qu. 325. 211 . 12 Rede Groninqen
t v ■ \'z0 vr /-2
FA !)K PFNTATKUi1
: imti kk
it I
li !■ m \\ (gt;i i! i m;
hthI\'SI\'iiiikia nu di; ovKiiiHMcin vw iikï üDToiiuT itj; i:i.iKs.r\\ivi;iisrii:n
TE lllKI.NIMlivW |ii;\\ ISiIcii SEITHllllHIl |sss, .......
\'i\'K (:ii()\\i\\(:i:\\ lü.i ,i
WOl/l\'lOliS, isss.
f ■iji-Kiquot;:\'1 \'quot;i\' lJRgt;^C«rif J,
- - 1 ■
imwi
j, .■ *
R E DE VOE H 1N ( t ,
m A
IIITGHSPROKEN BIJ DE OVERDRACHT VAN HET -RECTORAAT DER RIJKS-UNIVERSITEIT TE GRONINGEN, DEN 18(\'(:n SEPTEMBER 1888, DOOR
T)n. F. T. VAN DEN HAM.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0331 1994
Stoomdrukkerij van J. B. Woltcrs.
Geachte toehoorders !
Gereed de Rectorale waardigheid nederteleggen, aanvaard ik het laatste deel mijner taak, en doe aan de vermelding der lotgevallen onzer Universiteit in het afgeloopen jaar, volgens gewoonte eene rede voorafgaan. Het onderwerp dat ik behandelen zal, lag, naar mij voorkomt, voor de hand. Ik ontleen het aan een vak, dat ik geroepen ben te onderwijzen, waarvan ik de moeielijkheden ieder jaar meer leer inzien, en dat ik desniettemin, ik durf ook wel zeggen, juist daarom, telkenmale met nieuwe ingenomenheid ter hand neem. Ik vraag uwe aandacht voor de Israëlitische Oudheidkunde, tie methode die in den tegenwoordige!! tijd op haar toegepast moet worden, haar resultaten. Waar ik voor een ietwat uitgebreider kring, dan mij gewoonlijk te beurt valt, het woord voer, mag ik daar voor eenige oogenblikken op uwe belangstelling rekenen ?
Somtijds ben ik geneigd de beoefenaars onzer wetenschap tc benijden, die, in vroeger tijd vooral, zich de vrijheid veroorloven konden de kritiek buiten spel te laten. Immers, hun stond een rijke voorraad bronnen ten dienste, waaruit zij naar welgevallen konden putten, en die wij jongeren, zoover wij den invloed der nieuwere kritiek hebben ondergaan, gedwongen zijn prijs te geven; of ten minste niet meer zoo voetstoots kunnen gebruiken. Hoe dacht men b.v. in vorige dagen over den Pentateuch? De gansche wetgeving, daarin vervat, of liever zijn gansche\' inhoud, enkele verzen wellicht uitgezonderd, waar Mozes dood beschreven wordt, was het werk van ééne hand. De wetgever Mozes, onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren, gaf reeds gedurende de woestijnreis aan zijn volk een samenstel van ritueele en burgerlijke wetten. Met vooruitzienden blik vestigde hij het oog op het toekomstig verblijf van Israel in Canaan, en richtte daarnaar hare bepalingen in. Daar moesten zij in werking treden, daarop waren zij berekend. Is deze opvatting de ware, dan is het Israëlitische volk van zijn eerste optreden af aan, mag men zeggen, een cultuurvolk geweest, zijne wetgeving is terstond bij zijn verschij-
1*
4
nen in de geschiedenis, geregeld, en eene hoofdbron voor den Archaeoloog, de Pentateuch, staat hem reeds dadelijk bij het begin der Israëlitische geschiedenis in haar vollen omvang ten dienste. —
Doch ik behoef bij deze opvatting niet lang stil te staan. Het is van algemeene bekendheid, dat tot de verdediging van den Mozaischen oorsprong van den Pentateuch in zijn geheel, een zekere moed vereischt wordt, dien weinigen meer bezitten. Ik acht het dan ook volkomen overtollig hier het pro en contra te gaan uiteenzetten van eene zaak die eigentlijk niet meer aan de orde is. Evenmin schets ik U den weg dien de Pentateuchkritiek nu in ongeveer anderhalve eeuw heeft afgelegd. Liever sta ik een oogenblik stil bij de in onzen tijd geruchtmakende hypothese, die ook bij het onderzoeken der Israëlitische Oudheid niet onbesproken kan blijven, en die dat onderzoek er juist niet gemakkelijker op maakt. De beschouwing, bekend onder den naam van de hypothese—reuss—graf—-kuenen—welliiausen, (geen van deze vier namen mag ontbreken) vormt tegenwoordig de brandende strijdvraag voor do Oud-Testamentische wetenschap, haar schibboleth bij uitnemendheid. — Zij plaatst in tegenoverstelling met vroegere meeningen, het boek waaraan men gewoonlijk den naam van Priestercodex geeft, dat wil zeggen, een voornaam deel van Exodus, Leviticus, Numeri in het bijzonder, niet in Mozes tijd, ook niet in den tijd vóór de ballingschap, maar — in de exilische en vooral in de na-exilische periode. Wat vroeger het eerste was, is nu bij deze opvatting het laatste geworden; de uitdrukking „de wet en de profetenquot; is veranderd in ,,de profeten en de wetquot;. —
Wie aan de zoogenaamd Mozaische wetten, en vooral aan de drie middelste boeken zijn onderzoek wijdt, en ze vergelijkt met andere Oud-Testamentische geschriften, kan niet nalaten zich te verwonderen, dat deze wetten in den verderen loop der geschiedenis alle sporen van haar bestaan verliezen. Zij worden niet alleen overtreden, daarin staan zij waarlijk niet alleen, maar, hierop komt het aan, zij worden genegeerd. Wat het Richterentijdperk betreft, zou dit nog te verklaren zijn uit den ordeloozen staat van zaken die daarin heerschte, toen er „geen koning was in Israel, een ieder deed wat recht was in zijne oogenquot;. Maar hoe te verklaren, dat de toongevers in Israel, zijne wettige, zijne normale vertegenwoordigers zich, haast zou men zeggen, inspannen al die voorschriften tot eene doode letter te maken; dat de geschiedschrijvers die overtredingen vermelden, zonder afkeuring niet alleen, maar soms met een schijn van goedkeuring. Moe komt het, dat de voorexilische profeten den Priestercodex toonen niet te kennen, hem niet aanhalen waar zij, indien ergens, dit niet konden nalaten? Wat moet men aanvangen met een woord, als dat van Jeremia. „Ik heb met uwe vaderen, als ik hen uit Egypte uit-/ voerde, niet gesproken, noch hun geboden in zake van brandoffers, of slachtoffers.quot;\') Bezwaarlijk kan hij de Mozaische verordeningen van Leviticus,
1) jev. 7 : 22.
