-ocr page 1-

Vquot;;r\'\'

- «11

BESCHOU W LN\'ii EN

UVEK

SEREHZIEKTE

UUUK

%

?J)è

i it?

Dr. H. J. E. PEELKK,

g\\h

i %

ii

-f-H*

b A T A V 1 A ,

ar.uif ix\'ii r a co.

1 HSfS,

■7-.-

-ocr page 2-

Kast 213 pi. F no.6

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

(■zVj

BESCHOUWINGEN

OVER

SEREHZIEKTE

DOOR

Dr. H. J. E. PEELEN.

Oo.

Batavia, AT-BKECHT

1888.

-ocr page 6-

■\'! i-tm

\'

\' \'■ quot;gt;\'\'V-gt; ©O\' quot;trquot;LvKV

■m .

Hl

-ocr page 7-

BESCHOUWINGEN

over

SEREHZIEKTE

-—¥.lt;%»■*---

Het onlangs verschenen geschrift over Sereh, van de hand des lieeren van Zijll de Jong, getiteld „een ernstig woord over Serehquot; mag in een tweeledig opzicht belangrijk genoemd worden.

Belangrijk niet alleeu, omdcit schrijver ons daarin mede-deeling doet van zijne veelzijdige waarnemingen omtrent den rietbouw iu verschillende residenties, waartoe eene ambtelijke waardigheid hem vroeger in staat stelde, alsook van zijne persoonlijke practische ondervinding omtrent die cultuur, die hij, als beheerder eener fabriek, gedurende een tiental jaren, zoo ruimschoots in de gelegenheid was in al hare bizonderheden te bestudeeren, — doch ook vooral belangrijk, omdat hij, door al zijne waarnemingen en-ondervinding geleid, het ontstaan dier ruineerende ziekte meent te mogen toeschrijven aan geheel andere oorzaken, dan waarop het wetenschappelijk onderzoek aan de verschillende Proefstations tot nu toe het oog gevestigd heeft.

De Heer van Zijll de Jong toch zegt: „in de bibit moet hoofdzakelijk de achteruitgang van het rietgewas worden ge-zocht,,, bij wil daarom het suikerriet veredelen en heeft de overtuiging dat te kunnen doen, door in plaats van de top-einden, slechts gezonde en krachtige rietstokken voor plant-

-ocr page 8-

bibit te bezigen, waarna hij liet vertrouwen uit, langs dezen weg niet alleen aan de uitbreiding der Sereh paal en perk te kunnen stellen, doeb ook die plaag geheel te kunnen overwinnen.

In vollen gemoede blijkt hij dus een aanhanger te zijn van de z. g. degradatie-theorie.

Het wetenschappelijk onderzoek daarentegen is klaarblijkelijk van den beginne af geleid door de hypothese der microparasitaire natuur van de infectieziekten in \'t algemeen, eene hypothese, die thans algemeen gehuldigd wordt en evenzoo geldend wordt geacht voor epidemische ziekten onder de planten, als voor die onder menschen en dieren.

Door het snel vernietigend rwdcmisch optreden der sereh-aandoening in enkele residentiën en de hoewel langzame doch steeds voortgaande uitbreiding over grootere vlakteuitgestrektheden, waardoor men ook al spoedig haar rpide misch karakter meende te mogen vaststellen, werd dan ook het onderzoek, dat zich sinds een viertal jaren in die richting voortbeweegt, ten volle gerechtvaardigd.

Doch tegenover het goede resultaat, dat de Heer van Zijll de Jong met zijne plantwijze mocht verkrijgen, is het der wetenschap in al dien tijd nog niet gelukt, van hare zijde een positief licht te doen schijnen over die nog immer raadselachtige ziekte.

Welke toch zijn hare resultaten?

In 1885 werd de reeks der onderzoekingen geopend door Dr. Treub. Deze geleerde verklaarde de ziekte voor epidemisch en besmei lelijk.

In de aangetaste rietaanplantingen te Cheribon, konden door hein aan bovcnaardsche deelen der planten geen sporen der tegenwoordigheid van parasieten geconstateerd worden, althans niet van zulke parasieten, die voor de verklaring der ziekteverschijnselen in aanmerking zouden kunnen komen.

Wel vond hij daarin verschillende soorten van borende larven, talrijker en algemeeuer in serehziek riet, dan ia

-ocr page 9-

gezonde planten, doch meende die te mogen opvatten als een gelieel seeundair verschijnsel.

Het onderzoek der onderaardsche wortels van te Buitenzorg in potten gekweekte sereliplanten, leerde hem eehter twee parasieten kennen, een van dierlijken aard, de Heterodera, de ander van plantaardige natuur, een schimmel, hoogst waarschijnlijk behooreiidc tot liet geslacht Pytbium, uit de familie der Peronosporeëeu, welke beide te samen hij beschouwde als oorzaken der ziekteverschijnselen, met dien verstande, dat het parasiteeren van Heterodera in de wortels der suikerrietplant de primaire oorzaak der sereh zou zijn, terwijl de parasitische Pytbium soort slechts secundair nadeelig op de aangetaste planten zou terugwerken.

Aan de wortels, die zich hadden ontwikkeld aan de bo-venaardsche knoopen, werden geen Heterodera\'s aangetroffen.

De veranderingen in de aangetaste wortels worden door Dr. Treub beschreven als volgt;

„üe schors ondergaat in verreweg het meerendeel der gevallen in \'t geheel geen verandering. Het aanzwellen der vrouwelijke parasiet veroorzaakt een mechanisch uit elkander duwen en platdrukken van een zeker aantal schorscellen. Verdere direct nadeelige werking wordt door de schors niet ondervonden. Ziekelijke vermeerdering van schorscellen, rond om den aangezwollen worm komt gewoonlijk in \'t geheel niet voor. De aangetaste wortels zijn dan ook, in den regel, van buiten niet van anderen te onderscheiden.

„Aan den centralen cylinder echter, ter plaatse waar het dier zijn mondeinde heeft vastgelegd en zijn voedsel opzuigende werking uitoefent, krijgen een 5- ot 6tal cellen van den wortel bizonder groote afmetingen, daarbij de merkwaardigheid vertoonende van verscheidene, soms wel een 30 of 40 celkernen te bezitten. De veelkernige cellen, het mondeinde der Heterodera omringende, worden later vrij dik-wandig en nemen een geelbruinen inhoud aan. Worden jonge gedeelten van dunne wortels door Heterodera\'s aange-

-ocr page 10-

6

vallen, clan treedt meermalen eene duidelijk waarneembare ziekelijke celvermeerdering op en de wortel vertoont eene met het bloote oog zichtbare aanzwelling of knobbel

Het nadeel nu door deze parasieten aan het suikerriet toegebracht, verklaarde Dr. Treiib door voedselonttrekking, waardoor niet alleen der gehecle plant een verlies wordt berokkend, doch waardoor in \'t bizondcr het wortelstelsel wordt verzwakt, zoodat de functioneelc werkdadigheid vermindert, het gehecle stelsel minder weerstand kan bieden aan andere bijkomende nadeeligc invloeden en het dientengevolge meer vatbaar wordt voor aanvallen van andere parasitische organismen.

In de mededeelingen van het Proefstation te Semarang, Juli \'87, maakt Dr. Soltwedel de resultaten bekend van zijne onderzoekingen, die hem tot de gevolgtrekking hebben geleid, dat mei dc Hcterodera, doch wel de rylenchm Sac-chart de oorzaak der Serehziekte moet zijn, ofschoon overtuigd , dat ook eerstgenoemde parasiet wel eens dezelfde ziekteverschijnselen kan te voorschijn roepen.

Doch slechts voorwaardelijk werd Tylcnchus aangenomen al dat kwaad te kunnen berokkenen, n. I. alleen in vereeni-ging met andere oorzaken, die de parasiet in zijn vernielingswerk konden te hulp komen , want ook in gezond en krachtig riet werd Tylenchus gevonden, terwijl andere malen in ziek riet geeu Tylenchus, doch wel Hcterodera werd aangetroffen. De ziekelijke veranderingen, door Tylenchus in den wortel veroorzaakt, worden door Dr. Soltwedkl niet besproken, doch ongetwijfeld zullen zij overeenkomen met die door He terodera te weeg gebracht.

Dr. Krüger, Directeur van het Proefstation te Kagok, vestigde meer in \'i bizonder zijne attentie op den hoorder.

Aan verscheidene hem toegezonden planten, die uiterlijk volkomen het beeld der serehziekte vertoonden en innerlijk door omzetting van gevormde suiker, reeds een hooger glucosegehalte hadden, vermocht hij aan de eerste uitloopers

-ocr page 11-

7

van dc bibit in of even boven deu grond bemerken, dat de oorzaak der ziekte gelegen was in aanlas/ing van de plant door den hoorder (1).

Wanneer men bladeren en bladscheden van eene door boorder aangetaste plant wegneemt, dan ontwaart men volgens diens onderzoekingen, meestal dicht boven een ros, (eene geleding) een dikwijls door meerdere dicht op elkander gelegene bladscheden, gaand rond gaatje van ongeveer 2 m.m. grootte. Andere malen gebeurt liet, dat het gaatje zich onmiddellijk onder liet oog bevhult en er door bedekt wordt. Het gedeelte van den stengel boven \'t gaatje is zeer kort en gedeeltelijk dood, ook sterven gewoonlijk de oogen, die indien zij er niet aan ontbreken, zelden uitschieten. Daarentegen loopt het oog onmiddellijk onder \'t gaatje wel uit. Meestal ontwikkelt het zich echter niet zoo krachtig ais de oogen, die zich daar weer onder bevinden. De richting van \'tgaatje is meestal eerst horizontaal en strekt zich, steeds meer in het buitenste gedeelte van het riet blijvend, uit tot in de punt van den stengel, waar de eindknop dan vernield wordtquot;.

Bij eene andere geaardheid der ziekte bepaalt dc boorder zich voornamelijk tot de onder-of middengeledingen, dikwijls binnenkomend bij een oog, dat er dan geheel door vermeld wordt; vandaar verspreidt hij zich door onregelmatige horizontale of verticale gangen, om ten slotte het buitenste gedeelte van den stengel weer te doorboren.

Ten gevolge hiervan wordt het riet dikwijls geknakt, liet doorgroeien wordt door deze ziekte niet belemmerd, ofschoon de schade zich kenmerkt door vermindering van do kwantiteit en kwaliteit van het riet, dat waarschijnlijk ook weer glucose zal bevatten.

Het feit ten slotte, dat ook serehziekte werd waargenomen bij planten, waarbij geen boorder werd aangetroffen,

1

Bulletin No. 1.

-ocr page 12-

8

bracht Dr. K rug er tot de eindconclusie, dat, wat mcl den vaam van sereh bestempeld wordt, hel resultaat kan zijn van verschillende oorzaken.

Ziet daar nu vier verscliillcnde meeningen, die zicli allen even krachtig geuit hebben en die het ons geoorloofd moge zijn, van uit een onpartijdig standpunt nog eens in nauwgezette overweging te nemen.

Dat eenvoudig achteruitgang van het gewas de hoofdoorzaak zou zijn van de serehellende, zooals de Heer van Zijll de Jo^o meent, en dat men ter beteugeling, ja ter overwinning dier ziekte zou kunnen volstaan met alleen gezonde en krachtige rietstokken tot plantbibit te bezigen, geloof ik eene thesis, die niet zonder veel voorbehoud, mag worden uitgesproken. Vooral zou zij geen aanleiding mogen geven tot de gedachte, dat men in den vervolge slechts uilsluitend zijne zorg behoefde te bepalen bij de juiste keuze der plantbibit en men zich minder gedrongen mocht gevoelen voor het onderzoek naar andere oorzaken, naar andere verklaringen, die ons beter kunnen voldoen ten opzichte van alle symptomen, die zich in het beloop der ziekte voordoen en die zoo hoogst noodig in hun wezen nader bekend dienen te worden.

Doch uit welke omstandigheid zou men mogen afleiden dat er inderdaad achteruitgang van het rietgewas bestaat?

Wij weten dat bij de asexueele voortplanting, zooals bij stekking, plotselinge, sterke variaties niet voorkomen.

Bij minder gunstige levensvoorwaarden zou echter een langzaam teruggaan mogelijk zijn, doch eene lange reeks van jaren is dan noodig om eenigszins belangrijke afwijkingen te verkrijgen. Met dat teruggaan zou eene verminderde productie gelijken tred hebben gehouden, doch het tegendeel is waar; afgescheiden van klimatische invloeden zien

-ocr page 13-

O

wij de productie jaarlijks toenemen, dikwijls zelfs in belangrijke mate.

Eerder mogen wc daarom denken aan eene werkelijke toenemende veredeling der rietplant als een gevolg van verbeterde levensvoorwaarden door krachtiger voeding, in de laatste jaren toegepast en door zorgvuldige keuze van de bibit, waarvoor toch alleen die tot voortplanting gebruikt worden, die althans geen zichtbare afwijkingen vertoonen.

