen dei-kerk zijn aangenomen, zooals de heidenen, joden, mahomedanen.

Evenwel beliooren tot de Kerk nis zijutle gedoopt: 1° De dwaalgeloovigen (ketters) d. z. die christenen, welke hardnekkig in hunne dwaling volharden, b.v. de Arianen, enz.

De afvalligen schismatieken of scheurmakers, d. z die christenen, welke de ware leer aankleven maar.den Paus niet als Opperhoofd erkennen, b.v. de niet-vereenigde Grieken, enz.

3° Degeëxommuniceerden. d.z.diemenschen, welke deKerk uit hare gemeenschap heeft gestooten,totdat ze zich beteren, zoo als de apostaten renegaten enz.

161 Zijn zij allen ketters, die de leer der Kerk niet aannemen?

Neen, maar zij alleen, die met hunne schuld halstarrig de leer der Kerk verwerpen.

Bij de dwaalgeloovigen moeten we onderscheid maken tusschen schuldige en onschuldige dwaling.

al In schuldig dwaalgeloof leven, d. i. dwaalgeloovig uit eigen scliuld, zijn; 1 o degenen, die de katholieke Kerk kernen en van hare waarheid overtuigd zijn, en evenwel niet toetreden tot hare gemeenschap; 2o zij, die twijfelen en de waarheid kunnen onderzoeken, maar dit nalaten uit onverschilligheid of uit eene andere strafbare oorzaak.

h) Onschuldig en te goeder trouw leven zij in dwaalgeloof, die de katholieke Kerk niet kennen, maar oprecht de waarheid zoeken en willen, en inmiddels naar beste krachten den wil Gods volbrengen.

162. Hoe zal het hun gaan, die schuldig en hun, die onschuldig en te goeder trouw dwalen?

218

-ocr page 225-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Die met hunne schuld buiten den schoot der katholieke Kerk sterven, zullen verloren gaan; die onschuldig en te goeder trouw dwalen, zullen ter oorzake hunner dwaling niet verloren gaan.

Deze laatsten blijven, ofschoon van de zichtbare verbinding met de Kerk uitgesloten, naar den geest met haar verbonden en hebben aandeel in hare genaden. Evenwel ontberen zij vele heilmiddelen en zegeningen van onzen heiligen godsdienst, b.v. het H. Misofier, het H. Altaarsacrament, de Biecht, het H. Oliesel, enz., en daarom gebiedt de broederliefde om voor hen te bidden en door een goed voorbeeld, zooveel doenlijk tot hunne bekeering bij te dragen, door gebeden derhalve Gods genade in hun belang wekken en door een goed voorbeeld beu trekken. Veroordeel dan nooit andersdenkenden. God alleen kouit dat oordeel toe en ontsticht hen niet door uwe slechte voorbeelden. »Ik zou wel katholiek worden,quot; zeide mij eenmaal eene protestautsche vrouw, »wanneer mijn man en mijne kinderen, die katholiek zijn, leefden zooals hun geloof dat voorschrijft.quot; Denk niet, dat het kindschap der Kerk u alleen kan zalig maken. Neen, er zijn helaas! maar al te veel doode en vuile ledematen der Kerk, die, wel is waar katholiek heeten, maar niet katholiek leven en door hunne zonden anderen ergeren in plaats van stichten, en eene wisse verdoemenis tegemoet snellen. Van dezen geldt het woord des Heereu: gt;De kinderen des rijks zullen in de duisternis huiten geworpen worden.quot; Matt. 1,12.

DRIE-EN-ÏWINTIGSTE LES.

OVER DE STRIJDENDE, LIJDENDE EN ZEGEVIERENDE KERK.

103. Wal, beteekenen de woorden: ^gemeenschap der heiligen

219

-ocr page 226-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Dat er tusschen alle ledematen der Kerk eene geestelijke gemeenschap bestaat.

Die gemeenschap bestaat uit de nog levende reclitgeloovi-ge Christenen op aarde, de lijdende zielen in het vagevuur en de triomfeerende zielen in den hemel. Op die onderlinge gemeenschap duiden Paulus\' woorden: »/n Jems naam moeten alle knieën buigen, die in den hemel, op aarde en onder de aarde zijn.quot; Volgens den afstand zijn deze drie bestand-dealen der Kerk ver van elkander verwijderd en toch zijn ze door de liefde onderling innig verbonden en alle ledematen van één lichaam, waarvan Christus zelf het hoofd is. » Gelijk ivij aan een lichaam meerder ledematen hebben, zoo ook zijn wij velen slechts één lichaam in Christus /quot; De hand arbeidt immers niet voor zich alleen, maar voor het geheele lichaam; niet alleen voor zich, maar voor het geheele lichaam waart het oog rond, boort het oor, loopen de voeten en grijpen de handen. Insgelijks deelen zich de pijnen van een of meer ledematen, als ook de vreugde en droefheid des harten aan de overige ledematen mede. Dezelfde verhouding nu bestaat er tusschen de ledematen der strijdende, lijdende en zegevierende Kerk; zij leven in onderlinge, geestelijke gemeenschap van goederen.

164. Waarom noemt men de leden der Kerk op aarde, ygt;de strijdende Kerk ?quot;

Omdat we hier nog moeten strijden voor ons heil, tegen den duivel, de wereld en het vleesch.

Dat die strijd soms fel, hevig en langdurig is, weet ieder mensch maar al te goed. Dien strijd laat God toe, om onze deugd op de proef te stellen en ons gelegenheid te geven, veel, zeer veel voor den hemel te verdienen. Het doopsel heeft onze ziel, wel is waar, van de doodsziekte der erfzonde bevrijd, maar er blijven nog eenige naweeën, zekere zwak-

220

-ocr page 227-

DE GROOTE CATECHISMUS.

heden in ons achter, juist zoo als in een lichaam, dat van eene zware ziekte genezen is: Ons hart bleef de woonstede van vele zondige neigingen; onze smaak laat zich licht verleiden tot onmatigheid; in onze voeten ontwaren wij traagheid; ia de handen trek naar eens anders goed; in onze lendenen de wellustige begeerlijkheid. »Deze zwakheden, de menschelijke natuur aangeboren, wijken niet, voordat onze natuur door de opstanding vernieuwd is,quot; zegt de H. Thomas van Aquino. Derhalve, strijdt tot aan het graf en geen kroon zonder overwinning.

165. Waarom noemt men de leden der Kerk in het vagevuur, de glijdende Kerk?quot;

Omdat die zielen daar nog moeten lijden voor hare zonden.

Niets, wat bevlekt is, kan den hemel binnentreden. De zielen, die in het vagevuur nederdalen, moeten daar gereinigd worden, omdat ze, bij het verlaten van het lichaam, nog moesten boeten voor dagelijksche zonden of reeds vergevene doodzonden, en de tijdelijke straffen nog niet geheel ondergaan hebben. »De straf der pijn is even hevig en ondraaglijk in het vagevuur, als in de hel,quot; zegt zeker kerkvader; maar de straf van gemis (van God), welke de hel bijzonder tot eene hel maakt, gevoelen die zielen minder dan de verdoemden en maakt hun toestand minder ondraaglijk, versterkt door de hoop, wij zullen toch eenmaal God bezitten. Wellicht zijn uwe bloedverwanten en nabestaanden onder hun getal.

166. Waarom noemt men de leden der Kerk va den hemel de ^zegevierende Kerk f

Omdat de zielen daar, bevrijd van alle vijanden en alle lijden, zegevieren in eeuwigheid.

Daar kan geen duivel hen genaken, geen wereld hen meer

GR. CAT. 45

2\'il

-ocr page 228-

DE GllüOTE CATECHISMUS.

verleiden, geeu vleescli hen meer bekoren. Huu kruis is daar iu eeue kroon verkeerd. Geen dorst of honger, die hen daar kwelt, geen koude of hitte deert hen, en eene eeuwige, zalige rust heeft den korten, tijdelijken strijd vervangen. Voor alles, wat ze voor Jesus deden en leden, genieten ze nu, wat geeu oog ooit heeft gezien, geen oor gehoord, ja, datgene, wat een menschelijk hart zelfs niet in staat is uit te denken.

167. Waarin bestaat de gemeenschap tusschen ons en de zielen in het vagevuur ?

Dat wij door gebeden, goede werken, H. Misoffer en het toevoegen van aflaten die zielen kunnen helpen, opdat hunne pijnen verminderd en verkort worden.

Reeds in het Oude Verbond droeg men gebeden en goede werken voor de afgestorvenen op, zooals uit het feit duidelijk blijkt, dat Judas, de Machabeër, twaalf duizend drachmen zilver naar Jeruzalem zond om offers voor zijne gesneuvelde soldaten te plengen. Het is dus »ee)ie heilirje en heilzame gedachten, voor de overledenen le bidden, opdat ze van hunne zonden verlost mogen worden. II. Mal. XII. Dat dit gebruik van oudsher in de Kerk bestond, bewijzen de Vaders en anderen op verschillende plaatsen. In 1448 werd door een Franschen H. Abt. Odillo den »Allerzielendagquot; in zijne kloosters ingevoerd en deze op den 2quot; November vastgesteld, terwijl Paus Johannes XVI dit gebruik over de geheele Kerk verspreidde. — Bid dan veel voor de lijdende zielen; want met de maat, waarmede gij uitmeet, zal u worden toegemeten. Eene ziel, door uwe medewerking gered, uit dien poel van jammeren, zal ook uit dankbaarheid krachtdadig voor uwe zaligheid bij God tusschenbeide komen. Niemand liunner vraagt iets, wat we niet bij machte zijn te geven, want gebeden kunnen we allen voor hunne verlichting en opheffing van

-ocr page 229-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

hunne pijnen, storten. Geef dus en u zal gegeven worden. Maak er daarom eeue heilige gewoonte van, bij uw avond-of morgengebed, op het zien eener lijkstaatsie of van een kerkhof, het schietgebed te bidden: »Heer, geef den armen zielen in het vagevuur, de eeuwige rust; dat het eeuwig licht hen verlichte, opdat zij rusten in vrede. Amen.

108 Waarin bestaat de gemeenschap tusschen ons en de heiligen in den hemel?

Dat wij de heilige kunnen aanroepen en vereeren, en dat zij ons door hunne gebeden en verdiensten kunnen helpen.

Welk een geluk voor ons, zoovele en zulke machtige broeders en zusters in den hemel te bezitten, die ook eens strijders waren als wij, en dus met onze ellende en onzen voortdurenden strijd bekend, ook alle pogingen bij God zullen aanwenden, opdat we eens ook hun zalig geluk deelachtig worden. Eu zouden wij, overtuigd van hun machtigen invloed op Gods hart, daar zij Zijne bijzondere vrienden en vriendinnen zijn, verzuimen hunne voorbede af te smeeken?

»Vele handen maken licht werk,quot; maar ook de voorbeden van die hemelsche geesten zal ons een grooten steun zijn om onze ziel voor eeuwig te redden. (Bij de vereering dei-heiligen wordt dit punt uitvoeriger besproken).

1G9. Welke gemeenschap hebben de leden der strijdende Kerk met elkander ?

Dat zij, die in staat van genade zijn, deel hebben aan de H. Misoffers, gebeden en goede werken, die in de Kerk verricht worden, en de zondaars daardoor worden geholpen tot hunne bekeering.

Vandaar schrijft de H. Paulus I Cor. 12, 14: »God heeft het lichaam zoo ingericht, dal de ledematen voor elkander zorgen.quot; Ja, wij alleu zijn door tie liefde of minstens door

\'223

-ocr page 230-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

het geloof en de hoop met Christus vereenigd en gevol-gelijk zijn wij, a,ls in alle harten, die God beminnen, in aller harten en handen, die zich biddend tot God verheffen.

Hoe troostrijk en verblijdend is dan de gemeenschap der heiligen, die alleen in de katholieke Kerk bestaat. Bidden wij dan dagelijks voor elkander en laten we nooit na, ons bij het avond- en morgengebed aan de bescherming der heiligen aan te bevelen, vergezeld van het schoone liefdegebed: »Heer, geef den zielen in het vagevuur de eeuwige rust, enz.

Doch vooral, leven wij heilig, naar het voorbeeld der heiligen, opdat hunne voorbede niet vruchteloos voor ons zij en wij, na anderen uit het vagevuur geholpen te hebben, er zelf niet inkomen, want; »ivij zijn modehnrgers der heiligen en huisgenooten Gods.quot; Eph. 2, 19.

NAWOORD OVER DE UITBREIDING EN ONDERHOUDING DER KERK.

De prediking der Apostelen had zegenrijke gevolgen, zoodat de Kerk, iu ongelooflijk korten tijd, zich over de geheele aarde verspreid zag. Joden en heidenen, koningen en keizers bezigden alle gruwelijke middelen om de Kerk in hare kiem te verstikken, omdat hare leer het heidendom en jodendom veroordeelde; maar de gruwzaamste martelingen en vervolgingen gedurende 300 jaren, waren uiet in staat, het christendom te verdelgen; integendeel, het bloed der martelaren was het zaad, dat christenen voortbracht. Krijgslegers worden tegen haar gewapend, geheele volkeren en werelddeelen zijn tegen haar gekeerd, woedende veldslagen, tegen haar geleverd, en van alle zijden grijnzen haar foltertuigen, ijzeren tangen, gloeiende ovens, kokende olie, tanden van verscheurende dieren, de diepten der zeëen en rivieren,

224

-ocr page 231-

DE GnoOTE CATECHISMUS.

galg en rad, pijnbanken, verbanning en andere helsclie foltermiddelen, welke de kiescliheid verbiedt te noemen, tegen En tegen dien algemeenen, vreeselijken en langdnrigen aanval staat en groeit en bloeit Jesus\' Bruid. Zij overwint alles en allen, met haar eenigste wapen, »liet Kruis.quot;

Na eene vervolging van driehonderd jaren schonk Constan-tijn de groote, der Kerk eindelijk den lang gewenscliten vrede en legde liare uitwendige vijanden het zwijgen op; maar nu kwamen hare eigene kinderen tegen haar in verzet, scheurden zich los van hare gemeenschap, verspreidden overal het gift der dwaalleer en stichtten eigene gemeenten en sekten; en deze vijanden waren de gevaarlijkste van allen en sloegen haar diepe -wonden. Die sekten echter kwamen en vergingen met hunne stichters, maar de Kerk bleef ongedeerd staan, als eene rots in zee, zoo vast; hare vijanden werden vertrapt; en zij verheft zegevierend haar hoofd en nimmer wordt zij, nimmer kan zij worden overwonnen; ygt;de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.quot; Inderdaad de bouw en het bestaan der Kerk is niet \'s menschen, maar Gods werk. Vandaar zeide het raadslid Gamaliel terecht in den joodschen raad, met betrekking tot Jesus\' leer: »Is Zijne (Jesus\') zaak menschenwerk, dan zal het vanzelf ineenstorten; is Zijne leer echter uit God, dan kunnen wij haar niet keeren.quot; Hoe waar is het woord van Napoleon [ in zijne ballingschap op St. Helena uitgesproken: »Volkeren gaan voorbij, tronen storten ineen: — de kerk alleen blijft staan.\'\'\'\' Zij, de Kerk, wordt grijs, maar niet oud, zij wordt aangevallen, maar niet overwonnen; storm en woeste baren overdekken haar, maar zij lijdt geen schipbreuk; pijlen worden op haar afgezonden, maar zij is onkwetsbaar, ja, elke aanval doet hare schoonheid en macht des te meer uitkomen; en met het kruis in top, zeilt Petrus\' scheepje, eiken tegenstand tartend, door de eeuwen; want de H. Geest blijft bij haar om de voorzegging van Je-

225

-ocr page 232-

DE OROOTE CATECHISMUS.

sus bewaarheid te maken: »De poorten der hel zullen niets tegen haar vermogen.quot; Dwingt de geschiedenis van Gods Kerk, de waarheid dezer woorden te erkennen, zij bewijst tevens, dat de voorzeggingen van Jesus en Zijne Apostelen omtrent de vervolgingen, welke zij ondergaan en de dwalingen, waartegen zij zou moeten strijden, ook op waarheid berusten.

Christus immers zegt zelf bij Matth. 24, 11: »Er zullen valsche profeten opstaan en velen misleiden.quot; De H. Pau-lus schrijft aan Tim. 11. 4. 3: dEr zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar eigen begeerlijkheid zich overladen zullen mei leeraars, dewijl zij kittelachtig geworden zijn van gehoor ; en van de waarheid trouwens zullen zij het gehoor afwenden, tot fabelen echter zich keer en.quot; Daaruit zien we, dat God de sekten toelaat; 10. opdat door dien afval, welken God gewoonlijk door de bekeering van anderen volkeren weer goed maakt, de Kerk gezuiverd worde van onkruid en aanstekende ledematen; het onkruid gewied en weggeworpen en de tarwe van het onkruid geschift worde; 2°. opdat de leer der Kerk opnieuw, door de veroordeeling der dwaling, meer en meer bevestigd eu altijd duidelijker en klaarder erkend worde. Daarom zegt de H. Chrysostomus: »Christus belet niet, dat Zijne Bruid uit- en inwendig aangevallen worde, daar Hij hare kracht wil tooneu. Wanneer niemand haar aanviel, zou men kunnen zeggen: werd ze maar aangevallen, dan zou ze het onderspit wel moeten delven.quot; — Zooals dus storm en onweer de natuur zuiveren van schadelijke stoffen, zoo ook hebben de vervolgingen en dwalingen steeds medegewerkt om schadelijke bestanddeelen uit de Kerk te verdrijven.

Toon u dan steeds een trouw kind der Kerk en wacht u voor verleidende boeken, couranten, valsche Bijbels en traktaatjes. Dank God, dat ge katholiek zijt en stel u niet tevreden met dien naam, maar leef tevens als zoodanig. Alex-

226

-ocr page 233-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ander de Groote vernam, dat een zijner soldaten zijn naam droeg, maar volstrekt geen Alexander was in zijn gedrag. Hij ontbood hem en sprak met verontwaardiging: »Leg uw naam af, of leef een Alexander waardig.quot; — Zoo ook roept ons de Kerk toe: Leg den naam van katholiek af, of leef als katholiek!

VIER-EN-TWINTIGSTE LES.

OVER HET 10? ARTIKEL DER GELOOFSBELIJDENIS.

Door het Doopsel wordt men in de gemeenschap der heiligen, d. i. in de Kerk opgenomen en door de doodzonde houdt men op, een levend lidmaat van haar te zijn. Daarom is het van het hoogste belang, wanneer iemand doodzonde bedreven heeft, vóór alles te trachten, vergiffenis zijner zoude te bekomen. Met het oog hierop laat de Kerk dan ook terstond op de leer van de »gemeenschap der heiligen,quot; die van de vergiffenis der zonde volgen.

170. Hoe luidt het 10\'\' artikel der Geloofsbelijdenis ?

Ik geloof: in de vergiffenis der zonden.

Door die woorden belijden wij, dat in de katholieke Kerk, door de verdiensten van Jesus Christus, vergiffenis der zonden te bekomen is.

Vandaar schrijft de H. Paulus: »Geloofd zij God, de Vader van onzen Heer Jesus Christus, in wien wij de verlossing door Zijn bloed, de vergeving der overtredingen, naar den rijkdom Zijner genade hebben ontvomgenlquot; Eph. i, 3. 7. —■ Welk eene troostrijke gedachte: In de Kerk kunnen wij uergeving van onze zonden bekomen. Voordat God mensch geworden was, bezat geen schepsel dat wonderbaar en goddelijk geschenk. Jesus heeft voor allen als mensch, en tegelijk God,

227

-ocr page 234-

DE GROOTE CATECHISMUS.

dit machtgeschenk van Zijn Vader ontvangen. Omdat te too-nen, sprak Hij tot den lamme : »Opdat gij weet, dat de Zoon des menschen de macht heeft, op aarde zonden te vergeven: sta op, neem uw bed op en ga naar huis.quot; Voor Zijne hemelvaart heeft Jesus deze macht aan Zijne Apostelen en priesters overgedragen, d. i. om in Zijn naam zouden te vergeven; niet dus uit eigen macht.

In de Kerk worden dus de zonden vergeven, en wel alle zonden zonder uitzondering, wanneer wij slechts 1°. waarachtige boetvaardigheid plegen ; want (\'hristus zegt: » Wanneer ge geen boetvaardigheid doet. zult ge allen ten gronde gaan.quot; Luc. 13,3. 2°. Als wij de door Christus ingestelde sacramenten tot vergiffenis der zonden, het doopsel en de biecht waardig ontvangen.

De macht, om in het sacrament der biecht zonden te vergeven, bezitten de Bisschoppen en de daartoe geordende Priesters der katholieke Kerk ; want tot hen is gezegd: » Wier zonden gij vergeeft, dien zijn zij vergeven.quot; Joh. 20, 23. »Wan-neer gij van uwe zondenbanden nog niet bevrijd zijt,quot; zegt de H. Athanasius, «vertrouw u dan aan Jesus\' leerlingen toe, die u ontbinden kunnen, krachtens de macht, welke zij van den Verlosser ontvangen hebben, met de woorden: »iöal gij op aarde ontbinden zidt, zal in den hemel ontbonden zijn.quot;

(Later uitvoeriger op zijne plaats over het doopsel en de biecht.)

OVER HET 11e ARTIKEL DER GELOOFSBELIJDENIS.

471. Hoe luidt het He artikel der Geloofsbelijdenis ?

Ik geloof in de verrijzenis des vleesches.

Wij belijden door die woorden, dat de lichamen der afge-

228

-ocr page 235-

DE GROOTE CATECHISMUS.

storveneu op den jougsten dag wederom met do zielen Kiillan vereenigd worden.

Bij den dood verlaat de ziel des mensehen het lichaam en verschijnt voor Gods oordeel, liet lichaam keert tot stof terug, waarvan het gemaakt is. Ja, sterven raceten wij allen: »Het is den mensch vastgesteld te sterven,quot; schrijft de H. Pau-lus aan de Hebreen 9, L4. De dood echter is een gevolg der zonde, wel geen natuurlijk gevolg ervan, maar toch een feitelijk : »De dood is het loon der zonde.quot; liom. G. 23. Wij moeten dus sterven, omdat wij allen deelen in de gevolgen van Adams eerste zonde. »Door de zonde is de dood in de wereld gekomen.quot; Kom. 5. 12.

Een rijk heer ontving eens een arm kluizenaar in zijn schoon en van alle gemakken voorzien paleis en vroeg hem, of hij ook eenige aanmerkingen op de inrichting te maken had. Ja, antwoordde de 1:luizenaar: »Er is eene deur te veel aangebracht, die moet gij laten dichtmetseleu.quot; En op de vraag van den lieer, welke deur hij bedoelde, antwoordde de man Gods: »Ik bedoel de deur, waaruit uw lijk eenmaal gedragen zal worden ; want laat men deze open, dan kan uw geluk onmogelijk eeuwig duren en wat niet eeuwig gelukkig is, heeft geen waarde.quot; »Gij moet sterven,quot; zeide hij hem met andore woorden.

172. Maar wanneer zullen wc sterven ? God heeft ons den tijd van ons steriuur wijselijk verborgen gehouden, en wel om de volgende redenen, opdat wij:

1°. Hem des te meer als opperste Heer van leven eu dood zouden eeren, hoogschatten en vreezen; en

2°. Ons elk oogenblik bereid zouden houden, te sterven volgens Jesus\' vermaning: »Xoo wees dan ook gij bereid; want de Zoon des mensehen zal op een uur komen, waarop

220

-ocr page 236-

PIE GROOTE CATECHISMUS.

gij Hem niet verwacht.^ Luc. 12, 40. Hierop laat de H. Ber-iiardus zeer gepast volgen: »Daar gij op geen plaats en van geen tijd zeker zijt, en de dood overal op u wacht, wees daarom voorzichtig en kloek, en wacht ook overal en elk oogenhlik en uur op hem.quot;

3°. Om den schrik en de vrees te verzachten, welke de gedachte aan ons naderend einde vergezellen. Inderdaad, wie ontstelt niet op het zien vau den dood? De rechtvaardige zelf siddert voor hem. Hoe beangst was koning Ezechias niet, toen men hem het uur van zijn dood aankondigde! En toch had hij het volk des Heeren aan den afgodendienst ontrukt, de afgoden en hunne tempels in puin gestort en den waren godsdienst in den ternpel des Heeren hersteld, zoodat de Schrift van hem getuigt: »7)e koning Ezechias deed, wal in Gods oorjen welgevallig was.quot; En evenwel wentelde hij zich onrustig op zijn doodsbed heen en weer en weende bitterlijk, gedachtig aan zijne zonden. Waarom? Zijne werken en daden waren van een mensch en niet van een engel,quot; zegt de H. Hieronymus.

Het alles afdoend middel om den schrik en angst des doods zooveel mogelijk weg te nemen is de zonde te vluchten en oen godvruchtig leven te leiden; want de tuensch sterft, zooals hij geleefd heeft; op een braaf leven volgt een gelukzalig sterven. De dood is de echo des levens. Zegt het leven: zgoed!quot; De dood zal antwoorden: »goed /quot; — Itoept het leven: »kwaad!quot; De echo zal antwoorden: »kwaad!quot; — Getuigt het leven: »hemel!,, De echo zal antwoorden: »he-inel!quot; Draagt het leven het merk: ygt;hel!quot; Wat anders zal de echo laten hooren dan : »hel /quot; — Zeker de dood is het zegel des levens. Was op dat zegel een engel des lichts afgebeeld, de schitterende stralen van dat licht zullen den mensch bij zijn ingang in de eeuwigheid voorlichten; stond er echter een duivel op afgebeeld; in het gezelschap van dien

230

-ocr page 237-

IJE GROOTE CATECHISMUS.

boozeii geest zal de meuscli d«,n zijne intrede in de eeuwigheid doen.

Keizer Maximiliaan 1 voerde overal eene zware kist met zich rond, en iedereen dacht, dat zij gevuld was met kostbare schatten. Lachend sprak hij tot hen, die zulks vermoedden: »Ik voer die kist overal met mij, omdat zij bestemd is, eene zaak te bewaren, die mij zeer waard ishij bedoelde zijn lichaam. Dikwijls hoorde men liem zeggen, terwijl hij de kist beschouwde: »Waar gaat ge groot op, Maximiliaan? Wat streeft ge nog naar meer en hooger, bij zooveel geluk V Zoovele landen zijn voor u nog te eng cn deze kleine kist zal u eenmaal omsluiten.quot;

173. Waar zullen dan de lichamen blijven?

Deze zullen, met de zielen vereenigd, ól voor eeuwig gelukkig óf voor eeuwig ongelukkig worden.

Na den dood wordt het lichaam aan de aarde toevertrouwd, tot aan den jongsten dag, en dan zal God het ten leven opwekken, door het weder te vereenigen met de ziel, waarvan liet door den dood gescheiden was. Het vertrek der ziel uit het lichaam was diens dood; door de hereeniging met de ziel zal het weder leven. Deze groote waarheid leert de Schrift op vele plaatsen. Zoo lezen wij bij Joh. 5. 28—29;

»Het uur komt, waarop allen, die in de graven rusten, de stem van den Zoon Gods zidlen hoor en. En, die goed gedaan hebben, zidlen opstaan tot verrijzenis des levens; die echter kwaad gedaan hebben, tot verrijzenis des gerichts.quot; — En bij den profeet Daniël: »JJe menigte dergenen, die slapen in het stof der aarde, zidlen opstaan ; sommigen tot het eeuwig leven, anderen echter tot smaad en eeuwige schande.quot; — De heilige man Job zegt: »Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, en ik zal op den jongsten dag uit de aarde opstaan en ik zal weder met mijne huid omkleed worden en ik zal in mijn vleesch mijn

231

-ocr page 238-

DE GROOTE CATECHISMUS.

God aanschouwen; ik en geen ander. Job. 19. 16. — Eveneens schrijft de H. Paulus 1 Cor. 15, 12: »Zooals Christus verrezen is, zullen ook wij verrijzen, anders ware ons geloof ijdel en godslasterlijk, en wij waren nog in zondenquot;

Steunende op deze en meer andere teksten van de H. Schrift, kunnen we met recht zeggen: »Ik ben meer verzekerd van mijne opstanding uit het graf dau van mijn opstaan, morgen vroeg, uit mijn bed. Twijfel daarom nooit, in \'t geringst aan de opstanding des vleesches. Of zou Gods almacht te kort schieten om de verteerde lichamen weder tot het leven terug te roepen, welke Hij eens uit het niet te voorschijn riep? Daarom schreef de H. Paulus aan de Cor. 1, 15, -\'iS: Maar zal iemand zeggen: Hoe verrijzen de do odenquot;? Of met hoedanig lichaam zullen zij komen ? Gij onverstandige! Hetgeen gij zaait, wordt niet levend gemaakt, zoo het eerst niet sterft, enz.

De boomen, die in den winter dood schijnen, ontkiemen weder in de lente, en groeien en bloeien, en het menschelijk lichaam zou geen lente hebben ? W aar lijk, iedere tuin, iedere akker, iedere weide is als een boek, waarvan op elke bladzijde van opstanding uit hei graf en een nieuw leven gesproken wordt. Zooals het zaadkoren over tuinbedden en velden wordt uitgestrooid, zoo ook worden de lijken als gezaaid in de graven. (Vandaar wordt het kerkhof »godsakkerquot; genoemd.) En gelijk de zaadkorrels in tuinen en op velden in de aarde levend worden, hun doodskleed afleggen en heerlijk als eene schoone bloem of korenaar uit de aarde te voorschijn komen, zoo ook zullen eens de menschen, op het kerkhof, den tuin, den akker Grods, weder te voorschijn komen. Ja, elk bloempje, elke korenaar, elk grasspiertje roept ons toe: Ik ben opgestaan, o inensch ! en ook gij zult eenmaal herleven. Eiken morgen ontwaakt die in slaap begravene wereld tot een nieuw leven, en eenmaal zal er een morgen aanbreken,

232

-ocr page 239-

DE GROOTE CATECHISMUS.

waarop allen, die in de graven rusten, eene stem zullen hoo-ren, die roepen zal: «Ontwaakt!quot;

174. Waarom zullen de lichamen verrijzen? i0 Opdat het lichaam deel Iicbbe aan het leven of de straf, wijl het ook deel had aan uitvoering van goede en kwade werken.

Daarom zegt Paulus 2, (Jor. 5, 13 : » Wij alten moeten voor Christus\' rechterstoel verschijnen, opdat een ieder, naarmate hij in zijn lichaam goed of kwaad jedaan heefl, ontvange.quot; »Dikwijls begraaft men een lichaam met groote eer en staatsie, terwijl de ziel door God verdoemd is; daarentegen wordt soms een lichaam zonder de minste uitwendige eer ten grave gedragen, waarvan de ziel de zoete rust bij God geniet. Wijl nu ziel en lichaam vereenigd. God gediend of niet gediend hebben, daarom is het billijk en recht, dat door God één dag, de jongste dag, bestemd is, waarop beide tegelijk gerecht worden.quot; Lud de Porto.

Opdat de zege van Christus ooer den dood volkomen zij. » Wanneer dit sterfelijke zich met het onsterfelijke heeft hekleed, dan zal het woord, dat geschreven staat, vervuld worden: verslonden is de dood in overwinning ! Waar is, o dood, uwe overwinning\'? Waar is, o dood, inv angel ?quot;

Alle menschen, goede zoowel als kwade, zullen dan verrijzen; want »het uur komt, dat alle, die in de graven rusten, de slem van den Zoon Gods hoor en. Joh. 5. 28. Maar alle lichamen zullen bij de verrijzenis niet gelijk zijn ; de lichamen der zondaars zullen afschuwelijk, die der rechtvaardigen heerlijk, op Jesus\' lichaam gelijkend, uit het graf opstaan. » Wij allen zullen wel verrijzen,quot; zegt Paulus, »maar niet allen veranderd (verheerlijkt) wordend

Gelijk de zon op het middaguur, zoo heerlijk zullende rechtvaardigen, in stralenglans, in het rijk des hemelschen

233

-ocr page 240-

DE GROOTE CATECHISMI\'S.

Vaders Kchitteren. Hemellicht zul ben omgeven en hunne bekleeding en huu tooisel zijn. Helaas! geheel verschillend hiervan, zullen de zondaars opstaan. Duisternis zal hen omgeven, en uitwendig en inwendig zullen ze satan gelijken, met wien ze de eeuwige duisternis ook zullen gemeen hebben. Zooals de heldere middagzon verschilt van den pikduisteren nacht, onbegrijpelijk meer nog zal de oj^standing van de rechtvaardigen en de zondaars verschillen.

De verheerlijkte lichamen der rechtvaardigen zullen, volgens den H. Puulus 1 Cor. 15, 42—44, schitteren dooide vier volgende eigenschappen.

Onvergankelijkheid. Gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijzen zal het het in onvergankelijkheid.\'quot; Glans en schittering. Gezaaid wordt in oneer, verrijzen zal het in heerlijkheid. Beweeglijkheid. «Gezaaid wordt in zwakheid, verrijzen zal het in kracht. 4° Geestelijkheid. »Gezaaid wordt een natuurlijk lichaam, verrijzen zal een geestelijk lichaam.quot; Vandaar bewijst de Kerk den lichamen der afgestorvenen ook bijzondere eer, en begraaft ze op gewijde Godsakkers, met gebeden en verschillende ceremoniën. Op het kerkhof plant zij het kruis en wil, dat deze kinderen onder de schaduw van het teeken der verlossing, in vrede rusten tot den dag der nlgemeene vergelding, en verwijdert van alles, wat met den heiligen ernst der plaats in strijd is. Loffelijk en navolgenswaardig is daarom ook het gebruik van eenige gemeenten, nu en dan een bezoek te brengen aan de kerkhoven, en daar een smeek- en zoengebed te stamelen voor hen, die daar de opstanding afwachten, maar we zullen daar tevens ook de rergankelijkheid van het stof leeren waardeeren; want die dooden roepen ons toe: »Heden ik, morgen gij.quot; »Alles ia ijdelheid, behalve God te dienen en zijne ziel te redden.quot;

115. Welke gevoelens moei het geloof aan de verrijzenis in ons te voorschijn roepen?

234

-ocr page 241-

DE GROOTE CATtCHISMUS.

lo. Dat we een afschuw moeten hebben van het kwaad, en ons lichaam niet onteeren door de zonde.

Daarom roept de H. Paulus: »Verheerlijkt en draagt God iu uw lichaamquot;; want het wordt met de ziel eeuwig gelukkig of ongelukkig.

2o. Dat we alle lichamelijk lijden, zelfs den dood manmoedig en met christelijk geduld verdragen. — Welke martelingen ondergingen de Machabeesche broeders niet! De tongen werden hun afgesneden, de handen en voeten afgehouwen, de huid afgestroopt, en levend werden zij op gloeiende roosters gebraden. En wat maakte die helden zoo sterk, zoo standvastig? — De gedachte aan de verrijzenis. «Booswicht!quot; zoo spraken ze tot den beul Antiochus, »gij kunt ons in dit leven wel kwellen, het leven zelfs benemen, maar de Koning der wereld zal ons, die voor Zijne wet sterven, ten dage der verrijzenis, wederom tot het eeuwig leven opwekken.quot; Hoeveel duizenden zijn hun in moed en doodsverachting voor Jesus\' leer gevolgd, met het oog op die heerlijke verrijzenis en wij zouden in lijden en kruis de tuchtigende, maar tevens loonende hand van God van ons stooten, ons knorrende kinderen toonen, daar, waar de zaligheid ook voor ons lichaam te verdienen is? Dat zij verre !

3o. Dat we gelaten zijn bij den dood van nabestaanden en vrienden, en niet bovenmate treuren, weenen en klagen en gt;ons niel bedroeven als zij, die geene hoop hebben.quot; «Beklaag de dooden niet, maar laten we christelijk naar hen verlangen. Het betaamt niet het zwarte treurgewaad te dragen, terwijl de betreurden in witte kleederen in den hemel het Lam volgen, daar, waar het gaat. Van dit gezichtspunt uit zegt de wijze man: De dag van sterven staat boven den dag der geboorte.

Wij zullen verrijzen; leven we daarom zooals we wenschen

•235

-ocr page 242-

DE GROOTE CATECHISMUS.

te sterven; waut op een tfoed leven volgt een goede dood, op een goeden dood een zalig oordeel en op een zalig oordeel een eeuwig zalig leven, zooals ons het volgende geloofsartikel leert.

OVER HET 12e ARTIKEL DER GELOOFSBELIJDENIS.

170. Hoe luidt het i^e en laatste artikel der Geloofsbelijdenis ?

En het eeuwig leven.

Door die woorden belijden wij, dat er na dit leven een eeuwig laven bestaat en vandaar volgt op het artikel der. verrijzenis ook zeer gepast het laatste der twaalf geloofsartikelen, waarin wij als onfeilbaar zeker aannemen, dat na de opstanding des vleesches op den jongsten dag, alle menschen een eeuwig zalig of eeuwig verdoemd leven zullen ingaan. »Ontwijfelbaar zeker,quot; zegt de H. Chrysostomus, »heeft God den Zijnen een ander, beter, schooner en verrukkelijker leven bereid dan het tegenwoordige. Ware dat niet zoo, dan zou Zijne rechtvaardigheid en liefde niet toestaan, dat zoovele zondaars zich, als \'t ware, baadden in zingenot en daarentegen zoovele rechtvaardigen alle ontberingen, lijden en kommer zich moeten getroosten. Daar echter eene andere wereld en een ander leven ons wacht, waarin de zwelgers van zingenot eeuwige armoede en ontbering, en de beoefenaars der deugd eeuwigen rijkdom en overvloed zullen ontvangen, daarom duldt God de zondaars hier op aarde en laat toe, dat sommige braven in kommer en ellende hunne dagen slijten.\'\' (Vb. de rijke vrek en Lazarus).

In het zevende artikel des geloofs hebben wij geleerd, dat de ziel vr.n d:jn mensch terstond na den dood voor het bijzonder oordeel verschijnt en door den alwetenden Hechter tot don hemel, de hel of het vagevuur verwezen wordt. Nu komt de

236

-ocr page 243-

DE GROOTE CATECHISMUS.

vmag, wat het eeuwig leven is, waartoe de zielen terstond na den dood verwezen worden. Daarom:

177. Welke zielen gaan naar den hemel ? De zielen van hen, die in staat van gnnado sterven en niets meer te boeten hebben.

Wij zullen trachten eene flauwe schets te geven van den hemel, steunende op de H. Schrift, de Overlevering en de Vaders en doen zien, waarin de eeuwige gelukzaligheid der zielen aldaar bestaat.

10. Zij aanschouwen God, zonal* Hij is, en zijn met Hem door de innigste liefde vereenigd. »Thans zien wij door een spiegel raadselachtig; alsdan van aangezicht lol aangezicht 1 Cor. 13, 12; want tvij zullen Hem zien, zooals Hij is.quot; 2 Joh. 3, 2. Vurig verlangend naar die zalige aanschouwing Gods, riep de H. i\\ugustinus uit: »Ik weet. Heer, dat geen sterveling II zien zal, zoolang hij hier leeft. Laat mij daarom sterven, opdat ik ü aanschouwe. Wanneer (rij daartoe niets anders vordert, dan dat ik sterve, welnu, dan neem ik met blijdschap deze voorwaarden aan. Wat gering verlies, het gemis van het stoffelijke licht in ruil, voor het eeuwige! Vaarwel dan, gij wouden en beemden, gij bergen en dalen, gij allen en alles, wat mij hier dierbaar is. Wat deert het mij, u voortaan niet meer te zien, maar daarentegen eerwig Den gone te aanschouwen, die u gescliapen heeft. — Het was ook het verlangen naar dat zalig aanschouwen Gods, hetwelk Paulus deed uitroepen: »_//,\' wensch ontbonden ie worden, om met Christus te zijn.quot; — «Kinderen!quot; aldus sprak de zalige Pastoor van Ars, »wij zullen God zien. God bezitten, zooals Hij is,quot; en dan beletten tranen van heilige aandoening hem verder, over den hemel te spreken.

2°. Bij de aanschouwing en liefde Gods, zullen :e alle goed, eeuwige vreugde en heerlijkheid in de gemeenschap aller

gr. cat. 10

237

-ocr page 244-

DE OROOTE CATECHISMUS.

engelen en heiligen bezitten. »Daar zal God alle tranen van hunne oogen drogen. De dood zal niet meer zijn; noch droefheid, noch klaagtoon, noch smart.quot; Openb. 21, 4. »Zt}\' zullen dronken worden van den o oer vloed van Uw huis, o God! en uit den stroom Uwer vreugde zult Gij ze dtenken.quot; Ps. 35, 9. »Zij zullen ontvangen een heerlijk rijk en eene kostbare kroon uit de hand des lieer enWijsli. 5, 17. — gt; Wat zal cle ziel des rechtviiardigeu iu liet Paradijs des hemels bezitten?quot; vraagt de H. Bonaventura, en hij antwoordt: «Gezondheid zonder ziekte, jeugd zonder ouderdom, verzadiging zonder overvloed, vrijheid zonder slavernij, schoonheid zonder verflensing, onsterfelijkheid zonder lijden, overvloed zonder gebrek, vrede zonder twist, zekerheid zonder vrees, wetenschap zonder perken, eer zonder smet, vreugde zonder treurigheid. Daar zullen de rechtvaardigen zalig zijn door de lieflijkheid der plaats, welke zij bezitten, door het vroolijke gezelschap, waarin zij zich bewegen, door de verheerlijking van hunne lichamen, welke zij niet schonden, door de wereld, die zij veracht hebben, door de hel, die zij ontliepen.quot; gt; [Iet vreugdegenot der zaligen gelijkt eene wereldzee,quot; zegt de H. Anselmus. »Gelijk een visch daarin geheel door het water omsloten is, zoo zal ook do ziel des rechtvaardigen in die vreugde geheel als verzonken zijn; vreugde van binnen, vreugde van buiten, vreugde in de diepte, vreugde in de hoogte, vreugde overal.\'

O, God! hoe troostrijk is dan de gedachte: Ik zal den Vader, Jesus en den H. Geest, Maria en Jozef, mijn heiligen engelbewaarder, alle heiligen en mijne voorouders zien, en eeuwig hun gelukzalig gezelschap deeleu! En is die gedachte reeds zoo troostend en aanmoedigend om voor God te leven en dien hemel te verdienen, hoe onuitsprekelijk moet dan het werkelijk genot van dat zalig gezelschap niet zijn!

Maar, wat tobt zich de mensch ook af om een flauw denk-

238

-ocr page 245-

de oroote catechismus.

beeld vjui deu hemel te geven, daar de H. Paulus zegt: »Geen oog heeft hel gezien, geen oor gehoord, en in geen menschelijk hart is het opgekomen, wat God hun bereid heejt, die Hem beminnen.\'\' 1 (Jor. 2, 9. »Die glorie, die schoonheid, die majesteit, welke onze zaligheid zal uitmaken, is boven alle gedachten, gevoelens en woorden verheven. Wat God Zijn\' vrienden bereid heeft, overtreft onze hoop en liefde, onze wenschen en verlangens. Die zaligheid kan men wel verwerven, maar niet genoegzaam hoogschatten, zij kan (met de genade) verdiend, maar niet beschreven worden.quot; H. Aug. »De vreugde der zaligen zal grooter zijn, dan dat ze gekend, oneindiger, dan dat ze geteld, omvattender, dan dat zij afgebakend, kostelijker, dan dat ze geschat zou kunnen worden.quot; IT. Bern.

178. Zullen alle rechtvaardige zielen in den hemel eenc gelijke zaligheid genieten ?

1°. Het geloof leert, dat »ecn iegelijk zal ontvangen volgens zijn arbeid,\'quot; aldus de H. Paulus 1 Cor. 3, 8; want, die spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam oogsten; en die rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk oogsten.\'quot; Anders is de helderheid der zon, anders de helderheid der maan, anders de klaarheid der sterren; en de eene ster is in helderheid weder van een ander onderscheiden; zoo ook is het met de opstanding der doodenquot; (en hun eeuwig loon). -1 Cor 15, 3i—4ci. Jesus zelf zegt: »ln Mijns Vaders huis zijn vele woningen,quot; dus één huis en vele woningen; ééne zaligheid, maar vele lage, hoogere, zeer hooge trappen, naarmate men gestreden en verdiend heelt.

2°. Ook de rede leert eeiie niet-gelijke zaligheid. De krijgsman, die zich het meest door dapperheid en moed onderscheidt,

239

-ocr page 246-

UK GRÜÜTE CATECHISMUS.

ontvaugt ook de groo ste beloouiug. De arbeidzame en sclirau-ilei\'e landbouwer, koopman en werkman maken grootere winsten dan andere, die niet met hen iu vlijt en overleg gelijk staan. Ver/.et zieli ons verstand niet, wanneer men beweert, dat een kind, terstond na liet Doopsel gestorven, een zelfde zaligheid geniet als de li. Lanrentins, die uit liefde voor Jesus, onder de hevigste jjiinen, zijn leven gaf? Of zou den Apostelen Petrus en Paulus in den hemel geen grootere glorie zijn weggelegd dan den goeden moordenaar, die door berouw op het laatste oogenblik van zijn leven, den hemel verdient V Zal daar geen onderscheid zijn in glorie tusschen die arm leefden en stierven, en den rechtvaardigen rijke? Hij, die vaderland, bezittingen, familie en alles, wat hem dierbaar is, verlaat, om de fakkel des geloofs onder de heidenen te ontsteken, te midden van allerlei ontberingen en met levensgevaar, zal hem geen grooter kroon in den hemel sieren dan den priester, die in zijn vaderland voor God en het zielenheil arbeidt? We kunnen daarom gerust aannemen, dat, zooals de Kerk den heiligen geen gelijke plaats en eere toekent, maar de H. Maagd als de Koningin van alle heiligen begroet en naast haar den H. Jozef, enz. plaatst en ter hunner eere eerste klas en eerste en tweede klas en dubbele en halfdubbele feesten heeft ingesteld, er ook in den hemel eere en zaligheid naar verdiensten zal gegeven worden door haar goddelijken Stichter.

179. Welke zielen gaan naar de hel?

De zielen van hen, die in staat van ongenade oi\' doodzonde sterven.

Zooals de rechtvaardigen eeuwig en onbegrijpelijk zalig zullen leven, eveneens zullen de goddeloozen, die in Gods vijandschap sterven, d. i. in doodzonden, eeuwig leven, maar een leven zonder genade en vreugde, een helleleven vol kwel-

\'240

-ocr page 247-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

lingeu en ellende, een leven, diit eigenlijk geen leven, maaide verschrikkelijkste dood verdient genoemd te worden. Dat leven noemt de TT. Schrift, den tweeden, eeuwigen dood. Die eeuwige dood zal het deel zijn voor vrijgeesten en ongeloovi-gen, van godslasteraars en onkuischen, van haatdragers en ffieriswards en van allen, die in doodzonde sterven.

O D

Maar bestaat er wel eene hel, on zoo ja, zijn liaro kwellingen dan van dien aard, als men ons voorpreekt? Ja, antwoordt de H. Schrift, waarin ze ons beschreven wordt als eene plaats van kivelliwjen, Luc. 1 6, 1 8, » waar de verdoemden dag en nacht in eemoigheid gekweld wordenquot;, Openb. 20, 10 : als eene eeuwige pij11! ^de verdoemden zullen ingaan in de eeuwige pijn.quot; Matt. 25, 4u; als een onnitbluschbaar vuur, »het is u heter, om met een voet het eeuwig leven binnen te gaan, dan twee voeten te hebben, en in de hel geworpen te worden, in het onuitbluschhaar vuurquot;. Mare.9, l\'l i uit. uiterste duisternis, waar gehuil en tandengeknars zijn zal, »de. kinderen des rijks zullen in de uiterste duisternis geworpen worden, daar zal gehuil en tandengeknars -zijn.quot; Matt. 8, 12. Vandaar dat de Kerk, steunende op de H. Schrift, steeds liet bestaan der hel geleerd en hen als ketters gedoemd heeft, die zulks loochenden. Wie zal het ook wagen, het bestaan dei-hel in twijfel te trekken, wanneer men het godvergeten gedrag van zoovelen betracht, die bovendien dikwijls nog, naar den schijn althans, de gelukkigste, machtigste en aanzien 1 ijksten der maatschappelijke samenleving zijn, wier schanddaden niet zelden ongestraft blijven, hier op aarde. — »Gel ooft gij aan het bestaan eener helf\' vroegen, ten tijde van het Pransche schrikbewind, fanatieke en revolutionaire rechters aan een gevangen genomen priester? — »Wic, die uw doen en laten beschouwt, zou het bestaan eener hel in twijfel trekken\'\', antwoordde de martelaar. »En al had ik ook tot hier toe aan haar bestaan getwijfeld, thans uwe werken

241

-ocr page 248-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ziende, zou ik liet moeten gelooven.quot; Eenige zegswijzen vinden ook hun grond in de werkelijkheid en de waarheid; zoo zegt men b.v. »het is eene helsche furiequot;; de duivel schijnt in hem gevarenquot;; gt;het is een gevleeschde duivelquot;; »hij is als de duivelquot;; »de duivel alleen kan zoo iets ingevenquot;; »het is een kind des duivelsquot;; »de duivel zal hem halenquot;; »zoo zwart als de helquot;; enz. enz.

180. Welke straffen moeten de verdoemden ondergaan ?

De kwellingen der hel, de straffen der verdoemden zijn vreeselijk, en zoo min men in staat is, de gelukzaligheid der rechtvaardigen in den hemel te beschrijven, evenmin is het den mensch gegeven, om de straffen aan te geven, welke de verdoemden in de hei moeten lijden. De H. Schrift komt ons echter ook hier te hulp om de voornaamste straffen te kunnen opnoemen en wel:

lo. Inwendige kwelling en vertwijfeling, veroorzaakt door de gedachte aan het kwaad, dat ze gedaan en de vele genaden, die ze misbruikt of ongebruikt gelaten hebben; daarom huilen en tandengeknars. Math. 8, 12. Duizenden hebben minder genade ontvangen, zoo zullen ze redeneeren en zijn thans voor eeuwig bij (rod. »Dat zijn ze, die wij uitlachten en met spotredenen overlaadden. Wij dwazen! wij achtten hun leven onzinnig en hun einde belachelijk. Zie, hoe zij onder de kinderen Gods geteld worden en hun lot onder de heiligen is. Zoo zijn wij dan van den weg der waarheid afgedwaald, en het licht der gerechtigheid bescheen ons niet, en de zon der erkentenis ging voor ons niet op. Wij zijn moe geworden op den weg der boosheid en des ver derf s, en bewandelden harde wegen; maar den weg des Heeren erkenden wij niet, wat baatte ons de trotschheid? Wal nut

242

-ocr page 249-

DE GROOTE CATECHISMUS.

bracht ons het pralen met rijkdommen\'?quot;1 Verloren! Voor eeuwig verloren! Ziedaar de taal, door vertwijfeling den verdoemden in den mond gelegd!

2o. Onuitsprekelijke droefheid en troosteloosheid, omdat zij de zaligheid des hemels door eigen schuld verloren hebben, Luc. 13, 25-28, en voor eeuwig het aanschijn Gods moeten derven. Inderdaad, »de hel is schrikkelijk, ontzetting wekt haar naam, en siddering de gedachte aan haar; maar de allergrootste straf der verdoemden is het gemis der aanschouwing Gods, een gemis zoo groot, als God /,ell\',quot; zegt de H. Bernardus. Het is ook vreeselijk, eeuwig God den Vader te moeten missen, die hen voor den hemel schiep; God, den Zoon. die hen zoo smartvol verloste, en den H. Geest, die hen te vergeefs zoovele genaden aanbood.

;5o. Het hatelijk gezelschap der duivels en alle verdoemden, want in de hel brandt dnt vuur, hetwelk den duivel en zijn aanhang bereid is. Math. 25, 41. Altijd met wanhopenden, droefgeestigen en troosteloozen te level]; altijd te huilen en te tandenknarsen, altijd gehuil en tandengeknars te hooren van een ontelbaar leger verdoemelingen, dat is inderdaad helsch en verschrikkelijk. Hier kunnen we in den regel een onaangenaam gezelschap ontgaan; daar snoert Gods gramschap de verdoemelingen voor eeuwig aan elkander.

4o. Dot hun /lijnen en mar leling en jkeuwigquot; zullen duren. zonder hoop op vermindering; want »liun rnnr zal niet uildooven en hun worm niet sterren. Mare. 9, 44, 45. De H. Schrift getuigt nog op andere plaatsen, dat de straffen der hel eeuwig zullen duren, waar zij spreekt va]] »eeuwig vuur,quot; »eeuwige pijn,quot; sonuitbluschbaar vuur.quot; Vandaar dat de Kerk de dwaling plechtig veroordeeld heeft, waarin men beweerde, dat de straffen der verdoemelingen eenmaal eindigen zouden. De Vaders houden ook allen, dat de straffen der hel eeuwig zijn. Zoo schrijft de H. Gregorius de Groote: »De

243

-ocr page 250-

DE GROOTE CATECHISMUS.

venloemdeu zullen een dood zonder dood, een einde zonder einde, een ophouden zonder ophoodeu hebben; want hun dood leeft, hun einde begint altijd, hun ophouden kent geen ophouden.quot; Ju, in de hel is een altijd stervend leven en een altijd levende dood.\' H. Bon. »De kwalen der hel hebben maat noch einde. Daar verbrandt het vuur de ledematen, en herstelt ze weder, werpt ze ineen en onderhoudt ze tevens.quot; Minutus Felix.

Wanneer iemand hevige smarten te verduren heeft, dan komt er toch eeu tijd, dat ze minder hevig zijn, eu altijd nemen ze een einde, hetzij door beterschap, hetzij door den dood. Doch de smarten der verdoemden nemen nooit in hevigheid al, nooit hebben ze rust, eeuwig moeten ze lijden ; derhalve geen dag, geen maand, geen jaren, geen honderd of duizend jaren, maar eeuwig zullen zij gepijnigd worden. Donk eens, dat God tot de verdoemden zeide: Elke honderd jaar zal een vogel een enkelen droppel water uit de zee drinken, en wanneer zij zoodoende de zee heeft leeg gedronken, dan zult gij uit de bel bevrijd worden. Welk een ontzettend aantal jaren daartoe noodig zouden zijn, laat zich niet denken, veel minder tellen! Want, als eeu glas water ontelbare droppels bevat, hoeveel zullen er zich dan niet in de zee bevinden, die duizenden uren lang cn breed, ja zelfs op eenige plaatsen peilloos diep is. Eu toch zou de hel geen hel meer zijn, zoo God dit beloofde; want de hoop nog eenmaal verlost te worden, zou dan eenigen balsem in den lijdenskelk der verdoemden mengen. Maar in de hel bestaat geen hoop, maar wel eeuwigheid, eeuwige vertwijfeling en wanhoop. Judas ligt reeds bijna 19 eeuwen in de hel. Welk een tijd ! De oudste mensch telt nauwelijks 100 jaar, en toch, als Judas nog 1900, nog 19000, nog negentien millioen jaren in de hel zal geleden hebben, dan is nog geen dag van zijne straffen om, dan is het, alsof hij eerst heden begint te lijden. Zij

244

-ocr page 251-

DE GROOTE CATECHISMUS.

moeten daar lijdeu aoailer einde, altijd, eeuwig; het vuur, dat lien pijnigt, brandt, maar verbrandt niet.

181. Waarom moeten de straffen der verdoemden eeuwig duren?

1°. Wijl de doodzonde, eene oneindige belee-diging Gods, van Gods i\'echtvaardigheid ook eene straf vordert, zonder einde: oneindig.

2°. Omdat allen, die in xonden sterven, eeuwig verstokt blijven in de zonden; want »de zonde blijft als neiging bestaan, ook dan nog, wanneer zij metterdaad niet meer bedreven wordt.quot; Inn. lil. »Oischoon in de hel gevoel van rouw bestaat, is er toch geen verbetering van den wil. De eigen ongerechtigheid wordt voortdurend bestraft, en evenwel zijn de verdoemden niet in staat de rechtvaardigheid te beminnen of te verlangen.quot; Aug.

3°. Omdat God, krachtens Zijne heiligheid, het kwaad niet minder haat, dan Hij het goed bemint en dus de zonde eeuwig moet straffen, gelijk Hij de deugd eeuwig beloont

4. Omdat de eeuwigheid der helsche straffen eenigszins een afdoend middel is, den mensch van de zonde af te houden en voor God te doen leven. ))God bewees ons dus eene genade met do hel te scheppen, want Hij wil ons daardoor beletten, boos te zijn.

Een nieuwerwetsch geleerde kon zich maar niet begrijpen, hoe men door eene enkele doodzonde, die in één oogenhlik bedreven wordt, de eeuwige straffen der hel Icon beloopen; dat was, naar zijne meening, tegen de goddelijke rechtvaardigheid. Een godgeleerde gaf hem het volgende antwoord ;

245

-ocr page 252-

DE GROOTE CATECHISMUS.

»W)it is daar tegen? Is het in het burgerlijk recht anders? Ook de burgerlijke rechter spreekt het doodvonnis uit over den moordenaar, die eveneens in een oogenblik den moord volvoerde; en zijne straf neemt hem ook voor eeuwig uit de maatschappelijke samenleving weg. De grootste dwaas is hij, die vrijwillig eene zware zonde begaat en aldus voor eene oogenblikkelijke voldoening en vreugde een eeuwig lijden inruilt. üwaas is hij, die met doodzonde bezoedeld, gerust gaat slapen, alvorens zijne zonde uit volmaakte lietde tot God te betreuren en het ernstig voornemen te maken, zoodra doenlijk te biechten. Dwaas is hij, die de pijnen der verdoemenis en het hatelijk gezelschap van Satan en zijn aanhang, hooger schat dan de hemelvreugde en het eeuwig gezelschap van God en Zijne lieve heiligen; en — dat doet hij, die doodzonde bedrijft. Denk hier wel aan in de bekoringen en op \'t punt van te zondigen, en de deugd zal zegevieren.

182. Zullen alle verdoemden even zwaar moeten lijden-?

Neen, want gelijk de zaligheid der rechtvaardigen in den hemel verschilt, zoo ook moet men bij de helsche straüen verschillende graden aannemen ; want een ieder zal daar lijden, naar de maat zijner zonden en volgens het misbruik dei-hem verleende genade.

»Een iegelijk zal ontvangen naar zijne werkenquot;, en »van ieder, wien veel gegeven is, zal ook veel gevorderd wordeiiquot;. Luc. 12, 48. Vandaar, dat iemand stervend, met eene doodzonde bezwaard, verdoemd wordt, maar zij, die sterven met tien, twintig, honderd enz. doodzonden bezwaard, ook tien, twintig, honderd enz. maal meer te lijden zullen hebben. Vrees dus en beef, maar bovenal bemin!

183. Welke zielen gaan naar het vagevuur?

246

-ocr page 253-

DE GROOTE CATECHISMUS.

De zielen van hen, die wel in staat van genade sterven,, maar of voor dagelijksche zonde, öf voor de vergevene doodzonde, nog niet voldaan hebben.

Het vagevuur is de plaats vau lijden, dat uiet eeuwig duurt, maar eenmaal zal eindigen, dus eeue plaats, waar tijdelijke straffen geleden worden.

184, Waardoor bewijst men het bestaan des vagevuurs?

lu. Door de H. Schrift.

Zoo immers lezen wij in liet Boek der Machabeïu, dat Judas, de Macliabeër twaalf duizend drachmen zilver naar Jeruzalem zond oiu een zoenoffer voor de gesneuvelden op te dragen; »want,quot; voegt de H. Schrijver er bij: »Het is eene hiiilige en heilzame geel ach l.e voor de overledenen te hidden.\'^ Dat gebed voor de overledenen, veronderstelt onbetwistbaar een middentoestand tusschen hemel en hel; want de zalige geesten hebben er geen behoefte aan, en den verdoemden baat het niet. Verder leeren wij in de H. Schrift, van eene strafplaats, v, mi\' de veroordeelden niet eeuwig schijnen te blijven, maar na volbrachten straftijd weder vrijgelaten worden, liij Matt. 5, 26, staat immers: » Vereenig u met uw tegenstander zonder uitstel, zoolang gij nog op den weg zijt, opdat tav tegenstander u niet aan den rechter overlevere en gij in den kerker geworpen wordet. Waarlijk ik zeg u, gij zult daaruit niet bevrijd worden, totdat gij den laatsten cent betaald hebt. 1 liermede stemmen \'s Heeren woorden overeen van de parabel des oubarmhartigen knechts: »En de Heer werd vertoornd, tegen zijn knecht en gaf hem aan de pijnig ers over, totdat hij alles, wat hij schuldig was, betaald had. Matt. 18, 24.

De Heiland zelf verklaarde eenmaal, dat de zonden tegen den H. Geest in dit, noch in het andere leven zullen vergeven worden, Waaruit de gevolgtrekking te maken is, dat andere

247

-ocr page 254-

DE GROOTE CATECHISMUS.

zonden in dit en in het andere leven vergeven kunnen worden. Eveneens spreekt de H. Paulus ook in zijn len brief aan de Cor. van een gezniverd worden als door vuur.

2°. Door de Overlevering. ITet geloof aan het bestaan des vagevnnrs belijden alle Kerkvaders, zoowel Latijnsche als Grieksche, daar zij allen van gebeden, offers en aalmoezen spreken voor de overledenen te verrichten. Zoo zegt de H. Augustinus: »Men moet de gebeden voor de zielen der overledenen niet gering achten, die ie Kerk voor alle, in hare gemeenschap gestorvene, ondereen algemeen momento (gebed) op zich heeft genomen, op iat zij, die geen ouders, kin dors, verwanten of vrienden hebben (om voor hen te bidden) door de teedere eu gemeenschappelijke Moeder bijgestaan worden. — De H. Auibrosius bidt God voor de zielen van Keizer Theodosins en Valentianns, en belooft, dat hij voor hun het Oifer zal opdragen. — De H. Gregorius laat zich aldus uit: » Het opdragen van hét heilzame Offer is ook na den dood den zielen zeer voordeelig, zoo zelfs, dat de zh\'len der overledenen zulks zelfs schijnen te verlangen.quot; - - De H. Cyprianus zegt van zekere Victor, dat voor ham, na zijn dood, geen offer of gebed zul op, edragen worden, omdat hij een priester tot een onbetamelijken ambtsdood verleid had. — In de eerste tijden der Kerk verbood reeds een Concilie, in Spanje gehouden, voor een zelfmoordenaar te bidden; en het Concilie van Worms besloot, dat men voor ter dood gebrachte misdadigers (berouwvol gestorven) de H. Mis mocht opdragen.quot; Tertuli-iiuus schrijft: »Op de jaargedachtenis dragen wij het offer voor de overledenen op.quot;

Ook de Grieksche Vaders spreken allen op dezelfde wijze: De H. Clemens schrijft, dat men een lang gebed voor de overledenen pleegt te houden en do H. Epiphanus rangschikt aan het einde van zijn werk tegen de ketterijen, het gebed voor do overledenen, onder de geloofswaarheden der Kerk on noemt

248

-ocr page 255-

DE GROOTK CATECHISMUS.

Arius een ketter, onultit lüj zalks looeheude. »Niet door tru-iieu, maar door gebeden en iuiliuoezeu luoet men de overledenen helpenquot;, zegt de H. (\'hrysostomus. Ten liuitste wil ik nog de getuigenis van den H. (\'yrillns, Patriarch van Jeruzalem, aanhalen, die zegt: »Wij bidden voor alle broeders en zusters, die door den dood van ons /.iju weggenouien, en gelooven, dat dit dien zielen tot groot nut verstrektquot;.

Ziedaar getuigenissen, die den minsten twijfel niet overlaten, omtrent het bestaan des vagevnurs, en die zich uitstrekken tot aan de eerste tijden des Christendoms. Alleen vooroordeel, onwetendheid en lage aantijging kunnen dit geloofspunt als eene latere uitvinding des priesters uitkrijten.

De gravin Straffort, eene Engelsche dame, was door eene predikatie van Mgr. 1 gt;e la Mothe, Bisschop van Amiens, zoo getroffen, dat ze besloot katholiek te worden, oFschoon ze nog bezwaren had over de H. Mis en het vagevuur. »Mevrouwquot;, zoo sprak de Bisschop, «schrijf uw protestanschen Bisschop van Londen, wien gij geheel uw vertrouwen schenkt en vraag hem namens mij, of hij in staat is te loochenen, dat de li. Augus-tinus de H. Mis gelezen en voor de overledenen, vooral voor zijne moeder, gebeden heeft. Is hij in staat het tegenbewijs te leveren, dan word ik zelf protestant. Het zwijgen echter van een man, op wien ze geheel vertrouwde, opende haar de oogen en na korten tijd zwoer ze het protestantisme af en werd katholiek.

Niet weinig protestanten nemen met ons, in zake des vagevnurs, hetzelfde standpunt in, en zeggen met een hunner geleerden, zekeren Collier, (2e d. pag. 100); »Het gebed voor de overledenen versterkt het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel, neemt het zwarte gordijn weg, dat het graf bedekt en knoopt betrekkingen aan tusschen deze en de andere wereld. Wanneer het geloof aan die waarheid ware vast-gehouden, dan zouden we waarschijn lij li niet zooveel ongeloof

240

-ocr page 256-

DE GROOTE CATECIIISJU\'S.

onder ons aantreffen. 11c begrijp niet, waarom onze Kerk, die zoover van de eerste tijden des Christendoms staat, eene gewoonte (een geloofspunt) verlaten of verachten kon, die nooit werd onderbroken, en die, gelijk wij volgens de Schrift gerechtigd zijn te gelooven, reeds in de eerste tijden bestoud ; eene gewoonte, in de Apostolische tijden, ten tijde der wonderen en openbaringen reeds in gebruik, onder de geloofsartikelen opgenomen en nooit verworpen, tenzij door Arius. Ten tijde van Auguslinus was zij — de gewoonte om voor de overledenen te bidden —- onloochenbaar in gebruik tot aan de zestiende eeuw. Wanneer we niets voor de overledenen doen, die vroeger bij het avondmaal met ons vereenigd waren, dan breken wij elke betrekking met hen af, en boe kunnen wij dan met vertrouwen zeggen, dat we in gemeenschap met de heiligen blijven\'? En als we op deze wijze elke betrekking met het edelste deel der algemeene Kerk afbreken, kan men dan niet zeggen, dat we het geloof geweld aandoen en een artikel des christelijken geloofs verwerpen ?quot;

3°. Door ons eigen verstand tot op zekere hoogte. Immers, in den hemel kan niemand komen of hij moet volkomen rein zijn ; en in de hel komt hij, die in doodzonde sterft; vandaar, dat we eene plaats moeten aannemen, waar de rechtvaardigen, de nog niet geheel reine zielen zich bevinden, tot zij den hemel worden waardig gekeurd, na de straffen lt; Jods ondergaan te hebben.

Velen lijden die tijdelijke straffen gedurende het leven, door armoede, ziekte, kruis en smarten geduldig te verdragen. Anderen boeten die straffen door een buitengewoon streng en verstorven leven, of door vasten, waken, aalmoezen, gebed of door berouw of door in werkelijkheid aflaat te verdienen, enz., en behoeven daarom niet meer te lijden. Doch de meesten sterven, alvorens de tijdelijke straffen ge-

250

-ocr page 257-

DE OROOÏK CATECHISMUS.

heel te hebben afgeboet en moeten dus nog boeten in het vagevuur. Als het nu waar is, en dit is in het algemeen zeker, dat de pijnen des vagevuurs smartelijker zijn dan het lijden dezes levens, zijn zij dan niet gelukkig te prijzen, die zich hier vrijwillig een vagevuur maken, of van wie gezegd kon wor den: zij hebben hier op aarde reeds een vagevuur? De wijze om de arme geloovige zielen te helpen, is reeds besproken bij de lijdende Kerk.

185. Zal, na het laatste oordeel, het vagevuur nog blijven bestaan?

Neen, dan zullen alleen de hemel en de hel nog blijven bestaan.

Zooals de landlieden het onkruid in bundels binden en verbranden, het koren echter tegen den oogst zorgvuldig in hunne schuren bergen, zoo ook zal God, bij het laatste oordeel, de verdoemden, het onkruid, in de hel werpen eu de zaligen, het koren, in Zijne schuren, den hemel opnemen. Daarna zal de wereldgeschiedenis opgehouden hebben en met haar de geboorten van inenschen, de dood, en de mogelijkheid om te zondigen en strat te beloopen.

486. Welke uitersten zullen den goddeloozen, welke den vromen te beurt vallen?

a) De goddeloozen zullen hebben een rampzaligen dood, een verschrikkelijk oordeel, eene schandelijke verrijzenis en de eeuwige pijnen der hei.

h) De rechtvaardigen zullen hebben een gelukkigen dood, een verblijdend oordeel, eene heerlijke verrijzenis en de eeuwige vreugde des hemels.

Dierbare lezers! hoort, wat de H. Geest zegt: »hl al wre werken, gedenkt uwe taatsle dagen, en gij zult I» eeuwigheid niet zondigen.quot; Overweegt dikwijls hel uur ran sterven, op-

251

-ocr page 258-

DE GROOTE CAJEOIUSMÜS.

dat de dood u niet onroorbiÉreid vinde; want het menschelijk leven en alle wijsheid is eene overweging des doods, waarvoor op zekeren dag alle wijzen zullen sidderen. Overweegt dikwijls den daj des oordeels, om onverwachts rekening te kunnen geven; want uilen zullen eenmaal, wellicht spoedig voor Jesus, rechterstoel verschijnen. Overweegt ook dikwijls de hel wel hare straffen, waar de worm (van zelfverwijt, van vertwijfeling en wanhoop) niet sterft en welker vuur niet wordt uitgebluscht. Overweegt ten laatste ook dikwijls den hemd mei zijne zalige vreugde en zijn heilig gezelschap, en laten u die overwegingen aansporen, Hem boven alles te beminnen, die daarboven heerscht in de eeuwen der eeuwen !

Wij sluiten de Apostolische Geloofsbelijdenis met het woordje »Ameu,quot; »dat is hier: zoo is het.quot; Daardoor bevestigen wij, dat we alles vastelijk gelooven, wat in de twaalf geloofsartikelen vervat is, en volgens dat geloof willen loven en sterven !

252

-ocr page 259-

HOOFDSTUK II.

WAT WIJ MOETEN DOEN EN LATEN.

VIJP-EN-TWINTIGSTE LES.

OVER DE DEUGD.

1. Is het ter zaligheid genoeg Ie geluoven, hetgeen God geopenbaard heeft ?

Neen, het is niet genoeg te gelooven, wat God geopenbaard heeft; wij moeten ook doen, al hetgeen God van ons hebben wil.

2. Hoe wordt de voortdurende wil en genegenheid om altijd Gods wil te volbrengen, genoemd?

Die wil en genegenheid noemt men deugd.

Hij, die dus in alles eu altijd Gods wil volbrengt, wordt met recht een deugdzaam mensch genoemd. Doch, die nu en dan iets goeds doet, en eeu goeden wil toont, b.v. vandaag godvruchtig bidt, niet vloekt, niet steelt, stipt en vaardig gehoorzaamt, maar morgen weer onverschillig voortleeft, zonder zich om Gods geboden te bekreunen, heeft geen aanspraak op den naam van deugdzaam; want de deugd maakt zich door daden of oefeningen van deugd kenbaar.

3. Is er dan onderscheid tusschen deugd, en oefeningen van deugd?

Ja, deugd is de voortdurende wil en genegenheid tot het goede; oefeningen of\' acten van deugd zijn slechts voorbijgaande goede of deugdzame werken.

GR. CAT. 17

i

i

I

i

lil

p\'i\'lft!

HH

ijl! ill

-ocr page 260-

DE OROOTE OATKCH1SMDS.

Wanneer ik b.v. eene aalmoes geef, eenigen tijd gehoorzaam of kuisch en rein doorbreng, dan bezit ik nog niet de deugd van naastenliefde, vau gehoorzaamheid en kuisch-heid, maar dat zijn slechts daden van naastenliefde, gehoorzaamheid en kuischheid, werken van voorbijgaanden aard.

4. In ivelke soorten kan men de deugd in het algemeen verdeelen?

In twee soorten: a) in goddelijke en b) in zedelijke deugd.

aj Goddelijke deugden zijn die, welke ons onmiddellijk met God bezighouden, gt;I)e liefde Gods is uitgestort in onze harten door den II. Geest, die ons gegeven isquot; Rom. 5, 5. God immers is onmiddellijk voorwerp en beweegreden waarom en waarin wij gelooven, daar Hij onfeilbaar is en niet kan liegen. Onmiddellijk hoop ik God te bezitten, omdat Hij almachtig is en getrouw in Zijne beloften, en dus onze hoop kan en zal verwezenlijken. Ik bemin God als mijn opperst goed, omdat hjj oneindig beminnenswaardig is in Zicb zelf. Zonder dat er dus iemand of iets tusschenbeide komt, geloof ik in God, hoop ik op God, en bemin Hem. Het geloof is de * wortelquot;, de hoop de gt;stamquot;, en de liefde de »vruchten des heils.quot; Over deze deugden later meer uitvoerig.

b) De deugden, die ons niet onmiddellijk met God bezig honden, noemt men zedelijke, omdat zij ons zedelijk doen en laten ten opzichte van ons zelve of van andere men-schen, of van de Godsvereering, maar niet van God persoonlijk zoo ordenen, dat ze Gode welgevallig en ons zielenheil kunnen voordeelig zijn, terwijl de eerste beweegreden niet God zeifis, maar de zedelijke goedheid van zulk een doen en laten. De zedelijke deugd wordt den mensch door God ingestort, of wel, maakt de mensch, onder Gods bijstand zich eigen, door veelvuldige oefening en vandaar ook verkregen of verworven deugden

\'254

-ocr page 261-

DE GROOTE CATECHISMUS.

genoemd. Dat de mensch verplicht is werken van deugd de verricliten, blijkt uit de H. Scliritt, die ons toeroept: »Die rechtvaardig is, worde nor] rechtvaardiger \'; tdie heilig is, nog heiliger\'; bieder boom, ivelke geen goede vruchten voortbrengt, zal uitgekapt en in het vuur geworpen worden\'. — Welk nut heeft een akker, vrij van distelen en doornen, maar tevens beroofd van vruchten? Wat een boom zonder vrucht, eene beek zonder water, een boek zonder inhoud is, dat ook is de mensch zonder zedelijke deugd.

5. Hoeveel zedelijke hoofddeugden zijn er?

Er zijft vier zedelijke hoofddeugden nl. lo. de voorzichtigheid; 2o matigheid; 3o rechtvaardigheid en 4o sterl-te.

Deze worden hoofddengdon genoemd, omdat ze de grond van alle andere deugden zijn, de as waarom alle andere deugden als raderen draaien. De H. Bernardus geeft de onderlinge verbinding dezer deugden met de volgende woorden aan: De voorzichtigheid zoekt de waarheid en deugd ; de matigheid houdt deu juisten weg en kiest de gesciiikte middelen oxn volgens de waarheid en deugd te leven; de rechtvaardigheid geeft een ieder het zijne; en de sterkte is de uitvoerder der werken, die waarheid en deugd ons voorschrijven. We zullen dat nader uiteenzetten:

lo. De deugd van voorzichtigheid bestaat hierin, dat we erkennen, wat goed on Gode welgevallig is en ons door onverstand niet tot het kwaad laten verleiden. Dit zedelijk verstand is vhet oog der zielquot;, zegt de H. Thomas van Aquino, en de H. Bernardus noemt haar »het roer op het schip des levensquot;. Voorzichtig is hij dus, die volgens de waarheid van Gods woord en geboden weet te leven, terwijl zij deze deugd missen, die zich in de strikken dei-dwaling en zonden laten vangen. De christen, die voorzichtig

255

-ocr page 262-

DE OROOÏE CATECHISMUS.

is, vraagt zich af: Hoe zou Jesns in dit geval deukeu, spreken en doen en richt daarnaar zijn gedrag. Dat is ware wijsheid.

2o. De matigheid breidelt in het algemeen de neigingen en begeerten, in het bijzonder de genotzucht, en richt en ordent ze zoo, dat de bovennatuurljjlce goederen, onder de overtollige zorgen voor het tijdelijke niet lijden, en onze ziel in den strijd tegen de vleeschelijke lusten, het onderspit niet delve. Vandaar, dat ze in de beoefening der werken van deugd, den rechten en juisten maatstaf houdt, om niet te veel en niet te weinig te doen.

3o. De rechtvaardigheid bestaat in den voortdurenden wil, en de bereidvaardigheid om een ieder het zijne te geven, den keizer, wat des keizers en Gode, wat Godes is. Deze deugd is ook noodzakelijk voor staten en volkeren. Neemt de rechtvaardigheid uit het maatschappelijk leven, en de veiligheid voor leven en eigendom zal verdwijnen, rust en orde verbreken, de wereld zal tot een roofnest en moordhol en hare bewoners zullen tot roovers en moordenaars verlaagd worden; waar geen rechtvaardigheid bestaat, zijn tucht en liefde verre te zoeken.

4o. De sterkte is de deugd, die ons pal doet staan in den dienst van God te midden van bekoringen, vervolgingen en lijden, zelfs met de grootste opofferingen, ja, met hetoffer zijns levens. Hem, die deze deugd bezit, kan niets doen wankelen in de liefde Gods, want hij weet, dat zij alleen zullen zalig worden, die tot het einde toe volhard hebben. O, hoevele zielen zijn thans bij God, die liever smaad en vervolging ondergingen, dan hun\' dienst aan Jesus opzegden ! Hoevelen, die liever hun leven dan hun geloof en hunne liefde tot Jesus ten offer brachten ! Ja, hoevele kronen heeft de Heiland niet uitgedeeld aan martelaars, belijders en boetvaardige zielen, juist, omdat ze zich de deugd van christelijken moed en van wilskracht in zulk eene hooge mate hadden eigen gemaakt.

-ocr page 263-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Volgen wij liier hun bewonderenswaardigen en standvas-tigen christelijken mannenmoed, dan deel en wij ook zeker in hun loon!

6. Wat zijn Evangelische raden ?

Zedelijke deugden, door Christus aanbevolen (niet geboden) tot welke niemand verplicht is, dan die er zich toe verbonden heeft; als lo. vrijwillige armoede; 2o eeuwige zuiverheid, en 3o. volkomen gehoorzaamheid ?

Deze deugden beveelt Jesus in tie H. Schrift aan, als bijzondere middelen om tot de christelijke volmaaktheid op te klimmen en vandaar, dat ze Evangelische Raden (geen geboden) genoemd worden. Al zijn nu deze hoogste graden der betrokkene deugden in het algemeen aan te raden ot raadzaam, daarom zijn ze dit nog niet voor ieder persoon in het hijzonder. De naleving dezer I Jaden heeft in Gods oog eene hooge waarde, omdat daarbij geen dwang of noodzakelijkheid, zooals bij het volbrengen van een gebod, maar de vrije wil van den mensch in het spel is, alsook, omdat de mensch daardoor aan God ten offer brengt, wat naar omstandigheden grooter kan zijn dan het offer des levens. Of zou het kind niet meer ouderliefde verdienen, dat uit vrije beweging, zonder de minste aanleiding ot noodzakelijkheid, zijn\' ouders alle denkbare genoegens bewijst, dan een ander, dat daartoe moet gedwongen worden en dan nog veel minder doet? Laten we de drie Evangelische Raden wat van naderbij beschouwen.

lo. Vrijwillige armoede is zich ter liefde van (\'hristus vrijwillig van alle tijdelijke goederen ontdoen, om des te beter en ongestoorder voor de eeuwige te kunnen arbeiden; want die aldus arm is, wordt ook niet meer gekweld door zorgen om tijdelijke goederen te verkrijgen, te behouden ofte vermeerderen. Vandaar, datjesus den jongeling raadde : » Wilt

257

-ocr page 264-

DE GROOTE CATECHISMUS.

gij uolwaakt worden, verkoop dan lilies, vrat gij bezit en geef het den armen.quot; Ea dien raad heeft Jesus door Zijn voorbeeld bekrachtigd. Arm werd Hij geboren, arm leefde Hij en arm stierf Hi]. Geen steen was Zijn eigendom om Zijn hoofd op neer te leggen, en liefdegiften voorzagen in Zijn onderhoud. Dien raad en dat voorbeeld werd, sedert dien tijd door velen, door de Apostelen en eerste christenen, door religieusen van beider geslacht opgevolgd. Vrijwillig werden zij arm met Jesus, in de zoete hoop, met Hem de schatten des hemels te deelen. Ja, door armoede kan men de schatten des hemels koopen.

2o. Eeuwige zuiverheid is de vrijwillige levenslange onthouding, niet slechts van allen zondisren wellust, maar ook van het huwelijksleven, om zoo God meer volmaakt en onverdeeld te kunnen dienen. Het was die maagdelijke kuischheid, welke zooals wel beweerd wordt den H. Johannes den Dooper tot voorlooper, en den H. Johannes Evangelist tot lievelingsleerling van Christus verhief! En wie zal de duizenden tellen, die dat voorbeeld volgden en in eeuwige onthouding leefden ? Ofschoon niet weinige leeken vrijwillig de gelofte van eeuwige zuiverheid afleggen, wordt die gelofte uitdrukkelijk van hen, die religieus en priester willen worden, geëischt, maar niet afgedwongen. Tot die gelofte is niemand gehouden, maar wel is elk in zijn staat, op zware straf verplicht, altijd kuisch te leven. (In het zesde gebod uitvoeriger hierover)-

3o. Volmaakte gehoorzaamheid is niet de natuurlijke gehoorzaamheid aan ouders, overheden, enz. verschuldigd, maar bestaat hierin, dat men zijn eigen wil vrijwillig opoffert, en zich onder een overste plaatst, die Gods plaats bekleedt, om des te zekerder den wil van God te kennen en te kunnen volbrengen. Het schoonste voorbeeld gaf ons hierin Jesus zelf. Hij stond boven de wet, boven Zijne moeder en Zijn pleegvader, was God met den Vader, en vrijwillig onderwerpt Hij

258

-ocr page 265-

DE GROOTK CATLCHISMUS.

Zich aan wet, ouders en hemelschen Vader en is zelfs gehoorzaam tot den dood des kruises. »Ik hen niet gekomen om Mijn wil te volbrengen, maar van Hem, die Mij gezonden heeftquot;. Ontelbaar zijij zij, die op dat goddelijk voorbeeld hun eigen wil verloochenden en den wil hunner geestelijke oversten als de hunne beschouwden. De religieusen beloven, alvorens den religieusen staat te omhelzen, uit eigen beweging en geheel vrijwillig deze gehoorzaamheid, overtuigd, dat het zaliger is te gehoorzaiuen dan te gebieden.

Uit de waarheid, dat de menschen, en dus ook de christenen, verdeeld zijn in goede, hetere en heste, volgt nog niet, dat allen volgens de Evangelische Raden leven en tot de beste moeten behooren, maar wel, dat ieder christen, ten minste onder de goede eene plaats innemen, en in de wereld, maar niet met de wereld moet leven. Vergeten wij echter niet, dat hij, die God goed dient, eeuwig beloond zal worden; dat hij die Hem beter dient een beter loon, en die Hem het heste, het volmaaktste dient, de beste en schoonste kroon ontvangt!

7. Welke zijn de acht zaligheden ?

Die deugden of goede werden, waaraan in het bijzonder de zaligheid beloofd is.

Dat de geest der wereld lijnrecht tegenover den geest van Christus staat, blijkt daghelder uit de deugden, acht zaligheden genoemd, door Jesus zelf, bij gelegenheid, dat Hij van af een berg tot het volk sprak, als zoovele wegen des hoils aanbevolen. De wereld immers noemt als bronnen van geluk en zaligheid, eer, rijkdommen, roem en genot, zooals ze in het leven op aarde tijdelijk te bekomen zijn, terwijl Jesus leert, ons geluk en onze zaligheid door God en Zijn heiligen dienst te zoeken ; Hij zegt:

lo. Zalig de armen van geest, want hun is het rijk der hemelen.

259

-ocr page 266-

DE GROOTE OATECHISMÜS.

2o. Zalig de zachtmoediger!, want zij zullen de aarde bezitten.

3o. Zalig zij, die weenen, want zij zullen vertroost worden.

4o. Zalig zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

5o. Zalig de barmhartigon, want zij zullen barmhartigheid verwerven.

60. Zalig de zuiveren van harte, want zij zullen God zien.

7o. Zalig de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

80. Zalig zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid, want hun is het rijk der hemelen. - -Eene korte verklaring zal hier niet ondienstig zijn.

1 o. Zalig de armen van geest, want hun is het hemelrijkquot;.

Armen van geest zijn zij, die den geest, dat is hier, het bewustzijn hebben, dat zij arm zijn. Dat bewustzijn is bij armoede aan goederen der fortuin noodzakelijk aanwezig, en kan alleen afwezig zijn ten opzichte der zedelijke armoede. Zoo wordt het bewustzijn der eigen zedelijke armoede bedoeld. Dit valt in hoofdzaak samen met ootmoed of nederigheid. Het is de diepste voorwaarde, om deel te hebben aan het rijk Gods; de gevoelde overtuiging van eigen ellende en onvermogen in zake gerechtigheid en zaligheid. Waar die ongenoegzaamheid of behoefte niet gevoeld en erkend wordt, daar is zelfs voor het begin des heils geen plaats of\' daar kan de grondslag niet eens gelegd worden: de waarheid, het geloof. Dat men zulk eene zielsgesteldheid meer bij armen en mis-deelden dan bij rijken en gezegenden vindt, ligt in den aard der dingen; \'t is echter niet noodzakelijk zoo, en ook niet altijd het geval. Het loon aan de armen van geest toegezegd, is het hemelrijk op aarde, bestaande in een gerust geweten en het bezit van God na dit leven.

2o. »Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk bezittenquot;.

260

-ocr page 267-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Zachtmoedig- zijn jilleu, die medelijden en geduld hebben met de gebreken van anderen, en de beleedigingen hun toegevoegd, met geduld verdragen. Het loon dezer deugd is het bezit des aard rijks, het bezit van het ware Beloofde Land van den koning Messias, het tegenbeeld van het land Kanaiin, d. i. zij zullen hier op aarde de liefde en achting van God en menschen wegdragen en de bitterheid der vijandschap niet smaken; de zachtmoedigheid overwint de hevigste vijanden, de grootste wraakzucht en afgekeerdheid; tegen haar is geen wapen bestand.

•!o. Zalig de treurenden; want zij zullen vertroost wordenquot;. Onder treurenden worden hier verstaan, die weenen over hunne zonden, als in strijd met de wederliefde, God verschuldigd, en met ons eigen belang. Daarom beweenden David, Petrus en Magdalena onder heete tranen, hunne fouten en misstappen; en verzoening met God en de daaruit voortvloeiende vertroosting op aarde en in den hemel was hun loon en zal altijd dat der rouwmoedig treurenden zijn. Ja, de tranen van boetvaardigheid vormen eene bron, waaruit wij tij del ij ken en eeuwigen troost zullen putten.

4o. Zalij zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid ; want zij zullen verzadigd wordenquot;.

Zij hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die de waarheid en liefde Gods zoeken en verlangen, zooals b.v. lo. de ongeloovigen en dwaalgeloovigen doen, door alle moeite aan te wenden, om zich van de ware leer te overtuigen; en 2o. zij, die zich beijveren, om de verloren onschuld terug te erlangen, of gerecht zijnde, trachten meer en meer de liefde Gods waardig te worden. Het loon, hun weggelegd, is de verzadiging of vervulling hunner wenschen, de zalige bekroning van hun arbeid op aarde en in den hemel.

öo. Zalig de harmhartigen ; want zij zullen barmhartigheid verwervenquot;.

261

-ocr page 268-

DE OROOTE CATECHISMUS.

Onder de banuhartigen, hier bedoeld, zijn te verslaan zij, die een hartelijk medelijden hebben met de ellende en het ongeluk van hnn evenraensch, en ter liefde Gods, daar, -vnar het noodig is, naar vermogen bijstand en hnlp in den nood verleeneD, door geestelijke of lichamelijke werken van barmhartigheid. De beoefenaars dezer deugd zullen daardoor tot loon, zelf bij God barmhartigheid vinden. Tot hen zal eenmaal gezegd worden: »Ik had honger en gij hebt Mij gespijsd; Ik had dorst en gij hebt Mij gelaafd; Ik was naakt en gijhebt Mij gekleed, enz. Welaan, treedt binnen in \'sHeeren vreugde.quot;

60. »Zalig de zuiveren ran harte; want zij zuilen God aanschouwen.1\'

Hiertoe behooren zij, die deugdzaam en zich geene zonde bewust zijn, en met Gods genade de begeerlijkheden deroogen, des vleesches en der wereld onderdrukken. Wat treffende voorbeelden van reinheid des harten geven ons de H. Maagd, de H. Johannes de Dooper, de H. Aloysius en zoovele heiligen te aanschouwen! Het zalig leven aan de zuiverheid des harten verbonden, bestnat in het geheimvolle verkeer en den zoeten omgang met God op aarde en in den hemel, door het tijdelijk en eeuwig bezit van een vrede, welken de wereld niet kent.

7o. Zalig de vreedzamen, want ze zullen kinderen Gods genoemd worden.

Vreedzaam zijn zjj, die trachten in- en uitwendig den vrede te bewaren met God, met zich zelf en met hun evenmensch. Dat God een bijzonder welgevallen in deze deugd heeft, blijkt uit het loon, want Hij noemt de vreedzamen skinderen Gods.quot; Weg dan met alle afgekeerdheid, met twist en krakeel, en stelt meer prijs op \'t kindschap Gods, dan op het doordrijven van uw hurtstochtelijken wil.

80. »Zalig zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid, want hun is het hemelrijk.quot;

262

-ocr page 269-

DE fiROOTE CATECHISMUS.

Zij dus, die ter wille vau Christus, van het geloof, vau de waarheid of de deugd, verachting of vervolging lijden, zoo als de Apostelen, Martelaars en zoovele andere heiligen en geloovigen zelfs nog in onze dagen, gelijk de geschiedenis in Duitscbland, Frankrijk, Polen, China, enz. ons leert, zullen tot loon den hemel erven. Wordt het u nu niet duidelijk, waarom ontelbare geloofshelden de gruwzaamste lichamelijke en ziels-smarten, ja zelfs den dood met blijdschap aannamen? »Ge kunt ons \'t aardsche leven ontnemen, maar bespoedigt daardoor het bezit van ons hemelleven ; ge kunt ons berooven van huis, erf en vaderland, maar verzekert ons daardoor meer en meer het hemelsch vaderland en zijne goederen! Ziedaar de gedachten, die martelaars en ballingen om en voor Christus bezielen, en welke eenmaal ook werkelijkheid zullen worden.

Wellicht zul uw bloed niet gevorderd worden om de waarheid van Jesus leer te bevestigen, of om Jesus wille het brood der ballingen te eten; maar wel eischt God van ons allen, om ons geloof in Hem door daden te toonen en met de hulp Zijner genade, den weg der zaligheid te bewandelen. Wee hem, die zijn voet zet op den weg des verderf?, want eeuwig-verderf is zijn loon!

8. Hoeveel goddelijke deugden zijn er ?

Drie; geloof, hoop en liefde.

Nadat we met eenige trekken de zedelijke hoofd- en andere deugden geschetst hebben, rest ons nog de goddelijke deugden te bespreken. Door deze deugden in ons op te wekken, erkennen en vereeren wij de schoonste en verhevenste volmaaktheden Gods, n.1. Zijne waarachtioheid, getrouwheid, almacht, liefde, oneindige goedheid en schoonheid, en schenken Hem het waardigste, wat we bezitten: ons verstand, ons hart en onzen wil, zonder welk offer niemand God naar waarde kan eeren en dienen. Of is het mogelijk, tot God

263

-ocr page 270-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

biddend op te zien, als ik niet nan Zijn bestaan geloof? Hoe zal ik Hem danken voor weldaden, wanneer ik niet aanneem, dat van God alleen alle goed voortkomt? Hoe zal ik mij aan Gods wil onderwerpen, indien ik in Hem niet geloof, daar ik vooral door liet gele-of Zijn wil ken ? En wanneer ik niet naar den hemel verlang en de hoop koester. Hem eenmaal te bezitten, hoe zou het mij dan invallen, het goede te doen, de geboden te onderhouden, om den hemel te verdienen, steunende op Gods beloften ? Bemin ik God niet, dan zal het verlangen in mij ook niet opkomen, met Hem te spreken, Hem welgevallig te zijn en Hem in den hemel te bezitten. Ter verduidelijking zullen we elk in het bijzonder in het kort verklaren en beginnen in de

ZES-EN-TWINTIGSTE LES.

OVER DE GODDELIJKE DEUGD; HET GELOOF.

9. Wat is de goddelijke deugd des geloofsl

Eene deugd^ door God ons ingestort, welke ons

genegen maakt, alles wat God geopenbaard heeft, vastelijk als waarheid aan te nemen, omdat God het gezegd heelt, die niet liegen ot\' dwalen kan.

10. Het is derhalve eene bovennatuurlijke, bij het Doopsel, ons ingestorte, dus onverdiende deugd, een geschenk van Gods goedheid in onze harten, hetgeen door geene natuurlijke krachten te verkrijgen is. Terecht zogt de Apostel: »He genade heefl ons zahcj gemaald door hel geloof; hel is niet uit u, hel is eene gave Gods; hel komt niet, voort uil de werken, opdal zich niemand verheffe; wanl wij zelf zijn hel werk van God.quot; Zonder dat geloof is het onmogelijk God te behagen en zalig te worden, vandaar, dat Jesus zeide: »Al wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.quot;1

264

-ocr page 271-

BE (ÏROOTE CATECHISMUS.

Zijn niet-gelooven is zijne veroordeeling. (Vgl. 1 ü. vr. 15—19.)

2o. Het geloof is eeue goddelijke deugd, welke ons genegen maakt, alles vastelijk te gelooven, wat God geopenbaard heeft, omdat God het gezegd heeft, die niet liegen of dwalen kan.

Ouder hetgeen God geopenbaard heeft, verstaat men alles, wat God door de Patriarchen, profeten en eindelijk door Jesus zelf heeft gezegd, met betrekking tot de wegen van ons heil en het wezen Gods, hetzij dit in den Bijbel is op-geteekend, of door de Overlevering wordt bewaard. God zelf spreekt en openbaart de waarheid, en zou ik Hem mijn geloof weigeren en mijne rede en mijn vorstand boven Zijn onfeilbaar woord plaatsen? Mijn verstand en mijne zintuigen \'kunnen dwalen, en dwalen, helaas! maar al te dikwijls; maar God, de oneindige en onfeilbare waarheid, kan Zich niet bedriegen, wil ons ook niet bedriegen en kan niet bedrogen worden.

10. Waardoor weten wij, wat God reopenbaard heeft ?

Door de H. Kerk, die onfeilbaar is.

Het zou tegen Gods wijsheid strijden, wanneer Hij de te gelooven waarheden aan de willekeur van het menschehjk verstand had overgelaten. Daarom droeg Hij de onfeilbare Kerk de zorg op, de overgeleverde eu de te gelooven waarheden en leerstukken ongeschonden te bewaren en als noodzakelijk ter zaligheid, te gelooven voor te stellen. Zij bekleedt persoonlijk »Jesusquot; plaats; want zoo sprak Hij: »Dit\', u hoort, hoort Mijquot;. Die dus een enkel artikel des geloofs verwerpt, heeft zijn geloof verloren, daar hij steunt op de zwakke getuigenis van zijn bekrompen verstand, en de onfeilbare getuigenis der Kerk en in haar, Gods waarachtigheid zelve verwerpt; want »dien veracht, veracht Mijquot;; »gaat en onderwijst

2G5

-ocr page 272-

U£ GBOOTE CATEClliSMUS.

alle volkereiiquot;; »Ik ben iiiel u tot de voleinding der tijden1. Inderdaad, zooais een bezorgde vuder stervend nog aan zijne kinderen denkt, en een voogd benoemd, die in zijne plaats de nagelaten goederen voor de kinderen niet slechts moet bestn-

O O

ren en op zijn tijd verdeelen, maar ook moet zorgen, dat ze niet geroofd of vervalscht worden, zoo ook stelde Jesus voor Zijn vertrek van deze aarde. Zijne Kerk als Bestuurderesse en uitdeelster Zijner genadeschatten aan, en legde haar de verplichting op, de geloofswaarheden ongeschonden te bewaren en deu volkeren te gelooven voor te stellen.

11. Wanneer verrichten wij eenc akte van de deugd des geloof si

Wij verrichten eene akte van geloot, zoo dikwijls wij door onze gedachten, door een woord of werk te kennen geven, dat wij om God gelooven, hetgeen Hij geopenbaard heeft.

De gedachten b.v.: »wat is God toch groot en machtig, enz.quot;; »wat heeft Jesus toch veel voor mij geleden, enz.quot;, zijn geloofsdaden. De woorden: »o God ik aanbid LTquot;! »lieve Jesus, ik bemin ü!quot;; »Maria, moeder van God en de men-schen, ik loof u! enz.quot; zijn akten van geloof, terwijl het ontvangen der sacramenten en elke daad, waarin een akte van geloof ligt opgesloten, werken des geloofs zijn.

12. Is het reeds groote zonde aan eene waarheid des geloofs te twijfelen ?

Ja, want dan betwijielen wij Gods waarachtigheid en de onfeilbaarheid der H. Kerk.

Het is zonde tegen het geloot te spreken en te handelen, maar ook de vrijwillige twijfel aan eene waarheid des geloofs is eene groote zonde. Het gebeurt wel eens, dat we door onvrijwillige twijfelingen gekweld worden, zelfs de braaf\'aten

\'itgt;6

-ocr page 273-

DE GROOTE CATECHISMUS.

blijven hiervun niet verschoond. Wat dan te doen? Terstond eene vurige akte van geloof verwekken en de duisternis der twijfelingen zal plaats maken voor het vertroostend licht der waurheid. Zeg dan: »Ik geloof, Heer! doch ondersteun en help mij in mijne zwakheid!quot; slleer, vermeerder het geloof in ons!quot; aldus smeekten de Apostelen.

Hieruit blijkt de waarheid, dat het geloof graden heeft en in alle harten niet even groot is, toe- en afnemen kan en evenwel het ware geloof blijft. Het kan zwak zijn en sterk, vurig en flauw, levend en dood. En wie, denkt ge wel, dat in dit opzicht het groolste loon zal wegdragen ? Hij zeker, die het vurigst en menigvuldigst door geloovige gedachten, woorden en werken, de gevoelens van zijne geloovige ziel aan God te kennen geeft; zijn loon is. God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen en te bezitten, daar, waar bet geloof in eeuwige zekerheid verkeeren en de twijfel geen plaats meer zal vinden.

13. Welke waarheden moeten wij weten en geloo-ven uit noodzakelijkheid des middels of om zalig te kunnen worden ?

Deze vier ; lo dat er één God is; 2o dat er in één goddelijk wezen drie goddelijke personen zijn, de Vader, de Zoon en de H. Geest; 3o dat Gods Zoon voor ons mensch geworden en gestorven is; 4o dat God het goede beloont en het kwade bestraft.

Kan iemand leven, zonder te eten? Kan een vogel vliegen zonder vleugels? Zoudt ge zonder oogen kunnen zien? Zou de lamme in staat zijn zonder krukken te loopen? Zooals nu de spijs voor den mensch om te leven, de vleugels voor de vogels om te vliegen, de oogen om te zien en de krukken den lamme om te loopen, noodzakelijke middelen zijn, zoo ook kan niemand onzer zalig worden, die deze vier waarheden, al

•267

-ocr page 274-

DE GROOTE CATECHISMUS.

was het ook maar één daarvan, niet weet of gelooft; die waarheden dus te kennen en te gelooven, is voor ons een noodzakelijk middel om zalig te kunnen worden. Vandaar, dat het kind reeds bij het doopsel, hij monde van Peter en Meter, belijdenis dier waarheden aflegt en later tot de jaren van verstand gekomen, persoonlijk zijn geloof in die waarheden uitspreekt. Dat er vele zielen naar den hemel gaan, zonder die persoonlijke belijdenis te hebben afgelegd, behoeft geen betoog. Ook zij, die verstandeloos geboren worden en sterven, zijn hiervan uitgezonderd, maar overigens moeten die waarheden noodzakelijk gekend en geloofd worden door een ieder, die tot de jaren van verstand gekomen, tot akten van geloof in staat is, hetzij men lezen kan of niet, onontwikkeld of geleerd zij.

14. Welke stukken zijn wij uit noodzakelijkheid dks grbods^ d. i. jestrengelijk verplicht te kennen ?

lo. Het Onze Vader; 2o. het geloof in God den Vader; 3°. de tien geboden Gods; 4°. de vijf geboden der H. Kerk; 5°. de H. Sacramenten, die wij ontvangen; en 6°. de plichten van onzen staat.

Het noodzakelijk gebod, dat ons de gestrenge verplichting oplegt, de zes bovengenoemde stukken te kennen, heeft alleen betrekking op degenen, die tot de jaren van verstand zijn gekomen; want alle goed gedoopte kinderen, die sterven, alvorens tot die jaren te zijn gekomen, gaan regelrecht naar den hemel; doch de mensch, die door eigen schuld1 nalaat deze zes stukken te leeren, doet zware zonde; zóó noodzakelijk, zóó gestreng is dit gebod. Daar de eerste vier stukken elk op zijne plaats behandeld worden, wil ik n hier slechts de laatste twee verklaren en toonen wat de woorden zeggen willen:

a) Wij moeten de Sacramenten kennen, die wij ontvangen.

268

-ocr page 275-

DK 01I00TE CATECHIS.MDS.

Wiiuueer iemaud een Sacrament ontvangt, b.v. hij wil biechten, dan moet Li) weten, wat hij doen moet, om dit waardig en met vrucht te kunnen doen; hoe hij berouw over zijne zonden hebben en die belijden moet, en hoe hij de penitentie moet volbrengen. Een ander gaat communiceeren. Deze moet weten, dat hij onder de gedaante van brood, Christus zelf, met godheid en mensch-heid, met ziol en lichaam ontvangt, en wat er overigens tot de voorbereiding en dankzegging gevorderd wordt. Weeleen ander is voornemens te huwen; deze moet bekend zijn met den aard en het doel des huwelijks en de genade, die het den gehuwden mededeelt. En /.00 mag niemand een Sacrament ontvangen, zonder te weten, wat hij ontvangt of doet. Vandaar de zorgzame voorbereiding, welke onze Moeder, de H. Kerk, het ontvangen der Sacramenten laat voorafgaan, en niemand toelaat, de Sacramenten te ontvangen, die niet genoegzaam daartoe is voorbereid.

h) De plichten van onzen staat kennen. Ieder mensch is zijn staat in de wereld door God aangewezen. Eenigen zijn arm, anderen rijk, sommigen gehuwd, anderen ongehuwd; de een is bestuurder en wetgever, anderen zijn onderdanen: maar elk, wie hij ook zij, moet de plichten van zijn staat kennen en weten, wat hem te doen staat; want in den door God aangewezen staat kan de mensch bet best, en moet hij zijn tijdelijk en eeuwig geluk vinden. Zoo b.v. moet de geneesheer, de rechtsgeleerde, de priester, de huisoversten, de landbouwer, de werkman, enz., ieder in zijn staat, ook de plichten daarvan kennen; want kent hij ze niet, dan zal hem zijn staat gewoonlijk tot eigen en een anders verderf strekken.

15. Zijn wij verplicht ons geloof soms openlijk voor de menschen te belijden?

GR. GAT. \'18

-ocr page 276-

DE GROOTE CATECHISMUS

Ja; wanneer de eer van God ol het heil des naasten dit vorderen.

In deze gevallen moeten wij zelf den .schijn vermijden, ons geloof te verlooclienen, iuhiu\' het vrijmoedig, op gevaar af van vervolging of dood, voor de wereld belijden. Jesus zelf spoort ons daartoe aan, als Hij zegt: » Wie Mij voor de men-schen belijden zal, hem zal Ik ook voor Mijn hemelschen Vader belijden.quot; Math. 10, 32-li3. En de Apostel Panlus schrijft: Met het hart gelooft men ter gerechtigheid, en met den mond geschiedt de belijdenis ter zaligheid.quot; Kom. 10, 10. (v. b. de martelaars.

16, Welke eigenschappen moet ons geloof bezitten ?

4°. Ons geloof moet algemeen zijn, d. i. wij moeten niet slechts eenige, maar alle waarheden ge looven, die ons de Kerk voorstelt te gelooven; want Christus zegt uitdrukkelijk : S)Leert hen alles onder houden, wat Ik a gezegd, heb.\'quot; Matt. 28 20.

En de H. Johannes; »Een iegelijk, die afwijkt en niet in de leer van Christus gelooft, bezit God niet.quot; 1 Joh. 1, 9. Immers, die van Christus\' leer slechts dat gelooft, wat hem goeddunkt, heeft volstrekt geen geloof; want hij gelooft niet God, maar zijn eigen oordeel. Duidelijk is hetgeen de H. Augustinus hiervan zegt: «Wanneer gij in het Evangelie slechts dat gelooft, wat gij wilt, en niet gelooft, wat ge niet wilt, dan gelooft ge u zeiven meer dan het Evangelie, want wanneer het eigen verstand zich verstout, in de Schrift aan te nemen en te verwerpen, wat het goeddunkt, dan onderwerpt het zich niet aan het gezag der H. Schrift, maaide H. Schrift aan zijn eigen wil en verstand. Welk eeue les, door den H. Augustinus, niet alleen aan Faustinus, maar ook aan ketters en protestanten van onzen en vroegeren tijd gegeven, waarmede elk katholiek ook zijn voordeel

270

-ocr page 277-

DE GROOTE CATECHISMUS.

moet doen. Zeggeu wij met den H. Basilius: »Met goed en bloed houd ik vast aan de katliolieke leer en wil liever sterven, dan één woord, één punt of zelfs ééne komma opgeven want zooals eene enkele kleine scheur in eene klok haar toon vervalscht, eene enkele wanklank de harmonie der muziek verstoort, evenzoo is eene enkele dwaling oorzaak van ge-loofsvervalsching en krenking onzer heiligste belangen.

2°. Ons rjéloof moet vast zijn, d.i. wij moeten gelooven «zonder het minst te twijfelen, zooals we reeds vroeger in \'t kort aangaven. Spiegelen we ons hier aan Abraham, die tegen de hoop, aan de hoop gelooft en daarvoor tijdelijk en eeuwig beloond wordt, terwijl Mozes en Aiiron tot straf voor hunne wankelmoedigheid aan Gods woord, het beloofde land niet mochten betreden. Valt u soms de gedachte in, hoe is dit of dat mogelijk, hoe kan onder een uitwendig toeken eene bovennatuurlijke kracht werkzaam zijn en inwendige genade mede-deelen, enz., zeg dan tot u zeiven: niet den begrijpers, maaiden geloovers is het hemelrijk toegezegd, welks deur tot opschrift draagt, niet: »Hoe en waarom,quot; maar »Credoquot;: Ik geloof. Hoe vast toonde zich het geloof van Lodewijk den heilige, koning van Frankrijk, toen men hem kwam zeggen, dat in zijne slotkapel in plaats van de heilige Hostie, dooide aanwezigen een wonderschoon knaapje gezien en hij uit-genoodigd werd, het wonder te komen aanschouwen. Neen, antwoordde de koning, ik kom niet; die niet gelooft, laid hij gaan zien: ik zie Hem alle dagen door de oogen des geloofs.

3°. Ons gelool moet levend zijn, met andere woorden, wij moeten volgens het geloof leven, de deugd beoefenen en de zonde vluchten, zooals het geloof voorschrijft; want het geloof zonder de werken, dat zich niet levend toont door eene werkdadige liefde, is een dood geloof en zal den bezitter niet tot zaligheid, maar tot zwaarder veroordeeling strekken. Hij immers, die gelooft, dat godslastering, zware vloeken, onkui-

271

-ocr page 278-

DK GROO I\'i: CATECHISM PS.

sche werkeu, het vrijwillig verzuim der li. Mis op verplichte dagen, groote haat en wraakzucht, zware diefstal, enz. op straf van doodzonde, door God verboden zijn, en ze toch bedrijft, diens schuld is veel grooter dan van hem, die niet zoo goed, of in \'t geheel niet bekend is met Gods geboden. Wat baat het ter zaligheid te gelooven, dat we werken van godsvrucht moeten beoefenen, en het evenwel niet doen, maar het gebed, de sacramenten enz. verwaarloozen. Daarom schrijft de I I. Jacobus 2, 21): » Gelijk het lichaam zonder de ziel dood is, zoo ook is het geloof dood zonder de werken.\'\'\'\' Eu de H. Pau-lus aan de Gal. 5, u: »/?i Christus Jezus geldt (slechts) hal geloof, dat door de liefde werkzaam is.quot; Vereenig dan met het ware geloot een heilig leven, opdat gij (quot;hristus belijdt door uwe woorden, door het ware te gelooven, en door uwe werken, door rechtschapen te leven.quot; H. Aug. »Draag de lantaarn des geloofs in uwe hand en brand daarin de liefde, welke u zal toonen, wat gij te doen of te laten hebt.\'\' Dezelfde. — Zoo is het! Ueiujd zonder geloof is onvruchtbaar zaad, maar geloof zonder deugd is ook een onvruchtbare boom. »Niet zij, die roepen, lieer! lieer! maar zij, die den wil volbrengen van Mijn Vader, die in den hemel is, zullen het hemelrijk bezitten.quot; »Niet de geloovers, maar de ge-loovige doeners zullen zalig worden,quot; zeide Pater Bernard.

4°. Ons geloof moet standvastig zijn, d. i. wij moeten bereid zijn liever alles, zelfs het leven op te offeren, dan ons geloof te verloochenen of af te vallen. Alle katholieken, die zich getrouwe kinderen van hunne Moeder, de H. Kerk willen toonen, moeten aan het heilig geloof der Vaders vasthouden en daarvoor, des gevorderd, sterven en de goddelooze nieuwigheden van heillooze menschen verafschuwen en verworpen.quot; Vine. Ler. En reeds vóór hem, schreef de IT. Paulus Heb. 3, 12; »Ziel toe, broeders, dat niet in een van u zij, een ongeloovig hart, genegen van den levenden God af te vallen.quot;

\'272

-ocr page 279-

HE GROOTE CATECHISMUS.

O, brengt u hier voor den geest die duizeudmiial duizenden marteliiars en andere heilige katholieken, die met hun bloed hun geloof in Jesus bezegelden, en liet verlies van goederen, vaderland, staat en leven gewin achtten, als ze daardoor het geloot\' maar konden bewaren. Hunne standvastigheid te midden der hevigste martelingen en rampen verdubbelden niet zelden de woede hunner beulen, maar dikwijls was zij ook de aanleiding tot hunne bekeering en altijd is ze ons allen een spoorslag ter navolging.

17. Welke zijn de voornaamste oorzaken, welke tot afval van het geloof aanleidimi neven ? i0 Trotschheid.

Een zoogenaamde groote g«est erkent volstrekt niet. het-

O ~ \'

geen de ootmoedige duidelijk en klaar inziet. Daarom bad do goddelijke Heiland: »//? prijs IJ. Vader, Heer van hemd en aarde, dat Gij dit den wijzen en kloeken verborgen, den kindet\'kem echter geopenbaard liehl!quot; Matt 11, 25. — Niet weinigen worden er geTonden (nu en vroeger) die, zoolang men hen ongehinderd laat spreken, schrijven en handelen, den schijn van katholiek blijven bewaren, maar zoodra de Kerk hen wijst op hun tegenstrijdig gedrag, met het geloot\', dan stuiven ze op. schelden de bekrompenheid en heersch-zucht der priesters uit, aan wier leiband ze niet langer verkiezen te loopen. Langzaam worden ze dan feitelijk niets ot\' protestant en, zeker, door woord en daad, at\'brekers van het geloof, zooveel in hen is, bij anderen.

2°. Anderen treffen we aan, op wie het woord past: »Die komen van niet tot iet, kennen zich-zelven niet.\'\' .Zoolang ze nog eene nederige positie in de maatschappij innemen en deze hen niet bewierookt, houden ze op godsdienstig terrein nog al Toet bij stuk; maar nauwelijks hebben zij zich opgewrongen en eene hoogere positie benuichtigd door natuurlijken aanleir, doorarbeid of kruiwaaren, en worden di\' wierook-

273

-ocr page 280-

DE GROOTE CATECHISMUS.

walmen der wereld gewaar, of ze beginnen de Kerk en liet gelooiquot; te beknibbelen en eindigen in den regel, eerst door met de wereld te gaan leven, en later door gelieelen afvul. Moebt ik bier eens levende voorbeelden noemen!

3°. Weer anderen vallen af of verflauwen door jckrenkle eerzucht. Het bewijs hiervoor levert ons in dezen tijd, Döl-linger, de vader der ond-katbolieken en zoovele anderen, die als reden aangeven, soms zonder bet te zeggen, niet gekend, voorbij gegaan te zijn bij benoemingen, enz. Mede oorzaak is, wellicbt hoofdoorzaak, dat ze reeds aangestoken vruchten zijn en elke gelegenheid aangrijpen, om hun inwendig bederf naar buiten te toonen.

4° Eene andere oorzaak is het verzuim van het gebed en andere godsdienstplichten, en het daaruit volgend buitensporig leven. Zij, die zoover zijn gekomen, maken zidi zelven wijs, dat de zonde door God niet zoo zwaar zal gestraft worden, als de Kerk leert: üod is te goed, zeggen zij, en zal wel rekening houden met de menschelijke zwakheid. Worden ze hierin echter tegengesproken, op hunne plichten gewezen, en op straf van weigering der absolutie, aangemaand van levensgedrag te veranderen, dan werpen ze het gebeele geloof over boord, om niet langer door de priesters lastig gevallen te worden. Het woord van Christus wordt dan aan hen bewaarheid: Het rijk Gods zal van u genomen en aan een volk gegeven worden, dat er vrucht mede doet.quot; Matt. 21, 43.

5°. Eene vijfde en voorname reden van afval des geloofs is, bet lezen van slechte en ongodsdienstige boeken.

Waarom tellen we in onze dagen zooveel slechte of naamkatholieken ? De oorzaak daarvan vindt voor een groot gedeelte haar grond in de slechte lectuur. Hoe zou het anders kunnen, dagelijks gif in te zuigen en niet vergiftigd te worden. Katholieke werken, zelfs couranten, zijn voor die soort van menschen te min of te droog en te saai; die prikkelen hunne

274

-ocr page 281-

DE CnOOTE CATECHISMUS.

hartstochten niet, maar veroordeelen ze, en vandaar dat ze hoe langer zoo meer verstrikt worden en eindigen met niets te zijn of den rok om te keeren. Op hen past dan: Als de Paus zijne tuinen wiedt, werpt hij het onkruid op den akker des ongeloofs.

6°. Hetzelfde lean gezegd worden van hen, die omgaan met bespotters van God en godsdienst. Zooals de waard is, zoo de gasten, en het is even onmogelijk in dien omgang zijn geloof te bewaren als in het water te springen en niet nat te worden. Voorbeelden ziet ge overal om u heen, waarde lezer! en daarom roep ik u het woord des Evangelie toe: » Wacht u voor de valsche profeten /quot;

7°. De gemengde huwelijken. Ook zij leiden uit hun aard, in den regel, tot totalen afval en tot verzalving des geloofs. Een reden, waarom ze tegen den raad van priesters, ouders, enz. gesloten worden, is het zoogenaamde beginsel: waarom zouden de protestanten niet zoo goed als de katholieken kunnen zalig worden; we dienen toch één God. Dat valsche beginsel wordt, met enkele uitzonderingen, in het huwelijk doorgezet. Mijn man (of vrouw), zoo redeneert de katholieke vrouw (of man) hoopt toch ook in den hemel te komen, zoowel als ik, al hoort hij geen Mis op zon- en feestdagen, al kent hij geen onthoudings- of vastendagen; waarom zou ik dan gehouden zijn? En langzamerhand verslapt de godsdienstzin der katholieke partij en eindigt niet zelden met algeheele verzaking van het geloof.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE LES.

OVER DE GODDELIJKE DEUGD: DE HOOP.

18. Wat is de Goddelijke deugd der hoop?

Eene deugd, door God ons ingestort, welke ons

275

-ocr page 282-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

genegen maakt, de eeuwige zaligheid en hetgeen daartoe noodig is. met een vast vertrouwen van God te verwachten, omdat God zulks beloofd heeft.

De hoop is eene goddelijke deugd. Hij immers, die eeu Fïtst betrouwen op God bezit, bezit iets goeds, iets Gode welgevalligs. En (l:iar liij niet sleclits nu en dan, maar voortdurend dat vertrouwen vernieuwt, altijd naar den hemel en de daartoe noodige middelen verlangt (vergiffenis, volharding, genade, zaligheid) en zoo meer en meer de genegenheid in zich opwekt, standvastig op Gods beloften te vertrouwen, daarom is die hoop eene deugd in hem. Die deugd kondet gij niet verdienen, maar de goede God heeft ze in uw hart gestort, uit barmhartigheid en liefde bij het doopsel, en daarom wordt ze ook goddelijke ingestorte deugd genoemd.

19. Waarom moeten wij dat alles van Godhopen ? a). Omdat God het beloofd heeft, die almachtig is en het ons geven kan; b) die goed is en het ons geven wil; c) die getrouw is in Zijne beloften.

aj. Die almachtig is en het ons geven kan. Onze hoop op stoffelijke hulp, die wij op onzen evenmensch gevestigd hebben, wordt dikwijls verijdeld, omdat ons eenigen niet helpen kunnen, anderen niet helpen willenen weer anderen met onze behoeften niet bekend zijn. Maar wat belet God om ons te vergeven, genade te schenken en in den hemel te nemen ? Ja, wanneer onze zonden de zwaarste van alle waren, en talrijker dan de zandkorrels aan de oevers dor zee, al stond de hel reeds open om ons te verslinden, God behoeft slechts te willenen Zijne genade doordringt ons, het volmaakte berouw doorgloeit ons en onze zonden zijn weggenomen. Leert ons dit het voorbeeld van Maria Magdalena en dat van den rouwmoedigen moordenaar aan het kruis niet? Zijn wij minder Gods kinderen dan zij ?

276

-ocr page 283-

DE GROOTE CATECHISMUS.

bl. Die goed is en het ons geven wil. — God is oneindig goed en barmhartig en heeft innig medelijden met onze ellende en daarvan wil Hij ons bevrijden. Hij bemint alle menschen oprecht, hartelijk en kan dus nitit willen, dat iemand onzer ongelukkig worde en verloren ga, maar Hij wil, dat we allen bij Hem in den hemel komen en Hij zal ons dus ook de middelen schenken, daartoe noodig, n.l. genade en vergiffenis. Op de duidelijkste wijze heeft God zulks getoond door Zijn (\'eniggeboren Zoon, voor de zaligheid der menschen, den grmvzamen kruisdood over te leveren.

c). Die gelrouiü is in Zijne heloflen. God heeft ons allen, van Zijn kant, vergiffenis, genade en den hemel beloofd, en dat alles zal ons geworden, wanneer we van onzen kant de op ons rustende plichten vervullen. God immers is getrouw in Zijne beloften, en eerder zullen hemel en aarde vergaan, dan dat Hij Zijn woord niet gestand zou doen. Waarlijk, »God wil den dood des zondaars niet,quot; Ezech. 11, 28. »God wil niet, dat iemand verloven ga.quot; 2 Petr. o, 9. Waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn.quot; Joh. 12, 20 enz.

Vergeet echter niet, dat God de beloften alleen gedaan heeft en zal verwezenlijken, onder voorwaarde, dat wij onze hoop niet verijdelen door zware zonden; als wij gevallen zijn, terstond weer opstaan en dagelijks de noodige genademiddelen ter zaligheid blijven vragen.

\'20. Wanneer verrichten iv j\' eene akte van hoop ? Zoo dikwijls wij door eenc gedachte, door een woord of werk onze hoop op den hemel, en de middelen daartoe noodig, te kennen geven.

In het bijzonder; moeten wij akten van hoop en verlrouwèn verwokken in de volgende gevallen.

I.0. Wanneer ons bekoringen tot :onde, angst en mismoedigheid overvallen. Denk dan : O Jesus! Zie hoe Uw hulpbehoevend kind vervolgd wordt. Ach, verlaut mij niet,

277

-ocr page 284-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

want Gij zijt immers voor Mij gestorven ? Daarom beveel ik mij aan Uw heilig Hart en Uwe heilige wonden aan. Gij zult mij helpen, niet toestaan dat ik valle!

2°. Wanneer toe in zonde rjevallen zijn, dan moeten we ons niet aan wanhoop of vertwijfeling schuldig maken, maar bidden: »0, mijn God! ik heb gezondigd en ben niet waard mijne oogen tot U op te slaan. Doch mijn vertrouwen op U staat vast. (jij wilt immers den dood des zondaars niet! Gij hebt Petrus, Magdalena en zoo ontelbaar anderen, die rouwmoedig tot U naderden, niet verstooten; ook mij zult Gij niet terugwijzen, maar vergiffenis schenken. Uw woord; sKonit tot Mij, die helnst en beladen zijt en Ik zal u verkwikken,quot; versterkt mijne hoop en mijn vertrouwen.

In nood, ziekte, lijden en kruis mogen ive niet morren en overdreven klagen, maar bidden: »Vader in den hemel! ik weet, dat Gij mij liofhebt en bemint, en mij niets zult laten overkomen, wat tegen mijn heil is, en geen kruis boven mijne krachten zult opleggen. Daarom vertrouw ik zeker. Uwe hulp in mijn nood te ontvangen en dat Gij mijn kruis zult wegnemen, wanneer dat in overeenstemming is met Uwe eer en mijne zaligheid. Vol vertrouwen geef ik mij geheel aan Uwe vaderlijke zorgen en Uwen bijstand over.quot;

4°. Eindelijk moeten wij hij het gebed steeds onze hoop en ons vertrouwen verlevendigen en onze onwaardigheid belijden, zeggend: »Ik weet wel, o Heer, dat ik een onwaardig zondaar ben, die Uwe rechtmatige straffen verdiend heb en

niet waardig ben deze.....genade te ontvangen. Doch ik

verlang ze ook niet op grond van eigen verdiensten, maar om de verdiensten van Jesus Christus, en hoop onwrikbaar, dat Gij mijne bede zult verhooren. Gij zijt immers oneindig machtig en barmhartig, en hebt gezegd: »Vraagt en gij zult verkrijgen.quot; Daarom bid ik vol vertrouwen, en zal niet ophouden, voordat Gij mijn gebed verhoord hebt.quot;

278

-ocr page 285-

DE GROOTE CATECHISMUS.

279

lliiii

Waarde lezer! wanneer ge dikwijls zoo uw hoop en vertrouwen op Gods hulp en bijstand in u opwekt, dat zult ge met koning David kunnen zeggen: Op U, o Heer heb ik gehoopt, ik zal niet te schande worden in eeuwigheid.quot;

21. Zijn wij geheel zeker, dat we den hemel zullen binnengaan?

Neen; wij zijn wel zeker, dat God ons de noodige genade wil geven, maar wij zijn niet zeker, dat we tot het einde toe, met die genade getrouw zullen medewerken.

Het is de volharding in de liefde Gods, waaraan als loon de hemel verbonden is; want »Die volhardt tot het einde, zal zalig wordenquot; zegt de H. Schrift. En hoevelen zijn goed begonnen, maar halverwege blijven staan, ja achteiuitgegaan en thans voor eeuwig verloren! Hoe allergelukkigst was het begin van Judas, en hoe rampzalig zijn uiteinde; als verrader van zijn Meester sloeg hij de hand aan zijn eigen leven en stierf als zelfmoordenaar. Eu waar is zijne ziel? Persoonlijk heb ik vele menschen leeren kennen, die er groot op gingen af te stammen van zeer brave katholieke familiën en als kinderen eene uitstekende katholieke opvoeding genoten hadden, dus in alle opzichten goed waren begonnen, vele genade van God ontvangen hadden, en evenwel vrijwillig of onverwachts in zonden zijn gestorven.

Daarom vraagt de catechismus met recht:

22. Hoe moeten wij voor den hemel werken?

Met een onwrikbaar vertrouwen op God, maar

met eene rechtmatige vrees voor ons zeiven.

Daarom moeten we ons zeiven nooit wijsmaken, dat we wel op eigen beenen kunnen staan en Gods genade niet noodig hebben, want » Die staat, zie toe, dat hij niet valle,quot; zegt de Apostel. Daarom moeten we dagelijks blijven bidden en smoeken om Zijne onontbeerlijke hulp, zonder welke geen

,U\'f ■ \'ijii

v i lp

K

-ocr page 286-

DE GROOTE CATECHISMUS.

volbarding in het goede en geen bekeering uit de zonde denk-bfiur is. OC meent ge, dat God uwe hoop op Zijne hulp eu Zijn bijstand zul verwezenlijken, wanneer ge n vrijwillig in \'t gevaar begeeft van te zondigen, door het opzoeken van personen en plaatsen, waar uwe onschuld gevaar loopt V »Die het /ja-vaar bemint, zal er in omkomen.quot; Die zich vrijwillig op de wegen van Satan waagt, hem kan God geen gezelschap houden; zijne hoop is vermetel, zijn val onvermijdelijk. Bovendien moeten we ons nooit voorstellen, dat we genoeg, of te veel voor den hemel doen want d;i,t bedrog van Satan zou ons wel eens noodlottig kunnen worden en tot verslapping in de deugd aanleiding geven. Vergeet niet, dat het hemelrijk geweld lijdt en de geweldigen alleen het innemen. Mistrouwen we daarom ons zei ven, maar vertrouwen we tevens onwrikbaar op God.

23. Wanneer is de hoop levend in ons ?

Als zij ons beweegt, alles te doen, wat God eischt, om ons den hemel te schenken.

Welnu, God eischt, dat wij in alles en altijd de deugd beoefenen en de zonde vluchten. Wanneer nu iemand voldoet aan dien goddelijken eisch, dan ook is de hoop in hem levend, d. i. zijne werken zijn van dien aard, dat ze onder den bijstand Gods, den hemel verdienen en hij kan zeggen; wanneer ik zoo blijf leven, dan mag ik ook de hoop koesteren, eenmaal zalig te worden.

24. Wanneer is de hoop dood in ons?

Als zij ons niet beweegt, alles te doen, watnoodig is, om van God don hemel te verkrijgen.

God nu eischt van den zondaar, dat hij berouw hebbe over zijne zonden eu tot Hem terugkeere, en vrage om berouw; dat hij de zonden hate, welke hij vroeger beminde en God be-

280

-ocr page 287-

DE GROOTE CATECHISMUS.

minne, dien hij vroeger beleedigde; dat hij de gezelschappen en de personen, de oorzaken van zijn val, vaarwel zegge, kortom, de zonde en de onverschilligheid allegge, en zich kleede niet het schoone kleed der heiligmakende genade. Dat alles weet de zondaar, en blijft hij nu desondanks in zijne zonden voortleven, dan is zijne hoop op Uods genade en den hemel dood in dan, d. i. hij werkt niet voor den hemel en zal ook dien niet binnengaan, maar verzwaart integendeel dagelijks zijne straffen.

Het zal niet overbodig zijn, hier te herinneren, dat we van God ook tijdelijke goederen mogen hopen en daarom bidden, in zooverre ze onze eeuwige zaligheid dienstig en voordeelig zijn; maar we kunnen ze niet met zekerheid hopen, omdat God ze ons niet beloofd heeft, zooals den hemel en de middelen daartoe noodig; die o/i den Heer hoofjl, zal in eeuwigheid niet beschaamd worden. — Een zieke, die zijne gezondheid wenscht, een arme, die een beteren toestand verlangt, een ander, die behoefte heeft aan geld, goed, kleederen, een lang leven wenscht, of wat ook, mag en kan ook op Gods bijstand hopen, en vertrouwen en bidden: »ik hoop en vertrouw vastelijk, o mijn God! dat Gij mij dit of.....dat zult

geven, als het strekt tot Uwe meerdere eer en mijne zaligheid. Zou de verhooring mijner wenschen, echter met Uw aanbid-delijken wil in strijd zijn, dan zal ik in dien wil berusten. Ik laat het aan Uwe wijsheid en goedheid over; Gij, die de vogels des hemels spijzigt, en de bloemen des velds kleedt, zult ook mij. Uw kind, niet vergeten! — Met deze hoop was do H. Johannes van het Kruis vervuld, en hij riep uit: »God weet, wat wij noodig hebben. Het is onze zaak. Hem trouw te dienen, en dan zal Hij tot Zijne zaak maken, voor ons tijdelijk en eeuwig welzijn te zorgen. De huisoverste zorgt voor het onderhoud van zijn trouwen dienstknecht, en zou God Zijne trouwe dienaars verlaten en aan hun lot overlaten? —■

281

-ocr page 288-

DE GROÜTE CATECHISMUS.

* Wat moet ik doen om tijdelijk gelukkig te worden?quot; vroeg eens eeu jongeling aan den H. Carolus Baromeus, en de heilige man antwoordde: »Draag dan zorg voor uwe ziel en God zal ruimschoots voor uw lichaam zorgen,quot; en dat zij ook tot ons allen gezegd; want de deugd wordt dubbel beloond op aarde en in den hemel.

ACHT-EN-TWINTIGSTE LES. OVER DE GODDELIJKE DEUGD OER LIEFDE.

25. Wat is de Goddelijke deugd der liefde?

Eene deugd, door God ons ingestort, welke ons

genegen maakt. God boven alles ora Hem zelf en onzen naaste gelijk ons zeiven, om God te beminnen.

26. Wat wil zeggen God boven alles beminnen?

Dat wil zeggen, God boven alles stellen en liever

sterven dan Hem met eene doodzonde te beleedigen.

Wij beminnen God, het volmaaktste wezen in Zich zeiven, boven alias, wanneer we Hem meer dan alles, wat zich op de wereld bevindt, liefhebben, b.v. meer dan ouders, broeders, zusters, vrienden en bekenden, geld en goed, gezondheid, ja zelfs meer dan ons eigen leven, zoodat we bereid zijn, liever al de personen en de zaken, ja ons leven op te offeren dan de liefde Gods te verliezen, door eene doodzonde. Hij immers bemint God te weinig, die nog iets anders liefheeft boven Hem! »Men zegt wel, alles heeft zijn tijd, ook het haten en beminnen, maar God moet altijd en boven alles bemind worden,quot; zegt de H. Ambrosius. — God boven alles beminnen, heet verder, Hem beminnen uit geheel ons hart, door al onze

282

-ocr page 289-

!)E GROOTE CATECHISMUS.

neigingen, wenschen en gewaarwordingen en verlangens van ons hart tot Hein te richten; uit geheel onze ziel, door alle eigenschappen van onze ziel aan te wenden om God te verheerlijken en te prijzen en Hem alleen de eer te geven van alles, wat men is en bezit; uit al zijne krachten, door alles voor God te doen en Zijn aanbiddelijken wil in alles te vervullen en ons geheele doen en laten tot Hem terug te brengen. Doch een schepsel wordt niet zelden voorgetrokken, en toch zegt de H. Bernardus: »De maat dezer liefde is, zonder maat te beminnen!quot; — Jozef van Egypte en de kuische Susanna beminden God boven alles en waren bereid liever te sterven dan de liefde Gods door eene doodzonde op te geven. Ontelbaar zijn de martelaars, die de liefde Gods hooger achtten dan de wreedste martelingen en den dood. En om te toonen, dat hij God boven alle* beminde, riep de H. Paulus uit: »11; hen verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch heerschappijen, noch machten, noch hel tegenwoordige, noch het toekomende, noch sterkte, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jesus, onzen Heer!\'\' Rom. 1. 38, 39.

27. Waarom moeten wij God boven alles beminnenquot;!

1°. Om God zeiven, diein Zichzelven het volmaaktste goed is (volmaakte liefde) en die 2o. ook oneindig goed is jegens ons (onvolmaakte liefde).

1°. De volmaakte liefde tot God. — Het gaat niet aan, alle dingen en zaken op te sommen, die uit hun aard goed en beminnenswaardig zijn. En hoe goed en groot ze ook zijn mogen, de gezondheid gaat er boven; want, wat heeft een zieke aan dat alles ? Het leven staat weer boven de gezondheid, de mensch staat in schoonheid boven de redelooze schepselen en de mensch wordt weer in schoonheid door de en-

283

-ocr page 290-

1JE UltOOTE CATECHISMUS.

gelen overschaduwd, en boven dat alles staat God, het opperste, allerschoonste, a11ervolinaaktste en beminnenswaardigste goed. Alle aardsche schoonheden en goederen, alle menschen en engelei: verdwijnen als een nevel, vergeleken met Gods beminnenswaardigheid. »Niemand is goed dan God alleen,\'quot; zegt de If. Matt. 19, 17. » Wie Hem dus niet bemint, kent Hem niet,quot; laat de H. Johannes er op volgen 1 Joh. 4,8. — Niets schoons, niets goeds, niets beminnenswaardigs ontbreekt Hem; Hij bezit alle schoonheden en denkbare goede hoedanigheden, en nog oneindig veel meer, door ons verstand niet te achterhalen, en dat alles in de schoonste harmonie en orde. Hij is alles, wat begeerlijk eu beminnelijk is, alles, welks genot gelukkig maakt; Hij is ons opperste, hoogste, grootste en beste goed.

Bij ons is dat geheel anders. Er zijn sommige menschen, die een schoon lichaam, maar eeue hatelijke ziel bezitten en omgekeerd. En al zijn ze ook, en naar ziel èn naar lichaam beminnelijk, dan bezitten ze toch niet alle beminnelijkheid, maar hebben anderen weer beminnelijkheden, welke zij missen. Daarom kan het bezit van geen enkel schepsel ons volmaakt gelukkig maken, wèl het bezit van God, zooals het in den hemel genoten wordt. Bloemen prijken dikwijls met prachtige kleuren, doch verspreiden een afschuwelijken geur en omgekeerd. De braafste menschen hebben evenwel hunne gebreken, ja elk schepsel heeft zijne goede maar ook zijne kwade zijde, en te midden vau al die onvolmaaktheden staat de oneindige volmaaktheid, zóó volmaakt en van alle goede eigenschappen voorzien, dat Hij niet schooner, niet beter, niet heerlijker en niet volmaakter zijn kan. Daarom vraagt de psalmist; » Wie is God gelijk\'?\'quot;

Hoe betreurenswaardig is het dan niet, dat er menschen gevonden^.worden, die eene handvol stof, een schepsel, een kortstondig zondig genoegen meer beminnen, dan den onein-

-ocr page 291-

DE GIÏOOTE CATECHISMUS.

dig beminnenswaardigen God en roekeloos den liefdeband verbreken, welke Gods hart aan hunne harten verbonden hield!

2°. Dc onvolmaakte Helde lol God. — Wij moeten God boven alles beminnen, omdat [lij oneindig goed is jegens ons. Overweeg eens, om die waarheid beter te begrijpen, wal uw lichaam alzoo van Gods vaderlijke goedheid ontvangen heeft. Hij, bij wien vergeleken de geheele wereld een asch-lioop is, beminde u, armzalig menseh! van eeuwigheid, vóór dat ge het levenslicht aanschonwdet. Hij trok u uit het niet, en schonk u het leven. Gezondheid, voeding, kleeding en alle middelen tot dagelijksch onderhoud zijn giften van Zijne vaderliefde, on elk uur teekent voor ons nieuwe weldaden op. Naar de ziel ging Zijne vaderliefde nog oneindig verder. Ter uwer liefde werd Zijn eeniggeboren Zoon »mensch,quot; en stierf den schanddood des kruises onder naamlooze smarten, om n van den eeuwigen vloekdood der hel te redden en u voor hot eeuwig zalig hemelleven te winnen. Jesus\' dood verdiende u immers het zaligmakend geloof, het kindschap Gods en het recht op den hemel. Zouden wij dan dien oneindig goeden God voor al die onverdiende weldaden niet dankbaar zijn. Hem niet beminnen eu liefhebben? Inderdaad, die God niet bemint uit dankbaarheid voor Zijne weldaden, is ondankbaarder en ongevoeliger dan het redelooze dier: want de hond bemint zijn meester, die hem voedt en onderhoudt; hij is hem getrouw en verheugt zich in zijn gezelschap. Welnu, laten wij dan God beminnen, die ons het eerst heeft lief gehad.quot; Joh. 4, 19.

3o. Bovendien moeten wij God beminnen, omdat God het bevolen heeft en tot loon aan onze liefde den hemel heeft verbonden. Br kwam eens een schriftgeleerde bij den Heiland en vroeg Hem: »Meester! wat moet ik doen, om het eeuwig leven te verwerven?quot; Jesus vroej; hem: »Wat staat

O O

GR. CAT. 19

285

-ocr page 292-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

in de wet geschreven? Wat leest ge daar?quot; De man hernam : » Gij zult den Heer, uw God, beminnen uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten, en uit geheel uw geest, en uw naaste als u zelven.quot; Christus zeide: »Gij hebt goed geantwoord; doe dat, dan zult ge leven.1\'

Wel had de H. Philippus Nerius gelijk, toen hij in zijne gloeiende liefde tot God uitriep: »Hoe is het mogelijk, dat hij, die aan God gelooft, iets anders kan beminnen dan God.quot; En wanneer hij nu en dan gewaar werd, dat zijne liefde tot God éenigszins verkoelde, dan klaagde hij zijn nood en riep: »0 mijn God! Gij zijt zoo beminnenswaardig en beveelt mij, U te beminnen. Waarom hebt Gij mij slechts één Iwt gegeven en dat nog wel zoo klein?quot; »Wie in de liefde blijft, die blijft in God en God. in hem,quot; Joh. 1, 4, 16—17, en zal dus nooit van hem gescheiden worden, noch in dit leven, noch in de eeuwigheid.

28. Wanneer verrichten wij eene akte van liefde? Zoo dikwijls wij door eene gedachte, door een

woord of werk onze liefde aan God kenbaar maken

Hiertoe kunnen gerekend worden het dikwijls en waardig ontvangen der Sacramenten, de overwegingen van Gods goedheid en liefde, en van het leven, lijden en sterven des Heilands; de zelfverloochening en het geduld in kruis en lijden; de beoefening van alle goede werken en vooral den strijd tegen onzen drievoudigen vijand, den duivel, de wereld en het vleesch. Voor zoover deze dingen of voortkomen uit akten van liefde, öf akten van liefde voortbrengen, of akten van liefde ingesloten houden, èf zelve uitdrukkelijk akte van liefde zijn. »Die Mijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij bemint,quot; aldus spreekt de Heiland.

29. Waardoor verliezen en waardoor verminderen wij de liefde Gods?

\'280

-ocr page 293-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Wij verliezen die liefde a) door eene doodzonde, en wij verminderen haar, bj door eene dagelijksche zonde.

ff) Ka.11 eon kind geacht worden, zyne ouders te beminnen, die liun in groote en belangrijke zaken, gehoorzaamheid weigert en tegen hun verbod in, den wil doet van hunne grootste vijanden? Evenmin kan hij geacht worden, de liefde Gods te bezitten, die Hem door de doodzonde de gehoorzaamheid opzegt en daartegen den wil en de wetten van satan, en zijner booze lusten volbrengt. God kan den mensch geen lieide blijven toedragen, die den duivel en de zonde boven Hem acht en daaraan gehoorzaamt; en op het oogen-blik, dat de mensch door eene zware zonde te bedrijven, zegt, of minstens God te kennen geeft: »Ik wil U niet dienen,quot; zegt God tot hem: »Ge hebt Mijne liefde verbeurd, Ik wil en kan u niet meer beminnen go hebt den hemel verloren en de hel verdiend.

b) Men treft soms menschen aan, die zich, met de hulp der genade, zorgvuldig wachten voor doodzonde, doch geen bijzondere zorg aanwenden om de dagelijksche zonde te vermijden, wijl deze de liefde Gods niet geheel wegnemen, maar slechts verminderen. Dat deze de ware liefde tot God niet bezitten, behoeft geen bewijs. Hoor eens! Wanneer een huisoverste zeide: Ik zal dien knecht slechts datgene geven,

O O \'

waaraan hij noodzakelijk behoefte heeft, om niet van gebrek te sterven, zooals brood en water, juist zooveel kleederen, als noodig zijn om zijne naaktheid te bedekken en hem alle giften onthouden, die strekken tot nut, vermaak en genoegen, zou die knecht tevreden zijn met de beschikkingen van zijn Heer? En zou dan uwe liefde tot God volkomen zijn, wanneer ge Hem voortdurend door vrijwillige dagelijksche zonden beleedigdet en Hem slechts de noodzakelijke liefde zoudt toedragen? — Derhalve geen doodzonde, geen

287

-ocr page 294-

DE GROOTE CATECHISMUS.

288

vrijwillige dagelijksclie, zelfs geeu vrijwillige onvoluüuikt-beden meer bedrijven, maar laten we God boven alles, met alle krachten van lichaam en ziel liefhebben en God om Zich zeiven beminnen, die de volmaakte Heide is, en Hem ook beminnen, omdat Hij oneindig goed jegens om is, hetgeen de onvolmaakte liefde uitmaakt. Vergeet niet, dat de liefde tot God in ons voor vermeerdering vatbaar is, zooals het geloof en de hoop. »A1 doende leert men,quot; zegt het spreekwoord. Zooals men door te studeeren, smaak in de studie krijgt, door te spreken zich oefent in het spreken, door te schrijven in het schrijven, door te arbeiden zich aan den arbeid gewent, zoo ook leert meu God meer en meer beminnen, door Hem lief te hebben; zooals de levens der heiligen ons bewijzen. (Over de doodzonde en de dagelijksche zonde uitvoerig op hare plaats. Les 29.)

OVER DE NAASTENLIEFDE.

Het is noodzakelijk ter zaligheid, dat we naast God onze naasten beminnen, want zoo luidt het hoofdgebod: »Gij zult den Heer, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, uit geheel uwe siel, met enz.quot; Dat is het eersteen grootste gebod. Het tweede echter aan dit gelijk: »Gij zuil ww naaste beminnen als u zelven.quot; Math. 12, 37—40. De H. Johannes bevestigt dat, zeggende: » Wanneer iemand zegt: ik bemin God, maar hij haat zijn naaste, hij is een leugenaar. Wanneer iemand zijn broeder, dien hij ziet, niet bemint, hoe kan hij God beminnen, dien hij niet ziet? Ook hebben wij dit gebod van God, dat wie God lief heeft, ook zijn broeder beminne.quot; 1 Joh. 4, 20—21, Zoo is het: De liefde tot God en de liefde

-ocr page 295-

DE GROOTE CATECHISMUS.

tot den naaste zijn onafscheidelijk verbonden, hetgeen de H. Angustinus ons in de volgende gelijkenis duidelijk voorstelt, als hij zegt: »6ij hebt, om teloopen, twee voeten noodig, en wilt ge tot God en den hemel gaan, dan ook hebt ge behoefte aan twee voeten, en wel aan de christelijke liefde tot God en tot den evenmensch. Ontbreekt u een dezer voeten, dan zult ge den hemel, het doel van uw pelgrimstocht op aarde, niet bereiken. Daarom de vraag:

30. Wie zijn onze naasten ?

Allo menschen zonder uitzondering, zelfs onze vijanden.

Alle menschen behooren tot dezelfde familie van Adam, allen hebben God tot één en denzelfden Vader; allen zijn door één, Jesus Christus, verlost, vrijgekocht, en bestemd voor den hemel. Alle menschen zijn derhalve onze broeders en zusters, naar het vleesch en naar den geest, zelfs onze vijanden. Vandaar, dat we allen moeten beminnen, goed doen en goed toewenschen, ten laatste om God, wanneer we daartoe in de gelegenheid zijn; niet alleen ouders, broeders en zusters, vrienden 1:11 bekenden, maar ook hen, die ons niet verwant zijn; de armen zoowel als de rijken, de mismaakten zoowel als de goedgevormden, den vreemdeling even goed als de bekenden, niet slechts de christenen, maar ook de joden en heidenen, braven en goddeloozen, ja, wij moeten hen zelfs beminnen, die ons haten, lasteren, beschimpen en vervolgen, zooals het voorbeeld van Jesus aan het kruis, en van den eersten martelaar, den H. Stephanas, ons leert.

31. Wat wil zeggen onze naasten beminnen als ons zeiven?

Dat wil zeggen, onze naasten al het goed toe wenschen en bewijzen, dat wij redelijker wijze zouden wenschen, dat ons bewezen werd.

289

-ocr page 296-

DE GUOOÏE CATECHISMUS.

Hier geldt het spreekwoord: »Wiit gij wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander;quot; en wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.quot; Vraag altijd: Wat wensch ik voor mij zelf naar ziel en lichaam, en maak dat tot grondregel van uw doen en laten tegenover uwe naasten.

Het zal niet overbodig zijn, de drie voornaamste redenen, waarom we onze naasten moeten beminnen, hier aan te geven.

1°. Christus zelf heeft dikwijls en nadrukkelijk geboden, dat we onze naasten beminnen moeten, en zeide op \'t laatste avondmaal met nadruk: »Ik geef u een nieuw gebod, dat ge elkander bemint, gelijk Ik u heb liefgehad, dat gij ook elkander liefhebt.quot; Joh. 13, 34—35. Toen de H. Johannes oud geworden en niet meer in staat was, lange toespraken te houden, riep hij den geloovigen voortdurend toe: »Kin-derkens, bemint elkander!quot; En gevraagd zijnde, waarom hij altijd dezelfde woorden herhaalde, antwoordde hij ; »Dit gebod heb ik zelf van den lieer ontvangen, en wanneer gij het volbrengt, dan is het reeds genoeg. Hoe treffend komt hier Gods liefde te voorschijn, daar Hij wil, dat de liefde tot God, tot voorbeeld moet dienen voor de liefde tot den evenmensch; want het tweede gebod is aan het eerste gelijk.

2°. De goddelijke Heiland leerde ons de naastenliefde door Zijn voorbeeld in Zijn leven en sterven. De liefde immers voor ons, arme menschen, deed Hem Zijn hemeltroon ruilen voor eene schamele beestenkribbe; gloeiende van die liefde, gaf Hij Zijn leven voor ons aan het kruis. En wie zal de vernederingen, den smaad, de miskenning, pijnen en smarten opnoemen, welke Hij uit liefde voor Zijn evenmensch verdroeg! Wel mocht de H. Johannes uitroepen : ^Hieraan zullen allen kennen, dat gij Mijne discipelen zijt, indien gij liefde hebt tot elkander.quot; Joh. 13, 35.

290

-ocr page 297-

DE GROOTE CATECHISMUS.

3°. Ieder mensch is eeu kind en evenbeeld Gods, verlost door het kostbaar bloed van Jesus Christus en geroepen tot de eeuwige zaligheid. Is dat nu geen krachtdadige beweegreden tot naastenliefde? Wij allen ziju naar Gods evenbeeld en gelijkenis geschapen, wij allen zijn Gods werk en dragen het merk der godheid op onze voorhoofden. Hoe beminnenswaardig moet dat alles de naasten iu ons oog niet maken! Daarom vraagt God ook door den profeet Malachias 2, 10: Hebben wij allen dan niet één Vader\'? Heeft ons niet één God geschapen? Waarom veracht de een dan den ander\'? Vandaar zegt de H. Augustinus: »Den boosdoener en zondaar moeten wij beminnen, daar hij als mensch Gods evenbeeld is. Bemin in hem niet het kwaad, maar den mensch ! Want de mensch is een werk Gods; de misstappen zijn het werk van den mensch. Bemin dus, wat door God gemaakt is, niet wat de mensch gemaakt heeft.quot;

32. Welke hoedanigheden moet onze naastenliefde hebben?

lo. Moet zij oprecht en werkdadig zijn, cl. i. wij moeten niet slechts beminnen met woorden en in schijn, maar zooveel in ons is, met werken en in waarheid, en zoo jegens den naaste handelen, als wij in zijne plaats zouden wenschen, dat hij jegens ons handelen moge.

»Alles, wat gij wenscht, dat u de menschen doen moeten, dat doet ook aan hen? Matt. 7, 12. Behoeft hij onze hulp, dan moeten we ons dus niet tevreden stellen, met alle goed te wenschen, want een »God helpe u !quot; vult geen maag, dekt geen naaktheid, maar wel werkdadige hulp. Het volgende voorbeeld zegt ons, wat oprechte werkdadige naastenliefde is. Een weduwe stierf en liet een eenig zoontje, arm en verlaten als wees, achter. Bij het graf sprak de pastoor den landbou-

291

-ocr page 298-

DE GROOTE CATECHISMUS.

wers toe en vroeg voor den kleinen wees om ondersteuning, hij zelf zou voor de kleeding zorg drngen. Veertien hunner waren er, die zich verbonden oiu den kleine bij iitwisseling den kost te geven, nirnir niemand wilde hem gaarne voor goed huisvesting verleenen. Toen trad de doodgraver vooruit en sprak: »Heer Pastoor! ik heb de moeder gratis het laatste huis gemaakt, geef hem mij, ik zal voor zijne opvoeding zorgen. Dat was oprechte werkdadige liefde.

2o. Zij moet onbaatzuchtig zijn, d.i. wij moeten de naasten niet slechts uit eigenbelang beminneu, maar om hen zelf en ten laatste om God; wij mogen hen niet goed doen, alleen om lof of loon in te oogsten, maar uit zuivere onbaatzuchtige liefde, en ten laatste uit liefde tot God. Vandaar zegt de goddelijke Heiland: » Wanneer gij een middag- of avondmaal houdt, noodig niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch bloedverwanten, noch rijke geburen, opdat zij niet wellicht ook u wederom noodigen en u vergelding geschiede. Maar als gij gastmaal houdt, noodig armen, kranken, kreupelen en blinden, en gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.\'1\'\' Luc. 14, 12-14.

3o. Zij moet algemeen zijn, d.i. wij mogen geen mensch van wat stand, staat of geloofsbelijdenis ook, van onze liefde uitsluiten. Daarom zeide de Heiland: » Wanneer gij slechts hem bemint, die u liefheeft, wat zult ge dan voor loon ontvangen? Doen dat tollenaars ook niet? En wanneer gij slechts uw broeder groet, wat doet gij meer? Doen dat de heidenen ook niet?quot; Matt. 5, i\'i, 47. De parabel van den barmhartigen Samaritaan plaatst deze laatste eigenschap in het schoonste daglicht. Er zijn echter verscheiden redenen waarom men den een meer beminnen mag en moet dan den ander.

33. Is het genoeg, dat wij onze vijanden geen kwaad willen?

\'292

-ocr page 299-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Neen, wij moeten hen beminnen, en als het noodig is, naar vermogen bijstaan.

Zooals blijkt, is liet dus niet gunoegziiHiu voor den cliristeu lieu té beminnen, die ons liefhebben, niiuir wij moeten zelfs diegenen beminnen, die ons met opzet, uit boosheid leed doen, beleedigen, en het er op wiuleggen ons sehude te berokkenen en ongelukkig te maken, n.1. onze vijanden. Daarom sprak de Heiland: »Bemint uwe vijanden.quot; Matt. 5, 44. Wij moeten dus onze vijanden, alle goed wenschen en doen, wat wij redelijkerwijze van de menselieu voor ons verlangen, ons over bun ongeluk bedroeven en ons verheugen over hun voorspoed en hunne welvaart. Hunne vijandschap is geen titel om hen te beminnen, doch wij mogen hen om hunne vijandschap niet van onze liefde uitsluiten. Het staat ons echter vrij, ons te verdedigen, ons zeiven te beveiligen en ons schadeloos te stellen, mits deze dingen niet uit wraakzucht komen en niet te ver gedreven worden.

Men treft soms christenen aan, die meenen al genoeg gedaan te hebben, wanneer zij hunne vijanden niet haten en geen kwaad gunnen. »Ik vergeef hun alles,quot; zoo zeggen sommigen, maar »vergeten kan ik het niet.quot; Ze willen niets doen, ten gevalle van hunne vijanden, maar ook niets tot hunne schade. Wanneer men nu echter, zooals God bevolen heeft, zijne vijanden beminde, dan zou zulks niet plaats hebben. Die menschen dragen geen enkel vonkje liefde voor hunne vijanden in bet hart, en zijn strafbaar voor Clod, hetgeen blijkt uit het volgende:

lo. Wijl God zelf dat van ons verlangt. Duidelijk levert ons het Oude en Nieuwe Testament daarvoor de bewijzen. Door Mozes reeds liet God den Israëlieten gebieden: »Gij zult uw broeder niet haten in uw hart.... gij zuil geen wraak bedenken en het unrechl van uw medeburger niet gedenken.quot; 3 Mozes 19 17—IS. — In liet Nieuwe Verbond zieu we Jesus zelf op-

293

-ocr page 300-

DE GROOTE CATECHISMUS.

treden en de liefde voor de vijanden leeren en uls verplichtend gebod vaststellen. Da Parizeen verdedigden, om hun liefdeloos en onverzoenlijk gedrag te rechtvaardigen, de leer: »Gij zult xwen naasten liefhebhen, en uwen vijand haten. Hier komt Jesus tegen op met de woorden: Hebt uwen vijand lief, doet wel dengenen die u haten, en bidt voor hen, die u vervolgen en lasteren; op dat gij kinderen van Uwen Vader zijt, die in den hemel is: die Zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden, en regent over rechtvaardigen. Matt. 5, 43—45.

2o. Wijl Christus zelf ons het schoonste voorbeeld van vijandsliefde heeft na gelaten. Hij bejegende immers Judas, den verrader, op de liefderijkste wijze en sprak: » Vriend! waartoe zijt gij gekomen f\' Vader! vergeef het hun, wani zij welen niet wat zij doen,quot; aldus bad Hij voor Zijne vijanden en beulen, stervende aan het kruis. Luc. 23, 34.

Ja, op Jesus voorbeeld moeten wij het kwaad, dat onze vijanden ons berokkenden, met goed vergelden, hun vloek met zegen, bun laster en kwaadspreken met lofspraak beantwoorden. — De heiden Valerianus schijnt reeds van deze liefde kennis gedragen te hebben, want hij zegt; Het is veel schooner, beleedigingen met weldaden te vergelden dan hardnekkig blijven iu wederkeerigeu haat.quot; Zijn blik op het kruisbeeld gericht, riep Paus Pius VI stervend, uit: »üit den grond mijns harten vergeef ik mijne vijanden; ik zegen hen. — Mochten wij allen hem navolgen in zijne liefde, geleid door Jesus en zijn voorbeeld, en door ons eigenbelang, want:

3o. Vergeven wij onzen vijanden niet, dan ook hebben wij zeiven geen vergiffenis le hopen. Dit leert ons de Heiland uitdrukkelijk: » Wanneer gij niet vergeeft,dan zal Mijn Vader in den hemel u ook niet vergeven.quot; Marc. 11, 2(j. Ook leerde Hij ons bidden: » Vergeef ons onze schulden, gelijk wij verge-

294

-ocr page 301-

I)E GROOTE CATECHISMUS.

ven onze schuldenaren.quot; Wie dus niet vergeeft, die bidt dat zegenrijke gebed des Heeren tot zijn eigen verderf, wijl hij vraagt, oin ook geen vergiffenis te ontvangen. Wee dus den mensch, die niet wil vergeven : Een oordeel zonder erbarming staat hem te wachten. Als de bij zich wreekt, steekt zij, maar moet dientengevolge sterven; en zoo ook moet de mensch den eeuwigen dood sterven, die zijne wraak koelt door afge-keerdheid en liefdeloosheid.

De vergevingsgezindheid is inderdaad eene schooue deugd van den waren christen. Nooit moeten wij de zon over onzen toorn laten ondergaan. Hebben wij iemand beleedigd, dan moeten wij de eersten zijn om de hand der verzoening te bieden, want, aldus spreekt de Heiland: » Wanneer ge uw offer naar het altaar draagt en u daar herinnert, dal uw broeder iets tegen u heeft, zoo laat uw offer ooor het altaar en ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan en draag uw offer op.quot; Matt. 5, 23—24. Zijn wij echter zelf beleedigd geworden, dan nog is het plicht de hand der verzoening niet te weigeren, daar het plicht is beleediging te vergeven en wij geen kwaad met kwaad mogen vergelden. Vandaar schrijft de H. Paulus, Kom. 12, 17—19: » Vergeld niemand kwaad met kwaad! Wanneer hel mogelijk is, houd dan, zooveel in u is, vrede met alle menschen; wreekt u zeiven niet, beminde! want er staat geschreven: Mij is de wraak, Ik wil vergelden, zegt de lieer.quot; En bij Matt, lezen wij: »Als u iemand op de rechterwang slaat, bied hem ook de linker. En wil iemand voor de rechtbank met u strijden, en u den rok nemen, laat hem dan ook den mantel.quot; Deze laatste uitspraken zijn niet naar de letter te nemen, maar naar den geest.

34. Waardoor geven wij vooral onze liefde tot den naaste te kennen ?

295

-ocr page 302-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Door het beoefenen van de geestelijke en lichamelijke werken van dankbaarheid.

De H. Sclirift beveelt ons de armen, de weduwen en weezen, en allen, die op eene bijzondere wijze in geestelijken of licha-meiijkcn nood verkeeren, nadrukkelijk aan. Deze allen moeten wij bereidvaardig bijstaan, want den naaste oin God beminnen, is hem naar krachten in allen nood bijstaan, hetgeen echter vaak met medehulp van anderen of door vereenigde krachten geschieden kan. »Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.quot; En daar de mensch onder een zevenvoudig stoffelijke ellende gebukt gaat, daarom heeft de goddelijke Voorzienigheid ook zeven werken van barmhartigheid aangewezen om die rampen of kruisen zooveel doenlijk te verzachten of geheel weg te nemen. Wij zullen ze afzonderlijk in het kort verklaren.

35. Welke zijn de lichamelijke werken van barmhartigheid ?

Deze zeven; 4°. de hongeren spijzigen; 2°. de dorstigen laven; 3°. de naakten kleeden; 4°. de zieken bezoeken ; 5°. de vreemdelingen herbergen ; 6°. de gevangenen verlossen; 7°. de dooden begraven.

] o. De honcjerigen spijzigen. Menigeen weet bij ondervinding, al is hij ook niet arm, welk scherp zwaard de honger en hoe welkom ons in dien toestand de spijs is. Daarom wordt ons hart tot medelijden gestemd, als we een arme zieu, die honger heeft; en gedachtig aan Jesus\' woord: »Wat ge den geringste der Mijnen gedaan hebt, hebt ge aan Mij gedaanquot;, wordt de naastenliefde in ons alsdan werkdadig. Ja, geven is zaliger dan ontvangen; geven aan onze naasten is, leenen ;ian God zelf, om later in den hemel kapitaal en interest voor eeuwig weder te vinden. Geef dus, wat ge geven

296

-ocr page 303-

DE GROOTE CATECHISMUS.

kunt. Een stuk brood, vruchten of andere spijzen, zuilengoud voor u afwerpen en dikwijls zal een dankbare handdruk of een traan van erkentelijkheid hier op aarde reeds uw loon zijn. Bovendien oogst de medelijdende de achting van alle weidenkenden in, terwijl de vrek en hardvochtige aan spot en verachting worden prijs gegeven. Den huisarmen, die wellicht geleid door misplaatst eergevoel, schromen te vragen, moet ge vooral eene daadwerkelijke barmhartigheid toonen, en er vooral ook op uit zijn, den zieken spijzen te bereiden, welke zij verlangen of welke voor hun herstel dienstig of noodig zijn; want het is voor zieken een groot kruis en eene wreede smart te snakken naar iets, zonder het te kunnen verkrijgen. Geef ook zooveel mogelijk in het geheim, om het eergevoel van den arme te sparen; de linkerhand mag niet weten, wat de rechter doet, en hij, die groot gaat op zijne aalmoes, heeft zijn loon reeds ontvangen. Doe den arme ook geen verwijtingen, maar erken in hem alleen het nooddruftig evenbeeld Gods, dien God wil, dat ge helpt. Eene liefdevolle vermaning zal haar duel niet missen; hij heeft echter geen behoefte aan uwe strafpredikatie, maar wel aan een klein deel van uw overvloed. Vergeet nooit; »Ik had honger en gij heli Mij (in den arme) gevoed.quot;

2°. De dorstigen laven, d. i. wij moeten reizenden, armen en zieken, die behoefte daaraan hebben, de noodige lafenis schenken, want de dorst brandt. »lk heb dorst,quot; riep Jesus aan het kruis en Hij beloofde hun een rijk loon, die dat lichamelijk werk van barmhartigheid beoetenen, zeggende; »Al wie slechts een beker koud water aan een van deze geringen, in den naam eens discipels, zal gegeven hebben, voorwaar. Ik zeg ii, hij zal zijn loon niet verliezen.quot; Math. 10, 12. Kebekka heeft dat ondervonden. Zij gafEliasar, Abraham\'s trouwen dienaar, en zijne kameelen te drinken en werd, naar aanleiding daarvan, door God als bruid van den vromen patriarch

297

-ocr page 304-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Izaak, verkoren. Herinner u hier de Samuritaansche vrouw bij de Jakobsbron, aan wie de Zaligmaker te drinken vraagt, en het loon, haar geschonken. Wat loon en zegeningen zouden over vele menschen afdalen, wanneer ze het geld in onmatigheid en losbandigheid verkwist, bespaarden voor den doodzieke, om hem eene verkoelende teug wijn, een lavende drank, in zijne glooiende koortsen, te verschaifen. Vergeet dan u smachtenden naaste niet, en God zal ook Zijn loon voor u niet vergeten; want gelukkig de mensch, die eenmaal voor Gods rechterstoel zal hooren: »Ik had dorst m gij hebt Mij gelaafd.quot;

3°. De naakten kleeden. Hebt gij nimmer een mensch ontmoet, die geen kleederen bezat, om zich tegen weer en wind te beschutten? Is uw oog nimmer op ongelukkige natuurgenooten gevallen, die zonder schoeisel, barvoets als het ware, hun weg vervolgden? Waart ge ooit in de gelegenheid de hut te bezoeken, waarin ouders en kinderen hunne afgematte en van koude bibberende ledematen op een handvol stroo uitstrekten, verstoeten van de noodzakelijke dekking, verscholen onder vodden en lompen? Zoo ja, dan zal het zien van zooveel ellende, lijden en nood, zeker ook weerklank in uw hart gevonden hebben. Bedenkt het wel, gij meergegoeden: Zalig zij, die deze armen kleedden! Zult gij eene kleine liefdegift weigeren; liever uwe oude kleederen aan mot, bederf of voor een weinig geld aan een koopman overleveren, dan ze tot dekking van deu arme aan te wenden? Duizenden zijn de voorbeelden, die ons hier tot navolging opwekken! De II. Martinus deelde zijn mantel met deu arme. De H. Koningin Elizabeth besteedde al haar vrijen tijd om kleedingstukken voor de armen te vervaardigen. De H. Johannes van Kanti schonk zelfs zijne schoenen weg en liep barvoets huiswaarts. Den eenen dag droeg de zalige pastoor van Ars de kleederen, hem door zijne ambtsbroeders

298

-ocr page 305-

HE OROOTE CATECHISMUS.

geschonken en den volgenden dekte hij daarmede de armen. Wel hem, die zeggen kan: Ik ben gelukkig, want ik heb een arm kind op zijn eersten H. Ooimnuniedag geheel gekleed en in dat kind den kleinen Jesus een dienst kunnen bewijzen. Vergeten wij het niet: De weg naar den armen loopt door naar den hemel; want eens zal de barmhartige hooren: »Ik was naakt en gij hebt Mij ijekleed.quot; Treed binnen in Mijne vreugde.

4°. De zieken bezoeken. Hoe lang schijnt de tijd, als de slaap onze legerstede ontvlucht en wij door ziekte verhinderd worden onze gewone bezigheden te verrichten! Langzaam kruipen de uren, dagen en nachten voorbij, wanneer smart en pijn ons pal aan het ziekbed gekluisterd houden. Wat waart ge blijde, toen ge in uwe ziekte een bezoek ontvingt! Dat deed u s-oed en verdreef voor een ooffenblik smarten en

o O

pijn; het verzachtte die ten minste en verdreef de verveling. Welnu, wat dat bezoek voor u was, zal uw bezoek ook voor uw lijdenden natuurgenoot zijn. Maak er dan eene gewoonte van, uit christelijke liefde, gaarne de zieken te bezoeken, te troosten, tot geduld aan te manen; en zijn ze arm en verlaten, te verplegen en te ondersteunen, en zoo noodig, medicijnen en verkwikkende spijs en drank te verschaffen, en God, die in \'t verborgen ziet, zal eens uwe liefdedaden der geheele wereld bekend maken! »Trek u de armen aan,\'\'\'\' roept ons de H. Paulus toe, »en heb alle geduid met hen.quot; I Thess. 5, 14. Zeg niet: Ik heb geen tijd, want na aHoop der werkzaamheden, op zon- en feestdagen, is er altijd gelegenheid te vinden. Spiegel u hier aan den barmhartigen Samaritaan, aan den hoofdman van Capharnaüm, die voor zijn knecht bij Jesus hulp en redding zoekt, en aan die duizenden religieusen, die leven, alleen tot troost en hulp der zieken. Treed hunne ziekenhuizen binnen, en hun gedrag zal het schaamrood op uw gezicht jagen. Begrijp dus voortaan met hen Jesus\' woord:

1

f

i||

290

.V

m

ii iW

ilBÊi

I •«.#»

-ocr page 306-

DE GROOTE CATECHISMUS.

»/A- was ziek en gij hebt Mij hezochl,\'quot; ga binnen iu Mijne vreugde.

5°. De vreemdelingen herbergen. Somtijds treft men reizigers aan, die door onweer, duisternis en vermoeidheid niet verder kunnen, of wel geen tehuis, geen land of zand bezitten. Deze menschen herbergen, in zijn huis opnemen, zonder eigen gevaar, en zoo we kunnen, door spijs en drank versterken, is een groot werk van barmhartigheid, dat de eerste christenen als een heiligen plicht beschouwden. Vandaar dat in de eerste eeuwen der Kerk, de H. Chrysostomns, Basilins, enz., en in lateren tijd de H. Philippus Nerius groote pelgrimshuizen bouwden, om vreemdelingen op te nemen, waarin prelaten, vorsten en vorstinnen, den pelgrims niet zelden de nederigste diensten bewezen. Ik beu dan ook overtuigd, dat

o rs \'

ge Bethlehem\'s inwoners niet zult navolgen, die Maria eu Jozef aan de deur afwezen, maar wel Maria en Martha, wier huis voor Jesus en de Zijnen openstond. Worden wij door vreemdelingen om inlichting gevraagd omtrent den weg of andere zaken, dan moeten wij immer bereid zijn hen ten dienste te staan, en niet zooals dikwijls geschiedt, hen voor den gek houden. Hij, die alles vergeldt, roept u hier weer toe: » Wie den geringste der Mijnen opneemt, neemt Mij op.quot; Matt. 8, 15. »Ik was vreemd en gij hebt Mij geherbergd.\'1

G0. De gevangenen verlossen. Hier worden de gevangenen bedoeld, die voor het geloof, of wel onschuldig in de gevangenis zitten. De naastenliefde gebiedt deze ongelukkigen, door christelijke en zedelijke middelen te verlossen, of wel hun toestand te verzachten, door gebed, borgtocht, voorspraak, geldelijke ondersteuning, enz. » Gedenk de gevangenen, also/ ge met hen gevangen zatquot; zegt de Apostel, Heb. 13, 3. Wij zien, dat Daniël de partij opneemt voor de onschuldige Susanna. Ruben tracht zijn onschuldigen broeder Jozef te redden. De geloovigen van Damascus bevrijden Paulus uit de ge-

300

-ocr page 307-

DE UUOOTE CATECHISMUS.

yaiigenis door hem in eene mand langs den muur naar buiten te laten. De H. Paulinus van Nola offerde zijn geheele vermogen op om gevangenen te verlossen, en toen hij niets meer bezat, werd bij zelf slaaf, om den zoon eener arme weduwe uit de slavernij te bevrijden. Er bestaan zelfs geestelijke orden, b.v. de ïrinitariërs, wier uitsluitend doel is, cliristenen los te koopen, die in heidenscbe gevangenschap versmachten. De edele priester Olivieri, in 18G6 gestorven, besteedde zijn leven, geld en arbeid alleen om gevangen negerkinderen los te koopen en hun eene christelijke opvoeding te geven. En wat anders is het doel der broederschap van de H. Kindsheid? Dat daarom niet alleen de kinderen, maar ook de volwassenen hun penningske bijdragen tot dat groote christelijk liefdewerk, en ze zullen op den jongsten dag hooren: »Jk was gevangen en gij hebt Mij verlost\'quot;; ontvang de kroon der vergelding.

7o. De dooden hegraven. Door dit werk van barmhartigheid bewijzen wij oiizen naasten na hun dood nog onze liefde, wanneer wij nl. zorgen, dat een arm mensch, om wien niemand zich bekommert, christelijk begraven en eene ziele-mis voor hem gelezen wordt; wanneer wij zijn lijk biddend naar het kerkhof begeleiden en zijne uitvaart bijwonen. Schitterend zijn de voorbeelden, ons door de eerste christenen gegeven, die met gevaar van hun leven de lichamen der martelaren opzochten, of heimlijk wegnamen, om ze eene christelijke begrafenis te bezorgen. De geschiedenis verhaalt ons ook, dat de IT. koning Lodewijk de aan de pest gestorvenen, op zijne schouders ten grave droeg, daar de vrees voor besmetting anderen terughield om dezen liefdedienst te bewijzen. Onlangs werd te Weenen een arm mensch begraven en de geheele lijkstoet bestond uit twee personen. De keizer ontmoette den lijkwagen, verliet zijn rijtuig, sloot zich met zijn hofstoet aan bij de twee volgers van het lijk en woonde na de begrafenis

GR. CAT. 20

301

-ocr page 308-

DE GROOTE CATECHISMUS.

de uitvaart bij. Zie, dat ziju voorbeelden, die tot navolging stemmen, te meer daar God zegt: » Mijn zoon! ween over een doode en vet onachtzaam zijne begrafenis nietquot; ! Siraeh 38, 16.

Uit het voorgaande blijkt duidelijk, dat men de lichamelijke werken van barmhartigheid moet beoefeuen. De goddelijke Heiland heeft ons daartoe ten strengste, zelfs op straf van de eeuwige verdoemenis, verplicht; want op het laatste oordeel zal Hij tot de onbarmhartigen zeggen: »Wijkt van Mij, gij vervloekten, in het eeuwig vuur; want Ik had honger en gij hebt Mij niet gespijsd;quot; enz.

Groot loon, tijdelijke zegen en geestelijke genaden, b.v. vergiffenis van zonden en het eeuwig leven, zjjn dengenen toegezegd, die uit christelijke naastenliefde, weldoen en de lichame-Ijjke werken van barmhartigheid beoefenen. » Wie den armen geeft, hij zal geen gebrek lijden; wie echter de vragenden veracht, zal armoede hebbenquot;, zegt de H. Geest in het Boek der Spreuken, 28 27. » Vergeet niet weldadig te zijn, want door zulke offers wordt God verzoend;quot; aldus de H. Paulus Heb. 13, 16. iDe aalmoes redt van den dood, reinigt van zonden, en maakt, dat men barmhartigheid en het eeuwig leven vinde.quot; Zoo spreekt Tobias, 12, 9.

Wij hebben het noodzakelijkste van de lichamelijke werken van barmhartigheid besproken en zullen nu overgaan om de zeven geestelijke te verklaren, welker beoefening noodzakelijker is dan de lichamelijke, daar de ziel van den mensch verre boven het lichaam verheven is. Wie den zondaar van zijne dwaalwegen terugvoert, hij beseffe, dat hij diens ziel van den dood redt en een menigte der zonden bedekt,\'\' schrijft de H. Joh. 5, 20.

36. Welke zijn de geestelijke werken van barmhartigheid ?

Deze zeven: 1°. de onwetenden leeren; 2°. de zondaren vermanen; 3°. de twijfelenden goeden

302

-ocr page 309-

DE GROOTE CATECHISMUS.

raad geven; 4°. de bedroefden troosten; 5o, het onrecht geduldig lijden; 6°. de beleedigingen vergeven ; 7°. voor levenden en dooden bidden.