5
die den offerritus voorschrijven, gekend hebben. — Ziedaar een der hoofd-gronden, zeer in het kort natuurlijk ontwikkeld, voor het gevoelen, dat ons bezig houdt. De conclusie ligt voor de hand en is niet al te lichtvaardig: het genoemde Wetboek moet derhalve later ontstaan zijn, in den tijd na de ballingschap.
Maar zoo .gemakkelijk geven de bestrijders hel pleit niet gewonnen. Zij meenen, dat bij naauwkeurig toezien die onbekendheid met onze wetten toch zoo volkomen niet is als men zich verbeeldt, en zijn vernuftig dikwijls in het vinden van toespelingen; óf men spreekt, er schiet wel niets anders over, van eene latente wetgeving, die in den grond vrij wel zal overeenkomen met eene niet of nog niet bestaande. Doch aan te nemen dat zij niet bestaan heeft, daaraan tracht men op allerlei wijze te ontkomen.
Laat mij een oogenblik tie aandacht vestigen op het onlangs verschenen werk van een bekwaam en onpartijdig bestrijder der Wellhausensche hypothese. Ik bedoel kittel, in het eerste deel van zijne onlangs verschenen „Geschichte der Hebraerquot;. Dat het geschrift van den priesterlijken auteur, onze priestercodex, niet aangehaald wordt, waar men dit met rede verwachten kon, geeft hij gereedelijk toe, doch dit kan, naar zijne meening, zeer goed anders worden verklaard, dan door zijn ontstaan in het na-exilische tijdvak aan te nemen. De profeten kenden het bestaan der priesterlijke verordeningen; maar — het was hun niet vergund van deze inzage te nemen. Zij kenden ze, maar niet onder den naam en op het gezag van mozes. — Het is niet goed te begrijpen, waarom de priesters juist dit laatste, waarop het boven alles aankwam, niet duidelijker in het licht lieten treden. En evenmin lijkt mij de tweede oplossing, die de schrijver aan de hand doet, voor wie met de eerste zich niet tevreden stelt, zeer aannemelijk. Tusschen profeten en priesters bestond een antagonisme, zegt hij, dat de eersten verhinderde de wetten hunner tegenstanders als rechtens uitgevaardigd te erkennen. Doch daarmede is hun zwijgen bij iedere gelegenheid niet voldoende verklaard, want de priesterlijke invloed was toch zeker te diep gevestigd, om op die wijze door doodzwijgen te kunnen worden ondermijnd. Ik kan het bij dezen eenen bestrijder wel laten. De tegenstanders dezer hypothese zijn velen, en bij lange na niet allen zoo bekwaam en onbevooroordeeld als de daarevengenoemde: en is het hun hier en daar wellicht gelukt, eene zwakker verdedigde plaats te bezetten, toch zeker niet, de geheele vesting te veroveren.
Deze nieuwere zienswijze omtrent den Pentateuch heeft, kan men zeggen,\' eene ware revolutie teweeggebracht. Zij berust op het argumentum e silentio, dat, hoe gevaarlijk ook dikwijls in zijne toepassing, in een geval als het onze een snijdende uitwerking oefent. Opmerkelijk genoeg telt zij haar aanhangers tot in de meest behoudende kringen, en, naar mijne bescheiden meening, doorziet men niet altijd ver genoeg, waartoe hare resultaten voeren. Wat in het bijzonder de Israëlitische Oudheid betreft, zij plaatst bij deze de bronnen in gansch andere volgorde dan men vroeger gewoon was aan te nemen; zij
fi
ontrooft ons een groot deel, dat wij /,00 goed meenden te kunnen gebruiken voor het bestuderen van Israels oudste toestanden. Om niet te zeggen, wat hier in het voorbijgaan zij opgemerkt, dat vooral door haar de groote betee-kenis van Israels wetgever in dit opzicht althans vrij wat minder wordt, dat zij hem den rang van auteur ontzegt, aangezien de oudste documenten van den Pentateuch toch altijd na den Mozaischen tijd zijn te stellen-
Wil men hem tien decaloog op zijn minst blijven gunnen, ik zal de mogelijkheid niet bestrijden, dat deze, in besnoeiden vorm moge het dan zijn, van hem afkomstig is. Maar het valt toch niet te ontkennen, dat mozes als wetgever, als schrijver dan niet weinig van zijn vroegeren roem heeft ingeboet: en dat zijn beeld wat valer en nevelachtiger dan vroeger voor ons staat. Zelfs zijn er, aan wie het voorkomt alsof het beeld gaandeweg zijne omtrekken verliest, en langzamerhand zich in een nevel dreigt op te lossen.
