-ocr page 1-
-ocr page 2-

■ ■, \' \'gt; • • \' (

i

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

amp; fiq.

iSiamp;li\'l

Overgedrukt uit het Maandblad voor Natuurweteuschappen, No. 4 en 5, Jaargang 188!).

Over de permeabimteit deu roode bi.oedmciiaampjes in verband^\'\'

met 1)e isoton1sc1ie ooëfkioiënten. /

/ ■» •. jgry

H. J. HAMBÜRKER. X ^

Vroeger i) toonden wij lt;aan, dat wanneer men gedefibrineerd bloed Wni.enpit* ^ mut zoutoplossingen van verschillende concentraties o,n men de bloodliclva,nm|ir\' y* jes laat be/.inken, van ieder zout een concentratie gevonden wordt, waarin geen kleurstof uit do bloedlichaampjes treedt, terwijl de solutie, die een even geringere concentratie bezit wel kleurstof doet uittreden. Wij zagen, dat zoo men voor ieder zout telkens het gemiddelde van beide grenzen neemt en dan de gemiddelden onderling vergelijkt, do laatsten nauwkeurig beantwoorden aan de isotonische coëfficiënten van Prof. Hugo de Vries.

Wellicht is het voor sommige lezers niet overbodig, de beteekenis dier ^coëfficiëntenquot; met een enkel woord toe te lichten.

Wanneer men levende plantencelien eenigen tijd in een zoutoplossing laat liggen, die een grooter wateraantrekkend vermogen vertegenwoordigt, dan de inhoud der plantencel, dan zal de cel zoolang water verliezen, totdat do celinhoud hetzelfde wateraantrekkend vermogen heeft verkregen als de zoutoplossing. Bij dit waterverlies trekt de protoplast zich van den celwand terug Men noemt dit verschijnsel plasmolyse.

Wanneer men van verschillende zouten de zwakste concentratiën zoekt die nog juist plasmolyse, d. i. scheiding van celinhoud en membraan, hij dezelfde soort van cellen kunnen teweeg brengen, dan blijkt tusschen deze concentratiën een eenvoudige verhouding te bestaan. Voor sommige zouten zijn zo evenredig met do moleculair-gewichten, zoodat dus ieder molecuul van deze zouten met gelijke kracht water uit de cel aantrekt. Tot deze zouten behooren KNOj, K Br, KCI, Na I enz.; kortom, alle zouten der alkali-metalen, die één atoom alkali in het molecule hebben.

Kan dus bijv. in oen zeker soort van plantencel, een K NO,t-oplossing van 1,01%, juist plasmolyse teweegbrengen, dan zal dit ook geschieden dooreen oplossing van K Br van \'l,\'19o/0, door een oplossing van KCI van en

door een oplossing van Nal van l,50/0 (de moleculair-gewichten van genoemde zouten zijn ook resp. 101, 119, 7^,0 en 150;.

Ging nu de gegeven regel voor alle zouten door, dan zou men voor hetzelfde

\') Onderzoekingen, gedaan in het physiol. lab. der Iloogesehool te Utrecht, Berde reeks, TX, p. 22. Ook

Arehiv. f. Anat. n. Physiol. Physiol. Abth. 1880. S. 47G.

-ocr page 6-

2

doel oen oplossing van K2 SO) van \\,l\\0/0 noodig hebben, daar bot moloc. gewicht van Ka SO/,, is. Intusschen blijkt dat men voor zouten mot \'2

atomen alkali in bot molecule, met moet vermenigvuldigen, zoodat do be-

3

noodigde concentratie wordt x i .74 = 1.3°/0; zoo zal men van rietsuiker,

4

waarvan het moleculair-gewicbt 342 is, in ons geval niot noodig hebben een

•j

oplossing van 3.420/0, maar van 3.42 x = 5.13°/0.

De concentration van genoemde zouten, die oen begin van plasmolyse in dezelfde cellen kunnen teweeg brengen, noemt de Vries isotonisch, van Uto; en róvog, omdat zij een gelijke spanning in de cel veroorzaken, met gelijke kracht water aantrekken, en zoo zijn dan de oplossingen van K NO3 van \'l,01o/o, K Br \'i,190/0, NaIl,50/o, K2 SO4, l,30/0 en rietsuiker5,130/0,ouderling isotonisch.

Uit deze feiten volgt, dat het wateraantrekkend vermogen van een molecule K NOj, K 2 SO4 en rietsuiker tot elkaar staan als 1:5; 3 of als 3:4:2. Noemt men dus het wateraantrekkend vermogen van een molecule KNO.-j, 3, dan is dit van K 2 SO4, 4, en van rietsuiker 2. Deze getallen noemt Huoo de Vries isotonischc coëfficiënten 1).

Tl ij vindt voor:

Organische motaalvrije verbindingen den isotonischen coöffic........2

Alkalizouten met één atoom metaal in hot molecuul don isotonischen coëlïlc. 3 Alkalizouton mot 2 atomen metaal » // « « n » 4

h u 3 quot; I\' quot; I\' quot; quot; quot; quot; 5

Zouten dor aardalkaliün met één atoom zuur i. b. molec. w « » 2

» » // » 2 atomen // ff // lt;/ » //4

Door deze coëfficiënten kan men berekenen, welke concentratie van een willekeurige stof een gelijk wateraantrekkend vermogen heeft als, m.a. w. isotonisch is met bijv. een K NO,t-oplossing van 20/o\' Vragen we dit bijv. voor druivesuiker. Daarvan is het moleculair gewicht 180, dus is de mot

2o/o-KN03 isotonische oplossing x 2 x ^-= 5,34°/0 2).

En zoo vonden wij ook. dat\'wanneer oen weinig gedefibrinoerd runderblood vermengd was met 20 cc vaneen K NO 3-oplossing van 1,04°/0, geen kleurstof uit de bloedlichaampjes trad, maar bij vermenging met KNO3 van 0,0üo/o wel. Het gemiddelde was dus l0/0.