1°. De onwetenden leeren. Vele menscheu vallen in zonde en leven daarin onverschillig voort, wijl ze onwetend zijn in zake des lieils en de plichten des geloofs en van Gods geboden niet of wel slechts oppervlakkig kennen. Daarom is het een groot werk van barmhartigheid, zulke menschen omtrent hunne plichten te onderwijzen en hen zoo tot God terug te voeren. Dat werk van barmhartigheid — de voortreffelijkste arbeid, welke men lean verrichten — beoefenen de geestelijken, religeuzen en anderen, door godsdienstig onderricht te geven aan kleine en groote kinderen van onze Moeder, de II. Kerk, alsmede de ouders, die hunne kinderen leeren bidden en tot een ijverig bezoek der catechismuslessen en der predikatiën aanzetten, want zooals de ouders, zoo de kinderen. Goede en stichtelijke boeken ter lezing geven, ook dit is onwetenden leeren en Apostel zijn. Ook zij, die te huis iets uit de predikatie of het christelijke onderwijs verhalen, leeren de onwetenden, zooals de PI. Vincentius Ferreris deed, die reeds als kind aan andere kinderen de gehoorde predikatie verhaalde. Hier treedt ons bovenal Jesus\' beeld voor den geest, die gedurende drie jaren, dag in dag uit aan het liefdewerk besteedde, en die duizenden missionarissen van beider geslacht, die op zijn voorbeeld vaderland en familie verlaten, om do onwetenden te gaan leeren en voor Jesus te winnen. Zegt niet, ik ben daartoe niet in staat, want ge kunt toch wel een penningske bijtlragen tot oprichting van katholieke scholenen tot steuniug van het missiewerk, waardoor ontelbare zielen voor de waarheid en den hemel gewonnen worden. »Dieharm-hartijheid hezil, lecrl en onderwijst gelijk een herder zijne kudde,quot; zoo lezen wij in Eccl. 18, 13.

2quot;. De zondaars vermanen. Wanneer de zonde voor den

303

I

j i

ill

lp-

li

11 ■

i i

■ii i

iffi sü

i

-ocr page 310-

flE GROOTK CATECHISMUS.

mensch het grootste ongeluk is, clan ook is zijne redding daaruit, door ons toedoen, de grootste weldaad, die we hem bewijzen kunnen. Welnu, wanneer we trachten de zondaars tot bekeering te brengen, en tot het goede aansporen, dan bewijzen we hun geestelijke barmhartigheid. Wij noemen dat eene broederlijke vermaning, waartoe een ieder gehouden is, die de misstappen van zijn naaste zeker weet en tevens de hoop koestert, dat de terechtwijzing met goed gevolg zal geschieden. Die vermaning moet steeds gegeven worden met overleg, liefde, zachtmoedigheid en medelijden, naar het woord des apostels. Gal. 6, 1, waar hij zegt: » Wanneer iemand van eene zonde overtuigd luordt, onderwijst hem dan in zachtmoedigheid.quot;

Het zal zijn nut hebben hier op te merken, dat het meer schade dan voordeel aanbrengt, een dronken mensch in zijne dronkenschap, of wel iemand in volslagen woede, te vermanen. Niemand zal toch toegeven, dat aan een wild en woest hollend dier eene goede vermaning besteed is, maar evenmin zal de vermaning van eene vrouw of van ouders aau een dronken man of zoon gegeven, nut stichten, integendeel, dikwijls de vloek- en scheldwoorden vermeerderen en de woede doen toenemen; redeloozen verstaan niet, en daarom moet men wachten op eene betere gelegenheid. Ouders, onderwijzers en huisoversten beoefenen tegenover hunne ondergeschikten dit liefdewerk (en zijn daartoe strenger dan gelijken verplicht), wanneer ze hen vermanen, berispen, bestraffen, hun het bezoeken van gevaarlijke plaatsen of personen beletten, hen opwekken om de heilige sacramenten te ontvangen, enz. Vergeet bij dit alles, de zachtmoedigheid niet. Een as-je-blief, een goed woord vindt altijd eene goede plaats. Met een lepel stroop vangt men meer vliegen dan met een vat azijn. Vinden de vermaningen van ouders en overheden echter geen ingang in de harten der onwillige kindereu en onder-

304

-ocr page 311-

HE GROOTE CATECHISMUS.

danen, dun zijn ze gestreng verplicht, eu beoefenen ze een werk van barmhartigheid, straffen toe te passen, om ze in de toekomst voor herval te vrij waren; dan moet het lichaam gekastijd worden, om de ziel gezond te maken. Zijn we overtuigd, dat een broeder, speelmakker of een ander zware zonden gedaan heeft en zijn wij onmachtig, om dat in de toekomst te keer te gaan of den zondaar op het rechte pad terug te voeren, dan kunnen wij verplicht zijn, dit aan ouders, leermeesters of priesters bekend te maken, en beoefenen zoodoende een liefdewerk. In het algemeen, wanneer ge niet ambtshalve of uit plicht van staat tot vermaning gehouden zijt, wees er dan spaarzaam mee.

3°. Den twijfelenden goeden raad geven. Wanneer iemand radeloos is en niet weet wat aan ie vangen, om uit zijn stof-felijken of geestelijken nood te geraken, een ongeluk te ontgaan ot een geluk te bemachtigen, of hij zekeren dienst zal aannemen of niet, zekeren levensstaat zal aanvaarden of niet, dan bewijzen wij hem eene groote liefdedaad door hem met raad bij te staan of naar een vertrouwd eu kundig persoon te verwijzen, b. v. den biechtvader. Denk er echter wel aan, dat de zaak, waarin men raad geeft, op zich zelve goed, en ook de middelen, welke men aanraadt, daarmede in overeenstemming moeten zijn, anders zou men vreemde zonden bedrij ven. De H. Fran-ciscus van Sales gaf aan duizenden schriftelijk en mondeling raad, en de zalige pastoor van Ars bracht jaren achtereen door in de beoefening van dat liefdewerk. Doch, al zijn we ook geen priester, zeker is het, dat de twijfelende en rade-looze in den regel minder helder denkt dan een ander, en deze hem dus dikwijls met raad kan bijstaan. Vooral in geloofstwijfel vindt goede raad eene goede plaats. » Verstaat gij de zaak, licht dan uw naaste in,quot; zoo lezen wij in Eccl. 5, 14.

4o. De bedroefden troosten. Als de mensch zich ongelukkig gevoelt, dan is hij treurig, terneergeslagen en vaak ook klein-

305

-ocr page 312-

DE GROOTE CATECHISMUS

moedig. Wat edel werk is het hem op te beuren in zijne droefheid en smarten, door hem moed in te spreken en op te vroolijken. Zeg hem eerst, dat hij reden heeft bedroefd te zijn en dat ge met hem medetreurt, zeg vervolgens gelijdelijk wat zijn leed verzachten kan, zeg eindelijk wat vordert, dat wij onze smart overwinnen; dat hij zijn ongeluk te hoog opvat, dat het nog veel erger kon zijn of gemakkelijk te verhelpen is; dat de zaak beter zal uitvallen dan hij zich voorstelt, en staaf, zoo mogelijk, uwe gevoelens met voorbeelden. Beweer echter niet, wat onwaar is, en verzeker niet, wat met grond betwijfeld wordt. Wijs hem op de wijze, goddelijke Voorzienigheid, die uit alles voordeel voor ons weet te trekken en beloof hem uw gebed en alle mogelijke hulp. Beloof echter niet, wat ge niet doen zult, en wees bijzonder aan een sterfbed voorzichtig met beloften. O, een enkel medelijdend woord is dikwijls de beste balsem voor het bedrukte hart van onzen bedroefden evenmensch, ja, het bewijs alleen, dat we met zijn lot begaan zijn, doet hem goed. Vandaar roept de II. Paulus ons toe, 1 Thess. 5, 14: »Troost de kleinmoedigenquot;! ygt;Laat de weenenden niet zonder troost en treurt met de treurendenquot;. Aldus Sirach 7, 38.

5o. Het onrecht geduldig lijden. Treffend zijn de voorbeelden, welke de martelaren, de Apostelen en Jesus zelf ons in dit opzicht geven. Alle vervolgingen, allen smaad, alle lijden verdragen zij met geduld en zachtmoedigheid, en gaan, hunne beulen zegenend, den dood te gemoet. Inderdaad, de zachtmoedigheid en het geduld des beleedigden werkt niet zelden de bekeering des beleedigers uit. Dikwijls zal de beleediger zich dan schamen over zijn gedrag, of wel de grootheid van ziel van den onrechtvaardig behandelde bewonderen, waardoor hem schande, straf of vernedering bespaard werd, en des te spoediger tot inkeer komen. Door geduldig lijden bewijst men derhalve eene weldaad aan zijn evenmensch, terwijl

306

-ocr page 313-

DE GROOTE CATECHISMUS.

het niet-verdragen vaia onrecht oorzaak is van grooter haat, twist en vijandschap, vloek- en scheldwoorden, enz. Neem er eens de proef van, zooals de H. Philippus Nerius, die langen tijd was beleedigd door twee kwajongens, ja zelfs bemoeilijkt in het opdragen der H. Mis, en toen men hem ried, zich daarover te beklagen, antwoordde: »Ik wil het kruis niet ontvluchten, dat God mij heeft opgelegd.quot; Hoe geduldig verdroeg David de vervolgingen van Saul. Geduldig verdroeg Jozef van Egypte de lage mishandelingen zijner broeders, en Jesus zelf geeft ons het schoonste voorbeeld van geduld in \'t lijden van onrecht.

6°. De hdeediginyen vergeven. Iemand stoffelijke schuld kwijtschelden is een lichamelijk werk van barmhartigheid. Vergeeft men echter zijn evenmensch het leed, de beleedi-gingen, de beschimping, den laster en spot, welke hij ons aandeed, zonder er later op terug te komen of er een verwijt van te maken, dan is dat een geestelijk werk van barmhartigheid. Vergeven wij echter niet, op grond der naastenliefde, maar uit nood, of omdat het niet anders zijn kan, uit berekening of tijdelijk belang, derhalre niet geheel vrijwillig om God, dan begrijpt een ieder, dat er van naastenliefde geen sprake zijn kan. Hier hoor ik iemand zeggen: »Ik ben op verregaande manier beleedigd, zonder er van mijn kant do minste aanleiding toe gegeven te hebben, en kan dat zoo maar niet over het hoofd zien.quot; Hoor eens, vriend! Gij zgt nog nooit bespuwd, bespot, gegeeseld, met doornen gekroond, nooit als \'s duivels bondgenoot, volksopruier, toovenaar, enz. uitgekreten zooals de Heiland, uw toonbeeld. Vestig uw blik op Zijn gedrag en het zal u gemakkelijk vallen, uweti belee-digers te vergeven, te meer, daar in eene groote zaak er uwe zaligheid van afhangt, zooals we dat in vraag \'33 leerden.

Een priester werd bij een armen grijsaard geroepen om hem de laatste H. Sacramenten toe te dienen. Bij het zien

•307

-ocr page 314-

DE GROOTE CATEOHISJIUS.

vtin den dienaar Gods, die hem liefdevol zijne hand toestak, sidderde en beefde de stervende man en riep uit: »0, mijn Vader! kunt gij mijn blik verdragen en mij aanhooren? De hand, welke gij in de uwe gekneld houdt, hoeft reeds dertig uwer medebroeders vermoord.quot; En wat antwoordde de priester? »Wees getroost, mijn zoon! Er is er nog een over en die komt om u op te beuren, in uw doodsstrijd bij te staan en uwe ziel voor de eeuwigheid te redden!quot;

7°. Voor levenden en dooden bidden. Het kan soms gebeuren, dat velen onzer geen gelegenheid of wel geen macht hebben om eenige der genoemde werken van barmhartigheid te beoefenen, en bovendien is het niemand gegeven, allen menschen werkdadig goed te doen. Maar iedereen, wie hij ook zij, kan toch iets voor zijne evenmenschen verrichten, d.i. hij kan Hein, die almachtig en algoed is, bidden en sinee-ken, zijne levende natuurgenooten met weldaden te zegenen naar ziel en lichaam, en voor zijne afgestorven broeders en zusters de eeuwige rust en vrede vragen. Kinderen moeten vooral bidden voor hunne ouders, opdat God hun al het goede vergelde, wat ze aan hen besteden; het gebed is vaak hun eenig kostgeld. Spiegelen we ons hier weer aan het voorbeeld van Jesus en Zijne heiligen.

Ziedaar, de gewichtige leer der naastenliefde iu \'t kort verklaard. Stel u echter niet tevreden, waarde lezer! met de verklaring, maar breng alles, wat ge als uw plicht hebthooren aanwijzen, getrouw in beoefening en wees daarom:

lo. Verdraagzaam en liefdevol jegens iedereen, vooral jegens familieleden en anderen, met wie ge dagelijks omgaat.

2o. Heb geduld met de gebreken en zwakheden uwer mede-menschen; vergeef gaarne uit liefde Gods, bid voor uwe vijanden en vergeld geen kwaad met kwaad. Denk er wel aan, de liefde voor zijne vijanden is de verhevenste, de grootste eu gezegendste onder alle christelijke liefdewerken. »Er bestaan

308

-ocr page 315-

DE GROOTE CATECHISMUS.

vele soorten van liefdewerken en Viin aiilraoezen, waardoor men genade tot, vergiffenis der zonden (en genade der bekeuring) verkrijgen kan, docli er bestaat geen grooter dan de beleedigingen van harte te vergevenquot;, zegt de H. Aug.

OVER DE CHRISTELIJKE LIEFDE TOT ZICH ZELF.

(Behalve God en den naaste mogen, moeten wij ons zeiven beminnen, daar de Heiland dat uitdrukkelijk veronderstelt in de woorden: »Gij zult uw naaste beminnen als u zeivanquot;. Bovendien heeft God, onze Schepper en Heer, de neiging der liefde tot ons zelf ons ingeschapen.

37. Waarin bestaat de christelijke liefde tot ons zelf!

Zij bestaat in de onafgebroken zorg voor het hei! onzer onsterfelijke ziel, gekocht en betaald door Jeamp;us\' leven en bloed, geheiligd door de genade des H. Geestes, van wier redding ons eeuwig heil al hankelijk is.

Wat baat het immers den mensch, de geheele wereld te winnen, doch aan zijne ziel te verliezen. Daarom kan men niets dwazer, schandelijker en schadelijker denken dan de verwaarloozing van dat kostbaar pand; want er bestaat niets, buiten God, wat iemand nader en beter is dan hij zelf. De liefde begint niet zich zelve en daarom, is hij dwaas en wreed tegen zich zelf te achten, die anderen met geestelijke en stoffelijke werken van barmhartigheid bijstaat en zijne eigene zu-ligheid verwaarloost. Wij moeten daarom

lo de zonde en elke gelegenheid, personen en zaken, dilt;

309

-ocr page 316-

BE GROOTE CATECtllSMtlS.

lot zonde uauleiding geven, zorgvuldig vermijden en vlnchten; want »Allen, die zonde en onrecht bedrijven, zijn vijanden hunner ziel.quot; Tob. 12, 10.

2o. Zijn we gevallen, dan moeten we terstond door berouw en boetvaardigheid, het gevaar van verloren te gaan, van onze ziel afwenden, volgens het woord der Schrift: »Stel niet uit, u tot den Heer te hekeeren . . . want plotseling komt Zijn toorn.quot; Werp u dan met Maria Magdalena aan Jesus\' voeten en beween onder bittere tranen met Petrus uwe zonden.

3o. Moeten wij ijverig zijn in het beoefenen van goede werken, ons niet tevreden stellen, zooals zoovelen, helaas! doen, met geen zware zonden te bedrijven, maar onze ziel versieren met ontelbare verdiensten, volgens de vermaning van den H. Petrus II; 1, 10: »Bevlijtig u, uw roep en uwe voorbestemming door goede werken, zeker te makenquot;. Geen offer moet u in dat opzicht te groot, geen arbeid te zwaar, geen strijd te hevig zijn!

aj De zorg voor het heil onzer ziel sluit volstrekt de liefde en achting niet uit, welke wij op de christelijke wgze, voor ons lichaam, moeten koesteren. Ons lichaam is immers de woning der ziel en haar werktuig in den dienst van God? Het is geheiligd door het Doopsel, gewijd tot een tempel des H. Geestes, en bestemd om, eenmaal hereenigd met de ziel, de eeuwige heerlijkheid te bezitten. Daarom is het onze dure plicht, alles te weren, en van den anderen kant, alles aan te wenden, wat ons lichaam op eene redelijke wijze nuttig, voor-deelig en noodzakelijkls, tenzij soms hoogere belangen en beweegredenen in het spel komen.

hj De zorg voor onze ziel is ook niet in tegenspraak met de zorg, welke zij hebben voor tijdelijke goederen, voor eer en goeden naam; niet in strijd met ambten, waardigheden enz. Wanneer wij dat alles op eene christelijke wij/.e gebruiken, die gaven beschouwen als leengoederen van God en tot Zijne

310

-ocr page 317-

DE GROOTE CATECHISMUS.

eer tot eigen en \'snaasten heil en nut bestoden, dau verricli-ten wij een werk door Grod voorgeschreven en gewild.

Lijnrecht staat echter tegenover de geregelde christelijke eigenliefde, de zondige eigenliefde, waardoor de mensch zijne eer en zijn wil boven die van God plaatst en meer voor het tijdelijke dan eeuwige bezorgd is. liet is deze eigenliefde, welke Paulus de bron en oorzaak noemt van alle zonden, in zijn brief, l Tim. 3, 2—1 : »De ongeregelde eigenaar is hebzuchtig, onruststoker, kwaadspreker, hoovaardig, lasteraar, ongehoorzaam, ondankbaar, onkuisch, verrader, kwaadwillig, opgeblazen en meer zijne booze lusten dan God minnend.quot; — Inderdaad, »de zondige eigenliefde is een kwaadaardig onkruid, dat, al meent men het ook met wortel en al te hebben uitgeroeid, bij vele gelegenheden nieuwe spruiten uitschiet,quot; zegt de H. Franc, van Sales. Arbeid dau onvermoeid, om het laatste worteltje van dat onkruid uit uw hart te verwijderen en rust niet, alvorens overwonnen te hebben. Vergeet niet, dat hij, die alles voor eu om zich zelf doet, verre van het christendom staat, dat slechts liefde vordert, welke het nut en heil van allen eischt.

NEGI EN-EN-TWINTIG STE LES.

OVER DE ZONDE.

Zooals in de voorgaande lessen geleerd is, bestaat de christelijke gerechtigheid hierin, dat we in den drieëenigen God eu Zijne openbaring gelooven, op Hem hopen en Hem boven alles en den naaste als ons zeiven beminnen. De beoefening echter dier deugden is onmogelijk zonder gehoorzaamheid aan Gods wetten. Ja, de vreeze Gods veronderstelt reeds uit haar aard, haat eu afschuw tegen de zonde. Wat toch baat het,

311

-ocr page 318-

DE GROOTE CATECHISMUS.

de goddelijke deugden te kennen ou te bezitten, als men door zonde tegen liet geloof hnmlelt, de hoop op den hemel verijdelt en de liefde in haat verkeert! Willen we dus gerecht, heilig en deugdzaam leven, dan is het noodzakelijk aan Gods wetten te gehoorzamen; want,

38. Wat is zonde?

Zonde is eene ongehoorzaamheid aan de wet Gods

De zonde maakt ons dus deelgenoot aan den opstand des duivels tegen God, en is het eenig eigenlijke kwaad, dat den mensch kan overkoojen. Zoude is iedere gedachte, ieder woord, elk werk tegen cle betere overtuiging, die in ons woont, aldus leert de II. Aug. Maar ook het verzuim van het goede dat men verplicht is te verrichten, is zonde en strafbaar.

89. In welke soorten kan men de zonde in \'t algemeen verdeden?

In deze twee soorten, erfzonde en dadelijke zonde.

40. Wat is vooral het onderscheid, tusschen erfzonde en dadelijke zonde?

Dat de erfzonde niet door eigendaad bedreven, maar overgeërfd wordt; en de dadelijke zonde door eigen daad. d. i. door eigen wil bedreven wordt.

Elk mensch wordt met de doodelijke besmetting der erfzonde geboren; dat is een erfstuk onzer eerste ouders (Vgl. 1 D. vr. 65); maar de dadelijke zonde wordt bedreven door het misbruik van den vrijen wil.

41. Op hoeveel wijzen kan men met eigen wil zondigen ?

Op vierderlei wijze: 1°. dooi gedachten en begeerten; 2°. door woorden; 3° doorwerken; 4° door verzuiraenissen.

312

-ocr page 319-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Het is duideltjk, dat alle zonden door denken en begeeren, door spreken, handelen en verzuim niet even groot zijn; b.v. een weinig liefdeloos over zijn naaste denken, is niet zulk een groot kwaad als liefdeloos over God denken. Onkuische lian-delingen begeeren, is veel grooter zonde dan een kleinen diefstal te willen; een liefdeloos woord minder kwaad dan eene godslastering of lastertaal; een cent onrechtvaardig nemen minder kwaad dan een gulden ontvreemden; het verzuim van avond-, morgen- of dischgebed minder strafwaardig dan het verzuim der verplichte H Mis of onthouding; en vandaar ook de vraag:

42. Zijn alle zonden even groot?

Neen; eenige zijn groote. welke men doodzonden; andere zijn kleine, welke men dagelijksche zonden noemt.

43. Wanneer doet men eene doodzonde?

Als men een gebod Gods ol der H. Kerk in eene (jroote zaak met genoegzame kennis en vrijen wil overtreedt.

ürie dingen worden du.s vereischt tot eene doodzonde: 1° eene groote zaak; 2°. genoegzame kennis van die zaak als grootelijks zondig en 3°. die zaak, als zwaar zondig erkend, ook willen. Iemand, die derhalve wetens en willens een gebod Gods of der H. Kerk in eene groote zaak overtreedt, doet eene doodzonde. Wanneer hij b.v. weet, dat de overtreding of de nalating van een of ander gebod een groot kwaad is, het dus niet mag doen en toch doet, dan bedrijft hij eene doodzonde. Men noemt dat doodzonde, wijl de ziel daardoor haar bovennatuurlijk leven, d.i. de heiligmakende genade verliest en schuldig wordt aan den eeuwigen dood der hol. » Wanneer dn zonde bedreuen is, buart zij den doodquot; zegt de H. J ac. I, 15 en de H. Joh., van een mensch sprekend,

313

-ocr page 320-

DE GROOTE CATECHISMUS.

die iu doodzonde leeft, zegt: »Gij licht dun naam, dat ge leeft en zijl doodquot; Openb. 3, 1. Met recht wordt ieder, die zwaar gezondigd heeft, met eene doode vergeleken, wijl het edelere, het onsterfelijke in hem dood is. Ja, hij is dood voor God, en in dien toestand niet in staat iets verdienstelijks voor God of den hemel te verrichten. De goede werken, welke hij verricht, kunnen wellicht een onzaligen en haastigen dood voorkomen en hem tot berouw en boetvaardigheid stemmen, maar verder gaan hunne verdiensten niet. De doodzonde, in hare boosheid beschouwd, is:

a) Een afschuwelijke opstand tegen God, onzen oppersten Heer, de strafbaarste ongehoorzaamheid tegen Zijn heiligen wil. Verzet men zich tegen een wereldsch vorst, dan is dat majesteitschennis en het wordt met den dood gestraft; maar welk eene misdaad moet dan de opstand niet zijn tegen den Koning der koningen! Van hem, die eene doodzonde bedrijft, geldt het woord des Heeren: »Gy heht Mijn juk afgeworpen en gezegd: Ik wil u niet dienen.\'1 Jer. 2, 20. Ja, het is alsof de zondaar tot God zegt: »Gij dreigt met de hel. Gij belooft mij den hemel, Gij verbiedt mij de zonde en Gij beveelt mij U te dienen; maar ik wil U niet dienen!quot; Zoo durft de zondaar tot God, den Heer van leven en dood, door de daad spreken. — Welk eene boosheid!

b) De doodzonde is de schandelijkste ondankbaarheid jegens God, onzen grootsten Weldoener en besten Vader. De mensch bezit niets naar ziel en lichaam of het is eene gave, een geschenk van God. En wat doet de mensch? Hij gebruikt die gaven als pijlen om het hart des Gevers te wonden; de weldaden van God wendt hij aan, om Zijn Schepper te beleedigen en de genaden worden in de hand des zondaars, werktuigen voor verachtelijke misdaden. Welk eene ondankbaarheid ! Daarom klaagt God dan ook bij den profeet Isaïas, 1,2; »Hoort, gij hemel en aarde, let op ! Want de Heere spreekt:

314

-ocr page 321-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Zonen heb ik opgevoed en verheven; zij hebben Mij echter veracht.quot;

cl De doodzonde is eene verachting van Gods genade en van Jesus\' verdiensten, en eene vloekwaardige trouweloosheid jegens Hem. Inderdaad, de zondaar verijdelt alle jjlanueu van God; hij vernietigt, zooveel hij maar kan, ook de inzichten en het bloed van Jesns, en doemt de sacramenten, de genade, de leer, het goddelijk woord, de belofte en de bedreigingen tot werkeloosheid. De zondaar, die doodzonde doet, kruisigt voor zich den Zoon Gods opnieuwquot; zegt de H. Paulns. Ach ja, wie is in staat, do geheele boosheid der doodzonde te begrijpen en de beleedigiug van God, daarin opgesloten, te verstaan? Dat ontgaat den mensch, omdat hij slechts een flauw denkbeeld heeft van de oneindige grootheid eu goedheid van Hem, die door de zonde beleedigd wordt. De strafwaardigheid der doodzonde blijkt:

a] Uit de zware straffen, waarmede de oproerige engelen en onze stamouders getroffen werden; want om de zonden werden de eerste uit den hemel en de tweede uit het paradijs verbannen. Daarom zegt de H. Franciscus van Sales: »Het is bekend, dat eene enkele doodzonde vele duizenden engelen, die schitterden van schoonheid en geluk, in afschuwelijke duivels veranderd heeft.quot;

hj Uit de eeuwige straffen, welke de doodzonde verdient. — Dezelfde heilige Leeraar roept ons hier weder toe: 0, gij allen, die God bemint, schrikt en beeft op het hooren van den naam ^doodzondewant er bestaat niets, wat God meer haat en vervloekt. Om de doodzonde en om de doodzonde alleen, brandt de hel en zal zij eeuwig branden V

c] Uit het hittere lijden en sterven, dat de Zoon Gods ter wille van onze zonden heeft ondergaan. Hoe strafwaardig moet de zonde in Gods oog niet zijn, daar Hij ter voldoening, niet het leven van menschen, heiligen of engelen, maar dat

:il 5

-ocr page 322-

DK CROOTE CATECHISMUS.

vim Zijn eenigen Zoon eiscbt! IToo groot moest de wonde Jiiet zijn door de zoude ons geslagen, welke zulk een groot (in onsclmtbaar heilmiddel vorderde! Daarom riep de H. Bernardns dan ook uit: Wanneer het heilmiddel zoo kostbaar is, dan zie ik duidelijk in, hoe gevaarlijk en zwaar mijne krankheid is geweest.quot;

Welke zijn de gevolgen der doodzonde? De doodzonde berooft ons van Gods liefde en vriendschap, van do verdiensten onzer goede werken, maakt ons schuldig aan de eeuwige straffen der hel, [en zij vernietigt in ons Gods bovennatuurlijk evenbeeld en rooft de rust des gewetens.]

10. De doodzonde berooft ons van Gods liefde en vriendschap.

Gelijk God de natuur van den distel zoo heeft ingericht, dat ze geen rozen of leliën, maar weder distel en voortbrengt, zoo ook verbond Hij aan het kwaaddoen, kwade gevolgen. Ja, iedere doodzonde is als een zwaard, waarmede de band, die ons aar.\' God en God aan ons verbindt, wordt doorgehakt en tegelijkertijd den zondaar eene doodelijke wonde toebrengt, daar zij ons scheidt van God, de bron des heils en des levens. En kan men zich eene treuriger zaak denken, dan eene ziel zonder God, eene ziel van God gescheiden. »Gij beweent het lichaam, waaruit de ziel vertrokken is, en gij betreurt de ziel niet, die door God is verlaten,quot; zegt de TT. Aug.

2°. De doodzonde berooft ons van de verdiensten onzer goede werken (het recht op den hemel) en maakt ons sclnd-dhj aan de eeuwüje straffen der hel. Wij lezen bij Tobias 12, 10: »AlIen, die zonde en onrecht bedrijven, haten hunne ziel. De ziel, die zondigt, zal sterven.quot; Ach, hoe ongelukkig wordt de mensch door de doodzonden! De schatten, welke hij zich met zooveel inspanning en moeitevollen strijd, wellicht

-ocr page 323-

DE GROOTK CATECHISMUS.

sedert jaren, voor den hemel vergaderd had, rooft eene enkele doodzonde, en arm, doodarm staat hij voor God, met eene lamp zonder olie. Met zijne vaderstad in \'t gezicht, lijdt hij schipbreuk en verliest alle schatten, waarvan hij eeuwig moest leven. Waar is het daarom, wat de H. Rupertus zegt: »De doodzonde gelijkt een woedenden ruiter, die het paard, n. 1. den zondaar, met spoor en zweepslag naar den eeuwigen ondergang drijft.quot;

3°. De doodzonde vernietigt in ons Gods bovennatuurlijk evenbeeld en rooft de rust des gewetens. De kwaadaardigste melaatschheid is de doodzonde, want zij misvormt en mismaakt Gods evenbeeld in onze ziel, tot onkenbaarheid toe, en doet ons op Satan gelijken. De zondaar gevoelt zicb zelf ook diep ongelukkig. In den slaap schrikt hij op en kan hem vaak niet vatten, en hij ondervindt, dat een goed geweten, het beste hoofdkussen is. Hij eet en drinkt als vroeger, maar niet met smaak, het spook der zonde vergalt het. In den omgang met zijne bekenden en vrienden is hij afgetrokken, stug en niet zelden onverdraaglijk, want de opgeruitudheid van anderen hindert hem, omdat ze zijne inwendige kwaal niet wegneemt, maar integendeel hem het verwijt doet: nzoo gelukkig waart ook gij vóór uwe zoude.quot; Inderdaad, bij dag en nacht dringt zijn geweten hem in de engte en foltert en pijnigt hem, waar hij zich ook bevindt. Eene rouwmoedige bekeering kan hem alleen redding aanbrengen. Vergeten wij dan nooit, dat we door de doodzonde ons eigen kruis optrekken, onze ziel arm en onkenbaar maken voor God, en ijverig arbeiden aan onze helsche woning.

45. Wanneer bedrijft men een dagelijksche zonde ?

Wanneer men een gebod Gods in eene kleine zaak, ot ook wel in eene groote zaak, maar niet met genoegzame kennis of vrijen wil, overtreedt

GR. CAT. 21

317

-ocr page 324-

DE GROOTE CATECHISMUS

Dagelijksche zonden noemt men de kleine zonden, omdat de mensch deze door zwakheid en onvolmaaktheid bijna dagelijks bedrijft en daarom worden ze door God ook vaardiger vergeven. Wanneer ik over groot kwaad denk, spreek of een groot gebod overtreed, zonder dat als zoodanig te kennen, dan kan ik het ook niet tüillen; want de zonde bestaat in het wetens en willens overtreden van een gebod. Naarmate nu die kennis van het gebod schuldig is, d. i. naarmate ik het gebod moest en kon kennen of niet, en mijn wil volledig was of niet, is de overtreding of schuldig, of gedeeltelijk, öf geheel onschuldig.

46. Welke zijn de gevolgen der dagelijksche zonden ? 1° Zij verminderen in ons de lieide en genade Gods, maken ons ten 2° schuldig aan tijdelijke straffen en zijn 3° oorzaak, dat we lichtelijk in zware zonden vallen.

lo. Zij verminderen in ons da liefde en genade Gods. Gelijk eene ziekte het lichanm verzwakt, zoo ook verzwakt de dagelijksche zonde het leven der ziel en belet vele genadegaven Gods. Daarom zegt de H. Laurentius Justinianus: gt;De doodzonde is met den dood te vergelijken, de dagelijksche zonde met eene ziektequot; (een teringlijder, die langzaam, maar zeker alle levenskrachten verliest). De dagelijksche zonde maakt de ziel gelijk aan een boom, die op schralen grond geplant, met moeite het leven houdt en wegkwijnt, omdat de noodige voedingsstoffen ontbreken. Eveneens ontneemt de dagelijksche zonde gedeeltelijk onze ziel de noodzakelijke middelen om weelderig te leven, n.1. Gods liefde en genade.

2o. Zij maken ons schuldig aan tijdelijke straffen, welke wij in dit of in het andere leven moeten boeten. Niets, wat onrein is, kan den hemel binnengaan en over elk ijdel woord zullen we rekenschap moeten geven. O, hoe velen lijden op deze wereld groote pijnen, liggen soms jaren ziek, worden

318

-ocr page 325-

IJK GROOTE CATECHISMUS.

bezocht luet straffen iu haveengoed, omcLitzij cletlugeliiksclie zondeu niet Hchten. De pest ranpt zeventig duizend onderdanen van David weg, wegens zyne opwelling tot ijdelheid. De Bethsannten worden met den dood gestraft, omdat ze een nieuwsgierigen blik op de Ark des Verbonds hadden geworpen. De zuster van Mozes mort tegen hem, en eene afschuwelijke huidziekte is haar straf. En gelukkig nog als men hier kan afboeten, hetgeen met de smarten des va-gevuurs vergeleken, lang niet gelijk staat. Zeg dan nimmer: het is maar eene kleine zonde, want zóó sprekend, is met andere woorden zeggen : het kan mij niet schelen of ik den goeden God gering beleedig, als ik Hem maar niet zoo zwaar beleedig, dat ik de hel verdien. Of is elke zonde geene be-leediging. God, den besten der Vaders, aangedaan? Komt uwe ondankbaarheid daardoor niet duidelijk uit? De H. Makarius stal eens ééne vijg; de H. Aloysius ééns een weinig buskruit; en zij beweenden die daden hun geheele leven. En wij, die zoo dikwijls in dagelijksche zonden vallen, zouden ze niet haten en betreuren om de tijdelijke straffen te ontgaan, te meer, daar zij;

oorzaak zijn, dal we lichtelijk in groole zonden vallen.

Wie kleine zonden niet acht, wordt langzamerhand tot groote gebracht. Vandaar zegt de H. Lucas 16, 10: gt; Wie in \'t kleine ontrouw is, is ook ontrouw in \'t groote.quot; » VIacht de kleine zonden,quot; zegt de H. ührysostoinus, »want daaruit ontstaan groote. Zoo is het! Een snoeper wordt in den regel, een dief, en een bastaaruvloeker een groote vloeker en godslasteraar. Een pronkziek en ijdel jongmeusch zal eindigen met te zullen zien en gezien te worden en legt daardoor den grondslag voor een grooten val; want gelyk in een zaadkorrel de kiem der vrucht verborgen is, zoo ook ligt in de dagelijksche zonde de kiem der doodzonde.

Welnu, valt eene vonk vuur op brandbare stof, dan wordt

319

-ocr page 326-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ze terstond uitgedoofd om eene grooten brand te voorkomen. — Het stof, dat zich op onze kleederen heeft gehecht, wordt verwijderd, om ze tegen bederf te vrijwaren; laten wij dan ook onze ziel tegen de kleinste vonk, het geringste stof der kleine zonde, vrijwaren, om een grooten brand en een groot bederf te voorkomen. Bedenk de groote waarheid door den H. Chrysostomns uitgesproken: »De zonde schenkt slechts eene oogenblikkelijke vreugde en genot, maar een eeuwige smart,quot; en leer van den H. Philippus Nerius de zonde haten. Toen men den heilige vroeg, hoe hij het luidruchtig gedrag van eenige jongelingen, wien hij onderwijs gaf, kon verdragen, antwoordde de groote man: »Wanneer ze maar geen zonde doen, zal ik alles verdragen, al zouden ze op mijn rug ook hout hakken.quot;

47. Kan men nooit onwetend zondigen ?

Ja, men kan onwetend zondigen, als men namelijk met eene schuldige onwetendheid een gebod overtreedt.

Ter verduidelijking diene het volgende. Er is b. v. Zondags afgekondigd, dat er in de week een verplichte kerkdag of onthoudings- en vastendag is, doch men was door eigen schuld niet in de H. Mis of zat te slapen, en er wordt dus geen notitie van genomen. Dat is schuldige onwetendheid. Iemand, die de waarheden, en geboden noodzakelijk ter zaligheid, vergeten, of wel, ze door eigen schuld nooit gekend heeft, of ze niet wil aanleeren en gelooven, verkeert in schuldige onwetendheid enz. Wanneer hij nu tegen die waarheden of geboden handelt, dan strekt zijne onwetendheid niet ter verontschuldiging, omdat hij verplicht was die waarheden en geboden te leeren kennen.

48. Kan iets, wat geoorloofd is, zonde worden, doordat men tegen zijn geweten handelt?

320

-ocr page 327-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Zeker! Alles, wat men tegen zijn geweten doet, is zonde.

B.v. Ik neem iets weg, meenend, dat het van een ander is, docli het is mijn eigendom, dan heb ik toch gestolen. Ik geloof ten onrechte, dat er deze week een kerkdag is, maar ik begeef mij vrijwillig niet ter Mis, dan ben ik schuldig. Ik heb de valsche meening, dat het quatertemper-Woensdag is en eet evenwel vleeschspijs, dan doe ik een doodzonde, ofschoon ik niet verplicht was mij te onthouden, enz. Eindelijk dient hier nog opgemerkt te worden, dat de wil afdoende is met betrekking tot het goed en het kwaad, zoodat de wil alleen om kwaad te doen, ons ook schuldig maakt voor God. Maar gaat men verder dan het kwaad te willen, dan groeit echter ook meestal de schuld nog aan; want de schuld van de zondige daad is grooter, dan de schuld van den zondigen wil, die niet tot uitvoering komt.

DERTIGSTE LES.

OVER DE VOORNAAMSTE ZONDEN.

OVER DE HOOFDZONDEN.

49. Hoeveel hoofdzonden zijn er ?

De hoofdzonden zijn zeven in getal, nl. 1° hoo-vaardigheid; 2° gierigheid; 3° onkuischheid; 4° nijd; 5° onmatigheid; 6° gramschap; 7° traagheid.

Ze worden hoofdzonden genoemd, omdat ze de bron zgn, waaruit alle andere zonden voortkomen en ontstaan. Waren er geen bronnen, er zouden ook geene rivieren zijn, en heston-

321

-ocr page 328-

de groote catechismus.

den (leze zevrn lioofdbronnen der zonden niet, dan zouden er ook geen andere zonden bestaan. — Laten we nn elke lioofdzonde in \'tkort verklaren en tevens de deugden leoren kennen, welke er tegenover staan.

10. Door hoovaardigheid zondigt men, wanneer men zich te veel op zich zelf inbeeldt. God de verschuldigde eer niet geeft en den naaste veracht. Vandaar zegt de H.Aug.: »De hoovaardij is de begeerte naar verkeerde hoogte. Men verheft zich zelf in zekeren zin tot den oorsprong (van alle tijdelijke en bovennatuurlijke gaven) en miskent God, den eeuwigen oorsprong aller dingen.quot; Zy gaat van de lichtste ijdelheid uit, door meerdere trappen heen, tot satanisclien trots toe. Vandaar dat deze eerste hoofdzonde veel bederf voor tijd en eeuwigheid in zich verbergt. Ja, »zij is de vorstin eu koningin aller zonden en de booze moeder der navolgende boosaardige kinderen, ongehoorzaamheid, grootspraak, twist, bardnekkigbeid, tweedracht en haat,quot; aldus spreekt Grego-rius de Groote, en de H. Bernardus schrijft; Uit de hoovaardij ontstaat zelfvertrouwen, miskenning Gods, aanmatiging en andere zondige uitwerkselen der ziel.\'\' Ach ja, maar al te dikwijls ook eerzucht, afgunst, wreedheid, ongeloof en ketterij en zelfs haat tegen God. Vergeten wij toch niet, dat het deze zonde wks, die de engelen uit den hemel in de hel gestort en de eerste menschen uit het paradijs gedreven heeft. vGod wederstaat den hoovaardige,quot; zegt de Apostel. En waarop zouden we ons ook verhoovaardigen ? » Wal bezit ge, dat ge niet ontvangen hebt? Wanneer ge het echter ontvangen hebt, waarom beroemt ge u dan, alsof ge het niet ontvangen Itadt^\' Aldus de Apostel. Inderdaad, het is belachelijk, groot te gaan op schoonheid, fortuin, kennis en deugd, zooals de Phariseër, terwijl we eigenlijk voor God als bedelaars staan en bidden: »Geef ons heden ons dagelijksch brood.quot;

De hoovaardige verbeurt ook hier reeds op aarde de achting

322

-ocr page 329-

DB GROÜTE CATECHISMUS.

en liefde zijner 3iatuurgenooten; men ontwijkt, hem, en spot en verachting is zijn deel; niemand kan zijn onuitstaanbaar gezelschap deelen. Laat u dan nimmer iets boven anderen voorstaan en dank God voor alle gaven, welke naar ziel en lichaam uw deel zijn; want *deii ootmoedige schenkt Hij Zijne genade,quot; Jae. 4, 6., zooals we zullen zien.

De ootmoedigheid staat lijnrecht tegenover de hoovaardij, en bestaat hierin, dat we overtuigd van onze zwakheid en boosheid, alle goed, dat we bezitten, aan God toeschrijven, en ons zei ven uit ons zelf voor niets achten. »Ootmoedig zgn,quot; zegt de H. Philippus Nerius, »heet de wereld verachten, geen medemenschen verachten, maar zich zeiven verachten en de verachting verachten.quot;

Deze deugd is zijdelings de grondslag van alle andere deugden; de waarheid toch of het geloof is rechtstreeks de grondslag; zij is voor iedere deugd dat, wat het fundament voor een gebouw, de wortel voor den boom is. Waarlijk, de ootmoed is de in aangegeven zin, moeder, de koningin van alle deugden; want zij baart gehoorzaamheid, vreeze Gods, geduld, zedigheid en vrede. Ja nog meer! Zonder ootmoed komen wij niet tot de volmaaktheid en de zaligheid; want slechts zij, die zich vernederen, zullen verheven worden en; den ootmoedige schenkt Hij Zijne genade en den hoovaardige weerstaat en vernedert Hij Matt. 18, 3. Daarom ook roept de Heiland ons toe : » Wanneer gij niet wordt (zoo klein en ootmoedig) als de kinderen, dan zult gij het hemelrijk niet bijmeng aan.quot; — Welk een treffend voorbeeld van ootmoed en nederigheid gaf ons de H. Maagd, toen zij te midden harer grootheid uitriep: de dienstmaagd des Heer en.quot; — hik hen de minste der Apostelen en niet waardig Apostel genoemd te worden,quot; sprak de H. Paulus. En toen de H. Petrus iemand, die lam was geboren, de gezondheid gaf, en het volk zich daarover verwonderde, riep hij; »Niel uit eigen

323

-ocr page 330-

DE GROOTE CATECHISMUS.

kracht maar God heeft hem gezond gemaakt. Hoor en overweeg Jesus\' woord: gt;Igt;e poort des hemels is eng en slechts de kleinen (de ootmoedigen) kunnen daardoor binnengaan.,, 2°. Door gierigheid, zooals liet hier bedoeld wordt, zondigt de menscli, die met ongeregelde drift geld en goed zoekt en bemint, al is hij ook nog ver van gierig in den zin zooals wij het gewoonlijk verstaan. De gierigaard is er te veel op uit om geld en goed te krijgen, te behouden en te vermeerderen, en om die zondige drift te bevredigen, wordt hij tot elke zonde in staat. Daardoor is hi] hardvochtig jegens arme en ongelukkige menschen en wordt leugenaar, meineediger, dief, bedrieger en besteedt zijn geheele leven voor het tijdelijke; hij leent zich tot woeker, simonie, verraad, ja zelfs in vele gevallen tot moord. Terecht zegt de H. Basilius: »De gierigheid en schraapzucht bevolkt de wouden met roovers, de huizen met dieven; zij voorziet de familie van ontevredenen, de jaarmarkten van bedrog; zij is oorzaak van valsche eeden, van nood en ellende der onschuld, en perst tranen uit de oogen van weduwen en weezen; zij vult de gevangenissen met misdadigers en de hel met verdoemden.quot; Hieruit blijkt, dat hij, die geld en goed ongeregeld bemint, zoodra die hebzucht tot zekeren graad geklommen is, zijne ziel en zaligheid veil heeft en alles opoffert om zijne lage hartstocht te voldoen.

En het leven van den vrek? Dat is zeer ongelukkig: hij heeft rust noch duur. Dag en nacht wordt hij door zijne schraapzucht gekweld en tobt zich af om zgn schat angstvallig te bewaren en te vermeerderen; want overal ziet hij dieven, voor wie hij vreest, en meer gefortuneerden, die hij haat en aan wie hij gelijk wil zijn. »Hij gelijkt op het zwijn, dat bij zijn leven tot niets goeds in staat is, maar eerst bij zijne slachting, tot waarde komt. Zoo ook de vrek; en bij zijn dood neemt de duivel zijne ziel, de wormen nemen zijn lichaam en de lachende erfgenamen zijne rijkdommen,quot; zegt de H.

324

-ocr page 331-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Bonaventura. De ongelukkige! Hij begrijpt niet, dat hij geen bezitter, ruaar slechts bewaker, niet de heer zijner schatten, maar slechts de knecht is. En liever zou hij een stuk uit zgn eigen lichaam snijden en weggeven, dan een gedeelte van zijn goed, zijne schatten, aan armen en noodlijdenden afstaan. O, mochten de gierigaards toch uit de voorbeelden van Judas, Ananias en Saphira en zoovele anderen leeren, dat de ongeregelde liefde voor geld en goed lot tijdelijk en eeuwig ongeluk voert, en de christelijke milddadigheid voor tijd en eeuwigheid gelukkig maakt, zooals uit het volgende zal blijken:

De milddadigheid of mededeelzaamheid staat tegenover de gierigheid, en zij bestaat in de bereidwilligheid om met zijn vermogen ongelukkigen bij te staan en dat tot andere goede doeleinden aan te wenden. Bij de milddadigheid en mededeelzaamheid wordt niet gevraagd hoeveel, maar met welke meening men geeft; want hij, die geeft om den lof der mensehen in te oogsten en zulks niet doet, ter liefde Gods en van zijn evennaaste, heeft zijn loon reeds ontvangen. Het loon echter, der christelijke milddadigheid toegezegd, is groot. »De goddelijke zegen, welken men daardoor verwerft, is een zeer kostbaar goed, en men kan zijn erfgenamen geen kostbaarder en gelukkiger goed achterlaten,quot; zegt de H. Chrysostomus. Duidelijk zegt dit de goddelijke Heiland met deze weinige woorden: »Geeft en u zal gegeven worden.quot;

Spiegelen wij ons hier aan koning Salomo, die den Heer een allerprachtigsten tempel bouwde en met ongeloofelijke pracht versierde; aan Tobias, die er zijn dagelijksch werk van maakte, om hongerigen te spijzigen en dooden te begraven; aan de eerste christenen, die have en goed verkochten en onderling verdeelden, een ieder naar zijne behoeften. Ja, wilt gij een echt koopman, een gelukkig speculant zijn, geef dan, wat ge toch niet kunt behouden, om daarvoor in ruil te ontvangen, wat ge nooit kunt verliezen.

325

-ocr page 332-

DE GROOTE CATECHISMUS.

3°. Door onkuischheid zondigt men, wanneer men zich oneerbare gedachten, begeerten, woorden of werken veroorlooft, waardoor het heilig gevoel vau schaamte gekwetst wordt. De gevolgen dezer zoude zijn even afschuwelijk als de zonde zelve. Wij noemen slechts eenige: »Vernietiging der lichamelijke gezondheid, verblinding des geestes, verstoktheid des harten, ongeloof en onboetvaardigheid en de eeuwige verdoemenis. (Vergelijk overigens het zesde gebod).

De kidschheid is de tegenhanger der onkuischheid. Deze deugd bestaat in de beteugeling aller onzuivere lusten, be-geerteu en hartstochten. Zij is eene waarlijk liemelsche deugd, omdat ze ons gelijk maakt aan de engelen en daarom kan men baar in den catechismus, met de noodige voorzichtigheid echter, »niet te dikwijls aanhalen en dringend aanbevelen. Zij is de lelie onder de deugden, de dochter en de eer der gehuwden. Alle heiligen hebben haar lief gehad en hooggeschat; ■iwant allen,quot; zegt de H. Paulus, Gal. 5, 24, *die Christus toebehoor en, hébben hun vleesch gekruisigd, henevens hunne hartstochten en lusten.quot; En zouden wij hen niet navolgen ? Zie eens, welk een loon, welk eene heerlijke kroon u tegenlacht. gt;; Opgeteekend zijn al uwe gebeden en uw lof aan God gebracht; opgeteekend al uwe aalmoezen en uw vasten; opgeteekend uw eerbare echtstaat; opgeteekend uwe onthouding ter liefde Gods beoefend, maar eene huilengewone kroon ontvangt in de H. Schrift de kidschheid, \'waardoor gij schitteren zult ah een engel. Ziedaar de woorden van den H. Gyrillus van Jeruzalem.

4°. De nijd. Hij zondigt door nijd, die zijn naaste het goede misgunt, treurt over zijne welvaart, opgevat als afbreuk doende aan zijn eigen geluk, en zich verheugt als hem kwaad of tegenspoed treft, opgevat als bevordering van zijn eigen geluk. De nijd besproeide de aarde met het bloed van Abel; door den nijd zijner broeders werd Jozef verkocht, ja.

326

-ocr page 333-

DE GROOTE CATEf-UISMUS.

de nijd dorstte naar Jesus\' bloed en bereikte, helaas! baar doel. Deze ondeugd wordt gewoonlijk vergezeld van haat, toorn, twist, laster en leugen. Of is bet niet waar, dat somtijds winkeliers, ambachtslieden, enz. anderen belasteren en zwartmaken, juist omdat het dezen beier gaat. De nijdigaard, als het in \'t groote loopt, kan zijn naaste niet beminnen en wordt dus ook niet zalig. Maar ook hier reeds vindt hij zijne straf, want zijn hart krimpt ineen; hij verliest de rust des gewetens; mismoedigheid en treurigheid verbitteren zijne levensdagen en opgeruimdheid kent hij niet. En, gelijk de worm hei hout doorknaagt, waaraan zij het ontstaan te danken heeft, zoo ook knaagt de nijdigaard aan zijne eigen ziel en lichaam en bederft ze. O, hoe beminnelijk staat daar tegenover;

De welwillende liefde, waardoor men zijn evenmensch alle goed oprecht gunt en toewenscht en zijn lief en leed van harte met hem deelt. Tot deze liefde vermaant ons de Apostel Paulus in zijn brief aan de Tfomeinen 12, 10, 15: zBemint elkander met waarachtige broederliefde /quot; » Verheugt u met de blijden en schreit met de weenenden.1\' »Ziet eens,quot; zeiden de heidenen van de eerste christenen, »hoe zij elkander beminnen, terwijl wij elkander haten, en hoe bereid zij zijn voor elkander te sterven, terwijl wij er op uit zijn, elkander te dooden.quot; Onthoud dit voorbeeld en volg het na. (Vgl. de werken van barmhartigheid).

5°. De onmatigheid. De mensch is onmatig, die te veel eet of drinkt, of tusschentijds onredelijk naar spijs, drank of lekkernijen verlangt, of te begeerlijk eet en drinkt of het te smakelijk wil, of te kostbaar. Vreeselijk zijn de gevolgen dier zonde. De ondervinding en de H. Schrift zeggen ons, dat door de onmatigheid, vooral in sterke dranken, verkwisting en armoede, verstoring van den huiselijken vrede, vermindering van welvaart, onzuivere scherts, gesprekken en

327

-ocr page 334-

DE GROOTE CATECHISMUS.

werken, vloek- en scheldwoorden, twist, moord en doodslag ontstaat. — En wie zal de ziekten optellen, welke hunne oorzaak in onmatigheid vinden ? Leefden de menschen matig, dan zou men geen geneesheeren behoeven, zegt zeker schrijver. Vandaar zegt de H. Schrift: »De onmatigheid heeft meer menschen gedood dan het zwaard.quot; »Die de onmatigheid bemint, zal arm zijn, zegt ze op eene andere plaats.quot; En hoor eens, de getuigenis van den H. Aug.; »De onmatigheid (vooral in geestrijke dranken) is eene moeder aller boosheden en een grondslag aller misdaden. Zij is een kiem der zonde, een oorsprong van den laster; zij bedwelmt het hoofd, de zintuigen en het spraakvermogen, (zooals een dronken mensch getuigt), zij jis de schipbreuk der eerbaarheid, een verkwister van den tijd, het bederf der zielen en stort haar gift door het geheele lichaam.quot; »Neen,quot; zegt de H. Bernard us, »liij kan onmogelijk smaak voor God en Zijn dienst bezitten, die te veel smaak heeft in spijs en drank. Het zal niet noodig zijn het bovenstaande door voorbeelden te staven. Zie slechts rondom u, sla het doen en laten van een dronkaard en een brasser gade en ge zult alle gevolgen in hen terugvinden, die de onmatigheid met zich voert, en boven zijn aangegeven. (Vb. Een dronkaard, huisvader.)

De matigheid is de deugd, die tegenover de onmatigheid staat. Zij bestaat in het bedwingen van ons zeiven in den ongeregelden trek naar spijs en drank. »Zij is de zedelijke, geregelde onttrekking der spijzenquot; (en dranken), zegt de H. Thomas van Aquino. Ja, hem die de matigheid niet wil beoefenen, zal het zeer moeilijk vallen de boosheid te overwinnen, waartegen de mensch bij dag en nacht aanhoudend moet strijden. Vandaar roept ons de H. Paulus toe: nLaat ons eerzaam wandelen, niet in slemppartijen en drinkgelagen.quot; Leven we zóó, dat we ons niet behoeven te schamen, voor de redelooze dieren, welke verzadigd zijnde, niet meer willen eten

328

-ocr page 335-

DE GROOTE CATECHISMUS.

of drinken, en vandaar het spreekwoord: »Men kan een paard wel aan den bak dwingen, maar niet, dat liet eet.quot;

60. De gramschap. Hij is gramstorig en toornig, wiens gemoed bovenmate opvliegt, over een bestaand of vermeend onrecht, met het voornemen zich te wreken, of ook wel zonder dit voornemen. Zij is eene der afschuwelijkste en verderfelijkste zonden. Seneca, een heidensch wijsgeer, noemt haar terecht, »waanzinnigheidwant de buitengewone tee-kenen, welkemenbij den krankzinnigen opmerkt, bespeurt men eveneens bij den lievig gramstorige. Zijne oogen branden en bliksemen in hunne kassen, zijn aangezicht gloeit als vuur, het bloed bruist hem door de aderen, zijne lippen beven, de tanden knarsen, de haren rijzen te berge, de handen ballen zich en als een razende tiert en stampt hij met zijne voeten. Zijne ziel en zijn lichaam zijn geheel in de war: hij gelijkt een waanzinnige. Treffend zegt de H. Chrysostomus: »Geen leeuw of slang is in staat, de ingewanden zoo te verscheuren als de gramschap en toorn, welke met ijzeren klauw alles vernielt en niet slechts het lichaam schaadt, maar ook de gezondheid der ziel verwoest.quot; »De toorn scherpt het zwaard, miskent zijne broeders, doodt zijn evenmensch, vergeet ouders en kinderen, ja, zijn eigen bloed,quot; zegt de H. Basilius. Een kluizenaar vroeg eens de gramschap: »Wie is uw vader, wie uwe moeder, wie zijn uwe gevloekte kinderen en wie zijn het, die u tot den dood belagen?quot; Zij antwoordde: »Ik heb meer vaders, maar de voornaamste is de hoogmoed; de eigenliefde is mijne moeder en haat, twist en tweedracht, vloek- en scheldwoorden, moord en doodslag zijn mijne kinderen. Ootmoed en zachtmoedigheid zijn mijne grootste vijanden, tegen wie ik het onderspit moet delven. —

De zachtmoedigheid is waarlijk de deugd, welke de gramschap overwint, omdat ze de -wraakzucht en alle ongeregelde opwellingen van toom en gramschap onderdrukt. De mensch

329

: Ipli \'li

-ocr page 336-

DE GROOTE CATECHISMUS.

is dus zactL.noedig, die de hem toegevoegde beleedigingen, met chris! lijk geduld weet te verdragen, en hij bereikt den hoogst,, a trap in dat opzicht, wanneer hij kwaad met goed vergeldt. Daarom roept onze goddelijke Leermeester ons toe: »Luer van Mij, omdat Ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben.quot; En met welke zachtmoedigheid verdroeg Jesus smaad en lijden, spot en dood! Neen, Hij wreekt zich niet, hoewel Hem alle middelen ten dienste staan, maar Traagt vergiffenis voor zijne beulen. Ook de H. Stephanus, terwijl hij ineenzinkt onder de hem doodende steenen, bad: »Heer! reken hun dit niet tot zonde.quot; En zouden wij, zondige menschen, aan onze gramschap vrijen loop geven en ons wreken om eene bestaande of vermeende beleediging? Vergeet, derhalve, en u zal vergeven worden.

7°. De traagheid. Deze is tweevoudig. Men kan traag zijn: o) in stoffelijke dingen en b) in geestelijke zaken.

a) Hij is traag en vadzig in sto/felijke dingen, die tegen moeite en arbeid opziet en zijne beroepsplichten verwaarloost. Kinderen en volwassen menschen, die te traag en te lui zijn, om noodige kundigheden aan te leeren, zondigen en verdienen eene plaats onder de luiaards. Ze verwaarloozen immers datgene te leeren, waardoor ze later in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, en vervallen dientengevolge niet zelden tot groote armoede, en worden lichtelijk bedriegers enonkuische menschen. *De ledigheid is een begin aller ondeugden,quot; zegt de H. Schrift; en op eene andere plaats: »Die aan de ledigheid is overgegeven, steekt vol boosheid.1\' Het is eene natuurwet geworden voor den mensch, dat hij arbeidt; want zooals de visch om te zwemmen, de vogel om te vliegen, zoo ook is hij geboren om te arbeiden. *Die niet arbeidt, zal niet eten,1\' zegt God. De lediggang baart bovendien on-kuischheid. Zoo lang David werkzaam was, bleef hij kuisch. De ledigheid stortte hem in eene groote zonde. Salomo werd

330

-ocr page 337-

DE GROOTE CATECIIISMI\'S.

een afgodendienaar en onkuisch raensch, omdat Lij zijn tijd nutteloos besteedde. Zeer juist zegt ous het spreekwoord; »Ledigheid is des duivels oorkussen.quot; Daarom roept ons God in het Boek der Spreuken 6, 11, toe : »Gaat tot de mieren gij luiaards! ziet hare luerjen en wordt wijs.\'\'\'

Zou het niet waar zijn, dat velen teu gevalle van lediggang en luiheid bedelaars worden en kennis maken met de gevangenis? Zou het voorspiegelen van een leven zonder arbeiden geen oorzaak zijn, dat zich duizenden werklieden aansluiten aan die heillooze genootschappen, welke in onzen tijd de wereld in rep en roer zetten en alle orde en gezag, troon en altaar bedreigen? Zoolang de volksinenuers het arbeidend volk den hemel op aarde beloven, en God en den hemel hierboven leeren vergeten, zal ook het volk diep ongelukkig zijn. Arbeid adelt, luiheid maakt ongelukkigen voor dit en het andere leven.

hj. De geestelijke traagheid bestaat hierin, dat men nalatig is in den dienst van God en in de zorg voor zijne onsterfelijke ziel. Deze traagheid is niet minder verderfelijk dan de vorige, daar ze den grondslag legt tot walg voor de godsdienstoefeningen, tot verachting van Gods woord en van goede vermaningen, en wereldliefde, onboetvaardigheid en ongeloof in ons opwekt. En kan het wel anders? Hoe immers zou het mogelijk zijn, braaf en godsdienstig te leven, wanneer men de geboden, de sacramenten en het woord Gods verzuimt en de middelen om braaf en deugdzaam te leven, niet of althans met weerzin en traagheid aanwendt? God, de Heer, roept ons toe: »0, dat gij koud of warm waart! Wijl gij echter lauw zijt en noch koud, noch warm, daarom zal Ik u uit Mijn mond spuwen.quot; Openb. 3, 16.

Vergeet niet, dat dei hemel is toegezegd aan hen, die geweld gebruiken, maar niet aan slapers en luiaards. »Zijn heil bewerken en God dienen, neemt den geheelen mensch in; wees

-ocr page 338-

DE GROOTE CATECHISMUS.

dus niet traag in ijver; wees werkzaam in uw geest; dien den Heer.quot; Eom. 12, 11. Met deze weinige woorden geeft ons de H. Paulus duidelijk de tegenovergestelde deugd van traagheid aan.

Het zedelijk nut, uit deleer over de hoofdzonden te trekken, is dit: We moeten de hoofdzonden, als de bronnen aller boosheden, zorgvuldig vluchten en er ons met allen ernst op toeleggen, ons de tegenovergestelde deugden eigen te maken en die te beoefenen. Onderzoek u eiken dag of ge ook met eene dezer zonden behebt zijt; neem u eiken morgen voor, onvermoeid tegen uwe hoofdfout te strijden en vraag u \'s avonds af, of ge in den strijd gezegevierd en uwe lievelingshartstocht overwonnen hebt. En mocht ge soms het onderspit gedolven hebben, geef den moed niet op, heb berouw over uw misstap en neem u voor, zoodra mogelijk eene rouwmoedige biecht te spreken. Sta vast en volhard in dien strijd, want door iederen dag slechts eene enkele schrede op den weg der deugd voorwaarts te gaan, zullen we, met Gods genade, alle lieve-lings- en hoofdzonden overwinnen en ten slotte als heiligen leven en sterven. Deze waarheid leert ons de volgende geschiedenis.

Een jongeling, Henri geheeten en timmerman van beroep, werd gevaarlijk ziek tengevolge van onmatigheid in den drank. De haastig geroepen dokter verklaarde, dat hij moest sterven of geheel den drank vaarwel zeggen. De zieke antwoordde: dat kan ik niet, ik ben er te zeer aan verslaafd. Met den inhoud van dit fleschje wil ik mij echter dagelijks wel tevreden stellen. Welnu, zei de geneesheer, ik zal er nog wat bijvoegen. Den anderen dag bracht hij een builtje met zuivere grintsteentjes en sprak tot den zieke: Werp eiken dag een steentje in het fleschje en laat ze er allen in liggen, dan zal de jenever u niet meer schaden. Trouw volgde de zieke dien raad, daar hij van meening was, dat de steentjes werkelijk de

332

-ocr page 339-

DE GROOTE CATECmSJUIS.

kracht bezaten, den jenever onschadelijk te maken. Zoo dronk hij dagelijks, zonder het te bemerken, eenige droppels minder. Ten laatste was het fleschje geheel met steentjes gevuld en Henri was van zijne verderfelijke hartstocht genezen.

OVER DE ZONDEN TEGEN DEN H. GEEST.

Na de behandeling der hoofdzonden, gaan we over tot de verklaring der zes zonden tegen den H. Geest. De afschuwelijke boosheid dier zonde leert ons de Heiland zelf, als Hij zegt: »Deze zonden zullen noch in dit, noch in het ander leven vergeven worden.quot; Matt. 12, 32. Hiermede is echter niet gezegd, dat deze zonden van Gods barmhartigheid zjjn uitgesloten, maar de Zaligmaker wil zeggen, dat de mensch, die deze zonden bedrijft, in verstoktheid en verblindheid des harten vervalt, zoodat hij zich moeilijk of in \'t geheel niet bekeert, en in den regel tot aan zijn dood, met verachting de middelen en genade des heils, door den H. Geest aangeboden, hardnekkig verwerpt. Het gaat dien mensch als een zieke, die de medicijnen, noodzakelijk tot zijne genezing, halsstarrig weigert en daarom met zijne kwaal leeft en sterft. Dat zien we aan de joden, die de H. Stephanas toeroept: » Gij halssta-rigen en onhesnedenen van hart en aoren! Altijd weerstreeft gij den H. Geest; zoo als uwe vaders, zoo ook gij.quot; Laten wij ze een voor een beschouwen om hunne boosheid beter te leeren kennen; doch eerst de vraag:

50. Welke zijn de zonden tegen den H. Geest?

Deze zes; 1° aan Gods genade wanhopen; 2o vermetel vertrouwen op Gods barmhartigheid; 3quot; eene bekende waarheid des geloofs bestrijden; 4o zijn naaste om zijne deugd benijden; 5° halsstarrig

OR. CAT. 22

-ocr page 340-

DE GUOOTE CATECHISMUS

zijn iu de boosheid; 6° berouw en boetvaardigheid verachten.

1°. Aan Gods genade wanhopen doet hij, die vrijwillig alle koop op vergiffenis der zonden en op de zaligheid opgeeft. Die zonde, waarde lezer! is verschrikkelijk, wijl ze den menscli voor goed buiten den hemel sluit; want de hoop op^nt ons de hemeldeur, de wanhoop sluit haar dicht,quot; zegt ile H. Isidorus. De wanhopende denkt: voor mij is er geen genade, God wil mij niet vergeven, mijne zonden zijn te groot. Het is alsof hij zegt: Ik geloof, dat God niet barmhartig is en niet getrouw in Zijne beloften. Het een is zoo boos als het ander, want ons zondental is eindig, maar Gods barmhartigheid en liefde oneindig groot. O, mocht gij soms zulk een beklagenswaardig uiensch kennen of aantreffen, wijs hem dan op de kribbe, waarin een God neerdaalde om ons te verheffen. Zeg hem: »Zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eenigen Zoon niets paarde, maar Hem tot den dood overleverde, iioep de vernederingen voor zijn geest, die Zich Jesus gedurende 33 jaren voor zijne ziel en zaligheid liet welgevallen. ïoon hem het kruisbeeld en wijs er op, dat Jesus stierf, opdat hij eeuwig zou leven. Van af dat doodsbed, roept Hij ons toe: »Ik wil den dood des zondaars niet, maar dat Hij zich bekeere en leve;quot; »Ik hen gekomen om te zoeken, wat verloren was;quot; niet de gezonden, maar de zieken hébben den geneesheer (Mij) noodig;quot; »al waren uwe zonden zóó rood als scharlaken, Ik zal ze wit maken als sneeuw »al waren uwe zonden zóó menigvuldig als de zandkorrels aan de oevers der zee. Ik zal ze wegnemen..quot;

Zie eens, wat Jesus al gedaan en gezegd heeft, om het vertrouwen op Zijne barmhartigheid en liefde in ons op te wekken, gaande te houden en te vermeerderen, en leer daaruit de groote boosheid der wanhoop. Wacht u, zoo ge het ongeluk hebt gehad te zondigen, met Judas te mistrouwen op

334

-ocr page 341-

Igt;E GROOTE CATECHISMUS.

Gods barmhartigheid en vergevingsgezindlieid, maar werp u met Petrus bsrouwvol aau Zijne voeten, en vergiffenis en herstel in Zijne liefde zal uw loon zijn.

2°. Vermetel vertrouwen op Gods barmhartigheid. Deze zonde is juist tegenovergesteld aan de voorgaande en niet minder groot en afschuwelijk. Wanneer immers het eene groote beleediging van God is, Zijne liefde en barm\' artigheid te mistrouwen, daar Hij niets zoo zeer wenscht als het heil van den zondaar, dan moet het Hem ook innig grieven, als de mensch zondigt, door te denken: God is barmhartig en zal mij wel vergeven, en derhalve juist zondigt en boos is, omdat God barmhartig en goed is. Wilt ge weten, hoe de vermetel vertrouwende redeneert ? igt;Ik heb reeds zoo dikwijls gezondigd en altijd vergiffenis ontvangen. Welnu, of ik eens, lien of twintig malen zondig, door eene biecht is alles weer goed te maken en krijg ik vergiffenis.quot; Ja, dat is waar, wanneer de biecht rouwmoedig is en met het voornemen gepaard, om zich te verbeteren; maar niet waar is het, als het gaat, zooals men zegt, om er maar af ie komen. Bovendien, sterft men in ééne doodzonde, dan wordt men verdoemd, maar sterft men met tien, twintig of meer doodzonden bezwaard, dan zal de verdoemenis ook tien en twintig malen zwaarder ziju. En wie belooft genade en tijd van bekeeriug? Hoe velen hebben te vergeefs op dien tijd gehoopt!

Niet zonder grond wordt deze zonde vermetel vertrouwen genoemd; want is het inderdaad niet onbeschaamd en ver . metel, boos te willen zijn, juisc omdat God goed is; God te haten en te verachten, wijl Hij den mensch bemint? Is het niet vermetel, dat de zondaar vertrouwt op Gods lankmoedigheid en medelijden en wel op hetzelfde oogenblik, dat Hij diens barmhartigheid veracht, misbruikt en bespot? Het is, alsof hij denkt: God kan ot wil mij niet straffen; Hij zal of moet mij vergeven. Welk eene vermetelheid!

335

-ocr page 342-

DE GROOTE CATECHISMUS.

O, vergeet niet, dat Gods rechtvaardigheid even groot is, als Zijne barmhartigheid en even snel werkt. Verzuim daarom niet, als gij in zonde zijt, n tot den Heer, uw God, te bekee-ren, en verschuil dat niet van den eenen dag tot den anderen; want » Gods toorn breekt plotseling los en ten tijde der wrake zal Hij u vernietigenquot;,—Bedenk het wel, dat velen hunne vermetelheid voor eeuwig in de hel boeten.

3°. Eene bekende waarheid des geloofs bestrijden. Het gelooi\', d.i. de belijdenis der door Christus geopenbaarde, door de Apostelen verkondigde en door de H. Kerk, onder den bijstand des H. Geestes, zuiver bewaarde christelijke waarheid, is »het begin, de grondslag en de wortel van onze rechtvaar-digmaking en onze zaligheid,quot; want die niet gelooft, zal verdoemd wordenquot;. De H. Kerk nu is de draagster en leerares dier waarheden, en zij leert, bijgestaan door den H. Geest, met onfeilbaar gezag, wat moet geloofd, gedaan of vermeden \' worden. Wanneer iemand nu die waarheden kent, of wel kennen moest en kon, als hij slechts wilde, en ze opzettelijk bestrijdt, dan begaat hij eene verschrikkelijke zonde tegen den IL Geest. Die bestrijding is tweevoudig; öf zij betreft a) geloofspunten, of wel b) de zedenleer.

a) Wie derhalve den katholieken godsdienst niet aanneemt als de ware, ofschoon hij erkent of erkennen moest en kon, dat hij de ware is, doet eene zonde tegen den H. Geest; en eveneens hij, die een afzonderlijk geloofspunt, b.v. de onfeilbaarheid van den Paus, de onbevlekte ontvangenis der H. Maagd, de sleutelmachl der priesters, de tegenwoordigheid van Jesus in het H. Altaarsacrament, enz. willens en wetens bestrijdt en ontkent.

b) Op gelijke wijze kan iemand zondigen tegen den H. Geest, door zich hardnekkig te verzetten tegen de geboden en het verbod door Jesus geleerd, en door Zijne Kerk ons opgelegd. Zoo b.v. leert ons de Kerk, dat we moeten leven

-ocr page 343-

DE GROOTE CATECHISMUS.

volgens de tien geboden en hare vijf geboden; wnt .als 7/vare zonde gevlucht, wat als deugd moet beoefend worden, enz. Denkt of zegt nu iemand, die deze geboden en voorschriften kent of kennen kon en moest: ik lach met die geboden, de Kerk heeft ongelijk met dit of dat als groote zoude voor te stellen; legt hij de leer der Kerk, in dit opzicht, anders uit, ofschoon Christus bet door Zijne Bruid leert en beveelt, dan bestrijdt hij de onfeilbare waarheid dos geloofs, waarvan de H. Paulus zegt: »Wanneer wij vrijwillig zondigen, in het hezil van de kennis der waarheid zijnde, dan rest ons geen zoenoffer voor de zonde, maar dan wacht om een verschrikkelijk gerecht en een ziedend vuur, dnt de weer-spannigen verteren zal.quot; Heb. 10, 26-27.

Denk nu niet, waarde lezer! dat alle heidenen, joden en dwaalgeloovige Christenen, uit louter boosheid en met vrijen wil den katholieken godsdienst als de ware verachten, en zijne leer en geboden niet aannemen of bestrijden. Velen dier ongelukkigen kennen de Kerk niet; onderen kennen haar slechts uit de lasteringen har er vijanden en weer anderen leven te goeder trouw maar voort en meenen den waren godsdienst te bezitten. Het staat ons derhalve niet vrij, de men-schen, die niet katholiek zijn, terstond als hardnekkige bestrijders der waarheid te veroordeelen; want ook de Kerk veroordeelt hen niet, of het moest zijn, dat iemand afvallig wordt van het ware geloof en de dwaling uit gemakzucht of door een diepen val daartoe voorbereid, omhelst, omdat die dwaling beter met zijn toestand overeenkomt. Voor hem bestaat vrees ja groote vrees, dat hij eeuwig verloren zal gaan. Evenwel is het aanbevelenswaardig en christelijk, om aan God het oordeel over te laten. Hem te smeeken ons voor zulk een diepen val te behoeden en Hem te vragen, alle men-schen tot den éénen waren schaapstal, tot eenheid in geloof en werken te geleiden.

-ocr page 344-

I)E GROOTli CATECHISMUS.

4°. Ztjn naaste ter oor zake van Gods genade benijden.

Wat afgunst en uyd is, hebt ge reeds bij de behandeling der hoofdzonden gehoord. Het is iemand niets gunnen? treurig en verdrietig zijn over de -welvaart en den voorspoed van een ander en verheugd zijn, wanneer hem tegenspoed of ongeluk treft. Maar er beslaat een groot onderscheid tusschen den nijd als hoofdzonde en den nijd als zonde tegen den H. Geest. In beide ligt de treurigheid en het verdriet over het geluk en den voorspoed des naasten, of de blijdschap en vreugde over zijn ongeluk en zijn tegenspoed ten grondslag, doch met dat onderscheid, dat de nijd als hoofdzonde slaat op tijdelijke goederen en welvaart en als zonde tegen den H. Geest op geestelijke en eeuwige goederen. Hij bedrijft dus eene zonde tegen den H. Geest, die afgunstig is en, het bedroeft , wanneer een ander braaf en in Gods genade leeft, en een goed gebruik maakt van de sacramenten, waartoe hg zelf den moed en de kracht mist. Daarom verheugt hij zich ook, dat zijn naaste in misstappen valt en wordt, gelijk hij is. Die boosheid is duivelsch en verschrikkelijk, en geloof vrij, dat er toch niet weinigen van die Satan\'s kinderen gevonden worden. Dat gedrag is duivelsch, want ook Satan haatte het eerste menschenpaar, omdat ze zich in Gods genade verheugden. Hoe gegrond is dan ook het woord der H. Scbrift, Boek der Wijsh. 2, 24; iDoor den nijd des duivels is de zonde in de wereld gekomen.\'quot; Herinner u hier, dat de geschiedenis den nijd aangeeft als de oorzaak van den broedermoord door Kaïn, en dat het nijd en afgunst was, welke de schriftgeleerden en priesters tegen de leer, de wonderwerken en het voorbeeldig leven van Jesus opzetten en hen deed besluiten Hem door den dood uit den weg te ruimen. Hij ook, die iemand laakt of haat, omdat hij eene ongeoorloofde betrekking afbreekt, verdachte vriendschap, gevaarlijke gezelschappen of

338

-ocr page 345-

ÜE GHOOTE CATECHISMUS.

bijeenkomsten vlucht, is niet vrij te spreken v.m zonde tegen den H. Geest^, door wiens werkende of\' voorbiigaande genade zulks alleen mogelijk is. Laakt of haat hij echter die dingen van uit een geheel ander gezichtspunt, dan is het natuurlijk ook geen zonde tegen den Heiligeu Geost.

Waarde lezer! kent ge iemand, die ingetogener en heiliger leeft dan gij; die meermalen dan gij de H. Sacramenten ontvangt; die getrouwer door de week of op zon- en feestdagen de godsdienstoefeningen bijwoont; die den geest en de aanlokselen der wereld vlucht; die schrikt op het woord »doodzondeo, laak hem niet; hij staat te hoog om daardoor bereikt te kunnen worden, maar neem zijn voorbeeld ter harte en volg hem na. Begrijp, dat hij een ijverig en gij een flauw kind van God zijt. En zoudt ge dat willen blijven? O, neen, maar vraag om de genade des H. Geestes, waardoor hij alles kan en vermag, en de toegang tot het vaderhuis zal dan voor u ook weer open staan, terwijl lauwheid en traagheid, nijd en afgunst zullen wijken en plaats maken voor een heiligen wedstrijd in werken van deugd en liefde.

5°. Halsstarrig zijn in de boosheid. Wanneer men iemand waarschuwt, vermaant en de zonde met haar ellendige gevolgen voor oogen stelt, voordat hij ze bedrijft, en hij doet haar evenwel tegen beter weten in, dan is er geen zwakheid of lichtzinnigheid, maar wel halstarrige boosheid in het spel. De wijze nu, waarop God ons tegen de zonde vermaant en waarschuwt., is drievoudig.

lo. Door de ingevingen des gewetens, hetwelk ons altijd toeroept: »Dat is rechtvaardig en goed, doe het; of: dat is kwaad, boos en schandelijk, vlucht en schuw het.quot; De H. Geest, ook Hij fluistert ons onophoudelijk in, wat als goed gedaan of als kwaad vermeden moet worden. Niet alle goede gedachten en bewegingen des harten komen uit ons zei ven, maar vele van den H. Geest. Wanneer men

339

-ocr page 346-

DE GROQTE CATECHISMUS.

nu de wiiarficimwencle stom dfis gewetens en des H. Geestes in zijn hart verneemt en des ondanks tocli den weg dei-zonde inslaat, dan is men halsstarrig in de boosheid.

2°. God vermaant en waarschuwt tegen de zonde door Zijne priesters, zielzorgers, (goede) leermeesters, ouders, goede vrienden en brave menschen. Deze allen zijn middelen in Zijne vaderhand, om ons de afschuwelijkheid der zonde en de beminnelijkheid der deugd voor oogen te stellen. Al hunne vermaningen, beden, onderrichtingen, straffen en bedreigingen vinden hun oorsprong in Gods wetten en voorschriften, en door deze te verachten en te miskennen, veracht en miskent men God zelf en is men halsstarrig in de boosheid.

3°. Waarschuwt en vermaant God den mensch tegen de zonde, door allerlei straffen, wanneer Zijne vermaningen geen doel treffen, somtijds ontneemt Hij den mensch zaken, welke hem aanleiding tot zonde gaven en doet als een goed vader, die zijn kind messen, lucifers, enz. ontneemt, om het voor ongelukken te vrijwaren, en berooft hem van vermogen, verstand, veldvruchten, gezondheid, ja zelfs van echtgenoot, ouders en kinderen. Hij laat soms toe, dat we in de diepste ellende gedompeld worden, om ons daardoor tot inkeer te brengen en wij, als andere verloren zonen, heil en troost zoeken aan Zijn vaderhart. Zien we nu in die tuchtroede de hand Gods en begrijpen w^j de reden, waarom ze ons treft, dan zal de boosheid voor het hartelijkst berouw plaats maken; maar blijven wij evenwel in zonden en ongerechtigheden volharden, dan zijn we halsstarrig in de boosheid. Deze zonde begaat dus hij, die zoo verhard is in het kwaad, dat hij zich op geenerlei wijze van zijn slechten wil laat afbrengen.

Saul slaat de waarschuwende en vermanende stem vau den profeet Samuël in den wind, en sterft onboetvaardig. Pharao

3i0

-ocr page 347-

DE GROOTE CATECHISMUS.

werd dikwijls op Gods bevel door Mozes onder de vreeselijk-ste plagen gewaarschuwd om de Israëliten te laten vertrekken, maar hij bleef verstokt en vond zijn dood in de golven der Koode zee. Honderd jaren moest Noe aan de Ark bouwen, om de menschen zoo tijd en gelegenheid tot boetvaardigheid te laten; zij stoorden er zich echter niet aan, en allen, slechts acht uitgenomen, werden door den zondvloed verzwolgen. Wat deed Jesus niet, om de inwoners van Jeruzalem tot berouw en verandering des harten op te wekken, maar zij bleven halsstarrig en hardnekkig in hunne boosheid, en tot straf werden stad en inwoners bijna geheel vernietigd door de Romeinen, omstreeks dertig jaren na Jesus\' kruisiging.

Leer hier, uit de tijdelijke straffen en de eeuwige, welke hen volgen, de halsstarrigheid in de zonde verachten, en luister, wanneer uw geweten, uwe ouders of overheden en Gods straffende hand u voor de zonde waarschuwen en vermanen.

6°. Berouw en boetvaardigheid verachlen. De verachting van het berouw en de boetvaardigheid is de eigenlijke zonde tegen den 11. Geest; de overige vijf voeren trapsgewijze daarheen. Het is vreeselijk, zonde op zonde te stapelen, met het heilloos voornemen, geen boetvaardigheid te doen, het onrechtvaardig goed niet terug te geven aan den rechtmatigen eigenaar en in haat en vijandschap te willen leven en sterven. »Wanneer de mensch zich niet van zijne zonde wil reinigen en zich bovendien nog voorneemt geen boetvaardigheid te doen, dan is hij onboetvaardigquot;, zegt de H. Aug. En welk een lot wacht hem ? Plotseling overvalt hem Gods toorn en ten tijde der wraak zal Hij hem verderven.quot;

Ja, de verachter der boetvaardigheid stelt zich bijna zeker bloot om in zijne zonden te sterven en verdoemd te worden. Wie immers verzekert ons, dat we morgen, over eenige dagen, weken of jaren nog zullen leven en den tijd hebben, om boete

341

-ocr page 348-

DE GROOTE CATECHISMUS.

te Joen! Wie bewijst, dat we niet plotseling door eene beroerte of een onvoorzien toeval zullen sterven? Maar ook aangenomen, dat de onboetvaardige op zijn sterfbed den tijd heeft om zich te bekeereu, zal hij oprecht willen ? Pijnen en smarten, de doodsangst, de duivel, ja zelfs de gedachte aan zijne zonden, zullen deze beletselen, hem niet hinderen zich met een vermorzeld hart aan Jesus\' voeten te werpen? En zal hij bovendien in staat zijn, in eenige minuten die bergen van zonden te doorschouwen en volledig te belijden, hij, die in gezonde dagen het getal, nauwelijks bij gissing, kon aangeven.quot; Is het tevens niet te vreezen, dat God hem de genade van berouw zal weigeren, die gedurende zijn leven spotie en lachte met Zijne barmhartigheid? Waarlijk, zooals de mensch leeft, sterft hij in den regel; God zij dan ook den mensch genadig, die zich bekeeren wil, niet als hij de zoude, maar als de zonde hem verlaat en hij niet meer zondigen kan.

Mocht ge dus het ongeluk hebben. God eens zwaar te vergrammen of vergramd te hebben, verwek dan terstond een hartelijk berouw over uwe misstappen; want in het berouw berust uw heil, in de onboetvaardigheid uw eeuwigen dood. Maak er eene heilige gewoonte van, dat eiken dag te verwekken over de fouten in den loop van den dag bedreven, en neem de eerste gelegenheid te baat, om ze oprecht te belijden. Kortom, grijp elke gelegenheid aan, om de aangeboden genade des H. Geestes wel te besteden en daaraan de hand te reiken; weersta die nimmer, en gij zult leven, zooals ge wenscht te sterven.

OVER DE NEGEN VREEMDE ZONDEN.

51. Kan men zich ook voor God schuldig maken aan zonde, die door anderen bedreven worden?

342

-ocr page 349-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Ja, als men door iets te zeggen^ te doen of te laten, mede oorzaak wordt van de zonde van anderen, of daaraan deelneemt.

Niet wij, maar anderen bedrijven de zoude entocli worden de aanraders, gebieders, enz. ook strafschuldig voor God. »Niet alleenquot; zegt de H. Paul us, gt;is hij den dood schuldig die zidks (het kwaad) bedrijft, maar ook hij, die daarmede instemt.quot; Eom. 1, 32. Vandaar noemt men de ztnden, waarvan wij medeoorzaak zijn, of waarin wij deelaemeu, ook vreemde zonden, en wij worden zwaar of slechts ij.iring schuldig voor God, naarmate de zonde groot of klein is, waartoe wij aanleiding gaven of waaraan wij deelnamen.

52. Hoe worden de vreemde zonden begaan ?

Door aanraden, gebieden, prijzen, deelnemen, beschermen, behagen nemen, door het kwaad niet te beletten, niet te bestraffen, niet bekend te maken.

1°. Door aanraden zondigt men, wanneer men door raad, verzoek, belofte, voorstelling van beweegredeneu, aanwijzing van gemak der uitvoering, aan de hand doen van middelen of wijze die met vrucht kunnen aangewend worden, enz. iemand aanleiding geeft, een zondig besluit te nemen of wel uit te voeren, hetzij het tot uitvoering kome of niet; de aanrader heeft het gewild. Wat ongelukkige gevolgen heeft de booze raad al niet na zich gesleept! Hoevele zonden zouden nooit bedreven zijn, wanneer er geen booze raadgevers waren! Daarom zegt de H. Bonaventura ook zeer gepast: »De mond des boozen raadgevers is de mond des duivels. Een enkele slechte raadgever is nootlottiger dan tien zeeroovers.quot; — Onthoud u dus altijd aan te raden om te stelen, school- of kerkdienst te verzuimen, ongehoorzaam te zijn aan ouders en overheden, slechte plaatsen of personen te bezoeken, enz.; want, bedenk het wel, hetzij aan uw raad gevolg gegeven

343

-ocr page 350-

DE GROOTE CATECHISMUS.

worde of niet, gij wordt schuldig voor God en bedrijft eone doodzonde of dagelijksche zonde, al naarmate de zoude groot of klein is, welke gij hebt aangeraden.

Laten we integendeel, wanneer zich de gelegenheid aanbiedt, onzen naaste het kwaad, zooveel in ons is, afraden en de deugd, gelijk zij verdient, aanprijzen; dat eischt de christelijke broederliefde.

2°. Door gebieden zondigen de overheden (of anderen), die hunne ondergeschikten door woorden, gebaren of werken, uitdrukkelijk of stilzwijgend bevelen iets kwaads te doen, of de verplichte werken van deugd na te laten. Welk een strafbaar misbruik maken dus de overheden van hun gezag, door hunne onderhoorigen het kwaaddoen te bevelen, in plaats van het te beletten. Het is hun plicht, het smeulend vuur der booze neigingen te blusschen, en door hun gebod, wordt het aangewakkerd tot een brand. Met eigen hand reiken zij hun naaste den gifbeker en vergiftigen hem en zich zelf. Weiger standvastig, gij, die onderdaan zijt, wanneer u overheden u gebieden te zondigen, en zeg vrijmoedig: »Neen, men moet Go.i meer dan de memchen gehoorzamen.\'quot; Deuk hier aan Pharao, die het bevel gaf om alle Israëlitische knaapjes bij de g boorte te verdrinken; en aan den kindermoord door Herodus verordend. De plicht rust derhalve op de overheden en op een ieder om hunnen onderdanen het kwaad af te raden en hen tot deugd aan te sporen.

3°. Prijzen. Door prijzen zondigt men, als men het kwaad in anderen looft en het goede in hen bespot of smaadt; met andere woorden, ondeugd en zonde als deugd, en deugd en braafheid als verwerpelijk aanbeveelt. Zondige lof, is den zondaar stijven en sterken in het kwaad.

Aast dan nooit in uw doen en laten op denlofdermenschen, maar op den lof en de eer van God. Laat dat het richtsnoer uwer daden zijn en nooit zult ge zondigen lof toezwaaien en

344

-ocr page 351-

DE ÜROOTE CATECHISMUS.

zelf daarvoor ontoegankelijk zijn. Volg Saulus niet, die om der joden lof te verwerven, de christenen overal te vuur en te zwaard vervolgde; noch Herodus, die door de joden hoog geprezen werd, omdat hij den Apostel Jacobus deed onthoofden, en daardoor aangemoedigd, met een zelfde doel Petrus liet gevangen nemen. Inderdaad, gt; de wonden, die ons een vijand slaat, zijn minder gevaarlijk dan de omhelzingen der valsche vrienden,quot; Spreuken 27, 6.

Verachten we altijd het kwaad, waar en in wien we het ook ontmoeten, en geven we daarvan ook openlijk getuigenis, overtuigd, dat de zonde alleen het eigenlijke kwaad is, dat in de wereld wordt aangetroffen.

4o. Deelnemen is gemeene zaak maken met slechte men-schen, die onrechtvaardig goed willen nemen of reeds bezitten, werkelijk met woord of daad mededoen in het kwaad van anderen, zooals zij b.v. doen, die dieven en roovers huisvesting verleenen of het gestolen goed helen, bewaren ofkoopen ; die menschen herbergen van verdachte zeden. Ook de herbergiers, die dronkaards maken en in hun huis ongeoorloofde speel-en dansgezelschappen dulden, en de huisoversten, die slechte menschen, zooals vloekers, ontuchtigen, enz. in hun huis toegang en onderkomen verleenen, zondigen door deelnemen. Het is verschrikkelijk, maar toch waar, dat er ouders en overheden gevonden worden, die verkeeringen, bijeenkomsten en nachtpartijen, gevaarlijk voor hunne kinderen en onderhoo-rigen, begunstigen en zoo werkelijk deelnemers worden in het kwaad hunner kinderen (en onderdanen). Ik doe hier een beroep op hunne eigen jeugdige jaren, om te weten, wat hunnen kinderen schaadt. Ja, ouders! zooals gij eens waart in gevaarlijke gelegenheden, zullen ook uwe kinderen zijn; misschien beter ja, en misschien ook nog erger.

5o. Door beschermen zondigt de mensch, die zondige daden en onrechtvaardigheden, met woorden of door andere

345

-ocr page 352-

DE GROOTE CATECHISMUS.

handelingen verdedigt, zooals b.v. reclitsgeleerden en andere doen, die onreclityaurdige processen voeren en de dwaalleeraars, die de leugen prediken, maar ook vooral ouders en andere menschen, die hunne slechte en strafwaardige kinderen in beschenuinsr nemen en hunue fouten en kwade neiginareu

O O O

door de vingers zien en tegenover anderen in bescherming nemen. De gezegden: Het is nog maar een kind;\'tis zoo erg niet bedoeld; hij was driftig, enz. enz. zijn uitvluchten, die voor God niet zullen verontschuldigen. Groot kan dit kwaad zijn, want, tDie den goddelooze rechtvaardigt, en den rechtvaardige veroordeelt, is een gruwel voor God.quot; Spreuken 11, 15.

6o. Door behagen nemen zondigt hij, die vrijwillig in de booze woorden, gesprekken, liederen of handelingen van een ander behagen neemt. Zij dus, die met behagen lastertaal, kwaadspreken, ontuchtige gesprekken en liederen aanhooren, met welgevallen verdachte of onzedelijke geschriften of boeken lezen, zedekwetsende platen of beelden beschouwen, en werken gadeslaan, maken zich schuldig aan vreemde zonden.

Ga dan heen, wanneer men in uw bijzijn zedelooze, godslas-terende of ontuchtige gesprekken uitbraakt of onzuivere daden verricht en verdedig met woord en daad de deugd. Kunt ge u echter niet verwijderen, valt uwe vermaning op onvruchtbare aarde, stop dan ten minste de deuren van uw hart, als ge de ooren van uw hoofd niet sluiten kunt. Ziet ge eene plaat, eene prent, een beeld of boek dat in strijd is met de zedelijkheid, wend dan terstond uwe oogen af, en doem ze, als het u vrij staat, ten vure. — De H. Aloysius kreeg eens bij toeval een zedeloos boek in handen. Toen de heilige dit bemerkte, wierp hij het terstond weg en wiesch zich de handen. Volg hem na; dat is uw plicht om niet schuldig te worden aan vreemde zoude.

7°. Door het kwaad niet ie beletten. Aan deze zonde maakt

346

-ocr page 353-

DE GROOTE CATECHISMUS.

hij zich schuldig, die zwijgt, wanneer hij anderen hoort of ziet zondigen en het kwaad kon en moest te keer gaan door liefderijke woorden, ver.uaningen en waarschuwingen. Do. oyerheden, ouders, leeraars en opvoeders, die de misstappen hunner onderdanen en kinderen niet beletten, en daartoe door plicht en naastenliefde gehouden zijn, begaan eene vreemde zonde en wel iu den graad, als de zonde groot is, welke zij moesten belet hebben. Schoon en zeer juist zegt hier de H. Aug.: »Gij ziet de bloedige wonde uws broeders met onverschilligheid aan. Gij ziet bem te gronde gaan, zonder hem een waarschuwend woord toe te roepen. Weet gij dan niet, dat uw stilzwijgen God meer beleedigt dan zijne zonde, wijl gij zijn ondergang met geringschatting gadeslaat, welken hij zelf niet inziet; de zoude heeft hem verblind.quot;

Doe dan altijd uw best om daar, waar uw plicht of naastenliefde het gebieden, om de zonde tegen te gaan, en bevorder zoodoende de meerdere eer en glorie van God, uw eigen en quot;snaasten zielenheil; eene doodzonde beletten is immers eene overwinning op satan behalen; Jesus liefde verdedigen!

8°. Het kwaad niet bestraffen. Hierin zondigen zij, die do zonden en misstappen kunnen bestraffen en daartoe verplicht zijn, maar dat niet doen, integendeel, ze oogluikend toelaten. Aan deze zonde maken zich vooral ouders, overheden en opvoeders der jeugd schuldig, wanneer ze onderdanen en kinderen niet bestraffen, als ze misdoen, maar door te groote toegevendheid hunne fouten over het hoofd zien en ze zoo in den grond bederven; want »het kwaad leert men aan, als het niet bestraft wordt.quot; Gepast roept Salomo in het boek der Spreuken 24, 24, 25, de ouders en overheden toe: »Bespaar uw kind de tuchtroede niet; want slaat gij het met roeden, dan zal het niet sterven en gij zidt zijne ziel van de hel vrijwaren.quot; Zeker, al wordt den zondaar hier op aarde

347

-ocr page 354-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ook straf bespaard, in de eeuwigheid zal bij haar niet ontloopen.

Ziet of hoort ge dan zondigen, treed terstond berispend of bestraffend tusscbenbeide; spaar de roede niet, want daarin ligt liefde, maar geen haat verborgen, en bestraf streng de zonde uwer onderdanen en van anderen, om geen deelgenoot daarvan te worden. Voorb. Heli en zijne zonen.

9°. Door het kwaad niet bekend te maken, zondigen zij, die bij de zonden van anderen zwijgen, terwijl men door te spreken, wellicht de zoude nu of in het vervolg kan beletten en verhinderen. Ge begrijpt, dat hier niet bedoeld wordt het kwaad van zijn naaste rond te bazuinen en aan de groote klok te hangen; dat zou immers kwaadspreken zijn; maar we moeten het bekend maken aan hen, die door stand of staat, (b.v. ouders, overheden) verplicht zijn, het kwaad bij de hunnen tegen te gaan. Weten wij derhalve, dat iemand eene doodzonde gedaan, eene zondige gewoonte of een ssundigen omgang heeft, personen en plaatsen bezoekt, gevaarlijk voor de deugd, dan zyn wij verplicht dat bekend te maken aan hen, die dat voor de toekomst kunnen en moeten beletten. Doen wij dat niet, dan worden hunne zonden ook de onze, ja, dan zijn wij zelfs deelgenooten van al zijne gewoonte-zonden. God beware ons! Maar bewaren we ook ons zeiven voor dat ongeluk.

OVER DE WRAAKROEPENDE ZONDEN.

53. Welke zonden noemt men wraakroepende zonden?

De zonden, welke zoo afschuwelijk zijn, dat zij

348

-ocr page 355-

de groote catechismus.

meer dan andere zonden, de wraak Gods afroepen, en dikwerf reeds in dit leven gestreng gestraft worden.

54. Welke zijn de wraakroepende zonden?

Deze, vier; l0 moedwillige doodslag; 2° onkuisch-heid tegen de natuur; 3° verdrukking van armen, weduwen en weezen; 4° het onthouden van het loon der werklieden.

1°. De vrijwillige doodslag is de eerste der \'wraakroepende zonden en eene daad, waarover de natuur zelve verbaasd staat. Of is het begrijpelijk, dat een mensch zijn natuurgenoot vrijwillig om liet leven kan brengen en vermoorden? Het. leven toch is het hoogste goed, dat de mensch bezit. Iemand daarvan berooven, is hem derhalve een onherstelbaar verlies berokkenen. Vandatir is de vrijwillige doodslag de grootste onrechtvaardigheid en diefstal, welke men ten opzichte van zijn naaste kan begaan. — En welk eene ramp en een onbeil berokkent de moordenaar de ziel zijns slachtoffers niet! Iemand dooden, is hem immers onvoorbereid voor Gods rechterstoel plaatsen? Is dat niet onverantwoordelijk en alleronbarmhartigst? »Het is vreeselijk, onvoorbereid te vallen in de handen van den levenden God.quot; De doodslag is daarenboven inbreuk maken op de hoogste rechten van God, wien .het alleen toekomt, overleven en dood te beschikken, en hieraan vergrijpt zich de moordenaar, die met voorbedachten rade het leven van zijn naaste verkort. — Deze zonde beging Caïn, toen hij zijn broeder Abel doodde, maar hij moest ook reeds op aarde Gods wraak ondervinden. » Wat hebt gij gedaan?quot; sprak God. tgt;De stem van het bloed uws broeders roept tot Mij van de aarde om wraak. Daarom zult gij gevloekt zijn op aarde.quot; 1 Moz. 4. Ook David

gr. gat. 23

349

-ocr page 356-

DE OROOTE CATECHISMUS.

beging een voorbedachten manslag, door Urias op het gevaarlijkst punt van het leger te plaatsen, en zoo werd hij moordenaar en echtbreker, maar ondervond hier ook reeds de wraak des hemels: Zijn meest bemind kind moest sterven.

2°. Onkuischheid tegen de natuur. Zij, die deze zonde bedrijven, misbruiken en verkrachten de natnur. Eene nadere verklaring, verbiedt de kieschheid en het gevaar, onschuldige harten te kwetsen. De Sodomitische zonde, zoo genoemd, omdat ze weleer vooral door de inwoners van Sodoma, Gemorrha, Adama en Seboïai bedreven werd, is onkuischheid tegen de natuur. En zóó riepen hunne zonden de wraak des hemels af, dat deze vier steden met hunne inwoners door het vuur tot in den grond verteerd werden. Daar, waar voorheen deze rijke en bloeiende steden stonden, vindt men thans een stinkenden waterplas, Doode Zee geheeten, omdat er geen visch of insekt in leven kan. Men noemt haar ook stomme zonde, eensdeels, wijl men haar wegens hare afschuwelijkheid zelden of nooit zal noemen, anderdeels omdat ze meer dan andere zonden in de biecht verzwegen wordt. Van de inwoners van Sodoma, enz., schrijft de Apostel Judas 7: ■iiDeze ongelukkigen zijn allen uit den tijdelijken zwavel- en vuurregen in de verterende vlammen der hel ge$tort.quot; Met recht mocht de H. Paulus deze zonde onder de afschuwelijkste rangschikken en wordt zij wraakroepend genoemd.

Ja, wie schrikt niet terug voor die zonde, op \'t zien van hare afschuwelijke boosheid en vreeselijke straffen ? Spiegelen we ons aan \'t volgend voorbeeld. — Pelagius, een adellijk, Spaansch jongeling van uitnemende schoonheid, werd, tien jaar oud, door een Moorsch koning gevangen genomen en door dezen met geschenken en vleierijen aangezocht, zich te laten schenden. Ofschoon hij wist, dat eene weigering hem het leven zou kosten, riep hij den lagen vorst toe: »Pak u

350

-ocr page 357-

DE GIIOOTE CATEnitlSSUS.

wrg, onknische lioiul! Nooit zal ik uw duivclsch verlaugou inwilligen!\'\' Dat woord verschafte hem eene dubbele kroon, do leliekroon der zuiverheid en de rozenkroon der martelaars.

3°. Verdrukking van armen, weduwen en weezen. Aan deze zonde kunnen zicli vooral voogden, pleegouders, overheden en rechters schuldig maken door de armen, weduwen en weezeii onrechtvaardig, onbarmhartig en liefdeloos te behandelen. i Releedvj geen armen, weduwen en weezen, want beleedigt gij hen, hunne tranen zxdlen dan tot Mij opstijgen en Ik zal hun geween hooren; Mijn toorn zal ontvlammen, Ik zal u slaan met het zwaard en inve vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen weezen zijn.quot; Aldus bedreigde God de Israëlieten, om hen van deze euveldaad af te houden; maar ook tot ons allen is deze bedreiging gericht.

Staat u de gelegenheid open om lid to worden der lofwaardige vereeniging van den H. Vincentius van Paulo, verzuim dan niet dat lidmaatschap te aanvaarden; want dan staat u de weg open, om krachtig mede te werken, ten einde het lot van armen, weduwen en weezen te verzachten, en nooit hun verdrukker en uitzuiger te worden. Wacht u, hen ooit te bespotten; jaag hen nimmer met bitse woorden als dieven van uwe deur; want weet het wel, dat gij in hen Jesus bespot en van de deur wijst.

4quot;. Het onthouden van het loon der werklieden. — Aan deze gruwelijke zonde maken zij zich schuldig, die ambachtslieden, daglooners of dienstdeden, wederrechtelijk het zuur verdiende loon onthouden of verminderen; die de betaling

7 O

zoolang uitstellen, dat de schuldeischers met kosten, de rechterlijke macht tot de inning der schuld moeten te hulp roepen, en den interest der schuldvordering opstrijken, terwijl zo dien den schuldeischer onthouden en dus laten bel alen; de overheden, welke de dienstboden (of werklieden) buitentijds wederrechtelijk wegzenden zonder verdiensten of met korting

-ocr page 358-

DE GROOTE CATECHISMUS

352

daarvan, hetgeen sores geschiedt wegens een kleinen misstap, eene lichte ziekte of eene kortstondige opvliegendheid. De boom loont den arbeid en de zorgen zijns meesters met overvloedige vruchten, en wij zouden den arbeider, die den last en de hitte des daags gedragen heeft, het zoo zuur verdiende loon onthouden en hem beknibbelen? Hoor eens, wat de Apostel Jacobus schrijft: »Z/e het loon, dat gij uwen arbeiders onthouden hebt, schreit, en dat geween is doorgedrongen lot het oor van den Heer der heerscharen.quot; 5, 4. En in het 3e Boek van Mozes 24, lezen wij: »Gij zuil uw naaste geen onrecht doen, noch hem door invloed verdrukken.quot; — Omdat men niet anders kan, of wel zijn werk, zijne huisvesting of iets anders verliest, geeft men somtijds toe in vermindering van loon, maar dat neemt de zonde en de straf voor den onthouder niet weg.

Welnu, laten we liever onrecht verdragen dan onrecht te doen. Geef liever uw mantel toe, dan om een broek een proces to beginnen en vergeet daarbij niet, dat zij, die leven, krachten en gezondheid voor u en de uwen veil hebben, ook rechtens aanspraak mogen maken op billijk loon en goede voeding, overeenkomstig hun arbeid, want ook de voeding is in het loon begrepen, (hetgeen niet zelden door werkgevers wordt over het hoofd gezien), zoodat eene slechte voeding, inderdaad onder de wraakroepende zonde kan gerangschikt worden.

EEN-EN-DE RTIGSTE LES.

OVER DE TIEN GEBODEN GODS.

55. Waardoor weten wij, wat God door ons wil gedaan en vermeden hebben ?

-ocr page 359-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Dit weten wij door de tien geboden Gods en door de geboden der H. Kerk.

Een goed vader is innig bezorgd over het wekijn zijner kinderen. Vandaar zijne zorg voor hunne opvoeding, waarvan voor een groot deel eene gelukkige of ongelukkige toekomst afhangt. En daar het kind in den regel niet weet, wat voor zijn geluk dienstig of schadelijk is, of wel, dat zeer goed weet, maar zijn gedrag daarnaar niet inricht, komt de vader het te hulp, onderricht het, toont en leert het, wat nuttig en schadelijk is, doch wijst het tevens ook op de voordeden, welke in de vervulling zijner geboden, en op de nadeelige gevolgen, welke in de overtreding daarvan gelegen zijn; hij leert, vermaant, beloont en bestraft. Welnu, wij allen zijn onwetende kinderen van God, den besten der Vaders, die niet anders dan ons welzijn beoogt. Daarom gaf Hij ons wetten en voorschriften, gebiedend noodzakelijk om het aardsch en hemelsch geluk te bereiken, en verbond als een prikkel voor onzen wil, aan de al- of niet-vervulling zijner wetten, loon of straf.

56. Wat verstaat gij door de tien geboden Gods ?

De tien geboden, welke op twee steenen tafe len waren geschreven, en welke God, door Zijn gezant Mozes (1500 v. Chr.) aan tie Isaëlieten gegeven heeft (drie maanden na den uittocht uit Egypte.)

De H. Schrift verhaalt ons dienaangaande het volgende: God beval Mozes om het volk in feestgewaad aan den voet van den berg Sinaï te verzamelen, het daar twee dagen voor te bereiden, wijl Hij den derden dag tot hen spreken zoude. Toen werd Mozes door God op den berg geroepen en sprak Hij tot het volk: »Gij hebt gezien, Mijn volk! welke wouderen Ik ten uwen opzichte gewrocht heb; hoe Ik u uit de

353

-ocr page 360-

DE GROOTE CATECHISMUS.

gevangenschap van Egypte bevrijd en tot Mijn lievelingsvolk uitverkoren heb. Wanneer gij nu Mijne stem wilt hooren en den bond houden, welken Ik met u sloot, dan zult gij Mijn uitverkoren volk onder alle volkeren der aarde zijn.quot; En al het volk antwoordde met ééne stem : wij zullen alles doen, wat de Heer ons gebiedt.quot; Daarna begon het vreeselijk te donderen en te bliksemen. De berg beefde en schudde op zijne grondvesten en stond in vuur en vlam. Sidderend en bevend stonden de joden aan den voet des bergs en meenden, dat hun laatste uur geslagen had. Onder bliksem, donder en bazuingeschal richtte nu God het woord tot de Israëlieten, en verkondigde hun den inhoud der tien geboden, die bijeengenomen, ook wel »Decaloogquot; genoemd wordt.

Deze geboden had (.Tod het eerste menschenpaar reeds in \'t hart gegrift, en voor hen en hunne nakomelingen als natuurwet vastgesteld. Maar toen later de boosheid der menschen de natuurwet verkrachtte en miskende, verkondigde God ze openlijk aan \'t joodsche volk, meer omschreven en bepalend in den vorm der »tien geboden.quot;

De geboden worden ook wel »wetquot; genoemd. Men onderscheidt, 1°. eene bovennatuurlijke wet; 2°. eene natuurlijke (eene stoffelijke en zedelijke) en 3°. eene menschelijke wet, wier inhoud uit de natuurlijke en bovennatuurlijke wetgeving Gods moet voorspruiten en er op steunen, en die daarom verbindend is voor het geweten, wanneer ze met eene dezer twee niet in tegenspraak komt, door een wettigen wetgever wordt voorgeschreven, èn goed èn rechtvaardig is.

57. Zijn die tien geboden voor ons christenen nog verplichtend ?

Ja; de geboden zijn voor ieder mensch verplichtend, en bovendien heeft Jesus gezegd: » Wilt gij tot het leven ingaan, onderhoud de geboden.quot; Matt. 19

354

-ocr page 361-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Jesus, Stichter vim onzen heiligen godsdienst, heeft de ,,t.ien gebodenquot; niet opgeheven, want Hij zeide: ,,Tk hen niet gekomen om ze (de geboden) op te heffen, maar om ze te vervullen.\'\'\'\' Door Zijn gedrag bevestigde en volmaakte Hij ze en wel zóó, dat Hij uitdagend tot Zijne vijanden zeide: „ Wie uwer kan Mij van zonde overtuigen.quot;

58. Hoe luiden de tien geboden ?

Ik ben de Heer uw God.

lo. Gij zult geen vreemde goden nevens Mij hebben, gij zult u geen gesneden beelden ol gelijkenissen maken; gij zult die niet aanbidden.

2o, Gij zult den naam van den Heer, uw God, nietijdel gebruiken.

3o. Wees gedachtig, dat gij den Sabbathdag heilig maakt.

4o. Eer uw vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.

5o. Gij zult niet doodslaan.

60. Gij zult geen overspel bedrijven

7o. Gij zult niet stelen.

80. Gij zult geen valsche getuigenis geven tegen uw naaste.

9o. Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren.

10. Gij zult niet begeeren uws naasten huis^ noch zijn land, noch zijn knecht, noch zijne dienstmaagd, noch iets van hetgeen hem toebehoort.

59. Wordt in die geboden slechts gehandeld over zonden, die wij moeten vluchten?

Neen, er worden ook deugden voorgeschreven, welke wij moeten beoefenen.

Dit antwoord is zeer gepast; want de weg, die ter zaligheid

355

-ocr page 362-

DE GROOÏli CATECHISMUS.

voürt, bestaat niet alleen in het vluchten der zonden, maar ook üi het volbrengen van werken van deugd. Vandaar, dat we ons geen zoude kuiuien voorstellen, waar tegenover geen deugd staat, zoodat dan ook elk gobod iets verbiedt en gebiedt.

60. Zijn de ivoorden: ygt;lk ben de Heer, uw Godquot; alreeds een gebod?

Neen, deze woorden plaatste God vóór de geboden, om ons te herinneren, wie de geboden geeft, en wat ons bewegen moet om die geboden te onderhouden.

61. Wat moet ons bewegen om de geboden te onderhouden ?

lo Onderwerping en gehoorzaamheid aan onzen Heer en oppersten Meester; 20 dankbaarheid un liefde aan God, onzen Schepper en Vader.

a) God, de heerlijke, ontzagliike eu nmjestueuso God, bij wien de ge\'ieele wereld vergeleken een zandkorrel is, op wiens wenken het heelal gehoorzaamt. Hij beveelt ons en wij armzalige menschen, wij zouden het durven wagen, ons tegen Zijne bevelen te verzetten?

h) Eu wat moet ous nog meer bewegen, om die geboden te onderhouden? Onder anderen ook het geluk, dat aan die vervulling voor tijd en eeuwigheid is verbondeu. Ja, zonder de »tieu gebodenquot; is een gelukkig en tevreden leven niet denkbaar. Denk eens, dat de ouders niet verplicht waren voor hunne kinderen te zorgeu en de kinderen ontslagen waren van den band der gehoorzaamheid! Als het was vrijgelaten te stelen, te moorden, enz.; zou de wereld dan geen bergplaats van wilde dieren zijn? Hoe zou het gaau met het besturen van landen en gewesten, zonder de stien gebodenquot;, die niet alleen den onderdanen gehoorzaamheid aan hunne overheden voorschrijft, maar ook als grondslag strekt voor

356

-ocr page 363-

DE GROOTE CATECHISMUS.

de burgerlijke eu ruaatscliappeli]\'ke wetten V Zietlaur, in \'tkorl , waarom we niet dankbare liefde, de geboden Gods moeten volbrengen.

TWEE-EN-DEUÏIGSTE LES.

HET EERSTE GEBOD.

62. Hoe luidl het eerste gebod ?

Gij zult geone vreemde goden nevens Mij hebben ; gij zult geen gesneden beelden of gelijkenissen maken ; gij zult die niet aanbidden.

63 Over welken plicht handelt hel eerste gebod?

Over de aanbidding en vereering, die wij zoowel inwendig als uitwendig aan God verschuldigd zijn.

aj. De inwendige vereeriug Gods is die, welke wij in ons Lart aan God bewijzen, zonder dat uiterlijk te toonen, en Hem uitsluitend iu onze gedachten en gevoelens eeren eu loven, en als onzen God en Heer prijzen, danken en sineeken b.v. door te denken: »0 God! gij zijt mijn opperste goed; LI ■wil ik bemiunen en dienen, zoo lang ik leef; help mij niet uwe vermogende genade!

h). De uitwendige vereering (Jods is die, welke wij door onze uiterlijke handelingen aan God toonen; door b.v. met den mond uit te spreken, wat we inwendig deuken; door do handen te vouwen, de knieën te buigen, het kruistceken te maken, enz., want door dat alles erkennen anderen, dat we inwendig God vereeren.

64. Waarvoor moet men zorgen, bij alle uitwen-wendige oefeningen van godsdienst ?

357

-ocr page 364-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

Dat het inwendige met het uitwendige gepaard ga.

Het is ook moeilijk deze twee wijzeu van godsvereeriug van elkander te scheiden. Immers hij, die inderdaad God lief heeft en door die liefde geleid, Hem vereert, zal dat ook uoodzakelijk naar buiten kenbaar maken, wijl de ware liefde zich, in den regel, ook metterdaad toont. Vgl. 33 les.

65. Waarin bestaat de aanbidding, die wij aan God verschuldigd zijn?

Dat we God, als don Opperheer erkennen en eeren, van Dem alleen al het goede afsmeeken en Hem voor Zijne weldaden danken.

1°. Deze aanbidding en vereering bestaat volgens den H. Thomas van Aquino, »in eene godsdienstige handeling, waardoor een schepsel de onbegrensde majesteit Gods, vereert, hoogacht en zich voor haar vernedert, vermits hij God erkent als zijn eersten oorsprong en zijn laatste doel, nis Heer en onbeperkt Heerscher. \' Ja, God is ijverzuchtig en duldt geen ander naast zich. ^Eu omdat God niet dulden kan, dat wij het eigendom van een ander zijn, is het Zijn wensch en bevel tevens, Hem alleen toe te behooren, aan Hem alleen te gelooven en niet aan meer goden onze hulde en eerbewijzen te brengen, zooals de heidenen doen. Tot die ware aanbidding behoort verder, dat wij gelooven in één God, drievuldig m personen en niet in één persoon, zooals de joden en ma-homedanen gelooven, en dat wij alles gelooven, wat die drie-persoonlijke God geopenbaard en door de Kerk voorgesteld heeft te gelooven en niet naar eigen goeddunken, zooals de ketters en schismatieken.

2o. Dat we van God alléén al het goede afsmeeken. »VVie zijt Gij, o God! en wie ben ik?quot; aldus bad de H. Franciscus. »Gij zijt zoo groot en ik ben zoo klein! Gij zijt de Schepper en ik beu een schepsel! Gij zijt alles en ik beu niets!quot; —

358

-ocr page 365-

DE GliOOTE CA-TKCHISMUS.

Dut gebood Josus ons ook met de woorden: » Vraagt en gij zult verkrijgen.quot; Datiraan lierinuert ous ook de II. Schrift, ■waar ze de vraag doet; „Wal hebt ge, dal ge niet ontvangen hebt?quot; Daarop -wijst ons de Apostel, zeggende: „Alle goede gaven komen van boven.quot;

3o. Die ware aanbidding eisclit ook, dat we Hem alleen dankzeggen voor Zijne weldaden, ons bewezen naar ziel en liclmam. Tel eens op als ge kunt, Gods weldaden, gunsten en genade! Wel mocht de H. Angastinus zeggen: „Niets is korter om uit te spreken, niets aangenamer te hooren, niets zoeter te verstaan, niets nuttiger te doen, dan deze drie woorden te zeggen: „dank zij God!quot; De hond is zijn meester dankbaar, en zouden wij God, dan dankbaarheid weigeren V

66. Welke deugden worden noodzakelij]vereischt om God behoorlijk die aanbidding te brengen?

De drie goddelijke deugden; dat we iiameliik boven alles in God gelooven, op Hem hopen en Hem beminnen.

Door het geloof immers erkennen wij God als Schepper, Heer, Vader en Belooner van goed en kwaad; door de hoop stijgen wij, vertrouwend op Zijne beloften en almacht, tot Hem op met onze smeekbede, en door de liefde bereiken wij Hem, het opperste goed, volkomen. Op zijne plaats zegt daarom zeker schrijver: „Het geloof in don waren God is de hemeldeur; de hoop is de hemelladder; en door de liejde geleid, treden wij den hemel binnen.quot;

(Zie verder 3e les, le deel; en 26e, 27e en 28e les, 3e deel.)

67. h men verplicht somtijds eene akte van geloof, hoop en liefde te verwekken ?

Ja, men is verplicht meermalen in zijn leven eene akte van geloof, en hoop, maar vooral van liefde te verwekken

359

-ocr page 366-

DE GROOTE CATECHISMUS.

a) Ieder is gehouden, die akten te verwekken, als men tegen eene dier deugden bekoord wordt; b.v. eene akte van geloof te verwekken, wanneer men door ongeloovige gedachten, van hoop, als men door wanhoop geplaagd wordt. b) Bij het ontvangen der Sacramenten. Die akten liggen van zelf in de voorbereiding, maar het is aan te raden, ze uitdrukkelijk te doen. c) In stervensgevaar. Het christelijk leven moet in deze drie toestanden geheiligd eu versterkt worden, door de verwekking der goddelijke deugden, zonder welke geen christelijk leven hier op aarde en ook geen zaligheid te verwachten is.

68. Wanneer verwekken gewoonlijk vrome christenen die akten ?

Ze zijn gewoon die dagelijks te verwekken bij hunne morgen- en avondgebeden.

De drie goddelijke deugden zijn ons door het doopsel in het hart gestort. Zooals nu een slapende eerst moet ontwaken, wil hij arbeiden en verdienen, zoo ook moet de christen die deugden, welke als \'t ware slapend in \'t hart rusten, door eigen en wijze medewerking met Gods genade, vruchtbaar maken, zullen ze hem geestelijk nut en voordeel aanbrengen. Gelukkig derhalve de mensch, die niet alleen met de jaren iu lengte toeneemt, maar zich ook vooral er op toelegt, dagelijks meer en meer in God le gelooven, op Hem te hopen en Hem inniger lief te hebben. Wie zal bovendien ontkennen, dat het niet heilzaam is, behalve \'s morgens en \'s avonds, ook gedurende den loop vau den dag, die akten bij wijze vau schietgebed te verrichten, door b.v. te zeggen: ,,0 God, ik geloof in U, versterk mijn geloof! 0 God, ik hoop op II, bevestig mijne hoop! 0 Godi ik bemin U, verwarm mijn koud en ongevoelig hart!quot;

360

-ocr page 367-

HE GROOTE CATECHISMUS.

L)RIE-EN- DE RTIG STE LES.

OVER DE ZONDEN TEGEN HET Ie GEBOD.

69. Waardoor zondigt man tegen den \'plicht van aanbidding, aan God ver schuldig dl

Door oneerbiedigheid in de kerk of bij godsdienstoefeningen ; door nalatigheid in \'t gebed, b.v. \'s morgens en \'s avonds; door afgoderij, enz.

„De uitwendige gebaren zijn altijd teckens en uitwerkselen der inwendige godsvrucht,quot; zegt de 11. Chrysostomus; en zonder uitwendige godsdienstigheid gaat de inwendige achteruit.

lo. Lichaam en ziel zijn door God geschapen, das zijn zij Zijn eigendom, daarom zijn beide ook verplicht, hun Schepper eer en hulde te bewijzen; 2o. ligt het ook in de natuur van den mensch om zijne inwendige gevoelens naar buiten te openbaren; 3o. wordt door de uiterlijke godsvrucht de inwendige en omgekeerd, zeer bevorderd; 4o. is de uitwendige vereering Gods tot algemeene stichting, tot versterking in het geloof, tot onderhouding en verspreiding van den godsdienst nuttig en noodzakelijk.

Wanneer wij in de kerk voor God verschijnen, dan geschiedt dat zeker om Hem te rereeren, zoowel uit- als inwendig. Daarom verplicht ons de Kerk ook op sommige dagen, de H. Mis bij te wonen en harten en handen hemelwaarts te heffen door aandachtige en vertrouwvolle gebeden. Hij, die de verplichte H. Mis verzuimt, of wel daarbij zoo tegenwoordig is, dat hij in plaats van zijn naaste te stichten, hem ontsticht door zijn opzichtelijk gedrag, door te praten, te

361

-ocr page 368-

DE OnOOTE CATECHISMUS

lachen en eene ongenmuiercL houding aan te nemen, enz., toont maar al te wel, geen eerbied te bezitten voor God en Zijn heiligen dienst, en zon ligt dus tegen den uit- eninwnn-digen eerbied !iau God verschuldigd, zooals bij het 2e gebod der H. Kerk nader verklaard wordt. En is het te verklaren, dat zij, die alle vormen van eerbied in acht nemen tegenover een vorst of bisschoj1, ja, tegen ieder, die maatschappelijk boren hen staat, God zelf dien eerbied weigeren?

Philips II, koning van Spanje, zag onder het H. Misoffer eens iwee officieren praten. Bij het verlaten der kapel, zeide de koning tot hen: „Is het betamelijk, zooals gij, het IT. Offer bij te wonen?quot; Verlaat aanstonds het hof, ik wil u niet meer zien. Dit greep hen zoo aan, dat de een twee dagen later stierf en de ander krankzinnig werd.

O O

Jesus leerde ons bidden: „Geef ons heden ons dagelijksch brood,quot; en herinnert ons daardoor, dat we, bedelaars zijnde, dagelijks Zijn Vader onderhoud naar ziel en lichaam moeten vragen. Maar hoevelen worden er nochtans niet gevonden, die soms dagen en weken \'s morgens het vragen en \'s avonds het danken vergeten en leven als het redelooze dier. En bidden ze nu en dan, wat zal dat verstrooide en onverschillige gebed dan nog voor goeds voortbrengen? Op hen past \'s Hee-ren woord: „Bat volk eert Mij met de lippen, maar hun hart ü verve van Mijquot; en zij schieten dus te kort uan den eerbied Gode verschuldigd.

70. Wanneer bedrijft men de afschuwelijke zonde van afgoderij.

Als men de in- of uitwendige vereering, alleen aan God verschuldigd, aan een schepsel bewijst.

Een schepsel, een goddelijk wezen of goddelijke eigenschappen toekennen, en zich daaraan onderwerpen, dat is de eigenlijke afgoderij. Nooit hebben en zullen er andere of meer-

302

-ocr page 369-

DE GROOTE CATECHISMUS.

dere goden bestaan, dan de eenig ware God, dien wij aanbidden en vereereii, de almachtige Schepper en Heer van alles, wat bestaat. — De kennis van dien éénen waren God, ging in den loop der tijden door boosheid en zonde voor velen verloren, ofschoon ze, geleid door de rede en de natuur, de almacht, goedheid en wijsheid van dien God, konden lec-ren kennen. En daar de mensch van natuur tot een hooier wezen getrokken wordt, gingen zij in hunne zondige dwaasheid zoover, dut zo zon, maan en sterren, steenen en metalen beelden, ja zelfs redelooze dier.m goddelijke eer en aanbidding bewezen. Wanneer God nu zegt: »Gij zult geene vreemde goden nevens Mij hebben,quot; dan is dat niet te verstaan alsof er werkelijk nog anderen goden bestaan, doch oni den mensch voor valschen godsdienst te waarschuwen. IJ ij, die dus schepsels of maaksels van menschenhanden aanbidt en eer bewijst, is een afgodendienaar. — In zekeren zin is ook hij niet van afgoderij vrij te spreken, die uit menschelijk opzicht, d. i. om den mensch te behagen, tegen Gods wetten handelt en zoo God achter het schepsel plaatst.

71. Hoe zondigt men tegen de goddelijke deugd des geloofs ?

1°. Door ongeloof en ketterij; 2(,. door vrijwillig en twijfel aan het geloof; 3quot;. door bijgeloof; 4quot;. door omgang met ongodsdienstige menschen; 5°. door het lezen van boeken, die voor \'t geloof gevaarlijk zijn.

1°. Door ongeloof. — Tot ongeloovigen rekent de Kerk alle menschen, welke niet aan Christus (den christelijken godsdienst) gelooven, dus alle niet-gedoopten of niet-christe-nen, joden, m\'abomedaaen, heidenen.( Vghl. vr. G5). Beschouw eens het beeld, dat Massillon ons van een ongeloovig christen

368

-ocr page 370-

DE GROOTE CTECIIISMUS

schetst. ,,De ongeloovige is een mensch zonder zeden, zoiuler rechtschapenheid, zonder karakter, die geen andere wetten kent dan zijne zondige neigingen, geen andere leefregel dan de vervulling zijner zondige begeerten, geen andere toom dan de vrees voor de politie, geen anderen God dan zijn eigen ik. En -waarom dat alles? Omdat hij het geloof mist in Jesus Christus, waardoor \'s menschen in- en uitwendige handelingen geadeld worden, en den godsdienst, die hem God, zich \'/.■ :lf en zijne naasten leert kennen. Vandaar ook, als Christus straft, dan bestrafte Hij het ongeloof, v/ann eer Hij wiedde, dan wiedde Hij het ongeloof, als Hij in Zijn tuin plantte, begoot, verpleegde en verzorgde, dan was het de plant des geloofs die Hij bevochtigde, verzorgde en verpleegde tot volkomen rijpheid. Hoe dikwijls immers hooren wij in de Schriftuur Jesus zeggen: „Vertrouw Mijn zoon (Mijne dochter) uw geloof heeft uw genezen?quot; De vergiffenis, welke Hij den zondaars schonk, was dit niet het loon van hun geloof? Het leven van den ongeloovige verklaart volkomen, waarom hij zegt: „Er is geen God!quot; Verg. 3e Les.

Een goddeloos jongmensch zeide eens tegen pater Audin, dat het hem zeer gemakkelijk zou vallen om te bewijzen, dat hij atheïst of godloochenaar was. De pater staarde hem onbeweeglijk aan, zonder te spreken; en toen de ellendeling vroeg, »waarom neemt ge mij zoo op?quot; antwoordde de pater: »Om het dier goed te leeren kennen, dat zich atheïst noemt.

Ketterij of dwaalgeloof door het eerste gebod, als strijdig tegen het geloof veroordeeld, is, wanneer iemand in \'t algemeen wel de christelijke leer aanneemt en gelooft, maar in enkele punten dwaalt, d. i. ze niet gelooft, zooals de Kerk ze te gelooven voorstelt, maar naar eigen goeddunken, zooals b.v. de Arianen, Jansenisten, enz. Zij echter, die onschuldig, zonder het te weten of te willen, in dwaling

30\'.

-ocr page 371-

hE GROOTE CATECHISMUS.

ver keer en, merkt de Kerk, wanneer ze goed gedoopt zijn, als hare kinderen aan. Het geloof leert zelfs, dat deze raen-schen, ter oorzake hunner dwaling, niet verloren zullen gaan.

Verderfelijk voor Kerk en staat is voorzeker de afval van het ware geloof. De geschiedenis levert daarvoor overvloedige bewijzen. Zonder burgeroorlog en bloedvergieten heeft eene ketterij nooit vasten voet kunnen krijgen en dientengevolge zijn niet zelden de bloeiendste landen en gewesten ten onder gegaan. Evenals de kameel, die, alvorens te drinken, het water omroert en troebel maakt, zoo ook heeft zich nooit eene dwaalleer kunnen vestigen, zonder den staat in oproer en verwarring te brengen. Als krijgsbanier voert zij in de eene hand den Bijbel, en in de andere het zwaard. Hoe geheel anders heeft zich de waarheid gevestigd. Met het kruis heeft de Kerk de wereld voor het kruis veroverd. »Ik predik, niets anders dan Christus en dien gekruist,quot; zegt de H. Paulus.

Schismatieken worden zij genoemd, die ofschoon rechtge-loovige christenen, zich van het Opperhoofd der Kerk hebben losgescheurd, zooals de niet-vereenigde Grieken, de Russische en de Anglikaansche Kerk, terwijl zij, die het christendom afvallen en het mahomedamisme, den heidenschen of jood-schen godsdienst aannemen, apostaten genoemd worden.

2°. Door vrijwiUigen twijfel aan het geloof. — De geheele natuur is eene school vol van wonderen en geheimen. Om bij den mensch even stil te staan. Wat is het hooren, het zien? Wat is de wind, vanwaar komt, waarheen gaat hij? Kent gij de ontwikkeling eener vrucht tot volle rijpheid? Wat is warmte en licht, wat de zon en de maan, enz.quot; De oorzaken van dat natuurlijke — het hoe — ontgaat den mensch, en wij zouden in Gods geheimen willen dringen en niet gelooven, omdat we de bovennatuur niet begrijpen? God, die boven alles den hoogmoed verfoeit, wil ons gestadig door OR. cat. 34

365

-ocr page 372-

Dli GROÜTE CATECHISMUS.

de geheimen der natuur en van den godsdienst herinneren, dat Hij grooter is dan wij, en wij ons derhalve nederig aan Zijn woord en Zijn wil te onderwerpen hebben. De onderwerping van het geloof en gezond verstand is dus goddelijk voorschrift, en hij, die aan de geheimen der natuur niet wil gelooven, is derhalve een dwaas en die de geheimen des geloofs niet wil aannemen, is dwaas en tevens goddeloos. * Zalig zijn zij, die gelooven, zonder gezien te hebben.quot; — Overvalt ons soms de een of andere twijfel, dan moeten wij dien niet koesteren en bij ons houden, maar door eene vurige akte van geloof trachten te verdrijven en hen, die daartoe in staat zijn, om inlichting vragen.

3°. Door onverschilligheid in geloofszaken. — Zij, die zich om den godsdienst niet bekommeren, maar leven alsof men met wenschen en hopen, zonder de werken des geloofs. God kan dienen en den hemel winnen; die gemeend zeggen: Elke godsdienst is even goed, als God maar gediend wordt; die met boos opzet het godsdienstig onderricht verwaarloozen en (let hier wel op) de ouders, die hunne kinderen niet aansporen om het godsdient-ondericht bij te wonen, of wel hen zonder godsdienst of in de dwaling opvoeden, al deze men-schen zijn schuldig aan overtreding van het eerste gebod, daar God wil, dat we werkdadig in Hem gelooven en Hem aanbidden.

4°. Door omgang met ongodsdienstige en slechte menschen, het lezen van slechte hoeken, die voor \'t geloof gevaarlijk zijn.

Wij hebben deze twee punten genoegzaam in de 3e en 26e les uiteengezet, en meenen, om de beperking, hier geen nadere verklaring aan te moeten toevoegen, te meer, omdat het overduidelijk is, dat slechte menschen en slechte hoeken allerna-deeligst op den mensch werken. gt; Zooals de waard is, zoo de gasten;quot; waar men mede verkeert, wordt men mede geëerd;quot; die met pek omgaat, wordt er door besmet;quot; alle spreekwoorden, die op de waarheid zijn gebouwd.

3GG

-ocr page 373-

UK OnOOTE CATECHISMUS.

5°. Door bijgeloof.

72. Wanneer maakt men zich aan bijgeloof schuldig?

Als men, ten eincie iets te weten of te bewerken, woorden, teekenen of zaken bezigt, welke daartoe geen krac,ht hebben, noch uit God, noch uit de natuur, noch uit de gebeden der Kerk.

Bijgeloof noemt men deze zonde, omdat men aan het bovennatuurlijke iets toe- of bijvoegt, aan hetgeen God geopenbaard heeft en de Kerk voorstelt te gelooven. Om dus te weten of iets bijgeloof is, moet men toezien of de geschapen wezens — geesten (engelen en duivels) menschen, lichamelijke zaken — krachten of uitwerkselen, welke ze niet bezitten, voortbrengen, noch uit hunne eigen natuur of menschelijke kracht, noch door de bovennatuur d.i. door God of de Kerk.

Er zijn verscheidene wijzen van bijgeloof.

1°. Waarzeggerij uit de sterren (astrologie) uit het gezang en de vlucht der vogels (augurie), uit kaarten en droomen (omen) en uit de hand (chiromantie).

2°. Tooverij, wanneer men wonderbare dingen, die niet in de menschelijke macht liggen, met behulp des duivels wil uitwerken.

3°. Misbruik van heilige en gewijde voorwerpen, bv. van reliquiën, gebeden, wijwater, enz.

Dat het goed en recht is, gewijde zaken, zooals medailles, scapulieren, beeltenissen bij zich te dragen en naar het voorschrift der Kerk te gebruiken, zal wel geen bewijs behoeven

Geven wij in \'t kort eenige voorbeelden aan, die ons de menschelijke kortzichtigheid en dwaasheid in dit opzicht in een helder daglicht zullen plaatsen. Wanneer kinderen de zoogenoemde spree hebben, als men aan koorts sukkelt, zich gesneden, gebrand of verwricht heeft, dan neemt men zijn

307

-ocr page 374-

DK QftOOTE CATECHISMUS.

368

toevlucht tot een zoogezegden bespreker, die eenige woorden prevelt, kruisjes maakt over het zieke lichaamsdeel, en alle gebreken zijn verdwenen. Somtijds wordt ook de hulp ingeroepen van iemand, die een papiertje uitreikt, waarop wat hocus pocus geschreven staat, om door het dragen daarvan zijne gezondheid terug te krijgen. Zeker hebt ge ook wel eens hooren spreken van heksen, die kinderen en vee met behulp van den duivel ziek maken, en om dit te bewijzen, haalt men kransen en bloemen uit de kinderbedjes. Verstandige vrouwen weten echter zeer goed, waar dat verschijnsel gewoonlijk van daan komt. Wellicht hebt ge ook wel hooren vertellen over de alwetendheid van sommige vrouwen, die voorgeven uit de handen, de kaarten, het koffiedik en uit de nagels der vingers, toekomende dingen te kunnen voorzeggen, met betrekking tot een lang, gelukkig of ongelukkig leven, vooral huwelijksverbintenissen, enz. Het is wel opmerkelijk, dat die toe-komstziensters meestal oude vrouwen zijn. Ik vraag hier: Kunnen die menschen de toekomst ontsluieren uit zich zeiven; zit ae in de kaart, de hand of het koffiedik; zal God aan die op-lichtsters de macht verleenen, om de toekomst te openbaren? Bedriegerij is regel, en zij zijn de meest bedrogenen, die het meest betalen. — En welke dwaasheden schrijven zelfs christenen niet toe aan zekere teekens! Zoozegtmen: Legnooiteen mes met het scherp naar boven, of twee messen kruizelings over elkander, want dan ontstaat er ruzie; (dat geloofde zelf Fre-derik de Groote koning van Pruissen) draai nooit met een stoel, om dezelfde reden; drie lichten, by toeval voor een spiegel geplaatst; het losgaan van een trekreep aan een kar of een wagen voor een huis; het geluid van een nachtuil op het dak eener woning; het gesnerp van een ekster bij een huis, en het gehuil en gebas van een hond. Al deze teekens geven te kennen, dat er weldra een sterfgeval in de buurt of in de familie komt. Komt iemand \'a morgens een varken te ge-

-ocr page 375-

DE GROOTE CATECHISMUS.

moet, dan is die dag voor hem ongelukkig, maar ontmoet hij een schaap, dan brengt hij hem geluk aan. \'t Is om te lachen! Verondersteld ook dat, hetgeen hier van de dieren gezegd is, natuurlijk te verklaren zij, dan nog zou men er bijna geen gevolgtrekking voor zich of de zijnen uit kunnen afleiden.

» Het bijgeloof is een smaad en een schande van het men-schelijk geslachtquot;, zegt de H. Aug. en hierin stemmen alle vaders met hem overeen. Het provinciaal-concilie van Toulouse (1590) beveelt den biechtvaders en den predikanten, door veelvuldige vermaningen en slaande bewijzen het verderfelijk bijgeloof uit te roeien ; terwijl het conc. van ïrente op dezelfdo wijze tegen het bijgeloof te velde trekt en het veroordeelt.

Bij winteravond zijt ge, waarde lezer! zeker wel eens oorgetuige geweest van de praatjes over spoken; menschen n,l., die, zoo men zegt, na hun dood terugkomen en op kerkhoven, in donkere hoeken en afgelegen plaatsen omzwerven, omdat ze nog iets moeten betalen of teruggeven, eene Mis laten lezen, enz. Dwaasheden! Die in den hemel is, wil er niet uit, en die in de hel is, kan er niet uit en Gods rechtvaardigheid houdt het vagevuur, tot na volledige afboeting, gesloten voor de daar vertoevende zielen. — Als kind hoorde ik vertellen: Daar loopt een groote, zwarte hond met vurige oogen, een weerwolf, eene lange witte dame zonder hoofd of ontzaglijk groote witte konijnen; daar, bij dat hek of die sloot, is de verzamelplaats van heksen, die onder katten gedaante den heksendans dansen. Of ik bang was! Ik durfde \'s avonds bijna niet alleen buiten de deur komen, en droomde \'s nachts van heksendans, van honden, katten, weerwolven, enz. Het is hier de plaats de ouders te waarschuwen, hunne kinderen in de jeugd niet met boeman, enz. bang te maken en nooit zullen ze bijgeloovige menschen worden.

369

-ocr page 376-

DE GEOOTE CAThCHISMÜS.

Wie zal echter ontkennen, dat de duivel nu en dan de hand in \'t spel heeft, maar God züI nooit toelaten, dat hij den mensch meer schaadt dan hij verdragen kan! Zijt ge dus ziek, ga dan om raad en hulp bij een geneesheer en niet bij een kwakzalver of bespreker. ïreft of dreigt u een ongeluk, vraag dan verstandige en medelijdende lieden om raad en uitkomst. Een goed geweten, het dikwijls ontvangen der sacramenten, het maken des kruisteekens, het aanroepen der H. Familie, het gebruik van wijwater, de voorbede der heiligen, maar vooral een kinderlijk vertrouwen op God, zijn de zekerste middelen om de toekomst voor dit en het andere leven gelukkig te maken, de kunstgrepen van den duivel te ontmaskeren en in alle omstandigheden des levens ons gelukkig en tevreden te gevoelen, onwrikbaar geloovend, dat Gods vaderliefde ons in alles kan en zal helpen.

73. Is het gebruik van gewijde zaken, als kaarsen, palm enz., ook bijgeloovigheid ?

Een behoorlijk gebruik is geen bijgeloovigheid, omdat die zaken kracht hebben uit de gebeden en de zegeningen der Kerk.

Het dragen derhalve van scapulieren, medailles en kruisen, het gebruik maken van gezegende rozenkransen, wijwater, het Agnus Dei, enz., dat alles wordt zelfs door de Kerk als nuttig en dienstig voor ons heil aangeprezen, door de aflaten, welke zij daaraan verbindt. Keukwater voor het hoofd, wil de wereldling wel, maar hij drijft den spot met het wijwater voor \'thart. Duizenden lichten worden ontstoken om de feesten van de grooten dezer aarde op te luisteren, en de Kerk wordt het ten kwade geduid, wanneer zij kaarslicht ontsteekt ter eere van den Godmensch of Zijne heiligen. Men draagt kransen van goud om hals en armen, en misgunt den braven katholieken den nederigen rozenkrans, terwijl er zelfs katho-

370

-ocr page 377-

DE GROOTS CATECHISMUS.

Heken gevonden worden, die zich schamen den rozenkrans te dragen of te bidden. Kostbare medaillons versieren de borst van zoo velen, en waarom dan geen medailles en kruisen op de borst gehangen, ten teeken van ons katholiek kindschap. Het is eene droevige waarheid, dat er niet weinig katholieken gevonden worden, die, ik wil niet zeggen, met de gewijde zaken den spot drijven, maar er zoo schaars gebruik van maken, dat ze voor hen niet schjjnen te bestaan. En zwegen ze er dan nog over, maar om hun onwil en hunne lauwheid te verbloemen, keuren zij het gebruik daarvan af als doelloos en nietswaardig, hun gedrag is reeds hier hunne veroordeeling en later zal hun zeker door God rekenschap gevraagd worden, waarom zij die hulpmiddelen ter zaligheid verwaarloosd hebben.

74. Roe zondigt men tegen de goddelijke deugd der hoop?

Ten 1° door wanhoop aan Gods barmhartigheid, 2° door een vermetel vertrouwen op God. Vgl. 27e les.

\'1°. Boor wanhoop op Gods barmhartigheid. Evenals door het geloof wordt God ook inwendig door de goddelijke deugd der boop vereerd en aanbeden. Daarom is het zonde, te mistrouwen op Zijn bijstand en Zijne hulp in alle omstandigheden des levens. God kan en wil den mensch helpen, die op Hem onwrikbaar vertrouwt, en dut moet ons genoeg zijn, om nooit te wanhopen of te mistrouwen. Het is waar, niet zelden bevindt zich de mensch in benarde omstandigheden, zoowel naar geest als naar lichaam. De last der zonden drukt soms loodzwaar op hem en het te schande maken zijner goede voornemens en beloften laat hem geen straal van hoop over. Langen tijd zucht hij onder het harde juk van lijden en tegenspoed, blijft het mikpunt van lasteraars en vijanden

871

-ocr page 378-

DE GROOTE CATECHISMUS.

en naar den schijn heeft God hem losgelaten. Doch, dat alles mag en kan geen oorzaak voor ons zijn, om onze hoop en ons vertrouwen op God op te geven. Of is het niet waar, dat God de zondaars nu en dan geheel overgeeft aan de wroeging des gewetens, om hen van den rand des verderfs terug te voeren op den weg der deugd; dat Hij toelaat, dat eene ziekte den mensch aun de legerstede kluistert, of wel, dat een lichaamsgebrek ons treft, om zoo den weg der wereld en des verderfs voor ons te sluiten en den hemelweg te openen? Het is toch beter blind en gebrekkig zalig te worden dan zonder lichamelijke gebreken verloren te gaan. Ja, den rechtvaardige treft God eveneens door kruis en lijden om hem met vaste schreden langs den kruisweg te voeren op den hemelweg. Inderdaad, God kan en wil niet anders dan door alle middelen ons welzijn bevorderen. Hoe dwaas dus, zoo de mensch terstond mort en ongeduldig wordt, als het hem niet voor den wind gaat. Ja, het is dwaas, tegen God te morren, juist dan, als Hij ons geluk beoogt en bewerken wil. Bovendien, God heeft wel gezegd: * Vraagt en gij zult verkrijgenquot; maar de tijd van ontvangen heeft Hij wijselijk voor ons verborgen gehouden en wij bezitten het recht niet. Hem dag en uur voor te schrjjven; God kan en zal ons helpen, ziedaar de leus onzer hoop.

2°. Door een vermetel vertrouwen op God.

a) Wij mogen niet vermetel vertrouwen op God in tijdelijke zaken. — God is almachtig, is in staat van steenen gt;broodquot; te maken, zoo als satan zeide, en kan ons dus, ook zonder dat we arbeiden, brood en kleeding verschaffen, zonder geneesmiddelen de gezondheid teruggeven. Doch, dat wil Hij niet. In het zweet des aanschijns moeten wij brood verdienen. En, zooals de vogel om te vliegen, de visch om te zwemmen, zoo ook is de mensch geschapen om te arbeiden.

372

-ocr page 379-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Was dat immers Gods wil niet, waartoe ons dan krachten, handen en voeten geschonken; waartoe genezende middelen geschapen? Vruchteloos is dus de hoop van den luiaard, om zonder arbeid te eten, en dwaas de hoop des zieken, om zonder geneesmiddelen de gezondheid terug te krijgen. Het vertrouwen op Gods hulp moet gepaard gaan met het aanwenden der door God gewilde middelen. Hopen wij, ondanks die middelen onzerzijds aan te wenden, dan is die hoop vermetel en eene beleediging voor God, omdat we die middelen overdadig achten. »Die niet arbeidt, zal niet etenquot;, zegt de H. Schrift. Gebruiken we daarom de hulpmiddelen, door God voorgeschreven; doen we datgene, wat God van ons eischt, dan zullen onze hoop en onze wenschen altijd de vervulling zien.

En nu de vraag: Zoudt ge van uwe ouders of uwe natuur-genooteu gunsten en weldaden durven te hopen, na hen zwaar beleedigd te hebben? In dat geval kunnen wo veeleer op berisping en straf, dan op weldaden en hulp rekenen, niet waar? In dezelfde verhouding staan wij tot God. Wanneer we doodelijk gezondigd hebben, dan gaat daardoor ook voor ons de hoop op Zijne gunsten en gaven achteruit. Willen we dus het gegrond vertrouwen op Gods hulp en bijstand niet krachteloos maken, dan moeten we ten minste de doodzonde vluchten, en zijn we zwaar gevallen, door berouw en boetvaardigheid die hoop weder levend of van kracht maken, anders is onze hoop en ons vertrouwen ijdel. Vele menschen, vele huisgezinnen zouden zich in meer geluk en welvaart verheugen, als ze deugdzamer en godvreezender waren; ze leven, alsof ze God niet noodig hebben eu God toont, hen zeer goed te kunnen missen. Tijdelijke zaken kunnen wij echter niet onvoorwaardelijk van God verwachten, zelfs niet als wij heilig waren.

hl. Wij moeten en kunnen in geestelijke zaken op God

373

-ocr page 380-

UE tillOOTE CATECHISMUS.

vertrouwen, maar niet vermetel. Geloof echter niet, dat Hij Zijn hulp en Zijn bijstand zal verleenen aan hen, die op eigen krachten vertrouwen of zich moedwillig in zondige gelegeneden begeven of daarin voortleven. Is het dan niet uitzinnig, bals, comediën, herbergen, slechte gezelschappen te bezoeken, met bedorven kameraden om te gaan, verboden ver-keeriug aan te houden, zielbedervende boeken te lezen en zich zeiven dan nog wijs te maken, dat men op den weg der deugd staat en te denken, dat God ons in die gevaarlijke gelegenheden wel voor een zwaren val zal behoeden? Welke dwaasheid! Men stort zich in de vlammen en gelooft, dat God verhinderen zal, dat we niet verbranden; men werpt zich in een afgrond en denkt. God zal den doodelijken val wel verhinderen! Denk er wel aan: »Die het gevaar bemint, zal er in omkomen.quot;

Het is dienstig hier aan te stippen, dat de christelijke hoop met vrees en mistrouwen op ons zeiven gepaard moet gaan. Dat we ons, met betrekking tot de zaligheid, bovenmate beangstigen, is niet christelijk, maar voort te leven zonder vrees of zorg voor ons zielenheil, is ook zeer vermetel. Zeker, God is goed en getrouw in Zijne belofte, maar wij zijn zwak en tot zonde geneigd. Daarom roept deH. Paulus ons toe; »Die staat, ziet toe, dat hij niet valle.quot; Phill. 2, 12. En in zijn 3sten Corr. brief 4, 4. »Ik ben mij weliswaar niets bewust, maar daarom nog niet gerechtvaardigd: Die mij oordeelt, is God.1\'— Verbinden wij dus met het vertrouwen op God, het mistrouwen op ons zeiven, en leven en arbeiden wij onverdroten tusschen hoop en vrees. Dat is de rechte weg, die ons door de klippen der vermetelheid en het mistrouwen, tot ons doel voert, waarnaar we allen moeten streven, namelijk den hemel.

75. Hoe zondigt men tegen de goddelijke deugd der liefde ?

374

-ocr page 381-

IJE CiROUTE CATECHISMUS.

Door iedere zonde in het algemeen, maar meer bijzonder door atgekeerdheid van en door haat tegen God.

Voeg hierbij, dat zij, die lauw eu onverschillig ziju iu het godsdienstige en weerzin koesteren tegen God en goddelijke zaken, en zij, die geheel voor de wereld leven. God niet danken voor Zijne weldaden en morren tegen Zijne vaderlijke beschikkingen, ook zondigen tegen de goddelijke deugd der liefde. Terecht zegt de H. Franciscus van Sales: »De bijen hebben smaak in honing, de wespen in stinkend aas.quot; Eveneens vindt de brave, godminnende ziel haar grootste welbehagen en verzadiging in God, terwijl de goddelooze en de wereldling smaak vinden in ij dele en zondige zaken, in de walgende vreugde dezer wereld.quot;— Driewerf gelukkig derhalve de mensch, die zich de getuigenis kan geven: »lk ben kind van God, door het bezit der heiligmakeude genade, eu trouw werk ik met de genade mede, om het te blijven. Vgl. 27e les. Dit is de liefde Gods, dat men Zijne geboden onderhoudt. (1 Johann. 5, 3).

76. Wa^ is heiligschennis ?

Heiligschennis is een ontheiliging van de H. Sacramenten en van plaatsen, personen en zaken, die bijzonder aan God zijn toegewijd.

Daarom is hij, heiligschender, die onwaardig de sacramenten ontvangt, eene kerk of een kerkhof, kruis- of heiligenbeelden, heilige vaten en andere gewijde voorwerpen outhei-ligt, ea een priester of religieus persoonlijk beleedigt en mishandelt. Deze heiligschennissen slaan direct op God terug en daardoor zijn ze in strijd met het lste gebod. Heiligschennis bedreven dus de beeldstormers en vele andere vijanden der H. Kerk van ouderen en nieuweren datum, die kruisen, beelden en reliquien der heiligen ontwjjdden, door

375

-ocr page 382-

DE GllOOTE CATECHISMUS.

ze te verminken, te vertrappen en de heilige vaten te gebruiken als andere stoffelijke zaken. Vreeselijk is die zonde, maar ook ontzettend de straffen, waarmede God de heiligschenders reeds hier op aarde treft. Zoo lezen wij in de H. Schrift, dat God de zonen van Ailron door hemelvuur doodde, omdat ze tegen het voorschrift in, onheilig vuur op het altaar gelegd hadden. Oza viel plotseling dood neder, wijl hij de Arke des Verbonds niet den eerbied bewees, door de wet voorgeschreven. Manasses werd van zijn rijk beroofd, en als straf naar Babyion gesleept, wijl hij het heiligdom door afgodendienst geschonden had. Dat deze voorbeelden een spoorslag voor ons zijn, om nooit personen of zaken, die aan God en Zijn heiligen dienst gewijd zijn, te schenden ofte bespotten; want God laat zich niet bespotten. En bezit ge soms beeltenissen of andere godsdienstige voorwerpen, die versleten zijn of tot ontsiering strekken, b. v. kruisbeelden, rozenkransen, kerkboeken, prent- of plaatwerken, vernietig ze dan door het vuur, om ze zoodoende tegen oneer of ontwijding te vrijwaren. (Over den eerbied voor reliquien en het heiligschennend ontvangen der sacramenten later.) Het opdragen der H. Mis en de toediening der sacramenten door geëxcommuniceerde priesters, zijn heiligschennende handelingen, b.v. de oud-katholieke priesters. Jansenisten, enz.

77. Wat is Simonie?

Simonie is, wanneer men geestelijke zaken^ ambten, enz , zoover die geestelijk zijn, voor geld koopt oi verkoopt.

Dat wilde Simon, de toovenaar, doen, en daarom wordt die zonde, naar hem, »Simoniequot; genoemd. Toen hij zag, dat de Apostelen door de oplegging der handen den H. Geest mededeelden, bood hij hun eene som gelds, wanneer ze hem ook de macht daartoe verleenden. Met heilige verontwaardiging

376

-ocr page 383-

DE GROOTS CATECHISMUS.

antwoordde de H. Petrus: » Uw geld zij u ten verderve, daar gij meent de gaven Gods voor geld te kunnen koopen.quot; Terecht zegt daarom de 11. Petrus Damianus: » Wie den H. Geest wil koopen, verliest Hem geheel en al.quot;

Het zal zij ii nut niet missen, hier aan te merken, dat het derhalve verboden is, gewijde rozenkransen, medailles, beelden, enz. te verkoopen of te koopen, voor zoover ze geestelijk of gewijd zijn, dat is, indien de wijding betaald wordt en niet enkel de stoffelijke waarde. Wil men door koop er eigenaar van worden, dan mag men er niet meer voor geven, omdat zij gewijd zijn. Of echter door overgang van het eigendomsrecht de wijding of de aflaten vervullen, dat is een andere vraag, die in verschillende gevallen verschillend te beantwoorden is.

VIEll-EN-DE UTIG SÏE LES.

OVER DE VEREERING DER HEILIGEN.

78. Wat leert ons de Kerk van de vereering en aanroeping der heiligen ?

Dat het nuttig en heilzaam is, de heiligen te vereeren en aan te roepen.

Wat verstaat men hier onder heiligen? Daaronder verstaat men schepselen, die werkelijk heilig zijn, b. v. de Engelen en de heilige menschen, die ons de Kerk als heiligen voorstelt. De Kerk doet dat 1° door sommige menschen als heiligen te beschouwen, zooals de heiligen des Ouden Verbonds; of 2° door de heiligverklaring, zooals de heiligen des Nieuwen Verbonds. De Kerk verklaart evenwel slechts die menschen heilig, wier heiligheid 1° God heeft bevestigd door wonderen,

377

-ocr page 384-

DE GROOTE CATECHISMUS.

welke Hij door de heiligen of hun ter wille wrocht; en 2° die, welke de wereld, door deu roep hunner heiligheid, als zoodanig erkent; of 1° die boven anderen hebben uitgeschitterd door wondergaven en 2° door heldhafiige, ongewone deugden. Over beide stelt de Kerk een zeer ernstig onderzoek in (canonisatie-proces) en komt zoo tot de kennis of een mensch werkelijk een heilige is of niet. De heiligverklaring geschiedt door de Beatificatie (zaligverklaring), die altijd de canonisatie (heiligverklaring) voorafgaat en tusschen die twee kerkelijke verklaringen moeten op de voorbede des Zaligverklaar-den, minstens twee wonderen door God gewrocht zijn. Dooide zaligverklaring is te verstaan, de voorloopige en eenvoudige verklaring, dat iemand voor zalig gehouden en als zoodanig vereerd moet worden, doch onder zekere bepalingen en slechts in een gedeelte der Kerk, b. v. voor een bisdom, eene orde of een rijk. Onder de heiligverklaring verstaat men de bepaalde en plechtige verklaring der Kerk, dat iemand als heilig moet geacht en als zoodanig mag en moet vereerd worden door de geheele Kerk. Een Engelsch protestant, die zulk een heiligverklarings-proces te Rome bijwoonde, zegt: Die zulk een proef van voor en tegen doorstaat en heilig verklaard wordt, is inderdaad een heilige. Canon noemt men het register, waarin de namen der heiligen staan opge-teekend, waarvan eenige in den Canon der H. Mis voorkomen.

Dat het nuttig en heilzaam is, de heiligen te vereeren en aan te roepen, blijkt hieruit, dat het niet strijdt tegen de bovennatuurlijke openbaring. Integendeel, zij spoort ons veeleer daartoe aan. Zoo staat er bij Sirach. 44, 1. geschreven: »Laat ons de beroemde mannen loven!.... Hun naam leeft van geslacht tot geslacht. De volkeren zullen over hunne wijsheid spreken, en de gemeente moet hun lof verkondigen.quot; Het Gone, van Trente schrijft daarom ook allen priesters

r

378

-ocr page 385-

tJE OROÜTE CATECHISMUS.

voor, die met geestelijke zielezorg belast zijn, om de geloo-vigen vlijtig te onderwijzen in de vereering en aanroeping der heiligen, in liet ware gebruik der reliquien en beeltenissen, enz., vermits de heiligen, die met Christus heerschen, hunne gebeden voor de menschen aan God opdragen.quot; Dat de heiligen-vereering niet strijdt tegen het le gebod, volgt duidelijk hieruit, dat we de heiligen niet aanbidden, hun geen goddelijke eer bewijzen. Veeleer prijzen en eeren wij in de heiligen God zelf, die zich in hen zoo raachtig en genadevol getoond heeft. — Dat do protestanten van geen heiligen-vereering houden, vindt wellicht zijn grond hierin, dat ze zelf geen heiligen in hunne kerk weten aan te wijzen. Om die reden zijn ze ook genoodzaakt, nauien van katholieke heiligen te dragen.

79. Strijdt dus de vereering en het aanroepen der heiligen niet met de vereering, die wij aan God verschuldigd zijn ?

Neen; want 1° wij aanbidden God alleen als onzen Opperheer en vereeren de heiligen slechts als Zijne dienaren, 2° van Glod alleen verwachten wij hulp, en de heiligen roepen wij aan, dat zij voor ons mogen bidden.

a) God aanbidden wij, d.i. wij vereeren Hem als God, als opperste Heer, Schepper en Verlosser, als de oorsprong van alle goed; de heiligen vereeren wij slechts als Zijne getrouwe dienaren en vrienden. »Wij vereeren de heiligen, wijl de Hemelkoning hen eert en bemint, maar wij vereeren hen niet als den Koning, maar als Zijne gehoorzame dienaren en beminde vrienden;quot; aldus drukt de H. Johannes Damascenus zich uit

h) God vereeren wij om Hem zelf, wegens Zijne oneindige volmaaktheden, de heiligen echter om God, wegens de voortref-

379

-ocr page 386-

DE OROOTE CATECHISMUS.

feljjke gunsten en gaven, welke zij van God ontvangen hebben. Duidelijk en klaar is, in dit opzicht, het gezegde van den H. Barnardus. » Wie zal gelooven,quot; zegt bij, »dat de koude kamermuur zonnestralen voortbrengt, bij ontvangt ze immers door het vensterraam! Wanneer ik bij de heiligen, zaken waarneem, die lof- en bewonderenswaardig zijn, en deze aan het helder licht der waarheid toets, dan bevind ik, dat een ander als prijsbaar en wonderbaar optreedt in de heiligen, dat is God, dien ik in Zijne heiligen verhef. Een kunstig geschilderd portret strekt immers niet het penseel, een schoon geschrift niet de pen, en een goed doorwrochte redevoering niet de tong tot roem en eer, maar hem, die \'t portret schilderde, den schrijver en den redenaar zelf. Evenmin komt den heiligen persoonlijke lof en eer toe, maar wel als bevoorrechte vrienden en dienaren Gods. — Men versta deze vergelijkingen echter niet mis. Wij vereeren inderdaad de heiligen zelve, of, zoo men wil, de heiligheid die hunner is. Maar ten laatste komt wederom alles op God neer, wijl er niets bestaat of het is Gods werk en gave. Het bovenstaande bewijst duidelijk, dat we de heiligen niet aanbidden en dus geen afgodendienaars zijn, met welken naam onze christelijke tegenstanders ons brutaal betitelen. En knielen wij soms, als wij hen vereeren, dan is dat nog volstrekt niet als een teeken van aanbidding aan te merken. Of is het aanbidden, als een onderdaan zijn vorst, een knecht zijn heer, een kind zijne ouders geknield eene gunst of weldaad vraagt?

Evenmin is het een teeken van aanbidding, om ter eere der heiligen, kerken en altaren op te trekken of het H. Misoffer op te dragen; want wij wijden God alleen kerken en altaren, wij dragen God alleen het H. Offer op, maar wij vereeren daarbij te gelijk het aandenken der heiligen, en vragen hunne voorbede. Daarom wezen de heiligen ook

380

-ocr page 387-

DE GROOTE C.lTFXHlSMfS,

met alleu ernst de aanbidding1 van hun persoon terug. ,, Wij zijn geen godenquot; zeiden de H. Paulus en Barnabas, toen men hun te Likaon goddelijke eer wilde bewijzen, en ten teeken van huime heilige verontwaardiging scheurden zij hunne kleederen. „Ik hen uw mededienaar en de dienaar uwer broeders; aanbid God alleenquot; zeide de Engel, toen men hem wilde aanbidden.

Ziedaar, waarde lezer! de zuivere leer der Katholieke Kerk, in betrekking tot de vereering der heiligen aangetoond. Houd haar onwrikbaar vast, ten spijt onzer vijanden, die door drogredenen eu leugens, de Kerk door de vereering der heiligen zoeken te verkleinen, en in minachting te brengen.

O O

80. Kunnen de heiligen voor ons bidden ?

Ja, zoowel als de eene mensch voor den anderen kan bidden, zoo kunnen de heiligen ook voor ons bidden.

Wanneer iemand, tengevolge eener misdaad, tot kerkerstraf of wel ter dood veroordeeld is, dan kan geen vriend van den landvorst hem begenadigen, maar alleen voor don schuldigen afslag of geheele vergiffenis vragen. Welnu, God is de Opperheer van leven en dood, de heiligen zijn Zijne grootste vrienden en wij de schuldigen en behoeftigen, voor wie zij bij God hulp en vergiffenis afsmeeken. En wanneer het volhardend en vertrouwvol gebed van den rechtvaardige op aarde reeds zooveel vermag, hoe krachtig moet dan de voorbede der heiligen in den hemel niet zijn! Jac. 5, 16. Ik zie de Apostelen en martelaren, toen ze nog op aarde omwandelden, voor hunne medemenschen bidden, en zouden zij het nalaten, nu ze in den hemel de kroon der overwinning dragen! Ste-phanus, de eerste martelaar, smeekte vergiffenis voor zijne beulen en moordenaars, en zal hij nu, met Christus heerschend, ons, zijne broeders vergeten? De H. Paulus redde door ziju

gr. oat 25

38?,

-ocr page 388-

DE GROOTE CATECHISMUS,

gebed 276 mensclien van schipbreuk, en zal hij tbans, in den hemel, niet evenals de profeet Jeremias, voor zijn volk bidden om ben te bevrijden van de geestelijke schipbreuk der ziel ?

1°. De H. Schrift staaft deze waarheid door verschillende getuigenissen. Wij lezen in het boek Tobias 12, 12: „de Engel Raphael zeide tot Tobias: „Toen gij onder tranen badt, droeg ik uiu gebed aan den Heer op!quot; — En bij Zacharias 1, 12 : ,,En de engel des Heeren sprak: „Heer der Heerscharen, hoe lang zidt Gij U niet erbarmen over Jeruzalem en over de steden van Juda?quot; — Verder getuigt het boek der Openb. 8, 3—4: „Het gebed aller heiligen stijgt voortdurend als een reukwerk tot God.quot;

2°. De overlevering legt dezelfde getuigenis af, om de voorbede der heiligen voor ons te bewijzen. Zoo zegt Origi-nes: „De priester bidt niet alleen (voor het volk), de engelen en de zalige zielen bidden met hem.quot; Alle vaders, die voor ons zalig gestorven zijn, strijden voor ons en ondersteunen ons door hun gebed.quot; En de H. Basilius in zijne predikatie op de 40 martelaren, „hier (in den hemel) is den christen heil bereid, hier is de woning der martelaren, het koninklijk heir der triomfeerende Kerk, het koor der God lofzin-genden. Dikwijls hebt ge voorbidders gezocht. Welnu, thans bezit ge er veertig, die slechts met ééne stem voor u bidden. Waar twee of drie in \'s Heeren naam vergaderd zijn, daar is God, waar er echter veertig zijn, wie twijfelt dan nog, of God daar tegenwoordig isquot; (om te verhooren.) Op gelijke wijze spreken alle overige vaders en Conciliën.

81, Welk onderscheid bestaat er tusschen ons gebed tot God en tot de heiligen?

Evenals er een noodzakelijk en wezenlijk onderscheid bestaat tusschen de eer, welke wij aan God en die, welke wij aan de heiligen bewijzen, bestaat er ook een wezenlijk en waarachtig onderscheid

386

-ocr page 389-

DE GROÜTE CATECHISMUS.

in de gebeden, welke wij lot God en die. welke wij tot Zijne heiligen richten.

Dat verschil treudt bij ui ouze gebeden duideliik Dp deu voorgrond. Al onze gebeden beginnen en eindigen immers met het kruisteeken en in de . i.iuuu der H. Drievuldigheid, om daardoor te kennen te geven, dat ■wij ze eigenlijk tot God zelf opzenden en van Hem alleen verhooring verwachten. Ja, tot God smeeken wij, dat Hij ons door Zijne almacht en barmhartigheid helpe; tot de heiligen, opdnt ze ons door huntie voorbede bij God te hulp komen. Slaan wij even een blik in onze kerkboeken, en liet verschil zal ons duidelijker worden. De Litaniën, die daarin voorkomen, beginnen alle met de woorden: ..Heer, ontferm U onzer,quot; enz.. God, liemelsche Vader; God, Zoon, Verlosser der wereld; God, H. Geest; waarop telkens als bede volgt: „Ontferm U onzer.quot; Bidden we de daaropvolgende Litaniën van de H. Drievuldigheid, van den „Zoeten Naam,quot; van den „H. Geest,quot; van het ,,H. Altaarsacramentquot; of van het „lijden en sterven van onzen Zaligmaker,quot; dan wordt er aan elke toespraak niet; „Hid voor ons,quot; toegevoegd, maar „ontferm U onzer,quot; „verlos ons, Heer,quot; of „wij bidden U, verhoor ons.quot; Bij de lita iën echter der heiligen volgt, na de gebruikelijke inleiding, altijd : „Bid voor ons,quot; en wij geven daardoor te verstaan, dat wij van de heiligen persoonlijk geen ontferming, geen verlossing van tijdelijke of geestelijke rampen, geen verhooring onzer gebeden verwachten. (Vgl. vr. 80 bovenaan.) He: volgende gebedsformnlier van Origenes geeft den juisten maatstaf van een gebed tot de heiligen. „Ik zal mij voor God op de knieën werpen en bewust van mijne schuld, de heiligen aanroepen, om mij bij te staan. Ja, heiligen Gods, Zijne dienaren en vrienden! ik smeek u, onder zuchten en tranen, valt gij voor mij, ellendigen zondaar, den Heer van barmhartigheid en ontferming te voet!

387

-ocr page 390-

UE GIIOOTE CATECHISMUS.

82. Maar hoe hunnen de heiligen, die toch niet alwetend zijn, weten, wanneer wij hen aanroepen? Niet door zich zeiven, maar door God weten zij dit.

Dat de heiligen niet alwetend zijn, is een openbaar geheim, maar zij weten en zien in God alles, wat op hun persoon betrekking heeft. „Wat zouden zij nietzien, dieHemzien, welke alles ziet,quot;zegtde H.Thomas van Aquino. En de H.Petrus Damianus schrijft dienaangaande: „In de wijsheid, waarmede zij yereenigd zijn, weten zij alles, en in de Almacht, tot wien ze opgenomen zijn, vermogen zij alles. Als we hun dus om hulp en voorspraak vragen, hebben zij daar kennis van en ook het vermogen om onze wenschen in te willigen. Dat de heiligen van ons weten, staat duidelijk bij Lucas 15, 10, waar we lezen: „De engelen des hemels verheugen en verblijden zich over den zondaar, die boetvaardigheid doet;quot; en bij Tobias 12, 12: „dat de engel het gebed van Tobias aan God opdroeg. Wisten de engelen dus niets van ons, hoe kunnen zij zich dan over ons verheugen en onze sebeden aan God aanbevelen ? —

O O

Hiermede^ in overeenstemming, bemerkt de H. Bernardus: „Het verblijf in den hemel verstompt de heiligen niet en neemt hunne gedachten en hun medelijden niet weg. De enselen hebben de taak van God ontvangen om de menschen

f5 O

in hun strijd voor de zaligheid ter zijde te staan, en de heiligen zouden ons niet kennen, geen medelijden met ons hebben, zij, die eens onder en met ons woonden en deelgenooten waren van ons strijden en lijden!

a) Maar is het geen teeken van mistrouwen op Jesus bijstand, als we ons tot de heiligen wenden?

Volstrekt niet, want wij verwachten geen genade en geen zaligheid van de heiligen, maar van God alleen, door de verdiensten van Jesus Christus, op de voorbede der heiligen. Of is het als mistrouwen in den koning aan te merken, wanneer ik door een hoveling, die \'s vorsten vertrouwen en vriend-

388

-ocr page 391-

DE GROOTE CATECHISMUS.

schap geniet, om eene gunst laat vragen? Ware dat mistrouwen, clan vergreep zich de H. Paulus niet het minst, toen hij zich tot de geloovigen wendde, met de bede, dat ze hem bij God met hunne voorbeden zouden te hulp komen. Rom. 15, 30.

hj God is almachtig en kan ons helpen en verhooren zonder voorbidders, waarom zou Hij om dan menige weldaad schenken op de voorbede der heiligen?

God wil dat, zeggen de vaders, opdat wij onze onwaardigheid en het onvolmaakte van onze gebeden zouden inzien, en de macht en den invloed zijner bijzondere vrienden en dienaars zouden erkennen, of om de ledematen der strijdende en triomfeerende Kerk door onderlinge gebeden en liefdewerken hechter aan een te verbinden en den strijders een zekerder weg, door de hulp der heiligen, ten hemel te banen. Den roover immers van Abraham\'s vrouw, Abimelech en drie kwaadsprekende kennissen van Job, wilde God niet vergeven, tenzij Abraham en Job persoonlijk voor hen vergiffenis afsmeekten.

83. Wie onder de heiligen moeten wij voor alle andere aanroepen en vereeren ?

De H. Moeder Gods en onbevlekte Maagd Maria.

De heilige Moedermaagd verdient boven allen onze bijzondere vereering, omdat alle engelen en heiligen beneden haar staan in heiligheid. Door haar goddelijk moederschap overtreft zij den geheelen hemel in genade en heerlijkheid. De sterren, welke de zon het meest nabij zijn, ontvangen ook het meeste licht en schitteren daarom ook het helderst. Zoo ook Maria. Zij staat het naast bij God, doordien ze moeder van Zijn zoon is en daarom is zij ook vol van genade en eene ster van on-gekenden glaus. Zeer juist roept de H. Epiphanius uit: „Maria! gij staat hooger dan alle schepselen. Gij zijt schooner dan de Cherubijnen en Serafijnen, schooner dan het gansche hemelkoor; geen aardsche noch hemelsche mond

38f)

-ocr page 392-

D3 GHOOTE CATECilISMtlS.

vermag ü naar waarde te loven.quot; Eu de H. Gregorius zegt van haar: „.Maria is een spits op de spitsen der bergen, wiil hare verhevenheid boven alle engelen en heiligen uitschittert.quot; Ja, zij is de koningin der Engelen, wijl zij door haar goddelijk moederschap in inniger verbinding met God staat dan de engelen. Eene moeder toch is inniger met haar kind verbonden dan vrienden met elkander verbonden zijn. Doch niet alleen is zij koningin der engelen, zij is dit ook van alle heiligen, door hare deugden, wijl zij door een bijzonder voorrecht bevrijd bleef van de erfsmet en nooit in eene persoonlijke zonden toestemde, en daarenboven alle deugen in den volmaaksten zin bezit. Dat koningschap van Maria over engelen en heiligen is evenwel niet eigen aan hare natuur, maar is het werk van Gods genade.

Die zegswijzen: Maria naast God, en, boven Maria alleen God, beteekenen niet, dat zij bijna God is; zij behoort bij de schepselen, bij de menschen ; God maakt voor Zich alleen een orde ot klas uit; zij kan ook niets geven, maar vragen; zij ontvangt ook geen goddelijke eer, maar de eer der Heiligen ofschoon een bijzondere en hoogere. Maar, wijl tusschen God en Maria geen ander wezen staat, daarom zijn die zegswijzen waar. Even waar echter is het, dat de afstand tusschen God en Maria, dus ook tusschen Jesus en Maria, niet een afstand van graden is, maar van soort, niet een eindige, maar een oneindige afstand. Heden, waarom althans naar mijn gevoelen, zulke wijzen van uitdrukking geen aanbeveling verdienen, ofschoon ze, door \'t spraakgebruik, geijkt zijn.

Maria is moeder Gods. En, omdat haar deugd of heiligheid met die waardigheid in overeenstemming is, daarom is hare voorbede zoo krachtig. Wanneer het gebed van Gods dienaren zooveel bij Hem vermag, welk een gunstigen en weldadigen invloed zal dan het gebed van Maria niet uitoefe-ne.\'-! Neen, niemand vraagt Maria iets te vergeefs in zoover

390

-ocr page 393-

DE GROOTE CATECHISMUS.

natuurlijk, als men God en andere Heiligen ook niets te vergeefs vraagt. „Hij weigere uwe goedheid en barmhartigheid te prijzen en te loven, o zalige Maagd! die u in zijn nood te vergeefs om hulp smeekte,quot; zegt de H. Bernardus.