Ten overvloede heeft Dr. Soltwedel nog kunnen consta-tecren dat in het van buiten aangevoerde Hawaïriet, waarbij van degradatie door jaren lange intensieve cultuur, wel geen sprake kan zijn, even goed ernstige serehaandoening optrad als in de op Java inheemsehe rietsoorten.

Dat de Heer van Zijll, de Jong zeer juist heeft opge-merkt, dat ter verkrijging van een goeden aanplant, het meer aan te bevelen is, om in plaats der topeinden, slechts gezonde en krachtige rietstokken voor stekking te gebruiken, mag wel een natuurlijk gevolg zijn van de sterkere ontwikkeling der zijknoppen.

Die plantwijze verdient daarom ook alle aanbeveling en een goed werk mag het heeten, daarop de algemeene attentie gevestigd te hebben.

Of de verklaring van Dr. Treub geheel voldoende is om een juist begrip te erlangen van het wezen der serehaandoening vermeen ik eveneens te mogen betwijfelen.

Dat eene minder krachtige voeding, ten gevolge van voed-sclonttrekking, oorzaak kan zijn van eene minder flinke ontwikkeling en dat dierlijke parasieten, daar waar zij inwerken , eene wijziging in den groei kunnen doen ontstaan, ligt voor de hand, doch minder duidelijk is het dat die He-terodera het geheelc eigenaardige symptomenbeeld der sereh zou kunnen te voorschijn roepen.

Wat toch zien wij hier gebeuren V

Door den abnormalen prikkel van den parasiet ontstaat eene nulrilievc irritalie, waardoor de cellen in verhoogde

-ocr page 14-

10

activiteit geraken en zich vergrooten door opname eener groo-tere hoeveelheid materiaal. Weldra echter gaat die nutriticve prikkeling haren uitersten grens overschrijden en treden er formalieve veranderingen in, do celkern begint zich te verdeden en verdeelt zich nogmaals; er ontstaat een waar nu-clealieproces.

Doch daarmee ook is de werking van dien abnormalen prikkel afgeloopen. Van celwoekering geen sprake, dan alleen aan de jongere gedeelten der dimnere wortels. Over \'tgeheel is dus de plaatselijke terugwerking, die zich bovendien bepaalt tot slechts een 5- a 6tal cellen, van zeer geringe betcekcnis.

Het blijft evenwel mogelijk, dat zij, in zeer grooten getale in het wortelsystecm van eeue enkele plant aanwezig, zooals Dr. Solïwedel liet voorkomen van Tylenchus heeft geconstateerd, door voedselonttrekking werkelijk nadeelig zou kunnen terugwerken, docli alsdan zal de plant eenvoudig in haren groei ten achterblijven en door minder energieke stofwisseling ook minder suiker producceren.

Dat voedselonttrekking echter ook aanleiding zou kunnen geven tot verhoogde werkzaamheid in de oogen van het riet, deze zou doen zwellen en uitloopen, welke uitloopers er zelfs krachtig en gezond kunnen uitzien, zou een feit daarstellen van onverklaarbare tegenstrijdigheid, zooals wij bij natuurwerkingen wel nimmer zullen waarnemen.

Kan er dan ook nog op andere wijze een verband worden gezocht of aangewezen tussciien dat uitbotten der zijknoppen aan den stengel en den abnormalen prikkel in den wortel, door Heterodera of Tylenchus teweeggebracht?

Naar mijn gevoelen niet!

De plant toch bezit geen soort van zenuwstelsel, waarlangs die prikkel zou kunnen worden voortgeleid naar centraalieden, van waaruit zij wederom op andere, verwijderde peripherische deelen zou kunnen worden overgebracht. — We zullen daarom zekerder gaan ook nog naar andere oorzaken te zoeken.

-ocr page 15-

11

De borende larven, die Dr. Treub in de stengelieden aantrof, achtte hij voor de verklaring der ziekteverschijnselen niet in aanmerking te kunnen komen. Ook Dit. Solt-wedeIj hechtte daaraan weinig beteekenis.

Waarschijnlijk echter is de invloed van dien vijand door beide onderzoekers onderschat. Wat toch is natuurlijker dan aan te nemen dat een plant op een localen prikkel, ook locaal moet reageeren? ïen opzichte der Ueterodera mocht Dr. Treub verschillende histologische ajwijkingen in het aangetaste deel der wortels constateeren, en waarom zou dan de stengel tegenover een vreemden prikkel geheel inactief blijven?

Doch meer dan dat!

Alvorens echter in nadere beschouwing te treden, zij het mij vergund een korten terugblik te werpen op den gang der stofwisseling in de plant in \'t algemeen.

Alle levensverschijnselen in de plant staan onder de heerschappij van de moleculaire werkingen in het levende pro-toplasma, alle scheikundige werkingen vinden daarin haar uitgangspunt.

Als eerste functie van het levend protoplasma, geldt de ademhaling, de uitwisseling van zuurstof en koolzuur met do omgeving. Hoe de inrichting der plant ook zij, steeds kan de zuurstof tot alle levende deelen doordringen, en steeds kan het koolzuur deze verlaten. De groene plantendeelen echter nemen onder den invloed van het licht, koolzuur op en geven zuurstof af. Het opgenomen koolzuur wordt ontleed en de koolstof\' met de elementen van, water tot organische stof vervormd.

Van de plaatsen, waar die koolhydraten ontstaan, worden zij langs bepaalde banen, vaatbundels, vervoerd naar de organen waar zij verbruikt of opgehoopt worden. In \'t algemeen dus worden deze stoffen getransporteerd van de bladen naar den stengel, waarin zij deels naar de groeiende stengeltoppen en de jonge bladeren, bloemen of vruchten omhoog, deels naar de wortels of knollen omlaag ge-

-ocr page 16-

12

voerd worden en daar of als reservestof of als voedingstof dienen.

Tot liet laatstgenoemde doel moeten zij eerst nog verdere veranderingen ondergaan. De elementen der koolhydraten u. 1. verbinden zich met stikstof, zwavel en phosphor, die zij, in anorganische verbindingen door de wortels opgezogen en in den z. g. opstijgenden voedingsstroom opgevoerd, overal op hun weg ontmoeten, tot planlenciwil, do bouwstof voor het protoplasma, waaruit wederom des celslof geboren wordt. De regelmatige circulatie der voedingsvochten mag dus in de eerste plaats wel tot die gunstige omstandigheden gerekend worden, die noodig zijn tot geleidelijke en regelmatige ontwikkeling eener plant.

Daiir nu, waar de boorder gangen boort, heett vernietiging plaats van plantemveefsel, tal van vaatbundels, waarlangs de sapgeleiding plaats heeft, zullen in hunne continuiteit gescheiden en de stroom van voedingsvocht in haren loop worden afgebroken.

Het gedeelte van den stengel boven het gaatje wordt daardoor afgesloten voor den opstijgenden stroom, die de anorganische stoffen, door de wortels opgezogen, aanvoert en die met de eerste producten der stofwisseling in de chlorophyl houdende bladcellen, door den z. g. neerdalenden stroom aangebracht, dus niet kunnen samenkomen tot vorming van eiwit, en daar waar geen protoplasma kan worden gevormd, moet ook alle groei ophouden en de dood volgen.

Zooals Dr. KkIIgeb dan ook heett opgemerkt, sterft dat bovengedeelte af.

De uitgebreidheid dier plaatselijke necrose zal natuurlijk geheel afhankelijk zijn van de richting of het verloop der vernietigde vaatbundels.

Onder het boorgaatje echter zien we de oogen onmiddellijk uitloopen en wel des te krachtiger, hoe verder zij zich daaronder bevinden. Wat kan daarvan de oorzaak zijn?

Beneden de continuiteitsscheiding der vaatbundels zal

-ocr page 17-

13

eene passieve stasis ontstaan van het opstijgende voedings-vocht, doordat de aanvoer aanhoudt, terwijl de geleidelijke door- of afvoer stoornis ondervindt. Die stasis zal zich uitstrekken in omgekeerde richting van den stroom, van stengel tot in wortel vezel.

Doch waar zij a de koolhydraten , die met de thans aanwezige anorganische stoffen het benoodigde groeimateriaal moeten leveren? Wel is waar worden die vooraamelijk gevormd in de bladcellen, doch ook alle andere groene cellen, dus ook die van den stengel, bezitten het vermogen van koolzuurontleding. Hier blijven dus de voorwaarden voor de vorming van het protoplasma bestaan, komen zelfs in betere verhouding, daar de opeengehoopte hoeveelheid anorganisch voedsel tof prikkel dient voor de groene cellen, die daardoor in verhoogde activiteit geraken en eene geëvenre-digde hoeveelheid koolhydraten zullen leveren, zoodat eindelijk knoppen tot ontspruiting komen, die daartoe eigenlijk niet bestemd waren.

Nog zijn daarmee niet alle veranderingen aangetoond, die de borende larven zullen kunnen veroorzaken. De regeneratieve kracht, die in elke plant sluimert, speelt daarbij ook nog eene rol, die niet mag vergeten worden. Het is eene dagelijksche waarneming dat vele afgesneden plantendcelen, in eene vochtige en warme omgeving nieuwe knoppen en nieuwe wortels maken en ten slofte volkomen planten voortbrengen , die in al hare eigenschappen overeenkomen met de soort waarvan het afgesneden stuk genomen is. De suikerrietplanters vooral doen daaromtrent de meest uitgebreide ervaring op.

Zelfs uit de cellen der mergstralen ontstaat, na verwonding , een callus, die weer knoppen vormt, welke bij voldoende voeding tot gewone bebladerde takken uitgroeien. Zoo zal dan ook aan de door boorders verwonde deelen, callusvorming ontstaan, waaruit nieuwe knoppen groepen en de plant eindelijk het waaier- of fonfeinvormig aanzien kun-

-ocr page 18-

14

ncn geven naarmate zij zich genesteld hebben in de beneden-of middengeledingen, dan wel in het topeinde.

Wij zien dus dat borende larven op de ontwikkeling en op de groeiwijze der plant van grooten invloed kunnen zijn.

Doch noch hoorders, noch Tylenelius Sacchari, noch Hete-rodera Javanica worden overal en zonder uitzondering aangetroffen en wat Dr. Soltwedel in zijn verslag over December 80 zeide omtrent de boorders, is daarom ook volkomen toepasselijk op dc beide andere dierlijke parasieten, die men om dezelfde reden evenmin als oorzaak der sereh-ziekte kan aanspreken.

Waren zij inderdaad de eenigc oorzaak, dan zou men ook moeten onderstellen, dat kort vóór het uitbreken dier ziekte, eene invasie op groote schaal van die parasieten had plaats gehad, doch meer waarschijnlijk is het, dat zij er wel altijd zullen geweest zijn en dat zij ook wel altijd in het riet, ofschoon verspreid en niet in die mate als thans, te vinden zullen geweest zijn. Het (jczomle riet echter, dat door zoo\'n krachtige stofwisseling in betrekkelijk korten tijd zulk eene kolossale ontwikkeling erlangt, zal dan ook den aanval dier parasieten wel grootendeels kunnen weren of zich weinig of niets bekommeren over de weinigen aan welke bet mocht gelukken binnen te dringen. Doch het riet door eene andere oorzaak vJck geworden, heeft niet datzelfde weerstandsvermogen meer en kan alsdan door die parasieten worden overmeesterd, wier secundaire werking inderdaad soms niet gering mag worden geacht.

We worden er daarom toe geleid om aan te nemen:

dal Sereh ziekte niet on is/aal door genoemde dierlijke parasieten, doch door andere tol na toe onbekende oorzaken, dat die ziekte de plant in al hare levensverrichtingen verzwakt en dal zij ten gevolge dier verzwakking haar tveeistandsvermogen verliest, om het tal van lagere wezens die gaarne in haai\' parasiteeren, af te weren, waarop zij door parasieten, verschillend naar locale omstandigheden, zal worden overmeesterd} die

-ocr page 19-

15

tl? slolie (loor veelviildige vermeerdering en dientengevolge door steeds mequot;r(^ere v^selonttrclclnng, afwijkingen in den groei en eindelijk haren nullen veroorzaken.

Ten overvloede moge (^eze zienswijze nog gesteund worden door de volgende waargeiïquot;men leiten:

er bestaat Serchbibit, waarii\'? zcbs na aanhoudend onderzoek geen anguillnlen gevondeï) zijn (1);

2°. zij werden evenmin gevonden in den boueui, waaruit Serehbibit genomen was (*);

3°. infeetieproeven met anguillnlen houdende aarde zijn mislukt (*);

4°. Serebplantcn; wanneer men van haar bibit uee nt, geven wederom Sereh (*).

