J
K E A M E R S\'
WOORDENTOLK
VERKORT
BEVATTENDE DE VERTALING EN VERKLARING VAN DE MEEST GEBRUIKELIJKE
VREEMDE WOORDEN EN UITDRUKKINGEN.
WAARVAN DE KENNIS VOOR DEN AMBTENAAR, KOOPMAN, FABRIKANT, KUNSTENAAR, DAGBLADLEZER ENZ.
EENE DAGELIJKSC\'IE BEHOEFTE IS
ELFDE DRUK
Geheel herzien en aanzienlijk ver pieêP- »
derd en verbeterd ® C
GOUDA G. R. VAN GOOR ZONEN
cn
j
VOORBERICHT.
0P nitnoodiginy der Vipers .......
^quot;quot;l IZZnfld\' lit het Engelsch en andere nieum Men
loc,er merscort, „epa-rd aan HeUandW for-,Wr ah eene groote verbetering beschouwd worden.
r.
•r rf»» dae letcnopte verzamehng geven kan, neme :r::::z::^^.anden^.
ientoli\') ter hand. die onlangs venehenen .s.
H. V!. F. BOKTE.
tolk. bevattende de Ve^1.quot;s „ggchriften van allerlei aard, m Woorden en Zegswijzen, die in ^ del Bedrijf, enz. v°otV%£™\'
de Taal Jquot; . Sam,e°\'eJV\'quot;fi,itaSr£k en 3« Klemtoon d.erWoot-
S balflederen band t «0\'amp;
Verklaring der verkortingen en teekens.
|
adj. |
= |
adjectivum, byvoeglyk naamwoord. |
|
adv. |
= |
adverbium, bywoord. |
|
afg. |
— |
afgekort. |
|
afk. |
= |
afkorting. |
|
alg. |
= |
algemeen. |
|
bet. |
= |
beteekenis; beteekent. |
|
bv. |
= |
bij voorbeeld. |
|
d. i. |
= |
dat is. |
|
e. a. |
= |
en andere. |
|
eig. |
= |
eigenlyk. |
|
eng. |
= |
Engelscb. |
|
enz. |
= |
en zoo voort. |
|
tam. |
= |
familiaar; gemeenzaam. |
|
tig- |
= |
figuurlijk; oneigenlyk. |
|
fr. |
= |
Fransch. |
|
gl- |
= |
gulden. |
|
gr. |
= |
Grieksch. |
|
hd. |
— |
Hoogduitscb. |
|
inz. |
= |
inzonderheid. |
|
iron. |
— |
ironisch, bocrtcud. |
|
it. |
= |
Italiaansch. |
|
lat. |
= |
Latgn. |
|
N. |
= |
Noord. |
|
ned. |
= |
Nederlandsch. |
|
0. |
= |
Oost. |
|
o. a. |
= |
onder anderen. |
|
i»l. |
= |
namelyk. |
|
pi. |
= |
pluralis, meervond. |
|
pop. |
= |
populair, by \'t volk thuis behoorend. |
|
port. |
= |
Portugeesch. |
|
VERKLAEINQ DER VERKOETINQEN EN TEEKEN3. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
zooveel als. |
Het korte streepje (-) moet somwglen het eerste gedeelte van het onuiiddellgk voorafgaande woord, soms ook het laatste gedeelte van een volgend woord vervangen (bv. overladen, -stelpen, lees: overstelpen; toon- of klankleer, lees: toonleer). — Dat hetzelfde teeken, waar het tusschen twee woorden staat (bv. te-goed), ae samenkoppeling dier woorden aanduidt, behoeft wel niet gezegd te worden.
De komma-punt (;) strekt ter afscheiding van de verschillende of gewijzigde beteekenissen van een en hetzelfde woord.
De woorden aan \'t hoofd van ieder artikel beginnen öf met eene kapitale, öf met eene kleine letter. Door de eerste worden de zelfstandige naamwoorden, ook de van eigennamen afgeleide bgvoeglgke naamwoorden aangeduid ; al de andere woordensoorten hebben een kleine aanvangsletter.
Het woord, dat aan \'t hoofd van een artikel staat, wordt, bg herhaling daarvan in dezelfde alinea, vaak uitgedrukt door de eerste letter met een punt daarachter.
Krjjgt zoodanig herhaald woord eene buigingsletter (hier doorgaans de e) achter zich, dan geschiedt die herhaling dikwijls door de voorletter gevolgd door een hyphen
en de buigingsletter (bv. apostolisch.....; a-e kamer,
lees: apostolische kamer).
A.
a, (fr. ?t) voor, toproii, om (h. v. de meter a 1 p-l., togen Aquot;, — anno, in liet jaar. [1 gl, de meter.)
A. — are, vierkante roede. (voor Christus.
A. a. c. (of Ch.) Anno ante Christum, liet(in het) jaav A. C. — anno Christ!, in \'t jaar van Christus, d. i. na Christus\' geboorte. (hoorte.
A. C. (Ch.) n. (ante Christum natum) voor Christus ge-A. D. — anno Domino, in \'t jaar onzes Heeren. A. M. — anno mundi, in \'tjaar der wereld; ook: — ar-
tium magister, meester der vrge kunsten.
a. m. (op het adres van hrieven) — amica manu, met vriendenhand.
A. amp; O. — Alpha amp; omega (eerste en laatste letter van
\'t gr. alphabeth), begin en einde, eerste en laatste, ab, van.
ab extra, van buiten af.
Abaliënétie, vervreemding, overgang van eigendom, abaliëneeren, vervreemding; afkeerig of afvallig maken. Abandón, afstand, overgave; recht van afstand; hulpe-Abandóno, gelaten (in de muz.) (looze toestand,
abandonneeren, verlaten, laten varen, opgeven. Abandonnement, verlating, afstanddoening, afstand. amp; bas! naar beneden! er onder! weg met!
Abat-jour, keldervenster, vallicht, koekkoek; (ook:) sier-Ijjk uitgesneden papier over den ballon v. een lamplicht. Abattement, neerslachtigheid, verslagenheid, uitputting. Abattoir, slachthuis, slachtplaats.
abattü, neerslachtig, moedeloos; afgemat.
Abba, vader. (of prove heeft.
Abbé, abt; wereldgeestelijke in Frankrijk, die nog geenc abdij Abbreviatie, verkorting, afkorting, (in/,, van een woord). Abbreviatuur, verkorting, z. Abbreviatie.
Abbreviëeren, verkorten, afkorten, (inz. een woord). Abcés, of Abscés, gezwel, ettergezwel, etterbuil. Abderiseeren, beuzeltaal, zotteklap uitslaan, beuzelen. Abderieten, inwoners van de oude gr.-stad Abdera, wegens hunne onnoozelheid vermaard; (vandaar in \'t algemeen :) onnoozele menschen, stumperds. sukkels. Abderitisch, onnoozel, zot, ongergmd, belachelijk.
ELFDE DRUK. i
2 Abdicatie—a bon droit
Abdicatie, vrijwillige nederlegging van een waardigheid;
vrywillige afstand van een recht. (opgeven,
abdiceeren, abdiqueeren, afstand doen; zyne aanspraak abdominaal, tot het onderlijf hehoorende.
Abductie, af- of wegvoering.
Aberratie, afdwaling, afwijking, onregelmatigheid.
ab hoe et ab hac, in \'t wild, in \'t honderd, zonder orde
of regel, van den os op den ezel.
abhorreeren, verafschuwen, een afgrijzen hebben. Abhorréntie, Abhorrescéntie, afschuw, afgrijzen.
Abime, afgrond. (moed benemen,
abimeeren, te gronde richten, in een afgrond storten, den ab initio, van het begin af.
ab intestéto, zonder uiterste-wilsbeschikking of testament, ab irato, in een vlaag van toorn.
Abituriënt, hij die eene school verlaat om naar eenehoo-gere te gaan b. v. van het gymnasium naar de academie. Abituriénten-examen, eindexamen.
abjéct, laag, verachtelijk, laaghartig.
Abjéctie, wegwerping, laaghartigheid, zelfverlaging. Abjudicatie, gerechtelüke ontzegging.
abjudiceeren, gercchtelyk ontzeggen.
Abjurótie, afzwering.
abjureeren, afzweren, met een eed loochenen.
Ablactatie, het spenen der zuigelingen.
Ablata, gestolen dingen.
Ablativus, Ablatief, zesde naamval (nemer, derver). Ablegaat, pauselyk gezant.
Ablutie, wassching, reiniging, enz., die door dezen en genen godsdienst wordt voorgeschreven, hand wassching, Abnegótie, verloochening; weigering, ontzegging.
abnórm, abnormaal, tegen den regel; gebrekkig, misvormd. Abnormiteit, afwyking van den regel; misvormdheid. aboleeren, afschaffen, opheffen (b. v. wetten).
Abolitie, opheffing, afschaffing.
Abolitionist, afschaffer, inzonderheid iemand, die de af-
schaffing der slavcrny begeert of voorstaat, abominabel, afschuwelyk, verfoeielyk.
Abominatie, verfoeiing; verwensching.
abomineeren, verfoeien, vervloeken, eenen afschuw hebben, abondant, Abondantie, enz., zie abundant, enz. amp; bon droit, met rccht.
è bon marché—Absolutisme 3
amp; bon marché, goedkoop.
Abonnement, voorafbestelling, inteekening.
abonneeren (zich), inteekenen, vooruitbestellen. Abonnent, inteekenaar.
abordage, aanlanding; entering; het aanspreken, abordeeren, aanlanden ; enteren; aanspreken.
ab origine, van het begin af. (land.
Aborigines, oorspronkelyke of eerste bewoners van een aborteeren, eene miskraam krygen, te vroegtyd, bevallen. Abórtus, ontydlge bevalling, miskraam; (in rechten);
abortus procuratio, opzettelyke vruchtafdryving. aboucheeren, een mondgesprek houden.
Abouchement, mondeling onderhoud.
ft bout, op het iiiterste; radeloos; ft bout portant, van
zeer naby (b. v. op iemand schieten).
ab ovo, van het begin af.
ab ovo usque ad mala, van het begin tot het eind. Abracadabra, niets beteekenende, .zinledige taal; toover-woord, als amulet op een driehoekig briefje geschreven. Abregé, uittreksel, korte inhoud.
abregeeren, verkorten, kort samenvatten.
abréviêeren, z. abb—.
Abrivent, windscherm.
Abrogatie, afschaffing, opheffing, b. v. van eene wet door
eene latere, die de voorgaande te niet doet. abrogeeren, afschaffen, buiten werking stellen. (bereid, abrupt, afgebroken, onsamenhangend, plotseling, onvoor-abruteeren, abrutisseeren, verdierlyken, tot een heest
maken, geheel verstompen.
Abrüptie, afbreking; het plotseling zwygen in de muziek. Absces, zie abces.
absent, afwezig; verstrooid van gedachten.
absenteeren (zich), zich verwijderen.
Absenten, afwezigen.
Absentie, afwezigheid; verstrooidheid van gedachten. Absentisme, het gedurig afwezig zyn, inz. de gewoonte der lersche grondeigenaars om buiten Ierland te wonen. Absint, alsem, alsemdrank.
absit invidia, nyd of afgunst ter zyde.
absolument, volstrekt, gebiedend, noodzakelyk.
Absolutie, vrijspreking van zonden. (voering.
Absolutisme, willekeurige heerschappy, onbeperkte gezag-
4 Absolutist—accelereeren
Absolutist, aanhanger d. onbeperkte alleenlieerschappy. absoluut, volstrekt; op zicli zeiven; onbepaald, onafhan-
kelgk; onvoorwaardelgk.
Absoluutheid, onbeperktheid, onbepaaldheid.
absolveeren, vryspreken, de absolutie geven; voleinden absorbeeren, inzuigen, opslorpen, verzwelgen.
Absórptie, inzuiging, opslorping.
abstineeren (zich)\' zich onthouden.
abstinént, onthoud/.aam, matig.
Abstinéntie, onthouding, inz. van spys elf drank. Abstinéntie-dagen, vastendagen. (dacht
abstract, afgetrokken; op zich zelf beschouwd; enkel ge-Abstréctie, afzondering; verstrooidheid van gedachten, abstraheeren, afzonderen, aftrekken; uit eene zaak iets af-absürd, ongerijmd, zot, onverstandig, onnoozel. (leiden. Absurditeit, ongeremdheid, strydighcid met de rede, on-Abuis, vergissing, misrekening. (zin, bespottelijkheid. Abundant, rgkeiyk, overvloedig.
abundantie, overvloed, rykdom.
abundeeren, overvloeien, overvloed hebben.
ab uno disce omnes, uit een enkele moogt gij de overige leeren kennen.
ab urbe condita (a. u. c.)» van den bouw der stad d. i.
van de stichting van Rome. (zich vergissen,
abuseeren, misbruik maken; misleiden; zich abuseeren, abusief, per abuis, bg vergissing; bedrieglijk.
abusus non tollit usum, het misbruik sluit liet (behoorlyk)
gebruik niet uit.
a. c. anno currente, in den loop van het\'jaar, annicur-
rentis, van \'t loopend jaar.
Academie, hoogere oefenschool voor een of ander vak of faculteit; gezelschap van geleerden, van kunstenaars, (ook, maar minder goed, voor :) hoogeschool, universiteit. Acajou, mahoniehout.
a capite ad calcem, van het hoofd tot de voeten(eig. hiel), accarezzevole, streelend, vleiend.
accableeren, overladen, -stelpen, bezwaren, nederdrukkeu.
Accablement, neerslachtigheid; hartzeer.
Accapareur, woekerachtige opkooper.
accedeeren, by vallen; toestemmen.
Acceleratie, versnelling, bespoediging.
accelereeren, bespoedigen, versnellen, verhaasten.
Accént—Acclüsum. 5
Accént, de toon en nadruk op lettergreep en woord, klemtoon ; een toonteeken op eene letter; gewestelijke of plaatselijke uitspraak, tongval. (toonteekens.
Accentuatie, toonaanduiding, klemlegging; plaatsen der Accépt, z. Acceptatie.
acceptabel, aannemelijk, aanneembaar.
Acceptant, degene, die een op hem getrokken wissel door
zijne naamteekening goedkeurt.
Acceptétie, aanneming. (Men verstaat daaronder de hand-teekening eens koopmans onder eenen wissel, met liet woord geaccepteerd ; liet is eene formeele verklaring, dat men dien op den vervaltijd zal betalen), accepteeren, aannemen; met zyne naamteekening voor geldig en goed erkennen. (woord.
Accéptie, aanneming; aangenomen beteekenis van een Accés, toegang, vergunning, inz. de toestemming tot verkeer over een meisje; aanval (bv. van eene koorts), accessibel, toegankelyk, genaakbaar.
Accéssie, aanwas, vermeerdering, toeneming; (ook:) toestemming, toetreding (bv. tot een verdrag).
Accéssist, iemand, die onbezoldigd wordt aangesteld met het uitzicht om eene hoogere plaats met bezoldiging te verkrijgen.
Accessit, de tweede prjjs, bgprys.
accessoir, bykomend, toegevoegd, bybehoorend. Accessóriën, bybehoorende zaken, aanhangsels, acciaccéto, onstuimig.
Accident, toeval, voorval; (ook:) lichamelijk ongemak. Accidentélla, toevalligheden.
accidenteel, toevallig.
Accidéntiën, toevallige ambtsvoordeelen, buitenkansjes. Accident! musicali, bytonen (in de muz.)
Accijns of Accijs, waren-impost, verbruiksbelasting. Acclamétie, toejuiching, luide goedkeuring; bij acclama-tie aannemen, zyne goedkeuring in vergaderingen met gej uich, handgeklap, getrappel, eenparig uitbrengen, zoodat de opneming der bijzondere stemmen onnoodig wordt. Acclimatétie, gewenning aan \'t klimaat.
acclimatiseeren, aan eene vreemde plaats, hemelstreek
of klimaat gewennen, iuheemsch maken.
accludeeren, aan-, by- en insluiten.
Acclüsum^ ingesloten of bygaand stuk, bijlage.
6 Accolade—Accusatie.
Accoléde, omhelzing; ridderslag; haakjes ter verbinding
van woorden of regels of wel van noten.
accoieeren, omarmen; samenvatten, ompalen. Accommodatie, aanpassing, schikking ; toegevendheid ; in-schikkelykheid; A. van het oog, vormverandering der ooglens, waardoor het oog, om duidelijk te zien, zich accommodeert of schikt naar den afstand der voorwerpen, accommodeeren (zich), een vergelijk treffen, met zyne schuldeischers eenc overeenkomst, schikking in der minne treffen; accommodeeren, in orde brengen, opmaken. Accommodement, inrichting, toerichting; schikking, vergelijk, inz. van een koopman met zijne schuldeischers. accompagneeren, vergezellen, begeleiden; den zan^ met muziek begeleiden, medespelen. (speelt of zingt.
Accompagnement, begeleiding, wat men met een ander Accomplissement, vervulling, voltrekking.
Accoord, verdrag, vergelijk; overeenstemming, welluidende
samenklank van speeltuigen.
accordébel, overeenstemmend, vereenigbaar, voor bewilliging vatbaar. (overeenstemmen, accordeeren, een vergelijk treffen ; toestaan, bewilligen, accostébel, genaakbaar, handelbaar.
accosteeren, op zgde komen ; aanspreken.
Accouchemént, bevalling, verlossing.
Accoucheur, vroedmeester ; Accoucheuse, vroedvrouw, accoupleeren, paren, samenvoegen, koppelen. Accoutumance, verwendheid, kwade gewoonte, accrediteeren, in vertrouwen brengen, krediet verschaffen, iemand door aanbeveling by eenen derde vertrouwen doen schonken; een geaccrediteerd gezant is zulk een, die zich bij een vreemd hof aan den vorst heeft doen voorstellen en deze zgne kredietbrieven overhandigd heeft. Accres, Accrescéntie, aanwas, toeneming.
accresseeren, aanwassen, toenemen; aanbesterven. Accueil, onthaal, ontvangst, bejegening.
accueilleeren, ontvangen, onthalen ; verwelkomen. Accumulatie, aangroeiing, ophooping, opeenstapeling, accumuleeren, opeenhoopen, samenhoopen.
accuraat, nauwkeurig, stipt, juist. (liefde tot orde. Accuratésse, nauwkeurigheid, stiptheid, zorgvuldigheid j accusébel, beschuldigbaar, te beschuldigen.
Accusétie, beschuldiging, aanklacht.
Accusativus—acroamatisch 7
Accusativus, Accusatief, vierde naamval (voorwerp, Ijjder). accuseeren, beschuldigen, aanklagen; bericht geven (van de ontvangst eens briefs, enz.) (beid.
Acerbiteit, wrangheid; bitterheid, hardheid, onvriendelyk-Acetéten, azjjnzure zouten.
achalandeeren, beklant maken, klanten of koopers lokken. amp; charge, ten laste; getuigen ^ charge, tegengetuigen, getuigen die ten nadeelc des beschuldigden spreken, d. i. door het openbaar ministerie zijn opgeroepen, achemineeren, den weg banen; in gang brengen, è cheval, te paard, schrylings.
acheveeren, afmaken, voltooien; volmaken.
Achilles\'hiel, eene kwetsbare plaats.
Acholic, gebrek aan gal; Indische cholera.
Achor, hoofdzeer, melkkorst hg kinderen.
Achromasie, opheffing, vernietiging der kleuren, achrométisch, kleurloos, ongekleurd (van kykglazen). Achromatopsie, onvermogen om de kleuren te ondcrschei-Acidum, een zuur. (den.
Acidotie, verzuring.
Aciditeit, zuurheid.
Acidimeter, zuurmeter.
Acoliet, altaardienaar; volgeling, aanhanger.
è compte, ter gedeeltelyke betaling, op afrekening, in amp; conditión, op voorwaarde. (mindering.
Aconfet, wolfswortel.
a cónto, op rekening, in vermindering.
a cónto nuóvo, op nieuwe rekening.
a cósti, a?.daar, op uwe plaats, ten uwent, in uwe stad. ^ couvert, beschut. (gen.
acquireeren, verkregen, zich eigen maken, in bezit kry-Acquisitie, verwerving; verworven eigendom.
Acquit, kwyting, quitantie, ontvangbewijs (by wissels wordt het gewoonlyk op de keerzyde geschreven, en beteekent dat men de in den wissel staande som ontvangen heeft); eerste stoot, uitstoot; plaats waar de gemaakte biljartbal wordt gezet. (ven. acquiteeren, verrichten, tot stand brengen ; quitantie ge-Acre, een £ hectare lands (in Eng. en Amer.) acroamatisch, hoorbaar; op de rede gegrond; moeilyk te verstaan; geheim; acroamatische leervorm, samenhangende voordracht, waarby de leerling slechts luistert,
6 Accolade—Accusatie.
Accoléde, omhelzing; ridderslag; haakjes ter verbinding
van woorden of regels of wel van noten.
accoieeren, omarmen; samenvatten, ompalen. Accommodatie, aanpassing, schikking ; toegevendheid ; in-schikkelykheid; A. van het oog, vormverandering der ooglens, waardoor het oog, om duidelijk te zien, zich accommodeert of schikt naar den afstand der voorwerpen, accommodeeren (zich), een vergelijk treffen, met zyne schuldeischers eenc overeenkomst, schikking in der minne treffen; accommodeeren, in orde brengen, opmaken. Accommodement, inrichting, toerichting; schikking, vergelijk, inz. van een koopman met zijne schuldeischers. accompagneeren, vergezellen, begeleiden; den zan^ met muziek begeleiden, medespelen. (speelt of zingt.
Accompagnement, begeleiding, wat men met een ander Accomplissement, vervulling, voltrekking.
Accoord, verdrag, vergelijk; overeenstemming, welluidende
samenklank van speeltuigen.
accordébel, overeenstemmend, vereenigbaar, voor bewilliging vatbaar. (overeenstemmen, accordeeren, een vergelijk treffen ; toestaan, bewilligen, accostébel, genaakbaar, handelbaar.
accosteeren, op zgde komen ; aanspreken.
Accouchemént, bevalling, verlossing.
Accoucheur, vroedmeester ; Accoucheuse, vroedvrouw, accoupleeren, paren, samenvoegen, koppelen. Accoutumance, verwendheid, kwade gewoonte, accrediteeren, in vertrouwen brengen, krediet verschaffen, iemand door aanbeveling by eenen derde vertrouwen doen schonken; een geaccrediteerd gezant is zulk een, die zich bij een vreemd hof aan den vorst heeft doen voorstellen en deze zgne kredietbrieven overhandigd heeft. Accres, Accrescéntie, aanwas, toeneming.
accresseeren, aanwassen, toenemen; aanbesterven. Accueil, onthaal, ontvangst, bejegening.
accueilleeren, ontvangen, onthalen ; verwelkomen. Accumulatie, aangroeiing, ophooping, opeenstapeling, accumuleeren, opeenhoopen, samenhoopen.
accuraat, nauwkeurig, stipt, juist. (liefde tot orde. Accuratésse, nauwkeurigheid, stiptheid, zorgvuldigheid j accusébel, beschuldigbaar, te beschuldigen.
Accusétie, beschuldiging, aanklacht.
Accusativus—acroamatisch 7
Accusativus, Accusatief, vierde naamval (voorwerp, Ijjder). accuseeren, beschuldigen, aanklagen; bericht geven (van de ontvangst eens briefs, enz.) (beid.
Acerbiteit, wrangheid; bitterheid, hardheid, onvriendelyk-Acetéten, azjjnzure zouten.
achalandeeren, beklant maken, klanten of koopers lokken. amp; charge, ten laste; getuigen ^ charge, tegengetuigen, getuigen die ten nadeelc des beschuldigden spreken, d. i. door het openbaar ministerie zijn opgeroepen, achemineeren, den weg banen; in gang brengen, è cheval, te paard, schrylings.
acheveeren, afmaken, voltooien; volmaken.
Achilles\'hiel, eene kwetsbare plaats.
Acholic, gebrek aan gal; Indische cholera.
Achor, hoofdzeer, melkkorst hg kinderen.
Achromasie, opheffing, vernietiging der kleuren, achrométisch, kleurloos, ongekleurd (van kykglazen). Achromatopsie, onvermogen om de kleuren te ondcrschei-Acidum, een zuur. (den.
Acidotie, verzuring.
Aciditeit, zuurheid.
Acidimeter, zuurmeter.
Acoliet, altaardienaar; volgeling, aanhanger.
è compte, ter gedeeltelyke betaling, op afrekening, in amp; conditión, op voorwaarde. (mindering.
Aconfet, wolfswortel.
a cónto, op rekening, in vermindering.
a cónto nuóvo, op nieuwe rekening.
a cósti, a?.daar, op uwe plaats, ten uwent, in uwe stad. ^ couvert, beschut. (gen.
acquireeren, verkregen, zich eigen maken, in bezit kry-Acquisitie, verwerving; verworven eigendom.
Acquit, kwyting, quitantie, ontvangbewijs (by wissels wordt het gewoonlyk op de keerzyde geschreven, en beteekent dat men de in den wissel staande som ontvangen heeft); eerste stoot, uitstoot; plaats waar de gemaakte biljartbal wordt gezet. (ven. acquiteeren, verrichten, tot stand brengen ; quitantie ge-Acre, een £ hectare lands (in Eng. en Amer.) acroamatisch, hoorbaar; op de rede gegrond; moeilyk te verstaan; geheim; acroamatische leervorm, samenhangende voordracht, waarby de leerling slechts luistert,
6 Accolade—Accusatie.
Accoléde, omhelzing; ridderslag; haakjes ter verbinding
van woorden of regels of wel van noten.
accoieeren, omarmen; samenvatten, ompalen. Accommodatie, aanpassing, schikking ; toegevendheid ; in-schikkelykheid; A. van het oog, vormverandering der ooglens, waardoor het oog, om duidelijk te zien, zich accommodeert of schikt naar den afstand der voorwerpen, accommodeeren (zich), een vergelijk treffen, met zyne schuldeischers eenc overeenkomst, schikking in der minne treffen; accommodeeren, in orde brengen, opmaken. Accommodement, inrichting, toerichting; schikking, vergelijk, inz. van een koopman met zijne schuldeischers. accompagneeren, vergezellen, begeleiden; den zan^ met muziek begeleiden, medespelen. (speelt of zingt.
Accompagnement, begeleiding, wat men met een ander Accomplissement, vervulling, voltrekking.
Accoord, verdrag, vergelijk; overeenstemming, welluidende
samenklank van speeltuigen.
accordébel, overeenstemmend, vereenigbaar, voor bewilliging vatbaar. (overeenstemmen, accordeeren, een vergelijk treffen ; toestaan, bewilligen, accostébel, genaakbaar, handelbaar.
accosteeren, op zgde komen ; aanspreken.
Accouchemént, bevalling, verlossing.
Accoucheur, vroedmeester ; Accoucheuse, vroedvrouw, accoupleeren, paren, samenvoegen, koppelen. Accoutumance, verwendheid, kwade gewoonte, accrediteeren, in vertrouwen brengen, krediet verschaffen, iemand door aanbeveling by eenen derde vertrouwen doen schonken; een geaccrediteerd gezant is zulk een, die zich bij een vreemd hof aan den vorst heeft doen voorstellen en deze zgne kredietbrieven overhandigd heeft. Accres, Accrescéntie, aanwas, toeneming.
accresseeren, aanwassen, toenemen; aanbesterven. Accueil, onthaal, ontvangst, bejegening.
accueilleeren, ontvangen, onthalen ; verwelkomen. Accumulatie, aangroeiing, ophooping, opeenstapeling, accumuleeren, opeenhoopen, samenhoopen.
accuraat, nauwkeurig, stipt, juist. (liefde tot orde. Accuratésse, nauwkeurigheid, stiptheid, zorgvuldigheid j accusébel, beschuldigbaar, te beschuldigen.
Accusétie, beschuldiging, aanklacht.
Accusativus—acroamatisch 7
Accusativus, Accusatief, vierde naamval (voorwerp, Ijjder). accuseeren, beschuldigen, aanklagen; bericht geven (van de ontvangst eens briefs, enz.) (beid.
Acerbiteit, wrangheid; bitterheid, hardheid, onvriendelyk-Acetéten, azjjnzure zouten.
achalandeeren, beklant maken, klanten of koopers lokken. amp; charge, ten laste; getuigen ^ charge, tegengetuigen, getuigen die ten nadeelc des beschuldigden spreken, d. i. door het openbaar ministerie zijn opgeroepen, achemineeren, den weg banen; in gang brengen, è cheval, te paard, schrylings.
acheveeren, afmaken, voltooien; volmaken.
Achilles\'hiel, eene kwetsbare plaats.
Acholic, gebrek aan gal; Indische cholera.
Achor, hoofdzeer, melkkorst hg kinderen.
Achromasie, opheffing, vernietiging der kleuren, achrométisch, kleurloos, ongekleurd (van kykglazen). Achromatopsie, onvermogen om de kleuren te ondcrschei-Acidum, een zuur. (den.
Acidotie, verzuring.
Aciditeit, zuurheid.
Acidimeter, zuurmeter.
Acoliet, altaardienaar; volgeling, aanhanger.
è compte, ter gedeeltelyke betaling, op afrekening, in amp; conditión, op voorwaarde. (mindering.
Aconfet, wolfswortel.
a cónto, op rekening, in vermindering.
a cónto nuóvo, op nieuwe rekening.
a cósti, a?.daar, op uwe plaats, ten uwent, in uwe stad. ^ couvert, beschut. (gen.
acquireeren, verkregen, zich eigen maken, in bezit kry-Acquisitie, verwerving; verworven eigendom.
Acquit, kwyting, quitantie, ontvangbewijs (by wissels wordt het gewoonlyk op de keerzyde geschreven, en beteekent dat men de in den wissel staande som ontvangen heeft); eerste stoot, uitstoot; plaats waar de gemaakte biljartbal wordt gezet. (ven. acquiteeren, verrichten, tot stand brengen ; quitantie ge-Acre, een £ hectare lands (in Eng. en Amer.) acroamatisch, hoorbaar; op de rede gegrond; moeilyk te verstaan; geheim; acroamatische leervorm, samenhangende voordracht, waarby de leerling slechts luistert,
6 Accolade—Accusatie.
Accoléde, omhelzing; ridderslag; haakjes ter verbinding
van woorden of regels of wel van noten.
accoieeren, omarmen; samenvatten, ompalen. Accommodatie, aanpassing, schikking ; toegevendheid ; in-schikkelykheid; A. van het oog, vormverandering der ooglens, waardoor het oog, om duidelijk te zien, zich accommodeert of schikt naar den afstand der voorwerpen, accommodeeren (zich), een vergelijk treffen, met zyne schuldeischers eenc overeenkomst, schikking in der minne treffen; accommodeeren, in orde brengen, opmaken. Accommodement, inrichting, toerichting; schikking, vergelijk, inz. van een koopman met zijne schuldeischers. accompagneeren, vergezellen, begeleiden; den zan^ met muziek begeleiden, medespelen. (speelt of zingt.
Accompagnement, begeleiding, wat men met een ander Accomplissement, vervulling, voltrekking.
Accoord, verdrag, vergelijk; overeenstemming, welluidende
samenklank van speeltuigen.
accordébel, overeenstemmend, vereenigbaar, voor bewilliging vatbaar. (overeenstemmen, accordeeren, een vergelijk treffen ; toestaan, bewilligen, accostébel, genaakbaar, handelbaar.
accosteeren, op zgde komen ; aanspreken.
Accouchemént, bevalling, verlossing.
Accoucheur, vroedmeester ; Accoucheuse, vroedvrouw, accoupleeren, paren, samenvoegen, koppelen. Accoutumance, verwendheid, kwade gewoonte, accrediteeren, in vertrouwen brengen, krediet verschaffen, iemand door aanbeveling by eenen derde vertrouwen doen schonken; een geaccrediteerd gezant is zulk een, die zich bij een vreemd hof aan den vorst heeft doen voorstellen en deze zgne kredietbrieven overhandigd heeft. Accres, Accrescéntie, aanwas, toeneming.
accresseeren, aanwassen, toenemen; aanbesterven. Accueil, onthaal, ontvangst, bejegening.
accueilleeren, ontvangen, onthalen ; verwelkomen. Accumulatie, aangroeiing, ophooping, opeenstapeling, accumuleeren, opeenhoopen, samenhoopen.
accuraat, nauwkeurig, stipt, juist. (liefde tot orde. Accuratésse, nauwkeurigheid, stiptheid, zorgvuldigheid j accusébel, beschuldigbaar, te beschuldigen.
Accusétie, beschuldiging, aanklacht.
Accusativus—acroamatisch 7
Accusativus, Accusatief, vierde naamval (voorwerp, Ijjder). accuseeren, beschuldigen, aanklagen; bericht geven (van de ontvangst eens briefs, enz.) (beid.
Acerbiteit, wrangheid; bitterheid, hardheid, onvriendelyk-Acetéten, azjjnzure zouten.
achalandeeren, beklant maken, klanten of koopers lokken. amp; charge, ten laste; getuigen ^ charge, tegengetuigen, getuigen die ten nadeelc des beschuldigden spreken, d. i. door het openbaar ministerie zijn opgeroepen, achemineeren, den weg banen; in gang brengen, è cheval, te paard, schrylings.
acheveeren, afmaken, voltooien; volmaken.
Achilles\'hiel, eene kwetsbare plaats.
Acholic, gebrek aan gal; Indische cholera.
Achor, hoofdzeer, melkkorst hg kinderen.
Achromasie, opheffing, vernietiging der kleuren, achrométisch, kleurloos, ongekleurd (van kykglazen). Achromatopsie, onvermogen om de kleuren te ondcrschei-Acidum, een zuur. (den.
Acidotie, verzuring.
Aciditeit, zuurheid.
Acidimeter, zuurmeter.
Acoliet, altaardienaar; volgeling, aanhanger.
è compte, ter gedeeltelyke betaling, op afrekening, in amp; conditión, op voorwaarde. (mindering.
Aconfet, wolfswortel.
a cónto, op rekening, in vermindering.
a cónto nuóvo, op nieuwe rekening.
a cósti, a?.daar, op uwe plaats, ten uwent, in uwe stad. ^ couvert, beschut. (gen.
acquireeren, verkregen, zich eigen maken, in bezit kry-Acquisitie, verwerving; verworven eigendom.
Acquit, kwyting, quitantie, ontvangbewijs (by wissels wordt het gewoonlyk op de keerzyde geschreven, en beteekent dat men de in den wissel staande som ontvangen heeft); eerste stoot, uitstoot; plaats waar de gemaakte biljartbal wordt gezet. (ven. acquiteeren, verrichten, tot stand brengen ; quitantie ge-Acre, een £ hectare lands (in Eng. en Amer.) acroamatisch, hoorbaar; op de rede gegrond; moeilyk te verstaan; geheim; acroamatische leervorm, samenhangende voordracht, waarby de leerling slechts luistert,
6 Accolade—Accusatie.
Accoléde, omhelzing; ridderslag; haakjes ter verbinding
van woorden of regels of wel van noten.
accoieeren, omarmen; samenvatten, ompalen. Accommodatie, aanpassing, schikking ; toegevendheid ; in-schikkelykheid; A. van het oog, vormverandering der ooglens, waardoor het oog, om duidelijk te zien, zich accommodeert of schikt naar den afstand der voorwerpen, accommodeeren (zich), een vergelijk treffen, met zyne schuldeischers eenc overeenkomst, schikking in der minne treffen; accommodeeren, in orde brengen, opmaken. Accommodement, inrichting, toerichting; schikking, vergelijk, inz. van een koopman met zijne schuldeischers. accompagneeren, vergezellen, begeleiden; den zan^ met muziek begeleiden, medespelen. (speelt of zingt.
Accompagnement, begeleiding, wat men met een ander Accomplissement, vervulling, voltrekking.
Accoord, verdrag, vergelijk; overeenstemming, welluidende
samenklank van speeltuigen.
accordébel, overeenstemmend, vereenigbaar, voor bewilliging vatbaar. (overeenstemmen, accordeeren, een vergelijk treffen ; toestaan, bewilligen, accostébel, genaakbaar, handelbaar.
accosteeren, op zgde komen ; aanspreken.
Accouchemént, bevalling, verlossing.
Accoucheur, vroedmeester ; Accoucheuse, vroedvrouw, accoupleeren, paren, samenvoegen, koppelen. Accoutumance, verwendheid, kwade gewoonte, accrediteeren, in vertrouwen brengen, krediet verschaffen, iemand door aanbeveling by eenen derde vertrouwen doen schonken; een geaccrediteerd gezant is zulk een, die zich bij een vreemd hof aan den vorst heeft doen voorstellen en deze zgne kredietbrieven overhandigd heeft. Accres, Accrescéntie, aanwas, toeneming.
accresseeren, aanwassen, toenemen; aanbesterven. Accueil, onthaal, ontvangst, bejegening.
accueilleeren, ontvangen, onthalen ; verwelkomen. Accumulatie, aangroeiing, ophooping, opeenstapeling, accumuleeren, opeenhoopen, samenhoopen.
accuraat, nauwkeurig, stipt, juist. (liefde tot orde. Accuratésse, nauwkeurigheid, stiptheid, zorgvuldigheid j accusébel, beschuldigbaar, te beschuldigen.
Accusétie, beschuldiging, aanklacht.
Accusativus—acroamatisch 7
Accusativus, Accusatief, vierde naamval (voorwerp, Ijjder). accuseeren, beschuldigen, aanklagen; bericht geven (van de ontvangst eens briefs, enz.) (beid.
Acerbiteit, wrangheid; bitterheid, hardheid, onvriendelyk-Acetéten, azjjnzure zouten.
achalandeeren, beklant maken, klanten of koopers lokken. amp; charge, ten laste; getuigen ^ charge, tegengetuigen, getuigen die ten nadeelc des beschuldigden spreken, d. i. door het openbaar ministerie zijn opgeroepen, achemineeren, den weg banen; in gang brengen, è cheval, te paard, schrylings.
acheveeren, afmaken, voltooien; volmaken.
Achilles\'hiel, eene kwetsbare plaats.
Acholic, gebrek aan gal; Indische cholera.
Achor, hoofdzeer, melkkorst hg kinderen.
Achromasie, opheffing, vernietiging der kleuren, achrométisch, kleurloos, ongekleurd (van kykglazen). Achromatopsie, onvermogen om de kleuren te ondcrschei-Acidum, een zuur. (den.
Acidotie, verzuring.
Aciditeit, zuurheid.
Acidimeter, zuurmeter.
Acoliet, altaardienaar; volgeling, aanhanger.
è compte, ter gedeeltelyke betaling, op afrekening, in amp; conditión, op voorwaarde. (mindering.
Aconfet, wolfswortel.
a cónto, op rekening, in vermindering.
a cónto nuóvo, op nieuwe rekening.
a cósti, a?.daar, op uwe plaats, ten uwent, in uwe stad. ^ couvert, beschut. (gen.
acquireeren, verkregen, zich eigen maken, in bezit kry-Acquisitie, verwerving; verworven eigendom.
Acquit, kwyting, quitantie, ontvangbewijs (by wissels wordt het gewoonlyk op de keerzyde geschreven, en beteekent dat men de in den wissel staande som ontvangen heeft); eerste stoot, uitstoot; plaats waar de gemaakte biljartbal wordt gezet. (ven. acquiteeren, verrichten, tot stand brengen ; quitantie ge-Acre, een £ hectare lands (in Eng. en Amer.) acroamatisch, hoorbaar; op de rede gegrond; moeilyk te verstaan; geheim; acroamatische leervorm, samenhangende voordracht, waarby de leerling slechts luistert,
i6 Air—Alcoholometer.
Air, gelaat; voorkomen, uiterlgk; houding; zich airs
geven, zich voornaam, grootsch aanstellen.
Aise, gemak; welbehagen, schik; op zijn a. zijn, op zyn gemak zgn; er warmpjes in zitten, het goed kunnen stellen.
è jour, doorzichtig, getralied, opengewerkt; (inhethoek-houden;) tot op den loopenden dag in \'t groothoek gebracht.
ajourneeren, eene zaak tot een anderen dag verschuiven
of voor oubepaalden tgd uitstellen; verdagen. Ajournemént, uitstel tot een bepaalden dag.
ft l\'abandón, in het wild, aan zichzelf overgelaten.
ft la bonne heure! het zg zoo! goed!
ft l\'abri, onder beschutting, onder dak.
Alacriteit, levendigheid.
ft la dérobée, steelsgewgze.
ft la frangaise, op zgn Fransch.
ft la lettre, naar de letter, letterlgk.
Alalie, sprakeloosheid,
Alambiek, distilleerkolf.
ft la mode, naar de mode, naar hedendaagsch gebruik. Alérm, oploop, woest getier; ontsteltenis, schrik. alc.rmeeren, schrik aanjagen ; opschudding maken. Alarmist, alarmmaker; oploopstichter ; schrikverspreider. ft la tête, aan het hoofd, aan de spits.
ft la volée, ter vlucht, in \'twild, onbezonnen.
Alba of albe, wit priestergewaad, mis- of koorhemd. Albatros, de stormvogel (tusschen de keerkringen en lan de Kaap).
Albinos, Witlingen, Kakkerlakken, witte Negers of Mooren.
Al bion, Grootbrittanje, het Britsche rgk.
albo lapillo notare diem, een dag met een witten steen
aanteekenen, d. i. als gelukkig beschouwen.
ATbum, gedenkboek, vriendenrol.
Albumen, eiwit.
Albumine, eiwitstof.
Alcélde, Alcéde, dorpsrechter in Spanje. (\'t water. Alcarréza, zeer poreuse waterkruik ter koelhouding van Alchimie, goudmakerg, de steen der wgzen.
Alchimist, goudmaker.
Al\'cohol, beste wgngeest, hoogstgezuiverde wgngeest. Alcoholometer, wgngeestmeter.
al corso—Alkali
al córso, naar den wisselkoers.
Alderman, oudste; Engelsch stedelyk overheidspersoon, naam der gildehoofden, die gezamenlijk den lord-mayor (burgemeester van Londen) kiezen.
Ale, Engelsch ongehopt bier, eel.
alea jacta est, de teerling is geworpen.
Alécto, eene der 3 Furiën.
alért, wakker, vlug, levendig, handig.
Aleurometer, meelmeter, werktuig om de qualiteit van
\'t bakmeel te bepalen.
Alexandrijnen, Alexandrijnsche verzen, dichtregels van 12 en 13 lettergrepen, doorgaans uit 6 jambische voe-al fresco, in de open lucht. (ten bestaande.
Al gebra, letterrekening, stelkunst; dat is algebra voor
mij, daarvan versta ik niets.
algebraïsch, stelkunstig.
Alguacd, gerechtsdienaar in Spanje.
élias, anders, bovendien (bv. geheeten).
élibi, elders; zijn alibi bewijzen, beteekent in rechten, dat de beschuldigde of verdachte \'t bewijs levert, dat hg op het oogenblik van het gepleegde feit op eene andere plaats dan die des niisdrjjfs was.
aliënébel, vervreemdbaar; verkoopbaar.
Aliënatie, vervreemding, verkoop, verpanding; (in de staatkunde :) afstand van grondgebied, van rechten enz.; (ook:) verstandsverbystering.
Aliën bill, vreemdelingenwet, de door het Engelsch parlement in 1693 uitgevaardigde wet, volgens welke de vreemdelingen onder streng toezicht gesteld worden, aliëneeren, vervreemden, overdragen, verpanden.
alieni appetens, sui profusus, begeerig naar eens anders
goed, kwistig met zyn eigen.
aligneeren, naar eene richtingslijn, op eene rij plaatsen. Alignenént, richting volgens een rechte l\\jn; richtsnoer. Alimentétie, verpleging, onderhoud, voeding, alimenteeren, onderhouden, verplegen.
i l\'improviste, onvoorziens, onverwacht. (regel,
a linea, van de lijn af. Alinea, begin van een nieuwen aliquando bonus dormitat Homerus, soms dut zelfs de
Koede Homerus.
Alizarine, kleurstof van den meekrapwortel.
Alkali, loogzout.
ELFDE DRUK. 2
17
i8 Alkalisatie—allongeeren
Alkalisatie, loogzoutbereiding.
alkalisch, loogzoutaclitig, loogzout bevattend.
Alkoof, z. Alkóve.
Alkoran, wet-, geloofsboek der Moliammedanen, de koran. Alkóve, Alkoof, slaapvertrekje, afgesloten plaats in eene
kamer tot plaatsing van een ledikant; nis.
Alla breve, op korte wyze.
Alla camera, in den kamertoon. — stijl.
Alla diritta, volgens de toonschaal.
Allah, naam van God bjj de Mohammedanen.
Allamente, onvoorbereid, voor de vuist.
alla militare, op militaire wijze, krygshaftig. Allantotoxicum, het worstvergif.
Allórm, z. Alarm.
Allée, laan, wandelweg tusschen twee rijen boomen. Allegatie, aanhaling, verwyzing; vermelding.
Allége, lichter, hulpboot; (ook:) = Tender (z. a.) allegeeren, aanhalen (bv. eene schriftuurplaats); zich beroepen op, verwyzen naar. (spraak. Allegorie, zinnebeeldige, verbloemde voorstelling, beeld-allegórisch, zinnebeeldig, verbloemd, oneigenlijk, allegretto, eenigszins vlug en levendig (te spelen), allegn\'ssimo, zoo vlug mogelyk (te spelen).
allégro, vroolyk, vlug, levendig (te spelen); allégro dl molt), zeer levendig; — con moto, gezwind; — con spirito, met vuur; — moderato, matig vlug; — non tanto, niet zeer gezwind.
Allemande, een Duitsche of Zwabisehe dans,
allez! ga heen 1 ga uw gang! och kom 1 Alliage, metaalmengsel, legeering; toevoegsel of alliëersel. Alliantie, verbond, verbintenis, bondgenootschap, alliëeren, verbinden ; vermengen, samensmelten, Icgeeren. Alliëersel, toevoegsel, metaal niet een edeler vermengd. Alligétie, samenstelling, vermenging van verschillende metalen ; het toevoegsel.
alligeeren, vermengen, legeeren. (kardinalen.
Allocutie, aanspraak, inz. van den paus aan de vergaderde allodiaal, erfvry, onleenroerig, vry van leencyns. Allódium of allodiaal goed, een eigen, vry erfgoed, dat Alloi, z. Allooi. (men vervreemden mag.
Allónge, verlengstuk. Allonge-pruik, staartpruik, allongeeren, verlengen, uitrekken, langer maken.
allóns—Alpha et omega 19
allóns! laten we gaan ! voorwaarts! komaan !
Allooi, het gehalte der muntspeciën; de hoeveelheid van
geringer metaal met een beter gemengd.
Allopaath, voorstander der allopathie; andersdenkende. Allopathie, geneesmethode, naar welke men door de geneesmiddelen zulke uitwerkingen zoekt voort te brengen, welke tegenover de ziekteverschijnselen staan. Alloquium, aanspraak, toespraak.
Allótria, byzaken; vreemdsoortige bezigheden; (ook:)onrechtmatigheid, schelmeryen.
all\' ottóva, in den achtsten toon, octaafsgewijs. allouabel, geldig, toe te staan.
alloueeren, billijken, toestaan, inwilligen.
all right, alles in orde.
alludeeren, toespelen, stekelige zinspelingen maken, allumeeren, aansteken, ontsteken, doen ontbranden, all\' unisóno, in samenklank.
Allure, gang, houding; gedrag.
Allusie, toespeling, zinspeling, wenk.
alluviaal, aangespoeld, aangeslibd, opgespoeld.
Allüvie, op- of aanspoelig, aanslibbing.
Allüvie-recht, recht der oeverbewoners om zich het aangeslibde land toe te eigenen.
Alluvium, het aangeslibde land. [siteiten).
alma méter, eerwaardige moeder (eernaam voor univer-Al manak, tijdwyzer, dagwjjzer, kalender; jaarboekje, alma parens, weldoende moeder (d. i. het vaderland), al mérco, naar het marktgewicht der munten; d. i. naar
hare eigcnlgke metaalwaarde.
al numero, naar het getal. (in ledigen tgd.
amp; loisir, op zgn (hun, haar) gemak, zonder overhaasting, aloof, loefwaarts, naar de windzyde toe.
Alpaka, bergschaap (der Andes, in Z. Amerika) met voor-trcdclyke wol.
al póri of pari, (by kooplieden:) van gelyke waarde, ge-
lyk, zonder opgeld, zonder aftrek of verlies.
al péso, naar het gewicht.
al pézzo, stuksgewyze, by het stuk.
Al phabet, de letters in volgorde, het ABC. alphabétisch, naar volgorde der letters.
Alpha et omega, de eerste en de laatste letter van liet gr. alphabet; het begin en het einde.
!
2o al piacere—Amateur
al piacere, naar verkiezing. /V
Al riverso, omgekeerd. A
Alrunen, waarzeggende, heilige vrouwen. A
Al segno, van het teeken af. A
Alt, tweede zangstem, hooge middelstem. A
Altaan, open uitstek aan een huis, halkon. a
al tempo, volgens tijdmaat (in de muz.) a
alterabel, veranderlik; aan hederf onderhevig. a Alteratie, verandering, verslimmering ; ontsteltenis, schrik.
alterato, veranderd (in de mnz.)
Altercatie, oneenigheid, twist, tweespalt. J
altereeren, veranderen (veelal ten kwade); verschrikken, j
ontroeren, ontstellen. (gestrektste volmacht.
Alter égo, ander, tweede ik, plaatshekleeder met deuit-alter idem, elkander volkomen gelijk.
alter ipse amicus, een vriend is een tweede ik.
Alternatie, afwisseling, verandering.
Alternatief, gedwongen keus tusschen twee moeilijke of
bezwarende omstandigheden, moeilyke tweestrijd.
alternatief, beurtelings, afwisselend. (nemen,
alterneeren, afwisselen, omwisselen, bjj beurten waar-élterum téntum, het dubbele, nog eens zooveel.
Altésse, Hoogheid, Doorluchtigheid (als titel).
Altiméter, hoogtemeter (werktuig).
Altimetrie, hoogtemeetkunst.
Altist, altzanger (vgl. Alt).
Alumnaat, Alümneum, kweek- en kostschool.
Alumnus, kosteloos kwcekeling, scholier die uit de openbare kas vry onderwys en verpleging geniet.
Alvéria (in Portugal:) de koninklykc besluiten, die slechts voor écu jaar kracht hebben en door den minister gecontrasigneerd moeten worden.
è main armée, gewapenderhand.
Amalgama, mengsel van een of ander metaal en kwik;
mengsel; mengelmoes.
amalgameeren, innerlgk met kwik verbinden ; vermengen.
Amant, minnaar.
Amanuénsis, handlanger; schrijver, klerk.
Amaril, smergel (zware en harde metallische steen tot
polgsten en slypen van metalen, glas, enz.)
amasseeren, verzamelen, opgaren, samenhoopen.
Amateur, —trice, liefhebber, -ster, kunstvriend, -in.
__1
Amazone—Amicus
Amazóne, strydbare vrouw, heldin; daiuesrgkleed. Ambages, omhaal, wijdloopilt;;heden.
Ambasséde, gezantschap. Ambassadeur, gezant.
Ambe, twee uitgekomen nommers van de vjjf in zekere Amber, z. Ambra. (lotcryen.
ambiëeren, streven, staan (bv. naar een post), ambigeeren, aarzelen, weifelen, besluiteloos zijn.
ambigu, dubbelzinnig. Ambigu, maal, waarbij allerlei warme en koude gerechten, fruit en gebak te gelyk worden opgedischt. Ambiguïteit, dubbelzinnigheid. Ambitie, eergevoel, eerzucht, eergierigheid.
ambitiëus, eerzuchtig, eergierig.
Ambitioneeren, eerzuchtig naar iets streven. (gewend. Ambra, grauwe, harsige stof, als liefelijk reukwerk aan-Ambrósia, godenspijs.
Ambulénce, ziekenwagen, veld-lazaret, veldhospitaal, ambuldnt, heen en weer loopend, rondtrekkend, ambuleeren, heen- en weergaan, rondtrekken, zwerven. Ameliorétie, verbetering, verfraaiing.
amelioreeren, verbeteren, veredelen.
émen, het zij zoo! het geschiede! (belijdenis.
Aménde, geldboete; Amende honorable, openbareschuld-amendeeren, verbeteren, wijzigen ; wyzigingen voorstellen. Amendemént, verbetering, inz. voorslag ter verandering
of wijziging van een wetsontwerp.
ameneeren, aanbrengen, aanvoeren; teweegbrengen. Ameniteit, minzaamheid, liefelykheid, aanvalligheid, a mensa et thoro, van tafel en bed.
Amerij, een oogenblik, ommezien (het woord is eene samentrekking van Ave Mary, Ave Maria, z. aid.) amp; merveille, opperbest, voortreffelyk, wonderschoon, a méta, ter helfte, voor de helft.
Amethodist, knoeier, kwakzalver.
ameubleeren, met huisraad voorzien.
Ameublement, huisraad, stolfeering.
Ami, vriend. Amie, vriendin.
Amiant, z. Asbest.
amicaal of amicabel, vrienschappelyk.
Amice, vriend ; Amicissime, beste vriend (beide als toespraak of als opschrift in brieven).
Amicitia, vriendschap.
Amicus humani géneris, de vriend van het menschdom.
21
Amicus Plato, sed magis arnica véritas, ik ben een vriend am
van Plato, maar nog meer van de waarheid. J
Amiraal, z. Admiraal; (ook:) zeildoeksche slag^uts om An
water te hyschen by \'t schoon-schip maken. an
Amirante, admiraal; veldmaarschalk. Ar Ammoniók, vluchtig loogzout.
Ammunitie, z. Munitie. ar
Amnestie, liet vergeven en vergeten van gedane helee- ar
digingen, kwytsclielding van straf. (Zoo wordt by op- Ai
stand soms aan een geheel land amnestie geschonken, A
omdat de straf naar de strengheid der wet niet uit- A
voerbaar zou zijn). (den. A
a\'mnestiëeren, vergiffenis schenken, de straf kwytschel- A A\'mor, de liefdegod, Venus\' zoon; amor patriae, vader-
Amorétten, kleine liefdegoodjes. (landsliefde. a
Amortisatie, ongeldigverklaring, bv. van verloren papie- *
ren van waarde; inz. rente-uitdelging, vernietiging der /
openbare schuld door geregelde aftossingen. /
amortiseeren, een dociunent voor ongeldig verklaren; een i
leen cynsvry maken ; aan de doode hand verkoopen ; door aflossing uitdelgen (inz. de staatsschuld).
Amotie, verwydering, opruiming, slechting, slooping, ontzetting (van een ambt).
Amourétte, voorbygaande minnary of minnehandel, amoureus, verliefd.
Amour-propre, eigenliefde, ydelheid.
amours maken, vryen. (ten, afbreken, wegruimen,
amoveeren, ontzetten (bv. van een post); sloopen, slech-amovibel, afzetbaar.
Amovibiliteit, afzetbaarheid.
ampel of émple, wydloopig, breedvoerig, in byzonderhe-den_0)v- vertellen). (koudbloedig longdier.
Amphibfe, dier, dat op \'t land en in \'t water kan leven, Amphibolle, dubbelzinnigheid.
Amphlon, naam, soms aan een groot toonkunstenaar gegeven (naar een beroemd lierspeler der oudheid). Amphitheéter, halfronde schouwplaats met schuins op-
loopende zitplaatsen tegenover het tooneel.
Amphitryon, mild gastheer of onthaler; horendrager. Ampliétie, uitbreiding; duplicaat dat men van eene rekening enz. geeft; verdaging van een rechtsgeding. Amplificatie, uiteenzetting, ontwikkeling; vergrooting.
Amplissimus—anastaltisch 23
amplissimus, Hoogaanzienlijk, Hoogedel (titel van een
aartspriester; ook eeretitel aan universiteiten). Amputatie, de afzetting van een lichaamsdeel, amputeeren, een lid of lichaamsdeel afzetten.
Amu lét, gewaand voorbehoedmiddel des hggeloofs tegen
ziekte, toovery en gevaren.
amusént, vermakelijk, onderhondend, tijdkortend, amuseeren, vermaken, verlustigen, aangenaam hezigliou-Amusemént, vermaak, uitspanning, tijdkorting. (den, Amylum, zetmeel.
Anabaptist, wederdooper.
Anachoreet, kluizenaar, spelonk- of hoschbewoner. Anachronisme, fout in de tijdrekening bg de opgave van
gebeurtenissen, tijdverplaatsing.
anachronistisch, in strgd met de tijdrekening.
Anaemie, bloedgebrek.
Anaesthesie, gevoelloosheid.
Anaglypten, half verheven beeldwerk.
Anaglyptiek, de kunst om gedreven beeldwerk te maken. Anagóge, geestverheffing, zielsverrukking.
Anagrém, letterkeer, letterwisseling, wisselwoord (bv. neger, regen ; kurk, kruk ; rekel, kerel).
anakathartisch, braakwekkend.
Anaklase, straalbreking. (gelezene.
Analécten, leesvruchten, bloemlezing, uittreksels van het Analépsis, herstelling der krachten, genezing; analép-tisch, versterkend. (eenstemming.
Analogie, overeenkomst, overeenstemming, inz. taalover-analoog, overeenstemmend, overeenkomst hebbende. Analy\'se, Anélysis, ontleding,; ontbinding, oplossing, analyseeren, ontleden; oplossen, ontbinden.
analy\'tisch, ontledend; oplossend, ontbindend. Anamnésis, het terugroepen in het geheugen. Anamorphóse, omvorming, gedaanteverandering. Anapaest, de opspringer, een versvoet (v v —). Anaphora, herhaling van hetzelfde woord aan het begin
van verscheidene op elkander volgende ziftnen. Anarchie, regeeringloosheid, wettelooze toestand. Anarchisten, zulken, die door omverwerping van alle gezag en orde in den Staat regeeringloosheid zoeken teweeg te brengen, onruststokers, woelgeesten, anastéltisch, stelpend, terugdrgvend.
24 Anastrophe—animalisch
Anastrophe, woordverplaatsing.
Anathema, vervloeking; banvloek, kerkban, anathematiseeren, vervloeken; in den kerkban doen. Anatocisme, ergerlyke woeker, rentewoeker, woeker-inte-rest, rente van rente; (ook.) conversie der renten in Anatomfe, ontleedkunst; snykamer. (kapitaal,
anatómisch, ontleedkundig.
anatomiseeren, ontleden, inz. het mensehelyk lichaam. Anatomist, ontleedkundige.
Anciënniteit, voorrang naar den dienstouderdom, opvolging naar de dienstjaren.
Ancien regime, de oude heerschappg of staatsvorm, die door eene revolutie of hervorming vernietigd is, inz. de oude monarchie voor de fr. revolutie.
andónte, niet te schielyk, gematigd (te spelen), andantino, eenigszins langzaam.
Androgenic, menschenschcpping.
Androïde, ledepop.
Andromanie, mansdolheid,
Androphaag, menscheneter. (aardig voorval.
Anecdóte, kleine, korte geschiedenis, historische trek, Anemologie, de leer der winden.
Anemométer, windmeter. (zelf aanteekent.
Anemometrograaf, werktuig dat de windveranderingen Anemoscoop, windwyzer, weerhaan.
Anene, ezelachtigheid, ezelsstreek, groote domheid. Aneurisma, ziekelyke hartverwyding, slagaderbreuk, angeliek, engelachtig, hemelsch, allerbekoorlykst. Anglaise, Engelscbe dans; vrouw of meisje uit Engeland. Anglicomam\'e, = Anglomanie.
Anglicaansch, Engelsch; de A-e Kerk, de Engelscbebis-schoppelyke kerk. (Engelsch maken,
angliseeren, kortstaarten (een paard) op Engelscbe wyze ; Anglomaan, voorstander, naiiper van al wat Engelsch is. Anglomanie, voorliefde tot Engeland en zijne staatsregeling, wetten, zeden, enz., zotte zucht voor al \'t Engelscbe. A nguis latet in herba, er zit een adder onder het gras. angulair, hoekig.
Angustatie, vernauwing, beklemming.
Anhydrie, waterloosbeid. (kleurstof.
Aniline, een uit indigo of uitsteenkolenteer gedistilleerde animólisch, dierlyk.
animaliseeren—Anopsie 25
animaliseeren, in dierlijke stof veranderen, verdierlijken. AnimaHsme, de dierlgke levensverrichting.
Animatie, bezieling.
animeeren, bezielen, opwekken, aanmoedigen.
Animisme, stelsel, waarin de ziel als beginsel van het verstand en van het organische leven tevens aangeno-Animositeit, vyandelykheid, verbittering. (men wordt Ankylose, vergroeiing, gewricbtsstijfbeid.
Annéien, jaarboeken, geschiedboeken.
Annóten, jaargelden, datgene wat van de inkomsten der eerste jaren vaneen geestelyk ambt in de pauselijke schatkist moet gestort worden; jaarmissen in de r. k. Kerk. annéx, aanhangend, bybehoorend, verbonden.
Annéxa, aanhangsels, bijlagen. Annéxie, aanhechting. Annexétie, inlijving (van een land). [(een land),
annexeeren, aanhangen; verbinden, bijvoegen, inly ven annihileeren, vernietigen, voor nietig verklaren. Anniversaire, verjaardag; jaarlyksche gedenkdag.
Anno domini, in het jaar onzes Heeren.
Anno mundi, in het jaar der wereld.
Annónce, bericht, aankondiging.
annonceeren, aankondigen, berichten ; aandienen. Annotétie, aan-, opteekening.
annoteeren, aan-, opteekenen, aanmerkingen schrijven, annueel, jaarlgksch; jaarlijks.
Annuïteiten, jaarrenten; jaarlyksche aflossing der renten van een kapitaal, te gelyk met een gedeelte van dat annulleeren, vernietigen; afschaffen. (kapitaal.
Annunciétie, aankondiging, inz. Maria-boodschap.
Annus grétiae, gunstjaar voor weduwen en weezen van bezoldigde ambtenaren, inz. het dienstjaar, dat na het overlyden van een predikant ten voordeele van de weduwe door de ringbroeders wordt waargenomen.
Annus mirabiiis, het wonderjaar.
Anodyna, pijnstillende middelen.
anomaal, van een regel afwykend, onregelmatig. Anomalie, onregelmatigheid, afwijking van den regel. Anomie, wetteloosheid.
anoniem, naamloos, ongenoemd.
Anonimiteit, naamsverzwyging (het ongenoemd-blyven). Anónymus, een ongenoemde.
Anopsie, blindheid, het scheelzien.
I
26 Anorexie—anticipeeren
Anorexie, gebrek aan eetlust. a
anorganisch, onbewerktuigd; onbezield. A
Anorgamsme, de levenlooze natuur. a
anormaal, onregelmatig, van den regel afwykend, A
Antagonisme, tegenwerking, bestrijding, vyandscbap. a Antagonist, tegenwerker, vijand, party.
antapoplektisch, tegen beroerte dienende. a
antarktisch, tegen den Beer (een sterrenbeeld aau de z
Noordpool) over staande, tot de Zuidpool beboorende. i
antecedeeren, voorafgaan; den voorrang hebben. ;
Antecedént, vroeger gebeurde zaak, voorafgaand geval ; j
iemands antecedénten, iemands vroegere verrichtingen, | j
denk- en handelwyze, iemands verloopen leven.
Antecéssor, voorganger.
antedateeren, op vroegere dagteekening stellen.
Antediluviénen, wie voor den zondvloed geleefd hebben. Anteloquium, voorrede, het voorrecht om eerst te spreken.
ante meridiem, vóór den middag.
Antennen, de voelhorens der insecten.
Anterloriteit = prioriteit.
Anthelmintika, wormverdrijvende middelen.
Antheren, helmknopjes der bloemen, meeldraden.
Anthologie, bloemlezing, verzameling van kleine gedich-Anthraciet, koolblende, glanskool. (ten of opstellen.
Anthrax, pestkool, pestbuil.
Anthropogenie, de wording, het ontstaan van den mensch. Anthropologie, natuurleer van den geest en het lichaam
der menschen, menscbkunde.
Anthropophaag, menscheneter.
Anthropophoble, menschenschuwheid.
anti (Grieksch voorzetsel), tegen.
Anti-aristocraat, tegenstander van de heerschappij des adels, der grooten. (kamer.
Antichémbre, voorkamer in de huizen der grooten ; spreek-antichambreeren, vaak zyne opwachting by de grooten
maken ; lang wachten eer men toegelaten wordt.
An\'tichrist, tegen-Christus, bestrijder van het Christendom. Antichronisme, fout tegen de tijdrekenkunde.
Anticipétie, het vooruitnemen; beschikking by voorraad;
vooruitbetaling; het bij voorraad verstrekte of genotene. anticipeeren, vooruitnemen ; vooruitgenieten; vooruitbe-schikken (bv. over de staatsinkomsten).
1
■
- i
anticonstitutioneel—Apanage 27
anticonstitutioneel, met de grondwet sti-ydiir.
Anticritiek, weerlegging eener (boek)beoordeeling. antidateeren, z. antedateeren.
Antidotum, tegengif, behoedmiddel tegen vergiftiging, antiek, oud, ouderwetsch, in den smaak of trant der Ouden. Antilogie, tegenspraak.
anti\'ministeriëel, tegen de ministers of het ministerie, antimonarchaal, tegen de monarchie; repuhlikeinsch. Antimónium, spiesglas, spiesglans. (dc natie,
antinationaal, strydig met de belangen, met den geest van Antimom\'e, strydigheid van (twee) wetten met elkander; Antipathie, natuurlijke afkeer. (onwettigheid,
antiphlogistisch, ontstekingwerend.
Antiphonie, wisselgezang; logische strgdigheid. Antiphora, tegenstelling.
Antipóden, tegenvoeters; fig. wederstrevers.
Antlqua, eene der hoofdsoorten van drukletters, romein. Antiquéilles, kleine oudheden van weinig waarde; oude vodden, rommel. (oude boeken.
Antiquérius, oudheidkenner; handelaar in oudheden, met Antiquiteit, oudheid. Antiquiteiten, oudheden, voorwerpen, gebruiken, zeden enz. der Ouden, antirepublikeinsch, wie of wat tegen de republiek is. Antirevolutie, tegenomwenteling.
antirevolutionnair, tegenstander der omwenteling au hare
gevolgen; wat de omwenteling wederstreeft. Antiroyalist, vjjand van \'t koningschap.
antiroyalistisch, tegen het koningschap.
antiseptisch, bederfwerend.
antisociaal, ongezellig, onmaatschappelijk, in strijd met
de burgerlyke orde.
Antispasmatica, krampstillende middelen.
Antistrophe, tegenzang.
Antithese, tegenstelling.
Antceci, tegenwoners, die menschen die onder denzelfden meridiaan maar onder tegengestelde breedten van gelijke graden wonen.
Antonomasie, naamsverwisseling.
apagogisch bewijs, terugvoering op een ongerijmdheid, apaiseeren, stillen, .bevredigen, doen bedaren.
Apanage, jaarwedde van niet-regeerende vorstelgke personen, prinsen-lgftocht.
28 A. P. anni praesentis—a posse ad esse
A. P. anni praesentis, van het loopend jaar; anni prae-
tériti, van het verschenen jaar.
apart, ter zgde, voor zichzelven, afzonderlyk. Apartemént, vertrek, hyzondere woonkamer; afdeeling, inz. van een aanzienlek huis ; ook het heimelijk gemak. Apathie, gevoelloosheid; onverschilligheid.
Ap- en dependéntie, al het aan- en bybehoorende. Apepsie, onverteerbaarheid.
Apergu, kort overzicht, hoofdinhoud ; ontwerp, schets.
amp; perte de vue, verder dan het oog reikt.
aperto libro, met open boek, voor de vuist.
Aphaeresis, afkorting, wegneming.
Aphélium, verste afstand cener planeet van de zon.
aphlogistisch, onverbrandbaar.
Aphonie, stemmeloosheid.
Aphorismen, korte spreuken, stellingen, voorschriften,
regels enz., zonder schynbaren samenhang.
Apirie, gebrek aan ondervinding.
Aplómb, loodrechte stand; vastheid van handeling, van
karakter, van gedrag.
Apocalyp\'sis, openbaring; de Openbaring van Johannes. A poco a poco, zoetjes aan, niet op eens.
Apocope, eindverkorting van een woord.
apocrief, verdicht, ondergeschoven, geen onvoorwaardc-
lyk geloof verdienend, verdacht, niet geloofwaardig. Apocriefen of apocriefe boeken, door de Kerk niet als
echt erkende bybelschriften.
apodictisch, bewyzend, onwederlegbaar ; apodictisch bewijs, volkomen klaar en voldingend bewys.
Apogaeum, aardverheid; dat punt in de baan der maan,
als zy het verst van de aarde verwyderd is.
i point, van pas; om niet (in\'tbiljartspel); ook eencuitdrukking, die de juiste ontvangst en uitgaaf eener re-Apoloog, leerfabel, (kening aanduidt.
Apologetiek, de wetenschap der verdediging, inz. van het
Christendom tegen zyn tegenstanders.
Apologie, verweerschrift, verantwoording.
apologiseeren, een verdedigingsrede houden.
Apologist, verdediger.
Apophtegma, zede-, kernspreuk.
Apoplexie, beroerte, geraaktheid. [sluiten),
a posse ad esse, van het mogelyke tot het werkelyke (be-
Apostaat—Applaudissemént 29
Apostaat, afvallige, geloofsverzaker, partyverloochcnaar. Apostasie, geloofsverzaking, afvalligheid.
Apóstel, geloofsbode, naam van Jezus\' jongeren; voortplanter en verdediger van eene leer, van een stelsel of gevoelen; (ook:) boegstuk, verlengstuk van den steven voor den boegspriet.
a posterióri, van achteren, aan de ervaring ontleend. Apostll, Aposti\'lle, kantteekening, naschrift.
apostólisch, van de apostelen komend; a-e kamer, beheerders van \'s pausen inkomsten te Home; a-e stoel, het pauselyk hof.
Apostróphe, afkappingsteeken (\'), aanduiding van eene of meer weggelaten letters ; (ook:) toespraak; scherpe vermaning, hard verwyt.
Apotheek, artsenjjwinkel.
Apotheóse, vergoding, het plaatsen in den rang der goden. Apparaat, toestel, toerusting.
apparént, oogenschijnlyk, duidelyk; waarschjjnlyk. Apparéntie, uitwendig voorkomen; (ook:) waarschijnlyk-Appartement, z. Apartement. (beid.
Appél, oproeping, verzamelsein voor de soldaten; beroep, inz. op hooger rechtbank ; vernieuwde inzet by het spel, om andermaal in dezelfde party te mogen meespelen; nominaal appel, het afroepen der namen.
appellébel, bevoegd om voor hooger rechtbank getrokken
te worden, geschikt voor appellatie.
Appellént, in appèl gekomene, iemand die zyne zaak vooi
hooger gerechtshof wenscht behandeld te zien. Appellatie, bsroep op hooger rechtbank.
appelleeren, zich van de uitspraak eener lagere rechtbank tot die van eene hoogcre wenden; opnieuw inzetten (by verloren spel).
Appéndix, aanhangsel, toevoegsel.
Appercéptie, opvatting; waarneming; zelfbewustzyn. Appertinéntiën, bybehoorende zaken, tocbehoorcn. Appeténtie, natuurdrift, geslachtsdrift; lust, begeerte. Appetijt, Appetit, eetlust, honger, trek.
appetissant, lustopwekkend, gaandemakend, graagmakend. applaneeren, gelyk maken, effenen; in orde brengen, applaudisseeren, toejuichen, grooten byval door handgeklap te kennen geven.
Applaudissemént, Applaus, goedkeuring met handgeklap.
3o applicabel—a prima vista
applicébel, applicatief, toepasselijk, van toepassing. Applicatie, toepassing; ijver, inspanning, leervljjt; toediening van uitwendige geneesmiddelen; verband. Applicatuur, vingerzetting (bjj \'t instrument-bespelen), appliceeren, op-, aanleggen; aanwenden (inz. een middel);
toepassen; zich a., zich toeleggen, bevlijtigen, appoggiato, gesteund, gedragen.
Appóint, pasmunt, kleinere munt tot vólmaking eener grootere; (by kooplieden:) som, die op \'t geheel bedrag eener rekening te kort komt, saldo; (ook :) eene remise, uit vele kleine wissels bestaande.
appointeeren, bezoldigen; de partijen bescheiden; eene
rekening met de boeken vergelijken.
Appointement, bezoldiging; recbtsbescheid.
apporteeren, aanbrengen, halen; apport! zoek op! Appositie, oplegging, aanhechting (bv. der zegels); (in de
spraakkunst:) bystelling, ophelderend by voegsel, appreciëeren, z. appretiëeren. (zen, schromen,
apprehendeeren, vatten, gevangen nemen; duchten,vree-Apprehénsie, gevangenneming; bezorgdbeid,vrecs, schroom;
begripsvermogen.
apprehensief, bezorgd, vreesachtig uit inbeelding, appreteeren, toebereiden, gereedmaken, inz. waren toe-
richten, laken glanzen, weefsels pappen, enz. appretiëeren of appreciëeren, schatten, waardeeren. Appretuur, toebereiding; glanzing van stoffen; datgene,
wat tot het appreteeren der weefsels dient, pap. Approbétie, goedkeuring; vergunning.
approbeeren, goedkeuren, billijken.
approcheeren, naderen ; (ook :) loopgraven maken. Approches, aannaderingswerken (om by eene belegerde
stad of vesting te komen), loopgraven.
approfondeeren, doorgronden; grondig onderzoeken, appropriëeren, behoorlyk inrichten; in overeenstemming brengen met, gepast of geschikt maken voor; toeeigenen. (zien. approviandeeren, approvisioneeren, van proviand voor-Approximétie, raming, begrooting.
approximatief, by raming, benaderend, geraamd, appuyeeren, drukken; ondersteunen; aandringen op. a prima vfsta, op het eerste gezicht, van het blad weg (spelen); op zicht (te betalen)
a priori—Arcanum
a prióri, van voren, vooruit, niet op ervaring berustend, è proportion, naar evenredigheid.
ö propós, van pas, juist ter snede, ter rechter tijd, gelegen ; eer ik \'t vergeet, wat ik wilde zeggen, zeg eens! hij raakte van zijn apropos, hy dwaalde van zgn onderwerp af, raakte van zijn stuk. (zonsverheid. Apsiden, gewelfde hogen ; lyn tusschen zonsnabjjheid en apteeren, aanpassen, geschikt maken.
Aptera, vleugellooze insecten.
Aquaedüct, Aquedüc, waterleiding.
aquamarijn, zeegroen. Aquamarijn, zeegroene edelsteen,
beril; zeegroene verf of kleur.
Aquarél, teekening met waterverf.
Aquérium, kunstmatige waterkom voor levende dieren en planten. Aquérius, de Waterman (sterrenbeeld des dierenriems).
Aquatinta, een soort van waterkleur in de graveerkunst. A\'qua Tofféna, zeer langzaam doodend giftwater. ^ quatre mains, voor of met vier handen (te bespelen). h quatro mani, voor vier handen.
è quatro voci, voor vier stemmen.
Aquavfta, afgetrokken en verzoete brandewijn.
Aquedüc, z. aquaeduct.
A\'quila non capit muscas, een arend vangt geen vliegen. Arabésken, Arabische sieraden aan huizen, meubelen enz.;
versierd loofwerk; bouwsieraden.
Arachniden, dieren van het spinnengeslacht.
Areometer, dichtheids- en zwaartemeter voor vloeistoffen,
vochtmeter, vochtweger, melk-, wyn-, zuurweger enz. Arik, rystbrandewyn.
è ravir, verrukkelijk, schoon, overheerlijk.
Arbiter, arbitrator, scheidsman, scheidsrechter.
Arbitrage, raming, benadering; beslissing door scheids-rechters; (by kooplieden :) vergelyking der koersen en speciën van verschillende plaatsen.
arbitrair, willekeurig, eigenmachtig, naar goeddunken, arbitreeren, geld of wisselkoersen berekenen.
Arbltrium, de meening, beslissing van den scheidsman. Arcéde, bocgvormige opening, booggewelf, verwelfde boog;
overwelfde gang tusschen zuilen.
Arcódisch, herderlijk, landelyk ; boerach ; onschuldig. Arcónum, geheimenis, geheim geneesmiddel.
31
32 Arceeren—Argumentum ad invidiam
Arceeren, \'tgraveeren en teekencn kruiswyze streepjes trekken ter aanwgzing van de schaduw enz. Archaïsme, verouderde uitdrukking, verouderd woord. Archeologie, oudheidkunde, kennis van de kunstgewroch-Archeoloog, oudheidkenner. (ten der Ouden.
Archidiakónus, eerste (geestelijke) ambtshelper.
Archief, bewaarplaats van schriftelijke oorkonden, acten
enz.; verzameling van zulke stukken.
Archimandriet, overste van een klooster, Grieksche abt. Ar chipel, Archipélagus, eilandenzee.
Architéct, bouwmeester.
Architectónisch, bouwkunstig, overeenkomstig de regelen der bouwkunst.
Architectuur, bouwkunst. (onder- of bindbalk.
Architrééf, onderste gedeelte der kroonlijst of kornis; Archivarius, bewaarder of opzichter van een archief, arctisch, noordscb, noordelijk.
A\'re, eenheid der vlakte- of landmaten in het metrieke stelsel, vierk. Ned. roede = 100 vlerk, meters of ellen. amp; regret, met weerzin of tegenzin, ongaarne.
Aréna, kampplaats.
Aréometer, liever Araeometer (z. aid.)
Areópagus, oud gerechtshof te Athene; (fig.) vergadering van wijzen, geleerden.
è re voir, tot weerziens.
Argéndsche lampen, lampen met eene holle rolvormige
pit en eene glazen buis rondom de vlam.
Argentaan, kunstzilvcr, nieuw zilver (mengsel van koper
zink, ijzer en nikkel).
Argent comptant, contant geld.
argenteeren, verzilveren.
Argenterie, zilverwerk.
Argentum vivum, kwikzilver. (gingen veroveren.
Argonauten, Grieksche zeehelden, die het gulden vlies Argument, bewijsgrond.
Argumentétie, bewijsvoering, betoog.
argumenteeren, betoogen, bewijzen, bewijsvoeren. Arguméntum ad hóminem, een weerleggend argument, genomen uit de eigen beginselen des tegenstanders (een argument op den man af).
argumentum ad invidiam, bewijsgrond waarbij men zich op de lagere hartstochten beroept.
Argus-oogen—Arpeggio 33
Ar\'gus-oogen, altyd opene, waakzame oogen.
A\'ria, lied, gezang, zangstuk voor éene stem of party.
Ariaan, aanhanger van het Arianisme of de leer van Arius
(Ide eeuw), die Jezus\' godheid loochende.
Ariadne (de draad of het kluwen van), het middel om uit een netelige omstandigheid te geraken, of om een ingewikkeld vraagstuk op te lossen.
Ariditeit, dorheid, droogheid, magerheid.
A\'ries, de Ram (sterrenbeeld des dierenriems).
An\'on, toonkunstenaar van veel invloed op zyne hoorders, arióso, voor zang geschikt, te zingen.
Aristérch, streng, maar billijk heoordeelaar.
Aristocraat, voorstander, lid van de aristocratie. Aristocratie, heerschappij der adellijken of voornamen, regeering der edelsten; (ook:) de gezamenlijke grooten. aristocrétisch, wat tot de aristocratie behoort. Aristocratisme, gehechtheid aan de adelheerschappy. Aristo-democratie, adel- en volksregeering.
Arithmética, rekenkunde. Arithméticus, rekenkundige, arithmétisch, rekenkunstig; rekenkundig.
arktisch, noordelyk.
Armada, uitgerust leger, krijgsvloot, inz. de zoogenaamde
onoverwinnelyke Spaansche vloot van 1588.
Armadilla, eskader, kleine vloot.
Armatuur, bewapening; wapenrusting; (ook:) de yzeren banden, het beslag, waardoor de deelen eener machine enz. samengehouden worden.
Armee, krygsleger, leger, heir.
Armee-corps, legerafdeeling, die zelfstandig handelt en
waartoe troepen van alle wapens behooren.
armeeren, wapenen, uitrusten, toerusten.
Armida, eene by uitstek schoone en verleidelijke vrouw. Armilla, armband, armtooisel.
Arminiénen, z. Remonstranten.
Armoriéél, wapenboek, boek met geslachtwapens.
Arnica, wolverlei (een krachtig geneesmiddel).
Aroma, geur, geurstof der planten en kruiden, arométisch, kruidig, speceryachtig, geurig.
aromatiseeren, kruidig, geurig maken.
Arpeggiato, afgebroken toon.
Arpeggiatura, reeks van afgebroken tonen.
Arpeggio, het afbreken der tonen.
ELFDE UHL\'K. 3
34 Arpent—Artésische putten.
Arpent, een Fransche morgen lands. Arti
arracheeren, uitrukken, losrukken, afrukken,wegscheuren.
Arrak. z. Arak. Art
arrangeeren, in orde Lrengen, rangschikken; eene schik-
king maken, hyleggen. (king. arti
Arrangement, rangschikking ; inrichting; vergelyk, schik- \\] Arrést, verzekerde bewaring, inhechtenisneming; beslag-
legging; z. ook Arrêt. art
Arrestónt, aangehouden persoon, gevangene. art
Arrestatie, aanhouding, gevangenneming; beslaglegging. arresteeren, aanhouden, vastzetten ; beslag leggen ; vast- ( stellen, bekrachtigen (bv. raadsbesluiten, notulen enz.) j Arrêt, ook Arrest, rechtcrlyke uitspraak, vonnis. /\\r
arrideeren, aanlachen, toelachen. /\\r
Arrière-garde, achterhoede. ar
Arrière-pensée, een voorbehoud in gedachten (r e s e r v lt;5-tio men té.lis), dat een Jezuïet volgens zync ordens- ftp regelen by het afleggen van een eed mag heb oen ; ge- ftr lieim voorbehoud, byoogmerk.
Arrimage, het stouwen of schikken der scheepsgoederen. arrimeeren, stuwen of stouwen, schikken, stapelen. a
arriveeren, aankomen ; gebeuren.
Arrivement, aankomst.
arrogant, verwaand, laatdunkend, aanmatigend.
Arrogéntie, aanmatiging, verwaandheid, laatdunkerdheid. ft. arrogeeren, aanmatigen. A
arrondeeren, afronden; in samenhang brengen.
Arrondissement, afronding; onderafdeeling van een? provincie, van een departement. A arroseeren, bevochtigen, besproeien, begieten. a Arrowroot, zetmeel van den Indiaanschen pylwortel. A Arsenaal, tuighuis, wapenmagazyn. a Arsénicum, Arsenik, een enkelvoudig metaal van hoogst a vergiftigende cigenschap ; eene zyner verbindingen, het A Arsenigzuur of wit arsenicum-oxyde draagt in de wandeling den naam van rottenkruit. (by het maatslaan. /! Arsis, de stem- of toonverheffing, het opheffen der hand /! Arsjine, de Russische el (0.71 meter). f ars ionga, vita brevis. dc kunst is lang, het leven kort. Arteriën, slagaderen, polsaderen. j Artésische putten, geboorde welputten, die het water uit
eene diepliggende waterader opbrengen. i
Artes liberales—Asperiteit 35
Artes liberaics, de schoone wetenschappen en kunsten. Arthritis, de jicht.
Articulatie, de ^eledinp:, gewrichtsrerhinding; de hrpaald-
heid en dnidelykheid van de uitspraak.
articuleeren, duidelijk de woorden uitspreken; iets van lid tot lid ontwikkelen of uiteenzetten. (woord.
Artikel, lid, stuk, afdeeling, hoofdpunt; handelswaar ; lid-artificiëel, kunstmatig, kunstig.
artificiëus, listig, sluw.
Artillerie, grof geschut; geschutkunde; legerafdeeling, die \'t geschut .bedient. Artillerie-park, reserve der artillerie.
Artillerist, soldaat, die het grof geschut bedient.
Artist, kunstenaar. Artiste, kunstenares.
artistiek, artistisch, tot de kunst behoorend; naar de
regels of cischen der kunst; kunstlievend.
Artium magister, meester der vrye kunsten.
Artolatrie, brooddienst, dienst om brood, aanbidding van het brood.
Asa foetida, duivelsdrek (harsig sap eener Perzische plant).
a salvo, onbeschadigd (op vrachtbrieven).
Asbést, vezelsteen (in het vuur onverbrandbaar), ook
steen vlas, bergglas, amiant geheeten.
Asceet, vrome; fijnvrome.
Ascendénten, verwanten in opklimmende lijn.
Ascenseur, toestel om personen eh goederen naar boven te brengen ten einde het trappenklimmen in hotels enz. te vering den; vgl. hoist, lift.
Ascénsie, opstijging, klimming; hemelvaart.
Ascése, deugdoefening, dooding des vleesches.
Ascetiek, de leer van een godzalig leven, deugdoefening. ascetisch, fijnvroom; a-e schriften, stichtelijke schriften. Ascites, de buikwaterzucht.
Asiel, toevluchtsoord, vrijplaats; bewaarschool ; gesticht
ter verpleging van hulpbehoevenden.
A\'sfnus ósinum fricat, de eene ezel pryst den ander, Asitie, het vasten; gebrek aan voedsel.
Asmodéus, Asmodée, Asmódi, vorst der demons; huwe-
lyksduivel; koningsslang in Japan.
Aspéct, aanblik, voorkomen; voorteeken; uitzicht in de toekomst. A-en, verschillende standen der planeten on-Asperiteit, ruwheid, scherpte, hardheid. (derling.
36 Aspérsie—Assuradeur
Aspérsie, hesprenging, besprenkeling (vooral met wy water). Asphélt, jodenlyin, jodenpek, herg- of ateenhars. Asphyxie, hoogste graad van onmacht, schijndood, asphyxiëeren, schyndood worden of z\\in ; doen stikken. Aspirant, dinger (naar een post, een graad enz.) aspireeren, naar iets streven; met aanademing uitspreken. Assa foetida, z. Asa fcetida.
assaisonneeren, toebereiden, kruiden, sausen, peperen enz. Assaut, aanval, bestorming; soort van schermoefening. Assemblée, by eenkomst; voornaam gezelschap, assentceren, toestemmen, goedkeuren, by val schenken, assermenteeren, beëedigen.
Assértie, bewering; het beweerde.
assertórisch, bewerend. (teraad enz.
Asséssor, byzitter in eene rechtbank, in eenen gemeen-assez, genoeg.
assidü, aanhoudend vlytig, volhardend, onverpoosd Assiénto-compagnie, maatschappy tot slavenhandel. Assiétte, tafelbord,kleine schotel; fig. gemoedsstemuing; hij is niet in zijn gewone assiette, liy mist ayn gewone kalmte, bezadigdheid, opgeruimdheid.
Assignatie, schriftelyke aanwyzing op betaling, assigneeren, eene aanwijzing op betaling geven. Assimilatie, vereenzelviging.
assimileeren, vereenzelvigen ; in voedingsstof veranderen. Assises, openlyke rechtszittingen; hof van a. (courd\'as-sises), hof van lyfstraffelyke rechtszitting (in l\'rankryk). assisteeren, helpen, bijstaan.
Assistént, helper, hulp; toegevoegd persoon.
Assisténtie, hulp, bijstand ; onderstand.
Associétie, vereeniging, maatschap, vennootschap. Associé, deelhebber ; handelsgenoot, vennoot, compagnon, associëeren (zich), zich vereenigen; in een handelsgenootschap treden, eene vennootschap aangaan. Assonantie, gelijkheid van klank, van toon.
assorteeren, naar soorten uitzoeken (sorteeren); zich a.,
zich met verscheidenheid van waren wel voorzien. Assortiment, warenvoorraad; toestel, volledige verzameling van by elkander passende dingen, z. Sortiment. Assümtie, Maria-hemelvaart; sterfdag van een heilige. Assuradeur, verzekeraar; waarborger tegen schade van brand, van hagelslag, van zee enz.
assurant—Atlantisch 37
assurént, stout, vermetel, aanmatigend. (In het dagelyk-sche leven hoort men het vaak verbasterd tot astrént). Assurantie, verzekering, waarborging tegen schade ; stoutheid, driestheid, zelfvertrouwen; brutaalheid, assureeren, verzekeren, waarborgen tegen schade. Asteroïden, kleine planeten tusschen Mars en Jupiter. Asthenie, krachteloosheid, zwakte.
asthenisch, krachteloos, zwak.
Asth\'ma, aamborstigheid, borstbenauwdheid.
asthmótisch, aamborstig, kortademig.
Astraal-lamp, sterren- of glanslamp (zonder schaduw). Astraea, de godin der gerechtigheid.
Astrolébium, graadboog, sterren- of poolshoogtemeter. Astrologie, sterrenwichelary, voorzegkunde uit de sterren. Astrologist, Astroloog, sterrenwichelaar.
Astrometer, sterrenmeter, werktuig ter meting van de
grootte der sterren.
Astronomie, sterrenkunde.
Astronomfst, sterrenkundige.
Astroscoop, sterrenkijker; -scopie, sterrenkijkerskunst. astutiëus, geslepen, sluw.
Asyl, z. asiel.
Asymmetrie, wanverhouding, onevenredigheid.
Asymphonie, wanklank, wanluidendheid.
Asymptoot, steeds nader komende, maar nooit rakende
Ign; het onbereikbare.
amp; tatons, op den tast.
Atavisme, overerving van lichaamsvormen en verstands-
hoedanigheden, inz. gelykenis op den grootvader. Ataxie, wanorde; atóktisch, onregelmatig.
Atelier, werkplaats, inz. eens kunstenaars.
Athanasie, onsterfelykheid.
Atheïsme, Atheïsterij, godverzaking, godloochening. Atheïst, godloochenaar, godverzaker.
Atheïstisch, godverzakend, godloochenend.
Athenaeum, doorluchtige school of inrichting van hooger onderwys.
Athleet, kampvechter, worstelaar (by de oude Grieken),
zeer zwaar gebouwd en sterk man.
at home, te huis, in eigen land.
Atlantisch, tot het Atlas-gebergte behoorend (vandaal Atlantische zee); reusachtig, groot en sterk.
Atlas—Attisch
At\'ias, hooge berg in Afrika; verzameling van landkaarten ; zware zijden stof; eerste halswervel, draaier. Atmologie, leer van de verdamping des waters. Atmometer, verdampingsmeter.
Atmosfeer, dampkring (die den aardbol omgeeft), atmosférische drukking, die drukking, welke de dampkring op de lichamen uitoefent.
Atmospherologie, dampkringskunde, weerkunde.
Atol, atolle, ringvormig koraaleiland.
Atóme, z. Atoom.
Atom\'e, verslapping, ontspanning, zwakte des liehaams. Atoom, Atóme, lichamelyk bestanddeeltje der stof (als
volstrekt ondeelbaar gedacht); zonnestofje.
amp; tort et è travers, zonder overleg, onbezonnen; in\'t wild. amp; tout prix, tot eiken prjjs, het koste wat het wil. atrabilair, atrabileus, zwartgallig; (lig.) yzegrimmig. Atrabiliteit, de galzucht, zwartgalligheid.
a tre, voor drie stemmen; — voci of parti, driestemmig. Atresie of atretisme, sluiting van een kanaal des liehaams. Atrium, voorhof, voorzaal; een het voorhuis vormende zaal. Atrociteit, afschuwelijkheid, ijselijkheid.
amp; trois, met zyn drieën; amp; trois voix, driestemmig. Atrophie, wegkwyning, uittering.
Attaché, de aan een gezantschap of legatie toegevoegde,
onbezoldigde leerling-diplomaat.
attacheeren, aankleven ; zeer genegen zgn ; lief krijgen. Attachemént, verkleefdheid, gehechtheid, genegenheid. Attéque, aanval.
attaqueeren, aantasten, aanvallen, aangrypen.
Atteiage, bespanning, span paarden; paardentuig, attendeeren, acht geven, opmerken, letten op.
attént, opmerkzaam, oplettend.
Attentaat, inbreuk op de rechten eens anderen, aanranding, gewelddadigheid; beproefde, maar mislukte aan-attenteeren, een aanslag maken. (slag.
Atténtie, opmerkzaamheid, oplettendheid, aandacht, attenueeren, verzwakken.
Attést, Attestatie, getuigschrift.
attesteeren, getuigen, verklaren, bekrachtigen.
Atticisme, attisch spraakgebruik; fijnheid in taal en styl. Attirail, gereedschap, toerusting; reisbagage.
Attisch, met den goeden smaak der bewoners van Attica
38
Attitude—Augmentatie 39
(de Atheuers) overeenstemmend, smaakvol, vernuftig; Attisch zout, fijne scherts, vernuftige taal, geestigheid. Attitude, lichaamshouding, lichaamsstand.
Attórney, (in Engeland :) gemachtigde ; procureur. Attouchemént, aanraking, betasting.
Attréctie, aantrekking; aantrekkingskracht.
attraheeren, aantrekken.
Attrahéntia, aantrekkende middelen.
Attraits, hekoorlykheden, aanlokselen,
Attrópe, valstrik, misleiding; op A. spelen, iemand inde
val zoeken te krygen, hem willen heet hehhen. attrapeeren, betrappen, heet hehhen; misleiden, attribueeren, toeëigenen ; toeschryven ; wyten.
Attributie, belegging, verleening; volmachtiging. Attribuut, zinnebeeldig kentecken, onderscheidingsteeken
(bv. de knots is een attribuut van Hercules).
Attritie, wry ving van twee lichamen tegen elkander, attroupeeren, te hoop loopen, samenscholen. Attroupement, oploop, samenscholing, volkshoop. Atypisch, ongeregeld, onregelmatig.
Aubade, ochtendbegroeting met muziek of zang.
Auberge, herberg, klein logement.
au contraire, integendeel.
au courént, in den loop (bv. der maand); tegen den loopenden prys ; au courant zijn, met den tyd en zijne nieuwste verschynsels gelyken tred houden ;(ook :) den samenhang eener zaak begrypen, op de hoogte zyu. Auc\'tie, openbare verkooping, veiling.
auctioneeren, aan den meestbiedende verkoopen, veilen. Audéces (of audéntes) fortüna juvat, die waagt, wint. Audiétur et óltera pars, men hoore ook de andere party. Audiëntie, gehoorverleening; toegang; rechtszitting. Auditeur, toehoorder; raad cn byzitter in gerechtshoven;
a. militair, openbaar aanklager by een krygsraad. Auditórium, gehoor, gezamenlyke toehoorders, gehoorzaal, au fait, ter zake; au f. zijn, ergens van weten, op de
hoogte zyn, in een geheim ingewgd zyn.
au fond, in den grond, in \'t wezen der zaak, wel ingezien. Aügias-stal, zeer moeilyk en onaangenaam, ja schier on-
doenlyk, onmogelyk werk.
Augmént, vermeerdering, toevoegsel.
Augmentatie, vermeerdering, versterking.
4° augmentatief—Automaat
augmentatief, vermeerderend, vergrootend.
augmenteeren, vermeerderen, byvoegen, verhoogen.
Augur, vogelwichelaar, waarzegger uit de vogelvlucht.
Augürium, waarzegging, voorspelling der toekomst.
Aula, open zaal, groote vergaderzaal op universiteiten.
au large, ruim, breed, gemakkelyk.
au moment, op het oogeuhlik.
au pair = al pari (z. aid.)
au porteur, aan den brenger, aan toonder.
aurea mediócritas, de gulden (gelukkige) middelmaat.
Aureool, licht- of straalkrans om \'thoofd der heiligen.
au reste, overigens, voor \'t overige.
Auripigment, z. arsenicum.
auri sacra fames, de verwenschte gouddorst.
Auróra, godin des dageraads; het morgenrood.
Auscultént, hoorder, toehoorder, inz. jong rechtsgeleerde,
die de rechtszittingen tot zyne vorming bgwoont. Auscultatie, het onderzoeken door \'t gehoor (bv. van eene ausculteeren, toehooren, luisteren. [borstziekte),
a üso, tl usance, naar wisselgebruik, op gewoon zicht. Auspiciën, voorteekens; bescherming, toezicht. Austeriteit, strengheid, strafheid, stugge ernst.
austraal, zuidelijk. (is.
Austriomame, blinde gehechtheid aan al wat Oostenryksch Autarchie, zelfheerschappij, zelfbeheersching.
aut Caesar aut nihil, of Ctesar öf ambteloos burger (zyn). Auteur, schryver van een boek; bewerker, oorzaak. Anthenticiteit, echtheid, geloofwaardigheid.
authenthiek, geloofwaardig, echt; in rechten geldig. Autobiographic, eigen-levensbeschryving.
Autochthonen, oorspronkelyke bewoners van een land. Autocraat, zelfheerscher, eigenmachtig vorst.
Autocratie, zelfheerschappij, onbeperkte heerschappy. Auto-da-fé, geloofs- of halsgericht, ketterverbranding by de inquisitie.
Autodidéctus, zelfoefenaar, iemand, die alleen door zelfoefening geleerd heeft.
Autognosie, zelfkennis.
Autograaf, copiëer-machine, zelfschryver; (ook:) eigen-
liandig schrift.
autogréphisch, eigenhandig geschreven.
Automaat, kunstige machine, in welke alles zich van zelf
automatisch—Aviditeit 41
schijnt te bewegen ; dom mensch, die, zonder eigen geest-of wilskracht, als eene machine handelt, stroopop. autométisch, zich van zelf bewegend; werktuiglyk, onwillekeurig, als een automaat of machine.
Autonomie, het recht om zich zeiven wetten te geven,
zelfregeering.
Autopathie, zelfervaring, eigen gewaarwording.
Autopsie, eigen waarneming, in tegenstelling met de slechts van anderen door vertellen verkregen aanschouwing ; lykopening.
Autor, dader, vervaardiger, schrijver.
Autorisétie, volmacht, wettelyke goedkeuring, autoriseeren, machtigen, volmacht geven.
Autoriteit, erkende geloofwaardigheid; gezag, gestelde
macht; getuigenis (uit schriften).
Autotype, eerste of oorspronkelijke afdruk; zelfafdruk. autumnaal, herfstachtig, tot den herfst behoorende. aut vlncere, aut móri, overwinnen of sterven, aux armes, te wapen.
auxHiair, hulp verleenend, hulp....
auxiliaire troepen, hulptroepen.
Avél, wisselborgtocht.
Avénce, avans, winst; voorschot; vooruitbetaling; a-s maken, de (eerste schreden (bv. tot eene verzoening) doen. avanceeren, voorwaarts gaan, vooruitkomen; voorschieten ; bevorderen; bevorderd worden.
Avancemént, bevordering, standsverhooging.
Avantage, voordeel, winst; overhand.
avantageeren, bevoordeclen. avantageus, voordeelig. Avant-garde, voorhoede.
avant la lettre, voor het onderschrift; eerste en beste
afdrukken van koperen platen.
Avant-propos, vooa-rede.
Averie, Averij, z. Haverij. [Kerk (z. Amerij).
Ave Maria, Wees-gegroet-Maria; klein gebed der r. k.
avenént, minzaam, innemend, z. advenant.
Avenue, toegang tot eene plaats, voorplein, oprijlaan.
a verbis ad vérbera, van woorden tot slagen.
Avérs, voor- of beeldzijde van een munstuk of penning.
Avérsie, afkeer, tegenzin, walging.
Avertissemént, bericht, kennisgeving; waarschuwing.
Aviditeit, begeerigheid, gretigheid; belustheid.
42 Avilissemént—Babel
Avilissemént, verlaging, vernedering.
Avis, aviseeren, z. adv—,
amp; vista, op zicht, op vertooning des wissels (te betalen), avitailieeren, van levensmiddelen voorzien, proviandeeren. aviveeren, verlevendigen; helderder, glanziger maken, avoceeren, afroepen, terugroepen.
a voce sola, voor eene stem alleen. (kilo.
Avoir-du-poids, het handelspond in Engeland = 0,508 amp; vol d\'oiseau, in vogelvlucht; als uit de lucht (hv. ge-
teekend); (ook:) hemelsbreed, in rechte Ign. avontureeren, avonturen, wagen, op het spel zetten. Avonturen, lotgevallen; z. ook avontureeren.
Avonturier, gelukzoeker; waaghals.
Avontuur, zonderling voorval; gewaagde onderneming, avorteeren, z. aborteeren.
amp; votre santé, op uw gezondheid.
Avoué, pleitbezorger; z. Procureur.
avoueeren, bekennen, erkennen. [drinken),
è vous, aan u (by het spel); op uwe gezondheid (by het amp; vüe, op zicht (betaalbaar).
Avulsie, de af- of losscheuring.
axiilair, de oksels betreffende.
Axióma, axioom, onloochenbare grondstelling, onomstoo-telyke en klaarblgkelyke, geen bewys vorderende waar-Axiopistie, geloofwaardigheid (van een geschrift), (beid. A\'zimuth, boog van den horizon, begrepen tusschen deu meridiaan eener plaats en een of anderen verticaal- of hoogte-cirkel, toppuntshoek,
Azótum, stikstof, stiklucht, stikgas.
Azuur, hemelsblauw; (in de heraldiek:) blauw.
B.
B., Be., Beo. = banco (z. a.)
B L. — Benévole Lector (z. a.)
B. M. beatae memoriae, zaliger gedachtenis. Bto. = bruto (z. a.)
Baar, nog onbevaren matroos, nieuweling aan boord. Bébel, Bébylon, verwarring, warboel; (ook:) uitschot.
Babiche—Bajadere 43
Babiche, klein ruigharig hondje, schoothondje.
Babillage, gesnap, gekal, gebabbel, gekakel.
Babillard, babbelaar.
Babioien, speelgoed, beuzelarijen.
Baboe, Indische min of kindermeid.
Baccaiéureüs, gelauwerde; iemand die de naaste academische waardigheid vóór den doctorsgraad heeft verkregen.
Bacchanóliën, Bacchus-feesten ; drinkgelagen, zuippartyen.
Bacchanten en Bacchantinnen, dronken dwepers en dweepsters; tierende lichtmissen.
bacchantisch, dronken, door den drank bezeten, tierend.
Bacchus, de god van den wyn, van de dronkaards; (ook:) de wijn zelf; een groot wyudrinker.
Baciltériën, stofdiertjes, draadbacteriën (infusiediertjes).
Backwoodsmen, de blanke bewoners en bebouwers der backwoods (achterwouden) in \'t verre Westen der Vereenigde Staten van N. Amerika.
Baculétie, afrossing met den stok (bacillus).
Badaud, onnoozele bloed, uilskuiken.
Badinage, kortswyl, scherts, grap, schalkerij.
Badine, dun wandelrietje, speelrottinkje, rijzweepje.
badineeren, kortswylen, schertsen, boerten; stoeien.
Bagage, het gezamenlykc reisgoed ; passagiersgoed; veld-, krijgs- en legertuig; slecht volk, gespuis.
Bagatél, kleinigheid, nietigheid, armzaligheid, vodderij.
Bagijnen, z. Begijnen. [tinopel); badhuis.
Bégno, gevangenis der galeishven; galeistraf (in Constan-
Bag-pipe, doedelzak.
Baguétte, roetje, gardje; laadstok; tooverroede.
Baignoire, badkuip; loge in \'t parterre met zitplaatsen, die van achteren breed en van voren smal zyn.
Bailli, ambtman, baljuw; schout.
Bain-mane, warm-waterbad, vat (pot, bak) met heet water, waarin men een ander vat ter verwarming, uitdamping enz. plaatst. (tuiging. plichtpleging.
Baise*main, handkus als huldiging; nederige dienstbe-
Baiser, kus; hol, met schuim gevuld suikergebak.
Baisse, het dalen der staatspapieren; amp; la baisse spe-culeeren, op de daling derefFecten handelsplannen maken.
Baissier, speculant op daling derelfecten; vgl. Haussier.
Bajadere, Oostindische danseres.
Bajazzo—banaal
Bajazzo, hansworst, potsenmaker.
Béjert, zooveel als Chaos (z. aid.)
Bajonet, geweerdolk.
Bal, dansparty, dansgezelschap. Bal masqué, gemaskerd bal. Bal paré, pronk- of prachtlml, staatsiebal. Bal champêtre, landelyk bal, bal in een tuin, in de open
Baladin, balletdanser, hansworst. (lucht.
Balance, z. Balans.
Balancé, danspas, waarbij men zich van den eenen voet op den anderen in evenwicht houdt of balanceert.
balanceeren, zweven, het evenwicht houden; weifelen, besluiteloos zyn; eenc rekening afsluiten.
Balans, evenwicht; weegschalen, elk werktuig,waarmede men \'t gewicht der lichamen bepaalt; (by kooplieden:) slotrekening, afsluiting der rekeningen of handelsboeken.
Balcón, uitstek of buitentred vóór aan den buitengevel
Béldaquin, troonhemel; draaghemel. (van een huis.
Balein, vischbeen.
Baljuw, landrechter, drost, schout. (beurtenis.
Balléde, verhalend gedicht over eene avontuurlyke ge-
Ballét, tooneeldans, opera met dans.
Ballistiek, werpleer, werpkunde.
Ballón, luchtbol.
Ballotage, Balloteering, het stem uitbrengen door middel van zwarte en witte balletjes of boontjes, door briefjes, enz.
balloteeren, met balletjes, boontjes enz. stemmen.
Balneograaf, beschrijver van baden.
Balneologie, de wetenschap der baden.
Balneotherapie, genezing door middel van baden.
Balneum, een bad.
Balustréde, eene op kleine kolommen of stylcn rustende leuning, hekwerk.
Bambochades, onnatuurlyke schilderyen, wonderlijke gedrochten, laaggrappige voorstellingen.
Bambóche, hanssop; draadpop ; dwerg, dreumis.
bambocheeren, zwieren, rinkelrooien.
Bamboes, Indisch riet.
Ban, Bannus of Bénus, Slavonisch heer, oude rykswaar-digheid in Ilongarye, Croatlë enz.
banaal, aan dwang onderworpen ; voor ieder gereed, veil; alledaagsch, gemeen, plat, afgezaagd.
44
Banaliteit—Banquét 45
Banaliteit, rechtsban, dwanggereclitigheid; alledaagscli, gemeen, afgezaagd gezegde.
Banco, bankgeld, muntvoet, waarnaar het geld bij de bank berekend wordt; banco intacceeren, meer in banco op zich laten schrijven, dan men te vorderen heeft; banco-conto, boek, dat een koopman tot afrekening met eene bank houdt.
Bandage, chirurgisch verband, windsel, breukband.
Bandagist, breukbandmaker; (ook:) breukmeester, (zjjn.
bandeeren, spannen, in spanning brengen; in spanning
Bandelier of Bandoulière, schouderriem, draagband der soldaten ; sabelkoppel, patroontaschkoppel.
Bande noire, de zwarte bende; speculanten die landgoederen opkochten om te sloopen ; gezelschap uitdragers die voor gezamenlyke rekening alles by aucties goedkoop opkoopen.
Bandiet, landlooper, straatroover, sluipmoordenaar.
Bónianen, onderhandelaars en tolken in Indië, die tot de handelskaste behooren. (watteerde zyde.
Bénians, Chineesche of Oost-Tndische slaaprokkeu van gC-
Banier, vaandel, vendel, standaard, veldteeken.
Banjerheer (verbastering van baanderheer), groot heer; pronker,
Bank-actiën, bewysstukken van dc aandcelen, die iemand in eene bank heeft. Bank-actionnair, bank-actionist, houder van zulke bewijsstukken.
Banket (Banquet), groot, prachtig gastmaal; zeker gebak.
Bankier, wisselaar, wisselkoopman, geldhandelaar; (ook:) bankhouder bij kansspelen.
Bankroet, staking der betalingen en handelsverrichtingen van een koopman of handelshuis, wegens een (wezenlijk of geveinsd) onvermogen om zijne schulden te betalen. (Bij geveinsd onvermogen noemt men \'t een frauduleus bankroet). (rekenmunt.
Bank-valüta, bankgeld als louter verdichte of gefingeerde
Bannaat, het onder een ban of hanus staande staatsge-bied, inz, de landstreek in Hongarije, aan gene zyde der Theiss.
Bannissemént, verbanning, uitbanning; ballingschap.
Bénnus, z. Ban.
Banqueroute, z. Bankroet.
Banquét, z. Banket.
46 banquetteeren—Barok
banquetteeren, smullen, brassen; een groot feestmaal hon-
Bénus, z. Ban. (den.
baptiseeren, doopen.
Baptist, do dooper, doopende; doopsgezinde.
Bar. sluitboom ; gerechtszaal; de hal ie (advocatenstand); schenktafel of buffet.
Barak, Baraque, veld- of legerhut, soldatenhut; (ook:) slecht, bouwvallig huis, krot, nest.
baratteeren, waren tegen andere omzetten, verruilen; (ook:) op tyd koopen en terstond beneden den koopprijs verkoopen.
Baratterfe, warenvervalsching; bedrog der schippers niet de koopmanswaren; elk feit ter benadeeling der ree-ders of assuradeurs.
Barétto, warenomzetting, ruilhandel.
Barbaar, (bjj Grieken en Romeinen:) ieder buitenlander; (bij ons:) een ongevoelig, wreed mensch, woesteling.
Barbacane, schietgat; wachttoren.
Barbarésken, de Barbarysche of Noord-Afrikaansche lan-\' den; de bewoners daarvan.
Barbarisme, fout tegen de zuiverheid der taal, laalver-valsching, wantaal, vreemde woordvorming.
Barbonnage, knorrig humeur van oude lieden.
barbouiileeren, bezoedelen; kladschilderen; stotteren.
Barcarole, gezang der gondeliers te Venetië.
Barchént of Parchént, wollen stof met linnen ketting.
Bérden, priesters, zangers, dichters der oude Celten.
Bardot, pakezel; zondebok.
Barége, wollen, niet gekeperde stof voor sjaals.
Barét, muts der r. k. geestelijken; riddermuts ; doctorshoed.
Bérge, soort van volksschuit in Nederland, ook Bérgie, Bérgie geheeten.
Bariolage, bonte schilderij.
Bériton, z. Baryton.
Barkan, z. Bercan.
Barkas, de groote boot van een zeeschip.
Barkeeper, buffethouder, bediende in de koffiekamer.
Barley, gerst.
Barn, schuur; barn-floor, dorschvloer.
Barn-burners, scheldnaam der radicale democratische party in N. Amerika.
barók, scheef, vreemd, M onderlgk, belachelgk.
Barometer—Bastaard 47
Bérometer, luchtzwaartemeter, weerglas.
Barón, vrylieer. Baronés, vrjjvrouwe.
Baronet, Engelseli edelman, die \'t midden houdt tusschen
den pair of ryksbaron en den kniglit of ridder. Baronie, vrgheerlgkheid.
Baroscoop, cliemisch weerglas.
Barouchet, licht rijtuig met twee wielen, halve koets. Barquerólle, pleizierschuitje zonder mast; (ook;) gezang
der visschers en gondeliers in Italië.
Barrel, een eng. vat van verschillende grootte.
Barricade, versperring, straatversperring. barricadeeren,versperien, straatvcrschansingen opwerpen. Barrière, slagboom, hek ; grensweer, grensvesting. Barroom, koffiekamer, buffetkamer.
Baryt, zwaarspaath ; zwaaraarde. (eene stem heeft.
Béryton, hooge basstem, diepe tenorstem; hy, die zulk Basar, z. Bazaar.
Basalt, grauwe rotssteen.
Bas*bleu, blauwkous, geleerde vrouw.
Bascule, tegenwicht; wip, zwengel; zekere weegtoestel. Bascule-stelsel, het weifelen in de grondstellingen der staatkunde ; het dienstbewijzen op hoop van wederdienst, baseeren, grondvesten, den grond leggen.
Basilica, -Hek, stiftskerk, domkerk, kathedrale kerk. Basilicum, koningskruid; ettermakende zalf.
Basilfscus, koningshagedis, een fabelachtige draak.
Bésis, grondslag, grondvlakte, zuilvoet, voetstuk; hoofdbestanddeel van een scheikundig praeparaat.
Bésket, korf, mand.
Bas-relief, half verheven beeldhouwwerk of gietwerk. Béssa, z. Pasja.
Basse-lisse, tapytweverij met waterpas liggende ketting,
met ingewerkte figuren ; vgl. haute-lisse.
Bassésse, laagheid, gemeene denkwijze.
Bassin, bekken, kom; veilige ankerplaats in eene haven. Bassist, basspeler, baszanger.
Basso continuo, generale bas ; — repieno, aanvullingsbas ; — violoncello, basviool.
Bassón, baspyp, blaasbas, fagot.
Bésta, genoeg! halt! (ook, in sommige kaartspelen:) de
naam van klaveren-aas, de derde in rang.
Béstaard, Basterd, onecht, buiten \'t huwelyk geboren
48 Bastille—Bedoeïenen
kind; dier of plant, uit tweeërlei soort ontstaan; een fijne wolstof. [vernield).
Bastille, voormalige staatsgevangenis te Parijs (in 1789
Bastión, bolwerk eener vesting.
Bastonnade, stokslagen, afrossing; slagen op de voetzolen (Turksche straf).
bastonneeren, stokslagen uitdeelen; afrossen, afranselen.
Bataille, Batalje, slag, veldslag, gevecht.
Bataljón, gedeelte van een regiment voetvolk.
Batelage, goochelarij; bateleur, goochelaar. [ding).
BéthometeF, zeediepte-meter (werktuig van Nederl. vin-
Bathométrie, of Bathymetrie. dieptemeting.
Béthos, het diepe, verhevene; (nu :) het lage, platte en kruipende in schryf-, dicht- en spreektrant.
Batist, fijnste linnensoort, kamerdoek.
batonneeren, met den stok (baton) schermen of vechten ; afrossen.
Batonnier, deken der advocaten (in Frankrijk).
Batonnist, vechter of schermer met den baton of stok.
Battemént, het tegen-elkander-slaan der in de lucht opgeheven voeten (bij \'t dansen).
Batterij, geschutwal, schietschans; het geschut zelve; geschutlaag aan boord ; ry fiesschen tot electrische proeven ; de metaalzuil bg het galvanisme.
Battologie, ydel geklap, noodelooze omhaal van woorden.
Baume, balsem.
Bavérd, snapper, wauwelaar, zwetser.
bavardeeren, wauwelen, klappeien.
Bavaroise, warme thee met stroop.
Bazaar, üostersche overdekte marktplaats; (by ons :) wa-renmagazyn, groote winkels en verkoopplaatsen.
Bean, boon.
Beatificatie, zaligspreking.
beau, schoon; Beau-monde, de beschaafde deftige stand; beau sexe, het schoone geslacht.
Beauté, schoonheid; schoone vrouw, schoon meisje.
Beaux-esprits, geestige mannen.
Bébé, klein kind, zuigeling.
Becassine, poelsnip.
Bédlam, naam van een groot hospitaal voor krankzinnigen te Londen. Bedlamiet, gek, dolleman.
Bedoeïenen, rondzwervende, roofzuchtige Arabieren.
Beef—Bercan
Beef, rundvleesch; Bééfsieak, snelgebraden rundvleescli-lappen (bij ons doorgaans biefstuk geheeten). (joe. Beëlzebub, opperduivel; (ook :) zekere gestaarte aap.sapa-Beg, ook Bey, lieer, titel ran zekere Turksehe beambten. Béglerbeg, beer der heeren, opperstadhouder van een
groot landschap in Turkjje.
Begijnen, geestelijke zusters zonder ordesregel, die ge-
zamenlgk op een hofje leven.
Behemoth, een reusachtig dier (olifant of nylpaard). Bei ram, hoofdfeest der Turken.
Belemnieten, versteening van een gestorven schaaldier. Bel-esprit, fraaie geest, zinryk, vernuftig mensch. Bei-étage, voornaamste verdieping, eerste verdieping van een huis. (mensch.
Bélial, hellevorst. Belials-kind, deugniet, doorslecht Belladonna, schoone dame; vergiftige wolfskers. Bellénde, een plat, in \'t Noorden gebruikelyk zeilschip. Belles lettres, Belletrie, de fraaie letteren, schoone wetenschappen, letterkunde.
Belletrist, kenner en vriend der schoone wetenschappen, belletristisch, wat tot de fraaie letteren behoort. Bellevüe, Belvedère, schoonzicht, huis of plaats met een Bellóna, de oorlogsgodin. (schoon uitzicht.
Bench, bank; gerechtshof.
béne, goed.
Benedictie, zegenspreking, priesterlyke zegen.
benedijen, zegenen, pryzen, zaligspreken.
Beneficie, weldaad; geestelyke standplaats met fondsen-komen -, een uit gunst verleend ambt; onder beneficie van inventaris, onder voorrecht van boedelbeschryving; Beneficie-representétie, voorstelling van een tooneel-stuk ten voordeele van een tooneelspeler (die dan de Benificiant heet).
benificiëeren, eene weldaad of gunst bewijzen.
Bené vole léctor (B. L.), welwillende lezer.
Benevoléntie, welwillendheid.
Bengaalsch of Indisch vuur, mengsel van zwavel, salpeter enz., dat eene buitengemeen heldere, witxe, sterke Benigniteit, goedheid, minzaamheid. (vlam afgeeft,
ben trovato, goed gevonden.
Benzoë, Indische hars.
Bercén, van geitenhaar en wol gemaakte stof, barkan.
ELFDE DRUK. 4
49
50 Berceau—Bicamerisme
Berceau, wieg; bakermatj prieel; overdekt tuinpad:
Ijooggang, gewelfboog. ,\'v!en.
Bergère, lierderin ; gemakkelijke, ruststoel; zeker viou-Bergerie, scluuxpskooi; herderslied.
Bergie, z. Barge.
Berline, lichte reiswagen, die men kan openslaan. Berserker, geducht krijgsheld; berserker-woede, dolle
Bervl^of Beril, zeegroene of gele doorzichtige edelsteen. Besóqne, bezigheid, drukte, lastig werk; (in de staats-taal:) raadpleging van ministers en hooge ambtenaren, besogneeren, arbeiden; beraadslagen.
Bestialiteit, dierlijkheid, beestachtigheid.
Béte, beest, domkop; béte worden, zgn spel verliezen,
beest worden.
Betél, betélpeper, Indisch blad dat gekauwd wordt.
Béte noire, (eig. zwart beest) iets of iemand daar men
bang voor is of niet van houdt.
Bétise, domheid, domme streek. ^ , „
Betón soort van weeke metselspecie uit waterkalk en
kiezelzand, die zelfs onder water steenhard wordt. Béttinq, het wedden; bettingbook, boek om de weddenschappen by wedrennen aan te teekenen; bettingmen, de wedders; bettingroom, lokaal voor de wedders. Beurré, boterpeer. , •
Bevüe, verziening, feil uit onachtzaamheid, abuis.^ Bey, titel der vorsten van Tunis en Tripoli; (in t algemeen :) heer. .
Biais, schuine reep, als sieraad op vrouwenkleederen. Bi4nco (blanco) krediet, verlof tot liet trekken eener som op zekeren tijd, onder voorwaarde van de z^de des trekkers, de traites vóór den vervaltyd te dekken. Bibliognosie, boekenkennis. , , , ,
Bibliograaf, boekbeschrjjver; geleerde boekenkenner. Bibliographie, boekbeschrjvihg.
Bibliomaan, ijverig boekverzamelaar, boekengek. Bibliomanie, liartstochtelijkc liefhebberij voor boeken. Bibliophiel, boekenvriend, liefhebber van boeken. Bibliothecéris, opziener eener boekerij.
Bibliotheek, boekverzameling, boekerg.
Biblistiek, bijbelkunde.
Bicamerisme, het staatsstelsel met twee Kamera.
biceps—Biologie 51
biceps, tweehoofdig, twee gezichten hebbende.
Bichón, klein langharig hondje, leeuwtje.
Bicinium, tweestemmig zangstuk.
Biconcaaf, aan weerszijden holrond, dubbelholrond.
Biconvéx, aan weerszoden bolrond, dubbelbolrond.
Biduum, tgd van twee dagen.
Biënnium, tydruimte van twee jaar.
Bien public, het algemeen welzijn, het gemeene best.
Bienséance, welvoeglijkheid.
Bienveillance, welwillendheid.
bienvenu, welkom.
Bigamie, dubbele echt, tweewijverij, tweemannerij. bigarreeren, bontkleurig, veelvervig maken.
bigót, schijnheilig, bijgeloovig, domvroom.
Bigotterie, schijnheiligheid, vrome huichelarij, geloofa-
blindheid, domvroomheid.
Bijou, kleinood, kostbaarheid, juweel; puikstuk. Bijouterie, allerlei meer of minder kostbare voorwerpen
tot opschik, galanteriewaren,
bilateraal contréct, wederzijds verbindend verdrag. Bilboquét, vangertje, balvanger (een kinderspeeltuig);
duikelaartje; lichtzinnig mensch, spring-in-\'t-veld. biliëus, gallig.
biljardeeren, twee ballen te gelijk voortstooten; (ook;)
denzelfden bal tweemaal in éen stoot met de keu raken. Biljart, baltafel.
Biljet, briefje. (kwartiering.
Biljetteering, inlegering door middel van biljetten van in-Biljoen, kopergeld; slechte zilvermunt; verwerpelijke zaak. Bill, (in Engeland:) voorslag, ontwerp tot eenc nieuwe wet. Billet doux, B. d\'amour, minnebriefje.
Billioen, duizendmaal duizend millioen ; (by de Franschen:)
Billion, duizend millioen.
Billonnage, handel met verboden geld.
binair, tweedeelig, zich in tweeën splitsend.
Binócle, kykglas voor beide oogen, tooneelkyker. binomisch, tweeledig, tweedeelig.
Biograaf, levensbeschrijver.
Biographic, levensbeschrijving.
Biologie, levensleer, levenskunde, natuurbeschrijving der levende wezens; ook geeft men dien naam aan de voor eenige jaren zoo veel geruchtmakende, geheimzinnige
52 biologiseeren—Wandeeren
kunstbewerking op den menscli, waarbg de wilskracht en de zintuigen van den eenen menscli, zoo \'t scliynt, gelieel onder beheer gesteld worden van den verrichter dier kunstbewerking: den Bioloog of Biologist, biologiseeren, iemand de kunstbewerking der biologie
doen ondergaan, hem van alle wilskracht berooven. Biometrie, berekening van den levensduur.
Biosophie, levenswijsheid.
Biquadraat, dubbel vierkant, 4de macht eener grootheid. Birch, berk.
Bird, vogel.
bis, tweemaal, nog eens.
bis dat. qui cito dat, die haastig geeft, geeft dubbel.
Bisam = Muscus (z. aid.)
Bisbille, geschil, oneenigbeid, gehaspel, gekyf.
Biscuit, beschuit, tweebak; (ook:) onverglaasd porselein;
halfgare stukken by het kalkbranden.
Biseau, schuinsch vlak, scheeve kant; lip eener orgelpijp, bismarck, geelbruine modekleur. (aschtin, parelwit. Bismuth, roodachtig wit, zeer bros metaal, spiegeltin. Bison, bnffelos.
Bisque, krachtige soep.
Bister, roetzwart, roetbruin (tot graveeren en tot was-
scben van teekeningen).
Bistouri, krom insugdingsmes der heelmeesters, bitumineus, aardpek of aardasch (bitumen) bevattende. Bivouéc, nachtwacht onder den blooten hemel, bivouaqueeren, in de open lucht den nacht doorbrengen,
zonder tenten legeren.
bizér, zonderling, wonderlik, grillig, eigenzinnig. Bizarrerle, ongerymd, zot gedrag, grilligheid.
Blague, blufferij, grootspraak, opsnyderij.
blagueeren, bluffen, opsnijden, grootspreken.
Blagueur, bluffer, opsnyder, praalhans.
blamébel, berispenswaardig, laakbaar.
Blame, blaam, schimp, kwade naam, eerschennis. blameeren, in kwaden naam brengen, belasteren. Blanc-manger, een gerecht van melk, suiker en amandelen, blanco krediet, z. bianco. In blanco onderteekenen geschiedt zoo, dat men eene ruimte tot latere invulling onbeschreven laat.
blandeeren, naar den mond praten, flikflooien.
Blankét—Boernoes 53
Blankét of Blanquét, Blanc-seing, oningevulóe volmacht. Blasé, door overmatig zingenot uitgeput, geblaseerd. Blasón, Blazoen, wapenschild, veldteeken ; (ook:) de wapenkunde of kennis der geslachtwapens.
blasoneeren, wapens volgens de regels der kunst verklaren of schilderen.
blasphemeeren, God lasteren, godlasterlijk spreken. Blasphemie, lastering, godlastering; majesteitshoon. Blazoen, z. Blason.
Blennorrhaea, slijmvloed, slgmontlasting. (leedigen.
blesseeren, wonden, kwetsen; beschadigen, kreuken, be-Blessuur, wond, kwetsuur.
bleu*mourant, bleekblauw, matblauw.
Blikvuur, nachtsignaal, dat door aansteken van los krult gegeven wordt. (houwen boomstammen.
Blockhouse, huis gebouwd uit op elkander gelegde, be-Blokkóde, blokkeeren, z. Bloqu—.
blond, lichtkleurig, lichtgeel (van het haar).
Blondin, Blondine, een jongeling, een meisje met lichtkleurig hoofdhaar.
Bloom, bloem, bloesem.
Bloquéde, Blokkeering, insluiting, omsingeling van eene
haven, van eene vesting.
Bloqué, een rechtuit en met forschen stoot te maken of
gemaakte bal (op het biljart).
bloqueeren, af-, insluiten, de toegangen eener plaats met troepen of schepen omsingelen; een biljartbal met forschen stoot maken of in den zak werpen.
Blouse, kiel, voermanskiel; ruim geplooid dameskleed;
(ook:) de biljartzak.
Blue-stocking, blauwkous, al te geleerde vrouw.
Bluffs, hooge oeverstreken langs de Amerik. rivieren. Blunder, fout, misgreep, domme zet, bok.
Bóa, de konings- of reuzenslang; (ook:) lange damespels. Board, plank ; tafel; kast; terechtzetting.
Boardinghouse, kosthuis.
Boat, boot.
Bocage, boschje, boschage.
Bodemerij, geldleening op een schip als onderpand. Bodinerie, z. Bodemerij.
Boekanier, z. Boucanier.
Boernoes, Bournous, Arabische mantel van witte wollen
54 Boeuf—bonificeeren
stof met eene kap; soort van nieuwerwetsche vrouwenmantel.
Boeuf amp; la mode, gestoofd of gesmoord rundvleesch. Bohea of Bohea-thee, theehoei, zwarte thee.
Bohémiens, in Frankrqk wat wg Heidens noemen; z.
(Zigeuners.
(landen.
Boiserie, houtbekleeding. Boite, doos.
Bojaar, adellijk grondbezitter, vrpeer in vele Slavonische Bokaal, groote drinkbeker, hansebeker.
boksen, vuistvechten op de Engelsche manier.
Bokser, Engelsch vuistvechter.
Boléro, Spaansche volksdans, roet castagnetten begeleid. Bólus, Lemnische aarde, zegelaarde; artscnyballetje,slik-
brok ; zeker gebakje,
bombardeeren, met bommen beschieten; beschieten; by
iemand onstuimig aandringen.
Bombardemént, beschieting met bommen of holle werp-
kogels; beschieting.
Bombardier, bommenwerper; kanonnier.
Bómbast, woordenpraal, brommende uitdrukkingen, hoogdravende, gezwollen, maar vaak zinledige voordracht, bon, goed ; een bon, aanwyzing op betaling, bewys van ontvang, van levering enz.; bonjour! goeden dag! goeden morgen ! bon soir ! goedenavond ! bon voyage! goede reis! (trouw.
Bóna, goederen, vermogen, bezitting ;bona ffde, te goeder Bona immobilia, onroerende goederen.
Bona mobilia, roerende goederen.
Bona vénia, met welwillende toestemming.
Bonbón, suikergoed, snoepgoed, lekkers.
Bon chien chasse de race, kinderen hebben de hoedanigheden hunner ouders.
Bond, schuldbekentenis, obligatie.
bón gré mél gré, goed- of kwaadschiks, willens of onwillens, tegen wil en dank.
Bonheur, geluk; gelukkig voorval; buitenkansje; par
(onnoozelheid.
bonheur, by geluk.
Bonhomie, natuurlijke goedhartigheid; gulle eenvoudigheid; Bonhomme, goed en eenvoudig mensch, goede ziel; on-
noozele hals, goede sukkel, sul.
Bonificétie, vergoeding, schadevergoeding.
bonificeeren, vergoeden, echadeloosstellen.
Boniteit—Botanist
Boniteit, goedheid, deugdelijkheid, degelykheid.
Bon mót, geestige zet, kwinkslag.
Bónne, kindertoezienster, kindermeid, gouvernante, die
niet met het onderwys der kinderen heiast is.
bonne bouche, lekkerheetje.
Bonne fooi, verbastering van bonne foi, goede trouw;
op de bonne fooi, in goed vertrouwen, op goed geluk Bonnet, muts, kap ; hyzeil, brood winder. (af.
Bon sens, gezond verstand.
Bon ton, goede, beschaafde gezelschapstoon, wereldtoon. Bon-vivént, vroolyke broeder, losbol, doorbrenger.
Bónze, Japansch en Chineeseh priester.
Bookmaker, boekhouder der weddenschappen by wedrennen, speculant by wien men op de renpaarden wedden Boot, laars. (kan.
Bórax, boraxzure soda, de natuurlyk voorkomende verbinding van het horaxzuur met soda, vaak als smeltmiddel voor de metalen gebezigd.
Bondage, scheepsbekleeding.
Bordeel, huis der ontucht, hoerenhuis.
Bordereau, Borderéi, speciebriefje, lyst der geldsoorten, waarmede men betaalt op handelsplaatsen, alwaar verschillende vreemde munten gangbaar zyn; uittreksel uit eene rekening.
borduren, bloem- of loofwerk in een weefsel naaien, stik-boreaal, noordelyk. (ken.
Boreas, de Noordenwind.
borneeren, begrenzen, beperken (z. geborneerd). Borough, marktvlek.
Borussomanfe, overdreven zucht, blinde voorliefde voor
al wat Pruisisch is.
Bosquet, boschje, dreef.
Bosse, bult, buil. (figuren vervaardigen.
bosseeren, uit gips, was of andere weeke stof verheven
bosseleeren, gedreven werk in goud, zilver enz. maken.
Bóston, eene naar het whist gelykend kaartspel.
Boténicus, z. Botanist.
Botanie, plantenkunde, kruidkunde.
boténisch, plantkundig, kruidkundig; botanische tuin,
plantentuin, kruidtuin.
botaniseeren, planten of kruiden zoeken.
Botanist, plantenkenner, kruidkundige.
55
56 Bottelier—Boutique
Bottelier, hofmeester (op schepen); keldermeester. Bottine, halve laars.
Bottomland, vruchtbare, maar ongezonde vlakten langs
de Amerikaansche rivieren.
boucaneeren, vleesch naar Indiaansche manier rooken. Boucanier, Amerikaansche roofjager, buffeljager; ook =
Flibustier (z. aid.)
Bouche close! mondje dicht! gezwegen! Bouche, que veux*tu, (woordelyk: mond, wat wilt ge ?) allerlei lek-Boucle, gesp ; lok. (kere spys.
boudeeren, pruilen, grijnen; mompelen, pruttelen j (iemand)
wrevelig behandelen.
Boudoir, dames-vertrekje of -kabinetje.
Bouffante, pofkleed, bolstaand kleed; lange en dikke ; manshalsdoek, soort van overdas.
Bouffón, windbuil; nar, grappenmaker, komiek.
Bougie, waskaars.
Bougre, (hoogst onwelvoeglijk woord) schoft, rekel. Bouillants, warme vleesehpastcitjes.
Bouilli, gekookt rundvleesch.
Bouillón, krachtig vleeschnat; samengerold goud- of zilverdraad; opbolling aan vrouwenkleeren.
Bouilloire, waterketel, theeketel.
Bouillotte, een hazardspel met kaarten.
Boule, kogel, bal.
Bouletten, balletjes van fijn gehakt vleesch.
Boulevérd, bolwerk; walweg, als wandelplaats aangelegd ;
thans: breede straat met boomen aan weerszoden, bouleverseeren, het onderste boven keeren.
Bouquét, bloemruiker; kruidige geur van den wijn. Bouquinist, boekenkramer, kooper en verkooper van oude boeken. (orgelregister.
Bourdón, brombas, diepste bassnaar; het 16- of SSvoets Bourgeoisie, de burgerij, in tegenoverstelling van den adel. Bournous, z. Boernoes.
Bourrasque, plotselinge stormwind, bui.
Boussole, zeekompas.
Boutade, vreemde gril, snelle, wonderlgke inval. Bouteille, ilesch, bottel.
Boute-selle, het signaal om op te zitten (by de cavalerie) Boutique, winkel; kraam; (ook wel:) boel, warboel, santenkraam (of santenboutiek), sitsenwinkel.
Bouts-rimés—Breviatuur 57
Bouts-rimés, gedicht op gegeven eindryiuen; ook die eindrijmen zeiven. [den). Bouw, landmaat in Ned. Tndië (= 500 vierk. rjjnl. roe-Bowie-mes, Amerikaanscli jachtmes.
Bowl, Bowle, kom, drinkschaal, ponskom.
boycotten, van alle verkeer afslniten, voor dood verklaren. Brabanpónne, het Belgisch patriottisch lied van 1880. Bracelétten, armbanden.
Brachygraaf, snelschrijver door middel van verkortingen.
Braconnage, wilddievery, strooperg.
braconneeren, wilddieverg plegen, stroopen, op verboden
grond jagen. Braconnier, wilddief, strooper. brageeren, den pronker langs straat spelen.
Brahminen, priesters der Hindoes (naar hunnen oppergod B r a h m a). (schreeuwen, brailleeren, luidruchtig, reel en ten onpas spreken, Bramórbas, grootspreker, windbuil, snoever.
Brancard, draagzetel, draagberrie. (zaak.
Branche, tak; inz. van een geslacht, wetenschap, liandcls-Bróndpiket, soldaten, met de handhaving der orde by
brand belast; wachthoudend schip bij eene vloot, bras-dessus, bras-dessous, arm in arm, gearmd. Brasseletten, hetzelfde als Braceletten (z. aid.)
Bravade, opgeblazenheid, snorkery, snoevende uitdaging, braveeren, trotseeren, tarten; hoonen.
bravissimo! opperbest! uitmuntend! heerljjk!
Brévo, moedig stryder; gehuurd sluipmoordenaar in Italië, bravó! braaf! goed zoo! ferm! (ger.
Bravour-aria, meesterzang, aria vooreen meesterlijk zan-Bravoure, dapperheid, onverschrokkenheid.
Break, vierwielig licht rytuig met ingang van achter en Breakfast, ontbyt. (banken op zy.
Bredouiile, verwarring, verlegenheid. (hangen.
Breloque, sierlyke kleinigheden, die aan horlogekettingen Bretailleur, snoeshaan, opsnyder, vechtersbaas.
Bretél, draagband, broekdrager, galg.
Bréve, pauselyk schryven aan vorsten of staten.
Brevét, open geschrift, waarby iemand eene gunst, een titel, een pensioen enz. wordt toegestaan; uitvindingspatent, octrooi.
breveteeren, zulk een octrooi verleenen.
Breviatuur, verkorting, kort begrip.
58 Brevier—broncheeren
Brevier of Breviérium, Latijnsch gebedenboek der r. k.
geestelijkheid.
brévi manu, kort en goed, zonder omstandigheden. Bric*^*brac, oude rommel, meubelen, schildergen enz. Brick, baksteen ; brickhouse, buis uit baksteen.
Brlcóle, terugsprong, terugstuiting van den bal tegen den
band op het biljart.
bricoleeren, door afstuiting van den band een bal maken ; (ook :) slinksehe wegen gaan, oneeriyk handelen. Bride, bruid; bridegroom, bruidegom.
brideeren, gevogelte oppinnen en de pooten samenbinden om te braden.
Brigade, legerafdeeling uit eenige regimenten bestaande. Brigadier, (weleer:) aanvoerder eener brigade; (thansbij de ruiterü 0 de krijgsman, wiens rang met dien van korporaal bg \'t voetvolk overeenkomt.
Brigand, roover, struikroover.
Brigantijn, galeivormig schip met laag boord.
brigeeren, door kuiperyen, door gunst of medewerking van anderen zoeken te verkrijgen; najagen, met drift naar iets staan.
Brillént, geslepen edelgesteente, de diamant, inz. als deze zoodanig is geslepen, dat zyn bovendeel een vlak (tafel) heeft, dat door vele vlakken is omringd.
brillént, schitterend, voortreffelijk; \'t is brillant, of \'t is
brille, \'t is heerlijk, schitterend schoon, uitmuntend, brilleeren, blinken, prijken ; uitmunten.
Brimborions, kleinigheden, nesteryen.
brioso, levendig, vurig. (man.
Brit, inboorling van Brittanje, van Engeland, Engelsch-Brocéde, Brocaat, zyden stof met goud of zilver gebor-Brocanteur, kunsthandelaar. (duurd.
Bróccoli, soort Italiaansche bloemkool.
Broche, borst- of doekspeld der dames.
brocheeren, innaaien (boeken). (omvang.
Brochure, vlugschrift, gelegenheidsgeschrift van weinig Broderie, borduurwerk.
Broeder Jonathan, z. Jonathan.
Broker, makelaar.
Bromatologie, leer van de voedingsmiddelen.
Bronchade, struikelen van het paard, mispas, broncheeren. struikelen, een misstap doen.
Bronchitis—But
Bronchitis, ontsteking der lnchtpgpen.
Brontophobie, vrees of bangheid voor \'t onweder. Brouhaha, woest geschreeuw, wild gejnich. (ken.
brouilleeren, oneenig maken, verwarren, onrust verwek-Brouilión, ontwerp tot een opstel, klad; planteekening. Brumaire, nevelmaand (22 Oct.—20 Nov.)
brunét, bruinharig, donkerharig.
Brunétte, vrouw of meisje met bruine, donkere haren. Brusk, -que, norsch, barsch; oploopend.
brusqueeren, onheusch bejegenen, toesnauwen. Brusquerie, norsche, barsche bejegening; beleediging. brutaal, beestachtig; onbeschoft, onbeschaamd, brutaliseeren, onbeschoft bejegenen.
Brutaliteit, lomp gedrag, onbeschoftheid, woeste drift, bruto, brütto, ruw ; \'t gewicht der handelswaar met haar inpaksel samen; bruto-bedrag, het beloop «onder aftrek der onkosten.
Bucephaal, lievelingspaard; staatsiepaard (eigenlyk het
paard van Alexander den Grooten).
Buckskin, (eig. bokkevel) een wollen modestof. Buckwheat, boekweit.
Budget, staats- of gemeente-rekening, raming der waar-
schijnlyke ontvangsten en uitgaven.
Buffa, grap, klucht; buffo, z. bouffon.
Buffet, schenktafel, aanrechttafel, tafelkas; ververschings-
lokaal, koffiekamer.
bukolisch, herderlyk ; b-e gedichten, herdersdichten. Buil, domme streek of zet; John Buil, spotnaam voor
een Engelschman.
Bull-dog, groote eng. hond, bullebijter.
Bulle (bulla), paxiselijk mandaat of voorschrift, wet. Bulletin, dagbericht; legerbericht; dagorder.
Bureau, schrijftafel; schrijfvertrek, kamer voor de ambtsbezigheden, kantoor. (beambten. Bureaucratie, willekeurige heerschappij van ministers en Bureaulist, beambte, schrijver op een bureau.
Bureel, kantoor of bureau van administratie.
burlésk, -que, koddig, kluchtig, belachelyk. (dentscli. burschikós, (in Duitschland:) studentikoos, op zyn stu-Bushel, eng. en amerik. korenmaat (= 36,35 liter). Buste, borstbeeld (hoofd, schouders en borst).
But, doel, oogmerk, wit, voornemen,
59
6o Butcher—Cabochon
Butcher, slager.
Butineur, vrybuiter.
Butter, boter.
buvable, drinkbaar.
Buvette, gelagkamertje; vrieudenkransje.
Byzantijners, geschiedscbryvers en ook munten van het Byzantynsche (Grieksche) keizerryk.
C. 1)
C, als Romeinseh getalmerk beteekent 100.
C. a. = cum annóxis, met bet bijbehoorende.
ca. = circa, ongeveer, omtrent; rondom. (dat ia.
C. a. d. = c\'est amp; dire, dat is te zeggen, dat wil zeggen,
Co. of Comp. = compagnie (z. aid.)
C. s. = cum suis, met de zynen.
Ct. = courant (z. aid.), ook cent en centime, (Nederl.
en Fransche kopermunt).
Ctr. = centenaar (z. aid.)
Cab, soort van eng. huurrytuig met éen paard.
Cabaal, gebeim verbond, samenspanning, geheime aanleg
tegen iemand, geheime, sluwe tegenwerking, cabaleeren, arglistige, bedekte aanslagen of plannen ma-• ken, samenspannen.
Caballéros, soort van Spaansche wol.
Cabéne, hut, stulp ; scheepskooi, stuurmansvertrekje. Cabaret, herberg, kroeg.
Cabós, biezen vygenkorQe; platte biezen vrouwentaseh. Cabbage, kool.
Cdbbala, mondeling voortgeplante leer der Joden, geheimleer, geheime wysheid.
Cabin, hut; kajuit.
Cabinet, z. Kabinet.
Cable, kabel, touw ; ankertouw. (vorm ; narrenkap. Cabochon, schoenspyker; edelgesteente in natuurlyken
1
Om menigvuldige verwyzingen te voorkomen, zy hier aangemerkt, dat men de woorden, die niet onder deze letter te vinden zyn, onder K moet zoeken.
Caboose—Cadi
Caboose, scheepskeuken, kabuis.
Cabotage, kustvaart, kusthandel.
caboteeren, kusthandel drijven. [nen).
Cabrét, Cabrétleer, jonge-geitenleer (inz. voor handschoe-Cabriolét, licht rytuig met éen paard en twee wielen;
voorste zitplaats in diligences. (heim houden,
caché, geheim, verborgen ; caché houden, verbergen, ge-cacheeren, verbergen, verhelen; geheim houden. Cachelót, potvitsch, kazelot (de walvisch, in wiens kop inz. het zoogenaamde walschot [spermaceti] gevonden wordt).
Cachemir, Cachemir-sjaals, zeer fijne en zachte wollen weefsels, van de haren der Cachemir-geit vervaardigd. Cache-néz, (eig. neusbedekker, neusverbergiBr)hooge winterdas of halsdoek, die \'t beneden-gelaat bedekt. Cachét, zegelstempel; briefsluiter, signet.
cacheteeren, met een signet dichtmaken, verzegelen. Cachexie, ziekelyke bloedmenging; ongezondheid.
Cachót, diepe, duistere kerker.
Cachoterie, geheime samenspraak over nietigheden. Cachótte, tabakspijp zonder hieltje.
Cachou, Japansche aarde (samentrekkend, maagsterkend aftreksel uit de pinang-noot), katsjoe. (Amerika.
Cacique, stamhoofd bg de Indiaansche volkeren in Z. Cacographie, het schrijven tegen de spel- en taalregels; verzameling van gebrekkige opstellen (ter verbetering voor de scholieren).
Cadaster, openbaar register van den staat der onroerende goederen, om daarop de belasting op de eigendommen te gronden, schattingsregister.
Cadastraal, wat tot het cadaster behoort.
Cadastreeren, in het schattingsregister inschreven. Cadéver, lyk, dood lichaam; kreng, aas.
Cadaverous, lykachtig. (stige pennetrek.
Cadeau, geschenkje, kleine vriendschapsgedachtenis ; kun-Cadénce, gelgke gang of maat in het dansen, zingen;
nette, juiste stemval by het redevoeren.
cadenceeren, een volzin afronden of welluidend maken. Cader, z. Cadre.
Cadét, Jongere zoon ; jong mensch, die voor den krygs-
stand wordt opgeleid op eene militaire school.
Cadi, Turksche onderrechter.
61
62 Cadran—Calderari
Cadran, wgzerplaat; zonnewyzer; windroos.
Cédre, lüst, omgevende rand; plan van een werk; (by
de militairen:) de stam der regimenten.
cadreeren, vierkant maken ; passen, voegen.
cadüc, bouwvallig, vervallen; broos, vergankelyk; oud en zwak, krukkend. (Mercurius.
Caducéus, herautstaf, inz. de gevleugelde slangestaf van Caduciteit, vervallen toestand, bouwvalligheid; gebrekkige, zwakke ouderdom, afgeleefdheid; de vervalbaarheid van eene erfenis of een legaat.
Caelatuur, half verheven werk; de vormsnykunst. Caelibaat, z. Celibaat.
Caesuur, verssnede, stemrust by het lezen van een vera
na een zeker getal lettergrepen.
caetera desiderantur, de rest wordt begeerd, d. i. de
rest ontbreekt.
Caeteris paribus, onder gelyke omstandigheden. Cafetier, koffiehuishouder.
Cafetière, koffiekan.
Caftan, z. Kaftan.
Cagot, huichelaar, kwezel.
Cahier, schrijfboekje, boekje papier.
ca iré! dat zal gaan!
Caisse, kas; Caissier, kassier.
Caissón, kistwagen,legerkist, proviandwagen; kruitwagen;
kistje onder den bok van een rgtuig.
cajoleeren, liefkoozen, flikflooien.
Calamiteit, algemeene nood, ellende; ongeluk, landplaag, calamiteus, ellendig, rampspoedig; in nood verkeerend. Calander, glanspers met rollen, mangel; korenworm. Calando, dalend, wegsmeltend (in de muz.)
calandreeren, mangelen, glanzen.
Calénge, bekeuring, aanhaling (van smokkelwaren), calangeeren, beboeten, bekeuren, aanhalen.
Calcinétie, verkalking.
calcineeren, verkalken; gloeien, door gloeiing oxydeereu
of met de zuurstof verbinden.
Calcium, grondbestanddeel der kalk.
Calcül of Calculétie, berekening, rekening.
calculeeren, berekenen, uitrekenen.
Calderéri, ketellappers, naam van een geheim politiek genootschap in Italië, dat zyn zetel te Napels had.
Calèche—Calvinisme 63
Calèche, z. Kalés.
Caiepon, onderbroek.
calefécteren, allerlei aan de hand hebben.
Calefóctor, kamerstoker; verwarmingstoestel ter bereiding van apjjzen, ter verwarming van baden, enz.; (ook:) een oorblazer.
Caleidoscoop, schoonheidskijker.
Calembourg, geestige woord- of naamspeling.
Caiénden, eerste dag der maand (by de Romeinen).
Calénder, t\\jdwyzer, lyst der dagen van \'t jaar, almanak.
Calicó, Calicót, lijne boomwol, katoenstof.
calineeren, liefkoozen ; vertroetelen.
Calleus, eeltig, dikhuidig; callositeit, eeltachtigheid,verharding der huid; callus, eelt.
Calliditeit, sluwheid, geslepenheid.
Calligraaf, schoonschrijver.
Calligraphie, schooaschryfkunst.
Callilogie, kunst van fraaispreken, welsprekendheid.
Calliope, de muze van het heldendicht.
calmeeren, stillen, bevredigen, doen bedaren.
Célo dl péso, tekort op het vereischte gewicht.
Calomél, zoet kwik, zoutzuur eerste kwikoxyde.
Calorifère, warmtegeleider, verwarmingstoestel, groote kachel, die door buizen de warmte in vele deelen van een gebouw brengt.
Caloriméter, warmtemeter.
Calótte, priestermutsje, kruinkapje; kardinaalswaardigheid ; deksel over de onrust van een horloge.
Calottlnocratie, priester- of papenheerschappij.
Calque, doorteekening, doortrekking.
calqueeren, doorteekenen, natrekken (bv. door middel van een met olie doortrokken papier).
Calumét, vredepyp bij de Amerikaansche wilden.
Calumnle, laster, achterklap.
calumniëeren, valsch beschuldigen, smaden, lasteren.
calumniëus, lasterlijk, eerroovend.
Calvérië, Calvarie-berg, hoofdschedelplaats, kruisheuvel, elke hoogte, waarop een kruis is opgericht en werwaarts men in den vastentijd ter bedevaart gaat; altaarstuk, dat den kruisheuvel van Jezus Christus voorstelt.
Calvinisme, het geloof der gereformeerden, gewyzigd naar de leer van Calvjjn.
64 Calvinist—Canaille
Calvinist, belyder der leer van Calvyn, gereformeerde.
Caméche\'dienst, krygsdienst in vredestyd, garnizoens-
Camachen, knoop- of overkousen, slobkousen. (dienst.
Camaïeu, Camayeu, soort van camée; eenkleurig schilderwerk.
Camail, bisschopsmanteltje; modern kort damesmanteltje.
Camarade, /. Kameraad.
Camaraderie, kameraadschap; (meestal:) spitsbroederschap, samenheuling tot een laakbaar oogmerk, bent, kliek (vgl. clique).
Camarilla, engere geheime (kabinets-) raad van een monarch, elke vereeniging of klub van hovelingen, die invloed op de staatszaken en den wil des vorsten uit-
Cambiaal recht, wisselrecht. (oefent.
cambiëeren, wisselzaken drijven.
Ccimbio, wissel, wisselbrief.
Cambrai, Cémbrick, kamerdoek, batist.
Camée, gesneden edelgesteente, waarvan het verheven werk eene andere kleur heeft dan de grond. (Vertoont de steen slechts twee kleuren, dan heet hy camaïeu).
Camelot, z. Kamelot.
Cémera, kamer. C. lücida, heldere kamer. C. obscura,
donkere kamer (optisch werktuig tot teekenen).
Camerdlia, leer van de staathuishoudkunde ; wetenschappen, die over het beheer der vorstelyke inkomsten han-
CameraWst, staathuishoudkundige. (delen.
Cameralistiek, staathuishoudkunde, inz. wat het finantie-wezen aangaat.
Camiséde, onverhoedsche aanval of overrompeling des nachts of des ochtends zeer vroeg.
Camisards, gereformeerde bewoners der Cevennen.
Camisool, z. Kamisool.
Camcemen, de Muzen «of zanggodinnen.
Camp, kamp, legerplaats.
Campagnard, buitenman, boer.
Campégne, landgoed; veldtocht (z. ook Kampanje); amp; Ia campagne, buiten, op het land. (wapenoefening.
Campeeren, in het veld legeren, hetzy in oorlog of tot
Camp-meeting, vergadering in het veld, inz. godsdienstige byeenkomst in de open lucht.
Canaille, gemeen volk, gepeupel, janhagel, grauw, janrap en zyn maat, gespuis; slecht, gemeen vrouwspersoon.
Canailleus—Cantaloep 65
Canailleus, schelmachtig, schandalig, nietswaardig. Canapé, lange leuningzetel, ruststoel, kussenbank. Canard, (eigenlyk : eend) foppery; inz. verzonnen cou-rantenbericht.
Cancan, geraas, opschudding (om niets); praatjes, achterklap ; onfatsoenlyke dans.
canceileeren, i-i hek- of traliewerk besluiten; tralies-
gewyze doorscluappen.
Cancer, de Kreeft (sterrenbeeld des Dierenriems). Candeléber, arm- of kroonluchter, kroonkandelaar. candeeren, met suiker overstrooien; in suiker konfijten. Candeur, openhartigheid, oprechtheid, braafheid. Candidaat, ambtzoeker; ieder, die zijn examen heeft afgelegd en bevoegd is naar eene aanstelling te dingen. Candidatuur, het staan of dingen naar een ambt of waardigheid ; optreding als candidaat.
Candide, oprecht, ongeveinsd.
Candle-coal, eene lichl brandbare soort steenkool. Canepou, vestvormige halsdoek der vrouwen.
Canevés, Canefós, netvormig geweven linnen; schets, Canna, Canne, riet; de el. (eerste ontwerp,
canneleeren, groeven, met groeven of ribbetjes voorzien. Cannelüren, gootsgewyze groefjes op zuilen of pilasters. Cannetille (doorgaans Cantille), spiraalvormig samenge-
draaid goud- en zilverdraad.
cannibaalsch, wild, woest, wreed, bloeddorstig. Cannibélen, naam van de bewoners der Caribische en andere eilanden; menscheneters; wilde, wreedaardige menschen.
Cénoe, Cénot, schuitje van boomschors of van een uit-
geholden boomstam, Indiaansch bootje.
Cénon, regel, wet, richtsnoer; formulier bij de r.k. mis;
geloofsregel; ketting-, beurtzang; zekere drukletter. Canónicus, domheer, kanunnik.
canoniek, volgens kerkelijke wetten; op kerkelijk gezag; canonieke boeken, bybelboeken, door de kath. kerk beschouwd, als door God ingegeven ; canoniek recht, r. k. kerkrecht.
Canonisatie, heiligverklaring. (gen opnemen,
canoniseeren, heiligverklaren, iemand in de ry derheili-Cantébel, cantabile, te zingen, zingbaar.
Cantaloep, de knobbel- of wratmeloen.
ELFDE DRUK. 5
64 Calvinist—Canaille
Calvinfst, belgder der leer van Calvyn, gereformeerde.
Caméche-dienst, krggsdienst in vredestgd, garnizoens-
Camachen, knoop- of overkousen, slobkousen. (dienst.