Aan de spits der heiligen staat Maria, dan volgen Jozef en de engelen met Michael aan \'t hoofd als de vertegenwoordiger van allen. Vervolgens de heilige menschen van \'t Oude Verbond; de Patriarchen en Profeten, enz. met Johannes den Dooper aan het hoofd van alle andere heiligen des Ouden Verbonds; daarna komen de heiligen des Nieuwen Verbonds; de Apostelen, de Martelaars, de Belijders, de Maagden, de Weduwen en de Boet vaardigen. Deze rangorde houdt de Kerk bij het heilig Misoffer. Hieruit vi Igt echter niet, dat het een rangorde van heiligheid is. In de overige heiligen schitteren dikwijls de eene of andere deugd bijzonder uit. Zoo is b. v. Petrus de held des geloofs, Paulus, die der hoop, Johannes, die der liefde, Franciscus van Sales, die der zachtmoedigheid, Vincentius van Paulo, die der lichamelijke en stoffelijke liefde en barmhartigheid, terwijl Maria het toonbeeld van alle deug len is.

Wie stemt niet toe, dat we naast Maria, Wir Bruidegom, den H. Jozef op de eerste plaats onze vereering en ons vertrouwen moeten schenken ? Immers, zal de voorbede van den voedstervader niet meer invloed op het aanbiddelijk hart van Zijn pleegzoon uitoefenen dan de voorspraak van andere heiligen, daar zijne heiligheid aan zijn\'Jiooge betrekking beantwoordt. Bovendien zijn we bijzonder eerbetoon verschuldigd aan onze naam- en patroonheiligen, maar trachten wij vooral hunne deugden na te volgen, dat is het beste bewijs en de zekerste weg om nut te trekken uit hunne voorbede\' . Waartoe zou het immers ook dienen, al bezaten we ook honderd nuam-en patroonheiligen, wanneer we hunne deugden uiet navolgen, hunne voorspraak niot inroepen? (Vgl. 14. Les. 83. vs.)

3\'J1

-ocr page 394-

DE GROOTE CATECHISMUS.

84. Strijdt het niet tegen het eerste gebod, beelden te maken!

Meen ! er staat wel: vGij zult geen gesneden beelden maken,quot; maar dit moet men verslaan »om die te aanbidden quot; gelijk de heidenen doden en nog doen.

Het ligt zoo in de natuur der zaak oiu de beeltenissen van Christus en Zijne heiligen in eere te houden, en wel met meer recht, dan een kind de beeltenis zijner ouders, een onderdaan het beeld van zijn vorst in eere houdt. Zelfs niet-katholieken bewaren de beeltenissen van ouders, vrienden of vriendinnen achter slot en grendel of schenken hun de voornaamste plaats in hunne huizen, terwijl xe dat niet slechts als geoorloofd achten, maar terecht als een bewijs van liefde en hoogachting aanzien. De levensgroote beeltenissen van vorsten, staatslieden, krijgsoversten, schilders, beeldhouwers, dichters, toonkunstenaars en andere groote wetenschappelijke mannen, versieren de openbare pleinen en markten der steden, om zóó hunne kunst, hun roem of hunne weldaden in blijvende herinnering te houden bij \'t nageslacht, ofschoon vele dezer mannen alles behalve heiligen waren en niet zelden tot ontstichting des volks bijdroegen. Treedt men de huizen van de grooten dezer wereld binnen dan treft ons oog als eerste en voornaamste sieraad beelden en portretten en soms vindt men die ook in tuinen, en op pleinen, waardoor het redelijk gemoed niet zelden pijnlijk wordt aangedaan, maar die toch dienst moeten doen om het een of ander godje of godinnetje met al hunne deugden, welke de kieschheid verbiedt te noemen, in \'tgeheugen terug te roepen. Welnu, waarom wordt het den katholieken door hunne tegenstanders dan als misdaad aangerekend, wanneer ze de beeltenissen van Christus, den Stichter van hun Godsdienst, den Koning der koningen, den Alwetende, den Alwijze en Zijne heiligen, de geloofshelden, op t voetstuk plaatsen of hunne portretten op doek of papier in

392

-ocr page 395-

DE ÖROOTE CATECHISMUS

eere houden? Niemand zul toch wel zóó dwaas zijn, den leugen te gelooren, welke door onze vijundon verzonnen en da-gelijks uitgebazuind wordt, dat de katholieken de beelden aanbidden, welke van hout, steen of eene andere stof\' vervaardigd zijn. De katholieken schijnen in hun oog wel dom, maar daartoe zijn we toch niet dom genoeg. Ze aanbidden evenmin hunne heiligen beelden als het beeld der Hollandsche maascd

O O

te Amsterdam of van Jan van Nassau te Utrecht. Wij zijn zeer wel overtuigd, dat de beelden des Verlossers, en de beelden der heiligen niet de heiligen zijn. Zij herinneren ons slechts aan den Heiland en Zijn weldoend verlossingswerk, en aan de groote deugden, die de heiligen op aarde beoefend hebben, welke door de beelden voorgesteld worden. Wij zullen dus beelden blijven maken, ze nooit aanbidden, maar vereeren en versieren en verzoeken onzen protestantschen broeders consequent te zijn en de standbeelden van Luther, Cal-vyn, enz. omver te werpen, de prentenbijbels aau stukken te scheuren, de met heiligen-beelden beschilderde glazen onzer oude, thans in hun bezit zijnde kerken te verbrijzelen; want dat zijn alle magazijnen vol gesneden beelden en gelijkenissen.

85. Is het dan geen bijgeloof beelden te verearen, te versieren, daarvoor licht te branden, enz. ?

Wel neen! Wij doen dit niet om het beeld zelf, maar om onze achting te betoonen jegens hen, die door die beelden worden voorgesteld

Het Concilie van Trente zegt: ,,De eer, die wij den beelden bewijzen, slaat terug op hen, die ze voorstellen, zoodat wij door de beelden, welke wij kussen, waarvoor we ons hoofd ontbloo-ten en neigen, Christus aanbidden en de heiligen vereeren, wier afbeelding zij zijn.quot; — Hetzelfde is te zeggen omtrent de versiering der beelden en het licht, dat we voor hen opsteken. Hoe dwaas en ongepast zijn derhalve de beschul-

393

-ocr page 396-

DE GROOTE CATECHISMUS.

digingen, die ons door onze tegenstanders naar het hoofd worden geslingerd, te meer, daar ze zelf doen, wat ze in ons afkeuren. Beschouwt eens de openbare pleinen der steden : ze zijn bezet met beelden. Bezoekt eens het panopticum (de beelden verzameling) te Amsterdam, waar men de beelden aantreft van de edelste mannen en van de beruchtste moordenaars en gauwdieven. Ja, zegt hier iemand, maar die worden niet vereerd. Goed, maar moeten ze niet denzelfden dienst doen, d.i. het aandenken aan de voorgestelden in herinnering en levendig houden? En worden de beelden niet vereerd door den wereklling? Wat beduiden dan de kransen, welke men op de verjaardagen aan den voet van het beeld van koning Willem II, enz. nederlegt? Is het geen openbare hulde en eerbetoon, de buste van koningstelgen, enz. in vergaderingen en gezelschappen in een stralenkrans van licht te zien prijken, met bloemen te versieren, liederen te zingen en door muziek de feestelijke stemming van dat hnldebewijs te verhoogen? Toen de Rotterdammers, bij een standje, het beeld van Erasmus van zijn voetstuk hadden geworpen, trachtten de inwoners van Bazel tot eiken prijs, het beeld macbtig te worden. Een schrijver uit dien tijd verweet hun die dwaasheid en zeide: »Krankzinnigen! gij vereert het beeld van een taalkundige en treedt de beelden van Christus en Zijne heiligen met voeten!quot; Zoo beginselloos handelden de beeldstormers van de zestiende eeuw en gaan daarmede voort tot op onze dagen. De mahomedanen niet uitgezonderd.

86. Is het nuttig voor een beeld te bidden?

Ja, quot;want dan kunnen wij ons gemakkelijker en levendiger degenen voorstellen, tot wie wij onsg-e bed richten.

Het kan niet anders, dan eene heilzame en nuttige uit-

394

-ocr page 397-

DE UnOÜÏE CATECHISMUS.

werking in onze ziel voortbrengen, wanneer wij dikwijls met een oprecht christelijk gemoed de beelden van Christus en Zijne heiligen beschouwen. Immers, wat de Schriftuur voor de lezers is, dat is ook het beeld voor hen, die niet lezen kunnen; want ze lezen in het beeld vau den heilige, wat ze voor de zaligheid te doen of te laten hebben. Jis, de beelden in onze Kerken werken zelfs ook goed op het gemoed van vele geleerden, wijl zij onwillekeurig in de beelden lezen, wat ze in een kerkboek niet willen lezen. De beelden zijn inderdaad van groot nut. Zij onderrichten en versterken immers in \'t geloof en wekken op tot navolging in de deugd, wijl zij ons de geheimen van den godsdienst, de geschiedenis onzer verlossing en den voorbeeldigen levenswandel der heiligen levendig voor oogen stellen. Eu dat is het nut, dat we trekken door te bidden voor de beelden.

[Dat beelden van goud, zilver en andere edele metalen of steensoorten vervaardigd en de portretten van heiligen door eene meesterhand geschilderd, dikwijls meer het godsdienstig gevoel treffen dan andere beelden van minder gehalte en daarom bij ons in hoogere achting staan, is zeer natuurlijk. Maar even waar is het, dat onze achting en onze eerbied ook gebiedend gevorderd worden voor beelden, die minder schoon en kostbaar zijn, zoodat elke onteering zonde is. Wanneer iemand het beeld van zijn vorst, een kind het beeld zijner ouders, dat van minder kostbare stof vervaardigd is, met voeten zou treden, verscheuren of bezoedelen, zou zijn misstap dan niet groot zijn? Die onteering valt immers op den vorst en op de ouders terug, welke ze voorstellen! Nu is het ook waar, dat men soms beelden, godsdienstige portretten en plaatwerken aantreft, die er erbarmelijk uitzi.n en meer geschikt zijn om den lachlust, dan vrome gewaarwordingen op te wekken. En dan slaan spot, verachting en vernietiging vol-

395

-ocr page 398-

DE GROOTE CATECHISMUS.

strekt niet op dengene, die door het beeld wordt voorgesteld, maar op den vervaardiger van het beeld, of, zoo men wil, op het beeld in zich zelf, wat hier geen beeld is, maar de ontkenning ervan. In dat geval is het nuttig ze aan het vuur over te leveren en goede beeltenissen daarvoor in de plaats te stellen. Onder de beeltenissen verdient een crusifix de eerste plaats in een katholiek huisgezin. „Ik zou u wel meermalen bezoeken,quot; zeide eens een protestant tot een katholiek huisvader, „maar dat kruisbeeld op de kast hindert mij.quot; „Welnu,quot; zeide de huisvader, „blijf dan doodeenvoudig geheel weg, dan hebt ge er ook volstrekt geen hinder meer van, want ik behoud liever bet beeld des Verlossers dan een valschen vriend.quot; Maar, zoo zijn, helaas! alle katholieken niet! — De beelden worden vervaardigd uit hout, steen, marmer, zilver en goud. Al deze dingen zijn levenlooze zaken en missen de kracht, om hulp aan te brengen, genade te verleenen. Derhalve is het even dwaas als zondig, om een beeld of portret vertrouwen te schenken of hulp daarvan te verwachten. Gij hebt wel eens gehoord van genadebeelden, te Kevelaar, Scherpenheu-vel, Lourdes, enz., maar het is dwaling aan die beelden wonderkracht en genadegaven toe te schrijven. Deze beelden zijn immers als alle andere levenlooze zaken en bezitten ook evenmin eenige macht. Maar God schenkt op de voorbede van de door die beelden voorgestelde heiligen, op sommige plaatsen, (genade-oorden genoemd) buitengewone genade en niet zelden wrocht Hij daar de grootste wonderen.]

87, Wat noemen wij overblijfselen, reliquien ? Beenderen, kleederen en andere voorwerpen van den Zaligmaker of de heiligen afkomstig of door hunne aanraking geheiligd.

lo. De vereering der reliquien is verstandig en redelijk.

De heiligen waren eenmaal menschen als wij, en hadden

396

-ocr page 399-

DE GROOTE CATECHISMUS.

397

dus ook eeu lichaam, zooals wij bezitten. Na hun dood lieten zij hunne lichamen en hun lijfstoebehooren achter, waarvan wij nog vele overblijfselen bezitten, en deze noemt men „reli-quien.quot; Toen ze nog op deze wereld leefden, waren zij reeds een toonbeeld van heiligheid voor anderen, beoefenden dag en nacht de heldhaftigste deugden en toonden uitwendig, dat de H. Geest inwendig Zijne woning in hen had opgeslagen. Daarom wacht hen ook in hunne lichamen met Christus eene heerlijke verrijzenis en hemelvaart. En wij zouden hunne reliquien niet vereeren, die zoo nauw aan hun persoon verbonden zijn. — „Dat gewaad, die kleinigheid, dier ing of haarlok behoorde eens mijn dierbaren vader of mijne moeder,quot; zoo dacht ik meermalen en ik beschouwde die met eerbied en liefde; ik bewaar ze met zorg en zou er voor geen geld afstand van willen doen. Wie nu beschuldigt mij zoodoende vnn afgoderij, vraagt hier iemand. Men balsemt de lichamen van vorsten en grooten dezer aarde en de plaatsen, waar hun stoffelijk overblijfsel rust, achten zich dat tot eer. De graven en geschriften van beroemde mannen worden doorsnuffeld om iets te vinden, dat meer onmiddelijk met hen in aanraking kwam, en door die onbezielde dingen met zorg te bewaren, ontrukt men de vroegere bezitters of schrijvers aan de vergetelheid. Wat meer is, er is in onzen tijd eene, op zich zelf goed te keuren, beweging ontstaan, om, ten koste somtijds van tonnen gouds, opgravingen te doen ter plaatse, waar eenmaal steden, neerzettingen, vestingen of begraafplaatsen bestonden en de voorwerpen, daar gevonden, worden in paleizen verzameld en soms voor fabelachtige sommen opgekocht en van de hand gedaan. Waarom? Omdat ze ons met de vroegere geslachten en met onze voorouders in aanraking brengen en een denkbeeld geven van hun handel en wandel. Het zijn boeken die ons onderwijzen. Doch, waarom ook nog meerder bewijzen aangehaald om het redelijke van de vereering onzer reli-

-ocr page 400-

DE !gt;ROOTE C.WECIIIS.MUS.

quien tegenover onze tegenstanders te bewijzen, daar ze zelf datgene doen, waarvan ze ons een verwijt maken.

De tabaksdoos, de pen en de steek van Napoleon I zijn met schatten gouds betaald, omdat ze de herinnering aan hun vroegeren en oorspronkelijken bezitter steeds gaande houden. Arnold, een protestantsch geschiedsclirijver, zegt deel III, pag. 313, dat men eene der pilaren van Luther\'s buis aan kleine stukjes sneed en als geneesmiddelen tegen kiespijn en andere ziekten uitdeelde; de stoel en een gedeelte van den mantel, die vroeger het eigendom van den hervormer Wiclef waren, worden met zorg in de kerk te Lutherworth bewaard. De slaapmuts en de Pantoffels van den ouden Frits, koning van Pruisen, zijn met goud betaald, zeker niet om de werkelijke waarde, maar om den persoon, die ze eenmaal gebruikte en wien ze toebehoorden.

Met recht heeft de Katholieke Kerk ten allen tijde dan ook de reliquien harer heiligen vereerd. En met veel meer recht en met veel minder overdrijving dun de wereld de reliquien van de haren. De eerste christenen zochten met heilige achting de verminkte lichamen der martelaren op, om hun eene passende begrafenis te bezorgen; hunne verscheurde kleederen, aarde met hun bloed gedrenkt, de werktuigen hunner marteling werden als kostbare overblijfselen verzameld en in de huizen der christenen met eerbied bewaard. Men plaatste deze voorwerpen later in tempels en op de altaren, en bouwde kerken en kapellen op hunne graven als op heilige fundamenten. In later tijd beval de Kerk, dat de altaren, öf op de graven der heiligen werden opgetrokken, of wel, dat men de reliquien in den altaarsteen zou leggen, om zoodoende eenigermate het vergoten bloed des Verlossers met het bloed Zijner trouwe dienaren te vereenigen.

2°. De vereering der reliquien is bovendien ook nuttig en Gode welgevallig.

398

-ocr page 401-

UE GllOOTE CATECHISMUS.

399

Die waarheid wordt ons geleerd door de vele wonderen, welke God voortdurend door die reliquien uitwerkte. ïe ge-looven, dat wij katholieken, wonderkracht aan die levenlooze zaken tot schrij ven, is niet anders dan zichzelven een bewijs van monsterdom en verregaand vooroordeel uitreiken. Inderdaad, niet de reliquien, maar God werkt door de reliquien somtijds wonderen uit, omdat hunne vereering op de heiligen, hunne vroegere bezitters, terugslaat en van dezen op God zeiven. Zoo lezen wij in het 4e Boek der Koningen 13, 14, dat de profeet Elizeus met zijn mantel het water van den Jordaan in tweeën deelde. Een dood kind, met het gebeente van dezen profeet in aanraking gebracht, herleefde. In de handelingen der Ap. 19, 12 wordt verhaald, dat de oplegging van de zweetdoeken en den gordel van den H. Paulus, en het schaduwbeeld van den H. Petrus, de zieken deed genezen. ,,0, mocht ik slechts den boord van Jesus\' kleed aanraken, ik zou genezen zijn,quot; dacht de vrouw des Evangelies; zij raakte hem aan en was genezen. Ontelbaar zijn de wonderen, die God door middel der reliquien van den H. Stepha-nus, Gervatius en Protasius wrochten en door den H. Augus-tinus en Ambrosius ons verhaald worden. „Geringe overblijfsels van stof waren en zijn nog oorzaak van een groeten toevloed van menschen naar zekere oorden en plaatsen, welke daarom ook genade-oorden genoemd worden. En, ofschoon die stoffen en overblijfsels afgesloten zijn, worden en blijven de zegeningen, welke God ter wille hunner vroegere eigenaren bewijst, wereldkundig. Bedenkt dan, veelbeminden ! wat de Heer in het land der levenden voor u heeft bewaard, wijl Hij reeds om het stof der dooden zooveel grootsch aan ons doet.quot; H. Aug.

-ocr page 402-

DE GROOTE CATECHISMUS.

VIJF-EN-DERTIGSTE LES.

OVER HET 2e GEBGD.

88. Hoe luidt het tweede gebod ?

Gij zult den naam van den Heer uwen God niet ydel gebruiken.

89. Welke plicht wordt ons door die woorden opgelegd ?

Dat wij van ontzag voor Gods Heiligen Naam moeten doordrongen zijn en dien altijd met eerbied moeten uitspreken.

God wordt door den mensch met het hart (inwendig) en met den mond (uitwendig) op gepaste wijze vereerd; want, tmet het hart gelooft men ter gerechtigheid, met den mond geschiedt de belijdenis ter zaligheid,quot; zegt de H. Paulus.

Met den inwendigen lof des harten moet de uitwendige lof van den mond overeenstemmen, en vandaar ook het gebod: sGij zult den Naam van den Heer, uw God, niet ijdel gebruiken,quot; integendeel, Hem verheerlijken en hoogschatten. Verlaat ge dan \'s morgens uwe legerstede, of begeeft gij u \'s avonds ter ruste, verheerlijk dan Gods Naam en zeg: „Ik begeef mij ter rust, of begin den dag in den Naam des Heeren.quot; Voor den maaltijd past het Gods Naam te verheerlijken, opdat Hij spijs en drank zegene, en na afloop moeten wij God danken voor Zijne weldaden. „Hetzij gij eet of drinkt of slaapt of waakt, doet alles in \'s Heeren Naamquot; zegt de H. Paulus. — Treft u een ongeluk, gevoelt ge de zwaarte van rampen en lijden, drukken u kruis en wederwaardigheden, wordt het u bang in den strijd voor uwe zaligheid, roep dan met eerbied en kinderlijk vertrouwen:

400

-ocr page 403-

i)e groote catechismus.

„■mijn God, sta mij bij! Jesus, Heiland, Zaligmaker, help mij uit den bangen toestand.quot; — Doch niet alleen in druk en lijden, maar ook als welvaart en voorspoed ons deel zijn, moeten we God, wien we alles te danken hebben, lof en eer geven. Dan vordert de dankbaarheid, dat we biddend opzien en zeggen: „de Naam des Heeren zij gezegend, geloofd en aangebeden in eeuwigheid!quot; — Bovendien moeten wij dien Naam met eerbied aanroepen ce) tot betuiging der waarheid, b) tot verdediging der rechtvaardigheid en c) tot steun der onschuld, zooals we later zullen zien.

Het is ook eene loffelijke en heilige gewoonte, eerbiedig het hoofd te ontblooten, of het hoofd of de knie te buigen, zoo dikwijls men den H. Naam van God of Jesus hoort, leest of zelf uitspreekt, hetzij in of buiten de kerk. Zoodoende wordt men immers telkens aan Zijne hooge waarde en heiligheid herinnerd en tevens gewaarschuwd, zich voor misbruik te wachten. »Op den Naam van Jesus (God) moeten zich alle knieën buigen van hen, die in den hemel, op aarde en onder de aarde zijn.quot; Op deze wijze wordt Gods Naam eenigszins naar waarde geprezen en geloofd, in zoover het den mensch gegeven is, en schenkt Hij geluk, zegen en welvaart naar ziel en lichaam; want Heer is allen nabij, die Hem in waarheid aanroepen.quot; Ps. 144, 18.

90. Hoe zondigen wij tegen dit gebod?

4° Door het ijdel aanroepen van den Naam van God of Jesus, maar vooral 2° door godslasteren, 3° zondig zweren, 4° vloeken en 5° het breken van geloften.

lo. Door het ijdel aanroepen van den Naam van God of Jesus. Men maakt zich hieraan schuldig als men lichtvaardig, zonder behoorlijke reden, den naam van God, Jesus, Christus, of der Heiligen, of heilige zaken uitspreekt of in het gesprek

on. cat. 26

401

-ocr page 404-

DE ÖROOTE CATECHISMUS.

mengt, als waren het gewone uitroepingen of stopwoorden. Het is, helaas! bij zekere menschen gewoonte geworden, om bij elke gelegenheid den naam van God, Jesus, van de H. Maagd, kruis, sacrament, enz., lichtvaardig in den mond te hebben. Zoo hoort men niet zelden de uitdrukkingen: gt;God,quot; »God nog toe,quot; »Jesus Christus,quot; »Heere Jesns,quot; »o Jesus,quot; »o God,quot; gt;God bewaar ons,quot; enz., bij het geringste ongeval, ja, redeneeren de en lachende in het gesprek mengen. ïïetiseene oneerbiedigheid, om den hoogheiligen naam van God zoo te misbruiken. De oude joden durfden dien naam uit eerbied en ontzag niet uitspreken, maar bedienden zich, als ze Hem noemden, van eene omschrijving, en de christen waagt het dien aanbiddelijken nanm dagelijks meermalen te misbruiken en te onteeren, in alle mogelijke spreekwijzen en bij elke gelegenheid. God wordt in eeuwigheid het driewerf heilig door de engelen toegezongen, en wij gebruiken onze stemmen om Hem te beleedigen. Maar de straf zal zich ook niet laten wachten, want dDb lieer zal hem niet voor onschuldig houden, die den naam van den Heer, zijn God, ijdel noemt,quot; zegt de H. Schrift. Roepen wij evenwel God of Zijne heiligen aan, te midden van ziekte, pijnen, gebaren, plotselinge vrees of schrik, bij een val of eene verwonding, zoodat ook inderdaad het hart »God!quot; roept, dan is dat niet ijdel, zooals we boven zagen, maar het heeft dan een goed doel, het zijn noodkreten om hulp of bijstand.

2o. Door godslasieren.

91. Wanneer maakt men zich aan godslastering schuldig ?

Als men met woorden van verwensching, van verachting, van bespotting spreekt tegen of over God, Zijne heiligen ol heilige zaken.

1°. Het is godslastering, wanneor men God eene eigenschap

402

-ocr page 405-

DE GROÜTE CATEOilISMUS.

toekent, die in tegenspraak is met Zijne heiligheid of Zijne volmiuiktheden, zooals zij doen, die zeggen : God is niet rechtvaardig, is wreed en onverbiddelijk, enz. Eveneens is het godslastering, God iets te ontzeggen, wat noodzakelijk in Zijne natuur ligt, zooals Zijne wijsheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid en voorzienigheid. Vandaar ook, dat zij God lasteren, die zeggen of gemeend denken; God ziet en weet niet alles, wat in het geheim geschiedt; Hij denkt niet aan ieder mensch of iedere handeling iu \'t bijzonder; Jesus is geen God, niet gelijk aan den Vader en den H. Geest; God bestaat niet in drie personen. Men lastert God ook, wanneer men iets aan een schepsel of het toeval toeschrijft, waartoe God alleen in staat is, door b.v. te zeggen: Alles, goed en kwaad, geluk en ongeluk, hangt van het toeval of het noodlot af; iedereen kan, uit eigen kracht, het goede doen en het kwade mijden; want God bekommert zich daar niet over.

2°. Godslastering is het ook, onbetamelijk en verachtelijk te spreken of te denken over de heiligen, daar zoowel de eer, die hun bewezen wordt, als de verachting op God zelf terugslaat. De geheimen van onzen heiligen godsdienst bespotten, belachelijk voorstellen, is ook godslastering. — Het is in onzen ongeloovigen tijd geen zeldzaamheid te hooren of wel te lezen: »de godsdienst, door Christus gesticht, heeft uitgediend, hij is valsch, ongerijmd, bijgeloovig en bespottelijk ; de Bijbel is geen goddelijk boek, enz. En zegt men het al niet, velen zijn er, die aldus denken en zich aan godslastering schuldig maken.

3°. Eindelijk zijn zjj godslasteraars, die iets doen, wat op zichzelf eene lakenswaardige handeling is tegenover God of Zijne heiligen. Hij derhalve, die uit boosheid of toorn een kruis- of heiligenbeeld verbrijzelt of vertrapt, of zich vergrijpt aan heilige vaten of gewaden als zoodanig, begaat metterdaad godslastering. Deze zonde kan ook door gedachten en

403

-ocr page 406-

DE CROOTE CATECHISMUS.

gebaren bedreven worden, zooals de joden deden, die den stervenden Jesus door hoofdschudden en gebaren bespott\'en, vanwaar het woord der H. Schrift; »Zij lasterden God door met het hoofd te schudden.\'quot;

Wie, waarde lezer! zal de grootheid dier zonde beschrijven, door den H. Bernardus »de taal der helquot; genoemd; in waarheid geeft ook de godslasteraar zelf te kennen, dat hij tot het ras der verdoemden behoort. Ja, deze zonde is zoo groot in haar aard, dat den heiligen de moed schijnt te ontbreken om voor een godslasteraar te bidden, want aldus schrijft de H. Paulus, 1 Kor. 2, 25: » Wanneer een mensch tegen een ander mensch gezondigd heeft, dan kan God hem genadig zijn ; wanneer hij echter tegen God zelf gezondigd heeft, wie zal dan nog voor hem hidden?quot; — Een vorst laat zich niet ongestraft door een ander vorst, veel minder door een onderdaan belasteren, en zou God, de Koning der koniniren, den hoon tegen Zjjn naam, ongewroken laten? » Wie den naam van God lastert, moet sterven; de geheele gemeente zal hem steenigenquot; aldus gebood Mozes 3, 24, 16. — Vlucht daarom de godslastering en wees vooral op uwe hoede voor hem, die zijn spotzucht botviert, wanneer er van God, Zijne heiligen of Zijn godsdienst sprake is; want hij is eene giftige slang, die onder eene rozenstruik op den loer ligt, om u doodelijk te wonden. En ligt het in uw vermogen, snoer clan den godslasterenden, vuilen mond, den mond van den onuitstaanbaren opsnijder, die in al zijne geleerdheid wellicht niet in staat is, eene enkele vraag van den catechismus te beantwoorden. — De H. Lo-dewijk, koning van Frankrijk, liet de lippen van de godslasteraars met gloeiende tangen branden. Werd deze straf nog toegepast, hoevele verbrande lippen zouden wo, helaas! te zien krijgen.

3°. Door zondig zweren.

92. Wat is eed-doen of zweren ?

404

-ocr page 407-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Het is God, of iets, wat God bijzonder aangaat, tot getuige roepen, dat, hetgeen men zegt, waarheid is, of dat men zijne beloften zal houden.

Hieruit blijkt, dat men een gezegde als waarheid kan bezweren, (een bevestigingseed) en ook eene belofte in de toekomst, (een beloftcneed) kan doen. De openbare plechtige eed wordt wel op de volgende wijze afgelegd: Men steke de twee voorste vingers van de rechterhand omhoog en zegge : ■sgt;Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!quot; d. i. zoo waar God mij helpe, zal ik de waarheid zeggen of\'mijne belofte houden; wanneer ik de waarheid niet zeg, mijne belofte niet houd, dan zal God mij ook niet helpen en met Zijn zegen ook niet bijstaan.

Men kan dus plechtig en in het openbaar, of wel zonder openlijke formaliteiten, in het dagelijksch verkeer een eed doen.

1°. In het openbaar en plechtig zweren de getuigen bij processen, dat zij de waarheid zullen zeggen en de meeste rijks- en burgerlijke ambtenaren, dat zij de staats- en burgerlijke wetten trouw zullen naleven.

2°. Maar ook in huis, op straat en op het veld kan men een eed doen zonder bovenstaande formaliteit, wanneer men b.v. zegt: God zal mijn getuige zijn; bij God, het is waar. Ook kunnen wij God tot getuige roepen, zonder Hem te noemen, door b.v. te zeggen: bij den hemel, het is waar; bij \'t heilig kruis, bij de H. Sacramenten. Of, ik zal verdoemd worden; of, ik ben verdoemd, als het niet waar is. (God wordt hier als wreker aangeroepen: verwenschingseed.) De uitdrukkingen: Op mijn eerewoord, zoo waar ik leef, zijn geen eed.

93. Is eed-doen zonde?

Op zich zelf is het geen zonde, maar zelfs iets

40S

-ocr page 408-

DE GROOVE CATECHISMUS.

goeds, omdat men Gods waarachtigheid, rechtvaardigheid en heiligheid daardoor belijdt.

Hij, die zweert, roept God tot getuige; hij zegt; God, de Alwetende, weet, dat ik de waarheid zeg; Hij, de oneindig Heilige en Waarachtige, die elke leugen haat, zal openbaren, dat ik waarheid spreek; Hij, de oneindig Rechtvaardige, moet en zal mij straffen, als ik onwaarheid zeg. Hij die zweert, erkent dus te gelooven aan de goddelijke volmaaktheden, en bijgevolg wordt God door den eed geëerd. — Daarom is het geoorloofd te z-weren; en soms is het plicht, als de wettige overheid, (om gewichtige redenen,) of het algemeen welzijn, of de eer van God zulks vordert; wanneer het geschiedt als middel om een twist van belang te eindigen of eene gewichtige waarheid of belofte te bevestigen. God zelf heeft gezworen. Jgt;De Heer heeft gezworen... Gij zijt priester in eeuwigheid.quot; — Hij zelf verordende den eed voor het Israëlitische volk en beval, dat hij, wanneer andere bewijzen ontbraken, de zaken moest beslissen. 2 Mozes, 22, 16—18. Jakob zwoer bij den God, dien zijn vader I/,aak vereerde. 1 Mozes 31, 53. De Ap. Paulus zegt: »Bij God, ik lieg niet.quot; Gal. 1, 20. ygt;God is mijn getuige.quot; Phil. 1, 8. Het is waar, Christus heeft gezegd ; »Gij zult niet zweren, uw woord zij: ja, ja, neen, neen; wat meer is, komt van den booze.quot; Doch, hoe moet dat verstaan worden? De menschen moeten zoo waarheidlievend zijn, dat de een den ander op zijn woord gelooft, dan zijn er geen getuigen noodig, wilde Jesus zeggen. Om de menschelijke zwakheid moet men evenwel soms meer dan ja of neen, het God tot getuige roepen, eischen.

Zal de eed geen zonde zijn, dan moeten de drie volgende voorwaarden in aanmerking genomen worden. Hetgeen men bezweert, moet:

1°. Waar zijn, d. i. men moet redelijker wijze eene zekere overtuiging hebben, dat de te bezweren zaak waarheid is en

406

-ocr page 409-

DE GROOTE CATECHISMUS.

niet meer of minder zeggen clan we weten; of, vast besloten zijn, de gegeven belofte streng na te leven.

2°. De te bezweren zaak of belofte moet in zich goed en rechtvaardig zijn, mag niets onzedelijks ten gevolge hebben en geen onrecht tegen den naaste in zich sluiten. Zoo b.v zwoeren de joden niet te eten of te drinken, voor dat zij Pau-lus zouden gedood hebben.

3°. Men moet zweren met oordeel, d. i. niet anders dan als het nuttig of noodzakelijk is. — Hij immers, die lichtvaardig zweert, toont weinig eerbied te bezitten voor den Allerhoogste en loopt gevaar valsch te zweren. Bovendien verzwakt hij de kracht van den eed. De eed toch is in vele gevallen het eenig middel om de waarheid te bewijzen, en zweert men nu bij elke gelegenheid, om kleinigheden te bevestigen, dan wordt daardoor de eed, hoe heilig en eerbiedwaardig ook, te algemeen en verliest een gedeelte van zijn aanzien en waarde. Wij zijn derhalve God, den Staat en ons zelf verschuldigd, zoo als we later verklaren, om niet lichtvaardig, maar met oordeel, d. i. alleen in nuttige en noodzakelijke omstandigheden den eed af te leggen.

94. Wanneer is eed-doen of zweren zonde 9

Als men zweert; 1° zonder oordeel ol zonder wettige redenen — tegen het gezond verstand; 2°. zonder waarheid, d. i. valsch of in twijfel — tegen de waarheid; 3° zonder rechtvaardigheid, nl. iets, wat kwaad is, met een eed bevestigen tegen de gerechtigheid.

1°. Zonder oordeel. Eed-doen is zonde, wanneer het noch noodzakelijk, noch nuttig is daardoor eene waarheid te bevestigen of een twijfel of eenig geschil weg te nemen. De eer van God verbiedt. Hem zonder nood of gewichtige redenen

407

-ocr page 410-

DE GROOTE CATECHISMUS.

tot getuige te nemen. En daartegen zondigen zij, die maar zweren zonder er over na te denken of, hetgeen zij zeggen, gewichtig genoeg is voor een eed. Dat dit eene verderflijke gewoonte is en tot meineed voert, beseft een ieder. Daarom moeten we vast besloten zijn, nooit te zweren, of de wettige overheid moet zulks in enkele gevallen eischen; want dan wordt het plicht. Kinderen mogen nooit zweren, omdat het voor hen niet noodzakelijk is, en daarom worden zij ook niet toegelaten om een plechtigen eed af te leggen.

2°. Zonder waarheid, valsch of in twijfel zweren is groote zonde. Een valschen eed doet hij, wiens mond en hart niet overeenstemmen en dus willens en wetens anders spreekt, dan hij denkt. Ook is het meineed, als men vast besloten is, de belofte met een eed bevestigd, niet na te komen. De meineed is eene gruwelijke zonde, 1° tegen God, dien men tot leugenaar wil maken; 2° tegen de maatschappij, wijl inen. het laatste en grootste middel van vertrouwen verkracht; 3quot; tegen zichzelf, wijl men moedwillig Gods wraak over zich afroept. De meineedige verdient als de vijand van zijn even-mensch, de verstoorder der openbare orde en welvaart, uit de samenleving gebannen te worden, of, even als Caïn, een brandmerk op zijn voorhoofd te dragen. Vreeselijk straft de burgerlijke rechter deze misdaad, en zal God dien gruwel niet wreken? »Ja, geen dolk vermoordt zoo zwaar, als de meineed en geen zwaard doodt zoo gruwzaam, als een valsche eed,quot; zegt de H. Chrysostomus.

3°. Zonder rechtvaardigheid, d. i. iets met eed bevestigen, dat kwaad of verboden is, want zoodoende voegt men aan de eerste zonde nog eene tweede toe, d. i. aan den verboden eed, de verboden zaak. Hieruit volgt de vraasr:

O O

95. Is de eed, waarmede men iets kwaads beloofd heeft, verplichtend ?

408

-ocr page 411-

DE GRÜOTE CATECHISMUS.

Neen, zulk een eed mag in geen geval gehouden worden.

Waarom is dat zonde?

Het is reeds eerie zonde, wanneer iemand het voornemen maakt, iets kwaads te doen, of iets goeds, wat verplicht is, te verzuimen ; en hij doet eene tweede zonde, grooterdan de eerste, om God daarbij tot getuige te nemen, dus den goeden God op te roepen, om hem daarin te helpen. Het is, alsof hij zegt: »Gii. o God ! moet het weten en getuige, dat ik den wil heb U te beleedigen. Gij moet mij straffen, want ik wil dit goede werk niet verrichten.quot; «Goddeloos is eene belofte, die door eene misdaad vervuld wordt,quot; zegt de H. Isidorus. Herodus zwotr zijne dochter alles te zullen toestaan, wat ze hem vroeg. En toen ze op aanhitsen van hare moeder het hoofd van den H. Johannes den Dooper vroquot;g, achtte hij zich ten onrechte verplicht zijn woord te houden en werd een moordenaar. Heeft derhalve iemand onder eed beloofd een gemengd huwelijk aan te gaan, te moorden, te stelen, brand te stichten, haat te dragen en niet te vergeven, zijne godsdiensplichten niet na te komen, het gestolene niet terug te geven of den vrijmetselaarseed gszworen, enz., in al deze gevallen verbindt de eed volstrekt niet. Integendeel, hij mag niet gehouden worden. »Zulk een eed,quot; zegt de H. Augnstinus, »mag een dienaar Gods niet uitspreken, en liever moet hij sterven, dan iets onder eed beloven, dat men niet mag doen; want, zoowel als het zonde is, zulk een eed te doen, zoo ook is het andermaal zonde, hem te houden. — Gedurende de Fransche Revolutie werden duizenden priesters vermoord, omdat ze weigerden, den goddeloozen eed der opstandelingen af te leggen.

Waf is eedbreuk? Eene eedbreuk is datgene, wat men onder eed beloofd heeft, niet nakomen, ofschoon men kan. —-Is iemand dus niet in staat, het beloofde na te komen, dan geldt de stelregel: »Tot het onmogelijke is niemand gehouden.\'quot;

409

-ocr page 412-

DE GROOTE OATïCHISMUS.

Op deze wijze zondigen rijks- en gemeenteaaibteiiareii, die gezworen hebben hun ambt trouw, rechtvaanlig en onpartijdig te zullen vervullen, doch hierin nalatig zijn. Dat zij, die tot eedbreuk met woord of met daad (geld) aansporen, even schuldig zijn als de eedbreker zelf, zal wel geen bewijs behoeven.

Onthouden wij ons daarom stipt van te zweren zonder groot nut of noodzakelijkheid en spreken we steeds met sjaquot; en »neenquot;. En is het plicht te zweren, overwegen we dan te voren of de zaak, die wij moeten bezweren, goed is, opdat we niet te veel en niet te weinig zeggen. Beloven we iets onder eed, bedenken we dan wel of we de belofte kunnen, willen en mogen nakomen. Maar vooral wachten we ons voor de schrikkelijke zonde van meineed of eedbreuk en trekken wij Gods wraak niet af over onze lichamen en zielen.

4. Door vloeken.

96, Wat is vloeken?

Vloeken is zich zelf of anderen verwenschen, met onteering van Gods heiligen naam.

Men zondigt door vloeken, zooals het woord hier bedoeld wordt, wanneer men zich zelf of anderen, de hel, den dood of eenig ander kwaad toewenscht met bijvoeging van den naam Gods. Eene verwensching echter, die de menschelyke ziel treft, is, ook zonder Gods naam, een vloek, wijl de ziel op zich een bijzondere bef rekking tot God heeft. Ook wanueer men den mensch zou besc/mnoen in betrekking tot God, b.v. als Gods maaksel, zou het een vloek zijn al bleef Gods naam weg. Een uitvaren, wat nu niet znlk vloeken is, al heet het ook wel vloeken, kan toch kleine of groote zonde zijn, maar dan van andere soorten.

Omdat niemand, dan God alleen, de macht heeft de ver-wenschingen te vervullen, vraagt men God om deze te vervullen; zoodoende zondigt men grootelijks tegen de heilig-

410

-ocr page 413-

Dl GROOTI CATECHISMUS.

heid en barmlijirtigneid Gods, die niet anders wil dan ons heil voor tijd en eeuwigheid, en door den vloeker wordt opgeroepen om mede te werken tot verderf van zijn eigen persoon of van anderen. —De verwensehingcn, hebben somtijds betrekking.

1° op levenlooze en redelooze schepselen. Zoodra de arbeid niet vlug van de hand gaat uf tegenvalt, dan verwenscht en raast men. Die regen wenscht, vervloekt de droogte en omgekeerd. De een vervloekt het water, een ander denwind, de sneeuw of het onweer. De smid vervloekt het aanbeeld, Jen hamer en de vijl; de timmerman boor, schaaf eu zaag; de kleermaker schaar en naald, en andere ambachtslieden hunne gereedschappen. De landbouwer vervloekt soms ploeg, eg en paarden tot in het diepste der hel, terwijl pen, papier, boek en lineaal door het vertrek van den schrijver of den boekhouder vliegen, onder begeleiding van de schromelijkste vloeken. Verliest men bij \'t spel, de kaarten of steenen krijgen dan de schuld en worden tot straf (hoe onzinnig!) verwenscht eu vervloekt. Een vlieg of iets anders plaagt ons en ontvangt als straf eene vervloeking, soms te afschuwelijk om te noemen. Welk eene zondige dwaasheid! Men kan levenlooze en redelooze schepselen en dingen toch niet verantwoordelijk stellen voor tegenspoed en ongevallen. Gaat het beter met den arbeid, als men gereedschappen, koeien en paarden tot in de hel vervloekt? Wat baat het eene huismoeder, brandstoffen en vuur te verwenschen, en het gebroken bord te vloeken, dat soms door de drift nog gevolgd wordt door het breken van een schotel?

Zulke verwenschingen zijn vloeken in d ze drie gevallen. 1. Wanneer zij uit zich eene bijzondere betrekking tot God hebben, b.v. de hemel, de gansche wereld. 2. Wanneer men ze beschouwt in betrekking lot God, b.v. regen of wind als door God gezonden. 3. Wanneer ik er dea naam Gods mee verbind.

411

-ocr page 414-

DE tiROOTE CATECHISMUS.

Al zijn nu verschillende uitvallen, die men ook wel vloeken noemt, geen vloeken in den zin, dien de catechismus hier aan het woord geeft, daaruit volgt nog niet, dat zij geen andere zonden zijn.

2o. Vervloekt en verwenscht men zijn evenmensch. »Daaraan zullen allen erkennen, dat gij Mijne leerlingen zijt, wanneer gij elkander lief hebt,quot; zeide onze goddelijke Heiland. Joh. 13, 15. Hoevelen toonen echter, helaas! geen leerlingen van Jesus te zijn, daar zij bij een gering ongeval door iemand teweeggebracht, op een enkel tegenwooH, bij een glimlach of minder passend gebaar, uitvallen als levende duivels en hun naasten ongeluk en lijden, dood en verderf, ja zelfs de verdoemenis toewensehen. Dan ziju halsbreken. stikken en verzinken, doodvallen en meer andere afschuwelijke uitdrukkingen, die de kiescbheid verbiedt te noemen, zoo wat de benamingen, waardoor zij hunne naastenliefde toonen, terwijl zij niet zelden van God de verdoemenis voor hun evenmensch vragen. En, helaas! dat doet de man tegen zijne vrouw en omgekeerd, de broeder tegen zijne zuster, de meester tegen zijne knechts, huurlieden tegen huurlieden, vrienden tegen vrienden, en ach! ouders vervloeken hunne eigen kinderen. Ik weet wel, dat kinderen soms berisping en straf verdienen, maar, waar het kind te vinden, dat door verwenschingen en vervloekingen der ouders verbeterd is ? Het tegendeel is waar, want ze worden aan die helletaal zoo gewoon, dat ze die ten laatste in \'t geheel niet meer schijnen te hooren. En bleef het hier nog bij, maar weldra zullen de kinderen vloeken met vloeken beantwoorden.

Inderdaad, is het geen vreeselijke waarheid, dat vele kinderen het vloeken van hunne ouders leeren? »Dat ik een vloeker ben, is mijns vaders schuld, hij leerde het mij,quot; zeide mij eens een jongeling van 16 jaren. »Ik h\'gt;or niet anders dan: Loop naar de verdoemenis, verdoemde jongen, val dood.

412

-ocr page 415-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ik wou dat de duivel je den nek brak,quot; enz. Het is dus geen wonder, dat ik het ook kan, en hem met gelijke munt betaal. Het is verschrikkeliik, maar waar.

3°. Verwenscht men zich zelf en dat dikwijls om kleinigheden, om nietswaardige dingen. Vinden onze woorden nu en dan niet spoedig ingang bij anderen, lokken zij tegenspraak uit, valt iets niet naar wensch uit, treffen ons kruis en rampen, dan hoort men soms de vreeselijkste vloeken, zooals: God v. d. m.; God d. m., enz. (De kleine en bastaardvloeken zijn door den katecheet nader te verklaren.) Welk eene taal in den mond van een christen! God uit te dagen, hem naar ziel en lichaam te verderven. God, die alles voor ons behoud en onze zaligheid gedaan heeft en nog doet. Ja, waarde lezer! wanneer God niet meer medelijden met die onverlaten had, dan zij met zichzelven hebben, en terstond hunne ver-wenschingen vervulde op het woord, het gezelschap der duivels zou dan meer deelgenooten hebben. Zeer juist zegt zeker schrijver: »Met uw mond ontvangt gij dagelijks vele weldaden van God; met dien mond bidt gij, op uwe tong ontvangt gij Jesus, uw Heiland en met dezelfde tong waajjt gij het u zel-vcn te vervloeken, ja, uwe verdoemenis te vragen.quot;

Onze eeuw, zoo gaarne de eeuw van vooruitgang genoemd, is inderdaad cok vooruitgegaan in de onzalige gewoonte van vloeken. Het is verschrikkelijk, kinderen aan te treffen, die beter kunnen vloeken dan bidden. Er zijn menschen van zekere standen, die vloekend opstaan en vloekend zich ter rust begeven, en zich geruststellen met de gedachten: »Ik heb toch de meening niet om God te vloeken of te honen, het valt mij geheel onbewust uit den mond, ik doe het niet, tenzij in drift of dwaasheid,quot; enz. Al die uitvluchten verontschuldigen niet, de eigenlijke vloek blijft in zijn aard eene zware zonde en is streng verboden. En waarom vloeken velen? De een wil daardoor zich een man toonen, die durft; een ander meer

413

-ocr page 416-

DE GnOOTE CATECHISMUS.

klem en nadruk op zijne woorden leggen; weer een ander wil zijne bevelen door vloeken meer kracht bijzetten, enz., doch allen spreken, al vloekende, helletaal, welke geene andere uitwerking heeft, dan soms op den koop toe nog uitgelachen te worden, terwijl de duivel het meest van allen lacht. Ja, gij, die aan dat euvel mank gaat, bedenk wel, dat ge met rassche schrede de verdoemenis te gemoet loopt, welke gij dagelijks God afvraagt. Daarom begin van nu af, die ongelukkige gewoonte met wortel en tak uit te roeien en zeg, wanneer ge nog eens het ongeluk mocht hebben te vloeken of anderen te hooren vloeken: »0, God! vergiffenis. Uw heilige naam zij gezegend!quot; Leg u zei ven bij het hervallen, straf op b.v.: een gebed, eene aalmoes, het ontzeggen van een geoorloofd genoegen of spijs of drank, en daardoor zult ge oplettend worden en de afschuwelijke gewoonte afleggen. Ga ook dikwijls te biechten, want in die zielen-apotheek worden tegenmiddelen uitgedeeld tegen uwe zielsziekte, ook tegen uwe zondige gewoonte.

Een boerenknecht werd door zijnen meester belet eene jaarmarkt te bezoeken. In woede daarover ontstoken, begon hij zoo ontzettend te vloeken, dat een medeknecht hem de opmerking maakte, dat hij een broer van den duivel geleek en zeker, zoo voortgaande, hem eens gezelschap zou helpen houden. »Jaquot;, riep hij uit, »dat is goed ook, in de hel is mijne plaats, dan heb ik vuur om mijne pijp aan te steken.quot; Dit zeggende ging hij heen, viel en was dood.

5°. Door het breken van geloften.

97. Wanneer doet men eene gelofte ?

Wanneer men met vrijen wil en genoegzame kennis, aan God iets belooft, wat Hem welgevallig is.

Eene gelof e, die verplichten zal, eischt derhalve drie voorwaarden, en wel:

-ocr page 417-

DE GBOOfE CATECIIISMÜS.

1°. Dat ze vrijwillig en met overleg geschiedt, met betrekking tot de zaak, die men belooft en de macht, waarmede men de belofte vervullen moet. Zoo kan b. v. een nog niet meerderjarig meisje wel beleren het religieuse leven eenmaal te zullen aanvaarden, doch de macht om de belofte uit te voeren, bezit ze op dat oogenblik nog niet.

Belooft men iets aan een Heilige, terwijl men bepaald bij dien Heilige blijft staan, dan gelijkt die daad wel op eene gelofte, maar deze is van minderen rang; meestal echter wordt eene gelofte aan een Heilige zóó genomen, dat men om dien Heilige te eeren aan God iets belooft, hetwelk gelofte is. Belooft men iets aan een mensch, en is het niet slechts een voornemen, maar een ware belofte, dan verplicht het minstens uit getrouwheid. Belooft men iets aan een biechtvader als zoodanig, dan is dit niet meer dan een voornemen, tenzij het zeker anders bedoeld is.

2°. De gelofte moet aan God gedaan worden. Ik beloof, b.v. aan de H. Maagd, dat ik zaterdags ter harer eer wil vasten; dan is dat wel een goed en verdienstelijk werk, maar geen eigenlijke gelofte als ik mij uitsluitend bij Maria bepaal. Beloof ik zulks evenwel aan God, wat meestal de bedoeling is, ter eere der H. Maagd Maria, dan is het eene gelofte, vallende ouder het gebied der Godsvereering.

3°. De gelofte die men doet, moet tot onderwerp hebben, iets, wat beter is te doen dan niet te doen. Ik kan b.v. beloven het bijwonen van de H. Mis door de week, het bidden van den rozenkrans, enz. Al die geloften sluiten een offer van onzen kant in zich, ook als wij God beloven, wat wij Hem toch reeds verplicht zijn. Zoo immers wordt de verplichting dubbel en hetgeen ik beloof te doen, is beter dan het tegendeel. Ja, men kan ook van iets eene gelofte maken, waartoe men reeds verplicht is; zoo b.v. belooft een meisje aan God haar jeugdig leven in een maagdelijken staat te slijten, waar

415

-ocr page 418-

DE GROOTE CATtCHISMÜS.

toe ze reeds door het 6e gebod verplictit is. Daardoor neemt ze dus ook eene dubbele verplichting op zich en ontvangt eene tweevoudige verdienste, maar ze doet ook eene tweevoudige zonde, èn tegen het 6e gebod, èn tegen de gelofte, als ze daarin te kort schiet.

Hier dient opgemerkt te wnrden, het groote verschil, dat er bestaat tusschen een voornemen en eene gelofte. Een zieke b v. zegt, te midden zijner smarten, zonder aan gelofte te denken: » Wanneer ik beter word, zal ik eene H. Mis laten lezen.quot; Dat is slechts een voornemen. Insgeliiks wanneer iemand zich zon voornemen eene bedevaart naar Keveluar, enz. te doen, zonder daarvan eene uitdrukkelijke belofte te maken.

1°. Zijn de geloften geoorloofd? — Ja, want ze zijn Gode welgevallig, hetgeen hieruit blijkt, dat God dikwijls tengevolge een er gelofte, \'s meuschen verlangen bevredigt. Zoo deed Jakob eene gelofte en sprak: sgt; Wanneer God met mij is, en ik weder gelukkig in mijns vaders huis terugkeer, dan zal ik het tiende van al het mijne offeren.quot; 1 Moz. 21, 20—22. En Anna deed de volgende gelofte: » Heer der Heerscharen! wanneer Gij mijner gedenkt en Uwe dienstmaagd een zoon schenkt, dan wil ik hem alle dagen zijns levens den Heer toewijden.quot; 1 Kon. 1, 11.—Voor den mensch zijn de geloften dus nuttig en heilzaam, daar ze ons heter en volmaakter maken.

2°. Hoe worden de geloften ingedeeld ? — aj. In plechtige (votum solemne, groote beloften) en hl in eenvoudige (votum simplex, kleine belofte). Voorts onderscheidt men nog levenslange en tijdelijke, voorwaardelijke en onvoorwaardelijke, persoonlijke en zakelijke geloften.

De plechtige of groote gelofte wordt afgelegd in handen der Kerk bij de professie in eene geestelijke orde. Onder eenvoudige (kleine) gelofte worden alle anderen begrepen.

4-16

-ocr page 419-

DE GROOTE CATECHISMUS.

3°. De voornaamste zaken, welke men aan God beloven kan, zijn de opvolging der drie Evangelische Raden, n.1. vrijwillige armoede, levenslange zuiverheid, en volkomen gehoorzaamheid. Vgl. II hoofdst. Les 25.

4°. Tegen de gelofte zondigt men, wanneer men de gedane belofte niet houdt. Daarom zegt de H. Schrift, Boek der Spr.: ■sgt;Heht ge iets beloofd, verzuim de vervulling niet. Het is heter niet te beloven dan te beloven en zijne belofte niet te houden.quot;

98. is het plicht om zijne gelofte te houden ?

Zeker is dat plicht, indien geen wettige redenen ons daarvan geheel ol gedeeltelijk vrijspreken.

De verbintenis eener gelofte houdt op van kracht te zijn a) door vernietiging, h) door verandering, c) door ontbinding of dispensatie en d) door het ontbreken der noodige kracht om ze te vervullen; want, »tot het onmogelijke is niemand gebou-den,quot; zegt een overoud beginsel.

Om het gewicht der zaak is het zeer raadzaam, niet, dan na rijp overleg en na den raad van zijn biechtvader of andere verstandige menschen te hebben ingewonnen, eene gelofte te doen, en hebben wij haar eenmaal gedaan, die volgens plicht en geweten te houden.

ZES-EN-DERTIGSTE LES.

OVER HET 3de GEBOD.

99, Hoe luidt het derde gebod?

Wees gedachtig, dat gij den Sabbathdag heilig maakt.

dOO. Wat wordt ons in dat gebod geboden? Dat wi] den Zondag, die vooral aan den dienst

OU. CAT. 27

417

-ocr page 420-

DE GBOOTB OATtCHISMUS.

van God is toegewijd, en de dag desHeerengenoemd wordt, behoorlijk moeten heiligen.

Het eerste gebod verplicht ons, God de verschuldigde eer en aanbidding te bewijzen; het tweede verbiedt met woord noch daad daartegen te handelen en het derde bepaalt een geheel bijzonderen dag, waarop we vooral God dien lof en die aanbidding moeten bewijzen, door de beoefening van godsdienstige werken en om ons geheel en ongestoord daarop te kunnen toeleggen, verbiedt het alle slafelijke werken. De Zondag is voor quot;den mensch inderdaad eene groote weldaad, èn naar de

a w* O \'

ziel èn naar het lichaam. Elke dag is, weliswaar, een dag des Heeren, maar de Zondag is bij uitnemendheid de dag des Hee-ren, door Hem zelf als zoodanig gewild en ingesteld, reeds bij het begin der schepping. Wij lezen immers in le Mozes 2, 23: sgt;En God rustte op den zevenden dag van alle werk, dat Hij maakte. En Hij zegende den zevenden dag en heiligde dien.quot; Later (1500 v. C.) scherpte Hij op den berg Sinaï dat gebod opnieuw den joden in, zeggende: » Gedenkt, dat gij den Sabbath heiligt.,\' De week van zeven dagen is derhalve eene goddelijke en niet eene menschelijke verordening. De geschiedenis getuigt esreneens, dat de week zoo oud is als het men-schelijk geslacht en bij alle volkeren voorkomt. Hij, die derhalve de Zondagswet aanrandt, vergrijpt zich aan eene goddelijke instelling. Heilig moeten wij dien dag doorbrengen, omdat het Gods wil is. Twee en zeventig maal wordt dien wil in het Oude Verbond uitgesproken, dus wel een bewijs, dat God er bijzonder gewicht aan hecht, doordien Hij de heiliging van dien dag, den joden zoo nadrukkelijk en herhaaldelijk beveelt. En zou de dag des Heeren den christenen minder heilig zijn? Op den Zondag herstellen wij ons naar het lichaam van de wekelijksche vermoeienissen en beslommeringen en verzamelen nieuwe krachten. Voor de ziel is die dag ook nuttig en heilzaam, omdat we, van arbeid en

418

-ocr page 421-

DE GROOTE CATJiCHISMUS.

vermoeienis uitrustend, God ongestoorder kunnen dienen en de schade inhalen, iu den loop der week beloopen door traagheid, verzuim en gemis aan tijd. Op die dagen moeten wij rusten voor de wereld en arbeiden voor den hemel.

101. Waarom den Zondag, en niet, gelijk er staat, den Sabbath of Zaterdag ?

De Apostelen hebben den Zondag in de plaats gesteld, omdat Christus op Zondag verrezen en de H. Geest over de Apostelen is neergedaald.

Dat bij de christenen de Zondag den Sabbathdag vervangt, is dus geene willekeurige daad, maar door de Apostelen, krachtens de volmacht van Christus ontvangen, verordend en bepaald. Zoo leert he4; ons de katholieke Overlevering en wordt het ook door de H. Schritt aangeduid. Zij verhaalt ons, dat de christenen op den eersten dag der week bijeenkwamen, om het brood te breken, d.i. om \'sHeeren lichaam onder broods-gedaante te nuttigen, en het H. Misoffer bij te wonen. Hand. der Ap. 20, 7. De H. Joannes noemt (volgens de Vaders) den Zondag, den dag des Heereu. Openb. 1, 10.

Maar waarom heeft God bevolen, dat wekelijks een bepaalde dag. Hem ter eere moest toegewijd worden en op dien dag tevens alle stoffelijke arbeid verboden? Zou het niet in overeenstemming met Zijne eer en ons heil zijn geweest, wanneer Hij in \'t algemeen ieder christen bevolen had, van tijd tot tijd een dag te kiezen en dien ter vereering van God te wijden ? Neen, want;

1°. Eene openbare en gemeenschappelijke godsdienstoefening wekt op en sticht onderling. Wanneer God nu geen bepaalden dag had ingesteld, dan had de een dezen, een ander weer een anderen dag uitgekozen en van gemeenschappelijk gebed en onderlinge opwekking en stichting ware geen sprake geweest.

-ocr page 422-

DE GROOTK CATECHISMUS.

2°. Daarenboven zouden velen volstrekt geen Zondag meer vieren. De mensch toch is in den regel traag in het geestelyke en zoekt allerlei uitvluchten om zich aan zijne plichten te onttrekken. Wordt hem niet bepaald aangegeven, wat hij heden of morgen ia dat opzicht te doen heeft, dan denkt hg zoo licht, het is later ook nog tijd genoeg en zet het op, en van uitstellen komt hij gaandeweg tot afstellen. (Denk maar eens aan het onbepaalde uitstellen van \'t ontvangen der sacramenten ; men wacht van den eenen dag tot den anderen en eindigt, met uit nood gedwongen, alleen zijn Paschen te houden.) Zoo zouden honderden mensehen er toe komen om geen\'enkelen dag den Heer toe te wijden. Dit nu is niet alleen eene groote zonde tegen het eerste gebod, maar ook,

3°. een groot onheil voor den mensch. Meer en meer zouden de hebzucht en de stoffelijke bezigheden hen dan verstrikken, den goeden God en het heil der ziel in vergetelheid geraken en godsdienst en christendom uit de harten worden weggenomen. Wat zou dan de toekomst der zielen zijn? Doch niet slechts het zielenheil, maar,

4°. de tijdelijke welvaart zoude er ook onder lijden. Waar geen godsdienst, geen geloof, geen christendom bestaat, daar wordt de mensch het dier gelijk. De ellende van het heidendom treedt dan noodwendig in de plaats. De rijken zouden dan alleen trachten hunne schatten tè vermeerderen, vermaak en genoegens najagen en meedoogenloos zijn voor hun behoef-tigen natuurgenoot. De armen zouden, ontevreden met hun lot, morren tegen de gegoeden en door opstand, moord en roof hun toestand trachten te verbeteren, zooals wij dat heden maar al te veel zien plaats hebben, want bij al de revolutionairen over de wereld verspreid, zullen er zeker maar weinigen gevonden worden, die den dag des Heeren behoorlijk heiligen. Twist tusschen man en vrouw, slechte opvoeding der kinderen, dronkenschap en ongerechtigheid van

420

-ocr page 423-

DE GROOTE CATECHISMUS.

allerlei aard, ziekte, verarming en vroegtijdigen dood, ziedaar : waartoe de ongodsdienstigheid leidt.

5°. Daarbij is de mensch niet in staat, voortdurend te arbeiden; hij moet nu en dan een rustdag hebben. Een akker brengt het geheele jaar door geen vruchten voort; de boog kan niet altijd gespannen zijn of het koord breekt ten laatste. Had God nu geen bepaalden rustdag voorgeschreven, dan zouden vele onbarmhartige meesters, fabrikanten, enz., hunnen ondergeschikten ter nauwernood een rustdag toestaan, om meer voordeel uit den arbeid te trekken. Maar ook de arbeiders zeiven. zouden zich moeilijk een rustdag gunnen (of het moest zijn om te drinken) en meenen het dagloon niet te kunnen missen. Zoo zouden zij voortsukkelen, om altijd ellendiger en meer bedorven en eindelijk heidenen te worden. De arbeid op Zondag brengt den arbeider nooit voordeel aan (zooals we later zullen zien) maar hoogstens eenigen werkgevers. De volkswelvaart zou weldra te gronde gaan. Zelfs on-geloovigen getuigen, zonder de ^zondagviering moet het volk te gronde gaan, en wanneer de viering van den Zondag niet door het christendom geboden was, dan moest men die viering voor het openbaar welzijn invoeren. (Sedert de schending van den Zondag is het getal armen in Frankrijk van vier tot tien millioen gestegen.

6°. En moet de arme ook geen enkelen dag hebben, waarop hij voor zijne ziel zorgt, waarop hij gevoelt, zoowel als de rijken, dat hij kind Gods en voor den hemel bestemd is, waarop hij uitrust van zijne zware inspanning en zich verheugt eene kleine rust te kunnen nemen, om hart en hand ten hemel te heffen en zich bezig te houden met zijne eeuwige rustplaats, den hemel ? Ontneemt aan den arme den Zondag, dan verlaagt gij hem geheel en al tot slaaf, verbittert en verdierlijkt zijn leven. Zoo heeft de goede God wijselijk en tot ons heil bevolen, om den Zondag te vieren.

421

-ocr page 424-

DE GROOTE CATECHISMUS.

102. Welke zijn de twee grootste plichten, welke wij tot viering van den Zondag moeten vervullen?

Wij moeten lo de H. Mis bijwonen en 2o ons van slafelijke werken onthouden.

De H. Mis bijwonen. De H. Augustinus vermaant ons hiertoe, waar hij schrijft: »Op Zondag blijve niemand uit de H. Mis, terwijl zich anderen kerkwaarts spoeden, om werken van godsvrucht te verrichten. De Synode te Elvira 305, te Reims 625 en later te Arles bepaalden, dat alle katholieken, die het durfden wagen om twee of drie achtereenvolgende zondagen de H. Mis te verzuimen, den toegang tot de kerk verboden en de kerkelijke begrafenis moest geweigerd worden, waaruit als van zelf de zware verplichting volgt, om de H. Mis by te wonen op de verplichte dagen. En dat te recht, want, er bestaat geen werk, geen handeling, den goeden God aangenamer dan het offer van Zijn Zoon, Jesus Christus, dut Hem in de H. Mis wordt opgedragen. Er bestaat ook geen gebed, dat zoo heilzaam werkt dan onze misgebeden, omdat we dan met en door Christus tot den Vader bidden. (Hierover later uitvoeriger bij het 2e gebod der H. Kerk en het H. Altaarsacrament.)

103. Behoort men, om. den Zondag te heiligen, meer te doen dan het volbrengen van die beide groote plichten ?

Men behoort ook de predikatie, den catechismus en andere godsdienstoefeningen bij te wonen en eenige huisaandacht te verrichten.

1° Door predikatie en catechismus wordt immers Gods woord verkondigd en ons voorgehouden, wat voor den hemel te doen en te laten is. En omdat zulks God welgevallig en ons heilzaam is, zien we reeds in de oudste tijden, dat op de Zondagen met de viering van het H Offer ook de verkoadi-

422

-ocr page 425-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ging van Gods woord en het christelijk onderwijs verbonden was. De aanhooring van Gods woord en het christelijk onderricht is, weliswaar, niet zoo streng door de Kerk geboden als het bijwonen der H. Mis, zoodat het telkens geen zonde is, om de predikatie niet te hooren, doch een branf christen zal dat toch zonder reden niet verzuimen. Wat de catechismus op Zondag namiddag aangaat, deze mag vooral niet verzuimd worden door de aangenomen kinderen voor wie de bisschop dien in \'t bijzonder heeft verordend. De volwassen menschen zijn daartoe niet verplicht, maar uit de onderrichtingen \'s morgens in de H. Mis (voorgeschreven) kunnen ze de ondervinding opdoen, dat zij, zoowel als de kinderen, het geestelijk onderricht grootelij ks noodig hebben, en velen zullen de bekentenis moeten doen: Ik heb bij \'t klimmen mijner jaren veel geleerd, maar ook vele godsdienstwaarheden vergeten. Ja, vele jeugdige en oude mannen en vrouwen weten soms minder van den godsdienst dan een kind op de catechismnsbank. Dat ik hier niet overdrijf, getuigen de examens, die bij gelegenheid van een huwelijk gehouden worden. Derhalve is het wel zaak eene zekere voorliefde voor het christelijk onderricht te hebben. Vele menschen zouden dan ook niet zoo goddeloos leven, indien ze beter hunne verplichtingen kenden. Ja, het geloof komt van het aanhooren, zooals de H. Paulus zegt; daarom bezit iemand, die hetgeen hij gelooven moet en lioo-ren kan, maar niet hooren wil, het ware geloof niet en zal bijgevolg ook niet zalig worden.

2°. Andere godsdienstoefeningen hijwonen. Gelijk de zondag-voormiddag door het bijwonen der H. Mis en het onderricht geheiligd wordt, zoo ook wordt de namiddag door het bijwonen van godsdienstoefeningen geheiligd en God toegewijd. In elke parochie wordt daarom ook Vespers of lof of Kruisweg of Conferentie gehouden. De zielzorgers

423

-ocr page 426-

DE UROOTE CATECHISMUS.

zgn verplicht deze oefeningen van goclsvrucht te houden, maar de parochianen behooren ze ook bij te wonen. Want de Kerk schrijft die oefeningen niet voor om de zielzorgers, maar om de gemeentenaren. Daarom ook laten de klokken, wier bestemming het is de geloovigen tot godsdienstoefeningen op te roepen, hunne metalen tonen weerklinken. Deze godsdienstoefeningen duren gewoonlijk slechts een half uur of drie kwartier, zoodat er nog vele uren van den Zondag overblijven; en hoe zal men die nu verder nuttig en heilzaam besteden?

3°. Door het verrichten van eenige huisaandacht, b.v. door te bidden, eene geestelijke lezing te houden, enz. Die geestelijke lezing is dringend aan te bevelen, want daardoor lezen wij, wat we doen en laten, waarnaar we streven moeten. Die lezing neemt de dwalingen des levens weg, zij trekt den mensch uit \'s werelds ijdelheden, zij onderricht iiem in het gebed en de goede werken. Want, »de geestelijke lezing en het gebed zijn de wapenen, waarmede onze vijauden teruggeslagen en het eeuwig leveu veroverd wordt;quot; aldus zegt de H. Bern. Het lezen van de levens der heiligen jaagt niet zelden het schaamrood op onze kaken, maar het is tevens ook een prikkel ter navolging; want langs geen anderen weg dan zij gegaan zijn, zullen wij zalig worden. Op de Zondagen rust vooral de plicht op de ouders hunne kinderen te onderrichten in deufd

O

en zedelijkheid. Een toonbeeld is in dit opzicht de vrome man Job, die, volgens den H. Thomas van Aquino, zijne kinderen vooral op den Sabbathdag vermaande, onderrichtte, voor hen bad en offers opdroeg.

4°. Op de Zondagen moeten wij christelijke Viefdewerken verrichten. Dat de Zondag door de beoefening van werken van barmhartigheid op eene edele wijze geheiligd wordt, gevoelt ieder. Daarom is het eene loffelijke gewoonte op die dagen een klein gedeelte der uitspanningskosten als aalmoes

424

-ocr page 427-

DE GROOTE CATECHISMUS.

den arme uit te reiken, waartoe de collecte onder de heilige diensten eene gunstige gelegenheid aanbiedt. Voorts de zieken bezoeken en hun een woord van troost toespreken, waartoe gedurende den loop der week, door de bezigheden minder gelegenheid bestaat. Mist ge daartoe de begaafdheid, welnu, uw bezoek alleen zal toch den zieke opbeuren, doordat ge toont, belang te stellen in zijn toestand.—En, omdat de lietde bij zich zelf begint, is de Zondag de geschiktste dag om de H. Sacramenten te ontvangen, waarvoor de meeste menschen door de week minder tijd vinden. — Ziedaar! in het kort aangegeven, door welke godsdienstige werken de Zondagen geheiligd moeten worden. En om na verder te leeren, waardoor de Zondag ontheiligd wordt, vraagt de catechismus:

104. Hoe zondigt men tegen de verplichting van Mis te hooren ?

Ten 1°. als men zemder wettige redenen de H. Mis of geheel of gedeeltelijk verzuimt; 2°. als men de H. Mis niet bijwoont, zooals het behoort.

1°. Men is op straf van doodzonde verplicht, op Zondag de H. Mis bij te wonen, ten minste, die tot de jaren van verstand gekomen en door geen wettige reden verschoond is. Groote afstand der Kerk, buitengewoon slecht weer, ziekelijkheid, het verzorgen van zieken en kinderen enz. kunnen soms oorzaken van verschooning zijn, mits ze niet gezocht zijn, maar op waarheid steunen. Het gebeurt immers niet zelden, dat men door de week goed ter been is, bezoeken aflegt en van geen ziekte weet, maar op Zondag allerlei kwalen voorwendt om van het Mishooren af te komen. Doch, weet het wel. God laat zich niet bedriegen! Nu is het te warm, dan weer te koud, dan te tochtig in de kerk, en de geringste hoofd- of kiespijn wordt als eene welkome reden aangegrepen om de H. Miste verzuimen, doch zoodoende staan

425

-ocr page 428-

DK GnOOTE CATECHISMUS.

we niet zonder zonde voor God. Had Jesns dien menschen zoo weinig liefde toegedragen, als ze voor Hem aan den dag leggen, hoe zouden ze dan verlost zijn geworden. Ja, Hi] had smaad en spot, pijn en lijden, bloed en leven voor hen veil en zij geen enkel uur der zeven weekdagen voor Hem, om Hem te loven en te aanbidden en daardoor hunne zielen te zalisren.

Men is verplicht de H. Mis geheel bij te wonen, van het begin tot het einde. Komt men derhalve na het Evangelie, als de offerande, een der drie voornaamste deelen reeds geëindigd is, in de kerk, dan voldoet men niet aan het gebod en is men verplicht, zoo mogelijk eene volgende Mis bij te wonen. Is de priester, bij de komst in de kerk, nog niet tot de Offerande gevorderd, dan voldoet men weliswaar, aan het gebod, in den streügsten zin, maar men zondigt toch, indien men er schuld aan heeft b.v. als het te laat komen door traagheid in het opstaan of door onverschilligheid geschiedt. Het is inderdaad zonderling, dat er menschen zijn, die altijd bijtijds op visites, partijen, bals, comedies, concerten en in de herbergen verschijnen, doch in den regel te laat in de H. Mis komen, al begint ze ook om tien uur of half elf. Indien Jesns met zulke lieden de wereld voor het kruis had moeten winnen, dan zoude er niet veel van \'t christendom terechtzijn gekomen. Op hen past Jesus\' woord: »Ocli! of ge koud of warm waart, maar nu ge lauw zijt, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.quot;

2°. Boor de H. Mis niet bij te wonen, zooals het behoort.

Om aan het voorschrift der Kerk te voldoen, moet men gedurende het Offer, den priester bij de heilige handelingen volgen en met hem en met Christus het onbloedig Offer van Calvarië aan den Vader opdragen. Wij moeten dus niet alleen met ons lichaam, maar ook met onzen geest daarbij tegenwoordig zijn. Dat lachen, praten, omzien, een ander opnemen, kleederen schikken, eene onwaardige of hoovaardige houding aannemen, tegen het waardig bijwonen der H. Mis

426

-ocr page 429-

DE GROOTE CATECHISMUS.

aandruischen en strafbaar zijn, zal wel niet bewezen behoeven te worden. Van ben, die gedurende de Mis slapen of zoozeer met Hunne gedachten buiten de kerk verwijlen, dat ze na afloop, zich zelf geen getuigenis kunnen geven van hetgeen er voorviel, zich ternauwernood kunnen voorstellen in de kerk te zijn geweest, kan men in den regel zeggen, dat ze geen Mis gehoord hebben, en gehouden zijn, als het kan, eene volgende Mis te hooren of wel, zich van Misverzuira te beschuldigen. — Die wettig verhinderd zijn, de H. Mis bij te wonen, behooren, als zij kunnen, in den geest te huis zulks te doen, door het bidden der Misgebeden en overigens den Zondag te heiligen.

Tot de verplichte heiliging van den Zondag behoort ten

3Ü. dat we ons van slafelijke luerken onthouden.

105. Wat verstaat men door slafelijke werkend Zoodanige werken, waardoor men gewoonlijk in zijn levensonderhoud voorziet.

De landbouwer, zijne knechts en zijne dienstmeiden mogen dus op Zondag geen veldarbeid verrichten. De daglooner mag op dien dag zijn gewonen arbeid niet verrichten, zoomin als de ambachtsman, b.v. kleermakers, schoenmakers, timmerlieden, metselaars, enz. op Zondag die werkzaamheden doen mogen, waardoor ze in de week in hun onderhoud voorzien. Geestelijke arbeid daarentegen is geoorloofd, n.I. lezen, schrijven, klavierspel, enz. De arbeid op Zondag is niet verboden, omdat hij in zich kwaad is, maar omdat hij de plechtige rust van den Zondag verstoort, onzen geest van God en Zijn dienst aftrekt en zoo de bedoeling des gebods verlamt. Om dezelfde en nog andere redenen zijn op den dag des Heeren rechts-zittingen, koop en verkoop, (niet het noodzakelijke) openbare markten, enz. verboden.

106 Hoe zondigt men door slafelijlx werken?

427

-ocr page 430-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

Wanneer men slafelijke werken verricht, zonder daartoe genoegzame reden te hebben.

Die voldoende reden bestaan:

1°. Als de kerkelijke overheid dispenseert om gewichtige redenen, zooals dat wel eens geschiedt tea tijde van den oogst, tea einde dezea voor bederf te vrijwaren. De landbouwer, eaz. moet zich die vrijheid evenwel niet eigeamachtig veroorloven, maar moet den pastoor, als daartoe door den bisschop gemachtigd, dispensatie vragen.

2°. Wanneer den nood daartoe dringt: » Wie van u, wiens os of ezel in eene sloot gevallen is, zou hem niet terstond op Sab-bathdag er uittrekken?quot; Luc. 14, 5. Aid as sprak de Heiland tot hen, die er Hem een verwijt van maakten, dat Hij op Sabbath een zieke genezen had. »Nood breekt wetten,quot; maar niet alle wetten. Dus kamers stoffen, bedden opmaken, eten koken, vee voederen enz. mogen gerust geschieden, omdat dat alles noodzakelijk is en niet kan verschoven worden. Daar vele mannen door de week niet in de gelegenheid zijn, zich te laten scheren, daarom mag dat Zondags geschieden. Arme moeders of dienstboden mogen op Zondag de daagsche kleederen van zich zeiven en van kinderen verstellen of uitwas-schen, wanneer ze anders geene verschooning en in de week geen tijd hebben. (Men zorge echter geen ergernis te geven!) En mocht het soms gebeuren, dat een paard niet verder kan, door \'t verlies van een ijzer, dan is het den smid toegestaan dat paard te beslaan. Ook mogen kleermakers en naaisters op Zondag rouwgewaad vervaardigen. Kerk en altaar versieren, zieken helpen verzorgen, de kleederen van een armen man of eene vrouw verstellen, voor de Kerk versierselen gereed maken, is niet anders dan de eer van God ea het heil van onzen naasten bevorderen en daarom geoorloofd. Bovendien, wanneer iemand zekeren arbeid niet kan nalaten, zonder daardoor groote schade te beloopen, dan mag hij dien op Zondag verrichten.

428

-ocr page 431-

DE GROOTE CATECHISMUS.

429

Helaas! hoevelen bezondigen zich in dit opzicht. Men maakt zichzelven wijs, die paar stuivers Judasloon niet te kunnen missen en denkt niet aan het onvergankelijke loon, dat ons deel zal zijn bij trouwe plichtsbetrachting. En wonder! Al stond het in de macht van den Sabbathschender om zijn werk en loon op Zondag te verdubbelen, dan zou hij toch nog arm blijven. De eerbiedwaardige pastoor Vianneij van Ars zeide terecht: »Ik ken twee wegen om zeker arm te worden, n.1. Zondags arbeiden en stelen. Dat is ook zeer natuurlijk. Immers dan alleen rust er zegen op ons werk, als God het zegent, en zou Hij den arbeid van den Sabbathschender zegenen? »Neen,quot; zoo spreekt Hij bij den profeet Ag 1, 9. »Gij brengt het in huis en Ik blaas het weg.quot; Daarentegen zegent God zichtbaar den arbeid des werkmans, die den Zondag heiligt. Een welgesteld burger had tot nabuur een schoenmaker, die eiken Zondag arbeidde, onder voorgeven, dat hij het loon niet kon missen. »Welnu,quot; zeide de rijke burger tot den werkman: »Begin eens, met gedurende een half jaar getrouw den dag des Heeren te vieren en u van slafelijk werk te onthouden, en de schade, welke ge daardoor beloopt, zal ik u vergoeden. De werkman nam het voorstel aan en hield getrouw zijn woord. Na verloop van het halve jaar begaf hij zich tot den schoenmaker en vroeg hem, hoeveel hij schuldig was. »Niets,quot; antwoordde deze »ik ben u integendeel dank verschuldigd, want sedert ik mijn plicht als christen vervul, zegent God mij zichtbaar.quot; Ik zelf heb twee huisgezinnen gekend, waarvan de mannen denzelfden arbeid verrichtten en ook hetzelfde loon verdienden. Heteene, waarvan de man bovendien eiken Zondag arbeidde, was doodarm, bestond uit twee personen minder dan het andere, en toch genoot dit, waar altijd de dag des Heeren geheiligd werd, zulk een hemelzegen, dat de man van uitstaande gelden durfde spreken. Ik wees den Zon-dagschennenden vader op dat groot verschil, en tevens op

-ocr page 432-

BE GROOTE CATECHISMIIS.

de oorzaak van zijn ongeluk en zijne armoede. »Volg uw lotgenoot en \'s Hemels zegen zal over uw arbeid en huis nederdalen,quot; zeide ik hem. Hij volgde mijn raad eu nog geen jaar was verloopen of meubels, kleederen, voeding eu tevredenheid getuigden, dat mijn raad doel getroffen had en Gods belofte voor den Sabbath vierder in vervulling was getreden. Gewoonlijk zijn de Sabbathschenders, \'tis opmerkelijk! ook Maandaghouders; juist geen gewoonte om rijk te worden! Het Maandagloon kunnen ze wel missen om het Judasloon op te maken; en daarin licht hun ongeluk opgesloten.

107. Wanneer is dat werken zonder wettige redenen doodzonde?

Ten 1°. als het werken zoolang duurt, dat het eene groote zaak wordt; 2°. als men door het werken groote ergernis geeft.

1°. Door te arbeiden of zijne onderhoorigen te laten werken op Zondag en geboden Heiligendagen, kan doodzonde bedreven worden, namelijk, als men, hetzij in eens of in herhaalde malen, gedurende een geruimen tijd b.v. twee a drie uren, zonder wettige reden, een zwaar werk verricht of laat verrichten. — Hierbij dient nog opgemerkt te worden, dat bij een lichten arbeid langer tijd noodig is, eer men doodzonde bedrijft, dan bij een zwaar en moeilijk werk.

2°. Iemand, die op Zondag maar eene kleinigheid verricht, en overtuigd is, dat hij daardoor groote ergernis geeft, is op doodzonde verplicht zulks na te laten. Eene arme huismoeder of dienstbode, wie het, door nood gedwongen, toegestaan is op Zondag eenige herstellingen te verrichten of kleederen te wasschen, mogen dat niet in \'t openbaar doen, om ergernis te vermijden. Zelfs kunnen geoorloofde zaken op Zondag, zooals visiten, enz. doodzonde worden, als men daardoor ergernis geeft.

430

-ocr page 433-

L)K GROOTE CATECHISMUS.

108. Is het niel strijdig met de Zondagviering, eenige uitspanning te nemen ?

Neen, dat is niet verboden, maar men moet zich toch voor luidruchtige en vooral voor gevaarlijke uitspanningen in acht nemen.

De uitspanningen op\'Zondag moeten dienen als tegenhangers der inspanningen, die wij ons door de week getroost hebben; ze moeten eene ontspanning zijn van onze gewone werkzaamheden. Dan, helaas! hoevelen zijn er niet, die juist op Zondag zich aan allerlei uitspattingen overgeven en dit dan uitspanning noemen. Geen hoogdienst —• die duurt te lang en wordt te laat gehouden — maar de vroegmis wordt bijgewoond, om het overige van den dag ongestoord te kunnen besteden aan drank, spel en lanterfanten. Inderdaad, er is geen vrijheid, geen uitgelatenheid, geen uitspatting, welke men zich op de Zondagen niet veroorlooft! Wanneer immers worden de herbergen en speelhuizen meer bezocht dan op die dagen ? Wanneer hoort men meer van vechtpartijen, twist en ruzie dan op den Zondag? Wanneer hoort men meer schandelijke liederen, godslasteringen en vloeken? Wanneer viert de ongebondene en losbandige jeugd meer den vrijen teugel? Zondags worden ongeoorloofde verkeeriugen gesloten of voortgezet. Op Zondag wordt de gelegenheid gezocht en helaas! niet zelden gevonden, om zijne wellust te bevredigen, door beruchte personen en huizen te bezoeken, waartoe door de week geen gelegenheid bestaat. Er zijn menschen, die nooit dronken zijn of groot kwaad doen dan juist op de Zondagen. Wat op Zondag alzoo geschiedt, kunnen de vrouwen en de kinderen getuigen, die dan juist, in plaats van liefde en brood, mishandeling en verwenschingen van hun man en vader ontvangen. Zijn het niet de Zondagen, waarop de buurten, vooral in den namiddag bijeenscholen (en ook op den kerkweg) om al het nieuws, waar en onwaar, uit te kramen, dat in den loop der

431

-ocr page 434-

DE GROOTE C.VTECHISMÜS.

week gehoord of gezien is, en zonder onderscheid van persoon of zaak, allen en alles over den hekel balen en de doopceel lichten, in plaats van naar de Vespers of het Lof te gaan? Op dezen allen past \'s Heeren woord:» Zie, ik werp u den modder van uw gedrag in het aangezicht en ze zal er op hechten.quot; Malach. 2, 3. Zóó den zondag heiligen, is metterdaad eene soort heiligschennis, godsroof, omdat men, den dag aan God gewijd, aan zijne driften en hartstochten ten offer brengt.

» Wie den Sabbath ontheiligt, moet sterven.quot; 2 Moz. 31, 14 en die een werk op den Sabbath verricht (zonder wettige redenen) dien moet men steenigen,quot; zooals Mozes inderdaad ook een man liet steenigen, die op Sabbath hout gesprokkeld had. Zeg daarom, wanneer ge wordt aangezocht, om den Zondag te ontheiligen, wat de vrome Mathias zeide: »God beware ons daarvoor!quot; Het dient tot niets, (maar geeft slecht schade en straf) de wet Gods te verlaten. Ja, wat men God ontneemt, haalt de duivel, en wat de zondag verdient, verteert de Maandag. Zes dagen zullen voortaan dus voor ons en de zevende dag zal voor God zijn. Neen, lieve Jesus! geen verzuim der H. Mis, geen stoffelijk werk, geen losbandigheid meer op den dag, aan den Heer gewijd!

ZEVEN-EN-DERTIGSTE LES.

OVER HET 4e GEBOD.

De eerste drie geboden leerden ons de plichten kennen, welke wij tegenover God te vervullen hebben, volgens het gebod : »Gij zult den Heer, uw God, beminnen, uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten.quot; De overige zeven geboden leeren ons de plichten tegenover onze natuurgenoten en vooreerst tegenover Gods plaatsbekleeders op aarde; dan de plichten jegens onzen naaste en ons zeiven met

432

-ocr page 435-

DE GROOTE CATECHISMUS.

betrekking tot het leven van ziel en lichaam, tot de kuisch-heid des harten en van onzen levenswandel. Verder met betrekking tot eigendom, goeden naam en eer, tot de waarheid in onzen omgang en tot de beheersching der begeerlijkheden-Door dit alles moet het gebod vervuld worden : *Gij zult uw naaste beminnen gelijk u-zelven.quot; —• Het vierde gebod, bij welks verklaring wij eenige oogenblikken moeten stilstaan, bevat derhalve de plichten, welke wij jegens Gods plaatsbe-kleeders, ouders en overheden, te vervullen hebben.

109. Hoe luidt het vierde gebod ?

Eert uw vader en uwe moeder, opdat ge nog lang moogt leven op aarde.

Zeer juist neemt dit gebod de eerste plaats in na, en volgt gepast onmiddellijk op bet gebod: God boven alles te beminnen. Want niemand dergenen, die een natuurlijk gezag over ons hebben, bestaat ons, naast God, op aarde zoo na; niemand, behalve hem of haar met wie men één is geworden door geboorte, verplicht ons de natuur zelve, zóó te beminnen als vader en moeder. Gelijk God de oorsprong van alle geschapen dingen is en daarom door allen en boven alles geëerd en bemind moet worden, zoo ook zijn de ouders, na God, de eigenlijke oorsprong der kinderen en moeten daarom ook boven allen geëerd en bemind worden. Met het oog hierop, schrijft de H. Cyrillus: jgt;De plicht der christelijke naastenliefde eischt, de ouders te eeren, hun de moeite en kosten der verpleging en opvoeding te vergelden, en alles te doen, wat hun tot vreugde en ondersteuning dienen kan.quot;

110. Worden onder vader en moeder alleen onze ouders verstaan ?

Neen, ook allen, die op eenige wijze, de plaats van ouders bekleeden, als leeraars, onderwijzers en verder alle geestelijke en wereldlijke overheden.

GR. CAT. 28

433

-ocr page 436-

DE GROOTE CATECHISMUS.

De zielzorgers verdienen, als de vertegenwoordigers van \'t geestelijk gezag, als plaatsbekleeders van God, als geestelijke medeopvoeders der kinderen, als handhavers der kerkelijke en goddelijke wetten onzeii nederigen eerbied, onze achting en gehoorzaamheid. Van hen is gezegd: »Die u hoort, hoort Mij; die u veracht, veracht Mij.quot; En met betrekking tot de wereldlijke overheid, schrijft de H. Paulus : »/?en ieder zij der wereldlijke overheid onderdanigquot; Rom. 13; ygt;Geen overheid ontleent haar macht anders dan van God, en de bestaande overheden zijn allen door God aangesteld,quot; Rom. 13, 1. — Wij moeten derhalve in de overheden Gods plaatsbekleeders zien en daarom hun hoogachting en onderdanigheid bewijzen. (Later uitvoeriger).

111. Waarin bestaat de eer, die men aan ouders en overheden verschuldigd is ?

Hierin: dat men aan ouders en overheden bewijzen moet: do eerbied, 2o liefde, 3o gehoorzaamheid.

lo. Eerbied moeten de kinderen hunnen ouders bewijzen, d. i. zij moeten zich nooit over hunne oudere schamen of hen minachten, maar als Gods plaatsbekleeders hoogachten en altijd met woord en daad hen in- en uitwendig met eerbied behandelen. *Eert uw vader met alle geduld in woord en daadquot;, zegt het Boek der Wijsh. 39. — Ja, de eerbied jegens de ouders bekleedt de eerste plaats onder de kinderdeugden; zij is eene heilige vonk, die in de borst des kinds moet flikkeren. Die eerbied moet zich toonenin gebaren,in manieren en houding, in spreken en handelen, in oplettendheid en toegevendheid, in voorkomendheid en onderworpenheid, met één woord, het gedrag des kinds moet doortrokken zijn van eerbied en hoogachting voor zijne ouders.

112, Hoe zondigen de kinderen tegen den eerbied aan de ouders verschuldigd ?

434

-ocr page 437-

DE GROOTE CATECHISMUS.

1. Wanneei zij inwendig hunne ouders versmaden ; 2. wanneer zij uiterlijk hunne ouders met oneerbiedigheid behandelen; 3. wanneer zij tot minachting van hunne ouders spreken.

1). Wanneer zij hunne ouders inwendig versmaden. — Hen, voor wie vader eu moeder niet meer eerbiedwaardig zijn, is onder den liemel niets meer eerbiedwaardig of heilig. Het laat zich niet begrijpen, dat er kinderen gevonden worden, die hunne ouders durven verachten om stand of rang, hen vloeken en verwenschen. En toch vindt men niet weinigen van die monsters, die den dood toewenschen aan hen, die na God de oorsprong van hun leven waren, en zich schamen over den eenvoud, de maatschappelijke positie of mindere ontwikkeling van hen, aan wie ze hunne betere positie en meerdere ontwikkeling te danken hebben. En, ook aangenomen, dat de ouders gebreken hebben, dan nog staat het een kind niet vrij, hen te verachten, al kan het ook de gebreken niet goedkeuren; ze blijven toch Gods plaatsbekleeders. Vreeselijk is de straf, die de H. Schrift tegen die kinderen uitspreekt: vliet oog, dat zijn vader veracht, en scheef op zijne moeder blikt, zullen de raven uitpikken en de jonge adelaars verslinden.quot; Boek der Spr. 30, 17.

2). Wanneer zij hunne ouders uiterlijk met oneerbiedigheid behandelen. — Dat nu geschiedt, door de ouders barsch en trotsch te bejegenen, hen opvliegend, toornig en bite te antwoorden, hun den rug te keeren, het hoofd onverschillig in den nek te werpen, als ze iets bevelen of verbieden; of de deur met geweld dicht te slaan, door een duister gezicht te zetten en (wat afschuwelijk is), de tong achter hen uit te steken, ja zelfs, helaas! de hand tegen hen op te heften.

Een student ging met eenige kameraden wandelen. Onderweg ontmoette hem zijne eenvoudige moeder en zeide: fN., kom, as-je-blief, spoedig tehuis.quot; Zijne vrienden vroegen hem:

435

-ocr page 438-

DE GROOTE CATECHISMUS.

»Wie is dat?quot; »Oiize oude dienstmeid,quot; was het antwoord. Durft u die op straat dan zoo maar toespreken? was de wedervraag. En de onverlaat antwoordde: »Ik heb het akelig schepsel dat zoo dikwijls verboden, maar ze luistert niet; doch de waarheid kwam aan den dag en algemeene verachting werd zijn deel, en wel zoo, dat hij de studie moest opgeven. Zie andere voorbeelden in Jozef van Egypte, koning Salomo, Jesus.

3). Wanneer de kinderen tot minachting of tot oneer van hunne ouders spreken. — Hieraan maken zich de kinderen schuldig, die de gebreken van hunne ouders vertellen, en zeggen: ïMijn vader is een dronkaard, mijne moeder is een verkwister; of die zelfs hunne ouders belasteren door kwaad van hen te zeggen, waaraan zij niet schuldig zijn. Eveneens zondigen de kinderen tegen den verschuldigden eerbied, door verachtelijk over hunne ouders te spreken, b.v. te zeggen: 2 Zij kunnen niets, zijn dom en .onopgevoed, enz. Maar erger is het, als kinderen hunne ouders bespotten, hunne lichamelijke gebreken (b.v. lamheid, stamelen, scheelzien, doofheid, enz.) naiipen en daarover lachen, of hunne ouders om die gebreken spot en schimpnamen geven. Cham bespotte zijn vader Noe, maar werd tot straf door hem gevloekt. Zouden de kinderen, die zich in dit opzicht tegen hunne ouders vergrijpen, nimmer van het spreekwoord gehoord hebben: »Die zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht,quot; d.i. dat de smaad en de verachting, die zij op hunne ouders willen werpen, op hen zei ven terugslaat. »Leer eerst een goed kind worden, alvorens mij de gebreken uwer ouders te leeren kennen,quot; zoo berispte een rechtschapen man een kind, dat de eer zijner ouders aanrandde. — Paus Benedictus XIV was de zoon van een schaapherder. Tot de pauselijke waardigheid verheven, wilde zijne oude eenvoudige moeder hem bezoeken en had zich tot dat einde in deftige kleederen gestoken. Toen de paus

436

-ocr page 439-

DE GROOTE CATECHISMUS.

haar zoo uitgedost aanschouwde, zeide hij: »Dat is mijne moeder niet.quot; Doch toen de vrouw, uit nood gedwongen, hare eenvoudige Weeding weer had aangetrokken, liep Eenedictus haar te gemoet, omhelsde haar en voerde haar blijde en opgetogen in zijn paleis.

2°. Kinderen moeten hunne ouders liefde bewijzen. Die liefde moeten zij bewijzen:

a. Door hun dankbaar te zijn voor hunne weldaden, door hun welzijn te beoogen, door veel voor hen te bidden en bun zooveel mogelijk genoegen te verschaffen. O, hoeveel liefdeschuld hebben de kinderen hunnen ouders te betalen; ja, zooveel, dat zij bij al hunne dankbaarheid niet in staat zijn, den interest, veel minder het kapitaal te voldoen. Neem nu eens aan, dat een kind aan stoffelijk onderhoud den ouders per jaar op twee en zeventig gulden te staan komt, dan bedraagt de som op tienjarigen leeftijd reeds zevenhonderd en twintig gulden. En wie zal de moeite en de zorgen, den arbeid en het nachtwaken, voor het kind besteed, naar waarde schatten? Betaal dan door een braaf en goed gedrag, opdat ze vreugde en geen verdriet van u hebben. Bid veel voor hen, opdat de goede God aan hen vergelde, wat ze voor u deden en opofferden. Wanneer ge daartoe in staat zijt, moet gij

h. Ook uwe ouders in den ouderdom en den nood bijstaan, en hunne fouten en zwakheden geduldig verdragen. ■sgt; Eert uw vader uit geheel uw hart en vergeet de smarten uwer moeder niet; bedenkt dat ge zonder haar niet geboren zoudl zijn,quot; Boek der Wijsh. 7; 29, 30. En in datzelfde boek 3; 14,15: zMijn kind! sta uw vader bij in zijn ouderdom en bedroef hem niet, zoolang hij leeft; en wanneer zijne zintuigen afnemen, maak hem daarvan geen verwijt en veracht hem niet in uwe kracht, want de weldaden aan uw vader (en uwe moeder) bewezen, zullen nooit (door God) vergeten

437

-ocr page 440-

DE GROOTE CATECHISMUS.

worden.quot; Het is dus een trek van Gods wonderbare leiding, dat het kind in zijne jeugd de ouderlijke verzorging noodig heeft, en de bejaarde, zwakke en behoeftige ouders daarentegen, uit dankbare liefde de kinderlijke hulp eischen, zoodat beiden, kinderen en ouders, de nalatigheid in dit opzicht zwaar bij God te verantwoorden zullen hebben. — Leeren wij hier weder onze plichten van den Heiland zelf, die in Zijne kinderlijke zorgvuldigheid, van af het kruis, Zijne innig beminde Moeder, aan de trouwe zorg van den H. Joannes aanbeval met de woorden: »Zoon! ziedaar uwe Moeder.quot; Treffend is ook het voorbeeld van zeker meisje, dat, om in den nood van haar zieken vader te voorzien, hare schoone zwarte haarlokken aan een kapper verkocht. En toen de man haar de bemerking maakte, dat ze daardoor hare schoonheid zoude verliezen, antwoordde het brave kind: »Ik zorg eerst voor mijn vader, aan wien ik, naast God, alles te danken heb, en dan voor mij zelve.quot; Hoe schaars zijn hare navolgers!

113. Wanneer zondigen de kinderen tegen de liefde aan de ouders verschuldigd?

1. Als zij hunne ouders geene oprechte liefde toedragen, en hen door hun gedrag bedroeven; 2. hunne gebreken niet geduldig dragen; 3. hen in nood niet met liefde bijstaan, en 4. niet voor hen bidden.

a. Als zij hunne ouders geen oprechte liefde toedragen en hen door hun gedrag bedroeven. — Kan van hem gezegd worden, God te beminnen, als hij Hem door zijn misdadig gedrag dagelijks bedroeft? Evenmin bezit het kind liefde voor zijne ouders, dat er steeds op uit is door zijn losbandig gedrag hun smaad en smart te bereiden. Ja, er zijn kinderen, die er genoegen in schijnen te hebben om hunne ouders

438

-ocr page 441-

DE GUOOTE CATECHISMUS.

te verdrieten en tranen uit de oogen te persen, en alles doen, met woord en daad, om hierin te slagen. Schrijver was eens getuige van het volgend voorval. Hij zag, dat iemand, zoo dikwijls hij een oog sloeg op het portret zijner overledene ouders, telkens in een vloed van tranen lostbarstte, en op zekeren tijd hoorde hij hem uitroepen: »0, was het mij gegeven door tranen, de tranen weg te nemen, die mijne dierbare ouders om mij en door mij gestort hebben, door hen af te suauwen, bits en onbeschoft te antwoorden, door hen uit te lachen, te sarren en te verwenschen.

h. Als zij hunne gebreken geduldig verdragen. »De oude dag komt met al zijn gebreken,quot; zegt het spreekwoord. Deze waarheid zien wij in ieder oud mensch, en dus ook in onze ouders. En, zoo als in de jengd onze zintuigen en lichaamskrachten zich ontwikkelden, evenzoo is de ouderdom als \'t ware aangesteld, om èn zintuigen èn krachten langzamerhand te slopen. Eu waren onze ouders niet de grootste steun en hulp bij die ontwikkeling? Welnu, verdraag hen dan ook edelmoedig, wanneer het geboor of gezicht hen verlaat, als ze gebrekkelijk worden of de spraak verliezen, bij het oude willen blijven en niets van mode of vooruitgang willen weten. Wat verdienen zij voor een naam, die zich over den eenvoud en de gebreken hunner ouders schamen? Zijn dat geen monsters in plaats van menschen? — En aangenomen, dat de ouders zedelijke gebreken hebben, verslaafd zijn aan de een of andere hartstocht, dan past in den mond va-i \'t kind nog geen verwijt, maar wel eene liefdevolle vermaning. Ouders blijven altijd ouders, en kinderen moeten zich in alle omstandigheden kinderen toonen.

c. Als ze hunne ouders in den nood niet met liefde bijstaan.

Zoo dikwijls verteren zonen en dochters, in losbandigheid en opschik, de gelden, waaraan vader en moeder gebrek heb-

439

-ocr page 442-

DE GROOTE CATECHISMUS.

440

ben en denken er helaas! niet aan, dat de ouders zich vroeger een kleedingstuk en ontberingen getroostten, om de kinderen, zooals men zegt, fatsoenlijk voor den dag te laten komen. En soms zien we, dat, wanneer de ouders ziek of oud van dagen zijn, de kinderen tegen den wil der ouders gaan dienen of fabrieksarbeid verrichten en het verdiende loon of geheel voor zich houden, of wel een karig kostgeld afstaan en het overige op allerlei wijze er doorbrengen. Geraken ze buiten werk, dan zijn de ouders weer goed om op te scheppen en hen, zonder vergoeding, weer onder dak te nemen; ze brengen schuld, maar geen geld mede. En wee soms den ouders, die van de genade hunner kinderen geheel afhankelijk zijn, en het genade-brood moeten eten. Dan hoort men; »Mijn broers- of zusters huishouden is niet zoo groot als het mijne.quot; »Zij verdienen meer dan ik,quot; zegt een ander. »Ik heb geen geschikte slaapplaats voor hen,quot; roept een derde, en een ieder wil zich van dien gt;lastquot; afmaken. En het spreekwoord wordt dan waarheid: Een ouder kan gemakkelijker tien kinderen onderhouden, dan tien kinderen een ouder. 0, hoeveel beten broods worden ongegund door ontaarde kinderen hunnen ouders in den hoek van den haard of een achterkamertje toegeworpen en doorweekt met zilte ouder-tranen. Zeker, die beklagenswaardige ouders mogen wel vragen: »Zijn dat kinderen; zijn dat onze kinderen?quot; Hoor eens, wat de H. Ambrosius den gehuwden kinderen toeroept: ïVoor dat gij huwdet, waart gij kind uwer ouders, derhalve zijt gij verschuldigd hen in den nood te ondersteunen, en door het huwelijk hebt ge niet opgehouden, kind uwer ouders te zijn. Denk er wel aan, kinderen! met de maat, waarmede gij uwe ouders inmeet, zullen uwe kinderen u ook uitmeten. » Wanneer gjj oud zijt, breng ik u ook naar het oude-mannen-huis, zooals gij grootvader gedaan hebt,quot; duwde eens een kleine jongen zijn vader toe. En hoeveel stompen, stooten,

-ocr page 443-

DE GROOTE CATECHISMUS.

slagen, brutale woorden moeten de grootouders soms niet van hunne lieve kleinkinderen verdragen onder het oog van vader en moeder! Schande over die onverlaten! Hoe is het mogelijk, dat men zijne moeder kan vergeten, aan wier borst men leven zoog en den vader laat hongeren, die ons voeding en steun verschafte, soms met gevaar en opoffering van gezondheid en leven. Om deze ondankbaarheid naar waarde te brandmerken, daarvoor heeft het menschelijk vernuft nog geen naam uitgevonden! Kinderen! spijzigt uwe moeder, en voedt uw vader om zijn arbeid en haar lijden voor u te vergelden. Uwe moeder heeft voor u gewaakt, voor u geleden, om u geweend. Hun zijt ge verschuldigd, wat ge zijt, door hen hebt gij, wat ge hebt. En gij zoudt ben nog minder dan een vreemdeling behandelen, laten smachten en naar hun dood verlangen?

dj. Als ze niet voor hen bidden. — »Maar,quot; zegt een kind, »ik bezit zelf niets en kan dus ook niets aan mijne ouders geven.quot; Ofschoon de liefde vindingrijk is, en eene boterham in vieren deelt, wil ik de waarheid van dat gezegde toch aannemen, maar dan hebt ge nog een middel van vergelding, dat u niets kost, n.1. het gebed voor uwe ouders, betzjj ze dood of levend zijn. Zijn ze dood, welnu, wie is dan meer verplicht dan gij, om den hemel een heilig geweld aan te doen en voor hunne zielerust te bidden; van wie zouden ze ook meer hulp verwachten ? Behooren ze nog onder de levenden, vraag dan, dat God hun alles vergelde, waartoe gij niet in staat zijt; of is dat nog te veel van uwe kinderliefde gevorderd? gt;We bidden \'s avonds gezamenlijk het avondgebed en toch blijft ge nog zoo lang op uwo kamer bezig, alvorens naar bed te gaan,quot; zeide eene huisvrouw aan hare dienstmaagd; »wat doet ge \'savonds toch?quot; »Dan bid ik voor mijn vader, die dood is, en voor mijne moeder, die nog leeft,quot; antwoordde het brave kind. — Kinderen! spiegelt u aan dat schoone voorbeeld.

441

-ocr page 444-

DE GnOOTE CATECHISMUS.

3o. De kinderen moeten hunnen ouders gehoorzamen.

Deze verplichting steunt op de waarheid, dat de ouders de plaatsbekleeders zijn van God zelf, zoodat hunne bevelen eigenlijk Gods bevelen zijn. Die gehoorzaamheid nu bestaat hierin, dat de kiaderen, zoolang zij onder het ouderlijk gezag staan, terstond en gewillig alles doen of nalaten, wat de ouders gebieden of verbieden, in de veronderstelling, dat de zaak totdezorg der ouders behoort eu geoorloofd is. (Dat de kinderen niet gehouden zijn, zondige bevelen hunner ouders op te volgen, spreekt van zelf.) Ook is het de plicht der kinderen, den raad en de vermaningen der ouders bereidwillig aan te nemen, en de bestraffingen met onderworpenheid te verdragen. Hiertoe vermaant de H. Paulus de kinderen, als hij zegt: »Gij kinderen! gehoorzaamt uwen ouders in alles, dat is Gade welgevallig.\'\'\' Col. 3, 20. — Gelijk in een welgeordenden Staat, eene provincie of gemeente eenigen bevelen en anderen gehoorzamen, zoo ook moet het in een goed huisgezin gaan; zonder gehoorzaamheid is er geen burgerlijke of huiselijke orde en welvaart denkbaar. »Tucht zonder gehoorzaamheid is niet mogelijk,quot; zegt de H. Cyprianus.

11A. Hoe zondigen de hinderen tegen de gehoorzaamheid ?

a. Als zij hunnen ouders geheel niet, of slechts ten halve en met weerzin gehoorzamen; b. niet naar hunne vermaningen luisteren, en c. zich tegen de straffen verzetten.

a. Als zij hunnen ouders in het geheel niet of slechts ten halve en met weerzin gehoorzamen. — Hier hoor ik de bemerking van eenige kinderen: »Maar mijne ouders zijn zoo streng, ik mag niet uitgaan; ik moet dagelijks de H. Mis bijwonen, de geheele week door arbeiden en te huis blijven! Zij verbieden mij alle gezelschap, spel en dans, met één woord, elk 2 uit-

442

-ocr page 445-

DE GROOTE CATECHISMUS.

443

spanning.quot; Welnu! wat ze u ook gebieden of verbieden, op u rust de plicht te gehoorzamen; 1° in alles, wat tot een godvruchtigen levenswandel behoort; 2° in alles, wat de eer van stand of geslacht aangaat; 3° in alles, wat den dienst van God en het zielenheil betreft. Bijvoorbeeld: Wanneer uwe ouders u een huis, een gezelschap of eene samenkomst verbieden; wanneer zij niet willen, dat gjj speelt of in de herbergen eet en drinkt en u het nachtloopen en het uitgaan op den dag of den avond beletten; wanneer zij u de dans-baan, het aanknoopen van verkeeringen en de eenzame wandelingen verbieden; of, wanneer zij u bevelen dagelijks de H. Mis te hooren en op Zon- en feestdagen de christelijke leering en de namiddag-godsdienstoefeningen bij te wonen, vlijtig te studeeren of uw handwerk uit te oefenen, in al deze gevallen moeten de kinderen gehoorzamen. Al deze bevelen zijn immers lofwaardig, nuttig on rechtvaardig, daarom is het de plicht der ouders die te geven. Maar daarom rust ook op de kinderen de verplichting te gehoorzamen. Denkt gij, kinderen! dat uwe ouders, die u zoo innig liefhebben, bevelen, om u te kwellen ? Dat zou geheel tegen hunne ouderliefde aandruisen; maar zij bevelen u in Gods naam, om daardoor uw tijdelijk en eeuwig heil te bevorderen. Sla eens een blik op het goddelijk toonbeeld, Jesus! Hij vond Zijne vreugde en Zijn geluk in de ouderlijke woning en omgeving, en verlangde geen gezelschappen, geen spel of uitspanning. En, ofschoon God met den Vader en den H. Geest, staat er van Hem geschreven: ïHij was Zijnen ouders (arme ambachtslieden) onderdanig,quot; d.i. gehoorzaam. — »Maar, ik ben al zoo oud en weet wel op eigen beenen te gaan,quot; zegt hier wellicht een kind. Werp eens een oogslag in uw geweten en ge zult ontwaren, dat ge gevallen, wellicht diep gevallen zijt, toen ge, ondanks het gebod of verbod uwer ouders, op eigen beenen meendet te kunnen staan. Tu elk geval, al zijt ge ook zelf

-ocr page 446-

DE GROOTE CATECHISMUS.

vader of moeder, gij zijt en blijft het kind uwer ouders en zijt dus immer gehoorzaamheid verschuldigd.

bj. Wannneer ze niet naar hunne vermaningen luisteren. De vermaningen der ouders hebben tot doel hunne kinderen aan te sporen tot de deugd en van het kwaad af te houden. Als ze b.v. zeggen: wees toch vlijtiger in den arbeid; bid toch wat meer en met aandacht; ga toch eens weder te biechten; vermijd dien kameraad en dat huis; geloof mij, mijn kind! zij zijn voor u verderflijk, enz. Zie, zulke vermaningen moeten de kinderen niet alleen bereidwillig aanhooren, maar ook ter harte nemen en opvolgen. Maar dikwijls wordt het kind op \'t hooren daarvan ongeduldig, loopt weg, slaat het hoofd in den nek of werpt den ouders tegen: »Gij hebt altijd wat te zeggen; men kan nooit voldoen, ge zoudt wel een pater of eene non van me willen maken, enz. en zondigt daardoor tegen de gehoorzaamheid, welke het aan de ouders verschuldigd is.

c). Als zij zich tegen de straffen der ouders verzetten. — Het is de plicht en het recht der ouders om hunne kinderen, over bedreven fouten te straffen en het is een groot geluk voor de kinderen, dat ze streng onder tucht gehouden worden en hun niet alles toegegeven wordt. (Vgl. Heli en zijne kinderen).

De kinderen mogen zich niet tegen de straffen verzetten, d.i. zich daartegen weren, wegloopen of schreeuwen, alsot ze vermoord werden of, zelfs de hand tegen hen opheffen en terugslaan, maar zij moeten geduldig de straffen aannemen en denken: ik heb het wel verdiend, voortaan zal ik mij in acht nemen. Den ouders om kwijtschelding vragen, daar is niets tegen. Doch ook verondersteld, dat ge onschuldig zijt en geen straf verdiend hebt, dan moogt ge uwe onschuld wel bewijzen, maar wordt die niet aangenomen, toch nog geen weerstand bieden, maar denken; »In Godsnaam, ik ben nu wel onschuldig, maar heb het vroeger wel tienmaal verdiend.quot;

Ten allen tijde en op alle plaatsen vinden we schrikkelijke

444

-ocr page 447-

DE GROOTE CATECHISMUS.

445

voorbeelden van de goddelijke en menschelijke gerechtigheid tegen plichtvergeten kinderen. Vreeselijk wreekt de hemel de handtastelijke beleedigingen, vooral den ouders aangedaan, door hun stoffelijke ongelukken of\' weerspannige kinderen te schenken, die hen op hunne beurt, niet anders dan verdriet, smaad en schande berokkenen en zich juist zóó tegenover hen gedragen, als zij tegen hunne ouders deden. ■gt; Sleep mij niet verder bij de haren, want ook ik heb mijn vader niet verder dan tot hier gesleept,quot; riep een ongelukkige vader zijn ontaarden zoon toe, terwijl hij hem bij de haren door den gang naar buiten sleurde. Zeer juist zegt de H..Schrift: » Vervloekt is hij, die zijn vader en zijne moeder niet eert, en al het volk moet zeggen: Amen.1\' — Die vloek plant zich voort van geslacht tot geslacht op de verste nakomelingen, en de ontaarde kinderen zullen eenmaal, slechte ouders geworden, slechte kinderen voortbrengen en elkander vervloeken tot in de hel. Mij is eene familie bekend, uit zes kinderen bestaande, die vroeger welgesteld was en in aanzien en achting stond. De kinderen bespotten hun ouden vader en beleedigden hem op eenige wijze, handtastelijk. Vijf hunner sloten een huwelijk, en zij met hunne kinderen dragen tot op dezen dag den vloek des hemels; al hunne kinderen zijn arm, allen geraakten in gevangenis en schande, allen deelen de vloek hunner ouders. Eu wat lezen wij in de H. Schrift 5, Moz, 21, 18—21? » Wanneer iemand een weeispannigen zoon heeft, die niet wil hooren op de stem zijner ouders, en ofschoon getuchtigd, toch niet wil luisteren, dan moeten de ouders hem tot de oudsten des volks geleiden, die hij de poort ten gericht zitten, en zeggen: deze zoon is weerspannig en ongehoorzaam — hij luistert niet naar onze vermaningen — hij legt zich toe op slechte dingen, op ontucht en dronkenschap — en dan zullen hem alle lieden der stad steenigen tot den dood.quot; Schrikkelijk oordeel! Dat is de straf voor het booze geslacht, dat de heilige wet

-ocr page 448-

DE GROOTE CATECHISMUS.

verbreekt, welke gebiedt: Eert uw va\'Ier en uwe moeder.

Wie uwer, dierbare kinderen! siddert niet bij de gedachte, door God verdoekt te worden. Neemt u daarom zelfs voor kleine misstappen jegens uwe ouders in acht; want van kleine komt men langzamerhand tot groote. Menig kind, dat later zijne ouders mishandelde, ja om het leven bracht en door die vreeselijke vloek: » Vervloekt zij hij, die zijn vader en zijne moeder niet eertquot; getroffen werd, is begonnen in het kleine oneerbiedig, liefdeloos en ongehoorzaam te zijn. (Vgl. Absalon). »Eert dan uw vader en uwe moeder. Dit is het eerste gebod, waaraan de belofte is vastgehecht: opdat het u ivelga en gij lang moogt leven op aarde.quot; Eph. 6, 2, 3. Inderdaad, *de zegen des vaders bouwt den kinderen huizen; de vloek der moeder stort ze in puin.quot; Sir. 3.11, d.i. een kind, dat zijne ouders eert, zal door zijne ouders gezegend worden en die zegen zal het geluk aanbrengen; is het arm, dan zal welstand zijn deel en de hemel eenmaal zijn loon zijn. Een kind echter, dat zijne ouders vertoornt, zwaar beleedigt, in den nood verlaat, zal door de ouders gevloekt worden en God zal toelaten, dat die vloek in vervulling gaat. En wanneer zulk een kind ook rijk is, die vloek zal ongeluk, armoede, schande en ellende over hem brengen, zooals wij boven zagen, en eindelijk de eeuwige verdoemenis. Spiegel u hier aan de voorbeelden van Sem, Izaak, Jakob, den jongen Tobias.

Somtijds gebeurt het evenwel, dat allerbraafste kinderen niet lang leven, maar door God vroegtijdig in den hemel worden opgenomen. Waarom dat? Opdat de adem der zonde hen niet zou verpesten en zij wellicht in later leven slechte menschen zouden worden, daarom schenkt God hun in de jeugdige jaren het eeuwig leven, dat oneindig meer waard is dan een lang aardsch leven. Dit tot troost voor de ouders die spelende engelen in den hemel bezitten.

Wat het vierde gebod den onderdanen voorschrijft.

446

-ocr page 449-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Tot hiertoe heb ik over de plichten gesproken, die het vierde gebod den kinderen tegenover hunne ouders oplegt. Onder den naam echter van ouders worden niet slechts de lichamelijke ouders verstaan, maar ook allen, die door ambt, stand of beroep gehouden zijn, het heil van anderen naar ziel en lichaam op eene bijzondere wijze te behartigen, zooals pleegouders, opvoeders, leeraars, meesters (in de handwerken), huisoversten en alle geestelijke en wereldlijke overheden. Deze zijn de medehelpers en plaatsbekleeders der ouders, daar zij met hen de plichten van het ouderlijk beroep deelen en daarom moeten wij huu zoowel als de ouders, eerbied, liefde en gehoorzaamheid bewijzen. Ja, een braaf ondergeschikt mensch vergeldt, even als een boom door vruchtbaarheid, de moeite en kosten zijns meesters, en loont de zorgen en opofferingen zijner overheden met rijke vruchten van liefde, eerbied en gehoorzaamheid. Beginnen we derhalve met de vraag:

115. Welke zijn de plichten der dienstboden tegenover de huisoversten?

Dat zij hen ter wille Gods, trouw en vlijtig dienen en liefde en gehoorzaamheid bewijzen.

De H. Paulus schrijft Col. 3, 22-24: »Gij dienstboden! gehoorzaamt in alles uwen oversten, niet als oogendienaars, om den mensch te bevallen, maar met oprechtheid des harten, uit vreeze Gods.\'1 En de H. Petrus 1, 2, 18: »Gij dienstboden^ weest met allen eerbied uwen overheden onderdanig, niet slechts de goede en zachtmoedige, maar ook de wrevelige.quot; Het ware te wenschen, dat de dienstboden de volgende spreekwoorden ter harte namen en daarnaar huu gedrag inrichten: »Trouw geeft brood, ontrouw nood;quot; »Waar de trouw wortel schiet, daar laat God een vruchtboom opschieten;quot; »Arbeid adeltquot; en »sparen doet vruchten vergaren;quot; en daartoe zijn ze wel degelijk verplicht.

447

-ocr page 450-

DE GROOTE CATECHISMUS.

116. Hoe zondigen dienstboden tegen deze verplichtingen ?

lo. Door ongehoorzaamheid aan de hevelen, die gegrond zijn op het huurverdrag of op een recht en christelijk huisbestuur, een gewoon gevolg hunner trotschheid.

Ze weten alles beter dan hunne oversten en voeden zoo de ontevredenheid, eigen aan hun stand, ten minste in onze dagen. Ze willen komen en gaan, zoo laat en vroeg als het hun goeddunkt, en doen en laten naar believen; hun eigen »ikquot; moet baas zijn. Daarom ook treffen we dienstboden aan, die reeds meer diensten hebben gehad dan ze jaren oud zijn: »Dat verdraag ik niet; dat doe ik niet; ge hebt altijd wat; \'t is nooit goed; een uurtje vroeger of later te huis, zal er ook wel op aan komen; ik wil \'savonds aan de deur staan praten en laten het u aanzien;quot; ziedaar eenige liefelijkheden, waarop sommige dienstboden hunne overheden onthalen en die ons tevens verklaren, waarom ze steeds aan het trekken zijn van den eenen dienst in den anderen. Dat die boden tegen de gehoorzaamheid en den eerbied zondigen, wie betwijfelt zulks?

2o. Door traagheid.

Ik weet wel, dat er ijverige en trouwe dienstboden zijn. Maar eveneens is mij bekend, dat er ook vele onder hen schuilen, die de luiheid in erfpacht schijnen te bezitten. Vergeet echter niet, waarde dienstboden, dat ge, wanneer ge door uwe luiheid en traagheid, datgene niet verricht, waartoe ge u verbonden hebt, de bedongen kost en het loon niet ver-dient en door het bedrog aan uwe overheid gepleegd, zondigt tegen het zevende gebod: »De werkman is zijn loon waard, maar de luiaard niets.quot; Er worden dan ook niet weinige dienstboden weggezonden om hunne luiheid, terwijl weer anderen van den eenen dienst in den anderen loopen, in de zoete hoop, daar minder werk of wellicht een dienst te vinden, waar ze

448

-ocr page 451-

de groote catechismus.

niets behoeven te doen clan te eten en te drinken en heer en juffer te spelen.

Zou in de traagheid Toor een groot gedeelte niet de oorzaak liggen, waarom men zoovele halfbakken bazen, meesters en naamhuisvrouwen aantreft? Den leertijd sleten ze in luiheid en vadsigheid, en later zelfstandig geworden, waren ze half klaar om baas te zijn, terwijl ze de luiheid en de verveling in den arbeid, als erfstukken medenamen in het huisgezin.

3quot;. Door de overheden te belasteren en kwaad van hen te spreken. Laten we hier eens in gemoede de vraag doen: Zijner wel goede huisvorsten? Wanneer men op de getuigenis der dienstboden alleen afgaat, dan is dat getal al zeer gering, want, wanneer men zoo nu en dan hunne gesprekken opvangt, dan blijft er niets goeds aan baas of vrouw. Ze vergeten het spreekwoord: »Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.quot; Zij alleen zijn de heilige onschuld en geen enkele smet, geen enkel gebrek kleeft op hen. Maar is dat een christelijk gedrag , is dat zich als huisgenooten beschouwen, en in den overste, Gods plaatsbekleeder erkennen en eeren? Dat huis-oversten ook hunne gebreken hebben, is geen geheim, maar daaruit volgt voor de onderdanen het recht Dog niet, om deze buiten de deur uit te meten. Het is en blijft kwaadspreken. En bleef het nog daarbij. Maar helaas! vele dienstboden maken zich aan laster schuldig, om hun vertrek ot hun klaagtoon een glimp van recht te geven. Zouden ze misschien denken, dat kwaadspreken en lasteren voor de dienstboden geen zonden zijn? Wanneer dienstboden om gewichtige redenen een anderen dienst zoeken, wie zal dat laken ? Soms is dat zelfs noodzakelijk; maar dan geen laster of kwaadspreken om den aftocht te dekken.

4°. Door hel goed der overheid te stelen.

Waarom stelen de dienstboden? In het algemeen of om hunne snoeplust bot te vieren, óf wel om het geld te verkwis-gr. cat. 29

449

-ocr page 452-

DK GUOOTE CATECHISMUS.

ten in opschik boven hun stand. Wie kan in onze dagen in de kleeding, de vrouw van de dienstmaagd onderscheiden! Waarlijk, het vrouwelijk dienstpersoneel heeft in de kleeding thans zulk eene vlucht genomen, dat de verstandige toeschouwer zegt: »Daar komt men niet eerlijk aan.quot; En komen dezulken eenmaal tot een huwelijk, dan .... ik zal maar zwijgen, waarde lezer! de slotsom ziet ge dagelijks wellicht voor uwe oogen, dan worden ze slavinnen en ongelukkige huisvrouwen. Laat de man dan maar verdienen, vuilheid en vadsigheid jagen welvaart en geluk buitenshuis. Het mannelijk dienstpersoneel laboreert aan dezelfde kwaal, dat is, geeft meer uit, heeft meer noodig dan men verdienen kan en ziedaar weer de brug gelegd om zijns meesters goed te nemen. Zijne kleeding, het biljardspel, het bezoeken van schouwburgen, danspartijen, koffiehuizen, enz., eiken avond langs de straat slenteren met een meisje, dat dan natuurlijk getrakteerd wordt, dat alles kan door het werkloon van den werkman niet bestreden worden en sterkt het vermoeden, dat er eene bron moet bestaan, waaruit onrechtvaardige inkomsten toevloeien, m. a. w., dat men moet stelen, om zoo iets vol te houden. — En nu de restitutie of teruggave van het onrechtvaardige goed. O, zoovele dienstboden komen tot het huwelijk, terwijl ze nog veel te herstellen hebben! De man wil het echter niet voor de vrouw en deze niet voor den man weten, maar al zouden ze het elkander ook openbaren, van het karige weekgeld kan niets gemist worden, en toch zal dat moeten, want »voor den onrechtvaardige is geen plaats in den hemel,quot; zegt de H. Augustinus. Oud geworden, ja op hun strefbed, ligt het onrechtvaardig pak nog zwaar op het geweten en ze sterven met den goeden wil, welken ze nooit getoond hebben, al was het dan maar geweest door eenige centen per week af te zonderen. En zoo komen ze voor Gods oordeel.

5°. Door de kinderen des huizes, die ze als broeders en zus-

450

-ocr page 453-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ters moesten beschouwen, kwaad te leeren en tot zonde te verleiden, of in hun bijzijn onzedelijke gesprekken te voeren of liedjes te zingen. O, bedenkt toch, dierbare dienstboden! zooals de nachtvorst den bloesem der boomen doet verwelken, zoo ook is één enkel woord in staat de teedere kiemen en de bloesems der onschuld te verzengen en te verflensen. Zou het niet waar zijn, dat vele kinderen bedorven worden door slechte dienstboden, die op huune beurt weder anderen bederven? Moet dat de dank zijn voor kost en loon door de ouders der kinderen hun verstrekt ? Toont u dan dankkaar, dierbare dienstboden! en geeft den kinderen uwer huisoversten een goed voorbeeld in plaats van hen te bederven. En mocht ge iets aan de kinderen opmerken, dat met eene goede opvoeding of de deugd in strijd is, brengt dat terstond ter kennis van de ouders, opdat zi] afdoende maatregelen daartegen kunnen nemen ; want, doet ge dat niet, dan maakt ge u aan vreemde zonde schuldig. Vergeet nooit het »wee,quot; dat de Heiland over de ergernisgevers heeft uitgesproken en het loon, dat hen wacht, die aan de zaligheid van anderen hebben medegewerkt.

6°. Ten laatste zondigen de dienstboden tegen het vierde ge ■ bod, door aalmoezen te geven van hum meesters goed, buiten diens weten of hunne toestemming. Aalmoezen geven, op zich zelf goed, en voor eenigen verplichting, wordt in dit geval diefstal. Stelen toch, om daarmede wel te doen, kan in geen geval geoorloofd zijn, dat blijft diefstal. Wat ik daar zeide, ziet niet alleen op het wegnemen van geld, om dat als aalmoes uit te geven, maar ook op oude kleeren, overgeschoten eten, enz. Dienstboden, die in de steden dienen, maken zich niet zelden aan dit laatste vergrijp schuldig, en zij, die er van genieten, zijn in den regel hunne ouders, maar vooral vrijers, arbeiders en werkvrouwen. Door deze laatste wordt hun dan uit erkentelijkheid vrije toegang in hunne huizen toegestaan,

451

-ocr page 454-

DE GROOïE CATECHISMUS.

waar de dienstboden, bij bet doen van boodschappen, op vrije dagen of avonden met vrijer of vrijster eene welkome opname vinden. Hoor eens, wnt de H. Panluszegt: »Den knechts (en den dienstmaagden) vermaan ik, dat zij hunnen meesters onderdanig zijn, hun niets ontnemen, maar zich in alles volkomen trouiu betoonen.quot; Tit. 2, 9, 10.

Meen nu echter niet, dat alle dienstboden over een en dezelfde kam moeten geschoren worden. Neen, er zijn, God zij lof! ook velen onder hen, die hun stand en hunne verplichtingen zeer goed begrijpen en daarnaar hun gedrag inrichten, zoodat ze jaren achtereen tevreden in dezelfde betrekking doorbrengen, waarover hun dikwijls in couranten en dagbladen door hunne meesters dank betuigd wordt. In Duitschland bestaat eene ridderorde of orde van verdiensten voor hen, die vijf-en-twintig jaren en langer in eene en dezelfde betrekking doorbrengen, welke door de Keizerin zelve, aan de betrokken personen, overhandigd wordt. Tracht allen dien dank, die orde te verdienen, maar denk voor alles aan \'t loon, dat trouwe en brave dienstboden in den hemel is weggelegd. Voorbeelden van trouwe dienstboden zijn; »E!eazar, de knecht van Abraham; Jakob bij Laban ; Jozef in het huis van Putiphar, enz.quot;

117. Welke verplichting hebben wij jegens de geestelijke overheden te vervullen ?

1°. Om hunne waardigheid moeten we hun eerbied en om het ambt, dat ze bekleeden, trouw bewijzen; want »hij, die de dienaars van God, de uitdeelers Zijner geheimen veracht, veracht den Zoon Gods en Dengene, die Hem gezonden heeft.quot; Luc. 10. Maar;

2°. Moeten wij ons ook aan hunne bevelen onderwerpen. ■»Gehoorzaam uwen (geestelijken) overheden en ivees hun onderdanig, want ze ivaken over uwe zielen als dezulken, die

452

-ocr page 455-

DE GROOTE CATECHISMUS.

rekenschap zullen geven, opdat zij dit met vreugde doen en niet met zuchten; dat toch zou u niet voordeelig zijn.quot; Heb. 13, 17. Hoe gedragen zich vele christenen in dit opzicht?

3U. Moeten wij voor hen bidden, bijzonder ten tijde van vervolging. Daartoe vermaant ons weder de H. Paulus, Eph. 6. 18-19. »Bid, ten allen tijde met alle gebeden en smeekingen in den Geest en waakt daartoe met alle volharding en voorheden voor alle heiligen en voor mij, opdat mij het woord, hij de opening van mijnen mond gegeven worde.quot; Dat hierbij de Paus en de Bisschop van \'t Bisdom, waartoe men behoort, en vervolgens de eigen parochie-geestelijken de eerste plaats moeten innemen, begrijpt ieder.

4°. Eindelijk is het plicht naar vermogen en voorschrifteu, voor \'tonderhoud der geestelijken te zorgen; want, aldusspreekt de H. Paulus 1 Cor. 9, 13: »De Heer heeft de verordening gemaakt voor hen, die het Evangelie verkondigen, dat ze van het Evangelie ook leven.quot; En op eene andere plaats: »Die het altaar bedient, moet er ook van leven.quot; (Vgl. verder bet Sacrament des Priesterschaps.)

118. Hoe zondigt men tegen deze verplichting?

i0. Door de geestelijke overheden te verachten, hunne ivoorden en daden te beknibbelen, door kwaad van hen te spreken, of hen te belasteren, hunne goede bedoeling te verdenken en zoo hun aanzien, hunne achting en hun arbeid te verzwakken.

Wie zal de zonden tellen, die in dat opzicht, tegen de geestelijken bedreven worden; en welke zonde wordt in onzen bedorven tijd minder geteld dan die van kwaadspreken en laster tegen de geestelijkheid? Om een allerslechtst gedrag, b.v. het niet voldoen aan den paaschplicht, te vergoelijken, wordt de pastoor of de kapelaan over den hekel gehasdd en de schuld op hen geladen.

2°. Door weerspannigheid tegen hunne bevelen en besluiten, betreffende geloofszaken of verorderingen met betrekking tot

453

-ocr page 456-

DE «ROOTE CATECHISMUS.

godsdienstoefeningen of kerkelijke tucht. — Zoo is het. Men-schen, die somtijds niet in staat zijn, hunne eigen zaken recht te houden, bemoeien zich gaarne met en kanten zich aan tegen alles, wat de geestelijke overheid, vooral de pastoor, belieft te verordenen. Waarom? Wellicht om het heilloos genoegen te smaken voor geleerd, of wel voor een verlicht mensch gehouden te worden, die den priester aan durft. En wonder genoeg, die menschen vinden partijgenooten, die met henééne lijn tegen de geestelijken trekken, en zeker de daden en woorden niet zouden afkeuren, tegen de geestelijkheid gericht, wanneer deze, tegen een eenvoudigen leek gericht werden. Zoo woekert het onkruid, zelfs in de harten der naam-katholieken, weliger voort, dan de tarwe op het veld. Inderdaad, de moderne tijdgeest is in hen gevaren en zij tooneu zich trouwe bondgenooten van hen, die het er op aanleggen, de Kerk van Christus, hunne eigene Moeder, met smaad en schande te overladen en desnoods van de wereld te vagen. Dagelijks zuigen ze meer gift en afgekeerdheid uit liberale en moderne couranten en dagbladen, en in hunne onnoozelheid begrijpen ze niet, dat door de priesters te treffen, de weerslag noodzakelijk op de Kerk zelve moet terugvallen. Men moet die pochers in gezelschappen en koffiehuizen eens hooren raaskallen over de Kerk en hare bedienaren, waarin ze tehuis zijn als een smid in het banket-bakken; want doet hun eens de catechismus-vraag; » Waartoe heeft God den mensch geschapen,quot; dan staan ze met den mond vol tanden, en zien verlegen om zich heen. En zoo blijkt, dat die geleerde lui nog min -der weten dau een kind op de banken.

Op een deftige partij begon een priestervreter, een echte naam-katholiek, te raaskallen over kerk en godsdienst, over priesterdwang en domperij. Toen hij zijn geleerdheid had uitgekraamd, stond een jonge dame op en zeide: »Mijnheer, ik begrijp niet, dat u, die zoo geleerd en verlicht schijnt, deel

454

-ocr page 457-

DE GROOTK CATECHISMUS.

wilt uitmaken van een gezelschap dompers en sukkels in het godsdienstige. Ik voor mij, die godsdienst en priesters hoogacht, vind mij in het gezelschap van zulk een ontwikkeld man, als gij zijt, volstrekt niet op mijn gemak en daarom zal ik het verlaten ; en zij ging heen. Of die bluffer zich later nogmaals aan haar waagde, vernam ik niet. Volg haar na en bluft de bluffers.

3°. Door weigering der benoodigde en veischiddigde hijdra-gen, tot onderhoud en ter verzorging van den openharen godsdienst en der priesters. — Die den wijnberg verzorgt en onderhoudt, li. ag er ook van eten; een goed bode verdient ook zijn loon, en zooals we boven zagen, de evangelie- en altaarbedienaars moeten van \'t evangelie en het akaar leven. Hoevelen hebben niet hun geheele vermogen of een groot gedeelte daarvan opgeofferd, om als priester voor de menschen te kunnen arbeiden. Anderen werden bedelaars om de noodige fondsen daartoe te verkrijgen en ■— wij zouden weigeren om bij te dragen in hun onderhoud! Toch is het waar, dat vele gemeenten te kort schieten aan die verplichting, ja zelfs, die vrijwillig toegezegde bijdragen, bij gelegenheid van de oprichting der gemeente of bij vermeerdering der parochie-geestelijken weigeren te voldoen. De maatregelen, welke de Kerk neemt, om dezulken tot hun plicht te brengen, zijn in den regel dan ook streng; want de parochie-geestelijke moet toch, volgens zijn stand leven en dat gaat niet zonder middelen. (Zie het zesde H. Sacrament.)

De zonde tegen de geestelijke overheden bedreven, behoo-ren tot de grootste misstappen; want, die Gods dienaren veracht en beleedigt, veracht en beleedigt God zelf. »Die u veracht,quot; zegt de Zaligmaker, »veracht Mij.quot; Het hoogste goed, dat de mensch bezit, is de priester, die hem van af de wieg tot aan het graf tot gids en leidsman op den weg des hemels dient. En als alles en allen ons verlaten, de priester blijft

455

-ocr page 458-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ons bij. Derhalve, die tegen liem opstaat, versmaadt niet een vreemd menscli, maar zijn grootsten vriend en weldoener en God zelf, zegt de H. Ignatius. »Wee den priestervervolgers! Ze bewandelen den weg van Cain en gaan te gronde,quot; zegt de Apostel Jacobus.

119. Welke plichten moeten de onderdanen tegen de burgerlijke overheden in acht nemen ?

1°. Zij moeten den burgerlijken overheden achting, trouw en gehoorzaamheid bewijzen, en liever alles verdragen dan oproer stichten.

2°. De verschuldige belastingen betalen, zonder welke de Staat zijne verplichtingen tegenover de onderdanen niet kan volbrengen.

3°. Den Staat in tijd van nood bijstaan en met goed en bloed tegen de vijanden des vaderlands verdedigen. Beschouwen wij deze drie plichten wat van naderbij.

1°. Zonder burgerlijke overheid is het bestaan van den Staat onmogelijk. Zij is de band, waardoor de welvaart van een land wordt verkregen en onderhouden. Wordt deze baud verbroken, dan moet alles noodzakelijk ineenstorten, zooals een gebouw in puin valt, wanneer men het van fundament, ankers en spijkers berooft, of wel, zooals een vat uiteenvalt, wanneer men er de hoepels tifslaat. God zelf heeft deze orde voor den Staat bepaald en Zijn gezag op den Staat overgedragen, en deze weder op zijne verschillende ambtenaren. »Een ieder onderwerpe zich aan het gezag der overheden, want er bestaat geen gezag dan uit God en wat bestaat, heeft Hij verordend,quot; aldus staat er geschreven. Wie dus de burgerlijke overheid weerstaat, verzet zich tegen Gods voorschriften; en wie God weerstaat, trekt de verdoemenis over zich. Het is derhalve onze plicht onderdanen te zijn, niet uit vrees voor dreigende straffen, maar uit overtuiging en plichtbesef »Geef

456

-ocr page 459-

DE GROOTE CATECHISMUS.

dus een ieder, wat gij schuldig zijt, belasting als belasting, tal als tal, eerbied, wanneer er eerbied gevraagd wordt.quot; Rom. 13, 1—7. Immers, wanneer de overheid, die hare maeht van God ontvangen heeft, in Gods plaats beveelt, dan ook moeten wij haar als plaatsbekleedster van God eerbied en achting bewijzen; dan moeten wii den rijksvorst eu hen, die in zijn naam ons bevelen, eerbied en achting toedragen, en zedelijk en stoffelijk er toe bijdragen, dat ze hun ambt naar Gods wil en tot heil der onderdanen kunnen uitoefenen, eu daarom moet ieder voor zich een voorbeeld van onderworpenheid eu gehoorzaamheid geven.

2°. Daar de Staat voor de handhaving van rust en orde, van recht en gerechtigheid en ter bevordering van burgerlijke welvaart lieden noudig heeft, die bezoldigd moeten worden, volgt als van zelf, dat hij fondsen of geld behoeft, en wij derhalve gehouden zijn, deze op te brengen. In onzen tijd hoort men niet zelden de vraag opwerpen: Wat doen we met overheden ? Waren ze er niet, dan behoefden we ook geen belasting te betalen, enz. Die menschen zouden wel anders spreken, als ze een tijdlang zonder overheid leven moesten. Dan deed immers een ieder, wat hij wilde en de sterkste was dan de baas en dus overheid door zijne meerdere kracht. Komt nu echter iemand, die sterker is dan gij, om uwe goederen of uw geld te nemen, dan treedt de overheid tusschenbeiden om uwe rechten staande te houden en uw eigendom te beschutten, Als er nu geen overheid bestond, wie zou u dan helpen en beschermen? Hetzelfde is te zeggen, als iemand ons wil mishandelen of wel mishandeld, geslagen of gewond heeft. Wie is dan onze wreeker? Wie beschut dus het leven en eiffen-

o

dom der burgers? Bovendien hebben wij overheden noodig, die ons de vrijheid van godsdienst verzekeren en waken tegen stoornis en belemmering(?)

3°. Eindelijk zijn wij schuldig, het vaderland en de recht-

457

-ocr page 460-

DK GROOTE CATECHISMUS.

matige overheden met goed en bloed (als wij kunnen en geroepen worden) tegen zijne vijanden te verdedigen. Tot dat einde bestaat er eene wet van krijgs- en dienstplicbt, waardoor bij het lot bepaald wordt, wie als soldaten moeten opgeleid werden, om in tijd van nood gereed te zijn den vijand te weerstaan. Daarom is het verboden, zich door ongeoorloofde middelen, b.v. door omkooping, door schending van een lichaamsdeel, enz. daaraan te onttrekken, te meer, dewijl daardoor een ander, die wellicht vrijstelling bezat, gedwongen wordt, onze plaats in te nemen.

120. Hoe zondigt men tegen deze verjjlichtingen ?

1°. Ais men hen haat en veracht in woord en in daad en hen helastert. Met den schuldigen eerbied op-, en aanmerkingen maken over verordeningen en wetgeving is nog geen zonde, maar wel is het verboden, onbeschaamd en ruw onder schimp- en scheldwoorden de wetten en hare uitvoerders af te keuren, te lasteren en door het slijk te sleuren. Bij die menschen deugt geen enkele wet of verordening en zij, die aan de uitvoering de hand moeten houden, worden als oplichters en schelmen gebrandmerkt. Dat zulke lieden groote schade aan de maatschappij berokkenen, begrijpt iedereen; want zij rooven de achting en den eerbied, voor een ambtenaar zoo onontbeerlijk en slepen door hunne lastertaal velen mede in hun haat en hunne verachting tegen de overheden. Dat zijn eigenlijk menschen, die gaarne zonder wetten zouden leven en ware apostelen van

2°. oproer en verzet, iets, wat verder in het vierde gebod verboden wordt. Door verzet zondigt hij, die weigert een bevel der overheid te volbrengen of zich tegen ambtenaren van den staat persoonlijk te weer stelt. Oproerlingen zijn zij, die den overheden volstrekt alle gehoorzaamheid weigeren en

o O

trachten, hen met geweld van wapenen te verdrijven en af te zetten. Het morren des volks legen de overheid is inderdaad

458

-ocr page 461-

DE GKOOTK OAThCHISMUS.

morren tegen God, die het gezag heeft ingesteld en daarom dat morren en dien opstand ook altijd strafte. Waarlijk, zij zijn niet te vertrouwen, die tegen de overheid opstaan; zij werpen zich op als redders der menschheid en der maatschappelijke orde en arbeiden rusteloos aan hun ondergang. Met den godsdienst hebben zij reeds lang gebroken, omdat deze hun gedrag veroordeelt. Door oproer en wanorde trachten zij zich uit hun »uietquot; op te beuren en zich eene goede positie en rijkdommen te veroveren. Het is door hun toedoen, dat soms provinciën, ja, geheele rijken door den geest des burgeroorlogs getroffen, honderden uit het land verbannen worden, dat duizenden have en goed verliezen, met één woord, dat ontelbare rampen en ellende over de volkereu komen. Zoo is het. De menigte wordt door die volksmenners als brug gebruikt, om zich zeiven naar boven te werken. En hoe die menschen ook genoemd worden, communisten, socialisten, internationalen, enz., allen hebben hetzelfde doel, allen willen afbreken en missen de materialen om iets beters op te bouwen. Sluit u dus nooit aan bij die ongeluksprofeten; want hunne leer is verderfelijk, hun gedrag strafbaar. En slaat eenmaal, volgens hunne profetie, het verlossingsuur, d. i. breekt de door hen in \'t leven geroepen revolutie uit, dan zijn het juist de volksleiders, die het eerst hun heil in de vlucht zoeken, terwijl ze het volk als honden laten doodschieten, en door bet medenemen der kas hebben zij in de toekomst een brood over.

3°. Hoe men kan zondigen tegen den plicht van den krijgsdienst; vgl. vr. 118.

Wanneer ongeoorloojda zaken geboden worden aan kinderen of onderdanen, dan mogen zij niet gehoorzamen, want God moet uien meer gehoorzamen dan de menschen. De Koning van Babyion gebood den drie Israëlitischen jongens zijne beeltenis te aanbidden, doch zij weigerden, omdat het eerste gebod zulks verbood. De Joodsche raad verbood den

459

-ocr page 462-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Apostelen, om Jesus leer te verkondigen. De H. Dula, dienstbaar bij een officier, werd door den wellusteling vermoord, omdat ze weigerde aan zijne onzuivere lusten te voldoen.

121. Wat gebiedt het vierde gebod den kinderen tegenover hunne leermeesters ?

Dat zij hun, evenals hunne ouders, wier plaats ze bekleeden, eerbied, liefde en gehoorzaamheid bewijzen.

De ouders vertrouwen de kmderen aan de onderwijzers toe, om van hen datgene te leeren, waartoe ze zelf niet in staat zijn; zij moeten dus de ouders helpen, om u, kinderen! tot menschen te vormen, die niet slechts iets weten en verstaan, maar later ook zelfstandig en christelijk weten te leven; zij moeten u helpen vormen tot maatschappelijke en christelijke menschen. Dat zulks den onderwijzer veel moeite en lasten kost, wie zal dat betwijfelen en daarom heeft hij, veel, zeer veel recht op de dankbaarheid der kinderen. Vandaar moet gij uwe onderwijzers eeren, ben steeds vriendelijk en voorkomend behandelen, hun nooit barsch en trotsch antwoord geven; door vlijt en leerzaamheid hun arbeid beloonen en het werk, dat ze u opgeven, gewillig en stipt afmaken. En moeten zij u soms straffen, dan moogt gij u nooit daartegen verzetten, ook niet schelden, enz., maar deuken, ik heb het verdiend en zal mij in de toekomst beteren.

Zooals wij zagen en weten, vinden de ouders in de opvoeding hunner kinderen hulp bij de onderwijzers, en het is dus niet meer dan billijk, dat de onderwijzers in hunne taak tevens op den bijstand der ouders aanspraak maken. Vele ouders begrijpen dat, en zijn inderdaad de steun van \'s meesters taak, door steeds zijne lijn te trekken tegen den overmoed der jeugd, en op de klaagtonen hunner kinderen tegen den on-

460

-ocr page 463-

DE GROOTE CATECHISMUS.

derwijzer antwoorden, met terech wij zing of kastijding. Die kinderen behouden zoo hun ontzag voor den onderwijzer, van hen Iran iets te recht komen, ze zullen hun best blijven doen en de achting en den goeden wil des onderwijzers, om alles van hen te maken, wat mogelijk is, niet verbeuren. Doch helaas! zoo zijn niet alle ouders. De geringste klacht des kinds tegen den onderwijzer is soms voldoende om als ra-zenden tegen hem uit te varen iu het bijzijn van den braven (?) jongen of het lieve (?) meisje, die daardoor voet krijgen en klacht op klacht stapelen, ja zelfs, tot lastertaal hunne toevlucht nemen, om, door hunne ouders gesterkt, den onderwijzer, voor wien ze acliting en eerbied veiloren lieb-ben, bet leven ondraaglijk te maken. Brutale boodschappen worden den kinderen medegegeven, die op straat reeds verteld zijn, alvorens de onderwijzer ze ontvangt; brieven worden aan zijn adres gericht, welke men aan geen scholier zou ricbten en ten laatste worden tot slot, de kinderen van de school weggenomen. En wat zijn dat nu voor lieve kinderen? Dat zijn kinderen, waarmede de ouders te huis zelf geen recht kunnen schieten, die den ouders, zoowel als den onderwijzers, alles wat hen voor den mond komt, durven zeggen; dat zijn of worden bedorven kinderen, waarvan niets goeds te recht komt. Ja, we mogen hier wel verzuchten, wat zal het losbandig en brutale schoolgeslacht van onzen tijd, ons nog baren? En dat zulke gevallen ook voorkomen op katholieke, bijzondere scholen, is, wij moeten het bekennen, geen zeldzaamheid. Wij wenschen dien ontaarden ouders en kinderen van harte beterschap en geven hun een voorbeeld, ter navolging.

Een onderwijzer werd ernstig ziek. De schoolkinderen verzochten terstond den pastoor, na de H. Mis voor zijne genezing te bidden; zij baden ook gezamenlijk tot dat einde, den H. Kruisweg, lieten voor hunne spaarpenningen voor Maria,

461

-ocr page 464-

DE GROOTE CATECHISMUS.

de Moeder van bijstand, kaarsen opsteken en gaven bovendien den edelen man nog veis stoffelijke blijken van belangstelling. De burgers der gemeente waren daardoor diep getroffen en zeiden: »De hartelijke gebeden van zooveel onsclinl-dige kinderen moet God wel verhooren!quot; En ze werden ook verhoord; want na korten tijd was de ouderwijzer weder in staat zijne lessen te hervatten.

122. Wat zijn de plichten der jeugd tegenover de ouderen van dagen ?

al De ouderdom was en is nog altijd eerbiedwaardig, al heeft hij ook mindere uitwendige voorrechten dan de bloeiende jeugd. Inwendig bezit hij veel meer, zooals de oude munt gewoonlijk van beter gehalte is dan de nieuwe. Veel hebben oude menschen door ondervinding geleerd, waarvan de jeugd nog geheel onkundig is, zij staan dichter bij de eeuwigheid en des menschen bestemming, en daarom past het, de grijsaards met achting te bejegenen, naar hun goeden raad te luisteren en zooveel doenlijk de gebreken en de zwakheden des ouderdoms te verdragen en te verlichten. Wacht u vooral, oude menschen te bespotten, uit te lachen of na te roepen, opdat u tot straf op uw ouden dag niet hetzelfde wedervare! Voldoe aan het woord der H. Schrift, dat zegt: »Sla op voor een grijs houjd en eer den grijsaard.quot; 3 Moz, 19, 32.

hj De jongere kinderen moeten aan de oudere gewillig gehoorzamen, als zij hun iets gebieden of verbieden in omstandigheden, waarin hun wil de wil der ouders is, en onder dezelfde beperking der gehoorzaamheid als bij de ouders; en de oudere kinderen moeten de jongere door een goed voorbeeld voorgaan, en zoo de ouders in de opvoeding ter zijde staan; zij moeten de kleinere leeren bidden, van het kwaad afhouden en de ouders op hunne fouten attent maken.

c] Moeten de kinderen tegenover de dienstboden zich vriendelijk gedragen. Het zijn de ondergeschikten uwer ouders en

462

-ocr page 465-

DE GROOTE CATECHISMUS.

niet de uwen, vandaar hebt gij hun niets te bevelen. Brave ouders willen, dat zij op u letten en gij bun welwillend gezind zijt en, naargelang van omstandigheden, zelfs gehoorzaamt. Nooit moogt gij hen barsch of met verachting behandelen, hen beschimpen, schelden of slaan, enz. Voor God zijn ze wellicht meer dan gij, en door hen te beleedigen, wordt God zelf beleedigd. Mochten zij u echter tot kwaad aansporen of, ziet en hoort ge iets van hen, dat kwaad is, dan ook zijt ge verplicht, dat aan uwe ouders te zeggen. — Kinderen! verlicht dan zooveel mogelijk de taak der dienstboden, door hen goedig te behandelen; verzoekt voor hen nu en dan eene weldaad bij uwe ouders; vraagt steeds hun dienst niet gebiedend, maar verzoekend, en gij zult door hen, evenals de H. Aloysius, als een huisengel vereerd en bemind worden.

VERVOLG VAN HET VIERDE GEBOD.

123. Welke plichten hebben de ouders jegens hunne kinderen te vervullen ?

De ouders zijn verplicht hun geestelijk en tijdelijk welzijn te behartigen en met de hun ten dienste staande middelen te bevorderen

Hun eerste en heiligste plicht is, hunne kinderen voor God en het eeuwig leven op te voeden en daarom moeten zij hen: 1°. in dm katholieken godsdienst onderrichten en doen onderrichten, en hen reeds vroegtijdig tot deugd en godsvrucht opwekken. Zooals de zielzorgers de kinderen in de kerk onderwijzen en vermanen, zoo ook moeten de ouders dat tehuis doen. »Gij, ouders! zijt de Apostelen (en leeraars) uwer kinderen. üw huis is de kerk. En als wij priesters, hunne zielen

463

-ocr page 466-

DE GROOTE CATECHISMUS.

moeten bewaken en van hen rekenschap moeten afleggen, hoeveel te meer gij dan, ouders! wien de opvoeding uwer kinderen bijzonder is aanbevolen en in wier huis God hen van hunne prille jeugd plaatste, opdat gij hen des te beter zoudt kunnen leiden en besturen,quot; (H. Ambrosius.) En de H. Paulus roept den ouders toe, Eph. 6, 4. » Gij, ouders! moet uwe kinderen in de leer en de lucht des Heeren opvoeden.quot; Wat zouden de ouders voor hunne kinderen ook nuttiger of beter kunnen doen dan hun dagelijks afschuw van de boosheid eii liefde voor de deugd in te boezemen, waaraan toch hun geluk voor tijd en eeuwigheid verbonden is. De kinderen zijn immers als uurwerken en blijven staan, wanneer ze niet dagelijks worden opgewonden, d. i. wanneer een kind niet onophoudelijk tot de deugd aangespoord en de afschuwelijkheid van de zonde wordt ingeprent, dan blijft het staan op den weg der deugd; en blijven staan, is achteruitgaan. Vandaar ook het verschijnsel, dat ouders, die onverschillig in geloof en zeden zijn, onverschillige en godsdienstlooze kinderen opvoeden; zooals de boom, zoo de vrucht. Tot schande van sommige ouders moet gezegd worden, dat men bij de catechismus-lessen somtijds kinderen aantreft van zeven of acht jaren, die niet in staat zijn een »Onze Vader,quot; veel minder de akten van Geloof, Hoop en Liefde te bidden.

Waarde moeders! wat zalig gevoel moet zich van u meester maken, als gij uw lieve kleintjes op uw schoot of om u neergehurkt, naast de lieve namen »vaderquot; en »moederquot;, de zoete namen »Jesus, Maria en Jozefquot; leert stamelen. Dat is een gezang, hetwelk de engelen met bewondering aanhooren en medezingen. Wat zalige voldoening, waarde vaders! wanneer gij merkt, dat uw bestraffend of leerend woord uwe kleine lievelingen van het kwaad teruo-houdt! Be-

O O

grijpt dan ouders! het groote nut en gewicht, dat voor uwe kinderen in het godsdienstig onderricht ligt opgesloten. Leert

464

-ocr page 467-

de groote catechismus.

hen zelf en zorgt, dat ze voor alles stipt de catechismus-lessen bijwonen, waarin datgene wordt aangevuld, wat gij in dit opzicht niet kunt geven. Godsdienst-onderricht moet voor schoolonderricht gaan; want het laatste ontwikkelt het verstand en maakt burgers; het eerste bewerkt de ziel en maakt hemellingen.

2°. De ouders moeten hunnen kinderen een goed voorbeeld geven. »De werken der ouders zijn de boeken, waaruit de kinderen leeren,quot; zegt de H. Crysostomus. En de H. Cyprianus schrijft: »De werken hebben ook hunne tong en overreden veel meer dan de mond; daarom zullen de kinderen altijd meer acht geven op hetgeen gij doet, dan op hetgeen gij zegt!quot; »Het goede voorbeeld der ouders is inderdaad de beste catechismus voor de kinderen, de schoonste spiegel en de aantrekkelijkste schilderij in huis,quot; zegt Sailer. Niet altijd, maar toch dikwijls kan men uit de fouten en gebreken der kinderen de ouders leeren kennen; want de appel valt niet verre van den boom. Neen, het is geen wonder, dat twistende, vloekende en drinkende ouders, kinderen opvoeden zooals zij zijn, dat ouders, die onverschillig zijn in godsdienstzaken, gods-dienstlooze kinderen zullen vormen, zooals we boven reeds zagen, en dat kinderen, wier vader zijne zaken en wier moeder de huishouding verwaarloost, later ook slechte huisvaders en huismoeders zullen zijn. Ja, ouders! juist zooals gij zijt, zullen in den regel uwe kinderen worden en daarom zijt ge ook gehouden, als ge hen oprecht bemint en hun geluk u ter harte gaat, zooals ik veronderstel, hun zoowel iu het stoffelijke als in \'t geestelijke een goed voorbeeld te geven. gt;Zeg mij, wat de kinderen zijn en ik zal zeggen, wat hunne ouders zijn,quot; zegt zeker schrijver, en dat is in den regel waar.

3°. De ouders moeten hunne kinderen tegen de verleiding vrijwaren en in bescherming nemen. In onze dagen is dat

or. cat. 30

4g5

-ocr page 468-

DE GROOTE CATECHISMUS.

vooral de plicht der ouders, nu de bedorven wereldgeest alles aanwendt om zijn pestadem reeds vroegtijdig in de jeugdige harten te storten ; daarom moeten zij dag en nacht waakzaam zijn om elk gevaar van hunne lievelingen te weren en vooral toezien, waar en met loien de kinderen verkeeren, op welke scholen en werkplaatsen zij geplaatst zijn. Hier roep ik den ouders toe, slaat een blik terug op uw jeugdigen leeftijd en houdt uwe kinderen van de gevaren en de gelegenheden terug, welke ge zelf ondervonden en waarin ge wellicht schipbreuk naar de ziel hebt geleden. Eén slechte kameraad, één enkel slecht boek, het bijwonen van één gezelschap, ééne slechte dienstbode brengt uwe kinderen immers op den breeden weg, waarvan de Heiland zegt, dat hij voert tot het eeuwig verderf. Helaas! vele ouders hebben oogen en zien niets, ooren en hooren niets. Het zijn slapende wachters, die God in Zijne plaats aanstelde om Zijn eigendom, hunne kinderen, tegen het bederf te vrijwaren. De vader slaapt en is schuld, dat zijn zoon, door het bezoeken van gevaarlijke plaatsen en den omgang met slechte menschen, den zedelijken dood sterft; de moeder slaapt, terwijl hare dochter het hagelwitte kleed der onschuld verliest en alle gevoel van zedelijkheid en kuisch-heid afschudt. In hun eigen huis rooven godvergeten dienstboden de onschuld hunner kinderen, leeren hun het kwaad, vermoorden hen zedelijk en de ouders slapen alsof er geen diefstal, geen moord plaats had. »Ze hebben den leeftijd en zullen in geen zeven slooten tegelijk loopen;quot; dat is de onbesuisde tegenwerping, die sommige ouders maken als men hen wijst op het te kort schieten aan hunne zware verplichting. Neen, zeker niet in zeven slooten tegelijk, maar wel in één, die diep genoeg is om er zedelijk in te verdrinken. Waakt-dan dag en nacht, door deuren en vensters, in huis en op straiat en denkt, de gevaren van mijn jeugdig leven bestaan

ook voor mijn kind.

08

466

-ocr page 469-

DE GliOOTK CATECHISMUS.

467

\'1°. De ouders moeten de fouten en gebreken hunner kinderen met christelijke liefde bestraffen. Die van deu rechten weg afwijkt, roept men toe, om hem opmerkzaam te maken. Men roept met meer klem en nadruk, wanneer hij zich reeds in de nabijheid van een afgrond bevindt, en hoort hij dan nog niet, dan rukt men hem met geweld terug. Dat nu is de plicht der ouders, wanneer ze zien, dat hunne kinderen den weg des vorderfs inslaan en dea afgrond der zoude tegemoet ijlen. Eerst vermanen; helpt dat niet. dan met meer nadruk aandringen op verbeiering, en mocht ook dit niet helpen, dan geweld gebruiken en met roeden tuchtigen. »De ouders zondigen zwaar, wanneer ze hunne kinderen door straffen van de zondige wegen afhouden of op den weg der deugd terugvoeren kunnen, en het niet doen,quot; aldus schrijft de H. Thomas van Aquino en hij voegt er bij: »Vervloekt zij hij, die de bestraffing niet uitoefent, waartoe hij door zijn ambt (als ouder) gehouden is.quot; De knaap, wien men zijn wil laat, brengt schande over zijne moederquot;, zegt de H. Schrift. Ja, het kind dat men zonder berisping of straf, melk of een stukje koek laat stelen, zal later de geheele koek en trommels vol nemen; het kind, dat zich kleine brutale antwoorden tegen zijne ouders veroorlooft, zonder gestraft te worden, zal hen later op scheldwoorden en verwenschingen onthalen; het kind, dat zonder bestraffing kleine vloekwoorden uitsbraakt, wordt later een groot vloeker; het kind, dat men toelaat, straffeloos, kleine onzedige handelingen te doen of onzedelijke woorden te spreken, zeggend, shet is nog maar een kind,quot; wordt later zonder twijfel een vuil en onzedelijk mensch, en dat door de schuld der ouders! Terecht vermaant de II. Schrift: »Bespaar uwen kinderen de tuchtiging niet. Slaat ge met de roede, uw kind zal dan niet sterven, (niet slecht worden, en verloren gaan.] »Die de roede spaart, haat zijn kind.quot; »Ach! hadden mijne ouders mij vroegtijdig gestraft, ik zou

-ocr page 470-

\'de groote catechismus.

niet zoo diep bedorven en ongelukkig zijn geworden,quot; hoorde ik zoo vaak zeggen.

Die bestraffing moet echter met christelijke liefde geschieden en niet vergezeld gaan van zondigen toorn, vloek- en scheldwoorden, want de ouders zijn niet de beulen hunner kinderen; door de strenge tucht heen moet de zoete kracht der ouderliefde schitteren. Dat de bestraffing dikwijls zoo weinig invloed heeft op \'t kind, ligt vaak aan het lakenswaardig gedrag der ouders, die den geheelen dag soms niet anders doen dan schelden, verwenschen, stompen en slaan, en ten laatste door de kinderen in het gezicht worden uitgelachen. Gij zegt, wanneer ik kalm ben, kan ik niet bestraflen! Straf dan nooit, want het werkt niet anders uit, dan uwe kinderen koppig en barsch te maken en uwe opvliegendheid en razernij te doen overnemen. Maar uw woord is onwaar; ge moest zeggen, als ik kalm ben, heb ik geen zin om te straffen. Daarbij, met kalmte straffen is juist niet gevoelloos straffen, maar zijn gevoel zóó bedwingen, dat de straf gematigd en verstandig zij.

»Mijn kind is reeds zoo groot, acht mijne vermaningen niet meer eu laat zich ook niet bestraffenquot;, zegt hier deze of gene vader en moeder. Dit is eene verontschuldiging, waarop de H. Aug. aanmerkt: »Gij hebt slechts uw plicht te doen! Of uwe vermaningen ingang zullen vinden of niet, dat moet ge aan God overlaten. De boosheid des kinds mag nooit oorzaak zijn, dat men zjjn ouderlijk gezag verloochent.quot;

Doch verondersteld, dat men volwassen kinderen, die nog onder het ouderlijk gezag staan, niet meer kan doen gehoorzamen, waarom maakt men hen, nog klein zijnde, dan niet gehoorzaam ? Dat is de kwaal, waaraan de meeste ouders laboreeren ja erg ziek zijn. Ze willen de lieve kleinen of geen leed doen of ze besparen hun straf, uit aanmerking van hun onverstand en hunne jeugd. Dan zegt men, wat zal ik hen

468

-ocr page 471-

DE GROOTE CATECHISMUS.

bestrafien; ze weten nog niet, wat ze doen; wanneer ze groo-ter worden, zullen ze vaa zelfs wel anders doen.quot; Hoort ge het, ouders? Nu zegt ge, »als de kinderen grooter worden, zullen ze van zelf wel beter inzien; thans is het nog te vroeg!quot; En als ze volwassen zijn, dan zegt ge van hen, »het is te laat, de kinderen zijn te groot en den stok ontwassen. »Dat nooit,quot; zeide een goed vader, toen hij zijn zoon, insgelijks vader, tevergeefs gebood te zwijgen, en hem toen met stokslagen daartoe dwong, zllebt gij dan kinderen, onderricht en buigt hen in de eerste jaren hunner jeugdquot; zegt de H. Geest in \'t Boek der Spr. 29, 15 »en toont in uw gedrag, dat ge het niet beter wilt weten. Hoeveel ouders schreien niet, omdat ze hunne kinderen tranen bespaarden!

5°. De ouders moeten het tijdelijk welzijn hunner kinderen hehartigen. Om die reden zondigen ze zwaar, 1° wanneer ze hun vermogen lichtzinnig, in opschik, in spijs en drank verteeren ; 2° voor de voeding, de kleediug en de gezondheid der kinderen niet de noodige zorg aanwenden, zoodat niet zelden het redelooze vee beter verzorgd wordt dan de kinderen of 3° wanneer ze de kinderen in het wild laten loopen, hen niet vroegtijdig aan matigen arbeid gewennen of iets laten leeren, waardoor ze later in hun eigen onderhoud kunnen voorzien en als nuttige burgers werkzaam zijn. Vooral is het onverantwoordelijk voor de ouders, wanneer ze, als er eene goede gelegenheid en eene school bestaat, om hunne kinderen daar af te houden. Ik zal hier niet behoeven te bewijzen, dat lezen en schrijven allen kinderen uitruuntend te pas komt in hun later leven; dat de meisjes, die veel werk maken van dansen en muziek, maar niet naaien en breien kunnen, ongeschikte huisvrouwen worden en dat jongens, die van den hak op den tak springen en twaalf ambachten leeren, in hun leven dertien ongelukken zullen meedragen en nimmer goede bazen

469

-ocr page 472-

DE GROOTE CATECHISMUS.

zullen worden. Daarom moeten de ouders er op aandringen, dat ze, na rijpe keuze, bij hun ambacht of hunne hanteering, blijven.

6°. En, wijl aan Gods zegen alles gelegen is, moeten de ouders voor hunne kinderen bidden, vooral bij het morgen- en avondgebed hen Gode aanbevelen en hen zegenen. Ik bespiedde eens eene moeder, terwijl ze \'s avonds hare slapende engelen op hunne bedjes zegende; eene andere is mij bekend, die el-ken avond hare kinderen rondom zich deed nederknielen, alvorens ze zich ter ruste begaven en hun dan haar moederlijken zegen schonk. De vrome Job bad eiken morgen voor zijne kinderen, opdat geen hunner in den loop van den dag zou zondigen. De H. Monica verkreeg door haar gebed voor haar zoon Augustinus de bekeering. De 11. Bernardus had nog zes broeders en de vrucht van het onophoudelijk bidden zijner moeder voor hen was, dat zich alle zeven aan den dienst van God wijdden en priester werden. Ouders! doet oók zoo voor uwe kinderen, zegent ze en bidt voor hen en God zal uwe kinderen voor zonde bewaren, hen tot deugd en godsvrucht stemmen en ze zullen de steun en de vreugd van uw ouden dag, een sieraad der maatschappij en eens met u bewoners des hemels zijn!

Wie geeft ons waarlijk brave ouders en het aanschijn der aarde zal hernieuwen. Vele zielen gaan v erloren, vele slechte grondbeginselen woekeren en tieren welig voort, door het misdadig verzuim der ouderlijke plichten; een verzuim, dat doodelijke zonde voor de ouders kan zijn en hen medeplichtig maakt aan de zonden der kinderen. Begrijpt toch, waarde ouders! eene deugdzame familie is welgevallig aan God; zij is de vreugd der engelen, de troost der Kerk, de steun van den Staat, het geluk en de zegen van uw ouden dag en ook van zich zeiven en van anderen.

128. Welke plichten hebben de huisoversten jegens hunne onderdanen te vervullen?

470

-ocr page 473-

DE GROOTE CATECHISMUS.

» Wanneer iemand voor zijne huisgenooten geen zorg draagt, die heeft het geloof verzaakt en is nog slechter dan een onge-loovige,quot; zegt de H. Paulus, 1 Tim. 5, 8. Welk een strenge en schrikkelijke veroordeeliDg! Hoe ernstig moeten bijgevolg de hnisoversten hunne taak opnemen en hoe getrouw hunne plichten vervullen, welke wij in \'t kort gaan opsommen.

1°. Eischt de christelijke naastenliefde, dat de huisoversten hunne ondergeschikten niet met trotschheid en terugstootend, maar met liefde en vriendelijkheid behandelen. Om die reden moeten zij geduld hebben met hunne zwakheden en gebreken en deze met zachtheid trachten te verbeteren. In moeielijke omstandigheden moeten ze hen met raad en daad bijstaan, gedachtig, dat we allen, heeren en onderdanen, maar één Vader en Verlosser hebben en dus eigenlijk broeders en zusters zijn. Kortom, het gedrag der huisoversten en werkgevers jegens hunne ondergeschikten, moet zoo zijn, dat ze den schoonen naam van »huisvadersquot; en shuismoedersquot; verdienen. Een goed woord vindt ook eene goede plaats, en hoe liefderijker en voorkomender de dienstboden en werklieden dus behandeld worden, des te trouwer en nauwgezetter zullen ze ook de zaken hunner oversten behartigen. Worden ze integendeel met verachting behandeld, ontvangen ze nooit goede, maar enkel barsche en harde woorden, worden ze miskend, geloof maar, zij zullen met gelijke munt betalen, u verachten en miskennen en uwe zaken zóó behandelen, als zij door u behandeld worden. Bedenk altijd, dat het geen slaven, maar vrije christen menschen zijn met gelijke rechten voor God. Niemand zal later in staat zijn om op het kerkhof uw gebeente van dat uwer voormalige onderdanen te onderscheiden! -h-\'

Daarenboven zijn de huisoversten verplicht om de dienstboden te verdedigen tegen het brutaal en berispelijk gedrag hunner kinderen, die zich nn en dim de verregaandste belee-digingen in woord en daad tegen hen veroorloven en Tien niet

471

-ocr page 474-

DE GROOTE CATECHISMUS.

zelden op smaad- en scteldwoordeu, op stompen en slagen onthalen in \'t bijzijn der ouders. Die lieve kleinen mogen zich alles veroorloven, want de beleedigden zijn immers maar dienstboden! Ja, het zijn menschen, die gedwongen zijn, n te dienen, om in hun levensonderhoud te voorzien, wat wel te beklagen is, maar toch zijn het kinderen van Hem, die gezegd heeft: » Wat gij den minste der Mijnen gedaan (of misdaan) hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan\' (of misdaan.)

2°. De huisoversten zijn verplicht hunnen onderdanen het verdiende loon en de noodige en voldoende voeding te geven, hen in ziekte en nood bij te staan, en, na langdurige en trouwe plichtsbetrachting, op den ouden dag, als zij daartoe in staat zijn, voor hen te zorgen, is zeer prijzenswaardig. Dat alles vordert gedeeltelijk de rechtvaardigheid, gedeeltelijk de billijkheid. » Gij, huisoversten! geeft uwen dienstboden, wat recht en billijk is, daar gij weet (zeiven) een Heer in den hemel te hebben.quot; Col. 4, 1. De Oosterlingen ontheffen de door ouderdom verzwakte kameelen van allen arbeid en geven hun de beste weiden, opdat ze zich van de vermoeienissen zouden herstellen, en wij christenen, zouden ons liefdeloos tegenover onze (zwakke en zieke) dienstboden gedragen? En toch is het waar, het kleinste ongeval, de geringste ziekte is dikwijls oorzaak, dat de dienstboden op stip en sprong\' den dienst moeten verlaten, en soms half dood naar de ouderlijke woning — als ze zoo gelukkig zijn — of naar het gasthuis worden gevoerd en er verder niet meer naar omgezien wordt. En zou het ook niet waar zijn, dat er vele huisoversten gevonden worden, die het karig en zuur verdiende loon beknibbelen, hetgeen de dienstboden zich niet zelden moeten laten welgevallen, uit vrees van anders weggezonden te worden ; die hun voedsel geven, somtijds nog niet goed of voldoende voor het vee en hen met betraande oogen laten toezien, als ze zichzelven aan allerlei lekkernijen te goed doen?

472

-ocr page 475-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Het is dan ook niet te verwonderen, dat dienstboden soms dieven worden en datgene nemen, wat men hun onbillijk en onrechtvaardig onthoudt. Toont dus hen te beminnen en te achten door een goed loon en voldoende voeding te geven en ge zult dankbaarheid, hoogachting en trouw inoogsten, want de werkman is zijn loon waard.

3°. Eindelijk moeten de huisoversten hunne dienstboden voorgaan in een braaf en christelijk leven en hen van zonde en de gelegenheden daartoe, zooveel mogelijk afhouden. — Zulks vordert de godsdienst en het christelijk gevoel, dat u zegt, uwe dienstboden zijn uwe zusters en broeders, terwijl de H. Schrift, Eccl. 33, 31, daaraan toevoegt: »Hebt ge een trouwen dienstbode, hij zij u dierbaar als uw leven, en gij moet hem behandelen als uw broeder.quot; (Dierbaar als uw leven, dit is geen beginsel voor de verhouding tusschen heer en dienaar, maar het wordt hier zoo gezegd, omdat er verondersteld wordt een dienaar of slaaf, verkregen in oorlog, met gevaar van eigen leven.) Daarom moet ge waken, opdat ze niets bedrijven, wat God beleedigen of hunne zielen in het verderf storten kan; gij moet de zondige gelegenheden zooveel mogelijk van hun verwijderen; gij moet waken over hetgeen zij zeggen en doen en toezien met wie en waar ze verkeeren, vooral op zondagen, enz. Die plichten heeft de H. Carolus Barromeus reeds in een brief aan de huisoversten opgeteekend. »Uwe eerste zorg zij,quot; zoo schrijft hij, »dat een dienstbode kuisch en rein leve. Duld daarom niemand, die uitgelaten is in woorden en gebaren, of die vloekt, scheldt, God lastert. Schenk hem, die aan het spel, den drank, aan lediggang verslaafd is, geen plaats in uw huis en zorg, dat uwe dienstboden braaf en godsdienstig leven.quot; 0, heilig huisgezin! waar de plicht zoo beoefend wordt, want dat gezin is eene kerk, waarin de huisoverste den dienst van zielzorger waarneemt.