\') Zie de bepaling van don isotonischen coëfBoiënt van glycerine in dit Maandblad, Jaarg. 14, p. 100, en van dien van ralfmose in den lüdcn Jaargang p. 8.

,) Wie omtrent deze hoogst interessante onderzoekingen van de Vries meer wenseht te weten, loze o. a. Eine Methode zur Analyse der Tunjorkraft, in l\'ringsheims Jahrbücher fur Wissrnsch. Bofanik, li. XIV. Heft 4.

-ocr page 7-

3

Zochten we nu dit gemiddelde ook voor andere zouten, dan leerde de proef dat hot voor Na Cl was: x i0/o = 0.580/c, voor Na I, Vj-x i =

voor rietsuiker ^ x | = 5,quot;13%; voor kalium-oxalaat ^ x |- = 124%;

concentratiën dus, beantwoordende aan do isotonische coëfficiënten van dr Vries.

r,ater i) toonden wij aan, dat do zoutoplossing, waarin de bloodlicbaampjes kleurstol\' beginnen te verliezen, in wateraantrekkend vermogen ver beneden liet overeenkomstige sornm staan. Men moot dit met 50, gewoonlijk met meer percent water verdunnen, voordat het in staat is, na met gedeflbrineerd bloed vermengd te zijn, kleurstof uit de lichaampjes te doen treden. Do zoutoplossingen, die in wateraantrekkend vermogen met het serum gelijk staan, noemden we isotonisch, do daarboven gelegene hyperisotonisch en de daaronder gelegene hypisotonisch.

Wij hebben thans deze onderzoekingen voortgezet.

Vermengden we 20 c c gedeflbrineerd runderbloed met 40 c c van een oplossing van KNO3 van 1,07%, (in hot onderhavige geval isotonisch met het serum), deden door middel van een centrifugaal machine 2) de bloedlichaampjes op don bodem van hot vat bezinken, verwijderden dan do vloeistof, die bovon do lichaampjes stond, en vermengden van do laatste eenige droppols mot 20cc van chloornatrium-oplossingen van 0/i8o/o, 0,49%, 0,5%, 0,51%, 0,52%, dan blook na oenigen tijd, dat in oen NaCI-opIossing van 0,5% on daaronder, kleurstof uit do lichaampjes was getreden, maar niet in een oplossing van 0,51o/o en daarboven.

Dezelfde grenzen: 0,5 en 0,51o/o vertoonde ook het oorspronkelijke godefi-brineorde bloed, (dat dus niet met KNO3 was behandeld).

Dezelfde resultaten vorkregen wij bij de behandeling van runderbloed met eon IC NOa-oplossing van 3° 0 (hyporisotonisch) en van •1.25% (hypisotonisch). Ook hier bleken de grenzen voor het uittreden en niet-uittredon van kleurstof te zijn resp. Na Cl 0,5% en 0,51%. Gelijke uitkomsten werden verkregen met bloedlichaampjes, die behandeld waren mot oplossingen van Na NO3, Na Cl, Nai SO4, Na I, drnivesuikor en rietsuiker, (verbindingen met ongelijke isotonische. coëfficiënten\') on vorder met serum,, dat vooral\' met water verdund was. Zooals ook uit do volgende tabel blijkt, verhielden honden-, paarden-en varkensbloed zich evenals runderbloed.

\') Archiv. f. Anat. u. Physiol. Physiol. Abth. 1887, S. 31.

\') Deze toestel werd mij wohvillend door Prof. Enqet.mann en PuKiatTAiiiNo in bruikleen afgestaan. Ik zeg hnn hiervoor mijn dank.

-ocr page 8-

O

O

CS

O

O V

»o oquot;

ö D

O

4J (V

-(Dl)

- — \'O

bD 0)

2

cc

lt;D

■~?:zp v

2—= -

t-

O) D

O c

C gt;

o iO O

O

O

O-lgt;

oquot;

O

O £ Ld

O Ld

O ri A

Q

C5

5^

O

rt amp;

lO

cT c

03

O

iO

oquot;

gt;

O

O O

c ^5

vt

oquot;

O iO

o

O 10 oquot;

O

O

r-

vtgt; oquot;

)0 oquot;

il

O ^

c ^

gt;

13

t- \'-ff

ff

^03

03

O

-ff

O

J

03

03 -C

03

ff

0)

-ff

-»J

03

ff

ff

rt

03 S

-D quot;C-

O -*—\'

gt;

bc_, c 72

WJ

13

73

CO O yj quot;ff O

J

■ —

ff

Oh

O

ff

(73

ci

O

gt;

O

N

o 1) O bD O

0 -♦-» -c: .

.22 \' ^ c

:^-o ~

Vp-D s

cl ^ -^3 t-

c D 1) D

^ -*■* JS o? O -X)

\'H.a^ c

O D

| ü^s

O ~ ES3 C -O

D

i 03

2 -g £ quot;S tc:= §

O ^ .33 ;\'*gt; - ? g ^ quot;a o ^ ^ ^

O

l0rgt;

10

iO

00quot;

lt;*

O

rbD

O

o 1-

O

)0 J o\\ o

O O

CO //{

ff \'S

o

v)

\'o-

C3 gt;

Qm r^gt; -ff

-C

bf) ff

s ^

O

cfl bD

o

C/3 bü

O amp;

O

vf

O o

O

Ul §

TS

quot;D

_o

O CM

73

03 JD

3 o

TS

03

2 O

03 O

3

O

quot;Ö

03 O

3

O

Td

03

rO

O C^l

ff

-ocr page 9-
-ocr page 10-

6

Uit dozo tabol blijkt, dat do behandeling van versciiillende blocdsoortun mot hyper- en hypisotonische oplossingen van stoflen, wier isotonische coëifieient afwisselt tusschen \'2 en 4, geen verandering in hot wateraantrekkend vermogen teweeg brengt. Op dezen regel schijnt slechts het MgS04 met zijn lagen isotonischon coëfficiënt een uitzondering to maken, on wol constant, zoowol bij runder- als bij paarden- en varkensbloed. Steeds wordt door behandeling met dit zout bot wateraantrekkend vermogen dor bloedlichaampjes verlaagd. Wij hebben getracht na te gaan ol\' dit ook voor Ba on Ca-zouton het geval was Varkensbloed-lichaainpjes bleven echter na behandeling met een oplossing van Ba Cl 2 2 aq van 50/0 dezelfde isotonische waarde behouden, die zij vóór do behandeling vertoonden.