Camaïeu, Camayeu, soort van caniée; éenkleurig schilderwerk.
Camail, bisschopsmanteltje; modern kort damesmanteltje.
Camarade, z. Kameraad.
Camaraderie, kameraadschap; (meestal:) spitsbroederschap, samenheuling tot een laakbaar oogmerk, bent, kliek (vgl. clique).
Camarilla, engere geheime (kabinets-) raad van een monarch, elke vereeniging of klub van hovelingen, die invloed op de staatszaken en den wil des vorsten uit-
Cambiaal recht, wisselrecht. (oefent.
cambiëeren, wisselzaken drijven.
Cémbio, wissel, wisselbrief.
Cambrai, Cémbrick, kamerdoek, batist.
Camée, gesneden edelgesteente, waarvan het verheven werk eene andere kleur heeft dan de grond. (Vertoont de steen slechts twee kleuren, dan heet hy camaïeu).
Camelot, z. Kamelot.
Cémera, kamer. C. lücida, heldere kamer. C. obscüra,
donkere kamer (optisch werktuig tot teekenen).
Camerélia, leer van de staathuishoudkunde ; wetenschappen, die over het beheer der vorstelyke inkomsten han-
Cameralfst, staathuishoudkundige. (delen.
Cameralistiek, staathuishoudkunde, inz. wat het finantie-wezen aangaat.
Camiséde, onverhoedsche aanval of overrompeling des nachts of des ochtends zeer vroeg.
Camisards, gereformeerde bewoners der Cevennen.
Camisool, z. Kamisool.
Camoemen, de Muzen «of zanggodinnen.
Camp, kamp, legerplaats.
Campagnard, buitenman, boer.
Campégne, landgoed; veldtocht (z. ook Kampanje); amp; fa campagne, buiten, op het land. (wapenoefening.
Campeeren, in het veld legeren, hetzjj in oorlog of tot
Campgt;meeting, vergadering in het veld, inz. godsdienstige bgeenkomst in de open lucht.
Canaille, gemeen volk, gepeupel, janhagel, grauw, janrap en z\\ju maat, gespuis; slecht, gemeen vrouwspersoon.
Canailleus—Cantaloep 65
Canailleus, sclielmaclitig, schandalig:, nietswaardig. Canapé, lange leuningzctel, ruststoel, kussenbank. Canard, (eigenlyk: eend) foppery ; inz. verzonnen courantenbericht.
Cancan, geraas, opschudding (om niets); praatjes, achterklap ; onfatsoenlyke dans.
cancelleeren, i-i hek- of traliewerk l)esluiten; tralies-
gewyze doorschrappen.
Cancer, de Kreeft (sterrenbeeld des Dierenriems). Candeléber, arm- of kroonluchter, kroonkandelaar. candeeren, met suiker overstrooien ; in suiker konfijten. Candeur, openhartigheid, oprechtheid, braafheid. Candidaat, ambtzoeker; ieder, die zijn examen heeft afgelegd en bevoegd is naar eene aanstelling te dingen. Candidatuur, het staan of dingen naar een ambt of waardigheid; optreding als candidaat.
Candide, oprecht, ongeveinsd.
Candle-coal, eene liciu brandbare soort steenkool. Canepou, vestvormige halsdoek der vrouwen.
Canevés, Canefés, netvormig geweven linnen; schets, Canna, Canne, riet; de el. (eerste ontwerp,
canneleeren, groeven, met groeven of ribbetjes voorzien. Cannelüren, gootsgewyze groefjes op zuilen of pilasters. Cannetille (doorgaans Cantille), spiraalvormig samenge-
draaid goud- en zilverdraad.
cannlbaalsch, wild, woest, wreed, bloeddorstig. Cannibélen, naam van de bewoners der Caribische en andere eilanden; menscheneters; wilde, wreedaardige menschcn.
Cénoe, Cónoi, schuitje van boomschors of van een uit-
geholden boomstam, Indiaansch bootje.
Cénon, regel, wet, richtsnoer;formulier b\\j de r.k. mis;
geloofsregel; ketting-, beurtzang; zekere drukletter. Canónicus, domheer, kanunnik.
canoniek, volgens kerkelijke wetten; op kcrkelyk gezag; canonieke boeken, bybelboeken, door de kath. kerk beschouwd, als door God ingegeven ; canoniek recht, r. k. kerkrecht.
Canonisatie, heiligverklaring. (gen opnemen,
canoniseeren, heiligverklaren, iemand in de ry der heili-Cantóbel, cantabile, te zingen, zingbaar.
Cantaloep, de knobbel- of wratmcloen.
ELFDE DRUK. 5
Cantate—Capóte
Cantéte, plechtstatig zanggedicht (inz. tot kerkgebruik);
naam van den 4den Zondag na Paschen.
Cantatrice, zangeres; inz. beroemde operazangeres. Canthariden, Spaansche-vliegen,
Cantiléne, liedje; zangwijs.
Cantille, z. Cannetille.
Cantfne. veldflesch; reiskelder; marketentsterskraam; verkoopplaats van ververschingen in een kamp, kazerne of in werk- en verbeterhuizen.
Canto, gezang; — fermo, rustige,reciteerendezangwqze;
— fig u rato, kunstmatig, gemaakt gezang.
Canton, z. Kanton.
Cantor, zanger, voorzanger.
Cantóres amént humóres, zangera houden van vochten
(d. i. drinken gaarne).
Canule, metalen püpje.
Canzóne, lied, gezang.
Caoutchóüo, veerkrachtige gom of hars, gom-elastiek. capébel, bekwaam, in staat tot iets: vatbaar, geschikt. Capaciteit, inhoudsgrootte; vatbaarheid, geschiktheid, be-Capeline, zonnehoed. (kwaamheic\'.
capillaire buizen, haarhuizen. Capillair-stelsel, haarvaatstelsel. (afstand. Capillariteit, haarbuiskracht; aantrekking op haarbuizen-Capitaine, hoofdman, kapitein, bevelhebber vaneene compagnie, ook van een schip.
Capitana, voornaamste schip eener vloot, admiraalschip. Capitétie, hoofdschatting, aanslag naar liet aantal hoofden in elk gezin, hoofdelijké omslag, personeel. Capitólium, citadel in het oude Rome; (ook schertsen-derwjjs voor -.) hoofd, breinkast. (bevatten.
Capitulériën, geschriften welke vorstelgke verordeningen Capitulatie, vergelijk, verdrag, overeenkomst tusschen de belegeraars en de bezetting eener plaats wegens de overgave.
capituleeren, een verdrag aangaan, omtrent de overgave
eener plaats handelen, zich op verdrag overgeven. Capon, huichelaar, bedrieger.
caponneeren, bij \'t spelen bedriegen.
Caponnière, schietkuil. (pen afleggen.
Capotage, de kunst om den afstand te meten, die sche-Capóte, vrouwenregenmantel; zekere diepe dameshoed.
66
Capriccioso—Carambole 67
Capóte angléise, foedraal of scheede tegen de venerische besmetting.
Capriccioso, naar believen (in de muz.)
Caprice, gril, luim, eigenzinnigheid.
capriciëus, eigenzinnig, vol luimen, koppig.
Capricornus, de Steenbok (sterrenbeeld des Dierenriems). Caprlólen, bokkesprongen ; luchtsprongen ; gekke streken. Capsule, Capsuul, hulsel.
Captain, kapitein.
Captatie, het bejagen van een oogmerk, inz. door sluwe middelen. Captétio benevoléntiae, bede om een toegevend gehoor, om eene gunstige beoordeeling, gunstbe-jag, het zoete-broodjes-bakken.
Capteur, wegnemer van een schip of van een lading, kaper. Cóptie, verstrikking; tegenstribbeling; captie maken,
aanmerkingen maken, uitvluchten of geschil zoeken, captief, gevangen, krygsgevangen en tot slaaf gemaakt, captiëus, sluw, arglistig, verstrikkend.
captiveeren, gevangen nemen; de gunst winnen, boeien. Captiviteit, gevangenschap. Captuur, vangst, buit. Capuchón, kap, mantelkap; karpoetsmuts.
Capucijnen of Capucijners, kapmonniken, Franciskaner monniken van den strcngsten ordesregel; (ook -.) eene zekere soort van erwten.
Capucine, tabakspyp zonder hieltje.
Cépudan-pésja, groot-admiraal der Turksche vloot. Caput, hoofd; céput-mortuum, doodekop (wat bg het
distilleeren als dood overschot op den grond bljjft). Caquét. gesnap, gewauwel, gekakel.
caqueteeren, snappen, kakelen, wauwelen.
Car, Cart, kar.
Carabés (Markies van), iemand, die door de blinde fortuin groote rijkdommen heeft verworven en daarop zich veel laat voorstaan.
Carabinieri, Italiaanschc gendarmes.
Caracóle, snelle zwenking van een ruiter, omdraaiing
van een paard in heele of halve kringen.
caracoleeren, het paard in vollen ren vlugge wendingen doen maken.
Carófe, z. Karaf. (speelbal.
Carambolage, het raken van meer dan éen bal met den Carambóle, de roode bal op het biljart; het spel met
68 caramboleeren—Carmagnóle
éen rooden en twee witte ballen; ook z. v. a. caram-bolage. (keu.
caramboleeren, meer dan éen bal met den speelbal ra-Carambollne, de gele biljartbal; (ook:) bet spel met 5
ballen (bij verkorting c a r o 1 i n e gebeeten).
Caramél, bruine suikerkandg, gerstesuiker; bruine gelei
uit rund- en kalfsvlecscb.
Caravélie, z. Karveel.
Carbonéde, op kolen geroost vleeseb aan dunne scbyven. Carbonari, kolenbranders; (ook:) benaming der leden van een geheim politiek genootschap in Italië ter oprichting van een vrijstaat; vurige vrüheidsgezinden. Carbonisétie, verkoling.
carboniseeren, verkolen.
Carcésse, z. Karkas.
Career, gevangenis, kerker.
Cardinaal, z. Kardinaal.
careeren, ontberen, vasten.
Caréme, de vasten.
Carentie, ontbering; het vasten als straf.
care of N. N., door goede bezorging, per adres den heer N.N.
caressant, Uefkoozend, streelend.
Carésse, liefkoozing; gevlei.
caresseeren, liefkoozen, troetelen, vleien.
Carette, fijnste soort van schildpad, karetschildpad.
Cérga, z. Cargaison.
Cargadoor of Cérgo, scheepsmakelaar, scheepsbevrachter ; koopman op een koopvaardyschip, die den verkoop der goederen bezorgt. Supercargo, opperste onder meer zulke cargadoors.
Cargaisón, ook Cérga, scheepslading, vracht-, verkoop-
goederen ; ook de factuur dier lading.
Cérqo, z. Cargadoor. (afbeelding.
Caricatuur, spotprent, lachwekkende overdrijving in de Carico, last, ladingsgewicht.
Cariës, de beeneter ; cariëus, aangestoken (van beenderen).
Carillón, klokkenspel.
Caritas, christelijke liefde tot den naaste.
Carlisten, aanhangers van Don Carlos in Spanje; ook
(weleer) van Karei X in Frankryk.
Carmagnóle, Franscb patriottisch volkslied met dans van 1790; volbloed-jakobyn.
Carmelieten—Carte 69
Carmelieten, monniken van de orde Onzer Lieve-Vrouw van den berg Camel en den Libanon. Carmelieten* water, melissewater, water van vrouwenkruid (dat in de Carmelieten-kloostera bereid wordt).
Carmen, gedicht, gelegenheidsfjedicht.
Carmenóde, verbastering van Carbonade.
Carnage, bloedbad.
Carnatie, vleeschsehildering, de voorstelling van men-schenvleesch door coloriet.
Carneool, vleeschkleurig edelgesteente.
Carnet, koopmansreisboek; dag- en schuldregister.
Carnevél, de week vóór de -tOdaagsche vasten; vasten-of wintervermaken; vastenavondsvreugd.
Carnifex, de scherprechter, beul.
Carnivóren, vleeschetende dieren.
Carnositeit, vleezig gezwel.
Caróqne, ondeugende, lastige vrouw; oude heks, feeks.
Carolien, goudmunt ter waarde van 11 h. 13 gulden:
Caroline, z. Caramboline. (raspt.
Carotte, gele peen; ook tabaksrol die men tot snuiftabak
Caroussél, z. Carrousel.
carpe diem, geniet het tegenwoordige.
carpeeren, berispen, bedillen; iets beter willen weten.
Carpenter, timmerman.
Carré, vierkant; vierhoekige slagorde.
Carreau, ruit, scheef vierkant met geljjkc zijden; ruiten op de speelkaarten.
carreleeren, met vierkante tegels bevloeren.
Carrelét, vierkant liniaaltje.
Carréta, kleine koets, slecht rgtuig.
Carrière, loopbaan; levensloop; ambtsbediening, dienst-tjjd; renbaan; volle ren van een paard; zijne carrière eindigen, sterven ; carrière maken, goed in de wereld vooruitkomen, fortuin maken.
Carrière-attaque, stormaanval der ruiterij.
Carriole, licht, tweewielig rgtuig.
Carronaden, scheepsgeschut.
Carrósse, koets-, pracht- of staatsiewagen.
Carrousél, plechtig ridderspel; het ringsteken op houten paarden, de mallemolen.
Carta bianca, volmachtsbrief.
Cérte, kaart; spyskaart in logementen.
Carte—Casserole
Carte blénche, een blad papier, enkel met eene handtee-kening voorzien ; (ook :) onbepaalde volmacht, vrjj spel.
carteeren, in een omtrek of teekening brengen.
Cartel, z. Kartél.
Cartón, modelblad, modelteekening, schets voor schilders, tapijtwerkers enz.; verbeterblad; z. Karton.
Cartouche, randversiering, sierlijke ligst of zoom; loofwerk of bijsieraden van schilder- of beeldw erk: schiet-patroon ; kardoes ; (ook :) doortrapte gauwdief.
Caryatiden, lastdragers, vrouwelijke beelden als schoor-zuileu of pilasters.
Casa, hut, huisje. (huisjas.
Casóque, korte reis- of ryrok, Casaqufn, korte overjas,
Cascéde, kleine waterval.
Cash, baar geld, gereed geld; cash-store, winkel waarin alleen tegen contante betaling gekocht of verkocht wordt.
Césco, scheepsromp; (bg het kaartspel:) het koopen der noodigo kaarten, wanneer de speler, de beide zwarte azen hebbende, zich op een bloot toeval verlaat.
Casemat, z. Kazemat.
Casimir, lichte gekeperde M ollen stof, soort van half laken.
Casino, besloten gezelschap, waar men tegen een jaar-lyksche bydrage in geld vergadert om te lezen, te praten, te spelen enz.; de vergaderplaats daarvan.
Casquét, ijzeren helm, stormhoed; pet, muts; hij kreeg op zijn casquet, hij kreeg klappen, slaag, ransel.
Céssa, kas, geldkas; geldvoorraad, inz. gereede geldvoorraad van een handelshuis; per cassa, tegen gerei d geld.
Casséde, noodleugen, onwaarheid uit schers.
Cassatie, vernietiging, uitdelging; ambts- of dienstont-zetting.
Cassétie-hof, oppergerechtshof, dat de uitspraak van een lager kan vernietigen.
Cassatórisch, de verplichting opheffend.
Cassatus, iemand die van zyn ambt ontzet is.
Cassave, brood van den wortel des manioks.
casseeren, vernietigen, voor ongeldig verklaren; uit een post zetten ; een soldaat casseeren, hem afdanken en wegjagen (doch in dezen zin wordt het woord in Frankrijk niet meer gebruikt).
Casseróle, z. Kastrol; (ook •) lepel om het glas te schuimen in de glasblazeryen.
7°
Cassétte—Catechisant 71
Cassétte, kistje, koffertje; geldkistje; byzondere schat des konings. [geraffineerd).
Cassonéde, keukensuiker, ruwe suiker (slechts eenmaal Castagnétten, handklappers, klaphouten, duimkleppers. Caste, volksafdeeling, erfelyke familiestam in IndR Castél, burg, vesting; voor- en achterdek op een schip. Castellaan, burchtvoogd, kastelein.
Castigétie, tuchtiging; castigeeren, tuchtigen. Castóreum, bevergeil, een geneesmiddel.
Castraat, ontmande, gesnedene; Italiaansche sopraanzanger. Castratie, ontmanning.
castreeren, ontmannen; verminken.
Céstrum dolóris, treurtooneel, catafalk of praalbed voor
vorstelgke lyken.
Casu, bg geval, toevallig; casu quo, in het gegeven geval. Casuélia, toevalligheden.
Casualisme, stelsel waarbü men een bloot toeval als oorsprong en regeling van alle dingen aanneemt. Casualist, die het casualisme aanneemt.
Casualiteit, toevalligheid.
casueel, toevallig, b\\j gelegenheid; onzeker.
Casuist, beslisser van gewetenszaken.
Casuïstiek, de leer of kunst om gewetensvragen op te lossen, gewetensleer. (oorlog.
Césus, geval, voorval; toeval; naamval; — belli, reden tot Catacómben, onderaardsche gewelfde begraafplaatsen ; bewaarplaats der doodsbeenderen te Parijs.
Catafélk, stelling waarop de lykkist rust (in de Kath. Kerk), of waardoor een lyk wordt voor- of tentoongesteld.
Catalécten, verzamelde fragmenten uit oude werken.
cataléctisch, in fragmenten, onvolledig.
Catalogus, Catalóóg, Igst of register van voorwerpen;
inz. van boeken by den verkoop.
Catapult, oorlogswerptuig der Ouden.
catarrhaal, zinkingachtig, uit verkoudheid voortvloeiend;
catarrhale koorts, zinkingkoorts.
Catastróphe, ontknooping, inz. ongelukkige afloop, droevige fortuinswending; groot onheil, volksramp. Catenaria, kettinglyn.
catechétisch, vraagsgewijs, in den vorm van een gesprek. Catechisant, leerling, die ter catcchiaatie gaat.
72 Catechisatie—Cavatine
Catechisétie, vraagonderricht, inz. godsdienstonclerwgs;
leeruur in den godsdienst, leering.
catechiseeren, al vragend onderwgs geven of ontvangen,
inz. in de godsdienstleer.
Catechismus, vragenboek, onderwgs door vragen en antwoorden, inz. in de geloofsleer.
cateeren, doek persen, aan het doek den persglans geven. Categorie, algemeen begrip waaronder eene zaak gedacht wordt; verstands- of denkvorm ; bepaalde klasse of vak, indeeling.
categórisch, onvoorwaardelijk, stellig,bepaald, zonder omwegen; categorische imperati\'vus, onvoorwaardelijk gebod der rede, wet der zedelijkheid.
Cathéder, leer- of redenaarsgestoelte, spreekgestoelte. Cathedraal, hoofdkerk, domkerk, munster.
Cathéter, buis van zilver of buigbaar hars, tot aftapping van \'t water, of van de urine uit de blaas. (valt
Cathétus, loodlgn, die op een andere Ijjn of opeen vlak Catholici\'sme, catholiek, etc., z. Kath—.
Catoptriek, leer van de terugkaatsing der lichtstralen. Cattle, vee, hoornvee.
Causa, grond, oorzaak; rechtszaak.
causaal, oorzakelgk, redegevend.
Causaliteit, oorzakelijkheid; de oorzaak of aanleiding
eener zaak; de wjjze waarop eene oorzaak werkt. Cause célèbre, beroemd rechtsgeding; veel geruchtma-causeeren, veroorzaken, aanleiding geven, (kende zaak. Causerie, gepraat, gekeuvel, gekout.
Causeuse, kleine sofa voor twee personen.
CauterisAtie, het uit- of doodbranden; het zetten eener
fontenel en de daardoor voortgebrachte werking, cauteriseeren, branden, uit- of doodbranden.
Céütie, borgtocht, onderpand.
cautioneeren, borg blijven, zich tot borg stellen.
Cavade, zot gebaar, malle streek.
Cavalcéde, staatsierit, prachtige optocht te paard; schitterende ruiteroptocht; pleizierrit in gezelschap. Cavalerie, ruiterij.
Cavalerist, krygsruiter.
Cavalier, ruiter; begeleider eener dame; (in den vestingbouw :) eene kat, katbatterg.
Cavatine, kort zangstukje, aria.
caveant—Cendrillon 73
caveant consules, laat de consuls waken: pas op, neem cave canem, wacht u voor den hond! (u in acht. caveeren, borg hlyven, goedspreken; zich caveeren, op
zyne hoede zyn.
cave ne cadas, pas op, dat ge niet valt!
Cavént, horg, goedspreker.
Caverne, hol.
Caviaar, z. Kaviaar.
Cavitelt, holte, holligheid.
Cédant arma tógae, de militaire macht onderwerpe zich
aan het staatsgezag.
cedeeren, afstaan, afstand doen, overlaten ; zwichten. Cédel, Ceel, briefje, lijstje; (ook:) bewijsstuk (bv. dood-
ceel, bewgs van overlyden).
Céde majori, wyk voor uw meerdere.
Cedént, afstanddoener.
Cedille, teeken in den vorm eener omgekeerde c, dat onder de c gezet wordt (9), om die vóór a, o en u als eene scherpe s te doen uitspreken.
Ceintuur, gordel, lendeband; lyst, insluiting.
Celebratie, viering.
celebreeren, vieren, feestelyk gedenken.
Celebriteit, vermaardheid; beroemde naam; vermaard persoon, schitterend talent; feestelijkheid, plechtigheid. Celeriteit, snelheid, vlugheid, spoed, gezwindheid. Celibaat, ongehuwde staat.
Celibatair, ongehuwd levend man, vrygezel, oude vryer. Cella, cel, kamertje.
Cellar, kelder.
Cello, z. Vio\'oncel.
cellulair, in cellen, vakken, kamertjes afgedeeld; cellulaire gevangenis, zulk eene, waarin de gevangenen elk afzonderlyk in een cel of vertrekje worden opgesloten. Cemént, bindmiddel, metselkalk, mortel, tras. Cementétie, Cementeering, het gloeien van een lichaam in gesloten vaten tusschen een andere tot poeder (Ce-menteerpoeder) gebrachte zelfstandigheid, cementeeren, door metselkalk verbinden; gloeien, branden, louteren.
Cenchrieten, op gierstekorrels gelykende steenes Cendré, aschgrauw.
Cendrillon, asschepoetster; onzindelyke keukenmeid.
74 ce n\'est—centraal
ce n\'est que Ie premier pas qui coüte, alleen de eerste stap is mocilyk.
Cenobiet, kloosterbroeder, kloosterling.
Cenotéphium, ledig praalgraf, grafteeken. (rispen.
censeeren, beoordeelen, oordeelkundig onderzoeken; be-
Cénsor, (by de Romeinen:) regeeringspersoon, belast met-de handhaving der goede zeden en openbare orde; be-oordeelaar, inz. van in \'t licht te geven geschriften, z. Censuur.
censurabei, wraakbaar, verwerpelijk, berispelijk; (weleer ook:) cijnsbaar, schatplichtig.
censureeren, ongunstig beoordeelen, berispen, wraken; disciplinaire straffen toepassen (inz. in de Kath. kerk).
Cénsus, cyns, belasting; volkstelling; vermogen-opgave; het verbinden der werkzame bemoeiing eens burgers met de belangen van den Staat aan een zeker fortuin of vermogen, aan eene zekere belastingsom, schatting naar inkomst of vermogen.
Censuur, meening of oordeel over eene zaak, inz. over uit te geven boeken, boekengericht van wege den paus of van wege een Staat, in welken geen drukpersvrijheid bestaat; disciplinaire straf (inz. in de K. Hiërarchie .
Cent, Céntum, honderd. Cent, het honderdste gedeelte van den Nederl. gulden, ook van den A.merikaanschen dollar, pro cent of per cent, ten honderd.
Centaurus, fabelachtig monster, half mensch half paard, paardmensch.
Centenaar, gewicht van 100 tot 110 of 112 pond.
Centesimale rekening, honderddeelige rekening.
centesimeeren, den lOOsten man uitnemen.
Cénti, (als voorvoegsel by namen van maten en gewichten) het honderdste deel, bv. Centimeter, honderdste deel der el, Nederlandsche duim.
Centiare, vierkante el.
Centigram, honderdste deel van een gram of wichtje.
Centiliter, honderdste deel van een liter (kan of kop), vingerhoed.
Centime, honderdste gedeelte van den franc.
Centimeter, duim (honderdste deel eener el).
centraal, tot het middelpunt of het midden behoorend ; vandaar bv. Centraal-Amerika, Middel-Amerika; een-
Centralisatie—Certe-partie 75
traal bestuur, het van éen middelpunt uitgaande bestuur; centraal punt, middelpunt.
Centralisatie, samentrekking in éen punt, vereeniging van de macht der regceriug in éen middelpunt, in eene hoofdstad enz. (trekken,
centraliseeren, in éen middelpunt vereenigen, samen-centrifugaal, middelpuntschuwend.
centripetaal, middelpuntzoekend.
Céntrum, middelpunt, punt van vereeniging; (in politie-ken zin:) het midden van de vergaderzaal der gedeputeerden, alwaar gewoonlijk de aanhangers der regeering en de ministers hunne plaatsen hebben; (ook:) de gematigde party, die het midden houdt tusschen de linker- of de oppositie-party en de rechterparty of die der regeering, des kabinets.
centuploeren, verhonderdvoudigen.
Centuplum, honderdvoud.
Centurie, schaar of aantal van honderd.
Centürio, hoofdman over honderd.
Cephalalgie, hoofdpijn.
Cephalitis, hoofd- of hersenontsteking.
Cérberus, naam van den driehoofdigen hond, die den ingang van den Tartarus of de hel bewaakte; norsche portier of deurwachter.
Cercle, kring, societeit.
Cerealiën, veldvruchten, graangewassen.
cerebraal, de hersens betreffende.
Ceremónie, gebruik van welleven Iheid, hof- of kerkgebruik; plechtigheid. (tigheden, feesten, enz. Ceremoniëel, het bepaald gebruik of gevorderde by plech-Ceremóniemeester, regelaar der ceremoniën ten hove,
by maaltyden, enz.
ceremoniëus, vol plichtplegingen, lastig beleefd.
Céres, godin des landbouws en der veldvruchten; (ook :) cene planeet; Ceres en Bacchus, (fig.) het koren en den wyn.
Cerine, groen hars, een bestanddeel van het was. Cerium, een hard, slechts zelden onvermengd voorkomend metaal van witte kleur. (door krygstroepen,
cerneeren, insluiten, omringen, b.v. eene belegerde stad certeeren, wedyveren, stryden.
Certe-partie, z. Cherte-partij.
76 Certificaat—Champêtre
Certificaat, getuigschrift, bewijs. (geven,
certificeeren, verzekeren, bevestigen; eeu getuigschrift Certioratie, inlichting van hen die met het recht niet bekend zijn.
Cervelaat, sterk gekruide en gekookte vleeschworst; (somtijds ook:) zult, hoofdkaas, hoofdvleesch.
cesseeren, ophouden, een einde nemen ; vervallen. Céssie, afstand, afstanddoening, overlating van een recht
of eene zaak aan een ander.
c\'est i dire, dat wil zeggen, dat is (te zeggen).
c\'est la guerre, zoo gaat het in den oorlog.
c\'est tout comme chez nous, dat is Juist zooals bjj ons. c\'est une autre chose, dat is iets anders.
Cetacéën, walvischachtige dieren.
céteris péribus, voor \'t overige alles gelgk staande, ouder overigens gelgke omstandigheden.
chacun amp; son goüt, ieder naar zijn smaak.
Chagrin, verdriet, kommer, leed; (ook:) Segrijn (z. aid.) chagrineeren, bedroeven, kwellen, krenken.
Chaine, keten; (in de danskunst:) kettingdans; ry (bv.
van uitgezette posten).
Chair, \'fr.) vleesch.
Chair, (eng.) stoel; chairman, voorzitter.
Chaise, stoel; licht rjjtuig met twee wielen, sjees. Chalcograaf, plaatsnyder, kopergraveur.
Chalcographfe, plaatsnykunst, graveerkunst op koper. Chalet, alpenhut, Zwitsersch huis.
Chaleuréüs, heet, vurig van aard, vol vuur, gloed of leven. Chalk, krgt.
Chalón, wollen voeringstof.
chamarreeren, beleggen, bezetten (met galons).
Chambellén, kamerheer.
Chémbre, kamer. Chambre ardénte heette in Frankrijk het gerechtshof, waar ketters en giftmengers gevonnisd werden, en dat gewoonlyk den vuurdood tegen hen uitsprak. Chambre garnle, gemeubeleerde kamer. Chambrière, kamermeisje; dresseerzweep der rijders (in de manege).
Chamois, gemskleurig, bleekgeel, roodachtig geel. Champêtre, landelyk, wat tot het land behoort. Bal Champêtre, landelijk bal, dansparty in een tuin, in de open lucht. Garde champêtre, z: onder Garde.
Champignon—Charta-magna 77
Champignón, kampemoelje, paddenstoel; (fig.) iemand
die snel en onverwachts fortuin maakt.
Champion, kampioen, voorvechter.
Chénce, kans, mogelgkheid van gelukken of mislukken. Chancre, kankerachtig, invretend gezwel.
Chénge, ruil, verwisseling.
changeént, veranderlgk; met een weerschyn. changeeren, veranderen, verwisselen, verruilen ; verschieten (van kleuren).
Chansón, liedje, zangstukje; praatje, sprookje. Chansons! praatjes voor den vaak!
Chantage, bedriegerg om iemand iets af te persen, inz. bedreiging om iemand te belasteren, indien hg niet een som gelds betaalt.
Chéos, warrel- of mengelklomp, bajert; (fig.) warboel, chaótisch, verward, ongeordend.
Chapeau, hoed; damesgeleider (in Frankryk is deze laatste beteekenis niet geldig; men zegt daarvoor cavalier). Chapeau bas, den hoed in de hand, blootshoofds, Chapelet, rozenkrans. (onderdanig,
chaperoneeren, chaproneeren, een jonge dame tot geleider en beschermer strekken.
Chapftre, hoofdstuk; onderwerp des gespreks. (zgden. Char-i-béncs, open bankwagen, met zitplaatsen langs de Charéde, lettergreep-raadsel.
Chérge, eerepost, ambt; last, vracht; aanval; losbranding; (ook:) overdrijving; z. h charge.
Chargé d\'affaires, zaakgelastigde.
chargeeren, belasten, beladen; gelasten; laden (kanonnen, geweren\':; aanvallen (inz. van de ruiterg gezegd); bezwaren (een beschuldigde); overdryven.
Charité, mildheid, liefdadigheid; ziekenhuis.
Charivari, ketel- of kattenmuziek; oorverdoovend getier,
geschreeuw, standje.
Charlatón, kwakzalver; windbuil.
Charlatanerie, kwakzalverij; pocherg, windbreker^, charmént, bekoorlijk, innemend, allerliefst.
charmeeren, verrukken, bekoren, betooveren. Chórons-boot, (fig.) overgang tot een ander lever., dood. Charpie, pluksel, uitgerafeld linnen.
Chérta-mégna, de groote oorkonde of vryheidsoorkonde, eene merkwaardige grondwet der Engelschen, die nog
78 Charte-partie—Chemin
tegenwoordig door hen als het palladium hunner nationale vrijheid vereerd wordt.
Chórte-partie, z. Cherte-partij.
Chórter of Chértc, oorkonde; grondwet of constitutie.
Chartisten, naam van de medeleden der volksparty in Engeland, die een algemeen kiesrecht, uitsluiting dei-leden van het Lagerhuis van alle staatsambten,jaarlgk-sche nieuwe verkiezingen, afschaffing van den census, enz. zoeken door te dryven.
Chartomantie, het kaartleggen. (Sicilië; z. Scylia.
Charyb\'dis, gevaarlyke draaikolk tusschen Calahrië en
Chdsse, jacht; (in de muziek:) klein jachtstuk.
Chassé, zijwaartsche pas, waarmede eene colonne op en neer gedanst wordt. (neer dansen.
chasseeren, voortdry ven, wegjagen; de colonne op en
Chassepot, zeker fr. achterlaadgeweer.
Chasseur, jager. Ch. amp; cheval, jager te paard.
Chatelain, slotvoogd, kastelein; chatelaine, een voor het lyf geslagen ketting, waaraan huisvrouwen sleutels of derg. dragen.
Chatouille, geld-, juweelkistje ; privaatkas van den vorst.
Chaussée, straatweg, steenweg, kunststraat.
chausseeren, (zich) schoeien, kousen en schoenen, schoenen of laarzen aantrekken ; (ook:) een weg in eene kunststraat veranderen, plaveien, bestraten.
Chauve-souris, vleermuis; een maskerkleedy.
Chauvinisme, overdreven vaderlandsliefde of krygshaftig-heid, blinde vooringenomenheid met eigen land.
Chauvinist, die met zotte vaderlandsliefde en krygslust behept is.
Check of Cheque, aanwyzing opeen kassier ter betaling, kassiersbriefje ; (ook :) zeker geruit weefsel.
Cheer, vreugdegeroep, jubel, hoezeegeroep.
Cheese, kaas.
Chef, hoofd, opperhoofd, aanvoerder, overste.
Chef de cuisine, opperkok.
Chef-d\'oeuvre, meesterstuk.
Chemicaliën, chemische toebereidingen.
Chémicus, scheikundige.
Chemie, scheikunde, leer van de bestanddeelen en de eigenschappen der lichamen.
Chemin de fer, spoorweg.
chemisch—chimEerisch 79
chémisch, scheikundig. (doek- of borstspeld.
Chemisétte, lialfhemd; kraaghemdje. Chemisét-speld,
Chemist, scheikundige.
Chenille, rupsvormig boordsel van fluweelzijde.
cher, waard, lief; mon cher, ma chère, myn waarde,
Chersonnésus, schiereiland. (mijne beminde.
Chérte-partij, vrachtbrief, acte van overeenkomst tusschen den vervrachter en de bevrachters opgemaakt.
Chérub, Cherubijn, hemelgeest van den 2den rang, vuur-of vlambode.
Cheval, paard; Cheval de bataille, strydpaard; (ook:) iemands lievelingsonderwerp.
Chevalerie, ridderlgkheid, ridderschap.
Chevalier, ridder; Chevalier d\'industrie, fortuinzoeker, rondreizend, doorslepen bedrieger, oplichter.
Cheviot, wol van Schotsche bergschapen.
Chevreau, geitenleer.
Chevron, armstrepen, onderscheidingsteek en op de mouw van onderofficieren en militairen.
Chibouque, Turksche pijp.
Chic, gemakkelijke, vlugge en krachtige behandeling van \'t penseel; geschiktheid; slag, kneep ; zwier, laatste mode.
Chicéne, rechtsverdraaiing; haarklooverjj ; uitvluclit.
chicaneeren, pleitstreken of rechtsverdraaiingen gebruiken ; vitten, haarklooven, het iemand lastig maken.
Chicaneur, pleitziek mensch ; haarkloover, lastig schepsel.
Chief justice, opperrechter in Engeland.
chiffonneeren, kreuken, frommelen, verkreuken; verontrusten, plagen; onbetamelyk aantasten.
Chiffonnière, ladekas, hooge latafel.
Chiffre, schriftteeken, cyfer; willekeurig teeken in plaats van den naam; cijferschrift, geheimschrift.
Chignon, nekhaar, -bundel of -vlecht.
Chijl, Chijm, z. Chylus, Chymus.
Chiliéde, duizendtal (inz. van jaren).
Chiliasme, leer van het duizendjarige rijk, van een terugkomst van Christus, waarna de volmaaktste aardsche gelukzaligheid zal beginnen; geloof aan den vooruitgang der menschen tot het doel van zedelyke volmaaktheid.
Chimaera of Chimère, inbeelding,hersenschim; ongerymd verdichtsel.
chimaerisch of chimeriek, ingebeeld, hersenschimmig.
8o chineeren—Christologie
chineeren, vlammig weven, bewerken: gechineerde stof-
fen, gevlamde, met vlammige patronen ge weefde stoffen.
Chinine, z. Quinine. . ,. , ,
Chinoiserie, sieraad enz. in Cmneesclien smaak.
Chi rag ra, handjicht.
chirographisch, op een handschrift berustende. Chirologie, handenspraak, vingerspraak.
Chiromantie, waarzeggerij nit de lijnen der hand. Chirurg, Chirurgijn, wondhceler, heelmeester.
Chirurgie, heelkunde, wondheelkunst.
chi va piano va sano, langzaam gaat zeker.
Chloor, Chlorine, oververzuurd zoutzuur.
Chloorkalk, verbinding van de chloor met kalk.
Chloriet, groene talksteen. , , ,
Chlorofórm, chloorverbinding, die het gevoel geheel verdooft en alzoo den lyder by operatiën voor pyn bewaart, chloroformiseeren, door chloroform in een staat van volslagen gevoelsverdooving brengen.
Chlorose, bleekzucht, eene bloedziekte.
choisisseeren, kiezen, uitkiezen, uitzoeken.
Chólera of Cholera mórbus, Aziatische braakloop, choleriek, cholérisch, galzuchtig; driftig, opvliegend. Cholerine, goedaardige soort of lichte graad van cholera. Chondrologie, de leer der kraakheenderen.
choquant, aanstootelijk, hinderlyk, beleedigend. choqueeren, aanstoot, ergernis geven; aanstootelgk zijn,
tegen de borst stuiten.
Chorograaf, land-, oordbeschrüver.
Chorographle, beschryving van landen of oorden.
Chóse, zaak, ding; grap; choses maken, potsen uitvoeren ; c\'est une autre chose, dat \'s wat anders. Chose wordt fam. ook g^ruikt voor alles, waarvan men den naam niet weet of niet noemen wil, bv. Monsieur Chose, mynheer dings; Madame.... chose, mevrouw.... hoe heet ze ook?
Chosesmaker, potsenmaker, grappenmaker.
Chouéns, aanhangers der Bourbons in \'t westen van Frankryk, ten tyde der Fransche revolutie van 1789. Chresmologie, waarzeggerij.
Chrestomathie, uittreksel uit vele boeken, bloemlezing,
inz. uit prozaschryvers.
Christologie, leer van of omtrent Christus.
Chrómameter—ci-devant 81
Chrómameter, ateminatrument voor piano\'a.
Chromatiek, kunst der kleurmenging.
chromatisch, gekleurd ; in verschillende op elkander volgende halve tonen opgaand en afdalend. Chromolithographi\'e (ook Lithochromie), kunst om met olieverf op steen te schilderen en het geschilderde op doek af te drukken, kleurensteendruk.
Chronlque scandaleuse, schandgeschiedenis, kletspraatjes
van eene stad, een dorp enz.
chronische ziekten, langdurige, slepende ziekten. Chronogrém, jaartalvers, getal- of tydspreuk, waarin de letters M, D, C, L, X, V en [, als Romeiusche talletters beschouwd, bg samentelling een jaartal geveu. Chronographie, tgdbeschrgving.
Chronologie, tijdrekenkunde, tijdleer.
chronológisch, tijdrekenkundig, naar tijdsvolgorde. Chronoloog, tgdrekenkundige.
Chrónometer, tydmeter, zeehorloge.
Chrysalide, goudvlekkige vlinderpop.
Chrysoot, een naar goud gelijkend metaalmengsel. Chrysóstomus, guldenmond, de welsprekende.
chut! stil! zwijg 1
Chy\'lus, Chijl, melksap, het vocht, dat gedurende de spysvertering door de melkvaten der darmen wordt op-Chymie, z. Chemie. (geslorpt.
Chy\'mus, Chijm, spgssap, de brij in de maag, uit de ge-Cibariën, eetwaren; spgskast. (bruikte spijzen bereid. Cibeben, de beste en grootste rozijnen.
Cibórium, hostiekelk bg den 11. Kath. eeredienst.
Cicero, (fig-) zeer welsprekend man, voortreffelijk redenaar ; (ook:) de naam eener druklettersoort (tusschou dessendiaan en augustgn).
Ciceróne, wegwijzer of leidsman der vreemdelingen. Cichorei, surrogaat der koffie (verbasterd in s u i k e r g) Clcisbéo, damesgeleider, vertrouwde vriend en gezelschap
houder eener gehuwde Italiaansehe vrouw.
Cid, heer, opperhoofd, bg naam van den Spaansclien krggs-held der 11de eeuw, Don Rodrigo Diaz, graaf van Bi var. Cider, appeldrank, ooftwijn.
ci-devant, eertgds, wglen; de ci-devants in Frankrijk, de personen uit voormaals adellgke eu vorstelijke fa-miliën.
ELFDE DULK. 6
Cigarette—Circus
Cigarette, sigaartje; zelfgemaakt tabaksrolletje in papier ; damessigaartje. (stroopapier. Cigarritos, papiersigaren; tabaksrolletjes in fijn ryst-Cigarro, Spaansclie naam van de sigaar of het tabaksrolletje om te rocken.
ci-git, bier ligt (begraven).
Cijfer, getalmerk; scbriftteeken, scbrift dat inzonderheid door diplomatische agenten in de berichten aan hunne hoven, en omgekeerd, gebruikt wordt.
Cijns, schatting, belasting.
Cilinder, Cylinder, rol, rolrond lichaam, besloten tusschen
twee gelijke en evenwijdige cirkelvlakken.
cilindrisch, cilindriek, rolvormig; kokervormig.
Cimbaal, klankbekken; orgelregister van samenstem-Cingulum, gordel, inz. der priesters. (mende klokjes, cinq premiers of cinq premières, (in \'t omberspel:) de
5 eerste slagen van den sans-prendre-speler.
Cipier, gevangenbewaarder; opzichter eener gevangenis. Cippus, korte zuil.
Cirage, het overtrekken of insmeren met was; smeersel, circa, omtrent, ongeveer ; rondom. (schoensmeer.
Circassiénne, fijn gekeperde wollen stof, halftaken.
Circe, verleidelyke boeleerster.
circuituh verborum, omhaal van woorden.
circulair, kringvormig, rondachtig.
Circulaire, rondgaande brief, of hetzelfde bericht aan
ieder der belanghebbenden gezonden.
Circulatie, kringloop, bv. van het bloed, van het geld enz. circuleeren, in omloop zyn.
circulus in probóndo, cirkelredeneering, waarbij men hetgeen bewezen moet worden als bewyzend deel op-circumcéntrisch, rondom het middelpunt. (neemt.
Circumcisie, besnijding.
Circumferéntie, omvang, omtrek.
Circumlocutie, omschrijving met woorden. Circumscriptie, omschrijving, insluiting binnen bepaalde grenzen; omschryving met woorden; ronding der rede. Circumspéctie, omzichtigheid, behoedzaamheid. Circumstantie, omstandigheid.
circumstantiëel, omstandig, in \'t breede, breedvoerig, circumveniëeren, omgaan, omringen; misleiden.
Circus, ronde schouwplaats; strijd-, renbaan.
82
cireeren—Clairvoyance 83
cireeren, met was bestreken of insmeren.
Cirkel, in zich zelve terugkeerende kromme lyn, die overal denzelfden afstand van een middelpunt houdt; vlak, door zulk eene regelmatige kromme lyn ingesloten. Cl rometer, wolmeter.
Cirque olympique, rjjbaan voor kunstrijders, paardenspel Cirrus, haarlok; veder- of schapewolk.
cis, aan deze zyde.
cisaipijnsch, aan deze zyde der Alpen.
ciseleeren, met de graveerstift werken.
cisleithaansch, aan deze zyde der Leitlia.
cispadaansch, aan deze zyde van den Po.
cisrhenaansch, aan deze zyde van den Ryn.
Cistérne, waterbak, regenput.
Citaat, aangeliaalde plaats uit een geschrift.
Citadél, burcht, kleine vesting by eene stad, stadsvesting.
Citatie, aanhaling, z. Citaat; dagvaarding voor\'t gerecht.
citato lóco, ter aangehaalde plaats.
citeeren, aanhalen, bv. een boek, eene schriftuurplaats;
voor het gerecht dagen, dagvaarden.
Citer, snarenspeeltuig der oude Grieken.
c(to, met spoed; citissime, in alleryl, allerspoedigst. Citoyén, burger; citoyenne, burgeres.
City, stad, inz. de oude stad van Londen.
Ciudéd, stad (in Spanje), inz. stad van den eersten rang
(in tegenstelling met Villa).
civiel, burgerlyk, den burger of burgerstand betreffend; burgerlijk, in tegenoverstelling met militair; beleefd; billyk in prys; civiele lijst, de hofhoudingskosten of -behoeften, de som, die de regent uit de staatsinkomsten voor zich, zyn gezin en zyn hof trekt.
Civilisatie, beschaving, verfijning der zeden.
civiliseeren, beschaven, verlichten.
Civiliteit, beschaafde manieren, hoffelykheid. clabaudeeren, keffen, blaffen; ky ven, geweld maken over kleinigheden. (maakt.
Claim, aanspraak, eisch; land waarop iemand aanspraak clairement, duidelijk, klaar.
Clairét, lichte, bleekroodc wyn, bleekerd.
clair-obscur, helderdonker; halfdonker.
Clairvoyance, helderziendheid, helderziende toestand, inz. aan den magnetischen slaap toegeschreven.
84 clairvoyant—Cleresie
clairvOYamp;nt. helderziend, in?- als gevolg van den magne-tischen slaap aangenomen. Een Clairvoyant, eene Clair-vovante, iemand (man of vrouw), die gezegd wordt in den magnetischen slaap met gesloten oogen en slapend helderder en meer te zien dan anderen, die wakker ziin met open oogen. _ ,
Clan stam, geslacht; district (in Schotlanden Ierland), clandestien, heimelijk, naar de wet verboden.
Claque, klap met de vlakke hand; klaphoed; de geza-
menlüke claqueurs.
Claqueur, gehuurde toejuicher in schouwburgen.
Claret, eng. naam van fr. rooden wyn.
Clarificatie, zuivering, klaring; opheldering.
clarificeeren, zuiveren, klaren; bewijzen, ophelderen, clarum et venerabile no.Tien, een beroemde en geeerde Classicaal, volgens klassen, in klassen verdeeld, (naam. Classiciteit, liet classiek aanzien, liet voorbeeldige, classiek, classiscli, voorbeeldig, tot model dienend, voortreffelijk ; classieke schrijvers, Classieken, modelscliru-vers de-elijke schrijvers, die steeds als voorbeeld kunnen dienen. Classieken, classieke schriften, boeken van blijvende waarde,vonningsboeken voor de leerenden. Classificatie, rangseliikklng in klassen.
classificeeren, afdeelen, in klassen rangschikken.
Classis, zekere kerkelijke indeeling in de Ned. lieiv. kerk, onderafdeeling eener provincie en weder in nn-een verdeeld. .
Clausa, cel, kluis, woning eens kluizenaars.
Clausule, toevoegsel tot een voorschrift een contract, inz zulk een, waardoor bijzondere punten beperkt of uitgebreid worden; beding, voorbehoud, bepaling. Clausuur, enge opsluiting in kloosters; kloosterachtige
ClévesTtoetsen, klavieren van een snaren-instrument. Plaviatuur. het geheel der toetsen, toetsenbord.
Clavis, sleutel; notensleutel, hetteeken, dat den toon der noten aanduidt; z. Claves.
Clearing, afrekening, liquidatie.
Cleméntie, zachtmoedigheid, goedertierenheid Cleresie, Clerezy, Clérus, de geestelijkheid; de bisschop-pelijke clerezy, de oud-roomsche geestelgkheid, de zoogenaamde Jansenisten.
clericaal—Cocagne 85
clericaal, geestelijk, priesterlijk.
Clericalen, aanhangers der geestelijkheid.
Ctéricus, geestelüke.
clicheeren. afkloppen, afgieten, afstampen (een vorm of matrys in gesmolten en afgekoeld metaal, om er zoo den afdruk van te krijgen). De langs dezen weg verkregen afdruk heet cliché.
Cliént, beschermeling, hij, die de hulp van een pleitbezorger heeft aangenomen. (temperatuur. CKma, klimaat, aard- of luchtstreek, luchtgesteldheid. Climax, opklimming in de uitdrukkingen.
Cliniek, de practische geneeskunde of de medische behandeling van bedlegerige zieken; inz. het onderwijs aan \'t ziekbed.
clinisch, bedlegerig, ziek, krank; wat bedlegerige zieken betreft; clinische les, geneeskundige les b\\j \'tziekbed; clinische school (Cllnicum), zulk eene school, waar men de ziekten op de zieken zeiven leert kennen. Clinist, leeraar der geneeskunde aan het ziekbed. Clinquént, klatergoud.
CKo, de muze der geschiedenis.
Clique, samenheuling; spitsbroederschap; verbintenis tot
een slecht oogmerk, bent, rot.
Cloak, mantel.
Closet, omsluiting; kabinet, bestekamer.
Cloture, sluiting (bv. eener beraadslaging, rekening).
Clown, hansworst, grappenmaker.
Club, besloten gezelschap.
Clubbfst, lid eener club.
Coéctie, dwang; gewelddadige aanranding.
coactief, dwingend, gewelddadig.
coadjutor, helper, ambtshelper en toekomstig opvolger, coaguleeren, stollen, stremmen Coagulum, het gestolde, geronnene.
Coak of Cóke, verkoolde of ontzwavelde steenkolen, coaliseeren, verbinden, vereenigen, een verhond aangaan. Coalitie, verbond, vereeniging van velen tot verwering of aantasting van een derde. (Zy onderscheidt zich van alliantie, doordat zy eigenlyk de verbinding van twee tot dusverre tegenovergestelde partyen beoogt).
Coating, duffel, langharige wollen stof.
Cocógne (Pays de cocagne), luilekkerland. Cocagnemast
86 Cocarde—Coh$réntie
(Mat de cocagne), klimmast, klauterpaal (met prijzen aan zijn top).
Cocérde, hoed- of mutsstrik, band, lint of roos van bepaalde kleur als party- of nationaal teeken.
Cochenille, Amerikaansche schildluis, die eene scharlakenverf oplevert; die scharlakenverf zelve, karmijn.
Cochón, zwgn, varken; (tig.) hoogst onzindelyk mensch.
Cochonnerle, zwynerg; vuile taal.
Cock, haan. (slgper.
Cockney, bedorven kindje; modepop: Londensche straat-
Cocón, tonnetje of pop des zydeworms.
Cocotte, voorname lichtekooi.
Cocü, horendrager, man eener ontrouwe vrouw.
Coda, staart; aanhangsel; slotstuk.
Códe, Códex, wetboek ; oud handschrift. Code Napoleon, het door Napoleon I tot stand gebrachte wetboek, het beroemdste en volkomenste van alle. Code civil, burgerlijk wetboek. Code pénal, wetboek van strafrecht.
Codicil, aanhangsel of toevoegsel tot een testament.
Codificatie, het hg een verzamelen van alle, een deel dei-wetgeving betreffende voorschriften in een enkele wet, wetboek.
Codille, dubbele inzet of boete by het omberspel, wanneer de speler minder slagen haalt dan de tegenspelers; (ook wel voor:) geruïneerd, bedorven.
Coëfficiënt, medewerker; de standvastige of gegeven factor eener onbekende of veranderlyke grootheid (in de
Coëmtie, de gemeenschappelyke koop. [algebra).
coërceerende middelen, dwangmiddelen.
coërcitief, bedwingend.
Coeur, hart; harten op de speelkaarten.
Coëxistentie, medebestaan, het tegelijk aanwezig zyn.
Cogitatie, het nadenken; de overdenking.
cógito ergo sum, ik denk dus ben (besta) ik.
Cognéc, soort van Franschen brandewijn.
Cognéten, aanverwanten door vrouwelijke afstamming.
Cognitie, kennisneming, onderzoek.
Cognossement, Connossemént, ook Connaissemént, zeevrachtbrief, ladings- of vrachtbrief des schippers.
Cohaeréntie, Kracht van cohae sie, samenliang, kracht, waardoor de samenstellende deeltjes der lichamen worden byeengehouden.
Cohffisie—Collectaneum 87
Cohaesie of cohésie, de samenhang.
cohibeeren, terughouden, matigen, beperken.
Cohórte, krggsbende, schaar, rot.
Co hue, geraasmakende en schreeuwende menigte.
coiffeeren, kappen.
Coiffeur, kapper.
Coiffure, kapsel.
Coin, muntstempel.
Coïncidentie, het samenvallen, samentroffen.
coïonneeren, (verbasterd tot koejonneeren), smadelgk bejegenen, als een hondsvot behandelen.
coïonnade, scheld-, smaadwoord, smadelyke behandeling,
(verbasterd to* Uoejenatie).
Coïtus, vereeniging, byslaap.
Coke, z. Coak.
Col, hals; strop- of gespdas.
col canto, met zang.
cold cream, (eig. koude room) witte verkoelende zalf. Col de barbe, baard onder de kin.
Colère, toorn, gramschap.
coleriek, oploopend, haastig, driftig, opvliegend.
Coliséum of Colosséum, Coliséo, benaming van groote prachtgebouwen tot openbaar vermaak in groote steden (naar een praalgebouw in \'toude Rome).
Collaborator, medebewerker.
collaboreeren, gemeenschappelijk werken, mede-arbeiden, colla destra, met de rechterhand.
collateraal, zgdelings: collateréle erfgenamen, ervende zyverwanten; coliatérale succéssie, erfenis, die aan een zijverwant des gestorvenen overgaat.
Collétie, vergelgking van geschriften ; (ook:) het recht om een post, inzonderheid eene predikants- of onder-wgzersplaats, te begeven.
Collatión, ververschings-, verfrisschingsmaal; maaltgd van
koud vleesch, fruit, gebak, enz.
collationeeren, boeken, geschriften, rekeningen, enz. met
elkander vergelijken.
Collator, begever van eenig ambt, inz. eene predikants-
of onderwijzersplaats, bezitter van het collatie-recht, collé, dicht tegen den band liggend (in \'t biljartspel). Collectaneum, schriftelgke verzameling van verscheidene plaatsen uit boeken of geschriften.
88 Collectant—Colophónium
Colleciént, inzamelaar van giften.
Coilécte, inzameling van giften, belastingen, enz., het ingezamelde geld zelf; uitgifte van de loten der staats-loterg; (ook:) zeker gebed in de mis.
collecteeren, inzamelen, ophalen voor de armen of noodlijdenden. (loterjjloten. Collecteur, de door het ryk aangestelde verkooper van Colléctie, verzameling, aantal, menigte.
collectief, verzamelend, samenvattend ; gemeenschappelgk;
c. glas, verzamelglas (ter versterking v. een brandglas). Colléga, ambtgenoot; medeleeraar.
Collége, gezelschap of vereeniging van ambtgenooten; elk tot «een bepaald doel vereenigd gezelschap; (ook:) de vergaderplaats zelve; de lessen der professoren aan de academiën en athenceën.
collegiaal, (als adv.) collegiéliter, ambtsbroederlijk (bv. leven, handelen); in vergadering van al de ambtsbroeders ; c. recht, (in de Protestantsche kerk:) het recht om zich zelve te constitueeren.
Coliét, rgbuis, ruitervest, kolder.
Cólli, stuks (ter verzending), als kisten, vaten, fusten, balen enz.
COliideeren, samentreffen, tegen elkander werken, botsen. Collier, halssnoer, halsband, halsketen.
Collisie, botsing; het tegen-elkander-druisen van wetten, plichten enz.; beklemdheid, nood. (eischers.
Collocatie, plaatsing, stelling; rangregeling der schuld-Collocütie, z. Collequium.
Collódion, Collódium, chirurgische kleefstof, door oplossing van \'t schietkatoen verkregen ; zy wordt ook in de photographic gebruikt.
Collóquium, Collocütie, samenspraak ; mondeling voor-loopig onderzoek naar de bekwaamheden van de protestantsche geestelijken.
colludeeren, in geheime verstandhouding staan.
Collusie, geheime verstandhouding.
colombien, duivenhalskleurig (purperrood en blauw). Colombine, een vrouwelijke hansworst op hetltaliaansch theater.
Colonnéde, zuilenreeks of -ry : op zuilen rustend gebouw. Colónne, zuil, pilaar, kolom; lange strydbende. Colophónium, vioolhars, spiegelhars, terpentijnhars.
Coloraménto—Comité 89
Coloraménto, de wijze van plaatsing, rangschikking van sclulderyen.
Coloratuur, loop, versieringen van het gezang, kunstmatige toonwending.
coloreeren, kleuren, met verven dekken.
Coioriet, kleurmenging, kleurgeving, kleuring.
Colóssus, z. Kolos.
Colportage, marskramerg, het rondventen.
col portoeren, waren rondventen.
Colporteur, marskramer, straatkoopman, rondventer.
Colümbium, z. Tantalum.
Combattanten, strgders; vechtende partyen,
Cómbibo, drinkebroer, mededrinker.
Combinétie, verbinding, samenstelling van velerlei dingen, van voorstellingen, begrippen enz.; koppeling, paring, vergelijking en berekening van verschillende zaken. Combinatie-leer, wetenschap van de wetten der samenstelling van eenige gegeven dingen. Combinatie-slot, kunstig slot, dat alleen kan geopend worden door zekere beweeglijke deelen met elkander in verband te brengen.
combineeren, (eig. paarsgewgze verhinden) vereenigen,
samenstellen; vergelijken en berekenen.
combieeren, vullen, dempen ; overladen; opeenhoopen. combustibel, brandbaar, wat vuur kan vatten. Combustibilen, brandstoffen.
Combüstie, verbranding; (ook:) brandschade; (fig.) opschudding, gisting, groote wanorde.
Comedones, slempers ; medeëters in de huid.
come prima of sopra, in bet voorgaande tempo.
Comes palatinus, paltsgraaf.
come sta, zooals het er staat, zonder versiering, comestibel, eetbaar ; —en, eetwaren.
Comestibiliteit, eetbaarheid.
Comestibles, (fijne) eetwaren.
Cómfort, gemak, welbehagen, tevredenheid.
cómfortable, behaaglijk, genoeglijk, gemakkelgk.
Cómicus, blijspeldichter; tooneelspeler voor grappige rol comique, z. komiek. (len, komiek.
Comitaat, geleide, gevolg; kreits in Hongarije.
Comité, verzameling van beraadslagende personen of g e-committeerden; vereeniging van eenige leden uit
go Comitiën—Commiseratie
eene vergadering tot onderzoek van eene of anderezaak. Comitiën, volksvergaderingen.
Commandént, bevelhebber, inz. eener stad of vesting, commandeeren, bevelen, bevel voeren; het omliggende
(met geschut) bestrijken ; (ook :) bestellen. Commandement, bevel, gebod; macht van gebieden. Commandeur, bevelhebber; opperste eener ridderorde,
of ridder uit de hoogere ordeklassen.
Commanditair, medelid van eene commandite. Commandite, vennootschap, waarbjj eenige deelhebbers het geld schieten, terwijl oen of meer anderen (associés gérants of compiémentaires) de werkzaamheden verrichten ; (ook:) bghandel, door een handelshuis in eene andere plaats opgericht.
Commando, bevel, hoogste macht, recht om te bevelen, comme chez nous, zooals bij ons.
comme il faut, zooals \'t behoort, in orde, voorbeeldig.
commemorébel, gedenkwaardig. ( Commemorétie, aandenken, herinnering; (ook;) aanroeping der heiligen in \'t gebed.
commemoreeren, gedenken ; vermelden, herinneren. C
commendébel, prijselijk, loffelijk. c
Commendatie, aanbeveling, aanprijzing. C
Commensaal, dischgenoot, kostganger. C
commensurébel, wat zich met eenerlei maat laat meten. C Commentaar, verklaring, uitlegging, opheldering.
Commentator, uitlegger, verklaarder. C commenteeren, verklaren, van uitleggingen voorzien.
Commerage, geklets, oude-wyvenpraat, stadspraatjes. C
Commérce, zeker kaartspel, waarbij men kaarten ruilt. C
Commérce, Commércie, handel, koophandel; (ook:) om- C(
commerceeren, handel dryven. (gang, verkeer. C commerciëel, wat tot den handel behoort.
Commère, peetmoei, doophefster; babbelaarster, klappei. q
Commettént, lastgever, volmachtgever. 0
Commies, ambtenaar aan een ministerie (hooger in rang Ci
dan een klerk), z. Kommies. C( Commilitones, wapenbroeders; schoolgenooten.
Comminatie, bedreiging, waarschuwing. Ci comminueeren, verminderen, verbrokkelen; verzwakken.
Commis, handelsbediende. cc
Commiserétie, ontferming, erbarmen, medelyden. C(
_
Commissariaat—commün 91
Commissariaat, het ambt van commissaris.
Commisséris, gelastigde, volmachthebbende; (ook :) een bezorger, aanteekenaar der brieven, goederen enz. aan de veren; bestxiurder van cene societeit, club enz.; C. des konings, hoofd van het binnenlandsch bestuur eener provincie in Nederland.
Commissie, last, taak; bestelling, boodschap; de personen die in last hebben, zekere zaak gemeenschappelgk uit te voeren, te onderzoeken ; (ook :) hetgeen een koopman voor de bezorging eener zaak aan zyn lastgever in rekening brengt. Commissie-boek, bestelboek, waarin de bestellingen of commissiën by kooplieden worden opgeteekend. Commissie-goed, waren, boeken, die een koopman, een boekhandelaar voor rekening des eigenaars verkoopt. Commissie-handel, de handelstak, die voor-namelyk bestaat in \'t bezorgen van zaken voor rekening van anderen tegen geëvenredigde percenten, Commissionnair, lasthebbende, zaakvoerder, gevolmachtigde, vooral in byzondere gevallen; de persoon, die voor een handelshuis koopt of verkoopt. (ger.
Commis-voyageur, reizend handelsbediende, handelsreizi-committeeren, last of volmacht geven, aanvertrouwen. Committent, lastgever, volmachtgever.
Commode, latafel, ladekast; gemakkelyk.
Commoditeit, gemak, gemakkelykheid; goede gelegenheid;
(ook;) bestekamer, geheim gemak, sekreet.
Commodités, allerlei kleinigheden tot gemak in een huishouden ; (ook:) geheim gemak, bestekamer, sekreet. Commodóre, bevelvoerder over een eskader of smaldeel. Commodum, nut, voordeel, gemak.
commoneeren, vermanen, herinneren.
Cómmoners, studenten van den tweedon rang op Engel-sche universiteiten ; leden van het Lagerhuis in Engeland. Commonitie, vermaning.
Common-law, het gemeene recht, gewoonterecht, landrecht. Commonplace, gemeenplaats, algemeen bekend gezegde. Commons, de gemeenten, wier afgevaardigden het Engel-
sche Lagerhuis uitmaken.
Commótie, beweging, gemoedsbeweging, ontsteltenis ; (by
geneesheeren:) schudding, bv. van de hersenen, commoveeren, bewegen, aandoen.
commün, gemeen, laag; gemeenschappelijk.
92 Communard—Compatibiliteit
Communérd, Pargsche sociaal-democraat van 1871, communistische oproermaker.
CommCine, gemeente.
commune bonum, gemeen goed. (ganger.
Communiant, Communicant, hoogtydhouder, avondmaal-communicabel, mededeelbaar.
Communicatie, mededeeling; gemeenschap, verbinding, communicatief, mededeelzaam, gewoon of geneigd zich
mede te deelen.
communiceeren, mededeelen; in verband staan; (ook-.)
ten hoogtijd, ten avondmaal gaan.
communi consensu, by algemeen goedvinden, onder aller goedkeuring. (maal. Communie, gemeenschappelijk bezit of leven; het Avond-communiëeren, ten Avondmaal gaan,
commünio bonórum, gemeenschap van goederen. Communisme, het stelsel der gemeenschap van goederen
en der afschaffing van \'t eigendomsrecht.
Communist, aanhanger van het communisme. Communiteit, gemeenschappelijk bezit; gemeenschappelijke deelneming.
commutaael, veranderlyk, verruilbaar.
Commutétie, verruiling, verwisseling, bv. van straf, compéct, vast of dicht ineengedrongen, in een kort bestek gebracht.
Compact, Compéctum, vergelijk, verdrag, overeenkomst. Compagnie, gezelschap, vereeniging; handelsgezelschap,
vennootschap; afdeeling soldaten onder een kapitein. Compagnón, gezel; deelhebber, medearbeider; handelsgenoot, vennoot. C. de voyage, reisgenoot.
Comparótie, vergelijking.
comparatief, vergelgkender wijs; (ook:) de vergelijkende trap (in de taalkunde). (recht,
compareeren, vergeleken; verschijnen, inz. voor het ge-Comparént, de verschijnende partij in rechten. Comparitie, verschijning voor het gerecht; opkomst, bijeenkomst ter beraadslaging.
Compartiménten, regelmatig afgedeelde vakken. CompÉscuum, gemeenschappelijke weide.
Compassie, medelijden.
compatibel, vereenigbaar, samenpassend.
Compatibiliteit, gesteldheid van twee of meer dingen.
Compatissant—compliceeren 93
waardoor zjj voor samenvoeging vatbaar zyn, geschiktheid tot samenvoeging, vereenighaar.
Compatissant, niedelydend, deelnemend.
Compatriot, medelaudsman.
compélleeren, dwingen, noodzaken, drjjven.
compelle intrare, dwing ze om in te gaan.
compendiëus, kort, ineengedrongen, samengevat. Compéndium, kort begrip eener wetenschap; leerboek,
handleiding, leiddraad.
compensabel, vergoedbaar.
Compensatie, vergoeding; vereffening.
compensatis expensis, na wederzydsche vereffening der kosten. (wegen,
compenseeren, vergoeden; vereffenen ; tegen elkander op-Compère, peetoom ; vroolyke snaak; helper, handlanger, competeeren, rechtmatig toekomen; betamen; mededingen, competent, bevoegd, gerechtigd, geldig.
Competént, bevoegd mededinger naar een ambt. Competéntie, bevoegdheid ; mededinging, recht om te spreken-, toekomend deel; rechtmatig of bevoegd oordeel. Compiacevole, behaaglyk, bevallig.
Compilatie, het uit allerlei schry vers bijeengebrachte, het
samengevoegde, verzamelwerk.
Compilator, verzamelaar van stukken uit verschillende
werken tot een nieuw geheel.
compileeren, samenbrengen, hetgeen in andere boeken
staat tot een nieuw geheel vereenigen.
Complaisance, gedienstigheid, vriendelijk en voorkomend
gedrag, bereidwilligheid.
complaisant, dienstvaardig, bereidwillig, voorkomend. Complaisant, dienstvaardig mensch ; ooirendienaar. compleet, volledig, voltallig; ongeschonden.
Complement, aanvulsel.
complementair, aanvullend, vol makend,
completeeren, aanvullen, tot een geheel brengen, complex, samengesteld, ingewikkeld,
compléxie. lichaamsgesteldheid; gemoedstoestand; gelaatskleur, uitzicht.
Complicatie, ingewikkeldheid, verwikkeling, samenloop
van verscheiden dingen van verschillenden aard. compliceeren, verwikkelen, verwarren; gecompliceerde misdaden, zulke, by welke verschillende soorten van
Complices—compromitteeren
misdaden te gelyk gepleegd zjjn, bv. diefstal met moord. Complices, medeplichtigen, medeschuldigen.
Compliciteit, medeplichtigheid.
Complimént, beleefdheidsbetuiging, groet; iets vleiends,
verplichtends; woordenlof, plichtpleging, complimenteeren, begroeten, verwelkomen, complimenteus, vol complimenten of plichtplegingen. Complot, ongeoorloofde verbinding, samenspanning, samenzwering, samenrotting.
comploteeren, samenrotten, samenspannen.
componeeren, samenstellen, vereenigen ; een muziekstuk
vervaardigen, toondichten.
Componist, toonzetter, toondichter.
Comportement, gedrag, leefwijze.
Compositeur, samensteller, componist; letterzetter. Compositie, menging, samenstelling ; metaalmengsel; ordening eener schilderij; toonzetting; minnelyk verdrag. Compósitum, iets samengestelds, een mengsel.
compos méntis, in het bezit van zijn verstand.
compos sui, meester over zich zelf.
Compost, gemengde mest, mestaarde. (vruchten.
Compóte, Compót, gestoofde en met suiker ingemaakte compound, samengesteld.
comprehendeeren, samenvatten ; bevatten, begrypen. Comprehénsie, bevattingskracht, begrip.
comprés, vast, samengedrukt, dicht ineen. (wond.
Comprésse, Comprés, samengevouwen doekje bv. op eene compressible, samendrukbaar.
Compréssie, samendrukking, persing, verdichting,bv. der
lucht. Compréssie-pomp, perspomp.
Compressief, samendrukkend, samenpersend, comprimeeren, samendrukken; in toom houden. Comprobatie, billüking, goedkeuring.
comprobeeren, billgken, goedkeuren.
Compromis, minnelijke schikking, beslissing van een handelsgeschil door zelfgekozen scheidslieden; beroep op het oordeel van een scheidsrechter, of de wettelyk vergunde overeenkomst van twistende personen, om zich naar de uitspraak van een scheidsrechter te gedragen, compromitteeren, (iemand) in het spel, in de beslommering trekken, in eene zaak verwikkelen; aan gevaar of onaangenaamheden blootstellen.
Comptabel—Concértmeester 95
Comptóbel, verantwoordelgk, rekenpliclitig. Comptabiliteit, verantwoordelykheid, rekenplichtigheid. Comptónt, (kontant), gereed, baar geld.
Compte, rekening; rekenschap.
Compte rendu, verslag.
Comptoir, kantoor, schryfkamer, werkvertrek eens koop-
mans, bankiers, enz.
Comptonst, kantoorbediende, klerk, boekhouder. Compülsie, aandrijving, drang, dwang.
Com punctie, innig, bitter berouw.
Computótie, overslag, berekening.
computeeren, een overslag maken, uitrekenen.
Cómte, graaf. Comtésse, gravin.
con affetto, met aandrang, roerend.
con allegrezza, niet vroolykheid.
con amóre» met liefde, met lust of ingenomenheid, Conatus, bemoeiing, poging.
con brio, met vuur. [horloge-glas),
concaaf, hol, holrond (zooals de binnenvlakte van een Concatenótie, aaneenschakeling.
Concaviteit, holheid, holrondheid, ronde uitholling, concedeeren, toestaan, bewilligen.
concédo, ik stem toe, het zij zoo!
Concentratie, vereeniging in éen punt; verdichting of versterking van eene vloeistof; vereeniging van al \'t gezag in handen van éen of van weinige personen, concentreeren, op het middelpunt samenloopen; in een
brandpunt verzamelen; dichter maken, versterken, concéntrisch, met een gemeenschappelgk middelpunt. Concépt, schriftelijk ontwerp, ruwe schets ; (ook :) begrip, denkbeeld; uit zijn concept gebracht worden, in den loop zjjner gedachten gestoord worden.
Concéptie, ontvangenis, bevruchting; bevatting, begrip,
gedachte; korte samenvatting van een geschrift. Concépt-papier, slecht schrijfpapier voor schetsen enz. concerneeren, betreffen, aangaan.
Concért, toonspel, eenparig spel van verscheiden toonkunstenaars op verschillende instrumenten.
Concertist, concertzanger, -speler.
concerteeren, wedy veren; op een concert medespelen. Concértmeester, bestuurder van een gezelschap toonkunstenaars.
g6 Concéssie—Concordantie
r„nrx„i„ bewiilisiKK, verlof van de overheid om eene hmSwke zaak te dryven, een weg aan te leggen enz. concessioneeren, goedkeuren, bewilligen (van wege de
Oonlétttschijnbaar geestige invallen of zetten; valsehe.
overdreven iiguren, klatergoud der rede.
concevabel, begrüpelijk.
rnnrhv\'liën scliaaldieren, selielpdieren.
Conciérae bewaker vau een kasteel, van een hms, inz. ™ e?ne gevangenis (cipier), huisbewaarder of-bewaai-Iter (tegenwoordig ook:) deurbewaker, -bewaakster,
CoSéHefwMvoogd^ anrbt en. woning van een quot;Squot;ogdi gevangenis; cipierswoning; naam eenei
concVhiiieT^voor bjjlegging of verzoening geschikt.
mnrilipprpn verzoenen, beuuddelen. (worui.
conolpmeren, opstellen, ontwerpen maken, nedersehr,-
ven i ontvangen, zwanger worden.
Concipiënt, ontwerper, opsteller.
concin, passend, afgemeten, sierlijk. ,.P(iek)
conoinniteit, welluidende samenhang (ra de ledek.) concis, bondig, beknopt, kort samengevat.
Concllve \'\'^SfvSftaarin de kardinalen een uieuwen ^paus kiezen; de ^ ;
rm* van een nieuwen paus. (Zy heelt piaais m t * ? èaDan te Rome, 13 dagen na den dood van den laat-S paus. en geen dei- leden mag het paleis verlaten.
con\'cluïeerenquot;bTrtuitenf eenequot; gevolgtrekking maken. Conslusie, besluit, gevolgtrekking slotsom.
rnnrlusief besluitend, gevolgtrekkenu.
Pnnrnrdaat verdrag, overeenkomst, inz. van wereldluke vorsten met den paus, in zaken van godsdienst en Kerk.
Conco\'rdSnVieTalphabetisehe lüst der in de quot;u\'iUge Sehrilt vervatte woorden en spreuken, met aanwijzing van de plaats, waar zg staan.
concordeeren—condoleeren 97
concordeeren, overeenstemmen.
Concórdia, eendracht, overeenstemming.
concordia res parvae crescunt, eendracht maakt macht. Concours, samenloop; het streven van velen naar éen ambt, met onderzoek naar hunne geschiktheid; Hamenkomst der schuldcischera ter deeling van het vermogen des faillieten schuldenaars; wedstrijd.
concreet, vereenigd; geronnen, gestold; een concreet begrip is zulk een, dat de eigenschap met het voorwerp vereenigd bevat (in tegenstell. met abstract); concreet getal, benoemd getal.
Concremént, samengroeisel, vast lichaam in mensch of
dier, ontstaan door de stremming eener vloeistof. Concretie, het samengroeien; de inly ving, stolling, verdichting. (huwelyk. Concubinaat, echtelooze verbinding, samenwoning zonder Concubine, bywyf, byslaap, byzit.
concurreeren, mededingen, wedijveren.
Concurrent, mededinger.
Concurréntie, wedyver, mededinging; inz. het wedyveren van fabrikanten, kooplieden enz. in de hoeveelheid, de hoedanigheid en den prys hunner waren.
Concüssie, botsing; geldafpersing, kuevelary.
Condébitor, medeschuldenaar.
Condemnétie, veroordeeling, afkeuring.
condemneeren, veroordeelen, afkeuren.
Condensébel of condensibel, wat zich verdichten laat. Condensétor, verdichter, zeker werktuig in de natuurkunde
tot vereeniging der verstrooide electrieke stof. condenseeren,verdichten, samendringen in kleinere ruimte. Condescendéntie, inwilliging, toegeeflijkheid, con diligenza, met zorgvuldigheid, met vlyt.
Condiscipel, medescholier. (stand.
Conditie, voorwaarde; toestand ; voorslag; bediening, post; conditioneel, voorwaardelyk.
conditioneeren, bedingen ; de behoorlyke gesteldheid of deugdelijkheid geven: dit boek is wel geconditioneerd, is nog in goeden staat.
conditio sine qua non, onvermydelyke voorwaarde, con dolcezza, liefelgk.
Condoléantie of Condoléntie, rouwbeklag.
condoleeren, deelneming in een verlies betuigen.
ELFDE DRUK. 7
98 con dolore—Confirmatie
con dolore, weemoedig, met smart.
Condotta, goederentransport; vracht, voerloon.
Conduct, begeleiding, geleide.
Conducteur, geleider ; de persoon, die op de diligences, Btoombooten, spoorwagens enz. voor het gemak en de veiligheid van personen en goederen zorgt.
Conductor, pachter, huurder; geleider, inz. geleider der
electriciteit aan electriseermachines.
Conduite, gedrag; opzicht, leiding.
con expressione, vol uitdrukking.
Confabulatie, gesprek, onderhoud, het kouten.
Confectie, vervaardiging; fabriekmatige gereedmaking,
inz. van kleedingstukken; (ook;) gemaakte kleederen. Confederétie, verbond, bondgenootschap van twee of meer staten, om tegenover éene of meer vreemde mogendheden slechts éen staat te vormen en gemeenschappelijk daartegen te handelen, terwijl ieder der verbonden staten inwendig zjjne onafhankelijkbeid behoudt, confedereeren, verbinden, een verbond aangaan.
confer, conferatur, men vergelgke.
Conférence, voordracht, lezing.
Conferéntie, samenkomst en beraadslaging over zaken, confereeren, vergelijken, beraadslagen. (loofspartg.
Conféssie, belijdenis, bekentenis; inz, geloofsbelijdenis, ge-Confessionérius, biechtvader.
Confessioneel, de geloofsbelijdenis betreffend ;(ook :) theoloog, die den godsdienst van eene bepaalde geloofsbelijdenis afhankelgk maakt.
con festivita, plechtig.
Confiénce, vertrouwen.
Confident, Confié, vertrouweling, boezemvriend.
Confidéntie, vertrouwen; vertrouwelijke mededeeling.
confidentiëel, vertrouwelijk.
con fidücia, met vertrouwen.
confiëeren, vertrouwen, toevertrouwen.
confmeeren, aangrenzen; grenswacht houden; gevangen
zetten, huisarrest geven.
Confinement, huis- of stadsarrest; verbanning naar eene
bepaalde plaats.
Confirméndus, de jonge christen, die als medelid der christelijke Kerk is aangenomen en ingezegend, vormkind. Confirmatie, bevestiging; inwijding of opneming onder
conflrmatief—congeniaal 99
de leden d^r Kerk (bij de Protestanten); het sacrament des vormsels (bg de Katholieken).
conflrmatief, bekrachtigend, bevestigend.
confirmeeren, bevestigen, bekrachtigen; het sacrament des vormsels toedienen. (worden,
confiscébef, wat aangeslagen of verbeurd verklaard kan Confiscétie, verbeurdverklaring, inbeslagneming van goederen, ten voordeele van de schatkist.
Confiseur, suikerbakker, banketbakker. (aanhalen,
confisqueeren, gerechteljjk intrekken ; verbeurd verklaren, Confitént, biechteling, biechtkind.
confiteor, ik beken, belyd.
Confituren, met suiker ingemaakte dingen, bv. vruchten. Confiturier, banketbakker.
Conflagratie, algemeene of groote brand.
Conflict, botsing, strjjd, werking en tegenwerking, confligeeren, tegen elkander stooten, botsen; in strqd zgn. conflueeren, ineenvloeien, samenstroomen.
Confluéntie, samenvloeiing.
confórm, overeenstemmend, in orde, gelijkvormig, conformeeren, gelgkvormig maken; overeenkomen, overeenstemmen.
Conformisten, aanhangers der heerschende bisschoppelykc
Kerk in Engeland.
Conformiteit, gelijkvormigheid, overeenstemming, confortable, z. comfortable.
Conforténtia of confortatieven, versterkende middelen. Confréter, medebroeder, ambtgenoot.
con fretta, snel, haastig.
Confrontatie, tegenelkander- of tegenoverstelling ter ver-gelyking; vergelijking of tegenoverstelling der getuigen, confronteeren, vergelijken, (getuigen) tegenover elkander confundeeren, verwisselen, verwarren. (hooren.
con fuoco, met vuur.
Confutétie, wederlegging.
confuteeren, wederleggen.
confuus, verward, verlegen, verbluft.
Confusie, verwarring, verlegenheid, beschaamdheid. Congé, ontslag, afscheid.
congediëeren, afscheid geven, wegzenden.
Congelatie, bevriezing, stolling.
congeniaal, geestverwant.
loo Congéstie—Connaisseur
Congéstie, aandrang, tegennatuurlyke ophooping, b.v. van
het bloed naar het hoofd.
Conglobétie, samenhalling; opeenhooping van bewijzen. Conglomeraat, samenhooping van verschillende bestand-conglomereeren, samenhoopen, pakken. (deelen.
Conglutinatie, aaneenlijming, verslgming, verdikking, con gratia, met bevalligheid.
Congratulétie, gelnkwensch.
congratüleeren, gelukwenschen.
Congregétie, vergadering, inz. geestelijke vereeniging of
broederschap.
congregeeren, verzamelen; verbroederen.
Congrés, samenkomst, vereeniging tot gemeenschappelyke beraadslaging (tusschen vorsten of hunne gezanten, tns-schen geleerden en letterkundigen enz.) (komen.
Congrua, het noodige onderhoud, wettelyk vastgesteld in-congrueeren, overeenkomen, samenpassen, gelyk zijn. COngruént, overeenstemmend, gelykvormig.
Congruéntie, overeenstemming, gelyk-en gelijkvormigheid. Congruïteit, overeenstemming, volkomen gelijkheid, con gusto, met smaak.
Conifeeren, kegeldragende planten, naaldboomen. cónisch, kegelvormig.
con impeto, met hevigheid.
conjectureeren, vermoeden, raden, gissen.
Conjectuur, vermoeden, opgeworpen meening,
conjugaal, echtelijk.
Conjugétie, vervoeging (der werkwoorden).
conjugeeren, vervoegen, tydvoegen ; verhinden. (ren. Conjunctie, verbinding; voegwoord; samenstand van ster-conjunctis viribus, met vereenigde krachten. Conjunctivitis, ontsteking van het bindvlies van het oog. Conjunctivus, aanvoegende wys (der werkwoorden). Conjuncturen, samentreffende omstandigheden, die groo-tere levendigheid of ook eene stremming in de zaken teweegbrengen ; (ook wel:) de tydsomstandigheden. Conjuratie, samenzwering,
conjureeren, samenzweren, eene samenzwering maken, con moto, met beving, aandoening.
Connaissance, kennis.
Connaissement, z. Cognossement.
Connaisseur, kenner.
Connetable—Conservatie ioi
Connetable, (weleer) de opperrijksmaarschalk en veldheer
der kroon in Frankrijk.
connex, verbonden, verknocht.
Connéxie, samenhang, verbinding. Connéxiën, verbindingen ; invloedrjjke kennissen of betrekkingen, conniveeren, door de vingers zien, oogluiken, connivéndo. met oogluiking, oogluikend.
Connivéntie, oogluiking, toegevendheid; medeplichtigheid
door toelating van een kwaad, dat men kon beletten. Connossement, z. Cognossement.
connu, (eig. bekend) dat is oud nieuws!
con passione, met hartstocht, hartstochtelyk.
Conquést, Conquëte, verovering.
conquireeren, byeenzoeken, met vljjt nasporen. (siën. Conréctor, 2de leeraar op latijnsche scholen en gymna-Consanguïniteit, bloedverwantschap, maagschap. Consciëntie, geweten, gewisse; inwendige overtuiging,
zelfbewustzijn; gemoedelijkheid.
consciëntieus, nauwgezet, gemoedelijk.
conscribeeren, opschrijven, lichten voor den krijgsdienst. Conscript, dienstplichtige, loteling.
Conscriptie, opschrijving, loting voor den krijgsdienst. Conscrit, z. Conscript.
Consecrétie, inzegening, inz. van het brood en den wyn
by het heilig avondmaal, by het misoffer.
consecreeren, wyden, inzegenen.
consecutief, naar den tyd op elkander volgend; consecutieve werking, nawerking, latere werking als gevolg der voorgaande.
Conseil, raad, raadgeving; (ook:) raad, raadsvergadering. Consént, toestemming; vergunningsbriefje.
consenteeren, toestemmen, goedkeuren, inwilligen. Consentement, Consenteering, toestemming, goedkeuring, con sentimento, met gevoel. (inwilliging,
consequent, aan zich zeiven gelijk blyvend ; (ook;) noodwendig uit het voorgaand volgend.
Consequéntie, gevolgtrekking; het getrouwblyven aan
zyne beginsslen.
Consérf, kruidensuiker, geneesmiddel van met suiker toebereide sapryke planten en kruiden; met suikir inge. maakte vruchten.
Conservétie, bewaring, behoud.
io2 Conservatieven—consommeeren
Conservatieven, stijfhoofdige aanhangers van het oude.
Conservatoire, Conservatorium, hoogere muziekschool.
Conservator, bewaarder, toeziener.
couserveeren, bewaren, in acht nemen, beschutten.
Conséssus, vergadering, zitting.
consideróbel, aanmerkelyk, gewichtig, aanzienlijk.
Consideréns, beweegreden, inleidende opmerkingen, die
een besluit, eene wet enz. voorafgaan.
Considerétie, overweging; inschikkelijkheid ; hoogachting;
aanzien. C. gebruiken, inschikkelijk zjjn. considereeren, overwegen, in aanmerking nemen, in *t
oog houden, behartigen; hoogachten,
Consignétie, toezending eener hoeveelheid koopwaren tot
verkoop voor rekening des toezenders.
Consfgne, loswoord, parool; aanteekcnboek der vrachtgoederen en geleidbrieven.
consigneeren, ter bewaring gerechtelijk nederleggen; waren ten verkoop toezenden; een schildwacht consigneeren, hem het voorschrift van zgn post mededee-len; soldaten in de kazerne consigneeren, hun verbieden de kazerne te verlaten.
consiliëeren, beraadslagen ; raadgeven, raden.
Consilium, raad ; beraadslaging ; raadsbesluit; raadsvergadering; — abeundi, raad om te vertrekken, wegzending van eene hoogeschool. (staan,
censisteeren, bestaan, duurzaam zijn, stand houden, vast consistént, dicht, stevig, vast; duurzaam, blijvend. Consisténtie, lijvigheid van vloeistoffen; vastheid van samenhang, dichtheid. (de kerkekamer.
Consistórie, kerkeraad, hoogere geestelijke overheid; (ook :) Consolétie, troost, vertroosting.
Consóle, wand- of pilaartafeltje, spiegeltafeltje. consoleeren, troosten; opbeuren.
consolideeren, vast en duurzaam maken; fondsen aanwezen om de betaling (bv. van openbare fondsen of renten) te dekken.
Cónsols, geconsolideerde schulden of fondsen, gedekte of belegde schulden, en de staatspapieren die be-Consommétie, z. Consummatie. (treffende,
consommétum est, het is volbracht.
Consommé, zeer krachtig vleeschnat, sterke bouillon, consommeeren, voltooien, voleiaden.
consonant—Consubstantiatie 103
consonant, eenstemmig, eensluidend.
Consonént, medeklinker.
consoneeren, welluidend samenklinken.
con sordino, gedempt, met de sourdine.
Consórten, medestanders, deelnemers.
Consórtium, deelgenootschap; vereeniging; inz. liandels-
of ngverheidsgenootschap.
Conspiratie, samenzwering.
conspireeren, samenzweren.
con spirito, met geest, — vuur.
Consponsor, medeborg, medeschuldenaar.
Constébel, gerechtelyk politiedienaar en rustbewaarder in Engeland. (ker, gewis,
constént, bestendig, volhardend; erkend ;heerschend; ze-Consténtie, standvastigheid.
constateeren, vaststellen, klaar bewgzen, staven, consteeren, bestaan; blyken, algemeen bekend zqn. Constellatie, samenstelling van verscheiden sterren tot sterrenbeelden; onderlinge stand der sterren en haren vermeenden invloed op \'s menschen lotgevallen-, ster-Consternétie, ontsteltenis, verslagenheid. (renbeeld. consterneeren, doen ontstellen, verbaasd staan. Constipatie, verstopping, hardlijvigheid.
constipeeren, verstoppen, hardlijvig maken.
Constituante, constitueerende vergadering, vergadering
belast met het ontwerpen eener grondwet, constituëeren, vaststellen, verordenen; de vergadering heeft zich geconstitueerd, heeft zich voor wettig en voltallig verklaard. (wet.
Constitutie, vaststelling; verordening; staatsregeling, grond-constitutioneel, grondwettelijk.
Constrictie, samentrekking, beperking.
constringeeren, samentrekken, beperken.
constringént, constringeerend, samentrekkend. Constringentia, samentrekkende middelen.
Constructeur, bouwmeester, inz. scheepsbouwmeester. Constructie, samenstelling, bouworde; woordschikking, construeeren, oprichten, samenstellen, vervaardigen; opbouwen ; (in de taalkunde:) de woordvoeging ontwikke-Constuprétie, verkrachting, onteeriüg, schending. (len. constupreeren, verkrachten, onteeren.
Consubstantiatie, d® leer van de werkelijke tegenwoor-
io4 consuetudo—Contentement
digheid van liet lichaam en liet bloed van Christus in het H. Avondmaal,
consuetudo pro lege servatur, gewoonte geldt voor wet. Cónsul, agent, gevolmachtigde eener regeering aan eene buitenlandsche handelsplaats, die met de waarneming en handhaving van de handelsbelangen zgner natie is Consulaat, ambt en waardigheid eens consuls. (belast, consulair, den consul betreffende; consulaire waardig*
heid, waardigheid van consul.
consuleeren, om raad vragen, raadplegen.
Consulént, rechtsgeleerde raadgever; geestelyke wien het behartigen der belanjren eener naburige gemeente ty-dens cene vacature aldaar is opgedragen (in de Ned. herv. kerk).
Consult, Consultatie, beraadslaging, raadpleging. Consultant, raadgever; raadvrager.
Consultétie, z. Consult.
consulteeren, beraadslagen; raadplegen.
Consültum, besluit, raadsbesluit.
Consumabel, verbruikbaar; gezamenlüke levensmiddelen. Consumétie, verbruik, z. Consumtie.
Consument, verbruiker, verteerder.
consumeeren, verteren, verbruiken.
Consumtie, Consumptie, verbruik van de noodwendigheden des levens; (ook:) de tering, uittering. (ten. consumtieve middelen, belastingen op de levensbehoef-Contact, aanraking, samenkomst van twee lichamen, contagiëus, besmettelijk.
Contcigium, smetstof, aanstekende ziektestof. Contaminatie, verontreiniging.
contamineeren, verontreinigen, bevlekken.
Contant, z. Comptant.
Contemplatie, beschouwing, bespiegeling.
contemplatief, beschouwend, bespiegelend.
Contemporain, tijdgenoot.
contemporair, gelijktijdig.
Contemptie, verachting. (van geest.
Contenance, houding; bedaardheid of tegenwoordigheid contént, tevreden, vergenoegd.
Conténta, de inhoud, bestanddeelen.
contenteeren, bevredigen, tevredenstellen, vergenoegen. Contentement, tevredenheid, voldoening, voldaanheid.
Conténten—Contractie 105
Conténten, (in zeestedea:) de Igstcu der met de schepen
aangekomen waren.
Conténtie, inspanning; twist, stryd, oneenigheid. contentiëus, strijdzuchtig, twistziek, kyfachtig; twistvra-Conterfeitsel, afbeelding, portret. (gen betreffende. Contestatie, twist, oneenigheid, gek\\jf.
contesteeren, bestryden, betwisten,
Contéxt, redeverbinding, samenhang der gedachten. Contextuur, verbinding, samenkoppeling.
contineeren, zich onthouden, samenhangen.
Continént, vasteland.
continentaal, wat tot het vasteland behoort; continentaal stelsel, afsluiting van het vasteland voor de En-gelschen door Napoleon I.
Continéntie, matiging, onthouding.
Contingént, verschuldigd aandeel of bijdrage in troepen,
in oorlogslasten enz.
Continuétie, voortduring, voortzetting.
continueel, voortdurend, onophoudelijk.
continueeren, voortzetten ; voortduren.
Continuïteit, samenhang der deelen, onafgebroken duur. Cónto, rekening ; a conto, op rekening. Conto is ook de ruimte, die de rekening van een handelsvriend in het grootboek beslaat; conto corrénte, rekening-courant of loopende rekening; conto di tempo, rekening op tyd; conto fi\'nto, gefingeerde rekening; conto a méta, voor halve rekening; conto saldo, voldane re • kening; conto separóto, afzonderlijke rekening. Contórsie, verdraaiing, geweldige onwillekeurige bewe-Contour, omtrek (eener tcckening). (ging der leden, contra, tegen.
Contraband, enz., z. Contrebande, enz.
Cóntraboek, tegenboek, het boek, waarin de contróleder rekeningen wordt gehouden; (ook:) boek, waarin de uitgetrokken loten der staatsloterij staan opgeteekend. contra bonos mores, tegen de goede zeden.
Contréct, verdrag, overeenkomst, verbintenis ; speelmerk, contract, samengetrokken, verlamd, lam, verstijfd. Contractént, contract- of verdragsluiter. (heeren.
contracteeren, een verdrag aangaan; (ook:) = contra-Contractibiiiteit, samentrekbaarheid.
Contractie, samentrekking.
io6 Contractuur—Contra-visite
Contractuur, samentrekking, verlamming.
contradiceeren, tegenspreken.
Contradicént, tegenspreker, weerparty, bestrijder. Contradictie, tegenspraak; tegenstrgdigheid. contradictoir, tegensprekend, strijdig, tegenstrijdig. Contradictor, = Contradicént.
Contraféct, Contrafactie, namaaksel; nadruk, contraheeren, samentrekken: (ook:) = contracteeren. Contrahent = Contractant.
Contra-lndicans, Contra-indicatie, tegenaanwüzing. contraire, contrarie, tegenovergesteld; ongunstig, ramp-Contraire, tegendeel; au —, integendeel. (spoedig.
Contrapost, tegenpost (in koopmansboeken).
Contrapunt, kunst om onderscheiden stemmen regelmatig met elkander te verbinden ; kunst der atemafwisseling. Contra-Remonstranten, /.. Remonstranten.
Contraria, tegenstrydige dingen; tegenstellingen, contréria contrériis curéntur, bet tegengestelde wordt door bet tegengestelde genezen (grondstelling der allo-contrarie, z. contraire. [patben),
contrariëeren, dwarsboomen, tegenwerken. (verstand, contra rationem, tegen de rede, strijdig met bet gezond contra sextum, tegen bet zesde gebod.
Contra-signatuur, mede-onderteekening.
contrasigneeren, ambtsbalve mede-onderteekenen. (In staten, waar verantwoordelijke ministers zgn, moeten alle door den vorst in \'s lands aangelegenbeden uitgevaardigde bevelen en verordeningen door den minister, tot wiens departement of werkkring zy^bebooreu, gecontrasigneerd worden).
Contrést, tegenstelling, boogst verscbil van tegenover
elkaar gestelde voorwerpen, bet afsteken, contrasteeren, tegen elkander sterk afsteken. Contra-tonen, diepste bastonen onder de groote C. Contrat social, maatscbappelgk verdrag, eene stilzwijgende overeenkomst, die ondersteld wordt de grondslag der burgerlyke samenleving te zyn,
contraveniëeren, strijdig met wet of verdrag bandelen,
overtreden.
Contraveniënt, Contravénter, overtreder. Contraveniéntie, Contravéntie, overtreding, inbreuk. Contra-visite, tegenbezoek. (Nü. De Franseben gebrui-
contre—contribuabel 107
ken dit woord in dezen zin niet; zü zeggen daarvoor visite réciproque).
contre, tegen.
Contre*admiraai, schout-bq-nncht.
contre-balanceeren, opM-egen tegen, in evenwicht houden. Contrebande, smokkelwaar, sluikgoederen (welke men contra 1) a n n u m, d. i. tegen een verbod, of met ontduiking der daarop gelegde rechten,in-of uitvoert). Contrebandier, sluikhandelaar, smokkelaar.
Contrebas, groote basviool.
Contrebassist, bespeler van de groote basviool. Cóntrebiijet, tegenbriefje, tegenbewys.
contrecarreeren, tegenwerken, dwarsboomen. Contre-coeur (i), met tegenzin, ongaarne.
Contre-coup, tegenstoot, terugslag; ongeluk,ramp, tegenspoed, wederwaardigheid.
Contredans, wissel- of ryendans met 4—8 paren. Contrefait, mismaakt.
Contrefort, steunmuur, steunpilaar; beer.
Contrei (fr. Contrée), landstreek, landschap, oord; omstreek, omtrek.
contremandeeren, tegenbevel geven, afzeggen. Contremarque, tegenteeken; tweede kaartje in schouwburgen enz., dat men na afgifte van het eerste ontvangt om weder binnengelaten te worden. Contremarsch. rugwaartsche tocht.
Contremine, tegenmyn; (fig.) tegenlist, tegenwerking, contremineeren, tegenwerken, pogen te verydelcn, tegen-Contre-ordre, tegenbevel. (list gebruiken.
Contre-pied, vervolgen van het teruggaande spoor dooide jachthonden; juist het tegendeel van wat gebeuren moest.
Contre-revolütie, tegenomwenteling, omverwerping eener
nieuwe constitutie ter herstelling van de oude. Contrescarp, helling van de vestinggracht af naar het veld
toe; (ook wel:) de bedekte weg en het glacis. Contresignaal, tegenteeken.
contresignaleeren, een tegenteeken geven.
Contretemps, ontjjdig voorval, wederwaardigheid, onver-contreveniëeren, overtreden. (wachte verhindering. Contre-visite, tegenbezoek, z. Contra-visite.
contribuabel, schatplichtig, belastingschuldig.
io8 Contribuabelen—Conventie-munt
Contribuabelen, schatplichtigen, belastingschuldigen, contribueeren, bedragen, medewerken; belasting betalen. Contribuént, bijdrager ; scbatplicbtige. (brandschatting. Contributie, gemeenschappelyke bydrage; oorlogslasten, con tristezza, met droefheid.
Contritie, verbrijzeling des harten, innig berouw. Contröle, toe-, opzicht; tegenrekening, dubbelregister. controleeren, tegenrekening of toezicht houden. Controleur, toeziener, ambtenaar belast met het toezicht, met het houden van het tegenboek der belastingkantoren enz.; (ook:) tegenspreker, vitter.
Controvérse, geleerde strijd, twistzaak, inz. over het punt
van godsdienst.
controverseeren, strijden, twisten, twistschriften wisselen. Controversist, Controvertist, bestrijder, inz. redetwister
over geloofszaken, twistschryver.
Contubernales, samenwoners, kamergenooten. Contumacie, weerspannigheid, ongehoorzaamheid aan gerechtelijke bevelen; (ook :) de proeftyd wegens aanstekelijke ziekten, gezondheidsproef; in contumaciam ver-oordeelen, wegens niet-verschynen voor \'t gerecht of by verstek veroordeelen.
contumax, weerspannig om in rechten te verschijnen. Conturbatie, verwarring, ontzetting.
conturbeeren, in verwarring brengen, ontstellen. Contüsie, kneuzing, bluts, lichte wond.
Convalescént, een genezende, herstellende, iemand, die
aan de beterhand is.
Convalescéntie, herstelling, genezing, beterschap, con variazioni, met afwisseling.
convenébel, passend, welvoeglijk, betamend.
conveniëeren, overeenkomen ; aanstaan, passen ; gelegen
komen ; betamen, welvoeglijk zijn.
Conveniéntie, Convenance, overeenkomst; gepastheid. Convént, samenkomst, vergadering; volks- of rijksvergadering ; vergadering der kloostermonniken ; het klooster Convéntie, overeenkomst, verdrag. (zelf.
Conventie-munt (hd. Conventionsmünze), de zilvermunt, die ten gevolge van de overeenkomst der Duitsche ryks-stenden sinds 1750 naar den Weener-muntvoet is geslagen ; vandaar ook: Conventie-daalder (hd. Conven-tions-thaler), ongeveer = 2| gl.
Conventikel—convoyeeren 109
Conventikel, geheime samenkomst, inz. voor religiezaken, conventioneel, waaromtrent men overeengekomen is, wat louter op gewoonte en allengs plaats hebhende overeenkomst berust, gebruikelyk.
convergeeren, toenaderen, tot elkander neigen, samen-loopen (van lynen b\\j verlenging); steeds kleiner worden (van de achtereenvolgende termen eener oneindige reeks),
convergent, elkander naderend, samenloopend (van Ig-
nen, stralen); (fig.) overeenstemmend.
Conversatie, gesprek, omgang. Conversatie-taal, de taal
van het dagelgksch verkeer, de omgangstaal. Conversatións-Léxicon, woordenboek der samenleving, boek waarin men omtrent alle tot de algemeene beschaving behoorende vakken het voornaamste kan nazien. Conversatórium, kamer, zaal of vereeniging tot gezellig
onderhoud; praatgezelschap.
converseeren, een onderhoud (met elkander) hebben;
omgaan, omgang hebben, verkeeren.
Convérsie, omstempeling der munten, verandering van de renten der staatsschuld; verwisseling van de oude schuldbrieven tegen nieuwe; (ook:) bekeering. converteeren, verwisselen; bekeeren.
convéx, bolrond, gewelfd (als de buitenvlakte van een horlogeglas), lensvormig; convex-concaaf, bol aan de eene en hol aan de andere zyde; convexo-convex, aan beide zijden bol, biconvex.
Convexiteit, bolrondheid, lensvormigheid.
Convicium, smaad, lastering.
Convictie, overtuiging.
Convictórium, eetzaal.
con vigore, met kracht, levendig.
convinceeren, overtuigen.
Convive, gast, genoodigde.
Convivium, gastmaal, smulpartij.
Convocétie, samenroeping, oproeping.
convoceeren, samenroepen.
Convoitise, begeerigheid.
Convoluut, bundel, rol, pak.
Convooi, convooi, begeleiding, krygsgeleide, wagens met
krijgsvoorraad; goederentrein.
convoyeeren, begeleiden, vergezellen ter bescherming.
no convulsief—Corduaan
convulsief, stuiptrekkend, krampachtig.
con zelo, met jjver, jjverig.
Coöperótie, medewerking, inz. vereeniging van personen, die zich door onderlinge oprichting van eigen winkels goedkoopere levensbehoeften trachten te verschaffen. Coöperative stores, magazijnen of winkels der verhruiks-Coöperétor, medewerker, helper. (vereenigingen.
coöpereeren, medewerken, helpen. [Kopij).
Copie, afschrift; nagevolgde teekening of schildery, z. Copieboek, koopmansboek, waarin de afschriften der brieven, wissels enz. zijn te vinden.
copiëeren, afschreven ; nateekenen; navormen.
copiëus, rjjkeljjk, overvloedig, in menigte voorhanden. Copiïst, Copist, af-, na-, overschrijver; nateekenaar. Copiositeit, overvloedigheid, menigte; (ook:) wydloopig-Copulótie, verbinding, koppeling, paring. (heid.
copulatie!, vereenigend, koppelend, verbindend, copuleeren, verbinden, paren, koppelen ; (ook:) enten. Copy-hólders, de cyns- of erfpachters in Engeland.
coq è l\'ane, onzinnige, ongerijmde praat.
Coquelicot, hoogrood; de klaproos.
coq uét, behaagziek, verliefdmakend.
Coquétte, behaagziek vrouwspersoon; aanlokster. coquetteeren, verliefd maken zonder van zins te zjjn de
opgewekte liefde te beantwoorden; behaagziek zjjn. Coquetterfe, laakbare behaagzucht, minnaarsjacht. Coquillage, schelpwerk.
Coqufn, schelm, schoft, schurk, fielt, hondsvot.
córam pópulo, ten aanhooren of aanschouwen des volks,
in het openbaar.
Corbeille, korf; de bruidstooi.
cordaat, hartelijk, rond, oprecht; kloek, wakker, cordiaal, hartelyk, vertrouwelijk; hartsterkend. Cordialiteit, hartelijkheid, vertrouwelijkheid, rondheid. Cordilleras, ketengebergte (hoofdgebergte van Amerika). Cordón, snoer; hoedeband; grensbezetting, verweerlinie, hetzij tot verhoeding van den sluikhandel of tot verhindering der uitbreiding van besmettelijke ziekten; cordon bleu, bekwame kok; cordon sanitaire, wacht om het verspreiden van besmetting tegen te gaan. Cords, zware katoenen stoffen.
Corduaan, corduaan, Spaansch leder uit geitenvellen
I
Cornac—Correptie m
Cornéc, leider, oppasser van een olifant.
Cornét, kromhoorn (z. onder Kornet). C. k pistons, koperen klephoorn, kromhoorn met kleppen.
Corniche, z. Kornis.
Coroilérium, toevoegsel, hijvoegsel, opheldering.
Córoner, (eig. kroonheamhte) gerechtelijk lijkschouwer in Engeland. (broederschap.
Corporétie, gezamenlgke leden van een gezelschap; gild, corporeel, lichamelijk, aan den Igve.
Corps, lichaam; vereeniging van vele personen onder éen hoofd: legerafdeeling, heirhende (z. Corpus). Corps de gérde, wachthuis, hoofdwacht, (te Amsterdam:) korte-gaard. Corps de resérve, spaarhende, noodcorps, legercorps, dat eerst in geval van nood ten strijde wordt geroepen. Corps diplomatique, gezamenlgke gezanten aan een hof.
corpulént, zwaarlijvig, gezet, dik.
Corpuléntie, zwaarlijvigheid, dikheid.
Corpus, lichaam; het gezamenlijke, geheel; gezelschap; college; dikte eener druklettersoort; kegel; drukletter waarmee het eerat het corpus juris werd gedrukt,gar-mond (tusschen dessendiaan en gaillard). Córpus delicti, voorwerp, waaraan of waarmede eene misdaad is begaan. C. juris, boek, waarin alle Romeinsche wetten verzameld z\'gn, het wetboek van het Romeinsche recht, door keizer Julianus in de 6de eeuw bijeengebracht, corréale obligétie, verplichting, vordering, die verscheiden personen evenzeer aangaat en uit dezelfde oorzaak voortspruit.
corréct, zuiver, nauwkeurig, vrg van fouten. Corréctheid, juistheid, zuiverheid van taal, van druk,
van teekening enz.
Corréctie, verbetering; (ook :) kastijding, tuchtiging. Correctie-huis, verbeterhuis.
correctioneel, wat tot verbetering moet en kan dienen; correctioneele straffen, niet-onteerende straffen voor lichtere misdrijven, om den dader te verbeteren. Corréctor, verbeteraar, inz. van drukproeven. (tugal. Corregidor, stadsrechter, politierechter in Spanje en Por-Correlétie, wederzgdsche of wisselbetrekking.
correlatief, wederzijds betrekkelijk.
Correptie, aangrijping.
na correspondeeren—Cosmetiek
correspondeeren, briefwisseling houden; in verband staan,
overeenkomen, gemeenschap hebben.
Correspondént, handelsvriend, die met een anderen in
briefwisseling staat, berichtgever voor dagbladen enz. Correspondéntie, briefwisseling; het van den correspondent ontvangen bericht; (ook -.) onderling verband. Corridór, smalle bedekte gang tussehen twee rijen kamers, corrigeeren, verbeteren, van fouten zuiveren,herstellen;
berispen, straffen.
corrigénda, te verbeteren fouten.
corripieeren, aangrijpen, vatten.
Corroboratie, versterking, kraehtgeving.
Corroboratief, versterkend middel.
corroboreeren, versterken.
corrodeeren, bjjten, uit- of wegbijten, invreten.
Corrósie, uitbijting; oplossing door bijtmiddelen, corrosief, bytend, invretend, wegvretend.
corrupt, bedorven, vervalscht; slecht, zedeloos; omgekocht. Corruptie, bederf, bedorvenheid; omkooping, verleiding; vervalsching.
Corsaar, Corsaire, kaper-kapitein, zeeroover, niet-gepri-vilegiëerde, d. i. niet door de regeering van een staat uitgezonden kaper; kaperschip.
Corsét, rjjgl\\jf, keurslijf, keurs.
Córso, koers, loopende prys van het geld of van de wissels; (ook:) de renbaan; al corso, naar den tegenwoordig loopenden prgs van het geld of de wissels.
Cortège, geleide; plechtige stoet.
Córtes, de plechtige vergadering der Staten met den koning, vertegenwoordigers der natie in Spanje en Portugal. Corvée, leendienst; (by de krqgslieden:) zekere werkzaamheden, die beurtelings door de manschappen eener compagnie verricht worden; verdrietig, ondankbaar werk, Corvétte, z. Korvet. (karwei.
Corydón, arme herder; beklagenswaardig mensch. Coryphée, koor- of rei-aanvoerder by de Ouden; secte-of party hoofd, volksmenner, raddraaier ; (ook;) wie in zyn vak, in kunst of wetenschap byzonder uitmunt. Cosmetiek, verfraaiingskunst; leer der schoonheidsmiddelen ; (ook:) schoonheidsmiddel, middel ter verfraaiing van de huid, ook van de haren (blanketsel, reukwater, welriekende zeep, pommade).
Cósmisch—Count 113
Cósmisch, de wereld of het heelal betreffend. Cosmogonie, leer der wereldschepping.
Cosmographie, wereldbeschryving.
Cosmologie, wereldleer.
Cosmopoliet of Cosmopolitaan, wereldburger, hg die de
gansehe wereld als zijn vaderland beschouwt. Cosmopolitfsme, wereldburgerschap.
Cosmoréma, wereldschilderjj, soort van panorama.
cósti, aldaar; k costi, in uwe stad, aan uwe markt, costumeeren, volgens het tijdsgebruik kleeden,inrichten;
in een costuum steken.
Costuum, het naar den tgd gebruikelqke in gewoonten, kleeding, modes enz., inz. kleederdracht, gewaad, pak; ambtskleeding, plechtgewaad; tooncelkleeding.
Cöté, zgde, kant. (gineeren.
coteeren, teekenen, merken (met letters of cijfers); pa-Cotetet, ribbestuk; geroost ribbetje. (kliek.
Coterfe, kransje; besloten gezelschap, babbelklub; bent, Cothurn, tooneellaars.
Cotillón, Fransche gezelschapsdans ; (ook :) onderrok.
Cotisétie, overslag, aandeelsbepaling. (bgdragen.
cotiseeren, schatten wat ieder zal betalen; zgn aandeel
Cotón, Cótton, katoen.
Cottage, hut; klein landhuis.
couche! zwyg! stil! koes ! leg stil!
coucheeren, doen liggen; te bed liggen; naar bed gaan;
(ook:) nederschryven, opteekenen, te boek stellen, coujonneeren, z. coïonneeren.
Coulage, lekkage; verlies aan vloeistoffen door uitvloeiing (inz. bg \'t vervoer).
coulant, vloeiend; vlot, zonder haperen; toegevend, gedienstig ; flink en handelbaar in handelszaken.
Coulant, (verschuifbaar) kleinood aan vrouwenhalssnoeren ; sluitring, sluitkoordje van een paraplu of parasol. Coulé, sleeppas in het dansen.
Couleur, kleur, verf; troefkleur; (fig.) voorwendsel; schgngrond; c. de püce, vlookleur; z. Kermes; c. de rose, eig. rozekleur; (fig.) de beste verstandhouding, zoo lief en mooi als men \'twenschen kan.
Coulisse, beweegbare wand op het tooneel, scherm. Council, raad, raadsvergadering.
Count, graaf; countess, gravin.
ELFDE DRUK. 8
ii4 Country—courant
Country, land.
County, graafschap, district of kanton.
Coup, slag, stoot, schok, bons, bots, bof, houw, hak, steek, snede, schot, klap, schop, trap, veeg, worp, gooi, greep, trek, beet, teug enz.; c. d\'éclat, meesterlqke zet; c. de main, handgreep; overrompeling, verrassing; c.d\'état, staatsstreek, staatsgreep, buitengewone, meestal gewelddadige, stoute handeling of maatregel, die eene gewichtige, twijfelachtige zaak van staat op eens beslist; c. de force, daad van geweld; c. de hasard, waagstuk; C. de maïtre, meesterlijke daad, zet, slag, voortreffelijk schot enz.; c. d\'oeil, blik,aanblik,oogopslag; snel overzicht; c. de soleil, zonnesteek; c. de grace, genadeslag ; ^ c. perdu, in het blinde.
Coup de théatre, z. Theater-coup.
coupabel, schuldig, strafwaardig.
Coupé, zekere danspas, waarbij de knie gebogen wordt, buigpas; halve koets; voorste afdeeling eener diligence; afdeeling van een spoorwegwagon.
coupeeren, afsnijden; kortstaarten; afnemen (de kaarten), troef inleggen, bannen; (fig.) beletten, verhinderen, voorkomen.
Coupeur, afsnyder; kleermaker, die het snijden of knippen der stof tot taak heeft, snijder.
coupéz! (bij het kaartspel:) neem af!
coupleeren, paren, koppelen.
Couplét, een der gelykregelige afdeelingen van een gedicht, inz. van een lied (vgl. Stanze en Strophe). Coupón, lap,snipper; rentebriefje bij de obligatiën. Cour, hof; opwachting bjj vorsten; cour maken, naar
iemands gunst streven; c. d\'assises, z. Assises. Courage, moed, dapperheid.
courage! moed gevat! moed gehouden!
courageeren, moed geven, opwekken.
courageus, moedig, manhaftig.
couramment, vaardig, vlug, vlot, met gemak.
courént, loopend, gangbaar, geldig; courante schulden, kleine loopende schulden, zonder zekerheid of onderpand ; courante waren, licht verkoopbare waren; au courant zijn, met den tijd en zijne nieuwste verschyn-sels voortgaan of gelijken tred houden ; den samenhang eener zaak begrypen.
Courant—Cras 115
Courént, gangbare grove zilvermunt; nieuwsblad. Courantier, courantdrukker, -uitgever, -ombrenger. Courbétte, korte hoogsprong van \'t paard.
Courrier, z. Koerier.
Cours, z. Koers.
Court, gerechtshof (in Engeland en Amerika).
Courtage, makelaarsloon.
Courtaud, paard met kortgesneden ooren en staart.
Courtier, makelaar; tusschenpersoon.
Courtine, middelwal of gordijn tusscben twee bolwerken,
waardoor de zyden of flanken vereenigd worden. Courtisén, hoveling, vleier.
Courtisane, vrouw van ongeregelde zeden, voorname hoeleerster. (ken.
courtiseeren, uit baatzucht vleien; (iemand) zyn hof ma-Courtoisie, hoffelükheid, beleefdheid, inz. jegens vrouwen, courts jours, kort zicht, korte termyn, spoedig verschy-
nende vervaldag (van wissels).
Cousin, neef, zoon van iemands oom of tante.
Couteline, soort van blauwe of witte grove katoenen stof uit Indië.
coute que coüte, het koste wat het wil, tot eiken prys. couteus, kostbaar, duur of hoog in prjjs.
Coutii, tyk, beddetyk.
Coutüme, gewoonte,hebbelykheid. (éen persoon.
Couvért, omslag, inz. brievenomslag ; tafelgereedschap voor Couverture, deksel; omslag.
Cow, koe.
Coxagra, heupjicht.
Coxitis, ontsteking van het heupgewricht.
Crachat, uitgeworpen speeksel of slym.
cracheeren, spuwen, uitwerpen.
Crachoir, spuwbakje, kwispedoor.
craintif, vreesachtig, schroomvallig.
Cranerie, dolle streek, uitzinnig gedrag.
Craniologie, schedelleer.
Crapuie, liederlykheid, vuige zwelgery ; verachtelijk gepeupel, janhagel, grauw : liederlijk volk.
crapuleus, liederlyk, dierlyk, beestachtig, laag, uitspattend ; dronken, zat.
Craqueur, windmaker, pochhans, snorker, windbuil.
Cras, dik, grof; ruw, grof-zinnelyk.
116 Crastinatie—crepeeren
Crastinótie, het verschuiven tot morgen.
Cróter, groote drinkschaal; trechter van een vulkaan. Crétes, klein misvormd mensch, gedrocht, mishak. Cravate, manshalsdoek, das.
Crayón, teekenstift, pgpje teekenkrjjt; potlood; griffel;
met crayon gemaakte teekening ; schets, eerste ontwerp, crayonneeren, met crayon teekenen, schetsen, ontwerpen. Cream, room. . (schuld.
Creénce, vertrouwen, krediet; schuldvordering, uitstaande Creancier, schuldvorderaar, schuldcischer.
Creatuur, schepsel; gunsteling, afhangeling of werktuig
van een groote; gering of gemeen persoon.
Crèche, krib ; voerbak; bewaarplaats voor zuigelingen, voor
zeer jonge kinderen.
credat Judaeus Apella, dat geloove ieder ander dan ik. Credentialen, geloofsbrieven.
crédit, aanzien, handelsvertrouwen ; de rechtcrzgde in het
grootboek des koopmans (vgl. Krediet).
crediteeren, vertrouwen schenken, borgen; op iemands
credit (creditzyde) boeken (z. krediteeren).
Crediteur, schuldeischer.
Crédo, (eig. ik geloof) de geloofsbelijdenis, het geloof, credo quia absurdum, ik geloof omdat het ongerijmd is. Creduliteit, lichtgeloovigheid.
creëeren, scheppen, voortbrengen; benoemen,aanstellen ;
instellen; stichten, oprichten.
Creek, bocht, baai, inham, kreek.
Crème, room; het beste van eene zaak, het neusje van
den zalm; — fouetté, tot schuim geslagen room. Crémor tértarl. Cremortirt, room van wijnsteen, over-
wijnsteenzure potasch.
Créneaux, schietgaten, kanteelen.
creneleeren, kerven, uittanden; met schietgaten of kanteelen voorzien ; aan munten een kartelrand geven. Creool, afstammeling der Europeanen, in Amerika geboren. Creosoot, olieachtig en sterk bgtend vocht, uit rook en koolteer getrokken, bijzonder geschikt om vleesch tegen bederf te hoeden; (ook:) als middel tegen tandpyn gebruikt. [men (het hout),
creosoteeren, door bevochtiging met creosoot verduurza-Crêpe, krip, krulflocrs.
crepeeren, ellendig omkomen; ergeren, verdrieten.
Crepitatie—croiseeren 117
Crepitétie, kraking, knettering, knappering.
crescéndo, toenemend, in sterkte van toon stygend, allengs uit den zachten in een sterken toon overgaand. Crête, kam, rug van een berg.
cretinisme, staat, toestand der cretins.
Cretins of CreUnen, kropmensclien, menschen, die zich door zwakheid van geest en wanstaltigheid des lichaams onderscheiden (meest in Zwitserland, Savoye, Piemont), creveeren, hersten, splijten, scheuren.
Crew, scheepsvolk.
criant, om wraak roepend, hemeltergend.
Crimen, misdaad; (in juristischen zin:) elke handeling, waardoor een ander aan zgn vermogen of aan Igf en leven benadeeld wordt; c. lae\'sae majestétis, misdaad van gekwetste majesteit, eene misdaad tegen den persoon des vorsten, staatsmisdaad, hoogverraad. Criminalist, leeraar of kenner van het strafrecht, crimineel, misdadig, Ijjfstraffelgk; c. recht, strafrecht;
C. vonnis, lijfstraffelijk (onteerend) vonnis.
crimineeren, beschuldigen ; inz. valsch aanklagen. Crinoline, vrouwen-onderrok, die door stalen veeren trechtervormig wgduit gehouden wordt.
Crisis, beslissende wending eener zaak, keerpunt in eene
ziekte ; bedenkelijke staat der omstandigheden. Crispcitie, krulling, kronkeling, samenkrimping. CrispinAde, geschenk op eens anders kosten gegeven. Critérium, merkteeken, onderscheidingsteeken; maatstaf
ter beslissing van deze of gene zaak.
Criticéster, onbeduidend recensent, muggenzifter. Criticomanie, buitensporige bedilzucht.
Criticus, kunstrechter, recensent, bockbeoordeelaar ; (ook:)
vitter, hekeïaar, bediller.
Critiek, beoordeeling, toetsing, oordeelvelling, kunstbe-oordeeling; kunstrechterschap; beneden critiek, alle beoordeeling onwaard, uitgemaakt slecht,
critiek, critisch, de crisis aanduidend of betreffend; wat
tot de critiek behoort, kunstrechterlijk (z. kritiek), critiseeren, streng beoordeelen; vitten, hekelen, crocheeren, krommen, haken.
Crochet, haakje. [Lydië).
Croe\'sus, schatrijk man (naar een zeer rgk koning van croiseeren, kruisen, overkruis plaatsen; elkander croi*
ii8 Croissant—Cul-de-Pan\'s
seeren, elkander kruisen (van lynen, wegen enz., die elkander snyden, van twee personen, twee brieven enz., die denzelfden weg in tegengestelde richting afleggen).
Croissant, wassende maan, halvemaan.
Crop, oogst.
Crops, groote tahaksvaten in N.-Amerika.
Croquénte, knapkoek, knaptaartje.
croqueeren. tusschen de tanden kraken; vluchtig schetsen of teekenen.
Croquét, dunne en harde peperkoek.
Croquls, vluchtig ontwerp of schets (hv. van eene schil-derjj, een landschap enz.)
Croup, z. Kroep.
Croupéde, luchtsprong (van het paard) met ingetrokken kruis en achterbeenen.
Croupe, kruis van een paard.
Croupier, helper of beambte van den houder eener speelbank ; heimelijke of ongenoemde deelhebber in eene zaak.
Crown, kroon.
croyabel, geloofbaar.
Crucifix, kruisbeeld, beeld van Christus aan het kruis.
Crudlteit, rauwheid, onverteerbaarheid; iets onverteerbaars in de maag; (fig.) grofheid, onwelvoeglykheid.
cruél, wreed, onmenschelyk, barbaarsch.
Crusédo, Portugeesche en Spaansche munt.
Crustacéën, schaaldieren.
Crustétie, omkorsting.
Crux, kruis; crux criticorum, een kruis, d.i. een kwellingvoor uitleggers; crux medicorum, een kruis voor
Cryptogémen, bedekt bloeiende planten. (dokters.
Cubitus, elleboog, voorarm.
Cübus, teerling, dobbelsteenvormig lichaam.
cui bono? tot wat einde? waartoe is dat goed?
Cuique (ku-ïque of kuique), cuique suum, ieder het zyne.
Cuiras, z. Kuras.
Cuir de laine, zeer sterke gekeperde wollen stof.
Cuisse^madame, naam eener langwerpige perensoort.
Cuivre poll, geslepen of gepolyst geel koper.
Culbüte, buiteling, tuimeling, val over \'t hoofd.
culbuteeren, buitelen; in \'tverderf storten; (ook:)overhoop werpen. (te doen uitstaan.
Cul-de*Pan\'s, opvulsel om de dameskleedjes van achteren
Cul-de-sac—curabel
Cul-de-sac, straat zonder uitgang, zak, keerweer. culinair, wat tot de keuken behoort.
Culminatie, grootste hoogte, doorgang der sterren door den meridiaan. Culminatie-punt, hoogste standpunt (eener ster); hoogste graad van macht, aanzien enz. culmineeren, door den meridiaan gaan ; de grootste hoogte
of het toppunt bereiken.
Culót, nestkuiken; laatstgeboreti kind; jongst aangenomen lid; schoteltje onderden smeltkroes in den oven; zwart aanzetsel in \'t onderste van een lang berookten pÜpekop.
Culótte, broek, korte broek; zwart of vlammig doorgerookt ondergedeelte van een pijpekop.
Cülpa, schuld; in culpa, strafbaar; méa culpa, (door) Culpabiliteit, strafbaarheid. (mijne schuld,
culpeeren, beschuldigen.
culpeus, door onachtzaamheid schuldig.
Cultivateur, landbouwer, boer.
CUltiveeren, bouwen, aanbouwen, aankweeken; beschaven, oefenen, beoefenen.
Culturgeschichte, geschiedenis der beschaving. Culturkampf, de naam, dien men in Duitschland pleegt te geven aan den stryd van den staat tegen het ultra-Cültus, openbare eeredienst. (montanisme.
Cultuur, aanbouw, veldbouw; beschaving, veredeling, oefening van den geest, van de vermogens van verstand en hart.
cum, met; cum Déo, met God; cum gréno sélis, met verstand, met oordeel ; cum impetu, met hevigheid, onstuimig; cum licentia, met verlof; cum privilegio,
met vrijheid, voorrecht; cum vénia, met verlof; cum veto, met stem.
Cumulétie, ophooping, opeenstapeling.
cumuleeren, ophoopen; verscheiden ambten te gelgk be-kleeden en de daaraan verbonden voordeden trekken. Cunctétie, het talmen, dralen, toeven.
Cunctator, de draler, talmer. (drijven,
cupelleeren, louteren, zuiveren, in de cupel of kapel af-Cupiditeit, begeerlijkheid.
Cupido, de minnegod, A.mor.
Cu ra, zorg, voorzorg.
curébel. geneeslgk: heelbaar.
119
i2o Curasao—Cynorexte
Curapéo, likeur uit oranje-appelen.
Curateele, voogdg, ambt van een curator.
Curétor, voogd, toeziener op iemand, die zyne eigen zaken niet kan beheeren; boedelredder; (ook:) school-voogd, toeziener eener inrichting van liooger onderwgs, Cu ré, pastoor.
Cure\'dents, tandenstoker.
cureeren, genezen, herstellen, beter maken.
Curie (Roomsche), de pauselyke regeering, het hof van den paus, alle pauselijke beambten en gerechtshoven in kerkelgke zaken.
curiëus, nieuwsgierig ; zeldzaam ; aardig ; dat iscuriëus I dat is wat vreemds, — wat moois! (vreemds.
Curiositeit, nieuwsgierigheid; merkwaardigheid; iets Currency, omloopmiddel, geld, inz. papieren geld. currente calamo, met loopende pen, d. i. vlug en zonder nadenken.
Curry (-powder), kerrie, eene O.-Ind. kruiderg.
Cursief, schuinsche drukletter.
Cürsus, loop; leergang, lessenreeks over een bepaald vak. Curve, kromme lyn; curvatuur, kromming.
CCistom, belasting, inkomend recht; custom-house, kantoor der inkomende rechten in Engeland.
Cüstos, opzichter, bewaker, koster, kerkwachter; (ook :) bladwachter, steekwoord, eerste -woord eener volgende bladzijde aan den voet der vorige geplaatst (nu byna Cyclometrfe, kring-, cirkelmeting. [buiten gebruik). Cycloop, reusachtig knecht van Vulcdnus, met éen rond oog in *t midden van \'tvoorhoofd; (fig.)éénoog; woesteling.
Cycloréma, rondomzicht, schilderij, die den aanschouwer een geheelen horizon, of ook de achtereenvolgende gebeurtenissen van een zeker tijdvak te zien geeft. Cy\'clus, kring, tijdkring, zeker aantal jaren, na verloop van welke dezelfde verschijnsels weder plaats hebben, Cynanthropfe, hondswoede, hondsdolheid bij menschen, Cy\'nicus, schaamteloos, zedeloos mensch. (watervrees, cyniek, cynisch, hondsch; onbeschaamd, onwelvoeglijk,
vuil; ontuchtig, zwgnachtig.
Cynisme, onwelvoeglijk of schaamteloos gedrag,
Cynolyssa, hondsdolheid.
Cynorexie, hondshonger, wolfshonger, hongerwoede.
Cynosure—daguerr(e)otypeeren 121
Cynosure, de. kleine Beer, poolster ; richtsnoer, leiddraad.
Cythere, bynaam der godin Venus.
Czakó, liooge soldatenhoed, veldmuts, sjako.
Czépka, de vierkante muts der Poolsche ulilanen, ook
by sommige cavalerie-corpsen ingevoerd.
Czar of Czaar, voormalige titel des Russischen keizers. Czaréwitsch, zoon des Russischen keizers, grootvorst. Czaréwna, dochter des Russischen keizers, grootvorstin. Czechen, naam der Bohemers, een Slavonische volksstam.
D.
D, als Romeinsch getalmerk = 500; ook afkorting van
Don en Dom, van Doctor (Dr.) en Dominus (Ds.) D. C. = da capo (z. aid.)
d. d. = de dato, z. dato. (rechten.
D. J. U. = doctor jürus utriüsque, doctor in de beide D. 0. M. = Deo optimo maximo, aan den besten en
hoogsten God,
d\'abord, eerst, aanvankelyk ; terstond, dadelyk.
da cópo (d. C.)» no? eens herhaald, van voren af. d\'accord, eens v. zin, overeenstemmend ; toegestemd! goed! Dactylion, handladder voor piano-onderricht, waarbij de vingers door ringen gestoken worden, die door stalen veeren verbonden zyn.
Dactyliotheek, kabinet van gesneden ring- of zegelstee-nen ; (ook:) verzameling van afdrukken of afgietsels daarvan ; ring- of juweelkistje.
Dactylologie, vingerspraak; vingerrekenkunst.
daedélisch, kunstig, schrander uitgedacht; moeilyk te ontwarren, zeer ingewikkeld.
Daemon, geest; kwelgeest, booze geest.
daemónisch, door een boozen geest bezeten; van geheimzinnige werking, van tooverachtige kracht. Daguerr(e)oty\'pe, lichtbeeld (naar de uitvinding van Da-
guerre voortgebracht).
daguerr(e)otypeeren, afbeeldsels door de enkele inwerking van het zonnelicht op eene chemisch toebereide metaalplaat voortbrengen.
i22 Daguerr(e)otypie—Darwinisme
Daguerr(e otypie, de kunst om lichtbeelden op bereide metalen platen voort te brengen (z. Photographie).
Daimio\'s, adellgken, groote grondbezitters, vorsten in Ja-
Dainties, lekkernyen. (pan.
Dairo, de Japansche opperpriester of paus.
Dalai-lama, geestelijk opperhoofd in Mongolië.
Dalmatica, misgewaad, priesterlijk overkleed. [halen).
dal ségno, (in de muziek:) van hetteekenaf (nl. te her-
Daltonisme, kleurenblindheid.
damasceeren, vlammig etsen (inz. degens en sabels); yzer-of staalwerk met goud of zilver inleggen.
Damést, zyden, wollen of linnen stof, die met bloemen en sieraden is doorweven.
Déme, vrouw van eenigen rang, fatsoenlijke vrouw of maagd; koningin, dame of vrouw in het schaak- en kaartspel, de dam in het damspel ; dames de la halle, Pargsche vischvrouwen; marktwgven; dames du demi-monde, fatsoenlgk uitziende lichtekooien; damed\'hon-neur, eeredame aan het hof, staatdame; dame du palais, hofdame; dame de compagnie, gezelschapsjuffer.
Damnamp;tie, verdoemenis; veroordeeling.
damneeren, verdoemen; veroordeelen.
Damnum, damno, nadeel, schade, verlies.
Démocles (het zwaard van), een altgd dreigend groot gevaar te midden des voorspoeds.
Damoiseau, pronker, jufferknecht.
Danaïden (het vat der) vullen, danaïdenwerk doen, een vergeefschen zwaren arbeid verrichten.
Dandin, onnoozel mensch, zotskap.
Déndy, modegek, saletjonker, kwast; spotnaam der En-gelschen in Amerika.
dangereus, gevaarlijk.
Danno, verlies, schade.
Danseur, danser. Danseuse, danseres.
Dantes, speelmerken of rekenpenningen. (renwoeker.
Dardanariaat, sluikerg, bedrog in maat en gewicht, ko-
Darsis, ontvelling, verlies der opperhuid.
Darwinisme, leer dat alle leven le wezens in het plan-ten- en dierenrijk, en daaronder de mensch, zich trapsgewijze door natuurkeus tot hun tegenwoordigen staat ontwikkeld hebben; — aldus genaamd naar den Eng. physioloog Darwin.
Darwinist—Debauchant 123
Darwinist, aanhanger van het Darwinisme.
Déta, gegevens; daadzaken.
Dasymeter, werktuig om de dichtheid der lucht te meten. Dataria, pauselgke prebendenkamer.
dateeren, dagteekenen, tgd en plaats (van een opstel) aangeven; van zekeren datum af gerekend moeten worden. Dativus, datief, derde naamval (ontvanger, gever).
déto, heden; a dato en de dato, van den dag der onder-
teekening of der opstelling af.
Détum, tyd- en plaatsaanduiding, dagteekening.
Dauphin, voormalige titel des kroonprinsen van Frankrijk.
Dauphine, zyne gemalin.
Davits, yzeren standers aan de zgden van het achterschip om er lichte vaartuigen aan te hangen.
davus sum non, Oédipus, ik hen geen meester in het
oplossen van raadsels.
Day, dag; daylabourer, daglooner.
dead-heat, ongeldige wedloop, omdat de paarden vlak
naast elkander aankomen.
de audftu, van hooren zeggen.
Debaclage, havenruiming.
debacleeren, geloste schepen uit de haven brengen, de
Debaliage, uitpakking. (haven ruimen.
deballeeren, ontpakken, uitpakken.
Debaliotage, Deballoteering, afkeurende stemming.
debalioteeren, by stemming afkeuren.
Debandéde, het wanordelyk dooreenloopen der soldaten ;
amp; la debandade, in de grootste wanorde.
debandeeren, zich verstrooien, uit elkander loopen; ontspannen, slap worden.
debankeeren, dsbanqueeren, de speelbank doen springen. Debarcadére, aanlegplaats; los- en laadplaats voor de waggons op spoorwegen. (hout.
Debardage, ontlading van een vaartuig, inz. ontlading van debarqueeren, landen; ontschepen, lossen, debarrasseeren, losmaken, ontwarren ; bevryden, ontslaan, debarricadeeren, de barricades of straatversperringen wegruimen.
Debatingclub, genootschap tot oefening in het debatteeren. debatteeren, het voor en tegen eener zaak bespreken, Debétten, woordenwisselingen, beredeneering eener zaak. Debauchant, Debauché, losbol, lichtmis, doorbrenger.
124 Debauche—Decadéntie
Debauche, uitspatting, ongebondenheid.
debaucheeren, lichtmissen, liederljjk leven; verleiden. Debaucheur, verleider.
Débet (pl. débent), hy is schuldig; (als suhst.:) de schuld, hetgeen betaald moet worden; (by kooplieden;) de lin-kerzyde van \'tgrootboek. Debént, schuldenaar.
debiel, zwak, machteloos.
Debiet, aftrek, vertier van waren.
Debiliteit, zwakte, krachteloosheid; verstandszwakte. Debitant, warenafzetter, slyter, verkooper in \'t klein;
verkooper van loterijbriefjes voor den collecteur, debiteeren, afzetten, verkoopen, afleveren; op het debet of de debetzyde brengen, als schuldboeken; nieuwtjes d., nieuwtjes verspreiden, uitstrooien.
Débiteur, Débitor, schuldenaar. Débitum, schuld, debloqueeren, ontzetten, de blokkade opheffen.
de bonne grêce, vrywillig, goedwillig, zonder tegenzin;
met bevalligheid, aardig. (uitspatten,
debordeeren, buiten de oevers treden; (fig.) te ver gaan, Debouché, uitweg uit een nauwen pas of engte; de weg
of het middel om waren af te zetten, vertierweg. deboucheeren, de verstopping, versperring wegnemen;
ontkurken; uit eene engte, een bergpas oprukken. Debours, (doorgaans:) Deboursé, uitschot, voorschotbetaling voor eens anders rekening.
debourseeren, uitschieten, voorschieten; uitbetalen, debrailleeren, den boezem te bloot dragen.
Debrfs, puinhoop, wrak; overblyfsels.
debrouilleeren, ontwarren, in orde brengen, ophelderen, debusqueeren, uit een voordeelige stelling verdry ven (den
vyand); den voet lichten.
Debüt, aanvang; eerste optreding van een tooneelspeler;
eerste pleidooi eens advocaats enz.
Debutant, wie het eerste proefstuk zyner bekwaamheid
geeft (op een tooneel enz.); beginner, nieuweling, debuteeren, aanvangen, voor \'t eerst optreden of zich laten hooren ; zyne eerste rol als tooneelspeler vervullen, deca-, (vóór de namen van metrieke maten en gewichten :)
tiental, tien (z. decagram, decaliter enz.)
Decade, week van 10 dagen uit den Fr. republikein-
schen kalender.
Decadéntie, trapsgewys verval, afneming, achteruitgang.
Decagram—dechiffreeren 125
Decagrém, tien wichtjes = 1 Ned. lood.
decaleeren, in gewicht afnemen door uitdrogen, lekken enz. Decaliter, tien kannen of koppen = 1 Ned. schepel, decalqueeren, een weerdruk, omdruk of tegenafdruk maken.
Decémeron, verzameling van muziekstukken, die in af-
deelingen van tien stukken worden uitgegeven. Decaméter, tien meters of Ned. ellen = roede, decampeeren, opbreken, aftrekken, zich wegpakken, decanteeren, afzingen ; eene bezonken vloeistof langzaam Decapitatie, onthoofding. (afgieten,
decapiteeren, onthoofden.
Decarbonisatie, ontkoling, bevrijding van koolstof, decarboniseeren, van koolstof ontdoen, ontkolen. Decastère, tien kubieke nieters of ellen.
decateeren, decatiseeren, (aan het laken) den persglans
ontnemen en het krimpvrjj maken.
decedeeren, weggaan, wjjken j (fig.) overljjden. deceleeren, ontdekken, openbaren, aan \'t licht brengen. Decemvir, tienman.
decennaal, tienjarig, tien jaren durend.
Decénnium, tiental jaren.
decént, welvoegljjk, gepast, fatsocnlyk; eerbaar.
Decéntie, welvoeglijkheid, betamelijkheid, zedigheid. Decentralisatie, de opheffing der centralisatie, het vcr-leenen van meer zelfstandigheid aan de leden (inz. van een politiek lichaam, een staat enz.)
Decéptie, bedrog, misleiding.
Deceptio visus, gezichtsbedrog.
decerneeren, toewijzen, toekennen (inz. pryzen, belooningen); (in rechten:) eischen, vorderen (deze of gene Decéssie, heengang, het aftreden. [straf).
Dechérge, ontlading; ontlasting, vrijspreking van eenr schuld; losbranding van vuurmonden, salvo; ontploffing ; getuigen è d., getuigen, die ter ontlasting of in \'t voordeel van een beschuldigde spreken, dechargeeren, uit-, afladen, lossen; kwijtschelden, ontlasten, ontheffen, uitdelgen ; losbranden, afvuren, dechausseeren, de voetbekleeding afleggen, ontschoeien ; een tand d,, hem (vóór het uittrekken) van liet tand-vleesch ontblooten.
dechiffreeren, ontcijferen, oplossen, ontraadselen.
126 DechifFreur—Déclaration
Dechiffreur, ontcgferaar van handschriften.
déci-, (als voorvoegsel b\\j namen van maten en gewichten)
het tiende deel (z. declare, decigram, deciliter enz.) Declare, een tiende are of 10 vierk. Ned. el.
decideeren, beslissen, eene uitspraak doen; besluiten;
zich d., tot een besluit komen.
Decigram, een tiende van een gram of wichtje = 1 korrel. Deciliter, een tiende kop of kan = 1 maatje.
decimaal, tiendeelig; decimale breuk, tiendeelige breuk, decimébel, tiendplichtig.
Decimétie, vertiending; heffing der tienden; tiendrecht;
loting om den tienden man.
Décime, de tiende toon van den grondtoon afgerekend. Deci\'me, tiende gedeelte van den franc.
decimeeren, loten om den tienden man, zoodat van elke tien éen gestraft wordt (hetwelk by voorkomende mui-tery en oproer van een geheel corps somtijds plaats heeft); ook in \'t alg.: sterk dunnen, aanmerkelijk verminderen (nl. de bevolking, gelgk bg pestziekte, cholera enz.)
Deciméter, een tiende meter of el = 1 palm. decipiëeren, misleiden, bedriegen.
decipimur specie recti, wy worden bedrogen door den
scliyn van het goede.
Decisie, beslissing, besluit; rechterljjke uitspraak, decisief, beslissend, stellig.
Decistère, een tiende stère of wisse = 100 kub. palm. Declamatie, kunstmatige mondelinge voordracht, de kunst om schoon te lezen of voor te dragen; (ook:) gezwollen voordracht, woordenpraal.
Declamator, kunstmatig spreker; (ook:) hoogdravend redenaar.
Declamatórium,redenaar8oefening,kunstmatige voordracht; vers dat met afwisselende begeleiding van muziek wordt opgezegd.
declameeren, kunstmatig voordragen, met smaak en uitdrukking iets mondeling voordragen ; (ook;) uitvaren, krachtig lostrekken tegen....
Declarétie, verklaring, bekendmaking; aangifte van koopwaren of goederen aan tolkantoren enz.; liet bewys dier aangifte ; (ook wel:) liefdesverklaring.
Déclaration (d\'amour), liefdesverklaring.
declareeren—decouvreeren 127
declareeren, verklaren, zgn besluit openbaar maken;
waren of goederen bg bet kantoor aangeven. Declinétie, afwgking, inz. der magneetnaald; woordbuiging (in de spraakkunst); (fig.) afwijzing van een verzoek ; het in-minacbting-brengen.
declineeren, van de band wijzen; een woord verbuigen;
(fig.) in minacbting brengen, verkleinen. (dendrank. Decóct, decóctum, afkooksel (inz. van kruiden), krui-Decoctie, afkoking.
Decollétie, ontbalzing, onthoofding.
decolleeren, onthalzen, onthoofden. (dragen,
decolleteeren (zich), den hals en de schouders te ver bloot decoloreeren, ontkleuren; verschieten, verbleeken. de commode et incommode, omtrent het voor-*en nadeel, decomponeeren, uit elkander nemen, ontleden, ontmen-
gen, de bestanddeelen vaneenscheiden.
decomponibel, ontleedbaar, ontbindbaar.
Decompositie, ontbinding, scheiding, oplossing. Decompte, korting, aftrek van een rekening, decompteeren, aftrekken, korten, in mindering brengen, de concert, eenparig, met gemeen overleg, met weder-
zjjdsch goedvinden en medewerking.
deconcerteeren, verlegen maken, van zgn stuk brengen;
(een voornemen) verijdelen; dwarsboomen.
Deconfiture, volkomen nederlaag; volslagen onvermogen
om te betalen.
de congruo, naar billijkheid. (ken.
decontenanceeren, in de war brengen, bedremmeld ma-Decorateur, tooneelschilder, tooneelversierder.
Decoratie, versiering, tooneelversiering; ordeteeken. decoreeren, versieren, met een ordelint beschenken; een gedecoreerde, iemand die een ordelint, eerekruis draagt. Decórum, het welvoeglijke, gebruikelijke; het decorum
bewaren, zyn fatsoen houden.
decoupeeren, in stukken snyden; getand maken; voorsnijden (aan tafel).
decourageeren, ontmoedigen; den lust benemen. Decouragemént, ontmoediging.
Decourt, korting op eene rekening of factuur.
decousü, onsamenhangend.
Decouverte, ontdekking.
decouvreeren, ontdekken, openbaren.
128 decrediteeren—Defaite
decrediteeren, achting, vertrouwen, krediet doen^ver-
Decreet, besluit, rechts- of raadsbesluit; verordening der Decrement, het afnemen, verval.
Decrepitatie, knettering van sommige zouten op net vuur. decrepiteeren, knetteren, aan stukken knappen, met een
pof uiteenspringen (gelijk keukenzout op het vuur). Decrepitude, afgeleefdheid; bouwvalligheid, verval, decrescéndo, afnemend, allengs van den sterken tot den
lachten toon overgaand.
Decrescéntie, afneming, vermindering.
Decretilen, pauselijke besluiten op kerkel\\]ke vraagstukken, door bisschoppen geopperd.
decreteeren, gerechtelijk besluiten, vaststellen; bevelen. Decretist, leeraar van het kerkrecht.
decrotteeren, reinigen, schoonmaken, poetsen.
Decrotteur, schoenpoetser. ,
Decrottoir, schraapijzer, werktuig by de deuren om ae
voetbekleeding te reinigen.
decrusteeren, ontkorsten, ontschorsen, afschillen, decupleeren, vertienvoudigen, tienmaal nemen.
Decupium, het tienvoud.
Decurie, afdeeling van tien.
Decussatie, doorkruising.
decussatim, kruiswijze.
dedaigneeren, versmaden, verachten, met verwaardigen, dedaigneus, smadelijk hoonend, geringachtend.
DedSlisch, z. Daedalisch.
de dato, van den dag der uitvaardiging af.
Dédicatie, opdracht, toewijding.
dediceeren, opdragen, toewijden. , , , .
dedommageeren. sunadeloos stellen, de schade vergoeden . Dedommagement, schadeloosstelling, schadevergoeding, deduceeren, afleiden, bewijzen; verklaren, openleggen. Deductie, aftrekking, aftrek van ecne som; grondige uiteenzetting, bewijsvoering.
Deer, hert, rood wild. ,L , ,
de fSclo, werkelijk, volgens de werkelgklieid, metterdaad;
eigenmachtig, zonder verdere omstandigheden, defailleeren, in gebreke blijven, den gestelden term\\jn
verzuimen.
Defaite, nederlaag.
Defalcatie—deformeeren 129
Defalcótie, afmaaiing; het vooraf-korten, liet aftrekken
(van de som), korting.
defameeren, liever diffameeren (z. aid.)
Defaut, gehrek ; het niet-verschynen voor \'t gerecht; vandaar : een vonnis bij defaut.
Defaveur, ongunst, ongenade; geringe prys.
defavorébel, ongunstig; afkeerig.
Deféct, gebrek, feil, mangel, tekort.
deféct, onvolledig, onvoltallig; heschadigd.
defecteeren, fouten of gebreken opzoeken en verbeteren, defectief, gebrekkig, onvolledig, beschadigd.
defendeeren, verdedigen.
Defénsie, verdediging, tegenweer; verdedigingsschrift, defensief, verdedigenderwjjs; beschermend; defensieve
alliéntie, verbond van wederzydsche verdediging. Defénsor, verdediger.
defereeren, aanbrengen, aangeven; een eed opleggen; den
voorrang toekennen; toegeven.
Deferént, aangever, aanbrenger ; afvorderaar van een eed. Deferéntie, inschikkelykheid, gehoorzaamheid uit achting Defi, uitdaging, tarting; veetebrief. (en ontzag.
Defiónce, mistrouwen, wantrouwen.
deficiënt, ontbrekend.
Deficiëntie, gebrek, ontstentenis.
Déficit, tekort (bv. op eene rekening), (hoofd bieden, defiëeren, wantrouwen, mistrouwen; tarten,uitdagen,het Defigurétie, misvorming, verminking.
defigureeren, misvormen, verminken.
Défilé, nauwe pas, engte; holle weg.
defileeren, in smalle gelederen, met klein front optrekken, uit eene engte trekken. (len. defineeren, beter definiëeren, verklaren ; nauwkeurigbepa-Definftie, juiste bepaling, duidelijke omschrijving, definitief, afdoend, beslissend, onherroepelijk; d. trac-
taat, slotverdrag.
Deflagrótie, het uitbranden, reinigen door het vuur. deflecteeren, afwenden; afwyken, inz. van lichtstralen. Deflorótie, ontbloeming; schending, verkrachting; ontmaagding. (den. defloreeren, onteeren, schenden, verkrachten; ontmaag-defórm, wanstaltig, misvormd.
deformeeren, misvormen, mismaken, verminken.
ELFDE DRUK. 9
Deformiteit—Deist
Deformiteit, mismaaktheid, wanstaltigheid.
Defraudant, belastingontduiker, smokkelaar.
Defraudétie, sluikhandel, verborgen bedrog.
defraudeeren, smokkelen, het land te kort doen door de in- of uitgaande rechten te ontduiken. (betalen,
defrayeeren, vrijhouden, iemands vertering, reiskosten enz. defricheeren, ontginnen, braakland bebouwbaar maken, de front, van voren; op éene ry, naast elkander. Défterdar, grootschatmeester, minister van financien by de Turken.
Defünctus, defüncta, afgestorvene, overledene.
degagé, gedegageerd, vry, ongedwongen, vrymoedig. degageeren, ontslaan, vry- of losmaken.
deganteeren (zich), de handschoenen uittrekken, degarneeren, het boordsel, belegsel of versiersel afnemen ; het huisraad wegnemen; (eene vesting) van manschap, geschut enz. ontblooten.
Deqenerétie, ontaarding; verbastering.
degenereeren, ontaarden, slechter worden, verwilderen, degluteeren, doorslikken.
DegoQt, walging, afkeer, tegenzin.
dégoutant, walglyk, afkeerwekkend; onuitstaanbaar, degouteeren, tegenzin, afkeer inboezemen; walgen, ergeren, de grace! eilievel wat ik u bidden mag! met uw verlof! Degradétie, verlaging, ontzetting van een post. degradeeren, verlagen, van ambt of waardigheid ontzetten, een lageren rang geven.
de aravi causa, om gewichtige reden(en).
deguiseeren, vermommen, verkleeden, onkenbaar maken;
verbergen, verbloemen.
Degustatie, het proeven. , .
degusteeren, proeven; uitvorschen. (niet te twisten, de güstibus non est disputéndum, over den smaak valt de hodierne dië, van den huidigen dag af.
Dehórs, buitenzyde; uiterlyke welvoeglijkheid.
Dehortétie, ontrading, afrading.
deïficeeren, vergoden.
Dei gratia, door Gods genade (vóór vorstelyke titels), de indüstria, met overleg, — opzet; met vlyt.
Deisme, geloof aan het bestaan van een God, zonder eene
openbaring te erkennen.
Deist, godbelyder, die aan geene openbaring gelooft.
Dejectie—Delice 131
Dejectie, nitstooting, verstooting.
dejeuneeren, ontbgten.
Dejeunér, Dejeuné, onthyt; dejeuner k la fourchette,
vorkontbgt, koud voormiddageten; d. dinatoire(liever: d.-diner), middagontbgt, groot ontbgt, dat de plaats van middagmaal moet vervangen.
de jure, van rechtswege.
del., afkorting van delineévit (z. dat woord).
delabreeren, aan stukken scheuren; bederven, ontredderen, onbruikbaar maken.
Delai, uitstel, verwijl, termgn.
Delassement, verkwikking, ontspanning.
DelAtie, heimelyke aanklacht, aanbrengingbg de overheid,
verklikking.
Delétor, aanbrenger, verklikker.
del crédere, op trouw en geloof, op krediet; borgtocht
bij verkoop van goederen, by wisselzaken.
déle, delg uit; deleétur, men delge uit, neme weg (nl.
letters en woorden op drukproeven, by verkorting dr.) delecténdo pariterque monéndo, door te gelyk vermaak
en leering te verschaffen.
Delectétie, verlustiging, uitspanning, verkwikking, delecteeren, vermaken, verheugen, verlustigen.
Delegaat, afgevaardigde.
Delegatie, afvaardiging; overwyzing eener schuld, delegeeren, afzenden, afvaardigen; overdragen, overwyzen
(bv. een recht, eene schuld).
delénda Carthago, „Carthago moet verwoest wordenquot; (de woorden waarmee Cato al zyne redevoeringen sloot); oneig.: zaak waarop men steeds terugkomt.
Deleniment, verzachtingsmiddel; liefkoozing.
deletérisch, doodend, vergiftigend, verwoestend, deliberandum: ad d. nemen, in overweging nemen. Deliberatie, beraadslaging, overweging.
delibereeren, beraadslagen, overleggen.
deliberAto, vastberaden.
delicaat, tceder; weekelyl^ kiesch ; welsmakend; (ook :)
denkelyk, netelig, moeil^R^ hachelyk.
delicéto, teeder, zacht, roerend.
Delicatésse, teederheid; lekkerny, lekkerbeetje; netheid,
sierlijkheid; vertroeteldheid; kieschheid, heuschheid. Dellee, geneugte, vermaak, lust, genot, wellust.
132 deliciëus—Demêlé
deliciëus, kostelijk, overheerlijk, hekoorlgk, hoogst aan-
eenaaiu of aanvallig; zeer lekker.
Deilct of Delictum, wanhedrijf, euveldaad.
Deligatie, verbinding.
Delimatie, afvijling,
Delimitatie, grensbepaling.
delimiteeren, afgrenzen, de grenzen bepalen Deiineatie, teekening, schets, plan, grondteekemng. delineévil, (afgekort del.) hij heeft het geteekend. Delinquént, overtreder, boosdoener: arme zondaar, deliauescént, vervloeiend, wegsmeltend.
Delirétie of Delirium, waanzin, geestverwarring; delirium trémens, zuipers-waanzin, dronkaards-beroerte, delireeren, ijlen, raaskallen.
Delirium, z. Deliratie.
Delivrance, bevrgding, verlossing.
delivreeren, bevrijden, verlossen. .
deloqeeren, verdrgven, uit de woning verjagen; verhuizen, deloyaal, onredelgk; woordbreukig, met reebtscliapen. Délta, naam van de Grieksche D i/l\'j, en daarom ook van het land aan de monden der rivieren, als zij in 3 of meer armen verdeeld in zee vallen, inz. liet eiland, door de Nijlnionden aan de Middellandsehe zee gevormd, deltavormig, driehoekig , , ,
deludeeren, bespotten, voor den gek honden.
Delüsie, bespotting; bedotting, misleiding.
Demagogie, volksleiding; (het streven naar) heerschappu,
eene volkspartg; volksverleiding. , , , , demaqógisch, volksleidend ; volksverleidend ; als demagoog. Demagoog, volksleider, aanvoerder eener volkspartg ; (ook
wel;) oproerstoker, stokebrand, oprnier,
Demandatie, opdracht, last.
demandeeren, toevertrouwen, opdragen; (ook-.) \\ragen, demanteleeren, ontmantelen, de werken eener vesting slccliten.
Demarcatie, Ijegrenzing, afpalingdemarcatie-lijn, grenslijn, scheidslinie; demarcatie-troepen, grenstroepen. Demarches, maatregelen; demarches maken, stappen
doen, pogingen aanwenden, maatregelen nemen, demasqueeren, ontmaskeren, de mom afnemen.
Demêlé, kleine twist, kibbelpartij; haspelarg.
demêleeren—Demolitie 133
demêleeren, ontwarren, verwarde zaken uiteendoec, ophelderen.
demembreeren, de leden van een lichaam vaneenscheiden,
van elkander scheuren; verbrokkelen.