Doch om daartoe te geraken, is het goede voorbeeld der

473

-ocr page 476-

DE GROOTE CATECHISMUS.

huisoversten allernoodzakelijkst. Vermaningen immers, werken weinig uit, wanneer ze niet gesteund worden door goede voorbeelden. Het is niet mogelijk zijne dienaars tot een christelijk leven op te wekken, als men zelf flauw en onverschillig leeft. Een huisheer, die drinkt en \'s avonds laat te huis komt, die vloekt, scheldt en raast, niet bidt en zelden de H. Sacramenten ontvangt, zal bet moeilijk gaan, zijne ondergeschikten daarvan af te houden of daartoe op te wekken. Geneesheer ! genees eerst u zelf, zou men hem kunnen toevoegen. Erger zou het zijn, wanneer de oversten hunne ondergeschikten tot zonde zouden trachten over te halen en te verleiden; want deze hebben alle kracht van spreken verloren en zijn in plaats van christelijke voorbeelden en zielzorgers hunner gezinnen, ware handlangers van Satan. Of dat nog al eens plaats heeft? Helaas! wie zal het ontkennen; en mocht de eene of andere dienstbode door de overste lastig worden gevallen, dan rust op hem of haar de plicht, den dienst te verlaten, waar hunne eer en zaligheid gevaar loopen.

Ik sluit hier met de woorden der H. Schrift: » Gij, oversten! moet weten, dat ge ook een Heer in den hemel hebt, en moet uwen dienaars geven, wat recht en billijk is.quot; »Hebt gij een trouwen dienaar, hij zij u lief en als uw broeder in Christus, zoo moet gij hem behandelen.quot; (Vgl. de hoofdman van Ca-pharnaüm.

124. Wellre zijn de \'plichten, die de burgerlijke overheden tegenover de onderdanen te vervullen hebben ?

ygt;De overheid is, zooals de Apostel zegt, 1 Rom. 43, 4. de dienares van God ten beste der onderdanen.

Daarom moeten de overheden;

1°. met de hun ten dienste staande middelen, de welvaart en het heil der onderdanen bevorderlijk zijn, geluk en voor-

474

-ocr page 477-

DE GROOTE CATECHISMUS.

spoed trachten te verspreiden en hen zooveel mogelijk tegen ongelukken, schade en rampen vrijwaren. Verder moeten zij de redelijke klachten, billijke bezwaren en ernstige geschillen hooren en deze naar vermogen vereffenen en recht doen. De rechtvaardigheid en de liefde verbiedt bun, het volk door bovenmate zware of ongelijk drukkende lasten uit te zuigen, en ze zijn gehouden de belastingpenningen ten algemeenen nutte, volgens recht en billijkheid te besteden, enz.

2n. Moeten zij hun ambt met wijsheid en onbevlekte rechtvaardigheid hekleeden, zonder aanzien van persoon. Hun rechtvaardigheids-gevoel mag niet afhankelijk gemaakt worden aan uit- of inwendigeii invloed of partijgeest; het mag geen spinrag zijn, dat bij de geringste aanraking door sterkere diereu verscheurd wordt en waarin de zwakkere versmoren en den dood vinden; maar het moet gelijken op de zon, die in haren schijnbaron loop noch rechts, noch links van haren weg afwijkt en zonder onderscheid hare weldadige krachten aan allen mededeelt.

3°. Moeten zij de hoosheid en wetsovertredingen volgens recht en gerechtigheid straffen en allen door een voorheeldigen levenswandel stichten. — Het gedrag der volksbestuurders moet schitteren door een braaf leven, opdat hun voorbeeld het volk den rechten weg des levens toone; want het volk wordt krachtiger door voorbeelden dan door woorden geleid. De stem des voorbeelds dringt met meer overreding in de ziel, dan de klanken der woorden.

God heeft, gelijk wij boven zeiden, de overheid als Zijne dienares aangesteld tot heil van het menschdom ; want, vdoor Mij regeeren de vorsten en oordeelen de rechters rechtvaardig,quot; zegt de Heer en daarom staat het aan ons hun hoogachting, eerbied en gehoorzaamheid te bewijzen en door volgzaamheid hun ambt te verlichten. Maar wee ook de overheden, die hun stand en ambt misbruiken tot verdrukking of tot miskenning

475

-ocr page 478-

DE GROOTE CATECHISMUS.

der gerechtigheid! Eenmaal zal vooral tot hen gezegd worden; * Geeft rekening van uw rentmeester schap.quot;

ACHT-EN-DERTIGSTE LES.

OVER HET VIJFDE GEBOD.

Het vierde gebod leerde ons de plichten, die wij jegens eenige onzer medemenschen te vervullen hebben, terwijl de volgende geboden ons op de verplichtingen wijzen, welke wij tegenover ons zeiven en alle menschen in het algemeen hebben na te leven. Het vijfde gebod leert dus, wat wij te doen hebben, met betrekking tot het leven van ons zeiven en van onze naasten; het luidt: »Gij zult niet doodslaan.quot;

125. Over welken plicht handelt derhalve het vijfde gebod?

Over de zorg, die wij voor lichaam en ziel van ons zeiven en anderen moeten hebben.

126. Waarom wil God, dat we voor ons lichaam en leven zullen zorgen ?

Omdat we het lichaam en het leven als een kostbaar geschenk en tot een heilzaam doel van God hebben ontvangen.

Daarom moet onze grootste zorg zijn, dat lichaam en die ziel van ons zeiven en van anderen, volgens de inzichten Gods te vrijwaren tegen alles, wat dat doel kan verijdelen en — dat doel, — het is u bekend — bestaat hierin, dat we God hier in het leven moeten leeren kennen, dienen en beminnen, om Hem hierna eeuwig met ziel en lichaam in den hemel te aanschouwen. Eiken dag, elk uur van ons leven moeten we besteden, om dat groote doel meer en meer nabij te komen. Daarom moeten we aan ons lichaam, dat werkt door de ziel en

476

-ocr page 479-

de\'groote catechismüs. 477

gezamenlijk met haar naar dat doel streeft, de noodige zorgen wijden; want is het lichaam dood dan ook is de tijd voorbij om door God te dienen en te beminnen en den hemel te verdienen. Wij moeten daarom het lichaam behoorlijk voeden en verplegen, orde en regelmaat houden bij arbeid en rast, en in ziekte, hulp en bijstand van den geneesheer vragen. Verder moeten bij het geestelijke en stoffelijke orde en doel voorzitten en het is eene zware verplichting, de hartstochten te onderdrukken; waut willen we alles naar Gods wil volbrengen, dan moeten onze ziel en ons lichaam gezond zijn, d.i. geen hinderpalen in den weg staan. Inderdaad, wat baten schatten en rijkdommen, kennis en wetenschap, scepter en troon, wanneer de dood den levensdraad der bezitters afsnijdt. Vandaar de vraag:

127. Welke is de groote zorg, die wij voor onze ziel moeten hebben ?

Dat wij door een deugdzaam leven onze ziel voor eeuwig gelukkig maken.

Daarom roept de Zaligmaker ons toe: » Wat baat het den mensch de geheele wereld te winnen, maar zijne ziel te verliezen.1\' De christen bezit buiten het leven des lichaams, dat men het natuurlijk leven noemt, nog een hooger leven, het leven der ziel, het bovennatuurlijk leven, d.i. de heiligma-kende genade, waardoor hij in staat is bovercatuurlijke werken te verrichten, en voor den hemel te verdienen. Verliest men die heiligmakende genade door eene doodzonde, dan is de ziel dood voor God en den hemel, en machteloos om zulke bovennatuurlijke werken te verrichten, waardoor de hemel verdiend wordt. Hoeveel dooden naar de ziel loopen er niet langs Gods straten en wegen, en werpen zich onverzadigbaar op stof en zingenot, zonder een enkel oogenblik aan de welvaart hunner zielen te denken. Op hen past \'s Heeren woord:

-ocr page 480-

478 DE GROOTE CATKCltlSMUS.

*Hel ware heter voor hen, niet géboren te zijnquot; omdat ze het doel liunner schepping miskennen. Eenmaal zal de dood hen losscheuren van hunne afgoden en zij, evenals de dwaze maagden, aan de poort van de feestzaal des hemels komen, met lampen zonder olie, d. i. zonder de minste goede werken en verdiensten. »Werk derhalve, terwijl het nog dag is,quot; in het licht der heiligmakende genade en uwe kostbare, onsterflijke ziel zal gelukkig zijn, hier op aarde door rust en tevredenheid en na dit leven door het bezit van God.

128. Hoe moeten we zorgen voor het lichaam van onze naasten ?

Door onze naasten in lichamelijken nood, in ziekte, in levensgevaar, naar ons vermogen bij te staan.

Dit moeten wij doen, geleid door het christelijk grondbeginsel : sWat gij wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander.quot; Veelvuldig zijn de vormen van den nood, waaronder de mensch dikwijls gebukt gaat, maar daartegenover heeft de Voorzienigheid ook veel hulp- en troostmiddelen gegeven en Hij wil dat men die middelen aanwende, gelijk de lichamelijke werken van barmhartigheid leeren, (28e les.) O, de liefde is zoo vindingrijk, dat ze sommige menschen tot bedelaars maakt om in staat te zijn, den nood van anderen te lenigen, zooals de religieuse bedelorden bewijzen; en dat zij anderen afstand laat doen van alles en allen, die hun dierbaar zijn, om met eigen levensgevaar, zooals de hefdezusters, te arbeiden voor zieken en voor hen, die in levensgevaar verkeeren.

Welnu, kunnen we hen in hun liefdewerk niet evenaren, veel minder overtreffen, volgen we dan ten minste hen in de verte en doen we, wat we kunnen; want herinner u wel het woord des Heeren: »Wat gij aan den minste der Mijnen hebt gedaan, dat hebt ge aan Mij gedaan.quot;

129. Hoe moeten wij zorgenvoor de ziel van onze naasten ?

-ocr page 481-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Door onze naasten naar ons best vermogen van het kwaad af te houden en hen door woord en voorbeeld tot het goede aan te sporen.

Het eenig en eigenlijk kwaad, dat den menscli kan treffen, is de zonde, bet eenig en grootste geluk, dat hem te beurt kan vallen, is een heilig en braaf leven. De zonde baten en de deugd beoefenen, dat zijn de twee wegen, die naar den bemel geleiden. En zouden wij weigeren, dat kwaad van den menscb te belpen weren en bem dat groote geluk te bezorgen; weigeren om zijne bulp, zijn steun te zijn op die twee bemel-wegen? Ook bier geldt bet woord: »Wat gij den geringsteu der Mijnen gedaan bebt, bebt ge aan Mij gedaan.quot; Zeker, elke poging, boe gering ook, om het kwaad te weren, elk woord, ter wille van de deugd gezegd, elk goed voorbeeld zal eene parel aan onze bemelkroon hechten. Ja, zonder zelf op den naam van beilige aanspraak te maken, kan ieder in zijn stand en rang en moet bij ook tot bet zedelijk heil van zijn naaste medewerken, en zoo door woord en voorbeeld patroon zijn van de deugd en een verklaarde vijand van \'t kwaad.

130. Wanneer zondigen wij tegen de zorg van ons lichaam ?

aj Als we ons het leven benemen; bj ons roekeloos in levensgevaar begeven ; of cj door onmatigheid, toorn, enz. onze gezondheid benadeelen.

1°. Door zelfmoord. — Die zonde is eene verschrikkelijke misdaad en komt in den regel voort uit ongeloof, onkuiscb-beid, verkwisting, bevigen toorn, twist, enz. en bestaat in bet vrijwillig en met voorbedachten rade de hand aan zijn eigen leven slaan. Drievoudig is de misdaad, welke de zelfmoord in zich sluit:

a]. Het is een opstand tegen de goddelijke majesteit. De zelfmoordenaar gedraagt zich immers afschuwelijk ondank-

479

-ocr page 482-

DE GROOTE CATECHISMUS.

baar en liefdeloos tegen God, Zijn Schepper, die hem het leven schonk; en hij maakt een strafwaardigen inbreuk op Gods rechten, die alleen Heer en Meester is over leven en dood; want, somdat we niet door eigen wil in de wereld zijn geplaatst, staat het ons ook niet vrij, eigenmachtig daaruit te vertrekken,quot; zegt Lactentius.

hj. De zelfmoordenaar begaat eene groote misdaad tegen zijne ziel, welke hij zonder medelijden in de eeuwige verdoemenis stort, daar hij zich zelf buiten staat stelt, om over de doodzonde van zelfmoord berouw te hebben en boete te doen. Hij tracht zich door zijne daad aan lijden, kommer en zorg, aan schande en verwijt te onttrekken, en werp zich vrijwillig in eeuwig lijden, eeuwige kommer, schande en verwijt. Met recht achtten onze voorouders den zelfmoord zoo afschuwelijk en eerloos, dat ze de hand, waarmede de moord gepleegd was, afkapten en deze, gescheiden van het lichaam, begroeven. »Wanneer nu de moordende hand, na den dood van den zelfmoordeuar, hier nog gestraft werd, welk een ongelukkig lot moet dan in de eeuwigheid de ziel niet wachten, welke tot den moord aanzette?quot; Aldus bemerkt de Ef. Isidorus.

c]. De zelfmoord is eene misdaad tegen de burgerlijke maatschappij en vooral tegen da familiebetrekkingen, die hij in eene onbegrijpelijke droefheid en schande dompelt. Gewelddadig rukt hij zich los uit de samenleving, waarin God hem tot nut van \'t algemeen geplaatst heeft en verbreekt de fa-mieliebanden, die, als we deugdzaam leven en sterven, de dood zelf niet vermag te verbreken, doch nu door zijne gruwelijke daad voor eeuwig verbroken liggen. De nabestaanden zouden gaarne voor zijne of hare zielerust bidden, doch wat baat het gebed voor een verworpeling? Met het oog op de ontzettende boosheid, ontzegt de Kerk immers den zelfmoordenaar de kerkelijke begrafenis en gebeden, als straf voor zjjne misdaad en tot afschrikwekkend voorbeeld voor anderen.

480

-ocr page 483-

de groote catechismus.

Onze tijdgeest ziet in den zelfmoord een teeken van moed, maar het omgekeerde is de waarheid; \'t is laf en flanw als de soldaat zijn post verlaat en liever zich den doodsteek geeft dan den kamp op zich zelf te aanvaarden, die hem een geldelijk verlies, eene beleediging, achteruitgang van zaken, geldelijke nood of het verlies van eer en goeden naam aandoet. Dat ongeloof, uit zijn aard, tot zelfmoord voert, is voor iedereen duidelijk; want, wat zal hem, die aan geen gerecht en geen eeuwigheid gelooft, terughouden om aan zijn leven een einde te maken, wanneer hem dat bezwaarlijk, vol lijden en hopeloos toeschijnt. En wat of wie zal hem sterken om zijn toestand met mannenmoed te beheerschen en te volharden in zijn strijd om verandering en verbetering te bevechten? De ondervinding leert, dat, naarmate het ongeloof in landen en steden zich voortplant en voortwoekert, het getal zelfmoorden daar ook toeneemt.

AVaarde lezer! gij, die gruwt van den zelfmoord, neem u in acht voor alles, wat daartoe aanleiding kan geven. O, hoevelen hebben zich zeiven het leven benomen, die dat vroeger voor onmogelijk hielden, doch door ongeloof en misdaden zoover gekomen zijn. Bewaar trouw uw geloof en daarin zult ge, wat er ook gebeure, de kracht putten om te volharden in den strijd des levens, te midden der zwaarste moeilijkheden. En gij, jongelieden! leeft kuisch en rein, want de vermoorde onschuld en de verloren eer zoeken, helaas! maar al te dikwijls in den zelfmoord het middel om de schande te ontgaan.

2°. Door ons roekeloos in levensgevaar te stellen. Dat geschiedt niet zelden wanneer knapen in hoornen klauteren, zwemmen, op het ijs loopen, enz. Maar is er nood, dan mag men zijn leven wagen, zooals de soldaat in den strijd; bij het redden van menschen, met eigen levensgevaar, uit een brandend huis, bij een watervloed, het verplegen van zieken, die lijden aan

gr. cat. 31

♦81

-ocr page 484-

DE GROOTE CATECHISMUS.

besmettelijke kwalen, enz. In deze gevallen is het plicht, als we kunnen en daartoe ambsthalve gehouden zijn zooals dokters, priesters, liefdezusters, enz.

3°. Als we door onmatigheid, toorn, enz. onze gezondheid henadeelen. Verder zondigt men door vertroeteling of ver-waarloozing van zijn lichaam, door schadelijke spijs of drank te nuttigen, door gulzigheid in spijs of drank; (vgl. de hoofdzonden) door ongeregeld slapen, want het lichaam, dat de noodige rust onthouden wordt, wordt ook langzamerhand gesloopt. Door schadelijke vermaken, als: dansen en drinkgelagen enz.; door ondoelmatige kleeding, ongezonde woning en onzindelijkheid, waardoor allerlei ziekten ontstaan; door lediggang en luiheid; door buitengewone inspanning des lichaams; door te hevige gemoedsbewegingen en hartstochten op te wekken, die nadeelig zijn voor de gezondheid, b.v. bovenmatige droefheid of vreugde, kommer en ijverzucht, en vooral door nijd en toorn, geslachtsuitspatting, waardoor het zenuwgestel hevig geschokt wordt. Toom in een hevi-gen graad verzwakt en verkort eveneens het menschelijk leven, zoodanig, dat niet zelden een plotselinge dood of eene beroerte er het gevolg van is. Dan nog zondigt men tegen zijn lichaam en leven door de krachten des lichaams te misbruiken om slechte dingen te doen. Zeker, vele jongelieden zouden nog onder de levenden zijn, maar hun ongebonden en losbandig leven vermoordde hunne krachten en toen ze eigenlijk moesten beginnen te leven, waren ze versleten en rijp voor den dood. Eindelijk zondigen we tegen ons leven, als we weigeren in eene ziekte den geneesheer te raadplegen of de medicijnen te gebruiken. Dat de onmatigheid, vooral in sterken drank, tegen de zorg, welke wij voor ons lichaam moeten hebben, aandruist, leert ons de dagelijksche ondervinding, want haar gevolg is ziekte, ellende en een vroegtijdige dood. (Vgl. Hoofdzonden. 30e Les.)

482

-ocr page 485-

DE GROÜTE CATECHISMUS.

131. Mag men zich zeiven den dood of anderen kwaad toewenschen?

Neen, dat is verboden ; want, wat men metterdaad niet mag doen, mag men ook niet willen of toewenschen.

Dikwijls ja, al te dikwijls, wenscht de mensch zich zeiven den dood toe uit mistroostigheid, wanhoop of radeloosheid, en dan is die wensch, vooral zoo het waarlijk gemeend is, zonde, maar, wanneer hij geschiedt om door den dood de gelegenheid van te zondigen, te ontvluchten of wel voortkomt uit het verlangen om Gods zalig aanschijn te aanschouwen, dan is die wensch, dat verlangen, eene akte van deugd. Zulk een heilig verlangen bezielde de H. Paulus, toen hij uitriep: »Ik wensch ontbonden te worden en met Christus te zijn.quot; Phil. 1, 2, 3. » Gelijk een hert naar de waterbronnen, zoo ook verlangt mijne ziel naar U, o God! Wanneer zal ik daar komen en voor Gods aanschijn verschijnen?quot; Aldus verzucht de psalmist, ps. 41, 2 3. Dat heilig verlangen bezielde ontelbare heilige dienaars en dienaressen van God. Zij beminden God in die mate, dat ze wenschten te sterven, om Hem volmaakt te kunnen liefhebben en te bezitten. »Ik sterf van smart, niet te kunnen sterven. Ach! kon ik toch sterven om mijn God volmaakt te kunnen beminnen,quot; zeide de H. ïheresia. Zoo dikwijls deze heilige vrouw de klok hoorde slaan, riep zij uit: »Alweer een uur minder in dat aardsche ballingsoord; mijn vaderhuis nadert meer en meer.quot; Zoo verlangden de heiligen naar den dood om God van aanschijn tot aanschijn te kunnen bezitten, en wij vreezen den dood, omdat we God als Hechter duchten, alsof we voor de wereld geschapen waren. Beginnen we daarom nog heden met de heiligen, heilig te leven, en de dood zal ook voor ons zijne verschrikking aHeggen en we zullen dan ook weldra met hen verzuchten: »Heer, ik wensch te sterven, om ü te zien en te bezitten, om U niet verdeeld, maar volmaakt

483

-ocr page 486-

DK GROOTE CATECHISMUS.

te kunnen beminnen!quot; Strijdt het tegen het vijfde gebod zonder zedelijke beweegredenen zich zeiven den dood toe te wen-schen, dan volgt daaruit, dat we ons ook geen ander kwaad, wat minder waarde heeft dan het leven mogen toewenschen naar lichaam of ziel.

132. Hoe zondigen wij tegen de zorg voor onze ziel ? Niet slechts door iedere zonde, en door traagheid in \'t goede, maar ook door ons in gevaar en gelegenheid van zonde te begeven.

1°. Door iedere zonde. Immers, zooals we weten, vermindert de dagelijksche zonde de liefde Gods, en maakt ons schuldig aan tijdelijke straffen, terwijl de doodzonde der ziel de heiligmakende genade ontrooft alsmede Gods vriendschap, en haar schuldig maakt aan de eeuwige straffen der hel (Vgl. 29e Les, over de zonde.)

2°. Door traagheid in \'t goede. Bij de behandeling der hoofdzonde (30e Les) hebben wij geleerd, dat de mensch niet alleen kan zondigen door traagheid en luiheid in stoffelijke beroeps-werken, maar vooral door traagheid in geestelijke werken. Laten we hier eens ons gedrag vergelijken met dat der heiligen. O, wat hebben die heiligen geleden, gestreden en gebeden ! En wij dan ? Het is ons te veel, het lichtste kruis te dragen; wij bezwijken bij den kleinsten strijd en worden niet zelden doodelijk gewond, omdat we te traag zijn de wapenen, die God ons in handen gaf, te gebruiken; zelfs een enkel schietgebed, een enkel »Onze Vaderquot; of »Wees Gegroetquot; is te veel en we geven ons zonder slag of stoot gevangen. God loven en danken voor Zijne weldaden en Hem nieuwe afsmeeken, schuld erkennen en boete doen, al deze christelijke plichten zijn te zwaar voor zoovele trage en lauwe christenen, die al genoeg voor hunne ziel meenen te doen met den naam van katholiek te dragen. Hoevelen worden er niet gevonden, die dagen en jaren doorbrengen zonder iets voor

484

-ocr page 487-

DE BROÜTE CATECHISMUS.

hunne kostbare ziel te verrichten, voortleven in zonde en hunne ziel voor eeuwig ongelukkig maken. Wat vreeselijke gedachte op \'t sterfbed, ik had zooveel tijd om mijne zaligheid te bewerken, doch ik was te lui en te vadsig. Wat zal ik God, mijn Rechter, nu aanbieden, opdat Hij mij den hemel geve! Kon ik nog eens op nieuw beginnen te leven! Doch te laat, voor eeuwig te laat! Denk niet, dat beroeps- of huishoudelijke bezigheden van dien plicht ontslaan ; het eene moet men doen, en het andere niet nalaten.

3°. Door het kwaad en de gelegenheid van zondigen op te zoeken. Die het gevaar bemint, zal er in omkomen; die, gelijk wij vroeger zagen, huizen, samenkomsten, personen, verkeeringen enz., gevaarlijk voor de deugd, niet wil vluchten en mijden, toont daardoor ziju zedelijken dood te willen en offert zijne ziel aan zijne hartstochten op; hij wordt willens en wetens een moordenaar zijner ziel, maar zal ook daarvoor eenmaal eene vreeselijke straf ontvangen.

133. Hoe zondigen wij tegen de zorg voor het lichaam van onzen naaste ?

lo. Door hem in nood niet bij te staan ; 2o. zijn lichaam en zijne gezondheid te benadeelen, b.v. door slaan, verwonden enz.; 3o, door hem onrechtvaardig te dooden

10. Door hem in nood niet bij te staan. Er zijn menschen, die schijnen te meenen en ook doen, alsof ze alleen in de wereld waren, die zich in \'t minst niet bekommeren om het lot hunner natuurgenooten. Hooren ze, dat iemand zich in geldelijken nood bevindt, dat een ander ziek is en bijstand en hulp behoeft, vraagt een kennis om hand- of spandienst, wordt hunne voorspraak in de eene of andere zaak gevraagd, enz., dan schijnen ze doof en ongevoelig voor het droevig lot van hun naaste, en \'sHeeren woord: »A1 wat gij wilt, dat u geschiedt, doe dat

485

-ocr page 488-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ook aan een ander,quot; heeft voor hem geen beteekenis. Is het wonder, dat zulke menschen op htinne beurt met gelijke munt betaald worden en bij niemand medelijden vinden, wanneer ze het noodig hebben? oMijn vrouw is ziek, wanneer komt ge haar eens bezoeken?quot; vroeg eens een man aan zijn nabuur. »Ik zal doen, zooals gij deedt, toen ik ziek en hulpbehoevend was,quot; antwoordde de buur en kwam niet. »Ik kom op dit oogenblik vijf gulden te kort, om een stuk vee te koopen, waaraan ik behoefte heb, leen mij dat geld voor viertien dagen,quot; vroeg een ander aan een zijner kennissen en hij ontving tot antwoord: »ik doe als gij en leen niemand.quot; Wie zal zeggen, hoe dikwijls wij elkander noodig hebben, door naastenliefde daartoe gehouden; maar veeltijds ook legt ons beroep en onze stand den duren plicht op, om onzen naaste in den nood bij te staan. Vandaar, dat het kind gehouden is, zijne ouders in den nood bij te staan, en de zielzorgers en bezoldigde dokters, zelfs met gevaar van hun eigen leven, den zieken stoffelijke en zedelijke hulp moeten verleenen, enz.

2°. Door zijn lichaam en zijne gezondheid te henadeelen, b. v. door slaan, vertoonden, enz. Wanneer een kind zijne ouders grof beleedigt, hen zwaar verdriet en kommer veroorzaakt, dat verbittert op den duur hun leven en is somtijds oorzaak, dat ze wegkwijnen en vroeger sterven. Hoeveel jeugdige vrouwen sterven niet in het midden hunner dagen, omdat de mannen haar leven verbitteren door hun ergerlijk gedrag en hunne mishandelingen. Ouders en huisoversten maken zich in dit opzicht schuldig, wanneer ze kinderen en dienstboden slecht voeden, te zwaren arbeid opleggen, in ongezonde en vochtige slaapsteden doen slapen; wanneer ze ziek zijn, geen hulp inroepen en hen altijd terugstootend en onvriendelijk toespreken en behandelen. Zulk een behandeling maakt het leven bitter en werkt allernadeeligst op de gezondheid. Dokters, die de zieken verwaarloozen of schadelijke me-

486

-ocr page 489-

DE GBOOTE CATECIlrSMUS.

dicijnen toedienen en zij, die verralschte levensmiddelen ver-koopen, zijn schuldig voor God, omdat ze liet kostbaarste, wat de mensch bezit, n.1. zijn leven benadeelen, verwoesten of verkorten.

Verder zondigt hij, die den naaste op eene ongerechte wijze slaat of verwondt, waartoe openbare vermakelijkheden, danspartijen, kermissen en marktdagen, enz. vaak aanleiding geven, en waarbij het misbruik van sterken drank eene hoofdrol vervult, met zijn nasleep: vloeken, verwen-schingen, twist en verwijtingen, en waardoor het ten laatste tot de afschuwelijkste dadelijkheden komt. Velen moeten dat boeten met een ziekelijk, kwijnend leven en een vroegen dood of wel door een misvormd lichaam rond te dragen. En hoe zal men die schade, zijn naaste berokkend aan \'t dierbaarste, wat hij bezit, herstellen? Al wreekt de rechter ook het onrecht en de mishandeling, de lijdende partij wordt daardoor niet in \'t minst gebaat.

3°. Door hem onrechtvaardig te dooden, door slaan, schieten, steken, vergiftigen, enz. Ook hij, die een ander tot moord aanzet door ophitsing, omkooping enz. of den moordenaar met woord en daad ter zijde staat, is even schuldig als de moordenaar. Hij nu, die vrijwillig, met boos opzet, zijn naaste het leven beneemt, is een moordenaar en begaat een afschuwelijke zonde. Doodt dus iemand zijn naaste door hem een ongelukkigen slag, stoot enz. toe te brengen, welke onvoorziens den dood tengevolge heeft, dan doet hij wel een doodslag, maar zijne zonde is minder toerekenbaar dan die van den eigenlijken moordenaar. Evenmin is het een moord, wanneer iemand door eenige zorgeloosheid schuld is, dat een ander het leven verliest, b.v. Een kind valt uit een raam ol in het water en verdrinkt, omdat men het een oogenblik uit het oog verloor of aan zich zelf overliet. Iemand werpt een steen zonder doel en treft toevallig een voorbijganger doodelijk; dit kan evenmin als moord worden

487

-ocr page 490-

DE GROOTE CATECHISMUS.

aangerekend. Een ander, die iemand waarschuwt voor gevaar, b.v. een dakwerker, veerman of voerman, is niet schuldig aan manslag, wanneer de gewaarschuwde door roekeloosheid den dood vindt.

Dat de moord eene vreeselijke zonde is, leeren wij:

a] Uit de beleedAging, die God daardoor wordt aangedaan. God alleen is Heer en Meester over leven en dood; die dus zijn naaste het leven beneemt, grijpt in Gods rechten, matigt zich diens heerschappij aan en ontrukt Hem een dienaar, die nog lang voor Hem werkzaam had kunnen zijn.

h] De moordenaar ontneemt aan zijn medemensch het hoogste stoffelijke goed, dat hij bezit; want al zijn geld en goed weegt niet op tegen zijn leven. Bovendien ontrooft hij hem zijn zieleheil, daar hij onvoorbereid sterft, dikwijls te midden van twist en strijd, wellicht in zware zonde. Ware hij blijven leven, dan ook was hij in staat geweest, boete te doen en den hemel te verdienen —• en nu is misschien de hel zijne eeuwige woning. (Vgl. wraakroepende zonde 30ste Les.)

c). En wie zal de smart en den kommer beschrijven, welke de moordenaar de aan- en bloedverwanten van zijn slachtoffer dikwijls berokkent. Het geluk van dit leven is voor hen verloren, de broodwinner misschien vermoord en al dat lijden rust als een vloek op den moordenaar.

Bovendien heeft de moordenaar zich zelf in de onmogelijkheid geplaatst, de aangebrachte schade te herstellen. Had hij duizenden gestolen, dan kon hij vroeg of laat in staat zyn, ze terug te geven, maar om het koud en verbleekte lichaam van zijn slachtoffer het leven terug te schenken, daartoe is hij onmachtig. Verondersteld ook, dat de misdaad bedekt blijft en de straf van den burgerlijken rechter (levenslange gevangenis of verlies van zijn leven op het schavot) hem niet bereikt, de straf en de ijselijkste gewetenswroegingen ontloopt hij niet. Overal vervolgt hem of haar het wrekend

488

-ocr page 491-

BE GROOTE CATECHISMUS.

geweten. Hij tracht altijd de bloedige schim van zijn slachtoffer te ontloopea, maar zoolang zal ze hem vervolgen en doen wegkwijnen, totdat de dood (misschien wel zelfmoord, zooals dikwijls gebeurt) een einde maakt aan zijn rampzalig leven. En dan? — Niet zelden zoekt hij rust door zich zei ven als de schuldige aan te geven, en ondergaat tevreden de hem opgelegde straf. — En dit zij tot waarschuwing der jeugd gezegd: Kinderen, die gaarne vechten, altijd den baas willen spelen, worden later in den regel losbollen en vechtersbazen, en maken niet zelden kennis met gevangenis, galg en rad.

134. Wien is het geoorloofd een ander te dooden ?

1°. De overheid om het kwaad te straffen; want zegt de H. Paules: gt;De overheid draagt niet voor niets het zwaard, zij is Gods dienaresse, eene wreekster en bestrafster voor hem, die kwaad doetquot;. Kom. 13, 4. »Het gezag der overheid is Gods gezag en wanneer zij doodt, dan doodt God,quot; zegt de H. Aug. In onze dagen van zoogenaamden vooruitgang, heeft men, geleid door valsche beginselen, in vele rijken, ook in ons vaderland, de doodstraf afgeschaft voor den moordenaar, alsof zijn leven meer waarde heeft dan dat van zijn slachtoffer, eu tot straf (liever loon) geeft men hem eenige jaren of wel voor zijn leven, kost en loon en eene zorgvuldige verpleging; voor men-schen, die niets waard zijn, wordt jaarlijks nog 150 of meer guldens besteed. Die afschaffing werkt ook zoo gunstig, dat men zich weldra gedrongen zal voelen, het recht weder zijn juisten loop te laten en des moordenaars leven evenmin te sparen als hij het leven zijns slachtoffers ontzag.

2°. Bij de verdediging des vaderlands of uit rechtvaardige noodweer, als er geen ander middel tot redding overblijft. Derhalve mag de soldaat in den rechtvaardigen oorlog zijn vijand dooden; ook mag men zich te weer zetten en hen dooden, die een aanval doen op ons leven of op dat van den naaste, op onze bezittingen, op onze eerbaarheid. Het moet echter

489

-ocr page 492-

DE GROOTE CATECHISMUS.

noodweer blijven, cl. i. men mag den aanrander niet meer kwaad doen of niet verder gaan dan tot eigen verdediging noodig schijnt.

Duel of tweegevecht is echter nooit geoorloofd tot verdediging van zijne eer (die soms al zeer weinig waarde heeft), al gaat het ook niet op leven en dood, daar het strijdt tegen alle burgerlijke en goddelijke wetten, om wraak te nemen en zich zeiven recht te verschaffen. »Mij is de ivraak, Ik zal vergeldenquot;, zegt God uitdrukkelijk en in Zijn naam, de H. Paulus. Kom. 12, 20. Bovendien is het duel verboden, omdat men daardoor leven en gezondheid op \'t spel zet en menige familie in droefheid en ellende gedompeld wordt. Welk eene schuldige dwaasheid! Om een woord, om eene daad, ja om eene kinderachtige beuzeling wordt men eerloos moordenaar van zijn evenmensch, ■wellicht van zijn vriend! En dat durft men eergevoel noemen! Voor eenige jaren zeide een Belgisch officier, dat zijn paard schooner was dan dat van zekeren baron. Dat woord had eene uitdaging tengevolge en de baron liet het leven in den strijd. Is dat geen krankzinnigen-werk? De Kerk heeft dan ook wel recht de duellanten, hunne bloedgetuigen en deelnemers te excommuniceeren d. i. hen buiten de kerkelijke gemeenschap te sluiten, en hun, de kerkelijke begrafenis te weigeren. Ik zeide boven, dat het ongeloof, zooals de ondervinding leert, eene der voornaamste bronnen is, waaruit de zelfmoord voortkomt, en hetzelfde moet gezegd worden van het duel of het tweegevecht. Niemand toch, die waarlijk godsdienstig is, zal een ander uitdagen en ook geen uitdaging aannemen als zijnde in strijd met de naastenliefde en de goddelijke wet: »Gij zult niet doodslaan.quot; —

Het leven der ziel is de heiligmakende genade. Dat wordt door elke dagelijksche zonde verminderd en gaat door eene doodzonde verloren, d. i. de ziel sterft daardoor voor God en zaligheid. Wanneer iemand dus een ander tot doodzonde

490

-ocr page 493-

DE GROOTE CATECHISMUS.

brengt, door aanleiding of gelegenheid daartoe te geven, dan bedrijft hij de zonde van ergernis, want zooals een dwaallicht misleidt en tot afgronden ja, tot een bijna wissen dood leidt, zoo ook voert de ergernis tot een afgrond van bederf en een zekeren geestelijken dood. Zeer juist vraagt daarom de catechismus:

135. Hoe zondigen wij tegen de ziel des naasten ? Door hem van \'t goede af te trekken of tot kwaad aanleiding te geven, dat is, door de zonde van ergernis.

Aan deze zonde maken zich allen schuldig, die door woord, raad of daad, gebod of goedkeuring, door gebaren of teekens of op welke wijze dan ook, anderen tot zonde aanleiding geven. (Vgl. de vreemde zonden) en vooral zij,

IA die goddeloozen of ontuchtige gesprekken voeren, onzuivere liedjes zingen in het hijzijn van anderen en zich oneerbaar kleeden. »Eene oneerbaar gekleede vrouw is een werktuig in de hand des duivels,quot; zegt de H. Bemardus. O, hoevele vrouwen maken zich in onze dagen daaraan schuldig en zijn werktuigen van den vader der leugen en werkelijke duivelinnen. Het is voor hen een genot, ja eene heldendaad om de mannelijke jeugd daardoor te verstrikken en aller oogen op zich te vestigen; ze willen gezien en gevleid worden, en ze vergaan met hunne vereerders en aanbidders,

En wie zal ook ontkennen, dat onzuivere gesprekken of liedjes in het bijzijn der onschuld gesproken of gezongen, het hart niet verontreinigen, eene ongelukkige nieuwsgierigheid bij de jeugd opwekken en oorzaak zijn van onkuische gedachten en begeerten, ja zelfs van de afschuwelijkste handelingen. Een enkel wulpsch woord is dikwijls al genoeg, om al die rampzalige gevolgen voort te brengen, zooals het volgende voorbeeld ons leert. Een diep gevallen meisje verhaalde mij het

491

-ocr page 494-

DE GROOTE CATECHISMUS.

volgende: »Tot op mijn zestiende jaar was ik onschuldig, toen ik door de dienstboden van ons huis een wulpsch liedje hoorde zingen. Daardoor werd mijne nieuwsgierigheid opgewekt ; ik dacht er altijd aan, ging aan het onderzoeken, kwam tot begeerte en eindigde met te worden, zooals gij mij thans voor u ziet: een diep bedorven meisje. Waarlijk, wat de meeldauw voor het graan is, dat zijn de slechte gesprekken en liedjes voor het jeugdig hart. Een enkele nacht en de hoop, de arbeid des tuinmans is verwoest; zoo ook is een enkel woord of lied, eene enkele vrijpostige en onzuivere handeling voldoende, om de kiem der jeugd te verstikken en de bloem der onschuld te doen verflensen. Hij ook is een ergernisgever, die iets schandelijks doet in het bijzijn van anderen of wel de zonde leert bedrijven; die vloekt in tegenwoordigheid van kinderen; die ongeloovige en goddelooze gesprekken voert, waardoor anderen in twijfel geraken of wel geheel het geloof verliezen; die spot met kerkbezoek en het ontvangen der sacramenten, omdat hij aanleiding geeft, dat de kerk minder bezocht, de sacramenten verwaarloosd worden. Ook de oudere kinderen en dienstboden, die zich in tegenwoordigheid van onschuldige zielen, met woorden of daden tegen ouders en overheden verzetten, maken zich schuldig aan ergernis, en werpen een brandenden fakkel in eene droge houtmijt.

2°. Geven zij zware ergernis, die goddelooze en zedelooze boeken, vuile heelden, schandprenten en schilderijen maken, verkoopen en verspreiden. Niets werkt nadeeliger op \'s men-schen hart, niets trekt meer tot zonde dan een slecht boek, een plaat of een beeld. Daarom gelijken boeken, zooals vele romans en andere, die tegen God en godsdienst gericht zijn, en uitmunten door stijl en taal, maar het woord der ondeugd en des ongeloofs spreken, op een gouden beker, met rozen bekransd, maar met doodend gift gevuld. Het lijdt dan ook

492

-ocr page 495-

DE GROOTE CATECHISMUS.

geen twijfel, of de mensch, die verzot is op liet lezon van slechte romans, zal navolger worden van den verdichten held of de verdichte heldin, die men hem in het boek voortoovert en ten laatste al wat slecht is, doen of als recht toelaten. Wellicht eindigt hij wel met zelfmoord. Voor een paar jaren sprong een jeugdig meisje, op klaren dag, te Parijs in de Seine en verdronk. Opgevischt, hield ze een roman krampachtig in hare hand, waarin ze geschreven had: »Zij werd misleid en heeft zich verdronken; ook ik beu misleid en moei; verdrinken.quot; En wie was die »zijquot;, dat ongelukkig voorbeeld? Dat was de verdichte persoon, waarover dat boek schreef. — Met enkele uitzonderingen kan men gerust staande houden, dat meisjes, die verzot zijn op roman-lectuur, slechte huisvrouwen en moeders zullen worden, omdat ze in hare mannen geen romanhelden vinden en dat jongelingen, die de romans verslinden, zelden goede huisvaders en echtgenooten zijn, omdat ze in hunne vrouwen geen roman-heldinnen ontmoeten. Is het dan geen treurig teeken des tijds, dat men boeken, die over deugd, zeden en geloof handelen, bijna niet aan den man kan brengen, terwijl de gemeenste roman, het slechtste boek ge-reedelijk aftrek vinden?

En, zooals een goed en schoon beeld of eene plaat strekt tot bewondering en navolging, zoo ook schudden de schandbeel-den en platen de hartstochten wakker en doen ze vuur vatten. Let eens op de boek- en plaatwinkels, waar dat slijk en die vuilnis zijn uitgestald en ge zult de stoepen voortdurend met nieuwsgierigen bezet zien, waarvan de jeugd het grootste getal levert. Dat teekent, dat zegt ons, hier worden de hartstochten opgewekt en gevoed; hier slaat de duivel zijn slag en verwart hij de onschuld in zijne strikken. » Wee den mensch, door wien de ergernis komt. Het ware hem beter met een molensteen aan den hals, in de diepte der zee geworpen te worden.quot; Matth. 11. Die boeken en beelden verkoelen ook de liefde

493

-ocr page 496-

UE GROÜTE CATECHISMUS.

tusscheu de gehuwden, en maken van een kwajongen een man in de ondeugd. En liet meisje, dat zich nog bezig moest houden met pop en bikkels, doen ze droomen van liefde en haar naar een romanheld uitzien.

3°. Maken zich aan ergernis schuldig, die hunne huizen openzetten voor dieven, dronkaards, spelers en dobbelaars en voor ongeoorloofde bijeenkomsten. Dat we hier te denken hebben aan de vreemde zonden, behoeft geen betoog; want zij, die hunne huizen leenen om te zondigen, zijn aansprakelijk en schuldig aan al de zonden, die door anderen daar bedreven worden. Die huizen worden met recht als »ophoudersboe],quot; bestempeld en door elk fatsoenlijk rnensch vermeden. En wie telt die schandhuizen in steden, ja zelfs op de dorpen, waar huisoversten dieven worden met de dieven, afzetters der dronkaards, deelgenooten der valsche spelers en dobbelaars, en ou-tuchtigen met de ontuchtigen? » Wee den mensch, door wien de ergernis komt!quot; Een ophoudersboel gaat zeker te gronde.

4U. Ergernisgevers zijn de ouders en de overheden, die een slecht voorbeeld geven in woorden of handelingen en het kwaad hunner kinderen of onderdanen niet te keer gaan. Wanneer ze zich niet bekommeren over het gedrag der kinderen en onderdanen, d. i. niet toezien met wie ze omgaan, waar ze verkee-ren; hun toestaan bij nacht en ontijden uit te gaan of te huis te komen, dan zijn ze plichtigaan ergernis en vreemde zonde en zondigen ook nog tegen het 4e gebod. Doch, vooral zondigen zij door ergernis, door een slecht voorbeeld te geven. Zoo gelukkig en voortreffelijk het goede voorbeeld werkt voor kinderen en onderdanen, even verderfelijk en ongelukkig werkt het slechte voorbeeld op de hunnen. Wat zullen de gevolgen der vermaningen zijn, wanneer ze door voorbeelden worden tegengesproken? Niet ten onrechte zou men vele ouders en overheden kunnen toevoegen: »Gij vordert van uwe onderdanen, wat ge zelf niet doet, en hebt derhalve uw invloed

494

-ocr page 497-

DE GROOTE CATECHISMUS.

op lieu verloren; geneest eerst u zeiven en met vrucht zult ge dan op andere werken, zooals zekere jongen zijn vader toe-duwde, die hem het vloeken verbood. »Vader,quot; sprak hij, »ik heb het van u geleerd; wat wilt gij mij dan verbieden? En ik vrees niet alleen een vloeker, maar ook een dronkaard en een nachtlooper te worden, zooals gij zijt.quot; Ontzettende woorden in den mond van een kind voor een diep schuldigen vader, die zich dat verwijt op den hals haalde. Een pastoor legde bij gelegenheid eener eerste H. Communnie een jongen op, om zijne ouders vóór de biecht vergiffenis te vragen voor alle ongehoorzaamheden en plichtverzuim, hen aangedaan. »Ik kan en zal mijne moeder vergiffenis smeeken,quot; zeide hij, »doch mijn vader niet, die moest mij eerder vergiffenis vragen voor de vele ergernissen, door vloeken, dronkenschap en mishandelingen zijner kinderen en zijner vrouw,quot; God zij zulk een vader genadig! Den ouders roep ik hier vooral toe: »Weest voorzichtig met uwe handelingen in tegenwoordigheid uwer kinderen; want kleine kinderen hebben vaak zulke groote oogen en ooren en wat ze van u zien en hooren, zullen ze, helaas! maar al te spoedig nadoen. Neemt nooit aankomende kinderen bij u in bed en laat niet toe, dat kinderen van beider geslacht, vier of vijf jaren oud, bij elkander slapen. Meent ge, dat kinderen op dien leeftijd niet aan bedert onderhevig zijn? Ik wenschte, dat het waar was!

136. Waarom moet men de ergernis gestreng vermijden ?

1°. Omdat we door de ergernis der H. Drievuldigheid smaad en onrecht aandoen.

De Vader schiep immers die zielen naar Zijn beeld en gelijkenis, opdat ze Hem hier op aarde zouden loven, dienen en beminnen en in de eeuwigheid bezitten en aanschouwen, en de ergernisgever maakt hen evenbeelden van Satan, zoodat ze

495

-ocr page 498-

DE GROOTE CATECHISMUS

in de hel God eeuwig vervloeken en eeuwige kwellingen lijden. Hij misleidt en vermoordt de zielen door Jesus\' kostbaar bloed gekocht, betaald en levend gemaakt voor God en zaligheid, ofschoon de H. Paulus hem toeroept: »Wees hen niet ten verderve, voor wie Christus gestorven is,quot; Joh. 8, 64 en hij toont zich derhalve een waardig handlanger en bondgenoot van den duivel, die van af den beginne een moordenaar was, terwijl de zielen, die in het Doopsel tempels werden van den H. Geest, door den ergeruisgever ontwijd, geschonden, en tot tempels en woonsteden des duivels gemaakt worden.

Van Albertus den Grooten verhaalt de geschiedenis, dat hij, na dertigjarige studie en moeite, er in slaagde een beeld te vervaardigen, dat handen en voeten bewoog en eenige woorden duidelijk kon spreken. Onverwachts kwam een zijner leerlingen in de werkplaats van den heiligen man, zag het beeld zich bewegen en meenende, dat het de duivel was, sloeg hij bet aan duizend stukken. Bedroefd riep de heilige, toen hij de vernieling zag, uit: »0, mijn zoon! wat hebt gij gedaan? In een enkel oogenblik hebt gij mijn arbeid van dertig jaren vernield!quot; Met veel meer recht kan Jesus den ergernisgever toevoegen: »Ik heb Mij drie-en-dertig jaren moeite getroost om de zielen te redden; ik wilde arm geboren worden, leefde dertig jaren verborgen en onbekend, Het Mij valschelijk beschuldigen, geeselen, met doornen kronen en kruisigen, leverde mijn lichaam over aan de vreeselijkste martelingen om hen van zonden te reinigen en den duivel te ontrukken — en gij, ellendeling! verwoest in een enkel oogenblik dien arbeid van drie-en-dertig jaren, dien marteldood en zijt oorzaak, dat jk voor die ziel alles te vergeefs gedaan en geleden heb! Wat zal de ergernisgever tot zijne verontschuldiging inbrengen, wanneer hij als zielenroover voor Jesus\' rechterstoel zal verschijnen ?

496

-ocr page 499-

Ijs groote catechismus.

2°. Om de verschrikkelijke gevolgen, want de verleide geeft iu den regel weer ergernis aan anderen en de zonde plant zich zoo gestadig voort. Ik las eens het volgende: Een losbandig jongeling voerde schaamtelooze en onzuivere gesprekken, in tegenwoordigheid van een braven en onschuldigen jongen. God toonde hem in een droom de gevolgen dezer ergernis. Hij zag, dat de verergerde jongen in dienzelfden nacht hevig bekoord werd door onknische gedachten en begeerten en eindelijk eene zware zonde tegen de zuiverheid bedreef. Eenmaal diep gevallen, zondigde hij voort en verleidde weder vijf andere jongelingen. Wie was schuld daaraan? Een dezer vijf bedroog een braaf onschuldig meisje, liet haar daarna aan haai- lot over en ze werd krankzinnig van kommer en schande. Een ander dezer stierf in het ziekenhuis tengevolge van zgn wellustig leven, en toen de priester hem aanmaande zich met God te verzoenen, draaide hij zich om, stiet een vloek uit, viel en was dood. Wie was schuld aan al die ellende en dien wanhopigen dood? Hij, die onzuivere gesprekken gevoerd had. Hoe menigeen, die nu de ergernis weinig telt, zal door vertwijfeling worden aangegrepen, wanneer hem in \'t gerecht des Heeren getoond zal worden, welke verschrikkelijke gevolgen zijne ergernis heeft uitgewerkt! De pest raapte voor eeuige jaren duizenden menschen in Europa weg. Een enkel schip had de ziekte uit het Oosten overgebracht. Evenzoo is een enkel bedorven mensch in staat, brave familiën, zelfs geheels gemeenten zedelijk aan te steken en naar de ziel te dooden. Een steen, in het water geworpen, maakt cirkels, maar het gaat niet aan, te berekenen, hoever deze zich uitstrekken; en is de steen eenmaal geworpen, dan is de werper onmachtig, om de cirkels te verhinderen. Evenzoo. is het met de ergernis. Niemand kan berekenen, hoever zich hare gevolgen uitstrekken en in den regel kan men deze ook niet meer beletten. Denk hier aan eeu Luther, aan een Voltaire;

or, cat. 32

497

-ocr page 500-

DR GROOTE CATECHISMUS.

wat onheil hebben zij gesticht en hoe lang zullen de gevolgen nog voortduren ? Werkelijk, de ergernisgever werpt de gloeiende kolen en vonken zijner zonden lichtzinnig otn zich heen, welke soms na zijn dood, oerst voor goed beginnen te branden en de rook van dezen brand stijgt als eene schandzuil op uit zijn graf, terwijl de zonden, wier zaad hij strooide, hem tot straf in de eeuwigheid volgen. Wanneer iemand in één jaar, maar een enkel mensch tot zonde verleidt en deze weer een ander, en ieder verleide elk jaar weder een enkel andere verergert en verleidt, dan maakt dat in twintig jaren een getal uit van 1048576 verleideu. Het is om te huiveren!

3n. Om de zware en moeilijke verplichting, de schade, die wij onzen naaste naar ziel of lichaam, door de ergernis hebben berokkend, te herstellen. — Het zevende en achtste gebod legt ons de verplichting op om het gestolen goed, de geroofde eer en den goeden naam terug te geveu. Maar dan zal het ook waar en streng verplicht zijn om de geestelijke schade, den roof der genade en der ziel te herstellen. Eene berouwvolle biecht is daartoe niet genoeg. Dat dit in vele opzichten zeer moeilijk is, zal een ieder gereedelijk toegeven, maar het is dan ook eene reden te meer, om de ergernissen te vluchten. Schud van een hoogen toren eene mand, gevuld met veeren uit en verzamel ze daarna weder, als ge kunt! Wat we evenwel kunnen en moeten doen, is het gestichte kwaad door woorden of daden herroepen, vergiffenis vragen, stichtende gesprekken, in plaats van onkuische voeren, slechte voorbeelden door goede, zooveel mogelijk, wegnemen, zooals de H. Petrus en Paulus, en wat we niet als zoo\'n groote zonde hebben aangepraat, bij den waren naam noemen. — In Frankrijk verleidde een jongeling een ander tot zonde van onkuischheid; hij leerde hem zondigen. De verleide jongen stierf echter plotseling op het oogenblik zelf, dat hij de zonde bedreef. Als door den donder getroffen, stond de verleider bjj zijn slacht-

498

-ocr page 501-

DE GROÜTE CATECHISMUS.

ofi\'ei\' en eene stem in zijn binnenste riep hein toe: »Gij hebt voor eeuwig zijne ziel vermoord, hij is verloren. Terstond begaf hij zich in een streng klooster en deed zijn leven lang boetvaardigheid. En zoo dikwijls zijne ordebroeders zich naar de spijszaal begaven, ging hij op den drempel dei-deur liggen, zoodat de binnentredende hem met voeten treden of over hem heenstappen moest en telkens zeide hij: »Erbarm u mijner en bid voor mij, ellendige zondaar, die eene ziel in de hel heeft gestort!quot;

4°. Om de vreeselijke straf den ergernisgever weggelegd. »Die een dezer kleinen, die aan Mij gelooven, ergert, hem ware het heter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen en hij in de diepte der zee geworpen werd! Wee de wereld om de ergernissen. » Wee den mensch, door wien ergernis komt.quot; Matth. 18, 6—7.

137. Waarin bestaat de zonde van haat? Dat men van zijn naaste afkeer gevoelt, en hem kwaad gunt of zich verblijdt over het kwaad, dat hem treft.

Zooals we geleerd hebben, verbiedt het vijfde gebod alle liefdelooze handelingen tegen onzen naaste; maar het verbiedt tevens ook, hem kwaad toe te wenschen, hem te haten of te benijden met woorden te beleedigen, hem spot- of scheldnamen toe te voegen. ygt;En iegelijk, die zijn broeder haat, is een moordenaar,quot; zegt de H. Joh. 1, 3, 5. tgt;Die zich tegen zijn broeder vertoornt, wordt schuldig voor het gerecht. Wie echter tot zijn broeder zegt Raka (domkop of onnoozele) wordt schuldig voor den hoogen raad; wie echter zegt: gij dwaas (hier booswicht of goddelooze), die wordt schuldig aan \'thel-sche vuur. Ziedaar het vonnis, door Jesus zelf geveld.

Zooals toorn, haat en nijd, twist en tweedracht, het leven verbitteren van ons zeiven en anderen, zoo zijn vrede en eens-

499

-ocr page 502-

DE GROOTE CATECHISMUS.

gezindheid, onderlinge liefde en voorkomendheid de beste middelen om het leven voor ons zeiven en anderen te verlengen en te verzoeten. Wat de lieflijke zon voor de natuur is, dat ook is de vrede en de eendracht voor het menschelijk leven. Wel mocht dus de H. Gregorius uitroepen: gt; Wat is de mensch onder alle dingen, die in het leven zoet en aangenaam zijn, zoeter en aangenamer dan een vreedzaam leven. Ja, »tvaar vrede woont, gebiedt de Heer.quot; En wat zijn broeders en zusters, enz. die den ouderlingen vrede missen ? Is het huwelijk geen hel, wanneer de echtgenooten elkander haten in plaats van te beminnen ? Moet men de familie niet ongelukkig noemen, die door tweespalt, gescheiden leeft? Het huisgezin zonder vrede is eene afdeeling der hel, en buurten, gemeenten enz., zijn diep te beklagen, als de band der onderlinge liefde de bewoners niet verbindt en samenhoudt, want dan is twist, vervloeken en verwenschen, haat en afgekeerdheid het dagelijksch brood. Nemen wij een voorbeeld aan het heilig huisgezin, van Nazareth en we zullen dan ook eenmaal met hen heerschen in het rijk van eeuwigen vrede. (Vgl. Hoofdzonden 30e Les.)

Het zal niet overbodig zijn er op te wijzen, dat het plicht is de dieren redelijk te behandelen. Dat zijn nu wel niet onze naasten, maar toch schepselen van God, die hen schiep tot ons nut en vermaak, maar niet om op hen onze moedwil en hartstochten bot te vieren. Het is evenwel te misprijzen en laakbaar, ja zondig, dat men soms menschen aantreft, vooral in onzen tijd, die meer hoogachting en liefde koesteren voor een hond of eene kat dan voor hunne medemenschen, en met groote opofferingen paleizen bouwen, om de verlaten en oude honden en katten, zonder vaste woonplaats, daarin op te nemen en een zorgeloozen en gelukkigen ouden dag te bezorgen, terwijl men arme en oude menschen niet gedenkt. Het is plicht, zoo als wij zeiden, om de dieren goed te behandelen en te voeden en niet te mishandelen; want dierenkwellers zijn in

500

-ocr page 503-

DE GROOTE CATECHISMUS.

den regel ook menschenplagers en toonen een gruwzaam wreed hart te bezitten. Ook lezen wij in de H. Schrift: »De rechtvaardige zorgt voor zijn vee.quot; Onthouden wg ons dan van alle dierenkwollingen en plagerijen, want daardoor wordt God beleedigt, en de dieren zijn ook gevoelig voor beleedi-ging en pijn.

Waarde lezer! leer uit het vijfde gebod vreedzaam, zachtmoedig en vergevensgezind te zijn. Dat geen hartstocht in staat zij, u er toe te brengen om uw eigen lichaam of dat van uw naaste schade of ramp aan te doen, en vlucht twist- en vechtpartijen, waaraan de losbandige jeugd zich zoo dikwijls overgeeft. Schuw den ergernisgever als een giftige slang, en weer van uwe kostbare, onsterflijke ziel alles, wat haar in Gods oogen misvormt en van den hemelweg doet afdwalen. Geef op uw beurt niemand ergernis, maar zorg integendeel voor lichaam en ziel van u zei ven en van anderen. Zoo zult ge in uw gedrag toonen, het vijfde gebod te begrijpen en ter harte te nemen.

NEGEN-EN-DERTIGSÏE LES.

OVER HET ZESDE GEBOD.

138. Waarover handelt het zesde gebod: » Gij zult ijeen overspel bedrijven?quot;

Over de deugd van kuiamp;chheid en over de zonde van onkuischheid.

139. Waarin moeten wij de deugd van kuischheid beoefenen ?

Wij moeten in kleeding, in gesprekken, in blikken, in spelen, in doen en laten, de zedigheid en kuischheid beoefenen

501

-ocr page 504-

ÜE GKOOTE OATLCHISMXJS.

502

Het zesde gebod gebiedt das, dat we de eerbaarheid en zuiverheid des harten, het schoonste sieraad der ziel, zorgvuldig moeten bewaren, koesteren en aankweeken. En terecht. Er bestaat immers geen schooner deugd dan die der eerbaarheid en zuiverheid des harten; daarom ook wordt ze door God met zoo\'n aandrang in eeu afzonderlijk gebod verplicht gemaakt en zeide Jesus: »Zalig de zuiveren van harte; want ze zullen God zien.quot; De knischheid maakt ons inderdaad welgevallig bij God en bij de menschen, zooals het Boek der Wijsh. 4, 1, getuigt: »Een kuisch geslacht staat bij God en menschen in eere.quot; Zeker, die deugd maakt ons aan de engelen gelijk en verwerft ons eenmaal ook eene engelenkroon. »De kuischheid is de lelie onder de deugden, zij vervormt de menschen tot engelen,quot; zegt de H. Franc. v. Sales. »De kuischheid is eeue bloedverwante der engelen; zij leeft in het lichaam, maar niet volgens het lichaam; zij leeft op aarde, maar zweeft eigenlijk met hare gedachten en haren wil in den hemel. Een engel te zijn is gunst en genade van God; maar eene maagd te zijn, is wel \'t werk der genade, maar ook tevens der medewerking van \'s menschen zijde. »De kuischheid,quot; zegt de H. Ephraïm, »is een geestelijke wagen, welke zijn bezitter ten heuvel voert.quot; En wat zal het loon der deugd zijn? »Die zich met geen vrouwen bevlekt hebben (en zich zeiven niet) zullen het Lam volgen, daar, waar het gaat.quot; Openb. 14. Wie zal deze deugd dan niet beminnen en liefhebben? Zeker, geen offer moet ons daartoe te groot, geen strijd te zwaar of te langdurig zijn om deze deugd te bewaren en iu ons te bevestigen, en mochten we haar verloren hebben, terug te krijgen. Vestig uwe oogen op de schitterende voorbeelden der kuische Susanna, van Jozef, den onderkoning van Egypte, en bewonder het navolgenswaardig voorbeeld der heiligen, die liever de wreedste martelingen ondergingen en den gruw-zaamsten dood stierven dan hunne eerbaarheid en zuiverheid

-ocr page 505-

DE CIROOTE CATECHISMUS.

te bevlekken. »Gij kunt mij wel het leven, maar niet mijn Bruidegom ontnemen,quot; sprak de H. Lucia tot hare beulen. Eene andere martelares, aan handen en voeten gebonden en geen middel van verdediging meer over hebbende tegen hare wellustige beulen, beet zich een stuk van de tong en spuwde hare beklagers met haar bloed in het aangezicht. Dat zijn voorbeelden, die onze bewondering wekken, doch ze zullen ons geen voordeel aanbrengen, als ze ons niet tot navolging stemmen.

140. W/at moeien wij doen, om die deugd te behouden of te verkrijgen ?

lo Moeten wij vlijtig alles aanwenden, wat daarvoor dienstig is, en 2o alles zorgvuldig vermijden, wat voor die deugd gevaarlijk is.

144. Welke middelen zijn daarvoor bijzonder dienstig ?

1°. Dat wij de slechte gezelschappen en gelegenheden vluchten.

Die de slechte gezelschappen niet vluchten, zullen van lieverlede slecht met de slechten, onkuisch met de onkuischen worden; want, die het gevaar bemint, zal er in omkomen. » Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg het geheel verzuurt\'? 1 Cor. 5. Of\' meent gij sterker te zijn dan anderen? In het vertrouwen op eigen kracht ligt juist onze zwakheid. Reuzen, die zich waagden, zooals de H. Petras, zijn gevallen en ook wij zullen den weg zijner ongelukkige ondervinding betreden, als we ons roekeloos wagen. Daarom moeten we alle verkeer afbreken met kameraden, medeknechten en dienstmeisjes, met huisoversten en anderen, die een vuile tong hebben. Gezelschappen en huizen, waar de schaamteloosheid woont, moet men voor eens en voor altijd vluchten, want de duivel heeft daar zijne gevleeschte trawanten aan den arbeid, om door het gift der onzuiverheid de harten te verpesten. Wil men,

503

-ocr page 506-

DE GROOTE CATECHISMUS.

dat het licht van een lantaarn niet nitgebluscht worde, dan moet men het daarbinnen houden, en wil men zjjne onschuld bewaren, dan moet men slechte personen, huizen en gezelschappen vluchten. Het gezelschap van een jongeling en een meisje in de eenzaamheid, is in den regel doodend voor de eerbaarheid, en daarom zorgvuldig te mijden. O, zoovele meisjes verloren in de eenzaamheid, bij avond en ontijd hunne onschuld, alvorens het bijna te merken, en beweenden te laat, helaas! met heete tranen, hun roekeloos gedrag. Ze wilden zien en gezien worden en schamen zich nu, in \'t openbaar te verschijnen, terwijl hunne schanddaad en het verlies van hunne eer voor eeuwig geboekt staat in het doopregister en het boek des levens. Dat de dansgezelschappen meestal verderfelijk zijn, leert de ondervinding, vandaar, dat zij, die verzot zijn op den dans, de verdenking op zich laden met de eerbaarheid te hebben gebroken of dit weldra te zullen doen. Daar, op de dansbaan, wordt zoo menig frissche bloem vertreden, waarover de duivel jubelt en de engelen, zoo mogelijk, zouden weenen. Zij, die tegen deze waarheid opkomen, raadplegen hunne eigene ondervinding. Zij veroordeelt hen.

2°. Ons steeds herinneren, dat God ons altijd en overal ziel. Zeg mij, zoudt gij het durven wagen, al werdt ge ook nog zoo hevig bekoord, onder het oog van zielzorgers, ouders of andere brave mensehen, onkuischheid te bedrijven? Welnn, in den duistersten en afgelegensten hoek is de alwetende en alziende God (en uw engelbewaarder) tegenwoordig om uw gedrag gade te slaan. Daarom sprak Jozef, de onderkoning, tot de vrouw, die hem tot de schandelijke zonde wilde overhalen, »IIoe zou ik zoo iets durven doen voor het oog van mijn God!quot; Schamen we ons met hem, te zondigen in Gods tegenwoordigheid, want die zich hiervoor niet schamen, zullen eens beschaamd staan voor engelen en menschen.

504

-ocr page 507-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

En wie onzer zou in slaat zijn, iets oneerbaars te doen, als hij wist, terstond na de zonde te moeten sterven? En toch, wie belooft u, dat zulks niet geschieden zal ? Zijtge een oogen-blik zeker van uw leven ? O, hoevelen vervloeken thans in de hel het genoegen van één oogenblik. Denk dan altijd in de bekoringen: God ziet mij; en, met de hel wil ik geen kennis maken. »In al uive werken, gedenk aan de laatste dingen (dood, oordeel, hemel of hel) en ge zult in eeuwigheid niet zondigen? Sir. 7, 40.

3°. Moeten wij onze zintuigen, vooral onze oogen goed bewaken. De oogen zijn als de vensters onzer ziel, waardoor, als we hen niet goed bewaken, slechte voorstellingen, gedachten en begeerten in het hart sluipen en ons ten laatste tot on-kuische werken brengen. Laten we daarom geen blikken slaan op oneerbare plaatsen van ons zeiven of anderen, het ander geslacht niet blijven aanstaren, en vooral geen beelden of portretten beschouwen, die wellust opwekken en in strijd met de onschuld zijn. David zou niet zoovele tranen vergoten hebben, als hij zijne oogen in toom had gehouden, en velen zouden het verlies van eer en goeden naam en van hunne ziel niet te betreuren hebben, wanneer ze David in zijne schaam-telooze blikken niet hadden nagevolgd. Een schaamteloos oog is of wordt de bezitter van een bedorven ziel.

4°. Moeten wij matig en verstorven leven. »Die van Christus zijn, hebben hun vleesch gekruisigd en ook de zonden en de lusten. Er bestaat waarlijk geen beter middel omdenonzui-veren geest te overwinnen dan ootmoed, zelfverloochening en versterving. Het zekerste middel om eene vesting tot overgave te dwingen, is den toevoer van levensmiddelen en water af te snijden ; eveneens kan men het oproerig vleesch niet beter bedwingen dan het overdadige spijs en verhittende dranken te onttrekken en zich te versterven. Wilt ge dus kuisch blijven, leef dan matig en leg u zelf verstervingen op: »lk

505

-ocr page 508-

DE GROOTE CATECHISMUS.

kastijd mijn lichaam en breng het onder bedwang,quot; zegt de Apostel.

5°. Dikwijls de H. Sacramenten ontvangen. Die gaarne en vrijwillig, d. i. niet gedwongen, de H. Sacramenten der Bieclit en Communie ontvangt, zal niet gaarne en ook niet vrijwillig zondigen en die met een geloovig en minnend hart dikwijls aanzit aan den discli des Heeren, zal den trog der zwijnen, d.i. der onkuiscliheid den rag keeren. Ja, in de H. Communie ontvangt men liet brood der engelen en den wijn, die maagden kweekt. Dat liemelbrood wapent ons tegen de bekoringen en het verlamt hare kracht. Het is het brood der Engelen, dat de ziel bestand maakt om te volharden in den strijd tegen het bedorven vleesch. Neen, de onzuivere geest durft de ziel niet naderen, die vervuld en versterkt is door de tegenwoordigheid van God zelf. Waar God woont, durft Satan niet binnentreden.

6quot;. Moeten wij God dagelijks om die deugd bidden en den bijstand der H. Moeder Gods, van den 11. Jozef en van onzen engelbewaarder enz. afsmeeken.] — Met vrucht zullen we daarom eiken avond en morgen aandachtig drie »Wees Gegroetenquot; bidden, om door de voorspraak der Onbevlekte Moedermaagd van God de genade te ontvangen, die schoone deugd te bewaren, of zoo zij verloren is, terug te krijgen. Dat is een schoon voorbehoedmiddel, waarbij zich velen wel bevinden. Waarlijk, de lelie der kuischheid kan haar sneeuwwitten bloesem niet ontwikkelen, niet tot vrucht en rijpheid brengen, zonder de hemeldauw en het zonnelicht der genade; en genade wordt niet gegeven, tenzij erom gevraagd wordt. Wie durft het ontkennen, dat de mensch, die niet meer of weinig of onverschillig bidt, en dus weinig aan God denkt, en slechts oog en hart heeft voor genoegens en uitspanningeu, niet weldra tot uitspattingen overslaan en de lelie der onschuld onder den

506

-ocr page 509-

DE GROOTE CATECHISMUS.

voet zal trappen ? »De dag, waarop ge niet bidt, zal uw val aanschouwen,quot; zegt zeker schrijver, en de H. Augustinus voegt daaraan toe: »Zoodra wij beginnen te bidden, houden we op te zondigenen daaruit volgt, dat we moeten bidden om niet te zondigen; dat we moeten bidden om Gods genade en bijstand deelachtig te worden.

Worden we derhalve door slechte voorstellingen, door gedachten of begeerten tot onkuischheid aangezet, roepen we dan terstond hulp in en zeggen of denken we: »Jesus! Maria! Jozef! staat mij bij, opdat ik niet toestemme. Zoet en onbevlekt hart van Maria, wees mijne redding!quot; en voegen we daaraan onze medewerking toe, door te veranderen van plaats, door een gesprek aan te knoopen, door alle aandacht op onze bezigheden te richten en de boomen langs den weg, de ruiten in de vensters te tellen, den loop der wolken gade te slaan, dan is de overwinning aan ons. — Ziedaar! in \'t kort de middelen aangegeven, welke wij moeten aanwenden om de deugd van kuischheid te bewaren of wel terug te ontvangen. Beantwoorden we nu de vraag:

142. Wat moeten wij. als gevaarlijk voor die deugd, vermijden?

1. Nieuwsgierigheid in het zien en hooren van onkuische dingen; 2. den omgang met slechte kinderen; 3. onbetamelijk spelen; 4. luiheid, lediggang en onmatigheid in eten en drinken.

1°. Niet nieuwsgierig zijn in het zien en hooren van onkuische dingen. — »Wend uw aangezicht van eene opgesmukte vrouw (of man) en let niet op vreemde schoonheid... eu zie op straat niet vrijpostig om u heen!quot; Boek der Wijsh. 9, 7—S. Wanneer de oogen trachten te behagen door te zien, dan sluipt de zonde het hart binnen. Wel mocht de H. Chrysos-tomus zeggen: »Gevaarlijke blikken werpen het vuur der

507

-ocr page 510-

DE GROOTE CATECHISMUS.

onzuiverheid in uw hart en veroorzaken daarbinnen een on-uitbluschbaren brand.quot; — David zag eene badende vrouw, beschouwde haar onbeschaamd, en die enkele blik was voldoende om hem tot echtbreker en moordenaar te maken. En wanneer worden wij het meest geplaagd door onzuivere gedachten, voorstellingen en begeerten? Is het niet juist dan, als we onze oogen niet goed bewaren. Denk nu niet, het zal mij niet schaden, ik ben gehard in den strijd; want dan gelijkt ge op een aangeschoten en ontsnapt hert, hetwelk het doodend lood in zich draagt, en eindelijk toch sterft. Wat hier gezegd is van het schaamteloos zien, is ook van toepassing op het hooren van onzuivere dingen. Het gehoorde prikkelt de nieuwsgierigheid en zet den mensch aan om te onderzoeken en te doen. Een enkel opgevangen woord is dikwijls voldoende om de vreeselijkste gevolgen uit te werken, sllad ik nooit onzuivere taal hooren spreken, dan was ik nooit een wellusteling geworden,quot; aldus klaagde eens een jongeling tot zijn biechtvader. Velen zullen hem dat wellicht nazeggen.

2°. Geen verdachte of onzedelijke hoeken te lezen of onzedelijke heelden te beschouwen. — Wij kunnen ons niet genoeg wachten voor vele romans, en slechte boeken, waarin zaken behandeld worden of beelden voorkomen, waardoor de eerbaarheid gekwetst wordt en verdichte liefdehistories worden opgedischt, welke, helaas! meestal geen ander nut hebben, dan om den fakkel der onzuiverheid in onschuldige harten te werpen of het vuur der onzuiverheid nog meer aan te wakkeren. Dat dit waar is, blijkt uit de hartstochtelijke drift, waarmede de boeken gelezen, ja verslonden worden. En hoe gruwelijker en vuiler het verhaal gekleurd is, des te meer valt het in den smaak. En heeft men eens zulk een schandboek ter hand genomen, dan rust men niet, alvorens het geheel gelezen te hebben, en al zijn gift te hebben ingezwolgen. De bezig-

508

-ocr page 511-

BE GROOTE CATECHISMUS.

heden worden tot dut einde verwaarloosd, de nachtrust opgeofferd en niet zelden treft de morgenstond een sla-penden romanlezer of lezeres met hun afgod voor zich, (Vgl. 5e gebod, over de ergernis.) Geef dien ongelukkige, zedelijke lectuur, of zelfs een stichtenden roman in handen, dan worden die ter zijde gelegd; want het prikkelt de zondige hartstochten niet. Daarom zou ik, ware het mij gegeven, en moesten ze niet dienen tot tegenhanger van de slechte, ook de goede romans niet in handen der jeugd willen zien, omdat ze den leeslust aanwakkeren en langzamerhand maar al te dikwijls de hand naar verboden spijs doen uitsteken. Vandaar, dat, naar mijne bescheiden meening, dorpsbiliotheken, zoo niet schadelijk voor de jeugd, ook geen heil aanbrengen. Ziet ge beelden of prenten en plaatwerk in een boek of in een winkel uitgestald, waardoor de schandelijkste driften worden opgewekt, wend dan uwe oogen af en blijf niet staan bij de bedorven menigte om hunne schandelijkheid te bewonderen. Dat verbiedt ten strengste het zesde gebod.

3°. Dat we ons niet opzichtelijk kleeden en opschikken. — Hoe meer men den uitwendigen mensch siert en opschikt, des te meer wordt in den regel de inwendige mensch, de ziel, verwaarloosd en benadeeld. Wat dwaasheid, uren en uren, soms den geheelen morgen voor den spiegel te staan, om een lichaam op te sieren, dat weldra als prooi aan de wormen en der verrotting zal prijs gegeven worden. Inderdaad, zich zeiven bewonderen om door anderen bewonderd te worden, met geestelijke schade voor beide, dat is zoo wat het morgengebed van vele jongelieden en van anderen, die door kunstmiddelen de wegstervende schoonheid meenen te kunnen bezweren en niet bedenken, dat de kunst in deze altijd het pleit tegen de natuur verspeelt. In onzen tijd is het vooral, God geklaagd, hoe de jeugd hare schoone gedaante ontsiert door allerlei belachelijke versieringen, zoodat het lichaam als begraven wordt onder een hoop

S09

-ocr page 512-

DE GROOTE CATECHISMUS.

versierselen en daardoor het aanzien krijgt van eene carica-tuur. Och ! God gave, dat men zich zooveel moeite getroostte voor de versiering der ziel, dan zou men zijn naaste stichten en niet arbeiden aan zijn verderf en aan dat van anderen.

4°. Dat we ons onthouden van nachtelijke bijeenkomsten, danspartijen en te vrije schouwspelen. — Verderfelijk en streng verboden zijn de nachtelijke bijeenkomsten van beider geslacht en ook de danspartijen zonder behoorlijk toezicht gehouden. Daarom zei de H. Ambrosins: »De dans is het graf der eerbaarheid en de lijkpreek der onschuld.quot; En de H. Ca-rolus Borromeus laat volgen: »De dans is niets anders dan een cirkel, waarvan de duivel het middelpunt inneemt, terwijl zijne trawanten om hem heen springen,quot; zoodat men gerust kan zeggen, dat de jeugd bijna nooit danst zonder te zondigen. Wat ziet, wat hoort, wat denkt men gewoonlijk bij gevaarlijke dansen, waarbij jongelieden, van beider geslacht, elkander de hand reiken en omarmen, terwijl de hoofden, door den drank verhit, op hol zijn? Voor hen, die de menschheid niet hebben afgelegd, moet dat alles vernielend op de zede-lijkheid werken en vele dansers en danseressen van den avond, zullen \'s morgens mijne woorden moeten bevestigen. 0, van hoevelen heeft de dans eer, goeden naam en onschuld geroofd! En daarom zeg ik met den H. Franciscus van Sales: »De beste deugen niet,quot; al zijn het ook kinderbals.

Ook meen ik niet te veel te zeggen, mei ie ergerlijke schouwspelen als eene der grootste bronnen van ontucht aan te merken. Daar, op het theater, omkleedt de duivel de onzuiverheid met de schoonste versieringen en de verleidendste aantrekkelijkheden. Alles ademt daar wellust en zingenot. De deco-ratie, de verlichting, de muziek, de wellustige gezangen, de opgewonden stemming, de voordracht, de geheimzinnige loop van het spel, de opschik der acteurs en der actricen, enz., dat alles spat oneerbare vonken, waartegen de licht ontvlambare

MO

-ocr page 513-

HE GROOTE CATECHISMUS.

harten der toeschouwers niet bestand zijn en dus ook vuur doen vatten. Of zou iemand daartegen bestand kunnen zijn ? Neen, roept de ondervinding, en zij wijst ons tevens den weg, waarheen vele toeschouwers zich begeven na afloop van het stuk. Dat geeft te denken. Helaas! de droevige ondervinding leert, dat goede stukken zelfs, gewoonlijk meer na- dan voordeel veroorzaken, maar altijd niet geweerd kunnen worden om van de verderflijke terug te houden; dat zijn tegenhangers, zooals de zedelijke romans. Het is wel een treurig teeken des tijds, dat men thans lang den weg des theaters, d. i. der zinsbegoocheling en der verdichting het volk wil verzedelijken, zooals men het noemt, en de schouwburg boven de Kerk en den godsdienst plaatst. O, tijden! O, zeden! mogen wij hier wel uitroepen.

5°. Dat we de liefkozingen en de verleiders terugwijzen. — Niet weinigen verstaan de kunst en leggen er zich op toe, om zich aardig en lief voor te doen, om zoodoende onschuldige en onervaren harten voor hunne zondige plannen te winnen. Deze zielstroopers gelijken de bijen, die honig in den mond dragen, maar tevens van een wondenden angel voorzien zijn. (Vgl. 5e gebod: Ergerais). Ze dringen zich overal in, doen zich braaf voor, huichelen oprechte liefde en onder dat masker verbergen zij hunne roofzucht. Dierbare jeugd! wees toch op uwe hoede en hoor, wat de H. Schrift u toeroept: Mijn zoon! (en dochter) wanneer de zondaars u tot zich lokken, volg hen niet. Wanneer zij zeggen, kom met ons; volg hen niet.quot; Dit zij u altijd een teeken van gevaar, als iemand u in de eenzaamheid wil voeren en u zegt, dat zijne vrijpostigheden, onzuivere zoenen en dubbelzinnige taal geen, ten minste geen groote zoude zijn, vlucht dan; gij hebt een adder bij u, en geef den laaghartigen eerroover, door woord en desnoods door flinke daden, — al was het ook een pak slaag — te verstaan, dat ge zijn toeleg begrijpt en hevu veracht. Dien raad geef ik

511

-ocr page 514-

Dli GROOTE CATECHISMUS.

vooral aan dienstmeisjes tegenover huisoversten, zonen des huizes en bedienden, omdat ik weet, dat dit middel probaat is en uitstekende diensten bewezen heeft. Of, acht ge u niet te groot als mensch en christin, om u tot speelbal, of vaag doek, te verlagen van een vuilen verleider ? Zeg altijd, liever arm en geëerd, dan geacht en onteerd! Al die voorkomende liefelijkheden, dat roemen op uwe schoonheid, die geschenken, enz. zijn niet anders dan Satansnetten, om u te verstrikken, en hebt ge u laten verschalken, dan, — zoo leert de ondervinding — laten ze u in schande en nood en lachen om uw ondergang.

6°. Moeten we ons wachten voor al te vrijen omgang met \'personen van een ander geslacht, vooral in de dagen der verkeering. — Stroo moet branden, wanneer het met vuur in aanraking komt; eveneens zal het onzuiver vuur in ons hart ontbranden, als men zich een al te vrjjen omgang met personen van een ander geslacht veroorlooft. Of zijt ge meer meester van u zeiven dan David en anderen ? Neen, gij zijt niet sterker dan David, niet wijzer dan Salomo. Welnu, de al te vrije omgang met vrouwen heeft deze twee groote mannen te gronde gericht. Dat de kennismaking het huwelijk voorafgaat, is zeer natuurlijk, zoo niet noodzakelijk (en het ware te wenschen, dat men elkander voor het huwelijk beter leerde kennen), maar dat die kennismaking en verkeering in onze dagen irr^den regel gepaard gaat met zonde, dat is te betreuren en te verfoeien. Waaraan de schuld? Aan den al te vrijen omgang, welken men zich veroorlooft. Maakt ge dus kennis met een meisje of jongeling, ontmoet dan elkander onder toezicht van ouders en anderen; vlucht dan de eenzaamheid ; verkeer kuisch en rein met elkander en het volgend huwelijk zal u geluk en zegen schenken voor dit en het eeuwig leven. Hoevelen huwen, omdat ze moeten trouwen! En kan er zegen rusten op zulke

512

-ocr page 515-

DE GROOTS C-VTECUISMIIS.

huwelijken, die niel door zuivere liefde en met God, maar tengevolge van hartstocht en zonde moeten gesloten worden\':\' Yerkeeringen van kinderen onder de jaren, die nauwelijks de schoolbanken verlaten hebben, zijn volstrekt verboden. En toch Ireft men ouders aan, die zulke verkeeringen oogluikend toelaten, ja zelfs bevorderen. Vooral moet dat gezegd wordei van vele moeders, die zich nog dwazer toonen dan hunne dochters en voor dezen, zooals men het noemt, vrijen, eu :u do meening schijnen te verkeeren, dat hunne dochters te laat zullen komen, of wel dat het huwelijk afgeschaft zal worden. Bemoeit men zich, als zielzorger, daarmede, dan wordt er al spoedig gezegd; dat zijn zaken, die hum niet aangaan; ik zal mijne kinderen wel bewaken. Doch later, als schande en nood voor de deur staan, dan mag de zielzorger wel tusschen-beide komen om door zijne hulp het gevaar af te weren of te verhelpen. Die kinderen verkeeren in naaste gelegenheid van zondo en zijn dus onwaardig, de H. Sacramenten te ontvangen, en tevens de ouders, die zulks oogluikend toelaten of bevorderen. Ook hun die verkeeren, terwijl ze onder één dak samenwonen of wel verkeeren in zonde of zonder vooruitzicht op een huwelijk, moeten de H. Sacramenten geweigerd worden, wanneer ze de ver keer ing niet willen staken, omdat deze voor hen eene naaste gelegenheid van zonde is. Vooral moeten de katholieken zich ook voor een al te drukken omgang met niel-katholieke jongens en meisjes wachten, omdat dezen de voorschriften der zedelijkheid minder op \'t hart worden gedrukt, ze dus minder achten dan wij, en eerder in \'t kwaad toestemmen. Dat dit gezegde loffelijke uitzonderingen toelaat, wie betwijfelt zulks? Men treft somtijds protestantsche jongelieden aan, die als voorbeeld kunnen dienen op het punt der eerbaarheid; maar ik waarschuw vooral daartegen, omdat het zoo dikwijls aanleidinLf lt;;eeft tot tcemenjide huwe-

• \' O O O O

lijken, die veeltijds het ongeluk zijn voor beide partijen; want GB. CAT. 33

513

-ocr page 516-

HE GROOTE CATECHISMUS.

de beste deugen nog niet, zooals ruij moeruialen door inon-schen, die zulk een hawelii\'k aangingen, verklaard werd. (Vgl. Sao. des huwolijlcs.)

7°. Moeten we ons wachten voor onmatigheid in spijs en drank. De onmatiglieid is de moeder der onknischheid; de sterke drank geeft aanleiding tot wulpscliheid ; de dronkenschap tot allerlei lievige hartstochten. Daarom roept de H. Pïiulus ons toe: »Drink u niet dronken in wijn (en sterken drank); want daarin is vjulpschlteid.quot; Daarom zeide de H. iiieronyuius: »Een lichaam vol van bedwelmende dranken stort zich uit in onzuivere lusten.,, Gerust kan men dus staande houden, dat een dronkaard nooit kuisch is. Ja, als door den drank de rede verdronken is en de hartstochten ontstoken ziin, aan welke afschuwelijke gedachten, wenschen en handelingen geeft een man, maar vooral eene vrouw zich dan niet over. Vandaar, dat de H. Ephraüm recht had te zeggen; »De sterke drank is de moeder der ontucht.quot; Dat gezegde wordt door de ondervinding nader bevestigd; v/ant er zlju soms menscheu, op wie niets valt te zeggen; maar wanneer ze zich te buiten gaan in sterken drank, dan zijn ze tot de laagste zonde in staat.

Ook zij, die van den buik hun god maken, zullen meer dan anderen blootgesteld zijn aan aanvallen tegen de heilige deugd der kuischheid. Beschouwt gij den soldaat niet voor dwaas, die zijn vijand van proviand en ammunitie voorziet? En zoo toch han lelt de zinnelijke mensch, die zijn lichaam, dien sterken vijand, in alles den zin doet en met spijzen overlaadt. Zoodoende moet hij op den duur wel het onderspit delven, omdat hij zijn vijand ondersteunt, hem versterkt en tegen den geest wapent. »//e kastijd mijn lichaam en breng het onder bedwang,quot; zegt de H. Panlus, en daaruit volgt, dat hij zijn lichaam niet onder bedwang houdt, die het overdadig en onmatig voedt. (Vgl. 30e Les. Hoofdzonden.)

51/t

_1JulluMi

-ocr page 517-

DE ÖROOTE CATECHISMUS,

8°. Moeten wij de ledigheid en Iruajheid vermijden.quot; De ledigheid is des duivels oorkussen en brengt den niensch tot zonde. Niet zonder reden wordt zij de pleegmoeder vfin elke zonde, het begin van alle kwaad en in het bijzonder het gift voor de teedere eerbaarheid genoemd. Hebt ge nooit gehoord, dat stilstaande wateren allerlei ongedierte herbergen en troebel en stinkend worden, iets, dat bij snelvlietende wateren niet wordt waargenomen? Welnu, zoo is het ook bij den niensch, want in bet hart van den ledigganger en luiaard ontstaan allerhande kwade gedachten en begeerten en daarin nestelt het ongedierte der liederlij kste voorstellingen, zoodat men weldra den pestwalm der afschuwelijkste zonden gewaar wordt, terwijl de arbeidzame en nijvere mensch, om zoo te zeggen, geen tijd vindt voor die dingen, maar met zijne gedachten steeds bij zijn arbeid is. Een paard, dat geregeld arbeidt, luistert beter naar den teugel, is handelbaarder dan een ander, dat goed eet en niets doet. Het is wel erg, maar desniettemin waar, dat vele redelijke schepselen zich aan het re-delooze dier moeten spiegelen en het woord der Schriftuur is op hen van toepassing: aGaal tot de mieren, gij luiaards! beschouwt hare wegen en wordt wijs.quot; (Vgl. Hoofdzonden.)

145. Hoe bedrijft men inwendige zonden van on-kuischheid.

1°, Door gedachten, als men vrijwillig aan onkui-sche dingen denkt; 2 . door begeerte, als men vrijwillig begeert, onkuische dingen te weten, te doen of aan zich toe te laten; 3quot;. door voornemens, als men het stellige voornemen heeft, onkuischheid te doen (al komt men ook niet tot de daad.) (Vgl. 9 en 10 gebod.)

14G. Hoe bedrijft men uitwendige zonden van onkuischheid ?

515

-ocr page 518-

DE GIIOOTE CATECHISMUS.

lo, Door onkuische woorden te spreken of liedjes te zingen; 20. door onkuische dingen (en plaatsen van zich zelf en van anderen zonder noodzakelijkheid) aan te raken of te zien, of slechte boeken te lezen; 3o. door onkuische gesprekken of liedjes met vermaak aan te hooren, (vgl. vreemde zonden); 4,,. door onkuische werken.

Tot deze laatste behooren oneerbare omhelzingen en onzuivere zoenen, onzuivere gebaren, onkuische aanrakingen met zich zelf of met anderen zonder noodzakelijkheid, zoomede echtbreuk, bloedschande en zelfbevlekking, sodomie; kortom, alles, wat ontucht ademt en het schaamtegevoel be-leedigt, dat door God aan ieder mensch gegeven is.

147. Wat moet men doen, zoo men twijfelt of iets onkuisch is?

Men moet daarin niet voortgaan, maar spoedig zijne ouders of zijn biechtvader om onderrichting vragen.

De verzekering, dat iets onkuisch is, wordt dikwijls door de belagers der onschuld in twijfel getrokken, en ze komen al spoedig tot het besluit, dat de vuilste handelingen, geen doodzonde, wellicht maar dagelijksche. ja, in hot geheel geen zonde zijn. Zoo praten ze ook de niets kwaads vermoedende onschuld voor, om haar ook aan het twijfelen en door hot twijfelen aan het wegcijferen van zonde te brengen en zoodoende in hun boos opzet te slagen. Doch die twijfel kan ook zelf bij den braven mensch ontstaan en in beide gevallen is het allernoodzakelijkst om inlichting te vragen. God gave, dat die heilzame raad meer werd aangewend, dan zou men niet zooveel van bedrogen en misleide onschuld hooren als in onze dagen.

148. Waarom moeten wij bijzonder de onkuisch-hetd vluchten?

ol6

-ocr page 519-

DK GnOOTE CATECHISMUS

1°. Omdat de onkuischheid schandelijk; 2ü. omdat ze schadelijk en verderfelijk en 3°. omdat zij cene groote zonde is.

1°. De oukuischlieid is uiterst schandelijk, wijl zij deu mensch, Gods evenbeeld en tempel, geroepen tot een vlekkeloos leven, verlaagt tot liet onreine dier, jn hem zelfs beneden liet dier plaatst; want daarom wordt die zonde ook onkuischheid genoemd. Hoor, wat de II. Bernardus zegt: «Wanneer de mensch zich aan eerzucht overgeeft, Jan \'S het een mensch, die zondigt, maar zondigt zooals de engelen (duivels); geeft hij zich aan hébzucht over, dan is het een mensch, die zondigt, maar ook zondigt als mensch; geeft de mensch zich echter aan de bevrediging der onzuivere lusten over, dan zondigt hij als een duk vee.quot; Waarlijk, de onkuischheid verstoort in ons het evenbeeld Gods en breekt den tempel des H. Geestes in ons af. Daarom zegt de H. Paulus: »Weet lt;je niet, dat ge tempels van God zijt, en Gods geest in u woont 1 Oor. 3, 1G-17. Eh wie onder de christenen zou het geen schande rekenen, de beeltenis van onzen beminnelijk en Verlosser in modder en vuilnis te werpen? Toch is het waar, dat de mensch. zoo dikwijls hij een onzuiver werk doet, het beeld der Godheid, dat in hem is, in een poel vau wellustig vnil neerploft. Is dat geen schande voor een christen, die alles, in zijn go-heele bestaan, aan God te danken heeft?

2°. Is de onzuiverheid schadelijk en verder lelijk in hare gevolgen voor ziel en lichaam, zij rooft:

al de onschuld eu de gezondheid van den mensch naar ziel en lielniam. Gelijk een appel, die rot is, schoonheid, kleur en waarde verliest, zoo ook verliest de ziel door het bederf dei-onzuiverheid hare schoonheid, haar geur en hare kleur en wordt afzichtelijk voor God. Beschouw eens een eerbaar, kuisch mensch en ge wordt getroffen door het zachte en lieflijke, dat uit zijn reinen blik u tegenstraalt. De schoonheid, dat lief-

517

-ocr page 520-

DE GHOOTE CATECIIISMT\'S.

ijk \\ ve rliest do onkuische ; zijn blik en zijn uiterlijk nemen iets terngstootends nan; dagelijks wordt zijn lichüam meer en meer aan de zonde onderworpen en zijne oogen en ooren, zijne tong en zij tie handen helpen hem getrouw om zijne nooit te verzadigen hartstochten te bevredigen. Zoo wordt zijn lichaam een hatelijk werktuig der zonde en niet zelden eene prooi van de afschuwelijkste ziekten, die hem vroeg ten grave slepen ; liij is voor den tijd versleten. O, konden de graven spreken en ons aanwijzen, waar zij rusten, die hun leven verkort hebben en zelfmoordenaars zijn geworden dnor de vervloekte zonde van onkuischheid, dan zonden schrik en ontzetting zich vau ons meester maken. Wanneer men in de steden de ziekenhuizen en hospitalen bezoekt, dan vindt men daar in afzonderlijke zalen, jongelieden, die nog voor korten tijd bloeiend en krachtig waren, en nu liggen zij daar, met afschuwelijke zweren overdekt, die een verpestenden stank verspreiden; door iedereen geschuwd en veracht, in schande en ellende, terwijl het hart gekweld wordt door het verwijt: gij kon-det gelukkig, tevreden en gezond zjjn, en wat zijt gij nu? Zij hebben den raad van den biechtvader en de vermaningen hunner ouders iu den wind geslagene n nu de onschuld verloren, de ziel bevlekt, de gezondheid verspeeld; zij zjjn de schande hunner familie geworden. En dan die vreese-lijke rekenschap nog!

Dat de onkuischheid ook een groot getal bewoners aan de krankzinnigen-gestichten levert, bewijst de dagelijksche ondervinding en leert de jaarlijksche opgaven; zij ondermijnt het verstand en het geheugen en sloopt langzaam maar zeker, de beste levenskrachten.

h] Geeft de onkuischheid aanleiding tot vele andere zonden. De ontuchtige mensch begint met hei. gebed te verzuimen en komt trapsgewijze tot zondigen op Gods barmhartigheid en eindigt i;i wanhoop of volslagen ongeloof, na door valsche

518

-ocr page 521-

DE GRoOTE CATECHISMUS.

schaamte of ouverscliilligheid heiligscliendend te hebben gebiecht cn gecommuniceerd. Wil hy iemand verleiden, dan ziet hij er niet tegen op valsch te zweren om zijn doel te bereiken. Welke smart onkuische kinderen hunne ouders bereiden, is maar al te zeer bekend, »Ik weet niet, wat met mijne dochter (of zoon) is voorgevallen. Vroeger was hij zoo gehoorzaam en voorkomend, braaf en godsdienstig en op eens is zij (of hij) geheel veranderd en grof, brutaal en ongezeggelijk geworden. Zij heeft een afkeer van het gebed en het ontvangen der sacranienten, spreekt bijna geen woord, of \'t is brutaal en is altijd in zich zelve gekeerd,quot; zoo klaagde eens eene bedroefde moeder togen mij over haar kind, en ze voegde er bij: »zou ze ook ziek zijn?quot; Wat was er gebeurd? Het kind had zich aan onzuiverheid overgegeven en was dus inderdaad

O D

ziek, doodelijk ziek, naar de ziel. — Verder wordt de ontuchtige een aartsleugenaar om zijne zonde te bedekken, een dief om zich middelen te verschaffen, ten einde zijne lusten te kunnen\' botvieren en een huichelaar om de schuld op anderen te werpen en zich zelven schoon te wasschen. Niets is hem te lief, als het de bevrediging zijner lage lusteii geldt, en hij trotseert de openbare achting, de liefde eener goede vrouw, vaneen zorgvuldigen vader en eene liefdevolle moeder, zijn ambt, stand en vermogen en stort zich eindelijk in de diepste ellende. En helaas! hoeveel moorden doet de onkuiscliheid niet bedrijven ; men wil de schande ontgaan en de moeders worden de moordenaressen hunner eigen kinderen, alsof door een moord de schande uit te wisschen wave, terwijl weer anderen de hand aan hun eigen leven slaan en aan dat van hun kind, en met dien dubbelen moord komen zij voor Gods rechterstoel. »Ik ben bedrogen en kan niet in schande leven, daarom heb ik mij verdronken,« zoo luidde het briefje, dat eene zelfmoorde-nares aan bare diep bedroefde ouders achterliet. Het stuit mij tegen de borst nog meer voorbeelden aan te halen. Onlangs

510

-ocr page 522-

DE GKÜOTE OATtCHISMUS

nog werd in \'t koninkrijk Saksen eene kindermoordenares ter dood veroordeeld, die pas 21 jaaroud, reeds zes kinderen vermoord hud. — Is nu deze zonde zoo schandelijk, schadelijk en yerderfljjk in hare gevolgen, dan is het ook begrijpelijk, dat de goede God haar haat en verafschuwt en

met zware straffen tuchtigt, onidathet eene groote zonde is. Hier werpt mij iemand tegen: »In het zesde gebod wordt alleen de echtbreuk verboden, van de overige onzuivere werken \'s geen spraak.« De H. Augustinus antwoordt hierop voor mij en zegt: iGelijk in het gebod »gij zult niet stelen,quot; niet alleen diefstal, maar ook alle groote en kleine onrechtvaardigheden begrepen zijn, zoo ook is iu het zesde gebod onder den naam »echtbreuk« alles begrepen en verboden, wat tegen de eerbaarheid en heilige schaamte strijdt, doch met dit onderscheid, dat een diefstal somtijds slechts eeue dage)ijk-sche zonde is, en eene vrijwillige zonde tegen het zesde gebod niet zo j gering kan zijn of liet is eene doodzonde. Dat blijkt ook uit de woorden van den H. Paulus aan de Eph. 5, 5; waar hij in \'t algemeen zegt: sgt; Weet en erken, dal geen wel-lustig en ontuchtig mensch erfdeel aan Christus of Gods rijk heeft. Daaruit volgt, dat iemand, die willens en wetens met zich zeiven of anderen zondigt, een zware zonde bedrijft; want voor iemand, die doodzonde doet, is de hemel gesloten. Evenwel is het waar, dat sommige onkuische zonden zwaarder zijn dan andere, naarmate de zaak groot of het ambt of de stand vau den persoon is, met wien men zondigt. Ook kan de duur, de toeleg, het onnatuurlijke en de gevolgen der zonde veel tot hare verzwaring of vermindering bijdragen. Doch even waar is en blijft Paulas\' woord: 1 Oor. 6, 9—10: ^Misleidt u\'niet; noch ontuchtigen ... noch overspelers... noch onkuischen zullen het rijk Gods erven.quot; Beschouwt eens de plaats, waar voorheen de s\'cden Sodoma en Geinorrha stonden; dat teekent!

O, wenden wij dan alle middelen aan en vluchten wjj alle

5-20

-ocr page 523-

UK GnOOTE CATECHISMUS.

gelegenhedeu om de engelachtige deugd v;iii kuischlieid iu ons te bewaren en te bevestigen, en hebben we haar verloren, terug te ontvangen. Wat toch is schooner en beminnelijker dan eene onschuldige en reine ziel! »0, hoe schoon is een knisch geslacht! Onsterfelijk in zijn aandenken, en hij God en de menschen in eere. Eeuwig prijkt het met de kroon der overwinning en draagt den prijs voor den strijd der onbevlekte reinheid!quot; Boek der Wijsh. 4, 1-2. Hoe beminnelijk en zacht is het geheele wezen eener ziel, welke niet praalt, niet schittert door edelgesteenten, maar uitblinkt door eenvoud, reinheid en onschuld. Waarlijk, het inwendige van een kuisch hart teekent zich uitwendig duidelijk af in blik, gedaante en houding. »Een kuisch hai i gelijkt eene parelschelp, welke geen enkelen dt appel water in zich opneemt, en zich alleen opent, om het heldere water der hemelsche genade op te nemen; het heeft oog noch hart voor oneerbare genoegens, zelfs voor geen vrijwillige gedachten.quot; Zoo teekent ons de H. Franc, van Sales een kuisch mensch.

Laten we bovendien alles haten en verfoeien, wat die tee-dere deugd in ons kan bevlekken; want zooals een spiegel door don minsten ademtocht bevlekt wordt, zoo ook wordtMe ziel door de minste vlek van onzuiverheid besmeurd. Doe daarom nooit iets met u zeiven of anderen, wat het schaamtegevoel u belet in tegenwoordigheid van ouders of andere menschen te bedrijven, en roep God en menschen te hulp, als ii iemand tot zoude van onkuischheid wil verleiden. Vlucht personen, huizen en familiën, die voor u een steen des aanstoots zijn. Onttrek u aan wandelingen, bijeenkomsten, gezelschappen en verkeeringen, waardoor uwe onschuld gevaar loopt. En zegt u de droevige ondervinding, dat de arbeid op fabrieken, op \'t veld, in de bosschcn, den arbeid in den oogsttijd en des winters in schuren en afgelegen plaatsen gevaarlijk voor u zijn, laat die arbeid dan varen; want het is beter

521

-ocr page 524-

DE GROOTE CATECH1SMIIS.

geen geld te verdienen dan zijne ziel voor een kortstondig zondig genot, voor een stuk geld aan Satiin te verkoopeu. Dat de goede God n daarin steune!

VEERTIGSTE LES.

OVER HET ZEVENDE GEBOD.

»GIJ ZULT NIET STELEN.quot;

149. Tegen welke deugd strijdt de zonde van stelen ? Tégen de deugd van rechtvaar digheid, welke bestaat in den ernstigen en standvastiger! wil, aan ieder te geven, waarop hij recht heeft.

Dat gebod beveelt dus;

1°. Aan ieder het zijne le geven, onze schulden en liet iirquot; beidsloon eerlijk te voldoen; ontnomen, gevonden en geleende goederen weder aan den reclitmatigen eigenaar terug te geven, den naaste geen schade te berokkenen. Die op zoodanige wijze handelt on steeds recht en rechtvaardigheid beoefent, op hem rust Gods zegen en welgevallen. Want, zoo spreekt de H. Schrift: »Wanneer de goddelooze zich hekeerl, hel ontvreemde teruggeeft..., en het geroofde herstelt, en wandelt in Gods geboden en geen om-echt bedrijft, waarlijk. Hij zal leven en niet sterven.quot; Ezech. 33, 15.

2n. Aan een ieder het zijne te laten. Acht het eigendom van uw eveamensch heilig, beschadig zijne goederen niet en wees eerlijk in handel en wandel. Ontvreemd nooit iets, al was het ook nog zoo weinig; want van kleine diefstallen komt men zeer gemakkelijk tot groote. Verre zij liet van ons, door woeker en bedrog ons te verrijken, omdat zulks strijdt tegen het zevende gebod.

3°. Verder gebiedt God in dit gebod om weldadig jegens zijn naaste te zijn naar vermogen; hem iets te laten verdie-

522

-ocr page 525-

DE CROOTE CATECHISMUS.

nen, aalmoezen uit te deelen, enz. Daarom heeft God de rijken met meer goederen bedeeld, opdat ze door den minderen man bijstand te verleenen, den hemel zouden verdienen. »Hoe brengt men dit laatste in overeenstemming met liet zevende gebod,quot; vraagt hier wellicht iemand, en ik antwoord, omdat we tegenover God slechts zaakwaarnemers en vruchtgebruikers zijn van onze goederen en ons vermogen, waarvan wij God eenmaal strenge rekenschap zullen moeten geven, zooals ons geleerd wordt in de gelijkenissen van de Dlalenlen\' en den ■; onrechtvaardigen rentmeester.quot; De dood bewijst, dat we geen eigenlijke bezitters zijn. »Geef dus en u zal gegeven worden.quot;

Wanneer vele rijken dezen plicht der weldadigheid naar behooren vervulden en in plaats van de armen te onderdrukken en uit te zuigen, hen bijstonden als broeders, dan zou de verschrikkelijke sociale kwestie eerder zijn opgelost. Door hardvochtigheid, woeker, enz., verbonden met de goddelooste grondbeginselen, die velen van hen verspreiden, brengen zij voor den arme en den werkman er toe bij, om het zevende gebod te verachten en met geweld de goederen der meerge-goedeu te willen deelen.

4°. Wees tevreden met hetgeen gij hebt, want tevredenheid is beter dan rijkdommen. Gelukkig de mensch, die met zijn voedsel en zijne kleeding tevreden is; hij zal niet gemakkelijk in de valstrikken van Satan loepen, of van zijne ge-vleeschte trawanten, die ons valsche rijkdommen voorspiegelen. Waarlijk rechtvaardig zijn en weinig bezitten, is veel voortreffelijker dan onrechtvaardig zijn en veel bezitten, zooals de plattelands-bevolking duidelijk leert, die voor het grootste gedeelte weinig bezit, maar ook geen behoeften heeft en derhalve tevredener leeft dan de rijken, die op hun geldkisten gezeten, nooit tevreden zijn. Hoeden wc ons dus voor eiken toeleg en elke handeling, welke tot diefstal en roof

523

-ocr page 526-

DE GROOTE CATECHISMUS

aanleiding geeft en ons in \'t verderf stort, bv. verkwisting, dronkenscliap, lediggang, spel om grof geld, opscliik en ijdele praal, zooals we later zullen zien.

150. Welke zonden worden in het zevende yebod onder stelen begrepen? (Wat verbiedt het?J

Alle zonden, waardoor wij op eene onrechtvaardige wijze onzen naaste in zijne tijdelijke goederen benadeelen.

1°. Door aan zijne goederen schade te berokkenen; 2°. door hem iets te ontnemen; 3°. door hem iets te onthouden.

151. Wanneer zondigt men door aan des naasten goed schade te berokkenen ?

Dat kan geschieden, a] door schuldige nalatigheid of boosheid, bv. door \'t koren of de vruchten op \'t veld te vertrappen, het vee op eens anders weide te laten grazen, door de toppen uit de boomen te breken of den bast van de boomen te schillen, waardoor ze ster yen of kreupel worden, door vreemd vee te dooden of te verwonden, en ook hij, die uit boosheid kleedereu, boeken, gereedschappen, enz. bederft, vruchtboomen en andere goederen beschadigt of onbruikbaar maakt, de eigendo.urnen zijns naasten in brand steekt, enz., zondigt tegen het zevende gebod; hj door schuldige onvoorzichtigheid en luiheid. Een dienstbode loopt met een open licht of eene brandende pijp rond en ongemerkt valt eene vonk in stroo of hooi, en huis en schuur worden eene prooi der vlammen. Wie nu is hier de schuldige? Een veehoeder geeft geen acht op zijne kudde en daarom ziju ze in eens anders weide ol\' tuin gedrongen en hebben daar schade aangericht of wel, zij zijn verdronken of gingen verloren. Aan wien de schuld? Een knecht laat de paarden bezweet zonder dekstaan, overjaagtze, verwaarloost hun onderhoud, waardoor

524

-ocr page 527-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ze ziek worden, iu waarde verminderen of sterveu, enz. Verder, dieustbodea, daglooners, ambachtslieden, enz. zondigen tegen liet zevende gebod door huniien arbeid onverscliillig te verrichten, zoodat de \'.verkgever daardoor schade beloopt. Ze zijn verplicht, naar den maatstaf hunner schuld, die schade te herstellen. Eu welke nadeel berokkent een dienstmeisje niet aan de huisoverste, wanneer ze het melkvee en huismeu-bcls en andere goederen verwaarloost door schuldige onverschilligheid of luiheid; zoo ook de knecht, die het land slecht bewerkt en bebouwt i\' Ook de werkman, die zijn tijd verluiert, wordt dagdief en steelt zijn loon.

152. Hoe zondigt men door iemand onrechtvaardig iets te ontnemen ?

1°. Dooi dieistal, root en door daartoe onrechtvaardig mede te werken; 2°. door bedrog, doorzicli namelijk op eene bedriegelijke wijze geld of goed van een ander toe te eigenen, waarop men geen recht heeft,

10. Door diefstal en roof en door daartoe onrechtvaardig, mede te werken. — De dief en de roover zondigt daardoor, dat hij het goed van een ander wegneemt en toch bestaat er tusschen beiden een groot verschil. Iemand komt u op weg tegemoet of dringt heimelijk iu uw huis en dwingt u gewelddadig met mes of pistool, uw eigendom af te geven, dat is een roover, omdat hij met geweld u geld en goed afperst; terwijl we Lem een dief noemen, die u in het geheim uw geld en goed afhandig maakt.

Verder zondigen zij ook door roof en diefstal, die dnartoe helpen mot woord of daad (vgl. vreemde zonden) bv. door den diefstal of den roof aan 1 e raden, den weg te wijzen, teekens van waarschuwing te geven, wanneer er gevaar van betrapping

525

-ocr page 528-

DE GROOTli CATECHISMUS.

dreigt, de deuren open te laten voor de dieven, door liet gestolen of geroofde goed te verbergen of te verkoopen, enz.

Ook zij, die gestolen of geroofde goederen koopen, waarvan ze de onrechtvaardige herkomst met grond kunnen vermoeden, maken zich schuldig aan diefstal en roof. AVanneer een eenvoudig werkman, b.v. mij een gouden horloge te koop biedt, of oen dienstmeisje, juweelen oorbellen of ringen, enz., dan bestaat het gegrond vermoeden, dat ze er niet eerlijk aan zijn gekomen en ik mag het niet koopen om geen diefmethente worden. Een ander voorbeeld. Iemand is werkzaam opeene werkplaats, fabriek, een magazijn of in een pakhuis en komt goederen te koop aanbieden, waarin hij dagelijks werkzaam is, b.v. koloniale waren, manufacturen, koren, kleedingstukken, huisraad enz., dan ontstaat bij elk verstandigmensch hetgegronde vermoeden, »dat is gestolen goed,« en het mag dus niet gekocht of aangenomen worden, op straf van medeplichtigheid. Dat gaat ook door, ten opzichte van zoons of dochters, die nog in het ouderlijke huis verblijven en goederen te koop presenteeren, of we moeten wel degelijk van de eerlijke herkomst overtuigd zijn, hetgeen in den gewonen regel gemakkelijk te onderzoeken is, of van zelf blijkt, door dat ze b. v. voor hunne ouders zaken doen of niet, of de waren verre beneden den prijs tekoop aanbieden.

2°. Door bedrog, d.i. zich op eene bedriegelijke wijze geld of goed van een ander toeëigenen, waarop men geen recht heeft.

Dat nu geschiedt door valsche maat, b. v. de el is te kort, waarmede men meet, of wel ze heeft de maat, maar men meet te weinig uit; de inhoudsmaat is kleiner gemaakt door er een papiertje in te leggen of wel de maat is goed, maar men geeft te weinig voor den prijs; het gewicht is te licht enz. Ook is hij een bedrieger, die bij ruilhandel opzettelijk minder waarde geeft, dan hij ontvangt, zooals dat kan geschie-den met kooplui, die hunne waren langs de deuren venten,

-ocr page 529-

DE (ÏROOTE CATECHISMUS.

iloor winkeliers enz. Tot deze soort van bedriegers kunnen zij gevoegelijk sjerekend worden, die valscli geld vervaai\'digen of in omloop brengen. En, eens aangenomen, dat iemand onwetend valseli geld ontvangen had, dan staat, bet hem niet vrij, dat weder aan anderen in betaling te geven; die dat doet, is werkelijk een bedrieger (en stelt zich bloot als valsche manter te worden aangemerkt); hij moet dus de schade maar dragen!

hj Boor den verkoop van vervalschte waren. Ieder begrijpt, dat water geen melk of wijn, dat kunstboter geen echte, zemelen geen rogge zijn, kortom, dat allen, die vervalschte waren en levensmiddelen verkoopen tegen den gewonen prijs, bedriegen. Ambachtslieden, b.v. schoenmakers, timmerlieden, enz., die stollen van het minste gehalte bezigen voor hun werk cn zich voor goede stoffen laten betalen, zijn ook niet van bedriegerij vrij te spreken. Evenzoo is het bedrog, om een stuk vee als gezond te verkoopen, terwijl men weet. dat het ziek is; eene koe bij den verkoop aan te prijzen als zeer melkgevend, terwijl het tegendeel waar is, of een paard te veilen als goed, waarvan men overtuigd is, dat het een onzichtbaar gebrek heeft, waardoor het veel in prijs vermindert en wellicht voor den koopman totaal ongeschikt is. — Ook zij, die onrechtvaardige processen voeren, rechters en getuigen omkoo-pen, maken zich schuldig aan bedrog.

cl Bedriegers zijn zij, die handschriften namaken of papieren vervalschen, om zoodoende in \'t bezit van rechten of goederen te geraken, of deze aan anderen te bezorgen. Wat op die wijze verkregen wordt, is diefstal en bedrog, en ook is hij een bedrieger, die een bankroet slaat, na alvorens boeken vervalscht en goederen verduisterd te hebben, welke niet hun, maar den schuldeischers toebehooren. Grenssteenen verplaatsen, slooten of akkers der naburen te veel afgraven, zijn huis in brand steken, om zoodoende de verzekeringssom machtig te worden, is schandelijke bedriegerij. Kortom, allen zijn

.-gt;27

-ocr page 530-

DE anOÜTE CATECHISMUS.

bedriegers, die in woord of daad den naaste schade berokkenen, tot eigen voordeel.

Wij lezen in hut 3e Boek van Moses 19, 3o : ï Gij zult geen onrecht doen in el, maat of gewicht, een dubbel gewicht is een gruwel voor den Heer; eene valsche waag is verwerpelijk.quot; En op dezelfde plaats 19, 14: » Wacht u, de grenssteenen van uwe naasten te verplaatsen.quot; Bovendien spreken de straffen, door den burgerlijken rechter vastgesteld tegen den bedrieger, voldoende, ora de schandelijkheid van het bedrog te brandmerken. En welke straffen staan den bedrieger in de eeuwigheid niet te wachten? Terecht zegt het spreekwoord: »Eerlijk duurt het langst.quot;

dj. De woekeraars verschillen van de bedriegers hierin, dat ze hunne onrechtvaardigheid bedekken onder den schijn der liefdadigheid en barmhartigheid, doch in den rr-gel openlijk hunne schandstukken bedrijven. Woeker is immers meer rente nemen van geleend geld dan de wet en het gebruik toelaten, en dat gaat moeilijk, wanneer de nood niet dringt. Van den nood nu maakt de woekeraar misbiuik en hij wordt derhalve afperser en bloedzuiger; hij bedriegt met open oogen; die bedrogen wordt, weet en ziet het, maar is door den nood gedrongen, onmachtig om den diefstal des woekeraars te beletten. Iemand komt bij een handelaar of een ander persoon en vraagt 100 gulden of meer of minder ter leen. Kan de

O O

gevraagde nu door handel, aankoop van goederen, enz. meer percenten maken van dat geld dan vijf ten honderd, dan ook is het geen woeker, dat meerdere te nemen, ofschoon die handeling niet getuigt van groote naastenliefde. Ziehier echter eenige voorbeelden van echten woeker. Men leent 100 gulden en eischt daarvoor een schuldbewijs van 125 gulden. Men leent een ander één mud aardappelen of andere vruchten, en stelt als voorwaarde, anderhalf mud terug te ontvangen. Iemand vraagt u geld om brood te kunnen koopen

528

-ocr page 531-

DE (JRÓOTÉ CATECHISMUS.

leent een ander een mud aardappelen of\' andere vruchten en stelt als voorwaarde, anderhalf mud terug te ontvangen. Iemand vraagt IJ geld, om brood te kunnen koopen, en biedt daarbij een horloge of andere voorwerpen te koop aan. Nu kunt go hein het gevraagde geld als aalmoes schenken of wel leenen en het te koop gebodene als pand houden tot hij het geleende teruggeeft. Wil hij echter terstond of later de voorwerpen verkoopen , dan moet gij daardoor de icerkdijke waarde geven. Geeft ge minder dan de waarde, dan maakt ge misbruik van zijn nood en verrijkt u door woeker. Woekeraars zijn zij ook, die goederen opkoopen en later de prijzen opdrijven, zoodat de menschen, door nood gedrongen worden, voor bovenmatige prijzen bij hen in te koopen. enz. Zou er wel een akeliger mensch bestaan dan een woekeraar?

Waarlijk, de woekeraar is een mensch zonder hart, ja een onmensch, die er steeds op uit is, om arme of verlegen natuurgenooteu uit te zuigen. Hy is den lintworm gelijk, en ontneemt aan menschon en familiën alle voedingssappen om zich zeiven daarmede te niesten. Evenals de spin spant hij zijne netten, niet om vliegen, maar om menschen te vangen en hun het bloed uit te zuigen. Van een vruchtboom kan men niet meer dan vruchten vorderen, maar ontneemt men hem bovendien takken en bladeren, dan staat zijn dood onherroepelijk vast. Ziedaar het beeld van den woekeraar, die zijn evenmensch niet alleen van het noodige levensonderhoud berooft, maar hem ook langzamerhand zedelijk doodt in zijn bestaan.

529

Woeker is in veie gevallen ook eene wraakroepende zonde, namelijk dan, als een wezenlijk arm mensch er het slacht-

34

o«. CAT.

-ocr page 532-

bE UKOOTE OATÈCHISMÜS,

offer van wordt; want dan is het tevens verdrukking der armen.

151. Hoe zondigt men door een ander iets onrechtvaardig te onthouden.

1°. Door zijne schulden in het geheel niet, of niet op tijd te betalen; 2° door het gevondene niet aan den rechten eigenaar te bezorgen; 3° door den diefstal, het bedrog en de schuldig veroorzaakte schade niet te vergoeden.

1quot; Door zijne schulden niet, of niet op tijd te voldoen.

Men heeft voor 1, 4 of 50 gulden iets gekocht of die som geleend, onder beding op zekeren datum te voldoen. Die tijd breekt aan, maar van de betaling komt niets, zoodat de schuldeischer dat geld uit zijne zaken moet missen en anderen daarmede niet betalen kan, derhalve schade beloopt, door de nalatigheid van den schuldenaar en deze is dan ook gehouden, die schade te vergoeden door matigen interest. Is de schuldenaar echter in staat op tijd te betalen, zonder daaraan te voldoen, dan is hij een dief, omdat hij het geld van een ander wederrechtelijk in bezit houdt, tot schade van den schuldeischer. Stemt de schuldeischer er echter vrijwillig in toe. om over den tijd te wachten, of is liet zeker dat de schuld later met interest zal voldaan worden, of is de schuldenaar door onvoorziene omstandigheden en ongelukken, b. v. door overstrooming, brand, sterfgevallen enz. in de onmogelijkheid om op tijd te voldoen, dan ook is bij van zonde vrij te spreken. Menschen, die hun goeden wil toonen, maar onmachtig zijn om in eens te voldoen en wel in overeenstemming met den schuldeischer, zon-

530

-ocr page 533-

1)E GEOOTË OATECaiSMÓS.

digen niet tegen het zevende gebod. Doch zij, die lichtzinnig schulden maken, geld leenen met de belofte om terug te geven, ofschoon ze redelijk overtuigd zijn, latei-onmachtig te zijn, zijn wezenlijke oplichters en gauwdieven.

Door het gevondene niet aan den rechten eigenaar te-bezorgen. Neemt eens aan, dat iemand eene beurs met geld vindt en den inhoud verteert, zonder de minste moeite te hebben aangewend om den eigenaar te ontdekken, dan heeft hij gestolen geld verteerd, want het is de plicht van den vinder om alle redelijke middelen aan te wenden ten einde den eigenaar te vinden, door .... enz. Kan iemand zijn eigendomsrecht bewijzen, dan is de zaak uit en de vinder moet hem het gevondene ter hand stellen, doch het staat hem vrij, de gemaakte onkosten van onderhoud of om den eigenaar te ontdekken, te eischen. Wordt de eigenaar echter niet ontdekt, dan mag de vinder het voor zich zelf behouden, of notr beter het tre-

7 O O

vondene met de armen rleelen of het hun geheel afstaan. Verzuimt iemand bijgevolg alle redelijke pogingen in \'t werk te stellen om den rechten eigenaar van zijne vondst te ontdekken, dan is hij een dief, want het gestolen goed kan nooit zijn eigendom worden. Het volgende leert ons een eerlijken vinder kennen. Een arm werkman vond in den tuin der Tuilleriën te Parijs een halssierraad van honderd en vijf en zeventig duizend gulden waarde. Niemand ziet het, sprak hij bij zich zelf, maar God heeft het gezien. Aanstonds gaf hij zijne vondst aan de politie om het den inmiddels gevonden eigenaar terug te bezor-LTfii en weisrerde zelfs het tiende der waarde, dat men

53 i

-ocr page 534-

HE GUOOTE CATECHISMUS.

hem als belooning wilde geven. „Ik heb niets anders gedaan dan mijn christelijken plicht en daarvoor mag ik geen belooning aannemen,quot; zeide hij. Toen keizer Napoleon III met dat voorval in kennis werd gesteld, benoemde hij den eerlijken man terstond tot opziener zijner i\'a-milieschatten en gaf hem eene rijke bezoldiging. Vindt men kleinigheden, b. v.een mes, eene pijp, eene beurs met een paar centen enz. dan ook nog moet men de geschikte middelen aanwenden om den eigenaar op te sporen, en zoo deze vruchteloos zijn, dan eerst wordt het ons eigendom, of de eigenaar mocht zich later opdoen. .Die het gevondene onder zich houdt, is een dief,quot; zegt deII. Au-gustinus. — Eveneens zondigen ook zij, die het geleende goed niet teruggeven. Zoo b.v. leent iemand geld, eene schop, een hark, een ladder of iets anders. Die het leende, denkt er niet aan om het terug te vragen, te meer, omdat hij niet weet, waar het geleende voorwerp zich bevindt en de leener maakt van die onwetendheid misbruik, eigent zich een voorwerp toe, dat nooit zijn eigendom kan worden en wordt een dief.

3° Door den diefstal, het bedrog en de sclmldiy veroorzaakte schade niet te vergoeden.

Hiertoe is iedereen verplicht, die zich verrijkt heeft door diefstal, bedrog, woeker en schuldig zijn naaste schade heeft toegebracht: want zonder teruggave of restitutie van het onrechtvaardig bezeten goed, of herstel der schuldig aangerichte schade, is bij God geen vergiffenis. Dat is ook zeer begrijpelijk. „Wanneer hem immers eene groote straf te wachten staat, die van zijn overvloed zijn evenmensch niet heeft medegedeeld, welke straf zal hem dan niet treffen, die zich vreemd goed, het goed van zijn

-ocr page 535-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

evemiiensch heeft toegeëigendzoo zegt de H. Greg. Magnus. De dure verplichting der restitutie of teruggave wordt in de H. Schrift dikwijls besproken. Zoo lezen wij 2, Moz. 22, 1: Wanneer iemand een schaap of een os gestolen heeft, dan moet hij vijf ossen voor één en vier schapen voor één terujgeven.^ En 2 Moz. 9; „Geschiedt er bedrog, dan moet de bedrieger de dubbele waarde teruggeven.quot; En in het zelfde boek 10, 12: „Is iemand iets toevertrouwd en wordt hem dat ontstolen of beschadigd uit nalatigheid, dan moet hij de schade dragen.quot; Bovendien roept ons do wereld apostel Paulus toe.\' „ Weet gij niet, dut on-rechtvaardigen het rijk Gods niet zullen bezitten?\'\'\'\' Cor. 6, 9, 10: Bedriegt u niet! noch ontuchtigen, noch dieven, noch roovers zullen het rijk Gods beërven.\'\'\' Ziedaar eenige van de vele bewijzen aangegeven, welke ons den plicht der restitutie genoegzaam toonen. Hij derhalve, die zich aan dien plicht onttrekt, blijft buiten den hemel gesloten en een dief in leven en sterven, of wettige redenen moeten hem hiervan voor een tijd ontslaan; want zoodra de mogelijkheid van te herstellen weer aanwezig is, bestaat terstond ook weder de verplichting van teruggave. Daarom vraagt de catechismus ook:

152. Wanneer moet men de gepleegde onrcc/loaar-clifje benadeeling herstellen?

Zoo haast men kan en indien men niet kan, moet men daartoe den ernstigen wil hebben.

Men moet den ernstigen wil hebben om te herstellen, zoodra men kan, als men voor het oogenblik daartoe onmachtig is. Dien wil moet men echter toonen. Iemand beschuldigt zich, b.v. in de biecht, dat hij tien gulden of kleediugstukken enz. heeft ontvreemd. Bezit hij nog iets

533

-ocr page 536-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

van dafc geld of\' goed, dan moet dit terstond teruggegeven worden, zoo niet, dan moet hij zijn goeden wil toonen, door wekelijks iets af te zonderenen zoo langzamerhand de ontvreemde waarde herstellen. Van daar kan men niet zeggen, dat hij of zij dien ernstigen wil toonen, die het geld, dat ze verdienen, verteeren en verkleeden en aan geen restitutie denken. Een jong ambachtsman had zijn meester bestolen. Telkens als hij te biechten ging, klaagde hij zich daarover aan en voegde er bij: „Zoodra ik kan, zal ik herstellen.quot; Toen de biechtvader hem de opmerking maakte, dat dit voor God niet voldoende was, maar dat hij zijn goeden wil ook moest toonen, door eene kleinigheid van zijne verdiensten af te zonderen, minder verteringen temaken, daar hij het geld zijns meestérs verteerde, zeide hij: „U heeft gelijk ,ik beloof wel, maar doe niets. Voortaan wil ik geen onnoodig geld meer uitgeven en met verdubbelden ijver arbeiden tot dat ik alles hersteld heb.quot; Dit voorbeeld past niet alleen op jeugdige men-schen, maar op iedereen, die in het bezit is van onrechtvaardig goed, ook op gehuwden, al zou men ook nog zoo weinig kunnen afzonderen.—

Zou iemand tot restitutie in staat zijn, maar weigeren daaraan te voldoen, dan maakt hij zich daardoor de sacramenten onwaardig. Zeker man had zich rijk gestolen en werd op zijn sterfbed geworpen. Meermalen had de zielzorger der gemeente er bij hem op aangedrongen, om den diefstal toch te herstellen, maar telkens werd hij afgescheept met de woorden: „Wat zouden de menschen wel denken, wanneer ik mijne uitwendige levenswijze verander, en paarden en rijtuigen verkoop; daardoor zou ik ook mijnen kinderen beletten, fortuin te maken, enz. En toen hem de opmer-

534

-ocr page 537-

1gt;E eKOOTE CATECHISMUS. 535

king werd gemaakt, dat het toch beter was om met klein vermogen zalig, dan rijk verdoemd te worden, zeide hij: „Ik kan niet,quot; doch het was eigenlijk, ik wil niet. Eindelijk sloeg het uur van sterven en in dat alles beslissend oogenblik wendde de zielzorger eene laatste poging aan om hem tot herstel te bewegen, doch vruchteloos. Daarna ontbood hij den notaris en beval hem het volgende testament te schrijven; „ik N.N. heb geteerd en geleefd van gestolen goed, mijne vrouw met gestolen goed onderhouden en mijne kinderen met gestolen goed opgevoed. Daarom vermaak ik mijne ziel en mijn lichaam en de zielen en lichamen mijner vrouw en kinderen aan de hel en aan Satan. „En hij stierf. Vreeselijk ! niet waar lezer? De vrouw vernietigde echter dat testament voor haar en hare kinderen en herstelde, wat ze kon. Zulk een afschuwelijk testament behoeft echter iemand niet te maken, die in de mogelijkheid is om te herstellen, maar niet wil; want hij gaat toch verloren, wanneer het onrechtvaardig goed in zijn bezit eene groote zaak vertegenwoordigt en hij dus door het te nemen eene doodzonde deed. — Is men bevreesd door de restitutie als dief bekend te worden, vraag dan den biechtvader om raad; hij zal u den rechten weg aanwijzen om niet bekend te worden. — Opdat de restitutie of teruggave evenwel naar recht en billijkheid geschiede, moet men de drie volgende punten in aanmerking nemen.

1quot; Wie moet teruggeven? Hij, die {a) het onrechtvaardig goed of de waarde daarvan bezit, of de schade werkelijk heeft toegebracht; {li) doet deze het niet, dan zij, die door raad of daad werkelijk aan de zonde deelnamen, of de zonde, terwijl ze konden en ambtshalve daartoe

-ocr page 538-

1gt;E GKÜUTE CATECHISMUS.

536

verplicht waren, niet beletten. De catechismus van het Concilie van Trente verklaart dat volgender wijze. Xa den dief, 1quot; hij, die beveelt te stelen; 2quot; hij, die aanspoort tot stelen; 3quot; die met den dief eens weet; 40 die helpen stelen; 5° die den diefstal konden en moesten beletten; 6° die den hun bekenden diefstal niet openbaren aan de bevoegde personen. Wil dus de dief of de bezitter en de toevoeger der schade niet herstellen, dan zijn anderen daartoe volgens de aangegeven orde verplicht, 2quot; Wat mod men teruggeven? Om die vraag goed te beantwoorden, moet men onderscheid maken en zien of of het ontvreemde goed bezeten wordt tcezenlijk onrechtvaardig d. i. ter kwader trouw of onschuldig en onwetend, d.i. ter goeder trouw. Bezit men ter kwader trouw, dan moet men den reehthebbende of eigenaar volkomen schadeloos stellen, d.i. men is verplicht, met slechts het ontvreemde of zijne waarde, maar ook datgene herstellen, wat het waarschijnlijk beter had knnnen worden. Bovendien moet men alle voordeden, welke men den eigenaar onthouden en alle schade, die hij door den diefstal geleden heeft, goed maken. Ge zoudt b.v. iemand honderd gulden of de waarde daarvan, hebben ontstolen en een jaar onder u hebben gehouden, dan zijt ge verplicht, den interest van die som te betalen en ook de voordeelen, die hij zeker of waarschijnlijk door die som zou gemaakt hebben. De noodzakelijke kosten, welke den eigenaar tot onderhoud der gestolen zaak zelf ook zou moeten gemaakt hebben, kan men echter van de restitutie aftrekken. Ter verduidelijking: Iemand heeft b.v. eene koe gestolen, dan is hij gehouden, de koe of cle waarde daarvan, den in-

-ocr page 539-

de (;ko()te catechismus.

fcrest van de waarde, de voovdeelen, welke de kue den dief heeft opgeleverd, de schade, welke den eigenaar dooiden diefstal heeft geleden herstellen, doch wat de koe aan onderhoud heeft gekost, zijn voedsel n. 1. mag men er aftrekken. — (Bezit iemand ter goeder trouw, dan moet hij, zoodra hij overtuigd is, vreemd goed te bezitten, alles, wat liij nog bezit, teruggeven, alsook hetgeen hij door het bezit rijker is geworden, na aftrek van de noodzakelijke kosten, welke de rechtmatige eigenaar ook te maken zou gehad hebben).

3U Aan wien moet men terayyecen? Aan den rechtma-tigen eigenaar of diens erfgenaam. Zijn beiden niet meer onder de levenden of niet te vinden, dan treden de armen in de plaats, of men moest het onrechtvaardig goed tot andere vrome doeleinden aanwenden, b.v. tot opbouw van kerken, scholen, ziekenhuizen, enz. Is echter de eigenaar of diens erfgenaam nog in wezen, dan is het niet geoorloofd, het onrechtvaardig goed den armen te geven, want, aldus zegt de H. Chrysostomus: „Gelijk het onrechtvaardig is, een kleedingstuk te stelen om daarmede een naakte te dekken, eveneens is het ongeoorloofd aalmoezen te geven van goederen, welke men gestolen heeft en dus terug moet geven. , De helft can mijne yoedereu (jeef ik den arme en als ik iemand bedroyen heb, dan yeef ik dat vierdubbel teruyzoo sprak Zacheüs tot Jezus. Volgen wij hem na.—

153. Waarop moet men letten, om te toeten of een diefstal, eene heschadiging enz. yroote of kleine zonde is.

Iu Op de grootheid der benadeeling, b.v. centen, guldens, enz. 2U op den persoon, wien zij is aan-

537

-ocr page 540-

DE GKÜOÏE CATECHISMUS.

gec)aan. b. v. arm of rijk, 3° op de schuld of den zondigen wil, dien men daarbij gehad heeft.

1quot; Op de f/rootheid der benadeeliny. Het is duidelijk, dat de diefstal van een cent niet zulk groot kwaad is als die van een dubbeltje, kwartje of gulden, maar toch altijd zonde blijft en moet terugegeven worden. Denk er wel aan: die het kleine niet acht, wordt langzamerhand tot \'t groote gebracht. Ja, dieven en dieveggen in \'t klein zullen weldra groote dieven worden.Ik ken een joug mensch, die op school, griffels en spelden stal, te huis snoepte en kleinigheden wegnam en eindigde met te sterven in het tuchthuis. De beruchte dief en moordenaar Cartouche begon zijne ongelukkige loopbaan met pennen , papier, fruit, enz. te stelen. Vervolgens nam hij centen en guldens en eindigde zijn leven, na tal van gruwelijke misdaden bedreven te hebben, op het schavot. Wacht u dan voor kleine diefstallen en vooral roep ik de jeugd toe: wacht u voor snoepen, want bedwingt ge u hierin niet, dan zult ge later geld nemen om uw snoeplust te bevredigen en trapsgewijze steeds verder gaan.

2quot; Op den persoon, aan wien zij is aangedaan-, b.v. arm of rijk. Dat de diefstal bij een vreemde grooter kwaad is, dan bij ouders, bij armen grooter dan bij rijken; kerk en armenroof strafwaardiger zijn dan de roof en de diefstal van eens anders goed, behoeft zeker niet bewezen te worden. Er zijn soms kinderen, die meenen geen zonde te doen, als zij ouders iets ontnemen, doch zij vergissen zich zeer; want zij verminderen het erfdeel van anderen en brengen de dienstboden en anderen, niet zelden in verdenking. Verneem hierover het oordeel derH. Schrift. Wij lezen daar in het boek der Spreuken 28, 24:

538

-ocr page 541-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

„Wie zijn vader of zijne moeder iets ontneemt en zecjt: het is geen zonde, hij is hondtjenoot eens moordenaars.\'\'\'\' — Ook staat het den dienstboden niet vrij, van de goederen hunner oversten, aalmoezen te geven, zooals ik dat reeds bij het vierde gebod, bemerkt heb, of het moest met hunne toe-

o \' 7

stemming geschieden. „De rechtvaardigheid gaat voor de milddadigheidquot; en wie dus aalmoezen wil geven, moet van het zijne geven, zegt de H. Aug.

Op de schuld of den zondigen tviL dien men daarbij gehad heeft. — Men meent soms, vooral onder de dienstboden, dat kleine diefstallen en ontvreemdingen niet zoo erg zijn op te nemen, doch dit is veelal dwaling; want neemt men dikwijls kleinigheden tot groote schade van den eigenaar, of wel eene op zich zelf kleine zaak tot groot nadeel van zijn evenmensch, dan doet men doodzonde, en ook is de eerste kleine diefstal doodzonde, als men daarbij den wil heeft om langzamerhand door kleine diefstallen een en denzelfden eigenaar te bestelen voor een groot bedrag. De dagdief zegge dusniet: ,Het zijn maar eenige minuten, die ik verzuim,quot; de dief of dievegge veront-schuldige zich niet met te zeggen: „Ze hebben toch geld genoeg,1\' of; „Anderen doen het ook wel,quot; want altijd blijft het gebod van kracht: „ge zult niet stelen,quot; en „wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet.quot;

154. Kan men ook zondigen door benadeeling van zijn eigen goed?

Ja; b.v. 1° door moedwillige verwaarloozing of vernieling, 2° door ongeoorloofde verkwisting van zijn goederen.

4quot;. Door moedwillige verwaarloozing of vernieling zijner

539

-ocr page 542-

HE GEOOTC CATECHISMUS.

goederen. Huismoeders, diu hunne huishoudelijke zaken niet behoorlijk nagaan, maar verwaarloozen door niet op tijd te reinigen of\' te verstellen; en huisvaders, die den landbouw, hun handwerk of hunnen handelszaken, enz. niet de behoorlijke en noodzakelijke zorg wijden, zondigen tegen het zevende gebod. Men zegt wel eens: als de vrouw slordig en vuil is, laat de man dan maar verdienen, het helpt toch niet: maar als de man geen orde in zijne zaken houdt en alles laat vlotten en drijven, dan zal er ook geen welvaart en voorspoed in zulk een huisgezin zijn, al is de vrouw ook nog zoo helder, klaar en bijoen-houdend. De vrouw moet in dit opzicht hare taak goed vervullen en de man kan ze niet nalaten, zonder te zondigen. Insgelijks de kinderen, die met opzet hunne kleeding, schoolbehoeften enz. vernielen en verwaarloozen.

2quot;. Door ongeoorloofde verkwistinrj zijner goederen. Hier worden niet alleen de dronkaards en brassers bedoeld, maar ook al degenen, die meer uitgeven dan hunne beurs veroorlooft, hetgeen men wel eens , groot doenquot; noemt, waartoe zeker behoort het boven zijn staat gekleed gaan, partijtjes geven, reisjes maken, openbare gezelschappen als comedies, concerten enz. bijwonen, ofschoon het er volstrekt niet afkan en het beter ware, de schulden te voldoen. Dat hieronder ook liet dobbelspel om zwaar geld, het hartstochtelijk ,loterij spelen,quot; kaart- en hazardspel om grof geld begrepen worden, ligt voor de hand.

Het zevende gebod is hiermede in \'t kort afgehandeld.

Hoe schoon is de getuigenis des gewetens: Ik ben altijd eerlijk en trouw geweest; want een eerlijk mensch wordt door iedereen geacht, en Gods zegen rust op zijn arbeid. Elk heeft immers gaarne met hem te doen, zoo

540

-ocr page 543-

DE GROOtE CATECHISMUS.

dat een eerlijke dienstbode gemakkelijk eene goede betrekking, een eerlijke handwerksman gewoonlijk geen gebrek aan werk heeft. Van een eerlijken koopman of winkelier is men gaarne bediend. Daarom ook de spreekwoorden: „Eerlijk duurt het langst,quot; „eerlijkheid en rechtvaardigheid drijven boven.quot; Wat zou de wereld een ander aanzien krijgen, wanneer alle menschen strikt eerlijk waren en vertrouwen verdienden. Dan zou men niet genoodzaakt zijn, alles achter slot en grendel te bewaren en de meeste politiedienaars, rechters, advocaten en gevangenissen zouden kunnen opgeruimd worden, terwijl in onzen tijd, helaas! de gevangenissen als paddestoelen uit deu grond oprijzen, om hen te herbergen, die gebrek toonden aan ware naasteliefde, eerlijkheid en vertrouwen.

Hoe hatelijk is daarentegen diefstal, bedrog, woeker; enz. Een dief, bedrieger of woekeraar wordt door elkeen veracht en geschuwd, en smaad, schande en tuchthuisstraf is zijn aardsche loon. Niemand wil een oneerlijk mensch in zijn dienst of werk hebben ; en staat een dienstbode, een werkman, koopman, enz. quot; als oneerlijk aangeschreven, dan laat men ze terecht links liggen en wil niets met hen te doen hebben. Op zulke menschen kan Gods zegen ook niet rusten, maar wel Zijn vloek, want .on-rechtvaardig goed gedijt niet.quot; Het zou mij gemakkelijk vallen, vele voorbeelden aan te halen van menschen, die vroeger als bemiddeld te boek stonden, maar door allerlei ongelukken en rampen tot den bedelstaf gebracht werden en waarvan men openlijk hoorde zeggen: .Dat komt, omdat ze onrechtvaardig goed onder zich hebben.quot; Maar aangenomen, dat die tijdelijke vloek den onrechtvaardige niet treft, hoe verschrikkelijk moet dan hun dood niet

-ocr page 544-

M (itlOOTE CAÏECHtSMÜS.

zijn! Kan men dan grooter zotheid bedenken^ dan vool* een stuk geld of goed; dat men moet achterlaten, gewetensfolteringen uit te staan, ellendig te sterven en voor eeuwig verdoemd te worden?

Oeef en laat een ieder dan het zijne; acht den eigendom uws naasten heilig; beschadig zijne goederen niet: wees eerlijk in handel en wandel. Neem nooit iets weg, hoe klein het ook zij, want van kleine zaken komt men langzamerhand tot groote; dit zij vooral ook tot de kinderen gezegd, die nog in het ouderlijk huis verkeeren. quot; ees tevreden met hetgeen gij bezit, „ Een groot gewin is godsvrucht met tevredenheid.quot; zegt de H. Paulus 1 Tim. 6, 6. Wanneer we voeding en kleeding hebben, laat ons daarmede tevreden zijn; want die rijk willen worden, vallen in bekoring en in de valstrikken des duivels.quot; En in het Boek der Spr. 16, 8, lezen wij: , Het is beter, weinig met rechtvaardigheid dan veel inkomen (te bezitten), niet onrecht!

Laten we ons dan wachten voor gelegenheden en han-delingen, welke tot onrechtvaardigheid, roof, diefstal en woeker verleiden en ons in het verderf storten, zooals slordigheid in onze zaken, dronkenschap, lediggang, spel om zwaar geld, ijdele praal en opschik, enz. Hebt ge iets gevonden of geleend, geef het den eigenaar terug; want de H. Aug. spreekt: ,Wanneer ge het niet teruggeeft, dan is het niet anders, alsof ge het gestolen hebt.quot;

EEN EN VEERTIGSTE LES.

OVER HET ACHTSTE GEBOD.

„GIJ ZULT GEEN VALSC\'HE GETUIGENIS GEVEN\' TEGEN UWE NAASTEN*\'

155. Welke plicht wordt, ons in het achtste qehcd opgelegd?

Dat wij steeds waarheid spreken, en voor de eer

»42

-ocr page 545-

DE OKOOÏE CATECH1SMÜS.

en den goeden naam van ons zeiven en anderen zorgen.

1°. Dat wij steeds waarheid spreken, en de waarheid als een onschendbaar heiligdom beschermen. God is de waarheid in persoon, en Hy wil, dat ze ook in ons, Zijne evenbeelden, woont. Daarom roept de H. Paulus ons toe. „Leg de leugen af. en een ieder spreke de waarheid tot zijn naaste, want tce zijn te zamot ledematen\'quot; (van Christus). En de H. Ghrijsostomus zegt : , God schonk ons do tong, opdat zij de waarheid zou zeggen.quot; Toen David aan God vroeg, wie in Zijne tenten wonen eu op Zijn berg zouden rusten, antwoordde God: ,üh\' zonder smet is en rechtvaardig leeft; die waarheid in zijn hart spreekt en geen valsrhheid met zijne tong bedrijft.quot; Ps. 14, 1,-3.-Het is echter eene treurige waarheid, dat de deugd dei-waarachtigheid hoe langer zoo zeldzamer wordt aangetroffen en met haar het vertrouwen verdwenen is. „Ik hel) alles in overvloed aan mijn hof, maar groot gebrek aan waarheid,quot; zeide Lodewijk VI, koning van Frankrijk, en in onzen tijd kon men er gerust aan toevoegen, dat de geheele wereld aan waarheid gebrek heeft en hot vertrouwen door het wantrouwen is verdrongen, — Gedurende het Schrikbewind in Frankrijk werd de Pastoor van Autun door het gepeupel gevangen genomen. Toen liij weigerde den goddeloozen eed der Revolutie-mannen af te leggen, was de burgemeester er nog op uit om zijn leven te redden en zeide tot hem: „Pastoor! ik zal het volk zeggen, dat gij voor mij den eed hebt afgelegd/1 „Neen, dat nooit,quot; sprak de grijsaard verontwaardigd, „ik mag mijn leven voor geen leugen koopen,quot; en hij stierf als martelaar.

543

-ocr page 546-

i)K (ïKOOTE CATËOHISMÜS.

2°. Moeten wij zorgen voor de- eer en den goeden naam ran ons zeiven. De eer en de goede naam hebben meer waarde dan geld- en goed, en daarom vereischen zij onze bijzondere zorg, vooral dan, als onze stand of ons ambt, het belang van onzen naaste en Gods eer zulks vorderen. Met het oog hierop, zegt de H. Paulas 2 Cor. 8, 21: , Wij beijveren ons om goed te doen niet alleen voor God, maar ook voor de mensdien. Ja, wij zijn het aan ons zeiven verschuldigd, onze eer te verdedigen en te redden, wanneer ze wordt aangerand. Dat neemt echter niet weg, dat we altijd bereid moeten zijn, schimp en kwaad te verdragen ter wille van \'s naasten heil en ter liefde van Christus. Hierop hebben de woorden der H. Schrift betrekking: ,, Wanneer n iemand op de rechterwang slaat, bied hem dan ook de linker,quot; Matth. 5, 39 en: „Zalig zijt gij, \'wanneer ge om Christus versmaad wordt,quot;quot; Petr. 4, 14. Treilend is het voorbeeld der Apostelen. Niets, noch iemand is in staat hen de opgedragen zending te beletten; maarzij verlaten vreugdevol den hoogenraad wijl zij waardig werden gekeurd, ter wille van Jesus\' naam smaad en vervolging te lijden. Moet ik hier nog de duizend-tallen martelaren aanhalen, die juist door de versmading en miskenning, voor hun goddelijken Meester geleden, de kroon der eeuwige vergelding verdiend hebben?

3U. Moeten wij zorgen voor de eer en den goeden naam van onzen naaste, en wel zoo, dat we deze tegen den kwaadspreker en lasteraar in bescherming moeten nemen, en zelf steeds van hem het beste moeten denken en spreken. Zeer schoon, schrijft de H. Chrijsostomus: „zeg uw evenmensch: wilt gij iemand loven en aanbevelen, dan staan mijne ooren open, om die zalf te ontvangen;

Ui

-ocr page 547-

1)Ë GKOOTE CATECHISMUS. 545

wilt ge echter kwaad van hem spreken, dan stop ik ze dicht, om uwe woorden geen ingang te doen vinden ; want op vuiligheid ben ik niet gesteld.quot; Openen wij derhalve onze ooren, wanneer men iemand naar waarde looft en prijst, maar stoppen we ze terstond, d. i. verwijderen of verzetten we ons, zoodra de even-mensch door het slijk der kwaadsprekendheid of van den lastei getroften wordt. Spring in zijne afwezigheid voor hem in de bres, verdedig zijne eer en zijn goeden naam, zooals gij zoudt willen, dat hij voor u deed, en houd elk mensch zoolang voor braaf en goed, totdat het tegendeel klaar en duidelijk bewezen is; acht anderen braver en beter dan u zeiven en ge zult daarin steeds aanleiding vinden, om zijne eer en zijn goeden naam tegen kwaadsprekende tongen te verdedigen.

4°. Moeten wij onze toncj in toom honden en breidelen, omdat door de tong de eer en den goeden naam bezoedeld en er valsch getuigd wordt. We moeten dus nooit spreken zonder overleg, niet eerst spreken en daarna denken, want we zullen niet alleen van elk zondig, maar ook van elk nutteloos woord rekenschap moeten afleggen. En willen we onze tong altijd goed gebruiken, dan moet ons hart vrij zijn van eergierigheid, haat, nijd en wraakzucht ; want liet is onmogelijk goed en recht van onzen naaste te spreken, wanneer ons hart met die lage hartstochten tegen hem is vervuld, volgens het spreekwoord: „Waar het hart vol van is, loopt de moud van over.quot;

Ontelbaar zijn de zonden, door de tong bedreven. Ofschoon slechts een klein gedeelte van het menschelijk lichaam, zijn de verwoestingen evenwel ontzettend, welke ze in ons zeiven en in anderen kan aanrichten. Met hot

GR. CAT.

-ocr page 548-

DE GROOTE CATECHISMUS.

546

oncr o]) die waarheid, zegt de H. Schrift: „Die zijne tone/ heir aart, heiraart zijne ziel, vie echter onhedachtzaam spreekt zal het kwalijk gaan.\'\' Boek der Wijsh. 13. 3. Vandaar dat het spreekwoord zegt: „Spreken is zilver, zwijgen is goud.quot; „Een knap spreker, die een zwijger verbetert.quot; „Het heeft mij nooit berouwd, te hebben gezwegen, maar wel te hebben gesproken.quot; We moeten derhalve nimmer ondoordacht spreken; want de natuur schonk velen dieren liet gehoor, maar den redelijken mensch begiftigde 7,ij alleen met de spraak om aan te toonen, dat wij er een redelijk gebruik van moeten maken,quot; aldus de H. Thomas van Aquino. En de H. Chrijsostomus roept ons toe: , Laten wij steeds onzen mond bewaken en daarbij de rede als sleutel gebruiken, om haar op zijn tijd te openen; wij voorzien onze huizen van deuren en sloten om onze bezittingen tegen diefstal te vrijwaren, maar laten we onzen mond ook van een slot voorzien om den diefstal van \'a naasten eer en goeden naam te voorkomen bij ons zei-ven en ze openen, om hem tegen onteering en laster te beschermen.

Overigens gebiedt het achtste gebod elke leugen te vermijden , want met de waarheid komt men heel het leven door. Met rle leugen nog geen uur, zegt het spreekwoord. Verafschuw dan alle leugen en valschheid en spreek nooit anders dan ge denkt; een rond en openhartig karakter vindt op den duur toegang tot ieders hart. Daarom heeft de tong hare wortels in het hart, opdat de mensch over-wege, wat hij moet spreken, wat hij in zijn hart denkt, alsof de natuur zelve wilde aantoonen, dat hart en mond in overeenstemming moeten zijn. Spreek ook nooit liefdeloos van uw naaste en beleedig hem niet door smaad-

-ocr page 549-

DE GEOOTE CATECHISMUSquot; 547

of scheldwoorden; wlt;int „sIcujch wpt ci\'ii (jBftspJTOccl?- wo-ki\'.n dcchb striemen, maar slagen met de tom/ kwetsen den (/eheelen memnh.quot; ze^t de H. Schrift. Bedenk, dat gij, zoowel als een ander, zondaar zijt; zoo niet, werp dan den eersten steen op hem. Wat gaan zijne fouten u aan ! Geef acht op u zelf en zie toe, dat gij niet vallet. Of zult ge, door zijne fouten wijd en breed uit te meten, zelf staande blijven; „die staat, zie toe, dat hij niet valle.quot; Denken we steeds aan de balk in onze eigen oogen en we zullen de splinters in het oog van onzen naaste als klein en niets waardig beschouwen.

En wordt in ons bijzijn de eer en de goede naam van onzen naaste met voeten getreden en gehavend, toonen we ons dan edelmoedige beschermers der onschuld, en verlam de giftige tong, die als een worm aan den wortel eener welriekende bloem knaagt. Evenwel moeten we de fouten van onzen naaste aan hen mededeelen, die in staat zijn, ze in het vervolg te beletten; „want liet is geen eer afsnijden,quot; zegt de H. Thomas van Aquino, „ wanneer men de fouten zegt, om nieuwe zonden of schade van een ander te voorkomen, zooals we later zullen zien.

156. Waardoor znvdujt men tegen het achht.e gehod?

Door liegen, cerafsnijcling, laster en door iedere beiiadecling van de eer en den goeden naam van ons zeiven of van anderen.

157. Waimeer liegt men?

Als men iets zegt. dat men meent onwaar te zijn, om een ander in dwaling te brengen.

Een koopman liegt derhalve, als liij zijne waar als goed aanprijst en zegt, dat ze hem zelf zooveel kost, of-

-ocr page 550-

DE (tKOOTE CAÏECHISMÜS,

schoon hij weet, dat het goed niet echt is en minder waarde heeft dan hij zegt. Zoo ook een ambachtsman, die zegt de beste stof tot vervaardiging van iets te hebben gebruikt, welke bij inkoop zooveel heeft gekost, terwijl hij de overtuiging bezit, grondstof van veel minder waarde te hebben gebezigd. — Zegt men echter iets schertsenderwijze, of op een toon; waaruit ieder verstandig mensch den zin begrijpt, dan is dat geen liegen, vandaar dat fabels, anecdoten en paf abels niet onder de leugens gerangschikt worden.

De eigenlijke leugen is een afschuwelijk kwaad en eene hatelijke schandvlek voor hem, die haar doet. „Leuyen-achtige lippen zijn den Heer een (jrimd.\'^ Spr. 12, 22; want „cfe leugen komt van den duivel; een leugenaar van den beginne, den vader der leugen.quot; Joh. 8, 44. En wie ook kan liet verderflijke van de leugen naar waarde aangeven? Daarom zegt men, niet zonder grond: de leugenaar is een dief; zijne waarde is gelijk aan eene klok, die anders wijst, dan ze slaat. Doch niet alleen is de leugen tot eigen of tot eens anders voordeel verboden, maar ook de scherts en noodleugen, want iedere leugen strijdt tegen Gods waarachtigheid. , liet is nooit geoorloofd te liegen,quot; zegt de 11. Aug. „zelfs de leugen, die men doet, in de meening daardoor God te eeren, is verboden.quot; Beschouw eens het ongelukkig lot van Ananias en Saphira zijne vrouw; die dood aan Petrusquot; voeten vallen tot straf voor eene enkele leugen. Wel had de H. Aug. gelijk, toen hij schreef: , Wie beweert, dat er een soort leugen is, welke geen zonde zij, bedriegt zich zeer en verliest alle geloof en vertrouwen bij zijne medemenschen. Daarom schenkt men leugenaars , in den regel, geen geloof of vertrouwen , al

548

-ocr page 551-

DE GROOTE CATECHISMUS.

549

sprekun ze ouk de waarheid. Leugentaal zou geen zonde zijn? En waarom bevalt het dan niemand 7,lei(yenaar\'quot; genoemd te worden? Liegen zou geen zonde zijn? En de H. Anselraus hield het voor onmogelijk, dat een christen zich zoozeer kon vergeten om leugentaal uit te spreken. Een vriend van den H- Thomas van Aquino, met wien hij wandelde, riep den heilige schertsend toe: „Zie eens de ossen daar, ze vlin/rn.quot; Thomas zag overal rond, en om die hchtgelo ovigheid barstte zijn metgezel iu een schaterlach uit. De heilige echter sprak in allen ernst: „Broeder! men moet lichter gelooven, dat ossen vliegen, dan dat een christelijke mond leugentaal spreekt.quot; In onzen bedorven tijd is de leugen echter zoo algemeen geworden, dat men ook gerust kan zeggen: men moet lichter gelooven, dat ossen fluiten, dan dat in onzen tijd een mond de waarheid zegt. De schuld hiervan ligt voor een groot gedeelte in de slechte opvoeding der kinderen, en de gewetenloosheid veler ouders , die den kinderen toestaan te liegen en hen in deze slechte gewoonte opvoeden en voorgaan. Hierin ligt ook de reden, dat men kinderen aantreft, die nauwelijks goed kunnen spreken, maar liegen alsof het gedrukt was; de afschuw vour het hatelijk kwaad wordt hun door de ouders niet ingestort , en terwijl ze eene andere kleine overtreding dikwijls zwaar bestraffen, blijft de leugen onbestraft. Somtijds, als de leugenaar rondborstig zijne fout bekent, moet men hem niet bestraffen, dat zal in \'t vervolg gunstig werken en waarheidsliefde opwekken; straft men in zulk geval, dan zal de leugenaar in de toekomst nooit meer de waarheid zeggen. De zesjarige Greorge Washington, de later beroemde presi-

-ocr page 552-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

dent der Aiuerikaansche Republiek, had met een bijltje de schil van een kerseboom gehakt. Toen zijn vader dat zag, riep hij gramstorig uit: , Welke ellendeling heeft dien schooneu boom, welken ik voor geen zestig gulden wilde missen, zóó toegetakeld, dat hij moet sterven?quot; Doch niemand der aanwezigen antwoordde. Ein-del ijk vroeg hij: , George! heb gij het gedaan?quot; „Ja, vader! want ik mag niet liegen.quot; De vader omarmde zijn zoon en zeide: quot;Uwe openhartigheid, lieve jongen! is mij meer waard dan duizend kerseboomen, met de schoonste vruchten beladen.quot;

,,Manr is dan nooit (jaoorloofd U liegen?\'quot; vraagt hier misschien iemand. Nooit! Maar er bestaan somtijds omstandigheden, waarin men niet gehouden is, de waarheid te zeggen; ja, er kunnen nu en dan gewichtige redenen /.ijn, die het geoorloofd maken, den waren aard der zaak te bedekken, echter niet dour de leugen-, maar door dubbelzinnige redeneeringen, die in bepaalde opvattingen geheel waar zijn en volgens eene andere be-teekenis een ontwijkend antwoord inhouden, ofschoon de tweeduidigheid door den hoorder niet begrepen wordt. Zoo mag b.v. een dienstmeisje, als iemand vraagt, om den heer des huizes te spreken, gerust zeggen, liij is niet te huis, wanneer hij haar gezegd heeft, dat hij niet te spreken is. Deze spreekwijze beteekent immers alleen; mijnheer ontvangt thans niemand, mijnheer heeft belet. Zonder te liegen kan derhalve een biechtvader, gacust zeggen, dat hij niet weet, wat een biechtkind gebiecht heeft: want hetgeen hij uit de biecht weet, weet hij nog minder dan hetgeen hij in \'t geheel niet weet, zegt de H. Aug. Iets anders is liet, iets te weten, wat

550

-ocr page 553-

HE GROOTE CATECHISMUS

men anderen ook mag niedcdeelen; en iets anders, iets te weten, wat anderen niet medegedeeld mag worden. Wanneer iemand mij dus eenc zaak toevertrouwt en zegt: gij moogt er niet van spreken, dan staat liet mij vrij, als mij iemand daarnaar vraagt, te zeggen: ik weet er niet van.

157. Wat is eer afsny den of kwaadspreken?

Ecnifsnijdcn is, zorulcr wettige redenen, het. kwaad of de gebreken van anderen bekend maken.

De zonde hier bedoeld, bestaat hierin, dat men zonder de minste reden, uit boosheid ot\' liefdeloosheid, de fouten en gebreken van anderen rondbazuint, om hun eer en goeden naam te bezwalken, zoodat de eerafsnijder juist het tegenovergestelde doet als de sneeuw, welke alles bedekt en glansrijk wit, terwijl de eerroover alles ontdekt en vuil maakt. O, hoevelen leven er onder ons, die er letterlijk werk van maken (vooral onder de vrouwen) om de goede eigenschappen hunner medemenschen te beknibbelen en tevens hunne fouten en misstappen in den breede uit te meten! Wel mocht Salomo waarschuwen en zeggen: ..Ramjschik u niet onder de kwaadsprekers, want hun verderf nadert met rassche schreden /\' Spr. 24, 22. En beschouwt men de kwaadsprekers op de keper, dan blijken het gewoonlijk menschen te zijn, met veel meer gebreken behebt dan zij, wier fouten zij vertellen. Ze vergeten, dat de zon zelve hare vlekken heeft en ieder mensch dus ook zijne gebreken. De kwaadsprekers worden door zeker schrijver dan ouk gepast met straatvegers vergeleken, met dat onderscheid echter, dat de laatsten dagelijks het vuil vergaderen om het aan \'t oog

551

-ocr page 554-

UE GEOOTE CATECHISMUS.

te ontrekken, en de eerste er onophoudelijk op uitzijn, hun vuil in het openbaar te grabbel te gooien. Dat de kwaadsprekendheid dikwijls ook zijn grond vindt, om eigen louten en misstappen te bedekken, behoeft geen bewijs. Men treft zelf meiischen aan, die de zonden en fouten van anderen komen biechten, zoozeer zijn ze de slaaf dezer hartstocht, in plaats van op hunne borst te slaan en te zeggen; Heer, wees mij arme zondaar genadig.

lob, Wanneer may men de gebreken van anderen-bekend maken?

Als het gevorderd wordt: 1° om de naasten te verbeteren en 3U om anderen voor schade te hc-hoeden.

In de zoogenaamde twee gevallen mag men de gebreken bekend maken, maar alleen aan hen, die het moeten weten om den kwaaddoener te verbeteren en zooveel mogelijk tegen herval te vrijwaren, of de schade van anderen of van zich zeiven af te weren. Ge zoude b.v. weten, dat iemand verdachte huizen of gezelschappen bezocht, dat een ander eene zondige verkeering onderhoudt of twee personen onder één dak verkeeren, dat een kind gevloekt of ontuchtige werken heeft bedreven, veel geld uitgeeft, waarvan de herkomst verdacht voorkomt, dat het op verplichte dagen de H. Mis verzuimt, enz., dan zijt gij wel degelijk verplicht, zulks aan ouders en overheden bekend te maken. Zoo ook mag en moet men zijn evenmensch waarschuwen, wanneer hem door eerafsnijding stoffelijke of geestelijke schade is toegedacht, of hem in de toekomst bedreigen, al komt daardoor ook de boosheid van den toebrenger aan het licht; maar dan

552

-ocr page 555-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

ouk alleen aan hum , die er belang Mj lieeft, om de schade te weren.

Wij mogen van dit onderwerp niet afstappen, dan na gewezen te hebben op den hatelijken scliijn van gewetensangst en oprechtheid, waarmede de eerafsnijder zijn fari-zeescli werk bedekt. Noemen wij eenige voorbeelden, ter opheldering. ,Ik geloof wel, dat Maria N. een braaf meisje is, maar —• ik zal maar zwijgen: de deuren hebben ooren,quot; en — de eer is geroofd. .Ziet gij dat aan voor eene kleinigheid, overijling en menschelijke zwakheid? Ik weet wel beter, anders zou ik het niet zeggen, het

OO T

is met boos opzet geschied, hij heeft eene gewoonte om zoo te doen; maar spreek er niet over.quot; Nu, hij kan zeggen en doen, wat hij wil en alles even goed meenen, en toch vertrouw ik hem voor geen cent, ge moest eens weten, wat ik weet.quot; „Het is wel waar, zij heeft vele goede hoedanigheden en veel goed aan de arme bewezen; dat ze vroom is, kan niemand ontkennen.quot; Gij kunt zoo hard met hem wegloopen, als ge wilt,ik niet.quot; Oogen-schijnlijk leven ze in rust en vrede, en is het een gelukkig huwelijk, maar ik weet wel beter,quot; enz.

Natuurlijk wordt daardoor de nieuwsgierigheid geprikkeld van den hoorder en wanneer deze dan den kwaadspreker vraagt en bij hoog en laag, stilzwijgendheid belooft, dan komt deze met de naakte waarheid voor den dag en ontrukt zijn evenmensch het kostbare kleed dei-eer. En al zou men ook het kwaad zelf niet vertellen, maar schouderophalend en glimlachend bij den lof van anderen zwijgen, dan is men evenwel schuldig, omdat men daardoor zijn evenmensch verdacht maakt, zoodat het soms beter is, het kwaad zelf te vertellen dan den hoorder te

553

-ocr page 556-

DE GROOTE CATECHISMUS.

laten denken. Tot verontschuldiging te zeggen: ik heb het zoo kwaad niet bedoeld, ik wilde geen vijandschap, twist of afgekeerheid stichten, ik zelf acht dien inensch hoog, ik dacht niet, dat mijn (kwaad-) spreken die gevolgen zou hebben; dat alles laat den eerafsnijder even schuldig voor God. Wat de eerroover doen moet tot eerherstel, zion we later.

(Somtijds heeft men zulke diep gevallen wezens, die kwaadspreken van zich zeiven en lachende de grootste schanddaden opdisschen, ja niet zelden, nog vergrooten. Waarom? Om een glimlach of den lof der karn uiten in te oogsten, om daarmede te zeggen: zocPn man hen ik, dat heb ik durven doen. Wat kan de mensch toch diep vallen, want door groot te gaan op bedreven misdaden, wordt men op nieuw schuldig voor God. Met David moest hij uitroepen: „Nacht en dag zal ik mijne legerstede met mijne tranen wasschen,quot; en hij draagt er roem op. God beleedigd en zijne ziel het schoone sieraad, de heiligma-kende genade ontroofd te hebben. Anderen spreken kwaad van zich zeiven, d.i. verhalen hunne vroegere gruwelen om daardoor iemand voor hunne zondige plannen te winnen, tot zonde te verleiden of, helaas! hem te loeren zondigen. Zoo te handelen is duivelsch, is dienstknecht zijn van Satan, hij treedt in diens plaats op om verworpelingen te maken, maar zal dan ook eenmaal zijn verblijf en de eeuwige verdoemenis met hem deelen).

159. Wat is laster?

Van een ander iets kwaad vertellen, waaraan hij niet schuldig is, of het bestaande kwaad vergrooten.

Deze zonde is evenals het kwaadspreken grooter, naar

554

-ocr page 557-

DE GROOTE CATECHISMUS.

mate de herhaalde tout gewichtig of de persoon van wien men iets zegt, aanzienlijk is. Verder moet de grootheid dezer afschuwelijke zonde worden afgemeten naar de schade eu het nadeel, welke door den laster ontstaan is; naar het getal der personen, die den laster hebben gehoord en volgens den toeleg of liet doel, dat men daarbij op liet oog liad.

Dit alles moet de lasteraar overdenken, wil hij zijne zonde naar beboeren belijden eu haar waren aard aangeven. Ieder toch begrijpt, dat men iemand kleine eu groote fouten kan aanwrijven. waaraan hij niet schuldig is en de lastertaal tegenover ouders, wereldlijke en vooral geestelijke overheden grooter zonde is, dan het lasteren van zijns gelijken. Insgelijks is het belasteren van familieleden grooter kwaad dan van anderen, omdat de liefde meer gekwetst wordt. Dikwijls is de lasteraar ook oorzaak van lievig twisten, ongelukkige huwelijken, brood-schade, enz. en dat moet wel degelijk in de biecht worden beleden, alsmede het getal personen, die zijne lastertaal hoorden, want hoe meer personen, hoe meer ergernissen. Heeft men gelasterd met het oogmerk om iemand het brood uit den mond te stooten, hem aan de verachting van weidenkenden prijs te geven, hem uit een dienst of een ambt te doen ontslaan enz., dan moet dat in de biecht worden uitgedrukt.

Wie begrijpt niet, dat de laster een afschuwelijk kwaad is tegen de naastenliefde! Geheime fouten en misstappen van zijn evenmensch aan het daglicht brengen, (d.i. de kwaadsprekendheid;) verbiedt reeds de liefde, maar welk eene duivelachtige zonde moet de laster dan niet zijn, waardoor men hem niet-gepleegde zonden en misdaden

555

-ocr page 558-

DE fiROOTE CATECHISMUS.

aanwrijft, in het oog vim een au dei\' niet slijk besmeurt en hem eer en goeden naam, meer waard dan geld en goed, ontrooft.

1(50. Zondigt men ook met kwaadspreken en lakleren aan te hoor en?

Ja, niet alleen do kwaadspreker en lasteraar bedrijven zonde, maar ook allen, die aan hunne helletaal een gewillig oor leenen, de lastertaal en het kwaadspreken niet verhinderen als ze kunnen of moeten, of door navragen, meespreken of bijvalsbetuigingen in het kwaad sterken.

De uitvinder eu spreker der lastertaal dus niet alleen, maar ook zij; die den booswicht met welgevallen aan-hooren ou te woord staan, zijn even schuldig. Zij zijn immers de verachtelijke medehelpers van den lasteraar, en eerafsnijder en staan tegenover hem, als de heler tegenover den steler ; het zijn bondgenooten in de uitvoering van hetzelfde kwaad. Inderdaad, de tongen der lasteraars zouden verstommen, wanneer ze geen aannemers eu koopers voor hunne giftkas vonden. Daarom geeft de H. Schrift den raad: Omzoom uwe ooren met doornen en leen den lasteraar en eerafsnijder geen gehoor.\'\'\' B. d. Wijsh. 28, 28. „De noordenwind verdrijft den regen en een verontwaardigd gelaat (eu woord) verstomt de tong van den lasteraar en .kwaadspreker.\'\'\'\' Spr. 25, 23. En de H. Bern. schrijft dienaangaande: ,IL. wil niet heslissen, wie de schuldigste is: de lasteraar (eu eerafsnijder) of hij, die het kwaad met welgevallen aanhoort. Dit is echter het verschil, de eerste heeft den duivel op de tong; de tweede in het oor.

556

-ocr page 559-

UE HKOOÏE CATECHISMUS.

101. Hoe zondigt men inwendig tegen de eer des naasten ?

1quot;. Door kwado vermoedens, wanneer ineti zonder genoegzame redenen een ander van kwaad verdacht; houdt; 2°. door roekclooze oor deel ret ling en wanneer men ongegrond iemand van kwaad beticht.

Er is b. v. iets gestolen, eu nu vermoedt ge, zonder genoegzaam bewijs, dat deze of\' gene de dief\' is, dan is uw vermoeden valsch en zondig. Gelooft ge zeker, doch zonder voldoende redenen, dat zeker persoon de dief\' is, dan is uwe oordeelvelling roekeloos. Zulk een oordeel noemt men roekeloos, wijl de mensch onbevoegd is; als rechter van zjjn naaste op te treden, zonder recht, bevoegdheid of\' zonder daartoe te zijn aangesteld en dus Gods rechten aanrandt. Daarom ook roept de goddelijke Zaligmaker ons toe: „ Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld xoordet.v Gij ziet den splinter in hel oog uws broeders en den balk in iitv eigen oog ziet ge niet.\'\' Matth. 7, 1 — 3. Deze zonden staan in nauw verband met kwaadspreken en lasteren, want waar het liart vol van is, loopt de mond van over, met andere woorden: zooals men denkt, spreekt men ook; uit de volheid des harten spreekt de mond. De kwaaddenkenden ziften muggen in het beoordeelen van anderen en slikken kameelen, als ze zich zeiven beoordeelen. Ze zeggen met den Fari-zeër: „o Heer! ik dank u, dat ik niet ben als andere menschen.\'\' Het zijn akelige menschen, die kwaaddenkers; overal en in alles en allen vermoeden en oordeelen ze kwaad en zij alleen staan als rozen tusschen de doornen.

557

-ocr page 560-

•-*\'-18 DE GROOTE CATECHISMUS.

Zii gelijken treffend op rle bloedzuigers, die het vuile bloed inziiigen en het zuivere onaangeroerd laten.

1 Pot nadere verklaring dienen de volgende voorbeelden :

In een huisgezin is een boek, een kleedingstuk, geld

of een gouden ring zoek geraakt. De dienstmaagd was in het vertrek, waar het vermiste voorwerp zich bevond en rle huisvrouw denkt : „ Wellicht heeft de dienstmaagd don ring gestolen,quot; d.i. het kan zijn, maar ook niet. Deze verdenking is nog geen zonde, wijl er ook grond voor twijfel aanwezig is. Doch — en let hier wel op — do vrouw blijft bij die eenvoudige verdenking niet staan, maai vormt zich een oordeel en zegt bij zich zeiven: „Ja, de dienstmaagd is eene dievegge; zij heeft een ring gestolen/\' en maakt zich zoo schuldig aan valsch vermoeden en ) oeheloos oordeel, omdat ze zonder genoegzame redenen en geldige bewijzen van diefstal beschuldigt.

2 Op gelijke wijze zondigen zij door roekelooze oor-deelrdlingen, die alleen uit het gelaat, de kleur, en gedaante enz. oen nadeelig oordeel vellen over iemands zeden of karakter. Bijvoorbeeld: Iemand heeft een rood gezicht, dux is hij een dronkaard: die vrouw is geelachtig van gelaat, derhalve eene twistzoekster, wier hart kookt van gift en gal. Een dienstmeisje gaat wat zwie-rig gekleed, dus is zij eene dievegge of wat anders.

Roekeloos oordoelen zij, die eene onverscïnlliye handelhui uitleggen, als geschiedende met kwade bedoelingen. B.v. een gehuwde spreekt en gedraagt zich voorkomend tegen een ander gehuwde of niet-gehuwde en terstond vat men kwaad vermoeden op en oordeelt roekeloos: hij of zij acht dezr- iioogor dan eigen echtgenoot; of: hij heeft niet veel goeds in den zin.

-ocr page 561-

DE GROOTE CATECHISMUS.

4quot; Door roekeloos te oordeelen zondigen /ij. die de verrichte lt;jop.de werken een slecht doel toeschrijven. Zoo h.v. geeft iemand veel aalmoezen en gij denkt, dat hij het doet met eens anders geld of om vroegere diefstallen te herstellen; een ander bidt aandachtiger en ijveriger dan gij, en ge maakt hem uit in uwe gedachten of met woorden voor een schijnheilige; weer een ander ontvangt dikwijls de H. Sacramenten en daaruit besluit ge, dat hij zware zonden te biechten heeft en een slecht mensch moet zijn, enz.