Met Ca Cl 2 mislukte de proef: wanneer het bloed mot oen oplossing van dit zout vermengd was en het mengsel werd in do centrifugaalmachine geplaatst, dan was na eenigen tijd de bovenstaande vloeistof volkomen kleurloos. Behandelden wij dan echter de bezonken bloedlichaampjes met NaCI-soluties van verschillende sterkten, om te zien bij welke concentratie kleurstof begon uit te treden, dan bleek, dat dit bij alle Na Cl-sohities hot geval was, ook bij vrij sterke. Hot scheen, dat Ca-zouton, In de gevorderde concentratie, de bloedlichaampjes permeabel maakten voor kleurstof. Um zeker te zijn, dat bot weinigje CalloOj dat in CaClj ploegt voer te komen, niet de oorzaak er van was, voerden we CO2 door, maar kregen geen neerslag.

Met Mg Cl 2 kregen wij dezelfde uitkomst als mot Ca Cl 2. Wij hebben toen getracht (Ion ongunstigen invlóed van hot CaCI2 en MgClj op de bloedlichaampjes te verminderen door zwakkere oplossingen te vermengen mot NaCI-soluties en ze dan mot bot bloed te vermengen. Dit gelukte inderdaad: de bloedlichaampjes lieten zich, nadat ze in de mengsels gecentrifugeerd waren, evenals normaio lichaampjes met Na Cl-oplossingen onderzoekon. Zoo werden mengsels bereid van 20 cM3. Ca Cl2-oplossing van 40/0 en 20 cM3. NaCI-oplossing van i0/0, vorder van 20 cM3. Mg Cl 2-oplossing van en 20

cM3. Na Cl-oplossing van 10/0 on ter vergelijking ook oen mengsel van 20 cM3. Mg SO4-oplossing van 30/0 en 20 c.M3. NaCI-solutie van i°/0.

Bij 30 cM3. van deze drie mengsels werden 10 cM3. bloed gevoegd. Na bezinking dor lichaampjes werden deze met NaCI-soluties onderzocht.

liet bleek nu, dat Ca Cl 2 en Mg Cl 2 geen verandering in isotonische waarde hadden teweeg gebracht; MgSOj daarentegen een zeer geringe en wel inde vroeger reeds waargenomen richting.

Hoe kunnen wij nu, afgezien van de geringe afwijking van hot MgS04, hot verrassende resultaat van bovenstaande proeven verklaren?

Wij zouden kunnen aannemen, dat de bloedlichaampjes slechts voor water permeabel zijn. In dit geval zouden zij in isotonische zoutsoluties geheel onveranderd blijven, in hyperisotonische slechts water verliozon on in hypisotonische water opnemen.

Worden dan de bloedlichaampjes, na in dozo oplossingen gelogen to bobben.

-ocr page 11-

7

in enn zwakke Na Cl-solutie gebracht, dan zullen ze in de drie gevallen ten slotte een gelijke quantiteit water bevatten: een boeveolheid, die beantwoordt aan do absolute hoeveelheid zout, er in aanwezig, welke hoeveelheid, ingevolge de onderstelling gelijk gebleven is. Daar het opnemen van een zeker volumen water aanleiding geeft tot zwelling en eindelijk tot verlies van kleurstof\', zal men bij de bloedlichaampjes, die in isotonische, zoowel als bij die welke in hyper- en hypisotonische zout-soluties hadden gelegen, door dezelfde Na Cl-oplossingen kleurstof zien uittreden.

Echter hebben wij door eene reeks van chemische analysen met zekerheid kunnen uitmaken, dat de bloedlichaampjes van bet gedefibrineerde bloed in isotonische, hyper- en hypisotonische oplossingen in aanzienlijke mate voor zouten permeabel zijn.

Wij laten hier eenige proeven volgen:

20 cM3. paardebloed worden vermengd met 50 cM3. Na NO3-oplossing van *1 \\0/o- Het mengsel wordt in de centrifugaalmachine gebracht e*i naeenigen tijd 20 cM3. van de gele bloedlichaampjes-vrije vloeistof afgezogen. Van deze vloeistof worden chloor-bepalingen gedaan, nadat de eiwitstoffen door verwarming niet XYi maal het volumen van een verzadigde oplossing van (NIl^j SO4 zijn neergeslagen. 1)

Do chloorbepalingen geschieden door toevoeging van overmaat van Ag NO 3, bij aanwezigheid van vrij HNOj en titrage van het Ag NO 3, dat niet door hot chloor gebruikt is, door KCNS en ferrinitraat.

Het chloorgehalte van 20 cM3. van de door centrifngeeren verkregen vloeistof komt overeen met 4.80 cM3. AgNO.i-opl. (A normaal).