Maar, werpt men tegen, wat doet dit alles ter zake? Tusschen de wetten zelve en haar opteekening kan een kortere of zelfs een veel langere weg liggen. Met andere woorden: wie in de ballingschap die wetten op schrift bracht, kan eenvoudig hebben bijeenverzameld wat hij vond, hij is niet de schepper er van, hij heeft de meer bescheiden taak van Redactor op zich genomen. Ja, om nog eenmaal den naam van mozes in het geschil te mengen, wellicht gelukt het, de lijnen der overlevering tot op zijn tijd, en dan ver-^ volgens op zijn persoon, door te voeren, hem tot den auctor primarius te stempelen van de denkbeelden, in die latere wetbundels neergelegd, ontwikkeld, maar waarin hij toch, ware hij herleefd, zijne eigene gedachten zou hebben wedergevonden. In dien zin zou men derhalve, niet zonder recht, nog altijd van eene Mozaïsche wetgeving kunnen spreken.
Aan den Archaeoloog in onze dagen is de taak opgelegd, en zij is naar ik meen nog niet naar eisch vervuld, om na te gaan wat in het later opgetee-kende van vroeger dagteekening is, wat in tien Priestercodex nieuw in vorm, maar oud in substantie moet heeten, wat bruikbaar kan geacht worden om in een tijdvak aan het exilische voorafgaande het Israëlitische volk te leeren kennen. Om een oogenblik hierbij stil te staan; in I.eviticus en in Numeri vinden wij een offerritus beschreven, die in den tweeden tempel zeker ook in praktijk werd gebracht. Daarom kunnen in deze, wat tie formulering aangaat nieuwe regeling, oude, zeer oude bestanddeelen zijn vervat. Slechts beroepe men zich daarbij niet op gewoonten van niet-Israelitische volken. r De offertafel van Marseille b.v. kan als Phenicisch gedenkteeken geen bewijs leveren voor de gewoonte der oude Israelieten van hunne reglementen voor de offers o]) schrift te stellen : daargelaten nog dat in tilt Phenicische document meer een tarief dan een eigentlijk ritueel voor ons ligt, en het mogelijk uit een even laten tijd als ons boek Leviticus dagteekent \'). En ook meen ik
1) Vj;. stauu, (icsch. Israels. 1)1. 11, p. g4.
7
dat anderen te ver gaan, wanneer zij sommige denkbeelden van later tijd aan een vroegeren tijd trachten aanteknoopen en afgebroken lijnen zoeken doortetrekken. In Deuteronomium wordt de eenheid van cultus, ééne plaats van Godsvereering, met alle kracht op den voorgrond gezet; de tempel van Jerusalem zal voortaan het éénige ware heiligdom zijn. Is deze gedachte nieuw, of toont zij reeds vroeger sporen van haar bestaan? Voorzeker , onder een groot getal tempels of heiligdommen zal langzamerhand één den voorrang, de suprematie erlangen; zijne gunstige ligging of wat het dan ook zij, kunnen daartoe medewerken. Maar het beginsel, waarvan de Deuteronomist uitgaande op ééne plaats van Godsvereering aandringt is, ik kan het niet antlers inzien, nieuw, van lateren tijd: zijn toeleg is den i eeredienst zuiver te bewaren voor heidensche bestanddeelen.
Al is het onderzoek naar oude bestanddeelen in onzen Priestercodex nog niet afgeloopen, dit staat vast: veel, van wat in dit geschrift gevonden wordt, was in het koningstijdvak onbekend. Eene priesterhierarchie met hare verschillende rangen, een hoogepriester aan haar hoofd, priesterlijke inkomsten, zoo rijkelijk als ze ons hier beschreven worden en meer nog worden daar niet gevonden. Nog eens: wat doet dit alles ter zake? zak men vragen. Daaruit volgt dus, dat men het grootste deel der Antiquiteiten eenvoudig verplaatst, en het in een anderen lateren tijd overbrengt. Wat gij voor het eene tijdvak verliest, wint gij voor het andere: wat rede is er dan om zoo over gebrek aan materiaal te klagen? wat bestond is immers gebleven en staat nog ter beschikking. — Laat mij U ten antwoord mogen wijzen op een andere slotsom, waartoe vooral ook deze laatste phase der Pentateuchkritiek ons dwingt te komen. Zij legt ons namelijk de vraag voor: veel wat wij in deze wetgeving vinden, is dat ooit in werkelijkheid getreden, is het ten uitvoer gekomen, of liever was het mogelijk het ten uitvoer te brengen?
Mag ik dit met een bekend voorbeeld ophelderen? In tie handboeken,
tlie over tie Israëlitische oudheid handelen, bekleedt de tabernakel, het oudste, het eerste heiligdom, eene voorname plaats. Het ontbreekt dan ook voorwaar niet aan stof voor de beschrijving. Tweemaal; eerst komt het voorschrift, dan volgt de uitvoering; vinden wij hoe de tent der samenkomst is ingericht met hare afmetingen, \'nare gordijnen, hare voorhangsels, pilaren, voetstukken, voorhoven, hare gereedschappen en wat niet al meer. Heeft men zich van het samenstel een indruk zoeken te vormen, dan rest ons nog, zoo meenen velen, na te gaan, welke symbolische, welke typische beteekenis al zij na deelen tot in de kleinste bijzonderheden toekomt. Men treedt in het voetspoor van den schrijver van den brief aan de Hebreen, ongelukkig niet met tie sobrieteit en den tact, die hier de pen hebben bestuurd. Stof genoeg dus: men behoeft vooreerst het breedc terrein, dat gegeven is, niet te verlaten. Natuurlijk ontbreken ook de moeielijkheden niet, en nog altijtl kan men in de Bijbelsche commentaren de quaestie behandeld vinden, hoe men zich die dubbele hoekzuilen heeft voor te stellen, welke van achteren tie wanden af-
8
sloten, en hoe zij moeten in overeenstemming gebracht worden met de lengte en breedte, die ons naauwkeurig wordt vernield.