5° Ook zij, die uit een geval van boosheid het besluit trekken, dat de bedrijver altijd deszelfde blijft, immer dezelfde fouten begaat, b.v. wijl iemand eens gestolen heeft, blijft hij altijd een dief; eens was hij dronken , dus een dronkaard, een meisje is eenmaal gevallen, dus altijd eene slechte meid, enz.

6° Ten laatste oordeelen zij valsch en roekeloos, die de schuld van een persoon overbrengen op een geheel huisgezin, eene gansche familie, een geheel geslacht of stand; b.v. een priester vervult zijne plichten niet zooals liet behoort, dus verdient geen enkel priester achting en eerbied; iemand heeft een schandstuk uitgevoerd, dus is zijne geheele familie niets waard.

Al deze veronderstellingen en vermoedens zijn valsch en roekeloos, omdat ze op geen toereikende gronden steunen en lichtvaardig worden gedacht en uitgespoken. Daarom zijn ze alle, en elk op zich, zonde en wel eene doodzonde, wanneer de naaste van iets beschuldigd wordt, wat zijne eer en zijn goeden naam groot nadeel toebrengt, of wel eene dayelyJcsche zonde, wanneer de beschuldiging van geen groote beteekenis is, b.v. wanneer

559

-ocr page 562-

DE GltOOTE CATECHISMUS.

men zegt: liij zegt wel eens eene leugen; zij bidt niet gaarne; hij zit liever aan de speeltafel dan aan den werkbank, enz.

Zoo Lebben wij in \'t kort gezien, wat een roekeloos vermoeden en oordeelvellen is, wanneer men zich daardoor zwaar of licht bezondigt, en hoe men\'zich door eene eenvoudige verdenkiny menigmaal in \'t geheel niet bezondigt.

Denk dan • dikwijls aan eigen zonden en gebreken ja, betreur ze uw leven lang en denk aan \'t spreekwoord: sDc argwaan is een schelm,quot; want hij bedriegt bijna eiken keer. Let op de vermaning van den H. Paulus: »Dfiwom zijt (jij, o lexjelijk mensch! die oot\'deelt, niet te lerontschuldigen. K tinf, waarin gij den ander oordeelt, veroordeelt (jij u zeiven; want (jij doet hetzelfde, hetgeen gij oordeelt.quot;quot; Kom. 1, 2. , Oordeel niet en gij zxdt niet geoordeeld irorden. Matth. 7, 1. Neem dit ter harte.

102. Waartoe is hij verplicht, die een ander in zijne eer heeft heuadeeld?

Hij is verplicht, 1° dit op de best mogelijke wijze te herstellen; h.v. door vergeving te vragen, zijne woorden te herroepen, enz. 2° de andere nadeelen, uit den eerroof ontstaan, te vergoeden.

Zwaar is de verplichting om het gestolen goed terug te geven aan den eigenaar, maar zwaarder nog verplicht liet gebod, om de geroofde eer en den goeden naam, die meer waarde hebben dan geld en goed, te herstellen. Wie dus van zijn naaste kwaad heeft gesproken, d.i. zijne fouten en misstappen zonder wettige reden openbaar heeft gemaakt, moet dat op de best mogelijke wijze herstellen,

560

-ocr page 563-

de grooté catechismus

zich verontschuldigen en de geschonden goeden naam verdedigen. De lasteraar moet zgne woorden herroepen, desnoods in \'t openbaar, en wordt niet zelden door den burgerlijken rechter zelf genoodzaakt; om vergiffenis te vragen en alle toegevoegde schade, zooveel mogelijk , te herstellen. „De goede naam is toch beter dan rijkdommen zegt de H. Schrift. Daarop heeft ieder beleedigde recht en hij kan dus den eerafsnijder en lasteraar met grond toeroepen: ,Geef mij terug, wat ge mij ontnomen hebt! Gij hebt mij mijue eer, mijn goeden naam, mijn crediet ontnomen;geef mij datalles terug.quot; Ook de godsdienst, de rechtvaardigheid en de liefde roepen ons toe : een ieder het zijne,quot; en er is geen vergiffenis te verwachten, wanneer de gepleegde roof niet zoo goed mogelijk hersteld wordt. Ik zeg, zoo goed mogelijk, want het veroorzaakte kwaad laat zich , helaas! zoo gemakkelijk niet weer goed maken. Eene inktvlek kan men op het papier wel zorgvuldig uitkrabben, maar altijd blijft ze nog zichtbaar. Schiet een schot hagel in de lucht en verzamel daarna de korrels weder,quot; zeide een onteerd Officier stervende tot zijne eerafsnijders en lasteraars, die hem vergiffenis kwamen smeeken. En toen zij de onmogelijkheid daarvan te kennen gaven, zeide de stervende: ,Welnu, even onmogelijk is het u, mijn geroofde eer en goeden naam te herstellen, maar ik vergeef u en hoop, dat God u ook vergeve.quot;

TWEE EN VEERTIGSTE LES.

OVER HET NEGENDE GEBOD-103 Hoe luidt het negende gebod?

Gij zult uws naasten huisvrouw niet. begeereu.

God heeft ons door die woorden gezegd, dat wij geen gr. cat. 36

561

-ocr page 564-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

gedachten of begeerten van onzuiverheid mogen hebben, maar die kloekmoedig moeten bestrijden en verwerpen. Het negende gebod staat dus in nauwe verbinding met het zesde, daar dit laatste de uitwmdiye onzuivere handelingen eu het eerste zelfs het umendUj denken daaraan en het verlangen en de begeerte daarnaar verbiedt. Het zesde gebod verbiedt de onzuivere zonden den lichaam* en het negende de zonden des harten, en des geest es als in strijd met de engelachtige deugd der zuiverheid. God. de doorvorscher van harten en nieren, wil, dat al onze vlt-en inwendige handelingen het kenmerk dragen van reinheid. Daarom is ook de vraag op hare plaats:

164. Wanneer zoudiyt men door onkuiseke gedachten en begeerten ?

1° Als men verzuimt, die te verwerpen; 2° als men er bebagen in schept, 3U als men in de begeerten toestemt.

Als men verzuimt, die te verwerpen. Onkuische gedachten zijn op zich zeiven nog geen zonden. Zoo kan het zeer goed gebeuren, dat men eenige seconden of minuten onkuisch denkt, doch het valt ons niet in, dat we onzuiver denken, dan is dit nog geen zonde, maar slechts bekoring. Zoodra echter het geweten ons attent maakt, of dat het ons invalt: .Ik mag daarover niet denken,quot; dan moeten we die gedachten terstond verwerpen, willen we niet, door vrijwillige onkuische gedachten zwaar schuldig voor God worden. Bieden wij dan, bij het zien van \'t gevaar, terstond tegenstand, spelen wij er niet mede en minachten wij het gevaar niet: die dat doet, speelt met vuur en velen, die den vijand minachten, hebben den

562

-ocr page 565-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

strijd verloren. De onznivere gedachten zijn slangen, welke hen doodelijk wonden, die met hen spelen. Gelijk iemand, eene brandende kool bij toeval in zijne hand genomen, terstond wegwerpt, zoo ook moeten wij met de inwendige onzuivere opwellingen doen. Dwaas is de scheepskapitein, die een klein lek in zijn schip niet acht» want langzamerhand zinkt het weg in de diepte, en zoo ook gaat hij te gronde, die de eerste bewuste opwellingen niet weerstaat, waartoe hij op zware zonde gehouden is. (Welke de middelen zijn om te weerstaan, hebben wij in het zesde gebod geleerd.)

2° ^4/.s men in de (jedaciden behagen schept. Ik ben mij zelf bewust, dat ik denk aan onzuivere dingen en voorstellingen heb, in strijd met de eerbaarheid, doch niettemin blijf ik tegen mijn geweten in, daarin voortgaan en schep er behagen in; Ziedaar, wat God op zware straffen verbiedt; want .Slechte gedachten zijn den Heer een gruwel.\'\'1 Spr. 15, quot;26, Die woorden zijn vooral de opmerkzaamheid waard van hen, die zeggen God is zoo goed, daarom is het niet te denken, dat Hij de mensch voor enkele vrijwillige gedachten zal verdoemen.quot; Doch nog minder laat het zich denken, dat een mensch zoo dwaas kan zijn om zich zelf door éene vrijwillige gedachte aan het gevaar bloot te stellen, van voor eeuwig verloren te gaan. En ook voor een oogenblik verondersteld, dat de onzuivere gedachte geen zonde is, meent ge dan bij de vrijwillige gedachte te kunnen blijven staan en niet tot begeerte, ja zelfs, als er gelegenheid bestaat niet tot de daad te zullen overslaan? De ondervindincr leert ook hier genoegzaam.

3° Ah men in de begeerte toestemt. Op zware straf zijn

.-gt;63

-ocr page 566-

DE ÖROOTE CATECHISMUS.

ook de vr jwilige begeerte verboden om iets, wat onkuisch is, te zien, tc hooren, te doen of aan xich toe te laten. Koestereu wij onbewust die begeerte, dan zondigen wij daardoor niet, maar zoodra wij het gevaar bemerken, zijn we verplicht op doodzonde, pogingen in het werk te stellen om ze te verwijderen. Doch niet alleen de onkuische gedachten en begeerten heeft God verboden, maar ook de vrijwillige aanleiding en opwekking daartoe, b.v. onkuische oogslagen op ons zeiven en anderen, handtastelijkheden, het beschouwen van zedenkwetsende platen, vooral het lezen van slechte boeken, liet bezoeken van gevaarlijke schouwburgen en verdachte gezelschappen, den omgang met slechte personen, enz., bij het zesde gebod uitvoeriger omschreven. Al deze dingen zijn middelen, waarvan Satan zich bedient om ons ten val te brengen, door ons van gedachten en voorstelligen tot begeerten en van begeerten tot daden te doen besluiten. God daarentegen wil ons niet alleen tegen de doodelijke zielziekte der onzuiverheid vrijwaren, maar ook hare wortels, de vrijwillige onzuivere gedachten en begeerten uit onze harten rukken. Vandaar, dat Hij zoowel de ontuchtige uitwendige handelingen als hunne moeders, de vrijwillige gedachten en begeerten op straf van doodzonde verbiedt. Hij doet als een geneesheer, die de oorzaak der ziekte tracht weo- te nemen om zoo tot een lt;re-

O O

zonden toestand te geraken. Eene plant, welke inwendige bedorven is, werpt men weg als vuil, hoe zou de mensch dan deugen, wiens hart bedorven en vuil is van onreinheid en bederf? H. Chrijssostomus.

Binden we derhalve bij de eerste opwelling van onzuiverheid manmoedig den strijd aan; want voor elke

564

-ocr page 567-

UE GKOOTE CATECHISMUS.

afgewezen en bestreden onkuische gedachte en begeerte wacht ons een parel aan de hemelkroon. Jac. 1, 12. Is de vijand eens binnen de veste, dan ook is alle tegenweer vruchteloos.

God laat somtijds toe, dat we bekoord worden, om onze deugd op de proef te stollen, ons te oefenen in den strijd en vooral om de overtuiging van onze eigen onmacht in ons op te wekken, opdat we op het zien daarvan tot Hem onze toevlucht zouden nemen. Aarden vaten worden in \'t vuur beproefd en de rechtvaardige menschen dooide bekoringen. De vaten worden aan den vuurgloed overgegeven en die, welke de proef doorstaan, als goed gehouden; zoo ook laat God soms den mensch de vuurproef der onzuivere opwellingen en begeerten doorstaan om zijne zedelijke vrijheid te volmaken en zijne waarachtige liefde en trouw te kunnen toonen.

.Maar ik word dikwijls zoo hevig bekoord, zelfs onder het gebed, in de kerk, ja bij het ontvangen der H. Sacramenten overvallen mij vaak de afschuwelijkste gedachten en voorstellingen,quot; zegt wellicht iemand. Welnu, als God die bekoring toelaat, en nooit zal Hij ons boven onze krachten beproeven, dan moeten wij ook in ons verzet volharden en nooit kleinmoedig worden.\'1\'\' Al worden wij ook maanden en jaren bekoord. God zal gedurende dien tijd steeds onze steun en beschermer zijn. En wie zal tegen ons zijn, als Hij met ons is? O, het is zoo waar, vele zielen delven het onderspit in den strijd, juist door hunne kleinmoedigheid, waarvan Satan een passend gebruik weet te maken, overtuigd, dat in troebel water goed vangen is, door de ongelukkige gedachte van den bekoorde: „Ik kan niet langer weerstand bieden.quot;

565

-ocr page 568-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

De H. Catharina van Senen, heili*\' en oiiscliuldilt;f als

■ O O

een engel, werd twee maanden lang, bijna onophoudelijk door den duivel op eene hevige wijze gekweld. Moedig bood zij weerstand en daarna verscheen haar de Zaligmaker. Catharina wierp zich in quot;t stof\' voor Hem neder en zeide: .Waar waart gij, Heer! bij dien woedenden storm?quot; waarop Jesus minzaam antwoordde : ,Mijne dochter, Ik was in uw hart en nooit zijt gij dichter bij Mij geweest.quot;

Indien nu de heiligen zoo bekoord zijn geworden, verwonderen wij ons dan niet, wanneer we hierin hun lot deelen. Volgen wij hen dan ook in hunne standvastige volharding en wanneer Satan aan de deur van ons hart klopt, weigeren wij manmoedig den toegang en zeggen: „Weg van mij Satan, wij kennen u, wij behooren aan God op aarde en in de eeuwigheid.

Het zal zijn nut niet missen, hier in het voorbijgaan op te merken, dat somtijds onschuldige kleinigheden oorzaak kunnen zijn van voortdurende hevige bekoringen. Zoo b.v. eene zitplaats voor een raam, het beschouwen van een onschuldig beeldje of\' prentje, het spreken of zien van zeker persoon, enz. enz.; dat alles moet veranderd of\' vermeden worden, als onze verdedigingsmiddelen met vrucht aangewend zullen worden. Een ieder be-proeve hier zichzelf\' en richtte zijn gedrag daarnaar in, en beware vooral oogen en ooren, de deuren en vensters van het hart. (Zie overigens het zesde gebod.)

Wat het negende gebod (jebiedt, bestaat hierin, dat we ernstig streven naar alles, wat heilig en eerbaar is en steeds trachten goede gedachten en verlangens in ons op te wekken en te onderhouden, volgens het woord des

566

-ocr page 569-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Apostels: „Overigens broeders! hehartir/t, wat maar, wat eerbaar, wat rechtvaardig, wat heilig, icat beminnenswaardig, wat deugd is, wat een goeden naam verdient, wat behoort tot lofwaardige tucht en orde.quot; Phil. 4. 8. Ja, geen stip van onreinlieicl mag liet kleed der onschuld en deugd aankleven, maar we moeten met een rein en zuiver hart voor God wandelen.

(Bij de behandeling van het H. Sacrament des huwelijks zullen ons de woorden nader verklaard worden: „Die eene vrome met begeerten aanziet, heeft in zijn hart met haar den echt gebroken.\'quot; Matt. 5, 25.;, Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren.quot;)

OVER HET TIENDE EN LAATSTE GEBOD.

It5. Hoe luidt het tiende yebod?

Gij zult uws naasten huis niet begeeren, noch zijn land, noch zijn knecht, noch zijne dienstmaagd, noch iets van hetgeen hem toebehoort.

Dezelfde verhouding van het negende tot het zesde gebod bestaat ook tusschen het tiende en zevende. Het zevende gebod verbiedt immers het eigendom van zijn evenmensch te nemen of genomen te behouden, en het gebiedt een ieder het zijne te geven en te laten. Het tiende gebod nu, zich daaraan sluitend, gaat nog verder en verbiedt zelfs de onrechtmatige begeerte naar eens anders goed, namelijk de hebzucht, de wortel van vele ongerechtigheden en zonden. Aan welke ongerechtigheden maakte zich Achab niet schuldig, om zich den begeerden wijnberg van Naboth te kunnen toeëigenen.

1 6f). iVat wordt hier verstaan onder begeerten naar de goederen van onze naasten!

567

-ocr page 570-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

Hieronder worden verstaan: gedachten en begeerten, om de goederen van onzen naaste op eene ongeoorloofde wijze te verkrijgen.

Zij begeeren dus de dienstboden en werklieden van hun naaste op eene onrechtvaardige wijze, die hen door schoone beloften, geschenken of anderszins willen omkoopen of bewegen om den dienst, waaraan zij zich met vrijen wil verbonden hebben, te verlaten, wat men ook wel onderhuren noemt, en hetgeen in onzen tijd, vooral onder den boeren- en burgerstand veelvuldig voorkomt.

Eveneens zondigen kooplieden tegen dit gebod, die naar schaarschheid van levensmiddelen of andere bezwaren verlangen, om hun voorraad tegen hoogen prijs te kunnen omzetten; geneesheeren, die naar ziekten, rechtsgeleerden, die naar processen, kinderen en bloedverwanten, die naar den dood hunner ouders of aanverwanten verlangen, om in het bezit hunner goederen te komen, enz.

167. Mogen wij dan niet wemelen, dal deze of gene zaak ons moge loebehooren ?

Welzeker, dat is niet verboden, maar we mogen te niet aan onze naaste misgunnen, en geen gedachten of begeerten hebben, om ze op eeue ongeoorloofde wijze te verkrijgen.

De gedachte bijvoorbeeld; „Ik wenschte, dat dit huis het mijne ware;quot; „Ik wenschte, dat ik geld had om deze of gene zaak te koopen;quot; ,nu, zulk een paard of kleedingstuk zou ik ook wel willen hebben,quot; is niet zondig. Wanneer men soortgelijke gedachten vrij spel, laat dan geven ze doorgaans aanleiding tot ongeregelde begeerlijkr

568

-ocr page 571-

DE GROOT E CATECHISMUS.

heden en daarom moet men ze onderdrukken. Het zou echter eene onrechtvaardige begeerte zijn, indien men dacht: „Wanneer het niemand zag, dan zou ik dit of dat stelen;quot; «zag ik kans, dan was die koe de mijne;quot; „kon ik met geld dien knecht of die dienstmaagd onderhuren, dan deed ik het;quot; „het is niet uit te staan, dat hij zich alle weelde kan veroorloven en ik mij daarentegen zoo moet behelpen,quot; enz.

168. Kunnen verlangens en begeer f en naar tijdelijke goederen dan zondig zijn ?

Ja, wanneer zc voortkomen uit ontevredenheid met hetgeen wij van God hebben ontvangen, en wanneer wij ongeregeld naar het bezit van tijdelijke goederen verlangen.

„ Wees dus niet hebzuchtig in handel en wandel en vergenoeg u, met hetgeen (je bezit,quot; Heb. 13, 5. Oprechte tevredenheid maakt het leven immers gelukkig en bestaat in de vergenoegdheid met hetgeen men voor zijne behoeften noodig heeft, terwijl de ontevredenheid met Gods wijze beschikkingen, de wereld voor den mensch in eene hel verandert. Die tevredenheid en zielerust kan zelfs het eigendom der armen worden, wanneer zij bedenken, dat het hoogste goed op aarde niet bestaat in rijkdommen en goederen, maar in de deugd en in een zuiver geweten, dat onze vaste woonplaats aan gene zijde van het graf ligt en wij met Christus, die voor ons arm geworden is, ook om Zijnentwille onze armoede en nooddruft moeten dragen, willen we eenmaal met Hem de schatten des hemels bezitten. O, zoovelen, die wij benijden om hun geld en goed, voelen zich diep ongelukkig en ellendig; som-

569

-ocr page 572-

DE GROOTE CATECHISMUS.

mi^eu dooi1 dquot; gedachten van onrechtvaardig bezit, andeiTii door de zorgen eu kommer om hunne bezittimren te ver-

O

meerderen, weer anderen door den angst van ze te verliezen en eindelijk door de overtuiging, dat de dood hun weldra alles ontnemen zal.

169. Waarom verbiedt God ook zondiye gedac/len en be (/eer ten ?

Omdat de zonde eigenlijk door den wil bedreven wordt.

Dat God de booze har,delingen niet alleen, maar ook de kwade gedachten en begeerten verbiedt, zoo als we boven reeds verklaarden, vindt zijn grond hierin, dat de wil van den mensch reeds strijdt tegen de rede en den wil Gods, wanneer hij behagen schept in, of verlangt naar datgene, welks uitvoering is tegen de geregelde natuur en tegen het verbod van God, dat zij den zondigen wil, waardoor de zonde metterdaad bedreven wordt, verraden, het hart bederven en de voorloopers en wegbereiders zijn van zondige daden, „ Uit het hart komen kwade gedachten, doodslag, echtbreuk,\'quot; enz. Matt. 16. 7. Daarom schreef\' de H. Ambrosius: „Die zijn wil en zijne liegeerte niet *veet te breidelen, is gelijk aan hem, die door een teugelloos hollend paard wordt voortgesleept, vertrapt en vermorzeld.quot; Zoo is het: „Waar de hartstochten , de onrechtvaardige en onzuivere begeerten de vaan voorop dragen, daar kan men zeker zijn, eene groote processie (van daden) te zien volgen. Ben. 14.

Verlangen wij derhalve met al de kracht onzer ziel naar de eeuwige goederen, en we zullen dan als van zelf de tijdelijke goederen (en vleeschelijke begeerten) gering-

570

-ocr page 573-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

schatten en verachten. Hoe dwaas ook ons aan het vergankelijke te hechten, wij, die voor den hemel geschapen zijn! Wat ook kunnen ze bijdragen om een genadig oordeel te verwachten? Zijn ootmoed, geloof, gebed, boetvaardigheids enz., niet gemakkelijker voor den arme dan voor den rijke? Was Jesus Christus niet arm, die zeide, geen steen te bezitten om er Zijn hoofd op neer te lederen? Wee dan met alle ongeregelde begeerten naar

Oo O o CJ

geld en goed, weg met alle afgunst en zeggen wij met den wijzen man in het Boek der Spr. 30, 8, 9; j„ Geef mij, Heer, noch armoede, noch rijkdom; verleen mij slechts wat tot mijn onderhoud noodiy is, opdat ik verzadigd zijnde, niet hekoord worde om U te verloochenen en te zeyyen: Wie is de Heer? of dat ik, door nood gedrongen, niet stele.\'\'\' DRIE EN VEERTIGSTE LES,

OVER DE VIJF GEBODEN DER H- KERK-

170 Heeft de 11. Kerk de macht om ons (jehoden te geven ?

Ja, Christus zelf heeft, de kerk het bevel en de macht gegeven om de geloovigen te besturen en te regeeren.

De Kerk heeft het recht, naast de geboden Gods, haren geloovigen en kinderen geboden te geven en wel om eene drievoudige reden.

1quot; Heeft zij dat recht van Christus zelf ontvangen, die de Kerk den last opdroeg de geloovigen in Zijn naam te besturen en te regeeren; wie derhalve de geboden dei-kerk veracht, veracht Christus zelf, overeenkomstig Zijn woord: „wie u veracht die veracht Mij.quot; Luc. 10, 16. „Gaat en onderwijst, die u hoort, hoort Mij, weidt Mijne schapen, weidt Mijne lammeren.\'\'\'\'

571

-ocr page 574-

DE GROOTE CATECHISMUS.

2quot; Is de Kerk onze Moeder, waaruit klaarblijkelijk volgt, dat zij zoowei als elke familiemoeder haren kinderen bevelen kan geven; wat beteekent anders haar moederschap ?

3quot; Volgt die macht uit de natuur der zaak zelve, daar zij evenmin zonder hare wetgeving kan bestaan als iedere vereeniging of maatschappij buiten haar. Daarom schrijft de H. Aug: „De ware godsdienst kan niet bestaan, wanneer hij de macht en het gezag niet bezit zijn onder-hoorigen te gebieden, wat hij voor hun eeuwig heil noodzakelijk acht en waaraan allen zich onderwerpen en gehoorzamen moeten.quot;

171. Moeten wij dus aan de Kerk gehoorzamen ?

Voorzeker! Als de Kerk de maeht van God heeft, om de geloovigen te regeeren, dan zijn wij verplicht aan haar te gehoorzamen.

Heeft de Kerk recht om geboden te geven, dan bezit ze ook het recht, te waken, dat ze onderhouden en na-geleefd worden, zooals de H. Paulus reeds aan de verzamelde Oudsten der Kerk van Milete schreef: „ Waakt oeer u zeiven en de yansche kudde, over welke u de H Geest (jesteld, heeft als Bisschoppen, om de Kerk Gods te regeeren.\'quot; Hand. 20, 28. Tevens heeft zij het recht om de overtreders te straffen.

10 Door weigering der Sacramenten, (kleine Excommunicatie). De H. Sacramenten zijn voor de ziel, wat spijs en drank voor het lichaam zijn. De grootste kwelling nu voor het lichaam is, de voeding tot het allernoodzakelijkste te be])alen of het eenige dagen alle voedigsmiddelen te onttrekken. Hoe groot moet dan voor eene ziel, die nog prijs

572

-ocr page 575-

DE GROOTÉ CATECHISMUS.

stelt op de goddelijke genade en deze weet te waar-deeren, de kwellingen niet zijn, eenigen tijd tot straf\', deze kostbare schatten te moeten missen. Verstoken van deze geestelijke spijs, zal die ziel dat gemis dubbel gevoelen, en met de bede om vergiffenis zicli rouwmoedig bekeeren en aan de voeten van Jesus\' plaatsbekleeder zich nederwerpen. , Alles, wat gij op aarde zult houden zal in den hemel niet ontbonden zijn.quot;

2quot; Door uitsluiting van de kerkelijke gemeenschap (excommunicatie, kerkelijke ban.) Deze straf is veel grooter dan de onthouding der H. Sacramenten, omdat de daarmede gestraften toch nog in verbinding met de Kerk blijven. De met den kerkdijken ban geslagen zondaar echter, wordt uitgesloten van alle genaden en weldaden, welke de Kerk haren kinderen verleent en van hare gemeenschap, d.i. van het lichaam van Christus losgescheurd. Eph. 4,12,16, en gevolgelijk buiten den hemel gesloten, zoolang hij zich niet bekeert en boetvaardigheid doet. De H. Paulus sluit den bloedschender te Corinthe buiten de gemeenschap.

Door weigering der kerkelijke begrafenis. Deze straf past de Kerk, sedert de oudste tijden, toe op de geëx-communiceerden, die onboetvaardig sterven, op de (vrijwillige) zelfmoordenaars en op hen, die in een tweegevecht of duel het leven verliezen. Zij, die tot hun laat-sten ademtocht hunne hardnekkige trotschheid on ongehoorzaamheid tegen de Kerk, hunne Moeder, hebben volgehouden, of met het geloof aan God en eeuwige vergelding spotten of in plaats van de christelijke liefde te beoefenen, tot aan hun dood bloedige wraak zwoeren en van geen vergeven wilden weten, kunnen en moeten

-ocr page 576-

DÉ GROOTE CAl\'ECHISMÜS.

na hun dood ook niet de eer hebben, welke eeu kind van Christus en de Kerk toekomt, om naar het kerkhof, gedragen en daar in gewijde aarde als zaaikoren voor eene gelukzalige opstanding neergelegd te worden.

4n Door het interdict. Het interdict bestaat hierin, dat eene plaats, eene gemeente of ook wel een geheel rijk om eene zware misdaad of beleediging, den godsdienst aangedaan, het ontvangen der Sacramenten (uitgenomen de onontbeerlijke), de uitoefening van den openbaren godsdienst, alsmede de kerkelijke begrafenis wordt ontzegd, tot dat de beleediging of misstap is weggonomen. In de streek, met het interdict geslagen, wordt dan het Allerheiligste uit de kerken weggenomen, de godslamp uitgedoofd en alle openbare godsdienstoefenigen geschorst.

Heeft de Kerk nu de volmacht van Christus, haar goddelijken Stichter, ontvangen om geboden te geven en de naleving daarvan onder gestrenge straffen te eischen, dan zijn wij ook gestreng verplicht, daaraan te gehoorzamen ; want aldus spreekt de Zaligmaker: Die de Kerk niet hoort, zij u als een heiden en een openbaar zondaar,\'\'\'\' Matt. 18,17. In het oude Verbond luidde Gods verordening : „ Wie hoovaardig is en de geboden der priesters niet wil opvolgen, moet sterven.\'quot; 5. Mos. 17,12-13. De H. Cassianus schreef dus met grond: .De Kerk door Christus gesticht, moet geacht worden als het orgaan en het gezag van God zelf.quot; Daarom spak de Heiland ook; „Wie u hoort (d.i. uwe geboden), die hoort Mij: en. wie u veracht, veracht Mij,quot; Luc. 10,16. Die zich derhalve tegen de Kerk keert en hare geboden veracht, sluit zich roekeloos buiten liet getal der kinderen Gods, „want.,

hU

-ocr page 577-

DE GROOTE CATECHISMUS.

wie de Kerk niet tot Moeder wil hehben, die kan God ook niet tot Vader hebben.quot; H. Aug.

Het edele doel, dat de Kerk beoogde niet haren kinderen verplichtende geboden voor te schrijven, was en is nog:

1quot; Om daardoor de goddelijke geboden nader en juister te verklaren en duidelijker aan te geven, hoe deze moeten vervuld worden; want de kerkelijke geboden zijn niet anders dan de ontwikkeling en toepassing der goddelijke geboden.

2U Wil de Kerk ons door hare geboden tot een heilig en boetvaardig leven opwekken en ons eeuwig geluk bevorderlijk zijn. Daarom legt zij ons de verplichting op om ter eere Gods en van ons eigen zielenheil, de zonen feestdagen te vieren, ons lichaam door vasten en boetvaardigheid te versterven, onze zonden rouwmoedig te belijden, en de H. Communie te ontvangen, en voegt daaraan toe de wijze en de vereischten, hoe en wanneer dat alles te verrichten is.

Heeft de Kerk het recht om geboden te geven, om feest- en vastendagen voor te schrijven, dan ook bezit zij de macht om deze weder af te schaffen, te verplaatsen en tot zekere personen en plaatsen te beperken (dispensatie,) wanneer de omstandigheden zulks vorderen. Hierdoor wordt aan de leer der Kerk volstrekt geen afbreuk gedaan en de natuurwetten en de goddelijke wetten worden niet geschonden, zooals sommigen ten onrechte meenen, wanneer in eene gemeente, in een rijk of bisdom er meer of andere feesten gevierd, meer of minder onthou-dings- en vastendagen onderhouden moeten worden dan op andere plaatsen. De grondwet der Kerk d.i. De tien

-ocr page 578-

DÉ GROOTE CATECHISMUS.

geboden, staat vaat voor een ieder en de toepassing en inkrimping of uitzetting der kerkelijke icetten door de verschillende bisschoppen, naar de gesteltenis en de behoeften hunner onderhoorigen, laat de goddelijke wet onaangeroerd. De Bisschoppen doen in dit opzicht juist als de burgerlijke wetgevers. De grondwet van ons rijk staat ook vast voor elk Nederlander, maar ziet eens, welk verschil er bestaat in de opbrengsten, de belastingen voor den arme, boer, burger en rijke en om kiezer te kunnen zijn voor gemeenteraad, proviciale staten, voor leden der Tweede Kamer in de verschillende provinciën. Zou er wel eene gemeentewet zijn, die juist zoo ingericht is als in eene naburige gemeente? En dan, welk verschil in de politieverordeningen! Waarom dat alles ? Omdat de wetgever zich voegt naar den aard der streek eu der bevolking en somtijds aan eenigen voorschrijft, wat voor anderen verderfelijk zou werken, hier streng optreedt en en ginds de touwen wat laat schieten. En zoo ook doen de Bisschoppen,ten opzichte van hunne onderhoorigen. Hen dus die zeggen : de godsdienst is niet één — want de Fran-schen, Belgen en Pruisen hebben minder feestdagen te vieren dan, wij; minder vasten- en onthoudingsdagen te onderhouden dan wij—wijs ik op bovenstaande redeneering, en na die goed begrepen te hebben, twijfel ik niet of ze zullen van hunne bazelzucht genezen zijn. Oprechte en brave katholieken zullen nooit de geboden der Kerk beknibbelen of afkeuren, maar dat doen zij juist, die er zich aan vergrijpen, zooals het volgende voorbeeld aangeeft. Een reiziger in manufacturen noodigde op zekeren tijd een vriend, een braaf katholiek, die in hetzelfde vak deed, maar uit eene andere stad kwam, bij zich op

-ocr page 579-

DE OROOïE KATECHISMÜS.

het middageten. Men zette zich aan den disch. De kinderen baden te zamcn met vader en moeder, en toen na afloop de schotels ontdekt werden, staarde — het was vrijdag — de vriend op vleeschspijzen. Hij gaf daarover zijne verwondering te kennen en stond verslagen, toen hij vernam, dat gastheer noch gastvrouw hun paaschplicht vervulden. „Nu begrijp ik, zeide de gast, waarom gij altijd, als ik u hier of daar aantrof, aan de kerkelijke wetten torndet en die afkeurdet, ofschoon ik dat tot hiertoe niet als ernst opnam; ik beschouwde u als goed katholiek, maar ik heb mij deerlijk vergist; en wat mij het meest opvalt, is de openbare tegenspraak in uwe handelingen, want gij hebt uwe kinderen zooeven, , ld et geloof in God den Vader laten bidden; zij hebben gezegd, te gelooven in Jezus Christus en Zijne Kerk; evenzoo baden zij, „geen geboden vastendagen zult gij brekenquot; en ten minste eens in het jaar de biecht spreken en omtrent Paschen het lichaam des Heeren nuttigen; en thans ben ik getuige, dat ge door uw gedrag die belijdenis loochent en al die go-boden metterdaad veracht worden.quot; Onthutst en verslagen hoorden vader en moeder dat verpletterend vonnis en nog dienzelfden avond werd de vleeschspijs door andere vervangen. Helaas! hoe velen volgen in onzen bedorven tijd dat ellendig voorbeeld, leven als heidenen, en verdienen den door Christus uitgesproken vloek: „ IHt uw mond richt Ik 17, (jij hoosaardige knecht!quot;

172. IF-ilke zijn de voornaamste geboden der H. Kerk?

Deze vijf: le De geboden heilige dagen zult gij vieren; 2e En dan ook .Mis hooren niet goede nia-

üK. CAT. 07

577

-ocr page 580-

DE GROOTE CATECHISMUS.

nieren; 3e Geen geboden vastendagen zult gij bre-

ken; 4e Kens \'sjaars zult gij den priester uwe biecht spreken; 5e En nuttigen omtrent Paschen liet lichaam des Heeren.

1 7 3 IVelke danen morden verdaan, onder de hei-li ye dagen, welke wij moeien vieren?

De heilige dagen, welke wij als zondagen luoe-ter. vieren.

üe kerk gebiedt de feestdagen tot glorie van God en tot eer Zijner heiligen ingesteld, te vieren als zondagen. Bij alle volkeren en natiën, bij Grieken en Romeinen enz. vinden we tal van feestdagen ingesteld, om hunne zoogenaamde goden en godinnen te vereeren, en ook de Jood-sche Synagoge verordende niet weinig feestdagen ter gedachtenis aan bijzondere, door God ontvangen weldaden en ter eere van Jehova. Wanneer nu de Synagoge dei-joden het recht bezat feestdagen te verordenen, die slechts schaduwbeelden der Christelijke feestdagen waren, waarom zou de Kerk, de reine Bruid van Christus, dat recht missen! Van dat recht gebruik makende, heeft de Kerk tweeërlei feestdagen ingesteld, namelijk : feestdagen icr eere Gods en tot eer der heiligen. (Engelen en menschen.)

Wijl er nu drie personen zijn, zoo kan men de feestdagen ter eere Gods indeelen: le ter eere des Vaders Kerstmiscirkel, wijl de grondgedachte van den Kerstmistijd deze is, dat God, de Vader, Zijn eenigen Zoon beloofd e/i gezonden heeft; want: „Aldus heeft God de TVe-reld bemind, dat Hij Zijn eenigen Zoon in den dood gaf,\'quot;1 Jnh. 3, 16. 2e Ter eere des Zoons, Paaschcirkel en 3e ter eere des H. Geestes, Pinkstercirkel. Elk dezer

578

-ocr page 581-

DE GEOOTE CATECHISMUS. 579

feesten vervalt weder a) in een voor, h) in een midden-of hoofdfeest en c) in een nafeest. De samenhang dezer drie feestcirkels, naast de feesten der heiligen, in een tijdruimte van een jaar, heet liet „kerkelijk jaar:\'\'

le Welken tijd sluit de Kerstmiscirkel in zich? a) Het voorfeest of de „Adventquot; beginnende met den vierden zondag vóór Kerstmis. Dc vier weken van den Adventtijd zijn zinnebeelden van de vierduizend jaren, die verliepen van af Adam tot Christus, h) Het Hoofdfeest, de dag van \'s Heeren geboorte, den 25en December, en c) Het nafeest, durende tot aan Maria Lichtmis of zondag Septuagesima.

De Adventtijd herinnert aan hetgeen vóór Christus, met betrekking tot den toekomstigen Verlosser geschied is door God en door de menschen. le God heeft den Verlosser beloofd en de menschen hebben Hem verwacht. 2e De laatste en duidelijkste belofte is die van den Aarts-lt; ngel Gabnël aan Maria. 3e De verwachting en het verlangen der menschen naar den Verlosser wordt juist weergegeven door de woorden; Borate cadi desuper et miles plnant Justumquot; , Dauwt hemelen den Gerechte; wolken regent Hem af.

Waartoe vermaant ons de Adventtijd? Hij vermaant ons, om onze harten op de komst des Heilands waardig voor te bereiden, door le het lichaam te kastijden met vasten en boetewerken en 2e den geest te versterken, door de genademiddelen d. i. door de Sacramenten en het gebed. De H. Paulus, vroeger Saulus, kon zeggen: , Ik leef, maar niet ik, doch Christus leeft in mij:\'\' Gal. 2, 20.

Op het feest van Jezus\' geboorte, raag ieder priester drie H. Missen lezen, als figuurlijke herinnering aan de drievoudige geboorte des Heilands; a) Aan de (historische)

-ocr page 582-

1)E GROOTE CATECHISMUS.

geboorte uit Maria: eerste H. Mis; b) aan de (zedelijke) geboorte in onze harten: tweede H. Mis; c) aan de (eeuwige) geboorte vit den Vader: derde 11. Mis. Vgl. de E-vangeliën dezer drie Missen.

2e De Paa^ch cirkel bestaat a) uit bet r óór feest, den vas-tentijd, beginnende met Aschwoensdag tot zaterdag voor Paschen ingesloten, en duurt veertig dagen, zonder de zondagen mee te rekenen. De verpiiclitingen der geloo-vigen in de groote vasten zijn dezelfde als in den Advent; Ij) Uit het Paaschfeest, hetwelk immer invalt op den naasten zondag na de eerste volle maan in het begin der lente: e) uit het nafeest, hetwelk duurt tot aan den vooravond van Pinksteren. Naar den kalenderdag van het Paaschfeest richt zich het vroegere of latere begin van den vastentijd, alsmede de geheele Pinkstercirkel en zijn duur.

3e De Pinkstercirlcel sluit in zich: a) een Vóór feest, d. i. een vigiliedag op den vooravond van het Pinksterfeest: li) het hoofdfeest op den vijftigsten dag na Paschen; c) het nafeest, hetwelk duurt tot den eersten Adventzondag, en waarin voorkomen: de H. Drievuldigheids-zondag, H. Sacramentsdag en de 24 zondagen na Pinksteren.

O O

a) De Kerk heeft de feestdagen des Heeren ingesteld, opdat wij de geheimen der Verlossing voortdurend zouden overwegen. God voor Zijne genaden en weldaden bedanken, onzen ijver in Zijn dienst vernieuwen en zoodoende de vruchten der verlossing meer en meer zouden waardig worden. .Hetgeen maar eenmaal (maar voor allen) geschiedde, moet, door alle eeuwen heen, in de vrome herinnering der geloovigen onderhouden worden.quot; Petr. Chrys. .la, de feestdagen moeten de herinnering aan Gods weldaden steeds levendig houden en ons tot lof en dank opwekken.

iS80

-ocr page 583-

»E GROOTE CATECHISMUS.

b) De feestdagen der heiligen (engelen en menschen) stelde de Kerk ia, om God te loven en te prijzen voor de genaden, hun en in hen, ons bewezen, opdat wij, hun grootsch voorbeeld en zalig geluk overwegende, ons aangespoord zouden gevoelen om hunne heilige levenswijze te volgen, hunne voorspraak in te roepen, ten einde eens met hen de kroon der zaligheid te dragen.

Aan ons is dus de zorg, om de feestdagen des Hee-reu en Zijner lieve heiligen, niet zoozeer door betere maal-tijden en kleederdracht, als wel door geestelijke verkwikking tot ware vreugdedagen te maken. Dat slafelijke arbeid, dans- en drinkpartijen, luidruchtige uitspanningen, en zondige vermakelijkheden juist niet geschikt zijn om godsdienstige gevoelens op te wekken of\' te onderhouden, zal wel geen bewijs behoeven. (Vgl. 3e gebod 36e Les.

De kerkdagen, waarop wij alleen verjjlicid zijn Mis te hooren.— Op die dagen is de slafelijke arbeid niet verboden, maar op doodzonde is geboden, om zoowel als op zon- en feestdagen de H. Mis bij te wonen. Het ia een betreurenswaardig verschijnsel, dat men deze dure verplichting, vooral in de steden, zoo weinig acht, en door velen ojj die dagen de H. Mis wordt verzuimd. Die dagen zijn eigenlijk feestdagen, en nu heeft de Kerk, die altijd rekening houdt met de tijdsomstandigheden en men-schelijke zwakheden, het verbod van slafelijken arbeid te verrichten, losgelaten en in plaats van die voorkomende goedheid te waardeeren, verlaagt men die dagen, door strafbaar verzuim, tot gewone werkdagen.

174. /Aö/ wil zcyyen, dat we op de heilige- en kerkdagen Mis moeten hooren met goede manieren?

581

-ocr page 584-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Dat wij de Mis moeten bijwonen met de vereisch-te godsdienstigheid.

a.) Mis hooren met goede manieren. Het tweede gebod dei- H. Kerk gebiedt, dat zij, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, (zeven jaren oud) en het gebruik der rede hebben, op alle zon-, feest- en kerkdagen, de H. Mis moeten bijwonen, voor zooverre geen gewichtige redenen daarvan ontslaan, omdat het H. Misoffer de heiligste en heilzaamste godsdienstoefening is, en daardoor den Allerhoogste op de meest waardige wijze wordt vereerd. Voortreffelijk zegt ds H. Franc, van Sales, over dat ontzaglijk Offer sprekende: „De H. Mis is de zon der geestelijke oefeningen, de afgrond der goddelijke barmhartigheid, de bron der goddelijke liefde, het hart van den godsdienst, de ziel der deugd en het zekerste en kostbaarste middel om \'s hemels zegeningen en genade te ontvangenquot;. Zeker, door geen offer wordt God meer vereerd dan door het H. Misoffer, waarin den Vader door den Zoon op eene oneindig volmaakte wijze, lof, dank, eere en verzoening wordt aangeboden.

b) Is het H. Misoffer nu zoo voortreffelijk en verhe-heven, dan volgt daaruit voor ons de verplichting om niet de noodige gesteltenis, d. i. met oplettendheid, godsvrucht en eerbied daarbij tegenwoordig te zijn en den priester bij zijne heilige handelingen aandachtig en met eerbied te volgen. Legt men bezoek af in het huis van een voornaam heer of in het paleis van een vorst, dan zij onze houding, gang en gebaren net en onberispelijk, en zou dan de christen in de kerk, liet woonhuis Gods en het paleis van den Koning der Koningen, (bijzonder bij het H. Misoffer), in houding en gebaren de noodige eerbied

582

-ocr page 585-

DE GEOO\'l\'E CATECHISMUS.

en vaorkomendheid niet openlijk toonen en door kwade manieren, als: praten, lachen, onbeschaamd rondkijken en andere ergerende dingen, zijn eigen en eens anders godsvrucht storen? Met weemoed roept de H. Chryssost. uit: ,Ik zie eenigen stokstijf staan, anderen niets doen dau lachen, terwijl de li. Offerande verricht wordt, weer anderen praten, terwijl de priester den zegen uitdeelt. Wat verregaande brutaliteit! Meeat ge zoo doende Gods wil te vervulleny Weet ge niet, dat ge daar in het ge-zelschap. der Engelen zijt en niet hen zingt en bidt?

Is het geen wonder, dat de bliksem u en ons allen niet treft?

c) Men moet de H. Mis op verplichte dayen yeheel hij-wonen. Hij wordt zwaar schuldig voor God, die door nalatigheid of traagheid vrijwiHiy een werkelijk deel achterlaat of verzuimt. 7Aj zondigen dus tegen dat gebod, die met hunne schuld te laat komen of de kerk verlaten alvorens de Mis geëindigd is; die onder de Mis slapen, praten of lachen, zich vrijwillig verstrooien; en liet wordt doorgaans voor doodzonde gehouden, bijaldien men een der drie hoofddeelen verwaarloost. Komt men dus na de Offerande, of verlaat men de kerk vóór de H. Nuttiging of Communie, dan voldoet men niet aan het gebod en wordt zwaar schnldig voor God.

Met recht dringt de Kerk op de vervulling van haar tweede gebod aan. Het tezamen zijn des zondags in de Mis, is immers de vereeniging van het gezin der christenen, zij stelt hen in de gelegenheid openlijk Gode de hulde van vereering, van dank en gebed, die Hem toekomt, te bewijzen; het herinnert hun, dat ze kinderen van eenzelfden Vader, leden van eenzelfde lichaam, geloovigen van eenzelfde Kerk,

583

-ocr page 586-

DE GROOTE CATECHISMUS.

soldaten van eenzelfde leger, lammeren van dezelfde schaapskooi zijn. Dikwijls kan men zeggen, dat de heiliging van den zondag voor den werkman, die de geheele week met stoffelijken arbeid bezig is, alleen do praktijk der deugd vau godsdienstigheid uitmaakt, en, zoo men over den ze-delijken toestand van de bevolking eener gemeente of een volk wil oordeelen; dan behoeft men slechts toe te zien, hoe het gebod der zondagviering door hen onderhouden wordt.

d) Welke redenen verschoonen van dit yehod ? Ziekte, ouderdom, zwakheid, waardoor liet volbrengen des gebods onmogelijk, gevaarlijk of zeer moeilijk wordt, het oppassen van zieken ot kinderen, die men zonder groot gevaar niet alleen kan laten. Maar de verre afstand der kerk, de moeilijkheid der wegen, de opoffering van een gedeelte der daghuur, van eenige winst of schade enz. mag men niet als verschooning aanmerken, zonder zijn biechtvader geraadpleegd te hebben. Ook staat het niet geheel vrij, reizen te ondernemen, wanneer men met grond kan veronderstellen, dat men geen Mis kan hooren.

Nooit begon Lodewijk, koning van Frankrijk, des morgens zijne regeeringszaken, of hij had eerst het H. Misoffer bijgewoond. En Baronius schrijft van den keizer Lotharius. dat hij met zijn leger in het veld zijnde, evenwel dagelijks drie H. Missen bijwoonde. Hoe beschaamd zijn deze schoone voorbeelden voor de lauwe christenen, die zoo gemakkelijk verontschuldigingen vinden om zich zeiven op zon- en feestdagen van het kerkbezoek vrij te spreken.

Nu eens hebben ze geen passende kleeren, dan is de weg te ver, het weer te slecht enz. en nauwelijks zijn de godsdienstoefeningen geëindigd, of alle gezochte redenen

584

-ocr page 587-

DE GROOTE CATECHISMUS.

zijn vervallen. Wanneer God niet meer vhii die menschen hield dan zij van Hem schijnen te houden, wee dan hunne arme zielen!

e.) Waar moet mm de H. Mis hooren ? In den regel in zijne eigen parochiekerk; wijl de herder daar voor de hem toevertrouwde kudde het H. Offer opdraagt, waartoe hij eiken zondag en de zes hoogste feesten van liet kerkelijk jaar verplicht is, en het woord Gods verkondigt; en omdat door eene talrijke opkomst de onderlinge aandacht en godsdienstzin bevorderd wordt. Evenwel voldoet men, door de Mis bij te wonen, in elk openbaar Godshuis. Bevindt men zich buiten zijne eigen parochie, dan is men verplicht daar Mis te hooren, als het in die gemeente, waar men zich bevindt, feestdag, of zondag, of kerkdag zou zijn krachtens aljemeenc kerkelijke wet; en zoo omgekeerd, wanneer men zich ergens bevindt, waar hiertoe geen verplichting bestaat, dan is men daarvan ontheven, ofschoon de verplichting daar, waar men woont, ook bestaan zou. Dit geldt eveneens van de vasten- en ont-houdingsdagen en van al dergelijke geboden en wetten der H. Kerk. Wanneer men zich echter, alleen om de vrijheid der plaats te genieten, naar elders begaf, b. v. zaterdags naar Pruisen om vleesch te kunnen eten, op een Patroonsfeest, enz. naar eene andere gemeente om niet genoodzaakt te zijn Mis te hooren, dan zou men, wegens deze verfoeilijke ontduiking der wet, vooral door ergernis, zwaar kunnen zondigen, en toch worden er zulke vleeschelijke en trage katholieken gevonden.

Inderdaad, verheven en kostbaar is het H. Offer dei-Mis, zelfs zoo groot, dat de H. Bonaventura uitroept: .Neem dat otter uit de katholieke Kerk en er blijft niets

585

-ocr page 588-

DE OROOTE CATECHrSMUS.

over dan ongeloot en dwaling.quot; Verzuimen wij dan nimmer de verplichte H. Mis bij te wonen en gaan we ook door de week. zooveel doenlijk, dat H. Offer bijwonen, /eg niet: ik heb door de week geen tijd, mijne zaken laten zulks niet toe, want hoe meer zaken ge hebt. des te meer zijt gij gehouden Gods zegen daarover af te roepen. Ot staan de zaken van hen, die deze heilige gewoonte hebben aangenomen, slechter dan de uwe? Maak eens eene vergelijking en ge zult uwe dwaling en uw onrecht duidelijk inzien. (De verdere heiliging van zon- en feestdagen; zie 3e Gebod Les 32)

1/0 Wat wordt in het derde gebod onder vastendagen verstaan?

Üe Ofit/oudinysdaf/en, waarop liet gebruik van vluescli-spijzen verboden is; 2e de vastendagen, waarop vieesch-en soms nog andere spijzen verboden zijn, en men slechts éénmaal daags een vollen maaltijd mag nemen.

Geen geboden vastendagen zult ge breken. De geboden vastendagen zijn: le de veertigdaagsche vasten; 2e de qua-teitemper-dagen en 3e de vigilie-vastendagen.

1 e De veertigdaagsche vasten, die van af Aschwoens-dag tot Paasch-zaterdag ingesloten, gevierd wordt, de zondagen uitgenomen— is volgens de meening van eenige Vaders, in 117 door den H. Paus Telesphors verordend, ofschoon de wettelijke regeling eerst in het midden dei-derde eeuw gevonden wordt. Dat de eerste christenen ook zonder voorschrift deze vasten onderhielden, lijdt geen t wijtel. Ware het anders, de H. Ilieronymuszou niet schrijven (Epist ad Marcum), „volgens de Apostolische overlevering houden wij elk jaar een veertigdaagschen vasten, en wel op

586

-ocr page 589-

DE GROOTE CATECHISMUS,

den bepaalden tijd.quot;\' Bovendien neemt men terecht aan, dat, wat de geheele Kerk doet, en door geen concilie bepaald, en toch altijd onderhouden is; door niets anders dan een Apostelijk gezag is overgeleverd.quot; Deze bewijsvoering is van den H. Aug.

5e Hoeveel quatertemper-dayen zijn er? Twaalf en wei: de eerste woensdag, vrijdag en zaterdag van elk jaar getijde, invallende: a) na den derden zondag in den Advent, 6.) na den eersten zondag in den vasten, c) na Pinkstermaandag en d) na het feest der Kruisverheffing. Die dagen zijn vasten- en ontlioudiagsdagen tegelijk.

Waarom zijn de quatertemper-dagen door de Kerk ingesteld?

a. Om elk jaargetijde door eenige dagen van boete te heiligen- Wanneer er geen tijd bestaat, waarop God niet beleedigd wordt, dan ook wil de Kerk, dat er «en bepaalde tijd zal zijn, waarin we ons moeite zullen getroosten om de beleedigingen, Gode aangedaan, door boete weer goed te maken.

h. Om God voor een goeden oogst te bedanken en dien in de toekomst af te smeeken. In den herft oogsten wij de vruchten, in den winter worden ze gebruikt en in de lente en den zomer wenschen wij \'s hemels zegen en wasdom over de bezaaide akkers. Welnu, onze zonden maken ons die vele weldaden Gods onwaardig e.i de quatertemper-dagen moeten dienen, om door oprechte boete dat eenigszins goed te maken en Gods zegen over onzen arbeid af te trekken.

c. Om God te smeeken, goede priesters in Zijn wijnberg te zenden. Op deze dagen toch geschieden gewoonlijk de priesterwijdingen, en wijl een priester naar Gods

587

-ocr page 590-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

hart een der kostbaarste weldaden is, welke God ons geven kan, moeten we in die dagen Hem vurig bidden, dat Hij de Bisschoppen verlichte, opdat ze alleen aan waardige eu vrome mannen de heilige wijdingen toedienen.

3e Wat zijn virjilie-diujcn^— Dat zijn dagen van boetvaardige voorbereiding tot een feest, dat op den daaropvol-genden dag invalt. De vigiliedagen zijn weinig in getal u. 1. de vooravonden van het Pinksterfeest, van de Ten-hemel-opneming van Maria, van Allerheiligen en van Kerstmis, alsmede in eenige Bisdommen de vooravond van het feest der Apostelen Petrus en Paulus.

Die dagen ontleenen hun oorsprong aan de eerste tijden der Kerkvervolging. In die tijden hadden alle hooge feesten een vigilie. De geloovigen kwamen op den vooravond van \'t feest in \'t geheim te zamen en bereidden zich daarop voor door gebeden, voorlezingen, aanhooring van Gods woord en door nachtwaken (vandaar de benaming vigilie of nachtwake) en gingen dan weder voor een korten tijd uit elkander, tot dat liet uur der feestelijke godsdienstoefening gekomen was. Zonder twijfel deden dit de eerste christenen in navolging des Verlossers, (Luc. 6.) die somtijds den geheelen nacht in het gebed doorbracht.

176 IF\'il eerlangt da Kerk non meer van ons?

Dat we niet alleen de geboden vastendagen houden, maar ons ook op zekere dagen onthouden van vleesch en vetspijzen n. 1. op al de vrijdagen en zaterdagen van \'t kerkelijk jaar. De eigenlijke vasten bestaat immers in het slechts éénmaal daags nooddruft eten en eene collatie, zoodat. als de onthouding daarbij komt, die dagen tegelijk vasten- en onthoudingsdagen zijn. Door dispensatie worden sommige verplichtingen voor den gedispenseerden

588

-ocr page 591-

DE GROOTE CATECHISMOS.

weggenomen, maar daardoor verandert de aard der wet niet. Overigens hebben wij ons aan \'t gebruik des Bis-doms te houden.

177. TVie is verplicht om zich op de bepaalde da-qen van verboden spijs le onthouden?

Die den leeftijd van zeven jaren bereikt hebben, en door geen wettige redenen hiervan verschoond zijn.

Men zegge niet, „wat den mond ingaat, besmet de ziel niet,quot; noch: „wat we eten, is God onverschillig,quot; en zoo al mesr, daarvan is hier eigenlijk geen spraak; want niet in vleescli of vet maar in de ongehoorzaamheid aan het verbod, steekt het kwaad. Zeker is het God onverschillig, wat we eten, maar het is Hem niet hetzelfde, of wij al dan niet gehoorzamen. Hij beveelt ons, de Kerk te gehoorzamen in de regeling der werken van boetvaardigheid, en die Kerk nu verbiedt het gebruik van vleesch en vet op vrijdagen en zaterdagen. Vandaar, dat de o-vertreding van de onthouding op die dagen eene even zware zonde is als de overtreding der vastenwet.

Dezelfde redenon, die in het algemeen ontslaan van de vastenwet, gelden ook voor de onthouding, echter niet even gemakkelijk; I). v. leeftijd (onder de zeven jaren,) ziekte, zwakke gezondheid, nijpende armoede, eindelijk zedelijke onmogelijkheid om het voorschrift te vervullen. Meenen sommigen, b. v. dienstboden, reizigers, enz. dus rechtmatige redenen te hebben, om de onthouding (of vasten) te breken, dan mogen zij zich zelf niet dispenseeren, maar deze door den biechtvader of zelf den bisschop vragen, die nimmer zal weigeren, indien er wettige reden voor bestaat. Zoo schreef Gregoriua de Groote aan Ma-

589

-ocr page 592-

DE GÖOOTE CATËCHISMÜS.

rianus, Aartsbisschop van Ravenna, die aan bloedspuwing leed; „Ik vermaan u niet slechts, niet te vasten en u te onthouden, maar ik verbied het u.quot; En Paus Benedic-tus 111 schrijft: „De wet moet wijken voor den nood, zoodat, als een zieke vleesch begeert, men hem dit zelfs in den vasten moet geven.quot; Dat moeders hunne kinderen, die gezond zijn, langzamerhand leeren zich te onthouden van vleeschspijs op vrijdagen en zaterdagen, nu ze liet nog niet verplicht zijn, zal hun goed doen voor het volgend leven, want wat men jong leert, kent men oud, en dat zulks hunne gezondheid niet zal schaden, bewijst het feit, dat duizenden kinderen, die altijd onthoudingsdagenhebben, evenwel frisscher en gezonder zijn dan de kinderen der meergegoeden.

178. Wie zijn verplicht te vasten?

Allen, die hef. 21e jaar voleind hebben en door geen wettige redenen hiervan worden vrijgesproken.

Wettige redenen kunnen in dit geval zijn ouderdom, ziekte, armoede, zwakke gezondheid, zware arbeid b. v. zware fabriekarbeid, spitten, dorschen, ploegen, het uitoefenen van een zwaar ambacht, enz. Zulke lieden kunnen niet veiliger doen dan in dit opzicht hunne krachten, in overleg met hun biechtvader, te raadplegen, Aangenomen, dat er wettige redenen bestaan, die ons van de vastenwet ontslaan, dan blijft evenwel het gebod der onthouding in volle kracht, tenzij voldoende redenen of eene bijzondere dispensatie ons daarvan ontslaat; want iiet zijn twee geboden, die elkander niet in- en ook niet uitsluiten.

Hier dient opgemerkt, dat de vastenwet deelbaar is, zoodat hij. die niet geheel kan vasten of daartoe niet gehouden

590

-ocr page 593-

DE GROOTE CATECHISMUS.

is, toch wel iets kan doen b. v. eene boterham minder eten, enz. Zij dus, die niet kunnen of nog onder de jaren, maar sterk en gezond zijn, mogen hunne lichamen wel iets onttrekken, uit wederliefde voor Jezus, die ook om hunnentwille honger en dorst leed, al is het nog zoo weinig, daar die kleine versterving Gods barmhartigheid over hen zal doen nederdalen. En dat menschen onder de 21 jaren ook zondigen kunnen en dus boetvaardigheid moeten doen, behoeft men niet te zeggen, veel minder te bewijzen. Tot hen zij ook gezegd: „ Doet boetvaardigheid, want het rijk der hemelen nadert:\' Bovendien valt het moeilijk op den bepaalden tijd te vasten, ais men zich niet reeds vooraf daarin geoefend heeft.

Welk nut heeft de vasten? vraagt misschien deze of gene le Vasten is Gode aangenaam, daar Hij zelf de vasten aanbevolen en daaraan Zijn zegen en genade heeft toegezegd. Reeds in het Oude Verbond roept Hij ons toe, „Bekeert n tot Mij met geheel uw hart in vasten, weenen en klayen,quot; Joël 2. 12. Mozes en Elias vastten 40 dagenen nachten als voorbereiding op Gods genade. David vastte om van God de genezing van zijn kind af te smeeken. Judith bereidde de overwinning op Holofernus voor door vasten. Ja, liet eerste gebod, dat God aan Adam en Eva gaf, was de onthouding der verboden vrucht.— Verder blijkt dit in het nieuwe Testament duidelijk uit de voorbeelden van Jezus, van de Apostelen en heiligen uit alle tijden, Jezus vastte immers 40 dagen en nachten als voorbereiding tot Zijn predikambt en eveneens zij, die Saulus en Barnabas de handen oplegden, Hand. 13. 3. Als zeker kan men aannemen, dat alle heiligen gevast en niemand hunner zonder dat is heilig geworden.

591

-ocr page 594-

I)E GROOTE CATECHISMUS.

zoodiit rle H. Vincentius Perrerius recht had te zeggen: ,Niemand wordt heilig zonder vasten,quot; waaruit tevens Wijkt, dat het vasten Gode aangenaam is, maar bovendien is liet: 2e Ons nuttig en heilzaam, want wij geven a. Daardoor aan God eenigermate voldoening voor onze zonden en wenden de daarvoor verdiende straffen at\'. Daarom zeide God door den mond van den profeet Joel 2, 12—13: ,Bekeert n tot Mij door vasten..., de Heer is genadig en houdt (dan) Zijne straffen in.quot; , Het vasten,quot; zegt de H. Bern., „verwerft niet alleen vergiffenis van da-gelijksche zonden, maar verdient ook genade;quot; het delgt bedreven zonden en beschermt tegen toekomstige. Door verboden spijs te nuttigen wordt God beleedigd, door diezelfde spijs niet te nemen, wordt Hij verzoend en bevredigd. Dit wordt duidelijk uit de volgende voorbeelden. .Nog veertig dagen,quot; riep de profeet Jonas, „en Ninive zal vergaan.quot; Doch de koning en zijn volk vastten veertig dagen en Ninivé werd gespaard. David, de koninklijke profeet, die diep gevallen was, bestrooide zijn hoofd met aseh en vermengde zijn drank met tranen en ontving vergiffenis zijner euveldaden.

h. Overwinnen wij door\'t vasten onze hartstochten en worden daardoor tegen hervallen bewaard. Daarom zegt de H. Hièronymus: Vast, omdat gij gezondigd hebt en vast om niet meer te zondigen.quot; De vurige pijlen van Satan (en van het vleesch) moeten door de koude der versterving en van het nachtwaken gedoofd en onschadelijk gemaakt worden, en met het oog hierop, zeide de H. Paulus; ,//• tnrhtig mijn licha nn en breng het onder bedwang.quot;

e) Wordt door het vasten ons de beoefening der deugd en des gebeds vei\'gi-makkelijkt en ontvangea we zekerder

S92

-ocr page 595-

de groote catechismus.

genade en zaligheid; „want die zich in het vleeschpijnigt, doet afstand van de zonde, zoodat hij in de toekomst niet volgens de memchélijke hartstochten, maar volgens Gods wil in het vleesch leeft.quot; Pet. 1. 4. 1-2. Door niet te vasten 7,iin wij uit het paradijs gestooten, trachten wij nu door te vasten daarin terug te keeren.

d) Omdat het vasten ook ons lichaam voordeelig is, de gezondheid onderhoudt en het leven verlengt. Dit is zoo waar, dat de H. Schrift zegt: „ Er sterven meer men-schen door onmatigheid dan door het zwaard. ,Spr. 37. Wel mocht de H. Hieron. schrijven: „Vasten is de moeder der gezondheid en overdaad de moeder der ziekten.quot; Let eens op de menschen, die zich het meest versterven, zooals de paters, trappisten, capucijnen enz.; zij bereiken in den regel een buitengewonen ouderdom. Ook de Eremi-ten en kluizenaars der oudheid mochten zich gewoonlijk in een hoogen ouderdom verheugen, ofschoon ze hun levensdagen sleten in de strengste vasten op water en brood. En wordt eene geschokte gezondheid somtijds niet gebaad door matigheid en onthouding, welke door de geneeshee-ren zelfs dikwijls worden voorgeschreven? Dat zoogenoemde „dieet\'\' wordt gehouden, al kost het ook nog zoo veel inspanning en opoffering om het leven des lichaams te verlengen; maar zich onthouden in het belang der ziel, daarom wordt door velen niet gedacht. En zijn de menschen, die zoowat altijd onthouding en veeltijds vastendag hebben niet gezonder, worden zij niet ouder dan dezulken, die in overdaad leven? Vergelijk de plattelands-bevolking.

Laten we in \'t kort nog eenige opwerpingen beantwoorden, die door de vastenhaters, vleeschelijke menschen gk. cat. 38

593

-ocr page 596-

I)E GllOOTE CATECHISMUS.

en lauwe katholieken hiertegen worden gemaakt. Zoo zegt. men b. v.

1Is het vasten (/een bijgeloof? Neen, wanneer het geschiedt in den geest van gehoorzaamheid en boetvaardigheid, dan is het Gode aangenaam en ons nuttig eu heilzaam, zooals we boven aangetoond hebben. „Alle dieren, welke gespleten klauwen hebbenen herkauwen, zult ge eten en alle andere onrein houden en niet eten,quot; zoo beval God den joden, en dat zal toch wel geen bijgeloof zijn? Zoo ook verboden de Apostelen den eersten Christenen zich te onthouden vim de offers der afgoden, van bloed en van het gestikte. Eleazar en de Machabeesche broeders ondergingen liever den smartelijksten dood dan verboden spijzen te nuttigen. Dat is toch waarlijk geen bijgeloof, maar zij kenden het gebod en bij al of niet overtreding het loon of de straf.

2quot;. Zegt Christus niet duidelijk: wal den mond ingaat verontreinigt den mensch niet? Zeker zegt de Heer dat, maar de ongehoorzaamheid, die uit het hart voortkomi, verontreinigt hem; niet de spijzen en dranken door de maag opgenomen. Het hart is de bron, waaruit het gift en de dood der ongehoorzaamheid ontstaat tegen de wet en liet voorschrift der Kerk. En, wanneer hetgeen den mond ingaat, den mensch niet bezoedelt en het hart ongedeerd laat, hoe is het dan mogelijk, dat Adam en Eva hebben kunnen zondigen? Zij hebben zeker toch ook met den mond gegeten en werden desniettemin met hun nakroost zwaar schuldig voor God. Is het waar, dat alles, wat den mond ingaat, den mensch niet bezoedelt, dan ook is de verfoeilijke dronkenschap en onmatigheid geen ze-

594

-ocr page 597-

big groüte Catechismus. 595

ilulijk kwaad en verdient evenveel achtinor als de matigheid, daar spijs en drank door den mond wordt ingenomen; doch wie zal zulks beweren?

3quot;. God is te goed om mij voor een enkel «tukje vleesrh te verdoemen.— Voor een stukje vleesch zeker niet, maar wel voor uw hardnekkig verzet, voor uw hoogmoed, voor uwe ongehoorzaamheid, die zooveel strafwaardiger is, naarmate de wet gemakkelijk en licht kan vervuld worden. Is het geen groote dwaasheid, om voor zulk eene kleine opoffering: het niet nemen van een mondvol vleesch. God zwaar te beleedigen? En hoe lichter het gebod, des te minder is de overtreding te verschoonen; want „die over weinig getrouw is, zal over veel gesteld worden.quot;

4quot;. Ik kan niet vastten en nok. niet zonder vleesch; ik zon er ziek van worden. Is dat wel de stem van uw «re-weten? Weet wel, God laat zich niet bedriegen. Maar indien de vasten of onthouding uw wezenlijk hindert, als uwe gezondheid te zwak, uw arbeid te zwaar is, dan ook zijt ge er niet toe verplicht, dan is de wet in dien toestand niet voor u: de Kerk wil ons eene ontbering, geen lijden opleggen; zij wil ons boete doen plegen, niet ziek maken; zij wil, dat aan het lichaam het ontbeerlijke, niet het noodige onthouden worde. Wanneer het vleesch voor u dus eene behoefte is, eet het dan vrij: maar bedrieg u zei ven omtrent die behoefte niet, en raadpleeg tot meerdere zekerheid van te voren een christelijk qeneesheer, (niet hen, die men wel eens vleeschdokters noemt) en vooral uw pastoor of biechtvader.

Menschen, die zwaren arbeid te verrichten hebben

-ocr page 598-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

of doodarme menschen, kunnen daardoor of door dispensatie van vasten en onthouden ontheven worden, maar de dispensatie van groote lui, die zeer goed andere spijzen kunnen doen bereiden, maar of te lauw ofte onverschil-lipr öf te zinnelijk zijn om twee potten te koken, zooals men zegt. en dan vrouw en kinderen, zelfs de dienstbo-

r9 \'

den dwingen, daarin te deelen, vind ik zeer afkeurenswaardig. Wat zullen de kinderen, als zij zelfstandig geworden zijn, doen? Wat voor een dunk moeten anders-gezinden van die katholieken en hun geloof opvatten, wanneer ze hen op verboden dagen vleeschspijs zien eten en de dienstboden, die bij zulke lieden gediend hebben, dat gaan vertellen? Zullen die dienstboden, later bij protestanten in dienatgetreden, door hun gedrag de vasten en onthoudings-wet verdedigen, terwijl ze bij katholieken dienstbaar zijnde, zich niet behoefden te onthouden of te vasten? Zullen zij later, zelfstandig geworden, de wet onderhouden? Ik weet wel, zulke dispensatiën worden soms verleend, om grooter kwaad te voorkomen, maar ik zou me toch schamen om ze te vragen en nog meer om onschuldige kinderen en dienstboden te noodzaken om vleesch te eten en bovendien nog te zeggen: „We zullen vasten, als we niet meer hebben,quot; zooals schrijver van een dienstbode vernam.

5°. Wil God niet liever de boetvaardigheid den harten dan die des lichaams ? God wil beide, omdat de boetvaardigheid van den geest niet zonder die van het lichaam bestaat; zij werken wederkeerig op elkander. Een vadsig en verweekelijkt lichaam deelt langzamerhand aan de ziel zyne kwaal mede., terwijl daarentegen eene krachtige

596

-ocr page 599-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

en zuivere ziel meesteres harer hartstochten is en noodwendig het lichaam onder bedwang houdt.—- De wanorde, ontstaan uit de eerste zonde, is oorzaak, dat onze natuur voortdurend in verzet tesren rede, lt;reweten en te-

O \'O

gen Gods wetten is; de mensch moet daarom zich zeiven zoo wat als zijn vijand behandelen, ten minste zich wantrouwen, wil hij zijne onafhankelijkheid, zijn trouw aan Grod en ziju eeuwig geluk verzekeren.

Ach, hoe treurig en schandelijk tevens is het gedrag van vele katholieken, die zich om dat zwaar verplichtend gebod niet bekommeren en zicb jegens God en de H. Kerk minder gehoorzaamheid betoonen dan een jachthond, die, ofschoon van natuur geneigd, het door hem gegrepen wild te verslinden, door gehoorzaamheid aan zijn meester dat aan diens voeten neerlegt. Laten we ons dan niet langer door het redeloos dier beschamen, maar brengen we voortaan de vasten- en onthoudingswet getrouw in beoefening, omdat God bij monde van de Kerk het wil, omdat het God aangenaam en voor ons lichaam en onze ziel nuttig en heilzaam is.

17S. Wanneer is men verplicht (volgens het vier-dcgebod der Kerk) ten minstü eens in \'tjaar te biechten?

Zoo haast men tot de jaren van verstand gekomen is.

Een kind wordt geacht tot de jaren van verstand gekomen te zijn, wanneer het onderscheid kan maken tus-schen goed en kwaad, want wie dat onderscheid inziet, weet, wat hij te doen en te laten heeft en kan derhalve ook zondigen, en die gezondigd heeft, vindt in eene oprechte en berouwvolle biecht het middel van vergiffenis.

Maar gesteld, dat sommige kinderen, onschuldig als ze

597

-ocr page 600-

598 DE ÜROOTE CATECHISMUS.

zijn, dat genademiddel nicl, noixlio- hebben, dan nog wil de Kerk, dat ze zich aanbieden om hen langzamerhand met dat groot Sacrament vertrouwd te maken, de vrees daarvoor te ontnemen en, om dit woord te gebruiken, te leeren biechten. Daarom ook schrijft de Sijn Dioecesana Ultject, Cap. 18 den pastoors voor, die kinderen minstens tweemaal per jaar, na eenige voorbereiding, tot de biecht op te roepen.

Is nu het kind reeds verplicht, dan zeker ook de meer in leeftijd gevorderden, om eenmaal \'s-jaars te biechten. In de eerste tijden der Kerk gingen de christenen vrijwillig en gaarne biechten en was zulk een gebod niet noo-dig, maar toen in later tijd de godsdienstige onverschilligheid toenam, moest de Kerk hiertoe overgaan en gaf in \'t jaar 1215 door het 4e Consilie van Latranen, ouder Paus Innocentius III, het gebod, dat een ieder, tot de jaren van verstand gekomen, minstens eens in het jaar moest biechten en communiceer en, op straf, bij niet vervulling, buiten de gemeenschap der Kerk te worden gesloten en van weigering der kerkelijke begrafenis. Het concilie van Latranen heeft dus niet, zooals de protestanten zeggen, de biecht uitgevonden, maar heeft den regel vastgesteld van ten minste eens per jaar te biechten. De tijd, waarop men verplicht is, dit voorschrift der Kerk te vervullen, is niet bepaald, zoodat men aan den letter der wet voldoet, als men in den loop van het jaar maar biecht. Doch, omdat de biecht de natuurlijke voorbereiding voor de Paasch-communie is, kiest men in de:i regel, den Paaschtijd om ter biecht te gaan.

Merk hier evenwel goed op, dat de Kerk niet zegt;

-ocr page 601-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

gij zult eenmaal, maar ten minste, eenmaal \'s-jaars biechten. Ik druk hier vooral op, om hen voor te lichten, die in hunne lauwheid voor dat „eenmaalquot; nog gaarne eene „gquot; geplaatst zagen of wel, dat het voorschrift luidde: eens in de vijf of tien jaar. En ware dat zoo, dan zouden ze de biechtvaders ook niet vroeger lastig vallen. Zij begrijpen niet, dat zij, die eens per jaar biechten, gewoonlijk a) gebrekkig biechten en h) hun zielenheil vervvaar-loozen. Wat zou het dan zijn als het tijdsverloop na de voorafgaande biecht nog van langoren duur was? Ik zeide:

a) Zij biechten in den regel t/ebrekkiy, die dat maar eens per jaar doen. Iedere handeling, die men slechts zelden verricht, geschiedt gewoonlijk ten halve of niet goed. Een huis, dat zelden of maar eens iu \'t jaar gereinigd wordt, is bijna nieu meer iu orde te krijgen; het onkruid, dat men niet terstond en dikwijls wiedt, overwoekert langzamerhand de vruchten en eindelijk is liet onmogelijk om het meester te worden. Daarom ook valt hem het biechten zwaar en moeilijk, zoo niet ondoenlijk, die de menigte zijner zonden een jaar lang laat aanwassen; hij ziet geen kans om het goed te doen en van daar zijn schrik en af-gekeerdheid van de biecht; al m\'\'t-doende leerde hij af.

b) Die eens per jaar biecht, verwaarloost zijn zielenheil, daar hij een geheel jaar in ongerechtigheid en wellicht in ongenade Gods voortleeft, zonder zich om den toestand zijner ziel te bekommeren, en iets voor den hamel te verdienen. De dood kan hem elk oogenblik treffen en hij leeft, alsof sterven niet mogelijk ware. En wat toch zal er van den mensch worden, die door eigen schuld, onvoorbereid roor Gods rechterstoel geplaatst wordt? Ne-

599

-ocr page 602-

I)E (iROOTE CATECHISMUS.

men we echter aan, dat ham de tijd om te biechten, gelaten wordt. Maar hij weet niet, wat hij voor eene maand dacht, sprak en deed. Hoe zal hij zich dan herinneren, wat er voor een jaar is voor gevallen? En is hij ziek, zal dan de schrik voor den dood, de hevigheid der pijnen enz., de helderheid van zijn verstand en geheugen niet krenken? Wat eene biecht van een jaar of van ja-reu is, maar vooral de biecht van een uitsteller op \'t ziekbed, weten de priesters, helaas! maaral te wel, en daarom roepen zij ons van den kansel ook zoo menigmaal toe; „Ga toch dikwijls te biechten,quot; opdat de zonde geen rust noch woonstede in ons hart vinde —V olgt de bravo menschen na; die minstens met de hooge feestdagen of maandelijks gaan biechten en ge zult hoe langer zoo meer afschuw voor de zonde en lietde voor de deugd in uw gewaar worden en de biechtstoel zal voor u geen pijnbank, maar een zetel van troost en heil zijn. (Vgl, verder het sacr. der biecht).

179. Wat vmrdt ons in let vijf de gebod der Kerk voorgeschreven?

Uat zij, die tot de jaren van verstand gekomen en genoegzaam onderwezen zijn, in den Paaschtijd op eene waardige wijze de H. Communie moeten ontvangen (en wel in hunne eigen parochie-kerk.)

Gelijk de Kerk den geloovigen, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, beveelt eens per jaar te biechten, zoo ook bepaalde hetzelfde Concilie van Latranen omtrent het H. Sacrament des Altaars en gebood, dat ieder christen (genoegzaam onderwezen) ten minste eens \'sjaars in den Paaschtijd, tot de H. Tafel moet naderen.

600

-ocr page 603-

DE GROOTK CATECHISMUS.

1Verlangt das de Kerk, dat zij, die cominuniceeren, tot de- jaren van verstand zijn gekomen, na genoegzaam onderwezen te zijn. De kinderen zijn dan genoegzaam onderwezen, als zij geleerd hebben, wat noodzakelijk is om goed en met vrucht te cominuniceeren, d. i. als ze weten, wat ze doen; want dat wordt gevorderd uit noodzakelijkheid des gebods; ze moeten n. 1. de Sacramenten kennen, die ze ontvangen. Te bepalen, wanneer die tijd is aangebroken, is den Pastoor der Parochie voorbehouden, hij moet beslissen of de kinderen genoegzaam onderwezen en voorbereid zijn, en niet de ouders, die somtijds zoo onverstandig un aanmatigend zijn, dat ze den pastoor, die hun kind om gewichtige redenen, b. v. te weinig ontwikkeld, te jong, door traagheid, en verzuim van catechismus enz., dus niet uit willekeur, een jaar moet uitstellen, willen dwingen, het toe te laten. De opgegeven redenen worden dan gewoonlijk niet in aanmerking genomen, maar omdat dit meisje en die jongen zijn toegelaten, is de ouderen-, vooral de moedertrots gekwetst en volgt de beschuldiging van partijdigheid enz. De toe te laten kinderen moeten het twaalfde jaar zijn ingetreden en men mag (zonder afdoende redenen) hun niet langer, het dertiende jaar voleindigd hebbend, dit H. Sacrament onthouden.

De toediening van dit Sacrament of de eerste H. Communie moet plaats hebben in den tijd, welke verloopt tusschen den vijfden zondag van de Vasten en Hemelvaartsdag,quot; aldus bepaald het Cone. Prov. Cap. V Tit. IV.

2quot;. In den Paaschtijd. De Paasch-Communie is niet

601

-ocr page 604-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

slechts eene godsdienstige handeling, maar ook en vooral eeue soort van openlijke betuiging van geloof en godsdienst. In dien tijd vergadert de Kerk al hare kinderen aan den voet van het altaar; zij noodigt hen aan het goddelijk gastmaal der Eucharistie en houdt de Paaschfees-ten voor deze groote f\'amilie-vereenigiug; en allen, die zich door eigen schuld aan deze vergadering onttrekken, sluit zij buiten dien familiekring.

De ge-excommuniceerden hebben geen deel aan de zegeningen en geestelijke goederen der Kerk en worden als een heiden begraven, wanneer ze vrijwillig in die uitbanning leven en sterven. Zijn Paschen niet houden, is eene der grootste zonden: want men breekt daardoor openlijk niet de Kerk en met God. Indien ge dus het ongeluk hebt gehad, hierin te kort te schieten, doe, zonder langer uitstel, boete; herstel door een oprecht berouw en eene volledige belijdenis uw verzuim en nader dan wel voorbereid tot dit Hoogheilig Sacrament. Is de Paaschtijd evenwel voorbij, dan blijft voor u toch de verplichting bestaan om ten minste eenmaal \'s jaars te commumceeren; want „heter laat dan nooit,\'\'\'\' zegt hier het spreekwoord.

Vele oimoozele, maar vooral lauwe christenen maken uit liet voorschrift der Kerk ten minste Paasch-communie te houden, de gevolgtrekking, dat het dus onnoodig is, meermalen tut de Tafel des Heeren te naderen. Die dwaling is gezocht en verraadt al zeer weinig godsdienstkennis, maar veel traagheid en lauwheid in het goede. Wij zeiden reeds, dat de voorgeschreven Paasch-communie vooral een blijk van onzen godsdienstzin is; de andere communiën in den loop van het jaar verricht, hebben dit bij-

602

-ocr page 605-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

zondere karakter niet; hun voorname doel is ons te versterken tegen de aanvallen van Satan en het leven der genade in ons gaande te houden of aan te kweeken, hetwelk bestaat in de heiligmakeude vereeniging vau onze ziel met onzen Schepper en Heer, Jesus Christus. Daarom, die ernstig aan zijne zaligheid wil werken, moet dikwijls tot de H. Tafel naderen en dit niet alleen, krachtens het gebod der Kerk, maar om te voldoen aan de meening van den goeden God, die zich uit louter liefde in dit heilig Sacrament aan ons mededeelt, als de heiligste en krachtigste spijs op onzen pelgrimstocht naaide eeuwigheid.

3quot; Op vena waanlUje wijze coinimmiceeren. Evenmin als men door een heiligschendende biecht aan het voorschrift voldoet, zoo min ook voldoet meu door eene onwaardige communie aan den Paaschplicht: men moet icaardly com-mnniceeren, d. i. Jesus Christus, waarachtig en wezenlijk in de H. Eucharistie tegenwoordig, met een rein en zuiver geweten ontvangen, en met den oprechten wil om Hem, met Gods hulp, voortaan geheel toe te behooren, zooals Hij zich in de communie geheel aan ons geett. OnwaardU) coiniiiiittiaiercti is het heiligste Sacrament ontvangen in eeue met doodzonde bezoedelde ziel: waardin coinmuniceeren is de heiligste van alle handelingen, welke de mensch op aarde verrichten kan: onwaardi;/ coinmuni-ceeren is eene der grootste zonden waardoor de mensch zijn God en Zaligmaker kan beleedigen; waarditj com-nvuniceeren is de genieting van vreugd en zielctroost. van gemoedsvrede, van de hoop der volharding, ja van het eeuwig leven; onwaardig comtnuniceeren is zijn eigen

603

-ocr page 606-

DB GROOTE CATECHISMUS.

oordeel en zijne eigene verdoemenis eten, zijn eigen doem-vonnis onderteekenen, de misdaad van Judas hernieuwen en zich de vloek der heiligschennis berokkenen.

Drie keuzen zijn er derhalve te doen: a) waardig, h) onwaardig of c) in het geheel niet te commuiiiceeren. Door niet te commuiiiceeren, doodt men ook zijne ziel. Hij immers, die sterft, omdat hij geen voedsel wil gebruiken, is er niet beter aan toe, dan een ander, die door het gebruik van vergift omkomt; het gevolg voor beiden is de dood. Van deze drie keuzen voeren er twee naar de hel; ééne leidt naar den hemel. Welke kiest gij? Bedenk wel: een mensch, die langen tijd geen spijs gebruikt, wordt krachteloos, ziet er bleek en verzwakt uit en sterft ten laatste. En zoo ook «aat het den mensch zonder «rodde-

O O

lijke kracht, zonder het voedsel voor zijne ziel, dat hij in de communie ontvangt.

Het veelvuldig ontvangen van het Sacrament der boetvaardigheid en des Altaars, stelt den mensch in het bezit van den palmtak des vredes en geleidt hem tot het leven en tot de zaligheid. Maak het u daarom tot leefregel, minstens eens per maand te biechten en te commuiiiceeren. ,Dit zeg ik met alle zekerheid,\'\' zegt de H. Franc, van Salis, „dat zij, die God oprecht willen dienen, het ontvangen der H. Communie, niet langer dan van de eene maand tot de andere mogen uitstellen. , Wat ben ik dwaas geweest, achtentwintig jaren mijn Paaschplicht te verzuimen; dat was verschrikkelijk dom en goddeloos, maar ik zal het voortaan niet meer zijn,quot; zoo jammerde eens een arme man. ,Tachtig jaren,quot; sprak een vijfennegentigja-rige grijsaard, „heb ik zonder God en Kerk geleefd, o^ ware het mij gegeven, die jaren op nieuw voor Hem en

604

-ocr page 607-

DE GROOTE CATECHISMUS.

als kind der Kerk te kunnen leven.quot; Voorbeeldig was zijn berouw en zijne bekeering, voor zoover hij kon, en de weinige dagen, die hem nog te leven overbleven, besteedde hij in voortdurend Gods barmhartigheid te prijzen en berouw te verwekken. Die barmhartigheid wordt echter niet iedereen geschonken, want de mensch weet tijd noch uur en daarom moeten wij doen, wat wij op ons sterfbed liggend, zouden wenschen gedaan te hebben. (Vgl. Sacrament des Altaars. )

DERDE HOOFDSTUK.

Orer de (/enademiddelev, welke wij moeten (jehrui/en.

VIER EN VEERTIGSTE LES.

OVER OE GENADE-

1. Kan men zonder Gods hulp uit eigen krachten de (/eboden onderhouden en znlifj worden?

Neen; dit kan men niet. zonder bovennatuurlijke hulp van God.

In het eerste hoofdstuk van den catechismus werd ons geleerd, wat wij moeten gelooven; in het tweede, wat wij moeten doen en laten om eeuwig zalig te worden. Doch dat vermogen wij niet uit eigen krachten; wij kunnen niet in den waren God gelooven, niet de geboden houden en ook niet zalig worden uit en door om zeiven; de goddelijke hulp en genade is daartoe noodig. De mensch is immers uit en in zich zelf te zwak en gebrekkig; zijne krachten zijn door de erfzonde verzwakt en bedorven, zoodat hij niet in staat is uit eigen kracht een enkel voor den hemel verdienstelijk werk te verrichten, veel minder

605

-ocr page 608-

DE GROOTE CATECHISMUS.

tot ware heiligheid en gerechtigheid op te klimmen: , Alles nu, wat zwak ia, heeft bijstand en hulp noodig: de blinde een geleider, de zieke geneesmiddelen, de planten en boomen, de bloemen en vruchten regen en zonne-schijn,quot; aldus de TL Bonaventura. Op gelijke wijze heeft de mensch hulp en bijstand noodig, omdat hij de vereisch-te middelen, om zijne eeuwige bestemming te bereiken, niet in zich vindt en deze biedt hem de goddelijke qena-de. Daarom zeide de Heiland: „Zonder Mij kimt (je niets dot\'ii voor uw heil en zaligheid.quot; En dat Hij ons helpen zal, belooft Hij bij Ezechiël 11, 19-20: „Ik wil het stee-nen hart uit u wegnemen en u een hart van vleesch geven, opdat ge in Mijne geboden wandelet.quot;

2. God (jeefl ons een vrijen wil, om het goede te doen, Is dat eene vatuurlijke of bovennatuurlijke /ulp?

Dit is slechts eene natuurlijke hulp.

Wat voordeel zal die hulp den mensch aanbrengen, wanneer hem tevens niet bekend is, hoe die vrijheid voor God en zaligheid gebruikt, wanneer en hoe ze moet aangewend worden. Jood en heiden zijn door God nok met dat natnurlijk hulpmiddel voorzien; zij ook gebruiken die vrijheid om goed te doen, doch eene natuurlijke oorzaak kan ook niet anders dan natuurlijke gevolgen hebben, en ze doen derhalve, wanneer zij enkel met natuurlijke vermogens en krachten handelen, slechts natuurlijke goede werken, zonder de minste verdiensten voor den hemel; zij kunnen niet anders.

3. AU God dan mijn wil versterkt, om iets yocdt te doen, wat tot \'mijne zaligheid dienstig is?

606

-ocr page 609-

Ïgt;E GROOTE CATECHISMUS.

Dan is dit een bovennatuurlijke gave en hulp van God, en deze noemt men „genade Gods.quot;

„Genadequot; beteekent. in het algemeen „eer. onverdiend

geschenk.quot;

Ontvangt een terdood veroordeelde kwijtschelding der doodstraf dan zegt men: de vorst heeft hem genade geschonken, d. i. een onverdiende gunst bewezen. Onder „genade Godsquot; evenwel verstaat men in uitgestrekten zin elk onverdiend geschenk, iedere gave, elke weldaad, die God ons naar ziel en lichaam bewijst. Vandaar de verdeeling, in natuurlijke, bovennahiurlijke, uüirendif/e en in-wendigti genade. Onder natuurlijke genade hebben wij te verstaan, alle goddelijke weldaden in de orde der natuur ons geschonken, zooals leven, gezondheid, spijs en drank, kennis, wetenschap enz. (In de kerk en den catechismus wordt het woord genade niet gezegd van het natuurlijke maar slechts van het bovennatuurlijke; gelijk dit eveneens het geval is met iiet woord openbaring. Zoo althans is het gewoon, gebruik.) Onder bovennatuurlijke genade verstaat men alle goddelijke giften en gaven, waardoor de mensch zijne bovennatuurlijke bestemming kan bereiken. Doen nu die gaven en giften den mensch uitwendig aan, dan worden ze uitwendige bovennatmirlijke genade genoemd, b. v. de menschwording Gods, de verkondiging des Evangelies, enz.; doen ze echter een mensch inwendig aan, namelijk de ziel, het verstand, of den wil, dan noemt men ze inwendige bovennatuurlijke genade, en van de laatste is in dit laatste deel vooral slechts sprake.

4. Wat is dus ijenaae Gods?

Eene bovennatuurlijke gave en hulp, door God

607

-ocr page 610-

DE GROOTE CATECHI8MÜS.

aan den raensch tot zijne zaligheid verleend, om de verdiensten van Christus.

Eene bovennatuurlijke yave en Iridp. Daardoor wordt de verhevenheid en de waarde der goddelijke genade genoegzaam aangegeven. Als bovennatuurlijke overtreft zij alle gaven en onderscheidingen in de natuurlijke orde. Elke voorrang aan engelen en menschen geschonken, alle krachten, waarmede zij voorzien zijn, alle bedenkelijke goederen en eigenschappen, eigen aan de natuur der schepselen , zijn slechts gaven en giften, door de liefde Gods aan Zijne schepselen, bij de schepping geschonken. Gelijk nu het bovennatuurlijke ver het natuurlijke overtreft, zoo ook overtreffen de goddelijke bovennatuurlijke weldaden en gaven ver de natuurlijke weldaden, aan de schepselen geschonken. Zulk eene bovennatuurlijke gave is de goddelijke genade.

Door God aan den mensdi tot zijne zaligheid verleend.

Hierdoor wordt aangeduid, dat de genade niet iets uitwendigs is, niet eene bloote toegenegenheid en welwillendheid van Gods kant. Het is waar, men zou deze welwillendheid of liefde ook genade• kunnen noemen; dóch wij spreken hier van de genade, welke ons de kracht mededeelt de geopenbaarde waarheden te gelooven en de geboden te onderhouden; en zulk eene genade is meer dan welwillendheid. De genade, waarover hier gehandeld wordt, is eene werking der goddelijke goedheid in ons, een goed. dat door de goddelijke liefde in ons wordt voortgebracht, „De goddelijke liefde is niet werkeloosquot; -/.egt de H. Thom van Aquino, „gelijk het vuur ook niet denkbaar is, zonder werkdadigheid, d. i. brandt, verlicht en verwarmt.

608

-ocr page 611-

DE ÜUOÜÏJi CATEC\'ilISMUa.

of\' smeult, evenmin is de liefde in God denkbaar, zonder uitwerkingen naar buiten. Zij werkt daarom in de personen, die ze toegenegen is, menigvuldig goed, en hieronder is de genade het voornaamste.

3quot;. Om de verdiensten van Christus. Wat de eerste menschen door de zonde werden, dat zijn wij van natuur. Wij hebben wel is waar de persoonlijke zonde van Adam niet bedreven, niet de verboden vrucht gegeten, maar wij allen hebben de gevallen, de van hare oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid beroofde en de met neiging tot het kwaad aangemaakte natuur der eerste menschen overgeërfd. Onze natuur is dus geen andere dan de gevallen, met de eerste d. i. met de erfzonde bevlekte natuur. Daarom zegt de Apostel: „ Van nature zijn wij kinderen des (goddelijken) toorns.\'quot; Eph. 2, 3. Onze natuur heeft derhalve eene verkeerde richting in betrekking tot ons heil en wij zijn niet bekwaam God door het geloof te kennen en te dienen, wat tot verkrijging van het eeuwige leven toch gevorderd wordt. Wie kon hier redding aanbrengen? God, en God alleen! en Hij deed het. God, die den mensch heilig geschapen had. was de eenige, in staat, om den gevallen mensch weder op te heffen, de schuldigen te rechtvaardigen en om te scheppen en in den vroegere» staat van onschuld en heiligheid te herstellen. Dit nu is geschied door den offerdood van Zijn Zoon Jesus Christus. „Hij heeft Zijn eenicjen Zoon niet gespaard, maar Hem overgeleverd tot den dood, ja, tot den dood des kruisesquot;: „Zoo lief heeft God den mensch (jchadDoor Zijne verdiensten creeft God ons genade, waardoor wij nieuwe krachten, om boon. CAT. 39

609

-ocr page 612-

DE r.ROOTK CATECHISMUS.

vennatuurlijke goede daden te verrichten, en eene sterkere kracht tot het natuurlijke, ontvangen.

5. Als Gods genade noodig is om. de geboden ie onderhouden en zalig te worden, ontvangt dart ieder de de daartoe noodige genade?

Ieder mensch ontvangt de daartoe noodige genade, omdat God wil, dat alle menschen zalig worden, ei\' Christus voor de zaligheid van allen gestorven is.

Wanneer de mensch, zooals wij boven zeiden, uit eigen krachten niet in staat is te gelooven, te hopen of te beminnen, zooals het tot ons eeuwig heil gevorderd wordt, en het hem ontgaat met eigene middelen zor.denval te keeren of gevallen, zich weder op te heffen, of staande te volharden, dan ook was het noodig, daar God onze zaligheid wil, dat Hij ons door Zijne genade in staat stelde voor ons heil te kunnen arbeiden; dan moest Hij dooide kracht Zijner genade een dam opwerpen en ons wapenen geven tegen de ingewortelde neiging tot zonde, do drievoudige begeerlijkheid, tegen de gelegenheden en de gewoonte voor zonde, tegen ergernis en verleiding, ja, den zondaar met een zeker geweld op den weg der gerechtigheid trekken. Daarom zeide Jesus ook: „Niemand komt tot Mij, wanneer de Vader hem niet trekt.\'quot; Joh. 6, 44.

6. Moet men het aan God, of aan den mensch zeiven toeschrijven, als hij niet braaf leeft en niet zalig wordt?

Aan God moet. men dit niet, toeschrijven, want Hij weigert aan niemand de noodige genade, maar

610

-ocr page 613-

UK GROOTE CATECHISMUS.

aan den mensch zelf, ilie aan de genade niet beantwoordt.

Lucifer, de vorst rler engelen, had meer genade ontvangen dan de andere zalige geesten, en toch is hij verloren gegaan, terwijl anderen in bezit hunner heerlijkheid zijn gebleven. Judas, de Apostel, hoeft zonder twijfel, zoowel als de overige Apostelen, genoegzame genade ontvangen en evenwel is hij voor eeuwig verloren ! Ja; dikwijls worden zij zalig, die minder genade ontvangen, en worden andere ondanks de vele genade, die zij ontvingen, verdoemd. Waarom? Omdat ze aan de genade niet beantwoordden. Het al of het niet medewerken met de genade is dus oorzaak, dat eeni-gen zalig, anderen verdoemd worden. De zuster van den H. Thomas van Aquino vroeg den heilige eens, haar een middel te noemen, waardoor ze spoedig en zeker heilig zou worden. Zonder zich lang te bedenken, antwoordde hij: „Wanneer gij wilt.quot; „Hoe zoo?quot; hernam zij. Toen zeide de heilige man: „Wanneer gij wilt, kunt gij de zonde vluchten. Wanneer gij wilt, kunt gij de deugd beoefenen. Wanneer gij wilt, kunt gij kuisch, geduldig, zachtmoedig zijn. Wanneer gij wilt, kunt gij in alles Gods wil volbrengen. Wanneer gij wilt, kunt gij Gods genade in u vermeerderen. Wanneer gij wilt, kunt gij de heiligmakende genade ontvangen en bewaren en zoodoende zalig worden.quot;

„Wanneer gij wilt,quot; sprak hij. Inderdaad, het heil van ieder mensch hangt af van diens vrijen wil. Hij heeft het in zijne macht goed of kwaad te leven, hij heeft het dus ook in zijne macht zalig te worden of niet. „ Mijite genade is u genoeg,quot; sprak Jesus tot Paulus, en

611

-ocr page 614-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

in hem tot ons allen om uw heil te bewerken. God geeft dus aan ieder mensch toereikende genade, waaraan men vrijwillig llt;an weerstaan tot eigen verdeif. De Iveik heeft deze waarheid daardoor uitgesproken, dat zij de tegenovergestelde leer heeft verworpen en gedoemd; de dwaling leert namelijk; de mensch kan de inwendige (roepende) genade van God niet weerstaan (al zou hij dat ook willen). Daaruit volgt de gewichtige waarheid, dat het aan de vrijheid van den mensch is overgelaten, de genade Gods door medewerking vruchtbaar in zich te maken of wel te weerstaan. Men zegge dus niet. God ie schuld, dat de een zich bekeert, een ander echter niet; Hij geeft den een genade en onthoudt ze een ander. Neen, God geeft allen toereikende genade, omdat Hij wil, dat allen zalig worden, en zonder deze kon niemand zalig worden, zoodat hij, die verloren gaat, door eigen schuld gedoemd wordt.

VIJF EN VEERTIGSTE LES.

OVER DE HEILIGMAKENDE EN V/ERKENDE GENADE-

7. Welke soorten van genade kan men vooral onderscheiden ?

Deze twee: de lieiligmakende genade en de werkende of voorbijgaande genade.

8. Waarin bestaat de heiligmakende genade?

Dat God ons heilig of rechtvaardig maakt, dat is, dat God ons van doodzonde zuivert en in Zijne liefde aanneemt.

Zij is dus a) eene bovennatuurlijke, \\i) eene onver-

612

-ocr page 615-

DE CiHOOTE CATECHISMUS.

diende gave, door den H. Geest in onze zielen gestort, waardoor we c) van zondaars rechtvaardigen, van kinderen der wraak, Gods kinderen en erfgenamen des hemels worden.

a) De heiligmakende genade is eene hoven natuurlijke genade, wijl God door haar den mensch als door eene geestelijke geboorte, het bovennatuurlijk leven mededeelt , welk leven in ons blijvend is, terwijl de werkende genade van voorbijgaanden aard is.

b) De heiligmakende genade is eene onverdiende gave, daar ze een geheel vrij geschenk van Gods erbarmende liefde, niet met eigen kracht te verwerven, noch door de werkende genade, streng genomen te verdienen is. Daarom schreef de H. Paulus aan de Rom. 3, 24: „Allen worden gerechtvaardigd zonder (eigen) verdiensten, door Zijne getuide-, die in Christus Jesus is.\'quot; „De genade van Christus wordt niet als loon voor verdiensten, maar onverdiend toegedeeld, en juist daarom wordt ze genade genoemd.quot; H. Aug.

c) De heiligmakende genade rechtvaardigt den mensch d. i. zij verplaatst hem uit den zondigen toestand in den staat van rechtvaardigheid en heiligheid, vandaar wordt zij ook genade der rechtvaardiging genoemd. Zij neemt de schuld vau ons weg en schenkt ons Gods liefde^ zoodat de rechtvaardiging in zich sluit a) de vergiffenis van alle zware zonden en eeuwige straffen en h) de heiliging en de vernieuwing van den inwendigen mensch. Zeer schoon schrijft daarom de Apostel Paulus, 1 Cort. 6, 11: „Gij zijt afgewasschen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd in den naam van onzen Heer Jesus Christus en in den Geest van onzen God.\'quot;

613

-ocr page 616-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

9. Wat bewerkt de leilifpnakende genade in ons?

Zij doet. ons dierbare kinderen Gods en erfgetm-men des hemels zijn en maakt ons bekwaam, om verdienstelijke werken voor den hemel te verrichten.

De menscli word niet op eens een groot booswicht, maar trapsgewijze; ook wordt hij plotseling geen groot heilige, maar langzamerhand. Het gaat daarmede ais met een vruchtboom, die zich langeamerhand uit een zaadkorrel of\' stek ontwikkelt en eindelijk vruchtdragend wordt. Het ligt evenwel in Gods macht, een zondaar zooveel genade te schenken, dat hij plotseling gerechtvaardigd en tot een grooten trap van heiligheid verheven wordt, zooals de goede moordenaar onder meer anderen; maar dat is niet de gewone loop der goddelijke voorzienigheid en barmhartigheid. — Door de voorkomende genade verlicht God eerst den zondaar en spoort hem aan zich tot Hem te wenden. Nu is de beurt aan den zondaar zich vrijwillig tot God te keer en en alles te ge-looven, wat God geopenbaard heeft, en wel in het bijzonder, dat wij door Jesus gerechtvaardigd worden. Dat «■eloof stort in hem eene heilzame vrees voor Gods recht-vaardigheid, maar zóó, dat hij tevens vergiffenis van Gods barmhartigheid verwacht. Vol van datquot; vertrouwen en die zoete hoop, begint hij God te beminnen, zijne zonden te betreuren en maakt het vaste beslnit een nieuw, Gode welgevallig, leven te beginnen, terwijl hij nog niet gedoopt, het Sacrament des doopsels, of reeds gedoopt zijnde, het Sacrament der biecht ontvangt. Zoodoende ontvangt hij de heiligmakende genade, en met haar tevens de vergiffenis der zouden en de inwendige heilig-

614

-ocr page 617-

DE GROOTE CATECHISMUS.

heid, waardoor hij werkelijk gerechtvaardigd, Gode be-hagelijk, een kind Gods en erfgenaam des hemels wordt. Conc. van Trente 6e zitting. Weigert de mensch zijne medewerking, dan is zijn einde eeuwig verderf.

10. Hoe lang blijft de heiligmakendegenade in ons?

Zoolang wij zuiver zijn van doodzonde.

De mensch, die de heiligmakende genade heeft ontvangen, blijft altijd in het bezit daarvan, maar verliest haar door eene vrijwillige doodzonde. „ Da ziel, die zondigt, moet sterven,\'quot; zegt de profeet Ezech. 18, 20. Elke doodzonde is dus een zwaard, hetwelk de vriendschapsband tusschen God en den mensch doorhakt; een moordpriem, die het leven der genade in \'s menschen ziel doodt. Eu, ofschoon de dageiijksche zonde de heiligmakende genade ia haar wezen niet schaadt, verzwakt zij toch hare werking en bereidt langzamerhand haar algeheel verlies voor; zij is de brug, waarlangs de duivel en het bederf onze ziel binnensluipen, (v. g. 1. Les 29 , over de gevolgen der zonden).

11. Waarin bestaat de werkende of voorbijgaande genade ?

Dat God ons verstand verlieht, onzen wil aanspoort en versterkt, om het goede te doen eu het kwade te vluchten.

De H. Aug. schrijft: „De genade werkt uit, dat wij niet alleen onze verplichtingen erkennen, maar ook het als zoodanig erkende volbrengen; niet slechts, dat wij wat bemind moet worden gelooven, maar ook hetgeen wij gelooven, beminnen.quot;—De invloed nu der werkende ge-

615

-ocr page 618-

1)E GEOOTE CATECHISMUS.

nade op hefc verstand noemt men verlichtende, en in zooverre zij den wil aanspoort en versterkt, wordt zij Ijv-weyende genade genoemd. Daar nu verder de werkende genade onze goede werken door voorbijgaande inwerkingen voorafgaat en onze handelingen begeleidt en voleindigt, daarom wordt ze ook voorafgaande, begeleidende en voltooiende genade genoemd, en ze blijft zoolang bij ons, als het goede werk duurt, waartoe ze ons aanspoort.

Koning David vroeg God reeds om deze genade van bijstand, d. i. hij smeekte de goddelijke inwerking af op zijn verstand en wil en riep uit: „Geef mij verstand, dan ■wil ik \'Uwe wetten navorschen en uit ganscher harte nale-ve».quot; Es. 118, 34—36. Op een ieder rust derhalve de dure verplichting, even als David, daarom te bidden, vermits ze allernoodzakelijkst is, daar wij zonder haar niet in staat zijn iets tot ons heil te beginnen, voort te zetten of te volbrengen „want God, is het,\'quot; zegt de 11. Paulus, Phil. 2, 18, .d/e in ons zoowel het willen als het volbrengen uitwerkt.\'\'\' Gelijk het lichaam niets kan doen, wanneer de ziel het niet bewoont, zoo ook kan de mensch niets goeds tot zijn heil willen of doen, wanneer de genade hem niet ondersteund.quot; H. Fulgentius. De genade Gods is den mensch zoo noodig als het water de droge aarde. Zonder regen wast geen gras, groeit geen bloem, versmachten de boomen en planten en komt geen vrucht tot rijpheid. — Deze noodwendigheid der goddelijke genade in betrekking tot alles, wat tot ons heil voert, zal ons nog duidelijker worden wanneer we de twee volgende gronden nader overwegen.

1u De eeuwige gelukzaligheid,wier bereiking ons levensdoel is, is een goed der bovennatuurlijke orde, en daarom kan

616

-ocr page 619-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ze ook slechts door bovennatuurlijke kracht en hulp, cl, i, door de genade bereikt worden. Zeer juist schreef dus de H. Paulus 2 Cor. 3, 5: „Niet alsof icij in staat zijn, door ons zelveti iets (tot ons heil) te denken als uit ons zeiven, maar ons vennoc/en daartoe is uit God.\'\'1 En de H. Franc, van Aasisië zeide: „Ik ben overtuigd, wanneer God mij slechts een oogenblik Zijne hand onttrok, dat ik in de afschuwelijkste zonden vallen en de slechste der menschon zou worden.quot; Ja, geen wijsheid, kracht of moed zal ons baten in den strijd voor ons heil, wanneer Gods genade ons niet helpt. Al waren we ook een Paulus of Petrus, een Jacobus of Johannes, zonder den bijstand der genade zullen we gemakkelijk overwonnen worden, struikelen en vallen. , Gij kunt geen enkele deugd in uwe ziel opschrijven, wanneer de inkt der genade ontbreekt,quot; aldus de H. Thom. van Aq. in 11 Apocal. Gelijk het lichaam dood is zonder de ziel en tot niets in staat, zoo ook is de ziel zonder de genade dood voor het hemelrijk en niet bij machte iets voor den hemel te doen.quot; H. Augustinus 2o Het is de genade alleen, die ons met Christus ver-eenigt en ons Zijne oneindige verdiensten, de bron van alle heil, deelachtig maakt. De genade is als het sap, dat ons uit den wijnstok, Christus-Jesus, toestroomt, als ranken met Hem vereenigt, en ons in staat stelt vruchten voor het eeuwig leven te dragen. „Zooals de rank, wanneer ze niet met den ■wijnstok vereenigd is, uit zichzel-ven geen vrnehf kan dra/jen, zoo ook gij niet, ivanneer ge

niet in Mij blijft...... Zonder Mij kant ge niets.quot;1\' Joh. 15.

4-5. Inderdaad, zonder genade gelijkt de mensch een afgesneden wijnrank, een uit de aarde gerukten boom, een vogel zonder vlerken, een visch buiten het water; zonder

617

-ocr page 620-

DE GROOTE CATECHISMUS,

genade staat de mensch in geene bovennatuurlijke verbinding met God en zijne handelingen zijn zondig, of slechts natuurlijk goede daden, zonder waarde voor den hemel.

12. Worden wij door die werkende genade yedivon-(jen, om het goede le doen en liet kwade te laten?

Neen, wij worden verlicht, geholpen en versterkt, maar niet genoodzaakt.

In de 6de zitting. Hoofdst. 11 zegt het Conc. van Trente: „God beveelt geen onmogelijke dingen, maar terwijl Hij beveelt, vermaant Hij tevens te doen, wat men kan, te verlangen, wat men niet kan en Hij helpt, (dus niet dwingen) om te volbrengen. Ook veroordeelde dat zelfde conc. de valsche stelling: ,Ue mensch kan de inwendige (voorkomende) genade niet weerstaanquot;(al zou hij het ook willen.) Daaruit volgt, zooals we vroeger zagen, de groote waarheid, dat het aan \'s menschen vrijheid is overgelaten, al dan niet met de genade mede te werken.

13 iVat hebben wij van God te verwachten, wanneer we ijverig met de genade medewerken?

Dat Hij ons meer en meer genade zal schenken.

God, van Zijn kant, laat het ons niet aan genade ontbreken, maar dan rust op ons ook de zware verplichting om daaraan te beantwoorden en mede te werken. Daarom schreef de H. Paulus, 2. conc. 6, 2: , Wij vermanen u, dat gij niet te vergeefs Gods genade ontvangt.\'\'1 „Zie, ik sta voor de deur en klop aan. Wanneer iemand Mijne stem hoort en de deur opent, hij hem wil ik Mijn intrek namen, en met hem avondmaal houden en hij met Mij.quot; God wil dus, dat wij Hem de deur van ons hart openen

618

-ocr page 621-

DE GROOTE CATECHISMUS.

en Hem de hand der getrouwe medewerking reiken. „ God heeft ons geschapen zonder ons toedoen, maar Hij zal ons zonder onze medewerking niet zalig maken,quot; zegt de H. Aug. Wij zijn redelijke schepselen, begiftigd met verstand en vrijen wil, en God eischt, dat wij van die gaven een goed gebruik maken met betrekking tot onze zaligheid. Ja, „gelijk de aarde zonder regen niets voortbrengt, maar ook de regen zonder aarde geen vruchten draagt, evenzoo vermag de genade niets zonder den wil van den mensch, en omgekeerd de wil niets zonder de genade.quot; H. Chryss. Hoe beter onze wil beantwoordt aan de genade, des te meer zal Gods genade en hulp ook in ons toenemen.

14 IVat hebben wij te verwachten, wanneer wij niet medewerken ?

Dat wij minder genade van God zullen ontvangen en eenmaal eeue strenge verantwoording over enze nalatigheid zullen moeten afleggen.

Wee den mensch, die de genade weerstaat! Luistert daarom naar den Psalmist 9,4, 8, die ons toeroept: „ Wanneer fje heden Gods stem verneemt, verhardt dan uwe harten niet.quot;quot; Nooit zult ge dan Gods genade buiten uwe harten sluiten en uwe hand terugtrekken, wanneer God de Zijne biedt. Volg toch Judas en Jeruzalem niet, in hun weerstand aan de genade, om zoo geen deelgenoot van hun ondergang te worden.—Vraagt God dagelijks om Zijn bijstand en Zijne genade; want ofschoon Hij allen toereikende genade mededeelt, wil Hij toch om vele nog gesmeekt worden. Hebt gij dat altijd gedaan? O, hoevelen worden er niet gevonden, die na eene lange droogte God

619

-ocr page 622-

DE (JKOOTE CATECJIISMUS.

om regen bidden, en jaren en jaren in de grootste dorheid des harten leven, zonder om den vruchtbaren regen van Gods genade te vragen, en geen acht slaan op Zijne roepstem, welke dikwijls door plotselinge sterfgevallen, ziekte, geluk oi ongeluk, voor- en tegenspoed enz.; tot ons doordringt. Let er wel op: soms spreekt de genade tot ons rustig als eene hemelster, dan treft ze ons als eene pijl, die plotseling het hart binnendringt, dan weder worden we haar gewaar als een verkwikkenden regen, het dorre hart opfrisschend, en somtijds treft ze ons als een hamer, die de rotsblokken, onze versteende harten, vermorzelt. O, miskent toch die vermaningen en opwekkingen niet: want, ^ Rampzalig de mensch, die den dag der goddelijke bezoeking niet gekend heeft.quot;

ZES EN VEERTIGSTE LES.

OVER DE GOEDE WERKEN.

1 5 Aan wie geeft God de werkende of voorbijgaande genade?

God geeft die aan alle menschen. zoowel zondaars als rechtvaardigen.

16 Waarom geeft God die genade aan rechtvaardigen ?

Opdat, ze, met behulp dier genade, goede en voor den hemel verdienstelijke werken zoude verrichten.

Bevindt zich de mensch in staat van heiligmakende genade, dan blijven de vruchten daarvan niet uit. Die vruch ten zijn niet anders dan goedé en verdienstelijke werken, n. 1. zulke goede werken en handelingen, welke wij uit en in liefde Gods en in betrekking tot God, dus volgens den

620

-ocr page 623-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

goddelijken wil verrichten en waardoor we liet eeuwige leven verdienen. Daarom zegt de H. Isidorus zeer schoon: .De braven en rechtvaardigen zijn vruchtbare hoornen, en de vrucht, die zij dragent zijn de goede werken. Ook de Heiland zelf sprak vóór hem dezelfde waarheid met andere woorden uit, zeggende: „ Elke goede hoorn brengt goede vruchten voortquot; Matt. 7, 17. Hoe zou het ook anders kunnen ? De gerechtvaardigde is immers als een levende rank met den wijnstok Jesus Christus verbonden; moet hij derhalve geen vruchten en wel de beste vruchten voortbrengen ?

Wat wil zeg (jen, zijne to erken om God verrichten?

Dat men de mecning, de bedoeling he aft, om door zijne werken God te eeren.

Die goede meening is zonder twijfel noodzakelijk, en al zijn we ook in staat van genade, dan nog moeten wij bij onze goede werken eene meening hebben, die goed is, wij mogen er geen doel bij hebben dat kwaad is. Ons doen en laten moet zóó zijn, dat het God eert, dus goed of niet kwaad is, al denken wij daarbij op\'t oogenblik van ons doen en laten ook noch aan God noch aanZijne eere.De goede meening is zóó noodzakelijk bij onze goede werken, dat daar door het geringste werk, bij God groot loon verdient, en dat zonder zulke bedoeling de grootstedaadalle aanspraak oploou verliest. Men kan derhalve gerust zeggen: „De goede meening verandert koper in goud,quot; terwijl de grootste werken zonder haar slechts klatergoud en voor God zonder waarde zijn. Hier wees de Heiland op, toen Hij zeide: „Een teug water in Mijn naam gegeven, zal het loon niet missen,en de H. I\'luilus: „Hetzijgij eet of drinkt, of\' slaapt

62l

-ocr page 624-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

nf waakt, doet alles in den naam van God.quot; Bij deze gelegenheid merk ik op, dat het. aanbevelenswaard is eene goede meening meermalen daags, vooral eiken morgen te verwekken, te meer, wijl dit zoo gemakkelijk gedaan kan worden. Zoo kan men b. v. zeggen: „Mijn God en Heer! alles ter Uwer eer en glorie,quot; of „Ik zal dezen dag arbeiden ter eere der H- Drievuldigheid,quot; of, .Ik begin en hoop dezen dag te eindigen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes/\' of; „Ik offer U, o God, al mijne gedachten, woorden en werken van dezen dag op,quot; enz. — De goede werken, welke dus verricht worden zonder goede meening of om van de men-schen gezien, geacht en geprezen te worden, of wel uit ijdel zelfbehagen of uit een sleur van gewoonte, zijn wormstekige schoone appels, valsche munt en schyngoed voor God en zaligheid. Immers daden, inwendig of uitwendig, die eene goede meening missen, hebben geen waarde voor de zaligheid. O, hoeveel goed. arbeid, moeite, opoffering, zweetdroppels gaan zoodoende voor den hemel verloren. Een stukje papier heeft geen waarde; doch de handteekening des konings en zijn zegel schenken het eene groote waarde. Zoo ook zijn onze handelingen geheel onbeduidend, wanneer wij ze niet verrichten met de meening, om daardoor God te eeren; wij moeten (jocd handelen, en ook niet anders willen dan goed handelen, zoodat, als wij ergens kwaad in zagen (hetzij in de daad zelve, hetzij in ons doel, hetzij in eenige omstandigheid) wij het ook niet zouden willen; de goede wil is de parel, die ons doen en laten adelt.quot; Munch.

18 JFat verdienen toy door onze verdienstelijke goede werken ?

622

-ocr page 625-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

Wij verdienen daardoor eene vermeerdering van heiligmakende genade, den hemel, en vermeerdering der hemelsche glorie.

De goede werken, die wij in staat van genade verrichten, zijn, gelijk wij reeds zeiden, verdienstelijk voor God, d. i. God beloont en vergeldt ze; echter niet alsof wij dat loon verdiend hadden, maar omdat God ons loon uit liefde en barmhartigheid beloofd heeft. Daarom schrijft de H. Aug, fde grat. et lib. arb. cap. 8 : „God heeft hun, die goede werken verrichten, liet eeuwig leven voorbehouden als genade en als loon; als genade, welke den kinderen (\'Gods) door Jesus Christus uit barmhartigheid beloofd is ; als loon, hetwelk volgens Gods belofte, aan hunne goede werken als verdiensten verbonden is.quot; En op eene andere plaats zegt hij: „Wanneer we goede werken beoefenen, dan wordt God zelf onze schuldenaar en wij mogen Hem toeroepen: „Geef ons (Heer!) wat Gij beloofd hebt, daar wij deden, wat Gij ons hebt bevolenquot; — En wat heeft God dan beloofd; welk loon heeft Hij aan de goede werken verbonden, wordt dus terecht gevraagd ?

«) De vermeerdering der heiligmakende genade. Zooals wij door onvermoeide zorg en vlijt onze aardache bezittingen vermeerderen en uitbreiden, evenzoo wordt de heiligmakende genade door de goede werken vermeerderd. En zooals door oefening en inspanning onze lichamelijke krachten, het gehoor, de smaak, het gevoel, het gezicht en liet geheugen in sterkte, scherpte en fijnheid toenemen, zoo ook de heiligmakende genade door de herhaalde beoefening van goede werken. Daarom zegt de Heiland: „ Ieder, die heeft, wordt gegeven, opdat hij overvloed- hebbequot; Matt.

623

-ocr page 626-

DE ÜRÜUTE CATECHISMUS.

25, 29 ; en vandaar richt God tot ons allen de vermaning: „Die rechtvaardig is, worde rechtvaardiger.\'\' Openb. 22, 11.

li) De eeuwige zaligheid, de hemel, is het tweede zalige loon, dat aan onze goede werken is vastgehecht en beloofd. Treffend zegt dienaangaande de H. Paulus, 2

Tim. 4, 7, 8 : ,Ik heb den strijd gestreden...... overigens

is mij de kroon der gerechtigheid weggelegd, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, op dien dag zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die Zijne komst verheiden.\'\' In dezen zin zegt ook de H. Bonaventura: „De in staat van genade verrichte goede werken, zijn de poorten van het hemelsch vaderland.quot; Het Conc. van Trente sprak in de 6e zitting 32ste Hoofdstuk, de waarheid duidelijk uit, dat we door de goede werken vermeerdering van heiligmakende genade en het eeuwig leven verdienen. De uitspraak luidt: ,Wanneer iemand beweert, dat de rechtvaardige door de goede werken, verricht door Gods genade en de verdienste van Christus, wiens levend lidmaat hij is, de vermeerdering der genade en het eeuwig leven niet verdient, hij zij in den ban.quot;

Met hoeveel zorg moeten wij er ons dan op toeleggen den genadestaat ongeschonden te bewaren, om zoo voor den hemel te kunnen arbeiden. Ja7 eene aalmoes in dien staat gegeven, de overwinning op een hartstocht, of van eene bekoring, een ontzegd genoegen, het vluchten van een slecht kameraad, huis of gezelschap, een nietig werk van boete, eene acte van ootmoed, geloof, hoop en liefde, met één woord\'alles, wat geen kwaad is en waar geen kwaad aan kleeft, met een goed doel gedaan, zijn louter goudstukken, gestort in de spaarbank des hemels, waar we later kapitaal en eeuwige interest

Ö24

-ocr page 627-

DE GROOTE CATECHISMUS.

zullen ontvangen. Zal iemand dan nog dwaas genoeg zijn, levensgeluk, zielovmle, hoop op den hemel, ja, God zelf, ons loon,, te verruilen voor den duivel, de wereld en het vleesch; door zondige werken God, de genade en den hemel te verkoopen en daarvoor den duivel en de verdoemenis in te koopen? En toch worden er van die dwazen en ongelukkigen gevonden. — De H. Catliarina van Genua wekte zichzelve en anderen dikwijls op tot vlij-tio-e beoefening van goede werken, zeggende: .Wanneer

O O O \' rto quot;

de raensch wist, hoe onmetelijk God in de andere wereld het goed beloont, dat hij hier beneden om God verricht, dan zou hij er steeds op uit zijn, voortdurend met zijne gedachten, woorden en handelingen goede werken te verrichten, hoe zwaar het hem ook zou vallen. Waarde lezer, neemt ook gij die woorden ter harte!

Men zal hebben opgemerkt dat het woord irerk alhier in anderen zin gebezigd wordt dan waar gehandeld is over de zonde. Als men zegt: zondigen met werken, dan bedoelt men uitwendige en tastbare handelingen. Hier echter wordt onder werk elke daad verstaan, ook de meent inwendige, de fijnste gemoedsbeweging en de geringste gedachte.

Tevens valt uit een en ander af te leiden dat men reeds veel goeds doet, als men maar oppast, dat meu geen kwaad doet; al zou het maar alleen zijn het verwerpen der bekoringen en verleidingen en het doen van zijn plicht. Bij dot goede echter, wat men in zekeren zin van zelf doet, moet men het niet laten: men moet eenigermate naar overvloed streven; wie dit niet doet, zal tot gebrek vervallen.

1 9, Varmaar hebben ovze noede iverlren zoo nronte verdiensten?

GR. CAT. 40

625

-ocr page 628-

DE ÜROOTE CATECHISMUS.

Van de oneindige verdiensten van Christus, wiens levende ledcicaten wij zijn, als wij in staat van genade leven.

Deze waarheid leert ons Jesus zelf, zeggende: , Ik hen de wijnstok, gij zijt de ranken; die in Mij blijft en Ik in hem, brengt vele vruchten voort; want zonder Mij kunt gij niets.quot; Joh. 15, 5. Wien komen dus de verdiensten toe, als de wijnstok vruchten draagt; aan de wijnstok of aan de ranken? Daarom prijst liet Conc. van Trente Gods liefde „wiens liefde en barmhartigheid zoo groot is, dat Hij Zijne gaven den menschen als verdiensten toerekent.\'quot; Stel u voor eene groote menigte valsche munten te bezitten. Welk nut brengen ze u aan? Kunt ge daarmede schuld betalen en in uw onderhoud voorzien? Neen, ■/.[] laten u bedelaar. Evenmin hebben onze werken werkelijke waarde voor God, wanneer ze niet gewaarmerkt en gezegeld zijn door den verdienstvollen offerdood van onzen Heer, Jesus Christus. Zooals de kinderen deelen in de verdiensten hnnner ouders, zoo ook deelen wij in de verdiensten van onzen Heiland en Zaligmaker.

20 Kunnen de zondaars ook goede en ver diens lelijke werken doen?

Goede werken kunnen zij wel doen. maar gcenc goede werken, welke verdienstelijk zijn voor den hemel.

Zij zijn dood voor God en de zaligheid, daar zij door de doodzonde vrijwillig den band der liefde hebben verbroken, die hen aan Jesus hechtte. Door de verdiensten van Jesus hebben de werken der rechtvaardigen, verdiensten voor God, maar de zondaars hebben Zijne vriendschap opgezegd en Zijne vijandschap als loon ontvangen; ze

626

-ocr page 629-

hE GBOOtE CATECHISMUS. 627

hebben geweigerd Zijn wil en zijne wet te volbrengen en den wil hunner hartstochten en begeerlijkheden ingewilligd, /ij zijn don lijkvoorzienen vaclerdisch ontloopen en moeten zich nu met zwijnendraf te vreden stellen. Het zijn inderdaad doode menschen, die nog wel in bet bezit zijn van al hunne ledematen; maar zij kunnen ze niet meer gebruiken voor den hemel; ze schijnen dezelfde menschen als vóór de zonde, zij bidden, vasten, wonen de H. Mis bij, geven aalmoezen, overwinnen somtijds de bekoringen, kortom, leven oogenschjjnljjk voor Grod en de zaligheid, maar al die werken missen de verdiensten: het zijn doode ranken van den levenden wijnstok Jesus Christus.

21. Waarom neef/ God den. zondaar* verkende (jenade ?

Opdat zij met behulp dier genade goede werken doen. welke lien helpen tot Imnne nekecring.

Wjj hebben gezien, dat de werken van hen, die in doodzonde verkeeren, als appels zijn, door de wespen uitge-knaagd, zonder eenige verdienste iu den vollen en strengen zin des woords. Intusschen zijn zulke goede werken toch nuttig en heilzaam, en zelfs verdienstelijk in zwakkeren zin, in zooverre zjj van de goddelijke barmhartigheid de genade der bekeering en somwijlen ook de afwending van tijdeljjke straffen of een haastigen dood verwerven. Dikwjjls verbindt God ook aan die werken tijdelijke welvaart en voorspoed, volgens Zijne rechtvaardigheid, omdat Hij ze in de eeuwigheid niet beloonen kan.

22. Heeft God. aan allen geboden goede werken Ie doen ?

Ja; (iod heeft bevolen, dat wij door goede wer-

-ocr page 630-

HE GROOTE CATECHISMUS.

ken ouze zaligheid zouden verzekeren en schatten voor den hemel vergaderen.

Dit is zoo waar, dat de Zaligmaker zegt: „Elkeboom, die (jxene goede vruehten voortbrengt, zal uitgelxapt en in het vuur geworpen ivorden.quot; Mattli. 3; 10. God wil, dat we goede werken doen zullen, omdat door niets anders den hemel, onze eeuwige bestemming te bereiken is. De lieiligmakende genade zal in ons ook niet blijvend zijn, wanneer we haar niet naar buiten toonen, door goede werken onderhouden en voortdurend voeden. Zooals het vuur door brandstof onderhouden wordt, zoo moeten de heilige genade vlammen steeds door goede werken onderhouden en gevoed worden, om eene langzame of plotselinge uitdooving te verhinderen.

Zeker vorst schonk zijn hofnar een staf met liet bevel dezen over te geven aan hem, die grooter dwaas was, dan liij. Plotseling werd de vorst kort daarop ziek; liij liet den hofnar bij zijn sterfbed ontbieden en zeide hem: „Weldra ga ik u verlaten, want ik voel mijn einde naderen.quot; „Waar gaat gij heen?quot; vroeg de hofnar. — sNaar eene andere eeuwige wereld.quot; —, Wanneer keert gij terug? Over eene maand ? Weineen. — Over tien, twintig of honderd jaren?—Neen. — Wanneer dan?—Nooit. — En wat neemt gij mede op dien grooten tocht?—Niets.—Ook geen verdiensten van goede werken?—Neen helaas! antwoordde de stervende.quot; Neem i^ij dan mijnen staf over, zoo dwaas heb ik nooit gehandeld; ik heb braaf geleefd, gij zijt grooter dwaas dan ik.quot; — Zulke dwazen wonen echter niet alleen in paleizen, maar ook in burgergezinnen, en in de woningen der arbeiders worden zij eveneens aangetroffen. Ja, het lichaam wordt door velen vertroeteld.

628

-ocr page 631-

DE GKOÜTE CATECHISMUS. 629

gekoesterd en in alles den zin gegeven, en aan ziel en zaligheid wordt niet gedacht, veel minder daarvoor gearbeid.

28. W-ilkeypcde werken worden bijzonder aanbevolen?

Verschillende oefeningen van deugd, waaronder vooral bidden, vasten en aalmoezen geven.

„ Het (jehed met vasten en aalmoezen yecen is beter dan schatten goud te vergaderen,^ zeide de engel Raphael tot Tobias, 12. 8.— In het algemeen gesproken, moeten wi] alle goede werken verrichten, welke de geboden Gods of de heilige Kerk gebieden en in overeenstemming zijn met de liefde tot God, tot den naaste en tot ons zeiven.

34. Hoe weten wij, dat het casten een goed en Gode welyevattiy werk is?

Dit weten wij uit het woord en het voorbeeld van Jesus en der Apostelen, en uit de onfeilbare leer der H. Kerk.

(vgl. het ode gebod der H. Kerk Les 43.)

ZEVEN EN VEERTIGSTE LES.

OVER DE SACRAMENTEN IS \'T ALGEMEEN.

25. Door welke twee middelen kunnen wij vooral gem de oerkr ijgen?

Door deze twee : de sacramenten en het gebed.

Uit hetgeen wij boven gezegd hebben, blijkt duidelijk, dat het bezit der goddelijke genade voor ons allen van onschatbare waarde is; vandaar dan ook de laatste vraair. door welke middelen zij vooral te verkrijgen is, en het

-ocr page 632-

DE GUOOÏE CATECHISMUS.

antwoord: door de sacramenten en het gebed. Overigens kan men alle goeds, wat de mensch doet; althans wanneer hij zich bevindt in staat van genade, genademiddelen noemen; maar sacramenten en gebed nemen de voornaamste plaats onder die middelen in. Ook ontvangt de mensch wel eeniye genade zonder dat hij juist van zijn kant iets gedaan heeft om die te verkrijgen. Door deze middelea goed aan te wenden, wordt ons genade verleend, in ons onderhouden en bewaard; daarom ook baden de Heiligen zoo vurig en ontvingen zij de sacramenten zoo dikwijls. Intusschen verkrijgen wij door deze twee middelen de genade niet op dezelfde wijze en ook niet in dezelfde mate; want 1quot; de sacramenten deelen ons genade mede, het gebed daarentegen smeekt ze van God af; 2quot; dooide sacrumenten ontvangen wij slechts die genade, waarvoor zu zijn ingesteld; door het gebed alle soorten van genade, doch niet die, welke men slechts door de sacramenten ontvangen kan. — Deze twee genademiddelen zullen wij nu eenigszins uitvoerig behandelen, en overgaan tot de vraag.

2(). IFut is can sacrament?

Ken uitwendig teckcn, duur Cliristus ingesteld, waardoor genade wordt aangeduid eu medegedeeld.

Een sacrament, eischt dus drie bestanddeelen: 1quot; de instelling van Christus; 2quot; een uitwendig teeken en

o \' o

3quot; genadeaanduiding en mededeeling. (door de toepassing van dat teeken.)

lo De, indeliiny eau Christus, d. i. elk sacrament moet door Christus zijn ingesteld en aan Hem zijn oorsprong • ontleenen. Vandaar dat de sacramentaliën, zooals wij la-

630

-ocr page 633-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ter zullen zien, geen sacramenten zijn. omdat ze door de Kerk zijn ingesteld, ofschoon ze ook uitwendige teekenen zijn en wij daardoor genade kunnen verkrijgen.

2quot; Een nitwendlt/ tcéken, d. i. iets, wat onder het bereik der zintuigen valt, n. 1. eene zaak, die men ziet (stof of materie) en woorden, die men hoort (vorm.)

Genadeaanduiding en incdedeeUng, d. i. eene inwendige, bovennatuurlijke werking, welke aan het zichtbare teeken verbonden is; daarom wordt dat teeken tevens een krachtiy, werkzaam teeken genoemd, omdat het niet slechts de genade aanduidt, maar ook goed en op eene waardige wijze toegepast, in werkelijkheid mededeelt. Als voorbeeld: De zon is een dusdanig werkzaam teeken , daar zij den dag niet alleen aanduidt, maar ook doet ontstaan

27. Waarom, wilde Jcsus, dat een sacrament een uitwendig teeken zoude zynü

Opdat liet uitwendig toeken zoude voorstellen en aanduiden de inwendige genade, welke door een sacrament verleend wordt.

1quot; Waren wij alleen geest, en geen stof en geest te zameu, dan had Jesus Zijne genade niet aau zichtbare tee-kens behoeven te hechten. Daarom bediende zich de Heiland bij toediening van stoffelijke of geestelijke weldaden, ook van uitwendige teekens. Toen Hij Zijne leerlingen den H. Geest mededeelde, blies hij over hen. Joh. 20. 22: de oogen van den blindgeborene bestreek Hij met slijk en genas hem daardoor. Joh. 9, 6. Hij stak Zijn vinger in het our van den doofstomme, raakte zijne tong met speeksel aan en zijde: „Epheta,quot; d. i. opent u. Mare 7. 33—34

631

-ocr page 634-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

2,gt;. Opdat wij door deelname aan dezelfde zichtbare middelen des heiLs, onze gemeenschap met de ééne ware Kerk van Christus zouden toonen. De nieuschen zijn niet in staat godsdienstige veveenigingen te stichten, wanneer zij zich niet, door gemeenschappelijke teekens en zichtbare sacramenten, onderling verbinden,quot; zegt de 11. Aug. Dit is zoo waar, dat alle sekten zich bij hunne godsdienstoefeningen van uitwendige teekens bedienen om hunne onderlinge verstandhouding naar buiten te openbaren, en hierin neemt de verfoeielijke sekte der vrijmet selaars eene eerste plaats in, en zij aapt de Kerk in vele uiterlijkheden, plechtigheden en cermoniën na, om een godsdienstig vernis over hare afschuwelijke grondbeginselen te strijken, geleid door het beginsel, dat gemeenschappelijke zichtbare teekens en uitwendige cermoniën onderling verbinden en samenhouden.

3o. Opdat zij ons de uitwendige werlciny der sacramenten aanschouwelijk zouden maken. Immers,

28. fFat moet, b. 0. in het doopsel, de aftomsc/dny met water beteekenen ?

Die uitwendige al\'wassching moet beteekenen de inwendige zuivering der ziel van alle zonden (en alle stralïen der zonden)

Bij het H. Vormsel is de heilige zalving met de H. Olie het teeken van de ontvangen kracht in den strijd voor het geloof en de zeden; de gedaante van brood en van wijn is bij \'t H. Offer een treffend teeken van de voeding der ziel; het berouwvol belijden der zonden en de absolutie is een teeken van inwendige vergiffenis dei\' zonden; bij het laatste H. Oliesel is de zalving der ledematen het

632

-ocr page 635-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

teekeu van ontvangen inwendige kracht om den vijand te weerstaan, en zoo God het wil en het ons dienstig is, met gelatenheid zijn leven aan God op te dragen; de handoplegging, de zalving, het o verb lazen der wijdelingen en het aanraken der gewijde vaten bij de priesterwijding is het teekeu der inwendige inwijding tot de heilige ambtsbediening en de bediening der sacramenten; de luide uitgesproken en inwendig gemeende toestemming en de vereeniging der handen van bruidegom en bruid zijn het teeken van onderlinge liefde en trouw. (\'Dit alles wordt later uitvoeriger uiteengezet).

2\'J. Wdke kracht is aan hel lulwendiy teeken verbonden?

Er is aan verbonden de kracht om genade mede te deelen.

Christus heeft wel alle genaden voor ons verdiend, maar die genaden worden ons vooral door de sacramenten medegedeeld. „Door de Sacramenten wordt immers de heiligmakende genade ontmnyen, ot\' reeds ontvangen, vermeerderd, of verloren door de doodzonde, weder terugontvangen,quot; aldus leert het Gone, van Trente. De me-dedeeling der heiligmakende genade geschiedt door het doopsel; ofwel door de Biecht wanneer men door eene doodzonde die genade heeft verloren. Heeft men echter die genade na het Doopsel trouw bewaard, of verloren, terugontvangen en behouden, dan wordt ze door elk sacrament vermeerderd, volgens Jesus\'woord: „Die heilig is, worde nog heiliger.\'\' Die vermeerdering bestaat in het ontvangen van inwendige hoogere waarde en in de verheffing van onze ziel in schoonheid, heerlijkheid en hei-

633

-ocr page 636-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ligheid, en wij worden daardoor gevolgelijk meer en meer vrienden en lievelingen van God, krachtiger in den strijd en ontvangen meer liefde voor de deugd en afschuw voor de zonde. — Behalve de tmcledeeling der heiligmakende genade of hare venneerderiiuj, ontvangen wij bij elk sacrament nog eene bijzondere genade, sacramenteele genade genoemd, aan ieder sacrament in het bijzonder eigen en gegeven, om met behulp van haar, het doel van het sacrament te bereiken, zooals wij dat ter plaatse zullen verklaren.

30. Hoe kiinrien de mcramcnlcn een zoo (jroole kracht bezitten?

Omdat Christus daaraan door de instelling die kracht heeft gegeven.

31. Ontleent dus een sacrament zijne kracht niet van dcnjene, die een sacrament on/vanyt of bedient?

ISceii; de kracht ligt, dooi de iustelliijg van Christus, in het sacrament zelf.

lo. De kracht van hat sacrament Uyt niet in den ont-vanger. Om evenwel deelgenoot van de werking des sacraments te worden, moet de mensch zich waardig en genoegzaam voorbereiden, d. i. de hindernissen uit den weg ruimen, die de werking der sacramenten in ons verhinderen. Verder wordt gevorderd, dat wij met een levendig geloof, met onwrikbare hoop en brandende liefde, en met vereischte in- en uitwendige aandacht en eerbied tot de sacramenten naderen; want „het heilhje moet uok heilig behandeld worden. De genade, aan de sacramenten verbonden, ontvangt alleen de waardige en ontvankelijke;

634

-ocr page 637-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

de sacramenten zonder de zaak (genadewerking) zijn dood voor den ontvanger,quot; zegt de H. Bern. Leg aan een doode spijzen in den mond, zullen ze hem tot het leven opwekken? Zeker niet; ze zullen bederven, en de daaruit ontstane wormen zullen helpen om het lichaam spoediger te ontbinden. Vul zijne handen met schatten, welk nut zal hij er van trekken? Ziedaar het beeld der ziel, die de genadekracht, door Christus in de sacramenten gelegd, hinderpalen in den weg legt. Zullen de sacramenten dus aan ons de kracht mededeelen, die Jesus er aan verbond, dan moeten wij van onzen kant medewerken en de beletselen ■wegruimen.

2o. De kracht van de sacramenten liyt ook niet ia den toediener.

Van den toediener der sacramenten wordt tot de geldige toediening gevorderd, dat hij ten minste het inzicht of de meeniiy hebbe te doen, wat de Kerk doet, d. i. dat hij ze goed wil toedienen. Er wordt dus geen waardigheid, staat van genade, zelf geen geloof gevorderd, omdat de sacramenten hunne kracht aan de verdiensten van Jesus Christus ontleenen. De toestand, rang of stand oefenen op de werking niet den minsten invloed uit, zoodat zij ondanks den toediener altijd geldend zijn en wer-kei); wanneer er aan den kant des ontvangers geen hinderpaal in den weg gelegd is. , Wij kunnen zaaien en maaien maar God jeeft het (jedijen,\'\'\' zegt de Apostel. Daarom verzwakt de min loffelijke levenswandel van een priester niet hi het minst de genade van de door hem toegediende sacramenten, evenmin als van hem of haar, die in staat van doodzonde zou doopen, ofschoon zij voor zich zondigen en schuldiger voor God worden. Terecht

635

-ocr page 638-

1)e (tKOOTE catechismus.

leert dan ook de H. Aug: „De sacramenten worden niet heiliger en waardiger, omdat ze door een heilig mensch worden toegediend, maar ze zijn in en door zichzelf heilig en waardig, om den nooit volprezen en heiligen God, wiens eigendom ze zijn.quot; De gulden, dien de arme dooide hand van een zondaar ontvangt, heeft voor hem zooveel waarde, alsof ze hem door een braaf mensch geschonken werd. Verliest een geschenk van een vorst, zijne waarde, wanneer het ons, door een onwaardige wordt ter hand gesteld? Evenmin enz. —

32. Hoeveel sacramenten heeft Christus ingesteld!

Zeveii; namelijk; lo Doopsel, 2o. het Vormsel, 3o. het H. Sacrament des Altaars, 4o. dc Biecht, 5o. het M. Oliesel, 60 het Priesterschap, 7o. het Uunelijk-

lo. Christus heeft de sacramenten ingesteld, zij zijn dus niet door de Kerk of door de meuschen uitgedacht en ingevoerd. Zooals wij boven zeiden, zijn de sacramenten immers uitwendige teekens, die inwendige genade aanduiden en mededeel en, en wie anders dan God kan aan een uitwendig teeken inwendige genade verbinden? Wie kan genade geven, tenzij hij, die ze bezit^ zooals God? Hij is de God der genade. Daarom schrijft de H Petr. 1. 5. 10.; „Elke goede gave en elk volmaakt geschenk komt van hoven, van den Vader des lichts.\'\' Buiten God is niemand bij machte genade te verleenen; want wat men niet heeft, kan men ook niet geven. De sacramenten zijn immers middelen van heil tegen de zonden, middelen om inwendige heiliging te ontvangen. „ Wie nu kan hem reinigen die van onrein zaad ontvangen is? „Zijt gij dat niet al-

636

-ocr page 639-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

leen, n God!quot; aldus riep de H. man Job reeds uit 15, 4. Derhalve is God, Jesus Christus alleen, de insteller der Sacramenten, daar Hij alleen vermag om aan uitwendige teekenen de kracht van inwendige genade en heiliging te verleenen.

2o. Christus heelt zeven sacramenten inyestéld.

Dienaangaande zegt de H. Thom. van Aqnino: . Al onze behoeften in de orde der genade, zoowel als in de orde der natuur, kan men gevoegeljjk tot zeven terugbrengen; daarom wilde Jesus zeven sacramenten instellen, niet minder of niet meer, wijl dat getal juist voldoende was, om in alle noodwendigheden van de Kerk en hare kinderen te voorzien.quot; Zooals de menseh tot het natuurlijk leven geboren, langzaam opgroeit, door voedsel dat leven onderhoudt en steunt enz., evenzoo wordt hij «) in den doop tot een bovennatuurlijk leven herboren, ontvangt daarna h) door het Vormsel kracht en wasdom, lt;) in het Sacrament des Altaars zielevoeding en toename van zieleleven, d) door de Biecht herstel van \'t verloren bovennatuurlijk leven, e) door het H. Oliesel verkwikking en hulp in den laatsten strijd, f) terwijl de macht, om de genademiddelen voor het bovennatuur] Ijk leven gevorderd, uit te deelen, door het priesterschap wordt voortgeplant en g) het Huwelijk de verbintenis tusschen man en vrouw heiligt, opdat ze zelf heilig, hunnen kinderen ook, door woord en voorbeeld een heilig leven zouden inprenten. — Dat er zeven sacramenten zijn, bewijzen wij:

lo. nt de IJ. Schrift. Daar staat wel niet uitdrukkelijk in de heilige Schrift, dat er zeven sacramenten bestaan, doch er staat ook niet te lezen, dat er maar één

637

-ocr page 640-

ftE GÜOOTE CATECHISMUS.

of twee zijn, zooals de dwaalleeraars beweren. Evenmin wordt in de H. Schrift het woord „ Drieëenheidquot; aangetroffen, en toch wordt het geloof aan de H. Drievuldigheid in de H. Schrift geleerd, ofschoon dat woord daarin niet voorkomt. Evenzoo is de verhouding met rle sacramenten. De namen doen hier niets ter zaak, maar de waarheid- Welnu, die waarheid vinden wij in de H. Schrift duidelijk uitgesproken, zooals we later bij elk sacrament in het bijzonder zullen zien. — In het Oude Testament vinden wij bovendien vele voorafbeeldingen, die op het zevental der sacramenten betrekking hebben, zooals de zeven korenaren, welke Pharao in den slaap op één halm zag: de zeven lampen, die de profeet Zacharias op een gouden blaker aanschouwde: de zeven zuilen, waarop volgens Salomo het huis der wijsheid gebouwd is; de zeven sloten, waarmede, zooals de H. Johannes zag, het boek des levens gesloten was, en rlat niemand kon openen, tenzij het Lam, dat geslachtofferd is, Jesus Christus, Openb. 5, 1. Inderdaad Jesus opent ons door do zeven sacramenten den weg tot het eeuwig leven en den toegang tot Zijn hemelschen Vader.

2o. Door de eensluidende leer des Vaders, in wier geschriften van af den ouden Tertulianus, den H. Aug. enz. het bestaan van zeven sacramenten duidelijk en on-wederlegbaar wordt geleerd.

3o. Uit de voortdurende leer der Katholieke Kerk, „de zuil en de yrondslag der waarheid,\'\'\'\' 1 Tim. 8. 15. Van oudsher leerde zij, dat er zeven sacramenten bestaan en zij zette zich steeds schrap tegen de dwaalleer, welke dat getal wilde verminderen en veroordeelde haar. De Rus-sen en de Grieken en alle sekten, welke in de eerste tij-

-ocr page 641-

DE GROOTE CATECIUSiMÜR.

den zich van de ware Kerk losscheurden, hehbeu nooit liet getal der sacramenten aangevallen, maar vastgehouden. — Toen Calvijn door drogredenen en list. den Griek-schen patriarch Cyrillus Lukaris, had gewonnen om vijf sacramenten in twijfel te trekken, en slechts twee, het Doopsel en het Altaarsacrament geldende te houden, kwamen zijne ondergeschikte geestelijke in 1642 op eene vergadering te zamen, en verklaarden, dat de vijf sacramenten, door Calvijn in twijfel getrokken, waarachtig heilige en genadedeelende sacramenten waren.

De yebeden en plechtigheden, door de Kerk hij de toediening der sacramenten ingesteld, dienen om den eerbied bij den ontvanger en dienaar op te wekken, de inwendige werking der sacramenten te veraanschouwelijken en tevens de plichten aau te duiden, welke wij bij de ontvangst der sacramenten op ons nemen. In den Catech. van \'t Conc. van Trente. de Sacr. in gen. lezen wij: ,Het gebruik, om de Sacramenten met plechtige, cermoniën toe te dienen, is van af de eerste tijden der Kerk, terecht bewaard gebleven. Het is immers a) hoogst betamelijk, door godsdienstigen eerbied jegens de heilige geheimen te toonen, dat wij de heilige zaken op eene heilige wijze behandelen; h) maken de ceremoniën datgene duidelijker en plaatsen het als voor oogen, wat door de sacramenten wordt uitgewerkt, terwijl ze de uitwerkselen dieper in de harten der geloovigen prenten; c) verheffen zij de gemoederen van hen, die de toediening zien en gadeslaan tot overweging der verhevenste dingen, en wekken tevens geloof en liefde in hen op. Daarom moet men de geloovigen, om do verhevenheid der ceremoniën, welke bij ieder sacrament gebezigd worden, met veel zorg onderwijzen.quot;

m

-ocr page 642-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

ACHTENVEERTIGSTE LES.

OVER DE VERDEELING DER SACRAMENTEN.

33. Hoe worden de Sacramenten verdeeld?

In sacramenten der dooden en sacramenten der levenden.

Het Doopsel en de Biecht zijn sacramenten der dooden en de vijf overige worden tot de sacramenten der levenden gerekend.

34. Waarom worden het doopsel en de Biecht sacramenten der dooden genoemtö

Omdat ze vooral bestemd zijn, om hen, die geestelijk dood of in staat van doodzonde zijn, de liei-ligmakende genade mede te deelen.

Het voorname doel dezer twee Sacramenten is dus, om hen; die het bovennatuurlijk leven, met de liefde en vriendschap Gods niet bezitten, wier zielen dood zijn voor God, de heiligmakende genade, met Gods liefde en het recht op den hemel mede te doelen. Vgl. 45 Les vrg. 9. over de heiligmakende genade.)

35- In welken staat mag men de Sacramenten der dooden ontvangen?

Men mag die ontvangen in staat van doodzonde.

Het is derhalve niet noodzakelijk; men moet dus niet in staat van doodzonde zijn, om deze Sacramenten te ontvangen, maar men mag in dezen staat tot de Sacramenten der dooden naderen. Om b. v. het Sacrament dei-Biecht te ontvangen wordt niet gevorderd, dat wij doodzonde gedaan hebben, maar ook de rechtvaardigen, die

(UO

-ocr page 643-

BE GKOOTE CATECHISMUS. 64i

zich slochts van kleine fouten en gebreken te beschuldigen hebben, mogen dit sacrament ontvangen en verkrijgen daardoor vermeerdering van genade.

\'36. In. loel/cen staaf, moet men de sacramenten der levenden ontvangen?

Men moet die ontvangen in staat van heiligma-kendu genade.

Die dus een sacrament der levenden wil ontvangen, moet zich eerst door eene oprechte biecht van doodzonde gezuiverd hebben, wanneer hij daarin verkeerde, ofschoon het soms kan gebeuren, dat iemand eene doodzonde niet gebiecht hebbend;,-, een sacrament der levenden zonder heiligschennis ontvangt, wanneer hij namelijk ter goeder trouw is en eene doodzonde onschuldig niet als zoodanig aanmerkt, of deze onschuldig in de biecht heeft vergeten. (Hierover later uitvoeriger.) De sacramenten der levenden vermeerderen de heiligmakende genade in hem, die ze ontvangt en zij, die ze in staat van doodzonde ontvangen, maken zich schuldig aan den gruwel van heiligschennis.

37. H\'elke sacramenten mag men maar eensin zijn leven ontvangen?

Deze drie: het Doopsel, het. Vormsel en het Priesterschap, omdat ze een altijddurend geestelijk inerk-teeken in de ziel drukken.

1°. Ofschoon de drie bovengenoemde sacramenten geene zichfharc merkteekens achterlaten in de ontvangers, zijn ze evenwel zoo krachtig in hunne zielen gedrukt, dat ze

GR. OAT. 41

-ocr page 644-

ÖË 6RO0TE CA\'ÏECHtSMÜS.

hen altijddurend tot zelfs na den dood, in de eeuwigheid, bijblijven, zoodat zij schande en zwaardere straf\' zullen beloopen, die de plichten bij het Doopsel, of Vormsel, of Priesterschap opgelegd, niet hebben nageleefd; maar ook grooter loon, grootere hemelvreugde, wanneer zij zich overeenkomstig die plichten hebben gedragen, dan andere menschen, die deze sacramenten niet hebben ontvangen

2quot;. De mededeeling dezer merkteekenen is ook geenszins afhankelijk van den geestelijken toestand, waarin zij zich bevinden, die deze sacramenten geldki ontvangen, zoo-dat b. v. dengene, die het H. Vormsel ontvangt in staat van doodzonde, evenwel het merkteeken, waardoor hij strijder wordt voor Christus en Zijne Kerk, wordt ingedrukt.

3o. Deze sacramenten kan men maar eens in het leven geldig ontvangen, om de eenvoudige reden, dat men niet opnieuw kan worden, wat men reeds is. Die eens christen door het Doopsel is geworden, blijft het, en kan het niet opnieuw worden, zoo \'min als de mcnsch opnieuw mensch kan worden.

4o. Zijn deze merkteekenen pckicuj en onnltwisch-haar. Een soldaat kan zijne merkteekens afleggen, maar hij, die eenmaal gedoopt, gevormd, priester is, kan niet meer ontdoopt, ontvonnd, of leek worden. Men zou een gedoopte ook zijn heilig geloof willen verloochenen en voor \'t oog heiden of jood worden, hij is en blijft christen; al zou de priester zich ook van zijn priesterlijk gewaad ontdoen, zyne heilige bediening neerleggen, om in en met de wereld te gaan leven, het baat hem niet, hij is en blijft priester in eeuwigheid. — Het merkteeken, door die sacramenten in de ziel gedrukt, werkt uit, dat de ontvangers van alle niet- ontvangers onder-

042

-ocr page 645-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

scheiden zijn. Zoo h. v. drukt het Doopsel in de ziel het karakter van een christen, dat ons van alle niet-christenen onderscheidt. Het Vormsel verleent den gevormde het karakter van strijder voor God en de zaligheid, en daardoor is hij weder van alle niet-gevormden onderscheiden, terwijl het Priesterschap de wijdingen als dienaars van Christus karakteriseert en hen van alle overige niet-gewijde christenen onderscheidt. — Na 20 jaren christen te zijn geweest, verviel keizer Juliaan weder in het afgodendom en stelde alle pogingen in het werk om door vervolgingen en afgodendienst, zichzelven en anderen wijs te maken, dat hij het karakter, door het Doopsel en Vormsel in zijne ziel gedrukt, vernietigd had. Stervende riep hij echter in wanhoop godlasterend uit: „Ga-lileër! Gij hebt overwonnen.\'\'

God heeft ons in Zijne barmhartigheid door de instelling der Sacramenten eene zevenvoudige en onnitputbare bron van genade geschonken, waaruit voortdurend een stroom van zegeningen en weldaden vloeien. Schatten wij haar daarom hoog en betuigen we God onzen oprechten dank. Spreek altijd met den grootsten eerbied over deze heilige geheimen van onzen godsdienst, en misbruik nooit het woord , Sacrament \' hetzij alleen of bij vloekwoorden, doch ontwijdt ze vooral niet door heiligschennis. —• Ontvang ze dikwijls waardig en goed voorbereid en onttrek u daar niet aan door lauwheid, lichtzinnig-

\' O

heid of misplaatste vroomheid. Het is een treurig verschijnsel van onzen God-vergeten tijd, dat door zoovelen het ontvangen der sacramenten wordt verwaarloosd of wel, dat ze onvoorbereid, onwaardig daartoe naderen. Gegrond is daarom ook de klacht van een braaf pries-

643

-ocr page 646-

rgt;Ë OROOTE CAÏECHtSMUS.

ter, die zeirle: .Hoeveel zieken bezoelcen in den vreemde de gezondheidsbaden; wat onkosten worden er al niet gemaakt om van eene lichamelijke ziekte genezen te worden. en de sacramenten, de genezende genadebronnen voor alle soorten van ziels-ziekten, worden niet gozocbt om genezing te vinden. Die deze genadewateren op de ver-eisclite wijze aanwendt, vindt genezing, hoe verouderd en gevaarlijk zijne wonden ook zijn. Waarom verzuimt de zondaar dan, zich in deze heilzame wateren te dompelen en genezing te halen. Schep dan, schep dikwijls uit de bronnen dos levens en veracht liet voorbeeld van zoovele lauwe en trage christenen, die zich tevreden stellen met in het geheel niet, of wel heiligschendend uit die bronnen te drinken. .Komt allen tot Mij, die, heiast en heiaden zijl (met zonden, kruis en lijden) en 11: zal u verkwikken,\'quot; aldus roept de goddelijke geneesheer onzer zielen. O, voldoen wij dan dikwijls aan Zijne vaderlijke uitnoodiging en wij zullen plaats vinden aan Zijn vaderhart.

NEGEN EN VEERTIGSTE LES OVER HET DOOPSEL.

38. Wat is het doopsel?

Een sacrament door Christus ingesteld, hetwelk door de afwassching met water en de aanroeping der H. Drievuldigheid, den mensch zuivert van de erfzonde en alle andere zonden (vóór het Doopsel bedreven)en tot kind maakt van God.

Het doopsel is een waar sacrament, omdat het alle drie bestanddeelen bevat, tot een sacrament vereischt; want:

644

-ocr page 647-

DE GKOOXE CATECHISMUS.

39. Wat is liet uitwendig teeken in het Doopsel? (dus het eerste bestanddeel?)

De afwasschinjf met water en het mtsoreken der

O i.

woorden: Ik doop ti in den naam des Vaders en des Zoons en des //. Gees fes.

De conn bestaat derhalve in de woorden: Ik doop u in den naam enz., door Jesns zelf\' den Apostelen voorgezegd, eu de materie (stof) in water, gegoten over het hoofd des doopelings, tegelijkertijd met het uitspreken dei-woorden : ik doop u enz. Tusschen den vorm, cl. i. het uitspreken der woorden en de materie, (water), bestaat de innigste verbinding, zoodat door een en dezelfden persoon tegelijkertijd het water moet gestort en de woorden moeten uitgesproken worden op straf van ongeldigheid. Zou iemand b. v. eerst het water storten over het hoofd en daarna de woorden uitspreken of omgekeerd, dan is dit doopsel niet geldig toegediend, en moet herhaald worden. „Het woord komt bij het element (water) en liet wordt een sacrament,quot; zegt do H. Augustinus. Vandaar ook dat de Kerk met het oog op de noodzakelijkheid en geldigheid van het Doopsel er op aandringt, de kinderen, vooral de meisjes te leeren doopen. De geschiktste tijd daarvoor is, naar mijne bescheiden meening, als men de kinderen voorbereidt tot de eerste H. Communie.

Dat water als materie tot het Doopsel noodwendig is, leert ons de H. schrift klaar en duidelijk. Christus zelf liet zich met water doopen eu zeide: „Die niet herhoren is uit water en den H. Geest, kan het rijk Gods niet hin-nengaan.^ De schatbewaarder zeide tot Philippus: „Hier is water; wat belet mij te doopen.quot; Hand. 8. De H. Pe-

645

-ocr page 648-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

trus zeide van den heidenschen hoofdman van Cornelius en de zijnen: „ Kan iemand beletten, dezen met water te doopen ?quot;

Het doopwater moet natuurlijk water zijn, nl. stroom-, bron-, rivier-, of\' regenwater; of\' liet zout of zoet, warm of\' koud, uit dauw of\' gesmolten ijs of\' sneeuw verzameld is, doet niets ter zake. Kunstwater, wijn, bier, koffie, uitgeperste sappen enz. is niet voldoende, het is niet na-natuurlijk en men kan daarmede dus niet geldig doopen. Ofschoon natuurlijk water tot de geldigheid van \'t Doopsel toereikend is, wil de H. Kerk echter, dat men, wanneer het gevoeglijk geschieden kan, doope met doopwater, gewijd op Paasch- of Pinksteravond, of wel gewijd water. — Lodewijk de heilige, koning van Frankrijk hechtte zoo\'n groote waarde aan het doopwater, dat hij meermalen zeide: „De drie handen vol water, waarmede ik gedoopt ben, zijn kostbaarder en van meer gewicht, dan de koningskroon, die mijn hoofd siert.

40. Welk bevel gaf Jesus aangaande het Doopsel aan de Apostelen? (tweede bestanddeel)

Hij beval hun: » Gaat heen, leert alle volkeren en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Gtestes. Matt. 28. i 9.

„Christus stelde het H. Doopsel in door zichzelven in den Jordaan door Johannes te laten doopen, en heiligde zoo op eene bijzondere wijze het water, opdat het de kracht zou hebben de doopelingen te heiligen;quot; dit is de meening van den H. Greg, van Naziance, welke echter, althans wat het eerste gedeelte betreft, niet zeker is. Het bevel om te doopen gaf Hij Zijnen Apostelen na

646

-ocr page 649-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Zijne verrijzenis, kort vóór Zijne hemelvaart, met bovenstaande woorden, die niets aan duidelijkheid te wenschen overlaten.

41. Welke (/cnude deelt het Doopsel vooral mede ? (derde bestanddeel)

Ten le liet vergeeft de erfzonde, de zonden welke voor liet Doopsel begaan zijn en de straffen der zonden; 2e het maakt ons ledematen der Kerk en tot geliefde kinderen Gods

1°. Het venjeeft de erfzonde rn alle andere zonden vóór het Doopsel bedreven, alsmede de tijdelijke en eeuwige straffen daaraan cerhonden.

„Duet boetvaardigheid en laat gt;(■ doopen in Jesus\'1 naam tot vergiffenis uwer zonden,\'quot; zoo sprak reeds de H-Petrus tot hen, die hem, na zijne eerste predicatie, vroegen wat zij doen moesten. Ook Ananias sprak tot Paulus, —• toen nog Saulus;- . Sta op, laat u doopen en uwe zonden af-wassrhen! Hand. 22, 16. — Dat door het Doopsel alle tij (lelijke en eeuwige straffen der zonden worden weggenomen, leert Paus Eugenius VI uitdrukkelijk met de volgende woorden: „De werking van dit sacrament is de kwijtschelding aller straffen, voor de zonde te ondergaan Daarom moet men den Cvolwassen) doopeling geene voldoening voor vroegere zonden opleggen; want sterft hij na het Doopsel, zonder daarna opnieuw zwaar gezondigd te hebben, dan wordt hij terstond in den hemel tot de zalige aanschouwing Gods toegelaten.1\' En dit is ook zeer natuurlijk, want de mensch wordt door het Doopsel herboren. geestelijk nieuwgeboren en een geheel nieuwe mensch en als zoodanig behoeft hij volstrekt niet meer

647

-ocr page 650-

DE GROOTE CATECHISMUS.

te boeten voor de zonden en de straf van den ouden mensdi

Deze dubbele uitwerking des Doopsels wordt ons door het doopwater treffend aanschouwelijk gemaakt, liet water reinigt immers en bluscht, en zoo ook reinigt, zuivert het Doopsel van alle zonden en bluscht terzelfder tijd den brand van vagevuur en hel, d. i. neemt de tijdelijke en eeuwige straffen weg. Bij de overweging dezer uitwerking riep de II. Clemens uit: „Vlucht tot dit water! (ongedoop-ten.) Dit water alleen heeft de kracht, het toekomstig vuur uit te blusschen!

Evenwel is hierbij te bemerken, dat na het Doopsel de dood, allerlei ellende en de neiging tot zonde (concu-piscentia) blijven bestaan, om ons le de verderfelijkheid en groote strafbaarheid der zonde dagelijks voor oogen te stellen en zoo haat en afgekeerdheid daartegen op te wekken; 2e opdat wij door strijd en lijden onze verdiensten voor den hemel zouden vermeerderen; 3e omdat, indien zij weggenomen werden, iedereen er op uit zou zijn zich te laten doopen, niet echter om een zedelijke beweegreden, maar om het gemak en genoegen dezes levens alleen.

2o. Door het Doopsel wordt de niensch met Cl tri si \'s oereenigd eti lidmaat Zijner Bruid, de H. Kerk-, want aldus spreekt de heilige Paulus: „ Gij allen, die in du is-tus zijt yedoopt, zijt met Christus vereenigd; wij allen zijn in één geest, tot één lichaam gedoopt-\'quot;1 Ja, als ledema ten van Christus\' lichaam, worden wij door het doopsel op de jdechtigste wijze in Jesus\' Kerk opgenomen, en verkrijgen zoo het recht op alle genadeschatten in die h; ils-inrichting neergelegd en worden bovendien deelgenooten aan alle gebeden, offeranden en goede werken dier Kerk

648

-ocr page 651-

BE GEOOTE CATECHISMUS.

en vim alle geloovigen, omdat alles, wat in de Kerk gebeden, geofferd en goed gedaan wordt, gemeenschappelijk eigendom is, waaraan ieder geloovige zijn aandeel beeft. , Ieder christen is als het ware eene afgesneden rank van den ouden schuldigen stamboom (Adam) en geënt up Christus als een nieuwen mensch. ,Gedoopt zijnde, wordt hij door God niet langer een afstammeling van zijn vleesche-üjken vader, (Adam) maar als eene spruit des Zaligmakers geacht, die juist menschenzoon heeft willen worden, om zoo in staat te zijn, als Godmensch, ons Godskinderen te maken.quot; H. Leo.

3quot;. Hot Doopsel mankt ons yeliefcle kinderen Gods en erfgenamen des hemels- Daarom ook zegt de H. Paulus: , Gij zijt dus alle kinderen Gods door het (jeloof in Jezus Christus, wijl (jij allen, die in Christus gedoopt zijt, Christus hebt aunyetrokken. Zijn wij echter kinderen en zonen van God, dan ook erfyenuinen des Hemels-, trant wie een zoon is, die is ook erfgenaam door God. Gal. \'ó, 26 en 4, 6, 7. Een koningskind in de wieg bezit onbewust kroon en rijk: zoo ook bezit een gedoopt kind zonder het nog te weten het rijk des hemels en de kroon der zaligen, zoodat wij niet recht kunnen zeggen: „Hij, wiens naam in \'t Doopboek wordt opgeschreven, wordt tegelijkertijd in het boek des levens geschreven. De hemel wordt derhalve iederen doopeling geschonken en de verdoemenis moet hij verdienen.

O, wat een heilzaam en voortreffelijk sacrament, dat de mensch niet alleen herschept en daarom ook sacrament der wedergeboorte genoemd wordt, maar hem ook heiligt. Vandaar schrijft Paulus ook aan Titus o, 5 — 7: „Hij (God) heeft ons gered, door het bad der wederge-*

649

-ocr page 652-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

hoor te en der verniewwiny van den H. Geest, dien Hij door Jesiis Christus, onzen Heiland, rijkelijk over ons heeft uitgestort, opdat wij, f/erechtvaardifid, door Zijne je-nade erfyenamen zouden zijn, volgens de hoop des eeuwigen levensquot;. Bij de overweging der genade, welke liet Doopsel den mensch mededeelt, riep de H. Chrysostomus vol vervoering uit: .Die in Christus gedoopt worden, worden niet slechts van het juk der zonde bevrijd, maar ook heilig; niet alleen heilig, maar ook rechtvaardig; niet slechts rechtvaardig, maar ook kinderen Gods ; niet alleen erfgenamen van Jesus Christus; niet slechts Zijne mede-erfgenamen, maar ook Zijne ledematen; niet alleen Zijne ledematen, maar ook Zijn tempel, en niet slechts Zijn tempel maar ook werktuigen de? H. Greestes.

42. Wie is da bedienaar van het Sacrament des Doopsels?

De pastoor en zijne medehelpers, doeli in lijd van nood uiag ieder doopea. (zelfs uiet-Katholieken en ongeloovige», mits zij alles juist volbrengen, wat tol de geldigheid van het Doopsel gevorderd wordt). Derhalve moet,

1«. de dooper de meening hebben werkelijk te doo-pen, d.i. datgene te doen, wat de Kerk doet en door Christus is ingesteld;

2o. Moet dezelfde persoon doop-, of wijwater of ander natuurlijk water over het hoofd van het kind gieten, met de hand of met een bakje, kopje of schoteltje en dat, zooals hier te lande gebruikelijk is, driemaal herhalen en bij de woorden: „Ik doop u in den naam des Vadersquot; de eerste uitgieting, en , des Zoons,quot; de tweede

650

-ocr page 653-

DE GROOTE CATECHISMUS.

uitgieting en „des H. Geestesquot; de derde uitgieting verrichten. Men zorge, dat de liuid goed nat wordt en liet water vloeit, want door bespreukeling des doopelings, wanneer het water niet vloeit, wordt het Sacrament niet geldig toegediend. Het Doopsel kan men evenwel ook geldig toedienen met liet hoofd des kinds maar eenmaal te overgieten of ook b, v. indompeling door b. v. het hoofd in water te dompelen, als men maar zorg draagt te gelijkertijd de woorden: „Ik doop uquot; enz. uit te spreken.

Is men genoodzaakt door zwakte een kind den nooddoop toe te dienen, dan moeten later, als het in leven blijft, de ceremoniën in de Kerk evenwel aangevuld worden, na alvorens een grondig onderzoek te hebben ingesteld, naar de geldigheid van \'t doopsel.

De noodzakelijkheid van het Doopsel voor alle men-schen in aanmerking genomen, kunnen wij Gods barmhartigheid en liefde niet genoegzaam bewonderen, wijl Hij de bediening van dit Sacrament zoo inrichtte, dat, in geval van nood, een ieder, wie hij ook zij, mag doopen. Evenwel moeten wij hier de bemerking bijvoegen, dat in zulk geval een priester vóór een leek, een man vóór eene vrouw, een christen vóór een onge-loovige gaat en op de laatste plaats, wanneer niemand anders bij de hand is, komen de ouders zelf. Cat. Gone. Trid. pag. 2 No. 25.

Bestaat er gegronde twijfel over de geldigheid van het Doopsel, dan mag en moet het herhaald worden onder bijvoeging der voorwaarde: ,Zuo (jij niet gedoopt zijV\', „doop ik u in den naam des Vadersquot;, enz.

43. Waartoe dienen Peter en Meter bij het Doopsel?

Zij moeten zorgen, dat hunne peetkinderen in

651

-ocr page 654-

DE 6R0ÜTE CATECHISMUS.

rle katholieke Kerk worden opgevoed en zieli christelijk gedragen.

Dit moet echter verstaan worden iu het geval, dut de ouders sterven of wel hun dureu plicht venvaarloozen. Peter en Meter worden immers de geestelijke ouders des doopelings en moeten, wanneer deze onmondig is, iu /.ijn naam de geloofsbelijdenis en doopbeloften afleggen. Wel mocht dus Lactantius schrijven: „Mannen en vrouwen, die kinderen ten doop hebben gehouden, moeten wel begrijpen, dat zij bij God voor hen borg hebben gesproken en bijgevolg eene zorgzame liefde voor lieu moeten draden.quot; Kiezen de ouders iemand tot Peter of Meter, dan moeten zij daarvan in kennis gesteld worden en het ambt aannemen, bij onwil of gebrek treedt de Kerk als Meter op.

Uit bovenstaande verplichtingen volgen als van zelf de eigenschappen, die de Doopborgen moeten bezitten en wel moeten het a. goede katholieken zijn, daar het anders moeilijk gaat, ja, ondoenlijk is, voor het geestelijk heil des kinds te zorgen; b. moeten zij goed onderricht zijn in den godsdienst, oni bij gebrek aan ouderlijke zorgen, hunne plaats iu te nemen, opdat het kind godsdienstig onderricht ontvange en christelijk worde opgevoed.

Bovendien heeft de Kerk, met het oog op de heiligheid des Sacraments, en opdat de doopborgen des te inniger met den doopeling vereenigd worden en nauwgezetter hunne plichten zouden vervullen, verordend, dat niet alleen hij, die doopt met den gedoopte, maar ook de doopborgen met den doopeling en met zijne ouders, door eene geestelijke verwantschap zouden verbonden worden,

652

-ocr page 655-

HE GROOTE CATECHISMUS.

zoodat deze onderling geen huwelijk kunnen sluiten zonder kerkelijke dispensatie. Tevens bepaalde zij, dat men slechts één, hoogstens twee doopborgen van verschillende geslachten mag nemen, om de geestelijke verwantschap en de daaruit voorvloeiende huwelijksbeletsels zooveel mogelijk tegen te gaan. Conc. van Trente Sess. 24 cap. 2.

Uit liet bovengezegde volgt de verplichting der ouders om bij hunne keuze van Peter en Meter, meer op een christelijken levenswandel, dan wel op geld of goed, stand of aanzien te letten, en dat de doopborgen gehouden zijn, de plichten, welke zij vrijwillig op zich genomen hebben, naar beste krachten na te komen. Vroeger, toen de Kerk nog in het volle bezit barer rechten was, vonden de doopborgen bij haar den gewenschten steun om hunne geestelijke kinderen aan het gezag hunner goddelooze en ontaarde ouders te ontrekken en ze godsdienstig op te voeden. En, ofschoon ze thans dien steun en die hulp niet meer kan bieden, blijkt er evenwel uit, hoe hoog do Kerk het ambt van Peter en Meter opneemt.

44. Wanneer slaat het Doopsel op de eerste plaats onder de Sacramenten?

Omdat het. Doopsel het eerste eu noodzakelijkste Sacrament is.

a. Het is het eerste sacrament, wijl men, niet gedoopt zijnde, geen ander sacrament kan ontvangen, en door die deur de ware Kerk, het zichbare rijk Gods en het onzichtbare rijk des hemels binnentreedt.

b. Het is het noodzakelijlcde sacrament, want: „Zoo

653

-ocr page 656-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

iemand niet herhoren wordt uit water en den II. Geest, dan kan hij het rijk Gods niet binnengaan.^ Joh. 3, 5. Hieruit volgt, dat ook fle kinderen moeten gedoopt worden, om tot de zaligheid te geraken, daar de Heiland in \'t algemeen spreekt, en allen in erfzonde worden geboren. David zegt, dat hij in zonde en boosheden ontvangen is. Ps. 50.7.; en de H. Paulus, dat de zonden van Adam op alle menschen is overgegaan, in wien zi] allen gezondigd hebben, en dat allen van natuur, d.i. volgens oorsprong en geboorte, kinderen der gramschap zijn. Rom. 5, 12. Eph. 2, 5. Daar nu de Zaligmaker het Doopsel als middel der verzoening heeft ingesteld, zoo volgt daaruit, dat alle menschen, zonder onderscheid van jaren, deze verzoening en dus het Doopsel noodig hebben om zalig te worden, de kinderen niet uitgezonderd. Deze waarheid heeft de Kerk door alle eeuwen geleerd en als apostolische overlevering beschouwd. Het Gone, in 416 te Melivt gehouden, stelde haar vast als geloofspunt, en Origenes noemt den kinderdoop eene apostolische verordening. „De Kerkquot;\', zoo schrijft hij, „heeft van de Apostelen de overlevering ontvangen, den kinderen ook het Doopsel toe te dienen, uit vrees mn gemis en niet zalig wordenquot;, en het Conc. van Trente doemt in de 7de zitting Hfdst. 5 en 13 hen, die zeggen, dat het Doopsel willekeurig en dus niet noodzakelijk is ter zaligheid en dat het, den kinderen toegediend krachteloos is.