De onderstelling van 1)r Tiieub, die ook gedeeld wordt door Dr. Soltwedel, alsoi\' de Serehziekte zich epidemisch zou verspreiden en besmettelijk zon zijn, is door de vele waarnemingen omtrent het beloop, reeds gebleken niet volkomen juist te zijn;

Wanneer de ziekte op eene onderneming vrij algemeen en sterk kan heerschen, zonder op eene naburige onderneming over te gaan,

wanneer zij gelieele ondernemingen kan overspringen; v/an neer wij baar op de aangetaste ondernemingen niet zien ontstaan van uit eene bepaalde infeetiebron, om van daaruit van stok op stok enz. voort te schrijden, doch haar daar plotseling algemeen zien optreden;

wanneer wij Serehziekrict hier en daar verspreid vinden tusschen een overigens gezonden aanplant, zonder dat van verdere verspreiding iets waar te nemen is, enz.;

kunnen wij dan nog denken aan contagiositeit in den ge-

1

Bulletin Kagok No. 3.

-ocr page 20-

16

brnikelijkcn zin des woonls? Of zon men hier liet bestaan van sterk geprononceerde praedilectiehaarden mogen ap\'[ine men? \'t Zou waarlijk niet te verdedigen zijn pjig men de stelling opwierp, dat een 400—500 tal b\'jaws van de eene labriek als zoodanig inocliten torwij! een zelfde aan

tal bouws van eene nu.» •,••• i\' i iiaau grenzende fabriek eene volkomene iminvuiiwt tegen deze ziekte zoude hebben.

Neen! sere!) kan dan ook geen onvermijdelijk noodlot zijn, geen fpceitieke ziekte, waarvan de oorzaak zon beheerseht worden door tellurische en atmospherische invloeden en die eenmaal voorhanden zich telken jare zou regenereeren en op de zonderlingste wijze zou voortlmppelen.

Integendeel! die oorzaak moet kunnen vallen onder het bereik onzer zintuigelijke waarneming, indien in de ware richting nauwkeurig onderzoek wordt gedaan.

Echter schijnt mij de contagiositeit toe niet absoluut te kunnen worden buitengesloten. Waarschijnlijk zelfs bestaat er voor enkele screhaandoeningen een vaal contagium, doch van geen bizonder kwaadaardig karakter en dat eenmaal bekend, ook ongetwijfeld zal kunnen worden bestreden. Doch daarover later!

Do nadeelige werking der dierlijke parasieten alsnu beschouwende als van geheel secundairen aard, hebben wij de oorzaken op te sporen, wftardoor het riet primair zou kunnen ziek worden.

len einde ons daaromtrent eenig licht te kunnen verschaffen, is het noodig dat wij alle symptomen, die zooveel bij de cultuurproeven, als bij den practischen rietbouw zijn waargenomen , zooveel mogelijk naar hunne eigene waarde gaan schatten, oin ze daarna tot een collectief beeld te combineeren.

Als de meest belangrijke vinden we opgeteekend:

1°. dat het eerste verschijnsel van Serehziekte bestaat in stoornis in den groei, de geledingen blijven kort, de

-ocr page 21-

17

bladeren worden slap en sterven vroegtijdig af, de zijoogen aan den stok schieten uit en vormen takken, eveneens vormen zicli luchtwortels (1).

2quot;. dat Serehbibit in den grond snel rot, onder ontwikkeling van een onaangenamen reuk (1);

3°. dat het broeien van de bibit, dus het opeenhoopen en bedekken totdat de oogen uitloopen, de uitbreiding der Sereh bevordert (\');

4°. dat Serehbibit, hetgeen zich in den beginne nog langzaam mocht ontwikkelen, later toch afsterft, nadat de bladen verschrompeld en de groeipunten verrot zijn (\');

5°. dat met het afsterven eener serehzicke plant de teruggang en het geheele verbruik der reeds gevormde suiker gepaard gaat (2);

6°. dat bij teruggang van serehziek riet, het suikergehalte kleiner, het glucosegehalte grooter wordt (3);

7°. dat Sereh hier en daar verspreid kan voorkomen, zonder op het omgevende gezonde riet over te gaan (4);

8°. dat het van buiten aangevoerde Hawaïriet, waarin zich Sereh vertoonde, in eene zeer slechte conditie verkeerde, dat het geheel bedorven en verwelkt was, dat de meeste oogen reeds waren afgestorven en dat de suiker voor het grootste gedeelte in organische zuren was omgezet (5);

9°. dat gezonde bibits regelmatig kunnen opgroeien in plantrijen waarin Serehbibit was afgestorven (2);

10°. dat een door Sereh bezocht veld, nadat \'t herhaaldelijk geratoend werd, eindelijk weer in staat was gezond riet te leveren (3).

1

Jaarverslag Semarang \'80.

(\') Bulletin Kagok No. 3.

(!) Mededeclingen Semarang Aug. \'80.

(3) idem idem Sept. \'80.

C) v. Zijll de Jong, een ernstig woord over Sereh,

(,quot;) Med. Semarang Octolier \'80,

-ocr page 22-

18

Voorts werd nog\' geconstateerd:

11°. dat Serebziekte plotseling over eene geheele onderneming kan uitbreken;

12°. dat ziekelijk riet, waarvan de uiterlijke kenteekenen volkomen geleken op de zg. Sereb/iekte, niet altijd afsterft, doeb zelts onbelemmerd kan doorgroeien, ofscboon in kwantiteit en kwaliteit verminderende (\');

13°. dat bij serebziek liet, wegens vroegtijdige rijpheid een booger snikergebalte wordt waargenomen dan bij gezond riet (2);

14°. dat, naarmate de ziekte zicb beviger voordoet, de plant des te vroeger rijpt. Die rijpheid wordt gevolgd door ovemjpheid, de qualiteit vermindert, ten koste der primaire plant ontwikkelen zicb \'de secundaire vormsels. Op die wijze ontstaan de takken aan den stok en de uitstoeling. De vorming van lucbtwortcls moet eveneens als een gevolg van overrijpbeid worden besebouwd (3);

15°. dat bij serebzieke planten in de parenchymcellen die de vaatbundels omsluiten amylun-korrels gevormd worden, dat als een bizonder onverklaarbaar ver-scbijnsel wordt aangemerkt (3).

Ziedaar nu tal van verscbijnselen, die boogst belangrijke aanwijzingen geven. In de eerste plaats zien wij daarin interessante tegenstrijdigheden.

Sub 1 toch eene wijziging in den groei aangegeven als eerste kenmerk der Serebziekte.

Sub 14 worden diezelfde abnormaliteiten waargenomen, nadat overrijpheid is ingetreden.

Sub 2 en 4 zien we Serebbibit afsterven, ofschoon ineen verschillend levenstijdperk.

Sub 12 zien we bet onbelemmerd doorgroeien.

-ocr page 23-

19

Sub 13 cn 14 zelfs vroegtijilig- rijp, ja overrijp worden.

Sub 5 en G wordt gezegd, dat de suiker in serohzick riel langamerhaud verdwijnt, na eerst in glucose te zijn omgezet.

Sub 13 heelt het in eenzelfde stadium hooger suikergehalte dan zelfs gezond riet.

In zijn Januari verslag over \'86 zegt Dit. Sor/rwEDEL zeer terecht, dat het een dwaasheid zou zijn om te verinee-nen dat de ziekte altijd een gevaarlijk verloop zou moeten nemen, doch dat zij zich eerder in mindere of meerdere hevigheid zal ontwikkelen, naarmate eene krachtige of zwakke plant wordt aangetast — om evenwel in bovengenoemde symptomen steeds de uiting te zien van éénzelfde proces zou mij toeschijnen al even onoordeelkundig te wezen, zoo althans voor die verschillende uitingen geen bepaalde reden kan worden aangewezen.

Doch bovenstaande tegenovergestelde werkingen geven duidelijk te kennen dat er in het riet velschillende ziekteprocessen bestaan, die ook niet altijd gelijke gevolgen hebben. We willen daarom die Sereh- en Serehachtige aandoeningen scheiden in uwe en onware Sereh.

Op pag. 16 heb ik gezegd dat het mij waarschijnlijk voorkomt dat er voor enkele Sereh aandoeningen, die wij ware Sereh zullen noemen, een vast contagium schijnt te bestaan. Die meening moge ons in herinnering brengen de door Dr Treub reeds aangehaalde woorden van Frauck nl. „die anstecken-den Krankheiten der Ptlanzen sind alle parasitiirer Naturquot;.

We hebben echter ook gezien dat we onze gedachten ge-rustelijk mogen afwenden van de dierlijke parasieten, wij kunnen daarom Franck\'s woorden in eene andere beteekenis opvatten en willen nu al onze aandacht vestigen o[)d(iplantaardige parasieten; — enkele hoofd verschijnselen, nl. die vermeld onder sub 2, 5 en 0 duiden ons reeds de richting aan van den weg, waarheen we onze nasporingen zullen te leiden hebben.

liet rottingsproces doet ons onwillekeurig donken aan bac-

-ocr page 24-

20

teriën. De causale betrekking tusselien micro-organismen en rotting toch is reeds sinds lang als ieit vastgesteld.

In alle rottende stoffen heeft men organismen gevonden, diezelfde organismen bleken in onze omgeving zeer algemeen verspreid te zijn; verhinderde men het vrije contact dier organismen uit onze omgeving met de te onderzoeken stof, dan trad geen rotting in, terwijl ze zich onmiddellijk instelde, als men dat contact begunstigde. Door invloed der bacteriën worden de samengestelde stikstoihoiidende verbindingen (proteïne lichamen) ontbonden en door hydratatie, reductie en oxydatie ten slotte overgevoerd in zwavelwaterstof, ammoniak , koolzuur en water. Van de reeks stoffen, die tusselien deze beide uitersten liggen, zijn er meerdere die een hoogst onaangenamen reuk verspreiden z. a. phenol, in dol, trimethylamin en die vooral gevormd worden bij gebrekkige toetreding der zuurstof, zoodat de oxydatie alle trappen moet doorloopen, zooals ook plaats heeft met Serehstekken, door eene laag aarde bedekt.

Wederom zijn het bacteriën die een inverteerend ferment kunnen afscheiden en daarmee hydrolytisehe splijtingen te voorschijn roepen, dat is in casu, dat elk molecul suiker, onder opname van een of meer moleculen water in twee ot meer moleculen gespleten worden.

C12 H23 Ou -f- Hj O = CG II12 Oe CG II, j Oe.

r=: r= =

rietsuiker Dextrose Laevulose.

Nogmaals zijn bet de bacteriën, de z. g. chromogene, die allerlei kleurstoffen kunnen vormen. De kleuring der vaat-bundels wordt nog ondersteund door het imbibiticvermogen van het protoplasma voor kleurstoffen, die het in levenden toestand volstrekt uiet opneemt, terwijl het na den dood er zich donkerder mee kleurt dan de omgevende oplossing. Ook het verschijnsel sub No. 10 moge hier eene verklaring vinden, Eene alcobolgisting zien wij eindigen als er ± 140/0 alcohol gevormd is, omdat die concentratiegraad doodend

-ocr page 25-

21

werkt op de cclleu, die baar de gisting in gang hebben gezet en onderhouden. Bij reinculturen zien wc bacteriën betrekkelijk spoedig afsterven, niettegenstaande in het voedingssubstraat nog eene ruime hoeveelheid voedingstof voorhanden is. Üe stofwisselingsproducten van vele bacteriën schijnen dus een belemmerenden invloeit uit te oefenen op den groei en de vermeerdering hunner eigene soort.

Zoo ook hoopen die producten zich in een onbewerkt veld in dusdanige mate op, dat de specifieke bacteriën die Sereh kunnen veroorzaken, eindelijk door hunne eigene stofwisseling te gronde gaan, waarna datzelfde veld weer gezond riet zal kunnen produceeren. Op den aard dier stofwisselingsproducten behoeven we hier niet verder in te gaan.

We vinden bier dus verschillende processen, die alle terug te brengen zijn tot de reeks der uiteenloopende werkingen, die door bacteriën kunnen veroorzaakt worden.

Wanneer wij dan ook nagaan, onder welke omstandigheden deze micro-organismen zich het voordeeligst kunnen ontwikkelen, dan mag hot ons niet verwonderen, dat zij in de bouwaarde van een riettuin, in zoo\'n overstelpende hoeveelheid worden aangetroffen, dat zij op de daarin geteelde plant, vooral als die tevens nog een goed voedingsmateriaal oplevert, nadeeligeu invloed moeten uitoefenen.

De geringste hoeveelheid organische stof toch voldoet reeds voor hunne voeding en waar zij die vinden, groeien en vermeerderen zij zich, in quot;t bizonder als ook andere gunstige voorwaarden samentreffen bv. hooge temperatuur, vochtigheid, alcalische of neutrale reactie enz.

Vooral de kool- en stikstofverbindingen zijn het, die voor hun groei de beste voorwaarden aanbieden, terwijl onder eerstgenoemden de suikersoorten, ouder laatstgenoemden de albuminaten die zij zelve eerst peptoniseeren, eene voorname plaats innemen.

Ofschoon wol in geringe mate hebben zij toch ook anorganische verbindingen tot hun onderhoud noodig.