Demembrement, verdeeling, verbrokkeling, demenageeren, verhuizen.
Deménce, heter Dementie, krankzinnigheid.
demeneeren (zich), hevige, wilde gebaren maken. Dementi, logenstraffing; iemand een dementi geven, iemands bewering voor een leugen uitmaken; zich een dementi geven, zich tegenspreken, zyn woord terugnemen of niet houden.
Demerént, een verdienstelijk persoon.
demeubleeren, het huisraad wegnemen, ontruimen.
demi, half; amp; demi, ten halve; demi-fortüne, rijtuig met éen paard, éenspan; demi-mesüre, halve, gebrekkige maatregel; demi-monde, half-fatsoenlyke stand, waarbjj \'tmet eerbaarheid en goede zeden zoo nauw niet genomen wordt (z. onder dame); demi-reliëf, half verheven werk; demi-rond. halve cirkel, halfrond.
Demissie, vriendelykheid jegens geringeren, bescheidenheid ; (ook:) afdanking, ontslag uit een ambt (voor dit laatste beter Dimissie).
Demi-teinte, halfschaduw (hg plaatsnijders); middelkleur,
halve tint (bjj schilders).
Demi-tour, halve wending, half links of half rechts. Demiurg, kunstenaar, werkmeester; volksleider. Demi-volte, halve zwenking. (wapening.
Demobilisatie, terugbrenging op den voet van vrede, ont-demobiliseeren, ontwapenen, op den voet van vrede stellen ; roerende goederen voor onroerend verklaren. Democraat, aanhanger der volksregeering, vryburger. Democratie, volksregeering, republiek met regenten door
en uit het volk gekozen.
Democratfsme, zucht tot —, gehechtheid aan de volksregeering. (hoorend. democratisch, vrgburgerlgk, tot de volksregeering be-Democriet, iemand, die de wereld van hare lachwekkende
zgde beschouwt; vriend van gezellige vreugde. Demoisélle, juffrouw, jongedochter.
demoliëeren, slechten, sloopen, afbreken.
Demolitie, Demoliseering, slooping, omverwerping.
i34 Démon—Dentist
Démon, z. Daemon.
Demonetisétie, het buiten-omloop-brengen, buiten-koers-
stellen van munten of papiergeld.
Demonstrétie, bewys, betoog; bonding van aanval, dreigende houding; het openbaren van een zeker oogmerk of gevoelen door volksbewegingen, optochten bjj fakkellicht, kattenmiiziek, adressen enz.
demonstratief, aanwyzend; bewyzend, overtuigend; bondig, demonstreeren, betoogen, voor oogen leggen, demonteeren, uit den zadel lichten; weerloos, onbruikbaar maken; uit elkander nemen (een werktuig, machine).
Demoralisatie, zedenverbastering, ontaarding der zeden, demoraliseeren, onzedelyk maken, bederven.
de mórtuis nil nisi béne, van de dooden moetmenniets
dan goed spreken.
demoveeren, wegruimen; afzetten.
denationaliseeren, van den volksaard berooven. denaturaliseeren, (iemand) het burgerrecht onttrekken, denatureeren, ontaarden, verbasteren.
Denatus, gestorven, gestorvene.
Dendrieten, steenen met afbeeldingen van boomen en struiken. (kunde.
Dendrographfe, —logie, beschrijving der boomen, boom-Dendrometer, boommeter.
Dendrometrie, boommeetkunst.
Denegétie, loochening, ontkenning.
denegeeren, loochenen, ontkennen.
Denier, penning, een kleine Fransche munt.
Denigratie, zwartmaking, belastering, schending van den goeden naam.
Denominatie, het noemen of aanduiden door een gepas-ten naam, benaming, naam. [nis enz.)
denomineeren, by name noemen (inz. in eene acte, von-denonceeren = denunciëeren (z. aid.)
Denouement, outknooping.
de nóvo, opnieuw.
Denrée, levensmiddelen, eetwaar.
Densiteit, dichtheid, vastheid.
DentaaMetters, tandletters.
Dentagra, tandpyn, tandjicht.
Dentist, tandmeester.
Dentltie—deplanteeren 13s
Dentltie, het tandenkrggen.
Denudatie, ontblooting.
Denunciant, aangever, aanbrenger (bg \'t gerecht).
Denunciétie, aangifte, aanwijzing, verklikkerg.
denunciëeren, by het gerecht aangeven, aanbrengen.
Deo dicatus, Gode gewijd.
Deo favente, met Gods gunst.
Deo grétias, God (zg) dank.
Deo ignoto, aan den onbekenden God.
Deo juvante, met Gods hulp. (ning uitspreken.
deopteeren, kiezen, bg eene verkiezing zgne stemofmee-
Deo volente, met Gods wil.
depaqueteeren, uitpakken.
Departement, ambts- of werkkring, vak, bedrgf, beheer ; bevoegdheid; naam der verschillende afdeelingen van de staatszaken, onder de ministers verdeeld, zooals departement van oorlog, van justitie enz.; landsafdee-ling, gewest; afdeeling van eene maatschappg, bv. van \'t Nut van \'t Algemeen.
departementaal, wat de departementen betreft. Departitie, verdeeling.
depasseeren, voorbggaan, te boven gaan; overschrijden,
te buiten gaan (bv. zgne orders).
Depêche, brief, boodschap, die spoed vereischt, ambtsbericht ; verordening der regeering en bericht aan deze, staatsbrief; telegraphisch bericht, telegram, depêcheeren, snel afvaardigen ; bespoedigen, verhaasten. Depeculaat, Depecuiétie, kasdiefstal, diefstal aan de kas dependeeren, afhangen, afhankeigk zgn. (gepleegd,
dependént, afhankelijk.
Dependéntie, afhankelijkheid.
Depénse, uitgave (inz. noodelooze), onkosten, vertering, depenseeren, uitgeven, verteren; verkwisten, depeupleeren, ontvolken.
Depilétie, ontharing; kaalheid.
Deplt, spgt, ergernis, hartzeer, wrevel, wrok. deplaceeren, verplaatsen; misplaatsen; verdrgven, afzetten, een post ontnemen.
Deplaislr, verdriet, misnoegen.
de plano, met gemak, zonder moeite.
Deplantétie, verplanting, verzetting.
deplanteeren, verplanten, verzetten.
136 deplorabel—depriveeren
deplorabel, betreurenswaard, jammerlgk.
deploreeren, betreuren, beschreien, bejammeren, deployeeren, ontvouwen, uiteenslaan; (fig.) aan den dag leggen, ten toon spreiden; (bjj de troepen) ontwikkolen. Deployeer-pas, snelpas bg de ontwikkeling van een gesloten troep. (rechtelgk getuigen, deponeeren, nederleggen, in bewaring geven; (ook:) ge-Deponént, in-bewaring-gever ; (ook :) getuige. Depopulétie, ontvolking; afneming der bevolking. Deportatie, uitbanning, vervoering naar eene strafkolonie, deporteeren, verbannen, naar een bepaald oord als ballingplaats brengen; gedeporteerde, balling.
Depositair, Depositiris, bewaarder, vertrouwd persoon,
bg wien iets ter bewaring wordt nedergelegd. Depositie, afzetting, nederlegging ter bewaring; (ook:)
getuigenis, getuigeverklaring.
Depósito-bank, bewaarbank, die kapitalen tegen matige
interesten in bewaring neemt.
Depositeur, depositor, hg die iets in bewaring geeft. Depósitum, het aanvertrouwde goed.
depossedeeren, uit het bezit stooten.
Depót, het ter bewaring gegeven goed; de bewaarplaats, stapel- of verzamelplaats van koopmansgoed, magazijn ; (bg de militairen:) de aanvullingsmanschappen; het aanvullingsmagazgn, de bewaarplaats van allerlei krggs-behoeften enz.; (ookbezinksel, afzetsel in vochten. Depöt-houder, verkooper uit een hem toevertrouwden
warenvoorraad voor rekening des eigenaars. Depravétie, bederf, verslimmering.
Deprecatie, afbidding.
Depreciatie, enz., z. Depretiatie, enz.
deprehendeeren, vatten, betrappen.
Deprehensie, aanhouding, betrapping.
Depréssie, onderdrukking, nederdrukking; (ftg.) bedruktheid lage barometerstand of gebied van geringe lucht-Depretiétie, waardeverlaging, geringschatting, (drukking, depretiëeren, vernederen, te gering schatten.
Depri, (bg een belastingkantoor) schriftelgk opgave der
waren, die men buitenslands verkoopt of doorvoert, deprimeeren, onderdrukken, nederdrukken.
Deprivétie, berooving, ontzetting.
depriveeren, berooven.
de profundis—Desappropriatie 137
de profundis, uit de diepten (naam van een boetpsalm,
die met die woorden begint).
Deputaat, afgevaardigde.
Depulétie, afvaardiging, bezending; de afgevaardigden. Deputétus, z. Gedeputeerde. (ger.
Député, deputy, afgevaardigde,inz. volksvertegenwoordi-deputeeren, afvaardigen; afzenden.
deracineeren, ontwortelen, uitroeien.
derailleeren, uit liet spoor loopen, ontsporen. Déraillement, ontsporing.
deraisonnébel, onredelijk. (len.
deraisonneeren, onverstandig spreken; ongeryrad oordee-Deraisonnement, onverstandig gepraat. (men,
derangeeren, in wanorde brengen; storen, ongelegen ko-Derangement, stoornis, wanorde.
Derby-race,wedren te Epsom op Woensdag voor Pinksteren.
derideeren, uitlachen, bespotten.
de rigore juris, naar de gestrengheid der wet.
de rigueur zijn, volstrekt noodzakelijk, stipt in acht te
derisoir, bespottend, smadend. (nemen zgn.
Derivétie, alieiding, afstamming.
deriveeren, afleiden, afstammen.
Derlsie, bespotting, het belachen, uitlachen.
Dérobé, geheim; bv. escalier dérobé, geheime trap ; porte
dérobée, geheime deur.
derobeeren, ontvreemden, heimelijk wegnemen.
Derogétie, afbreuk; krenking, inbreuk; afschaffing, derogeeren, afbreuk doen, benadeelen; inbreuk maken; opheffen.
Deroute. verwarde, onordelgke vlucht, nederlaag. Derrière, achterste. (monnik.
Dérvis of Dervisch, arme Mohammedaansche klooster-desabuseeren, uit de dwaling helpen.
desaccordeeren, niet stemmen; niet overeenstemmen, desagreébel, onaangenaam.
Desagrement, onaangenaamheid, verdrietigheid, de saison, van pas, ter snede, te juister tijd. desalliëeren (zich), beneden zgn stand trouwen, desappointeeren, teleurstellen.
Desapprobét\'e, afkeuring.
desapprobeeren of desapprouveeren, afkeuren. Desappropriatie, afstand van eigendom, bezitverzaking.
138 desarmeeren—desireus
desarmeeren, ontwapenen.
desassorteeren, samenbehoorende dingen vaneenscheiden, allerlei ondereenmengen, (lieid.
Deséster, rampspoed, onheil, slag, groote wederwaardig-desastreus, rampspoedig.
Desavantage, verlies, schade, nadeel.
desavantageus, nadeelig; ongunstig.
Désaveu, ontkenning, loochening.
desavoueeren, loochenen; herroepen, niet erkennen. Descendénten, afstammelingen.
Descendéntie, afstamming, nakomelingschap.
Descénsie, nederdaling, afdaling; ondergang, describeeren, beschrijven.
Descriptie, beschrijving.
descriptief, beschrijvend.
Desemballage, ontpakking, uitpakking.
desemballeeren, uitpakken, ontpakken (koopmanswaren), desembarqueeren, weder ontschepen.
desennuyeeren, de verveling verdrijven, opvroolijken. deserteeren, wegloopen, heimelijk zijn vaandel verlaten,
zich wegpakken.
Deserteur, overlooper, weglooper; overlooper naar den
vijand; afvallige.
Desértie, het overloopen naar den vijand; het heimelijk wegloopen van zijn vaandel; verlating (inz. van een der echtgenooten).
Deservieten, het loon eens zaakvoerders of pleitbezorgers. Deshabillé, ochtendgewaad, huisgewaad.
deshonnét, onwelvoeglijk, onfatsoenlijk, onkiesch. Deshonneur, oneer, schande.
deshonorébel, begeerenswaard.
Desideratum, Desideraat, iets dat begeerd wordt doch
niet voorhanden is; vereischte; gaping.
Desiderium pium, vrome wensch. (ming.
Designétie, bestemming; beteekening; voorloopigebenoe-designeeren, bestemmen, beteekenen, aanwijzen; iemand
tot iets bg voorraad benoemen.
Desinentie, uitgang (van een woord).
Desinfecteeren, van smetstof zuiveren, ontsmetten, desinféctie, reiniging van smetstof, ontsmetting, desirébel, wenschenswaard, wenschelgk.
desireus, begeerig.
desisteeren—dessineeren 139
desisteeren, afstaan, aflaten (van iets); ophouden, opgeven, laten varen, afzien.
desobediëeren, ongehoorzaam zgn.
Désobligeance, onvriendclgkheid, ongedienstigheid. desobligeante, smal rytuig voor éen persoon. Desoeuvrement, ledigheid, werkeloosheid.
desolaat, verlaten, woest; treurig, troosteloos; ellendig;
desolate boedel, onbeheerde hoedel.
desolant, bedroevend; lastig, hoogst vervelend.
Desolatie, verwoesting; groote droefheid,troosteloosheid, de soleeren, verwachten; bedroeven, krenken.
Desórder, wanorde; buitensporigheid, zedeloosheid. Desorganisatie, ontbinding, ontaarding; ontstemming, desorganiseeren, ontbinden; in wanorde brengen, beroeren, ontstemmen, tweedracht zaaien.
desoriënteeren, van den rechten weg afleiden, het spoor
hyster maken; in de war brengen; verlegen maken. Desoxydétie of Desoxygenétie, bevryding of berooving
van zuurstof, ontzuring.
desoxydeeren of desoxygeneeren, van zuurstof berooven,
de zuurstof wegnemen, uitdryven.
Despéct, verachting, smaad, minachting.
despecteeren, verachten, smaden, geringschatten, desperaat, wanhopig; radeloos, vertwyfeld.
Desperédo, waaghals.
Desperótie, wanhoop, radeloosheid, vertwyfeiing. despereeren, wanhopen, vertwyfelen, radeloos zyn. Despoliatie, berooving. plundering.
Desponsétie, ondertrouw, plechtige verloving.
Despoot, willekeurig vorst, zelfheerscher, dwingeland. Despotfe, willekeurige heerschappy. (nisch.
despotiek, despótisch, willekeurig en eigenmachtig, tiran-Despotisme, eigendunkelyke heerschappy, dwingelandy. Dessa, dorp op Java.
Dessein, voornemen, oogmerk, opzet; ontwerp, schets. Dessendiaan, druklettersoort (van 10 punten) tusschen
mediaan en garmond.
Dessért, nagerecht, laatste tafelgerecht.
Desservant, beter deservant, waarnemend geesteliike. Dessin, teekening, schets, ontwerp; patroon, model. Dessinateur, patroonteekenaar.
dessineeren, ontwerpen, teekenen.
i4o destilleeren—detoneeren
destilleeren, z. distilleeren.
Destin, noodlot.
Destinétie, bestemming, plaats der bestemming, destineeren, bestemmen; verordenen, bescbikken. destitueeren, afzetten, van post of ambt ontzetten. Destitütie, afzetting, ontzetting, ontslag.
Destructie, verwoesting, vernieling.
destructief, vernielend, verwoestend.
destrueeren, vernielen, omverhalen, nederrukken. desuniëeren, oneens maken, verdeelen.
desunt caetera, de rest ontbreekt.
detacheeren, afzonderen en afzenden; losmaken. Detachement, afgezonden troep of commando soldaten. Detail, pl. Details, bet byzondere, omstandige van iets, bijomstandigbeden, byzonderbeden, kleinigheden ; en d., omstandig, uitvoerig, haarlijn (bv. vertellen); in\'t klein, by \'t stuk, by de el, maat enz. (verkoopen). Detailhandel, kleinhandel, kramery. (ven.
detailleeren, uiteenzetten, omstandig verhalen of beschry-Detailleur, kleinhandelaar.
Detéctie, ontdekking, blootlegging.
Detéctive, spion der geheime politie (in Londen).
de té fébula narrétur, gy zyt de man dezer historie,
dat geldt, — betreft u.
deteneeren, z. detineeren.
Deténtie, opsluiting, hechtenis.
Deténtie-huis, gevangenhuis.
detergeeren, afwisschen, reinigen.
Detenorétie, verergerde toestand eener zaak, verval, determinébel, bepaalbaar.
Determinétie, bepaling; beschikking; besluit, determinatief, bepalend.
determineeren, bepalen, vaststellen; besluiten ; beschikken; (ook:) overhalen, overreden.
Determinisme,*leer der voorbeschikking.
deterreeren, opgraven, opdelven; (fig.) opsporen, uitvor-
schen; (ook:) afschrikken.
detestébel, verfoeielyk, gruwelyk.
detesteeren, verfoeien; verwenschen.
detineeren, tegenhouden, gevangenhouden.
Detonétie, het valschzingen; de ontploffing.
detoneeren, valsch zingen; ontploffen.
detorqueeren—Deversórium 141
detorqueeren, verdraaien, een anderen, gedwongen zin geven ; afw enden, afwerpen bv. de selmld op een ander). Detour, omweg, boclit; (fig.) uitvlucht, voorwendsel, draaierg.
detourneeren, afwenden, doen afdwalen; van richting
veranderen, afleiden, doen afwyken.
Detract, wat er van een buitenslands gaand vermogen
wordt afgetrokken.
Detracteur, lasteraar, kwaadspreker, achterklapper. Detréctie, aftrek, afkorting; (ook ;) eerroof, laster, detraheeren, aftrekken, afkorten; (ook:) belasteren. Detrempe, waterverf, waterteekening.
Detrésse, nood, angst, verlegenheid.
detrimenteus, schadelyk, nadeelig.
detrompeeren, de dwaling benemen, uit den droom helpen, detroneeren, onttronen.
de trop, te veel, overbodig.
détto, (beter, maar minder in gebruik dan dito), hetzelfde,
het vroeger genoemde; desgelyks, evenzeer.
détur, het worde gegeven.
Déus ex méchina, letterlijk: God uit de (tooneel-)ma-chine, d. i. de onverwachte verschgning van een persoon, die aan een ingewikkelde zaak een gelukkige wending geeft.
Deuterogamie, tweede echt. (boek.
Deuteronómium, tweede wetgeving, naam van Mozes\' vgfde deux è deux, twee aan twee.
devaliseeren, plunderen, uitschudden.
Devalvétie, verlaging van de waarde eener munt; het ongangbaar maken eener munt; (ook :) het versterf van een goed of recht.
devalveeren, (munten) buiten koers stellen, in waarde
verminderen.
devanceeren, vooruitgaan, voorbgstreven.
Devastétie, verwoesting, vernieling.
devasteeren, verwoesten, vernielen, omkeeren. developpeeren, ontwikkelen, ophelderen.
Developpement, ontwikkeling.
de vérbis ad vérbera, van woorden tot slagen.
de vérbo ad verbum, van woord tot woord. Devergondage, schaamteloosheid.
Deversórium, herberg, tapperg.
i42 devesteeren—Diaken
devesteeren, ontkleeden; van de pricsterlgke bekleeding
of bisschoppelijke beleening berooven.
De vest! tuur, berooving, intrekking dier waardigheid. Deviétie, afwijking (eens liehaams van zijne baan), afdwaling, verzeiling.
deviëeren, van den rechten weg afwyken, verzeilen. Devies, zinspreuk, gedenk-, lijfspreuk; (ook:) een wissel
op eene buitenlandsche wisselplaats.
de visu, omdat men het zelf gezien heeft.
Devoir, plicht; devoirs, huiswerk voor de school. Devoiütie. overgang, versterf van een goed of recht, devoiveeren, (eig.) afrollen; op een ander vervallen of overerven. (vroom, schijnheilig,
devoot, vroom, godvruchtig; ootmoedig; (ook wel:)fijn-devoreeren, verslinden, doorzwelgen.
Devóten, de vromen; de fijnen, overrechtzinnigen. Devótie, vroomheid, godvruchtigheid ; eerbied; (ook:) volkomen overgave van zich zeiven, innige gehechtheid (fr. Dévouement).
Dew, dauw. (schreven,
dexiogréphisch, van de linker- naar de rechterhand ge-Dexteriteit, behendigheid, handigheid, vaardigheid. Dextrine, gomachtige stof in \'t hulsel van ieder zetmeel-
bolletje; (ook:) eene stroop uit aardappelen.
Dey, (eig. zendeling ter oproeping tot den heiligen oorlog) oude titel der beheerschers van Algiers (later in dien van Pasja veranderd).
Diabetes, hevel; pisvloed.
Diéble, Diabólus, de duivel.
diabólisch, duivelsch, duivelachtig.
diaboliseeren, razen en tieren; beduivelen.
Diaconie, kerkelijk armbestuur; de gezamenlijke armver-
zorgers of diakenen. Diaconus, z. Diaken.
Diadeem, koninklyke wrong of voorhoofdsband; kroon;
zeker vrouwelgk haartooisel.
Diagnóse, Diagnósis, onderscheiding, inz. der ziekten
naar hare kenteekenen.
Diagnostiek, de kunst om ziekten te onderscheiden en te beoordeelen. (dwars.
Diagonaal, hoekpuntslyn; diagonaal, overhoeksch, over-Diagram, schets, ontwerp, Ignteekening; vyflynige toon-Ditiken (Diaconus), kerkelijk armverzorger. (ladder.
Dialéct—dicteeren 143
Dialéct, tongval.
Dialécticus, geleerde redetwister.
Dialectiek, verstandsleer, denkkunst; wetenschappelijke
twist- of disputeerkunst.
dialógisch, by wgze van samenspraak.
dialogiseeren, in den gesprekvorm inkleeden.
Dialoog, samenspraak, onderhoud, gesprek. Diamagnetisme, afstootende werking van den magneet. Diamént, hardste, dichtste, doorzichtigste, schitterendste en kostbaarste edelsteen: de kleinste der druklettersoorten.
Diaméter, middellijn, doorsnede.
Diéna, de jachtgodin, maangodin ; zilver.
diantre ! drommels! duivels I voor den drommel!
Diapasón, omvang van een stem of instrument; stemvork.
Diapélm, bekende zalf uit het halfglazige eerste loodoxyde,
olijfolie en water bereid.
diaphaan, doorschijnend.
Diaphanorama, doorschijnende schilderij.
Diaphonie, wanklank, ontstemming.
Diaphorésis, het doorzüpelen, de zweetdryving, Diaphrégma, middelrif, middelschot.
Diérium, dagboek, koopmans-kladboek.
Djarrhaea, Diarrhée, buikloop, loslijvigheid.
Diaspora, tusschen andersdenkenden verstrooid wonende
leden van een kerkgenootschap.
Diastole, verlenging, hartverwyding.
diathermaan, warmtestralen doorlatende.
diatónische ladder of schaal, de voor het toonstelsel
aangegeven klankladder.
Diatribe, geleerde uiteenzetting, schoolsche verhandeling; ^ inz. bittere, hevige critiek; hekelschrift.
die cur hic ? zeg, waarom zyt gij hier ? denk aan uwe bestemming.
Dicta, uitspraken, plaatsen, aanhalingen uit geschriften. Dictaat, het ter naschryving voorgezegd stuk.
Dictétor, opperst regeeringspersoon in het oude Rome;
onbepaald gezaghebber in dagen van staatsgevaar. dictatoriaal, dictatórisch, gebiedend, eigenmachtig. Dictatuur, waardigheid van dictator.
dicteeren, in de pen geven, voorzeggen ter naschrijving; (ook:) opleggen, toewijzen, bv. eene straf.
144 Dictie—diffuus
Dictie, hjjzondere wjjze van uitdrukking, van voordracht;
(ook -.) l)yzondere schrptrant, styl. (woordenboek.
Dictionnaire, woordenboek; d. de poche, d.portatif,zak-dlctum, féetum, gezegd, gedaan.
Didactiek, leer-, onderwijskunst.
didéctisch, leerend, ondcrrielitend; d. gedicht, leerdicht. Didaskalia, leeringen, onderrichtingen.
didaskélisch, leerend, onderwijzend.
Diëet, levensregeling, gezondheidsverzorging, maathouding
in alles; inz. eetregel; ziekenkost.
Diës, dag; diës criticus, de beslissende, gewichtige dag (inz. bü ziekten); diës diem dócet, de eene dag is de leermeester van den anderen ; diës pérdidi, dien dag heb ik verwaarloosd; diës natélis, geboortedag; stichtingsdag.
Dieu, God; Dieu et mon droit. God en mijn recht, diffamant, lasterlyk, eerroovend.
Diffamatie, eerroof; ^maadrede.
Diffamétor, lasteraar, eerroover.
diffameeren, belasteren, beschenden, eerrooven. differeeren, verschillen; uitstellen, verschuiven. Differénd, klein geschil, oneenighcid; betwiste zaak. differént, verschillend, onderscheiden, ongelyk. Differéntie, onderscheid, verschil; differentie-handel, handel met effecten, waarby deze niet geleverd worden, maar alleen de gerezen of gedaalde waarde daarvan ontvangen of vergoed wordt.
Difféssie, loochening, ontkenning; diffessie-eed, loochening van een feit onder cede; inz. eed, waarby men de echtheid van een handschrift of onderteekening ont-difficiel, moeilyk, lastig; knorrig; wonderlyk. (kent. Difficulteit, zwarigheid, moeilykheid, bedenkelykheid. difficulteeren, zwarigheid maken, bedenkingen opperen, diffideeren, mistrouwen, twyfelen.
Diffidentie, wantrouwen, twyfel.
diffórm, wanstaltig, mismaakt.
difformeeren, misvormen.
Difformiteit, wanstaltigheid, misvormdheid.
Diffractie, straalbuiging van het licht.
diffundeeren, uitbreiden; verkwisten.
Diffusie, wydloopigheid (in spreken en schryven). diffuus, wydloopig, verstrooid.
Digamie—-Dimidium 145
Digamfe, tweede echt.
digereeren, verteren (het voedsel); verkroppen (een hoon). Digéstie, spijsvertering, verduwing.
Digestief, middel, dat de spijsvertering bevordert, digitaal, de vingers of de tecnen betreffend.
Digitalis, het vingerhoedskruid.
Dignitaris, bezitter van een eerambt of eene geestelyke
waardigheid.
Digniteit, waardigheid, hoog aanzien; eerambt.
dfgnus est intrére, hg is waardig 0111 binnen te treden. Digréssie, afwgking,uitstap of omweg; buitensporigheid. Dii majórum géntium, de oppergoden.
Dii minórum géntium, de ondergeschikte goden. Dii penates, huisgoden.
Dikotyledonen, tweelobbige planten.
Dilaceratie, vaneenscheuring.
dilacereeren, vaneenscheuren, splitsen.
Dilapidétie, verkwisting, verspilling.
dilapideeren, doorbrengen, verkwisten, verspillen. Dilatétie, uitzetting, uitbreiding.
dilateeren, uitbreiden, verwijden.
Dilétie, verschuiving, uitstel, termijn.
Dilémma, dubbele sluitrede; keus tusschen twee onaangename dingen ; netelige toestand.
Dilettant, kunstliefhebber, kunstvriend.
Diligénce, naarstigheid, vlijt; (ook:) snel- of postwagen. Diligént, naarstig, vlijtig, ijverig; iemand d. verklaren, verklaren, dat iemand de hem opgedragen taak, ofschoon hq die nog te voltooien heeft, niet heeft verwaarloosd.
Diligéntie, zorgvuldigheid, vlyt, opmerkzaamheid.
dilogisch, dubbelzinnig.
Dilucidatie, opheldering, verklaring.
Diludium, tusschenspel (op het tooneel).
dilueeren, afwasschen; verzwakken, verdunnen.
Diluéntia, verdunningsnüddeleh.
diluviaal, aangeslibd.
Diluvium, zondvloed; aangeslibde grond.
Diménsie, afmeting eens lichaams naar lengte, breedte en
dikte (de 3 dimensiën).
dimidiatus, gehalveerd, in twee gelijke deelen verdeeld. Dimidium, helft.
ELFDE DRUK. 10
144 Dictie—diffuus
Dictie, hjjzondere wjjze van uitdrukking, van voordracht;
(ook -.) l)yzondere schrptrant, styl. (woordenboek.
Dictionnaire, woordenboek; d. de poche, d.portatif,zak-dlctum, féetum, gezegd, gedaan.
Didactiek, leer-, onderwijskunst.
didéctisch, leerend, ondcrrielitend; d. gedicht, leerdicht. Didaskalia, leeringen, onderrichtingen.
didaskélisch, leerend, onderwijzend.
Diëet, levensregeling, gezondheidsverzorging, maathouding
in alles; inz. eetregel; ziekenkost.
Diës, dag; diës criticus, de beslissende, gewichtige dag (inz. bü ziekten); diës diem dócet, de eene dag is de leermeester van den anderen ; diës pérdidi, dien dag heb ik verwaarloosd; diës natélis, geboortedag; stichtingsdag.
Dieu, God; Dieu et mon droit. God en mijn recht, diffamant, lasterlyk, eerroovend.
Diffamatie, eerroof; ^maadrede.
Diffamétor, lasteraar, eerroover.
diffameeren, belasteren, beschenden, eerrooven. differeeren, verschillen; uitstellen, verschuiven. Differénd, klein geschil, oneenighcid; betwiste zaak. differént, verschillend, onderscheiden, ongelyk. Differéntie, onderscheid, verschil; differentie-handel, handel met effecten, waarby deze niet geleverd worden, maar alleen de gerezen of gedaalde waarde daarvan ontvangen of vergoed wordt.
Difféssie, loochening, ontkenning; diffessie-eed, loochening van een feit onder cede; inz. eed, waarby men de echtheid van een handschrift of onderteekening ont-difficiel, moeilyk, lastig; knorrig; wonderlyk. (kent. Difficulteit, zwarigheid, moeilykheid, bedenkelykheid. difficulteeren, zwarigheid maken, bedenkingen opperen, diffideeren, mistrouwen, twyfelen.
Diffidentie, wantrouwen, twyfel.
diffórm, wanstaltig, mismaakt.
difformeeren, misvormen.
Difformiteit, wanstaltigheid, misvormdheid.
Diffractie, straalbuiging van het licht.
diffundeeren, uitbreiden; verkwisten.
Diffusie, wydloopigheid (in spreken en schryven). diffuus, wydloopig, verstrooid.
Digamie—-Dimidium 145
Digamfe, tweede echt.
digereeren, verteren (het voedsel); verkroppen (een hoon). Digéstie, spijsvertering, verduwing.
Digestief, middel, dat de spijsvertering bevordert, digitaal, de vingers of de tecnen betreffend.
Digitalis, het vingerhoedskruid.
Dignitaris, bezitter van een eerambt of eene geestelyke
waardigheid.
Digniteit, waardigheid, hoog aanzien; eerambt.
dfgnus est intrére, hg is waardig 0111 binnen te treden. Digréssie, afwgking,uitstap of omweg; buitensporigheid. Dii majórum géntium, de oppergoden.
Dii minórum géntium, de ondergeschikte goden. Dii penates, huisgoden.
Dikotyledonen, tweelobbige planten.
Dilaceratie, vaneenscheuring.
dilacereeren, vaneenscheuren, splitsen.
Dilapidétie, verkwisting, verspilling.
dilapideeren, doorbrengen, verkwisten, verspillen. Dilatétie, uitzetting, uitbreiding.
dilateeren, uitbreiden, verwijden.
Dilétie, verschuiving, uitstel, termijn.
Dilémma, dubbele sluitrede; keus tusschen twee onaangename dingen ; netelige toestand.
Dilettant, kunstliefhebber, kunstvriend.
Diligénce, naarstigheid, vlijt; (ook:) snel- of postwagen. Diligént, naarstig, vlijtig, ijverig; iemand d. verklaren, verklaren, dat iemand de hem opgedragen taak, ofschoon hq die nog te voltooien heeft, niet heeft verwaarloosd.
Diligéntie, zorgvuldigheid, vlyt, opmerkzaamheid.
dilogisch, dubbelzinnig.
Dilucidatie, opheldering, verklaring.
Diludium, tusschenspel (op het tooneel).
dilueeren, afwasschen; verzwakken, verdunnen.
Diluéntia, verdunningsnüddeleh.
diluviaal, aangeslibd.
Diluvium, zondvloed; aangeslibde grond.
Diménsie, afmeting eens lichaams naar lengte, breedte en
dikte (de 3 dimensiën).
dimidiatus, gehalveerd, in twee gelijke deelen verdeeld. Dimidium, helft.
ELFDE DRUK. 10
148 discreet—dispacheeren
discreet, bescheiden, bedachtzaam; stilzwijgend, geheimhoudend ; in zich zeiven onderscheiden of gedeeld. Discrépantie, verschil, tegenstrijdigheid j misverstand. Discrétie, bescheidenheid, kieschheidj stilzwijgendheid; wyze terughouding; wil, goedvinden; grootmoedigheid, genade en ongenade ; discrétie-dagen (r e s p g t d a ge n) worden hy wissels die dagen genoemd, welke na den vervaldag eens wissels beginnen en welke eerst moeten verloopen zyn, alvorens de houder betaling mag vorderen. Discrimen, onderscheid; gevaar.
discriminébel, onderscheidbaar.
Discriminétie, onderscheiding; onderscheid.
Disculpétie, rechtvaardiging, ontschuldiging. disculpeeren, ontschuldigen, rechtvaardigen.
discursief, gespreksgewyze, by manier van spreken. Discus, werpschyf by de kampspelen der Ouden. Discussie, uiteenzetting, rijp onderzoek door gedachten-wisseling, wetenschappelijke of politieke geschilvoering, discuteeren of discutiëeren, nauwkeurig bespreken, (eene
zaak\' door woordenwisseling wikken en wegen.
Disette, schaarschte, gebrek.
Disfiguratie, misvorming.
Disgrace, Disgratie, ongenade.
disgraciëeren, (iemand) zijne gunst onttrekken, disgraciëus, onaangenaam, verdrietig, leelyk, stuitend. Dish, schotel, gerecht.
Disharmonie, wanklank, wangeluid; oneenigheid, twist, disharmoniëeren, oneenig zyn, niet byeenpassen. dishonorabel, onteerend, schandelyk.
disjecta membra, verspreide overblyfselen.
Disjectie, uiteeuwerping, verstrooiing.
Disjunctie, afzondering, scheiding.
disjunctief, afzonderend, scheidend; elkander uitsluitend, disjungeeren, scheiden, afzonderen, verdeden.
Dislocatie, ontwrichting van een lid; verlegging of verdeeling van troepen.
Dismembrétie, verbrokkeling, vcrdeeling van byeenbehoo-
rende goederen of gronden.
dismembreeren, verdeden, verbrokkelen; ontleden. Dispache, de berekening en verdeeling van zeeschade onder de belanghebbenden (reeder en assuradeur), dispacheeren, zeeschade of avery berekenen.
Dispacheur—dissentiêeren 149
Dispacheur, vereffenaar of scheidsrechter van zeeschade, strandrechter.
disparaat, ongelykslachtig, ongeljjksoortig, niet hy elkander passend, ongerymd, tegenstrijdig.
dispendiëus, kostbaar, duur, met groote kosten gepaard. Dispensatie, vrijspreking, vrystelling van het opvolgen eens algemeenen regels of eener byzondere verplichting. Dispensatórium, receptenboek, apothekersboek (pharma-copoea).
dispenseeren, uitdeden; vrystellen, ontheffen (van eene
verplichting); artsen yen bereiden en uitgeven, dispergeeren, verstrooien.
Dispérsie, verstrooiing.
displiceeren, misvallen, mishagen.
Disponént, beschikker, gevolmachtigd zaakgelastigde, disponeeren, ontwerpen, indeelen; beschikken, beheeren. disponibel, beschikbaar, ter beschikking staande. Dispositie, schikking, inrichting, plan; beschikking, gebod ; lichamelyke aanleg; gemoedsstemming; neiging, geschiktheid; testament.
disposteeren, (militairen) in posten of hoopen verdeden. Dispropórtie, wanverhouding, onevenredigheid.
Disputant of Disputétor, twistredevoerdcr.
Disputatie, geleerde twistrede, redestryd.
disputeeren, wetenschappelijk woordentwisten, een openbaar twistgesprek houden.
Dispuut, woordenstrijd, krakeel, kibbelarij.
Disquisftie, onderzoek, navorsching. (beveling.
Disrecommandatie, ongunstige getuigenis, slechte aan-Disregórd, geringschatting. (oneer, schande.
Disrenommée of Disreputatie, kwade naam, slechte faam, Dissatisféctie, ontevredenheid. (ning.
Dissecótie, Disséctie, ontleding van een lichaam, Igkope-disseceeren of dissequeeren, ontleden, opensnyden. Disseminéfie, uitzaaiing; verbreiding (van een gerucht), dissemineeren, uitzaaien, uitstrooien; verbreiden (bv. een gerucht).
Dissénsie, verscheidenheid van meeningen, twist. Dissénters, andersdenkenden; in Engeland alle Protestanten, die niet tot de episcopale Kerk behooren, niet-conformisten.
dissentiêeren, van andere meening zyn, afwyken.
148 discreet—dispacheeren
discreet, bescheiden, bedachtzaam; stilzwijgend, geheimhoudend ; in zich zeiven onderscheiden of gedeeld. Discrépantie, verschil, tegenstrijdigheid j misverstand. Discrétie, bescheidenheid, kieschheidj stilzwijgendheid; wyze terughouding; wil, goedvinden; grootmoedigheid, genade en ongenade ; discrétie-dagen (r e s p g t d a ge n) worden hy wissels die dagen genoemd, welke na den vervaldag eens wissels beginnen en welke eerst moeten verloopen zyn, alvorens de houder betaling mag vorderen. Discrimen, onderscheid; gevaar.
discriminébel, onderscheidbaar.
Discriminétie, onderscheiding; onderscheid.
Disculpétie, rechtvaardiging, ontschuldiging. disculpeeren, ontschuldigen, rechtvaardigen.
discursief, gespreksgewyze, by manier van spreken. Discus, werpschyf by de kampspelen der Ouden. Discussie, uiteenzetting, rijp onderzoek door gedachten-wisseling, wetenschappelijke of politieke geschilvoering, discuteeren of discutiëeren, nauwkeurig bespreken, (eene
zaak\' door woordenwisseling wikken en wegen.
Disette, schaarschte, gebrek.
Disfiguratie, misvorming.
Disgrace, Disgratie, ongenade.
disgraciëeren, (iemand) zijne gunst onttrekken, disgraciëus, onaangenaam, verdrietig, leelyk, stuitend. Dish, schotel, gerecht.
Disharmonie, wanklank, wangeluid; oneenigheid, twist, disharmoniëeren, oneenig zyn, niet byeenpassen. dishonorabel, onteerend, schandelyk.
disjecta membra, verspreide overblyfselen.
Disjectie, uiteeuwerping, verstrooiing.
Disjunctie, afzondering, scheiding.
disjunctief, afzonderend, scheidend; elkander uitsluitend, disjungeeren, scheiden, afzonderen, verdeden.
Dislocatie, ontwrichting van een lid; verlegging of verdeeling van troepen.
Dismembrétie, verbrokkeling, vcrdeeling van byeenbehoo-
rende goederen of gronden.
dismembreeren, verdeden, verbrokkelen; ontleden. Dispache, de berekening en verdeeling van zeeschade onder de belanghebbenden (reeder en assuradeur), dispacheeren, zeeschade of avery berekenen.
Dispacheur—dissentiêeren 149
Dispacheur, vereffenaar of scheidsrechter van zeeschade, strandrechter.
disparaat, ongelykslachtig, ongeljjksoortig, niet hy elkander passend, ongerymd, tegenstrijdig.
dispendiëus, kostbaar, duur, met groote kosten gepaard. Dispensatie, vrijspreking, vrystelling van het opvolgen eens algemeenen regels of eener byzondere verplichting. Dispensatórium, receptenboek, apothekersboek (pharma-copoea).
dispenseeren, uitdeden; vrystellen, ontheffen (van eene
verplichting); artsen yen bereiden en uitgeven, dispergeeren, verstrooien.
Dispérsie, verstrooiing.
displiceeren, misvallen, mishagen.
Disponént, beschikker, gevolmachtigd zaakgelastigde, disponeeren, ontwerpen, indeelen; beschikken, beheeren. disponibel, beschikbaar, ter beschikking staande. Dispositie, schikking, inrichting, plan; beschikking, gebod ; lichamelyke aanleg; gemoedsstemming; neiging, geschiktheid; testament.
disposteeren, (militairen) in posten of hoopen verdeden. Dispropórtie, wanverhouding, onevenredigheid.
Disputant of Disputétor, twistredevoerdcr.
Disputatie, geleerde twistrede, redestryd.
disputeeren, wetenschappelijk woordentwisten, een openbaar twistgesprek houden.
Dispuut, woordenstrijd, krakeel, kibbelarij.
Disquisftie, onderzoek, navorsching. (beveling.
Disrecommandatie, ongunstige getuigenis, slechte aan-Disregórd, geringschatting. (oneer, schande.
Disrenommée of Disreputatie, kwade naam, slechte faam, Dissatisféctie, ontevredenheid. (ning.
Dissecótie, Disséctie, ontleding van een lichaam, Igkope-disseceeren of dissequeeren, ontleden, opensnyden. Disseminéfie, uitzaaiing; verbreiding (van een gerucht), dissemineeren, uitzaaien, uitstrooien; verbreiden (bv. een gerucht).
Dissénsie, verscheidenheid van meeningen, twist. Dissénters, andersdenkenden; in Engeland alle Protestanten, die niet tot de episcopale Kerk behooren, niet-conformisten.
dissentiêeren, van andere meening zyn, afwyken.
152 Divinatie—Dodekagoon
Divinatie, het waarzeggen; voorgevoel.
divineeren, raden; voorgevoelen; waarzeggen.
divisibel, deelbaar.
Divisibiliteit, deelbaarheid.
Divisie, deeling, in-, verdeeling; (in de rekenkunde:) deeling ; (bg \'t leger:) groote legerafdeeling.
Divisórium, verdeelschgf (der horlogemakers); houten ny-pertje aan \'t visoriuiu of den kopiehouder des letterzetters.
Divórce (lat. divortium), scheiding, echtseheiding. divorceeren, scheiden, het huwelyk doen ontbinden. Divulgétie, ruehtbaarmaking.
divulgeeren, ruchtbaar maken, verbreiden, uitstrooien. Divulsie, verscheuring.
dixi, ik heb gezegd.
Djati-hout, Oost-Indisch timmerhout, teakhout.
D. J. U. = doctor juris utriüsque, doctor in beide rechten, do, eerste toon in \'t octaaf (thans veelal in plaats van ut doceeren, leeren, onderwgzen. [gebezigd),
docéndo discimus, wij leeren door te onderwgzen. Docént, leermeester, leeraar, inz. bg middelbaar en hoo-
ger onderwgs.
dociel, leerzaam, vatbaar; gedwee, handelbaar.
Dociliteit, leerzaamheid, vatbaarheid; gedweeheid. Docimasie, toetsing, inz. der metalen.
Docimastiek. toetskunst, esaayeerkunst.
docti male pingunt, geleerden schrgven slecht.
Dóctor, leeraar, hoogste academische graad; inz. een geneesheer, arts (dokter). (gezaghebbend, doctoraal, doctors-, den doctor betreffend; (ook:) deftig; Doctoraat, waardigheid of graad van doctor. Doctorandus, wie naar den doctorsgraad staat, doctoreeren, doctor worden; de geneeskunst uitoefenen. Doctrfna, geleerdheid, leer, wetenschap.
Doctrinairen, politieke partg onder de laatste koningen in Frankrgk, die het midden houdt tusschen de liberalen en de royalisten, voorstander van het representatief landsbestuur. [dermans denkbeelden), doctus cum libro, geleerd met het boek (d. i. met an-Document, oorkonde, schriftelijk bewijsstuk.
Dodekaëder, een door 13 regelmatige vgfhoeken ingeslo-Dodekagoon, regelmatige twaalfhoek. (ten lichaam.
Dog—Domicilie 153
Dog, hond; dog-cart, eug. lichte jachtwagen; dog-fish, zeehond.
Dóge, hertog, titel van het voormalige hoofd der regering te Venetië en Genua.
Dógma, leerstelling, geloofsartikel.
Dogmatiek, stelselmatige kennis van de geloofsleer.
dogmatiek, dogmatisch, leerstelling, leermatig, in den onderwystoon.
dogmatiseeren, leerstellingen, geloofsartikelen voordragen; op heslissenden toon spreken; zonder bevoegdheid ergens over mee spreken.
Dogmatisme, op stellingen steunend leerstelsel; de tegenstelling van scepticisme en criticisme.
Dogmatologie, leer der geloofsstellingen.
Dokter, titel van een geneesheer; z. doctor.
dólce, liefelijk, zoetvloeiend, zacht; dólce far niénte, het zoete niets-doen.
Doleantie, bezwaar, klacht.
doleeren, z^jne bezwaren inbrengen, inz. over te hoogen aanslag in de belastingen.
dolénte, klagend, weemoedig.
Dolfijn, walvischachtig zoogdier, waartoe onder andere de bruinvisch behoort.
Dóllar, daalder in Noord-Amerika, geldende ruim twee en een halve gulden; hg is verdeeld in 100 cents.
Dóllman of Dóliman, huzaren-wambuis.
Dollmetscher, tolk, vertolker.
Dolmen, Celtisch steenaltaar.
doloróso, con dolóre, smartelijk, treurig.
dolóse, bedrieglgk, arglistig.
Dolus, bedrog, arglist, oogmerk om te benadeelen.
Dom, z. Don.
Dom, Domkerk, hoofdkerk van een aartsbisschop, bisschop of kapittel; kerk met een koepeldak; koepelvormig dak.
Domein, erf-, kroon- of kamergoed, eigendom van den vorst (kroondomein) of van den staat (rgksdomein).
Domesticatie, het temmen van wilde dieren om er huisdieren van te maken.
domesticeeren, verhuislgken, tam of tot huisdier maken.
Domestieken, dienstboden, huisbedienden.
Domicilie, woning of verblijfplaats; d. kiezen, plaats en
i54 domiciliëeren—dóppio
woning opgeven, waar men te bespreken, te dagvaarden is.
domiciliëeren, woonachtig zyn ; een wissel d., een wissel, die betaalbaar is op eene plaats, waar geen wisselhandel is of waar de acceptant fjecne fondsen heeft, ter betaling op eene wisselplaats aamvyzen; de wissel zelf heet dan gedomiciliëerde wissel
Domina, vrouw, gebiedster.
dominént, heerschend, de overhand hebbende.
Dominétie, heerschappij, overmacht, geweld.
Dóminé, mynheer, titel, waarmede men in Nederland de Protestantsche geestelyken aanspreekt; predikant.
domineeren, heerschen, beheerschen, gebieden; den baas spelen ; overzien, bcstryken, beheerschen, beschieten kunnen ; (ook wel:) domino spelen.
dominiaal, tot het domein behoorcnde.
Dominium, vrye eigendom, heerschappy.
Dómino, (eig. heer) momgewaad ; vermomd persoon ; (ook :) bekend spel met zoogenaamde steenen; winnende zet in dat spel.
Dominoterfe, handel in gemarmerd en ander gekleurd papier, in behangsel enz.
Dóminus, heer, hoofd des huizes; predikantstitel.
Dominus providebit, God zal voorzien.
Domus et placens uxor, uw huis en lieve vrouw.
Don (Spaansch), Dom (Portugeesch), heer, eeretitel der mannen, steeds gevolgd door den voornaam.
Dóna (Spaansch), Donna (Portug.), eeretitel der vrouwen.
Donateur, Donatrice, by of zy, die schenkt, vermaakt of vrijwillige bijdragen tot instandhouding van een genootschap geeft.
Donétie, schenking, overgave.
dónec éris félix, .-nultos numerébis amfcos, zoolang het u welgaat, zult ge veel vrienden tellen.
Don gratuit, vrywillige gift of opbrengst.
Donna, z. Dona.
Don Quichóte of Quixote, dolend ridder, zot avonturier.
Donquichotisme, malle zucht naar avonturen.
Dónum, gave, gift, geschenk.
Door, deur; doorbar, deurboom, dwarshout; doorpost, deurpost; doorsil, drempel.
dóppio, dubbel; — moviménto, dubbele beweging.
doreeren—Doyen 155
doreeren, vergulden ; (fig.) bemantelen, vergoelyken.
Dormitórium, slaapkamer, slaapzaal.
Doroloterfe, allerlei band- en lintwaren en franjes van
garen en zyde.
dorsaal, wat tot den rug betrekking heeft; dorsale discipline, ruggetuebt, geeseling.
dórso, keerzijde (van een wissel).
Dor ure, verguldsel.
dos amp; dos, rug aan rug, met den rug naar elkander gekeerd.
Dosiologie, de leer der artsenygiften.
Dósis, gift, inz. artsenygift; aandeel, hoeveelheid.
dosseeren, hellend, glooiend maken.
Dosseering, helling, glooiing van een wal, oever enz.
Dotótie, Doteering, begiftiging, schenking, inz. medegift,
uitzet, bruidschat.
doteeren, een uitzet of bruidschat medegeven.
Douairière, aanzienlijke weduwe, weduwe die een weduw-
goed of lyftocht bezit.
Douéne, tol; tolhuis,tolkantoor (waar de in-en uitgaande
rechten betaald worden).
Douanier, tolbeambte.
double, dubbel ;d. entente, twecderlei betoekenis. doubleeren, verdubbelen; met voering voorzien ; overhalen, door overhalen maken (een bal op het biljart). Doubleering, dubbeling, verdubbeling.
Doublét, een dubbel voorhanden stuk ; worp met dobbel-steenen, waarby men twee azen, twee tweeën enz. werpt. Doublón, dubbele pistool, Spaansche goudmunt. Doublure, voering; plaatsvervanger van eentooncelspeler
in hetzelfde vak.
doucement! zoetjes! zacht wat! bedaard aan!
doucereus, zoetachtig, flauwzoet; overvriendelyk, zoetsappig, gemaakt beleefd.
Douceur, zoetheid ; zachtheid, aanminnigheid, liefelykheid;
(ook :) geschenk; drinkgeld, fooi.
Douche, drop, sproei-, stort- of gietbad.
douloureus, smartelyk, pynlijk, droevig. [biëus).
douteus, twyfelachtig, onzeker. (Men zegt meestal du-Dove, duif.
Doxologie, \'ofpryzing Gods.
Doxomanie, roembegeerte, roemzucht.
Doyen, deken, oudste; doyen d\'age, de oudste in jaren.
156 Dozen—Drogman.
Dozen, dozgn, 12 stuks.
Dréchme, munt der oude Grieken; ook een apotliekera-
gewicht, gelyk aan 3,845 grammes of wichtjes.
Dragée, suikergoed, muisjes, bruidsuiker.
Drégoman, Drogman, tolk, onderhandelaar hy de Turken. Dragonéde, dwanghekeering door militair geweld; elke door militaire overmacht uitgevoerde maatregel der regeering.
Drainage, Draineering, drooglegging van landeryen door
onderaardsche buizen (Drains).
draineeren, droogleggen. (machine.
Draislne, soort velocipède, snellooper, loopwielen, loop-Dróma. handeling; tooneelspcl, inz. treurspel.
Dramatiek, Dramatische kunst, tooneelkunst. dramatisch, tooneelkunstig, tooneelmatig.
dramatiseeren, voor het tooneel bewerken.
Dramatis personae, de voorgestelde karakters. Dramaturg, kenner en beoordeelaar van tooneelstukken. Dramaturgie, de leer of wetenschap van alles, wat tot de tooneeldichtkunst en tot de tooneelspeelkunst behoort. Dramoiet, klein tooneelspel.
Drap, laken; drap de dames, dameslaken,fijnhalf-laken; drap d\'argent, zilverlaken, zilverstof; drap d\'or, goudlaken, goudstof; (ook:) eeiic appelsoort.
drapeeren, met laken of doek behangen, met draperie of
ruim geplooide kleeding omhangen.
Draperie, Drapeering, voorstelling van de kleeding der geschilderde of gebeitelde figuren ; plooiing der gewaden, der stoffen, waarmede ledikanten, glasramen enz. versierd en bekleed zyn.
drastisch, snel en krachtig werkend, hevig ingrijpend; drastische middelen, Dréstica, sterk afvoerende middelen of medicynen.
Drawback, teruggave van betaalde rechten, uitvoerpremie. Drawing-room, gezelschapskamer of -zaal; receptie ten hove Dress, kleeding, costuum; dressing-room, kleedkamer, dresseeren, africhten, oefenen, bekwaam maken. Dresseering, Dressuur, africhting, drilling.
Dressoir, aanrechttafel.
Dritta, Droite, de rechterhand.
Driver, voerman, postiljon.
Drógman = Dragoman (z. aid.)
Droguet—du jour 157
Droguet, wollen stof met doorgaans garen inslag.
Droit, recht, belasting; droit d\'entrée, inkomend recht; droit des gens, volkenrecht.
Droiture, rechtschapenheid, oprechtheid, braafheid.
Drolerie, snakery, snaaksche streek.
Dromedéris, kameel met éen hult.
Dropax, pekpleister.
Droschke, licht, open rijtuig op lage wielen = fiacre.
Drosométer, Drososcoop, dauwnieter.
Drost, Dróssaard, voormalig officier van justitie, hoofdofficier ; (in N.-Duitschland :) schout, landvoogd Oand-drost); (in Hannover ;) amht en titel van de presidenten der 6 landdrosteien of gouvernementen.
Druïden, priesters der oude Celten in Gallië enz.
Dryéde, boom- of woudnimf in dc mythologie.
Dschómie, Dzjami, groot Turksch bedehuis, moskee.
Duélis, tweevoud (in \'tGrieksch).
Dualisme, leer der twee eeuwige wezens of beginselen, van welke het eene al het goed en het andere al het kwaad in de wereld voortbrengt; (ook -.) de leer, volgens welke eenige uitverkorenen zalig, al de overige verdoemd worden.
Dualist, aanhanger van het dualisme.
dubieus, twijfelachtig, onzeker.
Dubitétie, twijfeling, onzekerheid.
dubiteeren, twijfelen.
Duo, hertog; duchesse, hertogin.
Duo d\'Alven, z. Dukdalven.
Duché, hertogdom.
ductiel, rekbaar; taai, smeedbaar.
Ductiliteit, taaiheid, rekbaarheid, smeedbaarheid.
Duél, tweegevecht.
duelleeren, een tweegevecht houden.
Duellist, wie een tweegevecht aangaat; vechter van beroep.
Duena, bejaarde opzichtster over jonge juffers.
Duét, —to, dubbelzang, gezang voor 2 stemmen ; tweespel.
Duivekater, naam van zeker tarwebrood op sommige plaatsen, ook van een koek, die men elkaar op feestdagen placht te zenden; kermisgift, dienstbodenfooi; ook de duivel, het booze wezen.
du jour zijn, aan de orde van den dag zjjn ; aan de beurt zyn, met de dienstzaken van den dag belast zyn.
158 Dukaat—Dwelling
Dukaat, wijdverspreide goudmunt, ter innerlijke waarde
van ongeveer 5 gl. 60 ct.
Dukdélven, zware aaneengeklonken palen in het water
ter vastlegging van de schepen.
dulce domum, het zoete tehuis.
dulce est decipere in loco, \'t is zoet van pas vroolijk te zjjn. dulce et decórum est pro patria móri, zoet en eervol
is het, voor het vaderland te sterven.
dülces reminfscltur Argos, hy herinnert zich het zoete
Argos (het lieve vaderland).
dulcifieeren, verzoeten, zoet maken. [chote).
Dulcinéa, beminde, liefje (eig. de beminde van Don Q.ui-dum vivimus, vivamus, laat ons leven, zoolang wy leven. Duo, dubbelstuk, dubbelspel, muziekstuk voor 2 personen, duodecimaal (systeem), twaalftallig (stelsel).
Duodecimo, boekformaat, waarby het vel in 12 gedeelten verdeeld wordt en 24 bladzyden opeen vel komen (12o). Dupe, bedrogene; bloed, sukkel.
dupeeren, bedriegen, misleiden, beet hebben.
Duperle, bedriegery, foppery; (ook-.) afzettery.
dupleeren, verdubbelen.
duplex, tweevoudig, dubbel.
Duplicaat, iets dubbels, dubbel afschrift van eenc acte,
eene qmtantie, eenc wissel enz.
dupliceeren, een tweede antwoord geven ; op de repliek antwoorden. (valschheid.
Dupliciteit, dubbelheid; dubbelhartigheid, onoprechtheid. Dupliek, tweede verweerschrift, tegenautwoord op eene Duplum, het dubbele; z. in duplo. (repliek,
durabel. duurzaam, blyvend, sterk.
Durabiliteit, duurzaamheid, bestendigheid.
Dura lex, sed lex, wel is de wet hard, maar het is nu
eenmaal de wet.
Dureté, hardheid, gruwzaamheid, beleediging.
Dust, stof, vuilnis.
dutch, hollandsch, ncderlandsch.
Dutchman, Hollander.
Duty, plicht, dienst, te betalen recht, belasting. Duümviraat, tweemanschap, twee te gelykregeerende personen (Diumvir).
Dux, aanvoerder, hertog.
Dweiling, woning, woonplaats.
Dyarchie—eblouisseeren 159
Dyarchie, dubbelheerschappg, regeering van twee vorsten op denzelfden troon, zooals in \'toude Sparta.
Dyas, tweetal, paar.
Dynameter, vergrootingsmeter. (tenleer.
Dynamiek, Dynómica, leer der bewegende krachten, krach-
dynamiek, dynamisch, veel vermogen uitoefenend, zelf-kraclitig, vrijwerkend; de krachtenleer betreffend; dynamische electriciteit, z. onder Electriciteit.
Dynamométer, kracht-, zwaartemeter.
Dynast, machthebber, heerscher, heer des lands.
Dynastie, volgry van regeerende vorsten uit hetzelfde geslacht, regeerende vorstenfamilie.
Dyscrasie, slechte vochtmenging, bloedbederf.
Dysenterie, persloop, roode loop.
Dyspathie, wonderlijkheid van een zieke.
Dyspepsie, slechte of moeilyke spijsvertering.
E.
E. = Eminentie, Excellentie (z. die woorden).
e. c. = exempli causa, e. g. = exempli gratia, bjj
voorbeeld. (ten.
E. M. = Edelmogende, vroeger de titel der Generale Sta-e. 0. = ex officio, (z. dat woord).
Esq. = Esquire (z. aid.)
etc. = et cetera, en zoo voort.
Eagle, adelaar, Noord-Vmerikaansclie gouden munt van
10 dollars = 25 gulden.
Earl, graaf (Engelsche titel).
Earth, aarde.
Eau, water; eau des carmes. melissen- of karmelietenwater; eau de Cologne, Keulsch water, een bekend reukwater; eau de lavande, lavendelwater; eau de mille fleurs, duizendbloemenwater ; eau de la reine, koninginnewater (verbasterd tot l o d e r e i n). Ebauche, schets, ontwerp; eerste proeve.
ebaucheeren, schetsen, vluchtig ontwerpen.
Ebenist, kunstwerker in ebbenhout; schrijnwerker. eblouis«eeren, verblinden j verbazen, verbluffen.
i6o ebranleeren—eclaireeren
ebranleeren, doen waggelen; (fig.) besluiteloos maken. Ebullitie, opwelling, opborreling feener vloeistof door de
hitte), het koken ; uitslag van blaartjes op do huid. Ecaille, schub; op schubben gelijkend schilderwerk op Ecarlate, scharlakenrood. (porselein.
Ecarté, zeker kaartspel tusschen twee personen met 32 kaarten.
ecarteeren, verwyderen; verstrooien; eene of meer kaarten ter zyde leggen, om daarvoor andere te ontvangen, écce, zie; écce homo! ziedaar den mensch! aanschouw den mensch! zie, welk een mensch! een Ecce homo, beeld des Heilands met doornen gekroond.
Ecclésia, de kerk.
Ecclésiastiek, kerkleer.
ecclesiastisch, kerkelijk.
Echafaud, schavot.
echampeeren, door licht en schaduw als van den grond
losmaken of doen uitkomen (by schilders).
Echénge, wissel, ruiling.
echangeeren, ruilen, wisselen; uitwisselen, verwisselen. Echantillón, staaltje, proef, monster. [graveurs).
Echappéde, ontsnapte fout, overijling; valsche snede (by echappeeren, wegloopen, ontsnappen, ontvluchten. Echappement, ontsnapping, ontvluchting; (in uurwerken:) haakrad, schakelrad, cylinderrad; de onrust met hare spiraalveer.
Echarpe, sjerp, lyfgordel; ambts of eeregordel.
echauffeeren, verhitten, toornig worden.
Echauffement, verhitting.
Echeénce, vervaltijd eens wissels.
Echéc, schaak; stoot, slag, schade; en echec houden,
den vyand in de klem, in werkeloosheid houden. Echélle, toonladder; échelles, handel- en stapelplaats in de Levant.
echelonsgewijs, laddervormig, sportsgewys, d. i. in kleine
op elkander volgende troepcnafdeelingen (bv. oprukken). Echinus, zeecgel; sieraad aan Ionische zuilen.
Echiquier, schaakbord.
Echo, weerklank, klankterugkaatsing.
echoueeren, schipbreuk lyden ; niet slagen, eclaircisseeren, helder maken; ophelderen, inlichten, eclaireeren, verlichten.
Eclaireur—Ecuyer i6t
Eclaireur, veldontdekker of -verkenner, scherpaclimter. Eclat, glans: opzien, gedruisch; éclat maken, opzien,opschudding baren.
eclatant, schitterend; opzienbarend, wereldkundig, eclateeren, ruchtbaar worden, aan den dag komen. Eclecticisme, schiftende wijsbegeerte.
Eclécticus, schiftend wijsgeer, die uit alle stelsels overneemt wat hem goed voorkomt.
ecléctisch, uitkiezend, schiftend, onderzoekend.
Eclips, verduistering (van een hemellichaam door een ander); (fig.) verdwgning. (voeten maken,
eclipseeren, verduisteren; (fig.) verdwgnen, zich uit de Ecliptica, zonneweg, dierenriem.
Eclóge, herderszang, veldlied, landelyk gedicht, idylle. Ecole, school; école de médicine, hoogeschool voor aanstaande artsen; école militaire, militaire academie; école vétérinaire, veeartsenijschool.
e continenti, dadelijk, onmiddellijk.
Ecrasé, wijde danspas.
Ecstése, geestvervoering, opgewondenheid, verrukking, ecstasiëeren, verrukken, in verrukking brengen; geëc-stasiëerd of en ecstase zijn, in verrukking, buiten zich zei ven z\\jn.
Economie, huishoudkunde; landhuishoudkunde; spaarzaamheid; (ook:) doelmatige inrichting.
económisch, huishoudkundig; huishoudelijk, zuinig. Economist, staathuishoudkundige.
Econoom, spaarzaam mensch.
e contrario, integendeel.
ecorcheeren, villen, afstroopen; een onredelyken prys
vorderen, overvragen, snijden; radbraken (eene taal). Ecossaise, schotsche dans.
ecoutez l hoor(t) eens! luister(t)!
ecraseeren, verpletteren, verbrijzelen, vernietigen. Ecritoire, schryfbak met inkt, pennen, lak enz.
Ecritures, geschriften, brieven.
Ecu, Fransche daalder of kroon = 3 francs.
Ecume de mer, meerschuim.
Ecumeur, schuimer, schuimlooper, pannelikker; zeeroo-
ver, vrijbuiter, zeeschuimer.
Ecurie, paardenstal.
Ecuyer, stalmeester.
ELFDE DRUK. ii
i62 Edaciteit—Effeminatie
Edaciteit, vraatzucht.
edax, vraatzuchtig.
Ed\'da, (eig. stammoeder) het godsdienstboek der oude
Scandinavische volken van Germaansche afkomst. Eddy-water, kielwater.
éde, b(be, lüde! eet, drink, speel!
E\'den, paradijs, lusthof; vreugdegenot.
Edict, landsverordening, vorstelgk bevelschrift.
edictéle citétie, gerechtelyke openbare dagvaarding, edifiant, stichtelyk.
Editeur, editor, uitgever (van boekwerken).
Editie, uitgave, druk (van een boek); (ook:) gerechtelijke
voorlegging en mededeeling.
Edition de luxe, prachtuitgave.
Editio princeps, de oorspronkelyke uitgave.
Educétie, opvoeding.
Educt, uittreksel; stof die uit een lichaam als reeds voorhanden bestanddeel daarvan wordt afgescheiden. Edulcoratie, de verzoeting, zoetmaking.
Eduliën, eetwaren.
e(x) duóbis mélis, minimum elfgere opórtet (eligéndum
est), van twee kwade dingen moet men het minste kiezen.
Eféndi, Turksch staatsdienaar, rechtsgeleerde ; Reis [re-is] efendi, de Turksche rijkskanselier en minister van bui-tenlandsche zaken.
effaceeren, uitwisschen, uitvegen; doorhalen; (fig.) zich e., zich uit nederigheid terugtrekken ; (by \'t schermen :) aan \'t lichaam zoo weinig voorvlakte als mogelyk geven. Efféct, uitwerking, gevolg; (ook:) staatspapier, landsschuld-
brief; z. effecten.
effaceeren, uitwisschen, uitvegen, doorhalen.
effareeren, doen ontstellen, verbluft maken.
Effécten, goederen, vermogen, have ; wissels ; (ook -.) staats-
effecten, staatsschuldbrieven.
effectief, werkelijk, wezenlyk, waavlyk: de effectieve sterkte van een leger, de werkelyk onder de wapens staande of dienstdoende manschappen.
Effectief, werkelyk aanwezige hoeveelheid (van geld enz.,
van dienstdoende manschappen),
effectueeren, uitvoeren, volvoeren; verwezenlijken. Effeminatie, verwyfdheid, verweekelyking.
effetnineeren—elargeeren 163
effemineeren, verwyfd of weekelijk maken, verwennen. Effervescentie, het opbruisen.
Efficaciteit, krachtwerking; werkzaamheid, nadruk, kracht. Effigies, beeltenis; in effigie, in beeltenis.
effleureeren, de oppervlakte licht aanraken; oppervlakkig, als ter loops behandelen, licht overheen loopen efforceeren (zich), zich beyveren, inspannen.
Effórt, poging, inspanning, moeite, het streven, effrayeeren, verschrikken, angst en vrees aanjagen. Effronterie, onbeschaamdheid, driestheid.
egaal, gelgk; eenerlei, onverschillig, om \'teven, egaleeren, gelyken, passen.
Egalisatie, vereffening, gelykmaking.
egaliseeren, vereffenen, geiyk maken Egaliteit (fr. Egalité), gelijkheid.
Egérd, aanzien, achting; inschikkelykheid, voorkomendheid Egarement, verwarring; verstrooiing, verstrooidheid. Egest, uitvloeisel.
Egestie, ontlasting, afvoering (door den stoelgang). Egg, ei.
égo, ik.
Egoïsme, zelfzucht, baatzuchtige denkwys.
Egoïst, zelfzuchtig persoon, eigenbelangzoeker, egoïstisch, zelfzuchtig, eigenbatig, eigenbelangzoekend, egorgeeren, de keel, den hals afsnyden, ombrengen; te eh bién I welaan! welnu! (gronde richten
Eidograaf, beeldteekenaar (eene copiëer-machine). Ejaculétie, uitspuiting, uitwerping: (fig.) schietgeb Ejalet, Turksch stadhouderschap.
Ejectie, gewelddadige verwydering.
ejüsdem, van dezelfde (maand, dag enz.)
ejüsdem farlnae, van hetzelfde slag, — soort.
Elaborétie, uitwerking, afwerking, zorgvuldige bearbeiding en volmaking van een werk.
Elaïne, oliestof in vet.
Elaïometer, oliemeter (werktuig).
elanceeren, snel voorwaarts bewegen, toeschieten; ge-elanceerd, slank, dunlyvig (van paarden enz.); ranken mager, langlendig «van menschen); hoog- en dun-stammig (van hoornen).
elapso témpore, na afloop van den termyn.
elargeeren, uitstrekken, uitbreiden.
164 Elasticiteit—elementair
Elasticiteit, veerkracht, span- of springkracht.
elastiek, elóstisch, veerkrachtig.
Elastiekje, rekbaar bandje (aan handschoenen enz.) Elaterometer, spankrachtmeter der dampen.
Eldorédo, fabelachtig goudland, luilekkerland.
Eléctie, keus, verkiezing, keur ; electie-recht, kiesgerech-Eléctor (fr. Electeur), kiezer, keurvorst. (tigdheid.
Electoraat, de waardigheid van keurvorst; (ook:) van kiezer ; het keurvorstendom.
Electriciteit, barnsteenkracht, bliksem- of wrijfvuurkracht, trilkracht; positieve en negatieve e., of plus- en mi-nus-e. ( e. en — e), glas-electriciteit en hars-electri-citeit; statische en dynamische e., de electrieke vloeistof in rust en in beweging.
electriek, eléctrisch, electriciteit bezittende, bliksemend, electriseeren, electriciteit opwekken ofmededeelen ;(ook:)
onverwachts schokken, vrooiyk verrassen, aanvuren. Electriseermachine, wryfvuurwerktuig ter opwekking en
mededeeling van electriciteit.
Eléctro-magnétische telegraaf, eene uitvinding van onze eeuw, door »velke langs metaaldraad op eene verbazend snelle wyze berichten worden overgebracht. Eléctro-magnetisme, de in nieuweren tgd ontdekte samenhang van de electrische en magnetische verschijnselen, en de leer van de wederzijdsche werking van de electriciteit en het magnetisme op elkander. Electrometer, electriciteitmeter.
Electromótor, electriciteitopwekker.
Electrotherapie, behandeling van ziekten door electriciteit. elegónt, sierlijk, smaakvol, aanvallig.
Elegant, modegek, pronker.
Elegantie, sierlykheid, netheid, aanvalligheid.
Elegie, klaaglied, treurdicht.
elégisch, treurig, klagend, weemoedig.
Element, hoofd- of grondstof, grondbestanddeel; middel-stof, waarin het dier leeft; (ook:) werk, werkkring, sfeer, de plaats of de zaak, die iemand het best lykt, die hy \'t meest bemint-, hij is in zijn e., hij is recht in zyn nopjes, voelt zich thuis, staat waar hg wezen wil, doet wat hem \'t liefst is.
elementair, grondstoffelyk; de eerste gronden of beginselen betreffende ; elementaire scholen, lagere scholen.
Eleménten—Elysium 165
Eleménten, (in \'t gemeene leven:) lucht, water, vuur en aarde; (in de wetenschap:) de enkelvoudige, niet ont-leedbarc hestanddeelen der stof; (ook:) de eerste gronden eener wetenschap.
Elephantiasis, knobbelachtige nielaatschheid, olifantsziektc. Elevatie, verheffing, verhooging; hoogte, verhevenheid. Elevator, stoom- of hydraulisch hyschtoestel; ook ascen* Elève, kweekeling, leerling. (seur, hoist of lift.
eleveeren, verheffen, verhoogen ; (ook :) opvoeden, opkwee-ken, grootbrengen; het protest e., een geprotesteer-den wissel met de eerste post laten terugloopen.
Elfen, kleine rondzwervende (goede of boozc) geesten uit
de Noordsche mythologie, aardgeesten.
elideeren, uitlaten,wegwerpen,bv. eene letter uit een woord, eligeeren, uitkiezen, uitlezen.
eligibel, kiesbaar, verkiesbaar.
Eliminatie, uitdrijving, uitwerping; inz. (in de algebra:) het verdrijven van eene in onderscheiden vergeiykingen voorkomende grootheid; (ook :) doorschrapping, elimineeren, uitwerpen, verdryven, vgl. eliminatie. EKsie, wegwerping, uitlating (bv. eener letter).
EKte, keur, kern, uitgelezen gedeelte van iets.
Elixir, aftreksel, geneesdrank, versterkingsmiddel.
Ellips of Ellfpsie, langwerpig rond, kegclsnede-lyn; weglating van een of meer woorden in een zin.
elliptisch, langwerpig rond; by wyze van uitlating.
Elms of Elmusvuur (Sint-), lichtglans, electrisch verschijnsel in de gedaante van vlammetjes aan hooge en spitse voorwerpen.
Elóge, lofrede, lofspraak, lofschrift.
Eloignement, vervreemding.
eloquént, welbespraakt, welsprekend.
Eloquéntie, wolsprekendheid.
Elu, verkozene, uitverkorene.
Elucidétie, toelichting, opheldering; inlichting. Elucubratie, een geleerd (inz. des nachts bearbeid) werk. eludeeren, ontwijken, ontduiken; verijdelen, misleiden. Elüsie, verijdeling; uitvlucht, misleiding, streek.
elusief, verijdelend, ontwijkend.
Elysium of elyzeesche (liever: elysische) velden, het land der zaligen, de hemel der Ouden; verrukkelijk verblyf.
166 elyzisch—Embranchement
elyzisch, elyzeesch, bekoorlgk, licerlyk, genotrijk. Elzeviers, naam van zeer schoone voortbrengselen der
drukpers, zijnde grootendeels classieke werken, emacereeren, uitmergelen, afmatten.
Email, smeltglas, brand verf, glazuur.
emailleeren, met email overdekken, brandschilderen. Emanatie, uitvloeiing, onzichtbare uitstrooming. Emanatie-stelsel, —systeem, leer van de uitvloeiing of bet ontstaan aller dingen uit een enkel of grondwezen. Emancipatie, vrglating, ontslag, vrijverklaring (van slaven, lijfeigenen); toekenning van gelijke rechten en aanspraken ; mondig- of meerderjarig-verklaring, handlichting, ontheffing van vroeger bestaande beperkingen, emancipeeren, vrijmaken, van 1 ijfeigenschap enz. ontheffen, van burgerlijke of kerkelijke beperkingen ontslaan ; zich emancipeeren, zich van belemmeringen bevrijden; zich te veel veroorloven. (gaa».
emaneeren, uitvloeien, uitgaan; afkomstig zijn; doen uit-Emballage, Emballeering, in-, verpakking, omwikkeling,
al wat tot het inpakken dient; pak- of bindloon, emballeeren, inpakken, omwikkelen.
Embarcadére, aanlegplaats, hoofd, steiger; plaats, waaide spoortreinen passagiers en goederen opnemen en afzetten (ook débarcadère gcheeten), station.
Embargo, beslag of arrest op schepen of koopmansgoed,
havenversperring.
embarilleeren, in fust of vaten pakken.
embarqueeren, inschepen, laden.
Embarquement, inscheping; het scheepgaan.
Embarrés, verwarring, verlegenheid ; belemmering, embarrasseeren, in verlegenheid brengen, hinderen.\' embaucheeren, listig in zijn dienst of te werk stellen,
met list aanwerven.
Embleem, Embléma, zinnebeeld.
emblematisch, zinnebeeldig.
Embonpoint, lijvigheid, gezetheid, gevuldheid deslichaams. Embouchure, mond van eene rivier, van een kanon enz.; mondstuk, blaasgat van eene fluit enz.; een goede e. hebben, een blaasinstrument wel aanzetten, en zuiver bespelen of blazen.
embourseeren, in de beurs of den zak steken, zakken. Embranchement, vertakking; verbinding der balken.
embraseeren—Emphyteusis 167
embraseeren, in braud steken, in vlam zetten.
embrasseeren, omarmen, omhelzen.
embrocheeren, aan \'t spit steken; (fig.) aan den degen
rygen, doorsteken.
embrouilleeren, in de war brengen, verward maken. Em\'bryo, dier- of mensehenkiem, wordende licliaamsvrucht, Embuscade, hinderlaag.
Emendótie, verbetering, inz. van geschriften, emendeeren, verbeteren, te recht brengen.
Emeritaat, ambtsrust met pensioen.
Eméritus, uitgediend, rustend ambtenaar, rustend predikant met behoud der jaarwedde.
Emersie, het zichtbaar worden eener ster.
Eméticum, braakmiddel.
Emeute, oploop, dreigende volksbeweging.
Emigrént, Emigré, uitgewekene, zyn vaderland ontvluchtend of ontvlucht persoon.
Emigrétie, uitwyking, verlating van het vaderland, emigreeren, het land verlaten, uitweken.
eminent, uitstekend, voortrefFelyk, uitmuntend. Eminéntie, verhevenheid; titel der kardinalen. Em(r, Arabisch vorst, krijgsbevelhebber en stadhouder. Emissaire, eene heimelyk uitgezondene, kondschapper, spion. (pakhuis of magazyn.
Emmagasinage, berging, bewaring of het opslaan in een emmagasineeren, in een magazyn of pakhuis opslaan, emmeubleeren, van huisraad of meubelen voorzien. Emmeublement, het meubeleeren.
emolliëeren, zacht of week maken.
Emolument, byinkomsten, buitenkansjes.
Emótie, gemoedsbeweging; (ook :) volksgisting. Emouchétte, vliegennet over paarden.
Emoveeren, wegruimen; verdryven; ter zyde stellen, empailleeren, in stroo wikkelen ; met stroo opvullen, empaieeren, spietsen ; een paal insteken.
empaqueteeren, inpakken, omwikkelen.
Empêchement, verhindering, hindernis, beletsel. Empereur, keizer.
Emphase, nadruk, klem in lezen en spreken ; ophef, emphótisch, nadrukkelyk, krachtvol; met ophef. Emphyseem, luchtgezwel.
Emphyteusis, erfpacht,
168 empiëteeren—encadreeren
empiëteeren, afbreuk doen, iets afnemen (bv. aan iemands
grond); inbreuk maken (bv. op iemands recht).
Empire, keizerrijk.
Empiricus, Empirist, ervaringsman, inz. een arts, die zync
kennis alleen aan de ondervinding ontleent.
Empirie, ervaringsleer, ervaring.
empirisch, volgens de ervaring; empirische wetenschappen, zulke, die hoofdzakelyk op waarneming berusten, zooals natuurkunde enz.
Empirisme, een enkel op ondervinding gegronde kennis,
liet nemen van de ervaring tot eenig richtsnoer. Emplacement, bouwplaats, bestemde plaats voor een gebouw, tuin enz.
Emplastrum, pleister.
Emplétte, koop, inkoop (van min belangrijke voorwerpen);
emplettes maken, inkoopen.
Emploi, emplooi, ambt, dienst, aanstelling, plaats, employeeren, aanwenden, aanstellen, verzorgen; geëmployeerde, employé, aangestelde, beambte, ambtenaar, emplumeeren, van veeren of pennen voorzien (bv. een empocheeren, in den zak steken, zakken. [klavier),
emporium, handelsstad, stapelplaats; markt.
emporteeren (zich), zich driftig maken, uitvaren. Empreinte, indruk, stempel, afdruk.
empresseeren (zich), zich beijveren, haasten. (heid. Empressement, yver, dienstyver, werkzaamheid, bedrgvig-Emprünt, leening; e. forcé, gedwongen leening. empyréïsch, hemelseh.
Empyréum, vcrblyfplaats der zaligen.
Emtio, koop, aankoop.
Emulétie, najjver, wedijver.
emuleeren, wedyveren.
Emulsie, plantenmelk, zaadmelk, amandelmelk enz. Enaks-kinderen, menschen van reusachtige gestalte, reuzen. Enallage, verwisseling van rededeelen.
en avónt! voorwaarts!
en badinant, schertsend, uit scherts.
en bagatelle, geringschattend, met minachting, (blanco, en blanc, (bjj kooplieden:) oningevuld, opengelaten, in en bloc, by den hoop, by den roes, ongeteld, ongewogen,
voetstoots (iets koopen of verkoopen).
encadreeren, in eene lijst zetten; insluiten, omvatten.
encanailleeren—Endossement 169
encanailleeren (zich), zich met verachtelijke menschen
gemeenzaam maken.
Encaustiek, schilderwerk met inbranding der kleuren. Enceinte, omwalling, wal; omvang.
enchameeren, met elkander verbinden, aaneenschakelen. Enchamement, aaneenschakeling.
enchanteeren, betooveren, verrukken, bekoren.
en chef, als opperhoofd, aanvoerder.
^ Ench(e)indion, handboek, -je; dolk.
Enclave, door vreemd gebied ingesloten land, omsloten grond.
enclaveeren, omsluiten, insluiten.
encoffreeren, in een kast of koffer sluiten, opsluiten, encombreeren, versperren (met puin, rgtuigen enz.); overladen (bv. een schip).
Emcombrement, versperring (door puin enz.), verstopping; belemmering, verhindering.
en comparaison, in vergelyking.
encóre! nog eens! nogmaals!
en corps, gezamenlyk.
encourageeren, aanmoedigen, aanwakkeren. Encouragement, aanmoediging, opwekking.
Encyclica, encycliek, rondgaande brief, circulaire, inz.
van den paus aan de bisschoppen.
encyclisch, in een cirkel omloopend.
Encyclopedie, kort begrip van alle kunsten en wetenschappen ; algemeen zaakwoordenboek.
encyclopédisch, algemeen wetenschappelijk. Encyclopedisten, bewerkers der groote Fr. encyclopedie
der vorige eeuw, inz. Diderot en d\'Alembert.
Endémie, heerschende volks- of landsziekte.
endémisch, inheemsch, plaatselijk, inz. van ziekten, en depöt, in bewaring; ten verkoop toebetrouwd. en deshabillé, in huisgewaad, in ochtendkleeding. en detail, in \'t klein (verkoopen); in bijzonderheden (verhalen).
Endosmóse, het doorzweeten van sappen door cellen. Endossént, (indossant), overdrager van een wissel op een ander.
endosseeren, (indosseeren), een wissel door een opschrift
aan zjjne keerzijde aan een ander overdragen. Endossement, (Indossement of Indósso), het overdragen
^ \'
170 en échec—en haie
van een wissel op een ander, door dien wissel aan de keerzgde over te teekenen.
en échec, schaak; in vrees (houden enz.)
en effet, inderdaad.
Energie, hooge graad van werkkracht, nadruk, klem. enérgisch, krachtdadig, nadrukkclyk.
enerveeren, ontzenuwen, verzwakken, uitmergelen, en espèces, in klinkende munt.
en état, in staat.
en face, van voren; vlak tegenover.
en familie, in den kring des huisgezins, der familie.
Enfant chéri, lieveling.
Enfant gaté, bedorven kind.
Enfünts perdüs, vooropgeplaatste, aan het grootste gevaar blootgestelde manschappen; waaghalzen.
Enfant terrible, praatachtig kind, dat door oververtellen van hetgeen hg gezien en gehoord heeft, verlegenheid doet ontstaan; iemand die door ondoordachte uitingen andere leden van het gezelschap compromitteert of angst Enfant trouvé, vondeling. (aanjaagt.,
en faveur, ten gunste, — believen van.
enfileeren, een draad insteken; aanrggen (bv. koralen);
verstrikken, inwikkelen ; overlangs niet kanon bestrgken. enfin, eindelgk, ten slotte, in \'t kort.
enfonceeren, in den grond drgven; den bodem inslaan;
openloopen (bv. eene deur, poort); verzinken, enforceeren, versterken, sterker maken.
en frónt, van voren, vooraan, op den voorgrond; vlak tegenover. (kend.
engageant, verplichtend; innemend;aantrekkelgk,uitlok-engageeren, verpanden, tot pand geven; verbinden, verplichten; uitnoodigen, aansporen, bewegen, in dienst nemen; zich e., zich tot iets verbinden ; in dienst treden ; zgne hand toezeggen.
Engagement, verbintenis; dienst; aangenomen plicht;
verloving, verkeering, minnarg, vrgage.
en galamp;, in feestgewaad, in \'t beste pak.
en général, in het algemeen.
en grande tenue, in \'t beste pak, in feestgewaad; in parade-uniform, in groot tenu.
en gro?» in het groot; naar raming.
en naie, in twee rgen, op dubbele rjjen.
enigmatisch—ense 171
enigmatisch, raadselachtig, dubbelzinnig.
enivreeren, dronken maken; verblinden.
Enjeu, inzet.
Enkratie, onthoudzaamheid, matigheid.
en ligne, in linie.
en losange, ruitvormig.
enlumineeren, met kleuren afzetten of dekken, en maitre, meesterlijk; (ook:) meesterachtig.
en masque, vermomd, gemaskerd.
en masse, in menigte.
en miniature, in het klein.
ennuyant, vervelend.
ennuyeeren, vervelen; lastig worden.
Enodatie, ontknooping, oplossing.
en ordre, in orde.
enórm, overmatig, ontzettend, verbazend; afschuwelijk. Enormiteit, buitenmatigheid, gedrochtelijke grootte ; snoodheid, allerschandelykste daad, ongehoord iets. en particulier, in \'t bgzonder; afzonderlyk; (ook;) als particulier.
en passant, in \'t voorbijgaan, vluchtig, ter loops, en peine, in verlegenheid.
en privé, als particulier.
en profil, van ter zgde gezien.
en quatre, in (of aan) vieren; zich voor iemand en qua-tre stellen, al het mogelijke voor iemand doen, iemands verdediging opnemen.
en question, (de zaak) waarvan sprake is, i n q u a e s t i e. Enquête, gerechtelyk onderzoek in burgerlijke zaken ; parlementaire —, onderzoek door eene commissie uit de Tweede Kamer.
en rageeren, razend worden, vertoornen.
en regard, ten opzichte; uit achting; ook op de nevens-
staande bladzyde, er naast.
en règle, volgens den regel, in orde.
en retard, ten achteren, achterlijk, in gebreke, en retraite, op pensioen gesteld.
enröleeren, op de rol schrijven; aanwerven.
Enröleering, inschrijving tot den krijgsdienst, en roturier, burgerlijk, als burger volkje, gemeen, en route, op weg, onderweg.
ense et aratro, met zwaard en ploeg.
172 Ensémble—Entrefilet
Ensémble, liet gezamenlyke, alles bgeeu; bet gelieel;
e.-stukken, de meer dan vierstemmige zangstukken der en suite, achter elkander. (opera\'s,
en suspens, in twijfel, in \'tonzeker, besluiteloos, (men. Entablement, rollaag en architraaf, fries en kornis te za-entameeren, aanvangen, op de baan brengen (bv. eene onderhandeling); aanknoopen (een gesprek); aansnijden, entasseeren, opeenhoopen, opeenstapelen.
Entelechie, onafgebroken werkzaamheid, inz. der ziel. Enténte, zin, beteekenis (van een woord, een gezegde), verstandhouding; entente cordiale, hartelijke, goede verstandhouding (inz. in de staatkunde).
Enteritis, darmontsteking. (iets staan,
entéteeren (zich), zich in \'t hoofd zetten, eigenzinnig op Enthustésme geestverrukking, ontvlamde verbeelding, verrukking, geestdrift, dweperjj.
enthusiésmeeren, ontvlammen, in gloed zetten. Enthusiast, hartstochtelijk bewonderaar of y veraar; mensch
vol geestdrift, dweper; bruisend hoofd.
Entiteit, wezenlijkheid, het werkelijk bestaan. Entomologie, insectenkunde, kerfdierenleer.
Entomoloog, insectenkundige, kerfdierenkenner.
Entonie, spanning.
Entonnoir, trechter; sluis.
entortilleeren, ontstrikken, ontwikkelen, ontwarren. Entourage, omgeving.
entoureeren, omgeven, omringen, insluiten.
en tout, in alles, alles samengenomen.
en tout cas, in elk geval, wat er ook gebeure. En-tout-cas (antoeka), groote parasol, die desnoods ook
als paraplu kan dienst doen.
Entr\'acte, tusschenbedrijf, kleine door muziek aangevulde pauze tusschen de bedrijven van een tooneelvoorstelen train, in gang, in vollen gang, druk bezig. (ling, entraineeren, meesleepen, wegvoeren,
entre chien et loup, in de schemering.
Entre-deux, middelstuk, tusschenwand; (ook als bijwoord)
tusschenbeide, middelmatig.
Entree, ingang, toegang; intreegeld; voorgerecht. Entree-biljet, toegangkaartje.
Entrefilet, kort artikel, kleine mededeeling in dagbladen (van de redactie afkomstig).
Entregent—epenthetisch 17 3
Entregent, welgemanierdheid, inz. tegenover dames.
Entremets, tusschengereclit, tussclienschotel.
Entremetteur, bemiddelaar, onderliandelaar.
Entremise, bemiddeling, tussclienkomst.
entre nous, tusschen ons, in vertrouwen.
Entrepöt, pakhuis, magazyn; stapelplaats.
entrepreneeren, ondernemen.
Entrepreneur, ondernemer; aannemer.
Entreprfse, onderneming.
entre quatre yeux, onder vier oogen.
Entresol, tusschenverdieping; insteekkamertje. (schaffen.
entreteneeren, onderhouden, verzorgen, onderhoud ver-
Entretenue, byzit, gekamerd meisje.
Entretien, onderhoud.
Entrevüe, samenkomst, byeenkomst; gesprek, onderhoud. Entrez! treed binnen! ga voor 1
Enumeratie, optelling, opsomming. (rekenen,
enumereeren, opsommen, stuk voor stuk opnoemen; be-enunceeren, enunciëeren, uitdrukken, verklaren; verkondigen.
Enunciétie, vermelding, gewagmaking; verklaring, bekendmaking, verkondiging; (ook :) uitspraak, voordracht, en veine zijn, opgewekt, gunstig gestemd tot dit of dat
werk zyn, recht op zyn dreef zjjn.
Envelóppe, omslag, omhulsel.
enveloppeeren, omwikkelen, omhullen, inwikkelen, en vénté, in waarheid, waarachtig.
Envérs, keerzijde, verkeerde zjjde; linkerzyde.
Enviróns, omstreken, omgelegen land.
en vógue, in zwang, in de mode, in trek, gewild. Envoyé, afgevaardigde, gezant van den tweeden rang. eodem die, op denzelfden dag.
eo ipso, juist daardoor, vanzelf*
Epécten (lat. épacta), inlaschdagen; maansouderdom by
\'t begin des jaars.
Epagneul, kwartelhond.
Epérgne, zuinigheid; spaarpenning.
Epaulement, verschansing van opgeworpen aarde, zandzakken, schanskorven enz.
Epaulet, —te, schouderbelegsel eens krygsmans.
Epée, degen.
epenthetisch, ingeschoven, ingelaschf
i74 ephemeer—Epistel
ephemeer, cphemérisch, éensdaags; kortstondig, voorhy-
gaand ; ephemeeren, diertjes, die éen dag leven. Ephemerfden, astronomische jaarboeken of tafels; dagbladen, tydschriften.
Epicedlon, treurzang by een lyk.
Epicerie, specery ; kruidenierswinkel.
Epicier, kruidenier, specery-koopman.
Epicüri de grége poreus, een zwijn uit de kudde van
Epicurus; (fig.) laag, verzinnelykt persoon.
epicürisch, zinnelyk, aan zingenot verslaafd, wellustig. Epicurisme, de neiging tot zinnelyklieid en wellust. Epicurist, zinnelyk menscb, wellusteling; lekkerbek. Epidemie, lands- of stadsziekte ; ook eene van buiten aangekomene, voor een zekeren tyd heerscbende, aan het land niet eigen ziekte.
epidémisch, heerpchend, rondgaand (van ziekten). Epidermis, opperhuid.
Epiglottis, het strotdeksel, keellelletje.
Epigonen, nakomelingen; inz. zy die geen nieuw tydvak openen, maar alleen het door hun voorgangers begon-nene voortzetten.
Epigraaf, opschrift, zinspreuk.
Epigrém, op-, bijschrift; korte zinrykespreuk ; inz.puntdicht, kort hekeldicht.
epigrammétisch, op de wyze van een epigram, kort en
zinryk; scherp, stekelig.
Epilepsie, vallende ziekte.
Epiloog, narede, slotrede, nawoord ; naspel.
epineus, moeilyk, netelig.
Epiphania, het Driekoningenfeest.
épisch, tot het heldendicht behoorend ; e. poëzie, helden
poëzie, de verhalende dichtsoort.
episcopaal, bisschoppelyk.
Episcopaat, bisdom; waardigheid eens bisschops. Episcopólen, aanhangers der bisschoppelyke Kerk in Engeland.
Episcopophobfe, vrees voor de invoering der bisschoppen. Episóde, tusschenrede, ingelasch verhaal, tusschenzang. episodisch, ingevlochten, ingelascht.
Epispésticum, trekpleister, trekmiddel.
epispéstisch, blaartrekkend; de ettering bevorderend. Epistel, brief, zendbrief; strafpredikatie.
Epithalamion—Eris 175
Epithalamion, bruiloftslied.
Epitéphium, grafschrift; grafsteen, tombe.
Epitheet (fr. Epithète, gr. Epftheton), byvoeglyk woord, toenaam; epitheton ornans, opperend bijvoeglyk naamwoord, ter verfraaiing der uitdrukking.
Epitome, kort uittreksel of begrip.
Epizoötie, veeziekte, veepest.
Epopée = Epos.
Epóque, tijdstip, tgdsnede, gedenktijd; epoque maken, zich zeiven of zyn tijd merkwaardig maken; groot opzien verwekken ; elks aandacht trekken.
E\'pos, heldendicht.
epouvantébel, ontzettend, verschrikkelijk; yselyk. Epouvantail, vogelverschrikker.
eprouveeren, op de proef stellen; ondervinden, ervaren. Epurétie, reiniging, zuivering, loutering.
epureeren, reinigen, zuiveren, louteren. (heb ik gelyk. e pur si muove! en toch draait zy (de aarde), d. i. toch Equatie, Equator, Equinoctium, enz., z. /Eq-. EquiKber, evenwicht.
Equilibrist, koorddanser, lichaamstoerenmaker.
Equipage, reistoestel ofbedienden, paarden, rytuigen enz.,
krygsuitrusting van een officier; scheepsbemanning. Équipement, uitrusting, inz. van een schip.
equipeeren, uitrusten, toerusten; bemannen.
Equitétie, het paardryden; de rykunst.
equivóque, dubbelzinnig, voor meer dan éene uitlegging
vatbaar; twijfelachtig.
Equivoque, dubbelzinnigheid; bedekte onzedelyke taal,
wulpsche woordspeling.
eradeeren, uitkrabben, uitdelgen.
E\'rato, de muze der minnezangen.
E\'rebus, onderwereld, doodenryk, hel.
Eréctie, oprichting; opbouwing, bouw; het overeind staan. Eremiet, z. Heremiet.
Eremitage, z. Hermitage.
érgo, dus, derhalve, gevolglijk.
ergoteeren, over elke kleinigheid twisten, haarklocven.
Erica, het heidekruid.
erigeeren, oprichten, grondvesten, stichten.
Erinnyen, wraakgodinnen. Furiën.
E\'ris, twist, de twistgodin; —tisch. twistziek.
176 Eristiek—Espagnoiétte
Eristiek, strijd- of twistkunst.
E\'ros, de god der liefde, Amor. (dichten,
erótisch, de liefde betreffend; erotische gedichten, minne-erratische rotsblokken, op de aardoppervlakte verspreid
liggende vreemdsoortige steenblokken.
Erratum, fout, zetfout (meerv. Erróta).
Erreur, dwaling, vergissing, fout, abuis. (baar.
Error non esHmputébilis, eene dwaling is niet toereken-Eructétie, oprisping (der maag).
eructeeren, oprispen.
Eruditie, geleerdheid.
Eruptie, uitbarsting (bv. van een vulkaan).
Escddre, Eskóder, vlootafdeeling, smaldeel.
Escadrón, ruiterschaar, compagnie ruiterg.
Escalade, beklimming.
escaladeeren, met stormladders beklimmen.
Escamotage, zakkenroller^.
escamoteeren, goochelkunstjes doen; uit den zak rollen,
wegmoffelen, kapen.
Escapade, valsche sprong van een paard; (fig.) onover-
legde, moedwillige streek, guitenstreek, valsche kuur. Escarpe, inwendige glooiing (bij vestingwerken). Escarplns, lichte schoenen, dansschoenen.
Eschatologie, de leer der laatste dingen.
Escoriaal, beter, maar minder gebruikelgk dan Escu-
riaal (z. aid.)
Escórte, bedekking, geleide, beschermend gevolg, escorteeren, begeleiden, onder bedekking of bescherming
uitgeleide doen.
Escouéde, afdeeling soldaten onder een korporaal. Escroc, fielt, oplichter.
Escroquerfe, fielterü, aftroggeling, oplichting.
Esculaap, de god der geneeskunst; geneesheer. Escuriaal, Spaansch koninklijk lustslot bg Madrid. E\'sito-waren, uitvoerwaren.
Eskader, z. Escadre.
esotérisch, enkel voor ingewgden; wetenschappelyk. Espadón, houwdegen; tweesnydend slagzwaard, espadonneeren, met den houwdegen vechten.
Espagnóle, Spaansche dans; Spaansche vrouw of meisje. Espagnoiétte, fijne wollen stof: fijn satijn; (ook:) draai-roede tot deur of venstersluiting; spanjolet.
Espalier—estimeeren 177
Espalier, latwerk of staketsel; leiboom, waaierhocm.
Espèce, soort; espèces, klinkende munt, specie.
Esperance, hoop. (streek.
Espièglerie, kinderlijke dartelheid, guitigheid, snaaksche
Esplanéde, vrqe, vlakke plaats voor groote gebouwen en vestingen, wandel-, exerceerplein.
Espressfvo, vol uitdrukking.
Esprit, geest, vernuft, scherpzinnigheid, verstand; wezen-Igkst bestanddeel, fijnst product der distillatie; esprit de corps, kameraadschappelijke geest, ingenomenheid met den geest, de denkbeelden enz. van een vereeni-ging, een kring waartoe men behoort; esprit de clo-cher, kleingeestige ingenomenheid met eigen woonplaats, kleinsteedschheid; esprit fort, vrygeest, vrijdenker; esprit public, algemeene denkwjjze, volksgeest.
Esquire, schilddrager; (weleer:) titel van een Engelsch edelman; nu ook van leder fatsoenlyk burger, zooveel als quot;Weledel heer (doorgaans achter den naam door Esq. uitgedrukt).
Essai, proef, proefneming, toets; staal; proeve (zedige naam, dien een schrijver vaak aan zyn werk geeft).
essayeeren, beproeven, toetsen (het gehalte).
Essayeur, beproever, toetser.
Essayist, schrijver van verhandelingen of tydschriftarti kelen.
Essens, Esséntie (fr. Essence), het wezen, de kracht, het geestrijke uit vruchten, kruiden enz., geest, spiritus.
essentiëel, wezenlijk, hoofdzakelijk ; volstrekt noodwendig; het essentiëele, het wezenlijke, de hoofdzaak, de ziel, de kern van iets.
Esse quam videri, liever iets zijn dan het te scbijnen.
Estacade, paalwerk, staketsel.
Estafétte, rijdende postbode; koerier, renbode.
Estaménto, de rijks- of statenvergadering; (pl. Estamén-tos), de beide Kamers der volksvertegenwoordiging in Spanje.
Estaminét,herberg, bierhuis, koffiehuis waar gerookt wordt.
Estampe, koperafdruk, kopergravure.
estimébel, achtenswaardig, lofwaardig.
Estimétie, schatting, waardeering; raming, begroeting.
Estfme, achting, hoogachting; gegist bestek op zee.
estimeeren, hoogachten ; schatten, waardeeren, begroeten ELFDE DRUK. 12
178 est modus—Etourdi
est modus in rebus, er is in alles eene maat, een Midden, alles heeft zgne maat en grens.
Estréde, verhoogde plaats in een vertrek, optred. Estrapéde, wipgalg; straf der wipgalg; wipsprong, wip-zwaai der kunstspringers; gelyktgdig steigeren en uitslaan der paarden; zgsprong, bokkesprong vaneen paard om zijn ruiter af te werpen; (fig.) kleine uitspatting, estropiëeren, verminken; kreupel —, stram maken, etablisseeren, grondvesten, vestigen; oprichten; zich e.,
zich nederzetten, vestigen.
Etablissement, vestiging (van een handelshuis enz.); grondlegging; nederzetting; inrichting; gesticht.
Etage, verdieping van een gebouw; bel étage, de eerate verdieping.
Étagère, nieuwerwetsch stuk huisraad, bestaande uit boven elkander geplaatste plankjes, om daarop sieraden of voorwerpen van dagelijksch gebruik te zetten. Etalage, het uitkramen van waren; tentoonstelling; ver-toonmaking; uitgestalde waren. (stallen,
etaleeren, uiteenleggen, uitspreiden; ten toon stellen,uit-Etalon, hengst, springhengst; standaardmaat, proefgewicht. etalonneeren, ijken.
Etépe, stapelplaats; proviandmagazijn voor doortrekkende troepen; marschproviand; plaats van overnachting ; nachtkwartier.
Etüt, staat, gesteldheid; Ijjat; overzicht; regiments-staf;
Etat-major, generale staf.
et caetera of cétera, en zoo voort.
Etend ue, uitgestrektheid, uitgebreidheid.
eterniseeren, vereeuwigen.
Ether, bovenlucht; fijne doorzichtige vloeistof, van sterken reuk en smaak.
ethérisch, tot den ether behoorend; hemelsch.
Ethiek, E\'thica, zedenleer, deugdenleer.
Ethnographfe, volkenbeschrijving.
et hoe genus omne, en alles van dien aard.
Ethologie, verhandeling over zeden en gewoonten. Etiquétte, aanhechtbriefje, prüsbrieQe, aangehecht strookje papier; hofgebruik; voorschrift der welvoeglgkheid; zeden, gewoonten en gebruiken aan hoven.
Etourderle, onbezonnenheid, domme streek.
Etourdl, onbezonnen knaap of mensch, wildzang.
Etranger—evangelisch 179
Etranger, vreemdeling.
Etrenne, handgeld; nieuwjaarsgeschenk.
et sic ceteris, en zoo van de rest.
Etude, studie; oefeningsstuk.
Etuf, koker, foedraal, scheede.
Etymologie, woordvorsching, woordafleiding.
etymológisch, wat de woordafleiding betreft, afleidkundig.
Etymoloog, Etymologist, woordafleidkundige.
Eubiotiek, gezondheidsleer.
Eucharistie, gewgde hostie, Avond-, Nachtmaal.
Eudaemonisme, gelukzaligheidsleer.
Eudiometer, luchtgehaltemeter, luchtzuiverheidsmeter.
Eudoxie, goede naam.
Euergeet, weldoener. (wensch.
Eulogie, verstandigheid in spreken en handelen; zegen-Eumenfden, plaaggeesten, wraakgodinnen, Furiën, eumórphisch, welgevormd.
Eunomle, welgeordende staatsinrichting. (een harem. Eunuch, gesnedene, ontmande, inz. als vrouwenopziener in Eupathie, welbevinden, genoeglgke stemming; (ook;) geduld, moed in Ijjden.
Euphemlsme, verzachtende, verschoonende uitdrukking, euphemfstisch, verschoonend, verzachtend, verbloemend. Euphonie, welluidendheid.
euphonisch, welluidend, welklinkend.
Euphrosyne, vreugde, vroolgkheid; de vreugdegeefster, euréka, ik heb gevonden.
Eustachiaansche buizen, de verbindingsbuizen tusschen
de trommelholte van het oor en de keel.
Eutérpe, de muze van het fluitspel.
Eutópia, vaak verkeerd gebruikt voor Utopia (z. aid.) Evacuétie, ontruiming, ontleding, ontlasting.
evacueeren, ontruimen, ledigen, ontlasten.
evageeren, schatten, waardeeren.
Evaluétie, schatting, waardeering, aanslag; bepaling der
muntwaarde naar gewicht en gehalte, koersbepaling. Evangélie, blijde tgding; het Nieuwe Testament; (flg.) onbetwijfelbare waarheid. (testantsche kerk. Evangelisatie, evangelieprediking; bekeering tot de Pro-evangélisch, met het evangelie of Jezus\' leer overeenstemmend, christelijk; (ook :) protestautsch; (fig.) ontwijfelbaar.
i8o Evangelist—exagereeren
Evangelist, een der vier evangeliescliruvera ; (ook ;) cvan-
gelie-verkondiger.
Evaporatie, ver-, uit-, afdamping; uitwaseming, evaporeeren, ver-, af-, uitdampen; uitwasemen; een ge-evaporeerd mensch, iemand vol wonderlijke grillen en inbeeldingen.
Evósie, ontwijking; uitvlucht, voorwendsel.
Evenement, uitkomst, afloop ; voorval, inz. gewichtige gebeurtenis.
Evening, avond.
Eventualiteit, mogelijk geval, gebeurlgkheid eventueel (lat. eventuóliter), als de gelegenheid zich opdoet, in voorkomend geval, mogelijk, gebeurlijk; even-tueele profijten, mogelijke, onzekere, niet te bepalen voordcelen of winsten. (stof.
E\'verlast (eng. Everlasting), lichte maar zeer sterke wollen Eversie, omverwerping, verwoesting.
evertueeren (zich), groote pogingen doen, alle krachten
te werk stellen, zyn best doen.
Evictie, borgtocht; gerechtelijke uitwinning.
evident, handtastelijk, klaarblijkelijk, zonneklaar. Evidéntie, handtastelijkheid, klaarblijkelijkheid.
evinceeren, overtuigen, bewijzen, staven; borgtocht stellen ; van \'t bezit ontzetten, uitwinnen.
eviteeren, vermijden, ontwijken, ontgaan.
Evolutie, ontwikkeling; zwenking (van troepen);bewegingen eener vloot op zee, zee-manoeuvre.
Evolutieleer, ontwikkelingsleer.
Evulsie, de uitrukking.
evviva, vivat, leve.
ex uit. (Bij naamwoorden, die daarmede samengesteld zijn, beteekent het gewoonlijk;) gewezen, voormalig,bv. ex-minister, voormalig minister.
ex abrüpto, plotseling, onverwacht.
exéct, stipt, nauwkeurig, juist; exacte wetenschappen, dezulke wier grondstellingen door ervaring bewezen zijn, de wis- en natuurkundige wetenschappen. Exactitude, nauwkeurigheid, stiptheid.
Exaequatie, gelijkmaking, vereffening.
ex ^equo et bóno, naar billijkheid.
Exageratie, Exaggeratie, overdrijving, vergrooting. exagereeren, exaggereeren, overdrijven, vergrooten.
Exaltados—exception abel 181
Exaltódos, naam der uiterste linkerzijde of der overspannen (democratische) politieke partg in Spanje. Exaltétie, geraoeds-, geestvervoering; opgewondenheid,
overspanning; overdrgving.
exalteeren, overprikkelen, hartstochtelijk opwekken, overspannen; verrukken; overdrijven, (den. Exémen, onderzoek, ondervraging (inz. naar bekwaaiuhe-Examinandus, wie een examen ondergaat.
Examinator, onderzoeker, ondervrager.
examineeren, onderzoeken; nauwkeurig beschouwen. Exanimatie, ontzieling, moedeloosheid.
exanimeeren, ontzielen; ontmoedigen, beangstigen, ex énimo, van harte; met opzet.
Exarticulétie, ontwrichting.
Exasperétie, verbittering ; verheffing (eener periodische
ziekte); kwaadwillige vergrooting.
Exaudi, naam van den Zondag vóór Pinksteren.
ex bene plécito, naar welgevallen.
ex cépite, uit het hoofd; op grond.
ex céthedra, van den preekstoel of \'t spreekgestoelte af (bv. beslissen) d. i. een pauselgke machtspreuk doen, op meesterachtigen toon.
Excavatie, uitholling, uitgraving; holte.
excedeeren, overschreden, te ver gaan, te buiten gaan. Excedént, overschot, teveel; onruststoker.
excellent, voortreffelijk, heerlijk, uitmuntend.
Excelléntie, voortreffelijkheid; (ook:) titel van ministers
en andere hooge staatsbeambten.
excelleeren, uitmunten, uitblinken, zich onderscheiden, excelsior! steeds hooger!
Excentriciteit, uitmiddelpuntigheid; (fig.) zonderlingheid, afwijking van het middelpunt; eigenzinnigheid, dwe-perg; zotte streek.
excentriek, excéntrisch, uitmiddelpuntig; dwepend, overspannen ; wonderlijk, grillig, van \'t gewone afwijkend. Excentriek, uitmiddelpuntige schgf, kolderschgf (die iu de stoommachines de stoomzuigerstang metde bakschuif heen en weer voert); (ook:) de toestel aan een spoor-wissel om de wagens van spoor te doen veranderen. Excéptie, uitzondering; (in rechten:) tegenwerping, tegenspraak, verwering, verweerschrift des beklaagden, exceptionébel, dubbelzinnig, voor tegenspraak vatbaar.
i82 exceptioneel—execrabel
exceptioneel, eene uitzondering bevattend, bij uitzondering. ExcéDtio próbat régulam, de uitzondering bevestigt den re«rel. (gezonderd moet worden,
exceptis excipiendis, met uitzondering van hetgeen uit-excerpeeren, uittrekken (uit geschriften).
Excérpt, uittreksel (uit een geschrift).
Excés, overtreding van de gewone grenzen, buitensporigheid ; overdaad, overmaat; gewelddadigheid.
excessief, buitensporig, overdreven ; uitermate, buitengewoon, overgroot, overdadig, overzwaar enz.
Exchange, wissel, wisselbrief; beurs.
Exchequer, koninklyke schatkamer, reken- of finantieka-
mer (in Engeland); exchequer-bill, schatkistbiljet, excipiëeren, uitzonderen ; tegenwerpingen maken. Exciténtia, opwekkende, prikkelende middelen.
Excitétie, opwekking, aansporing, aanvuring, ophitsing, exciteeren, opwekken, aanzetten, gaande maken, aanprikkelen, aanvuren; doen ontstaan, verwekken. Exclamatie, uitroep, uitroeping, geschreeuw, exclameeren, uitroepen, een uitroep doen.
excludeeren, uitsluiten, afzonderen.
Exclusie, uitsluiting, buitensluiting, wering.
exclusief, uitsluitend; bijzonder; uitsluitenderwys. ex cómmode, op zyn gemak.
ExC0mfnuniCcitie,kerkban, uitsluiting van de kerkgemeente,
van de kerkelijke gemeenschap.
excommuniceeren, in den kerkban doen.
ex concésso, krachtens het ingewilligde.
Excremént, uitwerpsel, inz. afgang, stoelgang, ontlasting, excüdit, (...) heeft (het) gegraveerd.
Exculpatie, ontschuldiging, vrijspreking.
exculpeeren, buiten schuld stellen, ontschuldigen. ex curia, buiten het gerechtshof. gt;
Excursie, uitstapje, plciziertochtje ; strooptocht op s vy-
ands bodem; (fig.) uitweiding.
excusabel, verschoonbaar.
Excusétie, hetzelfde als Excuus (z. aid.)
excuseeren, verontschuldigen, yerschoonen.
Excuus, Excuse, verontschuldiging, uitvlucht.
ex delicto, door de misdaad. [een naam),
ex dóno, uit een gift, d. i. geschonken door (gevolgd van execrébel, afschuwelijk, afgrijselijk, vloekwaardig.
Execratie—exhorteeren 183
Execrótie, afgrijzen; voorwerp van afgrazen, uitvaagsel;
afsehuwelykheid, gruwel, vloek; e.-s, verwenschingen, Executant, uitvoerder. (vervloekingen,
executeeren, uitvoeren, voltrekken; door rechtadwang
noodzaken; terechtstellen (op \'t schavot).
Executeur, uitvoerder van een vonnis, van een laatsten wil. Executie, uitvoering, voltrekking van een vonnis; openbare terechtstelling van een misdadiger, gerechtelgke uitwinning van een schuldenaar.
executief, voltrekkend, uitvoerend.
executoir, uitvoerbaar, ter uitvoering gereed, invorderbaar. Exegeet, schriftverklaarder.
Exegése, verklaring, bijbelverklaring.
Exegetiek, uitlegkunde.
Exégi monuméntum, ik heb een gedenkteeken opgericht;
— aere perénnius, duurzamer dan metaal.
Exétnpel, voorbeeld ; voorschrift; model.
Exemplaar, afdruk, ieder enkel gelijkvormig stuk van
gelijksoortige voorwerpen.
exemplair, voorbeeldig; waarschuwend. [ontkennen). Exémpla sunt odiósa, voorbeelden zgn hatelyk (niet te Exémpli grótia of céusa, bg voorbeeld.
Exémtie of Exémptie, vrijstelling, ontheffing van een bezwaar, van een algemeenen plicht.
Exequétur, voltrekkingsbevel; vorstelijke bekrachtiging eener pauselijke bulle; erkenning van een handelsconsul door de regeering des lands.
exequeeren, voltrekken (een bevel); innen (gelden). Exequiën, begrafenis, zielmis.
exerceeren, oefenen, inz. in den wapenhandel; uitoefenen, dryven; begaan.
Exercitie, oefening, inz. wapenoefening.
Exértie, inspanning, poging.
exfolieeren, afbladeren, afschilferen.
Exhalétie, uitdamping, uitwaseming.
exherideeren, onterven, van \'t erfrecht uitsluiten, exhibeeren, overleggen, indienen.
Exhibént, overlegger, tooner, indiener.
Exhibitie, vertooning, voorlegging, openlegging, indiening,
openbare vertooning, tentoonstelling.
Exhortétie, vermaning; aansporing, opwekking, exhorteeren, vermanen; aanzetten, opwekken.
184 Exhumatie—ex parte
Exhumatie, opgraving (van lyken).
exigeeren, vorderen, eischen.
Exigéntie, behoefte, dringend geval; naar e. van zaken,
naar de gang van zaken vorderen zal.
exigent, exigeant, veeleischend.
Exiguïteit, geringheid, onbeduidendheid, armhartigheid.
Exil, Exllium, verbanning, verbanningsplaats.
exileeren, verbannen.
eximeeren, bevrjjden, vrijstellen.
ex improviso, onvoorziens.
existeeren, bestaan, zyn; kunnen leven.
Existéntie, bestaan, werkelijkheid.
éxit, hjj gaat heen, treedt af (van het tooneel).
ex jure, van rechtswege.
exlex, buiten de wet, vogelvrjj.
ex libris, uit de boeken, d. i. behoorende aan (als opschrift van boeken, gevolgd door den naam des eigenaars), ex mera gratia, uit loutere genade.
ex mero motu, uit eigen vrgen wil.
Exmfssie, gerechtelgke uitzetting, uitdryving. exmitteeren, uitzetten, verdryven.
ex more, volgens gebruik.
ex nexu, buiten verband.
ex nihilo nihil fit, uit niets komt niets voort.
Exodium, uitgang, einde, afloop.
E\'xodus, uitgang, uittocht, naam van Mozes\'tweede boek. ex officio, uit plicht, van ambtswege, ambtshalve, exorbitént, buitenmatig, overdreven, buitensporig. Exorcisme, duivelbezwering; geestenverbanning. Exorcist, duivelbezweerder; geestenbanner.
Exórdium, begin, inleiding, aanhef eener rede.
ex ore parvulorum Veritas, uit den mond der kleinen
(of kinderen) komt de waarheid.
exotérisch, voor oningewyden; onder de algemeene bevatting vallend, volksmatig, gewoon, alledaagsch. exotisch, buitenlandsch, uitheemsch (zooalse.*e planten). Exotisme, zucht voor het buitenlandsche.
Expansibiliteit, uitzetbaarheid.
Expénsie, uitzetting (bv. der lucht door de warmte), expansief, uitzettend; expansieve kracht, uitzettend vermogen.
ex parte, aan de éene zyde.
expatriëeren—expiëeren 185
expatriëeren, uit het vaderland verdrgven; zich e., uit-landig gaan.
Expectant (beter ware Exspectant), een wachtende, uitziende (bv. naar een post).
Expectorétie, uithoesting, fluimenloozing; (fig,) ontboezeming, gemoedsuitstorting.
expectoreeren, uithoesten, slym of fluimen uitwerpen; (fig.) zjjn hart uitstorten of ontlasten, zyn gemoed lucht geven.
ex pede Herculem, wy oordeelen over de grootte van
Hercules\' beeld uit den voet.
expediëeren, verzenden; (fig.) van kant maken. Expediënt, uitweg, hulp-, redmiddel; (ook:) afzender, met de afzending belaste ambtenaar; uitvaardiger; hulp-schryver.
expediet, expeditief, spoedig, vlug; voortvarend. Expediteur, afzender, verzender; goederenverzender, bevrachter, vrachtondernemer.
Expeditie, zaakafdoening; spoed in de uitvoering, voortvarendheid; af-, toe-, overzending; vervoer- of vrachtonderneming ; (ook:) tocht, reis, inz. krijgstocht, krygs-onderneming; (ook -.) afzending van waren; gerechte-lyke uitvaardiging of het afschrift van eene rechtshandeling; e.-bureau, kantoor eener vrachtonderneming, expendeeren, uitbetalen, bekostigen.
Expensérium, lyst van kosten of uitgaven.
Expénsen, uitgaven, inz. rechtskosteii.
expensief, duur, met zware uitgaven verbonden. Experientia docet, de ondervinding leert het.
Experiéntia est óptima rérum magistra, de ondervinding
is de beste leermeesteres.
Experiëntie, ervaring, ondervinding.
Experimént, proefneming, kunstproef.
experimentaal, proefondervindelijk.
experimenteeren, beproeven, de proef nemen. Experiméntum crücis, een beslissende proef.
Expért, zaakkundige, deskundige; gezworene.
Expertise, het onderzoek door zaakkundige personen. Experto crede, geloof iemand die er ondervinding van heeft.
Expiétie, verzoening, boete, genoegdoening.
expiëeren, boeten, door boetedoening verzoenen.
Expilatie—Exposant
Expilétie, vervreemding van gedeelten eener nalatenschap;
berooving eener nog ongedeelde erfenis.
Expirétie, uitademing, dood; ter mijns verloop, vervaltyd. expireeren, sterven; vervallen, ten einde loopen. Explarrótie, uitlegging, opheldering, verklaring, explaneeren, uitleggen, verklaren.
expleëeren, aanvullen, volledig maken.
Explétie, aanvulling.
expletief, aanvullend, vol makend.
Expletivum, aanvullingswoord, stopwoord (pl. Expletiva). explicébel, voor uitlegging vatbaar, verklaarbaar. Explicatie, uitlegging, verklaring.
expliceeren of expliqueeren, ontvouwen, uiteenzetten, expllcite, duidelijk; uitdrukkelijk.
Exploit, Exploot, daad, heldendaad; beteekening eener
dagvaarding of andere rechtsacte.
Exploitatie, ontginning, bebouwing (van akkers); delving (van mijnen, ertsen) enz.; het ten-nutte-maken, het partytrekken (bv. van iemands onkunde, liehtgeloovigheid enz.); het in-werking-brengen of aan den gang houden (bv. van een spoorweglijn); (ook:) het voorwerp der exploitatie.
exploiteeren, ontginnen (bv. eene myn); eene dagvaarding of andere acte beteekenen, ongeoorloofde voordeden trekken, zich op niet betamelgke wgze ten nutte maken (bv. een bediening of post, de onnoozelheid of nieuwsgierigheid des volks enz.)
Exploiteur, ontginner; voordeelbejager; deurwaarder. Exploot, z. Exploit.
Exploratie, uitvorsching, uitpluizing.
exploreeren, uitvorschen, nauwkeurig onderzoeken. Explósie, uit- of losbarsting, knal, schok.
exponeeren, blootstellen; blootleggen, uitleggen, ophelderen; zich e., zich blootstellen.
Exponént, aanwijzer, machtsaanwgzer (eener grootheid). Export, Exportétie, uitvoer, goederenuitvoer; (ook wel:)
uitzetting (van iemand) over de grenzen.
exporteeren, uitvoeren (goederen); (ook wel:) uitzetten,
buiten de grenzen brengen (personen).
Expórten, uitgaande waren.
Exposónt, tentoonsteller, inzender (van een of ander voorwerp) op eene tentoonstelling.
i86
Exposé—ex témpore 187
Exposé, uiteenzetting, overzicht.
exposeeren, ten toon stellen, vertoonen; op eene tentoonstelling inzenden; blootstellen, wagen, in de waagschaal stellen; blootleggen, uiteenzetten, verklaren, ontwikkelen.
Expositie, tentoonstelling; uiteenzetting, ontvouwing, ex post, ex post facto, naderhand, na gebeurde daad, als het te laat is.
expostuleeren, vorderen, eischen; zgn beklag doen, bezwaren inbrengen; ter verantwoording oproepen, exprés, uitdrukkelgk; met opzet, voorbedachtelyk. Exprésse, bijzondere bod\'e, opzettelijk gezonden boodscbap-Expréssie, uitdrukking. (per.
expressief, vol uitdrukking; nadrukkelyk; veelzeggend. Exprestrein, sneltrein.
exprimeeren, uitdrukken, uitpersen; (fig.) uitdrukken, te
kennen geven.
Exprobétie, verwjjt, berisping, wraking.
exprobeeren, verwyten, scherp berispen, doorhalen, voor
de voeten werpen, in \'t aangezicht smgtcn. ex profésso, beroepshalve, van ambtswege; opzettelijk. Expropriétie, onteigening, uitkoop.
expropriëeren, onteigenen.
ex proprijs, uit eigen middelen.
Expugnétie, verovering, bestorming.
expugneeren, veroveren, door strijd of bestorming winnen. Expulsie, gewelddadige uitdrgvmg; afvoering, afdrijving, expulsief, afdrgvend, afvoerend (middel).
exquis, exquisiet, uitgelezen, voortreffelijk, keurig, ex speciéli gratia, met bijzondere gunst of genade; —
mandéto, op bgzonder bevel.
exspecteeren, exspireeren, z. op exp—.
Exspiratie, uitademing; afloop, vervaltijd.
Exspoliétie, plundering, berooving.
exspoliëeren, uitplunderen, berooven.
Exstirpétie, uitroeiing, uitdelging; (bg chirurgijns:) uitpeilen, uitsnijden. (reedschap. Exstirpator, onkruidverdelger, een ploegvormig akkerge-exstirpeeren, uitroeien, verdelgen, ontwortelen ; (bg heelmeesters-.) uitpeilen, uitsngden.
Extase, z. Ecstase.
ex témpore, voor de vuist, onvoorbereid.
188 extemporeeren—extraheeren_
ëxt^mpoTee^nTquot;voor de vuist of o^eveid spreke».
ex^SefS^^tbreiden verben.
eX|rBquot;\'0 vequot;^,teZS (e|n mUd0r0St)mï\'
I» ■
het buitenland. .
FylprminStie, uitroeiing, verdelging. _
Ixter^óótf\'dags^oo^z^n^eVkostïeel\'ling^ 1\'et uitwonen
S^Sr^^Xweste.eer-
exSrS~^g^quot;an een land gdegen. ?etnri™^ vrlsSlirgYndl^ei.
fen opheffen; (ook :) te niet gaan, uitsterven.
ExlirpMie enz., i. Exstirpalie enz. ffiir^ér^gT-kS^geWdM^
exrLK^SfeSeS\'^^(^^e,,i
buitenshuis; e. post, buitengewone »f quot;gen P0 \'
IxtrlcVu^\'uittrekking; aftoms\'t^ persoon v^n e.. iemand van goede afkomst.
SS»5teJs*
bv. een vonnis.
extramundaan—Eye 189
extramundaan, buitenwereldlyk.
Extrait = Extract.
Extréneüs, buitenlander, vreemdeling.
extraordinair, buitengemeen, ongewoon.
extravagént, buitensporig, overdreven, ongerijmd. Extravagantie, buitensporigheid, ongerijmdheid, extravageeren, buiten de maat of den regel gaan, uitspatten ; onzin spreken, raaskallen.
Extravasaat, uitgetreden bloed of lichaamsvocht. Extravasétie, uittreding van bloed of andere vochten uit hunne vaten.
extravaseeren, uit de eigen vaten vloeien, uittreden. Extréme, het uiterste, hoogste; de top, hoogste graad. Extrëmes, overdrijvingen ; twee tegenovergestelde zaken of begrippen ; les e. se touchent, de uitersten raken elkander, de strydigste dingen gaan soms gepaaid. Extremiteit, uiterste, einde, eindpunt; uiterste verlegen heid, hoogst gevaar ; laatste toevlucht; e.-en, uiteinden, inz. de uiterste ledematen.
Extuberétie, gezwel, buil; uitwas.
extubereeren, opzwellen, oploopen.
extumesceeren, opzwellen.
Extumescéntie, opzwelling, opzetting (bv. van een been), exuberant, overvloedig, onnoodig; te rgkeiyk, weelderig. Exuberóntie, onnoodige overvloed; overtolligheid, kwistigheid (bv. van woorden, beelden).
Exulant, balling.
Exulcerétie, ettering.
exuleeren, verbannen.
Exultétie, vreugdegehuppel, gejuich, groote blijdschap, ex üngue leónem, aan den klauw kent men den leeuw, ex uno disce omnes, z. ab etc.
ex usu, door het gebruik, door oefening.
ex vóto, naar wensch; ten gevolge eener gelofte ; ex veto\'s, zinnebeeldige voorwerpen (bv. een zilveren armpje of beentje), die de geloovigen in de kerk voor het beeld van een heilige ophangen, aan wiens voorspraak zjj het behoud van een arm of been meenen verschul-Eye, oog. (digd te zyn.
f.—faciliteeren
F.
f. = )ac., maak; of = factum, gedaan; of = fiat, het
geschiede, toegestaan.
f. of fee. = fecit, hg heeft het gemaakt.
f. of fl. = florins, florénen, guldens.
f. of fol. of fo. = fólium, fólio, blad.
fo po. = fólio récto, op de rechter- of voorhladzjjde. fo vo. = fólio vérso, op de keerzijde van \'t blad. ff. = feeérunt, zg hebben het gemaakt; (of in de muziek) = fortissimo, zeer sterk, zoo sterk mogelyk (ook fff), f. i. = fiat insertio, het worde (hier) ingevoegd, fr. = franc(s), of franco (z. die woorden).
Faba, boon.
Fébel, verdichte vertelling! sprookje; lengen.
Faber suae fortunae, de maker van zjjn eigen fortuin, fabriceeren, vervaardigen, maken, voortbrengen.
Fabriek, werkplaats, werkinrichting.
Fabrikaat, de vervaardigde waar, het kunstvoortbrengsel. Fabrikage, stadsbouwmeesterschap, wat daartoe behoort. Fabrikant, bezitter, bestuurder eener fabriek; vervaardiger in \'t groot van voorwerpen, die door fabrieken geleverd worden.
Fabrikétie, vervaardiging, bewerking der waren, fabuleus, fabelachtig; onwaarschijnlijk; ongerijmd. Fapéde, gevel van een gebouw, inz. voorgevel.
Féce, gezicht, aangezicht; voorzijde (eener vesting enz.);
face maken, de spits bieden, stand houden.
Facétte, ruitsgewijs geslepen vlakken aan edelsteenen enz. facheus, verdrietig, spijtig, ergerlijk; droevig.
faciaal, het gezicht of gelaat betreffend.
Fócie, gelaat, aangezicht.
faciei, gemakkelijk; (ook:) gedienstig, inschikkelijk.
facile princeps, het erkende hoofd, iemand die gemakkelijk den eersten rang inneemt.
facilis est descensus Averni, het neerdalen ter helle is
gemakkelijk, de weg ten verderve is licht.
faciliteeren, gemakkelijk maken.
190
Faciliteit—Faiblésse 191
Faciliteit, gemak, gemakkelijkheid; (ook:) inschikkelijkheid, groote toegevendheid.
Fécit, som, bedrag, uitkomst.
facit indignatio versum, de verontwaardiging maakt den dichter, d. i. maakt welsprekend.
Fapón, manier; vorm, fatsoen; maakloon; fapon de par-ler, manier van zeggen, zegmanier; sans fa?on, zonder complimenten; een sans-fapon, een plomperd, lomperd, vlegel.
fagonneeren, vormen, de vereischte gedaante geven.
Fagóns, plichtplegingen, omslag (z. Fapon).
Fac-sitnile. schriftevenbeeld, afdruk eencr handteekening.
Facta, daadzaken, het gebeurde (sing. Fóctum).
Factie, party, aanhang ; kuipery, kabaal, samenrotting.
factiëus, oproerig, muitziek, onrustig.
Factionnaire, schildwacht, wachthoudende, dienstdoende persoon.
féctisch, feitelijk, werkelijk, waar, door feiten bewezen.
Factoor, Factor, opzichter, zaakvoerder, boekhouder, brievenbesteller ; vermenigvuldiger.
Factorie, Factorij, post en woning van een factoor, Ne-derlandsch handelskantoor in een vreemd werelddeel; bykantoor; f.-handel, commissie-handel (z. aid.)
Factótum, een doe-al, allea in alles, albedril.
Fóctum, voorval, feit, het gebeurde.
Factuur, koop-, inkoop- en verkooprekening, lyst der afgeleverde goederen met hare prqzen.
facultatief, bevoegd makend, bevoegdheid gevend; naar goedvinden, naar keuze.
Faculteit, natuurgave, aanleg, geschiktheid; eene der hoofdafdeelingen van de gezamenlyke hoofdwetenschap pen (godgeleerdheid, geneeskunde, rechtsgeleerdheid wijsbegeerte en letteren); de gezamenlijke tot eene dier hoofdwetenschappen behoorende hoogleeraars (bv. de medische faculteit).
Fadaise, beuzelarij, nietigheid, wisjewasje, beuzelpraat.
féde, laf, smakeloos; zouteloos, onbevallig, geesteloos.
Faeces, Feces, droesem, heffe, moer; drek, uitwerpselen.
Faex populi, de heffe des volks.
Fagót, houten blaasinstrument met diepen toon, baspijp.
Fagottist, fagotblazer.
Faiblésse, zwakheid; flauwte.
192 failleeren—Fanarióten
failleeren, failliet zijn, ophouden te betalen, zich buiten
staat tot betaling verklaren.
Faillibiliteit, feilbaarheid. (bankroet.
Faillissemént, FailKte, betalingsonmacht, niet-bedrieglyk Faineant, ledigloopen; roi —, stroopop-koning.
fair, schoon, fraai, mooi; f. fight, eerlijke strijd; f. play, faisébel, doenlgk, raadzaam. _ (eerlyk spel.
Fait, gebeurde zaak, voorval, feit; au fait zijn, nauwkeurig verstaan, wel kennen, op de hoogte zijn; fait accompli, volbrachte daad, gedane zaak.
Fakir, een arme; (in Turkije :) een boetedoend kluizenaar,
die van aalmoezen leeft en zichzelven kastijdt.
Félbala, ruim geplooid boordsel aan vrouwenkleederen,
aan gordijnen enz.
Falcéde, sprong van een schoolpaard.
Faicóna, veldslang, soort van voormalig grof geschut. Falconét, kleine veldslang.
Faldistorium, bisschopsstoel in de kerk.
Fallécia, bedrog; bedrieglijke sluitrede; f. óptica, gezichtsbedrog, oogmisleiding.
Félsa, vervalschingen, inz. schriftvervalschingen.
Falsaris, Falsarius, vervalscher, inz. schriftvervalscher. Falsét, Fausset, de alt- of discantstem, die de vrouwenstem nabootst en door de persing der luchtpgp wordt voortgebracht, fausset-stem. Falsettist, Faussettlst, wie met zulk eene stem zingt.
Falsiteit, valschheid, onwaarheid.
Falstaff, grootsprekend, zedeloos man, vol vernuft en humor (een figuur van Shakspeare).
Félsum, vervalsching; opzettelgk bedrog,
Féma, godin des roems; gerucht, mare, goede of kwade faam; — vólat, de faam heeft vleugels. (mate, zeer. fameus,vermaard, wereldkundig, berucht; uitstekend, uiter-familiair, gemeenzaam, vertrouwelijk.
familiariseeren (zich), zich gemeenzaam maken ; zich te
veel vryheid veroorloven.
Familiariteit, vertrouwelykheid, gemeenzame omgang. Familie, verwantschap; stam, geslacht; gezin ; afkomst. Fémulus, dienaar, inz. helper, handlanger van een geleerde, van een professor aan hoogescholen. Fanarióten, Grieksche, meestal rijke familiën te Con-stantinopel.
Fanaticus—Fas et nefas 193
Fanaticus, Fanatiek, dweper, geestdry ver.
fanatiek, dweepziek, geestdry vend ; vol zotte inbeeldingen. Fanatisme, dwepery, inz. geloofsdwepery.
Fancy, inbeelding; inval, luim ; f.-artikelen, modewaren, weelde-voorwerpen ; f.-fair, markt van mode waren ; verkoop van vrouwelyke artikelen tot milddadige oogmerken.
Fandéngo, Spaansche volksdans in ^ maat, met begeleiding van castagnetten.
faneeren, verwelken, verleppen.
Fanfére, trompetstuk, vrooiyk jachtstuk ; trompetgeschal
by \'t inhouwen der ruitery.
Fanfarón, windbuil, pocher, snoever, blaaskaak. Fanfaronnóde, Fanfaronnerfe, pochery, grootspraak. Fanfreluche, strikken en kwikken, snorrepypen. Fanta(i)sie, Fantasmagórie, enz., z. Ph—.
Faquin, nietswaardige, schurk.
Férce, vulsel (voor spyzen); (ook:) kluchtspel; grappig
nastukje; klucht, snakery.
farceeren, met vulsel stoppen; gefarceerde (niet gefor-
ceerde) snoek, met vulsel toebereide snoek.
Farceur, potsenmaker, spotvogel; hansworst.
fardeeren, blanketten; opsmukken; bemantelen.
Fare, vaart; voerloon; veergeld; spys, kost.
farewell, vaarwel!
Faribólen, sprookjes, zotheden, praatjes voor den vaak.
Farien, Farien-suiker, meelsuiker, keukensuiker.
farineus, meelachtig, melig; witachtig.
Farm, pachthoeve, boerdery.
Farmer, pachter; in Amerika: landman.
Far niénte, het nietsdoen, het ledig-zyn (z. Dolce).
Féro, Faro-bier, krachtig Brusselsch bier, z. Pharao.
farouche, menschenschuw, wild; ruw, gestreng.
Farrow, varken.
Farthing, kleinste eng. munt = penny.
Fascinétie, betoovering, verblinding, verrukking, fascineeren. betooveren, verblinden, verrukken; boeien. Fascines, ryshout, takkenbossen by waterwerken, by vestinggrachten enz.
Fas est et ab hoste doceri, het is goed om zelfs van
een vijand te leeren.
Fas et nefas, recht en onrecht.
ELFDE DRUK. -13
Fashion—Faux
Féshion, mode; goede toon, fatsoenlijkheid.
fashionable, naar de mode, naar de wereld, fatsoenlyk;
een f., een man naar de wereld; modegek, fat.
faster, sneller (op engelsche uurwerken afk. F.)
Fésti (fr. Pastes), jaarboeken; tijdboeken; feestkalender, fastidiëus, langwijlig, verdrietig, vervelend; walglyk.
fasti et nefasti dies, gelukkige en ongelukkige dagen, fastueus, pralend, pronkend ; hoogdravend; hoovaardig. Fat, ingebeelde zot, gekje, pronkertje, modepop, fat, féttlg, fétterig, gek, ingebeeld, laf, kwasterig.
fataal, noodlottig, verderfelijk, heilloos; ongelukkig. Fatalisme, noodlotsleer, het geloof aan de leer van een
onvermijdelijk noodlot.
Fatalist, aanhanger van dat geloof, van die leer. Fataliteit, onvermydelyk noodlot; rampspoed, onheil. Fdta-morgéna, luchtspiegeling (zeker gezichtsbedrog). Fathom, vadem, 6 voet.
fatigant, vermoeiend; langwylig, vervelend.
fatigeeren, vermoeien ; lastig vallen; uitmergelen (een akker), toebereiden en roeren (de salade).
Fatigue, vermoeienis, afmatting.
Fatuïteit, onverstand, zotheid, ongerijmdheid.
Fatum, noodlot; lot, bestemming.
Faubourg, voorstad.
faufileeren, rygen; (fig.) zich f., kennissen aanknoopen, zich door list en vleierij indringen. (ving daarvan. Fauna, dieren van een bijzonder land; ook de beschrij-Faunen, veld- of bosebgoden; (fig.) wulpsche personen. Fausse-attaque, scbynaanval.
Fausse-couche, miskraam.
Fausse-manche, overmouw, morsmouw.
Fausse-queue, onzuivere stoot op het biljart. Fausse-sortie, schynafgang om dadelijk terug te keeren
(op het tooneel).
Fausset, z. Falset. Fausettist, z. Falcettist.
Faute, fout; f. d\'argent, uit gebrek aan geld; f. de
mieux, bg gebrek van beter.
Fauteuil, armstoel, leuningstoel.
fautief, feilend, onnauwkeurig; met fouten, gebrekkig. Fautor, begunstiger, bevorderaar.
faux, valsch, onwaar; verkeerd; onecht; verdicht.
Faux, vervalsching, schrift-, muntvervalsching.
194
Faux-air—Felicitatie 195
Faux-air, bedrieglijke gelijkenis.
Faux-col, los boordje.
Faux-fuyant, uitvlucht, valsch voorwendsel.
Faux-pas, misstap, feil, flater.
Faux-titre, de verkorte titel van een hoek op het hlad, dat den eigenleken titel voorafgaat (by verbastering Franse he titel in plaats van voorhandsche titel geheeten).
favete Unguis, zwqg(t)! wees(t) stil!
Faveur, gunst, begunstiging; welwillendheid; f.-dagen, (fr. jours de f.), respgt-dagen, nazicht-dagen, wissei-favorébel, gunstig, genegen, voordcelig. (uitstel.
Favoriet, gunsteling, lieveling, favoriet, geliefkoosd,liefst. Favoriet-spijs, Favoriet-wals, enz., de lievelingsspys, geliefdste wals enz.
Favorieten (fr. Favoris), bakkebaarden.
favoriseeren, begunstigen, genegen zyn.
Favorite, gunstelinge; de gekeerde kleur der kaart, de beste. (lingen.
Favoritisme, het voortrekken en bevorderen van gunste-Fawn, hertekalf.
Fax et tuba, fakkel en trompet; hoofdpersoon,belhamel. Fayence, half-porselein, fijn platteel- of aardewerk Febris, koorts.
Féces, z. Faeces.
fécit, afgekort fee. of f., (...) heeft het gemaakt, fecundeeren, bevruchten, vruchtbaar maken.
Fecunditeit, vruchtbaarheid.
federaal, het verbond betreffende.
federaliseeren, een verbond sluiten, in een bondgenootschap vereenigen.
Federalisme, verbondstelsel; zucht tot verbondsluiten. federalistisch, federatief, bondgenootschappelyk, bond-schappelyk.
Federalist, voorstander, lid van een bondgenootschap.
Federétie, verbond, bondgenootschap.
Fee, toovernimf en waarzegster met beperkte macht; (fig.)
schrandere, betooverend schoone vrouw of maagd. Fee, (eng.) recht, cyns, fooi.
Feinte, veinzery, uitvlucht, list.
Felicitas, de godin der gelukzaligheid.
Felicitétie, gelukwensch, heilwensch, zegenwenaeb.
196 feliciteeren—Ferveur
feliciteeren, gelukweuschen.
Fel is, kat.
Fellahs, landbouwdrjjvende Arabieren, inz. in Egypte. Felloplastiek, z. Phelloplastiek.
Féllow, gezel, makker; ambtgenoot, medelid van een academie of college, student in Engeland.
Felock of Felouque, klein sloepvormig snelschip met twee
masten (in de Middellandsche zee).
Felonie, leenplichtscbending; trouwbreuk jegens de wettige overheid ; (in Engeland :) iedere doodmisdaad, feminfnus, vrouwelijk. Feminfnum, vrouwelijk woord;
feminfni géneris, van bet vrouwelijk geslacht.
Femme de chambre, kamenier ; f. de charge, huishoudster, femoraal, wat tot de heupen behoort.
Feniks, z. Pheniks.
Feodaal, z. Feudaal.
Fériën, vrge dagen, rustdagen, feestdagen.
Ferlét, boekdrukkers- en papiermakers-werktuig in den vorm eener T, om papier op te hangen en af te nemen, ferm, vast, standvastig, mannelijk; (ook :) goed! opperbest !
Ferman, (minder goed Firman), schriftelijk bevel des sultans, verlofbrief of patent, pas; aanstelling, handelspas in Oost-Indië.
Ferme, pacht, pachthoeve, hofstede.
Fermént, gest- of gistmiddel, geststof.
Fermentétie, gisting; (fig.) volkswoeling, gisting, fermenteeren, gisten, in gisting geraken (ook fig.) Fermeteit (fr. Fermeté), standvastigheid, kloekheid. Fermoir, sluithaak, slot (inz. aan een boek, een bjjbel). Fermoor, steekbeitel.
Ferociteit, wildheid, woestheid; onmenschelgkheid. Ferronnière, voorhoofdsieraad voor dames, voorhoofdband, ferrugineus, ijzerhoudend.
Ferry of ferry-boat, veerboot.
fertiel, vruchtbaar; winstgevend.
fertiliseeren, vruchtbaar maken ; vruchten doen dragen. Fertiliteit, vruchtbaarheid, weligheid.
fervent, \\jverig, vurig.
fervesceeren, ontgloeien, blaken; toornig worden.
fervet opus, het werk gaat met kracht voort.
Ferveur, \\jver, vuur, gloed.
Festijn—Fidéïcommis 197
Festijn (fr. Festin), feest; gastmaal, eeremaal.
festfna lénte, haast u langzaam (handel met overleg). Festiviteit, fecstelgkheid, vreugdefeest; plechtigheid. Festoen (fr. Feston), loof- of lofwerk van bloemen en vruchten.
festonneeren, met bloem- en loofwerk versieren.
Féte, feest, feestviering; gastmaal; verjaar-, naamdag;
f. champetre, landelgk feest.
fêteeren, feestelijk onthalen; vleien.
Fetisch (fr. Fetfche), zinnelyk voorwerp van afgodische vereering (bg de Negers); toovermiddel. (werpen.
Fetis(ch)me, Fetischdienst, de vereering van zulke voor-feudaal, leenroerig; het leenstelsel betreffende, leen—, feudaal systeem, Feudalisme, het leenstelsel.
Feu de joie, vreugdevuur.
Feuiile, blad ; f. d\'annonces, advertentieblad; f. de route,
marschaanwgzer, reiswyzer (voor soldaten), feuille-morte, bruingeel, donkergeel (als verwelkt loof), feuilleteeren, doorbladeren, nazien.
Feuilleton, blaadje; afdeeling van een dagblad, aan de critiek der letterkundige werken, aan novellen enz. gewgd. Fever, koorts; intermitting f., tusschenpoozende koorts;
yellow f., gele koorts.
Fez, de roode wollen muts, die sedert 1826 in plaats van den tulband als militaire dracht in Turkye ingevoerd is. Fiécre, huurkoets; tweespan; (ook :) huurkoetsier. Fiésco, flesch; f. maken, niet slagen, mislukken; vallen
(van een tooneelstuk).
fiét, het geschiede! bewilligd! toegestaan! fiat justltia et péreat mündus, de gerechtigheid moet haren loop hebben, al zou de wereld er by vergaan; fiat voluntas tua, uw wil geschiede; fiat lux, er zy licht.
fibreus, vezelig.
Fibrine, vezelstof. [\'tspel).
Ffche, speelmerk, vischje, beentje (als betaalmiddel by Fichu, driehoekig vrouwenhalsdoekje.
Ffctie, verdichting; verdichtsel;voorwendsel,onwaarheid, fictief, verzonnen, verdicht, ingebeeld.
Fidélgo, adellyke van lager rang (in Portugal).
fideel, getrouw; vertrouwelijk; (ook;) opgeruimd, lustig. Fidéïcommis, erfmaking, waardoor den erfgenaam alleen het vruchtgebruik, niet het recht van vervreemding van
198 fideï-commissair—Filter
zekere goederen wordt toegestaan; of een goed, dat niet verkocht mag worden, maar by eene familie moet blyven.
fideï-commissair, op een fideïcommis betrekking hebbende;
ook hij wien zulk een erfmaking ten deel valt. Fideliteit, tronw, trouwhartigheid ; vroolijke luim.
Fides, trouw, geloof; f. Pu nica, Punische trouw, verraad. Fidibus, papierstrookje om de tabak aan te steken. Fiducie, vertrouwen; berusting.
fidus Achatus, een trouw vriend. (den in het veld. Field, veld, akker; field-trial, beproeving van jachthon-fier, fier, stout, trotsch; vermetel.
fieramente, moedig, koen, wild, heftig.
Fig» v«g- . ,.
Figaro, sluw onderhandelaar en koppelaar in liefdeszaken. Figurant, wie op het toonecl of elders een stomme rol
vervult, wie enkel figuur maakt.
figuratief, wat de figuur, het zinnebeeld van iets voorstelt, figureeren, afbeelden ; figuur maken ; voor figurant dienen. Figuur, gedaante, beeld, prentje; danstoer; voorkomen;
f. maken, eene groote rol spelen, opzien baren, figuurlijk, zinnebeeld, oneigenlgk.
Filagram, de koperen draadletters of figuren van den papiervorm, welker afdruk in \'t papier zichtbaar is; Filament, vezel; helmdraad (in bloemen). (watermerk, fileeren, spinnen; (in \'tkaartspel:) eene kaart wegmoffelen ; de kaarten langzaam een voor een openleggen; (ook :) afzakken, afdruipen. [binders).
Fileet, metalen figuurlyntje (by letterzetters en boek-Filet, netvormig weefsel; lendestuk, bv. filet de boeuf. filiaal, kinderljjk, dochterlijk ; filiaal-kerk, bykerk ; filiaal-
handel, byhandelshuis.
Filiétie, kindschap; kinderlyke afhankelijkheid; gehoorzaamheid der kloostergeestelyken aan hunne overheid, (z. ook Affiliatie).
Filigraan, fijn, doorluchtig werk van goud-en zilverdraad. Filius nullius, de zoon van niemand.
Filius terrae, een zoon der aarde, iemand van lage afkomst. Fllle, meisje; f. de chambre, kamermeisje; f. de jole,
meisje van pleizier.
Filou, listige bedrieger, schurk, fielt.
Filter of Flltrum, doorzygmiddel, zygdoek,z. Philtrum.
Filtratie—Fiscus 199
Filtratie, doorzijging.
filtreeren, doorzagen, kleinzen, klenzen.
Filtreermachine, Filtreertoestel, Filtreer, werktuig tot
zuivering enz. van het water.
Filtrum, z. Filter.
finaal, wat om te eindigen, te sluiten dient, volkomen;
geheel en al; eindelyk, ten slotte.
finéle, einde, besluit, slotstuk.
financiëel, de geldzaken betreffende; geldelijk, geldswaardig. Financiën, Financie(s), geldmiddelen; financies zoeken, allerlei middelen in \'t werk stellen om aan geld te komen. Financier, rentmeester; verstandig geldbeheerder; geldschieter, geldman.
Fine, einde; doel, oogmerk; ter f. van rapport,ten einde daarop bericht of verslag uit te brengen. (neeren. fineeren, scheiden (bv. het goud van het zilver) = affi-Finésse, sluwheid, list, loosheid, geslepenheid.
fingeeren, verdichten, voorgeven; gefingeerde munten, niet werkelgk bestaande munten, naar welke men rekent (bv. ponden vlaamsch); gefingeerde rekening, vermoe-deljjke, bjj raming opgemaakte rekening.
Finis, einde; f. coronat ópus, het einde kroont het werk. Finite, afsluiting der rekening.
Fint, veinzerg, hst, streek, verschalking; schermlist; (vgl.
feinte) fijne berst in \'tspiegelglas.
Fiool, glazen flesch met wjjden buik, kogelflesch ; (ook:) eene soort van stormpotten met handgranaten gevuld. Fioritüra, versiering (in de muz.)
Fire, vuur.
Firkin, eng. maat van ongeveer 41 liter.
Firma, handelsnaam; bedrijfsnaam; handteekening van een handelshuis; onder de firma, beteekent ook wel onder het voorwendsel of voorgeven; f. geven, een bediende volmacht geven om in naam des principaals te firmeeren, d. i. te onderteekenen.
Firmament, uitspansel, sterrenhemel.
Flrman, z. Ferman. (landsrechtcischer.
Fiscaal, openbaar eischer, inz. in zake van den f i s c u s, fiscaal, wat den fiscus of den fiscaal betreft.
Fiscaliteit, het streven om de staatsinkomsten te vermeerderen.
Ffscus, staatsvermogen, staatskas; boetekas; (ook -.) de
fissiel—Flauto
gezamenlijke ambtenaren, aan wie de inning der belas-
fissiel, splijtbaar. Fissiliteit, splytbaarheid.
Fistel, pypzweer; (ook-.) gedwongen hooge keelstem, = Fitter, werkman die gaspgpen aanpast en legt.
Fitz, Normandiscli woord, dat zoon, inz. onechte zoon beduidt en in samenstelling met Engelsclie namen voorkomt, bv. Fitz-James, Fitz-Wllllam enz.
fix (fr. fixe), vast, bepaald, blyvend; fixe idéé, z. Idéé fixe. Fixétie, Fixeering, vaststelling, bepaling, bestendiging, fixeeren, vasthechten; vaststellen; strak aanzien.
Fixum, iets bepaalds, vaste som; inz. het vaste inkomen, het zeker bestaanmiddel.
Flacciditeit, slapheid.
Flacón, flesch, inz. reukfleschje.
Flagéllanten, geeselmonniken, geeselbroeders in de Xlllde eeuw (thans naam eener leekenbroederschap van zulke godsdienstdwepers in Frankryk).
Flagellatie, geeseling.
Flageolét, fijn- of hoogfluit.
flagorneeren, laag en aanhoudend vleien, flikflooien, flagrént, brandend; duidelgk in \'toog vallend,openbaar;
pas gebeurd. [trapt),
flagrante delicti, fr. en flagrant délit, op heeter daad (be-Flair, scherpe reuk (der jachthonden); (fig.) een goede neus, (lukken, ruïneeren.
flambeeren, vlammen; over de vlam afzengen ; (fig.) mis-flamboyant, vlammend, op vlammen gelykende.
flaneeren, ledig rondslenteren zonder doel of oogmerk. Flanél, lichte lijnwaadachtige wollen stof.
Flaneur, rondslenteraar, straatslyper, lanterfanter, gaper. Flank, zyde ; zy vlakte, stryklinie van een vestingwerk ;
legervleugel. (smyten.
flankeeren, van ter zyde bestrijken of dekken; (ook :) toe-Flankeur = Eclaireur, Tirailleur (z. aid.)
fiatteeren, vleien; zyn hof maken ; ook wèlstaan, voor-
deelig uitkomen (inz. van kleeding of sieraden). Flatterie, vleierij.
Flatteur, vleier.
flatteus, vleiend, liefkoozend, streelend.
flatulent, opzettend, winderig; nietig, onbeduidend. Flauto, fluit; f. piccolo, de kleinste dwarsfluit.
200
(tingen is opgedragen, [falset (z. aid.)
flébile—Fluctuatie 201
flébile, schreiend, klaaglgk.
Flégma, = (beter Phlégma), slyui, slgmig vocht in \'t bloed ; slyniig uitwerpsel, fluioi; (tig.) natuurlijke ongevoeligheid, lauwheid, onverschilligheid.
flegmatiek, flegmétisch (beter phlegmatiek enz.), slgme-rig, slgmbloedig; (fig.) koudbloedig, ongevoelig, onaan-doenlyk, onverschillig, lauw; f. mensch (lat. phlegmé-ticus), slymbloedige, koudvochtige, een voor aandoeningen weinig vatbaar mensch.
Flesh, vleesch.
fletrisseeren, doen verwelken; (fig.) schenden, schandvlekken, onteeren, bezwalken, belasteren, (brandmerk. Fletrisseur, verwelking; (fig.) bezwalking, hoon, smaad. Fleur, bloem; bloei, bloeitijd.
Fleurét, schermdegen, floret; (ook:) vlokzgde.
Fleurétten, (eig. bloempjes), zoete woordjes, vleieryen. Fleun\'st, Florist, bloemenvriend; bloemkweekcr; kunstbloemenmaker ; bloemschilder,
Fleurón, bloemsieraad.
flexibel, buigzaam, gedwee; (in de spraakkunst:) voor
verbuiging vatbaar.
Flexibiliteit, buigzaamheid, innigheid.
Fléxie, Flexuur, buiging; woordbuiging.
FM bustier, zeeroover, vrybuiter (in Amerika).
Flintglas, zeer wit en helder kiezelglas (voor kykers). Flirtatie, speelsche verliefdheid, coquetterie.
flirteeren, zich uit speelschheid verliefd aanstellen, co-quetteeren.
Flóra, de bloemgodin; al de in een land inheemschc planten ; de lyst, de beschrijving daarvan.
Floréal, de 8ste Fr.-republik. maand (20 April—19 Mei). Floreen, Florijn, gulden.
floreeren, bloeien, in welstand zyn. (zyde.
Floret, het grove spinsel der zydewormen; afval van goede florissant, bloeiend, voorspoedig.