Doch hoe, indien men door de resultaten der nieuwere wetenschap genoodzaakt wordt, aan die gansche beschrijving een veel mindere waarde te gaan hechten, en zich voor de vraag gesteld ziet: is hier fantasie of werkelijkheid? Openhartig gesproken, is dat nagaan van al de bijzonderheden van den tabernakel voor den Archeoloog de moeite niet waard, die hij zich getroost, en eigentlijk eene ware tijdverspilling. Want de vraag: heeft hij werkelijk bestaan? is in den laatsten tijd al meer en meer aan de orde gesteld en gaandeweg ontkennend beantwoord. Wat is het geval ? Terstond na de vestiging der Israelieten in Canaan is hij uit onze oogen verdwenen. Gij zoekt hem te Silo, de standplaats der ark, maar hebt moeite in het heiligdom, dat daar is opgericht, onze tent weder te herkennen. Hij ontglipt U telkens, als gij hem meent terugtevinden, dan hier, dan daar, op al de heilige plaatsen in het Palestijnsche land; te Nob, te Gilgal, te Bethel, te Hebron, ja waar niet al; zoo snel verhuist hij van de eene naar de andere, dat gij moeite hebt hem te volgen. En verder; de ark van Jahve heeft moeite, een onderkomen te vinden, en toch, hare woonplaats is aangewezen in den tabernakel, die, zou men zeggen, nabij was.
Gij moet bovendien aannemen, dat niettegenstaande de zorgvuldigste vervoering en verpakking in de woestijn, ook dit wordt ons op uitvoerige wijze bericht, er zoo weinig van is overgebleven, dat bij Salomo\'s tempelbouw bijna niets meer bruikbaar geacht, alles nieuw moet vervaardigd worden, alsof het nooit bestaan had. En zoo erkent gij eindelijk tegen wil en dank, dat hier eene beschrijving voor • ons ligt, die niet op werkelijk zien, maar op fantasie, op de verbeelding van den samensteller berust, en dat ook het zich verdiepen in quaesties, hoe de samensteller, beschrijvende wat hij niet gezien had, zich alles in bijzonderheden voorstelde, veel van zijn waarde moet verliezen. Zoolang de wetenschap der Oudheidkunde moet opgevat worden als eene, die met de werkelijkheid te doen heeft, in het bijzonder met datgene wat bestaan heeft in concreten zin, behooren zulke beschrijvingen hier niet t\'huis. Zij geven alleen een beeld terug, dat een later levende zich van Israels verleden vormde, het is zoo, aan het in zijn tijd bestaande ontleend, maar toch even goed als de tempel van Ezechiel een beeld in de lucht. In onze wetenschap is daarvoor geene plaats meer te vinden.
Een ander voorbeeld. In het vijf-en-dertigste hoofdstuk van Numeri worden , aan de Levieten 48 steden als hun bezitting toegekend. De auteur is een man van orde en regel, en bepaalt naauwkeurig de ligging dier steden met hare omliggende velden. Van een grooten stam meer, van een kleineren minder, zoo lezen wij, naar zijne erfenis, die zij zullen erven, zal ieder naar gelang van zijn bezit aan de Levieten geven. Verder wordt omschreven de grootte van ieder omliggend gebied, aan iederen kant even lang en breed, zonder onder-
O
scheid. Maar om niet te zeggen dat het getnl 48, als samengesteld uit 12 x 4, een eenigzins bedenkelijk karakter verraadt, ontstaat hier een nog veel gewichtiger zwarigheid. Lang bleef zij onopgemerkt: toch lag zij voor de hand, en is meer dan eens helder in het licht gesteld. Wat in een vlakke streek als onze provincie b.v. uitvoerbaar moge heeteii, was in het bergachtige Palestina, met zijn hoogst onregelmatigen bodem, vrij wat bedenkelijker: een bodem daarbij, die door de Canaanieten reeds was ingenomen er; ingedeeld. De overige geschiedenis brengt tot die moeielijkheden het hare bij, en stemt niet overeen met wat wij b.v. in Josua, dat ook deelen van den priestercodex bevat, vinden; zij kent andere priestersteden, dan hier worden vermeld. Wederom dus ook hier een abstraheren van het inderdaad bestaande, een plan ontworpen dat in de praktijk op onuitvoerbaarheid stuiten moet. Ook deze pericoop moeten wij prijsgeven: zij is van jonger dag-teekening en — wat in dit geval hiermede samengaat, zij gaat buiten de geschiedenis 0111, zij is niet meer dan cene onvruchtbare theorie.
Wie meenen mocht, dat het bij deze twee voorbeelden kan blijven, hem zou ik kunnen wijzen op nog meerdere. Of kan men zich bij eenig nadenken eene voorstelling vormen van een algemeen Sabbathjaar, ieder 7e jaar wel te verstaan, waarin op ieder zonder onderscheid de verplichting rust zijn land onbezaaid, of zijn wijngaard onbesnoeid te laten. Wat vroeger voor ieder in het bijzonder en op verschillende tijden geboden was, is thans gegeneraliseerd \') en ■—- daardoor onmogelijk geworden van uitvoering. Ten bewijze strekke eene plaats uit den Pentateuch zelve 1), waar te lezen staat dat deze veror-dening in het geheele voor-exilische tijdvak niet is nagekomen.