-ocr page 26-

22

Zij volstaan met vier elementen, zwavel, phosphor, kali en kalk of magnesia, die zij uit alle verbindingen weten af te zonderen.

Al die levensvoorwaarden nu vinden zij bij uitstek ver-eetiigd in een rietland, dat volgens de tegenwoordige begrippen bewerkt wordt. Trouwens, de drang dos tijdsom-standigiieden werd oorzaak, dat men een anderen weg als de vroeger gebruikelijke moest inslaan, dat men de produetie van suiker zoo hoog mogelijk moest opvoeren, ten einde in den scherpen strijd met de bietsuikerfabricatie niet met ge-bukten hoofde ten onder te gaan.

quot;t Lag toen voor de hand, om te trachten de productiviteit van den bodem, door kunstmiddelen, door bemesting te ver-hoogen en ofschoon gaarne de noodzakelijkheid daarvan erkennende, komt het mij toch zeer waarschijnlijk voor dat men door de modus quo, waarop die bemesting werd ingesteld, het Ti\'ojaanschc paard, de Sereh heeft binnengehaald, want weinige jaren geleden nog, toen men zich kon vergenoegen mot eene veel kleinere productie, en bemesting, door enkele ouderen van datum, zelfs ais zondigend werd geacht tegen c\'e heilzame krachten der natuur — toen was er ook van Sereh nog geen sprake.

En welke was nu die- wijze van bemesting?

Zonder rekenschap te horden, met datgene wat de plant werkelijk noodig had en niet datgene wat de bebouwde grond kon opleveren, werden, al naar de verschillende inzichten der industricelen, picols met boengkil, mot stalmest, met kottoran, met allerlei mengsels als z. g. compost, kortom, met alles wat slechts eenigszins dienstig kon worden geacht, aan het land toegevoerd.

Uit een bacteriologisch standpunt zijn dat alle stoffen, die niet alleen bacteriën kunnen kweeken en doen vermenigvuldigen, doch door hunne uitstekende verhouding van voedingstof hen ook hun hoogsten ontwikkelingsvorm kunnen doen bereiken, want evenals de hooger georganiseerde planten en dieren groeien ook zij des te krachtiger, naarmate

-ocr page 27-

23

hunne voedingsmiddelen des te beter aan alle cisehen beantwoorden.

Vooral in de kottoran vinden zjj een substraat, als men zich bijna niet beter zou kunnen denken, gevormde suiker, albuminatcn, do gewen.iclite zouten, do alcalische reactie — in één woord, e\'est tout pour le mieux! Men kan dan ook weldra waarnemen dat de kottoran zeer spoedig begint te gisten. Daar saccharose echter vniet direct in gisting kan overgaan, zal het proces worden ingeleid door zulke micro-organismen, die een iuverteerend ferment afzonderen en de rietsuiker daarmee eerst in glucose weten om te zetten.

Zoowel scliimmels als mueor racemosus, penicillum glaucum, aspergillus niger, als bacteriacëen zooals leuconostoe, Clostridium enz. zijn daartoe in staat. Eerstgenoemden evenwel vormen zich hoofdzakelijk op stroopen bij het z. g. bloemen, terwijl het zich snel ontwikkelende gistingsproces in de, door kalk veroorzaakte alealisch reageerende kottoran aan laatstgenoemden moet worden toegeschreven.

Zoodra zij hun vollen wasdom bereikt hebben, vermeerderen zij zich zoowel door celdeeling als door ware vruchtvorming. Binnen in hunne cellen ontstaan. Sporen, die onder daartoe gunstige omstandigheden kunnen ontkiemen en ten .slotte een species kunnen voortbrengen gelijk aan de oorspronkelijke. Die sporen bezitten veelal eene dergelijke groote weerstandskracht tegen allerlei agentia dat men ze Dauci sporen noemt en zulke sporen nu voert men bij kottoran bemesting in ontzaggelijke hoeveelheden toe.

In dit opzicht wedijverend met de kottoran, is de z. g. stalmest, een rottingsproduct van \'t. geen eigenlijk onder stalmest verstaan wordt. Zoo hebben ook directe onderzoekingen van Dh. Kocii aangetoond, dat de oppervlakkige aardlagen van een bodem, die met gier geimpregneerd was. buitengewoon rijk was aan allerlei bacteriënkiemen.

Worden doze en genen nu in den bodem gebracht in den drogen mousson, hetzij bij de voorbemesting, of tijdens het

-ocr page 28-

24

planten, dau zullen zij zich slechts langzaam ontwikkelen, doch zoodra de eerste regens vallen dan komen zij in voor-deeliger voorwaarden, of beter gezegd, alsdan worden die gunstige omstandigheden geboren, die voor hunne snelle ontwikkeling noodig zijn, nl. vochtigheid van den bodem, met eene hooge temperatuur; een z. g. broedtemperatuur.

Ten overvloede begint nu ook do industrieel zijn boengkil, guano enz. aan te voeren, zoodat voedingsmiddelen in ruimste lioeveellieid voorhanden zijn en de bacteriën zich ten opzichte van hun bestaan in een waar Eldorado mogen verheugen.

Wel hebben we tot nu toe nog altijd te doen gehad mot z. g. saprophyten, dat zijn micro-organismen, die alleen op doode stoffen leven, doch evenals wij bij onze reinculturen, de eigenlijke parasitische bactericn, die in levende organismen gewoekerd hebben, op eene gesclüktc voedingsvloeistot als saprophyten zien leven, even goed hunnen omgekeerd de laatsten in de eersten overgaan als de levensvoorwaarden daartoe gunstig zijn, (facultatieve parasiten).

Zoodra deze eene zekere mate van ontwikkeling bereikt hebben, krijgen zij bewegingsorganen, uiterst iijne terminale verlengingen, waardoor zij in trillende beweging komen die hun het substraat kan doen vinden, waarvan zij \'t meest gediend zijn, in casu de rietstok, die hen suiker en eiwit, hunne meest gewaardeerde voedingstoffen in ruime mate aanbiedt — of wel zij dringen in het riet door hun cellulose-oplossend vermogen.

Eenmaal daarin aanwezig, vermeerderen zij zich voortdurend; de hoeveelheden suiker, die bij iiumie weelderige vegetatie verbruikt worden zijn waarlijk hoogst aanzienlijk. Volgens v. Tieghem\'s opgave zouden bij de vorming van ±40 ffi bacteriën-massa, zelfs ruim 100 ü; suiker geassimileerd worden.

Natuurlijk zullen zij zich da4r voornamelijk ophoopen waar hun \'t minste weerstand wordt geboden, en waar zij \'t rij-kelijkst voeding vinden nl. in het weekere parenchym, de rescrveplaats, waar het suikerriet zijne gevormde suiker de-

-ocr page 29-

25

poneert, \'tgeen bij steeds meerdere vermenigvuldiging dier bacteriën eindelijk geheel zal verteerd worden, waardoor do rietstok ten slotte hol wordt.

Wanneer alzoo een groot gedeelte der plant voor de geregelde eirculatie barer voedingstoffen ontoegankelijk is gemaakt, wanneer door vernietiging der parencbymcelien de overvloedig gevormde suiker niet meer als reservestof kan gedeponeerd worden, dan zal de stroom der voedingsvochten, zoowel der gevormde koolhydraten als van de opgevoerde anorganische stoffen, meer worden afgeleid naar de buitenste gedeelten der plant en door dien ruimeren toevoer van voedingsmateriaal kunnen de zij knoppen ontspruiten, de bloei zich zelfs gaan ontwikkelen en aan de plant eindelijk de bekende serehgroeiwijze vcrleeuen.

Doch steeds verder dringen die bacteriënkoloniën door, voortdurend worden meerdere voedingswegen afgesneden, totdat de plant het in haren strijd met die parasieten ten slotte moet opgeven en zal afsterven.

Mocht het zijn dat de plant ontsproten is uit gezonde krachtige bihit en mocht zij zicli overigens kunnen verheugen in voor haar zeer voordeelige levensvoorwaarden, dan zal zij dien strijd geruimen tijd kunnen volhouden en ofschoon een armoedig bestaan voortslepende, evenwel het einde barer groeiperiode kunnen bereiken. Naarmate dus de plant sterker of zwakker is, zal zij kunnen blijven voortleven of des te eerder bezwijken.

Wordt van eene serehzieke plant bihit gebroeid, dan hebben we hier niet te doen met dauersporen, die haar nog moeten overmeesteren, doch met bacteriën iu hun hoogst ontwikkelden vorm, terwijl de z. g. broedtemperatuur indirecte oorzaak wordt voor het spoedig tot stand komen dier levensuitingen , waaronder rotting — waargenomen symptomen als sub. 2 en 3 vermeld.

Het vaste contagium nu, waarvan op pag. 16 sprake was en dat aangenomen werd van geen bizonder kwaadaardig

-ocr page 30-

26

karakter tc zijn, moet gezocht worden in die dauer,sporen, die voor de verdere verspreiding niet te vreezen zijn zoolang de bodem waarin zij voorhanden zijn, vochtig is, doch bij droogte worden zij door luchtstroomingen gemakkelijk in de atmosphcer opgevoerd, waaruit zij bij opvolgende windstilte weer neerdalen of door regens worden neergeslagen.

Van uit de Residentien, waar de Serehziekte liet eerst optrad, Cheribon, Tegal enz. zal dus in de oostmousson, bij Zuid Oosten wind geen verdere uitbreiding te wachten zijn, daar de verstuitde sporen naar zee worden gevoerd.

Hij voorheerschende Noord-Westen winden echter, zou zij zich in Zuid-Oostelijke richting kunnen voortzetten en zoo zien wij dan thans de rietvelden in de residentie Djocja aangetast, terwijl in Java\'s Oosthoek nog sleelits liier en daar enkele sporen zijn aangewaaid.

Daar echter moet het van bizonder belang geacht worden om de weinige door Sereh aangetaste planten niet eenvoudig weg te werpen, doch te vcrhraiulcn, omdat de daarin bevatte kiemen bij verdere ontwikkeling volkomen in staat zijn dezelfde verschijnselen in de m\'10 macht te voorschijn te roepen.

Nog eene andere reden mag het wellicht hebben, dat in den Oosthoek nog slechts weinige sporadische gevallen voorkomen. \'t Is een bekend feit, dat de aigemcene voorwaarden voor de rietcultuur, daar beter zijn dan in quot;t Westelijk deel van Java, en nauwer nog genomen, dat de eene resi-denlie, zelfs de eene afdeeling in dit opzicht bevoorrecht is boven de andere. Hoe krachtiger nu de plant opgroeit, hoe meer weerstand zij zal weten te bieden aan ziekmakende invloeden, aan dierlijke en plantaardige parasieten.

De raad van v. Zijll de Jong zal dan ook ongetwijfeld goeden invloed moeien uitoefenen. Doch bij het uitzoeken van zóóveel bibit kan er allicht eens een stek van minder allooi onder doorloopen. quot;t Zijn deze, die óf op hunne snij-vlakte of op de eene ol andere gekneusde plaats, met daucr-sporen geinfecteerd, de Serehplant doet ontstaan, terwijl dc

-ocr page 31-

27

anderen, al mochten ze soms hier of daar niet vrij van infectie zijn, do inwerking daarvan, door een sterken groei, tot enge grenzen zal weten te beperken.

Het groote belang van goede bihit moge ook nog afgeleid worden uit het treurig lot, dat het Tiawaï-riet heeft ondergaan. Dat riet, waar nog slechts enkele goede oogen aan te vinden waren, en dat grootendecls verwelkt en verrot was, vormde op zich zelve reeds een haard voor allerlei rottingsbacteriën en in dien toestand gebracht nabij de bron voor specifieke Serehintectie, zou bet inderdaad wel te verwonderen zijn geweest, als zich daarop geen dauersporen genesteld hadden, die later tot Serehontwikkcling aanleiding zouden geven.

Men zij echter in Java\'s Oosth )ck ook indachtig aan de waarheid, dat daar waar Sereh zich eenmaal heeft voorgedaan, de kansen voor verdere en snelle verbreiding in hooge mate bestaan, zoodat ook daar alle opmerkzaamheid mag geschonken worden aan al die voorwaarden, welke die verdere verbreiding zouden kunnen in do hand werken.

Dat het contagium overigens niet bizonder kwaadaardig is, bewijst het feit, dat eene door Sereh aangetaste plant evenwel kan doorgroeien: het kwaad dat berokkend wordt, kan dus niet voortvloeien uit toxische eigenschappen, die de voorhanden bacterie zou kunnen ontwikkelen, waardoor zij ook reeds in de kleinste hoeveelheid zou moeten dooden, doch moet alleen het gevolg zijn van overmatige vermeerdering en dientengevolge voedsel onttrekking op grooten schaal, en op de wijze zooals is aangetoond.