In de eerste tijden der Kerk wachtte men wel is waar somtijds tot gevorderde jaren met de toediening des Doopsels, doch niet zelden werden kinderen en zuigelingen gedoopt en de uiterste zorg werd besteed, dat nie-

654

-ocr page 657-

t)E GKOOTE ÜATECRISMÜS.

mand hunner zonder doopsel stierf, gedachtig aan Jesus woord: „Die niet (jedoopt zal zijn, zal niet zalifi irordmy

45. Wat leert de Kerk van het Int der kinderen, die zonder doopsel sterren?

Dat zij van den hemel uitgesloten zullen blijven, maar daaruit volgt niet, dat zij verdoemd zullen zijn-

Het eigenlijk lot der kinderen, die ongedoopt sterven na dit leven, is voor ons een geheim. ,Zij komen niet tot de hemelglorie,quot; zegt de H. Gregorius van Naziance, .en worden door den rechtvaardigen Rechter ook niet tot straf verwezen, omdat ze geen persoonlijke schuld hebben. Ook kan men aannemen, dat het voor hen beter is te bestaan dan niet te bestaan, en ook voor hen het leven hierna eene weldaad Gods is. Zij zijn van God afgekeerd in zoover God ons /wiwmatuurlijk doel is en zullen Hem dus zóó niet bezitten; niet echter zijn zij van Hem afgekeerd in zoover God ons natuurlijk duel is, en zullen Hem dus zóó bereiken. Zij genieten een geluk, hetwelk ons aller deel geweest zoude zijn, indien ons doel niet boven het natuurlijke verhevene ware geworden. — God van onrechtvaardigheid te beschuldigen, omdat Hij toelaat, dat kinderen zonder doopsel sterven, is roekeloos, en godslastering.

4(5. Kan het Doopsel met waier door iets andere vervangen icorden ?

Ja, liet kan vervangen worden door het doopsel

der begeerte en des bloedt.

Ofschoon er in den strengsten zin maar één Doopsel

65ö

-ocr page 658-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

is, zooals er ook maar één Heer en één geloof is, leert de Kerk nogthans, dat men door het Doopsel der heqeer-te en van bloed vergiffenis der zonden en het recht op den hemel bekomen kan.

47. Wanneer ontvangt iemand het Doopsel van begeerte ?

Wanneer hij uit volmaakte liefde tot God berouw heeft over zijne zonden en wenscht gedoopt te worden, zonder daartoe de gelegenheid te hebben en te doen, wat God van hem vordert.

b r)ie de liefde bezit, is vit God. (jehoren en kent God\'\'\'. 1 Joh. 4,7. En Joh. 1 , 21., zegif de Heiland: „Die-Mij bentint, zal door Mijn Vader bemind worden en 11: zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren\'\'. Uit deze woorden hlijkt, dat eene volmaakte liefde tot God, de liefde van God en derhalve de vergiffenis der zonden bewerkt, zooals de voorbeelden der zor.daresse van het Evangelie en van den goeden moordenaar nader bevestigen. Ware dit het geval niet, dan ook was het lot der Israëlieten gelukkiger dan dat der christenen, omdat zij door eene volmaakte liefde en berouw over hunne zonden, vergiffenis konden verkrijgen. Ezech. 18, 22. 22. 27. 28. Vgl. Rom, 10. 11, 13.

48. Waarin bestaat het Doopsel des fdoeds?

Hierin: dat iemand, die niet gedoopt is, in Jesns gelooft, en voor dat geloof den dood des martelaars sterft.

„Al wie,quot; zegt de H. Aug;., „voor de belijdenis van

(556

-ocr page 659-

DE GUOÖTE CATECHISMÜS.

Christus sterft, als is hij ook niet gedoopt, verkrijgt daardoor dezelfde vergiffenis der zonden, alsof hij in de heilige fontein des doopsel afgewasschen ware.quot; Die het bad der wedergeboorte niet heeft ontvangen en voor het geloof in Christus sterft, dien wordt het tot vergiffenis der zonden zoo aangerekend, alsof hij het Doopsel met water heeft ontvangen,quot; aldus schrijft de H. Cyprianus. Die leer der Vaders heeft Jesus\' woord tot grondslag, waar Hij zegt: „ Wie zijne del (zijn leven) om Mijnentwille verliest, die zal haar (het leven) vinden.\'quot; Math. 10, 39. Het was deze bloeddoop, die alle ongedoopte martelaars ontvingen; zij werden gedoopt in hun eigen bloed, voor Christus en Zijne leer gestort.

De H. Emerentiana, ofschoon nog niet gedoopt, bad op het graf van de H. Agnes en werd dientengevolge door de heidenen gesteenigd. Van haar zegt de H. Kerk zeer schoon: „Zij werd in haar eiyen bloed, dat zij voor Christus vergoot, gedoopt en gaf hare ziel aan God over Brev. liom. 23. Jan. — Ook Eusebius zegt van zekere Herais: „Nog leerling zijnde, ontving zij door het vuur, (zij werd levend verbrand) het Doopsel, en ging van dit tot een beter leven over.quot;

Over de ceremoniën bij den II. Doop gebruikelijk.

De ceremoniën, die hij den H. Doop gebruikt worden, zijn overoud en vol beteckenis; in het kort samengevat, zijn zij de volgende:

a) De ceremoniën vóór \'t Doopsel.

lo. ])c ontvangst des doopelhu/s hij de kerkdeur. De doopeling moet buiten de Kerk blijven, omdat hij eerst

GK. CAT. 42

657

-ocr page 660-

tiE groote catechismus.

door \'t Doopsel ingang tot haar verkrijgt. „Die zich Christus, den Heer, nog niet hebben toegewijd,quot; zegt de H. Car. Barom, „zijn onwaardig, het huis des Heeren te betreden, zooals de geloovigen.quot;

2o. Hei geven van een naam. Het kind ontvangt den naam van een heilige, opdat deze voor hem een voorspreker bij God zij, en het diens voorbeeld zou navolgen. Reeds in de oudste tijden der Kerk ontvingen de doope-lingen den naam van een heilige. Het was gewoonte, dat de cathechemenen (leerlingen in het geloof) in de viei-de week van de groote vasten voor den Bisschop verschenen om hun naam op te geven en in de kerkelijke registers te worden opgeteekend. Alsdan werd de heidensche of\' joodsehe naam verwisseld met den naam van een heilige.

3o. Vragen aan den doopeliny gedaan. Nu wordt den doopeling gevraagd: Wat begeert gij van dekerk Gods?quot; en hij antwoordt: , Het geloof.quot; Wat geeft u het geloof? waarop hij antwoord: , Het eeuwig leven,quot; Daarop laat de priester volgen: wanneer gij tot het leven wilt ingaan onderhoudt dan de geboden: gij zult den Heer, uw God, beminnen, enz. Hij wekt hem dus hierdoor op tot een geloof, dat door liefde werkdadig is.

4o. Ademt de priester den doopeling driemaal in het aangezicht en zegt: „Vertrek uit hem onreine geest, en maak plaats voor den H. Geest, den Trooster!quot; Hierdoor wordt de wedergeboorte door de genade des H. Gees-tes aangeduid. Zooals God. de Heer, Adam den adem des levens in het aangezicht blies en de Heiland Zijnen leerlingen onder overademing den H. Geest mededeelde, evenzoo wordt ons door het doopsel het leven der ziel en der genade van den H. Geest medegedeeld.

658

-ocr page 661-

»E GROnTE CATECHISMUS. 65y

50. Daarna maakt de priester het teeken des H. Krui-ses oj) het voorhoofd en de borst des doopelinjjs en lecjt hem onder gebeden de hand op. Daardoor wordt aangeduid, dat de doopeling liet eigendom des gekruisigden wordt, wiens leer hij in liet hart dragen en openlijk belijden moet- Door de handoplegging wordt beteekend, dat de doopeling onder de bijzondere hoede der Kerk wordt opgenomen. Hierna volgt:

60. Het toedienen van zont in den mond des doopelings met de woorden: „Ontvang het zout der wijsheid, het beware u ten eeuwigen leven!quot; Dit gewijde zout is het zinnebeeld der christelijke wijsheid, waarnaar wij streven en die wij door werken beoefenen moeten. Ook wordt daardoor aangeduid, dat de doopeling zich tegen liet bederf der zonde moet bewaren, zooals het zout tegen bederf bewaart.

7o. Hierop bezweert de priester onder plechtitje gebeden en in den naam dei\' //• lh\'ieouitli(jheid den onreinen jeest, om daardoor de macht des Satans te breken; hij maakt herhaalde malen het teeken des heiligen kruises over den doopeling, daar dit teeken het krachtigste middel tep-en de aanslagen van Satan is.

80 Wordt de doopeling de kerk binnengeleid, en terwijl de priester de stola over den doopeling legt, \'zeo\'t hij: „Treed binnenin de kerk Gods, opdat ge met Christus deel hebbe aan het eeuwig leven.quot; In de kerk gekomen wordt de Apostolische geloofsbelijdenis en het .Onze Vaderquot; gebeden, om aan te duiden, dat de christen ijverig bidden en de kerk voor hem eene bijzondere plaats des gebeds zijn moet.

9o. De bestrijking ran de ooren en den neus des doope-

-ocr page 662-

bE GUOOTE CA\'ÏËCHÏSJtÜS.

lings met speeksel beteekent, dat door de genade des doopsels, den mensch den geestelijken zin van de leer der goddelijke waarheid geopend wordt. Deze ceremonie is eene navolging dier heilige handeling, waardoor Jezus een doofstomme het gehoor en de spraak schonk. h) De ceremoniën bij het Doopsel.

lo. De drievoudige afzwering, waardoor de doopeling van den duivel en al zijne werken, van de hoovaardij en de zonde afstand doet. „Deze bezwering,quot; zeggen de Vaders, „is eene afwijking van het rijk der duisternis en hare vorsten, en eene toenadering tot het rijk des lichts; het is een verbond, gesloten met de zon der gerechtigheid, eene plechtige belofte om Christus te willen dienen, een belofte echter in den ruimeren zin van plechtige verklaring.

2o. Wordt de doopeling met zoogenaamde Katech urnen en olie op de borst en tusschen de schouders gezalfd. Deze zalving geschiedt in navolging der oude kampvechters, die hunne ledematen met olie inwreven tot steun in den strijd en om niet zoo gemakkelijk door hunne tegenstanders te kunnen gepakt worden.

3o. De priester verandert daarna de stola, en in plaats der paarse neemt hij de witte kleur, om daardoor de verandering te beteekenen, welke in den doop met den mensch plaats heeft; daar hij uit den toestand der zonde en ongenade Gods (paarse kleur) in den toestand dei-reinheid, heiligheid en Gods welgevallen (witte kleur) verplaatst wordt. Nu volgt:

4o. De aflegging der geloofsbelijdenis. Depriester vraagt den doopeling: .Gelooft gij in God den Vader . . . . , in Jesus Christus . . . . , in den H. Geest, in ééne H.

660

-ocr page 663-

DE GUOOTE CATECHISMUS.

Katholieke Kerk, gemeenschap der heiligen, vergiffenis der zonden, verrijzenis des vleesches, en een eeuwig leven? Eu de doopeling antwoord oj) iedere vraag: „Ik geloof.quot; Wie met den boezen vijand gebroken heeft, moet zich nauw aan Christus aansluiten en getrouw het geloof belijden. Daarom maken de drievoudige afzwering van duivel, wereld en vleesch (No amp;) en de geloofsbelijdenis te zanien, het eigenlijke doopverhundquot; uit De mensch toch belooft van zijn kant, den duivel en zijne werken te vluchten en het christelyk geloof door woord en daad te belijden, en God belooft van Zijn kant, den gedoopte. Zijne genade en de eeuwige zaligheid. In deze wederkeerige toezegging bestaat het Doopkontrakt, Doopverbond of Doopbelofte.

Deze doopbelofte, moeten wij niet onverbreekbare trouw bewaren en dikwijls hernieuwen, vooral op onzen naams-of verjaardag; vóór het ontvangen der eerste H. Communie of het H. Vormsel; — bij het aanvaarden van den geestelijken staat; in groote gevaren van zonde enz „ Denk er wel over,quot; roept ons de H. Ambrosius toe, „wat u gevraagd is en wat gij geantwoord hebt! In tegenwoordigheid van God en uw engelbewaarder hebt gij gesproken; gij kunt hen niet bedriegen; gij kunt het hen niet heeten liegen. — Toen Adalgisus, koning van Friesland, reeds gedoopt was, schreef Chroin, hertog van Frankenland hem een brief, waarin hij hem veel geld en goed beloofde, als hij van het aangenomen christelijk geloof afstand deed. Adalgisus wierp dien brief in \'t bijzijn van zijne hofhouding in het vuur en zcide; „Zooals dit papier, moet hij verbranden, die den bond opheft of verscheurt, dien hij eenmaal met zijn God gesloten heeft. God gave, dat alle christenen zoo trouw

661

-ocr page 664-

DE GROOTE CATECHISMUS.

hunne dooj) beloften nakwamen en onderhielden!

Is het doopverbond gesloten dan volgt: 5o. De toedieninci van het H. Doopsel, doch eerst wordt den doopeling gevraagd: , Wilt gij gedoopt worden?quot; en hij antwoord; „Ik wil,quot; Want Grod wil niemand dwingen, zich te laten doopen, en de H.Kerk wil ook niemand het Doopsel opdringen. Nu stort de priester water over het hoofd des doopelings en zegt daarbij: „Ik doop uquot; enz. c) De ceremoniën na het doopsel.

lo. De kruin des gedoopten wordt met elirlsma tjezulfd. Hierdoor wordt de waardigheid aangeduid, welke de zooeven gedoopte heeft ontvangen; hij is nu christen, d. i. een gezalfde Gods, die Christus toebehoort. Koningen en priesters worden ook met olie gezalfd en daarom zegt de H. Isidorus, omdat wij een koninklijk en priesterlijk geslacht zijn, daarom werden wij na het Doopsel gezalfd, opdat wij onze hooge waardigheid en den naam eens christen zouden begrijpen.quot;

2o. De priester spreidt een wit kleed over den doopeling, en zegt: „Ontvang het blanke kleed en breng het onbevlekt voor den rechterstoel van Christus, opdat gij het eeuwig leven bezittet.quot; Reeds in de eerste tijden des Christendoms, bekleedde men den doopeling terstond na het Doopsel met een wit kleed en dit kleed moest de reinheid der ziel veraanschouwelijken door het Doopsel ontvangen, en tevens eene aansporing zijn om het zuiver en onbevlekt te bewaren. Die in vroeger tijd op Paasch-zaterdag gedoopt werden, waren gewoon dat kleed eene geheele week te dragen en den daarop volgenden Zondag daarin de H. Communie te ontvangen: vandaar de benaming „witte Zondag.quot;

662

-ocr page 665-

DE GltOOTE CATECHISMUS.

3o. Vermlfjens reikt de priester den doopeling eene brandende kaar* over, met de woorden; „Neem dit brandend licht en bewaar uw doopsel vlekkeloos, onderhoud de geboden van God, opdat, wanneer de Heer ten hoogtijd komt, gjj Hem te gemoet komt snellen, met alle heiligen in de zalen des hemels en het eeuwig leven ontvangt en leeft in eeuwigheid,quot; overeenkomstig het woord; „Laat uw licht schijnen voor de menschen,quot; enz.

4o. Ten laatste neemt de priester afscheid van den doopeling met den zegenwensch: ,Ga heen in vrede, de Heer zij met u!quot; dat Gods zegeningen en genade u op al uwe wegen door dit naar het eeuwig leven begeleide.

Denken wij hier een oogenblik na over de weldaden en de genade door het Doopsel ons geschonken! Groot en vele waren de kwalen, die het van ons wegnam, onschatbaar de goederen en de genade, waarmede het ons begiftigde. , Door het Doopsel werden immers de bronnen van Gods toorn en wraak gestopt en de kanalen Zijner barmhartigheid opengezet. Onze zondige natuur verkeert in een tempel des H. Geestes: uit goddeloozen werden rechtvaardigen, uit gevangenen vrijen, uit menschenkinderen Gods kinderen gevormd 11 De H. Leo en de H. Chrys-sostomus roepen den nieuw gedoopten toe: ,Ziet, nog kort te voren werdt gij gevangen gehouden en thans geniet gij de zaligende vrijheid: gij dwaaldet in den vreemde, verre van uw vaderhuis, en thans zijt anj burgers der Kerk (en des hemels); ixij leefdet in zonden en nu wandelt gij (heilig) in den schoot der Kerk. Welk een geluk! Welk eene genade!

Laat ons daarom God loven, danken en prijzen, zoo lang wy ademen, voor de onverdiende genade ons in het

663

-ocr page 666-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

Doopsel geschonken, maar tevens ook getrouw de vei-pliclitingen nakomen, welke wij daarbij op ons namen en leven volgens het verbond, bij de doopvond, met God gesloten. Vernieuw meermalen bij gewichtige omstandigheden en vooral des Zondags de H. Doopbeloften, dat zal voor u een sterk wapen zijn tegen de aanvallen des vijands. Ach, ja! sbewaar trouw de genade des Doopsels, bewaar de wapenen daarin aan u geschonken, liet geloof als helm, de hoop als pantser, de liefde als speer en het geduld en de lijdzaamheid als volle wapenrusting.quot; Ignatius martelaar.

VIJFTIGSTE LES.

OVER HET VORMSEL-

49. Wal is het Vormsel?

Een Sacrametil door Christus iugesleld, hetwelk door de oplegging der handen, du zalving en het gebed des Bisseliops, den menscli genade mededeelt om het geloof standvastig te belijden,

50. Wat is het uitwendig teeken van \'t Sacrament des Vormsels?

lo De zalving met chrisma, de oplegging der hauden en het gebed des Bisschopseerste bestanddeel.)

a) Deze teekens zijn uitwendig, omdat ze gezien en gehoord kunnen worden. De materie of stof van dit sacrament bestaat dus in de liahdcn-opleyyiny en de zalviny, welke reeds door de Apostelen bij de toediening van het H. Vormsel werden toegepast. Zooiezen wij in de Hand. 8, 17: „Enzij legden hun cfe handen op en zij untcinyen

664

-ocr page 667-

DE GK0OÏE CATECHISMUS.

den 11. Geest.\'\'\'\' Van oudslier werd de zalviny iti de Kerk ook toegediend, want Paul us schrijft: , Het is God, die ons en u in Christus bevestigd, en die ons gezalfd heeft.quot; 2. Gort. 1, 21. Verder in de Apostolische geschriften (7. Boek): „Men moet met zalf, „chrisma,quot; teekenen, opdat de olie der zalving eene deelname aan den H. Geest zij.quot;

b) De vorm des Vormsels bestaat in de woorden: ,Ik teeken u met liet teeken des kruises en versterk u met de zalve des heils, in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, Amen.

2o. Het uitwendig teeken des Vormsels is echter een werkzaam, krachtig, genade voortbrengend teeken (tweede bestanddeel.), want het brengt inwendiye heilujimj voort, n. 1. sterkte en kracht om het geloof standvastig te belijden, zooals dat later zal blijken.

Eindelijk bezit het Vormsel ook het derde bestanddeel tot het wezen van een sacrament vereischt en wel de instelliny van Christus.

51. Hoe welen wij, dat Christus dit sacrament heeft ingesteld?

Dit weten wij:

a) Uit de 11. Schrift. De H. Paulus zegt in zijn brief aan de Hebreen G, 2, dat hij wil spreken van de leer van den doop, en van de oplcgyiny der handen, van de opstanding der dooden en van het eeuwig oordeel. Dat hij onder de oplegging der handen het Vormsel verstaat, blijkt uit het volgende vers, waarin hij van het ongeluk dergenen spreekt, die, nadat ze eenmaal verlicht, de he-melsche gave gesmaakt en den H. Geest deelachtig geworden waren, wederom afvielen. — De H. Schrift getuigt

665

-ocr page 668-

DE (iUÜOTE CATECHISMUS.

verder, dat Christus den Zijnen den H. Geest beloofde en op Pinksterdag ook werkelijk zond en de Apostelen Hem door gebed en handen oplegging ook inderdaad aan anderen mededeelden. Het volgende lezen wij in de Hand. der Ap. 14, 17. en 19, 5 — 6.: „Toen de Apostelen hoorden, dat de inwoners van Samaria het Woord Gods hadden aawjenoiimi, zonden zij Petrus en Johannes tot hen. Daaryekomen baden zij over hen, opdat zij den II. Geest zouden ontvangen; want de II. Geest was noy over nie-mand van hen f/ekomen, maar zij waren slechts gedoopt in den naam can. den lieer Jems. Daarna legden zij hen de handen op en zij ontvingen den II. Geest.quot; Eveneens lezen wij van de twaalf Ephesen; „ Pauliis liet hen doo-pen en terwijl hij hun de haialen oplegde, ontvingen zij den H. Geest.quot; — Uit deze en voorgaande schriftuurplaatsen blijkt duidelijk, dat de geloovigen, door de oplegging der handen van de Apostelen, eene nieuwe genade ontvingen, onderscheiden van die des Doopsels en dus, dat deze oplegging der handen een wezenlijk sacrament is. Wie der Apostelen zou het immers op eigen gezag hebben durven ondernemen, en wie had de macht daartoe, een uiterlijk teeken in te stellen en daaraan inwendige genade te verbinden ? Daarom is men gedwongen aan te nemen, dat zij daartoe van hunnen goddelijken Meester een uitdrukkelijk bevel ontvangen hebben, temeer omdat de genade, door de handenoplegging ontvangen, in de eerste christenen zoo zichtbaar werkte, dat de H. Paulus hen nu en dan daaraan herinnert. Rom. 55 Eph. 4. 30.

b) Door de overeenstemmende leer des Vaders sedert de eerste tijden des Christendoms. De H. Dionisius, leerling van den H. Paulus, schreef reeds in de eerste eeuw: „Na-

666

-ocr page 669-

BE GBOOTE CATECHISMUS.

dat ge de gcdoopten gekleed liebt, moet gij hen tot den Bisschop geleiden, want terwijl deze hen met de heilige zalf teekent, maakt hij hen deelgenooten der heilige gemeenschap, — hi de tweede eeuw schrijft Tertulianus: „Het lichaam wordt gezalfd, opdat de ziel geheiligd worde, het lichaam wordt door de handenoplegging overschaduwd, opdat de ziel verlicht worde.quot; — De H. Cypria-nus schrijft in de derde eemv:^ Dit geschiedt bij ons ook nog, dat men de in de kerk gedoopten, den Bisschop voorstelt, opdat ze door diens gebed en de handenoplegging, den H. Geest ontvangen en door het goddelijk merkteeken geheel volkomen worden.\'quot; — In de vierde eeuw, leert de H Cyrillus van Jerusalem : . Hot lichaam wordt met zichtbare zalf gezalfd, de ziel echter door den levenden H. Geest geheiligd,quot; terwijl de H. Aug. omstreeks denzelfden tijd verklaart: , Het chrisma is onder de zichtbare teekenen zoo heilig, als de heilige doop.quot;

c) Eindelijk door de praktijk, der Kerk, die het Vormsel sedert de vroegste tijden toediende. Klaar en duidelijk bewijst de kerkelijke geschiedenis, dat de Bisschoppen sedert de oudste tijden rondreisden, om de gedoopten de handen op te leggen en den H. Geest mede te deelen. Zoo betuigt de H. Hieronymus: .Het is gebruik in de Kerk, dat de Bisschoppen rondgaan, om hen, die door priester en diaken zijn gedoopt, de handen op te leggen en het H. Vormsel toe te dienen.quot; — Be du verhaalt van den H. Egbertus, Bisschop in Engeland, dat hij zijn bisdom rondreizend, de gedoopten de handen oplegde om lien den H. geest mede te deelen. — Paus Gregorins vermaant den Bisschoppen, dat zij de afgelegen gemeenten moeten bezoeken, om den gedoopten het zegel des Hee-ren mede te deelen.

6(i7

-ocr page 670-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

Docli waarom nog meerdere bewijzen aanhalen om de waarheid te bewijzen, dat het Vormsel, door de Kerk altijd van af de eerste christelijke tijden, als sacrament erkend en als zoodanig toegediend is. Met den H. Hie-

I

ronymus vraag ik den twijfelaars en ontkenners in dit opzicht: , Weet gij niet, dat het een gebruik der Kerk is, den gedoopten do handen op te leggen, om zoodoende den H. Geest over hen te doen nederdalen ? , Gij vraagt, waar staut dat geschreven ? In de handelingen der Apostelen, enz. Maar ook aangenomen, dat er in de H. Schrift geen melding van werd gemaakt, dan zou de algemeene leer der Kerk, óver de geheele aarde verspreid, alleen voldoende zijn, ter bevestiging dezer waarheid, wijl de Overlevenntj dezelfde bewijskracht bezit, als het geschreven Woord Gods.

52. IVelke genade ontvanyen wij door het Vormsel?

Ten lo. vermeerdering der lieiligmakcnde genade 2o. ontvangen wij de genade des U. Geestes, om het geloof standvastig te belijden.

lo. Vermeerdert het Vormsel de Ke\'diymakendv yenade, want het moet, ais sacrament der levenden in staat van genade ontvangen worden, en in dien toestand ontvangen, vermeerdert het den mensch de genade. Door de genade van dit sacrament bevestigt God. hetgeen hij door het doopsel in ons begonnen heeft; wij worden daardoor werkende ledematen der Kerk, zoodat er tusschen den gedoopte en den gevormde hetzelfde verschil bestaat, als tusschen een kind en een volwassen mensch. Gelijk onze ziel invloed op het lichaam uitoefent, zoodat het zich beweegt volgens haar wil, en onze geest alle handelingen

6fgt;8

-ocr page 671-

DE GROOTE CATECHISMUS.

van ons lichaam ordent en richt en zijne stoffelijke handelingen in zedelijke verkeert, zoo ook werkt de H. Geest op onze zielen en maakt daardoor de werken der ziel go-heel bovennatuurlijk, heilig en goddelijk.quot; Vandaar ook dat de eerste christenen, na het ontvangen des Vormsels, vreemde talen spraken, welke uitwendige werking in die tijden noodzakelijk was, om zoo het hart van jood en heiden te treffen en voor het ware geloof te winnen; (zooals Jesus wonderen wrochtte om de goddelijkheid van Zijn persoon, Zijner zending en van Zijn woord te bewijzen (Dr. Masz.)

2o. Ontvangen irij de. yenade- de;; H. Geestes, om het (jeloof standvastiy fe belijden. Door het Vormsel ontvangen wij den H. Geest en met Hem tevens de kracht en de sterkte om ons geloof standvastig te bewaren en te belijden en zegenrijk tegen duivel, wereld en vleesch te strijden. Het Doopsel maakt ons kinderen Gods, geloo-vige christenen, maar het Vormsel maakt ons strijders, en geeft ons de wapenen in de hand, om voor God en zaligheid te strijden. „Door het Doopsel wordt ons de H. Geest geschonken tot delging der oude zondenschuld; in het Vormsel om nieuwe zonden af te weren; daar worden wij rein en vlekkeloos, hier moedig en strijdvaardig om die reinheid te bewaren en te verdedigen.quot; H. Petr. Dam. Zoonis een gloeiende kool, door hevigen wind in vlam geraakt, zoo ook wordt de vonk des ge-loofs, door het Doopsel in onze ziel gelegd, door de genade des H. Geestes in het Vormsel tot vollen gloed aangewakkerd. Dit nu is de kracht des Vormsels in eene welvoorbereide ziel. Ziet eens op de Apostelen! Van vreesachtige, onwetende en afgunstige menschen, werden

669

-ocr page 672-

DE GhOOTK C\'ATECItlSMCS.

zij, na den H. Geest ontvangen te hebben^ moedige, verlichte en broederminnende strijders voor God, voor den naaste en voor zich- zeiven. Die bovennatuurlijke inwerking des H. Geestes toonde zich zoo uitwendig bij den H. Franc, van Sales, dat de Bisschop, die hem, als kind het Vormsel toediende, van hem zeide: -Dit kind zal het wonder zijner eeuw worden.quot;

53. Hoe dikwijls may men het Vormsel ontvangen?

Maar eenmaal in nijii leven, omdat het een voortdurend geestelijk meikteeken in de ziel drukt.

Paulus bemerkt 2. Cort. 1, 21. 22.: „Die nu ons met uhe-vestif/t in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God, die ons ook bezegeld en het onderpand des Geestes gegeven, en ingedrukt heeft in onze harten.quot; Door dat merkteeken zijn de gevorm-den van de niet-gevormden onderscheiden en worden daardoor op eene bijzondere wijze, strijders van Christus en dat teeken blijft hun bij, al zouden ze ook de wapenen wegwerpen, d. i. afvallen, ze niet gebruiken of in den strijd bezwijken; hun merkteeken is onuitwischbaar.

54. Is het Vormsel volstrekt noodig om zalig te worden ?

Neen; ook zonder dit sacrament te hebben ontvangen, kan men in den hemel komen; maar die het vrijwillig verwaarloost, maakt zidi aan groote zonde schuldig.

Een ieder, die dus niet gevormd is, moet vurig naar dit sacrament verlangen, daar het tot heiliging van allen isin gesteld; en alwie verzuimt het te ontvangen, indien hij daartoe eene gunstige gelegenheid heeft, zondigt grootelijks

670

-ocr page 673-

tlE GROOTE CATECHISMUS.

wanneer deze verwaarloozing voortspruit uit verachting van dit eerbiedwaardig sacrament. Waarlijk, die verwaarloost het Vormsel te ontvangen, als hij in de gelegenheid is, gelijkt een reiziger, die ongewapend eene, hem als gevaarlijk bekendstaande streek doorreist, waar zijn leven gevaar loopt. Welnu, wij allen moeten die gevaarlijke reis naar de eeuwigheid maken door een leven heen, waarin ons van alle zijden vele gevaren en vijanden bedreigen, en is het dan niet dwaas en schuldig de wapenen ter verdediging te weigeren ? Bovendien, die zonder dit sacrament ontvangen te hebben, rechtvaardig sterft, zal eene mindere glorie en zaligheid in den hemel genieten, volgens het woord van Hugo van Sint Victor; terwijl de gevormden heerlijker en schitterender zullen verrijzen dan de niet-gevormden, naar de meening van den ]!. Thom. van Aquino. Is dat alles niets waard ? Zulks te beweren is de taal van niet- en naamkatholieken. En geen wonder, want die zich niets aan de geboden van God en der Kerk laat gelegen liggen, trekken zich ooi; gevolgelijk de sacramenten niet veel aan.

[fquot;ie zijn de bedienaars van het sacrament des Vormsels?

De Bisschoppen alleen, als zijnde de opvolgers der Apostelen. Het staat echter in de macht des Pausen, in dringende gevallen ook een gewoon priester de bevoegdheid daartoe te verleenen, zooals dat nu en dan aan missionarissen wordt toegestaan, omdat sommige geloovigen te ver van een Bisschop wonen en met vele en groote aanvechtingen tegen het geloof en de zeden te kampen hebben. Ja, God heeft gewild, dat iedereen in tijd van nood kan en mag doo-pon ter oorzake der noodzakelijkheid van dit sacrament, maar den Bisschoppon alleen het Vormen opgedragen,

671

-ocr page 674-

DE GROÖtE CATECHISMUS.

omdat het Vormsel het sacrament der volkomenheid is. In de Hand. der Apoat. lezen wij 8. 14—17. dan ook, dat de diaken Philippus wel doopte, maar de Apostelen het Vormsel toedienden. De Bisschoppen zijn |als het ware generaals en veldoversten der strijdende Kerk op aarde, en nemen in den regel uitsluitend soldaten en strijders in liet leger van Christus op. —

De Peter en Meter nemen dezelfde verplichtingen op zich als bij het Doopsel en door het Vormsel ontstaat tusschen hen, den vormeling en diens ouders, onderlino-

u 7 O

ook dezelfde geestelijke verwantschap. — De vormeling ontvangt ook den naam van een heilige, zoowel als bij hot Doopsel, opdat hij zijn voorbeeld steeds navolge en zijne voorspraak bij God afsmeeke.

Over de ceremoniën des Vormsels.

lo. J)e Bisschop strekt de handen over alle vormelingen uit, die (fekniekl voor hem liggen en roept den H. Geest over hen af, terwijl hij bidt: de H. Geest kome over u en de kracht des Allerhoogst en beware u voor zonde ! Wij bidden u, almachtige en eeuwige God, die U gewaar-digd hebt, deze uwe dienaars, door het water en den H. Geest te herscheppen, giet over hen uit, den zevenvou-digen H. Geest — den Trooster des hemels! — Amen. ■— Giet uit — uwen Geest van wijsheid en van verstand! — Amen. — Uw geest van raad en van sterkte! — A-men. — Den geest der wetenschap en godsvrucht! — A-men. — Vervul hen met den Geest uwer vreeze en tee-ken hen genadig met het teeken des kruises ten eeuwigen leven. — Door denzelfden Heer Jesus-Christus, die met U en den H. Geest leeft en regeert in eeuwigheid. Amen.

672

-ocr page 675-

DE GROOTE CATECHISMUS.

2o. Daarna legt de Bmschop ieder in H bijzonder de hand op, zooals Petrus en Johannes in Samavia en Paulus in Ephese reeds rlerlen. Hij zalft den vormeling op de volgende wijze. De Bisschop maakt met het chrisma het kruisteeken op het voorhoofd des vormelings en zegt: Ik teeken u met het teeken des heiligen kruises en versterk u met de zalve des heils ia den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen.

3o. Na de zalving geeft de Bisschop den vormeling een kleinen slag op de wang, en zegt daarbij: „De vrede zij met u.quot; Daardoor herinnert hem de Bisschop, dat hij gesterkt en gehouden is, ter wille van Jesus\' naam, alle wederwaardigheden geduldig te verdragen en door manmoedigen strijd den vrede zijner ziel te bewaren.

4«. Ten slotte schenkt de Bisschop in het algemeen aan allen den zegen met de woorden: .0, God! bekrachtig, hetgeen Gij van uit den hemel in ons hebt uitgewerkt! Glorie zij den Vader, don Zoon en den H. Geest! 0, God ! Gij, die den H. Geest hebt geschonken en Hem door de Apostelen en de Bisschoppen den geloovigen mededeelt, zie genadig neder op liet werk onzer geringheid en verleen, dat in de harten dergenen, wier voorhoofden wij met chrisma gezalfd en met het teeken des kruises geteekend hebben, den H. Geest nederdale en daarin den zetel Zijner glorie opsla!quot;\' enz.

Hoe moet men zich tot het ontvangen van dit sacrament voorbereiden .v

Een ieder, die gedoopt is, kan het sacrament des Vormsels ontvangen, doch om het waardig te ontvangen, is het ook noodig, dat de vormeling \'m staar van genade, zij,

01!. CAT. 43

673

-ocr page 676-

DE GROOTE CATECHISMUS.

omdat het Vormsel een sacrament der levenden is, hetwelk men in dien staat moet ontvangen, om vermeerdering der heiligmakende genade to verkrijgen.

Derhalve moet men zich goed voorbereiden 1 o. door zijn geweten van alle zware zonden te zuiveren; 2o. is het kerkelijk voorschrift, dat de vormelingen minstens drie weken onderwezen worden in de grondwaarheden des ge-loofs en hetgeen het Vormsel betreft, waaruit als van zelf volgt, dat men geen onmondige kinderen, zonder ye-wichtiqe redenen tot dit sacrament mag toelaten; 3o. moet men, zooals de leerlingen te Jeruzalem, hartelijk naaide genade des IT. (ieestes verlangen en haar door gebeden en goede werken afsmeeken. Met betrekking tot die voorbereiding schrijft de H. Thom. van Aquino; „De volwassenen, die liet Vormsel wenschen te ontvangen, moeten, als zij wenschen aan de genade en gaven van dit sacrament deelachtig te worden, niet slechts geloof en godsvrucht meêbrengen, maar ook over de bedrevene zware zonden van harte berouw hebben. Daarom moeten zij te voren hunne zonden berouwvol eu oprecht belijden, door vasten en andere goede werken zich de genade des Vormsels waardig maken, en (zoo het kan) naaide loffelijke gewoonte der oude Kerk, dit sacrament nuchter ontvangen.quot;

Laten wij dan zonder vrees of blaam getrouw de plichten van een braaf katholiek vervullen, wij, die daartoe zooveel genade van God hebben ontvangen. Dagelijks, ja elk uur, elke minuut moeten wij strijdvaardig zijn om den vijanden van ons heil slag te leveren en, zooals de kruisridders het heilige land, den hemel op hen te veroveren. Door het H. Vormsel zijn wij immers kruisridders

674

-ocr page 677-

DE efcOOTE CATECHISMUS.

geworden en het is aan uns voor God en voor onze ziel te strijden. Schrijven wij op onze banier: .Voor God en zaligheid!quot; En wordt het soms van ons gevorderd in den strijd smaad en vervolging te lijden, denk dan aan de Apostelen en de martelaren^ die zich verheugden, waardig te worden bevonden voor Jezus\' naam smaad en vervolging te dragen.

EEN EN VIJFTIGSTE LES.

OVER HET H- SACRAMENT DES ALTAARS-

55. Wat. is het H. Sacrament des Altaars?

Een Sacrament door Christus ingesteld, waarin onder de gedaante van brood en wijn Christus zelf werkelijk tegenwoordig is.

Met wordt sacrameut des ylltnni\'s genoemd, wijl het op het altaar voltrokken en bewaard wordt; het Allerlieilifjste mcrameni, omdat het Jesus, den Allerheiligste in persoon, bevat; Brood des levens, wijl door dit brood het leven der ziel gevoed en onderhouden wordt: Hetnelsch hrnnd. wijl het van den hemel nederdaalt en tot den hemel voert; Amndmaal, omdat Jesus het bij het laatste avondmaal instelde; Commmiie, d. i. vereeniging, omdat wij door dit sacrament \'op \'t innigst met Jesns vereenigd worden, enz.

Het H. Altaarsacrament bevat de drie bestanddeelen tot een sacrament vereischt: lo. liet zichtbare teeken, de materie (stof) is de gedaante van tarwebrood en van wijn van den wijnstMc. en de ronn bestaat in de woorden : „dit is Mijn lichaam,quot; „dit is Mijn bloed.quot; 2o. De onzichtbare genade door dat -teeken medegedeeld is Jesus zelf, de Oorsprong en Uitdeeler aller genade, en 3o. de instelling

675

-ocr page 678-

UE GttOOTE CATECHISMUS.

door Jesus Christus, zooals wij lator nader zullen vm--klaren.

56. Hoe is Christm daar tegenwoordig, levend of niet levend, geheel of gedeeltelijk.

Christus is er geheel en levend tegenwoordig, met vleesch en bloed, met ziel en lichaam, met menseh-heid en godheid, gelijk Hij verheerlijkt leeft in den hemel.

In de andere sacramenten is Christus alleen met Zijne genade, op het oogenblik, dat zij waardig ontvangen worden, doch in het H. sacrament des Altaars is Hij met Zijne werkelijke zelfstandigheid, ook dan, wanneer Hij daar niet ontvangen wordt. 3 Wanneer iemand loochent, dat in het sacrament des Altaars het lichaam en het bloed, met de ziel en de godheid van onzen Heer Jesus Christus, en bijgevolg de geheele Christus, waarlijk, wsrlcelijk en wezenlijk tegenwoordig is; en beweert, dat Hij daarin alleen als een teeken, als eene figuur of alleen volgens de kracht is, hij zij in den ban. Conc; Trid. 13. Sess. Cap. 1. — Wie hangt daar aan het kruis? „Onze Heiland Jesus Christus, zult gij antwoorden.quot; Doch is het nu wezenlijk en waarachtig waar, dat dit beeld, onze Heiland is? Is dat Zijn hoofd; zijn dat Zijne werkelijke handen en voeten ? Neen, het is slechts een beeld, eene gelijkenis van den Zaligmaker. Zoo niet in het H. sacrament des Altaars, daar ia geen beeld of eene gelijkenis, maar het geheele en hetzelfde lichaam van Christus, ver-eenigd met ziel en godheid tegenwoordig, hetwelk in de kribbe lag, aan het kruis hing en nu aan de rechterhand van Zijn Vader in den hemel troont.

(!76

-ocr page 679-

DE GUOOÏE CATECHISMUS. 677

5 7. Wat, wil zeggen: Christus is er tegenwoordig _ onder dc gedaante van brood ca wijn ?

Hrood en wijn zijn veranderd in het lichaam en bloed van Chri\'tn^, en van brood en wijn is slechts de gedaante, d i. de kleur, de smaak enz. overgebleven.

In dit H. sacrament zien wij dus geen lichaam; het ziet er niet zoo uit, als de goede Heiland geweest is; eu wat i;i de kelk is, heeft ook niet de kleur, den smaak of de gelijkenis van bloed. Het lichaam en bloed van Christus is verborgen onder de gedaante van brood en wijn; het komt ons uitwendig voor, alsof het brood en wijn ware, doch het is niet meer brood en wijn, maar het wezenlijke en waarachtige vleesch en bloed van Christus.

58. In Jems onder dc gedaan te van brood alleen met Zijn lichaam, en onder die van wijn alléén met Zijn bloed?

Neen; Jesus is onder iedere gedaante, zoowel van brood als van wijn geheel en onverdeeld tegenwoordig (zelfs al wordt de gedaante ook verdeeld).

Christus is onder iedere gedaante tegenwoordig, omdat Hij als Grodmensch, in staat van verheerlijking, niet deelbaar is. Wanneer de priester dus de H. Hostie deelt of breekt, dan breekt of deelt hij slechts de gedaante, (eigenlijk niets) wijl het lichaam van Christus in elk deel geheel eu levend op eene ware, ofschoon geheimvolle wijze tegenwoordig is. „Het lichaam van Christus is één en een geheelquot; zegt de H. Joh. Damac. „en wordt evenwel op elk uur onder miliioenen geloovigen verdeeld; Hij (Chris-

-ocr page 680-

DE (jROOTE CATECHISMUS.

678

tus) is geheel in iedereen, door liet deel, dat een ieder ontvangt; Hij blijft geheel en onverminderd in ieder (die Hem ontvangt) „Zooals heden nog eene en dezelfde zon op duizenden plaatsen en personen haren weldadigen invloed heeft en doet gevoelen, gelijk zij deed bij hare schepping, zoo is het ook niet te verwonderen, dat ons op heden dezelfde Christus (in de Eucharistie) nog gegeven wordt, dien de eerste christenen ontvingen, en dat Hij onder zoovele gedaanten van brood en wijn en op zoovele plaatsen te gelijk aanwezig is.quot; Faber. — Een Saraceen, vroeg eens aan Samonas, Bisschop van Gasa: „Hoe is het mogelijk, dat brood het lichaam en bloed van Christus kan worden?quot; „God is het mogelijk dat door een wonder uit te werken, wat hij dagelijks in de orde der natuur uitwerkt,quot; antwoordde de Bisschop. „Bij uwe geboorte waart gij ook niet zoo groot als thans; wat deed u groeien, werd het voedsel wat gij nuttigdet niet in uwe substantie, in vleesch en bloed veranderd?quot; zo» ging hij voort. — De muzelman hernam: „Maar hoe is het mogelijk, dat dezelfde Jesus Christus in al uwe kerken tegenwoordig zij?quot; — „Bij God is niets onmogelijk,quot; antwoordde de Bisschop, „en dit antwoord moet voldoende zijn. Om u echter te overtuigen, dat het niet onmogelijk is; zoo wil ik u dit in gelijkenissen aantoonen. Is hetzelfde beeld, wanneer men een spiegelglas breekt, niet in alle stukken, en worden mijne woorden niet door alle personen eener vergadering verstaan ? Verklaar mij hoe dat geschied?quot; De Turk stond beschaamd en de aanwezige christenen werden daardoor in het geloof gesterkt en gesticht.

-ocr page 681-

DE GfKOOTE CATECHISMUS. 67 9

58• Hoe larn) blijft Cirisfus in het H. Sacrament?

Tot zoolang de gedaante van brood en wijn aanwezig is.

Wanneer or geen uitwendig teeken meer is, dan ook kan er geen sacrament meer zijn. Zoolang do gedaante der zon aan den hemel voor ons zichtbaar is, stort zij hare verwarmende en verlichtende stralen over den aardbeden, en deze verdwijnen met haar. Zoolang ook de gedaante van brood en wijn zichtbaar is, is Jesus in het H. sacrament des Altaars tegenwoordig en verspreidt licht en warmte over allen, die Hem geloovig aanbidden en waardig ontvangen. De kerk heeft deze leer altijd vastgehouden en verdedigd. De H. Gyrillus van Alexan-drië schreef reeds: „Ik hoor eenigen beweren, dat het sacrament des Altaars geen heiliging zou aanbrengen, wanneer het ontvangen wordt, na eenige dagen te zijn bewaard. Dat is eene openbare dwaling.quot; Eene verdere getuigenis voor deze waarheid is het aloude geloot der eerste christenen. Wij lezen b v. in het verweerschrift van den H. Justinus, dat men het H. Avondmaal door den diaken aan afwezige Christenen liet brengen, en dat het den zieken werd gezonden. Ten tijde der vervolging was het ook den geloovigen toegestaan, het mede op reis en naar huis te nemen, om zoo in de gelegenheid te zijn, ook zonder aanwezigheid bij de godsdienstoefeningen het lichaam en bloed des Heeren te nuttigen, en zich bij voorkomend gevaar van marteling te versterken. Hieruit volgt duidelijk, dat de eerste christenen aan de blijvende tegenwoordigheid van Jesus in het Altaarsacrament geloofden, zoolang als de uitwendige gedaante voortduurde.

i.

-ocr page 682-

ÖU 1»E GKüOTE CATECHISMUS.

59- Had Jems, vóórdat Hij het H. Sacrament instelde, daarvan reeds gesproken, en daaromtrent eenige beloften gedaan?

Ja, na het wonder der broodvermenigvuldiging had Hij gezegd: „Ik ben het levend brood, dat uit den hemel gedaald is Mijn vleesch is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drankquot; Johannes 6.

Die belofte verhaalt ons de H. Schrift met de volgende woorden. Toen Jesus ongeveer vijf duizend meuschen met vijf brooden en twee visschen gespijzigd had, nam Hij daaruit de gelegenheid om hen over eene geestelijke spijs, welke door het geloof in Hem ontvangen moest worden, te onderhouden. De joden opperden hiertegen eenige bedenkingen, en Jesus, in plaats van Zijne woorden te herroepen, zette de zaak nog verder door, en na zichzelven als een brood te hebben voorgesteld, begon Hij te spreken van een brood, hetwelk eene wezenlijke en lichamelijke nuttiyimj vorderde. „Ik,quot; zegt Hij, ,6e» het levend brood, dat uit den hemel gedaald is; al wie van dit brood eet, zal eeuwig leven, en het brood, dat Ik yevcn zal, is Mijn vleesch voor het leven der wereld.quot; Morrend zeiden de joden tot elkander: , Hoe kan deze ons Zijn vleesch te eten (/even?\'1 Hieruit volgt daghelder, dat zij zeer goed begrepen, dat Jesus over Zijn werkelijk lichaam sprak. Jesus nu, in plaats van op Zijne woorden terug te komen en hun de dwaling, als zij dwaalden, onder het ooo- te brengen, waartoe Hij als leeraar der waarheid gehouden was, versterkt hen integendeel in hun gevoelen, en herhaalt Zijn gezegde onder de dure plechtige bevestiging: . Voortvaar, voorwaar. Ik zeg n,

-ocr page 683-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

wanneer (jij het vleesch van den Zoon des menschen niet gegeten en Zijn, bloed niet yedronken zult hebben, dan zult gij het leven in u niet hebben. Die Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt, heeft het eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken ten jongste n dage-, want Mijn vleesch is iv aar lijk spijs en Mijn hloed is waarlijk drank. Die Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef door den Vader, zoo ook zal hij, die Mij eet, door Mij leven. Dit is het brood, dat van den hemel gedaald is. Het is niet, zooals het manna, dat uwe vaders gegeten hebben en evenwel gestorven zijn; altcie dit brood eet, zal leven in eeuwigheidquot; In deze woorden sprak Hij zoo duidelijk over de wezenlijke en lichamelijke nuttiging van Zijn vleesch en bloed, dat de joden en eenigen Zijner leerlingen zich daarover ergerden en zeiden: „ Hard is deze taal, ivie kan ze aanhoor en ?quot; Jesus wist, dat zij daarover morden, maar Hij herroept Zijne woorden niet, doch bevestigt ze door iets, wat hun nog ongeloofelijker en verwonderlijker moest voorkomen, want Hij zeide; „ Verergert u dit, hoe zal het dan gaan, als gij den Zoon des menschen, naar de plaats ■waar Hij te voren was, zult zien opklimmen ?quot; Als wilde Hij zeggen, dit komt u reeds zoo ongeloofelijk voor, doch het zal u nog veel moeilijker vallen te gelooven, als ik de wereld zal verlaten hebben, dan moet gij gelooven, dat dit zelfde lichaam en bloed, dat alsdan in den hemel is, op aarde gegeten en gedronken zal worden. De Zaligmaker komt dus volstrekt hunne zwarigheden niet te ffemoet.

O

Zijne aanhoorders vatten Zijne woorden te stoffelijk op en verbeeldden zich, dat zij Hem zouden moeten eten, gelijk

681

-ocr page 684-

DE GUOOTE CATECHISMUS.

zij Hem daar lichamelijk vour zicli zaj^en. Metis deze dwaling, welke Hij hun onder\'toog brengt, zeggend: . Hei is de geest, die levend maakt., het vleesch brenyt yeen voordeel aan. De woorden, die Ik te yezeyd heb, zijn (/eest en leven,1\' d.i. zij mueten niet op eene vleeschelijke wijze verstaan worden, alsof gij Mijn vleesch. zooals gewoon vleesch moet eten, maaro]) eene geestelijke wijze, d. i. door de genade des geloofs en als een geheim, dat voor het menschelijk verstand verborgen is. Morrend verwijderden zich daarop eenigen van hen, maar Hij roept hen niet terug, hetgeen Hij zeker zou gedaan hebben, — want Zijne zending was om allen voor de waarheid te winnen — bijaldien misverstand de oorzaak van hun ongeloof geweest ware; integendeel, neemt Hij daaruit weer aanleiding om Zijnen Apostelen toe te voegen: , Wilt (jij ook niet henen gaan? Petrus antwoordde: lieer, tot wien zullen wij cjacvu ? Gij hebt de woorden des levens.quot; Dit antwoord heeft zin noch beteekenis, wanneer de Apostelen niet geloofden, dat Jesus van Zijn werkelijk en waarachtig vleesch en bloed gesproken had. Johannes 6. 51 — 70.

De woorden, „het is de geest, die levend maakt, het vleesch brengt geen voordeel aan,quot; trachten dc protestanten als een argument aan te wenden om de wezenlijke tegenwoordigheid te ontkennen, en Johannes 6 in figuurlijken zin uit te leggen. De H- Joh. Chryssostomus zet hen echter op de volgende wijze op hunne plaats. „Die volgens het vleesch hoort, wint niets en ontvangt geen voordeel. Vandaar is het vleeschelijk te twijfelen, hoe Jesus uit den hemel gedaald is, hoe Hij voor Jozefs zoon gehouden kon worden, en hoe Hij ons Zyn vleesch te eten kon geven...... En hoe zouden zij dan begrijpen, wat het

682

-ocr page 685-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

is, Zijn vJeesch eten? Zij hadden dus béhoomi af te wacliteu en niet moeten weg gaan, om inlichting vragen en niet moedeloos en hoofdschudcleiul Jesus verlaten. „De woorden, welke Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven,quot; bevatten dus niets, wat vleeschelijk of aan eene

luituimijke gevolgtrekking onderworpen is...... Hom. 46

op Johau. — „Het vleesch hrenyt (/een foordeel aan\'quot; als het in den zin der joden genomen wordt, die het beschouwden als vleesch, dat aan de wilde dieren ter verscheuring , of in de hal te koop wordt geboden,quot; zegt de H. Augustiiius; maar wel in denzin waarin Jesus sprak.

60. Wanneer en hoe heeft Jesus het II. Sacrament ingesteld.

Op het laatste Avondmaal, den avond vóór Zijn lijden.

Getrouw aan Zijne belofte, verklaarde Jesus op het laatste Avondmaal, dat hetgeen Ilij nu aan de leerlingen overreikte, als spijs en drank, wezenlijk en waarachtig Zijn lichaam en wezenlijk en waarachtig Zijn bloed was, dat Hij hun vroeger had beloofd. De H. Schrift zegt dienaangaande: Nadat Jesus met Zijne leerlingen het Paaschlam genuttigd en hun de voeten gewasschen had, nam Hij brood in Zijne heilige handen, zegende het, hief Zijne oogen ten hemel en zeide tot de Apostelen: , Neemt en eet, want dit is Mijn Lichaam f vervolgens nam Hij een beker, waarin wijn was, zegende dien eveneens en bood hein Zijnen leerlingen aan zeggende: „Neemt en drinkt, want dit m Mijn bloed, het bloed van het nieuw en eeuwig verhond, dat voor u zal vergoten u\'orden tot vergeving der zonden.quot; Jesus zeide: Bit is Mijn lichaam, dat

683

I

-ocr page 686-

DE GliOOTE CATECHISMUS.

voor u zal overgeleverd worden; dit is de kelk van Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten zal worden. Deze woorden moeten in den letterlijken zin verstaan worden, en niet in den figuurlijken; want ecu figuur van Christ.us1 lichaam en van Zijn bloed kan niet overgeleverd, niet vergoten worden. Bewijzen zijn:

lo. Dat Jesus den avond vóór Zijn lijden en Zijn dood waarachtig en wezenlijk brood in Zijn heilig vleesch, en wijn in Zijn heilig bloed veranderde, hebben de Apostelen altijd geleerd en onwrikbaar vastgehouden; want aldus schrijft de H. Paulus in zijn len brief aan de Cor. 10, 16: „De kelk der zegening, dien wij zegenen, is hij niet de gemeenschap van het bloed nan Christus? En het brood, dat w j breken, is dat niet de gemeensehap van het lichaam des Heer en?quot; En in denzelfden brief 11, 23 — 29: *lk heb van den Heer ontvangen, wat ik u heb overgeleverd, dat de Heer Jesus in den nacht, tvaarin Hij verraden werd, het brood nam en dankte, het brak en zeide:

„Neemt en eet, dit is Mijn lichaam......Insgelijks nam Hij

den kelk en zeide: Deze kelk is het nieuw verbond in Mijn bloed, doet dit zoo dikwijls gij hem drinkt tot Mijne gedachtenis...... Wie onwaardig dit brood (Jesus1 lichaam)

eet, of den kelk des Heeren drinkt, die is schuldig aan het lichaam en bloed des Heeren.quot; Derhalve moet in deze spijs en in dezen drank het lichaam en het heilig bloed van Christus aanwezig zijn, anders konden zij, die het onwaardig nuttigen, zich niet bezondigen aan Zijn lichaam en bloed.

2o. Wordt dit geheim der liefde geleerd en geloofd, door de gebruiken en de gebeden der Kerk van af de eerste tijden. Zoo lezen wij in de Liturgie van Jerusalem, die

684

-ocr page 687-

DE GROOTE CATECHISMUS.

niet zonder grond nan den H. Jacobus wordt toegeschreven: „Dat alle menschel ijk en sterfelijk vleesch zwijge: het sta met vreezen en heven; han al wat wereldsch is uit uwe gedachten, want de Koning der koningen, de Heer der heeren, Christus onze God, treedt te voorschijn, om opgeofferd en tot spijs onzer zielen uitgereikt te worden.quot; En vervolgens: „Zend den H. Geest over onsen over de gave, opdat Hij door Zijne heilige en glorievolle tegenwoordigheid, dit brood het lieMiri liehaam van Christus maler., Amen; en dezen krik tot het kostbaar bloed van Christus, Amen.quot; In de Liturgie van den H. Basilius lezen wij: „Wij sraeeken U, Allerhoogste, zend Uwen I!. Geest over Uwe gave, opdat Hij haar zegene en heilige, opdat Hi} uit dit brood het eigen en kostbaar lichaam van Jesus Christus, onzen Heer, onzen God en Heiland, en uit dezen kelk, Zijn eiyen en kostbaar bloed make, hetwelk is vergoten voor het leven der wereld.quot; Hugo de Groot, een geleerd Protestant, bevestigt zelf deze waarheid en schrijft: .In alle Grieksche, Latijnsche. Arabische, Syrische en andere Liturgiën, vind ik gebeden tot God, om de geofferde gave door Zijn heiligen Geest te heiligen en haar te maken het liehaam en bloed van Zijn Zoon. Ik zeg: dus met recht, dat men een gebruik, zoo oud en al-

O rgt;

gemeen, welks oorsprong men van de eerste tijden kan nawijzen, niet had moeten veranderen.quot; En helaas ! de man, die zoo schreef, stierf zelf nog in de dwaling.

3o. Ook de overeenstemmende leer der Vaders en Conciliën bevestigt deze fundamenteele waarheid van ons heilig geloof. In de eerste eeuw der Kerk schreef de heilige Ignatius in zijn brief aan de Romeinen, alvorens te Rome den marteldood te sterven: , Het brood verlang

685

-ocr page 688-

686 |)E GROOTE CATECIHSMUS.

ik, hef, brood flos levens, het brood des hemels, dat het vleesch van Jesus Christus, van den Zoon Gods is; den drank, Zijn bloed, verlang ik, dat is de onvergankelijke liefde, het eeuwig leven.\'\' — In denzelfden geest schrijft in de tweede eeuw de H. martelaar Justinus en in de derde eeuw de Bisschop, martelaar Cyprianus. Welnu, wat men in de eerste eeuw geloofde en waar was, is nog waar en moet nog geloofd worden.

4°. Ook de geschiedenis bevestigt dit f^root geheim. Zij heeft opgeteekend, dat de eerste Christenen bij de hfidensche overheden beschuldigd werden, onder hunne godsdienstoefeningen kinderen te slachten, om zich met hun vleesch te voeden. Deze beschuldiging vindt haaigrond in \'t geloot der christenen aan Jesus\' wezenlijke tegenwoordigheid in het heilig Altaar-sacrament en in het nuttigen van Zijn waarachtig vleesch en bloed, en strekt dus tot groot bewijs, dat de christenen dier tijden Jesus\' wezenlijke en waarachtige tegenwoordigheid in het sacrament des altaars geloovig aannamen.

Wie zal het dan wagen, Jesus\' verzekering en woorden in twijfel te trekken? En toch, hoevelen worden er niet gevonden, die hunne bekrompen meening boven het onfeilbare woord van Jesus plaatsen en den spot drijven met het geloof en de leer der Apostelen, met de Liturgieën, kerkvaders, conciliën en geschiedenis, en de wezenlijke tegenwoordigheid gladweg loochenen, niet denkend aan Jesus\' woord: s Tenzij gij hrf rlcesrh van. (Jen Zoon des menxchen eet en Zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben.\'\'

61. Werd toen ook aan de Apostelen en hunne opvolgers (Bisschoppen en Priesters) de macht gegeven.

-ocr page 689-

DÊ GBOOTE CATECHISMUS.

om brood en wijn in \'f lichaam, en bloed van Christus te veranderen ?

Ja, Jesus gaf hun de macht, om datgene te doen, wat Hij zelf gedaan had; met de woorden: «Doet dit tot Mijne gedachtenis.quot;

Jesus heeft gewild, rlat alle katholieke christenen iler wereld Zijn lichaam in het H. Sacrament zouden ontvangen. Derhalve moest Hij ook zorg dragen, dat liet H. Sacrament tot de voleinding der tijden, altijd aanwezig, altijd opnieuw door de consecratie op \'t altaar bleef voortbestaan. Sloeg dat bevel en die volmacht alleen op de Apostelen, dan zouden wij sedert den dood der Apostelen, ook verstoken zijn van dit hoog heilig Sacrament, en Jesus\' woord en liefdeplan tot een leugen zijn gemaakt. Wat zouden dan de woorden van Jesus voor betee-kenis hebben : „En zoo dikwijls gij dit zult doen, zult gij dru dood des Ileeren verkondigen, tot dat Hij kome n. I. tot het einde der wereld. Daarom wijdden de Apostelen vóór hun dood Bisschoppen en Priesters en deze weer anderen tot op onze dagen, die door het H. Sacrament des Priesterschaps (onder meer) de macht ontvangen, te doen wat Christus deed, n. 1. brood en wijn in Zijn vleesch en bloed te veranderen. Wie dus geen prie-s tv r wij ding heeft ontvangen, bezit de macht niet, al zou hij ook die heilige woorden spreken — want de volmacht daartoe ontbreekt hun. — Gepast zegt de H. Gregorius van Naziance; , Alvorens de priester de woorden van Christus spreekt, is dat, wat geofferd wordt, brood ; zoodra echter de woorden van Christus gesproken worden. is het geen brood meer, maar het lichaam van Christus.

687

-ocr page 690-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Die dit niet fralooffc, heeft zijn geloof geheel verloren.quot; —

62. Hoe. moefen wij Jems in hel Allerheiligste Sacrament aanhielden ?

Wij moeten Hem daar dikwijls bezoeken en met een groot, geloof, eene onwrikbare hoop en eene gloeiende liefde aanbidden, en ons met diepen ootmoed en eerbied voor Zijn troon nedorwerpen-

Om ons daartoe aan te moedigen heeft de Kerk in den loop der tijden den H. Sacramentsdag, en het Veertiguren gebed ingesteld, en gewild, dat de Godslamp dag en nacht voor \'t tabernakel brande, .lesus ter eere, maar ook, om ons opmerkzaam te maken op Zijne geheimvolle tegenwoordigheid, en ons op te wekken tot aanbidding daar, waar Hij ons vooral toeroept: „Komt tof Mij, die heiast en beladen sijt en Tic zal u verkwikken;quot; d. i. komt allen, die wat te vragen of te klagen hebt en Ik zal uw gebed ver-hooren, uw kruis verlichten of geheel wegnemen. Ja, hier begrijp ik, waarom Gods lieve heiligen ons zulk een schitterend bewijs, een voorbeeld van geloof en liefde tot Jesus in het H. Sacrament des Altaars gegeven hebben.

o O

Het tabernakel met zijn kostelijken inhoud, was voor hen den hemel op aarde, zoodat ze de kerk tot hun huis^ hun paradijs en lustoord maakten. Vandaar, dat ze ge-heele dagen en nachten in Jesus\' tegenwoordigheid vertoefden en zoo in Zijne liefde verslonden waren, dat ze niet dachten aan eten of drinken en ongevoelig schenen voor alles, wat er rondom hen voorviel. - Vóór eenige jaren, bracht een priester te Weenen een stervende de laatste H. Sacramenten. In een der drukste straten ontmoette bij een hofrijtuig, dat stil hield. De koetsier opende

688

-ocr page 691-

DE GROOTE CATECHISMUS.

het portier en hij, die uitsteeg, viel op zijne knieën, ontving eerst den zegen en volgde toen blootshoofds den priester tot bij den zieke; waar hij geknield in de grootste godsvrucht de toediening der H. Sacramenten bijwoonde. Hij, die dat schitterend voorbeeld van geloof en liefde gaf, was Frans Jozef, keizer van Oostenrijk.

En zouden wij onze knieën niet buigen, ons hoofd niet ontblooten, wanneer wij een priester ontmoeten, die liet H. Sacrament naar een zieke of zwakke draagt; onze knieën niet buigen, als wij in de kerk in Zijne allerheiligste tegenwoordigheid verschijnen, of wel de kerk verlaten; ons hoofd niet ontblooten, wanneer wij de kerk, het tabernakel voorbijgaan? Eu toch is het waar, dat velen zich in Jesus\' tegenwoordigheid gedragen, alsof Hij niet aanwezig was in het Sacrament der liefde en te vad-sig zijn, om bij hun komst in, of bij hun vertrek uit de kerk, hunne knieën te buigen voor Hem, die door duizendmaal duizend engelen iu liet Tabernakel aanbeden wordt, die Jesus door de week alleen laten en zich tevreden stellen met Zondags zich een uur in Zijne tegenwoordigheid te vervelen. Zij bedenken wel, dat zij, die Jesus hier niet beminnen onder broods-gedaante. Hem nooit in Zijne verheerlijking van aanschijn tot aanschijn zullen aanschouwen. ■

Welk een geluk, dat God met ons en wij met Hem mogen wonen tot aan de voleinding der tijden. Met meer recht dan Mozes mogen wij uitroepen: „Waar is een volk, dat zijne (/oden zoo nabij heeft, als wij onzen God.quot; Dank God voor dit onuitsprekelijk bewijs Zijner onbegrensde liefde. Ga, gedreven door oprechte wederliefde, Hem dikwijls in Zijn heilig tabernakel bezoeken, aanbid

GE. CAT. 44

689

-ocr page 692-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Hem met godsvrucht en kinderlijk vertrouwen; klaag Hem daar uw nood, uw lijden, en Hij zal u een, Trooster en Helper, een\' Geleider op uwe wegen, een Raadgever in twijfelingen, een Fakkel in de duisternissen, een Steun in uwe zwakheden en een Trooster in uw lijden zijn.— En verschijnen wij in Zijne heilige tegenwoordigheid, dan moet dat gepaard gaan met een onwrikbaar geloof. Ja, wij moeten van Zijne persoonlijke tegenwoordigheid vaster overtuigd zijn, dan of wij Hem met eigen oogen zagen, want de oogen kunnen falen, maar Gods woord bedriegt niet, want het zegt: „Dit is Mijn lichaam.quot; Liever dus sterven , zooals de Martelaren van Gorinchem deden, dan ooit Jesus\' tegenwoordigheid in \'t heilig Altaarsacrament te loochenen of in schuldigen twijfel te trekken. Deze heilige mannen, 17 priesters en 2 kloosterbroeders, stierven liever den wreedsten dood, dan twijfelen aan Je sus\' woord.

Zegt iemand zoo als wij vroeger reeds bemerkten: „Hoe is het mogelijk, dat brood en wijn in vleesch en bloed kan veranderd worden,quot; vraagt dan op uwe beurt; „Is God niet almachtig; is het geen kleiner wonder, iets wat bestaat te veranderen dan iets, — zooals de geheele wereld — te scheppen uit niets ? Gij neemt aan, dat Jesus op de bruiloft te Cana water in wijn heeft veranderd en zou Hem dan de macht ontbreken brood in Zijn vleesch en wijn in Zijn bloed te veranderen? Gij kunt het niet begrijpen; maar is het daarom niet waar? Begrijpt gij dan, hoe uit een klein zaadkorreltje een prachtige boom voortkomt; uit den knop eene bloem en uit de bloem eene vrucht ? Zoover gaat de menschelijke stompzinnigheid; hij begrijpt zijn eigen

690

-ocr page 693-

BÉ GEOOÏK CATECHISMUS.

bestaan en de hem omringende natuur slechts in en door hare uitwerkselen en ontzegt God Zijne almacht, omdat Hij ze niet begrijpt en met zijne zintuigen niet kan bevatten. Zouden die dwazen en tragen van harte om te gelooven, nooit Jesus\' woord gehoord hebben: „Die in Mij (jelooft, zul leven (in den hemel) al ware hij ook gestorven?quot; Aan doze is liet hemelrijk toegezegd, maar niet aan de hegrijpers. Geven wij dan altijd door onzen uitwendigen eerbied in Jesus1 tegenwoordigheid te kennen, dat onze harten vervuld zijn met een onwrikbaar geloof omtrent Zijn persoon verborgen in \'t sacrament der liefde en ons loon zal zijn, Hem eens met eigen oogen te aanschouwen, zoo als Hij is.

Om ons nog meer te doordringen van Jesus\' groote liefde voor ons zwakke menschen, vraagt de cathechismus verder :

6lt;i. Tot welk einde heeft Christus het H. Geheim des Altaars ingesteld?

lo. Tot een voortdurend offer des Nieuwen Ver-bonds (hetwelk in de H. Mis wordt voltrokken,) en

2o Tot spijs onzer zielen, (door de H. Communie.)

Christus is derhalve niet alleen in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig om daar naar Zijne menschheid met ons tot aan het einde der wereld te blijven, maar ook, om Zich in de H. Mis als offer en in de H. Communie als spijs onzer zielen te geven, zoo als wij in de drie volgende lessen zullen verklaren.

TWEE EN VIJFTIGSTE LES OVER HET OFFER DER H- MIS-

04 IF a/meer wordt aan God een eigenlijk offer opgedragen ?

691

-ocr page 694-

ÖE GROOÏE CAÏECHISltOS.

A.ls eau wet\'ig bedienaar aan God aanbiedt eene zichtbare gave, welke op eenige wijze wordt vernietigd, (ora Hem als Oppeiheer te vereeren. Hem voor zijne weldaden ie bedanken, en van Hem verye-vinq of andere gun tien af te smeeken.)

Den plicht van dankbaarheid en liefde leert en vordert de rede van elk verstandelijk schepsel. Wanneer we een mensch willen eeren of dankbaarheid betoonen, plegen wij hem soms door een geschenk blijken to geven van onze achting en liefde. Geeft een onderwijzer zijnen leerling een boekje of prentje, dan erkent hij daardoor zijn vlijt en gehoorzaamheid, en eert hem. Wanneer de Perzische koningen door hun rijk trokken, kwamen hunne onderdanen hun geschenken aanbieden om daardoor hunne afhankelijkheid te toonen, en hen als heer des lands en van hunne eigendommen te erkennen, en zoo eerden zij den koning als heer des lands. Zoo ook zou men de op te brengen Rijksbelastingen, offers kunnen noemen, gestort op het altaar des Vaderlands. De koning roept, en de jongeling wordt soldaat en brengt des noods zijn leven ten offer voor de verdediging des Vaderlands. Bij verschillende gelegenheden, zooals verjaardagen, geeft men elkander geschenken, of om onze dankbaarheid, öf wel onze liefde en genegenheid te betuigen en deze giften zijn offers, die men zich tot dat einde getroost.—

Het is echter onmogelijk God, den Onzichtbare, op die wijze geschenken aan te bieden en Hem persoonlijk giften te overhandigen en Hij beeft daaraan voor Zijn bestaan ook geen behoefte; daarom worden de giften. God aangeboden, op eenige wijze vernietigd. Wilden de joden

692

-ocr page 695-

DE GKOOTE CATECHISMUS

b. v. een lam offeren, dan werd het dier door een priester geslacht en (deelsgewijze) verbrand. De jood, die het offer aan God schonk; legde daardoor de bekentenis af: „Gij, o God, zijt de Heer over het leven van dit dier, over het leven en den dood aller schepselen en dus ook over mijn leven. Met ziel en lichaam ben ik uw eigendom. Ik ben schuldig mijn leven voor U te geven, mijn bloed voor U te vergieten. Doch, omdat Gij mijn leven en bloed niet vordert (zooals Gij van de martelaars vordert, die daarom ook hot grootste offer aan u brengen n. 1. hun leven), schenk ik U het leven van dit lam om mijne geheele afhankelijkheid aan U te betoonen, en hen bereid, des verlangd, ook mijn leven voor U ten offer te brengen.quot; Tot nadere verklaring vraagt de Catechismus :

05. Heeft men reeds vóór Christus offers aan God opgedragen ?

Ja, van den beginne der wereld af; in het Oude Verbond, had God dit bepaaldelijk voorgeschreven, zooals wij vroeger zagen.

1°. „De mensch, wiens rede door de zintuigen, tot de kennis komt van personen en zaken, vindt het natuurlijk, zijne gemoedsbewegingen door zinnelijke teekens uit te drukken en omdat hij zijne totale afhankelijkheid van God niet loochenen kan_, dwingt hem de rede, dat hij, even als hij zijne wereldsche overheden, ten teeken van afhankelijkheid, zinnelijke gaven aanbiedt, zoo ook, en op dezelfde wijze. God, Zijn oppersten Heer, de verschuldigde onderdanigheid en liefde bewijze,quot; aldus verklaart de H. Thomas van Aquino; zoodat in de natuurwet zelve, de grondslag

693

-ocr page 696-

DE GROOTE CATECHISMUS.

van \'t offer ligt opgesloten. Vandaar, dat wij geen tijdperk en geen volk zonder offers aantreffen. Gaan wij terug tot de wieg der menscliheid, dan zien wij, dat God Adams wil als offer vraagt en Caïn en Abel reeds offers opdragen, bestaande in de eerstelingen der vruchten en der kudde. Later zien wij Noë en Abraham hetzelfde doen. Moz. 8. en 15v terwijl de laatste zelf besloten was op Gods eisch, zijn eenigen zoon, ter eere Gods, te slachtofferen, doch hierin door een engel verhinderd werd. En welk heidensch volk was, of is op dit oogenblik van offers verstoken? En ofschoon hun idee dienaangaande valsch is en tot de afschuwelijkste zonden en wreedheden aanleiding gaf en nog geeft, strekt het evenwel tot bewijs, dat het offer zoo oud is als de mensch zelf en zijn grondslag in de natuurwet vindt en in de beginselen Tan elk geloof, al is het ook dwaalgeloof, ligt opgesloten.

2o. Het ware idea des offers vinden wij echter bij de joden. En geen wonder, want God zelf liet door Mozes bekend maken, welke offers Hij verkoos en tevens den aard en de wijze van ze op te dragen. In die wetgeving worden de offers verdeeld in u) bloediye en h) onbloedige.

a) Tot de bloedige behooren lo. het brandoffer, dat het hoogste en voortreffelijkste werd geacht; liet offerdier werd dan geheel verbrand. 2o. Het dank- en s/neck-offer, waardoor men God of voor ontvangen weldaden bedankte of nieuwe afsmeekte. Bij dit offer werd slechts een gedeelte van het offer verbrand en het overige dooide familie van den schenker genuttigd of wel onder de armen verdeeld. 3o. Het zoenoffer, om vergiffenis van zonden af te smeeken. Hierbij werd een gedeelte van het offerdier op \'t Altaar en het andere buiten de stad

694

-ocr page 697-

DE GROOTE CATECHISMUS.

verbrand, om zoo aan te duiden, dat de zondaar verdiend had, buiten de gemeente gesloten te worden.

h) Tot de onbloedige offers behooren: lo, de spijsoffers, bestaande uit het fijnste ongezuurde meel, uit brood, olie en wierook, 2o. de drankoffers bestaande in wijn, die ter eere Gods, op \'t altaar werd gestort en; 3o. de reukoffers. welke dagelijks, des morgens en des avonds op het gouden reukaltaar moesten opgedragen worden. quot;Wij lee-ren hier weer, dat al die offers zichtbare gaven waren, welke op eenige wijze vernietigd werden om God te loven, te danken, te vragen of vergiffenis te smeeken.

66. fVat loas van die offers des Ouden Verbond» voorspeld?

Dat zij zouden vervangen worden door een nieuw onbevlekt offer, dat altijd en op alle plaatsen aan God zou worden opgedragen.

Dat immer-durend offer des Nieuwen Verbonds werd reeds door den profeet Malachias 1, 1U -11, voorzegd. Daar ter jdaatse zegt de profeet m den naam Gods tot de priesters des Ouden Verbonds : r-lk heb geen welgevallen in u, zegt de Heer der Heirscharen, en neem uit uwe hand geen offers meer aan; want van af den opgang dei-zon tot aan haren ondergang zal Mijn naam groot zijn onder de volken, en op alle plaatsen zal Mijn naam geofferd en een rein spijsoffer worden opgedragen.quot; En

67. Waarom zouden de offers des Oxiden Verbonds afgeschaft loorden ?

Omdat zij slechts voorteekenen waren van het onbevlekt offer des Nieuwen Verbonds.

695

-ocr page 698-

0;\'0 DE GROOTE CATECfHSJIUS.

Deze waarheid leert ons de H. Paulus in zijn brief aan de Hebreen, 10, Pgt;, 9, waar liij den Heiland bij Zijn intrede in de wereld laat zeggen: „Aan brandoffers hebt Gij (o God) geen welgevallen. Toen sprak Ik: Zie Ik

kom om Uw wil, o God! te volbrengen...... Hij heft alzoo

de eerste op, om het andere te bevestigen.quot; d.i. Hij heft de vroegere orde der dingen (de offers des Ouden Verbonds) op, om eene volmaaktere ia te voeren, en dit geschiedde, omdat ze niet toereikend waren, God naar waarde te eeren eu te verzoenen. Hoe ook zou het bloed van een lam God vereeren, zoo als Hem toekomt; hoe het bloed eens diers Hem mot ons verzoenen? Waarom had God de offers des Ouden Verbonds verordend en voorgeschreven? Omdat ze de joden heen wezen op het volmaakte offer, waardoor God alleen naar waarde geëerd en verzoend wordt. Vandaar dat ze slechts een zekeren tijd mochten voortbestaan en daarna moesten verdwijnen, om plaats te maken voor het reine en onbevlekte offer des Nieuwen Verbonds, hetwelk zij voorafbeelddcn. Eu toen eenmaal het voorafgebeelde aanwezig was, dat tegelijk lof-, dank-, smeek- en zoenoffer is, toen de werkelijkheid bestond, moesten als van zelf de schaduwen en voorafbeeldingen als overbodig worden opgeheven. Het morgenrood, dat den opgang der zon aankondigt, verdwijnt, zoodra zij is opgegaan. Zoo ook zwegen de profeten, die Jesus\' komst voorzegden, toen Hij, wiens komst zij aankondigden, werkelijk verschenen was.

68. Welk is het onbevlekt offer des !\\ieutve?i Verbonds?

Üat offer is Jesus zelf, die zich eens aan liet

-ocr page 699-

BE GEOOTE CATECHISMUS.

kruis heeft opgeofferd en die nog voortdurend, onder de gedaante van brood en wijn, dat kruisoffer wil vernieuwen.

Ter verduidelijking: God verlangde van den mensch in het paradijs reeds eeu zeker offer (in den oneigenlijke:! zin). Zij moesten zich onthouden van de verboden vrucht, du3 van deze vrucht afstand doen, haar in ze-keren zin God opofferen. Gehoorzaamden zij, dan lag daarin de belijdenis opgesloten: God is onze opperste Heer, wien wij geheel toebehooren en onvoorwaardelijk moeten gehoorzamen. Zij zouden God dan geëerd en aangebeden hebben, zooals Hem toekomt. Doch zij weigerden God helaas de verschuldigde gehoorzaamheid. En in plaats van Hem te eeren, onteerden en beleedigden zij Hem, eene beleediging zoo oneindig groot als God zelf, en wat zij God weigerden, gaven zij den duivel; zij gehoorzaamden hem, deden zijn wil. Daardoor verloren zij de heiligmakende genade, zooals door elke doodzonde geschiedt en werden schuldig aan de eeuwige straffen enz. En daar God eene voldoening vorderde overeenkomstig de boosheid der zonde, d. i. verlangde, dat de menschen Hem eene oneindige eer zouden bewijzen en bereiden, zoo als ze Hem door de zonde oneindig beleedigd hadden, stonden zij daar als eindige wezens zijnde, met eindige gaven, machteloos, konden zicii-zelven niet opbeuren uit him diepen val en moesten dus reddeloos verloren gaan. Doch zie, waartoe alle menschen, alle heiligen en alle engelen te zamen niet in staat waren, dat deed Jesus Christus, de Godmensch; Hij werd mensch om voor Adam\'s zonde en voor die van alle menschen te voldoen. Hij

697

-ocr page 700-

DE GROOTE CATECHISMUS.

bracht God het offer, door den tnensch Hem geweigerd, en daardoor oneindige eer en oneindige vreugde. De mensch werd ongehoorzaam om eene kleine zinnelijke vreugde, een klein stoffelijk goed te kunnen genieten. En Christus, de Zoon Gods, is daarom zelf gehoorzaam geworden en heeft van alles afstand gedaan, (het Gode ten offer gebracht) wat de mensch pleegt hoog te schatten en waardoor zij God beleedigen (vermaak. rijkdom, eer) en schonk Zijn Vader het hoogste en beste, wat Hij bezat, Zichzelven, Zijn lichaam, bloed en leven, omdat Zijn Vader dat wilde en de zonde, indien zij geheel voldaan moest worden, zulk een offer van oneindige waarde eischte. Hij schonk dus Zijn Vader eene zichtbare gave, Zichzelven, Zijn lichaam en bloed; Hij bracht dat offer door een zekere vernietiyinj aan het kruis, erkende daar door God als Opperheer en bewees Hem de verschuldigde aanbidding en onderworpenheid. Zijn dood was derhalve een offer, en dat offer droeg Hij op voor ons.

Dit immerdurende offer des Nieuwen Verbond» werd door het offer van Melchisedech reeds vooraf gebeeld; want, zoo als Melchisedech brood en wijn offerde, 1 Mozes 14, 18, zoo ook offerde Jesus Zichzelven op onder de gedaante van brood en wijn tot aan de voleinding der eeuwen (op witten Donderdag). Daarom lezen wij ook Ps. 109: „de Heer heeft gezworen, en het zal Hem niet rouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedechdie eenmaal koning van Salem was. Ook Malachias, de profeet, heeft dat offer voorzegd, ge-lijk wij boven zagen en dat reine spijsoffer door hem voorspeld en op alle plaatsen tot aan de voleinding der

698

-ocr page 701-

HE GROOTE CATECHISMUS.

wereld op te dragen is Jesus zelf, de Zoon Gods, die Zich aan hefc kruis aan Zijn hemelschen Vader opdroeg voor de verlossing der zondige menschheid: die te gelijk Offer en Offeraar was en nog is en Zichzelven, op \'t altaar des kruises als een onbevlekt offer Zijn Vader aanbood. Heb. 9, 14.

69. Hoe noemen wij dat offer, in hetwelk Jcsus onder de gedaante van brood en wijn zich voortdurend opoffert?

Dit noemen wij het offer der Mis.

Over de „Misquot; schrijft de H. Bonaventura: het woord „Misquot; komt van ,niitterequot; zenden.\'\' Het stelt immers de zending voor van Jesus, als Middelaar tusschen God en de menschen: Grod zendt Christus Zijnen Zoon op \'t altaar en de geloovige Kerk zendt Christus terug tot Zijn Vader om bij Hem onze Voorspreker te zijn.

70. Waarom roil Jesus het kruisoffer voortdurend vernieuwen ?

lo. Tot gedachtenis aan Zijn lijden en sterven of aan het kruisoffer, en 2o. om ons de verdiensten van dat offer toe te voegen.

1«. Wij hebben boven gezien (vr. 65.) dat de mensch van af de eerste bladzijde zijner geschiedenis offers opdroeg door de natuurwet, of door God zelf daartoe gebracht: hij gevoelde zich gedrongen zijne afhankelijkheid en liefde aan God Zijn Opperheer te bewijzen. Die behoefte van \'t menschelijk hart ging zoo ver, dat de volkeren,. die het begrip en de kennis van den waren God verloren; goden maakten, en dit maaksel hunner handen

699

-ocr page 702-

DE 6R00TE CATECHISMUS.

700

goddelijke eer bewezen en offers opdroegen. Welnu, als de godsdienst van heiden- en jodendom steunde op het offer, kan dan het christendom, waarvan de joodsche godsdienst slechts een schaduwbeeld was, dat steunpunt, dien grondslag ontberen? De jood offerde eiken dag ter eere Gods en zou de christen dien plicht dan niet dagelijks moeten vervullen? Zeker, daarom sprak Christus ook: „Doet dit tot Mijne gedachtenis; en de apostel Pau-lus sprak: , Zoo dikirijls gij dit zult doen, zult gij den dood des Heeren verkondigen, tot dat Hij komequot; (op \'t einde der wereld). Zij moesten dus brood nemen en wijn, die spijzen zegenen. God daarvoor bedanken en dan door de woorden te spreken, die Jesus\' sprak, in Zijn heilig lichaam en bloed veranderen. Doordatgenete doen, watJesus eenmaal gedaan had, moest dus de gedachtenis van Jesus\' offer onder de geloovigen levend gehouden worden. Zoo dikwijls derhalve het misoffer wordt opgedragen, wordt ook op \'t altaar, waarop dat geschiedt, op eene geheimzinnige wijze het offer voltrokken, dat Jesus aan \'t kruis heeft opgedragen, door tusschenkomst van den priester, die in den persoon van Christus Jesus onder broodsgedaante dat offer aan den hemelschen Vader opdraagt. Daar het ons niet gegeven was bij Jesus\' kruisdood op Calvarie tegenwoordig te zijn, den stervenden Heiland te beschouwen en Hem tuet ons zei ven den Vader op te dragen, heeft de goede God gewild, dat de Heiland en Zijn offer door de H. Mis, voortdurend onder ons zou blijven wonen en opgeofferd worden. In dat hoogheilig geheim bezitten wij dus denzelfden Offeraar, dezelfde Offerande als op den Calvarieberg. Hoe goed is God, hoe ondankbaar de mensch!

-ocr page 703-

Dfe GROOTE CAtECHISMOS.

2o. Dat wij bedelaars zijn, toonen wij dagelijks door te bidden: „geef ons heden ons dagelijks brood.quot; Wij zijn dus uit eu door ons zeiven niet in staat in de stoffelijke en veel minder in de geestelijke behoeften van ons hart te voorzien. Dat wist Jesus, en Hij erbarmde zich over ons door Zijn kruisdood, en Zijn bloed riep alle genade, die wij noodig hebben, van Zijn Vader over ons af en tevens de vergiffenis onzer zonden. Doch ontvingen wij toen reeds die genade en vergiffenis? Neen , wij moesten het handschrift Zijns Zoons, Zijn kruisdood en Zijne verdiensten aan den Vader toonen — en dat geschiedt in het heilig Misoffer. Daarin toont Jesus Hem Zijn gekruisigd lichaam en Zijne wonden; Zijn voor ons vergoten bloed en van af het altaar stijgt het gebed hemelwaarts: „Zie, Vader ook voor deze.....menschen

heb Ik dat alles geleden; voor hen ook offer Ik TJ Mijn lichaam en Mijn bloed, Mijn lijden en sterven, opdat Gij U hunner erbarmen en vergiffenis en genade zoudt gelieven te schenken. Die vergiffenis en genade wordt ons dan ter wille van Jesus, om Zijne verdiensten, door den Vader geschonken, (voornamelijk door de H. Sacramenten, door het gebed en op andere wijzen) en daarom sluiten in den regel onze gebeden ook met de woorden: .Dit vragen wij door Jesus Christus, onzen Heer.\'\' Inderdaad, het kruis is de levensboom, waaraan hemelsche vruchten groeien en de H. Mis is de genadeschaal, waarop ons de vruchten worden aangeboden.

71. Welk onderscheid is er iusschen het kruisoffer e7i \'t Misoffer?

Het is eigenlijk het zelfde offer, maar het kruia-

701

-ocr page 704-

702 OE GÜOOTE CATECHISMUS.

offer was een bloedig en de Mis is een onbloedig offer.

Beide, kruis- eu misoffer zijn in hun wezen hetzelfde offer, want in beide is het dezelfde Jesus Christus, die ottert en geofferd wordt, (de offerende priester is slechts de dienaar en zichtbare plaatsbekleder van Christus, zóó zelfs, dat Hij bij de consecratie of wezensverandering zegt: „Dit is mijn lichaamquot;) er bestaat alleen verschil in den aard en de wijze van offeren. Aan het kruis offerde zich de Heiland op eene bloedige wijze, in de Mis offert Hij zich echter op eene onbloedige wijze. en vernieuwt zoo het kruisoffer zonder meer te lijden of werkelijk te sterven. Zeer juist verklaart ons het Concilie van Trente; „Het H. Misoffer is het eenige en het zelfde offer, door denzelfden Jesus opgedragen, die Zich-zelven eenmaal aan het kruis heeft opgeofferd, en Zich nu door het ambt des priesters op het altaar offert, zonder dat er tusschen het een en het ander eenig onderscheid bestaat; maar wel in den aard en de wijze; daar namelijk het otter op het kruis een bloedig was en het offer op het altaar oen onbloedig is. Wie dus zeo-t-

0 O *

-In de H. Mis wordt God geen waar en eigenlijk otter opgedragen /\' hij zij in den ban.

72. JFat is dan het offer der Mis?

De Mis is een onbloedig offer des Nieuwen Ver-bonds, waarin het lichaam en bloed van Christus, onder de gedaante van brood en wijn aa:i God alleen wordt opgedragen ( Cat. vr. 70. 73).

-ocr page 705-

DE GKOOTE CATECHISMDS.

DRIE EN VIJFTIGSTE LES.

OVER NET OFFER DER MIS-

73. IVanneerheeft Jesits het H. Misoffer ingesteld?

Op het laatste avondmaal; toen offerde Hij Zijn lichaam en bloed op en beval Zijnen Apostelen hetzelfde te doen (Verg. vr. 60).

Beknopt zal ik nu lo. verklaren, aan wien het H. Misoffer wordt opgedragen en 2o. dat de H. Mis alle offers des Ouden Verbonds in zich vereenigt, zooals vroeger reeds is aangeduid.

lo. Het offer der Mis wordt God alleen opgedragen, omdat Hij alleen de Heer is, wien alleen alle eer, lof en aanbidding toekomt, Hem alleen kan dus het heiligste , aanbiddeuswaardigste offer worden aangeboden als de hoogste daad van lof en eer. Soms wordt de H, Mis ook wel Ier eere van een heilige opgedragen, dat wil zeggen, de gedachtenis van een der heiligen gevierd, en daarbij danken wij God voor de hun verleende genade en smeeken hunne voorspraak af. De Mis ter eere van een heilige opgedragen is dus niets anders, dan gedurende het offer den naam van den heilige noemen en door zijne voorbede God smeeken, dat Hij ons de vruchten van de H. Mis laat toekomen. „De kerk leert niet, dat het offer den martelaren wordt opgedragen , maar God alleen, die hen gekroond heeftaldus leert het Cone, van Trente. En de H. Augustinus schrijft: „Voor de martelaren richten wij geen altaren op, voor hen bezitten wij geen priesterschap, geen godsdienst en geen offer,quot; terwijl de H. Cyrillus van Alexandrië zegt: , Wij maken melding (bij het H. Misoffer) van de Patriarchen, Profeten,

703

-ocr page 706-

DË GROOTE CAtECHISllUS.

Apostelen en Martelaars, opdat God door hunne voorbeden, onze gebeden genadig moge verhooren.quot; Wie der ge-loovigen heeft ook ooit geleerd of gehoord, dat de priester, alvorens de Mis te beginnen, de intentie maakt: „Ik draag dit Misoffer op b. v. aan den H. Petrus, den H. Ambrosius of aan de H. Maagd Maria.quot; Het offer dei-Mis wordt derhalve op de graven der heiligen, God alleen aangeboden om Hein te bedanken voor de genade hunner overwinning en ons zeiven, door de hernieuwde gedachtenis aan hen, met Gods bijstand, tot navolging in den strijd op te wekken.

2o. De H. Mis sluit als offer in zicli al de offers des Ouden Verbonds, want het is

a) een lofoffer. „Zeker, God wordt door geen offer hooger lof en eer gebracht dan door de H, Mis, door onzen goddelijken Heiland aan Zijne kerk geschonken, om Zijn Vader een volmaakt waardige eer te bewijzen,quot; zoo spreekt de H. Laur. Just. Ja, in de H. Mis wordt God lof en hulde gebracht , de Vader geëerd, door Jesus Christus, die God van God en God met God is.

h) Een dankoffer voor alle van Hem ontvangen genaden en weldaden. Daarin woidt het Misoffer ook „Eucharistie,quot; d. i. dankzegging genoemd. De Heiland leerde ons dat door Zijn voorbeeld. Toen Hij immers op witten Donderdagavond de eerste H. Mis opdroeg, richtte Hij vóór de wezensverandering of consecratie. Zijne oogen ten hemel en dankte Zijn Vader voor de gave van brood en wijn en voor het geluk, Zichzelveu te mogen offeren onder de gedaante van brood en wijn voor \'t heil der menschen: r Met een vurig verlangen heb Ik verlangd dit offer te mogen brengen; Vader Ik dank fT,quot; zoo sprak Hij.

?04

-ocr page 707-

nE GKOOÏB CATECHISMUS. 705

c) Een zoenoffer voor de vele beleedigingen en zonden God aangedaan. In de Mis toch, wordt het onschuldio-

O

Lam Gods geofferd, dat de zonde der wereld wegneemt. Zijn bloed roept ten hemel, niet om wraak, zoo als het bloed van Abel, maar om genade en vergiffenis. Christus heeft deze waarheid uitgesproken, door de woorden te spreken, welke de priester bij elke H. Mis herhaalt: „Dit is Mijn bloed, hetwelk voor n zal vergoten worden tot vergiffenis der zonde.quot;

d) Een smeekoffer, om van God hulp in allen nood, naar lichaam en ziel af te smeeken. Inderdaad het offer der Mis is de gouden hemelsleutel, welke op alle deuren van Gods schatkamers past. Christus bidt en smeekt daar voor en met ons. Wat zal de Vader ons dan weigeren ? j Zonder den minsten twijfel schenkt God ons alles, wat wij door het Misoffer van Hem vragen, ja, dikwijls schenkt Hij ons datgene, waarom wij niet gevraagd hebben. (II. Hieronymus.)

74. Wie is de wettiye bedienaar der //. Mis? De priester, die in den persoon van Christus offert.

Wanneer een rijk man zijn bediende geld geeft om het den armen uit te deelen, wie geeft dan aalmoezen? De rijke man, niet waar? Want, ofschoon hij liet niet eigenhandig overreikt, bedeelt hij toch, door bemiddeling, door de handen van zijn knecht, den arme. De knecht is de plaatsbekleeder, het werktuig, waarvan hij zich bedient om zijn doel te bereiken Eveneens is het altijd Jesus, die het Misoffer opdraagt, en zich zeiven aan den Vader opoffert. Maar Hij bedient zich daarbij van den priester, want door de woorden des priesters komt Jesus

GE. C\'iï. 45

-ocr page 708-

DE r.BOOTF, CATEflTIRMtTS.

op het altaar in de handen van den priester en offert zich op aan Zijn Vader. Do priester is dus het werktuig, waarvan Jesus zich bedient, Zijn plaatsvervanger. Hij offert in den persoon van Christus, of wel, Christus offert door hem. Daarom zegt de priester bij de consecratie ook niet: „Dit is het lichaam van Christus,quot; maar „dit is Mijn lichaam,quot; ten teeken, dat hij in den naam, in den persoon van Christus spreekt en handelt.

TT). Welke zijn de voornaamste deden der Mts?

Deze drie: de offerande van brood en wijn, de consecratie en de nuitiging.

Alvorens deze vraag te verklaren, zal ik in \'t kort aanstippen, wat de Mis eigenlijk voorafgaat. — Wanneer de priester den kelk op \'t altaar geplaatst en het boek open heeft geslagen, begint hij, staande aan den voet des altaars, de IT. Mis met een gebed, waarin hij, evenals de rouwmoedige tollenaar,op zijne borst slaande, bekent zondaar te zijn, onwaardig om liet ontzaglijk offer op te dragen, en bidt God om vergiffenis en genade om waardig te offeren. Op dit oogenblik moeten ook wij onze zonden betreuren, vergiffenis onzer zonden en genade vragen om de H. Mis met vrucht bij te wonen. Dan treedt de priester op \'t altaar en na een kort inleidingsgebed, volgt de sIvyrië eleison,quot; d.i. Heer ontferm U onzer — als eene herinnering aan den ellendigen toestand van het menschdom vóór Christus komst op aarde,-Daarna volgt de „Gloria in ex el sis,quot; (wanneer er geen zielen- of boete Mis wordt opgedragen) een heerlijk vreugdeen dankgebed, dat met de woorden begint, door de Engelen bij Jesus\' geboorte gezongen; „E ere zij God in den

706

-ocr page 709-

DE GROOTE CATECHISMUS 707

hooge enz. InmuWels kunnen wij God onzen goeden wil toon en en Hem loven en prijzen met alle Engelen en heiligen, dat Hij ons Zijn Zoon als Verlosser heeft geschonken. Verder volgen eenige gebeden en den Epistel — eene lezing uit het Nieuwe of Oude Testament — en daarna het Evangelie. Zoodra de priester het Evangelie leest of zingt, staan wij op, ten teeken, dat wij eerbied hebben voor Gods woord en bereid zijn naar de voorschriften, daarin ons gegeven, te leven. Op hetzelfde oogenblik teekenen wij ons op ons voorhoofd, mond en borst, met het teeken des kruises, en geven daardoor te kennen, dat ons verstand Jesus\' leer aanneemt, onze mond ze belijdt en ons hart die leer getrouw zal bewaren. Dan volgt er in sommige Missen de „Credo,quot;\' d.i. geloofsbelijdenis. Gedurende den Epistel, het Evangelie en de Credo, kunnen wij overwegen, wat en met welken onvermoeiden ijver Jesus drie jaar geleerd heeft en zoo het geloof aan Zijn heilig woord in ons opwekken. Alles wat ik hier gezegd heb, zijn slechts plechtigheden en gebeden, die de eigenlijke H. Mis, bestaande uit de offerande, consecratie en de mittiying, voorafgaan en inleiden.

70. IFnnnecr geschiedt de offerande van brood en wijn ?

Na het Evangelie, als de priester den kelk out-dekt en brood en wijn aon God opdraagt.

Men moet dit niet verstaan, alsof Jesus op dat oogenblik reeds geofferd wordt; dat geschiedt eerst bij de consecratie of wezensverandering; dan komt Jesus persoonlijk op het altaar, maar de priester smeekt Gods zeereu

-ocr page 710-

v OS DE (.iEOOTE CATECHISMUS.

af over \'t brood en den wijn, opdat deze later in Jesus licliaam 011 bloed Yeranderd worden. Hier moeten we ons met Jesus geheel aan God als offer aanbieden, d. i. Hem oprecht beloven, altijd en in alles te zullen gehoorzamen en alles wat wij bezitten, geld en goed, handen, mond, tong, oogen, verstand en hart ter Zijner eer te o-ebruiken; nooit van dat alles misbruik te maken, en

o

met lichaam en ziel Hem onverdeeld toe te behooren. Na de opoffering volgen eenige gebeden en vervolgens de „Pra;fatie,quot; een lofgezang en tevens eene hartelijke dankzegging voor Gods weldaden, sluitende met de drie maal herhaalde lofspraak, „Sanctus,quot; d. i. Heilig, waarmede de engelen Hem in den hemel zalig prijzen.

77. Iloc moeten wij by de offerande niet den priester bidden?

Dat God met. welgevallen die offerande moge aannemen, opdnt zij ons en allo Christenen, zoowel den overledene als den levende, tot heil moge verstrekken.

78. Wanneer yeschiiedt de consecratie?

In het midden der Mis, als de priester, door de woorden te spreken, welke Jesus — zelf gesproken heeft, het brood en den wijn in het lichaam en bloed van Christus verandert.

Voordat de priester daartoe echter overgaat, bidt hij voor den Paus, den Bisschop, voor alle katholieke Christenen , voor alle aanwezigen en voor allen, die hij op eene bijzondere wijze wil gedenken en aan God aanbevelen. Dan ook moeten wij bidden voor onze ouders, (die nog leven) voor bloedverwanten, Paus, Bisschop,

-ocr page 711-

IJE GBOOTE CATECHISMUS.

Priesters; vrienden en bekenden, voor armen en ongeluk-kigen. — Daarna volgt niet alleen het voornaamste; maar ook het heiligste cu pleclitigste oogeublik der H. Mis: do consecratie. Op het woord des priesters komt Jesus Christin op het altaar en offert Zichzelven op aan Zijn homelschen Vader. Eerst verandert hij het brood m Jesus1 lichaam, vervolgens den wijn in Jesus\' oloed eu toont beide het volk ter aanbidding.

79. U\'at moeten wij onder de consecratie doen?

In diepen eerbied neergeknield, moeten wij Jesus aanbidden, die daar waarachtig tegenwoordig is, eu Zich-zelven voor ons aan God opoffert

Na deze heiligste der handelingen, bidt de priester voor de overledenen — en wij moeten de overledenen alsdan ook iu onze gebeden gedachtig zijn, vooral de zielen van heu, die ons het naaste of het meest verlaten zijn. — Vervolgens zegt hij den „Pater nostcr, ot hot „Onze Vaderquot; en het „ Agnus Uei,quot; d. i. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm u onzer, eu richt zich daarbij onmiddellijk tot Jesus Christus, die vóór hem ligt op het altaar.

SO. Wanneer (jeschdedt de nathying?

Op het laatst der II. Mis, als de priester het allerheiligste vleesch en bloed van Jesus nuttigt.

De nuüijing of de communie is het laatste van de drie voornaamste deelen der H. Mis. Na eenige gebeden, waardoor de priester de genade vraagt om waardig te coni-municeeren, neemt hij de H. Hostie iu zijne linkerhand, slaat met de rechterhand op de borst, zeggende: Heer!

709

-ocr page 712-

\' 1quot; DE ghoote catechismus.

ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak (in mijn hart) komt, doch spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden, d i. eenc waardige woonplaats voor U. Daarna nuttigt hij eerbiedig liet H. Sacrament. — Vervolgens bidt hij nog ecnige gebeden, zegent liet volk en sluit de H. Mis, met de woorden: Jte mis,sa est,quot; Gaat, de Mis is geëindigd.

8]. Hoe moeien wij de tiultiging bijwonen?

.Met eeu levendig geloof en met berouw ovtr onze zonden, moeten wij verlangen en bidden, dat ook wij Jesus op eene geestelijke wijze mogen ontvangen

82. Wat kunnen wij door het godvruchtiy bijiooncn der H. Mis van God verkrijgen?

Veelvuldige genade en gunsten voor ons zeiven, voor anderen en voor dc zielen in het vagevuur.

De rjjke vruchten en de groote genade door het H. Misoffer uitgewerkt, kunnen door geen menschelijke taal uitgedrukt worden. De H. Lain*. Just leert; „De zondaar wordt door dat offer met God verzoend, de rechtvaardige

\' o

rechtvaardiger, de verdiensten dor goede werken worden daardoor vermeerderd, de grootste zonda vergeven, de deugd neemt toe, de ondeugd af: liet overwint dc bekoringen des duivels, geneest de zieken, richt de gevallenen op en ondersteunt de zwakken.quot; Als zoenoffer heeft het echter de schitterendste uitwerkingen; want liet ver-krijgt van de goddelijke barmhartigheid a) de genade van berouw en boetedoening over onze zonden en h) de vergiffenis en kwijtschelding der tijdelijke straffen, daaraan Terbonden. Wel mocht de H. Thom. van Aquino zeggen: „In dat heilig geheim ligt de reiniging van zonden op-

-ocr page 713-

UE GKOOTE CATECHISMUS.

gesloten, daar het öf de toekomstige verhindert, óf, omdat God, krachtens dit geheim, de zonden, welke de raensch niet herkend of vergeten heeft, kwijtscheldt.quot;— Met het oog oj) deze verhevene uitwerkselen, roept de H. Timo-llieus, Bisschop van Jerusalem uit: „Aan de H. Mis dankt de wereld haar behoud; zonder dat offer was zij reeds lang in het niet teruggezonken.quot; Ziehier nog het gevoelen, ten opzichte van de vruchten der H. Mis, van een ander heilige: hij zegt: „Leg al uwe goede werken, bidden, vasten, aalmoezen, verstervingen dés vleesches enz. op eene schaal en op de andere slechts een enkel H. Misoffer en gij zult bevinden, dat de H. Mis zwaarder weegt bij God dan al uwe. goede werken; want in de II. Mis draagt de Zoon Ziehzelven aan den Vader op, in wien de geheele volheid der Godheid verborgen is, die eene onvergelijkelijke en oneindige verdienste bezit, wiens voorbede almachtig is, en die Godmensch bidt daar met en voor ons. Door Zijn voorbeeld en Zijn offer smelten de dagelijksehe zonden weg als was voor het vuur, en voldoet Hij de rekening der verschuldigde tijdelijke straffen.quot;

Ojo wien worden de vruchten der 11. Mis toeyepaat?

In het algemeen gesproken, komen zij de geheele Kerk, zoowel den levenden als den dooden, ten goede. Daarom bidt de priester reeds terstond bij het begin der eigenlijke Mis na de Praefatie voor alle rechtgeloovige belijders van het katholieke en Apostolische geloof, en na de consecratie smeekt hij tot God: „Gedenk Heer! Uwe dienaars en dienaressen, die met het teeken des geloofs ons zijn voorgegaan en nu rusten in vrede.quot;

711

-ocr page 714-

DE 6R00TE CATECHISMUS.

In liet bijzonder plukken de vruchten der H. Mis a) de priester, die offert, b) zij, die het offer voor levenden of dooden laten opdragen en c) allen, die er godvruchtig en met aandacht bij tegenwoordig zijn en eindelijk d) alle geloovigen. Maar de bijzondere vrucht van dit offer ontvangt hij, voor icicn bejjualdeiijk liet door den priester wordt Opgedragen. „Lhe s morgens de H. Mis aandachtig en niet godsvrucht bijwoont, zal op dien dag in alle zaken gelukkig zijn: in zijn arbeid, in de wetenschap, in tfoop en verkoop, op reis en te huis, en dc Heer y.iil hem naar lichaam en ziel versterktn,quot; aldus zegt de 11. Chrj-sostomus, ofschoon men dien zegen, door eigen schuld verijdelen kan. — De gewijde geschiedenis verhaalt, dat de II. Petrus Damianus nog jong zijnde een geldstuk vond, en na vergeefsche pogingen om den eigenaar op te sporen, daarvoor een II. Mis tot lafenis der geloovige zielen liet lezen. Zijn toestand, tot dien tijd ellendig en beklagenswaardig, veranderde terstond , en hij werd een groot heilige en een sieraad der H. Kerk. Was zijn loon niet groot? -

Werd het H. Misoffer van af\' de tijden der Ajtmtelcn altijd omgedragen ?

Ja, dit wordt door onwraakbare getuigen bevestigd cn wel; lo. Door den H. Paulus. Hij schrijft aan de Heb. 13, 10: „ If y hebben een altaar, ■waarvan zij niet mogen eten. die ds hondshut dienen,\'\' en waar een altaar is, moet ook een offer zijn. En in zijn eersten brief aan de Co-rinthen 11, 23. en 10, 16. schrijft hij: „Zooals ik het w heb overgeleverd, zoo heb tk het van den Heer ontvangen,\'\'

....... gezegende kelk, dien ivij zegenen, is hij niet de

mededeeling van Christus\' bloed en hei brood, dat wij breken, is het niet de mededeeling can Christus\'\' lichaam ?quot; —

712

-ocr page 715-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Toen de H. Apostel Andreas, geboeid voor den Rumciu-schcn Stadhouder Aegeas gevoerd werd, zcide liij ouder andereu tot dien beul: .Dagelijks offer ik den al-Tuachtigen, eenigeu en waren God, geen wierookdamp, ook niet het vleesch of het bloed der stieren, maar offer het onbevlekt Lam, hetwelk, nadat het geofferd is, evenwel geheel onverdeeld, onbevlekt cn levend blijft.

2o. Door de getuigenissen der H. Vaders gedurende de eeuwen, dat de Kerk bestaat.

Bovenaan staat als eerste getuige de H. Iroiiaeu«; leerling van den II. Apostel Johannes en Bisschop van Lyon. In zijn vcrwcerscliriit tegoa de dwaalieeraars omtrent het 13. Misoffer, schrijft hij het volgende: „Met offer des Nieuwen Verbonds is het Avondmaal. Toen Jesus Christus het als een Sacrament instelde, heeft Hij het tevens als offer ingesteld. Toen Hij van het brood zeide: ,Dit is Mijn licbaamquot; — en van den wijn: „dit ia Mijn bloed,M hoeft Hij ons geleerd, dat dit het offer des Nieuwen Verbonds zij, een offer, dat do Kerk van do Apostelen ontvangen heeft, en over de gaheeic wereld aan God op -draagt. Deze woorden zijn zoo duidelijk en afdoende, dat ze geen nadere verklaring behoeven. De II. Chry-sostomus, Ambrosius en de overige Vaders sluiten zich geheel aan deze leer, terwijl de H. Thorn, van Aquino zich kort en zakelijk uitdrukt met do woorden: „De Eucharistie is niet slechts een sacrament, maar ook een offer.quot; Een Daitsch protestant, Grobe, professor aan de universiteit of hoogeschool te Oxford, zegt vrijmoedig en onbewimpeld, dat volgens de schriften van den II. Irenae-us, Ambrosius, Chrysostomus, Cypriauus, Clemens en anderen het Apostolisch Katholiek dogma van het H,

713

-ocr page 716-

DE GROOTE CATECHISMUS,

Misoffer zoo vaststaat, dat men genoodzaakt is de herkomst van de Apostelen aan te nemen, ook zonder de getuigenissen der profeten en apostelen, volgens het woord van den Apostel Paulus: , Hiaat dan en houdt vast aan de overlcoerinyen, die u ydeerd zijn yeworden, hetzij door ons woord, hetzij door onzen brief.quot; 2 Thesa. 2, 15.

30. Door de besluiten der conciliën ten opzichte van het H. Misoffer.

De algemeene kerkvergadering in 325 te Nicaea gehouden, leert: .Men moet bij liet brood en den wijn, op dezen goddehjken disch geofferd, den geest naar boven richten, en door liet geloof, het op den disch liggende Lam Gods erkennen, dat do zonden der wereld wegneemt, en door den priester op eene onbloedige wijze wordt opgedragen.quot; — Door het Concilie van Trenfce, wordt die waarheid ook geleerd en gezegd „dat in de katholieke kerken het onbloedig offer wordt opgedragen,quot; en het verklaart tevens uitdrukkelijk: ,Wanneer iemand zegt, dat in de Mis God geen waar en eigenlijk offer wordt opgedragen, of: de opdracht is niets anders, dan dat ons Christus als spijs wordt uitgereikt; hij zij in den ban. En zoo spreken alle Conciliën, waarin het groote dogma of de geloofswaarheid der H, Mis ter sprake kwam.

4o. Een vierde getuigenis voor de Apostoliteit van de H. Mis geven ons de overoude Misgebeden en Liturgieën, welke laatste niet anderszijn dan voorschriften op welke wijze het offer des Nieuwen Verbonds moet opgedragen worden. Daar bestaan heden nog vele zulke roorschriften en gebeden, welke volgens de overlevtring voor een goed deel door de Apostelen zelf vervaardigd zijn, zooals de Romeinsche Liturgie van den H. Petrus;

714

-ocr page 717-

DE GEOOTE CATECHISMUS. 715

de Liturgie der kerk van Jeruzalem, door den H. Jacobus nagelaten, waarin wij lezen: „Heer! daar (rij ons in Uwe barmhartigheid bezocht en ons. verworpen zondaars en onwaardige dienaars, veroorloofd hebt om met vertrouwen tot Uw heilig altaar te naderen, daarom dragen wij U dit ontzaglijk en onbloedig offer op voor onze zonden en onwetendheden.quot; En in de Liturgie van den 11. Markus: „O, Heer! maak ons waardig dit (priesterambt) ambt waardig te bekleeden, opdat wij voor den troon Uwer heerlijkheid niet veroordeeld worden, en het H. Offer waardig opdragen.quot;

5o. Ook de oude kerkelijke kuust en degedenkteekenen prediken als getuigen, voor de oudheid van het Misoffer, b. v. overoude altaren, kelken, priester- en altaargewaden. Men bewaart te Rome nog een houten altaar, waarop, volgens eene overlevering, de H. Petrus en de volgende Pausen tot aan den H. Silvester, het Misoffer li ebben opgedragen. Duizenden li. Vaten cn altaarsieraden zjjn in de catacomben of onderaardscho gangen en ruimten gevonden, waarin de eerste christenen der kerk, uit vrees voor de heidenen, de heilige geheimen vierden. Eu hoe-vele kostbaarheden, bij het Misoffer te gebruiken, zijn ten tijde der reformatie geroofd en nog in het bezit van pro-testantsche fainiliën die. ik weet niet door welk gevoel geleid, deze hunne dwaling veroordeelende kunststukken en schatten achter deuren en grendels bewaren, zonder quot;t minste nut, in plaats van in die bewijzen hunne dwaling te erkennen en het gestolen goed de rechtmatige eigenaresse, de kerk, terug te geven. — Het schijnt ook niet overbodig hier tot bewijs aan te halen, dat de afvallige sekten der eerste eeuwen, zooals Nestorius en anderen en de Crrieksche Kerk het Misoffer in zijn wezenlijken aard

-ocr page 718-

\' J 0 liE GROOTE CATECHISMUS.

geheel, zooals de ktitholieke Kerk, hebben vastgehouden.

fgt; aarow wordt bij de li. Mis de Lat jnsche laai qe-heziyd ?

Om de drie volgende redeiien; u) ornaat hot geloof van int Rome ons geworden is, daarom wordt ook cle Romeinsche d. i. ds Latijusche taal aangehouden; h) oni-dat de Latijnsche taal eene doode taal is, en dus niet veranderd, terwijl cle levende of volkstalen met de jaren veranderen en wel zoo, dat ze na cenige jaren onkenbaar zijn; r) wijl daardoor de eenheid en esnigheid in dc godsdienstoefeningen verspreid, over de geheele wereld bevorderd worden. Welk een troost, in een vreemd land eene godsdienstoefening bij te wonen, en daar, ofschoon men de landstaal niet verstaat, de taal der Kerk te hooren. Zeker, dan is liet zoet voor hot hart, den priester daar Gods lof te hooren verkondigen door het vreugdevolle „Gloria in excelsis Deo,quot; Eere zij God in den Hooge, en den zegengroet ,Uominus vo-biscuiu,quot;\' de Heer zij met u, te mogen ontvangen. Men gelooft zich verplaatst in zijn eigene parochie-kerk, en vol bewondering schitteren ons alsdan de grootheid, eenheid en eenigheid onzer Moeder, de H. Kerk, tegen; men wenscht zich geluk katholiek tc zijn.

Waarom bedienen zich de priesters bij het offer (en andere godsdienstoefeningen) van bijzondere kleeding ?

De Kerk heeft dit voorgeschreven, om ons te herinneren, dat de priester niet in eigen persoon handelt, maaibij de viering van de heilige geheimen, de plaats van Jesus Christus bekleedt. De joodsche priesters droegen ook bijzondere kleeding wanneer zij offers opdroegen, welke God zelf zeer nauwkeurig had aangegeven en voor-

-ocr page 719-

DE 6BOOTE CATECHTSircS.

gescliveven, en is liet dan niet betamelijk en recht, dat de katholieke priesters bijzondere kleeding dragen, wanneer ze het groote, ontzaglijke offer opdragen, waarvan do joodsche offers slechts schaduwbeelden waren?

Welke, en -wat is de heteekenis dier kleedingdtikken ?

De kleedingstukken bij de Mis te dragen zijn zes in getal.

lo. Atuieium, of schouderdoek, waarmede de priester hals en schouders bedekt, beteekent, dat do priester in vereeniging met het goddelijk offer, zich als slachtoffer voor Gods troon gaat plaatsen om voor zijne zonden en die des volks te voldoen.

2o. Alha, lang wit onderkleed, bet.-ekent, dat de priester de plaats van den hoogepriester, Jesus Christus, inneemt, die in het boek der Openb. 1, 13., gekleed in een lang wit kleed en met een gouden gordel of cingel omgord, wordt voorgesteld.

3o. Ciiii/uhnn of gordel moet den priester nog in het bijzonder aan de banden herinneren, welke hem aan Jesus verbinden en aan de door hem gedane beloften van eeuwige kuischheid.

4fgt;. Munipuhm, welke bij aan zijn linkerarm draagt, moet ons Jesus\' zweetdoeken voorstellen en den priester vermanen om moeite, lijden en zorgen uit Gods hand aan te nemen.

Ijo. Camla, opperkleed, beduidt, dat de priester het juk des Ileeren steeds met vreugd moet dragen en zoo den hemel verdienen, vandaar, dat wij op de voorzijde den geeselpaal en op de achterzijde het kruis afgebeeld vinden.

Go. Stola, geeft ons de priesterlijke macht te kennen.

717

-ocr page 720-

\' 1,5 r)E GRO0TE CATECIIISMÜS.

TT at heteékenen de verschillende kleuren der nmyen aden ?

D\'quot; Kerk gebruikt bij liet opdragen der Mis en andere godsdienstoefeningen vijf kleuren.

1 o. TT it is de kleur der vreugde en onschuld en wordt gebruikt op de feestdagen der H. Maagd, der Engelen, belijders, maagden en alle heiligen, die geen martelaars zijn.

2o. Hood is de kleur der liefde en van het bloed, en dat is de gebruikelijke kleur op de feesten van de H. Geest, de bronwel der liefde, van \'t heilig kruis en van de martelaars en martelaressen.

3o. raars beduidt geloofstrouw en boetvaardigheid, en wordt gebruikt in den Advent, in de vasten en op de Qnatertempervastendagen.

4o. Groen is de kleur der hoop en men draagt deze kleur oj) de dagen tusschen \'t Driekoningenfeest en Septuagesima en tusschen H. Drievuldigheid-Zondag en den Advent, wanneer er geen feest des Heeren of der heiligen gevierd wordt.

üo. Zlt;rart. Deze kleur is het teeken van rouw en droefheid, en de priester bedient zicli van deze kleur op den sterfdag des Heeren en bij de H. Offerande voor de overledenen opgedragen. Zij herinnert ons aan de barmhartigheid, die wij met de overledenen moeten beb-ben, willen wij later zelf barmhartigheid ontvangen.

Waarde lezer! Wat een verheven en grootsch offer is dus de H. Mis; hoe rijk aan zegeningen en genade voor ziel en lichaam! Met grond zegt derhalve de If. Franc, van Sales: „Plet is de zon der geestelijke oefeningen, de afgrond der goddelijke barmhartigheid, de bron der goddelijke liefde, de grondslag der godsvrucht, de

-ocr page 721-

rgt;K groofe catechismus.

ziel der wave vroomlieid, het kostbanrste middel om genade te ontvangen/\' terwijl de H. Bonaventura uitroept: „Zooveel druppels als de zee, zooveel stralen als de zo»; zooveel sterren als de hemel, zooveel bloemen als de aarde bevat, zooveel en nog veel meer geheimen sluit het iï. Misoffer in zich.quot;

O, wonderbaar offer! Wie onzer zal dan verzuimen eiken dag bij dat II. Misoffer tegenwoordig te zijn, ais het maar (-enigszins mogelijk is. daar toch niets zoo heilig en goddelijk, niets zoo rijk aan zegeningen is, als do II. Mis, vooral dan, wanneer wij er bij tegenwoordig zijn met eerhied, (jodscntcht en oplettendheid. (\\\'g. 3r/i? gebod) Bij de opoffering moet gij u zelf met Jesus aan den hemelschen Vader opofferen. Bij de conseera/ie moet gij in ootmoed des harten schuld bekennen en Jesus, op het altaar aanwezig, vergiffenis vragen, terwijl gij bjj de communie geestelijker wijze moet commnniceeren, door in n bet oprecht verlangen op te wekken om n met Christus op \'t innigst te vereenigen, en zegt dan met den hoofdman: .Heer Jesus, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak (in mijn hart) komt,quot;\' en Hij zal u waardig maken. — De H. Isidoms was een daghuurder, wien eenige landerijen, door een rijk heer, ter bebouwing waren toevertrouwd. En wijl hij dagelijks de H. Mis bijwoonde, beschuldigden hem eenige kwaadgezinde huurlieden bij zijn lieer, dat hij door het dagulijkscb kerkbezoek, zijne goederen verwaarloosde. Dat verdroot den heer en daarom ging hij den anderen dag vroeg naar het veld om te zien of men hem de waarheid had gezegd, en zoo ja, Tsidorus eens recht door te halen. Maar wie beschrijft zijne ontsteltenis, toen hij in plaats van

719

-ocr page 722-

DE «KOOTE CAtECIHSMüS.

Isidorus. een engel, in de gedaante van een jongeling, zag ploegen en het land bewerken! God toonde dus door een wonder, hoe welgevallig Hem de gewoonte van den H. Isidorus was en zal ook u, voor do gewoonte van dagelijks liet H. Offer hij te wonen, zegenen.

VIER EN VIJFTIGSTE LES.

OVER DE COMMUNIE-

82. Wat wil zeggen de 11. Communie ontcanyen of commmnceeren?

Dat wil zeggen; ontvangen of nuttigen het lichaam en bloed van Christus.

Boven is reeds verklaard, dat Jesus waarachtig in het H. Altaar-Sacrament tegenwoordig ia, ommetZijne mensch-heid en godheid tot aan het einde der wereld bij ons te blijven: dat Hij Zich-zelven in de H. Mis voortdurend aan Zijn hemelschen Vader opoffert voor onze zonden, maar Hij verblijft ook in \'t H. Sacrament om in de communie de spijs onzer zielen te worden, zoo als nu verklaard zal worden.

B Communiequot; is een Latijnsch woord en beteekent in onze taal „vereenigingquot; ot gemeeuschap. Door de communie worden wij n. 1. vereenigd met Jesus, dien wij daar ontvangen. De 11. Communie is derhalve een waarachtig nuttigen van .het lichaam en bloed van Christus en zij bestaat hierin, dat wij Jesus\' lichaam en bloed tot ons nemen, als spijs ontvangen lot voedsel onzer zielen, en deze door dat voedsel het bovennatuurlijk leven der genade onderhoude en versterke, zoo volstrekt noodzakelijk voor de zaligheid, dat wij zonder dat leven niet zalig kunnen worden. Die vereeniging is zoo innig, dat

720

-ocr page 723-

DE ttKOÜTË CATECHISMUS.

Jesus zegt; „Die Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.\'\'\'\' „Zooals twee kaarsen dooreengesmolten, zich met elkander vereenigen, zoo ook wordt hjj, die communiceert, vereenzelvigd met Christus,quot; zegt de H. Cyrillus van Alexandria. — Ik zeide: de communie is noodzakelijk tot de zaligheid, vandaar de vraag:

83. Heeft Christus nadrukkdijk bepaald, dat Zijn vleesch en bloed door den memch moet worden genuttigd?

Ja, Hij heeft gezegd: tenzij gij het vleesch van den Zoon des mensehen eet en Zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben.

Het geldt hier dus geen aanbeveling, geen goeden raad, maar een allergestrengst gebod om te communicee-ren, op straf van eeuwige verdoemenis. Het zou dus allerdwaast zijn, ons aan dat uitdrukkelijk gebod te onttrekken, onder nietige voorwendsels, te meer, daar het ons eigen geluk beoogt. O, ziet eens op de heiligen! Met welk eene heilige geestdrift en onverzadigbaar verlangen, spoedden zij zich naar de communiebank! Velen hunner, zooals de H. Theresia en Catharina van Sienna hadden dikwijls zulk een inwendig verlangen naar deze goddelijke spijs, dat ze bijna versmachtten. Eens, dat de H. Catharina de H. Hostie in de hand des priesters zag, gereed om haar de H. Communie te reiken, trachtte zij, door eene hemelsche begeerte ontvlamd, tot hem te gaan en haar uit zijne handen te nemen. .Spoed, mijn vader!\'\' riep zij, „geef mij spoedig mijn beminde en vurig verlangde spijs; want ik smacht en sterf.quot;\' Zalig, ja, over-

zalig, die aldus hongeren en dorsten, want ze zullen ÖR. cat. 46

721

-ocr page 724-

DK C.BOOTE CATECHISMUS.

verzadigd worden. Met het oog op die dure verplichting vraagt de Cathechismus verder:

84. IVanneer is men dan verplicht te communiceer en?

lo. Eenmaal \'s jaars omtrent Paschen, 2o. als men in gevaar is van te sterven.

lo. De Kerk heeft geboden, dat de christenen, die tot de jaren van verstand gekomen en genoegzaam onderwezen zijn, minstens eenmaal \'s jaars en wel omtrent Paschen, d. i. eenigen tijd vóór of na dat feest, moeten communiceeren, op straf (bij verzuim) van zware zonde en uitsluiting als levend lid der Kerk. Eertijds ontvingen de meeste christenen dagelijks de H. Communie. Hand. der Apost. 2, 24. In later tijd nam die heilige geloofsijver bij het meerendeel der geloovigen zoo zeer af „dat de Kerk bij uitdrukkelijke wet, moest aansporen om ten minste driemaal \'s jaars tot de H. Tafel te naderen, n. 1. op de feestdagen: Paschen, Pinksteren en Kersmis. En hoe mild deze wet ook was, door de toenemende\' boosheid verzuimden echter velen aan dat voorschrift te voldoen. Uit dien hoofde, met liet oog op Christus bevel en het belang der christenen, schreef de Kerk nu voor, minstens ééns in \'t jaar te Communiceeren. God verhoede, dat gij ooit onder het getal dier lauwe zielen gerekend wordt, die, als ze niet genoodzaakt werden, eens per jaar te communiceeren, zich zouden tevreden stellen met jaren achtereen te leven zonder communie, ondanks de groote behoefte hunner zielen, ja, het woord „eenmaalquot; gaarne zouden veranderd zien in „geen-maal,quot; en gaan ze dan nog, dan is het niet zelden voor

-ocr page 725-

UB GRÜüTE CAÏECHI8MDS.

liet oog der wereld of om aan vrouw, of ouders enz. te voldoen. Maar ook aangenomen, dat iemand tegen Pa-schen éénmaal goed gestemd en voorbereid communiceert, blijft zijn gedrag dan toch niet aficeurenswaardig? Is het geen spelen met Gods genade en met de zaligheid, welke aan eene waardige communie zijn verbonden? Hij immers, die eens daags genoeg eet, kan daarbij zijn leven wel onderhouden; doch zal het lichaam, dat meermalen per dag gevoed wordt noodzakelijk niet meer levenskracht ontvangen? Eveneens is het gesteld met den mensch, die zich tevreden stelt met eens in \'t jaar tot de communie te naderen; hij onderhoudt dan misschien wel het geestelijk leven dev ziel en kan zalig worden, maar zij, die zich meermalen met Jesus vereenigen, ontvangen natuurlijk ook meerdere genade en geestelijke levenskracht om God te dienen en zalig te worden.

20. Als men in gevaar is van te sterven. — Wanneer een zeeman eene groote reis wil ondernemen, dan voorziet hij zich, met het oog op de dreigende gevaren, van alles, wat hem dienstig kan zijn om die gevaren te voorkomen of af te wenden. Kettingen, ankers, touwen enz. een voorraad van spijzen en dranken, zijn de vele middelen, waarop hij steunt en hoopt de gevaren het hoofd te kunnen bieden. Niet minder bezorgd is God voor den mensch. Hij ook weet, hoevele gevaren den mensch bedreigen oj) \'t oogenblik, dat hij de reis naar de eeuwigheid aanvaardt. De gedachte aan Gods rechtvaardigheid de vrees voor de hel, de herinnering aan vroegere zonden, de wereld die men verlaat, de eeuwigheid, die men tegemoet snelt. Satan en zijn aanhang: al deze dingen zijn de gevaren, welke -den stervende van alle kanten

723

-ocr page 726-

bE GK60ÏE CATECmSMÜS.

bedreigen. Wat nu is in zulk een beslissend oogenblik, bij zulke gevaarlijke aanvallen noodzakelijker, dan de bulp en de tegenwoordigheid van Hem, die den duivel, de wereld en het vleesch heeft overwonnen ? Daarom wil God dan ook, dat wij in het gevaar van te sterven, met het he-melsch brood gesterkt worden en de noodige hulpmiddelen ontvangen om de vijanden van ons heil te overwinnen, onze smarten met geduld te verdragen, onderworpen en gewillig te sterven en de reis naar de eeuwigheid met hoop en vertrouwen te aanvaarden, want als Jesus met en in ons is, wie of wat zal dan tegen ons zijn?

85. Wat wordt er vereischt om waardig te com-municeere» f

lo. Dat raen zij in staat van genade d. i. zuiver van alle doodzonden. 2o. Dat men in den gewonen regel nuchter zij van \'s nachts 12 uur.

lo. Dat men zij in staal van genade of zuiver van alle doodzonde en hierin bestaat de geestelijke voorbereiding der ziel om waardig te communiceeren. Hoe zegenrijk, hoe weldadig is het vuur! Het verdrijft de duisternis, het dient tot bereiding van spijs en drank, het verwarmt en beschut tegen de koude en is nog dienstig voor honderden andere zaken. Maar hoe verschrikkelijk is ook datzelfde vuur, wanneer men het niet goed aanwendt. Vele menschen vinden immers hun dood in \'t vuur, en wie zal de huizen tellen en andere dingen, welke jaarlijks door het vuur verwoest en verteerd worden?Evenwel is het een en hetzelfde vaur. Niet anders is het bij de H. Communie. Rijk zijn de gaven, groot de ze-

?24

-ocr page 727-

DE «ROCrE GATEGHISMUS.

geniugen, welke zjj hun schenkt, die waardig communi-cecren d. i. die met een hart, zuiver van alle doodzonden, de H. Tsfel naderen; maar nog grooter is de vervloeking, die een onwaardig communiceerende treft. Daaróm roept de H. Paulus ons toe; „De mensch beproeve xith zelf, en ete dan van dit brood en drinke uit dezen kelk,quot; Cor. 11, 28. En dit terecht; want waar Satan zijn zetel heeft opgeslagen, daar is geen plaats voor dea Heilige der Heiligen. Wanneer iemand een voornamen gast verwacht, dan tracht hij zich in alles op diens komst voor te bereiden. Het huis wordt schoongemaakt en alles verwijderd, wat aanstoot kan geven, de bezigheden zooveel doenlijk achterwege gelaten en al zijae gedachten zijn, op den gast en op de eer, die hem wedervaren zal, gericht, terwijl hij alles in \'t werk stelt, om de eer van zyn huis op te houden en het verblijf van den gast te veraangenamen. Zoo ook moet de christen doen vóór de H. Communie, waarin zijn grootsten vriend en vader, de God van hemel en aarde zich gewaardigt, de woning zijns harten binnen te treden. Vóór de ontvangst moet hij alle doodzonden uit zijne ziel verwijderen, door eens oprechte en berouwvolle biecht, en dit gedaan, moet hjj, voor zoover het redeljjkerwjjze geschieden kan, aan niets anders denken, van niets anders spreken en alle overige zorgen en bezigheden tijdelijk op zij zetten, om uitsluitend bezig te zijn, zijn vaderlijken Vriend, Jesus, eene aangename ontvangst en een schoon verblyf te bereiden. De voorbereiding des Uchaams eischt:

2o. Dat men in den (jewonen regel nuchter zij van \'s nachts 12 uur.

In den nacht dus, die de communie voorafgaat, mag

72S

-ocr page 728-

DE GROOTE CATECHISMUS.

men na 12 uur geen spijs of drank gebruiken, b. v. geen koffie, thee, brood, vleesch, water, ja, zelfs geen medicijnen. En wanneer het nu gebeurt, dat men gedachteloos of door verstrooiing toch iets gegeten of gedronken heeft, dan mag men den volgenden dag niet ter communie gaan. Ook kon het geschieden, dat men onpasselijk wordt en iets tot herstel gebruikt, maar ook daardoor wordt voor dien dag, de communie belet. — De Apostelen reeds gaven het gebod (volgens den H. Augustinns) nuchter te commuhiceeren op straf van zware zonde bij nalating, wijl het betaamde en de eerbied het eischte, dat de goddelijke spijs vóór de stoffelijke genuttigd werd. Daar staat in het antwoord: in den gewonen regel, want somtijds mag men van dit-gebod afwijken en ontnuchterd communiceer en, b. v. bij het toedienen der laatste H. Sacramentèn en de bediende zieken, die doodsgevaarlijk ziek blijven en uit devotie nogmaals wenschen te communiceeren.

Verder behoort tot de lichamelijke, voorbereiding, dat men behoorlijk gereinigd en passend gekleed zij. Wie zou het wagen voor een aardsch vorst te verschijnen in zijn daagsche pak of uiterlijk slordig gekleed, en zouden wij dan dien uitwendigen eerbied onthouden aan den Vorst der Vorsten? En is het niet waar. dat sommigen God onthouden, wat zij den mensch geven? Gaan ze visites maken, naar comedies, bals en concerten, week-of jaar-\' markten, dan wordt het beste aangetrokken en voor de communie is het daagsche plunje voldoende. Bij dat slag van menschen schijnt de geestelijke voorbereiding ook wel iets te wenschen over te laten Schande over die lieden! Men valle echter niet in een ander uiterste:

726

-ocr page 729-

DE GROOTE CATECHISMUS

want pronkerij, uitstalling, ijdelen of minnelijken of zelfs oneerbarem tooi, passen evenoiin.

86. ÏVat wordt er vcreisckt om niet slechts waardig, maar ook viel veel vrucht te communiceer en ?

Dat men zich beijvere zijne ziel van dagelijkscbe zonden te zuiveren, en gevoelens van geloof, hoop en liefde in zich op te wekken.

1°.\' Onze ziel zooveel als in ons is, van dagelijksche zonden reinü/en. Dit kan geschieden door eene goede biecht, of ook wel door het verwekken van akten van berouw; maar als het geschikt kan, heeft het veel vóór en is het sterk aan te raden, dat men het doe door de biecht. Hoe beter wij onze ziel zóó voorbereiden, des te liever zal de goede Heiland bij ons zijn intrek nemen en ons met des te grootere en rijkere genaden begiftigen.

2o. Gevoelens van geloof, hoop en liefde in zich opwekken.

Tot dat einde ka» men de volgende vragen doen.

O O

a) Wie ivil tot mij komen ? En het geloof zal u antwoorden; Jësus, Gods ceniggeboren Zoon,\' de Verlosser en Rechter aller menschen wil bij u Zijn intrek nemen. Waarlijk, gelijk de zon op het middaguur het helderst schijnt, zoo ook straalt Gods liefde het schitterendst in dit wonderbaar Liefdemaal. Hier opent Zich Zijn goddelijk Hart in al Zijne breedte en diepte, zooals eene roos in vollen bloei; hier geeft Hij ons alles, wat Hij bezit en is, zoodat Hem niets meer te geven overblijft; Hij behoudt niets voor Zichzelven. Verbazend wonder dei-liefde! God, de Heer aller dingen wordt in de communie het eigendom van den mensch. Om dit wonder der almacht en liefde in een zwak beeld te toonen, vindt

727

-ocr page 730-

DE 6R00TE CATECHISMUS.

men den Heiland soms voorgesteld door het beeld van een pelikaan, die met zjjn eigen bloed de jongen voedt, met het onderschrift: ..Mijn bloed is uw leven.quot; Eu waar is de herder gevonden, die zijne kudde zoo liefhad, dat hij ze voedde met zijn eigen vleesch en bloed? Zullen wij bij de overweging van zooveel liefde van Jcsus elan niet geloovig ncdervallen en met Thomas zeggen; „Mijn Heer en mijn God!quot; ik geloof en aanbid, versterk mijn geloof, ik hoop, bevestig ze, ik bemin, verwarm mijn koud hart!

h) Waarom komt Jernst tot ons? Omdat Hij ons zoo lief Leeft en wil zalig maken, door Zieh op :t innigst met ons te vereenigen, volgens Zijn eigen woord; „dk Mijn ■vleesch eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hsm.quot;1\' Zoo is het: de Zaligmaker wil, dat Zijn hart en ons hart één hart, Zijn vleesch en bloed, ons vleesch en bloed zou worden. In dit geheim kent Zijne liefde geen paal of perk meer, ze is onbegrensd. Zoo als een druppel water in de zee gestort zieh daarin geheel oplost en met haar vereenzelvigd wordt, op gelijke wijze, worden wij door de Communie njet Jesus vereenigd, op aarde als voorbereiding op de eeuwige vereeniging in den hemel: Die Mij eet, zal leven, al ware hij ook geMor-ven. — Daarom moeten wij, ondanks onze onwaardigheid een onwrikbaar tertrouwen en eene vaste hoop in ons opwekken om met de hu}p van dien almachtigen vriend die bij ons komt wonen, den hemel te zull«n beërven.

c) Tot wie komt Jesus? Tot armzalige schepsels, ellendige zondaars, die geen enkelen blik van Jesus waard zijn en dikwijls de hel verdiend hebben. Bij de overweging hiervan, zullen wij in diepen ootmoed onze on-

728

-ocr page 731-

Igt;E ftROOTE CATECHIRMnS.

waardigheid erkennen en door een oprecht berouw nogmaals onze smart betuigen, dat een zoo goeden God en Heiland zoo dikwijls en /00 zwaar beleedigd hebben.

Hoe moeten wij ons op 7 punt vm kef commnmceerm gedragen?

Wij moeten ons niet grooten eerbied, saaragevoegde banden en neergeslagen oogen naar de communiebank begeven; niet vooruitdringen, maar bedaard onze beurt afwachten, iets wat somtijds wel to wenschen overlaat. Vervolgens moeten wij eerbiedig aan den disch der engelen plaats nemen, den communiedoek ojgt; de handen nemen, het hoofd langzaam opheffen, de tong op wel-voegeljjke wijze op de onderlip leggen en met godsvrucht de H. Hostie ontvangen, na gezegd to hebben: .Heer! ik ben niet waardig enz.quot; Het is niet passend, de H. Hostie zoolang in den mond te houden, tot ze opgelost is en mocht ze aan de kaak of tanden vasthechten, dan moet men haar niet met de hand, maar met de tong losmaken.

87. Hoe lang behoor en wij na de 11- Communie in aanbidding en in gebeden van dankbaarheid floor fe brengen ?

Ten nainste een kwartier unrg

ïn dezelfde eerbiedige houding begeeft men zich terug naar zijne plaats en brengt daar minstens een kwartier in godvruchtige aanbidding en onderhoud met Jesus door. Geen tjjd is immers kostbaarder en genadevoller dan dat gelukkig oogenblik. Jesus woont dan in ons binnenste en zetelt daar als de Koning der koningen op den troon Zjjner barmhartigheid en liefde, geneigd om ons «it de

729

-ocr page 732-

DE GROÓTE CATECHISMirs.

schatkist Zijner genade alles te geven, waaraan wij behoefte hebben, zoowel voor de ziel als voor het lichaam. Daar roept Hij ons vooral toe: ,Wat wilt gij dat Ik u doen zal?quot; Hoe dwaas handelen zij dan, die deze schoone gelegenheid, om zich te verrijken, onbenut laten voorbijgaan, daar de Heiland juist de harten, waarin Hij godvruchtig welkom geheeten wordt, goddelijk zegent en gedenkt. Lakenswaardig en dwaas is dus het gedrag van sommige christenen, die zich wellicht door eene goede biecht en stichtelijke voorbereiding Jcsus\' komst in hunne harten waardig maakten en dus wel waardig, maar zonder veel vrucht zich met Jesus vereenigden omdat ze, terstond na de H. Communie de kerk verlaten, zonder hun goddelijker! Gast den minsten eerbied, het geringste geloof of eenige liefde te betuigen, tot eigen groote schade en niet zelden tot ergernis van anderen. Zouden zij zich niet schamen zoo weinig eerbied en oplettendheid te bewijzen aan vrienden en bekenden, die bij hun te gast zijn? Onverschilligen, dwazen er. tragen van harte, dié ze zijn; want:

SS. Wat Jciinnen wij door de li. Comvmnie verkrijgen?

lo. Vereeniging niet. Christus, 2o. vermeerdering van heiligmakende genade, 3o eene bijzondere kracht om het goede te beoefenen en de zonde te vluchten ; 4o. het onderpand eener heerlijke verrijzenis.

lo. Vereeniging met Christus. Om ons die innige vereeniging naar quot;waarheid voor te stellen zal het niet ondienstig zijn, de werking na te gaan, welke de lichamelijke voeding, de stoffelijke spijs voor het lichaam en het natuurlijk leven heeft, want dezelfde uitwerksels bezit ook

730

-ocr page 733-

DK GKOOTE OTECHtSMÜS.

de geestelijke, de bovennatuurlijke spijs, de H. Communie, voor de ziel en het bovennatuurlijk leven. Wanneer wjj b. v. spijs gebruiken, dan komt zo eerst in den mond, daarna in de maag cn gaat vervolgens in ons vleescli en bloed over. Het voedsel wordt dus met ons vereenigd, één met ons. De spjjs nu. die ons in de H. Communie gegeven wordt, is het lichaam en bloed van Christus, en Hij zelf treedt derhalve in uw mond en lichaam. Gelijk Elisseus zich op een dooden knaap neerlegde, hem als \'t ware van zijne levenswarmte meedeelde en zoo tot het leven verwekte, zoo komt Jesus in persoon tot ons, legt Zijn allerheiligst lichaam. Zijn goddelijk Hartin ons arm--zalig binnenste, en maakt ons deelgenoot van Zijn goddelijk heraelsch leven. Hij vereenigt Zich derhalve op \'t innigst met ons, Zijn bloed doorstroomt góestlijkerwijze ons bloed, Zijn vleescli wordt zedeljjkerwijze ons vleesch. In \'t Doopsel werden wij ledematen van Chrtstus, doch slechts door de genade met Hem verbonden, terwijlJesus hier persoonlijk in ons komt en ons niet slechts aan Zijn hart laat rusten zooals de H. Joannes, doch ook in onze harten wil rusten; wij worden als met Hem vereenzelvigd. (Vg. vr. 86 No. 2.)

. 20; Vermeerderituj (Ur heilic/tnakewle genade. Het voedsel onderhoudt en versterkt liet stoffelijk leven, het maakt, dat wij blijven leven en meer leven, en levenskracht ontvangen; eveneens werkt de H: Communie in ons uit, vermeerdering van het bovennatuurlijk leven, van de heiligmakende genade. Zooals ik boven reeds zeide, Jesus Zelf\' maakt ons deelgenooten van Zijn hémelsch. Zijn genadeleven, en bewerkt zoo, dut wij voortdurend reiner, schooner, heiliger, Gode welgevalliger, Hem voort-

-ocr page 734-

DE «ROOTE CATECHTSMUS.

durend geljikvormiger worden; en slechts dat beminnen, wat Hij bemint, dat willen, wat Hij wil, en verafscbu-wen en baten, wat Hij verafscbnwt en baat.

3o. Een krachtig middel om hef goede te beoefenen.

Om echter dat innig leven met Jesus te genieten, moeten wy van onzen kant den gtrjjd niet rlucii-ten; want toen bot Doopsel onzen erfwnet wegnam. Weef de begeerte tot zonde en de lauwheid tot hét goede ons steeds bij, doch ook in den strjjd is de H. Communie het krachtigste wapen; want zij Hchenkt ons lust en Irmrhl tot het goede, d. i. zij maakt, dat wij Treugd en genoegen vinden in \'t beoefenen der deugd; zij schenkt terens de kracht om het gewilde goed ook te volbrengen. Wanneer een arbeider van den vroegen morgen tot den laten avond gearbeid heeft en niets to eten krijgt, dan ontzinkt hem den moed en de kracht om voort tc werken. Kan hij zich echter door krachtig voedsel nu en dan versterken, dan zet hij gaarne en met nieuwen moed zijn arbeid voort; bet voedsel schenkt hem lust eh kracht tot den arbeid. Eveneens werkt de H. Communie uit, dat wjj gaarne bidden, gehoorzamen, getrouw onze beroepsplichten vervullen, ons kruis geduldig dragen, en matig, rechtvaardig en godvruchtig leven. Gestadig door zal de waardige communicant meer en meer liefde voor de deugd krijgen, en zich tot innigen omgang met God voelen ontwaken en een vrede smaken der wereld onbekend.

i0- De H. Communie is tevens een machtig middel teaen de zonden. De Heiland daalde neder in den stal te Bethlehem en veranderde dien in een paradijs voor Zijne lof-zingende engelen, voor Maria en Jozef, voor herden en

732

-ocr page 735-

DE ÜKOÜ\'fE CATECHISMUS.

koningen, door Zijne aanbiddelijke tegenwoordigheid; alle at^ichtelykheid verdween. Hij nam. Ziju intrek bij den zondigen tollenaar Zacharias en vergaf\' hem zijne zonden. Hy daalt in het voorgebergte neder en Zijne tegenwoordigheid herschiep die plaats in een paradijs van vreugde. En wat zal Zijne komst in ons hart dan niet uitwerken? Zeker, Hjj verzwakt in ons den trek tot zonden b. r. tot toorn, onkuischhtid, ijdelheid, onrechtvaardigheid, traagheid enz. en versterkt onze krachten om de aanvallen van onze gewone vijanden te weerstaan, Hij neemt de dagelijksche zonden en de tijdelijke strafl\'en der zonden door Zijne heilige tegenwoordigheid weg en indien wy haar goed weten te benutten geeft ons door de communie ook. nog:

5o. Het onderpand ran onze toekomstige zedigheid. rDie Mijn vleesch eet en Mijn Moed driuld, heeft het eeuwig leven en Ik zal hem optvekken ten jongsten dage,quot; zegt de Heiland. Joan. 6, 55. Hoe! Zouden onze lichamen voor eeuwig vernietigd worden, terwijl elk jaar zijne lente heeft, en uit het bederf van een zaadkorrel een vrucht voortbrengenden halm ontkiemt? Gevoed met Zjjn heilig vleeüch c-n gedrenkt met Zjjn heilig bloed; levend dus met Hem op aarde, zullen wij ook eenmaal niet. Hem verrijzen ten eeuwigen leven: .Die met Christus gestorven zijn, zullen ook met Hem verrijzen,\'\'\' zegt de Apostel; want Hjj zelf is de opstanding en het leven. Overtuigd van deze troostvolle waarheid, zagen de heiligen Gods met vreugde den dood te gemoct. , Ik wensch onthouden te worden (te sterven) om met Christus te zijn, rièp de H. Paulus in zielsverrukking uit. En toen men den H. Hieronymus de laatste teerspijs der stervenden bracht, stamelde hij,

-ocr page 736-

!jK ÖKÜÜTE CATECHISMLÏS.

bleek en uitgeteerd op den harden grond neerliggend; nGij, o Heer! zijt het brood des levens. Die U waardig ontvangt, mag volgens het lichaam duizendmaal sterven, zijne ziel zal leven in eeuwigheid. Zijn dood is geen dood, maar een overgang tot het leven, zijn sterven het begin van het eeuwig leven in U. Zie, thans ga ik sterven, maar Gij zult mij opwekkeu; ik ben ziek en zwak, Gjj zjjt de geneesheer mijner kwalen; ik ben naakt en sidder van koü, Gij zijt rijk om mij te kleeden; ik sterf van honger. Gij zijt de spijs die mij tot verzadigens voedt.quot; \\ ervolgens de H. Teerspijze genuttigd hebbende werd hij met zulk eene heilige geestdrift vervuld om te sterven, dat hy uitriep: „Wat een geluk te mogen sterven, want van nu af zal Christus mijn leven zijn. Het gebrekkig huis van mijn lichaam wordt nu afgebroken en mijne ziel betreedt, ontdaan van \'t stoffelijk hulsel, de hemelwoning. Ik ga over van de duisternis tot het licht, van het gevaar tot de zekerheid, van de armoede tot den rijkdom, van den strijd tot de overwinning, van treurigheid tot de vreugde en van het tijdelijke tot het eeuwige leven. Hier was ik blind, in den hemel zal mij Christus verlichten, hier was ik gewond, daar boven zal dc Heiland olie en wijn in mjjne wonden gieten; hier was ik troosteloos en afgemat en zie, daar komt de Trooster mij tegemoet. Welaan dan mijne vrienden (sprak hjj tot de omstanders) looft met mij den Verlosser in jubelliederen, Hij voert mij in de vreugde van Zijn huis.quot; S9. The behoor en wij den communiedug door tehrevgen? Wij moeten dikwerf met dankbaarheid aan de H. Communie denken en ons voor te groote verstrooiing en te luidruchtige vermaken in acht nemen.

-ocr page 737-

Igt;E GUOOTK CATECHISMÜS.

Wereldsclie vermakelijkheden eu spelen b. v. danspartijen, bedenkelijke fcooneelvoorstellingen, lichtzinnige gezelschappen, moeten wij altijd, maar vooral op dien dag vermijden, omdat zij zoo licht aanleiding tot zonde geven de vruchten der communie rooven, en onze godsvrucht en ingetogenheid verstrooien. Wanneer men eene kamer goed verwarmt heeft en daarna de deuren en vensters opent, de hitte zal weldra verdwenen ziju. Eveneens zal de gloed der godsvrucht en liefde, die Jesus bracht, weldra vevkoelen, wanneer men de wereldsclie vermaken niet achterlaat, maar daarin zijne vreugde zoekt. Hiermede is echter niet gezegd, dat men den conununie-dug in treurige stemming moet doorbrengen, integendeel in boogero vreugde, in heilig genot, in eene vreugde, die uit God komt en tot God voert. Uit al onze handelingen moet blijken, dat niet wij leven, maar Christus in ons leeft. „Niet ik leef, maar Christus leeft in mij,quot; zegt de Apostel. —

Ik merk hier nogmaals uitdrukkeljjk op, en dat niet alleen voor de 11. Communie, maar voor elk Sacrament, dat men zich niet bedriege door de waarheid: sacramenten werken uit eigen kracht als men maar geen beletsel stelt. Zoo werkt de zon ook: maar hoe meer ik hare stralen opvang, des te meer onderga ik hare werking. Zoo werkt een haardvuur ook; maar hoe nader ik kom, des te meer zal ik mij warmen. Indien ik eea sacrament zonder beletsel ontvang, zoo dat ik het niets meer dan juist nog waardig doe, dan krijg ik iets, eeniye vrucht. Maar hoe beter mijne gesteldheid is, hoe meer ik mij zeiven bewerk, des te rijker werkt in mij het sacrament. Kortom, hoe meer ik doe voor een sacrament, des te meer

735

-ocr page 738-

UÉ ÖSÖOTB CA\'tÊCHlSML\'S.

(loet een sacrament voor mij. Ik krijg naar de mate dat ik mij ontvankeljjk gemaakt heb. Bij gevolg: stel u niet tevreden een sacrament goed te ontvangen; dit immers is het minste; en met zulk een gesteldheid loopt gij zelfs gevaar, het niet eens goed te ontvangen. Maar streef (redeljjkerwijce) naar het betere en zelf» naar het beste.

90. Welke sonde bedrijft hij, die vrijwillig in slaat van doodzonde commuaicetrt.

Hij begaat eene verschrikkelijke heiligschennis:

eel en drinkt sichzeloen het oordeel, hij maakt zich nchuldiy aan hd lichaam en bloed des He er en\'\' le Cor. 11.

lo. De H. Communie is een sacrament der levenden en moet derhalve in staat van genade ontvangen worden, en hij, die dus in staat van doodzonde de H. Communie ontvangt, beloopt de verdoemenis als straf. Zijn weg naar het altaar is de weg naar de hel, en in het sacrament, dat hem het leven moest geven, vindt hjj zjjn eeuwigen dood; want: , Die onwaardig dit brood ed of den kelk de-t Heeren drinkt, is schuldig aan \'t lichaam en bloed des

Heer en...... hij eet en drinkt zich zeioen het oordeel, daar

hij het lichaan en bloed des Herren niet onderscheidt.\'\'1 1. Cor. 11, 27—29. Het gaat hem nis de goddelooze Pbi-iistijuen voor wien de Ark eene bron van ongelukken, een vloek was, terwijl ze voor de brave Israëlieten het kanaal scheen, waarlangs hun geluk en zegen toestroomde. Eu hoe zou dit ook anders kunnen! De onwaardige communie is immers a) een schandelijk schehmiuk, want hij, die zich daaraan schuldig maakt, begaat even .\'lt;ls Judas eene ontzettende heiligschennis, omdat hij zich ver-

736

-ocr page 739-

DE OliOÖTE CATECHISMUS.

grijpt aan Jesus\' lichaam en bloed. Op zijne vuile be-zopfleldo tong ontvangt hij den Heilige der heiligen en verbindt de ledematen van den driewerf heiligen God,

O ?

niet ledematen, welke aan de schandelijkste zonden, ja, aan den duivel zijn prijs gegeven; h) de zwartste ondank-haarheid; want de onwaardig communiceerende berokkent den Zaligmaker den grootsten smaad, die denkbaar is, door Hem willens en wetens eene plaats in zijn hart naast, ja, achter den duivel aan te wijzen en wel op het oogenblik, dat Jesus hem het grootste bewijs Zijner liefde geeft, en het onderpand der eeuwige zaligheid wil brengen. Mij dunkt, dat Jesus den heiligschenner op dit oogenblik toeroept: „Hoe schandelijk en ondankbaar is uw gedrag; wanneer Mijne vijanden, een jood of een heiden Mij zoo smaadvol onteerden, dat zou eene ontzettende misdaad zijn — maar welk een gruwel is het dan niet, nu gij, een Mijner vrienden of vriendinnen. Mij met zulk een smaad overlaadt! Dan, niet alleen beloopt de heiligschenner de eeuwige verdoemenis, maar ook;

2o. Zeer dikwijls tijdelijke straffen, b. v. verblinding en verstoktheid des harten, ongeloof enz. De heilisrschen-

\' O O

ner is tot alle zonden in staat, omdat de duivel in hem beveelt, meester van zijn hart is, en God hem, in zekeren zin, heeft losgelaten. Deze waarheid bevestigt de ondervinding. Toen schrijver eens een meisje vroeg, die zich van af haar 15de tot haar 25ste jaar aan de liederlijkste zonden had overgegeven, hoe ze toch zoover van God was afgedwaald, antwoordde zij: „Ik heb op mijn lóde jaar eene schandelijke zonde in de biecht verzwegen, daarna heiligschennend gecommuniceerd, en van af dien tijd was ik tot-alles in staat, zelf* tot moord en doodslag.

OK. CAT. 47

73?

-ocr page 740-

DB ÖUOO\'ÏE CATÉCHISMÜS.

Vau bidden en goede werken was geen sprake; ik spotte en lachte met alles: de duivel alleen gebood mij.quot; Nog een voorbeeld. Eene moeder klaagde: „Vóór do eerste II. Communie was uiijn zoon een engel in huis, een voorbeeld voor anderen, en nauwelijks was die groote dag voorbij, of hij was iu quot;t oogloopend veranderd. De priester, tot wien die klacht gericht was, raadde het geheim en redde den jongeling voor totalen ondergang. Waarlijk, verstoktheid en verblinding des harten zijn de zusters van de heiligschennis, omdat God den heiligschenner loslaat. Zien wij deze waarheid ook niet duidelijk uitkomen, in het gedrag van den Apostel Judas ? .Judas mort over de uitgaven;, die Maria van TJethanië zich getroost, om Jesas voeten met kostbare zalf te kunnen balsemen; cn Jesus duldt het; Judas wordt hebzuchtig, eendief, J esus verdraagt het; Judas beraamt den aanslagomzijuMeester te verraden, Jesus lijdt het. Maar zoodra liij de bete uit Jesus\' hand genuttigd had, liet zijn Meester hem los en aanstonds werd hij aan \'t geweld van den Satan overgeleverd. H. Chrys. „ Na het eten roerde duivel in hem.quot; Somwijlen ook wordt de heiligschenner door een plotselingen dood ofquot; door de vreeselijkste ziekten gestraft, zooals de H. Paulus getuigt. 1 Cor. 11, •30: „ Waarom zijn er onder u vele zwahken en krank en, en zijn velen ontslapen?quot;

Ziedaar met korte trekken aangegeven, wat de IT. Kerk leert van het H. Sacrament des Altaars, de H. Mis en de Communie. O, gaat Jesus toch dikwijls in Zijn liefde-geheim bezoeken, aanbidt Hem daar met kinderlijk vertrouwen en hoort, Avat Hij tot uw hart spreekt. Leg aan den voet van het altaar de getuigenis af, dat gij gelooft in Zijn woord, hoopt op Zijne beloften en liefde voor liefde wilt geven.

738

-ocr page 741-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

Gaat dikwijls, zoo mogelijk eiken dag ter Mis. Ver-eenigt daar liet offer van uw hart en wil met het offer van Jesus, en belooft God, even als Jesus, steeds gehoorzaam en trouw Zijne geboden te vervullen. Brengt God het offer van uw lichaam, vermogen, enz. en belooft het eene noch het andere tot zonde te gebruiken, en met Jesus, kruis en wederwaardigheden, ter liefde Gods. «-e-

o . \' O

duldig te zullen dragen.

Bovenal, zit dikwijls neder aan den disch des Heeren, want „daar smaakt gij, o, mensch, beken van melk, stroo-men van honig en hemelschen balsem, daar drinkt gij uit de bron der heiligheid en genade,quot; zoo zegt de H. Bern. Begeeft u dikwijls naar deze bron van genade, om daaruit de rijkdommen fier goddelijke liefde te putten. Bedenkt toch: wat eer te mogen zitten aan den disch, waar eene spijs wordt toegediend, welke voedt ten eeuwigen leven, waar Hij met ons één wordt, voor Wiens aanschijn de engelen sidderen en beven. Nooit is een engel dat geluk te beurt gevallen, en wij zouden ons traag en die gunst onwaai-dig toonen? Dat zij verre!

VIJF EN VIJFTIGSTE LES.

OVER DE BIECHT-

Alvorens tot de verklaring over te gaan, moeten wij, ter verduidelijking, eerst zien, wat men onder boetvaardigheid verstaat als dewjd. Boetvaardigheid als deii(/lt;l is de gezindheid des harten, waardoor de mensch berouw heeft over zijne zonden en zich tot God bekeert. Tertu-lianus zegt hiervan: „De boetvaardige is een mensch, die over zichzclven vertoornd en zijn eigen vijand is, zijne zonde beweent en verafschuwt, in heiligen toorn zich — zeiven siraft en als boetvaardige zoo tegen zichzelven

739

-ocr page 742-

DE GKOOTË CATECHISMUS.

te werk gaat, als hij voorheen nog zondaar zijnde, tegen God deed. Vroeger heeft hij door een zondig leven Jesus op nieuw gekruisigd; nu roept hij tegen zichzelven : aan het kruis met hem! Geef strikken (Heer) opdat ik mijne teugellooze vrijheden knevele. Hier de geeaelrie-men, ik wil mijn weerbarstig vleesch ten bloede geeselen. Mij de doornen; ik wil mijne oogen, ooren en tong breidelen. Het kruis voor mij: daaraan wil ik mijn verstand en wil, mijn geheugen en verlangen hechten. En hoe bitter die toorn ook zij, toch is ze zoet, want die wraak is liefde.1\' Deze deugd is het, waarin alle heiligen hebben uitgemunt. De tijd noch de absolutie nam uit hunne harten het gevoel van schuld weg, zelfs dan niet, als God hun de vergiffenis openbaarde, zooals de profeet Nathan van Godswege David verzekerde; want dag en nacht beweende hij zijne zonden. Hun leven was eene voortdurende boetedoening voor vroegere misstappen en zonden. Onder lieete tranen bad de H. Aug. in zijne laatste ziekte de boet-psalmen, gedachtig aan de ongebondenheden van zijne jeugd.

91. Wat is de biecht? (als Sacianient)

Een Sacrament, door Christus ingesteld, waarin de zonden na het Doopsel bedreven, door de priesterlijke macht worden vergeven aan hen, die ze rouwmoedig belijden.

lo. De biecht is een Sacrament, omdat daarin de drie vereischten voorkomen tot een sacrament gevorderd, n. 1. u) zichtbaar teeken, h) inwendige genade en c) de instelling door Christus.

ci) Het zichtbaar teeken der biecht bestaat in de rouw-

^40

-ocr page 743-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

moedige belijdenis der zonden (gepaard met den wil om zich te verbeteren en de pcenitentie te volbrengen) en de absolutie of de vergiffenis der zonden door den biechtva-der. Dat is iets zichtbaars of waarneembaars, want men kan zien, dat de zondaar den biechtstoel binnengaat; hooren, dat hij zijne zonden belijdt en merken, dat hij er berouw over heeft, en tevens vernemen wij, dat de priester hem zegt: „Ik ontsla u van uwe zonden, in den naam des Vaders enz. Dit nitwendiy fcekeii nu duidt iets anders aan. De rouwmoedige biecht des zondaars geeft immers te kennen dat hij uit den grond zijns harten verlangt van zijne zonden ontslagen te worden, vergiffenis hoopt en wenscht, en de absolutie des priesters beteekent den zondaar, dat hij ook inwendiy van de zonden ontslagen wordt, vergiffenis krijgt, door de nifwendii/e losspreking of absolutie van den priester. De absolutie duidt derhalve aan en werkt inderdaad uit, dat de zondaar vergiffenis ontvangt, en daarin ligt reeds het tweede vereischte opgesloten, n. 1.

h) De inwendije (je na de, want deze bestaat hierin, dat den zondaar werkelijk zijne zonden vergeven worden, dat hij uit een zondaar een rechtvaardige wordt, en dus de heiligmakende genade, door de zonden verloren, terug erlangt of wel deze in hem vermeerderd wordt.

c) Over de instelling zullen wij later spreken.

2o. Waarin de zonden na het Doopsel bedreven den rouwnioedigen belijder vergeven ivorden.

De H. Ambrosius zegt hiervan: ,God maakt geen verschil, maar verstrekt alle menschen van goeden wil Zijne barmhartigheid en llij h eeft Zijnen priesters (na Bisschoppelijke machtiging) volmacht geschonken om alle zonden,

741

-ocr page 744-

DE OKOOTE CATECHISMUS.

742

zonder onderscheid, te vergeven. En de Heer zegt zelf: „ .l/s een zondaar boefvaardk/heid doet over zijne zonden, Mijne (jeboden onderhoudt, rechtvaardig leeft, dan zal hij leven en niet sterven.quot;quot; Ezechiël 18, 21, 22. „ Als wij onze zonden belijden, dan is God gel rouw en recJtivaardi// en vergeeft Hij onze zonden.\'quot;\' Joan. 1, 1, 9. Daarom zegt God door den profeet: .Al waren uwe zonden ook zoo rood ah scharlaken Ik zal ze wit maken als sneeuw.\'quot;1 Isai I, 18. Vandaar do verklaring van Je sus: , //,• brn gekomen om te zoeken, wat verloren was.\'quot;\' „Niet de gezonden, maar de zieken hebben den geneesheer noodig, enz. Wel mocht dus de H. Isidorus zeggen: ,De biecht en boetvaardigheid rechtvaardigen, alle hoop van den christen berust op de biecht en de boetedoening. Daarin heeft de barmhartigheid geen grenzen; geen zonde of straf is zoo zwaar, of zij vinden, in het sacrament van boetvaardigheid, vergiffenis door rouwmoedige belijdenis en 3°. Door de priesterlijke macht. Ja, in dit sacrament ontslaat de priester werkelijk en wezenlijk van de zonden, krachtens de volmacht, door Christus hem geschonken. Immers, daar Christus het Sacrament des heils voor alle tijden en menschen instelde, kon het Zijne bedoeling niet zijn, den Apostelen alleen te bekleeden met de volmacht om zonden te vergeven, maar ook allen, die hen in het priesterambt zouden opvolgen, zooals de Kerk dan ook immer geloofd en geleerd heeft en wij later zullen zien. Daarom schrijft de H. Chrysostomus: , De priesters hebben macht over de zielen, zóó zelfs, dat alles in den hemel wordt goed gedaan, wat de priester op aarde bindt of ontbindt.quot; Deze waarheid blijkt ook duidelijk uit de woorden der instelling en daarom de vraag:

-ocr page 745-

DE GEOOTE CATECiUSMOS.

92. Mel welke woorden heeft Clrhhts aan de Apostelen en hunne opvolgers de macht gegeven, om zonden te ter geven?

„Wier zonden zult vergeven, dien worden ze vergeven, en wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehouden.quot; Joan. 20, 23.

.

De II. Schrift verhaalt ons de dingen, welke met dit heugelijk feit gepaard gingen, als volgt. — Jesus was verrezen en de Apostelen hadden zich uit vrees voor de joden in eene zaal opgesloten. Eensklaps stond Jesus (bij gesloten deuren binnen gekomen) in hun midden en

11

zeide: „Vrede zij metTJ! Gelijk Mij de Vader heeft ye-zonden, zoo ook zend Ik L.quot; Jesus nu was gekomen om den menschen den weg des hemels te leeren kennen,

? \'f-

hen van zonden vrij te maken en zoo allen voor den hemel te winnen. De zelfde ambtsplicht, de zelfde volmacht geeft Hij aan Zijne leerlingen; zij ook moesten na Hem \'t volk leeren, besturen en van de zonden ontslaan. Daarna blies Hij over hen, ten teelten, dat Hij hun den H. Geest mededeelde en zeide: „Ontvangt den li. Geest: Wier zonden (jij veryeeft, dien worden zij vergeven. wier zonden (jij houdt (niet vergeeft) dien worden zij (jehouden.\'quot; Met andere woorden: Ik geef u thans eene volmacht, een ambtsplicht, tot welker uitvoering gij de almacht en den bijstand Godsnoodighebt, want uit n-zelven,

zonder den bijstand des H. Geestes, kunt gij den mensch niet van zonden ontslaan en heiligen. Onderzoekt en oordeelt dus of gij, en wien gij de zonden al of niet moogt en kunt vergeven en uw oordeel zal het Mijne zijn.

„Aangenomen,quot; zegt hier iemand „dat Christus door

743

-ocr page 746-

DE GROOTE CATECHISMUS.

die woorden den Apostelen werkelijk de macht gaf urn in Zijnen naam zonden te vergeven, maar er is geen sprake van hunne opvolgers.quot;

Ik vraag: waarom voorzag Jesus Zijnen Apostelen van de volmacht om zonden te vergeven? Antw. Om de zonden, door de reeds gedoopten bedreven, te vergeven, en hen voor de zaligheid te herwinnen. En bestonden zulke mensclien dan alleen ten tijde der Apostelen ? Neen! Toen, zoowel als nu en tot het einde der wereld, zullen er immers chris-ten-zondaars bestaan. Wanneer de Heiland nu wilde, dat deze ook zalig zouden worden, (en dat wil Hij, want voor allen is Hij geboren en gestorven) dan moest Hij gevul-gelijk ook zorg dragen, dat de macht, om zonden te vergeven, van de Apostelen op anderen overging. En dat geschiedt inderdaad door de priesterwijding, waardoor der Kerk opvolgers van de Apostelen geschonken worden. Deze waarheid heeft de Kerk dan ook van af de Apostelen tot onze dagen (jeloofd en yeleenl, en is door den katholieken christen altijd als onfeilbare waarheid aangenomen.

De Vaders aller eeuwen, sedert de vroegste tijden, lee-ren eenstemmig de waarheid dat Jesus persoonlijk de H. Biecht heeft ingesteld, en de zondaar geene vergiffenis te wachten heeft, wanneer hij weigert aan den priester rouwmoedig zijne zonden te belijden.

In de eerste eeuwen der Kerk werd deze waarheid reeds door dwaalleeraars aangevallen en geloochend, en de Kerk veroordeelde plechtig hunne dwaling en hun leer. In later tijd loochenden de protestanten op nieuw, dat de Biecht een sacrament is, en de priesters de macht hebben, om zonden te vergeven. Terstond veroordeelde het Cone, van Trente die dwaling en bekrachtigde nader

7U

-ocr page 747-

DE GROOTE CATECBISMÜS.

door zijne onfeilbare uitspraak tie geloofswaarheden. ,Do biecht is een waarachtig en wezenlijk Sacrament, en de Apostelen bezaten en ook hunne opvolgers bezitten do macht, om in Jesus naam, zonden te vergeven.quot;

Wij lezen in de Hand. der Apost. 19, 18.: „Ka reien deryenen, die (jdoochj (jewordm waren, (dus chris-tenen) kwamen, belijdende en bekend makende hunne daden.\'\'\'\' Deze Schriftuui-plaats bevat een nieuw voorbeeld van do belijdenis der zonden, door den boetvaardigen christen, als kenmerk van waar berouw, als voorwaarde van vergiffenis, met één woord, zij bevat de katholieke leer omtrent de II. Biecht, gegrond op de H. Schrift en de daarmede steeds overeenstemmende christelijke overlevering. Lipman. - En de H. Jac. schrijft: „Belijdt elkander uwe zonden,quot; d. i. de een den ander, de kudde den herder, de geloovigen den priester en de eene priester den ander. — Nooit zou ook de Biecht zoo algemeen zijn ingevoerd, wanneer eene menschelijke wet. en niet Christus het sacrament der Biecht had ingesteld: want priesters en leeken zouden zich verzet en geweigerd hebben dien drukkenden en vernederenden last te dragen. Bovendien, was de biecht eene menschelijke instelling, dan moest de geschiedenis ons leeren, wanneer en door wien ze is ingesteld; want eene zaak van zooveel gewicht cu tegenspraak, kon hare oplettendheid niet ontgaan, en ze zwijgt.

De protestanten verstaan Jesus\' woorden zoo, dat de Apostelen de macht ontvingen, om te verklaren: hem, die het ware geloof bezit, zijn zijne zonden vergeven; doch de stelling, dat door het geloof alleen de zonden vergeven worden, is totaal valsch. Jesus\' woorden luid-

745

-ocr page 748-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Jen immers uiet: dengeneu, die gelooven, worden door het geloof dc zonden vergeven, maar, wier zonden (jij vergeeft, dien u-orden zij vergeven, Het is dan ook eene wonderbare macht, iemand te zeggen of te verklaren, wieu reeds de zonden vergeven zijn door liet geloof, dat dit werkelijk zoo is. Daartoe behoeft men geen Apostelen, Bisschoppen of Priesters, dat kan iedereen. „De joodsehe priester was niet in staat lichamelijke melaatsch-heid te genezen, alleen kon hij verklaren, dat de melaafcsch-heid geweken was en d-uirdoor werd den genezene het maatschappelijk leven teruggegeven. De priesters des Nieuwen Verbonds hebben echter de macht ontvangen om niet alleen de ziel zuiver te verklaren van melaatsch-heid, (van zonden) maar ook werkelijk zuiver en rein tc maken. Daarom is de macht des priesters grooter dan van de engelen en aartsengelen; want aan hen en niet aan de engelen is gezegd; „ Wier zonden gij vergeeft enz.\'\' Joan. Chrys.

Wij hebben gezien, dat de Apostelen en hunne opvolgers van Christus dc macht ontvingen om zonden tc vergeven, maar,

93. Kan ieder, tmdaniy hij ook gesteld zij, van den priester veryeviny zijner zonden in de biecht vtrkrijgen?

Neen, alleen hij kan vergeving krijgen, die voldoet aan hetgeen tot cere goede biecht vereischt wordt.

94. Wat wordt er cm den kunt des zondaars tot de biecht vereischt?

Hij moet lo. berouw over zijne zonden hebben.

746

-ocr page 749-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

2o. zijne zonden belijden, cu 3o. bereid zijn de schuldige voldoening te volbrengen.

flocveleu dwalen dus, door te geloove.n, dit sacrament reeds waardig te ontvangen, als zo hunne zonden met den mond beleden hebben. Die menschen gelijken oji de joden, waarvan Jesust zeide, dat zo Crod met den mond loofden, doch hunne harten voor Mem gesloten hielden; want tot eene waardige ontvangsi; van dit sacrament wordt meer gevorderd; de geheele mensch moet boete doen, omdat bij in zijn geheel bestaan gezondigd heeft. Het ver-stand moet boelen door het yciceiciisonderzoeh; de uil, door ernstige voornemens ten goede in de toekomst, het hart, door gevoelens van berouw, de inoitd, door de belijdenis en de tjeheele mensch, door de voldoening. .,Üe boetvaardigheid gelijkt een vruchtboom: de wortel is de erkenning van schuld en straf, de stam is de rouw des harten, de tukken zijn de goede voornemens, de hluderen geven eene volledige biecht te kennen, terwijl de irnch-teu de voldoening beduiden.quot; Card. Hugo.