Neemt men aan, dat in -100 vol. paardebloed aanwezig zijn 40 vol. bloedlichaampjes en GO vol. serum, dan zijn in 20 cM3. bloed, 12cM3. serum aanwezig cn bedraagt dus de geheele hoeveelheid vloeistof van het mengsel 50 12 = 62 cM3. Daar nu 20 cM3. van deze vloeistof overeenkomen met 4.80 cM3. AgNO;1, zullen 02 overeenkomen met 15.00 cM3. t\'o norm. Ag NO3.

liet chloorgehalte van 42 cM3. serum komt overeen met ü x 20.400 = 12,24 cM3. Ag NO3.

Terwijl dus in de vloeisto/fen,, voordat zij bij elkaar gevoegd worden, een hoeveelheid chloor aanwezig is, overeenkomende met 12,24 cM3. A normaal AgN03, blijken zij na vermenging een boeveelheid chloor te bevatten, die , overeenkomt met 15.00 cM3. tV norm AgNOs.

.| Q0_-p2 24

De sereuze vloeistof in dus—- ^ X 100 = 23.04°/0 in chlooryehallc

lucyenomen ten koste van dat der bloedlichaam]ijes, m.a.w. er is chloor uil de bloedlichaampjes getreden.

\') Hot is bekend, dat (NH,)1 SOt reeds in de koude, alle eiwitstoffen uoorslaai. Wanneer nieu cchtei\' in een waterbad verwarmt, heeft men veel minder zontojdossiiif; noodig, zooala boven blijkt. Voor oplossing van haemialbumose beeft men bier niet te vreezen, daar deze stof\' in bet serum zoo goed als niet voorkomt.

-ocr page 12-

8

Dit resultant scliijnt ia zeker» mate al\'luinkelijk van de oiulorstoliiiig, ilat in ICO volumina bloed GO vol. serum aanwezig zijn. Stelt men ecliter, dat 100 volumina van liet paardebloed 50 ol\' 70 vol, sornni bevatten-—wat zeker niet waar was —dan geeft de berekening toch nog een uittreden van chloor uit do bloedlichaampjes.

\'2. Van deze proef en de G volgende, die wij geheel op dezelfde wijze uitvoerden als de sub. 4 beschrevene, laten wij de berekening achterwege, doch deelen slechts de resultaten mede:

20 cM 3. kalfsbloed -j- 40cM3. Na NO 3 van 110/0.

Van de door centrifugeeren verkregen vloeistof zijn:

20 cM3.=8.62 cM3. TV normaal Ag NO3.

Van het bij het gedefibrLneerde bloed behoorendo serum zijn: 12 cM3. = 12.46 cM3. TV normaal Ag NO3.

Resultaat: De sereuze vloeistof is 79.8°/0 in chloorgehalle toegenomen ten kuste der bloedlichaampjes.

3. 20 cM3. kalfsbloed50 cM3. Na NO3 van lJ0/0.

Van do door centrifugeeren verkregen vloeistof zijn:

20 cM3. = G.04 cM3. TV normaal Ag NO3.

Van het bij het gedefibrineerdc bloed behoorendo scrum zijn: 12 cM3. - 124G cM3. .V normaal AgNOs.

Resultaat: Do sereuze vloeistof is 55.70/o in chloorgehalle loegcnomen ten koste der bloedlichaampjes.

4. 20 cM3. kalfsbloed 40 cM3. serum -1-10 c\'M. NaN03 van 1J0/0. Van de door centrifugeeren verkregen vloeistof zijn:

20 cM3. = 49.G cM3. TV normaal Ag NO 3.

Van het bij het gedefibrineerde bloed behoorende serum zijn: 12 cM3. — 12.40 cM3. TV normaal AgNOs.

Resultaat: De sereuze vloeistof is 12.4(i0/0 in chloorgehalle toegenomen ten koste der bloedlichaampjes.

5. 20 cM3. paardebloed 40 cM3. scrum 10 cM3. Na Cl-oplossing, ongeveer isotonisch met (serum).

Van de door centrifugeeren verkregen vloeistof zijn:

20 cM3. = 10.77 cM:i. normaal Ag NO3.

Van het bij het gedefibrineerde bloed behoorende serum zijn:

12 cM3. = 12.24 cM3. A normaal Ag NO3.

Van de Na Cl-oplossingen zijn 10 cM3. = 18.57 cM3. Ag NO3.

Resultaat; De sereuze vloeistof heeft !i6.40/0 van haar chloorgehalle aan de bloedlichaampjes afgestaan.

-ocr page 13-

9

(). \'20 cM3. paiirdubloed -f- 40 cM3. Nu Cl-o[ilussiiig,-onyovucr isotciiiscli niet hot sorum.

Van de (lnui1 centrirugeoren verkregen vloeistol\'zijn:

20 cM 3. — 32.05 cM 3, TV normaal Ag NO 3.

Van liet bij hot getlefibrineerde bloed belioorendo sorum zijn; 12 c,M3. = 12.24 cM3. T\'ff normaal Ag NU3.

Van de NaGl-oplossing zijn 10 cM3. — 18,57 cM3. T\'a norin. Ag NUn.

Resultaat; Da sercuze vloeistof heeft 1.9o/0 van haar chloorcjehalle aan dc hlocdlichaampjes afgestaan.

7. 20 cM3. paardebloed -f- 50 cM3. Na Cl-oplossing, ongeveer isotoniscli met bet serum.

Van de door centrifugeeren verkregen vlooistol\' zijn;

20 cM3. = 31.71 cM3. normaal Ag NU3.

Van bet bij het gedefibrineerde bloed bebooronde sermn zijn; 12 cM3. = 12.24 cM3. tV normaal AgNO».

Van de Na Cl-oplossing zijn 10 cM3, — 18.57 cM3. Ag NU3.

Resultaat; Dc sereuze vloeistof heeft 0,5°/0 van haar chluorgehaltc aan dc bloedlichaampjes afgestaan.

8, 20 cM3. paardebloed 40 cM3. serum 10 cM3. water

Van de door centrifugeeren verkregen vloeistof zijn;

20 cM». = 17,33 cM3. TV normaal Ag NU3.