Zoo zien we nu dat tal van symptomen der Serehziekte van uit het standpunt der bacteriologie kan worden verklaard. Van wetenschappelijk belang moet het ongetwijfeld zijn, wanneer thans door reinculturen en opvolgende infectieproe-ven met de verkregen bactericnspecies, kon worden uitgemaakt aan welke specifieke soort ot soorten do Serehont-wikkeling moet worden toegeschreven; ook van practisch belang zou eenige meerdere kennis daaromtrent zijn, omdat

-ocr page 32-

28

de levensvoorwaarden dier bepaalde soort alsdan met zorg zouden kunnen worden bestudeerd, \'t geen er mogelijk toe leiden kon dat men zich sleclits tot bizondere voorzorgsmaatregelen zou kunnen bepalen.

Een dergelijk onderzoek eisclit echter zeer veel tijd en wijl de bizondere voorwaarde ter harer bestrijding een deel moeten uitmaken der meer algemeene, zal men wèl doen die reeds nu in toepassing te brengen, in afwachting dat eenmaal meerdere kennis zal verkregen zijn.

Op die algemeene maatregelen wensch ik straks terug te komen.

Omdat het onaanneemlijk is om in de verschillende bevindingen , slechts verschillende uitingen van éénzelfde proces te zien, hebben wc twee soorten van Sereh onderscheiden. Voor de onware Serehaaudoenhigen, die zekerlijk niet het kleinste deel zullen uitmaken, hebben wij dus thans ook eene oorzaak op te sporen.

Waarschijnlijk zal die wel te vinden zijn als wij eerst het chemismc der verschillende levensprocessen in de plant hebben nagegaan — de aard der afwijkingen moeten ons dan ongetwijfeld duidelijk worden.

Als eerste produet dan, der koolzuurontleding in de ehlo-rophylhoudende cellen, treffen wij het vloeibare zetmeel, het amylogeen aan

6 C02 5 11, O = C0 H10 O. 6 02 of volgens andere onderzoekers de druivensuiker 6 C02 6 H2 O = Cg H1 2 06 -f 6 02

In \'t laatste geval zieu we op (gt; aeq. C02 één ae(i. water meer opgenomen. Wegens de gemakkelijke en herhaalde omzetting van het eene in het andere koolhydraat, doet het weinig ter zake, welk product men als het eerst gevormde aanneemt. Genoeg, dat men het met amylogeen volkomen isomere zetmeel reeds in de chlorophylkorrels door de joodreactie kan herkennen. In dien vorm blijtt dat product der koolzuurontleding slechts gedurende korten tijd

-ocr page 33-

29

bestaan om weldra weer, in oplosbare druiven suiker veranderd, uit de groene celicn te worden weggevoerd. Geleidelijk doorloopt het thans de gelieele plant, op haren weg overal in verbinding tredende met de anorganische stoffen tot vorming van groei materiaal. Het suikerriet levert echter een overvloed van koolhydraten, welke tot bevengenoemd doel niet allen benoodigd zijnde, als reservestof in het pa-rencbym gedeponeerd worden.

Die suikervoorraad waarvan de industrieel partij trekt, vormt dus voor de plant een reservehapilaal dat aangesproken en opgeteerd wordt, wanneer zij daaraan behoefte mocht gevoelen; het is geen Secrelum, dat door de plant wordt uil gescheiden om niet meer aan hare levensprocessen deel te nemen, doch slechts eene tijdelijke nonactiviteitstelling, om dadelijk weer actief te worden als hare diensten weer kunnen gebruikt worden.

Dezelfde veranderingen, die hebben plaats gehad bij de vorming van rietsuiker, treden dan in omgekeerde, teruggaande richting in, van rietsuiker wordt druivensuiker, zetmeel en amylogeen. Die reservestof kan dus in tijd van nood dienen tot materiaal voor voeding en opbouw der plant, als langs dea gewonen weg de haar benoodigde voedingsstoffen worden onthouden of niet iu toereikende hoeveelheid worden aangevoerd.

Schumacher zegt ten dien opzichte: „Die Rilckbildung des Zuckers kommt hilulig vor mul besonders bei 1\'flanzen, in weiehen der Zucker als Reservestoff auftrift; bei dem Sehossen der Runkelritben z. B. geht der Zucker aus der Wurzel in die jungen aufschossenden\'Stengelgebilde und verwandelt sich daselbst in gewisser Menge in Starkequot;.

Men mag uit deze aanhaling tevens opmaken dat het niet geheel juist is, als Dr. Solïwedel in zijn jaarverslag over 86 zegt, dat afzetting van amyluin een eigenaardig physio-logisch verschijnsel is, „waaromtrent de tegenwoordige stand der wetenschap ons geheel in het duister laatquot;.

-ocr page 34-

30

In normale omstandigheden erlangt die reservestof eerst bij de stekking hare ware beteekenis, de suiker is de grondstof voor de eerste celvorming.

Bij veranderde invloeden echter kan zij ook eerder aan hare roeping voldoen.

Die veranderde invloeden worden geboren uit de intensieve wijze, waarop thans de cultuur van het riet gedreven wordt, waarbij men tracht de plant op te voeren tot hare meest volkomene ontwikkeling, met eene grootst mogelijke hoeveelheid reservestof.

Langs welken weg tracht men dat ideaal te bereiken ?

We hebben gezien dat de koolhydraten, (de suiker) voornamelijk gevormd worden in de groene cellen, in de bladeren. Het moet dus ook ons streven zijn om die blad ontwikkeling te bevorderen, haar weelderig te doen zijn. Var; algemeene bekendheid is het dat slikslu/hemesliiui ons daartoe uitstekend ter hulpe is. Voor ruimen stikstofaanvoer wordt dan ook krachtig zorggedragen, zoowel door directe toevoeging aan den bodem als door tijdige aanaarding, waardoor zich tal van adventiefvvortels vormen, die alle het hunne bijdragen tot complete absorbtie der bodems- voedingsvloeistoffen.

Die absorbtie kan door steeds meerderen toevoer naar willekeur verhoogd worden, doch de functie der bladcellen, de vorming van koolhydraten blijft helaas! aan zekere grenzen gebonden. Ik zeg helaas! omdat wij daarin de reden moeten zoeken, dat onze optimistische berekeningen wel eens geheel verkeerd uitkomen.

Denken wij ons b. v. dat voor de vorming van één acqui-valent eiwit ook één acq: koolhydraat noodig is, dan zullen, wanneer de bodem zooveel voedingstof bevat, dat zich één acq: eiwit en 3 acq: koolhydraat kunnen vormen, er zich 2 acq: dezer laatste als reservestof kunnen afzetten. Vermeerderen we nu de stikstofhoudende voedingsmiddelen zóódanig, dat zich drie acq: eiwit vormen, dan worden ook die 3 acq: koolhydraat geconsumeerd en er zal zich geen re-

-ocr page 35-

31

servestof meer kunnen deponeeren. Wil men in gedachte nog meer suiker maken en zal men daarom nog meer stikstof aanvoeren, dan moet zelfs do vroeger gedeponeerde re-servcstof worden aangesproken, ten einde met die al te ruime hoeveelheid N. eiwit te vormen. De suiker gaat dan terug naar glucose, zetmeel eu/,. Doch waartoe moet thans die overgroote kwantiteit gevormde plautenbouvvstof dienen? Zekerlijk niet tot normale ontwikkeling, doch wel tot verhoogde nutritieve prikkeling van alle cellen, vanwaar uit verdere groei kan ontstaan; zoo zullen dan ook weldra alle oogeu en knoppen uitspruiten en de Serehgroeiwijze ontstaan met zeer weinig of geen suiker in den stok of zelfs met zetmeelkorrels in hot parenchyin.

Zoo zien we ook tarwe en andere cerealiën bij rijkelijke en uitsluitende stikstofvoeding z. g. in quot;t blad schieten zonder vruchtvorming, de aardappelplant veel loot\'vormen, doch met weinig zetmeel in de knollen enz.

üe N voeding mag dus vooral niet te rijkelijk zijn, of beter, zij moet in zekere verhouding staan tot de gevormde koolhydraten, waarbij de laatsten en niet de eersten overwegend moeten zijn.

Doch op welke wijze trachten nu de industrieelen hun doel te bereiken? Of liever laat ons hierin niet de vo.v popuh doch de vox Dei hooren overtuigd als wij zijn, dat die der laatste ook die der eerste zal wezen.

liet principe om op de goedkoopste wijze, de grootste opbrengst te verkrijgen, doet aan Dn. Soltwedel de aanbeveling ontvloeien om in zekeren riettuin proeven te nemen met 1) Stalmest 200 pic. - 350 pic. per bouw Boengkil 20 „ -- 35 „ „ „

200 pie stalmest 4■ 4 — 16 pic per bouw boengkil. » » „ 1—4 „ „ „ chilisalpater; i) » „ 1 — 4 ,, „ „ zwavelzure ammoniak.

(\') Landbouw Courant 1888 No. 43.

-ocr page 36-

32

200 — 350 picols stalmest per bouw!! Ik kan niet nalaten er in parentliesi bij te voegen, dat als er noch geen rottings-sereh bestond, ze op die wijze ongetwijteld spoedig zou ge-fabrieeenl worden! maar ter zake!

Alzoo een tiilduilendii en zeer rijke stikstofvoeding. Nu bestond wel is waar die tnin uit zwaren kleigrond, die verondersteld mag worden een groot absorbtievermogen te hebben voor andere minerale stolïen en alzoo ook zwavel en phosphor in voldoende kwantiteit te bevatten, om aan de andere eischeu der plant, die alzoo hoog gespannen worden, te kunnen voldoen, doch mageenedergelijkebemestingswijze van uit een wetenschappelijk oogpunt inderdaad aanbeveling verdienen ?

Mag die gewichtige Wel van hel minimum zoo zonder eenig voorbehoud in \'t vergeetboek worden geplaatst? Moeten wij ons niet steeds herinneren, dat het leven en de groei eener plant volstrekt niet afhankelijk zijn van de aanwezigheid van eene groote hoeveelheid van het eene of andere voedingsmiddel doch wel van het aanwezige minimum van tic eene of amlere ononlbeerlijke vocdingsslof] want als dat minimum verbruikt is, dan kunnen ook de overige die nog ter beschikking zijn, niet meer tot werking komen.

Eene ruime en uitsluitende stikstofvocding dwingt de plant om ook hare andere benoodigde voedingstoffen in ruime mate op te zoeken en te absorbeeren.

Zoolang die voorhanden zijn, kunnen met eene dergelijke bemesting nog goede resultaten verkregen worden, doch eenmaal opgeteerd, zal de nog voorradige hoeveelheid N. de plant niet verder kunnen doen groeien. Zij wordt dan verplicht baar eindbalans op te maken, de vegetatie houdt, op, doch de assimilatie gaat nog eenigen tijd voort, en ook de vorming van koolhydraten houdt aan, zoolang de bladeren nog niet afgestorven zijn. Zij komt in de z. g. periode der reservestof-afzetting, de suiker wordt gedeponeerd in het parenchym, terwijl de nog voorhandene organische vorming-

-ocr page 37-

33

stoffen den terminaalknop tot een bloemtlragencleu stengel uitzetten.

De symptomen sub 14 en 15 worden dus verklaard uit te ruime stikstof bemesting, met gelijktijdig gemis aan andere voor de plant onontbeerlijke voedingsmiddelen.

Ook volgt hieruit dat alle éénzijdige bemesting voor den bodem hoogst uitputtend is en den een of anderen tijd er toe leiden moet, dat de plant ziekelijk wordt, waaruit allerlei secundaire toestanden kunnen geboren worden.

Bij andere ingestelde proeven was de stikstofbemesting evenzoo steeds voorheerschend.

Men trachtte dus bijna steeds de orgaan vorming te ver-hoogen, zonder tc beproeven of het niet mogelijk was om ook de gelijktijdige vorming der koolhydraten te vermeerderen, ofschoon het eveneens algemeen bekend mag heeten dat de kali daarop een bizonder gunstigen invloed uitoefent.

In hoeverre zich die invloed kan doen gelden mag eene proef bewijzen, door Nobbe ingesteld met beetwortels. Op eene vierkanten meter oppervlakte plantte hij vier bieten: Het ondervolgend staatje geeft een overzicht van de door hem verkregene resultaten.

Versche bladeren in Kilogrammen.

Versche bieten in Kilogrammea.

Geproduceerde suiker in Grammen.

Geproduceerde N, houdende stof in de bietei ia Grammen.

Zonder bemesting . . .

5.375

8.470

360.65

246.64

Koolzure kali ....

3.641

7.200

503.37

143.55

Phosphorzure kali .

7.000

7.685

861,11

234.58

Salpeterzure kali . . .

4.063

9.675

704.83

248.83

Chlorkalium.....

4.652

11.260

794.17

241.53

Zwavelzure kali.

5.688

9,658

759.02

392.82

Kiezelzure kali....