Evenzoo is het met het jubeljaar gesteld, dat eene verdere ontwikkeling van het zoo even genoemde Sabbathjaar mag lieeten. Het 50° jaar na een 49jarig tijdsverloop — dit sluit in zich 2 braakjaren, een sabbathjaar en een jubeljaar, waarin het land niets opbrengt, en de zwarigheid is hier nog moeielijker te ontkomen dan daareven. En wanneer wij eene belofte lezen als deze, dat namelijk in het jaar dat daaraan voorafgaat liet land zijne inkomsten zal opleveren voor drie achtereenvolgende jaren, en de vrees voor hongersnood dus is buitengesloten, vragen wij toch, of wij hier met eene wet dan wel met eene ideöele opvatting te doen hebben.
Wij zouden zoo nog kunnen voortgaan, en gewag maken van het weder- _ vergeldingsrecht, dat, hoewel op naar mij voorkomt niet zoo stevige gronden, en in strijd met gewichtige oude getuigen, volgens sommiger opvatting meer een principe dan een wettig voorschrift behelzen zou. Ik meen echter dat het voorafgaande voldoende is, en dat met eenig recht hieruit mag besloten
1
Lev. 26 : 34 vv.
10
worden, dat liet uiterst bedenkelijk is, aan die Mozaische wetgeving het praktische, het nuttigheidskarakter toe te kennen, waarin sommigen, ook nog in onzen tijd, haar hooge waarde zien. Aan hem, die met michaelis in zijn „Mosaisehes Rechtquot; in alles een praktische, een bijkans nuchtere zorg voor de belangen van landbouw veeteelt enz. in één woord voor algemeene volksbelangen ziet, een complex van nuttigheidsmaatregelen, moge het voorgaande ter overdenking zijn aanbevolen.
Zooveel is zeker; wie in onzen tijd de Israëlitische Antiquiteiten beoefent, moet veel als verloren beschouwen, wat hij meende te bezitten. De vijf zoogenaamde boeken van Mozes komen voor het doel dat men zich voorstelt, dat toch niet anders kan zijn dan het volk Israël te leeren kennen, zooals het inderdaad was, niet meer zoo in aanmerking als weleer, toen zij de basis, het fondament onzer kennis vormden.
Is dan de Pentateuch de eenige bron, zal men vragen, waaruit men zijne kennis kan putten ? Is er dan niets meer bewaard gebleven, dan dit ééne geschrift, dat nu ja een hoofddeel van het Oude Testament vormt, maar toch niet uitsluitend behoeft genoemd te worden, als ware het zoo goed als het eenige, waarmee men kan te rade gaan. •— In waarheid is de voorraad niet groot, die ter onzer beschikking staat. Want het is ons niet in de laatste plaats om het oude Israel in zijn aanvang, het meest oorspronkelijke, te doen, en juist hier zijn wij oin bronnen verlegen. Niet dat ik een overdreven gewicht hecht aan wat tot de hoogst mogelijke oudheid opklimt, als of het vooral gold een bijzonderen en zeker vrij dwazen nadruk te leggen op het woord „Antiquiteitenquot;. Ik zou niet gaarne den geringsten schijn op mij laden, alsof het Israëlitische volk na zijn terugkeer uit Babyion, onder den r invloed der Schriftgeleerden, onder het Rabbinisme, in de Talmudische periode niet de grootst mogelijke belangstelling waard was. Maar ik acht toch eenigzins gerechtigd te zijn tot de verklaring, dat een volk in den tijd van zijn onafhankelijk volksbestaan, terwijl het een afzonderlijken staat vormt, en nog niet in die mate den overheerschenden invloed van andere volken .heeft ondergaan, een eigenaardige aantrekkelijkheid moet bezitten. Die invloed toch heeft in vervolg van tijd het volkskarakter niet onkenbaar gemaakt, maar zeker wel veranderd. Het oorspronkelijke volk in zijn bloeitijd, ziedaar wat wij willen leeren kennen. Wel is reeds vroeg de Canaanitische beschaving een machtige factor geweest in Israels cultuur, en heeft later de Assyrische macht haar invloed doen gevoelen, niet alleen in vijandige beteekenis. Maar daartegenover dient in het oog gehouden te worden, dat Egypte veel minder dan men zou meenen in de Israëlitische maatschappij haar onmiddelijke inwerking heeft doen gevoelen. Wat zij aan Egypte ontleende, is langs een omweg tot haar gekomen. Men is het standpunt voorbij, waarop men godsdienstige gebruiken zoo goed als geheel Egyptisch meende te kunnen voorstellen. Noch stieren- of kalverendienst, noch het bekende orakel der Urim en Tummim,
11
allerminst de door Israel vereerde God Jahve klimmen langs dezen weg tot hunnen oorsprong op. Het blijft dus vaststaan; Hoe meer men den blik achterwaarts wendt, des te meer zal die onbelemmerd op het eigentlijke volk in zijn ware karakter, zooveel mogelijk van vreemde bestanddeelen ontdaan, kunnen rusten.