Van bet bij hot gedefibrineerde bloed belioorendo sernm zijn: 12 cM3. = 12.24 cM3. A normaal AgNU3.

Resultaat; De sereuze vloeistof is 1.240/o in chloorcjehalle toegenomen ten koste van de hloedlichaampjes.

Wij hebben, hoewel met een ander doel, nog een aantal proeven in doze richting genomen, zoo bijv. met isotonischo, bypor-en bypisotonisclie KNU3-en druivosuiker-oplossingon en zijn ook door doze tot bot resultaat gekomen, dat de bloedlichaampjes van hel gedefibrineerde bloed voor chloriden permeabel zijn en wel, extra- en inlrameahel. \')

Van deze prooven willen wij nog ééne verraoldon, waarbij gebleken is, dat terwijl chloor uit do bloedlichaampjes trad, bot phosphorzuur den omgekeer-don weg volgde;

200 cM3. paardebloed werden vermengd mot 300 cM3. K NU3-oplossing van 1.55°/0 (isotoniscli met het serum). Bij 300 cM3. van do door centrifu-

\') „Extrameiibelquot; noemt Janse plantencellen, wanneer er stollen ui/, eu „intrarneabelquot; wanneer er atoffen in kunnen treden. Zie üu. J. M. Jansk, „Die l\'cnnealiilitiit des l\'ro-toplasmaquot;, in de Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akadeinie van Wetenscliajipen, Afd. Natuurkunde. Derde reeks. Deel JV, pag. 336.

-ocr page 14-

■10

guemi verkregen serouse vloeistof\' worden \'i\'ioO cM\'. water gevoegd: het mengel werd in een koll\' verwarmd in oen waterbad, en daarna met zooveel droppels verdund azijnzuur behandeld, tot dat men tusschen het vlokkig neerslag van het eiwit door, een zwarte plaat kon zien; dan werd de kolf op de open vlam verhit, De eiwitstoflen konden nu geheel door filtratie verwijderd worden. In een deel van het filtraat werd het chloor bepaald dooi\' AgNOs en KCNS, terwijl liet andere deel zoover op een waterbad werd Ingedampt, tot het phosphorzuur ongeveer de voor de titrage met Uraanacetaat gevorderde concentratie had verkregen.

Het bleek nu, dat dn sereuze vloeistof irgt;,50.\'0 in chloorgehalte was lue-yenomen, terwijl zij 20°/0 van haar phosphorzuur aan de bloedlichaampjes had afgestaan.

Uit de hoven vernielde proeven ziet men verder, dat de betrekkelijke hoeveelheden in- en uitgetreden chloor aanzienlijke verschillen vertoonen. Wij hebben bier te doen met een osmotisch evenwicht, waarvan de voorwaarden ceteris paribus behalve van het quantum water, ook van den aard en de hoeveelheid der vaste bestanddeelen moeten afhangen. Met zou wellicht de moeite loonen, de voorwaarden tot dit evenwicht bij de bloedlichaampjes aan een onderzoek te onderwerpen.

Dit hebben wij reeds kunnen opmerken, dat het osmotisch evenwicht zich ■spoedig heeft ingesteld. Wij vermengden bloed met zoutoplossingen, centrifugeerden onmiddellijk na vermenging, waarvoor ongeveer K uur gevorderd werd en bepaalden in de boven de lichaampjes staande vloeistof het chloor. Dezelfde bewerkingen herhaalden wij met dezelfde hoeveelheden, met dit onderscheid echter dat wij het mengsel, voordat het in de centrifugaalmachine werd gebracht, gedurende een dag herhaaldelijk schudden. In beide gevallen was de hoeveelheid chloor volkomen dezelfde. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat het voor ons van belang was, hieromtrent zekerheid te hebben. Wij mochten nu den factor „tijdquot; bij onze proeven buiten beschouwing laten.

Zijn de bloedlichaampjes, zooals de zooeven beschreven proeven leerden, voor zouten aanzienlijk permeabel, dan kunnen wij de resultaten der tabel op de daaronder aangegeven wijze niet verk\'aren. Vroeger hebben wij uiteen gezet, dat de geldigheid der isotonische coëfficiënten bij onze proeven met bloedlichaampjes hoogstwaarschijnlijk in hoofdzaak berust op wateraantrekking. Waren onze redeneeringen werkelijk juist, dan mogen wij thans in verband met de cijfers der tabel aannemen, dat na vermenging van bloed met isotonische, hyper- en en hypisotonische zout- en suiker-oplossingen, het watcraantrchhend vermogen van den i)ihouil der lichaampjes onveranderd is gebleven: in dit geval moet er lusschen de laatste en hun omgeving een wisseling van bestanddeelen hebben plaats gehad in isotonische verhoudingen.

Dat nu inderdaad het wateraantrekkend vermogen der bloedlichaampjes

-ocr page 15-

H

nu vunnenging met vcrscliillondo üout-soliitios onvei\'aiidei\'d is gubluveu, liebbun wij met /.ekc.rlioid kunnon aantoonun.

Wij redeneerden aldus:

Vermengt men oen willekourige hoeveelheid gedefihrineerd lgt;lood met c üi willekeurige hoeveelheid van een zout- of\' suikeroplossing, die isotonisc.h is met het serum, dan «al, indien nu inderdaad do bloedlicliaampjes geen verandering van wateraantrokkend vermogen ondergaan, dit met het verdunde serum ook niet hot geval zijn.

Wij hebben hot wateraantrokkend vermogen der vloeistof bepaald door middel van roodo bloedlichaampjes (makroskopische grens) en bovendien, — om geen gevaar te loopon in een cirkel to redeneoren — met Tradescantia discolor (naar de methode van Hugo de Vries.)

Het resultaat was zeer bevredigend.