4.750

8.800

485.06

204.04

-ocr page 38-

34

Onmiskenbaar heeft de kali hier iu \'l algemeen een zeer gunstigcn invloed op de suikervorming gehad. Bij de phos-phorzurc kali zien wij het grootste gehalte aan suiker; de gewiehtshoeveelheid bladeren werd dan ook belangrijk vermeerderd, waardoor meer koolzuur opgenomen en geassimileerd kon worden.

De juiste wijze, waarop de kali werkt, is nog niet met absolute zekerheid vastgesteld.

Uit physische proeven evenwel blijkt het, dat het gering diffusievermogen van het eiwit sterk kan verhoogd worden door bijvoeging van eenige druppels koolzure-kali oplossing: men mag daarom onderstellen dat ook in de plant de kali het diffusievermogen van het eiwit bevordert en zoodoende indirekt ten gunste der stofwisseling werkt.

Schumacher gaat verder nog en zegt. „Wenn eine Pflanze Mangel an Phosphorsaurem Kali hat, denken wir uns eine Cerealiepflanze, dabei aber in grosserer Menge Stickstoff-und Schwelelsaure. — Nahrung zugeführt crhalt, so werden in den Blattern Organbilder—organische Bildungsstoffe erzeugt; da diesen aber. eine grössere Diffusibilitat fehlt, isihreWan-derung erschwert, sic diffundiren uur zum Keimlager des Halmes, veranlassen hier eine rege Zellenbildungsthatigkeit, welche die Bildung von Seitensprossen zur Folge hat. Vom Keimlager aus erzeugen sieli immerfort neue Sprossen — und die Pflanze ergeht sich in fortwahrenden Sprossen — und Blattercrzeugung\'\'.

• Zien we in deze symptomen niet wederom het evenbeeld van Sereh?

Bij de zeer weinige attentie, die bij de tegenwoordige wij-ze van bemesting, aan kalizouten geschonken wordt, wordt het dan ook zeer waarschijnlijk dat bij enkele ondernemingen Serehziekte ontstaat door ruime stikstolbemesting met gemis aan kali, want ook hei suikerriet vermag in hooge mate die stof tc absorbeeren.

Eenc aschaualyse vau riet, die ik eeuigeu tijd geleden

-ocr page 39-

35

aan de Landbouwschool te Wageningen heb doen verrichten, moge daarvan op sprekende wijze getuigen.

Aan aschbestanddeelen bevatte het riet 0,6 0/0, terwijl in 100 deelen asch bevat waren; o. a.

phosphorzuur in min; zuren oplosb : 10.5 quot;/o zwavelzuur 3.3 ^

kiezelznur 53.9

kalk 4_

magnesia 1.7 ^

kali 16,5 „

Stellen we nu de productie van ééne bouw op gemiddeld 800 picols = 50.000 kilogram riet, dan zullen per bouw aan den grond onttrokken worden :

phosphorzuur in min: zuren opl: 31.5 kilogram zwavelzuur 10.— ,,

kalk 12. ~ „

magnesia 5.—

kali 50.— „

Dus 50 kilogram kali per bouw, ongerekend hetgeen dooide bladeren, die als brandstof gebruikt waren, ontvoerd wordt.

Doch de goede resultaten eener kalibemesting behoeven niet alléén gezocht te worden bij Nobbe en bij de bietcultuur, ook de proeven van Dr. Soltwedel kunnen ons een schitterend succes aanwijzen.

In zijne December- mededeelingen van \'87 vinden we bemestingsproeven in een tuin, waavan de grond als zeer vruchtbaar kon beschouwd worden, daar zij zonder eenige bemesting 1129 picols riet opleverde, waarvan bij 70 % persing 108 picols suiker konden worden verwacht. De proeven en de resultaten waren de volgendequot;:

til P\'0, stahnost................ 4- 255 pic, riet \'22 pic. suiker.

f 1 30 quot; boengkil................ 474 „ 7 ,

J\' 10 // kalk..................... 150 „ 5 „

§ 200 // si almost 10 pic. kalk ... 98 u — 2 » ^ ( 30 // boengkil 10 » // ... 375 n 13 *

-ocr page 40-

36

\' 20 pic. ampnscli-asch.............. 218 pic. riet 36 pic. suiker.

3J

//

kalium sulfaat.............

420

//

61

//

10

U

guano....................

560

U

58

//

10

n

beenderen nv -i......... . .

600

n

77

n

10

n

guano -7- 3.^ pic, kaliurasulf..

96

n

13

//

20

H

beenderenmeel 3 j pic. » ..

435

u

54

//

4J

n

cliilisalpeter...............

423

n

23

//

4J

//

zwabelrure ammomak......

457

• //

29

//

85

//

guano....................

314

//

27

n

85

//

superjihorphaat............

241

u

42

//

a\'/j picol kaliumsulfaat als voorbetnesting gebruikt gat\' hier de liooge productie van 61 picols suiker meer, welke quan-titeit nog slechts overtroffen werd door de proef met been-derenmeel.

Dat het kaliumsulfaat minder gunstig werkte in vereeni-ging met guano, mag niet zoo vreemd zijn, als \'t bij den eersten indruk toeschijnt. Aan een zeer vruchtbaren grond toch wordt hier nog toegevoegd stikstof, phosphorzuur, kali, zwavel en kalk, alles in ruime mate.

Welk eene encrgische stofwisseling moet niet vereischt worden om al dat voedingsmateriaal te verwerken!

Doch do plant is geen orgaan, waarin men geheel naar Willekeur, massa\'s anorganische stof in geëvenredigde massa\'s organische kan doen omzetten. „Die Menge welche von den einzelnen Nilhrstoffen aufgenommen wird, hüngt in erster Keihe von den Bcdürfnisse der Pflanze, also von dom Vcr-brauch derselben durch diese abquot;. Komt er nu aan alles een grens, ook het assimilatievermogen der plant en de afzetting van reservestof gaat niet tot in \'t oneindige voort en zoo kan dan ook een overmatige toevoer der hoofdvoedingsmiddelen niet altijd ten gevolge hebben dat steeds grootere hoeveelheden suiker gevormd worden.

Integendeel, de voedingsmiddelen kunnen ook in te ge-concentreerden toestand aanwezig zijn, waardoor het diffusieproces in de plant wijzigingen ondergaat, waarvan hare ontwikkeling den terugslag ondervindt.

-ocr page 41-

37

Blijkbaar zelfs was hier de stikstof in te ruime kwantiteit voorhanden.

Niet alleen toch gaf het kaliumsulfaat met beenderen-meel een ruim 4 maal grooter rendement aan suiker, doch ook de andere proeven bewezen dat meerdere toevoeging van stikstof niet aangewezen was.

Waar ze uitsluitend werd gebruikt (30 picols boengkil), zien we wel het aantal picols riet belangrijk toenemen, doch de toename van suiker was uiterst gering, zoodat men gerechtigd wordt om aan te nemen, dat de gevormde koolhydraten voor verreweg het grootste deel verbruikt zijn geworden om met die stikstof, planten bouwstof te maken; zelfs werd hier de grens bereikt van de bepaald nadeelige werking van eene veel te eenzijdige bemesting, \'t geen verder wordt aangetoond uit het resultaat verkregen met 200 picols stalmest -fquot; 10 picols kalk.

200 picols stalmest alléén werden nog verdragen, gaven zelfs nog een surplus van 255 picols riet met 22 picols suiker, \'t geen daaraan moet worden toegeschreven, dat het gehalte stikstof hier op naluurlijke wijze tot verval geraakte en der plant langzamerhand ten dienste kwam, te gelijk met het in de stalmest bevatte phosphorzuur en kali.

Toen echter bij die hoeveelheid stalmest nog 10 picols kalk werden gevoegd, ontstond er een deficit van 2 picols suiker.

De kalk heeft hier, zooals zij altijd zal doen, de snelle vernietiging der stalmest in hooge mate bevordert; cvenzoo ontbindend heeft zij gewerkt op het huinusgehalte van den grond. Humus op zich zelf kan niets tot de voeding cener plant bijdragen, doch bij inwerking van kalk, ontstaat daaruit, evenals bij de langzame oxydatie, koolzuur, water en ammoniak.

De reeds gevormde ammoniak, die de stalmest bevat, wordt door kalk eveneens vrijgemaakt.

Bovendien neemt de nog in organische verbinding aanwe-

-ocr page 42-

38

zige stikstof, bij liet vrij worden, in tegenwoordiglieid van kalk, voornamelijk den vonn aan van salpeterzuur, den meest gereeden status, waarin de planten hun stikstof\'voedsel opnemen.

Zoo zien we dan liier een overvloed A an assimileerbare stikstof ontstaan , die geheel buiten verhouding stond tot de andere genoemde onontbeerlijke plantenvoedsels, waardoor eene analoge werking ontstond als bij de proef van guano met kaliumsulfaat, liet grootere gehalte kalizouten bij laatstgenoemde samenstelling kon hier het deficit voorkomen.

Sehijnbaar tegenstrijdig met deze gevolgtrekkingen is het hoewel geringe, toch positieve resultaat dat nog verkregen werd bij de nabemesting met chilisalpeter en annnoniaksul-faat. Hier toch werden respectievelijk 23 cn 29 picols suiker racer verkregen bij eene meerdere productie van 423 cn 457 picols riet.

Bedenken wij evenwel dat de ehilisalpeter eene zeer oplosbare verbinding is, welke nagenoeg niet door den grond wordt geabsorbeerd, dan mogen we ook onderstellen, dat een groot gedeelte dier aangewende 41/,) picol, niet tot werking is gekomen, doch door regens is mtgewasscbeii geworden. Ware die chilisalpeter telkens en telkens in kleine hoeveelheden toegediend, al naarmate de plant haar absor-beeren kon, dan voorzeker zouden de resultaten anders zijn geweest en zouden de nadeden dier te krachtige bemesting ook meer op den voorgrond getreden z^n.

Van de ammoniaksulfaat, kan het ammoniakgehalte ook niet geheel tot werking gekomen zijn, weshalve daarop dezelfde beschouwing van toepassing is.

Voorts blijkt uit die nabemestingsresultaten, dat het aantal picols riet vermindert, naarmate minder stikstof wordt aangevoerd, en dat de suiker in omgekeerde reden toeneemt en meer in verband kan worden gebracht met de werking van phosphorzuur en kali. — Superphorphaat geeft de helft minder riet, doch 2 X zooveel suiker.

-ocr page 43-

39

Dc bemesting met arnpas-asch kan dit eveneens bevestigen. Do 20 picols geven een surplus van 218 p. riet ract 36 p. suiker. Hier ook missen we alle stikstof, zoodat de goede werking dus geheel voor rekening komt der ± 3 0/o phos-pliorzuur en ± 1 quot;/„ kali die ze gewoonlijk bevat.

Het zij mij vergund nog een derde voorbeeld aan te halen ten bewijze dat de rietplant gaarne kalizouten tot zich neemt en thans minder met terugzicht op practische resultaten, door kalibemesting verkregen, dan wel inct \'toog op de hoeveelheid kalizouten, die door het riet zijn opgenomen en geassimileerd.

Geen voorbeeld kan ons daarvan een beter denkbeeld geven dan eene zeer nauwkeurige vergelijkende analyse van riet- en bietvvortelstroop, verricht door mijn vriend van Heel aan het academisch laboratorium te Delft.

1 Rietsuiker i stroop.

Bietwortel stroop.

Rietsuiker stroop.

Bietwortel stroop.

C05

25. °/„

28.5 0/o

k2 co.

33.72

64.40

Si 02

1.64

0 43 j

K, S04

7.50

0.87

so3

3.48

0.40

K Cl

13.75

14.67

Cl

6.54

6.74

Na.CO,

1.12

14.18

Fea Og

1.94

0.09

CaCO,,\'

33.40

2.13

Po 0,

Sporen

Mg Cq,

, 0.42

0.02

Mg 0

0.20

0.01

j Si 02

1.64

043

K„ 0

35.70

53.20

Fe2 03

1.94

0.09

Na2 0

0.70

8.20

verl. 0.,

))

1.50

CaO

18.70

1.20

93.90

98.77 ;

93.49

98.29

Hoewel niet werd opgegeven hoeveel 0lt) ascb die stroop bevatte, mag toch uit deze analyse blijken, dat 100deelen asch bijna 3()n/0 K,0 bevatte, dat met planten en minerale zuren ver-

-ocr page 44-

40

bonden bijna 55ft/0 kalizouten vormde, quot;tIs mogelijk dat een klein gedeelte dier zouten bevat was in de kalk, die voor de defeeatie gebruikt werd, docb wanneer we diequan-titeit ruim nemen en ze schatten op 50/0, dan rest er nog 50ft/u, waarvan de bron in dc plant zelve moet gezocht worden, eene verhouding die er ons bijna toe brengen zou om het suikerriet te beschouwen als gedeeltelijk te behooren tot de cultuurplanten der z. g. kaligroep, dat zijn planten, waarvan de bladeren een kraehtigen groei moeten hebben en het parer.ehym zich volkomen moet ontwikkelen, opdat koolhydraten ruim kunnen gevormd worden en de reservestof, de suiker, zich behoorlijk kunne afzetten, planten die daarom eene goede stikstof, zwavel, phosphor en kalkvocding behoeven , doch waarbij in haar voedingsmengsel die kali eveneens eene belangrijke plaats moet innemen, omdat anders bij dien weclderigen groei, geen voldoende koolhydraten gereserveerd worden.