Daartoe hebben wij gegevens noodig: doet de Oudtestamentische kritiek ze ons voldoende aan de hand ? Volledig antwoord op die vraag te geven zou te ver leiden: ik doe slechts hier en daar eene greep. — Zoo wijs ik op een boek als dat van den profeet Joel, over welks tijd van vervaardiging de gevoelens over een ruimte van duizend jaar zich verdeelen, en dat nog altijd tien critici geen rust laat. De boeken der Richteren, die van Samuel, bevatten onwaardeerbare oude oorkonden: maar de klacht, dat deze zoo gering in getal zijn, kan men niet onderdrukken. De boeken der Koningen bevatten te veel wat ons bij het onderzoek eigentlijk meer in den weg staat dan hulp verschaffen kan. Zoo wordt meer dan genoeg de bijzonderheid vermeld, dat de hoogtendienst met den tempelcultus gelijken tred hield. Maar voor zijn wanhopig eentoonige, telkens herhaalde klacht, bijkans bij iedere koninklijke regeering vermeld, dat het volk en zijne regeerders steeds maar voortgingen op de hoogten te offeren, zouden wij zoo gaarne iets anders van hem in de plaats ontvangen. Wil men den Chroniekschrijver te hulp roepen, om de leemten in onze kennis van het koningstijdvak aan te vullen, men moet de naïveteit van een keil e. a. bezitten, om die breedvoerige beschrijving van den tempeldienst met zijne muziekkoren, zijn in alle bijzonderheden geregeld tempelpersoneel voor goede munt aan te nemen. De schrijver van de boeken der Chronieken behoort tot een jonger geslacht, en , lijdt aan de kwaal van het anachronisme op zóó bedenkelijke wijze, dat het vertrouwen op zijne berichten nog maar weinigen in onze dagen geoorloofd toeschijnt. Vergeet daarbij niet, dat het Oude Testament klein van omvang is, met enkele uitzonderingen op een bepaald gebied zich beweegt, uit een bepaald oogpunt alles beschouwt, kortom eene godsdienstige kleur draagt, daarenboven veel cruces interpretum bevat, en verwondert u niet, dat wij spoedig den voorraad hebben uitgeput. Niet vreemd dus, dat men eindelijk zijne toevlucht neemt tot de ongewijde schrijvers; tot den geschiedschrijver FLAvius josf.phus b.v,; zijn werk- over de Joodsche Oudheden zal ons beter inlichten. Ongelukkig geldt ook hier het bekende woord, dat bij hem, waar hij de Bijbelsche Oudheid beschrijft, te veel het ware niet nieuw en het , nieuwe niet waar is. Als hij op dit gebied zich beweegt, kan hij niet nalaten, hij deelt dit zwak met menigen historieschrijver, de voorstelling van zijn eigen tijd er in te laten vloeien en is dan, wat dit betreft, een zeer te waarderen leidsman. — Ten laatste zoeken wij onzen troost bij de Epigrafiek: dankbaar i te zijn voor alles wat ook maar het geringste licht ontsteekt, is den Archaeo-loog een dure plicht. Doch de ontdekking van een Israëlitisch overblijfsel, als de te Jeruzalem voor kort ontdekte inscriptie van Siloa, zou al een bij- \'
12
zonder belangrijken inhoud moeten opleveren, om ons bij zooveel gemis schadeloos te stellen: haar korte, vrij onbeduidende, daarbij nog niet overal even zeker vastgestelde inhoud is niet bij machte zelfs de meest bescheiden eischen te bevredigen. Meer waarde heeft een overblijfsel van het naburige volk tier Moabieten. De steen van mesa, den Moabitischen koning, is, wat zijne echtheid betreft, op de proef gesteld en heeft die proef doorstaan: zijn inhoud geeft ook omtrent Israels verleden onschatbare ophelderingen. Maar al worden de opgravingen in Palestina nog steeds voortgezet, al ziet men met vreugde telkens nieuw materieel uit den grond verrijzen, wie kan de verwachting koesteren dat er nog eens een Israëlitisch Pompeji uit den grond zal worden opgedolven ? Het verbod van beelden of afbeeldingen te maken heeft er zeker toe bijgedragen, dat eene beeldengalerij, zooals de Assyrische en de Kgyptische gedenkteekenen ze ons bewaard hebben, wel nooit onder het Israëlitische volk bestond, wel nimmer aan het licht zal komen.
Geen wonder voorwaar de klacht over het schaarsche materieel. Ik weet wel; voor wie de historische methode ter zijde laat liggen, zich om den tijd niet bekommert, waartoe alle gebruiken, gewoonten, instellingen, moeten gebracht worden, is de zaak vrij wat eenvoudiger. Toch moet deze methode bij het schema der behandeling den boventoon hebben. Voor vijftien jaren reeds heeft de Hoogleeraar oort eene lans voor haar gebroken. Het schijnt mij niet overbodig nog eens weder haar goed recht te bepleiten. Zeker behoort tot die historische methode nog wat meer, dan dat men, zooals de Duitsche geleerde, de wette, in zijn „Lehrbuch der Hebraisch Jtulischen Archaeologiequot; , een kort overzicht van Israels geschiedenis voorop plaatst, en verder aan den lezer overlaat in de ledige lijst de\' schilderij der Israëlitische oudheden te plaatsen. Volgaarne geef ik toe, dat de wette niet van historischen zin was verstoken en gevoeld heeft wat in dezen het rechte was; doch uit zijn handboek is dit bezwaarlijk op te maken. Wanneer hij terstond bij het begin van zijn Leerboek ons vak een deel der exegetische Theologie noemt, meen ik, dat hij den eersten voet al gezet heeft op een verkeerden weg, waarvan hij in het vervolg niet meer is af te brengen. In de boeken, die na zijn werk, over Bijbelsche Oudheidkunde het licht zagen, is in deze niet veel vooruitgang te bespeuren. En toch; schiften, rangschikken, ordenen der bronnen, daarmede heeft haar beoefenaar aantevangen, en voor een oningewijde in de kritische problemen, die aangaande den Pentateuch en andere boeken aan de orde zijn, is de behandeling onzer wetenschap niet meer mogelijk: niemand kan zich ontslagen achten met die problemen rekening te houden. Die miskenning van het eerste, het voornaamste dat hier op den voorgrond moet staan, brengt hare natuurlijke gevolgen met zich. De een kiest deze indeeling, die weder eene andere: iedere groepering verschilt naar het subjectieve inzicht van hem, die groepeert.