Florist, z. Fleurist.
flottant, dry vend, zwevend, dobberend.
flotteeren, dry ven, dobberen; onzeker zyn, weifelen.
Flottllle, kleine vloot, smaldeel.
flou, zacht, week (by schilders).
Flower, bloem; tarwemeel.
Fluctuétie, weifeling, wankelmoedigheid.
202 fluctueeren—Fonds
fluctueeren, dobberen, weifelen, besluiteloos z\\jn.
fluïde, vloeibaar.
fluid meat, vloeibaar vleesch.
Fluiditeit, vloeiendheid, losheid (eener rede).
Fluidum, iets vloeibaars, vloeistof.
Fluxfe, vloeiing, vloed; buikloop.
Fly, vlieg.
Foal, veulen.
Fócus, brandpunt; afgezonderde schouwburgplaats, fcecundeeren, Foecunditeit, z. fee—.
Foederatie enz., z. Fed— enz.
Foedraal, scheede, koker, overtreksel.
Foetus, vrucht in de baarmoeder.
Fol, geloof, trouw, woord; de bonne f., te goeder trouw, oprecht; ma foi! par ma fol! op mjjne eer! waarachtig !
Foliónt, boek in folio (waarby het vel slechts eens wordt
gevouwen en vier bladzyden heeft).
Folie, dwaasheid, zotheid, zinneloosheid.
Fólio, op die bladzijde; boek in folio, boek in \'t formaat, waarbij het val papier slechts eenmaal wordt gevouwen en 4 bladzgden heeft; —recto, op de rechterzijde vau het blad; —verso, op de volgende of keerzijde van het blad; gek in folio, zeer groote gek.
foliëeren, de bladen van een boek met cyfers teekenen. Fólium, blad.
Folkething, volkskamer, de Deensche 2de kamer. Folliculaire, minachtende naam voor journalist, dagblad-
schryver; slecht auteur.
Foment, warme omslag.
Fomentétie, stoving, verwarming door warme omslagen, fomenteeren, warme pappen of omslagen aanwenden ; (fig.)
aanstoken (haat, twist enz.), in gisting brengen.
foncé, donker.
Fonctionnair, ambtenaar, beambte.
Fond, grond; amp; fond, grondig; au fond, wel ingezien. Fondement, Fondétie. fondeeren, z. Fundament enz. Fonds, de ter beschikking staande gelden ; kapitaal, hoofd of grondvermogen ; (ook :) waren- of goederenvoorraad; gezamenlijke werken, waarvan een uitgever het kopierecht heeft; fondsen, publieke fondsen, staatsschuldbrieven, effecten,
Fontange—Fortificatie 203
Fonténge, voormalig hoog dameskapsel.
Fontenél, kleine kunstzweer tot afleiding van schadelijke
Food, voedsel. Foot, voet.
(vochten, dracht.
(macht.
Force, kracht, sterkte, geweld, macht; f. majeure, over-forceeren, dwingen, noodzaken; overweldigen; openbreken ; (ook wel verkeerdelgk voor farceeren, z. aid.) Forceps, eene verloskundige tang.
Foreigner, vreemdeling.
Foreign office, het Eng. ministerie van buitenl. zaken. Foreman, de voorzitter der gezworenen.
for ever, voor altoos, voor eeuwig.
Forfait, misdrijf, misdaad ; amp; forfait, in eens, bij den hoop;
by aanneming of aanbesteding; tegen bepaald loon (niet Fork, vork. [per stuk).
Formaat, grootte of vorm (inz. van een boek), formaliseeren, de uiterlijke vormen en regels in acht nemen ; zich f., zijn misnoegen over iets uiten, iets kwalijk nemen, zich beleedigd toonen.
Formalist, iemand, die zich geheel aan uitwendige vormen,
aan formaliteiten houdt.
Formaliteit, door \'t gebruik vastgestelde vorm, al wat de
regels der welvoeglijkheid voorschrijven.
formaliter, vormelqk, volgens den vorm.
Formétie, vorming, gedaantegeving, schepping.
formeel, vormelyk, volgens den vorm; uitdrukkelijk, formeeren, vormen; voortbrengen.
Formicétie, het mierenkruipen, eene huidkriebeling, formidébel, vrceselyk, geducht, ontzaglijk.
Formule, voor byzondere gevallen voorgeschreven of door \'t gebruik ingevoerde woorden, wendingen en spreekwijzen, zegswyze, uitdrukking; vaste regel; rekenvoor-schrift.
Formulier, door \'t gebruik ingevoerde regel, woordelijk
voorschrift van eenig opstel, voorbeeld, model. Formulist, vriend van formulen of van formulieren. Forneer, z. Fourneer.
Fort, Forterés, kleine vesting, schans.
forte, sterk (te spelen).
Forte^piéno, zwaar- en zachtklinkend speeltuig, hamerklavier, doorgaans enkel piano geheeten.
Fortificatie, vestingwerk; bevestigingskunat.
204 fortificeeren—Fournituur
fortificeeren, fortifiëeren, versterken; verschansen, fortissimo, zeer sterk, allersterkst (te spelen).
fortiter in re, met vastheid in het handelen.
Fortüna, de geluksgodin. Fortuin, z. Fortune.
Fortuna favet fortibus, de fortuin is met den dappere. Fortune, Fortuin, kans; lotgeval, wedervaren; inz. gelukkig voorval, geluk, buitenkansje (fortuintje); (ook:) vermogen, bezittingen.
Fórum, markt, plein; (ook:) gerechtshof, rechterstoel; f.
competens, de bevoegde rechtbank.
forward, voorwaarts.
forzando, versterkend.
fossiel, uit den grond gedolven (inz. van voorwereldlijke overblgfsels ; versteend; fossielen, delfstoffen ; versteeningen, versteende organische overblüfsels uit de voorwereld.
Fou, gek, dwaas; de raadsheer (in \'t schaakspel).
Foudre, bliksem, bliksemstraal, donderslag.
foudroyeeren, geweldig beschieten; neerdonderen ; razen
en tieren, schelden en vloeken.
Foulérd, Indische bonte zyden stof, inz. zijden zakdoek. Foule, menigte, volkshoop; het gros der menschen. Fou rage, voeder, inz. paarden voeder.
fourageeren, voeder of levensmiddelen opsporen en halen. Fourbe, schurk, bedrieger, fielt.
Fourbene, bedriegerij, schurkerij, fielterjj.
Fourgón, legerwagen voor bagage, pakwagen.
Fourier, onderofficier, belast met het houden der monsterrol, met de fourage enz. eener compagnie, veld- of krijgsschrgver.
four in hand, met de vier (rijden, van den bok sturende). fourmilleeren, wemelen, krioelen (als mieren).
Fourneer, dun gesneden houtbladen, beleghout. fourneeren, voorzien: verschaffen, bezorgen,leveren ; met fijn hout beleggen of inleggen; een lot (in de staatsloterij) f., een huurlot door bijbetaling geldig maken voor een volgende klasse.
Fournissement, inleg (van ieder deelhebber), aandeel;
storting; bijbetaling; aanzuivering.
Fournisseur, verschaffer, leverancier; fournisseur de la
cour, hofleverancier.
Fournituur, levering, leverantie; het afleveren; benoodigd
Fowl—frappeeren 205
voorraad; (ook:) verschot van kleermakers en naaisters. Fowl, gevogelte.
Fox, vos; foxhunting, vossenjacht.
Foyér, haard; brandpunt; (in schouwburgen0 verwarmingskamer, verzamelzaal tusschen en na de vertooning. Fra, afkorting van het it. frate (vóór den naam van gewone monniken), broeder, ordebroeder (bv. fra Barto-loméo); fra Diavoio, rooverhoofdman.
Frack, z. Frak.
Fréctie, breking; breuk, deel van een geheel;(ook ;)zich
afzonderend deel eener politieke party.
Fractuur, breuk, beenbreuk; zekere Duitsche drukletter, fragiel, breekbaar, bros; vergankelijk; broos, wrak. Fragiliteit, breekbaarheid, brosheid; broosheid,bouwvalligheid, wrakheid, wankelbaarheid. (geschriften. Fragmént, brok, stuk; gedeeltelik overblyfsel van oude fragmentarisch, stuksgewys, by fragmenten of stukken. Fraïcheur, frischheid, aangename koelte; levendigheid,
frischheid van kleur.
Fraise, geplooide halskraag aan dameskleederen; stormpaal. Frak, mansrok met lange achterpanden.
Franc, zilvermunt als standpenning, inz. in \'t Fransche
en Belgische muntstelsel, ongeveer = 47* cent. Franpaise, Fransche vrouw; Fransche dans. (peld. franchement, vrymoedig, ronduit, rondborstig, onbewim-Franchfse, openhartigheid, rondborstigheid. Franciscanen, minderbroeders, minorieten (monniken der
orde van Franciscus van Assisi, in de 13de eeuw), franciseeren, verfranschen, tot Franschman maken; eene Franschen vorm geven (bv. aan een woord); de Fran-schen naapen. (selary.
Franc-mapon, vrymetselaar. Franc-maponnerie, vrymet-frénco, vry, portvry, postvry.
frangas, non flectes, gy kunt my breken, maar niet huigen-Franc, z. Frank; (als adj.) vry; ongedwongen, rondborstig.
frankeeren, het port vooruit betalen, vrachtvry maken. Fransquillón, franschgezinde (d. i. een aan fr. taal en zeden gehechte) Belg. (rassend. frappént, treffend, sprekend; gelykend; bevreemdend, ver-frappeeren, treffen, bevreemden, indruk maken j in ys zetten, sterk afkoelen.
Frater—Fripier
Frater, broeder, inz. orde- of kloosterbroeder, fraterniseeren, broederschap maken, zich verbroederen. Fraterniteit, broederschap, verbroedering Fratricide, broeder- of zustermoordenaar.
Fraudótie, oplichting, bedriegerg, benadeeling.
Fraude, bedrog, bedriegerij; sluikhandel, overtreding, fraudeeren, bedriegen; sluiken; bedrieglijk benadeelen. fraudulent, frauduleus, bedrieglijk; f. bankroet, schelmachtig, onteerend bankroet.
Fray, ordebroeder, monnik.
Fredaine, moedwillige streek, jeugdige dwaasheid, fredonneeren, trillers maken, slepen in \'t zingen. Freeholder, kiesgerechtigd landeigenaar in Engeland. Freetrade, vrye handel; freetrader, voorstander van vrijen handel.
Fregét, licht, snoV.eilend oorlogschip met éen dek en minder dan 65 stukken.
frelateeren, vervalschen (inz. wgn). (heid.
Frenesie, verstandsverbystering met woede, razerng, dol-frenetiek, razend, krankzinnig, verwoed.
frequént, menigvuldig; druk, sterk (bezocht). Frequentétie, vaak herhaald bezoek; verkeer, omgang. Frequentativum, pl. —va, werkwoord, dat een herhaald
doen uitdrukt, herhalingswoord (bv. klapperen), frequenteeren, vlijtig bezoeken, vaak bqwonen. Frequéntie, menigvuldigheid, herhaalde wederkeering. frésco, (in de muziek:) vroolyk, levendig; al f. schilderen, op verscho natte kalk schilderen ;f..schilderkünst, het schilderen op versche natte kalk.
Freule, jonkvrouw, adellyke ongehuwde dame.
Frfand, lekkerbek, snoeper, smulbroer.
Friandise, snoepzucht; lekkernij, snoeperng, lekkerbeetje. Fricandeau, gelardeerd en gesmoord stuk kalfsvleesch. Fricassé, gefruit en gestoofd gerecht van vleesch, visch,
moeskruiden, eieren enz.
fricasseeren, stukjes of reepen vleesch opstoven, fruiten;
(ook:) neersabelen, in de pan hakken.
Frictie, wry ving.
Frigiditeit, koudheid, harteloosheid.
Frimaire, de rgpmaand, de 3de maand in den Fr.-republ.
kalender (21 Nov.—20 Dec).
Fripier, oude-kleerkooper, uitdrager.
2o6
Fripón—fugitief 207
Fripón, schurk, spitsboef, guit, deugniet, bedrieger. Friponnerfe, guiterg, schurkerij, boevenstuk.
friseeren, het haar krullen, — opmaken.
Friseerijzer, krulyzer der kappers.
Friseur, kapper.
Friskét, raam der handdrukpers (waardoor hetgeen wit
moet blyven niet bezoedeld wordt).
Frisuur, kapsel, haartooi; het noppen van wolstof. Frituur, bruinbakken (van boter, vet enz.)
frivóle, nietig, onbeduidend, lichtzinnig.
Frivolité, haakwerk (een dameshandwerk). (nigheid. Frivoliteit, beuzelarjj; kleingeestigheid; moedwil, lichtziu-Frónde, eig. slinger; (vandaar:) een politieke party (de Frondeurs) in Frankrijk in de 17de eeuw zoogeheeten, omdat zij het parlement had vergeleken by kinderen, die met den slinger spelen.
frondeus, sterk bebladerd, bladryk, loofryk.
Front, voorhoofd; voorzijde, voorgevel; eerste gelid; f. maken, het hoofd of de spits bieden, pal scaan; f. slaan, vertoon maken.
Frontieren, grenzen.
Frontierplaats, grensplaats.
Frontignan, een zoete Fr. wijn.
Fronti nulla fides, schijn bedriegt.
Frontispice, voorzy de, voorgevel; de titelplaat van een boek. Fronton, geveldak, venstergevel.
frotteeren, wryven, glad maken, poetsen.
Fructidór, vruchtmaand, de 12de maand van den Fr.-
republik. kalender (18 Aug.—16 Sept.)
fructifiëeren, vrucht dragen.
Fructuérius, vruchtbruiker.
frugaal, matig, matigheid; spaarzaam, zuinig; eenvoudig.
Frupaliteit, spaarzaamheid; genoegzaamheid.
Fruit sec, gedropen student, mislukt jongmensch,
frustrétie, verydeling, teleurstelling.
frustreeren, teleurstellen, verydelen.
Fuchsfne, uit analine verkregen prachtige roode verfstof.
Füeros, vryheden en voorrechten van zekere Spaansche
provinciën, inz. van de Baskische.
Fuga, veelstemmig muziekstuk in afwisselende tonen, die
elkander schynen te ontvluchten.
fugitief, voortvluchtig.
2o8 Fugitief—Fuselier
Fugitief, voortvluchtige. iroepelyk heen.
fügit irreparabile tempus, de (verloren) lijd vliedtonher-fuimus Troës, wy zyn Trojanen geweest, met ons rjjk is \'t gedaan ! (dood.
fuit, (hy, zy, het) is er geweest, \'t is weg; (hij, zij) is Fulgurétie, het bliksemen, weerlichten; het blikkeren
van goud en zilver in den smeltkroes.
full dress, volledige (ambts)kleedg, groot gala.
fulminant, hevig, donderend, razend, woedend, fulmineeren, uitvaren, schelden, razen, vloeken.
Fumet, aangename geur van spyzen, eigcnaartyge reuk Fumeur, rooker. (van wildbraad.
Fumigétie, berooking; rook- of dampbad.
Fumist, rookverdrijver.
Funambulist, koordedanser.
Functie, ambtsverrichting, bediening, post.
Fundament, grondslag; fundamenten, grondslagen, aanvangsgronden, eerste beginselen, grondbeginselen. Fundamentaal, Fundamenteel, de eerste gronden aangaande, wezenlyk, oorspronkclyk; gewichtigst, voornaamst; fundamenteele wetten, grondwetten. (sen. Fundatie, grondlegging, stichting, inz. uit vermaakte fond-fundeeren, gronden, stichten; gefundeerde schuld, eene
op bepaalde inkomsten aangewezen staatsschuld. Fundeering = Fundament.
funést, verderfelijk, heilloos, noodlottig.
fungeeren, ambtsverrichtingen doen, dienst doen. fungéus, sponsachtig.
fuocoso, vurig, hartstochtelijk.
Fureur (lat. Furor), woede, razernij; hevige begeerte. Furia francése, Fransche furie, de onstuimigheid der Fr.
soldaten by den eersten aanval.
Furie, eene der 3 Furiën of wraakgodinnen; (fig.) wraakgodin, boosaardig wyf, helleveeg; woede.
furiëus, woedend, uitzinnig, dol.
furioso, heftig, woedend.
Furlong, Eng. lengtemaat = 201 meter. (inoogsten
Furor, z. Fureur; furóre maken, luiden of grooten by val
Furor loquéndi, spreek- of praatwoede.
Furor scribendi. schrijfwoede.
furtief, heimelyk, diefachtig, steelsgewya.
Fuselier (beter Fusilier, z. aid.).
Fusie—Galactométer 209
Fusie, smelting; gieting; het gietsel, metaal- of ertsgietsel ; (fig.) de samensmelting van partyen, van stelsels, van verschillende klassen der maatschappy.
fusileeren, doodschieten (als krygsstrat).
Fusilier, snaphaandrager, gewoon soldaat.
Fusionist, hy die het stelsel van ineensmelting aankleeft. Fust, Fustage, vaatwerk.
Füstie, aftrek van beschadigde waren.
Fustie, kind van een Blanke hy eene Mustie (z. dat woord), fustigeeren, geeselen.
futiel, nietig, nietswaardig, voddig, armzalig.
Futiliteit, nietigheid, armzaligheid.
Futurum, toekomst; toekomende tyd (in de spraakkunst).
G.
G. = gram.
g. m. of gl. m. of glor. mem. = gloriosae memoriae,
roemryker gedachtenis.
Gr. m. (op recepten) == grosso modo (z. aid.)
Gabére, Gabarra, klein, plat roeischip (tot in- en uitladen); nachtschip tot het visiteeren der in- en uitgaande schepen; lichter.
Gabél, (weleer:) elke indirecte belasting of impost; (in Frankryk :) de zoutbelasting; (ook ;) zoutmagazyn ; tolhek. , (verkoopen. acheeren, slecht schilderen, knoeien; beneden de markt édsteel, staal voor vylen, messen enz.
Gagaat, zwarte barnsteen; pekkool. (liefdepand.
Gége, onderpand; dienstloon, soldy (gagie); g. d\'amour,
Gagist, bezoldigd persoon.
gagné, gewonnen.
Gagne-petit, scharenslyper.
Gaieté de coeur, luchthartigheid.
Gaillérd, vroolyke broeder of broer, rare snaak.
Góla, groot feest, inz. hoffeest; hofstaatsie; feestgewaad, staatsiekleed; gala-dagen, staatsie-dagen (waarop de hovelingen in staatsiekleederen moeten verschenen).
Galactométer, melkmeter, werktuig om \'t gehalte of de vervalsching der melk te bepalen.
ELFDE DRUK. 14
Galant—Galop
Galént, verliefde minnaar, vryer.
galént, hoffelijk, welgemanierd, beleefd; voorkomend, gedienstig (inz. jegens dames); verliefd, minziek; smaakvol (bv. gekleed); galante ziekte, vennskwaal.
Galanterie, hoffelijk gedrag, voorkomendheid (jegens vrouwen); (ook:) minnehandel, boeleering, en (bq verregaand misbruik van \'t woord ook :) venuskwaal, galante ziekte; galanterieën, galanterie-waren, waren tot tooi en opschik, goederen, die men in een galanterie*win-kel verkoopt.
Galanthomme, fijn beschaafd man, man naar de wereld, (Homme galant, saletjonker, vrouwenbehager).
Galantine, tusschengerecht van gespekt hoendervleesch.
Galantisme, schijnkunde, oppervlakkige wetenschap.
Gólbanum, moederhars.
Galeis, Galjós, groote galei, groot zeil- en roeischip.
Galei, breed roeischip, dat gewoonlgk door misdadigers (galeislaven, galeiroeiers) wordt voortgeroeid.
Galerij, overdekte gang in een gebouw; schilderij- of kunstzaal; mijngang; de bovenste ry open plaatsen in schouwburgen; de toeschouwers aldaar.
Galérne, koude Noordwestenwind.
Galimatias, Gallimathi\'as, wartaal, onzin, brabbeltaal.
Galjés, z. Galeas.
Galjoen, Spaansch koopvaardy- en oorlogschip.
Gallégo, Galliciër, bewoner der provincie Gallicië in Spanje; (ook:) de naam van den warmen, zoelen wind.
Gallicaansche ker^, naam der K. K. kerk in Frankryk.
Gallicisme, Fransen taaleigen.
Gallië, het land der Galliërs (Frankryk).
Gallimathfas, z. Galimatias.
Gallionlsme, onverschilligheid in zake van godsdienst.
Galllsme, de schedelleer van Dr. Gall. (Fransch is.
Gallomaan, hartstochtelyk bewonderaar van al wat
Gallomanie, overdreven zucht voor al wat Fransch is.
Gallon, Engelsche inhoudsmaat = 4,54-346 liter.
Gallophilus, vriend der Franschen.
Gallophobie, overdreven vrees voor Frankryk.
Galméi, koolzuur zinkoxyde, kaiamyn.-
Galón, goud- of zilverboordsel.
qalonneeren, met goud- of zilverboordsel beleggen.
Galóp, springloop, snelrit (van paarden); springdans.
2IO
Galoppade—Garde 211
Galoppade, Eugelschc springdans.
galoppeeren, in galop rqden of loopen; een galop dansen.
Galopfn, loopjongen; boodschaplooper; keukenjongen.
galvaniseeren, een lichaam in een galvanischen (dierlyk-electrischen) toestand brengen, metaalprikkels aanwenden of beproeven.
Galvanisme, de door Galvani (in 1791, te Bologna) ontdekte metaalprikkel op spieren en zenuwen, dierlyke electriciteit of aanrakings-electriciteit.
Gatvano-magnetisme = Electro-magnetisme.
Galvanoplastiek, de door den Duitscher M. IT. Jacobi (in 1879) gevonden kunst om metallieke afdrukken of vormen van eenig voorwerp langs den galvanischen weg te verkrygen.
Gambéde, luchtsprong, bokkesprong.
Gamba, Gambe, knieviool, basviool, die men met de knieën vasthoudt, violoncel.
Gambiet, Gambit, (in \'t schaakspel:) misleidende zet met een pion van den raadsheer, den gambietpion.
Gambrinus, een mythisch vorst, de uitvinder van het bier.
Gómelan, Javaansch orkest, volledig stel Javaansche muziekinstrumenten.
Gamin, loopjongen, keukenjongen; Parysche straatjongen.
Gamme, toonladder, toonschaal.
Ganéche, domkop.
géne! laat my den slag (in \'t omberspel).
ganeeren, den slag laten loopen (in \'t omberspel).
Gangliën, peesknoopen.
Gangraena, koudvuur.
ganteeren (zich), handschoenen aantrekken.
Ganterie, handschoenenwinkel.
Ganymeed, Jupiter\'s schenker en lieveling; (fig.) zeer schoon jongeling; (soms ook:) schandjongen.
garanceeren, met meekrap verven, krappen.
Garancine, meekrap-verfstof.
garandeeren, z. garanteeren.
Garënt, borg, waarborg; borgstelling.
aranteeren, garandeeren, borg blyven; goedspreken, aréntie, waarborg, borgstelling, borgtocht, vrywaring.
Garpón, knaap, ongehuwd man; oppasser, bediende 111 een koffiehuis, logement enz., (by ons vaak :) Jan.
GArde, wacht, wachter; uitgoleaen manschap als afzon-
2i2 gardeeren—gauche
derlyke legerafdeeling; g. du córps, lyfwacht, uitgelezen corps ter persoonlijke beschutting; g.-champétre, veldwachter; g.-chasse, g.-peche, koddebeier, gardeeren, bewaken, behoeden, behouden.
Garden, tuin.
Gérde-nationale, burgerwacht, schutterij, landweer.
Garde-róbe, kleerkamer, kleerkast ; kleedervoorraad.
gardez-vous ! wacht u! pas op!
Gardiaan, opperste, prior van een klooster.
gare! zie voor u! berg u ! buk! pas op !
Gargarisatie, het gorgelen.
Gargóte, gaarkeuken; smerige herberg.
Garmond, druklettersoort tusschen dessendiaan en galjard.
garneeren, van\'tnoodige voorzien; omzoomen, beleggen;
van oplegsels voorzien; voeren; stoffccren. Garneering, z. Garnituur.
garni, gemeubileerd. (belastingschuldigen.
Garnisair, soldaat als dwanginlegering by achterstallige Garnituur, Garneering, omzetsel, belegsel; versiering; toebehooren, volledig stel van byeenbehoorende dingen (keukenterm).
Garnizoen, (fr. Garnison), krygsbezetting, lig- of standplaats der soldaten.
qarotteeren, knevelen, sterk binden.
Gars, Fransche naam der stationsgebouwen op spoorwegen. Gas, elke onzichtbare, blyvend veerkrachtige vloeistof, elke luchtsoort, die van de dampkringslucht verschilt. Gascógner, grootspreker, praalhans.
Gasconnade, pralcry, erge grootspraak, snoevery. Gasmeter, z. Gazometer.
Gasteralgie, maagpyn.
gastroeren, gastereeren, een gastmaal geven; smulparty houden; ook gastrollen geven, op een vreemd too-neel als acteur optreden.
Gastriloog, buikspreker.
Gastrilogie, buiksprekery.
qéstrisch, wat liet onderlijf, den buik, de maag aangaat. Gastronomie, verfijnde kookkunst; lekkerbekkery. Gastronoom, kunstkok, fijne kok; lekkerbek.
Gate, poort.
Gate-métier, loonbederver, knoeier.
gauche, ihiksch, scheef j onkundig, ongeschikt.
Gauchen\'e—gealimenteerd 213
Gaucherfe, linkscliheid; onbeholpen gedrag, lompheid, gaudeémus (i\'gitur)! laten we (dus) vroolgk zijn ! Gaudium, vreugde, verlustiging, pret.
gaufreeren, met een heet ijzer figuren op stoffen drukken, stoffen wateren. (muziek. Gavótte, vroolyke Fransche dans; de daarby hehoorende Gaz, beter Gas.
gazeeren, niet gaas of floers overtrekken, omsluieren. Gazétte, nieuwsblad, courant, krant.
Gazometer, luchtmeter; groote ontvangbak voor *t brandbare gas in de gasfabriek; (ook:) het kastje, door hetwelk de hoeveelheid gebruikt gas wordt aangegeven, kortweg de meter genoemd.
Gazomoteur, gaskrachtmachine, door gasvlammen in beweging gebrachte machine.
Gazon, graszode; grasperk. (maken,
qazonneeren, met graszoden beleggen ; tot een grasperk Géa, de aarde; de godin der aarde; geïstiek, natuurleer
der aarde, aardkunde.
geabimeerd, bedorven, ten gronde gericht. *) geabonneerd, ingeteekend; vooruitbetaald.
geaccepteerd, aangenomen.
geaccordeerd, toegestaan ; in schikking getreden, geaccuseerd, beschuldigd ; beticht.
geachameerd, verwoed, verbitterd; verzot, sterk gezet op. geacheveerd, voltooid, geëindigd; volkomen, uitmuntend in zgne soort. (kind.
geadopteerd kind, als eigen zoon of dochter aangenomen geaffaireerd, druk, bedrijvig, veel omhanden hebbende, geaffecteerd, gemaakt, gekunsteld, niet natuurlek. Geaffideerde, vertrouwd persoon, vertrouweling. Geaggregeerde, Gea(g tgreëerde, toegevoegd ambtenaar, die den patroon mag vervangen en in zyne plaats teekent. gealiëneerd, in \'t verstand gekrenkt, krankzinnig; een
gealiëneerde, een krankzinnige.
gealimenteerd, verzorgd, verpleegd, onderhouden; een
*) Woorden met het voorvoegsel ge, die hier niet gevonden worden, zoeke men op het woord zelf, bv. geaccrediteerd op accrediteeren, gecontrasigneerd op con-trasigneeren, gedeporteerd op deporteeren, geëlanceerd op eianceeren, geprononceerd op prononceeren. enz.
2i4 Geallieerden—gecacheerd
geaiimenteerde, iemand die op kosten eener gemeente Gealliëerden, bondgenooten. (wordt onderhouden,
gealtereerd, ontroerd, ontsteld; bedorven, verminkt, geamendeerd, verbeterd; (van wetten) door amendementen (z. aid.) gewyzigd of verbeterd.
geamnestiëerd, in de amnestie (z. aid.) begrepen, geamoveerd, ontzet (bv. van een post); gesloopt, geslecht, weggeruimd.
geangfiseerd, op de Engelsche wijze gekortstaart, geanimeerd, opgewekt, aangevuurd, bemoedigd; vroolgk, druk.
gearticuleerd, geleid; duidelijk en bepaald uitgesproken, geasphyxiëerd, door schgndood getroffen, in doodsonmacht geaspireerd, met aanademing uitgesproken. (gevallen, geassorteerd, voorzien van alles, wat tot een winkel, een handelstak behoort. (verzekerd,
geassureerd, tegen schade (van brand, hagelslag enz.) geautoriseerd, van volmacht voorzien, gevolmachtigd, geavanceerd, vooruitgeplaatst; gevorderd; bevorderd, gebadineerd, geschertst; daar is niet mee gebadineerd,
dat is gemeend, dat is ernst.
gebalanceerd, in evenwicht gehouden, wederzijds opgewogen ; afgesloten (van eene rekening).
gebaseerd, gegrond op, op een of anderen grondslag rustend; uwe beschuldiging is niet gebaseerd, steunt op geen gronden, is uit de lucht gegrepen.
Gebenedijde, gezegende, gezaligde, zaliggesprokene (van
de maagd Maria gezegd).
Geber, ongeloovige (bq de Mahomedanen).
geblameerd, belasterd; gelasterd, onteerd, in kwaden
naam gebracht.
geblaseerd, uitgeput, door overmatig zingenot ontzenuwd, geblesseerd, gekwetst; geraakt, gekrenkt, beleedigd; geblesseerde, gewonde, gekwetste.
geblokkeerd, ingesloten, omsingeld (van eene belegerde
vesting of stad).
geborneerd, begrensd, beperkt; bekrompen, kleingeestig, gebosseleerd, gedreven, met verheven figuren bewerkt
(van goud- of zilverwerk).
gebrillanteerd, met diamanten omzet. (min levend,
gebrouilleerd,ondereengemengd, verward; oneens, in on-gecacheerd, verborgen, bedekt, geheim.
gecalangeerd—gedamasceerd 215
gecalangeerd, aangehaald, beboet.
gecalqueerd, doorgeteekend; nagetrokken.
gecampeerd, gelegerd, te veld liggend.
gecasseerd, afgezet (uit post of bediening); uitgemergeld, uitgeput door zingenot. (tooverd.
gecharmeerd, bekoord, ingenomen, opgetogen, verrukt, be-gechausseerd, met kousen en schoenen (of laarzen) aan. gechineerd, z. chineeren.
geciteerd, gedagvaard.
geciviliseerd, beschaafd, welgemanierd.
Gecoaliseerden, verbondenen, bondgenooten. gecombineerd, samengesteld, vergeleken en berekend; de gesombineerde armee, het uit troepen van verschillende natiën samengesteld leger. (machtigden. Gecommitteerden, afgevaardigden, lasthebbenden, gevol-gecompliceerd, ingewikkeld, z. compliceeren. gecompromitteerd, blootgegeven aan schande, schade enz. geconcessionneerd, bewilligd, ingeruimd, toegestaan (door de regeering).
geconditionneerd, wel of kwalgkin zgn toestand bewaard. Geconfedereerden, z. Gecoaliseerden.
geconfisqueerd, verbeurd verklaard.
geconserveerd, bewaard, onderhouden.
Geconsolideerden, fondsen of schulden, voor welker rentebedrag zekere staatsinkomsten zijn aangewezen, geconstateerd, gestaafd, bekrachtigd.
geconsterneerd, ontsteld, onthutst, verbaasd, geconstipeerd, hardljjvig, verstopt.
geconstitueerd, z. constitueeren.
geconsulteerd, geraadpleegd.
geconsumeerd, verteerd, opgebruikt.
geconsummeerd, voltooid, voltrokken.
gecontinueerd, voortgezet, vervolgd.
gecontrarieerd, gedwarsboomd, tegengewerkt, gecorrigeerd, verbeterd.
gecostumeerd, naar den tgd gekleed of ingericht, gecreëerd, geschapen ; benoemd, verkozen ; opgericht, gecultiveerd, aangekweekt; beschaafd.
gedamasceerd, met goud of zilver ingelegd (staalwerk); uit staalreepen van verschillende hardheid aaneengesmeed en daardoor gevlamd gemaakt ; vlammig geëtst (degenklingen); met ingeweven bloemen of andere figuren.
2i6 gedebaucheerd—gedevolveerd
gedebaucheerd, verliederlijkt.
gedebordeerd, uit de oevers getreden; een g. mensch,
een uitspattend, liederlyk mensch.
gedecideerd, besloten, vastberaden, stout.
gedecolleteerd, met hlooten hals en boezem, gedecontenanceerd, bedremmeld, verward.
gedecoreerd, met een ordelint versierd.
gedecreteerd, vastgesteld, besloten.
gedegageerd, ongedwongen, los, vrijmoedig, gedegradeerd, verlaagd, van ambt of waardigheid ontzet, gedelabreerd, vervallen, bouwvallig; gehavend. Gedelegeerden, afgevaardigden; aangewezen schuldenaars ; rechters, die ter beoordeeling van eene zaak byzonder zjjn aangewezen.
gedelibereerd, overwogen, in overweging genomen, gedepêcheerd, afgezonden. (tgde gedaan,
gedeplaceerd, misplaatst; kwalyk aangebracht; ten on-gedeponeerd, neergelegd; in bewaring gegeven. Gedeporteerde, gebannene en naar een bepaald oord weg-gedepraveerd, verdorven. (gevoerde.
Gedeputeerde, afgevaardigde des volks, lid eener kamer van volksvertegenwoordigers, gelyk die in een bepaalde monarchie bestaan.
gederangeerd, in de war (van verstand, van fortuin), gedesabuseerd = gedetrompeerd.
gedesigneerd, voorloopig benoemd, erkend, aangewezen, gedesillusioneerd, uit de begoocheling gebracht, beter in-gedesinteresseerd, belangeloos. (gelicht,
gedesoeuvreerd, werkeloos, ledig.
gedesoleerd, verwoest; troosteloos.
gedesorganiseerd, verbroken van samenhang, ontbonden,
in wanorde gebracht.
gedesoriënteerd, het spoor byster, in de war, onzeker, gedestineerd, bestemd. [troepen),
gedetacheerd, losgemaakt; afgezonderd en uitgezonden (van gedetailleerd, omstandig, breedvoerig, in byzonderheden. gedetermineerd, besloten, bepaald: vastberaden, onverschrokken, stout, koen. (beter ingelicht, gedetrompeerd, uit den droom of de dwaling geholpen, gedeveloppeerd, ontwikkeld.
gedevolveerd, door \'t recht van devolutie of door aanbe-valling verkregen, aanbevallen.
gedirigeerd—geëxpedieerd 217
gedirigeerd, bestuurd, geregeld; gericht, in de rieliting ge-gedisciplineerd, aan goede tueht gewend. (bracht,
gediscrediteerd, te kwaden faam staande.
gediscutiëerd, overwogen, nauwkeurig onderzocht, wel gewikt en gewogen.
gedispenseerd, vrygesteld, ontheven, verschoond, gedisperseerd, verstrooid, verspreid. (humeurd.
gedisponeerd, beschikt, betrokken; wel of kwalyk ge-gedisproportioneerd, in slechte verhouding, onevenredig, gedisputeerd, getwist; bestreden.
gedistilleerd, overgehaald; gedistilleerde wateren, sterke dranken, (fatsoenlijk,
gedistingeerd, onderscheiden; aanzienlek, voornaam, zeer gediverteerd, vermaakt, verlustigd.
gedivideerd, gedeeld, verdeeld.
gedomicilieerd, gehuisvest, woonachtig, een bepaalde woonplaats hebbende (z. ook op Domiciliëeren).
gedoteerd, begiftigd; van zekere inkomsten voorzien, gedresseerd, afgericht (van dieren); gedrild, goed geoefend (van soldaten). (geleid, gedupeerd, bedrogen, gefopt, beet genomen, by den neus geëchappeerd, ontsnapt, ontkomen; ontgaan, ontvallen, geëchauffeerd, verhit, warm geworden; driftig, boos. geëlanceerd, hoog en dunstammig; slank, rank en mager van gestalte.
geëmancipeerd, vrijgelaten, vryverklaard, uit slaverny of
lijfeigenschap ontslagen.
geëmigreerd, uitgeweken, naar een ander land verhuisd, geëmployeerd, gebezigd, gebruikt; geëmployeerde, beambte, inz van minder rang.
geëmporteerd, oploopend, driftig.
geëmpresseerd, haast hebbende, druk bezig, geëngageerd, verbonden, verplicht, gehouden; zij is g.,
zy verkeert, vryt, is verloofd.
geëvaporeerd, vol grillen en inbeeldingen.
geëxalteerd, opgewonden, overspannen; geëxalteerden, zy, die tot een overspannen politieke party behooren. geëxecuteerd, uitgevoerd, volbracht; door rechtsdwang-
middelen genoodzaakt; te recht gesteld.
Geëxileerde, gebannene, banneling, balling.
geëxpediëerd, verzonden, uitgevaardigd; naar de andere wereld geholpen.
2i8 geëxpireerd—Gelei
geëxpireerd, ontzield; afgeloopen, vervallen.
gefarceerd, opgevuld, met vulsel (farce, hakvleesch, kruiderijen enz.) volgestopt en toebereid.
gefatigeerd, vermoeid, mat; (fig.) van een veel bewogen
leven; z. fatigeeren.
gefigureerd, met figuren, gebloemd (van stoffen), gefingeerd, enkel gedacht, niet werkelijk voorhanden; g.-e munten, zulke munten, naar welke wel gerekend wordt, maar die niet werkelijk bestaan; g.-e rekening, geraamde, vermoedelijke rekening (conto finto). geforceerd, gedwongen ; opgevuld (in deze beteekenis deugt
het woord niet; het moet zgn gefarceerd, z. aid.) geformaliseerd, styf aan vormen gehecht.
gefortuneerd, vermogend, rijk.
geganteerd, met handschoenen aan.
gegeneerd, belemmerd.
gegradueerd, met eene academische waardigheid bekleed. gehazardeerd, gewaagd, gevaarlijk, vermetel, gehebêteerd, geheel stompzinnig geworden, verstompt, dom gemaakt.
Gehénna, de hel, de helsche poel.
gehonoreerd, vereerd, aangenomen en betaald (van wissels), geïdentifiëerd, vereenzelvigd.
geïilimiteerd, onbeperkt, onbegrensd.
geïllustreerd, met platen, vignetten enz. opgeluisterd;
opgehelderd, toegelicht; beroemd gemaakt, geïmpegneerd zijn, verplicht of verantwoordelijk zgn. geïmpliceerd, mede in betrokken, verwikkeld, geïncenseerd, bewierookt.
geïncrimineerd, voor misdadig of strafbaar gehouden; het geïncrimineerde artikel, woord, enz., dat, waarop de beschuldiging van liet te laste gelegde feit berust, waarin de overtreding vervat is.
geïndigneerd, verontwaardigd, boos.
geïndisciplineerd, zonder tucht, niet geoefend, geïndisponeerd, ongenegen; ontstemd, onpasselgk. geïnteresseerd, bg betrokken ; zelfzuchtig, wingierig. geïsoleerd, op zichzelf staande, van alles afgezonderd. Gelatine, geleistof.
gelatinous, geleiachtig.
Gelei, slgmig verdikt vocht, gestremd of gestold sap van dier- of plantstoffen, dril.
gemarineerd—Génesis 219
gemarineerd, in gekruide pekelsaus (marinade) ingemaakt : (ook:) door zeewater bedorven.
gemaskeerd, bedekt, onzichtbaar.
gemaskerd, met een mom of masker, verkleed, vermomd, gemêleerd, vermengd; doorgeschnd; bemoeid.
Gémini, de Tweelingen (sterrenbeeld des dierenriems). Gemmen, edelgesteenten, inz. gesneden steenen, ringstee-gemodereerd, gematigd. (nen.
gênant, belemmerend, bezwarend, lastig, hinderlyk. Gendérme, gewapend landruiter; politie-soldaat. Gendarmerie, politiewacht.
Gendre, schoonzoon.
Gêne, dwang, belemmering.
Genealogie, geslachtrekenkunde, stamboom. (ter.
genealógisch, geslachtrekenkundig, als een geslachtregis-Genealoog, Genealogist, geslachtkundige, stamboommaker, geneeren (zich), zich dwang aandoen, zich eenig ongemak opleggen of getroosten ; zich aan den dwang der beleefdheidsvormen onderwerpen; geneer je niet, doe of je thuis waart.
genegotiëerd, onderhandeld; verhandeld, omgezet; aangegaan, gesloten (bv. van eene leening).
Generaal, veldheer, heirvoerder.
generaal, algemeen ; (in samenstellingen :) opper- of hoofd-, enz., bv. generaal-agent, hoofdagent, hoofdgevolmachtigde ; generaaNconto, hoofdberekening; generale kaart, de kaart van een geheel werelddeel; generale staf, de hooge bevelvoerende officieren van een regiment. Generalisatie, algemeenmaking.
Generalissimus, opperveldheer.
Generaliteit, algemeenheid; gezamenlijke heirvoerders ;
algemeene Staten.
Generétie, teling, geslachtsvoortplanting; menschenge-
slacht; de gelgktüdig levende menschen.
genereeren, telen, verwekken, voortbrengen.
genereus, edelmoedig, grootmoedig, mild.
genérisch, generiek, tot het geslacht behoorende; gene*
risch onderscheid, geslachts-onderscheid.
Generositeit, edelmoedigheid, onbaatzuchtigheid, mildheid, milddadigheid.
Génesis, ontstaan, wording; naam van Mozea\' eerste boek, scheppingsgeschiedenis.
22o Genét—Geograaf
Genét, Spaansch paardje, klepper; kleine, wel geëvenre-digde hengst. (verklarende,
genétisch, liet ontstaan of den oorsprong betreffende, die geniaal, scheppend, vindingryk, vernuftig, vol genie. Genialiteit, oorspronkelgke geestkracht, verstandsgave;
vindingskracht.
Genie (het), natuurlijke aanleg, aangeboren schranderheid, oorspronkelijkheid, vindingrijke, scheppende geest; (ook:) lust, behagen, trek, zin; de genie, de ingenieurs-of krijgsbouwkunst.
Genitaliën, teeldeelen, geslachtsdeelen.
Genitivus, Genitief, tweede naamval (bezitter, teler). Génius, beschermgeest, schutsengel; de geest eener zaak. Genre, geslacht, soort; manier, trant, stijl; genre-schil-derij, voorstelling van een tooneel uit het dagelgksch leven, volkstafereel.
Gens, lieden; gens de condition, lieden van aanzien; gens d\'église, kerkelijke personen, geestelgken; gens d\'épée, militairen; gens de lettres, letterkundigen; gens de ro\')e, advocaten, rechters.
Gensdérme, z. Gendarme.
Gentielen, (bg christenscbryvers:) heidenen.
gentd, aardig, lief; wellevend, hupsch.
Gentilhomme, edelman, adellijk persoon.
Gentillésse, aardigheid, vriendelykheid; hupschheid, wellevendheid ; bevalligheid.
Géntleman (meerv. Gentlemen), heer, man van opvoeding
of stand, fatsoenlek man.
Géntry, (in Engeland:) de lagere of kleine adel. Genufléxie, kniebuiging. (zuiver, rein.
genuien, aangeboren; echt, onvervalscht, onvermengd, Genuïniteit, echtheid, onvervalschtheid.
Genus (pl. Génera), geslacht (zoo in de natuur als in de spraakkunst); soort; génus irritébile vütum, het kit-teloorig dichtervolk.
geoccupeerd, druk, met bezigheden overladen.
Geodesie, kunst der land- of veldverdeeling, aardmeting, landmeting.
Geognosie, Geognostiek, kennis van de samenstelling der
vaste aardkorst, bergkunde.
Geogonie, Geogenie, aardvorming.
Geograaf, aardryksbeschryver, aardrijkskundige.
Geographie—Gerant 221
Geographic, airdrgksbeschrgving, aardrijkskunde, geographisch, aardrgksbeschrövend, aardrijkskundig. Geologie, aardleer, leer van de wording der aarde. Geometrie, aardmeting; meetkunde.
Geophysica, de leer der physische verschijnselen in \'t binnenste der aarde.
Georéma, aardtafereel, tafereel, dat naar alle zjjden een
overzicht van de aarde geeft.
georganiseerd, naar den eisch ingericht, bewerktuigd. Geoscoop, aardbeschouwer.
Geostatica, leer van het evenwicht van vaste lichamen. Geothermometer, thermometer ter bepaling van de temperatuur in groote diepte der aarde.
geparenteerd, vermaagschapt.
geparfumeerd, geurig, van geuren doortrokken, geparodiëerd, op bespottelijke wgze nagebootst, gepassioneerd, hoogst ingenomen met, zeer verzot op. gepetrifiëerd, versteend.
gepiqueerd, gebelgd, beleedigd.
gepolitoerd, geglanst, gepolijst. (aantrekken,
geporteerd voor iemand zijn, zich iemands zaak sterk geposeerd, gezeten; gezet; bedaard, bezadigd, gepousseerd, voortgedreven, voortgeholpen, gepremediteerd, te voren bedacht, opzettelgk. gepreoccupeerd, vooringenomen.
geprescribeerd, verjaard, aanbevallen, verstorven, gepresseerd zijn, geen tyd hebben, haast hebben, geprolongeerd, verlengd, de betaling tot een lateren dag uitgesteld.
gepromoveerd, bevorderd, tot den doctorsgraad verheven, geproportioneerd, geëvenredigd, naar juiste verhouding, geprotegeerd, beschermd, begunstigd.
geprotesteerd, met protest teruggezonden (van wissels); tegen eene kwetsing of benadeeling van zyn recht wettelijk opgekomen.
gequalificeerd, bevoegd, door de bevoegde macht aangesteld ; g.-e diefstal, diefstal, die met verzwarende omstandigheden gepaard gaat.
geraffineerd, gelouterd, verfijnd; doorkneed, doortrapt, geramasseerd, kloek en sterk, vierkant, gespierd.
Gerént, zaakvoerder; verantwoordelijk uitgever of eerste redacteur van een dagblad of tijdschrift.
222 Gerbe—gestationneerd
Gerbe, korensclioof; sclioofvormige stralenbundel (bg vuurwerken). (gewerkt,
gerechercheerd, uitgezoelit, keurig; allerzorgvuldigst af-gerecommandeerd, aanbevolen ; g.-e brief, aangeteekeude brief, van welken de afzender zich een ontvangbewijs door de postdirectie laat uitreiken.
gereeren, besturen; zich gereeren, zieb gedragen; zich
uitgeveu voor iets.
Gereformeerden, hervormden, aanhangers en volgelingen der leer van Zwinglius en Calvijn. (den krygsdienst. geremplaceerd, in eens anders plaats getreden, inz. in gerenommeerd, befaamd, vermaard; berucht, gereserveerd, voorbehouden.
geresolveerd, besloten, koen, moedig, van kort beraad, geretireerd, ingetogen, eenzaam, op zich zeiven levend, gereüsseerd, gelukt, geslaagd.
germaansch, van Duitschen oorsprong of stam, Oud-
duitsch, Duitsch.
Germanië, liet land der Germanen, Duitschland. Germanisme, Hoogduitsch taaleigen; afkeurenswaardige navolging van een Hoogduitsch woord of gezegde (bv. voorradig, lid. vorrüthig, d. i. in voorraad, voorhanden ; dat is my opgevallen, hd. das istmir aufgefallen, d. 1. dat heeft mjjne aandacht getrokkeu, heeft niy bevreemd, enz., enz.)
Germanfst, kenner en leeraar van het Duitsche recht,
van de Duitsche taal en geschiedenis.
Germinal, kiem- of bloeimaand, de 7de van de Fr.-republ.
kalender (21 Maart—19 April).
Germinétie, kieming, uitspruiting, kiemtyd.
germfneeren, ontkiemen, uitspruiten.
geroutineerd, geoefend, bedreven, vlug, doorkneed, gesaisisseerd, getroffen, door iets aangegrepen worden (bv. schrik enz.) (kend.
gesatineerd, als satijn bewerkt, naar satyn of atlas gelij-gesignaleerd, geseind, door teekens bericht; door per-soonsheschryving kenbaar gemaakt; uitgemunt, (dend. gesitueerd, gelegen ; in een zekeren toestand zich bevin-gesorteerd, in soorten byeengevoegd; van al het ver-cischte wel voorzien (bv. zulk een winkel). (schap. Gcstétie, het dragen, dracht; houding; tyd derzwanger-oestationneerd, aangesteld; geplaatst, gelegen.
Gesten—giocondaménte 223
Gesten, gebaren, lichaaiuslioudingen, handbewegingen. Gesticulatie, handbeweging in \'t algemeen, gebarenspel
by het spreken of redevoeren.
Géstie, verrichting, bestuur, beheer voering.
gestipuleerd, vastgesteld, afgesproken, bepaald, gestomacheerd, geërgerd, boos.
Géstor negotiórum, zaakvoerder, zaakwaarnemer, gesublimeerd, (bü chemisten) in de hoogte gedreven (kwik), gesubordineerd, ondergeschikt, onderdanig.
getiërceerd, tot op een derde teruggebracht.
getraineerd, getalmd; op de lange baan geschoven, getravailleerd, afgemat, gekweld.
getravesteerd, belachelyk ingekleed.
getroubleerd, niet wel by \'t hoofd.
Gettatóre, z. Malocchio.
Geus, bedelaar, scheldnaani der Protestanten ; kleine vlag van de boegspriet; gieteling, prismatische jjzermassa, gelyk die onmiddeliyk uit den smeltoven in het zand gegoten wordt.
gevaccineerd, ingeënt met koepokstof.
geverseerd, geoefend, bedreven, ervaren.
Ghéseien, GhAzelen, soort Oostersch lierdicht vaneigen-
aardigen kunstigen vorm.
Ghétto, jodenwijk.
Giaur, ongeloovige (verachtc\'.gke benaming voor alle niet-
Mohammedanen by de Turken).
Gibbositeit, bultigheid; bochel.
Gibeiótte, fricassee van jonge hoenders.
Gibier de poténce, galgebrok.
Gibus, klaphoed, reishoed.
Gienje, z. Guinee.
Gig, eenspannige open gaffelwagen met twee wielen, lichte
boot van plaatyzer.
qigantésk, gigéntisch, reusachtig. (vrouweukleederen. Gigot, bout, inz. schapebout; van boven wyde mouw aan Gilét, vest.
Gin, jenever, korenbrandewijn.
Gingang. Gingham, Oost-Indische katoenen stof, soms
met schors gemengd.
Ginseng, wortel van kruidigen smaak eu zenuwprikke-
lende kracht (in China zeer hoog geacht), giocondaménte, aangenaam, vroolyk.
224 giocóso—Glissade __
giooóso, s^sena j am ïan dc poLtieke
«\'partl quot; e de eenlS\' van Italië beoogde en tot stand
Gipsy!quot;?\' Gipsies, 1)0 de Engelsehen wat wij Heidens
Girandóle, vee^S\'sfaande mehtevofkan.lelaav ; vnuv-
„i^ere-wLlrreérrnderoverdvagen.
«\'S«S.2F:3s;ïquot;;tt
öp den ander worden overgedragen. Gjronde a i. volutie van 1789.
elS «quot;snaren, die met de vin-Giféquot;«sfetinktanrdeequot;aan. der Heidens, .. Zigeuners.
aSdSeï»
Glaci^^\'eUlborstwering^der buiten-vestingwerken.
Glapon, op een ijskegel gelijkende versienng.
Giadf^lor^zwaa^rdvMbter\'bij \'de^OuA-Romeinsche scliouw-
ll^g~tS-tglM»ur bedekken. Glazuur, verglaasd, glasstotbetlekkiTie.
S££fs—
.g53fc.2tó«Jf9SW«
dansen, ook pas güsse gelieeten).
globaal—Godlveau 225
globaal, over \'t geheel genomen, by wyze van overslag of
raming, begrootenderwyze.
Globe, kogel, bol; kunstmatige aard- of hemelbol, globuleus, kogelvormig, bolvormig.
Glória, Glórie, roem, heerlykheid; straalkrans; Gloria in
excélsis Déo, eere zy God in de hoogte.
gloriëus, roemryk, heerlijk; ook grootsprekend. Glorificétie, verheerlyking.
alorificeeren,lorificeeren, verheerlyken.
lorioie, stralenkrans.
gloriósae memoriae, roemryker gedachtenis. (glossen. Glossarium, alphabetisch gerangschikte verzameling van Glósse, duister, verklaring behoevend woord; uitlegging, verklaring, kantteekening, inz. afkeurende, hekelende aanmerking.
glosseeren, aanmerkingen, inz. afkeurende, op iets maken.
Glossitis, tongontsteking, tongbrand.
Gluten, lymstof, kleefstof, plantenlym.
glutineus, kleverig en lymig.
Glycerine, oliezoet.
Glycose, glucose, druivensuiker, zetmeelsuiker. Glycirrhiza, zoethout.
Glyphiek, Glyptiek, kunst om in steen of metaal te snyden. Glyphographle, nieuw uitgevonden manier om koperplaten tot de beteekening en den galvanischen afdruk voor te bereiden.
Glypten, gesneden steenen.
Glyptognosie, de kennis der gesneden steenen. Glyptotheek, verzameling van gesneden steenen, ook in
\'t alg. van beeldhouwwerk; kabinet daarvan.
Gnómen, aard- of berggeesten; (ook:) leer-, zinspreuken, gnómisch, in spreuken vervat, spreukvormig.
Gnómon, styl des zonnewijzers; astronomische wyzer. Gnósis, (gewaande) openbaring; — diepere kennis der
christelyke leer.
Gnostieken, geheimkenners, godewyzen (dwepers), gnóstisch, geheimkundig (dweepziek in godsd.)
go ahead, voorwaarts.
Gobelins, Fransche tapyten met ingewerkte figuren, qóchem, goochem, wys, ervaren, verstandig, slim. God-dam, God verdo(e)m\'me (Engelsch vloekwoord). Godiveau, pasteitje van gehakt vleesch, worstpasteitje, ELFDE DRUK. 15
2 26 God save the king—Gouvernante
God savTthiTking, God liehoede den koning (aanvangs-
- TO.-
ache of SpaanscliD peper gekruid.
GólS\'ofh0aU,dselgt;edelplaatS, gereehtplaats bi) Jeruzalem.
ftAliath reus. reusachtig mensen. , ,
Gom-elastiek, veerkraehtige gom, vederhars, caoutchouc. Gomméüx, modeheer, fat.
Göndel\'pïat\'en\'^ovcrdekt vaartuig in Venetië.
finnfal0 nïèr^vaandeldrager, baanderheer.
? a,0Gn en \'g;n = van tam-tam of handtrommel der Indiërs, die ba \'t zingen met een stok geslagen woia.. Goniometer, hoekmeter (werktuig).
Goniometrfe, hoekmeetkunst.
good, goed.
Gnrdfaansche knoop, onoplosbare knoop, hoogst ingewikkelde zaak, schijnbaar onverwinneljjke zwarigheid.
G^r^net dtó frVnwclfkemonsters (uit de mythologie) ^net slangenharen, ontzettende tanden en stalen klauwen wier aanblik deed versteenen. _ lj™u. norgónisch, vreesclijk. monsterachtig; ra steen vera Gnrllla grootste Afrikaansche boseliaap.
Gothlsch, den Gothen eigen, hun beboerende ; ouder wetsch,
Gouache,6 het \'seliifderen met waterverf, waarin een wei-
6oufard -water°^\'verko^èlend en opdrogend loodwater. Goulil, vraat, gulzigaard, slokop Gourmand, gulzigaard, lekkerbek.
Gnülé of Goüter, vooravondeten, vesperbrood.
gouteeren, proeven, smaken ; mogen lijden, goedkeuren. Gnutte, droppel, beetje; jieht. . . ,
^^uverna^ite^hiudvoogdes j1^ Idnderopvoedster (in ee^ ge-
Gouvernement—Grand merci 227
Gouvernement,regeering, staatsbeheer; gezamenlpe staatsbestuurders ; (ook:) bureaux van een provinciaal bestuur; gebouw waarin dit zyne zittingen houdt.
Souverneeren,ouverneeren, besturen, beheerschen, regeeren. ouverneur, bestuurder eener provincie; (in Nederland nu commissaris des konings geheeten); landvoogd: huisopvoeder en leermeester.
govérno, bericht, naricht, richtsnoer.
Grabouge, grabuge, getwist, gekibbel; zeker kaartspel. Grace, aardigheid; genade; minzaamheid, bevalligheid,
gracie (z. Gratie).
graciëus, bevallig, liefelijk, innemend, minzaam.
Gradétie, trapsgewijze opklimming of vooruitgang, gradcttim, trapsgewyze, allengs.
gradeeren, louteren, veredelen, tot een hoogeren graad
van deugdelqkheid brengen.
Gradeerhuis, lekwerk, verdampingshuis (voor \'tzoutwater). gradueel, trapsgewyze, bg opklimming.
gradueeren, naar graden of trappen afdeelen ; een academische waardigheid toededen.
Grédus ad Parnassim, hulpboek by het maken van klassieke verzen.
raeciseeren, Grieksche taaieigenheden gebruiken, raecfsme, Grieksch taaleigen.
Graecomanfe, overdreven zucht voor al wat Grieksch is. graisseeren, met vet insmeren.
Gram of Gramme, wichtje (gewichtseenheid in Frankryk),
duizendste deel van een kilo of Nederlandsch pond. Graminéën, grassen, grasplanten.
Grammaire, Grammatica, spraakleer, spraakkunst, grammaticaal, grammétisch, de spraakleer betreffende, taalkundig. (eens,
Grammétici certant, de geleerden zyn het er niet over Gramméticus, spraakkunstenaar, taalkundige. Grammatolatrie, letterknechtery.
Granaat, gering rood edelgesteente; (ook:) een met kruit gevulde werp- of springkogel; vrucht des granaatbooms; de boom zelf.
Gréndes, de grooten, hoogadellyken in Spanje.
Grandézza, waardigheid van een Spaanschen grande j
hooghartigheid, trots.
Grand merci, grooten dank, wel verplicht.
228 Grand-seigneur—Graviteit
Grand-seigneur, ^root, trotsch heer; de sultan, grandiëus, grandiose, grootsch, verheven, majestueus. Grandison, deugdzame held.
Grand monde, groote wereld.
Grand-teint, echte of hlyvende kleuren (op lakens enz.), in tegenstelling met petit-teint, oneehte, niet blijvende, licht verschietende kleuren.
Graniet, kernsteen, korrelsteen (zeer harde steensoort). Granuleer-machine, korrelmachine, w erktuig ter vervaardiging van metaalkorrels.
Grape, wgndruif.
Graphiek (lat. gréphica), schryf-, teeken-, schilderkunst;
(ook :) diplomatische schryf- of schriftkennis.
Graphiet, potlooderts, zwart teekenkryt.
graphisch, schriftelijk, door schryfteekens of door figuren
voorgesteld, heschryvend, teekenend.
grasseeren, woeden, heerschen (van ziekten).
grétias (tibi ago)! (ik zeg u) dank! ik dank u! qraticuleeren, overtraliën, z. craticuleeren.
Grétie, genade; gunst; bevalligheid; de 3 gratiën, de 3
bevalligheden (Aglaja, Thalia, Euphrósyne).
gratiëus, z. het betere graciëus.
Gratificatie, gunstgeschenk ; vereering; toelage: vergoeding, gratificeeren, genade schenken; vereeren; vergoeden. Gratin, gebraad met geraspt brood of beschuit bereid, grétis, om niet, kosteloos.
gratuit, vrywillig; don gratuit, onverplichte gift.
gratuitemént, z. gratis.
Grétulant, gelukwenscher.
Gratulétie, gelukwensch, heilwensch.
gratuleeren, gelukwenschen.
Gravómen (pl. gravómina),bezwaar, zwarigheid.
Gravéntia,bezwarende omstandigheden by een beschuldigde.
grave, ernstig, plechtig.
graveeren, door insnyding in metaal, hout, marmer, edel-steenen, afbeelden of voorstellen, kunstig griffelen; (ook wel:) bezwaren.
Graveur, kunstsnyder (vgl. graveeren).
Gravitétie, zwaartekracht, werking van de eigen zwaarte eens lichaams.
Graviteit, zwaarte; deftigheid; styve plechtstatigheid, aangenomen waardigheid.
Gravure—Grognard 229
Gravure, het kunstsnyden; de graveerkunst; gegraveerde
plaat; afdruk daarvan, plaat, koper-, staalplaat. Grazioso, innemend, lieftallig, bevallig.
grec, grieksch; amp; la grecque, op grieksche wijze, op zijn grieksch. (bankbiljet,
green, groen; greenback, eig. groenrug: amerikaanscb greffeeren, enten, griffelen.
Greffier, griffier.
Gregoriaansch, door paus Gregorius XIII ingevoerd; Gregoriaansch jaar, het jaar, zooals het in z^n tijdduur onder paus Gregorius verbeterd en vastgesteld is (in onderscheiding van \'t Jnliaansche jaar); G.-e kalen* der, de almanak, de tgdrekening volgens de onder paus Gregorius XIII ingevoerde verbeterde tijdrekening. Grenadier, keursoldaat der infanterie.
Grève, werkstaking; grevlst, werkstaker.
Griblétte, op den rooster gebraden varkenslapjes.
Griep, z. Grippe.
Griffie, gerechtsschrijfkamer, bureau der rechtsakten; ter
g. deponeeren, (fig.) op de lange baan schuiven. Griffier,gerechtsschrgver, opzichter van \'t gemeente-archief. Griffonage, gekrabbel, geknoei, slecht schrift.
Grillage, rasterwerk, traliewerk, hekwerk grilleeren, roosteren ; afrasteren, van traliewerk voorzien, grimasseeren, gezichten trekken, grynzen, leelyke gebaren maken.
Grimassen, leelyke gebaren, grynzen, fratsen.
grimeeren (zich), zyn gelaat door kunstmiddelen het voorkomen zyner rol geven (op het tooneel).
Griphen, raadsels, charaden, logogryphen en dergelyke
vernuftsspelen.
Grippe, epidemische aanstekende longaandoening of -verkoudheid, griep.
Grisétte, meisje van geringe afkomst en betwijfelbare zeden, coquet naaistertje of dienstmeisje te Parys. Grison, ontvlambaar gas in de kolenmijnen.
Grocer, kruidenier. (hoop, volkshoop.
Groep, samenstelling van vele voorwerpen tot een geheel; groepeeren, byeenplaatsen, tot een geheel verzamelen. Grog, drank van water, rum (of brandewyn, jenever enz.) en suiker.
Grognard, knorrepot; grenadier der garde van Napol. I.
230 Gromatiek—Guinee
Gromatiek, kunst om eene legerplaats neer te slaan en Groom, bediende, rijknecht, palfrenier. (te bevestigen. Gros, twaalf dozyn; groote hoop, menigte.
Gr os-a ventuur-contract, zeehandelsverdrag tusschen een
koopman en een schipper.
Groschen, voormalige Duitsche munt = ^ thalcr.
Gros de Naples, zware zgden stof uit Napcis; gros de Tours, sterke zjjden stof, die veel in de Fransche stad Tours gemaakt wordt.
Groseille, aalbes ; aalbeskleurig.
Gróshandel, handel in \'t groot. (stuk.
Grosse, eerste afschrift van een oorspronkelijk notarieel grosseeren, eene grosse maken; (ook;) vergrootcn; overdrijven ; grootspreken.
Grossfer, Grossist, koopman in \'t groot.
grosso modo, ten ruwste, ongeveer; grof gestooten of
gesneden (op recepten afgekort gr. m.)
Grot, hol, kunsthol, schelpspelonk.
grotésk, wonderlgk, grillig, zeer zonderling.
Grotésken, onnatuurlijke, wonderlijke figuren; vreemdsoortig beeldwerk van menschen- en dierengestalten, met loof en bloemwerk schijnbaar regelloos verbonden. Gruyère, Gruyère-kaas, groene, sterk riekende, zeer ge-\' zochte Zwitsersche kaas.
Guéno (ook Huano), vogelmest, mestaarde der vogelzwermen, inz. op de Zuidzee-eil., aan de Peruaansche kust. Gueridón, soort van hooge kandelaar, knaap.
Guerillas, Spaansche licht gewapende, ongeregelde troepen in de gebergten.
Guerre i mort, oorlog tot den dood.
Guerre i outrance, oorlog tot het uiterste.
Guet, wacht, nachtwacht; wachtwoord.
Guet-apens, hinderlaag, arglistige overval.
guetteeren, de wacht houden, loeren.
gueule, (in de heraldiek:) rood, de roode kleur.
Guide, gids, wegwyzer; richtman by \'texercceren. Guildhall, het raadhuis te Londen.
guillocheeren, met dooreengevlochten Iqnen versieren. Guillotine, valbijl (onthoofdingswerktuig).
guillotineeren, onthoofden door de valbijl.
Guinee, Guinje, Engelsche goudmunt = 21 Eng. shil-iings (z. aid.)
Guipure—HH. MM. 231
Guipure, verheven borduurwerk ; bestikking eener teeke-ning met goud- en zilverdraad.
Guirlande, bloemkrans, bloemslinger.
Guitér, z. Gitaar.
Gummi, plantenslym, slijmhars, gom; gummi elésticum, elastieke gom, gomelastiek, vederhars, caoutchouc; g. guttae, gittegom, geelhars.
Gun, geweer, vuurwapen; gunpowder, buskruit.
Gustétie, het proeven, smaken.
Güstus, smaak; de güstibus non est disputandum, over den smaak valt niet te twisten.
Gütta-pércha, veerkrachtige gom uit een Indische boom, van welke men tegenwoordig eene menigte voorwerpen vervaardigt. (letter.
gutturaal, tot de keel behoorende; gutturale letter, keel-
Gyges (ring van), het middel om zich onzichtbaar temaken, al zgne wenschen vervuld te zien.
Gymnasiast, leerling van een gymnasium.
Gymnasium, geleerde school, Latijnsche school, op welke de jongelieden tot de universiteit voorbereid en ook in de moderne talen onderwezen worden.
Gymnastiek, leer of kunst der lichaamsoefeningen.
gymnéstisch, de gymnastiek betreffend ; lichaam- of kracht-
Gymnopóden, barrevoeters (monniken). (oefenend.
Gymnosophïsten, Indische wijzen of wgsgeeren, die meest naakt gingen en zich alle genoegens ontzeiden.
Gynaecéum, vrouwenvertrek.
Gynaecisme, vrouwelijk gedrag, verwijfdheid.
Gynaecocratle, vrouwenregeering, —heerschappij.
Gynaekomaan, vrouwengek.
Gyratie, het draaien; draaiziekte.
Gyroméntie, waarzegger^ uit getrokken kringen of cirkels.
Gyrovaag, rondtrekkend bedelaar; landlooperj bedelmonnik.
Gyrus, kring, bocht.
H.
HG. verk. van hectogram.
H. H. verk. van Hare Hoogheid.
HH. MM. verk. van Hunne Majesteiten.
232 HL.—Hagiographa
HL. verk. van hectoliter.
H. M. verk, van Hare Majesteit.
HM. verk. van hectometer.
H. S. verk. van Heilige Schrift.
Hóbeas*corpus*acte, de Engelsche acte van 1679, volgens welke een in hechtenis genomen persoon binnen 24; uren voor zjjn bevoegden rechter moet staan (nu ook in andere constitutioneele en republikeinsche staten ingevoerd).
hdbeat si bi, hg behoude het voor zich, moge het zichzelf toeschrijven. (die bekent, habémus confiténtem réum, wij hebben een schuldige, hibent sua féta libélli, de boeken hebben hun lotgevallen, habiel, bekwaam, vaardig, handig.
Habijt, kleeding, dracht, gewaad.
habiliteeren (zich), zich geschikt, bekwaam maken; van
zgne bevoegdheid doen blyken.
Habiliteit, geschiktheid, bekwaamheid, handigheid, habitébel, bewoonbaar.
Habitént, bewoner, inwoner.
Habitétie, woning; woonrecht.
habiteeren, bewonen. (sel.
Habitude, hebbelijkheid, aangenomen gewoonte, aanwen-Habitué, gewoon bezoeker, vaste klant (bv. van een koffiehuis, van een schouwburg).
habitueel, tot gewoonte geworden, hebbelyk; uit gewoonte, meestal vertrouwd.
Hébitus, uiterlgke gedaante, lichaamsstand; gedrag ; kleeding; voorkomen eener plant.
Haché, Hachis, gehakt vleesch, gehakt.
Haciënda, hoeve; —dero, pachter.
Hédes, onderwereld, doodenrijk.
Haec olim meminisse juvabit, wij zullen eens met genoegen deze dagen herdenken.
Haematologie, bloedleer.
Haematósis, de verandering van het maagsap in bloed. Haemorrhoïden, z. Hem—.
Haemostétika, bloedstelpende middelen.
Hae—, z. verder He—.
Hagiograaf, Hagioloog, levensbeschrijver der heiligen. Hagiographa, de heilige schriften, inz. de Psalmen, Spreuken Salomo\'s, het boek Job enz.
Hagiographie—harangeeren 233
Hagiographie, Hagiologie, beschrijving, leveasbescliry-
ving der heiligen, heiligenleer.
Hagioiatrie, vereering der heiligen.
Haiduk, z. Heiduk.
Haie, haag; dubbele ry soldaten.
Hal, Halle, overdekte marktplaats voor dingen van eerste noodzakelgkheid ; (somtgds :) woning, zaal; dames de ia halle, vischwjjven, marktvrouwen, uitstalsters enz.; langage de la halle, taal van de vischmarkt, gemeene Half-dress, huiskleeding. (taal.
Haligraphie, beschrijving der zoutwerken.
Hall, zaal.
Hallelujah! loof den Heer ! geloofd zy God !
Hallucinatie, verwardheid, zinsverbijstering, droomery;
oogbedrog; geestverschyning.
Halotechniek, de kunst der zoutbereiding.
halt! houd stil! niet verder! sta !
Halt, rusthouding, stilstand; (ook:) tusschen-spoorweg-station zonder stationsgebouw, waar de trein een oogen-blik ophoudt om reizigers af te laten en op te nemen, halveeren, in 3 helften deelen, half doordoen. Hamachromie, de kunst om met verschillende kleuren
te gelyk te drukken.
Héndicap, wedren, waarby door gewichten de kansen der paarden gelyk gemaakt worden en dus de door elk der paarden te dragen last naar omstandigheden getaxeerd wordt; handicapper, de daarmede belaste persoon, handsome, mooi.
Hannibal ante portas, eig. Hannibal is voor de poorten (van Rome), het water is aan de lippen, \'t gevaar is allerdreigendst.
Hónsa, Hónse, handelsverbond der steden, die zich sedert 1241 aan Hamburg, Bremen en Lübeck aansloten, en daarom Hansesteden genoemd werden.
hanseétisch, verbonden, tot de Hansa behoorend. Hansebeker, groote beker of berkemeier, die in eens moest geledigd worden. (te Londen.
Hénsom of hansomcab, tweewielige cabriolet, huurrytuig Happelourde, valsch edelgesteente; voorwerp van fraai
voorkomen, maar zonder innerlyke waarde.
haptische misleiding,misleiding van \'t gevoel of den tastzin, harangeeren, redevoeren; plechtig aanspreken.
234 Harangue—hautain
Haréngue, plechtstatige toespraak.
harasseeren, vermoeien, afmatten, uitputten; afjagen, harceleeren, plagen, tergen, gednrig overvallen. Hardiésse, stoutheid, koenheid, vrijpostigheid.
hardimént. stout, vrgmoedig, onbeschaamd.
Hardware, kleine ijzerwaren.
Hérem, vrouwenverblijf in de woning der Muzelmannen,
inz. dat der vrouwen van den Grooten Heer.
Harlekijn, potsenmaker, hansworst.
Harméttan, stikwind, zeer verderflyke heete wind, inz.
aan de A.frikaansche kust.
Harmonica, welluidendheidsleer; een door Franklin uitgevonden speeltuig, uitglasklokken op een rol bestaande ; bekend speeltuig, waarbij de eene hand de toetsen bespeelt, tcrwyl de andere den blaasbalg in beweging houdt, hand-harmonica.
Harmonie, overeenstemming, samenklank, klankineensmel-ting; eensgezindheid, overeenstemming van neiging, enz. harmoniëeren, harmoniseeren, eendrachtig, vriendschappelijk leven.
harmónisch, liefelijk samenklinkend; overeenstemmend, eendrachtig. (rok.
Hérnas, metalen borst- en rugbekleeding, pantser, strijd-Hérpagon, Harpax, gierigaard, vrek.
Harpeggio, harpachtige toonbreking.
Harpij, afschuwelijk vrouwspersoon, gemeen roof- en hebzuchtig wezen.
Harpoen, werpspiets voor de vischvangst.
Harpókrates, de god der stilzwijgendheid.
Hasérd, z. Hazard. (middel.
Hasjisch, een uit Indische hennep bereid bedwelmend H^te, haast; en hate, in haast.
Hateiétten, aan speetjes gebraden spy zen.
Hatereaux, gebraden leverschijfjes.
Hati-sjerif, Hatsjerif, soort van kabinetsorder des Turk-schen keizers, die onmiddellijk moet volbracht worden. Hausse, het rijzen der staatspapieren; amp; la hausse spe-culeeren, handelsplannen op het rijzen der papieren maken. (speculeert.
Haussier, geldhandelaar, die op het ryzen der effecten Hautbois, Hóbo, hoogfluit.
hautain, hoogmoedig, trotsch.
Haute-levée—Heliolatrie 235
Haute-levée, adellgk, voornaam gezelschap.
Haute finance, de groote financiers, bankiers enz Haute nouveauté, nieuwste nieuwigheid, laatste smaak. Haute-saison, het beste en drukste gedeelte van den bad-
tjjd; het heetst van den zomer.
Hauteur, hoogte, waardigheid; aanmatiging, trotschheid. Haute-volée, de hoogste standen, de adel. (kruide spijs. Haut-goüt, fijne, adeliyke smaak; piquante of sterk ge-Haut-reliëf, hoog verheven beeldwerk.
Haverij, zeeschade, welke schepen op hunne reis beloopen. Hazérd, Hasard, geval, toeval, kans; waagstuk, hazardeeren, wagen, op het spel zetten.
hazardeus, hachelgk, gewaagd, gevaarlyk.
Hazérdspel, kans- of waagspel (waarbij niet de bekwaamheid des spelers, maar alleen de fortuin kan beslissen), hear! hoort! luistert! (in \'tEngelsche parlement, bg een merkwaardige uitdrukking des sprekers). [blad),
hebdomadair, wekelijks verschijnend (bv. een nieuws-Hebe, godin der jeugd; schenkster hebraïseeren, Hebreeuwsch studeeren.
Hebraïsme, Hebreeuwsch taaleigen.
Hecatómbe, offerande van 100 dieren.
Hectére, 100 vierkante roeden.
hectisch, teringachtig, uitgeteerd.
hécto, (als voorvoegsel van namen van maten en gewichten) honderdmaal, bv. Hectogram, 100 wichtjes, 1 ons j Hectoliter, 100 kannen of koppen, 1 vat of mud. Hectométer, 100 meters of 10 roeden.
Hectostère, 100 kubieke meters.
Hedge, haag.
Hédschra, Hégira, aanvang der Mohammedaansche jaartelling (15 Juli 623).
Hegemonie, legeraanvoering; opperheerschappij van een
grooten staat over verscheiden kleinere.
Hégira, z. Hedschra.
Heidük, lichtgewapend infanterist in Hongarije; lijftrawant, dienaar in Hongaarsche dracht.
Hékate, godin der maan, toovergodin.
heiicitisch, schroefvormig.
Hélicon, woonplaats der zanggodinnen, muzenberg. Heliographfe, beschrijving der zon;(ook:)= Phototypie. Heliolatrie, aanbidding der zon, zonnedienst.
236 Helioscoop—Hérmandad
Helioscoop, zonnekyker, zonneglas.
Heliostaat, werktuig, waardoor de zonnestralen op éen
punt geworpen worden.
Heliothermometer, zonnewarmtemeter.
Heliotroopy zonnebloem.
Helix, schroef- of slakkelyn, spiraal; windas.
Helléborus, nieswortel, nieskruid.
Hellénen, Oud-Grieken, bewoners van Hellas of Griekenl. Hellenist, kenner der Oud-Grieksche taal; voorstander, vriend der Grieken. (Turkjje en Azië.
Hellespónt, zeeëngte der Dardanellen, tusschen Europeesch Helminthiasis, wormziekte.
Helósis, het scheelzien.
Helóten, Spartaansche slaven.
Helvetië, Zwitserland, Helvetisch, Zwitsersch.
Hemisfeer, halve bol, halfrond van aarde of hernel. Hemistfche, helft van een alexandrynschen versregel, hemitrópisch, half gekeerd.
Hemorrhoïden, aambeien, gulden ader. (Frankryk.
Henriade, Voltaire\'s heldendicht op Hendrik IV van
Henri-qudtre, kort kneveltje of haarbosje aan de onderlip.
Hepétika, middelen tegen leverziekten.
Héptameter, vers van 7 voeten.
Héptarchie, regeering van 7 mannen.
Heracliet, iemand, die het leven van zyn onvoordeelige,
betreurenswaardige zjjde beschouwt; huilebalk. Heraldiek, wapenkunde, wapenleer.
Heraut, wapenbode, krygsgezant. (ten.
Herbérium, kruidenboek; verzameling van gedroogde plan-herbariseeren of herboriseeren, kruiden zoeken en verzamelen.
Herbarist, Herborist, Herbarius, kruiden ofplantenken-
ner; kruidenzoeker, kruidenhandelaar.
Herbivoren, plantetende dieren. (man.
Hércules, Oud-Grieksche held; zeer sterke, fiks gespierde Hercules-piléren, zuilen van H., twee bergen aan weers-zyden van de straat van Gibraltar. (uiterst mocilyk. Herculisch, heldhaftig, groot van kracht en moed;(ook:) hereditair, erfelyk.
Heremiet, kluizenaar, woestynbewoner.
Heresie, kettery, afwyking van de (r. k.) kerkleer.
Hérmandad, broederschap; Santa-Hermandad, heilige
Hermaphrodiet—hybridisch 237
broederschap, een inquisitie-gericlit of tribunaal in Spanje. Hermaphrodiet, wie beide geslachten, of liever, die eene uiterlijke misvorming der teeldeelen heeft; bloem met meeldraad en stampertje.
Hermelijn, pelswerk van de Noordsche witte wezel. Hermeneutiek, uitlegkunde, inz. des bybcls.
hermétisch gesloten, luchtdicht toegemaakt.
Hermitége, kluis; (ook:) fijne wyn van den Rhóne. Hernia, breuk, darmbreuk.
Heróën, halfgoden, vergode helden der Oudheid, heroïsch, heroïek, heldhaftig, hooghartig, grootsch; heroïsche poëzie, heldendicht; een heroïek middel, een hevig, doortastend middel, paardenmiddel.
Heroïsme, heldenmoed, heldhaftigheid.
Herpetologie, natuurbeschrijving der kruipende dieren,
of in \'t algemeen der kraakbeenderen.
Hesitótie, aarzeling, weifeling, het dralen.
Hesperiden, fabelachtige bekoorlgke meisjes, in wier tuin
gouden appelen groeiden.
Hesperië, het westelgke land (Spanje, Italië). (ster.
Hésperus, de avond; de avondstreek, het westen ; avond-Hetaerle, politieke verbintenis der nieuwe Grieken tegen de Turken.
Hetaire, hetaera, vertrouwde; boeleerster, hoer. Heterarchie, overheersching van vreemde mogendheden,
vreemden-heerschappy.
heterodóx, dwaalleerig, onrechtzinnig, kettersch. heterogeen, ongelijksoortig, vreemdaardig, tegenovergesteld, vyandig.
Heterograaf, invoerder van nieuwigheden in de aangenomen spelling of schrijfwijze.
Hétman, aanvoerder eener kozakkenbende.
heurèka! ik heb het gevonden! de zwarigheid is opgelost. Heuristiek, uitvindingskunst.
heuristische methode, ontwikkelende leerwijze, die den leerling aanspoort om zelf de leerstellingen te vinden. Hexagoon, zeshoek.
Hexameter, zesvoetig vers.
Hiétus, wanklank door \'t opeenstuiten van twee klinkers
voortgebracht; gaping, gebrek aan samenhang. Hibérnia, Ierland.
hibrfdisch schepsel, basterd; hibridisch woord, mengel-
Hie et nunc—Historie
woord, iiit 2 talen samengesteld (bv. luchtballon).
Hic et nunc, hier en op dit oogenblik.
hic et ubique, hier en overal.
hic jacet, hier ligt (begraven).
hic jacet lepus, hier ligt de haas, d. i. hier zit de knoop, de moeilykheid.
Hidólgo, adellyke van lageren rang in Spanje.
Hiep, schertsgewflze verk. van hypochonder.
Hiërarch, aanhanger der priesterbeerschappy ; aartspriester (in de Grieksche kerk).
Hiërarchie, priesterbeerschappy; rangorde der elkaar ondergeschikte geestelyke machten ; kerkelyke regeerings-vorm, (vorm.
Hiërocratie, priesterbeerschappy; kerkelyke regeerings-
Hiëroglie\'fen of Hiërogly\'phen (sing. Hiëroglief of Hië-roglyphe), beeldschrift by de oude Egyptenaren, (ook in \'talg.:) ieder slecht, onleesbaar schrift.
hiëroglyphisch, zinnebeeldig; raadselachtig.
high, hoog; high church, de anglicaansche ofepiscopaal-scbe staatskerk; highland,hoogland,inz.hetSchotsche; high life, de voorname of groote wereld.
Hilariteit, vroolykheid, opgeruimdheid.
Hildebrandfsme, het gansche pauselyke stelsel der priesterbeerschappy sedert Gregorius VII (Hildebrand).
Hinc illae lécrymae, (eig.: vandaar die tranen), daar zit de knoop, daar wringt de schoen !
Hippiéden, standbeelden van vrouwen te paard.
Hippiérch, paardentemmer ; stalmeester. (denwyn.
Hippocras, met kruideryen en suiker gemengde wyn, krui-
Hippocrétici, geneesheeren, die den beroemden Griekschen arts Hippócrates tot voorbeeld nemen.
Hippocrétisch gezicht, het gelaat van een stervende.
Hippocréne, hengstebron, dichterbron.
Hippodroom, de renbaan.
Hippogryph, het gevleugelde paard der dichters.
Hippoloog, paardenkenner.
Hippopótamus, rivierpaard, nylpaard.
Hispania, Spanje.
Histiodromfe, scheepvaartkunst, zeilkunst.
Histogenie, Histologie, deleer van de weefsels des lichaams.
Históricus, Historiograaf, geschiedkundige, —schryver.
Histórie, geschiedenis, gebeurtenis.
238
histórisch-Homologatie 239
histórisch, geschiedkundig, naar de geschiedenis.
Histriónen, tooneelspelers, goochelaars.
Hóbo, z. Hautbois.
hoc age, denk aan hetgeen g|j doet.
hoc anno, in dit jaar; hoe est, dat is; hoc mense, in
deze maand.
hoe genus omne, al dat slag van menschen.
hoe loeo, in deze plaats.
hoe ópus, hie lébor, daar zit de knoop, de moeilijkheid.
Hócus-póeus, goochelary, oogmisleiding.
hódie mihi, etas tibi, heden aan my, morgen u.
Hodométer, wegmeter, pasteller.
hoeral juich- of jubelkreet, hoezeel
Hogshead, okshoofd.
Hoist, hyschmachine of hefwerktuig, z. Aseenseur, Lift. hoiogréphiseh, eigenhandig geschreven.
Hológraphum, eigenhandig geschreven oorkonde, inz. zulk
een testament.
Holm, klein eiland; waard; heuvel; scheepswerf.
Holyday, feestdag, vierdag.
Hombre, omberspel.
Home, huis, woning, geboorteland.
Homeruier, voorstander van zelfregeering in Ierland. Homiletiek, predikkunst. (kendheid.
Homileet, kanselredenaar ; leeraar der kerkelyke welspre-Homilie, kanselvoordracht; bybeloefening.
Hommage, hulde, eerbiedsbetuiging.
Homme d\'affaires, zaakwaarnemer; huishofmeester. Homme de eour, hoveling.
Homme de fortune, gelukskind, fortuinlyk menscb. Homme de lettres, geletterde.
Homme d\'esprit, geestig man.
Homeeopathle, homoeopétisehe methode, geneeswijze (van Dr. Hahnemann), bestaande in \'t aanwenden van zoodanige middelen tegen eene kwaal, welke by een gezonden mensch juist die kwaal verwekken zouden, bv. purgeermiddelen tegen buikloop.
homogeen, gelyksoortig, van eenerlei natuur in ieder deel
van dezelfde gesteldheid of vermenging.
Hómo hómini lupus, de eene mensch is een wolf voor den anderen.
Homologétie, gerechtelyke bekrachtiging van een stuk;
240 homologeeren—Hors d\'oeuvre
gerechtelijke toestemming of volmacht tot voltrekking eener handeling.
homologeeren, rechtsgeldig, van kracht maken, homoloog, overeenstemmend, gelgkluidend (in zin), hómoniem, gelyknamig; gelijkluidend (in klank).
Homo sum, et nihil humani a me aliénum puto, ik hen
een mensch en niets menschelqks is my vreemd.
Homo unius libri, een man van éen hoek, d. i. die hy
éen schryver zweert.
hcnnet, eerlyk ; welvoeglyk ; welwillend.
Honneur, eer; de honneurs waarnemen, de hehoorlyke eer hewyzen (hv. aan zyne gasten); honneurdagen = respijtdagen (z. dat woord). (\'t hart.
honni soit qui mal y pense, wie erg denkt, vaart erg in honorébei, eervol; eerbaar; deftig.
Honorair, den titel van een ambt, zonder de bezoldiging
hehhende; honorair lid, eerelid.
Honorarium, eereloon; betaling aan schryvers, genees-
heeren enz. voor hunne diensten.
honoreeren, eeren; het eereloon geven; een wissel h.,
hem aannemen en op den vervaltijd betalen.
honóris causa, eershalve, als eereblyk.
Honos alit artes, de eer voedt de kunsten.
honteus, beschaamd, verlegen; schandelyk, onbetamelyk. Hónved, Hongaarsche volksmilitie of landweer. Hoplotheek, wapenkamer.
Hóra, uur; hora est, het is tyd, het uur is verstreken (hy promotie-examens); horae, zang- en biduren in kloos-Hóren, tijdgodinnen, uurgeleidsters. (ters.
Horizón, Horizónt, gezichteinder; kim; (fig.) begrip, ver-
standsbevatting (hv. dat gaat boven myn horizon), horizontaal, waterpas, evenwydig aan \'t vlak des gezicht-Horloge, uurwerk, klok. (einders.
Horoscoop, uuraanwyzer of tafel der dag- en nachtlengten ; planeetlezer, lotvoorspeller; (ook ;) de voorspelling zelve.
Horresco referens, ik ys alleen by het vertellen.
Horreur, afschuw, afgryzen ; gruwel.
horribel, yselyk, vreeselyk, vervaarlijk.
hors de combat, buiten gevecht.
hors de saison, ten onpas, ten ontyde.
Hors d\'ceuvre, bywerk (dat niet tot den oorspronkelyken
Hórse—Humaniora 241
aanleg behoort); iets overtolligs, ontbeerlgks; (ook:) bijgerecht (bg of na de soep).
Hórse, paard; horseman, ruiter; horseshoe, hoefijzer; horsesteak, paardenbiefstuk.
Horticultuur, tuinbouw, tuinierskunst.
Hortologfe, tuinkunde.
Hortoloog, tuinkundige, tuinvriend.
Hortus, tuin; h. botanicus, kruidtuin; h. siccus, droge tuin, d. i. verzameling van gedroogde planten.
hosiénnah! of hosénnah! Heer, help hem! hy leve!
Hóspes, gast; gastheer, waard.
Hóspes hostis, elk vreemdeling is een vijand.
Hospice, z. Hospitium.
Hóspitaal, ziekenliuis, gasthuis.
Hospitaliteit, gastvrgheid, herbergzaamheid.
Hospitium, Hospice, herberg, inz. een klein klooster of ordeshuis, ter herberging van doorreizenden.
Hóspodar, heer, titel der vorsten in Moldavië en Wal-lachge. (het hoogwaardige.
Hóstie, offerdier; (in de r. k. kerk ;) misbrood; gewijde h.,
hostiel, vijandig.
Hostiliteit, vijandelykheid.
Hotél, groot heerenhuis; aanzienlyk logement; h. de ville, stadhuis ; h. Dieu, ziekenhuis.
Hound, jachthond.
Houri, eeuwig jonge en schoone maagd in Mohammed\'s paradgs;(fig.)hoogst bekoorlyk meisje, aanminnige vrouw.
Household suffrage, stemrecht der huisvaders, huismans-stemrecht.
House of commons, huis der gemeenten, lagerhuis in Engeland; house of lords (peers), hoogerhuis.
Housse, dekkleed (van paarden); overtrek (van meubelen).
Huéno, z. Guano. (Frankrijk.
Hugenooten, voormalige spotnaam der Gereformeerden in
Huile, olie; dikke likeur.
Huissier, deurwaarder.
humaan, menschclyk, menschlievend, goedwillig.
Humanióra, Humaniteitsstudiën, humanistische studiën,
voorafgaande studiën, de schoone kunsten en wetenschappen, die den mensch tot mensch vormen; inz. de oude classieke talen en de Oud-Grieksche en Latynsche litteratuur, taal- of schoolgeleerdheid.
ELFDE DRUK. 16
242 humaniseeren—hybridisch
humaniseeren, menschelyk maken, veredelen. Humanisme, de wetenschappelijke richting der Renaissance, waarbij de studie der classieken de grondslag is van alle beschaving. (taalgeleerde.
Humanist, voorstander van het humanisme, schoolgeleerde, humanitair, tot menschlievende doeleinden strekkende. Humaniteit, menschdom; menschlievendheid, menschen-
liefde, minzaamheid.
Humbug, bluf, pochery; bedrog.
Humeróle, schouderdoek (der Kath. geestelgken). Humeur, gemoedsstemming, luim.
Humiditeit, vochtigheid, nat.
humiliént, vernederend.
Humiliatie, vernedering, beschaming.
humiliëeren, vernederen, verootmoedigen.
Humiliteit, nederigheid, onderdanigheid.
Humor, vocht; schertsende luim; zonderlinge, luimige
wijze van voorstelling.
humoréle pathologie, ziekteleer, waarbij de oorzaken van alle ziekten in de lichaamsvochten moeten gezocht wor-Humorist, luimig, geestig, schertsend schrijver. (den. humoristisch, luimig, vol humor, geestig schertsend. Humus, mestaarde, damaarde, teelaarde.
Hunebedden of Hünnebedden, grafsteden uit rotsblokken samengesteld en tot den heidenschen voortijd behoorend. Hünter, jager.
Hurdle-race, wedren, waarbij over heggen of horden gesprongen moet worden.
hurluberlu, onbezonnen, plomp verloren, over hol en bol. hurra! hussa! hoera!
Hussieten, aanhangers van den Boheemschen godsdienstleeraar Johannes IIuss.
Husting, verzamelplaats der kiezers in Engeland om tot de keuze van een parlementslid over te gaan; ook de verkiczingstribune.
Huzaar, (eig.:) Hongaarsch ruiter; licht gewapend en
licht gekleed ruiter.
Hyacint, geelroode edelsteen; bekend bolgewas met schoone,
welriekende bloemen.
Hyóden, de regensterren; beek- of vijvernimfen. Hyalurgfe, Hyalürgica, glasmakerskunst.
hybridisch, z. hebridisch.
Hydraat—Hyperboréën 243
Hydraat, waterverbinding (in de scheikunde).
Hy\'depark, diergaarde en wandelplein te Londen.
Hydra, waterslang, veelhoofdig monster.
Hydrargyrum, kwikzilver.
Hydrauiicus, waterbouwkundige.
Hydrauliek, leer van de beweging en den druk der vloeistoffen ; waterleidingskunst.
Hydriasis, genezing door water.
Hydriatiek, watergeneeskunde.
Hydrodynamiek, leer der waterkracht.
Hydrogénium, waterstof.
Hydrograaf, kenner en beschrijver der wateren. Hydrographie, waterbeschrgving naar lengte, breedte enz. hydrographische kaarten, zeekaarten.
Hydrokardie, hartwaterzucht.
Hydrologie, waterleer (in chemisch opzicht).
Hydromel, waterhoning, mede.
Hydrométer, watermeter, waterbalans.
Hydrometrie, watermeting, de wetenschap van de bepaling der zwaarte, van den druk des waters. Hydropathic, watergeneeskunde.
Hydrophóbie, watervrees, hondsdolheid.
Hydropisie, Hydropsfe, waterzucht.
Hydroscoop, wateruurwerk. (stoffen.
Hydrostatiek, leer van het evenwicht der druipbare vloei-Hydrotechniek, waterbouwkunst.
hydrótisch, zweetdrijvend.
Hygea, Hygiéa, de godin der gezondheid.
Hygiène, gezondheidsleer.
Hygrologie, leer van de vochtigheid der lucht. Hygrométer, Hygroscoop, werktuig ter waarneming van
de vochtigheid der lucht.
Hy\'men, de huwelijksgod; het huwelijk; maagdenvlies. Hymenéën, bruiloftsliederen; bruiloftsfeesten.
Hymne, Hymnus, lofzang, feestlied.
Hypallége, woordverwisseling.
hy\'per, (in samenstelling) over, overdreven.
Hyperbóle, overdrijving, bovenmatige voorstelling van iets, hyperbólisch, overdrijvend. (grootspraak,
hyperboliseeren, met overdrijving spreken, voordragen of schreven, overdreven. (den; zonderlingen.
Hyperboréën, volkeren der koude luchtstreek in \'tNoor-
244 Hypercultuur—I. H. S.
Hypercultuur, overbeschaving. (aartsvitter.
Hypercriticus, al te streng recensent of beoordeelaar;
Hyphen, koppelteeken (-).
Hypnótisch, slaapverwekkend, bedwelmend.
hypochonder, zwaarmoedig; vol grillen en kuren.
Hypochondrie, miltzucht; zwaarmoedigheid.
Hypochondrist, miltzuchtige, zwaarmoedige.
Hypocriet, huichelaar, schijnheilige, pilaarbijter.
Hypocrisie, huichelarjj, schijnheiligheid.
hypocritisch, huichelachtig, geveinsd, valsch.
Hypogóstrium, onderlijf.
Hypotenuse, grootste zgde van een rechthoekigen driehoek.
hypothecaire crediteuren, schuldeischers op vast pand.
Hypotheek, gerechtelgk beschreven onderpand van onroerende goederen, vcrpandbricf.
Hypothese, aangenomen stelling of raeening, onderstelling.
hypothétisch, ondersteld, aangenomen.
Hysop, Z.-Earopeesche plant, vaak tegen slymige borstziekten aangewend. (In bybeltaal: de kleinste plant).
Hysterie, vrijsterziekte, moederkwaal, onderlijfsziekte der vrouwen.
hystérische toevallen, ziekelijke toevallen, die in de vrouwelijke bewerktuiging hun grond hebben en met de hypochondrische kwalen by de mannen overeenkomen.
hysteron-próteron, hysteropróton, het achterste voor, een verwisseling van begrippen, zoodat het laatste eerst, het eerste laatst komt te staan.
I.
ib. of ibid. = ibidem (z. aid.)
ICtvs = jurisconsultus, rechtsgeleerde.
id. = idem (z. aid.)
I. H. S., de drie eerste letters van \'t met Grieksche kapitalen geschreven woord Jezus (i hï or £). doorgaans verkeerdelijk verklaard als de 3 eerste letters der woorden in hoe salus, hierin (ligt) de zaligheid, of van Jesus hominum Salvétor, Jezus, de Heiland
I. N. R. I.—idem
der menschen, of van Jesus hortétor Sanctórum, Jezus, de vermaner der heiligen.
I. N. R. I. = Jesus Nazarénus Rex Judaeórum, Jezus
van Nazareth, koning der Joden.
i. p. i. = in pértibus infidélium (z. aid.)
it. = item, insgelyks, verder, ook, nog.
Iberië, Spanje en Portugal, het Portugeesche schiereiland, ibidem, te zelfder plaatse, aldaar.
I\'bis, de Nijlreiger wegens zijn verdelgen van schadelijk gedierte (hg de oude Egyptenaren als eene godheid vereerd). (in Egypte.
Ichneumon, pharaonsrat, spoor- of speurrat, spoonvezel Ichnographie, grondteekening of plan van een gebouw. Ichor, wond-, bloedwater; dunne, invretende etter. Ichthyologie, kennis van de visschen, vischkunde. Ichthyophagen, vischcters.
Ichthyósis, vischschubbenuitslag.
Iconograaf, heeldbeschrgver; portretschilder.
Iconoclast, beeldstormer; —ie, beeldstorming. Iconolatn\'e, beeldendienst, beeldenvereering.
Iconologie, beeldenspraak; verklaring der zinnebeelden
en oude gedenkteekens.
Iconoman ie, overdreven zucht voor beelden en schilderyen; onverstandige vcreering van heiligenbeelden. Ideaal, modelbeeld, voorstelling der volkomenheid; droombeeld.
ideaal, idialislisch, enkel gedacht; ookvoorheeldelijk,als
volkomen gedacht; ideale munt, gefingeerde munt. Idealiteit, de hoogste volkomenheid.
idealiseeren, tot hoogste voorbeeld maken, boven dewe-
zenlykheid verheffen, op het hoogst veredelen. Idealisme, wysgeerig stelsel, dat de gedachte als beginsel onzer kennis of tevens als beginsel van het zijn beschouwt; — stelsel dat alleen de gedachte van het ik als werkelyk bestaande aanneemt en aan de 1 chamelyke wereld slechts een schynbestaan toekent. Het streven naar het ideale (in de letterkunde enz.)
Idealist, aanhanger van het idealisme; (ook:) iemand die
steeds idealen nastreeft.
Idéé, voorstelling, begrip; gedachte, denkbeeld: inval; ontwerp, plan; i. fixe, bijbly vend dwaalbegrip eens ziels-idem, dezelfde, hetzelfde. (kranken.
245
Idemist—illótis
Idemist, jabroer, (lykvormig.
identiek, idéntisch, eenzelvig, gelykgeldend; gelijk en ge-
Identiteit, eenzelvigheid, volkomen overeenstemming.
Ideographie, het voorstellen in schrift van begrippen.
Ideologie, begripsleer, wetenschap v. de gronden der kennis.
id est, dat is, dat beduidt.
id génus omne, alle personen van die soort.
Idioom, landspraak; tongval; spraakeigen, taaleigen.
idioot, onwetende domkop; sukkel; stompzinnige.
Idiosyncrasie, gevoelseigenaardigheid.
Idiótikon, woordenboek van den tongval eener streek.
Idiotisme, gewestelijke uitdrukking; stompzinnigheid.
Idóle, afgodsbeeld, afgod.
idololéter, afgodisch; buitensporig beminnend.
Idoiolatrie, afgodendienst, afgoderij, beeldendienst.
Idyl\'le, landelijk gedicht, herdersdicht.
idyl\'lisch, landelijk, eenvoudig en onschuldig.
Ignis fatuus, een dwaallicht.
ignóbel, onedel, slecht, gemeen, laag.
Ignominfe, smaad, schande; beschimping.
ignominiëus, smadelyk, schandelijk, onteerend.
Ignorant, onwetende, onkundige.
ignoréntia légis excusat neminem, onbekendheid met de
wet strekt niemand ter verschooning.
Ignoréntie, onwetendheid, domheid.
ignoreeren, niet weten; niet willen weten.
ignoti nulla cupido, men begeert niet wat men niet kent. Iliacos intra muros péccatur et extra, er wordt binnen en buiten de muren van Troje verkeerd gedaan, d. i. van weerszijden gezondigd, gefeild.
illaesibel, onkwetsbaar; onschendbaar.
illegaal, onwettelijk, onregelmatig, wederrechtelijk. Illegaliteit, onwettigheid, onrechtmatigheid.
illegibel, onleesbaar.
illegitiem, onwettelijk, onecht, buiten echt verwekt. Illegitimiteit, onrechtmatigheid; onechtheid.
illiberaal, onedel, enghartig, bekrompen, ouvrgzinnig. Illiberalisme, onvrijzinnigheid.
illicite, ongeoorloofd, verboden.
illico, dadelijk, op staanden voet.
illiquide, onvereffend, bv. eene rekening.
illótis ménibus, met ongewasschen handen.
246
illudeeren—imméns 247
illudeeren, voor den gek houden, misleiden; lioonen. Illuminaten, verlichten.
Illuminétie, feestelüke verlichting.
illumineeren, verlichten ; kleuren.
Illusie, begoocheling, zinsbedrog, hersenschim. (loos. illusoir, illusórisch, bedrieglyk, hersenschimmig, vruchte-lllustratie, opheldering; glans, roem (bv. eener familie); opluistering van een boek door platen of afbeeldingen); (ook:) plaatwerk.
illustratief, verklarend, ophelderend.
illüstre, voortreffelijk, uitstekend, doorluchtig, illustreeren, in \'t licht stellen ; verheerlijken ; versieren,
opluisteren (bv. boeken met platen).
il n\'a bouche ni eperon, hij heeft noch vernuft, noch moed, 11 penseróso, de in gepeins verzonken man, (meend, imaginair, denkbeeldig, hersenschimmig, ingebeeld, ver-Imaginétie, inbeelding; verbeeldingskracht,
imagineeren, uitdenken; zich voorstellen, zich inbeelden. I\'mam of l\'man, Turksch priester, hoofd eener moskee, imbeciel, stompzinnig, onnoozel, van bekrompen verstand. Imbeciliteit, verstandszwakte, onnoozelheid.
imbibeeren, inzuigen, intrekken; doorweeken, drenken. Imbróglio, verwarring, verwikkeling.
imitabel, navolgbaar, namaakbaar.
Imitétie, navolging, het nagevolgde, de copie.
imiteeren, navolgen, nabootsen, naiipen.
immaculébel, onbevlekkelijk,
immanént. inwonend, aanklevend, innerlijk bijblyvend. Immanéntie, overeenstemming van het beginsel en den vorm van een wgsgeerig stelsel; het inwonen van den goddelgken geest in de natuur of de stof. Immaterialiteit, onstoffelijkheid (der ziel).
immateriëel, onlichamelijk, onstoffelijk, geestelijk. Immatriculatie, inschrijving, inlijving.
immatriculeeren, inschrijven in een register (bv. op hoo-
gescholen), inlijven.
Immaturiteit, onrijpheid; ontijdige ouderdom. (derde, immediaat, onmiddellijk, zonder tusschenkomst van een immediatiseeren, onmiddelbaar, onafhankelijk maken, immemorébel, ongedenkwaardig.
immemoriaal, buiten geheugenis.
imméns, onmetelijk, oneindig.
248 Immensiteit—impatroneeren
Immensiteit, onmetelykheid; oneindigheid.
immensurébel, onmeetbaar.
Immensurabiliteit, onmeetbaarheid.
immerito, onverdiend.
Immérsie, indooping, indompeling, onderdrukking. Immigrant, landverhuizer, met betrekking tot het land, waar hq zich nederzet. (Met betrekking tot het land, dat hy verlaat, heet hy Emigrant).
Immigratie, nederzetting in een land.
imminent, nakend, dreigend, boven \'t hoofd hangend, immisclbel, onvermengbaar.
Immissie, gerechtelyke toewyzing, inbezitstelling, immobiel, onbeweeglijk, vast; onverzettelyk.
immobdien, immobilair eigendom, immobilair, onroerende goederen (bv. landeryen, gebouwen). Immobiliteit, onbeweeglijkheid.
immoderaat, onmatig, overdreven; onbescheiden, immodést, oneerbaar, onwelvoeglijk, onzedig.
immoraal, onzedelyk, tegen de zedenwet.
immoraliteit, onzedclykheid.
immortaliseeren, onsterfelyk maken.
Immortaliteit, onsterfelykheid.
Immortél, onsterfelyk.
Immortélle, stroobloem.
Immuniteit, bevryding van openbare belastingen.
immutébel, onveranderlyk.
Immutabiliteit, onveranderlykheid.
imo pectore, tiit den grond des harten.
impar, ongelyk, oneven.
imparaat, onbereid, niet klaar.
impardonnébel, onvergeeflyk.
imparfait, z. imperfect.
Impariteit, ongelykheid, verschillendheid.
impartiaal, onpartydig. rechtvaardig.
impartialiteit, onpartydigheid.
Impels, doodloopende straat, zak; het bannen met een lage troefkaart in dc veronderstelling dat de tegenpartij geen hoogere heeft (by whist).
impassfbel, ongevoelig, onvatbaar voor lyden. Impassibiliteit, onvatbaarheid voor lyden.
impatibel, onlydelyk, onverdraaglyk.
impatroneeren (zich), zich tot heer stellen.
impavadum—Impetus 249
impavadum ruinae ferient, de ondergang der wereld zou
hem niet van zyn stuk brengen.
Impeccabiliteit, zondeloosheid.
Impedimént, hinderpaal, belemmering; vertraging, impenetrébel, ondoorgrondelijk.
impenitent, onboetvaardig, verstokt.
Impeniténtie, onboetvaardigheid, verstoktheid.
Impénsen, onkosten, uitgaven.
Imperatief, gebiedende w ijs der werkwoorden; (als by voeg-lijk woord:) gebiedend, bevelenderwyzc; kategórische imperatief, onvoorwaardelijk zedegebod, verstandsbevel, plicht- of zedeiykheidsgebod.
Imperétor, opperbevelhebber van een leger, opperveldheer ; oppergebieder, keizer.
imperatórisch, gebiedend; keizerlyk.
imperceptibel. onbenierkbaar.
imperfect, imparfait, onvoleindigd, gebrekkig, onvolmaakt. Imperféctie, onvolkomenheid, gebrek, onvolmaaktheid. Imperfectum, onvolmaakt verleden tyd (der werkwoorden), imperium in imperio, een staat in den staat, imperforébel, niet te doorboren. (lichaamsdeel.
Imperforétie, geslotenheid van een van nature geopend imperiaal, keizerlyk; i.«papier, i.-folio, papier van het
grootste formaat.
Imperiale, het met zitplaatsen voorziene bovendeel van
eene reiskoets of diligence; keizerskroon (bloem), imperiëus, gebiedend; heerschzuchtig, uit de hoogte. Impérium, opperheerschappy, oppermacht.
impermanent, onbestendig, veranderlyk.
Impermanéntie, onbestendigheid, veranderlykheid. impermeabel, ondoordringbaar, waterdicht.
impermutébel, onveranderlyk.
Impersonalia, onpersoonlyke werkwoorden.
impersoneel, onpersoonlyk.
impertinent, onvoeglyk; onbeschaamd, onbeschoft. Impertinéntie, onbehoorlykheid, onbeschoftheid, imperturbóbel, onverstoorbaar, altyd gelykmoedig. Impetrant, aanzoeker, eischer voor \'t gerecht, impetreeren, afbidden; door aandrang bekomen, impetueus, onstuimig, hevig.
Impetuositeit, onstuimigheid, drift, hevigheid Impetus, aanval, overval.
2so Impiëteit—Impresario
Impiëteit, goddeloosheid, snoodheid.
Implicatie, verwikkeling.
impliceeren, verwikkelen, in eene zaak betrekken.
impliciet, mede in betrokken, van zelf onder begrepen.
Implorént, aanzoeker, hulpvrager; klager.
impioreeren, om hulp smeeken, aanzoeken.
impoenitent, Impoeniténtie, z. impenit—.
impoli, ongepolijst, ruw; onbeleefd, ongemanierd.
Impolitésse, onwellevendheid, grofheid.
impolitiek, onstaatkundig.
imponderébel, onweegbaar.
Imponderabilen, onweegbare dingen (bv. licht).
imponeeren, opleggen (bv. het zwqgen); opzien wekken;
eerbied inboezemen, indruk maken,
imponénte, gebiedend.
Impopulair, bjj het volk niet bemind; te hoog voor\'t volk. Impopulariteit, volksongunst; te geleerde voordracht. Impórt, invoer; —en, invoerwaren.
importóbel, invoerbaar, geoorloofd in te voeren, important, gewichtig, belangrgk, van aanbelang. Importéntie, belangrijkheid; invloed, aanzien.
Importótie, goederen-iiivoer.
importeeren, invoeren; iets beteekenen, van belang zjjn.
Importün, lastig, ongelegen.
importuneeren, lastig vallen; ongelegen komen.
Importuniteit, ongelegenheid, overlast.
impos animi, zwak van geest.
imposant, ontzaginboezemend, nadrukkelijk.
imposeeren, opleggen; ontzag inboezemen.
imposslbel, onmogelijk.
Impossibiliteit, onmogelijkheid.
lm\' post, lmpót,plaatselijke verbruiksbelasting,warenaccijns.
imposteeren, belasten.
Imposture, bedrog, veinzerij, belastering.
Impót, z. Impost.
impótent, onvermogend, onmacht; lam. (lieid.
Impoténtie, onmacht; mannelijk onvermogen; onbevoegd-impracticébel, onuitvoerbaar, ondoenlijk.
Impraegnatie, bevochtiging, verzadiging. (lijven,
impraegneeren, verzadigen, bezwangeren, (chemisch) in-Imprecétie, verwensching, vervloeking, vloek.
impresario, Italiaansche opera-ondernemer.
imprescriptibel—Inacceptabel 251
imprescriptibel, onverjaarbaar (in rechten). (held,
Impressibiliteit, vatbaarheid voor indrukken, ontvankelgk-Impréssie, opdrukking; indruk, invloed.
impressief, indrukmakend.
imprimatur, het worde afgedrukt- het imprimatur, het
verlof tot den druk.
imprimeeren, indrukken, inscherpen ; drukken, improbébel, omvaarschynlyk.
Improbabiliteit, onwaarschijnlijkheid.
improbónt, niet bewyzend.
improbétie, misbillyking, afkeuring.
improbeeren, afkeuren, wraken, misbillyken.
Improbiteit, oneerlgkheid, slechtheid.
improductief, niet voortbrengend, onvruchtbaar, improfitébel, onvoordeelig, niet opbrengend.
Impromptu, z. In-promptu.
Impropriëteit, oneigenlykheid.
improve, verbeteren.
impróvement, verbetering.
Improvidéntie, gebrekkige voorzorg, onvoorzichtigheid. Improvisétie, voor de vuist gemaakt dichtstuk, onvoorbereide redevoering.
Improvisétor, onvoorbereid spreker of dichter, improviseeren, voor de vuist dichten of redevoeren, imprudent, onvoorzichtig; —tie, onvoorzichtigheid, impudent, onbeschaamd, schaamteloos.
Impudéntie, onbeschaamdheid, schaamteloosheid. Impugnétie, bestrijding, bevechting, wederstreving. Impuls, impulsie, aandrift, drang, beweeggrond, prikkel,
aansporing, eerste stoot.
impune, ongestraft, straffeloos.
Impuniteit, straffeloosheid; het uitbleven der straf. Impuriteit, onreinheid, onkuischheid.
imputébel, toerekenbaar.
Imputamp;tie, toerekening, telastlegging.
imputeeren, toerekenen, telastleggen, toeschrijven, impuur, onzuiver, onrein.
inabordóbel, ontoegankelijk, ongenaakbaar.
\'m abrupto necessitatis, in het uiterste geval, in geval van nood.
in abstrécto, in \'t algemeen ; op zichzelf beschouwd, inacceptébel, onaannemelijk.
252 inaccessibel—Incarnatie
inaccessibel, ontoegankelijk.
inaccuraat, onnauwkeurig, slordig.
inactief, werkeloos, ledig, in rust; buiten dienst.
Inactiviteit, onbedryvigheid, rust.
inadaequaat, ongelijk, niet passend.
Inadverténtie, onachtzaamheid, verzien, abuis.
inaequaal, ongelijk, onderscheiden.
in seternum, voor eeuwig, in eeuwigheid.
in albis, in witte bladeren, oningebonden (van boeken).
inaliënébel, onvervreemdbaar.
inalterébel, onveranderlqk, on verder felyk.
Inamorato, de verliefde.
inamovibel, onafzetbaar; onherroepelyk.
in anima vili, op een laag wezen (een proef nemen), op
een ding van weinig waarde.
naniteit, nietigheid, ydelheid.
Inanitie, krachteloosheid, uitgeputheid (bv. door vasten), in annum sequentum, in het volgende jaar.
inappellébel, onbevoegd tot, ongeschikt voor hooger beroep, in armis, onder de wapenen. (ven liggende,
in articulo mortis, op het punt van te sterven, op ster-inattent, onoplettend, onachtzaam.
Inatténtie, onoplettendheid, nalatigheid.
inaugurale dissertatie, geleerde verhandeling, te schry-ven of geschreven door hem, die een academischen graad wil verkrygen. (inwyding.
Inauguratie, plechtige bevestiging in eene waardigheid. Inauguratie-geschrift, inwydings-geschrift.
inaugureeren, plechtig inwyden, bevestigen.
in biénco, in blénco, wit, onbeschreven, oningevuld, in bonis, goed by kas; gegoed.
in brévi, in korten tyd.
Inca, titel der oude koningen en prinsen van Peru. incalculébel, onberekenbaar.
in cólculo, in de berekening, in getal.
incanteeren, betooveren, bezweren.
incapabel, onbekwaam, ongeschikt.
Incapaciteit, onbekwaamheid, ongeschiktheid.
in cépita, naar de hoofden of personen.
Incarcerétie, inkerkering, opsluiting, gevangenzetting, incarnaat, vleeschkleurig, hoog rozerood.
Incarnétie, vleesch-, menschwording (van Christus).
incasseeren—Incommoditeit 253
incasseeren, geld ontvangen, innen; omlysten.
in césu, (verkeerd:) in casum, in geval.
in cauda venénum, er zit vergif4in den staart.
in causa, in de rechtszaak,
Incensatie, bewierooking in de R. Kath. kerk. incenseeren, bewierooken.
incestueus, bloedschendig.
Incéstus, bloedschande.
Inch, duim, duimbreedte (= 2,5 centimctei\')-Incidént, —tie, voorval, bykomende zaak, toeval.
incidit in Scyllam, qui vult vitare Charybdim, men komt van den regen in den drop, van den wal in de sloot. Incipiënt, aanvanger, beginner.
incipiëeren, beginnen, aanvangen.
Incisie, insnijding, snede.
incisief, insngdend, verdeelend.
Incisórium, mes of tafel voor Ijjkopeningcn.
inci\'sum, insnijding; tusscbenzin.
incitabel, prikkelbaar.
Incitabiliteit, prikkelbaarheid.
Incitamént, prikkel, opwekkend middel.
Incitatie, aanzetting.
inciteeren, aandrijven.
Inciviliteit, onbeleefdheid.
inclement, onmeedoogend, onbarmhartig.
Inclementie, onmeedoogendheid, onbarmhartigheid. Inclinatie, neiging, helling; geneigdheid, liefde, inclineeren, hellen; neiging tot iets hebben.
includeeren, insluiten, in zich bevatten.
Inclüsie, insluiting.
inclusief of inclusive, insluitend, medecrerekend.
in ccelo quies, er is rust in den henu l.
Incógnito, onbekendheid, naams- of standsverberging. incógnito. onbekend, onder vreemden naam.
incohaerent, onsamenhangend.
Incohaeréntie, gebrek aan samenhang.
incombustibel, onverbrandbaar.
Income, inkomen; income-tax, belasting op hetinkomen. incomestlbel, oneetbaar.
incommensuróbel, onmeetbaar, zonder gemeene maat. incommodeeren, lastig zyn of vallen, verontrusten. Incommoditeit, ongemak, last, ongelegenheid.
254 incommunicabel—Inconveniént
incommunicóbel, onmededeelbaar.
incommunicatief, onmedetleelzaam, niet geschikt voor of
niet geneigd tot mededeeling, achterhoudend, incommutébel, onverariderlyk, niet verwisselbaar, incomparébel, onvergeljjkelgk.
incompatibel, onvereenigbaar, niet overeen te brengen. Incompatibiliteit, onvereenigbaarheid.
incompensabel, onvergoedbaar, niet te vergoeden, incompetént, onbevoegd; ongeldig.
Incompeténtie, onbevoegdheid; ongeldigheid,
incompleet, onvoltallig, onvolledig, defect, incompresslbel, onsamenpersbaar.
in concérto. in overeenstemming.
inconcevabel, onbegrypelyk. (zoenbaar.
inconcilicibel, onvereenigbaar, niet te vereffenen, onver-in concréto, in een bepaald geval, in werkeiykheid. inconfórm, niet overeenstemmend, ongepast.
incongruént, niet overeenstemmend, ongepast, onvoegzaam. Incongruïteit, ongepastheid, ongeremdheid, onhebbelyk-
heid; misslag (tegen de taal).
inconsequént, aan zich zeiven ongelyk, zich zeiven tegensprekend, zich niet gelyk bljjvend.
Inconsequéntie, strijdigheid met eigen beginselen, het gebrek aan overeenstemming in de woorden of daden van een mensch met zyne eigen grondstellingen, in consessu, in de zitting;
inconsiderébel, onbeduidend, onbelangrijk. Inconsideréntie, onbedachtzaamheid. (baud.
Inconsisténtie, onvastheid, gebrek aan samenhang of ver-inconstant, onbestendig, onstandvastig, veranderlyk. in constant!, op het oogenblik, oogenblikkelyk. Inconsténtie, onbestendigheid, verauderlykheid. inconstitutioneel, tegen de grondwet, ongrondwettig, incontestébel, onbetwistbaar.
incontinénti, dadelyk, op staanden voet, onverwyld.
Incontinéntie, gebrek aan onthoudingsgave.
in continuo, onafgebroken.
in contrario, integendeel.
incontribuabei, niet schatplichtig, onbelastbaar.
in contuméciam, by verstek.
inconvenébel, ongelegen, ongepast. (heid, ongemak Inconveniént of Inconveniéntie, ongelegenheid, zwarig-
Incorporalia—Indecentie 255
Incorporalia, woorden welke onlichamelijke zelfstandigheden te kennen geven.
Incorporétie, inlgving, opneming in een genootschap, in córpore, gezamenlgk.
incorporeeren, inlyven, opnemen,
incorréct, onnauwkeurig, gebrekkig.
incorruptibel, onverderfelijk. (trek, ongezocht,
incourént, niet gangbaar, niet verkoopbaar, zonder af-incredibel, ongeloofelgk.
incredibiiiteit, ongeloofelgkheid.
Increduliteit, ongeloovigheid, twijfelzucht.
incremént, aanwas, toeneming.
incresceeren, wassen, toenemen, gedijen.
incrimineeren, van misdaad beschuldigen; als strafbaar
beschouwen en vervolgen of ten toon stellen, incroyabie, ongeloofelijk; een incroyable, een modegek,
modebeertje, kwast, fat.
Incrustétie, Incrusteering, overkorsting; het inleggen of overtrekken met steen, marmer, staal enz.; (ook:) zulk ingelegd werk. (dekken ; inleggen,
incrusteeren, met eene steen- of kalkachtige korst over-Incubamp;tie, het leggen of zitten; het broeden (eenerhen);
ontwikkelingstijdperk eener ziekte.
Incubétor, kunstmatig broedtoestel.
Inculcatie, inscherping, inprenting.
in cülpa zijr., schuldig of strafbaar zijn. (rispelgk.
inculpébel, niet te beschuldigen; onbestrafbaar; onbe-Inculpamp;tie, beschuldiging, aanklacht.
inculpeeren, beschuldigen, te last leggen.
inculqueeren, inprenten, inscherpen.
incumbeeren, zich op iets toeleggen.
Incumbéntie, verplichting, plicht.
Incunébelen, eerste beginselen, inz. de eerstelingen der
boekdrukkunst, de eerste gedrukte boeken.
incurébel, ongeneeslijk, onheelbaar.
in cüria, op het raadhuis, voor het gerecht.
Incurfe, onachtzaamheid, nalatigheid, zorgeloosheid. Incursie, vijandelijke inval, strooptocht.
Indébitum, eenc betaling, uit dwaling of zonder verplichting geschied.
indecént, onbetamelijk, oneerbaar.
Indecéntie, onwelvoeglijkheid, onbetamelijkheid.
256 Indeclinabel—indirect
indeclinabel, onverbuigbaar (in de taalkunde).
Indecórum, onwelvoeglijkheid, misslag tegen den goeden
toon der samenleving.
indefensibel, onverdedigbaar.
(nde Irae, vandaar de baat.
indelebiel, onuitwiscbbaar.
indelicaat, onkiescb, niet fijngevoelig, ruw.
Indemnisatie, schadeloosstelling.
indemniseeren, scbadeloosstellen.
Indemniteit, scbadeloosbeid; scbadevergoeding. indemonstrabel, onbewijsbaar, onverklaarbaar, independént, onafhankelijk, zelfstandig.
Independénten, Protestantscbe secte in Engeland, onaf-bankelijken van de bisscboppelyke kerkelijke heerschappij. Independéntie, onafhankelykheid.
in depósito, in bewaring.
indestructibel, onverwoestbaar, onvernietigbaar, indeterminabel, onbepaalbaar.
Indeterminisme, leer van de onbeperkte wilsyryheid. Index, register, inhoudsopgave, bladwijzer; lyst der boeken, die door de 11. K. kerk verboden z\\jn (index li-brórum prohibitórum).
India-rubber, gom-elastiek.
Indicatie, aainvyzing; verdenkingsgrond.
Indicativus, aantoonende wys der werkwoorden, indiceeren, z. indiqueeren.
Indiciën, kenteekens, gronden tot vermoeden.
Indictie, aankondiging, oproeping.
Indiénne, fijn gedrukt katoen, sits.
indifferént, onverschillig, lauwgeloovig.
Indifferentisme, onverschilligheid,lauwheid(inz.in godsd.) Indigenóat, het recht der inboorlingen, burgerrecht, indigént, behoeftig, arm.
Indigéntie, behoeftigheid, armoede.
indigést, onverteerd, niet doordacht of uitgewerkt. Indigéstie, onverteerbaarheid, kwade maag.
Indignétie, verontwaardiging, misnoegen.
indigneeren, met verontwaardiging vervullen.
Indigniteit, onwaardigheid, beleediging.
indiqueeren, aanwyzen, aanduiden.
indiréct, middellijk, niet rechtstreeks; i.-e belastingen, zulke, die niet rechtstreeks den persoon opgelegd, maar
indisciplinabel—Industrie 257
door middel van een op zekere waren enz. gelegden cyns gelieven worden. (wennen,
indisciplinóbel, onhandig; niet aan tuclit of orde te ge-Indisciplfne, gebrek aan tucht.
indiscreet, onhesclieiden, niet geheimhoudend.
Indiscrétie, onbescheidenheid, praatzucht.
indispensébel, volstrekt noodzakelyk, onmisbaar, indisponeeren, boos maken, in kwade luim brengen, indisponfbel, onbeschikbaar.
Indispositie, onpasselykheid; kwade luim, verdrietigheid, indisputébel, onbetwistbaar.
indissolübel, onoplosbaar; onverbrekelyk.
indistinct, onduidelyk, verward; onbepaald.
Individu, ondeelbaar geheel, afzonderlyk, op zichzelf beschouwd wezen, persoon.
Individualiseeren, als iets op zichzelf staand beschouwen
en behandelen.
Individualiteit, persoonlykheid, eigenaardigheid, individueel, afzonderlyk, aan een enkel voorwerp eigen,
elk voor zich zeiven, persoonlijk.
indivisibel, ondeelbaar.
indociel, onleerzaam; ongedwee, onhandelbaar. Indociliteit, onleerzaamheid; stugheid, onhandelbaarheid, indolent, onverschillig, lusteloos, zorgeloos, traag. Indoléntie, onverschilligheid, zorgeloosheid, traagheid, in dorso, op de keerzydc (bv. des wissels).
Indossant, Indossement, indosseeren, z. End—.
in dübio, in twyfel, in twyfelachtig geval.
indubitébel, ontwyfelbaar, uitgemaakt.
induceeren, overreden, bepraten, misleiden; afleiden, besluiten, gevolgtrekkingen maken.
Inductie, aanleiding; gevolgtrekking, besluit van het by-zondere tot het algemeene; door inductie bewijzen, door eene reeks van voorbeelden of feiten bewyzen. in du lei jubilo, in zoeten jubel, onbezorgd en vroolyk (leven).
Indulgéntie, toegevendheid, verschooning, strafontheffing. Indult, vergund uitstel van betaling, r e s p y t; kerkelyke
vergunning, vrybrief.
in duodécimo, in \'t boekformaat van 24 bladzydcn per vel. in duplo, dubbel, in twee eensluidende geschriften. Industrie, kunstbedryvigheid, kunstvlyt, nijverheid; be-ELPDE DRUK. 17
258 industriëel—lnfa(i)llibiliteit
roepsvak, bedrijf, lianteering; werkzaamheid, bedrgvig-heid (z. chevalier d\'industrie).
industriëel, werkzaam, nyver; de ngverheid of een by-zonderen nijverheidstak betreffend; —en, uitoefenaars van kunst, handwerk of bedryf, fabrikanten. Industrieschool, bedrjjfs- of handwerksschool, industriëus, bedrijvig, vindingryk, in kunst, handwerk of
bedryf ervaren.
ineffectief, zonder kracht, zonder uitwerking, onwerkdadig. in efféctu, in werkelijkheid, inderdaad.
in effigie, z. Effigies.
inegaal, ongelyk, veranderlijk; oneffen.
Inegaliteit, ongelykheid, oneffenheid.
inelegant, onsierlijk, onbevallig, smakeloos ; ongemanierd, inelegibel, niet verkiesbaar.
Ineptle, zotheid, ongerijmdheid, onnoozelheid.
inert, treag, vadzig, bewegingloos.
inertie, traagheid, vadzigheid; onvermogen.
in esse, in zyn (vorigen) toestand.
in essentiali, in \'twezenlyke, in hoofdzaak.
inessentiëel, niet tot het wezen behoorend, onwezenlijk, inevident, onduidelijk, niet klaarblijkelijk.
inevitébel, onvermijdelijk, niet te ontgaan.
inexéct, onnauwkeurig, onjuist.
inexcusébel, onverschoonlyk.
inexigibel, onvorderbaar, niet te eischen.
inexorébel, onverbiddelyk.
in expénsas, tot de kosten (veroordeelen).
Inexperiéntie, onervarenheid, gebrek aan ondervinding, inexplicébel, onuitlegbaar, onverklaarbaar.
inexplorébel, onnavorschbaar.
inexpressibel, onuitsprekelyk.
Inexpréssibles, in Engeland de modenaam voor broek, inexpugnébel, niet inneembaar, onbedwingbaar, in exténso, volledig, uitvoerig, in zyn geheel, in extréme, in extrémis (moméntis), in de laatste oogen-
blikken des levens, op sterven liggende.
infaam, eerloos, geschandvlekt.
in faciem, in \'t gezicht.
in féeto, door de daad zelve, inderdaad, werkelyk. infa(i)lh\'bel, onfeilbaar.
Infa(i)llibiliteit, onfeilbaarheid (bv. van den paus, die.
infamant—Infirmiteit 259
yolgeiiB het begrip der Katholieken, in zjjne uitspraken in zake van geloof en zeden, niet kan dwalen), infamént, infameerend, onteerend, eerroovend.
Infamle, eerloosheid, laagheid, schurkery.
Infamatie, eerloosmaking, —verklaring. (tugal.
Infént, —e, koninklyke prins, — prinses in Spanje en Por-Infantédo\'s, nierinos-schapen.
Infanterie, voetvolk, voetknechten, soldaten te voet. Infanterist, soldaat te voet.
infércten, verhardingen, verstoppingen in het onderlijf, infatigébel, onvermoeid; onverdroten. (ding.
Infatuétie, verdwaasdheid,zotte waan; helaehelyke inheel-infavorébel, onvoordeelig, ongunstig.
in favórem, ten gunste, ten voordeele.
inféct, aangestoken, besmet, verpest.
infecteeren, inficiëeren, besmetten, aansteken.
Inféctie, aansteking, verpesting.
infereeren, inbrengen; opdragen; gevolg trekken.
Inferi, onderwereld.
Inferiëuren, minderen, ondergeschikten.
Inferioriteit, ondergeschikte staat; geringer waarde; het
achterstaan by anderen.
infernaal, helsch, duivelsch, afschuweljjk.
infertiel, onvruchtbaar.
infesteeren, vyandig aanvallen; onveilig maken.
Infibulétie, inringing (van \'t geslachtslid).
inficiëeren, z. infecteeren.
infideel, ontrouw, trouweloos.
Infideliteit, ontrouw; ongeloof.
in fidem, ter bevestiging, ter waarmerking.
Infiitrétie, inzyging, intrekking (eener vloeistof),
infimeeren, vernederen.
in fine, aan het einde.
infiniet, oneindig, onbegrensd.
Infiniteit, oneindigheid.
Infinitfvus, onbepaalde wys der werkwoorden.
Infinitum, het oneindige, onbegrensde.
infirm, zwak, krachteloos, gebrekkelijk, krukkend.
Infirmatief, ontkrachtend, ongeldig makend.
Infirmerie, ziekenhuis, inz. voor soldaten.
Infirmier, ziekenoppasser.
Infirmiteit, krachteloosheid, gebrekkelykheid.
26o in flagranti—ingenu
in flagrónti (nl. facto of delicto), op heeter daad. Inflammétie, ontsteking, ontstokenheid, brand, inflammeeren, ontvlammen; tergen, verbitteren.
Inflótie, opzetting van \'tlijf door winden.
inflecteeren, binnenwaarts buigen, ombuigen, veranderen, inflexibel, onbuigzaam, hardnekkig.
Inflexibiliteit, onbuigzaamheid, onverbiddelijkheid.
Infléxie, buiging of afwijking der lichtstralen.
Inflictie, oplegging van eene straf.
in flóribus, in bloei, in welstand, in volle glorie, influeeren, invloed hebben.
influenceeren, invloed hebben; overhalen.
Influéntie, invloed, werking op een ander voorwerp. Influénza, vloeikoorts, landverkoudheid, griep.
in fólio, in \'t boekformaat van 2 bladen of 4 bladzijden per vel.
in forma, in behoorlijken vorm.
in forma pauperis, als een arm man.
Informatie, onderrichting; onderzoek; berichtgeving, informeeren (zich), onderzoek doen, bericht inwinnen, in foro, voor het gerecht.
in foro conscientiae, voor de rechtbank van het geweten. Infréctie, schending van, inbreuk op (bv. een verdrag), infra dignitatem, beneden iemands waardigheid, in fraudem, om te bedriegen.
infrequent, niet veel bezocht, eenzaam, stil, zonder of
met weinig menschen.
infructueus, onvruchtbaar, weinig of geen vrucht opleverend; vruchteloos, vergeefs.
Infusie, in- of opgieting.
Infusie-diertjes of Infusoriën, kleine, voor het oog met
zichtbare diertjes in vloeistoffen.
in futurum, in \'t vervolg, voortaan.
infuus, aangeboren, ingeschapen.
Ingónno, bedrog.
in génere, in het algemeen.
Ingenieur, vesting- of krggsbouwkundige ; i. van den waterstaat, bouwkundig opzichter over wateren, dijken, bruggen.
ingeniëus, scherpzinnig, vindingrijk, vernuftig. (gen. Ingénium, natuurlijke aanleg, aangeboren verstandsvermo-ingenu, oprecht, openhartig, onbevangen, naïef.
Ingenuïteit—Iniquiteit 261
Ingenuïteit, ongekunsteldheid, openhartigheid, rondborstigheid. _ (laten, ingereeren, inbrengen; zich i., zich onbevoegd met iets in graticim, ten gunste, ten behoeve Ingéstie, inbrenging van voedsel in \'t lichaam.
in globo, bjj den hoop, over het geheel.
ingrammaticaal, ontaalkundig.
Ingrediënten, bestanddeelen, inmengselen.
ingrossatie, inschryving in het hypothekenboek. (ven. ingrosseeren, in het grondpand-of hypothekenboek schry-in grósso, in het groot.
Inhabiliteit, onbekwaamheid.
inhabitébel, onbewoonbaar.
Inhabitétie, inwoning, bewoning.
inhabiteeren, in-, bewonen.
inhaereeren, aankleven, aanhangen; volharden.
inhaerént, aanhangend.
Inhaeréntie, het aanhangen, aankleven.
Inhalétie, inademing, inzniging. (vorm in te ademen. Inhalatie-apparaat, toestel om geneesmiddelen in damp-inhaleeren, inademen.
inhibeeren, verhinderen, beletten, verbieden.
Inhibitie, rechterlyk verbod om voort te gaan.
in hoe casu, in dit geval.
in hoe sigro vinces, door dit teeken zult gij overwinnen, in hoc statu, in dezen staat of toestand.
in honórem, ter eere, uit achting.
inhospitaal, ongastvrij, onherbergzaam.
Inhospitaliteit, ongastvrijheid.
inhumaan, onmenschelgk, wreed; onbeschaafd, in humanioribus, in de schoone wetenschappen (bv. bedreven). (lie vend heid. Inhumaniteit, onmenschelgkheid, wreedheid, onmensch-Inhumétie, beaarding, begraving.
in hypóthesi, in de onderstelling.
inimaginóbel, ondenkbaar, onbedenkelijk, onbcgrypelyk inimitabel, onnavolgbaar.
in infinitum, tot in \'t oneindige.
in integrum (restitueeren), ongeschonden, volkomen in
den vorigen toestand teruggeven of herstellen.
in Ipso término. op den vastgestelden dag.
Iniquiteit, onbillykhcid, hardheid-
Initia—in octavo
Inftia, (lat. pi. initium, etc.), aanvangsgronden. Initiaal-letters, aanvangletters, groote beginletters. Initiótie, inwijding.
Initiatief, Initiative, inleiding, opening; de eerste voorslag of voordracht, het recht tot eerste voordracht bij beraadslagingen over een onderwerp.
initiëeren, inleiden ; inwijden.
Injectie, inwerping, inspuiting.
injiclëeren, inwerpen, inbrengen; inspuiten.
Injunctie, uitdrukkelyk bevel.
Injürie, eerkrenking, beleediging, scheldwoord; proces
van i., rechtsgeding wegens eerroof.
injuriëeren, beleedigen, hoonen ; schelden.
injuriëus, eerroovend, lasterlyk, smadelyk.
inkwartieren, soldaten (by de burgers) inlegeren, in limine, op den drempel; — lóco, op de plaats zelve, ter behoorlyke plaats; — manus (tuas), in uwe handen;
— margine, op den rand, op den kant (eens blad); — media res, in het midden der zaak; — medio, in het midden; — mora, nalatig, ten achteren, achterstallig;
— natüra, in natuurlgken toestand; (ook:) in voortbrengselen der natuur; — naturalibus, geheel naakt, ongekleed; — nexu, in verband of samenhang; — obscuro, in het duister, in het verborgen.
in medio virtus, de deugd ligt in het midden, d. i. de
middelweg is de beste.
Inn, herberg; innkeeper, herbergier, waard.
innocent, onschuldig; onnoozel, verstandeloos.
Innocéntie, onschuld, eenvoudigheid, onnoozelheid. innominébel, onnoemelyk, onnoembaar. (God.
in nómine, in den naam ; in n. Déi, in den naam van Innovétie, nieuwigheid, verandering.
innoveeren, nieuwigheden invoeren.
in nubibus, in de wolken.
in nuce, in \'tkort samengevat, in \'t klein.
innumerébel, ontelbaar.
Inobediéntie, ongehoorzaamheid.
inobligaat, onverplicht, onverbonden.
in obscuro, in \'t duister, in \'t verborgen.
Inobservéntie, achteloosheid, het niet-nakomen.
in octamp;vo, in \'t boekformaat van 8 bladen of 16 bladzijden per vel.
202
Inoculatie—Insalubriteit 263
Inoculétie, inenting.
inocuteeren, inenten.
inoffensief, niet beleedigend, onaanstootelgk ; onschadelgk. inopportuun, ongelegen, ongeschikt.
in óptima fórma, in den besten vorm, volkomen, in originéli, in het oorspronkelyke schrift, in handschrift, in pamp;ce, in vrede,
in parénthesi, tusschen haakjes; tusschenbeiden. in pértibus infidélium, afgekort i. p. i., in \'t gebied of land der ongeloovigen, d. i. der niet R. K. [zaak), in perpétuam (réi) memóriam, tot eeuwig aandenken (dei-in pétto, in het hart, in den zin; in gereedheid of in
voorraad; achterwege (houden).
in plano, in geheele of ongevouwen vellen papier, in pléno, in volle vergadering.
in póoulis, onder het drinken, onder een glas. In pontificélibus, in priesterlgke ambtskleeding; in feesttooi, in ambtsgewaad.
in praesenti, tegenwoordig.
in praxi, in de uitoefening, in de praktyk.
in prómptu, in gereedheid; snel opgevatte zinrijke gc dachte, het voor de vuist gemaakte (bv. een versje), het onvoorbereid geleverde.
in propria persona, in eigen persoon.
in puncto, in het punt, betreffende.
in püris naturalibus, moedernaakt.
in quaestie, (het voorwerp) waarvan gesproken wordt,
waarvan nu sprake is; (de zaak) in geschil, in quantum de jüre, voor zoover de rechten het veroorloven, zoover de rechtsverhouding eener zaak betreft, in quérto, in \'t boekformaat van 4 bladen of 8 bladzijden inquieteeren, verontrusten. (op het vel.
inquireeren, navorschen, onderzoeken; verhooren. jnquirent, gerechtelijke ondervrager.
inquisiteur, ondervrager; geloofs- of ketterrechter. Inquisitie, lijfstraffelijk onderzoek; geloofsonderzoek; het
voormalig kettergericht in Spanje.
in rerum natura, in de natuur der dingen, op deze wereld, in residue, als overschot, als rest.
inrotuleeren, de acten nommeren en samenhechten. in saldo blijven, nog schuldig blijven.
Insalubriteit, ongezondheid (eener plaats).
264 insaiutato—insolvent
insaiutato hospite, zonder zjjn gastheer te groeten.
in san ie, krankzinnigheid, waanzin.
insatiabel, onverzadelyk.
inscribeeren, inschryven, hoeken; toewijden.
Inscriptie, inschrijving, in- of opschrift.
insculpsit, hy heeft het gegraveerd.
Inséct, gekorven diertje; ongedierte.
Insectoloog, insectenkenner = Entomoloog.
in secula seculorum, in alle eeuwigheid.
Insecuriteit, onzekerheid. (zjjden per vel.
in sedécimo, in liet hoekformaat van 16 bladen of 32 hlad-
insensibel, ongevoelig; onmerkbaar.
Insensibiliteit, ongevoeligheid.
inseparaat, ongescheiden, vcrecnigd.
inseparabel, onafscheidelijk.
Inseraat, Insértum, het ingelaschte; de bekendmaking
in nie iwspapieren ; bylage, naschrift.
insereeren, inlasschen.
Insértie, inlassching; insertie-kosten, kosten der plaatsing (bv. eener advertentie).
Insértum, z. Inseraat.
Insidiën, vervolgingen, hinderlagen.
insidiëus, arglistig, verraderlijk, belagend. [insigniën). Inslgniën, kenteekens, inz. eerc- of rangtcekens (z. Rijks-Insimulatie, meer of minder ongegronde beschuldiging. Insinuétie, indringing; geheime mededeeling eener meening; bedekte, zydelingsche toespeling; gerechteiyke inlevering, kennisgeving.
Insinueeren, heimelyk inblazen; bedekte zinspelingen maken ; gerechtelyk ter hand stellen; zich i., zich in iemands gunst dringen,
insipide, smakeloos, laf, zouteloos.
insisteeren, op iets staan, aandringen.
in situ, in den oorspronkelyken toestand.
insoctóbel, ongezellig; niet goed byeenkomend,
Insolatie, het in de zon zetten of leggen; de zonnesteek, insolent, onbeschaamd, lomp, onbeschoft.
Insoléntie, grofheid, lompheid, onbeschoftheid.
in sólidum, allen voor éen en éen voor allen (bv. borg
blijven), hoofdelijk voor \'t geheel aansprakelijk, insolübel, onoplosbaar.
Insolvent, onvermogend om te betalen.
Insolventie—instrueeren 265
Insolvéntie, betalingsonmacht, onvermogen om zich van
zijne schulden te kwijten.
Insomnfe, slapeloosheid.
in spe, in de hoop, in de verwachting, in \'t verschiet, in spécie, inzonderheid, vooral; (ook:)in klinkende munt. inspecteeren, inspiciëeren, bezichtigen, in oogenschouw Inspecteur, opziener; onderzoeker. (nemen, nazien.
Inspéctie, bezichtiging, oogenschouw; monstering. Inspectoraat, ambt eens inspecteurs; ook diens woning, inspiciëeren, z. inspecteeren.
Inspiratie, (by theol.:) goddelijke ingeving; bezieling, inspireeren, inblazen, inboezemen, aanvuren, bezielen, in spiritualibus, in geestelgke zaken.
instabiel, onbestendig, onveranderlijk.
Instabiliteit, onbestendigheid. (digheid.
Installatie, instelling, bevestiging in een post, eene waar-installeeren, in een ambt of waardigheid beveetigen. instantelijk, dringend, met aandrang.
Insténtie, dringend verzoek; gerechtshof, rechtbank, bv. ter eerste i., by de eerste of lagere rechtbank, by de rechtbank van eersten aanleg; ab instantia absolvee-ten, den beklaagde ontslaan van den plicht om zich op eene tegen hem ingebrachte aanklacht te verdedigen, instar omnium, evenals iedereen.
in stsamp;tu quo, in den vorigen, aanwezigen, tegenwoordi-
gen toestand, zooals de zaak tot hiertoe stond. Instauratie, wederoprichting, hernieuwing, herstelling, instaureeren, weder oprichten, herstellen.
insteeren, op iets aandringen, blyven staan.
Instigétie, aansporing, aanhitsing, opruiing.
instigeeren, aandrijven, aanhitsen, opruien.
Instinct, natuurdrift, ingeschapen neiging; kunstdrift, instinctmatig, onwillekeurig, als by natuurdrift, institueeren, instellen, stichten; onderrichten.
Instituteur, insteller; leermeester, hoofd van een instituut. Institutie, staats- of burgerlyke instelling.
Instituut, instelling; opvoedingsgesticht, kostschool. Instructie, onderwys; voorschrift van te houden gedrag, dienstvoorschrift; voorbereiding eener rechtszaak tot instructief, leerrijk, onderwyzend. (behandeling.
Instructor, leermeester.
instrueeren, onderwijzen, onderrichten, een voorschrift of
266 Instrument—intelligenti pauca
eene gedragslgn geven; een proces i., eene rechtszaak ter behandeling voorbereiden, inleiden.
Instrument, werktuig, inz. toonkunstwerktuig, speeltuig;
(ook:) wondheelers-werktuig ; oorkonde, bewgsschrift. instrumentaal, als middel of werktuig dienend; met behulp van werktuigen verricht; instrumentale muziek, zulke, die met speeltuigen wordt uitgevoerd. Instrumentist, beoefenaar van éen of meer speeltuigen,
instrumentbespeler.
Insubordinótie, weerspannigheid, verzet tegen de verplichte gehoorzaamheid, inz. verzet tegen de krijgstucht, tegen de militaire ondergeschiktheid.
in substéntie, in hoofdzaak.
insubstantiëel, onwezenlyk, niet werkelgk.
Insufficiënt, Insuffisant, ontoereikend.
insulair, de eilanden betreffend.
Insult, Insultétie, beleedigende aanranding, hoon. insulteeren, belcedigen, beschimpen, hoonen.
in summa, in *t geheel, samengenomen.
in summo gradu, in den hoogsten graad.
insupportébel, onverdraaglgk.
insurgeeren, opstaan, oproerig worden tegen de regeering. Insurgénten, opstandelingen, rebellen.
insurmontébel, onoverkomelijk.
Insurréctie, opstand.
in suspénso, in twijfel: onuitgemaakt, hangend, intabuleeren, boeken, inschrgven ; omranden, op eene Igst zetten; inleggen. (nen.
Intaglio, verdiept beeldhouwwerk, inwaarts gesneden stee-intéct, onaangeraakt, onverzeerd, rein, ongerept, integraal, op zichzelf bestaande, een geheel uitmakende. Integralen, soort van Nederlandsche staatsschuldbrieven, integreeren, volledig maken; integreerend deel, wezenlijk tot het geheel behoorend, onmisbaar deel. Integriteit, ongeschonden toestand, volledigheid; rechtschapenheid, onomkoopbaarheid.
intellectuëel, verstandelijk, geestelgk, schrander; wat op
het kenvermogen betrekking heeft.
intelligent, verstandig, schrander.
Intelligéntie, verstand, doorzicht; bericht, tjjding. intelligenti pauca, iemand die een goed begrip heeft, behoeft slechts weinig woorden.
intelligibel—Interferentie 267
intelligibel, verstaanbaar, begrijpelijk, klaar.
intempestief, ontijdig, niet passend, verkeerd aangebracht, in témpore opportuno, op het juiste oogenblik, juist van past.
Intendant, eerste opziener, bestuurder; rentmeester, intendeeren, op iets letten, beoogen, vanzins of willens Inténsie, inspanning. (z;in.
intensief, innerljjk, naar de innerlijke kracht of sterkte. Intensiteit, innerlijke kracht, sterkte, werkzaamheid, intenteeren, iets bedoelen of voorbereiden (tegen iemand). Inténtie, oogmerk, bedoeling, aanslag.
intentioneeren, bedoelen, ten oogmerk hebben.
inter, tusschen, onder; gedurende; — nos, onder ons. inter alia, onder anderen.
inter arma silent leges, onder de wapens zwjjgen de
wetten, in den oorlog gelden de wetten niet. Intercalétie, inlassching.
inter canem et lupum, tusschen licht en donker, intercaleeren, inlasschen.
intercedeeren, in \'t midden treden, bemiddelen. Intercedént, bemiddelaar, voorspraak.
intercepteeren, onderscheppen, opvangen.
Intercéptie, onderschepping, opvanging (van de lichtstralen, van \'t geluid, van een brief).
Intercéssie, bemiddeling, voorspraak, tusschenkomst. intercipiëeren, z. intercepteeren.
intercontinentaal, tusschen vastlanden of continenten plaats hebbende, die verbindende. [mogen),
interdiceeren, verbieden (inz. het beheer van \'t eigen ver-Interdlct, rechterlijk verbod ; groote pauselijke kerkban, waarby de toediening der sacramenten, het opdragen der mis enz. wordt verboden.
Interdictie, ontzegging, verbod.
interessant, belangrijk, aanlokkend, onderhoudend (doorgaans verward met geïnterresseerd, baatzuchtig), interesseeren, tot deelnemer maken ; iemands deelneming opwekken, hem innemen, roeren; zich voor iemandi., aan zijn lot deelnemen, voor hem in de bres springen. In\'terest, deelneming; gewin; rente van een kapitaal. Interferéntie, inmenging, tusschenkomst; wederzydsche werking der lichtstralen op elkander bij hun samenr tretfen.
268 interfoliëeren—Internuntius
interfoliëeren, niet wit papier doorschieten (een boek), in tergo, op de rugzyde.
interiëur, liet inwendige, binnenste; binncnlandsche zaken. In\'terim, tusschentyd, tusschenbehandeling; ad interim,
voorloopig, voorshands, tot nader order, tydelyk. interimair, voorloopig, tqdelyk, tot het interim behoorende. Interjéctie, tusschenwerpsel.
interlineair, tusschen de regels geschreven of gedrukt. Interlinie, ruimte tusschen twee regels.
interlinieeren, met interliniën zetten; tusschen de regels schryven.
Interlocütie of Interlocutoir, tusschcnspraak, by oordeel wegens eene byzaak van een proces; interlocutoir vonnis, beslissing in eene byzaak van het proces. Interlocutor, tusschenspreker, gesprekvoerder.
Interlóper, indringer, smokkelaar.
Interludium, tusschenspel.
Intermediair, tusschenkomst, bemiddeling.
Intermédium, tyd tusschen twee vervaldagen of termynen. Intermézzo, tusschenspel; tusschenvoorstelling. in terminis, in laatste instantie.
in término, op den bepaalden dag of termyn.
Intermissie, uitblyving, het nalaten; tusschentyd. intermitteerend, uitblyvend, tusschenpoozend. intermusculair, tusschen de spieren gelegen.
intern, iunerlyk; (ook:) inwonend.
internationaal, tusschen de natiën of volkeren onderling
(bestaande of heerschende).
Internationale, vereeniging of bond van werklieden uit verschillende landen, met het doel door ouderlingen bystand elkanders lot te verbeteren en inz. om hun meesters tot loonsverhooging te noodzaken; Roode Internationale, de socialistische volksparty, die — zoo noodig met de gewelddadigste omverwerping dermaat-schappelyke orde — eene volslagen gelykstelling van heer en knecht in de lasten en lusten des levens beoogt; Zwarte Internationale, die ültramontanen, die aangehitst door sommige dweepzieke geestelyken, zich door middel eener ruwe volksbeweging van het staatsgezag zouden willen meester maken. (wijzen,
interneeren, in het binnenste des lands een verblyf aan-Internüntius, gezant, dien de paus aan buitenlandache
interpasseeren—interviewen 269
kleine hoven of l)y republieken houdt; (ook:) Oosten-ryksclie gezant hij de Porte.
interpasseeren, doornaaien, stikken.
Interpellétie, tusschenrede, afbreking; hestrgding van een hezit, gerechtelijke opeisching; de aanvraag of nitnoo-diging van een volksvertegenwoordiger aan de regeering of aan den voorzitter der wetgevende vergadering, 0111 aangaande een of ander punt inlichting te geven, interpelleeren, in de rede vallen, om opheldering of inlichting vragen.
inter pócula, onder een glaasje, hy eene flesch. Interpolétie, inlassching van enkele woorden of zinnen in een handschrift; schriftvervalsching; inschuiving van een of meer termen in eene getallenreeks, interpoleeren, inlasschen, tusschenvoegen. (bieden,
interponeeren, tusschenplaatsen; zich tot bemiddelaar aan-Interpositie, tusschenkomst, bemiddeling.
Interpretatie, uitlegging, verklaring.
interpreteeren, uitleggen; overzetten, vertolken, interpunctie, plaatsing der schrgf- en zinteekens. Interregnum, tusschenregeering.
interrogétie, vraag, ondervraging.
interrogatief, vragend, ondervragend, vraagsgewyze. in terrorem, ter waarschuwing.
interrumpeeren, staken, afbreken; in de rede vallen;
hinderen, storen.
Interruptie, afbreking, staking; stoornis.
Interséctie, doorsnijding, kruising; snypunt, doorsnede, inter spem et metum, tusschen hoop en vrees. (zig. intertropisch, tusschen de keerkringen liggend ofaanwe-Intervdl, tusschenruimte; tusschentyd ; tusschenvoorval;
gaping; afstand van den eenen toon tot den anderen, intervalla lucida, heldere oogenblikken (by een krankzinnige).
interveniëeren, tusschenbeide treden, bemiddelen. Intervéntie, tusschenkomst, bemiddeling.
Intervérsie, het onderslaan of verduisteren van gelden, interverteeren, onderslaan, geld heimelyk achterhouden. Interview, samenkomst; bezoek tot uitvorsching of tot uithooring, inz. politiek gesprek tusschen een berichtgever van een dagblad en een staatsman.
interviewen, iemand uithooren, inz. een politiek persoon,
270 Interviewer—intrigant
Interviewer, dagbladreporter, die de meening van een staatsman over staatkundige quaestiën tracht te weten inter vivos, onder levenden. (te komen.
Intestaat, een zonder testament gestorvene ; i. erfgenaam, zulk een, die geen testament noodig heeft om erfgenaam te z\\jn. (te maken,
intestébel, onbevoegd of onbekwaam om een testament Intestina, ingewanden.
lnt(h)ronisatie, troonsbestgging.troonsaanvaarding; plechtige instelling van een bisschop, van een paus. int(h)roniseeren, ten troon verhetfen; een bisschop plechtstatig in zyn ambt stellen.
intiem, innig vertrouwd, nauw verbonden, innig. Intimétie, gerechtelijke aanzegging.
Intimidatie, vreesaanjaging.
intimideeren, bevreesd maken, schrik aanjagen. Intimiteit, innigheid, vertrouwelgkheid.
Intimus, boezemvriend, vertrouwde.
Intitülatie, betiteling; titel van een boek. (ven.
intituleeren, betitelen; eenen titel geven of bovenschrq-intoierébel, onverdraaglgk, onverstaanbaar.
intolerant, onverdraagzaam tegenover andersdenkenden. Intolérantie, onverdraagzaamheid, inz. in zake van godsdienst. (ging. Intonétie, toonaangeving, aanheffing; toon- of stembui-intoneeren, aanheffen, den toon aangeven.
in totidem verbis, in zoovele woorden.
in totum, in \'t geheel, in alles. (maken.