Hoewel hier minder toepasselijk is die analyse evenwel te interessant, om ze niet met een enkel woordje in een ander opzicht te bespreken.

We zien hier een gehalte aan kalkoxyde van 18,700/0, terwijl de asch der beetwoitelstroop slechts bevatte l,200/0. Ten overvloede dient hier nog bij vermeld te worden dat die rietsuiker-stroop afkomstig was van sap, dat behandeld was geworden met enkele earbonatatie. Hoeveel kalk zal dan niet aanwezig zijn in stroop, atkomstig van sap dat niet gecarbonateerd wordt, aangenomen dat ten opzichte der kalkzetting het principe van 1 pro mille algemeen gehuldigd wordt.

Zooals wij weten is earbonatatie op Java eene uitzondering, doch die bewerking zou hier voorzeker even goed op hare plaats zijn al in Europa.

Dat dc opvolgende rijstbouw, die, zooals wij weten, eveneens ruime hoeveelheden kali verbruikt, nog betrekkelijk goede resultaten oplevert op gronden, waar het suikerriet

-ocr page 45-

41

door gemis aan voldoende hoeveelheid kaliverbindingen een kwijnend leven heeft geleid, zal wel daaraan moeten worden toegeschreven, dat de kali iu den bodem sterk geabsorbeerd wordt en daarom weinig circulatievermogen heeft; dat het riet verbouwd wordt iu plantrijen van 4—5 voet onderlinge afstand, dat alzoo een groot gedeelte van dien bodem ongebruikt blijft, \'t welk omgewerkt, der padiecultuur ten dienste komt •— doch vooral ook omdat dit gewas geplant wordt in den Westmousson, als voldoende regens gevallen zijn om die gronden vooraf te inondeeren en gedurende eoni-gen tijd geinondeerd te laten.

Door die regens worden o. a. alle oplosbare kalizouten aangevoerd, die zich gedurende den Oostmoussou in het gebergte hebben gevormd door verweering van de dubbelsili-caten van aluminium en kalium, die met kwarts gemengd, gezamenlijk het graniet vormen. Zoo ontstaat nieuwe voorraad , die de rijstplant gaarne tot zich neemt, liet mag dan ook wel onze attentie trekken dat de meeste landerijen in Oost-Java gedurende den regentijd meermalen overstroomd worden, \'t geen niet in die mate plaats heeft in Cheribon enz. waar de Sereh liet eerst uitbrak en nog immer blijft voortwoeden.

Zooals wij nu gezien hebben, kunnen aan bet ontstaan van serehachtige aandoeningen verschillende, oorzaken ten gronde liggen.

Wel is waar zijn die door mij aangegeveue oorzakeu nog slechts hypothetisch, doch in zooverre mogen zij ecnige waarde hebben, dat zij minder persoonlijke meeningen zijn, dan wel algemeen erkende waarheden, die hier hunne toepassing gevonden hebben. Of nu al die toepassingen volkomen op hunne juiste plaats zijn, zal de ondervinding, zullen verdere proeven moeten leeren, doch zooveel is zeker, dat wil do riet-suiker-fabriekant zich staande houden, hij ook de stem der wetenschap

-ocr page 46-

42

zal moeten hooren on rekening zal moeten houden met hetgeen de agricultumehemie en de stofwisseling der plant hem zal kunnen leeren.

Welke schoono resultaten daardoor kunnen verkregen worden, moge niet alleen de hooge vlucht getuigen, die de Eu-ropeesclie landbouw in \'t algemeen in de laatste jaren genomen heeft, doch vooral moet het merkwaardig succes der bietsuikerfabricatie ons tot nadenken stemmen.

Die industrie, die vroeger gedacht werd nimmer rendeerend te zullen worden, waarvan men, zelfs nog kort vóór de crisis van \'84 elkander trachtte diets te maken dat zij tot geen belangrijke resultaten zou kunnen leiden cn waarvan de concurrentie dan ook niet behoefde gevreesd te worden, boezemt thans allerwege respect in, heeft zelfs reeds vele rictsuikerfabriekanten ten ondergebracht en blijft de nog bestaanden steeds meer cn meer dreigend achtervolgen.

Dat resultaat is waarlijk niet het gevolg van der boeren overdenkingen, doch mag uitsluitend een uitvloeisel heeten van wetenschappelijke bemoeienissen, van de oprichting allerwege van proefstations, waardoor tusschen wetenschap en praktijk een innig verband is ontstaan, waarvan de werking, naar beide zijden heen, zich immer krachtiger en voorclceliger heeft kunnen uiten.

Hot landbouwbedrijf is dan ook geen bedrijf meer, zooals het vroeger begrepen werd, doch, zooals Knul Wol//\'zegt „muss die Landwirthschaft in ihrem ganzen Umfang eine wisscnschaftlielie Grundlage crhalten.quot;

Kennis geeft ook hier kracht en zekerheid cn juist toegepast kan zij bovendien nog immer groote geldelijke voordoden schenken.

Ik wil dan ook hopen, dat mijne stellingen aanleiding mogen geven om het onderzoek naar het wezen der Sereh n iet alleen meer te bepalen tot het opsporen der levensvoorwaarden van do gevonden dierlijke parasieten (\'), maar dat

(,\') Medodeelingen Semarang Juli 87.

-ocr page 47-

43

het zich ook zal uitstrekken tot alle omstandigheden, die op de levensvoorwaarden der plant van invloed kunnen zijn.

Bizonder belangrijk zou het daarom zijn als de Proefstations zich konden oceupeeren met het instellen van reinculturen dier raicrobieën, die in kottoran en stalinist gevonden moeten worden; belangrijk evenzoo om dergelijke culturen te doen met serehzieke bi bit, om vervolgens met de bacte-riesoort, die ongetvvijield zal verkregen worden, infectie-proeven te doen op wel gezonde, doch niet al te krachtige bibit.

Voorts zou het m. i. alle aanbeveling verdienen om aan de practische bemestingsproeven ccne geheel andere richting te verleenen. Zooals wij die thans zien doen, missen zij elke leidende gedachte, bet zijn proeven in den waren zin des woords, die moeielijk tot éénheid van resultaat kunnen komen. Thans reeds is het duidelijk geworden, dat een zelfde meststof op bet eene land zeer voordeclig kan werken, terwijl diezelfde stof geene of slechte uitwerking heeft oj) liet andere.

In de tuinen Tandjong-Modjo en Klaling (\') die slechts l\'/2 — 2 paal van elkander verwijderd liggen, die op betzelfde tijdstip zijn beplant en op dezelfde wijze zijn behandeld, zien wc een groot verschil in suikergehalte. Met eerst-genoemden tuin bedroeg, bij 7On/0 persing, het rendement van het riet slechts in 5 van de 42 gevallen , minder dan 100/0, doch aan den anderen kant klom het tot op 130/0. — Uit Klaling daarentegen bedroeg, bij gelijke persing het rendement van 60 onderzochte gevallen, 39 maal minder dan 100/0.

De eenvoudige bemestingen, waarop Dr. Soltwedel wil voortgaan zich vooral toe te leggen (2), zullen dan ook wel geen ander resultaat vertoonen dan dergelijke frappante tegenstellingen. Mareker was dan ook wel in zijn recht, toen hij verklaarde er absoluut van at te zien om uit eene eenzijdige

O) Mcdedeelingeu Semaraug Nov. 87.

(4) Me cl cd cel in gen Semarang Oet. 87.

-ocr page 48-

44

locale proef, algemeen geldige wetten voov de bemesting te geven (\').

Wat baat het dan ook der plant als stikstotvoeding in overvloed ter harer bescliikking staat en de zwavel en phosphor, tot vorming van eiwitstoffen haar ontbreken?

Wat kan het resultaat zijn als N. S. en P. voorhanden zijn eu er worden geen koolhydraten in voldoende hoeveelheid gevormd om in verbinding met al die anorganische stoffen het eiwit daar te stellen ?

Zal de plant zich voordeelig kunnen ontwikkelen als eiwit in ruime mate aanwezig is, doch door haar moeielijk diffusievermogen niet tot de gewensebte uitwerking kan komen? Last not least, welk practisch nut zou de rietcultuur hebben als er geen koolhydraten te over zijn, om als reservestof te worden gedeponeerd?

Op het voetspoor van Dk. Soltwedel, wil ook Du. Krü-oer gedurende minstens drie en zoo mogelijk vier jaren achtereen, den invloed bepalen der stikstofbemesting, om daarna eene andere reeks proeven te doen mot phosphoi\'/.uur en vervolgens met kali (2).

Ook hier dus weer éénzijdige bemesting, ook hier verkrachting van de heilige wet van \'t minimum!

Dr. KrUoer verdedigt zijne plannen door een scherp onderscheid te maken tusschen cultuur- en vcldbemcstingsproeven. Doch, strictc dicta, wat zouden de laatsten anders kunnen en mogen zijn dan cultuurprocven, tot hoogeren graad opgevoerd. \'t Is niet mogelijk om met ecnige gezonde rede de laatsten in te stellen, als men geen kennis bezit der eerste. Deze moeten ons leeren welke voedingsmiddelen en in \'t bi-zonder in welke verhouding tot elkander, de plant behoeft om tot haren meest volkomen ontwikkeling te geraken en wat speciaal het suikerriet betreft, oiu de grootste hoeveelheid reservestof af te zonderen, gene zullen ons aanwijzen in

(\') Bnllctiti Kagüli 110. 5.

C) Bulletin Kagok B.

-ocr page 49-

45

welken vorm die voedingsmiddelen moeten worden toegediend, in wcllce hoedanigheid zij liet gemakkelijkst kunnen geassimileerd worden, vooral in verband met de verschillende eigenschappen der bouwaarde.

Steeds echter neme men de bekende verhouding van die stoffen, die de cultuurplant het meest behoeft én die omgekeerd gewoonlijk het minst rijkelijk in den grond voorhanden zijn z. a. stikstof, phosphorzuur en kali.

Ten einde die verhouding ten naastenbij te leeren kennen, dienen veelvuldige aschanalysen, waarbij ook het stikstofgehalte der plant bepaald moet worden, vóóraf te gaan.

Heeft men daaruit approximatief de verhouding kunnen opmaken, waarin de plant die stoffen geassimileerd heeft, dan zou men met geringe wijzigingen eene voedingsvloeisiof kun- \'• nen bereiden, waarmee men water- of zandculturen zou kunnen bewerkstelligen, en is men , aangenomen dat het riet daarin groeien wil, zoodoende nog nader bekend geworden met de wezenlijke beboetten van het suikerriet, dan is de basis aanwezig om een mestmengscl te bereiden, dat aan alle voorwaarden voldoet en geheel zal beantwoorden aan de eiscben, die de industrieeel van zijne cultuur verlangt.

Natuurlijk zal het mengsel moeten varieeren naarmate van de vruchtbaarheid van den bodem, naar datgene wat die grond zelve kan opleveren. Zijne praetische ondervinding omtrent de hem bekende gronden zal hem daarin voldoende aanwijzing geven of bijaldien hij zekerder gegevens zal willen hebben, dan zal eene grondanalyse hem die gegevens kunnen verstrekken.

Wel hebben ook die gegevens nog geene absolute waarde, doch als bouwaarde wordt uitgetrokken met een niet al te sterk zuur, waarvan het oplossend vermogen min of meer met dat der wortels en met dat van het in den bodem aanwezige koolzuur, kan worden gelijkgesteld, dan zal men uit eene dergelijke analyse kunnen concludeeren, dat alle stoffen, die in oplossing zijn gekomen, ook in dezelfde hoeveelheid

-ocr page 50-

46

voor de plant assimileerbaar hunnen worden en dat zeer zeker dor plant f/ccit (jroolcre hoeveel heden ter beseliikking\' zullen staan.

Zij zal ook een denkbeeld ges\'en omtrent de ver houding waarin die voedingstoffen in den bodem voorkomen, waaruit belangrijke gevolgtrekkingen zijn op te maken.

Bevat b. v. de grond voor 10 oogsten pliospliorzuur, doch sleelits voor 2 oogsten kali, dan kan men zieh de onkosten eener phospliorzimrbemesting besparen, doch wordt het onvoorwaardelijk noodzakelijk om kali bij te brengen. Bovendien weten we dat steeds de meervoudige hoeveelheid der benoodigde voedingsstoffen moet aanwezig zijn, omdat de plant hare wortels niet tot in de kleinste hoekjes kan uitzenden. Bevat nu de grond juist stikstof genoeg voor ééne oogst dan dient deze hoeveelheid minstens 2 a 3 maal vermeerderd te worden.