Wij willen een der proeven nader beschrijven;

Gedelibrinoerd paardeblood word aan de werking der centrifugtlalinaeliino onderworpen en hot verkregen serum afgezogen.

5 cM.i van dit serum werden vermengd met 4,3,75,3,5,3 en 2,5 cM3 water en bij deze mengsels werden oen paar droppels gedefibrineerd bloed gevoegd. Na eenigen tijd bloek, dat in do vloeistof, bestaande uit een mengsel van 5 cM3 serum en 3,75 cM3 water een weinig bloodkleurstof was uitgetrodon, terwijl dit niet hot geval was in do vloeistof, bestaande uit oen mengsel van 5 cM3 serum 3,5 cM3 water.

Tegelijk met deze proeven werden 20 cM3 van oen rietsuikeroplossing van 5,04c/o, 4,930/0, -1,820 0, 4,730/o on 4,04o/o vermengd met eenige droppels van hetzelfde gedefibrineerdo bloed. Het bleek, dat in de oplossing van 4,73% een weinigje kleurstof was uitgetreden, maar in do oplossing van 4,82c70 niets, (deze boide rietsuikeroplossingen zijn isotonisch, resp. met ICNO3-soluties van 0,94 en 0.9Go/o.)

3 75 I 3 5

;gt; Serum mot \'J-^1 water verdund, was dus isotonisch mot een riet-

4- 7^ -4— A H62

suikeroplossing van —™—-— = 4.770/0, zoodat het onverdunde serum als zoodanig in isotonische waarde gelijk stond met een oplossing van rietsuiker Vlln X 4,77 = 7,22°/0.

Deze oplossing word bereid en 60 cM3 gedefibrineerd bloed vermengd met 100 cM3 van deze oplossing. Na liet centrifugooren word do bovonstaando vloeistof afgezogen. Van deze vloeistof werden woei\' 5 cM3 vermengd met 4, 3,75, 3,5 on 3,25 cMs water en vervolgens met onkolo droppels van liet oorspronkelijke gedefibrineerdo bloed. Na bezinking dor bloedlichaampjes bloek ook nu weer kleurstof uitgetreden te ziju bij hot mengsel van 5 cM3 van de soreuse vloeistof en 3,75 cM3 water, terwijl dit niet het geval was bij het mengsel van 5 cM3 soreuse vloeistof en 3,5 cM3 water.

-ocr page 16-

12

Hut suiinii block dus imlerdaiul uiut, in watui\'iianti\'okkend verniugcn vcr-iiiiderd tu zijn; liotgecn tocli wel begi\'ijpolijk zou geweest zijn, wanneer men bedenkt, dat, zonals wij boven hebben aangetoond, bij vermenging van bloed met isolunische oplossingen zelfs, een wisseling van zouten in de bloedlichaampjes en omgevende vloeistof plaats grijpt. Deze wisseling blijkt nu zoodanig plaats te hebben, dat bet wateraantrekkend vermogen van de bloedlichaampjes en van de omringende sereuze vloeistof geen verandering ondergaat.

Ten einde geen gevaar te loopen in een cirkel te redeneeren hebben wij nog een anderen indicator gebruikt, welks werking wij zeker tot watoraan-trekking mogen terugbrengen, nl. de plasmolyse in de cellen van Tradescuntia discolor \').

Tot dit dool verdunden wij 5 cM-i van het gecentrifugeerde serum 2) met 0,\'2, 0,4, 0,0, 0,8, 1, 4,5 en \'2 cM\'i water en bestudeerden, in welke vloeistof, allo cellen, de helft en geen der cellen een begin van plasmolyse had ondergaan. Het bleek, dat bij verdunning met 0,0 cMs water bijna alle, met 0,8 cM.1 water ongeveer do helft en mot 1 cM3 water geen der cellen geplas-molyseerd was.

Tegelijkertijd waren andere opperhuidscellen, naar hot voorschrift van De VltlES, in de nabijheid der bovenbedoelde gelegen, in suikeroplossingen van 5,-13%,\' 5,64%, 6,15%, 0,07%, 7,18% en 7,090/o gebracht, en na 3 tot 4 uren onderzocht. Het bleek, dat in do suikeroplossing van 5,04o/o geen, in die van 0,15% ongeveer de helft en in die van 0,07o/o ongeveer alle cellen plasmolyse vertoonden.

5 cM3 serum met ^ — 0,8 cM3 water verdund, bleek dus in water-

2

aantrekkend vermogen gelijk te staan met een suikeroplossing van 0,15%,

110

dus het onverdunde serum stond gelijk met een suikeroplossing van X

0,15 = 7,130/0 (oen getal weinig afwijkende van hetgeen wij mot behulp dor bloedlichaampjes verkregen).

Met 60 cM3 van deze vloeistof vermengden wij 40 cM3 van hot godefibri-neerdo blood, centrifugeerden on zogen do serouse vloeistof af.

Van deze moesten nu ook 5 cM3 mot 0,8 cM» water verdund worden, om in de helft der cellen plasmolyse teweeg te brengen, terwijl 5 cM3 met 1 water verdund, in bijna geen on met 0,0 cM3 water verdund, in alle cellen plasmolyse veroorzaakten.

Wij hebben nu aangetoond, dat wanneer bloed vermengd wordt met oen

\') üvei\' de methode vim onderzoek, zie Hugo dk Vkies: Eine Methode zur Analyse der Tnrgorkraft l.c.

\') Het zul wellicht vreemd schijnen, dut wij niet het serum gebruikten, dat door den bloedkoek wordt uitgezweet Meermalen hebben wij ons cr vau overtuigd, dat dit vaak aanzienlijk in wateraantrekkend vermogen, enz. verschilt van het serum vau het gedefibriueerde bloed.