95. Waarom moei men zijne zonden den. priester belijden?

Omdat de priester moet oordcelen 1 o. of hij den zondaar vergeving kan schenken of niet en 2o. wat hij hem als boete of verbetering moet opleggen.

lo. God alleen kan eigenlijk de zonde vergeven, omdat liij alleen door de zoude beleedigd is, maar ook de priester kan zonden vergeven, krachtens de volmacht door God hem geschonken, zooals wij duidelijk lezen, Joan. 20, 22 — 23. Vandaar zegt de H. Aug.: „Iemand zegt mij: „ik doe in stilte boetvaardigheid voor God, die mij

747

-ocr page 750-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

748

kent en weet wat er iu mijn hart omgaat.quot; ,Docli ik vraag: heeft Jesus voor niets (of voor de grap, of om óns te misleiden) gezegd: „Waf (jij up aarde zult outhin-deii, zal iu den hemel ontbonden zijn enz.?quot; De H. Vaders zeggen ons met den H. Basilius: ,Noodwendig moeten de zonden hun geopenbaard (gebiecht) worden, aan wie de uitdeeling van Gods geheimen is toevertrouwdquot; (de priesters). H. Basil, reg. brev. resp. ad qusest. 288. Origines voegt hieraan toe: „Wanneer wij onze zonden niet slechts voor God bekennen, maar ook dengenen, die onze wonden en zonden kunueu heelen, dan zullen zij weggenomen worden.quot; Orig. 17. in Luc. „Het is voldoende,quot; zegt de H. Leo, „de schuld des gewetens (de zonden) den priester alleen in geheime biecht te belijden.quot; Leo. epist. 168. ad Epis Campan. De H. Vaders vergelijken hen, die zich schamen of onwillig zijn hunne geheime zonden den priester te biechten, met zieken, die zich schamen of onwillig betoonen, den geneesheer hunne ziekte bloot te leggen en daarom den dood te gemoet gaan. Zij dreigen hen, die weigeren één mcnsch (den priester) hunne zonden te belijden, dat zij te schande gemaakt zullen worden op den jongsten dag, niet slechts voor één of twee, maar voor de geheele wereld. H. Chrys-ost. hom. in. Samar. Zij leeren ons met den H. Hieron. dat de priester niet eerder van zonden mag ontslaan, dan nadat de zondaar hem zijne zonden beleden heeft; want, als de priester volgens zijn plicht de verschillende zonden gehoord heeft, dan weet hij wien hij ontbinden of wien hij niet ontbinden kan. Hieron. in Matt. 16. 19. De priesters zijn door Christus als rechters aangesteld en wij moeten derhalve voor hun rechterstoel verschijneni

-ocr page 751-

i)E GllOOTE CATECHISMUS

als wij vergiffenis willen erlangen. En gelijk de priesters volmaclit hebben ons te rechten, zoo ook hebben wij de verplichting ons aan hunne uitspraak te onderwerpen. Het (Jonc. van Trente, spreekt in zijn 14e zitting Can. (!. clan ook het doemvonnis uit, over allen, die het tegendeel staande houden, terwijl het in dezelfde zitting can. 2. verklaart, dat het sacrament der biecht hem, die doodzonde geilaan heeft, zoo noodzakelijk is ter zaligheid, als den niet-gedoopten het Doopsel.

2«. Als rechter moet hij ook do grootheid, de hoeveelheid en de boosheid der zonden kennen, om daarnaar de pa-nitentie te bepalen; want zware, groote en vele zonden verdienen ook eene groote en strenge straf. Do meening, de toeleg, de wil, die men bij de zonde had, de persoon, die zondigde of met wien wij zondigden, de duin-der zonde, dat alles dient hem als richtsnoer, om de grootheid der zonden te beoordeelen en daarnaar de boete te bepalen. Later meer hierover.

96. Welk is van de drie vereischten het (jewichiig-ste: het berouw, de belijdenis of de voldoening?

Het gewichtigste is het berouw. (Dit later te verklaren-)

97. TFat kunnen wij door het sacrament der biecht verkrijgen ?

lo. Vergeving van zonden en straffen, ten minste der eeuwige straffen; 2o. heiligmakende genade of vermeerdering daarvan; 3o. eene bijzondere hulp om de zonden te vluchten.

lo. Vergeving van zonden en straffen, ten minste der eewciye straffen.

749

-ocr page 752-

DÉ GROOtU CATECm.SML\'S.

u) Biechten wij rouwmoedig onze zonden, dan is de eerste inwendige werking van \'t sacrament, vergeving dei-zonden, d. i. de zonden, die wij bedreven, worden vergeven, gedelgd, weggenomen en als uitgeblusclifc in onze ziel, en God draagt ons weer liefde toe als vroeger, toen wij nog niet gezondigd hadden. De rouwmoedige biecht beloont God dus door de vergeving van alle doodzonden, die wij beleden, en belijden moesten, want de eene wordt niet vergeven zonder de andere. Hieruit volgt echter niet, dat den belijder alle dagelijksclie zonden vergeven worden, maar slechts die, waarover hij waarlijk berouw gevoelt en die hij oprecht belijdt. Hoe grooter derhalve het berouw en hoe oprechter en vollediger onze biecht is, des te meer worden wij ook van dagelijksclie zonden gezuiverd.

h) Met de vergiffenis der zonden ontvangen wij gelijkertijd kwijtschelding der emwUje Hfraffen, omdat alleen daar straf kan bestaan, waar schuld aanwezig is; wordt dus de schuld, de zonde, weggenomen, dan vervalt als van zelf ook de straf. De tijdelijke straffen, die de zonden aankleven (verg 30 Les) en hier op aarde of in het vagevuur moeten afgeboet worden, worden echter gewoonlijk niet alle door biecht en absolutie kwijtgescholden. „De tijdelijke straffen, die door Gods beschikking de zondaars treffen, zijn dikwijls het middel, waarvan de barmhartigheid van onzen hemelschen Vader zich bedient, oin het eeuwig verderf Zijner kinderen te voorkomen. „God tuchtigt om te behouden.quot; Lipman.

2o. De hciligntakende genade of de venneeyderhuj daar-van.

Hij, die het kleed der heiligmakende genade, in Let

750

-ocr page 753-

UE eliOOTE CATECHISMUS,

Doopsel ontvangen, door de doodzonde verliest, kan die nooit terug ontvanoren dan door berouw en boetvaardig-

O rquot;5 r?

beid: want, indien de yoddelooze .zich afwendt van zijne oiiijereyeldhedeiK dan zal God zijne ziel weder levend walen.quot; Ezecb. 18, 24. Tegelijk met de lieiligniakende genade krijgen wij tevens de bovennatuurlijke gaven en deugden (in zooverre zij door de zonden verloren gingen) alsmede de door de zonden verloren verdiensten onzer goede werken terug. Met betrekking tot die verdiensten zegt de H. Thorn, van Aquino: .Die werken, welke in staat van lieiligmakende genade zijn verricht, worden door God in Wiens bezit ze blijven, niet weggenomen, maar door den menscli zeiven krachteloos gemaakt. Wanneer nu datgene is verwijderd, (door eene rouwmoedige biecht) wat haar krachteloos maakte (de zonde) dan vergeldt God Zijnerzijds, wat die werken verdiend hebben.quot;\' Inderdaad er bestaat geen loog, dat het vuile en onreine goed zoo snel reinigt en het zijne vroegere schoonheid terugschenkt, dan de boetvaardigheid, die onze zielen van alle vlekken zuivert en in hare vorige schoonheid herstelt. Zoo als het water vuur uitbluscht, zoo ook bluscht de boetvaardigheid do zonde en het vuur van het vagevuur uit, en herstelt de ziel in hare vorige schoonheid en rijkdom.

Biechten wij echter, niet besmeurd door doodzonde, dan is de lieiligmakende genade niet verloren; wij zijn dan nog in haar bezit, en derhalve kan eene goede biecht ons niet schenken^ wat wij reeds bezitten, maar wij ontvangen dan vermeerdering daarvan, d. i. wij worden rechtvaardiger, Gode welgevalliger, heiliger en volmaakter.

3o. Eene bijzondere Indjj om de zonde te vluchten, zoo-

-ocr page 754-

BE GROOTE CATECHISMÜ9.

dat wij gerust mogen zeggen: de zondaar, die dikwijls rouwmoedig biecht, zal eenmaal een braaf menscli worden. God helpt hem, om de gevaren en de gelegenheden tot zonden beter in te zien en te mijden. Hij versterkt in hem den haat en den afschuw tegen do zonde en richt zijn wil tot waarachtige boetvaardigheid. God neemt ook de gewetensangsten van den zondaar weg, die hem tot hiertoe altijd kwelden en dag noch nacht rust gunden en schenkt hem, in de plaats, eenen zoeten en zaligen inwendigen vrede. Bovendien wordt zijn wil versterkt om veel goed voor God te doen en te lijden; en zichzelf balling op aarde te beschouwen, wiens doen en laten voortaan op den hemel zal gericht zijn.

97. Waar Ine moeien die onordeelen der biecht ons aansporen ?

Dat wij van dat saoramcnt een ijverig gebruik maken . en ons hest doen , om het altijd waardig te ontvangen.

lo. Eeuwig dank zijn wij den goeden God schuldig voor de gift van het H. Sacrament der biecht, voor dat anker der hoop, den zondaar geschonken. Ja, dankt God zoo dikwijls gij dat sacrament ontvangt, en drukt uwe dankbaarheid uit in een braaf en godvruchtig leven. En mocht iemand zoo ver gekomen zijn, dat hij verachtelijk of met spot, over dit geheim van Gods barmhartigheid spreken zou, stemt daarmede dan niet in, en laat op de eene of andere wijze (al is het ook door te zwijgen) blijken, dat ge u beleedigd gevoelt, en wreekt Gods eer, door.

2o. Dikwijls tot de H. Biecht te naderen. Zon daarin

-ocr page 755-

)1E GROOTE CAÏECHISMOS.

niet het grootste bewijs onzer dankbaarlieid en hoog-schatting liggen opgesloten? Dikwijls waardig biechten is de heiligen volgen. Zoo b.v. biechtte de H. Car. Baro-raaeus eiken dag en de heiligen der laatste tijden naderden wekelijks tot dit bad der wedergeboorte. En niemand zal toch wel beweren het minder noodig te hebben, dan die heilige zielen! Hoe meer ge biecht, des te gemakkelijker en des te liever zult gij het doen en des te meer voordeel daaruit trekken. Eene vrouw, die de huiskamer in maanden niet stoft of schoonmaakt, schrikt op \'t laatst terug om er aan te beginnen: er is o-een grond meer in te krijgen, terwijl eene ordelijke huismoeder, die het wekelijks doet, daarin volstrekt geen bezwaar ziet. Past dat toe op den toestand van uwe ziel en gij zijt bij de waarheid. Maar het is niet genoeg, dikwijls tot het Sacrament der biecht te naderen, gij moet

3o. ook waardiy biechten. Immers, onwaardig biechten is groote heiligschennis en verzwaart onze straf, in plaats van die weg te nemen. Beter derhalve nooit of nimmer te biechten dan onwaardig. Daarom vraagt de catlie-chismus zeer te pas:

98. Wat moeien wij van God verzoeken om dit Sacrament waardig te ontvanyen?

15S

De bijzondere hulp van God en de verlichting des M. Geestes, om onze zonden te kennen, goed te belijden en er een waar berouw over te hebben.

48

GR. CAT.

-ocr page 756-

nE ütWOtF. CATEmtSMÜS.

ZES EN VIJFTIGSTE LES.

OVER HET GEWETENSONDERZOEK EN HET BEROUW-

99. Wnt moet men doen, nm zijne, zonden te leunen ?

Na den FI. Geest vurig te liebl)eii nangeroepen, moet men zijn geweten onderzoeken.

Zijn geweten onderzoeken is ernstig en aanduclitig nadenken over zijne bedrevene zonden, omrlat. de kennis van zichzelven de eerste straal van het morgenrood des heils is. Om tot die kennis, tot dien eersten stap des heils te geraken, hebben wij behoefte aan Gods bijstand en genade en daarom moeten wij den 11. Geest aanroepen, zonder wiens hulp geen enkel goed werk begonnen , voortgezet of voleindigd wordt, en dus ook niet het gewetensonderzoek , de daarop volgende belijdenis en het berouw, welke tot eene ware biecht toch vereischt worden. Willen wij derhalve het in duisternis gehulde kwaad, met onze, door de valsche eigenliefde geblinddoekte oogen doorschouwen, dan moeten wij den II. Geest vragen, die blinddoeken van onze oogen weg te nemen en den diepen afgrond van het kwaad voor onze blikken bloot te leggen. De TT. Franc. Xaverius zegt terecht: „De kennis van zich-zelven is eene bijzondere gave van God; wie haar wenscht, moet er om vragen,quot; Tot dat einde kan men zich bedienen van de gebeden tot den H. Geest, die wij in de kerkboeken vinden, of wel van eenige andere gebeden, tot dat doel hemelwaarts gezonden, b.v. eenige Onze Vaders, eene Litanie, maar het best van alle is, ons hart tot den H. Geest te

754

-ocr page 757-

DE GROOTE CATECHISMUS. ^ö\')

richten, onze onmacht te erkennen en te zeggen, dat wij van Hem alleen de noodige hulp verwachten.

100. I/oe onderzoekt men zijn qeweten?

Men denkt vlijtig na, welke en hoevele zonden men bedreven heeft tegen de geboden Gods, tegen de geboden der Kerk en tegen de plichten van zijn staat.

1°. Men (hnlee vhjtly nu, enz. In de stille eenzaamheid moeten wij onzen inwendigen mensch voor den rechterstoel van ons geweten roepen; want, in het rumoer der wereld, omgeven door allerlei stoffelijke zorgen, Ijlijlt, de deur van liet geweten gesloten, en het ziet vele gebreken en fouten over het hoofd, zoodat het soms niet te begrijpen is, hoe lichtvaardig vele men-schen over dit gewichtig punt heen stappen. Na soms iu maanden of jaren niet gebiecht te hebben en niet zelden aan vele en groote zonden schuldig, begeeft men zich kerkwaarts en treedt dan zonder liet minst ernstige

n

onderzoek den biechtstoel binnen. Wat er van zulk een onderzoek en de daaropvolgende belijdenis en het berouwen dus van de geheele bekeering terecht moet komen, laat ik u ter beoordeeling over; het is alsof men bang ware , zich zeiven te leeren kennen en toch, zonder die ware kennis, geen ware belijdenis noch berouw.

2°. Moeten wij met gestrenge onpartijdigheid de diepe schuilhoeken van ons hart onderzoeken, en hieraan des te meer tijd besteden, naarmate wij lichtzinniger geleefd en langer tijd niet gebiecht hebben : want het is daghelder, dat hij of zij, die wekelijks of maandelijks biechten, in den regel minder tijd aan het gewe-

-ocr page 758-

DE OROOTE CATECUIsjtÜS.

tensonderzoek behoeven te besteden dan zij, die slechts één- of tweemaal \'s jaars tot dit Sacrament naderen. „Schud uw geweten dooreen,quot; zegt de H. Aug. „treed in u - zeiven, dring in het binnenste van uw hart. en onderzoek vlijtig, of daar niet ergens een vergiftige adder schuilt, welke de dwaze liefde tot de wereld en de zonde met zich voert.

3o. Vervolgens doorloopt men de geboden Gods, de vijf geboden der H. Kerk, do plichten van zijn staat, de verschillende soorten van zonden en vraagt zich daarbij telkens af, of en hoe dikwijls men daartegen gezondigd heeft door gedachten, woorden, werken of verzuim, en of er ook omstandigheden zijn; die beleden moeten worden, om den aard of de verandering der doodzonde te doen kennen aan den biechtvader.

101. Waarop dient men hij het onderzoek hei eerst te letten?

Wanneer men het laatst heeft gebiecht, of die biecht goed is geweest eti of men de poenitentie heeft volbracht.

102. Waarop kan men acht (/even om zich de zonde gemakkelijk in 7 (jehemjen te brengen.

Op de plaatsen en de personen, waar en niet wie men verkeerd heeft.

Voor kinderen of menschen; die nog al dikwijls tot de H. Sacramenten naderen, is bovengenoemde overweging bij \'t gewetensonderzoek een zeer dienstig hulpmiddel. De kinderen kunnen b.v. nadenken, hoe zij zich gedragen in de school, in huis, in de kerk en op de straat en

756

-ocr page 759-

HE GKOOTE CATECHISMUS.

anderen, boe hun gedrag was jegens ouders, overheden, familieleden , op de straat, in de werkplaats, in de fabriek, in het veld, alleen of met anderen, gezelschappen enz. dus over de plaatsen waar en over de personen met wie ze omgegaan hcblien. Doen wij dat met ernst en vereischte nauwgezetheid, dan geloof ik, dat wij ook nooit zullen te kort schieten in het verrichten van een heilzaam gewetensonderzoek.

De fouten, die bij het gewetensonderzoek vermeden moeten worden , zijn:

lo. Dat men daarbij niet te oppervlakkig te werk gaat; eene zaak van zooveel gewicht eischt al onze attentie; 2o. dat men zijne lievelingsfout niet over het hoofd ziet of verbloemt; 3o. niet alles kleine en geringe zonden acht en aanmerkt, zooais de wereldling dat doet, maar zich in den geest voor Gods rechterstoel plaatst, en ten 4lt;gt;. moet men daarbij ook niet te angstig, maar vrij en openhartig te werk gaan, zooals een verstandig mensch in gewichtige stoffelijke zaken doet Schoon schrijft de H. Aug.: ,Beklim zelf den rechterstoel , en plaatst uw eigen persoon voor u als aangeklaagde, vel een streng vonnis, opdat \'s Heeren oordeel milder en genadiger zij.quot;

Middelen, die het gewetensonderzoek zeer verlichten, zijn: 1°. het daf/elijksch yewetemonderzofk-, want slaan wij dagelijks, bijzonder \'s avonds, vóórdat wij ons ter rust begeven, een blik in ons - zeiven, lezen wij dagelijks in het boek van ons hart, dan ook zullen wij, eenigen tijd later, ons gemakkelijk herinneren, wat daarin geschreven staat, en bovendien zal het strekken tot onze zedelijke verbetering, wij zullen ons beginnen te

757

-ocr page 760-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

schamen zuo dikwijls in dezelfde fouten en misstapppn te hervallen. De H. Franc, van Sales merkt hierop; .Begeef u zoo ter rust, als naar den biechtstoel.quot; Gaan wij biechten, dan verwekken wij na liet gewetensonderzoek berouw en maken goede voornemens , en hetzelfde moeten wij doen alvorens ons ter rust te begeven. Het kan niet anders, als wij dagelijks onze rekening opmaken, dan zal het niet zwaar vallen b.v. de maaiule-lijksche rekening te vereffenen.

2o. Het dikwijls biechten, zoodat hij, die dikwijls biecht, gehouden is ook dikwijls zijn geweten te onderzoeken , en alles, wat men vaak verricht of beoefent, leert men ook goed: aldoende leert men; nietdoende leert af.

103. Wat doel wen, na zijn yeweten onderzocht le hebben ?

Men verwekt berouw over zijne zonden.

Aangenomen, dat men zijn geweten goed onderzocht heeft, kan men dan zonder iets meer gaan biechten en de absolutie ontvangen? Neen! Alvorens te biechten, moet men berouw hebben over zijne zonden. Vandaar dat de catechismus terstond na het gewetensonderzoek van het berouw spreekt, hetwelk, zooals gij reeds gehoord hebt, het tweede vereischtë, en gelijk gij nog hooren zult, het gewichtigste en noodzakelijkste is; wat de biechteling van zijn kant te doen heeft , om waardig te biechten.

104. Wanneer heeft men berouw over zijne zonden?

Als men zijne zouden betreurt en verfoeit, met het vaste voornemen zich te verbeteren-

758

-ocr page 761-

DE GKOOÏE CATECHISMUS.

,, Petrus giny nmr hfUten en weende bitterlijkMatt 26, 75. Het berouw is dus droefheid des harten, gepaard met afschuw over de bedrevene zonden en liet raste voornemen zich te verbeteren. De H. Gregroiius zegt; , Berouw hebben is niets anders dan zijne bedrevene zonden betreuren en geen nieuwe bedrijven . . . ; want, die zijne zonden betreurt en des ondanks weder op nieuw zondigt, weet niet wat berouw is, of hij stelt zich ten jniuste aan, alsof hij het niet weet.quot; Smart door pijnen en lijden veroorzaakt is dus geen berouw, evenmin als de smart en do droefheid door den dood eener nabestaande veroorzaakt, omdat onze ziel dan treurt en bedroefd is over eene tijdelijke ramp, over een ongeluk, terwijl het berouw eene zielesmart, eene zielsdroefheid over de zonde is. Ook wordt hier niet bedoeld de droefheid of inwendige smart, die wij somtijds gevoelen over het kwaad van anderen, maar de droefheid en de smart, die voortkumen uit het besef van de boosheid onzer zonden en misdaden; de zonden moeten ons in de ziel en het hart leed doen. Het wordt juist niet gevorderd, dat men tranen stort, maar wel, dat men ten ininste de zonden cerafschawt en ccrfoeit boven alles, en liet ons meer grieft God vergramd te hebben , dan alle aardsche goederen te verliezen en alle aardsche rampen en lijden te ondergaan.

Hiermede moet de onwrikbare wil gepaard gaan, nooit weder te zondigen. Zulk een berouw had de H. Petrus na de verloochening des Zaligmakers. Een blik des Heilands van weemoedige liefde verlichtte zijn hart en hij erkende zijne snoode ondankbaarheid en trouweloosheid tegen zijn Heer en Meester. Terstond verliet hij de noodlottige plaats eu het slechte

759

-ocr page 762-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

gezelscliH]!, en geheel zijn liart was vol van afschuw , vol koniiiier, vol bitterheid en smart over de. bedreveiie zonden — uitgaande \'\'.weende hij bitterlijk. Deze droefheid, zulk een berouw wordt tot de biecht vereischt. en daarom de vraag:

105. Moet men zich bijzonder beijveren om beruuto te verwekken ?

Ja; zonder berouw kan ons noch de belijdenis der zonden, noch absolutie des priesters iets helpen.

„Het berouw is den biechteling zoo noodzakelijk als den gewonde een geneesmiddel,quot; zegt de li. Ambrosius. God zelf vordert dan ook berouw tot vergiffenis der zonden, waar Hij zegt: TBekeer n tot Mij, wit geheel uw hart met vasten, bidden en klagenquot; Joel. 2, 13. En bij Ezechiël 18, 21. lezen wij: „ Wanneer de goddelooze hoeivaardigheid doet over zijne zonden, . . . dan zal hij leven.\'\'\'\' God verlangt van den zondaar waardige vruchten van boetvaardigheid en deze kunnen alleen en uitsluitend ontstaan door \'t gevoel en de tranen van berouw, want in de biecht zijn de woorden, takken en bladeren; het smartvol berouw is echter de vrucht; de woordelijke belijdenis heeft slechts in zooverre kracht en uitwerking, als zij gepaard gaat met inwendige vermorzeling des harten; zonder berouw dient de belijdenis alleen om ons schuldiger te maken, en daarom vraagt de catechismus verder:

106. Is het tot berouw genoeg ^ vtcl den mond te zeggen, dat men zijne zonden betreurt en verfoeit?

Neen; het berouw moet hartelijk, oprecht gemeend

760

-ocr page 763-

DE GKOOTE CATECHISMUS

zijn, en wel zoodanig, dat men geen onheil ter wereld meer betreurt en wil vluchten dan de zonden.

Het berouw moet dus inwfnditj, hartelijk zijn, cl.i. wij moeten niet alleen berouw hebben over onze zonden door met den mond te zeggen, dat ze ons leed doen, (verg. vr. 104) maai* ze ook van harte ais \'t grootste en eenigste kwaad verafschuwen en oprecht wenschen ze nooit bedreven te hebben. „Het kenteeken eener waardige, geldige en heilzame biecht bestaat niet in woorden, maar in de smart des harten, en hij heeft in waarheid zijne gemoedsstemming (ten goede) veranderd en eene goede biecht gesproken , die door inwendige vermorzeling en berouw des harten, datgene uit zijne ziel heeft verwijderd, wat hij met den mond bekent..11 H. Greg. Daarom roept de profeet Joel 2, 13, ook ons toe: „Verscheurt uwe harten en niet uwe hieederen quot; en, dat dit berouw voor God slechts waarde heeft, getuigt David in, Ps. 50; 19 als hij zegt: ,Ken offer voor God, is ren bedroef de (jeest; ecu vermorzeld en verootmoediyd hart, ztdt (jij, o God, niet cermia len /quot;

Wanneer wij nu zien, dat vele menschen terstond na de biecht, weder de zelfde zondige wegen gaan bewandelen; en jaren achtereen dezelfde zondaars blijven, ja, niet zelden grootere zondaars worden en soms op denzelfden dag opstaan en weder diep vallen, moeten wij dan niet vreezen, dat het berouw van zulke menschen niet hartelijk en oprecht gemeend was?

107. Is het berouw goed, als men wel over eenige, maar niet over alle bedrevene doodzonden bedroefd is?

761

-ocr page 764-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Necu, het berouw moot algemeen zijn, d. i. over alle bcdrevene doodzonden. — Omdat de beween-

O

redenen, waarom men over ééne doodzonde berouw moet hebben, ook bestaan voor de andere.

Men moet dus berouw hebben uver alle doodzonrlen; want, omdat iedere doodzonde op zich - zeiven ons van God scheidt,moet ook iedere doodzonde betreurd worden. Vandaar liect het ook bij den profeet Ezechiei 18, 2!: , Wuntu-rr de zondaar boetvaardigheid doet over al zijne zonden, d-.n zal hij leven.\'\'\' Dit is echter niet zoo te verstaan, dat men over elke doodzonde in \'t bijzonder berouw moet verwekken. Iemand heeft b. v. ééne «xodslasteriim- uil-

O o

gesproken, een onzuiver werk gedaan, zich vrijwillig aan geloofstwijfel overgegeven, eiiz^ dan wordt het niet gevorderd, dat men eeist over de godslastering, daarna over de onzuiverheid, enz. berouw hebbe, liet is voldoende alle doodzonden in \'t algemeen te betreuren en te verfoeien, zonder er één uit te sluiten. Dit laatste zegt ons eigen verstand. Kan men wel te gelijk nat en droog, koud en warm, dood en levend zijn? Wel neen, zult gij zeggen. 8tel u dan iemand voor, die tien doodzonden gedaan heeft, maar slechts over negen berouw heeft, zou hij van God vergiffenis ontvangen ? Zeker niet; want men kan niet tegelijk vriend van God en van den duivel zijn, niet op \'t zelfde oogenblik de zonden haten en liefhebben, eu dat ligt toch in \'t gedrag van hem opgesloten, die één of meer doodzonden bij zijn berouw zou uitsluiten. Verbeeld u een kind, dat vijf ruiten heeft stuk gegooid en bij zijn vader komend onder tranen en beloften zegt: Vader! vergeeft liet mij, want het spijt mij zeer, dat ik drie ruiten heb ingeworpen.

762

-ocr page 765-

DE GRO0TE CATECHISMUS.

Zou dat kind vmi den vader vevgiffeuis ontvangen? Evenmin kan liij van C-iod vergiffenis verwachten, die over drie doodzonden zon berouw hebben, maar over twee niet, b. v. zijne lievelingszonden, onkuischheid met zich zeiven of anderen, dronkenschap enz. „Niemand lean twee heereu (lieKc.nquot; zegt de goddelijke Verlosser.

lOS. A\'au men voUtaan met een natuarljk berouw, bijv. om tijdelijk nadeel, schande enz.

rseen ; noodzakelijk is een howwnatimrljk berouw, (hit voortkomt uit boveinmtuurhjkc bcweegreclenen, I). v. uit liefde tot God, uit vrees voor de straffen Gods, enz.

Hiermede is gezegd, dat wij over de zonden geen berouw moeten hebbeii om natuurlijke kwade gevolgen daaraan verbonden, maar uit bovennatuurlijke beweegredenen, n. I. omdat wij daardoor God, Ziine liefde en vriendschap, de verdiensten onzer goede werken verloren en de hel verdiend hebben enz. (repast zegt daarom de H. Aug: Een goed berouw verkrijgt men slechts door haat tegen de zonden en door liefde jegens God.:\' De zondaar moet datgene, wat liij vroeger beminde en boven God lief had (de zonde), in zijn hart betreuren, verafschuwen en verfoeien, en God gaan beminnen, dien hij door zijne zonden verachtte, want dan kan bij met recht zeggen: ,Tegen U alleen, o God! heb ik gezondigd!quot;

Wanneer wij over onze zonden slechts berouw hebben en die betreuren, omdat zij ons schade of schande, b.v. gevangenisstraf, verlies der gezondheid of van een lichaamsdeel, verlies van eer of goeden naam hebben berokkend, dan is dat berouw slechts natuurlijk, om de natuurlijke

763

-ocr page 766-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

beweegredenen, die het opwekken. (Opheldering door voorbeelden.) Door smart overweldigd, omdat hij kroon en scepter verloren had, zocht Saul den dood. Ezau brak in tranen en zuchten los, oin het verlies van zijn eerstgeboorterecht; dat was zeer natuurlijk. Zien wij echter David dag en nacht zijne zonden beweenen, iioo-ren wij hem zuchtend uitroepen: , Te;/eii Ualleen, o God 1 heb ik cjezondigdV dan zeggen wij: dat is ee;i oprecht en hovennatuurlijk berouw. Beschouwen wij Maria Mag-daleua schreiende en snikkende aan Jesus voeten geknield, terwijl ze deze met hare tranen besproeit en bevochtigt, dan treedt ons liet beeld, van eene bovennatuurlijk berouw hebbende zondaresse, voor den geest. Treffen ons oor de woorden van den verloren zoon, aan den boezem van zijn vader liggend: , Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, ik ben niet waard, uw zoon ge-noemd te worden, maar neem mij slechts aan als den minste uwer dienstknechten,\'\'\'1 dan verzuchten wij: och, of ik ook zóó hartelijk en oprecht gemeend mijne zonden voor God, mijn Vader mocht betreuren. Hij denkt niet aan zijne verbraste goederen, aan het verlies van zijn naam, aan zijne geschokte gezondheid; „Ik heb tegen a en den hemel gezondigdquot; ziedaar de beweegredenen van zijn berouw.

101). IF alk voorncimn moet met de droefheid over de zonde gepaard gaan ?

Het ernstige en vaste voornemen om zich tc verbeteren, elke doodzonde en de naaste gelegenheid daartoe te vermijden en de noodige middelen tot beterschap aan te wenden.

764

-ocr page 767-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

Zooals het water uit de bron, zoo ook moet uit een waar berouw noodzakelijkerwijze het goede voornemen ontstaan ; d.i. de ernstige en standvastige wil, zijn leven te verbeteren en niet meer te zondigen. Zeer juist is in dit opzicht het Chineesche spreekwoord: „Het berouw is de lente der deugden.quot; Inderdaad, zooals de lentezon ilen boom uit den winterslaap wekt, zoo ook wordt door het berouw de flauwe menschelijke wil aangewakkerd en versterkt, om uit den zondeslaap op te staan. voor God te gaan leven en vruchten van heil voort te brengen. Waar derhalve oprecht berouw bestaat, daar moeten ook noodzakelijk ernstige en vaste voornemens ten goede aanwezig zijn.

Ik zeg tot nadere verklaring:

l0. Het voornemen moet inwendirj zijn, d. i. men moet niet alleen met den mond beterschap beloven, maar daartoe in \'t hart vast en bepaald besloten zijn; zoodoende, wordt het eene daad of akt van onzen wil.

2o, Het voornemen moet ernstic/ gemeend zijn, welke ernst voortspruit uit het onbewegelijk en onwrikbaar besluit,, voor eeuwig de zonden te haten, het koste wat liet wil, en met Paulus te zeggen: „Geen dood of leven, (/een

enyden of machten (der hel)...... geen schepsel, zal ooit in

staaf, zijn mij weder van Gods liefde te scheiden.\'quot;

3o. Het voornemen moet even als het berouw al(/emeen zijn, zoodat men vast besloten moet zijn ten allen tijde, alle doodzonden tegen zich-zelven, tegen zijne naasten of tegen God, en de gelegenheid daartoe te vermijden; want hij is een dwaas, die geheel ziek zijnde slechts voor een gedeelte wenscht gezond te worden, zoodat de geringe vooruitgang van sommigen in deugd, of ue achteruitgang,

765

-ocr page 768-

DB GllOOTK CATECHISMUS.

voor een sfroot gedeelte is toe te schrijven aan het niet geheel in beoefening brengen fier goede voornemens; /.ij toonen, te willen en tegelijk niet te willen.

4°. Het roornemen moet horennatvurlijk zijn, omdat het zijn oorsprong vindt in het bovennatuurlijk berouw. Indien de vrees voor tijdelijke straffen aanleiding geeft, dat iemand voor liet kwaad terugschrikt en goede voornemens maakt, dan dient dit slechts om hem als vijand der gerechtigheid te doen kennen, waarvoor hij beducht is en die hij zou willen verdelgen om vrijer te kunnen zondigen. Zoo ook als de niensch alleen uit vrees voor tijdelijke straf de zonden vlucht, clan blijft de wil om te zondigen in hem, ofschoon hij ze werkelijk niet bedrijft; het is een natuurlijk voornemen, ontstaan uit natuurlijke beweegredenen, even als het natuurlijk berouw. De kracht van \'t horeimafnniiijk voornemen leert ons het volgend voorbeeld. Een jongeling kwam bij den H. Bern. en zeide, zich wel te willen verbeteren en eene oprechte biecht te spreken, maar zoo verstrikt te zijn door eene afschuwelijke gewoonte van zonde, dat hij ze onmogelijk koude nalaten en ze dagelijks bedreef. Wel, zeide de heilige, dat komt, omdat gij nooit liet ernstige en vaste voornemen gemaakt hebt, om ze niet meer te bedrijven. Maak nu eens het vaste en ernstige voornemen en hernieuw het \'s morgens en meermalen per dag, om drie dagen de zonde te mijden ter eere der IT. Drievuldigheid; vervolgens drie dagen ter eere van Jesus\' bitter lijden en sterven. Nadat die tijd verstreken was, kwam de jongeling en verzekerde den heilige, dat hij aan alle bekoringen weerstand had geboden door de overwegingen van Gods glorie en de gruwzame pijnen en den marteldood van

-ocr page 769-

I)E GUOOTE CATECHISMUS.

Jesus. Nu vermaande hein de heilige het vaste besluit te nemen om rlrie dagen zich van zonde te zullen onthouden ter eere en onder aanroeping der allerreinste Maagd Maria, daarna drie dagen ter eere van zijn engelbewaarder, zijn patroonsheilige enz,, welke raad getrouw werd opgevolgd en de groote zondaar werd een groot heilige. De lichamelijke kwalen zijn soms moeilijk te genezen en niet zelden moeten lancet en bittere kruiden aangewend worden tot genezing, doch ter genezing onzer zielskwalen wordt slechts een oprecht berouw en een ernstig en vast voornemen van beterschap gevorderd. Vergeten wij echter niet, dal de weg naar de hel bevloerd i* met goede voornemens, welke niet tot uitvoering kwamen.

■ 10. Nu een enkel woord nrev de nafisti\' gelegenlifdeit Int zovden) welke men noodzakelijk moet vermijden, willen onze goede voornemens vruchten dragen. Onder die ge-legenheden verstaat men personen, plaatsen, huizen, samenkomsten, spelen en publieke vermakelijkheden, enz, waardoor wij gewoonlijk tot zonden gebracht worden. Steunende op de, ondervinding zegt de II. Isidoris van Sevil: „Hij alleen heeft volkomen met de zonde gebroken, die de gelegenheden tot de zonde ontvluchtquot; Een meisje derhalve of een jongeling, die zegt en zich voorneemt niet meer te willen zondigen, maar de zondige verkeering blijft voortzetten, den dienst, die voor hem of haar eene naaste gelegenheid tot zonde is, niet verlaat; do jongeling of het meisje, die den omgang met een slechten kameraad niet afbreekt; de persoon, die ondanks zijn voornemen huizen en gezelschappen blijft bezoeken, bij ondervinding struikelblokken voor eer; deugd en geloof, al deze menschen missen den ernstigen en standvastigen wil

767

-ocr page 770-

DÉ GliOUÏE CATECHISMUS.

oin de zonde te vluchten en zijn dus de H. Sacramenten niet waardio- en ze worden hun daarom in den resel ook

O o

geweigerd, tot dat ze hun voornemen door daden getoond, d. i. met de naaste gelegenheden gebroken hebben. Eu dat ia recht! Immers, wat zoudt gij zeggen, wanneer iemand in het vuur sprong en zeide: ik wil mij niet branden, of in het water, zeggende, niet te willen verdrinken? Niet ten onrechte zoudt gij hem een zot of dwaas noemen. Maar even dwaas en veroordeelenswaardig handelen zij, die slechte gezelschappen, huizen, personen of plaatsen bezoeken, welke voor hen naaste gelegenheden tot zonden y.ijn. Eene pas uitgeblazen kaars vat veel lichter vlam, dan een, die nog niet aangestoken is Op gelijke wijze zullen in den mensch, nauwelijks door berouw en boetvaardigheid tot God teruggekeerd, zijne vroegere passiën en hartstochten veel gemakkelijker met verdubbelde kracht ontwaken, wanneer hij de naaste gelegenheden niet vermijdt en zoo het gevaar tegemoet loopt. Vergeet de vader-landsche spreekwoorden niet: „Die met pek omgaat, wordt er door besmet,quot; en „Die met vuur speelt, brandt zich.quot;

110. Waarop moet men hij het maken van het voornemen bedacht zijn, als men dec,Ids Heine zonden te biechten heeft?

Dat men zich ten minste van één soort dier zonden wil verbeteren, of dunrvan liet getal verminderen.

Wanneer de menschen dat voorschrift getrouw naleefden, dan zou de Kerk op aarde, weldra voor het grootste gedeelte uit heiligen bestaan; want, die elk jaar maar eene ondeugd afwendt, zal sterven als een heilige, zegt

768

-ocr page 771-

DE GaOOTE CATECHISMUS. 769

Thomas van Kempen. De sleur van de eene biecht tot de andere en maanden en jaren altijd dezelfde te blijven, immer zich van dezelfde dagelijksche fouten te moeten beschuldigen, vindt zijn grond in het zwakke voornemen. Wanneer men zich bij de wekelijksche of maan-delijksche biecht telkens ernstig voornam: ik wil geen enkele dagelijksche zonde meer bedrijven, maar vooral niet meer snoepen of liegen, niet liefdeloos of ongehoorzaam meer zijn, enz., en op dit of een ander punt de klem van ons voornemen lag, geloof mij, die ondeugd zou langzamerhand in ons hart worden uitgedoofd.

ZEVEN EN VIJFTIGSTE LES.

OVER HET VOLMAAKT EN ONVOLMAAKT BEROUW.

111. Is er nog onderscheid tusschen het berouw dat uit hef de. tot God en dat, loat uit vrees voor de straffen Gods voortkomt?

•Ta, het eerste is een volmaakt- en het tweede een onvolmaakt berouw.

112. Wanneer heeft men dus een volmaakt berouw?

Als men zijne zonden betreurt, en zich verbeteren wil uit liefde tot God, liet opperste goed.

Het volmaakt berouw bestaat in de smart en de droefheid, over de beleediging Gode aangedaan door de zonde, uit volmaakte liefde opgewekt, d. i. als men de zonde meer dan alle kwaad, onheil en rampen verafschuwt en betreurt, alleen, omdat men daardoor God belee-digd heeft, onzen beminnenswaardigen Vader. den groot-sten Weldoener en liefdevollen Verlosser, Hem, die ons

OK. (\'AT. jq

-ocr page 772-

DIJ GUOOÏË CATECHISMÜS.

bovenmate lieflieeft en weldoet. Hij, die zulk een berouw heeft, deukt aan niets dan aan de afscliuwelijk-lieid zijner zouden, en bij de overweging daarvan en op \'t zien van Gods majesteit, barmhartigheid, lankmoedigheid en liefde roept hij in smart uit: ,0 God! ik heb tegen U alleen gezondigd, tegen U alleen kwaad bedreven! Wees mij, arme zondaar, genadig; liever sterven, dan U ooit weer niet eeue doodzonde te beleedigeu 1 Hebt gij dus gezondigd, ween dan eu treur, niet, omdat gij de hel verdiend hebt, deze beweeggrond is onvolmaakt, maar ween en treur, omdat gij God hebt beleedigd, die oneindig goed is in Zich zeiven en u zoo beminde, dat

o O

Hij, om u zalig te maken, Zijn eenigeu Zoon ten beste gaf.quot; H. Chrys.

113. Wanneer heeft men een omolmaukt heromo?

Als men zijne zonden betreurt met het vaste voornemen zich te verbeteren uit vrees voor de straffen Gods.

Wanneer men dus de zonde betreurt en wil vluchten, omdat men zich zeiven daardoor groote yeestelvjlce schade (natuurlijke schade of gevolgen toekent slechts natuurlijk berouw) berokkend, de onschuld, Gods liefde eu vriendschap , de verdiensten zijner goede werken en den hemel verloren, en de hel verdiend heeft enz.; als men dus de zonden betreurt en ze niet weder bedrijven wil, uit vrees voor Gods straf, dan is het berouw, hetwelk uit deze beweegredenen ontstaat een nnvolninrdi berouw, (vg. 29. De gevolgen der doodzonde.) Zoo was het berouw van den verloren zoon in den beginne onvolmaakt, het berouwde hem wel zijn vader beleedigd te hebben, maar

-ocr page 773-

I)E GEOOTE CATECHISMÜS

vooral berouwden hem zijne misdaden, omdat hij daardoor tot ellende en armoede vervallen was. Later, toen hij de voorkomende liefde van zijn vader zao*, ging het onvolmaakte- in het volmaakte berouw over en zonder aan de gevolgen zijner losbandigheid te denken, viel hij zijn vader in de armen en riep uit: „Vader, tegen u heb ik gezondigd!quot;

O O

Het berouw moet, zooals wij gehoord hebben, hoven-natunrlijk zijn, en om dat te verwekken, zijn derhalve de mensclielijke krachten ontoereikend, hij behoeft Gods hulp en bijstand. Die genade moet hij vurig afsmeeken, opdat God zijn verstand verlichte, zijn hart roere en stemme en zijn wil ten goede bewege. Ja. bid niet slechts vóór het gewetensonderzoek, maar ook daarna, als gij berouw over uwe zonden wilt verwekken. Vraac den H. Geest, dat Hij uw hart roere, smeek den Heiland een vonk Zijner liefde, tot God, Zijnen hemelschen Vader, in uw hart te storten, alsmede een gedeelte Zijner smarten, welke Hij over de zonden der menschen gevoelde in Getsemanie; verzoek de voorbede van de H. Moeder-maagd, van Petrus, Magdalena enz. en span daarna uw eigene krachten in om het gewenschte berouw in uw hart op te wekken. Tot beter welslagen kunnen wij de volgende vragen beantwoorden:

\'0 Wat heb ik door mijne zonden (jedaan ? Antvv. God, liet opperste goed, den beste der Vader» beleedigd, do trouw geschonden tegenover Jesus, mijn beminnenswaar-digen Verlosser, en helaas! Zijn lijden hernieuwd.

h) Wat heb ik door mijne zonden verloren ? Antw. De heiligmakende genade, Gods liefde en vriendschap, de verdiensten mijner goede werken, de schoonheid mijner ziel, den hemel enz.

771

-ocr page 774-

7^2 1gt;E GKOOTE CATECHISMllS.

c) Wat heb ik door mijne zonden verdiend ? Antw. De wraak van God, de eeuwige straffen, (het Vagevuur) — Die deze vragen met ernst overweegt, zal op het zien der schromelijke gevolgen zijner zonden, bij het aanschouwen zijner ondankbaarheid en roekeloosheid eu Gods lankmoedige liefde en barmhartigheid getroffen, uitroepen: „PeccaviIk heb gezondigd.

Bovendien zijn de volgende overwegingen ook zeer dien-stio- om ons te stemmen tot heilzame vrees en haat tegeu de

O

zonden en een waarachtig berouw. Eens slechts hebben de Engelen gezondigd en zich tegen God verzet, en zij zijn voor eeuwig verworpen; ééne zonde slechts heeft Adam en Eva en hun geheele nakroost, voor dit en het toekomende leven ongelukkig gemaakt; één enkel klein mistrouwen op God sluit Mozes buiten het beloofde Land. En hoe dikwijls heb ik gezondigd? Ja, ontelbaar zijn mijne zonden , zij zijn vermenigvuldigd als de haren van mijn hoofd. En God spaarde mij, en schonk mij tijd van be-keeririg, als of ik beter ware dan de Engelen en onze stamouders. 0, barmhartige liefde van mijn God! eeuwig lof en dank zij u daarvoor gebracht. Thans begrijp ik maar al te wel Uwe liefde, welke ik zoo verregaand heb miskend en dat spijt mij uit den grond mijns harten, en daarom in eeuwigheid geen zonde meer, in eeuwigheid niet; ik haat en verzaak ze. — Ziedaar eenige middelen welke, bij eene goede aanwending wel doel zullen treffen.

114. Wordt een volmaakt of een onvolmaakt berouw tot de biecht vereischt?

liet onvolmaakte berouw is voldoende, het volmaakte is beter.

-ocr page 775-

1JE ÖKOOTF CATECHISMUS.

Tot de geldigheid der biecht, d.i. opdat wij door het sacrament werkelijk vergiffenis van God ontvangen , wordt het onvohnaalde berouw noodzakelijk vereischt, maar het is daartoe ook voldoende, omdat het bovennatuurlijk is; en wij niet slechts de straffen, maar vooral de. oorzaak daarvan, de zonde, verafschuwen, en vast besloten zijn, ze niet meer te bedrijven. Doch, wie onzer zal bij het naderen tot het sacrament der biecht denken: hot volmaakte berouw wordt niet gevorderd, dus zal ik maar een onvolmaakt verwekken. Dat zou ondankbaar en niet te prijzen zijn. Daarom laat de catechismus ook volgen: „Maar het volmaakte is heter,quot; om ons aan te sporen door gebed en overweging van Gods miskende liefde en majesteit, en onze laatdunkendheid en vermetelheid; met volmaakte liefde en berouw tot Hem op te klimmen. In verband hiermede de vraag:

115. Wat verkrijgen wij van God door een volmaakt berouw?

Door een volmaakt berouw verkrijgen wij dadelijk van God vergifienis van zonden , ook zonder de biecht.

Op hetzelfde oogenblik dus, waarop wij een volmaakt berouw verwekken met het voornemen om zoodra mogelijk te biechten, worden ons onze doodzonden vergeven. Wanneer wij derhalve vóór de biecht en de absolutie een volmaakt berouw verwekken, dan worden ons ook de zonden reeds van te voren vergeven: -En dus is de biecht en de absolutie ook niet meer noodig,quot; zal iemand zeggen. Daarop dient als antwoord:

Het is een goddelijk en kerkelijk gebod, dat wij alle zware zouden aan de sleutelmacht des priesters moeten

773

-ocr page 776-

* UE GEOOTE CATECHISMUS.

ondei werpeu, d. i. ze biechten en de absolutie daarvan ontvangen. Slechts met betrekking tot de te ontvautren

c O

absolutie verkrijgen wij vergiffenis, zegt het Couc. van Trente. 14 zitt. de poen. cap. 4. En wie geeft ons de verzekering, dat ons berouw volmaakt zij ? Bovendien geeft de absolutie vermeerdering van de heilig-makende genade, vergiffenis van tijdelijke straffen en meer aanspraak op meerdere werkende grenade

116. JFaartoe is men verplicht, ah men in sier oen h-tjeoaar verkeerendein doodzonde is ?

iVlen is verplicht een volmaakt berouw to verwekken

Een priester verhaalt: „Voor eenige jaren werd ik bij een man geroepen om hem de laatste H. Sacramenten toe te dienen. En, helaas! toen ik bij hem binnentrad, had de Dood reeds zijn werk gedaan; hij was overleden, gestikt in zijn bloed. Jammerend en radeloos stonden bloedverwanten om den doode geschaard en zeiden onder tranen: „Och, als hij maar bediend ware, maar zoo de eeuwigheid in te gaan, dat is vreeselijk.quot; Een jonksko van twaalf jaren droogde zijne tranen en zeide :„Moeder, ween toch niet zoo, vader is in den hemel. Nog geen half uur geleden hel) ik hem het krucifix voorgehouden, gewezen op Jesus liefdevollen zoendood en hem opgewekt tot een volmaakt berouw en het schoon gebedje voorgezegd, Mijn Jesus, ik bemin U boven al! Mijn Jesus, ik hoop en vertrouw op TJ in leven en sterven! Mijn Jesus, het grieft mij uit den grond mijns harten U be-leedigd te hebben, ik wil liever sterven dan ü weer met eene groote zonde te vergrammen! Met de grootste godsvrucht heeft vader met mij gebeden, en daarom heeft

-ocr page 777-

DR GROOTE CATECHISMUS.

God hem zeker bij Zich in den hemel genomen. Treffend voorbeeld, dat algemeene navolging verdient, en gemakkelijk door familie en vrienden kan nagevolgd worden, als de ziekte des lijders (en ook al heeft hij de sacramenten ontvangen,) gevaarlijk is. De gevallen komen ook nog al dikwijls voor, dat, door de hevigheid der ziekte het denkvermogen van den mensch belemmerd, en hem de spraak benomen is; of dat den ras naderenden dood of de verre afstand van den priester hem belet zijne zonden vóór den dood te belijden, zooals voorkomt bij zeelieden, soldaten, in tijd van oorlog, enz. In al deze gevallen schenkt God den ronwmoedigen zondaar vergiffenis, op voorwaarde, dat hij volmaakt berouw verwekke en den ernstigen wil hebbe bij de eerste gelegenheid zijne zonden oprecht te biechten. — Wij zien hier weder Gods barmhartige liefde helder schitteren, daar Hij, in de onmogelijkheid geplaatst om te biechten, aan \'t volmaakte berouw vergiffenis en zaligheid heeft vastgehecht.

117. Wanneer is het bovendien heilzaam dit berouw te verwekken?

Het is heilzaam dit dikwerf in zijn leven te doen, maar vooral dan, wanneer men in doodzonde gevallen is.

Hoe verschrikkelijk de toestand der ziel is, en hoe vreeselijk het gevaar, waarin zich de mensch bevindt, wanneer hij eene doodzonde bedreven heeft, is reeds meermalen verklaard; het is genoeg te zeggen , dat hij , die in doodzonde sterft, verdoemd wordt. En wie onzer is een dag , een uur zeker van zijn leven? Vandaar is het eene onverklaarbare lichtzinnigheid in de doodzonde onverschillig

775

-ocr page 778-

DE GROOTE CATECHISMUS.

voort te leven. Mocht iemand dus in doodzonde leven, of het ongeluk hebben eene doodzonde te bedrijven, hij ga terstond eene oprechte biecht spreken. Doch behoort dat voor het oogenblik tot de onmogelijkheden, dat hij dan aanstods een volmaakt berouw verwekke, met het voornemen, zoodra mogelijk te biechten.

In doodsgevaar dus en wanneer wij eene doodzonde bedreven hebben, moeten wij een volmaakt berouw verwekken. Welnu, wij leven voortdurend in doodsgevaar, want geen uur zijn wij zeker van ons leven; daarom moeten wij ons de gewoonte eigen maken, eiken avond, na het gewetensonderzoek, een volmaakt berouw te verwekken over de zonden gedurende den dag bedreven en in \'1, bijzonder over alle (zware) zonden van liet geheele leven.

118. Moeten wij, na een volmaakt berouw verwekt tc hebben, de zot/den 7iolt;i biechten?

Ja; een volmaakt berouw neemt de verplichling van de zouden te biechten niet weg (verg. vr. 1 13.)

ACHT EN VIJFTIGSTE LES.

OVER DE BELIJDENIS

119. iVat moet men doen, na zijn geweten onderzocht en berouw or er de zonden te hebben verwekt?

Zijne zonden oprecht en duidelijk den priester belijden, zonder iets te verzwijgen of tc verdraaien van hetgeen men verplicht is tc biechten.

lo. Biechten is de rouwmoedige belijdenis van zijne zonden aan den priester gedaan, om van hem, als gevolmachtigde Gods, in diens naam vergiffenis van zonden te ontvangen. De penitent of biechteling moet het

776

-ocr page 779-

DE GROOTE CATECHISMUS. .777

voorbeeld viin den rouw moedigen en nedorigen tollenaar steeds voor oogen Lebben, die zich voor God als de grootste zondaar erkent, uitroepende: „Heer! wees mij, arme zondaar, genadig!quot; Hij waagt het niet zijne oogen ten hemel te verheffen, maar slaat zijne blikken treurig op den grond. Zoo ook moeten wij gestemd zijn, op \'t punt van te gaan biechten en in diepen ootmoed; met gevouwen handen en neergeslagen oogen ons naar den biechtstoel begeven, want het is zeer ongepast op hetzelfde oogenblik, dat wij vergiffenis gaan vragen van de (eeuwige) doodstraffen eene trotsche houding aan te nemen, of nieuwsgierig en verward rond te zien. üat de vereischte stemming ook niet bevorderd wordt, door vooruit te dringen, door steeds het oog op den biechtstoel gericht te houden, om te zien, wie er in-en uitgaan, hoelang zij er wel inblijven, enz., zul wel niet bewezen behoeven te worden. Opdat oogenblik heeft ieder genoeg met zich zeiven te doen, om zijn eigen geweten in orde te brengen, zoodat elke afleiding volstrekt schadelijk is voor zijne ziel.

2o. Die bekentenis moet verder geschieden u:m een priester, die volmacht bezit om de zonden te vergeven. Het is zeer aan te raden een eigen of vasten biechtvader te kiezen, geschikt, om ons met wijsheid en liefde op den weg des heils te geleiden, te meer, omdat deze zoo onzeker en gevaarlijk is, zoodat een wijze, liefdevolle en voorzichtige leidsman alles waard is. Wanneer iemand eene zeereis wil ondernemen, dan stelt hij zich niet tevreden met een schoon en zeevaardig schip , maar hij vergewist zich vooral of de kapitein bekwaam ,en de taak is toevertrouwd in tijd van nood, de rechte man op de rechte plaatste zijn. Ook hem, die eene landreis maakt, is er

-ocr page 780-

DE GROOTE CATECHISMUS.

meer uangeletcen een goede menner of koetsier. dan een

o o O

schoon rijtuig te bezitten. Op dezelfde wijze moeten wij handelen op onze reis naar de eeuwigheid en een goeden geleider en raadsman zoeken, die onze zwakheid in de gevaren ondersteunt, ons raadt in twijfelingen, ons leert in onze onwetenheid en waarschuwt tegen de gevaren, welke ons op de groote reis naar het liemelsch vaderland van alle zijden tegengrijnzen. — liet gedrag dus van hen, die van den oenen naar den anderen biechtvader loopen, is zeer te misprijzen, en somtijds zondig, wanneer liet geschied, om te ontduiken aan verplichtingen, waartoe de zondaar gehouden is. (nader verklaren)

3o. De biecht moet oprecht zijn, d. i. wij moeten ons zoo aanklagen als wij ons voor God schuldig erkennen, zonder ijdole verontschuldigingen aan te halen of te bewimpelen, te verdraaien of te verzwijgen, liet slechte doel, dat men bij de zonden had, verontschuldigen, is derhalve geen oprechte belijdenis, maar zijne zonden bedekken en verdedigen, zoodat wij daardoor Gods gramschap opwekken, in stede van die te bedaren en te bevredigen. Eveneens is het niet oprecht zijne zonden te verkleinen en zoo den waren aard der schuld voor den biechtvader te verbergen, door het den schijn te geven , dat de verleider meer schuldig is dan wij; of de niet gezochte gelegenheden ons tot den val hebben gebracht. Kortom, wanneer men door allerlei uitvluchten en omwegen de schuld van zich tracht af te schuiven. Welk eene groote ondankbaarheid jegens God, die ons wil vergeven, op hetzelfde oogenblik, dat wij de kracht van het Sacrament, door dubbelzinnigheid en verontschuldigingen verlammen.

778

-ocr page 781-

DE GROOTE CATECHISITUS.

In \'t algemeen kan men zeggen, dat de valsche schaamte oorzaak in der onoprechtheid m de biecht. Dit kunstmiddel , deze valstrik gebruikt satan en hij slaagt, maar al te dikwijls met goed gevolg, om onze biecht niet alleen nutteloos, maar zelfs verderfelijk en heiligschennend te maken. Op het punt van te zondigen, ontneemt de duivel den inensch de schaamte, en vóór de biecht geeft hij ze terug, opdat hij zijne zonden verzwijge, en te gronde zou gaan. H. Clirys. „De wolf grijpt het schaap bij den gorgel, om het dier het blaten te beletten en zoo de waakzaamheid des herders te ontgaan, en de duivel legt Ij et slot der valsche schaamte op onzen mond , om ons de zouden te doen verzwijgen, en verlamt zoodoende ook de hulp van onzen geestelijken herder, omdat hij, op quot;t dwaalspoor gebracht, meent, dat er geen groot gevaar aanwezig is. Daarom weg met de valsche schaamte, en bedenk:

a) Dat het geen schande is zijne zonden te biechten, maar wel schande, schaainteloos zonden te bedrijven. Wan-iemand dus de onzalige gewoonte heeft vóór de biecht zich af te tobben en te zoeken naar verontschuldigingen, dat hij dan niet biechte maar huiswaarts ga, want door te biechten met valsche schaamte worden zijne schuld en zijn straf vergroot. Zeker, eene onoprechte biecht schenkt:

b) geen rust aan \'t geweten en ook geen vergiffenis , maar maakt niet zelden schuldig aan heiligschennis. ,Verzwegen zonden geeselen het geweten, verscheuren het hart en vervullen de ziel, ja, den geheelen mensch met vrees en angst.quot; H. Amb. Daarom schreef de H. Chrijs. zeer gepast: „Wie eene doodzonde in de biecht

779

-ocr page 782-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

verzwijgt, draagt een levendigen kerker, ja, de hel in zijne ziel om. Pat kan ook wel niet anders, want zoo nün als eene gestolen kwitantie van sclmlden be-vrijdi:, doch zwaardere schuld en straf op den hals haalt, evenmin ontslaat een gestolen of ontfutselde absolutie van zonden en straf, maar vergroot en verzwaart ze;

c) dat het toch verkieslijker is zijne zonden aan een priester te belijden, die liever zal sterven dan \'t biechtgeheim te schenden, dan immer onrustig in zonden te leven , ongelukkig te sterven en op den jongsten dag, voor de geheele wereld met schaamte en schande overladen te worden. Omdat wij ons schaamden onze zonden aan één wensch te belijden, zal God ze op dien groo-ten dag aati alle mensen en bekend maken. De H. Aug. toept ons daarom toe: „Overweeg het wel, o zondaar! wat gij ontdekt, dat bedekt God; hetgeen gij echter voor één (priester) verbergt, dat zal Hij eenmaal aan allen openbaren.quot;

cl) Verbannen wij derhalve alle valsche schaamte en maken wij, dat onze oprechtheid in de biecht nooit aan \'t wankelen gebracht worde door de gedachte: wat zal de biechtvader wel van mij denken, als ik zulke afschuwelijke en zware zonden biecht? Hij ziet mij dagelijks, ik spreek hem dikwijls, hij verkeert in ons huis, zal hij mij er niet op aanzien? Bedrog, waarde vrienden, niets anders! Geloof mij, elke biechtvader heeft medelijden en vreugde met de engelen des hemels , over den zondaar, die boetvaardigheid doet en openhartig zijne zonden belijdt; het is zijn grootste troost in zijne bediening den duivel zijne prooi te ontrukken en aan Christus terug te geven, en zijn medelijden en vreugde stijgen,

780

-ocr page 783-

DE GROOTE CATECHISMUS.

781

naarmate liij bemerkt, dat de oprechtheid groot is. Elke biechtvader is zich zeer goed bewust, dat alle menschen en dus ook zijne bekenden, zwakke stumpers zjjn, die elk oogenblik kunnen vallen eu somtijds diep vallen, zooals David, de H. Petrus en Paulus, Augustinus, enz. Doch hij weet ook, dat het eervol voor die heiligen is, dat ze niet slechts voor een enkel mensch. maar de ge-heele wereld hunne zonde beleden hebben. De biechtvader zal u dus niets kwaads zeggen, niets kwaads van u denken, maar wel goed; u niets laten merken, zelfs met geen blik of gebaar, te meer daar hij na ceni^o oogenblikken in den regel do zonden vergeten is, want hij beeft er volstrekt ook geen belang bij te denken aan zaken, die voor God niet meer bestaan. Een meisje kwam bij den H. Franc, van Sales te biechten en beleed allerschandelijkste zonden, welke men niet bij haar gezocht zou hebben. Nadat zij openhartig gebiecht had, vroeg zij den heilige; , Hoe zult gij mij voortaan beschouwen?\'\' „Als een heilige antwoordde Franciscus. „Maar dan handelt pjij toch tegen uw geweten , daar gij nu weet, hoe ik heb geleefd,quot; hernam het meisje. „Volstrekt niet, want gij zijt thans heilig en rein,quot; zei de heilige. „Wat zult gij dan wel van mijn verleden denken ?quot; vroeg het meisje verder. De heilige antwoordde: „Niets, want afgezien, dat het mij niet veroorloofd is; hoe zou ik ook over iets denken, wat door God zelf is verdelgd en vernietigd. Veelmeer zal ik mij met de engelen over uwe bekeering verheugen en blij zijn.quot; „Hebt gij gedurende mijne biecht dan niet geweend over de schandelijkheid mijner zonden?quot; hernam het kind. „Neen, maar ik weende van vreugde over de geestelijke opstan-

-ocr page 784-

DÉ ÖROOTE CATECHISMUS.

fling uwer ziel uit het graf fier zonden,quot; zeide de heilige. Deze schoone samenspraak heeft het meisje zelve verhaald, ter onderrichting en opbeuring van anderen.

e) Vrees, dat de biechtvader het geheim der biecht zal openbaren en bekend maken, bestaat er evenmin, daar de biechtvader op de zwaarste straf gehouden is, zelfs niet het minste uit de biecht te spreken, en liever zijn leven, dan het geheim der biecht te geven. Dat voorbeeld geeft ons de H. Joan Nepomucenus, die in 1383 door keizer Wenceslaus verdronken werd, omdat lijj weigerde, de biecht der keizerin aan hem te openbaren. -Gij kunt mij wel het leven benemen, maar nooit dwingen het geheim der biecht te schenden,quot; zeide hij tot den keizer. „Zoudt gij mij waarschuwen, als samenzweerders u in de biecht beleden, dat zij mij wilden vermoorden? vroeg Hendrik IV, koning van Frankrijk aan zijn biechtvader Pater Ectton. ,Ik zou mij tusschen uwe Majesteit en hen plaatsen en de dolkstoot of de kogel zou eerst door mijn hart gaan alvorens uwe Majesteit te treffen, maar het zegel van \'t biechtgeheim schenden, dat zou ik nooit doen,quot; antwoordde de Pater. De koning, getroffen door het antwoord, omarmde weenend zijn vriend en biechtvader.

4o. De biecht moet ten laatste duidelijk zijn , d.i. men moet de zonden met den naam aangeven en zich zoo verstaanbaar uitdrukken, dat de biechtvader ons begrijpt en den toestand onzer ziel behoorlijk kan beoordeelen. Derhalve is het tegen de duidelijkheid binuensmonds te prevelen, te vlug te spreken , en algemeene uitdrukkingen te bezigen, zooals: ik heb kwaad gedaan, ik heb wel eens gezondigd, ik heb vier groote en twee kleine zonden ge-

-ocr page 785-

ÖE GUOOtE CATECHISMUS.

daan. Hoe zal de biechtvader nu volgens rlie uitdrukkingen den zielstoestand beoordeelen ? Hij is genoodzaakt te vragen: welk kwaad hebt gij gedaan, welke zonden bedreven, welke waren de vier groote zonden enz. ? terwijl hij de prevelaars en te vlugge sprekers moet aanmanen, nogmaals duidelijk de zonden te herhalen. Dit is van weerszijden niet pleizierig, maar de schuld ligt geheel bij den biechteling. Insgelijks is liet alles behalve duidelijk te biechten; ik heb gezondigd door gedachten, woorden en werken. Wat kan de biechtvader daarvan maken? Een ander biecht: ik heb gezondigd tegen liet vierde, zesde en zevende gebod. Is dat duidelijk ? Weer een ander: ik heb onzuivere gevoelens gehad; doch er moest ter wille der duidelijkheid, toch ook bijgezegd worden, of ze vrijwillig werden opgewekt, door vrijwillige gedachtens en begeerten, door aanrakingen Ik heb wel eens onwaarheid gesproken, maar dat lean leugen of laster zijn en dient er dus aan toegevoegd. Ik heb gestolen, maar wat dan? Vergeten wij eehter niet, dat het gemakkelijk gaat, den biechtvader door bovengenoemde kunstgrepen en slenders te bedriegen, maar God niet, en dat zulk eene biecht de zonden en straffen niet wegneemt, maar verzwaart-

1 20. /Joe spreekt (jij de voorhiecht?

Ik belijd den almachtigen God, aller Heiligen en u Vader, dat ik gezondigd heb door mijne schuld, mijne grootste schuld. Mijne laatste biecht, is geweest voor .......

121. Welke zonden is men verjdicll te biechten?

Alle doodzonde sedert de laatste goede biecht

?83

-ocr page 786-

KB GBOOTE CATECftlSMÜS.

bedreven; en ook die, welke men vroeger zeker of waarsciiijiilijk vergeten heeft te biechten

Tot de volledir/heid der biecht wordt dus op de eerste plaats gevorderd, dat men alle doodzonden biecht, die ons na een ijverig gewetensonderzoek zijn ingevallen. Zijn wij overtuigd in vroegere biechten onschuldig, zeker of waarschijnlijk doodzonden te hebben verzwegen, dan moeten wij ze als zoodanig belijden, en ook die zonde, waarover bij ons twijfel bestaat, of het doodzonde of dageiijksche zonden zijn. Vooral in het laatste geval wordt ons oordeel maar al te vaak door de eigenliefde misleid en de biechtvader is de aangewezen rechter, om daarover zijn oordeel uit te spreken ; want zijn het doodzonden, dan ook moeten ze gebiecht worden, en het is toch beter zekerheid en rust te vinden door de belijdenis, dan altijd door gewetensangsten gekweld te worden.

122. JFat moet hij het biechten der doodzonden noodzakelijk nog beleden worden? (opdat de biecht volledig zij.)

Ten lo. het getal, en 2o. de noodige omstandigheden.

lo. Het (fetal. Wellicht denkt hier iemand, het is voor mij onmogelijk om het juiste getal aan te geven, want ik heb in geen jaar gebiecht en veel zware zouden gedaan. Wel nu, dat hij dan eens naarstig naden-ke, hoe hij sedert de laatste weken of maanden geleefd heeft en daarnaar den maatstaf neme, en hij zal zoover komen, dat hij kan zeggen: ik heb deze of gene zonde (elke dag, week, maand) oti/jeveer zoo dikwijls

784

-ocr page 787-

DE GEOOTE CATECHISMUS. 785

(vijf of zesmaal enz.) bedreven. Dat ongeveer is, een, twee oi drie boven of over het nennoedelijlce getal, naarmate het groot of klein is. Doch hoort nu wat de biechtvader wel eens ondervindt. Iemand biecht: .Ik heb o-e-vloekt,quot; of: „onkiiische werken gedaan enz.quot; Dat is al onvolledig. Nu vraagt de biechtvader: .Hoe dikwijls?quot; „Viermaal.quot; „Hebt gij de gewoonte wekelijks, sedert uwe laatste biecht, wel eens te vloeken; vloekt gij niet dagelijks? En telkens zegt hij „ja!quot; Zoo gaat het ook met het getal van vrijwillige onzuivere gedachten en begeerten; men slaat er een slag in, maar een slag. welke geheel beneden de werkelijkheid blijft, en toch wordt tot de volledir/heid en dus ook tot de geldifihekl der biecht vereischt, dat men ten naastenbij het juiste getal opgeve. Ik begrijp niet, dat de zondaar zoo roekeloos kan zijn en dit punt zóó driest over liet hoofd durft zien, daar er alles van af hangt en men (als het moet, zoo als hier) toch even gemakkelijk twaalfmaal als tweemaal kan zeggen.

Eon ander uiterste is in dit opzicht het teveel biechten. Iemand denkt b. v.: ik heb misschien wel vijfmaal onkuische gesprekken gevoerd , maar om zeker te zijn, zal ik maar tienmaal belijden. Wat dan te doen, als het ons moeilijk valt het juiste getal te vinden ? Zeg dat eenvoudig den biechtvader en hij zal u helpen, tot geruststelling uwer ziel.

123. IFMe üïi)slaii(Iiijlede?!, moet men er b jroeqen?

Die omstainligliedon, welke de zouden merkelijk venmdei en.

a) De omp.tandixjhedp.n, die van eeiie dagelijksche zonde, eene doodzonde maken en omgekeerd. Ge biecht b. v. „Ik

Gil. CAT. 50

-ocr page 788-

DÈ GKOOTE CATECHtSittid.

lieb gelogen.quot; Dat is gewoonlijk eene dagelijksche zonde. Doch die leugen was tevens laster tegen uw naaste, en deze omstandigheid maakt (somtijds) de dagelijksche zonde tot doodzonde. Bovendien verandert het de soort. Evenzoo is de onmatigheid op zich zelve eene dagelijksche zonde, maar gaat ze zoover, dat wij daardoor onze gezondheid in hoogen graad benadeeld hebben of ons aan

~ o

verregaande dronkenschap overgaven, dan moet die omstandigheid er bij gevoegd worden, anders zou het oordeel van den biechtvader falen en hij zou doodzonde voor dagelijksche zonde houden en daarnaar de vermaning en de penitentie inrichten.

h) De omstandigheden, welke de zonde in haar soort veranderen d. i., die maken, dat ééne doodzonde tegen één gebod, tegelijker tijd eene doodzonde tegen een ander gebod wordt. Iemand slaat b. v. zijne moeder; dat is eene zonde tegen het vijfde gebod, en de omstandigheid, dat hij zijne moeder heeft geslagen, maakt het eene doodzonde tegen het vierde gebod. Een ander heeft haat gedragen en de omstandigheid, dat hij God haat heeft toegedragen, maakt het tevens eene doodzonde tegen het eerste gebod. Insgelijks zou hij twee doodzonden doen, die tien gulden kerkegeld stal, één tegen het zevende en één tegen het eerste gebod. Eveneens hij, die zondigt tegen de kuischheid, maar met bloed- of aanverwanten, met gehuwden of zelf gehuwd zijnde, met hetzelfde geslacht, met zich zeiven, enz. Vandaar moet men die omstandigheid er wel uitdrukkelijk bijvoegen. De H. Augustinus zegt ons het volgende: „De biechteling-moet nauwgezet zijn in de belijdenis, en daarom die om ■ standigheden openbaren van tijd, wanneer? van plaats,

-ocr page 789-

DE GROOTE CATECHISjnjS.

waar? van duur, hoelang? van \'t doel, waarmede? van personen met wie of tegen wie hij gezondigd heeft. (Nader verklaren). Iemand biecht: ik hel) onzuivere werken gedaan. Maar dit kan zijn, met zich zeiven. met een familielid, met een persoon, waarmede hij verkeert, of met wien hij onder één dak woont. De omstandigheden moeten er wel degelijk bij beleden worden, want is het geschied met een familielid, dan komt er bloedschande bij, of met iemand, waar hij mee verkeert, dan moet die vevkeering verbroken worden; en wonen zij onder één dak, dan moet er scheiding plaats hebben, en dat alles kan de biechtvader niet weten of opleggen , wanneer hem die omstandigheden niet bekend zijn.

Bij bet aangeven der omstandigheden moet men zich zoo eerbiedig mogelijk uitdrukken, van geen ander biechten, niemand der medeplichtigen bij naam noemen (of de biechtvader moet het vragen,) en den biechtstoel niet tot een praatstoel verlagen, door allerlei dingetjes te verhalen , welke met de biecht niets hebben uit te staan. Aan deze kwaal lijden zeker soort menschen, die zonder eenige noodzakelijkheid eene geheele geschiedenis vertellen om eene zonde te verklaren, den biechtstoel voor den biechtvader een martelstoel maken, de overige biechtelingen dwingen te wachten en hunne godsvrucht storen. Waarom die omstandigheden, dien omhaal van woorden gebruikt, welke niets ter zake doen? — Ik herinner mij hier het volgende feit uit mijn kapelaansjaren. Eene oude vrouw klaagde mij den nood en zeide: .Kapelaan, ik ben al tachtig jaar oud, dus kort bij \'t graf, en zeer bang nooit goed te hebben gebiecht: want brave miesjes, die soms elke acht dagen tot de sacramenten naderen. hebben zoo lang werk

787

*

-ocr page 790-

BE GUOOTE CATECHISiiÖS.

niet biechten en ik oude sloof, heb terstond gedaan; zou ik het wel goed gedaan hebben? quot;Ik troostte die brave oude niet te zeggen ; „Vrouwtje, wees maar gerust en tevreden , die meisjes biechten voor een ander, of wel, wat zij niet gedaan hebben, en gij, wat gij wel gedaan hebt, en daarom zijn zij zoo lang, en gij zoo kort van stijl: zij betalen hun schuld met heele en halve centen, en gij met rijksdaalders en daarom zijt ge ook eerder klaar. — Gelijk dus de kranke gehouden is den geneesheer met alle omstandigheden bekend te maken, welke bij zijne ziekte van beteekenis zijn, opdat deze niet dwale in zijn oordeel en de noodige geneesmiddelen zal kunnen voorschrijven, zoo ook, en op geen andere voorwaarde kan hij, die doodzonde gedaan heeft, genezing van zijne zielsziekte erlangen.

124. Is men ook verplicht dagelyksche zonden te biechten?

Dit is wel goed, maar niet noodzakelijk.

Het is geen gebod de dagelijksche zonden te biechten. Wanneer iemand dus de bedreven doodzonden biecht en niet de dagelijksche, of eenige dagelijksche en andere niet, zijne biecht kan daarom even goed en geldig zijn; maar de dagelijksche zonden te biechten is goed en heilzaam. Men krijgt soms kleine onpasselijkheden, die vaak langzamerhand van zelf wel genezen, maar door behulp van passende geneesmiddelen toch spoediger genezen worden. Dit kan men ook zeggen van de dagelijksche zonden, waarvan men, door waarachtig berouw wel vergiffenis kan verkrijgen , maar toch veel zekerder en met veel meer vrucht door ze rouwmoedig te biech-

788

-ocr page 791-

DE GKOOÏE CATECFUSMUS.

ten. Bovendien verkrijgen wij door ze te biechten ook meer vergiffenis v:in tijdelijke straften, die wij daarvoor verdiend hadden, en vele genade , die ons buiten de biecht niet geschonken worden. Uit dit alles moeten wij met grond besluiten, dat het biechten van dagelyksche zonden goed, zeer heilzaaiu en allerdringendst aan te raden is.

125 Is de biecht yoed, waarin men onschuldig cenc doodzonde vertjeet?

Ja, de biecht is goed cu de vergeten zonde wordt mede vergeven.

Wanneer iemand zijn best heeft gedaan om zijn geweten goed te onderzoeken en een waar berouw over zijne zonden te verwekken, en daarna in de biecht ééne of\' meerdere zware zonde vergeet te belijden, door de eene of andere oorzaak , daartoe gebracht die mag gerust ter communie gaan, zijne biecht was goed; want de vergeten zonden werden ook vergeven, maar daardoor niet onttrokken aan de sleutelmacht des priesters; God en de Kerk wil, dat al de doodzonden moeten gebiecht worden. Daarom vraagt de cathechismus:

126. Moet men do vergelen doodzonden non biechten ?

Ja, men moet die in de eerst volgende biecht belijden.

Omdat de biecht goed en geldig is, waarin men onschuldig eeno of meerdere doodzonden verzwijgt, volgt als van zelf, dat men de zonden in de vorige biecht beleden, niet meer behoeft te belijden, maar alleen de zonden, die men heeft verzwegen en daarbij te zeggen,

789

-ocr page 792-

IJE UKOOTE CATECHISMUS.

dat men ze in de voi\'ige biecht onschtdclifj heeft verzwe-gen.

127. Hoc is dc biecht, waarin men opzei!el ijk eene doodzonde verzwijgt., bedekt, of het getat der doodzonden vermindert?

Die biecht en ook de volircnde bieohten, waarin men die zonde blijft, verzwijgen, zijn onWrinrdig en lieiligschennend

128. Hoe moet men zich, uatiklagen, wanneer men door eene goede biecht die slechte biecht of biechten toil herstellen ?

Men moei: lo. zuiden, dat men deze of gene

OO \' O

zonde verzwegen en één of meer heiligschennissen gedaan heeft; 2o. alle doodzonden (op nieuw) belijden, sedert dc laatste goede biecht bedreven-(vgl. Les 54, vr. 90).

De H. Vincentius Vererius maakt ons dit duidelijk door de volgende gelijkenis. .Wanneer men een enkelen knoop van een jas verkeerd dichtknoopt; dan verwarren daardoor alle overige en geen dezer komt op de rechte plaats. Wat staat in dat geval te doen? Wel, alle knoopen losmaken, wil men ze op de rechte plaats krijgen. Dezelfde taait rust ook op hen , die eene heilig-schennende biecht gesproken hebben, want van af die heiligschennis werden hun geen zonden meer vergeven, maar door elke biecht en iedere communie werden zij schuldiger voor God, en daarom moeten zij van af dien tijd alle doodzonden zoo belijden en betreuren, als hadden zij ze nooit beleden. De schromelijke zonde van eéne enkele

790

-ocr page 793-

DE GROOTE CATECHISMUS.

onoprechte biecht trekt de onwaarde, de ongeldigheid van alle volgende na zich.

De biecht nu, waarin men die onwaardige biechten herhaalt, noemt men „generale biecht;quot; en deze kan zijn; a) noodzakelr}!,-, b) nuttig en heilzaam, of c)schadelijk.

a) Deze biecht is allen noodzakelijk, wier vroegere biechten ongeldig waren, ten gevolge van onoprechtheid, gebrek aan berouw, gewetens onderzoek of goed voornemen, of door het bewimpelen, verdraaien of verzwijgen van doodzonden. Voor hen, die zich hieraan schuldig kennen, bestaat de noodzakelijkheid eene generale-biecht te spreken, tenminste van af den tijd, dat zij heiligschennend gebiecht hebben. Zij hebben immers van af dien tijd geen vergiffenis , van geen enkele zonde verkregen, maar wel zwaardere straffen verdiend, vandaar, zooals wij boven reeds zeiden, de noodzakelijkheid om ze opnieuw aan de priesterlijke macht te onderwerpen; wil men kwijtschelding ontvangen.

b) In \'t algemeen is eene generale biecht nuttig en heilzaam

lo. bij de voorbereiding tot de eerste H. Communie; 2o. bij het aanvaarden vaneen nieuwen levensstaat, (huwelijk) ; 3o. in gevaarlijke ziekten; 4o. ten tijde van een jubilé of missie; en 5o. wanneer men nog nooit eene generale biecht heeft afgelegd.

Dat generale biechten nuttig zijn, bewijzen de voorbeelden der heiligen, die zulks niet alleen anderen aanbevolen, maar zelf het voorbeeld gaven. Zoo lezen wij van den H. Eligius, dat hij bij een eenvoudig priester eeue generale-biecht aflegde van zijne vroegste jeugd evi daarna met nog meer ijver en moed den weg der volmaakt-

791

-ocr page 794-

\' I\'E eitOOTE CATECHISMUS.

beid bewandelde. Men verbaalt van den H. Engelbcrfcus, dat bij, niet nog een anderen bisscbojj, zicli in zijne huiskapel afzonderde en bij dezen, onder een stroom van tianen, zoodat zijne borst daardoor geheel bevochtigd werd, alle zonden van geheel zijn leven beleed. Zullen wij nu betwisten, wat de heiligen Gods voor nuttig hielden en hen bij voorkomende gelegenheden niet volgen?

d) Somtijds echter kan de generale- biecht ook sdvt-dehjk zijn, en wel voor angstvalligen en scrupuhiuten. die meenen nooit goed gebiecht te hebben door gebrek aan berouw enz. en altijd ongerust zijn en ongeruster worden, naarmate ze meer generale- biechten spreken. De biechtvader moet daartegen waken en belet dati ook aan die lieden in dun regel de generale biecht.

Wanneer iemand nu vroeg of laat eens mocht besluiten uit noodzakelijkheid of devotie, eene generale biecht af te leggen, doch door schaamte voor zijn biechtvader weerhouden wordt, hij ga dan naar een ander, want geen priester mag of zal u noodzaken bij hem te biechten: dat zou immers gewetensdwang zijn, de vrijheid dei-biecht belemmeren, en de schromelijkste gevolgen na zich slepen. Gaat in dit geval dus gerust, bij wien gij wilt, al is het ook buiten de gemeente, of in \'t geheel niet, want beter niet, dan slecht.

129. Wat moet men doen, om, dc ahsoliitie fe out. vauyen, als men sedert de laatste biecht (/eene zonden heeft hedrecen ?

Men moet vóór dc biecht berouw verwekken over zonden van het vroegere leven en die op nieuw belijden.

-ocr page 795-

DE GEOOTE CATECHISMUS

Wanneer de biechtvader liofc toestaat, mag men, geheel vrij van zonde zijnde, ook zonder te biechten, tot de tafel des Hoeren naderen, doch wil men de absolutie ontvangen, dan is liet noodig, dat men zonde belijde, want de priester kan hem geen absolutie of kwijtschelding over zonden verleenon. die gaene zonde belijdt. En wijl het berouw het voornaamste vereischte der biecht is, moet, om waardig en met vrucht te biechten, ook dit aanwezig zijn. Men Miorft dus niet te biechten als men geen zonde heeft. Men kan liet echter doen, omdat de vruchten van dit sacrament nog andere zijn dan alleen vergiffenis van zonde.

130. IFat is, om de Ijincld tjtjcd la onicatujca, aan tc raden, al* men. sedert de laatste hiecJd slechts kleine zonden heeft.\'

Dat men over groote zoncien van vroeger berouw verwekkc; en die zonden bij de biecht insiuite.

Wanneer men geene zonden heeft en toch dit sacrament ontvangen wil, dan is het nood sake! Ijk vroegere zonden te nemen. Dit is het geval, der voorgaande vraag. Wanneer men echter wel zonden heeft sedert zijn laatste biecht, doch geen groote, clan is het niet noodzakelijk er zonden van vroeger bij in te sluiten, maar dan is het raadzaam er de groote zonden van vroeger bij te vroeger (als men vroeger groote begaan heeft natuurlijk), of ook wel zijne vroegere zonden, al waren ze niet groot. Waarom is die handelwijs, op zich zelve beschouwd, aan te raden? Om verschillende redenen. B. v. 1. Door het herhaalde berouw en de herhaalde belijdenis wordt de mensch immer meer van die zonden verwijderd. 2. Door

793

-ocr page 796-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

de herhaalde absolutie wordt de vergiffenis Azr strrif vollediger en de mensch sterker tegen den herval. 3. Die vroegere zekere zonden verzekeren do tegenwoordige biecht voor het geval dat het soms twijfelachtig mocht zijn of de biechteling met de kleinere zonden, die hij belijdt, wel inderdaad gezondigd heeft. 4. Kan het voorkomen, dat men zijn berouw over zijne tegenwoordige kleine zonden eenigszins mistrouwt, maar dat men over eene of eenige groote zonden van vroeger met meer zekerheid een hartelijk berouw heeft en er een ernstig voornemen tegen maakt.

Biecht iemand dood- en dagelijksche zonden, en heeft hij berouw over alle doodzonden, maar niet over alle of geen enkele dagelijksche zonden, dan worden hem toch, zooals gij reeds hoordet, de doodzonden (en de berouwde dagelijksche zonden) vergeven; de biecht is dus geldig.

Biecht een ander slechts dagelijksche zonden, waarvan hij minstens over één berouw heeft en die verfoeit, dan wordt hem ééue vergeven en zijn biecht is geldig. Biecht iemand echter alleen dagelijksche zonden, zonder over éen dezer berouw te verwekken, dan wordt hem o-een enkele vergeven, zijne biecht is ongeldig en hij ontvangt geen vergiffenis en ook geen vermeerdering van genade Integendeel begaat hij eene zware zonde door een sacrament te verijdelen. Waarom dit? De reden is, omdat het berouw en de belijdenis van den penitent (mede) be-hooren tot de uitwendige teekenen van \'t sacrament. Vandaar kan, zonder dat ten minste over ééne zonde berouw verwekt en gebiecht wordt, zoo min eene geldige absolutie gegeven worden, als een doopsel zonder water. Zij, die derhalve de vrome gewoonte hebben ,

794

-ocr page 797-

DE GKOOTE CATECHISMUS. 795

dikwijls te gaan biecliten, mogen op dit punt wel acht geven. In den regel begaan ze slechts dagelijksche zonden, en hunne biechten zijn nog al eens dezelfde; en vandaar bestaat er gevaar, dat zij door de gewoonte onverschil-lltrer worden in het verwekken van berouw, en zich zoo aan \'t gevaar blootstellen, ongeldig en heiligschennend te biechten. Daarom is het aan te raden, doodzonde van vroeger bij de biecht in te sluiten, (vgl. vr. 120.)

Al is nu deze handelwijze, o/gt; zich zclce heschouivd, aan te raden, liet gebeurt toch somtijds, dat zij at te raden is als nadeelig, wanneer het b. v. aanleiding zou geven tot anjstvalliyheid, gelegenheid zou worden tot nieuwe hekorinyen, of leiden zou tot nalatigheid in de verbetering der te\'jenwoordige zonden.

131 Moet men in deze jcvallen de vorige zonden met getal en omstandigheden belijden

Neen , men kan zich dan in \'t algemeen van eene zonde of van eene soort, van zonde beschuldigen.

132. Hoe kan men die vroegere zonden bgt;j de biecht insluiten?

Door te zeggen ; ik klaag mij ui deze biecht aan van deze of gene zoi.de van mijn vroegen leven,— en vraag van u, vader, de absolutie, en eene zalige penitentie, als ik het waardig ben.

NEGEN EX VIJFTIGSTE LES OVER DE VOLDOENING.

133. Wat wordt in de derde plar/ts tan den kant des zondaars tot de biecht vereischt?

-ocr page 798-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Dat hij bereid zij de schuldigc voldoening le vol-hrengen.

Onder voldoening verstaat men de volbrenging van van di.\' i)oete door den biechtvader opgelegd. Voldoening is in den algemeenen zin eigenlijk eene schnid volledig betalen of eene aangedane beleediging weder goed maken. De sacramenteele voldoening is derhalve die voldoening, waardoor de mensch. voor zijne bedrevene zonden, God ten minste iets vergeldt, eenige genoegdoening geeft; want volmaakt voldoen, daartoe zijn engelen en meiischen niet in staat. Is iemand dus vóór de biecht voornemens de penitentie niet te volbrengen; dan mist hij een der punten tot eene goede biecht vereischt, en spreekt gevolgelijk een ongeldige, heiligschendende biecht. Men moet dus zonder voorbehoud, bereid zijn de voldoening in haar geheel te volbrengen.

1 34. V/aarom. moet men daurLoe bereid zijn ?

Omdat men zonder daartoe bereid te zijn, geen waar berouw kan hebben over de zonden.

De bieebtvader legt 1). v. iemand tot penitentie op, acht dagen lang \'smorgens en \'savonds 5 , Onze-Vadersquot; en ,,Weesgegroetenquot; te bidden. De penitent denkt echter bij zich zeiven : Kom I eenmaal per dag, dat kan ook wel, daar zal ik het maar bij laten. Zoo ook, als hij vóór de biecht zou denken: de opgelegde boete volbreng ik niet. In deze gevallen zijn de biecht en de absolutie ongeldig, want hij had liet voornemen de voldoening niet te volbrengen, en hem ontbrak liet ernstige voornemen, het oprechte berouw, zonder welke de biecht altijd ongeldig en heiligschennend is. Zonder berouw geen ver-

796

-ocr page 799-

bÉ GKOOÏE CATECHIS5IÜS.

giffenis en die geen boete wil doen, toont geen beromv te hebben over zijne zonden.

135. Waarin beslaat de vohhenhig, mtlke d(i prieder oplegt?

In eenig werk van boete of [jenitentie a) tot straf voor de zonde en h) ter verherering des zondaars.

a) De boete is noorlzakelijk, omdat hier naast Gods barmhartigheid staat Zijne rechtvaardigheid met hare eischen. Daarbij dient zij tot afboeting der tijdelijke straffen aan de zonde verbonden; want God vergeeft met de eeuwige niet altijd de tijdelijke straffen, welke wij hier of in het vagevuur moeten boeten Dit is in over-eenstenmiing met de goddelijke reehtvaanUyheid, met Zijne liefde en harmharfii/heid. Gods rechtvaardigheid eischt van ons voldoening voor den smaad en de oneer, Hem door onze zonden aangedaan, en door geduldig en vrijwillig die boete aan te nemen eu te volbrengen, maken wij eenigennate die beleedigingen goed. De H. Schrift leert ons duidelijk, dat na de vergiffenis der zonden, den mensch nog tijdelijke straffen aankleven. Onze stamouders kregen vergiffenis van zonde en eeuwige straf, maar telt, als gij kunt, de tijdelijke straffen, die als gevolg hunner zonden, de wereld overdekken, n. 1. een leven vol moeite, kommer en zorgen, vol ellende, kruis en lijden en eindelijk den lichamelijken dood, door den H. Paulus de tol (de straf) der zonde genoemd. De Israëlieten bedreven in de woestijn afgoderij en de tijdelijke straf dier misdaad was, dat niemand hunner in het beloofde land aankwam. Het mistrouwen van Mozes op Gods hulp,

797

-ocr page 800-

DË GROO\'fE CATECHISMUS.

had als tijdelijke straf tot gevolg, dat hij van af een berg het beloofde land mocht zien; maar niet betreden. David deed voorbeeldige boetvaardigheid voor zijne echtbreuk en zijn moord, en daarom sprak de profeet op Gods bevel tot hem: „De Heer heeft uwe zonden van u weggenomen —- maar uw zoon zal sterven.quot; Ziedaar eenige voorbeelden aangehaald, welke ons doen zien, dat er na de vergiffenis der zonden en eeuwige straf, dikwijls nog eenige tijdelijke straffen overblijven, en ook om deze eenigszins te delgen, dient de boete of penitentie in de biecht opgelegd. De boete is als het ware geld, waardoor wij die straffen bij God afkoopen.

h) Tot verbetering des levens, om den mensch van het kwaad af te schrikken, en hem door straf tegen herval te vrijwaren. Een goed geneesheer neemt niet alleen het voorwerp weg. dat ons wondde, maar hij tracht ook de wonde zelve door gepaste middelen te genezen en geeft raad, wat in de toekomst dient gedaan en gelaten te worden om de genezing te beoordeelen en nieuw gevaar te ontgaan. Op gelijke wijze handelt de biechtvader; de geneesheer der zielen. Hij ti\'ekt niet slechts de pijl uwer zonden uit uwe ziel, maar hij stelt ook alle pogingen in \'t werk om de wonde te genezen, legt er den heilzamen en heelenden balsem der boete op en geeft het middel aan de hand om in de toekomst nieuwe verwonding te ontgaan. H. Chryss.

Denk, iemand heeft b, v. de ongelukkige gewoonte te vloeken. Nu legt hem de biechtvader op eiken dag een .Onze-Vaderquot; te bidden en te drukken op de bede: Heilig zij Uw naam,quot; en mocht hij onbedachtzaam weeleen vloek uitstooten, telkens eene akte van berouw te

798

-ocr page 801-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

bidden, eene aalmoes te geven, enz. Wordt deze boete getrouw volbracht, dan zal hij van zelf voorzichtiger en waakzamer worden, op zijne woorden letten en weldra de gewoonte tot ongewoonte gemaakt hebben; want eene kwade gewoonte, wordt door eene goede afgewend, enz. „Als gij weer in dat huis komt, met dien jongen of dat meisje verkeert, moet gij telkens een ,tientje,quot; enz. bidden, zegt de biechtvader tot eenigen , terwijl hij den hater als penitentie oplegt, bij de minste opwelling van afgekeerdheid een „Onze-Vaderquot; voor /.ijne vijanden te bidden. Iemand heeft de H. Mis op Zondag verzuimd en om dit in \'t vervolg te keeren, wordt hem opgelegd, die verzuimde Mis te boeten door het bijwonen van eene niet verplichte Mis. „Gij moet dagelijks drie .Weesgegroetjesquot; bidden om Maria\'s liulp af te smeeken,1\' zegt de priester tot den oukuische, iedere maand gaan biechten enz. en mocht gij onverhoopt hervallen, dan moet gij terstond berouw verwekken en zoodra mogelijk gaan biechten. — Hieruit kunnen wij leeren hoe nuttig en heilzaam zulke boetewerkeu zijn en hoe goed en wijs God verordend heeft, dat de biechtvader ze ons moet opleggen.

Hier zegt iemand: „Maar, heeft Christus dan niet overvloedig voor onze zonden voldaan en geboet?quot; Zeker, de Heiland heeft door Zijn lijden en sterven overvloedig voor ons voldaan en toch wil Hij, dat wij in vereeniging met Hem, Zijn hemelschen Vader voldoening geven. Zijn gebed bezat ook eene oneindige waarde en evenwel wil Hij, dat wij ook bidden zullen om zalig te worden.

Op gelijke wijze zijn de verdiensten des Zaligmakers oneindig en evenwel vallen zij ons niet ten deel, zonder onze medewerking. Evenmin zal de oneindige voldoening van

O O O

799

-ocr page 802-

DE GÜOOTE CATECHISMUS.

den Verlosser ons ten goede komen, als wij weigeren zelf voldoening en boete te doen; „ Ik heb u in alles een ronrheeld f/erjepen ^ zoo sprak de Heiland. En op hoe-vele plaatsen roept ons de H. Schrift niet op, om boetvaardigheid te plegen! Is liet den zieke en gewonde genoegzaam ter genezing, geneesmiddelen te bezitten? Zal zijne hoop op herstel niet ijdel blijken, als hij het gebruik daarvan weigert. Dat Jesus\' bloed een onfeilbaar geneesmiddel voor onze kwalen is en eene oneindige kracht bezit; wie zoadat betwijfelen, maar dat middel , hoe voortreffelijk het ook zij, zal ons de gezondheid der ziel niet schenken, en onze geestelijke wonden nooit genezen, als wij er geen gebruik van maken, hetgeen geschiedt, door \'t ontvangen der sacramenten, het beoefenen van goede werken en door boetvaardigheid. Dit is ook de duidelijke leer van Paulus, waar hij zegt; dat hij zelf aanvult, wat hem aan het lijden en de verdiensten des Verlossers ontbreekt. Deze uitdrukking schijnt duister, maar is toch zeer duidelijk en waar. Ontbreekt er dan iets aan onze verlossing ? Zeker niet, daar ontbreekt niets aan, met betrekking tot Jesus, maar ten opzichte van ons, ontbreekt er alles aan, als wij door voldoende medewerking niet trachten ons de verdiensten daarvan toe te eigenen, niet alsof wij zelf verdienen, maar onze voldoening ontleent hare kracht en waarde aan Jesus\' verdiensten, „Zonder Mij hunt (jij niets doenquot;

136. Wnmieer moet men de penitentie of boete volbrenyen ?

Op don tijd, door den biechtvader bepaald; en als er geen (ijd bepaald is, mag men zulks luel. te lang uitstellen.

800

-ocr page 803-

1)E öROOTE CATECHISMUS

lo. De biechtvader zegt b. v.: ,Gij moet van daag een rozenhoedje bidden,quot; dan staat het u niet vrij, dit morgen of nog later to doen. De biechtvader heeft den penitent opgelegd gedurende acht dagen, eiken dag vijf Onze-Vaders en Weesgegroeten te bidden, dan mag hij deze niet eigenmachtig, gemakshalve, in eens bidden, want het doel dier boete was juist, om hem gedurende dien tijd Gods barmhartigheid en zijn vroegeren ongelukkigen toestand te herinneren en zoo tegen herval te vrijwaren. Evenmin mag men de opgelegde boete, naar eigen goeddunken, in ecne andere veranderen, b. v.: iemand was bet bidden van den kruisweg opgelegd, en daar hem dit wat lastig of ongewoon is, bidt hij een rozenhoedje, dat mag niet: niemand is rechter in zijne eigen zaak.

2o. Ook in de wijze, waarop wij volgens voorschrift de penitentie moeten verrichten, mogen wij geen verandering brengen. Er was b. v. opgelegd, geknield voor een krucifix, voor \'t Allerheiligste, met uitgestrekte armen enz. iets te bidden en ook hierin moeten wij ons stipt naar des biechtvaders voorschrift gedragen want, die boete dient in den regel, om ons koude hart te verwarmen en meer aan Jesus hart te hechten.

3o. Is er geen tijd bepaald, dan moet zij zoodra mofje] ijk volbracht worden. Dit is eene wijze bepaling; want van uitstellen, komt afstellen en men verschuift ze dikwijls zoo lang, dat zij eindelijk vergeten en verwaarloosd wordt. Immers, zooals u bekend is, wordt door volbrenging der penitentie Gode eenige voldoening gegeven, voor de aangedane beleediging. Die het dus te lang uitstelt, geeft daardoor te kennen, dat hij Gods barmhartigheid en liefde weinig op prijs stelt, en toont zich zeer ondankbaar. Overi-

GU. CAT. 51

801

-ocr page 804-

nte GROOtË CAtECHISMÜS.

gens, terwijl de uil om te voldoen, tot liet iresen van dit sacrament behoort, maakt de voldoening zelve eau deel van liet sacrament uit, behoorende tot de volkome.tiheid van het sacrament. Als deel nu, 7,ij het onlc maar ter volledigheid; moet zij er zooveel doenlijk mee vereenigd worden of er niet te ver van worden gescheiden.

Het is derhalve aan te raden, wanneer er geen tijd bepaald is, de penitentie vóór of op den communiedag zelf te volbrengen. Heeft men den tijd, door den biechtvader vastgesteld, laten voorbijgaan, dan mag men zich van de penitentie niet ontslagen achten, denkend, ja, de tijd is toch voorbij: maar men moet ze zoo spoedig mogelijk verrichten.

Komt ons de boete, wat den tijd of de wijze betreft, bezwaarlijk voor, dan mag men zulks in beleefde woorden den biechtvader te kennen geven, en deze zal, als de reden gegrond is, gereedelijk aan uw bezwaar tegemoet komen.

Die boete zal ons echter niet te zwaar voorkomen, als wij bedenken.:

lo. De grootheid en afschuwelijkheid der zonden en de daarvoor verdiende eeuwige of tijdelijke straf, en dat de strengste boetvaardigheid volstrekt niet in de kleinste verhouding staat, tot de oneindige beleediging. God dooide zonde aangedaan. Zeker man biechtte, onder heete tranen van oprecht berouw, zijne afschuwelijke zonden aan den Aartsbisschop van Sens, Petrus van Corbeil. De H. Bisschop weende met hem en legde hein na de biecht, zeven jaren lang boete op. Wat. riep de berouwvolle zondaar, zou ik maar zeven jaren boete doen voor zooveel gruwelen, welke ik niet kan boeten, al zou

802

-ocr page 805-

»E GKOOTE CATECHISMUS.

ik ook tot aan liet einde der tijden boetvaardigheid plegen? De Bisschop hernam: ,Ook dezen tijd wil ik nog afkorten; ga heen en vast slechts drie jaren.quot; Toen weende de hoetvaardige man andermaal, sloeg op zijne borst i n smeekte, hem niet langer te bespotten en eene zwaardere, heilzame boete op te leggen. De Bisschop stond verslagen over die groote vermorzeling des harten en zcide getroffen tot den man: „Mijn zoon! het gaat niet aan; beter te willen weten, wat tot uwe genezing dienstig is, dan uw biechtvader. Gra heen en bidt slechts een enkel Onze-Vader en houd li verzekerd ; dat God uwe zonden vergeven heeft.quot; De man ging heen. bad het opgelegde gebed onder zuchten en tranen en stierf op hetzelfde oogenblik. De Bisschop predikte daarna voor \'t volk over deze buitengewone boetvaardigheid en verklaarde , dat de man terstond Grods glorie deelachtig was geworden door de kracht van zijn overgroot berouw. En zou ons dan de penitentie , welke die ook zij, te zwaar vallen ?

2o. Moet de zondaar overwegen, hoe onbeduidend de tegenwoordige hoetewerken zijn in vergelijking van vroeger, en hij zal voor geen penitentie, hoe zwaar dan ook, terugschrikken. \\\\ ij willen hier ter onderrichting en tevens ter onzer beschaming, er eenige aanhalen. Wanneer iemand van het ware geloof atviel, werd hem, bij terugkeer tot de Kerk, tien jaren de communie geweigerd (doodsgevaar uitgenomen) en gedurende dien tijd moest, hij voortdurend boetvaardigheid doen. — Had iemand willens en wetens een valschen eed afgelegd, dan moest hij 1-J dagen op water en brood vasten, bovendien zeven jaren boetewerken verrichten en hij werd nooit we-

803

-ocr page 806-

DE GftOOtE CATECHtsMÜS.

dev op een eed gevorderrl; hij was en bleef eerloos. De vloeker moest voor den eersten vloek zeven, bij herval veertien dagen vasten op water en brood. Verrichtte iemand op zon- en feestdagen, zonder wettige redenen, sla-felijken arbeid, drie dagen vasten op water en brood, was zijne boete. — Hem, die drie achtereenvolgende zondagen de H. Mis verzuimde, werd tot straf, zoolang de toegang der Kerk ontzegd, als hij vroeger verzuimd had. Drie jaren was de straf voor hem en haar, die op zonen feestdagen aan openbare danspartijen deelnam. — Die zijne ouders vloekte, moest 20 dagen op water en brood vasten; die hun eene beleediging in woorden toevoegde, moest drie jaren, en die zijn ouders geslagen had, zes jaren boetvaardigheid plegen. De ontuchtige moest drie en de echtbreker van zeven tot tien jaar boetvaardigheid doen.

Hoe klein, daarmede vergeleken, is de penitentie, die de biechtvaders tegenwoordig opleggen. Denk nu niet, dat Gods rechtvaardigheid thans minder streng of de boosheid der zonde kleiner is dan in die tijden, maar de geest van boetvaardigheid is verslapt, en daarmede houdt de Kerk rekening; zij doet als eene goede moeder, die zich altijd richt naar de zwakheden van hare kinderen, om ze door voorkomende liefdebewijzen meer en meer aan zich te binden. Daarom moeten wij, met het oog op de afschuwelijkheid en strafwaardigheid der zonden, de opgelegde boeten niet slechts gaarne volbrengen, maar bovendien ons zeiven vrijwillige boetewerken opleggen, b. v. dagelijks eenige gebeden verrichten tot boete voor de vergeven doodzonden, nu ea dan een onthoudings- of vastendag houden, kruis en lijden met geduld uit Gods-

804

-ocr page 807-

DE (WiUUTE CATKC111SMU3.

hand aiunierai\'ii. als voldoening aan de goddelijke reclit-vaardiglieicl, met datzelfde doel eene aalmoes geven, enz. Dat wij dan, in den ons geschonken tijd, zooveel mogelijk huetvwu-digheid doen, om zoodoende zooveel sehul-den af te betalen als iu onze macht is! Wat wij hier al-1 ossen , behoeven wij iu het vagevuur niet te doen. (^Voorbeelden der Heiligen.)

187. fFai moet men (hen, als men de penitentie ver (je ten keeft, ?

Men moet. ze opnieuw van den priester vragen.

Evenwel kun het soms zijn, dat wij geen gelegenheid daartoe hebben. In zulk een geval mag men zichzelven penitentie opleggen, en wel eene zware ot lichte, naarmate wij dagelijksche of doodzonden beleden hebben.

138. Doel men zonde, ah men de penitentie niet volbrengt.

Ongetwijfeld doet men zonde, als me» ze met zijne schuld verzuimt te volbrengen.

Verzuimt dus iemand vrijwillig eene zware penitentie te volbrengen, dan doet hij in den regel doodzonde, terwijl zij, die de penitentie voor dagelijksche zonden opgelegd, vrijwillig verzuimen, gewoonlijk ook dagelijksche zonde doen.

139. Hoe moet men zich ten opzichte der voorschriften en racuUjeoinjen van den. biechtvader jedra-(jen ?

Men moet die liereidwillig aamiemeu, en trouw opvolgen.

805

-ocr page 808-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

140. Wal moei men. oordeelcn van hen, die de raadgevingen en voorschriften des biechtvaders, toeiniq achten?

Dat zij het mut liiiinic verbetering niet opreclit en ernstig meenen.

Aan niemand anders dan den priesters schonk Christus de macht te binden of te ontbinden. Matt. 18, 18. Gelijk nu de priesters, krachtens deze volmacht, ontbinden , d. i. zonden vergeven kunnen en boete opleggen, zoo ook kunnen zij binden, d. i. de kwijtschelding geheel onthouden, wanneer daar reden voor bestaan. In beide gevallen is het onze dure plicht hunne raadgevingen niet in den wind te slaan en hetgeen ze ons voorschrijven, als door God gesproken, trouw naleven. Het gebeurt wel eens, dat de penitent zegt: .Ja, maar dat kan ik niet,quot; terwijl hij denkt: ik wil het niet, want onredelijke voorschriften en raadgevingen zal geen biechtvader geven. Een ander wordt om gewichtige redenen uitgesteld, met het verzoek, te breken met eene of andere gelegenheid, met een persoon of eene zonde en daarna terug te komen. En, in plaats van dien noodzakelijken raad en die beslissing op prijs te stellen en zijn goeden wil te toonen, verlaat hij toornig den biechtstoel, denkend en soms ook zeggend: ,Dat doe ik niet,quot; alsof de biechtvader den last daarvan moest dragen. Is dat zich willen bekeeven? Inderdaad, die menschen treden als liet ware Gods genade met voeten en dwalen hoe langer zoo verder van den waren weg. Neen; niet depriester, maar zij zeiven zullen den last hunner gehuichelde boetvaardigheid moeten dragen; handelde de priester anders, juist dan zou hij strafwaardig worden.

806

-ocr page 809-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

141, IFaj/Mccr zij/t wij voor onze zonden ook tot andere voldoeningen verplicht ?

Wij kunnen daartoe verplicht zijn, b. v: om som-iniüie verzuiiucnissen jj-oed te maken, om diefstal,

O O

kwaadspreken, ergenis te herstellen, enz. (vgl. 7cle en Sste gebod, de 40ste en 41ste les).

Terecht zegt de H. Greg, de Groote: - Het i.s niet genoeg dut wij geen schulden meer maken (niet meer zondigen), maar wij moeten de vroeger gemaakte ook betalen, de gegeven ergenis en de schade zijn naaste aangedaan, door eerroof of diefstal, naar beste krachten herstellen. Schoon is in dit opzicht het voorbeeld van Zachaeus, die tot den Zaligmaker zeide: „De helft mijner goederen deel ik den armen uit en zoo ik iemand bedroog, viervoudig geef ik het hem terug.*\' Luc. 19, 8.

Bovendien zijn wij verplicht de geschiktste middelen aan te wenden, om in de toekomst niet te hervallen en ons leven te betereu, want die altijd in de vorige zware zonden hervalt, diens biechten, berouw en voornemen schijnen zeer ontoereikend en verdacht en hij verwart boe langer zoo meer in de strikken van Satim: de zonde wordt zijne tweede natuur. Daarom ook sprak de Zaligmaker tot den mensch, dien Hij had genezen na \'SS jaren ziek te zijn geweest: . Zie, (jij zijt gezond tjeworden ; zondiy voort\' aan niet meer, opdat it niet iets eryers overkome.\'\' Hoofdzaak is derhalve berouw, beter worden en niet meer in de zonden terugvallen , het oude gewaad der zonde uittrekken en \'t kleed der genade getrouw bewaren; .want hij alleen, die volhardt tot het einde, zal zalig worden.\'\' Hier doet zich als van zelf de vraag op:

807

-ocr page 810-

LIE GKOOTE CATECHISMUS.

Welke zijn dan de middelen om ons fiyen herval te vrij ■waren ?

lo. Moeten wij, zooals boven in \'fc voorbijgaan reeds is aangestipt, de vermaningen des biechtvaders getrouw naleven en ter harte nemen. Zooals de zieke gehouden is de voorschriften des dokters getrouw na te komen, wil hij gezond worden en gezond zijnde niet weder in zijne oude ziekte terugvallen, eveneens moet de biechteling de voorschriften des biechtvaders stipt in acht nemen : daar hangt alles van af.

2o. Moeten wij dagelijks, al was het maar eenige minuten, ons geweten onderzoeken, omdat dit onderzoek een krachtig middel aan de hand geeft om zijne booze hartstochten te kennen en te overwinnen; want, door nu \'t onderzoek telkens berouw to verwekken en de goede voornemens te hernipuwen, zal er op den duur geen plaats in ons hart meer overblijven voor de zonde: wij worden heer en meester.

oo. Moeten wij bidden en veel bidden, met eene heilige nieuwsgierigheid Gods woord aanhooren, en op ons zeiven toepassen, dikwijls tot de sacramenten naderen en daardoor onze ziel versterken in den strijd tegen hare vijanden; want, waar Jezus woont, daar is geen plaats voor zonde.

4o. Ten laatste moeten wij zorgvuldig de gelegenheden , personen en plaatsen mijden, die ons vroeger oorzaken tot zonden waren. Kortom, alles verwijderen en ontvluchten, wat ons aanleiding tot zondigen geeft.

Ziedaar! in korte trekken liet sacrament der biecht verklaard. Hooren wij ten slotte nog, wat de H. Atha-nasius over de biecht zegt; - Wie gift heeft gegeten of

808

-ocr page 811-

!.)E OUOOTE CATECHISMUS.

gedruiilcen, is een man des doods. wanneer Lij niet spoedig tegengift inneemt. Bezin u daarom niet lang, wanneer gij door eigen opzet of door verleiding uwe ziel. door do doodzonde, doodelijk vergiftigd hebt, eu spoed u, om zoodra mogelijk door het tegengift der zonden, de sacramenten, uw doodsvijand uit uw binnenste te jagen. De doodzonde is immers het zwaarste vergif voor de ziel, zij doodt onfeilbaar, en daarom moet de zondaar terstond door eene rouwmoedige biecht tegengift aanwenden.quot; Biecht dan gaarne, biecht dikwijls, dat is de weg om vooruit gang te maken in deugd en godsvrucht. -Een geneesmiddel te spaarzaam en zelden aangewend. zal den zieke slechts in geringe mate verlichten. maar wordt het op tijd en goed aangewend, dan zal het de gezondheid terug schenken. Evenzoo zal de mensch, die maar zelden biecht, de vruchten wel gewaar worden, doch doet hij het dikwijls , dan gaat hij met reuzenschreden vooruit op den weg der deugd en volmaaktheid.quot; Scaramelli. Sn gaan wij biechten, dan \'t ook goed gedaan, na een vlijtig en naarstig gewetensonderzoek, met een waar berouw, een krachtig en ernstig voornemen en eene volledige belijdenis, opdat de biecht geen bron van eeuwig verderf worde en men niet den dood vinde in en door het sacrament, waarin men het leven der ziei zocht. .Vele christenen toch gaan verloren, omdat zij niet goed biechten,quot; zegt de H. Theresia.

ZESTIGSTE LES.

OVER OEN AFLAAT-

142. Worden ons bij de vergeving van zonden altijd alle straffen der zonden kwijtgescholden ?

809

-ocr page 812-

DE GEOOTE CATECIUGMÜS.

Neen; dikwijls blijven er voor de verbeven zouden tijdelijke straffen over, welke wij hier of in \'t vagevuur moeten boeten (vgl. vr- 135)

14-3 Heeft de Kerk mac hl om die overgeblevene straffen te vergeven?

Ja, Christus heeft zonder beperking, aan Petrus gezegd: „Alles, wat (/[\'/ op aarde ontbonden zuil lebhen, zal ook ontbonden ziju in den hemel.quot; Matt. 1(5. 19.

Het Oouc. van Trente zegt in de 25ste zitting: .De H. Vergadering leert eu verordent, dat liet gebruik ai-iriten te veiieenen, het christenvolk hcilzucuu is, door het gezag van \'t heilig concilie is toegestaan en in de Kerk worde toegepast, terwijl het \'t banvonnis uitspreekt over al degenen , die bet nut van de aflaten loochenen (zoo als Luther enz), of de Kerk het recht ontzeggen allaten te kunnen verleenen.quot; — V olgeus deze uitspraak moeten wij derhalve ten opzichte van den aflaat twee punten gelooven,

lo. Dat de Kerk het recht heeft aflaten te verleenen, krachtens de volmacht, die Jesus haar schonk met de woorden: .Alles, wat (jij (Fetrua) op aarde ontbonden zult hebben, sal ook ontbonden zijn in den hemel. \' Matt. quot;18 18. Tot dat allen behooren zonde en straf zonder beperking.

Daar Christus den H. Petrus het eerst deze volmacht gaf en haar later ook den overigen Apostelen schonk, zoo volgt hieruit, dat het recht, aflaten te verleenen, op de eerste plaats, den opvolger van den H. Petrus, den Paus toekomt, als den drager van de sleutels der Kerk, en dat de Bisschoppen als opvolgers der Apostelen ook

810

-ocr page 813-

DE GBOOTE CATECHISMUS.

aflaten (gedeeltelijke voor huu Bisdom) kunuen verleeneu. Christus scliouk Petrus en den Apostelen de volmachfc om zekere boetewerken op te leggen en gaf hun tevens de verzekering, dat Hij die werken zou aanmerken, als door Hem zeiven opgelegd. Door de toevoeging: , Alles, trut (jij ojt aard? zult ontbinden. zal in den hemd ook ontbonden zijn\'\'\' verleende de Heiland hem tevens de volmacht, de opgelegde sirafïen geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden en gaf hier de verzekering, dat de kwijtgescholden straffen jfooi- God ook als kwijtgescholden zouden geiden. Duidelijk ligt hierin de macht opgesloten, door Christus aan Zijne Kerk geschonken, om aflaten te verleenen. Wie zal dat nog betwijfelen V Een vader heeft immers het recht zijn kind de verdiende straf geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden op de voorbede van de moeder of oen ander ? Een vorst beschikt over de macht om een politieleen of anderen misdadiger te begenadigen en geheel of gedeeltelijk zijne straf kwijt te schelden, - waarom zou de Kerk van het schoone recht te begenadigen , dan geen gebruik maken in \'t belang barer kinderen \'r1 Dat deed ze dan ook van af den beginne, eu ofschoon in later tijd de vorm veranderde, het wezen der aflaten bleef altijd hetzelfde, d. i. door den aflaat werden immer tijdelijke straffen vergeven. Paulus nam immers een gedeelte der straf van den bloedschen-ner weg op de smeekbede der gemeente en liet hem weder toe tot de gemeenschap der Kerk. 2. cort. 2. 10.

2o. Moeten wij van de aflaten gelooven, dat zij ons zeer heilzaam zijn . want buitengewoon zijn de voordeden en geestelijke zegeningen, waarmede zij ons begiftigen. Zy delgen de tijdelijke straffen der zonden, zij wekken

811

-ocr page 814-

DE GUOOTE CATECHISMUS.

uus op, om ons met God te verzoenen, duur zij de al-sclirikwekkende zware kerkelijke boetewerken, door ge-inakkelijke oefeningen van godsvrucht vervangen; zij sporen ons aan tot ware boete en verbetering des levens, zonder welke ze niet te verdienen zijn, en eindelijk bevorderen zij liet dikwijls ontvangen der sacramenten en strekken tot troost van den boetvaardigen zondaar.

Stel u eens voor, dat gij u in eene gevangenis bevindt, te midden van eene menigte ongelukkige veroordeelden. Sommige zijn tot 5, andere tot 10, 20, 30 ot meer jaren veroordeeld. Daar treedt de Koning binnen en zegt tot die ongelukkigen : .Wanneer gij nogmaals uwe schuld bekent, een klein gebed en een of ander werk van godsvrucht beoefent, dan zal ik den duur van uwe straffen verkorten of wel u alle straf kwijtschelden. Meent gij, dat een dier gevangenen zou weigeren van de gunstige en liefdevolle aanbieding gebruik te makenV — W elnu, die gevangenen zijn wij en die gevangenis is het vagevuur, waarmede de straffen dezer wereld lang niet gelijk staan. Een aflaat nu onder de voorgeschreven voorwaarden verdiend, bevrijdt ons geheel of gedeeltelijk uit den kerker des vagevuurs of neemt geheel of gedeeltelijk de straffen weg, die wij hier op aarde anders zouden geboet hebben. Vandaar de vraag:

144. Wat is een Ajlaal \'ï

Ecu Aflaat is eene kwijtsclielding van lijdelijke straffen, welke wij voor de vergeveue zonden nog moeten af boeten.

Na de verklaring der biecht laat de catechismus terstond de leer over den aflaat volgen, omdat de aflaat met de biecht in het innigste quot;verband staat en ons de

812

-ocr page 815-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

813

boetvaardigheid van de schoonste zijde laat zien: want daardoor komt de Kerk ons te hulp in \'t afboeten der tijdelijke straffen, welke de zonden aankleven. Ik zeg der tijdelijke fftrdjj\'cn, want de Kerk verleent door de aflaten, tje.en verfji[feim van zniiden, en ook geen vergiffenis van eevwlye straf; dat werkt alleen eene rouwmoedige biecht en absolutie uit. De aflaat beeft dus slechts betrekking op de tijdelijke straffen. welke de zondaar liier of in \'t vagevuur moet afboeten en de middelen om door de aflaten de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen, put de Kerk nit hare r/eestelijke schatkist, waarin zij de oververdieusten van Jesus , Maria en de overige heiligen bewaart. Die oververdieusten zijn gemeenschappelijk goed der geloovigen, krachtens de gemeenschap der heiligen, waardoor wij allen ledematen zijn van één lichaam, zoodat de overvloed der trionipheerende Kerk in de behoeften moet voorzien van de leden der strijdende Kerk op aarde en dat geschiedt door de toepassing der aflaten. Schoon heeft Bossuet gezegd: -fiod laat Zich door eenigen smeeken en wordt daardoor jegens anderen verzoend.quot;\' De goede werken der heiligen hebben immers eene dubbele waaide: eene verdienstelijke, in zooverre zij goede werken, en een voldoende., inzooverre zij boetewerken zijn. Het is immers een niet te weerspreken waarheid. dat Jesus oneindig meer geboet en geleden heeft dan noodig was tot delging der zonden van de geheele wereld; want eene enkele smart, één druppel bloed zou voldoende geweest zijn, om alle zonden en straffen af te boeten. Maar Jesus heeft gedurende Zijn leven en vooral in \'t laatste van Zijn leven onbeschrijfelijk geleden, derhalve de strengste boete beoefend, en deze heeft

-ocr page 816-

1)È GKOOTÈ CATECHISMUS.

voor God eene oueindiye. waarde. Maria, de allerzuiverste Maagd, heeft nooit de kleinste misstap gedaan en toch lieeft /ij meer geleden , dan de H. Martelaars. De 11. Joannes de Dooper werd reeds geheiligd in den moederschoot en evenwel leidde hij een zeer streng en boetvaardig leven. De H. Aloysius heeft wellicht gedurende zijn leven ééne enkele dagelijksche zonde bedreven eu hij pleegde zijn leven lang de strengste boetvaardigheid, En zoo zijn er zoo velen in den hemel, die dat geestelijk geld, d. i. de werken van boetvaardigheid niet geheel noodig hadden. om hunne schulden, d. i. de f ijdelijke straffen hij God nf tehetahn. Ja, Jesus en Maria behoefden volstrekt geen eigene zonde te boeten, euvele heiligen maar weinig, en aan die oververdieusten hebben wij allen deel en door de goedheid der 11. Kerk worden wij er eigenaars van.

145. H orden door de af at en ook de zonden zelve ven/even?

Neen; alleen de overgeblevene straffen der ver-gevene zonden.

De tegenwerpingen der protestanten, dat de aflaten zonden vergeven en schadelijk zijn, grondden zich alleen op verdraaiingen. laster eu onbekendheid met de katholieke leer. Op eenige dier afgezaagde opwerpingen wil ik in \'t kort antwoorden.

1 o. Zeggen zij; ,D« aflaat re.rhindeH ware boetvaardiff-hcid te hmefeneny Zou de aflaat boetedoening beletten ? En men kan niet den kleinsten aflaat verdienen zonder eerst boetvaardigheid gepleegd to hebben; want, die hem verdienen wil, moet in staat van genade zijn (zoo als wij

814

-ocr page 817-

M OHOOTE CATEOHISMÜS.

later meer uitvoerig zullen zien) eu nooit wordt de straf voor eene zonde door den aflaat weggenomen. wanneer df zonde te voren niet vergeven is.

2o. Ih\' ((fiolen kan uic.it hoopen, zoo luidt een andere onzin. Dat is laster en onwaarheid. Het geschiedt soms, dat onder de voorwaarden om een aflaat te verdienen, eene kleine aalmoes gevorderd wordt. Maar deze wordt niet gegeven ten bate van den Paus. die den aflaat verleent, maar wel van den arme of ten voordeele der Missiën: de Paus verdient er dus niets aan, evenmin als de Bisschoppen en Pastoors. Dit tot geruststelling voor onze averechtsclie vrienden.

3o. De aflaten hevonlercn zedelijke Urhtzitudyheid. Bewijst. wat gij zegt! Zou wellicht de geestelijke arbeid, welken hij zich moet getroosten, die een aflaat wil verdienen, d.i. biechten en coimr.uniceeren aanleiding\'seven tot

O ~

onverschilligheid in zake des geloofs? Ik geloof, dat-juist het tegendeel plaats heeft en de ernst des geloofs daardoor bevorderd wordt. Het is opmerkelijk, dat vooral de Dominé\'s deze opwerping maken, terwijl de leer; die zij belijden en prediken , dat het yeloof alleen (sola tides) ter zaligheid voldoende is, consequent doorgevoerd , niets an-anders is, dan een aflaatsbrrief voor zonden en straffen gedurende \'t geheele leven. Dat de aflaten niet de Heli-zinnigheid, maar den geloofszin aankweeken, moesten zelfs Voltaire en d\'Alembert; die twee Apostelen van Ijet ongeloof, erkennen. In \'tjaar 177{i vierde de kerk een jubilé-aflaat en wel met zulke schitterende trevolo-en, dat

quot; O O \'

die twee mannen in Worde ontstoken en d\' Alembert schreef: -Ons werk is twintig jaar achteruitgegaan,quot;\' en Voltaire zeide: „Nog een zoo\'n jubilé en wij hebben voor niets gearbeid.

815

-ocr page 818-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

146 line velerlei is de aflaat?

Tweeërlei: volle aflaat en gedeellelijke aflaat.

1 17. Wat ia het onderscheid ttmehen deze beide soorten \'

Door ecu vollen aflaat kan men (jeheele en (looiden anderen slechts gedeeltelijke kwijtschelding van de overgebleven straffen verkrijgen.

lo. Wanneer de Paus ons een aflaat verleent, waardoor ons alle tijdelijke straffen, die wij moesten boeten , worden kwijtgescholden, dan schenkt hij ons een volle?/ aflaat ., d. i. een aflaat, waaraan niets ontbreekt en welke alle straffen der zonden wegneemt. De Paus zegt dus , zoo dikwijls hij een vollen aflaat verleent; ,Hun, die eene oprechte biecht spreken en communiceeren en deze of gene goede werken verrichten, schenk ik uit de schatkist der Kerk, zooveel boetewerken, als noodig zijn, om alle tijdelijke straffen der zonden weg te nemen.

2o. De aflaat is echter c/cdeeltelijl\', wanneer de Paus b. v. verklaart: „Hem, die deze goede werken (in staat van genade) verricht, verleen ik b. v. 40, 100, 200, 300 dagen enz. of zeven jaar en zeven quadragenen d. i. zevenmaal 40 dagen aflaat, d. i. ik geef hem uit de schatkist der Kerk. de noodige boetewerken , opdat hem daardoor zooveel tijdelijke straffen worden kwijtgescholden, als hem verleend zouden zijn, wanneer bij (volgens het gebruik der eerste tijden) 10, 100, 200, 300, dagen enz. boete gedaan en streng gevast had. Deze aflaat is derhalve onvolkomen en slechts (jechelldijk, omdat er iets aan ontbreekt en niet alle, maar slechts een gedeelte der tijdelijke straffen worden kwijtgescholden. Het is

816

-ocr page 819-

DE GROOTE CAÏECHISMUS,

echter wel mogelijk, ilat iemand soms met eene slechts f/cftf\'elU\'l/jl-f aflaat toch van (U zijne straf afkomt, wanneer namelijk zijne strafschuld niet grooter is of niet meer bedraagt dan waarvoor die aflaat voldoende is. Dit is evenwel iets, waarvan men geen zekerheid kan krijgen.

1 IS. IFai mordl er verehcht om dan allaat Ut var-dienen ?

Dat. nien in staat vim genade zij en alles nauwkeurig volbrenge, wat tot liet verdienen van dien aflaat is voorgeschreven.

lo. Dat men in slant van fioiade zij. want hij, die door de doodzonde de heiligmakende genade verloren heeft, staat buiten Gods vriendschap en heeft als zoodanig geen aanspraak op Zijne genadegaven. En zijn de doodzonden niet vergeven, dan ook worden geen straffen kwijtgescholden. Wie derhalve in staat van doodzonde verkeert, kan geen aflaat verdienen, of hij moet eerst (als dit voorschrift is) eene rouwmoedige biecht sprekf-n of een volmaakt heronw verwekken. Of de meening doorgaat, dat men voor de overledenen, al is men ook niet in staat van genade, aflaten kan verdienen, laat ik in \'t midden — Maar als zeker kan men aannemen, dat een volmaakt berouw voldoende is, wanneer de Paus onder de voorwaarde om den aflaat te verdienen, de biecht niet eischt —- Personen, die alle weken biechten, hebben het voorrecht, dat zij aan alle aflaten deelachtig kunnen worden, om welke te verdienen de biecht is voorgeschreven, zonder voor elk in \'t bijzonder te gaan biechten. — Ook kan men op eenen dag, door ééne Communie meer aflaten verdienen, wanneer de communie als voorwaarde wordt 611. CAT. 52

817

-ocr page 820-

DE GUOO\'l\'Ë CA\'l\'ECltlSMÜS.

geeisclit. — Om den aflaat te verdienen ; is liet ook vol -doende, dat men in staat van genade /.ij, op \'t oogen-1gt;]ik, dat men het laatste der goede werken verricht, tot het verdienen van den aflaat gevorderd; want eerst na het verrichten dier werken wordt de aflaat verdiend.

2o. \'Dat men (dies nauwhenricj volhrenge, wat tot het verdienen van dien afldat is voorf/esehreren. De Paus ver~ klaart en beveelt b. v.: wie dezen aflaat wil verdienen ; moet biechten, coinmuniceeren, de kerk bezoeken, eene aalmoes geven naar vermogen, dit of dat gebed bidden, enz. dan is men ook gehouden zich stipt aan dat voorschrift te houden. Geeft de Paus den biechtvader en zielzorgers nu en dan de volmacht die werken van boete in andere te veranderen, dan is het goed, maar door ze zelf te veranderen, berooven wij ons van den aflaat. In het midden gelaten, of de intentie gevorderd wordt om de aflaten te verdienen (ten minste de virtueele) is het aan te raden !s morgens de meening te maken alle aflaten te willen verdienen, die men gedurende den dag, door schiet- en andere gebeden en werken kan verdienen.

Het schijnt met overbodig hier in *t kort den vollen jubilé-aflaat te bespreken. De joden vierden elke 50 jaren een jubeljaar. Dan werden de goederen, welke gedurende een tijdsverloop van 50 jaren verkocht waren , den vróegeren eigenaren teruggegeven, de schulden kwijtgescholden , de slaven vrijgemaakt en de veldarbeid in dit jaar gestaakt, enz. De katholieke Kerk heeft ook in zekeren zin een jubeljaar verordend, d. i. een bijzonder genadejaar, waarin meer en ijveriger gebeden wordt dan op andere tijden, de biechtvaders bijzondere volmachten ontvangen, de schatten der Kerk milder uitge-

818

-ocr page 821-

1)Ë GBOOTE CAÏECHISMÜS. 819

rleelil en de geloovigen met meer aandrang tot boetvaardigheid aangespoord worden. In zulk een jaar scheldt de Kerk, na het waardig ontvangen der Sacramenten, den zondaar door den vollen aflaat, ook hunne schulden kwijt (eeuwige en tijdelijke straffen) geeft hun de verlorene goederen (heiliginakende genade. deugden en verdiensten) terug en bevrijdt hen van de slavernij van Satan. In de eerste tijden was elk honderdste jaar een jubeljaar, doch omdat de meeste christenen zoo \'n jaar niet beleefden, bepaalden de Pausen later, dat elk vijftigste en daarna ook elk vijfentwintigste jaar een jubeljaar zou zijn. en zoo is het nog.

Behalve deze jubiléën, welke elke vijf-en-twintig jaar terug komen, zijn er nog bijzondere of buitengewone. Wanneer b. v. een nieuwe Paus, den stoel van Petrus in bezit neemt, of buitengewone rampen en vervolgingen de Kerk bezoeken, dan schrijft de Paus een jubilé voor, d.i. bij vermaant de geloovigen, in dien tijd meer te bidden en boete te doen, waardig de H. Sacramenten te ontvangen , (eene generale biecht te spreken), bedevaarten te houden en tot intentie van den Paus te bidden. Om nu hierin de godsvrucht op te wekken, ontvangen de biechtvaders de volmacht, ook van die zonden te ontslaan, welke op andere tijden door den Paus en den bisschop alleen vergeven worden. Bovendien ontvangen de biechtvaders in zulk een jubilé ook de volmacht, beloften te veranderen, en de II. Vader, verleent aan ben, die waardig biechten en communiceeren en eenige bepaalde o-oede werken verrichten, vollen aflaat.

Ten laatste nog iets over het toevoegen der aflaten aan de geloovige zielen.

-ocr page 822-

DE GKOOÏK CAÏECHÏSMÜS.

Bij eeniffeii, en wc! bij de meeste aflaten, verklaart do Paus uitdrukkelijk, dat zij aan de arme zielen in \'t vagevuur kunnen toegevoegd worden. De Paus verleent dus die aflaten niet aan de zielen in\'t vagevuur, de leden der lijdende Kerk, maar aan ons, de leden der strijdende Kerk. Verrichten wij derhalve de voorgeschrevene goede werken , dan verdienen wij h.v. een aflaat van 300 dagen, d. i. wij ontvangen uit do schatkist der Kerk zooveel boete werken, als noodig zijn, om eene tijdelijke straf af te hoeten, waarvoor wij anders 300 dagen zouden hebben moeten boeten. De gunst en de genade nu, aan dezen aflaat verbonden, kunnen wij opofferen aan de geloovige zielen in \'t vagevuur in \'t algemeen of aan één of meerderen, b. v. vader, moeder, zuster enz. Ofschoon wij niet zóó zeker zijn, dat God werkelijk, door een verdienden aflaat, den geloovigen zielen tijdelijke straffen kwijtscheldt, als den levenden, mogen wij toch vertrouwen, dat dit werkelijk liet geval is en zij spoediger uit het vagevuur bevrijd worden.

Het is derhalve van groot belang aflaten te verdienen, voor ons zeiven en voor de geloovige zielen. De leer van den aflaat is inderdaad onbetwistbaar eene der schoonste geloofswaarheden des Christendoms, waarin het wezen der boetvaardigheid zich in zijne zoetste mildheid toont: en de Kerk is wel een der schitterendste heilsinstellin-gen, waarin rechtvaardigheid zich paart aan ffoedaardige vergevensgezindheid. Maken wij er daarom een vlijtig gebruik van om aflaten voor ons zeiven en anderen te verdienen, schat ze hoog en vergeet nooit, dat alles, wat gij voor de geloovige zielen doet, u zeiven met zegen overlaadt, want helpt gij hen uit het vagevuur tot de

-ocr page 823-

DE GKOOTE CATECIÜSHUB.

aan se h omving Gods , dan zullen zij in den hemel ziinde wederkeerig u helpen, om daar te komeii, terwijl Cjud ook uvre naastenliefde niet onvergolden zal laten. Daarom zegt Augustiiuis: -Ik bid voor de overledeueu, opdat zij in den hem 1, -vvcderkeerig voor mij bidden.quot;

Ik zal u hier eenige gebeden en schietgebeden aangeven, dus eenige middelen om vele aflaten te verdienen. Vele zijn do aflaten aan een gewijd rozenhoedje verbonden ; aan \'t quot;quot;ebed, imiaamd: -de Enyel des Heeren

~ O 77 O

elke keer 1G0 dagen aflaat. Die eens daags eene akte van geloof, hoop eu liefde verwekt, verdient een aflaat van zeven jaar eu zevenmaal veertig dagen. Zegt men bij de concecratie of benedictie, geloofd zij God! Zijn heilige naam zij gezegend! de naam van Jesus zij geloofd! geloofd zij Jesus iu \'t heilig Altaarsacrament! Maria zij gezegend! dan ontvangt men telkens veertig dagen aflaat. Mijn Jesus barmhartigheid! honderd dagen aflaat. Zoet Hart van Maria wees mijn heil! driehonderd dagen aflaat. H. Jozef, vriend van \'t heilig Hart, bid voor ons!quot; honderd dagen aflaat. Voorts bevat elk kerkboek nog eeu tal van gebeden , waaraan de Paus aflaten heeft verbonden. Vooral zij, die leden zijn van de drievoudige broederschap, den levenden Kozen krans, het Apostolaat des gebeds en van het H. Hart van Jesus, kunnen tal van van volle aflaten verdienen, zoo als zulks op hun inschrijvingsbiljet is aangegeven; wel een gewichtige reden om lid te worden, of lid zijnde, trouw de voorschriften na te komen. — Alvorens over dit onderwerp te eindigen, wil ik nog even herinneren, dat aan \'t uitspreken van den hoogheiligen naam , Jesusquot; in het uur des doods een vollen aflaat verbonden is, en dat

821

-ocr page 824-

UE GROOTE CATECHISMUS.

naar mijne bescheiclene meening de volgende schietgebeden , de schoonste van allen zijn n. 1.

,Jesus, Maria en Jozef! ik geel\' U mijn hart en mijne

ziel!quot;

, Jesus, Maria en Jozef! staat mij bij in den doodstrijd!quot;

,Jesiis, Maria en Jozef! laat inijiie ziel in vrede bij

Ü rnsten!quot;

Aan elk dezer is honderd dagen aflaat verleend. EEN EN ZESTIGSTE LES.

OVER HET H. OLIESEL-

149. Wat is het 11. Oliesel?

Een Sacranieut, dour Cliristus iiigcsteld, hetwelk door do zalving en \'t gebed des priesters aan de zieken, die in stervensgevaar zijn, genade en sterkte mededeelt.

Hoe goed is God toch voor ons! Nauw geboren schonk Hij ons door quot;t sacrament des Doopsels, liet bovennatuurlijk leven, en aan quot;t sterfbed is Hij bij ons met Zijn hulp , om het scheiden uit het leven te verlichten en ons uit te rusten voor de reis naar de eeuwigheid.

Dit sacrament, het laatste Oliesel, wordt aldus tre-

\' O

noemd , omdat het de laatste zalving is, welke de mensch ontvangt; want deze is voorafgegaan door de zalving-bij \'t heilig Doopsel en gewoonlijk ook door die des Vormsels en soms nog door die van \'t Priesterschap.

Het woord „laatstequot; moet ook niet verstaan worden, alsof na het ontvangen, de dood terstond volgt, want vele zieken danken juist daaraan hun herstel.

Dat het H. Oliesel een waar sacrament is, kan men daaruit afleiden, dat het de drie bestanddeelen bezit tot

822

-ocr page 825-

DE GUOOTE CATECHISMUS,

een sacrament vereisclit; n. 1. lo. een iiitwendiy teekeu, bestaande in de zalving niet olie en quot;t gebed des pi\'ie-tters; 2o. de cuuidukluKj en mededeel hu/der r/enade, door de toepassing van dat uitwendig teeken ; oo. de instel-lin;/ can Christus-, want,

150. lloc luiden dc woorden der 11. Schrift, m wcllc van \'l 11. Oliesel nes proken tear dl.\'\'

„Ts cr iemand ziek onder U, zoo roepe liij de priesters der Kerk, opdat deze voor hem bidden, licm zalvende met olie in den naam des Meereii, en \'t gebed des geloofs zal den zieke behouden en de lieer zal hem verlichten; en zoo hij in zonden is, zullen deze licm vergeven worden.quot; Jae 5- 14. 15.

lo. God alleen is in staat aan een zichtbaar teeken, eene onzichtbare genade te verbinden; God alleen kan aan de zalving met (olijt) olie en quot;t gebed des priesters de kracht verbinden, om de wonden der ziel te genezen, zooals Hij alleen, ook bij quot;t uitgieten van het doopwater enz., daaraan de kracht en quot;t uitwerksel kon verlee-nen, de ziel van de vlekken der erfzonde en dadelijke zonden te reinigen en \'t recht op den Hemel terug te schenken.

2e Overigens duidt de H. Jacobus die waarheid ook duidelijk aan, waar hij zegt; „De priesters moeten de zieken zalven met olie, in den naam des Heer end. i. op voorschrift, volgeus.de volmacht der Heeren, zooals de Heiland het verordend heeft.

3o. De overlevering leert eveneens deze waarheid;

De H. Paus Innocentius de eerste, zegt ons, dat \'t

823

-ocr page 826-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

H. Oliesel een sacrament is en daarom den zondaar voor de absolutie zoo min mag uitgedeeld worden, als een ander sacrament, b. v. de Communie.

Reeds voor meer dan duizend jaren gaven verschillende Concilies voorschriften, omtrent de toediening van dit sacrament, zooals de Conciliën van Chalons in\'t jaar 8-17 en van ïrente. In overoude kerkboeken, waarin over de toediening der sacramenten gesproken wordt, staat het H. Oliesel ook opgeteekend als een der zeven sacramenten. Ook de Oostcrsche sekten, die voor ruim 1400 jaar van de ware Kerk afvielen, hebben dit sacrament behouden, dienen het tou tot op ditoogenblik, en houden het zooals wij, als een waarachtig, door Christus ingesteld sacrament.

151. Th hel 11\' Oliesel lol de zaligheid noodzakelijk ?

Neen! maar men zal het niet zonder zonde ver-waarloozen.

Ontelbare kinderzielen beneden de jaren, gaan rechtstreeks naar den hemel, zonder \'t H. Oliesel ontvangen te hebben en zeker ook nog eene menigte andere zielen van rechtvaardigen , wien tijd en gelegenheid ontbraken, dit sacrament te ontvangen. Doch het zou eene groote nalatigheid en zorgeloosheid te kennen geven ten opzichte der zaligheid en eene verachting van de door God aangeboden middelen des heils, als men willens en wetens weigerde, het H. Oliesel te ontvangen: Van den dood hangt immers de ganschc eeuwigheid af?

152. Wat schenkt ons het 11. Oliesel naar de ziel?

lo, Het vermeerder! de lieiligmakeiuk\' genade eu

824

-ocr page 827-

DE GROOTE CATECHISMUS. 825

schenkt mie bijzondere genade tot versterking tefen

quot; 15 O

do l)ekoringen .Co liet vergeeft de dagclijksciie en verjreten doodzondei! en necuit overblijfselen en straü\'en der zonden weg.

] i). liet eerste uitwerksel is tie venneerderiiiquot;\'der liciü;;\'-nutkende genade, zoodat men, door \'t H. Oliesel te ontvangen , rechtvaardig zijnde, nog rechtvaardiger en heiliger wordt.

-O. De tweede genade, welke het den ontvangers meédeelt. is: het versterkt de zieken op eene bijzondere wijze tegen de bekoringen en aanvechtingen des duivels, waarmede zi] somtijds in de laatste oogenblikken des levens te kampen hebben en niet zelden ook worden opgewekt door de herinnering aan vroegere zonden en de gedachten aan Gods rechtvaardigheid enz. Bovendien verlevendigt het de hoop op Gods barmhartigheid en liefde.

oo. Eene derde genade is de vergiffenis der zonden , d.i. zoowel van dagelijksche- als van doodzonden. Doodzonde vergeeft het echter slechts dan, wanneer de absolutie wegens een geheim gebrek krachteloos geweest mocht zijn ol wanneer de zieke na de biecht zwaar gezondigd mocht hebben en daar niet aan denkt, of wanneer hij om zijne ziekte of om de nalatigheid van anderen zijne zonden niet meer belijden kan. Immer is er echter, voor doodzonden en dagelijksche zonden, waarachtig berouw noodig: maar het onvolmaakte berouw is dan voldoende. „In deze laatste gevallen bezit het 11. Oliesel zooveel kracht ter vergificnis, dat zij, die anders verloren zouden gaan, door t ontvangen van dit sacrament nog zalig kunnen worden, wijl het eene aanvulling der biecht is.quot; Aldus

-ocr page 828-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

sclirijtt de H. Car. Barom. En de H. Jacobus zegt: , Wanneer hij (de zieke) gezondigd heeft, zullen deze hem vergeven worden.

4u. het neemfc de overblijfselen der zonden weg. Die overblijfselen zijn op de eerste plaats de tijdelijke straffen, maar daaronder moet ook gerekend worden, dat de neiging tot de zonden verzwakt en de wil veerkracht ont-ontvangt om quot;t goede te doen. Kortom, liet hart wordt meer los van de wereld, meer tot God gekeerd en overgegeven aan Zijn H. Wil, zoodat een bediende zieke dikwijls gaarne wil sterven, gelijk de ondervinding meermalen aan \'t sterfbed heeft geleerd.

153. iï\'ul (jcefl ons 7 II. Oliesel naar \'t lichaam?

liet geeft ons verlichting in de ziekte en ook de gezondheid als liet ons zalig is-

, De Heer zal hem (de zieke) opbeuren.\'\' H. Jac. 5. 15.

Ja de hemel dauwt verzachting en verkwikking op hem af. En, gelijk de avonddauw de planten en bloemen verkwikt, zoo ook wordt de zieke christen, aan den avond zijns levens, door de H. zalvingen quot;t gebed der H. Kerk verkwikt, opgebeurd • en versterkt. Het Concilie van Trente drukt zich hierover aldus uit: „Het H. Oliesel verlicht en versterkt den moed der zieken, en wekt een groot vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid in hen op, en daardoor opgewekt, dragen zij veel gedul-disjer de bezwaren en smarten der ziekte.quot;

En, ziet God in Zijne alwetendheid, dat beterschap in ons belang is voor tijd en eeuwigheid, dan werkt dit sacrament de gezondheid uit. We mogen dus bij het ontvangen van dit sacrament wel bidden, dat God ons daar-

826

-ocr page 829-

DE Gi;OOTE CATECHISMUS

dour goedgunstig de gezondheid verleeue, doch op voor-Wiuirde; als ons dit tot onze zaligheid dienstig is. In dien geest biddend, zal God altijd ons gebed verliooren. Vol bewondering over de kracht van dit sacrament, zegt een Protestantsch geneesheer, Tis.sot genaauid, dat hij daardoor genezingen heeft zien plaats hebben, welke dooide kunst en de geneesmiddelen niet ie verkrijgen waren. Hoe dwaas en onverantwoordelijk handelen zij dan. die \'t ontvangen van dit sacrament zoolang mogelijk uitstellen, ot de familie, die zulks tegengaat, weerhouden door de dwaze vrees, dat de zieke dan eerder sterven zal. De reden, door de familieleden van den zieke soms aangehaald, om de toediening van \'t H. Oliesel uit te stellen, zijn te belachelijk, ze hier mede te deelen. Ze begrijpen niet, dat het sacrament den zieke nooit kan schaden , maar altijd heilzaam op hem werkt. Haal dus in tijd van nood eerder den geestelijken dan den lichame-lijken geneesheer.

154. JVic vwc/cn \'t H- Olicvcl onli\'tingen?

Dc zieken, die in gevaar van sterven zijn en \'t gebruik liumier rede gehad hebben.

De zieken, hier bedoeld, moeten kufhoUek zjjn , want het sacrament wordt door de priesters der Kerk, slechts den kinderen der Kerk toegediend: zij alleen hebben er aanspraak op. Ook moeten zij; die quot;t ontvangen, (je-vuaiiijk ziek zijn. Hierom kunnen ter dood veroordeelden, soldaten, die ten strijde trekken, zeelieden enz., dit sacrament niet ontvangen. En, omdat de zielr. het (jebndl: der rede moet gehad hebben, mag aan kinderen, nog niet tot de jaren van verstand gekomen, en onnoozel o\'ebo-

827

-ocr page 830-

DE C-EOOTE CATECHISMUS.

renen, het H. Oliesel niet worden toegediend. Sterft iemand echter krankzinnig, die vroeger het gcbmik zijner rede had, deze mag \'t H. Oliesel ontvangen, omdat wel licht nog zonden en straffen weg te nemen zijn, hetgeen bij kinderen onder de jaren het geval niet is.

155. J loc dikwijls iilui] men hel 11. Oliesel ontvanjen?

Maar ccimiaal in dezelfde zieklo; doch indien liet doodelijk gevaar geweken was en later terugkeerde, zou men het andermaal mogen ontvangen.

Er zijn soms menschen, die meermalen het H. Oliesel ontvangen en tocli beteren; wei een bewijs, dat dit sacrament niet schaadt. Het is echter verstandig de herhaling aan quot;t oordeel der priesters en geneesheeren over te laten, omdat zij ook naar beste weten moeten verklaren , of er doodsgevaar aanwezig is.

156. fa welken staal moei men dil meranient onlvangen?

In staat van lieiligmakende genade.

Het JH. Oliesel is een sacrament der levenden. Ontvangt men het dus in doodzonde, dan is het heiligschennis. Zou iemand dus in doodzonde zijn, dan moet hij, alvorens dit sacrament te ontvangen, eene oprechte biecht spreken of een volmaakt berouw verwekken, als hij niet in staat is te biechten. Het kan ook gebeuren, dat een priester bij een zieke geroepen wordt, die bewusteloos ligt, maar van wien het bekend is, dat hij zijne christelijke plichten vervulde; dan wordt ook dezen het H. Oliesel toegediend, omdat de Kerk veronderstelt, dat die

828

-ocr page 831-

1)K CiKOOTE CATECHISMUS.

inensch bewust zijnrle, \'t H. Oliesel zou willen ontvangen en christelijk sterven.

i 57 ■ Ah men het dun onweta/idin doodzonde ontoangt\'f

Dan kan men, met een onvolmaakt berouw, aan de uitwerkselen des II. Oliesels deel.icliti^ wortlen.

Wanneer rle zieke, flie in zwijm lag, later zijn bewustzijn zon terug krijgen, clan zou, wanneer hij zich opwekt tot (minstens onvolmaakt) berouw , het sacrament voor hem herleven en hij aan de vrucht er van deelachtig worden. Er kunnen echter ook gevallen voorkomen, dat men dit sacrament in doodzonde ontvangt, zonder in zwijm te liggen , en aan de uitwerkselen ervan deelachtig wordt, op bet oogenblik zelf van het ontvangen en niet eerst door latere herleving. Die gevallen hebben wij genoemd waar wij spraken over de vergiffenis der zouden als uit-weiksel van het 11. Oliesel, want ofschoon eigenlijk een sacrament der levenden, is het toch ook eeuigermate een sacrament der dooden. Maar, zooals gewoonlijk, is ook hier bet vohnaalde beter: het beste, eene rouwmoedige biecht..

Hoe f/eschiedt de toediening van dit sacrament ?

De priester doopt zijn duim in de gewijde olie eu maakt daarmede een kruis op de oogeu, ooren, neus, mond , handen en voeten en zegt bij elke zalving: .Door deze Tl. sal ring en Zijne milddadigste harndinrtigliKid, ver-geve I de Heer, vat gij door het gezicht enz. misdreven hehl. Amen.

Dat de priesters de toedienanys van dit sacrament zijn^ bewijzen de woorden van den II. .Tacobus, wijl hij zegt: tDc priesters der Kerk. bij de zieken te roepen en niet de oudsten der gemeente.quot; Het hier gebezigde woord

829

-ocr page 832-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

beteekent in de brieven der Apostelen; priesters of bisschoppen ; en zoo verstaan liet ook zoowel de Oostersche als Westersche Kerk.

Moet er eene bediening plaats hebben, dan zorge men dat een tafeltje met een helder dekkleed, voorzien van krusifix, kaars, kopje met wij- en ander water gereed staat, of bij gebrek van eene kaars, eene lamp.

158. Met welke fjevoclens moet men het het Jl. Oliesel on to cm/ten ?

Met gevoelens van berouw, van vertrouwen en van overgeving aan Gods 11. Wil.

Gelukkig zij, die in dat benarde oogenblik hart en hand ten hemel heffen, te meer, omdat aan de verwekking van akten van geloof, hoop, liefde en berouw, in \'t uur des doods, eene volle aflaat verbonden is, en eveneens aan . \'t eerbiedig uitspreken van den zoeten naam „Jesus.quot; Is de zieke daartoe zelf niet in sbaat, dat anderen hem zulks dan voorzeggen; en zijn hart zal zich daarmede vereenigen. En dan de overgeving aan Gods heiligen Wil! Hoe schoon en treffend is het gebed van den zieke, die zegt: .0 God, wilt Gij, dat ik lijde, ik ook; wilt Gij, dat ik leve, ik ook; maar wilt Gij ook, dat ik sterve, ook ik wil dan sterven: niet mijn maar Uw wil moet geschieden.quot;

Hoort ten slotte het woord van den H. Angustinus:

„Zoo dikwijls iemand eene krankheid (doodelijk) overvalt , dan ontvange hij het lichaam en bloed van Christus en de zalving voor \'t zwakke lichaam, opdat aan hem vervuld worde, wat gescheven staat: ..Is er iemand ziek onder U1\' enz.

830

-ocr page 833-

11É GROOÏK catechismus.

TWEE EN ZESTIGSTE LES.

OVER HET PRIESTERSCHAP.

De vijf eerste Sacramenten, die wij tot liiertoe behan-fleld hebben, zijn voor menschen als afzonderlijk? ])er-sonen in gesteld. De twee overige, die wij nu gaan verklaren, zijn voor de behoeften van het uiaatschappdijko leven bestemd. Volgens de orde zullen wij \'t eerst het priesterschap behandelen. Het priesterschap in \'t algemeen besproken, is zoo in de natuur der menschheid geworteld , dat zij \'t noodig achtte bijzondere mannen uit te kiezen en deze met de leiding van den godsdienst te belasten. Vandaar, dat men bij de oudste volkeren, zooals: de Chaldeërs, Persen, Indiërs, Chineezen, Egyp-tenaren, Romeinen en Grieken en ook bij onze voorouders , godsdienst, offers, altaar en priesters aantreft. d. z. mannen, die door t volk tot de bediening van den godsdienst uitverkoren, met gezag en waardigheid bekleed waren, zooals bij \'t offer der If. Mis reeds is aangestipt.

Het priesterschap en de eeredienst des Ouden Ver-bonds ontleenen aan God zelfs hunnen oorsprong; want 11 ij koos uit Abrahams nakomelingen, tot den dienst voor de Ark des verbonds en om de offers op te dragen, den Stam Levi uit en uit dezen Stam het huis Aaron. Die uit den Stam Levi, moesten tot ondergeschikten dienaars aan het Altaar, en die uit Aüronshuis stamden, tot priester gewijd worden , hetgeen God met de volgende woorden aan Mozes te kennen gaf: .Aaron! Uw broeder en zijne zonen zult gij nemen uit het huift van Israel; opdat zij Mijne priesters zijn; gij zult Aaron en zijne zonen zalven, heiligen zult gij hen, opdat zij Mij

831

-ocr page 834-

DE 6K00ÏE CATECHISJtCS.

dienen.quot; Met groote plechtigheid voldeed Mox.es aan Gods bevel, en hoezeer ook vervolgd en verstrooid, bleef het priesterschap in \'t Jodendom voorleven, tot aan Jesus komst en zoendood. Het Christendom ontnam den joden altaar en tempel en thans leven zij verstrooid onder alle volkeren, zonder vaderland, tempel, altaar en offers, zonder waar priesterschap; de schaduw is opgevolgd door de werkelijkheid, door het priesterschap des Niemven-Verbonds.

Toen Jesus nog op aarde verkeerde, heeft Hij liet priesterschap alleen uitgeoefend. Doch, omdat Hij niet altijd zichbaar op de wereld blijven, en de Kerk immer behoeften zou hebben aan priesters, zorgde Hij, dat er andere priesters kwamen, die Zijn plaatsbekleeders zouden zijn, in Zijn naam zouden offeren, zonden vergeven, of liever, door wie Hij Zijn offer zichtbaar opdraagt en vergiffenis van zonden en genade, door de toediening dei-Sacramenten mededeelt. Mij heeft tot dat einde het priesterschap, de priesterlijke waardigheid en macht, welke Hem (in den hoogsten graad) eigenlijk alleen toekomt, overgedragen aan anderen, en hen priesters gemaakt; n.1. de Apostelen en hunne wettige opvolgers, on dit. geschiedt door de wijding, door quot;t Sacrament des priester-schaps. Daarom de vraag.

159. Waf is hel priestersclnp?

Ken sacrament, door Christus ingesteld, hel well; aan de hedicnaren der II. Kerk genade en macht mededeelt, om hun ambt behoorlijk waar te nemen.

lo. Jesus-Clmstus heeft liet priesterschap des Nieuwen Verbonds zelf ingesteld; want een nieuw offer

832

-ocr page 835-

J)E OHOOTE CATECHISMÜS.

eisclite ook een nieuw priesterschap. De instelling van dit Sacrament geschiedde bij gelegenheid van \'t laatste Avondmaal, toen Jezus Zijnen Apostelen beval: Doet dit tot Mijne f/edachtenis.quot; Luc. XXII, 19. Daardoor gaf Hij Zijnen Apostelen en hunnen opvolgers de macht, datgene te doen, wat Hij gedaan had, d.i. brood in Zijn vleesch en wijn in Zijn bloed te veranderen en Hij vervulde zoo in dit opzicht de beloften; dat Hij de eeu-wü/e Priester zou zijn, vólgen* de orde van Melcitisedeeh.

2. Na Zijne verrijzenis volmaakte Hij dit sacrameut nog meer en zeide tot Zijne leerlingen : „ Zooals Mij de Vader gezonden heeft, zoo zende ]/: l\'. Ontvangt den U. Geest! Wier zonden gij vergeeft, dien zijn ze vergeven, enz.quot; Matt. 20. En onmiddelijk voor Zijne hemelvaart sprak Hij tot hen: „Gaat en onderwijst alle volkeren en doopt hen, enz.quot; Matt. 28.

Door deze woorden schonk Hij hun de macht en \'t bestuur over het zedelijk lichaam der Kerk, en de overige volmachten tot het priesterschap behoorende, tervvyl Hij hun tevens de genade schonk, om hun ambt behoorlijk waar te nemen.

Kin. Leert ons de 11. Paulus niet duidelijk, dat het Priestersc.lap genade mededeelt\' I Titn. IV. 14.

Ja, Hij vermaant zijnen leerling Timotheus, dat hij de genade, door de opleyging der handen verJcre-(jen, niet zon venvaarloozen-

De H. Paulus zegt hier dus allerduidelijkst, dat door het uihcendige teeken der handenoplegging, de wijdeling inwendige genade ontvangt, om de plicht van \'t priesterschap waardig te vervullen. En bij Tim. H. 1 — 6. zegt

GE. cat. 53

833

-ocr page 836-

DE GROOTE CATECHISMUS.

hij: , Ik vermaan v, dat gij de genade in u weder optrekt, welke in u is, door de oplegging der handen.quot; Ge-volgelijk bezit bet Sacrament des priesterschaps de drie vereischten, tot een Sacrament gevorderd , n.1. een zichtbaar teeken, eene onzichtbare genade en de instelling van Christus, en vandaar ia de priesterwijding waarlijk een Sacrament, zooals het volgende nader leert.

„Dat de Apostelen die volmacht van Christus ontvangen hebben, neem ik aan,quot; zegt hier iemand, „doch dat slaat ook maar alleen op hen.quot; Denkt ge dan , dat er in dien tijd alleen maar te prediken, zonden te vergeven en Jezus oifer herhaald en toegepast moest worden? Zoomin met den dood der Apostelen de Kerk ophield te bestaan, evenmin ook het priesterschap dier Kerk. Wilde Jezus, dat Zijne kerk zou voortbestaan, dan moest Hij ook het voortbestaan van \'t priesterschap willen; want zonder priesterschap geene Katholieke Kerk. Immers, is de ware Kerk denkbaar zonder \'t ware geloof? Neen \' En wie nu leert het ware geloof? De Bisschoppen en hunne ondergschikte priesters. Kan de Katholieke Kerk bestaan zonder offer , zonder genademiddelen ? Neen ! Welnu, welke Kerk heeft macht, het heilig offer op te drasen; wie deelt de II. Sacramenten uit? Depriester.

o quot; i

Bestonden er derhalve geene katholieke priesters meer , dan ook geene katholieke Kerk. De Heiland beloofde, dat Zijne Kerk zou voortbestaan tot aan het einde dei-wereld , dus moet Hij ook gewild hebben, dat er na den dood der Apostelen priesters zouden zijn , dat het priesterdom tot aan de voleindiging der tijden bleef voortduren ; en dat geschiedt door de heilige priesterwijding: „Zij baden en legden hun (Paulus en Barnabas) de handen op.quot; Hand. XIII, 3.

834

-ocr page 837-

i)Ë GEOOTE CATECHISMUS.

i 61. IVelke macht ontcangt men door \'t Priesterschap ?

De macht om tie H. Mis op te offeren, onderscheidene Sacramenten toe te dienen . Gods woord te verkondigen en den kerkelijken zegen over personen en zaken uit te spreken.

De Bisschoppen alleen verleeneu hun, die de H. Pries-terwijding ontvangen, de verschillende volmachten, hier genoemd, na eerst zelf, door de IT. Bisschopswijding, daartoe de macht ontvangen te hebben. Dus o-een een-

o O

voudig priester , geen koning of keizer , ja , alle wereldsche vorsten te zanien, zijn niet bij machte, iemand priester te wijden of de priesterlijke macht te verleenen? Ze missen de volmacht van God. Die macht heeft God den Bisschoppen, zooals wij reeds aanhaalden, door eene eigene wijding (welke ook Sacrament is) geschonken. Bovendien ontvangt de priester de bijzondere genade, om zijn ambt behoorlijk waar te nemen.

De Bisschop bepaalt ook, krachtens die volmacht, wien hij priester wil wijden; de geloovigen en de wereldsche overheden hebben in deze niet te beslissen. Ook bepaalt de wettige Bisschop. waar de priesters hunne bediening zullen uitoefenen; hij zendt ze en geeft hun de volmacht, de Sacramenten toe te dienen, enz. (vgl. Trid. Zitt. 23. Hoofd. 4. Can. a.) Geene wereldsche overheid, geen minister, geeu koning of vorst is daartoe gemachtigd; wat ze niet hebben, kunnen ze ook aan anderen niet overdragen. Zou er dus een priester in eene gemeente komen, om de zielszorg op zich te nemen, maar niet gezonden door den wettigen Bisschop , dan is hij een

835

-ocr page 838-

BE GilOOTE CATECmSJlÜS.

indringer en mag geene Sacramenten toedienen, nocli godsdienstoefeningen houden. Hij leest lieiligschendend de Mis, zijne absolutie ontbindt niet, en ook de huwelijken, in zijne tegenwoordigheid aangegaan, zijn ongeldig , zoodat het beter is geene Sacramenten te ontvangen , dan door zijne bemiddeling; wij moeten hem vluchten en alle gemeenschap met hem breken: hij is geëxcommuniceerd. Wel mocht de H. Thom. van Aquino dus zeggen: „Het is den vorsten en heerschers dezer aarde toegestaan, den uienschen volmacht te verleenen, die tot het bestuur van verschillende ambten geroepen worden. De Bisschoppen echter zijn bestuurders der Kerk en daarom hebben zij alleen de macht, den menschen tot den dienst van Christus en tot verzorging van \'s menschen heil, volmacht te verleenen en tot de geestelijke waardigheid te bevorderen.quot; „Laten dan alle vorsten van Europa en der geheele wereld zich vereenigen om één priester te maken en ze zullen niets tot stand brengen dan een belachelijk en waardeloos menschquot;, aldus predikte pater Lacordaire eenmaal te Parijs.

162. Welke plechtij/c liandeliïK/ en welke orden moeten het ontvangen van 7 Priesterschap voorafgaan ?

De tonsuur of kruinschering gaat de vier kleinere orden eu de grouf.ere orden van omlerdiaken en diaken vooraf en is als de inleiding tol, het geestelijk leven, want men treedt daardoor in den geestelijken stand, kiest Clod ais erfdeel en zegt vaarwel aan de ijdelhedeu der wereld. Verbintenis voor de toekomst neemt men echler daardoor niet. op zich.

836

-ocr page 839-

DE GROOïE CATECHISMUS.

De vier kleine orden en wijdingen zijn de volgende:

1. Do wijding tot portier (ostiarius) ontleent haar oorspvong uit de tijden der vervolging. Meermalen gebeurde liet, dat dngeloovigen en vijanden van den godsdienst do vergaderingen en godsdienstoefeningen der ge-loovigen binnenslopen en een moord en bloedbad aanrichtten en daarom stelden de Bisschoppen vertrouwde mannen aan, om den toegang trouw te bewaren. In lateren tijd werd hun bovendien het klokkenluiden toevertrouwd, terwijl de sleutels der Kerk door hen bewaard en de altaren versierd werden.

2. De wijding tot lezers (lectores). Dezen was in den ouden tijd opgedragen, de stof voor te lezen, waarover de Bisschop zou prediken. Tevens waren zij voor-;■ angers en schrijvers, secretarissen van den Bisschop, terwijl ze ook de bibliotheek der Kerk verzorgden en zich met het afschrijven van heilige boeken en de akten der martelaren bezig hielden.

3. De wijding tot hrzweerders (exorcistae). De bezweerders moesten lj\'\'n, die door den duivel bezeten waven , door handenoplegging en gebed , daarvan bevrijden en ze weer bekwaam maken om de godsdienstoefeningen bij te wonen: „In mijnen naam zullen ze duivelen uit-tverpeiLquot;

4. De wijding tot aUaardknaars (acolijthi, kaarzen-dragers). Daar de errste Christenen, om de woede

hunner vijanden te ontgaan, dikwijls des nachts in onder-

* \'

aardsclie holen iuume godsdienstoefeningen hielden, was verlichting noodzakelijk. Daarom stelden de Bisschoppen geschikte mannen aan, om daarvoor te zorgen en legden

837

-ocr page 840-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

hun tevens de verplichting op, voor alles zorg te dragen , wat tot het offer noodzakelijk was.

Deze vier wijdingen verbinden de wijdelingen nog tot niets, d.i. ze kunnen in de wereld terugkeeren en hun priesterlijk kleed afleggen.

a. De wijding tot sub- of\' onderdiaken.

De invoering van de orde van \'t onder- of sub-diako-naat schrijft men niet zonder waarschijnlijkheid aan Paus Fabianus toe, die aan de zeven notarissen, wien het opgedragen, was, de akten der martelaren te verzamelen en op te teekenen, zeven onder-diakenen als helpers toevoegden. Hunne bedienig bestaat in den kelk, de pateen en brood naar het altaar te dragen, onder eene plechtige Mis het Epistel te zingen, bij de offeranden den wijn met water te mengen en verder den priester aan \'t altaar bij te staan.

Door deze wijding verbindt zich de wijdeling voor immer en altijd tot aan zijnen dood, aan den geestelij-stelijken stand en neemt de verplichting op zich , dagelijks de brevier of de getijden te lezen en altijd celibatair of ongehuwd te leven, al wil hij later ook geen priester worden.

1). De wijding tot Diahen is eene goddelijke instelling. Conc. Trid. zitt 23. Can 6. In betrekking tot de eerste H. wijding van Diaken lezen wij in de Hdl. der Ap. VI. 7 — 16 : .En in die dagen, toen het getal der leerlingen aanwies, ontstond er een gemor der Grieken tegen de Hebreeuw-schen. omdat hunne weduwen in de dagelijksche bediening (bedeeling) verzuimd werden. De twaalven dan riepen de menigte der leerlingen bijeen en zeiden: ,Het is niet betamelijk, dat wij bet noord Gods nalaten (te

838

-ocr page 841-

DE GEOOTE CATECHISMUS

prediken) om taf (da te dienen. Ziet dan om broeders! naar zeven mannen uit n, van tjoede (jetuujems, vol des II. Geestes en van wijsheid, die wij over dat werk stellen. Maar icij zullen in H yehed en de bediening des woords volharden.quot; En de reden behaagden aan de gansche gemeente. En zij verkozen Stefanus, eenen man vol geloot\' en van den HL Geest, enPhilippus, en Prochorus, en Nicor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaüs, een jodengenoot uit Antiochië. Deze plaatsten zij voor de Apostelen, die, gebeden hebbende, hun de banden oplegden.quot;

Uit de aangehaalde tekst blijkt, dat in die tijden den Diaken ook de verzorging der armen was toevertrouwd , ofschoon ze toen ook reeds geestelijke bedieningen verrichtten. Stefanus immers predikte, Pbi-lippus doopte den voornamen Aethiopiër, terwijl in lateren tijd geestelijke verrichtingen hunne hoofdbediening werden, zoo b.v. helpen zij de priesters aan \'t altaar onder de H. Mis, zingen het Evangelie en mogen bovendien het woord Gods verkondigen, het Doojjsel plechtig toedienen en de H. Communie uitdeelen.

, Wie kan en moet priester wordenquot;; vraagt hier iemand.

De mannen kannen slechts priester worden en daar de priesterstand even verheven als zwaar is, zoo mogen zij slechts priester worden, die door God geroepen zijn, omdat het God alleen toekomt; Zijne dienaars te kiezen, zoowel als de vorst de zijnen kiest. Men mag evenwel iemand aansporen, dien staat te kiezen, maar niet daartoe dwingen. Jezus koos zelf Zijne Apostelen en wel degenen, die Hij wilde. Marc. III, 13 ; ende H. Pau-lus schrijft, Heb. V, -i: .Niemand matige zich zeiven

839

-ocr page 842-

UE GEOOTE CATECHISMUS.

deze eer aan, maar men moet door God, gelijk Ailron, daartoe geroepen zijn. De indringer maakt zich zeiven en anderen ongelukkig.quot;

o o

De kenteekenen van den roep tot den geestelijken .staat zijn: bovennatuurlijke en voortdurende neiging voorliet priesterschap, een voorbeeldig leven, zucht cn liefde voor heilige zaken, welke Gods eer en glorie beöogen, zioleijver, kuischheid. verachting der wereld, aanleg, kracht en middelen,. om de studie te kunnen voortzetten. Wel mocht de 11. Hieronymus aan een jongmensch, die priester wilde worden, schrijven: , Bedenk wel, wat gij doet en of God u heeft geroepen! De oogen der wereld zijn op u gevestigd om uwe deugd of ondeugd gade te slaan; uw huis zal eone openbare school zijn cn een ieder zal zich datgene veroorloven , wat gij u zelveu niet ontzegt.quot; De priesterlijke waardigheid is dus groot en verheven, maar dan vraagt de catechismus te recht:

163. Wal zijn de geloooigen aan de priesters verschuldigd ?

Zij zijn aan de priesters, als dienaren van Je sus en der Kerk, liuogaohting en eerbied verschuldigd.

1. „Weet gij niet,quot; zegt. de H. Chrys., ,dat de eerbied, dien gij den priester bewijst, God zei ven bewezen wordt?quot; „Eer depriesters, want de engelen zelveu houden het priesterschap in eere,quot; aldus zegt de H. Greg. Nanziacenus. En ziet eens, hoe de heidenen hunne afgodische priesters vereeren, welke onderdanigheid zij hun bewijzen. Zouden wij christenen dan te kort schieten in den eerbied en do onderdanigheid, den priesters van den Allerhoogsten verschuldigd. Bewijst dan steeds den

840

-ocr page 843-

DE RROOÏE CATECHISMUS.

priester, als Gods plaittsbekleorier en uitdeoler Zijner genade, scliuldigen eerbied, onderdanigheid en „hid dik-tcijls den Heer des ooysfes, dat Hij arbeiders in Zijnen tcifnrjaard zendequot; Matt. IX, 38. De H. Franciscus van Assizie placht te zeggen: „Wanneer ik een\' priester cu een engel te gelijk ontmoette, zou ik eerst den priester en dan den engel groeten.quot; En de 11. Antonius, om zijne groote heiligheid door koningen en keizers geëerd , had zulk eenen eerbied voor de priesterlijke waardigheid, dat hij voor eiken priester, dien hij ontmoette, nederknielde, hem do hand kuste en om zijnen zegen vroeg. Denk wel aan Jesus woorden, van den priester gezegd: „Die u veracht, veracht Mj!v Verder moeten wij:

2. De verordeningen en voorschriften die de zielzorgers in naam des Bisschops geven, ook getrouw nakomen, gedachtig aan Jesus woord: „Die n hoort, hoort Mij!quot;

Scheldt of beschimpt dus nooit eenen geestelijke, befit of legt hunne woorden en daden niet verkeerd uit en stem niet in met hen, die er altijd op uit zijn, den godsdienst en de priesters door woord en daad af te breken, om zoo hun goddeloos leven met een vernis van onschuld te bedekken. Dat zulks andersdenkendenden doen, heeft ten minste nog eenigen grond, maar dat er Katholieken zijn, die hen trouw daarin ter zijde staan, is een schandaal ; maar ze zijn er dan ook naar en hebben van het katholieke weinig meer dan den naam overgehouden; ze deugen niet. Werp daarom ook de boeken en courante)! weg, waarin de geestelijke stand stelselmatig wordt belasterd en verguisd; het zijn giftige pijlen,

841

-ocr page 844-

DE GROOTE CATECHISMUS.

waarvan het ongeloof zich bedient, om de Kerk van Jesus in haar hartader te treffen. (Som op den studietijd, de onkosten, de moeiten en zorgen van biechtstoel en ziekbed, enz.)

Bemerken wij soms in eenen priester eenige inensche-lijke zwakheden en gebreken, nemen wij daaraan geen ergernis. Waardeer in zulk een geval zijne waardigheid: . Dor, wat hij zcAjt, doch naar zijne werken zult (je niet doen. Matt. XXIII, 3. Wanneer immers een priester niet leeft, zooals liet behoort, en zijne gebreken heeft, dan nog blijft hij een engel des Almachtigen, omdat hij het goddelijk offer opdraagt en door de toediening der Sacramenten voor het zielenheil van anderen zorgt, zoo spreekt de H. Isidorus. , Terwijl velen het leven des priesters meer onderzoeken en uitpluizen dan hun eigen leven,quot; zegt Greg, de Groote , ,vallen zij in den afgrond der dwaling. Zij begrijpen niet, dat \'s priesters leven hen niet kan schaden, wanneer ze maar gehoor verlee-nen aan zijne vermaningen; die menschen hebben balken in hunne eigene oogen en zien de splinters in de oogen van anderen.quot; Zeker, men vergeet maar al te dikwijls, dat de priesters ook menschen zijn en veroordeelt den geheelen priesterstand, omdat de een of de ander zich nu en dan vergeten heeft, hetgeen onrechtvaardig en onbillijk is. Hoor eens: Een van Adams zonen was een broedermoorder. In de familie van David was Anion een bloedschender en Absolon een oproerling ; maar zijn de overigen nu allen als slechten te verachten ? Onder de Apostelen waren Jacobus en Joannes eergierig. Petrus verloochent Jesus en Paulus vervolgt de Kerk. Wilt gij nog meer voorbeelden? Zie op uwe eigene

842

-ocr page 845-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

familie en in velen zult gij eenigen aantreffen, die zich vergaten. Doch geeft dit ons het recht, alle heilige patriarchen en familiën, al de Apostelen en hunne opvolgers, of de familiën der onverlaten te veroordeeleu, wijl er onder hen eenigen waren, die nu en dan tegen plicht en geweten handelden\'r1 Keizer Constantijn toonde steeds eenen grooten eerbied voor Bisschoppen en priesters en placht te zeggen: .Wanneer ik eenen priester eenen misstap zag begaan, dan zon ik hem met mijnen keizerlijken mantel bedekken en hem zoo aan de oogen der wereld onttrekken.quot; Doe ook zoo en ge zijt een edel en waar christen.