Voor elke onderneming, ja voor elk land zullen de gegevens voor bemesting dus ook anders luiden.

Worden nu de cultuurproeven door de Proefstations verricht, veldbemestingsproeven zijn het werk van eiken industrieel in \'t bizonder.

Wanneer men ten slotte al de gegevens, die men aldus zal verkregen hebben, met elkander in verband brengt en daarbij de algemeene voorschriften bij de bemesting in acht neemt, in zooverre n. 1. dat men b. v. geen voorbemesting doe met chilisalpeter, op zandgronden minder gebruik make van super-phosphaten dan wel van andere minder oplosbare stoffen enz. enz. dan zal het aan een ieder gelukken zich niet alleen van enkele ziekten in het riet te vrijwaren, doch zich ook een ruime oogst te verzekeren.

Nog hebben we onze aandacht te vestigen op het algemeen waargenomen feit dat het tweede gewas steeds meer van de z. g. Serehziekte te lijden heeft dan het eerste.

Verwonderlijk evenwel mag het heeten dat men omtrent de ware oorzaak van dit bijna natuurlijk verschijnsel nog immer

-ocr page 51-

47

in liet duistere verkeert, en dat bij onze deskundige voorgangers nog niet het denkbeeld is ontstaan dat die oorzaak moet gevonden worden in gedeeltelijke uitputting van den bodem.

Geen enkele grondsoort tocb, boe vruebtbaar die ook zijn moge, kan verondersteld worden onuitputtelijk te zijn in al bare assunileerbare onontbeerlijke voedingsstoffen, die de plant voor baren voordeeligcn groei noodig beeft.

Berekent men boe groot de boeveelheid stikstof, phospbor-zuur en kali is, die eene aanplant van 100 pieols suiker per bouw, aan den bodem onttrekt, dan zal men al spoedig tot de overtuiging komen, dat men de werkdadige natuurkrachten in bare beteekenis voor den landbouw te zeer zou oversebatten als men de verwachting koestert, dat men van ecu tweede gewas een gelijk product als van een eerste zou \'■ kunnen winnen, te meer nog daar die natuurkrachten, die anders veel zouden kunnen goed maken bier bijna worden buitengesloten, omdat een veld voor tweede gewas onbewerkt blijft.

Alzoo geen nieuwe verweering van minerale, geen snellere rotting van organische stoffen, geen overgang van onwerkzame tot assimileerbare verbindingen.

De ware oorzaak zal dan ook wel gevonden worden door een nauwkeurig onderzoek van de bouwaarde in den onmid-dellijken omtrek der wortels van die tweede-gewasplanten, waarin ongetwijfeld de voedingsmiddelen niet in die verhouding zullen voorkomen, als de plant ze eisebt.

Wij zijn thans gekomen aan bet einde onzer beschouwingen en mogen nu de middelen bespreken, die zoowel de verdere uitbreiding der Sereh kunnen tegengaan als baar ook geheel zullen vermogen te overwinnen. Men zou mij bier wel kunnen tegenwerpen, dat bet niet aangaat maatregelen voor te schrijven op hypothetische gronden, al mogen die ook nog zoo\'n hoogeu graad van waarschijnlijkheid vóór zich hebben.

-ocr page 52-

48

Volkomen juist! ook ik zou niets liever vvenseheu om van nog zekerder basis uit te gaan. Doch wil men wachten tot het nemen van prophylactische maatregelen totdat het in te stellen onderzoek zal aangetoond hebben, dat het suikerriet geen bizonder leven heelt, doch dat de voorwaarden der levensprocessen in andere planten met geringe wijzigingen ook overeenkomen met die van het riet, totdat alzoo mijne beschouwingen tot waarheden zullen verheven zijn, dan zou het kunnen gebeuren dat den suikerindustrieelen hetzelfde lot besehoren werd als Saguntum, dat verwoest werd, terwijl de Senaat nog altijd aan het beraadslagen was en bleef over de maatregelen, die voor de verdediging moesten genomen worden.

Laat dat voorbeeld hun liever ten heil strekken; de Sereh heeft reeds te veel slachtoffers gemaakt, te veel kapitaal opgeëischt, om niet datgene te mogen beproeven wat de gezonde rede aangeeft.

In vollen gemoede durf ik hen dus aanbevelen;

1°. Geen meststof te bezigen, die in rotting verkeert of spoedig in rotting overgaat, alzoo noch stalmest, noch kottoran, noch zelfs boengkil — in \'t algemeen niet, omdat de neiging tot uitbreiding der ziekte overal bestaat, in \'t bizonder niet, waar Sereh, al is het ook in geringen graad, bestaan heeft, wijl men dien bodem met dauersporen mag geïnfecteerd achten.

De kottoran kan als brandstof gebruikt worden, hare aschbestanddeelen kunnen den nog toepassing vinden.

Bij aanwending van guano bestaat minder gevaar voor Serehontwikkeling, omdat de sterkzure reactie van die stof niet voordeelig is voor den verderen groei der bacteriën.

2°. Nimmer eenzijdig te bemesten, doch als meststof steeds een mengsel te gebruiken, waarin zoowel stikstof, als phosphorzuur en kali vertegenwoordigd zijn bv. guano met zwavelzure kali magnesia, cbilisuperphosphaat

-ocr page 53-

49

met idem. De kali moot ia niet te geringe hoeveelheid genomen worden; het stikstofgehalte moet zich regelen naar den min of meer voordeeligen groei. Beter moet het zijn dikwijls met kleine hoeveelheden, dan éénmaal met grootere te bemesten.

3°. Aan de hibit moet de grootste zorg besteed worden, gezonde en krachtige hibit, vooral vrij van elke kneuzing staat op den voorgrond; de sneevlakte dompele men onmiddellijk in teer, ten einde zooveel doenlijk, infectie te beletten.

Een ieder trachte zich in zijne nabijheid van goede hibit te voorzien, liet transport over groote afstanden, zooals verleden jaar heeft plaats gehad van Oost- naar West-Java en zooals ook dit jaar weer het voornemen bestaat te doen, moet len sterkste onlrnden worden. Gedurende dat transport toch, mag men niet aanne-men dat de bibit niet met de gewenschte egards zal behandeld worden — integendeel allerlei kneuzingen moeten daarmee gepaard gaan en tusscben kneuzing met opvolgend plaatselijk versterf en rotting met invasie van bacteriën — il n\' y a qu\'un pas!

Bovendien zal ook waarschijnlijk do suiker zich reeds grootendcels hebben omgezet, zoodat de vanverre komende stekken in dezelfde slechte conditie zullen verkeeren als het aangevoerde Hawaïriet waarin onmiddellijk Sereh uitbrak.

De geldelijke opofferingen, die men zich voor die bibittransporten getroost heeft en nog zou willen troosten , zullen beter besteed worden aan bewerkingen van den grond, waarop zich Sereh heeft voorgedaan, door b. v. dien grond gedurende eenigen tijd te doen braak liggen en ze dan herhaalden malen te doen beploegen.

Ook tegen de z. g. kalkbemesting, de bijvoeging van picols kalk, zooals tegenwoordig meer en meer

-ocr page 54-

50

gebruikelijk wordt, dient tc worden gewaarschuwd, tenzij door onderzoek bepaald mocht gebleken zijn dat toevoeging van ruime hoeveelheden kalk noodzakelijk is tot binding van luunuszuren of tot oxydatie van aanwezig ijzeroxydule.

Eene hooge uitzondering toch zal het zijn, als de grond niet zóóveel kalk bevat, als de plant voor haren opbouw noodig heeft. Extra-bijvoeging vormt dan ook geen direct voedsel, doch werkt indirect op de wijze zooals wij boven gezien hebben en dat in \'t kort neerkomt op de vrijmaking van in den grond vastgelegde \\ oedingsstoffen. Ook zij moet dus sterk uitputtend werken.

Alleen op zware stijve kleigronden mag hare aanwending in kleine hoeveelheden en inet groote tusschenruim-

tcn toepassing vinden — bij lossere gronden onthoude

men zich, zonder bepaalde aanwijzing, daarvan geheel.

Ook dient men er vooral op te letten, dat rictstok-kcn, door ware Sereh aangedaan, een bron van besmetting kunnen worden, dat zij derhalve niet weggeworpen, doch volkomen verbrand moeten worden. Ten slotte zij men er aan indachtig, dat de plant niet alleen hare onontbeerlijke voedingsstoffen in de gewenschte verhouding noodig heeft, doch dat ook, in ruime mate, lucht en licht belioclt voor hare volkomene ontwikkeling en vooral voor eene overvloedige suikervorming.

Eene r\'ietluin herscheppe men niet in een rictbosch, waartoe het verklaarbare verlangen, om steeds meerder produet tc maken, maar al te zeer aanleiding geeft.

\'t Is geen zeldzaamheid te hooren spreken van tuinen die 16— 1800 picols riet, doch slechts zeer weinig suiker opleveren.

Algemeen wordt dat toegeschreven aan Ie groote vruchtbaarheid der gronden en troost men zich bij de hoop, dat die gronden eenmaal minder vruchtbaar zullen worden en alsdan grooter hoeveelheid suiker zulleu opleveren. Een der-

-ocr page 55-

51

gelijk zelfbedrog is waarlijk curieus! — alsof gronden inderdaad te vruchtbaar konden wezen ! !

\'t Is mogelijk dat bet stikstofvoedsel in zulk een bodem sterk overwegend is boven bet phospliorzuur of de kali, evenwel niets ware eenvoudiger dan om die wanverhouding op te beffen.

Doch de dichte opeenhooping van het riet in zulk een tuin moge eerder oorzaak zijn, dat geen voldoende hoeveelheid suiker gevormd wordt. Hier toch worden alleen de top-einden van liet riet en dan nog slechts gedeeltelijk, door het licht bestraald.

De chloropliylvorming nu, is, zoo niet uitsluitend, dan toch zeker voor de hoofdzaak, afhankelijk van lichtinwerking en daar wij gezien hebben, dat koolzuurontleding en vorming- van koolhydraten slechts in de chlorophylhoudende cellen plaats beeft, zoo moeten ook bij gebrekkige chloropbyjvorming te weinig koolhydraten ontstaan ; diensvolgens kan ook de afzetting van cellulose niet in die mate volgen als de plant het eischt — de stengels schieten wel snel en sterk in de hoogte, doch blijven zwak en dun en eindigen met zich te legeren.

Dat er onder die verhouding wel niet gedacht kan worden aan ruime vorming van reservestof, zal wel niet nader besproken behoeven te worden.

Zelfs niet eens het diffuse licht kan voor de assimilatie in aanmerking komen, doch liet directe zonlicht— deinsolatie — is noodig voor do nieuwvorming van organische stof. liet onderzoek der bietwortels in Europa leert dan ook, dat het suikergehalte altijd belangrijk minder is na enkele dagen met bewolkten hemel dan na dagen met helderen zonneschijn.

Het mojt dus ook voor \'t riet van belang zijn om tusschen elke plantnj cene behoorlijke ruimte over te laten, opdat de plant zoo ruim mogelijk door de zon kunne beschenen worden, en wat nu dus ter ware veredeling van en ter voorkoming van ziekten in suikerriet noodig is, moet niet alleen gezocht worden in goede planlslekkcn doch ook in behoorlijke voeding en ruim :onlichl.

-ocr page 56-

52

Eindelijk zij het mij nog geoorloofd eene aanhaling te doen uit hetgeen door George Villc omtrent bemesting van het suikerriet gezegd wordt;

„En se reportant aux tableaux analytiques, qui expriment les exigences minérales de la canne a suere, on déduit la combinasion suivante, avec excédent:

Superphosphate a 13,50/o — acide phosphorique

assimilable (soluble dans eau et citrate). . 650 sort en acide phosphorique 87,75.

Sulfate d\'ammoniaque a 200/o d\'azote..... 200

soit en azote 40,—

Chlorure de potassium a 500/o de potasse ... 150 soit en potasse 75. _

1000

Le chlorure de potasse pourrait etre remplacé par le sulfate de potasse.

Cet engrais produit d\'exeellents resultats, comme fumure complete, sur le canne.

Sur les terres humides, an voisinage des marécages, ex-posées a la frequence des eaux pluviales, on obtiendra un satisfaisant resultat de l\'emploi de la composition suivante;

Superphosphate a 13,50/o acide phosphorique . . 300 soit en acide phosph. 40,5.

Phosphate praecipitó a 350/o acide phosph. . . 200 soit en aciJe phosph. 70.

Sulftae d\'ammoniaque a 200/o d\'azote..... 200

soit en azote 40.

Chloruse de potasse a 500/o de potasse .... 200 soit en potasse 100 _

900

Deze verhouding eener kunstmatige bemesting die echter volstrekt niet als een algemeen recept kan dienen, zou echter tot voorbeeld kunnen strekken van mijne bedoelingen en zou naar de meerdere of mindere vruchtbaarheid door een ieder kunnen gewijzigd worden.

-ocr page 57-
-ocr page 58-
-ocr page 59-