Intoxicatie, vergiftiging; zinsbedwelming ; het dronken-intra, binnen, inwendig enz.; — muros, binnen de muren, intractébel, intraitabel, onhandelbaar, onbuigzaam. Intréde, inleiding, voorspel.
Intréden, staatsinkomsten.
Intransigenten, onverzoenlgken, staatkundigen die van
geen transactie willen weten.
intransitief, niet onvergankelijk, onzydig (werkwoord), in transitu, in \'t voorbygaan.
intra parietes privates, in den huiselyken kring; onder
vier oogen, in vertrouwen.
Intrepiditeit, onversaagdheid, onverschrokkenheid, intricaat, ingewikkeld, verward, moeilijk.
intrigant, arglistig, vol listen en streken.
Intrigant—in verba magistri 271
Intrigant, vriend van kuiperyen, arglistig mensch. intrige, verwikkeling; knoop; listige, heimelyke streek,
kuiperg; intriges, streken, omwegen, draaieryen. intrigeeren, met slinksche streken omgaan, kuiperyen maken.
intrinsiek, innerlyke, tot het wezen van iets behoorende;
i.-e waarde, innerlyke, werkelyke waarde.
in triplo, in drievoudig afschrift.
introduceeren, inleiden, ingang verschaffen.
Introductie, inleiding, invoering.
Introduzione, inleiding van een muziekstuk.
Introïtus, inleiding, voorbereiding.
introuvable, onvindbaar.
Introversie, inwaarts-, binnenwaartskeering.
intrudeeren, instooten, inamp;ohuiven; zich i., zich in- of opdringen.
Intrusie, indringing, insluiping (bv. in een post).
Intuitie, innerlyke aanschouwing, onmiddellijk bewustzyn. intuïtief, innerlyk aanschouwend, onmiddellyk gewaar-in una serië, in eene ry, achtereenvolgens. (wordend. Inundétie, overstrooming.
inundeeren, overstroomen; onder water zetten.
in usu, gebruikelyk; in usum, ten gebruike.
inutiel, onnut, nutteloos, vergeefs, vruchteloos.
in vacuo, in de ledige ruimte.
Invaleur, onwaarde, waardeloosheid.
invalide, onvermogend, krachteloos, onbruikbaar, invalideeren, ongeldig verklaren, in rechten krachteloos maken.
Invaliden, krygslieden tot verderen dienst onbekwaam.
invariabel, onveranderlijk.
Invésie, vijandelyke inval, strooptocht.
Invective, beleedigende rede, scheld-, schimpwoord.
invénit, (verkort inv.)gt; (—) heeft het gevonden.
Inventéris, lyst van voorhanden voorwerpen in een huis,
vaartuig enz,, boedelbeschryving.
Inventarisatie, boedelbeschryving; het inventaris-maken;
het op den inventaris brengen.
inventariseeren, boedelbeschryven.
inventeeren, uitvinden, verzinnen,
Invéntie, uitvinding; verdichtsel; kunstgreep,
in verba magistri, by \'t woord des meesters (zweren).
272 Invergentie—Iris
Invergéntie, neiging, helling.
Invérsie, woordenverzetting, orakecring.
inverso ordine, in omgekeerde orde.
Invertebréta, ongewervelde dieren.
inverteeren, omkeeren, verplaatsen.
investeeren, inkleeden, instellen.
Investigétie, opsporing, navorsching, onderzoek, investigeeren, opsporen, uitvorschen, doorgronden, investituur, plechtige inzetting in eene waardigheid, he-leening,
in vetereeren, veronderen, inwortelen; geïn vetereerde
kwaal, ingewortelde kwaal.
in via juris, langs den weg van rechten.
invidiëus, nydig, wangunstig.
invincibel, onverwinnelyk, onbedwingbaar.
in vino véritas, in den wjjn (ligt) de waarheid; dronken
menschen zeggen de waarheid.
inviolébel, onschendbaar, onverbrekelgk.
Inviolabiiiteit, onschendbaarheid.
invisibel, onzichtbaar.
invita Minerva, tegen den wil van Minerva, d. i. zonder talent (schrjjven).
invitatie, uitnoodiging.
inviteeren, uitnoodigen, te gast vragen.
Invocatie, aanroeping, afsmeeking.
in voce, op het woord, op dat woord; (vatten,
involveeren, inwikkelen, verwikkelen; mede in zich be-invulnerébel, onkwetsbaar.
i6I hoezee! ió vivét! bekend aanvangswoord en daarom
ook de benaming van een studentenlied.
ipecacuanha, Amerikaansche braakwortel; Indiaansche of Braziliaansche purgeerwortel (wortel eencr soort van violierboom).
ipse dixit, hg (de meester) heeft het zelf gezegd, ipsissima verba, dezelfde woorden.
ipso fécto, door de daad zelve, uit kracht der daad.
ipso jure, door het recht zelf, van zelf, van rechtswege. Iréde, bevelschrift (des sultans van Turkjje).
ira furor brevis est, de toorn is een korte razernij. Irascibiliteit, prikkelbaarheid, geneigdheid tot toorn, irénisch, vredestichtend, bemiddelend.
I ris, regenboog; regenboogvlies in het oog.
iriseeren—isochronisch 273
iriseeren, de kleuren van den regenboog vertoonen.
Iron, ijzer.
Ironie, spotrede, fijne spot, bedekte scherts, die, ouder het masker van trouwhartige eenvoudigheid of onwetendheid, gebreken en dwaasheden ten toon stelt en belachelijk maakt.
irónisch, spottend, schalks, fijn schertsend.
irraisonnable, onredelijk, onbillqk.
irrationeel, met de rede strydig; niet juist berekenbaar, irrecusébel, onverwerpelijk.
irredénta, on verlost. [(breuk),
irreducibel, -ductibei, onherleidbaar; niet in te brengen irrefutébel, onweerlegbaar, onweersprekelijk. Irregulariteit, onregelmatigheid, wanorde.
irregulier, onregelmatig, van den regel afwijkend, irrelevant, onbeduidend, niet tot de zaak behoorend. irreligiëus, ongeloovig, ongodsdienstig.
irremedidbel, onherstelbaar, niet te verhelpen, irremonstrébel, niet wederlegbaar.
irreparébel, onherstelbaar, onvergoedbaar.
irresfstibel, onwederstaanbaar.
irresoluut, besluiteloos, weifelend, aarzelend.
irreverent, oneerbiedig.
irrevocébel, onherroepelijk.
irrideeren, uitlachen, bespotten, hoonen. (land.
Irrigétie, bewatering, bevloeiing, vloeiing (van een wci-irrigeeren, bewateren; vloeien, (een weiland) door kleine
waterstroompjes bevochtigen.
Irrisie, bespotting, hoon.
Irritabiliteit, prikkelbaarheid,
Irritétie, prikkeling; verbittering.
irriteeren, verbitteren, boos maken, tergen.
Irrüptie, inval, overval.
isabél, isabélkleurig, bruinachtig geel, lichtgeel.
Isagogiek, inleidende wetenschap, inleidingskunst.
isagógisch, inleidend.
Isba, Russische boerenwoning.
Isis, godin der vruchtbare natuur.
Isléra, de Mohammedaansche godsdienst, hel Islamisme.
Island, eiland.
Isobéren, lijnen van gelijke luchtdrukking.
isochronisch, evenlang, gelijkdurend.
ELFDE DRUK. 18
274 Isolatie—Jacobijnen
Isolatie, afzondering.
Isolator, niet-geleider der electriciteit.
isoleeren, afzonderen, op zichzelf plaatsen.
isomérisch, gelqkdeelig, gel\\jk verdeeld; isomerische lichamen, zulke lichamen, die hy gelgke chemische samenstelling toch verschillende eigenschappen hebben, isométrisch, gelyke maat hebbende.
isomórphischj van dezelfde gedaante.
Isothermen, lijnen van gelijken warmtegraad.
Isthmus, landengte, inz. die van de Corinthe in Griekenland ; de daar gevierde openbare kampspelen werden deswege Isthmische spelen geheeten.
ita est, zoo is het, zoo staat het.
ita lex est scripta, zoo is de wet geschreven.
Italieken, cursief letters.
item, insgelijks, evenzoo, verder.
Iterétie, herhaling, hervatting.
iteratief, herhalend, hervattend.
Itinerórium, reisboek, reisbeschrijving.
Ivoriet, kunstlei.
Ivrésse, dronkenschap; Ivrogne, dronkaard.
Iwan, Johannis.
Ixion (het rad van), eene altijddurende marteling.
J.
J. C. = Jezus Christus.
JCtus = Jurisconsultus (z. aid.)
J. H. S. en J. N. R. J., z. onder I.
J. U. D. = juris utriüsque dóctor (z. aid.)
Jabót, borststrook, hemdstrook.
Jacarénda, voortreffelijkschrjjnwerkerhout uit Z.-Amerika.
jacént, liggend; (ook;) onbeheerd (van goederen).
Jack, Jantje; old Jack, de Britsche vlag ; jack-of-all-trades, jantje van alles, iemand die voor alles te gebruiken is.
Jacobijnen, leden of vrienden van het volksgenootschf.p der razende vrqheidsdwepera dat gedurende de Fran-sche revolutie van 1789 ontstond en zijne zittingen
Jacobijner-muts—Jean potage 275
hield in het voormalige Jacobgne n-klooster te Parys.
Jacobijner-muts, roode muts, die door de aanhangers van het Jacobinisme werd gedragen.
Jacobinisme, vrjjhcidsdweperjj, dolzinnige vrijheidsliefde.
Jaconnét, Oost-Indisch, meestal glad mouselien.
Jacquard-machine, Jacquardsche weefstoel, een door Jacquard van Lyon uitgevonden weefstoel, tot het sneller en gemakkelyker weven van zjjden stolfen.
jacta est alea, de teerling (of het lot) is geworpen.
Jacténtie, grootspraak, snorkerij.
Jactatie, het onrustig woelen des kranken; snoevery.
Jalon, afsteekpaal; richtvaantje; bakenstok.
jalonneeren, met bakenstokken afsteken, afbakenen.
Jalonneur, onderofficier niet het richtvaantje.
Jalousie, yverzucht; minnenyd, jaloerschheid, jaloezie.
Jalousie de métier, beroepsnijd, broodnyd.
Jalousieën, venster-zonneschermen.
Jam, vruchtengelei.
Jambage, grondmuur.
Jambón, ham. (lettergreep.
Jambus, Jambe, versvoet van éene korte en éene lange
James, Jacob.
Janitsaar, soldaat der in 1836 door sultan Mahmoed opgeheven bevoorrechte klasse van soldaten, die weleer de kern vaa het Turksche voetvolk uitmaakten.
Jansenisten, sectenaam, door de R. K. kerk gegeven aan de^Roomschen der Oude of Bisschoppelyke Clerezie.
Januis ciausis, met gesloten deuren.
Janus, Romeinsche godheid met twee aangezichten; Ja-nuspolitiek, weifelende, onoprechte staatkunde.
Jaquenótte, soort van Oost-Indisch mouselien.
Jóquerie, boerenopstand.
Jardjn, tuin; — de plaisance, pleiziertuin.
Jardinière, tuinierster: bloemenmand; mandewagen (zeker rjjtuig); soep b la j., groentensoep.
Jargón, onbeschaafde taal, kromtaal, koeterwaalsch.
Jarretière, kouseband.
jaspeeren, (de snede van een boek) als jaspis beschilderen of besprenkelen.
Jatagén, Yatagan, korte Turksche degen of sabel.
Jaune d\'oeuf. eidooier; geel als een dooier.
Jean potége, hanssop, hansworst.
Jehovah—Joli
Jehóvah, de Eeuwige, Onveranderlijke. God.
Je ne sais quoi, een zeker iets. dat men geen naam weet tc geven.
Jenny-machine, Eugelsche machine voor t katoenspinnen, zoo genoemd naar Jenny, de vrouw des uitvinders Ark-wright.
Jeremiéde, klaaglied, jammerklacht.
Jet d\'eau, waterstraal.
Jetón, leg- of rekenpenning, speel-, pachtpenmng.
Jettatóre, mensch met een boozen hlik, iemand die met znn oog hetoovert.
Jeu, spel; scherts: (ook :) eene verbastering van j u s (z. aid.)
Jeu de mots, woordspeling. . , ,
Jeu d\'esprit, geestigheid; (ook:) verstandsspel, waar by de geest gescherpt wordt.
Jeudi, Donderdag.
Jeunesse dorée, voorname jongelieden, die alleen voor hun vermaak leven.
Jezuïet, lid der R. K. monniken-orde, door Loyola 1111531 onder den naam van Gezelschap of Societeit vanJezas gesticht, door paus Clemens XVI in 1773 opgeheven, maar in 1814 door paus Pius VII hersteld; (in onei?. en verachtelyken zin:) schijnheilig bedrieger, doortrapt Intrigant, vroomschijnend booswicht.
Jezuïetisch, naar de leer der Jezuïeten; (fig.) schijnheilig, onoprecht, valsch.
Jezuïetisme, Loyola\'s leer, het werken in den geest der Jezuïeten; (fig.) valschheid, onoprechtheid.
Joaillier, juwelier. , , , ,• at
Jóbber, (in Engeland:) makelaartje; beunhaas; (m W.Amerika:) groothandelaar.
Jobsbode, Jobspost, ongeluksbode, treurige tyding . Jobsgeduld, zeer groot, taai geduld.
Jóckey, rijknecht, voorrijder, pikeur ; staljongen ; jockey-club, gezelschap van paardenliefhebbers.
Jocrisse, zot, onnoozele hals, uilskuiken.
Jócus, scherts, grap, kortswijl. 3 v \\
John Bull, spotnaam van den grooten hoop des Engel-schen volks; onbeschaafd mensch.
Joint-stook-cómpany, maatschappij op aandeden.
Jokei, z. Jockey.
Joli, lief, netjes, mooi, hupsch, aardig.
276
Jonathan—Judicatie 277
Jónathan, Broeder Jonathan, schertsende naam voor de
bewoners der Noord-A-merikaansclie rrgstaten. Jongleur, goochelaar; potsenmaker.
Jonk, Chineesch koopvaardij- en oorlogsschip,
Jonquille, hoog geel.
Joséph, soort van dun Pransch papier; filtreerpapiei\';
vrouwenoverrok; kuisch, eerbaar jongeling, Jozef.
Jóta, de Grieksche letter i(de kleinste van het Gr. alphab..
vandaar:) geen jota, niets, niet het allergeringste. Jouissénce, genot, genieting; vruchtgebruik.
jouisseeren, genieten. (op- en afvalspel.
Joujou, kinderspeelgoed ; inz. het vroeger in zwang zgnde Jour, dag; du jour of de jour zijn, den dagdienst hebben, aan de dienstbeurt zyn; jours de grace, respijtdagen (z. aid.); goüt du jour, de heerschende smaak. Journaal, dagboek; dagblad, tydschrift.
journaliseeren, in het dagboek schryven.
Journalisme of Journalistiek, het tgdschriftwezen, liet schryven van tijdschriften, de gezamenlyke periodieke pers van een land.
Journalist, dagbladschrijver, redacteur eener courant Journey, dagreis, dagwerk; reis.
joviaal, blijgeestig, lustig, opgeruimd.
Jovialiteit, blijgeestigheid, blijmoedigheid.
joyeuse entrée, bigde inkomst; aanvaarding der regeering ; de privilegiën die elk vorst bij zyne kroning moest Jozef, z. Joseph. (bezweren.
Jubel, gejuich en juichen; z. jubileeren.
Jubilaeum, Jubilé, jubelfeest, jubeljaar.
Jubiléris, jubelvierder, feestvierder.
Jubiléte, de Zondag na Paschen.
jubileeren, jubelen, juichen; zyne 50- of 25jarige echt-vereeniging of ambtsbediening vieren; gouden of zilveren bruiloft houden.
Jucht, z. Juft.
Judaïsme, jodendum.
Judas, verrader; Judaskus, verraderlijke kus; Judashaar,
rood, roodachtig, rossig haar.
judassen, onder \'t masker van vriendschap bedriegen of
verraden, geniepig mishandelen.
Judex, (fr. Juge, eng. Judge), rechter.
Judicdtle, beoordeeling, beslissing.
278 Judicatuur—juristisch
Judicatuur, het rechterambt.
judiceeren, ronnis vellen, vonnissen, heslissen.
judiciëel, gerechteiyk, rechterlik.
judiciëus, oordeelkundig, verstandig, wel overlegd.
Judicium, gerecht, rechtspleging; rechterlyke uitspraak.
Juft (beter dan Jucht), sterk riekend Russisch leder.
jugaalbeen, jukbeen.
Juge de paix, vrederechter.
jugeeren, oordeelen; beoordeelen; vonnissen.
Juif errant, de wandelende jood.
Juliaansche kalender, de door Julius Cesar verbeterde tijdrekening, waaraan het zonnejaar ten gronde ligt in plaats van het maanjaar, waarvan echter de Gregoriaan-sche ongeveer 12 dagen afwykt.
Julienne, groentensoep; ook potage ik la —.
Jumélles, dubbel oogglas, operakijker voor beide oogen. Junctie, vereeniging, verbinding.
Junctuur, verbinding; toestand, tijdsgewricht.
Junior, de jongere.
Jüno, Jupiters zuster en gemalin; (fig.) fiere, trotache
vrouw; (ook:) de naam eener planeet.
Junónisch, naar Juno gelykend ; (fig.) trotsch, majestueus. Junta, vergadering, staatsraad in Spanje en Portugal;
volkscomité.
Jupe, onderrok, vrouwenrok.
Jupijn, Jupiter, oppergod, dondergod; (ook:) de naam
eener planeet.
Jura, de rechten, de rechtswetenschap.
Jura et facto, rechtens en feitelyk.
Juramént, eed, eedzwering, vloek; juramentum purgató-rium, zuiveringseed; — assertorium, bevestigingseed. ju rare in verbo magistri, by het woord des meesters zweren. (van eed
Juratórium, bezworen belofte; (ook:) belofte in plaats Juré, gezworene, lid eener jury.
Jure divino, naar de goddelyke wet.
Jure humani, naar de menschelyke wet. (telyk.
Juridiek, Juridisch, overeenkomstig de rechtsleer, gcrech-Jürisconsültus, rechtsgeleerde.
Jurisdictie, rechtshandeling; rechtsmacht, rechtsgebied. Jurisprudéntie, rechtsgeleerdheid.
juristisch, de rechtsgeleerdheid betreffend, rechtskundig.
Juris utriusqiie doctor—Kabbala 279
Juris utriüsque dóctor, doctor der beide rechten (het
burgerljjke en kerkelyke), afgekort door J. U. D.
Jury, rechtbank van gezworenen, waarbg een crimineel beschuldigde alleen door beëedigde medeburgers schuldig kan verklaard worden.
Jury-man (pl. Jury-men), gezworene, lid eener jury. Jus, recht; jus belli et pacis, het recht van oorlog en vrede; jus gentium, het volkenrecht; jus privatum, burgerlgk recht; jus publicum, publiek recht, staatsrecht; jus talionis, recht van wedervergelding, van weerwraak.
Jus, krachtig vleeschnat; (vaak zjeu genoemd).
Jus et norma loquendi, de wet en regel der taal.
just, justemént, juist, nauwkeurig, precies, net zoo, billy k, rechtvaardig.
justeeren, juist maken, vereffenen; yken, echt maken. Juste-milieu, juiste midden ; spotnaam voor de gematigde politieke par tg, die voorgeeft het juiste midden te houden, doch gewoonlgk beginselloos is.
juste témpore, ter rechter t\\jd.
Justice of peace, vrederechter.
Justificétie, rechtvaardiging; verantwoording, justificeeren, rechtvaardigen; verantwoorden.
justitiabel, aan zekere rechtbank of rechter onderworpen. Justitie, gerechtigheid ; rechtspleging; gerecht; rechtbank;
(vierschaar.
Jute, Oost. Indische hennep of vlas.
Juvéntia, versterkingsmiddelen.
juxta, nab\\j, diclitbg, daarneven, daarnaast.
Juxta-positie, naast-elkander-plaatsing; toeneming (eens lichaams) door uitwendige aanzetting.
K. M. = Keizerlijke of Koninklijke Majesteit.
Kaaba, Mohammed\'s bedehuis te Mekka.
Kabbala, z. Cabbala.
*) Wat onder deze letter niet te vinden is, zoeke men onder C.
2 So Kabilen—Kameleon
Kabilen, Kaby\'len, talrgkate volksstam in N.-Afrika na de Arabieren.
Kabinét, vertrekje, arbeidsvertrek; vorstenkamer,geheime kamer; de gezamenlyke ministers; de vorst met zgn staatsraad; de regeering in hare betrekking tot het buitenland; verzameling van natuur- of kunstvoortbrengselen ; hooge, breede ladekast. (uitgaat.
Kabinéts«order, verordening, die onmiddellijk van den vorst
Kabinetsquaestie, vraagstuk van welks beslissing het aanblijven van het ministerie afhangt.
Kabinetstuk, voorwerp uit een kabinet van kunst of nat. historie; iets zeldzaams in zgne soort.
Kadét, Kadétje, wittebroodje (doorgaans van 2* cent).
Kódi, echter, rechtsgeleerde bij de Mohammedanen.
Kéffar, belasting, die de Christen-kooplieden in Turkqe moeten betalen, wanneer z\\j waren van Aleppo naar
Kaffers, negerstam in Zuid-Afrika. (Syrië zenden.
Kaftan, lange en wjjde overrok, Turksch eerekleed.
Kajapoet-olie, kostbare etherische olie uit de bladeren van den kajapoetboom in Oost-Indië.
Kakatoe, kakketoe. Oost Indische bosch- of grot-papegaai.
Kakodemon, een booze geest.
Kakophonie, (beter caco-) wanklank, wangeluid.
Kalamijn, Kalamijnsteen, z. Galmei.
Kalander, mangel; (ook;) koren worm.
kalandreeren, mangelen, gladmaken, glanzen.
Kalés, lichte, open wagen.
Kéli, zoutkruid; plantenloogzout, potasch.
Kaliber, bepaalde maat; maatstaf der doorsnede, inz. van kanonskogels; innerlijke wijdte van een stuk geschut; (ook:) gesteldheid, deugdelykheid eener waar, gehalte.
Kélief, Khélief, de sultan als stadhouder van Mohammed.
Kalifaat, waardigheid van Kalief; het rgk van Mohammed\'s opvolgers.
Kélium = Potassium (z. aid.)
Kalpak, Hongaarsche huzarenmuts; Turksche pelsmuts.
Kamaschen, slobkousen.
Kaméleon, kleine hagedis, waarvan men weleer geloofde dat zg de kleur kon aannemen van de voorwerpen, op welke zg zich plaatste; (vandaar :) een mensch, die vaak van party, van meening verandert, naarmate zijn belang het vordert.
kameleontisch—kantonnaal 281
kameleóntisch, wuft, veranderlgk, met alle winden waaiend.
Kamelot, stof van kemelen- of geitenhaar.
Kameraad, makker, metgezel, medewerkman, dienst- of
wapenbroeder enz.
Kamizool, kort onderkleed ter bedekking van \'t boven-
lyf, borst-, hemdrok, vest.
Kamp, legerplaats; veldlegering. (trekken,
kampeeren, gelegerd zijn, te veld liggen, het kamp be-Kampemént, legerplaats ; veldlegering ; oefeningskamp. Kampénje, bovenste achterdeel van een schip; z. ook Kampioen, kampvechter, stryder, held. (Campagne. Kémpong, omheind erf op Java, gehucht, buurt, wijk. Kanaal, gegraven waterleiding; (ook ;) zeeëngte; uit een goed kanaal iets weten, beteekent, dat men liet nieuws uit een geloofwaardigen mond, uit eene goede bron heeft. Kanalisatie, aanlegging van kanalen; bevaarbaarmaking
van een rivier.
kanaliseeren, van kanalen voorzien, kanalen aanleggen;
eene rivier bevaarbaar maken.
Kanéster, korf of mand van gespleten riet ter tabakverzending ; (vandaar -.) kerftabak, de beste soort rooktabak ; (ook:) zakvormig voorwerp uit dierenhuiden, ter warenverzending in Indië; tinnen kist, waarin de thee uit China wordt verzonden.
Kandeel, kraamvrouwendrank uit kaneel, suiker enz. Kénefas, voeringlinnen.
Kanón, een stuk grof geschut (z. ook Canon).
Kanonade, beschieting met kanonnen, kanonvuur. Kanonneerboot, geschutboot.
kanonneeren, met kanon vuren of beschieten.
Kanonnier, geschutsoldaat.
Kansbiljet, soort van Nederlandsche staatspapieren, Kénsel, spreekgestoelte, preekstoel.
Kanselarij, gerechtskamer, waar de gerechtelyke stukken uitgevaardigd worden, waar openbare papieren, oorkonden enz. van algemeen belang bewaard worden. Kanselier, opperste eener kanselarg, uitvaardiger der opeu-lyke geschriften; (vandaar :) Rijkskanselier, Staatskan-Kantaloep, knobbel- of wratmeloen. (selier.
Kantianisme, wysbegeerte van Kant.
Kanton, afdeeling van een arrondissement of distrikt. kantonnaal, tot het kanton behoorend; kantonsgewyze.
282 kantonneeren—karakteristiek
kantonneeren, de troepen in byeengelegen dorpen en steden verdeelen en inlegeren; de kantons-kwartieren doen betrekken.
Kantonnement, inlegering, kwartier. (oogmerken.
Kanül, püpje l)quot;isje der heelmeesters tot verschillende Kaolin, porseleinaarde.
Kapél, bijkerkje, bedehuis; vereeniging van toonkunstenaars ; gesloten volstemmig gezelschap van muzikanten by een vorst. (ter. hulpgeestelyke.
Kapelaan, geestelyke, die eene kapel bedient; hulppries-Kapélmeester, opperste eener muzikanten-vereeniging. Kapitaal, hoofdgeld, grond- of hoofdvermogen, geldsom, kapitaal, hoofdzakelyk ; voortrefFelyk, byzonder schoon ; kapitale letters, hoofdletters, groote beginletters; kapitale misdaad, zulk eene, waarop de doodstraf staat. Kapital;seering, berekening van het kapitaal naar de rente. Kapitalist, wie veel kapitalen bezit, geldsommen op rente
zet, rentenier, vermogend man.
Kapiteel, bovenst gedeelte van eene zuil.
Kapitein, hoofdman, aanvoerder van eene compagnie; gezagvoerder van een vaartuig.
Kapitool, z. Capitolium.
Kapittel, hoofdstuk; onderwerp van een gesprek, kapittelen, iemand de wet lezen, scherp doorhalen. Kapoen, gesneden haan.
kapoeres, kapóres, dood; weg, verloren; k. gaan, verderven, te gronde gaan.
kapot, gebroken, aan stukken ; verslagen, ontsteld; dood;
k. maken, (in \'t kaartspel:) alle slagen halen.
Kapot, regenmantel met eene kap; soldaten-overjas; myn-werkerskap. (perstruik.
Kapper of kaper, de gesloten bloesemknop van den kap-Karabijn, schietgeweer der ruitery. (flesch.
Karéf (by samentrekking Kraf), tafelflesch, kristallen Karékter, schriftteeken, teeken, letter, lettersoort; het eigenaardige, kenmerkende eener zaak; gemoedsgesteldheid, geaardheid, denkwyze; eerestand, waardigheid; goede naam.
karakteriseeren, al de teekens eener zaak bepalen, kenmerken ; (ook:) betitelen.
karakteristiek, eigenaardig, kenmerkend; het karakteristieke het eigenaardige, kenschetsende.
Karavaan—Katholicisme 283
Karavaan, handelstocht, reistrein in liet Oosten.
Karavaanthee, lijne theesoort uit China, die ons ovet Rusland wordt aangevoerd.
Karavéllas, Turksche fregatten. (tremen.
Karavénserai(l), herberg, verblgf voor Oostersche reis-
Karbats, z. Karwats.
Karbonkel, hoogroode robynsteen.
Karbouw, Javaansche buffel.
Kardemóm, paradyskorrels, het zaad van een aan de gember verwant gewas.
kardinaal, hoofdzakelijk, eerst, voornaamst; het kardinale punt, het hoofdpunt, het gewichtigste by eene zaak; kardinale deugden, hoofddeugden.
Karkés, dieiengeraamte; romp; met zyde omwonden koperdraad; langwerpige bom vol handgranaten; (fig.) zeer mager mensch.
Karmijn, kostbare hoogroode verf, z. Kermes.
Karmozijn, hoogrood.
Karónje, z. Carógne.
Karós, koets, prachtrjjtuig, staatsiewagen.
Karpét, los vloerkleed ; grof gestreept pakdoek.
Karpoloog, vruchtenkenner.
Kartél, vergelijk tot uitlevering; schriftelyke uitdaging tot een tweegevecht. (voor kanonnen.
Kartétsen, kleine kogels ; eene daarmede gevulde patroon
Karthuizer, monnik der door St. Bruto gestichte orde.
Kartón, bordpapier; bordpapieren band om een boek; bordpapieren doos (voor mutsen, linten enz.)
kartonneeren, in bordpapier binden, een lichte band om
Kartouw, groot, kort en dik kanon. (een boek maken.
Karveel (Caravelle), snelzeilend schip in Spanje en Portugal ; Fransch haringscheepje; Turksch oorlogsscheepje.
Karwéts, zweep van gevlochten lederen riemen.
Kasjoe, z. Cachou.
Kastoorhoed, kastoren hoed, hoed van beverhaar.
Kastról, komvormige koperen stoof- of braadpan zonder voet met een steel. (of samengenaaid.
Katérne, eenige bladen (eig. vier) papier ineengeschoven
Kathéten, de beide zyden om den rechten hoek van een rechthoekigen driehoek.
Katholicisme (beter Catholicisme), het Katholiek geloof, de geest en strekking, waardoor de Kath. kerk zich in
284 katholiek—Kiloliter
hare leer, verrichtingen en ceremoniën van andere Christelijke kerken onderscheidt. (toegedaan.
katholiek, algemeen, algemeen geloovig, der Roomsche kerk
Katholieken, algemeen geloovigen, aanhangers der Katli. kerk, sedert het Vaticaansche Concilie (in 1870) scherp verdeeld in Ultra montanen (zie verder dat woord), die zich streng aan \'s pausen bevelen in geloofs- en staatsleer houden ;en in liberale Katholieken of oud-Katholieken (ook wel Neocathólici, nieuw-Katholieken genaamd), die zich op het gebied van Kerk en Staat meer vrijheid in denken en streven voorbehouden, en alzoo naar de Bisschoppelijke Clerezie (by-genaamd Jansenisten), of wel tot het Protestantisme overhellen; z. Rongeanisme.
Katsjoe, z. Cachou.
Kauris of Couris, schelpmunt, porseleinschelpjes, die door vele Indische volksstammen en Negers als munt gebruikt
kauscher, z. koscher. (worden.
Kavélje, oud paard; elk oud, rompslompig ding.
Kaveling, deel, party, verkoopafdeeling.
Kaviaar, ingezouten steurkuit. (schryftaal.
KawMaal, de oude dichtertaal op Java, thans alleen
Kazemét, bomvry gewelf of kluis onder de vestingwallen, walgewelf, kanonkelder.
Kazéme, gemeenschappelyke soldatenwoning.
kazerneeren, in kazernen huisvesten.
Kazemier, z. Casimir.
Keepsake, geschenk tot aandenken, souvenir.
Kéllner, bediende in logementen en herbergen. Jan.
Kelp, aschzout uit verbrande zeeplanten.
Kepi, soort muts of pet van quot;Fr. troepen in Afrika.
Kermes, Kermesbeziën, scharlakenbeziën, purperkorrels, scharlakenluize (in Z.-Europa), welker besvormige maskers ingezameld en tot verschillende roode kleuren, inz. tot karmynrood en couleur de puce gebruikt worden. Khélif, z. Kalief.
Khan, Tartarenvorst; herberg in \'t Oosten.
Khedive, titel van den onderkoning van Egypte.
Kibitke, Russisch rytuig met 4 wielen.
Kilogrém of by verkorting Kilo, 1000 grammes of wichtjes, Ne der land sch pond. (den.
Kilollter, 1000 liters, kannen of koppen, 10 vaten of mud-
Kilometer—Koelies 285
Kilométer, 1000 meters of Ned. ellen, 1 myl.
Kilostère, 1000 kubieke ellen.
Kina, koortsbast (van den kinaboom in Z.-Amerika). Kings-bench, hooger gerechtshof in Londen; (ook:) eene
gevangenis voor schuldenaars.
Kiósk, (hg de Mooren:) soort van koffiehuis met fraai uitzicht; (by ons :) in Oostersche smaak gebouwd huisje. Kirschwasser, kersenwater, geestryk vocht uit pitten van
wilde krieken.
Kitchen, keuken.
Klafter, vadem, vaam (6 voet).
Klapperolie, kokosolie.
Klarinét, schelfluit (bekend blaasinstrument).
Klarinettist, klarinetblazer.
Klasse, orde, afdeeling, indeeling van personen of zaken,
vak; schoolafdceling; school.
klasseeren, in klassen verdeelen; schikken; schiften. Klephten, roovers in Griekenland.
Klerk, schrijver, kantoorschryver.
Klewang, kort, breed zwaard in Ned. Indië.
Kliek, z. Clique.
Klimaat, Klimax = Clima, Climax.
Kliniek, z. Cliniek.
Klinkét, klink, poortdeurtje.
Klisteer, darminspuiting, lavement.
Knéster, z. Kanaster.
Knees, hoogadellijke Pool of Rus.
Knickerbocker, afstammeling der oude Hollanders in New-
York ; in het alg.: New-Yorker.
Knife, mes.
Knight, ridder in Engeland.
Knoet, de Russische straf met eene uit harde juftriemen bestaande zweep; die zweep zelve; (ook :) bovenlander, Knot, knoop. (mof; lomperd.
Knowledge is power, kennis is macht.
Knownothings, nietsweters, een politieke party in Amerika, die vyandig gezind is jegens de landverhuizers. Kóbalt, vry zwaar, moeilyk smeltbaar metaal; k.-blauw, \'schoone hemelsblauwe verfstof.
Kóbold, aard- of bergmannetje, berggeest^
koejonneeren, beter cojonneeren (z. aid.)
Koelies, Hindoes uit eene der laagste kasten, die tegen-
286 Koemiss—Kompaan
woordig bq menigte als landbouwers naar de Neder-landsclie en Britsche koloniën trekken.
Koemiss, bedwelmende drank nit paardenmelk.
Koerier, renbode, staatsbode te paard.
Koers, loop, inz. geldsomloop; gangbaarheideener muntsoort ; loopende prys (bv. van wissels, geld enz.); loop, richting van een schip; (fig.) den k. kwijt zij.n, in zyne redeneering verward raken.
Koeterwaalsch, gebroken Neder- of Hoogduitsch.
Kohier, aanslagregister der belasting.
Kohinoor, berg des lichts (een eng. kroonjuweel).
Kolbak, z. Kalpak.
Koliek, Kolijk, darm- of buikkramp, buikpyn.
Kolóm, zuil, pilaar; kolommen van Hercules = Hercules-pilaren (z. aid.)
Kolonél, hoofdofficier, die een regiment onder zich heeft; (ook:) druklettersoort tusschen brevier en nonpareil.
koloniaal, de koloniën betreffend; koloniale waren, waren uit de koloniën, inz. uit Oost-Indië. (loniën.
Koloniaal, soldaat behoorende tot de troepen in de ko-
Kolónie, nederzetting, volkplanting, overzeesche bezitting.
Kolonisótie, aanlegging, vestiging eener kolonie; nederzetting in een ander oord.
koloniseeren, eene kolonie of volkplanting aanleggen.
Kolonist, planter, aanbouwer, burger eener kolonie.
Koloriet,kleurmenging, kleurschakeering, kleurenharmonie.
Kolorist, bekwaam kleurschakeerder, meester in \'t koloriet. (vaarte.
Kolós (lat. Colóssus), reuzenbeeld; reuzenzuil; reuzenge-
kolossaal, reusachtig, ontzettend groot.
Kombuis, scheepskeuken.
Komediant, tooneelspeler.
Komédie, blijspel; (ook wel voor:) schouwburg, tooneel.
Komeet, staartster.
komiek, kómisch, grappig, verlustigend, lachwekkend.
Komiek, tooneelspeler voor grappige rollen.
komisch, z. komiek.
Kommies, ondergeschikt ambtenaar by de belastingen, die tegen \'t smokkelen of het belasting-ontduiken moet waken (vgl. Commies).
Kommiesbrood, soldatenbrood.
Kompaan, verbastering van Compagnon (z. aid.)
Kompas—Kraton 287
Kompós, windroos, magneetkastje. (hoop, bende.
Komplót, samenspanning, verbintenis tot een slecht doel; kompiotteeren, samenrotten, een komplot maken, konterfeiten, afbeelden, uitschilderen.
Konterfeitsel, afbeeldsel, portret.
Konvooi, begeleiding, bedekking door gewapende macht. Konvooibriefje, geleibriefje, (Amsterdam.
Konvooiloopers, afgevers der uit- en invoerbiljetten te Koomenij, winkel, waar allerlei soort van waren in \'t
klein te bekomen zyn, kruidenierswinkeltje.
Koor, rondedans, reidans; veelstemmig, vol gezang; afgezonderde plaats in kerken voor de zangers.
Kopéke, Russische kopermunt, honderdste roebel = 2 cent. Kopij, handschrift waarnaar de zetter werkt (vgl. Copie). Kopijrecht, uitsluitend recht om een boekwerk of geschrift
in \'t licht te geven.
Koraal, zangwyze, naar welke de godsdienst-gezangen b\\j den openbaren eeredienst door de geheele gemeente of enkel door het koor gezongen worden, koorzang. Koralist, Korist, koorzanger; koorleerling.
Kóran, z. Alkoran.
Korbeel, uitstekende steen, waarop een balk rust.
Korist, z. Koralist.
Kornac, z. Cornac.
Kornét, vlaggejonker, vaandrig (by de ruiterjj); (ook:) neepjesmuts (kornetmuts); (ook :) kromme horen, kromme Kornettist, kornetblazer, kornetspeler. (fluit.
Kornis, kroonlyst, lijstwerk, Igstkrans. (terie.
Korporaal, rotaanvoerder van 10 k 15 man by de infan-Korsét, z. Corset.
Kortége = Courtage (z. aid.)
Kortegaard (verbastering van Corps de garde), wachthuis; stadsgevangenis, inz. te Amsterdam. (fregat. Korvét, landsoorlogsvaartuig, dat in rang volgt op een kóscher, kauscher, (volgens Joodsche godsdienstwetten :)
geoorloofd, rein, zuiver, bruikbaar, passend, geschikt. Kraal, dorp of gehucht der Hottentotten; open plaats
met staketsel afgezet.
Krambamboeli, met suiker gebrande rum of brandewijn. Kranjang, grof gevlochten mand, meestal uit bamboe ;
matwerk of gevlochten riet ter verzending van suiker. Kréton, paleis van den sultan of vorst (Ned. Indië).
288 Krediet—kwarteeren
Krediet, geloof, vertrouwen, aanzien, goede naam als stipt betaler; gegeven tyd van betaling.
Kredietbrief, brief van borgtocht, van aanbeveling.
krediteeren, op vertrouwen geven, borgen; (by kooplieden :) z. crediteeren.
krek, platte samentrekking van correct (z. aid.)
Kremetért, verbastering van Qremor tartari (z. aid.)
Krémlin, vesting; keizerlijk paleis te Moskou.
Kreosoot, z. Creosot.
Kreutzer, Duitsche munt, 60ste gl. (3 kreutzer = 5 et.)
Kris, getande, vaak vergiftigde dolk (in Indië).
Kristal, regelmatig gevormd en doorschijnend lichaam uit het mineraalryk. (ook critiek.
kritiek, hachelijk, bedenkelyk, zorgelyk, gevaarlgk; vgl.
Kroep, vliezige keel-, luchtpijpontsteking.
Kroniek, tydboek, tijdgeschiedenis, opsomming der voornaamste gebeurtenissen naar volgorde van tyd.
kubiek, kübisch, teerling- of dobbelsteenvormig; kubiek-el, eene maat, die eene el lang, hoog en breed is; kubiek-wortel, de derde-machtswortel uit een getal.
Kil bus, teerling.
Kühreihen, Kühreigen, volksgezang der Alpenherders (in het Fran ach Ranz des vaches).
Kultur—, z. Cultur—.
Kuramp;s, pantser, borstharnas.
Kurassier, geharnast of gepantserd ruiter.
Kurkuma, geelwortel, Indische saffraan.
Kurtax, de te betalen belasting of abonnementsgelden voor het verblijf in eene badplaats, het bezoeken der uitspanningen, der muziek enz.
Kurzaal, badzaal, vereenigingsplaats der badgasten.
Kuur, genezing, behandeling eener ziekte; (vandaar -.badkuur, b r o n k u u r, waterkuur, genezing door \'t gebruiken van baden, door het drinken van bronwater, door in- of uitwendig gebruik van koud water).
Kwaker, aanhanger der door George Fox gestichte chris-telyke secte, lid van het gezelschap der Vrien len.
Kwart, vierde gedeelte, vierde maat. (maanden.
Kwartaal, vierendeeljaars; ontvangst of uitgaaf van drie
kwarteeren, goud en zilver in de verhouding van 1 tot 3 samensmelten, om het dan te scheiden door de quart (z. Kwarteering).
Kwarteering—Laborare 289
Kwarteering (ook de kwart gelieeten), scheiding des gouds van het zilver door salpeterzuur (sterkwater), wanneer de verhouding der heide metalen als 1 tot 3 is.
Kwartier, vierde van een geheel; wapenveld; zool- of hielleder; tyd der wacht tot op de aflossing; stadswyk; grondgebied der stad; inlegering, herberging der soldaten, nachtverblijf, overnachting; sparing van het leven, genade, lijfsbehoud (bv. om kwartier bidden, om lijfsgenade smeeken).
Kwartiermeester, militair of burgerlijk inlegeraar ; (ook:) stuurmansmaat, opziener der scheepswachten.
Kwartijn, boekformaat, waarbij het vel 5 bladen of 8 blad-zjjden heeft; een in quarto (4o).
Kwartje, verkleinwoord van kwart (z. aid.); inz. Nederl. zilvermunt ter waarde van 4 gulden of 25 centen.
Kwarts, zuiver kiezel, gedegen oxyde van silicium, berg-of rotskristal. (Rusland.
Kwas, Kwass, gegiste drank voor den gemeenen man in
Kwassie, Kwassiehout, bitterhout, bitterwortel ofbitter-bast (van den kwassieboom in Suriname enz.)
Ky\'rie eléison. Heer, erbarm U (onzer), driemaal herhaalde aanroep van den priester onder de mis en als koorzang bg den aanvang der mis.
L.
L, als Komeinsch getal = 50. (haalde plaats.
I. a. = loco allegato of I. c. = loco citato, ter aange-
L. S. = lóco sigilli, in plaats van zegel; (ook;) lectóri salütem, den lezer zg heil!
L. st. \'= üvre sterling, pond sterling.
Lébdanum, z. Ladanum.
Labeur, zwaar werk; paarden van labeur, werkpaarden.
labiale letters, labiales, lipletters (b, p, m, f, v, w).
Lóbor improbus omnia vincit, onvermoeide arbeid komt alles te boven.
Laborént, arbeider, inz. scheikundige; bereider van art-seng waren en chemische producten.
Laborare est orare, werken is bidden.
ELFDE DRUK. lO
290 Laboratorium—Laitage
Laboratorium, chemische werkplaats; stookhuis, laboreeren, arbeiden; sukkelen; aan eene ziekte labo-
reeren, daarmede behept zijn, daaraan lyden.
laboriëus, arbeidzaam, bedryvig; moeilyk.
Labour, arbeid, werk; labourer, arbeider.
Labyrinth, doolhof; (lig.) verwarde, duistere zaak. Lac, meer.
Lace, kant, boordsel.
laceeren, snoeren, rggen.
lacereeren, verscheuren, openrijten.
Lacét, rjjgsnoer, rijgveter.
lache, traag, slap; laf.
lacheeren, los maken, vieren; (fig.) toegeven.
Lacheté, traagheid ; lafheid.
Lacis, het aderweefsel.
Lack of Lak, gefingeerde rekenmunt in O.-Indië = 100,000
ropyen of 120,000 jild.
lacónisch, kort en bondig, kernspreukig, pittig. Laconisme, zinrijke kortheid en bondigheid.
Ia critique est aisée et Tart est difficile, critiek is ge-
niakkelijk, maar de kunst is moeilyk.
Lacrimae Christi, Christus-tranen, fijne wyn, die aan den
voet van den Vesuvius wast.
Lactétie, voeding met melk; zooging.
Laciine, gaping, open vak; uitlating.
Lódanum, geneeskrachtige, welriekende gomhars.
Lédy, voorname Engelsche vrouw, dame laedeeren, beschadigen, benadeelen.
Laetére, naam van den 4deu Zondag in de vasten. Laetitia, vroolykheid; verlustiging.
Légo, meer, landzee.
Légthing, wetgevend lichaam der Noorweegsche rijksvergadering of storthing.
iagrimóso, weenend, schreiend, jammerend.
Lagunen, ondiepe strandmeren en moerassen, inz. langs
de Adriatische zee.
Laird, Schotsch edelman, landeigenaar.
Laisser-aller, natuurlyke ongedwongenheid van gedrag, van schryfwyze; zekere achteloosheid, die sommigen personen niet kwalijk staat. (laten, laisser faire, de dingen aan haar natuurlijken loopover-Laitage, melkspys; laiterie, melkhuis, melkwinkel.
Lak—Lapsus 291
Lak, z. Lack.
Lake, het meer; lake-school, (eig. de meerschool) eng.
natuurdichters van de sentimenteele school.
Lakéi, looper, lijfknecht, voetknecht.
lè lè, zoozoo, middelmatig; (ook :) traag.
Léma, Tibetaansch priester, opperpriester.
Lóma of Lléma, Peruaansch schaap.
Lamb, lam.
Lambrequins, lintenhos, helmversiering.
Lambris, Lambriseering, beschot als muurhekleeding, pa-
neehverk ; pleisterzoldering.
lamentébel, erharmelyk, beklagenswaard,
Lamentétie, weeklacht, klaaglied.
lamenteeren, weeklagen, jammeren, kermen,
lamentoso, klagend, in klaagtoon.
Lémpas, Oost-Indische of Chineesche zyden stof.
Lampét, kan of waterkruik, waschvat.
Lampión, lampje, illumineer-lampje of -glaasje.
lanceeren, werpen ; slingeren ; afschieten.
Lancét, laatvlijm, tweesnüdend wondheelersmesje. Lancier, z. Lansier.
Léndes, heigronden, heiden, steppen.
Landholder, grondbezitter; landtax, grondbelasting ; landlord, landheer, grondeigenaar; herbergier.
Langége, taal; spraak, wyze van spreken ; — des halles, vischwyventaal. (verlangen.
Langueur, matheid, ontspannenheid, kwgning; smachtend languissant, mat, kwynend, smachtend.
Lansier, speerruiter, lansdrager.
Lansquenét, zeker oud kansspel.
Lanturlü, zeker kaartspel, het lanterluien.
Laodicéër, lauw, onverschillig mensch.
Lapidair-schrift, in steen geschreven letters; I.-stijl, de styl der grafschriften, gedenkteekenen enz. (die kort en kernachtig moet zgn).
Lapidétie, steeniging.
lapideeren, steenigen.
Lépis infernélis, helsche steen.
Lappaliën, vodderijen, prullen, nesten.
Lapsus, val; fout; I. calami, schrijffout; I. linguae, spreekfout, het verspreken; I. memoriae, geheugenfout, misslag door vergeten.
292 Larboard—Latus
Larboard, bakboord, linkerzijde van \'t scbip.
Lard, spek. (ken.
lardeeren, bespekken, met spekreepjes opvullen of beste-
Léren, lares et penates, huiselijke beschermgoden.
larghetto, een tempo tusschen largo en lento.
largo, langzaam; — assai, — dl molto, zeer langzaam;
— ma non troppo, niet al te langzaam.
Lérifari, gewauwel, onbeduidende taal.
larmoyént, weenend en Jammerend, in tranen wegsmeltend. Lérve, het insect vóór zyne ontwikkeling, pop; (ook :)
masker, mom.
Larynx, het strottenhoofd.
Lascéren, Indische matrozen of kanonniers, in dienst van
de Eng. compagnie; soldaten des keizers van Ceylon, lasciate ogni speranza, laat alle hoop achter.
lascief, ontuchtig, hoogst wellustig, geil.
Lassitude, matheid, loomheid.
Lasso, werpstrik waarmede men wilde paarden vangt, latént, verborgen, heimelijk; (ook:) gebonden; latente warmte, warmte, die nog niet door verbranden vrg geworden, maar nog aan de stof gebonden is, gebonden warmte. (wanten,
lateraal, ter zijde, zijdelings; laterale verwanten, zyver-Lateraan, het paleis van den paus te Rome naast dcJo-hanniskerk, de zetel van de regeering der R. K. kerk. latereeren, bij rijen samentellen.
Laterna magica, tooverlantaren.
latet anguls in herba, er schuilt een adder onder\'t gras. Latijnzeil, driehoekig zeil, emmerzeil.
Latinisme, eigenaardige Latynsche uitdrukking.
Latinist, kenner der Latynsche taal.
Latiniteit, de Latynsche taal of taalkunde.
Latitude, geographische breedte.
Latitudinairen, zedenleeraars, die als \'t ware een ruim geweten hebben, en het alzoo met recht, zedelykheid en godsdienst zoo nauw niet nemen.
Latoen, geel koper, messing.
Latomie, steengroeve; vrijmetselarij.
Létomus, steenhouwer; vrijmetselaar.
Latrinen, sekreet, bestekamer.
Latro, straatroover; latrooinium, straatroof.
Létus, zyde, bladzijde, bladzijden-bedrag.
laudabel—Lazuur 293
laudóbel, lofFelyk, prijzenswaard.
Laudanum, slaapwekkend, pijnstillend middel; iemand I.
geven, hem bovenmate pryzen.
iaudari a viro laudato, geprezen worden door iemand
die zelf geprezen is.
Laudétor temporis acti, lofredenaar van den ouden tyd. laudeeren, pryzen, loven.
Laudes, lofzangen in de R. K. kerk. (belofte.
Laud urn, uitspraak van een scheidsrechter; (ook :) gelofte, Laureaat, gelauwerde, bekroond dichter.
Laus Déo, God lof; (ook:) schuldrekening, maanbrief, laute, heerlyk, prachtig.
Léva, stoffen, die in vurig vloeienden staat uit de vulkanen worden geworpen en by afkoeling tot steen verhar-Lavatórium, waschbekken. (den.
laveeren, wasschen (eene teekening); bij tegenwind zig-zagsgewyze opzeilen; (ook:) dralen, behoedzaam voortgaan; uitvluchten zoeken, geven en nemen, schipperen. Lavemént, darmbespuiting, klisteer.
Lavéndel, welriekend tuingewas, uit welks bloemen men lavendelwater, lavendelolie en lav en de 1-l\'avenir, de toekomst. (geest bereidt.
Lavine, Lawine, sneeuw-al.sneeuwstorting (van een berg). Lavis, gewasschen teekening.
Lavoir, waschbekken.
Lawine, z. Lavine.
Lawn, grasvlakte, perk; lawn-ténnis, zeker eng. balspel in de open lucht. (gebonden,
lax, wyd; los, slap; niet streng in de zedenleer; on-Laxéns, laxatief, buikzuiverend middel. (lasten,
laxeeren, afvoeren, de ontlasting bevorderen, afgaan, ont-Laxisme, de zucht om de minst gestrenge zedenleer toe te passen.
Laxist, voorstander van de minst gestrenge zedenleer. Laxiteit, slapheid, losheid, nalatigheid.
Lazaret, kranken- of ziekenhuis, pesthuis.
Lazaróni, straatgepeupel, bedelaars in Napels en op Sicilië, lézarus, melaatsch, besmet met lazary of lazarus-zeer;
arm als Lazarus, straatarm.
lazuur, hemelsblauw, hoogblauw.
Lazuur, Lazuursteen, blauwsteen, kopererts van een schoone, hoogblauwo kleur.
294 Lazzo—Legislator
Lazzo, pl. lazzi, vernuftige zet, gevat antwoord, kwinkslag. Leader, leider, hoofd; inz. van eene politieke party, léading article, vooropgaand, eerste of voornaamste artikel of opstel in een dagblad, hoofdartikel; leading articles, gangbare waren.
Leaf, blad; pl. leaves.
Leaseholders, pachters.
Lepon, les, oefeningsstuk.
Léctie, voorlezing; leeruur, leertaak.
Léctor, voorlezer ; bijleeraar op hoogescholen en gymna-siën; lector benévole, lectóri benévolo, welwillende lezer, aan den welwillenden lezer.
Lectoraat, post van lector.
Lectuur, het lezen; de belezenheid; geschrift, boek.
Léga. verbond, verbintenis,bv. lega pólska, Polenverbond. legaal, wettig, rechtmatig, overeenkomstig de bestaande wetten.
Legaat, titel der gevolmachtigden van de Roomsche curie; pauselijk gezant of boodschapper; bestuurder eener legatie; erfmaking, schenking bjj uitersten wil. legaliseeren, wettigen; gerechtelijk bekrachtigen, geldig
in rechten maken.
Legaliteit, wettigheid.
Legatéris, een bg testament begiftigde, bijerfgenaam. Legétie, pauselijk gezantschap; provincie vandenvoorm.
Kerkeljjken Staat, onder een legaat staande.
Legator, schenker by uitersten wil.
legeeren, aandeden in eene nalatenschap toewyzen, vermaken ; twee of meer metalen door smelting met elkander vermengen.
Legeering, metaalmenging, alliëersel, allooi.
Legénde, levensbeschryving van een heilige; wonderver-telsel, verdichting, sage; het omschrift eener munt of léger, légèrement, licht, vluchtig, lichtzinnig, (medaille Légèreté, lichtheid, vluchtigheid, lichtzinnigheid.
Léges, wetten (z. lex); bepaalde vergoeding of betaling
voor zekere werkzaamheden.
Légio, Legioen, groote schaar, onbepaalde menigte. Légion d\'honneur, legioen van eer (Fransche orde). Legislétie, wetgeving, wetgevende macht.
legislatief, wetgevend.
Legislator, wetgever.
Legislatuur—Lettre 295
Legislatuur, wetgevende macht, wetgevend lichaam.
Legist, wetkundige, inz. lecraar van \'t wereldlijke recht, legitiem, wettelijk, wettig; echt, in echt geboren; legitieme portie, wettelyk erfdeel.
Legitimétie, echtverklaring; volmachtserkenning. legitimeeren, wettigen, voor echt verklaren.
Legitimisten, aanhangers der grondstelling, dat de vorstelijke waardigheid, evenals de andere private rechten, een erfelijk recht is, onafhankelijk van den wil des volks; (in Frankrijk:) aanhangers van de Bourbons of van wijlen den graaf van Chambord (Hendrik V). Legitimiteit, wettigheid; eerlijke geboorte, (dewijk XIV. Ie grand monarque, Ie grand roi, de groote koning, Lo-Legua, Spaansche mijl.
Lémma, voorloopige stelling, leer- of hulpstelling.
lenitief, verzachtend.
lenticulair, lens- of linsvormig.
lento, langzaam; — di molto, zeer langzaam.
Léo, de Leeuw (sterrenbeeld des dierenricms).
Lepidopterologie, vlinderkunde.
Lép ra, melaatschheid, leproosdg.
leproos, melaatsch, ruidig.
Leprózenhuis, huis ter verzorging van melaatschen. leptographisch, fijn en klein geschreven.
les affaires font ies hommes, de zaken maken den man. lesbische liefde, onnatuurlijke ontucht der vrouwen onder elkander.
Leschis, lichtgewapende ruiters (bij de Turken), lèse-majesté, gekwetste majesteit.
lesto, hupsch, vroolgk.
letaal, doodelyk; letaliteit, doodelijkheid.
l\'Etat c\'est moi, de staat ben ik (gezegde van Lodew. XIV). Lethargie, slaapzucht; ongevoeligheid; zorgeloosheid, lethargisch, slaapzuchtig; zorgeloos; gevoelloos.
Léthe, (rivier der) vergetelheid.
Letten, hoofdstam der bevolking van Lijfland.
Lettre, eng. letter, brief; letter; — d\'avis, bericht- of adviesbrief; — d\'affaires, brief over zaken, koopmansbrief; — de change, wissel, wisselbrief; —s de cachet, de beruchte heimelijke bevelen tot inhechtenisneming, krachtens welke een ieder naar willekeur door de voormalige Bourbons van Frankryk ingekerkerd of
296 Leucopathie—liberaal
naar de een of andere plaats verbannen kon worden, Leucopathfe, bleekzucht. (Turkjje.
Levént, het Oosteu, Morgenland; Klein-Azië of Aziatisch Levantine, Oostersche effen zyden stof.
Levéntisch, Levéntsch, Oostersch; ievanische koffie,
Arabische koffie.
Levénts, Levénts, soldaten van de Turksche galeien. Levée, heffing; lichting; trek of slag in \'tkaartspel ; I.
en masse, volksopstand, algemeene oproeping te wapen, leveeren (een protest), over een wissel gerechtelyk een
protest laten opmaken.
Levér, morgenopwachting by grooten en vorsten. Leveróncie, levering, aflevering.
Leverancier, leveraar, inz. wie het hof, het leger enz.
van waren voorziet.
Leviéthun, monsterachtig waterdier.
Leviet, lid van den stam Levi; priester; priesterhelper;
iemand de levieten lezen, hem scherp doorhalen, léviter, licht, vluchtig.
Leviticus, 3de boek van Mozes (bevattende de voorschriften voor de levieten).
Levrier, hazewindhond.
Lex, wet; pl. leges, wetten, verordeningen.
lexicaal, op de wijze van een woordenboek.
Lexicograaf, woordenboekschrijver.
Léxlcon, woordenboek.
Lex non scripta, ongeschreven wet, gewoonterecht. Lex scripta, de geschreven wet.
Lex taliónis, de wet der wedervergelding.
L\'hombre, zeker fr. kaartspel, omber.
Li, Chineesche afstandsmaat; Chineesche kopermunt. Liaisón, verbintenis, inz. van minnenden.
Liénen, slingerplanten der keerkringslanden.
Liard, penning, oordje.
Liós, brievensnoer, bundel aaneengeregen papieren, liasseeren, papieren aan een snoer of veter rygen. Libatie, drank- of plengoffer der Ouden.
Libél, klaagschrift, smeekschrift; schotschrift, smaadschrift. _ schimpschrift. (maker
Libellist of Libélschrijver, schotschrijver, schimpschrift-liberaal, onbevooroordeeld, edel van denk en handelwijs; ingenomen met de volksvrijheid en een vrijen staatsvorm.
Liberaal—Lifeboat 297
Liberaal, vrijheidsvriend, voorstander der volksvrijheid. Liberalisme, vrijheidsmin, liefde voor vrije staatsvormen, voor onbevangen denkbeelden in wetenschap, godsdienst en staatkunde.
liberalistisch, minachtend gebruikt voor liberaal. Liberaliteit, onbevooroordeelde denk-en handelwijs ; mild-Liberétie, bevrijding, verlossing. (dadigheid.
libereeren, ontheffen, ontlasten, bevrijden.
Liberteit (fr. Liberté), vrijheid; liberté et égalité, vrijheid en gelijkheid.
Libertfn, lichtmis; wildzang; vrijgeest.
libertineeren, doordraaien, uitspatten, liederlijk leven, Ifberum arbitrium, fr. libre arbitre, de vrije wil. Libitum, (ad, naar) believen, welgevallen, goedvinden. Libra, de Weegschaal (sterrenbeeld des dierenriems). Libraire, boekverkooper.
Librairie, boekwinkel.
Librétie, de waggeling, de slingerende beweging der maan. libre, vrjj; I. arbitre, vrije wil.
Librétto, boekje, inz. operatekst.
Libry, boekverzameling, stadsboekerij.
Licéntia (z. Licentie); I. poëtica, 1. poëtérum, dichterlijke vrijheid.
Licentiaat, een toegelatene, bevoegde, iemand, die de bevoegdheid heeft verworven om doctor te worden en zijne wetenschap uit te oefenen en te onderwijzen. Licéntie, verlof, volmacht, vrijheid; bewijs van vergunning, patent; (ook :) ongebondenheid, onbeschaamdheid, uitspatting.
licentiëeren, de vergunning of bevoegdheid geven; ontslaan, afdanken, uit den dienst zenden.
Licitént, de meestbiedende.
Licitétie, opbod, verkoop aan den meestbiedende, liciteeren, veilen, bij opbod verkoopen of verhuren. Lfcitum, veroorloofde zaak.
Lictor, bijlbundeldrager (in \'t oude Rome).
liëeren, verbinden, vereenigen.
Lieu (Taisance, bestekamer.
Lieue, Fransche mijl, circa 4^ kilometer.
Lieutenant, luitenant, plaatsbekleeder, officier, die in rang
op den kapitein volgt.
Lifeboat, reddingboot.
298 Life-preserver—Lineamenten
Life-preserver, stok met looden knop.
Liga, z. Ligue.
Ligamént, band, verband, zwachtel, windsel; (bg lettergieter :) koppelletter (ff, li, fl, fli, fll).
Ligatuur, verbinding of rekking der noten van de eene maat in de andere; verband, laatverband; het verbinden of verbandleggen; onderbinding van eene ader ot\' een uitwas; de daartoe dienende draad; band van een boek; koppelletter (z. Ligament).
ligeeren, verbinden, vermengen, vereenigen.
Lig niet, bruinkool, aardharsig vergaan hout, naar steenkool gelijkende brandstof.
Ligorianen, Ligonsten (of Redemptoristen), eene naar die der Jezuïeten gelijkende orde, door Alfonso de Li-gorio in 1732 in Italië gesticht en in alle landen verspreid (uit Pruisen verdreven).
L(gue, verbond; eedgenootschap, samenspanning.
Ligmsten, Ligfsten, verbondenen, eedgenooten.
Liguster, een gewas, dat vaak tot heggen wordt gebruikt, mondhout, keelkruid.
Likeur, fijne brandewgn, gekruide brandewgn, gebrand water, geestrijke drank.
Klas, lila, lichtblauwe, roodachtige kleur.
Uliput, fabelachtig land, welks bewoners (de Liliputters) zoo groot als een vinger zgn.
Limatie, het vglen, de vgling.
Li matuur, vijlsel, vijlstof.
Limbus, zoom, strook; afgezonderde plaats bjj de hel voor ongedoopt gestorven kinderen naar de meening van enkele R. K. godgel.)
Limiet, grens, scheipaal; hoogste bod, waartoe men gemachtigd is; grens van krediet.
Limitótie, beperking, begrenzing.
limitatief, beperkend.
Limited, beperkt; gew. verk. voor limited liability, met beperkte verantwoordelykheid der aandeelhouders.
limiteeren, begrenzen, nauwkeurig bepalen, voorschrijven.
Limonamp;de, citroenwater met suiker; limonade ^ la glacé, ijs-limonade.
Linea, lyn; lineaal, werktuig om lijnen te trekken.
lineair, lijnvormig.
Lineaménten, gelaatstrekken, handlgiien.
Lingerie—Lithotritie 299
Lingerie, linnengoed; linnenhandel.
ünguales, tongletters.
Linguist, taalkenner, taalgeleerde.
Linie, streep, lyn; evennachtslijn; in slagorde staande
troepen; staand leger; geslachtreeks.
liniëeren, lynen trekken.
Linieschip, grootste soort van oorlogsschip.
Linietroepen, geregelde staande troepen.
Liniment, vloeibare zalf of smeermiddel.
Lión, leeuw, overdreven modeheertje, gemaakt toongever. Lionne, gevierde vrouw uit de groote wereld.
Liplappen, afstammelingen van Europeanen en inboorlingen op de eilanden Java en Sumatra.
Liquétie, vloeibaarmaking, smelting.
liquet, het hljjkt, het is duidelijk of klaar.
Liqueur, z. Likeur.
Liquidatie, vereffening, afrekening.
liquide, vloeibaar, helder; bewezen, uitgemaakt, liquideeren, klaar maken, bewjjzen; in orde brengen;
afbetalen, vereffenen.
Liquiditeit, vloeibaarheid; klaarheid.
Lira, lire, Italiaansche munt van 100centesimi = 1 franc. Lis, stryd, twist, proces; betwiste zaak.
lisereeren, met snoeren bezetten.
Lisière, lyst; zelfkant, leiband; zoom, rand.
Litanie, smeekgebed of -gezang in de R. K. kerk; (tig.)
langwylige klacht.
lite pendante, hangende het geschil.
Liter, kan of kop (10 maatjes).
Litera enz., z. Littera enz.
Lithochromie, z. Chromolithographie.
Lithoglief, gravure op steen; graveur op steen. Lithoglyphiek, kunst om op steen te graveeren. Lithograaf, steenschrijver, steenteekenaar; steendrukker. Lithographic, steenschrijfkunst, steenteekenkunst; steendrukkunst. (drukken, lithographeeren, op steen schrijven of teekenen; steen-lithogréphisch, de stecnschrijfkunst of desieendrukkunst
betreffend, door steendrukkunst voortgebracht. Lithotomie, de steensnyding, operatie van den steen. Lithotomist, steensnyder, steenoperateur.
Lithotritie, fijnwryven van den steen in de blaas.
litigieus—loco
titigiëus, betwistbaar, pleitziek. (gend is.
Litispendéntie, tijd, gedurende welken een proces han-Litoraal, Litorale, Littoraal, kustland, inz. het aan Oos-tenrgk beboorend kustland langs de Adriatiscbe zee, het gebied van Triëst.
litteraal, letterlijk.
litterair, letterkundig, wetenschappelijk.
Littera scripta manet, de geschreven letter blqft. Litterator (fr. Littérateur), letterkundige.
Litteratuur, gezamenlyke schriftelyke voortbrengselen van
den geest; letterkunde.
Litteromanie, overdreven sehryfzucht.
Liturg, kerkdienaar.
Liturgie, kerkgebruik, kerkenorde; kerkformulier, liturgisch, naar kerkgebruik, volgens het kerkvoorschrift. livide, loodkleurig, blauwachtig; wangunstig.
Livraisón, levering, aflevering.
Lfvre, als Fran ache rekenmunt = de franc; als Engel-
sche (livre sterling, L. st.) = 12 gl.
Livrei, dienstkleeding, kennelyke bediendendraebt.
Livrét, boekje, aanteekenboekje, zakboekje.
Lléma, z. Lama (2de art.)
Llanos, de ver uitgestrekte Zuid-Amerikaansche vlakten,
die meest zonder boomen en heuvelen zjjn.
Lloyd, Lloyd\'s, zeevaartmaatschappij; vergaderplaats van de scheeps- en assurantie-makelaars der Londensche beurs; koffiehuis van Lloyd; ook in Oostenrijk is zulk ■ eene instelling, en wel te Triëst; Lloyd\'s lijst, nieuwsblad voor handel en scheepvaart te Londen.
locaal, plaatselijk, tot eene plaats beboorend; locale kleur, eigenaardige en natuurlijke kleur van een voorwerp in eene schilderij.
Locaal, ruimte, begrensde ruimte, zaal, kamer, gebouw
plaatsgesteldheid.
Localisatie, plaatsaanwijzing; beperking. (beperken, localiseeren, plaatselijk maken, binnen bepaalde grenzen Localiteit, plaatsgesteldheid; plaatsruimte, plaats. Locataire, huurder, pachter.
Lock-out, werkstaking door de werkgevers, het gezamen-lijke staken van \'t werk in fabrieken enz. door de on dernemers.
loco allegato of 1. citéto, ter aangehaalde plaats.
3°°
locomobiel—Lord 301
locomobiel, plaatsveranderend, vrybeweegljjk; —, verplaatsbare, draagbare stoommachine.
Locomótie, plaatsverandering, voortbeweging.
Locomotief, stoomwagen, stoomtrekker.
lóco sigflla (L. S.), in plaats van zegel.
Lócus communis (pl. Loei communes), gemeenplaats,
dikwijls gebruikte uitdrukking, alledaagsch gezegde. Locütie, uitdrukking, spreekmanier.
Loderein, verbastering vau l\'eau de la reine (z. Eau). Loep, z. Loup.
Loeris, onnoozele, of wie zicb als zoodanig houdt, ploert. Logarlthmen, verhoudingsgetallen, kunstgetallen ter verkorting van de vermenigvuldigingen, deelingen, machtverheffingen en worteltrekkingen.
Loge, cel, kg k ver trekje, schouwburgcel; vergaderzaal der vrijmetselaars; (ook:) de gezamenlyke leden van zulk eene loge.
Logé, Logée, hij of zij, die ten huize van een ander als
gast verblijf houdt.
logeabel, bewoonbaar, wel ter bewoning ingericht, logeeren, huisvesten, wonen; als gast zijn verblijf houden ; herbergen.
Logement, woning; herberg, nachtverblijf voor reizigers. Loggia, overdekte gang rondom de bovenverdieping, galerij. Lógica, denkleer, denkkunst, redeneerkunst. (pen.
Logies, huizing, nachtverblijf, matrozenverblijf op sche-lógisch, redeneerkunstig, op redeneerkunde gegrond. Logogrief, woordraadsel, letterraadsel.
Lógos, woord, rede; overlevering; denkvermogen.
Loisir, vrye, ledige tjjd ; amp; loisir, op z\\jn gemak, zonder Lokét, afdeeling van een kastje, vakje, hokje. (haast. Lokétkas, kas met vakken.
Lómbard, Lómmerd, bank van leening, pandhuis, longaniem, lankmoedig.
Longanimiteit, lankmoedigheid.
Longboat, de groote scheepsboot.
Longe, leireep, lange Ign voor de paard end ressuur. Longitude, lengte, geographische lengte.
longitudinaal, de lengte betreffend; in de lengterichting. Loquaciteit, praatzucht, snapachtigheid.
Lord, titel des hoogen adels in Engeland, zitting- en stemhebbende in het Hoogerhuis.
302 Lord lieutenant—luguber
Lord lieutenant, titel des stadhouders of onderkonings
van Ierland.
Lord-mayor, eerste burgemeester van Londen.
Lordship, titel van een lord of hoog staatsbeambte, lorgneeren, begluren; door oogglazen bekgken.
Lorgnét, tuurglas, zakkijkertje, tooneelkyker.
Losange, ruit, scheefhoekig vierkant; en I., ruitvormig Lótto, Lottospel, nommer- of getallenlotery.
Louénge, lof, lofspraak, loftuiting.
Louis d\'or, Fransche goudmunt, de nieuwe = 9 gld. 62
et.; de dubbele (na 1786) == 23 gld. 80 et.
Loup, Loupe, handvergrootglas.
Louvre, bet oude koninklgk paleis te Parjja.
Love, liefde; lovelace, door zijn beminnelijkheid voor het
vrouwelijk geslacht zeer gevaarlyk man.
Lowland, laagland.
Loxodroom, l\\jn van den sehuinschen koers van een schip, loyaal, rechtmatig, echt, getrouw, rond en eerljjk. Loyaliteit, Loyauteit, getrouwheid, verknochtheid; reeht-scbapenheid; plichtmatigheid, gehoorzaamheid aan de wet. Lubriciteit, grove zinnelijkheid.
lubriek, geil, zeer wellustig, ontuchtig.
lucidus ordo, eene orde zoo klaar als de dag.
Lucifer, lichtaanbrenger, morgenster, vorst der duisternis ; (ook •) wrijfzwavelstokje, wrgfvuurhoutje.
lucratief, winstbelovend, winstaanbrengend.
Lucrum, winst; lucri causa, uit winstbejag.
Lüctor et emérgo. ik worstel en kom boven, ik ontworstel mg aan de baren (wapenomschrift op de vroegere Zeeuwsche duiten, op sommige, die nog als rariteit gezocht worden, uit schimp verandert in Luctor etemen-tor, ik worstel en bezwijk).
Lucubrétle, nachtwerk, nachtstudie. (ken.
lucubreeren, des nachts werken of studeeren, nachtbra-lucullisch, weelderig, overdadig (als Lucullus).
Luddieten, vernielers der machines (zoo geheeten naar
hun aanvoerder Ludd in Engeland).
Ludificétie, bespotting, fopperij.
ludificeeren, bespotten, beet hebben, foppen. Ludimaglster, schoolmeester.
Luggage, bagage.
luguber, treurig, somber, jammerlijk, naar.
Luitenant—Lyssa 303
Luitenant, /.. Lieutenant. (verstand.
Lümen mündi, liclit der wereld, wereldverlichter, groot Lumières, kennis, kundigheden.
lumineus, lichtend, helder, klaar, duidelijk.
Luna, de maan. Diana als godin der maan.
lunair, lunórisch, de maan betreffende.
Lunambulist, maanzieke, nachtwandelaar.
lunatiek, maanziek; eigenzinnig, grillig.
Lunch, Luncheon, tweede (warme) ontbyt tegen den middag, voormiddagmaal.
Lune de miel, wittebroodsweken.
Lunétte, oogglas, bril; ooglap der paarden; brilschans, lunifórm, halvemaanvormig.
TUnion fait la force, eendracht maakt macht.
Lupus in fébula, als men van den duivel spreekt, is hy niet ver meer af (ziet men zjjn staart, zjjne horens, rammelen zyne pooten).
Luster, z. Lustrum. (zige fraaie stof.
Lustre, glans, pracht; kroonkandelaar; (ook:) zekere glan-Lüstrum, tgdruimte van 5 jaren.
Lusus naturae, een speling der natuur.
luteeren, met kleefdeeg bestryken en luchtdicht maken. Lütum, kleefdeeg.
Luxétie, verrekking, verstuiking.
Luxe, weelde, overdaad, prachtliefde; overvloed, luxeeren, verrekken.
luxuriëus, weelderig, overvloedig; ontuchtig.
Lycéum, geleerde school, hooger gymnasium. Lycopódium, wolfsklauw (eene mossoort); semen lyco*
podii, poeder van wolfsklauw, heksenmeel.
Lympha, waterachtige stof in het bloed.
Lynch-law, Lynchwet, volkswraak zonder vorm van proces, eigenmachtig optreden van het volk in N. Amerika om zonder rechterlyk onderzoek of vonnis misdadigers te straffen. (scherpziende oogen Lynx, los (scherpziend verscheurend dier); lynx-oogen, lyrisch, tot de lier behoorende; lyrisch dichter, lierdichter, gevoeldichter; lyrische poëzie, dichtsoort, welke inhoud de gewaarwordingen en hartstochtelyke gemoedstoestanden des dichters uitdrukt (hymne, dithyrambe, ode, cantate enz.)
Lyssa, dolheid, hondsdolheid.
M—Maceratie
M.
M. als Romeinscli getal 1000.
M\' (voor Scliotsche namen) = mac, zoon van...
M. A. L. = Magister artium liberólium (z. aid.)
m. c. = mio cónto (z. aid.)
M. D. = Medicinae Doctor (z. aid.)
Mile = Mademoiselle, Mejuffrouw.
m. m. = mutótis mutóndis (z. aid.)
Mme = Madame, Mevrouw.
M. P. = member of parliament, lid van liet Eng. parlement.
Mr. = Monsieur, Master. Mijnheer; Meester; als academische graad, hv. Mr. in de rechten, rechtsgeleerde, advocaat.
Mrs. = Messieurs, Mgnheeren, Mjjne Heeren; (ook:) Mistress, Mevrouw.
MS. = manuscript; MSS. = manuscripten.
Maarschalk, eig. paardenknecht, stalknecht; oppertoeziener over den hof- en krijgsstaat; stafdrager, opziener hg openbare plechtigheden, inzonderheid een vorstelijke hofmeester; veldmaarschalk, opperveldheer.
Mac, zoon (vóór Schotsche namen), afgekort M\'.
macadamiseeren, (een weg) met klein gestooten granietkiezel of kalksteen bedekken (naar de handelwijze van den Amerikaan Mac Adam).
Macaróni (it. Maccheroni, pl.), meelreepen, deegdraden (geliefde volksspys in Italië).
macaronische verzen, koddige verssoort, waarhy men de woorden der eene taal naar de regels der andere (inz. de Latijnsche) verhuigt (bv. het bekende: non onines sunt kokki, lóngos qui dragere méssos, \'t zijn al geen koks, die lange messen dragen).
MacchiavelUsme, staatsleer van Macchiavel; sluwe, arglistige staatkunde.
Macedoine, uit velerlei groenten of vruchten samengestelde spys ; (fig.) letterkundig allerlei.
Macerétie, weeking, inb\\jting; (ook:) uitmergeling, afmatting, lichaamskwelling.
macereeren—Magie
macereeren, laten weeken; (ook:) afmatten, kwellen, mac hé, gekauwd, geweekt.
machinaal, werktuiglijk; onnadenkend, volgens sleur. Machinatie, kuiperij, weefsel van sluw berekende plannen. Machine, kunstwerktuig; (fig.) kunstgreep, list. machineeren, iets kwaads bedenken, sluwe plannen op
het getouw zetten, kuiperyen maken.
Machinerie, vervaardiging van machines; inrichting van machines, werking, ineenvalling barer deelen; (ook:) = machinatie. (chine.
Machinist, kunstwerktuigmaker; bestuurder van de ma-Macis, foelie, muskaatbloesem.
Mackariboe, de beste soort van kanaster. Mackintosh, waterdichte overjas of mantel.
Magón, metselaar; vrgmetselaar.
Magonnerfe, vrgmetselarg.
magonniek, de vrgmetselarg betreffend. (heidaleer.
Macrobiotiek, kunst om het leven te verlengen, gezond-Macroiogie, wgdloopig gesnap, woordenkraam.
macte animo! houd (goeden) moed!
Macuba, fijne soort van snuiftabak.
Maculatuur, misdruk.
Madame, Mevrouw. Mademoisélle, Mejuffrouw. Madónna, (eig, mgne vrouw) de heilige Maagd, Onze-
Lieve-Vrouw.
Madrés, stof uit zgde en katoen, doek van Madras. Madrigél, klein zinrgk lyrisch gedicht.
MaeAnder, kromming, bocht.
maeandrisch, kronkelend, slingerend (als de vermaarde
stroom Mseander).
Maecénas, vriend en beschermer van kunst en wetenschap. Maeónides, bgnaam. van Homerus (naar Maeonië, landschap in Lydië, dat men mede voor zyn vaderland houdt), maëstóso, plechtig verheven, met waardigheid.
Maéstro, meester, leermeester, muziekmeester.
ma foi! op mgne eer! waarachtig! voorwaar!
Magazijn, pakhuis, voorraadhuis; groote winkel; tgd-schrift voor een bepaald vak. (dige zondares.
Magdaléna, berouwhebbende lichtzinnige vrouw, boetvaar-Maggiordomo, opperhofmeester, hofmaarschalk.
maggiore, grooter, sterker.
Magie, tooverkunst, tooverg.
ELFDE DRUK. 20
3°5
3o6 Magiër—mainteneeren
Mégiër, Oostersch geleerde, inz. sterrenkundige.
magisch, tooverkraclïtig, betooverend.
Magister, meester, leermeester, inz. magister artium li-berélium \'M. A. L.)» meester der vryc kunsten.
Magister dixit, de meester heeft het gezegd.
magistraal, meesterlijk; hoofdzakelijk.
Magistraat, overheidsamht; stadsregeering.
Magistratuur, overheidsamht, waardigheid van regeerings-lid ; het openhaar gezag.
Magnaat, rpsgroote ; oud-adellpe in Hongarüe en Polen.
Magna charta, z. Charta magna.
magnaniem, grootmoedig, verheven.
Magnanimiteit, grootmoedigheid, zielsgrootheid.
Magneet, yzersteen, zeilsteen (die yzerhoudende lichamen aan-, tot zich trekt).
Magneetnaald, met den magneet hestreken naald, dievry draaiend, zich naar de noordpool richt.
Magnésia, bitteraarde.
magnétisch, aantrekkend, met magneetkracht begaafd.
Magnetiseur, hy, die door het (dierlyk) magnetisme genezing zoekt te bewerken.
Magnetisme, magnetische krachten de toepassing daarvan.
Magnificat, naam van Maria\'s lofzang in de R. K. Kerk.
Magnificéntie, pracht, heerlijkheid.
Magnifiek, prachtig, luisterrijk, kostbaar.
Magniloquéntie, grootspraak, hoogdravendheid.
Magyéren, oorspronkelyke naam der Hongaren.
Mahagónie- of Mahoniehout, fijn, bruinrood, zeer hard hout van den mahagonieboom op de quot;West-Tndische eilanden en in Zuid-Amerika.
Mahdi, de door de muzelmannen verwachte profeet.
Mahrétten, Indisch volk op het schiereiland aan deze zijde van den Ganges.
Maidan, renbaan, inz. die te Constantinopel. (lid.
Maidenspeech, eerste rede, debut, bv. van een parlements-
Mail, valies; rijdende post, brievenpost, inz. de post, die de brieven naar en uit Indië overvoert, de la n dma i 1 o v e r 1 a n d m a i 1.
Main, hand; main morte, eig. doode hand;onvervreemdbare grondeigendom.
mainteneeren, handhaven, in stand houden; kamcren. eene by zit houden; je maintiendrai, ik zal handhaven
Maire—malis
Maire, gemeentehoofd, burgemeester.
Maine, ambt, waardigheid van maire ; gemeentehuis. Maïs, Turksche tarwe, Turksch koren.
Maison, huis; — de campagne, buitenplaats, landhuis; — de commerce, handelshuis; — de plaisance, lusthof; — de santé, ziekenhuis, inz. krankzinnigengesticht; — de ville, stadhuis, raadhuis.
Maitre, meester, heer, gebieder; baas; maitre d\'armes,
schermmeester; — d\'hotel, hofmeester.
Maitrésse, meesteres, vrouw des huizes; matres, bijzit, maitriseeren, den meester spelen, beheerschen.
Maïzena, bereid lijn maïsmeel.
Majesteit, waardigheid, hoogheid, heerlijkheid, titel dei-
gekroonde hoofden en hunne gemalinnen.
majestueus, heerljjk, koninklyk, prachtig, verheven. Majoor, opperwachtmeester, bataljons-hoofd, officier in
rang tusschen kapitein en kolonel.
méjor, grootere; oudste van twee broeders (senior), majoraat, voorrecht des oudsten eener familie; (ook:)
bezitting die aan den oudste eener familie toekomt. Major domus, opperhofmeester, hofmaarschalk. Majorenniteit, meerderjarigheid, mondigheid.
Majoriteit, meerderheid (der stemmen).
Maléde, ziek; maladie, ziekte; — du pays, heimwee. Maladrésse, onhandigheid, lompheid.
mala fide, arglistig, te kwader trouw.
Malaise, ongemak, onbehaaglijke toestand.
maNcl-propós, ten ontijde, ongelegen.
Malaria, de door moeraslucht in Italië, vooral in Rome\'s
omstreken, verwekte koorts.
malaxeeren, week, lenig maken (bv. harde stoffen in olie). Malbroek, z. Marlborough.
malcontént, ontevreden : —en, misnoegden.
Maledictie, vloek, vcrwcnsching ; (ook -.) achterklap. Malentendü, misverstand, misvatting.
Malfapon, misstand, wat leelyk staat.
malgré, ongaarne, onvrywillig, ondanks, in weerwil van. Malheur, ongeluk, rampspoed.
malhonnét, onbeleefd, onbetamelgk; slecht.
Malice, boosheid, arglistigheid; schalke streek.
malicieus, boosaardig, verraderlik; moedwillig.
malis avibus, onder slechte voorteekenen.
307
3o8 Malle—Manducatie
Mólle, valies; post, brievenpost.
malleabel, hamerbaar, smeedbaar.
Mal\' occhio, de booze blik, de gewaande gave van sommige mensclien (jettatore) om door hun kwaad oog anderen ongeluk aan te brengen.
malprópre, onzindelijk, morsig. (ridder.
Maltéser, inwoner van liet eiland Malta; ook = Maltezer-Malthusianisme, de leer dat de aanwas der bevolking van
staatswege moet beperkt worden.
maitraiteeren, mishandelen.
malum malo proximum, een ongeluk komt zelden alleen. Malveillance, kwaadwilligheid, kwalijjkgezindheid. malveillant, kwalykgezind.
Malversatie, ontrouwe waarneming van een post. mal verseer en, zyn post niet eerlijk waarnemen, gelden
onderslaan of verdonkeremanen.
Malzextréct, moutextract, soort gezondheidsbicr.
Mamé, moeder; (iron) deftige lijvige vrouw.
Mamelük, Mammelük, een uit ehristen-ouders geboren, in den Mohammedaansehen godsdienst opgebrachte slaaf-en lijfwachter van den Egyptischen sultan; afvallige, geloofsverzaker, renegaat. (Mejuffrouw.
Mammezél of Mamzél, samentrekking van Mademoiselle, Mammon, geldgod, aardsche goederen en rijkdommen. Mammouth, ontzaglijk landdier uit de voorwereld. Mamzél, z. Mammezel.
Manager, bestuurder, inz. tooneelopziener, regisseur, mancando, allengs afnemende. [chester).
Manchéster, katoenfluweel (naar de Engelsehe stad Man-Manchesterschool of -partij, de vryhandelspartij. Manchétten, haudlubhen; manchetten-koorts, kruitkoorts,
soldateulafheid; manchetten hebben, bang zyn. Mancipatie, overgaaf eener zaak als eigendom.
Ménco, gebrek, tekort bij koopwaren.
Mandaat, bevel, last, volmacht, lastbrief.
Mandarijn, ieder staatsbeambte in China.
Mandator is, lasthebber, gevolmachtigde, zaakvoerder. Mandótor, Mandant, last-, volmachtgever.
Mandemént, meer vermanende dan gebiedende bepaling
of beschikking, herderlijke brief.
Mandoline, kleine luit met vier snaren.
Manducatie, het kauwen of eten.
Manege—Manuaal 309
Manége, ryschool, rykunst; listige handelwgze. (nen. Ménes, zielen der afgestorvenen, schimmen der overlede-Maneuvre, maneuvreeren, z. Manoeuvre, manoeuvreeren.
Mangaan, bruinsteen-metaal (zeer bros en moeilgk te smelten metaal).
maniébei, handelbaar, lenig; (fig.) gezeglyk.
Manichaeër, ketter in de eerste christenkerk; (ook wel
iron, voor:) een onstuimig maner.
Manie, zucht, overdreven neiging; verstaudsverbystering. Manier, handelwijs, levenswys; kunstgreep ; gemaaktheid. Manifést, openlyke bekendmaking, verklaring van een vorst of een staat over eene staatsaangelegenheid, een staatsschrijven; (ook :) verdedigingsgeschriften. Manifestétie, bekendmaking; opening of blootlegging van een voornemen, openbare vertooniug om opzien te baren, indruk te maken.
manifesteeren, openbaren, bekend maken, kond doen. Manilla, tabak van \'t Philippynsche eiland Manilla. Manille, tweede troef in het omberspel, quadrillespel en
soortgelijke kaartspelen.
Maniók, broodwortel, cassave.
Manipulatie, kunstmatige behandeling of aanwending der
noodige handgrepen; betasting.
manipuleeren, behandelen, betasten, bestryken. Mannequin, ledepop ; onzelfstandig mensch. Mannequinage, beeldhouwwerk aan gebouwen. Manoeuvre, handeling, handgreep ; kunstmatige besturing van een schip, van krygsvolk; krijgsoefening; slink-sche wegen, listen en lagen.
manoeuvreeren, oefeningen houden (by vloten, legers);
maatregelen nemen.
Man of war, krijgsman; oorlogsschip.
Manométer, manoscoop, werktuig om de dichtheid der
lucht te meten.
Manor, manoir, riddergoed, landgoed.
Manquemént, gebrek, nalatigheid, fout, verzien, manqueeren, feilen, te kort komen, in gebreke blyven,
nalaten; zyne betalingen staken, failliet zyn.
Mansórde, gebroken dak; dakkamertje. (te Londen.
Mansion-house, ambtelyke woning van den lord-mayor Mantille, vrouwenmanteltje.
Manuaal, handboek, dagboek; toetsenry.
3io manu armate—Marinade
manu armóta, gewapenderhand.
Manudüctie, handleiding, aanwyzing.
Manufacturen, hand-, kunstvoortbrengsels, inz. vanzgde, katoen, linnen, wol; manufacturier, wie zulke voorwerpen maakt, verkoopt.
Manufactuur, werkplaats, waar hand-of kunstvoortbrengselen in menigte vervaardigd worden.
Manumissie, vrijlating van een slaaf of Igfeigene.
ménu propria, met eigen hand (geschreven).
Manuscript (M. S.)» handschrift, geschreven hoek.
Mappe, omslag; teeken- of hrieventasch.
mappeeren, landkaarten teekenen. (horsten.
Mappemonde, wereldkaart; (iron.) groote, volle vrouwen-Maraboet, mohammedaansch vroom kluizenaar. Maraboe-vederen, schoone, donsachtige veeren tot sieraad
op dameshoeden.
Marasquin, Maraskino, fijne brandewijn, getrokken op
lijngestooten pitten van zure kersen.
Maraudeur, z. Marodeur.
marcando, marcéto, met nadruk.
Marchand, koopman; handelaar; — de modes, manu-facturier, modehandelaar; —tailleur, kleermaker die tevens stolfen verkoopt.
marchandeeren, handel dry ven ; dingen; ook dralen, marcheeren, te voet gaan, op soldatenwijs oprukken. Marche funèbre, doodenmarseh.
Marchése, in Italië markgraaf of = het Fransche Marquis. Mórcipein (gewoonlijk Marsepein), suikerbroodje ; gebak
uit amandelen en suiker.
Mardi gras, vastenavonddinsdag.
Marechél, maarschalk.
Marechaussé, veiligheidswacht te paard, rijdende veldwachter, politie-ruiter.
Marémmen, ongezonde en moerassige oorden in Italië. Marge, rand (van een boek, oorkonde enz.)
marginale aanmerkingen, randaanmerkingen, margineeren, met een witten rand voorzien, omranden .
op den rand aanteekencn.
Mariage, huwelgk; heer en vrouw (in \'t kaartspel); — de convenance, huwelijk uit berekening van voordeel. Marinéde, gekruide pekelsaus tot inmaking van spijzen; de daarin gelegde spgs zelve.
Marine—Marschroute 311
Marine, zeewezen; zeemacht.
marineeren, in marinade inleggen of inmaken.
Marinier, zeesoldaat.
Marionétten, draad- of ledepoppen; poppenspel.
maritaal, mannelyk, wat den man toekomt.
maritiem, tot de zee behoorende.
Mark, merkteeken; grens; gewichtseenheid voor goud, zilver en edelgesteenten; Duitsche rgksmunt = 60 ets. markeeren, z. marqueeren.
Market, markt.
Marketénter, Marketenster, zoetelaar, zoetelaarster (die aan de soldaten ververschingen verkoopt, veld-of leger-kraamster).
Markeur (Marqueur), teller hg \'tbiljart; oppasser. Markfes (Marquis), Markiezin (Marquise), in Frankrijk en Engeland de titel van den tweeden adellgken rang. Mérlborough, beroemd Pransch volkslied op den grooten Engelschen veldheer van dien naam; de inarsclnvys van dat lied (doorgaans samengetrokken tot M a 1-broek).
Mérli, licht gaasachtig weefsel, halfzijden stof.
Marmeléde, gesuikerd verdikt vruchtensap, ooftmoes. Maróde, plundering, strooppartij.
marodeeren, heimelijk plunderend rondzwerven. Marodeur, achterblgver, landlooper, plunderaar. Marokijn, gekleurd bokken- of geitenleder.
Marót, narrenkap; stokpaardje.
marquént, in \'toog vallend, uitstekend.
Mérque, merk, herinneringsteeken; speelmerk, marqueeren, merken, stempelen; op- of aanschreven. Marqueterie, ingelegd werk van gekleurd hout.
Marquis, z. Markies, Marquise, z. Markies; (ook-.) linnen zonnescherm; linnen overdekking eener officierstent ; dames-parasol, die naar welgevallen rechtop of schuins kan opgezet worden; soort van groote, smake-Marronen, groote, edele kastanjes. (lyke peer.
Marrons, groote, ronde haarkrullen als vrouwentooi. Mars, de krggsgod; eene der planeten; (fig.) de oorlog; marsch! voorwaarts! voort! weg! (het ijzer.
Marsch, krggs- of legeroptocht; dagreis te voet. Mérschland, laag gelegen moerassig en vet land. Mérschroute, reisweg, richting van den tocht.
3i2 Marseillaise—Match
Marsdlléise, Frnnsch patriotiscli krygslied van 1792.
Marsepein, z. Marcipein.
martiaal, krygshaftig, strijdbaar,
Maryland, bekende tabakssoort uit de gelijknamige landstreek der Vereenigde Staten.
Mascarón, groteske kop aan fonteinen, deuren enz.
masculinum, mannelyk; Masculinum, raannelgk geslacht der naamwoorden; masculini géneris, van het manne-Iqk geslacht.
Maskeréde, gemaskerd bal, mommendans.
Masker (fr. Masque), mom, momaangezicht; vermomd persoon; voorwendsel, uitvlucht.
maskeeren, bedekken, verbergen, het uitzicht benemen; (fig.) bewimpelen, bemantelen, verbloemen.
méskeren, eene masker voordoen, vermommen, verkleeden.
Mason, metselaar.
Méssa, hoop, menigte; stofklomp; het geheel, alles bijeengenomen; (ook:) gezamenlijke boedel van iemand, die failliet of bankroet is (Massa concurrens); (in de negertaal;) meester.
Massécre, gruwelmoord, nedersabeling, bloedbad.
massacreeren, nederhouwen, afmaken, een bloedbad aanrichten.
masseeren, het lichaam na het bad op Oostersche wjjze wrgven, drukken, kneden enz.; wie dit verricht heet Masseur.
Massief, (van gebouwen:) sterk, vast, uit muurwerk bestaande ; (van metalen ;) dicht, vol, niet hol; (van men-schen:) grof, ruw, onbehouwen, plomp.
Méster, heer, mynheer; meester, baas ; bestuurder, hoofd, opzichter; eigenaar, kapitein van een koopvaardijschip; leermeester, schoolmeester; (ook, als beleefdheidatitel 0 mynheer, (afgekort Mr.); jongeheer (z. Messieurs).
Masticdtie, het kauwen.
Mastik, zekere gom; stofverf; kleefdeeg.
Mastodon, ondergegane diersoort der voorwereld.
Mastuprétie, Masturbatie, zelfbevlekking.
Masürka, Poolsche nationale dans in 8 maat.
Matadór, doodslager, stierendooder in Spanje; uitsteke.id man, eerste baas ; een der hoogste troeven in \'t kaartspel.
Matamóre, pocher, snoever.
Match, weddenschap, wedren, wedloop, wedstrijd.
Matelote—Mavors 313
Matelote, matrozenkost; spys van tot ragout gekookte
visch met zout, peper, uieu, wyn enz.
Méter, moeder, moederkerk; (ook:) moerschroef; —dolorosa, de moeder der smarte (van den gekruisigde). Materialen, het materiaal, materiëel, de ruwe stof tot eenig werk, bouwstoffen ; bestanddeelen ; het materiëel, liet gesehut.
Materialisme, stelsel, dat alles als stoffelijk beschouwt en
een geestelijk bestaan ontkent.
Materialist, aanhanger van \'t materialisme, van de stelling: al wat bestaat is stof; (in Duitschland ook;) handelaar in kruideryen, specerijen.
Materialiteit, stoffelijkheid, eigenschap der stof.
Materia medica, geneesmiddelen.
Matérie, stof, grondstof; onderwerp; (ook :) etter, materiëel, lichamelijk, stoffelijk; wezenlijk, zakelgk (z.
ook onder Materialen).
Materniteit, moederschap.
Matérnum, moederlijk erfdeel.
Mathematicus, wiskunstenaar, meetkundige. Mathematiek, wiskunde, nauwkeurige wetenschappen, mathematisch, wiskunstig; overtuigend, uitgemaakt. Mathésis = Mathematiek.
Matières premières, grondstoffen.
Matinée, morgentijd, voormiddag, voormiddag-bijeenkomst;
m. musicale, muziekpartij in den voormiddag.
Matines, (by de R. K.) vroegmetten.
matineus, vroeg opstaand, gewoon aan vroeg-opstaan. Matrés, kleinkinderschoolhoudster; bijzit, liefje (maitresse). Matrijs, metaalmoeder, koperen vorm, door het inslaan
van den stempel ontstaan.
Matrimónium, echt, huwelijk: huwelijksleven.
Matróne, Rom. dame, deftige bedaagde vrouw.
matteeren, mat, dof maken, wit koken.
Maturiteit, rijpheid, volwassenheid.
Mausoléum, praalgraf, eeretombe.
mausséde, morsig, slordig; inz. knorrig, gemeljjk. mauvaise honte, valsche schaamte, overmatige bcschroomd-mauvais goüt, slechte smaak. (heid.
mauvais plaisant, flauwe of ongepaste grappenmaker, mauvais sujet, lichtmis, doorbrenger.
Mévors, de krygsgod Mars.
314 Maxime—medicineeren
Maxime, grondstelling, grondregel; leerspreuk; bepaalde meening.
Méximum, liet hoogste, grootste; de hoogste prgs. Mayonnaise, koud vleesch of visch met een soort eiersaus. Mayor, burgemeester (z. Lord-mayor).
Mazagran, kottie met selters- of suikerwater en wat likeur of cognac (in een glas voorgediend).
Mazétte, slecht paard, knol; slechte speler, kruk. méa culpa, myne schuld, door myn toedoen.
Meónder, meandrisch, z. Maeander, maeandrisch.
Meat, vleesch.
Mechanica, bewegingsleer; werktuigkunde.
Mechanicus, werktuigkundige; handwerksman. Mechaniek, inrichting, samenstelling der machines, mechanisch, werktuigkunstig; handwerkmatig; zonder
nadenken (bv. iets verrichten).
Mechanisme, inwendige samenstelling van een werktuig,
drjjfwerk; bewerktuiging.
mechént, boos, slecht.
Mecompte, misrekening, vergissing.
Medaille, gedenkpenning; eerepenning.
Medaillón, groote gedenkpenning; lijstje, ring om er schilderstukjes, portretten, naamcijfers enz. in te plaatsen, mediaan, middelgroot, middelmatig (inz. van papier). Mediaan, druklettersoort tusschen augustijn en dessen-diaan ; dubbele m., lettersoort tusschen dubbele augus-tgn en dubbele dessendiaan.
mediair, middelst, in \'tmidden zynde.
Mediair, bemiddeling, tusschenkomst.
Mediateur, middelpersoon, bemiddelaar, scheidsman. Mediatie, bemiddeling, tusschenkomst; voorspraak, mediatief, bemiddelend.
mediatiseeren, middelbaar maken, een vroeger onmiddel-baren souvereinen vorst in een middelbaren of afhan-kelyken veranderen.
mediatórisch, bemiddelend, door bemiddeling verzoenend. Medicamént, artsenij, geneesmiddel.
Medicijn, geneesmiddel; Medicijnen, artsenijkunde, geneeskunde. (n\'jen behoorende. medicinaal, geneeskundig; geneeskrachtig; tot de artse-Medicinae Doctor, z. Médicus.
medicineeren, artseny innemen.
Medicus—Melos 315
Médicus, Medicinae Doctor (M. DJ, geneesheer.
médio, in medio, in \'tmidden; m. Juni, in \'t midden van mediocre, middelmatig. (Juni, half Juni.
Mediocriteit, middelmatigheid, juiste midden, middelweg, medio tutissima ibis, de middelweg gaat het veiligst. Medisance, kwaadsprekendheid, achterklap.
médisch, tot de geneeskunde behoorend.
Meditétie, overpeinzing, bespiegeling.
mediteeren, bepeinzen, wikken en wegen; stille gebeden
of vrome bespiegelingen houden.
mediterraan, middellandsch.
Mehari, Afrikaansche snelloopende dromedaris.
Médium, middel; middelstof; hulpmiddel; persoon (gew. vrouwspersoon), die beweert (door somnambulisme) als bemiddelaarster op te treden tussehen haar medemen-schen en de geesten der afgestorvenen, om alzoo eene gedachtenwisseling te houden, z. Spiritist. Medusahoofd, hoofd van Medusa (eene der drie Gorgo-
nen z. aid.); (fig.) afgrysel^k, schrikbarend voorwerp. Meeting, vergadering, bijeenkomst; meeting-house, vergaderhuis, bedehuis van een godsdienstig genootschap. Megéra, naam van eene der 3 Furiën, helsche furie;
(fig.) boosaardig wijf.
me judice, naar mijne meening, mg dunkt.
Melancholie, zwaarmoedigheid, droefgeestigheid, melancholiek of melanchólisch, zwartgallig, zwaarmoedig. Melénge, mengsel; mengelwerk.
Melasse, suikersap, suikerstroop.
Mêlée, strijdgewoel, handgemeenschap; (ook :) heftige woor-denstryd. (iets bemoeien,
mêleeren, mengen, vermengen ; zich met iets m., zich met MeÜorétie, verbetering; melioreeren, verbeteren.
Mélis, suikerbrood; (melissuiker) halffljne broodsuiker
(minder dan raffinade).
Melisse, bgenkruid, honigbloem, citroenkruid.
Melodie, zangwijs, toonjang; welluidendheid, (zangerig, melodiëus, melodisch, welluidend, zoetklinkend, liefelyk Melodrama, tooneelspel, bg intervallen begeleid door muziek, en waarbg dan de woorden enkel gesproken, niet gezongen worden.
Melomanie, overdreven zucht voor de toonkunst.
Melos, gezaug, lied.
3i6 Melotypie—Mensa
Melotypie, notendruk door middel van letters.
Melpómene, de muze van liet treurspel.
Membranen, teedere huiden, vliezen.
Mémbrum honorarium, eerelid.
meménto! gedenk! —móri, gedenk te sterven; Memento, herinnering, gedachtenisteeken.
Mémoire, z. Memorie.
Mémoires, gedenkschriften.
memorabel, gedenkwaardig.
Memorabilia, gedenkwaardige zaken.
Memorandum, herinneringsboek, gedenkboek.
Memoriaal, herinneringsgeschrift; verzoekschrift, ingeleverd stuk; aanteeken- of herinneringsboek der kooplieden (waaruit de posten van \'t journaal worden opgemaakt).
Memórie (fr. mémoire), nadenken ; geheugen, herinneringsvermogen; herinnerings- of gedenkschrift; schriftelijke ontvouwing, openlegging.
memoriëeren, memoriseeren, van buiten leeren.
Menage, huishouding; spaarzaamheid, huishoudelykheid ; gemeenschap van disch en woning; (ook:) soldater-spys; menage-ketels, spijsketels der soldaten.
menageeren, ontzien, met verschooning behandelen ;huis-houdelyk met iets te werk gaan; zich m., zich matigen, zich in acht nemen. (behandeling.
Memagemént, verschooning, gematigdheid, voorzichtige
Menagerie, diergaarde; (ook-.) beestenspel.
menageus, huishoudelijk, spaarzaam ; met omzichtigheid.
Menéchmen, volmaakt op elkaar gelijkende tweelingbroeders, evenbeelden.
Menée, heimelijke list, sluwe kunstgreep, kwade praktijken.
Menestreel,dienaar en begeleider der vroegere troubadours.
Ménie, rood loodoxyde, als verfstof gebruikt, loodvermil-joen, loodcinnaber.
Meniscus, maanglas, maan (glas dat op de eene zijde bol en op de andere hol geslepen is).
Mennoniet, (pop.) Menist, doopsgezinde; menistenbrai-loft, (iron.) ruiming van eene sekreetput; menistenstreek, hjne, vrome list; menisten-waarheid, halve waarheid.
Mensa, tafel; — Domini, de tafel des Heereu.
Ménsa et tóro, van tafel en bed.
Mense—Merinos
Mense medio, in liet midden der maand.
Ménsis, maand; ejüsdem m., van dezelfde maand.
Mens sana in corpore sano, een gezonde ziel in een gezond licliaam.
Menstruatie, maandelgksehe zuivering der vrouwen,
maandstonden (menstrua, menses).
menstrueeren, de maandstonden krijgen of hebben. Mensurabiliteit, meetbaarheid.
Mensuur, maat; tijdmaat; de afgemeten afstand tusschen
de beide strydenden (by een tweegevecht).
mentaal, in den geest, in de gedachte, innerlyk.
mente captus, stompzinnig, krankzinnig.
Méntie, vermelding; gewag.
mentioneeren, vermelden, gedenken, aanvoeren.
Mention honorable, eervolle vermelding.
Méntor, leidsman en raadgever; bejaard en wys opvoeder van een jong mensch.
Menu, tafellyst, spy sly st, opgave van \'t geen er by een
maaltyd achtereenvolgens op den disch zal komen. Menuét, langzame, afgemeten, statige dans.
menus plaisirs, zakgeld.
meo periculo, op myn eigen gevaar.
Mephistópheles, de booze vyand, de duivel, satan. Mephitis, stiklucht, door koolzuur enz. verontreinigde lucht.
Mephitisch, stinkend, verstikkend, stiklucht bevattend. Mépris, verachting.
Meprise, misvatting, dwaling, misverstand, abuis.
mercantiel, mercantiëel, den handel betreffend.
mercenair, loon-, baatzuchtig, eigenbatig; veil.
Mercenair, huurling, loonbediende; daglooner.
Mercerie, kramery.
Merchant, koopman.
merci! dank! heb dank! dank je!
Mercuriéle, berisping, verwyt. (senyen met kwik.
Mercurióliën, mercuriale middelen, kwikmiddclen, art-
Mercürius, afgek. Mercuur, de koopgod, tevens god dei-
dieven en bode der goden ; zekere planeet; kwik. Meridiaan, middagcirkel; hoogste graad, top.
meridionaal, zuidelyk.
Mérinos, Spaansche schapen met zeer lijne wol; (ook : gekeperde stof van kamwol.
317
3i8 Merite—Metamorphose
Merite, verdienste; de merites eener zaak, het gewicht,
de waarde daarvan.
meriteeren,verdienen, waard zyn, zich verdienstelgk maken, merum jus, uitdrukkelijk recht; mero jure, naar zuiver Merveille, wonder, wonderwerk. (recht,
merveiiieus, wonderbaarlijk; on vergel gkelgk.
Mesalliance, ongclgk huwelijk, wanverbintenis. mesalliëeren (zich), een ongelyk huwelgk aangaan, beneden zyn stand trouwen.
Mesmerisme, dierlijk magnetisme.
Mesquinerie, vrekkigheid, bekrompenheid.
Mess, gemeenschappelgke tafel, inz. officierstafel.
messa (dl) voce, (fr. mise de voix), het langzaam aanzwellen of afnemen van een toon by het zingen. Messóge, boodschap; messager, bode, boodschapper. Messagerie, bgzondere inrichting tot vervoer van reizigers en goederen, inz. in Frankryk en België; bureau of kantoor van zoodanigen dienst.
Messalina, schaamtelooze, wulpsche vorstin of vrouw. Méssenger, bode.
Messicide, Klopstock\'s heldendicht op den Messias.
Messias, gezalfde, verwachte Verlosser.
Messidor, oogstmaand, de 10de Fr.-republikeinsche maand
(19 Juni—18 Juli).
Messieurs, (pl. van \'tfr. Monsieur, ook bg de Engelschen in gebruik en dan bg afkorting geschreven Messrs), Mgnheeren, Mijne Heeren.
Mestiezen, afstammelingen van Europeanen en Indianen
(Amerikanen), kleurlingen.
mesto, mestoso, treurig.
mesurébel, meetbaar.
Mesüre, maat; maatregel, voorzorg.
IVietachronisme = Anachronisme.
Metalliek, metaalachtig.
Metallieken, staatsschuldbrieven, die op metaal, op zilver
luiden, die in zilver en niet in papier aflosbaar zijn. Metallisatie, metaalvorming, het ontstaan der ertsen, metéllisch, metaal of erts bevattende.
Metalloïden, op metaal gelgkende lichamen.
Metallurgie, wetenschap der metaalsmei ter gen; scheikunst
der ertsen; (in \'talg.:) mijn- of bcrgwerkkunde. Metamorphose, gedaanteverwisseling.
metamorphoseeren—Metrum 319
metamorphoseeren, van gedaante veranderen,herscheppen.
Metaphoor, gelijkenis, beeld, figuurlyke uitdrukking.
metaphórisch, zinnebeeldig, overdrachtelyk, figuurlyk.
Metaphrése, verklarende overzetting, omschryving.
Metaphysiek, Metaphysica, bovennatuurkunde.
Metapolitiek, wetenschap der zuivere wysgeerige staatsleer.
Metastóse, verplaatsing eener ziektestof van het eene lichaamsdeel naar het andere.
Metempsychose, zielsverhuizing.
Meteoor, luchtverschynsel, luchtteeken.
Meteorologie, leer der luchtverschynselen, weerkunde.
Meteoroloog, weerbeschouwer, waarnemer of kenner der luchtverscliynselen.
Meteoroscoop, werktuig om de lengten en breedten van de plaatsen op aarde te bepalen; (ook :) weerwyzer.
Meter, z. Gazometer.
Méter (fr. Mètre), el, grondslag van \'t metrieke stelsel der maten en gewichten (= een tienmillioenste deel van \'t noordelyke meridiaan-quadrant des aardbals), de (nieuwe) el in Frankryk, België, Nederland, Saksen, Griekenland enz. (en thans in alle beschaafde landen).
Methóde, wyze of manier, handelwyze; leerwyze.
Methodiek, voordrachtsleer, ontwikkeling of voorstelling der leorwyze; (ook:) methodologie geheeten.
methodisch, planmatig, geregeld, ordelijk.
Methodisten, dwepende christen-secte in Engeland.
Methodologie, z. Methodiek.
meticuleus, vreesachtig, schroomvallig.
Metiér, handwerk, hanteering; vak; weefstoel, getouw.
Mètre, z. Meter.
Metriek, leer, kennis van den versbouw.
metriek, métrisch, wat tot den meter behoort; (ook;) in verzen, in gebonden styl.
Metronome, zangmaat-meter.
Metropóle, Metropolis, eig. moederstad; hoofdstad, zetel van een aartsbisschop; wereldstad, zeer groote stad, die als \'t ware eene wereld op zichzelve uitmaakt.
Metropolitaan, Metropoliet, aartsbisschop.
metropolitaansch, aartsbisschoppelijk.
Metroscoop, moederspiegel.
Metrotomie, keizersnede (onnatuurlyke verlossing).
Métrum, maat, versmaat.
32o Mettray—Milleporen
Mettray, landbouw- en strafkolonie voor verwaarloosde Meubelen, hnisraad; roerende have. (kuapen.
meub(i)leeren, met huisraad voorzien.
méum et tüum, het mijn en dijn; de eigenbaat.
Meute, koppel jachthonden.
mezza voce, met gedempte stem.
Mezzotinto, halve of lichte schaduwing.
Miasma, smetstof, in de lucht verspreide ziektestof. Micado, titel van den geestelijken keizer van Japan (onder wiens gezag ook de voormalige taikoen of wereldlijke keizer stond).
Microcósmos, de wereld in \'tklein; (fig.) de mensch. Micrometer, werktuig om kleine voorwerpen of al\'stan-Microscoop, vergrootglas. (den te nieten,
microscópisch, alleen door vergrootglazen zichtbaar. Midas, ryke domkop, dom beoordeelaar; midas-ocren,
lange ooren, ezelsooren.
Midshipman, kadet of jongste zeeofficier op de Engelsche
vloot (pi. Midshipmen).
Mignón, gunsteling, lieveling.
Mignónne, fr. drukletter van 7 punten.
Migraine, hoofdpijn, hoofdjicht. (king.
Migratie, verhuizing van volken, landverhuizing, uittrek-Mijter, (lat. mitra), bisschopsmuts; mijterstad, bisschopszetel, inz. Utrecht.
Mikmak, list, streek, kuiperij; 00k feil, gebrek.
Miles gloriósus, pocher, praalhans.
Milicien, soldaat der loting of lichting, militie-soldaat. Milieu, midden.
Militair, soldaat; krggsmansstand.
militair, wat tot het krijgswezen betrekking heeft; militaire académie, school voor de vorming van officieren. Militairement, op soldatenwijs; (fig.) stipt, ordelijk. Militie, krijgswezen; landmacht, inz. de manschapper der
jaar lij ksche lichtingen door \'tlot.
Milk, melk.
Mill, molen.
Mille, duizend.
Millefólium, duizendblad, achilleskruid (zeer heilzaam, in
\'t wild groeiend kruid).
Millénnium, duizend jaar; duizendjarig rijk.
Milleporen, puntkoralen (voortbrengsel der poliepen).
Milliade—Minimen 321
Milliade, eene reeks van 1000 jaar.
Milliard, duizend millioen.
Milliasse, duizend milliarden.
Milligram, duizendste van een wichtje.
Milliliter, duizendste van een liter.
Milliméter, streep, duizendste van een meter.
Milord, liever Mylord (z. aid.)
Milréis of mille reis, Portugeesche rekenmunt = 1000 reis of realen (z. Reaal) = 2 gl. 85 et.
Mimen, gebarenspelers; gebaren.
Mimicus, meester in \'tgebarenmaken.
Mimiek of mimische kunst, gebarenkunst, gebarenleer; gebarenspel.
mimisch, tot de gebarenkunst beboerende.
Mimoloog, navolger, nabootser, naaper, naprater.
Mimósa, zinkruid; kruidje-roer-my-niet.
Minarét, moskee-toren. (nieren.
Minauderie, gemaakte bebaagzucht, nufferjj; gemaakte ma-
Mine, gelaat, uitzicht; onderaardsche gang, mjjn, bergwerk; kruitmyn, springkuil; heiuielgke aanslag.
Mineraal, delfstof, bergstof, erts, levenloos (onbewerktuigd) natuurvoortbrengsel.
mineraal, ertshoudend; delfstoffelijk: minerale wateren, zulke wateren of bronnen, waarin*eene of andere delfstof is opgelost, gezondheidsbronnen,
Mineraiogfe, bergstofkunde, leer van de onbewerktuigde natuurlichamen.
Mineraloog, dclfstofkundige, erts- of steenkenner.
mineeren, ondermynen; kruitmynen aanleggen.
Minérva, godin der wysheid, ook des oorlogs (Pallas).
Minervél, leergeld, schoolgeld; inz. op de Latynsche scholen, honorarium. (trekken.
Mines maken, den schyn van iets aannemen; gezichten
Mineur, mijnwerker, bergwerker, ertsgraver.
Miniatuur, portret of schilderstuk in \'t klein; m.\'schilderkunst, klein- of fijn-schilderkunst met gomwater-verven.
Minié-buks, soort van buksen, die met geringe lading zeer ver dragen (naar den Franschen generaal Minié).
Minimen (lat. minimi), minste of geringste broeders, een zeer strenge monniken-orde, in de 15de eeuw door Fran-ciacus van Paula gesticht, daarom ook Pauliner of ELFDE DRUK. 21
Minimum—Mis
Paulaner monniken en (in Napels) P a o 1 o 11 i geheeten. (pi\'ijs-
Minimum, liet kleinste, minste, laagst bedrag, laagste Minister, dienaar; hoogste staatsambtenaar, hoofd van eene der afdeelingen of departementen van het staatsbestuur; m.-residént, gezant van minder rang, zaakgelastigde van een staat of vorst.
Ministérie, dienst; staatsbeheer ; bijzondere afdeeling of departement van bestuur onder een minister ; gezamen-Ijjke geestelijkheid; openbaar m. (0. M.)gt;openbare.aanklager of eischer b\\j eene rechtbank.
ministeriëel, ambtshalve; al wat van een minister of van het ministerie uitgaat; het ministerie of de ministers aanhangend.
ministreeren, den kerkdienst verrichten of helpen ve rrich-M^nor, jongere; minderterm eener sluitrede. (ten.
Minoraat, erfopvolgingsrecht der jongeren.
Minorenniteit, minderjarigheid, onmondigheid.
Minorieten, minderbroeders = Franciskanen (z. aid.) Minoriteit, minderheid; stemmenminderheid.
Minotaurus, fabelmonster, half mensch half stier. Minstreel, z. Menestreel.
minus, min; een minus, een tekort.
minuteeren, ontwerpen, ten papiere brengen, de minuut
eener acte opstellen.
minutiëus, kleingeestig, haarfijn, onbeduidend.
Minuut, fiOste deel van een uur, van een graad.
Minuut, Minüte, eerste schriftelijk opstel, klad; het origineel van eene openbare acte, van een contract enz. mfo cónto (m. C.), m\\jne rekening. (men.
Mirabéllen, kleine roodachtig bruine of geelroode prui-mirabile dictu, wonderlijk om te vertellen.
mirabile visu, een wonder om te zien.
miraculeus, wonderbaar, wonderdadig, verbazingwekkend. Miradsch, het hemelvaartfeest van Mohammed.
Mirékel, wonder, wonderwerk, iets wonderbaarlijks.
Mire, vizier (aan geweren); richtteeken (aan verrekijkers). Mirza, Tataarsche vorst, Perzische prins.
Mis, de U. K. Avondmaalsviering, de wijding der hostie; (ook:) dc jaarmarkt, inz. te Leipzig, te Frankfort a/M en te Brunswijk (vandaar M i s g o e d, M i s w a r e n, Miscatalogus enz.)
322
Misatithroop—Mixtuur 323
Misanthroop, menschenhater, ongezellig mensch.
Misanthropie, menscheTihaat, menschenschuwheid.
misanthropisch, menschenschuw, terugstootend.
Miscellanea, gemengde opstellen, mengelingen, allerlei.
Mise, inzet, inleg by spel, lotery enz.; — en pages, liet opmaken van drukwerk; — en scène, inrichting voor het tooneel, toehereidsels voor de opvoering; wyze van
miserébel, ellendig, armzalig, jammerlgk. (opvoering.
Misère, ellende, nood; het spel, waarbjj men opzettclgk niet een enkelen slag haalt.
Miserére, (d. i. erbarm u) Lat. aanhef van den Listen psalm als boetezang in de R. K. kerk; (ook :) darmjicht, darmkronkel, besloten koliek; het drekbraken.
Misericórde, goedertierenheid, ontferming, genade.
Miskrediet, kwade naam, gedaald vertrouwen.
Misogame, huweiykshater.
Misogynie, vrouwenhaat.
Miss, mejuffrouw.
Missaal, misboek; groote druklettersoort tusschen dubbele canon en groote canon of sabon.
Missa pro defunctis, zielmis.
Missie, zending, bekeeringsgenootschap ; last.
Missighit, inlandsche moskee op Sumatra.
Missionaris, zendeling, heidenbekeerder.
Missive, zendbrief, brief, boodschap.
Mistról, noordwestenwind in Z.-Frankryk.
Mistress (Mrs.)» mevrouw, meesteres, gebiedster.
Mitaines, wanten, handschoenen zonder vingers.
Mitigatie, verzachting, verlichting.
mitigeeren, verzachten, matigen, bevredigen.
Mitra, de bisschopsmuts of hoed; met de m. bekleeden, tot bisschop verheffen.
Mitraille, kleine ijzerwaren; gekapt ijzer of lood, schroot.
mitrailleeren, met schroot schieten; doodschieten.
Mitrailleuse, revolverkanon, bestaande uit achtkante buis met 25 loopen voor kartetskogels.
mitteeren, zenden, afzenden ; wegzenden, afscheid geven.
Mixpickles, met azijn, peper enz. ingemaakte groene vruchten en plantspijzon.
Mixtum compositum, mengsel, mengelmoes.
Mixtuur, mengsel, avtsenymengsel; (ook:) een orgelregister van veel kleine pijpen op éen clavis of toets.
324 Mnemoniek—Modus
Mnémoniek, Mnémotechniek, herinuerings- of geheugenkunst.
Mnemósyne, godin der herinnering, moeder der 9 muzen. Mob, het grauw, gemeen.
mobiel, beweeglyk; marseh- of tochtvaardig.
Mobilair, heweeglyke liave, gezamenlyk roerend goed, meubelen. (stellen,
mobiliseeren, mobiel maken, in marseh vaardigen staat Mobiliteit, beweeglijkheid, vluchtigheid, onbestendigheid. Mockturtlesoup, onechte schildpadsoep.
Móde, wijze, tijdsgebruik, veranderlijk gebruik, iat van
den smaak en de grilligheid afhangt.
Modél, voorbeeld, monster, voorschrift.
modelleeren. boetseeren, navormen, in \'t klein voorstellen ; een model maken.
moderaat, gematigd; billijk.
Moderados, gematigden, eene politieke party in Spanje. Moderamen, besturing, leiding; het bestuur. Moderantisme, matigingsstelsel, gematigd regeeringsstel-sel, grondstellingen en gezindheden van matiging en zachtzinnigheid in staatszaken.
Moderétie, gematigdheid, bezadigdheid.
Moderateur, Moderator, leider, bestuurder, matiger der
beweging (aan machines), z. ook Regulateur. ModerateuMamp, lamp, die zelve den aanvoer der olie
by de pit regelt.
moderéto, gematigd, matig.
modereeren, matigen, verzachten; beperken.
modérn, hedendaagsch, nieuwerwetsch.
moderniseeren, naar den nieuwen smaak of styl inrichten, modést, zedig, eerbaar, bescheiden.
Modestie, zedigheid, eerbaarheid, schaamte.
modiek, gering; (ook:) matig in prys, goedkoop. Modificatie, wijziging, verandering, beperking, modificeeren, vorm of gedaante geven; wyzigen, beperken, verzachten.
módisch, naar de mode, naar \'t gebruik van den cag. Modist, modemaker, modehandelaar; —e, modemaakster,
modehandelaarster, modekoopvrouw.
Módul, Módulus, maat, maatstaf; gietvorm ; mun ;maat. Modulatie, stembuiging, toonleiding.
Módus, wyze, manier; veranderlijke vorm van het werk
Mogol—Monarchie 325
woord; — acquiréndi, de wyze waarop men ietskrggt, verkrygingsmiddelen; — procedéndi, handelwijze; — vivéndi, Toorloopige schikking zonder verband voor liet vervolg, maar die het mogelyk maakt, dat heide partijen elkander verdragen,
Mógol of Mogul, titel der voormalige Mongoolsche he-
heerscher van Hindostan.
Mohammedaansche godsdienst, z. Islam.
Moiré, Moor, soort van gewaterde of gevlamde zydestof. moiré, gewaterd, met gevlamd voorkomen.
Moitié, helft; wederhelft, gade, echtgenoot; (ook;) tafelbuur; mededanser; dischgenoot; m. maken, winst en verlies met iemand deelen.
Moka, Mokha- of Mokka-koffie, Arabische koffie, moleculaire kracht, de aan moleculen eigen kracht om
elkaar aan te trekken en af te stooten.
Moleculen, zeer kleine deeltjes of bolletjes der stof (die men zich echter niet als ondeelbaar denkt, vgl. atomen); bloedbolletjes; (ook ;) zaadvochtdiertjes, bolletjes, kogeltjes.
molést, lastig; molestétie, overlast, ongelegenheid, molesteeren, bezwaren, overlast aandoen, kwellen.
Mólla, (in Turkjje:) de opperrechter van eene stad of
van een geheel district, wetverklaarder.
Mollüsken, weekdieren.
Molo, dam, havendam, hoofd.
Móloch, een afgod der Moabieten en Ammonieten, wien
zy menschen, inz. kinderen, offerden.
Mol, Mólton, zachte, dikke wollen stof.
molto, veel, sterk, zeer.
Momént, oogenblik, tydpunt; beweeggrond; hoofdomstandigheid, hoofdpunt.
momentaneel, oogenblikkelgk, ras voorbygaand.
Mómus, god der satire; spotter, hekelaar.
Monachisme, monnikendom, monnikery.
Mónachus, monnik.
Monéden, eenheden, ondeelbare stofbestanddeelen; (ook;)
puntdiortjes (infusiediertjes).
Monéndria, planten met éen meeldraad.
Monérch, alleenheerscher, zelfheerscher.
monarchaal, alleenheerschend; der monarchie toegedaan. Monarchie, alleenheerschappy, zulk een regeeringsvorm,.
326 Monasterium—Monotonie
waarbij de opperste macht in den staat aan een enkelen persoon is toevertrouwd. Zij is onbepaald, als de hoogste staatsmacht, namelyk de wetgevende, rechter-lyke en uitvoerende macht, in de handen van den monarch vereenigd is ; of bepaald (constitutioneel), als de monarch de oppermacht met de vertegenwoordigers van het volk deelt.
Monasterium, klooster, kloosterkerk.
mon bijou, myn juweel.
Mondaniteit, wereldschgezindheid, ydelheid.
Monde, wereld, menschen.
mon Dieu, myn God! goede hemel!
moneeren, herinneren, vermanen, waarschuwen.
Monetisatie, het inomloopbrengen (van papier) als geld.
Money, geld ; money-maker, geldmaker, liy die de kunst verstaat geld te verdienen.
Moniteur, herinneraar, vermaner; schoolhelper in Frankrijk en België; het officiëele dagblad in Frankry.v.
Monitie, herinnering, vermaning; wenk, waarschuwing.
Mónitor, herinneraar, vermaner; leerling, die met het onderricht van een zeker getal medescholieren belast is.
Monocraat, alleenheerscher.
Monocratfe. alleenheerschappij.
Monodrama = Melodrama (z. aid.)
Monogamie, enkelvoudige, niet herhaalde echt.
Monogrém, ineengevlochten aanvangletters van een naam; elke eenvoudige omtrek *by de Ouden.
Monographic, verhandeling over een enkel of byzonder voorwerp. (zulk eene zuil.
Monoliet, een kunstvoorwerp uit éen blok of steen, bv.
Monoloog, alleenspraak, zelfgesprek.
Monomaan, lyder aan een idéé fixe (z. aid.)
Monomanie, soort van waanzinnigheid, die zich slechts aan een enkel voorwerp houdt en daaruit voedsel put. vaststaand denkbeeld als zielsziekte.
Monopólie, alleenhandel, uitsluitend recht om eenbedryl of handel in den Staat alleen te dry ven.
monopoliseeren, tot den alleenhandel beperken; den alleenhandel of een monopolie drijven.
Monosyllabe, éénlettergrepig woord.
Monotheïsme, het geloof aan éen God.
Monotonie, eentonigheid, eenvormigheid.
monotoon—Mora 327
monotoon, eentonig, vervelend,
Monroe-leer, het stelsel dat geen Europeesche mogendheid vasten voet in Amerika mag krjjgen en dat elke Europeesche invloed geweerd moet worden.
Monseigneur, doorluchtige heer, hoogedele, titel van hooge geestelyken (vroeger ook van niet-regeerende vorsten) in Frankryk.
Monsieur, Mijnheer.
Mónster, z. Monstrum.
Monstréns, de prachtige zonvormige hostievaas of -kelk.
monstreus, z. monstrueus.
Monstrósiteit, monstruositeit, misvorming, wanstaltigheid, gedrochtelijkheid.
monstrueus, monstreus, gedrochtelijk, wanschapen.
Mónstrum, Mónster, gedrocht, wanschepsel, al het onna-tuurlijke en zeldzame in zyne soort.
Montagnérd, bergbewoner.
Monténen, bergbewoners, berglieden.
Montént, bedrag, beloop (bv. eener rekening).
Mont de piété, lombard, bank van leening.
monteeren, stygen ; opwekken, opwinden, bezielen ; klec-den (soldaten); bemannen (een schip); van een getuigd paard voorzien, goed bereden maken (een ruiter); de verschillende deelen van een voorwerp, inz. van eene machine vereenigen, ineenzetten; zetten, in eene kas vatten (edelgesteenten); byzetten (de verf knip).
Monteering, Montuur, militaire dienstkleeding.
Montgolfière, luchtballon met verwarmde lucht (naar de uitvinders de gebroeders Montgolfier).
monthly, maandelyks.
Montisten, renteniers, die hun geld alleen op onroerende goederen uitzetten.
Montuur, z. Monteering; ook het dier, dat men berijdt, rgdier; al wat tot invulling, opmaking, toerusting van een voorwerp dient.
Monument, gedenkteeken, gedenkzuil.
Moon, maan ; new —, nieuwe maan; full—, volle maan; half —, halve maan.
Moonlighter, bedrijver van agrarische misdaden (in Ierland).
moquant, bespottend, hoonend, schertsend.
Moquerie, spotternij.
Móra, zeker Italiaansch raadspel met de vingers.
328 Mora—Mortaliteit
Móra, yertoef, venvyl, vertraging; in — zijn, nalatig, in
gebreke, achterstallig zyn (z. ook Periculum).
Moraal, zeden-, plichten-, en deugdenleer.
Moraliteit, zedelgkheid, het zedelyk goede.
Moralist, zedenleeraar, schrgver over de zeden.
moréndo, vertragend, verwijlend.
morbeus, ziekelgk, door ziekte voortgebracht.
morbleu 1 verduiveld! drommels 1 morceleeren, verbrokkelen.
mordant, bgtend, scherp, schamper.
Mordant, een bijtmiddel.
móre consuéto of móre sólito, naar gewoonte, naar de
gebruikelyke wyze.
móre majórum, naar oud of voorvaderlijk gebruik, morituri te salutant, zy die gaan sterven, groeten u! Móres, zeden, gebruiken; iemand — leeren, hem te recht
zetten, tot zyn plicht brengen.
móre süo, op zyne eigen wijze.
morganatisch huwelijk,huwelijk met de linkerhand, waarby een vorstelijk of hoogadellyk persoon zich met iemand van lagere geboorte in den echt begeeft en aan deze eene zoogenaamde morganótica, morgengave, uitzet, terwyl de kinderen nit zulk een huwelyk alleen den naam en het vermogen der moeder erven.
Mórgue, (in Parys:) de plaats van tentoonstelling der drenkelingen; (ook :) hoogmoedig, verwaand gezicht, trot-sche ernst.
Morlaix, dicht, sterk huislinnen (van de stadMorlaix in N. Frankrijk). (Amerika.
Mormónen, door Joël Smith gestichte godsdienstsecte in Mórning, morgen, ochtend.
Morocómium, Morodómium, krankzinnigengesticht. Morositelt, gemelykheid, kwade luim.
Morpheus, god des slaaps, de slaap.
Morphine, Morphium, opiumzuur (sterk vergif). Morphographie, vormbcschryving, beschryving der na-
tuurlichamen volgens hunne gedaanten.
Mors, de dood; morsdood, ontwyfelbaar dood.
Mort, een doode; (in \'t omberspel:) de vierde, voor \'t
oogenblik stilzittende speler, de strooman.
Mortadéllen, kleine metworsten (deels varkens-, deels Mortaliteit, sterfelykheid; sterfte. [rundvleesch).
Mortier—Mufti 329
Mortier, groote vyzel; bommenwerper, bomketel. mortifiént, krenkend, beschamend, verneuerend. Mortificatie, dooding; tuchtiging; beschaming, mortificeeren, dooden; kastyden, het lichaam kwellen; krenken, leed doen (bv. door eene weigering, berisping, enz.); murw, malsch maken (het vleesch).
mórtuüs, dood. Mórtuüs, eene doode.
Moscovéde, ruwe, ongeraffineerde suiker.
Moskee, Mohammedaansche tempel, bedehuis.
Moskieten, bytvliegcn, steekmuggen in Indië enz. Moskoviet, inwoner van Moskou, llus.
Móslem (pl. Moslemin), aanhanger van Mohammed, recht-
geloovige. Mohammedaan.
Mótor, de beweger; inz. de beweegkracht eener machine. Motétte, veelstemmig kerkgezang.
Mótie, beweging; voordracht, voorslag, inz. in de kamers
der volksvertegenwoordigers.
Motief, beweeggrond, prikkel, spoorslag.
motiveeren, met redenen omkleeden, staven.
Mótto, zinspreuk, kernspreuk als opschrift.
mótu próprio, uit eigen beweging of aandrift.
Mouchérd, kondschapper, verklikker, politie-spion. Mouches, vliegen; schoonheidspleistertjes.
moucheteeren, met zwarte vlekken besprenkelen, spikkelen. Mount, berg.
Moussé, schuimende wyn.
Mousse, scheepsjongen, kajuitwachter.
mousseeren, schuimen, opbruisen.
Mousseiien, neteldoek.
mousseux, schuimend (bv. als champagne-wgn).
Mousson = Passaatwind (z. aid.)
Moustéche, knevel, snorrebaard.
Moutérde, mosterd.
Mouvemént, beweging, opstand.
moveeren, bewegen, in beweging zetten.
Moyens, middelen, vermogen. (schilderwerk.
Mozaïek, Muzief-werk, ingelegd werk, steen- of glas-
Mozaïsme, de mozaïsche of joodsche godsdienst.
Mozaïst, maker van mozaïek of ingelegd werk.
much ado about nothing, veel drukte o n niets.
Muézzin, uitroeper der biduren van de minarets.
Müfti, rechtspreker; Turksch opperpriester en rechter.
33° Mulat—Muzelman
Mulét, menscliensoort uit zwarten (negers) en blanken. Mule-jenny, nmildier-jenny (z. Jenny), zoo geheeten, omdat ze uit de verbinding van twee andere machines (de Jenny- en de water machine) bestaat en dus als \'t ware een basterd, gelyk het muildier is.
multa, velerlei; multum, veel.
multa paucis, veel in weinig (woorden).
Multipiicatie, vermenigvuldiging; vermeerdering, multipliceeren, vermenigvuldigen.
Multipliciteit, menigvuldigheid, veelvuldigheid, menigte, multum in parvo, veel in \'tkleine.
Mümie, Mummie, gebalsemd en gedroogd lyk.
Mündus vultdécipi, de wereld wil bedrogen worden, municipaal, de gemeente- of de stadsregecring betrslFend. Municipaliteit, gemeenteraad, gemeentebestuur; raadhuis;
grondgebied onder \'t gezag van een gemeenteraad. Municipium, Romeinsche vrystad.
Munificéntie, milddadigheid, mildheid.
Munitie, krggsvoorraad, schietbehoefte.
Munster, stichtkerk, domkerk.
murmureeren, morren, ontevreden zyn en klagen. Muscadin, saletjonker, modegek, fat. (eigen,
musculair, de spieren (mus kelen) betreffend, daaraan musculeus, gespierd, sterk van spieren, vleezig.
Muséum, muzentempel, kunstkabinet.
musiceeren, kunsttonen voortbrengen, spelen.
Musicus, toonkunstenaar.
Muskét, vuurroer (voormalig soldatengeweer).
Musketier, geweerdrager, voetsoldaat.
Mustle, dochter van een blanke bjj eene mulattin, mutabel, veranderlijk, onbestendig.
Mutabiliteit, veranderlijkheid, onbestendigheid.
Mutétie, verandering.
mutétis mutandis (m. m.)gt; met de noodige veranderingen, mutéto nómine, met veranderden naam.
Mutilatie, verminking; mutileeren, verminken, mutineeren, aan \'t muiten slaan, oproerig worden. Mutisme, stomheid, stilzwegen.
Müttonchops, gerooste lamsribbetjes.
mütua confidéntia, wederzgdsch vertrouwen.
mutueel, wederzgdsch, over en weer.
Muzelman, rechtgeloovige, volgeling van Mohammed.
Muzen—N. N. 331
Muzen, zanggodinnen; sclioone kunsten en wetenschappen. Muzenzoon, student, academie-burger.
muzief goud, schildersgoud, valsch schelpgoud. Muzief-werk, z. Mozaïek.
muzief zilver, valsch zilver, wit tin met bismuth en kwik. Muziek, toonkunst; het op tonen gezette stuk.
muzikaal, toonkunstig; welklinkend. (ziekcorps.
Muzikant, speelman; lid van een militaire kapel of mu-Myiady, titel der vrouwen van lords en baronets, Mevrouw. Mylord, eeretitel van den hoogen adel in Engeland. Myographie, spierbescbryving.
Myopie, kortzichtigheid, bijziendheid.
Myriade, tienduizendtal; ontelbare menigte.
Myriagrém, 10,000 grammes of 10 ponden.
Myrialiter, 10,000 liters of 100 vaten of mudden. Myriaméter, 10,000 meters of 10 Ned. mylen.
Myriastère, 10,000 kubieke ellen of meters.
Mystérie, geheimenis, verborgenheid; geheimleer, mysteriëus, geheimzinnig, raadselachtig.
Mysticisme, geloof in eene verborgen gemeenschap tus-schen God en den mensch; stelsel van geheimzinnige schriftuurverklaring; neiging tot het wondergeloof of de geheime wetenschap.
mystiek, geheimzinnig, verborgen, duister.
Mystificétie, misleiding der lichtgeloovigeu, fopperij, mystificeeren, op fijn verzonnen wys beet nemen.
Mythe, volksoverlevering, sage, verdichting.
mythisch, verdicht, fabelachtig.
Mythologie, godenleer, fabelleer.
mythológisch, de godenleer betreffende, fabelgeschiedenis. My\'thos of My\'thus, hetzelfde als Mythe.
N.
N. = Noord.
No. = Numero, nommer.
N. B. = nóta béne, let wel; (ook:) noorderbreedte. N. N. = nómen néscio, ik weet den naam niet; (ook:) notétur nomen, men lette op den naam.
N. S.—Natives
N. S. = naschrift; (of wel:) nieuwe stijl; (in \'tFransch
ook:) Notre Seigneur, onze Heer (Jezus). N. T. = nóvum testaméntum, nieuw testament. Nto, = netto, zuiver.
Nabob, (weleer:) stadhouder, hevelvoerder in O.-Tndië;
(ook:) een in Indië ryk geworden en prachtig levend nacaraat, helderrood, in \'t oranjegeel vallende. (man, Nacre, paarlemoer; nacré, paarlemoerachtig.
Nédir, voetpunt, laagste punt aan den hemel (tegenover
het zenith z. aid.)
naïef, natuurlek, ongekunsteld, trouwhartig, ongedwongen, argeloos, onschuldig.
Naissénce, geboorte, afkomst.
Naïveteit, natuurlijke openhartigheid, beminnelijke eenvoudigheid en onschuld, ongedwongen aardigheid Najéde, water- of riviernimf. (ten verrichten.
Ntimaz, het gebed der Turken, dat zij Smaal daags moe-Nankinét, eene naar nanking gelykende, maar fijnere stof. Nanking, Chineesche geelachtige katoenen stof.
Néphtha, bergbalsem, vloeibare witte, brandbare en sterk
riekende aardolie.
Napóleon of Napóleon d\'or, Fransche goudmunt = 20 francs. (poleon.
Napoleonfden, nakomelingen of ook zijverwanten vaa Na-Napoleon ist, aanhanger van Napoleon. (jongeling.
Narcissus, een beeldschoon, met zich zeiven ingenomen narcotisch middel, slaapwekkend, bedwelmend middel. Narrétie, vertelling, verhaal.
nasaal, den neus betreffend; — geluid, neusgeluid; nasale letter, neusletter.
Nascitürus, het kind in den moederschoot, het nog ongeboren kind.
nataal, de geboorte betreffend of daartoe behoorend. Natie, volk, de landsinboorlingen, in zooverre zij oorsprong en taal gemeen hebben.
natief, aangeboren; geboortig, afkomstig.
nationaal, wat eener natie eigen is, volksmatig; nationale industrie, volkskunstvlyt, volksfabriekwezen, nationaliseeren, in eene natie als lid opnemen ; tot een
voorwerp der gansche natie of nationaal maker.. Nationaliteit, volkseigenaardigheid, -karakter.
Nétives, inboorlingen; (in Noord-Amerika :) eene politieke
332
Nativiteit—Necessiteit 333
partjj, die voorrechten boven de genaturaliseerde burgers verlangt.
Nativiteit, het geboorte-uur; het lot, dat, naar het aloude bijgeloof, den mensch volgens den stand der sterren by zyne geboorte reeds te wachten staat en hem voorspeld wordt (z. Horoskoop).
Natólië, Klein-Aziè.
Natron, Natrum, vuurbestendig mineraal loogzout. Natüra, natuur.
Natura expellas furca, tarnen usque recurret, de natuur gaat boven de leer. (natuur.
Naturéliën, natuurvoortbrengselen, zeldzaamheden der naturaliseeren, zooveel als nationaliseeren ; ook aan eene vreemde luchtstreek gewennen (planten); in eene taal opnemen (vreemde woorden).
Naturalisme, natuurgeloof, natuurlyke godsdienst, die alles toeschrijft aan de natuur als eerste beginsel, in tegenstelling met een geopenbaarden godsdienst. Naturalist, natuurbelgder, verwerper der openbaring; na-
tuurmensch, niet kunstmatig gevormd mensch. Naumachie, scheepsstrijd, zeeslag, inz. spiegelgevecht te Nauscoop, scheepsverrekgker. (water,
nauseëus, walglyk.
Nautiek, scheepswezen ; scheepvaartkunst.
nautisch, tot het scheepswezen behoorend, dat betreffend, navaal, wat tot het scheepswezen, de scheepvaart behoort, navigébel, bevaarbaar, zeilbaar.
Navigatie, scheepvaart; (ook :) stuurmanskunst. Navigétie-acte, de scheepvaartwet, die in Engeland in 1650 onder Cromwell uitgevaardigd en in 1850 opge-Navigatie-school, zeevaartschool. (geheven is.
Navigator, zeeman, schipper, varensgezel Navy, vloot, zeewezen, zeemacht.
né, née, geboren.
nebuleus, nevelig, mistig; (fig.) verward; gemelijk, ne cedas malis, wgk niet voor het ongeluk.
necessaire, noodig, noodzakelijk.
Necessaire, reiskistje, reistasch.
Necéssitas non habet légem, nood breekt wet. necessiteeren, noodzaken, in de noodzakelijkheid brengen, noodzakelyk maken.
Necessiteit, noodzakelükheid.
334 nee plus ultra—Neptunisten
nee plus ultra, z. non plus ultra.
Neerologie, cloodenbeschrjjving, doodenhericht, levensgeschiedenis van een overledene Neeroloog, doodenheschvy ver; levensbeschrijving eens pas
gestorvenen; doodenlyst.
Necromantie, geestenbezwering, geestenbanning.
Néetar, godendrank; uitstekend lekkere drank.
ne fronti crede, verlaat n niet op den schgn.
Negatie, ontkenning, loochening. (triniteit,
negatief, ontkennend; negatieve electriciteit, z. Elec-negeeren, ontkennen, loochenen ; afslaan.
Negléctie, verwaarloozing, verzuim.
Negligé, huiskleedg, ochtendkleed.
negligeeren, veronachtzamen, niet achten. (digheid. Negllgéntie, nalatigheid, onachtzaamheid, verzuim, slor-negotiébel, verhandelbaar, omzetbaar.
Negotiant, groothandelaar.
Negotiétie, handelsbedryf; verhandeling van een nog niet vervallen wissel; (in staatszaken:) onderhandeling, be-middelaarswerk; het sluiten eener leening.
Negótie, handel, koopmanschap, handelsverkeer, negotiëeren, onderhandelen; handel drgven; tot stand
brengen, bewerken.
Negrophaag, voorstander van den neger-slavenhandel. Negrophllus, negervriend, hy, die de vryheid der negerslaven wenscht.
ne Jupiter quidem ómnibus placet, zelfs Jupiter maakt
het niet allen naar den zin.
Némesis, godin der wrekende gerechtigheid; verdelging, némine contradicénte, met algemeene toestemming.
nemo mortalium omnibus horis sapit, niemand is ten
allen tyde wys.
Neologisme, zucht tot nieuwe woordvorming in de taal;
nieuw woord of in nieuwen zin gebezigd woord. Neoloog, invoerder, voorstander van nieuwigheden in de
taal of hare beteekenis.
Neophiet, nieuweling, nieuwbekeerde.
Nephralgie, nier- of lendenpyn.
Nepotisme, neefschap, bloedverwantschap; begunstiging en verryking van bloedverwanten door hooggeplaatste personen, met achterstelling van derden.
Neptunisten, aanhangers van het Neptunisme, d. i. de
Neptunus—Nihilisme 335
meening, dat de aarde hare tegenwoordige gedaante door de werking van het water heeft verkregen (vgl. Vulkanisten).
Neptunus, de god der zee; (ook:) eene planeet, de verst van de zon verwyderde onder de thans bekende plane-ne quid nimis, niets te veel. (ten.
Néro, dwingeland, wreedaard; tiran (naar den Romein-
schen keizer Nero).
nerveus, zenuwachtig; gespierd; de zenmvenhetrcffende. Nérvus probóndi, bewijsgrond, hoofdbewysgrond.
Nervus rérum, de ziel van alle zaken, het gold.
Néstor, schrander, eerwaardig grysaard; oudste en meest
ervarene onder zyns gelyken.
ne sütor süpra (of ultra) crépidam, schoenmaker, houd u by uwe leest. (afgetrokkene.
nétto, zuiver, zonder verderen aftrek, na aftrek van al het Neuróse, zenuwziekte.
neuter, onzydig; neutrum, onzijdig geslacht (der naamwoorden); neutnus géneris, van \'t onzydig geslacht, neutraal, onzydig, partyloos.
Neutralisétie, onzydigmaking, veronzijdiging. neutraliseeren, onzydig maken; de verbinding van het
eene voorwerp met het andere verhinderen. Neutraliteit, onzydigheid, onpartydigheid.
ne varietur, opdat niets veranderd worde.
Neveu, neef, broeders of zusters zoon.
Néwgate, de groote crimineele gevangenis te Londen. Nexus, samenhang, verband.
niabel, ontkenbaar, loochenbaar.
Niaiserie, onnoozelheid, domme streek.
Nicotiana, tabak; de tabaksplant.
Nicotine, uit tabak getrokken eigenaardige vergiftige stof. Nièce, nicht, broeders of zusters dochter.
niëlleeren, in metaal graveeren en de groeven met zwartsel vullen.
Night, nacht, avond.
Nigroméntie. zwarte kunst, toovery; schatgravery.
nihil, nil, niets; nihil (fit) sine causa, niets geschiedt
zonder oorzaak.
Nihilisme, socialistische beweging in Rusland, die al het bestaande wil vernietigen om eene nieuwe maatschappy te stichten.
336 Nihilist—Noli me tangere
Nihilist, een nietsgeloovende; nieteling, onbruikbaar lid
der maatschappij, Ilussiscli socialist.
Nikkol, grauwachtig zilverwit, sterk blinkend metaal. Nikker, de duivel; in N.-Duitscbland ook de beul.
nil, z. nihil.
niladmiréri, niets bewonderen, zich over niets verwonderen, nil desperandum, wanhoop nooit.
nil medium est, er is geen middelweg.
nil nóvi sub sóle, niets nieuws onder de zon.
Nimbus, straalkroon, lichtkrans om het hoofd der heiligen ; glans, luister, die een groot heer omgeeft.
Nimf, half- of onder-godin (in de mythologie); (ook :) lichtzinnig, veil meisje.
n\'importe, het doet er niet toe.
Ninsing, Ninsi-wortel, beroemde geneeskrachtige wortel
(in China en Japan).
NUrogénium, stikstof.
Niveau, waterpas; waterspiegel; hoogte waarop een vocht
staat; nivelleer-werktuig.
nivelleeren, waterpas-maken; het met waterpas afmeten;
gelyk maken. [tot 19 Jan.)
Nivóse, sneeuwmaand in de Fr.-republ kalender (31 Dec. Nixe, boosaardige watergeest.
Nizam, titel van den vorst in \'t zuidelyk gedeelte van
Voor-Indië, in Golconda (de Nizam van Dekan). Noachiden, afstammelingen van Noach.
nóbel, edel, edelmoedig; voortreffelgk,voornaam, adcllyk. Nóbili, adellijken.
Nobiliteit, edelheid, beroemdheid; adel, ridderschap. Nobility, de hooge adel in Engeland.
Noblésse, adeldom, adelstand, ridderschap; — de robe, door hofdiensten of magistraatsambten verkregen adel;
_ d\'épée, door krgssmansdiensten verkregen adel.
Noblésse oblige, adel verplicht, d. i. legt verplichtingen op. Nóbody, niemand, onbeduidend persoon. (delen.
Noctambulisme, Noctambulatie, het slaap- of nactitwan-Noctambulus, slaapwandelaar.
Nocturno, nachtmuziek, nachtserenade.
Noedels, soort van Duitsch deeg uit meel en eieren bereid, dat naar vermicelli gelykt.
nólens vólens, goed- of kwaadschiks, met of tcgsn zin. Nóli me téngere, kruidje-roer-mij-niet.
Norn—Nonvaleur 337
Nom, naam; — de guerre, aangenomen naam; — de plume,
aangenomen naam van een schrgver.
Noméden, herdersvolken, rondzwervende volken, nomédisch, rondtrekkend, zonder vast verblyf. nomadiseeren, zwervend rondtrekken.
Nomenclatuur, naamlijst, naamregister.
nominaal, den naam betreffend; naar den naam ; in naam; nominale waarde, waarde van staatspapier of geld, zooals dat 1)Q de uitgifte door een staat is bepaald. Nominétie, benoeming, benoemingsrecht.
Nominativus, Nominatief, eerste naamval.
Nóminator, benoemer; nomineeren, benoemen. Nonacceptétie, niet-aanneming, weigering der aanneming
van een wissel.
Nonactiviteit, toestand van een officier, die niet in wer-
keiyken dienst is en verminderde soldg trekt.
non bis in idem, niet tweemaal voor dezelfde zaak. Nonchalance, nalatigheid, achteloosheid.
nonchalant, nalatig, achteloos.
non compos mentis, niet wel hg zinnen. Nonconformisten, z. Dissenters.
non constat, dat blgkt niet.
non decet, dat is niet gepast.
Nonens, onding, onbestaanbaar iets.
Nonintervéntie, de niet-tusschenkomst, het onzgdig-hlgven. Nonius (of Vernier), graadverdeeler, mathematisch werktuig om de graden in zeer kleine deelen te verdeden, non licet omnibus adire Corinthum, het is niet iedereen
gegeven naar Corinthe te gaan.
non liquet, dat is niet duidelgk, niet klaar.
non multa, sed multum, niet velerlei, maar veel. non omnis morlar, ik zal niet geheel sterven. Nonpareille, zonder vergelgking, weergaloos; een zeer
kleine drukletter van 7 punten.
Non (of nee) plus ultra, eig. niet verder; het onover-
treffelgke; het toppunt, de kroon, de grens, non póssumus, wg kunnen niet: eene onmogelijkheid,
eene weigering, waarop men niet kan terugkomen. Nónsens, onzin, dom gesnap.
non tropo, niet te zeer; non tanto, niette veel. Nónvaleur, onwaarde, onzekere achterstand, oninvorderbare schuld, oninbare post.
ELFDE DRUK. 22
338 Noon—Nouveautés
Noon, middag.
Nórimon, Japnnsche staatsie-draagstoel.
Norm, Norma, regel, voorschrift, richtsnoer.
normaal, voorschriftmatig, naar den regel, tot richtsnoer.
Normaalschool, modelschool.
normaliseeren, geregeld maken, regelen.
Normaliteit, regelmatige, behoorlijke gesteldheid.
nosce te ipsum, ken u zeiven.
Nosocómium, Nosodóchium, ziekenhuis, hospitaal.
Nosologie, leer der ziekten.
Nostalgie, Nostomanie, heimwee.
nostalgisch,het heimwee hetreffend of daaruit voortkomend. Nóta, noot, teeken, aanmerking; kleine rekening.
notabel, merkwaardig, aanzienlyk, voornaam. (burgera. Notabelen of Notabiliteiten, aanzienlijkste, voornaamste nóta béne (N. B.), let wel, geef acht!
Notariaat, het ambt van notaris.
notariëel, het notarisschap betreffend; door een notaris
opgemaakt, z. Notaris.
Notéris, aangesteld en beëedigd persoon, die zekere gerechtelijke handelingen (testamenten, volmachten, protesten enz.) voltrekt en daarvan eene notariëele acte of geloofwaardige oorkonde opmaakt.
noteeren, opteekenen, boeken; aanmerken.
Nótie, verstandsbegrip, denkbeeld.
Notificatie, bekendmaking, aankondiging.
notificeeren, kond doen, melden, ter kennis brengen. Notitie, kennis; aanteekening, opgaaf, naricht; notitie van iets nemen, zich iets aantrekken, het zyner opmerking waardig keuren.
notórisch, notoir, openbaar, wereldkundig.
Notoriteit, openbaarheid, wereldkundigheid.
Notre-Déme, Onze-Lieve-Vrouw, Maria; de groote kathedrale kerk te Parys.
Notturno, nachtmuziek, nachtgezang. gt;
Nótulen, aanteekeningen; schriftelijk verslag van het m
eene vergadering behandelde.
Nougat, suikergebak met amandelen.
Nourrice, min; nourrisson, zuigeling. (anderd.
nous avüns changé tout cela, wij hebben dat alles ver-nous verrons, wy zullen zien.
Nouveautés, nieuwigheden, mode-voorwerpen.
Nouvelle—Nut 339
Nouvélle, Novéile, nieuwigheid; nieuwe A-erordeniTijr ter aanvulling en wijziging eener andere; kleinromantiseli verhaal.
NouvelHst, Novellfst, schrgver van novellen, nieuwtjea-
kramer; dagbladschrjjver.