-ocr page 17-

13

isotonische suikeroplossing;, do bloedliclmampjos on vloeistof van bcstamlileelon wisselen in isotonische verhoudingen. Tlians rost ons nog, hetzelfde experimenteel aan te toonen voor hyper- en hypisotonische oplossingen.

Wij redeneerden hiertoe aldus:

Vermengt men een bekende hoeveelheid gedefibrineerd bloed meteen hyper-of hypisotonische oplossing — laten we, om do gedachte te bepalen, een hj\'perisotonische rietsuikeroplossing nemen, nl. eene van 12°/0 —, dan zal de vloeistof\', die na het centrifugeeren zich boven de bloedlichaampjes bevindt, een geringer wateraantrekkend vermogen bezitten dan de suikeroplossing van 12% en wel des te geringer, naar mate meer serum aanwezig was. Kent men do hoeveelheid serum, in de bekende hoeveelheid bloed .aanwezig, dan zal men kunnen voorspellen, hoe groot het wateraantrekkend vermogen van hot mengsel van serum en suiker-oplossing zal geworden zijn, indien namelijk het mengsel door het in- of uittreden van stojfen van do zijde der bloedlichaampjes, geen verandering in wateraantrekkend vermogen hoeft ondergaan.

Nu kennen wij echter het betrekkelijk volumen van het serum in bloed niet, maar kunnen dit—indien onze hypothese (het zooeven cursief gedrukte) waar is — uit de verandering, die het wateraantrekkend vermogen der suikeroplossing ondergaat, berekenen. Doen wij dan vervolgens de proef ook met oen andere hoeveelheid der hyperisotonische oplossing en blijken de cijfers voor het volumen van het serum bij do verschillende proeven met elkander overeen te stemmen, dan moet ook onze hypothese waar zijn; i) immers zonder deze zou do overeenstemming in de bewuste cijfers niet mogelijk zijn.

Wij laten hier een proef volgen:

30 cM3. gedefibrineerd paardobloed worden vermengd met 30 cM 3. vaneen rietsuiker-oplossing van i20/0: vervolgens wordt het mengsel in decentrifu-gaalniachine gebracht en- worden van de afgezogen vloeistof telkens 5 cM-1. vermengd mot 0.75, i, i 25, 1 5, 1.75, 2, 2.25 en 2.5 cM3. water. Nu worden oen aantal coupes van dezelfde plaats van een blad van Tradescantia vervaardigd. Van deze coupes, die zonder regelmaat door elkander liggen, worden telkens twee in bovengenoemde mengsels gelegd en ook in suiker-oplossingen, isotonisch met KNO;) van 1.8%, 1.7%, 1.6%, 1.5%, 1.4% en 1.3%, ten einde de suikerwaarde der Tradescantia-coupes te bepalen.

liet blijkt, dat de sereuze vloeistoffen, vermengd met 0.75, 1 en 1.25 cM3. water, in beide praeparaten plasmolyse van alle cellen hebben veroorzaakt.

\') Eigenlijk zou het volumen der bloecllicliaampjes, na inwerking van zekere hooveellieid eener hyperisotonische oplossing moeten versohilleud gevonden worden van het volumen, dat zij aannemen door inwerking vau een andere hoeveelheid, daar de screuse vloeistollen dan toeh verschillende concontraticu krijgen. Echter is de plasmolytische methode met Tradescantia niet nauwkeurig genoeg, om deze verschillen te kunnen nantoonen.

-ocr page 18-

14

maar dat do vloeistof, vermengd met 1.5, 1.75, 2, 2.25 nn 2.5 cM3. water in geen der colion plasniolyse lieoft tewooggobracht.

Vorder wordt opgemerkt, dat plasmolyso van alle cellen is ingetreden door suikeroplossing van 8.210/o (isotonisch met K NO :l van 1.0o/o) on van geen dor cellen door suiker-oplossing van 7.C)90/0(isotoniscli mot KNO3 vanl.50/0). Ilioniit blijkt, dat bot mengsel van 5 cM 3. der sereuze vloeistof en 1.375 cM3.

8 21 -f- 7 09

water isotoniscli is met rietsuiker-oplossing van —\' —= 7.950/0, dus

5 4- ■] 375

de seronzo vloeistof zolf met \' —X 7.95 = 10.14°/0 suiker oplossing.

Op dezelfde wijze vinden wij, mot behulp van 0011 stukje Tradoscantia, waarvan wij afzonderlijk de suikerwaarde bepalen, die van liet oorspronkelijke serum = 7.110/o.

Stel nn hot aantal cM3. serum in 30 cM3. gedofibrinoord blood = x, dan is de berekende suikerwaarde van het mengsel van 30 blood on 30 rietsuiker van 12° 0 = 7.11 x-f-30 x 12 en dozo moot gelijk zijn aan do govon-deno = 10.13 x (30x).

7.11 x 30 x 12 = 10.13 (30-1- x).

Waaruit volgt x = 18.8,

In 100 cM3. van het gedofibrinoerde blood zouden dus naar ilczo proof 18 8

voorkomen x 100 = 02.0 cM3. serum.

Voor een tweede proef worden 20 cM3. vermengd met 30 cM3.rietsuikeroplossing van \'l20/0.

Hot blijkt, dat 5 cM3. van de door centrifugooren verkregen vloeistof mot 0.75 cM3. water moeten verdund worden, ton einde plasmolyso teweeg te brengen; bij 5 cM3. soreuze vloeistof-4-1 cM3. water vortoonon ongeveer do helft der cellen en hij 5 cM3. dor soreuze vloeistof-1-1,25 cM3. water, zoo goed als goon der colion plasmolyso. De Tradescantia-praeparaton zijn thans isotoniscli mot suiker-oplossing van 8.770/0: do soreuze vloeistof dus mot oen 5 4-1

suikeroplossing van - X 8.77 = l0.52o/o.