Het eenvoudigste en meest radicale middel om tot eene zekere gelijkheid van behandeling te komen is zeker de alphabetische orde tot gids te nemen:
ik vind liet ten minste niet bevreemdend dat men de stof voor een groot deel behandeld vindt in Handwoordenboeken, Realwörterbtlcher, die men even goed van achteren naar voren als omgekeerd kan lezer;. Doch zoo behoudt de Archaeologie het karakter, dat zij maar al te veel gevaar loopt te vertoonen, van een magazijn van curiositeiten, die men daar plaatst omdat men niet weet waar men ze ergens elders zal onder brengen, en die bij voorkomende gelegenheid kunnen dienen als hulpmiddel om eene moeielijke plaats in het Oude of Nieuwe Testament op te helderen. Bij geene wetenschap misschien ligt het gevaar zoo voor de hand door overvloed van boomen het bosch niet te zien: door de menigte van beelden den totaalindruk te verliezen. De indeeling naar de historische volgorde daarentegen geeft vaster grond onder ile voeten, en is een veilige draad in dit Labyrinth. Zij zal van zelve in het licht stellen, dat vele instellingen zich langzamerhand vervormd, ontwikkeld hebben, ook hoe die ontwikkeling allengskens heeft plaats gehad, en dat evenzeer bij Israel als elders niet altijd het hoogste terstond bereikt was; dat ook hier, gelijk overal, leven en beweging valt waar te nemen.
Zoo getuigt het dan, mag ik zeggen, van bitter weinig inzicht, wanneer men de kritiek in hare uitkomsten huldigt, en vervolgens als het op de toepassing aankomt, ze eenvoudig gemakshalve ter zijde zet; wat door groote tijdsafstanden van elkander gescheiden moet worden, wat eigentlijk niet meer dan den naam gemeen heeft, tot ééne massa, ik zou haast zeggen, samenkneedt, zonder tie moeite te- nemen, met de verschillende tijden rekening te houden. Moge al eene zorgvuldige uitlezing de beperktheid der stof te meer doen uitkomen, het staat daarom niet vrij, zich aan die taak te onttrekken.
Ik kan mij de vrees niet ontveinzen, dat men na al het gehoorde de slotsom reeds voor zich zeiven heeft opgemaakt, en zegt: Resultaat is: van het oude volk Israel weten wij zoo goed als niets. Gunt mij nog eenige oogenblikken om te trachten dit resultaat te voorkomen. Nog eens: het is niet te ontkennen, dat wij armer zijn geworden. Daarenboven, het geldt hielde kennis van het volk, het volk achter de op den voorgrond tredende hoofdpersonen, in zijn dagelijksche. levenswijze, zijne alledaagsche omstandigheden, in zijn meer eenvoudig, maar daarom niet eentoonig of onbelangrijk leven. Het volk voornamelijk zoeken wij te leeren kennen, tot de dieper \' gelegen lagen der samenleving door te dringen, die ons op haar tijd niet minder belang inboezemen dan de groote gebeurtenissen, waarmede de geschiedenis zich bezig houdt. Maar terwijl, om de woorden van Wellhausen te gebruiken, deze groote gebeurtenissen met vrij groote zekerheid langen tijd door kunnen bewaard blijven, is voor de schildering van toestanden eene gelijktijdige literatuur onontbeerlijk. — En ook, zoo schijnt het mij toe, verliest in het oog van den tijdgenoot het gewone, het algemeene lichter
14
zijne beteekenis, en gaat in vergetelheid onder, tenzij een, wien de zorg voor het nageslacht ter harte gaat, de moeite neemt de kennis er van aan een volgend geslacht over te maken.
Verliest, zoo zou men verder kunnen vragen, eene wetenschap niet al hare aantrekkelijkheid, die men uit fragmenten moet zoeken op te bouwen, en het bekende „Dasz will mir schier das Herz verbrennen, Dasz wir nichts Rechtes v/issen könnenquot; wel meer dan iedere andere op haar vaandel mag schrijven?
Ik zal in antwoord niet wijzen op het eigenaardige genot dat deze beperktheid van stof met zich brengt: wat scherpt meer den blik en houdt de belangstelling gaande dan .het combineren, het tot stand zoeken te brengen van een geheel met zoo weinig deelen mogelijk ? En verkrijgt niet in dit geval het geringste, het onbeduidendste voor den onderzoeker belang, wat bij grooter rijkdom in den overvloed misschien verloren gaat ? — Doch laat mij liever een andere opmerking er tegenover stellen. Schaduw en licht zijn ook hier niet zoo ongelijk verdeeld, als men meenen zou. De hypothese, wier invloed ik trachtte te schetsen, doet de profeten op den voorgrond treden, maar ook met betrekking tot de Israëlitische Oudheid ruimt zij hun eene eereplaats in; zij verlegt ook hier het zwaartepunt. Zij hebben, boetpredikers bij uitnemendheid als zij waren, de gebruiken en misbruiken van hunne volksgenooten zeker niet te lichtkleurig voorgesteld; overdrijving lag voor de hand. Maar aan die overdrijving was een grens gesteld, wilden zij niet ten eenenmale hun doel missen. Boven hun tijd mogen zij gestaan hebben, maar daarbuiten zoo min als ieder ander, zij blijven er met dat al de getrouwe afspiegeling van. — Somtijds beschrijven zij en treden daarbij zoo in bijzonderheden, dat het bijna is alsof hunne beschrijving voor de nakomelingen is bestemd. Is het niet, om nog eens met wellhausen te spreken, alsof de mode dier dagen in zijn eigen huis is ingeslopen, als Jesaja de versierselen der Israëlitische vrouwen opnoemt, bijna had ik gezegd, inventariseert ? Of wilt gij liever die uitvoerigheid toeschrijven aan de gaaf van met woorden te teekenen, aan deze mannen in zoo groote mate eigen, liever nog aan den Semitischen geest, die het concrete boven het abstracte verkiest, en met kleuren in bijzonderheden schildert, waar de nuchtere aanduiding, zou men denken, voldoende ware geweest. Mij lijkt deze verklaring juister toe. — Hoe het ook zij, zeker staan de profeten als hoofdbronnen vooraan.