Nova, Noviteiten, nieuwigheden.
novate tienden, tienden van nieuw ontgonnen gronden. Novateur, vinder, invoerder van nieuwigheden.
Novfce, nieuweling, (inz. in kloosters) proefleerling. Noviciaat, proefjaar, proeft yd ; nieuwelingschap.
Noviteit, nieuwheid, het nieuwe, iets nieuws en vreemds, nóvus hómo, een nieuw man, d. i. iemand die pas naam maakt.
Nuénce, schaduwing, kleurmenging, onmerkbare ineen-
smelting, schakeering, tint.
nuanceeren, schaduwen, schakeeren.
Nubiliteit, huwbaarheid, manbaarheid.
Nuditeit, naaktheid, ontblootheid.
Nullificétie, vernietiging, opheffing.
nulüficeeren, te niet doen, opheffen, voor nul en nietig
verklaren; geringschatten.
nulli secundus, hjj doet voor niemand onder.
Nulliteit, nietigheid, ongeldigheid.
nullus dies sine linea, geen dag zonder dat er iets gedaan wordt.
numerair, naar \'t getal; —e waarde, waarde, waarvoor
eene munt overal ontvangen en uitgegeven wordt. Numerair, het hare, in omloop zgnde geld.
numereeren, met qjfers teekenen, nomineren ; tellen. Nümerl, naam van Mozes\' vierde boek, dat de volkstelling der Israëlieten bevat.
numeriek, door getallen uit te drukken ; —e waarde, getalwaarde, waarde volgens getallen.
numeroteeren, benommeren, met cyfers teekenen. Numeroteur, nummertoestel.
Numismatiek, munt- of penningkunde.
nunc aut nunquam, nu of nooit.
nunc est bibéndum, nu dient er gedronken te worden. Nunciétie, aanzegging, aankondiging; aanklacht.
Nüncius, Nuntius, gezant van den paus.
nuptiaal, wat. den bruiloftsdag, het huwelijk aangaat. Nut, noot; nuttree, noteboom.
340 Nutatie—obligaat
Nutótie, neiging, knikking, wankeling.
Nutrltie, voeding.
nutritief, voedend, voedzaam (genot.
Nymphomanie, vrouwelijke ontembare zuclit naar \'t min-
0.
O. = Oost.
O\' (voor lersclie persoonsnamen zooveel als Mac in Schotland, IMtz in Engeland) zoon van (bv. O\'Connel, O\'Meara enz.)
O. M. = openbaar ministerie (z. Ministerie). O. S. = oude stijl.
O. 7. = Oude Testament.
0/n = per cent, ten honderd.
Oóse, vruchtbare streek te midden der zandwoestijn, obduceeren, Ijjken openen en bezichtigen.
Obductie, gerechtelijke lijkschouwing.
Obdurótie, verharding, verstoktheid.
obediëeren, gehoorzamen.
Obediëntie, gehoorzaamheid ; dienstplicht, vooral in kloosters; (ook:) kloosterlijke geleibrief voor reizende ordss-Obellsk, spitszuil, gedenkzuil. (geestelijken.
Obesiteit, dikte en vetheid des lichaams.
Obiït, (hü of zö) is gestorven, overleden.
obiter dictum, in \'t voorbggaan gezegd.
Ocjéct, voorwerp, zaak of persoon der beschouwing, objecteeren, objiciëeren, tegenwerpingen maken. Objéctie, tegenwerping, bedenking, tegenspraak.
objectief, voorwerpelgk, buiten zich waargenomen, werkelijk bestaand; o. glas, voorwerpglas, het naar\'t voorwerp gerichte glas in een kjjker.
Objectiviteit, voorwerpelykheid ; uiterlijkheid, gesteldheid
eener buiten ons liggende zaak.
objiciëeren, z. objecteeren.
Oblaat, gewijd avondmaalsbrood; ouwel, gewijde hostie. Oblie, soort van dunne wafel.
obligaat, hoofdstemmig, in eene volstemmige muz\'ek tot de hoofdstem behoorende en die steeds begeleidende.
Obligatie—obsta principils 341
Obligétie, verplichting:, gehoudenheid; schuldbekentenis, obligatoir, obligatórisch, verplichtend, (landschuldbrief. obligé! verplicht! bedankt! ik dank u!
obligeént. dienstwillig, verplichtend, beleefd.
obligeeren, verplichten, dienst bewyzen; noodzaken. Obligo, verplichting, welke de eene koopman aan den
anderen heeft door voorschot of wisselgiro.
oblique, schuin, scheef; indirect.
Obliquiteit, scheefheid, scheeve richting; arglistigheid, oblittereeren, uitwisschen, uitdelgen (letters).
Oblóng, langwerpig; oblóngum,^ langwerpig vierkant, rechthoek.
O\'bolus, Obool, Oud-Grieksche pasmunt, penning, obovaal, omgekeerd eivormig.
Obréptie, verwerving door list of misleiding.
obsceen, oneerbaar, wulpsch, ontuchtig. Obsceniteit,ontuchtigheid, wulpsche, onkuische gesprekken. Obscurént, duisterling, vijand der verlichting, domperridder.
Obscurantisme, de verduisteringszucht, het streven om door alle mogelgke middelen het zelfdenken en den voortgang der verlichting te sluiten, het volk in onwetendheid te houden.
Obscuriteit, duisterheid ; onverstaanbaarheid; vergetelheid. Obscuur, donker; onbekend, onberoemd, door niemand opgemerkt.
obsecreeren, bezweren, smeeken, dringend verzoeken, obsedeeren, met beden bestormen, lastig vallen, obsequieus, overdreven hoffelijk, overgedienstig. Obséquium, amicos, véritas ódium périt, toegeefljjkheid
baart vrienden, maar de Maarheid wekt haat. observébel, opmerkenswaardig, merkwaardig. Observantie, gebruik, doorgaande regel; kloosterregel. Observétie, inachtneming; waarneming, bespieding. Observatórium, sterrentoren, sterrenwacht.
observeeren, gadeslaan, bespieden, waarnemen.
Obséssie, kwelling, het plagen, veelvuldig onwelkom bezoek. Obsignótie, verzegeling, bezegeling, bekrachtiging, obsoleet, verouderd, uit het gebruik geraakt; versleten. Obstékel, hindernis, tegenstand, belemmeiing.
Obsta principils, weersta de beginselen, d. i. wacht u voor den eersten kwaden stap.
342 obsteeren—octogonaal
obsteeren, tegenstaan, hinderlijk zgn.
obstétrisch, verloskundig.
obstinaat, hardnekkig, onverzettelgk; volhardend. Obstinétie, hardnekkigheid, koppigheid.
Obstipatie, hardlijvigheid, verstopping.
Obstructie, verhindering; hardlijvigheid.
Obstructionisme, het streven om door allerlei uitvluchten en kunstgrepen het totstandkomen eener zaak (inz. eener wet) te verhinderen.
Obstructionist, lid eener vergadering, die moedwillig afdoening van zaken tegenhoudt.
obstrueeren, belemmeren; verstoppen, hardlijvig maicen. obtineeren, obteneeren, verkrijgen, bekomen; de overhand behouden, winnen.
obtuus, stomp, bot, zwakhoofdig.
obviëeren, voorkomen, maatregelen (tegen iets) necien.
Occésie, gelegenheid, geschikte tgd, tijdsgelegenheid.
occasioneel, bij occasie, te gelegener tijd.
Occidént, het westen, avondland.
occidentaal, westelijk.
Occiput, achterhoofd.
Occult, verborgen, geheim, heimelijk.
Occupatie, bezitneming, bezetting; bezigheid.
occupeeren, innemen, bezetten; bezighouden.
occurreeren, plaats grijpen, voorvallen.
Occurréntie, voorval.
Oceaan, wereldzee; (fig.) groote menigte.
oceanisch, tot de wereldzee of tot de eilandenwereld der
Zuiderzee behoorend.
Ochlocraat, aanvoerder of beheerscher van \'t gepeupel. Ochlocratie, gepeupel-heerschappij (eene ontaarding der democratie).
Octaaf, 8ste toon van den aangenomen grondtoon; omvang van 8 touen; achtdaagsche godsdienstige gebruiken ter viering van een hoofdfeest, inz. de achtste dag daarvan.
Octaëder, regelmatig lichaam, ingesloten door acht gelijkzijdige driehoeken.
Octént, Sste cirkel, hoogtemeter (astronomisch werktuig). Octavo, boekformaat van 8 bladen of 16 bladz. per vel. Octódécimo, boekformaat van 18 bladen of 36 bladz. per vel. octogonaal, octogonisch, achthoekig.
Octogoon—Offensie 343
Octogoon, achthoek.
Octrooi, uitsluitend recht tot het dry ven van zekeren handel; tot het vervaardigen, in- of uitvoeren van zekere waren; (ook:) stads- of gemeentebelasting op eetwaren.
octrooieeren, een octrooi verleenen ; geoctrooieerde constitutie, staatsregeling of grondwet, die als geschenk-van den monarch uit vorstelyke machtvolkomenheid verleend wordt.
oculair, het oog betreffend; oog..., oogen...; 0. glas, oogglas, het naar \'t oog gerichte glas in een kijker; ocu-laire inspectie, oogenschouw, bezichtiging.
oculeeren, griffelen, in \'t schild enten of oogen.
Oculist, oogarts, oogmeester.
Oculus, het oog; de knop (eener plant).
Odalisken, beter Odaliken, slavinnen der vrouwen in den
harem, Circassische of Georgische schoonen. O\'de, hooglied, verheven lierdiclit.
Odéon, Odéum, zang- en leeszaal; muziek- en concertzaal
(bjj de Ouden); (ook:) lierdichtverzameling.
Odeur, geur, reuk; odeurs, welriekende zaken.
odiëus, hateljjk, onuitstaanbaar, ergerlgk.
Odiósa, hatelijke dingen.
ódi profanum vulgus, ik haat het oningewyde gemeen;
weg met dat domme grauw, het onbeschofte janhagel ! Odium, haat, vijandschap; — theológicum, haat onder godgeleerden.
Odontalgic, tandpgn, kiespyn. (geurig,
odoraat, het welriekende, geur; odorónt, welriekend, (Economie, enz., z. Econ—.
oecumenisch, algemeen.
OE\'dipus, gelukkig of bedreven oplosser van raadsels,
scherpzinnig, helderziend man.
Oei! de boeuf, rond dakvenster.
Oeillóde, lonk, zywaartsche blik.
CEnologie, leer van den wgn en de druivencultuur. (Enometer, wijnmeter.
(Euvres, werken; — complètes, volledige werken; — inédites, onuitgegeven werken; — posthumes, nagelaten werken.
offendeeren, beleedigen, kwetsen, aantasten.
Offénsie, aanval; beleediging.
344 offensief—ombrageeren
offensief, aanvallend; aantastenderwijze.
Offensive, aanval.
Of ferande, olfer.
Offérte, aanbod, aanbieding, voorslag.
Offertórium, offergeld; offerboek ; gebed voor de opheffing der gewgde hostie onder de mis; oolc het gezang bij deze ceremonie.
Office, handels- of expeditie-kantoor, bureau.
Officiant, dienaar, dienstdoende persoon, inz. dienstdoende priester; officianten, ondergeschikte ambtenaren; mislezende priesters. (Inquisitie. Officie, ambt, post, dienst, bediening, heilig officie = officieel, van ambtswege; geloofwaardig, echt; een officiéél dagblad is zulk een, dat onder de firma of onder de bescherming der regeering verschynt en als haar orgaan beschouwd wordt.
Officier, ieder krggsman, die den graad van luitenant of
hooger persoon bekleedt.
officieus, gedienstig, wilvaardig, wellevend; niet officieel, maar toch langs een omweg van de regeering afkomstig, officinaal, in de apotheek voorhanden; geneeskrachtig,
heelend; officinélia, apothekerswaren, artsenyen. offreeren, aanbieden, opdragen, offeren.
Ogre, wildeman, boeman.
old, oud; old Jack, de Britsche vlag.
oleum perdidisti, gy hebt uw olie (d. 1. uw tyd, uw moeite) verloren. [aristocratie).
Oligarchie, regeering van weinigen (eene ontaarding der ólim, voorheen, eertijds, voormaals.
Oliteiten, welriekende oliën.
Olla podrida, lievelingsspys der Spanjaarden, bestaande uit allerlei fijn gesneden en sterk gekruid vleesch; (ook -.) pot met allerlei welriekende bloemen en kruiden; (fig.) mengelmoes, allerlei, poespas.
Olympiéde, (by de oude Grieken-.) tijdruimte van4jaren. Olym\'pisch, hemelsch; —e spelen, plechtige openbare volksspelen en strijdoefeningen in het oude Griekenland, die elke 4 jaren gehouden werden.
Olym\'pus, berg in Thessalië, de godenzetel, hemel. Ombrége, schaduw; (fig.) verdenking, argwaan, ombrageeren, schaduw geven, belommeren, beschaduwen; (fig.) overschaduwen, in de schaduw stellen, verdon-
Ombre—Operatie 345
keren, verkleinen; (ook •) argwaan geven, achterdocht wekken. [d\'hombre).
Ombre, lommer; schim; (ook:) een hekend kaartspel
Omeiét, eier-pannekoek, struif.
O\'men, voorteeken; omineus, onheilspellend.
Omissie, uitlating, verzuim; abuis; o.-zonden, zonden uit nalatigheid begaan.
omitteeren, nalaten ; uitlaten, weglaten, overslaan.
O\'mne princfpium grave, alle beginselen zyn moeilijk.
Omnia bóna bonis, den goeden is allen goed.
Omnia cum Déo, alles met God.
Omnia fausta, alle geluk, alle heil.
Omnia mutóntur, nos et mutamur in illis, alle dingen veranderen en wy met hen. (alles.
Omnia vincit amor (of labor), liefde (of arbeid) overwint
Om nibus, (eig. voor allen) groot rytuig, dat sommige steden of hare naaste omstreken in bepaalde richtingen doorloopt en waarin iedereen tegen een matigen prijs plaats kan nemen.
Omnipotentie, alvermogen, almacht.
Omnis homo mendax, elk mensch is leugenachtig.
O mnium consénsu, met aller toestemming.
Omnivoren, allesetende dieren.
Onanie, zelfbevlekking; Onanist, zelfbevlekker.
Oncle, oom, vaders of moeders broeder.
on dit, men zegt; een los gerucht.
Ondulétie, golving, golfsgewijze beweging, schommeling.
O\'nera, lasten; onereus, drukkend, lastig, bezwarend.
Onomasticon, naam- of woordenlijst; verjaarvers, gedicht op den naamdag.
Onomatopoeia, klanknabootsing ; Onomatopoeéticon, klanknabootsend woord.
Ontologie, leer der wezens, der algemeene eigenschappen der dingen (een gedeelte der bovennatuurkunde).
ontramponeerd, beschadigd, bedorven, gebroken.
O nyx, nagelsteen (een edelgesteente).
Opaal, melkblauw, byna doorschyuend edelgesteente.
Opaciteit, ondoorzichtigheid, donkerheid.
O pera, zangspel, toonkunstig tooneelspel; opera buffa, kluchtig zangspel; opera séria, ernstige, groote opera.
Operétie, onderneming, verrichting; handelwijs ; kunstbewerking der heelmeesters; beweging der krggstroepenj
346 Operateur—Optimist
operatie\'lijn, richting, waarin de troepenbeweging plaats heeft.
Operateur, opereerend heelmeester, inz. breuk-, steen-
snjjder; (ook:) belhamel, roervink.
opereeren, werken, bewerken j als heelmeester eene kunst
bewerking uitvoeren.
Operette, klein zangspel.
Opermént, Orpimént, geel zwavel-arsenik, koningsgeel. Ophthalmiatrie, oogheelkunde.
Ophthaimfe, oogziekte, uitwendige oogontsteking.
O\'piat, slaapmiddel, pijnstillend middel.
opineeren, stemmen, zyne meening of zgn gevoelen uiten, opiniéter, hardnekkig, onbuigzaam, koppig, halsstarrig, opiniatreeren (zich), zich halsstarrig verzetten, eigenzinnig op iets blgven staan.
Opinie, meening, gevoelen; schatting, waan.
O\'p\'um, heulsap, gedroogd slaapbollensap, verhard melksap der nog groene maankoppen in \'t oosten. Opodéldok, vloeibare jichtzalf.
oportet, men moet.
Opplétie, overvulhng, overlading der maag.
opponeeren, tegenspreken, bestrijden, zich verzetten. Opponént, tegenpartg, tegenspreker, bestrijder. Opportuniteit, geschikte tgd of gelegenheid.
Oppositie, tegenstand, tegenpartg, party van verzet, anti-
mini sterieele partg.
oppositief, tegenovergesteld.
Oppressie, onderdrukking.
oppressief, onderdrukkend, verdrukkend.
opprimeeren, onderdrukken.
Opprobrétie, beschimping, hoon ; leelyk verwijt.
optatief, wenschend, een wensch bevattend of uitdrukkend, opteeren, kiezen, verkiezen; weuschen.
Op\'tie, vr\\je keus ; kiesrecht. (zien.
Optiek, Op\'tica, gezichtkunde, leer van het licht en het Optiméten, voornaamsten, aauzicnlgken.
Optimatie = Aristocratie.
Optimisme, leer, waarbij de bestaande wereld als de best mogelgke beschouwd wordt; zucht om alles van de rooskleurige zgde te zien.
Optimist, belgder van de leer der beste wereld; iemand die alles van de scboone zijde beschouwt en verklaart,
optisch—Oreaden 347
óptisch, geziclitkundig; —e illusie, gezichtsbedrog.
oputént, zeer r\\jk en vermogend.
Opuléntie, groote rijkdom, aanzienlek vermogen.
Opus, werk.
oraal, mondeling.
óra et labóra, bid en werk.
oraculeus, godspraakachtig, als een orakel, geheimvol,
raadselachtig, duister.
orageus, onstuimig, stormachtig, woelig.
Orékel, godspraak; (lig.) algemeen raadgever, vraagbaak. Orangeade, oranjewater.
Orangisten, aanhangers van het huis van Oranje in Nederland ; fook:) de politieke partg der lersche Protestanten (Orangemen).
Orang-óétang, woud- of boschmcnsch (zekere groote aap). Oranjerie, verzameling van citroen- en oranjeboomen;
(ook:) broeikas voor uitheemsche planten.
óra pro nóbis, bid voor ons.
Oratie, redevoering. Orator, redenaar.
oratórisch, op redenaarstrant.
Oratórium, geesteljjk zangstuk; bidvertrek, bedehuis, orbiculair, kringvormig, rond, ringvormig.
Orchést, z. Orkest.
Orcus, de onderwereld (der mythologie), het schimmenrgk. Ordéliën, godsoordeelen, vuur- en waterproeven (in de
middeleeuwen gebruikelijk).
Orde, stand, genootschap; eereteeken.
ordinair, gewoon, gebruikelijk; gemeen, gering. Ordinérius (professor), gewoon bezoldigd hoogleeraar;
(ook:) de bisschop van het diocees.
Ordinétie, wjjding tot den priesterstand.
ordineeren, tot priester inwgden.
Ordonnéns, dienstknecht, soldaat, die zich voortdurend bg een bevelvoerendcn officier moet bevinden, om diens bevelen uit te voeren.
Ordonnéntie, regeling, schikking, inrichting, aanleg (bv. van eene schilderij); verordening, voorschrift, dienstwacht bg hoogere officieren.
ordonneeren, bevelen, verordenen.
Ordre, orde, regelmaat; bevel, last, gebod, order; — de
bataille, slagorde.
Oreaden, bergnimfen.
348 oreeren—Orleans
oreeren, eene redevoering houden; als redenaar voordragen.
orémus, laten wij bidden; \'t is daar —, \'t is er naar, jamnierlyk enz. gesteld.
Orfèvre, goudmunt; orfèvrerie, goudsmidswaren.
Orgaan, zintuig, spraakwerktuig; stem (bv. van een zanger en tooneelspeler); (fig.) spreker, optreder, woordvoerder, (zoo heet bv. een minister het orgaan van den vorst, eene courant het orgaan van het ministerie, of van de revolutionnairen, of van de reaetion-nairen, enz.)
organiek, organisch, met organen of werktuigen voorzien, bewerktuigd, levend, bezield.
Organisatie, bewerktuiging, inwendige levenwekkende, inrichting; organiseeren, met organen voorzien, vormen, inrichten.
Organisme, organische bouw, samenhang der leden van een geheel; het buizen- en vatenstelsel.
Organist, orgelspeler. (amandelmelk.
Orgeéde (minder goed Orsade), gerstedrank, koeldrank;
Or giën, drinkgelagen, nachtelijke zwelgpartijen.
Oriënt, het Oosten, Morgenland.
oriëntaal, Oosterscb, Morgenlandsch.
Oriëntalist, kenner der Oostersche talen.
oriënteeren (zich), zich met de ligging en verhoudingen eener plaats bekend maken ; zich in den vereischten toestand plaatsen; nauwkeurige berichten inwinnen.
Oriflómme, ryksvaan der oude Franken.
Originaliteit, oorspronkelijkheid, eigenaardigheid.
Origine, oorsprong, oorzaak, bron.
origineel, oorspronkelijk, aangeboren, eigenaardig.
Origineel, oorspronkelijk of eerste stuk, geschrift of afdruk ; oorspronkelyke geest; ook een zonderling, rare
Origo mali, de oorsprong van het kwaad. (snaak.
Orkaan, hevige storm, snelste stormwind.
Orkést, speel- en zangplaats der toonkunstenaars in concerten en in den schouwburg; (ook:) de gezamerilyke muzikanten en zangers zeiven.
Orlóndo furioso, de razende Roeland.
Orlean, schoone geelroode verfstof.
Orleanist, aanhanger van het huis van Orleans, inz. van de nazaten van Louis Philippe.
Or leans, wollig weefsel voor dameskleeding.
Ormuzd—otalgische middelen 349
Ormuzd, het licht of het goede beginsel in de leer van Zo-Ornaat, ambtstooi, priesterlyk plechtgewaad. (roaster. Ornamént, Ornemént, sieraad, versiersel.
orneeren, versieren, tooien. (vogelen.
Ornithologie, vogelkunde, natuurlyke geschiedenis der Ornitholoog, vogelkenner, vogelbeschryver.
Orognosie, Orologie, gebergtekunde.
Orographic, gebergtebeschryving.
Or\'pheus, beroemd Grieksch zanger en lierspeler; (fig.)
uitstekend toonkiinstcnaar.
Orpimént, z. Operment.
Orsóde, beter Orgeade (z. aid.)
Orseille, verfmos (dat ter bereiding van eene schoone
roode verstof en van het lakmoes dient).
Orthobiotiek, de kunst om wèl te leven.
orthodox, rechtzinnig, strenggeloovig, oudgeloovig. Orthodoxie, rechtzinnigheid, vasthouden aan de kerkleer. Orthodoxograaf, rechtzinnig, rechtgeloovig schrgver. Orthoëpie, leer van de rechte uitspraak.
Orthographie, de kunst om wel of juist te schrijven, orthogréphisch, spelkunstig, naar de spelregelen. Orthologie, kunst van zich wel uit te drukken, orthopaedisch-instituut, inrichting, waar scheefgegroeide
ledematen weder verholpen worden.
Ortolaan, de tuinmeerle of korenvink in Z. Europa, die
als eene uitstekende lekkerny verzonden wordt. Orvietaan, tegengif; (ook:) kwakzalver, wonderdokter. Oryc\'tognosie, Oryc\'tologie, zooveel als mineralogie. O sóncta simplicitas, o heilige eenvoud!
Oscillatie, slingering, schommeling.
Osirus, zonnegod by de oude Egyptenaars.
Osmannisch rijk, het Turksche keizerryk.
ostensibel, ostensief, aanschouwelyk, handtastelyk, pralend, vertoonmakend.
Osteitatie, tentoonstelling, vertoonmaking; praalzucht, ostenteeren, ten toon stellen, vertoon maken, pryken. Osteologie, leer van de beenderen.
Ostéria, herberg, logement in Italië.
Ostracisme, schervengericht, waardoor de Athcners hunne
te machtige burgers voor 10 jaar verbanden.
Otalgie, oorpyn.
otalgische middelen of Otalgfca, middelen tegen oorpyn.
35° o tempora—p. m.
o témpora, o móres! o tyden, o zeden!
Othello, een \\jverzuchtig echtgenoot.
O\'tium cum dignitéte, deftige rust.
Ottoméne, Tuvksch rustbed, lage sofa.
Ottoman(ni)sche Porte, het Turksche keizerlyke hof. Ounce, het ons.
Outcast, uitgestooten persoon, verworpeling, paria.
Outil, werktuig, handgereedschap.
Outrége, grove, smadelijke beleediging.
outrageént, outrageus, smadelgk, hoonend.
outrageeren, beschimpen, grof of gevoelig beleedigen. outreeren, overdreven; tot het uiterste brengen.
ouvert, open, geopend; openhartig, vrymoedig; openlyk, openbaar. (stuk.
Ouverture, opening ; aanvang; aauvangsmuziek, inleidings-Ouvrage de longue haleine, een lang en moeilyk werk. Ouvrier, handwerksman, werkman, daglooner.
ovaal, eirond, langwerpig rond.
Ovérium, eierstok.
Ovétie, kleine zegevierende intocht by de oude Romeinen. Overlénd-mail, de post, die de brieven grootendeels over
land, uit Indië naar Londen, en vice versa, brengt. Ovipéren, eierleggende dieren.
Oxydétie, verzuring, verkalking, het verbinden met zuuracof. Oxy\'de, zuurstofverbinding, metaalkalk.
oxydeeren, oxygeneeren, met zuurstof verbinden. Oxygenium, de zuurstof, het hoofdbestanddeel der levens-Oxyméter, een zuurmeter. (lucht.
Ozon, riekende zuurstof.
P.
P. of pag. = pagina, bladzgde.
p. a. (op adressen :) = par ami, met vriend.
p. c. (op adressen:) = par couvért, onder omslag; (ook ;)
per cént, ten honderd.
p. f. v. (op visitekaartjes:) = pour faire visite, nu bezoek af te leggen.
p. m. = pro mille, per duizend.
p. p.—Paedagogisch 351
p. p. = praemissis, praemitténdis (z. premissis).
p. p. c. (op visitekaartjes:) = pour prendre congé, om
afscheid te nemen.
P. S. = post-scn\'ptum. naschrift.
Paaiement, klein geld, pasmunt tot vólnmking: eener geldsom; gedeeltelyke afdoening eener geldschuld.
Paal, afstandsmaat in Ned. Indië \'= ruim 1500 meter of
20 minuten gaans.
Paap, vader, weleer een eernaam der geestelyken, later
een verachtelijk scheldwoord voor de K,. K.
Pócha, z. Pasja.
Pachydérmen, dikhuiden, dieren met dikke huid (bv. olifanten, zAvynen enz.)
Pacificale, ieder voorwerp ter bewaring van heilige of gewyde zaken (bv. de hostievaas of kelk by de R. K.) Pacificatie, bevrediging; vredesonderhandeling; vrede-Pacificétor, vredestichter, bemiddelaar. (stichting,
pacificeeren, bevredigen, oneenigheden byleggen Pacific-Railway, de grootste Amerikaansche spoorweg, die de kusten van den Stillen Oceaan met die der Atlantische zee verbindt.
Paciscénten of pacisceerende partijen, verzoenende partyen, vredesluiters.
Packetboat, postschip, pakketboot.
Packfong, z. Pakfong.
Pacotille, vrygoed = Portage (z. aid.) (verbond.
Pact, Péctum (pi. Pacta), verdrag,overeenkomst; (ook;) pacteeren, by verdrag of overeenkomst bepalen; gepac-teerde constitutie, staatsregeling of grondwet, vastgesteld in overeenstemming met \'s lands vertegenwoordiging (vgl. geoctrooieerde constitutie, onder octrooieeren).
Pédan, som van 1000 millioen ropyen te Surate. Paddock, omheinde plaats voor paarden.
Paddy, z. Padi; spotnaam der Ieren in Engel, en N.-Amer. Padi, ryst in de aar (in Indië).
Padisjéh, heer der koningen, titel, dien de Turksche keizer ontvangt, en dien de Porte aan de keizers van Rusland en Oostenrijk geeft. (bellied. Paeón, loflied op den Griekschen god Apollo; loflied, ju-Paedagogiek, opvoedingsleer, opvoedingskunst. Paedagógisch, opvoedkundig, tot de opvoeding behoorende.
352 Paedagoog—Palfrenier
Paedagoog, kindcileidsnian, kinderopvoeder.
Paederastie, onnatuurlgke mannenontucht.
Paeonie, pinksterroos, koningsroos.
Paganisme, heidendom.
Póge, edelknaap, hofjonker; (ook:) hlad/.jjde.
Pógina (verkort p. of pag.)» bladzijde; bladzgdental.
pagineeren, de bladzyden met volgnommers teekenen.
Pagode, afgodstempel; pop met beweegbaar hoofd., afgodsbeeld; (ook:) eene Indische goudmunt.
Paillasse, stroozak, bultzak; (ook:) hansworst.
paille-geel of paille, stroogeel, bleekgeel.
Pailléttes, loovertjes, schilfertjes.
Pain, brood; — d\'épices, kruidkoek, peperkoek.
Pair, gelyke, iemand van geleken rang; lid van het hoo- |
gerhuis in Engeland (z. Peer); (vroeger:) lid der eerste 1
kamer in Frankrijk. I
pair et impair of pair ou non, oven of oneven.
paisible, vreedzaam, rustig, vredelievend. f
Pajés, Paljós, hansworst (verbasterd van Pail asse). F
Pajemént, z. Paaiement.
Pékfong, wit koper (Chiueesch metaalmengsel). I
Pakkét, pakje, bundel; (ook:) pakketboot. P
Paladijn, ridder uit het gevolg van Karei den Grooten; P
dapper en hoffelijk held; dolend ridder. (der Ouden. P
Palaeographie, kennis van de schrijfkunst en het schrift Palaeologie, oudheidkennis. pj
Palaeontologie, kennis der fossiele voorwereld. Pj
Palaestina, Palestina, het beloofde land, Kanaan. Pi
Palaestra, worstelschool, kampplaats. Pé
Palankijn, Palanquin, O.-Indisch draagbed, draagstoel. Pa
Palatijn, Palatinus,paltsgraaf,onderkoning van Hongarije. |
Palatinaat, paltsgraafschap, de Pais. pa
Palatine, pelskraag, dames-halsbekleeding. Pa
Palatinus = Palatijn. Pa\'
Palefrenier, Palfrenier, stalknecht. pal
paleeren, opschikken, optooien. Pal
Péles, godin der herders, der veeteelt en dep landbouwa. Par
Palestina, z. Palaestina. b
Palét, kaatsplankje ; (ook:) verfbordje der schilders ; de ran
mannen van \'t palet, de schilders. Pan
Paletót, soort van mans-overrok. Pan
Palfrenier, z. Palefrenier. 1)6
Pali—Pampelmoes 353
Póli, de heilige taal van Achter-Indië.
Palificatie, inheiing van palen.
Palikéren, (eig. dappere mannen) vrjjwilligers bij de nieuwe Grieken, die onder de leiding van een kapitein stroopen rooftochten tegen den vyand deden.
Palimpsésten, oude handschriften, op welker perkament
een tweede onder handschrift doorschemert. Palindroom, raadsel voor een woord, dat voor- en achteruit kan gelezen worden, bv. neger, regen.
Palingenesie, wedergeboorte, herstelling.
Palinodie, gezangherlialing; herroeping van lastertaal. Palinürus, Palinuur, stuurman; (fig.) ervaren staatsman aan \'troer van den Staat. (insluiten,
palissadeeren, met schanspalen voorzien, met paalwerk af-. Palissaden, schanspalen; boom- of paalheg. Paliss^nder-hout of Palixander-hout (niet Polysander),
purperhout, violethout uit Guyana.
Paljés, z. Pajas.
Pallédium, Pallasbeeld, beschermend voorwerp, beschuttend heiligdom; beschermgod.
Pallas, Grieksche naam van Minerva.
Pallas, lang slagzwaard der ruiterij.
Palliatie, bemanteling, bewimpeling, verzachting. Palliatief, verzachtingsmiddel voor een tijd lang; hulp
voor het oogenblik.
palliëeren, bemantelen, bewimpelen.
Póllium, mantel, biBschopsmantel bq de wqding.
Palma Christi, kruis- of wonderboom.
Palmérium, zegeloon, behaalde prjjs.
Palmétten, op palmbladen gelgkende versierselen aan gebouwen enz. (klaar,
palpébel, tastbaar, handtastelyk; (fig.) duidelijk, zonne-Palpabiliteit, tastbaarheid; (fig.) zonneklaarheid. palpeeren, zacht aanraken, betasten, streelen.
palpebraal, tot de oogleden behoorend.
Palpitatie, het kloppen, de hartklopping, polsslag. Pamflét, vlugschrift (meest in verachtelijken ain), los blad,
blauwboekje, schotschrift.
Pamflettist, vlug-, smaadschriftschrijver.
Pómpas, groote grasvlakten in Z.-Amerika.
Pampelmoes, de Oost-Indische oranjeappel, met een aard-beziesmaak en zoo groot als een hoofd.
ELFDE DB UK. 23
i
354 Pan—Panopticum
Pan, de veld- en herdersgod.
Panacéa, Panacée, algemeen genees- of wondermiddel.
Panéche, vederbos, helmbos, pluimbos.
anaché, met bonte strepen ; (ook :) soort van gemengd ys. anade, broodsoep, bouillon met geraspt brood.
Panama, Zuid-Amcrikaansche stroohoed.
Pancake, pannekoek.
Pancarte, tarief van alle rechten ; omslag, in tweeën gevouwen bordpapier tot berging van papieren.
Panchréstum, altijd- of veelhelpend geneesmiddel.
Pancratesie, alheerschappy, alleenig bezit.
Pancrótium, algemeene wedstryd; machine ter opheldering van de leer omtrent kracht en tydsuitsparing.
Pandecten, alles omvattende boeken; samenvatting of kort begrip van \'t Romeinsche recht.
pandémische ziekten, algemeene volksziekte.
Pandemónium, algemeene tempel der demonen of halfgoden. i\'spel.
Pandoer, Hongaarsch voetsoldaat; Pandoeren, zeker kaart-
Pandóra, schoon meisje uit de mythologie, dat aide men-schelyke rampen, in eene doos besloten, by zich droeg, zy opende die doos uit nieuwsgierigheid en terstond verspreidden zich allerlei rampen over de aarde, ter-wyl alleen de hoop op den bodem der doos overbleef; Pandora\'s doos, bron van alle kwaad.
Paneel, houten beschot, wandbekleeding; dunne plank achter een spiegel of schildery; dunne plank waarop eene schildery is gemaald.
Panegy\'ricus, plechtige lofrede, lofdicht.
anem et circénses, brood- en schouwspelen. (schers. angermanisme, het streven naar eenheid van alle Duit-
Panharmónicon. muziekinstrument, dat vele \'daasinstru-menten vereenigt.
Panhellénion, opperste ataatsraad by de nieuwe Grieken.
paneeren, met eene korst geraspt brood of beschuit be-Paniek, z. panische schrik. (strooien.
Panier, (eig. mand) mandenrytuig.
pénisch, vreeswekkend ; —e schrik, plotselinge, algemeene, maar onnoodige, ongegronde schrik ofontstelte-
Pannel, lyst der gezworenen (in Engeland). (nis.
Panópticum, verzameling van allerlei, inz. groote collectie wassen beelden en groepen.
panoptisch—Paperhunt 355
panóptisch. alziend
Panoréma, albescliouwing, rondtafereel, overzicht van een peheel oord, een gansche stad, in welker middelpunt de aanschouwer staat.
Pansfluit, herders 11 uit; zevenmondig: riet.
Panslavisme, het streven van alle Slavonische volksstammen, om zich door politieke handen nauw te verhinden en \'t bewustzijn hunner nationaliteit wakker te houden,
Pansophfe, alwjjsheid; waan van alles te weten.
Pantalon, hansworst; lange wyde broek.
Pantalonnade, pantalons- of hansworstendans; (fig.) geveinsde betuiging van vreugde of smart, veinzery.
Pantheïsme, stelsel dergenen, die God als vereenzelvigd met het heelal en de universiteit of algemeenheid dei-wezens als de godheid beschouwen.
Pantheïst, aanhanger van het pantheïsme.
Pantheón, een aan alle goden gewgde tempel; (fig.) eeretempel voor de overledene groote en beroemde mannen.
Pantin, draadpop.
Pantjen, heerendienstplichtige op Java.
Pantocrati\'e, alleenheerschappy.
Pantograaf, werktuig tot natcekenen en verkleinen der omtrekken, teekenaap.
Pantomime, miemen- en gebarenspel, gebarenspraak.
Pantomimiek, geharenkunde, kunst der gebarenspraak.
pantomimisch, door gebaren uitgedrukt.
Pantomimlst, uitvoerder van \'t gebarenspel
Panurge, Panurgus, doortrapt, geslepen mensch, schelm.
Panurgie, arglistige boosheid, geslepenheid, doortraptheid.
Panürgisch, sluw, doorslepen, doortrapt, arglistig.
Paolotti, z. Minimen.
Papa, vader; paus.
papaal, pauselijk: papaal systeem, stelsel der pausclyke opperheerschappg in de kerk.
papébel, bevoegd om tot paus verkozen te worden.
Papagéno-fluit = Pansfluit (z. aid.)
Papóver, maankop, slaapbol.
Paperassen, beschreven papieren, scheurpapier.
Paperhunt, ruiteroefening, bestaande in 3enc navolging der vossenjacht, waar by ecu ruiter den vos voorstelt en zyn spoor door papiersnippers aanwyst.
356 Papier-Joseph—Paradijs
Papier-Joseph, z. Joseph (le bet.); papier-maché, gestampt papier, papierdeeg: voor doozen, kistjes en allerlei kantoorwerk ; papier-mécanique, papier sans fin, niaelii-naal papier, papier zonder einde.
Papilion, vlinder.
Papillótten, papierreepen of rolletjes om het haar ter
krulling op te rollen.
Papiniaansche pot, slnitpot, luchtdicht sluitende ijzeren
pot, door Papin uitgevonden.
Papisme, pausdom ; pausgezindheid.
Papist, pausgezinde, aanhanger van den paus.
Papisterij, blinde gehechtheid aan den paus.
papistisch, pausgezind; (ook :) domroomsch.
Pópoeas, Papoes, zwarte bewoners van Nieuw-Guinea. Papolatrie, overdreven verkleefdheid aan den paus. pausaanbidding.
Péprika, roode Hongaarsche peper.
Papy rus, oud-Egyptisch papier, bereid uit den papyrusstruik of de papierplant.
Paquét, z. Pakket.
par, (fr.) door, uit, met, by, tot enz.
par, (kt.) gelyk. Par, paar, koppel. (uitwinning,
paraat, gereed, bereid, vaardig; parate executie, dadelyke Parabel, gelykenis, gdykenisrede.
parabólisch, by wyze van gelykenis; (ook-.) de gedaante
een er kegelsnede hebbende.
paraboliseeren, door gelykenissen spreken.
Parabool, kegelsnede, die parallel loopt met eene zyde des kogels.
par accident, bij toeval, toevallig; by ongeluk, par accórd, door vergclyk, by overeenkomst.
Parachute, daal-, valscherm aan den luchtbol.
Paracleet, raadgever, trooster, bemiddelaar.
paraclétisch, vertroostend, troostrijk, helpend.
ParAde, vertooning, pronk-, praalvertoon ; feestelijke wapenschouw ; afwering van een stoot of houw. Paradebed, staatsie- of pronkbed.
paradeeren, pryken, pronken; ter monstering staan ; zich
in \'t beste pak laten zien.
Paradigma, voorbeeld, model, monster.
Paradijs, (volgens den bybel:) de woonplaats van \'t eerste menschenpaar vóór den val, en ook die der zaligen
paradoxaal—Parate-executie 357
na dit leven; lusthof; hoogst genoeglyk verblgf; (iron.) bovenste galery in den schouwburg.
paradoxaal, strydig met de heerschende meening. Paradox, zonderling gevoelen.
Paradoxie, zonderlingheid in gevoelen of denkwgs ; zucht
voor \'t wonderspreukige.
Paraffine, uit bruinkool verkregen vetstof.
Paragóge, verlenging van een woord aan het einde, paragógisch, aan het eind verlengd.
Paragraaf, afdeeling in een geschrift (§).
Paralipómena, by voegsels tot een werk, inz. de boeken
der Kronieken in den bybel.
parallél, vergelyking, tegenover-elkander-plaatsing; eene lyn of een vlak, op gelykblyvenden afstand van eene andere lyn of een ander vlak; verbinding tusschen twee loopgraven.
Paralleloplpedum, langwerpige teerling.
Paralléllogram, vierzgdig vlak met evenwydige en gelijke tegenoverstaande zydcn.
paralogiseeren, verkeerde gevolgtrekkingen maken, paralyseeren, verlammen ; krachteloos maken.
Paralysis, verlamming, geraaktheid, beroerte.
paralytisch, lam, verlamd; aan eene beroerte onderhevig, raranimf, bruidgeleider, bruidjonker, speelgenoot; ceremoniemeester by bruiloften; geleider van een candidaat. Parapët, borstwering van een wal.
Paramp;phe, naamtrek, pennetrek onder de naamteekeuing; inz. verkorte naamteekening; (ook:) stempel, waarmee de handteekening wordt opgedrukt.
parapheeren, met de handteekening voorzien; zyn merk of naamtrek onder iets zetten. (schrijving.
Paraphrése, omschryvende overzetting, opheldereude om-paraphraseeren. omschryven, verklaren.
Paraphrést, omschryver.
paraphróstisch, omschrijvend, verklarend.
Parapluie, Paraplu, draagbaar regenscherm.
Parasiet, pannelikker, schuimlooper ; woekerplant; woe-kerdiertje.
parasitisch, tafelschuimend, schuimloopend; als een woekerplant of woekerdiertje.
Parasól, draagbaar zonnescherm.
Paréte-execütle, dadelyke uitwinning van een schuldenaar.
358 paratonnerre—par hasard
Paratonnérre, bliksematteider.
par avénce, als of bg wyze van voorschot.
Paravént, windscherm of -schut, Spaansche wand. parbleu ! te drommel! sakkerloot!
par bricóle, door op den band (der biljart) te spelen. Parcélle, deeltje; klein {ledeeltc lands, perceel, parceüeeren, goederen of landerijen verbrokkelen of stuksgewijs verkoopen. (leven. Pércen, schikgodinnen, bestuursters van \'t mensehelgk par complaisance, uit wellevendheid.
par couvért (verkort p. c.), onder omslag (op brieven), par depit, uit spijt.
Pardessus, overjas.
par Dieu! by God!
Pardón, vergiffenis, genade, strafopheffing; pardon! par-
donnéz, vergeef my ; neen.
pardonnabel, vergeeil.jk, verschoonbaar. (alen.
pardonneeren, vergeven, kwytschelden, door de vingers pareeren, een houw of steek afweren ; tooien, opschikken. Pareménten, versierselen, tooi, opschik.
Parentóge, maagschap, verwantschap, familie. Parénthesis, Parenthésis, tusschenzin, inlassching; het teeken der tusschenstelling ( ) of [ ]-, in parénthesi, ingesloten, tusschen haakjes gezet; in \'t voorbygaan. Pares, gelykgezinde of even sterke personen; zy die van
gelyken stand zyn.
Paresseuse, soort van damesrnuts; oorkussen op ccne sopha; licht sluitend lyfje, door dames in plaats van \'t corset gedragen.
par et impar, even en oneven.
par excellence, by uitnemendheid.
par exémple, (verkort p. e.), by voorbeeld.
par exprès, door een opzettelyken bode.
Parfait-amour, volmaakte liefde (zekere fijnebrandewyn). par fórce, gewelddadig, met geweld.
Parforce-jacht, dryf- of klopjacht, jacht met brakken. Parfum, aangename geur of lucht; reukwerk, parfumeeren, welriekend maken.
Parfumerie-waren, welriekende waren, reukwerk. Parfumeur, handelaar in reukwerken.
par grace, by genade, door gunst.
par hasard, toevallig, by toeval.
par honneur—Parole 359
par honneur, eershalve.
póri of al pari, gelyk, van gelqke waarde of gehalte;
zonder opgeld en verlies, z. au pair.
Pari, weddenschap.
Paria, Pariah, een Hindoe uit de laagste kaste of volksklasse in Indië; een uitgeworpene.
pariëeren, wedden.
pari passu, met geljjken tred.
Parisch marmer, wit marmer van \'teiland Paros. Parisienne, volkslied te Parijs, gedurende de revolutie van 1830 ; (ook :) parel, zeer kleine drukletter tussehen nonparel en rohyn (ook Sedanoise geheeten).
Pariteit, gelijkheid, rechtsgelgkheid. (wandeltuin.
Park, omtuind woud, diergaarde; wandelbosch, openbare Parkét, z. Parquet.
Parlage, gepraat, nuttelooze rede.
parlando, pariante, meer sprekend dan zingend, parieeren, spreken, praten.
Parlemént, ryksraad, ryksvergadering, vergaderde volksvertegenwoordigers der beide Kamers in Engeland. Parlementair, afgevaardigd en onschendbaar onderhandelaar ih oorlog.
parlementair, tot de vergadering der volksvertegenwoordigers of rijksstanden behoorend ; (fig.) hoffelyk. parlementeeren, onderhandelen, inz. voorstellen doen en aanhooren om eene plaats over te geven; in schikking Parloir, spreekkamer. (komen.
Pór lour, ontvangkamer, zijkamer, salon.
par malheur, bij ongeluk.
parmónt. fier, prat, deftig.
Parmezaan, eene in Panna gemaakte kaassoort.
Parnós, Parnassus, berg der zanggodinnen of muzen;
het gebied der dichtkunst.
Parnéssin, armverzorger bij de hedendaagsche Joden, par occasion, bjj gelegenheid.
par nóbile fratrum, (iron.) een lofFelyk broederpaar ; een
paar vreemde snaken of lustige drinkebroers. Parochiénen, kerspelbewoners, leden der kerkgemeente. Paróchie, kerspel, kerkgemeente. (gedicht.
Parodie, spotachtige nabootsing van een ernstig stuk of parodiëeren, spottend of schertsend nabootsen.
Paróle, woord, belofte, eerewoord; wachtwoord, paswoord.
360 paroniem—particulier
leus, herkenningswoord; p. d\'honneur, woord van eer. paroniem, stamverwant, van dezelfde afstamming. Paronomasie, gelgkluidendlieid der woorden.
par órdre, op bevel, op last.
Paroxysme, versterkte aanval, koortsaanval; hoogste graad
van smart, kommer enz.
par pistolét, (op het biljart:) uit de losse hand gestoo-ten, zonder de hand of de keu op het biljart te leggen, door een prikstoot.
par préférence. by voorkeur.
Parquet, afgezonderde ruimte in gerechtszalen; afdeeling met gescheiden zitplaatsen in de schouwburgen; ingelegde vloer; ingelegd werk (ook :) omstandigheid of toestand (bv. in het zeggen : hg is in een moeilgk parquet), parqueteeren, inleggen (een vloer).
par raillerie, uit scherts.
Parrain, peter, doopvader, doopgetuige.
par rétio, evenveel, gelijke verhouding.
par renommée, bij gerucht, bjj naam. (moord.
Parricidium, vader- of moedermoord, bloedverwanten-Parsimónie, Parcimónie, spaarzaamheid, karigheid.
Part, deel, aandeel; parten, streken, poetsen ; kuren,grillen; iemand parten spelen, iemand leelgk beet hebben, partageeren, deelen, elk zgn aandeel geven.
parteeren, deelen, afdeelen, indeden.
Partérre, verdieping, gelijkvloers; tuin- of bloembed ; bak (gedeelte der schouwburgzalen gelykvloers); (iron.) een — maken, een val doen, den grond kussen.
Partes, deelen; deelhebbers; p. genitaies, teeldeelen; p.
posteriores, lichaamsdeel waarop men zit, achterste. Pérthenon, Minerva\'s tempel op den burg te Athene, partiaal, deelswijze - afzonderlijk; partijdig, eenzijdig. Partialiteit, partijdigheid.
Participant, deelnemer, deelhebber, deelgenoot. Participatie, deelneming, deelachtigheid.
participeeren, aandeel nemen of hebben, medegenieten, particulariseeren, op zich zeiven plaatsen of beschouwen ; omstandig vertellen.
Particularisme, zelfzuchtige meening of handeling (bv.
die der Joden, dat Jehova alleen hun God is). Particulariteiten, bgzondere, nadere omstandigheden, particulier, byzonder, afzonderlgk, omstandig.
Particulier—Passaat 361
Particulier, ambteloos levend persoon, privaat persoon,
eenvoudig burger.
Partfe, party ; deel, stuk, onbepaalde hoeveelheid; gezelschap, uitstapje; een geheel spel, bv. eene — biljart, verbintenis of huwelgk; schuldpost; afzonderlijk uitgeschreven stem in de muziek; aanhang, zyde; — blanche, op het biljart; eenvoudig spel tusschen 2 personen met 2 ballen; — civile, civiele party, de eischer in eigen naam voor burgerlyke belangen in een crimi-neele zaak; parties honteuses, schaamdeelen; schandelijke dingen.
partiëel, deelswyze? gedeeltelyk; enkel.
Partisón, aanhanger, partijganger, vrybuitcr.
Partiséne, soort lans, spies.
Partitie, deeling, indeeling.
Partituur, alstemmig muziekstuk.
Pórtner, deelhebber, handelsgenoot; mededanser of -spe-
ler, dans- of speelgenoot.
partout, overal; (ook:) volstrekt.
Partridge, patrys.
parturiunt móntes, nascétur ridfculus mus, de bergen zyn in barensnood, en er zal een bespottelyke muis ter wereld komen.
Parure, opschik, tooi; pronkgewaad; stel of garnituur met diamanten; stel byeenbehoorende kraag en manchetten. (te vergelijken, pérva compónere mógnis, om kleine dingen met groote Parvenu, gelukskind, heer van gisteren, iemand, die niet door verdienste, maar door de fortuin uit een lagen in een hoogen stand verplaatst is. (menschen. pérvum par va décent, kleine dingen passen voor kleine Pas, schrede, tred; danstred; nauwe doortocht (bergpas); vrybrief, geleibrief, reisbrief; — de charge, stormpas, aanval met de bajonet.
Pasigraphie, algemeen voor ieder verstaanbaar schrift. Pésja, Pécha, ook Bassa, Turksch stadhouder.
Paskwil, schotschrift, lasterschrift (zonder naam desschry-
vers); iets bespottelyks, zots.
Paskwillént, schotschriftschryver, eerroover.
Póspoort, verlofbrief, vrygeleidebrief, reisbrief, (zenden, pasporteeren, een paspoort geven, met een paspoort weg-Passaat, Passaatwind, naam der bestendige winden, die
362 passabel—Pastel
tussclien de keerkringen in bepaalde jaargetyden geregeld waaien.
passabel, draaglijk, lydelyk, middelmatig.
Passage, doortocht, doorvaarf, doorgang, doormarsch, overvaart ; heen- en weergang, het doortrekken van men-schen en rytuigen door eene plaats; met glas overdekte straat voor voetgangers, met winkels en koffiehuizen; (ook:) plaats, uitdrukking, volzin uit een geschrift; plaats, gedeelte van een muziekstuk, dichtstuk enz. Passagier, reiziger op een vervoermiddel, doortrekker, passagierm = pitsjarem (z. aid.)
Passént, doorreizende, voorhygaande.
Passato, van of in de verleden of laatstvoorgaande maand. Pésse, (in de schermkunst:) uitval, sprong.
passé, voorhy, boven; p.-dix, boven 10 (dobbelspel), passeeren, voorhy- of doorreizen, doorgaan, doorvaren, enz.; overschryden, te boven gaan; voorvallen, gebeuren ; bewilligd of aangenomen worden; door den beugel kunnen, aangaan ; doorbrengen, verdrijven (den tyd); voor iets p., voor iets gehouden worden, gelden. Passeménten, snoeren, tressen, boordsel.
Passe-pariout, hoofdsleutel, looper, keizer ; horlogesleuteltje met verscheiden stiften van verschillende wijdte. Passe-pórt, z. Paspoort.
Passe-témps, tydverdryf.
passibel, Ijjdelyk; gevoelig.
Passibiliteit, lydzaamheid; gevoeligheid.
Passie, hartstocht, liefde; liefhebberij, zucht, drift; het lyden, inz. het laatste lijden van Jezus; (vandaar:) de passie-week, de lydensweek (voor Pasehen); passiepreek, lydenspreek.
Passief, het debet, verschuldigde.
passief, lydend, lydelyk, onwerkzaam; passieve handel, de handel met ingevoerde producten; passieve schulden, schulden, die men te betalen heeft; passieve tegenstand, tegenstand zonder dadelyke verdediging, passim, overal.
passioneeren (zich), in drift of vuur geraken, zich door
iets geheel laten innemen.
Péssiva = passieve schulden (z. aid.)
Passiviteit, Igdelyke toestand.
Pastél, verfstift, schilderstift van gedroogd verfdeeg.
Pastel-schilderen—Pathogenie 363
Pastél-schilderen, liet schilderen met droge verven, pasteuriseeren, (wjjn) verwarmen ter dooding vandegis-
tingskiemen.
paste us, deegachtig, vettig, week, zacht.
Pastiche, namaak van schilderwerk; muzikaal lapwerk; • misleiding, bedrog.
Pastieljes, Pastilles, halletjes uit meel, vruchtsap en suiker, horstplaatjes; reukballetjes, reukkaarsjes. (ter. Pastoor, herder, geestelijke, zielverzorger, gemeente-pries-pastoraal, herderlyk; landeljjk ; zielverzorgend. Pastoraat, ambt van een predikant of pastoor.
Pastoróle, herdersdicht, landelijke tooneelvertooning. Pastoralia, predikantszaken, pastorie-aangelegenheden. Pastorie, Pastorij, de woning van een geestelyke, van
een pastoor, predikant.
Pastrycook, pasteihakker.
Pat, toestand dos konings in \'t schaakspel, waarby hy, niet in \'t schmk staande, gespeeld moet worden, en dit niet kan, zonder zich zeiven in \'t schaak te zetten. Pataróffe, onleesbare penuetrek, gekrabbel, onduidelyke
handteekening.
Patént, open brief der overheid; acte eener aanstelling; jaarlyksch vergnnningsbewys ter uitoefening van een beroep; vrybrief, waarbij aan iemand zekere voordcelen of voorrechten worden toegestaan (octrooi).
patént, (pop.) naar behooren, naar eisch, goed, ferm. patenteeren, een patent uitreiken.
Patént-waren, zulke waren, die onder genot van een of
ander voorrecht vervaardigd worden.
Pater, vader; kerkvader; ordesgeestelyke; — familias,
huisvader; — patriae, de vader des vaderlands. Péterbier, krachtig bier voor de oppersten in de kloosters; (vandaar ook:) liet patersvaatje.
paternél, vaderlyk.
Paterniteit, vaderschap, vaderlyke waardigheid. Paternóster, het Onze-Vader; rozenkrans der R. K., bidsnoer ; (ook:) handboei; ketting zonder eind. Paternósterwerk, zekere putmachine.
Pater peccavi, vader, ik heb gezondigd; schuldbelijdenis, pathétisch, hartstochtelijk, vol gevoel; roerend; nadruk-
kelyk, vol kracht en waardigheid.
Pathogenic, leer van het ontstaan der ziekten.
364 Pathognomie—Patroon
Pathognomie, kennis der gemoedsaandoeningen uit de gelaatstrekken en gebaren.
Pathognomiek, leer van de ziekteteekenen.
Pathologie, ziekteleer, ziektekunde.
pathologisch, tot de ziekteleer belioorend.
Péthos, hartstochtelijke verhevenheid, hartroerende uit-
dmkking. nadruk; gezwollenheid.
Patience, z. Patientie.
Patiént, lijder, kranke, zieke.
patiéntia vleit ómnia, geduld overwint alles.
Patiëntie (fr. Patiénce), geduld; ook zeker kaartspel.
Patina, patine, schaal, schotel; bruine korst.
Patisserie, pasteigebak; banket.
Patois, bedorven landspraak, boerenspraak, koeterwaalsch.
Pétres, vaders; kerkouders ; eernaam der oud-Ronieinsche raadsheeren; z. ad.
Pétria, vaderland; pro —, voor \'t vaderland.
Patriarch, oudvader, stamvader, aartsvader, familiehoofd; opperbisschop, inz. in de Grieksche kerk.
patriarchaal, aartsvaderlijk; hoogst eerwaardig.
Patriciër, adellijk burger in het oude Rome en in de voormalige Duitsche rijkssteden; (in \'talg.:) ieder aanzienlijke, groote.
fatrlcisch,atrlcisch,adellijk; raadsheerlijk; voornaam.
\'atrijs, oorspronkelijke vorm of stempel (waaruit in de lettergietergen de m a t r jj s ontstaat.
patrimoniaal, tot het vaderlijk erfgoed belioorend, geërfd, aangestamd.
Patrimónium, vaderlijk erfgoed, aangeërfd vermogen; p. Pétri, het erfdeel van Petrus, het gebied van Rome.
Patriomanie, overdreven zucht voor \'t vaderland.
Patriót, vaderlandsvriend, volksvriend.
patriótisch, vaderlandlievend, staatsburgerlijk.
Patriotisme, vaderlandsliefde, burgerzin.
Patristiek, kennis der kerkvaders.
Patrocinatie, bescherming, verdediging.
patrocineeren, beschermen, in bescherming nemen.
Patronaat, beschermheerschap, waardigheid van schutsheer, van schutsvrouw.
Patronés, beschermster; schutsheilige; vrouw des patroons of meesters.
Patroon, beschermer, verdediger; beschermheilige; heer,
Patroontasch-Pectorale 365
meester, baas; koopvaardykapitein, schipper; (ook wel voor:) man, kerel, vent; (als onzydig woord:) (bv. een vroolijk patroon); vorm, monster, model, voorbeeld, teekening; (als vrouwelyk woord :) benoodigde hoeveelheid tot een schot, vervat in een houten, papieren of blikken koker.
Patroontasch, soldatentasch voor de patronen. Patrouille, soldaten loopwacht, wachtronde, patrouilleeren, de loopwacht, de wachtronde doen. Péttern, patroon.
pauca, sed bona, weinig, maar goed.
Pauken, keteltrommen.
Pauliner of Paulaner monniken, z. Minimen.
pauper, pauvre, arm.
Pauperisme, armwezen; toestand der armoede; leer van
de verarming, hare oorzaken en geneesmiddelen. Pauperteit, armoede.
Paus, opperhoofd der R. K. kerk.
Pause, rust; rustpunt; stilstand; rustteeken.
pauseeren, ophouden, rusten; eene poos zwjjgen.
Pauvre honteux, huisarme, die zich schaamt te bedelen, pavaneeren (zich), pronken, als een pauw daarheen stap-Pavé, steenen bestrating, phveiseL (pen.
Pavedét, postduif, brievenduif.
Paviljoen (fr. Pavillón), tentdek; tenthed; by- of zijgebouw, vleugel aan een paleis, hotel enz.; zomer-, buiten- of tuinhuisje; (ook:) elke vaan met de nationale kleuren, inz. vlag, scheepsvlag.
Pax, vrede; p. voblscum I vrede zy met ülieden! p. in-
tréntibus! vrede zy met de binnentredenden!
Pays, land; — de cocagne, luilekkerland; — légal, de
kiezers, het kiezersvolk.
Paysage, landschap; paysagist, landschapschilder. Paysan, boer; —ne, boerin.
Pear, peer.
Peccabiliteil, zondigheid.
Peccadfile, kleine zonde, vergeeflyke fout.
Peccétum, vergryp, misslag, zonde.
peccóvi, ik heb gezondigd, — eene fout begaan.
pecceeren, feilen, zich vergrijpen, zondigen.
Pécco, Pécco-thee, fijne Chineesche theesoort.
Pectorale, borststuk; borstlap der joodsche priesters.
366 Peculaat—Peloton
Peculaat, kasbesteling, het onderslaan van \'s lands gelden, staatsdiefstal.
Pecuiium, zelfverworven vermogen.
Pecunia, geld; vermogen. (haar, gereed,
pecuniair, pecuniëel, geld betreffend; in geld bestaande. Pedaal, voetklavier, voetregister.
Pedaalharp, harp met een voetklavier.
Pedagogiek, pedagogisch, Pedagoog, z. Paedag—. Pedamp;nt, schoolvos, waanwyze, opgeblazen sehgnweter. pedónt, pedantisch, sehoolvossig, waanwgs; smakeloos,
kleingeestig, bekrompen.
Pedanterie, schoolvosserij, verwaandheid; belaehelgke neiging om alles te verachten, behalve wat men zelf kent en uitoefent. [rechtbanken).
Pedél, voetknecht; dienaar, bode (op hoogescholen, hg Peda pcena claudo, de straf volgt met hinkenden voet
(d. i. langzaam) op de misdaad.
Pédestal, z. Piëdestal.
pedéstrisch, te voet.
pedo presto, met vluggen voet.
Peer, iemand van gelyken rang, talent, kunde enz.; En-gelsch edelman, groot heer, lord; tegenwoordig is h?t woord beperkt tot de leden van \'t Iloogerhuis, en tot Schotsche en lersche edelen, die, na door \'t volk gekozen te zijn, zitting in \'t parlement kunnen nemen, lid van den hoogen adel in Engeland (vgl. Pair).
Pégasus, muzen- of dichteren-ros, fabelachtig gevleugeld paard; — bestijgen of berijden, gedichten maken, dichten. (avondjapon.
Peignoir, poedermantel; gemakkelijke dames-ochtend- of Peine, moeite, onrust, verlegenheid, angst, nood; straf. Pejerétie, meineed, valsche eed.
Pejoratie, verergering, verslimmering.
Pelagoscoop, zcediepte-kgker.
pêle-mêle, door elkander, gemengd, verward, overhoop. Pelerine, pelgrimskleed; vrouwenmantel of -kraag; de
beroemde groote parel der ex-koningin van Spanje. Pelikaan, kropgans; snaveltang der wondheelers; soort
van verouderd geschut; glazen distilleer vat.
Pelisse, pels, pelsrok; lange, met bont gevoerde vrouwen-Pelleterie, pels- of bontwerk. (overjas, pelies.
Pelotón, rot, afdeeling voetvolk, gewoonlgk van 20—80
Pemmikan—Pensum 367
soldaten; pelotonsvuur, waarbg in zulke kleine afdee linden wordt gevuurd.
Pémmikan, A.merikaaiisch gepulveriseerd vleeseh in bussen. Penaal (fr. pénal), de straf betreffend; lyfstraffclyk;
Code pénal, z. Code.
Penaliteit, strafbepaling, straf, bestraffing.
Penant, muurstijl; tussclienmuur.
Penéten, buis- cn besehermgoden der Romeinen; (ook
zooveel als) eigen huis en baard.
Pence, z. Penny.
Penchént, neiging, zuebt, voorliefde tot iets.
Pendant, tegenstuk, tegenbeeld, zijstuk, tegenhanger. Pendule, slinger; hangklok, slingeruurwerk ; (ook-.) staand uurwerk.
Penélope, eene om huwelijkstrouw en huiselyke kunstwerkzaamheid beroemde vrouw (naar de gade van Ulys-penetrébel, doordringbaar ; uitvorschend. [ses).
Penetrabiliteit, doordringbaarheid.
penetrant, doordringend ; scherpzinnig.
Penetratie, doorgronding, inzicht, scherpzinnigheid, penetreeren, doordringen, indringen ; inzien, doorgronden,
uitvorschen.
penibel, moeilyk, bezwaarlijk; lastig, pynlgk.
Penitént, boeteling, berouwhebbende. (teling.
Peniténtie, berouw, boetedoening, boete; straf, pgn, mar-Pennaal, (in de [Duitsebe] studententaal:) een nieuw
aangekomene, een groen.
Penny (pi. pence), Engelsche penning — 5 centen. Penny-a-liner, berichtgever voor couranten, reporter. Pensée, gedachte, meening, inval; driekleurig viooltje;
(ook als adj.:) paars.
pensief, peinzend, nadenkend, zwaarmoedig.
Pension, eerewedde, rustgeld, jaargeld, pensioen; kosthuis; kostschool, opvoedingshuis, ook Pensionaat ge-Pensionaire, kostganger; kostleerling. (heeten.
Pensionaris, (weleer:) raadgevend advocaat by de stedc-lyke regeeringen onder de republiek der Vereenigde Nederlanden ; Raadpensionaris, (voorheen :)de opperste staatsdienaar der Algemeene Staten ; van 1805—18.06 titel van het opperhoofd der Bataafsche republiek, pensioneeren, (iemand) een pensioen, jaarwedde geven, rénsum, taak, de aan een scholier opgelegde taak.
368 Pentagoon—percuteeren
Pentagoon, vyfhoek.
Pentameter, vijfvoetig vers.
Pentarchie, regeering van vgf machthebbers; opperheer-
schappy der v\\jf Europeesche groote mogendheden. Pentateuch(us), de vyf boeken van Mozes.
Pente, helling; verval (van water).
Penultième, Peniiltima, op een na de laatste, voorlaatste : voorlaatste lettergreep van een woord.
Penurie, drukkend gebrek; groote behoefte. (school. Pepinière, boom- of plantenkweekerjj; kweek- of vorm-per, door, doorheen, wegens, voor, by, uit.
per accidens, by toeval, toevallig.
per accord, bü schikking, by accoord.
per acquit, voor quitantie, voldaan, betaald.
Peréctie, voleinding. (making.
Peraequétie, gelijkmatige verdeeling, vereffening, gdykma-perageeren, voleindigen, volbrengen; be-, afhandelen, per ambéges, met omwegen, met draaierijen.
per angüsta ad augüsta, door het lyden tot het verblyden. per érdua libertas, door moeilijkheden tot de vrijheid, per éspera ad óstra, door hobbelige wegen (bereiktmen)
de sterren, door lyden tot verblijden.
per cassa, met gereed geld (te betalen), contant.
Perceel, z. Parceile.
per cent (afg. pet. of %). ten honderd.
rercepteur, ontvanger der belastingen, accynsen of tollen, perceptibel, bemerkbaar, waarneembaar.
Perceptibiliteit, waarneembaarheid.
Percéptie, ontvangst, inzameling, heffing; waarneming,
voorstelling met bewustzyn.
percipiëeren, ontvangen, innen; vatten, doorgronden, per contént, tegen baar of gereed geld.
per conto, op of door rekening.
per of par couvert (p. c.)» onder omslag (op brieven). Percussie, stoot, slag, schok; botsing van twee lichamen; p.-geweer, zulk een, dat niet door haan en pan, maar door een hamer, die op een busje of slaghoedje met knalpoeder slaat, wordt afgeschoten; p.-siot, slagslot, hamerslot.
percuteeren, kloppen, stooten; een geneeskundig onderzoek (bv. van de borst) door percussie of aanklopping in \'t werk stellen.
perdendo—perimstrisch 369
perdéndo, zich verliezend, allenga afnemend.
Perdltie, eeuwige verdoemenis.
Perdrix, patrys; perdreau, jonge patrys.
perdu, verloren.
péreat! hy verga! liy sterve! weg met hem! Peregrinatie, omzwerving, oponthoud in een vreemd land. perigrineeren, in vreemde oorden leven, zwerven; ter
bedevaart gaan.
Perémptie, (eig. vernietiging, dooding); verjaring, ongel-
digwording (in rechten); eindbescheid.
peremplórisch, peremtórisch, peremptoir, een stryd opheffend, beslissend; eens voor altyd, zonder verder uitstel.
perenneerende planten, zulke, die het geheele jaar voortduren, overbly vende gewassen.
per expressum, door een afzonderlyken bode.
per fas et nefas, door recht en onrecht, door alle mogc-
lyke middelen.
perféct, volkomen, volmaakt, voltooid; uitmuntend! perfectlbel, volmaakbaar.
Perfectibiliteit, volmaakbaarheid.
Perféctie, voleinding, volkomenheid, volmaaktheid, perfectioneeren, volkomener maken.
Perfectum, (in de taalkunde:) volmaakt verleden tyd. perfide, trouweloos, verraderlyk.
Perfidle, trouweloosheid, trouwbreuk.
Perforótie, doorboring.
perforeeren, doorboren.
Pergamént, Perkament, dun schryfleder.
er govérno, tot naricht, tot richtsnoer.
ericardium, het hartzakje.
Pericópe, afdceling uit de evangeliën en brieven der apostelen, bestemd om op zon- en feestdagen voorgelezen en verklaard te worden.
ericuleus, gevaarlyk, hachclyk.
ericulum. Per ij kei, gevaar; waagstuk; periculum in
móra, gevaar by talmen of toeven, dringend gevaar. Perigaeum, aardnabyheid, grootste nabyheid eener planeet by de aarde.
Perlhélium, grootste nabyheid eener planeet by de zou. Perimeter, omvang, omtrek.
perimetrisch, in omtrek.
ELFDE DRUK. 24
37o perinde—Peroratie
perinde ac cadaver, als een lgk; leuze der jezuïeten, om de blinde gehoorzaamheid aan te duiden, die de orde van hare leden vraagt.
per indiréctum, door tusschenkorast van een derde. Perinéum, middelvleesch, bilnaad.
Perlóde, tijdruimte, tydvak; volzin.
Periodiciteit, terugkeer in zekere tijdruimten.
periodiek, periódisch, op zekere tijden regelmatig wederkeerend ; afwisselend, voorbijgaan 1; periodieke pers, periodieke geschriften, tijdschriften (maandschriften, journalen enz.); periodieke winden, wisselwinden, op gezette tijden waaiende winden.
Peripatéticus, aanhanger der leer van Aristotcles ; (ook:)
liefhebber van wandelen.
Peripherie, omtrek, cirkelomtrek; omvang, gebied. Periphróse, omschryving.
perissabel, vergankelyk, broos.
peristaltisch, wormsgewyze (zooals de darmbeweging). Peristyle, zuilengang, open plaats met zuilen omgeven, per jocum, uit kortswgl.
perjuriëus, meineedig.
Perjürium, meineed, valsche eed.
Perlustratie, nauwkeurige beschouwing.
perlustreeren, doorsnuffelen, nauwkeurig doorzien, per majóra (vóta), door meerderheid van stemmen, permaneeren, voortduren, blyven.
permanént, voortdurend, blijvend, onafgebroken. Permanéntie, het voortdurend aanblijven (bv. eener wetgevende of uitvoerende vergadering).
permeabel, doordringbaar.
Permeabiliteit, doordringbaarheid.
per mille (verk. p. m.), Pquot;quot; of van de duizend.
Permis, verlofbriefje, geleibriefje; (ook ;) verkorting van s\'il est permis, als \'t geoorloofd is, zooveel als: ik vraag (by \'t omberspel, quadrillespel enz.)
Permissie, verlof, vergunning.
permitteeren, vergunnen, toestaan, veroorloven. Permutatie, verwisseling, verplaatsing, omzetting, permuteeren, verwisselen, omzetten, verplaatsen, perniciëus, schadelijk, verderfelyk.
per occósie, by gelegenheid.
Peroratie, slotrede; openbare redevoering, oefeningsrede.
peroreeren—Persistentie 371
peroreeren, eene rede besluiten ; cene redevoering houden, per pédes, te voet; per pedes apostolcrum, te voet (als
de «apostelen).
Perpendiculair, loodlyn, verticale lijn.
perpendiculair, loodrecht, in \'tlood, rechtstandig:. Perpetratie, volvoering, het volbrengen of begaan eener perpetreeren, begaan, volvoeren. (misdaad,
perpetueel, altijddurend, levenslang, aanhoudend, perpetueeren, voortdurend onderhouden of voortzetten, vereeuwigen, altyd doen voortgaan: op de lange baan Perpetuïtelt, onafgebroken voortduring. (schuiven.
Perpétuum móbile, een voortdurend zichzelf bewegend perpléx, onthutst, verlegen, bedrenmield. (voorwerp. Perplexiteit, besluiteloosheid, verwardheid, onthutstheid, per procura of per procurationem, door of bij volmacht, door een gevolmachtigde, een plaatsbekleeder, zaakwaarnemer enz. by volmacht.
perquireeren, onderzoeken, uitvorschen.
Perquisltie, onderzoek, nasporing, huiszoeking.
Perron, stoep, optred, bordes; verhoogde plaats aan een
station om uit en in-te stappen.
Perruquier, pruikmaker, haarkapper.
per saldo, als te goed, als overschot van de vorige rekening, bg slot van rekening.
per séltum, door een sprong.
perscribeeren, opteekenen; overschreven.
per sé, op zich zelf, van zelf, xiit zijn aard. persecuteeren, vervolgen, tot stand brengen, uitvoeren;
gerechtelyk vervolgen, benauwen.
Persecütie, gerechtelgke vervolging, nazetting.
per sedes, door den stoelgang.
persequeeren = persecuteeren (z. aid.)
Perseveróntie, volharding, standvastigheid.
persevereeren, volharden, volhouden.
Persico, op perzikpitten getrokken en verzoete brandewijn. Persienne, fijn Perzisch sits; buitenzonnescherm van
schuins in een raam gezette houtstrooken.
Persiflége, hoonende plagerg; fijne bespotting, bespottende lof, fopperij. (foppen, persifleeren, fijn belachelgk maken, voor den gek houden, persisteeren, volharden, op iets big ven staan. Persistentie, volhardinsr; eigenzinnigheid.
372 persolveeren—Perversie
persolveeren, geheel afbetalen.
Personage, persoon, inz. belangryk, aanzienlgk persoon; rol, die iemand op het tooneel te spelen heeft; (ook:) zenderling mensch. (wild persoon.
Persóna gréta, iemand die men gaarne ziet, bemind, ge-personaliseeren, persoonlykheden zeggen, op den man aan
spreken, beleedigingen uiten.
Personaliteit, persoonlijkheid, eigenschap van een persoon ; —en, persoonlgkheden, persoonlijke beleedigingen, aanrandingen, zinspelingen.
personeel, persoonlijk, in eigen persoon, zelf; personeele crediteur, wie voor zyne schuldvordering geen onderpand heeft.
Personeel of personeele belasting, zulke, die men niet voor zyn grondeigendom, maar voor zijn peraoon, zyn ambt of beroep, zyne woning, zyne consumptie doet betalen, hoofdgeld; personeel, (ook :) aantal personen, waaruit een college, bureau, werkplaats enz. bestaat. Personificétie, voorstelling eener zaak als persoon, persoonsverbeelding.
personificeeren, verpersoonlijken, persoonlyk maken, le-venlooze zaken sprekend invoeren en als handelende personen voorstellen.
Perspectief, verrekijker; vergezicht; vergezicht-schilder-of teekenkunst; doorzichtkunde; uitzicht in de toekomst. Perspicaciteit, scherpzinnigheid, scherpe, heldere blik. Perspirétie, onmerkbare uitwaseming.
per stirpes, naar de stammen (bv. erven).
persuadeeren, overreden, overtuigen; wysmaken; overhalen, bepraten.
Persuésie, overreding, overtuiging.
persuasief, overtuigend, overredend.
per tertium, door een derden persoon.
Pertinaciteit, hardnekkigheid, verstoktheid.
pertineeren, op iets betrekking hebben, daartoe behoo-ren, dat betreffen. (den eisch.
pertinént, tot de zaak behoorend, doelmatig, juist, naar Pertinentiën, het toebehooren, de bijstukken.
Perturbatie, storing, ontsteltenis, wanorde.
perturbeeren, storen, verontrusten, verwarren. Peruviaansche ba«t, kinabast.
Pervérsie, verandering ten kwade, verslimmering, verderf.
Perversiteit—peu de gens 373
Perversiteit, verdorvenheid, slechtheid.
perverteeren, verdraaien, vervalschen, ten kwade veranderen; verleiden.
per vlam, langs den weg, door middel van.
per vóta majóra, by stemmenmeerderheid.
pesónt, zwaar, wichtig; hezwaarlgk.
Péso, gewicht, zwaarte, last.
Pessimisme, de leer, dat de wereld door en door slecht is; zucht om van alles slechts de zwarte zijde te zien. Pessimist, aanhanger of verdediger van het pessimisme, iemand die alles ten kwade uitlegt en van de zwarte zjjde beschouwt.
pestifereeren, verpesten.
Pestiléntie, pestziekte, besmetteiyke ziekte.
pestilentiëel, pestaardig; verpestend, aanstekend; hoogst
schadelik of gevaarlijk.
Petórde, springbus, poortbreker; klapbus, zwermer. Petént, aanzoeker; vrijer.
Peterolie, z. Petróleum.
petilleeren, knetteren, knapperen, kraken; (van wijn:)
parelen, fonkelen, schuimen.
petiilént, paarlend, schuimend, opbruisend; (fig.) vurig,
levendig; fonkelend.
petit, klein, gering, kort, onbeduidend.
Petitie, verzoek, verzoekschrift, smeekschrift. Petitionnair, smeekende, degene, die een verzoek bq hoo-
ger gezag indient.
petitioneeren, een verzoekschrift indienen, aanzoeken. Petitio principil, het aanvoeren van iets als bewijsgrond,
dat zelf eerst bewezen moet worden.
Petit-maitre, pronkertje, modegek, windbuil.
Petrofócten, Petreficatiën, versteeningen Petrificétie, versteening, verandering in steen, petrificeeren, versteenen, in steen veranderen. Petróleum, steenolie, berg- of aardolie, peterolie.
Pétto, borst, boezem, binnenste; in — hebben of houden, in \'t hart hebben, by zich behouden, verzwygen. petulónt, dartel, moedwillig, baldadig, lichtzinnig. Petul£ntie, moedwil, dartelheid, lichtvaardigheid, peu amp; peu, langzamerhand, allengs, van lieverlede, peu de gens savent être vieux, weinig menschen verstaan de kunst oud te zyn.
374 Peuple—Phebe
Peuple, volk.
peupleeren, bevolken.
peut-étre, misscliien, wellicht.
Phaenomeen, z. Phenomeen.
Phaëton, zoon des zonnegods, berncht door z\\jn val; hooge, lichte, onbedekte wagen; open rytuig met een zonnedak.
Phalanstère, de algcmeene werkinrichting, zooala zy dooiden Franschen socialist Fourier werd ingesteld. Phólanx, gesloten krygsbende, dicht opgesloten, met een carré te vergelyken troep soldaten (van 4, 8 tot 16 duizend man); keurbende phantaseeren, met zijne gedachten rondzwerven, zich aan levendige voorstellingen overgeven, in gedachten dwepen, in ziekte raaskallen, ijlen ; (ook:) voor de vuist of naar zyn gevoel en zyne invallen een instrument bespelen.
Phantasfe, inbeelding, verbeeldingskracht, verdichtingsvermogen ; hersenschim, droombeeld ; gril, luim, kuur; (ook:) kunstvoortbrengsel, waarby_ile kunstenaar enkel zyn scheppende verbeelding, geen model of bepaalde kunstregels gevolgd heeft.
Phantasmagoric, geestenbezwering, schyntoovery. Phantést, dweper, grillig mcnsch. (mal.
phantóstisch, op inbeelding berustend, dwepend, grillig, Phantoom, gewrocht der inbeeldingskracht, droomschrik-
beeld, spook, geest.
Phérao, Faro, zeker bankspel of hazardspel met kaarten. Phariseër, (eig. een afgezonderde) schynhcilige, pilaarbyter. pharaséïsch, huichelaclitig, schynheilig.
Pharmaceut, artsenybereider, apotheker.
Pharmaceutiek, kunst der artsenijbereiding, pharmaceutisch, artsenijkundig, de artsenij betreffend. Pharmacfe = Pharmaceutiek (z. aid.)
Pharmacopoea, kunst of leer der artsenybereidiug; verzameling van voorschriften ter artsenybereiding, apothekershandboek, -receptenboek.
Pharmacopóia, artsenijverkoopcr.
Pharus, vuurtoren, vuurbaak, zeevuur, kustlicht.
Phasen, lichtgestalten, schyngestalten, inz. van de maan;
afwisseling van gedaante, van tooneel, van lot.
Phebe, beter Phoebc, de maan.
Phebus—Phlebotoom 375
Phébus, beter Phoebus, zonnegod; (fig.) de zon; hoogdravende spreek- of schrijftrant.
Phelloplastiek, de kunst om allerlei figuren uit kurk te
snyden, het beeldsnyden uit kurk.
Phénix, beter Phoenix, fabelachtige vogel, die zich door zelfverbranding weder verjongt; (vandaar:) iets zeldzaams, voortreffelijks, onvergankelijks Phénix-gezelschap, naam eener maatschappij van brandwaarborg in Engeland (omdat zij nieuwe gebouwen uit hare asch doet oprijzen).
Phenomeen, verschynsel, inz. natuur-, luchtverschynsel;
zonderling voorval, vreemde gebeurtenis.
Philadelphie, broeder- of naastenliefde.
Philaleeth, waarheidsvriend.
Philanthroop, menschenvriend.
Philanthropic, menschenliefde.
philanthrópisch, menschlievend, minzaam, liefderijk, philharmónisch, de toonkunst beminnend.
Phiihellénen, Grieken-vrienden.
Philippica, hevige strafrede; krachtige redevoering, waarin iemand ten toon gesteld, ontmaskerd, doorgehaald wordt (naar de redevoeringen van Demosthenes tegen Philip-pus van Macedonië).
PhiKster, de Duitsche benaming voor ons Philistjjn; (ook:) ieder niet-student; mensch van platburgerlijke denkwijs, ploert. (schap.
Philologie, taalliefde; taal- en oudheidkunde, taalweten-Philoloog, taalvriend, taal- en oudheidkundige. Philoméle, zangvriendin; nachtegaal. (voeding.
Philopaedie, liefde voor kinderen ; zucht voor hunne op-philopeedisch, kinderlievend; der opvoeding toegedaan. Philosoof, wysgeer, verstands- of wijsheidsleeraar. Philosophéster, schijnwijsgeer, waanwijze, philosopheeren, over de hoogste voorwerpen nadenken; wgsgeerig eene stof behandelen; de oorzaken der dingen opsporen.
Philosophie, wijsbegeerte, wijsheids- of waarheidsleer. philosophisch, wijsgeerig, verstands-wetenschappelijk. Philosophfst, schijnwijze, waanwijze, valsche philosoof. Philtrum, liefde- of tooverdrank om liefde op te wekken. Phiool, buikvormig glazen vat.
Phlebotoom, laatlancet, laatvlijm, snepper.
376 Phlegma—physiek
Phlegma, phlegméiisch, z. Fleg—.
phlogistisch, brandbaar.
Phcebus, Phoenix enz., z. Phe—.
Phonetisme, afbeelding der klanken, ideeënvoorstelling
door klankvoorstelling.
phonetisch, phónisch, den klank betreffend, klinkend;
phonisch gewelf, klankgewelf. (acustiek.
Phoniek, kunst der klankverceniging, volgens de leer der Phorometrie, bet nieten der draagkracht.
Phosphaten, phosphorzure zouten.
Phosphorescéntie, bet vanzelf liebt geven in hst duister
(als eigenschap van vele lichamen).
phosphoresceeren, in het duister vanzelf licht geven. Phósphorus, phésphor, (eig. lichtbrenger) de morgenster; een kleurlooze, ontvlambare, vergiftige, in het duister lichtende en in de lucht naar knoflook riekende stof, die men eerst uit urine, maar nu meest uit hoenderen verkrygt.
Photograaf, Photographist, lichtbeeldenmaker. Photographic, kunst om lichtbeelden voort te brengen, hetzy op metalen platen (da g u e rr o t y p 1 e), hetzij op papier (t a 1 b o t y p i e); (ook :) lichtbeeld. Phototechnlek, verlichtingskunst.
Photometer, —scoop, lichtmeter. (bracht.
Phototy\'pe, lichtbeeld, door de daguerrotype voortge-Phrasc, spreekwijze, uitdrukking.
Phrascologfc, verzameling van spreekwazen.
Phrcncsfe, waanzinnigheid, verstandsverbijstering, phrcnctisch, —ick, waanzinnig.
Phrcnologfc, hersenleer; verstands- of gemoedsleer. phry\'gische muts, roode muts van bgzonderen vorm, als
zinnebeeld der vrybeid.
Phryne, boeleerster.
Phthy\'sis, tering, uittering.
Phylactérion, wachtpost, schutswacht; behoedmiddel of amulet; naam van een Protestantsche vereeniging, die de fnuiking van den R. K. invloed ten doel beeft. Phy\'lax, wachter, beschutter (inz. als hondennaam). Physlatric, geneeskracht der natuur.
Phy\'sica, natuurleer, natuurkunde, natuurwetenschap. Phy\'sicus, natuurkundige.
physick, physisch, natuurkundig; natuurlyk j lichame-
Physiocratie—Pic-nic 377
lijk, dierlijk; (ook:) volstrekt, zonneklaar (bv. dat is physiek onmogelijk).
Physiocratie, ktaclit der natuur; kennis der natuurwetten en krachten.
physiocratisch systeem, dat stelsel in de staatsliuishoud-kunde, volgens hetwelk de hoogste bloei van den landbouw de gewichtigste bron van \'s volks rgkdom is.
Physiognomonie, de kunst om iemands karakter en neigingen uit de gelaatsbcschouwing te leeren kennen.
Physiognomie, gelaat, voorkomen; z. Physiognomonie.
Physiognomist, gelaatkundige.
Physiologie, leer van de natuurlgke gesteldheid en werkzaamheid der bezielde lichamen.
Physioloog, natuur- of lichaamsonderzoeker; kenner der menschelgk-dierlijke natuur.
Physionomie, Physionomist, z. Physiogn—.
phy sisch, z. physiek.
Phytograaf, plantenbeschrgver.
Phytographie, plantenbeschryving.
Phytologie, plantenkunde.
Phytotomle, plantenontleedkunde.
pia desidéria, pia vota, vrome wenschen (waarvan de vervulling niet waarschijnlijk is).
Pianino, verticale of opstaande piano.
Pianist, piano-speler.
Piéno, Piano-forte, ook Forte-piano, hamerklavier.
piano, zacht (te spelen); pianissimo, zeer zacht.
Piasten, afstammelingen der eerste Poolsche koningsfamilie, die sedert hun stamvader Piast van de 9de eeuw tot 1386 heerschten.
Plóster, rekenmunt van verscheiden landen: in Italië 2 gl. 25 tot 2 gl. 35 et.; in Spanje ongeveer 2 gl. 60 ct.; in Turkye eerst ruim 1 gl. 80 ct., later 75^ ct., sedert 1856 niet meer dan 12 ct.
Piézza, plaats, plein, marktplein in Italië.
Picadór, lansvechter (by \'t stierengevecht).
Picanterie, verbastering van Picoterie.
picarische roman, schelmen- of bedelaarsroman.
Piccolo, kleine dwarsfluit.
Pickles, in azijn ingemaakte, sterk gekruide spy zen.
Pickpocket, zakkenroller.
Pic-nic, z. Piekeniek.
378 Picoterie—pileus
Picoterie, stekelachtige rede, hekeling.
Pictomanie, overdreven zucht voor schilderijen.
Pictura, schilderkunst; schilderwerk.
Pie, taart, pastei.
Pièce, stuk, geldstuk; los hlad ; kamertje, vertrek; — amp; tiroir, onsamenhangend, uit losse tooncelen bestaand tooneclstuk. (tjjd komt.
Pied cl terre, optrok, klein verblijf waar men van tqd tot
Piedestal, Pédestal, voetstuk van eene zuil, van een standbeeld enz.
pieno, vol, volstemmig.
Pier, op pylers rustend havenhoofd, steiger, dam.
Pierrót, de onnoozele, altyd gefopte, vaak afgeroste hansworst van \'tFransche tooneel.
Piëteit, vroomheid, kinderlyke liefde, vooral jegens overledenen, of ook jegens voorouderlyke zeden en gewoonten.
Piëtisme, z. Piëtisterij.
Piëtist, fijnvrome, fijnman, pilaarbyter.
Piëtisterij, Piëtisme, fijn vroomheid, kwezelary.
piëus, vroom, godvruchtig.
Piezometer, werktuig ter bepaling van de samendrukbaarheid der vloeistoffen.
Pig, varken.
Pigeon, duif.
Pigmént, kleurstof, verfstof, verf, kleur, blanketsel.
Pignorótie, verpanding; pignoreeren, verpanden.
Pik, z. onder Pique.
piként, stekend, prikkelend, puntig, stekelig, treffend.
Pikanterie, wangunst, nyd, beroepsjaloezie, broodnyd (z. ook Picanterie).
Piké, katoenen stof, welker weefsel gestikt schynt.
pikeeren, steken, prikkelen, beleedigen, krenken.
Pikeniek, gemeenschappelgke maaltyd, waartoe ieder deelnemer bydraagt.
Pikét, veldwacht, legerwacht; bekend kaartspel tusschen 3 personen • piketten, het genoemde kaartspel spelen.
Pikeur jager te paard ; voorrijder; paardenafrichter; (ook :) meisjes- of vrouwenjager.
Pikol, handelsgewicht op Java, Madras, China enz., doorgaans op 60 kilo gerekend.
Piléster, vierkante pilaar, kantige zuil.
pileus, harig, behaard.
Pillow—Pistool
Pillow, geschoren stof van half linnen en half katoen. Piloot, stuurman; loods, loodsman.
Pilositeit, harigheid, behaardheid.
Pimént, Jamaïea-peper; specery-niengsel.
Pinacotheek, schilderyverzameling, kunstkabinet.
Pinés, soort van sloep met 6 riemen (een kleine galei, naar v. Lennep\'s Zeemans-Woordenboek); lang en smal postschip; spiegelschip.
Pince-nez, knypbril.
Pincétte, kleine tang der chirurgen.
Pinchbeck, goud nabootsend metaalmengsel, geel koper. Pindus, muzenberg, berg der zanggodinnen.
Pinguïn, vetgans.
Plnxit, hg heeft (het) geschilderd. (bord.
Pión. boer of looper in \'t schaakspel; schgf op het dam-Pioneer, eerste kolonisten in liet verre westen van N.Amerika, ontginners van den bodem; baanbreker. Pionnier, schansgraver (sappeur, mineur of pontonnier). Pique, heimelijke haat, bedekte nijd; piek, spies; schoppen (op de speelkaarten); een pique (pik) op iemand hebben, het op iemand geladen hebben.
Piqué, z. Piké.
Pique-nique, z. Piekeniek.
Piraat, zeeroover; piraterie, zeerooverg. (schuitje.
Pirogue, prauw, uit een hollen boomstam vervaardigd Pirouétte, draaisprong ;b\\j dansen en paardrijden), pirouetteeren, eene cirkelzwenking maken, zich op éen
hiel geheel omdraaien.
pis aller, (het) ergste geval; iets dat men neemt bg gebrek aan beter, het laatste hulpmiddel.
Pisang, paradgs- of Adams-vygeboom (in Azië, Afrika
en W.-lndië).
Pisces, de Visschen (sterrenbeeld des dicrenriems). Piscicultuur, kunstmatige vischteelt.
Pisé, gestampte aarde tot bouwen, stampaarde. Pissasphélt, bergteer, bergpik.
Pistéche, groene amandel; pimpernoot, k\'.appernoot. Piste, spoor (van paarden en wild). (taling.
Pistóle, byzondere verpleging in de gevangenis tegen be Pistón, pomp, zuiger; stempel; het stifje, de koker voor
de slaghoedjes der geweren.
Pistool, goudmunt van verscheiden landen, ter waarde
379
380 Pitsjaar—Planche
van 9» è. 10 gulden; (ook:) bekend vuurwapen, dat met éene hand wordt afgeschoten.
Pitsjaar (van \'t Eng. pitch-yard, uitgestoken steng), witte seinvlag oiu de passagiers of de sloep aan boord te roe-Pitsjaren, voor éen dag aan wal gaan. (pen.
pittorésk, schilderachtig, schoon, bekoorlik.
piu, meer; — adagio, wat langzamer; —forte, wat sterker ; — piano, wat lichter; — presto of stretto, nog pium desiderium, vrome wensch. (sneller.
Pivot, spil, duim, har; draaipunt.
placébel, verzoenlgk, vredelievend.
Placabiliteit, verzoenlgkheid.
placeeren, plaatsen; uiteenzetten; beleggen.
Placénta, moederkoek, nageboorte.
Placet, Placétum, koninklijke toestemming, inwilliging der landsregeering, inz. tot bekendmaking en uitvoering van pauselyke verordeningen ;(ook;) kort verzoekschrift; stoeltje zonder leuning.
plécet, het behaagt, wordt toegestaan, — goedgekeurd. Placiditeit, zachtmoedigheid, gelatenheid. (schilderstuk. Piafónd, kamerzoldering, gipszoldering; dekstuk; deic-plafonneeren, de zoldering eener kamer bekleeden. Plagiaat, mensclienroof; boekenplundering, onrechtmu-
tige toeëigening van eens anders letterarbeid. Plagicirius, Plagiator, menschenroover; boekenplunderaar, letterdief.
Plaid, geruite wollen mantel der Bergschotten, plaideeren, pleiten; een rechtsgeding voeren.
Plaidoyer, pleitrede.
Plain-chant, eenvoudig koraalgezang.
Plainte, klacht.
plaisént, vermakelijk, grappig, zonderling.
plaisanteeren, kortswylen, schertsen, gekscheren. Plaisanterie, scherts, kortswijl, boerterij; — ^ part,
scherts ter zgde.
Plaisir, pleizier, vermaak, verlustiging.
plait-il ? wat belieft u ? wat zegt gg ? (ook euphemisdsch
gebezigd voor :) geheim gemak, sekreet (p I a t i e). Plakkaat, openbaar afgekondigde en aangeplakte kennisgeving van de regeering.
Plan, vlakte; ontwerp; platte grond, grondteekening. Planche, plank; metalen plaat; kopergravure.
Planchet—Plated 381
Planchét, balein in een corset of rgglijf.
planconcaai, vlakhol; p.-glas, glas, dat aan deeenezyde
plat en aan de andere hol-gebogen is.
planconvex, vlakhol; p.-glas, dat aan de eene zyde
plat en aan de andere bol-gebogen is.
planeeren, effenen, gelijk- of gladmaken; drukpapier lg-men, het door met aluin gekookt lynwater (planeer-water) halen.
Planeerhamer, plethamer der goud- en kopersmeden. Planeet, donkere hemelbol, die haar licht van de zon ontvangt, oni welke zy zich in ecne meer of minder elliptische haan beweegt; ook dwaalster geheeten, wegens de schynbare onregelmatigheid barer beweging. Planetérium, lyst der planeten; kunstwerktuig, dat den
loop der planeten om de zon voorstelt.
Planiglóbe, z. Planisfeer.
Planimetrie, vlaktemeetkunst.
Planisfeer, afbeelding van een halfrond des aard- of he-
melbols op een plat vlak, wereldkaart, hemelkaart. Plantége, beplanting, plantsoen; streek lands door de Europeanen in Oost- en West-In dl ë met tabak, katoen, ryst, suikerriet enz. beplant.
planteeren, planten stellen, zetten.
Planteur, planter.
plaqueeren = plateeren.
Plasma, beeldwerk, beeld.
Plastiek, plastische kunst, boetseerkunst in gips, leem, was enz.; lichamelijk vormende kunst, ook de beeldhouwkunst en beeldgietery omvattende.
plóstisch, lichamelijk vormend, gedaantegevend, boetsee-Plamp;stograaf, schriftvervalscher. (rend ; scheppend.
Plastographfe, nagebootst schrift; schriftvervalsching. Plastron, borststuk, borstlap der schermmeesters.
Plat du jour, gerecht van den dag (in restaurants enz.),
dat tegen vasten prys verkrijgbaar is.
Plateau, bergvlakte, verheven vlakke plaats; tafelplank; theeblad; draaischijf (op spoorwegen); groote schaal (van een weegbrug of weegtoestel).
Plate-bande, smal tuinbed langs een heining of muur of
om een bloemstuk, rabat.
Platéd, Pleet, met goud- of zilverplaatjes overtrokken metaal, geplateerd metaal.
382 Plate-forme—Plenum
Plate-fórme, plat huisdak, plat op een huis; geschutbed-ding op eene hoogte; opgehoogde, vlakke plaats met vrg uitzielit, terras.
plateeren, platteeren, ook plaqueeren, met goud- of zilverblaadjes vergulden of verzilveren.
platie, z. plait-il.
Platina, wit goud (het zwaarste metaal).
Platitude, gemeene uitdrukking; platheid, gemeenheid.
Platmenóge, tafelstel met velerlei klein vaatwerk voor
zout, peper, mosterd, olie, azyn enz.
Platónisch, wat Plato of zijne leer betreft; bovenzinnelijk; —e liefde, louter geestelijke, van al het zinnel jke ontdane liefde; —e republiek, voorbeeld eener volkomen staatsinrichting, gelijk Plato die ontwierp, platoniseeren, Plato navolgen, vrg van alle zinnelijkhsid Platonisme, leer en stelsel van Plato. (beminnen,
platteeren, z. plateeren.
plaudite! klapt in de handen! juicht toe!
plausibel, toejuichenswaard; aannemelijk, geloofwaardig,
waarschynlijk.
Plausibiliteit, waarschgnlijkheid, aannemelgkheid.
Play, spel.
Plebéjer, burger, niet-adellijke in het oude Rome; de
burgerlijke, gemeene man.
plebéjisch, onadellijk; tot het gros des volks behoorend;
aan het gepeupel eigen, gemeen.
Plebisciet, Plebiscitum, volksbesluit.
Plebocratie, volksregeeriug (liever Ochlocratie).
Plebs, de volksklasse, gemeene man.
Plédge of témperance, gelofte van matigheid.
Pleet, z Plated.
Pleiéden, het zevengesternte; (fig.) beroemd zevental. Pleidooi, Pleit, verdedigingsrede van een advocaat. Plein-pouvoir, Plenipoténtie, volle macht, onbepaald gezag ; schriftelyke volmacht,
Pleit, z. Pleidooi.
plenair, voltallig.
Plenipotentióris, gevolmachtigd gezant of minister.
Plenipoténtie, z. Plein-pouvoir.
pleno jure, met volle recht.
Plenty, volheid, overvloed.
Plénum, gezamenlijkheid; volle vergadering.
plenus—Plutus 383
plenus vénter non studet libénter, met een volle maag
gaat het studeeren niet goed.
Pleonasme, woordenovervloed, büeenplaatsing van gelyk-beduidende woorden of uitdrukkingen, hetzelfde met andere woorden zeggend.
pleonastisch, overtollig, overladen met gelgkbeteekenende
woorden of uitdrukkingen.
plethórisch, volbloedig, overrgk aan vochten.
Pleuresie, Pleuris, z. Pleuritis.
Pleureuse, treur- of rouwband, rouwflours, zwarte rouwrand aan papier.
Pleuritis, Pleuresie, borstvliesontsteking; droge hoest
of kuch met koorts; zgdesteek, zgdewee, pleuris. Plexus, vlechtsel, weefsel.
PM, vorm, plooi.
plica polónica, Poolsche vlecht (haarziekte).
pliëeren, vouwen, buigen; (lig.) deinzen, wyken.
Plissé, geplooid belegsel aan vrouwenkleedercn ; vouwdoek. Plomb, Plombe, lood, plombeerlood, zegellood, plombeeren, met lood stempelen, verzegelen; met lood aanvullen of volgieten (holle tanden). (ken.
plongeeren, indompelen, doen zinken; duiken, ouderdui-Plough, ploeg.
ployeeren, bulgen, plooien, samenvouwen.
Pluche, wolfluweel, halllluweel.
Plum, pruim; —pudding, groote rozijnkoek.
Plume, pen, veder, pluim.
Plumeau, vederdek, licht veeren dskkussen; veeren stoffer. Plurélis, meervoud.
Pluraliteit, meerderheid; de meeste stemmen.
plus, meer; en, geteld bij, vermeerderd met ( -);een—, een overschot, te-veel, meerder bedrag; plus-minus, meer of minder, ongeveer.
Plusmakerij, overdreven vermeerdering der staatsinkomsten tot nadeel der onderdanen; geldsnoeierij. Plusquamperféctum, meer dan volmaakt verleden tgd. Plüto, de bellegod, koning der onderwereld.
Plutocratie, geldheerschappij, heerschappij der rgken. Plutonist, aanhanger van bet stelsel, dat de vorming der aardkorst aan de werking van \'t ondcraardsche vuur of aan de vulkanen toeschrijft.
Plütus, de geldgod, god des rgkdoms.
384 Pluviometer—Point
Pluviométer, werktuig 0111 de hoeveelheid gevallen regen te bepalen.
Pluvióse, regenmaand, de 5de maand van den Er.-republ.
kalender (20 Jan.—18 Febr.)
Pneumatiek, luchtbewegingsleer; ook geestenleer, pneumatisch, tot de leer van de drukking en beweging der lucht behoorend, luchtaardig; tot de geestenkunde betrekking hebbend ; (ook:) het ademen betreffend;—e machine, luchtpomp.
Pneumonie, Pneumonitis, longziekte, longontsteking. Pbbel, gemeen volk, gepeupel.
Pocaal, z Bocaal.
Poche, zak; pochette, zakje; kleine vrouwenzak. Pócket-dictionary, zakwoordenboek.
poco, weinig; — allegro, een weinig vroolijk; — forte, eenigszins sterk; — lento, wat langzaam; — piano, eenigszins zwak.
Póculum, beker; poculeeren, bekeren, lustig drinken. Pódagra, voeteuvel, voetjicht; (pop.) pootje.
podagreus, met de voetjicht behept.
Podagrist, voetjichtlgder.
Pódding, z. Pudding.
Podesta, Podestaat, machthebber ; landvoogd ; stadsrechter of burgemeester in Italië.
Podex, achterste, aars, stuit.
Poëet, dichter.
Poëma, dichtstuk, gedicht.
Pffi\'na, straf, boete.
poenaal, de straf of boete betreffend (z. penaal).
Poeniténtie, z. Penitentie. (maakt den dichter.
Poëta nascitur, non fit, de natuur en niet de studie
Poëtóster, pruldichter, rijmelaar, verzensmid.
poëtisch, dichterlgk; in versmaat.
poëtiseeren, dichten, verzen maken.
Poëzie, Poëzij, de dichtkunst, het dichten; dichterlgk
gevoel; dichtmaat; gedicht, dichtstuk.
Poil de chèvre, (eig. geitenhaar) stof uit wol eu katoen, point, niets; deux —, twee om niets.
Point, punt; steek, stoot; oog op dobbelstecner., op kaarten; — d\'appui, steunpunt; — d\'honneur, punt van eer, eergevoel; — de vue, gezichtspunt, oogpunt; doel, wit.
pointeeren—Politie 385
pointeeren, stippelen, hesprenkelen; richten (geschut); bedoelen, op \'t oog hebben; mikken; tooncn, wyzen, (in hazardspelen:) op eene kaart zetten, wagen.
Pointeur, kaartbezetter; geschutrichter.
pointilleeren, bestippelen; met puntjes graveeren of teekenen; (ook;) beuzelen, zich met nietigheden ophouden, haarklooven, kibbelen, hakketeeren; stekelige zet-ten^ geven. (zelingen.
Pointillerie, muggenzifter^, vitlust, kibbelarij over beu-
Poissarde, vischwyf.
polair, de pool betrefFend; tegenovergesteld.
Polariteit, neiging van vrg zwevende magneten naar de magnetische polen der aarde.
Polemiek, twistleer, pennestrijd; verdediging van zyn geloof, zyne inzichten, meeningen enz. tegen andersdenkenden.
polémisch, twistend; polémische geschriften, twistgeschriften, inz. in zake van geloof enz.
polemiseeren, wetenschappelgk twisten. (der.
Polemist, geleerde redetwistvoerder, wetenschappelijk stry-
Polemoscoop, krygsverrekyker j walkyker; operakyker.
Polénta, ital. meelspys.
Poleographie, stadbeschryving.
poli, gladgemaakt, gepolyst; poli of poliet, beschaafd, welgemanierd, sierlyk; (ook:) listig.
Polichinél, hansworst, grappenmaker.
Policliniek, stedelyke heelkunde.
Poliep, veelvoet, plantdier of dierplant; (ook:) vleesch-uitwaa in of aan het menschelyk lichaam.
Polis, verzekering- of assurantie-bewys (— van assurantie).
Polisson, guit, deugniet, straatjongen.
Polissonnerie, guitery, jongensstreek, straatschendery.
Politesse, hoffelijkheid, welgemanierdheid, toon der groote wereld.
Politicus, staatkundige, staatsman; schrander, gevat, geslepen mensch, oolykerd.
Politie, handhaving der openbare orde en veiligheid der personen en eigendommen; gezamenlijke personen, welke voor die handhaving waken; staats- of stadsorde, volkstucht; politie-inspecteur, toeziener over de plaatselijke agenten van politie of dienders; boven hem in rang staat de politie-commissaris, die zelf weder onderge-ELFDE DRUK. 25
386 Politiek—Pommade
scliikt is nan \'t hoofd der plaatselijke politie, nl. den Inirgeraeester. (slepenheid.
Politiek, staatswetenscliap, staatkunde ; wereldkennis ; ge-politiek, staatkundig, tot de staatkimde behoorend, staats-
burgerlgk; (ook:) schrander, doorslepen, sluw. politiseeren, over staatszaken spreken; den staatsman
uithangen, tinnegieten.
Politoer, Polituur, glanzing; glans; glansmiddel, smeersel, waarmee men politoert; (fig. ook:) = politesse. politoeren, door een wryfrniddel glanzig maken.
Pólka, naam van een hekenden Poolschen dan».
Poll, naamlijst, kiezerslijst, aantal stemmen; de stemming voor parlementsleden en andere politieke verkiezingen. Pollen, stuifmeel.
Pollicitétie, eenzydige belofte, gelofte.
Pollutie, bevlekking, zelfbevlekking.
Polonaise, Poolsche dans: zekere vrouwenmantel.
Poltrón, bloodaard, lafaard.
Poltronnerie. lafhartigheid, bangheid.
Polyandrie, veelmannerg.
Polyarchle, Polyoratle, heerschappij van velen, polychrométisch, veelkleurig.
Polychromie, veelkleurigheid.
Polygamie, veelvoudige echt, veelmannerjj, veelwyverg.
Polyglotte, een in vele talen geschreven boek.
Polygoon, veelhoek.
Polygraaf, veelschrijver.
Polygram, door vele zgden begrensde figuur.
Polyhistor, veelweter.
Polyhymnia, de muze voor gezang en welsprekendheid, polymórphisch, veelvormig, van velerlei gedaante. Polyphaag, veeletcr, veelvraat. (gen.
Polytechniek, leer der kunsten en industriëele verrichtin-polytechnisch, vele kunsten en wetenschappen omvattend; polytechnische school, hoogere beroeps- of ambachtsschool.
Polytheïsme, veelgodendom, vereering van v^le goden. Polytheïst, aanhanger\'van het polytheïsme.
Pomeréns, oranjeappel; (ten onzent ook:) elastiek dopje of stooteinde aan de biljart-keu (in \'t Franach procédé geheeten).
Pomméde, haarzalf; lippenzalf.
pommadeeren—Pontificaal 387
pommadeeren, met pomade bestrijken, zalven.
Pomme, appel; — d\'amour, liefdesappel, paradijsappel;
— de Chine, sinaasappel.
Pomologie, ooftkunde, leer van de vruchten, pomológisch, ooftkundig, de ooftkunde betreffend. Pomoloog, ooftkenner, ooftkundige.
Pomóna, ooft- of tuingodin ; bescliry ving der tuinvruchten. Pompadour, brei- of modezakje der vrouwen.
pompeus, prachtig, pronkend, met praalvertooning (pompe);
hoogdravend.
Pompernikkel, grof, zwart Westphaalsch brood.
Pompier, pompmeester; brandspuitgast.
Pompón, wollen kuif op de soldaten-shako; ztfden ge-ponceau, hoogrood. (weer-overtreksel.
Ponceeren, met puimsteen afwrgven of gladmaken ; doorstuiven, doorgeprikte teekeningen, omtrekken, lynen met houtskoolstof sponzen.
ponctueel, stipt, nauwkeurig.
ponderóbel, weegbaar.
Ponderabiliën, weegbare lichamen.
Ponderabiliteit, weegbaarheid.
póndere, non numero, by \'t gewicht, niet by \'t getal: wegen, niet tellen. (waardig,
pondereus, zwaar, wichtig; nadrukkelijk; de overweging Ponderositeit, zwaarwichtigheid.
Pond sterling (afg. L. st.), Eugelsche gefingeerde munt
ongeveer = 12 gulden.
Pondus, gewicht. (munt = C gulden.
Pond Vlaamsch (afg. P. VI.), Nederlandsche gefingeerde Pónjaard, korte Spaanschc dolk.
Pony, klein Eng. rijpaard.
Pónny, rekenmunt in Bengalen, Calcuttr., Surate = li[ et. Pons, z. Punch.
Pons asinórum, ezelsbrug, verlichtingsmiddel voor min-
kundigen, onwetenden, zwakken.
Pont, brug; (ook:) veerschuit voor paarden en rgtuigen. Póntifex, priester; opperpriester, bissclop; —maximus,
priestervorst, paus.
pontificaal, priesterlijk; hoogepriesterlgk; bisschoppelijk. Pontificaal, Pontificóle, bisschoppelijk plichtenboek ; pau-aelyk of bisschoppelyk plechtgewaad; (lig. en fam.) het beste pak.
388 Pontificaat—Portage
Pontificaat, opperpriesterschap, pauselijke waardigheid.
Pónto (fr. Ponte), 4de troef in \'t omberspel, quadrillespel enz. (in \'trood; liartenaasof ruitenaas; in\'tzwart: schoppenheer of klaverenheer).
Pontón, bruggeschuit, vlakke koperen schuitjes voor de schipbruggen (pontonbruggen).
Pontonnier, schipbrugmaker, soldaat met het slaan der schipbruggen belast.
Pool, aspuut des aardbols, des hemelbols; (in de natuurkunde :) punten of plaatsen, die de zetel van tegenovergestelde krachten of eigenschappen zgn (bv. de polen des magneets, de kolom van Volta enz); trekpunt des magneets.
poor, arm ; poor-law, armenwet; poorrate, armenbelasting.
Pópe, priester der Grieksche kerk in Éusland (als eng.
Popery, papisterq. [woord:) paus.
populair, volksmatig; algemeen nuttig, verstaanbaar; bij het volk bemind, volksbelievend, gemeenzaam.
populariseeren, algemeen bevattelijk, verstaanbaar of nuttig maken; zich —, zich by het volk bemind maken.
Populariteit, algemeene verstaanbaarheid, nuttigheid; volksbelieving, genaakbaarheid, minzaamheid jigens ge-ringeren; volksgunst, volksliefde.
Populétie, bevolking, volksmenigte.
populous, volkryk, sterk bevolkt.
poreus, met zeer kleine tusschenruiraten of openingen, sponsachtig. Poreusheid, z. Poreusiteit.
Porfier, purpersteen.
Poriën, Póren, openingen of kleine tusschenruimten der lichamen, zweetgaatjes.
Pork, zwyn, varkensvleesch, spek.
Pomocratie, hoerenregeering.
Pornograaf, ontuchtig schryver. (sponsachtigheid.
Porositeit, Poreusheid, eigenschap der poreuse lichamen.
Port, haven, zeehaven; toevluchtsoord; ook vrachtgeld, briefgeld; (ook afg. voor portwijn).
Portaal, hoofdingang van eene kerk of ander groot gebouw ; ruimte voor den gang by de deur.
portébel, portatief, draagbaar.
Portage (ook Pacotille), vrylast, vrypakkage, die de bemanning van een schip met zich mag voeren; (ook:) draaggeld, draagloon.
portamento—Porto-franco 389
portamento di voce, liet dragen en allengs wegsmelten der stem. (schieten,
portant (amp; bout), van zeer naby, bv. op een voorwerp Portóten, listen der dagelijks in de zeehavens aankomende
waren en der ontvangers daarvan.
portatief, z. portabel.
Port d\'armes, verlof om wapenen te dragen of te jagen. Porte-aiguille, naaldhouder.
Porte-assiétte, schotelring.
Porte-bonheur, (eig. gelukaanbrenger) platte armband (met inscriptie). (toilet.
Porte-bouquet, bloemkorfje of -schaaltje op het dames-Porte-brisée, vouwdeur, gebroken deur (wier éene helft by \'t openen op de andere slaat); vleugeldeur, dubbel openslaande deur.
Porte\'Chaise, draagstoel.
Porte-clefs, kerkcrknecht; sleutelring.
Porte-crayón, potlood- of stifthouder, teekenpen.
Portée, dracht, bereik, inhoud, vermogen.
Porte-épée, draagband voor een zydgeweer, degenriem, portoeren (zich voor iemand), voor iemand in de bres
springen, zyne zaak verdedigen.
Porte-faix, lastdrager, kruier. (minister.
Portefeuille, brieventasch; (ook:) liet ambt van staats-Porte-jupe, japonhouder.
Porte-lettres, zakbrieventasch ; omslag of koker voor papieren, die men een chef ter teekening moet voorleggen. Porte-malheur, onheilsbode, ongeluksvogel. Porte-manteau, mantelzak, valies.
Porte-monnaie, geldtaschje, beugeltasehje voor zakgeld. Pórter, sterk Engelsch bier.
Porte-respect, dolk, korte stootdegen.
Porteur, drager, brenger, toonder; houder van een wissel. Porte-voix, spreektrompet, scheepsroeper.
Portie, deel, aandeel; erfdeel; mondgedeelte, spgsgift. Portier, deurwachter, poortbewaarder ; (ook;) rytuigdeur. Portière, portierster; gordyn voor deuren.
Portique, zuilengang, gewelfde of overdekte gang ter wandelplaats of samenkomsten, galery.
Porto, vracht-, voer- of draagloon; brievengeld; porto
franco, franc de port ol portvrij, postvry, franco. Pórto-frénco, vryhaven.
Porto-rico—Posterieur
Pórto-rico, rijke haveu, naam van een AV.-Indisch eiland
en van de rooktabak, die van daar komt.
Portrait, Portret, beeltenis (inz. van een mensch), door penseel-, teeken- of graveerstift of door de photographie voortgebracht; (lig.) levendige, juiste voorstolling of be-sebrgving van een persoon.
portraiteeren, portretteoren, een portret maken. Portraiteur, Portraitist, schilder van portretten.
Portrét enz., z. Portrait enz.
Pose, lichaamsstand, houding.
posé, gezet; ernstig,bedachtzaam,bedaard; ook = pósito. Positie, stelling, ligging, stand; gesteldheid, toestand; voetenplaatsing by het dansen; positie-kanonnen, zwaar geschut.
positief, vastgesteld, aangenomen; stellig, vasv., gewis; positief recht, het vastgestelde recht (in tegenstelling met het natuurrecht); positieve electriciteit, z. Elec-
triciteit. , . i, i n
Positief, eerste trap, stellende trap (in de taalkunde); het onbetwistbare ; (ook :) kamerorgel, voororgel, klein orgel vóór een groot; (pop.) weer tot zijn pos-tief(zijn positieve) komen, weer tot bewustzijn komen, uit de bezwijming, bedwelming, ontsteltenis bijkomen.
nosito ondersteld, gesteld of aangenomen. (stalte.
Posituur, stelling, stand of houding des lichaams, ge-possedeeren, bezitten, in eigendom hebben.
Posséssie, bezit, bezitting, have.
possessief, het bezit betreffend; bezitting aanwgzend. Posséssor, bezitter, eigenaar.
possibel, mogelijk, doenbaar.
Possibiliteit, mogelijkheid, uitvoerbaarheid.
post, na, later dan.
Postége, briefpost.
Postamént, Postemént, voetstuk ; onderstel, postdateeren, later dagteekenen, later den datum invullen. Póstdirecteur, bestuurder van het postkantoor, posteeren, plaatsen, stellen, op^ een bepaalden post stellen ; eene plaats aanwgzen; zich —, post vatten.
póste restónte, op de post te blyven (om afgehaald te wor-posterieur, jonger, nieuwer, later. [den).
Posterieur (fr.), Posterióra (lat. pl.) =* partes posteno-res, z. ouder Partes.
posteriori—Peterna
posterióri (a), van achteren, uit de ervaring genomen. Posterioriteit, liet later zgn, later-komen, jonger-zgn. Posteriteit, nakomelingschap.
post féstum, na het feest, te laat, achteraan.
post hoc, ergo propter hoc, daarna, en derhalve daarom, of: wat op elkander volgt, volgt ook uit elkander (een vaUche stelregel).
PÓsthumus, Pósthuma, nakomende, na \'s vaders dood geboren zoon of dochter; opera posthuma (lat.), OBUvres posthümes (fr.), na des schryvera dood verschenen werken, nagelaten werken.
postiche, later bggekoinen; nagemaakt, valsch.
Postille, predikboek; kantteekening, rand verklaring. Postillon, postknecht, postryder.
Postlüdium, naspel.
post mórtem, na den dood.
post nübila lux of Phoebus, na de nevelen het licht;na
regen komt zonneschijn.
postnumeréndo, nabetalend.
postnumereeren, nabetalen.
postponeeren, achterstellen, verschuiven.
Postpositie, achteratelling, achteraanplaatsing, Post-scriptum, Postscript (P. S.), naschrift.
Postulaat, vereiachte, zonder bewya aan te nemen atel-
ling; verordening, opgave.
Postulént, aanzoeker om een post, eene bediening enz. postuleeren, vorderen, als voorwaarde vooropstellen;
naar iets dingen.
Postuur = Posituur.
Potóge, soep, vleeachsoep met allerlei groenten, sneden
brood, ryst enz., middagkost.
Pot-au-feu, vleesch met bouillon en groenten (geliefkoosde spys by den Franschen burgerstand); het noo-dige vleesch voor den pot-au-feu.
Potassium, potaschmetaal (de door Davy ontdekte metaalbasis der potasch.
Pot de chambre, kamerpot, nachtpot.
Pot de vin, geschenk boven den bedongen prya.
potént, vermogend, machtig.
Potentaat, machthebber, gekroond hoofd.
Potentie, macht, vermogen, gezag.
Potérna, sluippoort in eeue vesting, uitvalpoort,
391
392 Potestaat—Practicus
Potestaat (lat. potestas), kracht, macht, vermogen; titel
van een voormalig regent van Friesland.
Potichomanie, de kunst om glazen vaten door opplakking van teekeningen enz. het voorkomen van Chineesch of Japansch porselein te geven.
Potpourri, gemengde spüs, hutspot, poespas ; mengelmoes, allegaartje; (fig.) een uit vele stukken samenge-Pouce, duim. (steld muziekstuk.
Poudre, poeder of poeier, fijn meelpoeier, haarpoeier;
(ook -.) kruit, buskruit.
Poudrétte, mestpoeder, tot stof geworden mcnschendrek,
die men als meststof gebruikt.
Poularde, gesneden en gemest hoen.
Poule, biljartspel om een inzet; potspel.
Poultry, gevogelte, hoenders.
Pound, pond ; poundage, pondcijns (een Engelsch tolgeld
van alle uitgaande waren).
Poupon, pop, dotje.
pour, om, voor, tot; — acquit, voor ontvangst, als be-
wjjs van ontvangst, voldaan.
Pour bol re, drinkgeld, fooi.
pour faire visite, om een bezoek af te leggen.
pour la bonne bouche, voor lekkerbekken; als iets weismak ends.
Pourparler, woordenwisseling, gesprek, praatje.
pour passer Ie temps, tot tydverdryf.
pour peu, het scheelde niet veel, op een haar af.
pour prendre congé (afg. p. p. c.), om afscheid te nemen. Poursuite, vervolging, najaging, doorzetting, poursuiveeren, vervolgen, najagen; aan- of volhouden, pousseeren, stooten, voortdreven; doorzetten;bevorderen; voorthelpen; zich —, door eigen kracht en inspanning tot fortuin geraken.
Pouvoir, macht, kracht, vermogen; bewind.
póver, arm, armzalig, jammerlijk.
Pówder, poeder; buskruit.
practicabel, uitvoerbaar, doenbaar; aanwendbaar, doelmatig, bruikbaar.
préctica est multiplex, het overleg is menigvuldig, de
kunstgrepen zijn velerlei.
Précticus, iemand die ervaren is in de toepassing zyner wetenschap, ervaren geneesheer, advocaat enz.
Practijk—prealabel 393
Practijk, oefening; uitvoering; toepassing van de kunstregels of de theorie op liet dagelykseli gebruik, practisch, uitoefenend, werkdadig, op de uitoefening gegrond ; van dadelijk nut, van toepassing op het dage-Igksch leven; — verstand, het verstand als wetgever voor den wil.
Prédo, wandelweg, lusthof; groote diergaarde by Madrid, prae of (fr.) pré, voor, vooraan, vooruit; het (een) praeof pré hebben, den voorrang, de voorkeur hebben.
NB. de met pree samengestelde woorden zyn hier met pre gedrukt.
pragmatiek, pragmatisch, aanwendbaar; algemeen nuttig, leerzaam, leerryke oplossing gevend; pragmatische geschiedschrijving, leerrijke voorstelling der geschiedenis, waar by de gebeurtenissen in haren eigenlyken samenhang, vooral uit een politiek oogpunt, worden voorgesteld; pragmatieke sanctie, algemeen nuttige landsverordening; algemeene wet tot openbare welvaart. Prairiél, de weidemaand, de 9de maand in den Fr.republ.
kalender (30 Mei—18 Jnni),
Prairie, weide, dreef; liet natuurlyke, met welig gras
bewassen land in \'t binnenland van N.-Amerika. Praktijk, handelwys; overleg; beroepswerkzaamheden, cliënten van een advocaat, procureur, notaris; patiënten van een dokter, chirurgyn enz.;—en, ongeoorloofde kunstgrepen, listige streken, draaieryen.
Praktisétie, nadenken, overpeinzing, overleg.
praktiseeren, uitoefenen, zaken doen, inz. als geneesheer,
advocaat enz.; (ook;) bedenken, verzinnen; peinzen, praktiseerend, uitoefenend, werkelyk;bedenkend, peinzend. Praktizijn, uitoefenend of praktiseerend geneesheer, advocaat, inz. procureur, zaakwaarnemer Pralines, gebrande of in suiker gerooste amandelen. Préter, openbare wandeling of lustbosch by Weenen. Praxis = Practijk.
Prayerbook, gebedenboek.
Preadamieten, meuschen, die ondersteld worden vóór
Adam geleefd te hebben.
Préadvies, voorloopig uitgesproken gevoelen of raad. prealabel, voorloopig, voorafgaand; prealabele quaestie, vraag die eerst moet uitgemaakt worden, eer omtrent de hoofdzaak kan worden beslist.
Preambule—Predecessor
Preambule, voorrede, inleiding; omweg; omhaal van
woorden. . , •. i
preambuleeren, eene voorrede of inleiding vooruitzenden,
vooraf omwegen of veel omhaal maken.
Prebénde, prove, kerkelijke verzorging, jaarlyksch inkomen van eene geestelyke stichting, lyfrente.
precair, onzeker, ongewis, twijfelachtig, afhankelyk. Precautie, voorzorg; voorzichtigheid.
precautioneel, voorzorgen gebruikend; voorzichtig, precaveeren, verhoeden, voorzien, zich in acht nemen, precedeeren, voorgaan, voorafgaan, den voorrang nebhen. Precedéntie, voorrang, voortred.
precelleeren, uitblinken, uitsteken, zich onderscheiden. Precépt, z. Preceptum.
Precéptor, leeraar, leermeester, onderwyzer.
Preceptoraat, leeraarsambt, leermeestersplaats, oreceptoreeren, schoolmeesteren, den leermeester spelen. Precéptum, Precépt, voorschrift, regel, richtsnoer,geboci. precies, nauwkeurig, juist, stipt.
preciëus, kostbaar, kostelijk; gemaakt, gedwongen Préciëuse, vrouw of meisje vol gemaaktheid en daardoor
belachelijk, nuf, nufje.
precipiëeren, voor uitnemen; voorschriften geven. Precipitaat, nederslag, nederplompsel, bezinksel. Precipitatie, afstorting; overyling, jacht; nederplofflng. orecipitato, met overhaasting.
precipiteeren, overijlen, voorwaarts snellen, overhaast
handelen; (by chemisten:) nederploffen, bezinken. Precis, kort begrip, zakelijke inhoud, hoofdinhoud, oreciseeren, bepaald en duidelijk opgeven, uitdrukken ;
zich —, zich juister, bepaalder uitdrukken of verklaren.
Precisie, juistheid, stiptheid; bondige kortheid van uit-drukking. (vallen verklaren,
precludeeren, uitsluiten; voor altijd afwijzen, voor ver-preclusief, uitsluitend, ten volle afwijzend.
Precociteit, vroegrijpheid, ontydige rypheid. Preconisatie, lofverheffing, overdreven lofspraak ; pauselijke bevoegdverklaring voor een bisdom, preconiseeren, hoog verheffen, buitenmate roemen, ophemelen ; voor bevoegd (tot bisschop) verklaren. Prccurseur. voorlooper, voorbode.
Predecessor, voorganger (in een ambt).
Predeliberatie—Prelaat 395
Predeliberatie, voorloopige beraadslaginir. predelibereeren, vooraf overleggen, vooruit overwegen. Predestinatie, voorbeschikking, Gods genadekeus, predestineeren, vooraf bepalen, voorbeschikken. Predeterminatie, voorafgaand besluit.
predetermineeren, vooraf bepalen.
Predicaat, datgene, wat van eene zaak gezegd wordt, eigenschap van een onderwerp ; eer- of ambtsnaam, titel (vóór den naam).
Predicamént, toekenningsbegrip, eigenschap.
prediceeren, voorzeggen, voorspellen; toekennen. Predictie, voorspelling, waarzegging.
Prediként, Protestantsch godsdienstleeraar.
Predilectie, voorliefde, vooringenomenheid, predisponeeren, voorbereiden, vooraf beschikken, inrichten ; vooraf genegen of ontvankelyk maken. Predispositie, voorloopige aanstalte; voorbeschiktheid, aan-
leir, bv. tot eene ziekte.
Predom!nitie, overheersching, opperheerschappg. predomineeren, heerschen, de overhand of het overwicht
hebben, het hoogste gezag hebben.
preëminent, uitstekend; voortreffelijk, uitmuntend. Preëminentie, voorrang, voortreffelijkheid.
preëxisteeren, vooraf of vroeger bestaan.
Preëx Isténtie, vóóraanwezigheid.
Prefétie (fr. préface), voorrede, inleiding, voorbericht. Preféct, stadhouder, landvoogd.
Préfectuur, stadhouderschap, landvoogdij.
preferabel of preferént, verkieslyk, de voorkeur verdienend, den voorrang toekomend prefereeren, voortrekken, liooger achten, deu voorrang,
de voorkeur geven.
Preferéntie (fr. préférence), voorkeur, voorrang; bij preferentie, bjj voorkeur, liefst.
Prefix, prefixum, voorvoegsel (in de taalk.)
pregnant, (eig. zwanger) zinrgk, vol denkbeelden. Prejudicie, voorbeslissing; vooroordeel; nadeel, afbreuk, prejudiciëeren, voorloopig oordeelen of beslissen; bena-
deelen; schadelgk zgn.
Préjugé, vooroordeel.
Prelaat, voornaam geestelgke, pauselgk hofgeestelyke, bisschop of gemgterde abt (niet alleen in de li. K. kurk,
396 preleveeren—preponeeren
maar ook in de Protestantsche landen Engeland, Zweden en Denemarken).
preleveeren, vooraf nemen, voor de deeling wegnemen, preliminair, inleidend, voorloopig, den weg banend. Preliminairen, inleidingen, voorloopige punten van overeenkomst, inz. bij een te sluiten vrede.
preludeeren, een voorspel maken;inleiden,voorbereiden. Preludium of (fr.) prélude, voorspel; (lig.) voorteeken,
voorlooper.
Prematuriteit, vroegrijpbeid; ontydigbeid.
Premeditatie, voorafgaande overlegging, voorbedaebte raad. premediteeren, vooraf bedenken of overleggen.
Pnimices, eerstelingen.
Prémie, prijs, eereloon; assurantie- of verzekeringsprijs; bijwinst, bijprijs, die in lo ter yen aan zekere nommers toevalt.
premier, eerst, voornaamst; — dessus, eerste sopraanzanger ; Premier, de eerste, voornaamste, het hoofd; de eerste minister; Premiers, Premières, de 5 ee:stc trekken in sommige kaartspelen.
Prémisse, voorafgaande of vooropgeplaatste stellingen
eener sluitrede, om daaruit een gevolg te trekken, prémissis premitténdis (afg. p. p.), voorop te plaatsen,
wat vooropgeplaatst moet worden.
prendre la lune avec les dents, het onmogelyke willen,
de maan met de tanden willen vatten.
Preneur, nemer of verkooper van een wissel, prenumerando, door vooruitbetaling.
Prenumeratie, vooruitbetaling. [eener courant),
prenumereeren, vooruit betalen (bv. bet abonnement Preoccupatie, voorinneming, voorafbezetting; voorbegrip,
vooroordeel, vooringenomenheid; afgetrokkenheid preoccupeeren, vooraf bezetten of innemen; vooroordee-
len inboezemen, voorinnemen; afgetrokken maken. Preordinétie, voorbeschikking.
Preparaat, toebereide zaak, bereide artsenij enz.; inz. kunstmatig toebereid lichaamsdeel.
Preparéndus, wie zich voorbereidt (bv. tot een examen). Preparatie, voor- of toebereiding, aanstalte.
prepareeren, voorbereiden, klaarmaken, toelichten. Preponderéntie, overwicht, meerderheid.
preponeeren, vooraan plaatsen.
Prepositie—presseeren 397
Prepositie, vooropplaatsing; (in de taalkunde:) voorzetsel. Prepoténtie, overmacht, hoogere macht.
Prerogatief, voorkeur, voorrecht.
Presbyopia, voorzichtigheid (van oude lieden).
Présbyter, oudste, aanzienlgk (niet priesterlijk) kerkbe-
amhte, ouderling ; (ook ;) priester.
Presbyterianen, Protestanten in Engeland, die geen bisschop erkennen, maar de kerk alleen door presbyters of oudsten geregeerd willen hebben, rechtzinnigen. Presciëntie, voorweten, voorkennis.
prescribeeren, voorscbryven, verordenen ; (in rechten ;)
voor verjaard of vervallen erkennen, verjaren, prescriptibel, verjaarbaar.
Prescriptie, voorschrift, verordening; verjaring, verlies van een recht, dewgl men niet ten belioorlgke tijde daarvan heeft gebruik gemaakt; de verkrijging van een recht door zulk een verzuim van een ander.
Présence, z. Presentie.
Présens, tegenwoordige tijd (in de spraakkunst).
presént, tegenwoordig, aanwezig; ten geschenke.
Presént, geschenk, gift, gave.
presentóbel, vertoonbaar, wat aangeboden kan worden. Presentant, vertoonder van een wissel; voorsteller tot
een post of ambt.
Presentétie, indiening, vertooning (bv. van een wissel);
recht van voorstelling tot een ambt; aanbod, presenteeren, voorhouden, aanbieden: indienen. Preséntie (fr. présence), tegenwoordigheid, byzijn ; (pop.)
veel — hebben, zwaarlyvig, dikbuikig zyn. Preséntie-lijst, lyst der aanwezigen.
Preservcitie, bewaring; voorkoming, voorbehoeding. Preservatief, behoedmiddel.
preserveeren, behoeden, bewaren, beschutten.
Preses, z. President.
presideeren, voorzitten ; het hoofd zijn.
Presidént, Preses, voorzitter.
presidiaal, tot de waardigheid van voorzitter behoorend. Presidium, voorzitterschap; oppertoezicht.
Presómptie, z. Presumtie.
pressént, dringend, haastig, geen uitstel lydende. presseeren, drukken, pressen; dringen, noodzaken; by iemand aandringen; haast hebben, geen uitstel lyden.
398 Pressentiment—Prevaricatie
Pressentimént, voorgevoel, vermoeden.
Préssie, drukking; drang, aandrang, dwang.
Pressuur, druk, bezwaar.
Prestónten, de vooraanstaande dikke tinnen orgelpijpen. Prestétie, kwytiug, vervulling, afdoening eener verschuldigde zaak, betaling eener schuld, belasting enz., eedaflegging.
presteeren, afleggen, vervullen, doen (bv. een eed). Prestidigitateur, goochelaar, vingervlugge.
Prestige, begoocheling, tooverachtige verblinding; ontzag, zedelijke invloed, dien men door vroegere bedry ven heeft verworven.
présto, gezwind; prestissimo, zeer gezwind.
presumóbel, vermoedelyk.
presumeeren, onderstellen, vermoeden ; zich vernieten. Presumtie, onderstelling; argwaan; inbeelding, waan. presumtief, vermoedelyk.
presumtueus, aanmatigend, verwaand, trotsch. presupponeeren, onderstellen, als waar aannemen. Presuppositie, onderstelling. (rekken,
préteeren, leenen, verleenen ; zich schikken, medegeven, pretendeeren, voorgeven, beweren; verlangen, eischen,
aanspraak op iets maken; zich aanmatigen.
Pretendént, aanspraakmaker, eischer; kroonvorderaar;
(ook:) minnaar, vryer.
Preténtie, verlangen, vordering, eisch; schuldvordering;
aanmatiging, waan; (ook:) voorwendsel.
Pretéritum, de verleden tyd (in de taalkunde).
Pretéxt, voorwendsel, voorgeven, schyngrond. pretexteeren, voorgeven, tot voorwendsel nemen, pretiëus, hetzelfde als preciëus.
Prétor, voornaam staatsbeambte in \'t oude Home; aanvoerder, opperhoofd, stadsrechter.
Preuve, bewijs, proef.
preux chevalier, dapper ridder.
prevaleeren, het overwicht of de overhand hebben, meer zyn of gelden ; (bij kooplieden:) zich —, zich doen terugbetalen, zijn uitgezet geld terugnemen; zien schadeloosstellen.
prevalént, den voorrang hebbend of verdienena. Prevaléntie, overwicht, overhand.
Prevaricótie, plichtschending, ambtsontrouw.
prevenant—primo
prevenént, voorkomend, gedienstig.
preveniëeren, voorkomen, beletten; vooraf berichten, van
iets verwittigen.
Prevéntie, bet voorkomen, verhoeden; vooroordeel, vooringenomenheid ; waarschuwende kennisgeving, preventief, voorkomend, verhinderend; voorloopig (bv.
preventieve gevangenis).
Previsie, het voorzien van toekomstige gebeurtenissen en
daarop gegronde voorzichtigheid.
Prevót, aan \'thoofd geplaatst persoon; inz. zooveel als
Proost en Provoost (z. die woorden).
priépisch, Priapus betreffend ; (fig.) ontuchtig, geil. Priépus, Priaap, tuin- en veldgod, god der vruchtbaarheid en geilheid; (lig.) ontuchtig, geil man; de mannelijke roede.
Priëel, belommerd zitvertrekje of lusthuisje in tuinen. Prijscourant, pryzenlgst, opgave van de warenprjjzen,
van den koers der effecten enz.
Prima, de eerste, hoogste klasse, stem of soort; eerste van twee of drie gelykluidende en achtereenvolgens afgegeven wissels.
Primaat, Primas, eerste of voornaamste aartsbisschop van een rgk; hoogste waardiïheidsbekleeder. (geres. Prima dónna, Prima pórte, eerste tooneelspeelster of zan-prima facië, op het eerste gezicht.
primair, voornaam; voortreffelijk; oorspronkelyk; primaire gebergten, oorspronkelijke of grondgebergten; primaire scholen, lagere scholen.
Primas, z. Primaat.
prima vice, voor de eerste maal; prima vfsta, op zicht (van een wissel); op het eerste gezicht, van het blad weg (iets spelen).
prlma-vólta, de eerste maal.
Prima-wissel, z. Prima (2dc bet.)
Prime, eerste stem, eerste toon van elke klankladder; eerste schcrmstelling of positie (de houw vanboven naar het hoofd); de eerste drukzijde, schoondruk; het eerste biduur in kloosters; (ook:) premie.
primeeren, zich boven anderen verheffen, de eerste zqn. rrimitia, eerstelingen, eerste vruchten.
primitief, oorspronkelyk, aanvankelyk, allereerst.
primo, pro primo, ten eerste.
399
4oo Primogenitus—Privaat
Primogénitus, eerstgeborene.
Primogenituur, eerstgeboorterecht.
primo mihi, aan of voor my liet eerst.
Primo móbile, eerste beweeggrond, hoofddrqfveer.
primordiaal, oorspronkelyk, allereerst.
Pn\'mo uómo, eerste tenorzanger. gelijken.
primus, de eerste; — inter pares, de eerste onder zijns
Princeps, eerste, voornaamste, aanvoerder, vorst.
Principaal, hoofdpersoon, heer, meester, hoofd; lastgever;
hoofdzaak, hoofdpunt.
principaal, voornaam, eerst; principéle crediteur,eerste
of voornaamste schuldeiseher.
Principaliteit, oppermacht, overwegende macht.
Principe, aanvang, oorsprong, grondoorzaak; grondstof; grondslag, grondbegrip; kennisbron; grondstelling; beweeggrond der handelingen.
Principiënreiterei, al te groote gehechtheid aan leginse-
len, het voortdurend schermen met principes.
prior, eerste, voorgaande, vroegere.
Prior, (vrouwelijk Priorés, Priorin), eerste, opperste, inz.
in een een klooster, kloostervoogd; -voogdes, (dingen. Prióra, voorafgaande feiten en omstandigheden, vroegere Prioraat, voorzitterschap; ambt van prior of priores. Prioriteit, voorrang, eerstheid, onder-zijn; prioriteitsrecht, recht des voorrangs, naderrecbt; prioriteitsschulden, zulke, die bij een concours het eerst in aanmerking komen,
Prise, vangst, buit, prjjs, inz^ een veroverd schip ; (ook :) snuifje. (waterleiding.
Prise d\'eau, plaats, waar men het water haalt vooreene Priseerder, z. Priseur.
priseeren, schatten, de waarde aanslaan; (ook:) snuiven. Priseur, Priseerder, schatter, waardeerder der geldswaarde
van een voorwerp.
Prisma, kantzuil, hoekige zuil, driezijdig geslepen glas. prismatische kleuren, regenboogskleuren.
Prisón, gevangenis, kerker; hechtenis.
Prisonnier, gevangene.
privaat, niet openbaar, bijzonder, huiselqk, geheim ; ambteloos, (vandaar privaat-audiëntie, privaat-leven, privaat-persoon, privaat-les enz.)
Privaat, sekreet, bestekamer.
Privaat-docent—Proces 401
Privaat-docent, huisonderwijzer ; leeraar aan cene hooge-
school, die niet als hoogleeraar is aangesteld.
Privatie, berooving, onttrekking; ontbering; verlies; gebrek; afwezigheid eener eigenschap.
privatief, uitsluitend,afzonderlek,eigen; privatieve jacht,
eigen, afzonderlijke jacht.
privétim, in \'tbijzonder; in \'t geheim; als particulier, privatiseeren, op zich zeiven, ambteloos leven.
Privé, geheim gemak, sekreet; privé-leven. ambteloos leven; uit zijne privé-beurs, uit zgne eigen beurs (niet uit de kas der compagnie, niet uit de staatskas enz.); (ik zeg u dit) in mijn privé, voor my zeiven, afgezonderd van myn betrekking, myn ambt.
priveeren, berooven, onttrekken. (ningsbrief.
Privilégie, voorrecht; vryheids- of verlofsbrief, vergun-privilegiëeren, bevoorrechten, met eene vryheid voorzien;
verzekeren, beveiligen.
Prix, prys, waarde; — fixe, vaste prys.
Prize-fight, wedkamp, wedstryd.
pro, (als gr. voorzetsel in samenstellingen •) voor, tot, ten; voorwaarts ; te voren, vroeger ; liever; (als lat. voorzetsel:) voor, naar, krachtens.
pro éris et fócis, voor haardsteden en altaren.
probébei, waarschynlyk, vermoedelyk.
Probabiliteit, waarschynlykheid, geloofbaarheid.
Probétie, beproeving, proefneming, proef; bewys. probatum est, het is beproefd, op de proef goed bevonden, probeeren, beproeven, de proef nemen; onderzoeken,
toetsen (metalen).
Probeersteen, proefsteen, toetssteen.
Probiteit, rechtschapenheid, goede trouw.
Probleem, Probiéma, op te lossen vraagstuk, voorgelegde
strijdvraag; twyfelachtige vraag, raadsel, problematisch, twyfelachtig; onuitgemaakt, raadselachtig, pro bóno publico, voor het algemeene welzyn.
Procédé, iiandelwyze, werkmanier, methode; z. ook pomerans.
procedeeren, te werk gaan, handelen; een rechtsgeding voeren.
Procedure, handelwys; rechtsgeding, rechtspleging, pro cént (pet. of %), ten honderd, van \'t honderd. Procés, voortgang, wyze van plaatsgryping (bv. een che-ELFDE UIIL\'K. 26
402 processeeren—produceeren
miscli proces); handeling, inz. reclitshandel, rechtsgeding, pleidooi, pleit.
processeeren, een rechtsgeding hebben of voeren. Procéssie, feestelijke optocht of ommegang; plechtige
bede- of kerkvaart.
Procés-verbaal, van ambtswege gedane schriftelijke ne-
derstelling of uiteenzetting van een voorval. Proclamétie, openlijke bekendmaking, afkondiging der overheid; het aflezen der geboden van twee verloofden, proclameeren, uitroepen, verkondigen, openljjk bekend maken.
Procónsul, (bij de oude quot;Romeinen:) gewezen consul als
bewindvoerder in een wingewest, stadhouder, pro content, voor of tegen gereede betaling, pro continuatione, tot of als voortzetting.
Procrastinatie, vertraging, uitstel, verdaging, procrastineeren, (eig. tot op morgen verschuiven, uitstel-
len, vertragen; talmen, dralen.
Procreétie, voortbrenging, voortteling.
procreëeren, telen, kinderen verwekken.
Procrustus (het bed van), willekeurige vorm, waarin men
een voorwerp met geweld besluit of inkleedt.
procul absit, moge hg verre van hier zijn!
proeul a Jóve, procul a fülmine, ver van Jupiter, ver
van den bliksem: een nederige staat is de veiligste. Procuradóres, (in Spanje:) leden der 2de kamer. Procuratie, zaakwaarneming; schriftelijke lastgeving of
volmacht.
Procurator, = Procureur.
procureeren, bezorgen, verschaffen, tot stand brengen. Procureur, zaakvoerder, gevolmachtigd zaakbeheerder;
rechtszaakvoerder, pleitbezorger, a v o u é.
pro Deo, om Godswil, om niet.
prodigaal, verkwistend, doorbrengend.
Prodigaliteit, verkwisting, neiging tot doorbrengiug. prodigeeren, verkwisten, onnoodig verteren.
Prodigiën, wouderen. wonderwerken; gedrochten, prodigiëus, wonderbaar, verbazingwekkend.
pro domo sua, voor zyn eigen huis.
Prodotto, het zuivere bedrag van wissels en waren. Prodromus, voorlooper; voorrede.
produceeren, te voorschgn brengen, bijbrengen (bv. be-
Producent—profileeren 403
wjjzen, getuigen); voortbrengen, telen, bouwen (bv. vruch* ten), leveren, vervaardigen, maken.
Producént, voortbrenger.
Product, voortbrengsel van natuur of kunst; vrucht; bedrag, beloop, bet door vermenigvuldiging gevonden getal. Productie, voor- of bybrenging (bv. van getuigen);voortbrenging, teling; voorts = product.
productief, voortbrengend; vruchtbaar, veel opbrengend. Productiviteit, voortbrengende, scbeppende kracbt; vruchtbaarheid. (schenken, pro emérito, voor uitgediend verklaren, de ambtsrust proëminent, vooruitstekend, vooruitspringend. Proëminéntie, het vooruitsteken, het in \'t oog vallend
gedeelte eener zaak.
pro et contra, voor en tegen.
profaan, oningewijd; onheilig, met den godsdienst spottend; ongeestelijk, wereldlyk; gemeen, onedel; profane geschiedenis, algemeene (uiet-bybelsche of kerkelijke) geschiedenis.
Profaan, oningewijde, inz. niet-vrymetselaar.
Profanatie, ontheiliging, onteering.
profaneeren, spreken, woorden voortbrengen, uiten, profereeren, uit- of voortbrengen, uiten, spreken, te voor-schyn brengen. (betuigen,
professeeren, openlijk belijden, in beoefening brengen; Professeur = Professor (z. aid.); (in Frankrijk en België :) ieder, die van eene kunst of kunstvaardigheid als meester zyn beroep of bestaanmiddel maakt. (werk. Professie, belijdenis, openlyke verklaring; beroep, handprofessioneel, beroep- of handwerkmatig.
Proféssor, hoogste openbare leeraar aan eene hoogeschjol,
hoogleeraar: (ook wel:) leermeester.
professoraal, tot het hoogleeraarsambt behoorend; (tig.)
allerdeftigst; op hoogen.beslissenden toon. Professoraat, hoogleeraarsambt.
proficiat! wel bekome het u!
Profijt, Profit, winst, nut, voordeel, opbrengst. Profijtertje, zuinigje, bekend voorwerp, dienende om kleine
eindjes kaars geheel af te branden).
Profil, teekening van een voorwerp van ter zyde, zijdebeeld, halfgezicht, in doorsnede.
profileeren, de doorsnede van een gebouw enz. teekeneu.
404 Profit—Projectie
Profit, z- Profijt. , ...
Drofitabel. voovdcelig, winstgevend, nuttig.
profiteeren, voordeel of winst doen; leeren, vorderen;
oroflueeren, ontspiingen, uit iets volgen, voortvloeien, pro fórma, voor den scliün, voor de leus. welstasmslialve. Profundimetrle, dieptemeting.
Piofunditeit, diepte; grondigheid.
Profüsie, uitgieting ; verkwisting; oveiUocd.
profuus, verkwistend, spilziek; w^dloopib-nrooenereeren, telen, voortbrengen.
Progenituur, nakomelingschap, teelt, kroost; welpen. Prognóse (—is), voorkennis, -zeggmg. - ec m i c,. Prognósticum of -con, voorteeken, kenteeken.
nro9ql^d\'u ^\'ter ^ei^rfgi\'ngVener acadeniisclie waardigheid. Progrémma, Program, (eig. openbare sehriftelüke bekend-makin» inz. gedrukte uitnoodiging tot eene plechtigheid) opgave of löst van hetgeen er (op een feest, eon-cert enz.) zal plaats liebhen en in welke orde van opeenvolging; openlegging van de grondstellingen of den te volgen gedragsregel van een politieke partg, een ministerie enz.
Droqrediëeren, voortgaan, voortstappen.
Proqréssen, vorderingen, trapswijze voortgang. Progréssie, voortgang, vordering; getallenreeks, dle
dezelfde wet voortloopt.
nroqressief. voortgaand, toenemend, trapsgew^s opklim-Progressionist, Progressist, voorstander van den vooi-
Prögymnlsium, hier te lande : inrieliting voor hooger onderwijs met de t laagste klassen van een volledig gvm-nasium; elders; voorbereidende school tot liet gymna-nrohibeeren, verhinderen, beletten; verbieden. (sium. Prohibitie, wering, ontzegging, verbod; —systeem, in-
en uitvoerbeperking; handelsstremming.
prohibitief, terug- of afhoudend, verbiedend.
pro hóspite, als gast.
Proiect, ontwerp, plan, oogmerk, bedoeling.
projecteeren, ontwerpen, plannen of ontwerpen maken, van plan of voornemens zijn. , ,
Projéctie, worp; het werpen; schets, teekemng van d€
Projectiel—Promotor 405
schijnbare ligging en gedaante van een voorwerp, inz. het ontwerp van landkaarten.
Projectiel, werptuig der artillerie.
Projet de lol, wetsontwerp. (deelen.
Prolapsus, nifzakking of doorzakking van weekelichaains-Proletariaat, de stand der armen ; de gezamenlijke armen. Proletariërs, (in \'t oude Rome:) arme burgers, die den Staat niet met geld, maar enkel met bun proles, hunne kinderen en nakomelingen konden dienen; (vandaar :) geheel onbemiddelde menseben der laagste volksklasse, die van de hand in den tand leven.
pro Ifbito, naar welgevallen. (baarmakend.
prolifiek, vruchtbaar, ter voortteling geschikt; vruebt-Prologomena, voorherinneringen, inleiding, voorafgaande
opmerkingen.
Prologus, Proloog, voorafspraak; inleiding.
prolongóbel, verlengbaar, tot uitstel geschikt. Prolongatie, verlenging, uitstel, later gestelde termgn. prolongeeren, verlengen, uitstel geven, een lateren tyd
of termgn bepalen.
Proloog, z. Prologus.
Prolusie, voorspel, vooroefening.
pro memória, ter herinnering.
Promemória. gedenkschrift.
Promenade, wandeling; (ook:) wandelweg, wandelplaats, promeneeren, (eig. voortleiden, rondvoeren) wandelen. Promésse, belofte; schuldbekentenis met belofte om op een bepaalden tyd te betalen; ook dragen de door ac-tiemaatschappyen uitgegeven papieren, door welke hun hDuder een zeker actie-aandeel wordt verzekerd, den naam van promessen. (bouwer, boetseerder.
Prométheus, verstandig, bekwaam kunstenaar, inz. beeldpro mille (verkort p. m.), voor het of per duizend, promiscue, ondereen, door elkander, verward.
Promissie, belofte, toezegging.
promiiteeren, heioven, toezeggen.
Promittént, belover, toezegger.
Promontórium, promontoire, voorgebergte.
Promótie, bevordering, standsverbooginir, inz.bevordering
tot een geleerde of academische waardigheid.
Promótor, bevorderaar, inz. tot een academischen graad; (ook:) aanstoker, roervink, belhamel.
4o6 Promotus—Propagatie
Promótus, bevorderde. .
promcveeren, bevorderen, verhoogen; een acadenuachen graad verwerven; iemand —, hem eene academische ■waardigheid toekennen.
Promovéndus, die verhoogd, bevorderd zal worden of een acndemischen graad verwerven zal. (baar.
prompt, vaardig, onverwijld, spoedig, vlug ; stipt; gereed, Promptitude, gezwindheid, vaardigheid; stiptheid. Promulgótie, openbare bekendmaking; verbreiding, promulgeeren, kond doen, afkondigen; verbreiden, proneeren, overmatig loven, ophemelen, de lofbazuin steken ; veel gezwets maken.
Proneur, bovenmatig lofredenaar; lastig zwetser. Pronikgetal, de som van een vierkant en zgn wortel. Pronómen, voornaamwoord.
prononceeren, prononctótie, z. pronunc .
pro novitate, als nieuwtje, als pas verschenen.
pro nunc, voor het tegenwoordige, voorloopig. pronunceeren, uitspreken,sprekend uiten ; uitspraak doen, beslissen; sterk doen uitkomen; gepronunceerde trekken,duidelyk sprekende, sterk uitkomende gelaatstrekken.
Pronunciaménto, openbare verklaring en bekendmaking,
protest, inz. openbare opstandsverklaring (in Spanje). Pronunciétie, uitspraak, wijze van uitspreken; (ook:)
openbare bekendmaking.
Proof, proef, inz. proefvel, proefdruk, proefblad.
Proosdij, ambt, woning, district van een proost.
Proost, opperste, oppergeestelyke, kloosterhoofd, Propaedeutica, Propaedeutiek, voorbereidende kundigheden, voorbereidingswetenschap.
propaïdeutisch, voorbereidend; — examen, onderzoek naar de kundigheden, die als voorbereiding tot dezen of genen tak van geleerdheid beschouwd worden. Propaganda, door den paus in 1622 verordende raad van geloofsverbreiding, bekeeringsgenootschap (congregétio de propaganda fide); (ook:) elk genootschap ter uitbreiding van kerkelijke of politieke leerstellingen; — maken,\' voor de verbreiding eener meening, van een plan enz. werken.
Propagandisme, verbreidings- of bekeeringsijver. Propagandisten, aanhangers eener propaganda. Propagótie, voortplanting, uitbreiding, verspreiding.
propageereii—Propugnatie 407
propageeren, uitbreiden, voortplanten, verspreiden, pro pltria, voor het vaderland.
Propétria of pro-patria-papier, soort van schrijfpapier, met de woorden propatria als watermerk, (schip. Propéller, schroef eener stoomboot; (ook:) schroefstoom-Propénsie, Propensiteit, neiging, geneigdheid, zucht, próper, propre, net, zindelyk, lief en net.
Próperheid, netheid, zindelgkheid, sierlijkheid, pro persona, per persoon, per hoofd.
Propheet, voorzegger, voorspeller; godsdienstleeraar, gods
gezant bij het oude joodsche volk.
propheteeren, voorspellen, voorzeggen.
Prophetés, zieneres, voorzegster; waarzegster.