164. Behoeven loij God, eu wel op bijzondere daijen, om goede priesters Ie hulden ?

Wij behooren hierom vurig to bidden , en wel vooral op de quaterteinperdagcii, waarop de priesters gewoonlijk gewijd worden.

De priesterwijding geschiedt op de volgende wijze: De Bisschop bekleedt den wijdeling met de priesterlijke kleederen (stola en misgewaad) om aan te duiden , dat hij thans de priesterlijke waardigheid ontvangt en door de genade van het Sacrament met de priesterlijke deugden versierd wordt. Daarna zalft de Bisschop de handen des wijdelings met iieilige Olie, om aan te duiden, dat hij thans priester, gezalfde des Heeren is, dat de zalving, de kracht en de genade des H. Geestes hem ten deel vallen en dat hij de macht ontvangt, met zijne gezegende handen den zegen te geven. Dan geeft de Bisschop hem den kelk met wijn en eene hostie op een zilver blaadje , ten teeken dat hij de macht ontvangt

843

-ocr page 846-

DE GROOTE CATECHISMUS,

de H. Mis te lezen, brood eu wijn in het lichaam en bloed van Jesus Lc veranderen. Daarvoor leest liij ook te gelijk met den Bisschop de H. Mis. Ka de 11. Communie, die hij te gelijk met den Bisschop houdt, legt deze hem nogmaals de handen op en zeg! : „Ontvang den II. Geest; wier zonden gij vergeeft, die zijn vergeven/\' hetgeen aanduidt, dat de nieuw gewijde de macht ontvangen heeft, de zouden te vergeven, en de eenvoudige meiisch van gisteren staat daar voor ons als leeraar, priester en herder, volgens Jezus\' woord: ,Zooalu mij de Vader yezonden kerft, zoo zend IhuJquot;

Zijn alle christenen door het doopsel dan geen priester geworden „geen koninklijk priesterdom ,quot; zooals de H. Petrus zegt?

Neen ! zooals in het Oude verbond hot eigenlijk priesterschap door lichamelijke afstamming van Aaron zich voortplantte, zoo ook plant zich het priesterschap des Nieuwen verbonds door geestelijke afstamming der wijding voort. Het is waar. Petrus noemt in \'t Pet. II, 9. alle christenen een koninklijk priesterdom, maar deze woorden zijn in geestelijken zin te verstaan, zoodat alle gedoopteu gehouden zijn inwenduj of (jeestelijk offers van geloof, hoop en liefde des gebeds en der versterving aan God op te dragen. Op dezelfde geestelijke wijze zijn wij koningen eu heerschers eu moeten wij als zoodanig onze booze neigingen en hartstochten overwinnen eu ten onder brengen.

De H. Ephraim geeft ons in de volgende gelijkenis eene schoone schets van dit geestelijke priesterdom waar hij zegt: „Beijver u uit alle kracht, in uwe harten, een tempel voor God op te trekken eu oefen daarbinnen

84-i

-ocr page 847-

bk GKOOTE CATECHIHMÜS.

tegelijk het aiuljt van koster en priester uit; dien God daar onvermoeid, en wijl Hij voor u priester en offer werd, zoo otf.\'r Hem ook uw Lart, gereinigd van alle gebreken.

Welk een wonderbaar ambt! Urat verheven stand is dan liet katholieke priesterschap! „Wat vereerenswaar-waardig geheim, waarvoor men in diepen eerbied moet sidderen en lieven,quot; zegt de li. Ephraim. ,0, waardige priester! hoe eerbiedwaardig zijt gij! Want het „W oordquot; (Je.sus Christus) wordt in \'s priesters hand, in zekeren zin, zoo ontvangen, als in den schoot der H. Maagd en neemt op nieuw liet vleesch aan.quot; De priesters,quot; zegt de H. Prosper, „zijn het sieraad der Kerk, en hare heerlijkste glans; zij zijn de torens der eeuwige Stad, waardoor zij, die aan Christus gelooveu, tot Christus gaan; zij zijn de portiers, aan wie de sleutels des hemels zijn toevertrouwd en de zaakwaarnemers der koninklijke burcht.quot; \\Vt4 mocht Christus ons uitnoodigen, om waardige priesters te vragen:

„ Bid den Heer des ooysfes, duf Hij arbeiders in Zijnen wijngaard zende. quot;

DRIE EN ZESTIGSTE LES.

OVER HET HUWELIJK-

Eindelijk zijn wij gekomen tot de verklaring van het zevende en laatste Sacrament, hetwelk niet door alle menschen ontvangen wordt en dat we in liet kort, voor zooverre liet dienstig is, om den catechismus te verstaan, zullen verklaren.

Kió. TFat is ht! fluroelijk ?

Eeu sacrament, door Christus ins\'esteld. hetwelk

845

-ocr page 848-

dé groote catechismus.

man en vrouw tot, echtgenooten verbindt en hun genade mededeelt om de plichten van hunnen staat behoorlijk te vervullen.

1. Het nitwendU) feeke» is de handeling en de woorden , waardoor het bruidspaar hunne vrije en volledige toe-stemming geeft tot onderlinge huwelijksverbinding. De verklaring moet geheel vrij. niet afgeperst, noch gehuicheld zijn en tusschen twee personen worden afgelegd, die nog niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn.

2. De hnvendif/e genade, welke dat uitwendig teeken mededeelt, bestaat in de kracht en den steun van boven, om de plichten des huwelijks tot in den dood getrouw te vervullen. De H. Paulus zegt, l Cor. 7, 7, 14, van den ongehuwden en gehuwden stand sprekende, dat beide gaven Gods zijn. En wat kon deze gave anders wezen, dan de genade, welke twee harten vereenigt tot één en de noodige krachten schenkt om de huwelijksplichten getrouw te vervullen , benevens de lasten daaraan verbonden, elkander met liefde te helpen dragen. Verder noemt hij de kinderen, uit een christelijke huwelijk gesproten, heilig, als zijnde spruiten en loten eener heilige vereeniging en God alleen bezit de macht, eene heilige vereeniging te vormen.

3. De instelling van \'t huwelijk als echtverbintenis tusschen man en vrouw heeft üod zelf in het paradijs reeds vastgesteld, toen Hij Eva aan Adam als levensgezellin gaf en zeide: Waseh en vennenigvuldi;/.\' Doch deze eclitstaat was toen nog geen Sacrament, geen genademiddel. Jesus echter verhief het huwelijk tot Sacrament, d.i. Hij heeft het verhoogd, meer waardigheid en heiligheid daaraan verbonden, toen Hij bepaalde: „Van nu

846

-ocr page 849-

DE GROOTE CATEOHISltÜS.

af zal elk huwelijk, tuaschen christenen gesloten , een Sacrament zijn. rl.i. een lieilijx teeken, een afbeedsel van den bond tusschen Christus en Zijne Bruid — de Kerk — en de noodige genade zal ilen echtgenooten geschonken worden.quot; Van dat beeld bedient de H. Paulus zich ook en voert het aan als reden, waarom de man zijne ouders moet verlaten, om zijne vrouw aan te hangen, d.i. de liefde voor zijne vrouw en omgekeerd moet grooter zijn, dan voor de ouders. Daarna sluit hij met de woorden: 9DU is een (/root Sacrament; ik zetj in Christus en inde Kerk. Eph. 5, 22—32.

1(56. Waar floor weien vrij, dat hel Ihiincljk een Sacrament is?

Door de algemeene en altijd voorfdurende leer der Kerk. De Vaders zeggen, dat Chrislns de Uruiloft te Cana bijwoonde, om te loonen, dat Hij liet, Imweliik met Zijne goddelijke genade bezegelde, uitrustte d. i- tot genademiddel en Sacrament verhief. (Aldus de II. Aug. Cijrill van Alex. Kpiphanius. Leo de Gr- Iiuiocent I.)

De II. Aug. noemt het liuwelijk uitdrukkelijk een Sacrament, plaatst het op ééne lijn met het doopsel en liet priesterschap en leert, dat het christelijk huwelijk zich juist daardoor van anderen onderscheidt, dat het bij den christen, behalve het doel der kinderopvoeding (kinderteling) en der huwelijkstrouw, ook de heiligheid van het Sacrament bezit, (Aug. de bono Conjug. C. 24. No. 32.) terwijl de huwelijken van niet katholieken, slechts natuurlijke vereenigingen of contracten zijn.

De H. Clemens van Alexandrië wêerlegt eenige dwaal-

847

-ocr page 850-

DE O ROOTS* CAl\'ËCHtSMUS.

leeraars, die liet huwelijk veroordeelden en houdt, tegen over hen .staande, dat het huwelijk niet alleen onschuldig en geoorloofd, maar zelfs een heilige staat is, daar het de kracht bezit de gehuwden en hunne kinderen te heiligen. Tertulianus zeide reeds in de tweede ee w: , Christus heeft het huwelijk tot zijnen oorspronkelijken staat teruggebracht; wat vleeschelijk was, maakte Hij yeeüdijk, zoodat liet huwelijk thans eene wave afbeelding is van Zijne vereeniging met de Kerk.quot; Verder leert hij, dat liet huwelijk der Chvistener., door de Kerk gesloten, door de offerande bevestigd, door de zegening geheiligd, door de engelen verkondigd en door den hemelschen Vadev goedgekeurd wordt. In denzelfden geest spreken de Vaderen dev volgende eeuwen en weerleggen de zoogenaamde hervormers, die het huwelijk als Sacrament ontkennen, en meenen, dat de H. Greg, de Gvoote de eerste was, die het huwelijk als Sacrament beschouwde.

Het huwelijk is derhalve een waarachtig Sacrament, doch dan volgt ook, dat geen Staat of wereldsche overheid, maar God zelf het ingesteld en eene heilige godsdienstige bestemming gegeven heeft. Man en vrouw moeten immers elkander helpen , godsdienstig leven en hunne kinderen voor God en den hemel opvoeden. Daavom is het huwelijk eene heilige verbintenis of een bond, eene heilige zaak en behoort als zoodanig tot den godsdienst, tot die zaken en dingen, welker leiding en verzorging aan de Kerk als Leermeesteresse dei-waarheid is toevertrouwd, en niet tot de wereldlijke dingen en zaken, wier leiding en verzorging aan de wereldsche overheid behooren.

848

-ocr page 851-

i)E GROOTE CATECHISM US.

Dat ev in het huwelijk uiterlijke omstandigheden kunnen voorkomen, die onmiddelijk onder het bereik van den Staat vallen, b.v. de rechten van bezit of eigendom, erfenisrechten, enz. geven wij gaarne toe, maar met den huwelijken staat als huwelijk, daarmede heeft de Staat niets te maken. Vandaar ook, dat de burgerlijke huwelijken, voor den ambtenaar van den burgerlijken stand aangegaan, door de katholieken (om aan de wet te voldoen en geene straf te beloopen) slechts worden geacht als eene verklaring, dat de bruidegom en do bruid een wezenlijk en waarachtig huwelijk willen aangaan , hetwelk tegelijk een contract en een Sacrament is. Tot nadere verklaring ;

God zelf plaatste Adam in \'t paradijs, om het fce bewonen en te bebouwen. Na de schepping van Adam zeide Hij: „Het is niet goed, dat de mensch alleen zij, laten wij hem eene helpster geven, aan hem gelijk.quot; Tot dat einde liet God eenen diepen slaap over Adam komen, nam een zijner ribben, bouwde dien aan tot een vrouw en geleidde haar tot Adam, zeggende; „Was en vermenigvuldig.quot; Toen zeide Adam: , I\'at is nu gebeente van mijn gebeente en vleesch van mijn vleesch.quot; Daarom zal de mensch zijn vader en zijne moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen en de twee zullen zijn tot een vleesch.

Dat eerste huwelijk is dus eene instelling Gods en daaruit zien wij; dat het slechts kan aangegaan worden tusschen één man en ééne vrouw. „De mensch zal vader en moeder verlaten, om zijne vrouw aan te hangen en zij zullen beiden slechts één en hetzelfde vleesch zijn,quot; aldus

GE. CAT. 54

849

-ocr page 852-

DE «ROOTE CATECHISMUS.

sprak Adam en op ingeving van God, zooals het Cone van Trente verklaart, om zoo de eenheid van \'t huwelijk aan te duiden.

Die oorspronkelijke inrichting hield echter niet altijd stand, want nadat de geheele menschheid door de zonden van God was afgevallen, deelde ook de huwelijks-bond in dien algemeenen afval. Het gebeurde niet zelden, dat één man meerdere vrouwen nam, dat de echt-genooten het huwelijk willekeurig oplosten en eene andere vrouw of een anderen man huwden, hetgeen tot verderf der echtgenooten en kinderen strekte. De vrouwen golden bij de heidenen dikwijls slechts als dienstmeiden of slavinnen der mannen en werden niet zelden als slavinnen verkocht of naar willekeur gedood. Van de zedelijke opvoeding der kinderen werd bijna geen werkt gemaakt. Kortom, toen de Heiland op de wereld verscheen, zag het er mot \'t huwelijk ellendig uit en het was zoowel in het heiden- als jodendom ontaard en verkankerd.

De Zaligmaker nu, die gekomen was om de zonden en hai-e gevolgen weg te nemen, moest derhalve ook zorgen, dat het bederf uit het huwelijk werd weggenomen. Immers, hoe zou de menschheid beter worden, wanneer de wortel, waaruit zij als \'t ware voortspruit, het huwelijk, vergiftigd en bedorven gebleven ware. Vandaar dat de Heiland niet alleen de ingeslopen zondige misbruiken uit het huwelijk wegnam en den echt-staat in zijnen oorspronkelijken toestand herstelde (zooals hij in \'t paradijs was) maar Hij verhief het bovendien tot een Sacrament.

850

-ocr page 853-

DE GROOTE CATECHISMCS §01

165. Waf noemt Dien een huwelijksbeletnel?

Hetgeen een huwelijk of ongeoorloofd of onwellij maakt.

Reeds in het Oude verbond had God aan \'t huwelijk eenige bepalingen verbonden, en het Christelijk huwelijk heeft Hij hiervan niet losgemaakt. Die bepalingen en beperkingen noemt men Mwelijkbeletsels.quot; Om nu tot dekennis te komen, of er huwelijksbeletsels bestaan, heeft de Kerk verordend, bij het bruidsexamen daarover een onderzoek in te stellen en bovendien het voorgenomen huwelijk drie achter een volgende zondagen van den kansel al te kondigen, opdat zij, die daartegen een beletsel weten in te brengen, dit aan den pastoor vol gens plicht en geweten openbaren.

1. Onwettig of ongeldig zijn de huwelijken , aangegaan door personen, die tot en met den vierden graad bloedverwant zijn, door afstamming van dezelfde ouders, grootouders, overgrootouders, betovergrootouders dus vader en dochter, moeder en zoon, broeder en zuster, broeders en zusters kinderen , neef en nicht, oom en nicht of tante en neef, kinderen van neven en nichten en kleinkinderen mogen niet met elkander huwen.

Eveneens is het huwelijk onwettig of nietig van aanverwanten tot en met den vierden graad. Eene vrouw b.v. sterft; nu kan de man met niemand huwen, die bloedverwant van haar was (tot den vierden graad), dus niet met de moeder, zuster, nicht, tante, enz., en de vrouw kan omgekeerd bij den dood van haren man niet huwen met diens vader, broeder, zoon, neef, oom, enz., omdat ze door het huwelijk zijne of hare aanverwanten zijn geworden.

-ocr page 854-

DE GROOTÉ CATECHISMUS,

Verdei- kunnen zij geene geldige of wettige huwelijken aangaan , die elkander in geestelijke verwantschap bestaan. Zoo h.v. kunnen de doopborgen, (Peter en Meter) geen hmvelijkon sluiten met de doopelingen of hunne ouders, en zij, die Peter of Meter waren bij het vormsel, kunnen ook niet huwen met de voi-melingen of hunne ouders.

Geestelijken personen, zoo mannen als vrouwen, die in eene door de Kerk goedgekeurde Orde, do grnote gelofte hebben afgelegd, alsmede den sub-diakens en den hoogeren bedienaars der Kevk is het huwelijk ontzegd, omdat ze door hunne vrijwillige gelofte of wijding het recht, om te huwen, zelf hebben afgestaan en zichzelven onbekwaam hebben gemaakt.

De reden, waarom de Kerk tusschen bloed- en aanverwanten huwelijksbeletsels vaststelde, was, omdat de crestadio-e en ffemeenzame omgang, welke tusschen de

O O O O O \'

leden van dezelfde familie bestaat, dikwijls aanleiding gaf tot buitensporigheden en zonden en de huwelijken , tusschen familieleden gesloten, niet zelden door ongelukken getroffen worden (Ondervinding).

2. Ongeoorloofd zijn de huwelijken, aangegaan staande de beletsels , welke het huwelijk wel niet onwettig of van onwaarde maken, maar toch verbieden, zooals eenvoudige gelofte van zuiverheid, verbod der ouders, verboden tijd, enz.

16G. Maq men met iemnnd trouwen, ah wen met een ander tromobeloften heeft, welke men oer plicht is te houden ?

Neen; clan zoude het huwelijk wel wettiy, maar ongeoorloofd zijn.

85Ö

-ocr page 855-

DE GROOTE CATECHISMUS.

De trouwbelofte is eene belofte tusschen twee on-geiiuwden, um met elkander ten bekwamen tijde, te zullen huwen en met geen under. God gave dat de belofte van bruid en bruidegom, altijd na rijp beraad, en niet zoozeer om geld of goed , aanzien of stand, maar volg,nis gegevens van deugd en braafheid gedaan werd. Van die keuze hangt immers vrede en geluk, of verdriet en ongeluk voor geheel het leven af! Duizenden zilte tranen van berouw zouden dan gespaard worden. Hoeveel duldelooze kommer en dagelijksche smart, hoeveel geheim en moordend verdriet, hoeveel vertwijfeling en wanhoop zou er vermeden worden, als men bij de keuze op verstandige en ernstige wijze te werk ging en aan geene hartstochten, maar alleen aan zuivere liefde en inzichten plaats verleende.

Daarom roepen wij de jeugd toe: .Verloof u niet lichtzinnig, doe het nooit, dan na alvorens Gods voorlichting te hebben afgebeden. Zie altijd op deugd en braafheid en win den raad in van ouders, biechtvader en bezadigde lieden en volg dien; want deugd brengt het huwelijk meer geluk aan dan schoonheid, goederen of rijkdommen, en men trouwt toch om gelukkig te zijn. Vraag u eerst ook af^ of ge in staat zijt, de zware taak en de plichten des huwelijks te kunnen dragen en met name, of het u mogelijk is, in liet onderhoud van het huisgezin te voorzien, want om gebrek en armoede te lijden, gaat men toch niet huwen, ofschoon het dikwijls plaats heeft.quot;

Is de trouwbelofte eenmaal aangegaan, dan is men van weerszijden verplicht, die te houden en middelerwijl, niets te doen, wat het huwelijk kan vertragen of belet-

853

-ocr page 856-

DE GROOTE CATECHISMUS.

ten , of waardoor het lastig of hatelijk zou kunnen worden. Deze verplichting houdt op, wanneer de beide partijen elkander vrijwillig van de belofte ontslaan (of door dispensatie) en ook, wanneer er na den ondertrouw een geestelijk of stoffelijk beletsel ontstaat, waardoor zij met elkander geen wettig, geoorloofd of gelukkig huwelijk kunnen sluiten.

Overigens , kan men heel wel huwen zonder elkander zulks in eigenlijken zin te heioven en om gewichtige redenen echter, van verschillenden aard, zijn ixo\\x\\wheloften in het algemeen sterk af te raden en tegen te gaan.

1()7. Waarom verbiedt de Kerk in den Advent en de Vasten plechtige huwelijks inzegening en Imwe-Ijksfeesten ?

Omdat het tijden zijn, tot werken van boete en godsdienst bestemd, waarbij geen huwelijksfeesten passen.

]68. IFaarom worden de Iiaweljken mei onkatho-lieken zoo gestrengelijk door de Kerk verboden en veroordeeld ?

Omdat daaruit dikwerf twist, onmin , onverschilligheid in den godsdienst, ja soms geloofsverzaking ontstaan

Onze moeder de H. Kerk weet, geleerd door de ondervinding , maar al te wel, dat de katholieke partij , door zulk een huwelijk gevaar loopt schipbreuk te lijden in haar geloof en wanneer het ook al niet geheel verloren gaat, dan toch allerwaarschijnlijkst tot onverschilligheid iu geloofszaken zal voeren; dat de katho-

854

-ocr page 857-

HE GROOTE CATECHISMUS.

lieke opvoeding der kinderen in den regel veel te wen-schen overlaat en niet zelden onmogelijk is; dat de niet katholiek het huwelijk noch nis Sacrament, noch als onoplosbaar beschouwt en zich dus zoogenaamd kan laten scheiden en met een ander een schijnhuwelijk aangaan; dat eindelijk geluk des huwelijks afhangt van de overeenstemming der echtgenooten in geloofzaken.

Gebeurt het nu en dan , dat de Kerk zulk een gemengd huwelijk toestaat, dan geschiedt zulks onder de volgende voorwaarden :

a. Dat de katholieke partij niet gehinderd worde, door de andere, zijne godsdienstplichten na te leven.

b. Dat zij alles moet aanwenden, wat zij redelijkerwijze kan, en wat geoorloofd en dienstig is, om de niet katholieke partij langs den weg der overtuiging tot de ware Kerk te brengen.

c. Dat alle kinderen in den katholieken godsdienst worden opgevoed.

Worden die voorwaarden van weerszijden aangenomen, beloofd en omschreven, dan mag het huwelijk voor den pastoor worden voltrokken, maar niet in \'t openbaar; gaat men echter zonder die voorwaarden zulk een huwelijk aan, dan berooft men zich van de genade en zegeningen , aan \'t huwelijk verbonden. Is de man katholiek en stemt hij toe , dat de kinderen, hetzij jongens of meisjes protestansch worden gedoopt en opgevoed, dan weigert de Kerk hem de Sacramenten, totdat hij zijn plichtverzuim herstelt. Wee daarom in \'t algemeen degenen, die een gemengd huwelijk aangaan , maar driewerf wee dengene, die vooraf niet de

855

-ocr page 858-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

hatholieke opvoedgin der kinderen bedongen heeft (door voering en voorbeelden).

169. Kan ecu gedoopte trouwen niet eene onje-doopte ?

Neen, tusscheii deze» is \'t huwelijk onwettig.

Ofschoon de burgerlijke wet in onzen tijd geen onderscheid maakt tusschen christen en niet-christen , jood en heiden, en allen tot het huwelijk toelaat, die door geen wettig (naar de wetten van den Staat) bezwaar belet zijn, maakt de Kerk evenwel die huwelijken krachteloos, omdat de eeue partij, als niet gedoopt geen Sacrament kan ontvangen en met hen heeft, zooals Paulus zegt, de Kerk niets te maken; deze hebben geene aanspraak op hare gunsten en gaven. Hun huwelijk bestaat zelfs niet: zij zijn niet gehuwd.

170. Welke verwanisc/ap maalt het huwelijk onwettig ?

Bloed-en aanverwantschap (dour aanhuvvelijking) tot en met den vierden graad, en geestelijke ver-vvantscliap, welke uit het Doopsel en Vormsel ontstaat (vgl, vrg. 165)

hi uier tegenwoordigheid moeten de Katholieken het huwelijk voltrekken ?

De bruid en de bruidegom verklaren voor hun eigen pastoor of voor eenen priester, daartoe door den pastoor of den Bisschop gemachtigd, en voor twee getuigen. dat zij elkander tot wettigen man en wettige vrouw nemen,

856

-ocr page 859-

DE GROOTE CATECHISMUS.

waarna de priester den huwelijksbond inzegent onder de H. Mis. De wederkeerige, met vrijheid en volle bewustzijn en op duidelijke wijze uitgedrukte verklaring van bruidegom en bruid is derhalve de eerste ver-eischte tot een geldig huwelijk. Zijn de bruid en de bruidegom in verschillende parochies gehuisvest dan kan het huwelijk, wat de geldigheid betreft, voor beide pastoors voltrokken worden , doch het gebruik wil, dat dit voor den pastoor van de bruid geschiede en het zou niet te prijzen zijn, zich, zonder gegronde redenen, aan dat gebruik te onttrekken.

171- Kan hel huwelijk ontbonden worden ?

Neen, „wat God gebonden heeft, zal de mensch niet ontbinden.quot;

Christus herstelde het huwelijk weder in den toestand, waarin God het in het paradijs had ingesteld, n. 1. eene verbindtenis tusschen éénen man en ééne vrouw, en wel tot aan den dood van een van beiden en daarom gaf Hij den gehuwden ook Zijne geestelijke verbindtenis met Zijne Bruid , de H. Kerk (Eph. 5) als voorbeeld.

Dat het huwelijk onoplosbaar is, bewijst het volgende. Toen de Phariseën den Zaligmaker eens vroegen, of het eenen man geoorloofd was, zijne vrouw eenen scheidings-brief te geven en weg te zenden, gaf Hij hun dit treffende antwoord; „Hebt gij niet gelezen, dat Hij, die in den beginne den mensch gemaakt, man en vrouw maakt en gezegd heeft: ,Daarom zal de man zijne vrouw aanhangen en de twee zullen zijn tot één vleesch.quot; Dat de mensch dan niet scheicle, wat God vereenigd heeft.quot; Zijne leerlingen ondervroegen Hem nogmaals over die zaak

857

-ocr page 860-

DE GROOTE CATECHISMUS.

en Jesus zeide: „Al wie zijne vrouw wegzendt, tenzij om overspel, en eene andere huwt, doet overspel, en hij, die eene weggezondene trouwt, doet insgelijks overspel. Mare. 10. 2 — 12.

Deze woorden zijn óf eene verklaring van de bijzondere gunst, welke Mozes den Joodschen mannen geschonken heeft, om hunnen onwil en hunne verhardheid te ge-moet te komen, zooals Jesus hen dan ook verweet, of, bijaldien zij een gedeelte van de Christelijke wetgeving uitmaken, kunnen zij, met het oog op de vroegere verklaring des Heilands, niets anders beteekenen, dan dat de zonde van overspel eene reden is , om zich van eene vrouw, of omgekeerd van eenen man te scheiden van tafel en bed, met toestemming der geestelijke overheid voor eengen tijd of voortdurend, maar niet om tot een ander huwelijk over te gaan; want die de weggezondene huwt, doet overspel: de dood alleen scheidt; het huwelijk is onscheidbaar.

172. In wclkun staal moet het huwelijk ontvangen worden ?

In staat van lieiligmakende genade.

173. IVelke is de beste weg tot een gelukkig huwelijk ?

Een braaf en kniscli leven van zijne jeugd af; eene eerbare verkeering met toestemming zijner ouders, het dikwerf ontvangen der H. Sacramenten.

lo. Een braaf en kniscli leven van zijne jeugd af. Dat dit in onze dagen dikwijls veel te wenschen overlaat, weet iedereen. Alles wordt aangewend om te behagen, te zien en gezien te worden. Nauwelijks is men

858

h

-ocr page 861-

DE GEOOTE CATECHISMÜS.

de schoolbanken ontloopen of\' het wordt er op aangelegd , verkeeringen en kennismakingen aan te knoopen, terwijl het beter was, met bikkels en knikkers te spelen. En dat de onschuld, bij dit gevaarlijk spel, niet zelden schipbreuk lijdt, wie weet dat niet. Men wil maar getrouwd zijn en offert daarvoor eer, onschuld en geluk op. Is dat zich voorbereiden voor dien gewichtigen staat, waarvan de geheele toekomst afhangt ? Is dat het huwelijk ingaan met eene zuivere meening, met een Gode welgevallig doel? In plaats van in de jeugd met God te beginnen, begint men met den duivel, en geen wonder dan ook, dat men met den duivel eindigt. „ Wij zijn kinderen der heiligen en mogen niet te zamen komen, zooals de heidenen, die God niet kennen.quot; Tobias. 8, 5. Daarom begaan zij een gevaarlijk waagstuk , die zich niet waardiglijk tot dit sacrament voorbereiden want ze maken zich Gods zegeningen en genade onwaardig. Gelukkig derhalve de jongelieden, die zich door een braaf en kuisch leven die zegeningen waardig maken; laten ze gerust huwen, als ze daartoe de geschiktheid bezitten, en al mocht er ook iets aan ontbreken in \'t stoffelijke, Gods genade en gaven zal \'t ontbrekende aanvullen; ze hebben het verdiend.

2o. Eene eerbare verkeering, met toestemming zijner ouders.

In de verkeering en de bruidsdagen moeten bruid en bruidegom een onschuldig leven leiden , en niet meenen, (zooals helaas dikwijls het geval is) dat hun in dien tijd meer vrijheid is toegestaan. Integendeel: .Zij moeten de bruidskrans onbesmeurd ten altaar dragen, als bewijs, dat zij zich zeiven hebben overwonnen, en de ontucht verre hielden.quot; H. Chryss. Wie de bruidsdagen bevlekt, ontsiert en vergalt het huwelijk.

859

-ocr page 862-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

In den regel, het is ook zeer roekeloos een huwelijk te willen sluiten tegen den zin der ouders; die zich gewoonlijk niet daartegen zullen verzetten, als ze daarvoor geene redelijke gronden kunnen aanvoeren. En juist om dat ze ouder en wijzer zijn en het geluk der kinderen beöogen, is het roekeloos, tegen hunnen zin en wil door te gaan en te huwen. Mocht het echter gebeuren, dat die aangevoerde redenen in het oog der jongelui geen steek houden, wint dan den raad van bezadigde lieden en den biechtvader in, opdat dezen voor u spreke.

3o. Moeten zij diktvijls de sacramenten ontcattgen, biechten en communiceeren. Hoe grooter het gevaar is, des te meer middelen moet. men aanwenden, om liet af te weren. En wie telt de gevaren der jeugd? Vijanden van binnen en van buiten , op straat en in huis, bij dag en bij nacht, overal en altijd. En welke andere middelen , dan waakzaamheid, gepaard met een vurig gebed en het dikwijls ontvangen der Sacramenten, kan de jeugd daar tegenover stellen ?

Bovendien is, zoo als we boven zeiden, het Sacrament des huwelijks een Sacramentder levenden en moetdusin staat van genade ontvangen worden. Vandaar is het om verschillende redenen aan te raden, eenige dagen voor het huwelijk te biechten en bij voorkeur eene generale biecht te spreken en zoo vrij van alle zonden dien gewichtigen staat te aanvaarden en zich Gods zegen waardig te maken. Terecht zeide de H. Franc, van Sales: „Wilt ge u in hut huwelijk begeven, noodigt Jesus dan ter bruiloft, want zonder Hein zal u alle hulp en alle zegen ontbreken.quot;

Welke plichten leyt het huwelijk den echtgenooten op ? lo. Zij moeten elkander wederkeerig beminnen, zoo-

860

-ocr page 863-

ftE GUOOTÈ CAÏÉClttSNtDS.

als Christus Zjine Bruid, de Kerk, eu in onderlinge eendrachtige, kuische, trouwe liefde leven, tot dat de dood hen scheidt. Liefde en eensgezindheid zijn de kostbaarste parels van een christelijk huwelijk. Waar vrede woont, gebiedt de Heer en waar twist en tweedracht heerschen, daar is het schoone doel des huwelijks onmogelijk te bereiken, omdat de duivel daar gebiedt en man en vrouw en kinderen zijn tijdelijk en eeuwig ongelukkig. Vloekende en verwenschende, krakeelende en ongodsdienstige ouders kweeken kinderen van hun soort.

2o. Zij moeten door eenen godsdienstigen en arbeid-zamcn levensweg elkander stichten: „ Voor alles moet de. echtstaat eerhaar zijn, ircutf den ontiichfiye en den echt-hrelcer zal God tuchtigen. Heb. 18, 4. Zij moeten met met elkander getrouw bidden en arbeiden, gedachtig aan \'t woord: „ Vraagt en (jij suit cerl;rijgen,quot; en; .Die niet arbeidt, sal ooi\' niet eten.\'\' Mau en vrouw moeten zijn als twee oogen van ééti mensch, ja, als een en dezelfde mensch met cllcamlcr om zich zien, wat er te doen valt, naar boven zien om genade en zegen, en gelijk denken, gelijk willen, gelijk doen, twee als één zijn, één hart, ééne ziel, één zin. Wee het huwelijk, waar man en vrouw twee zijn en ieder zijnen weg gaat.

3o. Zij moeten hunne kinderen in de vreeze des Hee-ren opvoeden en niets dulden, geene gesprekken , bijeenkomsten of personen, waardoor hunne onschuld gevaar loopt, en zich wachten, daartoe zelfs door taal of handelingen aanleiding te geven. Hoevele kinderen worden niet ongelukkig door onvoorzichtigheid en toegevendheid der ouders. Welk een schat het is, rechtgeaarde en brave kinderen te bezitten, kunnen zij alleen beselfen, die dat

861

-ocr page 864-

DE GtfOOTE CATECHISMUS.

geluk genieten, en rle jammerlijkste vloek des huwelijks bestaat in ontaarde en zedelooze kinderen te bezitten. Waak dus door woord en voorbeeld, christelijke quot;ouders, en ge zult u tranen en zware beproevingen besparen en de kinderen zullen uw troost, uw kroon. uw steun en uw geluk uitmaken.

i

4o. De man moet zijne vrouw met zachtheid bejege-genen, voeden en verzorgen. Hoor, wat de 11. Paulus in zijnen brief aan de Eph. 5, 24. dienaangaande zegt: „Mannen, bemint uire rrotaveti, zooals Christus Zijne Kerk

bemint en Zich-zelven voor haar heeft gegeven...... Niemand

heeft ooit zijn eigen vleesrh gehaat, maar hij voedt en verpleegt het, zooals Christus Zijne Kerk.quot; Met recht roept dus do H. Ambrosius den gehuwden mannen toe: „Gij zijt geen heer en meester uwer vrouwen, want ze zijn geen dienstmaagden, maar echtgenooten. God wil, dat gij het zwakkere geslacht met verstand leidt en uwe overmacht niet doet cjevoelen.quot;

De vrouwen moeten haren mannen in alles, wat tot het huiselijk bestuur behoort, onderdanig zijn en de huishouding naar beste krachten verzorgen. „ Zooals de Kerk aan Christus onderworpen is, zoo moeten de rronven haren mannen in alles (waarin de man als hoofd geldt) onderdanig zijn, zegt de Apostel.

Vandaar schrijft de H. Aug: „De vrouw is niet uit het hoofd, maar uit de zijde des mans gevormd, opdat zij erkennen zoude, niet de gebiedster des mans, maar aan hem onderworpen te zijn.quot;

Uit deze verhouding der gehuwde vrouw tot haren man volgt volstrekt niet de natuurlijke noch zedelijke minderheid der vrouw, evenmin als men tot de natuurlijke

86\'}

-ocr page 865-

nu eKooTE öAïECHisiros.

of zedelijke minderheid van het kind lean besluiten, uit de verhouding tot zijne ouders. Een kind kan naar ziel en lichaam uitmunten boven zijne ouders, dit zou echter geen afbreuk doen aan het recht van het ouderlijk gezag. Eveneens met man en vrouw. Bovendien, de plaats dei-vrouw is niet onder, maar naast den man, zij is niet zijne dienares, maar zijne gezellin, zijne (weder)helft, zijn ander ik. En de man, die zonder noodzakelijkheid zijne vrouw gebiedt, had niet moeten huwen.

Dus met elkander bidden, arbeiden, spaarzaam zijn, elkander met eene zuivere liefde beminnen en den ouderlingen vrede bewaren, elkanders gebreken verdragen, met elkander de lasten des levens torschen en de kinderen in de vreeze Gods en tot nuttige leden der maatschappij opvoeden, ziedaar zoovele verplichtingen en voordeelen, welke onder Gods zegen, aan het huwelijk verbonden zijn.

De verwaarloozing dezer plichten is in den regel ook de voornaamste oorzaak der verwaarloozing van de opvoeding der kinderen, van ergernissen en echtbreuk, waarvan de wereld tegenwoordig helaas te veel voorbeelden oplevert. En toch, vreeselijk is de misdaad van echtbreuk, zoodat liet boek der Spr. zegt: De ecl/fhre-ker (of echtbreekster) atorf zich in het verderf; hij trekt oneer en schande over zich af en zijne misdaad wordt nimmer rdtgewischty Worden de echtgenooten dus aangezocht om de huwelijkstrouw te breken, zij bedenken, dat door de echtbreuk de heiligste bond, voor God en Kerk gesloten, verbroken, en de heiligste band verscheurd wordt, welke volgens Gods verordening, de burgerlijke maatschappij vereenigt en verbindt. De echtbreuk ver-

863

-ocr page 866-

864 1)8 GROOTE CATEC1IIS5IUS.

stoort bovendien den huwelijksvrede en \'t huiselijk geluk , belet de goede opvoeding der kinderen en vermoordt de stoffelijke en geestelijke welvaart dergebeele familie; zij stort den verbreker der trouw in schande, ellende en zonden en stelt hem bloot, voor eeuwig verworpen te worden. Met nadruk zegt de H. Amb.: ,Niemand ver-lange naar een vreemd huwelijksbed en late zich verleiden , door de hoop, verborgen te blijven en ongestraft de zonde te kunnen bedrijven, want God is de beschutter en wreker des huwelijks. Wien niets verborgen is, wien niemand kan ontloopen is aanwezig. Niemand spotte met het lot van den afwezenden echtgenoot, (die door die schanddaad zoo zwaar gekrenkt en beleedigd wordt) want God waakt en slaat, voordat hij nog zijn misdaad begaat. Hij kent de snoodheid van ieder onzer; en kunt ge ook den beleedigden echtgenoot misleiden , God bedriegen kunt ge niet. Kunt ge ook uwe snoode daad en uwe ontrouw voor uwen echtgenoot en uwen burgerlijken rechter verbergen en verborgen houden, den Rechter van leven en dood, kunt ge niet misleiden. Vergeet niet, wat Jesus zegt; „Een ieder, die een andermans vrouw (en omgekeerd) met begeerigen blik aanschouwt, hoeft reeds overspel in zijn hart bedreven.

VIER EN ZESTIGSTE LES.

OVER HET GEBEO EN HET KRUISTEEKEN-

174. Welk in het tweede middel om genade van God te verkrijgen?

liet tweede middel is het gebed.

175. Wat is bidden?

Zich met God onderhouden, om God te loven, te danken of iets van Hem te vragen.

-ocr page 867-

M GÏIOOTE CAtEClIISMÜS,

Hiermede is dus gezegd: 1. wat het gebed is eu 2. lioe het gebed wordt ingedeeld. Verklaren wij dit nader.

10, Het gebed is een onderhoud, is spreken met God, hetgeen zonder verheffing des harten niet kan geschieden, want het gebed, dat het hart koud en ongevoelig laat, is geen gebed, zooals Jesus den joden ook verweet, die Hem met de lippen eerden, maar wier harten verre van Hem verwijderd waren. Zeer juist zegt de H. Aug. dan ook: ,Wat is het gebed anders, dan een opstijgen dei-ziel van het aardsche tot het hemelsche en het opzoeken van datgene, wat boven is.quot; Derhalve is bij het bidden niet noodig, dat de mond spreke, wanneer ons hart maar bij God is en zich met Hem onderhoudt. Vandaar wordt het gebed ook wel eens eene samenspraak met God genoemd en Joannes Climagus noemt het „eenen vertrouwelijken omgang, eene vereeniging van den mensch met God.quot;

2. Het gebed is eene onderhouding met God, om Hem te loven, te danken, of iets van Hem te vragen.

Vandaar de verdeeling in lof-, dank- e.)i smeehjelml, hetgeen we nader verklaren.

a. Lofgebed. Wij loven God, wanneer we ons verheugen over Zijne oneindige volmaaktheid en Hem deswege prijzen en aanbidden. Het is eene onzer duurste en heiligste plichten. God, de Allerhoogste Majesteit en den Allerhoogsten Heer, te loven: daartoe zijn wij in zekeren zin geschapen. En, zoo wij het hier doen, zal het eens in den Hemel onze eeuwige bezigheid zijn. met het hemelkoor in te stemmen en Hem het driewerf heilig, heilig, heilig toe te zingen.

011. cat. 55

865

-ocr page 868-

DE GROOtE CATECHISMUS.

De H. Schrittis vol van lof, door het .scliepsel den Scliupper gebracht. „ Mijn mond zal \'sHeeren lof verkondigen en dlte vleesch Zijnen lieiliyen naam eeuwly prijzen, ju, ai tijd en eeiuuiyquot; aldus zingt David in zijn 14± Ps. 21. En Maria, de reine en onbevlekte Moeder-Maagd, zong, na de onvergetelijke boodschap van den engel Gabriël: „Mijne ziel verheft den Heer. En mijn yeest juicht God. mijnen Zaligmaker.quot; * Zingt en jubelt den Heer in nire harten,\'\'\' roept ons de 11. Paulus toe. , Niemand worde moede God te loven. God loven is als spijs voor de ziel; hoe meer lof, des te meer kracht, hoe vaker ge God looft, des te zoeter wordt het u.quot; Aldus de H. Aug.

h. Dankgebed. Evenals we God moeten loven om Zijne oneindige volmaaktheid, zoo ook moeten wij Hem danken voor al de bewijzen Zijner overgroote liefde, voor al de weldaden en genade, welke Hij ons in zoo\'n ruime mate naar ziel en lichaam heeft geschonken. Tel die weldaden en gunsten en zeg dan, als ge durft: „ Ik heb geen deel gehad in Gods liefde. Vergeet daarbij niet, dat de ondankbaarheid eene afschuwelijke ondeugd en de dankbaarheid daarentegen het middel is,om nieuwe weldaden te ontvangen. Daarom zeide de II. Chrysostomus: „God is zoo vrijgevig, dat Hij ons meer weldaden bewijst, naarmate wij de ontvangene met dankbaarheid uaiinemen.quot; Bij de geboorte van Kaïn dankte Eva God voor Zijne gift en tot loon schonk Hij haar later Abel, den rechtvaardige. En de H. Ambrosius roept ons toe: „Wie verstout zich, jegens God ondankbaar te zijn, wanneer hij de dankbaarheid der dieren gadeslaat. De hond toont zich immers dankbaar jegens zijnen meester, die hem voedt.quot;

866

-ocr page 869-

DE GROOTE CATECHISMUS. 867

Zenden wij dan dikwijls een dankgebed hemelwaarts, niet alleen omdat God ons uit het „nietquot; trok, gezondheid, voeding en kleeding schonk, maar vooral, omdat hij ons voor den hemel schiep en tot dat einde verlostte uit Satans slavernij en den hemel voor ons opende. Daartoe spoort ons de Apostel Panlus aan 1 Thess. 5 , 18: .Zejj dank hij alles, trant dat is Gods tril in Ghi istus \'Jcsus. \\ olg hierin koning Alphonsus van Aragoniën, die God onophoudelijk dank zeide en dikwijls bad: „Ik dank u, o God, in het gevoel mijner nederigheid, dat Gij mij niet onder het getal dor rede-looze dieren geplaatst, maar tot een mensch, ja nog meer tot een christen, totheerscher overeen koninkrijk gemaakt hebt, waardoor ik een werktuig Uwer goedheid en barmhartigheid geworden ben.quot; En zijn wij ook geene redelijke schepselen, geene menschen, geene verloste christenen? Drukt dan ook op ons niet de verplichting. God, met den koninklijken dankzegger, geheel ons leven te danken?

c. Smeekgebed. Het is eene dure plicht voor den clnis-ten. God te bidden en te smeeken om Zijne genade, gunsten en gaven.

Dat zulks plicht is, leerde Jesus, toen Hij zeide. n Vraay en lt;jij zult ontmiujm, zoek en (jij zult vinden, Mop en v zal cjeopend worden.quot; Lnc. 11, 9. Daar tegenover staat dus, dat hij, die niet vraagt, ook niet ontvangt; die Jesus niet zoekt. Hem ook niet vindt, dat hij, die niet klopt, ook geen plaats in .lesus\' hart vindi. Dat we moeten vragen, blijkt verder uit het gebed des Hoeren, waarin de Heiland ons leert vragen met de woorden: „Geef ons heden ons dagelijksch brood,quot;\' d.i. alles, wat we dien dag naar ziel en lichaam noodig hebben. Dat

-ocr page 870-

DE CEOOTE CATECHISMÜS.

weten we iilleu, en vele mensclien en huisgezinnen zouden meer zegen en welvaart hebben, braver en proclvruchtiger zijn, als ze meer smeekten en vroegen. Wie tocli zal in de deugd staande blijven, welke zondaar tot God terugkeeren, tenzij hij de noodige genade vrage. 1 gt;ie niet vraagt en smeekt om genade, staat stil, ja, gaat achteruit op den weg der volmaaktheid en loopt eenen reddeloozen ondergang te gemoet. Op zijne plaats vraagt daarom de catheclnsmus:

176. Reeft God ohh beloofd, dat wij door het qehed genade en andere gunsten van Hem zouden verkrijgen ?

Ja, Jesus heeft uitdrukkelijk gezegd: „Bidt en ge zult verkrijgenquot; en „al wat gij den Vader in Mijnen naam zult vragen, zal Hij u geven.

Het gebed bezit derhalve eene buitengewone kracht en het draagt, met de gevorderde gesteldheid verricht, altijd vruchten. Het is als de boog van Jonathas, welke nooit zijn doel mistte en als het zwaard van Saul, dat hij nooit vlekkeloos van vijandelijk bloed huiswaarts droeg. Het verheft ons tot God, het vermindert onze wederwaardigheden, het versterkt onze zwakheid, het verzoet ons lijden, het opent \'s Hemels poorten, het overwint de machten der hel, kortom: het is almachtig omdat God, wien wij vragen, almachtig, oneindig goed en barmhartig is.

De vruchten nu van het gebed, welke God ons schenkt, als we Hem in Jesus naam vragen, zijn de volgende:

868

-ocr page 871-

DE CïROOTE CATECHISMUS.

1. ;,Het vereeuigt ons met God eu maakt ons tot Zijnu tempels, zegt de H. Chrysostomus.quot;

2. Het gebed maakt ons van aards-, hemelsgezind. „Wie omgaat met een deugdzaam menscli, trekt groot voordeel uit zijn omgang; en zouden wij dan niet hemelsgezind worden, wanneer we, door ons gebed, met den Hemelvader eenen vertrouwelyken omgang houden.quot; H. Thom, van Aq.

3. „Het beschermt ons tegen de aanvallen van duivel, wereld en vlcesch, omdat het een schild is, waarmede wij de giftige pijlen van dien drievoudigen vijand met kracht afweren.quot; H. Ambrosius.

4. „Hetschenkt ons kracht en lust, om goede werken te beoefenen , wijl het de bronwel aller deugden en het krachtigste middel is, om daarin voortgang te maken.quot; H. Theresia.

5. „Het troost iu het lijden eu verdrijft smart en droefheidquot; (H. Ni lus) en „het is de troost der weenenden en de vreugde der bedroefden.quot; H. Ephraim.

6. Het verleent hulp in den nood, schenkt de genade der volharding en tranen van boetvaardigheid en berouw.

„Het gebed gelijkt dus eene bronwel, die midden in den tuin ontspringt en alle planten en bloemen door haar bevochtigd, doet wassen en bloeien; evenzoo wordt \'s menschen ziel, door het gebed, verkwikt in het ongeluk en versterkt in den wasdom ten goede. \' (F aber)

o

Ziet eens op den H. Petrus. Versterkt door de kracht des gebods, verdroeg hij met mannenmoed en geduldig kruis en lijden, en liet gebed der geloovigen, voor hem hemelwaarts srezonden, was zoo sterk. dat het zijne

869

-ocr page 872-

DE GK00TE CATECHISMUS.

boeien en ketens verbrijzelde. Immers, toen hij gekluisterd en geboeid in de gevangenis zuchtte, smeekte de Kerk onophoudelijk voor hem tot God, de ketens vielen van zijne handen en een engel geleidde hem uit de gevangenis. Maar,

177. Zullen wij dan alles verkrijgen, waarom we bidden ?

Ja, als het ons voordcelig is, en wc op de rechte wijze bidden.

178. Hoe moeten wij dan bidden ?

Wij moeten bidden met eerbied en aandacht; met vertrouwen en volharding.

1. Met eerbied en aandacht.

Onze houding en ons uiterlijk moeten zoodanig zijn, dat een ieder kan zien en opmerken , dat we met God spreken, en ons hart moet, los van alle wereldsche en verstrooide gedachten, zich uitsluitend met God bezighouden, want God ziet op het hart des bidders en niet op zijne lippen. Daarom zegt de H. Bonaventura: „Bij het gebed moet de stem des harten racer gehoord worden, dan de klanken v;;u den mond.quot; En terecht, want een onaandachtiü-

o

en oneerbiedig gebed mishaagt God. Vandaar, dat Hij Zicli beklaagt over het mondgebed der joden, zeggende: ,Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.quot; Matt. 15,8. Voortaan dus geene verstrooiing meer, maar godvruchtige aandacht en eerbied, want zijn we schuld van de oneerbiedigheid of onaandachtigheid of laten wij ze vrijwillig too; dan worden we schuldig voor God, in plaats van genade en bijstand te ontvangen.

870

-ocr page 873-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Sluiten wo clan, alvorens te bidden, alle wereldsche gedachten buiten ons hart en stellen we ons levendig de tegenwoordigheid van den alwetenden God voor oogen, zeggende: .Ik ga met God spreken en mij met Hem onderhouden; daarbij passen geene wereldlijke of stoffelijke onderbrekingen en het is toch billijk, dat ik God die aandacht en dien eerbied schenk , terwijl ik met Hem spreek, welke ik voor een mensch, aan mij gelijk, over heb.quot; Wie zich in den geest zóó voor Gods majesteit plaatst, kan er zeker van zijn, aandachtig en eerbiedig te zullen bidden. Zooals de boomen, die diepe wortels hebben geschoten, den storm weerstaan en niet zoo gemakkelijk afbreken of ontworteld worden, zoo ook stijgt het aandachtig en eerbiedig gebed met kracht en heilig geweld hemelwaarts en wordt zelden door den storm der aardsche beslommeringen en gedachten onderbroken of verstoord. Wij mogen echter niet vergeten, hier op te merkwn , dat het den grooten heiligen moeie-Jijk viel, om zonder verstrooiing te bidden en wij , zwakke schepselen, dus wel redenen hebben, om alle pogingen tot aandacht en eerbied in het gebed aan te wenden.

Die aandacht en die eerbied zullen gewis toenemen, als ons hart ootmoedig gestemd en overtuigd is van onze zwakheid en onwaardigheid. , God weerstaat /\'/«-nters den hoovaardiyen en den ootmoedifjen (bidders) schenkt Hij Zijne genade.\'\'\' Vandaar zegt de H. Gregorius: ,Wie in ootmoed erkent, slechts stof en asch te zijn, offert God een waardig gebed op.quot; .Heer! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt,\'1 sprak de hoofdman en hoe bereidvaardig verhoorde Jesus zijn gebed.

871

-ocr page 874-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

„Ik ben een bedelaar en arm, erbarm U mijnerquot;, alclus smeekte David. En hoe dwaas is het niet, ons op iets te verhoovaardigen en tegelijkertijd, als bedelaars, bij God aan te kloppen, om Zijne gaven en gunsten te vragen.

2. Met vertrouwen bidden.

Met vertrouwen, d. i. wij moeten met zekerheid vertrouwen, dat God altijd en in alles ons gebed zal verhooren, in zooverre dit tot onze zaligheid bevorderlijk is. Hiertoe vermaant ons de H. Jacobus. 1, 5, 7. met de volgende woorden: , Ontbreekt het iemand uwer

aan wijsheid, hij rraf/e ze van God.....Hij hidde met

yeJoof zonder te twijfelen, want die twijfelt, (j cl ijkt de zeegolf, welke door den wind heen en weer wordt gestuurd en bewogen: Een dusdanig mensch denke niet, iets eau den Heer te zullen ontvangen.

Het is \'t vertrouwen, waardoor ons gebed krachtig en vermogend wordt gemaakt, zooals het vuur den rook versterkt en in de hoogte drijft. -Wij schenken geloof en vertrouwen aan het woord en de macht van een aardsch vorst, ia , van onze gelijken, en zouden wij Hem dan mistrouwen in Zijne beloften , die gezegd heeft: „Alles, wat gij den Vader in Mijnen naam zult vragen, zal Hij u geven, wij, leerlingen van Jesus, kinderen Zijner Kerk? Is dat niet in het huis des sjeloofs «reen

\'J o o

geloof bezitten?quot; Aldus vraagt de H. Aug. Hier zegt iemand: „Ik vraag sedert lang om iets en ik word toch niet verhoord. Dat kan zeer goed waar zijn, maar daarvan draagt gij, en niet God, de schuld, omdat gij niet goed, of om geene goede zaak bidt, d. i. om eene zaak, welke met uw geluk en uwe zaligheid in strijd is (Verg. .S3e les.) Hoor eens, hoe Socrates, een heidensch wijsgeer, bad: „De

872

-ocr page 875-

DE GROOTE CATECHISMUS

Goden mogen mij geven, wat hun goedduuM; zij weten liet best, wat mij dienstig is. Die om goud, zilver of heerschappij bidden, schijnen mij toe, eeu proces te voeren, waarvan ze volstrekt niet weten, of \'t gunstijr

~ O

voor hen zal uitvallen.quot; Hoe beschaamt deze heiden, de dikwijls zoo onverstandige gebeden veler Christenen! Voet 5\'en wij dan steeds aan ons gebed, met vertrouwen hemelwaarts gezonden, het woord van Jesus toe : „ Vader, tuet Mijn, maar Uw wil most geschieden.\'quot; Begin en einde van ieder gebed moeten zijn: „Wat God wil, indien God wil en wanneer God wil.quot; ,Of staan we tegenover God niet als bedelaars? En zoo ja, mogen we Hem dan voorschrijven, dat Hij ons op deze of gene plaats, op deze of gene wijze; op dezen of genen tijd, deze of gene gunst of genade bewijze ?quot; Franc, van Sales. Het past den hulpbehoevende en zieke niet, de gift of de medicijnen aan te geven, dat moet aan weldadige menschen en den geneesheer overgelaten worden. Nooit moet ons vertrouwen geschokt worden, want Hij, Wieu we vragen, is almachtig en kan ons, en Hij is algoed en barmhartig, en teil ons dus ook alles geven, mits we ook:

3. Met volharding hidden.

Wordt ons gebed oogenschijnlijk niet terstond verhoord, dan geen moed laten zinken, maar onzen ijver verdubbeld. Een godvruchtig man zeide: „Op eiken smeekbrief, dien wij ten hemel zenden, plegen wij immer de woorden „spoed; spoed!quot; te zetten en nauwelijks is het slotwoord des gebeds „amenquot; uitgesproken of we wenschen het „jaquot; der verhooring van den hemel te vernemen.quot; Dat is niet prijzenswaardig! Wij moeten voortgaan met bidden en smeeken, al worden

873

-ocr page 876-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

we terstond ook niet verhoord, daar God, om ons geloof en kinderlijk vertrouwen op de proef te stellen, niet zelden ons eerste verzoek afslaat en ons tot een volgend wil aansporen, Hij wil dat we Hem met onze smeekingen bestormen en lastig vallen, volgens Jesus woord: „Het rijk der hempJea lijdt geweld en alleen zij, die geweld c/ehnciken, zidlev. het innemen.\'quot; Die waarheid ligt immers ook opgesloten in de bede: „ Geef ons heden ons dagelijksch brood?quot;1 Wij moeten dus dagelijks onophoudelijk bidden, want zouden we ophouden, dan kon juist de tijd der verhooring zijn aangebroken.

Nomen we hier een voorbeeld aan de Kanaïtische vrouw, wier dochter door den duivel bezeten was en bij Jesus om hulp aanhield. Driemaal ontving zij een weigerend antwoord. En toen Jesus ten laatste zeide: , Het is niet goed, het brood der kinderen (geloovigen) te nemen en het den honden (ongeloovigen, zoo als gij zijt) voor te werpen , riep zij in kinderlijk vertrouwen: .Maar, Heer ! de honden eten ook van de brokken, die van den disch hunner heer en vullen.\'\'\'\' De Heiland, getrof-len door zulk een vertrouvvvol, geloovig en volhardend gebed, zeide: . O vrouw! groot is uw geloof, uw geschiede, gelijk gij wenscht /quot; En hare dochter werd van af dien stonde gezond.

179. Is het (jebcd noodzakelijk!

874

Ja, zonder het gebed kuinien we God niet dio isen en onze zaligheid niet bewerken

Christus, onze goddelijke Heiland, heeft het gebed uitdrukkelijk aan een ieder bevolen, toen Hij zeide:

-ocr page 877-

DE GEOOTE CATECHISMUS. 875

,, TI aakt an hult, Men moet altijd bidden en niet ophouden te bidden.quot; „Bidt en (jij zult verl-rifjen,quot; en „cd, watf/ij den Vader in Mijnen naam zult vrcujen, zal Hij u (jeven.quot;\' Bij het woord voegde Hij de daad en\'t voorbeeld , zoo-dat Bij gelieele nachten in het gebed doorbracht en nooit iets van belang ondernam , dan na zich eerst door \'t gebed te hebben voorbereid. En geen wonder, want van het gebed heeft God vele genaden afhankelijk gemaakt; zonder gebed geene bekeering, geene volharding, geene zaligheid, geen geluk voor tijd en eeuwigheid. , God zal hun, die er om vragen, eenen goeden geest schenken.\'quot; Luc. II, 13.

Het woord van de H. Katharina van Bologne berust dus op waarheid, waar ze zegt: ,Die het gebed verwaarloost , berooft zich van den zaligen band, welke de ziel met God vereenigt.quot; Eu de H. Theresia schrijft: „Die niet bidt, zal binnen korten tijd een beest zijn of een duivel,\' (cl beide tegelijk). Dat gezegde is juist, want die niet bidt, zal weldra door zijne dierlijke en zinnelijke lusten en hartstochten beheerscht worden en zeer spoedig het onderspit delven in den strijd tegen wellust, onmatigheid, traagheid,hoovaardij, gierigheid, nijd, enz. Wie ziet hier niet duidelijk in, dat het gebed, den christen tot ziju tijdelijk en eeuwig geluk noodzakelijk is? Wie derhalve niet vraagt, mag ook niet klagen, wanneer hij niets ontvangt: den vragers alleen is verhooring toegezegd. Inderdaad, wat de adem is voor het lichaam, is het gebed voor de ziel. Wanneer de ademhaling slecht of moeielijk gaat. dan is de toestand van het lichaam bedenkelijk en op gelijke wijze is de toestand van onze ziel alles behalve rooskleurig, als we lauw of traag in het gebed zijn. Staat de adem echter geheel stil, dan is het

-ocr page 878-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

lichaam flood en eveneens.sterft de ziel voor God, wanneer men het gebed geheel verwaarloost. „Zoodra de mensch ophoudt; met God te spreken, knoopt de duivel met hem een gesprek aan. (Faber,) Zonder bidden dus geene zaligheid, want:

180. Wat is dus tc vree zen voor hen, die hel (jehcd vcrwaarloozen ?

Dat zij van God verlaten, in zonden vallen en voor eeuwig ongelukkig worden.

Het schijnt ons overbodig, ua de bovenstaande verklaring dit antwoord nader uiteen te zetten. Beantwoorden wij tot nadere aanvulling nog de vragen; 1. hoevelerlei is het gebed en 2. voor wie moeten we bidden.

1. Hoevelerlei is het gebed, of, hoe wordt het cjehed verdeeld ?

In mondelijk gebed, waarbij men zich van bepaalde woorden bedient en in inwendig gebed ook wel overweging of meditatie genoemd. De onderwerpen der meditatie of overweging zijn vooral de eeuwige waarheden : Jesus leven, lijden en sterven, Gods volmaaktheden of andere geloofs- of zedelijke waarheden, om daardoor in zijn hart eene vrome stemming en ook zedelijke, goede en krachtige besluiten en voornemens in onze ziel op te wekken. Dit inwendig gebed hebben de heiligen steeds met eenen heiligen ijver beoefend en ze waren bij dag en nacht in vrome overweging verzonken, zoodat de H. Aug. terecht gezegd heeft: -Alle heiligen werden heilig, alleen door het gebed en de godvruchtige overwesringen; geheel hun leven was een aaneengescha-

O O \' O O

keld gebed en eene voortdurende overweging.quot;

876

-ocr page 879-

DE GfcOOTË CATECHISMÜS.

Deze waarheid begrepen ook de stichters van religieuse orden en congregatiën en daarom legden zij hunnen kinderen op, dagelijks eenigen tijd in overweging door te brengen. Koning David bad zevenmaal per dag, ofschoon hij met bestuurszaken overladen was en op zijn voorbeeld zien we meerdere groote vorsten, zooals Karei de Groote, de H. Lodewijk en de if. Henricus, dagelijks eenigen tijd in overwegend gebed doorbrengen. Is deze wijze van bidden voor religieuzen en priesters zoo heilzaam en krachtig, dan lijdt het geen twijfel, dat leeken het mediteerend gebed ook met vrucht voor hunne zielen kunnen beoefenen , al was het slechts eenige minuten per dag.

2. Voor wie moeten ice hidden ? Voor levenden en dooden , vrienden en vijanden en in het bizonder voor ouders, broeders en zusters, familiebetrekkingen, geestelijke en wereldlijke overheden, voor dwaal — en ongeloovigen. Met het oog op dien plicht schrijft de H. Paulus, 1. Tim. 2. 1. - 2. : , Tk vermaan u allereerst, dat er sinee-khujen, geleden, voorbiddingen , da)dczeggingen gedaan worden voor alle nienschen.\'\' De kinderen moeten vooral den ouders alle opofferingen, moeiten, liefde en zorgen be-loonen, door veel voor hen te bidden. daar ze niet in staat zijn, zulks door stoffelijke gaven te doen. En de vrome zielen in het vagevuur te vergeten in zijn gebed, zou zich-zelven vergeten zijn, want met de maat, waarmede wij (daar) uitmeten, zullen we ingemeten worden. Drijven we toch de onverschilligheid in dit opzicht niet zoo ver, dat van ons gezegd kan worden: „Uit het oog, uit het hart,quot; want dan zouden de tranen, bij den dood en de begrafenis onzer naastbestaanden gestort, ons

877

-ocr page 880-

DE GUOOTE CATECHISMUS.

lietdeloos gedrag veroordeelen. De eigenliefde en liet zelfbehoud zijn niet zelden redenen, waarom we voor ons zeiven bidden, maar het bidden voor den naaste is altijd liet werk der genade. Onze ellende dringt ons, voor ons-zelven te smeeken, maar het bidden voor anderen is een uitwerksel der reinste liefde.

1S1. Zijn er ook tijden , waarop wij ooorul behoor en te bidden?

Ja, vooral \'s morgens, \'s avonds voor en na her, eten, op zon- en feestdagen, bij gevaren en gewichtige aangelegenheden des levens.

Wij moeten altijd bidden en niet nalaten, dit te doen, zooals de Heiland zelf ons leert bij Luc. 18, 1. Hiermede is echter niet gezegd, dat men altijd met een kerkboek of een rozenkrans in de hand moet loopen, maar wel, dat men meermalen daags zijn hart tot God verheften en Hem allen arbeid, alle lijden en vreugde opdragen moet.

a. \'s Morgens vooral moeten we eene goede meening maken en zeggen: „O God! wat ik dezen dag doen, denken of spreken zal, geschiede U ter cere,quot; of wel, „Ik zal van daag alles ter eere van God doen enz. Die goede meening, nu en dan herhaald, maakt dien dag tot een aaneengeschakeld gebed en de kleinste beuzelarijen verdienstelijk voor den hemel. Daartoe vermaant ons de H. Paulus, als hij zegt: „Bidt zonder ophouden\'\' 1 Thess. 5, 17., en: r Wees onvermoeid in het gebed;quot;1 8, 15., terwijl we in 1 Cor. 10; 10, lezen: „Hetzij gij eet of drinkt of iets anders doet, verricht alles ter eere Godsquot; (vgl. 46 les) Het morgengebed ab

878

ill I

\'ifl

i; i

; II

I

iir

I

1

-ocr page 881-

DE eiiOÖTE CATECHISMUS. 879

zoodanig is de uitdrukking dei\' waarheid: God is mijii oorsprony, en het moet ons bewaren gedurende de wegen van den dag, dat wij van dien oorsprong niet afdwalen. De zegen van den dag liangt voor een deel af van een goed morgengebed. Daarom zeide de eerbiedwaardige Johannes Ciiuiakus: „Geeft God de eerstelingen van den dag, opdat de geheele dag Hem ook toe-behoore.quot; Wanneer de H. Franc, \'s morgens de vogels

o O

hoorde zingen, dan riep hij zijne ordebroeders toe: „ Hoort eens, hoe de gevederde schepselen hunnen Sehep-per prijzen, lofzingen en een danklied wijden voor den beleefden dag, en zouden wij ons dan door de vogels laten besehamen?quot; Het morgengebed is derhalve de inweiding of inzegening van den geheelen dag. Wie dus quot;s morgens niet bidt. zal weinig of geen cczofcn-den arbeid verrichten.

1). \'.■? Avonds hij het yaan slapen. Het avondgebed drukt de waarheid uit: God is mijn doel, mijne besiemming en mijn einde; en het moet ons daartoe terugbrengen, voor zoover wij in onzen wandel daarvan zijn afgeweken. Het is een heilige plicht der dankbaarheid, dat we dagelijks het avondgebed verrichten. Men geeft oenen bedelaar een stuk brood en hij gaat niet weg, zonder dank te zeggen. God nu spijzigde u, en niet alleen des avonds, maar ook \'s morgens en \'s middags en ge zoudt u ter ruste begeven, zonder Hem daarvoor te danken ? Hij liet u wederom dien dag beleven, stond u bij in den strijd voor uwe zaligheid en ge zoudt geen woord van dank voor Hem over hebben ? Uw kind, uwe knecht of uwe dienstmaagd wenschen u \'s avonds een goeden nacht en als dank wenscht gij hun hetzelfde

i,

-ocr page 882-

DE GROOTE CATECHtSMÜS.

eu ge zoiult nalaten, God, uw Heer en Meester in Wiens hand de vervulling van uwe wenschen berust en Die u dien nacht kan beschermen tegen eenen haastigen dood en tegen de zonden, uw dank-en smeekgebed op te dragen?

c. Voor en na het eten. Wij zijn geen redelooze schepselen en toch zouden we ons aan dezen gelijk maken; als wc zonder kruis of gebed, spijs en drank nuttigen. Eten is de daad, waarvan het bestaan des menschen als mensch (geest en lichaam) afhangt. Door het eten of de spijs uitdrukkelijk in betrekking te brengen met God, en dit geschiedt door liet tafelgebed, erkent hij dus uitdrukkelijk de afhankelijkheid zijns bestuans van God. Tevens smeekt het Gods zegen af; dat wij eten ons ten heil en dient het ter dankzegging. Helaas, hoe wordt die natuurlijke erkenning en belijdenis eu bede en dank in onze dagen door vele opgenomen en beoefend?

Dat is kinderachtig en buiten de mode, zeggen de verlichten; het eten en drinken smaakt even goed, al heeft men er niet om gevraagd of dank gezegd. Zeker ! maar dan zijn we toch minder , dan de honden, welke onder teekens van dankbaarheid een stuk brood aan hnnnen meester vragen of ontvangen. En hoe dikwijls schaamt men zich, God en godsdienst openlijk te belijden en verzuimt men het gebed voor en na het eten in het bijzijn van andersdenkenden of slechte chri?tenen, j om niet uitgelachen of bespot te worden. Dat zijn geene i geloofshelden, maar zwakkelingen en lafaards, en één woord, één spotlach, één schouderophalen is voldoende, : om hen de wapens te doen wegwerpen en met de vijanden van Jesus en Zijne heilige Kerk geineene zaak te | maken. Een beroemd Professor te Praag, Alexis Klars,

880

-ocr page 883-

DE GROOTE CATECHISMUS.

881

verriclite steeds nauwgezet met geheel zijne familie liet dischgebed, al waren er ook ongeloovigen eu anders gezindon aan tafel. Toen men hem daarover eens onderhield, zeide hij: „Wel, God voedt ons gedurende den dag ten aanzien van allen, en zouden wij ons schamen. Hem in het bijzijn van anderen te danken?quot;

d. Op Zon- en Feestdagen. Het is waar ,wij kunnen en moeten overal bidden, wijl de geheele wereld Godshuis is en Hij ons overal hoort en ziet. De H. Chrijs. zegt omtrent dit punt: „Niemand zegge, dat een leek door zijne dagelijksche bezigheden verhinderd zij, altijd te bidden; want dat gaat zeer gemakkelijk, omdat bij overal zijn altaar kan oprichten. Men behoeft daarbij geen knie te buigen, geene handen ten hemel te heffen , maar ééne hartelijke verzuchting, ééne kortstondige verheffing van ons hart tot God is een volmaakt gebed. Bekommer u niet om de plaats, omdat gij zelf een tempel zijt en God in u woont.quot; Evenwel moeten we in \'t bijzonder bidden op zon- en feestdagen, omdat we dan verplicht zijn de kerk te bezoeken, terecht het .him des gehedsquot; genoemd. Jesus zegt immers: sMijn huis is een huis des (/ehëds?quot; In de kerk, waar onze God woont en troont in het Tabernakel met Godheid enmensch-heid, daar is Hij meer geneigd om onze beden te ver-hooren, dan op andere plaatsen en ons gunsten en genade mede te deelen: . Komt alleu tot Mij, die heiast en beladen zijt en Ik zal u verl-iriJcken.quot; In de kerk bidt bovendien de geheele • gemeente te zamen en Jesus met en voor haar. Eu wat zulk een gemeenschappelijk gebed vermag, blijkt uit Jesus woorden: „M\'aar er twee

56

GB. CAT.

-ocr page 884-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

en ge zoudfc nalaten, God, uw Heer en Meester in Wiens hand de vervulling van uwe wenschen berust en Die u dien nacht kan beschermen tegen eenen haastigen dood en tegen de zonden, uw dank-en smeekgebed op te dragen?

c. Voor en na het eten. Wij zijn geen redelooze schepselen en toch zouden we ons aan dezen gelijk maken; als wc zonder kruis of gebed, sjiijs en drank nuttigen. Eten is de daad, waarvan het bestaan des menschen als mensch (geest en lichaam) afhangt. Door het eten of de spijs uitdrukkelijk in betrekking te brengen met God, en dit geschiedt door het tafelgebed, erkent liij dus uitdrukkelijk de afhankelijkheid zijns bestuans van God. Tevens smeekt het Gods zegen af, dat wij eten ons ten heil en dient het ter dankzegging. Helaas, hoe wordt die natuurlijke erkenning en belijdenis en bede en dank in onze dagen door vele opgenomen en beoefend?

Dat is kinderachtig en buiten de mode, zeggen de verlichten; het eten en drinken smaakt even goed. al heeft men er niet om gevraagd of dank gezegd. Zeker! maar dan zijn we toch minder, dan de honden, welke onder teekens van dankbaarheid een stuk brood aan hunnen meester vragen of ontvangen. En hoe dikwijls schaamt men zich, God en godsdienst openlijk te belijden en verzuimt men het gebed voor en na liet eten in het bijzijn van andersdenkenden of slechte christenen, om niet uitgelachen of bespot te worden. Dat zijn geene geloofshelden, maar zwakkelingen en lafaards, en één woord , één spotlach, één schouderophalen is voldoende, om hen de wapens te doen wegwerpen en met de vijanden van Jesus en Zijne beilige Kerk gemeene zaak te maken. Een beroemd Professor te Praag, Alexis Klars,

m

-ocr page 885-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

881

verriclite steeds nauwgezet met geheel zijne familie liet dischgebed, al waren er ook ongeloovigen en anders gezindon aan tafel. Toen men liem daarover eens onderhield, zeide hij: „Wel, God voedt ons gedurende den dag ten aanzien van allen, en zouden wij ons schamen, Hem in het bijzijn van anderen te danken?quot;

d. Op Zon- en Feestdagen. Het is waar ,wrij kunnen en moeten overal bidden, wijl de geheele wereld Godshuis is en Hij ons overal hoort en ziet. De H. Chrijs. zegt omtrent dit punt: „Niemand zegge, dat een leek door zijne dagelijksche bezigheden verhinderd zij, altijd te bidden, want dat gaat zeer gemakkelijk, omdat hij overal zijn altaar kan oprichten. Men behoeft daarbij geen knie te buigen, geene handen ten hemel te heffen , maar ééne hartelijke verzuchting, ééne kortstondige verheffing van ons hart tot God is een volmaakt gebed. Bekommer u niet om de plaats, omdat gij zelf een tempel zijt en God in u woont.quot; Evenwel moeten we in \'t bijzonder bidden op zon- en feestdagen, omdat we dan verplicht zijn de kerk te bezoeken, terecht het Jurist des c/ehedsquot; genoemd. Jesus zegt immers: „Mijn Jinis is een Intis des geheds\'^\' In de kerk, waar onze God woont en troont in het Tabernakel met Godheid en mensch-heid, daar is Hij meer geneigd om onze beden te ver-hooren, dan op andere plaatsen en ons gunsten en genade mede te deelen: . Komt allen tot Mij, die heiast en helode)! zijl en Ik zal n verkwikken.\'quot; In de kerk bidt bovendien de geheele-gemeente te zamen en Jesus met en voor haar. En wat zulk een gemeenschappelijk gebed vermag; blijkt uit Jesus woorden: , Waar er twee

56

GE. CAT.

-ocr page 886-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

of drie in Mijnen naam cenjaderd zijn, daar hen Ik in het midden.\'\'\'\'

e. Bij gevaren en gewicldiye aangéleyenhedm des levens. Wij moeten al onze aangelegenheden; zoowel geestelijke als stoffelijke, door een hartelijk gebed heiligen , maar vooral in de bekoringen en gevaren , van te zondigen , onze toevlucht tot het gebed nemen, omdat we door en uit ons zeiven geene kracht bezitten, om ze te overwinnen. Wij zien, dat Jesus zich bij elke gewichtige onderneming door een hartelijk gebed voorbereidt en zoo ook moeten wij ons gewichtig doen en laten door het gebed heiligen. Wie met God een stand, een ambt of eene waardigheid aanvaardt, kan er zeker van zijn, dat Gods zegen over zijne zaak zal nederdalen: hij begint mot God en zal met Hem eindigen. „Ga in uwe bidkamer met God spreken en Hem vragen of denkt ge, dat deze arme kudde geen herder heeft,quot; aldus sprak Pater Alvarez, toenmalig rector van een armenhuis, tot den kok, die hem bekend maakte, niets te kunnen opdisschen. ..Alle goede gare komt van boven, van den Vader des TAelds.quot; Vooral moeten we bidden om de keuze van eenen levensstaat te kennen, want wie zijnen staat mist, door God gewild, wordt moeilijk hier en namaals gelukkig.

182. Met loelke oefening begint men gewoonlijk let gebed?

Met het kmisteeken en de daarbij gebruikelijke woorden: „Tü den naam des Vaders, en dos Zoons, en des II. Geestes. Amen.quot;

183. Waartoe vooral strekt het maken van liet kruisteeken ?

882

-ocr page 887-

Di3 UllOÜTE CATBCUISMUS. 883

Tul, belijdenis dur li. Drievuldigheid; van unzc verlossing door den kruisdood van Jesus Christus en tot opoffering van onze gebeden en werken aan God.

184. Was hei kruisteeken in do kerk aliijd ijr-iruikelijk ?

Ja , reeds de eerste christenen maakten liet vóór en na het gebed, de nachtrust, het eten, den

arbeid, bij gevaren, enz.

Tertuliauus, die in de 3e eeuw leefde, getuigt deze waarheid, zeggende: „Wat wij ook doen, hetzij wij eene reis ondernomen of op weg zijn, liet huis uitgaan of binnentreden, ons aan- of ontkleeden, ons nederleggen of nederzetten, altijd teekenen wij ons met liet teeken des kruises.quot; Welk een schoon en navolgenswaardig voorbeeld! Of bestaat er voor ons niet dezelfde reden, om ons dikwijls te teekenen met liet teeken onzwr verlossing, als voor de christenen van die tijden? Zeker wel, en daarom moeten wij, vooral bij gevaren, in het kruisteeken kracht en sterkte zoeken.

Een zeker schrijver zegt van het kruisteeken: „Gij zijt van adel, als ge een adelijk scliild voert, maar uw adeldom stijgt ontzettend, wanneer ge het teeken des kruises aan u draagt. De adelijken, die zich niet op eigen groote daden, maar op de heldenfeiten hunner voorouders beroemen, gelijken op jonggehuwden, die hunne huishouding met geleende meubels beginnen. Daarom is hot grootor eer, het wapen des kruises in zijn schild te voeren, het teeken dat duivel, wereld en vleesch overwint.quot; Elke vereeniging bezit een kentee-

-ocr page 888-

DE ÜROOTE CATECHISMUS.

ken, waaraan men hare mede leden kan kennen, elk leger zijn vaandel, waaronder de soldaten zich verzamelen en ten strijde trekken, en hoe groot worden dan in ons oog de katholieke christenen, wier kenteeken en vlag het kruis is, waaronder zich allen verzamelen en ten strijde trekken, om het hemelrijk te veroveren.

Voor Jesns smartelijken dood was het kruis, en ook hij, die er aan gehangen werd, gevloekt, maar Jesus heeft het geheiligd door Zijnen zoendood. Voor dien tijd werden de groote hoosdoeners tot den kruisdood verwezen. Het was dus de zwaarste straf, en thans prijkt het kruis op de borst van hen, die door geestesgaven, wetenschap , dapperheid, trouw enz. boven anderen hebben uitgemunt. Voor Jesus dood was het kruis straf, thans is het loon en op de torenspits geplaatst, wijst het ons op den hemel als loon voor onze trouw.

1S5. Toont de Kerk eenegroote waarde en kracht, aan het maken van Iet kruisteeken toe te kennen ?

Ja, zij schrijft het voor bij kerkelijke gebeden, zegeningen, bezweringen, liet toedienen der Sacramenten , enz.

De priesters beginnen en eindigen bijna al hunne ambtsbedieningen met het teeken des kruises en geven zoo te kennen, dat de dood van Jesus ons Zijn Vader ook tot Vader gaf, tot Wien we thans als vertrouw-volle kinderen gaan en vragen, door de verdiensten van Zijnen Zoon, die ons door den II. Geest, in de Kerk worden toegepast en daarom loven , danken en smeeken wij in den naam van de H. Dievuldigheid, door het kruis-teeken uitgedrukt, bij elke godsdienstige handeling.

884

-ocr page 889-

BE GEOOTE CATECHISMUS.

Welke kraclit liet kruisteeken ouk voor ons bezit, wanneer we liet met vertrouwen maken, leeren ons eenige uit de vele wonderen, door liet teeken des krui-ses uitgewerkt. De II. Antonius en met hem nog vele heiligen, maakte over de zieken het teeken des kruises en terstond schonk God hun de gezondheid.

Men gaf den 11. Benedictus eenen beker met vergiftigden wijn, met het doel, hem te vergeven en toen hij volgens gewoonte het kruisteeken daarover maakte, sprong de beker in stukken.

Door het kruisteeken bluschte de zalige Bonavita eensklaps eenen geweldigen brand, genas vele zieken, dreef den boozen geest uit bezetenen, splitste eenen grooteu stroom iu tweeën, zoodat hij er droogvoets doorging.

Waar zouden wij een einde vinden, wannner we alle wonderen, door het kruisteeken gewrocht, wilden verhalen, doch het grootste wonder mogen wij niet voorbijgaan, en wel, dat door het kruis de wereld voor het kruis is gewonnen. Vandaar de vraag:

181. Mei welke gevoelens moet men het kruisteeken maken?

Met eerbied ca vertrouwen, omdat Jesus door het kruis de wereld verlost en den duivel overwonnen heeft.

Dat de eerbied bij het maken van liet kruisteeken dikwijls te wenschen overlaat, zal menigeen toegeven wanneer hij nagaat, hoe hij dat zelf doet. Zonder den minsten eerbied, zonder acht teslaan op hetgeen men doet, wordt er eene beweging met de hand gemaakt, alsof men vliegen wil wegjagen,

885

-ocr page 890-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

maar vim een kruisteeken heeft het niets. En toch is het waar, dat van een aandachtig, eerbiedig en dus ook vertrouw vol kruisteek en, dikwijls het welslagen van ons gebed afhangt, terwijl een onaandachtig en slordig kruisteeken in den regel door een oneerbiedig en onaandachtig gebed gevolgd wordt: Zoo als het begin, zoo ook het einde.

Waar is de goede tijd gebleven, dat de moeders eiken avond over hunne kinderen het kruisteeken maakten, alvorens ze zich rer ruste begaven, dat geen kind het ouderlijk huis verliet, zonder den ouderlijken zegen mede te nemen ?

Indien men hier en daarnog eene huisvrouw aantreft, die volgens ovide gewoonte, met de punt van het mes een kruis over het brood maakt, wanneer ze het aansnijdt, en ook de overige spijs met het kruisteeken zegent, dan ziet onze tijdgeest daarin, zoo niet bijgeloovigheid, dan toch iets , wat in onze verlichte eeuw niet te huis behoort. O zalige eenvoud! keer terug, want gij begrijpt het heil, dat in het kruis verborgen ligt.

VIJF EN ZESTIGSTE LES.

OVER HET GEBED DES H E E R E N-

187. Welke is het beste en schoonste jehcd?

liet „Onze Vaderquot; of het gebed des llecmi, door onzen Heer Jesus Christus nelven geleerd.

Het ,Onze Vaderquot; is het beste en schoonste gebed.

1. Omdat Jesus zelf het ons leerde hidden. Matt. 69.

De Zaligmaker liet dit gebed, als een kostbare parel, als een ware bruidschat aan Zijne Kerk achter, opdat

886

-ocr page 891-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

zij nimmer zou verarmen. Waarlijk, dit gebed is de ruo» onder de rozen, want wie kan ons beter leeren, boe God wil aanbeden worden, dan God zelf\',

2. Omdat God over den bidder van dit yébed haitcn-ijetconc (juustcn n tjenade doet nederdalen. Dat verzekert ons de goddelijke Heiland met de volgende woorden: , Voorwaar! voorwaar ! Ik zey u, alles, wat tjij den J\'ader in Mijnen naam zult vragen, zal Hij u yecenquot; Is dat waar, en wie twijfelt daaraan, dan zullen we ze-ker ontvangen, wanneer we met Jeans eigen woorden bidden en smeeken.

3, Omdat het voortreffelijk ran inhoud is. .Het is eeu afgekort Evangeliequot; zegt de H. Cyprianus en de H. Thom. van Aq. schrijft: „In bet gebed des Heeren vragen wij niet alleen alles, wat we verlangen, maar ook volgens de orde, waarnaar we dat verlangen moeten , zoodat dit gebed niet slechts onze woorden en hnnne beteekenis ordent, maar tevens alle wenschen en verlangens van ons hart regelt. Het eerste en voornaamste wat in dat gebed voorkomt, is de reden, van ons bestaan, of wel liet doel en einde van ons bestaan en dan volgen regelmatig de middelen, om tot onze bestemming te geraken.

Door het .Onze Vaderquot; heeft Jesus onsinderdaad eenen aanbevelingsbrief aan Zijnen Vader geschonken, welken God zeker gunstig zal aannemen , daar de inhoud uit het allerheiligst Hart van Zijnen Zoon gevloeid is. Ja, „de zin en de beteekenis van dit gebed is oneindig diep, zijne geheimen zijn verbazend, zijne inrichting zeer kunstig, zijne werking zóó krachtig, dat niemand het kan verklaren. Dionysius Cart.

887

-ocr page 892-

DE GROOTE CATECHISMUS.

188. Waarom leerde ons Jesus, God te begroeten: (Jfize Vader, die in de hemelen zijl?

Oin ons vertrouwen op te wekken op Hem die ons aller Vader is en omdat God vooral in den hemel woont en wij daarheen onze gedaeliten moeten richten.

Het gebed des Heeren bestaat uit zeven beden, waarvan de drie eerste op God en de vier laatste op den mensch slaan, en het wordt voorafgegaan door eene korte toespraak tot God, welke luidt: „ Onza Vader die in den hemel zijt.quot; We zullen dien aanhef nader gaan verklaren en ten le zien, wat het woord „Vaderquot;, ten 2e, wat „onzequot; en ten 3e wat „die in de hemelen zijtquot; beteekent.

1. „ Wider.\'\'\' Wij noemen God onzen Vader, omdat Hij ons geschapen en door Zijne genade (in \'t Doopsel) tot Zijne kinderen en erfgenamen van Zijn rijk heeft gemaakt. Hij is de Vader der vaders ; de beste en beminnelijkste der vaders; Hij is een almachtige en barmhartige Vader, die alles kan en wil geven, tot Wien we met kinderlijk vertrouwen ons gebed gaan opdragen. „Om dat kinderlijk vertrouwen in ons op te wekken en levend te houden, bezigde Jesus den naam „Vaderquot; Hij had Hem Schepper, Heerscher of Majesteit kunnen noemen, doch deed het niet. omdat deze namen meer het begrip van ontzagwekkende hoogheid, van gestrengheid en rechtvaardigheid in zich sluiten en gevolgelijk •schrik en vrees in ons konden gaande maken. H. Franc, van Sales. Het woord „Vaderquot; roept in ons verstand, vaderliefde, vertrouwen en vergevings gezindheid te voor-

888

-ocr page 893-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

schijn en juist daarom liet Jesus dat lieve woord voorafgaan.

2. Vader. Dat woord moet ons herinneren, dat God de Vader aller menschen is en wij dns elkander als zusters en broeders moeten beminnen. „Hebben wij uilen dan niet eenen God?\' vraagt Malachias 2, 10. Zijn we allen niet door e\'én God geschapen ? Vandaar bidden wij ook , OnzeP Vader en niet „Mijn\'\'\' Vader. De liefde spreekt het liefst meervoudig, zij omvat allen en gunt een ieder deel aan Gods vaderliefde, zooals zij deze voor zich-zelve wenscht. Daar bestaat voor den mensch ook geen reden, om afgunstig te zijn en anderen bij zijn gebed uit te sluiten. want God, dien we vragen, is onmetelijk rijk en in staat, allen alles te geven: Hij geeft en Zijne rijkdommen verminderen niet.

3. „Die in den hemel zijt.\'quot; Deze woorden moeten ons herinneren

«. dat God, overal tegenwoordig en het heelal met Zijne alomtegenwoordigheid vervullend, evenwel op eeue bijzondere wijze in den hemel woont;

h. dat wij op aarde slechts pelgrims zijn en de hemel ons ware vaderland is, want daar, waar onzeVader woont, daar ook behooren Zijne kinderen te wonen: „Wij hebben hier tjeene blijvende woonphads, maar zoeken eene toekomstige ;

c. dat wij bij het gebed ons hart van het aardsche moeten losrukken en tot den hemel verheffen. „Wanneer wij bidden, dan moeten wij met onze gedachten het paleis des hemels binnentreden, waar de Koning der koningen op Zijnen schitterenden troon zetelt, omstuwd door het talloos heir der zalige geesten.quot;

889

-ocr page 894-

DE GEOOTE CATECHISMUS.

Zoo heeft elk woord der voorrede van liet „Onze Vaderquot; zijne verhevene beteekems, zoodat de eerbiedwaardige Cardinaal Hugo niet reclit uitroept: „Voorwaar, wel eene sclioone inleiding, daar zij de drie goddelijke deugden, geloof, hoop en liefde in zich. bevat! Het woord „ Vader\'1 is immers de verklaring van ons geloof, dat we God als Vader erkenen ; het woord drukt de heilige liefde uit, welke tusschen ons menschen als kinderen Gods, als broeders en zusters, onderling moet heerschen; de woorden „die in den hemel zijV moeten in ons de hoop opwekken , eenmaal door God onzen Vader in Zijn hemelsch vaderhuis te worden opgenomen.

180. V\'at verzoeken wij in de eerde bede: «Geheiligd zij Uw nuam?

Dat Gods Naam, d. i. God-zelf, door a!lu men-schen moffe gelieiügd worden.

i- O O

Als kinderen Gods moet ons Zijne eer en verheerlijking boven alles ter harte gaan en moeten wij dus ook voor alles om de heiliging van Gods naam bidden. Niet

o o

als of die hoogverheven naam niet reeds heilig ware, maar opdat hij door alle menschen heilig gehouden en ook den ongeloovigen bekend moge worden. Wij bidden dus in de eerste bede, dat Gods naam nooit ontheiligd of gelasterd, maar door ons en alle dwalende broeders en zusters moge erkend, bemind en vereerd worden.

O \'

„Weet, o mensch!quot;; zegt de H. Bern. „wanneer ge God de Hem toekomende eer weigert, dan zijt ge een dief, daar gij Hem onthoudt, hetgeen Hem toebehoort. Niet aldus gehandeld, neen, niet aldus! God alleen zij

890

-ocr page 895-

DE GROOTE CATECHISMÜS.

eer en roem in eeuwiglieid.quot; — Spreken we dan dien naam niet den 11. Franciscus altijd met den diepsten eerbied uit, maar zorgen we vooral, dat onze woorden en handelingen niet met onze bede in strijd komen.

190: Om welk rijk bidden wij in de tweede bede; ulaal ons toekomen uw i\'jk?

Wij buldcn om bet rijk dor bciuelciii.

Daar bet rijk Gods in drievoudige beteekenis kan opgenomen worden , n.1. .om ogt;/squot;, „in onsquot; en „boven onsquot; bidden v,rij.

1. dat bet rijk Gods „om onsquot; d. i. dat do kathol. Kerk zich voortdurend moge uitbreiden. Ja, wij moeten ons niet tevreden stellen mtt ons geluk, tot de ware Kerk te bebooren, maar ook met aandrag bidden en wenscben, dat de Kerk met hare zaligende leer en genademiddelen zich baan breke onder de heidenen en onre-loovigen. Bij bidden en wenscben moeten wij bet echter met laten, maar ook naar vermogen bijdragen, om het missiewerk onder de heidenen te bevorderen en zoo het rijk van God „om onsquot; helpen uitbreiden.

2. Bidden wij om het rijk Gods „in ons\'\' d. i. om liet rijk der genade. Duizeuden zijn leden der kerk en gaan des ondanks verloren, omdat ze niet in staat van genade leven en sterven. Daarom vragen wij; Vader! vernietig in ons binnenste het rijk der zonde, verwijder uit ons alle zondige gedachten en handelingen en vei--brijzel in ons de heerschappij van Satan, opdat er niets anciers ins ons hart overblijve ? dan deugd en goede werken.

3. Eindelijk bidden wij ook nog om bet rijk Gods

891

-ocr page 896-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

„hoven ons.quot; d.i. wij smeeken; dat alle menschen na dit aardsche leven mogen toegelaten worden in het liemelsch

o o

Sion, waar wij door de zalige aanschouwing Gods, de volmaakte liefde tot Hem, de zaligste gemeenschap met Hern en het eeuwig genot van Zijn goddelijk wezen zullen vinden. God zien, God bezitten, ziedaar onze bede !

191. JFut vragen wij in de derde bede: » Oio wil geschiede op aarde als in den Hemel?

üat wij menscbou op aarde, Gods wil zoo goed volbrengen als de engelen in dtm Hemel.

O * O

Door deze bede vragen wij, dat Gods wil steeds „door onsquot; en „aan ems\'quot; moge geschieden, wij vragen dus

1. dat wij en alle menschen op aarde, Gods wil zóó getrouw en met liefde mogen volbrengen, als de engelen en heiligen des hemels zulks doen. Onze wil moet zich derhalve steeds richten naar den goddelijken wil; wat God wil, moeten ook wij willen, en om die genade vragen wij, want wij bidden niet „ Onze wil moet geschieden,quot; maar: „Uw wil, o God! moet geschieden,quot; Wij smeeken derhalve, om altijd den wil Gods te doen.

2. Bekennen wij ons in alles aan den goddelijken wil te onderwerpen.. Daartoe vermaant ons de H. Chryss. met de volgende voorden, „Tracht nooit Gods raadsbesluiten te doorgronden. Vraag nooit waarom Hij iets zóó doet, of waarom Hij dat gedaan heeft. Het zij u genoeg, te weten, dat het Zijn heilige wil is. Hij zende regen of wind, hitte of koude, donder, bliksem of hagelslag, kruis of lijden, welvaart of tegenstand, Hij moge geven of nemen , altijd geschiede Zijn wil aan U.quot; Daarom moeten wij met de H. Gertrudis dikwijls bidden: „Uw

892

-ocr page 897-

DE GKOOTE CATECIIISMÜS.

wil gescliiede, Uw wil geschiede, Uw wil gescliiede,quot; o God! Een voorbeeld ter iiiivoknuquot;-: De Z;ililt;riiiii-

O o o

ker verscheen eens aan deze heilige kloostervrouw, ter-MTijl Hij in de eene hanrl „yezoiidheidin de andere vSlelicquot; droeg en zeide haar: .Kies, Mijne dochter! wat u belieft, gezondheid of ziekte! Zeker gezondheid?quot; „Neen Heer!quot; antwoordde zij. „Dus ziekte? vroeo- de Zaligmaker. „Neen Heer!quot; antwoordde zij andermaal. „Ik heb geen ander verlangen , dan dat Uw wil altijd aan mij geschiede,quot; zeide de heilige. Dit schoone voorbeeld is de navolging over waardig, vooral voor hen, die Gods raadsbesluiten beknibbelen en morren tegen Zijne wijze en vaderlijke voorzienigheid.

Het was billijk en rechtvaardig, dat Jesus ons eerst leerde bidden om dingen, waardoor Gods lof en eer bevorderd worden, en daarna om zaken, die op ons zeiven betrekking hebben. Daarom vragen wij in de vierde en overige drie beden om ons tijdelijk en geestelijk welzijn, n.1.: om brood, vergiffenis van zonden, bevrijding (en hulp) van bekoringen en van alle kwaad naar ziel en lichaam.

192 IFai vrufjen zo ij in de vierde hede: «Geef ons heden, ons dugelijhsch brood

Wat we dagelijks naar ziel en licliaam noodig hebben. „Geef ons heden ons dayelljkseh brood\'\'\' aldus luidt de vierde bede. Door die woorden bidden wij God om alles, wat we noodig hebben naar ziel en lichaam. Voor het lichaam vragen wij gezondheid, voedsel, kleederen en huisvesting en voor de ziel smeeken wij om liet geestelijke voedsel van Gods waarheid en van Zijne genade, welker toppunt op aarde de H. Communie is.

893

-ocr page 898-

DÏ3 ÓKOOl\'B CATSC1IIS31US.

Jesus leerde ons bidden: .Geef ons hedeuquot; tuudai we eiken dag Gods genade en weldaden noodig hebben en dus ook geen dag mogen voorbij laten gaan, zonder Hem om deze te vragen.

De bede luidt verder: „Ons dagelijksch brood\'quot; om ons te leeren, geen schatten, overdaad of weelde, maar alleen het noodige te vragen. De wijze man geeft ons hier eene voortreffelijke les. Hij bad aldus: „Geef mij, o Heer! geen grooten rijkdom en ook geene groote armoede, maar alleen, wat ik tot mijn onderhoud behoef, opdat ik door overdaad niet bekoord worde (hoovaarclij) om U te verloochenen en zegge: (in overmoed) , Wie is de Heer!quot; of door nood gedrongen , niet stele en bij den naam van mijnen God een valschen eed doe. quot; „Ik behoef niet om brood te vragen, ik heb overvloed aan geld en goed. Is het brood gebruikt , dan laat ik weer ander bakken en heb dus ook niet te danken, zeide eens iemand in overmoed, toen hemde opmerking gemaakt werd, dat het den christen toch betaamde , voor en na den maaltijd te bidden. Eenige jaren later treffen wij hem aan, dia God niet wilde vragen, vragend en bedelend om een stuk brood bij de menschen.

Neen, het menschelijk verstand en de menschelijke lichaamskrachten zijn niet voldoende, om brood naar geest en vleesch te verschaffen : God moet het verstand verlichten en versterken, opdat het geene zondige of dwaze dingen verrichte en den arm steunen om te kunnen arbeiden. Daarom het gebed: „Geef ons heden ons dagelijksch brood,quot; d.i. alles, wat we noodig hebben naar ziel en lichaam. Wie dus brood hebben , moeten vragen, om het te behouden, en anderen om het te krijgen.

894

-ocr page 899-

ÖE GEOOTE CATECHISMUS

193. fl\'al amce/ccn mij in de vijfde beda; „Ver-yeef ons onze schulden, gelijk loij veryeven onzen schuldenaren ?

Dat God onze scliulden, d. i. onze zonden en straffen vergeve, gelijk wij vergeving schenken aan onze scliuldenaren , id. aan allen, die ons iets misdaan hebben.

Op het „geef\'\'\' volgt terstond het ^verfjeej\' quot; want in plaats van God voor het dagelijksch brood en ontelbare weldaden te danken, beleedigen wij Hem veeleer dagelijks door tallooze zonden en ongerechtigheden. Daarom smeeken wij om vergiffenis voor onze zonden en straffen „gelijk irij vergeven onzen schuldenaren.\'\'1 Vergeven wij onzen heleedigers dus niet, dan hebben wij van God ook geene vergiffenis te verwachten, ja, bidden zelfs dat God niet ons moge doen, zooals wij met onze schuldenaren , en onze schulden niet vergeven. Wie dus zijnen naasten niet wil vergeven, spreekt zijn eigen oordeel uit, zoo dikwijls hij liet „Onze-Vaderquot; bidt. Vergeven wij dan en we zullen vergiffenis ontvangen. (Vlg. de onbarmhartige knecht. Matt. 18.)

194- Hat smeeken wij in de zetde bede-. Leid ons niet in bekoring?

Dat God de bekoringen van den duivel, van de wereld en liet vleesch van ons afwende, of ons belpe om ze te overwinnen.

In de vijfde bede vroegen wij dus vergiffenis van schulden en straffen en door de zesde bede smeeken wij, dat God

895

-ocr page 900-

i)E GROOTE CATËCHtSMOS.

genadig behoede ons voor herval in zonden. Daarom de bede: „Leid ons niet in bekoring.quot;

Dat gebed is den mensch noodzakelijk, want wie is in staat de bekoringen op te sommen, waaraan hij bij dag en bij nacht, in huis op en straat is blootgesteld? Wij worden immer bekoord door onze eigene itatimr en onze hooze hegeeiiijkheden , want het vleesch d. i. onze ongeregelde en bedorven natuur, is onophoudelijk in opstand tegen, den geest, dat is onze ziel en tegen de stem der geordende rede en des gewetens. Gal. 5, 12. Wij worden bekoord door de aanlohse-len en verleidingen , kwade voorbeelden en valsche c/rondbeginselen der wereld, en eindelijk door den duivel die rondloopt als een brullende leeuw, zoekende, uien hij z(d\' verslindenquot; 1 Pet. 5, 8. , Het is dus wel een zware en heete strijd, dien wij te strijden hebben,quot; zegt de H. Cassiodorus (en wij zeggen het hem volmondig na) „omdat hij in het geheim en in het openbaar te gen ons gevoerd en tegen machtigen vijanden geleverd wordt. Het gevaar van dien strijd, om den hemel , ligt voor een deel ook in de sluiksche wegen en het geheimzinnig optreden , waarvan de vijand zich bedient, om ongemerkt zijn\' slag te kunnen slaan en ons te misleiden, zoodat we somtijds daar doodelijk getroffen worden , waar we ons veilig waanden. Eer of schande kent hij niet, want al wordt hij ook geslagen , dan deinst hij wel een oogenblik terng, maar valt, overmoediger en brutaler dan te voren, opnieuw aan en geeft den kamp dus nooit verloren. Dat alles wist Jesus en daarom leerde Hij ons: „Leid ons niet in bekoring.quot;

896

-ocr page 901-

1)8 GllOOTK CATECHlSJItrS.

Evenwel laat God somtijds wijselijk: toe, dat we bekoord worden en wel tot ons lieil en welzijn , om daardoor in ons den ootmoed te onderhouden en te versterken Het is immers juist in de bekoringen en aanvechtingen, dat wij onze zwakheden erkennen. Dan begrijpen wij terecht onze machteloosheid en verootmoedigen ons voor God, door Zijnen bijstand in te roepen. Daarom schreef de H. Paulus in 2 Gort. 12, 7 ; , Opdat ik mij niet op de voortreffelijkheid der openbaringen verhoor/vaardige, is een doorn mijns vleesches mij yeyeven, een enyel van Satan om, mij met vuisten te slaan . d. i. te bekoren.quot;

2. Om onze trouw de proef te doen doorstaan, of beproefd te maken. Wie geen strijd heeft te doorstaan , kan ook geene aanspraak maken op overwinning. In en door den strijd toonen wij onze kracht; in onze zwakheden moet onze kracht schitteren, d.i. ofschoon we van en door ons zeiven zwakke schepselen zijn, moeten wij, gesteund door Gods genade, palstaan tegen onze vijanden en de zege zal aan ons zijn. Hoe dikwijls hebben wij geene gelegenheid, om God van onze trouw blijken te geven, haar getrouwer en betrouwbaarder te maken, en met Zijn\' bijstand in den strijd tegen onzen drievou-digen vijand stand te houden. Altijd zal Hij met ons zijn, als wij smeekend tot Hem opzien; en al wordt de geheele hel ook tegen ons losgelaten, als God met ons is, M\'ie zal dan tegen ons zijn ? Velen houden trouw hun gegeven woord en hunne beloften, aan een gewoon sterveling gedaau , maar als het er op aankomt. God trouw en liefde te bewijzen , dan werpen zij lafhartig de wapens weg en sluiten een verbond met Zijne en

onze eigene vijanden.

GK, CAT. 57

89?

-ocr page 902-

DE GllOOtE CAÏECHISJICS.

3. Om onzen ijver in de deugd en onze verdiensten te ve.rgrooten. De H. Aug. zegt hiervan: ,Zoolang wij pelgrims op aarde zijn, zal ons leven niet vrij zijn van bekoringen, want door de bekoringen maken wij voort-ffantr in de dentrd. Wie niet lieeft overwonnen, wordt

O O ~ 1

ook niet gekroond: niemand kan overwinnen zonder strijd en geen strijd zonder vijand, daarom moeten er bekoringen zijn.quot; .Ut hen gelcoinen om het zwaard te bren-(jenquot; De H. Ambrosius drukt zich aldus uit: „Het vleesch, dut niet gezouten wordt, bederft; zoo ook zal de ziel verflauwen, al is ze ook nog zoo volmaakt, wanneer ze niet voortdurend bekoord wordt.quot; ,;üe boomen, door den wind heen en weer gezweept, wortelen hoe langer zoo vaster en zoo ook neemt de mensch in krachten ten goede toe, als hij door de bekoringen heen en weer bewogen wordt.quot; H. Nilus. Daarom: „Zalig de mensch, die in de aanvechting volhardt, want als hij standvastig is bevonden, zal hij de kroon des lerens onf-vangen, ivelke God hen beloofd heeft, die Hem beminnen.quot; Jac. 12.

Het is derhalve eene valsche meening, te gelooven, dat de bekoring zonde is, terstond als ze ons aanvalt; neen, de bekoringen zijn op zich zelve nog geene zonde; want Je.sus wilde, ons ter onderrichting, zelf bekoord worden in de woestijn, feller dan wij ooit zullen aangevallen worden. Niet dus de bekoring, maar zich aan het gevaar daarvan blootstellen of daarin toestemmen , is zonde. (vgh 9e gebod, -i^e Les) De H. Ambrosius leert hier: „Geen aanvechtingen gewaar worden is engelachtig, bekoringen ondervinden en overwinnen, is christelijk, bekoord worden en daarin toestemmen, is

898

-ocr page 903-

i

WB wkooïK cAïëcIusMus.

duivelscli.quot; Wie zich dus vrij wil Jig aail bekoring blootstelt, door omgang met slechte menschea, het bezoeken van plaatsen en gezelschappen, gevaarlijk voor de deugd, door het onderhouden van verkeeringen, welke eene naaste gelegenheid tot zonde zijn, zal te vergeefs bidden: „Leid ons niet in bekoringquot;, want ze zoeken ze op. Die menschen gelijken op hem, die zich vrijwillig in eenen afgrond stort en hoopt, dat God hem door eenen engel zal redden.

Zal God dus onze bede verhooren, dan moeten wij de bekoringen vluchten, en overvallen ze ons des ondanks, dan staat het aan ons, te strijden en door waken en bidden de overwinning te behalen , zooals Christus zegt: , Maak en hd opdat gij niet in hekorinrj valt.\'quot; Matt. 26 41 Doen wij het onze , dan zal God het Zijne doen en niet toelaten; dat de bekoringen ons schaden , maar wel ten zegen strekken. Denk hier aan den huisvader des Evangelies , die goed zaad op zijnen akker zaaide, doch terwijl hij sliep, kwam de vijand en strooide onkruid tus-schen de tarwe. Wij zijn dus onze eigen vijand, wanneer we niet waken en bidden. Onze vijanden worden krachteloos door het gebed en op hetzelfde oogenblik, dat we ophouden te bidden, ontvangen zij nieuwe krachten. Bovendien moeten wij steeds waakzaam zijn en niet slapen, op onze gedachten, woorden en werken letten en steeds daarmede voortgaan, al schijnen onze vijanden ook afgetrokken en rustig te zijn , want we worden dikwijls het zwaarst bekoord, als we zulks in liet minst bemerken.

105. Wat vragen wj einddijk in ile zevènde bede: u Maar verlos ons van den kwade?

899

|

:

I

|l

\' ?

II it

•l?\' i?

-ocr page 904-

UE GftOOTE CATECHISMÜS.

Dat Gud ons verlosse van den duivel, Van de zonde en van alles, wat kwaad voor ons zijn kan.

Van alles wat kwaad voor ons zijn kan, schade, schande, lichamelijk lijden, zielesmart, in één woord, van alle ellenden dezes levens, gelijk er zoovele met name genoemd worden, b.v. in de Litanie van alle Heiligen, maar vooral van zonde en duivel, van vagevuur en hel. Zoolang wij een kruis hebben, zijn wij verplicht het met onderwerping en geduld te dragen, want „ Wie zijn kruis niet opneemt en Mij vólgt, is Mijner niet waardig.quot; Hiermede strijdt echter niet. God te vragen, dat hij het ons afneme: Jesus zelf vroeg, dat Zijn lijdenskelk aan Hem voorbij mocht gaan. Vooral echter moeten wij vragen en bidden, dat God ons onder Zijne hoede neme tegen de zonde en de eeuwige verdoeming. „De zondaar verliest immers door de (dood)zonde de zaligheid, waarvoor hij geschapen is , en vindt eeuwige ellende , waarvoor hij niet geschapen is.quot; H. Aug. Zenden wij dus dikwijls die schoone en krachtige beden hemelwaarts, en Jesus, die ze ons leerde bidden, zal onze voorspreker zijn: „Hij leeft altijd, om onze voorspreker te zijn.\'\'\'

196. Wat beteelient het woordje „ Amen!\'

Het beteekeiit; „Dat het geschiede.quot;

Dat woord is eene korte herhaling van alles, wat wij God gevraagd hebben en wij drukken hierdoor ons innig verlangen en vertrouwen uit, dat Hij ons zal verhoeren. Het is, alsof we zeiden: „Geef toch. Vader! alles wat we gevraagd hebben.quot;

Hiermede hebben wij in \'t kort het „Onze Vaderquot; verklaard en overwogen. Hoe kort in woorden, hoe

900

-ocr page 905-

DE GROOTE CATECIIISMÜS.

rijk in beteekenis. Daarom zeide Tertuliauus ook, dat liet een verleert Evangelie is. Op dit gebed steunen alle andere gebeden, niet dit gebed zijn alle andere bezegeld. Bidden wij liet dan steeds met godsvrucht en eerbiedige opmerkzaamheid en het loon zal groot zijn.

ZES EN ZESTIGSTE LES.

G ï F, R D E H GROET DES ENGELS-

197. Wdk (jebed voeyt men yeicoonljk bij het a Onze Vader ?quot;

Het » Wees yeyroetquot; of den groet des engels.

198. Waarom voegt men dit bij het yebed des Heer en ?

Om door Maria onze gebeden aan God op te dragen.

199. Waaruit is het „Wees yeyroetquot; samenyesteld ?

Uit de woorden, tot Maria gesproken door den engel Gabriël en door Elisabeth en uit die door de Kerk daarbij gevoegd.

200. Hoe luiden de woorden van den Enyet Gabriël?

„Wees gegroet, (gij zijt) vol van genade , de Meer is met U, gij zijt gezegend boven alle vrouwen. Luc. 1, 28.

201. Waarom wordt van Maria yezeyd: „Gij zijt vol van yenade, en yezeyend boven alle vrouwen?

Omdat zij meer dan eenig schepsel met genade

901

-ocr page 906-

DE GBOOTF, CATECHISMUS.

is verrijkt en zij onder alle vrouwen is uitverkoron\' om He moeder des Verlossers te zijn.

a. Waarom is Maria vol genade?

1. Omdat Maria reeds bij hare ontvangenis met genade vervuld was en op het oogenblik barer geboorte staat zij vlekkeloos, als „de genadevolle bij uitnemendheid , voor ons.quot; „Maria heeft in het eerste oogenblik har er ontvangenis meer gunsten en genade ontvangen , dan alle zielen der heiligen en alle kooren der engelen te zamen, omdat God haar meer bemint, dan alle engelen en heiligen bijeengenomen /\' zegt de eerbiedwaardige iranciscus Suares. Zij alleen werd zonder zonden ontvangen, zij alleen bleef bevrijd van den giftsmet der erfzonde en onbevlekt van dadelijke zonden en daarom is ze een uitverkoren vat der goddelijke genade.

2. Omdat die volheid van genade in Maria steeds toenam door hare goede werken, zoodat ze den hoogsten graad van heiligheid bereikte, die onder schepselen bestaat. Op haar kan men toepassen het woord van den psalmist. Psalm 443: „Schoon sljt (jij voor alle kinderen der menschen, aanvalligheid is over uwe lippen uitgegoten en daarom heeft God u in eeuwigheid gelukkig gemaaktquot; Andere heiligen ontvingen slechts een deel der genade en gunsten, maar in het hart van Maria storten zij zich uit in al hare volheid. H. Pet. Chys-sologus.

3. Omdat Maria den Oorsprong der genade, Jesus Christus, het levenslicht schonk. Moest zij niet vol genade zijn, die den Gever der genade zei ven onder haar hart zou dragen? Vandaar zegt de 11. Thom. van Aquino: „De allerzaligste Maagd heeft zulk eene

902

-ocr page 907-

DE GUOOTE CATECHISMUS.

vollieid vim genade ontvangen, dat zij Jesus, don Oorsprong der genade, het meest nabij komt, en ook juist daarom heeft zij Hem, die vol genade is, ontvangen.quot;

b. I\'\'af tcillen cle woorden zeggen: „De Heer is met V\'? Pat God op eene geheel bijzondere wijze met Maria is, want zij is de dochter van God den Vader bij uitnemendheid , de waarachtige moeder van God den Zoon en de allerzaligste bruid van God den H. Geest. Of, zooals de H. Bern. zich uitdrukt: „De drie goddelijke personen, die één Heer zijn, zijn met Maria: De Heer, de Zoon is met U, Maria, daar Hij in U Zijne woontente opsloeg en zich met uw vleesch bekleedde; de Heer, de H. Geest is met U; door Hem hebt gij uw\' Zoon ontvangen; de Heer, de Vader is met u, die Hem geteeld heeft, dien gij ontvangen hebt. De Heer is met u, zooals een vader met zijne dochter, die hij met zorg beschermt, gelijk eon bruidegom met zijne bruid, die hij innig bemint, gelijk een koning met zijne koningin, die hij hoogacht en eert, gelijk de zon met de maan, welke zij door hare stralen verlicht.quot;

c. Welke zin ligt in de woorden: , Gij zijt gezegend onder alle vrouwen\'quot;?

Door deze woorden noemen wij Maria, met den Aartsengel , de gezegendste, de gelukzaligste uit haar geslacht. En met recht. Zij immers wordt «) uit en voor allen tot Gods moeder uitverkoren, h) zij alleen is moeder en tevens maagd en r) schonk door hare bemiddeling der wereld het heil terug, welke door tusscheukomst der eerste vrouw met vloek beladen was. , Eva was de middelaresse der zonden, Maria de middelaresse der genade. Eva schaadde ons, omdat ze ons ter dood voerde;

903

-ocr page 908-

DE GROOTE CATECHISMUS.

Maria, de tweede Eva, strekte ons tot nut en heil, wijl zij ons het verlorene terugschonk; Eva bracht ons doode-lijke wonden toe; Maria genas ze.quot; H. Aug. Deze tegenstellingen zijn waar, doch ter wille der schoonheid of van het vernuft brengen zij soms de waarheid in gevaar. Wat ons eigenlijk heeft geschaad, dat is de zonde van Adam, en wat ons heeft gebaat, dat is het Offer van Jesus of de verdienste en voldoening van Christus. Maar dit was uitsluitend en alleen Zijn daad, daad van den goddelijken persoon in en door Zijne menschelijke natuur. In het werk zelf dei-verlossing heeft niemand, ook maar het geringste gedaan.

\' \' O O O

dan Hij; het verlossingswerk, is alleen Zijn werk.

202. Hoe luiden de woorden van Elisabeth? . „En gezegend is de vrucht uws lichaams (Jesus).quot;

De Kerk voegde achter die woorden den naam „Jesusquot;, om beter te doen verstaan wat of wie die vrucht van Maria\'s lichaam is. B Gezegend zij die broederquot;, roept de H. Bonaventura uit, „door wien Maria onze Moeder, en gezegend die Moeder, door wie de Zoon Gods onze broeder geworden is!quot; Wij eeren en prijzen de moeder vooral ter wille des Zoons, gelijk wij den boom ter wille van de vrucht loven en prijzen. Op dezen grond is de uitdrukking „yezerimd ia de vrucht uws lichaamsquot; ook van beteekenis, omdat (bij vruchtboomen namelijk) de vrucht den boom zijne waarde schenkt. Diezelfde verhouding nu bestaat ook tusschen Jesus en Maria. Nooit zou Maria in dien zin de gezegende onder de vrouwen zijn, wanneer ze niet de moeder was van de vrucht, Jesus Christus, Daarom mogen wij wel met Elisabeth\'s lofspraak instemmen en verheugd uitroepen: , Gezer/end is de vrucht mes lichaams !n

904

-ocr page 909-

DE (iROOTK CATECHISMUS.

905

Gelijk de vrucht den boom prijst, waarvan ze is getrokken , zoo ook looft en prijst Christus, Maria; de vrucht is boven lof verheven en gezegend en daarom ook wordt de boom zoo geprezen en geëerd. Hoe is het dan nog mogelijk, dat er menschen gevonden worden, die schijnbaar aan het woord der schrift hangen, maar omtrent het gebod der H. Schrift, hetwelk beveelt. Zijne moeder te eeren, voor Maria eene uitzondering te maken. Zij geven voor, bang te zijn, den Zoon te onthouden , wat ze der moeder geven; zij vreezen Maria de eer te bewijzen, welke ze Christus verschuldigd zijn. I)och moeten we hier niet vragen, of die vrees op verdedigbare gronden rust? Is zij christelijk? Is zij natuurlijk? Ligt het in de menschelijke natuur, dat de Zoon ijverzuchtig is op de eer en achting, der moeder gebracht? Of zal de Zoon zich meer geëerd achten, wanneer men Zijne moeder onteert, om Hem zoo alleen te eeren? Onbegrijpelijk! Menschen, die zich leerlingen van Christus noemen, beweren Christus te zoeken, en om Hem zekerder te vinden, verlaten zij Maria ! Om den Zoon te beminnen, weigeren zij Maria , Zijne moeder , hunne liefde. Doch een rechtgeaarde zoon laat zijne moeder niet straffeloos honen en verguizen en zoo ook zal de laster en verguizing, Maria, de moeder, aangedaan , door Jesus, haren Zoon, eenmaal gewroken worden. Wel gelukkig de vrouw des Evangelies, die uitriep: ,Zalig de Schoot, die U gedragen en de borsten, welke Gij gezogen hebt!quot; Zij prees de moeder zalig, wier wonderdoenden Zoon zij aanschouwde, wiens woorden zij hoorde, in wiens leer zij voedsel voor hare, naar rechtvaardigheid dorstende ziel vond.

-ocr page 910-

PE GKOOTE CATECHISMUS.

Natuurlijk, gelijk men alles bederven kan, zoo kim uien ook èu door dwaling èn door misbruik de vereeriug van Maria bederven. Wij verheerlijken eigenlijk lutar deugd, haar heiligheid, maar die eceuredig ia aan du uitstekendheid van haar moederschap en dit moet men niet uit het oog verliezen.

203- Hoe luiden de woorden, welke de Kerk er bijgevoegd heeft?

De woorden „Maria\'\' en „Jesusquot; en de bede: li- Maria Moeder Gods! bid voor ons zondaars, mi en in het vur onzes doods. Amen.

Door de woorden: „ 11. Maria. Moeder GWsquot; belijden wij voor de geheele wereld, dat Maria waarlijk de moeder Gods is, daar zij niet een niensch, aan ons gelijk, maar Jezus Christus gebaard heeft, die God en niensch is. Ontkent iemand, dat Maria moeder van God is, hij zij gevloekt, want uit haar is het Vleesch geworden Woord geboren: „En het Woord is vleesch. geworden en het heeft onder ons yewoond.quot;

Te beweren: „Zoolang Maria Jesus onder haar hart droeg , was zij gezegend boven alle vrouwen en de hoogste eer en achting waardig, doch na de geboorte des IIinlands ontviel haar die voorrang en werd zij aan elke andere vrouw gelijkquot; is op zijn zachtst uitgedrukt eene onredelijke miskenning, waardoor de menschelijke en teedere voorrechten der moederlijke waardigheid met voeten sretreden worden. Wanneer deze hatelijke rede-neering opging, zou het eiken zoon gemachtigd zijn, tot zijne moeder te zeggen: „Toen gij mij met het bloed uws harten voeddet, waart gij mijne moeder, maar thans.

906

-ocr page 911-

DE GKOOTE CATECHISMUS.

nu ik uwe hulp onfcbeivn kan, hebt gij opgehoiulen, dit te zijn: gij zijt mij vreemd!quot; Met den H. Gyrillus roepen wij dan ook geloovig uit, als een herstel voor de gezegende boven alle vrouwen: „Gij, Maria, zijt waarachtig moeder van God!quot;

204. Moffen wij vul //roof. vertrouwen de voorspraak van \'Maria verzoeken?

Ja, want hare voorspraak is veelvermogend bij God, en zij heeft eene groile liefde tot ons.

Daarom laat de Kerk ons bidden; „ Moeder Gods, hid voor oiis zondaar*, mr en in het uur ran onzen dood. Amen.\'\'\' Ja, na moet Maria vooral voor ons bidden, omdat we zoozeer behoefte hebben aan hare hulp in den strijd togen de vijanden onzer zaligheid, nu we nog doodelijk kunnen zondigen en verloren gaan. Dat „help1\'roepen moet raet groot vertrouwen geschieden, want Maria kan ons helpen en wil ons helpen, omdat ze ons als hare kinderen liefheeft en bemint en alles voor ons bij God vermag, ,Neen,quot; zegt de H. Bern., „het is nooit gehoord, dat iemand door God verlaten is, die tot Maria zijne toevlucht nam en hare voorbede met oprechte godsvrucht en een oprecht vertrouwen afsmeekte.quot; Niet te vergeefs noemt haar de Kerk, „Barmhartige Moeder, Troosteresse der bedrukten. Toevlucht der zondaren en Bijstand der Christenen.quot;

Nu en in het uur van onzen dood. Het uur van onzen dood is de beslissing van ons leven, waarvan onze eeuwige zaligheid afhangt. In dat allesbeslissend oogenblik spant satan dikwijls zijne laatsteen beste krachten in, om ons van God los te scheuren en zijn bondgenoot te maken en hij be-

907

-ocr page 912-

DE GROOTE CATECHTSMTJS.

stormt ons tot dat einde vaak met de hevigste en gevaarlijkste bekoringen; vooi\'al tracht hij ons tot wanhoop over te halen. Bovendien is de volharding in de deugd tot in den dood alleen door bijzondere genade mogelijk. (Conc. Trid. 6 Zitt. Can 22) Daarom hebben wij redenen te over, om te bidden: .Bid voor ons nu en in het uur van onzen dood.\'\'\'\' De H. Antonius wekt ons daartoe op met de woorden: „Als de koningin des hemels verschijnt, vluchten alle vijanden van de stervenssponde.quot;

Wat is de zin van den „Angelus\'\'\' of „Engel des Heeren?quot;

De „Engel des Ileerenquot; is een gebed, dat men driemaal daags, \'s morgens, \'s middags en \'s avonds bidt, als het teeken met de bidklok gegeven wordt. Het luidt:

„De engel des Heeren heeft Maria geboodschapt en zij heeft ontvangen van den H. Geest\'1, Wees gegroet enz.

, Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.\'\' Wees gegroet, enz.

„Het Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond.quot; Wees gegroet, enz.

Wij verrichten dit gebed «) om het aandenken van het eeuwig aanbiddenswaardig geheim der menschwording te vieren en b) om de allerzaligste Maagd te vereeren en ons onder hare bescherming te stellen. De Turken wenden zich driemaal daags met hun gezicht naar Mekka, om den Profeet Mohammed voor de gave des geloofs te danken en zouden wij, katholieken, ons schamen, op het geluid van de BAngelusklok\'\' het hoofd te ontblooten om het groote geheim der verlossing dankbaar te herdenken en ons aan Maria\'s machtige voorspraak aan te bevelen? Dat zij verre!

908

-ocr page 913-

DiS GEOOÏE CATECHISMUS.

Vernemen wij nog iets over den oorsprong van dit gebed : De oorsprong er van is nog niet inet zekerheid aan te geven. Er zijn schrijvers, die zegden, dat Paus Urbanus II (10S8 —1099) het heeft uitgedacht en aanbevolen , ten minste voor \'s morgens en \'s avonds om voor de kruisvaarders van dien tijd de overwinning van God af\' te smeeken; dat, toen het allengs vervallen was, Paus Gregorius IX (1227 —1241) het hersteld heeft, en het bidden er van op den middag er bijgevoegd heeft. Anderen echter zeggen : „Het is waar, de kruistochten zijn nu voorbij, maar in hunne plaats traden vele andere noodwendigheden en christelijke behoeften , zoodat wij gerust mogen zeggen, dat het geil eel c leven der Kerk en van eiken christen in het bijzonder eene aanhoudende kruistocht is. Vandaar ook, dat de latere Pausen die heilige oefening aanhielden en met groote gunsten en aflaten verrijkten.

If\'at is de ^ Rozenkrans f\'quot;1

De rozenkrans is eene zeer nuttige en gemakkelijke wijze, om uit- en inwendig te bidden. Het is het kerkboek der blinden en niet-lezende-christenen, in de 13e eeuw door den H. Dominicus ingevoerd, door de Kerk goedgekeurd en sedert den tijd immer beoefend en aanbevolen. Daar in deze wijze van bidden de voortreffelijkste geheimen van ons heilig geloof zijn samengevat in een krans van welriekende rozen, wordt zij met recht „liozml.\'rans\'quot; genoemd. De verschillende geheimen, welke men tusschen elk tiendje gevoegd heeft, zijn:

a. De blijde geheimen, die luiden:

1. De engel Gabriël brengt Maria de blijde boodschap.

2. Maria bezoekt hare nicht Elisabeth.

909

-ocr page 914-

1)Ë GllüOTE uAtECÊÏSMOS.

3. Christus wordt te Bethlehem geboren.

4. Maria oifert haar kind in den tempel op.

5. Maria vindt Jesus in den tempel terug.

b. De droevige geheimen, die luiden:

1. Christus zweet water en bloed.

2. Christus wordt gegeeseid.

O O

3. Christus wordt met doornen gekroond.

4. Christus draagt Zijn eigen kruis.

5. Christus sterft aan het kruis.

c, De (jlorievolle geheimen, welke zijn:

1. Christus Ten-ijst zegevierend uit het graf.

2. Christus vaart ten hemel.

3. Christus zendt den H. Geest.

4. Christus neemt Zijne moeder in den hemel op.

5. De H. Drievuldigheid kroont Maria als koningin der hemelen.

Onbegrijpelijk is het, dat er zelfs katholieken gevonden worden, die dit schoone gebed minachten, zeggende, dat er zoo weinig afwisseling aan verbonden is en door de voortdurende herhaling van woorden en gedachten tong en hart vermoeid worden en dit den biddenden verveelt. Die menschen geven daardoor te kennen, dat zij quot;t geheel niet veel aan :t gebed doen. Zwegen ze nog maar, want, waartoe ze zelf te koud zijn, willen ze ook nog in anderen afbreken.

Nog erger maken zij het, die dit gebed goed voorkinderen en oude vrouwen achten en en zich te opgevoed of te groot wanen, ja, zich schamen, on den rozenkrans te bidden. Die lieden moeten wel zoo zeker van hunne zaligheid zijn, dat zij Gods krachtigen bijstand, en Maria\'s voorspraak, door dit gebed ons aangeboden,

910

-ocr page 915-

Dij üliOüTÉ CATEL\'ÜISilÜS

uiet iiuoclig iicliton. Ik autwuord hierop: ,Gotls lof en die Zijner H. Moeder te verkondigen is niet iilleeu het werk van vrouwen en kinderen, maar dat van elk katholiek, en dat te doen, verveelt den goedgezinden niet als men den inhoud der geheimen overweegt, welke, evenals de zon de aarde, voortdurend het „Wees sreoToetquot;

1 quot; O ~

bestralen en het met de prachtigste tinten versieren.quot; Dit begrepen de ordenstichters, die den rozenkrans, als een geestelijk strijdzwaard, aan de zijde hunner kinderen hingen; en als dagelijksch gebed voorschreven.

Dat gelukkig begrip is ook in die huisgezinnen doorgedrongen , waar men de heilige, navolgenswaardige gewoonte heeft aangenomen , des avonds samen den rozenkrans te bidden. Die meening zijn ook zij toegedaan , die hunnen troost en hunne opbeuring zoeken , te midden der wederwaardigheden des levens, in het rozenkrans gebed en door God en Maria lastig te vallen, als het ware een1 bestendig aanval doen om barmhartigheid en bijstand op het minnend hart van haar goddelijk Kind, Jesus!

IVie heeft den rozenkrans ingevoerd ?

De rozenkrans is geene bloot menschelijke uitvinding, maar dankt zijnen oorsprong aan Maria zelve. Verneem, wat de geschiedenis dienaangaande heeft opge-teekend: Toen de ketterij der Albigensen in de 13e eeuw in het Z. van Frankrijk het heiligdom des Heeren verwoestte, trok de H. Dominicus als hemelbode rond, om door zijne pmlicatie eenen dam tegen voortwoekerende dwaling op te werpen en de misleiden tot de Kerk terug te brengen, een arbeid, te reusachtig voor bloot menschelijke krachten. Tien jaren had hij , zon-

i)ll

-ocr page 916-

t)E GïlOOtE CATECHISJlOS.

der het gewenselite gevolg, tegen liet verderf gearbeid. Vol vertrouwen wendde hij zich tot Maria, bracht drie dagen en drie nachten onder gebed en boetewerken in de eenzaamheid door, tot hij eindelijk afgemat neerzonk. En zie ! daar nadert hem Maria in pracht en majesteit en zegt tot hem : , Het is u bekend , mijn zoon, wat God voor middelen gebruikte, om de wereld te verlossen: Het eerst was de boodschap , welke Gabriël mij bracht, daarop de genaderijke geboorte en het heilig leven van mijnen goddelijken Zoon , dan Zijn bitter lijden en sterven , eindelijk Zijne glorievolle verrijzenis en hemelvaart. Daardoor werd de wereld verlost en de hemel geopend. Deze geheimen van het leven, lijden en sterven van Christus, oinjreven door het .Wees segroetquot; en het ge-

\'O ~ O O O

bed des Heerenquot; zijn mijne rozenkransquot;. Leer de afvalligen dit gebed en zij zullen zich bekeerenquot;. Domi-nicus deed, zooals hem bevolen was en binnen korten tijd zegevierde de waarheid over den leugen.

Wat is de Lorettaansche litanie en hare zakelijke inhoud? Zij bevat verschillende lofspraken op Maria, genomen uit de H. Schrift, en toegepast op haar, ofschoon niet yezegd van haar, zooals: „Geestelijke roos,quot; „toren van David,quot; „morgenster,quot; „arke des verbonds ,quot; „deur des hemels,quot; enz., welke wij op de zalige Jonkvrouw toepassen, om de heerlijke genade en onderscheiding aan te geven, door God haar boven alles geschonken. Dit gebed kreeg in de wereldberoemde kerk van Loretto zijne opkomst en beoefening. Vandaar de benaming „litanie van Loretto\'\' of wel Lorettaansche litanie.\'\'

Hoe hoog de Pausen deze litanie achten, blijkt hieruit, dat zij alleen met de litanie van „alle heiligenquot; en

912

-ocr page 917-

bE GkOOfE CATECHISMUS» 913

den „Zoeten Naam Jesus,quot; van de vele andere bestaande litanieën hunne goedkeuring heeft verworven, zonder daarom te beweren dat andere litanieën niet dezelfde goedkeuring erlangen zouden. indien zich daartoe dezelfde omstandigheden voordeden. Wel eene reden, om dit schoone gebed dikwijls met aandacht en kinderlijk vertrouwen te bidden. Ja, vergeten wij niet, dat Maria eene hemelladder is en als elke ladder de hoedanigheid bezit, om door haar in de hoogte te stijgen en ■van de hoogte neer te dalen. Langs deze ladder is God van uit den hemel tot ons op aarde neergedaald, opdat wij menschen langs de hemelladder, Maria, van de aarde tot den hemel zouden opstijgen. Welk e^ne troostrijke gedachte! Maar dan moeten wij hare oprechte kinderen zijn, in al hm nood en alle wederwaardigheden haren moederlijken bijstand inroepen en ai onze schreden en treden aan hare zorg aanbevelen, opdat zij ons door de klippen dezes levens, behouden doet landen in de haven der hemelsche zaligheid. —

Vooral moet het ons ter harte gaan, hare deugden, haren ootmoed, hare liefde, haar geduld, hare kuisch-heid enz. na te volgen, wijl hare ware vereering vooral in hare navolging bestaat: want het is een goed kind, dat op zijne moeder aardt, (natuurlijk in dezer goede hoedanigheden) Zal zij ons dus als zoodanig erkennen. dan moeten wij ons beijveren, haar gelijkvormig te worden, door hare voetstappen te drukken en hare deugden tot de onze te maken. Christus, de Zoon van Maria, onder-steune en schrage tot dat einde onze zwakke pogingen!

cu. CAT.

-ocr page 918-

DE OROOTE CATECHISMUS.

OVER DE SACRAMENTALIËN.

Wat verstaat men onder Sacramentaliën ?

a. Alles, waf, fle kerk tot godsdienstig doeleinde of tot vroom gebruik der geloovigen Vvijdt, zooals: wijwater, olie, zout, brood, wijn, palmen, enz. (vgl. 33. Les) h. De bezweringen (n.1. die gebeden en heilige handelingen, waardoor de Kerk den boozen vijand en zijnen schadelijken invloed van een persoon of eene zank wegneemt of afweert) en de zeoreninsren der Kerk, n.1. die

O ~

quot;cbeden en heilige handelingen, waardoor de Kerk een

O O O

persoon of eene zaak tot een godsdienstig doel of\' heilig gebruik zegent en wijdt.

Met recht laat de catechismus op de leer der Sacramenten de leer der Sacramentaliën volgen, wijl zij zoowel in naam als saah eenige overeenkomsten met de Sacramenten hebben, daar zij ook uit zichtbare teekens en woorden bestaan en eene inwendige, bovennatuurlijke kracht of genade mededeelen. Evenwel zijn ze wezenlijk van de Sacramenten onderscheiden, niet alleen wat de instelliny, maar ook, wat de werking der genade betreft.

Dit onderscheid geeft de Kerk duidelijk aan in de vier volgende punten:

1 De Sacramenten zijn door God ingesteld en werken onmiddellijk door goddelijke kracht, terwijl de Kerk de Sacramentaliën verordende, waaraan door de voorbede en zegening der Kerk genade verbonden is.

2 De Sacramenten werken onfeilbaar, wanneer men geen hinderpaal in den weglegt, terwijl bij de Sacramentaliën de werking vooral afhangt van de goede gesteltenis van hem, die ze aanwendt.

914

-ocr page 919-

DE GROOTE CATECHISMUS.

3 De Sacramenten deelen onmiddellijk inwendige heiliging mede, doch de Sacramentaliën dragen daartoe slechts bij door de mededeeling van ondergeschikte genade en beschermen ons ook tegen tijdelijke rampen en wederwaardigheden.

4 De Sacramenten zijn een ieder noodzakelijk door God geboden, terwijl de Sacramentaliën door de Kerk slechts nuttig en heilzaam zijn aanbevolen.

Waarom wijdt de kerk verschillende dingen tot een (jods-dienstig gebruik ?

De Kerk wijdt alle dingen, welke tot den godsdienst behooren, om ze te heiligen en tot een godsdienstig doel te. bestemmen, want omdat ze tot een heilig gebruik bestemd zijn, moeten zij daartoe ook op eene bijzondere wijze geheiligd worden. . Alles worde geheiligd door het woord Gods en het gebed /\' schrijft de H. Paulus aan Tim. 1. 4, 5.

Daarom moeten de gewijde zaken door ons in eere gehouden en er een heilzaam gebruik van gemaakt worden : Avat heilig is, moet ook heilig gehouden worden en ons zoodoende zeiven heiligen.

Welke zaken wijdt de Kerk tot eigen kerkelijk qe-bruilc ?

1 Tempels, altaren en heilige henoodigdheden, als: kelken, ciborie\'s, monstransen, oliebusjes, ziekenbusjes, tabernakels, altaarsteeneii, doopvonten, reliquiënkasten, priesterkleeding enz. God gaf reeds in het oude verbond Mozes het bevel: Neem. zalfolie en zalf de arke met haar toebehooren, opdat zij geheiligd worde, alsmede het altaar der broodoffers en al zijn toebehooren. Heilig alles met de zalfolie, opdat het hoog heilig zij,quot; 2. Moz. 40, 9 — 11.

915

-ocr page 920-

916 DK CVROOTE CATECHISMUS,

Op heden wijdt de Kerk ook onder de schoonste enbe-teekenisvolste ceremoniën tempel en altaar, fkerkwijdino--feest, ingesteld als herinnering daaraan) heilige vaten, enz. Daardoor moeten al die zaken voor ons eerbiedwaardig en heilig worden.

2. De Mokken worden insgelijks tot godsdienstig gebruik gewijd, om God te loven . en het volk bijeen te roepen, de priesters te verzamelen, den doode te beklagen, fjp feestdagen aan te kondigen. Daar de wijding der klokken veel overeenstemming heeft met de ceremoniën des doopsels, noemt men haar ook wel klokkendoop.

3. Kruizen, heelden van Jems, Maria en andere hei-lu/en, (kaarsen rozenkrans. en scapulieren, medailles, enz.) Het zou te veel ruimte innemen om al de wijdingen van zaken op te noemen, welke de Kerk tot haar godsdienstig gebruik verricht, maar wij mogen niet nalaten,

4. het mjwnter in het bijzonder te bespreken , dat onder de Sacramentaliën een der voornaamste plaatsen inneemt, én omdat de Kerk het bij alle zegeningen gebruikt, én omdat zij bet gebruik den geloovigen in en buiten de kerk nadrukkelijk aanbeveelt. Vandaar, dat de Kerk eiken Zondag water laat wijden. Het gebruik, om water te wijden, is overoud, daar de H Hieronymus er reeds gewag van maakt, ja, in het oud verbond reeds bekend was. Toen namelijk het water in en om de stad Jericho bedorven en zeer ongezond was, kwamen eenige mannen uit die plaats tot den profeet Eli/.ens en baden hem om hulp. De profeet zeide: . Breng mij een nieuw watervat en doe er een weinig zout in.quot;quot; Nadat zij het hem gebracht hadden, ging hij naar buiten tot de waterbronnen, wierp het zout daarin en sprak: . Dit zegt de Heer: Ik

-ocr page 921-

HE GlïOOTE CATECHISMUS

heb dit water gezoud gemankt en voortaan zal daarin geen dood ut\' onvruchtbaarheid meer zijn.quot; Aldus werd het water gezond tot op dezen dag.quot; -L Kon. 2, 19 22.

Welke segeninyen en (je)iade ontvangt de gsloovige ge-hmiher van het te ij water?

1. Het neemt zijne dugelijksche zonden weg. Het doet zulks echter niet door zich zelf, maar het bevordert het berouw, en het berouw verkrijgt de vergiffenis. Een decreet van Paus Alexander I spreekt dit duidelijk uit met de volgende woorden; „Het met zout vermengde water wordt voor de geloovigen gezegend, opdat zij, daarmede besprenkeld, gezuiverd worden, want als het bloed van bokken en stieren en de bestrooiino- met asch reinitrin»\'

O O

mededeelen (Heb. 9, 13) hoeveel te meer reinigt dan het zout met water gemengd, wanneer het, geheiligd door het goddelijk woord, gesprenkeld wordt?quot;-— Vandaar wordt het volk voor de openbare godsdienstoefening met gezegend water besprenkeld, om daardoor aan te duiden , dat bet rein en heilig voor Gods aanscliijn verschijnen en tot Hem bidden moet. Daarom besprenkelen wij ook ons zeiven en do graven der geloovigen met wijwater, enz.

2. Dient het wijwater tot verdrijving der hooze geesten, ziekten, enz. De werking wordt in de wijding allerduidelijkst uitgedrukt, ofschoon we ons door eene goede gesteltenis deze bijzondere werking moeten waardig maken, want veel, zoo niet alles, hangt van deze gesteltenis af.

Dat het wijwater dikwijls eene wonderbare hulp verleende tegen den boozen vijand, tegen ziekte , onweer en andere ongevallen, bewijst de kerkelijke geschiedenis. De H. Gregorius de Groote o. a. verdreef daarmede de dui-

917

-ocr page 922-

DB GEOOTE CATECHISMUS.

veis uit een Klooster. De H. Elegius bevrijdde daardoor meer dan 50 bezetenen. De H. Quintinus overwon daardoor de koorts; de H. Bernardus genas verschillende ziekten door het gebruik van wijwater; de H. Germanus stilde daardoor een vreeselyk onweer, enz. enz. Loffelijk is daarom het gebruik van wijwater \'s avonds bij het ter ruste gaan en \'s morgens bij het opstaan, om ons daardoor bij nacht en dag te versterken tegen den booze en zijne aanslagen en tevens de stoffelijke onheilen van ons af te houden. Niet minder prijzenswaardig is het gebruik, de graven der afgestorvenen of het gebeente der dooden met wijwater te besprenkelen.

.Zooals de regen de verwelkte bloemen verfrischt. zoo verfrischt het wijwater de arme zielen, de uitgelezen hemelbloemen in het vagevuur, die door de zon der gerechtigheid geweldig getroffen en verschroeid worden. Zij roepen tot ons, zooals de rijke vrek tot Lazarus: ,Erbarmt U onzer en doopt de toppen van uwe vingeren in het wijwater en koelt ons af, want wij lijden hevig in dit vuur.1\'

Waarom moeten wij van de Sac.rumentaliën een yeloocig en (joed gébruik maken ?

Om aan de heilzame inzichten der Kerk te voldoen, die ons door die wijdingen en zegeningen een overgroot bewijs barer teedere moederliefde geeft en ook, omdat ze ons eigen voordeel op het oog hebben. Van af de wieg tot het graf wil zij ons met hare zegeningen eu gebeden begeleiden en ons troost en hulp verleenen. Vandaar zegent zij zelfs het kerkhof en bet graf, waarin ons ontzield lichaam zal rusten tot den algemeenen oordeelsdag. Welk eene liefde! Bij al hare wijdingen

918

-ocr page 923-

DK OROOTE CATECHISMUS.

en zegeningen (Sacramentaliën) heeft zij alleen ons geestelijk eu tijdelijk welzijn tot doel, d. i. de goddelijke straffen af te weren, ons te beschutten tegen onze vijanden en om ons zegen, vrede en welvaart voor tijd en eeuwigheid te bezorgen. Zijn dit niet meer dan voldoende gronden, om met inwendige godsvrucht van de Sacramentaliën gebruik te maken ? En welke kracht ligt er niet in het gebed der Kerk opgesloten, daar zij het lichaam van Christus is en door zijnen geest bezield en geleid wordt en haar gebed steeds met het gebed van Jesus en Zijne heiligen is vereenigd! Schatte men in het oud-verbond den zegen der patriarchen zoo hoog, hoe hoog moeten wij dan den zegen der Kerk achten, waaraan Christus do onuitputtelijke bronnen Zijner genade heeft toevertrouwd.

Waarvoor moeten tcij ons bij het yebmik can de 8a-cnuneidaliën wachten ?

1. Voor misbruik, zoodat wij de door de Kerk gewijde zaken niet op eene bijgeloovige wijze tot andere doeleinden (jebruiken dan waartoe ze gewijd zijn. Door de gebeden der Kerk ontvangen de gewijde zaken hare kracht en ze kunnen dus slechts die werking voortbrengen, welke in de gebeden is aangegeven.

2. Voor onverschiliigheid en geringschatting, door het gebed en den zegen der Kerk, of in het geheel niet, of slechts gering te achten. Daardoor ontgaan velen men-schen ook vele zeffeninjjen. omdat ze den vereischten

O O 1

eerbied en de noodige godsvrucht missen, noodzakelijk, om aan de zegeningen der Sacramentaliën deelachtig te worden. Met nadruk echter raad ik u, dikwijls en godvruchtig wijwater te gebruiken, niet slechts, wanneer

919

-ocr page 924-

DE GliOOTE CATECHISMUS.

men de kerk in- en uitgaat, maar ook, als men het huis verlaat of binnentreedt, bij het opstaan en slapen gaan en bij vele andere gelegenheden. Bid God daarbij dat gij door Jesus\' bloed immer meer en meer gereinigd en tegen alle gevaren, zoowel naar ziel als lichaam, moogt beschermd worden en gij zult er wel bij varen.

OVER DE CEREMONIËN IN \'T ALGEMEEN.

Wat is de het eekenis en het doel der ceremoniën ?

Met recht geeft men de leer over de kerkelijke gebruiken en ceremoniën eene plaats in den cathechisnuis achter de leer van het gebed , wijl ze teekens en handelingen zijn, welke de Kerk bij de viering der gods-dienstoefeninwen heeft verordend. De kerkelijke ceremoniën zijn immers, evenals het o-ebed, ingevoerd tot lof en verheerlijking van God en dienen tevens, om ons hart tot God en tot overweging van Goddelijke dingen op te heffen, doordien zij deels de godsdienstoefeningen luister en plechtigheid bijzetten en zoo onze opmerkzaamheid van het aardsche losscheuren en op het he-melache richten, deels de onzichtbare geheimen ons in zichtbare voor ooaren stellen en daardoor hunne overwegingen gemakkelijk maken. Wij zijn allereerst zinnelijke wezens en wij willen door het zinnelijke tot het bovenzinnelijke verheven worden en daartoe dienen de ceremoniën. Gelijk de zichtbare Schepping ons tot den onzichtbaren Schepper opvoert, gelijk God in de majestueuse zon, inde millioenyn fonkelende sterren, in de ontelbare bloemen en natuurlijlce kunstgewrochten, aan den hemel geplaatst heeft, welke ons luide Gods grootheid, wijsheid en goedheid verkondigenr zoodat David uitriep: „De hemelen verhalen Gods heerlijkheid,quot;

920

-ocr page 925-

])E GKOÜTE CATECHISMUS.

evenzoo moeten de kerkelijke ceremoniën ons op God wijzen en de geheimen van den godsdienst verzinnebeelden. Het is niet te ontkennen , alle kerkelijke gebruiken en cercmuniën hebben eenen zin en eene beteekenis en dienen, om in ons verhevene gevoelens op te wekken; want wat de heilige, onfeilbare Kerk verordent, goedkeurt ot uitoefent, kan niet anders dan ons nvtliy en ccordcelüj zijn, wijl zij in al Laar doen en laten door den li. Geest hestimrd wordt.

Dit is ons duidelijk geworden, toen wij vroeger Lebben gesproken over de ceremoniën bij Let Doopsel. het Vormsel, bij de ii. Mis en de Sacramentaliën. Zij, die dus beweren, dat de ceremoniën tot niets dienen en door God niet gewild worden, wijl men God in geest en waarheid moet aanbidden. geven daardoor te kennen, dat ze gebrek hebben aan Christelijke wetenschap en gemoedsstemming. Zeker is het te verwerpen, de ceremoniën koud en gedachteloos bij te wonen, zonder Laren zin en hare beteekenis te verstaan. of wel de ceremoniën boven den godsdienst zeiven te Londen, zooais de heidenen doen, maar vat men haren samenhang met den godsdienst, volgt men Laren loop en hare zinnebeelden met een aandachtig gebed, dan aanbidt men God in geest en waarheid.

Afkeurenswaardig en strafbaar is eveneens, te beweren , dat de ceremoniën slechts ijdele formalileiten zouden zijn. Het tegendeel is waar! God schreef immers in het oud-verbond den joden onder strenge straffen verschillende ceremoniën voor. Zoo zijn in Let 3e boek van Mozes alle ceremoniën juist aangegeven, welke bij de verschillende offers, bij de wijding der priesters , bij

921

-ocr page 926-

DE OROOTE CATECHISMUS.

de plaatsing der lichten enz. moesten iu acht genomen worden. Christus bediende zich evenzeer van onderscheidene ceremoniën. Toen Hi] den doofstomme genas, stak Hij Zijn\' vinger in diens ooren, raakte zijne tong met speeksel aan, sloeg Zijne oogen hemelwaarts , zuchtte en sprak: ,Epheta\'1 d.i. wordt geopend. Mark. 7 : 30 — li-i. Bij de genezing van den blindgeborene spuwde Hij op de aarde, maakte uit het speeksel slijk en bestreek met het slijk diens oogen. Joh. 9: 6.

Hij blies over Zijne leerlingen, toen Hij hun den H. (ieest mededeelde. Joh. 20; 22 enz.

Op Jesus\' voorbeeld verordenden de Apostelen ook vele voorschriften bij de godsdienstoefeningen, welke deels schriftelijk, deels mondelings tot ons zijn gekomen. Vandaar kon de H. Paulus schrijven : „Het overige zal ik regelen, wanneer ik zal komen.quot;\' 1 Gort. 11:34.

Om den zin, die aan de ceremoniën ten grondslag ligt, eenigszins te begrijpen, /.uilen we de beteekenis der voornaamste kerkelijke gebruiken nader ontwikkelen.

OVER EENIGE CEREMONIËN IN T BIJZONDER.

Wat hcteeketd het gebruik van wierook?

Hij is een teeken der hoogste vereering; zoo zelfs, dat de heidenen wierook brandden ter eere hunner goden.

In den tempel te Jeruzalem stond het reukaltaar, en het reukwerk was door God zelf bij de godsdienstoefeningen voorgeschreven en geregeld. In het Oosten achtte men het branden van wierook steeds als het grootste eerbewijs en vandaar zien we de driekoningen, ten teeken der vereering, het kindeken Jesus wierook opdragen. Wierook is tevens een teeken des gebeds hetwelk als een aangenaam reukofler tot God ten he-

922

-ocr page 927-

DE GROOÏE CATECHISMUS.

mei moet opstijgen en daarom bad David: .Laat mijn gebed als wierook voor Uw aangezicht verschijnen.quot; (Ps. 140: 2.)

Wat beduiden de brandende kaarsen ?

Het geloof, dat verlicht, de hoop, die opwaarts stijgt en de liefde, die ontvlamt, terwijl ze ons tevens herinneren aan de tijden der vervolging, toen de godadienst-oefeningeu in verlichte onderaardsche holen gevierd werden.

Welke beteekenis hebben de gewijde kaarsen op Maria Lichtmis ?

Zij herinneren ons Simeons woorden , dat Jesus .het licht tot verlichting der heidenenquot; is (Luc. 2 : 32) en dat ook wij als kinderen des lichts moeten wandelen. (Eph. 5; 8.)

Waaraan moet ons de paaschlcaurs herinneren ■f

Aan Christus, den \\ errezene, die ons uit de slavernij van Satan bevrijdde , gelijk weleer de vurige zuil Israels kindereu uit de slavernij van Egypte verloste. De vvie-rookkorrels, die op de paaschkaars ziju aangebracht, duiden op de kostbare specerijen, waarmede eenige vrome vrouwen voornemens waren Jesus te balsemen.

Die wierookkorels zijn vijf in getal, om ons te wijzen op de vijf wonden, welke de verrezen Verlosser behield, om Zijne leerlingen en de geheele wereld van de waarheid Zijner opstanding te overtuigen.

Welke beteekenis lir/t er in de gewijde assche opgesloten ?

Zij herinnert er ons aan. ons te verootmoedigen en oprecht boete te doen en daarom zegt de priester ook, terwijl hij ons de gewijde asch op het hoofd of het

923

-ocr page 928-

DE GHOOTE CATECHISMUS.

voorhoofd drukt: „Gedenk, o uiensch, dat gij stof\'zijt en tot stof zult wederkeereu!quot;

Ook in liet oud-verbond was de asch liet teeken van boete en droefheid. Nauwelijks had de koning van Ninivé de boetpredikatie van den profeet Jonas gehoord, of hij verliet zijnen troon, kleedde zich in treurkleederen en zat neder in de asch. (Jonas 3: G.) Ook Judith kleedde zich in boetkleederen, strooide asch op haar hoofd en wierp zich in het stof voor den Heer om Zijn1 zegen over haar voornenipn af te smeeken (Judith 9: 1.) Toen Mardocliseus de samenzwering tegen het leven van alle joden in Perzië bekend werd, verscheurde hij zijne kleederen, trok een zak aan en strooide asch op zijn hoofd . . en velen namen zakken en asch in plaats van rustbedden. (Esth. 4: 1—3.)

Wat leeren ons de palmtakken op Pahnsoudatj.?

Zij roepen den feestelijk ca intocht van Jesus in Jeru-zalems muren in ons geheugen terug en terwijl ze ons wijzen op Zijne zege, over de hel behaald, moeten zjj ons aansporen, manmoedig te strijden, om den zegepalm des eeuwigen levens te verdienen, en, met dien palm getooid, eens triomphantelijk het hemelsch Jeruzalem binnen te treden.

OVER DE PROCESSIES.

Waarom heeft de Kerk processies inyevoerd?

1. Om God openlijk te prijzen. Hem te danken, Zijnen steun , bijstand en zegen over stad en land af tc smeeken en Zijne straffen af te wenden.

2. Om den zegen en de overwinning des Christendoms te vieren, en daarom opent het kruis den stoet, opgesierd met vliegende vaandels enz.

924

-ocr page 929-

DK ÖROOTE CATECHISMÜS. 925

3. Om ons te herinneren, dat wij op deze wereld iii(jt anders zijn dan pelgrims en steeds voor G-od moeten wandelen.

In de eerste tijden des Christendoms waren de processies niet in gebruik en was men ter oorzake der vervolging reeds tevreden. de noodzakelijke godsdienstoefeningen in afgelegen hoeken en onderaardsche holen hij nacht te kunnen vieren. Maar nauwelijks hielden de vervolgingen eenigszins op. of de processies kwamen in zwang. Twee honderd jaren na Christus maakt Tertu-lianus reeds gewag daarvan. Zoo spreekt de 11. Chrv-sostomus ook van processies, die gehouden werden, om door God van den overdadigen regen verlost te worden.

De processies op Markusdag werden door Paus Gre-gorius den Groote in 590 ingevoerd, om van de pest. die in Home en over geheel Italië woedde, verlost te worden. De lucht was zoodanig vergiftigd, dat hij, die geeuwde of niesde , plotseling dood nederviel. Vandaar het gebruik, dat men den niezenden toewenscht; „God zegene u.quot; Eene predicatie van hem, bij die gelegenheid gehouden, strijdt voor ons gezegde.

De processies op de kruisdagen worden gehouden , om van God eenen gezegenden oogst te vragen en weer andere met een even bijzonder doel.

In vroegere tijden, toen de katholieke godsdienst nog de godsdienst van Staat was , moclit men niet alleen ongehinderd processies houden, maar de regeeringen deden al liet mogelijke, om er uitwendige pracht aan toe te voegen. X u echter de meeste regeeringen of ongeloo-vig of onkatholiek zijn en wederrechtelijk de Kerk in de uitoefening van haren eeredienst knevelen en belem-

-ocr page 930-

DE GROOTE CATECHISMDS.

meren, is dit schoone gebruik voor de meeste landen en plaatsen eene onmogelijkheid geworden. Andere optochten vinden alle zelfs stoffelijken steun bij de verschillende besturen en worden niet zelden met militaire eer begeleid, ofschoon ze dikwijls strekken tot bespotting van priesters en religieuzen, God en godsdienst en alles, wat den braven Christen dierbaar en heilig is. Die lakenswaardige processiën worden historische optochten genoemd, zooals er in ons vaderland in de academie-steden somtijds ook worden gehouden; waarbij men dan half- en heeldronken studenten in een paters- of non-nenhabijt steekt, niet om den ernst van de historie, maar om den lachlust van den toeschouwer voedsel te geven. Dat het voor die lui moeielijk zijn zal, om eens deel uit te maken van die groote eeuwigdurende processie, wier leden met palmtakken der overwinning het Lam zullen volgen, waar het gaat, begrijpt een ieder.

OVER DE BEDEVAARTEN.

Wat verstaat men onder bedevaarten ?

Hieronder verstaat men het bezoeken van aan God gewijde plaatsen, door een of meer personen ondernomen ter eere Gods, der allerheiligste Maagd of van den eenen of anderen heilige. Dat die bedevaarten prijzenswaardig en nut tig zijn, bewijzen de voorbeelden van de heiligen en de veelvuldige aflaten, door de Kerk daaraan verleend. mits ze zóó geschieden, als de Kerk \'t verlangt, en het volgende daarbij niet uit het oog verloren wordt.

1. De reis niet ondernemen uit nieuwsr/ierigheid of met een ander ijdel doel.

2. Zich een vroom en niet geraarlijk gezelschap uitkiezen.

926

-ocr page 931-

DE GEOOTE CATECHISMÜS.

3. Zoolang men op weg is, den tijd met bidden, lofgezangen of vrome onderhoudingen doorbrengen.

4. In de logementen zich ingetogen gedragen en niet overgeven aan onmatig eten of\' drinken.

•gt;. Op de plaats der bestemming zich niet godsdienstoefening bezighouden en zoo mogelijk (of voor dien tijd) eene oprechte biecht te spreken en waardig en met godsvrucht communieceeren.

6. Greene bedevaart ondernemen op eeuen tijd. dat onze beroepsplichten daaronder lijden ofwel, als onze zaken of onze stand niet toelaten, zulks te doen. Ontbreken deze en nog meer soortgelijke voorwaarden, dan zal de bedevaart meer schilde dat nut veroorzaken en bijzonder dan, wanneer men na de bedevaart op nieuw zijn zondig leven begint, gelijk de H. Hieronvmus juist aanmerkt, zeggende; „Men verdient geen lof, dat men te Jeruzalem geweest is, maar het is lofwaardig, wanneer men te Jeruzalem vroom geleefd heeft.quot; Eveneens is hot voor ons geen lof, Kevelaar, Scherpenheuvel, Den Briel., Lourdes of Loretto te hebben bezocht, maar we zijn te prijzen, wanneer we daar beter zijn geworden en in het vervolg braaf blijven.

H at heivijst. dat het gébruik der bedevaarten oud is en door het voorbeeld, der heiligen irordt aangeprezen ?

God, de Heer zelf, beval reeds den joden van het mannelijk geslacht, driemaal \'s jaars op de plaats te verschijnen, die Hij Zich als eene bijzondere woning had uitgekozen, n. 1. Jeruzalem (5 Moz 16, 14) De drie feesten, waarop do bedevaarten moesten ondernomen worden, waren Paschen, Pinksteren en Loofhuttenfeest. Daarbij zonder offer verschijnen, was verbo.-

927

-ocr page 932-

928 l)ï GROOTE CATECfitSMÜS.

den. Tengevolge van dat voorschrift zien we Jesus. twaalf jaren oud zijnde, Zich op de joodsche hoofdfeesten naar Jeruzalem begeven , het welk U geographische mijlen (1 geographische mijl - 1 Va uur gaaus) van Nazareth verwijderd was. Ook de eerste Christenen ondernamen dikwijls eene bedevaart naar de plaatsen. door Jesus\' voetstappen geheiligd , gelijk de H. Hieronymus, die zelf in Bethlehem leefde, verhaalt: „Het is niet mogelijk.quot; zegt hij, -alle Bisschoppen, Martelaars en andore door geleerdheid en wetenschap uitstekende mannen en vrouwen op te noemen, die van af Christus\' hemelvaart tot op dezen tijd naar Jeruzalem kwamen. Zij geloofden, dat er iets ontbrak aan hunnen godsdienst en hunne wetenschap, zoolang zij Christus met op die plaats aanbeden hadden, waar het Evangelie des Kruizes het eerst verkondigd werd.\'1 Vele pelgrims trekken insgelijks naar Rome, om op de graven der Apostelen te bidden, met den wensch en het verlangen van den H. Chrvs. in het hart, om het stof der aarde te kussen , hetwelk die heilige lichamen bedekt.

Zijn de pelgrimstochten mdticj en heilzaam ?

Ja, als de voorwaarden, boven aangegeven, worden nageleefd. Het is waar. God is overal en men kan overal bidden, zooals men wel eens hoort zeggen, maar het is niet minder waar, dat God ons op zekere plaatsen en op zekere tijden eerder verhoort. Bovendien hoort en ziet men op die genadeplaatsen veel, dat ons tot grootere godsvrucht strekt en met grooter vertrouwen vervult, waardoor onze gebeden zeer veel aan kracht en genadige verhooring winnen. In dezen zin schreef reeds de H. Augustinus; ,Wij vereeven de heiligen,

-ocr page 933-

de gkoote c.vtechismüs.

wanneer wij de plaatsen bezoeken, hun door God ter Zijner eere toegewezen, omdat het verblijf aldaar in ons de edelste gevoelens opwekt en de liefde warmer wordt jegens de heiligen, die we moeten navolgen, en jegens Hem, door wiens hulp ons dit mogelijk is, en tevens, omdat wij weten; dat God op zekere bevoorrechte plaatsen veel wonderen door Zijne heiligen wrocht, die Hij op andere plaatsen niet wil verrichten.quot;

Zooals tegeu de processies, verzetten zich de wereld-lingen tevens tegen de bedevaarten, welke als geld- en tijdverspillingen worden uitgekreten. Waarom die onkosten niet aan de armen gegeven?quot; zeggen de Phari-seeën. Wij antwoorden: „Waarom u met onze zaken bemoeid ? zoo goed is hun doel, dat de Kerk ze als nuttig en heilzaam aanprijst. Maakt gij eiken avond maar eene pelgrimsvaart naar de opera of het concert, om telkens meer bedorven terug te keeren. Geeft daarvoor het geld uit, waarmede de noodlijdenden konden gebaat worden. Verspilt aanzienlijke sommen op uwe bedevaarten naar eene badplaats, waar alles te vinden is, uitgenomen zielsgenot, en vanwaar men dikwijls zieker naar ziel en lichaam terugkeert, dan men was by de heenreis. Doet dit alles, maar bemoeit u niet met onze bedevaarten, die we toch, ondanks uw spot en uwe versmading, zullen blijven houden. Bemoeien wij ons dan met uwe zendingsfeesten, die ook niet anders dan bedevaarten zijn ?

OVER DE BROEDERSCHAPPEN.

Wat verstaat men onder Broederschappen ?

De broederschappen zijn godsdienstige vereenigingen eu hebben de godsdienstige opvoeding en volmaking der gr. cat. 59

929

-ocr page 934-

DE (JHOOTE CATECHISMUS.

lidmaten tot. naaste doel. Daartoe bedienen zij zich (buiten zekere oefeningen van deugd, b. v. versterving en naastenliefde)van bijzondere godsdienstige middelen, zooals ; predicatiën, opwekkingen, voorlezingen, liet dikwijls ontvangen der Sacramenten, naast andere oefeningen van godsvrucht.

De Pausen spreken dan ook steeds met lof over die voreeriigingen en verleenden daaraan vele aflaten, omdat zij meer dan anderen het groote nnt daarvan inzagen.

Het is bekend; met welk eenen heiligen ijver de H. Carolus Borromaeus en de H. Franciscus van Sales ijvei--den voor de oprichting en den bloei van onderscheidene broederschappen, en daarbij voor moeiten noch kosten terugdeinsden.

„De broederschappen,quot; zegt de H. Alphonsus, „in \'t bijzonder der H. Maagd, zijn even zoovele Arken van Noë waarin de arme wereldmenschen tegen de stormen der bekoringen en zonden, waarmede de wereld overdekt is, toevlucht en redding vinden. Een broederschap kan men een toren van David noemen, voorzien van borstweringen en gedekt door duizend

schilden..... Het lidmaatschap der broederschappen is

daarom zoo nuttig, wij! de medeleden daarin veelvuldige verdedigingsmiddelen tegen de hel vinden en meer middelen ter volharding in Gods genade.

Onze broederschappen verplichten ons gewoonlijk niet tot zware verstervingen en langdurige overwegingen of gebeden, en zijn derhalve ook niet van zoo groote kracht en uitwerking als die, waarvan de H. Alphonsus spreekt. Evenwel valt het niet te ontkennen, dat de broederschappen, ook in ons vaderland, er veel toe bijdragen, om het godsdienstiy;

930

-ocr page 935-

de groote catechismus.

931

IMPRIMATUR

J. Gi. H. C. Essink ,

Li In\'. Censor.

leven nieuw voedsel te schenken en invloed uit te oefenen op getrouwer naleving der beroepsplichten. Vooral moet dit gezegd worden van mannen- en vrouwen-, meisjes- en jongi-nscongregaties. Daarin wordt gesproken door den gerstelijken Directeur naar de behoeften van stand en geslacht, men vergadert regelmatig, bidt te Kamen, knielt naast elkander op gezette tijden in den biechtstoel en aan de communiebank; en dat vertrouwelijk samen zijn, bidden en werken van godsvrucht verrichten, deelt zijne werking aan elk der leden mede en scheukt hun tevens smaak in het godvruchtig leven. Heil den mensch, die dus medewerkt tot oprichting, instandhouding en bloei der broederschappen , want daardoor baat hij zich zeiven, den naaste, godsdienst en God. Zeggen wij de H. Theresia na: .Ik ben bereid, voor .de kleinste ceremonie of instelling van Jesus\' Bruid, de H. Kerk, leven en bloed te geven.quot;

God zij lof, den lezer heil.

Maarsen, Ü7 Sept. 1888.

-ocr page 936-

BZLi-A-XrWIJZIEIE..

Bladzijde. 1-8 8—22

Eerste Les. Tweede Les.

Over de openbaring.

Over de overlevering

EERSTE HOOFDSTUK.

WAT WIJ MOETEN GELOOVBN.

De Apostolische geloofsbelijdenis. Derde Les.

Wat is gelooven ......

Vierde Les.

Eerste artikel der geloofsbelijdenis .

Vijfde Les.

Over Gods volmaaktheden ....

Zesde Les.

Over de H. Drievuldigheid ....

Zevende Les.

Over de schepping , regeering en onderhouding der wereld ....

Achtste Les.

Over de goede en kwade engelen .

Negende Les.

Over den mensch ....

Tiende Les.

Over de erfzonde ....

Elfde Les.

De beloften van den quot;Verlosser

Twaalfde Les.

Tweede artikel der geloofsbelijdenis; Ik geloof in Jesus Christus Gods eenigen Zoon onzen Heer. . . •

Dertiende Les.

Derde artikel der geloofsbelijdenis: Die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de Maagd Maria ......

Veertiende Les. De geboorte des Verlossers ....

Vijftiende Les.

Over Jesus\' openbaar leven en leeraarsambt .

22—30 30—34 34-58 58—66

66 — 73 73 — 79 79-88 88—94 94-100

100 — 105

105-114 114—125 125-140

-ocr page 937-

Bladzijde.

Zestiende Les.

Over liet lijden en sterven des Verlossers. Vierde artikel der geloofsbelijdenis: Die geleden heeft onder Pontius Pil at us, is gekruist, gestorven en begraven ......

Zeventiende Les.

Vijfde artikel der geloofsbelijdenis : Hij is nedergedaald ter helle 7 ten derden dage verrezen van de dooden ......

Achttiende Lck.

Zesde en zevende artikel der geloofsbelijdenis: Hij is opgeklommen ten hemel, zit ter rech-terhrnd van God; den almachtigen Vader. Vanc\'iaar zal Hij komen oordeelen de levenden en ds dooden ......

Negentiende Les.

Achtste en negende artikel der geloofsbelijdenis : Ik geloof in den H. Geest. De H. Katholieke Kerk , gemeenschap der Heiligen Twintimte Les.

Over het opperhoofd der Kerk

Een-en-twintigste Les.

Over de onfeilbaarheid der Kerk .

Twee-en-twintigste Les.

Over de kenteekenen dor ééne ware Kerk en die tot haar behooren ....

Drie- en,-twintigste Les.

Over de strijdende, lijdende en zegevierende Kerk Vier-en-twintigste Lus.

Over het tiende, elfde en twaalfde artikel der geloofsbelijdenis: Ik geloof: in de vergiffenis der zonden, in de verrijzenis des vleesches en het eeuwig leven .....

TWEEDE HOOFDSTUK.

WAT WIJ MOETEN DOEN EN LATEN.

Vijf-en-twintigste Les.

Over de deugd en de drie goddelijke deugden.

Zes-en-twin tigste Les.

Over de goddelijke deugd: het geloof

Zeven-en-twintigste Les.

Over de goddelijke deugd: de hoop

Acht-en-twintigste Les.

Over de goddelijke deugd der liefde. De naastenliefde en eigenliefde . . . . .

Negen-en-twintigste Les. Over de zonde ......

140 — 155

155-167

167 — 177

177 — 193 193—202 202—209

209 — 219 219-227

227—253

253—264 264—275 275—282

282-311 311-321

-ocr page 938-

Dertigste Les.

Over

de

hoofdzonden.

Over

de

zonden tegen den li. Goost

Over

de

negen vreemde zonden

Over

de

wraakroepende zonden

Een-en-dertigste Les

O vei-

de

tien geboden Gods .

Twee-en-dertigate Les. liet, eerste gebod .....

Drie-en-dei ■tuiste Les. Over de zonden tegen liet eerste gebod .

Vies•-en-dertixjste Les. Over de voreering der Heiligen

Vijf-en-dertiysta Les. Over liet tweede gebod ....

Zes-en-dertif/ste Les. Over liet derde gebod ....

Zeven-en-dertigste Les. Over het vierde gebod ....

Aeht-en-dertiysie Les. Over liet vijfde gebod , . . .

Negen-en-dertigste Les. Over liet zesde gebod ....

Veertigste Les. Over bet zevende gebod

Een-en-veertigste Les. Over het achtste gebod ....

Twee-en-veertigste Les. Over het negende gebod Over het tiende en laatste gebod .

Drie-en-veertigste Les. Over de vijf geboden der H. Kerk.

605—612 612—62(1 620—629 629 — 640 640-644

DERDE HOOFDSTUK.

OVEll DE GENADEMIDDELEN , NAMELIJK DE 11, SACRAMENTEN EN HET GEBED.

Vier-en-veertigste Les.

Over de genade .....

Vijf-en-veertigste Les.

Over de heiligmakende en werkende genade

Zes-en-veertigste Les.

Over de goede werken ....

Zeven-en-veertigste Les.

Over de Sacramenten in \'t algemeen

Acht-e)gt;-veertigste Les.

Over de verdeeling der Sacramenten

Bladzijde.

I O Q O •gt;_. 1---O O \'J

342

O 12- 018

8-13—852

852 — \'gt;07

857—391

861 —877

877 - 100

400 -417

417—482

482—47(5

470 — 501

501—522

522—542

542 — 561

501 — 567 567 — 571

571—605

-ocr page 939-

Negen-en-veertigste Les.

Vijftigste Les.

Een-en-vyftigste Les. Over liet H. Sacrament des Altaars

Twee-en-vijftigste Les. Over het H. Offer der Mis .

Drie-en-vijftigste Les. Over het H. Offer der Mis (vervolg)

Vier-en-vjftigste Les. Over de H. Comnmnie ....

f rijf-en-vijfligste Les.

Over de Biecht

Zes-en ■vijftigste Les. Over het gewetensonderzoek en het berouw

Zeven-en.vijftigste Les. Over het volmaakt en onvolmaakt berouw

Acut-en-rjftig.ite Les. Over de belijdenis .....

l\\rigen-en-rijftigste Les.

Over de voldoening

Zestigste Les.

Over den aflaat. .

Een-en-zestigste Les. Over het II. Oliesel . . .

Twee-en-zestigste Les. Over het Priesterschap ....

Dri e-en-zestigste Les. Over het Huwelijk ....

Vier-en-zestigste Les. Over het gebed eu liet kruisteeken.

Vijf-en-zestigste Les. Over liet gebed des Heeren . \' .

Zes-en-zestigste Les. Over den groet des Engels . .

Over de Sacramentaliün.

Over de Ceremoniën in ;t algemeen

Over eenige Ceremoniën in \'t bijzonder

Over de Processies

Over de Bedevaarten

Over de Broederschappen

Bladzijde. 644 — 664

664—675

CJTr, —(iSil

091 — 703

703 — 720

720 — 739

739 — 754

754-769

769 — 776

/7 6 — 795

795—809

809 — 822

822—830

831-845

845 — 864

864 — 886

886—901

901—913

914-920 920-922 922-924 924-926 926—929 929-931

Over het Doopsel.. Over het Vormsel .

IVIon gfolieve de achterzijde van dit bind te lezen.

-ocr page 940-

JUSTUS CHRISTUS.

Tweede verbeterde uitgave,

4 deelen in 8 volumen groot 8° formaat fl. 16.50. Ie Deel. ZIJK VERBORGEN LEVEN. He Deel. OPENLIJKE LEVENSWANDEL VAN JESUS CHRISTUS.

1. Jems\' openlijke levenswandel tot aan het tweede

Paaschfeest.

2. Jesus\' openlijke levenswandel van het tweede tot

aan het derde Paaschfeest.

3. Jesus\'1 openlijke levenswandel van het derde tot

aan het vierde Paaschfeest.

Hle Deel. JESUS\' OFFER EN VERHEERLIJKING.

1. Jesus\' laatste dagen hij en in Jeruzalein.

2. Jesus\' Lijdensoffer.

3. Jesus\'\' Verheerlijking.

IVe Deel. AANHANGSEL,

bevattende eene reeks aanteeheningen, eene Evangelii\'n-harmonie, eene chronologische lijst en een zaak- en naamregister.

NB. Men leze de gunstige beoordeelingen in de verschillende katholieke bladen en tijdschriltci!.

Btj den uitgever dezes ts mede verschenen en in lederen boekhandel verkrijgbaar:

-ocr page 941-
-ocr page 942-
-ocr page 943-

I —.

I ^