En evenmin mogen oude oorkonden als die van den Jahvistischen of Elohis-tischen auteur, die onwillekeurig een beeld inlasschen van het volksleven van hun tijd, hier ongenoemd blijven, als een Deuteronomist, die in zijne herhaalde polemiek tegen afgodische gebruiken nog wat meer doet dan tegen windmolens schermen; of mag een wetsbundel, gelijk het zeker voorexilische Bondsboek, de aandacht ontgaan.
Doch er is meer. — Waar de grenzen van het Oude Testament zijn bereikt, daar doet zich onverwacht een nieuwe wereld op: onze gezichteinder is uitgebreid, want het volk, dat te voren als een op zich zelf staand verschijnsel beschouwd werd, is in
1
15
den kring der overige Oostersche volken opgenomen. Is het daarmede in rang verlaagd, van zijn voetstuk afgerukt, waarop het zoo lang een geheel eenige, geïsoleerde plaats innam? Al ware dit zoo: een feit is het, dat nu pas de Phenicische, de Assyrische ontdekkingen haar volle licht laten schijnen op Israel, dat niet meer als een alleenstaand phenomeen onbegrepen voor ons staat; nu eerst laat ook hier de vergelijkende ethnologic hare lichtstralen vallen. Inderdaad is het verrassend nategaan, hoe hier en daar het doffe glanzig, ja doorschijnend wordt, als wij er een lichtstraal uit een aangrenzend gebied over laten schijnen, en ontdekken, wat anders voor altijd zou verborgen gebleven zijn. Wat wij zonder buitengewone belangstelling aanzagen, wat onopgemerkt onzen blik voorbijging, verkrijgt in eens beteekenis, relief. Één bewijs slechts. Bij verschillende natiën is het bestaan geconstateerd van een godsdienstige vereering der voorouders, den zoogenaamden „Almencultusquot;. Wie de begrafenisplechtigheden der Israeliten aan zijne aandacht onderwerpt, hunne voorzorgen om aan de besmetting van lijken te ontkomen, onophoudelijk de plaats vermeld vindt, waar Israels en Juda\'s koningen begraven werden, en nog veel meer dan in het kort is op te noemen, hij zal zonder moeite de sporen van deze vereering kunnen herkennen. En, al is men geneigd af te dingen op de bruikbaarheid van al het materiaal, dat om haar te staven verzameld is, ook de helft er van is nog voldoende genoeg om tot nadenken te stemmen. En heeft niet ten laatste de Arabische Oudheid, aan het optreden van den Islam voorafgaande, onlangs door de studiën van wellhausen aan onzen blik vertoond, eene gewichtige bijdrage geleverd om onze kennis aan te vullen? Is niet evenzeer de tegenwoordige Oostersche maatschappij een hulpmiddel voor de kennis van het verleden, dank zij de taaie vasthoudendheid aan zeden en gewoonten, die het leven der Oostersclie volken kenschetst?
\'
i
♦
»
Het zou eene aanlokkelijke opgave zijn van het oude volk Israel een beeld te ontwerpen, gebruik makende van alles quot;wat het nieuwere onderzoek onder ons bereik bracht: vragen te beantwoorden, als deze: Welke waren zijne denkbeelden, zijne godsdienstige denkbeelden in de eerste plaats? Hoe was de toestand van de vrouwen, de dienaren, hoe was het lot van de krijgsgevangenen, de vreemdelingen die in zijn midden vertoefden? Mag het Israëlitische volk zijn rang innemen als cultuurvolk op ééne lijn met zijne\' naburen? Bij zulk eene poging om het volksleven in engeren zin te schetsen, kan natuurlijk de letterkunde hare gewichtige diensten bewijzen, mits men tusschen de regels wete te lezen, en bedenke dat slechts bij een omzichtig gebruik van hare diensten is partij te trekken. — Want wie staat er voor in, dat hare gedachtenwereld samenvalt met die des volks, en dat de schrijvers niet alleen voor zich zeiven aan het woord zijn, maar uitspreken wat de meeningen hunner tijdgenooten teruggeeft?
16
Op haar beurt ontvangt de letterkunde ook haar licht door de bestudering van het volk, waaronder zij ontstond. —■ Wellicht gelukt het door de schetsing van het laatste bij te dragen tot rechter verstand van de mannen die boven hun volk uitstaken, aan te toonen hoe zij geworteld zijn in denzelfden bodem als hunne volksgenooten, de fijne draden te ontdekken, die hen met dat volk verbinden, de klove te overbruggen, die beiden van elkander gescheiden houdt. Maar ook dan nog zal er ten opzichte van Israels groote persoonlijkheden, zijne wijzen, zijne dichters, zijne profeten, eene ruime plaats kunnen overblijven voor waardering en — voor bewondering.