Het serum = 7.110/0 suikeroplossing.

Stollen wij hot aantal cM3, serum in de 20 cM3. godoflbrineord bloed = x, dan is: 7.11 x = 30 x 12 = 10.52(30 x).

x = 13.

In 100 cM3. van het gedefibrinoorde bloed zouden dus naar deze proef 13

voorkomen x 100 = 05 cM3. serum.

Dit getal stemt vrij wol mot hot eerst gevondene overeen.

Voor hypisotonischo oplossingen toonden wij hetzelfde aan. 20 cM3. godolibrinoord paardeblood werden vermengd mot 50 cM3. van oen rietsuiker-oplossing vim 0o/o.

-ocr page 19-

15

Volgons do zooevon beschrevon methode vonden we voor de suikerwaarcle van de serenze vloeistof 0.21.

Die van liet serum (afkomstig van hetzelfde bloed, als boven gebn.\'ikt) was 7.11.

Stelt men weer liet aantal cM-1. serum in 20 cM2. gedefibrineerd bloed = x, dan is: 7.11 x 50 x 0 = (x 50) x 0.21.

x = 12.8.

Dus in 100 cM3. gedefibrineerd bloed komen voor 04 cM3. serum.

Verder werden 20 cM3. gedefibrineerd paardebloed vermengd met 30 cM3. van oen rietsuiker-oplossing van 0o/o.

De suikerwaarde der sereuze vloeistol\' was 0.32; die van bot serum 7.11.

Stolt men liet aantal elf3, serum in 20 cM3. gedefibrineerd bloed — x, dan is; 7.11 x 30 X 0 = (x -f- 30) X 6,32.

x = 12.2.

In 100 cM3. gedefibrineerd paardebloed bevonden zich dus 01 cM3. serum.

Ook voor hypisotonisehe oplossingen stemmen dus de getallen vrij wel overeen.

De basis, waarop iif. Viues zijn gebouw der isotonisclie coëfficiënten grondvestte, was de impermeabiliteit van zijn \') plantencellen voor zouten i^n het moet dus in het eerste oogenblik vreemd schijnen, dat terwijl de bloedlichaampjes aanzienlijk permeabel blijken te zijn, deze toch bij het afgeven van kleurstof du wetten der isotonisclie coëfficiënten volgen.

Analyseert men echter de feiten, dan is een bevredigende verklaring niet moeilijk te vindon.

Wij nomen bijv. een zwakke oplossing van KNO3 en voegen daarbij een weinig gedefibrineerd bloed. De bloedlichaampjes zullen dan zoolang water aantrekken, totdat de concentratie van bun inhoud een gelijk wateraantrek-kend vermogen vertegenwoordigt als die van de K NO a-oplossing.

Intusschen is het in de bloedlichaampjes bij do opneming van water niet gebleven; er is ook o.a. KNO.-) in de bloedlichaampjes getreden: echter beeft een daarmede isotonisclie quantiteit van andere stoffen het lichaampje verlaten, zoodat het. wateraantrekkend vermogen daarin gelijk gebleven is.

Door het opnemen van water nu, zwellen enkele 2) bloedlichaampjes zoo aanzienlijk, dat ze hun kleurstof verliezen en de boven de lichaampjes zich bevindende vloeistof een roode tint heeft. 3)

1

) Het ligt voor de hand, dat niet alle roode bloedlichaampjes identiscb zullen zijn; al

2

) Andere bloedlichaampjes zijn nog niet zoover, maar zullen eerst hun kleurstof verliezen, wanneer een nog zwakkere zout-solntie wordt toegevoegd; in dit geval is de bovenstaande vloeistof dun ook rooder.

-ocr page 20-

to

Gebruikt men nu in plaats van de eerst bedoelde K NO3-oplossing, een solutie van Na Cl, die hetzelfde wateraantrekkend vermogen heeft, m.a. w. er mede isotonisch is, dan zal ook door deze Na Cl-oplossing bij enkele bloedlichaampjes uittreding van kleurstof plaats hebben, dus de vloeistof een roode tint vertoonen. Immers ook hier hebben de bloedlichaampjes, hoewel zijdoor de omringende Na Cl-solutie in samenstelling zijn gewijzigd, hetzelfde water-aantrekkend vermogen behouden.

Wat voor de NaCI-oplossing geldt, vindt men ook voor andere daarmede isotonische zoutoplossingen en zoo meenen wij verklaard te hebben, waarom bij de bloedlichaampjes de isotonische coëfficiënten worden terug gevonden, wanneer men een even zichtbare kleurstof-uittreding als indicator gebruikt.

li e s u m é.

Het bovenstaande onderzoek heeft ons geleerd:

1° dal de bloedlichaampjes van het gedejlbrineerde bloed voor zouten nnn-zienlijk permeabel zijn;

dat na vermenging van gedefibrineerd bloed met isolonisehe, hg per-isotonische en hgpisotonische 1) zoul- en suiker-oplossingen en met scrum, dal vooraf met water verdund is, een uitwisseling van beslanddeelen plaats grijpt tusschen bloedlichaampjes en omgeving en wel, in zoodanige verhouding, dat de wateraantrehkende kracht van geen van beiden hierdoor verandering ondergaat, m.a. tv. in isotonische verhouding.

Wij houden ons thans bezig met de vraag of de hier gevonden feiten ook geldig zijn voor het circuleerende bloed. Is dit werkelijk het geval, dan blijkt de natuur daarin oen treffend en doelmatig middel te bezitten, om, ondanks de vele physiologische en pathologische veranderingen, waaraan het bloedvocht is blootgesteld, den inhoud der bloedlichaampjes te regelen.

\') Ovor de betcekciiis dier woorden, zie jmg. 65.

Physiologiseh Laboral. Rijks Veeartsenijschool. Oktober ISSD.

-ocr page 21-