Prophetle, voorspelling, voorzegging, openbaring, prophétisch, voorspellend, vol voorgevoel. Prophylécticum, voorbehoed-, afweringsmiddel. prophyléctisch, verhoedend, voorkomend, afwendend. Proplasma, voorbeeld, model van leem.
proponeeren, voorstellen, voorslaan, opwerpen. Proponént, voorsteller; tot het predikambt onderzocht en bevoegd verklaard, maar nog niet geplaatst persoon ; protestantsch candidaat.
Propoost, z. Propos.
Propórtie, evenredigheid, overeenstemming; gelijkheid
van twee verhoudingen of redens.
proportioneel, in verhouding, gelijkmatig, evenredig, proportioneeren, in verhouding stellen, evenredig maken,
naar zekere verhouding inrichten.
Propos, Propoost, rede, woordvoering, uitdrukking; voorslag, aanbod; voornemen, oogmerk, besluit; — amp; propos, juist van pas; eer ik \'tvergeet.
Propositie, voorstel, voorslag, aanbod; hoofdstelling, pro praesénti, voor het tegenwoordige.
propre, z. proper. Propreteit, z. Properheid.
propria auctoritéte, op eigen gezag, eigendunkelyk. propria laus sordet, eigen lof stinkt.
própria manu, met eigen hand, eigenhandig.
Propriëtair, eigenaar, bezitter; land- of grondeigenaar. Propriëteit, eigendom; eigendomsrecht.
pro primo, vooreerst, ten eerste.
próprio mótu, uit eigen beweging.
Propugnétie, voorvechting, bescherming; voorspraak.
4o8 Propylaeën—prosterneeren
Propyl\'aeën, voorzaal, voorhof, prachtingang van een groot pro quóta, naar evenredigheid. (gebouw,
pro réta, naar verhouding, elk naar zgn aandeel. Proréctor, plaatsvervangend rector.
pro re nota, naar den aard der zaak, naar hevind van
omstandigheden.
Prorogótie, verdaging, verlenging (bv. van een termijn), prorogatief, verschuivend, verlengend, vertragend, prorogeeren, verschuiven, uitstellen (bv. een wissel), pro róstris, van het spreekgestoelte, in \'t openbaar, pro séldo, z. saldo.
pro salüte énimae, voor het heil der ziel.
Proscénium, voortooneel.
proscribeeren, verbannen, vogelvrg verklaren; van een
genootschap uitsluiten.
Proscriptie, verbanning, vogelvrg verklaring; verwerping. Proséctor, ontleder, opensngder, adsistent van den hoogleeraar der ontleedkunde.
pro secündo, ten tweede, ten andere.
Prosecütie, voortzetting; gerechtelijke vervolging. Proseliet, nieuwbekeerde; geloofsoverlooper (inz. uit onzuivere beginselen).
Proselietenmaker, geloofswerver. (wervery.
Proselitisme, Proselietenmakerij, bckeeringszucht, geloofs-prósit! het doe u nut of voordeel! wel bekome het u!
uwe gezondheid!
Prosodie, lettergreepmaat, regelmatige uitspraak der woorden; leer der tyd- of toonmeting.
Prosodiek, leer der lettergreepmeting en toonzetting. Prosopalgie, aangezichtspyn.
Prospéct, aanblik, aanzien, uitzicht; vergezicht, verschiet;
teekening, schets van het uitwendig voorkomen, Prospéctus, voorloopige aankondiging van een werk, inz. van een boekwerk, dat by inteekening wordt uitgegeven en waarin men eene opgave doet van het onderwerp, dat het behandelt, van het formaat, het getal deelen, den prys enz.
prospereeren, gedyen, gelukkig zyn, bloeien, in bloeiende
of gelukkige omstandigheden verkeeren.
Prosperiteit, welstand, bloei, voorspoed. (val.
Prosternitie, Prostrótie, nederwerping,kniebuiging; voet-prosterneeren (zich), een voetval doen, nederknielen.
prostitueeren—Protocol 409
prostitueeren, openlijk aan schande prijs geven, onteeren, schandvlekken ; zich —, zich geheel aan ontucht overgeven, veil voor ieder zyn; eene geprostitueerde, een veil vrouwspersoon.
Prostitutie, schending, onteering; ontuchtig leven, ontucht. Prostratie, z. Prosternatie.
pro studio et labóre, voor gedane moeite en arbeid, pro tcinto, voor zoover het gaat.
Protéctie, bescherming, hoede; begunstiging. Protectionisme, stelsel van handelsbescherming; stelselmatige tegenstand van den geheel vrijen handel; pro-tectionisten, aanhangers van dat stelsel, dien tegenstand. (mer. Protector, beschermer, beschutter. patroon; ryksbescher-Protectoraat, waardigheid en ambt van protector. Protégé, beschermeling, gunsteling.
protegeeren, beschermen, begunstigen, onder zyne hoede of bescherming nemen. (digheid.
pro témpore, voor het tegenwoordige; naar tydsomstan-Protést, tegenspraak, verzet; de niet aanneming van een wissel, door een openbaren notaris in een wettelgke acte bevestigd.
Protestónten, aanvankelyk alleen de benaming der Lu-therschen, sinds zij op den ryksdag te Spiers, in 1539, tegen de besluiten der 11. K. protesteerden; later, sedert den Mimsteischen vrede, in 16t8, ook aan de Gereformeerden en andere niet R. K. Christenen toegekend.
Protestantisme, leer en geloof der Protestanten. Protestétie, openlijke of plechtige verzekering; voorbehoud, vrywaring zijner rechten door wettelyk verzet; afwyzing,quot; wettelijke verwerping van een wissel, protesteeren, betuigen, plechtig verklaren; het protest van een wissel doen opmaken; zich tegen iets verklaren, er in rechten tegen opkomen.
Próteus, zeegod, die zich in velerlei gedaanten kon veranderen ; (vandaar ;) een onbestendig, wispelturig mensch Protocol, gei\'echtelijke verhandeling, schriftelyke verklaring of uitspraak van ondervraagde personen in bur-gerlyke aangelegenheden; bericht van het voorgevallene of verhandelde; boek der notarieele acten; register der beraadslagingen en handelingen van de gevolmachtigde
4io protocolleeren—provinciaal
gezanten en ministers op een rijksdag, een congres enz.; rechterlijk verhoorschrift.
protocolleeren, ten protocol brengen, gerecLtelijk optee-kenen, openhare handelingen terstond opschrijven; een verhoorschrift opmaken.
Protographle, eerste teekening. planteekening; eerste geschrift, eerste ontwerp of schets.
Protonotéris, opperschrgver, eerste staatssecretaris. Protoplasma, oorspronkelyke inhoud der plantencellen. Protoplasten, eerstgevormde menschen, eerste n-euschen. Prototype, eerste voorbeeld, oorspronkelijk model; eerste afdruk of vorm van ets- of snjjwerk.
Protróctie, vertraging, verlenging, uitstel.
protraheeren, voorwaarts trekken; op de lange haan
schuiven, vertragen, uitstellen.
Protuberéntie, uitstekend gedeelte, gezwel, uitwas, bult. Protutor, toeziende voogd.
Prouésse, dappere daad, dapperheid.
prouveeren, bewijzen, aantooncn, doen blijken; ditprou-
veert voor hem, dat pleit in z\\jn voordeel.
Próve = Prebende.
Provengélen, ridderlijke dichters der 12de en 13de eeuw, in Z. Frankrijk of Provence in Spanje (dialect.
Provengaalsch, eigen taal van Zuid-Frankryk, nu een Provenier, iemand, die eene prove bezit, die in een proveniershuis gevoed en verpleegd wordt.
proveniëeren, opbrengen, opleveren, afwerpen. Proveniershuis, gesticht, waar dezulken leven, die eene
prove of prebende genieten.
Provenu, opbrengst, voordeel, winst; bedrag. (spreuk. Provérbe, Provérbium, spreekwoord, gedenk- of zede-proverbiaal, proverbialiter, spreekwoordelijk, proverbialiseeren, tot een spreekwoord maken, proverbiëus, rgk in spreekwoorden.
Provérbium, z. Proverbe.
Proviand, mondvoorraad, teerkost, levensmiddelen, proviandeeren, van spijzen of leeftocht voorzien. Providéntie, voorzienigheid; voorzorg.
providentiëel, vooruitziend; door de Voorüenigheid beschikt.
provinciaal, gewestelijk; provinciale Staten, de vertegenwoordigers van een gewest.
Provinciaal—Prud\'homme 4quot;
Provinciaal, titel eens oppertoezieners van kloosters in een kerkelyk district.
Provincialisme, gewestelgk woord, landscliappelyk taalgebruik; de gewestelijke geest of zin.
Provincie, wingewest; gewest, landschap, landsafdeeling.
Provisie, voorraad, mondvoorraad; aanstelling; vergoeding voor gedane moeite, hezorgingsloon van makelaars, commissionnairs, expediteurs enz.
provisioneel, voorbehoedend; hij voorraad, voorloopig, tot op nader order, voorshands.
Provisor, opziener, bezorger; bevoegde waarnemer, inz. van eene apotheek, van een fonds enz.
Provisoraat, het ambt van een provisor.
Provisórium, geschrift, waarin men zich voorloopig vrijwaart ; voorloopige toestand. [rechtshof (a p p e 1).
Provocatie, uitdaging, terging; beroep op een hoogerge-
provoceeren, uitdagen, opeischen; aanleiding tot iets geven ; gercchtelyke uitspraak op iets verlangen.
Provoost, zooveel als Prevöt en Proost; ook titel van oflicieren, belast met de zorg, de handhaving der orde, het bestuur van iets, opziener, overste, voorstander; ock het strafverblijf der soldaten.
Proximiteit, nabijheid,nabuurschap; nauwe verwantschap.
próximo, in de eerstvolgende maand.
proximus est sibi quisque, ieder is zichzelf het naast.
Próza, ongebonden, niet dichterlijken stijl taal van \'t gewone leven.
prozéïsch, niet dichterlijk, in de taal des gewonen levens-, (ook :) alledaagsch, plat.
Prozaïsme, eigenaardigheid van den ongebonden stijl; (ook:) alledaagschheid (bv. der uitdrukking); eentonigheid (bv. van het leven).
Prozaïst, schrijver in ongebonden, niet dichterlyken styl. rüde, schijnzedig, nuffig, preutsch.
rüde, preutsche, stuursche schoone, nuf; schijnzedige.
Prudéntie (fr. prudénce), voorzichtigheid.
Pruderie, schijnzedigheid, ingetogenheid voor het oog dei wereld, preutschheid, nuffigheid.
Prud\'hómme, rechtschapen man, man van eer; zaakkundige; (ook inz.:) scheidsman tot minnelijke schikking van geschillen tusschen fabrikanten en werklieden enz in de Fransche fabrieken.
4i2 Prune—Publicist
Prune, pruim.
Prurigo, liuidjeuking; ontydig verlangen.
Prussophiel, Pruisenvriend. , ^
Psalm, plechtige zang tot Gods eer, mz. een der loO geestelijke gezangen in den Bqbel.
Psalmist, psalmdichte; psalmzanger. (len.
psalmodiëeren, psalmzingen ; eentonig opdreunen, uitha-pseudo, valseh, onecht, misleidend, bedrieglijk; p.-libe-
ralisme, valsche, onechte vrijheidszin.
Pseudograaf, schriftvervalscher.
Pseudographie, schriftvervalsching.
Pseudoloog, leugenaar. . „%w1. ,
pseudoniem, pseudony\'misch, valsclmamig, met yeidicli-ten naam ; Pseudoniem, gefingeerde of verdichte naam. Pseudonymiteit, het verborgen-zijn onder een valschen nwull (verdichten naam geett.
Pseudony\'mus, iemand, inz. een schrjjver, die zich een Psittacisme, papcgaaigesnap, vaardigheid in t gebruik
van woorden, die men zelf niet verstaat.
Psy\'che, de ziel; (ook:) een vlinder, als zinnebeeld van het leven en van de onsterfelijkheid der ziel; (ook;) een eroote, tnsschen twee standers draaiende toilet-
spiegel. , , (Iiek.te]n-
Psychiatrie, de zielgeneeskunde, de geneeskunde der ziels-Dsv\'chisch, lie geest, de ziel lietreifend. (geest.
Psychologie, zieleleer, zielkunde, leer van s menscnen psychologisch, zielkundig.
Psycholoog, zielkundige. ■, , t!0?\'
Psychrométer, werktuig om de voclitigheiu der lucht te PtisSne, z. Tisane. , ,, .. ,
Puberteit, manbaarheid, huwbaarheid, geslamp;ehtsrypneiu. Pubescéntie, ontkieming van het haar aan baard en teel-
deelen, manbaarwording.
püblica auctoritóte, op bevel der overheid.
Publicatie, bekendmaking, openbare afkoniigmg; uitgave,
verschyning van een boek, een dagblad enz. publiceeren, afkondigen; verspreiden; uitgeven, in tlicht
geven (bv. boeken, tijdschriften, dagbladen enz.) Publicist, staatsrechtkenner; schrqyer o\'er of leeraar in het staatsrecht• (volgens de nieuwere toepassing van het woord:) ieder schrijver over politieke vragen van den dag, redacteur van politieke nieuwsbladen.
publicistisch—Punch 413
publicistisch, staatsrechtelgk. (kendheid.
Publiciteit, openbaarheid ; ruchtbaarheid, algemcenc be-püblic spirit, zin voor openbare belangen, belangstelling
in \'s lands zaken.
Publiek, het gezamenlyke volk, de groote menigte, inz.
leeswereld, schouwburgwereld; de menschen.
publiek, openlijk, openbaar, voor aller oog; algemeen bekend, wereldkundig.
Puce, vloo; de kleur der vlooien.
Pucelage, maagdom, maagdelyke staat.
Pucelle, maagd.
Pud, Russisch gewicht van 40 pond, gelyk 16 kilo. Pudding, Engclsche spys, waarvan broodkruim of meel,
rundermerg, krenten enz. do hoofdbestanddeclen zijn. Pudeur, Pudiciteit, schaamachtigheid, eerbaarheid, kuisch-pudiek, schaamachtig, eerbaar, kuisch. (heid.
puëriel, kinderachtig, jongensachtig.
Pueriliteit, kinderachtig gedrag.
Puerperale koorts, kraamvrouwenkoorts.
Puff, pochende, kwakzalverachtige aan pry zing, loftuiting enz.; eene op leugenachtige overdry ving berustende grap. Pugilisme, vuistkamp, worstelstryd.
Pugilist, vuistvechter, kampvechter, worstelaar, bokser, puissant, machtig, vermogend; — rijk, schatryk. Pulchinéllo, Polichinel, hansworst, potsenmaker.
pulchre, bene, recte, goed, zeer goed, volmaakt! pulluleeren» sterk vermenigvuldigen, welig groeien of opschieten.
pulmonaal, de longen betreffend of daartoe behoorend. Pulmonic, longzucht, longtering, longontsteking.
Pulp, moes of vruchtenvleesch der uitgeperste beetwortels. Pülpitum, lessenaar, spreekgestoelte, kansel.
Pulsatie, het slaan, kloppen, inz. van het hart, de polsslag. Pulsiméter, werktuig om de snelheid van denpolsslngte Pulver, poeder, stof; (ook;) buskruit. (bepalen.
Pulverisatie, verandering eener stof iu poeder, poeder-pulveriseeren, tot poeder maken, fijnwryven. (making. pumiceeren, met puimsteen afwryven, schuren.
Punaise, weegluis, wandluis; klein koperen stiftje met
fijne punt en grooten, platten kop.
Punch, Pons, bekende drank, waarvan arak of rum, suiker, citroensap en water de hoofdbestanddeclen zyn;
414 Punch-bowl—Purim
ook is Punch de hansworst in het Engelsch poppenspel, en tevens de naam van een allerwegen gezocht boertig en hekelend Eng. tijdschrift.
Punch-bowl, poskom, ponsscliaal.
Punct, Punctum, stip, punt, sluitteeken; bepaald deel,
af deeling van een geschrift; onderwerp der rede. Punctatie, eerste ontwerp van een verdrag.
puncteeren, punteeren, bestippen; de voorloopige voorwaarden van eene overeenkomst opteekenen. Puncteerkunst, Punteerkunst, waarzeggingskunst uit
stippen of punten.
Punctie = Punctuur.
Punctualiteit, stiptheid, nauwkeurigheid, gestrengheid in
het handhaven der orde.
Punctuatie, punt- of teekenzetting; zinscheiding door het
plaatsen der zin- en scheiteekens.
punctueel, stipt, zeer nauwkeurig.
Punctuur, steek; chirurgische opening van een ladend deel door middel van een steek of prik; puncturen, twee stalen stiftjes aan het timpaan der drukpers ; ook de daardoor ontstane gaatjes in het gedrukte vel, punctuurgaten genaamd.
pungént, stekend, scherp, bijtend.
punica fides, punische, carthaagsche trouw, d. i. woordbreuk, trouweloosheid.
Punisch, Karthaagsch, de Karthagers betreffend; (hg.)
valsch, trouweloos, woordbreukig.
Punt-, punteeren enz. z. Punct—.
Pupil, voedsterling, pleegzoon; oogappel.
püra véritas, de zuivere waarheid.
Purée, moes of brg van door een zeef gewreven erwten of andere peulvruchten; — de pommes, fijngewreven aardappelmoes.
Pürgans, Purgétie, buikzuiverend middel, ook Purgatief of Purgeermiddel geheeten; Purgétie,(ook-.)rechtvaardiging of zuivering voor de rechtbank. Purgatórium, vagevuur.
purgeeren, reinigen, inz. het lichaam of den buik, atvoe-ren ; (ook:) zich rechtvaardigen, van schuld zuiveren. Purificatie, reiniging, zuivering.
purificceren, purifiëeren, reinigen, schoonmaken, louteren. Purim, Purimfeest, (eig. feeat der loten) Joodsch feest
Purisme—Pyrometer 415
ter gedachtenis van den hun door Haman toegedachten ondergangen hunne verlossing door Esther, Hamansfeest. Purisme, Puristerij, overdreven yver voor taalzuivering, taalzifterü-
Purist, taalzuiveraar; taal- of woordenvitter.
Puristerij, z. Purisme.
Puriteinen = Presbyterianen.
Puriteit, zuiverheid, reinheid, helderheid.
pur«sang, volbloed, zuiver, van echt ras.
purulént, etterend.
Puruléntie, ettering.
Puseyisme, richting in de Anglicaansche kerk, die katholieke kerkgebruiken tracht in te voeren, ritualisme, pusillaniem, kleinmoedig, versaagd, laf.
Pusillanimiteit, kleinmoedigheid, versaagdheid.
pustuleus, puistig, puisterig, vol uitslag.
Puszta, steppe in Hongarge.
putatief, vermeend, ondersteld, ingebeeld.
Putrefactie, verrotting, ontbinding.
putreficeeren, tot verrotting brengen, ontbinden, doen vergaan. (ven.
putresceeren, tot verrotting overgaan, verrotten, beder-Putsch, in Zwitserland eig. een stoot met den kop of de horens; (in den nieuweren tjjd:) een samenloop, oploop van volk; (in de jongste beteekenis:) een samenrotten van veel menschen tot een bepaald doel, tot een politiek standje. (enkel, louter,
puur, rein, zuiver, onvervalscht; onvoonvaardclyk; bloot, Pyaemie, otterbloed, soort bloedbederf.
Pygmeeën, dwergen, zeer kleine, nietige menschen. pygmeeïsch, dwergachtig; nietig, onbeduidend.
Pylades, getrouw, zich opofferend vriend.
pyramidaal, spitszuilig; als eene pyramide. (naald.
Pyramide, Egyptische spitszuil, zonnezuil, grafnaald, tgd-Pyrética, koortsverdryvende middelen.
Pyrheliométer, zonnewarmtemeter.
Pyroléter, vuuraanbidder.
Pyrolatrle, vuuraanbidding, vuurvereering.
Pyrologie, leer van het vuur.
Pyromantie, voorspelling uit het vuur, uit het offervuur. Pyrométer, Pyroscoop, vuurmeter, werktuig tot meting van de uitzetting der vaste lichamen door het vuur.
4i 6 Pyroscaaf—quadratus
Pyroscaaf, stoomschip.
Pyrósis, liet zuur, branding in de maag.
Pyrotéchnicus, vuurwerkmaker.
Pyrotechniek, vuurwerkerskunst.
pyrrhónisch, twijfelzuchtig.
Pyrrhonlsme, twijfelzucht.
Pythagórische tafel, tafel van vermenigvuldiging; p. stelling, de bekende waarheid, dat het vierkant op de schuinsche zijde eens reehthoekigen driehoeks geUjk is aan de som der heide vierkanten op de rechthoekszgden. Py\'thia, de priesteres van Apollo ; waarzegster, prophetes. py\'thisch, ook Délphisch, Apollo betreffend, hem geheiligd. Py\'thon, fabelachtige vreeselyke slang of geduchte draak. Pythonisse, profetes, waarzegster.
Pyurle, het etterwateren.
Pyxis, (eig. buksboomhouten doos) hostiekastje.
Q.
O. B. F. F. 0- S\' = Pu01\' f®\'1* laustumque
sit: \'t welk goed, gelukkig en gezegend zij. ot; God geve over dit werk, deze verrichting zjn zegent Q. E. D. = quod erat demonstrandum (z. aid.) q. I. = quantum libet, z. op quantum.
q. p. of q. pl. = quantum placet (z. aid.) q. q. = qualitate qua (z. aid.)
n s. = quantum satis of quantum sufficit {z. aid.) qua, als, iu hoedanigheid van (liv. qua dokter, als dok-ter, in mijn hoedanigheid van geneesheer (en niet als nuadraat, vierkant. [particulier).
Quadraat, gelijkzijdige rechthoek, vierkant; het product
van een met zich zelf vermenigvuldigd getal. Quadragésima, zesde Zondag vóór Paschan. quadrangulair, vierhoekig, vierkant.
quadranguleeren, vierkant of vierhoekig maken. Quadrant, mathematisch en astronomisch werktuig, vierde deel van den cirkel, graadboog, hoek- of hoogtemeter, quadrateeren = quadreeren.
quadrótus hómo, kort, gezet mensch, vierkante vent.
Ouadratuur—qualitate 417
Ouadratuur des cirkels, verandering van het cirkelviak in een vierkant van gelyke grootte ; iets onuitvoerbaars, quadreeren, vierkant maken, den inhond van een vlak
berekenen; wel samenpassen, overeenkomen. Quadricycle, vierwielige velocipede, vierwieler. Quadriënnium, tijdvak van vier jaar.
Quadrille, dans met 4 personen; soort omberspel met 4
in plaats van 3 personen.
quadrilleeren, het quadrille-spel spelen.
Ouadrillioen, millioen tot de vierde maebt verheven, quadrinomisch, met 4 leden of geledingen.
Quadrumanen, vierhandige dieren, apen.
Quadrupéden, viervoetige dieren.
quadrüpel, viervoudig; quadruple alliantie, verbond van
vier mogendheden.
quadrupleeren, verviervoudigen.
Quadruplicétie, verviervoudiging.
quae, quélis, quanta? wat, hoedanig, hoe. groot?
quae nócent docent, door schade (en schande) wordt men wys. (den.
quaerens quem devoret, zoekende wien hg kan verslin-quéeritur, men vraagt, er wordt gevraagd, de vraag is. Quaestie, vraag, twistvraag, strgdpunt; twist, geschil; (ook:) foltering; pynbank; dat lijdt geen quaestie, dat spreekt van zelf, behoeft geene navraag, geen onderzoek.
quaestioneeren, ondervragen, uitvragen ; pijnigen. Quaestor, schatmeester, penningmeester.
Qualificétie, toekenning eencr eigenschap; betiteling, deugdeljjkheid, geschiktmaking tot iets; verzwaring eener misdaad, eener straf door bijzondere en verergerende omstandigheden.
qualificatief, nader bepalend, beschrijvend.
qualificeeren, eigenschappen toekennen; benoemen, betitelen ; bevoegd, gerechtigd, geschikt (tot iets) maken ; zich q., zich ergens toe bekwamen, geschikt en bevoegd maken.
quélis rex, télis grex, zoo de koning, zoo de kudde: zoo
heer, zoo knecht.
quélis vir, télis orétio, aan z\\jn rede kent men den man. qualitate qua (afg. q. q.), op eens anders last, in eens anders naam, als lasthebbende, als gemachtigde.
ELFDE DRUK. 27
4tS qualitatief—Quaterne
qualitatief, volgens de waarde, het gehalte, de gesteldheid. Qualiteit, gesteldheid, deugdelijkheid; waardigheid; hoedanigheid ; titel, stand, rang.
quéliter taliter, hoe \'t ook zg, het zy zoo \'t wil. qua mandatarius, als lasthebber.
quand-meme, hoe \'took ga, tot eiken prijs, om\'teven hoe. quandóque bónus dormitat Homérus, soms dommelt de goede Homerus, de heste sehry ver begaat nu .en dan eene fout.
quant ^ moi, wat mij betreft; zijn quanta moi(ofquant amp; soi) bewaren, zich niet blootgeven, op zyne hoede zijn; (ook:) eene styf deftige houding bljjven in acht quantitatief, volgens de menigte of grootte. (nemen. Quantiteit, hoeveelheid, menigte; gewicht,maat tgdduur
der lettergrepen.
Quéntum, grootheid, veelheid, menigte; maat; bedrag, aandeel,som; quantum libet of quantum placet, zooveel als belieft, hoeveelheid naar welgevallen; quantum satis of quantum süfficit, zooveel als genoeg is.
quéntum mutatus ab illo, wat is hy veranderd, hoe geheel anders is hy dan vroeger!
Quarantaine, de leg- of proeftyd (vroeger 40 dagen) van schepen, reizigers of waren, die uit vreemde, van pest verdachte plaatsen komen; (ook;) de inrichting, waar deze proeftyd moet gehouden worden.
Quarré, z. Carré.
Quartatie, Quarteering, de scheiding van goud en zilver,
als de verhouding der beide metalen is van 1 tot 3. Quarterón, Quarteróne, vrucht der vermenging van \'t Europeesche menschenras met de Tercerónen, d. i. met dezulken, die uit Europeanen en Mulatten zyn voortgesproten.
Quartét, muziekstuk voor 4 stemmen of instrumenten, quarto, ten vierde.
quési, als ware liet, gelyk, ongeveer, schijnbaar, evenals (bv. quasi-doctor, schyngeneesheer, kwakzalver; quasi-contract, schyncontract, contract voor de leus. Quassia, bitterhout, bitterwortel, kwassiehout.
qua talis, als zoodanig.
Quatemper, z. Quatertemper.
Quatérne, vier bezette en te gelijk uitkomende nommera in de getallen-loterij of het lotto-spel.
Quatertemper—Quiëscentie 419
Quatertémper, naam van vier strenge boete- en vastendagen der K K., op den eersten Woensdag, Vrydag en Zaterdag van ieder vierendeel jaars. (regels.
Quatrain, strophe of klein gedicht van 4 verzen of diclit-Quatre-mains, (it.) Ouattro-mani, klavierstnk voor vier Quótuor = Quartét. (handen gezet
Queen, koningin.
Queens-bench, oppergereehtshof te Londen (onder de regeering eener koningin).
qu\'en dira-t-on ? wat zal men er van zeggen : de praatjes der mensehen.
Quentchen, i Duitseh lood = 3,6 gram.
Quercitron, gele kleurstof van den gemalen hast des N.-
Amerikaanschen ververseik.
Querél. klacht, hezwaar; twist, strijd, ruzie.
Querelaai, Querulaat, hij, tegen wien eene aanklacht hij
de rechtbank wordt ingediend, verweerder.
Querelént, Querulant, wie eene klacht by het gerecht
indient, klager, eischcr.
querelleeren, twisten, harrewarren.
queruleeren, gaarne by den rechter klagen, zonder rechtmatige oorzaak rechtsgeschil zoeken.
Questie, z. Quaestie.
Queue, staart; paardestaart; biljartstok ; laatste afdeeling of soldatentroep ; de laatste voorwaartsbewegende men-achenmenigte by optochten, processiën, lykstaatsiën, aan \'t kantoor der spoorweg-stations enz.; faire queue, op een lange ry achter elkander staan (om toegang te krygen, bv. tot een kantoor voor plaatsbriefjes aan een spoorwegstation.
qui bene amat. bene castigat, wie goed bemint, straft goed. qui bene distinguit, bene dócet, wie goed onderscheidt,
leert (onderwyst) goed.
Quibus, zot, gek.
quid? wat? — faciendum? wat nn gedaan ? —juris, wat rechtens is; — novi ? wat nieuws is er? — pro-dest ? waartoe zou het dienen ? — rides ? waarom lacht gy ?
Quidam, zeker iemand; ook zooveel als Quibus. Quidproquó, Quiproquó, misverstand, vergissing, verwis
seling, het eene voor \'t andere.
Quiëscéntie, rust, toestand des rnstens.
qui est—quitte
qui est sine peccóta? wie is zonder zonde?
Quiëtisme, volkomen berusting des gemoeds in Cod, gemoedsrust ; stille godsdienstdwepery.
Ouiëtisten, rnstvrienden, zekere godsdienstsecte. qui hébet aures audiéndi audiat, wie ooren heeft om te
liooren, hoore!
Quillége, kielgeld of tol van schepen, die voor de eerste
maal eene Fransche haven hinnonloopen.
Quincaillerie, yzerkramery ; kleine waren uit yzer, staal,
koper enz.
Quine, z. Quinterne.
qui nescit dissimulare nescit regnare, wie niet weet te
veinzen, verstaat het regeeren niet.
qui nimium próbat, nihil próbat, wie te veel bewijst, bewgst niets.
Quinine, z. Kina; het wezenlijke bestanddeel der kina. Quinquagesima, de 7e Zondag voor Pasehen. Quinquénnium, tijdruimte van 5 jaren.
Quinquét, lamp met dubbelen luchtstroom, door den na-tuurk. Argant (1800 uitgevonden (zoo gehee\'en naar Q ui n q u e t, den fabrikant).
Quinquina, Amerikaansche naam van de kina.
Quintaal, centenaar.
Quinte, 5de toon van den grondtoon ; hoogste vioolsnaar, E-snaar; 5de stootmanier in \'t schennen ; 5de of 15de (5 op elkander volgende kaarten derzelfde soort in \'t piketten); —n, streken, knepen.
Quintérne of Quinte, 5 bezette en uitgekomen nommers in de getallenloterij of het lotto-spel. (van iets.
Quintesséns, het fijnste, beste, krachtigste, de ziel, de pit Quintét. vijfspel, vijftonig muziekstuk.
quintupleeren, quintupliceeren, vervijfvoudigen.
Quipos, Quippos, kuoopschrift der oude Peruanen, qui proficit in artibus et deficit in moribus. plus deficit quam proficit, die wetenschappelijk vooruit-, doch ze-dclyk achteruitgaat, gaat eer achteruit dan vooruit. Quiproquó, z. Quidproquo.
qui técet conséntit, die zwijgt stemt toe, stemt in. Quiténtie, kwijtbrief, bewys van voldoening der schuld, quitte, vrij, kamp op, even, vereffend; qiitte ou double, kamp-op of dubbel; (fig.) alles op \'t spel zetten, alles wagen.
420
quitteeren—Rabaissement 421
quitteeren, als voldaan onderteckenen; (ook:) verlaten;
laten varen, van afzien.
qui vlve? wie daar? werda ? op zijn quivive zijn, zeer oplettend zijn op al wat er voorvalt, scherp gadeslaan, quo animo? met welk doel? (oppassen,
quod béne notandum, wat wel op te nierken is.
quod érat demonstrandum, wat te Ijewqzen was. Quodlibet, wat men belieft, mengelmoes,allerlei; boerenbedrieger; laffe woordspeling, platte dubbelzinnigbeid. quod scripsi, scripti, wat ik heb geschreven, blijft geschreven.
quod vult Déus, wat God wil, geschiede!
Quómodo, handehvyze, manier van uitvoering.
quos ego..., wacht, ik zal u...
quos vult pérdere Jupiter, dementat prius, dien Jupiter ten verderve wil brengen, ontneemt hij e( rst het verstand. Quota, Quotum, bet evenredig aandeel, het door ieder naar
verhouding by te dragen of te betalen gedeelte. Quotótie, z. Quotisótie.
quot capita tot sénsus, zooveel hoofden, zooveel zinnen, quoteeren, naar evenredigheid verdeden; opteekenen;
met volgnommers voorzien, nommeren. (zinnen
quot hómines, tot senténtiae, zooveel hoofden, zooveel Quotient, uitkomst, het door deeling verkregen getal. Quotisétie, Quotétie, aandeelsberekening.
quotiseeren, naar verhouding verdeden, l cotiseeren. Quotiteit, aandeelsverhouding.
R.
op recepten = recipe, neem.
R. I. P. = requiéscat in póce, hjj (of zy) ruste in vrede. R. K., r. k. = Roomsch-Katbolieken, lloomsch-Katboliek. r. s. v. p. = réponse s\'il vous plaït, verzoeke antwoord. Raadpensionaris, z. Pensionaris.
raar, zeldzaam, vreemd.
rabaisseeren, verlagen; in prys verminderen, afslaan. Rabaissemént, verlaging; prys vermindering.
Rabat—Radicalen
Rabat, korting van den bepaalden prijs; omgeslagen zoom, overslag, op- of omslag; bef of kraag voor geestelgken of rechters; (ook:) smal tuin- of bloembed.
rabatteeren, korten, afkorten, aftrekken.
Rabbi, Rabbijn, joodseh leeraar, wetverklaarder. Rabbinisme, joodselie schrift- of godsdienstleer, stelsel
der rabbijnsche schriftgeleerdheid.
Rabbit, konijn, N.-Amerikaansche haas.
Rabiës, woede, razernij, dolheid.
Rabulist, rechtsverdraaier, rechtaverknoeier,advocaat van
kwade zaken. .
Racaille, janhagel, gespuis, gepeupel, klompenrcgiment. raccommodeGren, verbeteren, opknappen, verhelpen, raccordeeren, opnieuw stemmen (speeltuigen); verzoenen, hereenigen; het weer eens worden ; (ook;) «childerijen opknappen.
Raccróc, gelukstoot, fortuinlyke stoot of worp.
Race, (fr.) stam, geslacht, soort, slag, rasj (eng.) wedren.
Racer, race-horse, renpaard.
racheteeren, terugkoopen, los- of vrijkoopen; vergoeden. Rachitis, Rachitisme, Engelsche ziekte.
Racing, wedren, wedloop. . , • u.
Racontar, praatje, verzinsel, inz. onjuist courantenbericlit. Racquit, wederwinst, het teruggewonnene. (stellen,
raccjuitteeren, het verlorene terugwinnen, zijne schade hcr-radeeren, uitschaven, wegkrabben; etsen.
Radeermes, schrap- of krabmes. _ ..
Radiatie, uitstraling, straalwerping; (ook;) het doorstrijken van een post in eene rekening.
radicaal, ingeworteld, diep, aangeboren; van den wortel
af, uit den grond op (bv. heelen of verbeteren), radicaal bederf, grondbederf, grondkwaal; radicale kuur, grondige of volkomen genezing; radicaal teeken, wor-
telteeken (V^).
Radicaal, verzuurbare basis der zuren, grond-, wortel-stof ; (ook -.) het hoofdvereischte, de grondeigenschap, bevoei\'dheidstitel.
Radicalen, in Engeland Rédical-refórmers, aanhangers eener democratische partij, die eene ilgeheele omweu-teling van de constitutie en de wetten beoogt en de staatsregeling in den grond poogt te lier vormen.
Radicalisme—Raizen 423
Radicalisme, de grondstellingen en het streven van de
party der radicalen.
radieus, schitterend, glansrijk; (fig.) gezond en vroolyk. Radiométer, graadboog (oin de poolshoogte te meten). Radir-gummi, gomelastiek om inkt uit te wisschen. Radius, straal, halve middellijn eens cirkels.
Radix, wortel, wortelgetal; stam- of wortelwoord, radoteeren, suffen, zonder samenhang spreken, radouceeren, radoucisseeren, verzachten; stillen, doen
bedaren, bevredigen, sussen.
Ridsja, Radjah, Raja, Rójah, inlandsch vorst der Hindoes. Radsjapoeten, troepen der Indische radsja\'s. Rafactiemeester, beëdigd ambtenaar bg den tabakshandel. Ratfinade, gezuiverde, geraffineerde suiker.
Raffinage, loutering, zuivering.
Raffinement, sluwheid, spitsvondigheid; muggenzifter^, raffineeren, verfijnen, louteren, zuiveren ; op iets r., iets zoeken uit te denken, uit te pluizen, listig iets bedenken.
Raffinene, zuivering; suikerziederg of raffinadery; ook zooveel als Raffinement. (vcrverschen.
rafraicheeren, rafraichisseeren, verfrisschen, afkoelen. Rage, woede, razerny; verzotheid op iets.
Ragout, opgewarmd kleingesneden vleesch met gekruide saus ; sterk gekruide en gesausde spys; ^fig.) mengelmoes, railleeren, schertsen, kortswylen, beet hebben.
Raillerie, scherts, boert, kortswyl.
Rails, ijzeren schenen der yzerbanen of spoorwegen. Railway, spoorweg, yzerbaan.
Raisiné, druivenmoes.
Raisón, rede, verstand; oorzaak, grond; recht, gelijk; verhouding; handelsnaam, firma; — d\'etre, recht van bestaan; — d\'état, het voordeel van den staat, raisonnabel, redelyk, verstandig; billyk; edel, mild. Raisonnemént, redeneering; verstandige beoordeeling;
verstandsbesluit; (ook :) tegenspraak.
raisonneeren, redeneeren, oordeclen en besluiten; (ook:) tegenwerpingen maken, tegenstribbelen; veel praats hebben.
Raisonneur, tegenspreker, dwarsdrijver, praatsmaker. Raizen, Slavische volksstam in Hongarye, Zevenbergen, Moldavië en Wallachye.
424 Raja—rapprocheeren
Réja, z. Radsja. m ,
Rajas, schatplichtige christen-onderdanen bij de Turken, Rakét, opstijgend vuurwerk, met kruit gevulde cylinder, die, aangestoken zijnde, in de hoogte schiet; (ook:) balnet, slagnet bg het balslaan.
rallieeren, weder vereenigen, herzanielen.
rallentando, langzamer, vertragend.
Ramadan of Ramasan, de maand der vasten, de vastentijd by de Mohammedanen.
Ramificótie, vertakking.
ramificeeren, vertakken.
Ramoneur, schoorsteenveger.
ramponeeren, beschadigen, bederven.
Rancho, boerenwoning, —hut.
Rancune, diep ingewortelde haat, wrok.
Randglosse, kantteekening, aanmerking op den rand. Rang, rg, orde, plaats; eerestand, waardigheid.
rangeeren, schikken, in orde stellen; iemand —, hem
tot zijn plicht brengen, terechtzetten.
Ranger, boschwachter; spoorhond.
ranimeeren, weder bezielen, opwekken, opvroolgkcn. Ranónkel, bekend pronkgewas, hanevoet.
Rantsoen, losgeld; dagelijksche hoeveelheid voedsel (op
schepen, voor paarden).
rantsoeneeren, vrykoopen, lossen; op rantsoen stellen. Ranz de vaches, /-. Kuhreihen.
Rapaciteit, roofgierigheid, roofzucht.
Rapaille = Racaille.
Rapé, rappé, geraspte snuiftabak.
Rapél, Rapórt enz., z. Rapp—.
Rapiditeit, snelheid, gezwindheid.
Rapier, Rappier, schermdegen; stootwapeu.
Rappél, terugroeping; het terugröepingssein.
rappeleeren. terugroepen; (ook:) herinneren.
Rappier, z. Rapier.
Rappórt, bericht, verslag; betrekking, wcderzgdsch verband, samenhang; overeenkomst, gemeenschap, rapporteeren, terugbrengen; bericht geven ; aanbrengen ;
betrekking hebben.
Rapporteur, berichtgever, verslaggever voor het gerecht;
verklikker, oorblazer; (ook:) hoekmeter (een werktuig), rapprocheeren, naderbrengen; verzoenen.
Rapsodie—Ratjetoe 425
Rapsodie, z. Rhapsodie.
Raquétte, z. Raket.
rara avis (in terris), een zeldzame vogel (op aarde).
rare, z. raar.
Rarefactie, verdunning der lucht door warmte.
rari nantes in gurgito vasto, drijvende dc een hier, de
ander daar, boven den wgden oceaan.
Rariteit, zcldzaamlieid, vreemd of aardig ding.
raseeren, scheren: sloopcn, slechten, met den grond ge-
lyk maken; (ook:) langs strijken, dicht voorbijgaan. Raspberry, framboos.
rassurént, geruststellend, vreesbenemend.
Rassurantie, geruststelling.
rassureeren, geruststellen.
Rastraai, gereedschap tot het trekken der notenlenen. Rata, evenredige bydrage of aandeel van elk in \'t by-zonder. (tensap.
Ratafia, likeur uit brandewyn, gegist suikersap en vruch-Ratatouille, dooreen gestampt middageten der soldaten
(doorgaans Ratjetoe gehceten).
Ratelier, geweerrek, stellage voor geweren in wacht- en tuighuizen ; volledig kunstgebit. (krachtiging.
Ratificatie, goedkeuring, bekrachtiging; oorkonde der be-ratificeeren, van wege eene staatsregeering of autoriteit
iets bekrachtigen, goedkeuren.
ratineeren, noppen (laken enz.); fraiseeren.
Ratio, rede; reden, oorzaak, grond.
Ratiocinétie, verstandig nadenken; verstandsbesluit, bewijsvoering, gevolgtrekking, sluitrede.
Ration, z. Rantsoen (de 2de betcekenis\\
rationaal, rationeel, redelgk, op redelijke overtuiging gegrond; ten volle of met juistheid uitrekenbaar. Rationalisme, redegeloof, godsdienst der rede ; toepassing der rede op alles, wat den mensch in de ervaring ge-gegeven is, om het daarnaar te beoordeelen en te toetsen. Rationalist, redegeloovige, hy, die de leer en grondstellingen van zyn gelooven en doen alieen uit de rede afleidt.
Rationaliteit, redelijkheid, denkvermogen; verstaudelyk-
heid; berekenbaarheid.
rationeel, z. rationaal.
Ratjetoe, bedorven van Ratatouille (z. dat woord).
424 Raja—rapprocheeren
Raja, z. Radsja.
Rajas, schatplichtige christen-onderdanen bg de Turken. Rakét, opstijgend vuurwerk, met kruit gevulde cylinder, die, aangestoken zijnde, in de hoogte schiet; ^ook:) balnet, slagnet by het balslaan.
ralliëeren, weder vereenigen, herzamelen.
rallentando, langzamer, vertragend.
Ramadan of Ramasén, de maand der vasten, de vasten-
tijd bij de Mohammedanen.
Ramificatie, vertakking.
ramificeeren, vertakken.
Ramoneur, schoorsteenveger.
ramponeeren, beschadigen, bederven.
Rancho, boerenwoning, —hut.
Rancune, diep ingewortelde haat, wrok.
Randglosse, kantteekening, aanmerking op den rand. Rang, rij, orde, plaats; eerestand, waardigheid.
rangeeren, schikken, in orde stellen; iemand —, hem
tot zijn plicht brengen, terechtzetten.
Ranger, boschwachter; spoorhond.
ranimeeren, weder bezielen, opwekken, opvrooljjken. Ranónkel, bekend pronkgewas, hanevoet.
Rantsoen, losgeld; dagelijksche hoeveelheid voedsel (op
schepen, voor paarden).
rantsoeneeren, vrijkoopen, lossen; op rantsoen stellen. Ranz de vaches, z. Kuhreihen.
Rapaciteit, roofgierigheid, roofzucht.
Rapaille = Racaille.
Rapé, rappé, geraspte snuiftabak.
Rapél, Rapórt enz., z. Rapp—.
Rapiditeit, snelheid, gezwindheid.
Rapier, Rappier, schermdegen; stootwapen.
Rappél, terugroeping; het terugroepingssein.
rappeleeren. terugroepen; (ook:) herinneren.
Rappier, z. Rapier.
Rappórt, bericht, verslag; betrekking, wederzgdsch verband, samenhang; overeenkomst, gemeenschap, rapporteeren, terugbrengen; bericht geven ; aanbrengen ;
betrekking hebben.
Rapporteur, berichtgever, verslaggever voor het gerecht;
verklikker, oorblazer; (ook;) hoekmeter (een werktuig), rapprocheeren, naderbrengen; verzoenen.
Rapsodie—Ratjetoe 435
Rapsodie, z. Rhapsodic.
Raquétte, z. Raket.
rara avis (in terris), een zeldzame vogel (op aarde).
rare, z. raar.
Rareféctie, verdunning der lucht door warmte.
rari nantes in gurgito vasto, drijvende de een hier, de
ander daar, boven den wgden oceaan.
Rariteit, zeldzaamheid, vreemd of aardig ding.
raseeren, scheren: sloopcn, slechten, met den grond gelijk maken; (ook :) langs strijken, dicht voorhygaan. Raspberry, framboos.
rassurént, geruststellend, vreesbenemend.
Rassurantie, geruststelling.
rassureeren, geruststellen.
Rastraal, gereedschap tot het trekken der notenlijnen. Rata, evenredige bijdrage of aandeel van elk in \'t bijzonder. (tensap. Ratafia, likeur uit brandewijn, gegist suikersap en vruch-Ratatouiüe, dooreengestampt middageten der soldaten
(doorgaans Ratjetoe geheeten).
Ratelier, geweerrek, stellage voor geweren in wacht- en tuighuizen ; volledig kunstgebit. (krachtiging.
Ratificatie, goedkeuring, bekrachtiging ; oorkonde der be-ratificeeren, van wege eene staatsregeering of autoriteit
iets bekrachtigen, goedkeuren.
ratineeren, noppen (laken enz.); fraiseeren.
Ratio, rede; reden, oorzaak, grond.
Ratiocinatie, verstandig nadenken; verstandsbesluit, bewijsvoering, gevolgtrekking, sluitrede.
Ration, z. Rantsoen (de 2de beteekenis).
rationaal, rationeel, redelijk, op redelijke overtuiging gegrond; ten volle of met juistheid uitrekenbaar. Rationalisme, redegeloof, godsdienst der rede ; toepassing der rede op alles, wat den mensoh in de ervaring ge-gegeven is, om het daarnaar te beoordeelen en te toetsen. Rationalist, redegeloovige, hg, die de leer en grondstellingen van zijn gelooven en doen alleen uit de rede afleidt.
Rationaliteit, redelijkheid, denkvermogen; verstandelijkheid ; berekenbaarheid.
rationeel, z. rationaal.
Ratjetoe, bedorven van Ratatouille (z. dat woord).
426 ratum—Realisesring
ratum, besloten, goedgekeurd, bepaald.
Ravage, verwoesting; toebrenging van schade en bederf, ravageeren, verwoesten, vernielen, plunderen.
Ravelijn, halvemaanschans, voorschans.
Ravigote, verkwikkende saus der Fransche keuken.
Ravijn, holle weg; bergkloof.
Ravissement, verrukking, vervoering.
ravitailleeren, weder met levensmiddelen voorzien, rayeeren, ook royeeren, doorschrappen, uitdoen, doorhalen, bv. een post in eene rekening.
Rayón, straal, halve middellijn eens cirkels; vestingsbe-reik, d. i. zoo ver men van de vestingwerken met het geschut reiken kan.
rayonnant, stralend, schitterend; prachtig.
Razzia. Razia, strooptocht der Fransche troepen in N.Afrika; onverwachte, algemeene aanval.
Reaal, rekenmunt in Spanje, Mexico enz.; — de plata, zilveren reaal, in Spanje omtrent 34 en een halven ct., in Mexico 33 en een halven ct.; — de vellón, koperen reaal, ongeveer 13 en een halve cent.
reaal, reëel, zakelyk, werkelijk, wezenlijk, gangbaar; reale definitie, zakelgke bepaling; reale encyclopedie, samenvatting van alle zakelgke wetenschappen; reaal geld, gemunt geld; reale of reëele waarde, zakelgke waarde, gehaltewaarde, waarde der elfecten volgens den koers.
Réactie, terugwerking, tegenwerking; het terugdrijven cener politieke beweging of richting, inz. het opzettelijk belemmeren van den vooruitgang in het staatsleven en het tenietdoen van het reeds verworvene betere, om in plaats daarvan het vroegere of verouderde weer in te voeren.
Reactionnair, tegenstrever, vijand en bestrijder van het liberalisme, vriend van den ouden, tegenwoordig reeds omvergeworpen toestand.
Reader, lezer; readingroom, leeszaal.
ready, gereed, klaar; all —, alles klaar.
reageeren, tegenwerken, tegenstand bieden.
Reagéntia, terug- of tegenwerkende dingen of middelen. Realisatie, verwezenlijking; omzetting in klinkende munt. realiseeren, verwezenlijken, bewerkstelligen; tot gold ma-Realiseering, z. Realisatie. (ken, inz. papieren geld.
Realisme—Reces 427
Realisme, werkelyklieidsleer.
Realiteit, werkelyklieid, wezenlijkheid, ware wezen van
een ding; werkelijkheid, waarheid.
Real-schule, school, inz. voor nieuwe talen, wiskunde,
natuurwetenschap enz.
Rebél, oproermaker, muiter; weerspannige.
rebelleeren, oproer verwekken, aan \'tmuiten slaan. Rebellie, oproer, muiterij, gewelddadig verzet.
Rébus, teeken-, beeld- en figuurraadsel.
Rebüt, weigerend antwoord; uitvaagsel; wrak goed, uitschot; rebüten, brieven, die de brievenbesteller om deze of gene reden niet heeft kunnen bezorgen, rebutant, terugstootend, moedbencmeud. verdrietig, rebuteeren, norsch afwijzen, voor \'t hoofd stooten. Recadentie, terugvalling, bv. van een recht aan zijn vo-
rigen bezitter.
recalcitrént, wederspannig, tegenstrevend.
Recapitulatie, korte herhaling van den hoofdinhoud, recapituleeren, zakelyk herhalen, den inhoud kort samenvatten.
recedeeren, terugwijken, terugtreden; weer afstaan. Receiver, ontvanger.
recenseeren, onderzoeken, doorloopen; beoordeelen (een
boek); het beoordeelend aankondigen.
Recensént, beoordeelaar, inz. van boeken.
Recénsie, beoordeeling, inz. boekbcoordeeling.
recént, nieuw, versch, pas gebeurd, onlangs.
Recepisse, bewgs van ontvangst.
Recépt, voorschrift, artsenijvoorschrift (het récipe). recepteeren, artsen yen voorschryven en naar de kunst
gereedmaken, de recepteerkunst verstaan. Receptibiliteit, receptiviteit, ontvankelijkheid.
Recéptie, opneming (als lid); ontvangst, inleiding in een gezelschap; ontvangst, tijd en plaats van ontvangst der gelukwenschenden, inz. bij ondertrouwden.
Recéptor, ontvanger, gaarder van zekere gelden. Receptuur, ontvang, ontvangst; kunst van het artseny-
voorschryven, ook van ze klaar te maken.
Recés, verdrag, schriftelijk verdrag, afloop, eindgeyolg van onderhandelingen; achterstand, nog verschuldigde som; verzuimde betaling ; het uiteengaan der wetgevende vergadering voor een zekeren tijd.
428 Recette—reclameeren
Recétte, ontvangst; outvangcrsambt.
Rechaud, kolcnpan, komfoor.
réchauffé, opgewarmd.
Rechérche, onderzoek,navraag; aanzoek ; zorgvuldigheid; te groote angstvalligheid, gezochtheid (bv. in de uitvoering eener schilderij).
rechercheeren, onderzoeken, uitvorsclien, navragen. Rechercheur, politiebeambte die belast is met het opsporen van misdadigers en het onderzoek naar misdrijven. Recidive, liet wederbedryven van een kwaad; hetweder-
instorten van een zieke.
recidiveeren, weer instorten (van een zieke); dezelfde fout weder begaan. (vervalt.
Recidivist, die na zijne bestraffing in hetzelfde misdrqf Recief, ook Recsif, ontvangeed,bewijs van ontvang; schriftelijke verklaring van denschipper omtrent de door hem geladen goederen. p
récipe, (op recepten der geneesheerenafgekort i\'y?) neem;
ook het artsenijvoorschrift of recept zelf.
recipiëeren, opnemen (in een gezelschap), toelaten. Recipiëndus, opnemeling, aan te nemen persoon, candidaat. Recipiënt, opnemer, ontvanger; (in de scheikunde:) een vat (ontvanger) ter opneming van het door distillatie voortgebrachte vocht; ook de glazen klok op het plateau of de glazen plaat der luchtpomp.
Reciprocitie, wederzqdsche betrekking; vergelding, reciproceeren, reciproqueeren, beantwoorden, met ge-lyke munt betalen. (ache beweging.
Reciprociteit, wederzijdsehheid, wederkeerige, beurteling-recipróque, wederzijdscli, onderling; terugwerkend. Recitétie. voordracht van een gedicht of prozastuk. Recitatief, verhalende zangspraak, zingende spraak, reciteeren, opzeggen, voordragen in redenaarstoon. Reclamant, terugeischer; tegenwerper; opwerper en indiener van bezwaren.
Reclamatie, Reclame, Reclameering, terugvordering; indiening van bezwaren ; eisch wegens rechtscliending. Reclame, bovenmatig aanbevelende aankondiging, kwak-
zalveraclitige aanprijzing van waren enz.
reclameeren, terugeisclien; aanspraak op iets maken; tegen iets opkomen, zgne bezwaren indienen; vergoeding vorderen.
Reclinatie—Recriminatie 429
Reclinétie, terug- of ombuiging.
recludeeren, openen, ontsluiten ; ook insluiten.
Reclüsie, opsluiting, het iu verzekerde bewaring nemen. Recognitie, gerechtelijke erkenning van een persoon, eene zaak, een geschrift voor datgene, waarvoor men dit; uitgeeft; r.-gelden. zulke gelden, die do erfpachter of bruiker aan den grondeigenaar betaalt en waarmede hy diens recht van grondeigendom erkent, recognosceeren, erkennen, voor echt verklaren ; op kondschap uitgaan, een terrein onderzoeken, de stelling bespieden (in den kryg*; onderzoeken, monsteren. Recognosceering, bespieding, opneming der stelling of
ligging (des vyands).
recoleeren, tegen elkander vergelyken (bv. twee geschriften); (ook:) opnieuw filtreeren of doorzijgen. Recollecten, (fr. Recollets), leden der Franciskaner orde,
die blootsvoets op klompen gaan.
Recolléctie, verzameling der gedachten, bezinning, recommandabel, aanbevelenswaardig, pryzenswaard. Recommandatie, aanbeveling, voorspraak, recommandeeren, aanbevelen, aanpryzen.
Recompénse, belooning; schadeloosstelling, recompenseeren, beloonen; vergoeden.
recompleteeren, weder voltallig maken.
Recompositie, wedersamenstelling.
Reconciliatie, verzoening, wederbevrediging, reconciliëeren, verzoenen, bevredigen.
reconnaissént, erkentelyk, dankbaar.
Reconstitütie, wederherstelling.
Reconstructie, wederopbouw; vernieuwde samenstelling, reconstrueeren, weder opbouwen; opnieuw samenstellen. Reconvalescént, een zieke aan de beterhand, genezende. Reconvéntie, tegeneisch (in rechten).
Recoups (ook Regrés en Regrediéntie , teruggang, toevlucht ; buitengewoon beroep op of indiening van bezwaren by een hooger gerechtshof; recht van schade-Recourswissel, tegenwissel. (verhaal,
recouvreeren, terugkrygen.
Recreétie, uitspanning, verlustiging.
Recreditief, terugroepingsbrief (aan een gezant), recreëeren, zich ontspannen, zich verlustigen. Recriminatie, tegenbeschuldiging; tegeneisch.
43° recrimineeren—Redacteur.
recrimineeren, tcgenl)escliuldigingeii maken ; wcderscliel-den of hoonen, met smaadwoorden enz. beantwoorden. Recrudescéntie, wederopengaan eener wond, verergering
eener ziekte.
recruteeren, troepen werven, lieliten; aanvullen. Recruteering, mansclmpsaanvulling, aanwerving,lieMing. Recruut, in dienst getreden loteling;nieuw aangeworven
soldaat; recruten, aanvullingsmanschappen, rectangulair, reclithoekig.
récta via, rechtuit, langs den rechten weg.
Recta-wissel, wissel, die alleen aan den persoon, niït ook aan de order des eersten houders luidt (alzoo niet ge-endosseerd kan worden).
récte, recht, juist, goed.
Rectie, regeering (in de spraakkunst). (tillatie.
Rectificatie, terechtbrenging, verbetering; herhaalde dis-rectificeeren, verbeteren, door gedurig overhalen nog
meer zuiveren en versterken.
Réctor, bestuurder, eerste leeraar aan eene Latyi.sche school of een gymnasium ; r. magnificus, eerste bestuurder, voorzitter van een academischen senaat.
rectoraal, den rector betreffende; rectorale waardigheid,
rectorschap.
Rectoraat, ambt, waardigheid van een rector.
Regu, schriftelyk bewys van ontvang.
Recueil, verzameling.
recueilleeren, verzamelen; zich —, zich bekorten; in
zich zeiven keeren.
Recül, terugsprong, terugstoot.
reculeeren, teruggnan, wijken; terugspringen.
reculer pour mieux sauter, achteruitgaan om des te be-Recuperatie, wederverkryging. (ter te springen,
recurreeren, hulp zoeken bij, zich houden aan (.emand). Recurrént, hulpzoeker; gebruikmaker van het Recours
(z. dat woord).
recusóbel, verwerpelijk; weigerbaar.
Recusótie, verwerping, wraking; weigering.
recuseeren, afslaan, verwerpen; niet aannemen, weigeren, red, rood; red deer, rood wild.
Redacteur, verzamelaar, rangschikker en opsteller van schriftelijke opstellen ter uitgave, inz. van tydschriften cn dagbladen.
Redactie—Referaat 431
Redóctie, verzameling en schikking, gcrcedmaking voor den druk, het stellen, inz. van tijdschriften, dagbladen; (ook :) de daarmede belaste persoon of personen. Redditie, teruggave, overgave (bv. eener vesting). Redemptie, verlossing; —tor, verlosser.
Redemptoristen, z. Liguorianen.
redevóbel, erkentelyk, verplicht.
Redhibitie, terugneming eener gekochte zaak, koopvernietiging of ontslag.
redigeeren, in orde brengen, naar eisch inrichten en in
\'t licht geven, den druk bezorgen.
redimeeren, loskoopen, weder inlossen, bevryden, Redingóte, rgrok, reisjas, lange rok.
Redltes, herhalingen.
Red (tie, herhaling.
Redondcintie, zinledige woordenvloed, klinkklank, redondeeren, overvloeien ; vol zgn van overtollige woorden, redoubieeren. verdubbelen ; versterken.
redoutcibel, vreeselyk, geducht.
Redoute, kleine veldschans; gemaskerd bal.
redouteeren, vreczen, duchten, ontzien, schuwen.
Redrés, herstel, herstelling, vergoeding.
redresseeren, weder herstellen, goedmaken, reduceeren,terugvoeren, verminderen, beperken; herleiden. Reductie, Reduceering, herstelling tot vorigen vorm; vermindering, bv. van het getal troepen, verlaging, vermindering, verkleining; overbrenging van maten, gewichten en munten van een land in een ander, herleiding (in de rekenkunst). (boek. Reduit, toevluchtschans, vluchtschans; vertrekje, schuil-Redundéntie, redundeeren, z. Redond—. (ling. Reduplicatie, verdubbeling; letter- of syllaben-verdubbe-redupliceeren, verdubbelen; lettergrepen of letters verdubbelen.
reëel, werkelijk, waarlijk, wezenlgk; geloofwaardig, zeker
(z. ook reaal).
Reëmtie, terugkoop. (ren.
Reëxportatie, wederuitvoer; reëxporteeren,wederuitvoe-Refóctie, Rafactie, korting voor beschadigde waren. Reféctie. herstelling, verkwikking.
Refectórium, eetzaal in kloosters en dergelgke.
Referaat, berichtgeversambt j verslag, bericht.
432 refereeren—refrigereeren
erfereeren, berichten, verslag: doen, voordragen; zich — aan, zieli houden aan, zich gedragen naar, zich beroe-Referein, z. Refrein. (pen op.
Referendaris, Referént, ambtenaar, die omtrent den inhoud der acten bü een college van justi ie rapporteert, verslag doet of voordraagt; referendaris, ook hoofdambtenaar aan een ministerie in rang volgende op den secretaris-generaal; referént, ook berichtgever, aankondiger van nieuw verschenen boeken of werken. Referéntiën, informatiën, getuigenissen, aanbevelingen. Reférte, verwyzing naar, beroep op iets.
reflecteeren, terugstralen; nadenken, overwegen. Refléctie, Refléxie, terugstraling, weerschijn; overdenking, bespiegeling; inachtneming.
Refléctor, spiegelinstrument, om nachtseinen duidelyker
zichtbaar te maken; spiegeltelescoop.
Reflex-beweging, onwillekeurige, op peripherischen prikkel volgende beweging. (bloei geraken, refloreeren, refloresceeren, weder opbloeien, tot nieuwen reflueeren, terugvloeien, terugtreden ; terugwerken. Reformétie, hervorming, inz. de kerkhervorming door Reformator, kerkhervormer. (Luther e. a. Reformbill, wet tot herziening der kiesbevoegdheid. Refórme, omvorming, verbetering; afdanking, ontslag (bij militairen).
reformeeren, een anderen vorm geven; hervormen. Reformisten, (in Engeland -.) voorstanders van de hervorming van het parlement (reformers); (in Frankrijk -.) voorstanders van de hervorming van het kiesstelsel, reformistisch, wat tot de hervorming betrekking heeft,
bv. —e banketten of maaltijden, petitiën.
Refractair, weerspanneling, inz. tegen den krygsdienst. Refréctie, straalbreking.
Refréctor, straalbreker; dioptrische verrekijker, refrangibel, breekbaar, te breken (van lichtstralen). Refrangibiliteit, breekbaarheid (der lichtstralen).
Refrein, een of meer woorden of regels, die aan \'t einde van elk couplet herhaald worden, keerregel(8), keer-Refreshingroom, ververschingslokaal. [woord(en).
Refrigerantia, verkoelende middelen. (middel-
Refrigerator, Refrigeratórium, koelhuis, koelvat, afkoel, refrigereeren, afkoelen, verfrisschen.
refriseeren—Register 433
refriseeren, opkrullen.
Refugié, uitgewekene, vluchteling om \'t geloof, inz. de Gereformeerden, welke onder Lodewyk XIV in 1685 wegens de geloofsvervolging hun vaderland verlieten. Refugium, toevlucht.
Refus, weigerend antwoord, weigering; hlauwe scheen, refuseeren, weigeren, van de hand wyzen.
Refutatie, weerlegging; opzegging van het leen. refuteeren, weerleggen.
Regaal, orgelregister, dat de menschenstem nabootst (vox humana); boekenplank; (ook:) drukletter, groote ko-ningsletter, drukletter, die op imperiaal volgt; (ook wel:) gastmaal.
Regaal, Regale, pl. Regaliën, Regalia, koninklijk of vor-stelyk voorrecht, hoogheidsrecht; uiterlijke teekens daar-regaal, koninklyk; (fig.) voortreffelyk. (van.
regaleeren, onthalen, vergasten.
Regórd, aanblik ; aanzien, achting; betrekking, (nemen, regardeeren, aanzien, betrekking hebben; in aanmerking Regdtta, de wedvaart met goudels in Venetië; roeiwed-stryd.
Regence, regentschap ; ryksbewind gedurende de minderjarigheid, afwezigheid, ziekte enz. van een vorst. (ping. Regeneratie, wedervoortbrenging; omvorming, herschep-regenereeren, weer telen of voortbrengen; vervormen,
herscheppen, opnieuw bezielen.
Regént, heerscher, ryksbestuurder; godshuisbestuurder; (ook:) grootste diamant in een vorsielyke kroon, inz. in de Fransche kroon.
Regie, leiding, bestuur; beheer van zekere handelstakken met verantwoordelijkheid voor het doen van rekening. Regime, levensregel, eetregel; staatsbestuur ; ancien —, de regeeringstoestand van den ouden tyd (bv. de tyd van de heerschappy der Bourbons, vóór de revolutie). Regiment, ryks- of staatsbestuur; groote troepenafdee-
ling, uit eenige bataljons bestaande.
Regis ad exemplar, op het voorbeeld des konings. Regisseur, beheerder, rekenplichtig bestuurder, rekeningvoerder; inz. tooneelbestuurder.
Register, alphabetisch gerangschikte lyst of bladwijzer; gerechtsboek; actenboek ; orgelschuif; de gezamenlyke, tot éene geluidsoort behoorende orgelpypen; oventrek-ELFDE DRUK. 28
434 Registratie—Regulatief
gat; (bq boekdrukkers:) juiste tegenoverstand, die de regels der beide zgden van \'t bedrukte blad met elkander moeten hebben (daarvoor te zorgen heet register maken); register-papier, groot, sterk papier voor registers, rekeningboeken enz.; registerschip, Spaansch koopvaardijschip met openbare bevoegdheid om op Amerika handel te drijven.
Registratie, het inschrijven van oorkonden of acten in
een wettelijk register.
Registrétie-recht, het verschuldigde wegens het regis-
treeren of inschrijving in \'t register.
Registrétor, ontvanger der registratie, ambtenaar, die de acten wettelyk inschrijft en het daarvoor versclmldigde ontvangt. (oorkonden.
Registratuur, gerechtelijk inschrijfboek ; bewaarplaats der registreeren, in \'twettelyk register schrijven, boeken, regieeren, regelen, rangschikken; voorschrijver. Reglement, verordening, bepaling, voorschrift, richtsnoer, reglementair, het reglement betreffend, daartoe behoorend. Regnum, het rjjk.
regratteeren, weder opkrabben, afkrabben; opknappen, opflikken, van oud nieuw maken; een muur afbikken; in \'t klein verkoopen, uitventen, leuren.
Regratterie, kleinkramerij, uitventing in \'t klein ; koo-
meny ; voddenkraam.
Regrediëntie, Regrés, teruggang; ook = Recours. regressief, teruggaand; terugwerkend.
Regrét, spyt, leedwezen, verdriet.
regrettébel, betreurenswaardig.
regretteeren, bejammeren; terugwenschen. (tingregel. Régula, regel; — juris, rechtsregel; — miltiplex, ket-regulair, regulier, regelmatig, geregeld; reguliere troepen, linietroepen, staande troepen; reguliere geestelijken, ordesgeestelyken of monniken.
regulariseeren = reguleeren.
Regulariteit, regelmatigheid.
Regulateur, Regulator, regelaar, rangschikker; (by zakuurwerken :) de onrust met het snekrad; (by slingeruurwerken :) de slinger met zyn bus; (bij blaasinrich-tingen:) een werktuig, ter bewerking van een regelma-tigen luchtstroom enz.; (ook:) de slinger.
Regulatief, voorschrift, richtsnoer.
reguleeren—Religie 435
reguleeren, regelen, schikken, vaststellen.
regulier, z. regulair. (zien.
Rehabilitatie, herstel in vorigen stand, staat, eer of aan-rehabiliteeren, weder in vorigen stand brengen, in eer,
goeden naam enz. herstellen.
reïmporteeren, weder invoeren.
reïncorporeeren, weder inlyven.
Reine, koningin.
Reinétte, koningsappel.
Reïntegrétie, herstel in vroeger bezit of genot, reïntegreeren, in vorig bezit of genot herstellen.
Réis, Portugeesche munt (z. Milreis); bevelhebber by de Turken. (tenlandsche zaken.
Réis-effendl, Turksch rykskanselier en minister van bui-Reïterétie, herhaling.
reïteratief, herhaaldelyk, herhaald.
reïtereeren, herhalen.
Rejéctie, verwerping, afwyzing.
rejeteeren, verwerpen.
rejouisseeren, verhengen, vervrool^ken, verlustigen. Relaas, bericht, verslag; verhaal.
Reldche, uitspanning, rust, het ophouden van \'t werk. relacheeren, ontspannen, slap maken ; verslappen, verflauwen, nalatiger worden; loslaten, bevryden.
Relais, pleisterplaats, poststation.
Relépsus, terugval; wederafvallige.
relóta réfero, ik verhaal de zaak, zooals ik ze gehoord heb. Relatie, betrekking; gemeenschap, verkeer; (ook:) = relatief, betrekkelijk, in verband tot. (Relaas,
Relaxétie, losmaking, verslapping, verzachting, relaxeeren, z. relacheeren.
Relegdtie, verbanning; wegzending. [hoogescholen). relegeeren, verbannen; wegzenden, venvjjzen (inz. van relevant, gewichtig; ter zake dienstig.
Relevétie, ontheffing, bevrijding; wederoprichting releveeren, verlichten, vrijspreken, ontheffen ; doen uitkomen, verhoogen; afhangen, afhankelijk zijn (van iemand); behooren (tot een rechtsgebied, heerlykheid, enz.); leenroerig zyn. [kinderen enz.)
Rellcta, de nagelatenen of achtergeblevenen (gade, weduwe, Reliëf, verheven werk in marmer, metaal enz.
Religie, godsleer, geloofs- en deugdenleer; geloofsstelsel.
436 religiëus—Remonstranten
geloof; godsvrucht, godsdienst, gemecnscliappclpc gods-vereering en aanbidding.
religiëus, godvreezend, godsdienstig; nauwgezet. Religiositeit, godsvrucht, godvereevende stemming; gemeenschappelijke godsvereering.
Reliqufe, overschot, als heilig beschouwd overblijfsel,inz.
kleederen of gebeente van heiligen. (tqd.
Relocatie, wederverhuring, verlenging van pacht- of huur-rem acu tetigisti, gü hebt den spykcr op den kop gesla-remarquabel, opmerkenswaardig, aanmerkelgk (gen. Remarque, aanmerking; opmerking.
remarqueeren, aanmerken; ppmerkcu, waarnemen. Rembours, Remboursemént, terugbetaling,teruggave van
\'t gereede uitschot; dekking (van een wissel , rembourseeren, weder vergoeden, terugbetalen ; de dekking toezenden (bv. van eene traite).
Remédie, middel, hulp-, geneesmiddel; veroorloofd minder gehalte (by munten).
remediëeren, verhelpen, genezen, heelen.
Remembrance, herinnering.
Remésse, Rimésse, overgemaakt geld, overzending van geld of geldswaardig papier. (was geëmigreerd,
remigreeren, naar het vaderland terugkeeren, waaruit men Reminiscéntie, herinnering; plaatsen die aan een ander
geschrift doen denken ; geheugen.
Remls, z. onder Remise.
Remise, uitstel; vermindering, afslag, kwijtschelding van schuld; (by kooplieden :) = Remesse ; (ook :) wagenhuis, -schuur, loods, koetshuis; (in het spel, en dan vaak ook Remis :) gelijk ; (in het schaak- en kaartspel:) kamp-op, onbeslist gebleven ; (in sommige kaartspelen;) enkelvoudig verloren (als de speler niei meer slagen haalt dan zyne tegenspelers)
Remissie, terugzending ; toegestane korting; opheffing van een verbod; hetuitblyven,nalaten (bv. van eene koorts1, remitteeren, terugzenden; weer ter hand stellen; geld of wissels overmaken; iets laten vallen oï kwytschelden. Remittént, overzender, overmaker; de eerste wisselhouder of -ontvanger.
Remolliéntia, weekmakende, verzachtende middelen. Remonstrénten, eene godsdienstparty der Gereformeerde kerk, inz. in Holland door hare tegenparty (de C o n-
Remonstrantie—Renommist 437
tra-Remonstranten) A r m i n i a n e n ffeheeten. Remonstrantie, tegenvoorstelling.
remonstreeren, tegenwerpingen maken, tegenwerpen. Remontanten, rozen, die den geheelen zomer doorbloeien. Remonte, Remonte-paarden, aanvullingspaarden, paarden ter vervanging van dezulke, die tot den dienst by de ruiterij onbekwaam zyn geworden.
remonteeren, opmaken of in orde brengen ; de deelen weer tot een geheel vereenigen; het te-kort der paarden van een regiment door nieuwe aanvullen.
remorqueeren, op het sleeptouw nemen, beegseeren. Remorqueur, sleepboot.
Remótie, verwqdering; ontslag uit een post, afzetting, remótis érbitris, zonder getuigen, onder vier oogen. Remo(u)lade, pikante saus, gekruide saus.
removeeren, wegruimen ; verwijderen; afzetten. Remplapant, plaatsvervanger, inz. in den krjjgsdienst. remplaceeren, vervangen, in de plaats treden of stellen voor. Remunerétie, vergelding, belooning.
remunereeren, vergelden., beloonen.
Renaissance, wedergeboorte; stijl de la — of i la —, meer of min gelukkige vermenging van den stijl der middeleeuwen en dien der Ouden (in de bouwkunst enz.); de sedert de 16de eeuw in Frankrijk opgekomen mode, de toenmaals heerschende kunstsmaak. Rencóntre, ontmoeting, toevallig samentreffen; oneenig-
heid, vechtpartg ; gelegenheid, toestand.
rencontreeren, ontmoeten, aantreffen. [rekening).
Rendént, rekeningvoerder, rekening-aflegger (rendant van rendeeren, opbrengen, afwerpen (winst).
Rendement, opbrengst, winst.
Rendez-vous, afgesproken bijeenkomst, verzamelplaats;
rendez-vous-huis, geheim bordeel, knip.
Renegaat, geloofsverzaker, afvallige, inz. een tot Mohammed\'s geloof overgegaan Christen.
renegeeren, weder verloochenen, afvallen.
renforceeren, versterken, sterker maken.
Renfort, versterking; hulp.
Renitent, weerspannige, weerstrever. (nigheid.
Reniténtie, wederopstand, tegenstand, verzet, weerspan-Renommée, faam, naam ; vermaardheid, roemruchtigheid. Renommist, vechtersbaas, baldadig twistzoeker-
43S Renonce—repasseerert
Renónce, het missen of verzaken eener kleur in\'t kaartspel; de ontbrekende kleur; (ook;) een afkeerwekkend persoon.
renonceeren, van eene zaak afzien, haar opgeven; (in \'t
kaartspel:) niet bekennen, de kleur niet bqspelen. Renovatie, vernieuwing, herstelling; tweede aanmaning
ter betaling van de achterstallige belasting.
renoveeren, vernieuwen ; herhalen; een wissel —, hem
vernieuwen, zgn vervaltgd later stellen. Renseigneménten, inlichtingen, aanwyzingen. Rentabiliteit, het vermogen om renten op te bre igen, ren-
tengevende gesteldheid.
Rente, jaarlgksche geldinkomsten, die niet de opbrengst van persoonlyke industrieof werkzaamheid zgn; cpbrengst van kapitalen, landerijen enz., interest.
renteeren, renten, renten of interesten opbrengen. Rentenier, wie van zgne renten leeft.
rentenieren, van zgne renten leven.
Rente viagère, Igfrente.
rentoileeren, verdoeken (oude schildergen).
Renumerétie, terugbetaling; wederuitbetaling. renumereeren, terugbetalen, weer uitbetalen; geïnd of
gebeurd geld weder uitgeven; natellen.
Renunciatie, bericht; opzegging eener zaak; afstanddoening; het afzien (bv. van de nalatenschap, van verder procedeeren).
renunciëeren, afstand doen; afzien van iets. renverseeren, omkeeren, omwenden, omverwerpen, het
onderst boven keeren.
Renvoi, Renvooi, verwgzing (in boeken); terugzending, renvoyeeren, terugzenden; afscheid geven, ontslaan, ver-reordineeren, weder ordenen, opnieuw wgden. (wgzeu. Reorganisatie, nieuwe inrichting.
reorganiseeren, opnieuw inrichten, hervormen, repandeeren, vergieten, plengen; verbreiden, verspreiden, reparébel, herstelbaar ; vergoedbaar.
Reparétie, Reparatuur, herstelling; vergoeding, repareeren, herstellen, verbeteren; weer goid maken, reparteeren, verdeden.
Repartitie, verdeeling.
repasseeren, terugkomen ; weer voorbggaan of doortrekken ; doorloopen, nazien en verbeteren (geschriften, re*
Repeal—Representant 439
keningen enz.); de radertanden (van een nieuw uurwerk) aanscherpen.
Repeal, herroeping, opheffing (inz. der vereeniging van Ierland met Engeland): repealers, die partij van het Engelsche parlement, welke de herroeping der Unie van Engeland en Ierland verlangt.
Repercussie, terugstoot; afkaatsing (bv. van \'t geluid,
van de lichtstralen enz.)
repercuteeren, terugstooten, afstuiten.
Repertoire, Repertórium, opslag-of aanwijzingsboek, zaakregister, blaffert; wekelyksche lyst der op te voeren tooneelstukken in groote steden.
repeteeren, herhalen, herzeggen.
Repetént, herhaler; terugkecrende cijfers eener repetee-rende breuk.
Repetitie, herhaling; proefherhaling; slaand horloge. Repetitor, herhaler, iemand die de colleges van een professor met studenten repeteert.
Repit, verlenging, uitstel, latere termyn, r e s p y t. Replétie, volbloedigheid; zwaarlijvigheid.
repHceeren, antwoorden, hervatten, daartegen inbrengen, repliëeren, weder samenvouwen; terugtrekken, deinzen. Repliek, tegenantwoord, tegenbescheid.
repondeeren, antwoorden; beantwoorden; borg blyven. reponeeren, weder op de plaats zetten of leggen, wegleggen, bewaren ; zetten, weder inbrengen (een ontwricht lid, eene breuk enz.)
Report, bericht, verslag; (in den Franschen effectenhandel:) verschil der pryzen op het einde der loopende en op het einde der naastvolgende maand.
Reporter, verslag-, berichtgever, inz. voor couranten. Repós, rust.
repos ailleurs! elders (d. i. hier namaals) rust! reposeeren, rusten; zich verlaten op iemand.
Reposltie, het weer in \'t lid brengen.
Reposoir, rustaltaar by processiën.
repoussseren, terugstooten.
reprehendeeren, berispen, laken, verwyten. reprehensfbel, berispenswaard, lakenswaardig. Reprehénsie, berisping, doorhaling, bestraffing. Represailles, weerwraak, wraakoefening.
Representant, vertegenwoordiger; volksvertegenwoordiger.
44° Representatie—Repudiatie
Representatie, vertegenwoordiging; opvoering van een tooneelstuk.
representatief, plaatsvervangend; vertegenwoordigend, representeeren, vertegenwoordigen; voorstellen; iets ver-
toonen, zich voordoen, gewicht hebben.
Représsie, onderdrukking, beteugeling.
repressief, belemmerend, stuitend, afwerend. Repriménde, terechtwijzing, verwyt, doorhaling; (fam.)
lange neus, bokking.
reprimeeren, onderdrukken, beteugelen, verhinderen. Reprise, herovering; herwonnen prjjs; herhaling. Reprobétie, verwerping, wraking, tegenbewy». reprochabel, berispenswaard, bestraffelyk.
Repróche, verwgt, wraking, berisping.
reprocheeren, verwijten, onder den neus wrijven, reproduceeren, weder voortbrengen ; tegenbewijzen. Reproducént, tegenbewijsvoerder.
Reproductie, wedervoortbrenging; herstelling van verloren of beschadigde deelen aan dierlgke lichamen, reproductief, wedervoortbrengend, herstellend. Reproductiviteit, reproductieve kracht, herstellingsvermogen, inz. van wormen en amphibieën.
reprouveeren, verwerpen, afkeuren, veroordeelen. Reptielen, kruipende dieren, wormen ; (ook :) amphibieën,
inz. slangen, kikkers, hagedissen, schildpadden. Reptiliënfonds, in Duitschland de naam van de geheime
fondsen ter ondersteuning der regeeringsbladen. Republiek, gemeenebest, vrijstaat, in welken het opperst gezag niet bjj een erfelyk vorst berust, maar waar dit gezag 5f door een gekozen president, óf door een directorium en dergl. wordt uitgeoefend. De republiek kan eene aristocratische zqn, wanneer tot de waardigheid van regent alleen de door geboorte bevoorrechten kunnen geraken; of eene democratische, als het volk el-ken burger, zonder aanzien des stands, tot de hoogste staatsambten mag kiezen; of eene aristo-democrati-sche, indien de beide vorige vormen gemengd zgn. Republikein, burger van eene republiek; gemeenebest-gezinde.
repubiikeinsch, wat de republiek aangaat, daartoe behoort ; gemeenebestgezind.
Repudiétie, verstooting, afwyzing; echtscheiding.
repudiëeren—Rescript 441
repudiëeren, verwerpen, verstooten, van de hand wgzen
(bv. eene erfenis); het huwelyk ontbinden, scheiden, repugnant, afkeerwekkend, hinderlijk, walglyk. repugneeren, weerstreven, tegenstreven, zich verzetten;
tegenzin of afkeer gevoelen, tegen de borst stuiten, wal-Repüls, afwyzing, weigerend antwoord, (gen.
repulseeren, terugstooten, afwijzen, een weigerend antwoord geven.
Repulsie, terugstooting, afwyzing.
reputabel, een goeden naam hebbende, te goeder faam staande.
Reputétie, naam of faam, aanzien, goede naam.
Requést, verzoekschrift.
requestreeren, een verzoekschrift indienen.
Réquiem, zielmis ; de mnziek en zang daarbij naar de woorden: Réquiem aetérnam dóna éi (éis), Dómine, Heer, schenk hem, haar (hun, haar) de eeuwige rust. requiescat in pace, hg ruste in vrede.
Requirent, onderzoeker, navorscher.
requireeren, verzoeken, verlangen, vorderen, eischen (in rechten); onderzoeken, navorschen; (by militairen :) leveringen vorderen of uitschryven.
Requisiet, vereischte, noodzakelyke eigenschap. Requisitie, het aanhouden, aanzoeken; opcisching der eene regeering aan de andere om de by overeenkomst bepaalde hulpverleening; uitschryving vanleverantiën; beslag op personen of goederen; (onder de vroegere Fransche republiek) oproeping aan de jongelieden tot den krygsdienst.
Requisitoir, eisch van het openbaar ministerie.
Res, zaak, ding, vermogen; — aliena, vreemd goed; — alienabilis, vervreemdbaar goed; — allodialis,vry erfgoed; — dubia. twijfelachtige zaak; — facti, feit, gebeurde zaak; — judicata, besliste zaak.
Rescief, z. Recief.
rescindeeren, voor nietig verklaren (bv. een testament). Rescissie, gerechtelijke opheffing of verwerping (cassatie)
van een testament.
rescribeeren, terugschryven, antwoorden.
Rescript, antwoord, bescheid op aanvragen, verzoeken; pauselyk bevel of verordening als antwoord op een theologische vraag.
442 Rescriptie—resolveeren
Rescriptie, terugscliryving; schriftelyke last tot inning
of uitbetaling eener geldsom.
Rescriptiën, vroegere Fransche staatsschuldbriefjes, gegrond op de nationale domeinen, tot uitdelging der assignaten, gedurende de eerste Fransche republiek ingevoerd.
Reséctie, het verwijderen der beenderen of gewrichten
met behoud der wecke deelen.
Reservaat, voorbehoud ; het voorbehoudcne, bedongene. reservando, voorbehoudend, met voorbehoud Reservatie, Resérve, bedachtzaamheid, ingetogenheid, achterhouding ; noodhulp; resérve of reserve-corps, spaar-bende, z. Corps de reserve.
Reservétio mentalis, z. Restrictie mentalis.
reservatis reservandis, met het noodige voorbehoud. Reserve, voorbehoud, beding, omzichtigheid.
reserveeren, bewaren, weerleggen, in voorraad houden;
voorbehouden (bv. zijne rechten). (bewaarplaats.
Reservoir, bak, waterbak, -kom, vergaarbak; (in \'talg.:) resideeren, wonen (inz. van vorsten, ook van notarissen enz. gezegd).
Residént, vertegenwoordiger van een vorst, gevolmachtigde eener regeering in \'t buitenland (minder in rang dan een gezant); hoofd eener residentie in Nederlands O. Indische bezittingen.
Residéntie, gewone verblijfplaats van een vorst, hofstad; hoofdafdeeling van \'t Nederlandsch gebied in O. Indië onder een resident.
Residuum, overblyfsel, rest, bezinksel, droesem. Resignétie, afstanddoening van een ambt of post; onderwerping aan den goddelyken wil; zelfverloochening ; (ook:) gerechtelijke ontzegeling.
resigneeren, afstand doen, ncderleggen; zich gelaten in
zijn lot schikken; (ook:) gerechtelijk o.itzcgelen. resiieeren, terugtreden (bg contracten).
Resiliatie, terugtreding.
resisteeren, weerstand bieden, zicli verzetten. Resisténtie, wederstand, verzet.
Resolutie, besluit, vastberadenheid.
resoluut, vastberaden, onverschrokken; (ook :) gul, ronduit resolveeren,\' oplossen, ontbinden; besluiten, vaststellen, bepalen.
Resolventia—Restaurant 443
Resolvéntia, oplossingsmiddelen, verdeelende middelen. Resonóns-bodem, klankbodem (eener forte-piano). resonént, weerklinkend, naklinkend.
Resonantie, weergalm, naklank.
resorbeeren, wederopslorpen, in- of opzuigen.
Respéct, achting, eerbied; opzicht, betrekking ; met —,
met verlof (te zeggen).
respectébel, achtenswaardig, eerwaardig, aanzienlyk. Respectabiliteit, achtenswaardigheid.
Respéct-dagen = Respijt-dagen (z. aid.)
respecteeren, eerbiedigen, hoogachten; ontzien, verschoo-nen; ongemoeid laten. (voor zich.
respectief, respectievelijk, onderling, wederzydsch, ieder respectueus, eerbiedig, vol eerbied.
Respijt = Repit; respijt- of respect-dagen, toegift-, nit-steldagen, wisseluitstel, dat na den vervaldag van een wissel wordt toegestaan, ook honneur-, faveur- eu discretie-dagen.
respirébel, inadembaar, ter inademing geschikt. Respiratie, het ademhalen, ademhaling, verademing, respireeren, ademhalen, lucht scheppen; zich herstellen, respondeeren, antwoorden, beantwoorden; instaan voor. Respondént, beantwoorde!* en verdediger van een geleerd
twistschrift (op hoogescholen).
responsabel, verantwoordelyk, aansprakelyk. Responsabiliteit, verantwoordelykheid, aansprakelykheid. responsief, antwoordend, antwoord bevattend. Respónsum, antwoord, bescheid.
Ressentiment, nagevoel, pynlyke herinnering; wrok, gevoeligheid.
Ressórt, veer, dryfveer; spankracht; dryfwerk; (ook :) gebied, rechtsgebied, grondgebied of district (van eene rechtbank); vak, werkkring; gebied (bv. eener wetenschap).
ressorteeren, onder een rechtsgebied, tot eene rechtbank,
tot een bepaalden werkkring behooren.
Ressource, hulp, toevlucht, hulpbron, bestaanmiddel;
(ook:) plaats van ontspanning.
Rest, overschot; achterstand.
Restént, overschot; (ook:) achterstallige schuldenaar. Restaurént, versterkend middel; eethuis; gaarkeuken, restauratie.
444 Restaurateur—Retentie
Restaurateur, hersteller, wederoprichter; gaarkok, spijshuishouder, opentafelhouder.
Restauratie, herstelling, verbetering; hersielling eener oude dynastie op den troon, inz. die der Bourbons na den val van Napoleon I; verfrissching, versterking; (ook :) spijshuis, portietafel.
restaureeren, herstellen; versterken, verkwikken; zich
—, iets tot verkwikking, tot versterking gebruiken, resteeren, over zyn; achterstallig, nog schuldig zyn. restitueeren, teruggeven, vergoeden.
Restitutie, teruggave, vergoeding.
Restrictie, beperking, verkorting ; voorbeho id.
restrictief, beperkend, bepalend, voorbehoudend. Restrictio mentalis, een voorbehoud in de gedachte by beloften of eeden, waardoor men deze krachteloos zoekt te maken.
restringeeren, beperken, verkorten.
Resultaat, uitslag, einduitkomst; eindgevolg van een onderzoek ; vrucht, opbrengst.
resulteeren, uit eene zaak volgen, voortvloeien.
Resumé, Resumtie, samenvatting, beknopt overzicht, korte inhoud; resumeeren, kort herhalen, samenvatten, nalezen en goedkeuren.
Resumtie, z. Resumé. (king dienstig,
resumtief, versterkend, tot versterking of tot verkwik-Resurréctie, opstanding der dooden; resurrectie-mannen, Ijjkdieven in Engeland, die lijken opgroeven om ze aan ontleedkundigen te verkoopen.
Ressuscitatie, opstanding, herrijzenis; hervatting, vernieuwing (bv. van een rechtsgeding); het weeroprake-len (bv. van een twist).
retablisseeren, herstellen, weder oprichten. Retablissement, herstelling.
Retail, kleinhandel; retailer, kramer, winkelier. Retaliétie, wedervergelding.
retaliëeren, weder vergelden, gelijk met gelijk vergelden. Retard, Retardatie, vertraging, belemmering, achterlyk-retardeeren, vertragen, ophouden, belemmeren. (beid. Retardement, vertraging, vertoef; uitstel; verhindering. Retaxdtie, herschatting: retaxeeren, herschatten. Reténtie, voorbehoud; het ophouden, opstoppen (bv. van de urine).
Retenue—retrogradief 445
Retenue, terughouding,ingetogenheid, bezadigdheid; korting (op eene soldij, rente enz.)
Reticéntie, verzwegen ; retlceeren, verzwygen.
Reticule, kleine werkzak der vrouwen (eerst iron., later by verbastering en uit onkunde ridicule geheeten). Retina, netvlies in \'t oog.
Retirade, terugtocht, aftocht; toevlucht, toevluchtsoord;
geheim gemak, bestekamer ; verschansing op een bastion, retireeren, afdeinzen, terugtreden; zich —, van de wereld, van de bezigheden afzien.
retorqueeren, terugdraaien ; iemands gezegden tegen hem-zelven gebruiken, hem met zijne eigen woorden slaan. Retórsie, wedervergelding; r.-recht, het recht van ver-Retort, kromhalzig vat, kolf, helm, kolftlesch. (gelding. Retouche, overwerking; wedcropwerking: (ook:) een
overgewerkte, verholpen plaats in eene schildery. retoucheeren, overwerken, verbeteren, de laatste hand
aan (iets) leggen; eene schildery weder opwerken. Retour, terugkeer; geld- of wissel-terugzending; terugvoer van goederenladingen; —biljet (op stoombooten, spoortreinen), bewys, dat men by \'t vertrek voor heen en weer heeft betaald.
retourneeren, terngkeeren ; terugzenden.
Retractótie, terugneming van zijn woord.
retracteeren, zyn woord herroepen.
Retractie, terugtrekking; optrekking (van spieren). Retraite, terugtocht, aftocht; afzondering van dc wereld; toevluchtsoord, wijk- of rustplaats; r.-pensioen, jaarwedde voor oude, tot den dienst onbekwaam geworden krygslieden.
retrancheeren, afsnijden, besnoeien; verschansen Retranchement, afsnyding; verschansing.
Retrétto, herwissel.
retribueeren, teruggeven ; vergoeden; vergelden, beloonen. Retributie, teruggave; vergoeding; bclooning.
rétro, terug, rugwaarts.
Retroactie, terugwerking; retroactief, terugwerkend, retroageeren, terugwerken; achterwaarts doen gaan. retrodateeren, den datum terugzetten.
Retrogradétie, teruggang, rugwaartsche beweging, retrogradeeren, achteruitgaan.
retrogradief, rugwaartsgaand, terugloopend.
446 Reünie—Reversibiliteit
Reünie, wederverceniging, verzoening; (ook.-) gezellige byeenkomst.
reüniëeren, vereenigen, verzoenen; hyeenkomen.
reüsseeren, slagen; goed uitvallen; tieren, voortkomen.
Reüssite, gelukkige afloop, gewcnschte uitkomst.
Revaccmétie, herhaalde koepokinenting.
revaleeren, zich op iemand verhalen wegen» een uitschot of eenc betaling.
Revalénta, zeker gezondheid- en krachthergevend voedsel.
Revénche, Revange, genoegdoening, wraak : tweede spel om \'t verlies van \'t eerste te herstellen.
revancheeren, vergelden, wreken.
Reveille, wektrommel, signaal voor \'t ontwaken der soldaten ; opwekking; herleving.
Reveillon, nachtmaaltgd (na een bal enz.)
Revelatie, ontdekking, openbaring.
Revenént, spook, teruggekomen geest eens afgestorvenen.
revenons amp; nos moutons, laten wij tot ona onderwerp terugkeeren.
Revenu, inkomen; revenuen, inkomsten, renten.
Reverberótie, terugstraling, lichtweerkaatsing.
Reverbére, straatlantaren of lamp, wier licht door een blinkende metaalplaat wordt teruggekaatst; gepoljjste holle spiegel.
reverbereeren. terugstralen, de lichtstralen terugwerpen.
Reverbereer-vuur, strykvuur, vuur zonder uitweg van boven, waardoor de vlam zich ombuigt en heenrolt over de voorwerpen, die aan hare werking zyn blootgesteld.
Reverendfssimus, hoogeerwaarde.
reverend sir, eerwaarde heer (titel van geestelijken).
Reveréntie, ontzag, eerbetuiging; (ook:) buiging,neiging.
Reverie, droomerg, sufferij, mijmering; g^il, hersenschim.
Revérs, keerzijde (van munten enz.); tegenspoed; omslag of opslag van een mansrok; tegenbewijs, schriftelijke tegenbelofte.
Reversólen, waarborgbrieven, in welke een vorst zich verbindt, de rechten zgner onderdanen niet aan te tasten.
Revérsi, kaartspel tusschen 4 personen, waarbij hartenboer de voornaamste kaart is en de minste slagen winnen.
reversibel, terugvallend, wat terugkeert (bv. een leen).
Reversibiliteit, hoedanigheid van weder aan den eigenaar, die er over beschikt heeft, te vervallen.
Reversie—rhapsodisch 447
Revérsie, liet terugvallen van een goed aan zgn heer.
revideeren, herzien; doorzien, nazien.
Review, tijdschrift, maandblad; z. Revue.
Reviewer, schrgver in een tijdschrift; uitgever daarvan.
Revindicatie, terugvordering (van een eigendom).
Revisie, herziening; tweede proefblad.
Revisor, onderzoeker, naziener.
Revivals, plotselinge opwekkingen van den religieusen
geest (in Amerika).
revocébel, wederroepelijk, herroepbaar, te herroepen. Revocétie, terugroeping; intrekking.
revoceeren, revoqueeren, terugroepen.
re voir, wederzien.
revoltant, hoogst hinderlijk, ergerlijk.
Revólte, opstand, oproer.
revolteeren, in opstand brengen; oproerig worden, in
opstand geraken, opstaan.
Revolutie, omwenteling, inz. een groote, gewelddadige wereld-, aard- of staatsomwenteling, omverstorting; omwenteling van een kleineren hemelbol om een grooteren. revolutionnair, omwentelingsgezind: eigendunkelyk. revolutionneeren, omwentelen; eene staatsomwenteling
trachten te bewerken.
revoqueeren, z. revoceeren.
Revue, monstering, wapenschouw; overzicht, titel van verschillende tgdschriften (eng. Review); de — pas-seeren, gemonsterd, nauwkeurig bekeken of beoordeeld worden.
Rex, koning; — apostólicus, apostolische koning (van Hongarge); — cathólicus. katholieke koning (van Spanje); — christianissimus, allerchristelijkste koning (van Frankrijk); — fidelfssimus, allergcloovigste koning (van Portugal).
Rez de chaussée, benedenste verdieping, gelgkvloers. Rhabdologie, staafjesrekenkunst.
Rhabdomantie, stafwaarzeggerg, het opsporen van verborgen dingen door staven (bv. de wichelroede). Rhachftis, ruggegraatskroniming; Engclsche ziekte. Rhapsóden, rondtrekkende volkszangers (bg de oude Grie-Rhapsodie, verzamelwerk, mengelmoes, rommelzoo, [ken), rhapsódisch, onsamenhangend; uit verschillende deelen bgeengebracht, samengeflanst.
448 Rhapsodist—Rigiditeit
Rhapsodist, verzamelaar, samcuflanscr.
Rhétor, redenaar, leeraar der welsprekendheid. (heid. Rhetoriek, Rhetórica, redekunst, leer der welsprekend-rhetórisch, redekunstig, op redenaars wyze.
rheumatiek, rheumatisch, met zinkings b hept. Rheumatisme, vloeiing, zinking, eigenaardige aandoening
van liet celweefsel.
Rhinalgie, neuspyn.
Rhinoceros, neushoorn, neushoorndier.
Rhinoplastiek, de neusvormingskunst, de kunst om beschadigde of verloren neuzen te herstellen.
Rhódium, enkelvoudig, in \'t platina ontdekt metaal. Rhododéndron, rozelaar, alp- of bergroos.
rhomboïdaal, rhomboïdisch, langwerpig ruitvormig. Rhómbus, ruit, gelijkzydige scheeve vierhoek.
rhythmisch, evenmatig, versmatig.
Rhythmus, naar bepaalde maat- en toonverhouding geregelde redegang, evenmatige welluidendheid der rede, der poëzie, klankmaat.
Ricambio, keerwissel, die met protest teruggaat, rioaneeren, hoonend lachen, grijnslachen.
Ricavio, het zuivere bedrag van verkochte waren.
Rice, ryst.
Ricinus-olie, wonderolie.
Ricochét, het keilen, afkaatsen van een geworpen steen
op de watervlakte; r.-schot, weeropstuitend schot, ricocheteeren, opslaan en verder springen (van kogels enz.) Ricorso = Ricambio.
Ricóvero, terugerlanging, schadeloosstelling.
Rideau, voorhang, gordijn-, kleine aarden wal, waarachter de belegerden zich verbergen.
ride si sapis, lach indien gy wys zyt.
Ridicule, het belachelyke ; (ook :) werkzak, werkbeurs der vrouwen (in die beteekenis beter reticule, zie aid.) ridicuul, belachelyk, bespottenswaard.
rlen du tout, in het geheel niets, niemendal.
rien n\'est beau que Ie vral, niets is schoon dan het ware. Rifle, Amerikaansch getrokken geweer van klein kaliber. Rifleman, scherpschuttcr.
Rigging, takelwerk, want (van een schip).
rigide, styf, strak; scherp, onverbiddelyk, hard. Rigiditeit, styfheid, strakheid; ook = Rigueur.
rigore juris—Ritorno 449
rigóre juris, naar gestreng recht.
Rigorisme, te strenge zedenleer, zedelyke gestrengheid. Rigorist, gestreng zedenleeraar ; aanhanger der gestrengere grondbeginselen van het strafrecht. (barmhartig,
rigoreus, rigoureus, ook rigoristisch, gestreng, scherp, on-Rigorositeit, gestrengheid, hardheid.
Rigsbank, de Deenschc rijksbank.
Rigueur, strengheid, hardheid, scherpheid. Rijks-insigniën, de te Aken bewaarde kleinoodiën van het Duitsche rgk, welke vroeger by de keizerskroning gebruikt werden.
Rimbórso = Rembours, Remboursement.
rinforzando, versterkt, sterker.
Rio, rivier.
Riool, afvoeringsbuis, vuilnispijp.
Riot-act, de oproeracte, de wet die samenscholingen verbiedt (in Engeland).
Ripiéno, het invallen van het volle orkest.
riposteeren, snel en treffend antwoorden, dadelyk hervatten ; (in \'t schermen:) een terugstoot toebrengen. Riprésa, herhaling van een hoofdmoment.
Ripuariërs, oeverbewoners.
risCcint, gewaagd, gevaarlyk.
risentito, vol gevoel, levendig.
Riscóntro (pl. riscontri), wisselbetalingen; aanwijzing
op wisselbetalingen.
risible, belachelijk, bespottelijk.
Risico, gevaar; waagstuk.
risiqueeren, beter risqueeren (z. aid.)
Rispét- of rispit-dagen = Respijt-dagen (z. aid.) risqueeren, wagen, op \'tspel zetten; gevaar loopen. Rissóle, vleeschpasteitje. Rissolétten, gerooste, met vleesch
gevulde sneetjes brood.
ristorneeren, terug-, af- en toeschryven; tegen eene vergoeding afzien van eene gesloten assurantie.
Ristórno, Ritórno, ook Stórno, terugkeer; terugbeschry-ving, af- en byschryving van een post in het grootboek, risum teneétis amici, onthoud u van lachen, vrienden! lacht niet!
Ritórnel, herhalingsthema (in de muziek); drieregelig
Italiaansch volkslied.
Ritórno, z. Ristorno.
ELFDE DRUK. 29
4So Ritratta—Rognures
Ritrétta, keer- of herwissel; intrekking van een getrokken wissel.
Rituaal, regeling van kerkelijke gehrniken, kerkenorde; kerkenboek; voorgeschreven of gebruikelyke ceremoniën bij inwijdingen, receptiën in geheime genootschappen enz.
Ritualisme, z. Puseyisme.
ritueel, gebruikelijk.
Ritus, overgeleverd gebruik, inz, plicht- of kerkgebruik.
Rivél, mededinger, medevrger -, wedijveraar.
rivaliseeren, wedijveren, om de meerderheid strgden.
Rivaliteit, ijverzucht, wedstrijd, wedijver.
Riviéra, oever- of kustland, inz. langs de Middellandsche zee aan den voet der Zee-Alpen.
Rivière de diamants, halssnoer bestaar.de nit gevatte diamanten.
Roastbeef, geroosterd, half gebraden rundvlcesch.
Rob, Roob, liever Robb, vruchtensap, te koken tot het dik wordt, vruchtenmoes,doorgaans met suiker toebereid.
Róbber, Rubber, twee achter elkander gewonnene van 3 whistpartyen; de dubbele partij.
Róbe, vrouwensleepkleed ; tabberd der rechtsgeleerden; — de chémbre, kamerjapon.
Robijn, hardste en kostbaarste edelsteen na den diamant.
Robinocratie, heerschappij der getabberde mannen, van de advocaten.
Robinsonnéde, avontuurlijke geschiedenis.
Roborans, Roboratief, versterkend middel.
Roborantia, versterkende middelen.
Roborétie, versterking.
roboreeren, sterken.
Robét, leendienst, zulke werkzaamheden, waartoe tot dusverre in Beieren, Oostenrijk, Bohcneu en Silezië de onderdanen jegens hun overheden en landheeren verplicht waren.
robuust, sterk, krachtig, gespierd, kloek, stevig.
Rocdille, grotwerk.
Rococó, verouderde, weder mode geworden smaak.
Rodomontéde, windbrekerg, snoeverij.
Roebel, Russische zilver- en papiermunt, de eerste = 1 gl. 88 ct. = 3 ■ papierroebel, welke laatste dus 54 cents doet.
ROQcite, de Zondag vóór Hemelvaartsdag.
Rognures, afsnijdsel, snoeisel, snippers.
Roi—roqueeren
Roi, koning; — d\'armes, wapenkoning; — fainéant,
niets-doende koning.
romaansch, van het oud-Romeinsch afstammend, (vandaar :) -—e talen, de Italiaansche, Spaansche, Portu-geesche, Fransclie, Proven$aalsclie enz.; —e volken, volken van Romeinschen of gemengd Romeinsclien oorsprong,
Romaine, unster, weeghaak. (torie.
Roman, verdichte geschiedenis; avontuurlijke liefdeslüs-Roménce, ridderlyk voorval in den vorm van een lied, zangstukje, bevattende een waar of verdicht avontuur. Romancier, Romancière, romanschryver, -schrijfster, romanesk, romanachtig, verdicht; avontuurlyk, onnatuurlijk, ongeloollijk.
romaniseeren, als een roman inkleeden.
Romanisme, de R. K. godsdienst, zyne grondstellingen. Romantiek, Romanticisme, de in de middeleeuwen geldende en door nieuwere dichters weer opgewekte smaak, roméntisch, in den geest en smaak der christelgke middeleeuwen en der nieuwe volkspoëzie en kunst; dichterlek schoon, schilderachtig, verrukkelijk, wonderschoon. (zang. Ronde, omgang, rondgaande wacht; rondedans; rondgc-Rondeau, Rondeel, rondezaug, dicht* of muziekstuk met refrein.
Rondeel, rond buitenwerk, ronde sterke toren; ingesloten vlakte; z. ook Rondeau.
rondemént, ronduit, rondweg, zonder omwegen. Rongeamsme, liberaal of oud-catholicisme naar de stellingen van den Duitschen priester Ronge, die omstreeks 1840—50 voor eene meer vrijzinnige richting in Kerk en Staat q ver de, en de eerste van Rome\'s oppergezag wilde losmaken.
Roob, z. Rob.
Rood, Eng. roede = 16^ voet.
Room, kamer.
Roomsch-Katholieken, z. Katholieken.
Ropij, Rupi\'e, O.-Indische goud- en zilvermunt, in goud ongeveer = 18 gld. in zilver van verschillende waarde (tusschen 60 en 120 cents).
roqueeren, (in \'t schaakspel:) den koning en een der kasteden te gelyk verplaatsen.
452 Rosette—royalistisch
Rosette, Rozet, roosvorraig sieraad; een van onderen plat en van boven hoekig geslepen diamant.
Rosinónt, het paard van Don Quichote; slecht paard, knol.
Roskólniken, in Rusland diegenen, welke niet tot de orthodoxe Grieksche kerk behooren.
Rosmarijn (heter dan Rozemarijn), zeedauw (bekend, wel-
Rosoglio, rozgnbrandewyn. \'riekend gewas).
Róstbeef, beter Roastbeef (z. aid.)
Rostra, redenaarsgestoelte (by de oude ïlomeinen).
Rostraal, beter Rastraal (z. aid)
Rotétie, rond-, omdraaiing, beweging om de as ; dagcl\\ik-sche beweging der aarde enz.
Rotónde, z. Rotunde.
rotten boroughs, vervallen marktvlekken, waarin het kiesrecht in handen van enkele grondeigenears was (in Engeland). (schrifteiyke stukken.
Rotulétie, het ordelyk bijeenvoegen en samennaaien van
rotuleeren, acten naar volgorde teekenen en samennaaien.
Rotunde, Rotónde, van buiten en binnen rond gebouw.
Roturier, burgerlyk, van burgerafkomst persoon.
Roué, (eig. een geradbraakte of die waard is geradbraakt te worden) voornaam losbol, galant wellusteling.
Rouge-et-noir, rood-en-zwart (een kansspel met ballen
en kaarten). * [muziek:) toonlooper. |
Roulade, iets opgerolds; opgerold kalfsvleesch; (in de f
Rouleau, rol, rolstuk; rolgordijn. f
rouleeren, omloopen, in omloop of gangbaar zyn; loopen ; (
\'t gesprek rouleerde over u, \'t gesprek liep over u.
Roulement, roffel op de trom. F
Roulette, rolschjjf; kansspel met balletjes. F
Roundhead, rondkop. Puritein. F
Rout, talrijk Engelsch avondgezelschap, praat-, thee-, r speelgezelschap.
Route, weg, rijweg, straatweg; tocht, koers. R
Routine, vaardigheid, vlugheid door gedurige oefening of ri
behandeling verkregen; sleur, slender. R
routineeren (zich), zich vaardigheid in iets bgbrengen. R
Rowdy, doorbrenger, leeglooper (in N.-Amerika). R royaal, koninklijk; r.-papier, zeer groote papiersoort.
Royalisme, koningsgezindheid. ri
Royalist, aanhanger van de party des konings. R
royalistisch, koningsgezind. R
royeeren—Russophobie 453
royeeren, z. rayeeren.
Rozemarijn, z. Rosmarijn.
Rozét, z. Rosette.
Rubber, z. Robber.
Rubicon, oude naam eener rivier op de grens van Gal-lië en Italië; den Rubicon overtrekken, een onher-roepelijken stap doen.
rubificeeren, rood maken.
rubriceeren, met een opschrift teekenen, betitelen, naar
vakken indeelen.
Rubriek, afdeeling, klasse, soort; opsclirift, bovenschrift. Ruche, dichtgeplooid en rechtopstaand belegsel (van ja-Ructétie, het oprispen uit de maag. [ponnen enz.)
Rudiménta, Rudiménten, eerste gronden of beginselen, rudis indigestaque moles, een ruwe en ordelooze massa. Ruditeit, ruwheid, onbeschaafdheid, lompheid.
Ruïne, ondergang; verwoesting; puinhoop, bouwval, overblijfsels, wrakken.
ruïneeren, verderven, verwoesten, te gronde richten, ruïneus, bouwvallig; verderfelük. (volkslied.
Rule Briténnia, het met die woorden aanvangende Eng. Rum, suikerbrandewijn.
Ruminéntia, herkauwende dieren.
Ruminétie, herkauwing; herhaalde overdenking, rumineeren. herkauwen; (fig.) wikken en wegen. Rumoer, verward geraas, gejoel; gerucht.
Rumpsteak, rompstuk, gebraden stuk rundvleesch van de romp. (ren.
Runen, oude rechtlijnige letters der Germaansche volke-Ruolz, galvanisch verzilverd nieuwzilver.
Ruptuur, breuk; vredebreuk, vriendschapsklove.
ruraal, landelyk, boersch; rurale gedichten, landelijke
gedichten, veldzangen.
Rurograaf, schrijver over de akkers en hunne bebouwing, ruse centre ruse, list tegen list.
Ruse de guerre, krijgslist. (plaats.
Rush, plotselinge, snelle toevloed van personen naar eene Rusniéken, Russienen, Slavische volksstam in Gallicië, Noord-Hongarge, Podolië, Volhynië enz. (ook Ruthenen russificeeren, Russisch maken. [geheeten).
Russophiel, Russenvriend.
Russophobie, vrees voor de Russen.
454 Rusticiteit—Sacrament
Rusticiteit, boeracliheid; oubeachaafdheid. rustiek, boersch, landelijk; plomp, onbeschaafd. Ruthénen, z. Rusniaken.
Rütscher, in de muziek hetzelfde als Galop.
S.
S. of St. of Set. = Sint, Saint, Sanct, heilige.
s. (op recepten) = signa of signétur, teeken het, of het
worde geteekend.
sc. of scil. = scilicet, namelgk; sc. ook sciilpsit, (...)
heeft (het) gegraveerd.
S. D. G. = soli Deo glória, aan God alleen de eer. s. e. of s. e. c. = salvo erróre calculi, met voorbehoud van eene mogelgke rekenfout; (ook:) zonder fout in \'t rekenen.
S. S. = sacra Scnptüra, de heilige Schrift; of sacrae
Scriptürae, van de heilige Schrift.
S. T. = Stilvo titulo, met voorbehoud des titels, s. v. = salva vénia, met verlof gezegd.
s. v. v. = sit vénia vérbo, men vergunne het woord, met verlof gezegd. (aan den Libanon.
Sabaeërs, Sabiërs, steraanbidders; Johannes-volgelingen Sabaeïsme, sterrendienst, aanbidding der sterren. Sébbath, rustdag, vierdag, bg de Joden de Zaterdag. Sabbathsvrouw, Christin, die de Joden op den sabbath Sabiërs, z. Sabaeërs. (bedient,
sabel, (in de heraldiek:) zwart, de zwarte kleur. Sabords, geschutpoorten of schietgaten van een schip. Sabréde, neersabeling, slachting met de sabel.
sabreeren, neersabelen.
Sabreur,neerhouwer, houwdegen, woest s try der, ijzervreter. Saccéde, ruk met den teugel.
saccadeeren, sterk met den toom rukken.
saccageeren, plunderen.
Saccharométer,werktuig tot bepaling van het suikergehalte.
sacerdotaal, priesterlijk.
Sacra, heilige zaken, heiligdommen.
Sacrament, christelyke godsdienstplechtigheid, genade-
sacramentaal—Saint-Simonisme 455
middel [in de Protest, kerk zyn er twee: (in de oud-Lnth. kerk bovendien het Vormsel) de Doop en liet Avondmaal; in de R. K. kerk zeven: de Doop, het Vormsel, het Sacrament des Altaars (communie of Avondmaal), de Biecht, het laatste Oliesel, de Priester\\vyding (het Priesterschap) en het Huwelijk]. — (Somtyds ook als eene soort van vloekwoord gebruikt:) sapperment! sakkerloot!
sacramentaal, sacramenteel, tot een sacrament behoorend.
sacramenteeren, de sacramenten toedienen ; vloeken.
Sacredieu! Sacré Dieu! (gemeen vloekwoord).
sacreeren, heiligen, wijden, zalven; (ook:) vloeken.
sacrificeeren, sacriflëeren, offeren, opofferen.
Sacrilégie, heiligschennis, kerkroof, kerkschending.
Sacristein, koster, kerkbewaarder.
Sacristie, Sacristij, kerkgereedschapskamer, kerkekamer.
Saddlinghouse, het gebouw waar by wedrennen de paarden gezadeld worden.
Sadducseers, oud-Joodsche secte, die de opstanding en de onsterfelijkheid der ziel loochende, aan engelen noch geesten geloofde, maar in hare zeden streng en zuivel*
Sadi, zwervende monnik (in Turkye), (was.
Saffiaan = Marokijn.
Saffier, hooggeschatte blauwe edelsteen.
Saffloer(s), distelgeel, distelsaffraan, de gedroogde bloemen van de verfdistel of de wilde saffraan.
Saffraan, de gedroogde bloemstempels eener variëteit van crocus sativus, krokus.
Séga, Sége, volksoverlevering, legende.
Sagaai, de lange spies der Negers, Kaffers, Hottentotten tegenwoordig in Algerië de naam der bajonet.
Sagaciteit, scherpzinnigheid.
Sagittarius, de Schutter (sterrenbeeld des dierenriems).
Sago, palmmerg, pahnmeel.
Séhara, zandwoestyn.
Sail, zeil.
saillant, vooruitstekend; (fig.) in \'t oog vallend, treffend.
Saillie, uitstek, voorsprong; vernuftige inval, geestige zet.
Sailor, matroos, zeeman.
Saint (afg. St.), heilige (bv. St.-Pierre); Sainte (afg. Ste.),
heilige (bv. Ste.-Marie).
Saint-Simonisme, z. Simonisme.
456 Saisie—Saltimbanque
Saisie, inbeslagneming.
saisisseeren, grypen, vatten; in beslag nemen.
Saisón, Seizoen, jaargetgde, badtijd; (ook:) duur van de muzikale wintervermakelykheden eener hoofdstad; — morte, de slappe tyd voor de industrie.
Saladier, saladeschotel.
Salamine, eenkleurige zware Fransehe zydestof.
Sal-ammoniak. z. Salmiak.
salariëeren, bezoldigen, een salaris geven.
Saléris, bezoldiging.
Sai atticum, attisch zout, z. attisch.
saldeeren, rekeningen afsluiten, vereffenen; eene schuld uitdelgen, betalen. [deering).
Saldo, rekeningsoverschot; afsluiting der rekening (sal-
Salep, de wortel van verscheiden soorte:i van orchis of standelkruid; een daaruit bereide voedzame warme drank, inz. by de Turken.
Salière, zoutvaatje.
Salificétie, zoutvorming; zoutbereiding.
Saline, zoutwerk ; zoutmyn ; zoutziedery, zoutkeet.
Sélische wet, de oudste verzameling van Duitsche wetten uit de 5de eeuw van de Saliërs of Salische Franken, waarby in het 62ste art. by Salische goederen de dochters van de erfenis uitgesloten waren. Later maakte men in Frankr^k en Spanje daarvan de toepassing op de kroon zelve, zoodat de vrouwen van de troonsopvolging werden uitgesloten. (In denjcngsten tyd werd in Spanje de Salische wet opgeheven). Salische goederen zyn dus de zoodanige, die alleen op mannelijke erfgenamen overgaan.
saliveeren, kwylen, speeksel kwytraken.
Salmagundi, haringsalade; poespas, hutspot; onsamenhangende rede.
Salmiék, afkorting van Sal-ammoniacum, zoutzure am moniak, vluchtig loogzout.
Salón, groote zaal, gezelschapszaal.
Salóp, morsige vrouw, slons, totebel; (ook:) een vrouwenmantel als huis- of ochtendkleed.
Salpeter, salpeterzure potasch, muur- of aardzout, een middelzout, uit sterkwater en plantenloogzout bestaande.
Salt, zout.
Saltimbanque, kwakzalver, goochelaar, hansworst.
Salto—Sanctie
Sélto, sprong; — mortale. doodelyke,halsbrekende sjirong; (fig.) te groot waagstuk.
Saiubriteit, gezondheid, inz. van de lucht.
salueeren, groeten.
sólus publica (fr. salut public), het openbare welzyn.
salus publica supréma lex, de welvaart van den staat is de hoogste wet.
Salut,heil,behoud; z. salus ; salut! gegroet! wees gegroet!
salutaire, heilzaam.
Salutótie, begroeting, groet.
saluut! vaarwel! Saluut, groet, inz. de eeregroet op militaire wys, ook door \'t lossen van kanonschoten.
Salvator, redder, heiland.
sólvo, sélva, sélvis, met voorbehoud, zonder benadeeling, behoudens; salva approbatione, onder voorbehoud van de goedkeuring; salva conscientia, met goed of zuiver geweten; salvo erróre of salvo errore calculi, afg.: s. e. of s. e. cc. (z. aid.); salva fama, zonder nadeel voor den goeden naam; salvo honore, behoudens de eer, met verlof gezegd; salvo jure, onverminderd het recht; salvo meliore, behoudens het betere, met onderwerping aan betore inzichten; salva venia, met verlof; salvo titulo (S. T.)gt; zonder nadeel of met voorbehoud des titels; salvis exceptionibus, met voorbehoud van de aanmerkingen of wcderleggingen; salvis omissis, behoudens het overgeslagene of vergetene.
Sélvo, eereschot, begroeting door kanon- of geweerschoten; (ook:) een enkele losbranding van geschut.
Sam, Engelsche afkorting voor Samuel; Uncle—,schertsende benaming van de N.-Amerikanen en hunne regee-
Samaar, deftig vrouwengewaad. (ring.
Sambal, Indische toespys, inz. met Spaansch peper vermengde groenten.
Sambos, liever Zambos (z. aid.)
Sémoem, Samiël, Samum, verstikkend heete, dikwijls doodelyke wind in Z.-Azië en in Afrika.
Samovar, Samowar, kleine koperen ketel, theeketel.
sénae méntis, met of by gezond verstand.
San ben ito, martelaarshemd, geel met duivelskoppen enz. beschilderd hemd, waarin de slachtoffers der inquisitie werden verbrand; (ook:) zulk eene muts.
Sénctie, bevestiging; toekenning der kracht van wet.
457
458 Sanctificatie—sans prendre
Sanctificétie, lieiliging, heiligverklaring. s sanctificeeren, heiligen, heiligverklaren.
sanctioneeren, heilig en onschendbaar maken; bekrach- S
tigen, van kracht verklaren; (ook:) goedkeuren.
Sanctuarium, Sanctuaire,heiligdom; omjchendbare plaats, S
vrgplaats. [(z. aid.) s
Sanctum officium, (eig. heilige bediening) de inquisitie s; Sanctum sanctórum, het heilige der heiligen.
Sandalen, bind- of snoerzoleu, O.-Indisch schoeisel. S
Sandrak of Séndarak, wit hars, dat, tot poeder gebracht, S
o. a. dient om de plaats van uitgeschrapte woorden sj
weder beschrijfbaar te maken. S Sandsjak, het stadhouderschap over een klein Turksch
landschap; sandsjakaat, zjjn gebied. Si
Sandwich, sneetje brood met boter eu koud vleesch. S; Sangfroid, koelbloedigheid, onverstoorbare bedaardheid,
sanguineus, bloedrijk, volbloedig. Si
sanguinisch, bloedrgk; (fig.) levendig; licht vatbaar voor sa
vreugde en smart. S«
Sanhedrin, raadsvergadering, inz. het voormalige Jood- Sc
sche gerechtshof of de hooge raad te Jeruzalem, uit sa
72 leden bestaande. Sc saniëus, vol bloedige etter.
Saniteit, gezondheid, welstand, welbevinden. Sa
sans, zonder; — cérémonie of — compliments, zonder Sa omslag of plichtplegingen; — comparaison, zonder
vergelijking, zonder den éenen naar den andereu te wil- sa
len afmeten. Sa
Sansculótte, (eig. broekelooze) voormalig aanhanger der lt;
gepeupelregeering of der ultra-democraten in Frankrgk. Sé
sans doute, zonder twijfel. Sa
sans fapón, zonder complimenten. Sa
sans gêne, vrij en ongedwongen, zonder zich eenig be- sal
dwang op te leggen; (doen) als by zich thuis. Sa
Sankrit, de sanskritsche taal, oude taal der Hindoes of Sa
Brahminen, in welke de Indische wetboeken en poë- Sai
zieën geschreven zgn. sat
sans pareil, zonder weerga; sans peine, zonder moeite, Sai
gemakkelijk. sat
sans peur et sans reproche, zonder vrees of blaam. c
sans préndre, zonder te nemen, d. i. spelen zonder kaar- sat
ten te koopen of te ruilen. Sat
sans souci—Satraap 459
sans souci, zonder zorg; Sans*souci, naam van een ko-
ninklyk lustslot by Potsdam.
Santé, gezondheid; (ook:) een gezondheidsgordel; amp; voire santé of enkel santé! op uwe gezondheid!
Sape, z. Sappe. Sapeur, z. Sappeur.
sapere aude, durf wys te zyn.
sapiénti sat, voor den wyze genoeg, een goed verstaander heeft maar een half woord noodig.
Saponificatie, zeepvorming. (vesting.
Sappe, Sape, loopgraaf, onderaardsche gang naar eene sappeeren, onderaardsche gangen maken, ondermanen. Sappeur, loopgravenmaker, maker der onderaardsche gangen (s a p p e s).
Sarabande, Spaansche ernstige dans en de muziek daarby. Saraceenen, Oosterlingen (Mohammedanen, Turken, Arabieren : (fig.) ruwe, onhandige, verwoestende troepen. Sarcósme, hoonend gelach; vinnige spot, bitter gezegde, sarcastisch, bitter, bytend, scherp hekelend. Sétcophaag, doodkistvormig grafteeken.
Sardanapaius, wellustig, verwijfd vorst, ryk wellusteling, sardónische lach, gedwongen bittere lach, spotgelach. Sarong, soort van rok, uit een katoenen lap bestaande, die door een gordel wordt byeengehouden (in Ned. Ind.) Sarras, grootc sabel, houwdegen der cavalerie.
Sarsenét, lichte, als linnen geweven, geverfde en geglansde katoenen stof; eenkleurige voering. (noeg is.
sat cito si sat béne, spoedig genoeg indien het goed ge-Satelliet, wachter, trawant; ondergeschikt persoon, die
een voornamer als zyne schaduw volgt; by planeet. Séter, z. Satyr.
Satijn, atlasachtige zyden stof.
Satinóde, licht halfzyden atlas.
satineeren, als satyn maken, den satynglans geven. Satinét, gestreepte halfzyden stof, half atlas.
Satire, minder goed Saty\'re, hekelschrift, spotschrift. Satiricus, spotter, hekeldichter, spotschriftschryver. satirisch, spottend, bytend, hekelend.
Satisféctie, genoegdoening, schadeloosstelling.
satisfait, tevreden, voldaan; inz. iemand die met zyn socialen en politieken toestand tevreden is.
satis verborum, genoeg woorden! (zuchtig mensch. Satraap, Perzisch landvoogd; (fig.) overmoedig en heersch-
460 Saturatie—scalpeeren
Saturétie, verzadiging (in de scheikunde).
satureeren, verzadigen.
Saturnélia, Saturnusfeesten, braspartijen. (gelukkig, saturninisch, lood bevattend; (fig.) somber, treurig, on-saturnisch, overoud, tot de hooge oudheid behoorend;
(fig.) eenvoudig, gelukkig, onschuldig.
Satürnus, god des tgds ; (in de scheikunde:) lood.
Sétyr, Sater, veld- of woudgod met bokspooten (zinnebeeld der grofzinnelgke menschennatuur).
Satyre, z. Satire.
Sauce, Saus, vloeibaar toevoegsel der spijzen.
Saucijs, Saucisse, Saucissón, kleine braadworst; lange lederen zak met kruit gevuld, waaraan eene lont wordt bevestigd, om zoo eene mgn aan te steken. Sauf-conduit, vrggeleidebrief.
sauteeren, op sterk vuur snel op beide zgden in boter
enz. braden en gaarmaken.
Sauvagerie, menschenschuwheid.
sauveeren, redden, besparen ; sauve qui peut, redde zich
wie kan, ieder berge zgn lijf.
Sauve-górde, veiligheidswacht, bedekking.
Savénna, groote grasvlakte of boschweide inN.-Amerika. Savantasse, geleerde babbelaar, letterkundige windbuil. Sévingbank, spaarbank, spaarkas.
Savoir-faire, geschiktheid, bedrevenheid in een of ander vak, beleid. (nis.
Savoir-vivre, levenswijsheid, levenskunst, menschenken-Savonnerie-tapijten, tapyten met fluweelachtige en levendige kleuren.
Savonnétte, zeepbal, waschbal. (gen.
savoureeren, met bijzonderen smaak en graagte nutti-Savoyard, Savóyer, inboorling van Sa/oye; (fig.) kleine schoorsteenveger, marmotjongen, liedjeszanger enz.; (ook:) onhebbelgk mensch.
Sawah, rijstveld, inz. zulk een, dat kunstmatig onder
water gezet wordt.
Sbirre, gerechtsdienaar, politiebediende in Italiè. scabiëus, schurftig, schurftachtig.
scabreus, ruw, hobbelig; (fig.) moeilyk, bezwaarlijk. Scéla, ladder ; toonladder; gradenschaal.
Scalp, hoofd, behaarde (en afgetrokken) schedelhuid. scalpeeren, de huid met het haar van de hersenpan trek-
Scalpel—Schapska 461
ken (gelyk de N.-Amerikaansche wilden hunnen gevangen vyanden plegen te doen).
Scalpél, ontleedmes met vaststaand lemmer.
Scandaal, Scandaleus, l. Schand—. (verdeelen.
scandeeren, (een vers) volgens zyne leden afmeten of Scandinavië, Denemarken, Noorwegen en Zweden, het K-
Europeesehe schiereiland.
Scaphander, zwemkleed, zwemgordel.
Scapulier, schouderkleed der R. K. ordcsgeestelyken; (ook :) twee gewyde en met een kruisje gewerkte stukjes wolstof (byna ter grootte van een kaartehlad), met een dubbel band verbonden, en zoo gedragen, dat het eene gedeelte op de borst en het andere op den rug hangt. l)e geloovigen dragen dit scapulier ter eere van Maria, ten einde voor onvoorziene rampen, als: onweerslag, verdrinken enz. gevrijwaard te worden. Scarabeeën, kevers; keversteenen.
Scaramouche, hansworst, grappenmaker.
Scarificatie, het bloedige-koppenzetten, het koppen, scarificeeren, koppen; kerven, met het lancet openrijten. Scelét, z. Skelet.
scelieeren, verzegelen, toelakken.
Scène, tooneel; schouwtooneel; voorval; tafereel. Scepticisme, twijfelleer, twyfelzucht.
Scepticus, twyfelaar, twyfelzuchtige.
sceptisch, twijfelzuchtig, aan alles twyfelend.
Schaak, Schaakspel, koningsspel; schaak geven, den koning noodzaken zyne plaats te verlaten; schaakmat, de koning is ingesloten, overwonnen; (fig.) afgemat, krachteloos, doodop; schaakpat, de koning moet gespeeld worden en kan geene vrije ruit vinden. Schabrók, sierlyk paardendek.
Schach, Schah, Sjah, koning (van Perzië).
Schacheraar, koopmannetje in allerlei, kwanselaar. schacheren, handelen, een armhartige negotie dry ven;
kwanselen; (ook:) woekeren.
Schalmei, herdersfluit, rietfluit.
Schames, joodsch koster en klokkenist.
Schandaal, ergernis, aanstoot, opspraak.
schandaleus, schandelyk, aanstootelyk. (ven.
schandaliseeren, ergernis geven; (ook:) belasteren, eerroo-Schépska, z. Czapska.
462 Scharlaken—Scorbuut
Scharléken, vuurroode kleur; stof van die kleur. Schariakenbéziën, z. Kermes.
Scharlakenkoorts, met koorts verbonden kinderziekte
met scharlakenrooden uitslag.
Scheerenvloot, vaartuigen, die aan de Zweedsehe kasten de scliepen by \'t binnenloopen voor de schee ren of klippen beveiligen. (bisebe horde.
Scheik, Scheikh, Sjeik, oude onderbevelhebber eenei Ara- • Schéma, gestalte, beeld; voorbeeld, model, schets. Schepter, koningsstaf, vorstenstaf.
Schérif = Emir.
scherzóndo, schertsend.
Schibboleth, herkenningswoord, wachtwoord, parool,(eig.
zooveel als: vloed, stroom ; ook korenaar).
Schisma, scheuring, kerk- of geloofsschcuring. Schismaticus, scheurmaker, geloofsverdeeler.
Schlaraffe, leeglooper, zorgeloos niensch; Schiaraffen-
land, luilekkerland.
Schlem, z. Slam.
Schlendrión, slender, sleur.
Scholérch, schoolbestuurder, schoolopziener.
Scholastiek, scboolleer, schoolwysheid.
scholastiek, scholéstisch, schoolsch, schoolmatig; (ook:) spitsvondig. (sche schryvers.
Schólions, geleerde toelichtingen van Griekschc en Latyn-Schoppen, halve pint.
Schorpioen, kreeftachtig kerfdier ; z. Scorpius. schraffeeren, schaduwljjnen trekken of griffelen, schwadronneeren, om zich houwen; (ook:) snoeven. Schwadronneur, snoever, zwetser.
scilicét (afg. sc.), namelyk, te weten; denk eens! scintilleeren, vonkelen, tintelen, flikkeren.
scissibel, scissiel, splijtbaar, te splgten.
Scissie, splyting, scheiding.
Scissuur, splyting; spleet, scheur; insnede. (vlies.
Sclerótiek, het harde oogvlies, ondoorschijnend horen-Scónto = Disconto.
scontreeren, res- en riscontreeren, met elkander afrekenen-, (ook;) door aanwijzingen of wissels vereffenen. Scóntro en rescóntro, riscóntro, wederzydsebe vereffening, afrekening van schuld en vordering.
Scorbuut, tandvleeschbederf, blauwschuit, scheurbuik.
Score—Secessionisten 463
Score, een twintigtal.
Scórpius, de Schorpioen (sterrenbeeld des dierenriems).
Screw, schroef; s.-steamer, schroefboot.
Scriba, schrijver, secretaris.
Scribént, schryver: samensteller van een werk.
Scrlbomanie, schrijfzucht, schryfjeukte.
Scrips, certificaten van niet-volgestorte aandeden, voor-loopige bewijzen van aandeel.
Scriptuur, Scriptüra, schrift, geschrift.
scrophuleus, met klieren behept; kropachtig.
Scrupel, apothekersgewicht = 1,30625 wichtje; ook = Scrupule, nauwgezetheid van geweten, gewetensbezwaar.
scrupuleus, angstvallig, al te nauwgezet.
Scrupuleusheid, Scrupulositeit, bedenkelykheid, angstvalligheid, te groote nauwgezetheid.
scruteeren, scrutineeren, doorzoeken, doorgronden; uit-vorschen; stemmen inzamelen of opnemen.
Scrutin de liste, de lyststemming, verkiezing der afgevaardigden departementsgewyze (in Frankrijk), zoodat elk departement éen groot district uitmaakt, waar verscheiden leden te gelyk verkozen worden.
Scruimium, onderzoek; stemmenverzameling en daardoor bewerkte keus. (waarde.
Scüdo (pl. Scüdi), Italiaansche daalder van verschillende
scülpsit (afg. sc. of sculps.), ... heeft (het) gegraveerd.
Sculptuur, beeldhouwkunst; beeldhouwwerk, beeld- of snywerk.
Scylla, gevaarlyke klip by Messina, tegenover den draaikolk Charybdis; dreigend gevaar ; van — in Charybdis vervallen, van kwaad tot erger komen, uit den regen in den drop komen.
Sea, de zee; seaport, zeehaven; seasickness, zeeziekte.
Séance, zitting, dagzitting; voordracht, lezing, byeen-komst; — tenante, gedurende de zitting, op staanden
Seapoys, z. Sipoys. (voet.
Season, seizoen, jaargetyde, de drukste tyd te Londen.
Secans, snylyn.
seceeren, snyden, ontleden, opensnyden (lyken).
Secessionisten, afgescheidenen, inz. voorstanders der Zuidelijke Staten van Amerika in den burgeroorlog van 1861; fractie eener politieke party, die zich van de overige leden afscheidt.
464 secludeeren—secundum
secludeeren, uitsluiten.
Seclüsie, uitsluiting.
Secónd, tweede; (ook:) opperstuurman.
secondair, secónde, enz., z. secund—.
Secondant, helper; kamp- of duelgetuige; ondermeester,
hulponderwijzer.
secoureeren, helpen, hystaan, hyspringen.
Secours, hulp, onderstand ; ontzet.
secret, geheim. Secret, geheim ; geheimzegel van een vorst. Secretaire, schrijfkast (.hekend stuk huisraad). (tans. Secretairie, Secretarie, schrijfkamer, inz. van densecre-Secretariaat, geheimschrijverschap, ambt van secretaris. Secretaris, geheimschrijver; schrijver, afschrijver. Secréte, stil gebed vóór de mis.
secreteeren, geheim houden, verzwijgen.
Secrétie, afzondering, afscheiding van lichaamsstoffen. Sectaris, aanhanger eener secte, inz. wie zich beyvert
om de leerstellingen dier secte voort te planten.
Séctie, chirurgische insnede; lijkopening; steensnede; af-deeling in een boek; wijk eener stad; (bij de militairen :) de helft van een peloton.
Séctio caestirea, keizersnede ; sectio cónica, kegelsnede. Sector, cirkelstuk, begrepen tusschen twee stralen en een boog.
seculair, honderdjarig; (ook:) wereldlijk, niet geestelyk. Secularisatie, het wereldlijk maken; intrekken van geestelijke bezittingen.
seculariseeren, wereldlijk maken, een geestelyk goed(bv. een bisdom) in een wereldlijk veranderen, geestelijke goederen tot wereldlijk gebruik aanwenden of intrekken. Seculariteit, stand van een wereldlijk persoon; het wereldlijk leven; het wereldlijk rechtsgebied eener kerk. Secünda, tweede schoolklasse; (secunda-wissel), tweede
wissel (vgl. Prima, laatste bet.)
secundair, secondair, de tweede plaats inr.emend, ondergeschikt, afhankelijk.
Secundant, z. Secondant. ^ ri1 ,
Secunde, Secónde, zestigste deel eener minuut; 2de toon
na den grondtoon; 2de stootmanier in \'tschermen, secundeeren, helpen, bijstand verleenen; tc.t getuige dienen ; (in de toonkunst:) de 2de stem zingen of spelen, secundum artem, volgens den regel.
secureeren—Selectie-theorie 465
secureeren, verzekeren, in veiligheid stellen.
Securiteit, zorgeloosheid, onbevreesdheid; gewisheid, zekerheid ; gewetensrust.
secuur, zeker, onbekommerd, vast vertrouwend.
sedaat, gelaten, bedaard, rustig.
Sedanoise, z. Parisienne (2de bet.)
Sedant, bedarend, verzachtend (middel).
sedatief, geruststellend ; pijnstillend, bedarend.
Sedésimo, boekformaat, waar by liet vel 16 bladen of 32
bladzijden heeft.
sedentair, een zittend leven leidend, zittend werk verrichtend; voor goed metterwoon gevestigd.
Sédes, zetel, woonplaats - — apostólica, pauselyke stoel. Sedimént, bezinksel, droesem, drab.
sedimenteus, een bezinksel opleverend, troebel.
Sedftie, oproer, muit er y.
seditiëus, oproerig, muitend, muitziek.
Sedüctie, verleiding, verlokking tot het kwade, seduisént, verleidelqk.
Segment, cirkelstuk, begrepen tusschen eene koorde en
den boog, dien zy onderspant.
Segregatie, afzondering, afscheiding.
segregeeren, afzonderen, afscheiden.
Segrijn, Segrijnleer (fr. Chagrin, Chagrain), soort van
ruw als met korrels bezet gelooid leder.
Seïde, gebieder, heer, vorst; (fig.) blind yveraar, dweepziek moordenaar.
Seigneur (Sinjeur), heer.
Seigneurie, heerlpkheid (als grondbezitting). Seismométer, Sismométer, aardbevingsmeter, werktuig
om de richting der aardschuddingen Ui bepalen. Seizoen, z. Saison.
Sejour, verblyf, oponthoud.
sejourneeren, zich ergens ophouden, vertoeven, verwylen. Sek, zekere kostelyke wyn uit Spanje, Italië enz. Sekreet, geheim gemak, bestekamer. (de vrouwen.
Sékse, natuurgeslacht, kunne, inz. het schoone geslacht, Sekte, aanhang, party, geloofsparty. (zeegroen.
Seladón, verliefd herder, smachtend minnaar j seladon, sélahl (in de psalmen) let op!
seléct, uitgelezen, uitverkoren.
Selectie-theorie, z. Darwinisme.
ELFDE WiUK 30
466 Selene—Sensiblerie
Seléne, de maangodin; de maan. . , , ,
Seleniet, maanbewoner; ook Moscoviseli glas, kunatgips. Selenograaf, maanlraclirgver.
Splenonranhie, niaanbeschvgving. ncm _
Selénostaat, astronomisch werktuig om ie maan waai Selfhelp. eigen hulp; sclfgovernment, zelfregeenng, re-■reevin»- door de burgers zelf; selfmade man. iemand die zijn fortuin aan zich zelf te danken heeft.
Semblant, schijn, uiterlijk vertoon.
Seméster, halfjaar; semestraal, halfjarig.
semi, half ; semicolon, komma-punt, punt-komma.
se mi naai, het zaad betreffend; bevruchtend, bezielend. Semincirie, kweekschool, inz. voor R. K. priesters. Seminarist, leerling op een seminarie.
Spmiotiek, leer der ziekte-kenteekenen.
Semitische talen, talen der Oosterschc volken, die van Sem afstammen, inz. de Hebreeuwsche, Synscie, Chal-
deeuwsche, Arabische taal enz. ,
sémper, altijd, immer; semper idem, nltijil dezelfde,
sempervirens, altijd groen. .,
Sempitemiteit, bestendige duur, eeuwigheid.
Senaat, raad der Ouden; stadsraad ; staatsraad.
Senateur, Senatór, raadslid.
Senitusconsültum, raadsbesluit.
Senescéntie, het oudworden, verouderen; het vei vallen. Senhor, heer, gebieder.
Senhora, gebiedster, vrouw.
seniel, aan een grijsaard eigen, gelijk een oud man.
Senior, de oudere, de oudste. . .__
Senioraat, ambt en waardigheid van oudste; opvol^m^
naar ouderdom; voorrecht des oudsten bij erfenissen, se non e vero, e béne trovato, moge het al niet waar
zijn, het is toch aardig verzonnen. ,
Sensatie, zinnelijke gewaarwording; indru\':, opzien, be-
sensibel\'7 voelbaar, tastbaar; duidelijk; gevoelig, teer,
aandoenlijk ; erkentelijk, dankbaar. „„„vf
Sensibiliteit, voelbaarheid; prikkelbaarheid; liehtneraakt-
heid; erkentelykheid; gevoeligheid des harten. Sensiblerie, overdreven, gemaakte gevoeligheid, sentimen-teelheid.
sensitief—septisch 467
sensitief, zinnelijk, met zinnen begaafd, voor gewaarwordingen vatbaar.
Sensualisme, zinnelijkheid, de neiging om volgens zinnelijke aandrift te handelen; zinnelijk aanschouwingsvermogen; (ook:) leer der Sensualisten, die de waarheid en het wezen der dingen in de zinnelijke waarnemingen, indrukken en gewaarwordingen zoeken. Sensualist, (ook:) een zinnelük mensch; wellusteling. Sensualiteit, zinnelgkheid, neiging tot zinnelyk genot;
zinnelük aanschouwingsvermogen,
sensueel, zinnelijk ; wellustig. (stand
sénsus communis, gewoon menschenvorstand, gezond ver-Senténtie, meening; uitspraak ; zin- en zedespreuk, kernspreuk ; inz. rechterlijke uitspraak, vonnis.
sententieus, spreukrijk, spreukmatig; kernachtig, bondig. Sentimént, gevoel, gewaarwording; gevoelen, oordeel, denkwijze.
Sentimentaliteit, Sentimenteelheid, gevoeligheid, over-gevoelighéid, neiging of aanleg tot teedere en overspannen gevoelens, overgroote teerhartigheid.
sentimenteel, gevoelvol, overdreven gevoelig of teerhartig. Sentinélle, schildwacht; — perdüe, verloren of buitenste, verst geplaatste schildwacht.
separaat, afgezonderd, op zich zeiven, bgzonder. separébel, scheidbaar, afscheidelyk.
Separatie, scheiding, oplossing, ontbinding; echtscheiding, separatief, afzonderend, scheiding bewerkend. Separatisme, afzonderingsgeest in staats- of geloofszaken. Separatist, afgescheidene van zijn vroeger kerkgenootschap, separatistisch, naar de w\\jze der afgescheidenen, separeeren, scheiden, afzonderen, verdeden.
Sepia, inktvisch ; zwart-bruin sap van den inktvisch. septangulair, zevenhoekig.
Septangulum, zevenhoek.
Septennaat, zevenjarig tg dp er k, inz. zevenjarige duur
eener ambtsbetrekking.
septentrionaal, noordelijk. (strumenten.
Septét, Séptuor, muziekstuk voor zeven stemmen of in* Séptica, bgtende of doorvretende middelen.
Septime, de tweede toon van een octaaf.
septisch, bedervend, bederf of verrotting bewerkend; vervuild, bedorven.
468 Septuagesima—Sermoen
Septuagesima, de 9de Zondag vóór Paschen.
SeDtuaqinta, zeventig; (vandaar ;) de benaming der Guck-
sehe overzetting van l.et Oude Testament door 72 geleerde Joden te Alexandne. 300 jaar v. Chr. geljooite. RentuDieeren, verzevenvoudigen.
sepulcraal, tot het graf ot de begrafenis behoorende. Seoultuur, begrafenis, beaarding.
Sequéle, gevolg, stoet; tros, legertros, —n, de gevolgen. Séquens, het volgende.
Sequéntie, volgorde, reeks.
Senuéster. gerechtelijk beslag op een goed.
Sequestratie, Sequeslreering, gerechtelijke beskgleggmg op een goed en het beheer daarvan door een van rechtswege aangesteld persoon, die Sequestrétor heet. sequestreeren, een betwist goed gerechtelok in \'icslag nemen en het aan een derde ter bewaring of beheei
overgeven. , ,
Seraf, Serafijn, vuur- of liclitengel, lioogere geettt.
Serail, paleis des Turkschen keizers.
Seraskier, Turksch opperbevelhebber.
lerenSde, ^volfd- of nachtmuziek, eeremnziek, iemand
ter eere onder zyne vensters gebracht.
Serenissima, doorluchtige (titel eener regecrende vorstin) Serenissimus, doorluchtige (titel van een regeeienden vorst).
sereusl wck\'waterachtig, naar bloedwater gelijkende. Serqe, lichte gekeperde wollen stof.
Serqeónt, eerste onderofficier bij \'t voetvolk (mrangtus-schen den korporaal en den 2den luitenant; zooveel als wachtmeester bij de ruiterij).
Sergeónt-majoor, eerste onderofficier eener compagnie;
opperste wachtmeester in eene vesting.
Seria, ernstige dingen.
Série, reeks, ry ; getallenreeks.
serieus, seriëusement, ernstig, in ernst.
Serinétte, draaiorgeltje tot africhting van kanarievogels
en andere zangvogels, vogelorgeltje.
serio, serioso, ernstig.
Sermoen, rede, preek; langwyhge, droge voordracht; vermaning, bv. b e d s e r m o e n of gordynpreek.
Seroenen—Sexangulum 469
Seroenen, Serone, Portugeesclie benaming der balen, waarin specerijen en drogeryen verzonden worden.
Serpent, slangvormig gekromd blaasinstrument, serpenteeren, kronkelen; slangsgewijs zich bewegen. Serpentijn, oud stuk geschut, veldslang; slangesteen,
slangachtig gevlekte talksteen, serpen tgnstecn. Serpenti\'st, slanghoornblazer.
Servénte, dienares, meid; ook een stel voor koppen, borden enz.; aanricbttafeltje; —n, bedienden.
Servét, tafeldoek, vinger- of monddoek.
Service, dienst; bij elkander hehoorend dischgercedschap,
theegoed, servies.
serviel, slaafsch, laag; al te getrouw (bv, vertaald). Servies, z. Service.
Servilfsme, de slaafsche denkwys, die elke vrye vlucht van den nienschelgken geest, de vrijheid van denken, van gelooven en in \'t alg. elke politieke vrijheid niet den naam van roekeloosheid, goddeloosheid bestempelt, en daarin een revolutionnair streven ziet.
Ser\\iliteit, slaafsche vrees, laaghartigheid, kruiperij. Serviteur, dienaar, bediende; onderdanige buiging. Servituut, dienstbaarheid, dwang; bezwaar, last, dien de bezitter van eenig goed zich moet laten welgevallen, servum pecus, de slaafsche kudde. (erfdienstbaarheid, sesquipedaal, (eig. anderhalf voet lang) ellenlang, hoogdravend (van woorden gebruikelijk).
sesquipedalia verba, ellenlange woorden.
Séssie, zitting, inz. gerechtszitting.
Setón, haarsnoer (ter afleiding van lichaamsvochten),dracht. Sétter, patrgshond.
Séttlement, vestiging, kolonie.
Settler, kolonist.
seveer, gestreng, barsch, stuursch, onverbiddelijk. Severiteit, gestrengheid, hardheid.
Sevigné, haakspeld, borstspeld der dames. (calicn.
Sewage-system, het spoelstclsel voor den afvoer van fac-Sewings, naaigaren.
Sexagenérius, zestigjarige.
Sexagésima, 8ste Zondag vóór Paschen.
sexagesiméle verdeeling, de verdeeling van een geheel in 60 deelen (bv. die van den graad en het uur in 00 Sexéngulum, zeshoek. [minuten enz.)
Sextant—Shilling
Sextant, hoogtemeter, astronomiscli werktuig, dat het Bde eens cirkels (60 graden) omvat.
Séxte, zesde toon van de toonladder. (inenten.
Sextét, Séxtuor, muziekstuk voor zes stemmen of mstru-
sexuaal, sexueel, het natuurlijk geslacht bcteekenend en betreffend; sexuaal systeem, rangschikking der planten (van Linnaeus) volgens hare geslachtsdeclen.
Sexe, Sexus, z. Sekse.
Sfeer, bolrond lichaam, inz. de hemel- of wereldbol; gezichtskring; omvang, grenzen van iemands macht, kundigheden of vatbaarheid; werkkring.
sferisch, bolvormig, bolrond.
Sferoïde, langwerpig rond, rondachtig lichaam.
Sfinx, fabelachtig schepsel, aan hoofd en borst naar eene vrouw, voor \'t overige nanr een leeuw gelijkend; zinnebeeld van de vruchtbaarheid, van de wijsheid en van al het raadselachtige; (ook:) een avondvlinder.
sforzando, versterkt, sterker.
Sqraffito, gekrabd schilderwerk op natte kalk.
Shake-hands, handschudding, groet door elkander de hand te schudden.
Shakers, sidderaars, eene kwakersecte.
Shako, hooge soldatenhoed, veldmuts, sjako of chako.
Shampooing, het wasschen en inwryven van het hoofd
Share, aandeel, actie. (door kappers.
Shawl, z. Sjaal.
Sheep, schaap, schapen.
Sheetings, linnen voor tijken of beddelakens.
Sherif, Engelsche landrechter.
Shérry, xereswijn. . .
Shilling, Engelsche en N.-Amenkaansche zi vermunt; in En quot;eland = Aj Pd. Sterling of 60 cents van onze munt; in de Vereenigde Staten heeft de Shilling v.iteenloopendc waarden: in de Staten Massachusetts, Connecticut, Rhode Island, New Hampshire, Vermont, Maine, Kentucky, Indiana, Illinois, Missouri, Virginia, Tencssee, Mississippi, Tejas en Florida geldt hij ^ dollar = 165 cent = 413 Ned. cent; — in New-York, Ohio en Michigan doet h\\j I dollar = 12^ cent = 31^ Ned. cent;
_ in New-Jersey, Pennsylvania, Delaware en Maryland
staat hg gelijk met 13J, cent = 33^ Ned. cent, wordende daar de dollar gerekend op 7.1 shilling; — m
Ship—Signet 471
Z. Carolina en Georgia geldt hy 21iJ cent = 53^ Ned. cent, hebbende daar de dollar eene waarde van = 45 shilling.
Ship, schip; shipowner, eigenaar van een schip, reeder j
shipping, scheepvaart, schippery.
Shire, Eugelsch graafschap, landschap.
Shirting, soort van katoen of linnen voor hemden (s h i r t s). shocking, aanstootelyk, ergerlyk.
Shopkeeper, winkelier.
Shore, oever, kust.
Shot, schot, projectief.
Sibilant, sisklank, sis- of fluittoon.
Sibylle, waarzegster; oude heks; sibyllijnsch of sibylli-
nisch, voorspellend.
sic, aldus, (zoo staat er woordelyk).
Siccatief, opdrogend middel, — vernis.
sic itur ad astra, dat is de weg naar de sterren, d. i. de onsterfelykhcid. (reld voorby!
sic trónsit glória mundi! zoo gaat de heerlykheid der we-sic vos non vóbis, dus gy werkt niet voor u zeiven. sideraal, sidérisch, de sterren betreffend, daartoe be-hoorend.
Siderlsme, leer van den invloed der sterren; het geloof
daaraan; (ook:) eene soort van dierlyk magnetisme. Siderograaf, staalgraveur.
Siderographie,staalgraveerkun3t; staalgravure, staalplaat.
Siérra, bergketen, gebergte.
Siësta, namiddagslaapje, dutje.
Sieur, heer, grondeigenaar.
siffleeren, fluiten; uitfluiten; Siffleur, uitfluiter.
sigilleeren, zegelen, verzegelen.
Sigfllum, zegel; z. Loco.
Signaal, teeken, sein; leuze, wachtwoord, parool, signaleeren, signaliseeren, iemands signalement opgeven ; door teekens berichten of aanduiden, seinen ; zich signaleeren, zich onderscheiden, uitblinken. Signalement, persoonsbeschryving (in passen enz.) Signatuur, merking; onderteekening; briefje aan de art-senyflcschjes, -doosjes enz.; kerfje in de drukletters; bladteeken, volgcyfcr of -letter op ieder vel druks, signeeren, teekenen, bestempelen, onderteekenen.
Signét, handzegel, cachet, briefsluiter.
Sextant—Shilling
Sextant, hoogtemeter, astronomiscli werktuig, dat het Bde eens cirkels (60 graden) omvat.
Séxte, zesde toon van de toonladder. (inenten.
Sextét, Séxtuor, muziekstuk voor zes stemmen of mstru-
sexuaal, sexueel, het natuurlijk geslacht bcteekenend en betreffend; sexuaal systeem, rangschikking der planten (van Linnaeus) volgens hare geslachtsdeclen.
Sexe, Sexus, z. Sekse.
Sfeer, bolrond lichaam, inz. de hemel- of wereldbol; gezichtskring; omvang, grenzen van iemands macht, kundigheden of vatbaarheid; werkkring.
sferisch, bolvormig, bolrond.
Sferoïde, langwerpig rond, rondachtig lichaam.
Sfinx, fabelachtig schepsel, aan hoofd en borst naar eene vrouw, voor \'t overige nanr een leeuw gelijkend; zinnebeeld van de vruchtbaarheid, van de wijsheid en van al het raadselachtige; (ook:) een avondvlinder.
sforzando, versterkt, sterker.
Sqraffito, gekrabd schilderwerk op natte kalk.
Shake-hands, handschudding, groet door elkander de hand te schudden.
Shakers, sidderaars, eene kwakersecte.
Shako, hooge soldatenhoed, veldmuts, sjako of chako.
Shampooing, het wasschen en inwryven van het hoofd
Share, aandeel, actie. (door kappers.
Shawl, z. Sjaal.
Sheep, schaap, schapen.
Sheetings, linnen voor tijken of beddelakens.
Sherif, Engelsche landrechter.
Shérry, xereswijn. . .
Shilling, Engelsche en N.-Amenkaansche zi vermunt; in En quot;eland = Aj Pd. Sterling of 60 cents van onze munt; in de Vereenigde Staten heeft de Shilling v.iteenloopendc waarden: in de Staten Massachusetts, Connecticut, Rhode Island, New Hampshire, Vermont, Maine, Kentucky, Indiana, Illinois, Missouri, Virginia, Tencssee, Mississippi, Tejas en Florida geldt hij ^ dollar = 165 cent = 413 Ned. cent; — in New-York, Ohio en Michigan doet h\\j I dollar = 12^ cent = 31^ Ned. cent;
_ in New-Jersey, Pennsylvania, Delaware en Maryland
staat hg gelijk met 13J, cent = 33^ Ned. cent, wordende daar de dollar gerekend op 7.1 shilling; — m
Ship—Signet 471
Z. Carolina en Georgia geldt hy 21iJ cent = 53^ Ned. cent, hebbende daar de dollar eene waarde van = 45 shilling.
Ship, schip; shipowner, eigenaar van een schip, reeder j
shipping, scheepvaart, schippery.
Shire, Eugelsch graafschap, landschap.
Shirting, soort van katoen of linnen voor hemden (s h i r t s). shocking, aanstootelyk, ergerlyk.
Shopkeeper, winkelier.
Shore, oever, kust.
Shot, schot, projectief.
Sibilant, sisklank, sis- of fluittoon.
Sibylle, waarzegster; oude heks; sibyllijnsch of sibylli-
nisch, voorspellend.
sic, aldus, (zoo staat er woordelyk).
Siccatief, opdrogend middel, — vernis.
sic itur ad astra, dat is de weg naar de sterren, d. i. de onsterfelykhcid. (reld voorby!
sic trónsit glória mundi! zoo gaat de heerlykheid der we-sic vos non vóbis, dus gy werkt niet voor u zeiven. sideraal, sidérisch, de sterren betreffend, daartoe be-hoorend.
Siderlsme, leer van den invloed der sterren; het geloof
daaraan; (ook:) eene soort van dierlyk magnetisme. Siderograaf, staalgraveur.
Siderographie,staalgraveerkun3t; staalgravure, staalplaat.
Siérra, bergketen, gebergte.
Siësta, namiddagslaapje, dutje.
Sieur, heer, grondeigenaar.
siffleeren, fluiten; uitfluiten; Siffleur, uitfluiter.
sigilleeren, zegelen, verzegelen.
Sigfllum, zegel; z. Loco.
Signaal, teeken, sein; leuze, wachtwoord, parool, signaleeren, signaliseeren, iemands signalement opgeven ; door teekens berichten of aanduiden, seinen ; zich signaleeren, zich onderscheiden, uitblinken. Signalement, persoonsbeschryving (in passen enz.) Signatuur, merking; onderteekening; briefje aan de art-senyflcschjes, -doosjes enz.; kerfje in de drukletters; bladteeken, volgcyfcr of -letter op ieder vel druks, signeeren, teekenen, bestempelen, onderteekenen.
Signét, handzegel, cachet, briefsluiter.
Skatingrink—Societeit
Skatingrink, lolschaatsenbaan.
Skelet, geraamte. . .
skeletteeren, het geraamte uitdrogen en remigen. Skoeptsjina, de volksvertegenwoordiging hy de Serviërs, slam, slem of schlem, (in het whistspel:) al de slagen. Slang, de aan eiken stand eigen kunsttaal, de byzondere
uitdrukkingen der onderscheiden kringen.
slargando, afnemend, wegstervend.
Slate, lei, leisteen.
Slóven Slavónen, Europeesche volksstam: Bohemeis,
Moraviërs, Russen, Croaten, Serviërs, Bosniak3n enz. slévisch, slavónisch, tot dien volksstam hehoorend (bv.
Slem, a. Slam. [slavischs talen),
slissato, zacht, slepend.
slow, langzaam. . „ x
Smak, Sumak, de looiersboom (in Z.-Europa).
Smalt, kobaltglas, smeltblauw, blauwverf.
Smarógd, groene edelsteen.
Smérgel, z. Amaril.
smorendo, wegstervend. . . .. ,
Sneer, hoonend, spottend gelach; stekelige zet.
sóber, matig; zuinig; nuchteren ; bezonnen; bescheiden. Sobriëteit, matigheid; zuinigheid; nuchterheid.
Sobriquet, toenaam, schimpnaam, scheldnaam.
sociaal, gezelschappelyk, maatschappelyk; sociale revolutie, geheele omkeering der maatschappclgke veriiou-
Sociaal-democraat, iemand die door cene volkwcgeering de hervorming der maatschappij wenscht te bewerken. Sociaal-democratie, stelsel der Eoeiaal-demoeiaten. sociabel, gezellig, voor den gezelligen omgang geschikt. Sociable, speehvagentje voor 4 personen Socialisme, luaatscbappclijk stelsel, dat de maatschappij hervormen wil op den dubbelen grondslag van do gemeenschap des arbeids en de evenred.ge verdeeling van de opbrengst. Socialisten, aanhangers van dat hervormingsstelsel.
sociëeren, gezelschappelyk verbinden.
Societal re, lid van een gezelschap of genootschap. Societeit, gezelschap, verecniging, gcuootschaigt;; besloten kofllehuis.
Socinianen—Solidariteit 475
Socinianen, eene secte die de godheid van Jezus loochent. Sociologie, de leer van de wetten der samenleving. Socius, genoot. (tenasch.
Soda, zoutasch, aschzout(vuurl)estendi\': loogzout uit plan-Sodalis, kameraad, makker; Sodaliteit, kameraadscliap;
(geestelyke) broederschap.
Soeur, zuster; — de charité, zuster van liefde, geestc-
Ijjke ziekenverpleegster.
Soeza, onrust, drukte.
Sofa, Turksche rustbank, kussenzetel.
Soffitte, verzoldering, in vakken verdeelde zoldering, met
sny-, beeldhouw- of schilderwerk voorzien.
soi-disant, zich noemend, zoogenaamd, gewaand, soigneeren, zorgvuldig gadeslaan of behandelen, soigneus, zorgvuldig, bezorgd, oplettend.
Soirée, avond; avondparty, avondgezelschap; — musi-
cale, avondmuziekparty.
soit! het zy zoo ! goed 1
Soja, Japansche boonensoort, welker meel in plaats van boter by de spyzen gebruikt wordt; — saus, eene daaruit bereide saus.
Solaire-microscoop. zonnemikroskoop.
Solcino, warme wind uit Afrika, die in Spanje somtyds zyn invloed doet gevoelen. (gevolgd wordt.
Sóla-wissel, enkele wisselbrief, die door geen anderen Soldaat, krygsman, die voor Soldij, d. i. voor betaling,
dient, een Soldenier, Soudenier.
soldatésk, op soldatenmanier, naar krijgsmanswyze. soldeeren, met gesmolten metaal aaneenhechten. Solecisme, taalfout, inz. tegen de woordvoering, solemneel, plechtig, plechtstatig, feeste.lyk.
Solemniteit, plechtigheid, feestelijkheid.
Solféhe (it. Solféggi), oefening voor het gezang, doch
zonder tekst, alleen op vokalen of noten.
solfeggiëeren, solfiëeren, solmiseeren, de klankladder zingen; een muziekstuk met benoeming der noten zingen Solicito, treurig, bedroefd.
Solicitor, procureur, zaakwaarnemer.
solidair of in sólidum, allen voor éen en éen voor allen
bv. borg blyven (caveeren).
Solidariteit, aansprakelijkheid van allen voor éen en van éen voor allen.
476 solide—Somnambule
solide, vast, dicht, massief jdmmaamlilijvend jvertrouw-
liaar, eerlek i welgesteld, degelp.
solideeren, bevestigen, verzekeren.
Soliditeit, dielitheid, massieflieid; dunrzaamherl; grondige kennis; echtheid, vertrouwbaarheid, gegoedheid,
Söli\'oéo\'glória (afg. S. D. G.), God alleen m decer, solitair, eenzaam, ongezellig. Solitair, kluizenaar ; alleen gezette diamant; soort van quadrille-spel, waarbq men geen maat beroept, maar altyd alleen speelt.
Solitaire, melancholie-spel (dat men alleen kan spelen). Solitude, eenzaamheid; eenzame plaats.
Sollicitant, aanzoeker, dinger naar een post; rechtseiscliei. Sollicitatie, dringende bede, aanzoek; het mededingen
naar een ambt, naar een post.
Solliciteur, verzorger van iemands belangen, var iemands
rechtszaak bij de regeering.
sol lucet omnibus, de zon schijnt voor allen, solmiseeren, z. solfeggiëeren. niwn,i„na
sólo, alleen. Solo, alleenspel; alleenzang; alleendans.
Soloecisme, taalfout.
Solotnik, Russisch handelsgewicht = 0,004„7 kilo. Solstitium, zonnekeerpunt, zonnestilstandspunt.
solübel, oplosbaar, voor oplossing vatbaar.
Solubiliteit, oplosbaarheid, ontbindbaarheiu.
Solutie, oplossing; verklaring, beantwoording.
solvabel, z. solvent. ^ ,
Solvabiliteit, het vermogen om te betalen.
solveeren, oplossen, verklaren; vereffenen, afdoen, solvént, solvabel, in staat om te betalen.
Somatologie, lichaamsleer, beschrijving van s menschen lichaam (unetig.
sómber, duister, donker; (fig.) zwaarmoedig, knorrig, ver-Sombréro, breedgerande Spaansche hoed, schaduw hoed. Somma bedrag. «Ur\'?. opcisching.
Sommé\'tie. gerechtelijke aanmaning tot betaling; dagvaar-sommeeren, aanmanen; eischen ; dagvaarden ; opeischen;
(ook:) samentellen. . , , . i ___
Sommiteit, voornaamste top, kruin ; (ook;) een der voornaamste personen. . , Somnambule, nacht- of slaapwandelaar; helderziende door
het magnetisme.
Somnambulisme—sotto voce 477
Somnambulisme, het slaap- of naclitwandelen; helderziendheid in den magnetischen slaap.
Somnifera, slaapwekkende middelen.
Somnoléntie, slaperigheid, slaapzucht.
Sonéte, muziekstuk voor piano alleen, of in hegeleiding
met enkele instrumenten.
Sonatine, kleine sonate.
Sónde, peilstift, tentyzer; zink-, diep- of peillood, sondeeren, peilen (eene wond, den zeebodeui enz.); (fig.)
onderzoeken, uitvorschen, .uithooren.
Sonnèt, klinkdicht.
Sonométer, toon- of klankmeter.
sonoor, sonórisch, klinkend, welklinkend, voltonig. Sophisme, hedrieglgke sluitrede, schijngrond, drogreden. Sophist, drogredenaar (iemand die door schyngrouden,
door spitsvondigheden iets zoekt te bewyzen). Sophistificétie, vervalsching door inmenging van slechtere
zelfstandigheden.
sophistisch, spitsvondig, bedrieglijk. (neeren.
sophistiseeren, den drogredenaar spelen, spitsvondig redesoporatief, soporous, slaapverwekkend; (fig.) langwylig, vervelend.
Sopraan, bovenstem, discant. (drank.
Sorbét, Turksche koeldrank; soort van fruitys als koel-Sorbónne, de godgeleerde faculteit te Parijs.
sordfde, vuil; laag, gemeen, snood; gierig, vrekkig. Sordiditeit, onreinheid; gemeenheid, laaghartigheid, snoodheid ; vrekkigheid. (gen. Sordine, Sourdine, demper, toonverdoover aan speeltui-Sornét, sprookje, beuzelpraat.
Sororiatie, de ontwikkeling der vrouwelijke borsten. Sórte, soort, slag.
sorteeren, uitzoeken, in soorten schiften.
Sortie, uitval; uitvoer van waren uit stad of land. Sortiment, voorraad van uitgezochte waren, goederenvoorraad; (by boekhandelaars:) voorraad van door anderen uitgegeven werken; sortimentshandel, handel in boeken, door anderen uitgegeven.
sostenüto, aanhoudend, volhoudend.
Soterologle, leer der zaligheid, heilandsleer.
Sottise, zotheid, domme streek; onbetamelykheid.
sotto voce, met zachte, gedempte slem.
Sou —Souverein
Sou, Fransche reken- en kopermunt = et.
Soubrétte, sluw kameniertje in de opera en net drama,
half-vertrouwde op het tooneel.
Souche, stamregister, stamlijst.
Soudenier, z. Soldaat.
souffleeren, blazen; inblazen, influisteren.
Soufflét, klap, muilpeer, oorvgg.
Souffleur, inblazer, rolvoorzegger op het tooneel. Souffre-douleur, zondebok, wrijfpaal.
souffreeren, lyden, ondergaan; toelaten.
soufreeren, zwavelen, aan de werking van zwaveldamp
blootstellen; in gesmolten zwavel doopen.
souhaiteeren, wenschen, begeeren.
soulageeren, verlichten, verzachten, draaglyker nmken. Soulagement, verlichting, troost, verkwikking, hulp. Soumissie = Submissie.
Soupape, klep, wind-, lucht-, stoomklep.
SoupQon, argwaan, verdenking.
soupconneeren, verdenken, vermoeden, gissen, soupponneus, achterdochtig, mistrouwend, ergdenkend. Soupe, soep.
Soupé of Souper, avondeten.
soupeeren, het avondmaal houden, avondmalen.
souple, buigzaam, lenig; gedwee, handelbaar Souplésse, buigzaamheid, rekkelgkheid; rapheid.
Source, bron, oorzaak; handelsbron.
Sourdine, z. Sordine.
Sousbónde, kruisband, papierstrooken ter sluiting van
drukwerk, dat men met de post verzendt.
Souscribent, souscribeeren, enz., z. Subsc—.
Souspieds, voetriemen aan broek of slobkousen, soussigneeren, onderteekenen.
Soutache, plat fijn koord voor belegsel.
Souténe, lyfrok der R. K. geestelijken; (ook soms:) de
geestelijke stand zelf.
soutenable, houdbaar, verdedigbaar. (dedigew.
souteneeren, ondersteunen, onderhouden; beweren, ver-Souterrain, onderaardsch gewelf, ouderaarc.sche gang. South, zuiden, zuid. .
Soutien, steun, ondersteuning; middel ter opstgving. Souvenir, herinneringsgeschenk; schrijf- of zakboekje. Souverein, onbepaald gebieder, onafhankelijk vorst.
478
souverein—Specialiteit 479
souverein, oppermachtig, onbeperkt, vrgheerschend. Souvereiniteit, oppermacht; vrije, onafhankelijke Staat. Sovereign, eng. goudmunt = 1 pd. sterl. = ongev. 13 gl. soyeux, zijdeachtig, als zyde; zeer fijn.
Spaath, algemeene naam van zekere glanzige, gekristalliseerde zelfstandigheden, die licht in kubieke, prismatische of andere stukken breken.
Spdcie, spaciëus, z. Spat—.
Spadél, z. Spatel. (herspel enz.
Spadille, schoppenaas, hoogste troef in \'tquadrille-, om-Spado, ontmande; —nisch, ontmand.
Spéhi, Turksch soldaat, inz. ruiter (van dit woord hebben
de Engelschen hun Sipoys, Seapoys gemaakt). Spalier, latwerk of staketsel voor leiboomen. Spalierboom, leiboom, waaierboom tegen latwerk. Spaniel, patrijshond.
Spaniool, Spansche snuiftabak; (ook:) Spanjaard. Spanjolét, ijzeren deur- of vensterstang tot sluiting, spargeeren, uitstrooien, rondpraten, verspreiden, spartaansch, gestreng, hard, mannclyk (als in \'t oude Sparta).
Spartam et Martham hebben, een bestaan en eene vrouw,
een kooi en vogeltje hebben Sparterie, vlechtwerk; mattenfabriek.
spasmatisch, aan kramp lijdende. (spiervezels.
Spasme, kramp, hevige, onwillekeurige samentrekking der spasmodisch, krampachtig.
Spasmologie, leer van de krampen.
Spatel, strijkmes, pleisterstryker (der apothekers); tempermes (der schilders).
Spétie, ruimte, tusschenruimte, tijdruimte; scheistiftje
der letterzetters.
spatiëus, ruim, breed, uitgestrekt.
spatsieren, wandelen, flaneeren.
Speaker, spreker, redenaar; de voorzitter van het lagerhuis in het Engelsch parlement.
Specerij, geurige, verhittende kruidery.
speciaal, speciëel, bijzonder, elk op zich zelf; bepaald,
nauwkeurig; vertrouwd, nauw bevriend, specialiseeren, bgzonder kenmerken en aanduiden. Specialiteit, bijzonderheid, soortelijke eigenschap ; bijzonder studievak, waaraan men zich toewijdt, lievelingsvak.
480 Specie—spendabel
Spécie, bijzondere soort; hoofdregel der rekenkunst; geldof muntsoort; klein geld, pasmunt.
speciëel, z. speciaal.
speciës facti, de voorstelling van het gebeurde., het verhaal der feiten, de gang der zaak.
speciëus, schijnbaar, schoonschijnend, misleidend. Specificatie, nauwkeurige, stukswyze opgaaf, specificeeren, nauwkeurig opgeven, elk voorwerp op zich
zelf benoemen of kenneljjk maken.
Specificum of specifiek middel, bepaald geneesmiddel tegen eene kwaal of ziekte (bv. de kina is sen voortreffelijk Specificum tegen de koorts).
specifiek, soortelyk; — gewicht, soortelijke zwaarte, d. i. verhouding van de zwaarte eens lichaams tot die van gedistilleerd water (op 4 graden), beide onder gelyk vo-Specillum, zoek- of peilnaald der wondheelers. (lumen. Spécimen, proef, proefstuk; bcwys.
spectabel, bezienswaard; aanzienlyk.
Spectabiliteit, aanzienlijkheid.
spectaculeus, opzienbarend, schandelijk.
Spectékel, schouwspel, vertooning; rumoer,opschudding. Spectator, aanschouwer, toekyker; waarnemer, opmerker. Spectator!um, de kring der toeschouwers. Spectraal-analyse, onderzoek der grondstoffen van brandende lichamen door middel van het prisma-kleurenbeeld.
Spectroscoop, toestel om het spectrum te onderzoeken. Spectrum, spook, verschijning; kleurenbeeld van het zonnelicht.
Speculant, Speculateur, beschouwer, overpeinzer, ondernemer, winstbespieder.
Speculatie, bespiegeling; onderzoek en berekening eener onderneming op waarschijnlijke winst of verlies; fijn ontworpen handelsvoordeel.
speculatief, bespiegelend, diepzinnig; bovenzinnelyk; ondernemend, op vermoedelijke winst berekend, speculeeren, navorschen, in den geest beschouwen; handelsplannen ontwerpen; berekeningen in zaken van financiën, in ryzing of daling der fondsen enz. maken. Speech, aanspraak, redevoering; speechen, een rede Spéncer, vestrok; korte rok zonder panden. (houden, spendébel, mild, mededeelzaam.
spendeeren—Spleen 481
spendeeren. ten koste leggen, besteden.
Spermacéti, Spermaceet, walschot of witte amber, eene vetstof, die de hersens van sommige walvisschen omgeeft en waarvan men, met wit was vermengd, kaarsen (spermaeeti-kaarsen) maakt. (staatsburgers. Spes, hoop ; — patriae, hoop des vaderlands, de jonge Spésen, onkosten, inz. handelsonkosten.
Spheer, z. Sfeer.
Sphinx, zie het minder goede Sfinx.
spiccdto, duidelijk, verstaanbaar; kort afgestooten. Spinozisme, leer van den geleerden jood Spinoza (in 1662 te Amsterdam geboren), dat God en de wereld éen zijn. Spinozist, aanhanger dier leer.
Spialter, Spiauter = Zink.
spinaal, tot de ruggegraat beboerend.
Spinét, klavier, welks snaren met punten van penne-
schaehten aangeslagen worden.
Spinsbek = Pinchbek.
Spión, bespieder; (ook:) vensterspiegel.
spioneeren, bespieden, afloeren.
spiraal, schroef- of slakvormig gedraaid, schroefvormig. Spiraallijn, schroeflyn, slakkelyn.
Spiraalveer, slakkeveer, opgewonden veer in horloges. Spiritisme, meening, bedrgf der spiritisten.
Spiritist, iemand, die beweert door tusschenkomst van een medium (zie dat woord) met de geesten der afgestorvenen gemeenschap te hebben.
Spirituéliën, geestelyke aangelegenheden, geloofszaken,
zielezorg; (ook :) sterke, gecstryke dranken. Spiritualisme, geestenleer, het stelsel, volgens \'twelk de ziel een van het lichaam onafhankeljk, geestelijk, on-verderfelijk, dus onsterfelijk wezen is.
Spiritualiteit, onlichamelykheid, innerlijk leven, spiritueel, geestig, geesti-yk; zinrijk, snedig; geestelijk, onlichamelijk.
spirituous, geestrijk, vol geest, vurig, sterk (van dranken). Spirituosa, geestrijke dranken.
Spiritus, geest; geestrijkheid; geestrijk vocht.
spiritus flat ubi vult, de geest blaast waarheen hg wil. spiritus promptus est, earo infirma, de geest is gewillig, maar het vleesch is zwak.
Spleen, miltzucht, zwaarmoedigheid (die dikwijls levens-ELFDE DRUK. 31
482 splendied—Staffier
zatheid en zelfmoord voortbrengt); Wyvende kwade luim, grilligheid.
splendiéd, schitterend, prachtig; (ook:) mild.
Splint, (schertsenderwyze voor-.) geld, specie.
Spodium, beenderzwart.
Spoliatie, berooving, plundering.
spoliëeren, berooven, plunderen,
Spónde, bedstede, legerstede, slaapplaats.
spongiëus, sponsachtig, vol poriën of gaatjes. Spongiositeit, sponsachtigheid, poreusheid.
Sponsaliën, huwelyks- of trouwbelofte.
Sponsor, borg; — fideï, peet, doopgetuige.
spontaan, vrijwillig, van zelf, uit eigen beweging. Spontaneïteit, vrqe wilskracht, zelfwerkzaamheid; willekeur, eigen goeddunken.
sponta sua, uit eigen beweging.
sporadisch, verstrooid, op zich zelf staande, bv. sporadische ziekten, zulke, door welke slechts cn-cele men-schen hier en daar worden aangetast en die niet algemeen heerscben.
Sport, grap, uitspanning, wedren, allerlei licbaamsoefe-
ningen en uitspanningen in de open lucht.
Sportsman, liefhebber van jacht, wedrennen enz. squameus, schubbig, geschubd.
Square, vierkant plein te Londen, met plantsoen en grasperken aangelegd plein in groote steden. [Amerika). Squatter, kolonist op onverkochte staatslanderijen (in Squire = Esquire.
Stébat Méter, de moeder (van Jezus) stond (aan\'t kruis); aanvangswoorden van een beroemd geestelijk R. K. gezang; dat gezang zelf.
stabiel, duurzaam, bestendig, vast.
stablieeren, vastzetten, bevestigen.
StabIKst, behoudsman, aanhanger van \'t behoudstelsel,
volharder by \'t oude.
Stabiliteit, duurzaamheid, voortdurend bestaan.
staccóto, afgestooten, kort.
Stédle, lengte- of wegmaat; loop- of renbaan; (ook stadium) tijdruimte in de voortgaande ontwikkeling van een voorval, van den toestand eener ziekte.
Staffier, gemantelde lijfwacht der middeleeuwsche ridders; gewapend dienaar, lijftrawant.
Stage—Statistiek 483
Stage, proeftijd van een jong rechtsgeleerde. Stage-coach, diligence, postkoets. (rechtshoven,
stageeren, zyn proeftijd uitdienen (hg advocaten en ge-Stagiaire, jong rechtsgeleerde, die hij een advocaat zyn
proeftjjd heeft.
Staglio, gemiddelde rekening, overslag, raming. Stagnétie, stilstand, stremming, verhindering; bederf, stagneeren, stilstaan; bederven, verrotten.
Stagnooi, z. Stanniool.
Stake, inzet bg \'t spel en de wedrennen.
Stakét, —sel, paalwerk; paalheining.
stalactiet, dropsteen aan \'t grotgewelf.
Stalagmiet, dropsteen op den grotbodem.
Statie, koorstoel; dergelijke zitplaats in schouwburgen;
— d\'orchestre, zitplaats vlak achter de muziek. Stamboel, Turksche naam van Constantinopel; (ook;)
Turksche goudmunt, ongeveer = 5 gulden.
Stamp, stempel, zegel, postzegel.
Standaard, Stónder, ijkmaat, legger of slaper; richtsnoer,
model; vaan, ruitervaan.
St^ndchen, serenade.
Stanniool of Stagnooi, bladtin, tinfoelie.
sténte péde, op staanden voet, terstond.
Sténze, versafdeeling, verzengroep, ook wel vers geheeten. Starboard, stuurboord, de rechterzijde van het schip. Staróst, Poolsoh oudste, landvoogd, gouverneur.
Start, startingpost, post, punt waar de paarden afrijden Statica, Statiek, evcnwichtsleer. [(bij wedrennen).
Statief, voetstuk (als steun voor de meettafel der landmeters en dergelijke).
statiëus, pronkend, pralend, staatsiema^end.
Station, stand, oponthoud; stand- of ligplaats ; aanleg-, pleisterplaats, wisselplaats, postrust; stationsgebouw of statión, groot gebouw aan de spcorwegen, waar de spoortrein stilhoudt om passagiers en goederen op te nemen en af te zetten.
stationnair, stilstaand, blijvend, voortdurend, vastgezet, stationneeren, eene stand- of ligplaats geven.
statische electriciteit, z. onder Electriciteit.
Statist, figurant; stomrae-rolvervuller op het tooneel. Statisticus, statenkenner, kenner van de statistiek. Statistiek, de wetenschap, die over de cijfers der bevol-
484 statistisch—stereotypeeren
king, inkomsten, den handel, de fabrieken enz. van een Staat handelt, de staatlumhcmdkundc.
statistisch, volgens de statistiek.
Statüe, standbeeld, beeldzuil.
statueeren. oprichten ; vaststellen, verordenen ; een exempel —, een voorbeeld ter waarschuwing geven.
Statuétte, klein standbeeld, standbeeldje.
Status, staat, stand, toestand; — activus et passivus, staat der vorderingen en schulden;—quó, de toestand, waarin eene zaak tot dusverre was; in statu quo, in den vorigen staat, op den ouden voet.
Statuur, lichaamsgestalte of -hoogte, stal.
Statuut, wet, verordening, stichtings- en grondwet van een genootschap, gilde enz.
Steamboat, stoomboot; steamer, stoomer. (kaarsen.
Stearine, gezuiverde talkstof;—kaarsen, gezuiverde talk-
Steed, hengst.
Steel, staal.
Steeple-chase, wedren niet hindernissen (met een kerktoren of ander hoog punt als doel).
Steganographie, geheimschrijfkunst.
Stellionaat, zoodanig bedrog, dat de wet niet onder de valschheden of vervalschingen begrijpt (bv. het ver-koopen van een pand als onbezwaard, ofschoon er hypotheek op staat).
Stemma, stamboom, geslachtstafel.
Stenograaf, snelschrgver. (tingen en teekens.
Stenographie, snelschrijfkunst door middel van verkor-
Sténtor, voormalig heraut der Grieken voor Troje; geweldig schreeuwer; iemand met een zware stem (stentorstem).
Stéppe, hoogliggend, woest land van aanzienlijke grootte.
Stère, kubieke meter of teerling-el, wisse.
Stereographie, lichaamstcekening (op een vlak).
Stereometrie, lichaamsmeting.
Stereoscoop, optisch werktuig, dat de vlakke beelden als verheven vertoont.
stereotiep, vaststaand, onveranderlijk.
Stereoty pen, onbeweeglyke drukletters en de afdrukken daarvan; vaststaande drukvormen of letterplaten.
stereotypeeren, vaste drukvormen vervaardigen en daarmede drukken.
Stereotypie—Stoffage 485
Stereotypie, plaatletterdruk; gietery van stereotypen, steriel, (lor, schraal, onvruchtbaar.
Steriliteit, onvruchtbaarheid; dorheid.
Stérling, wettelijke Engelsche muntvoet; pond of livre sterling (L. st.), voorheen geslagen, nu slechts geftn geerde Engelsche munt, doende 20 Eng. schellingen of omtrent 13 gulden.
Stethoskoop, borsthoortuig, hoorbuis ter onderzoeking
van de borstholte.
Stéward, huishofmeester, rentmeester; proviandmeester op ecu schip; Lord high-steward, opperrechter, ecu der hoogste rijksambtenaars in Engeland.
Sthenie, volkrachtigheid, verhoogde levenswerkzaamheid. Stichomantie, waarzeggerij door briefjes waarop verzen
geschreven waren.
Stichometrie, versmeting, versmeetkunst. (schande. Stigma, punt, stip; litteeken; merk, brandmerk; smaad, stigmatiseeren, met litteekens voorzien, brandmerken:
schandvlekken.
Stigmatographie, kunst om met punten te schryven. Stilét, kleine dolk; wondheelerspglnaald; graveerstift, stiliseeren, in woorden uitdrukken, inkleeden.
Stilist, steller, schryver, iemand, die dezen of genen styl schrijft, inz. die de goede uitdrukking in zijne macht Stilistiek, kunst der schriftelijke voordracht. (heeft. Stimulans, pl. stimulantia, opwekkend of prikkelend mid-Stimulétie, opwekking, prikkeling, aansporing. (del. stimuleeren, aansporen, ophitsen, prikkelen.
Stipéndium, (eig. loon, soldy) beurs of toelage voor min
bemiddelde studenten.
stipulétie, vaststelling, afspraak, beding; verdrag, stipuleeren, afspreken, bedingen, bepalen.
Stóa, zuilenzaal in \'tonde A.thenc.
Stock, fondskapitaal, inz. staatskapitaal; —s, de in omloop zgnde Engelsche staatsschuldbrieven; ook zooveel als actiën.
Stóck-jobber, beunhaas in den effectenhandel.
Stoffage, Stoffeering, optooiing, toerusting (van eene kamer, een kleedingstuk enz.); aanvulling eener schilderij met figuren of groepen; die figuren zeiven; stoffeeren, toerusten; bezetten, omzetten; van \'t noodige huisraad voorzien; met bijwerk opsieren (eene schilderij).
486 Stoïcijn—Street
Stoïcijn, wijsgeer van Oud-Griekenland, die zich door verloocliening van alle gevoel onderscheidde; (vandaar :) een onverzettelijk, onaandoenlijk man.
stoYcijnsch, onverschillig, koelbloedig, onaandoenlijk. Stoïcisme, de leer der stoïcgnen ; gelijkmoedigheid, onverzettelijkheid, ongevoeligheid in smarten.
Stóla, Stool, (eig. kleed) breede, laagafhangende schouderband der R. K. priesters Stóliditeit, domheid, dwaasheid, onverstand, stomacheeren, aan de maag Igden.
Stomachica, maagmiddelen.
Stone, eng. gewicht van 14 pond.
Stool, z. Stola.
stop! houd op! staak! halt! schei uit!
Stórax, welriekend, balsemachtig gomhars.
Store, (fr.) rolgordijn als zonnescherm voor vensterramen
en koetsglazen.
Store, (eng.) voorraad; magazijn, winkel.
storneeren, verbeteren door een tegenpost, door af- en bijschrijven. Storno, verbetering van een verkeerd ge-boekten post.
Stórthing, de rijksvergadering in Noorwegen.
Stout, sterk, krachtig, inz. sterk Eng. bier.
Strablsme, Strabositeit, het scheelzien; scheelheid. Strait, straat, zeeëngte.
Stramien, borduurgaas, borduurpapier.
Stranger, vreemdeling, buitenlander.
Strangulatie, ver worging.
stranguleeren, verworgen.
Strapatzen, inspanning, zware arbeid, vermoeienissen. Strata, lagen, schichten.
Stratageem, krijgslist, kunstgreep.
Strategie, Strategiek, veldheerswetenschap, krijgskunst, strategisch of strategetisch, krijgskundig, [stoffen enz.) stratificatie, laags- of schichtsgewijze ligging (der delf-stratificeeren, laagsgewyze op elkander leggen. Stratocratfe, soldatenregeering, militaire heerschappij. Stratographie, leger- of krygsbeschrgving, geschrift over de krijgskunst. (berry, aardbezie.
Straw, stroo : straw-cutter, stroosnyder, hakselmes; straw-Stream, stroom.
Street, straat i —door, huisdeur.
Strelitzen—suaviter 487
Strelitzen, voormalige Russische soldaten der keizerlyke lyfwacht.
stretto, nauw, eng; schaars; kort, snel, gezwind.
strict, nauwkeurig, stipt; streng.
stricto jüre, naar streng recht. (genomen,
stricto sensu, in den strengsten zin (des woords), strikt Strictuur, samentrekking, vernauwing.
Strike, werkstaking, grève.
stringéndo, samentrekkend, verkortend.
stringént, bondig, nadrukkelyk, streng, afdoend.
Strips, een touw met knoopen; slaag.
Stroboscoop, stroboscópische schijf, draaischijf, draai-
heeld, draaigezicht (optisch werktuig of speelgoed). Stróphe, versafdeeling, verskoppeling, vers.
structuur, houw ; samenstelling, rangschikking der deelen. Struggle, worsteling, strijd; — for existence, — for
life, stryd om het bestaan, om het leven.
Strychnine, sterk vergif uit braaknoten (Nux vomica). Stuc, pleisterkalk, gipspleister.
Stud book, stamboek der renpaarden.
studeeren, zich (cp iets) toeleggen, nauwkeurig onderzoeken ; inz. leeren, zich met geleerden arbeid bezig houden. (academie-burger.
Studént, Studiósus, leerling, inz. aan eene hoogeschool, Studie, vlyt, inspanning, navorsuhiug ; leery ver, aanleering, oefeningsstuk; proefstuk, proeve.
studiëus, de studie beminnend, leergraag.
Stukadoor, kunstenaar of werkman in gipswerk. Stupeféctie, verdooving, bedwelming, verslagenheid. Stupiditeit, domheid, botheid, stompheid.
stupied, dom, stompzinnig, bot.
Stylist, z. Stilist.
styptisch, samentrekkend, bloedstillend.
Styrax of Stórax (z. aid.)
Styx, hellerivier, een van de stroomen der onderwereld. Suéda, welsprekendheid, overredingsgave, aangenaam
vloeiende voordracht; (ook wel:) gesnap, gekakel. Suasórium, raadgeving, aanbeveling.
sua sponte, uit eigen beweging.
Suaviteit, liefelykheid, aangenaamheid.
suaviter in modo, fortlter in re, zacht in de wijze, maar krachtig in de daad.
488 sub—subordineeren
sub, ouder.
subalpijnsch, aan den voet der Alpen gelegen.
subaltérn, ondergeschikt, afhankelijk.
Subalterniteit, on der geschiktheid. (amendement.
Subamendement, onderamendement, amendement op een sub conditióne, onder voorwaarde.
subcutaan, onmiddellgk onder de huid gelegen. Subdelegaat, ondergevolmachtigde, hygezant.
Subdivisie, onderafdeeling.
Subhastétie, openbare, gerechtelijke verkooping.
subiet, sübito, plotseling, eensklaps; snel, gezwind. Subjéct, Sujét, onderwerp, hoofd- of grondwoord van een zin; handelende persoon, persoon in tegenstelling met het obj eet of de zaak.
Subjéctie, onderwerping.
subjectief, onderwerpelijk, persoonlijk, innerl jk. Subjectiviteit, gesteldheid van een onderwerp; persoonlijkheid, het aanwezig-zyn in ons voorstelliugs- en ken-sub judice, onder den rechter, onbeslist. (vermogen. Subjunctief, aanvoegende wijs der werkwoorcen. subjunctief, bygevoegd; verbindend.
Sublevétie, ondersteuning, hulp.
subleveeren, ondersteunen, bijstaan.
subliem, verheven, hoog, edel.
Sublimaat, (by chemisten:) het opgedrevene, inz. opgedreven kwik. sublimeeren, naar boven dryven, ver-Sublimiteit, verhevenheid. (vluchtigen.
sub littera, onder de letter.
Sublocatie,wederverpachting van het gepachte, onderhuur, sublunarisch, ondermaansch; (fig.) vergankelijk. Subluxétie, verstuiking.
submergeeren, onderdompelen, doen zinken; overstroo-
men, onder water zetten.
Submérsie, onderdompeling; geheele overstrooming. submis, soumis, onderdanig.
Submissie, onderwerping, onderdanigheid, ootmoed, submitteeren (zich), zich onderwerpen, zwichten, sub numero, onder het nommer of getal.
Subordinatie, ondergeschiktheid, onvoorwaardelijke dienstgehoorzaamheid, inz. by den soldatenstand, subordineeren, in gezag, rang, waardigheid onder een ander plaatsen, afhankelyk maken.
Subornatie—subsumeeren 489
Subornatie, omkooping, heinielgke verleiding, suborneeren, verleiden, heinielyk omkoopen. subplanteeren, den voet lichten, onderkruipen, sub poena, op straffe, op boete.
sub praetextu, onder voorwendsel. (lijk wegnemen, subrepiëeren, langs slinkschc wegen verkrijgen; heime-Subréptie, verkrijging door \'t verzwijgen of verminken
der waarheid, door verrassing, verschalking enz. Subrogatie, onderschuiving, het in-plaats-stellen. sub rósa, onder de roos, in vertrouwen, in \'t geheim. Subscribént, Souscripteur, onderteekenaar; inteekenaar. subscribeeren, onderschryven ; intcckenen.
Subscriptie, onderteekening; inteekering.
subsecutief, achtereenvolgend, opvolgend.
subsidiair, hulpverleenend; in de piaats komend, subsidiaire gevangenisstraf, gevangenzitting, waardoor de beboete persoon zich van de opgelegde boete kan ontheffen; subsidiaire hypotheek, nadere pandstelling bij ontoereikendheid der eerste.
Subsidie, bjjdrage, bijstand, ondersteuningsgeld; subsi-diën, onderstandsgelden, inz. tot het voeren van oorlog, sub sigillo volante, onder vliegend, open zegel. Subsignétie, onderteekening,
subsigneeren, onderteekenen.
Subsisténtie, voortduring; onderhoud, levensonderhoud.
subsisteeren, bestaan; zyn onderhoud hebben.
sub sole, onder de zon.
sub specië, onder de gestalte.
sub spe rati, op hoop van goedkeuring.
Substantialiteit, wezenlgkheid, zelfstandigheid.
Substantie, zelfstandigheid, stof; wezenlijke inhoud, pit
of hoofdbestanddeel; het beste van eene zaak. substantiëel, wezenlijk, zelfstandig; voedzaam. Substantief, zelfstandig naamwoord.
substineeren, in plaats stellen. Substitutie, plaatsvervanging, inplaatsstelling; aanstelling tot erfgenaam na den dood des vruchtbruikers of des eersten erfgenaams. Substituut, plaatsbekleeder, toegevoegd ambt- of postij ekleeder.
subsumeeren, gevolgen trekken uit het bijzondere tot het algemeene of uit het algemeene tot het bijzondere be sluiten; daaronder begrypen.
49o subtiel—suggereeren
subtiel, fijn, teeder; (fig.) listig, sluw, spitsvondig, subtiliseeren, verdunnen; (fig.) uitpluizen, haarklooven, muggenziften. (klooverjj.
Subtiliteit, fijnheid; (fig.) sluwheid, geslepenheid; haar-Subtractie, aftrekking; subtraheeren, aftrekken, subveniëeren, te hulp komen, ondersteunen, hystaan. Subvéntie, hulp, bijstand, ondersteuning.
Subvérsie, omwerping; ondergang, verval subversief, omverwerpend.
subverteeren, omwerpen, verwoesten.
sub voce, onder het woord.
Succade, dik gekookt fruitsap; ingemaakt fruit, gekonfijte oranjeschillen. (len. succedeeren, opvolgen, opvolger zyn; (ook wel:) uitval-Succés, voorspoed, gelukkige afloop, goede uitslag, by val; — d\'estime, een door achting voor den sein yver verkregen by val.
Succéssie, opvolging; volgreeks ;troons-,anibtsopvolging;
erfenis, nalatenschap.
successief, allengs; langzamerhand; achtereenvolgend. Succéssor, opvolger; erfgenaam.
succinct, kort, beknopt, ineengedrongen, bondig, succulént, sapryk, voedend, krachtig.
Succuténtie, saprykheid; voedzaamheid, krachtigheid, succumbeeren, hezwyken, onderdoen,
Succurséle, hulp- of bykerk; hulp-, bykantoor. Sudatorium, zweetbad.
sufficiënt, toereikend, genoegzaam, voldoend.
Sufficiéntie, toereikendheid, voldoendheid.
sufficit, het is genoeg.
sufficit cuique die! sua malitia, elke dag heeft genoeg
aan zyn eigen kwaad.
Suffisance, laatdunkendheid, eigenwaan, trotsche zelfgenoegzaamheid. (waan, laatdunkend, suffisant, voldoende,toereikend; (ook:) ingebeeld, vol eigen-Suffixum, achtervoegsel.
SuffocAtie, verstikking; suffoqueeren, verstikken. Suffragaan-bisschop, Suffragaan, wybisschop.
Suffrage, stem, kiesstem; goedkeuring; — universeI,
algemeen stemrecht.
Sugar, suiker.
suggereeren, inblazen, aan de hand gevea.
Suggestie—Superabundantie 491
Suggéstie, heimelijke ingeving, inblazing.
suggestie-vraag, zulk eene vraag, door welke den in \'t verhoor genomene het antwoord bedektelgk in den mond gegeven en hem daardoor eene onjuiste bekentenis wordt afgelokt.
sui géneris, van zyne soort, alleen aan hem eigen. Suisse, zwitser; deurwaarder, portier, kerkeknecht. Suite, vervolg; begeleiding, stoet; volgreeks van kamers ; Suivénte, kamenier, begeleidster. (rg, reeks.
Sujet, onderwerp (vgl. Subject); onderdaan; aanleiding, gelegenheid, oorzaak; een slecht —, slecht mensch ; sujetten, de gezamenlyke dienstdoende personen, het personeel (bv. van een tooneel).
Sulfer, Sulphur, zwavel.
Sulfuratie, zwaveling, verbinding met zwavel, sulfureeren, zwavelen, met zwavel verzadigen.
sulfureus, zwavelig, zwavel bevattend.
Sultan, Turksche keizer, Groote Heer.
Sulténe, bevoorrechte gemalin des Turkschen keizers; ook de titel zgner dochters; — valide, moeder des sultans.
Summa, som, getal, verzamelgetal, bedrog, totaal, (men. summa summarum, gezamenlijk bedrag, alles byeengeno-sümmair, summérisch, summierlijk, samengevat, beknopt, bondig.
Summérium, korte inhoud; (ook:) koor- of misgewaad. Summétie, Summeering, byeenrekening; z. sommatie, summeeren, de som opmaken, optellen.
Summiteit, z. Sommiteit.
summum bonum, het hoogste goed.
summum jus summa injuria, de strengheid der wet is de grootste onderdrukking, de overmaat van rechtvaardigheid is het grootste onrecht.
sumtuëus, kostbaar, prachtig, weidsch.
Sumtuositeit, pracht, praalvertoon, groote en prachtige vertering en uitgave. (zonsondergang.
Sun, zon; sunday, zondag; sunrise,zonsopgang; sunset, süo cónto, voor zyne rekening.
suo témpore, te zyner tyd.
super, over, zeer, bv. superfijn, zeer fijn. Superabundéntie, Surabundantie, zeer groote overvloed, overtolligheid.
Superarbitrium—Suppoost
Superarbitrium, beslissing in hooger aanleg.
supérbe (niet supérber), eig. trotsch, overmoedig; heer-
lyk, voortreffelijk, prachtig.
Supercérgo, onder Cargo.
Supererogatie, ruimseliootselie, te ver gedreven plicht-vervulling, overdrijving. (kennis.
Superficialiteit, oppervlakkigheid, gebrek aan grondige superficiëel, oppervlakkig, niet grondig.
superfijn, overlijn, by zonder lijn.
Superflü, overvloed, overtolligheid.
superieur, hooger, meerder, machtiger (z. ook superior);
Superieuren, overheden.
Superintendént, oppertoeziener.
Supérior of Superiëur, oudste, voornaamste; kloostervoogd. Superioriteit, meerderheid, hooger gezag, vooirang. Superlatief, overtreffende trap; hoogste graad. Supernaturalisme, bovennatuurgeloof, openbaringsgeloof. Supernaturalist, wie aan \'t bovennatuurlijke, aan een
openbaring gelooft.
Supernumerair, Surnumerair, een boven het gewoon getal (van beambten, bedienden enz.) aangesteld persoon. Superpositie, hoven-elkander plaatsing.
Superstitie, bijgeloof; superstitiëus, bygeloovig. Supinatie, terugbuiging, rugwaartsche beweging, suppediteeren, aan de hand doen (bv. een hulpmiddel);
behulpzaam zyn, byspringen.
Supper, avondeten.
supplanteeren, onderkruipen, den voet lichten. Suppleant, aanvuller, plaatsvervanger. (maken,
suppleeren, aanvullen, bydoen, aan toevoegen, voltallig Supplement, toevoegsel, aanhangsel, aanvulsel, supplementair, aanvullen, tot volmaking dienende. Suppliant, Supplicént, verzoeker, indiener van een ver-quot; supplicando, smeekend, biddend. (zoekschrift.
Supplicétie, verootmoediging; (ook:) = suppliek. suppliceeren, z. suppliëerén.
Suppliek, verzoekschrift, ootmoedige bede.
suppliëeren, suppliceeren, nederig verzoeken, smeeken;
een verzoekschrift indienen.
supponeeren, onderstellen, aannemen, onderschuiven Suppoost, dienend lid (bv. van \'t gerecht, van eene hoo-geschool); medestander, helper in \'t kwade.
Support—Surveyor 493
Suppórt, steun, stut, ondersteuning.
supportabel, draaglyk, lydelijk, verdraaglgk.
supporteeren, verdragen; onderstutten.
Supporto, interest op wissels.
Suppósita, ondergeschoven dingen.
Suppositie, onderstelling; onderschuiving.
Suppréssie, onderdrukking, terughouding; verhcimeljj-
king; afschaffing, opheffing.
supprimeeren, onderdrukken; weglaten; verheimelyken:
opheffen, te niet doen.
Suppurótie, ettering, zwering.
suppureeren, etteren, zweren, dragen.
Supputdtie, berekening; overslag, raming.
supputeeren, berekenen; een overslag maken, ramen, süpra, boven, bovenop.
Suprematie, oppertoezicht en oppermacht, inz. van den
paus over de bisschoppen en kerken.
Surabundéntie, z. Superabundantie.
Surcharge, overlast, overlading.
surchargeeren, overladen.
Sürcoup, het spelen van een hoogeren troef, overtroeving, surcoupeeren, overtroeven.
Surditeit, doofheid.
Surf, branding.
Surfóce, oppervlakte, buitenzijde.
Surgeon, wondheeler.
Surnumerair, z. Supernumerair.
surpasseeren, overtreffen.
Surplis, koorhemd der Kath. geestelyken.
Surplus, overschot, overblijfsel, rest; meerder bedrag.
surprenént, verrassend, zonderling.
surpreneeren, verrassen, verbazen, ontstellen.
Surprise, verrassing; bevreemding, verbazing. [koffie).
Surrogaat, plaatsbekleedend middel (bv. cichorei voor
Surselnce, opschorsing, verlengde betalingstermijn.
sürsum corda! de harten omhoog!
Surtout, groote overrok, overjas; (ook:) tafelstel met
zout, peper, suiker enz.
Surveillance, toezicht, bewaking.
Surveillént, bewaker, toeziener, oppasser. (toezien, surveilleeren, een waakzaam oog houden, acht geven. Surveyor, opzichter; landmeter.
Survivance—Symboliek
Sumvdnce, overleving, beloofde opvolging van ienmnd in geval men hem overleeft; het recht om een persoon na zijn dood in zyn amht op te volgen.
susceptibel, vathnar, gevoelig, prikkelbaar.
Susceptibiliteit, outvankel(jkheid; prikkelbaarheid; licht-geraaktheid.
Suscitatie, opwekking, aandrgving; opruiing, aanstoking. susciteeren, verwekken, berokkenen; opwekken, aansporen; aanstoken, opruien, ophitsen.
sus Minervam (docet), het ei wil wyzer z\\jn dan de hen
(eig. het zwijn leert Minerva).
suspéct, verdacht, in kwaad vermoeden.
suspendeeren, verschuiven, opschorten; in een amht of bediening schorsen, voor een tgd buiten dienst stellen. Suspénsie,0 uitste^ vertraging; onzekerheid, bssluiteloos-
heid; tijdelijke dienstontzegging.
suspensie!, opschortend, vertragend.
Suspensoir, Suspensórium, draagband (inz. voor tscro-Suspicie, verdenking, argwaan. [turn); breukband,
suspiciëeren, verdenking, argwaan koesteren, vermoeden, suspiciëus, argwanend, wantrouwend.
susteneeren, onderstellen, van gevoelen z\\jn, meenen. Sustenü, het beweerde gevoelen, dat iemand voorstaat. Sutuur, naad, voeg, verbinding.
suum cuique, elk het z\\jue, ieder wat hem toekomt. Suzerein, opperleenheer.
Suzereiniteit, opperheerschappij.
svelte, (bg schilders:) los, ongedwongen, stout. Sweetheart, geliefde, liefje.
Sweepstéke, wedren of wedstrijd om een prqs, die door
de inleggelden der deelnemers gevormd is : ook de inzet.
Swicént, rooktabak van \'tW.-Indisch eiland St.Vincent. Sybariet, weekeling, aan zingenot verslaafd mensch. sybaritisch, weekelijk, vertroeteld, verwijfd.
Sycophant, aanbrenger, oorblazer, pluimstrijker.
Sylbe, Syllébe, lettergreep, woordlid.
syllabeeren, letters of lettergrepen samenvoegen, spellen, syllogiseeren, gevolgtrekkingen maken, besluiten. Syllogisme, sluitrede, redekundige gevolgtrekking.
Sylphe, luchtgeest. Sylphide, vrouwelijke luchtgeest. Symboliek, leer der zinnebeelden, leer van de geloof» boeken of belgdenisschriften eener godsdienstparty.
symboliseeren—Synonymiek 495
symboliseeren, verzinnelyken, zinnebeeldig voorstellen,
in zeker verband met iets staan, verwant zijn. Symbool, kenteeken ; zinnebeeld ; leuze, wachtwoord ; ge-loofbelydenis.
Symmetrie, evenmaat, overeenstemming, evenredigheid der deelen tot het geheel. (evenredig,
symmetriek, symmétrisch, gelijkmatig, overeenstemmend, Sympathétisch, medegevoelend; geheimkrachtig; sympa-theftsche middelen, wondergeneesmiddelen ; sympathe-tische inkt, geheime of wonder-inkt.
Sympathie, overeenkomst van inborst en neiging, weder-keerig gevoel, natunrlyke gevoelsoverecnstemming; zielsverwantschap.
sympathiseeren, met iemand gelyke gewaarwordingen, neigingen enz. hebben; deelneming gevoelen.
Symphonfe, groot veelstemmig muziekstuk: samenklank,
welluidendheid, welluidende samenstemming. symphónisch, samenklinkend, samenstemmend. Symptoom, aanw^zing, kenteeken, voorbode ; ziekteteeken, omstandigheid, waaruit men tot den ziekteloop besluit. Synaeresis, samentrekking.
Synagoge, jodentempel, jodenkerk.
Synchronisme, samenstelling van gelykt\\jdigc gebeurtenissen : gelyktijdigheid.
synchronistisch, gelyktydig; —e tabellen, historische tafelen van de gelyktydige gebeurtenissen.
Syncópe, woordverkorting, samentrekking.
Syncrasis, vermenging.
Syncratie, medcheerschappy ; die staatsinrichting, waarby het volk door zelfgekozen vertegenwoordigers deelneemt
aan de oefening der hoogste macht in den Staat. Syndicaat, ambt, waardigheid van een syndicus; vereeni-
ging van bankiers, consortium.
Syn\'dicus, rechtsverdediger, woordvoerder van eene stad, gemeente enz.; (ook:) schryver van den stadsraad, ge-rechtsschryver.
synodaal, wat eene synode betreft, van haar uitgaat. Synóde, kerkvergadering, inz. by Hervormden.
synoniem, zinverwant, in beteekenis gelykend. Synoniemen, zinverwante woorden.
Synonymiek, de leer der zinverwante woorden, verzameling en verklaring daarvan.
496 Synopsis—tabellarisch
Synopsis, kort begrip eener wetenschap, overzicht. Synoptici, de 3 eerste evangelisten uit het N. ï. synóptisch, een overzicht gevend, kort, hondig.
Syntaxis, woordvoeging, leer van de samenstelling der Synthésis, samenstelling, hegripsverhinding. (volzinnen, synthétisch, samenstellend, verbindend.
syntónisch, samenstemmend (van tonen).
Syphilis, venusziekte.
syphilltisch, met de venusziekte besmet.
Sy rinx, buis,roer;herdersfluit,pansfluit;fistel,pqpzweer. Syrian, zandbanken, ondiepten.
systéltisch, samentrekkend, terugdrijvend.
Systeem, Systéma, stelsel, een doelmatig, op vaste grondslagen geordend, samenhangend geheel.
systematisch, stelselmatig, ordelijk en samenhangend,
wetenschappelijk.
systematiseeren, wetenschappelyk samenstellen 01 tot een stelsel brengen, in wetenschappelijken samenhang brengen. (ling en schikking.
Systematologie, leer van de wetenschappelyke samenstel-
T.
t. a. p. = ter aangehaalde plaats. (leerdheid.
Th. C. = theológiae candidétus, candidaat in de godge-
Th. S. = theológiae studiósus, student in de godgeleerdheid.
Th. Dr. = theológiae doctor, doctor in de godgeleerdheid.
T. S. V. P. (onder aan eene geschrevene bladzyde) = tournez s\'il vous plaït, keer om (het blaJ), als \'t u belieft.
t. t. (onder brieven) = tótus tuus, geheel de uwe, uw ware vriend.
Tabagie, vertrek voor de tabakrookers. rookgezelschap.
Tabatière, snuifdoos.
Tabbaard, Tabberd, mantel; lang staatsiekleed, inz. van rechters en pleitbezorgers; lieden van den tabbaard, rechters en advocaten.
Tabél, overziehtstafel, Igst; geschied-, geslachts-, tijdtafel.
tabellarisch, in den vorm eener tab^l.
tabellariseeren—Taille douce 497
tabellariseeren, in tabellen brengen.
Tabernakel, tent, loofhut (der Joden); sacramentshuisje (bjj de R. K.); (ook:) nis voor heiligenbeelden; (tig.) iemand op zijn — komen, iemand een pak slaag geven, afrossen.
Tabijn, gewaterde taf; tabiseeren, eenc stof wateren. Tablatuur, afbeelding van een blaasspeeltuig met de gaten. Table, tafel, disch; —d\'hote, open tafel.
Tableau, schildery; tafereel; Igst, rol, register, tabel; — vivant, levend schildery, voorstelling van een tafereel door levende personen.
Tablétkramer = Tabuletkramer (z. aid.)
Tablette, plank; plaatje, plat boekje; zakschryfboekje. Taboret, kleine handtrom.
Tablettene, ingelegd werk, kunstschrijn werk.
Tabourét, stoeltje zonder leuning; zitbankje.
Tabula rdsa, onbeschreven blad.
Tabulatuur, toonaanduiding door letters en cijfers; nauwkeurigste orde en regelmaat Tabulét, marskraam; houten kastje met schuitladen. Tabulét-krame^marskramer, rondtrekkend kleinhandelaar, tacéndo, zwygend (in de muz.)
tacet, hy (zy of het) zwygt; pauze.
Tachydroom, hardlooper.
Tachydromie, het hardloopen.
Tachygraaf, snelschrijver.
Tachygraphfe, snelschryfkunst.
Taciturniteit, stilzwijgendheid, geheimhouding.
Tact, gevoel, tastzin; zuiver en zeker oordeel in zaken van smaak en de gebruiken der wereld; tyd-, toonmaat: regelmatige beweging (by den dans).
Tacticus, krijgskundige; (ook:) man van overleg. Tactiek, krygskunde, legerstrydkunst; overleg, middelen,
die men gebruikt, om in eene zaak t8 slagen.
tactisch, tot de krygskunst behoorende.
tactiel, voelbaar, tastbaar, waarneembaar.
taediëus, walglijk, vervelend, verdrietig, lastig.
Taikoen, voorm. wereldlykkeizer van Japan (vgl. Micado). Taille, lichaamsgestalte, vorm van \'t bovenlyf ; snede-, het afnemen of keeren der kaarten (inz. in \'t faro-spel); gezamenlyke kaarten, die afgenomen worden.
Taille douce, koperen of stalen plaat, koper- of staalgravure. ELFDE DRUK. 32
498 Tailleur—tangeeren
Tailleur, bankhouder in \'t faro-spel; kleermaker.
Tailor, kleermaker.
Talaar, lang staatsiekleed; koningsmantel; lang opperkleed der R. K. geestelijken.
Talbotypie, z. Photographie.
Talént, (by de oude Grieken en Joden:) een bepaald gewicht aan geld; aanleg, vatbaarheid en bekwaamheid, kunstvaardigheid.
Tólio, wedervergelding; jus talionis, het recht van wedervergelding. [\'t bijgeloof)-Tólisman, toovermiddel, ouheilkeerend middel (volgens talis pater, qualis filius, zoo vader, zoo zoon, de appel
valt niet ver van den boom.
taliter, quóliter, zoo zoo, middelmatig goed.
Tallow, talk.
Talmud, wetboek der nieuwere Joden, bestaande uit de Mischna (den eigenlijken tekst) en de Ge ma ra (de uitlegging van den tekst). Talmudisten, Joden, die den talmud aannemen; Joodsche wetgeleerden.
Talón, de na \'t geven overschietende kaarten, stok, stok-of koopkaarten; het by eene obligatie gsvoegd bewys, op vertoon van hetwelk nieuwe coupons worden afgc-talonneeren, aanporren, aandryven, aanzetten. (geven. Talud, Talus, Taluut, helling, glooiing, schuinte; talu-
teeren, hellend of glooiend maken.
Tamarisk, struikachtige boom in Z.-Europa en \'t Oosten, welks zoutryke asch in Frankrijk tot looien en verven wordt gebruikt.
Tamboer of Tambour, trommel; trommelslager, tamboeren, trommelen; ergens op aandringen. (ken. tamboereeren, met het haakje knoopen of borduren, ha-Tamboerijn, beltrommel, handtrommel; (ook:) naai- of
borduurraam.
tambour battant, den stormmarsch slaande.
Tampón, tap, prop ; stopsel van linnenpluksel (in de geneeskunst).
tamponeeren, met een tampon of stopsel sluiten. Tamtam, cimbaalvormig muziekinstrument derChineezen
en andere Oostersche volken.
Tclndstickor, Zweedsche lucifer.
tangeeren, aanraken; van iets gewigen; dat tangeert mij niet, dat maakt geen indruk op my.
Tangens—Tarantella 499
Tangens (pl. Tangénten), raaklijn (aan een cirkel of kromme, lyn).
Tangént, hamertje aan snarenspeeltuigen en speelklokken, tang (bel, aanraakhaar, voelbaar.
Tannine, looistof.
Tantalisatie, Tantaliseering, tand- of mond ter gen, doen watertanden; tantalisch, tandtergend (bv. zulke spy zen of dranken); hongerig of dorstig als Tantalus; tanta-liseeren, tandtergen, niet te bevredigen begeerten inboezemen.
Tantalium, Tóntalum of Colümbium, enkelvoudig metaal, in 1801 ontdekt.
Tantalus, fabelaehtig koning der oudheid, die in de onderwereld vreeselyk gestraft werd, of omdat hy de gesprekken der goden rondvertelde, öf omdat hy hun op een maaltijd zyn gebraden zoon voorzette, of wel omdat hy hun nectar en ambrosia stal om ze aan zyne vrienden voor te zetten; (ook wel:) als beeld van een rijken vrek, van iemand, die in den schoot des overvloeds gebrek lydt (want T. stond in de onderwereld tot aan de kin in *t helderste bronwater, terwyl boven zyn neus het lekkerste ooft hing, welke een en ander echter terugweek, wanneer hy het poogde te smaken).
Ttinte, moei, vaders of moeders zuster; lastige—, knorrig, onverdraaglijk wyf.
Tantième, aandeel, toekomend deel aan iets.
tant mieux, des te beter.
tant pis, des te erger.
tantum, zoo veel, genoeg.
Tapége, geraas, gekruisch, leven.
tapageus, vol geraas, druk, lawaaierig.
Tapijt, kamer- of vloerkleed; wandbekleeding; op het —
brengen, ter sprake of ter tafel brengen, opwerpen, tapisseeren, behangen, overdekken of bekleeden (niet ta-
pyten, behangsels enz.)
Tapisserie, behangsel. (tier roept.
Taptoe, trommelslag, die de soldaten naar hun nachtkwar-taquineeren, kwellen, plagen; zaniken.
Tar, teer; pikbroek (eng. spotnaam voor matrozen).
Tóra, Tarra, aftrek, datgene wat van het bruto-gewicht der waren voor kisten, vaten enz. wordt afgetrokken. Tarantélla, Siciliaansche volksdans; muziek daarby.
Soo Tarantola—Teak
Tarantola of Tarantula, zekere lichtbruine en op den rug zwart gestreepte spin in Italië; tarantula-dans, danswoede, dansziekte, kramp met hevige trekkingen, Sint-Veitsdans (door \'t bijgeloovige volk in Italië toegeschreven aan den steek der tarantula-spin).
tardando, tardato, sleepend. (blgven.
tardeeren, talmen, dralen, sammelen; toeven, lang uit-tardo, langzaam.
targeeren, pochen, snoeven.
Tarief, waren- of goederenlijst; prijsopgave; bepaling
van kosten, ongelden enz.
Tarok, kaartspel met 78 bladen, zevenkoningapel. Tarpejische rots, de plaats te Rome vanwaar de misdadigers neergestort werden.
Tarra, z. Tara.
Tartaan, vrachtschip op de Middellandsche zee.
Tartén, Schotsche geruite wollen stof; Schotache mantel. Tértarus, doodenrqk, schimmenrijk, onderwereld, hel;
(ook :) wgnsteen; — eméticus, braakwijnsteen.
Tartüfe, schijnheilige, huichelaar, goddelooze njnman. Tartufene, schijnheiligheid, valsche vroomheid.
Tasse, kopje; drinkschaaltje.
tatonneeren, rondtasten; met schroomachtige band schilderen; weifelend, als op den tast handelen, tatoueeren, de huid met ingeprikte of ingekerfde cu beschilderde figuren teekenen.
Tattersall, paardenbeurs, vereenigingsplaats der liefhebbers van wedrennen enz.
Taurus, de Stier (sterrenbeeld des dierenriems). Tautologie, woordverspilling, woordherhaling, onnoodige herhaling van het reeds gezegde; tautológisch, hetzelfde zeggend, pelykbeduidend, onnoodig herhaald, taveleeren, bespikkelen, besprenkelen.
Taverne, Taveerne, herberg, wijnhuis, kroeg. (lasting. Tax, waardebepaling, prijszetting; toekomend deel; be-Taxateur, schatter, pryszetter, waardeerder.
Taxétie, prijs- of waardebepaling; waardeering; aanslag. Taxe, vastgestelde prys, waardebepaling.
taxeeren, schatten, waardeeren, aanslaan . (ook :) beschuldigen, wraken.
Tea, thee.
Teak-, tek- of tiekhout, djatihout, Indisch timmerhout.
Teatotaler—Tellurium 501
Teatotaler, aanhanger en volger van het Teatotalisme,
d. i. de volslagen onthouding van alle bedwelmende of dronkenmakende dranken.
Techniek, kunstleer, leer der kunstregelen, der handgrepen ; kunstbedrevenheid, kunstvaardigheid ; kunsttaal; kunstwoordenleer. (regelen.
Téchnicus, kenner en uitoefenaar der uiterlijke kunst-téchnisch, kunst- of handwerkmatig; volgens de kunsttaal ; —e termen, kunstwoorden, eigen bewoordingen van eene kunst, een handwerk, bedryf enz. Technologie, kunstleer, kunst- en handwerksbesehryving
of -geschiedenis, bedrijfskunde.
technológisch, kunstbeschrijvend, tot de kunst- of bedrijfsgeschiedenis behoorend.
Technoloog, kenner der kunst- of bedryfsleer.
Te-Déum, (oneig.) lofzang; — landómus, U, 0 God, loven wy (aanhef eener R. K. hymne).
Teint, kleur, tint, inz. gezichts- of huidskleur.
Tekst, samenhangende bewoordingen van een geschrift, hoofdgeschrift (in tegenstelling met de noten, aantee-keningen enz.); bijbelplaats (inz. als onderwerp eener preek); de woorden bij muziek, by eene plaat. Telegraaf, vèrschryver, seintoestel, die in verbazend korten tyd berichten tot op de verste afstanden overbrengt. Telegrafist, ambtenaar by de telegraaf.
Telegram, telegraphisch bericht, tyding, die met de (electro-magnetische) telegraaf wordt ontvangen of verzonden.
telegrapheeren, met de telegraaf berichten toezenden, telegrdphisch, tot de telegraphic behoorende; met of van
de telegraaf; —e dépêche = telegram.
Teleologie, leer van het doel der dingen.
Telephonic, de kunst om op groote afstanden door het
stemgeluid gemeenschap te hebben.
Telephoon, toestel om geluiden door een electrischen
stroom over te brengen.
Telescoop, verrekyker, spiegelverrekyker.
telescópisch, alleen door verrekykers waar te nemen, bv.
zekere sterren, telescopische sterren geheeten. tellurisch, tot de aarde behoorend, aardsch.
Tellurium, werktuig tot aanschouwelykmaking der aarden maanbeweging.
S02 Tellus—Tendentie
Téllus, de aarde, godin der aarde,
tel maitre, tel valet, zoo heer, zoo knecht.
temerair, vermetel, koen, onbezonnen.
Temeriteit, vermetelheid, roekeloosheid.
Témpe, schilderachtig, verrukkelyk oord, lustwarande. Tempeest, storm; zeestorm.
Témpel, een aan den godsdienst gewyd gebouw. Tempelier, ridder eener voormalige geestelyke orde; onmatig drinker, zuiper.
Temperament, blgvende, doorgaande toestand van het gevoelvermogen, natuurlgke gemoedsstemming, natuur-aanleg, natuurneiging. (delen.
Temperantia, (sing.) matigheid; (pl.) verzachtende mid-Temperatuur, graad van warmte of koude témperen, tempereeren, matigen, verzachten; beperken;
de brosheid aan gietwaren benemen.
tempestatief, tempestueus, tempestoso, stormachtig;
bulderend, razend en tierend.
tempestief, tydig, ter rechter of ter bekwamer tyd. Témpo, tyd, rechte tgd ; tijdmaat (in toon-en danskunst);
handgreep ; afgemeten beweging (l)y militairen), temporair, tydelyk, niet duurzaam.
Temporéliën, wereldlijke inkomsten der geestelykheid. tempora mutantur, nos et mutamur in illis, de tijden
veranderen onophoudelyk en wy met hen.
temporeel, tydelyk, wereldlyk, aardsch.
Temporisétie, draling, verschuiving tot geschikter tyd. temporiseeren, zich naar den tyd, naar de tydsomstan-digheden schikken; een gunstiger tyd afwachten, dralen, talmen.
Temporiseur, draler, hy die zich naar den tyd voegt.
Temps, tempus, tyd; tijdvorm van een werkwoord.
Temptamp;tie, temteeren, z. Tent—.
temutent, tuimelend, dronken.
Temulentie, roes, dronkenschap.
tenébel, houdbaar, verdedigbaar.
Tenaciteit, vasthoudendheid, halsstarrigluid ; vrekkigheid, knekerigheid; (ook:) rekbaarheid, taaiheid (der metalen). Ténancy, pacht, huur; ténant, huurder, pachter.
Tenant, verdediger, voorvechter; schildhouder (in \'tbla-tendeeren, spannen; bedoelen, trachten. [zoen).
Tendéntie, strekking, neiging, richting naar een doel.
Tender—ternair
Ténder, liet aan ecu stoomwagen toegevoegde voertuig oui steenkolen en water aan te voeren; (ook:) liet vaartuig, (lat een linieschip begeleidt tot overbrenging van bevelen en tydingen.
tendineus, peesachtig, van den aard der pezen.
tend re, teeder ; zacht, week.
Tendresse, teederheid, zachtheid.
tenez! daar ! ziedaar! neem aan !
Ténor, inhoud, diepe middelstem tusschen alt en bas. Tenorist, tenorzanger.
Ténsie, spanning, uitrekking; gespannenheid.
Tentómen, voorloopig onderzoek.
Tentatie, beproeving, verzoeking, bekoring, verleiding. Tentative, poging, proef.
Tente-abri, schuil- of rusttent in het Oosten.
tenteeren, beproeven; in verzoeking brengen, bekoren. Tenture, behangsel.
Tenue, houding, zit (van iemand te paard); wyze waarop men zich voordoet, houding; militaire kleeding, uniform; grande —, groot tenu, parade-uniform; petite —, klein tenu, dagelgksche uniform.
Tenuïteit, dunheid, magerheid, fijnheid; geringheid.
tenu to, volgehouden (in de muz.)
Terceronen, z. onder Quarteronen.
tergiverseeren, uitvluchten zoeken; dralen.
Term, bewoording, uitdrukking; —en, bewoordingen, eigen uitdrukkingen van een of ander vak; redenen, beweegredenen, gronden.
Térmieten, witte mieren.
Termijn, tijdruimte; bepaald tijdpunt.
Terminétie, begrenzing ; voleinding, uitgang van een woord, termineeren, begrenzen; eindigen, afdoen.
Terminologie, kunsttaal, kunstwoordenschat; leer van de
kunstwoorden eener wetenschap.
terminologisch, tot de kunsttaal belioorende, de kunstwoorden betreffende.
Términus, z. Termijn; (ook:) einde, inz. het einde en het
begin van een spoorweg; het station aldaar.
términus a quo, tijdperk van hetwelk afgerekend iets geschieden moet; términus ad quem, tjjdperk tot op hetwelk iets moet plaats hebben.
ternair, drievoudig; drietallig.
S02 Tellus—Tendentie
Téllus, de aarde, godin der aarde,
tel maitre, tel valet, zoo heer, zoo knecht.
temerair, vermetel, koen, onbezonnen.
Temeriteit, vermetelheid, roekeloosheid.
Témpe, schilderachtig, verrukkelyk oord, lustwarande. Tempeest, storm; zeestorm.
Témpel, een aan den godsdienst gewyd gebouw. Tempelier, ridder eener voormalige geestelyke orde; onmatig drinker, zuiper.
Temperament, blgvende, doorgaande toestand van het gevoelvermogen, natuurlgke gemoedsstemming, natuur-aanleg, natuurneiging. (delen.
Temperantia, (sing.) matigheid; (pl.) verzachtende mid-Temperatuur, graad van warmte of koude témperen, tempereeren, matigen, verzachten; beperken;
de brosheid aan gietwaren benemen.
tempestatief, tempestueus, tempestoso, stormachtig;
bulderend, razend en tierend.
tempestief, tydig, ter rechter of ter bekwamer tyd. Témpo, tyd, rechte tgd ; tijdmaat (in toon-en danskunst);
handgreep ; afgemeten beweging (l)y militairen), temporair, tydelyk, niet duurzaam.
Temporéliën, wereldlijke inkomsten der geestelykheid. tempora mutantur, nos et mutamur in illis, de tijden
veranderen onophoudelyk en wy met hen.
temporeel, tydelyk, wereldlyk, aardsch.
Temporisétie, draling, verschuiving tot geschikter tyd. temporiseeren, zich naar den tyd, naar de tydsomstan-digheden schikken; een gunstiger tyd afwachten, dralen, talmen.
Temporiseur, draler, hy die zich naar den tyd voegt.
Temps, tempus, tyd; tijdvorm van een werkwoord.
Temptamp;tie, temteeren, z. Tent—.
temutent, tuimelend, dronken.
Temulentie, roes, dronkenschap.
tenébel, houdbaar, verdedigbaar.
Tenaciteit, vasthoudendheid, halsstarrigluid ; vrekkigheid, knekerigheid; (ook:) rekbaarheid, taaiheid (der metalen). Ténancy, pacht, huur; ténant, huurder, pachter.
Tenant, verdediger, voorvechter; schildhouder (in \'tbla-tendeeren, spannen; bedoelen, trachten. [zoen).
Tendéntie, strekking, neiging, richting naar een doel.
Tender—ternair
Ténder, liet aan ecu stoomwagen toegevoegde voertuig oui steenkolen en water aan te voeren; (ook:) liet vaartuig, (lat een linieschip begeleidt tot overbrenging van bevelen en tydingen.
tendineus, peesachtig, van den aard der pezen.
tend re, teeder ; zacht, week.
Tendresse, teederheid, zachtheid.
tenez! daar ! ziedaar! neem aan !
Ténor, inhoud, diepe middelstem tusschen alt en bas. Tenorist, tenorzanger.
Ténsie, spanning, uitrekking; gespannenheid.
Tentómen, voorloopig onderzoek.
Tentatie, beproeving, verzoeking, bekoring, verleiding. Tentative, poging, proef.
Tente-abri, schuil- of rusttent in het Oosten.
tenteeren, beproeven; in verzoeking brengen, bekoren. Tenture, behangsel.
Tenue, houding, zit (van iemand te paard); wyze waarop men zich voordoet, houding; militaire kleeding, uniform; grande —, groot tenu, parade-uniform; petite —, klein tenu, dagelgksche uniform.
Tenuïteit, dunheid, magerheid, fijnheid; geringheid.
tenu to, volgehouden (in de muz.)
Terceronen, z. onder Quarteronen.
tergiverseeren, uitvluchten zoeken; dralen.
Term, bewoording, uitdrukking; —en, bewoordingen, eigen uitdrukkingen van een of ander vak; redenen, beweegredenen, gronden.
Térmieten, witte mieren.
Termijn, tijdruimte; bepaald tijdpunt.
Terminétie, begrenzing ; voleinding, uitgang van een woord, termineeren, begrenzen; eindigen, afdoen.
Terminologie, kunsttaal, kunstwoordenschat; leer van de
kunstwoorden eener wetenschap.
terminologisch, tot de kunsttaal belioorende, de kunstwoorden betreffende.
Términus, z. Termijn; (ook:) einde, inz. het einde en het
begin van een spoorweg; het station aldaar.
términus a quo, tijdperk van hetwelk afgerekend iets geschieden moet; términus ad quem, tjjdperk tot op hetwelk iets moet plaats hebben.
ternair, drievoudig; drietallig.
S02 Tellus—Tendentie
Téllus, de aarde, godin der aarde,
tel maitre, tel valet, zoo heer, zoo knecht.
temerair, vermetel, koen, onbezonnen.
Temeriteit, vermetelheid, roekeloosheid.
Témpe, schilderachtig, verrukkelyk oord, lustwarande. Tempeest, storm; zeestorm.
Témpel, een aan den godsdienst gewyd gebouw. Tempelier, ridder eener voormalige geestelyke orde; onmatig drinker, zuiper.
Temperament, blgvende, doorgaande toestand van het gevoelvermogen, natuurlgke gemoedsstemming, natuur-aanleg, natuurneiging. (delen.
Temperantia, (sing.) matigheid; (pl.) verzachtende mid-Temperatuur, graad van warmte of koude témperen, tempereeren, matigen, verzachten; beperken;
de brosheid aan gietwaren benemen.
tempestatief, tempestueus, tempestoso, stormachtig;
bulderend, razend en tierend.
tempestief, tydig, ter rechter of ter bekwamer tyd. Témpo, tyd, rechte tgd ; tijdmaat (in toon-en danskunst);
handgreep ; afgemeten beweging (l)y militairen), temporair, tydelyk, niet duurzaam.
Temporéliën, wereldlijke inkomsten der geestelykheid. tempora mutantur, nos et mutamur in illis, de tijden
veranderen onophoudelyk en wy met hen.
temporeel, tydelyk, wereldlyk, aardsch.
Temporisétie, draling, verschuiving tot geschikter tyd. temporiseeren, zich naar den tyd, naar de tydsomstan-digheden schikken; een gunstiger tyd afwachten, dralen, talmen.
Temporiseur, draler, hy die zich naar den tyd voegt.
Temps, tempus, tyd; tijdvorm van een werkwoord.
Temptamp;tie, temteeren, z. Tent—.
temutent, tuimelend, dronken.
Temulentie, roes, dronkenschap.
tenébel, houdbaar, verdedigbaar.
Tenaciteit, vasthoudendheid, halsstarrigluid ; vrekkigheid, knekerigheid; (ook:) rekbaarheid, taaiheid (der metalen). Ténancy, pacht, huur; ténant, huurder, pachter.
Tenant, verdediger, voorvechter; schildhouder (in \'tbla-tendeeren, spannen; bedoelen, trachten. [zoen).
Tendéntie, strekking, neiging, richting naar een doel.
Tender—ternair
Ténder, liet aan ecu stoomwagen toegevoegde voertuig oui steenkolen en water aan te voeren; (ook:) liet vaartuig, (lat een linieschip begeleidt tot overbrenging van bevelen en tydingen.
tendineus, peesachtig, van den aard der pezen.
tend re, teeder ; zacht, week.
Tendresse, teederheid, zachtheid.
tenez! daar ! ziedaar! neem aan !
Ténor, inhoud, diepe middelstem tusschen alt en bas. Tenorist, tenorzanger.
Ténsie, spanning, uitrekking; gespannenheid.
Tentómen, voorloopig onderzoek.
Tentatie, beproeving, verzoeking, bekoring, verleiding. Tentative, poging, proef.
Tente-abri, schuil- of rusttent in het Oosten.
tenteeren, beproeven; in verzoeking brengen, bekoren. Tenture, behangsel.
Tenue, houding, zit (van iemand te paard); wyze waarop men zich voordoet, houding; militaire kleeding, uniform; grande —, groot tenu, parade-uniform; petite —, klein tenu, dagelgksche uniform.
Tenuïteit, dunheid, magerheid, fijnheid; geringheid.
tenu to, volgehouden (in de muz.)
Terceronen, z. onder Quarteronen.
tergiverseeren, uitvluchten zoeken; dralen.
Term, bewoording, uitdrukking; —en, bewoordingen, eigen uitdrukkingen van een of ander vak; redenen, beweegredenen, gronden.
Térmieten, witte mieren.
Termijn, tijdruimte; bepaald tijdpunt.
Terminétie, begrenzing ; voleinding, uitgang van een woord, termineeren, begrenzen; eindigen, afdoen.
Terminologie, kunsttaal, kunstwoordenschat; leer van de
kunstwoorden eener wetenschap.
terminologisch, tot de kunsttaal belioorende, de kunstwoorden betreffende.
Términus, z. Termijn; (ook:) einde, inz. het einde en het
begin van een spoorweg; het station aldaar.
términus a quo, tijdperk van hetwelk afgerekend iets geschieden moet; términus ad quem, tjjdperk tot op hetwelk iets moet plaats hebben.
ternair, drievoudig; drietallig.
So8 Tirade—Toendra
Ti réde, liet sleepend verljinden van op- of afgaande noten ; gedachtenvloed, wydloopige uitweiding of redeneering ; stuk van zekere uitgebreidheid in proza of dichtmaat, dat een gedeelte van een werk uitmaakt en doorgaans over éen onderwerp loopt; reeks verzen of volzinnen, onafgebroken door iemand voorgedragen, tirailleeren, met verspreide scherpschutters aantasten; wissels heen en weder trekken, om zich daardoor geld te verschaffen.
Tirailleurs, scherpschutters, die op verschillende punten verstrooid zgn en den aanval beginnen, zonder door eenig bepaald commando bestuurd te worden.
Tiran, Tirannie, enz., z. Tyr—.
tiré amp; quatre épingles, zeer netjes, keurig,
Tirelire, spaarpot; klanknabootsend woord voor het gezang des leeuweriks.
tirer Ie diable par la queue, den duivel bij den staart,
d. i. de koe by de horens vatten.
Tiroir. lade, tafellade.
Tiséne, Ptisane, gerstewater.
Tisiphone, eene der 3 Furiën.
Titanen, Titans, een godengeslacht, dat eenmaal, volgens de mythologie, vruchteloos den hemel bestormde; (vandaar :) titans-arbeid, hoogst bezwaarlik werk.
Titel, opschrift, benaming; rechtsgrond, het recht, dat
men heeft om iets te bezitten, te eischen enz.
titulair, volgens den titel; den titel eener waardigheid
hebbende, zonder die werkelijk te bezitten.
Titulatuur, betiteling, volle benaming.
tituleeren, met ambts- of eernamen voorzien, betitelen, titulo gratioso, bij wijze van schenking, om niet. Titulomanie, titelzucht, titelwoede.
titulo oneroso, onder bezwarende voorwaarden, tegen betaling.
Titus-kop, hoofd met kort gesneden, kroes haar.
Toast, Toost, instelling van een vriendschapp ilijken dronk op iemands gezondheid, op het welgelukken eener onderneming enz.; (ook:) geroosterd broodje by de thee. Tobécco, tabak.
to be or no to be, zyn of niet zijn, levensvraag. Toendra, met mos begroeide vlakte in Noordelyk Rusland en Siberië.
Toewan—topisch 509
Toewan, heer, meester, gebieder; — besór, de groote heer, inz. de gouverneur-generaal.
Tóga, toog, soort van mansovermantel, ambtsdraclit der overheids- en gerechtspersonen, ook van predikanten, lange gesloten priesterrok.
Toilét, kapsel; kaptafel; kapdoos, sieraad, opschik; zijn — maken, zich netjes aankleeden, opschikken.
Toise, vadem, Pransche lengtemaat van 6 voet.
Toison (Tor, gulden vlies.
Tokayer, de beste soort van Hongaarschen wyn.
Tokologie, geboorteleer, verloskunde.
tolerabel, verdraaglijk, lydeljjk, middelmatig.
tolerant, verdraagzaam, inz. in zake van godsdienst.
Tolerantie, verdraagzaamheid.
tolereeren, verdragen, dulden, toelaten.
Tomahawk, strijdbyl der Indianen.
Tomant, Tomato, paradijsappel, liefdesappel.
Tombék, geel koper.
Tombe, grafzerk; grafstede; praalgraf. (te spelen.
Tómbola, zeker loteryspel, dat men op tooneelen pleegt
Tóme, Tómus, deel, boekdeel.
Tónca, Spaanschc snuif, vermengd met fijngewreven ton-caboontjes of de vrucht van den Amerikaanschen ton-cabooni.
Tonica, tónische middelen, zenuwversterkende middelen.
Tonndge, tounelast, de gansche scheepslading; opbrengst daarvan naar het tongehalte, tonnegeld.
Tonologie, tonenleer.
Tonometer, klankmeter.
tonsureeren, den schedel of de kruin Beheren.
Tonsuur, kruinschering der priesters.
Tontine.lijfrenten-genootschap (naar den uitvinder T 0 n ti), aangroeiende lijfrenten, waarbij het kapitaal door een geheel gezelschap geleverd wordt, maar de renten naar verhouding des ouderdoms betaald worden. By het afsterven van een lid vervalt diens kapitaal aan het ge-
Tool, werktuig, gereedschap. (zeischap.
Topaas, edelsteen, meestal van vuurgele kleur.
Tópica, plaatselyke of uitwendige geneesmiddelen.
Topiek, plaats- of vakaanwyzing; leer van de bewys-plaatsen; woordopvolgingsleer. (Topica.
tópisch, plaatseljjk, de plaats betreffend; —e middelen =
5To Topograaf—Tourniquet
Topograaf, plaatsbeschrijver. Topographie, plnatalieschvü-
ving. topographisch, plaatsliesclinjvencl.
loDsv-lurvv, onderstboven, avercclits.
Toreadór, de stierbevechter te paard (in Spanje).
Torero, dieibeveehter te voet (in Spanje).
Tormentatie, kwelling, foppery. . .
tormenteeren, kwellen, plagen, folteren, pynigen.
Tornado, lievige wervelwind, orkaan (tydena het regenseizoen in de keerkringslanden).
Tornister, soldatenransel.
Tornooi, z. Toumooi. , .. .
lorqueeren, draaien; martelen, folteren, pijnigen.
Torse, Tors, romp van een verminkt standbeeld.
Tórsie, liet wringen, ineendraaien; gettraaidneid.
Tortoise, tortue, schildpad.
tortueus, vol krommingen, verwrongen,
tortureeren, folteren, pijnigen; beangstigen, kwellen. Tortuur, foltering; pijnbonk. . , ■
Tóry, naam der hofpartij, der aristocraten of komn^e-
zinden in Engeland; behondsmanncn (vgl. whig).
totaal, geheel, ten volle. „ [wedrennen)
Totalisateur, lijst der gezamenlijke weddenschappen ^by Totaliteit, gezamenlijklieid, geheel.
totaliter, geheel en al, gansclielijk.
toucheint. roerend, aandoenlijk, ti-ettend. _
Touche, aanraking; penseelstreek; orgeltoets. (die. • toucheeren, aanraken; roeren, treffen; aantasten, belec-toujours, altgd.
toupeeren, krullen, eene haarkuif maken.
Tnunét kuif, opgezet voorhoofdhaar.
Tour, omvang; iutstapje, reisje; beurt, rondgang; moei-lijk werk; valscli haarvleclitsel; tour-4-tqur, benite
_ de baton, handgreep, gauwigheid,
loofd winstbejag in ambtsbediening; - de force, kiacht-zet, stoute, gewaagde daad.
Tourist, tot uitspanning rondreizend persoon. TourmenWtie, tourmenteeren, z. Torn-.—.
Tournée, rondreis.
l^uïne? JUq^^nTkTnikeeven, d. i. van partö ver-Tourniquet, draaikruis aan een voetpad of ingang.
Tournooi—Traineur 511
Tournooi, Tornooi, ridderkamp, krggs- of ridderspel, steekspel.
Tournure, wending, geschiktste wyze van voordracht; houding, gestalte; bevalligheid; strook stijve stof enz ter opbolling van het vrouwenkleed aan de heupen en lenden.
Tout, alles, het geheel; — au plus, op zyn hoogst, op zyn meest; — ü vous, geheel de uwe, uw oprechte, toegenegen vriend of dienaar; — comme chez nous, juist zooals bg ons; — de suite, zoo dadelgk, oogen-blikkelyk. (boot.
Towage, Towing, sleep\\aart op rivieren; tow boat, sleep-Tówer, toren, versterkt kasteel in Londen.
Town, stad.
Toxicologie, leer der vergiften.
tracasseeren, plagen, kwellen, ontrusten.
Tracasserie, plagery, booze streek.
traceeren, afteekenen, schetsen, ontwerpen.
Tractaat, verdrag, overeenkomst.
tractébel, handelbaar, gedwee. (bejegenen,
tracteeren, (iets) behandelen; (iemand) goed of kwaad Trade, handel; trade-union, vakvereeniging van werklieden.
Traditie, overbrenging; by monde overgeleverd bericht, traditioneel, door overlevering voortgeplant, traduceeren, overzetten, vertalen.
Traductie, overbrenging; overlevering aan een gerecht. Trafiek, handel, inz. met zelfvervaardigde fabrikaten;
koopmansbedrijf, nering.
Trafikant, handelaar in zelfbewerkte voorwerpen, trafikeeren, koopmanschap of nering dryven.
Tragedie, treurspel; treurig voorval.
tragi-comisch, treurig-vroolyk.
Tragicus, treurspeldichter.
tragisch, treurig, droevig; treurspelachtig.
Train, Trein, gevolg, gezamenlijk geschut van een leger, legertros; reeks van wagens op de spoorwegen; gewone loop der dingen.
Trainard, Traineur, aehterblyver (by een leger), traineeren, sleepen, trekken; op de lange baan schuiven,
vertragen; sleepen, talmen of dralen.
Traineur, z. Trainard.
5i2 traitabel—transiteeren
traitabel, handelbaar.
Traite, z. Tratte.
Traiteur, gaarkok; ordinaris- of opentafclhouder.
Trajéct, overvaart, overtocht; veer. (schrift.
Traktaatje, kleine verhandeling, inz. kort godsdienstig ge-Traktant, onthaler, gastheer, betaler der feestpartij. Traktante, onthaalster, gastvrouw.
Traktatie, onthaal; smulpartij; lekkernij, versnapering. Traktement, bezoldiging, wedde, soldy ; (ook :) = Traktatie. Tram, z. Tramway.
Tramontane, de noordenwind in Italië; de noordster;de noordpool; de tramontanen verliezen, in verwarring geraken, het spoor bijster raken, de kluts kwjjt zijn. Tramway, spoorweg met vlakke rails, «traatspoorweg
met licht materieel; paardenspoorweg.
tranchant, scherp, snijdend; bits, vinnig.
Trancheeën, loopgraven (bü belegeringen). (ontleden, trancheeren, snijden, aan stukken sngden; voorsugden. Trancheermes, voorsnymes.
Trancheur, voorsnyder.
tranquille, gerust, bedaard; gelaten.
Tranquiliteit, rust, bedaardheid ; gelatenheid.
trans, aan gene zyde, over (in samenstellingen met namen
van wateren, bergen).
Transactie, vereffening, minnelijke schikking, vergelijk, transalpijnsch, aan gene zijde der Alpen; (ook-) = ul-
tramontaan.
Transcendant, zeer uitmuntend in zijne soort, transcendentaal, bovenzinnelgk.
Transcript, overgeschreven stuk.
transeat, dat ga voorbij, zy vergeten.
transfereeren, overdragen, verplaatsen ; op een ander overdragen (bv. den eigendom, de bezitting\'.
Transfiguratie, gedaanteverandering; verheerlyking van
Christus op den berg Tabor.
transfigureeren, van gedaante veranderen, vervormen. Transformatie, vervorming, herschepping, transformeeren, omvormen, een anderei. vorm geven. Transgressie, overstapping; overtreding eener wet. transigeeren, tot stand brengen; een vergelyk treffen,
tot eene minnelyke schikking komen.
transiteeren, doorgaan, doorgevoerd worden (van waren).
Transitie—Transpositie 513
Transitie, overgang van \'t eene onderwerp op \'t andere,
of van den een en toon in den anderen ; doorvoer, transitief, transitoir, overgaand op een ander.
Transito, doorvoer van waren; Transito-handel, handel
met doorvoergoederen.
Translaat, z. Translatie. Translateur, vertaler. Translétie, vertaling, overdracht (van een recht), transleithaansch, aan gene zyde der Leitha, d. i. tot de niet-Duitsche kroonlanden van Oostenrijk hehoorende. Translocótie, plaatsverandering, overbrenging. Transluciditeit, doorschijnendheid.
translunérisch, bovenmaansch.
transmarijn, overzeesch. (zing.
Transmigratie, verhuizing, landverhuizing; zielsverhui-transmissibel, overzendbaar, over te brengen. Transmissie, overzending, overdraging.
transmutébel, voor verandering vatbaar, veranderlijk. Transmutabiliteit, veranderlijkheid.
Transmutatie, verandering.
transmuteeren, veranderen.
transoceanisch, aan gene zgde des oceaans gelegen, transpadaansch, aan gene z\\ide van den Po. Transparant, doorschijnbeeld; lynenblad (dienende om
recht te schrijven).
transparant, transparent, doorschijnend.
Transparéntie, doorschijnendheid.
Transplantatie, overplanting; verplaatsing, transplanteeren, overplanten; verplaatsen, transponeeren, overzetten, een muziekstuk in een andere
toonsoort omzetten.
Transpórt, vervoer, het vervoeren, overvoeren; verzending; vervoerloon, vrachtgeld, vracht; overdracht (van eigendom); overdraging van een post op een andere rekening, van de slotsom eener bladz jde op eene andere; (ook:) driftvervoering.
transportébel, vervoerbaar; overdraagbaar (van schulden en verbintenissen.
Transportótie = Deportatie.
transporteeren, vervoeren; overvoeren; overdragen (bv.
de som der rekenposten van het eene blad op een ander). Transporteur, hoek- of graadmeter. [deren toon).
Transpositie, verzetting, om- of overzetting (in een au-ELFDE DRUK. 33
514 Transscriptie—Trein
Transscriptie, oversclirgving; overbrenging (bv. van een
zangstuk voor piano).
Transspiratie, uitwaseming; uitdamping.
transspireeren, uitwasemen (door de buidporiën); ruclit-
baar worden, uitlekken.
Transsubstantiétie, overgang van de eene zelfstandigheid in de andere; inz. verandering van het brood en den wijn in het lichaam en bloed van Christus in het sacrament des Altaars, volgens Katholiek dogma. Transsudatie, doorzweeting.
transsudeeren, doorzweeten.
transversaal, dwars, overdwars.
Transversalen, zijverwanten. (zyden.
Trapézium, ongelykzijdige vierhoek, met twee evenwijdige Trappist, lid der orde van la Trappe (de gestrengste der
geestelyke orden).
traqueeren, eene dryf- of klopjacht houden, dryven. Trassaat, de betrokkene (van een wissel;.
Trassant, trekker (van een wissel),
trasseeren, trekken, een wissel afgeven.
Trastévere, het aan gene zyde des Tibers oostwaarts liggende Romeinsche gebied.
Tratte of Traite, getrokken wissel.
Traumatica, wondmiddelen. (afmatten,
travailleeren, arbeiden (inz. met inspanning); kwellen, Travérse, Travers, dwarslyn, dwarsgang, dwars ingelegde
borstwering; verhindering, wederwaardigheid, traverseeren, dwars doorgaan ; dwarssprongen maken, travesteeren, verkleeden; belachelyk of koddig inklee-den ; ernstige voorwerpen in schertsende bewoordingen voorstellen.
Travesteering, verkleeding; lachwekkende inkleeding. Travestie, lachwekkende of schertsende omschryving of inkleeding, inz. van een gedicht, waarbij de vorm zoodanig veranderd wordt, dat hetgeen eerst ernstig was, nu lachwekkend is geworden.
Trawént, begeleider, lyfwacht; byplan-iet, maan.
Trawl, grondnet, sleepnet, kor.
Tree, boom.
Trèfle, klaveren (op de speelkaarten).
Treillis, traliewerk, tralievormig latwerk.
Trein, z. Train.
Trema—Trick
Trema, deelteekcn (twee punten op eene klinkletter), tremando, bevend, sidderend, trillend.
Tremblant, Tremulant, triltoon, siddertoon, triller, tremuleeren, trillen, inz. vnn stem of toon.
Trente-un, trente-et-un, een-en-dertig (zeker kaartspel). Trepaan, schedelboor, panboor.
trepaneeren, de hersenpan doorboren.
Trepied, drievoet.
Tresalven, kinderen uit. de vermenging van Mestiezen en
Indianen geboren.
tres faciunt collegium, drie maken een college, drie kunnen uitspraak doen.
Tresór, Trezoor, schat; schatkamer.
Tresse, goud- of zilverboordsel: haarvlecht.
Trève, wapenstilstand; — de compliments, maak geen
(complimenten, (sonen.
Trezoor, z. Tresor.
Trezorie, Trezorerie, schatkamer.
Trezorier, schatmeester, rentmeester.
triade, Trias, drietal, drieheid; verzameling van 3 per-Triage, uitlezing, het schiften.
Triakel, z. Theriakel.
Trial, onderzoek, gerechtelijk verboor.
Triangel, driehoek; driehoekig stalen slaginstrument in de Turksche muziek. (getallen.
triangulair,driehoekig; triangulaire getallen, z. trigonaal-trianguleeren, metingen door driehoeken verrichten. Triarchie, driehcerschappy, driemanschap.
Trias, z. Triade.
tribueeren, toekennen, toecigenen; schatting betalen. Tribulatie, beangstiging, angst; wederwaardigheid, ongeval. Tribunaal, rechterstoel, gerechtshof, rechtbank.
Tribune, spreekgestoelte; verheven plaats voor het volk
in vergaderzalen ; galcrg in de kerken.
tributair, schatplichtig.
Tribuun, gemeensman bjj de oude Romeinen,hoofd eener
Tribus of volksafdeeling.
Tribuut, opbrengst, belasting, cijns.
Trichinen, haarwormen, zeer kleine wormpjes of maden, die in het vleesch van sommige zoogdieren, inz. der varkens leven; menschen die zulk varkensvleesch (o n g c-kookt) eten sterven onder de bitterste smarten. Trick, slag of trek (in \'t kaartspel); trek, kunstgreep.
5TS
5i6 tricolor—Trituratie
tricolor, driekleurig. Tricolor, de driekleurige amarant;
(ook:) de Fransche vaan.
Tricot, gebreid werk.
Trictrac, Italiaanseh spel, tusschen twee personen op een
bord, niet dobbelstcenen, triktrakspel, bakspel.
Tricycle, driewieler, driewielige velocipede.
Tn\'duum, tqd van drie dagen; inz. driedaagscheboetetijd bq de Katholieken, bestaande in biechten enz., aalmoezen geven, aanhoudend kevkgaan, en geleid door paters Redemtoristen.
trien naai, driejarig.
Triënnium, tydvak van 3 jaar.
triest, triestig, z. triste.
Trifólium, drieblad, klaver.
trigonaal, trigónisch, driehoekig; trigonaal-getallen, driehoekige getallen (als: 1, 3, 6, 10, 15 en/..) Trigonometrie, driehoeksmeting.
Trigónum, Trigoon, driehoek, (deu derden rang.
Trillioen, duizendmaal duizend billioeneu, millioen van Trilogie, drieheid; deeling in drieën.
Triméster, drie maanden, vierendeel jaars.
Trimoerti, drieëenheid der Indiërs.
Trinitariërs, Trinitarissen, drieëenheidsbelyders.
Triniteit, drieëenheid.
trinómisch, drieledig, drievoudig. (van vrienden.
Trio, driespel, driestemmig muziekstuk; klaverblad, trits Triomf enz., z. Triumf enz.
Tripel, grauwgele, magere en droge steensoort, die men tot polijsten gebruikt. (voudig verbond,
tripel, triple, drievoudig, drieledig. Triple-alliantie, drie-tripleeren, verdrievoudigen.
Tripliciteit, drievoudigheid. (dupliek.
Tripliek, beantwoording van het tweede verweerschrift of Triplum, het drievoudige.
Tripot, danshuis, speelhuis, krot.
tripoteeren, knoeien, konkelen.
triste, triest, triestig, treurig, droefgeestig, bedroefd. Tritheïsme, driegoderij, geloof aan drie goden.
Tritons, zoon en begeleider van Neptunus; Tritons, lagere zeegoden.
Trits, drietal (trio).
TriturAtie, fijnmaking, fijnwrjjving enz.; het vermalen der
Triuinf—Trou-madame 517
spijzen tusschen de tanden, tritureeren, fijmvryven, fijnstooten enz.; vermalen. [feeren.
Triumf, Triomf, overwinning; zegefeest (z. ook tri urn-triumfant, triumfantelijk, triumfeerend, zegepralend ; juichend.
triumfeeren, zegepralen; juichen; (bij de oude llomei-
nen:) een triumf of zegepralenden intocht houden. Triumvir, drieman. Triumviraat, driemanschap. Trivialiteit, platheid; onheduidendheid, nietswaardigheid. Trocart, Troisquarts, Troquart, driesnydende wondhee-
lersnaald tot aftapping van water enz.
Trochaeus, versvoet niet een lange en een korte syllabe. Troep, z. Troupe.
Troglodieten, hol-, spelonkbewoners; (ook:) mynwerkers. Troïka, Russ. driespan, wagen of slede met 3 paarden. Troisquarts, z. Trocart.
Trojaansche (het) paard inhalen, zelf zyn vyand of zyn
verderf binnenvoeren.
Trombe, trompet; (ook:) typhon (z. aid.)
Trombóne, bazuin.
Trónie, aangezicht, gelaat; (pop) bakkes.
tronqueeren, afstompen, verminken, besnoeien.
Trópe, Trópus, oncigenlyke, figuurlyke uitdrukking; redefiguur, redesieraad.
Tropee (niet Trophee of Trofee), zegeteeken.
Trópen, zonnekcerpnnten.
Trópici, (sing. Tropicus), keerkringen; tropicus cancri,
kreefts- of noorderkeerkring; t. capricórni, steenboks-of zuiderkeerkring.
trópisch, oneigenlyk, beeldsprakig; (ook :) tot de keerkringslanden behoorend, daar te vinden.
Troquart, z. Trocart.
troqueeren, ruilen, ruilhandel dryven.
Tros, hoop, menigte; zware bagage van een leger; krijgs-
pakkage.
trotteeren, draven.
Trottoir, opgehoogde steenweg of voetpad van steenen
langs de huizen, langs bruggen en kaden.
Troubadour, middeleeuwsch minnezanger.
Trouble, wanorde, verwarring; volksopstand, troubleeren, troebel maken, verontrusten, storen. Trou-madame, zeker kamerspel met 13 ivoren balletjes.
5i8 Troupe—Turkey
Troupe, Troep, hoop, menigte; (ook:) rondreizend gezelschap, tooneelspelers.
Trousseau, uitzet van een bruid.
Trout, forel.
Trouvaille, vond, vondst.
Trouvére, Trouvérre, Trovatóre, Noord-Fransclie minstreel of minnedichter in de middeleeuwen.
Truc, kunstgreep, geheim van een handwork; list, vond,
streek; toestel voor tooneelveranderingen.
Truckstelsel, het ruilstelsel, waardoor arbeiders niet het loon in geld, maar in waren ontvangen. (gel.
Trumeau, wandruimte tusschen 2 vensters; penantspie-Trustee, gevolmachtigde, voogd.
tüa res égitur, uw belang staat op het spel.
Tuba, buis; trompet.
Tubercüle, knobbel, bult.
Tuberculóse, longknobbelziekte, longtering.
tuberculeus, knobbelig.
tubereus, knobbelig, bultig, ruw.
Tuberoos, O.-Indische herfsthyacint.
Tuberositeit, knobbeligheid, bultigheid; buil, gezwel. Tubus, buis; kgker, verrekijker. (te Parjjs.
Tuilerieën, beroemd koninklyk paleis en openbare tuin Tulband, Turksch hoofddeksel; (ook:) tnlbandvormigge-Tüle of Tülle, netvormig glazen weefsel. (bak.
Tumuli, oude graven of grafsteden.
Tumult, opschudding, oploop, oproer, alarm.
Tumultudnt, onrustmaker, rustverstoorder, tumultueeren, opschudding verwekken.
Tun, ton.
Tunica, Oud-Romeinsch onderkleed; (ook :) overkleed der R. K. diakens en subdiakens (z. Dalmatica); (ook:) kort vrouwenoverkleed. (Londen.
Tunnel, onderaardsche weg, inz. die onder de Theems te Tu quoque! ook gy!
Turbatie, verwarring, stoornis.
turbeeren, verontrusten, beroeren, verwarren, storen. Turbine, schroefvormig waterrad.
turbulent, woelig, onrustig, onstuimig.
Turbuléntie, onrustigheid, onstuimigheid. (staat.
Turf, renbaan; wedrennen en al wat tiaar mee in verband Turkey, kalkoen.
Turkoois—u. s.
Turkoois, ondoorzichtige blauwgroene edelsteen; tand-Turlupinade, laffe grap of woordspeling. (steen.
Turn-out, werkstaking, strike.
Turtle, schildpad; tortelduif.
Tusculanum, rustig huitenvcrhlijf. (beschermend.
tutelair, als voogd handelend; tot de voogdy behoorend;
Tuteur, Tutor, voogd, beschermer.
tutoyeeren, met jy en jou aanspreken.
Tutti, spel of zang van allen te gelijk ; — quanti, enz.,
de geheele bent, — kliek; — frutti, allerlei.
Twist, Engelsch machinaal katoengaren; (ook:) drank uit
brandewijn, bier en eieren.
Tympaan, ouderwetsche handtrommel, hakkebord ; trommelvlies in \'t oor ; vierkant raam eener gewone drukpers, waartegen het te bedrukken vel wordt gelegd. Type, z. Typus.
Typhomanie, ijlhoofdigheid met verdoovmg.
Typhon, heete, verderfelyke zuidenwind, meestal een orkaanachtige wervelwind. (ving, inz. zenuwkoorts. Typhus, gevoelloosheid; aanstekende koorts met verdoo-typisch, voorbeeldelyk; op bepaalde tijden wederkeerend. Typograaf, boekdrukker. Typographic, boekdrukkunst, typographisch, tot de boekdrukkunst behoorend. Typometrie, landkaartendruk, kunst om landkaarten als
boeken te zetten en te drukken.
Tvpotheet, letterzetter, zetter.
Typus, Type, afdruk; voorbeeld; gietvorm; gegoten drukletter; regelmatige wederkeer eener ziekte of koorts. Tyrén, heerscher; dwingeland. (en strengheid.
Tyrannfe, dwingelandy; wreedheid, willekeurige hardheid tyrénnisch, tyranniek, als een dwingeland, wreed, tyranniseeren, als een dwingeland regeeren j hard, wreed
of willekeurig handelen.
519
Tyrolienne, Tyroolsche zang of dans.
u.
U. J. D. = utriüsque juris doctor, doctor der beide rechten u. s. = ut süpra, als boven.
52o uit.—Unctie
uit. = ultimo, op den laatsten dag (der maand). Uberteit, vruchtbaarheid, volheid, overvloed.
ubi béne, (bi patria, waar \'t my wel gaat, daar is mjjn vaderland.
Ubiquitérissen of Ubiqufsten, Lnth. beladers van de alomtegenwoordigheid des lichaams van Christus in het brood des Avondmaals.
Ubiquiteit, het overal-zgn, de overaltegenwoordigheid. Ukase, hevel van den Russischen keizer, kabinets-order. Ulaan, Poolseh laneier.
Ülceratie, verettering, zwering; (fig.) verbittering, ulcereeren, zweren, etteren.
ulcerous, etterig; vol zweren.
U lema\'s, rechtsgeleerden en geestelijken by de Turken. U\'level (it. olivella), (eig. een olyfje) bekende lekkerny,
doorgaans in een papiertje gewikkeld.
Ultima ratio, laatste grond, — toevlucht.
Ultimatum, laatste verklaring, laatste voorslag hy een onderhandeling of vergelijk ; slotzin, slot- of eindwoord, ultimo, op den laatsten dag der maand (hv. uit». Fobr.,
op den laatsten Februari); ultimus, laatste.
ultra, aan gene zyde, over ; verder; verregaand, overdreven. Ul\'tra\'s, overdryvers, overspannen menschen.die uit hartstocht en vooroordeel geen maat houden; (vandaar:) ultra-liberalen, ultra-royalisten, ultra-revolutionnai-ren, enz.
Ultramarijn, herghlauw, hemelsblauw (overzee-kleur), ultramontaan, ultramontaansch, eig. aan gene zyde van \'t gebergte, inz. van de Alpen; (vandaar:) overeenkomstig met den geest en de grondstellingen van het pausdom.
Ultramonténen, helyders der leer van \'s pausen onfeilbaarheid en voorstanders van zyn oppergezag in Kerken Staatsleer.
Ultamontanismo, leer en toepassing van het stelsel der
algcmeene pauselyke oppermacht in Ke:k en Staat. Umber, Umberaarde, donkerbruine aardverf.
unaniem, eenstemmig, eensgezind. (en gezindheden. Unanimiteit, eenparigheid, overeenstemming in gevoelens unciale lettors, (by boekdrukkers) groote beginletters. Uncle Sam, z. onder Sam.
Unctie, zalving.
Underwriter—unum 521
Underwriter, (eig:. onderteekenaar) verzekeraar, assuradeur. Undine, vrouwelijke watergeest.
Undulétie, golfsgewyze beweging, golving. (melen,
unduleeren, zich golfsgewgze bewegen, dobberen, scliom-U\'nguibus et róstro, met hand en tand.
uni, gelyk, effen, glad, eenvoudig; eenkleurig.
Unicum, iets eenigs in zijn soort.
U nie, vereeniging; eendracht; kerk-, geloofs- of staten-vereeniging, inz. de Verecnigde Staten van N.-Amerika. uniek (fr. unique), eenig, alleen in zyne soort; wonderlyk. uniëeren, verccnigen.
unifórm, eenvormig, gelijkvormig.
Unifórm, krygsmans-dicnstkleeding.
Uniformiteit, gelijkvormigheid, overeenstemming. Unigénitus, eeniggeborene (Zoon Gods): de bulie Unigé-nitus, eene bul, door paus Clemens XI in 1713 tegen de bisschoppelijke clerezie of Jansenisten uitgevaardigd, unilateraal, eenzijdig (bv. zulk een verdrag).
Unionist, ineensmelter van godsdienstige gezindheden, unionistisch, vereenigend, naar eenheid strevend, unique, z. uniek.
unisóno, gelijkluidend, van gelijken zin.
Unitérius, eenheidsbelijder, hy, die slechts éen persoon
in de godheid aanneemt.
United States, Vereenigde Staten.
Uniteit, elk ding op zich zelf; eenheid; eendracht; gelijkvormigheid ; (ook:) de broedergemeente der Hern-unitis viribus, met vereende krachten. (hutters.
Univdlven, eenschaUge schaaldieren.
Universaliteit, algemeenheid.
universaal, universeel, het geheel betreffend; aan allen gemeen, zonder uitzondering; universeele erfgenaam, eenig, uitsluitend erfgenaam. Universalia, algemeene voorwerpen.
Universiteit, gezamenlijkheid; hoogeschool voor alle faculteiten, ook (minder goed) academie geheeten. Univérsum, heelal, wereldgebouw.
uno ónimo, eensgezind, eenparig.
uno contextu, onafgebroken.
uno ore, uit éen mond, eenstemmig.
un poco, een weinig.
unum et idem, een en hetzelfde.
522 upper—Usufructuarius
upper tens, de allerrijksten, do millionnairs.
Upstart, parvenu, gelukskind.
Urónia, de hemelsclie, de muze der sterrenkunde. Uranographie, hemelbeschrijving, hescliryving des ster-Uranologie, hemelkunde. (renhemels.
Uranoscoop, hemel-, sterrenkyker.
Uranoscopie, hemclbeschouwing, hemehvaarneming. Uranometrie, hemelmeting.
Uranus, oudste der goden; naam eener planeet.
Urari, pglvergif der Indianen.
urbaan, steedsch; wellevend, beleefd, hupsch.
Urbaniteit, steedsche beschaving, welgemanierdheid.
U\'rbi et órbi, aan stad en wereld.
urgeeren, drgven, dringen, dwingen.
urgént, dringend, geen uitstel gedoogend.
Urgentie, dringende nood, nooddrang.
Urias-brief, een voor den overbrenger gevaarlek, verderfelijk schrijven (gelgk dat van koning David aan Joab). Urinaal, pisglas, pistlesch.
Urine, pis.
urineeren, zijn water loozen, wateren, pissen.
Urne, waterkruik; aschkruik, lijkbus; stembus.
Urolith, pissteen.
Urologie, pisleer.
Uromantie, piswichelarü, piskykerg.
Uroskoop, pisbeschouwer, Piskijker.
Urphéda, Urphede, Urfehde, zoeneed (bg (le oude Duit-schers de beeedigde verklaring geen wraak te zullen nemen).
Urselienen, leden eener nonnenorde, die zich met de opvoeding van jonge meisjes en met de verpleging van zieken bezighoudt.
Urticétie, geeseling met netels.
Usége, Usance, Üséntie, gebruik, gewoonte; handelsgebruik, gewoonterecht.
U\'so of Usance, wisselgebruik, gewone betalingsternign, éene maand zicht; Uso-wissel, wissel, welks vervaltijd a uso bepaald is.
usque ad nauseam, tot misselijk wordons toe. Usucaptie, verkrijging door verjaringsrecht.
usueel, in gebruik, naar de gewoonte, gebruikelijk. Usufructuérius, vruchtbruiker, vruchttrekker.
Usufructus—viz. 523
Usufructus, Usufruit, vruchtgebruik, vruchttrekking van
eens anders eigendom, lyftocht.
Usüre, (weleer eenvoudig rente, interest, nu:) woeker,
woekergeld, woekerwinst, woekerrente.
Usurpateur, overweldiger, onrechtmatig bezitnemer. Usurpótie, wederrechtelijke bezitneming; onrechtmatig bezit, usurpeeren, op eene wederrechtelijke wijze iets meester
worden, overweldigen.
Utensiliën, bruikbaar gereedschap, werktuigen.
Utenni, kinderen van éene moeder.
U terus, baarmoeder.
utile dulci,, het aangename aan het nuttige (paren). Utilisétie, tenuttemaking, aanwending.
utiliseeren, te nutte maken, gebruiken.
Utiliteit, bruikbaarheid, nuttigheid, voordeeligheid. uti possidetis, zooals gij bezit (formule om den oogen-blikkelykcn toestand van twee oorlogvoerende party en te beteekencn).
Utópia, een gelukkig land, dat niet aanwezig is, een zoogenaamd Luilekkerland. (De uitdrukking is ontleend aan den roman van Thomas Morus „Utopiaquot;)-utopisch, utopiaansch, nergenshuizig, ingebeeld.
Utopist, nergenstbuis, Luilekkerlander; staatkundige, die zich met onuitvoerbare verbeteringsplannen bezighoudt. Utraquisten, party der Hussieten, die het genot des Avondmaals onder beiderlei gestalten (sub utraque forma) verlangde.
ut rétro, gelyk op de voorgaande bladzyde, als achter, ut supra, als boven, gelyk vooraf.
Uxor, echtgenoote, gade.
V.
V, nis Homeinsch getal = vijf.
v. = verte, keer om (het blad).
V. 0. M. = verbi divini minister, dienaar van\'t goddelyk V. M. (in almanakken) = volle maan. (woord,
vid. of v. = vide en videótur! zie, men zie, sla op! viz. = vide licet, namelyk, of: gelijk licht te zien is.
524 v. p.—Valetudinaire
v. p. of v. s. = volti présto of voltl sübito, sla spoedig
om (het muziekblad).
va! het gelde! het zü ! kom op! va banque, het gelde de bank of den ganschen geldvoorraad des bankhouders, vaag, z. vague.
vacant, openstaand, onbezet.
Vacantie, opengevallen plaats; rusttyd, beroepsvryheid;
opschorting der werkzaamheden.
Vacatie, het vrij-zyn van eene verplichting, opbrengst enz.; (ook:) zitting, elke tydruimte, die openbare personen aan deze of gene zaak besleden. (vulde bediening. Vacatuur, het openvallen, openzyn van een post;onver-Vaccinatie, koepokinenting.
Vaccine, koepok; koepokstof; koepokinenting, vaccineeren, de koepokken inenten. (den.
vaceeren, openstaan, onvervuld zyn; (ook:) zitting hou-Vache, koe; vacherie, melkery, koestal.
Vacillétie, weifeling, besluiteloosheid.
vacilleeren, wankelen, weifelen, besluiteloos zyn. Vacuïteit, ledigheid, het ledig zyn; nietigheid, ydelheid. Vacuum, ledige ruimte, ydel.
vade in pace, ga in vrede.
Véde-mécum, (eig. ga met my, begeleid n.y) voorwerp, dat men steeds by zich draagt, inz. zakboek, handboekje. Vadimónium, borgtocht; beloofde verschijning voor\'tgerecht. (is! vae sóli 1 wee hem die alleen (aan zyn lot overgelaten) vae vlctis ! wee den overwonnelingenl Vagabond, rondzwerver, landlooper.
Vagabondage, landlooperij. (ronddolen,
vagabondeeren of vageeren, omzwerven, als landlooper Vagebond (fr. Vagabond), z. aid.
vageeren, z. vagabondeeren.
Vagina, de moederscheede.
vague, vaag (lat. in végo), onbepaald; onduidelyk; weifelend in uitdrukking.
valébel, geldig, rechtsgeldig; aannemelyk, van goed allooi, vale ! vaarwel! leef gezond! Vale, het a/scheid, vaarwel, valeeren, gelden, waard zyn.
Valet, knecht; boer (in \'t kaartspel); ■— de chambre, kamerdienaar. (kelende.
Valetudinaire (fr.), Valetudinarius (lat.), ziekelyke, suk-
Valeur—Varioloiden 525
Valeur (fr.), Vélor (lat.), waarde; geldigheid (bv. eencr Tiiuntspecie); valeur repue, waarde genoten (op wissels), valide, gezond, krachtig; geldig; geldig in rechten, valideeren, geldig maken; voor goede betaling gelden. Validiteit, rechtsgeldigheid eener zaak.
Valley, vale, dal, vallei.
Valor, z. Valeur.
valueeren, valuteeren, valveeren, schatten, waardeeren;
de waarde eener munt bepalen.
Valuta, waarde, geldswaarde; muntvoet; inz. wisselwaarde, valveeren, z. valueeren.
Vélvulae, klapvliezen,
Vampyr, bloedzuiger, groote Amerikaansche vleermuis. Vandólen, Wandélen, waarschijnlijk een Slavische volksstam, die in de ode eeuw al de kunstwerken in Rome vernielde; (vandaar:) Vandalisme of Wandalisme,bar-baarsche vernielingswoede, aan kunstwerken gepleegd. Vanille, O.- en W.-Indisch gewas en de peulvormige zaadhulsels daarvan, die inz. tot de bereiding der chocolade gebruikt worden.
vanitas vanitatum, gdelheid der ydelheden.
Vaniteit (lat. vónitas), ydelheid; vergankelykheid. vanteeren, roemen, pochen.
Vanterie, snoever^, gepoch, grootspraak.
Vapeur, damp; —s, maagdampen, opstygingen; (fig.)
kwade luimen, grillen (inz. van vrouwen).
vaporeus, vol dampen ; aan v a p e u r s onderhevig. Varia, allerlei, verscheidenheden, gemengde zaken, variabel, veranderlijk, onbestendig.
Variénten (of variae lectiónes), verschillende leeswijzen van een tekst.
Variótie, verandering; verscheidenheid.
variatio delectat, verscheidenheid behaagt.
Varicéllen, valsche pokken, waterpokken, windpokken, variëeren, afwisselen, veranderen; (fig.) verschillen, onstandvastig z\\jn, weifelen.
Variëteit, verscheidenheid, afwijking, speel- of bastaardsoort (van planten of dieren).
Vdrinas, rooktabak (uit Var in as in Venezuela). Variólen (lat. variolae), pokken, kinderpokken.
varioleus, naar pokken gelgkende.
Varioloiden, gewgzigde pokken, onechte pokken.
526 Vasal—Velociteit
Vasal, 1. Vazal.
Vase, Vaas, vat; pronk vat; kunstige bloempot.
Vaseline, reukelooze, vetvrye zalf, distillatieproduct van
Vaticinium, voorspelling, profetie. (petroleum enz.
Vazal, leenman, dienstman; afhangeling.
Vaticaan, pauselyk paleis en hof te Home op den Vati-eaansehen berg; de pauselijke regeering zelve.
va tout! om alles (wat op het spel gezet is) te gelyk.
Vaudeville, volkslied; straatlied; inz. klein tooneelstuk niet ingevoegde liedjes naar bekende zangwijzen.
Vaudevillist, dichter van vaudevilles.
Vaurien, deugniet.
Vauxhall, prachtige lusttuin, verzamelplaats tot openbare vermakelijkheden in warme zomernachten onder fraaie verlichting, muziek enz.
Veal, kalfsvleesch; vealsteak, kalfsstuk. (geschreven.
Védas, oude gewyde boekeu der Hindoes, in \'t Sanskrit
Vedétte, ruiterwacht, rondgaande schildwacht te paard; schilderhuis op den vestingwal.
Vedute, uitzicht, gezicht; gezichtspunt.
Vegetabilia, plantgewassen; plantenspyzen.
Vegetariër, iemand die uitsluitend plantaardig voedsel eet.
Vegetatie, plantenwasdom; plantenleven.
vegeteeren, groeien; (fig.) een plantenleven leiden.
vehemént, hevig, geweldig, driftig.
Veheméntie, hevigheid, drift, onstuimigheid.
Vehikel (lat. vehiculum) voertuig, vervoermiddel, gelegenheids- of bezorgingsmiddel; hulpmiddel (een ouwel, bv.) om eene leelyk smakende medicyn in te nemen.
Veilleuse, nachtlampje, tevens dienende tot warmhou-ding van hetgeen zich in een boven de vlam geplaatst voorwerp bevindt; klein rustbed.
Veine, ader; z. en veine.
Veitsdans, St. Vitus-dans, z. Tarantula-darrs.
Velijn, (eig. perkamentpapier) zeer fijn en glad papier.
Velleïteit, het kracht- en werkeloos willen, halve wil, die zonder uitwerking blyft.
velóce, gezwind; Velócita, gezwindheid, vlugheid.
Velocifere, snelwagen, ylkoets.
Velociméter, snelheidsmeter.
Velocipède, rywiel, wieier, vgl. Draisine.
Velociteit, snelheid, gezwindheid.
Velours—verabuseeren 527
Velours, fluweel; — satiné, zjjfluweel.
velouteeren, een fluweelachtig aanzien geven.
\\enaal, veil, te koop; omkoopbaar.
Venaliteit, veilheid; omkooplmarheid.
Vendétta, bloedwraak, doodelgke haat en vijandschap.
Vendemiaire, wjjnmaand, de Istc maand van den Fr.-
republ. kalender (33 Sept.—31 Oct.)
Véndita, verkoopplaats, vergaderplaats (ook venta). Venditie, verkooping; verkoop.
Vendu, veiling, openbaar; —huis, verkoophuis, venerébel, vereerenswaardig, eerbiedwaardig.
Venerabile, het hoogwaardige in de R. K. kerk; de ge-wyde hostie.
Venerétie, vereering, eerbiediging, eerbied, ontzag, venereeren, vereeren, eer bewyzen, ontzien.
venérisch, veneriek, met de venus- of wellustziekte besmet; tot die ziekte behoorend.
Vénia, oogluiking; verlof; het veniam aetatis bekomen,
vóór den tgd meerderjarig verklaard worden.
véni, vfdi, vfci, ik kwam, ik zag, ik overwon. Venitienne, Venetiaansch lied der gondeliers.
Venta, Spaansche herberg, eenzaam liggende herberg aan
den grooten weg (z. ook Vendita).
Venter, buik, onderlijf.
Ventiel, lucht- of windklep.
Ventilatie, luchting, luchtvcrversching; (flg.) nauwkeurig
onderzoek; breedvoerige uiteenzetting.
Ventilator, luchttrekker, windvang; luchtreiniger, ventileeren, luchten; iets rypeljjk onderzoeken, schiften;
gerechtelyk behandelen.
Ventose, windmaand, de 9de maand van den Fr.-republ.
kalender (19 Febr.—30 Maart).
Ventouse, laatkop.
ventre affamé n\'a point d\'oreilles, een hongerige maag
heeft geen ooren.
Ventriloquéntie, buikspreekkunst.
Ventriloquist, buikspreker.
Vénus, godin der schoonheid en liefde ; (fig.) schoonheid en aanvalligheid; wellust, onkuischheid; (ook:) de planeet tusschen Mercurius en de aarde, de Morgenster of de Avondster.
verabuseeren (zich), zich vergissen.
528 veraccijnsen—vermaledijen
veraccijnsen, belasting of pacht opleggen ; den accgns be-Veraciteit, waarheidsliefde, oprechtheid. (talen.
Veranda, open zaal of zomerprieel langs een huis; voor-
uitgebouwd open gedeelte eener woning.
verassureeren = assureeren.
verauctioneeren, openbaar verkoopen, in veiling brengen. Vérba, woorden (sing. Verbum, woord, werkwoord), vérba vólant, scripta mónent, woorden vlieden heen,
maar geschriften big ven.
verbaal, woordelijk; verbóle injurie, oponlyke beleedi-ging door beschimpende, ontcerende woorden. Verbaal = Proces-verbaal (z. aid.)
verbaliseeren, mondeling behandelen; (ook: i onnutte woorden gebruiken. (letter, verbatim et litteratim, woord voor woord en letter voor verbeus, woordenryk; wgdloopig, breedvoerig.
Verbiage, woordenvloed, groote woorden omhaal. Verbositeit, woordenrgkheid; breedvoerighsid.
Verbum, woord; werkwoord; — transitivum, activum, overgankelijk, bedrgvend ww.; — intransitïvum, neutrum, onvergankelijk, onzijdig ww.; — passivum, lg-dend ww.; — reflexivum, terugwerkend, wederkeerend ww.; — reciprocum, weerzgdswerkend, wederkeeiig ww.; — impersonale, onpersoonlgk ww.; — frequen-tativum, herhalingswerkwoord; — auxiliare, hulpwerkwoord; — anómalum of irregulare, onregelmatig ww.; — defecti\'vum, een (in de verbuiging) gebrekkig of onvolledig ww.
Verdict, uitspraak, beslissing van gezworenen, vergaloppeeren (zich), zich overijlen, een misslag begaan
uit onbezonnenheid of drift.
Vergette, borstel; kort afgesneden vóórhaar, verhypothequeeren, als onderpand doen inschryven. Verificateur, echtheidsonderzoeker.
Verificatie, waarheidsstaving, bekrachtiging; nader onderzoek. verificeeren, verifiëeren, de deugdelijkheid eener zaak staven, bekrachtigen, bewaarheden, verinteresten, de renten van het kapitaal laten oploo-
pen ; (ook:) renteloos liggen.
veritébel, echt, onvervalscht.
Véritas (lat.), Vérité (fr.), waarheid.
vermaladijen, vervloeken, verweuschcn.
Vermicelli—vetus 529
Vermicélli, draadvormige meelknoedels, Italiaanache knoe-vernaal. tot de lente bchoorende, voorjaarachtig. (dels. Vernier, z. Nonius. (zen.
verprocedeeren, door processen of rechtsgedingen verlie-Verroten\'e, allerlei kleine glaswaren (glaskoralen, glas-paarlen enz.)
Vers, elke regel van een gedicht; (doorgaans;) verzen-koppeling, afdeeling van een gedicht (couplet, strophe, stan ze); gedicht, dichtstuk.
versale letters of versólen, groote aanvangletters, versatlel, veranderlijk, wuft.
Versatiïlteit, onbestendigheid, wuftheid.
verseeren, zich met iets hezig houden, mede omgaan;
in gevaar —, gevaar loopen, in gevaar zyn.
Vérsie, wending; vorm of inrichting van een verhaal; Versifex, verzenmaker, rijmelaar. (vertaling.
Versificétie, versbouw, verzenvorming.
versificeeren, verzen maken, in dichtmaat brengen, vertatur, verte, keer om.
vertebraal, tot de wervelbeenderen behoorend.
Vertex, wervel, schedel, ruggemerg.
verticaal, loodrecht; verticale lijn, loodlijn. (vuur. Verve,geestdrift, verbeeldingsgloed, kunstenaar3vuur,dicht-Vesicatórium, trekpleister, Spaansche-vliegpleister.
Vesper, namiddag-godsdienst, avondmis.
Vesperbrood, vóoravondbrood.
vesperen, in den vóoravond eten.
Vessel, vat, vaatwerk ; schip. (eene planeet.
Vésta, godin des vuurs, der zedigheid en kuischheid; (ook :) vestaalsch, kuisch, eerbaar, ingetogen.
Vestélen, vestaalsche maagden, priesteressen van Vesta;
(fig.) streng zedige, kuische maagden. (kamer.
Vestibule, voorhof, voorzaal, voorhuis; (ook wel:) voor-Vestigia, voetstappen, sporen.
Véteraan, oud soldaat, beproefd krijgsman; ervaren of
beproefd geleerde, kunstenaar enz.
Veterinaire (fr.), Véterinarius (lat.), veearts.
veterinaire school, veeartsenijschool.
véto, ik verbied, verwerp; (als sub.) verbod, verwerping;
het verwerpings- of ontkenningsi\'echt van een vorst. Vetturino, huurkoetsier in Italië.
vetus, oud ; — testamentum, het oude testament.
ELFDE DRUK. 34
53° Vexatie—vidimeeren
Vexatie, plagerij, verontrusting;; ergernis, krenking, vexata questio, een veelbesproken vraag.
vexeeren, kwellen, plagen; onrecht aandoen.
vi, met kracht, krachtens; vi cessionis, krachtens afstand. Via, weg, middel; via (op brieven, passen enz.), over (met aanduiding van den te nemen weg, bv. via Marseille, over Marseille).
Viaduct, boogbrug over een weg, eene rivier enz. aangelegd, inz. ten dienste van een spoorweg.
via média, de middelweg.
Viaticum, reis- of teerpenning; communie der stervenden. Vibratie, slingering; trilling der snaren, der stem. vibreeren, slingeren, schommelen, trillen.
Vicariaat, plaats- of ambtsvervanging; waarnemend bestuur; bediening van een vicaris.
Vicéris, Vicarius, ambts-, of plaatsvervanger; hulpgees-
telyke; kapelaan; hulpprediker.
vice, in plaats ; (in samenstelling) onder- of waarnemend, bv. vice-admiraal, ondervlootvoogd; vice-consul, tweede consul.
Vices, beurtwisselende ambtsverrichtingen; iemands —
bekleeden, zyne ambtsverrichtingen waarnemen.
vice versa, in omgekeerden zin, heen en weer, naar eene
plaats heen en van daar terug.
viciëus, gebrekkig, verkeerd, ondeugend, slecht.
Vicinale wegen, bijwegen, buurtwegen, zulke wegen, die
geene post- of straatwegen zyn.
Vicomte, bezitter eener heerlijkheid (Vicomté) in Frank-
rgk; ook een bloote adelljjke titel.
Victiem, offer, slachtoffer.
victis honor of honos, (de) eer aan de overwonnenen. Victória, zege, zegepraal, overwinning.
victorieus, zegevierend, overwinnend.
Victuéliën, levensmiddelen, mondvoorraad; victualie-want, al wat aan boord als schaftgerei wordt gebruikt, kommaliewant.
vide, videatur, zie! men zie er op na!
videlicet, namelyk, zooals. (meening, gevoelen,
vidétur, het sehynt, mij dunkt; het blijkt; (als sub.) vi\'di, ik heb (het) gezien. (goedverklaring.
Vidimétie, bekrachtiging der juistheid van een geschrift, vidimeeren, voor echt verklaren, voor gezien teekenen.
vif—Violoncel
vif, levendig, wakker, fiksch, vlug.
vigilént, waakzaam, hij de hand.
Vigilént, oppasser, spion; naam van zekere rijtuigen tot
vervoer van personen in de steden, huurkoetsje. Vigilantie, waakzaamheid, zorgvuldigheid.
vigiieeren, waakzaam zyn, scherp toezien, oppassen. Vigiliën, nachtwaken; nachtelyke gebeden voor \'t ziele-
heil eens overledenen voor de heaarding.
Vignét, druksieraadje (in hoeken).
Vigogne, schaapkameel in Peru, Peruaansch schaap (ook :) de schoonste en fijnste wol (die dit dier oplevert). Vigogne-wol.
vigoróso, krachtig, met nadruk.
vigoureus,, sterk, vol levenskracht, wakker.
Vigueur (lat. Vigor), kracht; kloekheidj nadruk.
vilain, laag, gemeen, snood; ontuchtig.
vilipendeeren, geringschatten, minachten.
Vilipendéntie, geringschatting, minachting.
Villa, landhuis, landgoed.
Village, dorp. (den zomer.
Villeggiatura, Villegiature, het landleven der ryken in
Villositeit, ruigheid, vlokkigheid.
Vinaigre, azijn.
Vinctuur, band, zwachtel.
vinculeeren, verbinden.
Vindicatie, terugvordering eener ontvreemde zaak. vindicatief, straffend, wrekend; wraakzuchtig, (vorderen, vindiceeren, als eigendom in het bezit nemen of terug-Vine, wyn; vineyard, wijngaard; vinegar, azijn.
Vingt-un, eenentwintig (een kaartspel).
Vinificétie, wynbereidingskunst.
Vinométer, wynmeter, werktuig tot onderzoek van de
hoedanigheden des wjjns.
Violétie, schending, onteering.
violeeren, schenden; onteeren, verkrachten.
violént, gewelddadig, onstuimig, vinnig.
Violéntie, gewelddadigheid, geweldenarg. [(z. aid.)
violét, paars. Violét, de paarse kleur ; (ook :)het v i o o 1 tj e Violine, discantviool, de gewone viool.
Violinist, vioolspeler.
Violino piccolo, de kleinste viool.
Violoncél, kleine basviool, knieviool.
S31
532 Violonist—Visier
Violonist, hasvioolspeler.
Viool, armviool, basviool.
Viooltje, bekend paars bloempje,quot; zinnebeeld der bescliei-
denheid en nederigheid.
Virago, mannelyk vrouwspersoon, manwjjf, driedekker, vir bonus, braaf man.
Virginiteit, maagdelijkheid, maagdelgke staat, ongereptheid, onbevlektheid.
Virgo, de Maagd (sterrenbeeld des dierenriems).
viribus unitis, z. unitis viribus.
viriel, mannelijk, tot den man beboerend.
Viriliteit, mannelijkheid.
virtuaal, virtueel, krachtig, innerlijk vermogend ; naar de kracht of beteekenis geldend; virtueele kracht, eene wel voorhanden, maar voor \'t oogenblik niet werkzame kracht. (zenlyke geldigheid.
Virtualiteit, vermogende kracht, werkingsvermogen; we-Virtuoos, meester in eene kunst, vooral in \'le muziek. Virtuositeit, groote kunstvaardigheid, meesterschap inde
uitoefening eener kunst.
virulent, etterig; Virulentie, ettering.
Vis, kracht, macht. (voov gezien.
Visa, getuigenis van iets gezien te hebben, 1 et teekenen Visage, gezicht, aangezicht.
vis-a-vis, tegenover. Vis-a-vis, iemand, die (hg den dans, aan tafel) tegenover een ander geplaatst is ; (ook :) dub-belklavier; smal koetsje, dat voor en achter maar éene zitplaats heeft.
Viscount, z. Vicomte. (en dergelyke.
Viseerder, ykmeester; rooier; onderzoeker van passen viseeren, mikken, turen; bcoogen, (naar iets) streven ; den inhoud van een vat met den viseerstok onderzo»-ken of meten; (ook :) een pas enz. doorzien en bekrachtigen, voor gezien teekenen.
visibel, zichtbaar; klaarblgkelyk; (ook:) bij de hand, te spreken, zonder belet, gereed om bezoek te ontvangen. Visibiliteit, zichtbaarheid.
Visie, het zien, de aanschouwing, inzage; ter-visie-lig-gen, (openlijk) ter inzage liggen, z. ook Visioen ; Visie, droombeeld, nachtgezicht, hersenschim, inbeelding. Visier, helmschuif, helmklep; mikijzer aan schietgeweren; (ook:) oog, gezicht, bv. iets in \'t — krijgen, het in
Visionnair—viva 533
\'toog krjjgen; iemand iets in \'t — zeggen, hem iets in \'tgezicht zeggen, iets grofs toevoegen; (ook :) staatsraad of minister des Turkschen keizers; groot-visier, opperste staatsambtenaar in het Turksche ryk, Visionnair, ziener, geestenziener, mensch vol zotte iu-heeldingen.
Visitatie, onderzoeking; huiszoeking; bezoeking, tuchtiging; (ook;) het bezoek der maagd Maria aan Elizabeth (Mariae Visitatio),
Visite, bezoek, opwachting; inz. artsenbezoek;—kaartje,
bezoekkaartje; —kamer, bezoekkamer, enz.
visiteeren, bezoeken, een bezoek geven; gaan zien, onderzoeken, doorzoeken, bezichtigen.
Visiteur, bezoeker; onderzoeker; bcziener, peiler; vry-metselaar, die eene loge bezoekt, waarvan hij geen lid is (Broeder-Visiteur).
Visórium, mikpunt; (by letterzetters:) kopyhouder.
Vista, zicht, vertooning van een wissel.
Visum repértum of respéctum, bericht van (genees- of
heelkundig) onderzoek, schouwverslag.
Vita, leven; — brévis, ars lónga, het leven is kort,
de kunst is lang.
vitaal, tot het leven behoorend, levenbcvorderend of onderhoudend; in staat om in \'t leven te bljjven, levens-vitaliseeren, levenskracht geven, bezielen. (vatbaar. Vitaliteit, tgdstip, waarop het leven een aanvang neemt,
levenskracht; levensvatbaarheid.
vitam impéndere vero, zijn leven aan de waarheid wijden, vite, snel, spoedig, gezwind.
Vitésse, snelheid, spoed.
vitiëus, z. het betere viciëus.
Vitium, pl. Vitia, gebrek, fout, ondev.gd.
vitresceeren, tot glas worden, verglazen.
vitreus, glasachtig, glazig.
Vitrificatie, verglazing, verandering in glas.
vitrificeeren, tot glas maken, in glas veranderen, verglazen. Vitrine, glazen kast ter uitstalling.
Vitriool, zwavelzuur in verbinding met metaalkalken, vitupereeren, laken, misbillyken.
Vitusdans, z. Veitsdans.
viva! vivat! vive! hy (zy, het) leve! lang zalhy (zy,het) leven! een Vivat, een heilwenschend vreugdgeroep.
534 Vivaciteit—Volkaan
Vivaciteit, levendigheid, wakkerheid, vroolykheid. Vivandière, marketentster.
Vivarium, bewaarplaats voor levende dieren, diergaarde.
vivat, Vivat, z. onder viva.
viva voce, mondeling (met levende stem).
Viveur, z. Bonvivant.
Vivificatie, bezieling, levend- of levendigmaking. Viviparen, dieren die levende jongen ter wereld brengen. Vivres, levensmiddelen, mondvoorraad.
Vladika, (vóór 1853) naam van het wereldlijk en geeste-
lyk hoofd der Montenegrgnen in Albanië.
Vocaal, klinkletter, klinker.
vocaal, wat met de stem geschiedt, bv. vocale muziek,
zang (in tegenstelling met instrumentale muziek). Vocabulaire, Vocabularium, woordenlijst.
Vocatie, roeping, beroeping tot een ambt; ambt, bediening, beroepsvak; roeping, lust, aanleg, neiging; dagvaarding ; noodiging (schalk. Vocativus, Vocatief, vijfde naamval (roeper); \'ook:) guit, voceeren, roepen, noodigen; voor de rechtbank roepen. Vociferétie, het luide roepen, schreeuwen, geachreeuw. Vógue, gebruik, zwang; aanzien, naam; —la galère, \'t mag gaan zoo \'t wil; \'t worde gewaagd! daar gaat voicl, ziehier; voilé, ziedaar. (het! z. en vogue, voilé une autre chose, dat is iets anders 1 Voile, sluier.
Voiture, rjjtuig.
volage, wispelturig, lichtzinnig, wuft.
Volapuk, nieuwe wereldtaal, uitgedacht door pastoor
Schleyer te Lizzelstetten.
volatiel, vliegend, gevleugeld; vluchtig, verdampend. Volatiliteit, vervliegbaarheid; wankelmoedigheid, veranderlijkheid ; wuftheid, lichtzinnigheid.
volatiliseeren, vervluchtigen, vluchtig maken. Vol d\'oiseau, vogelvlucht; z. vue d\'oiseau.
Vóle, het halen van al de slagen door een kaartspeler. Volée, vlucht; menigte; haute —, première —, (lieden
van) den eersten rang.
volente Déo, als God wil.
Voleur, dief.
Volière, vogelvlucht, groote vogelkooi; duivenslag. Volkaan, z. Vulkaan.
Volontair—Voyageur 535
Volontair, vrijwillig soldaat, vrywilliger; wie zonder loou
dient, inz. zulk een koopmansbediende.
Voltaire, soort gemakkelyke stoel.
Vóltasche kolom, kolom of zuil, bestaande uit op- of tegen elkander gelegde sebyfjes koper en zink, ieder paar, beurt om beurt, gescheiden door een in zuur vocht gedompelden lap laken, blad bordpapier enz., dienende om de electriciteit zonder wryving te staven.
Vólte, wending; zwenking; kunstgreep by \'t schermen;
liet snel verwisselen of ruilen van eene speelkaart, voltigeeren, kunstige sprongen maken; heen en weder zweven.
Voltigeur, kunst- of luchtspringer ; Voltigeurs, licht voetvolk, bestemd om op den vleugel te tirailleeren.
volto présto, volto sübito, z. v. p. of v. s.
volübel, buigzaam, beweeglyk, lenig, vlug, rad. Volubiliteit, beweeglykheid, radheid, vaardigheid van tong;
onbestendigheid.
Volumen, (afg. vol.)» boekdeel; rol, pak, bundel; licha-
melyke inhoud of omvang.
volumineus, uit vele boekdeelen bestaande; dik, dikly-
vig, van aanzienlyken omvang.
voluptueus, wellustig genot ademend.
volvoeren, wentelen, rollen, wikkelen.
vomeeren, braken, overgeven.
Vomitief, braakmiddel.
Voraciteit, gulzigheid, vraatzucht.
Vota, stemmen; kiesstemmen; —majóra, de meeste stemmen, stemmenmeerderheid.
Votant, stemgever, stemuitbrenger.
Votatie, Voteering, stemgeving, stemopneming, (slissen, voteeren, stemmen, door meerderheid van stemmen be-votief, krachtens eene gelofte.
Votieftafel, geloftetafel. (dag behoort,
votieve mis, zulk eene mis, die met tot de orde van den Vótum, gelotte, uitgesproken wensch; stem, kiesstem;
goedkeuring, toestemming.
Vox, stem; — clamantis in desérto, de stem eens roependen in de woestyn; — huména, menschenstem; — pópuli — Dei, de stem des volks (als uitdrukking der openbare meening) is de stem van God.
Voyageur, reiziger.
536 vue—Waldenzen
vue d\'oiseau rè), (iu) vogel-perspectief.
Vulcanus, z. Vulkaan, enz.
Vulcanisme, z. Vulkanisten.
vulgair, gemeen, alledaagscli, gering.
vulgariseeren, vulgeeren, bekend of ruchtbaar maken,
onder de menscben uitstrooien.
Vulgariteit, gemeenheid, platheid, onbeschaafdheid. Vulgata, de gewone Latynsche bijbelvertaling, waarvan
zich de R. K. bedienen.
vulgeeren, z. vulgariseeren.
vulgivaag, omzwervend; naar den gemeenen trant, vülgo. gemeenljjk, naar gewoon gebruik of spraakgebruik,
in \'tgemeene leven.
Vulgus, het volk, inz. het gemeene volk, de grootehoop. Vulkaan, Vulcanus, god des vuurs en der metaalarbeiders. Vulkaan, Volkaan, vuurspuwende of brandende berg. Vulkanisten, aanhangers van het Vulcanisme, d. i. de meening, dat de aarde hare tegenwoordige gedaante door de werking van \'tvuur heeft gekregen, vgl. Nep-vulneróbel. wond-, kwetsbaar. (tunisten.
Vulnerabiliteit, wond-, kwetsbaarheid.
Vulnerétie, kwetsing, verwonding.
vulnereeren, wonden, kwetsen.
w.
W. = West; soms ook = Wissel.
Waalsch, Wallónsch, de taal der Walen of Wallonen of der oorspronkelyke Fransche bewoners van België tusschen de Schelde en de Maas; (vandaar:) Waalsche kerken, Fransche kerken, zulke Hervormde kerken in Nederland, waar de dienst in het Fransch wordt verricht.
Wages, soldy, gage, loon, dienstloon.
Waggón, wagen, inz. spoor(weg)wagen.
Waiter, bediende. Jan, kellner.
Waldenzen, eene in de 12de eeuw ontstane stille en zedelijk strenge godsdienstparty in Frankryk (naar een Lyonsch burger. Petrus Waldus, dus genoemd).
Walhalla—Wodka 537
Walhalla, (in de Noordsche mythologie:) paradijs, hemel
der in den kryg verslagenen.
Walkyren, Walkuren, Noordsche strijdgodinnen. Wallónen. Wallóns, Walen, Fransche Belgen (z. Waalsch). Walpurgisnacht, de eerste Meinacht.
Wals, bekende vroolijke dans van Duitschen oorsprong. Walschland, z. Welschland.
Walsen, een wals dansen.
Wandalen, Wandalisme, z. Vand—.
Warénde, gaard; diergaarde; bekoorlüke dreef. Warehouse, winkel, magazijn, verkoophuis.
Warnasarie, veelkleurigheid van bloemen; bloemlezing. Warrant, bevel tot inhechtenisneming in Engeland, warranted, gewaarborgd.
Watercloset, bestekamer met waterleiding.
waterproof, bestand tegen \'t water, waterdicht. Wótertwist, garen op watermachines vervaardigd.
Watch, wacht, scheepswacht (die -4 uur duurt); horloge, watteeren, opvullen met watten.
Wédgwood, soort van Engelsch aardewerk.
Wélschland, Italië.
Wénden, tak der Slavonen in N.- en O.-Duitschland. Werst, Russische myl (7 = 1 Duitsche of ruim 10()7 me-Wheat, tarwe. [ters of ellen).
Wheel, rad.
Whig, volksgezinde, vrijheidsvriend, die in Engeland de koninklyke macht beperkt en de rechten des volks beschermd wil hebben (vgl. Tory).
Whip, zweep; parlementslid, die de leden zjjner partg bjjeenhaalt voor belangryke stemmingen. [land).
Whiskey, korenbrandewyn, jenever (in Schotland en ler-Whi\'sky, Engelsche open éenspanswagen met booge kap. Whist, Whistspel, zeker Engelsch kaartspel tussclien vier personen niet 52 kaarten; (ook:) drank van thee, suiker, citroen en rooden wijn.
Wholesale, groothandel.
Widow, weduwe.
Wife, vrouw, echtgenoot.
Wigwam, Indiaansche hut.
Wódan, oppergod der Germaansche volksstammen; (vandaar :) Wodansdag, d. i. Woensdag.
Wódka, Wodki, brandewijn (by de liussen en Polen).
538 Woiwode—Xylographisch
Woiwóde, heirvoerder, vorst, hertog, stadhouder in Polen. Moldavië en Wallachye.
Wolframium, zwaarsteenmetaal, een moeilyk smeltbaar en zwaar metaal, in 1781 ontdekt.
Woman, pi. Women, vrouw.
Wood, hout; bosch.
Wool, wol; Woolsack, zetel van den Eng. lord kanselier in het Hoogerhuis. (staal.
Wootz, voortreffelijkste staalsoort, Indisch of geianiasceerd
Work, werk; workman, arbeider, werkman; workshop, werkplaats.
Would be, iemand, die wil doorgaan, voor wat hg niet is (bv. would be philosoof, wijsgeer in naam, quasi-wijsgeer).
Writ, geschrift, inz. dagvaarding.
X,
X, als Romeinsch getal = 10.
Xr. is in \'t Hoogduitsch eene afk. van Kreuzer.
Xtus, = Christus (de Grieksche X beantwoordt aan onze Ch.)
Xanthine, krapgeel (kleurend beginsel des meek rap wortels).
Xantippe, de lastige vrouw van den Griekschen wysgeer Socrates; (vandaar:) een kwaad wijf, huisdraak, helleveeg, broekdraagster.
Xéniën, geschenken voor gasten (bij de Grieken); (ook :) soort van punt- of hekeldichten.
Xenocratie, heerschappg van vreemdelingen.
Xenograaf, ervarene in \'t lezen van het schrift van vreemde talen.
Xenomanie, overdreven zucht voor het vreemde.
Xenotciphium, grafstede voor vreemdelingen.
Xiphias, zwaardvisch.
Xyloglief, houtgraveur, houtsnijder.
Xyloglyptiep, houtsngkunst, houtgraveerkunst.
Xylographie, het drukken met houten letters of platen; kunst van \'t overdrukken op hout.
Xylogréphisch, met houten letters gedrukt; door overdruk op hout voortgebracht.
Xylolatrie—Zambos 539
Xylolatrie, aanbidding van houten beelden. Xylologie, leer of beschryving der houtsoorten. Xylóphagus, houtvreter, houtworm.
Y.
Yacht, (Engelsche spelling van *t Nederlandsche jacht), soort van snelzeilend scheepje. (en roeien.
Yacht-club, vereeniging ter oefening in het snelzeilen
Yam. Yamswortel, broodwortel (gewoon voedingsmiddel
Yammen, aardappelsoort. [in de Indien).
Yankee, spotnaam voor de N.-Amerikanen, bepaaldelijk voor de bewoners van Nieuw-Engeland. Yankeedoodle, vroolyk volkslied der N.-Amerikanen.
Yard, Engelsche el van 3 Eng. voeten = 0,91-44 ^\'cd. el.
Yatagan, z. Jatagan.
Yaws, de venusziekte in Afrika en W.-Indië.
Year, jaar.
Yellowfever, gele koorts.
Yeóman, niet adellyk Engelsch landeigenaar, groot pachter; (ook:) man der lijfwacht, koninklyk trawant.
Yeomanry, de gezamenlyke yeomen.
Yeuse, groeneik.
Yonk, z. Jonk.
Y sop, z. Hysop.
Ytteriet, glinsterend zwarte, ondoorzichtige steen te Y t-terby in Zweden. Yt\'trium, de vuurbestendige metaalbasis der Yt\'teraarde, welke laatste door Gadolin in den ytteriet ontdekt werd.
Yuca, Yucca, adamsnaald (prachtig N.-Amerikaansch gewas); (ook:) broodwortel, maniok.
z.
Z. = Zuid.
Zagaai, z. Sagaai.
Zémbos, naam, die men in Amerika aan de afstamme-
54° Zambonische kolom—Zoanthropie
lingen van Amerikanen en Negers geeft. Zambaigen, afstammelingen van Zambo\'s en Amerikanen.
Zambonische kolom, soort van Voltasche kolom onder aanwending van zuur vocht (door Bolmenberger in een voortreffelyken electroscoop gemaakt).
Zaréba, Arabisch versterkt kamp.
Zébaoth, de hemelsche heirscharen, de wereld, God.
Zebra, Kaapsche ezel, gestreepte ezel.
Zechme, Turksche en Italiaansche goudmunt (dukaat).
Zèle, ijver, vlyt.
Zeloot, yveraar, overdreven wets- of geloofsijveraar.
Zelotisme, gezindheden en grondstellingen van een blinden geloofsg veraar.
Zelotypie, jaloerschheid; hartochtelgke geloofsyver, die tot verstandsverbystering overslaat.
Zend avésta, godsdienstboek der oude Perzen en hunne nakomelingen de Parzen, dat de leer van Zoroaster bevat.
Zénith, schedelpunt, kruin- of toppunt, bovenpool van den hemel-horizon, tegenover \'tNadir (z. aid.)
Zenonisme, leer van den wijsgeer Zeno, hoofd der Stoï-cynsche school.
Zenom\'st, aanhanger van Zeno\'s leer, stoïcyn.
Zeoliet, bruissteen (inz. in IJsland en Zweden).
Zéphyr, koele, zachte westenwind, aangenaam koeltje.
zephy\'risch, zacht waaiend, suizend.
Zéro, de nul.
Zestae, Zet», wanne stoombaden.
Zetetica, Zetetiek, kunst om, in samenwerking met anderen, door vragen nog onbekende waarheden uit te vorschen. Zetétisch, zoekend, vragend, navorschend.
Zeugma, verbinding van twee zindeelen of ook twee naamw. door een werkw., dat slechts bij éen van beide past.
Zeus, Grieksche naam van Jupiter.
Zigeuners, Duitsche naam van het rondzwervend volk, dat wy Heidens noemen.
Zigzag, z-vormige lynen, gelyk bv. de loopgraven vormen.
Zincographie, zinkdruk.
Zingari, z. Zigeuners.
Zink, witblauwachtig, enkelvoudig metaal, spiauter.
Zirkoon, roodachtig bruine edelsteen.
Zoanthropie, verstandsverbijstering, waarbij de mensch waant, dat hy in een dier veranderd ia.
Zodiak—Zythotechnie 541
Zodiék, dierenriem, de gordel met de 12 hemelteekens, dien de zon jaarlijks schynbaar doorloopt.
zodiakaal licht, dierenriemslicht, eene naar het noorderlicht gel y ken de lichtschemering, die van de zon bjj haren op- en ondergang in de richting des dierenriems opwaarts gaat.
Zóïlus, nydig, wangunstig, scherp hedillaar, aartsvitter.
Zóne, gordel; aardgordel, luchtstreek, hemelstreek, aard-
Zoögraphie, dierenheschrüving en afbeelding. (streek.
Zoölater, dierenaanbidder. Zoolatne, dierenaanbidding.
Zoölogie, dierenleer, natuurbeschrijving der dieren.
zoölogisch, dierenbeschryvcnd, dierenkundig; —e tuin, dierentuin.
Zoönosologie en Zoöpathologie, ziekteleer der dieren.
Zoömagnetfsme, dierlgk magnetisme.
Zoöphégen, dieren-vlecscheters.
Zoöphy\'ten, dierplanten, plantdieren.
Zoöplastiek, navorming van dierengestalten.
Zoötherapie, dierengenees- of heelkunde.
Zoötomie, dierenontleding ; Zoótomist, dierenontleder.
Zoroaster, leeraar der wysheid en verbeteraar van den Perzischen volksgodsdienst (ongeveer 600 v. Chr.)
Zótica, dierlyke levenskracht.
zótisch, leven betreffend; het leven bevorderend.
Zouaven, Fransche soldaten in moorsche dracht.
Zwinglianen, aanhangers van het Zwinglianisme. d. i. de leer van den Zwitserschen hervormer Zwingli(u3).
Zyma, giststof, zuurdeeg.
Zymologie, leer of kennis der gisting.
Zythos, elke door gisting bereide drank.
Zythotechnie, Zytotechniek, bierbrouwerskunst, kunst van bierbrouwen.